Google
This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project
to make the world's books discoverablc onlinc.
It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and fmally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web
at |http: //books. google .com/l
Google
Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op
automaüsch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe-
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien
hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via |http: //books .google .coml
r"-.„ . ^\^. r '
^v-
-.^^■- -V.-. ;: .)
^H 'ilifiiif
^^^^^^^^^^M^B^^«^
-*Y L>* -• - tt'' '"'••
. -/tC Cl-'-»
•^V ^.X-v:r*--io,^
'■^\ ^-TH ,' W ^^
v-I-. ^ ' <.
' i ■ , 1* ' -ï* /
- 7*r-» ^ ^ ^
^* { /» i- 'Lti
» > 4^ f^*
-,"i. A .
■■M-:'-
i ^^' '-.">- H -r^"' .
ïS'" '^^
^k
• ^" :v-^::-
T
1
A. --^"^ ■
■^__
1
0.r ■--/'
C^'
^7'^
*! .>-. •
p^
GIFT OF
HORACE W. CARPENTDER
{
BIJDRAGEN
TOT DB
TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE
VAK
NEDERLANDSen- IN Dl E.
GEDRUKT BIJ U. L. 8M1TS.
•* m « • « •
• « • • • • •
BIJDRAGEN
TOT DE
TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE
VAN
NEDERLANDSCH-INDIE,
UITGEGEVEN DOOR HET
Koninklijk Instituut voor de Taal- , Land- en Volkenkunde
van Nederlandseh-Indi6.
ZESDE VOLGREEKS. — DERDE DEEL.
(deel XL VII DER GEHEELE REEKS.)
'S GRAVKNHAGE,
MARTINUS NIJHOFF.
189 7.
GIFT OF
HORACE W. CARPENTIER
INHOUD.
Bladz.
De economische oorzaken van den Java-oorlog van 1825— 30.
Door P. H. van der Kemp 1
Een Bussisch geleerde over de beeldhouwwerken van den
Boro-Boedoer. Door Prof. Dr. H. Kern .' 49
Schetsen uit Bomeo's Westerafdeeling (Met een afbeelding).
Door E. L. M. Kühr, Controleur 1« klasse B. B. . . . 57
De afwijkingen van het Mohammedaansche vermogensrecht
op Java en Madoera. Door Prof. Mr. L. W. C. van den
Berg 83
Onderzoek van stukken in het India OiRce. Verslag van Mr.
W. Boosegaarde Bisschop 183
De zendingen van Ibbetson en Anderson naar Sumatra's
Oostkust in 1820 en 1823. Door P. H. van der Kemp . 210
Een Spaansch schrijver over den godsdienst der Heidensche
Bikollers. Door Prof. Dr. H. Kern 224
De sluiting van het Londensch tractaat van 13 Augustus 1814.
Door P. H. van der Kemp. . 239
FendalPs en Baffies' opvattingen in het algemeen omtrent
het Londensch Tractaat van 13 Augustus 1814. Door P.
H. van der Kemp 341
Een Mythologisch gedicht uit de Filippijnen. Door Prof.
Dr. H. Kern 498
VI
INHOUD.
Bladz.
Javaansche ''Gainëlan-BeschrijviDgv in poëzie. Door Ko-Mo-An 508
Ambon in 1647. Door Mr. J. E. Heeres 510
Notulen der Bestuurs- en Algemecne Vergaderingen.
373»^ Bestuursvergadering van 19 September 1896,
374"^* Bestuursvergadering van 27 October 1896
375»** Bestuursvergadering van 21 November 1896.
376'*« Bestuursvergadering van 19 December 1896
3778ie Bestuursvergadering van 16 Januari 1897.
378"*« Bestuursvergadering van 20 Februari 1897
Jaarverslag over 1896
Algemeene Vergadering van 27 Februari 1897 .
lil
V
VI
IX
X
xu
XVII
XX
• • • •
• • • ■
• • • •
••• • ••• . ,
• • • • • •
DK ECONOMISCHE OORZAKEN VAN DEN JA VA-
OORLOG VAN 1826—30.
DOOR
P. H. VAN DER KEMP.
De Java-oorlog van 1825— 3C), door P. J. F. Louw, kapitein der Infanterie by
het Ned. O. L leger. Uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten
en Wetenschappen, met medewerking van de Nederlandsch-Indische Regeering.
Eerste deel. Batavia, Landsdrukkery 1894. 'sHage, M. NijhofT.
Op bl. 537 van mijn artikel, houdende de correspondentie van
den Qouv.-Qen. Van der Capellen over Dipanegara^s opstand,
vestigde ik er de aandacht op, dat het 2^ , 3^ en 5^ hoofdstuk van
Louws werk handelen over „De vermindering van het gebied en
het gezag der vorsten een der oorzaken tot het ontbranden van
den Java-oorlog" , over „De verpachting der tolpoorten in hare
werking en gevolgen" en over „De laudverhuurquaestie".
In deze drie hoofdstukken vindt men de economische oorzaken van
den Java-oorlog met critische scherpzinnig)) eid uiteengezet ; nochtans
kan ik wellicht door eenige nadere toelichting den arbeid van den zorg-
vuldigen geschiedschrijver op enkele punten aanvullen. Zoo vindt men
o. a. daarin , naar het mij voorkomt , niet geheel afdoende in het licht
gesteld, waarom het brandpunt van den opstand steeds Jogja is geweest
en Solo ook niet in vlam werd gezet. Zeker, men had ginds een
Dipanegara, een minderjarig vorst en den zeer onbeduidenden onaf-
hankelijken Pakoe alam ; hier een zelf regeereuden Soesoehoenan en
een meer beteekenenden onafhankelijken Mangkoenegara. Doch daar
tegenover staat, dat Solo steeds wrok voedde over de verkleining
van het rijk ten bate van Jogja; dat de intrekking van de Land-
verhuring veel meer trof de Solosche dan de Jogjasche grooten ; dat
men ook te Solo had een teleurgestelden kroonpretendent , die zóó na
aan den troon stond, dat hij ten slotte nog keizer is geworden I
En de tolpoorten. Zij werkten zeker niet fataler in Jogja dan in
6» Volgr. III. 1
• • • • • . »
• • • •- • - •
. •--.••:;••• ••.•♦.♦
« ••• ••*•* • •••• ••"
2 DE EOONOMISOHE OORZAKEN VAN DEN
Solo; en wat bovendien wel nader in het licht mocht gesteld worden .
hoe werden nu die tollen in eens zoo'n bezwaar, terwijl zij zoo
oud waren, zou men kunnen zeggen, als het Mataramsche rijk
zelf, terwijl de vorsten de belastingheffing reeds sinds lang uit
de handen hadden gegeven, terwijl Chineezen reeds van ouds de
heffers waren. Ook in andere opzichten zijn er nog gezichtspunten ,
waarvan de aanwijzing eene mij welkome gelegenheid openen om
Louws arbeid aan te vullen; steeds zullen wij daarbij zien, dat,
vergeleken met Jogja , aan Solo bf gelijke , bf meer aanleiding tot
ontevredenheid werd gegeven.
Voor de vermelding der bronnen houd ik mij aan de letters,
waarop ik in mijn voorgaand opstel bl. 536 — 537 in de Bijdragen
van 1896, 4® afl., met verwijzing naar mijn artikel over üipane-
gara, de aandacht vestigde. Het opstel over Van der Capellens
correspondentie , noem ik met de letters BC. Tevens maak ik van deze
gelegenheid gebruik beide verhandelingen evenzeer nog aan te
vullen en wel met de hieronder volgende opmerkingen.
1® Onder de zeer gewaardeerde welwillende beoordeelingen, die
mij over het Dipanegara-opstel in zoo ruime mate zijn geworden,
behoort eene beschouwing van den heer S. Kalf in het Bataviaasch
dagblad De Java-Bode van 29 Augustus 1896, N<> 201. Ik
breng dit in herinnering omdat zij mij aanleiding geeft, een paar
opvattingen over Dipanegara's verleden nader toe te lichten.
De heer Kalf merkt aan, dat Gerlach den Javaanschen held
een bedrieger noemt; ik had er echter reeds op gewezen
(bl. 417), dat, gelijk E. De Waal aanteekende, voor zulk eene
beschuldiging niet den minsten grond bestond. — De beschuldiging
van overlegde wreedheid trachtte ik mede bereids te weer-
leggen (bl. 413 — 414); doch ik kan er nog bijvoegen, dat de groote
achting en eerbied, die onze officieren en zoo vele anderen Dipa-
negara betuigd hebben, m. i. voldoende bewijzen, dat aan Dipa-
negara^s verfijnde wreedheid door hen, die in de eerste plaats er
een oordeel over konden vellen, geen geloof werd geslagen. — Dan
gewaagt de criticus nog van den onverwachten dood van sultan
Djarot in 1822 (ten onrechte wordt gesproken van sultan B^dja),
waarin Dipanegara de hand zou gehad hebben. Op blz. 357 maakte
ik er melding van, dat er sterke vermoedens van vergif-
tiging bestonden , doch noemde geen namen , omdat verscheidene
prinsen , o. a. ook Mangkoeboemi werden aangewezen , zonder echter
eenig redelijk bewijs van schuld. Men vergete niet, dat zulke
JAVA-OOELOQ VAN 1825 — 30. 3
militante en sterk sprekende karakters als Dipanegara nooit falen
vinnige vijanden te hebben , voor wie soms de kwaadsprekendheid
het eenige wapen is om verre boven hen verhevenen te treffen.
Ik wensch ten deze een onbetwistbaar groote figuur uit onze
eigen vaderlandsche geschiedenis in herinnering te brengen , nl.
prins Willem I , om het feit te kunnen aanteekenen , dat deze ,
onder velerlei toegekende gemeenheden, beschuldigd is geworden
van zijne gemalin Anna Van Buren niet alleen wreed behandeld,
maar zelfs haar dood door geweldpleging verhaast
te hebbenl De historische critiek is, dunkt mij, volkomen in
haar recht, dergelijke aantijgingen, die door geen stellig bewijs
worden gestaafd , ter zijde te leggen ; en wat den plotselingen dood
van sultan Djarot betreft, een ieder in Indië weet, hoe spoedig
men daar in vergiftiging de oorzaak van onverwachte sterfgevallen
meent te moeten zoeken. De schrijvers, diè ik raadpleegde, laten
zich over deze quaestie veel te onbepaald uit , om op goeden grond
den Javaanschen held voor een lagen moordenaar te mogen houden ;
een bron , die ik tot dusver niet noemde , omdat zij mij niet van
voldoend belang voorkwam , nl. J. A. Wilkens in zijn „Overzicht
der geschiedenis van Java, grootendeels uit oorspronkelijke inlandsche
bronnen geput" (Tijdschrift voor N. I., 1849 dl. II), zegt ook
op bl. 225 over den plotselingen dood van den Sultan : „Gelijk
sommigen wilden , zou Dipanegara hem een drankje bezorgd hebben ;
anderen beweerden wedfer, dat pangeran Mangkoeboemi . ... er de
eer van had '); doch de zwaarlijvigheid van den Sultan
deed evenwel vermoeden, dat hij aan een aanval van
beroerte overleden was."
2« Op bl. 316 en 410 DP deelde ik mede, dat Dipanegara te
Makasser overleed. Ouder de correctie ontvang ik het tijdschrift
Eigen Haard, 5 September 1896, N® 36. Daarin handelt de
kapitein der genie van het O. I. leger M. C. Van Rouveroy van
Nieuwwaal over „Makasser en Omstteken" , welk artikel is verrijkt
met illustratiën van door den Schrijver genomen photografieëu.
Op blz. 603 ziet men dientengevolge eene afbeelding van het graf
van den Javaanschen held. Het ligt bijna onzichtbaar in een der
kampongs en met de graven zijner echtgeüoote , zoomede van
kinderen en familie-leden binnen eene ommuurde ruimte. Een
familielid van den gevallen vorst bewaakt de grafplaats en heeft
') Ook noemt men niet overal een drankje, doch vergiftigde spijzen}
4 BS EOONOMIflCHK OORZAKBIf TAK BK9
belangeloos de zoig voor het onderhoud der plaats op zich ge-
nomen, doch veel kan hq er niet aan doen en zoo ziet de plaats
er Trij verwaarloosd nit. „Wij gelooven dan ook'^ — meent de
Schrijver (bl. 604) — „dat het eene zeer gewaardeerde daad van
piëteit zonde zijn, wanneer het gonvefnement jaarlijks een klein
bedrag voor het onderbond toestond, en meenen dat de man, die
door zijn energiek optreden toonde een onzer waardige tegenstanders
te zijn, wel aanspraak heeft op zoodanig bewijs van waardeering
van de z^de van zijn overwinnaar. Een dapper volk behoort ook
in zijne vijanden, zelfs na hunnen dood, mannenmoed te eeren/^
S"* Op bl. 561 noot 3 , van het artikel BC deed ik de vraag of
er eenig familieverband bestond tusschen den schilder raden Saleh
en den naamgenoot, die met diens vader, den oud-regent van
Semarang, bij het uitbreken van den opstand gevankelijk is weg-
gevoerd. De heer Kielstra had de groote vriendelijkheid mij hier-
omtrent in te lichten. Uit het Tijdschrift voor N. I. 1846 dl. I
bl. 277 en 1851 dl. II bl. 274; verder uit de „Levens en Werken
der HoUandsche en Ylaamsche schilders^^ van J. Immeizeel (1841)
met de voorzetting van Kramm (1861), voce Saleh, blijkt inder-
daad dat die oud-regent een oom , en dus diens zoon een neef van
den schilder was. Hij schijnt daar bij zijn oom te hebben gewoond ,
doch tijdens het uitbreken van den opstand was* hij reeds te
Batavia, waar hij van een gonvemementsbezoldigiug leefde en
zijne opleiding tot schilder kreeg. — In het Tijdschrift voor N. I.
1851 dl. n bl. 274 is een portret van hem opgenomen.
4^^ Op bl. 538 van mijn artikel BC maakte ik gewag van een
een brieQe van majoor De Bast: „met de Indische drie spoed-
krnisjes^* op het adres. Een Indisch officier , voor wiens waardeerend
schrijven ik hierbij tevens mijn bijzonderen dank betuig, merkt
mij op, dat die kruisjes niet specifiek Indisch of Hollandsch zijn.
In de Duitsche „Felddienst Ordnung^^ vindt men eene bepaling
voor de toepassing van „keine Eile (f), Eile (ft)» oder grosze
Eile (ttt)"- Minder algemeen is, gelopft de geachte briefschrijver,
de beteekenis, welke het op een stuk voorkomend woord spoed
volgens de bepalingen op de Indische militaire correspondentie heeft.
Men heeft dan met een gewichtig stuk te doen.
5® Het had mijne aandacht getrokken, dat aan het verzoek van
Dipanegara om hem op zijne reis naar Menado iemand mede te
geven, die Javaansch verstond, werd voldaan door voor zijn
begeleider aan t^ wijzen den adjudant van den Gouv.-Qen. Van
JAVA-OORLOQ VAN 1825 — 30. 5
den Bosch , luitenaut Knoerle. Ik vind nu echter een particulieren
brief dJ. 30 September 1828 van Nicolaas Engelhard aan Elout
— over die particuliere correspondentie nader op bl. 22 — ,
waarin Knoerles keunis van het Javaansch uitdrukkelijk onder de
aandacht wordt gebracht.
De luitenant was oorspronkelijk voor de rechtsgeleerdheid be-
stemd, maar hij moest in den militairen dienst overgaan, wegens
„noodlottige omstandigheden, waarin hij als rechtsgeleerde, uit
dankbaarheid voor zijn weldoener in zijn geboorteland, is geraakt^'
en welke overgang hem, naar Engelhard meende, eer aandeed en
hem „recommandabeF^ maakte „bij ieder weldenkend menschen-
vriend^\ Ziek geworden door de expeditiën tegen Dipanegara, was
hij met verlof naar Nederland moeten gaan en nu riep Engelhard
de tusschenkomst van Elout, destijds minister van Marine en
Koloniën in, om hem bij terugkomst eene rechterlijke betrekking
te doen erlangen. ,.De luitenant Knoerle^^ — luidt o. a. de aan-
beveling — „heeft den tijd, dat hij op Java is, en voor zich-
zelven heeft gehad , zich ten nutte gemaakt. Hij heeft zich hoofd-
zakelijk bekend gemaakt met den aard , de taal , zeden en gewoonten
van den Javaan." En verder ten einde hem aan te bevelen voor
eene rechterlijke betrekking : „De deplorabele toestand van de beide
Hoven van Justitie vordert eene buitengewone voorziening. Uwe
Excellentie kan zich niet voorstellen, hoeveel overleg en moeite
het aan Z. E. den Commissaris-Generaal geeft, in het voorzien van
de Justitie-hoven met personen , voor het lidmaatschap berekend ,
die de vereischte kunde daartoe hebben. Trouwens over geheel Java
is gebrek aan ambtenaren , die lust hebben tot werken en geschikt
zijn om met den Inlander om te gaan; zelfs met de lantaarn van
Diogenes in de hand , zijn de Gouverneurs van de Buitenetablis-
sementen en Residenten van de Kantoren, ter vervulling van de
vacante posten , met moeite bijeen te brengen. Mocht het aldus in
de wijsheid van Uwe Excellentie opkomen den Heer Knoerle gunstig
te zijn en hem op zijne plaats terug te brengen, hierdoor zoude
aan Java een ambtenaar worden geschonken , die bij zijne rechterlijke
capaciteiten ook bezit kundigheden, die in Europa niet kunnen
worden verkregen , en nochtans op Java onmisbare vereischten zijn ,
gepaard met onberispelijk gedrag. De weldaad , die Uwe Excellentie
hiermede aan den Heer Knoerle en de Kolonie bewijst, zal in een
dankbaar geheugen bij hem, bij mij en andere weidenkenden op
Java levenslang bewaard worden."
6 DE ECONOMISCHE OORZAKEN YAN DEN
Knocrie heeft inderdaad in zijn rapport over de reis naar Menado
getoond geen alledaagsch persoon geweest te zijn, doch dat zijn
overgang, althans bij het Binnenlandsch Bestuur, niet als eene
weldaad mag beschouwd worden aan de Kolonie bewezen
teekende ik bl. 343—344 D P aan.
£n eindelijk:
6® In den brief van den Bataviaschen schutter bl. 558 — 559 BC
wordt medegedeeld, dat deze op schildwacht moest staan te
Kanton Bare e. Hiermee zal wel bedoeld zijn Kantor baroe,
het Nieuwe bureau, waarvan men in Mijers Levensschets van
J. G. Baud op bl. 74 leest : „Eien huis op Molenvliet , toen bekend
onder den naam van Kantor Baroe (nieuw bureau of kantoor),
hetwelk bij het verlaten van het oude kasteel van Batavia door
Daendels was ingekocht om te dienen voor de vergaderingen en
bureaux der Hooge Begeering , van de Algemeene Rekenkamer en
van den Algemeenen ontvanger en betaalmeester.^^
T.
De vermindering r,an kei aa^izieii fier Vorsten ran Solo en Jogja:
in hoever een (Ier oorzaken van üipanegard s opalaniL
Toen de te Jogja uitgebroken opstand de hulp van het moeder-
land aan troepen en geld vorderde, verzocht koning Willem I,
naar aanleiding van beschouwingen in onze dagbladen , den minister
Ëlout om inlichting, in hoever wij eigenlijk tot die bemoeiing
wel verplicht waren. ') Immers Jogja was een onafhankelijk sultanaat
en braken daar of in Solo onlusten uit, dan lag het eenigszins
^) Elout was dd. 1 April 1824 als Minister van Koloniale Nijverheid en Koloniën
opgetreden (BC 539); dit departement werd een jaar later hervormd in een
voor Marine en Koloniën, met directeuren voor ieder dezer onderdeden; terwijl
by hetzelfde Kon. besl. van 5 April 1825 Nationale Nijverheid bij Binnenlandsche
Zaken werd gevoegd. Dit laatste in antwoord van Louws aanteekening op blz. 70
noot (3): „Waar Nat. Nijverheid toen bleef, is ons onbekend." — Men zie b. v. de
noten 8 en 9, bl. 632, der Letterkundige Aanteekeningen betreffende de Geschie-
denis van het Nederlandsche Staatsie ven en Staatsrecht van J. De Bosch Kemper
(1871).
JA VA-OORLOG VAN 1825 30. 7
in de reden, dat de Inlandsche besturen dier vorstendommen
zelven voor de herstelling der rust zorgden. Hieraan heeft men te
danken een ministerieel rapport dd. 10 Januari 1827, hetwelk ge-
publiceerd is in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië , 1864,
II deel bl. 34, waarin kortelijk een geschiedkundig overzicht wordt
gegeven van de betrekkingen die, gedurende de laatste helft der
vorige eeuw , tusschen de vorsten van Java en de Nederlandsohe Oost-
Indische Compagnie hadden bestaan. Het stuk is uit de wel versneden
pen van den Directeur voor de Koloniën J. C. Baud. Ook de heer Louw
geeft een dergelijk overzicht , doch ontleend aan een mede door ge-
noemd Tijdschrift gepubliceerde verhandeling van F. Q. Valck (bl. 3
noot (1) ). In beide stukken wordt o. a. het ontstaan van het Jogjasche
rijk uiteengezet en medegedeeld , dat het door Daendels ingevoerd hof-
ceremonieel een einde maakte aan de overheerschende positie, die
tot dusver de vorsten tegenover de vertegenwoordigers van ons
Gouvernement innamen. Deze en andere hervormingen , als op het
gebied van strafrecht, ontstemden de vorsten en dientengevolge
heeft men Daendels^ ingrijpende maatregelen wel eens als onvoor-
zichtig afgekeurd ; doch Yan Sevenhoven is het met deze afkeuring
blijkens zijne op bl. 294 DP sub 23 vermelde „Nadere toelichting"
van 4 December 1826 volstrekt niet eens geweest; ik vestig daarop
te eerder de aandacht , wijl de aanhaling bij Louw , bl. 9 , uit eene
memorie van Van Sevenhoven dd. 25 Maart 1826 allicht doet ver-
moeden, dat deze deskundige eene tegenovergestelde meening was
toegedaan ; hoe gunstig hij trouwens over de maatregelen van Daendels
en van de Engelschen ten deze dacht, blijkt ook uit de woorden
van zijn brief dd. 8 Juli 1814 door mij op bl. 535 BC aangehaald.
In de toelichting van 4 December 1826 blijft hij aan dat gunstig
oordeel getrouw. Hij noemt de genomen maatregelen „zeer doel-
matig", en oordeelt in het bijzonder dat de verandering van het
hofceremonieel geene billijke reden tot ontevredenheid kon zijn.
Eene Compagnie van handelaren, betoogde hij, kon wellicht de
afgeschafte gebruiken toelaten , doch toen Nederland een koninkrijk
was geworden , mocht zulk een hoogst vernederend ceremonieel niet
blijven bestaan. Van Sevenhoven zag ook niet in , waarom de
vorsten zich door die verandering vernederd konden gevoelen;
zij werden toch steeds zeer fatsoenlijk en inderdaad met groote
onderscheiding behandeld; en ook aannemende, dat de vorsten aan
die uiterlijke eerbewijzen zeer veel hechtten, zoo moest men toch
niet vergeten , dat de onderdanen daaruit hun macht en den
8 DE £CONOMll9GH£ OOBZAK.EN VAN DEN
invloed , dien zij op ons hadden , afleidden , terwijl zij daarvan steeds
ten koste hunner onderdanen misbruik maakten. Mocht nu ook
de persoon van den vorst on vergenoegd zijn geweest, zeker was
dit niet het geval met de prinsen, noch met de onderdanen, die
hunne vorsten niet beminden, en niet eens trouw waren.
Evenals bij Elout, vindt men bij Louw , herinnerd dat de vorsten ,
én onder Daendels , én onder het Engelsch bestuur eene aanzien-
lijke vermindering van inkomsten ondergingen, waardoor de armoede
onder de prinsen en grooten aanzienlijker werd en dit weder tot
ontevredenheid moest aanleiding geven. Blijkens bl. 10 — 11 van
Louws werk heeft hierop tevens speciaal Yan Lawick gewezen. Yan
Sevenhoven waarschuwt er echter tegen, dat men ook aan dit punt
niet te veel waarde moet hechten. Jogja namelijk was een land
van groote hulpmiddelen, zoodat Daendels zich 196.000 Sp. matten
kon laten uitbetalen, hetgeen niet belette, dat de Engelschen nog
vele kostbaarheden in den Kraton vonden en één millioen Sp. matten
goeden prijs verklaarden; noch dat sedert 1755 op kosten van
den Sultan een fort te Jogja gebouwd werd, dat hij in de helft
der kosten van het fort te Klatten kon deelen , dat men een kost-
baren Kraton zag verrijzen en bovendien 16 d 18 buitenverblijven
met steenen behuizingen.
Men moest evenmin , meende Yan Sevenhoven , uit de bedragen
der inkomsten , die wij van de afgestane regalen trokken , opmaken
dat de vorsten tot die bedragen armer waren geworden; want
dank onze ordelijke en stelselmatige administratie trokken wij
er veel meer voordeel uit, dan zij er ooit van hadden ge-
noten. De vermindering van inkomsten had evenmin zonder over-
gangsmaatregel plaats gevonden. De Engelschen toch hadden bepaald,
dat zij gedurende 6 maanden aan hen de inkomsten zouden uit-
keeren , die door den afstand verlies hadden geleden en niet verkozen
onder het Gouvernement in de afgestane gewesten te blijven;
ook de Sultan had aangenomen te voorzien in de behoeften van
hen , die aldus verliezen ondergingen , waartoe hij een gedeelte
zijner eigen gronden afstond. Zoo schikten zich van lieverlede de
zaken, te meer wijl het den Sultan ten troost strekte, dat het
Gouvernenient hem jaarlijks zou uitkeeren 100.000 Sp. matten.
Maar de Sultans — ontaarde vorsten als zij waren — gebruikten
hunne middelen niet ten bate van grooten en onderdanen; zij
verkwistten het aap allerlei zaken van weelde; en zoo vorst, zoo
dienaar. De grooten waren voorzeker meerendeel arm , niet zoozeer
JAVA-OOKLOG VAN 18E5 30. 9
echter teu gevolge vau de verminderiug van grondgebied , euz. ,
doch ten gevolge van hanne eigene grenzenloos lichtzinnige levens-
wijze. Eindelijk kon in geen geval de afstand van grondgebied aan
Dipanegara rechtmatig ongenoegen hebben gegeven, want hij was
juist de middelaar geweest, die ten behoeve zijns vaders bij de
Ëngelschen tegen zijn grootvader was opgetreden en alzoo tot
dien afstand had medegewerkt (verg. DP 322 — 324).
De regeling in 1822 over de voogdij van Saltan Menol (DP 310
noot (1) ) , waarbij het rijkszegel gedurende ^s Vorsten minderjarig-
heid in handen van den Besident verbleef, was uitgegaan van
resident De Salis (DP 294). Deze regeling had de bekende onge-
lukkige gevolgen, zoodat het niet te verwonderen is, dat men
haar heeft afgekeurd. Yan Sevenhoven drukt zich er in zijn bl. 293
DP sub 22 vermeld „Kort overzicht" gematigd over uit, waar hij
schrijft: „Het oogmerk van deze bepalingen was zeer goed; dan
de onberekenbaarheid van eenige personen, die voorname rollen
in dezen geheel nieuwen politieken stand van zaken te vervullen
hadden, mitsgaders hunne geheel vreemde verhouding en groote
oneenigheden tusschen dezelve, brachten de zaken in verwarring;
het oppergezag was als het ware de bodem ingeslagen, en kon
weinig invloed meer uitoefenen. In den Kraton , waarvan het
bestier overgelaten was aan de Batoe Ageng, grootmoeder van
den jongen Sultan, ging het decorum verloren, terwijl de prinsen
en beambten ook al gebruik maakten van de verlamming van het
gezag, hetwelk alles zeer nadeelige gevolgen had voor de bevol-
king, die reeds onderscheiden malen den last ondervonden had
van de zoo spoedig op elkander wisselende troonsopvolging en
sterfgevallen der vorsten, bij alle welke gelegenheden kostbare
feesten gegeven werden, waartoe zij moest bijdragen."
Generaal De Koek keurt in zijn bl. 294 DP sub 24° vermeld
schrijven van 20 Mei 1826 het regentschap niet goed, doordien
de bepalingen tot misnoegdheid aanleiding konden geven : „omdat
die bepalingen de strekking hadden om ons een meer direct deel
in het bestuur te doen nemen en ons in de Jogjasche aangelegen-
heden in te dringen (DP 303), hetgeen den naijver moest opwek-
ken." — Geene autoriteit heeft zich echter zóó scherp tegen de regeling
uitgelaten als Du Bus, die zoo gaarne alles beter dan zijn voor-
ganger toonde te weten. Nooit — oordeelt hij (DB) — had men
onstaatkundiger, onbillijker en meer tegen den geest der contracten
kannen handelen. Beeds sedert geruimen tijd was de Begeering
10 DE ECOSOyasCKE OOBZAKXN TA!f DEX
met de fjaaestie der Laudverharin^ bezig en liepea er, te recht
of te onrecht, een aantal geruchten omtrent de bedoelingen der
Regeering betrekkelijk de inbezitneming van nieaw« landstreken,
den vorsten behoorende. Bij de hoven bestond hierover groote
bezorgdheid en men zag, gelijk vanzelf spreekt, eiken nieawen
maatregel van het Ooaveniement met angst en kommer te gemoet.
Op het oogenhlik dos, dat alle gemoederen verontrust waren; op
het oogenblik , dat de staatkunde medebracht om kwade vermoedens
te verdrijven en het vertrouwen in 's Goavemements handelingen
te verhoogen ; op datzelfde oogenblik wordt een besluit genomen,
waarbij de heiligste rechten en gewoonten van de Javasche rijken
worden geschonden en vernietigd, en waarbij aan beide hoven
hun aanstaande val en vernietiging onder 's Gouvemements invloed
verkondigd wordt. „Of* — vervolgt de Landvoogd — „zeggen wij
te veel , wanneer wij beweren , dat het Gouvernement met het vor-
stelijk gezag en den vorstelijken rang voor het oog van het Javaan-
sche volk den spot gedreven en de waardigheid van den kroon
gehoond heeft, door een rijksbestierder van geringe afkomst het
beheer der landszaken op te dragen (DP 362) , door een persoon
van vorstelijken bloede voorbij te gaan (DP 355) en door twee prinsen
als voogden van den minderjarigen sultan, buiten alle bemoeiing
met de teederste belangen van het rijk en uit dien hoofde met
dien van hun pupil te stellen?"
Doch zoo de vervulling van het Sultanaat tot ontevredenheid
moest aanleiding geven, de benoeming tot Soesoehoenan te Solo
kon evenzeer een bron van ontevredenheid zijn (DP 303). Ter loops
teeken ik aan, dat dit reeds eenigszins het geval in 1820 was,
toen Pakoeboewam V, bijgenaamd Soegih, den troon beklom, als
oudste zoon van den overleden soenan Bagoes; de nieuw benoemde
toch had reeds als kroonprins de openbare meening en zelfs zijn
vader tegen zich , zoodat men het liever zou gezien hebben , dat een
jongere broeder ten troon ware verheven. Het Gouvernement ont-
ving echter nooit eeuig bepaald voorstel om in de troonsopvolging
verandering te brengen , zoodat het van de tegen Soegih bestaande
partij geene keunis droeg; ook viel er op zichzelf genomen niets
tegen te zeggen. Maar in 1823 overleed soenan Soegih zonder
kinderen na te laten uit vorstelijke gemalinnen verwekt. Er zou
daarom zeer veel voor te zeggen zijn geweest om alsnog dien jongeren
broeder des overledenen , geboren uit een volbloed- vorstelijken echt,
vriend van de Europeanen , gezien bij het volk en bij vele grooten ,
JAVA-OOKLOG VAN 1825 — 30. 11
voor den troou aau te wijzeu. Een hoofdbezwaar tegen Dipauegara^s
verheffing op den Jogjasclien troou was steeds geweest zijne her-
komst uit een halfbloed-vorstelijk huwelijk van sultan Radja,
ofschoon hij diens oudste zoon was (DP 299); hier in Solo daaren-
tegen verhief men zulk een vorstenzoon van mindere geboorte tot
soenan als Fakoeboemana YI , bijgenaamd Saperdan. Wijl er geene
andere kinderen van den overleden Soenan waren, kon dit wel;
doch het had ook zeer wel anders gekund ; en nu men den gezieneu
broeder des overledenen als vriend der Europeanen had leeren
kennen, scheen het inderdaad vreemd, dat men de keuze liet vallen
op iemand, voor wien zoo weinig viel te zeggen als voor Saperdan en
die tot zijne keizerlijke betrekking volstrekt niet voorbereid was.
Het volk toch kende hem niet anders dan als de kwispedoordrager
van den Bijksbestierder ; de formaliteit, noodig om de verheffing
van een kind uit half bloed- vorstelijken echt tot soenan in de
oogen der Javanen te wettigen , namelijk hem eerst tot kroonprins
te benoemen , was achterwege gebleven door het plotseling afsterven
van den vader. De Begeering zelve wist niet eens of hij wel meer-
derjarig was, gelijk blijkt uit de resolutie van 9 September 1823 N<*45,
welke deze aangelegenheid behandelde en ingevolge waarvan de voor-
bijgegane broeder des overledenen , bij wijze van pleister op de wonde ,
tot majoor werd bevorderd. Als reden voor de benoeming is opge-
geven geworden de uitgedrukte wensch des overleden Soenans,
doch die wensch was nooit rechtstreeks aan het Gouvernement
geopenbaard geworden. De Resident ontving er eerst kennis van
bij monde van Saperdans bloedverwant, prins Boeminotto (BC 547) en
van den Bijksbestierder op een oogenblik toen de Soenan reeds
te zwak was om daarover door den Resident te worden onderhouden.
De resident Van Sevenhoven heeft van den onwaardigen vorst,
die , zonder ooit den titel van Pangeran te hebben gedragen , zich
plotseling tot despoot zag verheven, zeer weinig genoegen beleefd.
Bij de Javanen stond hij in geringe achting; zijne geestvermogens
waren bekrompen; zijne geaardheid was slecht en hij werd geheel
geleid door dezelfde grooten, die de bewerkers zijner verheffing
waren geweest; dus vooreerst door den Bijksbestierder, denzelfden
die zijn ontslag dreigde te nemen, toen de Resident er aan dacht
den Soenan wegens verstandhouding met de muitelingen te schorsen
(L 275 noot (i) ), en waarvan men openlijk in die moeielijke dagen
getuigde, dat hijzelf in verstandhouding met Dipanegara stond;
ten andere door pangeran Boeminotto, waaromtrent De Salis in
12 D£ ECONOMISCHE OORZAKEN YAN DEN
zijn Pro Memoria (Sa) getaigde : ,,6eslepen van aard , trots,
geldzachtig, doch in aiterlijk aanvallig, waardoor hij zoo vele
personen voor zich inneemt, heeft hij steeds een warm aandeel
genomen aan alle gebeurtenissen en troebelen aan het hof en wel
speciaal heeft hij zijn valsch karakter doen kennen door de insti-
gateur te zijn geweest tegen het Goavernement en tegen het hof
van Jogja, doch te gelijk de correspondent geweest tusschen de
beide hoven in 1812, welke, zooals reeds is aangehaald, ten doel
had, om bij reüssite des tegenstands van den Sultan, de Engel-
sche macht te helpen vernietigen; en het is, geloof ik, buiten
twijfel of hij is een der moteurs geweest van den tegen woordigen
opstand en nog op dit moment zou ik hem niet vrij durven houden
van met Dipanegara in verstandhouding te wezen.'^ — Trouwens,
blijkens het DF 295 opgeteekeude , was de weerzin tusschen Boe-
minotto en De Salis wederkeerig.
Waarschijnlijk hebbeu Rijksbestierder en ' Pangeran met hunne
voordracht van den ellendigen Saperdan geen ander doel gehad,
dan om onder het bestuur van den onervaren jongeling hun
invloed te handhaven en dien aan hunne oogmerken dienstbaar te
maken. Behalve de bevrediging van geld- en heerschzucht , zouden
zij daardoor in staat zijn de aloude Solosche staatkunde te hand-
haven, om namelijk onder den schijn van trouw en onderdanigheid
steeds onlusten aan te stoken in Jogja, ten einde daaruit voor
Solo het een of ander voordeel te trekken. De heer Louw heeft
op het dubbelhartig gedrag van Solo tijdens de onlusten wel gewe-
zen, gelijk ik bereids in mijn vorig artikel mededeelde, doch aan
de kennis van het verband der gebeurteniesen ware het wellicht
ten goede gekomen, indien tevens aan deze Solosche politiek ware
herinnerd, die er immer naar streefde om Jogja de kastanjes uit
het vuur te doen halen, een punt, waarop onderscheidene autori-
teiten van die dagen , gelijk o. a. J. C. Baud en Elout , de aan-
dacht hebben gevestigd. Moedeloos geworden door eene reeks van
tegenspoeden en eindelijk door de schepping te zijnen koste van
het Jogjasche rijk , had Solo sinds de politiek aangenomen , welke
overal die van den zwakke is. Yoor het uiterlijk voorkomend en
vriendelijk jegens de dienaren der Begeering — dus geheel tegen-
overgesteld aan de traditie van het Jogjasche hof — , was men
echter steeds bedacht om het verlorene op de eene of andere wijze
te herwinnen, en vooral om het gehate Jogja vernederd en weder
geheel of gedeeltelijk bij Solo ingelijfd te zien.
JAYA-OOBLOO VAN 18E5 — 80. 13
Alleen deed de tijd eenigszins de vijandelijke gevoelens, tusschen
de beide hoven oorspronkelijk bestaande, slijten. De haat, die
soenan Pakoeboewana III en sultan Mankoeboewana I elkander
toedroegen, ging wel op hunne kinderen o?er, doch in veel min-
deren graad en daardoor bestond bij beide hoven van lieverlede
eene meerdere geneigdheid om hunne krachten tegen de Europeanen
te vereenigen. Dat geen hunner tot het jaar 1808 eene ernstige
poging daartoe aanwendde , moet aan onderling wantrouwen worden
toegeschreven, en aan het behendig bestuur der Nederlandsche
residenten, schrijft Elout (bl. 88), die steeds van alle woelingen
kennis droegen en zorgden de vijandschap tusschen Solo en Jogja
levendig te houden. Hoezeer onze bestuurders destijds goed op de
hoogte waren, blijkt o. a. kenschetsend uit een rapport dd. 14 Mei
1808 van N. Engelhard, den Gouverneur van Java^s Noord-Oost-
kust. Men leest daarin de voorspelling van hetgeen 17 jaar later
zou gebeuren:
In het staatkundig gevoelen, waarin men den Sultan en den Keizer
bij het verdeden der landen gebracht heeft, dat namelijk ingeval van
eene onverhoopte vredebreuk tusschen hen beiden door de deswege
gemaakte schikkingen, zij altoos de balans weer zouden doen over-
slaan naar de zijde van dengenen , welke onze hulp en bijstand kwam te
erlangen, blijven de vorsten alsnog verseeren, en wij mogen zulks in
de presente onmacht, waarin wij ons bevinden, als een bijzonder geluk
aanmerken, te meer, daar ik zijdelings geïnformeerd ben, dat hoezeer
zulks in het openbaar voor ons bedekt blijft, van jaar tot jaar de
plaats gehad hebbende verwijdering tusschen het Soerakarta's en Jogja-
karta's hof begint te verminderen en er zelfs eene bedekte onder-
linge verstandhouding tusschen de beide vorsten en sommigen van
derzelver hofgrooten plaats vindt, en waarom ik het dan ook geens-
zins met wijlen Zijne Excellentie Van Overstraten en mijn predecesseur
Van Reeden eens ben, namelijk dat het niet waarschijnlijk zoude
kxmnen zijn, dat beide deze vorsten zich tegen ons zouden verbinden ,
te meer daar de jalouzie en het wantrouwen der grooten als de inge-
wortelde haat , die steeds tusschen de inwoners van beide de rijken zouden
heerschen, geenszins zoodanig is, als sommigen, die met de zaken der
hoven vermeenen bekend te zijn, zich dit voorstellen, en hetgeen
ons de ondervinding weléens bij een of ander voorval tot onze schade
zoude doen blijken, ten ware de vorsten bij hun (en dat is ook nog
het eenigste dat wij in ons voordeel dienaangaande kimnen uitleggen)
tot dusver gekoesterd gevoelen blijven, dat niets nadeeliger voor hen
en himne rijken zoude kunnen zijn dan zich onzen onmin op den
hals te halen, in de onzekerheid tot wien de balans zoude overhellen
14 DE ECONOMISCHE OORZAKEN VAN DEN
en in een zoodanig geval de beide vorsten elkander zelven niet zouden
vertrouwen, en in allen gevallen daarom bij voorkeur zullen verkiezen
de kris in de scheede te laten, en in zaken, waarmede zich de
Lande mêleert, liever iets toe te geven, dan zich bloot te stellen, aan
de gevolgen, die uit een tegenovergesteld gedrag zouden resulteeren.
Zoo bleef bij beide hoven in de uiterlijke stemming steeds de
indruk bewaard, dien de gebeurtenissen van 1758 hadden nage-
laten : Solo toonde zich altoos kruipend , voorkomend , listig ;
Jogja, met zijne bovendien meer krijgshaftige bevolking, liet daar-
entegen steeds door eene min eerbiedige houding blijken, dat
het niet vergat zijne eerste opkomst verschuldigd te zijn aan
een gelukkigen kampstrijd tegen de Compagnie. ') Vandaar dat
immer Jogja het tooneel van onlusten begon te worden, terwijl
Solo nooit verder ging dan het aannemen van eene dubbelzinnige
politiek. Op eene zeer eigenaardige wijze trad deze aan den dag
in 1814, kort vóór de teruggave van Java aan het Nederlandsche
gezag, in de bekende muiterij der Bengaleesche troepen. Deze
troepen waren in garnizoen te Jogja, Solo en elders op Java en
nu zette niemand minder dan de Soenan tot de beweging aan;
doch hij had tevens de slimheid het er heen te leiden , dat de
samenzwering tegen het Europeesch gezag in plaats van te Solo,
uitbrak te Jogja, niettegenstaande het hof aldaar aan het verraad
geen deel had. Het Engelsche bestuur, dat toch spoedig zou
aftreden, gevoelde geene roeping de zaak zeer ver te zoeken, en
nam daarom genoegen met de uitlevering van den broeder des
Soenans , die als zinneloos werd verwijderd. De lessen onder Daendels
en Raffles ontvangen, die, gelijk wij op bl. 535 BC lazen, naar het
oordeel van mannen als Muntinghe , Van Sevenhoveu en vele anderen ,
voor goed de macht der Vorsten hadden gebroken , schrikten echter het
Solosche hof niet af, om in Jogja tegen het Europeesche gezag te blijven
iutrigeeren. De beste weg om het gezonken aanzien des Rijks te her-
stellen, scheen om Jogja over te halen tot een stijd tegen de Europeanen
onder belofte van hulp, doch met het voornemen tevens om die
hulp niet te verleenen en integendeel c. q. den rol van 's Gouver-
nements bondgenoot te spelen. Zoo het wapengeluk onze Regeering
O Een ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur had de vriendelijkheid mijne
aandacht op die grootere krijgshaftigheid der Jogjasche bevolking te vestigen. Hy
meent dit ook bij een deskundig schryver over de Vorstenlanden te hebben ge-
lezen; zoomede te gelooven dat de ketjoe's, die Midden- Java onveilig maken,
vooral van Jogja afkomstig zijn. — Voor de welwillende mededeeling mijn dank.
JA VA-OORLOG VAN 1825 — 30. 15
diende , kon Solo hopen om tot belooning van zijne hnlp een gedeelte
van Jogja terug te bekomen; moohten daarentegen de Europeanen
het onderspit delven, dan kon de Soenan onder het masker van vriend-
schap, de nederlaag te gemakkelijker voltooien: zoowel in het
eene , als in het andere geval kon de oorlog iets gunstigs uitwerken.
De uitslag heeft intasschen aan deze berekening nooit beant-
woord. Zoo ook begon de door Daendels afgezette , doch onder het
Engelsch bestuur op den troon herstelden sultan Sepoeh ') den oorlog
tegen de Engelschen in 1812 op raad en met overleg des Soenans ;
het einde was echter, dat evenzeer deze met verlies vau grondgebied
werd gestraft. Teruggekeerd onder ons gezag werkten verschillende
maatregelen omtrent de Yorstenlanden samen om Solo niet minder dan
Jogja van ons te vervreemden; doch dit gaf dddr nooit aanleiding
tot die onbewimpelde vertooning van misnoegen, welke hier ten
toon gespreid en met Dipanegara's opstand besloten werd. De voor-
naamste raadgevers, raddraaiers en opstekers tot dien krijg zaten echter
in Solo. De zoo invloedrijke kjaï Madja woonde in de nabijheid dier
hoofdplaats, ontleenende zijn naam aan eene aldaar gelegen desa,
waar hij geestelijke was. Dat de Soenan zelfs last had gegeven om
Dipanegara ongemoeid te laten; dat slechts de tijdige overkomst
van generaal De Koek eene uitbarsting te Solo heeft voorkomen ; —
deelde ik reeds mede (BC 543 — 556) ; en tot krachtvoUe medewer-
king kwam het eigenlijk nooit. Berichten over de rebellen door
den Soenan en zijne raadgevers zeker gemakkelijk te erlangen,
konden wij niet behoorlijk verkrijgen; en de oproerige medevoogd
Mangkoeboemi zwierf met een groot aantal vrouwen en kinderen
der voorname muitelingen rond , zonder dat het ons ooit gelukte
de juiste verblijfplaats te weten te komen, ofschoon ons bestuur
overtuigd was, dat zij elk oogenblik te Solo bekend moest zijn.
Met dit gedrag had de Soenan niets anders voor dan om den
oorlog te doen rekken, tot hij gelegenheid zou vinden om er
voordeel uit te halen. Hij hoopte dat één van beiden gebeuren
zou: 6{ dat wij ten langen laatste zouden overgaan Jogja te ver-
kleinen en hem er een gedeelte van af te staan; óf wel dat wij
') Op biz. 40 noot (l) herinnert Louw aan eene mededeeling van Valck, dat
door de Engelschen belangrijke stukken o. a. het contract waarbij sultan
Sepoeh op den troon werd hersteld uit de archieven werden gelicht „om
redenen die zich gemakkelgk laten beseffen." — Naar het my voorkomt had dan
tevens wel vermeld mogen worden, dat dit contract in Van Dcventers „Ncder-
landsch gezag" is afgedrukt als Bijlage LXXIV op bl. 314.
16 BS SCONOMISCHS OORZAKCN VAV DEN
onze krachten in een langdurigen en nutteloozen krijg zouden uit-
putten, in welk geval hem de gelegenheid was gegeven om zonder
gevaar het masker af te werpen.
II.
De intrekking van de Landverhnring,
Wat gebeurd zoude zijn , indien iets anders niet of wel geschied
ware, is bij de beoordeeling van geschiedkundige feiten altijd
in zoover eene ondankbare vraag , dat zij natuurlijk niet voor eene
positieve beantwoording vatbaar blijkt , terwijl er de schaduwzijde aan
verbonden is, dat „de beste stuurlui" het slechts voor het zeg^gen
hebben. Nochtans onvruchtbaar behoeft eene dergelijke behandeling
zeker niet te zijn; want de critiek, die ijvert om de oorzaken in
het licht te stellen, brengt tal van bijzonderheden aan den dag,
welke zoo zij al niet aan het doel beantwoorden, of wel voorbij-
streven, toch uit een algemeen historisch oogpunt voor de kennis
der zaken van belang zijn. Dit mag o. a. gezegd worden van de
Landverhuring , aan wier regelloozen toestand sommigen voor een
deel de oorzaak van de heerschende ontevredenheid, welke tot den
opstand leidde, hebben toegeschreven; aan wier gewelddadige
intrekking door anderen de schuld van het misnoegen is geweten ;
terwijl er zich nog eene derde raeening voordeed, die in het een
én in het ander de hoofdbronnen van de wijd verbreide ontstem-
ming zocht.
Vóór 1816 verhuurden de vorsten en geapanageerden aan enkele
ingezetenen gronden van weinig uitgestrektheid en in de nabijheid
der hoofdplaatsen gelegen. Deze stukjes werden slechts voor korten
tijd afgestaan en mochten alleen gebruikt worden om er groenten
op te telen of wel om er eenvoudige lusthuizen van te maken.
De resident Nahuijs, die in 1816 in één en later voorloopig in
beide gewesten benoemd werd (DP 289) , deed door zijn invloed
deze landverhuring uitbreiden. Cultuurproducten voor de Europeesche
markt, als kofiie, enz. werden geteeld; hij achtte deze verhuring
in het belang én van den landbouw, én — van hem zelf.
Over het algemeen maakt Nahuijs in zijne ofiicieele correspon-
dentie een sympathieken indruk; hij heeft heldere inzichten,
schrijft goed , weet prinsen en grooten naar zijne hand te zetten.
JAVA-OOELOG VAN 1825 — 30. 17
In een artikel van den heer Kielstra over „Eenige personen uit
den Java-oorlog" , gepubliceerd door De Tijdspiegel van J896,
lezen wij wel dat Nahuijs^ collega^s niet zoo bijzonder met hem inge-
nomen waren ; maar de regeering van Commissarissen-Generaal stelde
steeds zijne diensten op prijs , waarvan hij ook stoffelijk de bewijzen
ontving. Reeds maakte ik in noot (1) bl.377DP er melding van ,
dat hij in hoedanigheid van resident der beide Yorstenlanden een
dubbel traktement genoot; ook werd, nadat een besluit van
20 Februari 1818 N® 35 organiek aan ieder der residenten van
de Yorstenlanden een tafelgeld van f 500 's maands boven hunne
bezoldiging was toegekend, bij een besluit van dien dag N<^ 36,
aan die bepaling te zijnen behoeve terugwerkende kracht verleend ,
nl. te rekenen van den dag, dat de bediening was aanvaard; en
wel in aanmerking genomen zijnde: „de buitengewone ijver voor
den dienst van Zijne Majesteit, door den f ung. Resident van Jogja-
karta, den majoor Nahuijs, gedurende de waarneming van zijn post
betoond , en aan hem een blijk willende geven van de goedkeuring ,
welke zijne verrichtingen wegdraagt."
Doch destijds wist de Begeering niet^ dat Nahuijs op eigen gelegen-
heid nog andere wegen had geopend, om zich als resident voordeden
te bezorgen. Inderdaad is het te betreuren, dat hij als figuur van
beteekenis verliest door zijne onmiskenbare drift om ten eigen bate
de Landverhuring te exploiteeren ; en men kan het m. i. zeker zeggen ,
dat bij de autoriteiten te Batavia, den Landvoogd er onder begrepen ,
nooit zulk een sterk uitgesproken vooroordeel tegen de Landverhuring
zou hebbeu bestaan , indien de Resident tegenover deze aangelegen-
heid eene vrijere positie had weten in te nemen. Ongetwijfeld was
het niet meer van den tijd , dat de hoofden van Gewestelijk Bestuur
zelven zich binnen hun gewest met dergelijke handelingen inlieten.
Niet slechts dat de waarde van Nahuijs^ adviezen er door moest
lijden , doch het verwijt kon ook niet uitblijven , dat wel verre
van aan vrijen wil viel te denken, de Resident zijn invloed mis-
bruikte om voor hem en zijne vrienden land in huur te erlangen.
Van Sevenhoven meende echter dit laatste te moeten weerspreken.
„Men heeft indertijd gezegd" — leest men in zijn „Kort Over-
zicht" (S) — „dat hij zijn grooten invloed gebruikt had om de
prinsen en andere vruchtgebruikers daartoe over te halen, doch
ik geloof, dat het dezen al tamelijk onverschillig was, of zij huur
ontvingen van Europeanen of van Chineezen ; de bevolking , alleen
bedacht op het genot van het oogeublik, kon deze verhuring niet
Ce Vogr. lU. 2
18 DE E0ONOMI80HE OORZAKEN VAN DEN
anders dan voordeelig voor zich beschouwen ; zij wisten , dat de
Europeanen niet, als de Ghineezen, door allerlei middelen hen
uitzogen en het aanleggen der koffietuinen zelve stelde hen in de
gelegenheid voor arbeid loon te ontvangen. Noch voor de vrucht-
gebruikers, noch voor de bevolking was hierin over het algemeen
genomen dus gegronde reden van bezwaar gelegen."
De Regeering had omtrent het onderwerp geene regelingen
getroffen. Mr. H. W. Muntinghe bracht als President van den
Baad van Financiën, zijn op bl. 535 BC vermeld rapport van 14
Juli 1817 N® 65 uit, waarmede de Raad zich vereenigde. ') Het
College ontraadde dientengevolge volstrekt de uitgifte van beplante
gronden, en toonde zelfs maar zeer weinig sympathie voor den
afstand van woeste gronden.
De Inspecteur-Generaal en diens Adjunct, de heeren Van Lawick
van Pabst en Yan de Graaff gingen met den Raad van Financiën mede.
C. C. G. G. namen intusschen geene beslissing , doch besloten ,
lezen wij bij Louw in noot (7) van bl. 49 , „kort voor hun aftreden
in Januari 1819, de beslissing van Z. M. den Koning in te roepen".
De Schrijver doelt hier op het besluit dd. 8 Januari 1819 N® 5,
hetwelk aldus luidt:
Is in deliberatie gebracht eene missive door den Inspecteur-Generaal
en Adjunct-inspecteur-generaal van de landelijke inkomsten , geschreven
op den 29«» December iSiS N° 25, daarbij ter voldoening aan het
besluit van den 23 December 18 17 N<* 34, naar aanleiding van de
missive van President en Raden van Financiën van den 14®" Juli 181 7
N° 65 , eenige consideratiën indienende omtrent het hun bevolen onder-
zoek nopens de bepalingen, welke ten aanzien van de uitgifte van
gronden zouden kunnen worden aangenomen:
Gevende gemelde Inspecteurs bij dezelve missive de redenen op om
welke zij meenen dat eene uitgifte van landen in het algemeen niet
») Men zie het Tydschrift voor Ned.-lndië, 1850, dl. II, bl. 307, waar ook in
hoofdzaak het rapport werd afgedrukt, dat later Van De venters „Landelyk stelsel"
weder publiceerde, gelgk ik ter aangehaalde plaatse mededeelde. Alleen moet ik
nog opmerken, dat de copie, voorhanden in de El o ut stukken van 's Ryks archief ,
den datum van II Juli draagt, en dat die dagteekening ook door het Tgdschrift
voor Ned.-lndië werd overgenomen. De op 's Ryks Archief berustende afschriften
der E lo ut stukken werden echter helaas allerslordigst van de origineele overge-
schreven, zooals ik my hierover reeds beklaagde in de noten op bl. 567 BC; zy
zyn derhalve niet altyd volkomen te vertrouwen. Het is eehter vreemd, dat in
de Eloutcopie van het hierboven volgend besluit van 8 Januari 1819, waarin
twee malen naar het rapport van den Raad wordt verwezen , ook telkens de datum
van 11 Juli is gesteld, die nu eveneens door mij in 14 Juli werd veranderd.
JAVA-OORLOG VAN 1825 — 30. 19
was aan te raden, doch stellende daarbij tevens voor dat die enkele
personen, welke uit de stilzwijgende toelating van het Gouvernement
de hoop hebben opgevat, dat hunne reeds begonnen ondernemingen
de goedkeuring en bekrachtiging van hetzelve zullen erlangen, eene
uitzondering verdienen en aan hen de reeds ontgonnen en tot hunne
onderneming onontbeerlijke gronden behoorden te worden gelaten
onder zoodanige bepalingen als strekken kunnen om aan den eenen
kant deze ondernemers voor verliezen te beveiligen en aan de andere
zijde de belangen van het Gouvernement zooveel doenlijk te waarborgen.
En in aanmerking genomen zijnde,
Dat het onderwerp over eene uitgifte van landen, zoo min door
den President en Raden van Finantifin in den tijd, als nu door den
Inspecteur-Generaal, uit alle de belangrijke gezichtspunten, waaruit
dezelve behoort beschouwd te worden, is verhandeld;
Dat een meer algemeen overzicht van alle de onderscheidene en
belangrijke voordeelen van eene uitgifte van landen voor den landbouw ,
de nijverheid , den handel en wederkeerige betrekkingen van deze met
inlandsche bezittingen tot het moederland wellicht tot andere uitkomsten
zouden kunnen leiden;
Dat intusschen vooralsnog de zaak zoo niet is gebracht tot die
rijpheid, dat zij geheellijk zou kunnen worden beslist of afgedaan en
het ook groote nuttigheid heeft , dat dezelve , naar algemeene regelen van
staathuishoudkunde booordeeld, door den Koning zelven worde beslist;
Dat desniettemin eenige voorloopige onderzoekingen zouden kunnen
worden in het werk gesteld, welke in de onderstelling dat eenmaal
eene uitgifte van gronden door Z. M. zou kunnen worden bepaald , aan
de uitvoering spoed zouden bijzetten;
Dat ten aanzien van de overige personen, welke nu reeds eenige
gronden in bezit hebben, dadelijke voorzieningen noodig zijn.
Zoo is goedgevonden en verstaan:
Ëerstelijk: De missive van President en Raden van Financiën van
den 14^" Juli 1817 N°Ó5, alsmede de missive van den Inspecteur en
Adjunct-inspecteur-generaal van de landelijke inkomsten van den
29 December 1818 N° 25 te brengen ter kennisse van het Departement
van de Koloniën in Nederland, met verder te kennen gave, dat de
kortheid des tijds niet gedoogt dat thans door Commissarissen-Gene-
raal dit onder^'erp vollediglijk in geschrifte behandeld wordt , doch dat
die hunner, welke op het punt zijn naar het vaderland terug te keeren ,
bij behouden aankomst, volgaarne daarover hunne nadere consideratiën
deswege zullen opgeven.
Ten tweede: Den Gouverneur-Generaal te verzoeken om zoo-
danige maatregelen te nemen als hij zal vermeenen nuttig te zijn , om
te doen onderzoeken , wat bij de uitgifte van gronden , indien daartoe
20 DS XOOXOMI8CHE OORZAKEN VAN DEN
eenmaal mocht besloten worden, zouden dienen te worden in acht
genomen.
Ten derde: Den Gouverneur-Generaal wijders te verzoeken om
zoo spoedig mogelijk te doen opnemen de gronden op welke enkele
particulieren bij de missives van den Inspecteur en Adjunct-inspecteur-
generaal bedoeld, reeds eenige ondernemingen begonnen hebben, en
aan die ontginners die gronden tot zoodanige matige uitgestrektheid
en onder zoodanige voorwaarden in eigendom of pacht af te staan,
als na hen gehoord te hebben , blijken zal met hunne en 's Lands
belangen overeen te komen.
Afschrift enz.
Hoe ongunstig echter C.C.6.G. zelven overigens omtrent de
reeds onder bet Engelsch tasschenbestuar uitgegeven gronden
dachten, kan nog uit het volgende blijken. Dat bestuur had de
onbescheidenheid gehad om gronden uit te geven, toen reeds C.C.
G.Q. op Java waren, zij het ook de overneming nog niet had
plaats gevonden. Zoo wareir o. a. als landhuurders opgetreden John
Hunt in Banjoewangie van zeven stukken land, Charles du Pont
in Pekalongan van den kofSetuin Baujoematie, enz. Bij besluit
dd. 19 November 1816 N® 4 vernietigden C. C. G. G. de concessie
Hunt, doch behielden zich de overweging voor: „in hoever dien
man te gemoet te komen'^ ')• Hunt herinnerde een en andermaal
bij request aan die belofte en dientengevolge werd bij besluit dd.
4 October 1817 N® 1 den resident van Banjoewangie aangeschreven
om eene berekening te maken van de uitgaven, die Hunt reeds
voor zijn land gedaan had, terwijl aan de residenten van Probo-
lingo, Bezoeki en Pasoeroean werd opgedragen om met Hunt na
te gaan , of er geene woeste gronden voor hem ter beschikking waren.
Du Pont kwam er echter minder goed af, ofschoon het rapport
van 14 Juli 1817 had geadviseerd hem den koffietuin te laten:
„uit aanmerking van de weinige uitgebreidheid der gronden , door
den rekwestrant bezeten , van den afstand welken hem daarvan
reeds onder het vorig bestuur is gedaan , en van de gunstige con-
sideratie welke de rekwestrant, als burger en ingezetene en als
vader van een talrijk huisgezin, meriteert" *). De Begeering namelijk
bij besluit dd. 24 November 1818 N» 19 in aanmerking nemende :
Dat daargelaten in hoeverre het Britsche bestuur gerechtigd was tot
den afstand van land in een tijdstip dat de teruggave van 't eiland
») Rapport van C.C.G.G. aan het Opperbestuur dd. 23 December 1817 op
bl. 232—233 van M. L. Van Deventers „Nederlandsch gezag".
*) Zie op bl. 347 dl. I. van S. Van Deventers ^Landelijk stelsel".
JAVA-OORLOG VAN 1825 — 30. 21
aan het Nederlandsche Gouvernement was bepaald, er ten aanzien
van deze vergunning verscheidene omstandigheden te zamen loopen,
welke tegen de verzochte bekrachtiging ten sterkste militeeren, als
zijnde het uit 't onderzoek en de door de Generale Inspectie over-
gelegde stukken ten duidelijkste gebleken:
Dat 't Britsche Gouvernement geen voornemen heeft gehad aan den
Suppliant eene grooter uitgestrektheid grond toe te staan dan tot een
bepaald einde dienstig was, te weten tot het oprichten eener indigo-
fabriek.
Dat hetzelve hem aanvankelijk niet heeft willen vergunnen landen
tot de aanteelt der plant, maar begeerde dat hij deswege overeen-
komsten met de landvolkeren zoude treffen.
Dat het Britsch Gouvernement in het vaste denkbeeld stond, dat
hel Land ter grootte van 85 jonken, hetwelk hetzelve naderhand tot
het cultiveeren van indigo op de opgegeven voorwaarde afstond , woest
was en tot het bepaald oogmerk moest dienen om daarop indigo te
planten.
Dat ten aanzien van de waarde van de daarop liggende kofüetuinen
het voormalig Gouvernement door valsche berichten is misleid geworden.
Dat het bij nader onderzoek is gebleken dat de Suppliant niet is
in bezit van zoodanig stuk lands, als hem is afgestaan, maar integen-
deel van een stuk grond beplant met een aanmerkelijk getal kofiie-
boomen;
Dat de Suppliant zich niet heeft bepaald tot het oogmerk waartoe
hem de afstand was gedaan, als zijnde de aanleg der indigofabriek
eerst onlangs op een zeer kleine schaal begonnen; en eindelijk
Dat ook uit de verzoekschriften van den Suppliant zelve niet is ge-
bleken, dat zijne opgaven der waarheid overeenkomstig zijn geweest.
En nog in aanmerking genomen zijnde, dat 't met het belang van
den Lande en het aangenomen stelsel overeenkomt, dat het Gouver-
nement zich in *t bezit der kofüetuinen stelle en dat ook in een
daarmede eenigermate overeenstemmend geval met C. Hunt in de
residentie Banjoewangie op dit grondbeginsel is te werk gegaan.
Zoo werd besloten:
i^ Het verzoek van Du Pont af te wijzen „en dienvolgens de
verhuring van den koffietuin Banjoematie aan denzelven gedaan
door het voormalig Britsch Gouvernement te niet te doen en buiten
effect te stellen, zooals dezelve wordt te niet gedaan en buiten
effect gesteld bij deze".
2** Den resident van Pekalongan op te dragen het stuk land
terag te nemen met opgave der kosten , die Du Pont gemaakt
had welke hem teruggegeven zouden worden. —
Dit alles toont voldoende aan, dat C.C.G.G. geenszins met
d**n aft^tJiXjd Tjiü groud vtn particulieit- l&ndbouwoDdenjemfr^ waren
in^eiiottieu; zij twijfelden alleen of misficliien niet Vtu i^lc»ri*e l<»n
worden OTerg'ejraian tot de nitgift-e van woe«t<; gronden.
Onder deze indrukken en n.adat £lout met Baijskes In di^ liedden
Terlatea, be»>chl de GouT.-Gen- Van der Capellen in 1^19 de Vor5t<*n-
lauden, waarin bij ook in 1817 eene rei§ had gemaakt. Bij die
^elej^enheid kwam ter zijner kenni*, dat nitsre^trekt-e terreinen aan
Kuropeaueu en Chineezen in hour waren afeestaan en dat daar-
onder de resident Nabuijs en eenige zijner bijzondere rrienden
f>eh^x>rden. I>en inspecteur Van de Graaff werd een ffezet onder-
zoek opgedragen ; zijn adrjes Tan 1S£1 luidde ongunstig over hetgeen
had plaats g-evonden- Het volgende jaar 1S22 begaf de Gouv.-Gen.
zich op nieuw naar de Vorrtenlanden. Door Nabuijs t* J<>rd* *'*•''
een rapp^irt dd. 2 Dec. 1821 ter verdediging van de Landverburing
gewjhreven; men vindt het op bl. -39 dL 1 Xs en Bauds aantee-
keningen er op bij Meijers Levensschets van Baud bl. 171 w. Van
de Graaff had bij een breedvoerig advies dd. 23 Maart 1 822 ander-
maal zijne afkeurende meening blootgelegd; ook na herlezing blijf
ik ongunstig denken over zijn betoog, hetwelk ik in het Tijd-
Kchrift voor Nijverheid en Landbouw in Ned. Indiê
publiceerde, bl. 14* vv., dl. XLI 1890; niet in 1891, gelijk
abusievelijk bij Louw bl. 51 vermeld.
Nicx>laa« Engelhard heeft Van de Graaff met enkele woorden
niet onaardig geteekend. De gewezen Gouverneur van Java'^s
Noord-Oostkust had het als Commissaris voor de overneming van
de Mol ukken afgelegd en dientengevolge was hij bij de organisatie
van den Baad van ludië niet in dat college opgenomen. Zijne
weinig schitterende geldelijke omstandigheden trachtte hij te ver-
geefs als medeëigenaar van een particulier land in de Preanger
met den bekenden Andries De Wilde te verbeteren; de Indische
regeering — het is overbekend — was den landheeren niet
genegen. Engelhard deed een beroep op Elout in Holland en
daaruit vloeide van Engelhards zijde eene door mij op blz. 5
reeds vermelde particuliere correspondentie voort, waarin de In-
dische bestuursmaatregelen en de personen, die er toe medewerkten,
niet altijd met lof werden besproken. Zoo schrijft hij ook dd. 12
Maart 1825 aan Elout: „Zijne Excellentie houdt zich te vast aan
de opiniën van den Baad van Indië Van de Graaff, een zeer
verstandig man, maar die de plank weleens misslaat^'. —
Hoe geheel anders inderdaad is b.v. de indruk , welken Van de Graaffs
JAYA-OOELOG VAN 1825 — 30. 23
rapport over de Landverhuring maakt; eu die van „veel omvat-
tende kennis^^ en „zoowel theoretische als praktisohe ervaring in
staatshuishoadelijke aangelegenheden^^ welken een bevoegd beoor-
deelaar als J. P. P. Van Zujlen en Nyevelt verkrijgt van het
door Van de Graaff gesteld rapport in 1S25 door den Raad van
Indië betrekkelijk het Indische muntwezen uitgebracht ^) ; en
eenerlei doorzicht toont hij ook in dat zelfde befaamde Landver-
huringsadvies, waar hij toch tegen te reactionaire maatregelen
waarschuwt, doordien „de vorsten niet dan met weerzin
en als het ware gedwongen zouden toestemmen*' (blz.
187 van het aangehaalde Nij verheidsopstel). Doch aan die waar-
schuwing heeft de Begeering zich ten slotte niet gestoord; de
doorslag gaf het ongunstig advies dd. 30 Juni 1822 van den resident
van Solo, baron De Salis, wiens voorstellen rechtstreeks tot de
regeling van het intrekken der Landverhuring leidde, gelijk ons
Louw in het breede mededeelt.
Met de hier vermelde stukken gewapend , toog de Landvoogd naar
de Yorstenlanden. Hij was ontevreden en vond den staat van zaken
ellendig. Vervuld met de gedachte , dat het Vorstenlandsch bestuur
eens een einde moest nemen, oordeelde hij een staat van verar-
ming beter dan een, die als de Landverhuring, vorsten, prinsen
en bevolking tot meer welstand kon brengen. Bij gemis van alle
regelingen was het zeker niet moeielijk daaruit voortvloeiende
misbruiken aan te toon en, doch de Landvoogd zag die, naar het
oordeels zijns opvolgers (DB) , te zwaar in , dan wel mat ze te breed
uit; de nieuwe richting stond namelijk aan zijne plannen tot reor-
ganisatie in den weg , doordien „de steeds meer en meer verarmde
en onvermogende staat der Hoven tot volvoering van een plan
leiden moest, hetwelk onder het voortdurend stelsel van landver-
huuT naar het oordeel der Begeering nimmer konde bereikt wor-
den.**' Nogal vreemd was het, dat de Landvoogd bovendien deze
annexatie-plannen niet beter voor zich hield. Op bl. 555 van mijn
artikel over Van der Capellen (BC) maakte ik melding van eene
correspondentie van Nahuijs met Du Bus over de oorzaken van
den opstand, en noemde brieven van 28 Augustus en 4 September
]828. In dit laatste schrijven bericht Nahuijs nl. , dat toen de
Qouv.-Qen. Van der Capellen in 1822 te Solo eene bijeenkomst
hield, waaraan deelnamen de inspecteur-generaal Van de Graaff,
*) Bijdragen tot de kennis der Nederlandschc en Vreemde Koloniën. Utrecht,
1847. In de noot (1) van bl. 362 aldaar.
24 DE ECONOMISCHE OORZAKEN VAN DEN
de resident van Solo, de Bijksbestierder, de regeut Arong
Binang en nog eenige andere heeren en hoofden , ten getale van
7 of 8 personen , de Qouv.-Gen. aan den Eijksbestierder opmerkte ,
hoeveel gelukkiger het eiland Java er aan toe zou zijn, indien
het, in plaats van onder het Javaansche en het Nederlandsche
gezag te staan , alléén aan het laatstgemelde onderworpen ware en
indien het te Solo was, als in Bantam en Cheribon.
„Na zoodanige al leron voorzichtigste opening" — schrijft Nahuijs —
„gevolgd door de besluiten omtrent de landverhuringen , omtrent Dja-
barankah en Karangkobar (bl. 38 vv.) , en door de vorderingen opzich-
telijk de Bagelen en Banjoemas (bl. 45 vv.), moet men zich waarlijk over
de lankmoedigheid en de lijdelijke gehoorzaamheid van het Solosche hof
verwonderen en den eerlijken, ijverigen, niets dan goed bedoelenden
afgetreden Gouverneur-Generaal beklagen , van het oor te hebben
geleend aan mannen , weliswaar van algemeene kundigheden , doch
geheel verstoken van plaatselijke kennis en ondervinding. De man
toch van de minste ondervinding aan het Solosche hof zoude voor-
zeker nimmer zoodanig gewichtig staatsgeheim , met hoop op geheim-
houding en op medewerking, aan den fiijksbestierder hebben toe-
vertrouwd: aan den Inlander, die den meesten rijksgrooten , ja
zelfs den Keizer in bloede bestaat. Hem op Cheribon, op Bantam
te wijzen, en deze plaatsen als het voorbeeld van Soerakarta aan
te halen , was zooveel als hem te zeggen , wat de voormalige sul-
tans en grooteu van Cheribon en Bantam geworden zijn, dat zullen
Uwe keizers en prinsen ook eeüs moeten worden. En indien men
het noodzakelijk had geacht om deze gevaarlijke bekendmaking aan
den Bijksbestierder te doen, dan had men immers moeten be-
ginnen, om in de eerste plaats zijn eigen belang en grootheid
zoodanig met de iuwerkingbrenging van 's Gouvernements plannen
te verbinden , dat hij bij dezelve zich en zijne nakomelingschap
een altoos durend voordeel en hoogen rang gewaarborgd zag.''
Alvorens de Begeering een besluit in zake de Landverhuring
nam, meende Zij de Vorsten omtrent Hare ongunstige meen ing te
moeten inlichten; en zoo werd o. a. dd. 14 Januari 1823 aan den
Soenan geschreven: „dat hetgeen met de landverhuringen gebeurd
was, door den Gouverneur-Generaal niet konde worden goedge-
keurd en wel 1^ omdat volgens de bestaande aloude gewoonten
en bepalingen geen stukken gronds in de Vorsteulanden mochten
worden verhuurd aan Europeanen of Chineezen enz., en in de
tweede plaats omdat de gedachte verhuringen waren geschied buiten
JAVA-OORLOG VAN 1825 — 30. 25
de toestemming der Regeering en zonder zelfs dat die toestem-
ming was gevraagd geworden, hetgeen das geheel en al aanloopt
tegen de verplichtingen van het Soerakartasche rijk omtrent het Ne-
derlandsch Gouvernement en tegen de oude gebruiken , die dat Gou-
vernement steeds heeft willen bewaren ; dat de Gouverneur-Generaal
niet twijfelt of Zijn Kleinzoon zal in al de handelingen van het
Gouvernement, zoowel omtrent hem als omtrent den Soesoehoenan
van Zijnen vader, opgemerkt hebben met welke getrouwheid en
nauwgezetheid de Hooge Indische Eegeering de beloften vervult,
die zij aan hem gedaan heeft en de overeenkomsten naleeft, die
zij met hem heeft aangegaan.'^
Ëene beschuldiging tegen een onzer Inlandsche vorsten , dat
hij de akte van verband des bewust overtreedt, is zeker wel
het meest ernstige geval, dat zich in de teere verhoudingen
tusschen de fiegeering en de Haar ondergeschikte potentaten kon
voordoen, zoolang men op prijs stelt in vrede en vriendschap
te leven. Hier wordt zulk eene schending den Soenan op de meest
onaangename wijze te kennen gegeven -- en dan te bedenken dat de
gansche beschuldiging ongegrond was! Er waren volstrekt geen e zoo
stellige bepalingen , die den Vorsten het recht tot landverhuring ont-
zeide, als dit schrijven vooropstelde; de zeer verstandige man,
die de plank wel eens mis sloeg had ook ten deze zijne goede
zijde getoond, door er uitdrukkelijk aan te herinneren, dat de
Land verhuringen „niet zijn daargesteld tegen eene be-
staande of bekende wet, en bijgevolg op zich zelve
niet kunnen gehouden worden voor eene ongeoor-
loofde daad of zaak" (bl. 186 van mijn Nij verheidsopstel). En
afgescheiden van dit alles , 's fiegeerings eigen vertegenwoordiger had
die handelingen bewerkt en ze aldus met zijne verantwoordelijkheid
gedekt ! „Was er meer noodig" — meent Du Bus — „om , nadat alle
de land verhuringen met voorkennis en onder de goedkeuring van
's Gouveruements ambtenaar , den Resident , hadden plaats gehad , de
goede gezindheid van een Javasch vorst te doen wankelen, en de
goede trouw van het Gouvernement meer te schokken en onder ver-
denking te brengen dan door te beweren , dat de toestemming van
het Gouvernement nooit was gegeven voor eene daadzaak, welke
in geschrifte onder Gouveruements zegel door den eersten Gou-
vernementsambtenaar ter plaatse zelve was erkend en toegestaan
geworden? In dier voege werd aan de beide hoven geschreven
toen de zaak nog niet tot rijpheid was gekomen, en er slechts
26 DE ECONOMISCHE OOKJJLEElf TAK DEN
bfisloten was om de haartermijnen tot twee è drie jareo te ver-
roindereD."
De Soenan ontving den ongel akkigen brief met eene waardig-
heid, die zich bij den Javaan niet licht schijnt te verloochenen;
hij antwoordde hem ontvangen te hebben y,met belangstelling en
onder betuiging van zijn leedwezen over het gebenrde^^; doch tevens
schreef de resident De Salis dd. 24 Febr. 1S23 — wiens rapport,
gelijk ik zeide , tot de te nemen resolatie rechtstreeks heeft «releid —
dat het hem getroffen had: ,,dat Zijne Hoogheid na lectuur van
den brief zeer onthutst was, en mij, ofschoon doordrongen van
de noodzakelijkheid van den maatregel, vele zwarigheden opperde,
die er voor hem in de executie van den last gelden waren; spe-
ciaal merkte Zijne Hoogheid aan , dat de uitgegeven huurcontracten
der verhuurde landerijen met zijn zegel voorzien en bekrachtigd
waren , en dat door het verbreken van die contracten zijn z^el
eene groote vernedering zou ondergaan, en dat het voorts zeer
moeielijk zoude zijn de zaken met de huurders te schikken/^ —
Ook de nadere letteren aan de Begeering van resident De Salis
dd. 8 April 1823 gewaagden van de misnoegdheid en onaangename
gewaarwordingen des Soenans uit hoofde van de Landverhuring ,
welke ontevredenheid hij bij twee bezoeken van den Resident aan
den dag legde. Het Bestunrshoofd schreef echter tevens dat de
Vorst „verkeerde indrukken" had gekregen, die hij, Besident,
had weten weg te nemen , doch Du Bus is van oordeel geweekt ,
dat op die wijze het misnoegen des Soenans „toen ter tijd door
den Besident zeer listig omkleed en bedekt" werd.
De brief van De Salis werd nader behandeld in het „Gelezen"
sub c van de befaamde resolutie dd. 6 Mei 1823 (L621), Staats-
blad 1823 N^ 17, die aan de Landverhuring radicaal een einde
maakte. Bij dezelfde resolutie werd den Soenan, in antwoord op
zijn schrijven, een nieuwen brief toegezonden, die wel verre van
den Vorst neder te zetten, hem nog meer moest ontstemmen.
Immers daarin gaf de Gouv.-Gen. te kennen: „dat het hem is
toegeschenen , dat Zijne Hoogheid de Soesoehoenan meer moeielijk-
heden in de bewuste zaak vindt, dan daarin wezentlijk gelegen
zijn en gevonden zullen worden, wanneer Z. H. met eene oprechte
gezindheid tot medewerking de hand legt aan de uitvoering van
hetgeen bij den brief van 14> Januari is voorgeschreven; dat de
Gouverneur-Generaal te wel met de gevoelens van Z. H. bekend
is om niet overtuigd te zijn, zoowel van Zijne verkleefdheid aan
JA VA-OORLOG VAN 1825 — 30. 27
het Nederlandsche Gouvernement, als van Zijn vertrouwen op de
goede gezindheid van hetzelve ten Zijnen opzichte, en dus geens-
zins veronderstellen kan , dat Z. H. zoude wenschen moeielijkheden
en zwarigheden te opperen , die van achteren zouden blijken slechts
gezocht te zijn; dat het echter mogelijk zoude zijn, dat Z. H. in
deze zaak het oor geleend had aan raadgevingen van lieden , die
niet belangeloos zijn '), maar integendeel voordeel hebben om het
kwaad te laten voortduren , hetwelk de Gouverneur-Generaal door
Z. H. wenscht te herstellen ; dat uit dien hoofde hij , Gouverneur-
Generaal, vastelijk had besloten aan den voorgenomen maatregel
de hand te houden, omdat deze maatregel ten doel heeft om aan
een ieder en een iegelijk wien het aangaat , te doen gevoelen , dat
het Gouvernement geene inbreuken toelaat op bestaande wetten
en verordeningen , en tevens omdat die maatregel tot bevordering van
de ware belangen en van de duurzame welvaart van de landen van
Z. H. strekten; dat de Gouverneur-Generaal het echter aangenaam
is , aan Z. H. te gelijkertijd te kunnen verklaren , dat hij , Gou-
verneur-Generaal , met veel genoegen uit de voorstellen van den
Soesoehoeuan had gezien, dat Z. H. niettegenstaande de zwarig-
heden, welke Zij vermeend heeft aanvankelijk in deze zaak te
ontmoeten, nochtans zich bereidwillig toont om dezelve volgens
de wenschen van het Gouvernement te schikken."
Deze fraaie letteren , zoomede die gericht aan den Sultan te
Jogja, waren vastgesteld bij art. 2 der hooger genoemde resolutie ;
art. 4 van datzelfde besluit kende eene tevredenheidsbetuiging toe
aan den in het Solosche gevestigdeu onafhankelijken prins Mangkoe-
negara: „omtrent deszelfs betoonde bereidwilligheid om tot het
daarstellen der heilzame bedoelingen van het Gouvernement met
al zijn vermogen mede te werken" (L 624). De Soenan kon zich
nu hieraan spiegelen!
Het is niet gebleken , in hoever De Koek als Luitenant-Gouverneur-
Generaal aan de resolutie heeft medegewerkt. Hij was het in zijn
op bl. 294 DP sub 24 *> vermeld advies van 1826 niet eens met
Mac Gillavry, die in de Landverhuring zelve een oorzaak tot
opstand meende te zien. „Ik wil daarom niet zeggen" — laat hij
hierop volgen — „dat het verhuren van landen aan particulieren
goed was voor degenen aan wie de landen toebehoorden, maar
het kon voordeelig zijn voor al de ingezetenen, die op de landen
*) Als de ex-residcnt Nahuijs??
28 DE ECONOMISCHE OORZAKEN YAN DEN
waren gevestigd , omdat zij daardoor bevrijd worden van de menig-
vuldige knevelarijen door hunne hoofden gepleegd, en... de huurders
hadden dadelijk belang om dezelve te beschermen en wel te be-
handelen, ten einde verhuizingen te voorkomen, en die landen
zouden waarschijnlijk , zoowel voor de huurders als voor de handel-
drijvende gemeente ruime bronnen van winst hebben aangeboden,
en mitsdien voor het algemeen nuttig zijn geweest/^
Doch van dit oordeel ten gunste der handhaving van de Land-
verhuring blijkt niets toen de groote maatregel er tegen werd
genomen. „Jammer voorzeker" — luidt de ontboezeming van
Du Bus in zijn rapport van 1827 (DB), tegen den man, die
den Schrijver zeide te verachten, men zie hei op bl. 17 ver-
meld opstel van Kielstra — „Jammer voorzeker , dat indien de Lui-
tenant-Qouverneur-Generaal tijdens de beraadslagingen der Begeering
over dit onderwerp dezelfde gevoelens is toegedaan geweest , een hoofd-
ambtenaar, die een zoo gewichtige betrekking bekleedde , zijn invloed
niet heeft kunnen gebruiken om in eene zoo belangrijke zaak , zoo
niet de Begeering van het besluit terug te houden, althans om
dezelve daarna nog tijdig van den genomen maatregel te doen
terugkomen, toen de min gunstige staat der hoven reeds de
ontevredenheid verraadde , die 's Qouvernements handeling bij de
Javasche vorsten verwekt hadden. En het ware in alle geval voor
de eer van den Luitenant-Qouverneur-Generaal te wenschen geweest ,
dat van deszelfs bijzondere gevoelens in de notulen der Indische
Regeering aanteekening ware gehouden."'
De Koek was overigens van oordeel (altijd in 1826), dat de
maatregelen der intrekking „wel eenige aanleiding tot de onlusten
(konden) hebben gegeven, vooral te Jogjakarta, daar de huurders
dadelijk door aanzienlijke sommen gelds schadeloos zijn gesteld , het-
geen men beweert dat de pangerangDipauegara zeer heeft mishaagd.'' ')
De verhuurde landen moesten nl. aan de Inlandsche bezitters
worden teruggegeven : „behoudens het recht der huurders op de
verhuurders tot terugvordering der voorgeschoten huurpenningen,
of tot zoodanigen andere schadeloosstellingen « als zij vermeeneu zullen
hun toe te komen.'-' Men kan zich zoo voorstellen , wat van dit
vermeenen terecht kwam. De inhaligheid der £uropeesche huur-
ders , Nahuijs niet uitgezonderd , verplichtte dan ook de Begeering
bij resolutie dd. 15 Juli 1823 N^ 15 nader te bepalen, dat de
») Verg. DP 341-343.
JAVA-OOSLOG VAN 1825 — 30. 29
schadeloosstellingen moesten berusten op het beginsel van schade-
vergoeding en niet van winstderving en dat zij alzoo behoorden
te bestaan: „in de teruggave van het welbesteede en doelmatig
ingestoken kapitaal , vermeerderd met een billijken interest van het-
zelve, behoudens dat daarop in rekening worden gebracht de vruchten
en inkomsten reeds genoten'* (verg. DP 386 noot 2). Doch zelfs met
deze beperking kan men wel nagaan , hoe bezwarend de teruggave
voor de niets bezittende Inlandsche grooten moest zijn. Om niet
te spreken van de verbruikte voorschotten, wat voor den onder-
nemenden Europeaan een welbesteed en doelmatig inge-
stoken kapitaal mocht heeten, was het volstrekt niet voor den
Inlander, die niet in kofSe en andere Europeesche producten wist
te handelen , die gewoon was bij den dag te leven , voor wien kost-
bare Europeesche landhuizen enz. geene genoegzame waarde had-
den. Te Jogja waren te weinig landen verhuurd, dan dat er het
besluit ver kon reiken. Te Solo echter was het een ander geval;
alhier ontstond onder de grooten bij het bekend worden der ver-
ordening eene algemeene beweging, die slechts voor een deel tot
rust kon gebracht worden door de bereid verklaring des fiijks-
bestierders tot het betalen der schadeloosstellingen. Dit althans
heeft hijzelf verhaald aan Nahuijs in 1828, toen weder resident
geworden. In zijn op bl. 23 vermeld schrijven van 4 Sept. 1828
deelt toch de Hesident aan Du Bus het volgende mede:
„Wanneer ik eergisteren in een lang gerekt gesprek met den
Uijksbestierder , denzelven mijne tevredenheid aan den dag legde
over de openhartigheid des Keizers ^), en hem opmerkte hoezeer
het er voor Nederland , en voor het rijk van Soerakarta wenschelijk
ware, dat tusschen dezelve een wederkeerig vertrouwen en goede ver-
standhouding onafgebroken plaats vond: voor eerstgenoemde,
omdat bij een oorlog veel bloed en veel schatten verloren gaan,
en voor laatstgenoemde, omdat het einde van haar Rijk , zoo-
wel als de verwoesting van alle hare landen dan voorzeker niet
meer verre af was door de uitzending van eene ontzettende Neder-
landsche militaire macht, trad de Bijksbestierder in de volgende
détails omtrent het vroeger te Soerakarta plaats gevondene.
„Dat toen de besluiten omtrent de terugneming der verhuurde
landerijen, en het betalen der groote schadeloosstellingen aan het
Solosche hof waren bekend gemaakt, hetzelve in de grootste ver-
legenheid was gedompeld, en dat er alstoen langdurige beraad-
>) Verg. bl. 555—556 BC.
30 DE ECONOMISCHE OOIIZAKEN VAN DEN
slagingen hebben plaats gevonden vóórdat men tot een beslait
konde komen, of men al of niet aan ^s Goavernements orders
zonde gevolg geven.
„Dat ofschoon het bij den Keizer besloten was 's Gonvemements
orders te gehoorzamen , verscheidene prinsen onwillig bleven hnnne
landen op deze onérense voorwaarden terng te nemen en zich voor
aanzienlijke schadeloosstellingen te verbinden, waarom dan ook
hij, Rijksbestierder, is verplicht geweest voor velen deze schade-
loosstellingen in zijn naam te beloven , ofschoon de teruggegeven
landen nooit aan hem hadden toebehoord/'
Nahnijs beslnit deze mededeeling aldus :
„De waarheid van deze aanhaling wordt gestaafd door de, door
den Rijksbestierder geteekende beloofde schadeloosstellingen van
Seropoe, Getas en meer anderen/^
Terwijl dus de ontevreden grooten dachten aan eene samenspan-
ning tegen het Gouvernement, had resident Nahuijs, wegens het
meenings verschil over de Landverhuur, verlof naar Nederland ge-
nomen. De afgetredene was echter te Batavia nog niet scheep
gegaan, toen hij een afscheidsschrijven ontving van den staats-
dienaar, die met den Rijksbestierder de verhefSng van den toen-
maligen Soenan had bewerkt, prins Boeminotto (bl. 11). Het
schrijven van dezen „doodarmen verhuurder", zooals Louw hem
noemt (bl. 58 noot 1), luidt aldus:
Brief van den Pangeran Ario Boeminotto onder aflegging van vele
groeten aan zijn vriend den heer ridder luitenant-kolonel H. G. Nahuijs
te Batavia, aan wien wordt toegewenscht , dat zijn leeftijd verlengd
worde, zijn welvaart, geluk, grootheid en voorspoed voortduren.
Nademaal Zijne Excellentie den Heer Gouverneur-Generaal of het
Gouvernement een bevel aan Zijne Hoogheid den Soesoehoenan heeft
gegeven, namelijk dat alle Javanen of Zijne Hoogheid zelve geene
landen aan overwallers, dat zijn Europeanen, Chineezen en gelijk
gestelde natiën mogen verhuren, in pand geven, of voor schulden in
bezit geven, en dat alle landen, welke bereids aan Europeanen, Chi-
neezen of gelijk gestelde overwalsche natiën mochten zijn verhuurd,
aan de respectieve eigenaren zullen moeten worden teruggegeven,
terwijl de landhum'ders alsdan aanspraak zouden kunnen maken op
de door hen voor die landen gemaakte onkosten , die zij van de ver-
huurders kunnen eischen , en dat de ' verhuur van landen met eene
tijdsbepaling van drie jaren en met een voorschot van een half jaar
pacht kan worden voortgezet ');
») Zie art. 1 van Staatsblad ISJ3 N" 17.
JAVA-OOKLOG VAN 1825 80. 81
Zoo geef ik UEdGestr. bij deze kennis, dat Z. H. de Soesoehoenan
hierover ontevreden is, wanneer er dienaangaande geene verandering
plaats vindt Met vele woorden was Z. H. door den WelEdGestr. Heer
De Salis, resident, omtrent de verhuurde landen aangesproken, zeg-
gende dat die landen door de huurders bedorven zouden worden ')
en dat zij zouden strekken tot verzameling van slecht volk, hebbende
hij, Resident, met dit alles bedoeld de goedkeuring van Z. H. den
Soesoehoenan te zullen verkrijgen tot het terugnemen der reeds ver-
pachte landen. Niettegenstaande dit alles was toch het genomen besluit
van het Gouvernement verre van de intentie van Z. H. den Soesoe-
hoenan, zoodat daardoor Z. H. zich thans in een bedroefden staat
bevindt, alsmede alle de pangerans, reenten en anderen, wiens
landen reeds verhuurd zijn. Ook de Europeanen , Chineezen en anderen ,
die landen gehuurd hebben, z^n in de uiterste verl^enheid.
Redenen waarom ik de vrijheid neem deze letteren aan UEdGestr.
te schrijven, in het vertrouwen, dat ik als de oudste van des Soesoe-
hoenans hof gerekend worde, en dientengevolge niet onbewust ben
van de zware gemoedsgesteldheid en innerlijke gevoelens van mijn
Vorst, alsook van alle Hoogstdeszelfs bloedverwanten, regenten en
die van alle Javanen van dit Rijk, als ook zonder twijfel van alle
Europeanen en anderen, die in huur bezitten eenig land, hetwelk
onder dit Rijk behoort
Daar alsnu UEdGestr. binnen kort naar Nederland vertrekt, zoo is
mijn vriendelijk verzoek, dat U al de hierboven aangehaalde klachten
en al de verdere omstandigheden , die daaruit onstaan kunnen , aan de
grooten in Nederland kenbaar maakt , ja zelfs dat deze zaak aan Z. M.
den Koning der Nederlanden voorgelegd worde, zoodat ik dit alles
aan UEdGestr. overlaat Verder wensch ik U uit grond mijns harten
allen mogelijken voorspoed op Uwe reis naar het vaderland en smeek
den Almachtige , dat hij U in al Uwe pogingen en wenschen wil zegenen.
Daar het geschift door mij eigenhandig is opgemaakt, zoo verzoek
ik UEdGestr. om verschooning, indien er eenig onbetamelijk woord
in mocht voorkomen.
Ook heb ik dit geschrift aan den heer Dezentjé overhandigd, met
verzoek het in de Hollandsche taal over te brengen, en zulks met deze
in een couvert van mij aan U over te zenden.
Geschreven op Dinsdag, den 29° van het
licht Jawal in het jaar Djei 1750 of den
8» JuU 1823.
Deze brief zal wel niet, denk ik, zonder eenige ingeving van
^) Nahugs in zgne Memorie van 1826 verwet met de eigen woorden aan De Salis
deze ongunstige voorstelling omtrent n\jvere Europeesche planters : zie Louwbl. 71.
32 DE zcosomscEX oorzaken tax dkk
een belanghebbend laurlheer aan resident Nahaijs zijn geschreven.
Hij was destijds een gevallen grootheid en dat Inlanders een
Europeaan verzoeken hooger op te gaan bij 's Lands vertegenwoor-
disrinr?, bij den Koning, is evenmin gewoon. De brief zelf — al
vraagt de Schrijver hoffelijk verschooning voor mogelijke fouten —
laat in duidelijkheid en strekking niets te irenschen over en men
vindt hierin althaas niet teru? de onknnde van de Yorstenlandsche
grooten, waai omtrent Van Sevenhoven in zijn „Kort Overzicht" (S)
klaagt : „Ik ben verplicht om de brieven , die de Bijksbestierder
moet schrijven, zelf voor hem op te stellen, omdat alle die hij
nog geschreven heelt over zaken van belang zoo weinig waren
in den gee^t, die bedoeld werd, en met zooveel onachtzaamheid
waren te zamen gesteld, dat men moeielijk konde begrijpen,
wat er in gemeend wordt." Misschien wisten de heer Dezentjé,
die de verzending en vertaling op zich nam, en Nahuijs, die
het stuk den Minister liet lezen bij zijn aankomst in Neder-
land, er wel meer van. Zooals Nahuijs zelf dien brief weergeeft,
18 de slotzinsnede geheel weggelaten; zij is echter opgenomen in
het op bl. 336 DP vermeld , den Koning aangeboden schrijven van
D. Boelen Schnurman, gedagteekend Utrecht, 21 December 1S29
en handelende over de oorzaken van den opstand. Ook in andere
opzichten wijken trouwens de vertalingen af. Doch al wenscht
men aan de spontaneïteit van den brief te twijfelen, dan ligt
daarin nog geene reden om twijfel te koesteren aan de nitgedrnkte
gevoelens van misnoegen over den in ieder geval veel te radicalen
maatregel omtrent de Landverhuring : verg. DP 365 en BC 540 — 541 ;
uit dien hoofde was de minister Elont alleszins gerechtigd om
mede in dat schrijven het bewijs te zien, dat de intrekking deu
economischen staat der Vorstenlanden had verstoord, gelijk hij
deed, blijkens § 30 zijner missive van 27 Nov. 1826 (zie mijn op
bl. 22 vermeld opstel in het Tijdschrift van N. en L. bl. 187).
Voor de regeling van de schadeloosstellingen , aan de landhnurders
uit te keeren, was dd. 3 Februari 1824 benoemd eene commissie
bestaande uit Van Sevenhoven, resident van Solo ; Smissaert , resi-
dent van Jogja; Mac Gillavry, 2« resident van Solo. In de beide
Vorstendommen werd de zaak niet op dezelfde wijze ten einde ge-
bracht. Te Jogja namelijk zouden de schadeloosstellingen uit de kas
van den Sultan terstond worden gekweten; te Solo daarentegen
zou zulks geschieden , al naar gelang de koilietuinen produceerden.
Zij werdeu daartoe gesteld onder opzicht van Qouvernements-ambte-
JAYA-00BL06 TAN 1825 — 30. SS
naren, en de hnarders ontvingen tot het overeengekomen bedrag
de waarde van liet product der tainen, naar gelang zij jaarlijks
voortbrachten. Te Jogja werden daarentegen de tainen voor rekening
van den Sultan geadministreerd en de voordeden er van kwamen
hem dus rechtstreeks toe. De residenten waren verplicht op alles
toezicht te honden. Waarop kwamen nu deze regelingen feitelijk
neder? Aan de grooten was het beheer hunner landen zoo niet uit-
drukkelijk dan toch feitelijk ontnomen; Gk)uvemementsambtenareu
kregen er alles te zeggen; en pachtsommen zagen zij niet meer.
Alles toch ging op in de administratie, in de terugbetaling der
voorschotten en in de uitkeering der schadeloosstellingen, terwijl
zulk een beheer niet van dien aard was, dat er nog wat voor de
Inlandsche landbezitters overbleef. Niet de kleine lieden leden er
onder, doch wel hunne hoofden, en bovendien nu moesten de op-
gezetenen arbeiden onder Gouvemementstoezicht, hetwelk^ zooals
de toestanden destijds zich voordeden, allicht gestrenger, methodi-
scher was, dan dat der Landheeren. Het komt mij voor, dat Van
Sevenhoven , wiens oordeel , als oud-lid van de op vorige bladzijde
vermelde Yereveningscommissie , over de gevolgen van den intrek-
kingsmaatregel niet geheel onbevooroordeeld kon zijn, dat onder-
scheid eenigszins voorbij ziet, waar zijn „Kort Overzicht^^ (S)
betoogt, dat het intrekken van de Land verhuring en de in
opstand uitgebroken ontevredenheid in geen enkel verband met
elkander stonden. Hij stelt in het licht dat de verhuurder
toch het vooruitzicht had het land, nadat de huurtijd afgeloopen
was, verrijkt door kostbare koffietuinen te zullen terugkrijgen; en
de Javaansche verhuurder bleef onder dezelfde omstandigheden
verkeeren. Hem toch was verzekerd de som waarvoor hij zijn land
verhuurd had, jaarlijks te zullen ontvangen en zelfs was hem de
bemoeienis van het land overgelaten, mits hij de koffietuinen maar
niet liet verwaarloozen , daar het Gouvernement de vorderingen
van de voormalige huurders had gewaarborgd. Ook bij de bevol-
king maakte dit geene verandering te haren nadeele. De tuinen
toch werden door bezoldigden van het Gouvernement of onder
opzicht van den resident bearbeid; de arbeid door haar verricht
werd meest overal betaald; en dit was het belang der verhuurders,
evenzeer als het hun belang was de Javanen goed te behandelen.
In Jogja werden inderdaad aanzienlijke sommen aan de huurders
terstond uitgekeerd, maar het waren gelden, die toch in des Sul-
tans kas renteloos lagen (sic), en de Sultan outvinj^ met voordeel
Ce Volgr. III. 3
'!»4 DS XOÜKOIOBCHX OOSZAXZ9 TAS? J>KSr
dadelijk de waarde der producten- ^Ook moet ik hierbg Tocgen^
— rervol^ Vaa ScveuhoveD , m. L evenzeer niet geheel juist —
„eu elk £al dit nog wet-en, dat toen bet Gouvernement de
iu trekking der verhuurde landerijen gelastte en het verder ver-
huren verbood, op grouden, die duidelijk ontwikkeld rijn in de
memorie L daarover gediend , men wel veel gesproken heeft over
de hardheid der huurders aangedaan, ja er waren zelfs die dit eene
o urecht vaardigheid en willekeuriire daad van het Gouvernement
durfden noemen, almede over de voordeelen, die deze groote uit-
breiding der kofBecultuur zoude geven aan de schaal van den
handel en ter bevordering van particuliere welvaart enz. enz. , maar
dat niemand heeft gezegd of beweerd, dat deze handeling van het
Gouvernement op de Javaansche bevolking eenigen nadeeligen
indruk zoude maken, veel minder dat dezelve aanleiding zoude
hebben kunnen geven tot een opstand; en voorwaar onderde
vele personen, die zich tegen de intrekking der verhuring luide
verklaard hebben, zouden diegenen onder hen, die dit konden
weien — en dit waren de belanghebbenden — niet hebben ver-
zuimd ook breed uit te weiden tegen de gevolgen, die deze
intrekking voor onze veiligheid zoude hebben, en onder de
redenen, die dringend ingebracht zijn om deze intrekking te voor-
komen en naderhand om deze ongunstig te beoordeelen, zoude er
zeker geene geweest zijn, die sterker gewerkt had; terwijl ook aan
den anderen kant onder de kundige en voorzichtige mannen, die
ampel tegen de verhuring geschreven hebben en alle belangen
hebben overwogen, geen enkele is geweest, die van dien kant de
zaak beredeneerd hebben en zeker zoude het hun aandacht niet
ontslipt zijn, evenmin als aan de Hooge Regeering zelve, die de
intrekking bevolen heeft. Trouwens hoe zoude in dien maatregel
grond tot een opstand te vinden geweest zijn? En daarom is het
zoo vreemd , dat men daarmede nu voor den dag komt ; althans ik
houd mij overtuigd, en alle Javanen van aanzien, die ik daarover
gesproken heb, hebben mij erkend, dat deze geheele zaak geen
indruk bij pipanegara heeft verwekt en nog minder hem zoude
vervoerd hebben tot den opstand; en als wij het karakter der
groote Javanen en de geschiedenis van de Yorstenlanden nagaan,
dan zullen wij wel vinden , dat personeele beleediging , onthouding
van uiterlijk aanzien en dergelijke hen vervoeren tot uitersten, maar
nimmer de publieke belangen. De aanzienlijke en geringe Javanen
zijn elkander daarin gelijk. Ik herinner mij uit de geschiedenis van
JAYA-OOELOO VAN 1825 80. 35
den 16-jarigen oorlog in de Yorstenlanden , die in 1757 geëindigd
is, dat prins Mangkoeboemi , naderhand sultan van Jogjakarta,
zich met zijn dapperen schoonzoon Mangkoenegara, die voor hem
van zoo groot nut was , oneenig maakte , omdat deze eenige vrouwen
was machtig geworden, en die voor zijn serail had genomen, in
plaats van hem dezelven aan te bieden, en dat deze vijandschap
nooit verzoend is, en zoo zijn er vele voorbeelden."
Was voor Van Sevenhoven het adviseeren in deze aangelegen-
heid, nu Commissaris Generaal en Opperbestuur over de intrekking
hunne ontevredenheid zeer scherp hadden uitgesproken , reeds
eenigszins moeielijk, voor hem toch, die het rapport van Van de
Graaff indertijd met Mac Gillavrj toegejuicht (bl. 147 van mijn
opstel in het Nijverheids tijdschrift) en die instemmend aan de uit-
voering van den maatregel medegewerkt had; — voor De Salis,
wiens advies rechtstreeks met de intrekking verband hield, moest
zijn op bl. 295 DP vermelde Pro Memorie van i<S28 nog meer te
denken geven. Hij redt er zich echter op eene waardige wijze uit. Hij
verklaart zich geen volstrekt tegenstander van de Landverhuur en
erkent, dat het wonen van Europeanen in de binnenlanden der
vorsten een middel kan zijn om land en volk onder een meer
milddadig en verlicht bestuur te brengen, en er meer orde en
regelmaat in te voeren : „evenwel den stand nagaande , waarin 2ich
het geheele Mataramsche rijk bevond, tijdens die verhuring, als
door een samenloop van omstandigheden in een compleetèn staat
van regeeringloosheid en ontbinding gevallen" kon men geene
goede verwachting koestereiï van een verhuur van geïsoleerde land-
streken aan zoovele als hét ware op zich zelf staande personen,
die ieder naar zijn wil en zijne belangen deze landen zouden re-
geeren , naar het beginsel om zooveel mogelijk gedurende het tijdvak
van huur winsten te genieten ; terwijl noch het ontzenuwd ert ge-
brekkig Inlandsch bestuur, noch het weinig krachtig Ëuropeesch
gezag daarop controle zou kunnen uitoefenen. „Ik zeg hier con-
trole" — vervolgde De Salis — „dewijl het hier niet geldt de
personen van edeldenkende beginselen , noch ook in zeker opzicht,
die door eigen vlijt en arbeid, kennis van het land, de zeden en
gewoonten van het volk , gerangschikt kunnen worden als nuttige
voorwerpen tot meerdere uitbreiding van den landbouw, verbete-
ring van de toomeloosheid en onbeschaafdheid der opgezetenen;
maar wel dezulke, die geheel ontbloot van deze noodwendige hoe-
danigheden, slechts konden strekken om de ingezetenen van het
36 DS EGONOKIBCHS OOVZAKKN TAX DEN
eene juk onder het ander te brengen , en alleen hunne grootheid
en eigen belangen najagende en zich aan niets storende wat naar
orde en regelmaat lijkent, oorzaak moeten worden van eene ver-
meerdering van den reeds zoo wankelenden staat van rust en van
de verdere verbreking van het slecht en gebrekkig gezag. Terwijl
het verder eene ontegenzeggelijke waarheid is en door daadzaken
geprouveerd , dat die verhuur een middel gaf aan vele rijksgrooten
en mindere hoofden om, voor een moment hunne behoeften vol*
doende, zich voor het vervolg geheel buiten staat te stellen om
zich te kunnen emeeren , en dezen dus tot middelen moesten of
zouden hebben moeten komen om hierin te voorzien door onéreuse
en kwade handelingen. En zonder nu hierbij langer stil te staan
of na het zoo vele daarover gezegde te herhalen , kunnen wij het
daarvoor houden , dat de verhuur .... wel geene dadelijke oorzaak is
geweest tot den opstand door Dipanegara daa^esteld, maar wel
gelegenheid heeft gegeven om vele misnoegden en van middelen
van bestaan ontbloote prinsen en hoofden te doen voorkomen, en
daarbij meerdere ongeregeldheid in het algemeen bestuur, waardoor
van zelve eene gemakkelijkheid moest voortvloeien tot een opstand.
Men beschouwe slechts wat de mede-oorzaak is geweest des op-
stands in het Cheribonsche door de verhuur van landen, om te
weten hoe nadeelig zoodanige mesure voor de rust is ^). Gaarne
nochtans maken wij deze zelfde toepassing op den maatregel tot
intrekking van die verhuur : 1^ omdat de Keizer en de Rijksgrooten
van beide Hoven vermeenden daardoor tekort te zijn gedaan in hunne
rechten over deze landen. Ik zeg vermeenden, dewijl dit toch
zeker het geval niet is, daar, zoo daartoe geene andere gronden
waren, artikel 15, 16 en 17 van het contract met den Keizer van
den 1° Augustus 1812, ten dezen aanzien het geding van zelve
zouden beslissen ^) ; 2<^ om de wijze , waarop dit anders inderdaad met
1) Over de oorzaak dier onlusten , zie mijne Bgdragen tot de Wordingsgeschie-
denis van het Reglement op de Particuliere Landeryen, bl. 75 — 76.
') Dit contract met den Soenan is als bijlage LXXVll in Van Deventers „Neder-
landsch gezag" bl. 327 opgenomen. De hier vermelde artikelen bevatten in sub-
stantie het volgende:
15. De Soenan erkent het oppergezag der Britsche regeering over geheel Java
en de bevoegdheid van Haar om overal tusschen beiden te treden , waar de staat
des lands zulks vordert.
16. Indien de Regeering in eenig departement de invoering eener betere regeling
wenschelijk acht, zal de Soenan daartoe bevelen geven; en zoo deze dat niet
JAYA-OORLOO VAN 1825 — 30. 37
recht, billijkheid en belang instemmend besluit van Mei 1828 zoo-
danig is ter executie gelegd, dat daarover bij de prinsen onverge-
noegdheid moest bestaan en dat wel hoofdzakelijk bij den persoon
van Dipanegara, mede-schatbewaarder van den minderjarigen Yorst,
daar hij in deze transactie niet naar zijn rang noch stand schijnt te zijn
gekend ; daar hij anders een van die personen was , die zich stellig
had verklaard tegen de verhuur, terwijl van de zijde van het
Jógjasche hof geene opofferingen te groot zouden zijn om de ver-
huurde landen aan particulieren weder in het bezit der verhuur-
ders te stellen; daarin volgende het beginsel van den Sultan en
den pangeran Pakoe alam , die geene landen onder eenige conditie
hebben willen afistaan/^
Het is zoo. Dipanegara was tegen de Landverhuur (verg. DP 363),
en dus had hem de intrekking genoegen moeten doen ; zijn mede-
voogd Mangkoeboemi had slechts een tuintje van drie- k vierduizend
kofiBeboomen aan een Chinees verhuurd en deze zaak persoonlijk
met den huurder afgewikkeld ; er waren in Jogja slechts weinige
landen afgestaan en het bericht der intrekking van de Landverhuring
zou er over het geheel genomen met sympathie zijn vernomen,
ook al moeten daarop uitzonderingen bestaan hebben (verg. DF 365) ;
doch de uitvoering der maatregelen wekte ook te Jogja groote ont-
stemming, gelijk De Salis opmerkte en ik reeds mededeelde in mijn
Dipanegara-verhandeling bl. 341 — 343. Behalve het daar vermelde land
Bedaja, door den vader van den minderjarigen Menol uit vriendschap
aan Nahuijs afgestaan, voor slechts f 62| ^s jaars huur! waren er
ook nog Sultanslanden aan Thompson en Tissot verpacht. Doch na de
conferentie over Bedaja wilden de voogden zich niet meer met resi-
dent Smissaert over de Landverhuring verstaan; de Resident,
merkten zij op, liet zich toch niet aan hunne billijke vertoogen
gelegen liggen en nam evenmin de belangen van den jongen
Sultan in aanmerking ; op een gebiedenden toon wees hij al hunne
aanmerkingen van de hand , zoodat hijzelf de wijze van afdoening
der schadeloosstellingen voorschreef. Des Sultans inkomen verdween
binnen 30 dagen heefl gedaan» zal de Regeering zelve de maatregelen ter uit-
voering zonder nader uitstel of bericht in handen kunnen nemen.
17. De Soenan belooft nauwgezet rekening te houden met eenige raadgeving,
die de Regeering nuttig acht in het belang van zgne inkomsten , financiën of het
justitie wezen, dan wel van eenig ander onderwerp, strekkende ter bevordering
van 's Vorsten belangen of van *s volks welzijn.
Hel contract met Jogja van 1 Augustus 1812 is mede in het genoemde werk
afgedrukt als bylage LXXVl op bl. 321.
^^ DK KOyOianrUM, OOKJLk££5 TAS DCT
dbD !r^'>l c:.k^E>e^ 2>-ij*itl m*^ h^ uiiir^nAltik der «:L**it';»ï«rr.:33zeD,
i/jfAM lü-^ tl'^f in gT^^A^ Miiiifjinit TenieL De p3«>dii'r3cD en de
^niktl&n t^ü vaarde in den KraAon verien »>p ie 'C>»pe-i: t^ire markten
Terloesit, en de opbrenz^ o&derÜiie reideeld. Die toestand trof
men ook elien in de Toistenlanden aan. I>& beTOikine ondersin^r
aip^T^ingen ran allerlei aard , ten einde in de nc«c«den der giooten
te kannen Ti>orzien, en zoo Toedde een maatreet « met de bene
bedoeÜD^en genomen , direet en indirect aiier onienedenheid. Dat
Smiioaert nog éene maand Toor den opstand Toor de geToIgen be-
^on ie rreezen , doch dat hij door Mac Gülarrv veid ^ros^^e^teld ,
deelde ik op bl. 3S6 m^ner Dipane^ra-Terhandrling mede.
lU.
Het maxT er alzoo vel Yoor eehoaden voiden , dat de leden van
de op bh -32 Termelde Commissie ter Tererening Tan de Terhunrde
landen ie veinig oog hebben gehad Toor de Terstoring der econo-
mische toestanden en voor het schenden Tan de landsheerlijke
hoogheid door ingrijpende maatregelen, die aan het soaTerein
gezag der Torsten te kort deden. Deze schending trad boTendien
op eene zeer bijzondere v^ze aan den dag, velke een diepen indruk
moet gemaakt hebben.
De grooie postweg tusschen Semarang en Pekalongan loopt door
de landen Karangkobar en Djabarangkah: streken, welke aan de
Torsten behoorden. Hare ligging tnsschen Gouvernementsgrond was
lafftig Toor onze politie. Bovendien lagen de landen Ter Tan Solo
en Jogja , zoodat de residenten er moeielijk toezicht konden honden.
De Commissie ter TereTening kwam nn op de gedachte den Torsten
in overweging te geTen om deze landen aan de Begeering te Ter-
huren Toor 30 jaren. Aan dat denkbeeld werd uitToering gegeTen
met 1 Januari 18£5y dus een halQaar TÓór het uitbreken vanden
opifUnd. De Soenan ontTing f 100000, de Sultan f26000 'sjaars
aan pacht Tan de Begeering. De Djabarangkahsche landen
werden bij resolutie dd. 22 Februari 1825 N«. 7 ingedeeld bij de
re«identiëu Semarang (district Selokaton), Pekalongan (district
Keboemen) en Kedoe (district Kebondalem). De Karang-
kobarsche landen , bestaande uit de toenmalig districten Karang-
kobar, Wirawari en een gedeelte van het district Kalibeber, werden
JATA-OORLOG VAN 1S25 — 30. 39
krachtens resolutie van 22 Maart 1825 N^ 14 gevoegd bij de
residentie Pekalongan, en verheven tot de assistent-residentie Ka-
rangkobai. Dat de Begeering aldus haar eigen tegen verhuring
gericht beginsel ontrouw werd , zooals men wel eens heeft beweerd ,
kan niet bepaald worden gezegd; immers het bezwaar tegen den
afstand van grond gold de particuliere Europeanen, Chineezen,
enz., over wie toezicht ontbrak, een bezwaar hetwelk natuurlijk
zich niet voordeed , waar het Gouvernement zelf als huurder optrad.
Er was echter een ander bezwaar. Reeds het beheer der aan de
particulieren verhuurde landen door Gouvernementsambtenaren had
tot gevoelens van onwil geleid, omdat het er veel op geleek, dat
de Regeering zelve zich in het bezit er van stelde. Diidrom waar-
schuwde Yan de Graaff, gelijk ik op bl. 23 mededeelde, tegen
eene regeling, die nochtans werd ingevoerd. „Indien^^ — schrijft
hij nl. — „het vooruitzicht geopend ware^ dat door deze schade-
loosstelling aan belanghebbenden te verleenen, het Gouvernement
in het bezit van de aangelegde koffietuinen zou raken, en dus in
de gelegenheid gesteld worden om op deszelfs beurt zich wederom
schadeloos te stellen, zoo zoude mij deze wijze van afdoening de
geschiktste en tevens de billijkste voorkomen in het belang der
beide partijen. Daar echter het Gouvernement de verklaring voor
zich heeft van den heer Resident van Jogja en Soerakarta,
dat de vorsten niet dan met weerzin en als het
ware gedwongen zouden toestemmen om dat bezit
aan hetzelve af te staan en wellicht uit een politiek
oogpunt beschouwd het met het belang van het Gou-
vernement niet kan strooken om dezen dwang te
bezigen, zoo vinde ik mij bezwaard dit middel aan Uwe Exel-
lentie voor te dragen . . . ." De Regeering had echter dat bezwaar
niet overwegend gevonden , maar , gelijk wij reeds lazen , ambtenaren
tot administrateurs aangesteld , en wel met de uitdrukkelijke be-
paling , dat de landen geheel buiten bemoeienis der gewezen huurders
zouden beheerd worden, hetgeen, schrijft de minister Elout „al
den schijn had van eene poging om de omstandigheden van het
oogenblik tot uitbreiding van ^s Gouvernements gezag en invloed
te benuttigen^\ Met Karangkobar en Djabarangkah ging de Regee-
ring nog veel verder. Daar toch trad Zij zelve als huurder op en
wel voor zoo n langen tijd , dat zulk een bezit nederkwam op eene
finale afstanddoening door de vorsten. Zij waren reeds vroeger,
nl. in 1819 of 1820, aangezocht land af te staan, en zij hadden
dtfi u»eu jierJii^iit rfWfirfrd- hfriiiii«-cit Tnn 8f Gnuif ':.]. l^o,;
liivt tf TtrnroiidfrtTi it- btn du*-, db.i üt Lp. Tt^riDnnr Ta.ii üülte
ViLU Sert'iiii^reii dttfh in l^S»^ oiw Ltl btii :»:»}» dtr xaAk bet
x'ji^'iii^ Htedt iS/- De jLfbOaiid lii*d irf-ü ocrrmtai nfroiidiiis' der
jrT*fiii^ii^ niet b*n btaat tmi koiïitïttiiii«i- Ej- Ltrei er niet rtstli ook
w^'.rd uoeli diïor d»-ti Sc»eiiLii, lioci d-i^or B:»fmiu:>Ti.o, nwh dc»or den
E.ijkM./etïtierder een voord over koffitïtTiiDeD rerej»!- Jciirjai bad er in
b*n areb*?e] z^^ht. Verg". L7€. Xociiian* 2mair!<t- bet Tci':»r*ne] wü ob&2lD'
zejijfcmeii iiidrui- ^Ik mag bier eTeLwel niet Terberrf d"" , — f^cbrijft
V, S. — *?dal toen ik. met bet Soloscbe bof bwidelde orci deic
rerburiij^, rij iljj ]iet»eii g-eroelen, dut rij dej* lüuden lierer niet
veii u urde-L : dan ditar ik erenwel buiine rftdenen k^iide weder-
]<3;Kj?eiï, «temdeü ig ditarin lK>e.^ Overirens bad de Sc»enMi te^en
bet Tx^orj^'etJUrld bedrat^ viui de büur, nL 100.000 Spaanscbe m&tt<en
% jwin^ ^«>eii bezwaar g^e maakt : „in aar Z. H. de Keiler vas vel
^>c«inrd, vaarrau bij rijn dodol, e^ene Inlaiidscbe Tersnapering: of
rrucbtjfebak, T^wrUtaii üoude bekomen, daar uit dat distiikt de
lekkere^ fooit als eontin^'ent geleverd werd/* Wat Jogja betreft,
iraanuiu £-^>.000 Spaanscbe matten 'sjaars scbadeloosstelling werd
toegezegd, V. S. «rbrijft: ^De Êijksbestierder van Jokjakarla heeft
iüij gezK^gd, dat t/>en bg Dipane^ra daArorer gesproken heeft,
dez^ hem had geantwoord toe roet Solo, dat is Tolg S oe ra-
ka rta, daardoor veri?taande, dat indien dal Hof in die verhuring
t/>e»!U;aide , hij het ook konde doen.*" — Was de zaak dan niet van
b*rlaiig genoeg geweekt om de voogden zelven te booren? Nu heette
het to«;h lat*T, dat zij volstrekt niet over den afstand waren
geh<></rd! „De waarheid van dit alles te kennen", — schreef
De Koek — „i« zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk; dan, hoe dit
ook zij, z^>o mag men aannemen, dat dusdanige maatregel den
vf^y/4«:n niet aangenaam kon zijn. Zelfs een toestemmend antwoord
derzelren zoude niets bewijzen; want men weet hoe gemakkelijk
het is van Inlanders toestemmende antwoorden te bekomen. Maar
daar zij oui* nog minder vertrouwen dan wij hen, geloof ik, dat
de voogden voor zich zelven hebben gemeend, dat landen aan het
Gouvernement voor dertig jaren te verhuren, even goed was als
dezelve voor altoos af te staan, en daar de heer Mac Gillavrj
U^.rfj'M zegt, dat zf>owel aan het Hof van Soerakarta als dat van
Jogjakarta het verlies van de Kedoe en andere provinciën nog
nU*.fal» met leedwezen en jaloozie gevoeld wordt, zoo zal hij, geloof
JA VA-OORLOG VAN 1825 30. 4j1
ik , inoeteu toegeven , dat de verhuur der Djabaraiigkahsche landen
velen heeft geindisponeerd.'^ De ambtenaren wisten dat ook wel;
Sinissaert maakte zich ongerust en Van Sevenhoven deelde mede,
dat de Regeering zich met hare annexatie-plannen wilde in-
toomen, totdat de soldaten van Makasser terug waren (DP 387).
Bovendien waren de bepaalde huursommen, naar Yan Lawicks
oordeel , te gering en wat erger was , wij hielden ons woord niet.
Het gebrek aan fondsen ui. bleek zóó groot, dat wij aan de
vorsten, prinsen en grooten de overeengekomen schadeloostellingeu
niet betaalden; dit geschiedde eerst onder Du Bus! Generaal De
Koek meent, dat deze nalatige betaling geen reden tot misnoegen
te Jogja kon geven „vermits men die penningen voor den jongen
sultan niet npodig had^\ doch dit schijnt niet juist; er heerschte
integendeel aan de hoven ook zoo^u geldgebrek, dat het eenige
middel om ze in rust en tevredenheid te houden, juist uitkeering
in geld zou geweest zijn. En wat moest er wel , bij al hetgeen was
voorafgegaan, in het gemoed van vorsten omgaan, aan wie men
nog kort geleden had verweten, dat zij niet trouw de bepalingen
der verdragen nakwamen!
„Deze inhuur*' — schreef De Salis in 1828 (Sa) — „hetzij
met gewilligheid of niet der hoven , heeft ontegenzeggelijk het
oogenblik moeten verhaasten van den opstand. Immers zij ge-
schiedde op een moment dat aan de hoven het gerucht verspreid
was , dat het Gouvernement geen ander uitzicht had met den maat-
regel van de huur der particuliere landen dan zichzelven daarin
te willen stellen ; op een moment dat de zaak der gedachte ver-
huurde landen nog onverevend was ; en dat het Gouvernement buiten
geldelijke middelen was om aan hare verbintenissen uit gedachte
zaak voortgevloeid en uit deze nieuwe inhuur voortvloeiende, te
voldoen. Voegen wij hierbij dat men in het bezit is getreden van
deze landen , terwijl men meer dan een jaar in gebreke is gebleven
om aan de vorsten en voornamelijk aan de prinsen en rijksgrooten ,
die hieruit inkomsten trokken, zoo op Solo als op Jogjo, de pacht
te betalen ; hoe tegelijk sommige in liet gezag sinds lang geweest
zijnde hoofden daarvan zijn verstoeten om door gunstelingen te
zijn vervangen ; en dat de assistent-resident Chevallier al verder
tot in de schoone geliefkoosde provincie van de Banjoemas was
getreden om opnamen te doen en het idee te établiseeren , dat het
Gouvernement ook deze provincie naar zich wenschte te trekken ;
en men zal kunnen oordeelen in boe verre zulke onpolitieke ban-
a 19^ STTJiaOKUlCXI CiMSASXI^ T±3 143^
VI jr*;B*'xfi »*tö ii:»r ^a ?'.«r;L i* iif.:':»sii tieRimai. isuues^ik :
C;U c*ai»' r^btitlvt iT-itiu "t^i :'r«r»tei;r*x:niftïL i?r.ti '•'» iDrt i^n
ii lucitl «■ -frfinrtr kioi i><-i^i:i/««:i , du en {'irt-iv^ffli van
I>t SiJif oi*d*T irti^T Tc••:^^:*^ic•I#■3 i/tii i* wc-rstu iAJiF«i»o>infii.
H*^ "rw rrii ».5-n** g^cTr-wsn, -WTLkriLn tf: -.krMi iirr:»rf» 8* imrek-
k : iiiT*: ;' - •-' ] :■ efc.1 5 1 n-.tii5:tT«i* witf t ■ • :.r r ^t ::«*-« 5 : 15 ki^d ij:*» niet
hi^i^r afcdri** al* i« vare ▼«ie* "iL ^^. 8:»c-i k^ ii^ i« misiniik
r>*'p*'D "J. 9; Xift* nanaiiTLjker dka -3*3, oa ig tvck»! het feit
Tjiö d^a opi-TALd WAS fi-eplü-ifJi , ea itta, afir«>fiie3dra van de
Vr>v^,jy-quA«^if, iil2^m«>n aaa -de iLtretkine' der LtDoreriaiinQ^
ti*'Tj^ der «ytyrzAkfn enran weet, xxin «ïAiiipBiil nede bracht <mb aan
t* vx/üf-n, dat d]e o<>rx&ken ^on^erwi-ft-ld*" eJdeis l&sea: men lie
<>^>k Jiiera^ IL 4-^ — 17.
Wat oTtrifi'en* a^ns^uit het reiwn taji den assistent-resident
ClieTilher naar de «:ti^>one Monrioneffaia^che lAnden bewe^ten de
ifjïdd*:] punten der VomeiidoniDDen , dit stond in Tertand met andere
<jverwegin^en . waaromtrent het Tolkende jdj aansterkend en waar-
«D<:de ik mijne b<e*choa wingen over Louws 1* deel van het in
h^Xifde deze» genoetude werk besluit.
lY.
JM pacht d^r T'Jyjori^n.
l)t b<r Uiting der tolpoorten had in den Compas^nie'stijd behoord
aiüfi d(i Vorsten. Zij i^tonden die voor eene «ekere som af aan de
fttiideijten erj wel in Jogja met de vogelnesten , waarvoor de Sultan
^0000 S[>aan!»che matten "'s jaars ontving. De bestuurshoofden ver-
JAVA-OORLOQ VAN 1825 — 30. 43
pachtten het regaal aan de kapiteins der Chineezen ; in Jogja be-
hield het bestuurshoofd de vogelnestjes voor zich , doch hij kreeg reeds
voor de tolpoorten de 60000 Spaansche matten; het product der
nestjes was dus voor hem zuivere winst. De tolpoorten brachten
overigens genoeg aan de Kapiteins op, zoodat zij er belang bij
hadden dat ons bestuur niet met klachten werd lastig gevallen,
waardoor zij gevaar zouden loopen de pacht te verliezen. Openbare
veiling had derhalve niet plaats; de betrekkelijk billijke som, die
de Kapiteins betaalden , maakte het hun gemakkelijk de belasting-
heffing niet al te gestreng op te vatten en door gematigdheid de
gunst van de bestuurshoofden te behouden. Dit echter veranderde
allengs toen de vorsten zich verplicht zagen aan het Gouvernement
de tolpoorten af te staan.
Bij besluit dd. 3 September 1817 N*^ 1 werden de residenten der
Yorstenlanden aangeschreven: „om in te zenden eene zoo juist
mogelijke opgave van de rechten, welke door de pachters der
tolpoorten en bazaars op de verschillende plaatsen, waar dezelve
bestaan, geheven worden, en om daarbij te voegen gemeenschap-
pelijke consideratiën om deze belasting op een geregelden voet te
brengen, alsmede om de reglementen en tarieven, welke tot dat
einde noodig zouden zijn, voor te dragen.^' De resident Nahuijs,
zich niet in staat ziende de zaak aldus in haar geheel te behan-
delen, gaf bij missive, gedagteekend Jogja 4 November 1817,
een afzonderlijk advies. Hoe zwaar hem ook toen reeds de
tolheffing over het geheel voorkwam, hij meende er geene ver-
anderingen in te moeten doen brengen, wegens den staat der
financiën. £r waren bij hem ook nooit bezwaren tegen de tarieven
ingebracht. Het éénige , wat hij veranderd wenschte te zien , was de
regeling, dat de Javaan, „de natuurlijke invoerder dezer landen^',
meer tol moest betalen „dan de Chinees, welke een vreemdeling
is'\ De Chineezen hadden hem verklaard, dat hierin voor den
Javaan niets drukkends was gelegen , daar de hoogere heffing alleen
zoodanige goederen gold , als waarin hij in het geheel niet of in het
klein handel dreef, terwijl de Chineezen groothandel in die goe-
deren dreven. „Dan wie ziet niet in", oordeelde de Resident „dat
hierdoor voor den Javaan eene moeielijkheid , om deel te nemen
in den handel van goederen , van welken hij meer tol dan de
Chinees betalen moet, en een betrekkelijk monopolie geboren
wordt". — Ook stelde hij voor meer openbaarheid aan de tarieven
te geven; en verder de pacht van 3 op 2 jaar terug te brengen.
fri i>i fcosonacxB ooecakc^ tas dcf
r^na^ii.» rr »ll^ op- »«»: „/ikC h.«*t eiUad J^ta uhaa* ia e^n toe-
Ak^*l:;;ic:* aL^'-^mftï^Q'^T eo bl">»^L*n.fi'»-r worfï, waArd<oor het voomil-
xi'i^hr» z^h'mtn wo^rds, Akt ook d«? «doorroer tui k«»pizLiit:<e^o«dcreii
T^naeerlerftn en de vaAnie der loIp«x>neii *tiï^a »!"', in Toe^e
het 4tellen Tan deae konere termgaen de Re^tmug meaisraldiger
^elejrenheïd kon geTen oaa de p^eht op^lreTen ie zien. — Men
Tindt ei^hner ïn de stakken Tan User crjd Tenneld, h<ïe in dexe
Terk^^rtinj^ Tan den pachuenaïja een prikkel te meer Toor de
[Kvrhtten moe^ zijn gelegen om er zooTeel Tan te nemen, ab
maar eenigszins mogelijk va$! De Be^eenn^ bepiaalde t^^eh reeds
hij f^eslait dd. 2 December 1S17 X* 15 Toor alle eevesien betx)(5ten
de Tji ^lanoeky dat de rerpaehtitt? der tolpx>rten slechts zou
ptaau Tinden Toor den tijd Tan een jaar: Terder verd bij be-
*lriii ran 5 December 1S17 N* fl orereenkomitig Nahn^s^ Toor-
^Ftellen beschikt.
De:«tijds beatond dos reed^ de pacht onder den Torm, dat zij
aan de meenbiedenden verd toegewezen. Dit deed natnnrlijk de
heffingen gestrenger zijn. Daarbij kwamen allengs: de Terpachting op
korte termijnen, de Terhooging der taricTen en eindelijk de toe-
nemende reisnippering der pachtperceelen , waardoor de inning
alweder met grooter onbarmhartigheid zou plaats Tinden. Toor de
dobbelzocht der pachters moest de bevolking den inzet betalen ,
7Jni(\cT dat men zich door de tarieven stipt gebonden achtte; en
bij het nijpend gebrek der Indische schatkist, wilde de Regeering
dezen rampzaligen staat van zaken niet al te ernstig opnemen , wijl
anders de pacht zon dalen. Had men vroeger in ieder vorstendom
jilechts één belastingheffer, de verdeeling in perceelen riep even
zoovele kwellers der bevolking en der grooten in het leven. Te Jogja
kwamen er, herinnert Van Sevenhoven, 38; en de verpachting van
1825 , te Semarang gehouden , bracht niet minder dan f 3S9427 voor
dit Kijk op; vergelijk daarbij de 60000 Spaansche matten {±k{ 2.20)
en dat in een tijd toen het Rijk nog in zijn geheel bestond, dos
met de Kedoe enz. In strijd met de voorschriften, betoogde De
Salis in 1828 (Sa), en ondanks boeten en bedreigingen, gingen
de pachters voort rijst , olie , trassie en zout bij den op- en afvoer
der Solosche rivier ten hoogste te bezwaren, terwijl zij het volk
op de prauwen hoofdelijk belastten; op één mijl afstand van de
hoofdplaats Solo hieven zij een tol van de sirappen , die dienen moesten
tot dekking der huizen van de vorsten, prinsen, enz., tot een bedrag
lATA-ooKLoe VAN 1825 — 30. 43
van 26 dubbeltjes de 1000 stuks in het jaar 1822, terwijl in 1 SI 7
slechts 4 dubbeltjes werden geheven. Alle mondbehoeften en benoo-
digdheden voor de hoofdplaatsen werden in dezelfde mate hooger belast
en het spreekt alzoo vanzelf, dat alles in prijs toenam en hieruit
bezwaren , zelfs misnoegen ouder de grooteu , voortvloeiden. Het was
dus niet juist, dat de verbazende toeneming van de pachtsommen,
zooals Van Lawick en anderen beweerden , aan hoogere welvaart moest
worden toegeschreven , althans daarmede werd de grootte der verhoo-
ging geenszins voldoende verklaard ; het kwam evenmin te pas om
met beroep op een verleden , toen de belasting naar gansch andere
beginselen werd geheven , te vragen of wij dan nu minder dan vroeger
in staat waren toezicht op de pachters uit te oefenen. „Ik ver*
klaar^^ — wederlegde Van Sevenhoven — „dat zij nooit gesurveil-
leerd zijn, en dit onder de omstandigheden der Vorstenlanden en
onder die der verpachting van de tolpoorten ook niet kunnen
worden; maar dat vroeger hun belang de surveillance was, die hen
in bedwang hield om de knevelarij te overdrijven , zooals thans hun
belang hen gebiedt vexatiën te plegen om het hoogste voordeel te
trekken van hun pacht. Aan de opgegeven redenen , en niet aan de
toegenomen welvaart of uitgebreiden handel , schrijf ik toe de jaar*
lijksche vermeerdering van de som , waarvoor de tolpoorten worden
verpacht. Wij weten hoe ondernemend de Ghineezen zijn in het
doen van speculatiên ; hoe zij bij elke verpachting , ook van andere
middelen elkander opjagen; hoe menigeen reeds door afgunst of
door hoop op winst, in hunne geldmiddelen zijn geruïneerd: en
geen wonder is het dus , dat zij op het zeer ruime veld der tolpoorten
— alwaar zij zoozeer hunne handen vrij hebben, en zoo geheel
op zijn Ghineesch kunnen handelen, zoo alles kunnen doen en
laten wat zij willen — dan ook aangemoedigd zijn en opgewekt
worden om het hoogste te bieden, en hieraan moet dus de jaar-
lijksche vermeerdering worden toegeschreven en daarmede dan ook
de steeds toenemende en ondragelijke vexaties door hen gepleegd.^^
De residenten lieten niet na de Begeering te wijzen op de
schandelijke misbruiken, die van de pacht der tolpoorten onaf-
scheidelijk waren, en dientengevolge werden Van Sevenhoven en
Mac Gillavrj, 1* en 2* resident van Solo, met den resident van
Jogja, Smissaert, tevens in 1824 in commissie gesteld , om over dit
onderwerp van advies te dienen. Daar de wegneming van de mis-
bruiken zonder verkleining der pachtsommen niet mogelijk scheen ,
bleef der Commissie niets anders over , dan het voorstel om de geheele
46 DC ecoiroMidCEn oojlzahzs yax dex
belasting op te heffen en het equivalent voor de Begeering alweder te
zoeken in een afstand van grondgebied door de vorsten. De Bijksbe-
sticrders garen, blijkens de notulen der Commissie van 10 — 24 October
1824 (L16), te kennen, dat van Soloos zijde daarvoor in aanmerking
konden komen: de landen Karangkobar, Soloosch Banjoemas, Daja-
loehoer (ook Banjoemas) en Soloosch Bagelen ; van Jogja^s zijde :
de Jogjasche Djabarankahsche landen en Jogjaasch Bagelen. £n
waren de inkomsten hieruit niet groot genoeg om als equivalent
te dienen , dan waarborgden bovendien de rijksbestierder van Solo
den afstand van Kediri; en die van Jogja den afstand der afdee-
ling Karanganjar (in Bagelen). Wel merkten de rijksbestierders op,
dat Bagelen de steunpilaar der Vorstendommen was, hebbende
onderscheidene hoofden hieruit hun bestaan en dienende voor-
namelijk tot het leveren van werkvolk; terwijl de Soenan uit
Banjoemas zijne grootste voordeden trok; doch zij zouden het door
het verdeden van andere landen en het nemen van voorzichtisre
maatregelen trachten te schikken. (L19).
Zoo stond reeds de definitieve afstand van Karangkobar en
Djabarangkah op het programma, toen men over de huur ervan
aan het onderhandelen was ! En de secretaris der Commissie , de
assistent-resident Chevallier , bovendien geen zeer bescheiden man ,
reisde alvast naar de schoone Montjonegarasche landen om opne-
mingen te doen * ). Natuurlijk , dat dit alles geen geheim bleef en dat
men , van het een op het ander komende , voorzag , dat de einddijke
vernietiging der Vorstendommen in de lucht zat. Onder zulke omstan-
digheden, zegt de Salis in zijn advies van 1 826 (DP 295) — men zie ook
hiervoor bl. 41 — had men nooit de huur van Djabarangkah moeten
vragen , veel minder van Karangkobar , als liggende laatstgenoemde
geheel buiten de grenzen tusschen ons gebied en de Vorstenlanden^
terwijl toch afronding der grenzen de eenige goede grond was
om, krachtens art. 20 van het tractaat dd. 1 Augustus 1812 met
den Soenan gesloten*), de huur voor te stellen. „Geen ongeschikter
») Verg. BC 573.
») Zie over dit contract, hiervoren bl. 36 noot *)). Art 20 (Van Deventer bl. 331)
luidt, dat, daar de verspreiding der berglanden tusschen de Engelsche Oost-
Indische Compagnie, den Soenan en den Sultan hoogst lastig is, de Soenan toe-
stemt in eene ruiling van grondstukken »with a view to render the several
frontiers connected and regular"; en dat de Soenan tevens toestemt in eenige
regeling, die ter zake tusschen den Sultan en de Regeering gelijkel^k zou worden
getroffen. In art 22 van het contract met den Sultan (Van Deventer bl. 320) komt
de overeenkomstige bepaling voor.
jATA-oomuoe tan 1S25 — 30. 47
moinent*\ meent De Salis, „kon derhalre gekozen wordeu dan het
vorenstaande. £n vat moesten een met de TooischreTen door in-
trigen daaigestelde gevoelens beiielde Keizer en de zijnen denken ,
toen hun als het stellig voornemen van het Gouvernement irerd mede-
gedeeld, dat: het Gouvernement geene de minste oogmerken had
om in possessie van landen te komen (verg. BC 54>0), en te gelijk
het verlangen wierd te kennen gegeven , om in het bezit te raken
van de voorschreven landen Djabarangkah en Karangkobar , landen
vaaruit de voornaamste prinsen hun bestaan genoten? Wat voor
denkbeelden moesten geboren worden, toen men bij die gelegen-
heid nog het plan beraamde, om in gelijker voege het fraaie
landschap Banjoemas tot zich te trekken? £n welke verlegenheid
en gedachten moesten er opkomen, toen men, misschien v6<$r het
sluiten van eene definitieve overeenkomst, de voorschreven landen
in bezit nam, die bij de residentiën van Semarang, Pekalongan
en Kedoe trok, daaruit inkomsten inde, de meeste plaatselijke
hoofden, die van ouder tot^ ouder aldaar hun bestaan hadden
gehad, door anderen liet vervangen, en daarbij aan de prinsen of
de personen, die uit deze landen door middel dezer verwijderde
of a^ezette hoofden hunne inkomsten hadden, zonder voldoening
liet der gecontracteerde huren en hen geheel of gedeeltelijk buiten
middel van bestaan bracht? Immers was deze handelwijze hoogst
onpolitiek, en ofschoon het mogelijk is, dat de bedoelde verhuur
dier landen vrijwillig was, het Gouvernement had nooit...., ont-
bloot van contanten om de huur te betalen, aan deze huur
moeten denken/^
Intusschen kwam het oorspronkelijke compensatie-denkbeeld niet
tot uitvoering ^). Terwijl de opstand van Juni 1825 de Hegeering over-
viel in een tijd , dat Java volstrekt ontbloot was van troepen en geld ,
had zij reeds bij eene resolutie van 9 Sept. 1828 te kennen gegeven,
niet te willen medegaan in eenige voorstellen betrekkelijk de reorgani-
satie der Yorstenlanden , wijl de intrekkingsmaatregel wellicht reeds
eenige bezo^dheid bij de Javasche vorsten en rijksgrooten had doen
ontstaan omtrent den aard en de uitgestrektheid der bedoelingen
van het Gouvernement met betrekking tot de Vorstenlauden , en
dat het alzoo vooral in die omstandigheden, onstaatkundig zoude
zijn om deze bezorgdheid , „hoe ongegrond ook^^ ! ! door in het oog
vallende veranderingen te voeden , waardoor al spoedig het nauwelijks
' Verg. DP 386.
4S DV iCD^ioiascHi oovzjxk:v t±% dw% jata-oo&log.
T^.Tt^ti^rd venromr^n van d<ï vomi^Ti en grrwten op het Xeder-
land;^<!h«» Gonvememenc .lan het wank'^Ien kon worien gebracht.
Xo^htians w^a.^ 1.1 jaar later Kannijkobar e.nz. ^n haar" ge-
nomen , do<:h rerier darfde men dan «>?k niet te gaan. Wat
de qaaft^tic der tol poorten betreft ^ Van de Graalf diende een on-
znn-nig jidriea over de ophetüni? in. Flet Terlie* ran een millioen
zniden 's jaar» kon zonder equivalent, hetvetk men na miste,
niet worden geleden : door het o^estrenz va:*t honden aan de tarieven
kon men wel mi:»bruiken te^eniraan : kortoni de intrekking was noch
met het belang van het Gouvernement. n'Och met het belang,
den vrijen wil en de kenze van de Javaanaohe vorsten overeen te
brengen , zoodat de voorgetitelde maatregel moest worden be-
schouwd ^\s ondoelmatig, onrechtvaardig en onraadzaam". Het
rapport werd door den Raad van Indië toegejuicht en alzoo bij
resolutie dd. -M December 1S25 bepaald, dat de beslissing over
deze aangelegenheid voorloopig in advies werd gehouden.
Toen reed? echter was de opstand een half jaar aan het woeden ;
en de mniters hadden de Be?eerin? de moeite bespaard om de
tolpoortCB op Midden-Ja va weg te nemen , daar de tollen en hare
gaarders de eerste slachtoffers werden van een opstand , waamit de
Begeering en hare ambtenaren sinds vele nuttige lessen blijvend
hebben getrokken.
's Gra venha^e. December 1896.
EEN RUSSISCH GELEERD K OVER DE BEELDHOUW
WERKEN VAN DEN BORO-BOEDOER.
DOOR
Prof. Dr. H. KERN.
De Russische geleerde Sergius F. Oldenburg heeft in de Ver-
zameling (Sbornik) van opstellen en onderzoekingen, welke door
de Faoalteit van Oostersche Letteren te Petersburg bij gelegenheid
van 't eeuwfeest der Ecole des Langues Orientales vi-
V a n t e s aan deze laatste werd opgedragen ^ , eene bijdrage geleverd
onder den algemeenen titel van /^Opmerkingen over Budd-
histische kunst//. In dat alleszins belangrijke stuk handelt de
Schrijver o. a. //Over eenige voorstellingen van Bud-
dhistische Jstaka's in beeldhouw- en schilderwerk/i^,
te Bharhut, Ajan^S en Boro-boedoer. Aangezien de kennis der
Russische taal hier te lande en in onze overzeesohe bezittingen
weinig verbreid is, meen ik aan de lezers der Bijdragen eeneu
dienst te bewijzen niet alleen met hunne aandacht op Oldenburg's
verhandeling te vestigen , maar ook door eene vertaling te leveren,
en wel van dat gedeelte hetwelk betrekking heeft op den Boro-
boedoer. Tot recht begrip van H onderwerp zal ik echter tevens
een gedeelte der inleiding in vertaling mededeelen.
0?er eenige yoorstellingen yan Bnddhlstische Jataka's in
beeldhouw- en schilderwerk.
DOOR
S. F. OLDENBURG.
De Buddhistische kunstenaars hebben zich reeds vroeg beijverd
om met den beitel of het penseel niet enkel beelden van den
Buddha, de Bodhisattva's en andere Buddhistische leeraars en
* Kene opgave van de titels en den korten inhoud der stukken in genoemde
Verzameling vindt de lezer in het tijdschrift Toung Pao, jaarg. 18%.
0« Volgr. 111. 4
ifnlIz^Tk- iflLAAr ook '>b z*ï-?>^iïnr e :«***& ah ït^t lütste aardsche
WiTS/i-Q - «raArTAQ fit ilrjkkA* nirl lis^ izL^tta , T*»ri \t brengen.
Orvnci^a, Ss^p*'*, ti^-mpieL* zïJ'q f^-^irki m^ ^z.\tlht\T^ fehf^Jeriiigen,
flukar fi-^ehif #^n <i«^tl Tan *ir^i? *traani:en » «:»n* ton^g^akelijk in be-
Kr">aw?y*rfr r*:pro»iQctii?# en aZeien €*n klein sre^ieielie diLirran b
Tf/li'j-^Ti'ie T^rkl^^ard 2^W''>riien. B^ orize Bg i ihLFirifehe stadiën varen
W5J dikvrjl* g^rï'^iopi o&z*- aAdJi^rhs te wr-^en a^ui At OTereebleren
moDft2neQt/:n tad «totfelijken a^rd, waarbij bet on* gelokt is een ige
▼oom<^lIing^n, Tor>mameI:;k Tan Jataka*«, te Terklaren. Een ge-
A^\e, dezer opmerkingen wïllen wij hier mededeelen, in de hoop
mettertijd een meer «Tstematisoh en ToUer beverkinsr te zullen
gtTfM Tan *t materiaal dat on* ten dienste staat ten aanzien Tan
de Traag in welk Terband de Bnddhistiiche knnsl staat tot de
Boddhi«tiJche leer en hare legenden.
Thans bepalen wij onze opmerkingen tot den Stüpa Tan Bharhat,
de grotten Tan Ajanta, den tempel Tan Boro-Boedoer ' .
BOBO-BOEDOEB.
Met de literatanr OTer dit Termaarde Bnddhistische heiligdom
op JaTa zijn w^, tot onzen spijt, zeer slecht Tertronwd, daar de
meeste Nederlandsche aitgaTen waarin OTer dit merkwaardig mo-
nnment Tan Bnddhistische kanst gesproken wordt, in Petersburg
uiet toegankelijk zijn ^. Niettemin hebben wij besloten hier over
de bas-rel ie f 8 Tan dit heiligdom te spreken, omdat het ons
gelakt is eeuige daar Toorgestelde tafereelen te Terklaren, welke,
zoorer ons bekend, tot nog toe niet geïdentificeerd waren.
Wij zijn Tan meening dat de meeste Toorstellingen betrekking
hebben op Jfttaka^s ; op de platen moet men de Jataka^s zoeken in
N'' XVI— N'' CXXXV (eTen N- — onderste rij); CXXXVI—
« Hetgeen volgt van blz. 337— 3.Ï3 is onvertaald gelaten. De Vert.
* l)t schrijver had alleen te zijner beschikking 't bekende door wylen Dr.
I>ccmanH uitgegeven werk, en Yzerman's Iets over den voet van Bor o-
B o cd oer De Vert
YAK DEN BORO-BOSDOBK. 51
CCXXX (A. en B.); CCXCV— CCCII; CCCXLVH— CCCLV ;
CCCLXXXIX— CÖCXCII.
De hieronder -staande identificeeringen in tabellarischen vorm
beschouwen wij als een begin van verklaring der geheele serie van
bas-refiefs, welke verklaring, naar wij hopen, geen onover-
komelijke bezwaren zal opleveren, zoodra wij eenmaal over H ge-
heele materiaal zullen kunnen beschikken. Op de platen CXXXYI —
CLXX (A) meenen wij de voorstelling te vinden van 84 Jstaka^s,
ongeveer in dezelfde volgorde als in de Jstaka-mala ^ in acht ge-
nomen is, ofschoon enkele tafereelen ons nog niet ten volle
duidelijk zijn. De voornaamste moeielijkheid zien wij in de om-
standigheid dat de kunstenaars niet altoos met voldoende scherpte de
gewichtigste momenten van een verhaal gevat en zich te veel in on-
beduidende détails verloren hebben ; het is evenwel mogelijk dat zij
een eenigszins afwijkenden tekst hadden , hoewel dit twijfelachtig is.
CXXXVI. 1. ?
£. ?
3 — 4. [Geen teekening]. [5 — 12 ontbreekt].
CXXXVII. 13—14. [Geen teekening].
CXXX7III. 15. [Geen teekening].
16. De koopman brengt spijs. I ^ (.^^,^Ydn.
17. De hel. De Pratyekabuddha.
18. De Pratyekabuddha vliegt weg.
CXXXIX. 22. [Geen teekening]. [19—21 ontbreekt]. ]
23. ?
24. De wouddieren brengen geschenken . ^ ,^
) 6. Qa9a.
aan Indra.
25. De haas maakt zich gereed om zich
in 't vuur te storten.
26.
27.
28. ) ?
29.
CXLI. 30.
31.
32.
PYTTT *^± l ï^öïii^? Maitrabala en de Yakfa's.
De 5 Yaksa's en de herder.
8.Maitribala.
> Dezelfde volgorde is natuurlijk in acht genomen in de Engelsche vertaling door
Prof. Spcijer, die 't eerst in deze Bijdragen verschenen is. Vert.
52 XXN RUS8IS0H GKLXEKDE OYEK DX BKELDHOUWWKBKSN
85. I .
86. \
87. Wegschenking van den olifant. ) 9. Yi^yantara
38. De kinderen van yi9vantara.
89. Yaksa's leiden Vi^vantara. J
40.
41.
42.
43.
44.
45.
46.
CXLVI. 47. [Geen teekening].
48. Den Koning wordt Unmftdayantï
als vrouw aangeboden.
49. De gezanten des Konings en
UnmSdayantl. v-,o tt -j
«o> Tx / 1 >13. UnmSdayanti.
60. De gezanten geven verslag aan '
den Koning.
CXLYII. 51. Ontmoeting des Konings met
UnmSdayanti.
52. De kooplieden op zee. 14. Snp&raga.
58. I
54. [ P
CXLVin. 55. \
56.DevisscheninHmeerv66rdenregen.| ^
57. De visschen na den regen. j *
58.'t Kwarteljong in 't »««»*«« «Jde Ugy^rtakspotaka.
van den brand. )
CXLIX. 59.Indra vóór den Koning met de kruik. 17. Kumbha.
60. [Het benedenstuk van één figuur
overgebleven].
[Geen teekening].
CL. 61.
62.
68.
CLI. 64.
65.
66.
67. . P
CLII. 68. Indra wordt berispt.
Heremieten in ^t woud.
18. Bisa.
VAK DEN BOKO-BOSDOBB. 53
69. 1 j
70. j ? j 20. Cresthin.
71. \ I
ClilII. 72. [Geen teekening].
'73. Man en vrouw gaan naar H bosch.
74. De Koning in 't bosoh. ] 21. Cu^Ha-bodhi.
75. De vrouw des heremiets weggevoerd.
CLIV. 76. [Geen teekening].
77. De zwanen op H meer.
78. Den Koning wordt van de zwanen bericht.
79. De jager vangt de zwanen.
GLV. 80. [Gteen teekening]. V 22. Hamsa.
81. Gesprek van de zwaan met den Koning l
(brokstuk). ]
82—84. [Niet voorhanden]. J
CLVI. 85. \
86. I [Geen teekening].
87. I
88. [Brokstuk].
CLVn. 89. ?
90. De Koning trekt ter jacht.
91. De Koning aan den afgrond.
92. De Qarabha brengt den Koning in veilig-) 25. Qarabha.
heid.
CLYIU. 93. Afscheid van den Qarabha.
94. [Brokstuk].
CLIX. 95. Dieren in 't woud.
96. De drenkeling en de Ruru. . _
97. De Koning in 't woud.
98. Zedepreek van den Buru.
CLX. 99. j Den Koning wordt een vrucht (?)
100. I gebracht.
101. De Koning maakt zich op om de
vruchten op te sporen.
102. De apen redden zich door de vlucht.
CLXI.103. De slapende Vorst.
104. De Vorst zoekt de vrouwen. ] 28. Ksanti.
105. ?
CLXIL106. [Brokstuk].
107. [Geen teekening].
27. Mahakapi.
54
££N RUSSISCH GSLEBEDS OVJ9& DK BBSLDHOUWWEBKJSN
30. Hastin.
81. Sutasoroa.
CLXIII. 108. j
109. J [666H teekening].
110. I
111. Brahma leest den Koning eene | «^ ti i. .
, , I *'^' Uranma.
zedepreek tooi. \
CLXIY. 112. De olifant en een der reizigers.
113. Reizigers.
114. De olifant maakt aanstalten om zich
in de diepte te storten.
115. De reizigers eeren de overblijfselen
van den oli&nt.
CLXY. 116. Sutasoma en de Brahmaan.
117. Saudisa ontvoert Sntasoma.
118. Sutasoma hoort de spreuken des
Brahmaans ten einde.
119. Sutasoma houdt eene preek tot Sau-
dSsa en de prinsen.
CLXVI. 120. Geboorte des Prinsen.
121.
122.
128. De Prins rijdt uit.
CLXVII. 124. j
125. [ ?
126. I
CLXVIII. 127. De Prins heremiet geworden.
128. [Geen teekening].
CLXIX. 129. De aap en de buffel.
130. Een'Yaksa vraagt den buffel waarom
hij den aap duldt.
181. ?
132. De Taksa luistert naar de zedepreek
van den buffel.
CLXX. 133. P
134. De leeuw die een beentje in de
keel heeft gekregen.
135. De specht die \ beentje uithaalt.
136. De specht in gesprek met den
leeuw.
Van de overige afzonderlijke tafereelen deelen wij vooralsnog alleen
dezulke raeê, waarvan de identificeering ons niet twijfelachtig schijnt.
32. Ayogrha.
83. Mahisa.
34. Qatapattra.
VAN 0£N BORO-BOEDOEB. 55
Sudhana Kinuaravadana i.
XVI. 2. ?
XVII. 4. ?
XVIII. 6. I) Gesprek van Koning Daksinapaiicala met den be-
tooverden Naga Janmaoitra.
2) Bezwering van Janmaoitra en verschijning van
den jager Halaka.
3) Dankbaarheid van Janmaoitra jegens den jager
voor zijne bevrijding.
XIX. 8. Vertoef van den jager Halaka in 't verblijf van
den Naga.
XX. 10. De Kinnarï-prinses ManoharS met eene Kinnari aan
't meer Brahmasabha.
XXI. 12. De prins Sudhana brengt de prinses Manohara ten
zijnent.
XXII. 14. ?
XXin. 16. De prins neemt afsoheid van zijne moeder.
XXIV. 18. Ontmoeting van den prins met Indra.
XXV. 20. De Koning beraadslaagt over zijn zoon.
XXVI. 22. Manohara vliegt weg.
XXVII. 24. De prins maakt zijn opwachting bij zijn vader na
zijn krijgstocht.
XXVIII. 26. De prins heeft een onderhoud met zijn moeder.
XXIX. 28. ?
XXX. 30. De prins en de heremiet.
XXXI. 32. De prins in 't rijk der Kinnara's; bij den vijver.
XXXn. 34. Boogproef.
XXXIII. 36. Proef met de meisjes.
XXXiV. 38. Dansen der Kinnari's.
XXXV. 40. Sudhana en Manohara, teruggekomen, deelen ge-
schenken uit.
Maitrakanyaka ^.
CXXIII. 216. Schipbreuk, ontmoeting met de 4 jonkvrouwen.
CXXIV. 218. Ontmoeting met de 8 jonkvrouwen.
CXXV. 220. Ontmoeting met de 16 jonkvrouwen (afgebeeld 11).
/
* Zie Divyavadana XXX en onze (d. i. Oldenburg's) Buddhistische Legenden
I, Petersb. 1894. 43-47 en 80.
• Zie Buddhistische Legenden 40 — 43 en 79 — 80, waar men de literatuur op-
gegeven vindt.
56 EKN RUSSISCH GELUBDE OVEU Dl BEELDHOUW WKBKE.N ENZ.
CXXVI. 222. Ontmoeting met de 32 jonkvrouwen (a^e-
beeld 14).
CXXVII. 224. Drie tafereelen : 1) Vertoef in de laatste stad
(der 32 meisjes); 2) Aankomst bij den Preta ;
3) Het rad valt op 't hoofd van Haitiakanyaka.
Kaoohaplvadsna.
Dit Jataka kennen wij enkel volgens Rijendralalamitra's over-
zetting uit BodhissttvSvadftna-kalpalata XCVIl.
OLXXXII. 192. (A). De schildpad in zee.
193. Schipbreuk.
194. De schildpad redt de drenkelingen.
CLXXXII. 195. De schildpad biedt zich aan ais voedsel voor
de geredden.
Het paard Balaha.
CCCLXXXIX. i. Baliha voert de reizigers over de zee.
[Naschrift van den vertaler. Na dat gedeelte van boven-
genoemde Verhandeling vertaald te hebben hetwelk den lezers der
Bijdragen wel 't meeste belang zal inboezemen, moet ik hier nog-
maals uitdrakkelijk verzekeren dat het geheele stuk van groote
waarde is voor de ontwikkelingsgeschiedenis der Buddhistiaohe
kunst. De verhandeling van den Fetersburgschen geleerde stelt ona
in staat om de oudste ons bekende voorstellingen van Jfitaka's,
zooals die op de bas-reliefs van Bharhut voorkomen, te ver-
gelijken met de latere uit Ajanta en de nog latere van den Boro-
Boedoer. £nkele Jstaka's komeu op alle drie monumenten voor;
welke? kan men met een oogopslag zien uit de tabellei] die de
Heer Oldenburg in zijne verhandeling met groote nauwkeurigheid
en met de noodige verwijzingen samengesteld heeft, en daar de
titels der Jstaka's in 't oorspronkelijke Pali en Msgadhi of Prikrit
zijn opgegeven, behoeft men geen Russisch te kennen om van die
tabellen (blz. 311, vgg. en blz. 352 van den 8b om ik) gebruik
te maken. Ik eindig met de hoop uit te spreken dat alle die
belang stellen in Buddbistische kunst met de uitmuntende bij-
drage van Oldenbu^ kennis zullen maken, voonsooverre dat niet
reeds geschied is.]
SCHETSEN UIT BORNEO'S WESTERAFDEELING
DOOR
E. L. M. KÜHR,
Controleur Isto klasse B, B.
VII ».
Over de Ziel [sëmangat — gana].
Wanneer een Dajak of Maleier (man, vrouw of kind) van het
landschap Sintang uit eene woning of een boom gevallen is, en
men hem weer in huis heeft gebracht, begeeft zich een vrouw
[de vrouw of een der vrouwelijke bloedverwanten, doch bij het rotan-
snijden of getahinzamelen in het bosch , een der oudste kameraden]
zoo spoedig mogelijk naar de plek waar het ongeluk is gebeurd ,
en strooit aldaar geel gemaakte rijst uit , onder het uitspreken van
de woorden: //koer, koer, koer sëmangat, N. N. bevindt zich al-
weer in de woning, koer, koer sëmangat. /i^
Dan gaart zij met de hand de korrels met de aarde, waarin ze
lagen, bijeen in een tanggok [langwerpig vierkante , platte vischschep-
mand van rotan zonder mazen], schudt dit voorwerp om er de
aarde uit te verwijderen , en laat de rijst op de kruin van den ge-
vallene uit de hand regenen, al zeggende: >/koer, koer sëmangat!/'^
Is iemand hevig geschrikt of aan een ernstig gevaar ontsnapt;
komt hij thuis na een lange of gevaarvolle reis ; heeft hij een zwaren
eed afgelegd, dan is het eerste werk van zijne bloedverwanten,
kameraden of van zijn hoofd , hem gele rijst op het hoofd te strooien ,
mompelend: //koer, koer sëmangat.'^
Als een Dajak van de Kajan- of Melawie-streek op sneltocht is,
rolt zijne vrouw, verloofde of naaste vrouwelijke bloedverwant zijn
matje met kussen op , maakt ^t bundeltje vast aan een der horizontale
dakdwarsstijlen van de lawang en hangt daarnaast een kommetje
met gele rijst op. 's Avonds wordt er een lichtje bij geplaatst.
1 De vorige „schetsen" werden opgenomen in den jaargang 18% der Bydragen.
58 SCaXTSSN UIT BORNEO'S WE8TEEAFDEELING.
Regent 't nu in den nacht , gepaard met donder en bliksem , dan
staat de naaste vrouwelijke bloedverwant haastig op, wascht zich
het gelaat met het van \ dak afstroomeude water en roept daarna door
een blaasroer naar buiten : «rhi . . . oe . . . N. N. koer , koer sëmangat.^
Teruggekeerd bij het opgehangen ligmatje, neemt ze wat geel-
gekleurde rijstkorrels uit het kommetje, en ze weer er in latende
vallen, zegt zij: ^koer, koer sëmangat.^
De vrouw of verloofde neemt daarenboven dat bundeltje mee
naar hare slaapplaats en omhelst 't daar herhaaldelijk.
Uit de hierboven vermelde /rfeiten/r , dat de ziel op een vischschep-
mand en daarna op de kruin van den oorspronkelijken bezitter wordt
gelokt , mag men de gevolgtrekking maken dat zij zich gemakkelijk
uit het lichaam kan verwijderen door vrees , schrik enz. , en niet heel
groot van omvang is, aangezien zij anders niet met een tanggok
zou kunnen gevangen worden; alsmede dat zij gewoonlijk haar
zetel heeft in het hoofd.
Verder is de lokroep koer, koer [de gewone lokroep tot kippen
(manoek) , bij Dajaks en Maleiers de vogel bij uitnemendheid] een aan-
wijzing dat de nuchtere volksverbeelding de ziel de gedaante heeft
gegeven van een vogel ; wat zeer natuurlijk is voor zulk een klein
beweeglijk ding. Onze engelen immers voorzien wij ook van vleugels ;
hoe zouden zij zich anders daar hoog in de lucht kunnen ophouden?
Hecht Bouguereau geen vlinderwiekjes aan zijne Psjche's?
Nog andere opvattingen van Maleiers en Dajaks pleiten voor die
voorstelling der ziel.
Droomt iemand een verre reis te hebben gemaakt, dan meent
hij , dat zijn ziel met zijn schim des nachts aan het zwerven is ge-
gaan en het gedroomde werkelijk heeft ondervonden en gezien.
Vandaar het ingeworteld geloof aan droomvoorspellingen , het strikt
opvolgen van in den slaap ontvangen waarschuwingen en raad-
gevingen, enz.
Eene zwangere vrouw, noch haar man, mag een lijk of een gesnelden.
kop zien, om te voorkomen dat de ziel van het kind bang wordt
en het levenloos ter wereld komt.
Gedurende het oogsten mag niet gezegd worden dat de tempadjangs
en takiens (rijstkorven) vol rijst zijn. De sëmaugat padi wil dat niet
hebben. Zij zou met den geheelen voorraad kunnen verdwijnen.
SCHJSTSBN UIT BQKNEu's W£9T£&AFD£JJilNQ. 59
Ook mag er op de ladangs niet gesproken worden over lijken
en hantoes. De ziel van de groeiende rijst zou bang kunnen worden
en wegvliegen naar Java.
Na het mëmanggil lang (roepen van den kiekendief ) en het bê-
boeroeng (raadplegen der vogels), bezweren de Boven-Mêlawie Dajaks ,
die uit snellen gaan , 's nachts in het bosch de schimmen van hunne
gesnelde voorouders of bloedverwanten, voor wie weerwraak zal ge-
pleegd worden.
Daartoe ontdoet men een plekje van klein houtgewas en alangalaug ,
en richt aldaar een kleine sandoong raoeng op [een op éen paal of
vier palen staand planken huisje ter bewaring der lijkaschurnen
of raoeng], waarin wat eten wordt gelegd en welks ingang door
een omgekeerd opgestelde trap (geesten of schimmentrap) met den
grond verbonden is. Verder begrenst men de ruimten aan weerszijden
daarvan door twee aan acherpgepunte , in den grond geplante stokken
bevestigde rotantouwen, waaraan in hout nagebootste staartveeren
van den neushoomvogel hangen.
De leider van den sneltocht gaat daarna op eenigen afstand van
het huisje op den grond zitten met een bërioet (draagkorf) naast
zich, en zegt: ffO schimmen van die en die [namen der gedoode
bloedverwanten] , komt spoedig terug in onze kampong. Wij hebben
rijst in overvloed. Onze boomen dragen al rijpe vruchten. Onze
tempajans zijn boordevol met toewak gevuld. O schimmen, keert
dus gauw wéér en vergeet niet je nieuwe vrienden en kennissen
mee te brengen.^
Met die vrienden en kennissen worden bedoeld zij, die de te
plegen weerwraak hebben uitgelokt.
Intusschen hebben de andere snellers zich in den omtrek van
de sandoong achter boomen en tusschen het kreupelhout opgesteld ,
en luisteren scherp toe.
Als nu in het bosch kidangs of herten geluid geven, of er een
gebrom gehoord wordt in het huisje , — een bewijs dat de gemelde
bloedverwanten de schimmen hunner vijanden hebben meegebracht —
dan springen de op de loer gelegen Dajaks te voorschijn, en hakken
en steken om en bij die sandoong raoeng.
Van die schimmen, door dezen overval verschrikt, vliegen de
zielen overal rond en verbergen zich achter bladeren en steenen,
welke op die plek liggen. Daarom grabbelt de leider van den
sneltocht met beide handen naar de onder zijn bereik zijnde
oamiii.üll.jït miïrmLiir i-iiafiric . mfitiKtiii^ i-w* -£;■! kuiidinj
lif. zii^Li^a via rl^ !L-',a u fii<iI>iL i^j^uuiea ia s^a bais w &«óckii.
W.ifirta « lUii'^rLkOii i-i-ir iat trwtp^-; Bi-;ll*Ei kacpea bmii
irtmaaki;, riia «r,^z ia Iittiiftr ik ia >i:«a k'>i:t', «a^r^Mf^if i^u (crvren
Ti^*asv:i nt^Iffli w-*« iit hare rfspeirc-ire k-MÜsa kaaaea Tknn.
V'-fOV liéi aiAriiri-i'A kfc^ ü , is veFÓika-i mat k» TOix:k^aaft-J« ,
,^E>irt H«Ki.;a"ritB v^Ra .Üwgl* nwr eiatnaapiLz. Zoo Tert*!d# biJT.
<^i-a nAO, liie aic Kirdvfiui va^ zi*koiiLi;a, Jat de Uaa-Ü riionga
liKKnr^» ^OLZ>^ g>n!''»a aua'i-^a aan if;a trMp«B had Luea nen
na r-^^ïd fu-i , 't»c G'vrrloQ Ti<;r dai«a iKleiiea aja h« b<x>fil ran
Kwt.iif'l'^iifta^ m-ko, r^fi-^IijV met geli ca aaiere b^aoodigdheden
T'V'iTma , riit E^jipc« vu TcnroUcD en na krun om ncfa net
h<MB tvt m^f^. Id dit aLaa<i<D «uca de lielen tui die KstisduieDd
ni*a ; twinr.i^daizmd iJtifieD di»r de aaide Teislonden worden ;
'!« *tniftnï friatizdaizend loaden in de looht Terdwgaen, en hel
'')T<^n<Th<')t ztjh ml^t d^o Uadhï nin Tecbita. Dii b«mh[ oatrin^
Kmin ia Jaai l^^l, en in Aprü Tan bet rol^nde jaat onirtn^ bij
itfitv-ra T*n dm Emii KiramAlbh, waarin de ral TanKanoemen
d^ ririfyi Tan Gordon, d-^n TÏjand Ali»h'f , werd T«rmeM,en Emin
t.KVf:fu* w^-td jc^lAit bij liaramalUb te komen en dien lija buide te
bfftnjfen."
Vait er a»n o Te re»: nk o nut Ie twijfelen ?
Bij i)AjAk* Tan de Kajan- en Beneden-Uelawie-stieek Tiadt men,
«4ar kinderen zijn, ^evrx>nlLJk bij hnnne ligpbiats in de Uwan^,
f.'.n r*tnb«i, d. i. cm eenigszins nauw toeloopend mandje zonder
rif.kxr.l , A'tfiT Troawen DJt rotan vervaardigd, waaraan «belpen
(t.r^.nUr'in^j hani^f^n tn ftedrooïde Truchien ; doppen en bladeren,
lif.n T'.rm hMif.nde Tan tokertjea of omgeslagen waaiers, zooakdie
van ii'i'imfii'-.hiihf.én , r'jeroe, pelai, haDtoe arei, akoep akoep en
ktUt*-M ; verdw «i^it t*;hg^iling [schnbben van den miereneter]. In de
m«t »^nifk'^baltMad*:rftn d ichtgestopte toentooDgs worden de afge-
vaÜCTi n»v>:\*Uf.ni(tn der kinderen bewaard. En in het mandje be-
vinAr.u zi':h t/iKMtAl bladeren of takjes T»n planten, welke een
grm.t*r ((■f'.«ikrv-ht, ht^bben, o. a. van den sabang darah.
Wm r.f.n kind, vmUng 't nog zicbzelveu niet belpen kan, aan
rif.n riTierkftnt gebaad vordt, of ab et een zwaai onweer losbreekt ,
SOHETSEN UIT BORNEO's W ESTER AFDEELING. 61
dan schudt de moeder de rambei en drokt haar daarna tegen het
kind aan. Zoodoende wordt de verschrikte ziel , die bij de navel-
streng, waarlangs zij vroeger in het lichaam is gekomen , onder de
vrachten of tusschen de bladeren een schuilplaats heeft gezocht,
in de gelegenheid gesteld wéér in 't kind te varen.
Het schudden van dat voorwerp heeft, volgens Dajaksche ver-
klaring , ten doel , de schelpen tegen elkander te doen botsen , en met
de bladeren, vruchten en takjes geraas te maken om alzoo de
booze geesten te verjagen ; hetzelfde idee dus , dat bij de Chineezen
voorzit, als zij mërtjons afsteken.
Y66t alles zijn dus Maleier en Dajak er op uit, de sëmangat weer
in het lichaam te doen terugkeeren ; waaruit de gevolgtrekking kan
worden gemaakt, dat de ziel bij hen de eigenlijke levenskracht
vertegenwoordigt.
Dit blijkt ook uit de wijze waarop zij hunne zieken trachten te
genezen, wier kwalen toe te schrijven zijn aan miasmen, zenuw-
en hartziekten , als toevallen , flauwten , krankzinnigheid etc. , alle-
maal oorzaken , welke buiten hunne bevatting liggen en alzoo
door hen geweten worden aan booze invloeden , geesten , schimmen ,
die de zielen der zieken kwellen of zich daarvan meester hebben
gemaakt.
Vertoont een Sintang-Maleier , een Sëlam-boeroeng Dajak, of een
Dajak van den Kebahan-, Bandoek, Lienoeh-, Desa-, Liembei-,
Banza-, Koebin-, Saberoewang- , Keniendjal- en Njadoem-stam
slechts brakingen en sterke zweetafscheiding als ziekteverschijnselen ,
dan meent hij, dat een zijner overleden bloedverwanten of voor-
ouders er de oorzaak van is.
De zieke wordt dan door een persoon, jang pandei bertamba
[pandei = knap « en bertamba = geneesmiddelen toedienen] ,
déwa, doekoen, koelieng, bëlian etc. geheeten, aan de kruinharen
getrokken, onder opnoeming der namen van al zijne overledene
bloedverwanten. Geeft dat bundeltje haar geluid terwijl de naam
van een der voorouders of andere gestorven bloedverwanten wordt
uitgesproken, dan blijkt daaruit, dat de schim van dien overledene
den zieke heeft geroepen.
Heeft de zieke kort haar, zoodat die proef niet genomen kan
worden, dan stoot hij zijn voorhoofd zevenmaal tegen dat van een
ander bloedverwant, die wel lang haar heeft en voor hem die
proefneming ondergaat.
02 SCHETSEN UIT BOKNEo''s WESTBEAFDEELINO.
Dan zegt de geneeskundige — meestal een oude vrouw — tegen
die schim [padeirak, pëdara. Mal., djoenat, djonat, djinat, voor
al de stammen langs de Kajan- en Melawie-rivier , met uitzondering
van de Kahajans van de Z. en O. Afd. van Borneo en de Ot-
Danoms] : '^Ghi maar weer naar je graf: wat kom-je hier doen?
De sêmangat van den zieke verkiest niet door je geroepen te
worden, en wil nog langen tijd in zijn lichaam blijven!'^
Vervolgens doet zij in een tjapan [langwerpig vierkante rijstwan]
een weinig asch van de dapoer [kookplaats] en maakt daarvan
met een mes een ëmpatooug, d. i. een figuurtje van menschelijke
gedaante.
Zevenmaal beweegt zij die tjapan met de ëmpatooug voor den
zieke op en neer — doch zóo dat het figuurtje van asch niet
verstuift — al bevelende: '^ Zetel jij , ziekte, in hoofd, buik, handen
etc, ga dan gauw over in het overeenkomstige lichaamsdeel van
den ëmpatooug!'/, waarop de zieke op het figuurtje van asch spuwt
en de tjapan met de linkerhand van zich wegduwt.
Met een ontstoken kaarsje of lichtje begeeft alsdan de oude
vrouw zich naar het graf of sandoong van den door de haarproef
bekend geworden overleden bloedverwant of voorouder, en werpt
daarop de ëmpatooug van asch , zeggende : /i^Pëdara , plaag den
zieke niet langer, en blijf in je graf, opdat hij je niet meer zie! ^
Bij haar terugkomst vraagt zij aan de bloedverwanten of andere
personen , die haar voor de woning afwachten : ffls de sêmangat
van den zieke al teruggekeerd?»^ Waarop snel de toegesprokenen
moeten antwoorden : i^ Ja , de sêmangat van den zieke is al terug-
gekeerd !/>' en de geneeskundige met water werpen, het reinigings-
middel bij uitnemendheid.
Bij den zieke in huis staande, blaast zij de kaars, den voorlichter-
wegwijzer der ziel, uit, strooit geelgekleurde rijst op zijn kruin,
drie keer herhalend: ^Koer sêmangat!// en bevestigt hem voor
den tijd van drie dagen met een tëngang-touwtje een ringetje om
den rechterpols.
Eerst hierna worden den zieke geneesmiddelen toegediend.
Is iemand plotseling hevig ziek geworden , dan maakt de genees-
kundige een houten ëmpatooug van kajoe tabar tabar. Door haar
wordt het beeldje zevenmaal met het hoofd van den zieke in aanraking
gebracht terwijl zij zegt: //Deze ëmpatooug dient om den zieke te
vervangen; jij, ziekte, gaat dus over in dat beeldje!//
Met wat rijst , zout en tabak in een klein mandje , wordt die plaats-
SCHETSEN UIT BORNEO's WESTEKAFDEELING. 63
vervaDger gebracht naar de plek, waar de zieke door een boozen
geest meent bezeten te zijn geworden , en aldaar overeind op
den grond gesteld, nadat de geneeskundige den geest heeft toe-
geroepen: //O hantoe, hier is een êmpatoong welke den zieke
vervangt. Laat de sëmangat van den zieke los en plaag de êm-
patoong, want dit beeldje is immers mooier en beter dan de
zieke 1^
Om te weten te komen of de ongestelde erg ziek is, bezigt men
de volgende pengoedjian (toetsing).
Uit een êntëmoe-knol snijdt men zeven dobbelsteentjes , waarvan
een der vlakken van elk stukje met een kruis van sirihkalk wordt
gemerkt.
Wanneer, na in de hoogte te zijn geworpen, van die zeven
kubusjes de grootste helft op de gemerkte zijde komt te liggen,
dan is de zieke bedenkelijk ongesteld.
Al de op het bekruiste vlak liggende stukjes worden met rijst
en kurkuma fijn gewreven en den zieke op het lichaam gesmeerd.
Het merkwaardige in de boven aangegeven wijze van genezen
is zeker het gebruikmaken van plaatsvervangers (ëmpatoongs) om
booze invloeden uit iemands lichaam te verwijderen.
Bijna dagelijks past de Dajak H toe.
Wil een Ot-Danomsche zuigeling niet uitscheiden met huilen ,
dan snijdt de mërina [schoonmoeder van den vader van H kind en
dus zijn grootmoeder van moederszijde] uit het groot e blad van
den poean- of mëntawak-boom een poppetje, dat 't kind verbeelden
moet en tegen zijn lichaam word gedrukt; waarna zij H hoog tegen
den binnenkant van het dak plaatst en met pijltjes uit een blaas-
roer doorboort, ten einde den plaaggeest van het kind, koedjang
genaamd, te dooden.
Elke Dajaksche vrouw, die haar zuigeling naar het water draagt ,
heeft gewoonlijk een groote toedoong op 't hoofd, niet alleen ter
beschutting van haar kind voor regen en zonneschijn, maar ook
tegen ziekten, booze geesten. Want aan dat hoofddeksel hangt
diens ëmpatoong-plaatsvervanger.
Zoodra er epidemische ziekten uitbreken , als cholera of pokken ,
dan treft men in de geheele Residentie langs paden , welke naar
Dajaksche vestigingen leiden , en wel voornamelijk aan de linkerzijde
van het pad dat van de woning naar de rivier gaat, verzame-
lingen van ëmpatoongs aan van mannen , vrouwen en kinderen ,
64 SCHETSEN UIT BORNEo's WE8TEKAPDEBLIN6.
waartusschen kleine mandjes, met gekookte rijst, tabak en zont
gevuld, aan stokken of aan de poppetjes zijn gehangen.
Verder worden de voornaamste wegen , komende van de besmette
vestigingen, op groote afstanden van de andere woningen streng
bewaakt en afgesloten door paggers (schuttingen) van doomstokken ,
welke gesëngkëland zijn met bloed van varkens, die voor geza-
menlijke rekening der bewoners van het beveiligde huis worden
aangekocht.
Vooral in de Saberoewang-streek [linkerzijtak van de Boven-
Kapoeas] worden die beide maatregelen ter voorkoming van bezoe-
king onmiddellijk genomen als de pokken heerschen. Want van
koepokinenting willen de Saberoewang-Dajaks niets weten, en met
reden. Een dertigtal jaren geleden namelijk hebben onder hen
eenige tijdelijke hulpvaccinateurs in hunne domheid eene groote
opruiming gehouden door de niet-aangetasten in te enten met etter
van de pokpuisten der lijken.
Elk dier houten plaatsvervangers wordt, onder luide bekend-
making wien hij moet voorstellen, door den betrokkene tegen het
lichaam of den rechterpols aangedrukt en , na opstelling bij het pad ,
met de linkerhand van zich gestooten. Thuisgekomen wordt er op
de kruin van den aldus voor ziekte beveiligde gele rijst gestrooid
door de oudste vrouw der vestiging, onder het uitspreken van de
woorden „koer, koer sëmangat.'^
De houten ëmpatoongs zijn meestal gesneden uit kajoe-koempang —
een der lomponghoutsoorten , waarvan bij verzoeningen tusschen
vijandelijke stammen de scheidsboom is gemaakt.
Deze poppetjes-plaatsvervangers moet men echter niet verwarren
met de bijna levensgroote beelden op hooge voetstukken, welke
men in de Boven-Melawie , en vooral te Mëntoemoi [Embalaüw-
Melawie], voor de Dajaksche woningen ziet.
Dergelijke standbeelden — ook ëmpatoong of tempatoeng ge-
naamd — zijn meestal uit tëkam- of ijzerhout, en vooreen Dajak
nog al kunstvaardig gebeiteld.
Wat kleur en verhoudingen betreft, zijn o. a. die, welke op laatst-
genoemde plaats een Dajaksche vrouw met haar kind op den rug en
twee op reis zijnde Dajaks voorstellen , werkelijk nog zoo kwaad niet.
Daaraan worden gedurende de oogstf eesten de stieren , koeien of
karbouwen [over land aangevoerd uit de Z. en O. Aid. van Borneo]
vastgemaakt, als men ze gaat slachten.
Volgens verschillende Maleische hoofden , zou de eerste assistent^
f ,
SCHETSEN UIT BOBNEO^S WESTERAFDEELING. 65
resident van Sintang , de heer Von Gaffrou , bewerkt hebben dat , in-
stede van menschenoffers te brengen, een der bovengenoemde run-
deren aan een groot houten manne- of vrouwebeeld verbonden , werd
getoloïd, opdat in het Dajaksche hiernamaals aan de schim van
dat standbeeld door de ziel van het geofferde beest leven worde
gegeven.
Dit is zeker wel te rijmen met de denkbeelden van Borneo's ih-
heemsche bevolking. Immers, zijn er in bijna alle deelen van dat
gewest niet vele stammen, die geen hertenvleesch eten omdat de
schimmen hunner voorouders zich ook in de gedaante van die
dieren vertoon en ?
Vele Dajaks in de Mëlawie-streek volgen nu ook dat ingevoerd
gebruik , en wel om de zeer geldige reden , dat daardoor de
kosten voor de lijkbezorging aanmerkelijk minder worden. Een koe
toch kan men aldaar voor vijf en dertig gulden koopen.
Over die bezieling van den standbeeld-êmpatoong sprekende,
kreeg ik van den al dikwijls door mij genoemden Raden Demang
van Mentoemoi tot antwoord :
//Ik zou liever niet willen , dat men na mijn overlijden voor mij
een karbouw aan een tëmpatoeng slachtte. Dat ding zal hiernamaals
net zoo onbeweeglijk zijn als op het oogenblik. Instede dus dat
die tëmpatoeng mij bedient , zal ik \ hem moeten doen \ f ,,. .
Ook weer waar! En volkomen in overeenstemming met den
Dajakschen gedachtengang !
Dat zag ik vroeger zoo niet in; vooral niet, toen ik die houten
plaatsvervangers langs den weg voor het eerst zag, en het doel
vernam waarmee zij aldaar waren opgesteld.
Wat een idiote spokenfopperij ! dacht ik toen.
Doch thans zeg ik: volkomen passend in der Dajaks begrippenketen.
Want door de luide bekendmaking dat een êmpatoong-poppetje
zijn vader voortstelt, zal een Dajak door suggestie in die beeltenis
zijn oorsprong in werkelijkheid zien , temeer omdat gedurende hare
vervaardiging men al braaf gelachen heeft als de kunstenaar in een
enkel opzicht, bijv. een kromme arm, of een vlek op het gelaat,
eenige gelijkenis mét zijn model heeft weten te treffen.
Uit een Dajaksch standpunt moet 't bijgevolg voor het ziekte-
aanbrengend spook eene onmogelijkheid wezen niet te zien , dat het
mannelijk kleinoorig poppetje Pak-Ooenang is; het mansbeeldje
met den krommen arm: Mak Soeloek , en de geknevelde ëmpatoong :
Araei Daroong.
6e Volgr. III. 5
66 SCHETSEN UIT BORNEO's WESTEBAFDEELING.
Ziel heet bij de verschillende stammen langs de Beneden-Melawie-
en Kajan-streken sêmongat, samongit, semingit; de Ot-Danoms en
Pangin-Dajaks [afkomstig van de Boven-Kapoeas] noemen haar
mêroewak, meroewei; terwijl men haar in het Landaksche zoowel
met Tocwa als sêmangat hoort aanduiden.
Komt iemand te sterven, dan meent de Dajak, dat zijn ziel
met zijn schim heen vaart naar andere streken , alwaar hij een zelfde
leven leidt als vroeger in zijn aardsch vleeschelijk omhulsel.
En aangezien hij nog geen Flammarion is , die op wetenschappe-
lijke gronden gist dat planeten en vaste sterren [met uitzondering
van zon en maan, die al dadelijk tot andere voorstellingen aan-
leiding hebben gegeven] bewoonbaar kunnen zijn , en uit vrees
zijne afgestorvenen niet in zijne onmiddellijke nabijheid wil
hebben, zoo plaatst hij ze op bergen, en wel op den hoogsten,
bijna nooit bezochten berg, dien hij uit zijn woonoord zien kan;
want tengevolge zijner herinnering verbeeldt hij zich, dat zijne
dooden nog in zijn horizont verblijf houden, terwijl zijne onder-
vinding hem zegt, dat menschen — dus ook schimmen — in de
aarde niet hetzelfde leven kunnen leiden als daarop.
Is hij door omstandigheden genoodzaakt naar afgelegen streken
te verhuizen, dan zal hij zijn schimmenland naar den hoogsten
top zijner nieuwe woonstreek verplaatsen.
Tot bewijs hiervoor kunnen eenige stammen van de Kajan-streek :
Tebidahs, Kajans, Papaks en Djampals strekken, die, hoewel in
taal, zeden en gewoonten aan de andere stammen langs de Kajan-
rivier en de Beneden-Melawie nauw verwant, en vroeger ook met
hen de Boekit Saran (oorsprong van de Bliembing-linkerzijtak van
de Melawie) tot schimmenland gehad hebbende , sedert een dertigtal
jaren — denkelijk tengevolge hunner isoleering door bloedveeten —
de Boekit Pëtoeran (oorsprong van de Tebidah-rivier) als verblijfplaats
hunner afgestorvenen beschouwen.
Ook de Ot-Danoms , afkomstig van de Z. en O. Afd. van Bomeo,
hebben thans hunne roeboek rijo (verblijfplaatsen van schimmen,
roeboek = huis) gevestigd op de Boekit Pemoeroe (oorsprong van
de Lekawei, linkerzijtak van de Melawie).
Dat schimmenland nu is zeer uitgestrekt en bestaat uit verschil-
lende streken.
Van de wijze waarop een Dajak schim is geworden, hangt 't af
in welk gedeelte hij te land komt.
80HSTS£N UIT BOBNEO's WfiSTSRAFDSXLINO. 6^
De gesnelden en aan kap- en schotwonden overledenen gaan naar
het oord: rood van bloed.
De Kajan- en Beneden-Melawie-Dajaks noemen die plaats : Ribang
Sabang [Sabang-helling] ; de Ot-Danom : Danom Doehoeng [danom
== water, en doehoeng = een tweesnijdend mes om te sëngkëlan,
ter lengte van een parang].
Verdronkenen en door neervallend hout gedooden , varen naar de
vuurstroomversnelling [Ot-Danomsch : Riam Api en Kiham Apoi].
Zij die aan ziekten en ouderdomskwalen , en vrouwen die in de
kraam sterven, trekken naar de witte streek [Kajan- en Beneden-
Melawie-Dajaksch : Sëbajan ; Ot-Danomsch : Batang Kadjoenahan
(batang = groote rivier, en kadjoenahan = groote vlakte tasschen
bergen).
De Ot-Danom plaatsen daarenboven hunne gestorven kinderen
te Tanak Danom — een streek bestaande uit aarde en water.
Natuurlijk heerscht ook de Dood in het Dajaksche hiernamaals.
£n als de schim zeven maal den tol der natuur heeft betaald ,
is haar doodkist [in Kajan- en Beneden-Malawie-Dajaksch : lantjang ;
Ot-Danomsch: doeniek] niet grooter dan een pink, en gewoonlijk
gemaakt van een stuk kapoewah-bast.
De Djonat of Rijo zelf gaat over in steen, aarde of een plant , en
haar sëmangat of meroewak, die dan geheel is opgeteerd, veran-
dert in gana.
Om het denkbeeld, aan dit laatste woorc| verbonden, te doen
begrijpen, zal ik vertellen hoe 't mij duidelijk is geworden.
Voor H eerst trof ik dat woord aan in \ volksgeloof dat , als meisjes
gedurende zeven jaar //beroemboeng/)^ [schets I], zij ten slotte de
gedaante van gana's aannemen en de geheele ^^oemboeng^^ van zelf
naar het water gaat om daarin te verdwijnen , terwijl de kampoong-
bewoners door de rivier worden verzwolgen en herschapen in
steenen.
Op mijne vraag: hoe is die gedaante? kreeg ik tot antwoord:
ff(hinsL lijkt eenigszins op een slangetje, op een aardworm, heeft
een lang rond lichaam; tenminste men zegt *t zoo!//
Verder zullen Beneden-Melawie-Dajaks, over de gebruiken bij
den aanleg van rijstvelden sprekende, nooit nalaten te verhalen,
dat van zeven broers en zusters, Piang Gana [Piang beteekent in
het Embaloh Kapoeas-dialect : grootihoeder = het Javaansche : Biang]
degene was, die zonder armen en beenen werd geboren. Men noemt
haar daarom ook gewoonlijk Potong Keempat Piang Gana [potong ^^
68 SCHETSEN UIT BORNEO^S WESTERA^DSSLINO.
snijden, keempat = al de vier ledematen]. Bij de verdeeling van
de poesaka (erfenis) der overleden ouders wilden zij haar echter
geen ramoe (roerende goedereu) geven, maar slechts een handvol
aarde. Bij zich zelve dacht toen Fiang Gana: /i^Alzoo heeft men
mij de aarde als mijn deel aangewezen /<. Toen dan de broers en
zuster ladangs aanlegden en het hout en onkruid hadden gekapt,
liet zij de hoornen en het struikgewas in den nacht weer aangroeien.
Over deze bemoeilijking werd natuurlijk geklaagd. Maar Piang
Gana zeide: '/jelui neemt wat mij toebehoort; daarom laat ik alles
weer aangroeien wat er eenmaal stond >/.
De broers en zusters, die hun ongelijk inzagen, gingen daarop
aan het beraadslagen , en kwamen overeen hunne armen-en-beenen-
looze zuster altijd eten te geven.
Dat Piang Gana met dat besluit heel tevreden was , toonde zij
door in den vervolge het omgekapte hout en onkruid niet meer
te doen aangroeien.
En van dien tijd dagteekent de gewoonte , dat men bij het aan-
leggen van ladangs aan Piang Gana offert.
Zou alzoo gana, volgens deze legende, niet de groeikracht in
planten, het leven verwekkende in den grond voorstellen?
Deze meening werd mij bevestigd, toen ik vernam dat de sêmangat
ten slotte in gana overging in verband met het geloof dat menschen
tengevolge van het //beroemboeng/!' , zonder zevenmaal in het schim-
menland te zijn gestorven , onmiddellijk in gana's konden veranderen.
Gana beteekent dus, de ziel van alles wat tot het planten- en
delfstoffenrijk behoort; zooals sêmangat of meroewak de ziel is van
hetgeen het dierenrijk omvat, alsmede van rijst, en dingen welke
groote waarde hebben , zwaar en aangenaam geluid geven of den Dajak
diensten bewijzen, als gereedschappen en huisraad, en hem in den
droom als menschen verschijnen etc. — : gongs , tawaktawak ,
tempajangs, toewak, parangs, kommen, borden etc.
Maar terwijl sêmangat, voor de voorstelling, belichaamd werd
in den vorm van een vogel , kreeg gana de gedaante van een slang ,
aardworm. Naar mijn inzien zeer natuurlijk. Want als men in de
bosschen van Borneo boompjes uittrekt, steenen verplaatst of in
de aarde wroet, zijn ^t slangetjes, maar vooral pieren, die overal
worden aangetroffen en al wegsluipende zich slechts even laten zien.
Ik herhaal : levenskracht , ziel werd belichaamd ter wille van de
voorstelling.
SCHETSEN UIT BOBNEo's WESTERAFDEELING. 69
Maar zooals , wanneer in de Zaanstreek de Zuid-Westewind waait ,
\ hem weinig schelen kan of hij één dan wel honderd molens met
zijne stroomingen in beweging moet brengen , terwijl er toch niet
éene wiek klagen zal over minder winddruk dan hare zusters ge-
nieten, evenzoo wordt ook sêmangat dikwijls beschouwd als een
finidum, dat, voornamelijk het menschen- of dierenhoofd vervul-
lende, elk deel daarvan begrijpt, en wél z66, dat het haar noch
djen kaken , noch den tanden , noch den geheelen kop kan verwijten
meer zielstof te bezitten. Tenminste dit moet men m. i. afleiden
uit de volgende gebeurtenissen, welke ik eenigszins de fil en
aiguille zal vertellen.
Een Béadjoek, Aban genaamd , van de Z. en O. Afd. van Borneo,
had op het einde van 1889 in vereeniging met Kahajan-Dajaks, die
zich ook tijdelijk in de Embalaüw-Mêlawie ophielden, in de Boven-
Boenoet [Boven-Kapoeas-streek] een huis, waarin alleen vrouwen
waren, overvallen, en alzoo zonder veel tegenkanting een twintig-
tal koppen buit gemaakt.
Teruggekomen in de Boven-Mela wie-streek , werden die snellers
van Kemangei uit (eene Maleische kampoong aan de Boven-Melawie)
door politie-oppassers en Maleische handelaars achtervolgd, die 't
geluk hadden ze des nachts te omsingelen , toen zij in een ladang-
hutje overnachtten.
Bij het dagen bemerkende te zijn achterhaald , schoten de snellers
al vluchtende op de Maleiers, die onmiddellijk dat vuur beant-
woordden , met het magere gevolg dat slechts de aanvoerder Aban
dood onder het hutje werd gevonden.
Om tot stuk van overtuiging te strekken, echter naar ik geloof ,
meer als weerwraakpleging , had men dien dooden Béadjoek het
hoofd van den romp gescheiden.
Beeds een kwartier voordat de terugroeiende Maleiers in 't ge-
zicht waren, verscheidene tandjoengs (rivierkapen) nog boven Ke-
mangei, waar ik mij bevond, wist ik uit de wijze waarop zij
gilden en op den tawaktawak sloegen , dat er een gesnelde kop in
hun bezit was.
Bij snellers, die met een koppenbuit huiswaarts keeren, is'tnl.
gewoonte — als zij geen vrees meer behoeven te koesteren voor
achtervolging of overval — om gedurende het roeien met kleine
tusschenpoozen te //berlélé// , d. i. de aanvoerders der bende , naast zich
de koppen in berioets hebbende , ontlokken aan hunne tawaktawak ,
door krachtige , kort op elkaar volgende slagen , het welbekende, een-
70 SCHETSEN UIT BORNEO's WESTERAFOEELING.
toonige, doordringende, zenuwachtigmakende , koperklankige geluid ,
terwijl zij tegelijkertijd in hoe langer hoe sneller maat het ge-
schreeuw van lé lé \é \é . . . lé uitstooten , opeens afgebroken door
een in koor invallenden langgerekten gil van de roeiers, die, na
op het lemmet hunner parangs te hebben gebeten , met verdubbelde
krachtsinspanning met hunne korte riemen weer het water klauwen.
Het duurde dan ook niet lang of Aban^s kop, nog bloedende
uit de halsaderen, rolde uit een draagkorf op den planken vloer
van het drijvende huisje (lanting), dat mij tot verblijfplaats diende.
Zijn onbeweeglijk gelaat leek een dronkaards masker, met half
gesloten mij schuins aankijkende oogen, en de tong een weinig uit
den scheef vertrokken mond hangende.
Toen die kop zou worden verpakt, kwam er iemand vanwege
Hadji Baden — thans Pangeran Bandahara van Sintang — mij
vragen, of hij er eenige lokken haar mocht afknippen ten einde
er zijn parang-kahajan (mandauw) mede te versieren.
Een dertigtal dagen daarna in de Kajanstreek reizende , vernam
ik, dat die Pangeran van de sandoong van een reeds een paar
maanden geleden gestorven Oendauw-Dajak een kostbare oude
gong [met een omtrek van zeven span] had weggenomen, en
daarvoor in de plaats had gegeven de van Aban^s kop afgeknipte
haarlokken.
vHei was volkomen in den haak^, antwoordde men mij van
Dajaksche zijde , op mijne vragen ter onderzoek of er soms afpersing
achter die handeling school. //Na de verbranding van het lijk
ffwexd die gong aan de sandoongpaal gehangen voor hem, die
//een kop zou offeren, omdat tegenwoordig het toloiën van een
^slaaf of pandeling verboden is. Daar Hadji Raden een pluk haar
//gegeven heeft van Aban^s kop, die nog niet aan een overledene
//is gewijd, komt *t op hetzelfde neer als had hij Aban^s kop
//zelf afgestaan. Immers gebeurt het dikwijls dat snellers, bij
//achtervolging, om harder weg te kunnen loopen, verplicht zijn
//de buitgemaakte koppen weg te gooien. Ten einde nu niet alle
//vrucht van hunnen gevaarvoUen arbeid te verliezen, snijden zij
//van eiken kop eenig haar af, en verbergen dat in hunne tjawats//.
Een ander feit.
Een Dajak , Biempak genaamd , had in de Boven-Mentatei (linker-
zijtak van de Melawie) twee zijner verre bloedverwanten — vader
en zoon, Maleiers — vermoord, om zich van hunne handelsgoe-
deren en rijst meester te maken. Tijdens het voorloopig onderzoek
SOHBTSEN UIT BORNEÜ^S WESTERAFDBELING. 71
in mijne ^mooiste'/ kamer, met handboeien aan, opgesloten, —
Nanga Pinoh was toen nog geen gevangenis rijk — vond hij,
naar alle waarschijnlijkheid door de hulp van een mijner Dajaksche
bidarroeiers , gelegenheid om 's nachts te ontvluchten. Na allerlei
vergeefsche pogingen om hem te arresteeren, had men hem ten
langer leste overrompeld en , daar hij zich verweerde , gedood.
Van zijn kop nu, die als identiteitsbewijs naar Sintang werd
afgevoerd, had men onderweg kruinharen uitgetrokken.
Volgens de door Maleiers gegeven inlichtingen, o. a. ook van
hen , die zelf eenige haartjes uit Biempaks kop hadden getrokken ,
zouden die haartjes //dari kepala orang jang mati di boenoeh^,
gebezigd worden als geneesmiddel tegen vallende ziekte (sakit
pitam of pitam babi) in H bizonder, en in het algemeen tegen
flauwvallen en hevige hoofdpijnen.
De zieke wordt dan besprenkeld, en het hoofd nat gemaakt met
water, waarin die haartjes en //daon sabang^ gelegen hebben.
Bij personen toch, die aan vallende ziekte lijden of aan hevige
hoofdpijnen of flauwten onderhevig zijn, is, volgens Maleisch en
Dajaksbh inzicht, de ziektetoestand te wijten aan geheele of ge-
deeltelijke ontvluohting van de sëmangat.
Het ontsnapte gedeelte der ziel kan dus aangevuld worden
door de zieledeeltjes , welke in de uitgetrokken kruinharen van den
gesnelden kop zijn blijven zitten. Of wel, deze laatsten kunnen
de verdwenen zieledeelen van den patiënt terugroepen.
Verder vernam ik van Kiai Mas Soeta Laksana te Nanga Pinoh ,
dat men ook gewoon is haartjes uit den kop van een gesnelde te
trekken onder het uiten van een wensch , ten einde dezen spoedig
vervuld te zien.
In dit geval zouden de zieledeeltjes in de haren als middelaars
optreden tusschen den wenscher en de goden en geesten die in-
vloed oefenen op het lot van den mensch.
Nog een ander feit.
In de maand Augustus van het jaar 1883 deden Mempawa-
Dajaks een inval in het gebied der Semaroewa-Dajaks van Landak ,
en verwondden drie mannen van laatstbedoelden stam op de
ladangs.
Volgens het door den controleur van Mempawa en mij gehouden
onderzoek, was de reden daarvoor de volgende.
Om de begrafenis van zijn zoon geheel naar Dajakschen aard
te doen plaats hebben, was Pak Goenang, het meest invloedrijke
72 SCHETSEN UIT BOKNEu's WESTERAFDEELING.
hoofd der Semaroewa's, naar de Oeloe-Djamboe (bovenloop van de
Landak-rivier) gevaren bij wijze van rouwtocht, en had van de
daar gevestigde Dajaks een kop gekocht, dien zij bij de feitelijk
nog onfhankelijke Soengkoeng-Dajaks — naar alle waarschijnlijk-
heid op zijn verzoek — hadden gesneld.
Toen nu genoemd hoofd in zijne woonstreek was teruggekomen ,
werd er niet alleen in zijn huis, maar in bijna alle woningen der Sema-
roewa's op de gongs en tawaktawak geslagen , zoodat elke vreem-
deling in Jeruzalem moest denken , dat door den stam een sneltocht
was ondernomen, welke een rijken koppenbuit had opgeleverd.
Ten minste , dit was ook de meening hunner buren : de Mem-
pawa-Dajaks. En toen in hunne kampoongs het praatje liep dat
een hunner stamgenooten was vermist — deze was op reis gegaan
zonder er zijne familie van kennis te hebben gegeven — trokken
verscheidene benden, na raadpleging der vogels, naar de Sema-
roewa's, met het bovenvermelde ongelukkige gevolg.
Wat was nu de oorzaak van die algemeene feestviering ouder
de Semaroewa's.P
Den door Pak-Goenang gekochten kop had men in stuk-
ken gezaagd, welke vóór de wijding werden verkocht aan hen,
die een kop wilden offeren aan hunne overleden bloedverwanten.
En daar men in die streken in de laatste tientallen van jaren geen
verschen kop had aangebracht, was de deelneming zeer algemeen.
Een stuk van de kaak bijv. was er toen dus evenveel waard als
de geheele kop, om de eenvoudige reden dat men den kaak niet
vóór zich kon hebben zonder zich den volledigen schedel, den
zetel der ziel, er bij te denken.
AANTEEKENINGEN.
Blz. 58. Dat Dajaks een vast geloof in droomen hebbeu, kan
afgeleid worden uit het feit, dat alle zwangere vrouwen de vrucht
afdrijven zoodra zij droomen dat het ongeboren kind hun ongeluk
zal aanbrengen.
Bij de Saberoewang-vrouwen is 't zelfs zoo erg , dat , als abortiva
niet helpen , zij hare zuigelingen ergens in het bosch achterlaten. Van
Maleiers te Smitauw of Silat verneemt men dikwijls , dat zij Dajak-
sche kinderen hebben aangenomen , die zij in de Saberoewang-streek
SCHETSEN UIT BORNËO^S WESTERAFDËELING. 73
op den grond in een mandje , of in een saroong hangende tasschen
de takken, in het bosch aantroffen.
Blz. 58. Als de padi groeit, dan zegt de Dajak dat de /i'Sengiang
van de rijst// op reis is naar Java. Deze godheid komt terug als
de padi rijp is.
Er zijn mannelijke en vrouwelijke Sengiangs.
De Sengiang van de rijst is eene vrouwelijke godheid
Blad. 59. Mënanggil lang (Mal.) ^ niempei (van tiempei) lang
(Beneden-Mëlawie- en Kajan-Dajaksch) nah atang (Ot-Danomsch).
Beboeroong (Mal. en Beneden-Mëlawie- en Kajan-Dajaksch) — -
bedahiang (Ot-Danomsch).
Blz. 60. Bij de Ot-Danoras heb ik geene rambei's gezien. Aan het
touw van de hangmat, boven het kind, zijn echter bevestigd waaier-
en kokervormige orchideeën-bladeren, stukjes hout, belletjes, de met
een sengkoebakblad dicht gestopte schelp waarin de navelstreng
van het kind zich bevindt, en de ëmpatoong van 't kind.
Blz. 61. Als het bliksemt en dondert, slaat men in de la wang
op de tawaktawak.
De naam //rambei'/ is aan bovenbedoeld voorwerp gegeven ,
omdat, door zijne aanhangsels, het op de smakelijke, kleine, in
trossen hangende vruchten van den Bambei-boom gelijkt.
Blz. 61. De geneeskundige krijgt een zeker loon, bestaande uit
een saroong of badjoe, wat rijst of andere eetwaren, of, als de
zieke ^t rijk is, eenig geld.
Het doekoen-, déwa-, bëlianschap is gewoonlijk erfelijk in de
familie.
Blz. 65. Het verhaal als zoude vóór het doodprikken (toloi) van den
te offeren slaaf, de ziel uit zijn lichaam worden verwijderd, is m. i.
onwaar. Een Dajak zal aan een zielloos ding geene boodschappen
meegeven, als vroeger door mij werden aangeduid (Schets V).
Blz. 65. De Liembei- en Boenjauw-Dajaks van de Mëlawie- en
Kajanstreek noemen de groote ëmpatoongs ook kedjahan.
Bij de Ot-Danoms zijn kedjahan of tedjahan kleine houten
74 SCHETSEN UIT BOKNEo's WESTEKAFDEELING.
beeldjes, welke hunne voorouders voorstellen en in het bosch worden
opgesteld bij niboeng-palmen , op plaatsen waar zich verschillende
otoe's (geesten) ophouden.
Bij het op touw zetten van gewichtige ondernemingen wordt , om
ze te doen slagen, aan die tedjahan^s en aan goden en geesten geofferd.
Aangezien de kosten voor het vervaardigen van die beeldjes nog
al oploopen doordat de kunstenaars gevoed en beloond moeten
worden , en het aantal voor de plechtigheid te slachten varkens en
kippen tamelijk groot is, zoo kan het plaatsen van tedjahan^s bij
niboengs slechts door rijkaards geschieden.
Merkwaardig genoeg is de niboengpalm in den hemel (rangit
of langit , Ot-Danomsch) het huis van Bénang : Petara's vrouw.
Een andere vrouw van god Petara heet Majang: de bloemkolf
van den pinangpalm.
In het Landaksche heet die soort van beeldjes: pantak. Het
grootste aantal daarvan treft men in de Benjoekei-streek aan.
Is daar een hoofd of invloedrijk persoon , met aardsche goederen
gezegend, gestorven, dan wordt na de begrafenis, of tijdens het
oogstfeest, de pantak van den overledene gemaakt en bij den hoek
van de voorzijde der woning aan den kant van zonsopgang opge-
steld , met het gelaat naar de opkomende zon.
Ik heb dikwijls gezien dat men aan het grootste en meest kun-
stig gesneden beeld van de verzameling, in een vlak daarvoor
gebouwd planken huisje , als op Chineesche manier, rijst, vruchten,
tjoe (arak) in kopjes offerde, waarbij een lichtje brandde.
Dien pantak had men dan voor die gelegenheid een rood baadje
aangetrokken, een haarband met veeren opgezet, een miniatuur
parang omgehangen en een klein schild met daarbij passende lans
in de handen gegeven.
Blz. 66. De Pangins in de Ëlla-streek (Melawie) , af komstig van
de Boven-Kapoeas , noemen schim : o-oong. Hun schimmenland is
echter nog altijd gelegen op de Boekit Tebiroeng, waardeMandei
(linker-zijtak van de Boven-Kapoeas) ontspringt.
In de Kajan-streek (Melawie) heet de schim van een vrouw : data.
Blz. 68. Piang Gana. — Het volksgeloof wil , dat Piang Oana ,
behalve een lichaam met afgesneden armen en beenen, een hoofd
heeft dat op een ananas lijkt.
Vele Boeddha-beelden nu hebben een kapsel van krullend haar ,
dat groote overeenkomst vertoont met genoemde vrucht.
SCHETSEN UIT BORNEo's WESTERAFDEELIN6. 75
Verder moet er zich in de Boveu-Tempoenak , volgens zeggen vau
den Panembahan van Sintang, een beeldje van goud of koper
bevinden, hetwelk in de wandeling ook Potong Keempat Piang
Gana wordt genoemd.
Zou dus Piang Gana geen aanpassing wezen van Dajaksche be-
grippen aan een Hindoe-Ja vaansche voorstelling?
Ook in het Ambaloh-Kapoeas-dialekt beteekeut Piang grootmoeder.
Blz. 70. Berl(?lé is in 't Ot-Danomsch : hodélé ; in 't Panginsch :
ningkijauw.
Blz. 72. Ik bevond mij juist voor dienstaangelegenheden te Pon-
tianak, toen van de Sepatah-streek het bericht van dien inval kwam.
Op genoemde hoofdplaats van Borneo's Westkust heerschte toen
de cholera. Van de Boegineesche , Maleische en Chineesche bevolking
stierf er gemiddeld een vijftiental per dag. Van de Europeanen
was er gelukkig pas één , een onderwijzer , overleden.
Tot overmaat van ramp kreeg ik toen een nogal hevige endel-
darmontsteking. Maar, hoewel ziek en zwak ter been, besloot ik
toch op reis te gaan , ook om met mijne toenmalige vatbaarheid de
cholera-besmetting te ontloopen. Daarbij kwam , dat ik reeds een tikje
cholera-vrees beet had door het zien sterven van drie Chineezen op
den weg van de Chineesche kamp naar de apotheek van het hospitaal.
In den namiddag liet ik mijn bidar (vaartuig) bij een tijdelijke
vestiging van Pontianak-Dajaks niet ver van Koewala Sekilap,
meren , aangezien de Sapatah te veel onder water liggende boom-
stammen en steenen bevatte om haar in het donker op te varen.
Aan wal stappende hoorde ik plotseling duidelijk geweervuur
en tirailleurschoten , afgewisseld door zwaar dreunend kanon-
gebulder, zóo dat de Dajaksche woning schudde van den lucht-
druk. Ik dacht dadelijk aan eene vulkanische uitbarsting. Misschien
was de Kina-Baloe aan het werken. Ook was 't niet onmogelijk
dat zich ergens op Borneo een nieuwe krater had gevormd.
Een veertien dagen daarna bleek 't dat mijne gissing juist was:
Krakatau !
De oudste der mij omringende Dajaks was evenwel overtuigd,
dat de lilla's en bedils der bala van Mempawa's Panembahan die
donderende en knetterende luchtberoeringen veroorzaakten, niet-
tegenstaande hij mij gelijk gaf dat men het avondschot van Pon-
tianaks bentèng slechts hoogst zelden bij windstilte te Koewala Tërap
76 SCHETSEN UIT BORNEo's WESTEBAFDEELING.
— destijds een Mandhor-Chineesohe wachtpost niet ver van de
uitmonding der Sepatah in de Landak-rivier — kon hooren; dat
de afstanden van Pontianak tot laatstbedoelde koewala, en van
Koewala Sekilap tot de streek der Semaroewa^s ongeveer evengroot
waren ; en dat de lilla's van genoemden inlandschen zelfbestuurder
niet konden vergeleken worden met ons geschat.
In de kampoeng van het Boegineesche hoofd der Semaroewa-
Dajaks aan de Boven-Sepatah durfden de Maleiers 's nachts niet
naar bed te gaan. Met het geweer in de hand zaten zij , met den
rug tegen den binnenwand hunner woning geleund, te dutten, om
elk oogenblik tut tegen weer gereed te zijn. Allerlei onrustbarende
geruchten waren in omloop. Het huis van Pak-Goenang, het
indertijd bijna zeventigjarig hoofd der Samaroewa^s , dat zich nader-
hand gedurende den Mandhor-opstand zoo gecompromitteerd heeft,
zou omsingeld wezen. Al sedert drie dagen had men van hem
geen bericht. En het geschiet duurde steeds voort.
Den morgen na mijne aankomst in de kampoong waren slechts
het bejaarde Boegineesche hoofd en zijn oudste zoon te bewegen
met mij naar Pak-Ooenangs woning te gaan. Na drie uur loopens
vonden wij dezen gezellig een strootje rookende in zijn nooit door
vijanden omringd, versterkt huis!
Een paar bijzonderheden van dien tocht.
Bij het afgaan der trap zijner woning stampte de zoon van het
zooevenbedoeld Boegineesch hoofd met den rechtervoet met geweld
op den grond. Omdat ik nogal moeite had gehad hem te over-
reden mij te vergezellen , dacht ik dat die voetbeweging een uiting
was van drift. Verontwaardigd sprak ik hem daarover aan. Maar
al lachende vertelde hij mij , zulks gedaan te hebben om te zien
hoe de tocht door het bosch voor hem zou afloopen; want had
zijn voet bij het stampen op een scherp voorwerp getrapt dan was
dat voor hem een zeker teeken geweest dat hem onderweg een
ongeluk zou overkomen !
Niet ver van Pak-Qoenang's huis , bij een driesprong , trof ik een
open ronde plek van ongeveer twee meter straal aan, door enkele
boomen omringd en waar noch gras noch alangalang groeide. Zoowel
mijne bidarroeiers en politie-oppasser als de twee Boegineezen weken
zijwaarts uit. //Tempat hantoe Dajak// (Dajaksche-geestenplaats) zeiden
zij. — Verdere inlichtingen kon men mij tot mijn spijt niet verschaffen.
SCHETSEN UIT BOKNEO^S WESTEEAFOEELINQ. 77
Over de Zonsvereering.
Niet alleen dat bij bijna alle mogelijke plechtigheden de opkomende
en de ondergaande zon wordt (of worden) aangeroepen en bezworen ;
maar de Dajaks leggen zich te slapen, en begraven of verbranden
hunne dooden altijd met het gelaat naar zonsopgang gekeerd.
Over de Vogelwichelarij.
Omtrent vogelwichelarij deed een Landak-Maleier , een hadji,
mij in 1883 te Ngabang (hoofdplaats van de afdeeling Landak) een
verhaal, dat te karakteristiek is om 't hier niet over te vertellen.
//Eens begaf ik mij per sampan, met handelswaren bevracht,
naar de Tingon-streek. Een Dajak, die in mijn dienst was, had
met mij den geheelen ochtend hard geroeid, maar wij waren toch
niet veel opgeschoten , daar er nogal stroom liep , hoewel het laag
water was. Tegen den middag hadden wij de laatste Dajaksche
nederzetting vóór de groote kampoong, waar ik wezen wilde, be-
reikt. Na me gewasschen, gesembajangd en gegeten te hebben,
gingen we verder. Als we ons best deden, zouden wij zeker nog
vóór het donker op onze plaats van bestemming aankomen. We
roeiden dus krachtig voort.
//Doch zulks hadden wij nog geen uur volgehouden, of mijn
Dajaksche roeier stelde voor terug te keeren. Links van ons had
hij den geluksvogel kito gehoord. Was zijn geroep van den rechter-
kant gekomen, dan zou 't een goed voorteeken zijn geweest.
//Kom, zeide ik, praatjes! Laat ons maar flink doorroeien, anders
halen we de kampoong niet!
z)' Juist waren mij die woorden uit den mond, of de sampan
tornde tegen een onder water liggenden boomstam op, met zulk
een vaart dat we beiden bijna uit het vaartuig tuimelden.
//fl'Daar heb-je 't al, heb ik geen gelijk?// schreeuwde mijn
roeier. //Laat ons terugkeeren, 't loopt nooit goed af//.
//Ik lachte zooals u nu lacht. Ik hechte er ook geen geloof aan.
Nu echter ben ik wijzer geworden en geef wel op die voorteekens
acht. U zal ook overtuigd wezen als u vernomen heeft wat wij op
onzen verderen tocht hebben ondervonden.
78 SCHETSEN UIT BORNEo's WESTERAFDEELING.
//Teneinde te voorkomen dat de Dajak , om gelijk te hebben ,
met voordacht verkeerd of te laat zou wenden , ging ik achter in
de sampan zitten en staarde al roeiende met mijn korten riem.
//Weer voeren we de rivier een heelen tijd kalm op , tot opnieuw
mijn roeier zich omkeerde en zeide: /i^Hoor, dat is de ongeluks-
vogel, de kotoek. Van welke zijde ook zijn geluid tot ons komt,
altijd voorspelt hij ongeluk!/)'
//Ik werd een weinig ongeduldig. /«'Och, zanik niet van gelaks-
en ongeluksvogels , — beet ik hem toe. Hoe kunnen zij uit
het bosch ons zien, of weten dat wij de rivier opvaren. Kijk liever
goed uit je oogen, opdat wij niet tegen steenen of boomstammen
bonzen//.
//Intusschen was de lucht gaan betrekken en begon het te
waaien. Daarop deden val- en rukwinden het water sterk rimpelen.
En opeens vielen er groote regendroppels, die gestadig in aantal
toenamen en lucht en boomen bestreepten Zoo spoedig mogelijk
roeiden wij naar den oever en bevestigden met een rotanlijn aan
een nabijzijnden boom onze sampan, welke wij een weinig op het
droge hadden getrokken. Kleine regenbuien toch kunnen dikwijls
het water in den bovenloop der rivier nog al vrij snel doen zwellen.
»De handelswaren en ons zelven beschutten we toen zoo goed
mogelijk met kadjangs tegen den regen. Maar als mijn roeier zijn
strooitje met Ghineesche tabak had aangestoken en ik mijn sirih
in den mond genomen, bemerkten wij tot onze groote ergernis
dat wij vol springende bloedzuigers (patjèt) zaten , de kleine zwarte
zoowel als de grootere bruine, wier beten zoo jeuken. Wat een
ellende I
//We moesten ze éen voor éen met tabaks- en zoutwater bedruipen
om ze van onze huid te doen afvallen.
//Eindelijk was de laatste patjèt in het water geslingerd ! De
regen begon ook hoorbaar te minderen. We vroegen elkander al
af of we niet verder zonden roeien , toen opeens een hevig gekraak
in het bosch ons deed zwijgen. Eerst twee & drie minuten daarna
echter smakte er iets met donderend geweld tegen den grond ,
en onmiddellijk daarop werden we beiden met onze aangezichten
tegen onze knieën aangedrukt als door een reuzehand , die als lood
zoo zwaar woog. Mijne kommen en kopjes van Chineesch aardewerk
rinkelden op onheilspellende manier. Door de scheuren van het
kadjangdak, dat als tegen mijn hoofd zat vastgeplakt, bemerkte ik
takken en bladeren. In verband met den door ons gehoorden dreu-
SCHETSEN UIT BORNEo's WESTERAFDEELING. 79
nenden val , begreep ik onmiddellijk dat wij bedolven waren onder
de kruinbladeren en takken van een omgewaaiden boom. Ik werkte
me zoo goed en zoo kwaad het ging uit de sampan en van onder
de takken los. Maar mijn roeier, die zeker door schrik en pijn
zijne zinnen kwijt was, schreeuwde en gilde om hulp, en bewoog,
zoover de takken het toelieten, zijne met de korte parang gewa-
pende rechterhand alsof hij zich tegen vijanden verweerde. Het duurde
een heelen tijd voordat ik hem tot bedaren had gebracht en met zijn
parang kon verlossen uit zijn groene fuik.
/^Het eerste wat hij mij toevoegde, toen hij het hoofd buiten de
bladeren en takken had gestoken en zijne ledematen betast of ze
niet waren gebroken : ^Heeft de kotoek geen ongeluk voorspeld ?
En is ons geen ongeluk overkomen ?''''
fJk antwoordde niet. Ik voelde zoo iets als vrees in mijn hart
sluipen. Had ik zijn raad maar opgevolgd. We zijn er nu tamelijk
goed afgekomen , dacht ik. Zou dat ook in den vervolge het geval zijn P
^Na lang wikken en wegen besloten wij toch maar weer verder
te roeien, omdat we al over halfweg waren.
//Het laatste gedeelte van onzen tocht werd gelukkig zonder on-
heilen volbracht. Alleen bij het trekken over de laatste en grootste
riam (stroomversnelling) scheelde het heel weinig of onze sampan
was omgeslagen door het breken van een der rotanlijnen.
ffldet was al donker toen wij bij de Dajaksche kampooug voet
aan wal zetten.
/t'Aan de landingsplaats bevonden zich slechts een paar oude
vrouwen en een meisje.
//Mijne handelsgoederen droegen wij de hooge trap van het ge-
bouwtje op, dat, tamelijk hoog boveii den grond op eenigen afstand
van de gemeenschappelijke woning der Dajaks geplaatst, dient tot
herberging van handelaars, in het algemeen van vreemdelingen.
//Als wij ons vaartuig hadden vastgelegd en een bad genomen,
bereidde mijn roeier ons potje rijst met de uoodige laook (toe-
spijzen) in ons hoog nachtverblijf, terwijl ik in een der hoeken daar-
van mijn dunne bultzak van alangalangbloemen ontrolde , en daar-
overheen mijn schuif hangklamboe spande, om zoo spoedig mogelijk
mijne vermoeide ledematen te kunnen uitstrekken en heerlijk te
slapen. Doch dit laatste scheen ons niet voorbeschikt te wezen;
want terwijl wij bezig waren met eten , hoorden wij onder ons ge-
durig voetstappen en stemmen als van thuiskomende of te gast
gaande Dajaks. Telkens als zij op de deur der groote woning
80 SCHETSEN ÜIT BORNEo's WE8TEKAPDEELING.
hadden geslagen om toegelaten te worden , steeg er tot ons een gegons
op als van opgejaagde bijen. Tot lang na middernacht werd er toen
op gongs , tawaktawak en gendangs geslagen , van tijd tot tijd afge-
wisseld door zeurigen , langzaam golvenden en als over hindernissen
springenden zang, welke dikwijls overstemd werd door luide bij-
valskreten, gelach of gejuich van vrouwen en kinderen.
/^Op eens zwegen het gezang en de muziekinstrumenten, en
hoorden wij een verward geroep, angstgeschreeuw en gestommel,
alsof allen in het Dajaksche huis aan het harddraven waren. Wel
wetende dat bij dergelijke feestelijke bijeenkomsten toewak en
tjoe (arak) niet worden gespaard, keken wij beiden bevreesd en
nieuwsgierig door de reten der omwanding. De schrik sloeg ons
in de beenen ! Uit den voorhoek van het huis sloegen de vlammen ,
waarvan er enkelen bijna aan het dak lekten. Bamboes met water
werden er tegen leeg gegooid , met stokken trachtte men het vuur
uit te slaan. Een Dajak, die dronken scheen en bij het werpen
met water zijn evenwicht verloor , viel door de brandende latten en
dwarsstijlen op den grond , al kermende en schreeuwende. Vrouwen
en kinderen vlogen met allerlei voorwerpen beladen de trap af. Na
een kwartier van ontzetting was men echter den brand meester.
//Toen kwam er eenige kalmte. Het geloop in de woning hoorden
we niet meer. Slechts een gewiegel van stemgeluiden golfde tot
ons op.
/fWe dachten dat het oogenblik om eens goed in te slapen voor
ons was aangebroken. We zochten weer onze ligplaatsen op. Het
genot van het vooruitzicht om eindelijk rust te vinden, deed ons
reeds de doorgestane oogenblikken van angst en krekeligheid
vergeten.
//Maar water, in een kom in beweging gebracht, wordt niet gauw
stil. Dikwijls kan 't, na regelmatig in rimpeling te zijn geweest,
plotseling golfjes over den rand werpen. Zoo hoorden we in de Da-
jaksche woning het geraas zich langzamerhand weer verheffen. Ook
de muziekinstrumenten ontliepen hun gewone dracht slagen « niet.
En niet lang daarna begon de oude lawaaistroom opnieuw woest
te bruisen. Doch gaandeweg veranderden de geluiden van karakter.
Kort en stootend , krijschend, tierend, warrelden mannen- en vrouwen-
stemmen door elka&r. Een gestommel als van vechtenden. Alles
kraakte. Een opengerukte deur. Meuschen die van de trap der
Dajaksche woning rolden. Stompen , stokslagen , uitdagende kreten.
Enkelen liepen tegen de palen en de trap van onze tijdelijke woning.
SCHSTSSN UIT BOBNEO's WSSTSEAlTDEELING. 81
Verschrikt sprongen wij op. Door de reten der omwanding zagen
wij , bij het flauwe schijnsel van een flambouw in de zoekende hand
eener vrouw, een kluwen van Dajaks, die elkaar met parangs te
lijf gingen. De deur van onar kwartier bonden we goed toe. Voor
het geval dat een dronken troepje ons een kopje kleiner wilde
maken, had ik gezien dat ^t kruit in de pan van mijn vuursteen-
geweer nog niet nat was. En mijn kawan (kameraad) had zijn lans
en zijn getrokken parang naast zich liggen.
ffTüog een kwartier hield dat gevecht aan, onder de uitroepen:
^Ik zal je kop splijten! Daar, dat zal je dood wezen! Slaat hen
neer! Vermoordt zelu terwijl kinderen huilden en vrouwen met
krijschende stem hunne mannen uit het gewoel trachtten te trek-
ken; totdat ten langen leste slaap, uitputting, dronkenschap een
eind maakten aan den strijd.
^Eindelijk hadden wij rust.
//Maar overspanning had natuurlijk ons den slaap uit de oogen
gejaagd.
^Waren wij maar de rivier afgezakt toen wij den ongeluks-
vogel hoorden!^ mompelde mijn roeier.
^Ik zal H een volgenden keer doen!// beloofde ik plechtig.
//Zoodra 't licht wordt roeien we naar huis.//
/rToen het daagde, droegen wij zoo spoedig mogelijk onze barang
de hooge trap af naar den rivierkant. Daar ons alles scheen tegen
te loopen, verwonderde 't ons niet onze sampan niet aan te treffen.
Het water was gerezen en het vaartuig door den stroom meegesleurd.
//Terwijl wij zoo langs den oever liepen om een andere sampan
te zoeken, zagen wij in den omtrek van de groote Dajaksche
woning hier en daar spiernaakte paren snurkend op den grond
liggen,' en drie Dajaks, niet ver van elkslar, achterover in het
gras uitgestrekt , met bloedige striemen over het hoofd en de armen.
//Een oud vrouwtje, dat, met bamboekokers in een berioet op
den rug naar de rivier ging om water te halen , vertelde dat de drie
tot bloedens toe geslagen Dajaks broeders waren, die met andere
gasten twist hadden gekregen over een vrouw, en toen door hen
werden afgerost met houten zwaarden. Zoodra er een toewakfuif
wordt gegeven, is namelijk de eerste voorzorg , alle wapens, lansen,
zwaarden uit het huis in het bosch te verbergen. Aan veohtlustigen
worden dan houten parangs verstrekt.
//Waren er van een kampoong bovenstrooms niet eenige Dajaks
in een groote sampan de rivier afgezakt om zich naar Ngabang
6« Vogr. IIL 6
•5:
2 ÊCMXtwKM czr momMwtj'*
t^ }j^s(p:ttu, die zi'ti ouziiid^ZLp: ^^^xt'A TczkLuzdem ost beiden
Met rjüie Tf^^mn o'T€t te To^brea , daa si»di&m v^ zeker Boe uen
aaa 4em nrieir^erer ktryO^n ^«Vra v^iC Liea vooriat t^* raji de liiui
E ? ?< A T U M-
t", ie béjdrttn^n Tan i<^>, > afii'.enriz. biz. JJó, rtzt^ 2 en > • vm ocdereo
leze aicn v^x/r Sek-lap:
DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOËRA
DOOR
Mr. L. W. C. VAN DEN BERG.
In mijne uiteenzetting van de afwijkingen van het Moj^ammedaan-
sche familie- en erfrecht op Java en Madoera, opgenomen in
dl. VII, 5^' Volgreeks, van de Bijdragen tot de Taal-, Laud-
en Volkenkunde van Nederlandsoh-Indië , heb ik uiteengezet,
welke, naar mijne meening, uit een juridisch oogpunt de ver-
houding is tusschen de Mo^mmedaansche wet en het inlandsohe
gewoonterecht op bedoelde eilanden, en heb ik getracht de voor-
naamste punten van verschil tusschen beide rechtsbronnen , wat het
familie- en erfrecht betreft , te formuleeren. De waardeering , welke
deze poging heeft ondervonden, geeft mij aanleiding thans het-
zelfde te beproeven ten opzichte van het vermogensrecht. Ik zal
daarbij de in genoemd opstel aangenomen methode volgen, ten
einde beide stukken zooveel mogelijk bij elkander te doen aan-
sluiten. Voor die methode wordt dan ook thans kortheidshalve
verwezen naar eerstbedoeld stuk, en naar hetgeen ik in mijne
Nalezing in dl. I der 6*« Volgreeks van dit Tijdschrift op p. ;i08
en vv. aanvoerde *.
1 By het ter perse gaan van het hier volgende opstel ontving ik het eerste
nummer van Wet en Adat (Batavia 1896), een op onbepaalde ty den te verschijnen
tgdschrift, uitgegeven onder leiding van den heer Mr. J. A. Nederburgh. In dit
nummer wordt o. a. door dien geachten schr^ver opgekomen tegen m^ne even-
bedoelde constructie van de verhouding tusschen de Mo^ammedaansche wet en
het inlandsche gewoonterecht. Ik geloof, dat het verschil , tusschen de constructie
van den heer Nederburgh en de m\jne, inderdaad minder groot is, dan h^ ver-
meent, en dat, waar h^ als slotsom van z^ne redeneering, op p. 72, zegt hoe
dan , volgens hem , het dogmatische Mo^ammedaansche recht moet worden toegepast,
eene uitspraak wordt gegeven, welke, althans voor de practyk, van myn
gevoelen niet noemenswaardig afwijkt. Immers wensch ook ik niet ander»? dnn
dat, door de adat van den Islam overgenomen, instellingen naar de Mo^unme-
84 DB AVWUlLISam tak hst MOHAlOnEDAANSOHS
§ 1. AlGEMKSNE BSSOHOUWIKOEN.
Vogens de artt. 11 — 13 der Algemeene Bepalingen van Wetgeving
voor Nederlandscfa-Indië , in verband met art. 75 van het Regeerings-
reglement worden op de Inlandsche of daarmede gelijkgestelde
bevolking alleen dan hare godsdienstige wetten, volksinstellingen
en gebruiken toegepast, wanneer geene vrijwillige onderwerping
aan het Europeesche buigerlijk en handelsrecht heeft plaats ge-
vonden; voorts wanneer die wetten, instellingen en gebruiken niet
in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en
rechtvaardigheid, en eindelijk, wanneer onze wetgever de rege-
ling van het onderwerp niet aan zich heeft getrokken , hetzij door
toepasselijkverklaring van het Europeesche recht op bedoelde be-
volking, hetzij door opzettelijk, met het oog op haar, uitgevaar-
digde verordeningen , hetzij eindelijk door regeling van het onder-
werp in het algemeen voor alle ingezetenen '.
Deze punten verdienen, wat het vermogensrecht aangaat, eene
meer uitvoerige toelichting dan bij het familie- en erfrecht te pas
kwam. Wat het eerste punt betreft, de vrijwillige onderwerping,
zoo neemt men terecht aan, dat die ten aanzien van het familie-
en erfrecht alleen kan plaats hebben in het geval, bedoeld bij art.
15 O verg. , waar als voorwaarde voor de bestaanbaarheid van een
wettig huwelijk, tusschen personen behoorende tot de Europeesche
daansche wet worden opgevat en toegepast, — wanneer niet blgkt, dat de adat
daaraan iets heeft veranderd. Die veranderingen z^n dus uitzonderingen, welke
moeten bewezen worden, en men zal omgekeerd niet behoeven te bewijzen, dat
elk voorschrift van de Moil^ammedaansche wet ten aanzien van zekere instel-
lingen is gerecipieerd , indien de receptie van die instelling in het algemeen vast-
staat. Dit nu, en niet meer, is hetgeen men onder receptio in complexu
verstaat. Had de heer Nederburgh, nevens de door hem uit myne Nalezing ge-
geven aanhalingen, ook geciteerd wat op p. 302 en vv. daarvan voorkomt, zoo
zoude hy hebben bemerkt, dat hij n^j Mol^ammedaansche gevoelens toedicht,
welke ik niet huldig, en vermeen ook niet te hebben uitgesproken. Verder kan
ik te dezer plaatse niet ingaan op het opstel van den heer Nederburgh, hetwelk
ik , in complexu, d. w. z. zonder daarom nog elke zinsnede te onder-
schreven, beschouw als één der meest doorwrochte commentaren, tot dusverre
op art. 75 Reg. Regl. geleverd, en hetwelk stellig de bijzondere aandacht van
den wetgever zal trekken, wanneer eenmaal tot herziening van bedoeld artikel
zal worden overgegaan. Dat ik ten slotte aan het, door den heer Nederburgh
opgerichte, juridische orgaan een lang en voorspoedig leven toewensch, behoef ik
wel niet met vele woorden toe te lichten.
* Zie, in denzelfden geest, Nederburgh, t. a. p. , p. 46 en vv.
YERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 85
of daarmede gelijkgestelde en tot de inlandsche of daarmede gelijk-
gestelde bevolking, wordt gevorderd, dat de inlandsche partij
zich vooraf aan het geheele burgerlijk en handelsrecht der Euro-
peesche partij hebbe onderworpen. De speciale onderwerping , met
het oog op eene bepaalde rechtshandeling, bedoeld bij de artt.
11 — 13 Alg. Bepp. , kan, ofschoon de woorden dier artikelen op
zich zelve voor verschil van opvatting ruimte laten, alleen op het
vermogensrecht betrekking hebben. Dit althans is het meest ver-
breide gevoelen '.
Deze bevoegdheid nu tot onderwerping aan het Europeesche
burgerlijk en handelsrecht is langzamerhand van grooten invloed
geworden op de toepasselijkheid van het inlandsche vermogens-
recht. Op de hoofdplaatsen namelijk, en vooral op de groote han-
delsplaatsen langs Java^s Noordkust, wordt het meer en meer
gebruik, dat, bij transacties van zoodanig belang, dat notarieele
tnsschenkomst daarbij wordt ingeroepen, speciaal wanneer Euro-
peanen of aan het Europeesche recht onderworpen Vreemde Ooster-
lingen bij de zaak betrokken zijn, de inlandsche partij zich te
dien aanzien onderwerpt aan het recht der wederpartij. Noodzakelijk
is echter zulks niet ^ , daar, gelijk ik elders reeds ten opzichte van de
notarieele testamenten der inlanders opmerkte '' , de akte wel blij-
kens art. 19 Alg. Bepp., wat haren vorm betreft, per se door
het Europeesche recht wordt beheerscht, maar niet ten opzichte
van den materieelen inhoud. Het gevolg van dit meer en meer
toenemend gebruik is natuurlijk, dat het inlandsche vermogens-
recht, juist ten aanzien van de belangrijkste transacties , dikwijls niet
van toepassing is. Intusschen mag niet worden uit het oog ver-
loren dat, zelfs wanneer onderwerping aan het Europeesche recht
bij het sluiten der overeenkomst heeft plaats gehad, de interpre-
tatie der bewoordingen van de overeenkomst toch naar het inland-
* Vergl. Handelingen der N. l. Juristen vereeniging , Jaarg. 1887, dl. I, p. 20 en 21.
* Maar wel hoogst wenschelijk. Mocht immers eene overeenkomst tusschen par-
tyen, die aan een verschillend recht zyn onderworpen, gesloten worden, zonder
dat men vooruit heeft bepaald door welk recht die overeenkomst zal worden
beheerscht, en de overeenkomst later onverhoopt niet worden nagekomen, zoo
zal de nakoming moeten worden gevorderd bij den rechter van de partij , welke in
gebreke is. Die rechter zal dan op de overeenkomst het recht van den gedaagde
moeten toepassen, zoodat de vraag, naar welk recht ten slotte de overeenkomst
zal worden beoordeeld, onzeker blijft, totdat blyke wie van beide partijen in de
voldoening aan hare verplichtingen te kort schiet.
' * Vergl. Familie- en erfrecht, p. 510, 511.
86 DE AFWIJKINGEN VAN HRT MOHAMMEDAANSCHC
9che recht moet geschieden, bijaldien partijen blijkbaar een in-
landsch kontrakt op het oog hadden '. Als veel voorkomende
overeenkomsten van laatstgenoemden aard, tusschen personen ge-
sloten, die niet en die wel aan het Europeesche privaatrecht zijn
onderworpen, noem ik hier slechts den verkoop met recht van
wederinkoop , in zijne verschillende functies , de landhuurcontracten
in de Vorstenlanden, het contractns aestimatorius en de
meeste werkkontrakten met inlandsche arbeiders, over alle welke
transacties later in dit opstel zal worden gehandeld.
Eene andere oorzaak van niet-toepasselijkheid van het inland-
sche vermogensrecht is op dezelfde plaatsen gelegen in het feit,
dat aldaar van de belangrijkste vaste goederen der inlanders de
titels zijn ingeschreven in de Europeesche registers van eigendom
en andere zakelijke rechten, met inachtneming der voorschriften
van Ind. Stbl. 1834 N« 27 «. Dit zelfde geldt ook van de zoo-
genaamde particuliere landerijen bewesten en beoosten de rivier
Tji Manoek, en van de perceelen domeingrond door het Gou-
vernement in erfpacht of opstal aan inlanders afgestaan. Daar
in het algemeen de conflicten tusschen het Europeesche en het
inlandsche recht moeten worden beoordeeld en opgelost naar de
beginselen , in het internationaal privaatrecht gehuldigd , zoo zal
men ook den inlander, naar analogie van art. 17 Alg. Bepp.,
voor alle zoodanige gronden als stilzwijgend onderworpen moeten
aanmerken aan het Indische Burgerlijk Wetboek '. Natuurlijk is
hij tevens voor die gronden onderworpen aan de speciale wettelijke
voorschriften, ten aanzien van elke soort uitgevaardigd, als de
reglementen op de particuliere landerijen, en die op de uitgifte
van domeingrond in erfpacht of opstal *.
Wat de stilzwijgende onderwerping van den inlander, met be-
1 Vergl. artt. 1319, 1339 Ind. B. W. = artt. 1365, 1375 Ned. B. W., en zie Neder-
burgh, t. a. p., p. 75.
• Vergl. Nederburgh , t. a. p. , p. 48 en w. Bij de argumenten , door dien schry ver
aangehaald voor de toepasseiykheid van bedoelde ordonnantie op Inlanders, kan
nog gevoegd worden het voorschrift van art. 21 daarvan.
• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 4.
• Men vindt die reglementen met de wijzigingen , welke zy later hebben onder-
gaan, vermeld in den Regeeringsalmanak voor Ned. Ind., en toegelicht in de
bekende Handleiding tot de kennis van het staats- en administratief recht van
Ned. Ind. door Prof. Mr. J. de Louter, 4<*« druk, p. ö9S en vv. Op de rechts-
vragen, waartoe zy aanleiding geven, afgescheiden van hun verband met het
Inlandsche recht, meen ik in dit opstel niet te mogen ingaan.
YEKMOeVNSIlEOHT OP JAVA EN MADOEHA. 87
trekking tot alle hier bedoelde gronden , aan het Indische Burgerlijk
Wetboek betreft , zoo zal men die onderwerping intasschen niet verder
mogen uitstrekken dan de evenbedoelde beginselen van het internatio-
naal privaatrecht vorderen. Men zal dus naar het Indische Burgerlijk
Wetboek moeten beoordeelen , wat onroerend goed is ' , den omvang
en den inhoud van het zakelijke recht , de beperkingen daarvan in
het algemeen belang en dat van naburige erven ^ , de wijze van
verkrijging of verlies ' , den aard en de gevolgen van het bezit,
de wettelijke kracht en^ werking eener overeenkomst het goed be-
treffende , den vorm en de voorwaarden der gerechtelijke uitwinning ,
en de wijze om dat goed met zakelijke lasten te bezwaren of het
voor schuld te verbinden. Daarentegen zal het goed in quaestie
wederom naar het recht van den inlander worden beoordeeld,
wanneer het als deel van zijn vermogen fungeert, bv. bij het erfrecht,
de bevoegdheid om daarover te beschikken, enz. ^ De praktijk is,
voor zooverre mij bekend , met deze beginselen in overeenstemming.
Nimmer is bv. betwist, dat de inlandsche eigenaar van een parti-
culier land dit met hypotheek kan bezwaren , ofschoon zijn nationaal
recht die instelling niet kent , noch omgekeerd , dat zoodanig land
bij overlgden van den inlandschen eigenaar tusschen diens erfge-
* De vraag, wat onroerend goed is, ten opzichte van de niet volgens Ind.
Stbl. 1834 n" 27 ingeschreven perceelen, blyfl door het inlandsche recht beheerscht
Vergl. Nederburgh, t. a. p., p. 49. De stelling van den heer Mr. M. C. Piepers
(Tijdschr. Het R. in N. I., dl. XL Vil (1886), p. 28C), 281), dat, door de ordonnantie
van Ind. Stbl. 1834 No 27, stilzwygend het inlandsche recht ten aanzien van
de vraag, wat onroerend goed is, in het algemeen zoude zyn afgeschaft, gaat
m. i., op de door den heer Nederburgh aangevoerde gronden, te ver.
' Verkeeren die naburige erven niet in denzelfden rechtstoestand, d. w. z.
worden op het eene inlandsche, en op het andere Europeesche zakel\jke
rechten uitgeoefend, zoo heeft men ten aanzien der servitutes legales een
nieuw rechtsconflict , dat wederom moet worden opgelost naar dezelfde begin-
selen , als men in een analoog geval zoude huldigen tusschen twee erven , waarvan
bv. het eene in Nederland en het andere in België of Duitschland ligt.
• Bv. de verjaring. Het inlandsche recht, in overeenstemming met hetMoil^am- .
medaansche, kent de acquisitieve verjaring niet. Zie ben. § 8.
♦ Vergl. , voor hetgeen hier omtrent het internationaal privaatrecht wordt mede-
gedeeld, Mr. T. M. C. .\sser: Schets van het internationaal privaatrecht, p. 66
en vv. , en Diephuis: Het Nederl. Burg. Regt, dl. I , p. 70 en vv. Verwerpt men met
sommigen de leer, dat art 17 Alg. Bepp. v. N. ï. (= art. 7 Ned. Alg. Bepp.) de
in de laatste plaats door my vermelde restrictie toelaat , zoo zal men die restrictie
ook niet ten aanzien van den inlander in quaestie kunnen aannemen. Vergl.
Opzoomer: Aanteekening op de wet houdende algemeene, bepalingen van wetge-
ving, p. 150.
88 DE APWIJKINOEN VAN HET MOHAMMEDAANSOHE
namen moet worden yedeeld , naar de voorschriften van den Islftm ,
en niet naar die van het Indische Burgerlijk Wetboek.
Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de aan inlanders
toebehoorende schepen , waarvan eigendomstitels volgens Ind. Stbl.
1884 N« 27 bestaan.
De in de tweede plaats door onze wet aangegeven oorzaak van
niet-toepasselijkheid der godsdienstige wetten, volksinstellingen en
gebruiken , namelijk de strijd met algemeen erkende beginselen van
billijkheid en rechtvaardigheid, kan men zeggen, dat ten aanzien
van het vermogensrecht niet in aanmerking komt. Zoowel de voor-
schriften van de Mohammedaansche wet, als de specifiek Javaansche
instellingen hieromtrent, laten zich bijna allen even goed ver-
eenigen met de natuurlijke begrippen van billijkheid en rechtvaar-
digheid, als die van ons burgerlijk en handelsrecht. Waar dit ten
aanzien van een enkel voorschrift niet het geval is , zoo heeft men
te doen met een gevolg van de bepalingen omtrent het personen-
of staatsrecht , bv. de slavernij of de beperkende bepalingen , waaraan
ongeloovigen zijn onderworpen; maar het vermogensrecht zelf is
daarvan gemakkelijk principieel af te scheiden. Het inlandsche
recht, Motiammedaansch of niet, moge niet zoo ontwikkeld zijn
als het onze ; het moge tal van instellingen , in eene Europeesche
maatschappij onmisbaar, gelijk de verjaring en de hypotheek, ont-
beren , dit alles is nog geene reden om het als onbillijk of onrecht-
vaardig te qualificeeren.
Daarentegen is op geen enkel gebied van het privaatrecht door
onzen wetgever zoozeer ingegrepen als ten aanzien van het ver-
mogensrecht , ofschoon dit desniettegenstaande in hoofdzaak inlandsch
is gebleven. De gedane grepen, hoe gewichtig ook op zich zelf,
blijven steeds uitzonderingen , in verhouding tot het geheel , van
ondergeschikt belang. In de volgende bladzijden zal dit bij de be-
handeling der verschillende onderwerpen blijken. Hier wijs ik er
slechts op, dat bij de bekende ordonnantie, te vinden in Ind. Stbl.
1855 N<* 79, op alle met inlanders gelijkgestelde personen, de zoo-
genaamde Vreemde Oosterlingen , ook wanneer zij den Mohamme-
daanschen godsdienst belijden, met enkele uitzonderingen zijn toe-
passelijk verklaard het geheele tweede, derde en vierde Boek van
het Indische Burgerlijk Wetboek, benevens het Indisch Wetboek
van Koophandel en het Beglement op de Burgerlijke Rechtsvordering.
Bovendien worden, volgens art. 9 dier ordonnantie, ten opzichte
van de toepassing daarvan , ook als Vreemde Oosterlingen beschouwd
VBRMOGENSRKCHT O? JAYA EN MADOEKA. 89
alle inlanders, die zich baiten het gewest, waarvan zij afkomstig
zijn , ophouden , baiten de leiding der plaatselijke hoofden , en
zonder zich met de plaatselijke inheemsche bevolking te hebben
vermengd. Een niet minder belangrijke en verreikende greep werd
in het inlandsche vermogensrecht gedaan door de zoogenaamde
Agrarische Verordeningen , als uitvloeisel van de Agrarische Wet
(Ind. Stbl. 1870 N« 55) tot stand gekomen.
Er bestaat echter nog een andere, niet op de wet, maar op den
feitelijken toestand berustende factor voor de toepassing van het
Europeesche privaatrecht ten aanzien van verbintenissen en zakelijke
rechten op den inlander, in stede van zijn nationaal recht. Evenals
in elk land ter wereld , geeft ook op Java en Madoera de massa der
bevolking zich over het geheel weinig rekenschap van dit gedeelte van
het recht. Iedereen stelt er belang in te weten, welke zijne verhou-
ding is tot zijne vrouw en zijne kinderen , wie zijne eventueele erfge-
namen zijn , of van wie hij zelf eventueel zal moeten erven. Maar,
wanneer men den stand der landbouM'ers met opzicht tot de agra-
rische toestanden uitzondert, is het getal gering van hen, die zich
in alle opzichten rekenschap geven van de rechtsgevolgen hunner
handelingen, welke het vermogen betreffen. Men weet, dat, als
men iets leent, men het moet teruggeven; dat, als men iets koopt,
men het moet betalen; dat, als men eigenaar is, men aanspraak
heeft op het bezit met uitsluiting van anderen; maar verder dan
deze algemeenheden gaat het rechtsbewustzijn van slechts weinige
personen. Of bv. er verschil bestaat tusschen bruikleen en ver-
bruikleen ten aanzien van den eigendomsovergang; of het risico
van eene gekochte zaak overgaat door het contract dan wel door
de levering; of er verschil bestaat in gevolgen tusschen juridisch
en natuurlijk bezit, enz., zijn vragen, waarvoor ook ten onzent
alleen in een zeer beperkten kring van Nederlanders belangstelling
wordt aangetroffen. Bij de mingegoeden komen trouwens degelijke
quaesties in de praktijk niet voor. Deze oorzaken werken natuurlijk
in den Archipel, nog sterker dan in West-Europa, om het alge-
meene rechtsbewustzijn ten opzichte van verbintenissen en zakelijke
rechten zwak te doen blijven , en dewijl , vóór de inlandsche recht-
banken op Java en Madoera, partijen in den regel van rechts-
geleerden bijstand verstoken zijn, vindt men in het hier aangevoerde
eene gereede verklaring , waarom , ten opzichte van die onderwerpen ,
in rechten zooveel minder beroep wordt gedaan, hetzij op de
Mohammedaansche yret, hetzij op. de specifiek inlandsche afwijkingen
90 DE APWIJVIlTGÜf TAir nrr MOHAinCEDAAIfSCHV
Yan die wet, dan met betrekking tot het familie- en erfrecht het
ge^al is. Daamit Iaat zich ook yerklaren , dat Europeesche schrijvers
over inlandsche toestanden ons zooyeel meer mededeelen omtrent
het fiamilie- en erfrecht, dan omtrent het vermogensrecht. Het
bewustzijn omtrent het eerste leeft bij grooten en geringen,
en valt in het oog , zoodra men zich in de inlandsche maatschappij
beweegt; dat omtrent het tweede is, als men de agrarische ver-
houdingen uitzondert, iets waarnaar men moet zoeken.
De inlandsche rechtbank , voorgezeten door een Europeesch amb-
tenaar, is uit den aard der zaak geneigd om, waar door partijen
zelf geen beroep op hun speciaal recht wordt gedaan , het er maar
al te dikwijls voor te houden, dat het eene zaak geldt, niet bij
de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken geregeld,
en welke dus, volgens de laatste alinea van art. 75 Reg. &egl.,
beoordeeld en beslist moet worden naar de beginselen van het
voor Europeanen geldende privaatrecht. Wel is waar is deze handel-
wijze principieel onjuist, en zoude de rechtbank verplicht zgn in
zoodanig geval ambtshalve te onderzoeken, wat het voor den
inlander geldende recht vordert; maar de vele werkzaamheden,
waarmede, zoo niet alle, dan toch de meeste landraadsvoor-
zitters zijn belast, maken het niet zelden onmogelijk van elke
zaak — soms van zeer gering geldelijk belang — eene weten-
schappelijke studie te maken. Wegens het over het algemeen zwakke
rechtsbewustzijn der bevolking ten aanzien van de onderwerpen,
welke het hier geldt, vindt de zooeven omschreven methode bij
de inlandsche leden der rechtbank zelden tegenspraak , en men kan
dan ook niet ontkennen, dat zij uit een practisch oogpunt lang
niet zoo verwerpelijk is, als zij op theoretische gronden schijnt '.
De persoon, die door zijn ambt nog het meest geroepen zoude
zijn, om zich tegen de overdreven toepassing van Europeesche
beginselen van privaatrecht te verzetten, is natuurlijk de Pang-
oeloe; maar, aannemende dat deze altijd een voldoend ont-
wikkeld en onafhankelijk persoon is , zoo heeft hij toch slechts eene
' In zyne redevoering, gehouden in de vergadering van het Indisch Genootschap
van 7 Januari 1896, p. 19, zeide nog de heer Mr. J. H. Abendanon : „Dit laatste",
nameiyk het nemen tot richtsnoer van de algemeene beginselen van het Euro-
peesche privaatrecht, „is het plechtanker der practijk". De uitspraak is in het
algemeen zeker waar ; doch de geachte rechtsgeleerde had er m. i. moeten b^-
voegen, dat die „practük", met hoe goede bedoelingen soms ook gevolgd, in
strüd is met de wet en met den regel: cQria novit jus.
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 91
adviseerende stem , en komt hij in den regel bijna aitslaitend op
voor het doctrinaire Mohammedaansche recht, maar zeer zelden
voor de specifiek inlandsche instellingen Bij de Kaden van Justitie
worden de appellen van de vonnissen der inlandsche rechtbanken
meestal door rechtsgeleerde raadslieden voorgebracht, en in den
regel ook nauwgezetter behandeld, al ware het slechts wegens de
grootere geldelijke belangen en het geringer aantal. Daar wordt
dan ook veel op inlandsch recht beroep gedaan, en dat recht
toegepast. Van verreweg de meeste vonnissen der inlandsche recht-
banken wordt echter natuurlijk geen hooger beroep aangeteekend.
De cassatie is, gelijk reeds herhaaldelijk werd betoogd, voor de
handhaving van het inlandsche materieele privaatrecht een absoluut
deugdeloos middel ^
In het bovenstaande ligt de verklaring, hoe, door een samen-
loop van omstandigheden, het Europeesche recht ten aanzien van
verbintenissen en zakelijke rechten op weg is om op Java en Madoera
langzamerhand door gewoonte voor den inlander eene belangrijke
rol te gaan vervullen, ja zelfs in zijn rechtsbewustzijn te worden
opgenomen. In het wezen der zaak heeft men hier te doen met
gelijksoortige oorzaken, als welke in de Middeleeuwen de receptie
van het Bomeinsche recht in Europa, speciaal omtrent verbinte-
nissen en zakelijke rechten , hebben te weeg gebracht , namelijk
onvoldoendheid van het nationale recht voor de behoeften van een
meer ingewikkeld maatschappelijk verkeer, grootere ontwikkeling
van het vreemde recht, en den invloed van juristen, die hunne
studie aan de hand van het vreemde recht hebben gemaakt.
Intusschen is tegen dien , ik zoude bijna zeggen officieelen ,
stroom van Europeesch recht, vooral in de laatste 25 jaren een
krachtige stroom van meer zuiver Mohammedaansch recht merk-
baar. Ten gevolge van de gemakkelijker geworden communicatie
met Mekka neemt het getal van hen, die in de heilige stad het
juridische en theologische onderwijs hebben gevolgd , meer en meer
toe. De in den Archipel gezaghebbende Arabische werken , speciaal
de juridische , zijn allen reeds te Caïro, te Mekka of elders in de Levant
gedrukt, en die uitgaven zijn zoo goedkoop, dat zij onder het
bereik van bijna eiken welgestelden inlander vallen. Zij vinden dan
ook op Java en Madoera een ruim debiet; terwijl vroeger de Ara-
' Zie o. a. de praeadviezen van nu wylen de heereii Hulshoff Pol en Keiser in
den eersten jaargang van de Handelingen der Ned. Ind. Jur, Ver. , dl. I , p. 247 en w.
9£ DK AFWUKINOEN TAN II KT MOHAMMBDAANSCHE
bi9che juridische werken, slechts in handschrift bestonden, en
alleen reeds wegens hun hoogen prijs door slechts weinigen konden
worden aangeschaft. Ook de kennis der Arabische taal wordt, deels
door dezelfde oorzaken, deels door de grootere uitbreiding der
Arabische koloniën , althans langs Java^s Noordkust , langzamerhand
raeer algemeen , dan oudtijds het geval was. Dit alles komt natuur-
lijk aan de populariteit der zuiver Mo^ammedaansche rechtsbegin-
selen ten goede, en wel in het bijzonder onder dat gedeelte
der bevolking, hetwelk buiten de inlandsche ambtenaarswereld
staat, maar zich met handel of industrie emeert, en, evenals
overal ter wereld, ook op Java en Madoera het meest processen
over verbintenissen en zakelijke rechten voert '.
De specifiek Javaansohe instellingen omtrent het vermogens-
recht geraken , ten gevolge van een en ander , hoe langer hoe meer
op den achte^rond. Wordt door de partijen vóór den inlandschen
rechter op eigen rechtsbeginselen beroep gedaan , zoo is het, althans
op de hoofdplaatsen en groote centra van bevolking, in den
regel op de voorschriften van de Mohammedaansche wet. Alleen
waar het dorpsverband en het grondbezit in het spel zijn, ziet
men, vooral in Midden-Java, den inlander ook dikwijls een beroep
doen op zijne , niet in de Mohammedaansche wet beschreven , aloude
volksinstellingen en gebruiken.
Behoudens hetgeen hierboven omtrent den invloed van het Euro-
peesche privaatrecht werd opgemerkt, kan men tegenwoordig het
dogmatische Mohammedaansche recht omtrent verbintenissen en
zakelijke rechten reeds als voorheersohend beschouwen op de groote
handelsplaatsen langs Java^s Noordkust. Te Batavia en in de Bata-
viasche Ommelanden spreekt dit verschijnsel zich het sterkst uit.
Overigens is het Mohammedaansche recht ten deze het meest in het
bewustzijn der bevolking doorgedrongen in Bantam, de Preanger-
Regentschappen , de afdeeling Buitenzorg en Krawang , gelijk mede
op het eiland Madoera, doch het minst in de Vorstenlanden ,
Banjoemas, Bagelen, Kadoe en Kediri. In Madioen hebben de
talrijke godsdienstscholen ook indirect veel bijgedragen, om de
Arabische rechtsboeken populair te maken. In West-Java zijn een
aantal Arabische rechtstermen als b&qq, milk, hibah, wa^ijah,
harim, enz., zij het soms in, naar de inlandsche uitspraak ge-
* Vergl. nog over dit punt mijn opstel: Het Kruis tegenover de Halve Maan,
in de Gids, afl. Oktober 1890, p. 81 en v., en Nederburgh, t, a. p., p. 61.
YEKMOGBKSBEOHT OP JAVA EN MADOERA. 93
wijzigden vorm , bij het gros der bevolking , zelfs op het platte land ,
in gebruik. Aan de beteekenis van dit feit wordt niet te kort
gedaan door de omstandigheid , dat de mindere man , die termen
gebruikende, zich zelden volledig rekenschap geeft van hunne juri-
dische waarde * . In dit opzicht staat hij trouwens wederom gelijk met
den burgerman in Nederland, die, als hij van ^recht/i^, ^eigendom//,
^schenking//, //legaat//, of //aanhoorigheid>r spreekt, bijna nooit
eene in alle opzichten juiste en volledige voorstelling heeft van
de juridische begrippen, welke bedoelde woorden vertegenwoor-
digen in ons positieve recht ^.
In bovenstaande opmerkingen ligt de sleutel tot het juist ver-
stand van hetgeen in dit opstel verder zal worden vermeld. Voor-
eerst volgt er uit, dat omtrent geen onderdeel van het privaatrecht
van den inlander zoo groote onbestemdheid heerscht als omtrent
de instellingen , welke hier zullen worden behandeld , de agrarische
toestanden uitgezonderd. Niet alleen immers is het recht te dien
aanzien zelve zwevend; dit toch is met elk recht het geval, dat
grootendeels op gewoonte berust. Maar de zaak wordt hier nog
nevelachtiger dan bij het familie- en erfrecht, omdat men inder-
daad ik priori in vele gevallen moeielijk kan nagaan, welk recht
door de inlandsche rechtbank zal worden toegepast op eene be-
paalde handeling. In de tweede plaats zijn de bronnen, speciaal
voor de verbind tenissen , schraal; zij zijn ten minste aanmerkelijk
schraler dan voor het familie- en erfrecht. Het bekende Eindresumé
bevat niet slechts voor de kennis van het grondbezit, maar ook
voor die der verbintenissen vele gegevens. Men vergete echter niet ,
dat het in 1867 en 1868 gehouden onderzoek, hetwelk aan dit
werk ten grondslag strekte, hoofdzakelijk een agrarisch onderzoek
was, dat het verbintenissen, niet met de agrarische toestanden
verband houdende, buiten beschouwing liet; dat bedoeld onder-
zoek op belangrijke gedeelten van Java en Madoera geene betrek-
king had, en dat het vooral de stedelijke bevolking zoo goed als
met stilzwijgen voorbijging. En nu zijn het natuurlijk juist de
groote centra van bevolking, waar het rechtsbewustzijn omtrent
verbintenissen het meest ontwikkeld, is, tengevolge van het meer
levendige verkeer.
* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 2.
* De vermoedelijke oorzaak van het verschil in receptie van het Mo]^ammedaansche
recht in de onderscheidene deelen van Java en Madoera heb ik elders uiteen-
gezet. Zie o. a. mijne Mo^ammedaansche geestelykheid , p. 35 en w.
94 DB AFWIJKINGEN VAN UET MOUAMMEDAAN80HE
In een en ander is ten slotte ook de verklaring gelegen, waarom
ik mij in de volgende bladzijden nog meer dan in mijn opstel
over het familie- en erfrecht, tot hoofdpunten zal bepalen. Zij, die
in het land zelf in de gelegenheid zijn de inlandsche rechts-
begrippen te onderzoeken of toe te passen, zullen mij verplichten
door mijn arbeid aan te vullen , en op hunne beurt bekend te
stellen, in hoeverre mijne algemeene resultaten plaatselijk al dan
niet uitzondering lijden. Zal eenmaal het privaatrecht voor den
inlander worden gecodificeerd, zoo is een dergelijke voorarbeid on-
ontbeerlijk.
§ 2. Verbintenissen.
Omtrent de algemeene leer der verbintenissen , gelijk mede
omtrent het karakter,' de vereischten of de gevolgen der afzonder-
lijke overeenkomsten, kan men zeggen, dat de voorschriften van
de Mol^ammedaansche wet vrij wel in het rechtsbewustzijn der
bevolking zijn ingedrongen. Trouwens de inlanders, die over der-
gelijke abstracte begrippen nadenken — uit den aard der zaak
niet velen — hebben hunne wijsheid ten deze aan de geschriften
der Arabische juristen ontleend, behalve natuurlijk voor zooverre
zij bij ons ter schole zijn geweest. Herhaaldelijk vindt men dan
ook rechterlijke uitspraken gepubliceerd, waarin in dit opzicht
zuiver Mo^ammedaansch recht werd toegepast, zonder vooraf te
overwegen, of die toepassing overeenkwam met de plaatselijk gel-
dende begrippen ^. Men beschouwt dit blijkbaar als iets, dat van
zelf spreekt. Ook de Javaansche wetten der Vorstenlanden gaan
ten deze van de beginselen van den Isl&m uit. Men zie bv.
Naw&l& Pradata artt. 30, 31 en Anggër Sad&sa artt. 9 , 9^7 omtrent
de verantwoordelijkheid voor ongelukken door iemands huisdieren
veroorzaakt en omtrent onrechtmachtige daden, en Anggër Sadasa
art. 32 over de ontbinding eener overeenkomst wegens wan-
praestatie *.
1 Zie , onder meer , de rechterlüke uitspraken gepubliceerd in het Tgdschr. Het
Recht in Ned. Ind., dl. XIX (1861), p. 305 en v., en in het Ind. Weekbl. v. h.
Recht, No» 1023 en 1624.
* De artikelen van de Javaansche wetten der Vorstenlanden zgn in dit opstel
geciteerd naar de vertaling, voorkomende in het Tydschrift: Het Recht in N. I.
dl. 1 (184<>) , p. 327 en vv.
YBKMOQSNSBEGHT 0¥ JAVA EN MADOSBA. 95
Slechts ten aanzien van enkele punten , de algemeène leei der ver-
bintenissen betreffende , wijkt het inlandsche rechtsbewustzijn op Java
en Madoera beslist van de voorschriften der Molbammedaansche
wet af. Zoo zal geen inlander op die eilanden er aan denken , dat
wijn, sterke drank, benevens sommige afbeeldingen van menschen
of dieren, en sommigen zijner nationale mnziekinstrumenten , ab
door den Islftm verboden, buiten het handelsverkeer zijn. Daar-
entegen kent de Isl&m wederom niet, als oorzaak van onttrekking
van roerende of onroerende goederen aan het handelsverkeer, dat
deze, om godsdienstige redenen, bv. omdat zij tot verblijf van
geesten strekken, niet mogen worden aangeraakt of betreden. In
het Javaansch heet deze toestand: angkër, in het Maleisch en
en Soendaasch: boejoet ^. Over de afwijkingen ten aanzien van
de persoonlijke bevoegdheid om zich te verbinden van minder-
jarigen, onder curateele gestelden, slaven en ongeloovigen, gelijk
mede over de bereddering van insolvente boedels, en van die van
afwezigen, heb ik elders het noodige gezegd^. Eéne belangrijke
afwijking van het Mohammedaansche recht ten aanzien van de
algemeene leer der verbintenissen, is verder, dat deze in ons ge-
heele rechtstreeksche gebied te niet gaan door verjaring. Bij Ind.
Stbl. 1882 N<^. 41 is namelijk de extinctieve praescriptie voor
alle ingezetenen van Nederlandsch-Indië geregeld, en, ofschoon
deze regeling voor Europeanen en met hen gelijkgestelden in 1848
is komen te vervallen, tengevolge van de nieuwe voorschriften
omtrent dit onderwerp, in het Burgerlijk Wetboek vervat, zoo is
die regeling toch voor inlanders blijven bestaan '. Eindelijk is op
Madoera en in de Madoereesche streken van Java het wedden en
1 Vergl. Veth: Java, dl. III, p. 132, benevens de Mal. Jav. en Soend. woorden-
boeken s. V.
« Vergl. FamUie- en erfrecht, p. 455, 464, 479 en w., 495-500 en 503.
* Dat het in de bedoeling van den wetgever lag de voorschriften van Ind.
Stbl. 1832 No 41 ook op niet-Ëuropeanen te doen slaan, bl^kt uit het slot dier
publicatie, waar vertaling in de inlandsche en Chineesche talen gelast wordt.
Voor Vreemde Oosterlingen, ook die den Isl&m beladen, is de regeling komen te
vervallen , ten gevolge van de toepassel^k- verklaring op hen van de voorschriften
van het Ind. Burg. Wb., bg Ind. Stbl. 1855 N» 79. In de Vorstenlanden geldt
Ind. Stbl. 1832 No 41 niet voor Inlanders, volgens art. 27 al. 2 Reg. Regl.; maar
geldt Ind. StbL 1855 No 79 wel voor Mohammedaansche en andere Vreemde Ooster-
lingen, omdat deze aldaar de rechtstreeksche onderdanen van het Gouvernement
zyn, volgens de bestaande kontrakten met de inlandsche vorsten. Zie over deze
aangelegenheid nog het arrest van het Hoog Gerechtshof dd. 31 Januari 1850
(Tydschr. Het Recht in N.-I., dl. Hl (1850), p. 256 en w.).
96 DE AFWUKIMGEN VAN HET MOHAHMEDAANSCHE
aitloven van prijzen bij wedrennen van hoomvee in gebruik;
terwijl op geheel Java en Madoera bij hanen- en andere dieren-
gevechten wordt gewed en prijzen worden uitgeloofd , alles in strijd
met het Mot^iinmedaansche recht *. Daarentegen is het weder in
overeenstemming met den [slam, dat de Javanen van onds niet,
gelijk de Maleiers en Boegineezen, een afzonderlijk recht hebben
voor de verbintenissen uit de scheepvaart voortspruitende. Ten
gevolge echter van het slotartikel der Bepalingen op de huishou-
en tucht op de koopvaardijschepen (Ind. Stbl. 1873 N^ 119) zijn
inlanders, op Europeesch getuigde schepen dienstdoende, op eeue
kleine uitzondering na, van rechtswege aan Boek II, Titel IV van
het Indische Wetboek van Koophandel onderworpen.
§ 3. Koop ».
Het koopcontract is de overeenkomst, welke in het maatschap-
pelijk verkeer , ook op Java en Madoera , als de meest voorkomende
en de belangrijkste moet worden aangemerkt. //Koopen^!' heet in
het Javaansch : t o e k o e (N) t o e m b a s (K) , in het Soendaasch :
b e u 1 i , en in het Maleisch : b ë 1 i. ^Verkoopen// is in het Javaansch :
a d o 1 (N) sadé of wade (K) , in het Soendaasch en Maleisch :
djoewal. Van deze grondwoorden zijn ook de termen voor f/koopeif
//verkooper/y , //koop^, a' verkoop ^ , enz. afgeleid. De afwijkingen van
de Mofiammedaansche wet betreffen vooreerst den vorm der overeen-
komst. Onroerende goederen, waarop door inlanders zakelijke
rechten naar het Europeesche Burgerlijk Wetboek worden uitge-
oefend , kunnen , in verband met hetgeen reeds ter zake werd uiteen-
gezet '' , niet worden verkocht dan met inachtneming van de regelen,
in het Europeesche recht voor den overgang van zoodanige goederen
gesteld. Intusschen worden ook bij den verkoop van erfelijk indi-
vidueel bezeten onroerende goederen door den inlander veelal
* Vergl. Fath al-Qarib, p. 655; SoUewijn Gelpke: Gegevens voor eene nieuwe
landrente-regeling , in de Ind. Gids, Jaarg. 1 886 p. 433 ; J. L. van Gennep : Bijdrage
tot de kennis van den Kangéan-Archipel , in dit Tüdschr. , 6<*e Volgreeks, dl. U,
p. 98 en v.
• Vergl. mijn opstel in den Feestbundel aangeboden aan wijlen den Hoogleeraar
P. J. Veth, ter gelegenheid van zijn tachtigsten geboortedag, p. 28 en vv.
' Zie boven p. 86 en v.
VE&MOGENSEECHT OP JAVA EN MADOE&A. 97
formaliteiten in acht genomen , bij de Mohammedaansche wet niet
voorgeschreven. Speciaal is dit het geval bij den verkoop van
sawah^s en vischvijvers. In den regel namelijk worden zoodanige
goederen slechts verkocht in tegenwoordigheid van getuigen, als
hoedanig veel het dorpshoofd met één of meer oudsten of, waar
deze ontbreken , met één of meer leden van het dorpsbestuur fun-
geeren. De getuigen moeten in elk geval vooraf de ligging van
de verkochte goederen opnemen. Vooral in Bantam en de Preanger-
Eegentschappen , maar overigens ook elders, komt het voor, dat
hun door ééne der partijen of door beiden een klein geschenk iii
geld wordt gegeven , ten teeken dat zij het gebeurde geconstateerd
hebben. In de meeste streken zijn de getuigen bij de geheele han-
deling tegenwoordig; in enkele streken alleen bij het betalen der
koopsom.
Het opmaken van schriftelijke verkoopbewijzen , door partijen en
getuigen onderteekend, zij het met een kruisje, is in West-Java
ten aanzien van onroerende goederen algemeen. In Midden- en
Oost-Java , gelijk mede op Madoera , is het een bekend , maar niet
zoo algemeen verspreid gebruik. Ook registratie dezer verkoop-
bewijzen komt in vele streken voor: hier geschiedt zij door het
districtsbestuur, elders door den districts- of regentschapspangoeloe ,
elders weder door andere inlandsche autoriteiten. Bij den ver-
koop van onroerende goederen , welke voor den inlander
eene groote waarde vertegenwoordigen, is, vooral op of in den
omtrek van plaatsen , waar afzonderlijke notarissen gevestigd
zijn, langzamerhand het gebruik in zwang gekomen notarieele
verkoopbewijzen te doen opmaken. Het meest is dit gebruik in
zwang in de residentie Batavia ten opzichte van gronden, waarop
het zoogenaamde inlandsche erfpachtsrecht , krachtens Ind. Stbl.
1836 N** 19, wordt uitgeoefend, welk recht, gelijk men weet,
slechts in naam, maar niet in aard van het erfelijk individueele
bezits- of gebruiksrecht elders verschilt. De notarieele koopover-
eenkomsten , welke ik hier op het oog heb , worden evenals de
inlandsche notarieele testamenten, volgens art. 19 Alg. Bepp.,
alleen wat den vorm betreft door het Europeesche recht beheerscht ,
maar niet ten aanzien van den materieelen inhoud , tenware partijen
zich daarbij uitdrukkelijk voor de overeenkomst in quaestie aan
het Europeesche recht hebben onderworpen, volgens de artt. 11
en 13 Alg. Bepp. Dit zoude hier natuurlijk geoorloofd, maar bij
testamenten ongeoorloofd zijn, omdat de materieele inhoud van
6« Volgr. 1». 7
98 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAHMEDAANSCÜE
een testament met het familie- en erfrecht verband houdt, en
dus van openbare orde is ^.
Ook bij roerende goederen zijn schriftelijke verkoopbewijzen ,
zoodra het zaken van waarde geldt, algemeen in gebruik. Bij het
opmaken dezer verkoopbewijzen , s o e r a t katëraugan, pipil
of pèl geheeten, worden echter minder formaliteiten in acht ge-
nomen dan bij die, welke voor onroerend goed worden afgegeven.
In den regel bestaan zij in eene verklaring van het dorpshoofd of
van den dorpsschrijver, dat de kooper het voorwerp van den ver-
kooper gekocht heeft, met vermelding dat zij van deze omstandigheid,
hetzij door eigen wetenschap, hetzij door getuigenis van anderen,
kennis dragen. Eene korte omschrijving van het voorwerp en eene
vermelding van den bedongen prijs worden veelal bijgevoegd. Geldt
het vee, zoo bestaat de omschrijving in een signalement, bv. in
eene vermelding van den vorm , de richting of de lengte der hoorns
van buffels. Het briefje strekt dan den kooper tot bewijs, dat hij
op wettige wijze eigenaar is geworden, en dat, als later mocht
blijken , dat het goed aan een ander toebehoort dan den verkooper ,
de kooper, in elk geval niet als medeplichtige kan worden vervolgd ,
bijaldien de verkooper de zaak door misdrijf mocht hebben verkregen.
Tot goed begrip van de beteekenis dezer briefjes bij roerende
goederen, dient nog te worden in herinnering gebracht, dat de
Isl&m noch onzen regel kent, dat bij die goederen bezit voor
titel geldt, noch de acqnisitieve verjaring, en dat de inlandsche
begrippen ten aanzien van beide punten met het dogmatische
Mohammedaansche recht overeenkomen. De instelling der koop-
briefjes van roerende goederen is op Java en Madoera blijkbaar
zeer oud; zij komt reeds in het wetboek Soerja Ngalam voor ^.
Van grootere beteekenis zijn uit een economisch oogpunt de be-
perkingen der contractsvrijheid , vooral in Midden-Java, bij den
verkoop van erfelijk individueel bezeten gronden, door gemeente-
lijke instellingen, en wel speciaal ten aanzien van sa w ah ^s, maar
ook ten aanzien van erven en andere gronden , ofschoon in mindere
mate ^. Als een gevolg van die beperkingen kan men de instelling
* Zie boven p. 85, en vergl. Familie- en erfrecht p. 510, 511; Eindresumé,
dl. I, p. 48 en vv. ; Sollewyn Gelpke, t. a. p., p. 577, 719, 720; Handelingen der
N. I. Juristenvereeniging , Jaarg. 1887, dl. l, p. 20, 21; Nalezing, p. 314.
' Vergl. Handel, der N. I. Juristenvereeniging, Jaarg. 1886, dl. I, p. 132;
Soerji Ngalam (Bydragen, Nieuwe Reeks, dl. VI), p. 26.
• Vergl., over die instellingen volgens ons staatsrecht, Familie- en erfrecht,
p. 478, 470.
YEKMOOENSBECHT OP JAVA EN MADOERA. 99
beschouwen, dat verkoop van grond doorgaans niet buiten voor-
kennis, en dikwijls niet zonder toestemming van het dorpshoofd
mag plaats hebben ^ In de streken , waar geene inlandsche gemeenten
als rechtspersonen bestaan , bv. in de Vorstenlanden , komen der-
gelijke beperkingen natuurlijk niet voor.
De hier bedoelde beperkingen zijn vooreerst dezelfde als die,
welke bij de behandeling van het huwelijksgoederen recht werden
aangestipt ^. Zoo zal, waar voor het grondbezit inwonerschap der
gemeente gevorderd wordt, de verkoop van erfelijk individueel
bezeten grond aan niet-ingezetenen slechts kunnen plaats hebben
onder de voorwaarde van vestiging in de gemeente. Dit inwoner-
schap nu wordt in verreweg de meeste streken van Midden-Java,
gelijk mede in Pasoeroean voor het sa wah-bezit gevorderd; terwijl
ook op Madoera en in de Madoereesche streken van Oost-Java
dezelfde instelling sporadisch wordt aangetroffen. Van het erfelijk
individueel bezit van tëgaTs, tuinen , boomgaarden en vischvij vers
zijn hier en daar eveneens zij , die niet in de gemeente wonen, uit-
gesloten , en bijna overal is dit het geval ten aanzien van woonerven.
Ja zelfs is het bezit van woonerven in Madioen en Kediri alge-
meen, en voorts in zeer vele gemeenten van Bagelen, benevens
eenige in Japara, Rembang, Soerabaja en elders, in dier voege
beperkt, dat ook ingezetenen niet meer dan ééu woonerf in de
gemeente mogen bezitten , zoodat iemand , die reeds een woonerf
heeft , geen tweede er bij mag koopen , zonder zich van het eerste
te ontdoen ^, Er zijn echter ook nog andere beperkingen , welke bij
den verkoop in aanmerking komen. Om als erfelijk bezitter te kunnen
optreden , .is het een noodzakelijk vereischte , dat men in staat zij den
grond zelf te bebouwen , of ten minste in staat zij voor de bebouwing
te zorgen. Minderjarigen en ongehuwde vrouwen kunnen dan ook door
koop geen grondbezit verwerven , niet alleen , wat de eerstgenoemden
betreft , omdat zij de bevoegdheid missen zich te verbinden , maar
ook, en daarvan is natuurlijk hier alleen sprake, omdat zij niet als
bezitters kunnen optreden. Hun voogd kan dus evenmin hun ver-
vermogen in grondbezit beleggen. Voorts werken de gemeentelijke
instellingen omtrent de dienstplichtigheid beperkend. Men kan geen
' Vergl. Sollewijn Gelpke, t a. p. , p. 719.
' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 477 en v.
« Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 19, 20, 116, 144, 145, 160, 189; Sollewijn
Gclpke, t. a. p. , p. 527.
100 DE AFWUKI^veiY TAS HET MOHAMMSBAAXSCHS
grondbezit Terkiijgen , als men niet in staat is zich Tan de daarop kle-
Tende persoonlijke diensten te kvijten, en daar na de dienstplieh-
tigheid in Tele gemeenten, zoo niet geheel dan toch grootendeels
op de sawa h-bezitters drakt, zoo is daardoor implicite Ter-
koop Tan sawah^s aan Tele personen uitgesloten, die, ofschoon
OTerigens bekwaam om te verkrijgen, Toor dienst prae$tatie onge-
schikt zijn. Slechts in West-JaTa staan de gemeentelijke instellingen
ten deze aan den overgang Tan grond niet in den weg, eenige
weinige gemeenten uitgezonderd , ofschoon ook daar de dienstplich-
tigheid in verreweg de meeste streken aan het grondbezit is Ter-
bonden. Bij de woonerven is de Toorwaarde Tan voor de behoorlijke
bewoning te zorgen , schijnbaar gemakkelijk na te komen , daar bv.
de voogd van een minderjarige het erf desnoods ten diens behoeTe
zonde kannen Terharen ; doch in de praktijk is het niet altijd ge-
makkelijk een huarder te Tinden. Verhaar Tan erven kan men
namelijk zeggen, dat op het platteland, althans als industrieel
bedrijf, onbekend is '.
Het sterkst doet de iuTloed der gemeentelijke instellingen om-
trent het grondbezit zich gelden in die gemeenten, waar zeUs de
Terkoop Tan erfelijk indiTidueel bezeten grond, aan wien ook,
Terboden is. Ofschoon bedoelde gemeenten de uitzondering vormen ,
zoo wordt toch in vele andere het verkoopen van zijn grond Toor
eene handeling gehouden , welke , tenzij om gewichtige redenen Tan
persoonlijken aard, uit een zedelijk oogpunt geene aanbeveling
verdient. De aanleiding, om tot den verkoop Tan grond oTer te
gaan, is trouwens in den regel geldgebrek. Het bepaalde Terbod
Tan Terkoop komt het meest voor ten opzichte van bouwgronden,
maar ook , ofschoon sporadisch , ten aanzien van woonerven of visch-
TiJTers. De meerderheid der gemeenten, waar zoodanig Terbod he-
lstaat, liggen in Midden-JaTa, maar sommigen ook in West- en
Oost-JaTa. Het Terbod Tan Terkoop schijnt hier en daar samen te
hangen met het algemeen bestaande bewustzijn , dat men geen eigenaar
Tan den grond is , doch dien slechts in gebruik heeft Tan het Gouverne-
ment 2. Verkoop Tan erfelijk individueel bezeten grond aan niet tot de
eigenlijke inlandsche bevolking behoorende personen , is verboden bij
» Vcrgf. Eindresumé, dl. I, p. 18, 115, 143, 163, 167, 197; SoUewön Gelpke,
t. a. p. , p. 577 , 579.
• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 45 en w., 115, 124, 162, 197; SoUewyn Gelpke ,
t. a. p., p. 719, en mijn opstel: Het eigendomsrecht van den staat op den grond
op Java en Madocra, in dit Tijdschrift, ó^e Volgreeks, dl. VI (1891), p. 26.
■9 • • • « •
■ * • • • > • *• •
^ * • I
• - •
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 101
Ind. Stbl, 1875 N® 179 , en evenmin kunnen naar mijne meening , op
grond van algemeene rechtsbeginselen, de inlandsche erfpachtsrechten,
uitgeoefend op den grond behoorende tot de zoogenaamde particuliere
landerijen bewesten de rivier Tji Manoek, aan andere personen
dan eigenlijke inlanders worden verkocht, ofschoon de jurisprudentie
op dit punt niet constant is ^. De rechten op communaal bezeten
bouwgronden, en de contractueele rechten der opgezetenen in de
Vorstenlanden , of op de particuliere landerijen beoosten de rivier Tji
Manoek , laten , wegens hunnen aard , geen verkoop van den grond ,
maar slechts cessie van de persoonlijke aanspraken toe. Bij gebruiks-
rechten, aan het ambt , de bediening of de qualiteit verbonden , is zelfs
cessie ongeoorloofd. Dat overigens verkoop van erfelijk individueel
bezeten grond, gevolgd door levering, geen eigendom overdraagt,
maar slechts het eigenaardige inlandsche zakelijke recht op den
grond, is te elementair om er bij stil te staan.
Omtrent den afzonderlijken verkoop der accessoria van onroe-
rend goed bestaat geene andere afwijking van den Islftm , dan dat de
beperkingen van de Mohammedaansche wet , ten aanzien van den ver-
koop van onrijpe vruchten zonder den boom, of van een onrijpen, te
velde staanden oogst, niet zijn gerecipieerd. Verkoop van te velde
staanden oogst, vóór het begin der rijpwording, komtintusschen zelden
voor; maar des te meer de verkoop der vruchten van een bepaalden
boom , vóór dat zij de teekenen van rijpwording vertoonen , ja zelf vóór
dat de bloesems zijn afgevallen, en zonder de door de Isl&m uit-
drukkelijk gestelde voorwaarde van onmiddellijke weghaling ^,
De voorwaardelijke verkoop in dien zin, dat de kooper de be-
voegdheid zal hebben om binnen zekeren tijd de overeenkomst te
vernietigen, hetzij omdat de waar hem niet bevalt , hetzij om andere
redenen , is wederom op Java en Madoera in den Mol^ammedaanschen
vorm in gebruik , behoudens dat men zich niet gebonden acht aan
den in den Isl&m aangenomen max imu m-termijn van drie dagen ^.
Eene bijzondere soort van voorwaardelijken koop, waarvan de
Arabische rechtsbronnen geene melding maken, maar welke op
geheel Java en Madoera dagelijks voorkomt, is dat iemand aan
een rondgaand handelaar (Jav. pëpar& of bakoel, Soend. Mal.
tjëngkaw) zekere roerende goederen afstaat , onder het beding dat
' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 503; Nalezing, p. 314, en zie meer over dit
punt, beneden, § 13.
« Vergl. MinhAdj at-Talibin, dl. I, p. 402 en v.
» Vergl. Minhadj a^-Talibin, dl. I, p. 371.
• • ^m
' •• •
102 DK AFWIJUXGEX TAN HET MOHAJIIIEDAANSCHE
laatfftgenoenide binnen een bepaalden tennijn , of den bedongen pr^s
moet betalen , of de goederen in natara moet teroggeven. Wat
van beiden hij doen zal , staat ter zijner keuze. De handelaar heeft
dus de bevoegdheid de goederen te verkoopen , en wat bij dien
tweeden verkoop meer verkregen zal worden , dan de bij den eersten
verkoop bedongen prijs, is zijne winst. In het Maleisch is de ge-
wone formule, waarmede dit contract gesloten wordt: djikalaw
lakoe, bawa oewang, tidaq lakoe, poelang baraug. De
verkooper blijft eigenaar, totdat de goederen zijn van de hand
gezet. Het is voornamelijk de détail-handel in edelgesteenten , welke
op deze wijze wordt gedreven, en wel in hoofdzaak door vrouwen;
maar ook ten opzichte van andere goederen is de overeenkomst
veel in zwang. Zij is geheel het contractus aestimatorius
van het Bomeinsche recht, en de begrippen van den inlander,
omtrent de vereischten en gevolgen, komen dan ook overeen met
hetgeen ter zake de Bomeinsche rechtsbronnen ons leeren. Het
contract wordt evenzeer dikwijls in omgekeerden vorm gesloten,
namelijk zoodanig dat hij , die iets koopen wil , aan een handelaar
opdraagt, hem dit tegen een bepaalden prijs te bezorgen. Kan de
handelaar dan de goederen voor lageren prijs bekomen , zoo is het
verschil ten zijnen voordeele. Wil men in het HoUandsch een naam
aan de overeenkomst geven , zoo zoude die van /rinlandsch commissie-
kontrakt^ m. i. nog de meest passende zijn. lutusschen komt het
ook veel voor , dat de handelaar slechts tegen een zeker loon
tracht de voorwerp\3n aan den man te brengen of te koopen ,
en dan is er natuurlijk slechts eene overeenkomst van geremu-
nereerde lastgeving aanwezig, ja soms zelfs eenvoudig huur van
diensten '.
De verkoop met recht van wederinkoop kan zich, volgens den
Isl&m, alleen voordoen in den vorm van het zooeven bedoelde
' Vergl. over dit kontrakt eene belangrijke beschikking van den President van
den Landraad te Batavia, te vinden in het Indische Weekblad van het Recht,
Jaarg. 1887, N» 1244. Deze beschikking heeft wel is waar op Chineezen be-
trekking; maar voor inlanders zullen de daarin voorkomende beschouwingen
eveneens moeten gelden. Vergl. ook Winter: Javaansche zamenspraken , dl. I,
p. 49, 59, 65, en Windscheid: Lehrbuch des pandektenrechts, dl. II, p. 400 en
vv. De door mij gevolgde constructie van het contractus aestimatorius
als eene soort van voorwaardelijken verkoop, is, naar ik meen, reeds sedert
lang in Europa algemeen aangenomen. Ofschoon de Arabische juristen het con-
tract niet opzettelijk behandelen, was het toch reeds ten tyde van Mol^ammad
in .Arabië in zwang. Vergl. Bochari: fahih (ed. Krehl), dl. II, p. 52, 53.
YE&MOGENSREGHT OP JAVA EN MADOERA. 103
beding, dat ééne der partijen, in casn de verkooper , de bevoegd-
heid heeft om na zekeren termijn, doch niet langer dan na drie
dagen , de handeling door eene éénzijdige verklaring te niet te
doen, waarna de waar en de prijs over en weder moeten worden
gerestitueerd. Men noemt dit beding in het Arabisch : chij&r
asj-sjart, letterlijk: ^^bedongen keuzee. Het staat in karakter gelijk
met de overige rechtsmiddelen tot eenzijdige vernietiging van een
gesloten koopcontract, welke rechtsmiddelen de Arabische juristen
in het algemeen «^keuzen/i^ (chij&r) noemen, en waartoe zij o. a.
onze actio redhibitoria en onze actio quanti minoris
brengen Deze zoogenaamde //bedongen keuze// is echter uitdruk-
kelijk verboden bij de overdracht van zaken aan het woekerverbod
onderworpen, en is, wanneer zij voor langer dan drie dagen is
overeengekomen, wat het meerdere betreft, van rechtswege nietig.
Deze voorschriften der Mohammedaansche wet nu worden op Java
en Madoera eenvoudig voor niet geschreven gehouden, evenmin
trouwens als men er zich aan het woekerverbod in het algemeen
veel stoort >. De Isl&m verklaart ten overvloede nietig alle gefin-
geerde rechtshandelingen , waardoor men eenige ongeoorloofde
handeling of oorzaak zoude trachten te verbergen. De regel: plus
valet quod agitur quam quod simulate concipitur,
wordt door de Arabische juristen streng doorgevoerd ^, Intusschen
wijken ook in dit opzicht de op Java en Madoera gangbare be-
grippen van den Isldm af, en de verkoop met recht van wederinkoop
' Zie hierover nader, beneden, § 6.
' Vergl. MinhAdj a(-Talibin, dl. I, p. 369 en volgg. Alleen dan, wanneer men
het doel kan bereiken door een ander, zij het niet in de wet met name genoemd ,
contract te sluiten, en het doel op zich zelf en in beginsel niet verboden is,
laat de IslAm eene uitzondering op dezen regel toe. Zoo kan men bv. het verbod
om een langeren termyn dan drie dagen voor den wederinkoop te bedingen , ont-
duiken door niet van „verkoop" te spreken, maar, gelyk in Turkye geschiedt,
van ^ontruiming bij de betaling" (f i r agh b i 1 - w a f a). Vergl. Aristarchi-Bey : Légis-
lation Ottomane, dl. I, p. 158 en vv. , 182 en vv. en 274 en vv. Een dergelijk voorbeeld
ten aanzien van het m o z a r a ' a h-kontrakt , vindt men in den Fath al-Qarib,p. 393.
De jjewoners van Java en Madoera noemen echter, gelijk wij zagen, de over-
eenkomst bepaald: „verkoop", en dit contract Iaat het beding van wederinkoop
slechts toe voor drie dagen, ofschoon op zich zelf en in beginsel een recht van
ontbinding eener overeenkomst op langeren termyn in den Islam geene verboden
zaak is. Daarentegen zoude bv. het beding van riba of woeker, op welke
wyze ook geformuleerd , wel nietigheid der handeling ten gevolge hebben , omdat
riba op zich zelf en in beginsel eene der grootste zonden is, welke de Islam
Kent. Zie ben. § ö.
101 DE AFirUKINOEN VAX HET MOHAMMEDAANSCHE
is de meest Toorkomende vorm, waarin men zqne woekertransacties
omzet, Tooral wanneer de woekeraar een Arabier, hadji, of ander
als kerksch bekend staand persoon is.
Dit geschiedt op tweeërlei wijzen. In de eerste plaats verkoopt
de woekeraar aan den geldopnemer eenig voorwerp, welk ook, op
crediet , en hij koopt het onmiddellijk weder k contant van hem
terng. Het verschil is dan de rente. Dit is dns hetgeen men in
Earopa , toen de woekerwetten nog algemeen in zwang waren , het
mohatra-kontrakt noemde \ welk woord, als afgeleid van het
Arabische mochitarah, reeds dadelijk de Oostersche herkomst
van de handeling verraadt. De handeling is dan ook niet slechts
op Java en Madoera, maar evengoed in andere Mohammedaansche
landen bekend. De naam mochfttarah, letterlijk: '^kansovereen-
komst^, laat zich verklaren door het feit, dat de geldschieter aldns
geene enkele zakelijke zekerheid erlangt van door den geldopnemer
op de overeengekomen termijn betaald te znllen worden , en derhalve
het gevaar van latere insolventie van den debitenr op zich neemt.
De wederinkoop is natnurl^'k bij deze handeling niet alleen eene
bevoegdheid van den verkooper; maar hij is daartoe ook verplicht;
want de wederpartij heeft alleen de zaak gekocht, met het doel
dat hij ze om gereed geld aan den oorspronkelijken eigenaar zonde
kannen terugverkoopen *.
In de tweede plaats kan de verkoop met recht van wederinkoop
een vermomd paudcontract opleveren, en dit begrijpen de inlan-
ders zelf zoo goed, dat zij alsdan spreken van '"'pand verkoopt' (Jav.
adol (N) of wade (K) gade, Soend. djoewal sanda of gade.
Mal. djoewal sanda of gadai). De geldopnemer verkoopt bij
deze overeenkomst aan den geldschieter eene hem toebehoorende
zaak, met voorbehoud van de bevoegdheid om die zaak later terug
te koopen (Mal. Jav. Soend. tëboes), hetzij voor denzelfdeu prijs,
hetzij voor een hoogeren. Het eerste beding heeft veelal plaats,
wanneer de zaak tot de zoodanigen behoort , die vruchten afwerpen ,
bv. een grondstuk, een huis, een stuk vee, enz.; het tweede,
wanneer het niet-productieve bezittingen geldt, bv. een diamant.
Bij het beding van wederinkoop voor denzelfden prijs strekken
feitelijk de vruchten der zaak tot vergoeding van het gebruik van
het ontvangen kapitaal, d. w. z. tot rente; bij het beding van
* Vergl. Windscheid, t. a. p., dl. U, p. 44; Dalloz: Répertoire, voce Vente, No54.
• Vergl. de redevoering van den heer F. Fokkens in de vergadering van het
Indisch Genootschap van 4 Febr. 1896, p. 38.
YERMOGElüiSRECHT OP JAVA EN MADOEBA. 105
wederinkoop voor een hoogeren prijs, vervult het meer te betalen
geld dezelfde functie. Zaken , welke door het gebruik te niet gaan ,
zijn natuurlijk voor deze overeenkomst niet vatbaar. Ten einde de
vruchten, welke de zaak afwerpt, gemakkelijker te innen dan door
eigen exploitatie , en soms ook om inkomsten te erlangen van eene
zaak, welke uit haren aard niet productief is , bv. van een diamant ,
verhuurt de kooper die niet zeldenr onmiddellijk weder aan den ver-
kooper, hetzij tegen geld, hetzij, ingeval van een grondstuk , tegen
een evenredig deel van den oogst. Somtijds stelt de verkooper zoo-
danige verhuur als voorwaarde voor den verkoop, wanneer hij er
prijs op stelt het feitelijk bezit van zijn goed te blijven behouden ,
bv. wanneer hij er aan gehecht is als aan een erfstuk, dan wel
omdat hij als landbouwer van de opbrengst van zijn aldus ver-
kochten akker moet leven. In streken, waar schriftelijke verkoop-
bewijzen in zwang zijn, wordt, indien van den verkoop met recht
van wederinkoop , gevolgd door verhuur , geene speciale akte is op-
gemaakt , de koopbrief van den debiteur door den crediteur onder
zich gehouden , als bewijs dat hij eigenaar is geworden * . Veelal wordt
onder deze omstandigheden het goed , zelfs niet voor een oogenblik ,
onder de macht van den kooper gebracht, hetgeen niet wegneemt,
dat dan toch de eigendom is overgaan krachtens het consti-
tutum possessorium, hetwelk ook als eene inlandsche instelling
is aan te merken 2. Indien bij de overeenkomst een bepaalde ter-
mijn (Mal. Jav. Soend. djandji) is gesteld, waarop van het recht
van wederinkoop moet worden gebruik gemaakt , zoo heeft de ver-
kooper niet de bevoegdheid om op dien termijn te anticipeeren ,
evenmin als de kooper hem daartoe dwingen kan , doch gaat , door
het ongebruikt laten voorbijgaan van dien termijn , de bevoegdheid
om weder in te koopen onherroepelijk verloren voor den ver-
kooper. Dit laatste is ook het geval, indien de bevoegdheid tot
wederinkoop tot op zekeren termijn is verleend. Wat overigens den
termijn, zoowel in dit als in het vorige geval, betreft, van eene
beperking daarvan is geen sprake , noch tot drie dagen , gelijk wij
zagen dat de Isl&m vordert, noch tot de vijf jaar van het Indische
Burgerl. Wetboek '. Ja zelfs kunnen partijen de uitoefening van het
recht van wederinkoop in het geheel aan geen termijn binden. In
* Zie boven p. 97 en v.
' Vergl. het vonnis van den Landraad te Batavia dd. 24 Febr. 1889 (Ind.
Weekbl. v. h. Recht N» 1347).
» Art. 1520 a» art. 1556 Ned. Burgl. Wb.
106 D£ AVWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEOAANSGHE
dat veel voorkomende geval kan de verkooper, of kannen zijne
erfgenamen of rechtverkrijgenden , hunne bevoegdheid tot in het
oneindige doen gelden, en blijft de verplichting om den weder-
inkoop te dulden, als een zakelijke last op het goed kleven, in
wiens handen het zich ook moge bevinden. De last van weder-
inkoop belet namelijk niet, dat de kooper het goed op nieuw
verkoopt. Omgekeerd kan in zoodanig geval de verkooper van zijn
recht van wederinkoop , zoodra hij wil , gebrnik maken , tenzij de
kooper een termijn heeft bedongen, waarbinnen geen wederinkoop
kan plaats hebben. Zoodanig beding is zeer gewoon bij produc-
tieve goederen. Bij bouwgronden neemt men zelfs stilzwijgend aan ,
dat de verkooper niet van zijn recht tot wederinkoop mag gebruik
maken tegen den zin van den kooper, indien laatstgenoemde niet
ten minste éénen oogst van den grond heeft genoten , noch op een
oogeublik dat de wederinkoop dsn kooper niet te voorziene schade
zoude berokkenen, bv. v66r den oogst van het door hem geplante
gewas. Een en ander doet op nieuw het verband met het pand-
contract uitkomen. Het doel van beiden is geldleening tegen
zekerheid; in het eene geval in den vorm van bevoegdheid om
op het goed zijne preteusie te verhalen ; in het andere in den vorm
van eigendom onder eene ontbindende voorwaarde *. In beide ge-
vallen wil de geldschieter soms zekerheid hebben van gedurende
een bepaald tijdverloop zijn kapitaal productief te maken. Met het
oog op den langen, of zelfs, gelijk wij zagen , onbepaalden termijn ,
waarover de verkoop met recht van wederinkoop niet zelden loopt ,
is het niet te verwonderen, dat daarbij, speciaal wanneer het on-
roerende goederen geldt, nog meer schriftelijke , ja zelfs notarieele ,
bewijzen in zwang zijn dan bij den gewonen verkoop ^.
Waarom men soms tot den verkoop met recht van wederinkoop ,
en soms tot het verpanden zijne toevlucht neemt, is niet altijd
duidelijk, daar, gelijk straks blijken zal, laatstgenoemde overeen-
komst economisch ongeveer dezelfde gevolgen heeft, en alleen
juridisch, d. w. z. in den aard van het bezit van den geldschieter,
daarvan verschilt. Slechts kan men in het algemeen opmerken,
dat, wanneer de opgenomen som geheel of bijna gelijk staat met
de waarde van het goed , er doorgaans verkoop met recht van weder-
* Vergl. Dalloz, t. a. p., voce Nantissemement , No 217.
' Vergl. Eindresumé , dl. I, p. 52, 127, 166, 2(>^; Veth: De verpanding van
akkers op Java, in het Tydschr. van N. I., Jaarg. 18<)9, dl. II, p. 75 en w. ;
Sollewgn Gelpke, t. a. p. , p. 720 en vv. ; Fokkens, t. a. p. , p. 36, 37.
VE&MOGENSaECHT OP JAVA EN MADOËKA. 107
inkoop plaats heeft , eu , in het geval van opneming eener geringere
som, in pand wordt gegeven. Ook valt het op, dat Arabieren,
hadj i 's, en andere als kerksch bekend staande personen, meer van den
verkoop met recht van wederinkoop dan van het pandcontract gebruik
maken , ofschoon beide overeenkomsten op Java en Madoera in een
vorm inheemsch zijn, met de Mohammedaansche wet in strijd '.
Over den koop en verkoop tasschen Mohammedaansche echtge-
nooten , die tot de Vreemde Oosterlingen behooren , heb ik elders
het noodige gezegd ^.
§ 4. Huur.
Huur heet in het Javaansch: séwa, en in het Soendaasch en
Maleisch: séwa. Deze overeenkomst is, na het koopcontract , voor
het maatschappelijke verkeer op Java en Madoera de belangrijkste.
Zij wordt gesloten zoowel voor onroerende als voor roerende goe-
deren; terwijl eveneens huur van diensten eu aanbesteding in
gebruik zijn. Men bezigt alsdan echter niet het woord séwa, maar,
bij huur van diensten, in het Javaansch opah (N) of épah (K),
en in het Soendaasch en Maleisch oepah of gadjih, met de
daarvan afgeleide vormen. Bij aanbesteding bezigt men het woord
b o rong, eveneens met de daarvan afgeleide vormen. Daar men,
in overeenstemming met de Mol^ammedaansche wet , geen eigenaar
behoeft te zijn om te verhuren , kunnen ook personen dit contract
sluiten, die niet mogen verkoopen. Zoo mag de pandhouder de
hem verpande zaak verhuren , en hetzelfde geldt van de aandeel -
hebbers in communale velden of de houders van ambtsveldeu , voor
den tijd van hun genot. Vóór 1863 konden de vertegenwoordigers
* Vergl. Resumé van Bantam p. 113. De meening van Wilken, dat de verkoop
met recht van wederinkoop inderdaad niet anders zoude zijn dan een antichretisch
pandrecht aan een termyn gebonden, komt mij niet geheel juist voor, evenmin
als de stelling van wylen dien geleerde, dat het ontbreken van een termijn van
inlossing een algemeen en natuurlyk kenmerk van het antichretische pandrecht
zoude zyn. Immers worden, althans op Java en Madoera, de beide overeen-
komsten, verkoop met recht van wederinkoop en pand, gelykelyk met en zonder
termijn van inlossing gesloten. Vergl. Wilken: Het pandrecht bij de volken van
den Indischen Archipel, in dit Tijdschrift, ó^e Volgreeks, dl. IIT (1888), p. (lOï
en vv. en, voor het karakter der antichrese in het algemeen, Dalloz, t. a. p., voce
Nantissement , N^s 2 en 216 en vv. ; Code Civil art. 2088. Tegen de gelijkstelling
van het Inlandsche pandkontrakt met de antichrese en den verkoop met recht
van wederinkoop werd reeds opgekomen door Mr. A. W. C. Verweij. Zie p. 249
en 2^.') van diens opstel: Over het contractueel pandelingschap, in dit Tydschrift ,
5de Volgreeks, dl. Vin (1893), p. 234 en vv.
* Vergl. Familie- en erfrecht, p. 477.
108 DE AFWUKINGBN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE
der inlandsche gemeenten de communale melden dier gemeenten
ook aan niet inlanders verhuren ; doch bij de ordonnantie , te vinden
in Ind. Staatsbl. 1863 N" 152, is dit verboden. Daar het verbod slechts
op niet-inlanders slaat, en in het algemeen de inlandsche gemeente
als rechtspersoon , ook krachtens haar zakelijk gebruiksrecht op de
communale velden , tot verhuur daarvan bevond moet worden ge-
acht, zoo zal men nog steeds moeten aannemen, dat door haar die
velden, hetzij aan andere inlandsche gemeenten, hetzij aan per-
sonen behoorende tot de inlandsche bevolking kunnen worden ver-
huurd, wat de laatsten betreft, behoudens de verbodsbepalingen,
voor inlandsche hoofden en ambtenaren uitgevaardigd , omtrent het
deelnemen aan landbouw- of andere industrieele ondernemingen
binnen het gebied , waar zij gezag uitoefenen. De verhuur van grond
behoorende tot het staatsdomein , door inlanders aan niet-inlanders,
mag thans trouwens alleen plaats hebben overeenkomstig de voor-
schriften, te vinden in de Indische Staatsbladen van 1871 N*^ 163,
1879 N<> 209 en 1894 N» 52 en 64. Volgens art. 1 al. 2 van
eerstgenoemde verordening worden die overeenkomsten beheerscht
door het Ind. Barg. Wetboek, zoodat wij ze in dit opstel verder
buiten beschouwing kunnen laten. Ditzelfde is het geval met de
huur van diensten, door dat bij Ind. Stbl. 1879 N® 256 de artt.
1601, 1602 en 1603 Ind. Burgl. Wb. « op de inlandsche en daar-
mede gelijkgestelde bevolking in geheel Nederlandsch-Indië zijn
toepasselijk verklaard , vermoedelijk omdat deze overeenkomst hoofd-
zakelijk tusschen inlanders en Europeanen of Vreemde Oosterlingen
wordt gesloten. Houdt men dit laatste niet in het oog, zoo moet
de maatregel een zonderlingen indruk te weeg brengen. Immers
zal, geloof ik, wel niemand tegenspreken, dat de geheele titel
van verhuur één der minst gelukkig geslaagden van het Burgerlijk
Wetboek is, en dat, van dien min geslaagden titel, juist de af-
deeling, welke door evengenoemde artikelen worden gevormd, nog
wel het meest vat geeft aan critiek. Nu moge men een voorstander
zijn van de toepasselijk verklaring van ons vermogensrecht op
den inlander, men zal toch moeten erkennen, dat de logica zoude
vorderen in die richting te beginnen met meer voortreffelijke ge-
deelten daarvan. Als een eigenaardig gebruik bij huur van diensten,
speciaal tusschen inlanders en Europeanen, moet worden gewezen
op het feit, dat het loon in den regel niet wordt betaald, gelijk
» - artt. 1637, 1638, 1639 Ned. B. Wb.
YS&MOGSNSRECHT OP JAYA EN MADOSRA. 109
tosschen Europeanen onderling , nadat de diensten gepraesteerd zijn,
maar vooraf, bij wijze van voorschot , zoo niet geheel , dan toch ten
deele. Soms verbergt de vooruitbetaling van het loon eene overeen-
komst van geldleening. Een ander eigenaardig gebruik is, dat in-
landers en Vreemde Oosterlingen de personen, die zij in hunnen
handelsdienst hebben , dikwijls niet in geld beloonen, maar in goe-
deren, welke deze laatsten dan tegen een bepaalden prijs moeten
nemen , en zelf moeten trachten aan den man te brengen , willen
zij daarvoor geld in handen krijgen. Soms moeten zij dan zelfs goe-
deren tot eene hoogere waarde dan hun loon ontvangen, en moeten
zij de getaxeerde waarde in elk geval aan hun meester uitkeeren.
Wat zij voor de goederen meer maken, is hun loon. Ook bij de
huur van scheepsvolk op inlandsch getuigde schepen is deze com-
binatie met het contractus aestimatorius in zwang'. Het
geven van voorschot is ook door het gebruik bijna een natuurlijk ge-
volg geworden van het contract van aanbesteding , hetwelk overigens
geene afwijkingen van de voorschriften van den Isl&m oplevert Dit
laatste is evenzeer het geval bij de verhuur van roerende goederen.
Daarentegen moet langer worden stil gestaan bij de verhuur van
onroerend goed.
Wij zagen hierboven 2, dat inlanders , die onroerende goederen in
eigendom volgens het Indische Burgerlijk Wetboek bezitten , bedoelde
goederen niet mogen vervreemden dan met inachtneming der formali-
teiten , voor den eigendomsovergang van zoodanige goederen voorge-
schreven , al zijn bedoelde inlanders overigens niet aan het recht der
Europeanen onderworpen. De vraag rijst, of men hetzelfde beginsel
zal moeten huldigen bij verhuur van zoodanige goederen, en , daarvan
uitgaande , of men de voorschriften omtrent de verhuur van landerijen
' Vergl. Van Gennep, t. a. p. , p. 96, en zie, voor het huren van scheepsvolk
op Europeesch getuigde schepen , de reeds hierboven (p. 96) vermelde toepasselijk
verklaring van het voor Europeanen geldende recht, bg het slotartikel van Ind..
Stbl. 1873 No 119. Dat dikwyls personen in het gezin van hunne ouders , schoon-
ouders, enz. kost en inwoning erlangen, tegen het verrichten van huis- of veld-
arbeid, zonder juridisch tot dat gezin te behooren, beschouw ik meer als een
gevolg van het familie- verband , dan als eene overeenkomst op huur van diensten
betrekkelijk. Vooral is deze verhouding in zwang by schoonzoons, die, wanneer
hun de middelen ontbreken om een eigen huishouden te beginnen , bg hunne schoon-
ouders met hunne vrouw bly ven wonen. Vergl. C. Poensen : Iets over het Javaansch
gezin, in de Meded. v. h Ned. Ind. Gen., dl. XXXI (1887), p. 119, 144, 146 env.;
Dezelfde: Iets over de Javaansche naamgeving en eigennamen, Ibid. dl. XIV
(1870) p. 309.
■ Zie p. 86 en v.
110 DE AFWIJULISGES YAN HET MOHAM 11 EDAANSCUE
en huizen, vervat in de artt. 1 550 en vv. Ind. B. Wh. ' , als op dergelijke
faanrovereenkomsten toepasselijk zal moeten aanmerken. Zeker zijn
vele van de hier bedoelde voorschriften in overeenstemming met
de Mohammedaansche wet, en blijkt van geen afwijkend rechtsbe-
wQstzijn daaromtrent bij den inlander; maar andere, bv. die om-
trent het gevorderd schriftelijk bewijs van het contract, zijn met
beiden in strijd , en nn kan men toch moeielijk aannemen , dat de
Europeesche of Chineesche huurder van eenig huis aan laatstbedoelde
voorschriften gebonden zoude zijn , en zijn inlandsche verhuurder
niet. Hoe ongerijmd deze consequentie ook is, ik beschouw ze met
de wet in de hand volstrekt niet als onverdedigbaar, omdat eene uit-
drukkelijke toepasselijk-verklaring op den inlander niet heeft plaats
gehad , en de verhuur , als zijnde geene beschikking over een zakelijk
recht, moeielijk geacht kan worden stilzwijgend door den rechts-
toestand van het goed te worden beheerscht. De zaak wordt nog
vreemder, als men zich herinnert, dat de wetgever de verhuur
van onroerend goed , waarop slechts het inlandsche recht van erfelijk
bezit wordt uitgeoefend, voor zoover die aan niet-inlanders ge-
schiedt, door het Indische Burgerlijk Wetboek laat beheerschen * .
Verhuur van bouwgrond heeft plaats, hetzij door geld, hetzij
tegen uitkeering van een deel in den oogst. In het eerste geval
wordt de huurprijs in den regel vooruit betaald, doch somtijds ook
voor een deel vooruit en voor een ander deel wanneer de oogst
van- het veld wordt genomen. In het tweede geval heeft altijd de
voldoening van den huurprijs op laatstgenoemd tijdstip plaats.
Indien niet anders bij het contract bepaald is, blijven de lasten,
jegens den lande of de gemeente op den grond klevende, voor
rekening van den verhuurder. Verhuur van ander onroerend goed
dan bouwgrond , gelijk mede van roerende zaken , geschiedt steeds
tegen geld ''. Tot verhuur van zijne akkers wordt de inlander in
den regel gedreven door geldgebrek. Soms is ook gemis van ploegvee,
of overvloed van bouwgrond, daartoe de aanleiding, ook wel het
feit dat men de gemeente voor korteren of langeren tijd wenscht
te verlaten. In deze gevallen wordt veelal als huurprijs een deel
» = artt. 1586 en v\\ Ned. Burgl. Wb.
« Zie boven p. 87 en 108.
» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 54, 55, 70, 127, 168, 200; Sollewijn Gelpke,
t a. p. , p. 716. In sommige streken wordt de verhuur van bouwgronden voor
geld in het Javaansch en .Soendaasch speciaal nglandjak genoemd; maar dit
gebruik is niet vast.
VERMOGENSRECHT OF JAVA EN MADOERA. 111
van den oogst bedongeu , en ditzelfde kan men ook zeggen van de
goederen, welke door de gemeente, door de bezitters krachtens
hun ambt , dan wel door de geestelijkheid als waarnemende het bestuur
der goederen in de doode hand (Mal. Jav. Soend. wakap, v. h.
Arab. waqf) worden verhuurd als exploitatiemiddel '. Is geldgebrek
de aanleiding tot verhuur, dan wordt de huurprijs ook steeds in
geld voldaan, en worden door het huurcontract niet zelden allerlei
andere transacties bedekt. Zoo wordt soms eene geldleening omgezet
in een huurcontract met vooruitbetaalden huurprijs; in andere ge-
vallen verbergt de huurovereenkomst eene doorloopende rekening,
welke de grondbezitter met zijn leverancier heeft. Zij vervult dan
dezelfde economische functie als bij ons de crediethypotheek. In
alle die gevallen ziet men ook dikwijls huurovereenkomsten voor
zeer langen termijn sluiten, en door den huurder den huurprijs
vele jaren vooruit betalen, met bevoegdheid op den verhuurder
om, tegen terugbetaling van den ontvangen huurprijs, het con-
tract tusschentijds te ontbinden , hetzij wanneer hem dit goeddunkt,
hetzij bv. nadat het verhuurde veld eenmaal geoogst zal zijn. Dat
dit natuurlijk op het bedrag van den huurprijs nadeeligen invloed
uitoefent, behoeft geen betoogd.
Het huurcontract, als zijnde, in beginsel althans, slechts een
tijdelijke afstand , is aanmerkelijk minder beperkt door gemeentelijke
instellingen dan de verkoop. Dit laat zich ook daardoor verklaren
dat de verhuurder ten definitieve aansprakelijk blijft voor de
lasten, jegens den lande of jegens de gemeente op den grond
klevende, ook al neemt de huurder die voor zijne rekening. In
het bijzonder kan men overal verhuren aan personen niet in de
gemeente gevestigd, en behoeft de verhuurder niet aan de ver-
eischten te voldoen om als grondbezitter in de gemeente op te
treden. Daar het^ doel der overeenkomst is het erlaugen van het
genot van den grond, spreekt het van zelve, dat de beperking bij
verkoop tot personen in staat om den grond behoorlijk aan zijne
bestemming te doen beantwoorden, bij verhuur geen zin zoude
hebben. Dit alles verklaart, waarom som3 aan verhuur, met vooruit-
betaling van vele termijnen , de voorkeur wordt gegeven boven
verkoop van den grond , ofschoon de laatste voordeeliger voor den
^ Vergl. Mol^aminedaansche Geestelijkheid, p. 38; Eindresumé, dl. I, p. 81,
86, 92, 101, 102, 105, 111, 132, 133, 201.
« Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 55, 56, 80, 128, 201 ; Sollewijn Gelpke, t. a. p.,
p. 714, 715.
bez.Urrr '(LiArj^a crjiiLtr Lhü Told:«eia, of wci if^i iiA3 dto t^ziucT
T<j»<jtr bkaTe firtli-^n of 2^>nir:reij, welke liï ^^aureade <3ro i'>j»p
TAD bn Lflir>fy>3ii;r»i<rt fer^ireki, lieliest* de u^tiftzziiiS d>eni ran haur-
Teri^TA^iDS'. M*rt ir-t oog* op fe-^ï, wel is vaar ^om* in CAA:B,tijie>
lijke karkkt'er tsiü de rerhuur, W''>rdi iei e'Cïüirk'Ci Teel meer moiidtUiis
a^fi^e^^uïzi dan L*ft k'Xi|/<:oL5raxrt- WoHï het «e 'h rif ielijk aaiige^aan ,
z^>^i gei^u daarosotrebt mutatis matandis wat omirent ««ehrine'
l:jke ko^^jy>vereeiïkoiii«ten is gezeg^d '.
De verhaar fan boawg-roLden te^en een deel ran den oo?5t is
tweeledig. I>e huarder kan namelijk als haarprijs eene Taste hoe-
Teelheïd Tan het product afstaan , en dan is de oTereenkomst gelijk
aan de gewone haar, behoadens dat de haarprijs niet in gemant
geld, maar in natara wordt opgebracht. Bij het mee- of tegen*
vallen Tan den oogst heeft in dat geval de verhaurder geen belang.
Soms is bij zoodanige huar het beding alternatief: prodaeten of
geld , ter keuze Tan den huarder *. Het kan echter ook zijn —
en dit is de meest Toorkomeude vorm — dat de huurprijs in een
evenredig deel Tan den oogf<t bestaat. Zoodanige overeenkomst is,
naar het recht van den Islam , alleen geoorloofd ten aanzien van
aanplautingen van twee soorten van vruchtboomen , dadelpalmen en
wijnstokken ' , welke op Java en Madoera niet in aanmerking komen.
Ten aanzien van een akker is de overeenkomst slechts besta«iubaar,
als aanhangsel van die omtrent dadel- of druivenaanplantingen ,
d. w. z, ten aanzien van de ledige stukken grond tusschen de
boomen gelegen. Bovendien moet in dat geval het zaad door den
verhuurder worden verstrekt *. Het inlandsche contract nu wijkt
ten deze principieel van de Mohammedaansche wet af. Het wordt
namelijk als cene zelfstandige overeenkomst gesloten , het meest
ten aanzien van sawah's, maar ook ten aanzien van andere
bouwgronden, ja zelfs ten aanzien van vischvijvers. Wanneer
tuinen of boomgaarden aldus worden verhuurd, wordt noch aan
de beperking tot dadelpalmen of wijnstokken , noch aan het maken van
* Zie boven p. ^)1 en v. , en vergl. Eindresumé, dl. I, p. 54, 56, 81 , 128, 132, 168,
177, 2^Xi, 2</2; SoUewijn Gelpkc, t. a, p., p. 716.
' Vergl Eindresumé, dl. 1, p. 55, 79, 8<>.
* Natuurlijk onderstellen de juristen van den Islam, dat men geene wijngaarden
heeftom van de druiven wijn te maken, doch om dezen als rozijnen te confijten.
* Vcrgl. Minhadj a^Talibin, dl. II, p. 143 en vv.
yS&MOGSNSRSCHT OP JAVA SN MADOBRA. 113
een speciaal beding ten aanzien der open plekken tusschen de
boomen gedacht. Dikwijls levert de verhuarder het zaad; maar
even dikwqls doet znlks de hnnrder. Partijen zijn ten deze abso-
luut vrij, evenals trouwens in hunne andere bedingen betreffende
de exploitatie, bv. omtrent de vraag of de huurder de lasten, op
den grond klevende jegens den lande of de gemeente, voor zijne
rekening zal nemen, wie het ploegvee zal verstrekken, of de ver-
huurder een gedeelte van de bewerking zal verrichten, enz. De
hier genoemde factoren beheerschen ook de vraag, welk deel
van den oogst of, bij visch vijvers, van de opbrengst, de ver-
huurder voor zich bedingt. Andere factoren te dien aanzien zijn:
de vruchtbaarheid van den grond, de meerdere of mindere moeite
aan de bewerking verbonden, en de gemakkelijke afzet der pro-
ducten. Meestal is het aandeel, hetwelk de verhuurder bedingt,
^ of ^ dan wel f; maar ook andere fracties komen in bijzondere
gevallen voor, bv. \ of f, ja zelfs |- of f. Naar den noemer der
door den verhuurder bedongen fractie wordt het aldus verhuren
van grond genoemd, en wel in het Javaansch: maro, mërtëloe
enz. (ü) of malih, mërtiga, enz. (K), in het Soendaasch:
maro, martiloe, enz., en in het Maleisch: mëmpërdoewa,
mëmpêrtiga, enz. £ene modificatie van het contract is nog,
dat de huurder het geheele veld beploegt en beëgt, waarna het
in twee stukken wordt verdeeld, waarvan de huurder en de ver-
huurder elk één voor eigen kosten en risico bezaait of beplant
en oogst ^.
Eene eigenaardige soort van huurovereenkomst is die , welke tot
voorwerp heeft gronden met de daarop gelegen dorpen en de
heerlijke rechten op de in die dorpen wonende bevolking, of, gelijk
men gewoonlijk zegt , de /^dorpsverhuur/»' , omdat de perceelen worden
genoemd naar de daarop gelegen vestigingen.
Deze huurovereenkomst , welke natuurlijk slechts door inlandsche
vorsten , of apanage-houders , d. w. z. hoofden of grooten kan worden
gesloten, is met den Isl&m volslagen on vereenigbaar. De vorst kan,
volgens de Mohammedaansche wet, alleen de gronden verhuren,
welke tot het vrije staatsdomein behooren; over de gronden zijner
onderdanen , onverschillig of die in eigendom of in erfelijk gebruiks-
recht worden bezeten , heeft hij geene beschikking. De belastingen
en andere praestatiën aan den lande, waartoe de onderdanen ge-
ï Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 57, 81, 82, 128, 129, 203.
6« Volgr. III. 8
114 D^ AFWIJKINGEN YAN HST MOHAMMSDAAN8GHS
honden zijn, knnnen alleen worden afgestaan aan particnlieren ,
bij wijze van iqt&^ of concessie, welke concessie wel is waar in
den regel een remuneratief karakter draagt , maar desniettegenstaande
principieel van verhuur verschilt ^. De op Java en Madoera voor-
komende dorpsverhuur hangt uit den aard der zaak samen met
den privaatrechtelijken eigendom van den grond, welke aan de
vorsten toekomt ; terwijl daaruit tevens te construeeren is de bevoegd-
heid tot verhuur door de personen, aan wie de vorst als apanage
een deel van den grond tijdelijk heeft afgestaan ^. Ook de voor-
malige Oost-Indische Compagnie heeft zich, als getreden in de
rechten der inlandsche vorsten, steeds op dit standpunt gesteld,
en hare regenten als door haar geapanageerd beschouwd.
De dorpsverhuur kwam dan ook oudtijds in Midden- en Oost-Java
en op Madoera voor ; doch Daendels heeft hieraan in ons rechtstreeksch
gebied een einde gemaakt, en aan regenten en andere hoofden
het verhuren, op dien voet, van stukken van hun gebied uitdruk-
kelijk verboden '. In de Madoereesche vorstendommen heeft de
dorpsverhuur opgehouden bij de invoering aldaar van ons recht-
streeksch gezag, namelijk in Pamakassan in 1857, in Soemenep
in 1883 en in Bangkallan in 1885 *. Die verhuur bestaat dus
thans nog alleen in de Yorstenlanden van Midden-Java ; doch ook
aldaar zijn sedert 1830 Vreemde Oosterlingen als huurders ge-
weerd ^. Nu waren het juist Chineezen en Arabieren, die, zoowel
vroeger in de Yorstenlanden als op Madoera, en, vóór Daendels,
ook in ^s Compagnie^s gebied , van de dorpshuur werk maakten, en de
bevolking op allerlei wijzen wisten uit te zuigen. Wel is waar
ligt het in den aard van het huurcontract, dat de huurder geene
meerdere rechten kan uitoefenen dan aan den verhuurder toekomen ;
maar , wegens de onbestemdheid der op het gewoonterecht gegronde
verplichtingen van den bevolking, de onverschilligheid van velen
harer hoofden, en het algemeene gebrek aan controleerend per-
> Vergl. Mawardï: al-Mkam as-Soltanijah (ed. Enger), p. 332.
• Zie meer hierover in myn reeds aangehaald opstel: Het eigendomsrecht van
den staat, enz. p. 1 en vv.
• Zie den Staat der Nederl. O. I. Bezittingen, p. 10, 46; Mr. J. A. van der Chys :
Nederlandsch-Indisch Plakaatboek, dl. XIV, p. 750 en vv. ; De Jonge : De opkomst
van het Nederl. gezag op Java, dl. Vin, p. LX VU.
• Vergl. Ind. Stbl. 1858 No 54; 1883 No 242; 1885 No 144.
• Wetteiyk werd hun eerst de bevoegdheid tot inhuren van dorpen ontnomen
bij art. 1 van Ind. Stbl. 1857 No 116.
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 115
soneel, was den haarder feitelijk alles jegens de bevolking geoor-
loofd, zoolang niet oproer of eenig gerochtmakend geval van
knevelarij het Earopeesch gezag dwong tusschenbeide te komen.
Wat- den toeataad^ in de tegenwoordige Vorstenlanden betreft ,
200 valt op te merken, dat de dorpsverhuur aan inlanders nog
geheel door de nationale instellingen wordt beheerscht, maar dat
die aan Europeanen of daarmede gelijkgestelden door onzen wet-
gever reeds in 1857, en laatstelijk in 1884, aan een nauwkeurig
toezicht van het bestuur en aan tal van beperkende bepalingen is
gebonden, de uiteenzetting van welke bepalingen intusschen niet
tot ons onderwerp behoort ' .
De inlandsche dorpshuurder, of liever pachter^, heet bëkël,
soms met bijvoeging van het woord pamadjëggan (N) of pa-
maossan(K), d. w. z. ^die pacht opbrengt^/ , om hem te onder-
scheiden van den zoogenaamden bëkel maron(N) of b. malihan
(K), d. i. de administrateur van den apanagehouder, indien deze
zijn grond niet verpacht, maar voor eigen rekening en risico
laat exploiteeren , gelijk mede van den bëkël ngiras, d. i. de
opzichter van den apanagehouder, indien deze zelfs persoonlijk de
exploitatie van zijn grond in handen heeft gehouden '. Heeft de
bëkël een groot perceel gepacht, zoo noemt men hem dëmang,
Tonggo of ngabèhi, al naarmate van den omvang zijner onder-
neming ^. Van de pachtovereenkomst yroTii eene schriftelijke acte
opgemaakt, welke den naam van piagëm draagt, en waarin de
bijzondere voorwaarden van het contract, de verhouding tot den
verhuurder, d. w. z. tot den loer ah, letterlijk : »^het onmiddellijke
» Zie Ind. Stbl. 1857 No 116; 1872 N» 211; 1884 Nos 9, 10, 86, 189; 1886
No 48; 1891 No 255.
' Bij de dorpsverhuur gebruikt men in den regel in het Javaansch niet het
woord séw& (zie boven p. 107), en de daarvan afgeleide vormen, maar spreekt
men van padjSg (N) of paos (K), d. i. „pacht", en de daarvan afgeleide
vormen.
* De opdracht der administratie aan een ander, en a fortiori de persoonlyke
«xploitatie , komen slechts bij kleine apanages voor. De groote apanagehouders,
«venals de vorsten, exploiteeren hun grond door middel van dorpsverhuur. De
vorsten verhuren daarbij alleen groote perceelen.
* De gewone uitgestrektheid van een pachtperceel is hoogstens 3 djöeng;
sommige perceelen zyn echter veel grooter. De d j o e n g bevat 4 bahoe of karj&,
<1. w. z. de hoeveelheid land , welke door 4 gezinnen (t j a t j a h) kan worden
bebouwd, of op andere wyze geëxploiteerd. De oppervlakte der djoeng's ver-
^schilt dus naar de terrein-omstandigheden. De ngabèhi's zgn de grootste
pachters, dan volgen de ronggo's, daarna de dSmang's, en eindelijk de
gewone bSkgl's.
116 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE
hoofd '% van den bek el \ de opbrengsten, waartoe deze verplicht
is , en diens verhouding tot de bevolking van het perceel geregeld
zijn, voor zoover een en ander niet voortvloeit uit de Javaansche
wetten of algemeen bekende instellingen. Daar de bêkël over
zijn perceel tevens eene zekere politie-macht uitoefent, moet vau
elke nieuwe pachtovereenkomst worden kennis gegeven aan de
plaatselijke inlandsche bestuurshoofden ^. In het algemeen kan
nataurlijk de verpachter aan den bêkël geene meerdere rechten
afstaan , dan hij zelf heeft. De pacht betreft dus den grond , welke
tot het dorp behoort (Jav. boemi dés&(N) siti doesoen (K))^
met de heerlijke rechten op de bevolking, overeenkomstig de
bestaande gebruiken, maar niet de praestatiën, waartoe de bevol-
king verplicht is jegens den vorst als zoodanig , d. w. z. de zooge-
naamde nëgar&- (N) of nêgari (K) -diensten, en de belastingen.
Zelfs wanneer de vorst een stuk grond aan een bêkël verpacht»
zijn deze praestatiën niet in de overeenkomst begrepen ^. In de
pacht is mede niet begrepen de verplichting van de bevolking om
den vorst of den geapanageerde met zijn gevolg te onderhouden»
wanneer deze zich tijdelijk op het perceel bevindt * , noch de
bijzondere opbrengsten en diensten aan den verhuurder verschul-
digd bij gelegenheid van algemeene of private festiviteiten , alles
overeenkomstig de wetten en instellingen des lands ^, Gedurende
den loopenden pachttijd mag de bêkël niet van het perceel door
den verhuurder worden afgezet, en evenmin mag de bêkël dit
verlaten, tenzij natuurlijk in geval van wettelijke ontbinding
wegens wanpraestatie van één van beide kanten, dan wel indien
de bêkël, wegens niet-vervuUing zijner plichten als agent van
^ Woont de geapanageerde niet op het perceel, maar op de hoofdplaats, zoo
spreekt men van loerah tabon, of alleen van tabon.
' De bSkël heeft dus, behalve zijne privaatrechtelijke verplichtingen en rechten ^
nog publiekrechteiyke functies; doch de beschryving dezer laatsten valt buiten
het kader van dit opstel.
'De bëkSl is intusschen gehouden om te zorgen, dat ook de hier bedoelde
verplichtingen door de bevolking worden nagekomen.
* Het recht van den landheer om , vergezeld van zyn gevolg , zyne onderhoorigen
te bezoeken, en zich dan door hen te laten onderhouden, bestond oudtyds met
even betreurenswaardige gevolgen in Schotland en Ierland. Zie H. S. Maine:
Early history of institutions, 3d« druk, p. 141.
* De nadere uiteenzetting van een en ander zoude hier, waar slechts rechts-
beginselen geformuleerd worden, misplaatst zyn; alleen moet ik ook ten deze
opmerken , dat bedoelde opbrengsten , diensten en onthalen in de practyk grooten-
deels naar zuivere willekeur worden gevorderd. Zie boven, p. 114, 115.
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 117
het openbaar gezag, dit laatste noodzaakt tussohenbeide te komen.
Behalve in geval van de straks te vermelden wanbetaling van de
pacht, blijft, zelfs bij ontslag van den bëkël wegens wanpraes-
tatie , enz. , het plantsoen , waarvoor reeds pacht betaald is , d. i.
de zoogenaamde alib ^ , zijn eigendom. Bij overlijden van den
bëkël gaan zijne contractueele rechten en verplichtingen op zijne
kinderen over. De pachtcontracteu mogen in normale gevallen slechts
loopen van den tijd dat de velden onbebouwd zijn, of althans de
jonge rijstplantjes nog niet zijn overgeplant, totdat de oogst van
het veld is weggehaald. Anders moet de nieuwe pachter daarvoor
schadevergoeding aan zijn voorganger betalen. Ook deze te velde
staande oogst heet alib. Bij perceelen , welke gedeeltelijk uit
rijstvelden, gedeeltelijk uit andere bouwgronden bestaan, regelen
de termijnen zich naar den rijstbouw. De pacht kan zoowel in
geld als in producten worden bedongen; maar in het eerste geval
heeft toch de verhuurder steeds het recht betaling in producten
te vorderen. De betaling geschiedt in twee halfjaarlijksohe ter-
mijnen , namelijk bij het feest van de geboorte van Mohammad ,
den zoogenaamden Garëbëg Moeloed, en bij gelegenheid van
het feest van het ophouden der groote vasten, den zoogenaamden
Garëbëg PoewSsS(N) of G. Siam (K) 2, bij welke feesten de
bëkël tevens in persoon zijne opwachting bij den verhuurder moet
komen maken, en hem de pacht 'over het verloopen halfjaar moet
komen brengen •'. Bij wanbetaling op die termijnen, wordt de
schuld van den bëkël voor de eerste 8 dagen met 50 pCt. ver-
hoogd. Daarna nog niet betalende , klimt de boete naar een in Soera-
karta en Djokjakarta eenigszins verschillend , maar in elk geval zeer
onereus tarief , en wordt, na ommekomst van ongeveer drie maanden ,
de bëkël ontzet, zonder dat hij eenig recht, zelfs op den te
velde staauden oogst kan doen gelden. De normale pachttijd
is het Mohammedaansche jaar; doch het staat partijen vrij een
langeren termijn te bedingen , hetgeen doorgaans gepaard gaat met
vooruitbetaling van de pacht, zoo niet voor alle, dan toch voor
• Zelfs al staat dit plantsoen nog niet te velde. Soms wordt onderscheiden
tusschen alib en kSrab, in dien zin dat het eerste woord het plantsoen van
den eersten moesson na het ontslag, en het laatste dat van den moesson van
het ontslag aanduidt
• Gaat het apanage tusschen beide feesten op een ander over, zoo heeft deze
aanspraak op den geheelen volgenden termgn.
• In Djokjakarta is ook het verschijnen van den bSkSl, bij dengeen van wien
hy het perceel gepacht heeft, verplichtend op het feest Pandjindrallan, d. w. z,
de veijaardag der Koningin, en op den Garëbëg Bësar.
118 DE AFWUKINGJSN VAN U£T MOHAM3££DAANS0HE
vele jaren. De bëkël heeft dan zekerheid, dat niet na het eerste
jaar het perceel aan een ander zal worden verpacht, en dat hij
dus de voordeelen zal hebben van eventneele verbeteringen, door
hem aan den grond aangebracht, bv. irrigatiewerken, nieuwe
ontginningen, enz. Znlk een bëkël, die zich voor meerdere jaren
het genot van den grond verzekerd heeft, heet bëkël tëbassan.
Door de aldns gedane vooraitbetaling en vooraf toegezegde pacht-
verlenging is ook de opvolger in het apanage gebonden; alleen
in geval van oneervol ontslag van den verhunrder uit zijne waardig-
heid , is de opvolger niet verplicht de overeenkomst na het loopende
jaar voort te zetten , en behoudt de bëkël slechts eene persoonlijke
vordering tot schadevergoeding tegen dengeen, met wien hij ge-
kontrakteerd had. De bëkël is verplicht het perceel , overeenkom-
stig de plaatselijke instellingen of de van overheidswege gegeven
bevelen , als een goed huisvader te beheeren. Hij moet zich op het
perceel vestigen, en mag zonder toestemming van den verhuurder
geen tweede perceel pachten ; maar wel mag hij elders gronden in
onderpacht nemen. Geschillen, tnsschentijds over de uitvoering van
de overeenkomst tusschen den verhuurder en den bëkël ontstaan,
bv. over de grenzen van het perceel, dan wel over verhooging
of verlaging van de pacht, ten gevolge van misgewas of veran-
deringen in den toestand van het terrein , moeten , alvorens in
rechten te worden aanhangig gemaakt, worden onderworpen aan
het oordeel van de bëkëPs der vier. Oost, West, Zuid en Noord,
naastbij gelegen perceelen en van de vier daarop volgende perceelen * .
Elke bëkël betaalt aan den verhuurder, afgescheiden van de jaar-
lijksche pacht, bij het aangaan van een nieuw contract een zeker
geschenk in geld, bëkti, d. i. '/hulde>9^ , geheeten , hetwelk varieert
naar de waarde van het perceel , den pachttermijn , enz. Gaat het
perceel, gedurende den pachttijd, dooi overlijden van den bëkël,
op zijne erfgenamen over , zoo betalen dezen een extra-geschenk in
geld, panganjar, d. i. ^/vernieuwing»^, genoemd ^. De bëkël
* De zoogenaamde montjo pat (N) of m. sëkawan (K) en m. lim& (N)
of m. gangsal (K). Deze arbitrage van buren is reeds in het Hindoe-recht
bekend. Zie Manoe, VIII: 2v58, 262 en vv.
* Ook wel patoembas ing sëkar, d. w. z. „geld voor het koopen van
bloemen", geheeten. Sommigen maken onderscheid, of de overgang op een zoon
dan wel op eene dochter plaats heeft, en spreken alleen in het eerste geval van
panganjar of patoembas ing sëkar, maar in het tweede van nj&tr&
b 8 kti. Verdere erfgenamen hebben geene aanspraak op overgang van het contract,
doch alleen een recht van naasting tegen den prijs, door een vreemde voor het
perceel geboden.
YEBMOOENSRECHT OP JAVA EN MADOEBA. 119
kan zijn contract niet aan een ander cedeeren , zonder toestemming
van den verhuurder; maar tot de onderverhuur van gedeelten van het
perceel is hij, ook zonder diens toestemming of zelfs voorkennis,
bevoegd. De onderpachter heet bëkël boeri (N) of b. wing-
king (K) ».
§ 5. Pand.
Het pandcontract heet in het Javaansch en Soendaasch: gajé,
in laatstgenoemde taal ook: san da, en in het Maleisch: gadai of
san da. De uitdrukkingen voor /^^ verpanden^, /^verpander^ enz. zijn
van deze wortels afgeleid. De inlandsche begrippen omtrent de hier
te bespreken overeenkomst verschillen ten zeerste van de Mohamme-
daansche. In den Islftm heeft zij een accessoir karakter , d. w. z.
het pand strekt ter verzekering van de betaling eener schuld, en
deelt het rechtslot der hoofdverbintenis '. Naar inlandsche be-
grippen daarentegen is het eene zelfstandige overeenkomst , te ver-
gelijken met het contrat pignoratif van het oude Fransche
recht. De pandgever draagt het bezitrecht op het voorwerp over
op den pandnemer; terwijl laatstgenoemde hem de overeengekomen
geldsom geeft als contra-praestatie. De pandnemer wordt geen eige-
naar , doch erlangt op het verpande voorwerp slechts een recht van
gebruik of genot, onder verplichting bedoeld voorwerp aan
» Vergl. Angggr Agëng, art. 27; AnggSr Sadist, artt. 19—22, 28—35, 37,
38, 44, 52, 55; A. J. Spaan: Rapport omtrent de rechten die in de residentie
Soerakarta op den grond worden uitgeoefend, als Bijl. B. gepubliceerd in dl. UI
van het Eindresumé, p. 16, 22 en vv., 35 en vv. , 4<) en vv. ; Pranatan Patoeh
of Djokjasche wet van 1863, houdende bepalingen omtrent de rechten en verplich-
tingen der prijaji's, die gronden in apanage hebben, als Bijl. C* gepubliceerd
in hetzelfde deel van het Eindresumé, artt. 1, 4, 5, 6, 8 — 13; C. F. Winter:
Instellingen , gewoonten en gebruiken der Javanen te Soerakarta , in het Tydschrifl
voor Nederl. Indië, Jaarg. 1843, dl. II, p. 732 envv.; Mr. P. Brooshooft : Solosche
catechismus, opgenomen in het dagblad „De Locomotief", Jaarg. 1889, p. 4 — 7
van den afzonderiyken afdruk; R. M. C. van Alphen: Landbezit in de Vorsten-
landen, opgenomen in de Indische Gids, Jaarg. 1882, dl. II, p. 279 en vv. ;
Anonym: De landverhuur in Solo in korte trekken, opgenomen in het Tydschr.
V. h. Binnenl. Best., dl. I (1888), p. 383 en vv. Daar ik my in het bovenstaande
heb moeten beperken tot de behandeling der huurovereenkomst, d. w. z. het
contract tusschen den bëkSl en den verhuurder (vorst of geapanageerde) , zoo
wordt, voor de verhouding tusschen den bSkél en de op het perceel wonende
bevolking, gelijk mede voor de agrarische toestanden, door het pachtsysteem in
het leven geroepen, venvezen naar § 14 van dit opstel.
• Vergl. Fatb al-Qarib, p. 331.
120 DE AFWIJKINGEN VAN UKT MOHAICMEDAANSCHE
den pandgever te restitueeren , zoodra deze het inlost (Mal. Jav.
Soend. t eb o es) door hem het opgenomen geld terng te betalen,
tot welke betaling de pandgever, wanneer niet anders is bedongen ,
te allen tijde bevoegd blijft. De overeenkomst is dus, wat
den pandgever betreft , van alternatieven aard : hij kan het voor-
werp in handen van pandnemer laten , of hem het opgenomen geld
teruggeven *.
Het behoeft geen betoog, dat deze overeenkomst wel een antir
chretisch karakter draagt, in zooverre dat de pandgever slechts
de opgenomen som behoeft terug te geven , terwijl het gebruik of
genot der zaak den pandnemer tot vergoeding voor het gemis van
zijn kapitaal strekt; maar daarom is de overeenkomst nog geens-
zins met de Europeesche antiohresis identiek. Bij laatstgenoemde
overeenkomst immers heeft de schuldeischer eene vordering tot be-
taling; bij het inlandsche pandkontrakt niet. De antiohresis
is eene accessoire overeenkomst; het inlandsche pandcontract heeft
een zelfstandig rechtsbestaan. Bij de antiohresis is rente be-
dongen , waarvoor het gebruik of genot der zaak geheel of gedeel-
telijk in de plaats treedt; bij het inlandsche pandcontract vervult
het gebruik of genot ab initio de functie van rente ^. Dit, met
rentebeding onvereenigbare , antichretische pandrecht voor onbe-
paalden tijd vinden wij in de op Java gegolden hebbende Hindoe-
rechtsbronnen terug, en de gevolgtrekking ligt dus voor de hand,
dat wij ook hier weder met eene instelling van dat recht te doen
hebben *.
Naast het pandrecht voor onbepaalden tijd , staat op Java en
Madoera dat, waarbij een termijn (Mal. Jav. Soend. djandji)
* Vergl. Verwey , t. a. p. , p. 247 en vv. en de door dien schry ver aangehaalde
plaats van Pothier (Oeuvres Complètes, dl. II, p. 12(>5). Volgens Dalloz, t. a. p.,
voce Nantissement , No» 229 en 293 en vv. en de aldaar aangehaalde schrijvers,
werd het contrat pignoratif wel veelal in den vorm van een gefingeerden
verkoop met recht van wederinkoop gesloten, maar was het daarvan toch in
aard onderscheiden, al ware tevens verhuur aan den verkooper bedongen. Het
criterium lag in de vilité du prix, welke een element van het contrat
pignoratif vormde. Was dit element niet aanwezig, zoo bestond er een wettige
verkoop met recht van wederinkoop. Ook in dit opzicht is de overeenstemming
met de Javaansche toestanden hoogst merkwaardig. Zie boven, p. 106, 107.
' Vergl. Verv^'ey, t. a. p., p. 250; Code Civ., artt. 2085, 2089, en zie boven
p. 107 noot 1.
» Zie Manoe, Vul: 143, 145; Koet Man., artt. 91, 114, in welke laatstge-
noemde artikelen de buitengewone voordeden, welke de zaak afwerpt, voor den
pandgever worden gereserveerd,
YERMOOENSKKGHT OP JAVA £N MADOEBA. 121
van aflossing der schuld door den crediteur is bedongen. Dit
laatste pandrecht kan zoowel antichretisch zijn , als niet-antichretisch.
Waar vee of andeie roerende zaken in pand zijn gegeven , welke
uit haren aard slechts een beperkten tijd bestaan , vinden wij zelfs
in de oude en nieuwe Javaansohe wetten bepaalde termijnen
voor de inlossing vastgesteld, na verloop waarvan de crediteur
gerechtigd is het pand, bij wanbetaling, te naasten (Mal. Jav.
Soend. ram pas), en niet, gelijk de Isl&m voorschrijft , zich behoeft
te bepalen tot het vorderen bij den rechter, dat het pand zal
worden verkocht, om aan de opbrengst zijne pretensie te verhalen.
Een dergelijk vervallen van het pand aan den crediteur, bij wan-
betaling , heeft evenzeer plaats bij een bedongen , als bij een door de
wet of de gewoonte vastgestelden termijn, gelijk mede wanneer
eene bepaalde rente in geld is bedongen, en die tot gelijke
hoogte als het kapitaal is opgeloopen. Bij goederen, niet aan
ondergang of waardevermindering onderhevig , en vooral bij vastig-
heden, is echter het beding van een termijn van inlossing zeld-
zaam ' . Bij de bevoegdheid tot naasting moet intusscheu rekening
worden gehouden met de vraag of, wanneer het onroerend goed
betreft, de pandnemer de zakelijke rechten van den pandgever
vermag uit te oefenen. De beperkingen , ten gevolge van gemeen-
telijke instellingen , ten aanzien van het verkrijgen van grond
bestaande, de onbevoegdheid van niet-inlanders om het erfelijk
individueel gebruiksrecht op den grond uit te oefenen , en hunne
nog niet door eene constante jurisprudentie uitgemaakte, maar
m. i. toch bestaande onbevoegdheid tot uitoefening van het in-
landsche erfpachtsrecht op de particuliere landerijen bewesten de
rivier Tji Manoek zullen hierbij als factoren gelden ^.
Voor verpanding zijn vatbaar roerende zoowel als onroerende
goederen, waarvan men eigenaar is, of, bij onroerende goederen,
het individueel erfelijk gebruiksrecht, dan wel het inlandsche
erfpachtsrecht op de landerijen bewesten de rivier Tji Manoek heeft.
Ook gebouwen of beplantingen afgescheiden van den grond zijn voor
verpanding vatbaar, doch natuurlijk wederom niet vastigheden,
waarop men zakelijke rechten volgens het Indische Burgerlijk
Wetboek uitoefent, aangezien laatstgenoemde vastigheden slechts
• Vergl. Koet Man., artt. 98, 99, 101, 120, 121; AnggSr Sad&sft,artt. 23,25;
Wilken, t. a. p. , p. 601, 6()2; Eindresumé, dl. I, p. 51 en v. , 20(); Minhddj at*
Talibïn, dl. I, p. 439, 442.
* Zie boven, p. 99 en vv.
122 DE AFWUKINOEN VAN IIKT MOHAMMEDAANSGHE
bij wege van hypotheek kunnen worden verbonden *. Aandeelen
in communale velden kunnen niet worden verpand, en evenmin
ambtsvelden in de Oouvemements-residentiën. Wel daarentegen
kunnen in de Vorstenlanden de apanagehouders hun grond ver-
panden, ofschoon ook zij daarop slechts een tijdelijk en contrac-
tueel gebruiksrecht uitoefenen '.
Het pandrecht, hetzij voor onbepaalden, hetzij voor bepaalden
tijd, hetzij antichretisch , hetzij niet antichretisch , is uit zijnen
aard ondeelbaar. Nimmer kan de pandgever den pandnemer dwingen
de zaak terug te geven vóór de algeheele voldoening der schuld.
Zonder beding van het tegendeel zijn de verbeteringen , door den
pandnemer aan de zaak aangebracht, ten voordeele van den pand-
gever, wanneer hij het pand inlost. Elk pandrecht gaat verder
over op of tegen de erfgenamen of rechtverkrijgenden , respektievelijk
van pandgever of pandnemer. De laatste is echter niet bevoegd
de zaak in achterpand te geven, of zijne pretensie aan een ander
te cedeeren, tenzij met toestemming van den debiteur '. Niet
zelden worden hieromtrent bij het aangaan der overeenkomst de
noodige bedingen gemaakt. Verhuur aan den pandgever heeft plaats
geheel onder dezelfde voorwaarden als ingeval van verkoop met
recht van wederinkoop; terwijl ook de daarbij aangegeven be-
perkingen van het recht tot inlossing op een ongelegen tijd, spe-
ciaal wat bouwgronden betreft, bij het pandrecht gelden *.
Ondergang of verlies van het pand maakt de schuld dadelijk
opvorderbaar , tenzij aan den pandhouder te wijten ^, Eindelijk
> Zie boven p. 86, en vergl. artt. llfx) en 1162 Ind. Burgert. Wb. = artt. 11%
en 1208 Ned. B. W.
« Zie boven, p. 101, en vergl. Eindresumé, dl. I, p. 18, 116, 143, 185, 189,
2(X), 214, 216, 221. By erven in erfelyk individueel bezit schijnt het verpanden
ongebruikeiyk , en de verkoop met recht van wederinkoop daarvoor altijd in de
plaats te treden. Ibid. p. 166. Voor het verpanden van apanagegronden in de
V^orstenlanden , vergl. AnggSr Sad&sft, artt. 20, 21. De contractueele gebruiks-
rechten der bevolking op den grond in de Vorstenlanden en elders zgn wederom
niet voor verpanding vatbaar.
■ By verkoop met recht van wederinkoop heeft de kooper de bevoegdheid tot
vervreemden van rechtswege. Zie boven p. 1C)6. Het geven in achterpand of het
cedeeren der pretensie heet in het Javaansch : 8 1 i h , en in het Soendaasch en
Maleisch: p ind ah, met bijvoeging respectievelijk van ga^é, san4a of ga da i.
* Zie boven, p. 105, 106.
* Bij verkoop met recht van wederinkoop , zoude ondergang of verlies , met of
zonder schuld van den kooper, uitsluitend dezen laatsten treffen, als zgnde hg
eigenaar geworden.
VEKMOQENSBEGHT OP JAVA EN MADOERA. 123
komt het, wat den vorm betreft, bij alle soorten van pandovereen-
komsten voor« dat de pandnemer aan den pandgever althans een
onderhandsch bewijs geeft, dat hij het goed in pand heeft ont-
vangen. Geldt het vaste goederen , dan wel roerende goederen van
groote waarde, zoo is naar de omstandigheden, verklaring van
getuigen, ja zelfs tusschenkomst van het dorpsbestuur , of het
opmaken van een notarieel contract in zwang, ofschoon, vooral
buiten de hoofdplaatsen en groote centra van bevolking , partijen
zich ook alsdan niet zelden met de algemeene bekendheid tevreden
stellen, zoo zij zich al niet geheel op elkanders goede trouw
verlaten '.
Als eigenaardigheden van het antichretische pandrecht moet
nog het volgende vermeld worden. Een enkele maal strekken , vol-
gens overeenkomst, wel eens de vruchten, welke de zaak afwerpt,
voor een gedeelte tot aflossing der schuld ; zoodat de pandgever
na zekeren tijd zijn goed , zonder eenige betaling zijnerzijds terug-
bekomt *. A.an den anderen kant wordt dikwijls, de antichretische
pandovereenkomst, na eenigen tijd te hebben geloopen, door par-
tijen geconverteerd in een verkoop met recht van wederinkoop,
indien de primitief opgenomen som, welke veelal ver beneden
de waarde der zaak was, door nieuwe geldopnemingen tot een
bedrag is verhoogd, dat ten naastenbij aan de waarde der zaak
gelijk is geworden. Dit laatste, en het geval dat de schuld met
de achterstallige renten tot zoodanig bedrag is opgeloopen, zijn
ook dikwijls oorzaak der conversie van een niet-antichretisch
pandrecht in een verkoop met recht van wederinkoop ^.
De hier beschreven inlandsche begrippen omtrent het pandrecht
hebben natuurlijk geene betrekking op de hypotheek, door een
inlander genomen op een vast goed, beheerscht door het Indische
Burgerlijk Wetboek, noch op bodemerij , door hem gesloten met
inachtname van artt. 569 en vv. Ind. Wb. van Koophandel , noch
eindelijk op het oogstverband , geregeld bij Ind. Stbl 1886 n® 57.
» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 51-54, 127; AnggSr Sad&si, art. 26. Het
eerste lid van dit artikel is niet duidelijk. Men zoude er uit kunnen opmaken,
dat de pandhouder, van zijn kant, den pandgever, in geval van toevallig verlies
moest schadeloos stellen ; doch , zoo dit de juiste opvatting is , geldt het voor-
schrift stellig niet buiten de Vorstenlanden.
* De overeenkomst draagt alsdan het karakter van den v i f-g a g e van het oude
Fransche recht, in tegenoverstelling van haar gewoon karakter van mort-gage.
Vergl. Dalloz, voce Nantissement , N» 22.
• Zie boven, p. 106, 107, en vergl. Eindresumé, dl. I, p 53, 127.
124 de afwijkingen van het mohammedaan8che
§ 6. Yerbruikleen.
Het schaldrecht , naar de inlandsche begrippen , is geheel
afwijkend van de beginselen van den Islftm. Qeen recht kan men
zeggen , dat voor den debiteur gunstiger is dan het Mohammedaan-
sche. Naar een uitdrukkelijk voorschrift van den Koran ' moeteen
debiteur, die werkelijk niet betalen kan, zonder dat hij zelf zijn
onvermogen met opzet heeft veroorzaakt om zijne crediteuren te
bedriegen , en zonder dat hij de bchuld ontkent , met rust worden
gelaten. Bovendien bestaat voor iemand de verplichting tot betaling
zijner schulden, alleen onder de voorwaarde dat hij daartoe in
staat is, zonder in zijne verplichtingen jegens All&h, jegens zich
zei ven en jegens de personen, die hij onderhouden moet, te kort
te schieten * . Het renteverbod van den Koran is absoluut , en be-
treft niet slechts geldleeningen , maar ook het leenen van levens-
middelen ^. Nu zijn, wel is waar, gelijk wij straks zien zullen , de
voorschriften der juristen , omtrent het renteverbod , juist door
hunne specialiteit, in onze dagen gemakkelijk te ontduiken; maar
dit neemt niet weg, dat het beginsel, waarvan die voorschriften
uitgaan, van eene merkwaardige mildheid tegenover de verbonden
partij getuigt.
Daarentegen is het Javaansche schuldrecht van ouds zeer streng.
Ik heb hier niet zoo zeer het oog op het , reeds in het wetboek 8oerj&
Ngalam afgeschafte , recht van den crediteur om zich eigenmachtig
eenig goed van den debiteur toe te eigenen (Mal. Jav. Soend.
rampas"*), welk recht ook in de latere Javaansche wetten aan
den crediteur wordt ontzegd, doch in het Hindoe-tijdvak op Java
bestond-^. Deze bevoegdheid immers kent ook de Isld,m, ondanks
zijn bijzonder zacht schuldrecht ^.
1 Koran, II: 280.
« Zie Minhadj at-TAlibin, dl. Il, p. 1,6 en w. , dl. III, p. 425. Bij de beoor-
deeling van de eerlijkheid van een vroom Muzelman, mag men dit, van het onze
verschillende, standpunt nooit uit het oog verliezen. Zijne begrippen omtrent de
zedelijke verplichting, om zijne handteekening te honoreeren, zijn anders dan
de onzen.
» Vergl. Koran, II: 276—278, III: 125, IV: 159, en den Commentaar van Bai-
dhawi op deze plaatsen.
* In het Javaansch ook tjan^ak tjSkSl ofdjarah rajah genoemd.
* Vergl. Koet Man. , art. 84 ; SoerjA Ngalam , t. a. p. , p. 43 ; PapakSm van Che-
ribon, in het Tydschrift: Het Recht in N. I. , dl. III (185(1) , p. 220; Naw&li PraditA,
art. 14; Angger Agëng, art 6; Wilken, t. a. p. , p. 559 en vv.
* Vergl. Minhadj at-Xalibïn, dl. III, p. 425 en vv.
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 125
Wat het nationale Javaanscbe schuldrecht van het Moharamedaan-
sche vooral onderscheidt, is dat, bij wanbetaling, wanneer de
pretensie niet op de goederen van den debiteur kan worden ver-
haald, deze daarvoor pandeling (Jav. raoedjangan, Soend. boe-
djang. Mal. orang bëroctang) wordt; voorts het rentebeding
als eeue , in beginsel uiet slechts geoorloofde , maar zelf in de
nataur der overeenkomst liggende zaak, en eindelijk de bevoegd-
heid om den debiteur tot de uiterste armoede te brengen.
Het pandelingschap is stellig van Polynesischen oorsprong. Het
Hiu^oe-^recht kent, ook blijkens de op Java gegolden hebbende wetten,
de schuldslavernij , maar niet het recht van pand op een insolventen
debiteur, en nog veel minder het recht van pandbeslag op zoodanigen
debiteur en op de leden van zijn gezin ' . Dit pandbeslag op een vrij
persoon en op zijn gezin « is wel te onderscheiden van het contrac-
tueele pandelingschap , d w. z. de overeenkomst , waarbij men zich
zelf in a^tichretisch pand geeft bij het opnemen van geld , evenals
een a;pder eene hem toebehoorende zaak aldus verbindt. Dit laatste
wordt , of liever werd , ook op Java door de gewone regelen van het
aatichretische pandcontract beheeischt. Beide soorten van pande-
lingschap waren sedert vele eeuwen op Java en Madoera in zwang,
en wordcQ nog in de Javaansche wetten der Yorstenlauden erkend ^.
Intusachen was , ook bij het pandbeslag op mensehen , van ouds de
eigenrichting uitgesloten '. De treurige gevolgen van het pande-
» Vergl. Manoe, VIII: 177, 415, 416; Koet. Min., artt. 270, 217. Daarentegen
schijnen artl. 80 en 161 Ibid. niet op schuldslavernij, maar op pandelingschap
te doelen. Is deze opvatting juist, dan hebben wy in dit artikel wederom te doen
met eene specifiek Javaansche afwijking \'an het dogmatische Hindoe-recht. Over
het praktische en juridische verschil tussohen pandelingschap en schuldslavemg ,
zie Verwey , t a. p. , p> 237, 238, 240. Daar bet pandelingschap op Java en Madoera
thans tot het verleden behoort, meen ik, ten aanzien van dit onderwerp, met
eene eenvoudige verwijzing naar dit voortreffelijke opstel te mogen volstaan.
' Vergl. Verwey, t. a. p. , p. 534 en vv. ; Wilken, t. a. p. , p. 565 en 574; Soerjft
Ngalam, p. 22; Naw. Prad., artt. 9 en 10; Angg. Ag., art. 2 ; Angg. Sad. , artt. 3,
12, 50. Volgens den IslAm is een vry persoon buiten den handel, en dus noch
voor eigendom, noch voor eenig ander zakelgk recht vatbaar. Tusschen echtge-
nooten bestaat absolute scheiding van vermogen, en kinderen z^n nooit verplicht
de schulden hunner ouders te voldoen, voor zooverre deze de baten van den,
door laatstgenoemden nagelaten, boedel te boven gaan. De rechter kan in zekere
gevallen den debiteur dwingen voor z\jn crediteur te werken; doch dit laat den
persoonleken staat van den debiteur onaangetast Zie MinhAdj at-Talibin, dl. n,
p. 8, 223, dl. III, p. <X) en vv., 229.
• Vergl. Koet Mèn. , artt. 85 en 108; Angg. Ag., art. 6. In het opstel van wijlen
Wilken (t a. p. , p. 565) wordt daarentegen geen onderscheid gemaakt tusschen het
verbod van de eigenrichting als executie-middel , en het verbod van het pandbeslag zelf.
126 DE AFWIJKINGEN VAN HET liOHAMMEDAANSCHE
lingsohap , uit een economisch oogpunt , mogen als bekend worden
ondersteld ' , en de Oost-Indische Compagnie had dan ook reeds,
bij plakkaat van 24 Augustus 1696, het contractueele pan deling-
schap in haar gebied verboden, omdat allerlei ^ongemacken/i^
daaruit voortvloeiden , welk verbod , bij plakkaat van 8 November
1715 werd herhaald, en ook tot het pandbeslag bij wanbetaling
werd uitgebreid*. In de Vorstenlanden bleef intusschen het pande-
lingschap met beide functiën nog bestaan tot 1822 '.
Het rentebeding , zelfs tot een bedrag , dat in Europa voor buiten-
sporig zou worden gehouden, is eveneens op Java en Madoera
gewoon ^j en wortelt blijkbaar wederom in het Hindoe-recht **.
Trouwens het Mohammedaansche recht verbiedt wel goud , zilver
of levensmiddelen te geven , met het doel om grootere hoeveel-
heden daarvan terug te bekomen, bv. 100 guldens om over eene
maand met 110 guldens terug te betalen; maar het verbod heeft
geene betrekking op terugbetalingen in een ander metaal of in
eene andere soort van levensmiddelen, noch ik fortiori op het
geval dat de rente of het kapitaal in den vorm van bankbiljetten
wordt betaald*. De economische toestanden, in de Middeleeuwen
in Zuid-Westelijk Azië bestaande, welke toestanden de klassieke
Arabische juristen voor oogen hadden, wier werken thans nog als
wet gelden, wijken zoozeer af van die in onzen tijd, dat niet-
tegenstaande het door hen tot in de verste consequentiën en in
allerlei bijzonderheden uitgewerkte renteverbod , de geloovigen
tegenwoordig nergens meer, zelfs in hunne meest exorbitante woeker-
transactiën , beperkt zijn. Alleen de moreele band van den godsdienst
blijft, en Arabieren, hadji's, en andere als kerksch bekend staande
personen , geven dan ook de voorkeur aan het maskeeren van hun
woeker door andere contracten.
1 Vergl. Veth: Java, dl. I, p. vS20, 526.
« Vergl. Plakaatboek, dl. lil, p. 410, en dl. IV, p. 73.
• Ind. Stbl. 1822 N» 10.
• Vergl. o. a. bovenaangehaald plakkaat van 8 November 1715, en, voor de
tegenwoordige toestanden, C. Poensen: Naar en op de pasar, in de Meded. v. h.
Nederl. Zend. Gen., dl. XXVI (1882), p. 21 ; Fokkens, t a. p., p. 34 en w. en 44;
Wilken, t. a. p., p. 604. Zie ook Angg. Sad., artt. 23, 25, en het vonnis van den
Landraad te Probolinggo van 16 Januari 1894 (Ind. Weekbl. v. h. R., No 1624).
•Vergl. Manoe, VHI: 140 en w.; Koet Man., artt. 72— 75, 80, 82, 104, 262—266.
• Vergl. Minhadj at-Talibin, dl. I, p. 355 en vv. en 425 en vv. ; Fat^ al-Qarib ,
p. 315.
YERMOGENS&ECHT OP JAVA EN MADOERA. 127
De inheemsche bevolking op Java en Madoera is , om economische
oorzaken welke niet tot ons onderwerp behooren, en bovendien
reeds voldoende door anderen zijn uiteengezet ^ , veelal in de
voortdurende noodzakelijkheid van geld of andere vervangbare zaken,
bv. zaadpadi, te leenen bij Europeanen, Vreemde Oosterlingen,
of enkele meer vermogende landgenooten. Zelfs zij , die zich onder
gewone omstandigheden buiten schuld weten te houden, vervallen
op betrekkelijk weinige uitzonderingen na, daarin bij den minsten
tegenspoed, als misgewas, enz. Bezit de Javaan nu geene roerende
goederen van voldoende waarde, om daarmede zich in de officieel
erkende pandhuizen geld te verschaffen, dan wel ziet hij tegen de
daaraan verbonden forpialiteiten op , zoo valt hij in handen van parti-
culieren, die in den regel de transactie omgieten in eene der reeds
in den loop van dit opstel vermelde overeenkomsten van verkoop
met recht van wederinkoop, verhuur met vooruitbetaling van den
huurprijs of het loon, en de straks te bespreken overeenkomsten
van voorschot op den oogst of van maatschap ^. De oorzaak hiervan
' Vergl. o. a. SoUewgn Gelpke: Naar aanleiding van Staatsblad 1878 N» 110,
passim; Arminius: Het budget van een Javaanschen landbouwer, in de Ind.
Gids, Jaarg. 1889, p. 1685 en vv. , 1885 en vv. en 2149 en vv. ; Poensen, 1. 1. p.,
p. 21, 24; Dezelfde: Iets over de , Javaansche desa, in de Meded. v. h. Ned.
Zend. Gen., dl. XXXV^H (1893), p. 344 en vv.; Fokkens, t. a. p., p. 33.
• Als eene merkwaardige combinatie van inlandsche en Europeesche overeen-
komsten, welke te zamen niets dan eene crediet verleening beoogen, kan men
beschouwen het volgende contract, sedert lang door vele suikerfabriekanten met
inlanders ten behoeve van het riettransport gesloten. Het gebruikeiyke voorschot
op het transportloon wordt in de acte vermeld als pr^s voor de kar en het span
trekdieren, waarmede het transport moet geschieden, en welke de eigenaar ver-
klaart te hebben verkocht aan den fabrikant, met recht van wederinkoop na
afloop der suikercampagne, doch onder voorwaarde dat deze zaken hem door
den kooper tot dien termgn in bruikleen zullen worden afgestaan. Het loon voor
de verrichte Transportdiensten wordt slechts voor één dag van de 5 of van de 7
dagen uitgekeerd; dat voor de overige dagen wordt ingehouden, en strekt tot
payementen van de betaling van den wederinkooppr^s , zoodanig dat, na afloop
der campagne , de Inlander kar en beesten zal hebben terugbetaald. Op wanpraes-
tatie is eene geldelgke poenaliteit gesteld, welke van het verdiende loon wordt
afgehouden. Is de wederinkooppr^s , met de poenaliteit , bij het einde der campagne
niet aldus kunnen verrekend worden, zoo heeft de fabrikant het recht kar en
beesten te naasten, dan wel het gebruik daarvan aan den inlander te laten,
tegen overschryving van de schuld op de rekening van de volgende campagne.
Soms is zelfs bedongen, dat de fabrikant het naastingsrecht van kar en beesten
heeft, in bepaalde gevallen van g^ove wanpraestatie gedurende de campagne;
doch daartegenover staat in vele contracten, dat de fabrikant belooft, bij
het einde der campagne, boven het transportloon, eene in verhouding hooge
128 DE AFWIJKINGEN YAN HET MOHAMMEDAANSOHE
is, dat de geldschieter zich aldus eene reeële zekerheid verschaft,
zonder tot pand of hypotheek zijne toevlucht te nemen, en ge-
makkelijker zijn debiteur in den waan kan brengen, dat de voor-
waarden voor hem weinig onereus zijn, althans minder dan inder-
daad het geval is. Welke van de hier bedoelde schijnovereenkomsten
wordt aangegaan, hangt af van de persoonlijke omstandigheden,
waarin partijen verkeeren, van gemoedsbezwaren aan den Moj^am-
medaanschen godsdienst ontleend, enz. Dat alle pogingen om in
dezen toestand verbetering te brengen, zijn mislukt, is wel een
bewijs, dat men hier met een treurig, maar niettemin natuurlijk
verschijnsel te doen heeft ' .
Wanneer eene niet-vermomde overeenkomst van verbruikleen
wordt gesloten, geschiedt dit in den regel vergezeld van pandrecht,
en , indien er meerdere debiteuren zijn , van solidaire aansprakelijk-
heid (Mal. tanggoeng mënanggoeng, Jav. Soend. tang-
goeng rèntèng). De hierboven bedoelde kerksche Muzelmannen
trachten intusschen ook dan het rentebediug te vermijden, door
bv. in naam eene hoogere som te leenen dan feitelijk wordt ont-
vangen, of door eene poenaliteit te stellen op de niet-betaling
op den overeengekomen termijn, welke betaling, of welke termijn,
dan zoo wordt voorschreven, dat de debiteur daaraan, ook in
verband met de zorgeloosheid aan inlanders eigen, naar alle waar-
schijnlijkheid niet zal voldoen. Schuldbekentenissen voor groote
sommen worden tegenwoordig hoe langer hoe meer notarieel op-
gemaakt. Voor kleinere bedragen is het afgeven van een onder-
handsch schuldbewijs regel, zelfs op het platte land. Kunnen
partijen niet schrijven, zoo helpt hen een goed vriend of de dorps-
schrijver; terwijl men ook dikwijls getuigen bij de handeling
neemt , die het stuk met den debiteur onderteekenen , desnoods
met een kruisje. Van eene oflScieele bemoeienis van het dorps- of
districtsbestuur, gelijk wij die bij de verkoopbewijzen hebben ont-
moet, is echter bij het opmaken van de hierbedoelde schuldbe-
kentenissen geen sprake *. In de Vorstenlanden is den crediteur
zelfs de actie wegens verbruikleen ontzegd, wanneer hij geene
premie te betalen, wanneer de kaïrevoerder zonder interruptie aan alle zgne ver-
plichtingen zal hebben voldaan. Ik dank deze mededeeling aan den heer H. E.
Steinmetz, laatstelijk assistent-resident van Bondowoso.
* Een aardig voorbeeld van recenten aard tot illustratie van het hier mede-
gedeelde, is te lezen bij Fokkens, t. a. p. , p. 37, met opzicht tot het Indische
Staatsblad van 1891 N» 10.
* Zie boven, p. 97, 98.
VEHMOGENSUECHl' OP JAVA SN MADOERA. 120
duidelijk geschreven en gave schuldbekeDtenis kan overleggen.
Tusschenvoeging of doorhaling zijnerzijds in het document is als
valschheid strafbaar. Teruggave van de schuldbekentenis is het
eenige wettige bewijsmiddel van de betaling ; zoolang die teruggave
niet heeft plaats gehad, kan de debiteur desnoods op nieuw tot
bet'iling der schuld in rechten worden aangesproken ^.
Over de bijzondere voorschriften en instellingen omtrent de
wijze, waarop de concursus creditorum plaats heeft, is reeds
elders gehandeld 2. Daarentegen worden wederom de voorschriften
van het Mohammedaansche recht ten aanzien van de vraag, of
schulden preferent dan wel concurrent zijn , bij de liquidatie op-
gevolgd , voor zooverre die opvolging niet wegens verschil van toe-
standen onmogelijk is , bv. de preferentie van den bloedprijs en van
de djakat (Arab. zakHli) ^. Bij de executie op onroerend goed zal
steeds rekening moeten worden gehouden met den aard van het
recht, door den inlander op den grond uitgeoefend, en met de
beperkingen ten aanzien van het verkrijgen daarvan door wettelijke
bepalingen of door gemeentelijke regelingen. Zoo zal beslag op
aandeeleu in de communale velden onmogelijk zijn, en zullen
personen, die de bevoegdheid missen om in het dorp als grond-
bezitter op te treden, ook zijn uitgesloten van het koopen van
grond bij gelegenheid van een executorialen verkoop*.
Een zeer gewoon middel om buiten tusschenkomst des rechters
betaling van eene pretensie te erlangen, is het, aan het Hindoe-
recht ontleende , voortdurend manen van , of liever de wacht houden
bij den debiteur. De overlast van de tegenwoordigheid des credi-
teurs, door den debiteur ondervonden, en, vooral indien het een
Arabier of als vroom bekend persoon geldt , de bijgeloovige vrees ,
dat den crediteur aldus iets zal overkomen, tengevolge van het
niet voldoen der wettige pretensie, doen doorgaans betaling volgen ^.
§ 7. Akde&e overeenkomsten.
Ruil heet in het Javaansch: liroe (N) of lintoe (K)^ in het
< Vergl. Naw. Prad. , art. 19 ; Angg. Sad. , art. 58. Blykbaar wortelen deze voor-
schriften in het Hindoe-recht. Vergl. Koet- Man., artt. 81, 83, 84, 106,109,110.
' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 50().
» Vergl. Minhèdj at-Talibïn, dl. II, p. 223, en het Maleische werkje van Sajjid
'Othman bin 'Abd Allah bin Jal^jA, getiteld: Kitab 'ilmoe paraïl, p. 4.
* Vergl. boven, p. 99 en vv.
s Vergl. Maine , t. a. p. , p. 40 en 297— 3( v4 ; Manoe , VIII : 49 ; Wilken , t. a. p. , p. 567
6e Vogr. III. 9
130 0« AFWIJKINGEN VAN HRT MOHAMMEDAAN9CHE
Soendaasch : toekeur, en in het Maleisch : t o e k a r. Deze overeen-
komst heeft op Java en Madoera eene veel grootere economische
beteekenis dan bv. in Nederland. In de binnenlanden vindt men
zelfs pasar^s, waar bijna alle zaken bij wege van railhandel ge-
dreven worden \ en in de afgelegen dorpen is dit h fortiori
het geval. Qebrek aan circuleerend medium is hiervan natuurlijk
de oorzaak. Zoowel roerende als onroerende zaken, ja zelfs rechten *,
worden onderling en wederkeerig tegen elkander geruild , wat de
onroerende zaken betreft, ook in geval men daarop slechts eene
contractueele aanspraak heeft. Zoo komt tusschen aandeelhouders in
de communale velden dikwijls ruil hunner aandeelen voor '. Eene
bijzondere soort van ruil is het wisselen van geld , en wel wederom
in een zeer eigenaardigen vorm. Het bedrijf van den wisselaar
(Mal. Jav. Soend. toekang réjal) bestaat namelijk daarin, dat
hij bankpapier of standpenningen inwisselt tegen pasmunt of koper-
geld, tegen een zeker agio, soms tot 5 pCt. en zelfs tot 10 pCt.,
niet, gelijk men zoude onderstellen, op de pasmunt of het koper,
maar op het bankbiljet of de standpenningen. Het wisselen van
pasmunt of koper tegen standpenningen of bankbiljetten geschiedt
doorgaans, zoo niet gratis, dan toch tegen eene aanmerkelijk
lagere belooning. De oorzaak van dit schijnbaar abnormale ver-
schijnsel is te zoeken in de omstandigheid, dat de groote meerder-
heid der inlanders, tengevolge van de geringe bedragen, welke
zij voor hunne dagelijksche inkoopen besteden , veelal meer behoefte
hebben aan kleingeld dan aan guldens of rijksdaalders, om van
bankpapier niet te spreken ; terwijl zij bovendien , buiten de groote
handelsplaatsen , van de zekerheid , welke laatstgenoemd betaalmiddel
aanbiedt, over het geheel weinig begrip hebben.
Voorschot op den oogst (Mal. tëmpah, Jav. idjon (N) of
idjëmman (K), Soend. timp ah) is het s a 1 a m-contract derAra*
bische juristen ** , maar beperkt tot landbou w-producten, terwijl
de voorschriften van bedoelde juristen, om te waken dat de debiteur
vooraf goed wete, waartoe hij zich vetbindt, voor niet geschreven
worden gehouden. Van ouds is het dan ook eenvoudig eene soort
van woekerovereenkomst , en is de debiteur tot praestatie gehouden
* Vergl. SoUewyn Gelpke: Gegevens, enz., p. 592.
' Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 199.
* Ibid. p. 74.
* Vergl. Minhadj at-Talibïn, dl. I, p. 414 en vv.
Vermogensrecht op java en madoera. 131
onaf hankelijk van het slagen van den oogst ' . De vorm , waarin
het contract zich vroeger het meest voordeed, namelijk het betalen
door den geldschieter van de landrente, door egne geheele in-
landsche gemeente verschuldigd , tegen afstand van het te velde
staand rijstgewas, is verboden bij § 4 van Ind. Stbl. 1834 N®52;
maar dit verbod heeft geene betrekking op dergelijke overeen-
komsten, individueel gesloten. Eene analoge overeenkomst is het
geven van voorschot, zoodanig dat bij mislukking van den oogst
de geldschieter zijne aanspraak verliest, en hij bovendien de helft
van de kosten van bearbeiding en van de landrente draagt. Deze
afwijking van het s a 1 a m-contract schijnt intusschen alleen in
Bantam voor te komen, en heet daar djampang^.
Maatschap heet in het Javaansch : baton, sakoetoe of sirkat,
in het Soendaasch: sarikat, en in het Maleisch : pêrséroan of
përsëkoetoean. In strijd met de Mohammedaansche wet ' worden
maatschappen aangegaan , niet slechts tusschen personen , die elk
een zeker kapitaal in geld, of althans in op geld gewaardeerde
goederen inbrengen, maar ook tusschen hen, die niets dan hun
arbeid gemeen maken, bv. tusschen sjouwers. Bij dergelijke , steeds
mondeling aangegane associaties, kiezen de deelhebbers zich een
mandoer of hoofd , die met den werkgever contracteert , en veelal
het loon voor allen ontvangt ter latere verdeeling. Ja zelfs, als
het loon om de eene of andere reden heet individueel te worden
uitbetaald, wordt het, na ontvangst, niet zelden weder bijeen-
gevoegd, om, overeenkomstig de onderling vooraf gemaakte afspra-
ken , opnieuw en op andere wijze te worden verdeeld. Ook de
Mohammedaansche commanditaire vennootschap komt veel voor;
doch wordt in de inlandsche talen niet door ecu anderen naam
dan de gewone maatschap aangeduid. Zij is verder in gebruik ,
niet slechts, gelijk de Isl&m vordert * , voor het drijven van handel,
maar ook voor allerlei soorteu van nijverheid. Zij ontaardt in beide
gevallen niet zelden in een vermomd woekercontract, vooral wan-
neer het door den geldschieter gefourneerde kapitaal niet in
geld, maar in levensmiddelen of andere goederen bestaat, en daar-
voor eene vaste rente is bedongen , iets dat de Isldm wederom ver-
* Eindresumé , dl. II, Byiagen, p. lOO) Resumé van Bantam, p. 122, 123.
* Vergl. Resumé van Bantam, p. 123.
» .Minhadj at-Talibin, dl. II, p. 49, 50.
* Ibid. p. 133.
132 BS AI^WIJKINGIN YAN HET MOHAMMED AAN80HS
biedt ' . De gereerende yennoot ontvangt dan van den geldschieter
veelal slechts onderhoud , en moet hem daarvoor op afbetaling alles
afstaan, wat hij met het kapitaal verdient of verkrijgt, bv. als hij
visscher is, en de geldschieter heeft hem een vaartuig of netten
verschaft dan wel de middelen om die aan te koopen, ialle door
hem te vangen visch , welke dan weder door den geldschieter in
den regel te laag wordt getaxeerd ; terwijl het levensonderhoud ,
voor zooverre het in natura is verstrekt, te hoog wordt aange-
rekend. Zelfs is het beding, dat de geheele winst voor den geld-
schieter zal zijn, tegen verstrekking van levensonderhoud aan den
gereerenden vennoot, niet ongebruikelijk. Bij den minsten tegen-
spoed , moet de man zijne instrumenten verkoopen , dan wel opnieuw
geld leenen, en zoo geraakt hij op den duur onherroepelijk in de
macht van zijn crediteur^. Eene speciale soort van commanditaire
maatschap, welke niet het karakter van een woekercontract df^aagt,
is die , welke gewoonlijk door herders wordt aangegaan. De herder
ontvangt bij deze maatschap van den veebezitter één of meer beesten,
welke hij voor zijne rekening moet oppassen en onderhouden. Als
belooning heeft hij dan aanspraak op een zeker deel , veelal ^of|
van de jongen, uit het beest of uit de kudde geboren; terwijl
daarentegen de andere voordeden van het beest of van de kudde
in hun geheel toebehooren aan den eigenaar ^.
Bij lastgeving is de eenige belangrijke afwijking van de Mo-
hammedaansche beginselen , dat de lasthebber (Mal. Jav. Soend.
wakil, V. h. Arab. waktl), bij gebreke van een tegenstrijdig
beding , aanspraak heeft op loon. Is in de overeenkomst geen loon
bepaald, zoo moet, bij verschil, de rechter het begrooten **. Inde
Yorstenlanden geldt nog de regel , dat het afstaan aan iemand van
1 Ibid. p. 132, 134, 135.
* Vergl. Van Gennep, t. a. p., p. 95; Fokkens, t a. p., p. 34, 37. Een merk-
waardig voorbeeld van een zoodanig associatie-contract , wel is waar van Ma-
kassar afkomstig, vindt men in het Tgdschrifl: Wet en Adat^ Afd. Kleinere Be-
dragen, Jaarg. 1896, p. 48 en w.
' Ook deze mededeeling dank ik aan den heer H. E. Steinmetz. Om dit con-
tract uit een economisch oogpunt juist te beoordeelen, moet men in het oog
houden, dat in den regel de herder het vee op onbebouwden grond kan laten
weiden, dan wel aldaar gras kan sneden, zonder vergoeding. Voor het voedsel
van het vee behoeft hy dus geen geld uit te geven.
* Vergl. Minhadj at-Talibin, dl. II, p. 65, 71 ; vonnis van den Raad van Justitie
te Batevia dd. 25 Febr. 1867 (Ind. Weekbl. v. h. R., N» 191); arrest van het
Hoog Gerechtshof dd. 8 Sept 1867 (Tgdschr. Het R. in N. L, dl. XUX (1887),
p. 316 en vv.).
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 133
zijn zegel, jegens derden, als algemeene lastgeving geldt, zoodat
de lastgever gebonden is dooi de daden van zijn aldus geconsti-
tueerden lasthebber, al had hij hem in zijn mandaat beperkt, be-
houdens natuurlijk zijn verhaal op den ontrouwen mandataris ^
De speciale voorschriften, in de Yorstenlandeu bestaande om-
trent borgtocht (Jav. tanggoeng (N) of tanggël (K), Soend.
Mal. tanggoeng) door ambtenaren voor hunne ondergeschikten ^,
missen in het overige gedeelte van Java en op Madoera, wegens
het verschil in toestanden , alle toepasselijkheid ; terwijl eindelijk de
schenking van een belangrijk deel van het vermogen alleen voor-
komt bij wege van uiterste wilsbeschikking , en daarom bij het
erfrecht is behandeld ^.
§ 8. ALGEMEENE BESCHOUWINGEN OVER DE RECHTEN OP ZAKEN.
Wanneer» men de agrarische toestanden uitzondert, kan men zeg-
gen , dat over het algemeen op Java en Madoera de begrippen der
iuheemsche bevolking geene belangrijke afwijkingen opleveren van
de Mohammedaansche beginselen omtrent zakelijke rechten.
De verjaring , als middel om zakelijke rechten te verkrijgen, is
onbekend *. Evenzoo de regel, dat bij roerende zaken bezit als titel
geldt •'». Gebouwen en beplantingen zijn voor het uitoefenen van
zakelijke rechten vatbaar, afgescheiden van den grond, waarop zij
staan; terwijl het bezit op zich zelf nimmer als een recht wordt
aangemerkt. Wel is waar wordt hij , die animo d o m i u i en te
* Vergl. Angg. Sad., art 54.
* Zie Angg. Sad. , artt. 1 — *. In den Soerj& Ngalam (p. 46) vinden wy nog den
rechtsregel , dat het wegloopen van den debiteur met diens insolventie gelijk staat ,
en dat de borg dan moet betalen. Vergl. mijne Rechtsbronnen van Zuid-Sumatra ,
p. 300, en Het handels- en scheepswetboek der Wadjoreezen (editie van Dr. B. F.
Matthes) , p. 60. Ik kan nergens vermeld vinden , of die rechtsregel ook thans nog
op Java en Madoera gehuldigd wordt. Vermoedelijk is dit echter het geval.
' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 509 en vv.
* Herhaaldelijk werd aldus door den rechter beslist. Zie o. a. een vonnis van
den Landraad te Tjiringin dd. 14 Aug. 1872 (Ind. Weekbl. v. h. Recht, N» 489), en
een vonnis van den Landraad te Modjokerto dd. 12 Maart 1879 (Ibid. N» 847).
* Vergl. Nawil& Praddt& , artt. 22 , 25 en 26. In laatstgenoemd artikel wordt de
termijn van één jaar , welken de IslAm stelt voor de voorloopige toeëigening van
gevonden goed, tot 3 maanden verkort. Vergl. Minh&dj at-Talibïn, dl. II, p. 205.
Art. 12 van den AnggSr Ag5ng sluit de revindicatie van roerend goed tegenover
den derden verkrijger uit, wanneer deze te goeder trouw een verloren voorwerp
op eene markt heeft gekocht.
131 DE AFWIJKINGEN VAN HET HOUAMMEDAANSCUE
goeder trouw bezit, ondersteld ook eigenaar te zijn, zoodat, bij revin-
dicatie, de eisclier zijn eigendom zal hebbeu te bewijzen. Dan echter
loopt het proces niet, gelijk bij ons, over twee rechten, maar over
de vraag wie van beiden inderdaad eigenaar is. Op grond van zijn
bezit alleen , d. w. z. zonder tevens te beweren eigenaar te zijn, kan
niemand eene zakelijke actie, tegen wien, of op welke wijze ook,
instellen.
Daarentegen zijn als afwijkingen, die in het Javaansche rechts-
bewustzijn haren groud vinden de volgende rechtsbeginselen te be-
schouwen , bij de bespreking van welke ik de afwijking omtrent de
zaken buiten den handel , als reeds vroeger in dit opstel besproken,
thans niet meer behoef uiteen te zetten '.
De zakelijke rechten op gebouwen en beplantingen , afgescheiden
van den grond, waarop zij staan, is niet alleen mogelijk ten aan-
zien van grond, waarop eigendomsrecht (Arab. milk. Mal. Jav.
Soend. m i 1 i k) wordt uitgeoefend , doch ook ten aftnzien van
grond, waarop de bezitter slechts gebruiksrechten, zakelijke zoo-
wel als contractueele , heeft ^. Zoo ook kan niet alleen grond in de
* Zie boven , p. 95.
' Intusschen is, voor de uitoefening van zakelijke rechten op gebouwen en
beplantingen , afgescheiden van het recht op den grond , volgens den IslAm zoowel
als naar inlandsche begrippen, noodig, dat de rechthebbende op den grond tot
het bouwen of planten vergunning hebbe gegeven, dan wel die gebouwen of
beplantingen afgescheiden van den grond hebbe overgedragen. Vergl. Soerja
Ngalam, p. 42, en de vonnissen van den Raad van Justitie te Batavia dd. 13 Juli
1872 en 21 Dcc. 1873 (Ind. Weekbl. v. h. R. , No» 480 en 556). Dit laatste wordt
in sommige streken ondersteld by den verkoop van een nipah-bosch; doch anders
moet de grond uitdrukkelijk worden gereserveerd door den verkooper. V'ergl.
Eindresumé, dl. I, p. 215. De gebouwen en beplantingen, afgescheiden van den
grond bezeten, zyn vatbaar voor alle overeenkomsten, bv. voor verhuur. Vergl.
SoUewijn Gelpke, t. a, p., p. 577. Dat de grondbezitter zelf zijne gebouwen of be-
plantingen , afgescheiden van den grond , niet slechts kan vervreemden , maar ook
verpanden, verhuren of legateeren, is natuurlyk. V^ergl. Eindresumé, dl. I, p. 185.
Evenals in het Mohammedaansche recht keert de grond, na het verlaten, weg-
nemen , invallen of uitsterven der gebouwen of beplantingen , vrij tot den erfeiyken
bezitter terug. Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 177, 186, 215. Vergl. overigens, voor
de litteratuur en de jurisprudentie over den rechtstoestand van aan inlanders
toebchoorende gebouwen en beplantingen, zonder een zakelijk recht op den
grond, Mr. J. H. Abendanon: Ncderlandsch-Indische rechtspraak, voce Opstal.
In de praktyk worden deze inlandsche opstallen als roerend goed verpand , over-
gedragen en in beslag genomen, ofschoon uit een juridisch oogpnnt hiertegen
veel te zeggen valt. Het is een specifiek Indische rechtstoestand, welke vooral
aanleiding geeft tot twijfel, wanneer daarbij, aan het Europeesche vermogensrecht
onderworpen , Vreemde Oosterlingen zijn betrokken. Het Indische Burgerlgk Wet-
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOEBA. 135
doode hand (Arab. waqf, Mal. Jav. Soend. wakap) wordeu
gebraolit, waarvan men eigenaar is, gelijk in den Isl&m, maar
ook grond, waarop men gebraiksrechten uitoefent, mits in dit
geval de gebruiksrechten, een zakelijk karakter dragen. Het brengen
van roerende goederen in de doode hand bepaalt zioh tot boeken,
handschriften , lampen , en andere in de bedehuizen benoodigde
zaken, welke aldaar tot voortdurend gebruik worden geplaatst.
Soms wordt ook wel geld in de doode hand gebracht ; maar dan is
het onder de voorwaarde, dat het in onroerende goederen zal worden
belegd. Het brengen van goederen in de doode hand betreft bijna
altijd, wat wij eene >yvrome stichting// zouden noemen , hetzij dat het
doel der stichting bestaat in het gebruik der zaak zelf, bv. eene
waterleiding of een bedehuis, dan wel dat het doel moet worden
bereikt door de inkomsten der zaak daartoe aan te wenden , bv.
een stuk grond , waarvan de opbrengst strekt tot onderhoud van
een bedehuis of van de daaraan verbonden geestelijken. In het
eerste geval spreekt men van wakap djama (Arab. waqf ^alft
djam^), indien de grond zelf in de doode hand wordt gebracht,
en van amal (Arab. 'amal, d. i. /ygoed werk/i^), indien het brengen
in de doode hand slechts op de gebouwen of de beplantingen afge-
scheiden van den grond betrekking heeft , en de grond zelf later tot
den stichter of zijne nakomelingen moet terugkeeren. In het tweede
geval spreekt men van wakap milik (Arab. waqf al-milk).
Het maken tot wakap komt zelden, en dan nog het meest in West-
Java, voor in de functie van een fideïcommissair verband ten be-
hoeve van afstammelingen of andere familieleden. Het zich voor-
behouden van de administratie door den stichter, of het benoemen
van bewindvoerders, is dientengevolge even zeldzaam; want de
administratie der goederen , met een bepaald vroom doel in de
doode hand gebracht , behoort van rechtswege tot de bemoeienissen
der geestelijkheid * of van de hoofden der zoogenaamde /^ vrije//
dorpen. Ontginning geeft geen eigendom, doch slechts gebruiks-
boek immers, ten deze overeenkomende met het Nederlandsche , kent slechts
zakeiyke rechten op gebouwen of beplantingen , zonder een zakel^k recht op den
grond, wanneer die gebouwen of beplantingen van den grond los zyn, of althans
bestemd om daarvan naar believen los te worden gemaakt. Vergl. Opzoomer : Het
Burgeriyke Wetboek verklaard, dl. III, p. 37 en v\'.
* Sommigen der w a k a p's op de hoofdplaatsen zyn zelfs ten name der geestelyk-
heid ingeschreven in de registers van Europeesch eigendom, volgens Ind. Stbl.
1834 No 27.
136 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOUAMMEDAANSCHE
recht, hetzij tijdelijk, hetzij erfelijk, naar het in de streek gel-
dende gewoonterecht. Het tijdelijke gebruiksrecht kan al dan
niet zakelijk zijn ' ; het erfelijke is altijd zakelijk. Van het recht
van naasting vinden wij alleen in eene enkele streek van Midden-
Java sporen, en wel niet ten aanzien van mede-eigenaars, maar
van dorpsgenooten , wanneer een tot het dorp behoorend erfelijk
individueel bezeten grondstuk aan een niet-dorpsgenoot wordt ver-
kocht. Tengevolge van de afwijkende inrichting der Javaansche
dorpen, kunnen de voorschriften, door de Arabische juristen gegeven
ten aanzien van de rechten en verplichtingen tusschen naburige
woningen, geene toepassing vinden. Daarentegen is, althans in
de Yorstenlanden, de blijkbaar aan het Hindoe-recht ontleende
vordering tot afscheiding van erven implicite erkend, over
welke rechtsvordering de Arabische juristen het stilzwijgen bewaren 2.
De individueele rechten op waterwerken en op het daardoor ver-
kregen water, welke in den Isldm zoo sterk op den voorgrond
treden, vindt men alleen in West-J ava, op Madoera en in de
Madoereesche streken van Oost-Java geëerbiedigd. In de overige
gedeelten van Java wordt het irrigatierecht door het gemeente-
verband beheerscht *.
Zoo ook is het een op Java en Madoera van ouds bestaan heb-
bend begrip, dat de vorst civielrechtelijk eigenaar is van allen
grond in zijn gebied , zonder dat dit eigendomsrecht beperkt wordt
door eenig zakelijk, maar slechts door een contractueel recht van
de opgezetenen, eene instelling met het Mohammedaansche recht
onvereenigbaar , en in elk geval daarin absoluut onbekend. In
West-Java is onder den invloed van den Islftra deze rechtstoestand
reeds sedert lang veranderd , en vindt men het zakelijke bezitrecht
der opgezetenen van ouds erkend, tegenover het eigendomsrecht
van den vorst. In Midden- en Oost-Java en op Madoera is deze
1 Een tijdelgk zakciyk gebruiksrecht ontstond door ontginning in de streken,
waar nieuw ontgonnen bouwgronden van rechtswege na zekeren termijn in het
communale bezit werden gebracht. Een tydelyk en niet-zakelijk gebruiksrecht is
het gevolg van ontginning in de Vorstenlanden. Zie over beide onderwerpen be-
neden, §§ 9 en 14.
* Vergl. Angg. Sad. , art. 41 , en Manoe, VIII: 245 en vv.
• Vergl. voor alle deze afwijkingen: Eindresumé, dl. I, p. 21, 45, 46, 64, 65,
100 en w., 132, 177 en vv., 183 en vv. , 190, 209, 214 en v\'., dl. Il, p. 329
en vv. , 333 en w. ; Resumé van Bantam, p. 142 en w. ; Minhadj at-TAlibin, dl. 1,
p. 396 en vv. , dl. Il, p. 28 en vv., 120 en vv. , 171, 179 en vv., 182 en w.;
Fat^ al-Qarib, p. 311; .Mawardi, p. 299; Mohammedaansche geestelijkheid, enz. ,
p. 1 1 , 35 en vv.
yERMOG£NSll£CHT 01' JAVA £N MADOEHA. 137
rechtstoestaud eerst wettelijk afgeschaft door de iiivoeriug der
Agrarische Wet (ludisch Stbl. 1870 N« 55). In de Vorstenlandeu
bestaat de toestaud nog *.
Intasschen hebben zoowel de Mohammedaansche als de specifiek
inlandsche begrippen omtrent eigendom sedert 1870, ten aanzien
van onroerende goederen, in ons rechtstreeksch gebied hun prac-
tisch belang geheel verloren. Nadat immers reeds bij Indisch
Stbl. 1836 N® 19 omtrent de inlandsche rechten op den grond,
behoorende tot de zoogenaamde particuliere landerijen bewesten de
rivier Tji Manoek , was uitgemaakt , dat die rechten geen eigendom
waren, maar slechts zakelijke gebruiksrechten op den grond van
den landheer, ging de Agrarische Wet (Ind. Stbl. 1870 N® 55)
van het beginsel uit , dat alle grond , waarop niet door anderen
recht van eigendom bewezen wordt, in Nederlandsch-Indië , in
ons rechtstreeksch gebied , in oivielrechtelijken zin staatsdomein is.
Dit eigendomsrecht van den staat werd nader in wettel ijken vorm
voor Java en Madoera uitgesproken bij art. 1 van het zoogenaamde
Agrarische Besluit (Ind. Stbl. 1870 N« 118) «, doch wordt, voor zoo-
verre het gronden geldt, door inlanders voor eigen gebruik ont-
gonnen , of als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de
dorpen behoorende, beperkt door het hun op die gronden toegekend,
hetzij individueel, hetzij communaal, maar in elk geval zakelijk
bezit- of gebruiksrecht. Hiermede is dus uitgemaakt, dat de
nationale rechten van den inlander op den grond altijd zijn ju ra
in re aliena, en dat de eenige grondeigendom, welke particu-
lieren in ons rechtstreeksch gebied, zonder onderscheid van land-
aard, kunnen uitoefenen, is de eigendom, overeenkomstig het
Indische Burgerlijk Wetboek verkregen, en overeenkomstig Ind.
Stbl. 1834 N® 27 geconstateerd. Voor dien eigendom nu is dé
inlander, naar de hierboven uiteengezette onderscheidingen ^,aan
het Europeesche recht onderworpen. Onafhankelijk dus van de
vraag, welke oorspronkelijk de aard was der inlandsche grond-
* Vergl. , voor de bewijsplaatsen en voor de historische ontwikkeling van een
en ander, myn meergeciteerd opstel over het eigendomsrecht van den staat op
den grond op Java en Madoera, passim.
' Krachtens Ind. Stbl. 1875 No 199a is bedoeld artikel ook van toepassing in
de Buitenbezittingen, behoudens het ook voor Java en Madoera geldende voor-
schrift van art. 27 al. 2 van het Regeeringsreglement.
• Zie boven, p. 86 en vv.
138 D£ AFWIJKINGEN VAN HET MOUAMMEDAANSGUE
rechten * , hebbeu in elk geval thans het Mohammedaansche
eigendomsrecht en de afwijkingen daarvan op Java en Madoera
aldaar nog slechts ten aanzien van roerende goedereu practisch
belang ^.
Ditzelfde geldt voor de Vorstenlanden , aangezien de eenige
grondeigendom, welke aldaar bestaat, die is van den vorst, en
van het Gouvernement, gelijk mede van de Gouvernementsonder-
danen , wier eigendomstitels overeenkomstig het Indische Burgerlijk
Wetboek zijn verkregen, en overeenkomstig Ind. Stbl. 1834 N*» 27
zijn geconstateerd. Op laatstgenoemde perceelen is wederom het
Europeesche recht, naar de evenbedoelde onderscheidingen, toe
passelijk.
Ook de inlandsche begrippen omtrent de bevoegdheid tot ont-
ginnen van woesten grond , en omtrent den aard van het recht op
den grond, door ontginning verkregen, hebben, sedert de regeling
dezer aangelegenheid bij Ind. -Stbl. 1874 N*» 79, opgehouden haar
te beheerschen in ons rechtstreeksch gebied. Aldaar geeft ontgin-
ning , mits onder de bij bedoelde ordonnantie gevorderde voorwaarden
tot stand gekomen , thans overal een erfelijk en zakelijk gebruiks-
recht •'.
Daar nu door den Europeeschen wetgever wel het zakelijke karakter
van het inlandsche bezit- of gebruiksrecht op domeingrond is uit-
gemaakt, maar overigens dat recht in hoofdzaak nog steeds, ten
aanzien van den omvang, de wijze van verkrijging of verlies, de
bevoegdheid tot beschikking en de lasten jegens de gemeente of
den lande, beheerscht blijft door de nationale inlandsche instel-
lingen, zoo vormen de rechten op den grond op Java en Madoera
een hoogst merkwaardig mozaïek van inlandsch en Europeesch
* In mijn evenaangehaald opstel over het eigendomsrecht van den staat, enz.
heb ik trachten aan te toonen, dat die rechten van ouds nergens op Java en
Madoera overeenkwamen met het Mohammedaansche of Europeesche eigendoms-
recht, maar in West- Java hoogstens zakelijke gebruiksrechten op domeingrond,
en elders slechts contract ueele gebruiksrechten op domeingrond waren.
' De zoogenaamde agrarische eigendom blijft hier, ofschoon een uitsluitend
voor inlanders in het leven geroepen recht, buiten sprake, omdat bedoeld recht
geene schepping van het nationale rechtsbewustzijn der bevolking, maar eene
schepping van het Europeesch gezag is. Vergl. Agr. Wet, al. 4, en Ind. Stbl. 1872
No U7. De instelling heeft bovendien nimmer beantwoord aan de verwachtingen
daarvan gekoesterd. Vergl. voor de oorzaken van dit verschijnsel, Eindresumé,
dl. III, p. 166 en vv.
• Vergl. ook al. 3 der Agrar. Wet.
YEKBlOaENSUECHT Oi' JAVA EN MADOE&A. 139
recht, waarvan ik wil trachten in de volgende bladzijden de
leidende beginselen onder juridische formules te brengen *.
De rechten, waarvan hier sprake is, kunnen worden onder-
scheiden als volgt:
a. de rechten, door de inlandsche bevolking uitgeoefend op het
staatsdomein ;
è, de rechten, door de inlandsche bevolking uitgeoefend op den
grond, behoorende tot de zoogenaamde particuliere landerijen en de
erfpachi^perceelen ;
c. de rechten , door de inlandsche bevolking uitgeoefend op den
grond in de Yorstenlanden.
Wat de rechten betreft op het staatsdomein uitgeoefend, zoo
valt wederom te onderscheiden tusschen:
1° het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht ;
2° het communale bezit- of gebruiksrecht;
3° het bezit- of gebruiksrecht krachtens het ambt;
4^ het bezit- of gebruiksrecht op de begraafplaatsen, de erven
der moskeeën en de andere gewijde gronden ^.
§ 9. ERFELIJK INDIVIDUEEL BEZIT- OF GEBRUIKSRECHT.
Het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht is een zakelijk
recht, dat door inlanders wordt uitgeoefend op domeingrond , door
* Hoe vele en hoe verdienstelijke geschiften over het inlandsche grondbezit op
Java en Madoera ook verschenen zijn, zoo heeft toch, voor zooverre mij bekend,
ecne dergelijke algemeene synthetische behandeling daarvan nog nimmer plaats
gehad.
' Vergl. art. 2 van Ind. Stbl. 1874 N» 79. De redactie van dit artikel is uit een
juridisch oogpunt niet gelukkig. 2^00 is niet alleen de grond , „door inlanders voor
eigen gebruik ontgonnen", aan het ontginningsrecht van anderen onttrokken, maar
natuurlijk evenzeer vroeger ontgonnen grond , door koop , erfenis , enz. in handen
der bezitters gekomen. En toch kan men moeiclijk in dat geval van cene ont-
ginning „voor eigen gebruik" spreken. Dezelfde onjuistheid komt trouwens voor
in al. 3 der Agrarische Wet, hetgeen des te meer treft, omdat in al. 4 dier Wet
de goede uitdrukking: „grond door inlanders in erfclyk individueel gebruik bezeten",
voorkomt. Voorts mist , in het even aangehaald art. 2 , de onderscheiding tusschen
„ontgonnen grond" en „woonerven" alle beteekenis; terwijl eindelijk „gewijde
gronden" niet behoorden te zyn overgesteld tegen „begraafplaatsen" en „erv^en
der moskeeën", daar immers ook de eerstgenoemden dikwijls, en de laatstge-
noemden zelfs in den regel „gewijde gronden", d. w. z. Wakap's, zyn.
140 DE AFWIJKINGEN VAN UET MOUAMMEDAANSOHE
hen metterdaad beboawd of beplant ^ liet recht ontstaat primitief
door inbezitneming , d. w. z. door ontginning van woesten grond , mits
die ontginning hebbe plaats gehad overeenkomstig de wettelijke
voorschriften ^. üet is vatbaar voor overdracht onder de levenden
en voor overgang bij wege van erfrecht of legaat * , voor verhuur
en voor pand, en het kan in de doode hand worden gebracht,
alles onder de beperkingen bij deze instellingen uiteengezet, en
waarnaar hier wordt verwezen ■*. Behalve in de residentie Madioen,
waar ten deze verschil van opvatting schijnt te bestaan, rekent
men algemeen, dat de erfelijke bezitter eveneens zijn recht kan
uitoefenen op de strook, waarmede zijn grond door aanslibbing
vergroot is , mits hij dat recht door eenig teeken van inbezitneming
kenbaar make '\ Hetzelfde beginsel wordt gehuldigd ten aanzien
van grondstukken , door de kracht van het water van den eenen
oever der rivier overgebracht naar den anderen, behalve in West-
Java, alwaar het recht van den bezitter op zoodanigen grond blijft
voortduren , althans wanneer op het afgespoelde stuk teekenen van
beplanting zichtbaar gebleven zijn *.
De algemeene naam voor het erfelijk individueele bezit- of ge-
bruiksrecht is in het Maleisch en Soendaasch : jasa, en in het
Javaansch: jasa. In Bantam bezigt men ook het woordoesaha,
en in de Preanger ook het woord pribadi. Wat den aard van het
recht betreft, valt op te merken, dat, naar de inlandsche begrip-
* Men kan het recht niet alleen tegenover derden, maar ook tegenover den
staat, d. w. z. den eigenaar, handhaven. Zie Agrar. Wet, al. 3. Het recht houdt
stand, zelfs indien .het Gouvernement het stuk van het staatsdomcin , waarop
het wordt uitgeoefend, aan een derde verkoopt Aldus besliste o. a. het Hoog
Gerechtshof van N. I. by arrest van 5 Oktober 1882 (Ind. Weekbl. v. h. R. , N« 1009)
2 Ind. Stbl. 1874 No 79, art. 7.
• Aan den overgang op erfgenamen of legatarissen is het vermoedelyk toe te
schrijven, dat men veelal het individueele bezit- of gebruiksrecht als ^erfelijk"
betitelt. Ofschoon deze bijvoeging m. i. op zich zelf niet is aan te bevelen, zoo
wil ik haar toch behouden , om niet in strijd te komen met het gevestigde spraak-
gebruik.
* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 18, dl. Il p. 333; De residentie Kadoe naar de
uitkomsten der statistieke opname (Batavia 1871), p. 130, 131; Familie- en erfrecht
p. 477, 478 en 50(), en zie boven, p. 99 en vv. , 108, 114 en 121.
• Vergl. Eindresumé, dl. II, p. 331. De aldaar in noot c gedane verwijzing naar
§ 10 van het Overzicht van Soerabaja moet, blykens het te dier plaatse ver-
melde, in omgekeerden zin worden opgevat; terwijl ook de mededeeling, dat in
Madioen slechts in twee dorpen de aangeslibde grond aan den lande toebehoort,
in stryd is met de geciteerde § 18 van het Overzicht dier residentie.
» Ibid. p. 332.
VERMOGENSUECBT OP JAVA EN KADOEHA. 141
pen , bét recht minder betrekking beeft op den grond zelf, dan
wel op betgeen van den grond is gemaakt, en op of in den
grond is gebouwd, aangelegd of gedaan. Wanneer dan ook
in Bantam en de Preanger-Regentschappen van milik (Arab.
milk, d. i. ^eigendom//) wordt gesproken, beeft dit woord niet de
beteekenis, welke wij en de Arabisebe juristen daaraan hechten,
namelijk de eigendom van den grond in abstracto, maarbebbe
men veeleer te denken aan tien eigendom van betgeen door werk-
zaamheid aan den grond is toegebracht. Dat bij vele bezitters dit
begrip niet scherp van het recht op den grond zelf wordt onder-
scheiden, ligt in den aard der zaak. Immers valt de uitoefening
van het recht op hetgeen aldus met den grond verbonden is, in
de practijk feitelijk met de uitoefening van het recht op den grond
samen. Dat speciaal in West-Java, onder den invloed van bet
Mohammedaansche recht , de band tusschen de j a s a en den grond
nauwer werd dan elders, waar dat recht minder in het bewustzijn
der bevolking was ingedrongen , is niet meer dan natuurlijk. Even-
min behoeft het , na het hierboven aangevoerde ' , nader betoog dat,
toen in de overige deelen van bet eiland en op Madoera de be-
volking nog slechts een contractueel recht op den grond bezat,
de jasa aldaar hetzelfde rechtskarakter droeg, als bv. bij ons de
verbeteringen door een huurder aan een vast goed aangebracht.
De teekenen, dat de grond jasa is, noemt men tjiri of kitri.
Men verstaat daaronder, bv. bij sawah^s, de dijkjes, bij al wat
geplant wordt , den boom of den struik zelf, bij een erf, de opgeworpen
grond tot gelijkmaking van den bodem; soms ook het huis, en
bij alle gronden, zonder onderscheid, de grensteekenen of afpalingen.
De tjiri's of kitri 's zijn dus de dragers van de jasa ^.
* Zie boven, p. 136.
• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 3, 4, 18, 47, dl. Il, p. 333 en vv.; De residentiö
Kadoe, enz., p. 128; Eigendomsrecht van den staat, enz., p. 23, 24, 26; art.
1603 Ned. Burgl. Wb. = 1567 Ind. Burgl. Wb. Het begrip, dat de grond op zich
zelf, d. w. z. onaf hankel^k van hetgeen daaraan door menschenhanden is gedaan «
geene waarde heeft, is een logisch gevolg van den overvloed van grond. Wy
vinden dit begrip dan ook elders terug, waar hetzelfde feit zich voordoet, bv.
op het schiereiland Malakka, waar verkoop van grond als poelang bëlandja
d. i. terug erlangen van het daaraan ten koste gelegde, wordt omschreven
Vergl. W. E. Maxwell: Laws and customs of the Malays with reference to the
tenure of land , in het Journal of the Straits Branch of the R. A. S. , Jaarg. 1 884 ,
p. 121. Zie ook Newbold: Account of the British settlements, enz., dl. II, p. 254.
Zie, voor hetzelfde begrip in den aanvang der Middeleeuwen in Europa, Maine,
t. a. p. , p. 151, waar zeer juist gezegd wordt: The true difüculty of those days
was not to obtain land, but to obtain the means of cultivating it
142 DS AFWIJKINGEN VAN llET MOHAIktMEDAANSOHE
Behalve de reeds meermalen genoemde beperkingen van het
beschikkingsrecht over erfelijk individueel bezeten gronden, en van
de bevoegdheid om die door erfrecht te verkrijgen , tengevolge van
gemeentelijke instellingen , wordt ook de uitoefening zelf van het
recht op den grond overal min of meer, maar in Midden-Java
het sterkst, door bedoelde gemeentelijke instellingen aan banden
gelegd. Het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht draagt dus
op Java en Madoera een meer beperkt karakter dan het erfelijke
gebruiksrecht of, gelijk zij het noemen, de ^eeuwige huurv, der
Arabische juristen , die een beheerschen daarvan door het gemeente-
verband niet kennen. Waar op Java en Madoera erfelijk individueel
bezitrecht bestaat , is dan ook wel het gemeenteverband , waaronder
de grond ligt, in zooverre verbroken, dat de grond niet meer
tijdelijk onder de gemeenteleden wordt verdeeld , maar geenszins
in die mate dat het systeem van solidariteit van privaatrechtelijke
belangen tusschen de gemeentenaren zoude zijn verlaten, om,
gelijk bv. in Nederland, daarvoor een zuiver staatsrechtelijken
band tusschen hen in de plaats te stellen '. Zoo brengt de aard
der sawah^s van zelve mede, dat de bewerking daarvan afhangt
van de water verdeeling en dat, waar die waterverdeeling bij het
dorpsbestuur berust, de exploitatie van genoemde velden steeds
min of meer een gemeenschappelijk karakter moet dragen, en onder
den invloed van het dorpsbestuur plaats vindt. En aangezien slechts
in West-Java de individueel bezeten leidingen en waterwerken
eenige beteekenis hebben, zoo volgt hieruit, dat bedoelde invloed
van het dorpsbestuur zich in verreweg de meeste streken over-
wegend doet gelden. Voorts bestaat in Midden-Java in de meeste
streken het bewustzijn, dat, ofschoon de woonerven heeten in erfelijk
ndividueel bezit te zijn, toch de grond, waarop het dorp gebouwd
is, in haar geheel aan de gemeente als rechtspersoon is gebleven.
Een gevolg hiervan is, dat, wanneer, tengevolge van vermeer-
dering van ingezetenen, nieuwe erven moeten worden gevormd,
en daarvoor de grond niet op andere wijze kan worden verkregen,
het dorpsbestuur bevoegd is om de grootste erven in te korten,
en van de aldus vrij vallende stukken nieuwe erven te vormen.
Voorts bestaat overal de verplichting om den grond overeenkomstig
zijne bestemming te bebouwen of te gebruiken. De dienstplichtig-
heid, welke op den grond rust, is mede overal in meerdere of
* Eene gelijksoortige opmerking ten aanzien van Britsch-Indic maakte reeds
H. S. Maine: Village communities, 3^* druk, p. 109.
TE&MOGENSKECHT OP JAVA EN MADOERA. 143
mindere mate eene oorzaak van beperking in de uitoefening van
het bezitrecht, en zulks niet slechts, waar het de vervreemding
geldt, maar ook wanneer de bezitter wegens ziekte of ouderdom
ophoudt de diensten te kunnen praesteeren, dan wel om andere
redenen ophoudt tot den stand der dienstplichtigen te behooren. Hij
is dan genoodzaakt, bf zich van den grond te ontdoen, zoodanig
dat deze in handen van een valieden persoon komt, bf een vervanger
te stellen , die hem veelal een groot gedeelte van de opbrengst van den
grond zal kosten. Eindelijk moeten als beperkingen van het erfelijk
individueele bezit, tengevolge van gemeentelijke instellingen, in herin-
nering worden gebracht : de voorwaarde van ingezetenschap der ge-
meente , waaraan op vele plaatsen de uitoefening van het grondbezit
is gebonden; het in vele streken van Midden-Java bestaand verbod,
dat ingezetenen meer dan één woonerf bezitten ^ ; het, vooral
in de residentie Soerabaja, maar ook elders, bestaand verbod om,
zonder voorkennis van het dorpshoofd , zekere boomen of bamboe
op zijn erf te kappen; de verplichting om, ingeval van bezit van
meerdere erven, te zorgen, dat allen bewoond zijn door personen
in staat om de daarop rustende diensten na te komen; en de
beperkingen van de straks te bespreken verandering in de bestem-
ming van den grond. Niet nakoming van de op den grond klevende
lasten heeft tengevolge, dat het erfelijk individueele bezit- of ge-
bruiksrecht verloren gaat , al heeft in de meeste streken niet dade-
lijk ontzetting voor goed plaats, maar bepaalt men zich, om te
beginnen , tot dwangmaatrelen , dan wel tot eene tijdelijke ontzetting
uit het bezit *.
Hierboven ^ is gezegd dat de ontginning moet voldoen aan de
» Vergl. Eindresumé , *dl. I, p. 14v=j, dl. II, p. 329 en w. , dl. lil, p. 63envv. ;
Familie- en erfrecht, p. 477 en v. , 506; SoUewyn Gelpke, t. a. p. , p. 576 en v. ,
en zie boven , p. 99 en vv. De in den tekst aangegeven lasten verschillen natuurlijk
van plaats tot plaats, niet slechts wat den omvang daarvan betreft, maar ook
ten aanzien van de soorten van gronden, waarop zij rusten. Wat de diensten
aangaat, zoo blijkt uit de Bijlage U van het Koloniaal Verslag van 1893, dat
in 3965 gemeenten van Java en Madoera op het staatsdomein gelegen , de dienst-
plichtigheid uitsluitend op de bouwgronden , en wel speciaal op de sa w a h 's
rust, in 17460 gemeenten op de bouwgronden zoowel als op de woonerven, en
in 9233 gemeenten niet alleen op de grondbezitters, maar op alle gegoede inge-
zetenen. Dat het recht van den bezitter afhankelijk is van de nakoming der op
den grond klevende lasten, werd o. a. erkend in een vonnis van den Landraad^
te Grissee dd. 18 September 1880 (Ind. Weekbl. v. h. R., Jaarg. 1881, No 915).
• Vergl. Eindresumé, dl. II, p. 342.
» Zie p. 140.
144 DB AFWIJKINGEN VAN IlET MOHAMMEDAANSCHE
wettelijke voorschriften, wil men daardoor erfelijk individueel
bezit van den grond verkrijgen. Die voorschriften zijn vervat
in het reeds meer geciteerde Ind. Stbl. 1874 N° 79, waarvan
de volledige interpretatie niet tot ons onderwerp behoort. Alleen
moet er op worden gewezen , dat daardoor in verschillende opzichten
op het inlandsche gewoonterecht inbreuk is gemaakt. Zoo wordt in
art. 1 het ontginnen zonder vergunning verboden, en zijn in de
artt. 3 en 4 de autoriteiten aangewezen , die bedoelde vergunning
zullen geven , gelijk mede de vorm waarin de vergunning wordt ver-
leend. De artt. 6 en 7 bepalen , dat de vergunning eene voor over-
dracht vatbare bevoegdheid geeft tot ontginnen, maar dat het zakelijk
recht van individueel bezit eerst verkregen wordt, wanneer aan
alle voorwaarden der vergunning is voldaan , m. a. w. wanneer de
ontginning is afgeloopen ^. Door deze bepalingen is een einde ge-
maakt aan de verschillende opvattingen, omtrent bedoelde aange-
legenheden vroeger bij den inlander bestaande, evenals indirect,
d. w.z. door in de ordonnantie over de zaak te zwijgen, is beslist
dat zijn afgeschaft de beperkingen der ontginning , o. a. ten aanzien
van ingezetenen van andere gemeenten , en het recht op de aanhoo-
righeid van den ontgonnen grond, overeenkomstig de Mo^iamme-
daansche wet, o. a. vroeger in Bantam en de Preanger erkend ^. Bij
art. 5 is verder imperatief en algemeen bepaald , dat bij de vergunning
een termijn zal worden gesteld, waarbinnen de ontginning moet
zijn tot stand gebracht, dat de grond dadelijk door duurzame
greusteekenen ' zal worden afgebakend , en dat , behalve de met
1 Het erfelijk individueele bezit, volgens de ontginningsordonnantie verkregen,
is natuurlijk in elke gemeente onderworpen aan de daar bestaande speciale be-
perkingen van dat bezit, zoowel wat uitoefening, als, wat overdracht betreft.
Daarentegen is m. i. door de ordonnantie stilzwijgend het tijdelijke karakter af-
geschaft, hetwelk in vele streken het door ontginning verkregen gebruiksrecht
oudtijds had, zoodanig dat na eenige jaren de nieuwe ontginningen in het com-
munaal bezit terugvielen. Alleen wanneer dit uitdrukkelijk bedongen is, zal de
ontginner voortaan nog ex contractu tot inbreng kunnen worden genoodzaakt.
Zie, in denzelfden geest, H. E. B. Schmalhausen : Voorstel tot afschaffing der
heerendiensten, enz. in de afdeeling Djombang (Soerabaja 1889), p. 76, 77. Over
de thans dus opgeheven algemeene verplichting in vele streken met communaal
bezit, om nieuwe ontginningen na een zeker getal jaren daarin te doen op-
nemen, vergl. Eindresumé, dl. I, p. 64, en v. , 132.
* In Bantam noemde men deze aanhoorigheden : o e 1 o e r a n , en in de Preanger :
harim, het laatste van het Arabische harim afgeleid. Vergl. Minhadj at-TAlibïn,
dl. Il, p. 172 en v. ; Eindresumé, dl. II, p. 16, 46, 308 en w.
' Het vroeger in vele streken bestaan hebbend gebruik, om als grcnsteekenen
VBILMOGSN8EECHT OP JAYA EN MAOOEItA. 145
name genoemde voorwaarde van terrasgewijzen aanleg , ook nog zoo-
danige andere voorwaarden kannen worden gesteld als plaatselijke
omstandigheden wenschelijk maken. Intasschen moet de vraagt
wanneer eene ontginning kan geacht worden te zijn afgeloopen,
nog steeds worden beantwoord naar de Inlandsche rechtsbegrippen.
Die rechtsbegrippen nu verschillen wel plaatselijk , wat de bijzon-
derheden betreft , maar komen toch overal daarin overeen , dat de
grond in een staat moet zijn gebracht, welke onmiddellijke bebou-
wing toelaat , naar den aard van hetgeen men van den grond maken
wil. De eerste werkzaamheden der bebouwing zelve zijn echter daartoe
niet noodig. Zoo zal het voor een tëgal-veld voldoende zijn , dat
het van boomeu en struiken is gezuiverd, en de grond zoodanig
is gelijk gemaakt, dat men met de bebouwing een aanvang kan
maken. Oeldt het eene sawah, zoo zal de grond waterpas moeten
zijn gemaakt, en zullen de dijkjes moeten zijn gelegd, en de noodige
werken, om het irrigatie-water er op te krijgen, moeten zijn tot
stand gebracht. Het is echter niet noodig dat het veld beplant of
beploegd zij * . Naar dezelfde beginselen zal men de vraag , of de
ontginning is afgeloopen, bij andere bouwgronden, bij erven en
bij vischvijvers , moeten beslissen ^.
Met de ontginning hangt samen de zooeven reeds genoemde
verandering in de bestemming van den grond. Dikwijls is die ver-
andering van bestemming slechts eene voortzetting der ontginning,
bv. indien men op woesten grond een tëgal-veld aanlegt, en dit
later tot eene sawah, een boomgaard of een woonerf maakt. In-
tusschen verbieden de woorden der meer geciteerde ontginnings-
ordonnantie de daarin voorkomende bepalingen omtrent het vragen
van vergunning, enz. ook op eene dergelijke verandering in de
bestemming te doen slaan; maar dit doet niet te kort aan de
beperkingen , waaraan de verandering in de bestemming ten gevolge
van gemeentelijke instellingen is onderworpen. Die gemeentelijke
te bezigen merken op de hoekboomen, het wegkappen van eene strook gras,
greppels, het samenbinden der takken van struiken, staken met bosjes alang-
alang, enz., is dus thans niet meer voldoende.
* Slechts zeer sporadisch wordt gevorderd , dat reeds met de eerste bebouwing
een aanvang is gemaakt Zie bv. Eindresumé, dl. II, p. 75, 169, 2(^5, 218, 252.
« Vergl. Eindresumé, dl. II, p. 8 en vv., 20 en v., 37 en w., 60 en w., 74
en w., HF) en vv., 105 en vv., 129 en vv., 145 en vv. , 167 en vv., 187 en vv.,
203 en vv. , 216 en vv. , 232 en vv. , 250 en vv. , 259 en vv. , 266 en vv. , 273
en v. , 279 en v. , 325 en vv.
O Volgr. 111. 10
146 DE AFWIJKINGEN TAN HET MOHAMMED AANSCHE
instellingen nu vorderen hier en daar zoo niet vergunning, dan toch
kennisgeving aan het dorpshoofd voor het veranderen van tëgal^s
in sawah^s, omdat daarmede het maken van eene nieuwe leiding
of althans beschikking over het irrigatie-water gemoeid is, en dit
in strijd zoude kunnen zijn met de verkregen rechten of de be-
langen van anderen. Daarentegen is algemeen vergunning noodig
van het dorpshoofd voor het veranderen van bouwgrond in woon-
erven, en omgekeerd. Dit laatste is in sommige streken, bv. in
Soerabaja , zoo niet geheel verboden , dan toch aan allerlei be-
zwarende voorwaarden gebonden *.
Het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht gaat verloren:
1® door overdracht op anderen met inachtneming der beper-
kingen hierboven uiteengezet * ;
2® door afstand ten behoeve van den staat , als eigenaar van den
domeingrond :
3^ door onteigening ten algemeenen nutte en door beschikking
ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde cultures tegen
behoorlijke schadeloosstelling, volgens al. 3 der Agrarische Wet '*;
4^ door niet-nakoming van de verplichtingen aan het grond-
bezit verbonden , gelijk mede door de toepassing van de gemeente-
lijke regelingen houdende beperkingen in de bevoegdheid tot het
uitoefenen van het recht op den grond, dan wel in de bevoegdheid
tot erfopvolging , waarover hierboven gehandeld is * ;
5° door het kennelijk verlaten van den grond ^. In West-Java
geldt omtrent gronden., welke op deze wijze onbeheerd (Mal. Jav.
* Vergl. Sollewijn Gelpke, t. a. p., p. 577; Eindresumé, dl. I, p. 325, 326. De
op laatstgenoemde plaats voorkomende mededeeling, dat „het bestuur" , d. vv. z. de
Europeesche of inlandsche ambtenaren boven de dorpshoofden staande, toestem-
ming moeten geven, is sedert de ontginningsordonnantie komen te vervallen,
nu die ordonnantie de inmenging van »het bestuur" heeft beperkt tot de ont-
ginning. De bevoegdheid der dorpshoofden ten aanzien van de verandering in
de bestemming van den grond , is echter door de ordonnantie onaangetast gelaten.
' Zie boven , p. 99 en vv.
* Door dit voorschrift zyn van zelve komen te vervallen alle , vroeger in zwang
zijnde , wgzen van eigenmachtige beschikking over erfelijk individueel bezeten grond
door het Europeesch of inlandsch bestuur voor den aanleg van wegen, dammen
of waterleidingen, voor de verfraaiing of uitbreiding der hoofdplaatsen of dorpen,
voor de uitbreiding van Europeesche of Chineesche wijken , voor cultures of zout-
aanmaak, enz. enz. Vergel. Eindresumé, dl. II, p. 339 en v.
* Zie boven , p. 142 , 143 , en vergl. Familie- en erfrecht, p. 477 en v. en 506 en v. ,
alwaar tevens is uiteengezet^ hoe met zoodanige vrijvallende gronden gehan-
deld wordt.
* Verg. art. 2, al. 2 van Ind. Stbl. 1874 N<\ 79.
VEEMOGBNSKECHT OP /AVA £N MADOKKA. 147
Soend. pëlajangan) ^ raken, de regel, dat de bezitter of zijne
erfgenamen hun recht behouden, zoolang er teekenen van inbezit-
neming van den grond zichtbaar zijn. Zelfs bleek , bij het onderzoek
in 1867 en 186S, in sommige dorpen van Bantam de meen ing te
bestaan , dat de rechthebbenden , ook na het verdwijnen dier
teekenen, den grond konden opeischen, natuurlijk mits zij het
bewijs van hun recht konden leveren *. Ditzelfde begrip werd
ook in eene enkele gemeente van de Preanger aangetroffen. Alleen
dus, wanneer het verlaten van den grond met den uitgedrukten
wil om daarvan afstand te doen had plaats gevonden , is verlies
van het recht in bedoelde streken daarvan het gevolg. Elders,
speciaal langs het Noorderstrand , treft men ook wel zeer sporadisch
hetzelfde begrip aan; maar dit neemt niet weg, dat, naar het al-
gemeene rechtsbewustzijn in Midden- en Oost- Java en op Madoera ,
het recht op den grond verloren gaat, hetzij onmiddellijk bij het
staken der bebouwing, of bij het verlaten van de gemeente zonder
orde op de exploitatie van den grond te hebben gesteld, hetzij
nadat een zekere termijn, na het staken der bebouwing of het
verlaten der gemeente , is verloopen. Die termijn is plaatselijk zeer
verschillend , en hangt ook af van de bestemming van den grond.
De kortste termijn is 2 , en de langste 9 jaar. Natuurlijk heeft dit
alles geene betrekking op het verlaten met den uitgedrukten wil
om afstand van den grond te doen , in welk geval het recht daarop
dadelijk verloren gaat, zoowel in Midden en Oost-Java en op
Madoera als in West-Java '.
Wanneer het recht op den grond , tengevolge van het verlaten ,
hoe dan ook, is te niet gegaan, wordt met dien grond gehandeld
als met andere onbeheerde gronden "*.
Daarentegen gaat het recht op den grond niet verloren, door-
dat daarover vroeger , hetzij met , hetzij tegen den wil des bezitters ,
* Van lajang, dus letterlijk: „zwevend", eene uitdrukking vermoedelyk ontleend
aan den Arabischen rechtsterm mauwqoef. In mijn Familie- en erfrecht, p. 5()6,
staat abusievelijk plajangan, evenals trouwens in het Eindresumé.
' Dit is geheel in overeenstemming met de Mohammedaansche wet. Zie Minhadj
al-Talibtn, dl. ITl, p. 427, 441 en vv.
* Verg. Eindiesumé, dl. II, p. 340 en vv.
* Zie , voor de wijze van beschikking over dergelijke gronden , Familie- en erf-
recht, p. 50C), bOT. In West-Java en elders, waar het recht op den grond eerst
na geruimen tijd verloren gaat, trekken wel de dorpshoofden zich de verlaten
gronden aan , en zorgen zij in den regel dadelyk voor de exploitatie , maar meer
als voorloopige maatregel, en als waarnemende de belangen van de eventueele
rechthebbenden. Vergl. ook art. 231 Inl. Regl.
148 DS AFftruitlNaSN Van Hst liOHAKlIXDAAKSCHlS
door het dorpsbestuur of van hooger hand is beschikt ten algemeenen
nutte, bv. voor het plaatsen van woningen, of het aanleggen van
wegen, waterleidingen, enz. In al die gevallen, gelijk mede in
de gevallen dat iemand uit eigen beweging aan anderen toestaat
op zijn grond te boawen of te planten, wordt de toestand be-
heerscht door de hierboven uiteengezette beginselen omtrent het
recht op gebouwen of beplantingen afgescheiden van den grond,
in verband gebracht met gemeentelijke regelingen of bijzondere
bedingen ^
§ 10. Communaal bezit- of gsbruikskscut.
#
Het communaal bezit- of gebruiksrecht is een zakelijk ^ recht,
door de iulandsche gemeenten, als zedelijke lichamen, uitgeoefend
op domeingrond. De gemeente kan over haar aldus bezeten grond
niet beschikken, maar alleen de wijze regelen, waarop de ingezetenen
daarvan het genot zullen hebben. De communaal bezeten gronden
noemt men gewoonlijk : >^grond van het dorp/^.
Tot deze dorpsgronden nu behooren in de eerste plaats de wegen,
die ten laste zijn van de gemeente , alle binnen de kommer gemeente
gelegen pleinen en openbare plaatsen , en , waar die bestaan , de
gebouwen voor den publieken dienst van het dorp bestemd, voor
zooverre bedoelde pleinen en gebouwen of plaatsen niet het karakter
dragen van gewijde zaken of gronden , en onverminderd de rechten
van bijzondere personen, op bedoelde wegen, pleinen, gebouwen
of plaatsen verkregen, of ondanks hunne bestemming behouden.
Van de hierbedoelde dorpsgronden is het gebruik altijd gemeen-
schappelijk. Het onderscheid van het Bomeinsche en van ons
recht tusschen zaken, welke staatsrechtelijk aan de gemeente be-
hooren, en die waarvan de gemeente privaatrechtelijk eigenaresse
ï Zie boven, p. 134, en vergl. Eindresumé , dl. I, p. 175 en w., dl. II, p. 339 en v.,
dl. III, p. 159, 163. Ik geloof, met het in den tekst medegedeelde, de juridische
formule te hebben gegeven , waaronder de vele feiten , in het Eindresumé ten deze
vermeld , allen te brengen zyn. Sedert de afkondiging der Agrar. Wet is natuurlek
de beschikking over erfelgk individueel bezeten grond van hoogerhand, buiten
het geval van onteigening of voor de cultures , uitgesloten , en dan nog is schade-
vergoeding noodig. Zie Agrar. Wet, al. 3.
* Vóór de Agrarische Wet , contractueel. Zie boven, p. 136, en Eindresumé, dl. II,
Byiage L.
TEE1C06ENSKECHT OP JAVA EN MADOERA. 149
is, wordt in het inlandsche rechtsbewustzijn niet teruggevonden '.
In de tweede plaats behooren tot de dorpsgronden de zoogenaamde
gemeene weideft, welke eveneens in gemeenschappelijk gebruik d er
ingezetenen zijn. Soms behoort eene gemeene weide niet aan één ,
maar aan meerdere dorpen met gemeenschappelijk gebruik. Elders
weder hebben wel meerdere dorpen het recht om van eene zelfde
weide gebruik te maken , maar wordt die weide toch geacht slechts aan
ééne dier gemeenten toe te behooren, en moeten de bewoners der andere
gemeenten, voor de uitoefening van hun weiderecht, eene zekere
vergoeding aan de betrokken gemeente of haar hoofd betalen. De
gemeene weiden , waarvan hier sprake is , treft men het meest aan
in de residentiën Pekalongan, Banjoemas, Bagelen en Bembang.
Elders komen zij slechts sporadisch voor. Waar geene gemeene
weiden bestaan , wordt het vee op den onbebouwden of braak lig-
genden grond geweid , dan wel op de bouwgronden , nadat de oogst
gesneden is. Wat laatstgenoemde gronden betreft, zoo heeft na-
tuurlijk de rechthebbende de bevoegdheid het weiden te verbieden, dan
wel daaraan de voorwaarden te verbinden , welke hij goedvindt. Het
weiden op onbebouwden of braakliggenden grond staat ieder vrij ,
behoudens zekere beperkingen ten aanzien van alang-alang velden^.
In de derde en voornaamste plaats behooren tot de dorpsgronden
ook bouwgronden , woonerven , visch vijvers en nipah-bosschen.
Wanneer men eenige vischvijvers in de Preanger-Begentschappen en
Cheribon uitzondert, die gemeenschappelijk door de gemeenteleden
worden geëxploiteerd ^ , zoo gaat , bij alle de hier genoemde vaste
goederen, het communale bezit gepaard met individueel gebruik,
d. w. z. zij worden in aandeelen (bagian, bakon) verdeeld,
welke aandeelen aan de rechthebbende gemeenteleden ter indivi-
dueele exploitatie worden toegewezen voor korteren of langeren tijd.
De gebruikers hebben dus op hun aandeel geen zakelijk recht, maar
slechts eene persoonlijke aanspraak tegen de gemeente, welke op
> Vergl. art. 2, al. 2 van Ind. Stbl. 1874 N» 79; Gemeentewet, artt. 229, 230;
Eindresumé, dl. I, p. 4, dl. UI, p. 159, 163. Op beide laatstgeciteerde plaatsen
wordt minder juist onderscheiden tusschen gemeenten, waar de grond voor de
wegen , pleinen , enz. geacht wordt aan het Gouvernement , en die waar bedoelde
grond geacht wordt aan de gemeente toe te behooren. Het eigendomsrecht van
het Gouvernement sluit immers het gebruiksrecht van de gemeente niet uit.
« Vergl. art. 2, al. 1 van Ind. Stlbl. 1874 No 79, en Eindresumé, dl. I, Byl. A ,
dl. m, p. 145, 146, 159.
» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 204, dl. UI, p. 36, 59.
150 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE
hare beurt de grondeu in quaestie bezit, uiet om daarover naar
welgevallen te beschikken, doch als eene soort van fonds ten be-
hoeve van hare dienstplichtige ingezetenen ' . Het communaal bezit
van bouwgronden bestaat niet in de residentiën Bantam, Batavia,
Krawang, Preanger-Begentschappen , Besoeki en Madoera. Dat
van woonerven wordt daarentegen ook in onderscheiden gemeenten
van Bantam en de Preanger-Begentschappen , en algemeen in het
regentschap Banjoewangi aangetroffen. Communaal bezeten visch-
vijvers komen buiten Midden-Java slechts in eene enkele gemeente
van de Preanger voor. In de streken , waar communaal bezit wordt
aangetroffen , heeft men echter tevens individueel bezit , zoodat men
kan zeggen , dat op Java en Madoera de beide soorten van bezit
in totale uitgestrektheid thans nog ongeveer tegen elkander op-
wegen , al heeft laatstgenoemde soort reeds min of meer de over-
hand, en eene neiging om zich langzaam uit te breiden ^.
Het communaal bezit , waarover hier gehandeld wordt , en dat in
den vervolge alleen bedoeld zal worden, wanneer de uitdrukking
zal worden gebezigd , is evenals trouwens de Javaansche naam voor
ffioTfff zelve, désS (N) of doesoen (K), blijkbaar van Hindoe-
oorsprong. De instelling hangt samen met het wezen der aloude
Arische dorpsgemeenschappen. De Mol^ammedaansche wet zwijgt
over het communaal bezit, ofschoon zij aan den anderen kant het
ook niet verbiedt. Intusschen is deze bezitsvorm juist onbekend
in de streken van Java en op Madoera, waar de Isl^m de diepste
wortelen geschoten heeft, en daarentegen van den grootsten om-
vang in die gedeelten van Java, waar de Hindoe-beschaving het
grootst was. Zoo ook treft men de instelling thans nog onder de
Hiiidoe's op het eiland Bali aan. Intusschen heeft, voor zooverre
men kan nagaan , zelfs in streken met communaal bezit , daarnaast
van ouds ook het individueele bezit bestaan ^.
• Vergl. Eindresumé , dl. I, p. 8.
• Vergl. Ibid. Byl. A. ; Koloniaal Verslag van 1893, Bijl. U. De combinatie van
individueel en communaal bezit doet zich voor in tweeërlei vorm. Er liggen na-
melyk soms gemeenten met uitsluitend individueel of met uitsluitend communaal
bezit naast elkander, en soms treft men beide soorten van bezit in dezelfde ge-
meente aan.
• De dorpsgemeenschappen zyn van ouds in het Hindoe-recht bekend. Vergl.
Manoe, VIII: 219 en B. W. Leist: Alt-Arisches jus gentium, p. 24 en w. Zie over be-
doelde dorpsgemeenschappen, en over die in Britsch-Indië in het bijzonder: Mainc:
Village communities, p. 18 en vv. , 76 en vv. , 103 en vv. ; E. de Laveleye: De
Ia propriété et de ses formes primitives , p. 4 en vv. , 65 en w. , 349 en vv. ;
YE&llOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 151
Het commiinaal bezit heeft de grootste uitbreiding ten aanzien
van sawah's, vermoedelijk omdat deze ait den aard der zaak
meer dan andere boawgronden door geroeenschappelijken arbeid
zijn ontgonnen, hetzij vrijwillig, hetzij op last van hoofden
of ambtenaren, en omdat zij veelal door gemeenschappelijk aan-
over die in Rusland : K. Kawelin : Das bauerliche gemeindebesitz in Rusland ,
(Lcipzig, 1877), en over Bali: F. A. Liefrinck: Bijdrage tot de kennis van het
eiland Bali, in het Tijdschr. v. Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde, dl. XXXIII
(1800), p. S'X^ en w. Het verband der Javaansche dorpsgemeenschappen met de
Arische dorpsgemeenschappen elders wordt o. a. ook erkend door wijlen den Hoog-
leeraar P. J. Vcth en door Prof. Mr. P. A. van der Lith. Zie Java, dl. I, p. 354,
en Nederlandsch Oost-Indië, 2^* druk, dl. II, p. 228. Daarentegen wordt door
anderen het communaal grondbezit op Java voorgesteld, niet als eene aloude
volksinstelling, maar als eene vrucht van tallooze misbruiken, door Europeesche
en Inlandsche bestuurders in vroeger eeuwen gepleegd , hetgeen in het Eind-
resumé zoude bewezen zijn. Zie Eindresumé, dl. II, passim, en De Louter, t. a. p.,
p. 587. Ik acht deze meening, van hoe geachte zijde ook verkondigd, beslist
onjuist. Het moge waar zijn , dat in vroeger tijd door Europeesche en inlandsche
bestuurders in Midden- Java vele misbruiken zijn gepleegd , daarmede is , gelyk
reeds de heer Van der Lith opmerkte, het ontstaan der instelling zelve, van het
communaal bezit aldaar, in den Arischen vorm, niet verklaard. Bovendien blijft
het alsdan , naar mijne mecning , ten eenemale onbegrijpelijk , waarom gel^kc
oorzaken niet gelijke gevolgen hadden in West- Java en in de Madoereesche streken ,
waar de Hindoe invloed het zwakst, en die van den IslAm het sterkst was. Om
die zoogenaamde „misbruiken" naar billijkheid te beoordeelen, mag bovendien
niet uit het oog worden verloren, dat het oudtijds in Midden-Java bestaan hebbend
individucel bezit niet was, gelijk thans, en vroeger ook in West- Ja va, een zakelyk
recht, maar louter eene contractueele aanspraak, eene soort van huur, opzegbaar
door den eigenaar van den grond , d. w. z. door het Gouvernement. Door den grond
voortaan aan de gemeente als zedelijk lichaam , in plaats van aan de individueele
leden der gemeente, te verhuren, deden de vertegenwoordigers van het Gou-
vernement niet anders dan van een recht gebruik maken. Het misverstand is
daaraan te wijten, dat de niet juridisch gevormde en, blykens hunne eigene
verklaringen, bijna allen met voorliefde voor het individueel bezit bezielde amb-
tenaren, wier onderzoekingen de bouwstoffen voor het Eindresumé hebben geleverd,
blikbaar met het onderscheid tusschen zakelijke en contractueele rechten onbekend
waren, en van „individueel bezit" in twee verschillende bcteekenissen spraken.
Ook by ons immers is het „bezit" van den huurder individueel, evengoed als
het „bezit" van den eigenaar, erfpachter, opstaller, enz. Alleen beteekent in het
eene geval „bezit" iets anders dan in het tweede. Vergl. Eigendomsrecht , p. 16 en
26; De residentie Kadoe, p. 131; Eindresumé, dl. II, p. 355 en vv. Het bestaan
van het communaal bezit onder de O. I. Compagnie is niet voor tegenspraak
vatbaar. 2^o wordt in het rapport van Rothenbuhler dd. 19 April 18(X) en Bijlagen,
te vinden in dit Tijdschrift, dl. Il (1854), p. 62 en w. telkens onderscheiden
tusschen de velden, die aan de opgezetenen individueel zijn toebedeeld, als op
het eiland Madoera, en die aan de „negorijen" en bloc zyn uitgegeven ter ver-
deeling onder de ingezetenen , als in het Grisseesche. Zie t. a. p. , p. 79 en vv. ,
J5£ DË AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAAN3CHE
gelegde , of althans gemeenschappelijk onderhouden , waterwerken
of leidingen worden geïrrigeerd. In den regel worden de communale
sawah's verdeeld tusschen alle ingezetenen, die aan de vereisch-
ten voor aandeelhebber voldoen. Soms echter komt het voor, dat
het moederdorp en de daaronder ressorteerende gehuchten elk afzon-
derlijk hunne communale sawah^s hebben, welke respectievelijk
worden verdeeld onder de ingezetenen van het dorp en van de
gehuchten. Bechthebbenden op een aandeel zijn alleen de volle
dienstplichtige mannen (sikëp, gogol, koeli këntjëng)ende
hoofden en bestuurders der gemeente, voor zooverre deze geene
vaste ambtsvelden of bijzondere aandeden als zoodanig genieten.
Ophoudende tot den stand der volle dienstplichtigen te behooren < ,
de gemeente verlatende, dan wel door overlijden, verliest men zijn
91, 99, 103, 107, 113. Vergl. ook het Rapport van denzelfden dd. 31 Dec. 1812,
te vinden in de Verhandelingen van het Bat. Gen. v. K. en W. , dl. XLl (1881),
p. 16, 30 en v. ; het Rapport van den heer Mr. H. van Dissel over de particuliere
landerijen beoosten de rivier Tji Manoek, in het Tijdschrift voor Nyverheid en
Landbouw in Ned. Indië, dl. XXH (1878), p. 280, 281; Eindresumé, dl. II, 301;
Rafïles: Substance of a minute (Londen, 1814), p. 107, 129, 131. Zelfs in den
Soerj& Ngalam vinden w^ reeds eene plaats (p. 15) , welke blgkbaar op gemeenschap-
pelgk bezit van sawah's doelt. Trouwens, indien men zich, bij het lezen van het
Eindresumé, aan de daarin medegedeelde feiten houdt, los van de aan die feiten
vastgeknoopte beschouwingen, zoo blgkt wel, dat men in vele gemeenten in
1867 en 1868 nog wist van ontstaan of uitbreiding van het communaal bezit,
tengevolge van het verlaten van gronden, overlyden zonder erfgenamen, volks-
verloop , bevelen van hooger hand , heeren- en cultuurdiensten , aanleg van water-
werken, gemeenschappeiyke ontginning op last of vry willig, enz., enz; maar
nergens werd verklaard, dat de instelling als zoodanig te voren in de streek
onbekend was. Daarbij komt, dat in den tekst van het Eindresumé soms de in
enkele gemeenten afgelegde verklaringen z\jn gegeneraliseerd , zoodat men wel
doet, steeds ook de noten te consulteeren; terwyl aan den anderen kant ook
positieve verklaringen, dat men niet beter wist, of het communaal grondbezit had
altijd bestaan, niet ontbreken. Zie, tot staving van het hier opgemerkte: Eind-
resumé, dl. II, p. 56 en w., 70 en vv. , 82 en w, 100 en w. , 124 en w. ,
142 en vv., 153 en v., 161 en vv., 182 en vv., 198 en vv., 213 en vv., 227
en vv. , 247 en vv. , 257 en w. Wat intusschen van dit alles moge zyn, het
communaal bezit bleek, bij het onderzoek in 1867 en 1868, waar het bestond,
zoo zeer in het rechtsbewustzijn der bevolking te zyn doorgedrongen, dat zelfs
tegenover daaraan vyandige ambtenaren , zoo niet alle , dan toch de meeste en voor-
naamste leden der gemeenten doorgaans verklaarden het te willen behouden. Zie
Eindresumé, dl. II , p. 352 en w. De betrekkelyk zeldzame gevallen van conversie
in individueel bezit , sedert dat daartoe de bevoegdheid werd verleend , bewyzen ,
dat de geest der bevolking ten deze nog niet veranderd is.
* De beantwoording der vraag, wie tot den stand der volle dienstplichtigen
gerekend worden , beschouw ik als niet te dezer plaatse te huis behoorende. Vergl.
boven, p. 143.
YKRMOGBNSRECHT OF JAYA BN MADOERA. 153
aandeel na afloop van den oogst. In de gemeenten , waar de lasten ,
op het grondbezit klevende , niet opwegen tegen het voordeel , dat
men uit een aandeel trekt, is het recht op een aandeel veranderd
in eene verplichting van elk erf bezitter, ja niet zelden zelfs van
elk werkbaar man , om een aandeel te nemen , en , als gevolg daar-
van , in de lasten der gemeente bij te dragen. Deze ongezonde toe-
stand is intasschen uitzondering; het meest komt hij nog voor in
de residentiën Madioen en Kediri, waar de aandeden zeer ver-
snipperd zijn ^.
In de meerderheid der gemeenten zijn de aandeelen vast, d. w. z.
zij worden zoo lang mogelijk onveranderd in handen van dezelfde
personen gelaten, en wijziging in de grenzen of verwisseling heeft
alleen plaats om bijzondere redenen , als het uitvallen of bijkomen
van aandeelhebbers, groot verschil in de productiviteit der aan-
deden, verhuur van grond aan Europeanen, enz. In andere ge-
meenten echter heeft men periodieke verwisseling van aandeelen ,
hetzij om het jaar, hetzij na langere termijnen. Deze toestand heeft
thans alleen nog in de residentiën Japara, fiembang, Madioen,
Kediri en Soerabaja beslist de overhand; zij vertoont over het
algemeen eene neiging om geleidelijk voor het communaal bezit
met vaste aandeelen plaats te maken. Hetzij echter de aandeelen
vast zijn, hetzij periodieke verwisseling plaatsheeft, doo^aanszijn
zij van ongeveer gelijke waarde , en rusten daarop gelijke verplich-
tingen. In Kediri echter, en voorts in vele gemeenten van Madioen
en enkelen van Cheribon en Japara, zijn de aandeelhebbers in
klassen verdeeld, die grootere of betere aandeelen bekomen, naar
mate zij zwaardere diensten moeten doen. Vroeger was ditzelfde
het geval in Rembang, ten aanzien van de veebezitters bij de,
thans niet meer bestaande, zoogenaamde b 1 a n d o n g-diensten ^
ingedeeld. Bij uitzondering is ook wel de hoegrootheid of de waarde
van het aandeel verschillend, naarmate men over meerdere mid-
delen tot bebouwing kan beschikken, bv. omdat men veebezitter
is, zonder dat daar tégenover grootere verplichtingen staan. Elders
wordt wel eens aan een ingezeten een kleiner aandeel gegeven,
omdat hij tevens sa w ah 's in erfelijk individueel bezit heeft, en
» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 59, 61 en vv., 69, 75, 77, dl. III, p. 139, 140;
De residentie Kadoe, p. 132 en v.
• Diensten by de houtbosschen. In eenige gemeenten van Rembang is niet-
tegenstaande de afschaffing dezer diensten, de bevoorrechting der veebezitters
big ven bestaan.
154 DE AFWIJKINGEN VAN HKT MOHAMMEDAANSGHE
eindelijk geeft men in vele dorpen aan personen, die wegens hun
leeftijd of om andere redenen hebben opgehouden dienstplichtig te
zijn, een kleiner aandeel bij wege van pensioen. Dergelijke locale uit-
zonderingen op den regel van gelijke verdeeling zijn er meer. In
zeer vele gemeenten wordt over de toelating van nieuwe aandeel*-
hebbers door de gezamenlijke belanghebbenden beslist; elders ge-
schiedt zulks door het dorpshoofd, dat hoogstens van de toelating
aan de andere rechthebbenden keunis geeft. Naarmate de aandeden
grooter, en de lasten daarop rustende naar verhouding minder
drukkend zijn, is men met de toelating strenger, en moet de
nieuweling aan allerlei voorwaarden , bv. van inwonerschap gedurende
zekeren tijd, bezit van een erf, enz. voldoen *.
De afbakening en de toewijzing der aandeden geschieden meestal
bij onderling goedvinden der belanghebbenden onder de leiding van ,
en na voorafgaande opneming door het dorpsbestuur , dikwijls , waar
periodieke verdeeling bestaat , volgens een rooster. In sommige streken
evenwel geschiedt de afbakening, en in enkele anderen ook de toewij-
zing der aandeden door het dorpsbestuur , ja zelfs door het dorpshoofd
alleen, welke handelwijze vroeger vooral in Cheribon aanleiding
tot vele misbruiken gaf. Bij de verdeeling wordt echter bijna overal
ook min of meer rekening gehouden met persoonlijke aanspraken, bv.
doordat men aan nakomelingen van ontginners bij voorkeur als aandeel
de plek geeft door hun auteur ontgonnen, maar later in het communaal
bezit gebracht , of doordat men zoons of schoonzoons in het aandeel
van hun vader of schoonvader laat opvolgen, ja zelfs de weduwe
in het aandeel van haar overleden man , mits zij zorgt, dat de dien-
sten op het aandeel rustende worden nagekomen 2. Tëgal's, tuinen
en boomgaarden in communaal bezit zijn veel minder talrijk dan
de communaal bezeten sawah^s. In den regel treft men die niet
aan in gemeenten, waar niet tevens communaal sa wah-bezit aan-
wezig is. Het aandeel daarin vormt veelal eene toegift op het
sawah-aandeel, dan wel het strekt om een min waardig sawah-
aandeel aan te vullen. Het volgt dan in alle opzichten het rechtslot
* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 61 en w., 66 en vv. ; De residentie Kadoe,
p. 133, en het Kol. Verslag van 1893, Bijl. U. Blijkens laatstgenoemde Bijlage
waren er, in 1892, 13201 gemeenten met vaste aandeelen, tegen 12429 in 1887.
Zie B^lage S van het Kol. Verslag van 1888.
• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 71, 73 en vv. , dl. III, p. 256, 257; Sollewyn
Gelpke: Naar aanleiding van Stbl. 1878 N» 110, dl. l, p. 48 en vv.; Poensen,
t. a. p., dl. XXXVm (1894), p. 100 en v.
VBaMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 155
van het laatste. Ook komt het voor, dat men de aandeelen in de
tëgal's geeft aan personen, die de vereischten voor sawah-
aandeelhebber missen , en die men toch niet geheel wil voorbijgaan.
Alleen in enkele gemeenten van Bagelen en Japara treft men het
abnormale verschijnsel aan, dat de sawah's in individueel, maar
de têgaTs in communaal bezit zijn ^.
Vischvijvers in communaal bezit bestaan slechts in de residentiën
Preanger-Regentschappen , Cheribon, Japara en Eembang. In de
beide eerste residentiën worden zij gemeenschappelijk door de inge-
zetenen geëxploiteerd; in de beide laatsten bestaat individueel
gebruik. Daar de aandeelhebbers soms talrijker zijn dan de aan-
deelen , waarin de vijvers kunnen worden gesplitst , zoo wordt vaak
één aandeel aan twee of meer rechthebbenden te zamen ter
exploitatie toegewezen, iets dat met aandeelen in bouwgronden
nimmer het geval is. Dan heeft men , bf beurtregeling , óf exploi-
tatie door één hunner, die de lasten draagt, welke op den vijver
kleven , en , na aftrek der onkosten en eene billijke belooning
voor zijne moeite, de netto-opbrengst deelt tusschen zich en zijne
mede-aandeelhebbers. Het komt ook voor, dat een communale
vijver aan den meestbiedende onder de aandeelhebbers wordt ver-
pacht, en het ontvangen bedrag onder de anderen wordt ver-
deeld. Ook • deze vorm van exploitatie is bij bouwgronden on-
bekend 2.
Bij de weinige nipah-bosschen in communaal bezit, bestaat
daarentegen weder uitsluitend individueel gebruik, meestal met
vaste aandeelen. Alleen in de gemeenten, waar wilde nipah
wordt aangetroffen , is deze ter beschikking van alle ingezetenen.
Waar verdeeling in aandeelen bestaat, heeft men soms toewijzing
van een aandeel aan meer dan één persoon , in welk geval de
exploitatie door de tusschen hen aangegane overeenkomsten wordt
beheerscht ^.
Bij het communaal bezit der woonerven is het individueel ge-
bruik wederom van anderen aard. Men beschouwt dan namelijk den
grond, waarop de woningen staan , als gemeentegrond. Daarvan
wordt aan elk gezinshoofd, die aan de locaal uiteenloopende ver-
eischten voldoet om als ingezeten van het dorp te worden toe-
» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 130 en vv., dl. III, p. 120, 160.
• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 2M en vv., en zie boven p. 149.
* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 217 en v.
156 DS ▲FWIJKINGEN VAN HKT MOHAMMEDAANSOHE
gelaten, een stuk aangewezen, om eene woning te plaatsen. Voor
zooverre de plaatsing der woningen het gedoogt, mag hij op den
hem toebedeelden grond tevens plantsoen aanleggen. Op. dien
grond heeft hij een gebruiksrecht , zoolang hij ingezetene is ; terwijl
wat daarop gebouwd of geplant is, zijn eigendom blijft. Over een
en ander mag hij beschikken als over zijne andere goederen, be-
houdens dat hij, door verkoop van zijn huis, niet eigenmachtig
een inwoner in de gemeente mag binnensmokkelen, die, opgrond
van de bestaande instellingen, er niet zoude kunnen worden toe-
gelaten. Bij geoorloofden verkoop echter is de gemeente verplicht
het gebruik van den grond aan den kooper van het huis of van
den aanplant te laten , onverminderd het recht , dat de gemeente
steeds behoudt om, ingeval van gebrek aan grond, de erven te
verkleiiïen, voor zooverre dit mogelijk is met het oog op de be-
staande gebouwen en beplantingen. Ook bij het bouwen van een
nieuw woonhuis moet men zich in gemeenten , waar deze toestand
bestaat, aan de bevelen van het dorpsbestuur omtrent ligging,
grootte, enz. van de woning onderwerpen. Slechts bij hooge uit-
zondering en in streken, waar op de erven geen plantsoen staat,
komt het voor, dat de gemeentelijke instellingen aan het dorps-
bestuur de bevoegdheid toekennen, om bevel tot verplaatsing van
woningen te geven. Trouwens, behalve in het regentschap Banjoe-
wangi, wordt het communaal bezit van erven overal slechts zeer
sporadisch aangetroffen K
De voorwaarden , waaronder de meerderheid der deelgerechtigden
de minderheid kan dwingen, om het communaal bezit van bouw-
gronden 2 in individueel bezit te converteeren , zijn geregeld bij
Ind. Stbl. 1885 N® 102. Dat, bij eenstemmigheid der rechthebbenden,
ook andere communaal bezeten gronden in erfelijk individueel
bezit kunnen worden gebracht, en omgekeerd erfelijk individueel
bezit in communaal bezit kan worden geconverteerd, volgt m. i.
uit den omvang, welke de autonomie der gemeenten op Java en
Madoera naar ons staatsrecht , gelijk mede naar de inlandsche instel-
lingen, heeft *.
* Vergl. Eindresumé , dl. I , p. 169 en w. ; SoUewün Gelpke , t. a. p. , p. 576 , 577.
s De beperking tot bouwgronden staat uitdrukkelgk te lezen in art. 1. Woon-
erven, wegen, enz. vallen dus buiten het bewuste Koninklijk Besluit
• Vergl. Familie- en erfrecht, p. 478, 479.
VE&MOGENSESOHT OP JAVA EN MAliOE&A. 157
§ 11. BEZIT- 07 GEBRUIKSaSÜHT K&AOHTENS HET AMBT.
Het bezoldigen van hoofden en van burgerlijke of militaire
landsdienaren geheel of gedeeltelijk in land is, voor zoover men
kan nagaan, eene instelling, van ouds op Java en Madoera in
zwang, en ook door de Oost-Indisohe Cotnpagnie in practijk ge-
bracht. Dergelijke gronden bestonden vroeger, of in geheele land-
streken , óf in bepaalde dorpen met hunne gronden , bf in eene
zekere uitgestrektheid bonwgrond. De beide eerstgenoemde vormen
verdragen zich noch met de Mo^iammedaausohe , noch met de
Hindoe-wetten, welke, gelijk wij reeds vroeger zagen , den sou verein
alleen het recht toekennen de inning der hem verschuldigde belas-
tingen bij wege van concessie (iqt&^) aan zijne ambtenaren of
krijgsoversteu te cedeeren, maar niet om over den grond te be-
schikken, door anderen in eigendom of in erfelijk gebruiksrecht
bezeten. De laatstgenoemde vorm verdraagt zich daarentegen zoo-
wel met den Isl&m als met het Hindoe-recht, mits de afstand
betrekking hebbe op bouwgronden, tot het vrije staatsdomein be-
hoorende. Yermoedelijk zijn de beide eerstgenoemde vormen oor-
spronkelijk inlandsch, evenals het geheele eigendomsrecht van den
vorst op den grond. In het voormalige Bantamsche rijk en in de
voormalige Madoereesche vorstendommen had het ambtelijk land-
bezit meer een Mohammedaansch karakter, en kwam speciaal de
beschikking over de dorpen slechts voor in den vorm van ver-
gunning, om de aan den vorst toekomende diensten te genieten
of opbrengsten te innen ^.
In ons rechtstreeksch gebied op Java en Madoera , de Freanger-
Regentschappen uitgezonderd , werd het ambtelijk landbezit bij Ind.
» Vergl. Sollewijn Gelpke: Naar aanleiding van Stbl. 1878 No 110, dl. I, p. 4;
Het eigendomsrecht van den staat, enz., p. 6, 11, 14, en de daar geciteerde
bewysplaatsen , waarbg nog te voegen: Manoe, VII: 118 en vv., en , speciaal voor
Bantam en Madoera: Eindresumé, dl. II , p. 3 en w. , 275 en w.; Resumé van
Bantam, p. 70; voor Midden- Java: Eindresumé, dl. II, p. 295 en w. , 288 en
vv. en 295 en w. Het landbezit, door de inlandsche vorsten aan landsdienaren,
familieleden en grooten tot hun onderhoud toegekend , noemt men in de Indische
administratieve taal gewoonlijk : „apanage" , in tegenoverstelling van het ambtel^k
landbezit van de hoofden en bestuurders der dorpen. Naar de inlandsche be-
grippen bestaat intusschen geen onderscheid in rechtskarakter of naam tusschen
deze „apanages" en het landbezit als belooning voor het vervullen van gemeente-
ambten. In Bantam werden , onder het vorstenbestuur , de concessies niet met den
Arabischen naam iqta', maar met den Inlandschen pëtjaton aangeduid. Op
Madoera heetten z^ përtjaton.
158 DE AVWIJKINOEN VAN 11 RT MüHAMMEDAANSCHE
Stbl. 1867 N® 122 afgeschaft voor alle hoofden en ambtenaren ,
behalve voor de hoofden en bestuurders der gemeenten. Bij Ind.
Stbl. 1870 N« 122 werd dezelfde maatregel tot de Preanger uit-
gestrekt, en, bij de overname der Madoereesche vorstendommen,
Soemenep en Bangkallau, ook aldaar ingevoerd, behoudens het
later te bespreken landbezit der zoogenaamde barissan '.
Het ambtelijk landbezit van de hoofden en bestuurders der Inland-
sche gemeenten is, evenals die gemeenten zelve , op Java en Madoera
stellig van Hindoe-oorsprong. Het feit, dat bedoeld landbezit zich
van onds nooit anders dan in den zooeven vermelden derden , met
het Hindoe-recht overeenstemmenden , vorm heeft voorgedaan , dat
het geheel met het gemeentewezen samenhangt, dat het zich juist
in die streken van Java het sterkst ontwikkeld heeft, waar de
Hindoe-invloed het grootst en de Mo|^ammedaansche het geringst
is geweest, en eindelijk de treffende gelijkenis met de toestanden
in Britsch-Iudië zijn hiervoor voldoende aanwijzingen ^.
De meest gebruikelijke benaming voor de ambtelijk bezeten
gronden is in het Javaansch: loenggoeh (N) of lênggah (K).
Daarnaast zijn echter in Midden- Java de uitdrukkingen : b a k o n
en bëngkok in gebruik. In de Preanger spreekt men van sawah
of têgal tjarik of patjarikan; in Tegal en Japara van s. of
t. pantjèn. Eene andere wijze van aanduiding is het noemen
van de soort van grond met bijvoeging van het ambt, waaraan
het bezit is verbonden. Zoo spreekt men in Bantam , waar het
dorpshoofd dj ar o heet, van s. of t. kêdjaroan, in Cheribon,
waar diens titel koewoe is, van s. of t. pëkoewon; elders
weder van s. of t. pêtiuggèn, van pëtiuggi; op Madoera van
s. of t. klèboenan, van klèboen (Mad. =kliwon Jav.).
Soms ook worden beide wijzen van aanduiding gecombineerd, bv.
bëngkok loerah, loenggoeh kamitoewa. In beperkten
kring zijn ook nog hier en daar andere namen en uitdrukkingen
i Zie Ind. Stbl. 1883 N" 242 en 1885 No 144.
* Voor de toestanden in Britsch Indië, zie Maine, t. a. p.. p. 126. Waar het
communaal bezit bestaat, vormen gemeenten zonder ambtelijk landbezit eene
uitzondering. Daarentegen heeft men in Krawang en de Preanger-Regentschappen
slechts zeer weinige gemeenten met ambtelgk landbezit; in Bantam bestaat het
nog niet in de helft der gemeenten , en in Besoeki nog niet in een derde. Madoera
is de eenige residentie met uitsluitend individueel bezit , waar het ambtelijk land-
bezit algemeen is. Het ontbreekt er in slechts 7 gemeenten. Vergl. Kol. Verslag
van 18M3, Bijl. L'.
YSEMOGENSRECHT OP JAYA EN MADOERA. 159
in zwang ^ . De gronden , krachtens het ambt bezeten , bestaan
meerendeels uit sawah's, minder uit tëgaPs, tuinen, boom-
gaarden of vischvijvers , en eene enkele maal slechts uit een woon-
erf. De hoegrootheid dier gronden is, of eens voor altijd vast-
gesteld, M zij wordt, bij elke nieuwe verkiezing van een titularis,
opnieuw bepaald. Men heeft verder, of vaste, voor het ambt be-
sterade gronden, bf verwisseling, welke verwisseling wederom
periodiek of niet-periodiek kan plaats hebben. De verwisseling
komt alleen voor in gemeenten met communaal bezit, ofschoon
ook in velen daarvan voor de ambtsvelden vaste plekken zijn be-
stemd. Bij communaal bezit wordt eindelijk de hoegrootheid van
de ambtsvelden bepaald, bf in een zeker aantal bouws, bf in een
zeker aantal gewone aandeden, bf in een evenredig deel van de
totale uitgestrektheid van den gemeentegrond, meest 8 pCt. of 10
pCt. In gemeenten met louter individueel bezit heeft men natuurlijk
alleen vaste ambtsvelden. Het bezit van ambtsvelden is onafhan-
kelijk van dat der eigen gronden , in erfelijk individueel gebruiks-
recht bezeten. Bij verlies van de betrekking gaat uit den aard
der zaak het recht op de daaraan verbonden velden verloren.
In de residentiën Tegal, Bagelen, Bembang en Madioen behoudt
desniettegenstaande de afgetreden titularis, of zijn boedel, aan-
spraak op den te velde staanden oogst, dan wel, indien het veld
reeds bewerkt is, gaat het bezit daarvan eerst na het loopende
jaar, of na den loopenden moesson, over, dan wel eindelijk gaat
het bezit terstond op den nieuwen titularis over, maar moet deze
aan zijn voorganger of diens erfgenamen eene vergoeding geven
voor hunne reeds aan den grond verrichten arbeid en hunne reeds
gemaakte kosten ^.
Omtrent de bestemming van gronden tot ambtsvelden en den
omvang vnn het ambtelijk landbezit zijn sedert 1800 in geheel
Java en Madoera gewestelijke regelingen tot stand gekomen , welke,
met eerbiediging van verkregen rechten, paal en perk hebben ge-
steld aan de vroeger ten deze, vooral in streken met communaal
bezit, voorkomende misbruiken. Zelfs individueel bezeten gronden
schijnen vroeger niet zelden bij de ambtsvelden te zijn geannexeerd.
* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 88 en v.
' Vergl. een vonnis van den Landraad te Indramajoe dd. 10 April 1878 (Ind.
Weekbl. v. h. R. , Jaarg. 187<:), N» 850); Eindresumé , dl. I , p. 87 en v., 89 en v.,
94, 9Ö, 98, 134 en v., 174, 207 en v.; Kol. Verslag van 1893, Byl. U.
160 DK AViriJKINOBN VAN HBT HOUAHICBDAANSCHC
Bedoelde regelingen streven aan den anderen kant zooveel mogelijk
naar eene billijke belooning voor de boofden en bestaarden der
gemeenten, en laten ook aitbreiding van bet ambtelijk landbezit
toe in gemeenten of streken, waar bet niet of niet voldoende
bestaat. De pëlajangan-gronden kannen dan daarvoor worden
bestemd. Zoo is in de residentie Krawang nog in 1890 bet amb-
telijk landbezit ingevoerd '.
Het ambtelijk landbezit der dorpshoofden beeft aanmerkelijk
grootere beteekenis dan dat der dorpsbestuarders. In vele streken
hebben deze laatsten zelfs geen ambtelijk landbezit, d. w. z. in
de gemeenten met commanaal bezit erlangen zij, krachtens hun
ambt, das zonder daarvoor diensten te verrichten, een gewoon
aandeel, en in gemeenten met zaiver individaeel bezit, niets. Na
het hoofd, zijn het diens adjuncten en de dorpsschrijvers, die in
den regel het meest met ambtsvelden zijn begunstigd In elk geval
is, waar de dorpsbestuorders ambtelijk landbezit hebbeu, de grootte
daarvan geringer dan die der ambtsvelden van het dorpshoofd,
en verschilt zij naar het meerdere of mindere gewicht van hunne
functies ^.
Bij de beoordeeling van de waarde van het ambtelijk landbezit
moet nog worden in aanmerking genomen, dat doorgaans de ge-
meenteleden de bewerking daarvan geheel of ten deele om niet
op zich nemen, dan wel die bewerking tegen zeer geringe beloo-
ning verrichten. Zoo ook wordt de , voor de ambtsvelden verschul-
digde, landrente vaak geheel of ten deele over de andere grond-
bezitters omgeslagen. Deze voordeden intusschen worden door de
leden van het dorpsbestuur in veel mindere mate genoten dan
door het dorpshoofd. In de hierboven vermelde gewestelijke rege-
lingen, sedert 1890 in het leven geroepen, is tevens voorgeschreven,
dat, bij het optreden van nieuwe titularissen, deze voordeden
1 Zie Kol. Verslag van 1891, p. 75; Eindresumé, dl. I, p. 91, dl. II, p. 315, 316,
dl. III, p. 288 en vv. De tot stand gekomen gewestelyke regelingen maken een
onderdeel uit van de gewestelijke regelingen betreffende de samenstelling der
dorpsbesturen , gepubliceerd in de Koloniale Verslagen van 1891, Byl. O, 1892,
Byl. Q, en 1893, Byl. O. Eene korte opgave der daarin voorkomende bepalingen
omtrent het ambtelyk landbezit vindt men op p. 302 en vv. van dl. III van het
Eindresumé. Voor de bijzonderheden wordt naar deze bronnen verwezen. Zie ook ,
over de vroegere onzekerheid in de grenzen der ambtsvelden: Tydschrift van
het Binnenlandsch Bestuur, Jaarg. 1891—1892, p. 335 en vv.
« Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 94 en vv. , dl. III, p. 288, 291.
tStLMOGlSNSHECUT OP JaVa £N iiAbOERAu ' 16 1
officieel moeten worden geconstateerd, en als door de bevolking
vrijwillig op zich genomen lasten moeten worden aangemerkt '.
Behalve het ambtelijk landbezit van de hoofden en bestuurders der
gemeenten , heeft men nog eenige andere gevallen van grondbezit,
door personen krachtens eene zekere qualiteit genoten. Dit bezit,
hetwelk men inet den naam van quasi-ambtelijk zoude kunnen
bestempelen , kan worden teruggebracht tot de volgende gevallen :
1® In sommige gemeenten met communaal bezit wordt een
aandeel toegekend aan personen , die een bepaald beroep uitoefenen ,
waarvoor bijzondere geschiktheid noodig is, bv. aan een timmer-
man, een (jalang, een gamelan-speler, een politie-spion , een
godsdienstleeraar , eene publieke danseres, enz., zonder dat bedoelde
personen tot liet dorpsbestuur behooren, of op grond van dienst-
praesiatie voor een aandeel in aanmerking komen ^.
2^ Hetzelfde geschiedt hier en daar met familieleden en volgelingen
van dorpshoofden, ja zelfs met afgetreden hoofden en bestuurders ^.
30 Op Madoera bestaan nog bouwgronden bestemd voor de
barissan of inlandsche militie. Bedoelde gronden worden door
de commandanten dier troepen in aandeden verdeeld, en aan de
officieren, onderofficieren of minderen uitgegeven. Die aandeden
vormen een gedeelte der soldij. Bij ontslag uit den krijgsdienst
of bij overlijden gaat het recht op het aandeel verloren. Bij
de overname der Madoereesche vorstendommen is deze toestand
gehandhaafd *.
4® In dezelfde residentie vindt men nog de zoogenaaujde negëri-
gronden. Dit zijn de gronden , tijdens het vorstenbestuur aan leden
der vorstelijke familie en aan grooten tot hun onderhoud uitge-
geven. Wel zijn de houders, bij de overname der vorstendommen,
* Zie p. U)0 noot 1, en vergl. Eindresumc, dl. I, p. 94 en v., % en vv., dl. III, p. 387,
29(J en v., 297; Sollewyn Gelpke, t. a. p. , p. 43; Poensen, t. a. p. , p. 101. Van
de geheel ol* ten decle kostelooze bewerking der ambtsvelden spreekt reeds
RafTles , t. a. p. , p. 102.
* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 99. Voor een analoog verschijnsel in Britsch-
Indië, vergl. Maine, t. a. p. , p. 125, 126.
» Vergl. Eindresumé , dl. I , p. 99.
* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 111, 137; Ind. Stbl. 1883 N" 242 en 1885 N« 144.
By de overname van Pamakassan is geene speciale bepaling voor de barissan-
gronden gemaakt; maar dit neemt niet weg, dat de oude toestand ook aldaar
is gehandhaafd. Zie Ind. Stbl. 1858 No 54 en 1872 N" 66 art. 1 litt. h. Voor de
bestemming, aan de vrijvallende bar is san-gronden te geven, zie noot r van
de tabel I der Byl. Q van het Kol. Verslag van 1893.
6- Vol^r. 111. 11
l62
DS AFWmiKOEN VAX UKT MOHAMMEDAANSOHE
door het GouvernenieDt scbadeloosgesield in geld; maar de be-
werkers dier gronden zijn voorloopig in hunne oude rechten
gelaten '.
Vroeger kon men ook als soorten van quasi-ambtelijk landbezit
aanmerken de sawah negara in Bantam, de sawah tjarikin
het Soemedangsche , en de sawah of tëgal pikoelan in Pro-
bolinggo en Besoeki. Ofschoon nog in het Eindresumé besproken,
zijn alle deze gronden thans in het erfelijk individueel bezit der
opgezetenen ^.
§ 12. Bezit- of gebruiksrecht of de begraafplaatsen , dr
erven der moskeeën en de andere gewijde gronden.
Begraafplaatsen zijn volgens de Mohammedaansche wet altijd
goederen in de doode hand (A.rab waqf. Mal. Jav. Soeud.
wakap), niet alleen wanneer zij uitdrukkelijk in de doode hand zijn
gebracht, maar ook van rechtswege door het enkele feit van het
begraven. De eigendom daarvan behoort dus aan AU&h, en is
aan het handelsverkeer onttrokken. Opgraven van lijken is alleen
in bepaalde gevallen toegestaan, en nimmer kan de grond zelf
aan zijne bestemming worden onttrokken. Nu treft men vooral in
West-Java en op Madoera ook wel begraafplaatsen aan, die wakap
zijn , en worden elders ook de heilige en vorstelijke begraafplaatsen
gerekend in een bijzonderen, straks nader te beschrijven, rechts-
toestand te verkeeren ; maar met de gewone gemeentebegraafplaatsen
is dit niet het geval. Laatstgenoemden worden namelijk geacht te
behooren, bf aan de betrekkingen der overledenen, bf aan het
Gouvernement, bf aan niemand, bf aan de gemeente, of aan hen
die de graven hebben gedolven, in één woord, men vindt daar-
omtrent de meest uiteenloopende begrippen. Ook zijn er voorbeelden
van het veranderen der bestemming van den grond, waartoe alleen
het houden van een offermaal noodig schijnt ^,
Behalve de algemeene begraafplaatsen, aangelegd ingevolge het
bepaalde b\j Ind. Stbl. 1864) N> 196, welke nog betrekkelijk
1 Vergl. Kol. Verslag van 1893, Byl. Q, tabel I, noot r.
• Vergl. Kol. Verslag van 1888 , Byl. S , en de correctie in het Kol. Verslag
van 1893, Byl. Q, tabel I, noot d.
» Vergl. Minhadj at-Talibïn, dl. I, p. 225, 227, dl. II, p. 189; Syed Ameer
AH: The law relating to gifts, etc. (Calcutta 1885), p. 243 en v., 339, 351 en v.;
Eindresumé, dl. III, p. 100, 102 en v. ; Soerj& Ngalam, p. 33.
VERIktOGENSRECltt O^ JAVA EK MADOEILA. 16&
Weinig talrijk zijn, en natuurlijk niet door het inlandsche recht
worden beheerscht ' , vindt men in den regel bij elke gemeente
eene begraafplaats, roet locaal uiteenloopende namen aangeduid,
als pamakaman (van het Arab. maqdm*, lett. : ^i^standplaats^r) ,
pakoeboeran (van het Arab. qoboer, raeerv. v. qabr, d. i.
/i'graf/ir), pasar éjan, astana, enz. Sommige gemeenten hebben
meer dan ééne begraafplaats; terwijl omgekeerd ook wel meerdere
gemeenten te zamen ééne begraafplaats bezitten, dan wel eenige
gemeente hare dooden op de begraafplaats van eene andere
brengt ^. Behalve deze gemeentelijke heeft men nog particuliere
begraafplaatsen, meestal op woonerven, waar echter ook aan
anderen wordt toegestaan te begraven. Dikwijls vindt men op de
gemeentelijke begraafplaatsen bepaalde, door muren of anderszins,
afgescheiden plekken, welke de graven van bepaalde familiën be-
vatten, bv. van regenten of andere hoofden, van de stichters van
het dorp , enz. , welke graven eene zekere vereering genieten ,
zonder daarom nog als heilige graven (Mal. Jav. Soend. kramat,
v.h. Arab. kar&mah, d. i. //wonder/^) te worden beschouwd. Het
onderhouden en schoonmaken der graven van bijzondere personen
is een plicht van hunne familie; het onderhouden en schoonmaken
der gemeenschappelijke begraafplaats komt ten laste van de ge-
meente, welke daarmede eenige, meestal oude en van andere
diensten vrijgestelde, personen belast, tegen vergoeding van een
klein aandeel in de gemeentevelden , van een deel der d jak at of der
pitrah, enz. Bedoelde personen zijn veelal tevens belast met het
delven der graven en andere werkzaamheden , op de bezorging van
lijken betrekking hebbende, voor zooverre die niet ten laste der be-
trekkingen van de overledenen kunnen worden gebracht De boomen,
op de gemeentelijke bej^ raaf plaats groeiende, blijven behooren aan
hen, die ze geplant hebben, of die daarvan , tijdens de bestemming
van den grond tot begraafplaats, eigenaars waren. Zijn dezen niet
bekend , dan wel hebben zij van hun recht afstand gedaan , zoo
volgen de boomen den rechtstoestand van den grond , en mogen niet
door de leden der gemeente worden gekapt of geveld. Deze regel geldt
ook ten aanzien van bamboe, op de begraafplaats groeiende. Over de
boomen en de bamboe-stoelen waarvan hier sprake is, mag alleen ten
algemeenen nutte door het dorpshoofd worden beschikt, speciaal
• Die begraafplaatsen blyven dus hier verder buiten bespreking.
• Van eene daarvoor te betalen recognitie vind ik geene melding gemankt.
104* DE Anann^azs wa's nwr MOHAMinn>A^?i9cmi
tot TernieowiDg yan de benoodigdheden Toor de begrafenissen of
tot onderhoud der begraafplaats '.
Be»^;hikkirig over irrond , om die tot begraafplaats te maken ,
tegen den wil der recjithebbenden , schijnt zelfe vroeger zoo goed
als niet t« zijn voorgekomen, althans in het Eindresnmé vindt
men daarvan niet^ vermeld. Wel daarentegen schijnen niet zelden
moskeeën gebouwd te zijn op gronden, aan de bezittei^ ontnomen ',
in welk geval ten aanzien dezer gronden natuurlijk hetzelfde zal
gelden, wat hierboven omtrent willekearige beschikking over in-
dividueel bezeten £rrond tot andere doeleinden srezesrd werd '.
[ntnsschen zijn verreweg de meeste moskeeën met hare erven en
de aan haar tot onderhoud , enz. verbonden bouwgronden , goederen
in de doode hand, of worden althans door de bevolking ala zoo-
danig beschouwd , in de gevallen , waarin men den oorsprong van
den tegen woordigen toestand niet meer kan nagaan *. De lang-
gar^s of bedehuizen, niet voor het Vrijdaggebed bestemd, zijn
ht eveneens in de doode hand, bf zij staan op gewonen dorps-
grond , en verkeeren dan in denzelfden rechtstoestand als de wegen,
pleinen, enz. ^.
* Verg. Eindresumé, dl. IFI, p. *)2, KiO en v., 34ó; L. Th. Mayer: De Javaan
(Batavia 1894), p. 183 en vv. De in den tekst bedoelde gra venbewakers heeten zeer
verschillend. Soms noemt men hen djoeroe-koentji, d. w. z. ^sleutel bewaarders";
maar dit woord is meer in gebruik voor de bewakers der graven van vorsten
of heiligen. Op de meeste plaatsen heeten zij eenvoudig: „bewakers", en op enkele
anderen : ah 1 i m aj i t (Arab. a h 1 a 1 - m a j j i t , d. w. z. „lijkenbezorgers"). Dat zij
soms de djakat krijgen, is, blijkens mijne aanteekeningen , bij het onderzoek
in IHdl en 1868 o. a. in het dorp Sidojoe van Bantam verklaard; doch in het
Eindresumé, dl. 111, p. 3;i8, wordt deze bijzonderheid niet vermeld.
' Verg. Eindrcsumc, dl. III, p. 162, 163. Op laatstgeciteerde pagina staat zelfs,
dat zulks „in den regel" heefl plaats gehad; doch dit is beslist onjuist, en alleen
daardoor te verklaren, dat het onderzoek in 1867 en 1868 toevallig slechts in
weinige gemeenten schijnt te zijn gehouden, waar zich moskeeën (mësigit
d. w. z. een bedehuis voor het Vrydaggebed) bevonden. Al had dus de willekeurige
beschikking over den grond in de meerderheid van die gemeenten plaats gehad,
zoo bewgst dit nog niets ten aanzien van den algemeenen toestand. Vergl. Mo-
bammedaansche geestelijkheid, enz., p. 4, 5, 19, 20.
» Zie boven, p. 147, 148.
^ Vergl. Mol^ammedaansche geestelijkheid, p. 37 en w. ; Eindresumé, dl. I,
p. 100 en vv. , 136, 209. Dat men in Midden-Java, behalve de erven der mos-
keeën, betrekkelijk zoo weinige goederen als eigeniyke wakap's vermeld vindt,
ligt waarschynlgk aan het feit, dat de opgezetenen er van ouds geene zakelyke
bezitrechten op den grond uitoeienden, en dus ook geene wakap's konden
maken. Zie boven p. 134 en vv. , en Moh. geest., p. 39.
^ Zie boven, p. 118.
yERMOG£NSR£CHT OP JAVA BN MADOKBA. 165
Als gewijde gronden van zeer bijzonderen, en buiten het Moham-
medaansühe recht staanden, aard, moeten echter de zoogenaamde
/ï' vrije V of përdi kan-dorpen in Midden -Java en op Madoera worden
vermeld , waaronder men in het algemeen te verstaan heeft gemeen-
ten , met hare gronden , geheel of ten deele van diensten aan den
lande en van belastingen vrijgesteld, maar waarvan de bevolking
daarentegen voor het onderhoud van graven, godsdienstscholen of
voorname familiën moet zorgen.
Ofschoon de Europeesche administratie alle deze gemeenten met
den naam van >yperdikan// bestempelt, zoo bestaan daarvan toch
verschillende categorieën , en moet men , naar de inlandsche begrip-
pen , onderscheiden tusschen :
P desa përdikan ', of zoodanige gemeenten, welker gronden
geschonken zijn aan bepaald aangewezen personen met hunne na-
komelingen , gewoonlijk onder voorwaarde van eene godsdienstschool
te onderhouden en daarin als onderwijzer (goeroe) te fungeeren,
dan wel van zorg té dragen voor de bewaking en het onderhoud van
bepaalde graven. Soms zijn beide bedoelingen gecombineerd. De be-
volking is dan , ten behoeve van den begunstigde , vrijgesteld van het
opbrengen van belastingen en het praesteeren van diensten jegens den
lande, en ook wat haar grondbezit betreft, staat zij niet recht-
streeks met den lande , maar met den begunstigde in rechtsbetrek-
king. De waardigheid van met zoodanig dorp begunstigd hoofd is,
behoudens de voorwaarde van geschiktheid voor de waarneming
zijner functies, erfelijk in zijn geslacht. Den begunstigden persoon
noemt men: përdikan, d. w. z. //vrijheer// ^,
2^ desa kapoetihan, of zoodanige gemeenten, waarvan de
vrijstelling van, op den grond of op de ingezetenen rustende,
lasten jegens den lande , heeft plaats gehad ten behoeve , niet van
een persoon, maar van eene instelling, waaraan geestelijken (w ö n g
poetihan (N) of tijang pëtakkan (K)) ^ verbonden zijn , bv.
eene moskee of eene godsdienstschool. Onderhoud der personen in
quaestie , maar geene individueele schenking van grond is dus hier
het doel.
3® desa midjèn, of zoodanige gemeenten, waarvan de vrijstel-
ling van , op den grond of op de ingezetenen rustende , lasten jegens
* Of ook pardikan.
* Voor de afleiding , zie het feestnummer van dit Tijdschrift , uitgegeven bij ge-
legenheid van het Orientalisten-Congres in 1883, dl. II, p. 5 en vv,
* Vergl. Moh. geestelijkheid, p. 9.
166 DE AFWIJKÜiGEN VAX HET MOHAMMEDAANSCHE
den lande , heeft plaats gehad ten behoeve van een bepaald persoon
of eene bepaalde familie , welke daardoor aan het gezag der gewone
inlandsche hoofden en ambtenaren werd onttrokken , en op zich
zelf, d. w. z. rechtstreeks onder den vorst of, in het Gouvernements-
gebied, onder den regent, staat. Is de gnnst aan een bepaald
persoon bewezen , zonder recht van overgang op zijne nakomelingen,
zoo keert na diens dood het dorp in zijn vorigen rechtstoestand
terug. Afstand van grond voor goed heeft bij deze dorpen dus niet
plaats. De begunstigde is alleen belastingheffer.
4^ d és a p a k o e n t j è n , of zoodanige gemeenten , waarvan de
vrijstelling van , op den grond of op de ingezetenen rustende ,
lasten jegensL den lande heeft plaats gehad, opdat de gemeente
zich zoude belasten met de bewaking en het onderhoud van eene
moskee of ander, voor den godsdienst bestemd, gebouw, of van
eene heilige of vorstelijke begraafplaats. Ook in deze gemeenten
had dus geene schenking van grond plaats, maar werden alleen
speciale diensten en opbrengsten , tot instandhouding van het gebouw
of de graven, aan de bevolking opgelegd. De personen , die in het
dorp speciaal met de zorg voor een en ander zijn belast, heeten
dj oero e-koe n tj i, of alleen koentji, d. w. z. ^sleutelbe-
waarders^ *.
Dat alle deze soorten van stichtingen alleen mogelijk waren van
overheidswege, en niet door particulieren konden worden in het
leven geroepen , behoeft geen betoog , en evenmin dat zij slechts
konden worden in het leven geroepen door vorsten, wier eigen-
domsrecht op den grond niet door zakelijke bezitrechten der opge-
zetenen was beperkt ^.
Ofschoon onderscheidene dezer stichtingen uit het Hindoe-
tijdperk dagteekenen , zoo valt toch de oorsprong van de meesten
in den Mohammedaanschen tijd, ja zelfs is die van eene enkele
in een bevel van de Europeesche overheid te zoeken. Alle stich-
tingen uit het Hindoe-tijdperk zijn trouwens door de latere
Mohammedaansche regeerders van Java en Madoera herhaaldelijk
vernieuwd, en zoowel bij de overname der zoogenaamde Montjo-
Nëgaransohe landschappen, als bij de invoering van het recht-
' Vergelijk: Mohammedaansche geestelijkheid, p. 40, 41, gecorrigeerd naar
F. Fokkens: Vrye desa's op Java en Madoera, in het Tydschrift voor Indische
Taal-, Land- en Volkenkunde, dl. XXXI (1886), p. 477 en vv.
• Zie boven, p. 136.
YBSMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 167
streeksche bestuur op het eiland Madoera heeft het Gouvernement
verklaard de //vrijeer dorpen in hunnen rechtstoestand te willen
laten. Zelfs schijnt het, dat men, om staatkundige redenen, vaak
te weinig streng is geweest in het beoordeelen van de aanvragen
om als "vrij'/ dorp te worden erkend. In de meeste «^vrije» dorpen
vindt men thans nog archaïstische vormen van grondbezit, welke
alleen door vergelijking met de toestanden onder het vorstenbestuur
te verklaren zijn. Zoo bestaat in de dorpen, welke te zamen het
Makam-gebied (Res. Banjoemas, afd. Foerbolinggo) vormen, nog
het toempang paroek, d. w. z. de toestand dat de gronden dier
verschillende gemeenten tusschen en door elkander verspreid liggen,
iets dat men vroeger algemeen in de Montjo-Nëgaransche landschap-
pen, en thans nog bij zeer vele apanages in de Vorstenlanden
aantreft. In de eigenlijk gezegde p ë r d i k a n-dorpen beschouwt het
hoofd zich als eenig zakelijk rechthebbende op den grond, en is
het recht der opgezetenen tegenover hem slechts contractueel , welk
contractueel recht zich wederom voordoet, zoowel in den indivi-
dueelen vorm , als in dien van communaal bezit met aandeden ^ .
Het bovenstaande betreft alleen in zijn vollen omvang de dorpen,
die in hun geheel zijn vrijgesteld ; slechts tot op zekere hoogte is het
toepasselijk op die, waar de vrijstelling niet op de geheele gemeente ,
maar op bepaalde gronden , dan wel op een bepaald getal hoofden van
huisgezinnen betrekking heeft. In dit geval is het doel der vrijstelling
altijd het bewaken en onderhouden van graven of moskeeën, zoodat
deze gedeeltelijk vrijgestelde gemeenten slechts përdikan- of pa-
koen tjèn-dorpen kunnen zijn *. De verplichtingen, welke tegen-
over de vrijstelling staan , hebben in zoodanig geval uitsluitend
• Vergl. Eigendomsrecht van den staat, p. 10 en vv. ; C. J. Hasselman: De
perdikan-dessas in het distrikt Tjahijana, in het Tijdschrift voor het Binnenlandsch
Bestuur, Jaarg. 1887—1888, p. 72 en vv.; Fokkens, t. a. p. , p. 486 en vv.,
498 en vv. , 5CH en w. ; Eindresumé, dl. I, p. 103 en vv. , dl. II, p. 121, en
Bijl. p. 54, dl. III, p. 22 en vv. , 130 en v. Voor de bijzonderheden omtrent elk
dorp of elke streek afzonderlijk wordt naar de opstellen van de heeren Fokkens
en Hasselman verwezen. De beschrijving van het bestuur der „vrye" dorpen be-
hoort natuurlijk niet te dezer plaatse.
* P<1rdikan's behoort men de vrygestelde personen alleen te noemen, wanneer
bepaald aan hen of aan hunne voorzaten bepaalde stukken grond zijn geschonken
onder de bewuste voorwaarden. Van koen tj i's of djoeroe-koentji's kan
men ook spreken, wanneer dit niet het geval is, en aan de gemeente slechts de
last is opgelegd een zeker getal personen voor de diensten in quaestie beschikbaar
te stellen. Dit volgt ten minste uit de hierboven van den heer Fokkens over-
genomen detinities; maar ik betwijfel, of het spraakgebruik wel altgd constant is.
inS DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHK
betrekking op de ingezetenen, in wier bezit zich de bewuste
gronden bevinden, of op hen, die zijn vrijgesteld van heeren-
diensten als anderszins. Laatstgenoemden zullen , bv. bij communaal
bezit, recht hebben op een aandeel, al behooren zij niet tot de
volle dienstplichtigen; terwijl, bij individueel bezit, voor de vrij-
gestelde gronden evenmin diensten behoeven te worden gepraesteerd
of landrente betaald. Overigens wijken in de gedeeltelijk vrijgestelde
dorpen de toestanden, ook ten aanzien van het grondbezit, niet af
van die der gewone omliggende gemeenten ' .
§13. DR RECHTEN, DOOR IE INIiANDSCHE BEVOLKING UITGEOEFEND
OP DEN GROND, BEHOORENDE TOT DE ZOOGENAAMDE PARTICULIERE
LANDERIJEN EN DE ERFPACHTSPERCEELEN.
Hierboven ^ werd reeds aangetoond , dat , en in hoeverre , in-
landers , die Ëuropeesche zakelijke rechten op den grond uitoefenen ,
te dien aanzien aan de voor Europeanen geldende bepalingen zijn
onderworpen. Wij hebben hier slechts in het kort te spreken van
de rechten der bevolking, op zoodanigen grond gevestigd, waarbij
wij ons echter tot enkele hoofdpunten kunnen bepalen met het
oog op de omstandigheid , dat bedoelde rechten grootendeels niet
door inlandsche instellingen , maar door , van het Europeesch gezag
uitgegane, verordeningen worden beheerscht. Wat de perceelen
betreft , in erfpacht uitgegeven ' , de bevolking , daarop gevestigd ,
oefent op den door haar geoccupeerden , zelfs op den door haar
voor eigen gebruik ontgonnen bouwgrond , geene zakelijke rechten
uit , maar heeft alleen contractueele aanspraken tegenover den
landheer. Dit zelfde is het geval met de bevolking, gevestigd op
de zoogenaamde particuliere landerijen beoosten de rivier Tji
Manoek *. Deze contractueele rechten worden beheerscht door de
gewone beginselen , welke voor de verbintenissen gelden .
Daarentegen oefent, volgens art. 8 van Ind. Stbl. 1836 N°] 9,
de inlandsche bevolking der particuliere landerijen bewesten de
rivier Tji Manoek op alle gronden, door haar metterdaad be-
• Vergl. Mohammedaansche geestelykheid , p. 42.
' Zie pag. 86 en 87.
' Voor zooverre die nog bestaan, geldt hetzelfde van de bevolking, gevestigd
op , van het Gouvernement gehuurde , gronden. De perceelen , in gewoon eigendom
of in opstal uitgegeven, zijn van te geringe uitgestrektheid, dan dat daarop van
eene gevestigde Inlandsche bevolking sprake zoude kunnen zijn.
♦ Vergl. Van Dissel, t. a. p., p. 293 en vv., en Ind. Stbl. 188l) No KtO,
VERMOGENSRECHT OV JAVA EN MADOERA. 169
bouwd , bewerkt of onderhouden , voor eigen rekening en risico ,
een zakelijk recht uit , door den wetgever '^erfpacht'" genoemd ,
omdat het met onze erfpacht wel eenige anjilogie heeft, maar dat
inderdaad een specifiek inlandsch recht is, in natuur overeenkomende
met het erfelijke bezits- of gebruiksrecht vjin het Mohammedaansche
recht en van de Agrarische Wet * . Het is een jusin re aliena, dat
* V'ergl. De Louter, t. a. p. , p. 6.K); arresten van het Hooggerechtshof dd.
IK Jan. 1872 en 5 Maart 1874 (Ind. Weckbl. v. h. Recht, N«* 454 en iyd'S). Ik
geloof niet, dat door juristen deze opvatting meer bestreden wordt, en evenmin
dat men in jure constituto de verbindende kracht van Ind. Stbl. 1836 N" 10
meer kan bestryden. Het beweren van den heer J. Faes , dat in de overschrijvingsacten
der particuliere landerijen, sedert 1330 verleden, van de beperkingen van be-
doeld Staatsblad geene melding werd gemaakt, en dat dus bij die acten „vol
en vrij eigendom werd overgedragen", is mij niet duidelijk. Vergl. Geschiedenis
van het particulier landbezit in West- Java , (Batavia 1 8^3) , p. II. Waar immers de
wetgever het eigendomsrecht heeft beperkt , is de vraag of door den eigenaar , bij
overdracht, van zoodanige beperking melding wordt gemaakt, niet ter zake meer
dienende. Vergl. art. 570 Ind. Burgerl. Wb. = art. 625 Ned. B. W. Ten allen overvloede
heeft art. 621 Ind. B. W. de beperking van het eigendomsrecht der landhceren,
door het zakelijke recht der opgezetenen , nog gesanctionneerd. Eene andere vraag
is natuurlijk, of de wetgever niet onbill\jk heeft gehandeld, en den eigendom der
landheeren eigenmachtig heeft beperkt , door aan de inlandsche bevolking een vroeger
niet bestaand zakelijk gebruiksrecht toe te kennen. Deze vraag wordt ontkennend be-
antwoord door wijlen Mr. H. C. Pennink : Het Reglement van 28 Februari 1836 voor de
particuliere landerijen (Groningen 1885), p. 40, en door mij, in myn meer geciteerd
opstel over het eigendomsrecht van den staat, enz., p. 19, doch door anderen,
waaronder ik den heer Faes als de meest gezaghebbende reken , in bevestigenden
zin. Naar aanleiding van zi^n uit al tegen mij , op p. XVII van zijn even geciteerd
belangrijk geschrift, wensch ik dien kundigen oud-resident beleefd het volgende
te doen opmerken. Tegen den hoeksteen van mijn betoog, dat in West- Java,
onder den invloed van den Islam, zich by de bevolking het bewustzijn van een
zakelijk gebruiksrecht op den grond heeft ontwikkeld , wordt door hem niets aan-
gevoerd, ja zelfs toont hij, op p. 26^>, door van Padjadjaran te spreken, d. w. z.
van den Hindoe-tijd, de beteekenis van mijn betoog niet te hebben ingezien.
Nu ontbreekt tot dusverre alle aanwijzing, dat, in dit opzicht, in het gebied der
O. I. Compagnie bij de bevolking een ander rechtsbewustzyn bestond dan in de
overige gedeelten van West-Java, ja wat meer zegt het Eindresumé leert ons
dat , althans in de Preanger en in Krawang , de begrippen in hoofdzaak met die in
Bantam, wat dit punt betreft, overeenstemmen. Dit nu vaststaande, kon de O. l.
Compagnie, als getreden in de plaats der vroegere vorsten, door landverkoop
geene andere of meerdere rechten overdragen dan die vorsten bezaten, en zij
dus zelf bezat. Ook zonder eenig voorbehoud by de vervreemding, kon die hande-
ling naar algemeene rechtsbeginselen aan de rechten der bevolking niet schaden.
Dit laatste slaat natuurlijk alleen op de gronden, waarop door de autochtone of
geïmmigreerde bevolking zakelijke gebruiksrechten werden uitgeoefend , maar niet
op onbebouwden of door eene vlottende bevolking bewoonden grond, gelyk de
groote meerderheid der door de O. I. Compagnie vervreemde perceelen waren. Alle
L70 DE AFWU&INGEN VAN H£T MOHAMMËDAAN8GHE
tefifen deu landeigenaar kan worden gehandhaafd , dat vatbaar is
voor vervreemding, verpanding , verhuur of erflating, alles be-
stukken , op laatstbedoelde perceelen betrekking hebbende , en waarop men zich ten
betooge van onvoorwaardelgken afstand beroept , zgn derhalve niet ter zake dienende.
Evenmin valt tegen myn beweren iets af te leiden, uit het gebruik, in de acten
van verkoop, van de uitdrukking: „volle eigendom"; vooreerst omdat ik niet
gezegd heb, dat het voorbehoud van de rechten der inlandsche bevolking in de
„acten" heeft plaats gehad, maar ik, blgkens myn citaat (p. 19 n. 5), integen-
deel op de aan die acten voorafgegane stukken doelde; in de tweede plaats
omdat, naar het Oud-HoUandsch , evenals naar het hedendaagsche recht, be-
doelde uitdrukking geenszins wettelijke en voor alle eigenaars geldende beper-
kingen van den eigendom, in ecne bepaalde streek, uitsluit. Wil de heer Facs
de onjuistheid van de geïncrimineerde plaats aantoonen, zoo heeft hg het om-
gekeerde daarvan te bcwgzen, namelijk dat uit de stukken — niet alleen uit de
acten van overdracht — op den verkoop van een bepaald land door de O. I.
Compagnie betrekking hebbende, blykt van eene gevestigde bevolking op dat
land, en desniettegenstaande daarin geene reserve ten aanzien van de gebruiks-
rechten dier bevolking werd gemaakt. Levert hg dat bewgs, zoo moet mgne
uitspraak, door invoeging van de woorden: ,in den regel", of iets dergelgks,
worden verzacht. Zij blijft dan immers nog in haar geheel ten aanzien van den
afstand van het land Klappa Noengal en de beide andere tegelgk vervreemde lande-
rgen, gelijk mede ten aanzien van den primitieven afstand van het land Buiten-
zorg. Door dit laatste blijkt tevens , dat de uitspraak ook van kracht blgft ten aan-
zien van de verschillende landergen , uit de latere splitsing van Buitenzorg voort-
gekomen. Vergl. Faes, t. a. p. , p. XVllI; Eigendomsrecht, p. 1<); Bgdragen, N. R.
dl. Vil (1864), p. 2Ö6; Plakaatboek, dl. V, p. 255, dl. VI, p. v58, 59. Dat des-
niettegenstaande ook in de acten van overdracht van bedoelde landen door de
O. I. Compagnie van „vollen en vrgen eigendom" gesproken wordt, bewgst op
nieuw, dat uit dien rechtsterm voor het onderwerp in quaestie niets valt af te
leiden. In het voorbijgaan wgs ik er nog op, dat, in de bekende publicatie van
Daendels dd. 13 Maart 1809, wel aan de landheeren wordt toegestaan van hunne
opgezetenen hoogere opbrengsten , dan vroeger geoorloofd waren , te „bedingen",
maar geenszins hoogere opbrengsten eigenmachtig te vorderen, en nog veel minder om
naar willekeur over den grond te beschikken , waarop bedoelde opgezetenen zakelgke
rechten uitoefenden; terwgl in § 4 van de verkoopvoorwaarden van Raflles uit-
drukkelijk „de wetten en gevestigde gebruiken des lands" , omtrent de verhouding
van den landheer tot zijne opgezetenen, werden gehandhaafd. Ten slotte moet
ik onder de aandacht van den heer Facs brengen, dat niets mg aangenamer is,
dan dat hg of anderen mgn arbeid aanvullen of verbeteren, dan wel mg, door
hunne opmerkingen , aanleiding geven mijne meening omtrent eenig punt nader toe
te lichten. Wenscht hij echter, dat ik hem in den ver\'olge op wetenschappelgk
gebied te woord sta, zoo verzoek ik hem vriendelijk zich ten mgnen aanzien van
uitdrukkingen als: „verwarring stichtend geschrgf', „naschrgven van onjuiste
stellingen uit eene dissertatie" , enz. te willen onthouden. Het is toch mgne vaste
gewoonte van op bedenkingen , in zoodanigen toon gesteld , niet in openbare ge-
schriften te antwoorden , en ik heb op dien regel alleen ditmaal eene uitzondering
gemaakt, omdat de heer Faes zijn stuk ook bg de Regeering schgnt te hebben
ingediend, blgkens de onderteek^ning in de qualiteit van lid eener ofti<;ieele com*
missie.
YERMOGRNSRËCUT OF JAVA EN MADOERA. 171
houdens nakoming der wettelijk geregelde verplichtingen en voor-
waarden. Daar alle woeste gronden, tot bedoelde particuliere
landerijen behoorende, vrij eigendom zijn van den landheer, kan
de inlander zich daarop geen erfpachtsrecht verwerven door
ontginning, tenzij met diens toestemming '; doch overigens wordt
het erfpachtsrecht beheerscht door de plaJitselijke instellingen en
gebruiken 2 , en zullen daarbij ex analogia de, elders ten aan-
zien van het erfelijk individueele gebruiksrecht bestaande, instel-
lingen en gebruiken mutatis mutandis als richtsnoer kunnen
gelden. Alleen moet als eene algemeene afwijking worden gewezen
op het ontbreken van inlandsche gemeenten op bedoelde landerijen.
Daardoor vervallen van zelve alle beperkingen in de uitoefening
van , en de beschikking over , het recht , in andere streken uit ge-
meentelijke regelingen voortspruitende evenals het communaal
grondbezit. Gewijde gronden, in een bijzonderen rechtstoestand
verkeerende, bestaan op bedoelde particuliere landerijen niet; wel
daarentegen ambtelijk landbezit, zoowel voor dorps- als voor distrikts-
hoofden , gelijk mede een weiderecht en een recht om boschpro-
dukteu te verzamelen ''. De vraag, of hét inlandsche erfpachtsrecht
vatbaar is voor overdracht aan Europeanen of Vreemde Oosterlingen ,
wordt in verschillenden zin beantwoord *.
» Vergl. artt. 2—7, 19-21, 23 van Ind. Stbl. 1836 N« 19. De wijzen van over-
gang , in art. 4 genoemd , moeten als enuntiatief en niet als limitatief worden be-
schouwd. Deze opvatting is, meen ik, nooit bestreden.
2 Eene beschrijving van die instellingen en gebruiken is mij niet bekend. Voor
de wettelijk geregelde verplichtingen en voorwaarden meen ik te kunnen vcr-
wyzen naar De Louter , t. a. p. , p. 599 en w.
» Vergl. artt. 2 al. 2, 52 en 53 van Ind. Stbl. 1836 No 19.
* In ontkennenden zin wordt de vraag o. a. beantwoord in de arresten van het
Hooggerechtshof dd. 24 April en 28 November 1878 en 27 Februari 1879 (Tijd-
schrift: Het Recht in N. I., dl. XXX (1878), p. 142 en vv., dl. XXXI (1878), p. 378
en vv. , en dl. XXXII (1879), p. 313 en vv.), gelijk mede door Pennink, t. a. p. ,
p. 43 en vv., en door my in de Handelingen der N. 1. Juristenvereeniging , Jaar-
gang 1887^ dl. 1, p. 27 en vv. In bevestigenden zin luiden o. a. de arresten van
het Hooggerechtshof dd. 24 December 1874, 15 October 1885 en 22 September
1892 (Ibid. Nos d^M, 1169 en 1532), en spraken zich uit Mr. J. Sibenius Trip,
Ibid. dl. XXX (1878), p. 97 en w. , dl. XXXII (1879), p. 8 en w.; De Louter,
t. a. p. , p. 601. Het door mü t. a. p. aangevoerde argument, dat Europeanen en
aan het Europeesche recht onderworpen Vreemde Oosterlingen, naar algemeene
beginselen, onmogelijk een zakelijk recht kunnen uitoefenen, in hunne wetgeving
onbekend, werd tot dusverre door de tegenstanders niet wederlegd. Al kan men
dus, gelijk het Hooggerechtshof nog in laatstgenoemd arrest doet, aantoonen
dat de wetgever in 1836 bedoeld heeft, ook Chineezen als opgezetenen niet
inlandsche erfpachtsrechten toe te laten, zoo is toch dQ zaak anders geworden
172 DE AirWIJRINGEN VAN IILT MOUAMMEDAANSCHE
Naast de zakelijke rechten van den inlander op den grond, be-
hoorende tot de hier besproken particuliere landerijen, kan hij op
dien grond ook contractueele rechten uitoefenen. Ten aanzien
van deze contractueele rechten moet worden herhaald , wat zooeven
werd opgemerkt met opzicht tot de contractueele rechten op den
grond, door opgezetenen van de erfpachtslanden en van de parti-
culiere landerijen beoosten de rivier Tji Manoek uitgeoefend '.
§ 14. DE RECHTEN, DOOR DE INLANDSOHE BEYOLBLING UITGEOEFEND
OP DEN GROND IN DE VOR8TENLANDEN.
Hierboven werd reeds aangevoerd * , dat in de Vorstenlanden van
Midden-Java de eigendom van den grond berust bij den vorst ' ,
en niet beperkt is door eenig zakelijk gebruiksrecht van de op-
gezetenen. Alleen de terreinen , door den vorst aan het Gouvernement
afgestaan voor forten en andere landsgebouwen , gelijk mede de
gronden aan Europeanen en Vreemde Oosterlingen in eigendom
afgestaan , zijn aan dezen algemeenen regel onttrokken ; maar die
gronden worden , ook als"zij naderhand aan inlanders worden over-
gedragen , beheerscht , niet door de godsdienstige wetten , volks-
instellingen en gebruiken , doch door het Indische Burgerlijk
Wetboek. Zij blijven dus hier verder buiten sprake. Zoo ook
vormen eene uitzondering op den regel de gronden , in de doodc
hand gebracht, en die der zoogenaamde //vrijei' dorpen, welke
gronden in rechtstoestand niet verschillen met de gelijksoortige
gronden buiten de Vorstenlanden, en waaromtrent dus wordt ver-
wezen naar de hierboven gegeven beschrijving van dien rechts-
toestand *.
Van den overigen grond , voor zooverre die niet gebruikt is
voor paleizen , lusthuizen en andere niet-productieve doeleinden ,
door hunne onderwerping aan het Europeesche vermogensrecht bij Ind. Stbl.
1855 N<> 7M. Dat eindelyk de wetgever, door bij Ind. Stbl. 1875 N^ 179 het over-
dragen van erfelyk gebruiksrecht op domeingrond aan niet-lnlanders te verbieden ,
implicite de overdracht van Inlandsche erfpachtsrechten toestond, is m. i. eene
minder juiste toepassing van den regel : qui de uno dicit, de altero negat.
Zie boven, p. UX), 101; Familie- en erfrecht, p. 503.
» Vergl. artt. 6 en 41 van Ind. Stbl. 1836 X» 19, en zie boven, p. 168.
* Zie boven p. 136.
' Onverminderd natuurlijk de staatsrechtelijke verhouding van den vorst tot
h^t Gouvernement als zijn leenheer.
* Zie boven, p. 162 en vv. ; Spaan, t. a. p. , p. 14, 15, 21; Brooshooft, t. a. p.,
p. 2 ; Van Alphen , t. a. p. , p. 292.
YB&MOGENSRKCHT OP JAVA EN HADOERA. 173
trekt de vorst gedeeltelijk zelf de inkomsten, gedeeltelijk heeft liij
dien in leen gegeven aan familieleden, ambtenaren, oJKcieren, hof-
dignitarissen en bedienden. Dit ambtelijke landbezit heet in het
Javaansch: loeuggoeh (N) of lênggah (K) ' , en wordt door de
Earopeesche administratie met den algemeenen naam van /^apanage^i^
aangeduid^. Daar de apanagehouders in den regel, wegens de
plichten van hun ambt of hunne bediening, den grond niet zelf
kunnen administreeren , geschiedt de exploitatie door middel van
bëkëfs of pachters, over wie reeds vroeger het noodige is ge-
zegd -''. Ook de vorst verpacht op dezelfde wijze den grond, welke
niet voor speciale doeleinden is gereserveerd.
In de residentie Soerakarta zijn in den regel voor elk ambt of elke
bediening speciale gronden als apanage bestemd, zoodat men, bij
bevordering, het apanage, dat men bezit, aan zijn opvolger over-
geeft, en op zijne beurt in bezit neemt het apanage, aan het
hoogere ambt of aan de hoogere bediening verbonden. Ditzelfde
geldt ook van de vaste apanages, verbonden aan bepaalde titels
van 's vorsten naaste familieleden , welke titels altijd slechts door één
persoon gevoerd kunnen worden, bv. van het apanage van den Fang-
éran Ngabèhi. In de residentie Djokjakarta daarentegen,
behoudt men bij bevordering het apanage, waaraan echter alsdan
een stuk wordt toegevoegd in evenredigheid van de verhooging in
den staats- of hofdienst. Naar beide systemen blijft intusschen de
totale uitgestrektheid der apanages, waarvan hier sprake is, tamelijk
standvastig. Alleen bij het scheppen van nieuwe, en het opheffen
van bestaande ambten of bedieningen , ondergaat deze uitgestrekt-
heid noemenswaardige wijziging. Anders is het intusschen gesteld met
de overige apanages, op grond van familiebetrekking met den vorst
genoten. Van deze apanages namelijk heeft ook in Soerakarta geene
verwisseling plaats. Daar zij echter geëvenredigd behooren te zijn aan
de rangen , welke de personen in quaestie in den adel innemen ,
en bedoelde rangen verminderen , naarmate er meerdere generaties
staan tusschen den begunstigde en zijn vorstelijken stamvader,
* Ook paloenggoehan (N) of palSnggahan (K).
' Alleen in het Mangkoe-Nëgaransche gebied z\jn de apanages langzamerhand
zeer ingekrompen, en worden tegenwoordig verreweg de meeste ambten en be-
dieningen uitsluitend in geld bezoldigd. Vergl. Spaan, t. a. p. , p. 29, 30; Broos-
hooft , t, a. p. , p. 39.
* Zie boven, p. 115 en vv. Ook de Europeesche landhuurders zyn, naar de
Javaansche begrippen, bgkël's. Vergl. Anggfir Sad&s&, art. 19.
174 DE AFVriJKINQBN VAS IIËT llOUAMMBDAA^SCËE
ZOO heeft in elke familie eene voortdurende inkrimping van apa^
nage plaats, en worden telkens, uit de aldus vrijvallende stukken ^
nieuwe apanages gevormd ten behoeve van de nieuwe gerechtigden,
welke bij vermeerdering der vorstelijke nakomelingen ontstaan •/
De vrijvallende stukken komen weder bij de gronden, van welke
de vorst zelf de inkomsten trekt, gelijk omgekeerd ook uit die
gronden in de behoefte aan nieuwe apanages wordt voorzien ;
wanneer de vrijvallende stukken van bestaande apanages daartoe
niet voldoende zijn. Tengevolge van deze en andere oorzaken vormen
zeer vele apanages geen aaneengeschakeld en afgerond geheel;
maar liggen de daartoe behoorende gronden tusschen en door
elkander verspreid. Men noemt dezen, vroeger ook ten aanzien
van de grenzen der vorstendommen zelve bestaan hebbenden ,
toestand: toempang paroek. Het apanage op grond van fami-
liebetrekking tot den vorst wordt casu quo genoten nevens dat,
hetwelk verbonden is aan een ambt of eene bediening ^.
Welke rechten de apanagehouder op den grond en op de
daarop gevestigde bevolking heeft, wefd reeds vroeger vermeld,
en zoo ook dat, en in welke mate, door hem of door den Yorst die
rechten op den pachter fbëkël) worden overgedragen '. De apanage-
houder is echter, ook als hij niet tot verpachting wil overgaan,
verplicht een administrateur (bêkêl maron) of een opzichter
(bëkël ngiras) aan te stellen voor zijn grond *. Het gevolg
daarvan is, dat de koelies, d. w. z. de opgezetenen die noch bëkël
noch apanagehouders zijn, op den grond slechts kunnen verblijven
krachtens overeenkomst, hetzij met den apanagehouder, hetzij met
den bëkël aangegaan, al naarmate het perceel niet of wel verpacht
is. De door den koeli te bedingen voorwaarden hangen geheel af
van de verhouding tusschen vraag en aanbod. Die voorwaarden
kunnen evenwel worden teruggebracht tot de vier volgende stelsels
van exploitatie van den grond:
1° het bëngkok- of grondgebruik-stelsel, daarin bestaande , dat
' Vergl. , voor nadere toelichting , mijne Inlandsche rangen en titels , p. 26 en vv. ,
79 en vv. In de ö^^ generatie houdt het toekennen van apanage geheel op.
* Zie boven, p. 167, en vergl. Spaan, t. a. p. , p. 15 en vv.; Brooshooft, t. a. p. ,
p. 2, 3; Van Alphen, t. a. p. , p. 293.
■ Zie boven, p. 116. De grootte der apanages wordt, evenals die der b8k?l-
schappen, berekend in djoeng's en tjatjah's. Zie boven, p. 115 noot 4. De
gronden worden genoemd naar de daarop gelegen dorpen, of liever vestigingen.
* Zie boven, p. 115, en AnggSr AgSng, art. 27; Pranatan Patoeh, art. 1.
tEBMOGüNSRECltT OP lAVA EK MADOEKA. 175
de apanagehouder of de bëkë] een gedeelte van den bouwgrond
voor zich reserveert om dien zelf te bebouwen of te doen bebou-
wen; terwijl hij liet overige in aandeelen verdeelt, welke aan de
koel i's in gebruik worden gegeven tegen zekere opbrengsten, of
tegen het verrichten van zekeren arbeid op het voor den apanage-
houder of den bëkël gereserveerde gedeelte;
2^ het mar on- of half bouw-stelsel , daarin bestaande, dat de
bouwgrond bij kleine stukken aan de koel i's wordt verhuurd
tegen uitkeering van een gedeelte van den oogst, naar de onder-
scheidiiigen ten aanzien van deze overeenkomst vroeger uiteengezet ' ;
3^ het glèbaggan- of wisselbouw-stelbel , daarin bestaande dat
aan de koeli's stukken bouwgrond worden afgestaan, waarvan zij
een afgebakend gedeelte voor zich zelf, en het overige voor den
ananagehouder of den bëkël bewerken, beplanten en oogsten,
zoodanig Üat periodiek de beide gedeelten omwisselen;
4^ het gli(}ik- of daglooner-stelsel , daarin bestaande, dat het
perceel door den apanagehouder of den bëkël geheel voor eigen
rekening en risico geëxploiteerd wordt met gehuurde arbeiders,
die niet eens op den grond behoeven te wonen.
Intusschen zijn andere soorten van overeenkomsten niet uitge-
sloten , evenmin als modificaties van de hier kortelijk verklaarde ,
meest gewone stelsels. Alles hangt af van het vrij beding tusschen
partijen. Bij aftreding van den bëkël moet diens opvolger aan den
koeli de gelegenheid geven onder zekere voorwaarden den grond
te blijven bewerken ^. Ook worden niet zelden in de pachtbrieven
(piagëm) aan den bëkël zekere verplichtingen tegenover zijne
k o e 1 i 's opgelegd, ten einde volksverloop te voorkomen ; maar dit alles
neemt niet weg, dat het eenige, waarop de koeli eigendomsrecht
uitoefent , is hetgeen hij op den grond gezaaid , geplant of gebouwd
heeft, zonder dat echter aan bedoeld eigendomsrecht de bevoegdheid
verbonden is om tevens den grond te blijven gebruiken. Zijn eigen-
domsrecht bepaalt zich , gelijk dat van een huurder bij ons , tot een
recht van weghaling onder voorwaarde van den grond weder in den
vorigen staat terug te brengen ^ . Voorts bevat de , in het apanage
of in den pacht begrepen , grond zoowel de akkers als de woonerven.
Wat men in de Yorstenlanden ^dorpen^ noemt , zijn , tegenwoordig
* Zie boven, p. 112, 113. By de niet aan Europeanen verhuurde gronden is dit
stelsel het meest gewone.
• Vergl. AnggSr Sad&s&, art. 36; Pranatan Patoeh, art. 10.
» Vergl. art. 1567 Ind. Burgl. Wb. = art. ItO'S Ned. Burgl. Wb.
oh'ltr *:^j ^/^p-*:. 1 "i ^ n l :i* m ^ifrk e n L 'lyyA:^ l Isre izzl o il eriiie kin t .:«^
*^':;i j/i/^^tp^rrf:-^] v*rri^x/ren, uüAr t\trtZ'^ tot in ^reri ere pa<:ht perceel e n.
'r*:'/*:u'*fp^fTfli7 i* d^: Liikt*t« a>:i£* n-^1 '. fea»ren er b-jaw^roLirn
^.j , jyx* wordt a^ifj de }/^rv>rjen, <3ie bij de bewerking' dóArT:iQ be-
trokkeji zijfj, re^Ul Vrren? een «tukje in het dorp aai^vezeu
oirj t^ l>eworjeD ; d^^ch de apana^ehooder of de pacht< r is Trg om
z/'#^/vee] en x^Xi weiiii;? perviijeü in zija dorp toe te laten, als hij
wil, erj zijn belang medebrengt. In de dorpen zonder boa wgron den
^d^»a fN; of (Jocsocn (K) kopek; beslaat de opbrengst in de
dieniften der inwoners, en in den huurprijs roor den grond , waarv.»p
df^ woningen geplaatst zijn, of in een aandeel in de vruchten of
groenten , welke op de erven geteeld worden. Ook ten deze
hangen de vrxirwaarden , door den koeli te bedingen, geheel af
van vraag en aanbod ^.
De ontginning van woesten grond doet in geen enkel opzicht
te kort aan het eigendomsrecht van deu vorst, noch aan de
rechten van den apauagehouder of van den bêkël. Hij, die-
woeiiten grond wil ontginnen, welke tot een apanage of tot een
pachtper(M;el behoort, kan dit slechts doen roet veigunning van
den apanagehouder of van den bek el, en deze kannen hem dan
de voorwaarden stellen, welke zij goedvinden. Ontginning van niet
als apanage uitgegeven of niet verpachten woesten grond, staat
in den regel vrij; inaar inen kan de ontginning alleen behouden,
wanneer men die als apanage van den vorst verkrijgt, of als
bëkël van hem pacht. In overeenstemming met deze beginselen
geven de «favaansche wetten deu ontginner wel bescherming tegenover
stoornis, door derden gepleegd, doch niet tegenover deu apanage-
houder of deu bëkël van deu grond, noch tegenover den vorst.
Ileclames van derden tegen nieuwe ontginningen verjaren na 3
jaar. Als grensteekeuen van ontginningen mogen slechts merkeu
van steen of groote hoornen worden gebezigd -^.
• In dat geval li^Kcn de woningen en erven , tot de verschillende perceelen be-
hoorcndc, niet ;sciden ook door elkander verspreid.
• Vcrgl. Spaan, t. a. p. , p. 'M) en vv. , 39 en vv. , 58 en vv. ; Pranatan Patoch,
art, f) : Brooshooft , t. a. p. , p. :i , , 7 , 1( > en v. , 19 en w. ; V^an Alphen, t. a. p. , p. 28:i.
• Vcrgl. AnggSr Saditsii, art. 41. 42; Angger Goenocng, art. li)\ Spaan, t. a. p. ,
p. 04 en vv.
VfiRHOGENSUECHT OP ^AYA EN MADOE&A. 177
Ten slotte moet nog worden melding gemaakt van zekere gron-
den, welke in een bijzondereu rechtstoestand verkeeren, namelijk
de zoogenoemde pangrëmbé- en kë par ak- gronden. De pang-
r ë m b é-gronden vormen een deel van de terreinen . waarvan de
voist zelf de inkomsten trekt , maar zij worden nimmer in apanage
uitgegeven, als zijnde bestemd voor de voorziening in de dage-
lijksche behoeften van de hofhouding. De bekëTs/die perceelen
van deze gronden gepacht hebben, brengen dan ook geen e pacht
in geld op, maar in vruchten, groenten en andere prodacten
van den bodem, welke in den Krat on benoodigd zijn. De
këparak-gronden, vormen eene soort van erfelijke leenen ten
behoeve van de zoogenaamde këparak's, d. z. de personen,
die eene afdeeliug van de lijfwacht van de Soesoehoenan of van
den Sultan vormen, toembak irëng of ^rzwarte pieken /i^ genaamd.
Hoofden van de këparak's zijn de Boepati këparak tëngën
en de Boepati këparak kiwa. Behalve den dienst als lijf-
wachten , zijn hun ook nog andere diensten opgedragen. Deze leenen
gaan op 'de kinderen en verdere afstammelingen van de houders
over , zelfs in de vrouwelijke linie ; maar in het laatste geval moet
de vrouw in qnaestie een vervanger stellen. Bij het uitsterven van
eene familie, of bij verlies van het leen wegens veroordeeling ter
zake van een zwaar misdrijf, wordt dit aan een ander persoon toe-
gewezen. Tntusschen is de vorst steeds bevoegd ook om andere
redenen over het leen of een gedeelte daarvan te beschikken. De
oorsprong dezer leenen is onzeker; vermoedelijk waren de primitief
daarmede begiftigden , personen , die zich voor de uitbreiding van
den Isl&m verdienstelijk hadden gemaakt ^.
§ 15. iBJUaATIE&EOHT.
De begrippen omtrent het irrigatierecht in West-Java zijn geene
anderen dan die vaü den Isl&m. Het water, dat zijn natuurlijken
loop volgt, is hakoellah (v. h. Arab. haqq All&h), d. w. z. het
behoort aan All&h , en ieder mag daarvan nemen zooveel hij wil en
kan, mits eerbiedigende de rechten van derden op den door hen
erfelijk individueel bezeten grond, indien het water zich daarop
* Vergl. Spaan» t a. p. , p. 17, 20 en v.; Winter: Javaansche samenspraken,
dl. 1, p. 69; Inlandsche rangen en titels, p. 54, ó7; Brooshooft, t. a. p. , p. 3;
Van Alphen, t. a. p. , p. 2W, 292 en vv.
6« Volgr. III. 12
178 DS AFwi»iifon TA5 arr uobamükdaaüscbm
berindt; tcnrijl het water door toeëigening priTaat-eigendom
(bakoeladam v. h. Arab. haqq al>4da mi) wordt. Leidingen en
andere waterwerken behooren aan de aanl^gers, gelijk mede het
daardoor verkr^en water, en zijn, afgescheiden Tan den grond,
voor het uitoefenen van zakelijke rechten vatbaar '. Alleen op de
particuliere landerijen bewei^ten de rivier Tji Manoek \b deze materie
door de artt. 32 en 33 van Ind. Stbl. 1S36 N» 19 geheel aan het
gezag der inlandscke instellingen en gebruiken onttrokken , en aan
de verordeningen en bevelen van het Gouvernement onderworpen.
In de overige gedeelten van Java, gelijk mede op Madoera,
treft men, blijkens het onderzoek in 1867 en 1868 gehouden, de
meest onbestemde en uiteenloopende begrippen aan omtrent het
irrigatierecht. uier meent men, dat het water principieel aan
niemand toebehoort', elders beschouwt men iedereen als recht-
hebbende daarop, en in weder andere streken beschouwt men als
eigenaar het Oouvemement, of wordt het water als een acces-
sorium van den grond aangemerkt. Van eerbiediging der indivi-
dueele rechten op leidingen en andere werken, en op het daardoor
verkregen water, is over het algemeen in die streken dan ook
geen sprake. Slechts in enkele gemeenten van Banjoemas, Bagelen,
Japara en fiembaug vindt men erkenning van soodanige individueele
rechten , meest trouwens ten aanzien van onbeteekenende leidingen
en werken ; maar overal elders worden de persoonlijke aanspraken der
aanleggers hoogstens zoo lang erkend , als zij leven , of de onmiddellijk
op hen volgende rechtverkrijgenden bekend zijn. Bij verdere geslach-
ten worden eenvoudig als rechthebbenden beschouwd allen, die
feitelijk voor hunne sawah^s het door die leidingen en werken
verkregen water gebruiken , en deelnemen aan het onderhoud er van.
Zonder dit laatste erkent men geen recht op het water hoegenaamd.
De overgang van de rechten der aanleggers in die der gemeenschappe-
lijke gebruikers en onderhouders heeft, in streken met communaal
bezit , nog spoediger plaats , dan in die met zuiver individueel bezit.
In eerstgenoemde streken wordt veelal zelfs aan de aanleggers slechts
een tijdelijk recht toegekend , en brengt het feit van de toewijzing
van een sa wah-aandeel , ja zelfs dat der ontginning van eene nieuwe
» Vcrgl. Minhadj a^TAlibm, dl. 11, p. 179 en w.; Resumé van Bantam, p. 170
en V.; Eindresumc, dl. II, p. 331, dl. Hl, p. 310, 312. Alleen ingeval van be-
hoefte aan drinkwater is men, volgens den Islim, onder zekere omstandigheden
verplicht het water, waarvan men eigenaar is, zonder vergoeding met een ander
te deelen. Vergl. Katb al-Qarib, p. 397, 399.
YBIUiOGENS&ECHT OP JAVA EN MADOERA. 179
sawah, van rechtswege toekenning van aanspraak op het water
met zich , behoudens de voorwaarde van deelneming aan het onder-
houd. Trouwens buiten West-Java schijnen de meeste leidingen en
werken van belang te zijn aangelegd op hoog bevel, dan wel in
gemeenschappelijken arbeid door één of meer gemeenten , niet zelden
met willekeurige beschikking over individueel bezeten grond. Dat
in zoodanig geval het recht op het water ook volgens den Isl&m
een gemeenschappelijk recht is, behoeft geen betoog. Alleen ligt
het verschil tusschen de streken met zuiver individueel bezit, als
West-Java en Madoera, aan den eenen kant, en de streken met
communaal bezit aan den anderen kant, wat de op hoog bevel of
gemeenschappelijk aangelegde leidingen en werken betreft, daarin,
dat in eerstgenoemde streken het gemeenschappelijke recht op het
water geene gevolgen heeft gehad ten aanzien van het grondbezit ;
terwijl bedoeld recht in laatstgenoemde streken het gemeenschap-
pelijk bezit van den grond na zich sleepte *.
Als eene andere afwijking van de Mohammedaansche wet moet ,
ook ten aanzien van West-Java, vermeld worden het bij die wet
onbekende preferente recht van den aanlegger van eene waterleiding
of een waterwerk om , onder bepaalde voorwaarden en beperkingen ,
ook den grond te ontginnen, welke met de leiding of het werk
geïrrigeerd kan worden. Alleen op Madoera en in Madioen , Kediri
en verder oostwaarts gelegen residentiën schijnt dit recht van voor-
keur onbekend ^,
De behoorlijke en regelmatige verdeeling van het irrigatie-water
heeft, ingeval alle rechthebbende sawah's niet te gelijk voldoende
kunnen worden voorzien , een aantal rechten en verplichtingen doen
ontstaan, welke tot de navolgende categorieën kunnen worden terugge-
bracht Men heeft vooreerst het stelsel van prioriteit der hooger gelegen
sawah^s of sawa h-blokken, zonder dat daarbij wederom melding
wordt gemaakt van de bepaling van den Isl&m , dat het prioriteits-
recht ophoudt, zoodra het veld ter hoogte van de enkels onder
water staat '^. Een ander stelsel is dat van beurtregeling , zoodat
elk veld of elk blok van velden het water bekomt om het etmaal,
ï Vergl. Eindresumé , dl. II, p. 330 , dl. III , p. 310 en vv. , en zie boven , p. 151 , 152.
Het verband van het gemeentewezen met het irrigatierecht bestaat ook in Britsch-
Indië. Vergl. Maine , t. a. p. , p. 108 en vv. Daarentegen erkent wederom art. 43
der Koet. Man. in zeer beslisten vorm de individueele rechten ten aanzien van
het irrigatiewezen.
* Vergl. Eindresumé, dl. H, 329 en v.
» Vergl. MinhAdj a^Talibin, dl. U, p. 180.
óau »*r! om dt 2, ->, 4^ vn »rlf* S diï^en; t^rw:jl in beiz/eïfdc
bi'A ••'^rrjji h*rt e^rjt ir*:ld b*ft vat^r des dwiz? bekoail , en bet an-
d«rn!r d*3% n^f:hx£. ¥^n i^T^t stelsn?] betirft de Tcrboudinz tii5=^hen
de ca va h 'ft of ts va h- blekken, welke od middellijk bun vater
oit de l*ridiriir erlaniren, en die welke daarachter of daar beneden
Ijjfjrerj, Op de bezitters ran eerst bed ck-1 de groDden ni«t dan in den
rejr^l de verplicht iiig orn het water op de laatst bed oei den te laten
afvloeien, jihA^i rij zelf Toldf>ende voorzien zijn: terwijl wederkeerig
v^Kir laat*ll>edoelde gronden meestal de verplichting be^tAat het
afl^#'>f>eiide water te ontvangen. Op dezen l&atsten regel schijnt alleen
eene ujtz'>ndering te worden aangenomen, indien de lagere gronden
het water in het gelieel niet kannen gebruiken. Dan moeten de
^>ezittenl van de h^Kiger gelegen sawah^s het water te hnnnen
koide elder» doen afvoeren. Niet zelden worden ook de achteree-
legen «awah^s, door bijzondere kleine leidingen of kokers, recht-
«treekji uit de hoofdleiding van het benoodigde water voorzien '.
Üe hierbedoelde regelingen van het watergebruik ondergaan naar
plaatselijke omstandigheden vele modificaties. Onderlinge schik>
kingen tofsschen de rechthebbenden hebben overal plaats, welke
»cliikkingen intusi^chen in West-Ja va steeds verband honden met
d(5 individaeele rechten, aldaar op leidingen en werken uitgeoefend.
In vele gemeenten treedt bij beurten één der rechthebbenden op
het water als bestuurder op. Overigens staat de waterregeling in
de Ktreken , waar de individueele rechten der aanleggers niet voort-
durend erkend worden, en in de streken waar dit wel het geval
iff, zoodra rechten van derden daarbij zijn betrokken, onder het
toezicht en de bevelen der gemeentebesturen, naar de omstandig-
heden met inachtneming der bevelen van hoogere autoriteiten. Bij
leidingen en werken, welke aan de gemeente zelve toebehooren,
i« de geheele zaak in handen van het gemeentebestuur, onder
hetzelfde voorbehoud. Dikwijls is een speciaal dorpsbestuurder met
deze aangelegenheid belast: anders behoort zij tot de persoon-
lijke attributen van het dorpshoofd, en soms van den dorps-
geestelijke *.
De waterleidingen en werken , welke onder rechtstreeksch beheer
van het Gouvernement staan, en waarvoor speciale ambtenaren
zijn aangesteld, blijven hier buiten beschouwing, als zijnde de
* Vergi. Eindrcsumé, dl. III, p. 316 en vv.
« Vcrgl. Ibid. p. 258 en vv., 314, 320 en vv.
VE&MOGENS&EOUT ÜP JAVA SN MAOOERA. 181
inlandsche rechisbegrippen daarop uiet toepasselijk. Daar deze aan-
gelegenheid nimmer in wettelijken vorm geregeld is, en geheel
door administratieve voorschriften en bevelen wordt beheerscht,
zonde zij ook om die reden in dit, aan het privaatrecht gewijde,
opstel niet op hare plaats zijn '.
Wat ten slotte de Vorstenlanden betreft, zoo gelden omtrent
het graven van waterleidingen en den aanleg van waterwerken
dezelfde beginselen, als ten aanzien van het ontginningsrecht zijn
uiteengezet, namelijk dat men daarvan alleen het genot heeft,
zoolang men als geapanageerde of bëkël het gebruik heeft van
den grond, waarop de leiding of het werk gelegen is, gelijk mede
van d«n grond, welke daardoor wordt geïrrigeerd. Zoolang dat
gebruiksrecht duurt, is echter het recht op de leiding , het werk en
het water onaantastbaar. Bij gemeenschappelijken aanleg is dat recht
ook gemeenschappelijk, en wordt geheel beheerscht door de onder-
linge overeenkomsten tusschen de belanghebbenden ^. Derden kunnen
het water slechts bekomen, wanneer de rechthebbenden het hun
willen afstaan, en onder zoodanige voorwaarden als in elk geval
worden bedongen. Intusschen heeft ook de rechthebbende op den
grond, voor het graven van leidingen en het maken van water-
werken, de vergunning van de overheid noodig; terwijl eindelijk
niemand kan gedwongen worden leidingen of werken op zijn grond
te dulden ten behoeve van een ander. Derde belanghebbenden
kunnen zich tegen het maken van nieuwe leidingen of werken in
rechten verzetten , mits hunne actie binnen het jaar na het plegen
van het feit instellende ^.
ï Vcrgl. Ibid. p. 314 en vv. , 322 en vv.
• In geval van gemeenschappelijke belangen wordt veelal door de rechthebbenden
één persoon aangewezen, om voor het gewone onderhoud en voor de gewone
waterverdeeling te zorgen. Zoodanig persoon heet: pangoeloe banjoe(N) of
p. toj4 (K).
• Vergl. AnggSr Sad&sA, art. 43; Spaan, t. a. p. , p. 68 en w.
ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET
INDIA OEFICE.
Verslag van Mr. W. ROOSEGAARDE BISSCHOP.
Aan
het Bestuur van het Koninklijk Instituut
voor de Taal-^ Land- en Volkenkunde van
Neder landsch'Indiè ,
te 's-Gravknhage.
M ij II e Heeren,
Volgens uw machtiging, mij in Juni 1S95 verstrekt, werd mij
opgedragen een onderzoek in te stellen naar de voor de Neder-
landsch -Indische geschiedenis belangrijke stukken in het Archief
van het India Office te Londen en het doen vervaardigen van
copieën van die documenten, welke niet reeds in druk mochten
zijn verschenen of reeds aanwezig zijn in de nrchieven in Neder-
land. Het onderzoek diende te loopen over de jaren 1595 — 1830.
Ik meende geen tijd te moeten verliezen , doch terstond roet
mijne werkzaamheden een aanvang te maken. Door de goede
zorgen van de autoriteiten van het India Office, vooral van Lord
Reay, toen Under-Secretary of State for India en Sir Stewart
Bayley, toen nopr hoofd van het Secret Department, en met
medewerking van den heer F. C. Danvers, Registrar and Super-
intendant of Records, werd ik in staat gesteld den 1" Juli d. a. v.
het onderzoek te beginnen. Van dien datum tot op het einde van
Maart 1896 is dit werk geregeld voortgezet , met uitzondering van
een korte onderbreking in denmanden October en November 1895.
Hier volge thans een verslag over het materiaal , dat te onderzoeken
viel , mijne werkzaamheden en het resultnat vnn het onderzoek.
MateriaaL
Bij de beschrijving van het mnterinal in het India Office aan-
weziif wensch ik voorop te stellen , dat een uitvoerig verslag daar-
6e Volgr. lil. 13
ISi ONDFUZOEK VAN STUKXrX IN HF.T ÏNDTA OFPICR
over in het jaar 1888 is verschenen van de hand van den heer
F. C. Danvers. ' Om noodelooze herhalingen te vermijden , daar dit
verslag slechts dient als handleiding bij de aan U overgedragen
lijsten, meen ik te kannen volstaan roet naar het Engelsche
werk te verwijzen voor de nauwkeurige opgave van de stukken
aldaar en de systematische indeeling van het archief, en mij hier
hoofdzakelijk te bepalen tot die punten, waarin de administratie
der Bngelsche Oost-Indische Compagnie verschilde van die der
Oost-Indische Compagnie in Nederland , en dientengevolge de
indeeling van de India Office Records verschilt van de indeeling
van het Koloniaal Archief op het Rijksarchief te 's Gravenhage.
Toen in 1858 het beheer der Britsch-Indische Koloniën door
den Staat werd overgenomen van de oude Engelsch-Indische
Compagnie , werd door den eerstgenoemde geen verandering gemaakt
in de eens aangenomen administratie. De East-India Companj
verwisselde slechts van hoofd, haar eigendommen werden eigendom
van den Staat, doch het beheer werd op denzelfden voet voort-
gezet. Vanda«ar dat, ondanks enkele veranderingen die sinds plaats
grepen , de tegenwoordige inrichting van het Ministerie geheel
steunt op die, welke de Compagnie in het begin der 18^ eeuw
invoerde en dientengevolge de tusschen de verschillende plaatsen
gewisselde stukken tot op den huidigen dag een onafgebroken
reeks vormen.
In 1708 werden de toen bestaande twee East-India Companies
vereenigd tot één enkele maatschappij, hetgeen leidde tot een
meer systematische behandeling van zaken d»n voor dien tijd het
geval was geweest. De Directors in Londen , die de leiding van
zaken in handen hadden, vormden onderling commissies, die ieder
een onderdeel dier leiding voor haar rekening namen. De voor-
naamste dier commissies was de /^Committee of Correspoudence^.
Bij haar kwamen alle brieven in, van haar gingen alle brieven
uit, die door de Court of Directors moesten worden geteekend.
Min of meer afgescheiden van deze Committees waren de werk-
zaamheden van den staf der Compagnie eveneens — naar den aard
van het werk — in onderdeden verdeeld. Hier onderscheidt men de
verschillende 'i'Departments'/, waarbij voornamelijk de gemakkelijk-
heid en juiste inrichting der administratie op den voorgrond stond.
' „Report to the Secretary of State for India in Council on the Records of the
hidia OfIVjc." London, Fyre rinl Spnttiswonde.
ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET INDIA OFFICE. 185
De briefwisseling nu is ingericht met bet oog op die departe-
mentale indeeling.
Tegelijkertijd werd op het vasteland van Indië het derde en laatste
hoofdkantoor opgericht, dat van Bengalen. Bengalen vormde vóór
dien tijd een onderdeel van Madras. De besturen der Indische
kantoren waren geschoeid op de leest van het hoofdbestuur in
het moederland, President and Council, met dit verschil echter,
dat zij zich niet tot committees vormden, doch hun werkzaamheden
verdeelden nacir de indeoling in departementen, die te Londen
waa doorgevoerd en in Indiö was nagevolgd. Althans wat de drie
bedoelde hoofdkantoren , Bombay , Madras en Bengalen bejbreft ;
voor de kleinere kantoren verviel het belang dier indeeling en
heeft men later slechts verschil gemankt tusschen geheime en
niet-geheime brieven en die betreffende militaire aangelegenheden.
Zooals gezegd, ontving de //Comraittee of Correspondence^^ alle
inkomende brieven. Deze werden door haar, naargelang van het
onderwerp, over de verschillende departementen verdeeld (gewoonlijk
stond het betreffende Departement reeds op den brief vermeld),
van wie zij eveneens antwoord afwachtte. De antwoorden der ver-
schillende departementen worden door haar samengevoegd tot de
meer zaak- dan woordenrijke generale missives. *
Op gelijke wijze geschiedde de briefwisseling in Indië, waar
President and Council de taak waarnamen der ijenoemde Com-
mittee at home.
Het gevolg is geweest, dat ieder departement in het bezit is
gekomen van een eigen archief, dat thans nog voortdurend ver-
meerderd wordt met de loopende stukken. Voorzoover dit archief
echter niet meer dadelijk van noode was voor het desbetveflende
departement, voor de afdoening van loopende zaken, werden de
stukkt^n aan het beheer van dat departement onttrokken (met
uitzondering van het Secret Department) en geplaatst in het Alge-
meene Archief. Voor het tijdvak ló95 — 1830 bevinden zich aldus
— met uitzondering van genoemd Geheim Archief — alle archief-
stukken , behoorlijk chronologisch gerangschikt en in deelen ge-
bonden , in de kelders van het India Office, met behoud echter
van de eens aangenomen departementale indeeling. Zij vormen
tezamen de «'Public Records./»'
Wij kunnen deze massa in drie groote groepen verdeden :
» Zie vei-der bl. l'XK
4
186 OHDKSZOKIC VAN STCKKEX IX HKT INDIA OITICE.
I. Verslagen van de vei^adeiïngen der Coart of Directon (Conrt
Books).
n. Briefwisselinsr van de Conrt of Di rectors met de autoriteiten
der Indische kantoren. (Dispatches and letters received}.
III. Verslag-en van de vergaderingen dier autoriteiten der Indische
kantoren , hunne overwegingen en besluiten en de door die kantoren
onderling gevoerde briefwisseling, ((^ousultations).
Bij het be:«preken dezer drie groe])en zal ik met den laatsten
oeginnen. Hoewel de «^Consultations^ eerst meer dan een eeuw
later beginnen dan de documenten der overige twee groepen, is
hare massa veel omvangrijker:
1" zijn zij volledig bijgehouden en bewaard gebleven. De brie-
venreeks (II) vertoont tot 1750 — 60 groote gapingen; uit de
16* eeuw zijn slechts betrekkelijk weinig stukken tot ons gekomen ;
2^ nam het zelfbestuur in Indië meer en meer toe, werden
aldaar meer zaken behandeld en beslist, waarover bij een ge-
regelde administratie geen advies aan Directeuren in London
behoefde gevraagd te worden
Deze laatste groep bevat ongeveer een 36.000 deelen folio.
Consultations.
Wij kunnen de «Consnltations^ het best vergelijken met de
uitvoerige notulen eener vei^aderiug, waarbij copieen van de
inkomende stukken werden opgenomen met de daarop gebaseerde
meeningen der verschillende leden van den raad (President and
Council), hun be;$luiten en de daarop berustende uitgaande stukken ,
alles in geregelde volgorde gerangschikt naar den datum der ver-
gaderingen van den raad.
Naargelang van den aard der werkzaamheden vereenigden zich
President and Council in rade voor een bepaald departement.
Heeft men dus aan den eenen kant Bengal, Madras, Bombaj
Consultations (Plaatselijke indeeling), aan den anderen kant
worden ieder van deze weder onderverdeeld in Public, Secret,
Political, Foreign , Military, Marine etc. etc. Consultations (De-
partementale indeeling). Voor de kleinere kantoren als
Malakka en Singapore nemen de Consultations somtijds den naam
en den aard aan van een dagboek (Diary), indien nl. van het
bestuur van het betreffende kantoor slechts één lid ter plaatse
aanwezig was.
A- Plaatselijke indoeling. Hierbij dienen wij op te merken :
ONDERZOEK VAN STUK.KEN IN HET INDIA OFFICE. 187
1". Voor zoover zij niet de reeds genoemde kantoren betreffen
op het vasteland van Britsch-Indië , zijn alle documenten, die op
de overige kantoren betrekking hebben, door den tegen woord igen
archivaris, den heer F. C. Danvers, tot groepen vereenigd, nl.
de 1'Java,'' de "Sumatra,// de //St. Helena," de '/Cape of Good
Hope,^ de //China and Japan Records^ en de '^Records relating
to the French in India /y Hieraan lag ten grondslag zoowel het
groote aantal lacunes, die in de stukkeu uit de 17" en 18" eeuw
ten opzichte van deze landen bestaan , als de wensch om alles te
vereenigen , wat behoort tot de streken waar een directe inmenging
der Engelschen heeft opgehouden te bestaan , als Java en Sumatra ,
of de betrokken landen sedert een onderdeel zijn gaan vormen
van de groote rij van Engeland's koloniën buiten Indië, als de
Kaap, St. Helena en China De verdere documenten betreffende
deze laatstgenoemden zijn te vinden in het Public Record Office en
het Colonial Office.
Daarenboven was het mogelijk deze documenten in locale
groepen te zaïnen te voegen, omdat — gelijk reeds werd opge-
merkt — bij hen een departementale indeeling of het geheel niet
bestond of niet tot ontwikkeling kwam.
Een afzonderlijke groep vormen ook de '/Straits' Settlements
Records//. Door de nieuwe indeeling toch van Lord Bentinck in
1829 kwamen Prince of Wales' Island, Malakka en Singapore,
evenals de geheele Westkust van Acliter-Indië, voor zoover deze
onder Engelschen invloed stond, onder direct bestuur van Ben-
galen en hield het bestaan van Prince of Wales' Island (Straits'
Settlements) als afzonderlijke faktorij op
2^ Sinds de meer systematisclie behandeling van zaken in de
18" eeuw werd doorgevoerd en liet kantoor in Bengalen de hoofd-
plaats werd van het geheele gebied , dat nan de East-India Com-
pany toebehoorde, de zetel van den Governor-Qeneral , werden
de //Bengjil Consultations// bij verre de belangrijkste van al wat
uit Indië afkomstig is.
Van de briefwisseling toch tusschen twee ondergeschikte kantoren,
beide Engelsche kantoren, of tusscheu een der ondergeschikte
kantoren en dnt van een der andere Europecsche natiën in Indië,
werd allereerst copie gehouden en de origineelen bewaaid op de
betreffende kantoren. Doch tevens werd van alle handelingen keunis
gegeven aan het hoofdkantoor, in den vorm van copieën der be-
doelde gewisselde stukken met een begeleidend schrijven. Was dit
188 ÜNOKKZÜËK VAN STUK.KKN IN UKT INDIA OFKICJi.
hoofdkantoor uiet Beugaleii (Fort William), doch zelf weder daaraan
ondergeschikt, dan ontving het kantoor in Bengalen weder copie
van de bedoelde correspondentie met de verdere desbetreffende
briefwisseling tusschen het hoofdkantoor en de bijkantoren plus,
ten overvloede, een begeleidend schrijven.
Dientengevolge vormden zich de ^y Bengal Consultations^y tot een
conglomeraat der verschillende op schrift vermelde handelingen
en gewisselde brieven over het geheele gebied der East-India
Company.
B. Departementale indeeling. Deze indeeling komt, gelijk
is opgemerkt, voornamelijk te pas bij de ^rConsultationSiv der kan-
toren op het vasteland van Britsch Indië. liet aantal departementen
is zeer groot, ongeveer een vijftigtal. Natuurlijk zijn niet allen
van evenveel belang. De omvangrijkheid hunner documenten-
massa hangt voornamelijk van de tijdsomstandigheden af en ge-
wicht voor de Nederlandsch-lndische geschiedenis kunnen zij
slechts bezitten, voor zoover de werkzaamheden van het be-
trokken departement in verband stonden met de handelingen van
vreemdelingen. Wat dit laatste betreft , zullen gewoonlijk de «Poli-
ticaU en ^Foreign Consultations^ voor Nederland het meest van
gewicht zijn.
Over de inrichting zelf der '•'Consultations*^ valt weinig meer
op te roerken. Wat de brieven aangaat, die daarop voorkomen,
zullen die, welke als inkomende stukken vermeld staan op de
^Bengal Consultations ,/' de uitgaande brieven der overige kan-
toren , en omgekeerd de antwoorden van het hoofdbestuur te Fort
William de inkomende brieven vormen der bijkantoren, aan wie
zij gericht zijn.
De overwegingen en discussiën naar aanleiding dezer brieven
staan nimmer geboekt, wel het daaropvolgend besluit, in zoo kort
mogelijke bewoordingen. In belangrijke gevallen echter stelden de
President en leden van den Baad, gewoonlijk bij verschil van
gevoelen, hun meening op schrift. Die meeningen vormen de zg.
^Minutes,'/ die weder geboekt werden onder de notulen van de
vergadering, waarop zij ter tafel kwamen.
Somtijds vormen deze ^Minniesv belangrijke bijdragen v(»or de
geschiedkundige ontwikkeling van het Engelsch koloniaal beheer,
wanneer zij nl. met breedvoerige omschrijving van de gronden,
waarop de individueele meening berust, feiten vermelden, die tot
de verre geschiedenis behooren, met vermelding der stukken,
OND£&ZO£K VAN 8TUK.KEX IX UL£T INDIA OFFICE. 189
waaraan die feiteu werden ontleend. Als voorbeeld haal ik hier
aan een »Min\xie» van den President Phillips (Prince of Wales
Island) uit liet jaar 1829 «^on the land tenures in Nanniug«r
(Malakka) , die later te Singapore als brochure in druk verscheen.
Het is een geschiedkundige verhandeling ov^r de verhouding der
Hollanders tot de inlandsche bevolking ten opzichte van het ver-
huren van landerijen in die streken, en is gebaseerd op oude
archiefstukken uit het toen reeds onvolledige archief te Malakka.
Later werd dit archief grootendeels overgebracht naar Singapore,
waar het als zoo menig ander in Indiê gedeeltelijk een prooi werd
van de witte mieren. *
Van de aldus in chronologische volgorde gevormde //Consul-
tations// werden meerdere afschriften gemaakt, naar ik meen drie.
Van deze afschriften, met een duidelijk leesbare hand vervaardigd
op deugdelijk papier, behoorlijk gerangschikt voor een geheel jaar
of halfjaar en voorzien van een klapper, werd één bewaard op
het plaatselijk archief bij de origineele stukken, één vond zijn
weg naar Bengalen (Fort William), terwijl een derde werd opge-
zonden naar Londen. Vandaar, dat men te Calcutta, voor de
laatste It^O jaren, een even volledige verzameling archiefstukken
behoort te bezitten als te Londen , met uitzondering alleen van
de rechtstreeksche briefwisseling der bijkantoren van het moeder-
land ; naar mij aan liet India Office werd medegedeeld , is dit ook
werkelijk het geval, voorzoover althans de ongunstige weersge-
steldheid en de witte mieren hierin geen lacunes hebben veroorzaakt.
De afschriften der Consultations , die hun weg vonden naar
Londen, werden daar in roodlederen banden gebonden, zoo, dat
iedere band ongeveer een gelijk aantal bladzijden beslaat. Het zijn
deze folio's, die de belangrijkste stof bevatten voor het opbouwen
van een Eugelsch-Indische geschiedenis
Om ü een denkbeeld te gaven van den omvang dezer stof,
diene het volgende. Voor het jaar 1826 beslaan de //Bengal Public
Consultations// 22 folio's (incl. de klapper), waaraan de //Bengal
* Door de welwillendheid van den heer Ch. O. Bladgen te Singapore gewerd
mij een „List of Malacca Records now in existence in the Resident Councillor's
Omce, Malacca," 1785-1827. Deze lijst loopt over de jaren 1785— 17^)6, 1798—
18')4, 1806-1813, 1815—1816, 1818—1826 en bevat slechts een 144 tal docu-
menten. Als extra's zijn aan de lijst toegevoegd een zevental stukken uit vroeger
jaren o, a. „N«. 6. Een bundel papieren refereerende den stand van zaken van
Nanning," uit de laatste helft der 16« en begin der 17* eeuw.
190 O.HDBB^OKK VAX STFLCKSX IS HET l.'VDiA UPFICK.
Political CoDsultations^ 'i4 folio's toevo^en en rie ^rBeug^ii Secret
Consaltations nog een zeveuUL Ën deze 'rConsulUtions^ Tonnen
nog slechts die der 3 belangrijkste afdeelicgen in de lange
rij departementen, waarin de administratie van het hoofdkantoor
was verdeeld. 1/aarenboven hebben wij hier nog slechts met één
kantoor te doen.
Hierbij dient echter in aanmerking te worden genomen, dat
onder de ^Bengal Consul tation:*" veel staat vermeld , dat ook elders
te vinden is. Wordt hierdoor het onderzoek van langduriger aard,
het wint tevens aan volledigheid en nauwkeurigheid door ve^e-
lijking der documenten van gelijken inhoud , vooral waar het de
briefwisseling betreft met andere mogendheden en compagnieën.
Terwijl de Engelsche compagnie toch in haar eigen taal brief-
wisseling Voerde, geschiedde dit van de zijde der /rvreemdelingen4'
eveneens in hun eigen taal of in het Fransch; en waren hiervan
de copieën niet op verschillende plaatsen voorhanden , dan zou het
ontcijferen van hetgeen de copiïst uit die dagen ons dikmaals te
lezen geeft, of geheel onmogelijk zijn öf tot zeer gewaagde uit-
leggingen kunnen aanleiding geven.
Inkomende en uitgaande brieven.
Generale missives, gelijk die in zwang waren bij de Neder-
landsche Oost-Indische Compagnie, heeft de English East India
('ompauy niet gekend. De correspondentie van de Court of Direc-
tors te Ijondon had rechtstreeks plaats met ieder der Indische
kantoren. Natuurlijk nam, met het toenemen van het gewicht
van het kantoor te Bengalen, het belang toe der briefwisseling
met Fort William. Een résumé echter van alle gebeurtenissen
in het gebied der East India Company , met verwijzing naar de
daaraan als bijlagen toegevoegde brieven der bijkantoren inindië,
zijn de Bengaalsche brieven nimmer geweest.
Wel vindt men '^General letters^/, doch deze zonden vertaald
moeten heeten /^Algemeene brieven «/, in tegenstelling met die,
welke afkomstig waren van een bepaald departement (speciaal de
//Secret" en //Political Letter»//) en slechts over zaken en gebeur-
tenissen handelden , die dat Departement speciaal betroffen , zoowel
als in tegenstelling met de //Separate letters , die slechts liepen
over bepaalde zaken en gebeurtenissen, onverschillig tot welk
departement deze behoorden.
Dientengevolge vindt men weinig baat bij het nemen der corres-
ONDSKZOKK VAN STUKILKN IN UET INDIA OJfFIGK. 191
poudeutie uiet het moederland als leidraad voor een onderzoek
van het archiefmateriaal, temeer omdat de "Oeneral Letters»
uiterst kort en zaakrijk zijn, en slechts eeuigszins uitvoeriger worden
waar het bestuur meent zijn gevoelen te moeten medcdeelen over
zaken, waarbij 'verschil van meening bestond.
De brieven van de kantoren in Indië aan de Directors der
East India Gompany werden, behalve in originali, gelijk bij de
Nederlandsche Compagnie, in afschriften overgezonden , somtijds
tot een vijftal toe. Zoowel de origineele stukken als vele der
afschriften zijn in Londen eveneens te zamcn gebonden in deelen,
in chronologische volgorde — naar den datum der afzending —
gerangschikt.
üe in die brieven vervatte bijlagen werden echter afzonderlijk
bewaard en zijn nimmer in banden gebonden. Het gevolg hiervan
is geweest, dat in sommige departementen alle bijlagen zijn
verloren gegaan , in een ander (Secret Department) de verzameling
niet geheel volledig meer is. Door de volledigheid der ^Consul-
tationsir zijn vele dezer documenten echter weer te vinden onder
de notulen der vergaderingen , waar zij als inkomende of uitgaande
brieven staan nedergeschreven. Mochten sommige bijlagen op die
vConsultations/y niet zijn terug te vinden, dan is het te vreezen,
dat wat zij wetenswaardig bevatten met hen voor de geschiedenis
verloren ging.
Bij de uitgaande brieven, die der Directors of the Bast India
Company te Londen aan de besturen der kantoren in Indië, ging
men als volgt te werk. De origineele stukken met afschriften in
duplo, triplo etc. werden verzonden naar Indië; te Londen zelf
behield men het concept van den brief, waarop de veranderingen
waren aangeteekend , die daarin mochten zijn gemaakt voordat men
het eens was geworden over de bewoordingen van den brief, zooals
die werd afgezonden. Waren die bewoordingen eenmaal vastgesteld ,
dan werd dit concept door de verschillende Directors geteekend
en aan den desbetreffenden Secretaris (Secretaris van het Departemeut
waartoe de brief behoorde) opgedragen een gelijkluidend schrijven
te richten aan het bestuur van het aangewezen kantoor.
Deze concepten zijn weder in chronologische volgorde — naar
den datum van onderteekening — in leeren banden gebonden.
De bijlagen staan hierbij echter niet vermeld, noch bevinden
zich daarvan copieën in het Archief. Voor zoover zij niet zijn
aangewezen in de bewoordingen van den brief of niet zijn terug
192 ONDERZOEK VAN STUKKEN IN JIËT INUIA OFKICE.
te vinden onder de ingekomen stukken op de ^Consultations/i' der
Indische kantoren, tasten wij hier in het duister omtrent hun
bestaan, of hun inhoud, of beide.
Van een groot gedeelte dezer briefwisseling tusschen Londen
en de Indische kantoren zijn extracten vervaardigd, ingedeeld
naar de paragrafen der respectieve brieven. Dit geldt voornamelijk
de briefwisseling met de kantoren op het vasteland van Indie,
Boiiibay , Madras en Beugalen. Te zamen beslaan deze 51 deelen.
Deze ''Abstracts of Dispatches'/ , uitgaande brieven en «^ Abstracts
of Letters'/ inkomende brieven^ geven een beknopt, leesbaar
overzicht van de brieven en kunnen door hun nauwkeurige ver-
wijzing naar de origineele stukken als een betrouwbare gids en
leidraad dienen bij het nagaan der oorspronkelijke documenten
Het onderzoek wordt er door vergemakkelijkt en minder tijdroovend.
Waren zij , zooals zij daar zijn , in druk verschenen , dan zouden
zij een uitnemende aanvulling vormen van de ^Calender of State
Papers". Zij hebbeu echter bij deze voor, dat zij nauwkeuriger
den inhoud der brieven weergeven en door de iudeeliug in hoofden
een duidelijker overzicht geven.
Court Books.
Uaar het eerste Boek der verslagen van de vergaderingen der
Directors of the East India Company in druk is verschenen * en
de latere boeken in hoofdzaak niet van dit eerste verschillen ,
meen ik hier te kunnen volstaan roet over te nemen wat de heer
F. G. Danvers daaromtrent in zijn bovcnaangehaald rapport
mededeelt bl. 9) :
> „The fir.st Letter Book of the East India Company, 1600—1619:
,The Register of Letters, etc. of the Govemor and Company of Merchants of
„London trading into the East Indies, lf)(K)— 1619. By Sir George Birdwood."
London, B. Quaritch , 1893. Een tweede werk, dat op de Court Minutes be-
trekking heeft, is: „The Dawn of British Trade to the East Indies, as re-
corded in the Court Minutes of the East India Company , 1599 — 1603. Containing
an account of the formation of the Company, the first Adventure and Way-
mouth's Voyage in search of the N. W. passage. By Henry Stevens of Vermout."
London, Henry Stevens & Son, 1886. Daarenboven is thans een begin gemaakt
met het publiceeren der eerste brieven, die de E. L Company in Londen ont-
ving en de eerste dezer publicaties neergelegd in het boek getiteld: „Letters
received by the East India Company from its Servants in the East. Transcribed
from the original Correspondence series of the India Office Records. Vol. I
1602—1613. With an introduction by F. Ch. Danvers." London, S. Low & C".,
1896.
ONDERZOEK VAN STUKKEN IN UET INDIA OFFICE. 193
"Ue '/Couit Books'/ bevatten de oudste archiefstukkeu van de
^i'Kast India Coiupany in Engeland en bestaan uit de notulen van
//de Directievergaderingen te Londen : zij loopen , met enkele
«'gapingen, van 1599 tot 1858 — 59 en beslaan te zamen 19J
''deelen. Die gapingen worden veroorzaakt door liet ontbreken van
//de notulen voor de volgende jaren: 10 Augustus 1603 — 30 De-
//ceraber 1606; Februari 1610— Januari 1614; 17 November 1615 —
//18 September 1617; 1 Juli 1629—1 Juli 1630; 17 Juli 1631—
//3 Juli 1632; 4 Juli 1637.-4 Juli 1639. Zij bevatten allen een
'/Index
/^Daarenboven zijn er 14 folio's //Dissents// (ineeningen van de
minderheid) 'afkomstig van leden van de Court of Directois,
^waarvan 4 folio's (Februari 1764 — Maart 1811) in originali aan-
//wezig zijn, terwijl de overige 10 folio's (14 October 1807 — 1
'/September 1858) afschriften bevatten. Hierbij behooren 19 folio's
//notulen van de algemeene vergaderingen van aandeelhouders
//(//General Court Minutes//), die loopen over de jaren 1702 tot
//30 Augustus 1858.//
Dit wat betreft het materiaal.
Uet onderzoek.
Uit die documenten massa dienden de stukken te worden aan-
gewezen, welke van belang konden zijn voor de Nederlandscli-
Indische geschiedenis en dienovereenkomstig in aanmerking kwamen
om te worden gecopieerd. Dit doen vervaardigen van copieën stond
in den aanvang op den voorgrond.
Wil men echter weten wat men noodii? heeft, dan dient vast
te staan wat er is Daarom diende dus in de eerste plaats te
worden vastgesteld , welke onder de menigte documenten betrekking
hadden op de Nederlanders in Indië , en licht konden werpen op
de geschiedenis van hun betrekkingen in dien Archipel.
Allereerst was dus aan de orde het maken van lijsten, waarop
die stukken vermeld werden , die van belang konden zijn voor den
Nederlandsch-Indischen geschied vorscher. Om echter niet geheel
op eigen oordeel af te gaan en die lijsten zoo doelmatig mogelijk
in te richten , besloot ik te beginnen met een onderzoek van een
enkel, niet omvangrijk departement en de documenten van een
der bijkantoren. De van die stukken vervaardigde lijsten zouden
als proef kunnen dienen en, met inachtneming der daarop ge-
maakte bemerkingen , als voorbeeld kunnen strekken voor het later
li*l osbLLZAjLK \A% snri&sxs 1% iiiit isDiA omes.
U: T«*l2'^D oü^eriork Titn de arcnï^-fs^takken, afk<«m>ii^ vaa het
H-es »a* *f \lin!n4e'r5 wenscK dal r^r^onDt-n z^a w>rdeo mei de laatste
jaren étr ^*rheele periode, die Toor ocdeixciek ïd aaDinerkin^ kvam.
Ih-e^ïteiizeTol^^e weidt n roor de jaren l>fO — l>oO de rStiaiu'
StlVtmtnU" E-e^ords* ea die ait bet •-Secret Department*' der
^Beosral Re-cori** het etist io lijst zebracht.
Ik k<K#« de 'Straits' SenleiDeni**, omdat de stukken Wlreïïeiïle
Jara en Bonieo uit den aard der zaat Toomamelijk br|*erkt blijven
VtX de jaren ró«ir 1S20 en Su.Datra Benffkoeleii; beboonie tot hei
b<r>tuur>g^rbifd van Benealen, terwijl de China and Japan, Caj^ie
of G<>*>d Hope en de St. Hdena Records, Toorzoover zij over de
jaren 1S20 — IVjO bestaan, niet van direct belang zijn voor de
XederLrid«K:h- Indische Geschiedenis en dus eerst voor later onder-
zoek in aanmerking komen.
Met de op deze lijsten ont Tangen bemerkingen heb ik getracht
mijn voordeel te dr»en, toen in het najaar van 1^95 een aanvang
«erd eemaakt met het in lijst breoeen der Ben<ral Records over
iS.O — 1S30. Het eerste g-edeelte dier serie liüt thans voor U. Mo^e
de inrichting dier lijsten thans blijken volkomen aan hun doel te
beantn'oordeu , en een duidelijk en practisch overzicht geven van
de aanwezige brieven en )iun inhoud.
Uit het bovenstaande overzicht van het aanwezige materiaal
blijkt, dat de meest doelmatige inrichting van het onderzoek wa:",
te beirinijen met de «Consultations» , de notulen van de ver-
gaderingen (Procecdings) van den Govemor General in Council te
Fort \Villiam. Behalve de zooeven reeds genoemde stukken uit
het '"Secret Department^, zijn thans daarvan onderzocht en iu
lijst gebracht de stukken uit het ''Public*, het »Political* en het
"Foreign Department.* Te zameii beslaan deze ruim 600 folioV
Voegt men hierbij de ^Straits** Settlements Records* en de brief-
wisseling uit het "Secret Department* met de Directors in Londou,
dan zijn thans iu H geheel een 7S5-tal folio^s onderzocht.
Een schijnbaar gering resultaat voor een arbeid van ongeveer
H maanden tegenover een documenteumassa van meer dan «iö.OOO
folio's, die no^ te onderzoeken overblijven! Toch dunkt het mij
niet onbevredigend. Het tijdvak 1S20 — 1S30, dat allereerst voor
onderzoek iu aanmerking kwam, behoort tot een periode (1795 —
1S30), waarin meer inmenging in de zaken der Nederlandsch-
Indische regeering plaats vond van den kant der Engelsehe East
ONDERZOEK VAN STUKKEN IN IIRT INDIA OFFICE. 195
ludia Company dan iu eeiiig ander tijdperk van de geschiedenis
der Oost-Indische Compagnie. Daarbij komt in aanmerking de
grootere vaardigheid met de pen der latere beambten op de Indische
kantoren, de meer geregelde wijze van correspondeeren en —
gelijk boven reeds werd opgemerkt — de meer systematische be-
handeling van zaken, waardoor de copieën van de briefwisseling
tusschen twee bijkantoren zich niet slechts onder de documenten
van ieder dier kantoren , doch eveneens onder die van het hoofd-
kantoor en daarna nogmaals onder die van het kantoor te Bengalen
bevinden.
Het is zeer waarschijnlijk, dat het onderzoek der 35 jaren dezer
periode , betrekkelijkerwijze gesproken , den meesten tijd zal in
beslag nemen. Begint men nu met het laatste gedeelte dezer
periode, nl. met het tijdvak (1820 — 1830) der directe onderhan-
delingen tusschen de twee concurreerende natiën in Indie, dan
stelt men zich, uit den aard der zaak, aan teleurstelling bloot,
wat de lengte van het onderzoek betreft. Die lengte blijft natuurlijk
wel dezelfde, ook wanneer men anders handelt en aanvangt met
de eerste periode, waarvan het aantal documenten kleiner en de
inmenging der Engelsehen in Nederlandsche zaken geringer was
— doch een vlug voortschrijden in den beginne doet dikwijls een
langzamer vooruitgaan bij het afwikkelen over het hoofd zien.
Voor de deugdelijkheid van een archiefonderzoek zijn echter vol-
ledigheid en nauwkeurigheid meer waard dan een vlug bereiken
van het doel.
Stond deze meening bij mij op den voorgrond, zij leidde, ge-
durende het onderzoek, langzamerhand tot een gevolgtrekking,
die mij deed besluiten eenigszins eigenmachtig het door U iu mijn
instructies neergelegde plan, nl. het doen vervaardigen van copieën
van wat mocht blijken belangrijk te zijn, ietwat te wijzigen.
Met het copieeren der stukken, die mij het meest belangrijk
voorkwamen, werd in September 1895 een aanvang gemaakt;
geregeld is dit werk door mij voortgezet tot het einde van Maart
1896. Ongeveer 1| riem papier aan copieën kwam aldus in uw
bezit, behoorlijk correspondeerende met en verwijzende naar de
daarbij behoorende lijsten. Het bleek mij echter meer en meer,
speciaal bij het onderzoek van de documenten uit het hoofdkantoor
der Ëngelscheu in Indië, dat het moeilijk valt te bepalen welk stuk
al dan niet voor copieeren in aanmerking komt , indien men niet alle
stukken kent, die op de aanhangige zaak betrekking hebben, in
196 ONDRRZOF.K y\s gruiCKKv i\ iïkt india office.
hun samenhang. Die samenhang kon slechts hlijken uit de lijsten.
Daarbij kwam de later eerst verkregen overtuiging , dat eigenlijk
niemand in Nederland nauwkeurig weet, welke stukken over de
periode 1813—18-30 zich in Nederland zelf bevinden. Wil men
niet in noodeloos copieeren vervallen, dan dient van beide zijden
bekend te zijn wat in de verschillende archieven aanwezig is. Om
dit van Engelsche zijde te weten te komen, werd begonnen met
het aanleggen van genoemde lijsten.
Nu eenmaal de Ensrelsche res^eerinsr haar toestemming heeft
sresreven voor het door Nederland in te stellen onderzoek der ar-
chieveu van het India OfiBce te Londen en het daaruit doen ver-
vaardigen van copieën der voor de Nederlandsch-lndische geschiedenis
belangrijke stukken, zal die toestemming niet licht weder worden
ingetrokken, vooral nu de Engelsche regeering zelve b^nt haar
archiefstukken in druk te doen verschijnen ' Neemt men hierbij
in aanmerking de gemakkelijkheid om een copiist te vinden en de
welwillendheid der autoriteiten aan genoemd OfiBce, dan dunkt
mij, dat het laten copieeren nimmer moeielijkheid zal opleveren,
ook wanneer het onderzoek zelf eens tot de geschiedenis zal
behooren.
Aldus kwam het belang van het maken van copieën op den
achtergrond te staan en drong zich de belangrijkheid van volledige
en uitvoerige lijsten geheel op den vooi^rond. Het gevolg was,
dat, terwijl thans de lijsten over de bovengenoemde 700 folio^s
reeds | riem papier beslaan, het copieeren van daaruit aange-
wezen stukken voorloopig is gestiakt — bij gebrek aan aanwijzing.
Dit laatste is weder gedeeltelijk toe te schrijven aan de herha-
lingen, waarin men vervalt bij het onderzoeken van nieuwe depar-
tementen over hetzelfde tijdperk, terwijl dit onderzoek zelf toch
geenszins achterwege mag blijven.
De lijsten zijn ingericht naar voorbeeld van de in het Engelsche
archief aanwezige klappers. Het hoofd vermeldt de plaats , waar de
'«'Cousultations'' plaats hadden , den datum van de maand en het
jaar der vergadering. Links staat diezelfde datum als hoofd voor
de brieven , die dien dag ter tafel kwamen , met vermelding daar-
onder van den datum van iederen brief afzonderlijk. Rechts staat
de verwijzing naar de deelen in het Engelsche archief, waar de
brieven te vinden zijn. De brieven zelf staan tusschen deze twee
' Zie noot op biz. 1'''J.
ONDERZOEK VAN STUKKFA' IN HF.T INDIA OFPICK. 197
kolomraen vermeld onrler de hoofden, die in don klapper vermeld
staan. Elke brief staat aangegeven met inhoudsopgave, al of niet
beknopt, naarmate van de belangrijkheid en lengte van het
document.
De lijsten , die sedert — om tijd te winnen — met een type-
writing machine zijn geschreven, sluiten met ieder jaar af. Het
voordeel hiervan is^/dat — onafhankelijk van de wijze, waarop
het onderzoek wordt .vervolgd en de periodes, waarin men dat
onderzoek wenscht te verdeelen — de lijsten één doorloopende
reeks zullen vormen, gelijksoortig aan degenen, die van de aan
1820 voorafgaande jaren zullen gemaakt worden, wanneer het
onderhavige tijdvak eenmaal is in lijst gebracht.
Hun inrichting is dus zuiver chronologisch.
Bestond er bezwaar de lijsten naar periodes in te richten , andei-s
was dit, wat het onderzoek zelf betreft. De doelmatigste methode
bleek hier te zijn, om de geheele geschiedenis der twee eeuwen,
die dienden nagegaan te worden , in tijdvakken te verdeelen , 1®
om het overzicht te vergemakkelijken, 2® om de stukken beter in
hun samenhang te kunnen beschouwen , vooral waar het uw wensch
was het allereerst den inhoud der documenten uit het begin dezer
eeuw te leeren kennen. Deze jaren kunnen saamgevat worden tot
het tijdvak 1815 — 1880, waarin Nederland zijn heerschappij in
den Indischeu archipel herstelde.
Deze periode kan men weder onder verdeelen in twee tijdvakken ,
1" dat van 1815 — 1819, de ten-uitvoerlegging van het traktaat
van 1814 en 2° dat van 1820 — 1830, de nieuwe onderhandelingen
tnsschen Engeland en Nederland over hetgeen ongeregeld bleef in
1814 en over nieuwe verwikkelingen, de definitieve regeling van
1824 en de ten-uitvoerlegging daarvan. Eigenlijk zou dit laatste
tijdvak alsdan moeten eindigen kort na 1825. Daar echter de ten-
uitvoerlegging van het Londensch tractaat door omstandigheden
werd vertraagd en ten einde eenige speling te houden , werd het
onderzoek tot 1830 voortgezet.
Het tweede der genoemde tijdvakken is thans voor een groot
deel onderzocht en in lijst gebracht.
Er zijn in dit tijdvak twee hoofdfiguren, waaromheen zich de
geschiedenis van Nederlandsch-Indië voornamelijk groepeert. Voor-
198 OXDKBZOEK VAN STUKKEN IN HKT INDIA OFnCK.
zooTer het geldt de bnitenlandsche staatkunde, is het de groote
tegenstander van het Nederlandsche element , Sir Thomas Stamford
Raffles, de incarnatie van de denkbeelden van het volk, waaruit
hij sproot en daarom in zijn omgeving de populaire edelman, die
op een sterken aanhang kon rekenen ; — waar het betreft de
binnenlandsche staatkunde, de meer dramatische persoonlijkheid
van Dipanegara. Kon de laatste echter handelen in openlijken strijd
met het Nederlandsch gezag , de eerste was gedwongen van hoeder
geplaatsten bevelen af te wachten en die op te volgen ; hij vormde
— hoezeer dit dikwijls stuitte tegen zijn gevoel — deel van een
administratie. Hij kon slechts handelen voorzoover zgn handen niet
waren gebonden door het roode lint van het mozaïekachtig ge-
vormde bestuur eener Maatschappij met haar koel berekenende
hoofden; en hij nam ieder oogenblik te baat, dat hem — naar
eigen meening — een vrije handbeweging was gelaten.
Was hem bij zijn terugkeer in Indië een ondergeschikte stelling
toebedeeld op Sumatra, op een oord , vanwaar schijnbaar door hem
weinig invloed op den algemeenen gang van zaken kon worden
uitgeoefend — fiaffles was niet aan een plaats gebonden, indien
hij zich slechts in Indië bevond, in ket raderwerk, waarvan hij
de verschillende deelen kende en beheerschte. Voordat no? een
jaar sinds zijn terugkeer was verloopen, schonk hij de Indische
wereld het eenigszins twijfelachtig nut van een vrijhaven te
Singapore
Beide personen echter, zoowel BAffles als de leider van den
Jnvaanschen oorlog, waren als de meesten van hen, die daden
deden, het uitvloeisel van den geest, die hun omgeving bezielde ,
het laatste toevoegsel nan de gedachten , die langzamerhand waren
gerijpt, de voltooing van wat voorbereid was, d. i de daad. Daarom
vonden zij steun bij hun omgeving en was het ageeren tegen den
persoon, het ageeren tegen een samenhangende macht; een macht
echter , die saamgehonden werd door die hoofdpersonen en met hun
verdwenen verbrokkelde. Bleek dit vooral bij het ageeren — met
de wapenen in de hand — tegen den Javaanschen vorst, tegen
Raffles was een openlijke strijd onmogelijk en kon men slechts
optreden — hetzij op dezelfde wijze als hij optrad tegenover de
Nederlanders — hetzij door het aanteekenen van protest. Men
volgde het laatste; doch Raffles^ denkbeelden behielden de overhand.
Juist hierom is het kennen van het karakter van den agitator
uit Benirkoelen , van zijn denkbeelden , van zijn oogmerken van
ONDE&zoEK Van stukken in Het india oï-fiöe. 199
zooveel belang. Wij leeren er zijn tijd uit kennen, de verklaring
der handelingen van de zijde der Engelschen.
Het denkbeeld dat bij de teruggave van Malakka de Neder-
landen weder beide zeestraten , die toegang gaven tot den Indischen
archipel en de Chineesche Zee, in handen zouden hebben en daar-
door in staat zouden zijn hun monopolie van vroeger jaren weder
te herstellen , boezemde den Engelschen vrees in , een vrees waaraan
zij uiting gaven reeds voordat Raffles den Gouverneur-Generaal
Hastings tot zijn plannen in de straat van Malakka had overgehaald.
Reeds den 17'" October 1818 bericht President in Rade van Prince
of Wales' Island den Gouverneur-Generaal, dat met het oog op
de zending van van Braam naar de Straits , door hem een gezant-
schap is gezonden naar de hoven van Perak en Salangor en Kolonel
Farquhar was aangewezen de Engelsche belangen te behartigen op
Borneo, te Riouw en in Siak — "for fear that the Dutch might
re-establish their monopoly of foriner years.// *
De uitslag dier zendingen is bekend. Tractaten , gesloten met
de inlandsche vorsten, met het doel //that the English might not
be excluded,// ademden een zeer exclusieven geest tegenover
andere Europeesche natiën.
Kort daarna verschijnt Raffles ten tooneele. Hoewel de hande-
lingen van de bestuurders van Prince of Wales' Island volkomen
in zijn kader pasten en oogenschijnlijk weinig meer voor Raffles
te doen overbleef, zien wij toch bijna onmiddellijk onaangenaam-
heden ontstaan tusschen hem en den President van gemelde fak-
torij, kolonel Bannerman. Het verloop dier onaangenaamheden
werpt m. i. een bijzonder licht op de vestiging der Engelschen
te Singapore.
De heer van Deventer ^ verwerpt ten eenenmale het denkbeeld ,
dat Raffles Singapore oj) het oog heeft gehad, voordat hij er toe-
valligerwijze landde. Moge de //Memoir// geen absolute waarheid
bevatten , het is eveneens twijfelachtig of deze absolute ontkenning
geheel juist is. De woorden van Raffles' brief aan Marsden, dd. 12
December 1818 ^ pleiten hier reeds tegen.
« Bengal Political Consultations dd. 20 Maart 18U), ii". lO), Range CXXI,
Vol. 45. Cf. Bengal Foreign Consultations dd. 3 September 1819, n^. 1, Range
CLXVI, Vol. 65. (Brief van Col. Farquhar aan de heeren Wolterbeek en Timmer-
man Thgssen.)
' ,,Het Nederlandsch gezag over Java en onderhoorigheden," I. Inleiding.
» „Memoir," bl. 374.
i> Vül*<r. 111. 14
£00 O^DfTRZOKK TA^ srn^KKFTT F» HTT TXDIA OFFICT.
Dc oorzaak Tan de onsrunstiee Terstanlhoadinff tussclien Kaftle?
en Bannerman wn<» cIppI^ persoonlijk, deel? principieel. Bannerraan
zaj? in Raftle^' nprlrncht een miskenninir van zijn jrez.iir. De Straits
behoorde tot het eebied van Poeloe Penans" — waarom diende
Benirkoelen zich te moeien in de zaak der zendinsren l:in?s dc
kusten van Siimatm en het S4*hiereiland van Mal:ikka?
Doch ook wa5 Bannerman niet bekend met de geheime instructie
aan Ra f Hes medesrcsreven. Dit was niet zonder opzet credaan. De
President van Prince of Wal et?' Fsland was ffeenszins overtuigd %'an
de noo^lzakelijkheid eener tweede nederzetting in de straat van
Malakka, wen:*chte daarentegen zijn eiland als den sleutel voor
die straat beschouwd te zien en wenschte, door overeenkomsten
met de inlandsche vorsten in de nabuurschaj), Poeloe Penang te
verheifen tot het voornaamste en beheerschende pont dier streken.
Vandaar diens eroote tesrenkantinsr tesren de vestisinjj te
Singapore Was Bannerman niet op een voor de Nederlanders
ontijdig oogenblik gestorven , misschien waren alsdan de onder-
handelingen te Londen gunstiger afgeloopen voor de Nederlandschc
regeering. Met zijn dood viel de handhaver van het door hem
ingenomen standpunt, de verdediger van zijn opvatting in het
principieel verschil met Baffles en had deze alle vrijheid, den
nadmk te leggen op hun persoonlijk ongenoegen. '
De loop dezer onderhandelingen en verschillende opvattingen
blijkt ten duidelijkste uit de stukken nit het archief van Prince
of Wales** Island , alsmede uit de srevoerde briefwisselins met den
Gouverneur Generaal van Bengalen. *
Bannerman's standpunt blijkt o. a. uit de instructies medege-
geven aan Mr Cracroft op zijn zending naar Salangor (gedateerd
20 Maart 1S19) tot verkrijging van het eilnnd Pankore, waarbij
hem wordt bevolen zich op de hoogte te stellen van het recht
van den regeerenden vorst op het eiland , »that the Netherlauds
Government could not raise an equitable claim to it afterwards.» *
Een eigenaardig licht werpen deze onderhandelingen ook op de
vraag, in hoeverre Baflles' gewapende macht gerechtvaardigd was
« Cf. Bengal Politica! Consultations dd. 8 Januari lH2i>. n^. '^K Range CXXIT,
Vol. 4.
• De desbetreffende stukken uit de ^Straits Settlements Records" behooren voor
een gedeelte tot die vóór IHAi en zijn zoover nog niet in lijst gebracht
» Cf. Bengal Political Consultations dd. 7 .Augustus 1819, n*>. 1'» — 17. Range
CXXl, Vol. f^} en dd. l Januari ISJi». n". IS-.Ni. R.in<7C CXXIF. Vol. 3.
ONDERZOEK. VA.V STUKKEN IN liET INDIA OFFICE. 201
ter etablisseering vau een gewoon haiidelscentrum te Singapore.
Baron van der Capellen heeft £aifles verweten, dat, getuige die
grootc uitrusting , Rallies overtuigd moest zijn , dat wat hij ging
doen rechtstreeks tegen verkregen rechten van de Nederlandsche
regeering indruischte. RaiHes heeft dit in zijn brieven tegenge-
sproken. Doch juist die uitrusting vormde een der geschilpunten
tusschen den president van Fort Cornwallis en den allee nheersch er
vau Bengkoelen. Bannerman stelde den laatstgenoemde een goed
uitgeruste, gewapende macht ter beschikking voor zijn zending
naar Atjeh. Zij werd door Raffles geweigerd op grond, dat het
hein niet passend voorkwam ^/for a great power to come and treat
^with au independent prince, when accompanied hy a large force^
(IS Februari 1S19). * De troepen voor Singaporees bezetting waren
inmiddels uit Bengkoelen aangekomen en een tweede zending volgde
in Maart d. a. v.
Het protest van Nederlandsche zijde tegen de vestiging der
Engelschen te Singapore bleef niet uit; en is het Koloniaal Archief
in den ilaag in het bezit van van der Capellen ^s lijvigen brief met
bijlagen waarin hij zijne lueeuingen bloot legt omtrent de onrecht-
matigheid dier daad , het Engelsche archief stelt ons in staat ook
de '/andere zijden te hooren in een even omvangrijk schrijven met
bijlagen van den Qouvernor-Qeneral uit Bengalen aan de Court of
Directors te Londen (1 Maart 1821. Cf. ook die dd. 17 Juni 1820).
Rallies liet geen gras groeien over zijn stichting ten Zuiden vau
Malakka. Een overzicht van zijn pogingen om die stad tot bloei
te brengen en zijn nauwkeurig nagaan van haar omgeving, levert
zijn brief aan den G. Q. in Rade dd. 22 Juni 1819. *
Het was RafHes echter niet slechts te doen om de toegangen
tot den Indischen archipel aan de uitsluitende zorg der Neder-
landers te onttrekken. Te Bengkoelen teruggekeerd — waar, volgens
zijn eigen schrijven, weinig voor hem te doen viel, althans veel
te weinig om ' zijn geest voldoende bezig te houden — had hij
weder een nieuw plan overdacht. Fadang was zeer tegen zijn zin
aan de Hollanders afgestaan , doch evenals hij Malakka tot een
"lastpost" voor de Nederlandsche natie had gereduceerd, zou dit
kunnen geschieden met die voornaamste handelsplaats op Sumatra^s
Westkust. Door de onderhandelingen met den Sultan van Atjeh
waren de Engelsche belangen voldoende gehandhaafd in hel Noorden
ï Cf. Bengal Political Consullations dd. 31 Juli 1819 , n^. 4, Range CXXl Vol. 59.
202 OXbKRZUUl^ YAS STIL' WE BN IN UKT INDIA OFflCB.
Taa het eiland; Zoidelijker Tormden de pc»tea te Natjftl en Beug-
k<jelen steanpanten Toor dixecten £ngelscheii invloed. Konden
slecht» die Yerschillende panten gebracht worden onder één bestuur
met een Tereeniging9punt , Tsnwaar de geheele kust door de
Britsche rloot kon worden bestreken, dan zou het behoud van
Padang door de Nederlanders zeker den Engelschen weinig tot
last zijn. Voor dat vereenigingspunt koos hij Poeloe Xias. *When
>^it is considered , that it was the principal resort of the
^enemv's cruizers for refreshment and redt ment , and whence the ƒ
"^commanded the whole coast of Sumatra during rnany periods of
^the late war; oar undisputed supremacv of the Island is perhaps
"uo less important in a political point of view, particularlv as
^it majr be considered to complete our command of the Coast from
^Acheen to Nattal.^' (Batfies aan G. G. in Rade, 25 Januari 1^21). '
Het feit Tan de bezitneming van Poeloe Xias is bekend uit RatHes"
Memoir * , hoewel daar niet de geheele brief wordt weergegeven ,
waaraan het bovenstaande is ontleend. Zijn weduwe deelt echter
niet het antwoord mede van 6. G. in Rade aan den gebieder van
Bengkoelen, die vergat, dat in een administratie bevelen moeten
afgewacht worden van hooger geplaatsten voordat een onderge-
schikte kan overgaan tot het verwezenlijken van zijn denkbeelden.
Dat antwoord liet niet lang op zich wachten. Per omgaande liet
de Governor General hem weten , dat de bezitneming van Poeloe
Nias <rhad met with the disapproval of Government ,«^ dat er geen
noodzaak bestond voor zulk een daad , en dat door Rallies voortaan
verlof moest worden gevraagd van Bengalen, eer hij oveig'ing tot
het vormen van nieuwe >irsettlements.^ De Ëngelsche vlag moest
terstond van het eiland worden verwijderd. '
Een groote teleurstelling voor Raffles, die thans zoo op zijn
hoede was geweest en zijn gemachtigden streng op het hart had
gedrukt «rto ascertain to whom the actual sovereigntj of the Island
>^virtualljr belonged^ en die zich waarschijnlijk reeds verheugd
gevoeld had over het antwoord der inwoners, eenige maanden
vroeger gegeven aan Nederlandsche gezanten, die met soortgelijk
doel op Nias kwamen : f we are the Companj's»' (d. i. de En-
• CC Bengal Public Consultations , dd. 15 Jani 1821, n«. 3— 15, Range X, Vol. 2^K
* bh 475 en vgl.
» Cf Bengal Public Consultations dd. 15 Juni 1821, n^ 16. Range X, Vol 29.
In de , Memoir" bl. 4'K», is slechts het gevoelen medegedeeld van de ,Court of
Di rectors" in London.
ONDERZOEK. VAN STUKKEN IN UET INDIA OJ^'FICE. 203
gelsühe üotnpagnie) //men , and caii make uo agreement with
//foreiguers».
Was Padang den Britschen Luitenant-Gouverneur een doorn in
het oog, niet minder hinderde hem de verpichte uiet-iu menging
in de zaken van de Nederlaudsche regeering elders op Sumatra;
en dat ondanks aanvragen om hulp van de inlanders zelf tegen
de //arbitrary and relentless conduct of the Dutch//. (Cf. de
brieven uit Palembang aan £afties) '.
Ondanks deze redenen voor eene gespannen verstandhouding
was toch samenwerking tusschen Engelsehe en Nederlaudsche
autoriteiten hoogst wenschelijk.
Het zoutgebrek op Java in 1820 was oorzaak, dat het Neder-
landsch-ludisch Bestuur zich o. a. wendde tot de Britsch- Indische
regeering te Calcutta voor het laten opkoopen en overzenden van
dit belangrijk artikel naar de Nederlandsche koloniën. Om de zaak
te bespoedigen wordt ijlings een depêche gereed gemaakt te Ba-
tavia en wordt een Engelsch koopman te dier plaatse verzocht om
zijn hulp te verleenen, ten einde het schip de //Ann,// dat eenige
dagen te voren van Batavia was vertrokken naar Calcutta, op te
houden — te Bengkoelen , ten einde die depêche aan haar adres
over te brengen. De bewuste koopman was natuurlijk de tusschen-
persoon voor een verzoek, dat men in Batavia minder gaarne
rechtstreeks tot Raffles richtte.
De uiting van den indruk , dien dit verzoek maakte , klinkt dan
ook eenigsziiis ironisch. //I feel,// zoo schrijft /^merchant Skelton//
aan Raffles (26 Augustus 1S20) //that they// (i. e. the Dutch Go-
vernment) /i'have hardly a right to make such a request of you —
fftMid no business to make it through me,» En toch — //I hope
//you will , if it should be necessary , exert your authority for
//their interest on this occasion — as I am afraid it is a matter
^of the most serious consequence to the Island.//
Kaffles gaf aan dit laatste verzoek gereede gehoor. ^
Ook het gouvernement in Bengalen was welwillend genoeg
terstond een voldoenden voorraad zout beschikbaar te stellen ten
uitvoer. De Nederlandsche factor te Chinsura meende echter dit
aanbod te moeten afslaan omdat de prijs, dien men vroeg, dien
» Bengal Political Consultations dd. 1 Januari 1820, n^ 2Ö-26. Range CXXII, Vol 3.
* Bengal Politieal Consultations, dd. 14 October 1820, no 26—27, Range
CXXII, Vol. 33. en Bengal Foreign Consultations, dd. 24 November 1820,
no 5-6, Range CLXVI , Vol. 67.
2^H ONDEEZOEK VAN STOI^K^N IS UKT INDIA OFFICE.
in zijn loandaat genoemd oirertroL Hij gaf den voorkeur private
kooplieden bij advertentie uit te noodigen om hoeveelheden zout
naar Batavia te exporteeren. '
De hulp oit Britsch-Indiê schijnt zeer veel tot opheffing van
het zoutgebreK op Java te hebben bijgedragen : dus althans Gou-
verneur-Generaal van der Capellen in zijn s«hrijven van 7 September
lS2l aan den Rritschen landvoogd. *
Een andermaal was het, dat een gemeenschappelijke vijand te
bestrijden viel op Sumatra, nl. de Padris. Over samenwerking
werd een oogenblik gedacht, doch het (tijdelijk) einde van den
oorlog en de overdracht van Xatal hadden plaats, vi>ordat deze
denkbeelden werden verwezenlijkt.
De oorlog met de Padris is ook uit de Xederlaudsche docu-
menten bekend, doch de groote verzameling brieven van den
Ëugelschen commandant. Mr. Prince, over zijn hachelijke positie,
zijn weinig vastberaden optreden, zijn klachten over te geringe
toezending van hulptroepen, zijn ingekankerde haat tegen het
Xederlandsch gezag, die hem — zoodra hij uit zijn netelige positie
was verlost - deed overslaan tot een houding, die den insolenten
geest kenmerkt, zoodra hij zich, buiten gevaar, gerugsteund voelt
door een machtisr srouvernement — deze brieven kunnen niet alleen
door hun tegenstelling een juist oordeel doen vellen over het
ojitrrden der Nederlanders tegen denzelfden vijand, doch tevens
een zijlicht werpen op het karakter van een man als Raffles en
o\} de niate van zijn invloed op, en van zijn verantwoordelijkheid
voor de daden zijner ondergeschikten.
Van eenigszins gelijksoortige strekking is de briefwisseling van
kolonel Farquhar met Baffle^, omtrent de overdracht van zijn
bestuur over Singapore aan zijn tijdelijkeu opvolger Mr. Huil, in
verband met het brengen van Singapore onder het rechtstrecksch
bestuur van Fort William (18£3).
Een der meest karakteristieke punten dezer periode vormt het
optreden der Engelscheu tegenover de iulandsche vorsten, speciaal
in die streken, waar volgens het verdrag van 1824 de Neder-
landsche invloed alleen zou mogen gelden. De beloften der Engel-
• Bengal Foreign Consuitations dd. l December 1820, n'' 1—3 en dd. 22 De-
cember 1820, no 1, Range CLXVI, Vol. Ó7.
* Bengal Foreign Consuitations dd. 23 November 1821, n« 1 Range CLXVI,
Vol. 58.
ONDERZOEK VAV aTUKKKV IN HET IMOIA OFFICE. 205
sehcn, vóór 1824 anu inlandsche vorsten in de nabijheid van de
straat van Malakka gegeven ter verkrijging van een monopolie,
>rto turn out the Dutch,^ waren vele geweest, meer dan zij later
konden en wilden nakomen, toen ieders verhoudingen waren ge-
regeld. Er ligt een eigenaardig verschil in toon en houding tegen-
over deze inlandsche staatjes in de briefwisseling van 1819 — 1820
en die omstreeks en na 1825.
Raffles zag reeds spoedig in, dat hier voorjsichtig optreden de
hoofdzaak was, wilde men zich geen last van de /^native Princes'^
op den hals halen. Raffles zag hierin vooruit en zijn voorzichtig-
heid tegenover de inlandsche vorsten op het schiereiland van
Malakka, toen eenmaal Singapore was gesticht, staat in eigen-
aardig verband met zijn latere pogingen tot het verkrijgen van
Engelsche alleenheerschappij op de Westkust van Sumatra. Voor de
uitnoodiging van den "Prince of Singapore^ om die plaats te komen
bezoeken , bedankt hij. De uitnoodiging was hem toegezonden door
den Engelschen Besident. Raffles antwoordt dezen laatste: //The
/srpeculiar political circumstances in which the settlement is at
^present placed in regard to the Dutch authorities, render the
^most extreme caution necessarj in our Communications with the
/^surrounding countries, ant it is prudent to avoid in adopting
frsiuj nieasures which maj create a greater degree of confidence
fu\ the permanence of the Establishment than those circumstances
//warrant'/ (16 Augustus 1820). *
Die voorzichtigheid bleek niet misplaatst. Als op het einde van
1823 door het Nederlandsch gezag te Malakka een nieuwe vorst
op den troon van Johor wordt geplaatst, schrijft Besident Craw-
furd uit Singapore: //The native Chiefs in connection with us
//have upon this occasion come forward to claim cur active assi-
//stance on the faith of promises alleged to have been made to
//thera. I have declined on the part of Government to interfere
//in this transaction in any respect whatever, and recommended
//to the parties to rest satisfied in the meantime with the ample
/i^allowances which they derive from the bounty of the British
//Government.// (18 November 1823). *
Met het verdwijnen van Sir Thomas Stamford Baffles van het
» Cf. Bengal Political Consultations dd. 14 October 1820, no. 17, Range CXXII,
Vol. 33.
« Cf. Bengal Political Consultations dd. 12 Maart 1824, n». 5, Range CXXIII, Vol. OO.
206 OVDERZOEIt VAX STÜKKKN IN HET INDIA ÖfPlCfE.
Nederlansch-Indisch tooneel en de regeling der wederzijdsche ver-
houdingen in 1824, worden de Engelsche archiefstukken minder
«'interessant i' voor den Nederlandschen geschied voischer en de
lijsten van de laatste jaren dezer periode nemen dan ook aan-
merkelijk in omvang af Het '^Secret Departmeut'ir levert na J 825
in zijn Consultations zelfs geen enkel vermeldenswaardig feit meer op.
Voornamelijk trekken thans de aandacht de regelingen voor het
overdragen van het geruilde grondgebied.
De Nederlanders hebben al hun macht te zamen getrokken op
Java, in den zwaren strijd tegen den grooten opstandeling uit
Djocjokarta met zijn aanhang; en uit de Engelsche documenten
klinken ons slechts flauwe klanken tegen , korte echo^s van de
krijgskreten in Java 's bergen, navertellingen van i'van-hooren-
zeggens'' uit brieven van particnlieren in de hoofdstad, die zich
beklagen over hun eigen hard lot, omdat zij moeten schutteren
op moerassige plaatsen , en die van een audiëntie bij den Gouver-
neur-Generaal gebruik maken /i^to give him a hint or two before
^his departure (drawing) a picture of the facilities &
^advantages of your free porti' (Singapore) '«'contrasted with the
1'obstacles and tribulations of Batavia.^ *
Een enkele maal slechts is er een vermeend conflict tusschen
Nederlandsche en Engelsche belangen , wanneer Majoor Elout
zich mengt in de geschillen op de Karimon-eilanden (1827 — 1828)
en John Prince, dezelfde, die indertijd commandant was van
Natal en dan het Britsch gezag vertegenwoordigt te Singapore,
meent, dat deze tusschenkomst niet gerechtvaardigd wordt door
het tractaat van 1824. Doch de desbetrefl'ende stukken bevinden
zich, op een enkele uitzondering na, eveneens op het Koloniaal
Archief in den Haag; en de geschiedenis, die zij bevatten, vond
een plaats in de Bijdragen van het Bataviaasch Genootschap. Een
volledige inhoudsopgave is echter in de lijsten opgenomen.
Het is natuurlijk , dat de in de gemaakte lijsten vermelde docu-
menten over meer onderwerpen handelen dan in dit korte overzicht
I Bengal Political Consultations dd. 17 Februari 1826, n" 4, Range CXXIV,
Vol. 38. Naief voegt de auteur van dien ,hint" er aan toe: „it staggered and I
„think rather displeased him."
ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HBT INDIA OFFICE. 2(J7
zrjn opgenomen. Het handelsvraagstuk dier dagen , de invoer-
rechten , die te Batavia werden geheven, het verklaren van Riouw
tot een vrijhaven, de uitvoering van het tractaat van 1824 en
dientengevolge de overdracht der verschillende wederzijdsche be-
zittingen in den Indischen archipel zoowel als op het vasteland
van Indië, personalia, de mislukte leening der Nederlandsch-
Indische regeering te Calcutta , de regeling der pensioenbetalingen
te Malakka (na de overdracht) en de desbetreffende zending van
Mr. Ibbetson naar Batavia , de smokkelhandel en de zeeroof in de
straat van Malakka — omtrent al deze onderwerpen zijn de be-
treffende stukken in de lijsten vermeld.
In hoeverre die stukken van belang zijn voor den geschied-
schrijver der Nederlandsch-Indische geschiedenis dient, mijns in-
ziens, door dien geschiedschrijver zelf te worden beoordeeld.
Men kan moeilijk verwachten , dat ons uit archieven in den
vreemde feiten zullen bekend worden — vooral waar het de ge-
schiedenis geldt van den jongsten tijd — die niet in onze eigen
archieven vermelding vonden. Doch met dat doel werd door Uw
College ook niet tot het onderzoek van de archiefstukken in het
India 0£Sce te Londen besloten.
Met een feitengeschiedenis hebben de historici van den laatsten
tijd gebroken. Zal de geschiedenis voor het thans levende geslacht
eenig voordeel opleveren, dan dient men zoo nauwkeurig mogelijk
te weten: waarom de geschiedenis van ons volk, zoowel in Europa
als in den vreemde, zoo werd opgebouwd en niet anders Niet
het enkele feit, dat een botsing plaats had tusschen twee nationa-
liteiten is op zichzelf belangrijk, doch het antwoord op de vraag,
waarom die botsing op dat oogenblik plaats vond en aldus verliep.
En evenzeer als tot het juist verstaan daarvan de beweegredenen
dienen gekend te worden van onze eigen landgenooten, bestaat
thans het streven om ook de beweegredenen , de omstandigheden
te kennen; die de tweede partij — de vreemdelingen — aldus
deed handelen en niet anders. Het //audi et alteram i)artem'/ kan
eerst ten volle worden doorgevoerd, wanneer uit de stukken zelf,
die de handelingen beschrijven ten tijde, dat zij plaats gre])en,
de juiste beweegredenen zijn geput voor onze tegenpartij.
Dit denkbeeld heeft voorgezeten bij het behandelen van de stof,
die thans gedeeltelijk in uw lijsten ligt opgesloten. Mogen deze
oogenschijnlijk meer bevatten dan voor uw doel dadelijk noodig
is, zoo diene men niet te vertreten , dat een inhoudsopgave aller-
oe Volgr. Hl. 15
208 ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET INDIA OFPICE.
eerst volledig moet zijn; dat het verder hier niet het doel was,
de geschiedenis te beschouwen van een of ander standpunt, doch
om zooveel mogelijk al de bouwstoM'en aan te wijzeu, die voor
eiken onderzoeker der Nederlandsch-lndische historie van belang
kunnen zijn. Aan den geschiedvorscher blijve het overgelaten
uit deze verzameling eeu keus te doen van hetgeen hij van zijn
gading acht.
Wat de voor U reeds vervaardigde copieën betreft', hierbij is
zooveel mogelijk slechts het oog gehouden op hetgeen aan de
Nederlau'lsche verzamelingen van Indische documenten mocht ont-
breken of onvoldoende aanwezig zijn. Door het niet bestaan eener
juiste opgave van de stukken over 1813 — 1830 in Nederland
aanwezig, is slechts gecopieerd wat, uit welk oogpunt ook be-
schouwd, voor de Nederlandsch-lndische geschiedenis van belang
is en, naar alle waarschijnlijkheid, kan geacht worden hier te
lande niet aanwezig te zijn.
Het allereerst kwamen hiervoor in aanmerking de brieven ge-
wisseld tusschen de Engelsch-Indische kantoren onderling en tus-
schen hen en het moederland. Een groot gedeelte dier verzameling
zal, met behulp van de Engelsche regeering, worden openbaar
gemaakt door de pers. Onder leiding van den heer F. C. Danvers
zullen de documenten uit de 17*^ eeuw worden gepubliceerd * ,
nl. al die, welke behooren tot de oorspronkelijke twee, ^East
India Companies^/ vóór hun ineensmelting in 1708.
Daardoor blijft wel is waar het meest uitgebreide gedeelte voor
uw college ten onderzoek over — de vroegste '/Consultations^' toch
dateeren van 1702 — , die openbaarmaking bespaart aan den anderen
kant het onderzoeken en in lijst brengen van een geheele eeuw.
De groote kosten aan de uitgaaf verbonden, de lange tijd, die
er mede gemoeid is en het, vermoedelijk, weinig pecuniaire voor-
deel voor de uitgevers doen niet verwachten, dat de publicatie der
achttiende eeuwsche stukken spoedig die der daaraan voorafgaande
eeuw zal volgen. En zoolang dat niet geschiedt blijft uw onder-
zoek zijn volle waarde behouden.
Moge ik hiermee erin geslaagd ziju U een denkbeeld te geven
van de belangrijkste historische stof, die zich ook voor de Neder-
* Het eerste deel dier publicaties verscheen reeds in 1896. Zie bl. 1M2, noot.
é
ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET INDIA OFFICE 20ff
landsch-Indische geschiedenis in het Engelsch-Indische Achief
bevindt , en mogen mijn pogingen om die stof voor den historicus
gemakkelijk toegankelijk te maken uw goedkeuring wegdragen. De
welwillendheid en het vertrouwen, waarvan Uw college mij zoo
herhaald blijken gnf, zouden schaars belooning vinden , indien het
onderzoek, door U op touw gezet, mocht blijken niet aan het
door U gestelde doel te beantwoorden.
Met de Aieeste hoogachting teeken ik mij
Uw Dw. Dienaar
W. ROOSEGAAHDR BIS.SCHOP.
Arnhem, December 1896.
DE ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON
NAAR SUMATRA'S OOSTKUST IN 1820 EN 1823
DOOR
P. H. VAN DER KEMP.
In de ^Verhandelingen van het Bat^viaasch Genootschap van
Kunsten en Wetenschappen^', deel XXXV (1870) werd opge-
nomen eene beschrijving van E. Netscher over »De Neder-
landers in Djühor en Siak 1602 tot 1865 '^. Het 8« hoofdstuk
hiervan heeft tot onderwerp Siak: 1811 — 1829 en daarin wordt
van de in hoofde dezes vermelde zendingen melding gemaakt.
Netscher's mededeelingen nu hierover kunnen eenigszins aangevuld
worden , door enkele stukken , die Mr. Roosegaarde Bisschop uit
het archief van het India Office te Londen deed overschrijven
(verg. hierover bl. 558 — 559 dezer Bijdragen , 6« Volgr. 2* Deel
1896). De bladzijden, die ik zul aanhalen, hebben, indien geen
andere aanwijzing is gegeven, op Netscher^s boek betrekking.
In het begin van deze eeuw hadden de Engelschen hunne bij-
zondere aandacht op de landen van Sumatra aan straat Malakka
gevestigd. De snel toenemende handel van Poeloe Finang bracht
de bewoners van die landen in nauwere aanraking met de En-
gelsche handelaars en bestuurders: verscheidene zendingen van
Engelsche zijde moesten er toe leiden om de gemeenschap uit te
breiden en den handel van Sumatra naar Poeloe Pinang te ont-
wikkelen. Het bleef daar echter niet bij. Toen het bekend werd,
dat, krachtens het Londensch tractaat van 13 Augustus 1814 *
Malakka aan Nederland zou worden terug gegeven, zagen de En-
gelschen uit naar een nieuw punt, waardoor zij zich van den handel
in straat Malakka konden verzekeren. Dientengevolge werd de majoor
> Netscher beging natuurlijk eene vergissing, waar hij op bl. 148— 14*^^ deed
drukken „krachtens het Weener Congres."
DE ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON ENZ. 211
(Icr ingenieurs William Farquhar naar Sumatra^s Oostkust gezonden
en sloot hij te Boekit Batoe dd. 31 Augustus 1818 met den Sultan
van Siak eene handelsovereenkomst (bl. 148 — 149).
Het Gouvernement te Calcutta scheen, evenals dat van Poeloe
Pinang, zeer met dezen stap ingenomen te zijn en gaf zelfs
machtiging om een Britsch etal^lissement te Sit^k o]) te richten ,
indien het Gouvernement van Poeloe Pinang het raadzaam mocht
aciiten. Dit bestuur oordeelde het echter beter om er eerst naar
te streven van de Oostkust meer kennis te verkrijgen. Vandaar
de zending van den heer R. Ibbet^ou, een der ambtenaren van de
O. I. Compagnie te Poeloe Pinang; zijne instructie van 18 Mei
1820 was ook geheel van commercieelen aard. De luitenant 8. C.
Crooke werd hem toegevoegd , voornamelijk voor typographische en
hydrographische opnemingen. De zending liep echter ongelukkig
af. Men kwam dd. 25 Juni 1820 in eene monding van de rivier
van Djambi, maar kon niet tot de stad van dien naam komen.
Ibbetson werd ziek en moest naar Singapore om geneeskundige
hulp. Van daar zeilde men naar de rivier van Siak , maar Ibbetson
was te ongesteld om dat rijk te bezoeken. Assahan werd voor één
dag, Deli voor twee dagen aangedaan, en den 4" September 1820
kwam de commissie te Poeloe Pinang terug (bl. 151 — 152).
Doch ofschoon inderdaad Ibbetson's zending uitsluitend van
commercieelen aard was geweest, ontlokte zij aan het bestuur der
Oost-Indische Compagnie te Londen afkeurende opmerkingen, die
bij schrijven dd. 23 April 1823 (dus ruim 2 jaar na Ibbetson's
tocht) den Gouverneur van Pinang, Phillips, onder de aandacht
werden gebracht, en die hij ontving in den aanvang van November
d. a. V. Bij nota dd. 7 November 1823 teekendc Phillips hierop
echter het volgende aan :
The Honourable Court seems to have misconceived the objects of
Mr. Ibbetson 's mission to the Eastcoast of Sumatra, by the streng
terms in which they enjoin us scrupulously to abstain from forming
any new engagements with the native states, and from any ])roceeding
likeïy to affect our political relations with the Dutch in these seas.
That mission had no political object whatever, froiii all points bor-
dering or likely to border on which , Mr. Ibbetson was most earnestly
and decidedly instructed to abstain. His mission was piireiy commer-
cial and such as the Honourable Court in para 44 of their general letter
of the i8tli. April 1805 authorized and called upon this Government
to depart.
212 DE ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON
It is pleasing to observe, and must be satisfactory tu Mr. Ibbetson
and Captain Crooke to know that the Honourable Court concur in
the commendations bestowed by us on their conduct during the
mission, and declare their reports to be creditable to their talents
and industry, and to contain interesting information. These reports
however were such only as the unfortunate illnes of Mr. Ibbetson
enabled them to prepare, but I trust that when the Honorable Court
shall be possessed of the result of Mr. Anderson's more successful and
more happy labours, they will admit that there were objects in the
Eastcoast of Sumatra for accomplishing , which this Government was
fuUy justified in deputing missions to that quarter.
Wij worden hieronder met de zending van Anderson uitvoerig
bekend. Middelerwijl had reeds in 1822 een Engelsche kruiser de
gansche kust van Sumatra langs straat Malakka hydrographisch
opgenoraen (bl. 152).
In dat zelfde jaar vernam onze Gouverneur van Maiakka, dat
de Luitenant-Gouverneur van Benkoelen, Rafles, die zich toen te
Singapore bevond , voornemens was zich naar Siak te begeven , om
aldaar eene Engelsche bezetting te leggen. Terecht bevreesd, dat
dit zeer tot nadeel zou strekken van den ontluikenden handel van
Malakka, trachtte onze Gouverneur zijn mededinger voor te zijn,
en hij twijfelde te minder aan den goeden uitslag, omdat in het
vorige jaar de Sultan van Siak herhaaldelijk bij hem aanzoek
had gedaan om de oude betrekkingen tusschen Siak en Malakka
te vernieuwen. De Gouverneur stelde in commissie tot de behan-
deling van deze zaak den kapitein-luitenant ter zee D. Buijs,
commandant van Zr. Ms. Irene ' , aan wien hij als Secretaris toe-
voegde den hoofdcommies van het Gouvernement van Malakka
E. Van Angelbeek. Deze slaagde er in dd. 16 December 1822
het vroegere tractaat van 1761 te vernieuwen. De Sultan gaf een
brief en geschenken aan den Gouverneur van Malakka mede en
de Irene kwam den 19° December aldaar ter reede terug (bl.
152—155).
Intusschen had ook het bestuur van Poeloe Pinang besloten de
zending van Ibbetson naar de Oostkust van Sumatra te hervatten ,
zoowel omdat men van die eerste, hoewel niet geheel volbrachte,
reis reeds goede uitwerkselen voor den handel van Poeloe Pinang
* Netscher schrijft op bl. Ió3, 155 en 158 noot*) steeds Sirene. Op gezag
van J. J. Backer Dirks' „Nederlandsche Zeemacht" (1891) dl. Il bl. 503, 505, 507
houd ik dit ook voor eene vergissing.
NAAR StJMATKA's OOSTKUST IN 1820 EN 1823. 213
nieeiule te bespeuren, als omdat men vernomen had, dat het
Nederlandsch Bestuur van Malakka zich met Siak had in aanraking
gesteld en men er zeer bevreesd voor was, dat daardoor de handel
geheel naar Malakka zou worden verplaatst. Men koos voor deze
zending weder een der ambtenaren van het etablissement, John
Anderson, een man van veel zaakkennis en goed op de hoogte van
de Maleische taal, zeden en gebruiken (bl. 157). De geloofsbrief,
dien hij op zijn zending niedekreeg , luidde :
To all to whom these presents shall come.
Greeting ,
Be it known that 1 the Honourable William Edward Phillips, Governor
of Pulo Penang and its dependencies , have nominated and appointed
Mr. John Anderson , a civil servant of the Honourable East India Com-
pany of England and by these presents, do nominate and appoint the
said Mr. föhn Anderson my Agent and deputed him to visit such
ports and places on the East coast of Sumatra and other countries
to the Eastward as are on communication and friendly terms with the
Government of Pulo Penang and I hereby request that all Rajahs
and Chiefs of the several ports or places, he may visit during his
mission , will receive the said Mr. John Anderson as Agent of the
Honourable Company with kindness and hospitality and that they will
communicate with him freély and confidentially on all matters relating
to trade and commerce, which it is my desire to promote and en-
courage to the mutual advantage and benefit of these countries and
Pulo Penang.
Given at Pulo Penang this 4th day of January 1823, corresponding
with the 22nd Rabiulakir 1238 under my hand and seal as Governor
of Pulo Penang and its dependencies.
Tegelijkertijd werden voor de verschillende vorsten en hoofden
op Sumatra's Oostkust brieven geschreven , gedagteekeud 6 Januari
1823 en gericht aan de vorsten van Langkat, Siak, Salengore en
Deli, zoomede aan de hoofden van Batoebara, Assahan, Serdang,
enz. Alle deze door den heer Bisschop overgelegde brieven komen
met ondergeschikte wijzigingen op hetzelfde neder, zoodat volstaan
kan worden met de mededeeling van het volgend schrijven :
THE RAJAH OF SIACK
After compliments.
It is some time since I last addressed my friend, but he may be
assured that those friendly feelings and that amicable relation, which
is founded upon our long acquaintance and the intimate connection
214 DB ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON
between Siack and Pulo Penang , for a long series of years , still remain
unaltered and unchanged. The last ambassador whom I deputed to
wait upon my friend, about 3 years ago, was forced by indisposition
to return without accomplishing the objects of his mission. As some
time has elapsed thereforc since a direct communication took place
between us (although the trading vessels of my friend's country have
continued to resort to this place) I am desirous of manifesting to my
friend the continuance of my friendly disposition towards him and
being desirous to improve and extend the commerce between the two
countries, I have deputed a confidential Agent, Mr. John Anderson,
one of the Honourable Company's servants on this etablishment to
wait upon my friend, not only for the purpose of giving additional
assurances of my sincere disposition to promote the welfare of Siack,
but also to give my friend some beneficial information respecting the
trade and useful manufactures which are imported into this place from
Europe and other places, which my friend may perhaps be disposed
to introducé a greater demand for in his dominions. The valuable
produce of my friend's country always finds a profitable and ready
sale here, while every proper accommodation is given to the traders
who visit this port, and which it is my particular injunctions to the
several officers of my Government to continue. It will be gratifying
to me to see the vessels from Siack resort to Pulo Penang in encreased
numbers, and it cannot fail to be extremely beneficial to my friend's
country and to the prosperity and welfare of its inhabitanls. Mr.
Anderson will communicate fully with my friend. Mr. Anderson will
deliver some small presents as a mark of good will.
Doch zoo de vroegere zendingen van Poeloe Pinang inderdaad
slechts vhu commercieelen aard geweest waren, Andersou^s missie
had ook staatkundige bedoelingen, al stond dit niet in de brieven
van Piuangs Gouverneur. Ouder den schijn van eene loutere handels-
zending te volbrengen, moest Anderson blijkens eene '/Memorie
tot naricht van den heer Anderson " dd. 1 Januari 1823 door den
Gouverneur verstrekt (bl. 157), het noodige trachten te doen om
ons uit Sumatra^s Oostkust, en speciaal uit Siak, te weren.
Na een aantal plaatsen, van kaap Temiang af, bezocht te hebben ,
kwam Anderson op 21 Maart 1823 voor de hoofdstad Siak ten
anker en keerde hij den 26" d. a. v. naar Poeloe Pinang terug.
Hij had geen tractaat gesloten met den Sultan van Siak , door
wien geweigerd was hem het verdrag met de Nederlanders aan-
gegaan , te laten zien , maar Anderson was de overbrenger van
twee brieven van dien vorst aan den Gouverneur van Poeloe
Pinang. In den eersten, gedagteekend 11 Redjab 1238 (24 Maart
NAAR SÜMATRA*S OOSTKUST IN 1820 EN 1823. 215
1823), zegt (Ie Saltaii bevreesd te zijn voor een aanval van de
Hollanders en zijn steun te zoeken bij de Engelsclien In den
tweeden van den volgenden dag betoogt hij zijne ingenomenheid
met Anderson's komst; verder deelt hij mede van, in overeenstemming
met zijne vier soekoe-hoofden , niet slechts het hiervoren bl. 211
vermelde tractaat van Farquhar bevestigd te hebben, doch tevens
zich tot acht door den heer Netscher vermelde punten te ver-
binden (bl. 159), die de verlevendiging van den handel met Pinang
ten oogmerk hadden, terwijl de Koning en zijne hoofden tevens
op zich namen "den Hollanders noch eenige andere natie eene
vestiging'/ te verleenen , «noch hun toestaan hunne vlag te hijsclien
of te wonen te Siak of op eenige plaats onder het belieer daarvan.'/
Dit werd bepaald, niettegenstaande art. 9 van het op bl. 212
vermeld tractaat van Siak met de Nederlanders aldus luidde: "De
Sultan zal niet toestaan, dat andere natiën zich in Siak vestigen.
Hij zal de vrienden en de vijanden van het Nederlandsch
Gouvernement als de zijnen beschouwen, en zijne vrienden en
vijanden zullen door het Gouvernement mede als de zijnen wor«len
a;inge merkt. Ingeval van oorlog zullen partijen elkander helpen,
zooveel in hun vermogen en hunne maclit is en voor zoover hunne
belangen dit medebrengen."
Op den dag, dat Anderson van Siak naar Pinang teruirkecrde ,
schieef Toewankoe Pangeran Koesoema di La^a (ook Zaid Zin ge-
noemd) , een vijand van den Sultan (Netscher bl. 158 noot 2 en
bl. 165), en in de Engelsche briefwisseling Pangeran van Siak
geheeten, den volgenden brief aan Pinangs Gouverneur, dien
Anderson ook medebraclit en waaruit men ontwiiren kan, dat deze
met succes onrust en verdeeldlieid gestookt had.
I beg to acquaint my friend respecting the state of the Kingdom of
Siack at present. In the month of Jemadil-awal a Dutch brig arrived
with a great man named Commandant * by the order of the General
of Batavia, and brought with him the form of a treaty with 12 diffe-
rent articles *. The King consulted with the Dutch and made a
solemn engagement, attested on oath, that he would not receive any
' De Maleyers pleegden aldüs den commandant van een Nederlandsch oorlogs-
schip te noemen.
'^ Bedoeld werd het hiervoren op bl. 212 vermeld tractaat van 16 December
1822. Het telde echter slechts 9 artikels. Misschien bestond het concept, dat op
aanmerkingen van den Sultan en zijne rijksgrooten gewijzigd werd (Netscher bl.
153), uit 12 artikels.
216 DE ZENOINGES VAN IBBBTSON EN ANDERSON
other nation than the Dulch and that if Malacca should be in difïi-
culty Siack is bound to assist, and if Siack required aid, Mallacca is
to grant it '. Aften^ards came Mr. Anderson and brought a letter
from the Govemor of Pulo Penang and he also requested an engage-
ment. The King accordingly gave him one containing 8 articles,
and there is still one more regarding the currencv not inchided -.
I have furthcr to infonn mv friend that mv rclatïves and children in
Siack are numerous, and I niyself am the principal old man remaining.
The Rajah is a young inexperienced lad , and I cannot consent to be
guided by his understanding or approve of his making an engagement
both with the Dutch and English. If the Dutch come with a force he
will no doubt receive them. If my friend wishes to protect or coun •
tcnance me, do so in sincerity and powcrfully, st) that no other nation
mav come here, for formerlv I took Siack and hoisted the En^Iish
colours and till this day I have never been unfaithful to or separated
from the English. I beg my friend will reply to this letter, that I mav
know his intentions. I have stated mv wishes to Mr. Anderson.
De heer Netscher heeft op de waardeloosheid van Siaks ver-
bintenissen met Engeland nadrukkelijk gewezen (blz. 160), omdat
^iederland, krachtens de Londensche Conventie van 1811, weder
in zijne sinds het trautaat van J6 Januari 1761 bestaande
rechten was' getreden. ^Er is dan ook nergens het bewijs
geleverd^, merkt Netscher op , '^d a t het bestuur van
P o e 1 o e P i n a n g de verbintenis van den Sultan van
S i a k zou hebben aangenomen^ De door den heer Bisschop
overlegde stukkeu leveren wat meer is het bewijs, dat de ver-
bintenis door het Pinangsche bestuur werd afgekeurd, zoowel op
den hiervoren aaugevoerden grond, als omdat, blijkens het door
Netscher op bl. 161 mede aangehaalde, het aan de Engelsche
ambtenaren uitdrukkelijk verbodeu was eigenmachtig handelingen
te plegen , waarmede de Gouvernementen in Europa zich niet
zouden kunnen vereeniijen. ''
' Bedoeld worJt blijkbaar het hier boven in den tekst vermeld art. •' van het
tractaat van IS22. Met werd echter door do Regeerini; te Batavia at'i^ekejrd :
bl. l.'w) en bl. 102.
* .Ander-ton was bij zijne instructie (^Netscher bl l.'>7) opgedra.i^en om zoo mogelijk
de vorsten te bewegen hunne sterke voorin«;enomenheid tegen den Spaanschcn
dollar te laten varen en de Engelsche sicca-ropijen en kleinere munt aan te nemen.
Dat hij hierin slaagde blijkt uit de beloften van Deli en Langkat voorkomende
in de verbindtenissen, bl. XLIX en L door Netscher in de bijlagen gepubliceerd.
•'' Blijkbaar had Philiip- niet bedoeld, dat onze uitsluiting zwart op wit
zou worden behandeld I
NAAR SUMATEA's OOSTKUST IN 1820 EN l823. 217
Ziehier namelijk wat de Gouverneur bij nota 29 April 1823 als
president van het medebesturend college te Pinang naar aanleiding
van Anderson's voorloopig rapport dd. 20 April t. v. opmerkte:
I have gone over with much interest Mr. Anderson's report of hls
mission to the Eastcoast of Sumatra and it is gratifying to me to
acknowledge, that in point of zeal and intelligence he has even sur-
passed my expectations , and that he has further in the progress ot
the service entrusted to him displayed a spirit of enterprise and re-
search and an insensibility to danger and personai fatigue that cannot
be too highly extoUed.
He has evidentally succeeded in winning the confidence and good
will of all the native chiefs whom he visited, and in promoting a
better and more direct intercourse between them and this Government
and in impressing them , not only with a correct opinion of the general
firmness of our purposes , but with some consistent idea of the adven-
tage that must accrue to themselves as well as to us, from their ad-
mitting our currency and adopting other means to facilitate and extend
the commerce subsisting between this Island and the Eastcoast of
Sumatra. He appears also to have gathered a mass of highly useful
and interesting information regarding the chiefs and the political and
natural * history of their dominions. For all these important results of
his mission he has therefore fully entitled himself to the warmest
acknowledgments of this Government.
But it is my duty to point out certain aberrations into which Mr.
Anderson's great zeal and evidentally most ardent desire of justifying
the confidence of the Board has betrayed him.
In the first place what he called «engagements» can be considered
only as treaties under a different name, to frame which however
he possessed no authority. His instructions contain not a word regar-
ding treaties * , and he appears to be unaware of the provisions of
the 43rd. Sec. of 33 Geo. 3rd. which very decidedly and clearly
forbids all subordinate Governments to negotiate or conclude any
treaty with any Indian Prince or State uniess in pursuance of express
orders from the Governor-General in Council or the authorities in
Europe, not that I think much harm or good can ensue from these
engagements or treaties. ^ The Chiefs will attend to them so long as
its suits their respective interests to do so. But I trust as Mr. An-
derson wisely abstained from introducing into them any stipulation
on our part, the Chiefs will not consider these documents as giving
* Zie bepalingen der Instructie bij Netscher bl. 157.
* Het komt mij voor, dat aan den zin van de laatste komma af, te beginnen
met not, iets hapert. Ik nam echter Bisschop 's afschrift behoorlijk over.
•
21S DE ZEND1N6BM VAN IBBET80N EN ANDERSON
theni in return greater claims to pecuniary or even political aid from
us than what we may be disposed to afford.
In the next place the whole of the writings, Mr. Anderson has
produced frora the native chiefs ', are calculated, I fear, to give an
unfair and erroneous idea of the real motives of this Government;
they seem to impress an opinion that we desired to engross the
whole of the trade of their Kingdoms, to the complete exclusion of
the Netherlanders and even of our friends at the other end of the
Straits. We had no such intention. It would be manifestly illiberal
and unfair to make any direct attempts to preclude others from en-
joying their proportion of that trade. Our object was to advise the
chiefs against entering into monopolies or exclusive contracts with any
one, and to prevent the Dutch Government from entirely diverting
the commerce from the long established channel of this Island to
their settlement of Malacca and in executing this object our agent
was particularly cautioned against doing anything likely to excite a
collision between us and the Netherlanders. Lastlv : Mr. Anderson when
he leamed at Siack that the Rajah had just before concluded a treaty
with the Dutch, he should have confined himself to explaining fuUy
and forcibly the provisions of Colonel Farquhar's treaty (bl. 211 hier-
voor) , without accepting any new engagements. That treaty having been
approved by the Suprème Government he should on no account
have interfered with it, or allowed any additional articles to be
joined to it.
The circumstance of the Rajah, not allowing our agent to see a
copy of this treaty which he had concluded with the Dutch, joined
to the peculiar character of the letters which His Highness as well as
Tuanku Long have addressed to me, fully convince me that the terms
of the treaty are unfavourable tó us "-, and that the Rajah being
unwilling to fulfill them, looks to us for aid in resisting the encroach-
ments of the Dutch. It is to be regretted then that Mr. Anderson's
proceedings at Siack must have raised and fostered such expectations
on the part of the Rajah as we have no intentions of realizing and
as we could not attempt to realize without express authority from the
Suprème Government.
Mr. Anderson 's additional articles also being accepted after the
Netherlanders had anticipated us, may involve us in some unpleasant
discussions with the Government of Malacca. I hold it my duty there-
^ .Vlen zie de contracten met Langkat en Deli ook by Xetscher, bl. XLIX en L.
' Dit vermoeden was blijkens het op bl. 215 medegedeelde art. 9 juist. Gelijk
ik echter in de noot 1 bl. 216 mededeelde, keurde onze Regeering dat artikel
af; ook werd, blijkens de door Xetscher op bl. 154 — 155 medegedeelde artikelen,
de handel ^zonder uitzondering van cenigc natie" open en vry verklaard.
NAAR SUMATRA^S OOSTKUST IN 1820 EK 1823. 219
fore to take the first opportunity of addressing the Rajah of Siack to
explain and insist on his observing Colonel Farquhar's treaty as far
as extending to our commerce the same indulgences as he may at
any time grant to the most favoured nations, and to remove every
impression which His Highness may have imbibed of our assisting
him to violate or set at defiance any political engagements that he
may have contracted with the Government of Malacca.
I have thus fully discussed the several inaccuracies into which Mr.
Anderson has been led. I should bc unjust indeed to notice them
further than to point them out and I have done this merely to pre-
vent this Government from being hereafter in any manner committed
by them. I see clearly that our Agent has been betrayed into these
errors of judgment by his extraordinary ardour of temper and by his
anxiety to promote the full success of the interesting mission on which
he was deputed, and I repeat that his conduct on this fatiguing and
arduous service justly entitles him to the reward to which he looks
forward: the best approval of Government and a representation of
its sentiments to the Honourable the Court of Directors.
Het raadslid W. A. Clubley meende echter Anderson's hande-
lingen niet zoo gestreng te moeten veroordeelen als de President;
zijne Nota luidt namelijk als volgt:
I quite concur with the Honourable the President in considering Mr.
Anderson entitled to the fullest approbation of Government for the
zeal, ability and perseverance with which he has pursued to a successful
termination the mission lately entrusted to his charge.
Mr. Anderson's Diary is not yet before the Board, but from the
report which has been now recorded, we have I think sufficiënt to
justify a rationa! conclusion that by the result of this mission we shall
be put in possession of most valuable information with respect to a
large portion of Sumatra, which has never hitherto been descibed,
becaase never before visited by Europeans.
Independent therefore of the adventage which will result to the
cause of general science, there is a reasonable hope that by the
additional information now acquired of the cultivation, habits and
character of the different States comprized within the sphere of Mr.
Anderson*s visit, this settlement will ultimately derive important bene-
fits by the extension of trade and by the opening of new channels for
manufactures.
With respect to the engagements or as the Honourable the President
considers them the treaties concluded by Mr. Anderson with the diffe-
rent chiefs, I am inclined to think that the strict interpretation of
2£0 DE ZENDINGEN TAN IBBFT90N EN ANDF.R90N
the Act quoted, might not apply to the present case, for it must
evidently allude to political treaties of alliance etc, and not to those
friendly and mutually beneficial commercial arrangements with the
native princes and states in our neighbourhood which by the 44 para
of the Honourable Courts ordres of the i8th. April 1 805 this Govern-
ment is positively and special ly desired to encourage.
If in the case of Siack , which is the only one of a doubtful nature
in my mind, Mr. Anderson may have been led to receive from the
Rajah a paper containing certain engagements on his part, without
having first seen the treaty or engagement which had been concluded
by the Dutch mission only a short time previous , — I think it is but
fair to consider that Major Farquhar*s treaty on the part of this
Government of 18 18 has been by them considered as obsolete in
consequence of our restauration of Malacca to the Dutch, and that
perhaps the intervention of an English agent from hence so imme-
diately following the Dutch mission ought to be viewed as highly
opportune, as offording the opportunity to set at rest the erroneous
notions which had been entertained and to restore to Penang that
due participation in the commerce of the country, which was indeed
a main object of the mission. It must be remembered also that there
is no stipulation on our part or any concession whatever, and that
the engagement which the Raja of Siack voluntarily drew out and
gave to Mr. Anderson, may be considered and have been intended
as a proof of his great consideration and respect for the British Govern-
ment and of his sincere disposition as far as he was able to observc
the treaty formerly concluded with Major Farquhar.
Nochtans besloot de Raad om overeenkomstig het advies van
den President Gouverneur de gerezen bezwaren aan Anderson onder
het oog te brengen en alzoo ook de door hem medegebrachte
brieven eenigszins afwijzend te beantwoorden.
Vandaar dat de Gouverneur Phillips dd. 15 Mei 1823 het
volgende schreef aan den Vorst van Siak :
I have received my friend's letter which he transmitted by my
Agent Mr. John Anderson and ara highly sensible of the kind and
friendly reception which that gendeman experienced at Siack. The
sentiments which Mr. Anderson was instructed to deliver to my friend
were to recommend an entire freedom of commerce to people of all
ports and nations being permitted and encouraged , which I am happy
to find my friend is equally inclined with myself to patronize.
With reference to the subject of the Communications, which have
taken place between my friend and the Duth Government of Ma-
lacca, I can only say that the British are at peace and on lerms of
XAAR SUMATRa's OOSTKUST IN 1820 EN 1823. 221
amity and friendly commercial intercourse with that nation and wish
to remain so. It is by no means our desire to form any treaties or
engagements by which the trade of Malacca or any other place whether
under Dutcli, British or Malagan rule should be injured or restricted
and at the time I request my friend attentively to consider these
sentiments. I of course expect that the commercial intercourse between
Penang and Siack will be also unrestricted and by the joint endeavours
of myself and my friend be increased, as indeed it is stipulated in
the treaty which my friend concluded with Major Farquhar in i8i8
that the British traders visiting Siack shall have all the privilege and
favour which the most favoured nations possess them.
As to the treaty above mentioned it has been confirmed by the
Govemor-General in Council of Bengal and it is proper that both
parties should mutually perform their respective and original stipu-
lations.
I therefore do not wish to make any alterations or additions théreto
and I have only to express my gratification of my friend's cordial
reception of my Agents and my hope that a lasting friendship will
always exist between Siack and the Government of Prince of Wales
Island.
Aan den op bl. 215 vermelden Paugeran van Siak schreef
Phillips tegelijkertijd den volgenden brief:
I have the pleasure to acknowledge the receipt of a letter from my
friend by Mr. Anderson and to express my obiigations for the assistance
and civility of my friend towards that gentleman. I am obliged to my
friend for his information relative to the treaty formed with the Dutch
Government and the affairs of the country of Siack, with the Rajah
of which I have been long in the habit of friendly correspondence
and desire to be on the best of terms. As to my friend's own affairs
with the Government of Siack it would not be proper for me to enter
into any discussion of them, but I hope that my friend and the Rajah
may always be on those terms of good will and amity which are so
desirable between relations, and that by their united means an enc-
rease of intercourse may take place between the subjects of Siack
and the British possessions.
Bij schrijven van den Qouvernements Secretaris dd. 8 Mei 1828
werd Anderson zijoe verkeerde opvattingen onder het oog gebracht ,
doch deze berustte niet in de aanmerkingen; de '/Late Agent to
the Eascoast of Samatra'/ beantwoordde ze toch bij missive, gedag-
teekeud Piuang 13 Juli 1823 aldus:
Having been engaged in the preparation of the final rcports of my
mission, I have thus long delayed replying to your letter of the 8th.
£22 DE ZENDINGEN VAN IBBRT80N EN ANDBBSON
May, in answer to my communication to Government of the 20th.
of April. Highly gratified as I must naturally be, by the flattering
approval which Government is pleased to express of my proceedings
generally and of my intentions, it is matter of no small concern to
me to observe that a misconception exists as to my conduct at Siack ,
which has drawn forth the animadversions of Government , and which
I am very anxious to remove.
I have reperused my report and its accompaniments , and am
unable to observe an\' expression which can bear the construction
«that my proceedings at Siack raised any expectation on the part of
the Rajah, of the interference of the British Government, to enable
him to resist the encroachments of the Dutch.» So far indeed from
giving him any such assurances, it is distinctly stated in my report
that «the Rajah of Siack particularly enquired whether the Ënglish
would give him assistance and protection in case the Dutch should
attempt to settle in his country by force, (for he expressed his deter-
mination to resist them as long as he had the power). I informed
him that I had no authority to interfere in political
matters at all, my mission being purely of a commercial
nature; and designed to devise new means of extending and impro-
ving our commerce»: and afterwards in allusion to a conference
with the Tuanko Pangeran, and his desire to send a letter to the
Honourable the Govemor, I stated that «although I explained to the
Tuanko Pangeran that the English Government had no desire for any
extension of territory, but merel y desired a fair and equi-
table participation in the trade of the surrounding countries.
and its objection to interfere in any of their intemal disputes etc.»
The mere circumstance of my taking charge of his letter cannot in
strict propriety , render me liable to the imputation of being his
advocate, or having held out to him any prospects from the British
Government. Me gave me two letters for Sir Stamford Raffles and
Colonel Farquhar on the same subject, which I forwarded from
Malacca and which proves, I think, conclusively , that I had no
intention of aiming at the exclusion of the Settlement at the other
end of the Straits from a participation of the trade of the country.
I am at a loss therefore to conjecture upon what grounds
the Honourable the Governor in Council should impute to me any
devialion from my instructions , to which indeed I have , as far as
I am able to judge, strictly conformed, nothwithstanding a discre-
tionary power was vested in me to act as I deeraed best for the
interests of this settlement. '
I have onlv in conclusion to add, that I lear any disavowal of niv
• Zie den aanhef der op bl. 214 hiei voren bedoelde Memorie.
NAAR SÜMATRa's OOSTKUST IV 18Z0 EN 1823 223
proceedings or the acts of an Agent vested as I was with fuU powers
to negotiate with the several chiefs would be a very serious reflection
upon my character, and a virtual abandonment of any privileges ac-
quired by the treaty of Colonel Farquhar, which it was my object
and study to secure and retain, and I apprehend would have a ten-
dency to excite jealousy and distrust towards the British Government ^
and withdraw that small portion which yet remains of that once
valuable commerce which formerly subsisted with the State of Siack,
and assuredly occassion a degree of reserve and want of confidence
towards any future agent who might be deputed to that State.
As to the papers or writings from the Malagan chiefs which I
brought with me, and which I have called «engagements» , they
cannot in any view be termed «treaties» as a treaty supposes a
mutual concession. I conceded nothing on the part of the Government,
I bound myself to no obligation, and in short I promised nothing
more than that they should receive every attention in respect to their
commerce with Penang, and every consistent facility, as desired by
my instructions. These engagements were voluntary, and may be
considered merely as replies to the letters of which I was the bearer.
Dezelfde redeneeringen over het louter commercieele van Anderson's
optreden, vindt men in zijn Mission, blijkens de aanhalingen
▼an Netscher, bl. 158. En wat te zeggen van Anderson's ver-
dediging over het medenemen van den brief van den Pangeran
van Siak !
's Gravenhage, Mnart 1897.
G« Vülgr. III. 1G
EEX SPAANSCH SCHRIJVER OVER DKN GODSDIENST
DER HEIDENSCHE BIKOLLERS.
In den vorigeo jaargang van dit tijdsclirijft ' is met een enkel
woord gewag gemaakt van een geschrift over de afkomst en de
godsdienstige voorstellingen der bevolking van 't Bikolgebied in
vroeger tijd, welk geschrift door Pater José Castaüo opgesteld,
deel uitmaakt van Retana^s Archivo del Bibliofilo Filipino,
Deel I. Hetgeen ons in dat stuk wordt medegedeeld is voor een
niet gering deel ontleend aan oudere berichten van zendelingen,
die werkzaam waren onder de heidensche BikoUers om dezen tot
het Christendom te bekeeren , doch het is er niet te minder
belangrijk om. Want daargelaten dat Pater Castano ook menig
feit uit eigen waarneming inlascht en daarenboven een geheel
mythologisch gedicht van een ouden Bikoller voor H eerst wereld-
kundig maakt, zijn de oude boeken, waaruit hij geput heeft, hier
te lande niet te vinden. Daarom geloof ik geen overbodig werk
te doen, wanneer ik de lezers van dit tijdschrift met den zakelijken
inhond van genoemd geschrift bekend maak en daaraan eenige
noten toevoeg. Het zal hun blijken dat de godsdienstige voorstel-
lingen en gebruiken der heidensche Bikollers in \ nauwste verband
stafctn met den aiouden godsdienst hunner stamverwanten in Indonesië.
Onder den naam van Bikol verstaat men het Z.W. gedeelte van
Luzon, dat schiereilandachtig door de landengte van Tavabas met
het veel grooter Noordelijk deel van genoemd eiland verbonden is.
Het bevat tegenwoordig de provinciën Camarines en Albaj,
benevens de eilanden Masbate, Tikao, Burias en Katandnanes, en
ontleent zijn naam aan de rivier Bikol '. De bewoners dezer uit-
nemend vruchtbare en aan natuurschoon rijke streek worden door
Pater Castano geroemd om hun zachtaardigheid, leerzaamheid en
< D. XLVI, blz. 146.
* Over den staat der provinciën Camarines en Albay in 't begin dezer eeuw
zal men met vrucht raadplegen de Estadismo van Marlinez de Zuniga (ed.
Retana) D. II, 4<»— 45.
EEN SPAANSOH SOHRIJYER OVER DEN GODSDIENST ENZ. 225
godsdienstigen zin. Eigenlijk is dit alleen van toepassing op de
Christelijke bevolking, die verreweg de meerderheid uitmaakt en
die door den schrijver als Bikolsch van zuiveren bloede wordt
beschouwd. Als tot een ander ras behoorende noemt hij de Agta^s
of Negrito's, die in wilden staat leven. Een derde groep vormen
de Cimarronen, lieden die zich, om onafhankelijk te blijven van
de Spaansche heerschappij , in de wildernis hebben teruggetrokken.
Volgens 't eigen oordeel van Pater Castano zijn echter deze laatsten ,
hoezeer onbeschaafd , van hetzelfde ras als de bekeerde Bikollers.
De oude godsdienst der thans Christelijke Bikollers was een
veelgodendom, en hun geloofsbegrippen waren gegrond op het
denkbeeld dat er een God van 't goede , en een God van 't kwade
bestond, met hun aanhang van mindere goden, goede of kwade,
al naarmate de oppergod was wien zij gehoorzaamden.
Aangaande de godsdienstige voorstellingen der Agta's weet de
Schr. uit eigen ervaring het een en ander dat niet van belang
ontbloot is, mede te deelen. Meermalen had hij gelegenheid met
uiterst onwetende en bekrompen personen van dat volkje in aan-
raking te komen en te onderzoeken of zij eenig denkbeeld van
een Opperwezen hadden. Het antwoord van die lieden was dan,
terwijl zij den blik ten hemel hieven: «ydat zij geloofden dat daar
boven in den hemel een groote Heer woonde; dat hij degene is
die den donder voortbrengt en op de aarde de dingen die vrees
verwekken afzendt n Op de vraag of voor hen na den dood
alles uit was, betuigden zij van neen; '^dat zij na gestorven te
zijn rondwaarden door veld en haag . zich dikwijls des nachts ver-
toonende, totdat zij ten slotte van deze aarde verdwenen om voor
eenwig in een ander oord te verblijven.'/
Om tot de oude Bikollers terug te keeren , dezen geloofden aan
een Opperwezen, dat zij Gugurang * of Heer van alles noemden.
De Gugurang is de goede god, de beschermer van het mensch-
dom tegen de boosaardigheid van den Asuang, den boozen
geest *. Van den Gugurang geloofden zij dat hij steeds geneigd
* Gugurang is afgeleid van Bik. gurang, Bisaya en Tagalog gulang,
Sangir gurang, met prefix ma: magurang, magulang, magurang, oud.
Gugurang kan krachtens zijn formatie beteekenen „zeer oud" of „oudvader".
Dat zulk een woord de beteekenis van „heer" aanneemt, vindt zijn tegenhangers
in verscheidene, ook niet verwante talen; bijv. in de Romaansche talen, waar
Signore, Seigneur, Senor, zooals men weet, uit Lat. senior ontstaan is.
' Asuang, eig. Asuan. wordt in *t Bikolsch Wdb. van Marcos de Lisboa
opgegeven als zijnde een demon of heks, die op menschenvleesch, inzonderheid
226 KlCy SPAANSCH SCHRIJYIR OTKR DVX eODSDIENST
was om hunne gebeden te verhooren en han te schenken wat zij
behoefden, terwijl zij van den Asaang niets dan kwaad ver-
wachtteu. Vooral de moeders die kleine kinderen hadden duchtten
dezen en gaven zich alle moeite om hun kleinen te verbergen ,
uit vrees dat de Asuang zich aan 't bloed en de ingewanden der
kinderen zou verzadigen.
Voorts geloofden zij ook aan 't bestaan van den Batala, een
soort van beschermgeest , minder in macht dan Gugarang*.
Het was de taak van den Ba tal a de negerij die hij in zijne
hoede had gelukkig te maken en den raensch wiens geleigeest
hij was te beschermen. Hij zorgde dat zijn beschermelingen geen
last leden of ten minste geen groote schade ondervonden van
naburige landschappen. Wanneer nu eene negerij vrede en voor-
spoed genoot 9 schreef men zulks daaraan toe dat haar Batala
door Gugurang met hare bescherming belast was. Ook geloofden
zij aan uog andere goede geniussen, eveneens door Gugurang
afgezonden, en Katsimbaj geheeten. Deze werden beschouwd
als geleigeesten van individuen, en niet, zooals de Batala, van
eene negerij of familie. Deze geniussen waren talrijk en werden
dikwijls verward met de Anito's of geesten der voorouders *. De
jagers hadden een bijzonderen beschermgeest der jacht, Okot
genaamd'. Dit was een boschgeest, die zich in 't struikgewas
placht op te houden en door gefluit een teeken gaf waar men
overvloedig wild kon aantreffen. Ëvenzoo hadden de visschers hun
beschermgeest, dien zij Mangindan noemden, en die door
kreten of teekens te kennen gaf waar overvloed van visch was,
of waarschuwde als er slecht weer op handen was.
Zij geloofden verder aan onderscheidene booze wezens, waarvan
de ingewanden aast. Iets dergelijks is Bis. asuang, Tag. usuang. Het is het-
zelfde woord als Dayaksch sa wan, de booze geest die stuipen veroorzaakt;
Jav. sa wan, een booze geest die stuipjes en beroerte veroorzaakt. Ook bekend
in 't Sundaneesch en Maleisch. In 't Mak. en Bugin. sawang, de besmetting
van een kind door een boozen geest
' Batala is natuurlijk het uit Skr. Bhatfftra ontstane woord dat in zooveel
talen van den Indischen Archipel zijn weg heeft gevonden. Vgl. deze Bijdragen
D. XL VI, 723, en Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië , Jan 18^7, blz. 16.
* Katambay ontbreekt in 't Wdb. , doch het woord vertoont zich duidelyk
als eene afleiding van eenen stam, die in 't Oud-jav. tambay, tambe, Nieuwj.
tSmbe, Tag, tambay, vroeg, eerst, dan eerst, enz. luidt. Katambay is
dus »met het begin (der wereld) ontstaan", of , eersteling" , hetgeen tamelijk wel
samenvalt met ,voor\'ader".
' Hiermede weet ik niets te vergelijken dan Bis. oko, heksenmeester.
DEK HRIDENSOHB BIKOLLERS. 227
de Bongg(5^s de kwaadaardigsteu waren. Deze dienaren van den
A s u a n g , op wiens last zij door de dichte bosschen rondwaarden ,
waren eeveneens van eene menschelijke gedaante , doch zeer leelijk ,
inet oogen welke, naar het scheen, vonken vuurs schoten, alles
wat hun te gemoet kwam door gloed verterende. Zij waren het,
die wanneer de Asuang in aantocht was, hem voorafgingen en
de klaagtoonen van den nachtvogel Korokoró * lieten schallen.
Dat was altoos een onfeilbare voorbode van de aaustaaude komst
van den Asuang, wanneer deze dd ingewanden van een kind
wilde verslinden. Daarom nam men alle voorzorgen om de kin-
deren te verstoppen en te bewaken, totdat de Korokor6 zij «e
klagende tonen niet meer liet hooren. Doch zoo men bij voort-
during een dof gerommel hoorde, als van donder in de verte,
werd men door een onbeschrijfelijkeu angst aangegrepen, daar
men dan geloofde dat de Asuang gekomen was om de inge-
wanden van een klein kind of eenen zieke te halen, of ook dat
er weldra een sterfgeval zou plaats hebben in de duluhan of
afdeeling 2.
Een ander boos wezen was Irago of Oriol, een fabelachtige
slang, de dochter van den A s u a n g , welke de eigenschap bezat dat
zij zich even plots aan de blikken der meuschen placht te ver-
toonen als wederom daaruit te verdwijnen. Haar werk was den mensch
dien zij betooverd had te verleiden en mee te slepen waarheen zij wilde ;
zij verlokte de mannen tot boeleerderij , tot roof en wraakneming,
zonder dat zij in staat waren aan hare aaulokselen wederstand te
bieden of zich aan haren invloed te onttrekken.
Een zeer geduchte booze geest was ook Yasao, een soort van
gedrocht, dat zich 's nachts bij heldere maan in de schaduw van
't geboomte vertoonde en schrik aanjoeg. Wanneer men met
zijn verschijning ook kreten hoorde, dan was het een teeken dat
iemand spoedig zou sterven, daar de Asuang dan in aantocht was
^ Korokoro, Bis. kolokolo is eig. 't geroep van Bik., Bis., Bagobo
limukun, limokon, een soort houtduif. Vgl. Mak. kuru.
' Duluhan, dat ook in het Tag. bestaat , wordt weergegeven met een Spaansch
„la gente de una cabeceria, o barrio." Vermits Tag. dulu, Jav. , Mal. enz.
djuru o. a. hoofd beteekent, kan duluhan z. v. o. hoofdmanschap, en „wat
onder een hoofd staat" uitdrukken. Doch dulu kan ook beantwoorden aan Mal.
djuru, hoek, Malag. zuru, Batak duru. hoek, uiteinde, Bulu ruru, kant,
zijde; zoodat duluhan te vergelijken ware met het Duitsche ortschaft (ort
is eig. punt).
228 E£.H SPAAN'SCH SCHRUTER OVEE DE!! GODSDIENST
om een moordaanval of lalaban* te doen. Deze Yasao nam
somwijlen ook de gedaante aan Tan Laki ^, een monster met de
voeten en het haar van een geit en het gezicht van een afzichtelijk
mensch. In dezen staat zwierf het door de bosschen , als straf hem
door den Asaang opgelegd, om zijn traagheid in H vervolgen der
mensch en.
Wat het leven hiernamaals betreft, geloofden zij dat de zielen der
goeden naar den Gagurang gingen, om het loon van han dappere
daden te ontvangen, in eene plaats genaamd Kamnraaayan,
eene plaats van zalige rast. Uaarentegen gingen de boozen naar *t
verblijf van den Asaang om de straf te ondergaan voor hanne
zonden , waaronder als de ergste beschoawd werd bloedschande met
een zaster of naverwante ^, eene plaats van vaar, vlammen en
verstikkende hitte, Gagamban genaamd.
De eeredienst der heidensche BikoUers was weinig ontwikkeld.
Zij vereerden den Gngaraug met een offerande, atang**. De
plaats waar men die offerande placht aan te bieden was de galang-
gnlaogan^, eene soort van tijdelijke looverhnt van riet en
palmbladeren.
Van het Opperwezen, Gugarang, maakten de Bikollers geen
beelden i doch wel hadden zij beeldjes, lag dong, van de voor-
ouders. Bij de Agta s treft men ook zeer raw bewerkte beeldjes aan.
De oade maatschappij der inlanders van Bikol was samengesteld
ait drie standen: dato, dalahan en oripon. De dato is het
hoofd; de dalahan is de werkman; de oripon is de slaaf, in
• Het Wdb. heeft lalaba^ verklaard als zijnde een voortceken door klaagtonen
die men hoort dat iemand veeg is.
• Laki is de stam van la laki, dat'zoowel in 't Bikol als in zooveel andere
verwante talen „kerel, mannelijk wezen" beteekent, gelijk trouwens ook laki.
In 't Bis. is laki, grootvader; bij de oude Pangasinans was laki de naam van
den krijgsgod.
• De verbodsbepalingen tegen huwelijken in de verboden graden zijn, gelijk
men weet, ook zeer streng bij de Dayaks. Voor de Ngadju-Dayaks vgl. men
Hardcland's Wdb. onder tulah; voor de Dayaks in Sarawak, Ling Roth, The
Natives of Sarawak, Ch. V.
• In 't Oudjav. is de gewone naam van eene offerande saji: ook thans
nog »M(C^;aK. Daar nu j^'tict in bcteekcnis ver\vant is met ajÊifc , en io»»ó
wederom zich aansluit bi} tunici\ Bis. adang, enz. schijnt Bik. atang eene
gewijzigde vorm van adang te wezen.
• Vgl. Jav. go4ongan, loof.
DER HETOENSCHE BIKOLLERS. 229
den oorlog verkregen, of wel gekocht of tot dien staat vervallen
tee gevolge van geldschulden. Tot den stand der duluhans of
belastingschuldigen behoorden de bedienaren van den godsdienst
die Asog genoemd werden >.
Deze Asog's — ook in 't Bisaya bekend — zijn mannen die
zich als vrouwen kleeden en ook in andere opzichten , in gebaren ,
manier van spreken enz zich als vrouwen trachten voor te doen.
Het was een zeer gewoon gebruik dat zij niet trouwden om beter
geschikt te zijn voor hun beroep. Zij kenden ook het gebruik der
besnijdenis, pagturi^. Men erkent in deze soort van priesters
licht de tegenhangers van de basirs bij ettelijke Dayakstammen ,
d. i. van mannen die zich als vrouwen kleeden , en van tooverij
en ontucht hun beroep maken. Zij doen ook denken aan de biss u's
des Makassaren en Boegineezen, een soort van toovenaars die
voorgevende door een hooger wezen bezield te zijn, overal toegang
hebbeu , tot zelfs in de slaapvertrekken der jeugdige vorstinnen ,
daar zij meestal den schijn aannemen van onbekwaam tot den
coïtus te wezen, zooals men bij Matthes Mak. Wdb. kan vinden,
om van diens verhandeling over de Bissu's niet te gewagen. Onwille-
keurig zou men geneigd zijn de opgenoemde toovenaars en waar-
zeggers in verband te brengen met den bas o der Bataks, want
ook deze is iemand die door eenen geest bezield is en daarom bij
kwalen geraadpleegd wordt; tevens is het eene benaming voor
vroedvrouwen. Iets soortgelijks is de baritj — dat er uitziet
als eene opzettelijke omzetting van batjir = bas ir — bij de
Dayaks van Sarawak. Zoowel in klank, als ten opzichte der voor-
stellingen die er aan verbonden zijn , vertoonen al deze woorden
zekere overeenkomst, maar volgens de gewone klankregelen laten
ze zich niet tot één ï^rondvorm herleiden.
De vrouwelijke priesteressen en waarzegsters heetten balian,
een woord dat in eene verwante beteekenis over den geheelen
Indischen Archipel verspreid is om een verwant begrip uit te
drukken. Zoowel het woord als de zaak moet derhalve van over-
ouden tijd dagteekenen en een erfenis zijn van de voorouders van
't geheele ras.
* Het albekende woord datu, enz. vereischt geen nadere toelichting. Duluhan
kan hier kwalijk anders zijn dan eene afleiding van 't Mal. Jav. djuru, en moet
dus „werkman, baas" of „stand der werklieden, der bazen" betcekenen. Ori po n ,
bis. olipon, Tag. alipin, Ibanag aripan, Dayak djipên.
' Van turi, Bis. en Tag. tuli, besnijden.
230 EEX SPAAXSGH SCBÏIJTBR OTK« DBTf GODSDIENST
Om tot den eeredienst terag te keeren, hebben wij gezien dat
men den Gugarang eerde met eene offerande, atang. Deze
offerande, die men bracht om aardsche goederen deelachtig te
worden of wel als dankoffer, bestond in de aanbieding ¥an veld-
rrachten, bepaaldelijk ¥an tienden, himolóan *. De ceremonie
geschiedde op de volgende wijze. Men richtte een tafel op van
bamboeriet; op die offertafel, salangat, plaatste men allerlei
spijzen, en nadat de bal ia n eenige geheimzinnige gebeden opge-
zegd had, hief zij de sorak, een godsdienstig lied aan ter eere
van den Gagarang, welk lied de aanwezige vronwen in koor
medezongen '. Zoodra het gezang ten einde was, verdeelden de
aanwezigen de aangeboden spijzen onder zich en nuttigden die in
een laidrnchtig festijn, hetwelk dooi^ans eindigde in walgelijke
dronkenschap of uitliep op twisten, zelfs oorlogen.
De Sehr^ver betreurt het dat er geen oorspronkelijke liederen
zijn bewaard gebleven. Het staat vast uit de berichten der eerste
zendelingen, dat de inlanders zulke liederen in menigte bezaten,
daar zij veel smaak in poëzie hadden en behagen schepten om in
verzen te spreken en te schrijven. Yan die neiging hebben die-
zelfde vreemdelingen behendig partij getrokken: zij hebben de
geheimenissen van het Katholiek geloof in vers gebracht en zijn
zoodoende er in geslaagd de inlanders spoedig te bekeereu. De
laatsten hadden den naam van vaardige sprekers te zijn: hun
toasten bij gastmalen waren puntig, kort en tintelend van vernuft '.
Ook heden ten dage ontbreekt het niet aan gelegenheidsdichters
die de gasten uren lang, soms den gauscheu nacht, door hun improvi-
saties en kwinkslagen aangenaam bezig wet«n te houden. Oudtijds
waren er dichters of rhapsoden , die met de kodyapi op den rug
van plaats tot plaats gingen om de oorlogen der gemeenten, de
roemruchte daden van een of ander nienwen held, of wel de
droevige gevolgen van een natuurramp te bezingen. De kodya pi
was een soort luit van bamboe en met vijf snaren van Manila-
* Afgeleid van polo, tiental, Jav. puluh, algemeen Maieisch-Polvniesisch.
' Sorak betcekent eigenlijk gejuich, zooals blijkt uit Jav., Sund., Bataksch
SU rak. Mal. suraq, enz.
• De Schr. noemt een toast: kangsin, en een gastmaal: abatayo. Dit
berust op een misverstand. Aba tayo is in 't geheel geen Bikol. maar de ge-
wone toastformule der Tagalogs; men kan het vertalen met „op ons aller ge-
zondheid!'*; eig. is aba een uitroep, z. v. a. : ons ^komaan!" en tayo is het
voomvv. 1 ps. mv. inclusief. Kangsin heb ik niet kunnen opsporen; kangay
is in 't Tag. „een genoodigde".
DEK HRIDF.NSCIiR BIKOLLERS. 231
henuip voorzien *). Van nieuwere proeven van dichtkunst vermeldt
pater Castafio het gewrocht van een blinden zanger van Ligao,
bijgenaamd /rde Homerus van Ibalon^^, in welk gedicht op een
verdienstelijke wijze de vreeselijke uitbarsting van den vulkaan
Mayong op 1 Febr. 1814» bezongen wordt.
De vereering van den Asuang was bijna even algemeen als
van den Gugurang, doch verschilde natuurlijk in aard en doel.
Van de verschillende ritueele handelingen waardoor men den fiooze
trachtte af te weren of te verzoenen , worden met name genoemd de
hidhid en hogot. De hidhid was een soort van bezwering of
duivelbaunerij. Wanneer een 'algemeene ramp, zooals sprinkhanen,
pest of orkaan de streek teisterde , verrichtte deBalian de hidhid,
waarbij zij den Asuang heftig vervloekte en beval zich van daar
te verwijderen. Ook ingeval iemand ziek werd door den Boozen
geest, werd de hidhid toegepast, begon men met een pleister van
geweekt betelbladen op ^t hoofd van den lijder te leggen , en daarna
ging de Balian om den zieke heendansen, haar lichaam in
duizend bochten wringende, en met gebaren alsof zij bad, den
Asuang te bezweren van den zieke af te laten. Genas de zieke,
dan schreef men het toe aan de kracht der bezwering; kwam hij
daarentegen te sterven, dan was het omdat de Asuang den zieke
uithoofde van diens zonden naar de Gagamban wilde mede
voeren om hem gruwelijke folteringen te doen lijden. Als men let
op de beteekenis van h i d in de verwante talen , is het duidelijk
dat de term eigenlijk alleen toepasselijk is op de behandeling van
eenen zieke met een pleister van geweekte bladen. Het is ook alleszins
verklaarbaar dat in H Bisaya hidhid gebezigd wordt als een
woord voor het laatste oliesel. De hidhid bij landplagen is dus
een overdrachtelijke term 2.
Onder hogot, eigenlijk worging, ophanging, verstond men
een menschenoffer aan den Boozen geest. Bij den dood van een
• dato of stamhoofd, schreef men dien toe aan de geheime wraak-
zucht van den Asuang, die zijn honger wenschte te verzadigen
aan de ingewanden van den overledene. Om zulks te verijdelen ,
^ Kodyapi, ook Bis. ko dyapi, Jav. kacapi, Mal. k&capi, Batak hasapi,
husapi, Day. kasapi, kutjapi, alles van het Skr. kacchapi, een soort
van luit.
' Hidhid bet. in 't Bis. met olie bestrijken; Tag. hirhir, bevochtigen; het
is eene reduplicatie van Tag. h i r , waarvan p a h i r , het zalven ; Oudjav. h i r ,
stryken, sprenkelen ^ smeren; waarvan hiniran, bestreken (bijv. met sandel-
poeder).
232 EEN SFAANSCH SCHRIJVER OVER DEN GODSDIENST
(loodde men den meest geliefden slaaf van den dato en bood zijn
ingewanden den Asuang aan, opdat deze het lichaam van het
opperhoofd niet zou aantasten. Het is onnoodig te zeggen dat
parallelen van een dergelijk barbaarsch gebruik zeer talrijk zijn *.
Het allermeest verbreid was de vereeriug der A n i t o 's of zielen
der voorouders. Deze waren evenals de Romeinsche Lares, huis-
goden en beschermgeesten , wier beelden geplaatst werden in een
huisje hoog in een boom, moog, of wel in de meer bezochte
plaatsen van het gehucht. Den huisgenius betitelde men als Tango;
den bescherrageest der gemeente als Parangpan ^.
Bij 't overlijden van een aanzienlijk lieer,magino6 ', vierden
zij de zoogenaamde pasaka, welke daarin bestond dat men het
lijk van den gestorvene gedurende langen tijd onbegraven liet en
bewaarde , zoolang totdat men al 't noodige in orde had gebracht
om met grooten praal de uitvaart te vieren , waarbij aan de geheele
duluhan of negerij een overvloedig gastmaal werd toegediend *.
Om het lijk voor bederf te bewaren, werd het gebalsemd, door
het van de ingewanden te ontdoen, die ergens werden neergelegd
waar het zorgvuldig door slaven bewaakt werd , opdat de A s u a n g
er zich niet meester van zou maken. Daarna werd het lichaam
gelegd tusscheu twee groote schorsen van den d a o d-boom -* ,
waardoor het reukeloos en voor een langen tijd onbedorven blijft.
Het gebruik om de lijken gedurende drie of vier maanden on-
begraven te laten heerscht thans nog bij de Agta's — en, men
mag er bijvoegen , bij verschillende andere volkstammen in den
Indischen Archipel.
De eerste lijkplechtigheid , bas bas geheeten , bestond daarin
dat men 't lichaam van den doode wiesch. Het was een algemeen
verbreid geloof dat allen die van deze wereld scheidden in een
• Vgl. Tijdschrift voor Nederlandsch-Indic , Jan. 1H07, blz. 14 en de daar aan-
gehaalde schrijvers.
' Parangpan schijnt te beleckenen: in 't openbaar, daar het eene afleiding
is van rangop, zich vertoonen.
' Maginoo van gin co, Bis. en Tag. ginoo, groote heer of dame. Verwant
is Jav. sinuhun; wat de verwisseling der beginletters aangaat vgl. sin a hu met
g i n a h u.
* Blykens de beteekenis van sa ka in 't Bisaya, o. a. onthalen, moet pasaka
„'t geven van een onthaal", dus „doodenmaal" beteekcnen.
» Zeker wel dezelfde boom als Bis. dao, volgens Blumentritt's Vocabular de
naam van twee boomsoorten: Paliurus Dao, en een Poupartia. Het Jav. rahi;
wordt opgegeven als DracQntomelon mangiferum.
DEK IIEIDKNSCHE BIKOLLKRS. 233
staat van bezoedeliug verkeerden, en dat, zij zoo niet vooraf ge-
gereinigd, groote folteringen in de macht van Asuaug zouden
te verdnren hebben. Om den overledene van die smadelijke gevan-
genschap te bevrijden' maakten de balians een kwispel met
bladeren van aromatische Chinaasappelen , dien zij in goudwater
doopten en waarmede zij op het lijk sloegen onder 't zingen van
een lied, kotumba genaamd. Dit alles deden de balians ver-
gezeld gaan van lichaamsverwringingen en schelle kreten van droef-
heid, totdat zij uitgeput van vermoeienis ter aarde zegen, als
bezeten door een helschen geest 2. Wanneer het lijk nu gezuiverd
was, dwaalde de ziel des afgestorvenen als Anito, vrij van de
wreede dwingelandij des Asuangs, ongestoord rond door de
bekoorlijke dreven of in *t dichte lommer der bosschen.
Bij een of anderen tegenspoed die hun in den oorlog overkwam ,
was het eerste wat zij deden, zich te wenden tot den beroemdsten
Anito onder hunne voorouders, met den diepsten eerbied en met
hartverscheurende kreten van droefheid en weeklachten. Ten einde
het doel van hunne smeekingen beter en eerder te bereiken,
plachten zij een vasten, dool, te houden, waarbij zij zich ont-
hielden van zekere geliefde spijzen als teeken van boete.
Indien iemand een kind had hetwelk hij zielslief had — want
zij hadden hun kinderen, vooral de moeders, uitermate lief —
verrichtten zij, om het kind van den vloek des Asuangs te ver-
lossen, de zgn. yókod ', of wel zij brachten eene offerande aan
de Anito's. Met dat doel nam men het kind in de armen en
stapte daarmee met groote snelheid van den eenen kant des huizes
naar den anderen, opdat het kind den Asuang zou ontvluchten
en onder de hoede van den Anito komen.
De bijgeloovigheden der oude Bikollers waren talloos; in de
geheele hen omringende natuur, nu eens zoo liefelijk en vriendelijk ,
dan wéér ontzagwekkend en vernielend, maar altoos geheimzinnig ,
waanden zij in elk verschijnsel goede of kwade voorteekens te zien.
* Basbas beteekent in het Tag. absolutie; balasbas, geheel afmaken. Ver-
gelijkt men het fei'.elijk met basbas overeenkomende Jav. bebas, dan mag men
aannemen dat met basbas bedoeld is „bevrijding".
* Bij de Zee-Dayaks op Borneo zijn het demanangs, mannelijke ziektebanners ,
die in zulk een sjamanistische geestvervoering geraken ; vgl. Ling Roth. op. cit ;
voorts Wilken , Het Shamanisme bij de volken van den Indischen Archipel , in deze
Bijdragen van 1886, pag. 453 vg.
* Yokod beteekent blykens het Tag. yokor eigenlijk „eene ngging (als eer-
betoon)".
234 EEN SPAANSCH SGHRIJVRIl OVER DEN GODSDIENST
Een zeer gewoon bijgeloof onder hen was, dat er aan de oevers
der rivieren zekere heel leelijke apen, Angongolóod genaamd,
leefden, die wanneer zij iemand te pakken kregen, hem zoo vast
omklemden dat hij niet losgelaten werd voordat hij in mu boom
veranderd was Uit dien hoofde nam men de voorzorg, bij 't be-
varen van een beschjiduwde rivier met een prauw, bal at o, eerst
flinke slagen op de boord van gezegd vaartuig te geven en tegelijk
met alle macht te schreeuwen om den Angogolóod te verjagen '.
Een eigenaardig bijgeloovig feest was de hal ia, hetwelk op de
luidruchtigste wijze met trommels, pauken en uitgeholde houts-
blokken of balalons gevierd werd bij voUemaan , om te voorkomen
dat de Bakonana^, een gedrochtelijk monster, de maan zou ver-
slinden en een eklips veroorzaken. Ook in 't Bisaya heeft bako-
ndua (sic) de beteekenis van ^/eklips'/. De voorstelling dat een
monster de maan verslindt en daardoor de eklipsen veroorzaakt
bestaat zooals men weet, ook in 't volksgeloof der Hindu's, en de
Skr. naam van het monster, Rdhu, is in tal van Indonesische talen
doorgedrongen, o. a. ook in het Tagalog, waar de naam Laho
luidt. Oogenschijnlijk is bakonaua een inheemsch woord , ofschoon
de afleiding duister is, en daarom is het twijfelachtig of de mythische
verklaring van 't ontstaan van eklipsen eerst uit Indië tot de volken
van den Archipel is doorgedrongen.
Zonder twijfel inheemsch is wat de BikoUers van den regenboog ,
Hablong-Daudni, fabelen •**. Dauani, die den regenboog heeft
voortgebracht, was een vermaarde weefster in den ouden tijd en
wordt beschouwd als de moeder van alle wevers in lateren tijd.
Gelijk andere volken , op lagen trap van beschaving staande , ziekten
toeschrijven aan den invloed van booze geesten , zoo geloofden ook de
inlanders van Bikol dat allerlei kwalen door den Asuang veroorzaakt
werden. Een natuurlijk uitvloeisel van zulk eene meening is dat
men ziekten tracht te overwinnen, niet of weinig door genees-
middelen, maar door allerlei hocus pocus. De machtige man
die in staat wordt geacht de oorzaak der ziekte te verdrijven is
d«n meer een geestenziener, een toovenaar, dan een geneesheer.
* Het Wdb. heeft den vorm angangoloól; het is een nom. actoris of partic
praes. van een stam kolool, kolood, doch de beteekenis hiervan heb ik niet
kunnen opsporen.
' Dit schijnt een drukfout, want het hikol Wdb. geeft bakonaua, en dit
komt ook zoo voor in 't Bisaya.
• Het Wdb. heeft habol ni Dauani, d. i, weefsel van Dauani , of h a b I o n
nin Dauani. Ook in 't Bisaya is habol, hablon, weefsel.
DER HEIDENSGHE BIKOLLERS. 235
Bij de BikoUers heet zulk een personage hokloban '. Een van
de meest gewone praktijken der hokloban s was de haplos^,
die wel met eenig ceremonieel gepaard ging, doch in hoofdzaak
een redelijke , op ondervinding steunende geneeswijze was Bij deze
kuur wierpen de hoklobans na eene aanroeping van Batala
of eene verwensching van Asuang eerst een wortel, tangan •**
genaamd, in kokende kokosolie, en wreven met dat mengsel de
leden van den zieke. Vóórdat de hokloban zijne kunsten begon,
werd hij behoorlijk onthaald op smakelijke gerechten en gedurende
de wrijfkuur liet men het hem niet ontbreken aan palmwijn.
De waarzeggerij werd uitgeoefend door de balians. Werd eene
balian geraadpleegd om te voorspellen of een zieke zou herstellen
of sterven, dan slachtte zij een spierwitte kip, o g i s *, en trachtte
zij door de trillingen van *t hart of de ingewanden er van te
beschouwen, het lot van den kranke uit te vorschen.
De balete of Indische vijgeboom was voor de heidenen van
Bikol — zoo geheel anders dan voor de Hindu's — een voorwerp
van bijgeloovige vrees. Zij geloofden dat zijn invloed noodlottig
was en dat hij alles wat door zijn schaduw bereikt werd, in een
plant kon veranderen. Vandaar dat zij de nabijheid van een balete
ontweken en zorgvuldig vermeden hun huizen dichtbij dien boom
te bouwen, uit vrees van in een boomstam veranderd te worden
of onophoudelijk wederwaardigheden te ondervinden of voortdurend
aan ongesteldheden te sukkelen. De noodlottige balete oefende
zoo'n invloed op hun verbeeldingskracht, dat sommige ongel ukkigen,
als waren zij door een geheimzinnige kracht onweerstaanbaar mee-
gesleept , er toe kwamen zelfmoord te plegen door zich aan een der
takken op te hangen.
Een grooteu schrik hadden zij ook voor den Popó, een kwaadaardig
spook, dat door de hand te leggen op kleine kinderen dezen in
hun groei belette en van lieverlede al hun krachten verteerde. Om
den toorn van den Popó te doen bedaren, nam men de toevlucht
tot de balian,, die, na "t prevelen van eenige gebeden, het sap
' Ook Tag. hokloban, bezweerder, toovenaar, van hoklob, Bis. hoklog,
toover. Bij de Dayaks is de manang zulk een persoon; zie Ling Roth, op cit.
Chapt. X.
* Bis. hap los, met bijvorm hapolas, wrijven, afvegen, strijken; het Bikol
Wdb. geeft hap las.
* Ontbreekt in 't Wdb. Wel komt voor Bikol, Bis. tangan-tangan. wonder-
boom, welks vruehten en bladeren een beproefd geneesmiddel zijn.
* Ook Bis. ogi's, een albino (onder dieren of menschen).
236 KEN SPAANSCH SCHRIJVER OVER DEN GODSDIENST
van limoenbladeren op de oogen van het kind deed druppen,
hetgeen ten gevolge had dat de Pop6 week.
Het geloof dat de ziel tijdelijk het lichaaoi kan verlaten , bestond
bij de Bikollers evenzeer als bij hun stamverwanten op Sumatra,
Borneo en elders. De oorzaak van ziekten lag dikwijls daarin dat
de ziel uit het lichaam vedwenen was, en zoolang ze niet terug-
gekeerd was, kon de zieke niet genezen. Om nu' de ziel te doen
terugkomen, riep men de hulp in van de balian, welke dan
b dn a y-bladeren ' plukte , ze boven den zieke heen en weer schudde ,
en zoodoende bewerkte dat de ziel in H verlaten lichaam terug-
keerde, met gevolg dat de kranke aanstonds herstelde. Dit terug-
roepen van de ziel noemde men sakong^.
Een schrikbeeld voor de verbeelding der Bikollers was de
sarimiio, een woest en schadelijk dier, waarvan men geloofde
dat het zich nu en dan plotseling aan de blikken van misdadigers
vertoonde om ze met zijne scherpe klauwen te verscheuren. Het
is duidelijk dat sarimdo niet anders is dan een verbasterd
Maleisch si harimau, tijger. Ook de Bisayas kennen het woord
salimao, doch de voorstelling die zij van het dier hebben, is
nog nevelachtiger dan die der bewoners van Bikol , want zij wanen
dat het een soort van wezel is. Aangezien er op de Filippijnen
geen tijgers zijn , is het natuurlijk dat de inlanders geen duidelijke
voorstelling van dit dier hebben. Het zou gewaagd zijn te ver-
onderstellen dat de Filippijners eene flauwe herinnering bewaard
hebben uit een tijd toen hun voorouders in streken woonden waar
tijgers aangetroffen worden. Eerder mjig men het er voor houden
dat zij het gevreesde dier enkel uit vertellingen , die tot hen door-
gedrongen waren , kenden. In de Tagalogsche woordenboeken vindt
men h a 1 i m a o opgegeven , maar als Bruneisch woord en met de
vertaling ''leeuw-/, hetgeen reeds voldoende is om het vage der
voorstelling te doen uitkomen , want leeuwen zijn er in den
geheelen Indischen Archipel niet.
Het spreekt wel van zelf dat de inlanders veel hechtten aan
allerlei toovermiddelen , amuletten , talismans , enz. Tot de toover-
middelen behoorde het kooksel van zeker kruid, tagahopa
genaamd •'. Wie van dit kooksel dronk, werd tegen wil en dank
' Hetzelfde ook in 't Bis.; het zijn de bladeren van de anahao genaamde
palm (Corypha).
* Het Wdb. heeft hiervoor sakom, verwant met Jav. cakëp, cakup, pakken,
daar kêm en kt*p variëteiten syn van denzelfden wortel; vgl. o. a. Jav. tt^këm.
' Sj'noniem hiermede is volgens het Wdb., tagolmay. Dit komt overeen met
DER HEIBKNSCHE BIKOLLERS. 287
de slaaf van dengene die het hem toediende en geheel onderworpen
aan diens wil. Het was dus een soort van philtrum. Door ^t
drinken van een afkooksel van een anderen tooverkrachtigen wortel ,
tagohala of tagohalln, verwierf men het wonderdadig ver-
mogen om door de lucht te vliegen , zich te veranderen in een
hond, kat of eenig ander dier.
Nog niet lange jaren geleden, verhaalt Pater Castaiio, kwam
iemand bij hfem met de bewering dat zeker individu, die vol
behangen was met kruisen en relieken , door het gebruik van zekere
wonderbare zalf, waarvan hij 't geheim bewaarde , zich gerust langs
de toppen der hoogste kokosboomen kon bewegen zonder in 't
minste of geringste duizelig te worden.
Ëen middel om zich onkwetsbaar te maken, was een amulet
hetwelk men kabaP noemde. Geen pijl, geen speer, hoe scherp
ook, kou doordringen in 't lijf van iemand die in 't bezit van
zoo'n machtig behoed middel was. Als amuletten dienden gewoonlijk
Chineesche kopermunten, met een gat in 't midden, ook in Neder-
landsch Indië welbekend; soms ook diende tot amulet een grof
bewerkt stuk schelp, met de figuur van een vermaarden Anito.
Tot de met iooverij verwante praktijken kan men ook brengen
het h i n ao , d. i. bevroeden , raden. Door deze handeling vermochten
de balians te raden wie de dief was van een geroofd voorwerp ^.
De Tagolipod, zekere plant, was een ander amulet , waardoor
men zich onzichtbaar kon maken, wanneer men wilde. Het was
voldoende den wortel dezer plant te eten, en door de kracht van
het sap werd men oogenblikkelijk onzichtbaar voor alle vervolgers
of aanranders '*. Het is overbodig op te merken dat het bijgeloof
aan onzichtbaar makende kruiden wijd verbreid was en gedeeltelijk
nog is. Tal van voorbeelden vindt men in de Europeesche literaturen
der Middeleeuwen. Een andere wortel, de pat o, had de deugd
den naam van hetzelfde kruid in 't Bis. 1 o m ay , dat ook „sussen" beteekent. Ook
Bikol en Tag. h o p a is „sussen , doen bedaren , gunstig stemmen." Vgl. Sund. 1 a m e h.
* Dit beteekent „onkwetsbaar", blijkens het Mal. k&bal; vgl. Day aksch k a b a 1 ,
gabal, dikhuidig, ongevoelig voor slagen. Het Tag. ka bal, Bis. kabal en
k i b a 1 is volgens de woordenboeken alleen over in de afgeleide beteekenissen
van toovermiddel om zich onkwetsbaar te maken.
' Hinao is niet identisch, maar toch vorm- en zinverwant met Jav. sinahu,
ginahu, binahu, en ook met Mal, tahu, Bulusch tau, matau, weten; Maori
matau, weten; Bulusch nau, nanau, kenteeken; Sangirsch naung, zin,
gemoed; enz.
' Vgl. Bis. salipod, verbergen, dekken, beschermen; Oudjav. liput, bedekken,
Nieuwjav. 1 i m p u t.
238 EEN SPAAXSCH SGHRTJVEK OVBR DBN GODSDIENST ENZ.
dat het den dief van een voorwerp doodde, indien hij werkelijk de
dader was, terwijl hij ongedeerd bleef, indien hij geen deel had aan
den diefstal. De la do was een kruid, waarmede iemand desver-
kiezende zijnen tegenstander den dood kou aandoen, en zoo hij
dat niet wilde, alleen een gezwel of wonde veroorzaken. Van dit
kruid maakten zij steeds gebruik wanneer zij zich op een van hun
tegenstanders, wiens dapperheid zij duchtten, wilden wreken.
Het ontbrak niet aan tegenmiddelen tegen vergif of tooverij. Zoo
geloofden zij dat geen vergif of toovermiddel hun 't geringste
kwaad kan doen, indien zij zich bedienden van de tauak K Dit
was zoo'n krachtig middel dat het zelfs de meest gevreesde van
alle tooverpraktijken, de naratakan, kon te niet doen. Deze
laatste soort van tooverij had de verderfelijke uitwerking, dat zij
die er door getroffen werden, het gebruik van hun geestvermogens
kwamen te verliezen , zoodat zij ongevoelig bleven voor elke uiting
van menschelijk leven.
Bovenstaande staaltjes van bijgeloof zouden met nog veel andere
kunnen vermeerderd worden, doch de Schrijver meent dat hij genoeg
heeft bijgebracht om ons een denkbeeld te geven van 't Bikolsche
heidendom. £n inderdaad is er uit zijn geschrift zooveel nuttige
leering te trekken, dat wij hem voor 't geleverde hoogst dankbaar
zijn. De waarde van zijn geschrift heeft hij nog verhoogd door de
toevoeging van een fragment van een nog onuitgegeven gedicht,
vervaardigd door een ouden inboorling van Bikol. Dat gedicht,
in Spaansche taal en in vierregelige koepletten met assonantie in
den tweeden en vierden regel , vertoont in aard en strekking over-
eenkomst met de oudste Indische Pur&na's, en ook met de Yöluspïl
der £dda en de Theogonie van llesiodus; het behelst een mythisch
verhaal van de eerste aardbewoners, van den zondvloed, van den
strijd der heroën uit den voortijd tegen monsters, enz. Wij hopen
eeue vertaling van dat fragment te kunnen doen verschijnen in
een volgend nommer dezer Bijdragen.
H. Kekn.
* Bikol en Tag. tauak is klaarblijkelijk een wanvorm voor t a u a g , zooals het
woord behoorlijk in 't Bisaya luidt, want het is 't Mal. tawar, Jav. tawa,
Day. tawah, Batak tawar, Mak. tawa, Bug. taw6.
DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT
VAN 13 AUGUSTUS 1814,
DOOR
P. H. VAN DER KEMP.
In de Aanteekeningen op mijne Rede Over den Indischen Stand-
penning van 1817, voorkomende in de Aprilaflevering van het
Tijdschrift voor Ned.-Indië, heb ik sub 2 en elders gewezen
op M. L. van Deveuter's gebrekkige behandeling van een ge-
wichtig deel der Indische huishouding van Staat in zijn boek
over //Het Nederlandsch gezag over Java en onderhoorigheden
1811 — 1820" (1891). Het in hoofde dezes vermeld onderwerp is
er niet minder onvolledig in uiteengezet en zoo er niet evenveel
onjuistheden zijn aan te wijzen als in het Muntonderwerp , dan
moet dit enkel worden toegeschreven aan de grootere gemakkelijk-
heid van de behandelde stof. Geduld had hier veel kunnen ver-
goeden , wat aan scherpzinnigheid ontbrak. Maar alles werd afgewerkt
met eeue wanhopige overhaasting, waaraan de degelijkheid is ten
offer gebracht. Geen aan billijke eischen voldoend standaardwerk
kan heeten een boek , waar in één deel , in het bekende formaat van
De Jonge's Opkomd van het Nederlandsch Oezag , de belangwekkende
geschiedenis behandelt wordt èn van Raffles' bestuur, èn van het trac-
taat der overgave en zijne uitvoering, èn van het bestuur der Neder-
landsche Commissarissen-Generaal. Veel was over dat alles geschre-
ven, zelfs op voortreffelijke wijze; de Schrijver mocht zich niet
ontslagen rekenen — en dat deed hij ook niet — van een opzet
der aldus reeds bekende feiten , een overzicht , hetwelk als kader
noodwendig voor het nader mede te deelene dienen en dus
reeds eenige ruimte innemen moest. Doch ofschoon de stof inder-
daad geenszins uitgeput was , zéér veel verder dan het destijds reeds
bekende kwam de Schrijver niet; en zoo is zijn arbeid geenszins
dat geworden, hetwelk men van een standaardwerk over onze
nieuwere koloniale geschiedenis had mogen verwachten.
0« Volgr. III. 17
£40 DK SLUITING VAK HET LONDEXSCH TKACTAAT
Gemis aan kennis van de literatuur, van meesterschap over de
ruim voorziene archieven meende ik in hooger vermelde Aanteeke-
ningen (sub 64) den Schrijver te mogen verwijten; hier trof mij
dat weder op eigenaardige wijze.
»De wedergeboorte van Nederland" werd door den Groninger
Hoogleeraar wijlen Mr. B. D. H. Tellegen in JJe Guü en in de Bij-
dragen (M de kenvis ran het SfaaUhesfuur in onderscheidene opstellen
behandeld en in 1884 als een afzonderlijk werkje' uitgegeven. Hoe-
véél en hoeveel uitnemends heeft deze geleerde ons niet in dat kleine
boekwerk van 250 bladzijden medegedeeld , waarvan het voortreffelijke
YII" hoofdstuk '/De teruggaaf der koloniën" behandelt ; maar nergens
vind ik dit aan feiten zoo rijke hoofdstuk door Van Deventer aan-
gehaald , zoodat ik moet vermoeden dat hij er geen kennis van
heeft genomen: eene veronderstelling, waartoe ik te eerder meen
gerechtigd te zijn, omdat Fagel's brief aan Falck dd. 13 Augustus
1814 over het Londensch tractaat bij Van Deventer als bijlage
XIII (bl. 39) is opgenomen , niettegenstaande het stuk reeds op
bl. 243 van Tellegen's boek was gepubliceerd. Bij den rijkdom van
te publiceeren stukken zal men zich anders zoo mogelijk onthouden
van tweemaal hetzelfde binnen korten tijd te doen drukken
Zoo ook wees ik er in mijne Aanteekeningen-Muntrede op (sub 79),
dat noodzakelijke toelichtingen bij de geopenbaarde archiefstukken
ontbreken. Hier kan ik er andermaal een voorbeeld van geven.
Van Deventer publiceert een brief van Malmesbury , geschreven
naar aanleiding van een door G. K. Van Hogendorp geuiten
wensch om al onze koloniën terug te erlangen. Men vindt
dien brief van Malmesbury door den Schrijver als bijlage VIII op
bl. 25 weergegeven; Van Deventer vestigt èn op Hogendorp's èn
op Malmesbury 's epistel uitdrukkelijk de aandacht (bl. L) , ofschoon
hij het eerste wel niet zal gelezen hehben; maar voor den Neder-
landschen lezer is natuurlijk Van Hogendorp's missive van belang,
en om hem te doen kennen zou de Schrijver slechts te verwijzen
hebben gehad naar het door Mr. F. Baron Van Hogendorp nage-
laten en in 1876 uitgegeven geschrift over //Gijsbert Karel Van
Hogendorp in 1813" bl. 20. Het zijn toch zulke verwijzingen , die
medewerken om aan de geschiedbeschrijving leven en eenheid te
geven.
Ik kan mijn bezwaar nog met eene opmerking in het licht stellen ,
waartoe onwillekeurig leidt de openbaarmaking van Castlereagh's brief
dd. 14 Juli 1814 in bijlage XII van het werk. Op bl. 37 schrijft de
Van I3 AUGUSTUS 18] 4. 241
Britsche minister aan den Engelschen gezant in den Haag over ons :
ffl am sorry to observe the same discontented tone in the instruc-
tions sent to their Ambassador in London. To part with as little as
possible and to describe that little as an injurj, whilst extensive
acquisitions are made onlj an argument for further demands,
appears to coustitute the principles of Mr. de Nagell's diplomacj." —
Toen ik dit indertijd heb gelezen vbbr ik mij tot zelfstandige
studie van de stukken zette, heeft het mijne aandacht getrok-
ken, dat alzoo Fagel militante instructiën van zijn Minister —
en zij waren destijds in den regel onvriendelijk — aan Castlereagh zou
hebben laten lezen; maar nu blijkt mij uit de archiefstukken —
die V. D. ook had kunnen raadplegen — dat onze Gezant bepaal-
delijk ontkent, de instructiën te hebben laten lezen; ii zou me
er wel voor gewacht hebben , was het in zekeren zin niet zeer vrien-
delijk bericht aan den telkens zich boos makenden Van Nagell !
— Men zie mijne hierna voorkomende Aanteekening N°. 62 (bl. 312).
En, alsof het zoo zijn moet, wanneer Van Deventer aanteeke-
kende noten geeft, dan blijkt ook daaruit maar al te dikwerf, ge-
lijk ik mede in mijne Aanteekeningen-Muntrede aangaf ^sub 64) , hoe
weinig hij de te verwerken stof meester was. In denzelfden op de vorige
bladzijde vermelden brief van Malmesbury bijvoorbeeld worden diens
denkbeelden uiteengezet over hetgeen naar diens meening van onze
vroegere koloniën niet moet worden teruggegeven ; deze schrijft dan :
n\ did touch on this point with Lord Castlereagh , and gave
him mj opinion, that 1 now write.'He did not appear to have
turned his attention rauch to it, bul ïf I recoïiect righi what he
said to the Prince of Ürange^ it is in substance nearly the same.^^ — Hier
heeft de Schrijver de noot gesteld (bl. 26) : "Dit slaat waarschijnlijk
op een onderhoud van JiOrd Castlereagh met den Prins van Oranje
op 27 April 1813." — Moge/ijk is het zeker, doch waarschijnlijk?
Malraesbury's brief is van 3 December 1813: dus zou hij op
een particulier gesprek van een ambtgenoot met den Prins negen,
maanden te voren gehouden ^ zonder eenige nadere aanwijzing voor
Fagel, het oog hebben gehad : is dat aannemelijk? Hoe Van Deventer
tot de veronderstelling is gekomen, blijkt uit bl. LI. In eene
noot *) aldaar maakt hij melding van eene door Fagel geschreven
//Minute des principaux points , touches par Ie Prince d'Orange dans
son entretien avec Lord Castlereagh, Ie 27 Avril 1813" en blijkens
die minuut heeft de Prins van Oranje destijds Castlereagh gepolst
over de mate der terugüfjive v;ui de koloniën Wat toen eigenlijk
242 DB SLUITING VAN HET tONÖÈNSCH TRACJTAAT
werd geantwoord, is niet gebleken (bl. LI), doch de Schrijver,
in een brief van 9 maanden later toevallig ook iets over zulk
een gesprek aangeteekeud vindende , brengt nu beide zaken in
verband. Zonder voldoende reden echter, aangezien het (ook door
Van Deventer aangehaalde toch wellicht niet of niet goed ge-
lezen) //Leven van den generaal Frederik von Gagern'' (1866)
eene meer voor de hand liggende beantwoording, dunkt mij,
geeft. Slechts een 14tal dagen nl. voor Malmesbury's mededee-
ling , dat niet Jh Kaap , doch wel Batavia , de Molukken , de
West-hidi'é^ vermoedelijk ons zouden teruggegeven worden en
dat deze schrijft: '/but I am not sure that these retrocessions
should be made at once, and perhaps not at all till either Hol-
land has recovered its former strengh and power, or till ageneral
peace takes place"; — bericht de Prins in een brief van 11
November 1813 dat hij met Castlereagh den voorafgaauden Zondag
eene //conversation tres interessante" had gehouden over de kolo-
niën, en dan blijkt, dat de Britsche minister Z. H. juist hetzelfde
heeft medegedeeld, als wat Malmesbury aan Fagel schreef: //Il
était disposé" — bericht toch de Prins — ^^ faire des sacrifices ,
et ^ en rendre [dtis niet alhs)\ mais que la latitude & donner &
cette mesure dépendrait de la situation dans laquelle la Hollande
serait place, puisqu^on ne pourrait faire des restitutions considé-
rables et lui rendre des possessions qui augmentent ses moyens,
sans être sür qu^ils ne tomberaient pas immédiatement & la dis-
position de la France, ce qui exposerait TAngleterre ^ fortifier
9on ennemi en voulant aider son allié." (L. v. V. G. I bl. 71).
De medegedeelde woorden worden eveneens aangetroffen op bl. 47
van //Het herstel van het Nederlandsch gezag over Java en onder-
hoorigheden in de jaren 1816 tot 1819" door Mr. I. H. J.
Hoek (1862).
Ik vestigde ook in mijne Munt-Aanteekeningen (sub 64) de
aandacht op de weinig zorgvolle wijze , waarop Van Deventer deze
voortreffelijke monographie van Mr. Hoek hier en daar bespreekt.
Wij vinden er weder een voorbeeld van met betrekking tot het
onderwerp , dat nu onze aandacht zal trekken. Hoek schrijft op bl.
56 over de teruggave der koloniën door Engeland: //voortdurend
werden de onderhandelingen uitgesteld door den drang van om-
standigheden , welke vóór andere punten eene spoedige regeling
eisohten."
Van Deventer teekent nu omtrent deze onderhandelingen op bl.
\A^ 13 AUGUSTUS 1814. 243
LI aan : //De ouderhandelingen over de teruggave der Koloniën
gevoerd , waren uit den aard der zaak afhankelijk van die tot de
vorming van het Vereenigd Koningrijk , evenals van de betrekkingen
tusschen de beide landen in 't bijzonder." En hierop leest men de
noot : >/0p welken grond Mr. Hoek . . . spreekt van een voortdurend
mtstel der onderhandelingen , is dan ook minder duidelijk." Geenszins.
Toen Noord-Nederland zich onafhankelijk had verklaard , werd de
teruggave aanstonds bij onze bewindslieden en bij den Prins tot
een onderwerp van gedachten wisseling gemaakt. Het Engelsch be-
stuur wilde echter van geene ernstige onderhandelingen hooren,
alvorens de quaestie der vereeniging van Noord en Zuid was uit-
gemaakt. Van Deventer vindt dit uit den aard der zaak y en zoo
vond Engeland het óók , doch van onze zijde werd dit niet
toegegeven , en dit was , dunkt mij , verklaarbaar. Terwijl het
recht op onze voormalige koloniën zóó zeer erkend werd , — wel
eenigszins in den roes der vreugde over Europa's bevrijding! —
dat onze afstanddoeningen zelfs onwillekeurig als sacrifcea door de
Britsche bewindslieden werden aangeduid (bl. 245 en 255) , scheen
de zorg om ons toch vooral sterk te maken , alvorens de koloniën
teruggegeven konden worden , wèl overdreven en wat verdacht ; men
zie ook de op bl 307 voorkomende Aanteekening sub 58 van den ge-
schiedschrijver Von Treitschke hierover. Hoe ook — er was uitstel :
Van Deventer zelf erkent het. En plotseling worden de onderhan-
delingen van Engelsche zijde geheel afgebroken — ook dat beschrijft
V. D. — wegens de weigering van den Souvereinen Vorst om de
voorwaarden der vereeniging van Noord en Zuid te onderteekenen.
Zoo ook was er steeds uitstel , nu eens wegens de parlementaire
werkzaamheden van het Britsche ministerie, dan wegens het be-
zoek der vreemde vorsten aan Londen en daarmede samengaande
vergaderingen en feesten , dan wegens conferentiën op het vaste
land. De brieven van onzen Gezant wijzen er meermalen op, hoe
moeilijk het was om tot gezette onderhandelingen te komen; men
zie o. a. hierna noot 52. Dit alles bij elkander genomen, vind
ik het geenszins mmder duuieVijk ^ zoo een schrijver van den loop
der zaak den indruk krijgt, dat er voorf4lurend uitstel plaats vond
— In zucht tot tegenspraak , oordeelt Van Deventer het dan
echter ook al weer niet juist, blijkens het in noot 3) bl. LVI
opgeteekende , dat, volgens den aanhef der instructie van 10
Juli 1820, voor Eagel bestemd ter herziening van de in 1814
gesloten Conventie, het gebrekkige van dit stuk wordt geweten
244 DK SLUITING VAN IIET LONDENSCU TRACTAAT
aan /i^den ougemeeneu spoed met weikeu het Britsche ministerie
de zaak begeerde af te doen" (Elout's ^Bijdragen" van 1863,
bl. 81 en Hoek bl. 58). Nochtans, zoo het waar is, dat wij er
naar haakten de zaak af te doen vóór Castlereagh naar het
Weener congres zou vertrekken, niet minder waar is het, gelijk ik
nog zal aanwijzen , dat de Britsche regeering ten slotte zé^r deze
afdoening op prijs stelde, zoodat van hare zijde wel degelijk ook
pressie werd uitgeoefend om de conventie ten spoedigste te zien
gesloten.
Lichtvaardig is evenzeer Van Deveuter's aanteekening in noot 2)
bl. LVllL Engeland verlangde dat wij voor een deqj van onze
voormalige bezittingen in Guiaua zouden afzien. Blijkens eene in
het boek medegedeelde zinsnede, aangehaald uit eene ministerieele
missive dd. 8 Juli 1814, had daartegen de Sou vereine Vorst ernstig
bezwaar, hetgeen den Schrijver eene noot als volgt doet plaatsen:
Het tegenovergestelde wordt door Mr. Hoek beweerd, waar hij
zegt. : «Tot de vergoeding voor Guadeloupe werden later meer bepaald
de West-Ind. -koloniën aangewezen. Toen dit aan den Souvereinen Vorst
werd meegedeeld {sic) , betoonde hij er zich zeer tevreden mee » . . . .
(Herstel Nederl. gezag, blz. 67).
Ik kan gerust vragen of dit nu eene manier van behandeling
is. Hoek haalt notabene de bron aan, nl. een brief, gedagteekeud
Den Haag 13 Maart 1814 van den Engelschen gezant aan den
Britschen minister Castlereagh, afgedrukt in de vCorrespondence ,
Despatches, and other Papers of Viscount Castlereagh" (1853),
verschenen in 12 deelen , doch waarvan de Ihird series uit 4 af-
zonderlijke deelen bestaat. Wijl ik naar bedoelden brief toch later
wensch te verwijzen, geef ik hem hier, voor zooveel noodig terug,
gelijk hij te lezen is op bl. 344 van dl. I (dl. 9) :
Your letter of the 4-th, marked private, ha ving notified to me the
expectation of the AUies that, in consideration of the continental ar-
rangements proposed to be made in favour of the House of Orange,
his Royal Highness should be prepared to give up a West India
colony to Sweden, to imdemnify her for the proposed cession of
Guadeloupe to France , and having placed it at my discretion at what
time to open this business to the Prince of Orange, it appeared to
me that the most immediate and frank manner of communicating
with his Royal Highness upon this matter was the best line I could
takeupon it.
Accordingly, having been admitted to a private audience with his
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 215
Royal Highness on Thursday last , I at once opened the business , and ,
at the same time , communicated to him the accession on the part of
Russia to the barrier of Holland, before agreed to by Austria and
Prussia ....
The Prince appeared so much satisfied with the accession of all
the great Powers to the advanced barrier of Holland, that he reeeived
the communication of the sacrifice expected from him, far better than I
should have imagined ....
Uit het door mij cursief wedergegevene , blijkt teu duidelijkste,
dat er volstrekt geen reden was voor V. D's sic in de van Hoek
aangehaalde woorden , waarvan bovendien de eerste zinsnede nog
geheel ten onrechte werd aangehaald; men zie hierna sub 96.
Door alzoo ongeloovig mede te deelen, dat Hoek het tegen-
overgestelde beweert, van hetgeen blijkens een schrijven dd. 8
Juli 1814 getuigd M'ordt, ontsloeg V. D. zich van de verklaring
waaraan die sch'fjnhare tvederspraak moet toegeschreven worden\ iets dat
anders wel op den weg des geschiedschrijvers had gelegen. Die
verklaring nu vinde men hierin : bf dat de Prins zijne vroe-
gere toestemming had vergeteo , hetgeen echter wel niet aannemelijk
is ; of dat hij tot andere gedachten is gebracht geworden door zijn
minister Van Nagell , die inderdaad een heftig tegenstander van
den afstand, althans van Guiana, was; of — en dit is wel het
waarschijnlijkst — dat de Prins niet zoo zeer heeft gedacht aan
Guiana , als wel aan een of meer onzer West-Iudische eilanden ,
zooals immers Guadeloupe ook was en tegen den afstand waarvan
Van Nagell evenmin overwegend bezwaar had, gelijk wij hierna
zullen zien. Zeker is het echter dan ook, dat tusschen partijen
over de beteekenis der besprekingen misverstand heeft bestaan ,
want eene maand nadat bedoeld gesprek had plaats gevonden ,
schreef Castlereagh aan lord Liverpool, bij brief gedagteekend
Parijs, 19 April 1814, dat Zweden BerUce zou bekomen.
Eindelijk ook is Van Deventer zeer onvolledig omtrent een bij-
zonder eigenaardig incident, dat zich bij de sluiting van het
tractaat heeft voorgedaan. Het Britsche ministerie, en speciaal
Castlereagh, ontstemd over de bezwaren tegen de koloniale eischen,
ingebracht door onzen gezant Fagel , die trouwens tegen zijn
advies ze deed hooren oj) instructiën ontvangen van den Minister
van B. Z. Van Nagell, gaf den 30» Juli 1814 bij wijze van ulti-
matum een oullhu van de te sluiten verbintenis; terwijl ook de Engel-
sche gezant te 's Gravenhage, Clancarty , van bevelen voorzien werd
246 DE SLUITING VAN HET LüNDENSCU TRACTAAT
om den Souvereinen Vorst onder het oog te brengen , dat de
outline nu het laatste woord over de zaak zou zijn. Den 2** Augustus
werden de berichten in Holland ontvangen ; Clancarty sprak er den
Souvereinen Vorst over, die met zijn secretaris Falck van oordeel
was, het tijd werd om alle verzet op te geven, zoodat den 4*"
Augustus Clancarty kon schrijven , dat de outline was aangenomen,
terwijl de Staatssecretaris rechtstreeks, namens den Souvereinen Vorst,
dien dag aan Fagel gelastte op den aangegeven voet het tractaat
te sluiten. Tusschen Palck en Clancarty hadden er geen e andere
besprekingen van belang over de outline plaats , dan dat de Staatssecre-
taris inlichting vroeg over Bngelands rechtstitel op fianka.
Ziehier nu hoe Van Deventer de geschiedenis op bl. LIX — LXI
verhaalt :
Toen deze depêche {van Castkreagh aan Clancarty dd. ^ojult) te *s Hage
ontvangen werd , was er , als een gevolg zoowel van *s Prinsen per-
soonlijke zienswijze als van de waarschuwingen van den Ambassadeur
te Londen, eene verandering gekomen in den persoon des Neder-
landschen onderhandelaars. De Baron van Nagell kon zich met den
loop , dien de zaak scheen te nemen geheel niet vereenigen , en wellicht
deed ook de prikkelbaarheid, waarvan hij menigmaal blijk gaf, hem
minder geschikt achten om haar tot een goed einde te brengen. De
buigzamer en handiger Algemeene Secretaris van Staat werd van
nu af met de leiding daarvan belast. En het was, na met dezen en
Z. H. zelven nader overleg te hebben gepleegd, dat de Britsche
Ambassadeur weldra aan zijn Hof de volgende bevredigende uitkomst
kon mededeelen: \yolgt de brief van Clancarty dd. 4 Augustus],
Op die grondslagen werden de laatste voorschriften voor den Neder-
landschen Ambassadeur te Londen door Falck opgemaakt en ver-
zonden; en het is een feit, waarvan zeker niet vele voorbeelden zijn
aan te wijzen, dat de onderhandeling over zulk een hoogst gewichtig
onderwerp buiten den Minister van Buitenlandsche Zaken om , en tegen
diens inzichten , tot de sluiting van het verdrag met Engeland heeft geleid.
Zooals men dit leest, krijgt men echter geen juist inzicht van
de zaak. Van een N ederlandscken onderhandelaar in Nederland ,
zooals Van Deventer bedoelt, kan kwalijk gesproken worden. Van
Nagell was het niet geweest, daar hij slechts van Den Haag uit zijne
instructiën aan onzen Gezant deed toekomen; Falck is dit even-
min geworden en alzoo was en bleef Fagel te Londen de onder-
handelaar. De bemoeiingen van Falck hebben zich niet verder uit-
gestrekt dan dat Clancarty èn met hem èu met den Souvereinen
Vorst een onderhoud heeft gehad, waarvan het resultaat was, dat
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 247
men te Brussel ouzerzijds aau den Britschen gezant verklaarde de
ouiline aan te nemen , dat Falck in dien geest Fagel instrueerde en
dat den Minister 's Konings beslissing werd medegedeeld. Den 2*^**
Augustus waren de brieven van Castlereagh uit Londen ontvangen
en reeds den 4*'" was dezerzijdsche beslissing gevallen. Van eene
leiding met de onderhandelingen , waarmede /i^van nu af' Falck belast
werd , kon ook verder kwalijk sprake zijn , daar er niets te leiden viel ;
men «^«•fl^ geleid. — Overigens was het buiten de zaak houden van Van
Nagell, op diens uitdrukkelijk verzoek, daar hij zijne* handen met
zulk een tractaat niet wilde bezoedelen! Ik kom er hierna uit-
voeriger op terug: het vorenstaande slechts om aan te geven, dat
V. D. geen goed inzicht in de zaak heeft gegeven.
De Noten op mijne verhandeling vindt men aan het einde er
van. Brieven, waarvan ik de bron niet vermeld, zijn door mij
rechtstreeks aan de archieven ontleend, waartoe mij op 's Rijks archief
en Buitenlandsche Zaken met hoog gewaardeerde welwillendheid
toegang werd verleend. Naar Van Deventer's werk zal ik verwijzen
met de letters V. D.; de stukken van Buitenlandsche Zaken wees
ik met de letters B. Z. aan. De bescheiden uit 's Rijks archief zijn
die, welke baron Van Nagell van Ampsen te Ampsen bij Lochem
in 1885 ten geschenke gaf, zijnde correspondentiën van zijn groot-
vader, die minister van B Z. was in den tijd, dien ik hier zal
behandelen.
I.
De Engelsche Oost-Indische Compagnie was sinds 1811 tegen
den door haar uitgedrukten wil bezitster van Java en onder-
hoorigheden gebleven * ; voordeel had zij er sinds de verovering
ook niet van genoten , zoodat de beslissing , waarbij de eilanden
tot eene kolonie van de Engelsche kroon werden verklaard ^ ^
niet anders dan haar welgevallig kon zijn •**. Deze overgang kwam
echter niet tot uitvoering. De algemeene vreugde in Engeland
over Europa's en onze verlossing ; inzonderheid sympathie voor
den in ballingschap wonenden Prins van Oranje en zijn huis ^ en
voor Nederlands eigen optreden tegen de Fransche overheersching •'"' ;
politieke overwegingen om nevens de vereeniging met België ook
door koloniaal bezit ons vaderland zoo krachtig te maken dat het
als een bolwerk tegen Fransche veroveringszucht kon beschouwd
worden •*' ; eindelijk de gedachte om door het toonen van waar-
248 DE SLUITING VAN HKT LONDBNSCU TttA(rrAAÏ
dige zelfbeperking iu territoriale hebzucht een invloedrijk voor-
beeld aan de overige mogendheden te geven , die Europa ieder
naar hare eigen belangen zocliten te verdeelen ' : zoovele oorzaken ,
die Engeland vervulden met — om woorden van Castlereagh te
gebruiken — het bijna rornanfuch streven ons vaderland ter wille
te zijn door de teruggave der koloniën ^.
Reeds in den aanvang van 1813 mocht de Prins hieromtrent de
geruststellende verzekering ontvangen, al is toen misschien reeds
aanstonds te kennen gegeven , dat wij voor de '/bewaarneming" ^
eenige koloniën voor goed verloren zouden zien gaan ^". Nadat
de gebeurtenissen voor Europa's bevrijding steeds gunstiger keer
namen, dus met het ten einde loopen van dat jaar , kwam de zaak
nu en dan weder ter sprake. Den 11" November 1813 schreef de Prins
aan H. C. E. Von Gagern, dat hij wel inzag , dat van geene andere
mogendheid eene welwillende opvatting viel te verwachten dan van
Engeland en dat Castlereagh hem in het algemeen de teruggave der
koloniën, behoudens enkele niet genoemde, had toegezegd **.
Onder de mannen , die in Engeland den Prins ter zijde stonden ,
behoorde H. Fagel. Aan dezen meldde G. K. Van Hogendorp dd.
28 November 1813 het heuglijk bericht, dat de omwenteling
haar beslag had gekregen, dat de Prins slechts behoefde over te
komen , om zich aanstonds door het gansche volk als Souvereinen
Vorst toegejuicht te zien, en dat men dus ook geheel mede ging
met Engelands politiek. ^/En vous donnant. Monsieur, ces assu-
rences" — luidt het geestdriftig schrijven * ^ — ^en entrant par-
faitenient dans les vues de TAngleterre, je dois en même temps
faire connaitre ïi celle-ci ce qu'attend d'elle ma patrie; c'est la
restitution prompte et sans réserve des colonies dans les trois
parties du monde. Nous nous lierons i\ TAngleterre par des noeuds
indissolubles, nous serons tout h,.elle, mais nous avons la ferme
confiance qn'elle ne gardera rien de ce qui est }s. nous." — Maar
dnn haast zich Malmesbury, aan wien Eagel den brief liet lezen,
bij schrijven dd. 3 December 1813 • •* die hooge verwachtingen
over de teruggave te temperen met een niet allen en niet dadelijk
of in éms, In beschermenden toon gaf de Britsche minister zijne hooge
tevredenheid over Van Hogendorp's epistel te kennen , het vertrouwen
uitsprekende, dat //if he coutinues to act on the same priuciples''
alles wel goed zou gaan; doch, vervolgde de Minister: al was het
nu ook natuurlijk, dat in de eerste opwelling van geestdrift men
al de koloniën wilde terug hebben, ^/on more calm reflectiou'\
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 219
zou Van Hogendorp er wel anders over gaan denken , daar de ver-
dediging van l)e Kaap en Ceiflon eene sterke militaire macht
vorderde en dus . . . /i^safer in our possession than on beiug restored
to them" ! ! — Voor Van Hogendorp zal dit wel eene groote teleur-
stelling geweest zijn; de Prins schijnt er zich echter gemakkelijker —
misschien te gemakkelijk — in geschikt te hebben ^"*.
De omstandigheden waren trouwens niet gelijk; de Vorst werd van
banneling koning, koning bovendien van een zeer vergroot Ne-
derlandsch rijk , en zonder eenigszins te willen beweren — het zou
in strijd zijn met de waarheid (bl. 263) — dat alzoo persoonlijke
eerzucht het won van hetgeen de belangen van ons vaderland
vorderden , kan men zich toch wel voorstellen , dat , eerder dan
de gewone Nederlandsche burger, aan wien bovendien het bezit
van België over het geheel genomen volstrekt niet toelachte, zelfs
niet aan Van Nagell naar het schijnt — zie zijn brief sub 48
bl. 303 — de Prins het rechtmatige erkende van eene koloniale
vordering, gesteld door de Mogendheid, die men in velerlei op-
zichten erkentelijk moest zijn. De Britsche bewindslieden toonden
zich intusschen met zulk een gemakkelijk medegaan, bijzonder
ingenomen, 't Was alsof er een pak van het hart viel; dat kan
men ten minste opmaken uit een brief dd. 8 Januari 1814 door
Castlereagh aan Liverpool geschreven over een nieuw onderhoud ,
dat gene met den Prins in den Haag betreffende de niet-teruggave
van eeuige koloniën , speciaal De Kaap , gevoerd had ; het bezit«van
JJe Kaap beschouwde trouwens de Britsche regeering als eene s'nie
Hud non //to our own peace", schreef Castlereagh nader uit Parijs dd.
19 April 1814 aan lord Liverpool *^'. Door den Prins toch was de
voorgestelde uitkeering van eene geldsom , welke Engeland beloofde
voor het aanleggen van eene rij vestingen aan de grens Frankrijk-
België, waartegen wij JJe Kaap zouden laten, beoordeeld * •* als
'/very satisfactory'' , '/liberal", '/just and reasonable". I was extremeli/
glad^ getuigde Castlereagh! /^His Royal Highness understands that
Great Britain remains master of this question to execute her own
liberal purpose towards Holland in her own way and at her own
discretion." Het ZaUg zijn de bezitters mocht ook hier wel gelden;
dat zou in ieder geval nog blijken.
Misschien had eene andere houding onzerzijds de zaak tot een
beter einde kunnen brengen dan ten slotte heeft plaats gevonden in
het tractaat van 1814: een staatsstuk reeds een paar jaar later dezer-
zijds zoo onvolledig gevonden * ' , dat nieuwe onderhandelingen
250 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT
werden geopend, die in de conventie van 1824 haar beslag kregen.
Bij de onderhandelingen, die tot de eerste verbintenis leidden,
ontmoeten wij voor de Nederlandsche belangen het driemanschap
Nagell — Fagel — Faick. Zij verschilden naar deze volgorde onge-
veer 10 jaar van elkander in leeftijd , zijnde geboren in Januari
1756, in Maart 1765 en in Maart 1777; de oudste hunnerover-
leed het laatst, nl. in Februari 1851; Fagel stierf reeds in Maart
1838; Falck in Maart 1843 >«.
A. R. Falck, /'homme d'esprit et d'une grande capacité", /^eene
bescheidene kalme hoogheid'^ * ^ , was als secretaris van staat
de raadsman van den ten slotte tegen zijn zin op het einde
van Juni 1814 naar Brussel vertrekkenden Souvereinen Vorst;
Fagel, met zijn broeder Robert, als '/geleerde staatsmannen"
ons geschetst 2", behartigde de vaderlandsche belangen als
ambassadeur te Londen en dankte aan zijne sympathieke per-
soonlijke eigenschappen , dat hij bij soms zeer militante quaestiën
op goeden voet bleef met lord Castlereagh, secretaris van staat
voor Buitenlandsche Zaken en lord Bathurst voor de Koloniën ;
eindelijk Al. W. C. Van Nagell tot Ampsen , die in den Haag stond
aan het hoofd van het departement van Buitenlandsche Zaken.
Ofschoon tot 1824 in deze betrekking werkzaam , bracht de loop
der gebeurtenissen niet mede , dat Van Nagell's naam aan het tractaat
van 1814 werd verbonden. Door alle lotgevallen van het stadhouderlijk
hui^ was hij , evenals de familie Fagel , de Oranje's trouw gebleven ;
van 1787 tot 1795 Nederlandsch gezant te Londen, had de omwente-
ling hem buiten "'s Lands dienst doen blijven en , weigerende iedere
betrekking onder de republiek, het koningschap en het keizerrijk
te aanvaarden, woonde hij met het verbannen vorstelijk gezin in
een deel van Hampton Court, dat de Oranje'^s tot verblijf hadden
bekomen , dank de milde gastvrijheid van het Groot-Brittanjesche
vorstenhuis. Maar deze steilheid, die hem m. i. ten onrechte iedere
betrekking in zijn vaderland na de revolutie-jaren deed weigeren, ver-
loochende zich ook niet in den dagelijkschen omgang, zelfs niet tegen-
over des Stadhouders zoon , tot wiens verheffing op den koninklijken
troon hij eerlang zou mogen medewerken. Ongemakkelijk man als hij
was, konden de Britsche bewindslieden A&n galzielcm ^ schoon geens-
zins oubekwaraen , minister ^ • moeilijk uitstaan , die wel wat al
te zeer vergat, dat hij opkwam voor de onschendbaarheid der
koloniale belangen van een pas uit den druk weder opgekomen
uitgemergeld land , dat enkel zijne geschiedenis kon doen spreken
Van 18 AUGUSTUS 18l4. 2öl
Voor rechten, waarvan het reeds sinds jaren geen bezitter meer was.
Aan vaderlandsliefde, aan hartelijke toewijding voor de taak,
die ieder te vervullen had , heeft het geen dezer drie mannen
ontbroken; maar, gelijk Macaulaj het ergens in zijne Geschiedenis
van Engeland opmerkt, het is steeds de donkere schaduwzijde
eener restauratie , dat het beleid in handen komt van menschen ,
die jaren lang^ buiten de zaken werden gehouden en daardoor de
vereischte kennis soms missen. Naar scherpzinnigheid van opvat-
ting omtrent hetgeen de toekomst brengen zou, dus politieken
zin , zoekt men bij hen te vergeefs. Wat die koloniën eigenlijk waren ,
hoe men ze behoorde te classificeeren en welke geschiedenis aan
ieder min of meer ten grondslag was gelegen: men toonde het
niet dan wel zeer gebrekkig te weten , ofschoon , naar men zou
zeggen , het ballingstijdperk tijd en gelegenheid kon gegeven
hebben om zich theoretisch op de hoogte te stellen. Voor het be-
houd van onze Amerikaansche slavenkoloniën maakte men zich
warm, op hetzelfde oogenblik, dat wij beloofden aan de slavernij
te onzent een einde te zullen maken ^^; maar Ve Kaap, maar
Ceilon? Zeker; aannemen mag men, dat, goed- of kwaadschiks,
wij deze schoone koloniën behoorden af te staan , waarvan anders
De Kaap voor Nederlands toekomst meer waard zou geweest zijn
dan alle andere teruggegevene te zamen — gesteld natuurlijk
dat door ons ten minste politieke zin genoeg aan den dag was gelegd
om haar niet van ons te vervreemden ; doch wij hadden althans het
verlies van Cejlon, — van het door den laatsten Hollandschen dichter
aldaar ah nooit te vergeten eiland bezongen I — van /^onze geliefde Kaap
de Goede Hoop, waar de inwoners , uit onverbreekbaar attachement
aan het oude Moederland, nog geene andere taal dan de Hol-
landsche willen spreken" , gelijk de Amsterdamsche Kamer van Koop-
handel in 1817 herinnerde 2"' , — zwaarder kunnen doen wegen, om
te trachten Benkoelen te erlangen en volledige vrijheid in de Straiis
te bekomen met afstanddoening te onzen behoeve zoo mogelijk
van Penang, des noods nog met opoffering van onze reeds in die
dagen als waardeloos erkende bezittingen in Vóór-Indië en van
het even waardelooze 8t. George d'Elmina. Het ontbrak echter
onzen onderhandelaars aan genoegzaam heldere voorstelling omtrent
de betrekkelijke waarde van ons koloniaal bezit; daardoor is het
tractaat van 1814» niet een stuk geworden, waarin men de meester-
hand van groote Nederlandsche staatslieden erkent. Het was veeleer
een gebrekkige arbeid , gelijk ik bl. 249 — 250 opmerkte , die te veel
252 DK »M;ITIS'0 vak HFT I/iVDEVSCH TRACTAXr
zijn ontstaan dankte aan hetgeen de Britsche resreering" zelve ons
wilde laten en waarop wij overigens slechts een zeer lijdelijken invloed
oitifeoefend hebben. Altijd aannemende, echter niet volkomen toe-
gegeven , dat wij aan Engelands eischen omtrent Dr Kaap ^ O^Jtjfi ^ De
Went in ieder g'eval hadden moeten voldoen , dan toch zonden wij bij
meer kennin der toestanden door betere redactie, no? veel hebben
goed gemaakt ; doch wij bepaalden ons te zeer tot de outfine ^ welke over
gebracht werd in een enqui»He ^ die lord Castlereagh wel zoo goed was
voor ons samen te stellen en die wij zonder veel nadenken of hoofd-
brekens maar aannamen , gelijk trouwens, naar wij nog zien zullen , al
het eigenlijke werk door het Britsche ministerie is verricht, de redactie
er onder begrepen. ^^Dans cette convention , terminee un peu pr^ci-
pitamment" — merkt De Grovestins op *'• — /^furent faites des
omissions très-importantes, dont la Hollande eut si souffrir plus
tard": en aldus krijgt Van Nagel Ts schamper bescheid nog eene
andere beteekeuis dan de Minister er zelf aan toekende, toen deze
in zijne verstoordheid over het verlies van Essequebo, Demerary
en Berbice, de hoop uitdrukte, dat Fagel nooit reden van teleur-
stelling zou hebben over het sluiten van een tractaat, waarvan de
Gezant zelf overmoedig had getuigd, dat het als voordeeliger en
eervoller voor ons Vaderland moest beschouwd worden dan eenig
ander door ons sinds het Munstersch tractaat sresloten ^*. Reeds
zes jaar later luidde het in VKonings instructie aan Fagel, voor
eene herziening van het tractaat gezonden, dat toch het stuk
eigenlijk niet deugde, al werd dit ook te verschoonend aan Kngeland
geweten; men leest er toch o. a. 2*: "Üe Conventie van den J'i"
Augustus 1814 is in algemeene bewoordingen vervat. Het ontbrak
toenmaals in Engeland zoowel als hier te Lande aan volkomen
nauwkeurige en geloofwaardige berichten over den toestand der
bezittingen, die terug moesten gegeven worden; en van de be-
richten zelven , die misschien voorhanden mochten zijn , wierden
Wij althans belet gebruik te maken door den ongemeenen spoed
met welke het Britsche ministerie de zaak begeerde af te doen.''
Er dient echter tevens herinnerd te worden aan het gemis van
nationale uiting bij ons volk. Het is anders zulk een zedelijke steun
voor onderhandelaars , wanneer zij hun wederpartij met recht kunnen
toevoegen , dat zij zich des noods wel met gedane voorstellen kunnen
vereenigen, doch dat ook rekening moet gehouden worden met
de openbare meening. Castlereagh waarlijk liet zich ten deze niet
onbetuigd^': hij zou geen Engelschman geweest zijn; maar hoe
VAN 13 AUGUSTUS I8I4. 253
stond het met ons? Het vooruitzicht van, nevens onze onafhan-
kelijheid , ook de verloren bezittingen terug te krijgen , weder
heer en meester te worden in die verre zeeën , waaraan wij onze
grootheid en onzen rijkdom eens dankten : wel ! in geestdrift er voor
moest men ter nauwernood het uur der teruggave kunnen ver-
beiden, en zoude de openbare meening niet ophouden daarover
haar stem te doen hooren Helaas ! niets van dat alles. De
'/degree of enthusiasme such as I never before witnessed, and
which was certainly never surpassed*' — gelijk Castlereagh onze
nationale opgewektheid , blijkens een schrijven uit Den Haag dd.
1 December 1813 waarnam, was reeds in Februari 1814 gedaald
tot eene mate van «'apathy of the Hollanders", die een Nederlandsch
ooggetuige met verbazing aanschouwde 2". Apathie \ het eigen
woord ontmoet ik bij een ander schrijver, naar eene opmerking
uit die dagen van niemand minder dan den graaf Van der Duyn:
/'une grandeur passée sur laquelle la nation s'était endormie, saus
faire Ie moindre progrès depuis cent ans , au contraire s'enfon^ant
toujours davantage dans une apathie qui lui avait fait conserver
les idees et les préjug^s d'un autre &ge sans en avoir Ténergie et
la perséverance" ^ ® . En zoo bleek dan ook , dat Falck en Van
Nagell beiden den politieken zin hunner landgenooten te hoog aan-
sloegen toen de eerste , overeenkomstig Van Nagell's meening (men
zie o. a. de missives bl. 275, 323 enz.), in brieven van Augustus
1814 aan Van Hogendorp en Van Lennep den indruk toonde te
vreezen, dien het definitief verlies van kostbare koloniën //aan de
Maas en den Amstel", //op de beurs" zou veroorzaken ' *' ; men
scheen voor //den slag^* even weinig te gevoelen als voor de terug-
verkrijging der andere koloniën waardeering over te hebben. Het
is waar, gedurende eenigen- tijd was het tractaat officieel ge-
heim •'* * ; doch de Engelsche bladen bespraken niettemin zeer kort
na de sluiting de teruggave ! — gelijk bl 279 zal blijken —
en onze toebereidselen voor de weldra te ondernemen expeditie
naar het hersteld Nederlandsch-lndië moest de belangstelling wel
prikkelen. Doch men vond ze voor dit land van belofte niet, toen
evenmin als later. Wij waren zoo lan-g lijdelijk getoeest ^ en hieven het:
herinnert Thorbecke in zijn sub 19 vermelde Aankondiging. Ginds
bracht men kapitalen aan voor de koloniale ontwikkeling; hier
hield men zich gesloten , dacht men slechts aan Staatshulp en aan
middelen om er van Staatswege onverwijld rechtstreeks geld uit
te slaan; en zoo werd ook bij apostil dd. 27 Mei 1814, als
254 DE SLUITING VaN HET LONÜÈNSCH TRAOTAAI*
de onderhandelingen over de teruggave zouden aanvangen , op ons
departement van Buitenlandsche zaken eene breede blijkbaar van
deskundige hand herkomstige nota gedeponeerd , houdende een
ernstig betoog, dat wij niets wijzer konden doen, dan al onze
koloniale rechten te verkoopen ^ ^ f [ jjet is waar , dat advies werd
niet gevolgd, doch de geest er van, leeft destijds overeenkomstig
Falck's dispositie , door al onze onderhandelingen ! De tranen over
ontroostbare koloniale verliezen werden telkens spoedig weder afge-
droogd door geld: onze wederpartij aan gene zijde van het Kanaal
begreep dat wel; en handelde dienovereenkomstig.
Juist eene halve eeuw later bood zich de gelegenheid aan , den
man te herdenken, aan wien wij met Hollands zei f bevrijding,
volgens eene bekende getuigenis van een lid der Britsche regeering,
de teruggave onzer koloniën hebben te danken gehad '». Als
echter Mr. F. A. Baron Van Hall dan een tweeden druk bezorgt
van een in 1835 uitgesproken redevoering ter gedachtenis van
Van Hogendorp gehouden , vindt het woord zóó weinig weerklank ,
dat onze politieke zedemeester dier dagen teleurgesteld opteekent:
^Men snuflFelt onder de asche van het vuur, dat nu 30 jaren
geleden ter eere van Hogendorp brandde, of daarbij ook nog een
enkele vonk zou kunnen worden aangetroffen, om als plaat«ver-
vangster te dienen van de overal ontbrekende geestdrift" ^'.
II
De losse besprekingen over de teruggave der koloniën konden niet
het onderwerp van gezette behandeling worden , zoolang er nog strijd
tegen Napoleon's leger werd gevoerd ; en dan rees bovendien de vraag
of deze gewichtige zaak zou worden behandeld bij het met Frankrijk
eerlang aan te gane vredestractaat , dan wel op het destijds reeds
voorgenomen congres der mogendheden , of eindelijk uitsluitend
met Engeland. Fagel verwachtte dat de quaestie hetzij bij het
vredestractaat, hetzij op het congres zou uitgemaakt moeten wor-
den, wegens het verband met andere restituties •*"*. Maar noch
aan gene zijde van het Kanaal , noch vooral door ons werd deze bond-
genootschappelijke behandeling wenschelijk geacht; onze bewinds-
lieden zagen, evenals de Souvereine Vorst (bl. 248), wel in, dat
veel meer te verwachten was van de persoonlijke sympathieën , die
destijds tusschen Engeland en Nederland bestonden dan van eene
algemeene vergadering, waar het pas weder in het leven geroepen
Van 13 AUGUSTUS 1814. 255
staatje — als andere kleine staten in die dagen, een sous-aliié
spottend geheeten ! — niets te zeggen zou hebben. En hoe juist men
dit heeft ingezien , blijkt ons o. a. uit den brief van baron Van Spaen ,
wedergegeven bl. 313 — 314. Het kon dus voor onze vertegenwoor-
digers geene teleurstelling zijn, dat de vredesacte van Parijs, die
den 30° Mei 1814 eindelijk tot stand kwam, de teruggave met
stilzwijgen voorbijging. Nochtans hield zij eene koloniale resti-
tutie in, die voor Nederland eerlang schadelijke gevolgen zou
hebben. Guadeloupe hadden de Engelschen in 1810 op Frankrijk
veroverd en in 1813 aan Zweden afgestaan. De geallieerden,
speciaal Engeland, wilden dit eiland weder in het bezit zijner
vroegere meesters stellen, doch wijl dan Zweden eene schadever-
goeding diende te hebben, viel het oog op eene der voormalige
Nederlandsche koloniën in West-Indië, die overigens bestemd
waren om aan ons teruggegeven te worden. Daarom achtte men
het noodig, dat onze Souvereine Vorst er zich mede vereenigde.
De Engelsche gezant sprak er dientengevolge in Maart 1814
Z. K. H. over, die, evenals vroeger Castlereagh over de Kaap-
quaestie, verrast was, volgens den op bl. 244 — 245 medegedeelden
brief van Clancartj , door de gereede instemming met het voorstel.
//Without offering any objection to the principle", schreef de
Gezant aan Castlereagh, /^he received the communication of the sacri-
fice expected from him far better than I should have imagined.'^
Zoo werd bij het Parijsche tractaat van 30 Mei 1814 Quadeloupe
door Zweden teruggegeven //en consequence d'arrangemens pris avec
ses alli^s", zonder dat alzoo over den aard dier schikkingen in
nadere bijzonderheden werd getreden •'•'.
Of onze minister Van Nagell destijds reeds op de hoogte was
van de door den Prins alweder te snel gegeven toestemming tot
de West-Indische opoffering, kan ik niet zeker zeggen, doch
de indruk is mij gegeven, dat evenmin als Fagel, de Minister
er iets van wist. De Gezant hoorde er eerst van toen hij door
Van Nagell dd. 7 Juni 1814, dus eene week na den Parijscheu
vrede, werd aangeschreven om nu eens het Britsche kabinet
over den omvang der koloniale onderhandelingen te polsen '' ® ,
en hieraan voldoende, Castlereagh hem den vorstelijken Guadeloupe-
wissel voorhield; overigens verklaarde de door Falck terecht als
almachtig geschetste Britsche bewindsman ' ^ , dat hij gaarne on-
vena'ijld de besprekingen over de teruggave zou aanvangen. Onze
Gezant vond het wellicht minder aangenaam, dat hij van de
Oc Volgr. UI. 18
io6 DE SLÜITIXO VAN HET tONDENSCH TRACTAAT
ZweeJsclie qunestie niet bevorens op de hoogte gesteld was; in
zijn rapport dd. 11 Jnni 1814 merkt hij althans op, dat Castlereagh
hem over deze en andere zaken had gesproken , die aan Van Nagell
en den Prins zeker volkomen bekend waren, althans beter dan
aan hem, die ze voor de eerste maal vernam ^'.
En nu beginnen de ergernissen van onzen Minister. Uit het sub 36
vermelde schrijven van 7 Juni blijkt ons, dat hij zich, evenals
Van Hogendorp , met de hoop gevleid had , dat wij al de koloniën
zouden terug bekomen , die />/ lui juui 1792 in ons bezit waren
geweest, dus ook De Kaap, Ceylon enz., de Oost, de West,
bovenal het zoo kostbaar geachte Guiaua. Weldra zou het echter
blijken , dat voor Guadeloupe men het booze oog juist op een deel
van deze laatste kolonie had geslagen. Van Nagell stelde de vol-
ledige teruggave van Guiana op zoo'n hoogen prijs, dat hem dit
punt der koloniale quaestie boven alles ter harte bleek te gaan;
trouwens mannen als Kluit en andere vaderlandslievende landge-
nooten oordeelden er in die dagen eveneens zoo over •^**. Af te
zien van Esnequehu , van IKéhcuiy , van die zelfde streken , waaromtrent
toch Malmesbury in zijne op bl. 242 en 248 vermelde missive
van 3 December 1813 uitdrukkelijk had gezegd: 1 veiUhtl^ wotiJd
give tfua (juck , zou eene teleurstelling zijn , die men met alle macht
moest trachten te voorkomen. Dezen gedachtengang legde Van Nagell
op ontvangst van het Gezantschapsbericht aanstonds neder in een
schrijven dd. 16 Juni 1814, waarin hij voor den Souvereinen Vorst
ontworpen had eene aan Fagel te verstrekken instructie. Men moest
zich, leest men daarin, stellen op het standpunt van ons koloniaal bezit
van vbór 1795, in welk jaar en ook later wij enkel door Frankrijk
gedwongen werden Engeland te beoorlogen, waarom wij ook wel
al onze koloniën, het in den oorlog van 1795 verloren Ceylon er
onder begrepen , mochten terug verlangen. Indien Engeland territo-
riale vorderingen deed gelden, dan had onze Gezant zich vooral
te doordringen van het feit, dat niet alleen in West-Indië de
geheele Guyana het belangrijkste deel onzer bezittingen aldaar was ,
doch vermoedelijk de kostbaarste van al onze bezittingen in Oost
en West! Een verdeeld bezit van Guiana zou ook tot de grootste
moeilijkheden aanleiding geven, vooral wanneer de slavenhandel
werd afgeschaft, daar de vrije werklieden dan van de eene bezitting
naar de andere zouden overloopcu. Moest men eene opoffering, doen
dan zou Caru^^uo in aanmerking kunnen komen, waarvan de belangrijk-
heid onze Gezant , dank eene bij de instructie overgelegde memorie
VAN 13 AUGUSTUS 1814. £5'7
kon aantoonen, in geval Engeland er op zou wijzen, dat het bezit
van dat eiland meer een last dan een steun voor ons was. Bleef
men voor dit lokaas ongevoelig, dan moesten nog aangeboden
worden de eilanden SL Èusfache, Saba en 8L Martin (voor zoover
het voormalig Nederlandscli gedeelte betreft) ; overigens behoorden
geene dezer opofferingen, ook niet van Curagao ^ te worden toege-
staan , zonder dat Fagel er eene geldelijke indemnisatie voor vroeg.
Over onze forten op de hisi van Gninea behoefden niet gehandeld
te worden, daar wij die reeds in bezit hadden. Aan /)e Kaap
zou wellicht Engeland groote waarde hechten, doch dan diende
men daartegenover te stellen, niet slechts geldelijke vergoeding,
doch in ieder geval — en zoo komt Van Nagell telkens weder op
zijn geliefde West terug — de volledige teruggave van Quiana.
Den Oost-Indischen Archipel moesten wij terug verlangen, zooals
wij dien in 179£ bezaten; doch omtrent de bezittingen in Vóor-
Indië kon Fagel gemakkelijk zijn en ze des gevraagd tegen geldelijke
vergoeding afstaan ''*.
Den volgenden dag, den 17° Juni 1814, berichtte de Minister
aan Fagel , dat eene voor hem bestemde instructie den Souvereinen
Vorst was voorgelegd. Hij had van Z. K. H. gehoord over het
plan om Zweden uit onze West schadeloos te stellen, en Aij zou
zich daarover waar niet vertier uitlaten^ m. a. w. hij vond de zaak niet
in orde ; maar hij wilde er dan toch van zeggen , dat het onver-
deeld bezit van Ouiana /t^t kosföaarsf^e onzer koloniën uitmaakte;
Fagel zou daarentegen, merkte de Minister verder op, voor den
afstand van Cura^ao //en zelfs van St. Eustache'' in de instructie de
grootste vrijheid vinden **".
Niet weinig verbaasd zou de Minister geweest zijn , als hij dien
zelfden dag over de schouders van den Britschen gezant in den
Haag had kunnen zien , toen deze het volgend rapport aan Cast-
lereagh schreef ^ * :
As I suppose you will soon , either with M. Fagel in Londen or by
instructions to me here, negociate with this Government for the res-
toration of their colonies; it is fit you should know that, in con-
versing with M. De Nagell upon this subject, he has professed to me
his incUnation to advise the utmost liberality respecting it; nay, that
he was not very tenacious of colonial acquisition; and that, with
respect to those in the West Indies, would bc willing even to forego
their re-acquisition, upon an adequate indemnity. With respect to
the nature of the indemnity , I could not gct hini to bc quitc ex-
258 DE SLUITING VAN HKT LONDENSCH TRAC3TAAT
plicit, but understood him to mean their sale for money. Inmymind,
however, except perhaps the colony of Demerary, in which so much
British capital is engaged, the purchase would be but a bad one.
Ziedaar het zwakke punt van al onze onderhandelingen in die
dagen vrij onaangenaam blootgelegd : mj loareit U hoop, Castlereagh
had iets dergelijks blijkens het door mij op bl. 249 medegedeelde
dd. 8 Januari 1814 aan lord Liverpool met betrekking tot Bê
Kaap gemeld, hetgeen Hoek op bl. 56 van zijn >/ Herstel" snedig
doet opmerken : //De Engelsche bewindslieden wisten dus bij
voorbaat, dat zij tegen opoffering van eenig geld zich enkele
koloniën zouden kunnen verschaffen, die men reeds zoo lang be-
geerd had, en dat zoodra de onderhandelingen aanvingen, be-''
krachtigd zou worden , wat zij nu reeds als zeker verworven kon-
den beschouwen." — Ter verschooning strekke, dat ons vaderland
n\VL merg en been" uitgeput was ^^ ^ %w. dat Engelands jammerlijk
idee om alweder eene Chineesche muur aan Frankrijks noorder
grenzen te doen oprichten niet krachtig genoeg schijnt te zijn
wederlegd met de opmerking, dat zoo de Verbondenen zulk eene
barrière noodig achtten , zij er dan ook maar de kosten voor hadden
te dragen. In een sub 70 te vermelden memorie van Van Nagell wordt
wel de aanmerking gemaakt, dat /^^y waarlijk niet dddrvoor koloniën
behoefden te verliezen , doch toen was het te laat ! En mocht het wel
verstandig heeten , dat wij direct en indirect aan ieder vreemdeling
zoo maar blootlegden hoe /^ellendig arm" wij waren * * , hoe wij
er naar haakten van de koloniën door schadevergoedingen of door
exploitatie in wat beter doen te komen? Het getuigde zoo weinig
van een vol hoop op de toekomst berustende levenskracht, //üne seule
chose semblait Ie préoccuper, c'était la craiute de donner avant
d'avoir re9u" — gelijk De Qrovestins in zijne sub 24 vermelde
Mémoires bl. 27 aanteekeude: — dit bezielde helaas niet alleen
onzen Vorst , doch onze gansche regeering en niet minder ons
volk. Ik geloof wel, dat wij ook bij eene meer hooghartige en
politieke opvatting, noch De Kaap^ noch C-eylon^ zouden bekomen
hebben, maar in deze West-Indische quaestie wordt het toch zeer
duidelijk hoezeer wij onze positie door dergelijke geldzucht ver-
zwakten. Ware het dan niet beter geweest over eene pijnlijke
herinnering henen te stappen en krachtig de quaestie der
eertijds toegezegde bewaarneming op den voorgrond te stellen?
Van Nagell heeft er — het blijkt uit al het volgende —
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 259
uiet aan gedacht om een deel van Guiana tegen geld prijs te
geven , maar het oog vermoedelijk gehad op de West-Indische
eilanden : eiland toch tegenover eiland^ gelijk ik bl. 245 opmerkte ;
Engeland wilde ze echter niet hebben en dwong ons ten slotte , ook
al voor geld , om van Demerarj , Esseqnebo en Berbice af te zien ^* !
Door het aannemen van dergelijke vergoedingen bewogen wij ons
in Engelands politieke richting, die aldus de rol van den Be-
langlooze, den Edelmoedige bewaarde, waarop het zoo zeer prijs
stelde , ten einde zich tegenover de andere Mogendheden te kunnen
doen gelden en ook uit aangeboren huichelzucht ; terwijl op Neder-
land het odium van al dergelijke geldelijke transactiën viel : hoe-
zeer is ons ook niet het zoogenaamd Verkoopen van De Kaap ver-
weten ! * ' En het treurigste van alles was , dat wij ten slotte toch
nog bedrogen uitkwamen , tengevolge van de niet verwachte geldelijke
eischen , die door de Engelsche autoriteiten in Oost-lndië bij de over-
gave gesteld werden , terwijl wel degelijk de grondgedachte van het
tractaat van 1814 was geweest, dat wij de koloniën zonder andere
betalingen zouden terug erlangen dan die de rechtstreeksche over-
neming van Engelsche goederen medebrachten : de teruggave zou
geschieden, blijkens den op bl. 271 vermelden brief van Fagel dd.
9 Augustus 1814, overeenkomstig Castlereagh's verzekering, vpure
et simpïe et immediate*'* \ En gaaf vond zij inderdaad ten slotte
plaats ten aanzien der West-Indische koloniën , zooals de Dir. Gen.
van Koloniën dd. 31 October 1816 aan onze C. C. G. G. in de
Oost verzekerde (V. D. 128) ; daar waren zeker geene FendalFs en
Raffles' geweest.
De eerste missive van Fagel dd. 21 Juni 1814 N® 89 over de
geopende onderhandelingen meldde, dat wij zoo goed als alle
koloniën zouden terugkrijgen, behalve De Kaap^ waarvoor —
gelijk onze Minister reeds goed gevonden had — een e aanzien-
lijke som gelds ten behoeve der barrière-steden werd toegezegd '*•''.
De Britsche regeeriug wilde volstrekt niet , had Castlereagh blijkens
het sub 7 aangeteekende verzekerd, zich inhalig betoonen. Cockin
op de kust van Malabar zouden wij echter ook wellicht ver-
liezen; en wat betrof de Guadeloupe-quaestie , nu wij eene veel
aanzienlijker vergrooting van ons gebied in Europa verkregen
dan oorspronkelijk voorzien was toen Castlereagh het bewuste onder-
houd er over met den Souvereinen Vorst had gehouden, zouden
wij dan toch ook wel, meende de Minister, geen bezwaar hebben
tegen den afstand van het enkele Berbice aan Zweden ; daarentegen
260 DE SLUITING VAN U£T LONDENSCU TRACTAAT
ZOU deze Moi^endheid — oordeelde de Britsche minister — zich
hiermede hebben tevreden te stellen, al was het ook minder dan
Gnadeloupe, wijl de rechtstitel veel zekerder werd **. Opmerking
verdient, dat in dit gansche rapport over Fagel's onderhoud met
den Britschen minister * ' geen woord werd gerept omtrent het lot
van het overschoone Taprobané; weldra zou het blijken, dat wij
daaraan evenmin mochten denken.
In ieder geval Van Nagell kon niet weten wat nog in den raad
der Britsche goden mocht besloten worden ; dezen wisten het trouwens
zelven niet altijd; hoe meer toch de geestdrift tijd tot verkoelen
had, hoe minder men geneigd scheen al onze koloniën terug te
geven. Daarom zou het eene gelukkige opvatting geweest zijn,
indien het zwijgen over Cejlon — al mocht het een misverstand
blijken — den Minister hadde geprikkeld ommiddellijk op den
brief in te gaan , bedenkende dat gevoelens van edelmoedigheid in
den regel kort verloop hebben en dat wij dus, hoe meer tijd wij
over de zaak deden gaan, steeds in minder gunstige omstandig-
heden zouden komen. Wel verre echter, dat aan onzen Gezant werd
bevolen Castlereagh bij zijn woord te houden en dus onzerzijds
prijs te geven De Kaapy Berdice en zoo noodig Cochiny lokte de
Minister geene wijziging uit in zijne veeleischeude instructie, bij
schrijven van 24 Juni 1814 aan Fagel gezonden. Over het verlies
van De Kaap wordt maar al te gemakkelijk heengegaan, maar
Berbice te moeten verliezen, een deel dus van die kostbaarste aller
bezittingen: dat zoude al te smartelijk zijn en maar al te bittere
gedachten opwekken ; dan nog beter op te geven , — hoe maakten
wij ons steeds zwakker I — niet slechts alles op het vaste land van
Vóór-Indië, doch zelfs.... Ceylon ^ zoomede hei sMerel/and van
Malakka! Waarlijk de heer Van Nagell, hoe goed ook zijne
bedoelingen mogen geweest zijn, zou ons van den wal iu den
sloot hebben geholpen. ^^
Fagel trachtte in zijn antwoord van 30 Juni 1814 het hope-
looze van dergelijke basis tot onderhandeling aan te toonen. Cejlon
kon niet meer voor tegengift gelden, daar dit eenmaal bij den
vrede van Amiens aan Engeland afgestane eiland buiten behan-
deling was gekomen ; en ook het denkbeeld van een gedeeltelijken
afstand van Guiana aan Engeland zou men niet meer willen prijs-
geven. /yJe suis f^ché de devoir vous informer" — was het ant-
woord van den Gezant *** — /ï^que Tesprit des instructions que
vous m'avez transmises, s'écarte si fort du point de vue sous
VAN J3 AUGUSTUS 1814?. 261
lequel la matière est considérée ici , que je désespère de voir cette
négociation se terminer & la satisfaction générale."
Deze waarschuwing wekte bij den Minister slechts hHterhmd
en h/trfzfiPT op, blijkens zijn schrijven van 8 Juli d. a. v. Hij
meende dat het nog verder afwijken van de koloniale positie, die
wij bij dtsn vrede van Amiens hadden verkregen , den Souvereinen
Vorst en zijne regeering tegenover het gansche Nederlandsche
volk in een verkeerd daglicht zou plaatsen; dat daaraan eene in
ons vaderland nog bestaande Fransche partij — hoe was het
mogelijk?! — kracht zou erlangen; dat het verlies van Guiana
gelijk stond met het afsnijden van onze levensdraden (sic) , en dat
geen waar Nederlander daarvoor niet gevoelig kon zijn; dat aldus
het Parijzer tractaat, ons een vergrooting van grondgebied toezeg-
gende ^ " , werd geschonden , want geene uitbreiding in Europa kon
het verlies van Guiana vergoeden ; dat, gelijk bl. 248 en sub 7 opge-
teekend, aldus Ëngelands hebzucht een zeer ongunstigen indruk
op de andere mogendheden zou maken ; enz. •'» ' : kortom eene
schrikbarende overdrijving, waarvoor men alléén wat zou kunnen
gevoelen als het 't bezit van De Knap had gegolden.
Intusschen hadden zich de vorsten van Rusland en Pruissen en
onderscheidene eerste ministers naar Londen begeven ; de werkzaam-
heden voor het Britsche ministerie hieruit voortvloeiende, werden
zéér vermeerderd door de geopende parlementaire debatten, terwijl
het overige van den tijd door talrijke feesten werd ingenomen; het
resultaat was, dat voorloopig Castlereagh niet over onze koloniale
zaken viel te spreken, gelijk Fagel dd. 8 Juli 1814 naar Den Haag
meldde '^^. En toen hij eindelijk daartoe gelegenheid vond, bleek
de Britsche Minister onder Van NagelFs verzet zijn geduld te hebben
verloren. Eene zeer gewichtige niet-koloniale quaestie kwam trou-
wens daarbij. Omtrent de voorwaarden der vereeniging van Noord-
en Zuid-Nederland was te Londen door de Verbondenen een stuk
opgemaakt, hetwelk de Souvereine Vorst behoorde te teekenen;
doch deze maakte bezwaar wegens het onbestemde der regeling van
de schuldeiiquaestie tusschen beide deelen, verder wijl de grenzen
van den te scheppen staat nog niet behoorlijk waren aangewezen
en eindelijk omdat het land door vreemde troepen bezet bleef •'"'.
Aldus ontmoette Castlereagh én in de koloniale quaestie , én in de
vereeniging der Nederhiiiden — beiden met name door hem in het
leven geroepen en geleid — een naar zijn inzien ondankbaren weder-
stand bij den Vorst en zijne regeering, die hij slechts met wel-
262 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH 'IRACTAAÏ
daden toonde te willen overladen. De besprekingen met onzen
Gezant afbrekende, wegens Van NagelFs ontevreden bescheiden,
verklaarde hij niets verder te zeggen te hebben; Nederland kon
zonder België niet sterk genoeg geacht worden voor de verdediging
van kostbare koloniën en de zaak moest dan maar op de eind-
beslissing van het Congres wachten. — Mistroostig en niet zonder
scherpte schreef den 15** Juli 1814 Fagel dit bedroevend resultaat
aan onzen Minister, nadat evenzoo door Castlereagh deze beslissing den
vorigen dag aan den Britschen gezant in den Haag, Clancartj,
was bericht. Fagel gaf in de betuigingen van zijn leedwezen, dat
men zich niet vriendschappelijk had weten te verstaan, duidelijk
genoeg te kennen, dat Van Nagell eigenlijk den normalen gang
had verstoord en verknoeid. ^^
De raededeelingen van Clancarty aan den Souvereinen Vorst in
den avond van den 19" Juli 1814 brachten dezen tot nadenken
en deden hem besluiten het z. g. Londensch protocol te onder-
schrijven, gelijk den 21° Juli 1814 door Van Nagell namens den
Prins gedaan werd. //Ik heb lord Clancarty gisteren avond zeer
lang bij mij gehad" — berichtte Z. K. H. aan Van Nagell dd.
20 Juli, //en ik geloof dat hij met het resultaat onzer conferentie
beter te vreden is dan ik." De Britsche gezant had ffeen soort
van model" voorgelezen omtrent de verklaring, dat het Protocol
werd aangenomen; Zijne Hoogheid berichtte, dat zulks hem aan-
nemelijk had toegeschenen. //Uit égard voor Engeland en tegen
mijn zin" — vervolgde de Vorst — //heb ik ook geaccepteerd
de administratie van België op mij te nemen, en diensvolgens
mij naar Brussel te begeven. Ik hoop dat daardoor alle redenen van
ontevredenheid zullen weggenomen worden en dat de negociatie der
koloniën zal kunnen weder opgenomen worden. Het nut wat ik
daarin zie voor dit land heeft mij grootendeels bewogen mij te
sacrifieeren. Door twee voorbeelden, dat van den koning van
Pruissen en van dien van Sardinië, die solliciteert het Gouvernement
provisoir van Genua , heeft mij lord Clancarty trachten te overtuigen,
dat het niet tegen de digniteit is dat van België te aanvaarden,
en daar ik maar het welzijn van de zaak behartig, is mijn eenige
wensch dat dezelve bevorderd worde."
Van Nagell berichtte de aanneming van het Protocol aan onzen
Gezant te Londen bij brief van 22 Juli 1814 N° 82. De Minister schijnt
geen idee te hebben gehad dat ook zijne hooge koloniale eischen ,
en niet uitsluitend de Belgische quaestiën , tot het afbreken der kolo-
VAN 13 AUGUSTUS 181A. 263
niale onderhaudeliugen hadden geleid. Althans, terwijl geene wijzi-
ging in de instructies werd gebracht, sprak hij bij deze nieuwe
aanschrijving de verwachting uit, dat Castlereagh nu weder de
koloniale quaestie zou willen ter hand nemen , zonder dat het
Congres er in gemoeid werd. f^ïi serait bien h désirer" — schreef
nl. de Minister (B.Z.) — /'que Son Excellence lord Castlereagh voulüt
couronner son oeuvre avec nous en terrainant ce qui a rapport ^
la restitution de nos colonies. — Si Son Excellence préféré de remettre
cette affaire au congres de Vienne, S. A. R. ne peut que déférer
aux volontés du cabinet de St. James; néanmoins EUe préférerait
de beaucoup, que cette n%ociation fut terminée k Londres, afin
d'éviter toutes interventions quelconques, et de simplifier la négo-
ciation autant que faire se peut."
Ook de Prins schijnt van meening geweest te zijn, dat Castle-
reagh's ontevredenheid enkel was voortgevloeid uit de bezwaren tegen
het Protocol ; hij toch bleef evenzeer de meening deelen, dat Guiana
in ons onverdeeld bezit moest terugkomen. De vergrooting van het
rijk met België mocht daarop geen invloed uitoefenen: //Tabandon
de nos meilleures colonies ou leur entière détérioration" — her-
innerde hij dd. 22 Juli aan Fagel •'» ^ — //est une chose trop grave
et de trop grande conséquence pour y pouvoir donner les mains,
et être taxé d'avoir sacrifié Ie bien de TEtat h la gloire de la
maison."
In dit kort tijdsverloop was echter de zaak nog veel hopeloozer
geworden. Wij lazen op bl. 256, dat Malmesburj den 13° De-
cember 1813 aan Fagel o. a. had geschreven: //all the West-India
Islands, Essequebo, Demerary and Surinam I certainlj would give
JOU back". Een paar maanden later had het op bl. 244 — 245 ver-
melde onderhoud plaats tusschen Clancarty en den Prins, waarin deze
te gereedelijk den afstand aan Zweden van West-Indische koloniën
had goedgevonden , terwijl Castlereagh toen op het oog had Berbice :
doch ook niet méér, '/which ought to satisfy", schreef deze
over Zweden aan lord Liverpool dd. 19 April 1814 ^»". //More
than this I think Holland ought not to lose, even though cora-
pensated on the side of the Netherlands", besloot hij , na genoemd
te hebben het bezit van Malta, De Kaap, Mauritius en Tobago
als een sine (lud ivon //to our own peace". Bij deze zelfbeperking
ten aanzien van West-Indië bleek Castlereagh nog gebleven te
zijn in het onderhoud, dat weder een paar maanden later plaats
vond met Fagel en waarvan deze rapport deed bij het op bl. 259
26 1 DE SLUITING VAN U€T 1A3NDENSCH TRACTAAT
aangehaald schrijveu van 21 Juui 1814 *', Na toch vermeld te liebhen
dat wij alleen D^ Knap en Cm-hm zouden verliezen, schreef de
Gezant: "11 ne resterait alors ji arranger que Ia cession de quel-
qu'une de nos ci-devant colonies ^ la Suède, en remplacement de
la Guadeloupe. L'accroissement de notre territoire Europeen étant
devenu beaucoup plus considérable qu'on ne pouvait Ie prévoir
lors du passage de lord Castlereagh par la Hollande, il pensait
que nous pouvions être coulauts sur eet article, et semblait croirc
(|ue ce ne scrait pas trop exiger de nous que de demander si eet
etiet la cession de la colonie de Berbice, dont la Suède devrait
se contenter, quelqu^inférieure en valeur qu'elle fdt ^ la Guade-
loupe, ei dont il jugeait que cette Puissance se contenterait ,
pour cette raison que cette cession lui donnerait un titre de pro-
priété incontestable, tandis qu'on ne pouvait pas lui en fournir
un semblable pour la Guadeloupe."
Maar als eene maand weer later, nl. den 28" Juli 1814, Tagel
opnieuw met den Britschen minister een onderhoud heeft , bemerkt
hij dat de hekken geheel zijn verhangen. Er is en er wordt nu inderdaad
comedie gespeeld. Castlereagh toont er in te berusten , dat Zweden
de regeling volstrekt wW goed vindt , dat het toch , behalve IWhice.^
ook nog wil hebben Df^wfran/ en EjtipfiMpf^o en dat het zich in
geen geval wil laten afschepen met Cura^ao, St. Eustache, St.
Martin eu Saba: r**//* af ff af rm^n Hfirhice op f /en hutp t4}e!
Den valmachtigen Minister'' zou het natuurlijk licht gevallen zijn
om de veeleischende Mogendheid tot andere gedachten te brengen ,
doch .... hoe toevallig anders Zwedeus plotseling opgekomen voor-
liefde tot een goed gedeelte van Guiaua! — Engelands belang
bracht onverwacht die verhooging van eischeu mede. Genoemde
kolouiCn, "which are Anglicized"*, met name Demerary eu Berbice ,
nare tmiHt réihnihl** f o /fv" ^ was toch bij nadere overweging het
oordeel der Engelsche staatslieden geworden'»'! — Men zou echter
buiten den rol van Edelmoeditre, Belani^elooze vallen '»^, indien
men ze zoo rechtjstreeks maar aanhield. Niet Engeland eischte ze ,
maar Zweden en ... . Zweden verkocht ze aan Engeland. Mochten
wij hiervan soms het onze denken , de Britsche minister gaf uu
gezant Eagel den veel beteekeneuden wenk : niet te vergeten , dat
hier van eene gelijk opgaande verbintenis eigenlijk geen quaestie
was, daar de eene partij slechts had te geven, en de andere enkel
te ontvangen , die dus maar tevreden moest zijn met hetgeen
aldus werd verkregen, üe toon, waarmede de hervatting van de
VAN lf*j AUGUSTUS 1814. 265
ouderhandelingen begon, was dus heel wat minder vriendelijk
geworden ; immers tot dusver had men altijd vooropgesteld , dat de
teruggave eene quaestie van recht en het dezerzijdsch opgeven vau
eene enkele kolonie een sacrifce was. — Fagel deelde het in den
ochtend van 28 Juli 1814 verhandelde onzen Minister den volgenden
dag mede ^^.
Den 30° had eene nieuwe conferentie tusschen Castlereagh en
Fagel plaats; de Britsche minister legde toen onzen Vertegen-
woordiger een ontwerp, een outHjie over, als ultimatum ^/for
the consideration of his Court'\ gelijk het in een brief van
Castlereagh aan den Britschen gezant te 's Graveuhage , nog den
dag der conferentie geschreven, luidde ^". //The necessity of
having something to hold forth to the public", lichtte hij indien
brief toe •* * , ^s'is the more feit from the probability , there is ,
of our being involved in a further charge on account of Holland
of £3.000.000, arising out of what is called the Dutch Loan." —
Ook Fagel haastte zich denzelfden dag onzen Minister van B. Z.
in te lichten. Hij waarschuwde tegen het maken van verdere
bezwaren, hetwelk tot niets anders kon leiden dan tot onte-
vredenheid , uitstel der overgave en tot de zoo zeer gevreesde
behandeling der zaak op het Weener congres. Hij adviseerde dus
tot onmiddellijke aanneming, opdat het tractaat nog voor Castle-
reagh's vertrek derwaarts, op den 15** Augustus bepaald, kon ge-
sloten worden; hij wees er ook op, dat Clancarty in den Hang
van dezelfde instructies voorzien was en dat het nu huigen of barsteed
zou moeten zijn ; Fagel's dringende raad was echter voor het eerste. —
Naar al hetgeen ik er van weet, en tevens mij herinnerende wat
het Weener congres zou voorbrengen, schijnt mij dat advies,
zooals de stand der zaak nu eenmaal was geworden , heel ver-
standig toe ^^.
Van Nagell, onbewust van den keer, dien de besprekingen —
//onderhandelingen" konden ze bijna niet heeten — hadden genomen,
schreef nog den 2° Augustus i 814 een brief naar Londen , waarin
hij de hoop uitdrukte, dat de onderhandelingen over de teruggave
der koloniën weder opgevat en vóór den aanvang van het Congres
zouden beëindigd worden; en evenzeer onbekend met de intrige,
waardoor aan Zweden eene zeer aanzienlijke som van Engeland
werd verzekerd als middellijke schadeloosstelling voor Guadeloupe,
maakte hij zich tevens alweer boos over de belangstelling van den
Zweedschen gezant in den Haag, die den korzeligen heer Van
266 DE SLUITING VAN HET LONDENSGH TRACTAAT
Nagel l naar deu stand der onderhandelingen belangstellend had
durven vragen •*•"* !
Doch daar kwamen dien eigen 2" Augustus de brieven uit
Londen , waardoor de Minister met Engelands volstrekte wenschen
werd bekend gemaakt; geheel teleurgesteld, antwoordde hij den
Gezant nog denzelfden dag, dat hij nu zulk een weerzin tegen
zijne betrekking had opgevat, dat hij niet langer minister wilde
blijven *"* !
De Souvereine Vorst en zijn secretaris Falck zagen echter te
recht in , dat de tijd voorbij was om nog bezwaren te doen hooren.
Op Castlereagh's outline werd geene andere aanmerking gemaakt,
dan ten aanzien van de bepaling, dat Banka ons in ruil zou
worden afgestaan tegen het verlies dezerzijds van Cochin en onder-
hoorigheden. Die aanmerking betrof echter niet, helaas! dat dan
bij Banka ook het >i'en onderhoorigheden" moest gevoegd worden ;
evenmin dat de redactie omtrent een afstand van Banka misplaatst
was, wijl reeds bij vormelijk contract dd. 10 Juli 1668, te Batavia
gesloten, dit eiland met Billiton onder Nederlandsch gezag werd
gebracht , ten einde '/te voorkomen dat eene andere vreemde mogend-
heid zich daar vestigen zou" **• "* ; doch de vraag werd enkel
gedaan , waarop het afstandsrecht van Banka berustte — men kwam
dus het eigenlijke punt wel nabij! — waarop Clancarty het ant-
woord had gegeven upon unlitigated posseas'wn. Hiermede was de
behandeling afgedaan en kon Clancarty naar Londen reeds den 4"
Augustus schrijven dat de outline was aangenomen ^^!
In den vorm van de alsnu af te sluiten conventie werd onze
gevoeligheid zooveel mogelijk verschoond , gelijk o. a. blijkt uit de op
bl. 286 sub 9 vermelde overweging; doch zoo — naar wij nog zullen
zien — ï^agel, Falck en de Souvereine Vorst hiermede zich zeer toonden
ingenomen , naar het wezen beschouwden onze bewindslieden het
verlies der af te stane koloniën , gelijk werkelijk het geval was ,
niet als een ruil of vrije geldelijke transactie. De Prins toonde
het te gevoelen in een nader te noemen brief aan Van Nagell,
waarin hij zijn Minister tot berusting in het onvermijdelijke aan-
spoorde; Fagel maakte zich blijkbaar geene illusie, waar de grond-
toon zijner adviezen is jv'ij moeten wel\ Falck eindelijk gaf er
de meest stellige uitdrukking aan, toen hij den 6" Augustus
1814 aan Van Hogendorp, die belangen aan Be Kaap had , het teleur-
stellend bericht moest zenden, niet alleen dat Engeland deze
kostelijke kolonie voor zich had behouden, doch tevens: //Het
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 267
neemt voorts Demerarj, Essequebo cd Berbice; maar in de Oost
niets dan Cochin, waartegen het ons het bezit guarandeert van
het kostelijk eiland Banka" ®'. Overigens is het in Falck te
prijzen, dat hij de waarde van dit eiland niet onderschatte. Had
de Britsche regeering het opgegeven, wijl de tinondernemers van
Gom wallis verstoord waren over de concurrentie, die hun Banka's
productie dreigde aan te doen ® ^ , de ver vooruitziende Raffles
betreurde dien afstand ten zeerste, én wegens de beheerschende
ligging, én wegens de groote voordeden der exploitatie ®*.
III.
De brieven, waarin Fagel bij onzen Minister op berusting in
het onvermijdelijke aandrong, waren tegelijkertijd, gelijk hij dezen
mededeelde (bl. 313 noot 62) wegens het belang der zaak door den
Gezant in afschrift naar Brussel, voor kennisneming door den Prins,
gezonden ; Clanoartj had tevens het zijne bij den Souvereinen Vorst
verricht om tot toegeven te stemmen, en zoo had deze, ook op
advies van Falck, rechtstreeks en zonder den Minister nader te
hooren! onzen Gezant den 4° Augustus 1814 gemachtigd de voor-
waarden van Castlereagh te onderschrijven.
Dat het van geen nut zou geweest zijn en slechts tot vertraging
hebben geleid , indien nog Van Nagell gehoord ware geworden ,
blijkt uit eene Metnorie van denzelfden dag door den Minister aan
den Souvereinen Vorst gezonden. Hierin zette hij zijne grieven
tegen den loop der zaak uiteen , terwijl hij besluit met aan Engeland
alsnog voor te stellen, althans aan Nederland eene vergoeding
voor Demerary enz. te geven aan den rechter oever van de Maas.
In het schrijven , waarbij hij de overigens lezenswaardige Memorie
aanbood, merkt hij nog op: '/Zonder eenige bewimpelingen moet
ik erkennen, dat de wijze van doen mij zeer stuit en ik mij niet
zal kunnen gewennen aan den gebiedenden toon, dien men aan-
neemt. Er ontbreekt niets aan dan te zeggen bij proclamatie: dU
gedeelte der Hollandsche koloni'én behoud ik, en dat gedeelte geef ik
terug y '"
Aangezien de vreemde gezanten met den korzeligen Minister minder
gaarne te doen hadden, dan met het aangenamer hoofd der Regeerings-
secretarie, werden derwaarts ongevoelig vele zaken overgebracht, het-
geen de ironische Secretaris ' * aan Roel deed schrijven , dat //de galco-
liek van den heer V. Nagel", wel //de leelijkste ziekte" voor .... hem
268 DE SLUïTÏXa VAN HET LONDKNSOH TRAOTAAT
(Falck) was ' - ! Maar aan den Minister zelf berichtte de Staatssecre-
taris , den 6" Augustus 1814, onder toezending van een afschrift
van het aan den Oezant geworden rescript om het tractaat te sluiten ,
dat Z. K. H, '/met belangstelling" de Memorie had gelezen »die,
zij het ook eenigszins verzacht, nog nut kon doen op het H^ eeyter
cuityi't,a\ ook werd als een doekje voor het bloeden hem be-
richt, dat Fagel was opgedragen pogingen te blijven aanwenden
'f om Berbice uit den brand te redden" '•''. Persoonlijk trachtte
Falck zich te vreden te toonen , waar toch niets te veranderen
meer viel; in practische levenswijsheid schreef hij toch op dien
zelfden datum aan Van Hogendorp: '/Wat mij betreft, mijne partij
is genomen; ik ben het getroost en zie gaarne met goede gratie
te doen , wat ik toch niet beletten kan. Wij komen thans spoedig
uit de onzekerheid. Lord Castlereagh gaat, zonder slecht humeur
over ons, naar het Congres en kan er uitsluitenderwijze onze
continentaal-aangelegenheden voorstaan. Dit is de fraaie kant van
den penning. Op de keerzijde zie ik , dat in Guyana buren te hebbeu ,
welker wetten en reglementen zoo zeer verschillen van de onze,
bedenkelijk worden kan voor Suriname, om welke kolonie nog
dertig jaren te bezitten, ik gaarne premie van assurantie zou
geven" '*.
Zoo hebben onze staatslieden in die dagen op koloniaal ge-
bied nagenoeg alles even slecht doorzien. Het ons overgelaten
gedeelte van Guiaua is, niettegenstaande de buren, in ons bezit
gebleven: doch voor de buurmansschap, waar deze werkelijk ons
nadeelig zou worden: — op Sumatra, in de Straits, kortom in den
Oosterschen Archipel — daarvoor werd het oog eerst geopend, toen
het eigenlijk te laat was.
Van Nagell geraakte door het verlies van Üemerary , Essequebo en
en Berhice niet alleen buiten zich zelven, doch ook buiten de
verdere politieke behandeling der zaak. Het rescript over het
tractaat werd uit Brussel den 8^ Augustus 1814 te Londen ont-
vangen , zoodat de Gezant aan den Minister den volgenden dag
schreef (B. Z.) : //Ces instructions m'ont éié transmises par Mon-
sieur Ie Secrétaire d'Etat Falck, auquel j^addresserai en consé-
quence mon rapport ultérieur sur la suite de cette affaire."
Wel verre echter van dit onaangenaam te vinden , was het
geheel en al overeenkomstig den eigen wensch des Ministers ' •'' ,
daar deze bij brieven van 8 Augustus aan Falck en den Prins
uitdrukkelijk berichtte, dat hij absoluut niets meer met de zaak
VAN 13 AUGUSTUS 1814, 269
wilde te maken hebben . dat hij daarmede zijn hand niet langer
wilde .... bezoedelen ! En in zijn drift schrijft hij liefst het
ongelukkig beloop van de zaak toe aan den man , die althans door
zijn bescheiden en gematigd optreden veel goeds had gedaan , aan
Fagel! ^^Wat de negotiatie over de restitutie der Koloniën aangaat",
is toch zijne aan Falck medegedeelde raeening, //hoop ik dat ons
ongelukkig vaderland , dat sedert jaren ilum' vne^iiU:v gedurig geplun-
derd werd, den schok geduldig zal doorstaan : doch ik beken , dat ik
deze deugd voor mij zelven niet bezigen kan en schrijf aan Zijne
Konink. Hoogh. om ootmoedig mijn ontslag te smeeken. De eer-
volle resultaten der onderhandelingen van den Ambassadeur Fagel
kunnen met mijne onderteekening niet bezoedeld worden."
Met denzelfden post richtte de vertoornde Departementschef het
volgend weinig eerbiedig, maar van een warm gemoed getuigend
schrijven aan den Souvereinen Vorst:
Door den koerier, gisteren middag aangekomen, heb ik kennis ge-
dragen van het door Uw Konink. Hoogh. geresolveerde nopens de
onderhandelingen met het kabinet van Londen ter restitutie onzer
Koloniën. Van harte wensch ik dat de doeleinden van Uw Kon.
Hoogh. zullen bereikt worden , en dat ons vaderland minder lijden zal
dan ik mij verbeeld door de gevoelige nepen, die het Engelsche
ministerie haar toebrengt, door zich de fraaiste onzer koloniale be-
zittingen toe te eigenen. — Inmiddels kan ik nimmer van mij verkrijgen
tot deze (in mijne pogen) willekeurige en illiberale handelwijze mede
te werken, en ik smeek Uw Konink. Hoogh. ootmoedig van mij hoe
eer hoe liever mijn ontslag te willen verleenen.
Evenals de Souvereine Vorst en Falck gelijktijdig een brief
van Van Nagell ontvingen, evenzoo schreven zij beiden hem dd. 10
Augustus van Brussel terug. Recht hartelijk luidt het in den
brief van den Staatssecretaris:
Juist die vriendschap, welke ik mij vereerd vinde van voor U te
koesteren en mijne hoogschatting van uwe kordaatheid hebben mij een
onaangenaam gevoel aangebracht op het vernemen van Uw verlangen
naar ontslag. Wetende dat Z. H. zelve U deswege schrijft, kan ik mij
van eene gedetaillleerde redeneering onthouden, maar dit wil ik U
niet verbergen, dat het mij in U onvergefelijk voor zoude komen bij
het mislukken Uwer bedoelingen mismoedig het ambt te laten varen,
waarin Souverein en Vaderland juist uwe hulp dubbel behoeven nu
de positie netelig is of -ten minste onaangenaamheden oplevert.
En vorstelijk is het schrijven van Z. K. H. De Prins gaat over
270 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT
den vorm van het ongewone aan hem gerichte briefje henen.
Blijkbaar voelende voor de motieven, is het antwoord eene waar-
dige verdediging van eene door den drang der omstandigheden
wel gevorderde beslissing : '/dewijl wij ons in de ongelukkige nood-
zakelijkheid bevinden dikwerf te moeten toegeven , daar resistentie
onmogelijk en zelfs nadeelig zoude zijn**; het zou dan ook den
Vorst //bijzonder smarten", indien bij het aangevraagd ontslag
werd gebleven '*.
Van Nagell volhardde nochtans in zijn belangwekkend antwoord van
12 Augustus 1814 bij de ontslag-aanvrage " ; doch de Vorst heeft
er niet in willen treden, zoodat hij de portefeuille van B. Z. nog
tien jaren behouden, en derhalve ook de onderhandelingen over
de herziening van het den volgende dag te sluiten tractaat als
Departementschef beleven zou; met de administratieve afdoening er
van bleef hij zich dan ook belasten, doch men eerbiedigde het verlangen
om zijn naam niet te bezoedelen met de onderteekening van het
verdrag; hetgeen bij de huishoudelijke, /i' vaderlijke", wijze waarop
destijds in het algemeen de regeering werd opgevat , geen bezwaar
opleverde. Het Londensch tractaat van 13 November 1814 is dan
ook niet van onze zijde geteekend geworden door een Minister,
maar enkel door den gezant Fagel '**. Wat de Engelsche mede-
onderteekenaar Castlereagh van Van NagelPs aanblijven dacht,
blijkt uit diens brief aan Clancarty dd. 14 Augustuis 1814,
waarin de Britsche minister schrijft: //Fagel is quite satisfied —
I should rather say gratified — by the shape I have given to the
Convention , as you will see by the enclosed copy of his private
letter to the Prince. We must keep Nagell, notwithstanding his
contracted notions. It would be unpleasant to have any break-up
on such questions" '*.
Vertoeven wij echter nog een oogenblik bij de welwillende
opvatting van onzen Vorst jegens zijn onaangenamen, doch
trouwen staatsdienaar. Een jaar later had de sinds ten troon
verheven koning Willem I met een nog driftiger dienaar
te doen , namelijk met Hendrik Von Gagern , die 's Vorsten be-
langen op het Weener congres moest behartigen. Op bl. 313
komt eene belangwekkende beschrijving van dit Congres voor,
en aan het slot daarvan wordt door baron Van Spaen op de
wenschelijkheid gewezen om onzen Vorst eenigszins voor te
bereiden op de teleurstellingen , die hij van de Cougresbeslis-
singen zou te wachten hebben. Of dit al dan niet geschiedde,
Van 13 AUGUSTUS 1814. 271
is mij onbekend, doch zeker is het, dat in een dd. 4 Mei 1815
gedagteekenden brief de Koning zijne ontevredenheid over den
loop der onderhandelingen meende te moeten betuigen; aan Yon
Gagern o. a. opmerkende, dat dan toch anderen beter //bediend"
werden. Von Gagern's antwoord dd. 28 Mei op het zeer zeker
niet gerechtvaardigd schrijven , ging echter alle perken van
welvoegelijkheid te buiten; zijn ontslag vragende, merkte hij
o. a. den Koning op: ^/dat uwe kamerdienaars en klerken u
bedienen \ dat aanzienlijke edellieden en staatsdienaren u dienend
Doch ook nu toont de Vorst meer te zijn dan een chef de
lnvreau\ een kort, maar door en door waardig antwoord op zoo-
veel '/drift en overijling" bracht den staatsdienaar in het rechte
spoor, en doet dezen in zijne eigen levensbeschrijving berouwvol
aanteekenen: '/Het kalm en waardige antwoord des Konings, zijne
volkomen vergeving behooren tot de edelste trekken van zijn
karakter'' ^*'. — Zoo ware uit het verleden van departementschefs
tot meer vergelijkingen te komen. *
Falck's brief dd. 4 Augustus, namens den Prins, aan onzen
Gezant geschreven, houdende, naar wij zagen, de lastgeving tot
het medegaan met Castlereagh's wenschen, gaf aan dezen weder
geheel zijn goed humeur terug. Fagel had geen bezwaar gehad om
den brief van den Staatssecretaris , waarin 's Vorsten inzichten
werden uiteengezet aan den Britschen minister te doen lezen, en
volgens het Gezantschapsrapport dd. 9 Augustus 1814^' deed
de Minister //pleine justice ^ la sagesse de ces vues et h. la maniere
dont elles sont présentées", daarbij in overweging gevende dadelijk
en vóór zijn vertrek een tractaat te teekenen, waarin de voor publiciteit
bestemde artikelen "stipulant la restitution pure et simple et
immédiate de toutes nos ci-devant colonies ^ Texception du Cap
et des établissements de Demerary, Berbice et Essequebo" werden
opgenomen (Ceylon bleef ongenoemd , wijl men zich zou stellen
op het standpunt van den vrede van Amiens) ; — terwijl in een
geheim artikel gemakshalve slechts in beginsel zoude aangegeven
worden de aard der nog nader te nemen schikkingen over onze vaart
op de Engelsch-West-Indische koloniën, over den aanleg enz. der
vestingen op de Belgisch-Fransche grenzen en de Russische schuld :
punten, die zoo spoedig niet uitgewerkt konden worden en dus
voor bijzondere verbintenissen , na afloop van het Congres , bewaard
bleven. De Minister zou dit nieuwe denkbeeld, dat de overgave
aanmerkelijk bespoedigde, in den kabinetsraad brengen en beloofde,
6« Volgr. III. 19
272 DE SLUITING VAK HET LONDENSCH TRACTAAT
uaar hij hoopte, reeds den volgenden d«ag, dus 10 Augustus, te
kuunen overleggen '^l'esquisse de la convention et de Tarticle
secret", dat dan datief [jk geteekend zou kunnen worden. Of de
Minister nu ook haast maakte!! Maar wij zien hier tevens uit , dat
niet zonder reden op bl. 251 — 252 door mij werd medegedeeld, dat van
Nederlands zijde eene zeer lijdelijke rol in de samenstelling van het
tractiat is vervuld geworden : Castlereagh's onfïhff zou nu worden
in handen van denzelfden Minister een voor afdoening vatbaar esquigse.
Fagel berichtte aan Falck, dat hij het ontwerp zou teekenen, indien
er niets in stond , dat met de door Falck gegeven aanwijzingen in
strijd was. — Zoo stelde reeds den 13" Augustus 1S14 onze Gezant,
namens den Prins, zijne handteekening onder het tractaat en
schreef hij Z. K. H. : i'J'ai Thonneur d'offrir k Votre Altesse
Royale mes sincères félicitations sur la conclusion d^un traite qui ,
en considérant les stipulations quUl renferme, pose la base d^un
arrangement plus avantageux anx interets de ma patrie et de la
Maison d'Orange, que je ne cesserai jamais de regarder comme
inseparable, et aussi honorable qu^aucune transaction du même
genre depuis la paix de Munster. Je m'estime heureux d^avoir éié
appelé h, y attacher mon nom" ^*. — En op denzelfden toon aan
Van Nagell, voor wien het als eene uittarting moest luiden: »Je
me f^icite d^avoir pu attacher mon nom h un pacte, que je regarde
comme plus avantageux et plus honorable pour ma Patrie et pour
la Maison d^Orange , qu^aucune transaction du même genre depuis
la paix de Munster" » » ««» t • j — Hq^ groot evenzeer de tevreden-
heid bij het Engelsch bestuur was, kan hieruit blijken, dat de
Prins-Regent van Engeland en Castlereagh het geheele Engelsche
leger in geval van nood ter beschikking van onzen Vorst stelden,
zonder dat het dezen een cent zou behoeven te kosten ! ^ *
Daar Van Nagell als minister van B. Z. niets meer met de
zaak scheen te maken hebben , had de Gezant overeenkomstig zijn
op bl. 268 vermeld schrijven, de gesloten verbintenis rechtstreeks
den secretaris van staat Falck gezonden; hij voegde daarbij een
brief, die als eene memorie van toelichting op het tractaat kon
strekken, doch overigens zeer onbeduidend is ^^.
FageFs tevredenheid over den vorm der conventie, waarover
Castlereagh, blijkens het op bl. 270 medegedeelde, berichtte,
bleek ook uit dit schrijven. Het begon er toch op te wijzen, dat
de bl. 286 sub 9 vermelde woorden der inleiding tot het tractaat :
^rend justice h la conduite de notre nation et aux vues du Prince-
VAN 18 AUGUSTUS 1814. 273
Régent et de son Gouvernement k notre égard". — Behalve Ceylon ,
dat niet genoemd werd, omdat, gelijk ik opmerkte, partijen van
den staat onzer bezittingen uitgingen op 1 Januari 1803, stonden
wij bij art. 1 af De Kaap , Demernry y Essequebo en Berbice, Bij art.
2 stond Engeland af, alsof dit vroeger ons eigendom niet geweest
was, Bavka ^ waartegen wij moesten afzien van Cochin met zijne
onder hoorigheden , zoodat ten onzen koste eeue jammerlijke redactie-
fout werd begaan door het "onderhoorigheden" ook niet bij Banka
te voegen. Eene andere betreurenswaardige fout werd gemaakt,
door de onbekendheid van onze onderhandelaars met het feit, dat
aan onze teruggegeven bezittingen in Vbbr-Indië nog eenige rechten
tegenover Engeland van ouds verbonden waren, die echter de
autoriteiten in Britsch-Indië bij de overgave niet wilden erkennen,
wijl het tractaat er over zweeg, en waardoor feitelijk die bezit-
tingen voor ons feitelijk al hare waarde verloren ! Onder de
overige negen artikelen behoort de bepaling, waarbij de Souve-
reine Vorst zijne medewerking tot tegengang van den slaven-
handel in de herkregen bezittingen toezegde: een reeds vóór de
sluiting van het tractaat met betrekking tot onzen Afrikaanschen
handel op verzoek van Clancarty door ons genomen voorschrift
(sub 22) , doch dat het in menschlievendheid handelende Engeland
gaarne in het tractaat zag (sub 40), terwijl men er onzerzijds
geen gevoel voor had, dat zulk eene belofte, om rechtschapenheid
in ons eigen gebied te betrachten , minder in het tractaat op hare
plaats was. — In overeenstemming met het door Castlereagh's
geopperd denkbeeld was aan het tractaat nog een geheim artikel
gevoegd over de op bl. 271 vermelde onderwerpen, waaromtrent
de Britsche minister had verzocht , herinnerde Fagel , '^le secret
Ie plus absolu" ^ *• ; een ander geheim artikel , dat men daar
anders niet zou zoeken , hield nog eene uitzondering in op de
algeraeene teruggave, bedoeld in art. 1 van het openbaar tractaat,
namelijk den afstand door ons van het district Bemagore bij Cal-
cutta gelegen : /^mais cette exception est de si peu d'importance"
— oordeelde Fagel — vqu'il a paru préfórable d'en faire Ie sujet
d'un article secret pour ne pas affaiblir Timpression que fera Tarticle
patent." Dus alweder uit vreeze voor de openbare meening ten
onzent , die ten slotte niet bleek te bestaan ! De afstand scheen
Fagel overigens //si équitable en lui-même et d'une si petite im-
portance relative", dat hij er niet aan twijfelde of Z. K. H. zou
er wel in willen treden. — Over de verkrijging van Banka was
271 DF. SLUITING VAN HFT LOSDENSCH TRACTAAT
onze Gezant in verrukking. "L'ile ile Banca, dont il est fait meii-
tion dans Tart, 2, est" — merkte hij op — ''une possession du
plus irrand intt-rêt en elle inême et sous Ie rapport de son voisi-
nage de File de Java et des Moluques. J'espère pouvoir vous
faire passer dans peu un nirmoire, qui developpe ces avantages
et qui est d'autant plus interessant qu'il a été corapose dans
Ie hut de les mettre dans toute leur etend ue sous les yeux
du Gouvernement Britannique h une époque oü Tauteur du
inémoire ne se doutait certainement pas que cette ïle soit cédée
aux Hollandais. Le Gouvernement sent parfaitement les avan-
tages naturels et politiques qu'elle réunit, inais étaut décidé
j\ nous rendre les Moluques, il a préféré nc pas garder une ile
qui en est voisine et qui a avec cette partie de nos établissements
aux Indes Orientales des rapports si intiraes." En aan het slot:
//J'apprends que lord Castlereagh envoie h lord Clancarty le mé-
moire sur File de Banca; je ne doute pas que Tambassadeur ue
le communiqué h S. A.. R., mais en tout cas j'espère toujours
pouvoir vous en faire passer une copie. Je crois avoir corapris que
le revenu net de cette ile se monte h plus de 400.000 £.'*''
Van Nagell was intusschen ook door dit schoone vooruitzicht
niet te vermurwen. Volgens art. 9 moest het den 13" Augustus
geteekende tractaat binnen drie weken worden geratificeerd en de
ratificaties te Londen zijn uitgewisseld. De Minister bleef echter
weigeren er zijne medewerking aan te verleenen; vandaar dat hij
den Souvereinen Vorst het volgende schreef:
Overbodig zoude het zijn, de aandacht van Uwe K. H. verder te
vestigen op het werk der restitutie onzer koloniën , de zaak beslist zijnde
door de conventie, die de heer Fagel den 13" dezer geteekend heeft.
Het zou bovendien vermetel zijn iets naders te willen adstrueeren en
ik zal mij thans alleen bomeeren tot de oprechte wenschen dat mijne
gevoelens over deze gewichtige zaak louter herschenschimmig waren.
De ratificatie dezer conventie en der drie geheime artikelen hoop
ik per koerier van aanstaanden maandag aan Uwe K. H. te zenden
en onder goedgunstig welmeenen, zal ik op dezelve laten stellen:
Dans r absence du Secretaire tV Etat pour les Affaires Etrangères.
De onderteekening ' zal alsdan kunnen geschieden door dengenen,
dien Uwe K. H. daartoe zal gelieven te benoemen.
In Engeland vond Van Nagell's wederstand — begrijpelijker wijze
trouwens — geene genade. Malmesbury schreef den dag na de
onderteekening, dus den 14" Augustus, aan Fagel een brief waarin
VAM 13 AUGUSTUS 1814. 275
hij (leu tooniigen Minister duchtig doorhaalde , eu overigeus
denzelfden beschermenden toon aannam , waarvan ik op bl. 248
gewaagde. Niet onaardig dan ook noemde onze Van Spaen in zijn
verontwaardigd schrijven omtrent het Weener congres (bl. 313)
de Engelsche ministers vos tuteun! Zijn humeur, knorde Meester
Malmesbury over Van Nagell ^', beheerscht zijn verstand eu
memorie; al wat hij nu schrijft en doet is in rechtstreeksche
tegenspraak met zijne politieke gedragslijn van 20 jaar geleden ,
toer. hij Nederlandsch gezant bij het Engelsche hof was. Had hij
destijds dergelijke instructiën ontvangen, als door hem nu aan
Fagel gezonden waren, hij zou ze in het vuur hebben geworpen.
Dan had Fagel zelf vrij wat gematigder en wijzer gehandeld :
zijne brieven aan den Souvereinen Vorst zeide Malmesburj te
beschouwen als meesterstukken van '/temper, firmness and hono-
rable manly feelings" ! ! Het was gelukkig, dat Fagel te doen
had gehad, vervolgde de briefschrijver, met zulk een zacht
man als Castlereagh ; anderen zouden lang zoo geduldig niet ge-
weest zijn. Hij kon verder niet aannemen , dat Van Nagell in functie
zou willen blijven, nu een tractaat was gesloten: //in direct oppo-
sition to his views, and under the authority of the Prince Sove-
reign unhwmi to kim, Either this will happen , or he will be com-
pletely restored to his senses , though it is not likely that a person
of his angry and susceptible mind should sing paIivo(/ie\ Malmes-
burj eindigde met den wenk , dat het den Souvereinen Vorst
steeds wel zou gaan , indien hij mocht blijven luisteren naar
mannen , die het belang vim eene vereenigde samenwerking met
Engeland inzagen , in plaats van te hooren "to the saundried lan-
guiige of pigned and prejudiced persons". Daarnaar te streven
ware de plicht "of every good subject in both countries''.
Falck betreurde intus^cheu evenzeer het gedeeltelijk verlies onzer
vroegere koloniën als Van Nagell ; doch de eerste was zoo ver-
standig van tijdig in te zien, dat Engeland ons in ieder geval
zeer edelmoedig ter wille was, waarom men de zaak niet door
overdrijving moest bederven. '/Ik voorzie" — schreef hij den 16°
Augustus 1814 aan D. J. Van Lennep, toen hij dezen het verlies
van nog andere koloniën dan De Kaap berichtte ^^ ^ — '/dat dit
weer geschreeuw op de beurs zal veroorzaken , hoewel waarlijk de
teruggave van dat alles een ejforf. de gmérosHt geweest ware, dat
men noch konde verwachten, noch in redelijkheid vergen." — Aan
Van Nagell berichtte hij den 18" d. a. v. : "Ik vlei mij , dat voor zoo
276 D£ SLUITING VAN U£T LONDiINSCU TKACTAAT
ver iu eene zoo gewichtige zaak Ja forme peut emporter Ie fomU ,
de gebezigde uitdrukkingen min of meer verzoeten zullen het
leed, dat wij over ons verlies moeten gevoelen. Ik neem voorts
nog de vrijheid aan te merken , dat in de Conventie , welke het
eerst publiek worden zal, de dispositie over de afgestane koloniën
wordt gereserveerd en dat dus in deze omstandigheid een middel
ligt om den eersten schrik der beurs , waarover Uwe £xc. mij eens
schreef, te matigen en het publiek nog eenigen tijd op eene gave
restitutie te laten hopen." Wat met dit re^erteeren wordt bedoeld,
blijkt uit het slot van art. 1 van het tractaat, door mij weder-
gegeven iu noot {fj) aan den voet van bladzijde 328 , en waarmede
het belangstellend Nederlandsch publiek — er was echter geeue
noemenswaardige belangstelling — bedot werd.
Ook de Souvereine Vorst schreef te gelijkertijd aan zijn Minister,
die wegens ziekte had moeten afzien van de voorgenomen reis
naar Brussel. Na hierover leedwezen te hebben betuigd , komt de
Vorst op het Tractaat, dat den Minister ter expeditie en voor
het in orde brengen der ratificatiën zou worden gezonden , waarna
de Prins troostend zijn Minister het volgende opmerkt:
Alhoewel hetzelve niet uitgevallen is, volgens hetgeen wij gewenscht
hebben, vind ik, dat wij in de gegeven omstandigheden geene reden
hebben zwarigheid te maken hetzelve te ratificeeren, te minder daar
de Ambassadeur hetzelve ingevolge zijne laatste instructie ondertee-
kend heeft en dezelve door die van 24 Juni genoegzame latitude had
af te sluiten, daar deze in den zin gegeven zijn om alles te vragen,
maar tevreden te zijn met hetgeen mogelijk weder te bekomen zijn zoude.
Ik hoop ook, dat UHEG. dit stuk min nadeelig beschouwen zal als
dezelve vreesde, dat het zijn zoude; beschouwt men de restituties
in de Oost, de onzekerheid van de West, ingevolge de liberale prin-
cipes van den slavenhandel en behandeling, en dat de individuenden
directen handel op hunne plantages verzekerd is , zonder dat het Gou-
vernement met de kosten van altoos min of meer precaire bezittingen
bezwaard is en hetzelve toch de kolonie, die meer positief Holland-
sche plantages heeft, terugbekomt, zoo zijn er redenen tevreden te
wezen, vooral wanneer nog de acquisitie van Banca geconsideerd
wordt, alsmede de positie in Europa, waar de onafhankelijkheid van
het land meer verzekerd wordt door het vergrooten van het territoir
en de vermeerdering van middelen van defensie niet alleen, maar
ook het gebruik van deze , hetzelve afhangende van eigen wil, zoodat
zij niet geheel en al op vreemde hulp of goedwilligheid gesteund wordt.
De Souvereine Vorst had het tractaat bij besluit van dien dag,
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 277
dus 18 Augustus, bekrachtigd ^^. Zoowel aan den Secretaris van
Staat, als aan onzen Gezant schreef Yan Nagell een brief, die
andermaal getuigden, hoezeer hem het verlies der Amerikaansche
koloniën bleef hinderen. Onbekend met de bekrachtiging , meldt
hij dien zelfden 18° Augustus het volgende aan Palck: »llet
schijnt uit de medegedeelde depêche van den ambassadeur Fagel,
dat onze drie fraaie West-Indische koloniën, door een patent
tractaat gecedeerd moeten worden; terwijl wij, door een geheim
artikel het uitzicht op anodyne middelen (a) behouden. Met Ninon
zullen wij kunnen zeggen : Ie beau billet qua la Chdtre {Jj) ! Fagel
zal deze uitkomst toeschrijven aan het verlies van tijd, teweeg-
gebracht door het zenden van de instructiën, zoowel als door het
verzocht éclaircissement over het bewuste protocol, waarbij het
provisioneel bestuur van België aan Z. K. H. is opgedragen. Het
is fijn , zeer fijn , maar de goede trouw ! ! ! Inmiddels gevoel ik
minder dan ooit de noodzakelijkheid om door een tractaat de
partieel e restitutie onzer koloniën te verkrijgen. Een declaratoir
schijnt mij volledig en minder te compromiteeren. — Ik zou
gaarne weten of de groote man ernstig was, toen hij voorstelde,
dat er zwarigheden op het Congres, ten opzichte van de reunie
met België konden zijn? en alsdan aan de Hooge Bondgenooten
wilde toevoegen: In dat geval behoeft Holland, Zweden niet te
dedommageeren voor Guadeloupe. — Zou hij in zoodanig geval
ons onze koloniën teruggeven?''
En den 19" luidt het even bitter en ironisch, met een terug-
slag op het bl. 272 in den brief van 13 Augustus medegedeelde,
aan Fagel zelf (B. Z.):
//Hier soir, j'ai re^u la dépêche de V. E. N«. 116 dul6«Aoüt
par laquelle j'apprends qu'EUe a signé, lel3avec lord Castlereagh
une convention patente et deux art. secrets pour Ia restitution de
nos colonies. Elle se réfère ^ ses rapports du 13 (bl. 272) et 14,
que je n'ai pas vus; je ne connais que celui du 9 (bl. 271).
/'Je vois avec plaisir, que V. E. se félicite d'avoir été appellë
^ attacher son nom \ un pacte qu'Blle regarde (fi considerer Ten-
semble des stipulations qu'il renferme) comme plus avantageux et
plus honorable pour sa Patrie et pour la Maison d'Orange, dont
les interets sont plus que jamais inséparables , qu'aucune transaction
du même genre depuis la Paix de Munster. — Je me réjouirais en-
(a) Pijnstillende middelen.
ib) ,Van die belofte komt niets!" „Dat moet gij maar gelooven!"
£78 D£ SLUITING VAN UKT LONDENSCU T&ACTAAT
core davantage , lorsqae je verrais , que la nation entière, coïncidant
avec les opinioos de V. E. et trouvant qu'Elle vient d'obtenir
des avantages eqnivalants k ceux que Ia Paix de Munster lui assurait,
Lui porie un juste tribut de recounaissance/''
Daarentegen ontving Fagel een schrijven van denzelfden dag
(19 Augustus) van den staatssecretaris Falck , waarin hem 's Vorsten
hooge ingenomenheid werd betuigd met de verbintenis eu met de
kiesche redactie. Falck maakte er tevens gebruik van om zijne belang-
stelling voor Banka te toonen, in antwoord op het bl. 273 — 274
medegedeelde; terwijl hij niet slechts berichtte dat tegen den afstand
van Bernagore in het geheel geen bezwaar gerezen was^ doch dat
hij voor zich persoonlijk zou wenschen, indien er zich geene volks-
veroordeelen tegen verzett^en, den afstand van al onze bezittingen
in Vóór-lndie, waaraan wg niets meer hadden *". — Deze
opvatting was zeer juist, doch ten gevolge van de fout waarvan
op bl. 273 werd melding gemaakt; toen dan ook de quaestiën met
Baffles rezen en dientengevolge sterker de behoefte gevoeld werd
aan onverdeeld bezit, waren het andermaal onze waardeloos ge-
worden bezittingen in Vóór-lndie, die wij voor een ruil tegen
Benkoelen wilden aanbieden; zoo is het geringe belang, dat wij
bij die koloniën hadden, de eerste aanleiding geweest tot nieuwe
onderhandelingen, die hebben geleid tot het tractaat van 1824.
Bij officieel schrijven van 25 Augustus betuigde onze Gezant
zijne voldoening over de te kennen gegeven tevredenheid; hij bood
de op bl. 274 vermelde memorie over Banka aan, terwijl hij
aldus besloot : ffJe partage extrêmement votre opinion , Monsieur ,
sur Ie peu d'importance de la cession de Bernagore et de Tuti-
lité quMl j aura (sans les préjugés dont vous faites mention) k
abandonner tous ces établissements de terre ferme sur Ie continent
de rinde Britannique."
Den 8" September 1814 werden te Londen de ratificatiën uit-
gewisseld *', dus juist op den dag, dat de drie weken, gesteld
voor de uitwisseling van het den 13"* Augustus gesloten tractaat
(art. 9), zouden ten einde loopen.
De Souvereine Vorst had gewenscht, dat het tractaat niet zou
worden openbaar gemaakt, alvorens Z. K. H. gelegenheid had
gevonden om er in de weldra te openen zitting der Staten-Generaal
mededeeling van te doen. — Anders toch kan men niet lezen in het
schrijven van Falck dd. 25 Augustus 1814 aan onzen Gezant,
waarin, na lof te hebben toegebracht aan den ijver van minister
VAN ia AUüUSTUS 1814. 279
Yau Nagell, ten aanzien der spoedige opmskkiug der aangeboden
ratiticatie-stukken , het volgende wordt opgemerkt (B. Z.) :
II est essentiel de remarquer en cette occasion qu'il a paru conve-
nable au Prince Souverain de ne pas publier en Hollande les stipu-
lations du Traite patent , avant que Son Altesse Royale y soit de retour ,
ce qui pourra, a ce que je présume, avoir lieu vers la mi-Septembre.
Il est désirable qu'une discrétion pareille soit provisoirement observée
par Ie Ministère Britannique et Votre Excellence voudra bien lui
demander cette condescendance lorsque Téchange s'effectuera.
Waarop Fagel den 30° Augustus antwoordde:
Je n'ai pas de doute que j'engagerai sans peine Ie Gouvernement
a ne pas publier les articles patens du Traite avant qu'ils ne l'ayent
été en Hollande.
Doch terzelfder tijd hadden de Engelsche couranten zich reeds
met het tractaat onledig gehouden. Immers aan de Leydsche
Courant van 9 September 1813 ontleen ik het onderstaand bericht :
Vervolg van Londen den 2 September. Volgens onze dagbladen heeft
de Prins Regent eene conventie onderteekend tusschen Groot-Brittanië
en de Vereenigde Nederlanden, welke ter onderteekening aan den
Souvereinen Vorst bereids naar Brussel zou gezonden zijn. Bij dezelve
is, naar men zegt, bepaald, dat aan Holland terug zal gegeven worden
het eiland Java, Suriname, Cura^ao en St. Eustatius en dat aan
Engeland de Kaap de Goede Hoop, Demerary, Essequebo en de
Berbice zullen verblijven , de drie laatst gemelde koloniën voornamelijk
uit hoofde der aanzienlijke Britsche kapitalen aan derzelver bebouwing
ten kosten gelegd, sedert zij in de macht van Groot-Britannië gekomen
zijn. Het eiland Ceylon, voegen er die dagbladen bij, blijft natuurlijk
aan ons, als reeds vóór den oorlog afgestaan.
Denzelfden 9° September meldde ook onze Gezant, dat alle
Engelsche couranten den substantieelen inhoud der artikelen van
het openbaar tractaat wedergaven en bespraken ; hij drong dienten-
gevolge op spoedige openbaarmaking aan, wijl halve bekendheid
slechts tot verkeerde besprekingen kon leiden ^ ' .
Nochtans in weerwil van die openbare bespreking; in weerwil
ook van 's Vorsten oorspronkelijk geuite wenschen om het tractaat
in de aanstaande zitting onzer Staten-Generaal mede te.deelen,
wordt, toen den 7" November 1814 Z. K. H. de eerste gewone
vergadering der Staten-Generaal opende, slechts in het algemeen
van de teruggave der koloniën melding gemaakt, zullende weldra
weder onze vlag wapperen //in die gewesten , waar de ondernemings-
280 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT
gerst eii Doeste vlijt onzer vaderen bijkans even groote wonderen
gesticht hebben als op hun geboortegrond" • * : zonder dus dat
openbaarmaking van het tractaat plaats vond! Waarom men de
publiceering van het voor openbaarmaking bestemde gedeelte der
Conventie destijds achterwege liet, weet ik niet. Nog in Mei van
het volgende jaar was de tekst van het tractaat onbekend en moest
Van Hogendorp aan den Souvereinen Vorst de machtiging vragen
het mede te deelen aan de leden der Commissie voor het ontwerp
der Grondwet, die ten behoeve van het nieuwe Koninkrijk moest
vastgesteld worden *•'. Eerst in Juni 1815 werd de inhoud wereld-
kundig en wel door de overlegging van de Conventie aan het
Engelsche parlement ^*, De discussiën, die aldaar er over plaats
vonden , zijn o a. in substantie medegedeeld door D. C. Steiju Parvé
in zijne //Handelingen van Sir James Brooks op Borneo" (1859):
bl- 13 — £1 ; en op bl. 70 — 72 van Mr. Hoek's /i^Herstel van het
Nederlandsch gezag" (1862).
Voor het nogmaals wedergeven van het tractaat zelve bestaat,
naar het mij voorkomt, geen voldoende reden, wijl het in vele
nog niet verouderde werken wordt aangetroffen , als : bij Hoek bl.
50 — 55 ; in de boeken door noot 4) aldaar op bl. 49 vermeld ; bij Ue
Waal: //Nederlandsch-Indië in de Staten-Generaal" dl. I bl. 9 — 11 ,
in het academisch proefschrift van Jhr. De Sturler //Het Grondge-
bied van Nederlandsch Oost-Indië" (18SJ), bl. 332— 337. Alleen zij
opgemerkt, dat, waar Van Hogendorp in zijne //Bijdragen tot de
Huishouding van Staat'"* dl. UI der 1« Uitgave (1819), bl. 337— 342
de Hollandsche vertaling van het voor openbaarheid bestemd deel
der Conventie geeft * ' , hij in art. 9 de storende fout maakt dat de
ratiticatiën //binnen drie maanden" zouden uitgewisseld worden,
hetwelk moet zijn weien: eene vergissing, die in de door Mr.
Thorbecke bezorgde 2« uitgave, dl. II, bl. 148 — 150, niet ver-
beterd werd en evenzeer is nagevolgd door den heer De Waal.
Den Haag Maart 1897.
TOELICHTKNÜE AANTEEKENINGEN
BKHOORENDE BU UKT ARTIKEL
„De sluiting yaii het Londenseh tractaat van 13 Augustus 1814
door P. H. VAN DEE Kemp."
BI. 247 noot 1. //We are not satisfied as to the propriety of taking
possession of Java in behalf of the E. I. Company":
brief van het Geheim Commitée dd. 23 December 1811
aan den Gouv.-Gen. van Bengalen. V. D. 115.
// 247 noot 2. Volgens een geheimen brief dd. 25 October 1816
van Directeuren der O. I. C. aan lord Bathurst werd de
quaestie om Java e. o. tot eene Kroonkolonie te maken
reeds spoedig na de inbezitneming overwogen : /^At an
early period after the capture, it was in contemplation
of His Maj/s Ministers, to make Java a dependency of
the Crown" (V. D. 115); doch uit den ondervolgenden
brief, die, op mijn verzoek, mij welwillend door den heer
F. C. Danvers, //Registrar and Superintendent of Records
of The India Office" te Londen werd verstrekt, valt op te
maken , dat het punt eerst in 1818 ter sprake werd gebracht ;
het kan echter best mogelijk zijn, dat eene vroegere
behandeling om bijzondere reden geen voortgang heeft
gehad. De brief is van lord Bathurst, gedagteekend
Downingstreet 26 October 1813 en gericht aan den graaf
van Buckinghamshire , president van A^n Board of Control \
hij luidt als volgt:
The advantages which have been experienced from the
arrangement, made in the year i8oi, for placing the island
of Ceylon upon the footing of a Royal Government, have,
in my opinion, rendered it my duty to advise His Royal
Highness the Prince Regent to adopt a measure similar in
principle with respect to the future administration of the
island of Java , and of that part of Sumatra and its depen-
282 DE SLUITING VAN HET LÜNDENSCII TRACTAAT
dencies which have lately been added to His Majesly's
dominions. I have therefore to request that you would takc
an early opportunity of communicating to the Court of Di-
rectors of the East India Company the views and intentions
of His Majesty's Government on this subject, and of con-
certing with them such arrangements as may be necessary
for carrying thera into effect.
De vraag of Java e. o. eene Compagnies bezitting zou
blijven dan wel eene Kroonkolonie zou worden, werd in
laatstgemelden zin toen beslist: ^bl decision had been
formed in favour of the letter arrangement": brief dd.
5 Mei 1815 aan den Gouv Gen. van Bengalen; «a
positive decision to this effect has thereafter been made" :
de boven vermelde brief van 25 October 1816; men
leze ook de noot 5.
BI. 24.7 Noot 3. Zie het betoog der Directeuren van de O. I
C. dd. 25 October 1816 bij V. D. 115.
» 247 Noot 4. De weinig waardige houding door den Prins in de
Fuldasche geschiedenis aangenomen, was dus vergeven. In
de Leidsche Courant van Woensdag, 1 December 1813
lees ik: ^'De vreugde in Engeland is zeer groot, en een
ieder, zonder onderscheid, draagt aldaar Oranjeliut." —
"De Prins van Oranje stond onder den invloed der ge-
allieerde Mogendheden en meer bepaald onder dien van
het Engelsohe gouvernement, bij H welk hij zijn hechtsten
steun vond; van dat gouvernement hing het af, of, en
in hoeverre onze natie hare koloniën zoude terugbekomen."
/)e Ghk Jan. 1864 bl. 83: //1813 en 1815 in onder-
ling verband beschouwd." — "The deep interest which the
Prince Regent's Government took in his concerns", werd
onzen Vorst verzekerd door den Engelschen gezant : zie
bl. 345 van de in mijne Inleiding bl. 244 vermelde
missive dd. 13 Maart 1814. Enz.
" 2 17 Noot 5. /'Wij hebben de bevrijding van het Fransche juk
voor een deel aan ons zei ven te danken. Wij hebben de
volheid des tijds niet afgewacht; maar, toen er nog
Fransche benden op onzen bodem waren , nog vóór de
overkomst der Geallieerden, dat juk afgeschud. In zoover
zijn wij vrijer geweest in onze bewegingen, dan anders het
VAN 13 AUGUSTUS 1814. ^83
geval wel zoude geweest zijir'. Het sub 4 vermelde Gids-
artikel, bl. 83 — '/Van Hogendorp ontving in 1814eenen
brief van lord Bathurst, welke nog onder zijne papieren
bewaard wordt, waaruit blijkt, dat het Besluit, om Java
tot eene kolonie van de Kroon van Engeland te ver-
klaren , en allen provisioneel en toestand te doen opliouden ,
gereed lag, doch dat het nemen daarvan opgeschort
werd door de edele zelf bevrijd ing van Holland. Ook deze
parel heeft zijne moedige daad voor het Vaderland helpen
bewaren/' BI. 6 \ sub 14) van de Aanteekeningen op
de '/Redevoering ter gedachtenis van Gijsbert Karel Graaf
Van Hogendorp, door Mr. F. A. Baron Van Hall, Mi-
nister van Staat 2® druk 1864. — De rede werd in 1835
uitgesproken; dit staat niet op het titelblad, doch in
het voorbericht tot de 2® uitgave.
Heinrich Von Treischke in zijne //Deutsche Qeschichte im
Neunzehnten Jahrhundert" (1879), dl. I bl. 526, dingt inde
volgende bewoordingen op onze zelf bevrijding af: //Das neue
niederlandsche Reich war an arrangement for an European
object \ nur um die Rheinlande vor Frankreich zu sichern,
sollte Deutschland wieder einige seiner alten Reichslande
verlieren. Zugleich wurde mit begeisterten Worten der
Heldenmuth der Hollander gepriesen; Europa war ver-
pflichtet den 7ioljle élan dieses Volkes zu belohnen. Das
englische Marchen ward mit solcher ausdauernden Ernst-
haftigkeit wiederholt, dasz man im Groszen Hauptquartier
schlieszlich daran glaubte und die Phrase von Holiarids
V erdienstev vm Europa in das Wörterbuch der Diplomatie
aufnahm.". — Vriendelijk is het niet.
Bl. 247 noot 6. In een Memorandum van Engeland , betoogende
de noodzakelijkheid, dat ook deze mogendheid tegen de
veroveringszucht van Frankrijk worde beschermd door de
vestiging van een sterken Nederlandschen staat, geeft
Engeland , nog vbor de Nederlanders in opstand waren ge-
komen, doch kort na den slag van Leipzig, aldus eene
nadere toelichting op de uiteengezette beginselen :
In doing justice to the principles, which throughout this
long and arduous contest have invariably actuated this
country, the powers of the continent will no doubt feel
interested in upholding the strength and influence of a na-
£H4 DE SLUITING TAN HET LONOESSCH TRACTAAT
tion, which has so perseveringly devotcd all it's faculties to
reestablish on a firm and lasting basis the independence of
other nations. — The immediate object of this memorandum
is to point the active and early efforts of the allies to the
recoverv of Holland. — Whenever matters may be ripe for
entering more fuliy upon its future settlement the british
govemment will be prepared to recur to those principles,
which were laid down in a despatch to lord Cathcart
with respect to the colonies conquered from Holland since
1803, which dispateh has already been communicated to
the Allies, with a sincere disposition on their part liberally
to strengthen Holland, in proportion as that important
portion of Europe can be rendered secure by adequate
arrangements , against the power of France.
«rMein Antheil an der Politik^^ van H. C. E. vrijheer
\on Gagern 1826. Het Memorandum^ op bl. 25 dl. U
vermeld , is er op bl. 245 als bijlage opgenomeu ; de aan-
gehaalde woorden op bl. 249.
Bl. 248 noot 7. Uit de op bl. 244 vermelde ^Correspondence"
van Castlereagh blijkt herhaaldelijk, dat de Britsche be-
windslieden hun hebzucht trachtten in te toornen uit
ontzag voor de meening der andere mogendheden. Na
in een brief aan Liverpool dd. 19 April 1814 opge-
merkt te hebben, dat Malta, De Kaap, Mauritius en
Tobago Engelsch moesten blijven, schrijft Gastel ereagh :
»\ still feel great doubts about the acquisition of so
inany Dutch Colonies. I am sure our reputation on the
conlineniy as a feature of strength , power and confidence,
is of more real moment to us than an acquisition thus
made." Dl. I (dl. 9) bl. 474. (Het cursieve van mij )
En als onze minister Van Nagell boos wordt over
hetgeen deze beschouwt als onredelijke inhaligheid, treft
hij juist de teedere snaar door dd. 8 Juli 1814 aan
Fagel te Londen te schrijven (hierna bl. 305 — 306 sub 51),
dat het Britsche kabinet wel zou inzien : //combieu il est
dangereux de faire voir ^ toutes les Puissances continen-
tales, que les faibles moyens de la HoUande Texposent
11 devoir se soumettre il tout ce qu'ou peut exiger d'EUe :
que c'est de TAngleterre que Ton espère protection ....
et que cette protection, pour être efficace, par&it devoir
Van 13 AUGUSTUS 1814. 285
être basée sur des principes de désinteressement." —
Deze woorden wekten dan ook bij de Engelsche bewinds-
lieden een storm vav verontioaardigwg op, leest men bij
V. D. bl. LVIII. —
«rLord Castlereagh m^a donné les assurances les plus
fortes" — schreef onze Gezant aan den toornigen Minister
dd. 21 Juni 1814 (V. D. 35) — ^^du désir du Gouv*
Britannique dMviter dans un tel arrangement tout ce
qui pourrait donner ^ ce pays-ci Tapparence de cupi-
dit<^ et de vouloir protiter des circonstances , poür im-
poser des conditions onéreuses si un Ktat, auquel on
souhaite de bonne foi ici de rendre une véritable
indépendance , et avec lequel on se regarde comme \\é
par les Hens les plus étroits et les plus indissolubles
d'un intérêt commune' — Het meeningsverschil gold
Engelands eisch tot behoud van de voormalige Neder-
landsche koloniën Demerary, Essequebo en Berbice,
waarin wij bij het Londensch tractaat van 13 Augustus
1814 wel moesten berusten: «'The retention of them will ,
however, add in some degree to the colonial jealousy
which exists on the Continent of Qreat Britain" : Castlereagh
Corr. Dl. II (dl 10) bl. 133. — Zie ook noot 58.
Bl. 248 noot 8. nk desire , almost romantic , to serve Holland" :
brief van Castlereagh aan den Eugelschen gezant te
'sGravenhage dd. 14 Juli 1814. V. D. 37.
tf 248 noot 9. Als zoodanig was de verovering steeds voorgesteld
ook in verband met den bekenden lastbrief van onzen
stadhouder Willem V: verg bl. 3 — 5 en 11 — 13 van
C. M. Smulders' //Geschiedenis en Verklaring van het
tractaat van 17 Maart 1824" (1856). — In zijne proclamatie
van 4 Augustus 1811 drukte zich lord Minto dan ook
aldus uit : ^/De Britsche wapenrusting heeft geenszins
tot oogmerk om onbetamelijke plannen ten uitvoer te
leggen, maar alleen om het onwettig gezag derFranschen
te verdrijven , en het eiland Java en onderhoorigheden
onder de bescherming van GrooUBriitanm'é te plaatsen.
Hoezeer de oorlog tusschen Groot-Brittannië en de Ver-
eenigde Nederlanden elke vijandelijke poging der Britten
tegen de Hollandsche bezittingen genoegzaam zoude
£86 DE SLriTINO VAN HET LOXDBNSCH TRACTAAT
rechtvaardigen, grijpt echter Groot -Brittannië , uit aan-
merking van den beklagenswaardigen toestand, waarin
Holland sedert de vernietiging van deszelfs onafhanke-
lijkheid gebracht is, en waardoor hetzelve tot een win-
gewest eener vreemde kroon is vernederd, deze gelegen-
heid aan, om zich ah rriend en niet ah rijand der HollantUcke
hfjezetenen te t}etij(menr Zie Hoek '^ Herstel van het Neder-
landsch gezag enz'\ (1862) bl. 45.
De aanhef van het tractaat van 1814: /^The United
l^rovinces of the Netherlands , ander the favour of Divine
Providence , having been restored to their independence, and
having been placed by the lojalty of the Dutch people and
the achievements of the Allied Powers, under the Go-
vernment of the lllustrious House of Orange, — and
His Britannie Majesty being desirous of entering into
such arran&rements with the Prinee Sovereisrn of the
United Netherlands, concerning the colonies of the said
United Netherlands, which have been conquered by His
Majesty 's arms during the late war, as may conduce to
the prosperity of the said State and may afford a lasting
testimony of His Majesty 's friendship and attachment to
the Family of Orange and to the Dutch nation: the
said high contracting parties, equally animated by those
sentiments of cordial good will and attachment to each
other^' — deze aanhef wil ook als het ware zeggen: "de
gelofte, die wij bij de inbezitneming afgelegd hebben
om de bezittingen voor het Huis van Oranje en de
republiek te bewaren en te beschermen , zullen wij nu ge-
stand doen". Hoek bl. 59.
Bl. 248 noot 10. Gesprek tusschen den Prins van Oranje en Castle-
reagh dd. 27 April 1813, V. D. bl. LI. Verg. mijne
Inleiding bl. 241.
// 248 noot 11. Brief van den Prins in het /'Leven van den
generaal Frederik von Gagern" (1866), aangehaald op
bl. 242 mijner Inleiding.
ff 248 noot 12. Bl. 20—21 van het geschrift //Gijsbert Karel
Van Hogendorp" op bl. 240 mijner Inleiding vermeld.
// 248 noot 13. V. D. 25 mede op bl. 240 mijner Inleiding
reeds vermeld.
Van 18 AUGUSTUS 1814. 287
BI. ^9 noot 14. Dit schijnt o. a. de opvatting te zijn van V.
D. bl. LI.
^ 249 noot 15. DL I (dl. 9) bl. 474 der op bl. 244 vermelde
^Correspondence" van Castlereagh.
// 249 noot 16. Zie Castlereagh's brief gedagteekend den Haag
8 Januari 1814 in de x/Correspondence'' , Dl. I (dl.
9) bl. 155. De Britsche minister was speciaal naar den
Haag gekomen om met den Prins de vereeniging tus-
schen Noord en Zuid , zoomede de teruggave der koloniën
te bespreken. Zie bl. 13 der sub 24 vermelde Mémoires.
" 249 noot 17. Het draagt «'al de kenteekeningen der over-
haasting, waarmede men de zaak heeft willen afdoen^'.
Hoek 58. — Men zie ook de op bl. 252 door mij ver-
melde getuigenis van De Qrovestins.
// 250 noot 18. A. J. Van der Aas vBiographisch Woordenboek".
ff 250 noot 19. //Notice . . . ." van C. F. Sirtema De Grovestins.
1852. Bl. 101 noot >). — Mr. J. R. Thorbecke in zijne
aankondiging der Brieven van Falck : //Bijdragen tot de
kennis van het Staats-, Provinciaal- en Gemeentebestuur
in Nederland" (1860) dl IV bl. 20.
/' 250 noot 20. Bl. 77 dl. I van het sub 11 vermelde //Leven" —
Hoek, bl. 57, naar dezelfde bladzijde van Von Gagern
verwijzende , haalt de woorden aan : //een schrander man
van een levendig en zeer beminnenswaardig karakter".
Ofschoon zij wel op Hendrik Fagel van toepassing kunnen
geacht worden, heeft Von Gagern deze woorden gebruikt
ter teekening van Robert, den l)roeder. Er waren onder-
scheidene broeders, die nogal eens verward worden ; men
zie o. a. noot *) van het op bl. 240 vermelde geschrift
over Van Hogendorp.
ff 250 noot 21. Over //de galcoliek van den Heer V. NagelF'
op bl. 126 noot ^) in een brief van Falck dd. 16 Augustus
1814 bij Tellegen. — //Nagell's temper subdues his uuder-
standing even his memory": Malmesbury dd. 14 Augustus
1814 aan Fagel; V. D. 42. — 's Ministers moeielijk humeur
toonde zich ook in het particuliere leven. De Grovestins
maakt o. a. melding (op bl. 265 van het sub 24 ver-
6« Volgr. UI. t20
288 D15 sLurriNO tan hkt londensch tkactaat
melde boekdeel) van de volgende karakteristieke scène ,
waarmede geheel Brussel zich bemoeide en welke in 1820
op eeue partij tnsschen hem en De Bainer, gezant van
den Napelschen koning bij ons hof , plaats vond : ^Jouant
avec Ie baron de Nagell aa whist, Ie chevalier de Rainer
coramit quelques inadvertances qui lui attirèrent de la
part du premier des reproches faits d'an ton peu en usage
parmi des personnes qui se doivent des egards. Le ministre
de Naples y répondit en se servant des mêmes expres-
sions. PouT doubler d^impolitesse , le baron de Nagell
ajonta Tinjure en nommant le chevalier de Bainer uu
insolant et cela k plusieurs reprises. Le demier se bèta
de se retirer . . . ." (Uit een brief van generaal De Phull
aan De Nesselrode).
BI. 251 noot 22. Beeds dd. 15 Juni 1814 had de Souvereine Vorst
een besluit tot onderdrukking van den slavenhandel ge-
nomen en bij de toezending er van Clancartj, ingevolge
art. 3 sub 1 van het besluit, doen weten, dat geen bezwaar
zou gemaakt worden eene bepaling van gelijke strekking
op te nemen in het te sluiten tractaat over de teruggave
der koloniën: zie sub 40; Hoek 56; V. D. 40 noot *) ;
Lagemans I 16; Castlereagh II (dl. 10) 54.
ff 251 noot 23. V. D. 201 noot >).
ff 252 noot 24. BI. 47 noot ^ dl. IV der ^Mémoires et Sou-
venirs du Baron C. F. Sirtema de Grovestins'' (1869).
ff 252 noot 25. Zie de bl. 272 en 277.
ff 252 noot 26. Bl. 81 der //Bijdragen tot de geschiedenis der
onderhandelingen" van Elout. 1863.
// 252 noot 27. "You may observe'', instrueerde Castlereagh
den Eugelschen gezant in den Haag dd. 30 Juli 1814
(V. D. bl. LIX) , ffihsii the Cape is of no real commer-
cial value to Holland; not perhaps of much to us (sic).
It is, however, a point in favour of which there is a
prejudice, which inclines the British nation to attach
importauce." - — //Geen oogenblik verkeerde hij in twijfel" —
luidt het bij Hoek bl. 57 over Castlereagh — ffot aan
Nederland moesten zijne oude bezittingen teruggegeven
worden; hij wilde het die niet onthouden en wat hij kon ,
VAN 18 AUGUSTUS 1814. 289
zou hij toestaan. Doch als Engelsch minister bevond hij
zich in een moeielijken toestand ; want als zoodanig kon.
hij niet allen afgeven, hoe overtuigd hij ook ware van
het goed recht der Nederlanden om alles terug te vorderen.
Eenige koloniën heeft hij voor zijn Vaderland bedongen ,
en nog viel men hem hard Engelands belang uit het oog
verloren te hebben,...." — Men zie ook bl. 307 sub 58.
BI. 253 noot 28. Bl. 86 en 265 dl. I (dl. 9) van de op bl. 244
vermelde ^Correspondeuce".
tf 253 noot 29. Bl. 51 van het sub 24 vermelde boek. In eene
noot aldaar voegt De Qrovestins er bij : /i^Cette opinion
sur l'état stationnaire des esprits en HoUande était d^ail-
leuTs partagée par d^autres. Varnhagen von Ense Ie dit
également dans son livre intituM: Denkwürdigieiten ^ t.
III, p. 421."
// 253 noot 30. //Brieven van A. B. Falck" 2« Uitg. 1861. Bl. 207
en 210. — Van NagelFs sterk uitgesproken meeuing over
het verlies van de bij het tractaat afgestane koloniën,
speciaal van de bezittingen in de West, blijkt ons uit
brieven, die ik hierna sub 51 en 77 wedergaf.
ff 253 noot 31. '/Ontstond er nu geschreeuw op de beurs? Dit
kon moeilijk, daar aan het tractaat geen ruchtbaarheid
werd gegeven." Tellegen 129. — Falck wilde //om den in-
druk te verzachten", dien het tractaat in Nederland maken
zou , het staatsgeheim gaandeweg //laten uitlekken": Brieven
bl. 207.
ft 254 noot 32. De nota met dispositie luidt als volgt:
Worde deze gedeponeerd bij het Dep', van Buit. Zaken,
om daarop, naar gelang van den loop, dien de negociatiën
nemen zullen, regard te slaan.
Parijs, 2'j Mei 1814.
Ter ord. van Z. K. H.
A. R. Falck.
Ofschoon *s Lands Kasse door de gearresteerde Negotiatie
zoo rijkelijk zal voorzien wezen, dat de gewone uitgaven
van het toekomend jaar daaruit zullen gevonden worden,
is het nochtans verre af, dat door de cvengemelde operatie
de publieke financiën op den duur zullen zijn gered, en
290 OE. SLUITING VAK HET LOXDKK9CH TRACTAAT
lot z<>>danigen stand gebracht als noodig is, tot herstel van
het algemeen vervallene crediet, en tot het doen van zulke
groote en extraordinaire ${>endatiên als de omstandigheden
zullen komen te vereischen, als daar zijn:
1. Verzorging van Artillerie;
2. Aanvulling der Magazijnen ;
3- Verbetering van Fortificatiên ;
4. Herstel der Zeem ach L
Alle deze objecten te zamen genc«men, zullen eene aan-
merkelijke lux^veelheid millioenen k>edragen. De middelen
om die te bekomen , zouden kunnen zijn :
1. Door i*ecompli'iueerde plans, gelijk het laatste is; dan
dit heeft bij velen weinig bijval gevonden: ook vermeerdert
het de massa van *s Lands schulden , die men gaarne ver-
minderd zag, en wordt berekend zware intressen te kosten.
2. Do<ir rrifii'illige negotiatiën\ doch het discrediet der
publieke efi'ecten, en hare actueele laagte, toont maar al
te klaar, dat hieraan niet te denken is, zonder zich door
exorbitante interessen verder te ruïneeren.
3. Eindelijk door geforceerde geldhefftngen\ dan die zijn
hatelijk, en kunnen van de verarmde onderdanen nauwelijks
gevergd worden : daarenboven zouden zij volgens den tegen-
w^oordigen koers der effecten moeten geschieden, en daar-
door zeer onereus worden.
Deze middelen dus vervallende, en de dringende geld-
behoefte tot herstel van 's Lands financiën blijvende bestaan ,
meent men geen ander expediënt tot redding te kunnen
vinden, dan uit onze O. I. bezittingen.
Men diende te beginnen, met zich te verzekeren, dat
dezelve alle door Engeland zullen teruggegeven worden,
speciaal ook, zoo mogelijk, het eiland Ceyloft , hetgeen
van zoodanige importantie is, dat, volgens informatie, de
Engelsche Oost-Indische Compagnie daarvoor aan de Onze
in 1788 ^ 7CXX).ooo Stx. of bijna 80 millioenen heeft geboden,
toen zij tevens Cochin voor 5 millioen overnemen wilde.
(De Heer Van Nagell kan daarvan iets weten, wijl hij
destijds Minister te Londen was).
Het is waar, dat Ceylon bij den \Tede van Amiens ten
jare 1802 aan Engeland is afgestaan; maar het is niet
minder waar, dat HoUand door de Fransche influentie, die
haar regeerde, tot deze cessie gedwongen is geworden,
zonder dat zij destijds de Engelschen in de Oost-Indiën
beoorloogde. Indien het al niet mochte gelukken om dit
eiland evenals de overige possessiën te doen considereeren,
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 291
zoude men echter kunnen insteeren, dat in de negotiatiën,
waarvan straks nader, op dit geforceerde verlies eenige
reflexie genomen wierd.
De restitutie onzer bezittingen in Oost-Indië en De Kaap ,
van de zijde van Engeland geobtineerd zijnde, gelijk men
zulks vertrouwt , zouden vervolgens onderhandelingen kunnen
aangelegd worden, om dezelve alle aan de Kroon te ce-
deeren, tegen eene redelijke vergoeding; en men vertrouwt
te kunnen betoogen , dat beide landen , zoo na aan elkander
verknocht, daarbij hunne rekening zouden vinden.
Betreffende deze cessie staat ten opzichte van Holland te
considereeren , dat indien men de even gemelde possessiën
terug bekwam, al aanstonds zoude moeten worden gezorgd
voor importante spendatiën, die ons tegenwoordig gebrek
aan geld en crediet geenszins toelaat, zoo niet onmogelijk
maakt, als daar zijn: met relatie tot Indië\
1°. Het herstellen van publieke gebouwen, magazijnen
en andere objecten van dien aard, die door den oorlog
denkelijk veel zullen geleden hebben;
2°. Het aanleggen van fortificatiën , dewelke voor de
veiligheid tegen eenen eersten aanval uit Europa of tegen
den Inlander vereischt worden;
3**. Het zenden en onderhouden van een genoegzaam
aantal militairen, ten fine als voren;
4°. Het formeeren van toereikende kassen om de admi-
nistratie en den handel wederom in activiteit te brengen.
In Holland zelve zouden insgelijks groote sommen noodig
zijn, als:
!<». Tot het weder oprichten en bekostigen der Directie en
al wat tot berging der goederen behoort;
2^ Tot het bouwen of huren van schepen , die aanstonds
zouden moeten geëxpedieerd worden;
3". Tot het bekostigen der uitvrachten, en het verzorgen
der contanten, die de handel op China vereischt.
In den eersten opslag komt het wel voor, dat Holland
door het staken der navigatie op de Indien een voornamen
tak van hare commercie zoude verliezen; doch hiertegen
staat aan te merken, dat die handel sedert lang niet dan
tot groot nadeel van 's Lands financiën is kunnen worden
gedreven; zoodat voor het gaande houden van denzelven de
O. I. Comp. in de laatste lo jaren van haar bestaan, en
wel van 1785 tot 1795, meer dan 5O millioen heeft moeten
opnemen.
Volgens het bericht der vergadering van XVII*^", gegeven
292 DE SLUITING VAN UBT LONDENSGH TRACTAAT
den 20° September 1795, is door Holland en Zeeland van
1785 tot 1791 ter leen verstrekt:
f 33i 250,000
en uit den 25®" penning » 23,625,000
samen f56,875,000
Het blijkt ook uit het secreet rapport van den 14*^" Juli
1791 (p. 4.) dat de O. I. Comp. op den 3i«" Mei 1790
tot haar last had de som van f80,937,737.14 buiten nog
meer dan 15 millioen, sedert door haar genegotieerd . dus
te zamen eene schuld van bijna honderd millioenen : trouwens
zij had volgens hetzelfde rapport (Bijlage litt. B) in de 5
jaren van 1786 — 1790 meer uitgegeven dan ontvangen
f43,674,810 en dus 'sjaars f8,734,962; men nam toen reeds
in deliberatie , of de zaken der Maatschappij niet als reddeloos
moesten aangezien worden.
Sedert is de schuld nog zoodanig vermeerderd, dat zij,
volgens een specifieken staat, dien ik heb, in het jaar 1796
bedroeg in kapitaal f 119,712,115.5 en in interest f 3,803,970. 10.
De kundige Heer Van Hogendorp merkt in zijne Memorie
over den tegenwoordigen staat van Oost-Indië (p. 92) terecht
aan , dat , «zoo er geen middel wordt aangewezen , om meerdere
inkomsten uit onze Oost-Indische bezittingen te halen, de-
ze! ven bloote lastposten zijn voor den Staat, die beter ver-
laten waren, dan langer aangehouden".
Hij zegt verder (p. 168): «Wij hebben het treurig vooruit-
zicht ontdekt , dat niet alleen de hoop op groote voordeden
stond te verdwijnen, maar dat de O. I. bezittingen, ware
lastposten zijnde geworden, ons van jaar tot jaar dieper
in ons verderf zullen slepen."
Men begrijpt lichtelijk, hoe onzeker de hoop op verbe-
tering is op zulk een verren afstand en werwaarts lieden,
meest niet van de beste soort , zich begeven, enkel met oogmerk
om zich te verrijken ; en men weet maar al te wel , hoe zij
zich naar dat beginsel in Indië gedragen.
Kort vóór en sedert de expiratie van het laatste Octrooi,
zijn door deskundigen geformeerd en overgegeven diverse
meraoriën over de wijze van voortaan de O. I. zaken te
behandelen en die tusschen Commissarissen van 's Lands
wege en Bewindhebbers te verdeelen, alle zoo zeer uit
elkander loopende en zich contradiceerende , dat het Gou-
vernement daaruit moeiel ijk een keuze zoude kunnen doen ,
zonder zich te exponeeren aan eene gevaarlijke kansrekening
VAN 23 AUGUSTUS 1814. 293
waarvan het effect onzeker is, en niet dan na langen tijd
zoude kunnen ondervonden worden.
Men observeere verder omtrent het gemis van den O.
I. handel , dat sommige der objecten, uit de Aziatische landen
wordende aangebracht, superfluiteiten zijn (except de thee,
waarvan straks nader) , die wij kunnen ontberen ; en waarvan
zelfs eenige de Inlandsche manufacturen benadeelen, terwijl
andere noodwendige evenwel niet behoeven gemist te worden.
Suiker, koffie en katoen b. v. kunnen onze Koloniën in
de West-Indiën in genoegzamen overvloed leveren, en de
navigatie daarop kan, uit hoofde der voordeelige uitvrachten ,
niet te veel aangemoedigd worden.
Alleen is de theehandel op China een zaak van groot
aanbelang; doch deze vereischt geene territoriale possessiën,
noch onkosten van publieke administratie: men zoude dien
aan particulieren kunnen overlaten, om door hen gedreven
te worden, gelijk zulks door de Engelschen, Noord-Ame-
rikanen, Ostendenaars en anderen geschiedt; enkele facto-
rijen zijn daartoe genoegzaam.
Voor het overige kan Holland zich te lichter troosten
over het verlies harer landen in O. I. en der commercie
daarop wordende gedreven, wijl eene droevige ondervinding
heeft geleerd, dat de noodige bescherming daarvan in tijd
van oorlog ondoenlijk is, zoodat de eigendom van het
een en ander als onzeker en precair moet aangemerkt worden.
Laat ons nu zien of en welk belang Engeland heeft, om
de possessiën onzer O. I. etablissementen, die het thans
alle bezit, tegen eene redelijke schadevergoeding in geld te
blijven behouden.
Sedert dat die mogendheid de importante provincie van
Bengalen en het rijk der Maratten op de kust van Malabar
heeft vermeesterd, voorts de Fransche bezittingen op Coro-
mandel heeft vernietigd , zijn de Hollanders de eenige Euro-
peesche natie gebleven met dewelke zij in Indië kan te
doen hebben, en die haar den onschatbaren exclusieven
handel zouden kunnen betwisten.
Daarenboven verzekert haar de ligging van het eiland
Ceylon tusschen de Oost en de West van Indië en het
houden eener navale macht in de voortreffelijke haven van
Trinconomale , de beste van geheel Indië, tegen alle vijan-
delijke aanvallen, die uit Europa op haar Indische posses-
siën kunnen ondernomen worden.
Indien zij derhalve de Hollanders uit den weg kan ruimen ,
blijft zij buiten alle concurrentie en mercantile discussiën, in
294 DB SLUITING VAN HET IX)NDENSCH TRAOTAAT
het gerust en exclusief genot van den importanten handel,
die met geheel Indië (China except) wordt gedreven.
Het is haar voorts gemakkelijk, om door het bezit van
De Kaap en van THe de France (zoo zij dat eiland behoudt)
het acces derwaarts completelijk te sluiten.
Wij hebben reeds aangemerkt, dat er meermalen onder-
handelingen tusschen de Engelsche O. I. Comp. en de Onze
hebben plaats gehad, over het afstaan van verscheidene
onzer etablissementen, ieder afzonderlijk, en voor bepaalde
sommen.
Indien men thans, daar zij alle in handen van Engeland
zijn, zich met dat rijk kon verstaan over eene generale
cessie, zoude daaruit dit wederkeerig voordeel en gemak
resulteeren, dat n.I. door de overneming zouden worden ge-
eviteerd, moeilijke en langwijlige pretentiCn en liquidatiën,
die de restitutie van weerszijden zal na zich slepen; zonder
het applaneeren van dewelke onze O. I. Comp. niet wederom
in het genot van hare verloren eigendommen en de navi-
gatie daarop zal kunnen geraken.
Het is derhalve nu het juiste tijdstip om negotiatiën
deswegen te en tameeren en, zoo mogelijk, tot een spoedig
einde te brengen , vooral daar de intieme en vriendschappelijke
betrekkingen, die tusschen de beide landen zoo gelukkig,
en meer dan ooit, subsisteeren , alle hoop op een gewenscht
succes voorspellen.
Het bepalen der sommen tot het schadeloos stellen onzer
O. I. Comp. en het reguleeren der termijnen van betaling,
zal hierin het grootste werk zijn; terwijl men tevens diende
te conditioneeren , dat aan onze ingezetenen zal worden
geaccordeerd het frequenteeren van De Kaap, tot de vaart
op China benoodigd, op gelijken voet als de Engelsche
onderdanen genieten. .
Men vleit zich , dat indien deze voorslag het geluk mocht
hebben van door Z. K. H. gegouteerd te worden, Hoogst-
dezelve de beste middelen zal vinden, om daarin te reus-
seeren, en dat daardoor vervolgens zal kunnen worden ge-
ëffectueerd eene billijke vergoeding, die de eigenaars van
actiën onzer O. I. Comp. reclameeren : en tevens daargesteld
het bekomen der gelden tot de opgenoemde behoeften van
den Staat wordende vereischt: terwijl het overschietende
zoude kunnen dienen tot een fonds om de publieke schuld
te verminderen, en het vervallen crediet te herstellen; alle
objecten van het grootste aanbelang, die ik in mijne kort-
zichtigheid niet begrijp, dat langs een anderen weg, als die
YAN 13 AUGUSTUS 1S14«. 295
men bij deze Memorie hasardeert voor te slaan, kunnen
bereikt worden. (B.Z.)
BI. 254 noot. 33. BI. 96 der aflevering April 1864. vau De G'uk.
Mr. J. T. Buys: '/Een monumeDt voor Hogendorp", ge-
schreven naar aanleiding van de sub 5 bl. 283 vermelde
Bedevoering.
'/ 254 noot 34. Fagel schrijft nl. dd. 9 Mei 1814 het volgende
aan onzen Minister van B. Z. : /'Je saisirai la première
occasion de parier \ lord Liverpool au sujet de notre
navigation aux Golonies; mals pour ce qui est de leur
restitution, je suis porté ^ croire que ce point, qui se
lie si intimément aux autres restitntions coloniales, que
ce Pays sera dans Ie cas de faire 2i la paix , sera discute
et regM soit ^ Paris, soit au futur Congres." (B. Z.)
Bl. 255 noot 35. Hoek vermeldt op bl. 48 naar aanleiding van
art. 9 in verband met het 3^ geheime artikel van het
Parijzer tractaat: //Zij bepaalden dat de Koning van
Zweden Ouadeloupe aan Frankrijk zou afstaan en daarvoor
eene schadeloosstelling ontvangen uit de Hollandsche ko-
loniën, door den Souvereinen Vorst te verstrekken." De
Schrijver verwijst hiervoor naar de //Histoire abrégée des
Traites de Paix" van De Koch voortgezet door F. Schoell ,
dl. X (1818) bl. 493. Doch daar wordt slechts naar de
arrangemenU van art. 9 in het algemeen verwezen : //D'après
les arrangements dout il est ici question, il avait été
convenu que, dans Ie cas oü la Belgique serait réunie
^ la Hollande, Ie prince souverain des Provinces-Unies
se chargerait d'indemniser la Suède de cette renonciation,
en lui fournissant une compensation par Ie moyen des
colonies hollandaises qui se trouvaient entre les mains
des Anglais." — Van het derde geheime artikel wordt
melding gemaakt op bl. 525 , doch ook zonder eenige
mededeeling over deze [aangelegenheid. In 1818 waren
echter de geheime artikelen vau het Parijzer tractaat
nog niet volledig bekend. Zij zijn eerst in 1856 openbaar
gemaakt en dientengevolge o. a. gepubliceerd door E. G.
Lagemans in zijn '/Recueil des Traites" (1858) dl. I bl.
15; men kan daar lezen, dat in geen enkele der zes
artikelen , over de Guadeloupe-quaestie wordt gehandeld, —
296 DS SLUITINO VAN 11£T LONDKNSGU TRACTAAT
Het openbaar art. 9 vindt men o. a. bij Hoek op bl. 51
noot (1). Het geheim art. 3 luidt aldus:
L'établissement d'un juste équilibre en Europe, exigeant
que Ia Hollande soit constituée dans des proportions qui la
mettent a mcme de soutenir son indépendance par ses
propres moyens, les pays compris entre Ia mer, les fron-
tières de la France, telles qu'elles se trouvent réglées par
Ie présent traite, et la Meuse, seront réunis a toute per-
pétuité a la Hollande.
Les frontières sur la rive droite de la Meuse seront ré-
glées selon les convenances militaires de la Hollande et de
ses voisins.
La liberté de navigation sur l'Escaut sera établie sur Ie
méme principe qui a réglé la navigation du Rhin dans
Tarticle 5 du présent traite.
Het is eigenaardig dat Mr. Hoek zelf op bl. 53 noot
(2) ook dit artikel wedergeeft, zouder er aan te denken,
wat hij op bl. i8 over den inhoud van die geheime be-
paling opmerkte
Bl. 255 noot 36. ^Le second point (a) , celui des Colonies, sera, li
ce que je prësume, uniquemeut traite entre 1'Angleterre
et nous, saus intervention aucune. J^espère sous pen de
jours, pouvoir entretenir V. E., en détail sur eet im-
portant objet ; mais il serait en atteudant tres interessant,
que V. E. pöt sonder Ie terrain et t&cher de découvrir,
queues sont les vues du cabinet de Londres? Natu-
relle ment nous devons désirer d'étre retablis sur Ie pied
colonial, que nous possédions en 1792. — Nous n'avons
pas encore reyu les licences pour nos vaisseaux destinés
vers nos anciennes colonies d'Occident: peut-étre que cette
occurence fournira h V. E. Ie moven de faire expliquer
plus OU moius lord Castlereagh.^' (B. Z )
V 256 noot 37. Fagel schreef nl. dd. 11 Juni 1814 het volgende:
Dans Ie courant de la conversalion de ce matin, lord
Castlereagh m'a parlé de la maniere dont les Ministres en-
visagent Taffaire de la réunion de la Belgique ; de leur désir
que Ie Prince Souverain put être mis en possession de ces
(a) Hel eerste in 's Ministers brief van 7 Juni 1S14 N" oó behandelde punt.
gold onze vereeniging met België.
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 297
Provinces aussitot que cela serait possible et dans Ie but
que S. A. R. fut mise par la en état d'y envoyer un Gou-
verneur k la place du Baron de Vincent (a) ; d'un papier
dressé par lord Clancarty sur cette affaire et qui doit avoir
été approuvé par S. A. R. ; de ce qui s'est passé relativement
a la Suède et k Tespèce d*engagement pris d'indemniser cette
Puissance pour la cession de la Guadaloupe par celle de
Tune OU Tautre de nos ci-devant colonies : toutes choses qui
doivent être parfaitement connues de V. E. et de S. A. R.
au moins beaucoup mieux qu'elles ne Ie sont de moi qui
apprenais tout cela pour la première fois. Mais ce que lord
Castlereagh m'a expressément prié de porter a votre con-
naissance , c*est que comme ces affaires , en particulier celle
des colonies , allaient être mises ici sur Ie tapis sans delai , il
priait que vous voulussiez faire passer incessamment soit a
moi, soit k telle autre personne que Monseigneur Ie Prince
voudra honorer de cette commission, les plein-pouvoirs et
instructions necessaires. Ceci s*accorde , a ce qu'il me parait ,
avec les intentions énoncées dans la dépêche de V. E. n° 66 (/>)
du 7 de ce mois. J'observerai seulement que si Msgr. Ie
Prince Souverain trouve bon de m'employer dans cette nc-
gociation, il me semble que Ie plein-pouvoir général dont
je suis déja muni , et qui a été dressé dans cette intention ,
pourra tres bien servir a ce but, et qu'il ne sera pas né-
cessaire de m'en envoyer d*autre. Je saisirai la première
occasion pour montrer ce pouvoir a lord Castlereagh et
lui demander s'il Ie juge sufiisant. Sa Seigneurie me dit que
M. de Rehausen, Ministre de Suède ici, avait déja re(;u
ses pouvoirs pour traiter de Taffaire en question. (B.Z.)
BI. 256 noot 38. Tellegeu 125.
ff 257 noot »39. Het hierbedoelde schrijven dd. 16 Juni 1814«
vau den Minister aan den staatssecretaris Falck luidt in
zijn geheel als volgt:
Le moment oü par une pacification générale l'Europe va
se trouver dans un état de tranquilité , et jouir des bienfaits
que les exertions glorieuses des Hautes Puissances allióes
ont produits — ce moment, dis-je, qui doit remplir l'Europe
d'admiration et de reconnaissance — fait nailre l'espoir a
S. A. R. que la générosité de Sa Majesté Britannique ne
(a) De door den Keizer van Oostenrijk benoemde Gouverneur- Generaal over de
voormalige Oostenryksche Nederlanden.
(b) Brief noot 36.
£98 DE SLUITING VAN HET fX>NDENSCH TRACTAAT
SC démentira pas pour les autres parties du monde , et que ne
saurait paraitre hors de saison de fixer un instant I'attentiun
de S. A. R. sur la situation actuelle des colonies Hollandaises
tant aux Indes Orientales qu'Occidentales.
M^ TAinbassadeur Fagel pourrait conséquemment être
instruit a donner lous ses soins a la restitution de ces co-
lonies et bien de ia maniere suivante:
1. Il profitera de la première occasion qui pourra se pré-
senter ptiur pressentir les Ministres de Sa Majesté BriL et
tacher de décou\Tir leurs vues relativement du sort de ces
colonies.
2. Il serait a désirer, que les ministres de Sa Maj. Brit
voulussent prendre Tinitiative ; raais si Ton demandait a M'
Fagel de s*expliquer sur ce sujet, il pouvait faire obser>'er que
la Hollande s'est trouvée conquise par les armes Fran<;^aises
des Tannée 1795 — que depuis Elle a cié ou secrètement,
OU publiquement gouvemée par la France, qui Ta entrainé
toujours malgré Elle dans les guerres contre TAngleterre,
qui de loutes les manières leur étaient funestes, et entrai-
nèrent la perte de ces possessions; qu*a la paix d'Amiens
toutes les colonies Hollandaises dans l'Orient et l'Occident
avaient été rendues a 1^ Mère-Palrie, sauf Tïle de Ceylon.
3. Que dans Ie moment actuel , 011 par les efforts , la fermité
et Tamour des habitants de la Hollande pour la maison
d'Orange , et avec l'assistance des Hauts alliés en général et
celle de la Gr. Brit. en particulier, Ie joug de la France
avant été secoué , et ce Pays rétabli au nombre des Puissances
indépendantes de TEurope, S. A. R. et ses sujets sont rem-
plis de confiance dans la générosité et la munificence de
S. A. R. Ie Prince Régent, et que S. A. R. leur rendra toutes
leurs ci-devant possessions dans les Deux-Indes.
4. Si, comme il y a apparence, Ie Ministère Brit notifia
ces demandes, Tambassadeur Fagel se pénétrera que la
possession dans les Indes Occidentales la plus interessante
pour notre pays est celle de la cote de Guiane — connue
sous Ie nom d'Essequebo , Demerari , les Berbices et Suriname.
5. Ces colonies sont peut-être de toutes nos possessions,
hors d'Europe , les plus précieuses , tandis que leur ensemble
en augmentc la valeur. Il serait de la plus grande incon-
venance de partager ou diviser cette cote et si Ie c:ommerce
des esclaves doit demeurer aboli, comme on Ie présume,
ce partage ou cette division seraient les sources de différents
perpctuels, puisque la désertion des travailleurs formeront
unc source intarissable de réclamations et de plaintes , et que
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 299
les colons se trouveraient exposés a des intrigues et des menées
sourdes, qui détruiraient absolument toute espèce de tranquilité.
6. S'il était nécessaire de faire un sacrificè d'une partie
de nos possessions en Amérique, Tile de Curac^ao pourrait
être cedée. On avancera peut-être en Angleterre que cette
ile est plutot une charge pour nous qu'un avantage; — M""
Fagel re^oit a ce sujet Ie mémoire ci-joint qui Ie mettra par-
faitement au fait de la vérité et qui lui foumira abondamment
les argumenLs requis pour démontrer que cette ile est non-
seulement d'une grande importance sous Ie point de vue
militaire a cause de la securité de son port; mais a de plus
une valeur tres considérable par son comraerce actif et passif.
7. Si la cession de Cura^ao ne paraissait pas suffisante,
Ton pourrait encore sacrifier St. Eustache, Saba et la partie
Hollandaise de St. Martin.
8. Ces cessions néamoins ne sauraient être faites sans en
recevoir une indemnisation en argent; et si M^ Fagel était
obligé d'articuler une somme, il pourait demander:
pr Cura9ao ....
pr St. Eustache et Saba ....
pr la partie Holl. de St. Martin . . . . (a)
9. Les possessions en Afrique se bornent a nos forts sur
la cote de Guinee et Ie Cap de Bonne Espérance: — les
premières n'entrent pas en considération , étant actuelleraent
entre nos mains ; l'autre est une possession a la quelle proba-
blement 1' Angleterre mettra grand prix et il sera par consé-
quent nécessaire que M*" Fagel se montre plus ou moins
facile , observant néanmoins de faire valoir Ie sacrificè , et de Ie
faire servir a emmener une restitution entière, pour les colonies
de rOuest: Essequebo, Demerari, les Berbices et Suriname.
De plus, il employera tous ses talents pour obtenir une
compensation en argent , pour la cession de Ia dite Colonie.
10. En Asie l'ile de Java avec les iles Moluques forment
la partie la plus interessante de nos anciennes possessions,
et M*" Fagel employera tous ses efforts a en obtenir la par-
faite restitution, ainsi que celle de toutes les ïles Moluques
qui ont appartenues a la Holl. a Tépoque de 1792.
11. Les possessions Holl. de Tïle de Ceylon, ainsi que
celle de Cochin et autres sur les cotes de Malabar et Travancore
pourraient devenir des objets de négociations et M^ Fagel
pourrait écouter favorablement toutes les propositions d'indem-
nités pécunielles qui pourraient être proposées tandis que
(a) In V'an Nagell's minuut oningevuld.
300 DK StUITINQ VAK HET LONDKNSCH TRACTAAT
Ie Gouvernement de S. A. R. tachera de se procurer les
renseigements nécessaires pour pouvoir informer M' Fagel
de la valeur intrinsèque de ces différentes possessions.
12. Si par suite de la présente négociation, Ia HoUande
venait a renoncer a ces anciens établissements dans la
presqu'ïle de Tlnde, il est essentiel, que la faculté et Ie
pouvoir d'établir sur ces cotes orientales et occidentales des
comptoirs de commerce, lui soient assurés et que la nation
^ Holl. soit admise au commerce de l'Inde en général sur Ie
pied de Ia nation Ia plus favorisée.
BI. 257 uoot 40. De Minister schreef namelijk dd. 17 Juni 1814
aan Fagel :
J'ai remis hier a S. A. R. un projet d'instruction pour
V. E., afin de pouvoir entrer en négociation avec lord
Castlereagh sur la restitution des colonies et je me flatte de
pouvoir les Lui expédier sous peu de jours. S. A. R. vient en
attendant de prendre une résolution , en réponse a une note
de S. E. lord Clancarty , portant la prohibition du commerce
des esclaves sur la cöte d'Afrique {zie xw^ 22); et manifestant
son désir, que dans Ie prochain traite de restitution de nos
colonies un article expres interdise a jamais ce commerce.
J'envoie incessament a V. E. la copie de ce décret. S. A. R.
m'a également informé du projet de lord Castlereagh, de
dédommager Ia Suède de sa cession de Ia Guadeloupe , par une
de nos ci-devant possessions aux Indes occidentales. Je
m'abstiendrai de toute réflexion sur ces vues. Je me bornerai
a faire observer a V. E. que ce que nous posscdions de
plus précieux est Ia cöte de Guiane, que son grand merite
est dans I'ensemble des Colonies et que nous ne pourrions,
sans nous exposer aux plus facheux résultats, concourir a
un partage. Avec les instructions que j'annonce a V. E.,
Elle trouvera néamoins toutes les facilités a faire Ia cession
de Tile de Cura<;ao. et même de St. Eustache.
// 257 uoot 41. BI. 54—55 dl. II (dl. 10) van de op bl. 244
vermelde //Correspondence" van Castlereagh.
'' 258 noot 42. //Het jonge Koninkrijk was geënt op den stam
der oude, roemrijke republiek, eenmaal de kleinste der
Staten, maar de grootste der mogendheden. Had reeds
dit verleden zwareu schuldenlast achtergelaten; was het
land door de schaamtelooze plundering van vreemde
overheerschers en door de in waarheid dolzinnige wijze,
waarop tegeu den buitenlandscheu handel te werk was
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 301
gegaan in merg en been uitgeput...." BI. 172 der
^Studies over Geld- en Muntwezen door Jhr. Rochussen"
(1888).
BI. 258 noot 43. Woorden van Raffles na een bezoek bij onzen
Koning te Brussel. Zie bl. 245 mijner in den aanhef
dezer Verhandeling genoemde Muntrede (Maartafl. 1897
Tijdschr. Ned. Indië).
ff 259 noot 44. In de ^Geschiedenis der Nederlanders buiten
Europa'' (1832) van N. G. Van Kampen, dl. III bl. 517
leest men het volgende: ^i^Van de vier koloniën der Neder-
landers in Guiana (Zuid-A merika) was Suriname de uit-
gebreidste en oudste, maar juist daarom ook het meest
uitgeput, terwijl vooral Demerary een weligen, vrucht-
baren, nog gedeeltelijk maagdelijken grond aan den land-
bouwer aanbood. Ihze nu , met hare beide naburige zusters,
nam Engeland, en liet Suritiamey welks ten deele uitge-
mergelde grond minder voordeden scheen te beloven,
aan Nederland over." — Deze opvatting van de zaak heb
ik bij ons nader te vermelden verzet tegen den afstand niet
gevonden.
ff 259 noot 45. Vijf milioen £ werd voor de barrière-steden en
de Russische schuld bij het weldra te sluiten tractaat
toegezegd.
'/ 260 noot 46. üe quaestie omtrent den aard van het bezitrecht
op Guadeloupe gaf later, nadat het eiland inderdaad aan.
Frankrijk was afgestaan tot verschil van meening aanleiding.
Dit blijkt uit een brief van lord Bathurst , gedagteekend
Downingstreet , September 22, 1815 aan Castlereagh,
waarin men het volgende leest:
The French Ambassador called on me yesterday. He
asked me how I considered we held Guadeloupe. I ans-
wered by conquest. He said that he hoped we should held
it as we held Martinique. I said that the way by which
we obtained possession of the ene was quite different frora
the conditions under which we held the ether. He replied
that Guadeloupe should be surrendered to the King of France
according to the Treaty of Paris, which was still in force,
I answered that, with respect to the final destination of
Guadeloupe, it must be settled, with ether matters, at Paris.
302 DE SLUITING VAN HET LONDKNSGH TRAOTAAT
BI. 30 — 31 dl. III van de op bl. 244 vermelde '/Corres-
pondence'' van Castlereagh.
Bl. 260 en 264 noot 47. Zie den brief van 21 Juni 1814 bij
V. D. bl. 34—35.
f 260 noot 48. 's Ministers brief dd. 24 Juni 1814, waarbij
de instructie aan Fagel werd gezonden, luidt als volgt:
D'aprés ce que j'ai eu rhonneur de mander antécédemment
a V. E. , je Lui envoye une instruction , peur pouvoir entrer
en négociation avec Ie Ministère de Sa Majesté Britanique,
quant a la restitution de nos colonies. Elle voudra bien
observer, que nos anciennes possessions sur la cote de
Guiane sont ce que nous avions de plus précieux , peut-être
sur Ie total, mais assurément et hors de tout doute, en
Amérique; et Elle ne sera sürement pas surprise que dans
ses instructions , Elle trouvera Ie voeu Ie plus prononcé,
pour rentrer en pleine possession de cette importante partie
de notre bien-être. Nous savons que la Suède doit être
indemnisée pour ne pas avoir conservé Ia Guadeloupe : mais
il serait quasi irrelevant (d) de supposer qu'on voulut la dé-
dommager a nos depens en favorisant la France et de remettre
entre des raains peu sures , pour ne pas dire équivoques , un
domain aussi important.
V. E. trouvera plus de facilité pour la cession de Cura^ao ,
même de St. Eustache, Saba, et la partie Holl. de St. Martin.
Ces différentes colonies pourraient dédommager en quclque
sorte la Suède, sans entrainer vers des inconvénients aussi
graves, que la perte d'une partie de la terre ferme de
Guiane, perte qui seraitau Congres, étant
comme V. E. se Ie rappelera , que de ces neuf millions , trois
restent a la charge de la Russie, trois passent a celle de la
Hollande et de la Belgique et trois a celle de la Grande
Bretagne: (a)
Que moyennant cela, ce que Ie Ministre aurait a com-
muniquer au Parlement , en Lui faisant part des arrangements
en question, reviendrait a ceci:
Nous rendons a la Hollande toutes ses anciennes colonies a
Vexception du Cap de Bonne Espérance, et en revanche nous
nous chargeons du payement de la somme de Six Millions de
Livres Sterling.
Lord Castlereagh me dit qu'un tel arrangement paraïtrait
si onéreux ici, surtout a la fin d'une guerre telle que celle
qui vient de se terminer, qu'il n'y aurait pas moven de Ie
faire gouter aux Représentations de la Nation, a moins de
Leur offrir cu échange la perspective de quelqu'avantage
qui put contrebalancer des charges aussi énormes: et qu'on
croyait ne pouvoir trouver un tel avantage qu'en gardant
en pleine Souverainité nos trois colonies de Demerary , Esse-
quebo et Berbice, sauf a accorder aux planteurs Hollandais,
qui s'y trouvent , des facilités de commerce et de navigation ,
(a) Deze 1 , '1 en li millioen sterlinji; werden inderdaad opgenomen bij het geheim
art. 1 van het Londensch tractaat van 13 Aujjustus 1814! Zie o. a. /f 0^/? bl. 53 — 54.
310 DE SLUITING VAN IIBT LONDENSCH TRACTAAÏ
semblables a celles qu*on a déji eu en vue de leur assurer dès
Ie mois de Janvier demier par Tarrangement fait a la Haye
avec lord Clancarty; que ces facilités consisteraient princi-
palement dans la liberté d'importer leurs produits en droiture
en HoUande dans leurs propres vaisseaux; que cependant
la faculté ainsi concédée a des planteurs Hollandais dans les
colonies Anglaises rendrait Tétat des colons a Demerary,
Berbice et Essequebo si différent de celui des colons Anglais
dans d'autres établissements aux Petites Indes (comme p. e.
a la Jamaïque) et ouvrirait en général la porte a un si
grand changement dans tout l'ensemble du système colonial
de ce Pays-ci, qu'il faudrait restreindre jusqu*a un certain
point cette liberté de commerce par quelqu'arrangement qui
serait détaillé dans un des articles du Traite.
Qu'a Texception des 3 colonies ci-dessus nommées, Ie
Traite stipulerait la restitution entière et sans reserve de
toutes les autres dans les différentes parties du monde,
nommément de ce que lord Castlereagh nommait notre
Empire de Tile de Java et des Moluques, que seulement
on proposerait de nous donner Tile de Banca sur la cote
de Sumatra en échange de Cochin que TAngleterre gar-
derait.
Enfin que , quoique Tétablissement de notre nouvelle fron-
tière militaire du coté de la Francc fut un objet qui nous
regardat plus directement que ce Pays-ci, cependant, afin
de prouver a la nation Anglaise l'intérêt majeur qui s'y
attaché pour elle, et Tobligation directe qui en résultera de
contribuer efficacement par Tenvoi de troupes a la défense
de cette frontière toutes les fois qu'elle sera attaquée, on
propose d'insérer dans Ie Traite un article par lequel il sera
réglé que les deux millions a fournir par ce Pays-ci , et telle
somme qui sera aifectée de notre coté au même objet seront
employés è. atteindre graduellement ce but sous Tinspection
commune des deux parties contractantes de maniere a
assurer l'emploi effectif des dites sommes a l'accomplissement
de l'objet auquel elles sont destinées et qu'il sera envoyé
de ce c6té-ci pour eet effet dans la Belgique des ingenieurs
qui co-opèreront avec les notres a Texécution de ce travail.
Telle est la substance de Tarrangement proposé et la base
sur laquelle lord Castlereagh m'a dit être pret a signer un
Traite, me demandant si les plein-pouvoirs que j'avais,
étaient suffisants pour me mettre ^ même d'en faire autant.
Vous comprendrez, Monsieur, en comparant ce quejeviens
d'avoir l'honneur de vous marquer avec la teneur des in-
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 311
structions que vous m'avez transmises , sous la date du 24
Juin, que loin de me trouver dans ce cas, j'ai simplement
pu prendre sur moi de vous faire Ie présent rapport et de
vous demander des ordres ultérieurs.
Je terminerai celle-ci par une observation que fit lord
Castlereagh dans Ie cours de la conférence: c'est qu*il
existe une grande différence entre une négociation oü les
Parties ont des cessions mutuelles a se faire, et des avan-
tages réciproques a obtenir. et un arrangement telle que
celui-ci, oü une des parties a tout a rendre a l'autre, sans
avoir rien a attendre en échange, et oü il ne s'agit que du
plus OU moins de restitutions a faire et des conditions a
y amener.
BI. 265 noot 60. V. D. 38.
^ 265 noot 61. V. D. bl. LIX.
// 265 noot 62. Het advies van Fagel dd. 30 Juli 1814 aan deu
Minister gegeven, luidt als volgt:
Je crains bien, mon cher Monsieur, que vous serez tout
aussi peu satisfait de ma dépêche d'aujourd'hui que de celles
qui Pont précédée. Tant ce que je puis vous dire, c'est
ce que je sais, a n'en pouvoir douter, que l'arrangement
que lord Castlereagh propose, ayant été délibéré dans Ie
Cabinet est une mesure définitivement prise, sur laquelle
il n^y a pas a revenir , et contre laquelle il serait parfaitement
inutile d'argumenter. Non seulement tous les raisonnemens
par lesquels vous pourriez vouloir la combattre, ne feraient
pas changer d'opinion , mais il feraient un très-mauvais effet
en reproduisant a pure perte Fhumeur et Ie mécontente-
ment causés par les demières discussions et qui sont a peine
un peu calmés. Si l'on attaché du prix chez nous k recou-
vrer promptement celles de nos anciennes colonies qu'on
est disposé ici a nous rendre, et a conclure pour eet effet
un traite avec lord Caslereagh avant Ie départ de ce Ministre
pour Ie Congres, il n'y a pas de temps a perdre; après ce
départ il ne se fera plus d'affaires a Londres. Vous concevez
bien que je n*ai pas voulu prendre sur moi de signer un
arrangement tel que celui-ci. Lord C. m*a lu hier la demière
dépêche a lord Clancarty qui est a-peu-près de la même
date que mes lettres du 15 de ce mois : il m'a lu égaleraent
celle qu'il adresse aujourd'hui a eet ambasadeur, et qui par-
312 OE SLUITING VAX HETT LONDKNSCH TRACTAAT
tira en même lemps que mes lettres d'aujourd'hui. L'une
et l'autre s^mt égaleinent prononcées et positives, et quoique
vous ayez pu croire que je me suis expliqué fortement dans
ma dépêche et dans mes lettres particulières du 15, je vois,
depuis que j'ai lu ces dépêches de lord Castlereagh, que
je n'ai rien dit de trop, et je sens de plus en plus.quelque
dé^sag^éable que cela m'ait été , que je me suis véritablement
acquité d*un devoir en vuus écrivant et a Msgr. Ie Prince,
comme j'ai fait. Encore cette fois lord C. m'a instamment
prié de ne rien négliger pour vous inspirer des sentimens
l>lus justes sur les vues politiques de ce pays-ci a notre égard.
Le raisonncment sur lequel il revient toujours est celui-ci:
Comment peut-on se plaindre en Hollande d'avoir a nous
laisser en possession de 3 colonies, quand nous doublons
Texistence de la mère-patrie? D'ailleurs notre parti est pris;
c'est k nous de juger de ce qu'il nous convient de rendre
OU de garder: et des plaintes qui ne sauraient apporter du
changement a nos résolutions, ne serviraient qu'a nourrir et a
augmenter le mécontentement de certaines personnes en Hol-
lande, supposc qu'il y ait des personnes chez lesquelles un
tel sentiment existe (a).»
II devra nécessairemcnt v avoir encore bien des discussions
entre les deux Gouvemements, avant que le notre ait pris une
entière consistance , et que tous nos interets soient régies : je
ne saurais vous dire, mon cher Monsieur, combien il me
parait a désirer qu*on apporte a ces discussions un esprit
d'équité et de modération et qu'on en écarté tout sentiment
d*aigreur et de jalousie. Les deux pays ont besoin de
s'entendre et de voir une entière confiance s'établir dans
leurs rapports mutuels.
Avant de finir j'ai encore une observation a faire. J*ai
remarqué dans une des dépêches de lord Castlereagh quMl
m'a lues hier , un passage oü il parie de mes instructions sur
Taffaire des colonies d'unc maniere qui pourrait faire présu-
mer qu'il en avait eu connaissance. Ce que je puis voas dire
la-dessus c'est que je me suis bien garde de les lui communi-
quer; j'ai du Lui en dire la substance afin de me conformer
a leur contenu; mais voila tout ce que j'ai fait et encore
Tai-je fait en très-peu de mots (ó).
Aan dit schrijven was het volgende P. S. toegevoegd:
Celle-ci écrite j'ai encore vu lord C. et je suis convenu
(a) Deze aanhaling vindt men ook bij Tellegcn -Mt».
(h) In mijne inleiding, bl. LMl, had ik op deze zinsnede het oog.
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 313
avec Lui que Ie courier qui se charge de ses dépêches pour
lord Clancarty, et qui part ce soir, aulieud'aller en droiture
a Bruxelles passera par la Haye oü il vous remettra Ie
paquet a votre adresse. Il est extrêmement a désirer, si
Ton veut finir 1'affaire des Colonies avant Ie départ de lord
Castlereagh pour Vienne, fixé au 15 du mois prochain,
que la détermination du Prince me parvienne Ie plutot
possible. En conséquence Ie courier, porteur de la pré-
sente , a ordre d'attendre a La Haye les lettres dont vous
voudrez Ie charger pour S. A. R. a Bruxelles, a moins
que vous ne jugiez préférable, a cause de l'urgence du cas,
de vous rendre vous-mêmes dans cette ville afin de vous y
aboucher avec S. A. R. et avec lord Clancarty sur cette
importante affaire et de me faire parvenir de la les ordres
de Msgr. Ie Prince. Ce dernier parti (celui de vous rendre
vous-mêmes a Bruxelles) me semblerait Ie plus propre a
assurer une prompte décission. Quoiqu'il en soit, Ie courier
reviendra en droiture de Bruxelles ici. J^envoie au Prince, outre
la copie ordinaire de ma dépêche, une copie de celle-ci.
Lord Castlereagh lui-même désire de terminer avant son
départ. Mr. de Rehausen et moi sommes munis de plein-
pouvoirs. A Vienne il en faudrait de nouveaux pour de
nouveaux plénipotentiaires. Cela seul occasionnerait de Tem-
barras et des retards indépendamment des autres inconve-
nients inséparables du renvoi de la négociation au Congres.
Wat de werkzaamheden op het Weener Congres aangaat,
is kenschetsend de particuliere brief van een onzer afge-
vaardigden aldaar, baron Van Spaen, aan minister Van
Nagell dd. 25 December 1814, waarin men o. a. het
volgende leest:
Il n'y a point de tache plus tédieuse, plus ingrate,
plus décourageante , plus désespérante quelquefois, que de
poursuivre des affaires intéressantes a un Congres tel que
celui-ci, et dans la position écartée et désavantageuse oü Ton
est place ainsi avec des moyens tres incomplèts, au milieu
de l'esprit d'usurpation , d'une cupidité générale, d'intrigues
presque révolutionnaires , même de mauvaise foi et de manque
absolu de tout scrupule. On parait avoir perdu entiérement
de vue Ie véritable but d'une si respectable réunion. En outre
mylord Castlereagh a d'autres interets a coté des notres; et
comme il n'est pas assez au fait des interets particuliers du
continent, il se laisse beaucoup guider par Ie Prince de
314 DE SLUITING VAN HET LONDENSGH TRACTAAT
Mettemich, qui dissipé, superficiel et léger, ne tache que de
se tirer d'affaire Ie moins mal qu'il pourra, afin de devenir
chancelier et pouvoir ensuite se comparer a son aise au célèbre
grand-père de sa femme (a). Mylord Clancarty est rempli de
zêle pour nous, franc et droit; c*est un excellent homme,
je I'aime beaucoup; mais toujours il est Anglais , et il ne peut
pas aller plus loin que mylord Castlereagh ne Ie lui permet.
Le Baron de Gagem est rempli d^esprit, de connaissances ,
de moyens de toute espèce; mais il a trop d'ardeur et de
cette activité un peu inquiète , qui remue tout , et ce ne sont
pas principalement les véritables solides interets de notre
bonne ancienne Hollande qui Tintéressent le plus (ó),
Vous aurez pu voir par nos dépêches l'étrange direction et
le triste état des affaires ; mais je n'ai pu que faiblement vous
le dépeindre, et il faudrait être ici pour pouvoir se faire
une véritable idéé de la confusion qui règne dans les interets,
dans les projets, dans les vues des Cabinets, qui doivent
regier le sort de TEurope et nous rendre ce repos et cette
süreté pour Tavenir, dont nous avons tant besoin. Je me
flatte bien que la nécessité, c'est-a-dire 1'impuissance et la
crainte, nous sauverons du scandale, de Topprobre et de
Taffreux danger d'une nouvelle guerre, mais ce ne sera que
pour peu d'années; et voila tout le bien que j'ose espérer
après de si nobles eflforts et de si longs malheurs.
Le ton solennel et sérieux de ma lettre vous surpendra
peut-être; mais ce n'est pas une dépêche; je vous écris
en confiance. Je suis profondément affligé de tout ce que
je vois; je n'ai presque pas cessé de Têtre depuis que je
suis ici, et je ne suis pas un politique assez peu scrupuleux
pour pouvoir voir de sang froid cette indifférence presque
générale pour le bien public, ainsi que ce mépris des
maximes et des principes qu'on a soi-même si solennelle-
ment proclamés. Savez-vous comment on nomme ici deux
souverains intimément unis? les Pseudo Napoleons. Il est
trop cruel de devoir renoncer a la douce espérance de
pouvoir enfin finir ses jours paisiblement et sans crainte de
nouveaux bouleversements.
{d) In 179Ö was Metternich in het huwelijk getreden „mil der Enkelin und
Allodialcrbin des Staatsministers Kaunitz, Fürstin Maria Eleonore (^geb. 1 Oct.
177"), ges'. 19 Miirz 182ö)." Brockhaus' Conversations-Lexikon (1885).
(^) Aan Van Gagern moet het geweten worden, dat de Koning der Neder-
landen tevens lid van den toenmaligen Duitschen Bond werd: „Een feit, waar-
voor wij den ouden Von Gagem niet dankbaar behoeven te zijn", zegt de Schrijver
op bl. 95 van het sub 4 vermelde (?/V/s- artikel.
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 3J5
Personne ne sera plus content que moi de voir la fin de
ce malheureux Congres. Puissé-je du moins en sortir avec
quelque honneur!
Je voudrais bien que les Ministres Anglais, nos iuteurs,
écrivissent au Prince comme ils nous parlent. S. A. R.
comprendrait par la, qu'Elle ne doit pas nourrir de trop
grandes espérances. Je crois a la vérité qu'ils nous parlent
quelquefois au dessous de ce qu'ils espèrent, pour tempérer
un peu la grande ardeur de mon CoUégue, qui d*ailleurs
est véritablement un tres galant et avec qui je suis parfai-
tement bien.
BI. 266 noot 63. In den brief dd. 2 Augustus 1814 N° 85 van
den Minister aan Fagel komt nl. het volgende voor:
Je souhaite que la négociation pour la restitution de nos
colonies soit renouvelée et que V. E. puisse terminer cette
affaire avant Ie départ de S. E. lord Castlereagh pour Vienne.
Le Baron de Stopken, ministre de Suède, m'a faitTautre
jour une assez singuliere question, dont voici les propres mots :
«Si l'expédition s'est déja faite des plein-pouvoirs néces-
saires pour mettre S. E. TAmbassadeur d'Hollande a Londres
a même d'ouvrir les négociations avec Mr. de Rehausen,
Ministre du Roi, sur une compensation de la Guadeloupe,
que la Suède a sacrifié pour procurer la paix a TEurope?»
J*ai répondu verbalement que je ne pouvais m'expliquer
sur un objet qui serait traite par le Ministère de S. M.
Britannique. Je prie V. E. (si EUe le croit nécessaire) de
vouloir communiquer ceci a lord Castlereagh; au reste
j'avoue que j*y attaché peu d'importance et quej'envisagela
démarche comme calculée pour obtenir plus ou moins de
lumière sur 1'état de notre négociation. (B.Z.)
ff 266 noot 64. Tegenover Castlereagh's uitlatingen over Van
NagelFs //discontented tone" , '/exorbitants demands" enz.
als in den op bl. 262 vermelden brief aan Clancarty voor-
kwam, schreef Van Nagell nl. dd. 2 Augustus 1814 aan
onzen Gezant: ^yQuant ^ mon individu, je vois non sans
douleur combien je suis méconnu par lord Castlereagh,
mais parfaitement indépendant , je n^ai que le désir que
S. A. R. veuille m^accorder la démission d^un poste qui
r^pugne ^ mon caractère. La suite des temps démontrera
peut-être que ma maniere de voir et d'agir n'étaient pas
aussi condamnables que Ton les envisage & Loudres.^^
316 DK SLL'ITINO VAN HET LONDBNSCH TRACTAAT
BI. 266 noot 65. Zie V. D bl. CCVII noot 3) en Levjssohn
Nonnan's ^rBritsche Heerschappij'* (1857) bl. 826—527.
/r 266 noot 66. V. D. bl. LX— LXI. — Niettegenstaande de ver-
zekering ten aanzien van het volstrekte beschikkingsrecht
over Banka, nog versterkt door de mededeeling : #that we do
not propose to give as an eqnivalent that which it is not in
our power to transfer'^ — ging de Laitenant-Gouvernear
Fendall in Bade bij de overgave ons goed recht op Banka
betwisten , wijl Commissarissen-Generaal weigerden de
onschendbaarheid der Palembangsche contractsbepalingen
te waarborgen, ingevolge waarvan o. a. dat eiland aan
Engeland werd afgestaan. Men was echter zoo weinig de
zaken meester, dat C. C. G. G. niet eens van die voor-
afgaande besprekingen , naar ik vermoed , op de hoogte
werden gesteld vbör zij naar Indië vertrokken ; zij brengen
het argnment althans niet te berde.
f 267 noot 67. In de snb 30 vermelde Brieven van Falck bl. 207.
// 267 noot 68. V. D. bl. LUI.
ff 267 noot 69. Eaffles' brieven van 3 Juli en 12 Augustus 1818
bij V. D. bl. 259 en 268.
f 267 noot 70. De door Van Nagell bij brief van 4 Augustus
1814 aan den Souvereineu Vorst gezonden Memorie (ge-
dagteekend 3 Augustus 1814) luidt aldus:
Dès Finstant que Ie Prince d'Orange fut rappelé dans
Sa Patrie qui venait de secouer Ie joug odieux sous lequel
El Ie avait gémie depuis vingt années , il considéra les anciennes
relations d'amitié et d'intérêts réciproques rétablies, entre
la Grande Bretagne et la Hollande. Il re<;:ut les preuves les
plus évidentes de la bienvaillance de S. A. R. Ie Prince
Régent, et fut mis en mcme d'amener des secours de tous
les genres peur consolider Touvrage de Tindépendance que
les peuples Hollandais venaient de reconquérir.
S. A. R. fut dès lors dans Tespoir et dans la ferme con-
fiance , que eet te indépendance une fois assurée , Ie Ministère de
Sa Majesté Britannique mettrait Ie comble a sa générosité
en étendant sur la Hollande les principes bienfaisants que les
Hauts alliés avaient adoptés dans une convention solennelle
a Leipsic au mois d'Aoüt 1813 (a). Plein de cette confiance S.
(a) En ook door Engeland in het op bl. 283 sub 6 vermelde Aietnoramlum
uiteengezet.
TAN 13 AUGUSTUS 1814. 317
A. R. n'a fait aucune démarche directe pour solliciter la
restitution des colonies Hollandaises , et s'est repose sur les
assurances qui lui étaient données que cette restitution se
ferait a i*époque oü la Hollande serait assez forte pour pou-
voir protéger et défendre les dites Colonies. La paix de Paris
ayant stipulé la réunion de Ia Belgique a la Hollande afin
d'établir une balance de pouvoir en Europe , Ie Prince d'Orange
s'est flatté qu a Tépoque de cette réunion la munificence de
la Grande Bretagne serait déployée, et que la négociation
pour la rétrocession des colonies Holl. n*éprouverait aucune
difficulté vu que Tinstant était clos, qui devait déterminer
jusqu'^ un certain poini ce degré de puissance, qui était
requis pour protéger et défendre ces colonies.
Le Prince d'Orange vient d'être informé par son Ambas-
sadeur a Londres que ses espérances sont dé^ues, et que
les vues actuelles du ministère Anglais sont de garder dans
les Indes Occidentales , Essequebo, Demerari et les Ber-
bices; en Afrique le Cap de Bonne Espérance; aux Indes
Orientales tout ce que nous y possédions , sauf Java et ses
dépendances , l*ile de Banca , en échange de Cochin. (a)
Les motifs du ministère Anglais sont qu*il faut dédom-
mager la Suède pour la perte de la Guadeloupe, et qu'il
en coütera i million sterling, vu TAngleterre se charge
pour J de la dette Russe en Hollande, équivalant k 3
million £ et vu pour le Cap de Bonne Espérance Ton
donnera 2 million ^ a employer pour les fortifications des
frontières de la Belgique. Enfin 1'on met en avant Tagran-
dissement de Ia Holl. en Europe, comme un mode de faire
adopter le projet ci-dessus énoncé.
Pour mettre un certain ordre dans la discussion de cette
importante aflfaire, je commencerai l'examen du demier
argument.
L'agrandissement de la Holl. est énoncé dans 1'art. secr.
N'. 3 du traite de Paris (ó) , comme étant d'une utilité géné-
rale, c'est pour établir une juste balance de pouvoir en
Europe qu'il est requis que la Holl. soit constituée de
maniere qu^elle puisse maintenir son indépendance par ses
propres ressources et c'est k cette fin qu'on Lui assure les
pays entre la Meuse et la mer. une frontière sur la rive
(a) Eene aardige bijdrage tot Van Nageü's onvriendelijke manier om de zaken
voor te dragen : wat een overdry ving toch om te zeggen , dat Engeland in Oost-
Indië alles behield „behalve", terwyl wij er alles terugkregen!
{b) Zie dit art. bl. 296 sub 3ö hier\'oor.
318 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT
droite de la Meuse et par 1'art. 4 (0) une partie des duchés
sur Ia rive gauche du Rhin , qui avaient été rèunis k la France
depuis 1792.
Ces différentes dispositions tendent toutes au même but,
celui d'assurer a la Holl. les ressources pour pouvoir se
défendre, et établir ainsi ime juste balance de pouvoir en
Europe; mais ne stipulent aucunement un échange de pos-
sessions dans les Indes Occidentales ou Orientales, contre
un dédommagement en Europe. — Si un tel projet de faire un
échange d'une partie des colonies Hollandaises contre la Bel-
gique avait été Ie but de ces stipulations , il eut été a désirer
que l'on se fut exprimé plus ouvertement afin que Ie Prince
d'Orange eut pu débattre un projet qui conceme les interets
les plus chers de ses . . .(^) sujets.
Au lieu de cette franchise S. A. R. a été tenue dans
l'incertitude ; 1'on a dit et répété: il faut que vous soyez
d'abord en état de protéger et de défendre vos colonies;
c'est un motif pour vous réunir a la Belgique. Cette réunion
s'effectue, et dés lors l'on tient eet autre langage: Nous
vous faisons forts et puissants en Europe , nous voulons vous
faire riche etc. etc; vous renoncerez en retour a vos plus
belles possessions aux Indes Occidentales ! ! !
La cession de ces belles colonies doit se faire pour dédom-
mager la Suède de Ia Guadeloupe.
L'on ne se permettra pas discuter dans ce mémoire quels
droits la Suède avait sur la Guadeloupe; mais il sera au
moins pennis d'observer, que cette Guadeloupe avait été
donnée a la Suède, afin de la déterminer a accéder a la
coalition, que celle-ci avait pour but de rétablir la liberté
en Europe.
Que TEspagne et Ie Portugal éprouvent les bienfaits que
cette coalition a répandus, a Pinstar de la Holl. et qu'il ne
serait par conséquent aucunement irrelevant (c) , que PEspagne
et Ie Portugal contribuassent a ce dédommagement pour la
Suède , et Ie premier million sterling qui servirait de dédom-
magement a la Suède pourrait de cette maniere ne pas
tomber a la charge de la Grande Bretagne. Quant aux trois
millions sterling que l'Angleterre payerait pour sa part dans
la dette Russe, Ton ne saurait disconvenir que cette charge
ne soit considérable , mais Test-elle moins pour la Holl. , qui
voit également trois millions de livre sterling mis sur Ie compte
(a) 7Ae dit art. in noot (a) aan den voet der bladzijde 319.
{h) Ffier staat een woord , dat ik niet kan lezen,
(t) Zie noot (a) aan den voet van bl. 302.
▼AN 13 AUGUSTUS 1814.. 319
de la Belgique? Et si l'Angleterre en compensation de ces
trois millions sterling garde pour EUe les possessions Holl.
d'Essequebo, Demerari et Berbice, n'est-il pas évident que
la Hollande paye les trois millions ou leur valeur et non
pas 1' Angleterre , d'oü il résulte qu'au lieu de satisfaire au
grand principe énoncé dans Tart secret N° 3 d*établir
une juste balance de pouvoir en Europe, en constituant la
Hollande de maniere a pouvoir soutenir par elle-même son
indépendance , 1'on grève directement ou indirectement cette
mêrae Hollande d'une somme de 6 millions sterling.
Il est vrai que pour Ie Cap de Bonne Espérance 1'on
offre 2 mill. sterling, mais ces deux millions, servant a la
construction des places fortes sur les frontières, dont la
dépense est évaluée a dix millions sterling, laissent une
nouvelle charge sur la Belgique et la Holl. de huit millions.
Conclusion :
La Hollande et la Belgique réunies se trouveront grévés
de la somme de 11 millions sterling et la première sera
privée dé ses plus beaux établissements dans les Indes Occi-
dental es et ce sera Ie mode qui mettra en exécution Tart.
secr. N° 3 ! ! !
Peut-être y aurait-il un mode qui rectifie cette situation.
Ce serait l'application de l'art. secret N^ 4 (0) , si 1'Angleterre
voulait employer son influence k procurer k S. A. R. sur
la rive droite de la Meuse une compensation convenable.
La partie de i'évêché de Liége, sur la rive droite de la
Meuse, les duchés de Julich, de Limburg, et la partie de
la Gueldre lutherienne pourraient ensemble servir de dédom-
magement et de compensation pour les colonies d'Essequebo ,
Demerari et Berbice.
BI. 267 noot 71. Thorbecke in zijne sub 19 vermelde beschou-
wingen over A. R. Falck spreekt van 's mans //ironische
gelatenheid" , van //dien luiraigen humor" , die //telkens
in treffende, lijne tinten van lonk, scherts of spot uit-
kwam" (bl. 8 en 20). — In de ^Notice enz." van Sirtema
de Grovestins (1852), bl. 101, worden Falck en Van
Nagell beiden geschetst als //pleins d'adresse, doués h
un haut degré d'un esprit ironique, habiles k saisir les
ridicules et k les faire ressortir par un persiflage adroit."
(a) Dit artikel luidt: „Les pays allemands sur la rive gauche du Rhin, qui
avaient été réunis a la France depuis 1792, semront a ragraiidissement de la
Hollande et a des compensations pour la Prusse et aulres États allemands."
6e Volgr. III. 2t>
320 DE SLUITING VAN HBT LONDENSCH TRACTAAT
— Eeu staaltje van Vau Nagell's ironisch schrijven
vindt men o. a. op bl. 277 in den daar vermelden brief
aan Eagel.
BI. 268 noot 72. Zie hierna noot 75.
n 268 noot 73. Falck schreef nl. dd. 6 Augustus 1814 aan den
Minister:
Eindelijk kom ik tot het meest gewichtige punt, de
depêches van den Ambassadeur Fagel over de cessie van
Demerary enz. Z. K. H. heeft met ingespannen aandacht
de geheele materie op nieuw overwogen en de beslissing is
zoodanig geweest als zij bij eene zoo dringende aanvrage
in de gegeven omstandigheden zijn moest en zooals Uwe
Exc. ze nader omschreven vinden zal in mijne hierbij over-
gelegde rescriptie aan genoemden Ambassadeur. Niet dadelijk
te besluiten, maakte dat het eene quaestie wierd voor het
Congres, alwaar de zaak op zich zelve van eene mindere
conditie worden moest en nog veel verergeren door den
slechten luim, waarin de almachtige Engelsche negociateur
zoude geraakt zijn. — Ook na zich bepaald te hebben , heeft
Z. K. H. met belangstelling de memorie gelezen, die de
courier gisteren heeft aangebracht en welker argiun enten in
een verzachten toon met vrucht op het Congres zullen
kunnen worden te berde gebracht. Z. H. is voornemens
zelve deswege aan U. E. te schrijven, gelijk Hoogstdezelve
ook eigenhandig aan den Heer Fagel geschreven heeft, die,
naar ik mij vleie, nog pogingen doen zal om Berbice uit
den brand te redden.
•
// 268 noot 74. Bl. 207 der sub 30 vermelde /i'Brieven'' van
Falck. Ik ging nog speciaal na of ik mij ook wellicht
met de aanhaling vergiste. Niet onaardig schreef Thor-
becke bij de sub 19 vermelde aankondiging dezer Brieren
n\vi eene Chrestomathie van nederduitschen stijl zal men
deze Brieven wellicht niet opnemen" (bl. 2).
n 268 noot 75. Op bl. 245 — 247 wees ik er reeds op, dat Van
Deventer omtrent het hier behandeld incident weinig
inzicht geeft. Tellegen schrijft over de toedracht er van
op bl. 126 het volgende:
En nu heeft er eene gebeurtenis plaats , die men , lettende
zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis van
de Regeering van Willem I, niet zoude hebben verwacht. Van
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 321
Nagell laat de onderhandelingen uit zijne handen glippen,
en het is Falck, de Algemeene Secretaris, die ze weder
opneemt.
En ia eene noot:
Grovestins beweert in zijne Mss. Mémoires, dat v. Nagell
had geweigerd de zaak verder te behandelen. Falck zegt in
een brief van i6 Augustus aan Roëll er echter dit van:
«Het buitenlandsche verdringt telkens het binnenlandsche ,
en komt veelal voor mijne rekening, zoodat ik de galcoliek
van den Heer v. Nagell voor de leelijkste ziekte houdt, die
mij (sic) in lang overkomen is."
*t Zou kunnen zijn, dat die ongesteldheid hier voor v. Nagell
juist van pas kwam, om zich met fatsoen aan de onder-
handeling te kunnen onttrekken , en de ironie , die in Falck^s
woorden doorstraalt, maakt dit ook niet onwaarschijnlijk.
Uit het door mij medegedeelde zal men zien , dat het
uit de handen glippen ook niet juist de zaak aangeeft.
Van Nagell wilde zich niet meer met de onderhandelingen
inlaten , zooals Grovestins het , volgens Tellegen , heeft
verzekerd. Hij nam ook geen voorwendsel van ziekte te
baat, om zich daaraan te onttrekken; het schrijven van
Falck doelt blijkbaar op ^smans korzeligheid, die de
menschen afschrikte met hem zaken te doen. £erst na
het sluiten van het tractaat, toen Castlereagh, op reis
naar WeencD , Brussel aandeed en de afspraak was , dat
Yan Nagell daar den Britschen minister zou ontmoeten,
heeft Van Nagell zich ten slotte ziek gemeld. Daar hij
echter eerst Z. K. H. beloofde te komen, niettegen-
staande deze hem de vrijheid had gegeven weg te blijven,
— men zie de brieven hierover sub 76 en 77 — is er
geene voldoende reden voor om aan te nemen, dat de
ziekte destijds voorgewend was.
BI. 270 noot 76. De brief van den Soevereinen Vorst uit Brussel
dd. 10 Augustus 1814 aan Van Nagell luidt in zijn
geheel als volgt:
Bij de onderhandelingen met Engeland nopens de terug-
gave der koloniën, moesten wij zoo mij schijnt niet alleen
onze oogen vestigen op hetgeen waarvan afstand gedaan
moet worden, maar ook op de bezittingen, die wij weder-
bekomen en die wij buiten staat zijn te reoccupeeren , zelfs
met assistentie van de overige mogendheden van Europa,
322 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT
zonder vrijwillige cessie van de zijde van Engeland. Wan-
neer zulks geschiedt, schijnt mij dat de onaangename indruk
der cessiën verminderd wordt, te meer daar de modifiatiên
der bepalingen omtrent den handel etc. en het personeele recht
der individuen, welke in het te sluiten tractaat opgenomen
zullen worden (a) , eerst aan de hand zullen geven of de
planters en bezitters van schuldvorderingen op de plantagiën
door de aftreding in quaestie benadeeld worden dan alleen
maar het Gouvernement , hetwelk nochtans ook niet vergeten
kan , dat hetzelve bevrijd is van de onkosten van onderhoud
der etablissementen, en zijne ingezetenen het voordeel van
den handel blijft verzekeren.
Ik verwacht dus de nadere en finale tijdingen uit Londen
voor en aleer mijne meening omtrent de geheele zaak te
vestigen , kunnende desniettegenstaande niet ontveinzen , dat
mij zeer ter harte gaat in de noodzakelijkheid te zijn,
te moeten toegeven aan grondbeginselen, die niet zoo
liberaal zijn als wij dezelven hadden kunnen verwachten , doch
die wij niet in staat zijn te doen veranderen, aangezien
dezelven zich in relatie bevinden met andere schikkingen , die
de groote j>olitiek van Europa betreffen en tot welke het
Britsche Gouvernement reeds zoodanige engagementen ge-
troffen hééft , dat hetzelve ook voor de Natie dezelven dient
smakelijk te maken. Hiervan uitgaande is de noodzakelijkheid
van te moeten toegeven onwedersprekelijk , alsmede de partij
te kiezen van de best mogelijke conditiën te trachten te
bekomen om het nieuwe Staatsgebouw te formeeren en die
noodige kracht toe te brengen, die vereischt wordt om te
kunnen beantwoorden aan het oogmerk en hem in staat
stelt een wil te hebben. Zulks scheen vroeger ook UHEdG.
meening te wezen en in die begrippen hebben wij ook bij
de verschillende voorkomende omstandigheden gehandeld. In
dien zin wensch ik verder voort te werken, en het is dus
onvermijdelijk dat^ dewijl wij ons in de ongelukkige nood-
zakelijkheid bevinden dikwerf te moeten toegeven, daar
resistentie onmogelijk en zelfs nadeelig zoude zijn. Hiertoe
heb ik op UHEdG. hulp en medewerking gerekend en
het zoude mij bijzonder smarten dezelve te moeten missen,
daar de ondervinding mij heeft geleerd het nut dat ik er
voor *s Lands belangen van trek. Ik hoop ook dat UHEdG.
zich niet weigeren zal zulks verder te doen, en wanneer
zulks ook eenige toegeving en inschikkelijkheid vordert, zoo
(nr) Zie hel geheim artikel 1 sub 3« van het tractaat dd. 13 Aucjustus IRU.
VAN 13 AuuusTus 1814. 323
dient het belang van 't Vaderland aan hetzelve bij verdere
gelegenheden nuttig te zijn, ook te bewegen tot het niet
verlaten van deszelfs interest. Hierop vertrouwende, hoop
ik dat dezelve mij niet zal willen verlaten, en ik kan dus
ook niet dan difficulteeren in het verleenen van het gewenscht
ontslag, van welk verzoek ik hoop dat UHEdG. ook afzien
zal ... . De s. r. medegedeelde brief van den ambassadeur
Fagel , alsmede de memorie van den heer Von Gagem kunnen
nog ingrediënten tot suppletoire instructiën geven. Na lectuur
en verder gebruik wensch ik dezelven^ ten spoedigste weder
terug , teneinde meer of min daarvan gebruik te maken ge-
durende het oponthoud van lord Castiereagh te Brussel.
Ik insisteer niet op de reis herwaarts om denzelven te ren-
contreeren, daar zulks in de tegenwoordige stemming misschien
niet wenschelijk is; doch indien UHEdG. zich daartoe kan
decideeren , zal het mij altoos aangenaam zijn denzelven hier
te zien ; des te meer insisteer ik op het niet accepteeren van
het verzochte ontslag, daar mij in de gegeven omstandig-
heden zulk abandon mij zeer sensible zoude zijn en zoo ik
vertrouw zeer nadeelig voor 's Lands belangen.
BI. 270 noot 77. De brief dd. 12 Augustus 1814, waarin Van
Nagell op nieuw zijn ontslag verzoekt, luidt aldus:
Uwe Konink. Hoogheid kent mij te wel om het noodig
te achten Uwe Konink. Hoogh. op nieuw de verzekeringen
te geven van mijne verknochtheid, van mijn verlangen om
nuttig te zijn, van mijne bereidwilligheid mijne geringe ver-
mogens aan Uwe Konink. Hoogh. dienstbaar te maken. — Het
is de overtuiging dat in de gegeven omstandigheden deze
doeleinden niet bereikt worden, wanneer ik bleef in het
Eereambt, dat Uwe Konink. Hoogh. mij heeft toevertrouwd,
die mij noopt Uwe K. H. om ontslag te smeeken. De sen-
satie, die het eventueele tractaat over de restitutie onzer
koloniën in Holland maken zal, kan en mag ik Uwe K. H.
niet verbergen. Ik ben d'ostensibele persoon, die dit werk diri-
geeren moest, en hoe snaren de uitkomsten met de instruc-
tiën, die door Uwe K. H. en eenige leden van het Kabinet
gesanctionneerd waren , en die aan den Heer Fagel gezonden
zijn? Het eerste en natuurlijkst geroep zal zijn: Daar zijn
de gevolgen van de keuze, die de Vorst gedaan heeft van
een Minister voor Buitenlandsche Zaken, die uit de provin-
ciën herkomstig, niets weet van koloniën of handel (a).
(a) Teilegen teekent bl 126 het volgende aan, nadat hy blykens het door my
S2^ DE SLUITING VAN' U£T LONDENSCU T&ACTAAT
De navigatie op de verloren koloniën geeft luttel troost;
immers door de ondervinding te wel onderricht van de
dubbelzinnige handelingen der Engelschen om in deze ver-
gunning vertrouwen te stellen; men heeft deze wijze van
handelen nog onlangs beproefd in het verleenen der licenses
en de beperkingen, die reeds aangekondigd werden, ten
einde de vaart op Jamaica niet te kort te doen, duiden den
min doorzichtigste aan , hoe het daarmede zal aüoopen (a).
De raarche van lord Castlereagh blijft naar mijn inzien
ten uiterste gevaarlijk voor de verdere belangen van ons
Gemeenebest De rol van moderateur op het Congres had,
dunkt mij , kunnen gespeeld worden. Wanneer de overdreven
oogmerken van Rusland, van Pruissen, te berde zullen
komen, moest Engeland kunnen zeggen: Mijne beginselen
steunen op belangeloosheid; mijne opofferingen en de uwen
moeten betaald worden, door onzen invloed op alle de
volkeren van Europa; deze moet bewaard worden door ge-
rechtigheid te handhaven. — Hoe staat de zaak nu?
Waijneer Rusland, Pruissen en anderen hunne pretensiën
zullen aankondigen , en Engeland dezelven zal willen beperken ,
is het antwoord eenvoudig: Gij hebt uwe zaken gedaan te
Parijs ; Gij hebt verder de aanzienlijkste koloniën van Holland
voor eene zeer modiecque retributie aan geld aan U be-
houden; Gij hebt U voor de cessie-België , door onze
wapenen genomen , doen compenseeren ; Gij hebt geen zweem
van aanspraak om ons tegen te gaan in het verkrijgen onzer
compensatiën. — Was het niet wijzer geweest op het af-
loopen van het Congres te wachten, voordat men de zaak
der Holl. koloniën had afgedaan?
op bl. 3l.'0 sub 75 reeds medegedeelde , vermeld heeft , dat Van Nagell de onder-
handelingen uit zijne handen liet glippen :
, Onwillekeurig herinnert men zich bij dit feit, wat v. Nagell als voorzitter
van de Groote Vergadering bij de inhuldiging van den Souvereinen Vorst gezegd
had. Gedachtig aan hetgeen hij in den tijd zijner ballingschap in Engeland gezien
had, en niet aan den inhoud der Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne
betrekkingen tot zijn volk nimmer verdacht kon worden, daar de Ministers voor
al hunne verrichtingen verantwoordelijk bleven. Zoo kan ook hier het besef zijner
verantwoordelijkheid de reden zijn geweest, waarom hij de verdere behandeling
dezer zaak aan een ander overliet."
{a) Het komt mij voor, dat Van Nagell in dit opzicht juist zag. Het libera-
lisme van Engeland heeft steeds getracht om ons waar mogelijk weg te dringen of
weg te kijken. Daarom ook traden wij in 1824 in allerlei ruilingen, ten einde
met deze onaangename menschen zoo weinig mogelijk aanraking te hebben. De
Engelschen stonden den vrijhandel slechts daar voor, waar zij toch door hur
geldelijke overmacht gecne andere nationaliteiten behoefden te vreezen!
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 325
Dezelfde oorzaken moeten dezelfde uitwerkselen hebben;
de overheersching van Frankrijk heeft de meeste volkeren
van Europa toornig gemaakt, dewijl de vorsten ongeduldig
wierden van gekroonde prefecten te zijn en de ministers
niet langer commiezen wilden wezen. Dit zal weder gebeuren
en Frankrijk onder de Bourbons zal weldra het streelend
genoegen hebben van zich allerzijdsch te zien aanzoeken om
verdedigende connexiën te sluiten.
Cordaat en eerlijk blijf ik handelen, en hoop op Uwe
K. H. verschooning zoo onbewinpeld te schrijven.
Ik mag Uwe K. H. niet aanraden tot het onderteekenen
van het bewuste tractaat; ik kan noch mag de ratificatie
onderteekenen.
Laat Engeland bij verklaring zeggen: ik geef die en die
koloniën aan Holland terug, die en die behoud ik: dan
blijft Uwe K. H. ongecompromiteerd ; maar wordt er eene
conventie gesloten op dien voet als de heer Fagel het voor
heeft, dan zal Uwe K. H. te laat ondervinden, wat eene akelige
impressie het in ons Gemeenebest maken zal ; de algemeene
kreet zal zijn : onze koloniën zijn voor een gedeelte voor
België getoetst {a). Reeds heeft het vertragen der restitutie
veel bekommernis en achterdocht verwekt.
Het teruggeven van het zoogenaamde J^^'Ji van Java zal
dien indruk niet maken, dat het verlies van de West ver-
zachten zal; — om die zoogenaamde mijn te bewerken,
worden er groote sommen gelds gevorderd, en zoo het
tegenwoordige Engelsche systeem doorgaat, hoe lang zullen
wij dit rijk bezetten ? Hoe zullen wij er komen , daar Engeland
van alle toegangen meester is?
Ik herhaal. Koning en Vorst, mijne verknochtheid, mijn
eerbied, ik durf zeggen mijn liefde kennen geen palen , maar
zoodanig een tractaat kan en mag ik volgens eed , plicht en
geweten niet onderteekenen.
Ik maak ^^^^w zwarigheid mijne gevoelens voor lord Castle-
reagh open te leggen; dienvolgens zal ik mij aanstaanden
Maandag te Brussel bevinden en mijne opwachting bij Uwe
K. H. afleggen.
BI. 270 noot 78. In Van der Aa 's Biographisch woordenboek vindt
men mede herinnerd , dat Van Nagell de nadere regeling
in 1816 voor de overgave der West-Indische Koloniën
evenmin heeft willen teekeneu.
(a) Dit staat in 4e minuut; vetruUd zal wel bedoeld worden.
326 D£ SLUITING VAN UET LONDENSCU TKACTAAT.
BI. 270 noot 79. BI. 85 dl. II (dl. 10) van de bl. 244 vermelde
//Correspondence". — Contracted notians! Het spreekt van
zelf, zoo is het met alle //liberale"' beginselen der Engelschen
gegaan. Men is bekrompen^ als men hèn niet vrij laat
nemen. De wijze, waarop wij de West hebben verloren,
verdiende ten volle Van Nagell's verontwaardiging en
het paste allerminst een Engelsch staatsman hem daar-
voor een bekrompen man te heeten.
>r 271 noot 80. Bl. 156—159 dl. I van het sub 11 vermelde
werk over het leven van den generaal Prederik Von
Gagern. Deze was de zoon van den in den tekst bedoelde.
Het hier in herinnering gebracht incident met Von Ga-
gern kan men ook lezen op bl. 88 — 89 van het sub 4
vermelde (j/ö&artikel.
// 271 noot 81. De brief van Fagel dd. 9 Augustus 1814 bij
Tellegen 241.
» 272 noot 82. Bl. 48 van het sub 24 vermelde deel der Mé-
moires van Grovestins.
// 272 noot 83. V. D. 39 noot '). Men zie echter nog sub 96
hierna.
ff 272 noot 84. Fagel schreef nl. dd. 12 Augustus 1814 aan
den Soevereinen Vorst :
//Le Prince Regent me témoigua la part qu'il prenait
li Taccueil que S. A. fi. reyoit ^ Bruxelles et combien
il se réjouissait des belles destinées que la Providence
semble réserver & son illustre Maison dans le Gouver-
nement d'un Etat, qui va dévenir un des plus florissants
de TEurope entière. Le Prince et Lord Castlereagh me
ürent remarquer tous les avantages, que ce nouvel Etat
va réunir, et dont ce ne sera pas un des moindres,
quMtant pour ainsi dire ^ la portee de ce pays-ci , Tarmée
Anglaise entière pourra au besoin s'j porter ^ la moindre
apparence de danger. Lord Castlereagh fit Tobservation
que V. A. R. pourrait considérer toute cette armee comme
étant ^ sa disposition sans être ^ sa charge.'^
Tellegen 242 — 243. — De Grovestins dezen brief op
bl. 46 van het sub 24 vermelde deel der /^Mémoires//
wedergevende (echter in den aanhef gewijzigd) voegt er
VAN 13 AuausTiTs 181k 327
oudeugeud aan toe: //CMtaient \k saus doute de belles
promesses, inais ce fut une tout autre affaire quand il
fallut les réaliser/'
BI. 272 noot 85. Den brief dd. 13 Augustus 1814, waarbij Fagel
het tractaat aan Falck zond, vindt men opgenomen bij
Tellegen 243 en Van Deventer 39.
» 273 noot 86. Waarom de Engelsche regeering de geheimhouding
op zoo hoogen prijs stelde, is door Teilegen 129 — 130
met zorg uiteengezet.
'/ 275 noot 87. De brief van Malmesburj dd. 14 Augustus
1814 is opgenomen bij Van Deventer 42.
// 275 noot 88. BI. 210 der sub 30 vermelde //Brieven".
ff 277 noot 89. Besluit van den Souvereinen Vorst dd. 18 Au-
gustus 1814 La. E Geheim, houdende bekrachtiging der
Londensche Conventie van 13 te voren (B. Z.) :
Wij Willem, bij de Gratie Gods, Prins van
Oranje-Nassau, Souverein Vorst der Vereenigde
Nederlanden, enz. enz. enz.
Gezien de depêche van Onzen Ambassadeur bij het Hof
van Groot Brittanje, geschreven te Londen den 13" dezer
Sub n°. 2 en dienende ten geleide der Conventie op dien dag
door hem met Lord Castlereagh , Secretaris van Staat voor de
Buitenlandsche Zaken van het vermelde Hof aangegaan en
gesloten, ten aanzien der Koloniën, welke, gedurende den
afgeloopen oorlog, op Holland door de Engelschen veroverd
geworden en tot dusverre bezet gebleven zijn; alsmede de
drie geheime artikelen omtrent deze materie, in verband
met de bepalingen omtrent het lot der Belgische Provinciën ,
ten zelfden dage door voornoemde Staatssecretaris en Am-
bassadeur gesloten.
En bij examinatie derzelve stukken, gebleken zijnde, dat
de inhoud overeenkomstig is met de autorisatiën en instruc-
tiën successief, en laatstelijk op den 4®" dezer, aan den
Ambassadeur lage/ door Ons of Onzen twege gedaan;
Hebben besloten en besluiten de Conventie en drie ge-
heime Artikelen , in de premissen dezes breeder omschreven ,
te bekrachtigen en te ratificeeren, zooals die bekrachtigd en
geratificeerd worden bij deze; en mitsdien de instrumenten
in originalt^ waarin dezelven zijn vervat, te renvoyeeren aan
Onzen Secretaris van Staat voor de Buitenlandsche Zaken , met
32S DE SLUITING VAV HET IXINDENSCH TRACTAéT.
last, om de acten van ratificatie in gewonen vorm, daarop
in gereedheid te brengen, onder inachtneming, voor zoo
veel betreft de geheime artikelen, van de meest mogelijke
voorzorgen ter geheimhouding en om voorts die acten aan
Ons, ter onderteekening , aan te bieden.
Brussel, i8 Augustus 1814.
Willem.
Ter ordonnantie van Zijne Koninklijke Hoogheid
De Algemeene Secretaris van Staat
A. R. Falck.
BI. 278 noot 90. Üe brief dd. 19 Augustus 1814 vau den Staats-
secretaris aau onzeu Gezant (B. Z.) luidt aldus :
Votre lettre du 9^ (a) m'avait prévenu de la prochaine
conclusion d'un traite pour la restitution de nos colonies
sur les bases que Monseigneur vous avait autorisé a accepten
L'idée de séparer ce Traite en deux parties et celle de
réserver pour une convention ultérieure Tarrangement des
détails sur la navigation directe, sur les nouvelles fortifica-
tions , et sur la dette Russe , ont été goütées par Son Altesse
Royale et lorsque Farrivée de Monsieur Votre frère m'a mis
avant-hier dans Ie cas de Lui présenter les pièces impor-
tantes qu'accompagnait votre lettre du 13 de ce mois N<*. 2
(bl. 2J2) je n'ai pas tardé a donner l'ordre de les transmettre au
Département des Affaires Étrangères a la Have pour que
les actes de ratification y soyent dressés et présentés sans
délai a la signature du Prince. Ce sera probablement encore
Monsieur W. Fagel qui sera chargé de les porter aLondres,
mais je ne veux pas que Votre Excellence ignore jusques-la
la satisfaction que Son Altesse Royale a éprouvée en voyant
les soins qu'on a pris pour n*employer que des termes hono-
rables et tout-a-fait propres a alléger Ie poids du sacrifice,
devenu nécessaire par les circonstances.
Le Preambule surtout doit, dans ce sens, plaire même
aux plus difficiles. Je n'ai pas été moins content de voir
que dans les articles patens les colonies que nous ne réoccupe-
rons pas, paraissent réservées pour une disposition ulté-
rieure (d). Cela laissera subsister l'espérance chez les interesses
(a) Ik maakte melding van dit schrijven op bl. 271.
(b) Bedoeld wordt het slot van art. l van het tractaaat , waarin staat , dat ons
alles wordt terui^gcgcven behalve De Kaap, Demerary, Kssequebo en Berbice:
„of which pr)ssessions the high contracting parties reserve to themselves the right
to dispose by a suplcmcntary convention, hereafter to be negociated accor-
ding to their mutual interets."
VAN It AlKïüSTUS 1814. 329
et lorsque la cession effective deviendra publique l'effet en
sera adouci par Ia connaissance des avantages pécuniaires
et autres qui nous seront assurés rélativement a la Belgique
et qu'il sera permis de publier en même temps.
J'aurai une sincère obligation a Votrc Excellence de l'envoi
qu'Elle veut bien m*aJinoncer du mémoire sur ITle de Banca.
La valeur intrinsèque de cette ïle et Ie mérite de sa posi-
tion m'étaient depuis longtemps connus et avaient attiré mon
attention particuliere dans Ie temps oü j'étais dans Ie Dépar-
tement des Colonies (a), J'ignorais seulement que les Anglais
en eussent commencé Texploitation et je n'avais jamais
entendu parier de Mm/o-Town.
II est a peu prés superflu de dire que la cession du district
de Bemagore n'a pas donné lieu a la moindre rcflection. S*il
ne fallait quelque respect pour les préjugés populaires, je con-
seillerais Tabandon de tous ces établissements de terre ferme ,
enclaves dans TEmpire Indo-Britannique , toujours couteux
et doublement inutiles aujourd'hui que les Anglais viennent
de nous y assurer la liberté du commerce et Taccueil réserve
aux pavillons les plus favorisés.
Quant a la nécessité d*occuper Java avec un corps assez
considérable j Son Altesse Royale en était depuis longtemps
convaincue. Déja des préparatifs ont été ordonnés et des
ordres expédiés pour réunir des volontaires. On se flatte d'en
trouver un grand nombre; mais si eet espoir se réalise il
sera d'autant plus douloureux d'être privé des moyens de
transport sufBsants. La rareté des grands batimens de com-
merce, dont j'eus Poccasion de parier dans une dépêche
précédente, doit ie faire craindre (d).
(a) Falck was in 1808 tot Commissaris:Generaal voor de Koloniën, later tot
Secretaris-Generaal bij het Ministerie voor Marine en Koloniën benoemd geworden.
(b) Fagcl , voor het schrijven zijne voldoening in een brief van den 24«» Augustus
uitsprekende, heeft op deze laatste alinea den 25" particulier het volgende ge-
antwoord (B.Z.) :
„En réfléchissant depuis hier au passage qui termine votre depêche du 19e Aout
oü il est question du manque de vaisseaux, assez grand pour servir au transport
des troupes a envoyer a l'ïle de Java, Tidée m'cst venue si Ton ne pourrait pas
employer a eet effet quelques uns des vaisseaux de guerre, dernièrement tombes
en partage a S. A. R. a Anvers. Je ne sais si ce plan ne serait pas sujet dans
son exécution a des diflicultés de divers genres qui ne me sont peut-ctre pas
sufHsamment connucs; ce qui m'y a fait songer c'est que dans ce pays-ci des
vaisseaux de guerre ont plus d'une fois été employés a ce genre de service dans
des cas urgens. Quoiqu'il en soit, il m'a paru qu'il n'y avait pas d'inconvenient
a mettre en avant une idéé a laquelle je n'altache pas plus de prix, qu'elle ne
se trouvera mériter." — In een volgend artikel vind ik gelegenheid er op te wijzen ,
dat van dezen raad werd gebruik gemaakt.
330 DE SLUITING VAN HET LONDËNSCU TRACTAAT.
BI. £79 noot 91. Ziehier deu brief dd. 9 September 1814, waarin
onze Gezant aan den Minister Van Nagell de wisseling
der ratiiicatiën mededeelde en waarin tevens over de
openbaarmaking van het traetaat door de £ngelsche
bladen wordt gehandeld (B.Z.)
Hier 1'échange des ratifications de la Convention et des
articles secrèts du 13 du mois passé a eu lieu, ainsi que
Votre Excellence verra par Ie certificat ci-joint, signé, en
Tabsence de lord Castlereagh, par lord Bathurst, Secrétaire
d'Etat du Département des Colonies. J'avais re9u la veille
la lettre, dont copie est égalemement ci-jointe du Ministre
de Suède a cette cour pour m'annoncer que la Convention
annexée k nos articles secrets, telle qu'elle a été conclue
entre lord Castlereagh et lui, a été entièrement approuvée
par Ie Gouvernement Suédois.
A l'occasion de l'échange des Ratifications on m'a remis
Ie présent d'usage, consistant en une tabatière avec Ie por-
trait de Sa Majesté Ie Roi de la Grande Bretagne richement
entouré de brillants. Je prie Votre Excellence de vouloir bien
demander pour moi au Prince notre Souverain la permission
d'accepter ce présent.
Votre Excellence verra aussi par Ie re^u ci-joint qu'une
somme de £ 500 est destinée a la Chancellerie Hollandaise.
Suivant Tusage deux reimus semblables ont été signés, l'un
(ci-inclus) par Mr. Hamilton, sous-secrétaire d'État au Dé-
partement des Affaires Etrangères, l'autre par moi que Mr.
Hamilton a garde! En vertu de eet arrangement, qui se
pratique depuis longtemps a cette cour, les Chancelleries
respectives sont payées directement par leurs propres Gou-
vernements. C'est a Votre Excellence a décider quelle part
ma Secretairerie pourra avoir a cette libéralité.
Les Papiers Publics de ce Pays ont déja communiqué la
substance des articles patents du Traite. Je crois qu*il est a
désirer qu'on ne tarde pas trop chez nous a en publier Ie
texte , afin de prévenir que des notions imparfaites ou erro-
nées ne se répandent et ne s'accréditent a ce sujet.
Bij missive dd. 13 September 1814 antwoordt de
Minister, dat hij voor het geschenk en de gratificatiën
het noodige bij den Souvereinen Vorst verricht heeft,
terwijl hij omtrent de quaestie der publicatie van het
traetaat het volgende opmerkt (B.Z.) :
J'attends les ordres de S. A. R. relatiVement a la publica-
VAN 13 AUOXTSTÜS 1814. 331
tion du Traite patent concernant les colonies. V. E. voudra
cependant observer, qu'une pareille publication ne saurait se
faire avant que les ratifications soient connues.
Intusschen bespraken nagenoeg alle ËDgelsclie bladen
het tractaat , zoodat nog den 23° September onze Gezant
aan den Secretaris van Staat schreef: //Je suis tkché
que Tarticle inséré dans la plu part des papiers Anglais
au sujet de nos colonies ait devancé la publication des
articles patents du Traite."
BI. 280 noot 92. Zie de openingsrede op bl. 14 dl. 1 van de
Waal's //Nederlandsch-Indië in de Stateu-Generaar' (1860).
ff 280 noot 93. Den 2" Mei 1815 schreef Van Hogendorp aan den
Koning over de bezwaren , die de Belgische leden maakten
tegen het deelen in den Nederlandschen schuldenlast: be-
zwaren, die wellicht gedeeltelijk zouden weggenomen worden,
vleide zich V. H. , bij de wetenschap , dat België nu ook in
den handel op de koloniën zou deelen. En dan leest men op
bl. 95 van het sub 24 vermelde boekdeel van Grovestin's
Mémoires //M. Falck, dit M. Hogendorp dans sa lettre au roi,
m^a envojé h, ce sujet un mémoire très-remarquable. Les
principales raisons coutenues dans ce mémoire présupposent
la connaissance du traite de Londres relativement aux
transactions coloniales et k la reprise de la dette russe.
Tontefois, les membres de la commission des provinces
du Nord n'en ont pu encore été informés et les membres
des provinces méridionales n'en ont pas davantage con-
naissance. Votre Majesté trouverait-elle convenable que
je fisse k eet égard k la commission réunie des Commu-
nications confidentielles?"
Het was dus niet noodig, dat door Mr. Tellegen ten
deze verwezen werd , gelijk op bl. 130 noot 4 van zijn boekje
plaats vond , naar manuscripUmémoiTes van De Grovestins.
ff 280 noot 94. //Jaarboeken van het Koninkrijk der Nederlanden
door Martinus Stuart, Geschiedschrijver des Rijks, 1814"
(1818) bl. 391. — //De Handelingen van Sir James Brooke
op Borneo door D. C. Steijn Parvé" (1859) bl. 13. —
Tellegen 131.
ff 280 noot 95. De ^Uitgever" vergat volgens Van Hogendorp
332 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT
er toen de geheime artikelen aan toe te voegen, zoodat
die eerst in een later deel zijn opgenomen.
61. 272 noot 96. fieeds bij het schrijven dezer aanhaling rees bij mij
eene ernstige bedenking , die ik echter onderdrukte , omdat
het zijn bezwaar heeft zonder positief bewijs, twijfel te
opperen aan de juistheid van door schrijvers medegedeelde
aanhalingen ; doch telkens , ook onder de correctie , is de
bedenking weder boven gekomen, zoodat ik bij nadere
overweging toch beter vind, haar aan het oordeel der
lezers te onderwerpen.
Dat een geest vol man als H. Fagel in nagenoeg dezelfde
wijdsche woorden èn aan den Souvereinen Vorst, èn aan
den Minister zichzelven met de ouderteekening van het
tractaat geluk wenschte, trekt onwillekeurig reeds de aan-
dacht; doch laat het zich bovendien wel denken, dat
onze Gezant, bekend als hij was met Van Nagell's on-
tevredenheid, den Minister onbetamelijk sarrend, de
aangehaalde woorden nog toevoegde? Van Deventer zegt
ook niet bij welken brief ze door den* Gezant aan onzen
Minister werden geschreven ; evenmin ontmoette ik in
den lijvigen bundel- Van Nagell , op bl. 247 mijner
Inleiding vermeld, een brief als V. D. op het oog heeft.
Zou de schrijver zich ook vergist hebben met de woorden ,
die volgens De Grovestins aan den Souvereinen Vorst zijn
geschreven in een brief, dien de Minister daarna wellicht
van dezen heeft ontvangen en waarover Van Nagell weder
den Gezant schreef? De manier waarop de Minister dit
deed , schijnt er ook wel eenigszins op te wijzen , dat de
Gezant hem de bewuste woorden niet rechtstreeks had
geschreven ; immers de Minister meldt aan Fagel (bl. 277) :
A'Je voi8 avec plaisiri' dat gij u met de zaak geluk wenscht
m. a. w. '/Ik zie het uit de stukken ,'/ met name uit het
rapport van 13 Augustus, waarin de bewuste woorden
voorkwamen (bl. 272). Bovendien haalt Van Nagell juist
de woorden aan, zooals de Gezant ze voor den Prins
heeft bestemd , en niet , gelijk ze volgens V.D. , aan den
Minister zouden zijn geschreven , speciaal (lat de belangen
van het Oranje kim onafscheidelijk met die van Meder/and
zijn verhovde^i: eene betuiging, die inderdaad wel in een
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 333
brief aan den Prins zelven, doch bezwaarlijk in een aan
den Minister op hare plaats geacht kan worden. Inderdaad ,
hoe meer ik er over nadenk, hoe onwaarschijnlijker het
mij voorkomt, dat Fagel op de door V.D. bedoelde wijze
met den Minister zon hebben gecorrespondeerd. — Zoo
V.D. de woorden niet geput heeft uit Qrovestin's Mé-
moires, kan hij ze ook gelezen hebben in den brief-B.Z.
door mij op bl. 277 van Van Nagell aangehaald; de
Schrijver toch heeft het archief-B.Z. blijkens bl. VII van
zijn Voorwoord mogen raadplegen.
Wanneer nochthans uit den door mij niet gelezen
depêche van 16 Augustus 1814 N° 116, door Van Nagell
aangehaald ,. of uit een ander schrijven nader mocht blijken ,
dat ik in dit opzicht Van' Deventer ten onrechte heb
verdacht van eene onjuistheid, dan moge behalve de aan-
gevoerde gronden, bovendien tot verschooning strekken
zijn gemis aan nauwgezetheid in het algemeen, waarvan
ik in mijne Inleiding gewag maakte, en die ook uitkomt
in andere aanhalingen waarvan het onjuiste overtuigend
is te bewijzen; ik maakte er slechts in mijne Inleiding
niet uitdrukkelijk melding van, omdat de verkeerdheden
tot het wezen der zaak niet deden, en dergelijke fouten
een ieder weleens door verschrijving of onder het drukken
kunnen overkomen. Nu worde echter op de volgende
aanhalingen de aandacht gevestigd.
Hoek schrijft bl. 67 : //De vergoeding, kwam men overeen,
zou door Holland uit een zijner overzeesche gewesten
gegeven worden , waartoe later meer bepaald de West-Ind.
koloniën aangewezen werden." Van Deventer haalt deze
woorden op bl. LVIII noot 2 aldus aan : '/Tot de ver-
goeding voor Guadeloupe werden later meer bepaald de
West-Ind. koloniën aangewezen." — En ik zelf liep er
bijna in, door uit Van Deventer bl. LVIII in mijne noot
7 (bl. 284) deze woorden over te nemen, die volgens
den Schrijver^ zouden staan in een brief van Van Nagell
aan onzen Gezant dd. 8 Juli 1814: //Lord Castlereagh
comprendra combien il est dangéreux de faire voir ^
toutes les Puissances continentales , que les faibles moyens
de la HoUande Texposent ^ devoir se souiuettre ^ tout
ce qu'on peut exiger d'Elle. La protection, que Ton
334 DE SLUITING VAN HKT LONDENSCH TRACTAAT
espère de TAngleterre, pour être eificace, parait devoir
être bas<?e sur des principes de desinteresse ment." — Hoe
geheel onjaist echter deze woorden zijn aangehaald, kan
blijken uit mijne noot 51 , waarin ik den geheelen brief
deed afdrukken en bedoelde woorden blijkbaar in de plaats
zijn getreden van de laatste alinea dier missieve op bl.
305 — 306. — Ook de op de op vermelde bladzijde 805
voorkomend alinea 5 is in zoover niet goed door V. D.
aangehaald, dat Van Nagell schreef: ^/une colonie ^
cette même cote de Guiane"; terwijl men bij V. D. leest:
//une colonie sur la cote de Guiane".
BI. 259 noot 97. Mijne gansche verhandeling was reeds afgedrukt
en wachtte nog slechts voor het fiat afdrukken op de
toestemming van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken
voor het doen verschijnen der aan het archief aldaar
ontleende stukken, toen ik de gewone maandelijksche
vergadering op Vrijdag 2 April 1897 van de Maatschappij
der Nederlandscke Letterkunde te Leiden ging bijwonen,
speciaal om te hooren de aangekondigde voordracht van
den heer Mr. J. E. Heeres uit 's Gravenhage : ^De af-
stand der Kaap in 1814". Terwijl mijne bijdrage haar
ontstaan te danken had aan eene ernstige studie van de
Buiteubezittingen tijdens de overgave aan onze Commis-
sarissen-Generaal , waartoe ik ten slotte eene grondige
kennis van het tractaat van 1814 noodig achtte, bleek
de spreker van dien avond geheel hetzelfde onderwerp
ook met gebruikmaking van bovenbedoelde stukken te
behandelen, nochtans met dit belangrijk verschil, dat de
belangwekkende voordracht ten doel had te betoogen,
dat de grove gepubliceerde beschuldigingen , alsof Neder-
land indertijd De Kaap /'verkocht" zou hebbeu, ten
eeuenmale onjuist was {a), In dat betoog slaagde de ge-
achte spreker , naar het mij voorkwam , volkomen ; en in
(fl) De jongste beschrijver der , Geschiedenis van Zuid-Afrika" , George Mc Call
Theal (1897) was de historie getrouw, toen bij op bl. 193 het volgende deed drukken :
„In de omstandigheden waarin de nieuwe koning van de Nederlanden zich
bevond, had hij bijna geene keus, en dus werd er een overeenkomst met hem
gesloten, waarbij hij voor de som van zes millioen ponden sterling de Kaap-
kolonie en eenige HoUandsche provinciën in Zuid-Amcrika afstond aan Groot-
Brittanje."
tAN 13 AUGUSTUS 1814. 88^
zoover had op de vraag des Voorzitters, waarbij de ge-
legenheid tot discussie werd geopend , gezwegen kunnen
worden. Wijl echter reeds een paar weken later mijne
verhandeling, die in hoofdzaak dan toch dezelfde zaak
ten onderwerp had , zou verschijnen meende ik van mijne
belangstelling te moeten doen blijken, door niet alleen
het vorenstaande mede te deelen, doch tevens enkele
woorden over de lezing in het midden te brengen; zij
kwamen hierop neder.
Volkomen waar is het, dat wij Be Kaap niet «^ver-
kochten^^ ^ doch het wil mij toeschijnen , dat onze onder-
handelaars zwak zijn geweest, waar zij zich sterk hadden
kunnen toonen; mocht het geen resultaat gehad hebben ,
wij zouden dan toch tegenover de geschiedenis meer ver-
antwoord zijn geweest. Wat professor Tellegen aan Falck
toegeeft (bl. 18£ der Wedergeboorte) , dat het van Engeland
eene ongehoorde daad van edelmoedigheid ware geweest,
indien het al onze koloniën zou teruggegeven hebben (bl. £75
hiervóór)) kon ik mede toestemmen , te meer, zeide ik, wijl
overzeesche bezittingen in algemeenen zin genomen niet
2ulk nationale deelen van het moederland uitmaken , als naar
bestaande opvattingen, bij den vrede behooren te worden
verlaten , wanneer zij tijdens den oorlog bezet werden.
Doch men zou, meende ik, eeA althans voor het nageslacht
verdienstelijk standpunt ingenomen hebben, door er op
te wijzen , dat men bij het woord kohnxén diende te onder-
scheiden, dat toch De Kaap de éénige werkelijke ^eder-
landêche kolonie was, dat men aldus een stuk van ons
moederland voor immer wegreet , en dat zulke zaken zich
niet door geld lieten goedmaken. Een ernstig verzet zou
ons wellicht niets geholpen hebben : toegegeven ; maar
onder den indruk ddirvan zou- men zich dan toch wel
dubbel bedacht hebben, om ten slotte bovendien met
den afstand van die andere Nederlandsche koloniën aan
te komen, waaromtrent Van Nagell zich zoo verontwaardigd
heeft betoond; zonder vrucht, maar m. i. door eigen
schuld. — Voor zulk een onderscheid tusschen kolonie en
kolonie hadden toch onze staatslieden geen geopend oog,
evenmin voor de ondermijning van hun standpunt door
het grage aannemen van geld. Wij waren arm, 't is
0« Vol^r. UI. t23
I
336 DK SLUITING YAN HET LONDSK8CH TBAOTAAT
waar, en indien wij geld volstrekt wilden hebben, dan
hadden wij moeten doen , gelijk onze onderhandelaars
deden. Doch dat was geenszins — hetzij ter hunner eere
gezegd — het geval; zij stelden de geldqnaestie slechts
als alternatief; naar mijne opvatting is echter de fout
geweest, dat onze onderhandelaars niet inzagen, welke
ellendigen indruk wij aldus telkens moesten maken, hoe
wij aldus in weerwil van ons zelven van den eenen afstand
naar den anderen gedrongen werden : de op bl. 257 — 258
vermelde brief van Clancartj is er wel het meest sprekende
bewijs van. Nog ter elfder ure, toen reeds Castlereagh de
grondslagen van het tractaat als een ultimatum ons had
opgegeven en die dezerzijds waren aangenomen, kwam
Castlereagh waarlijk aan met den afstand van Bemagore
door ons; ook hierin berustten wij, maar voor geld. De
afstand werd opgenomen in een voor geheimhowHng bestemd
artikel van het tractaat van 1814 (bl. 273) en daarom
oordeelde men het niet noodig, ten deze die zachte om-
schrijvingen te gebruiken , welke men in acht genomen had
bij het prijsgeven voor geld van de Kaap en de West:
^omschrij vingen'' waarover wij ons bijna kinderlijk ver-
heugden (bl. 270, 272—273, 278), schijnt de indruk
van Castlereagh geweest te zijn. Ziehier echter de rauwe
redactie van de bepaling, waarbij wij een recht weder
prijs gaven, dat ons uitnemend nog later had kunnen
dienen :
Le petit district de Bemagore, situé pres de Ia ville de
Calcutta, étant nécessaire pour assurer Ia tranquillité et la
police de cette ville, le Prince d'Orange consent k cédei*
le dit district k S. M. Britannique centre le paiement aimuel
k S. A. R. d'une somme, qui au jugement de commissaires
è. nommer de part et d'autre, sera trouvée juste et raison-
nable eu égard aux profits ou revenu ordinairement per^u
par le gouvernement Hollandais , dans le district en question.
Werden nu bovendien landsrechten voor een particulier
inkomen, vervreemd? of is evenzeer hier S, A. K. ge-
lijkluidend met le gouvernement Hollandais i'
Hoe ook de gemoedelijke wijze, waarop alles plaats
vond, toont voldoende aan, dat men de zaken zoo niet
VAN 13 AUGUSTUS 1814. 387
inzag. En het is juist dat niet inzien^ waarin ik de fout
meen te moeten zoeken.
De in het vooruitzicht gestelde barrière-kosten enz.
drukten onze bewindslieden , in plaats van te denken ,
dat tijd gewonnen , hier voorloopig veel was ; en zoo ont-
leende zelfs een Van Nagell, die dan toch het verlies
van Demerary enz. als onherstelbaar beschouwde, niet
eens aan den ernst van zijn verzet de kracht, om te
adviseeren lord Castlereagh althans te doen weten, dat
wanneer zich de zaak tegenover Zweden in de door de
Minister bepaalde geldquaestie moest oplossen, deze dan
even goed kon uitgemaakt worden door ten onzen laste
naar evenredigheid Engelands bijdrage aan de Fransch-
Belgische vestingenlijn te verminderen.
Nog een ander punt heeft daarbij mijne aandacht ge-
trokken. Op bl. 273 en sub 22 deelde ik mede, dat wij
op verzoek van Engeland het auti-slavernij besluit namen
dd. 15 Juni 1814. Clanclarty in een schrijven van twee
dagen later vertelt aan Castlereagh hoe de zaak in den
Haag is toegegaan ; zij was ingeleid door Van Nagell ter
Kabinetsraad en deze had hem medegedeeld : ^i^that he
was impressed with the feeliug of so mething absurd in
the form , as well as substance , of a resolution , the
object of which might have been to prohibit the West-
ludiau colonies from a trade in slaves, at a time when
they were not in theirs, but in the possession of another
Power." — Welk eene ongezochte gelegenheid , zou men
onwillekeurig denken, om toen reeds vóór het nemen
van dat besluit, waaraan Engeland dan toch hechtte,
eene verklaring over het behoud van Guiana uit te lokken ,
op een oogenblik , dat hoogstens Berbice , maar nog geene
andere West-Indische kolonie gevaar liep!
In antwoord op de kortelijk door mij te berde gebrachte
bezwaren wees de waardige Voorzitter der Maatschappij,
professor Blok , op de groote hoedanigheden van A. R.
Falck; ik antwoordde, dat ook door mij die hoedanig-
heden in algemeenen zin gaarne werden erkend, doch
dat de handelingen over het tractaat van 13 Augustus
1815 ze niet aan den dag hebbeu gebracht. — Men vrage
zich bovendien eens af, welken indruk J|:iet op den vreem-
338 DB SLUITING VAN HST LONDENSGH TRACTAAT
deling moest maken, dat wij zijne redactie uitbundig
toejuichten, niet slechts van wege de preambule destrac-
taats, waartegen inderdaad niets valt te zeggen, maar
ook van wege art. 1 waarbij ons volk in de luren werd
gelegd: — dat was, al meende men het zoo ei^niet, het
oogmerk der redactie (bl. 276 en 328) houdende, dat
over de Kaap en de West /rthe high contracting parties
reserve to themselves the right to dispose bj a supple-
mentar j convention , hereafter to be negociated aocording
to their mutual interests/^
Ën eindelijk merkte ik op, dat men tegen het aan-
houden van De Kaap nog had kunnen doen gelden, de
vroegere befaamde bewaargeving door den Stadhouder
Willem V. Ik weet het wel, het zou eene pijnlijke her-
innering zijn geweest , doch eenmaal door nood gedrongen ,
hadde men zich daardoor niet moeten laten terughouden. De
geachte Voorzitter bracht terecht daartegen in herinnering
dat over die bewaargeving nog onderscheidene oorlogen
waren heengegaan , maar het wil mij voorkomen , dat het
aan ons niet was, de waarde daarvan te doen gelden.
Moest een betoog ten deze geen weldadigen indruk hebben
gemaakt op staatslieden , die voor zich zelven reeds hadden
erkend , dat Bngeland zich eigenlijk van De Kaap , Ceylon
en Cochin met onderhoorigheden doob yebbaad (sic)
had meester gemaakt? I Of schreef lord Malmesburj niet
in October 1798 aan lord Grenville over de onderhande-
lingen met ons te Kijssel : ^Je ne pouvais guère , il est
vrai, me dissimuler qu'elles n^avaient pas éié prises de
trop bon jeu, qu^elles se trouvaient ^ nous par un peu
de trahison, par ce qu^elles Tétaient par la connivence
d'une autorité, qui n'existait déj^ plus en Hollande, mais,
ce n'était pas de droit quMl s^agissait, c'était de préten-
tions." Hoek bl. 22 noot (5). En wat meer is, de j9f^ffi^«/!^
van het tractaat van 1814, door Castlereagh zelven ge-
steld en door ons als eene fraaie redactie gecomplimenteerd ,
erkende — zij het ook middellijk — dat de koloniën
eigenlijk in bewaring waren genomen ; onwillekeurig werd
dit door de £ngelsche staatslieden ook erkend, waar zij
onze afstanddoeningen telkens als sacrifices verklaarden te
beschouwen; en uitdrukkelijk had lord Minto bij de
YAN 13 AUQuaTUs 1814. 339
verovering van Insulinde bij proclamatie verkondigd, dat
de bezetting slechts viel te beschoawen als het verleenen
eener bescherming: zie noot 9.
Dit waren , zoo ik mij wel herinner , de opmerkingen ,
waartoe de belangwekkende voorlezing van Mr. Heeres
aanleiding gaf. Deze voordracht en de daarop gevolgde
discussie konden mij dan ook geene aanleiding geven,
nog eenige wijziging in mijne eigen verhandeling aan te
brengen.
FENDALL'S EN RAFFLES' OPVATTINGEN IN HET
ALGEMEEN OMTRENT HET LONDENSCH
TRACTAAT VAN 13 AUGUSTUS 1814
DOOR
P. H. VAN DER KEMP.
Blijkens een in de vorige aflevering voorkomend verslag van
Mr. W. Roosegaarde Bisschop, werd deze door het Koninklijk
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië
gemachtigd een onderzoek in te stellen naar de voor de Neder-
landsch-Indische geschiedenis belangrijke stukken in het archief
van het India-Office te Londen en tot het^oen vervaardigen van
copieën van die documenten, welke niet reeds in druk mochten
zijn verschenen of aanwezig waren in de archieven in Nederland. '
Blijkens het op bl. 195 medegedeelde, kwam als eerste resultaat
dezer werkzaamheid het Instituut in bezit van ongeveer 1^ riem
papier aan copieën.
Het bestuur van het Instituut deed mij daarop het verzoek na
te gaan, in hoever die stukken voor publicatie geschikt waren,
aan welk verzoek ik terstond heb voldaan.
Eéne missive publiceerde ik dientengevolge reeds in mijne
^i' Brieven van den Gouv. Gen. Van der Capellen enz.", voorkomende
in deze Bijdragen (6* volgr. , 2 dl. 1896, bl. 558); eenige andere
stukken kouden nog stof geven voor een afzonderlijk opstel over
/'De zendingen van Ibbetson en Anderson enz.'\ in de vorige
aflevering der Bijdragen openbaar gemaakt * ; doch overigens zijn
Bisschop's afschriften, voor zoover mijne kennis op het oogenblik
van de veelzijdige daarin behandelde onderwerpen reikt , slechts voor
publiceering geschikt , wanneer zij in het kader worden geplaatst van
geschiedverhalen, die op breederen grondslag zijn aangelegd dan
het laatst vermelde opstel ; in den regel toch zouden de studie en
publicatie niet altijd voldoende loonend kunnen heeten , wanneer
als hoofdzaak de openbaarmaking dier stukken moest beschouwd
f»« Volgr. lil. 24
342 FEXDALL^S EX EAFFLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN
worden. Altijd voor zoover ik er nu nog over kan oordeelen,
helderen zij zoo bijzonder veel niet op, geven zij niet veel nieuwe
gezichtspunten; zij kleeden echter de ons bekende geschiedenis,
als die betreffende Singapore enz. nader aan en als zoodanig ver-
dienen zij in ieder geval zeer de aandacht.
In de Office-stukken komt ook niets voor, dat in dit opstel op
zijne plaats geacht zou mogen worden ; een enkelen brief over
de positie van Cranssen en een oordeel over Elout*s onoprechtheid
heb ik er nochtans aan kunnen toevoegen , blijkens de noten 32 en
130. De verwikkelingen echter afzonderlijk te behandelen, waartoe
de overgave van Palembang, de Lampongs, Padang, Bandjermasin ,
Malakka enz. aanleiding gaf, wordt eenigszins lastig, wanneer men
aanstonds iedere bezitting afzonderlijk tot onderwerp neemt. De
indruk toch van het geheel wordt verzwakt , wanneer men niet eerst
de overgave in zekeren samenhang beschouwt en wel in verband
met de bepalingen van het tractaat, dat de bezittingen aan Neder-
land teruggaf: vandaar het in de vorige aflevering der Bijdragen
verschenen opstel over de sluiting ervan; vandaar ook het artikel,
dat hierbij wordt aangeboden.
In de administratieve bijzonderheden van den overgang der Oost-
Indische bezittingen wensch ik niet te treden; zij liggen buiten
het kader der meer algemeeue behandeling, dat ik mij heb voor-
gesteld. Brieven, waarvan ik de bron niet vermeld, zijn door mij
weder rechtstreeks aan de archieven ontleend. De noten zijn evenzeer
aan het einde der verhandeling geplaatst. Van Deventer's Neder-
landêch Gezag wordt aangewezen met de letters V. D.
Ten slotte zij opgemerkt, dat ik ook nu gelegenheid zal vinden
dit laatste werk door gewijzigde behandeling der zelfde onderwerpen
aan te vullen. Een paar punten kunnen reeds hier aangewezen worden.
Op bl. CLXXXV vv. deelt V. D. terecht mede , dat Raffles , inge-
volge eener aanschrijving dd. 5 Mei 1815 van de Directie der O. L
Compagnie te Londen aan den Gouv. Gen. , moest vervangen worden ;
zie hierna bl. 347. Hoe kon men echter in Engeland daartoe destijds
besluiten, is reeds meermalen gevraagd: hoe ook kon de Gouv. Gen.
er toe komen een opvolger aan te wijzen , die eerst te Batavia aan-
kwam , toen Nahuijs reeds daar voet aan wal had gezet om de komst
van C. C.G-G. te melden en dezen naar Java op reis waren?
Zoo de Compagnie vreesde, dat met BAffles' aanblijven haar
nieuwe lasten opgelegd zouden worden (bl. CLXXXVI), dit
bezwaar hield op te bestaan , waar hij niets meer te doen kon
OMTRENT HET LONDENSCH TllACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 343
hebben dan de bezittingen over te geven ; en zijne bekende anti-
Nederlandsche gezindheid gaf waarborgen genoeg , dat hem dan de
Compagnie's belangen wèl toevertrouwd zouden zijn. Daar het punt
mij , ook na de lezing der bl. LXIU vv. , niet voldoende duidelijk
was, wendde ik mij tot den heer F. C. Danvers, //Begistrar and
superintendent of Becords*' van Tie India Office te Londen, om
inlichting. Deze had de vriendelijkheid om mij afschriften te zenden
van twee door mij eenigszins aangewezen lastgevingen , die niet
alleen dat punt, doch ook eene ander belangrijke quaestie ophelderen.
Een dier brieven is gedateerd op denzelfden dag, dat boven
vermelde brief van 5 Mei 1815 afging; ik heb hem onder noot
17 wedergegeven. Daaruit blijkt, hoe weinig men in Engeland
verwachtte, dat de omstandigheden, door Napoleon's terugkomst
andermaal in het leven geroepen, van korten duur zouden zijn:
de Gouv. Gen. wordt uitdrukkelijk gelast om , nieUegenstaande het
iractaat van 1814, geene ' bevelen tot overgave te doen afgaan en
in verband mei dtn ie verwachten langen duur der aanhouding bevelen
zij tevens in den anderen brief, dat Baffles dient vervangen te
worden. De orders tot overgave, die, gelijk ik nader zal herinneren ,
door het Engelsch bestuur in December 1814 waren uitgevaardigd
en waarvan men de Nederlandsche regeering had mededeeling
gedaan, werden dm ingetrokken. Dit schrijven is steeds^ ook voor
onze bestuurders^ ioi dusver geheim geliouden; daardoor ligt over het
gebeurde in die dagen 'reen floers van geheimzinnigheid^^ gelijk
S. Van Deventer op bl. 254 dl. I van zijn /irLandelijk stelsel"
(1865) terecht opmerkt, en dat niet door zijn naamgenoot M. L.
Van Deventer in zijn "Nederlandsche Gezag" genoegzaam is weg-
genomen geworden , ofschoon deze Schrijver de zaak beter door-
zien heeft dan vroegere publicisten.
De vraag rijst nog of de bevelen, die volgens lord Bucking-
hamshire , Voorzitter van den Board of Control ^ , in December
1814 ter overgave waren uitgevaardigd, zoomede hunne nadere
intrekking, de luitenant-gouverneurs Baffles en Fendall op Java
hebben bereikt? Men zij bij het nagaan der data indachtig, dat
een brief tusschen Europa en Indië wel ^n half jaar onderweg
kon blijven en dat de door den Gouv. Gen. van Bengalen aan
Batavia te zenden bevelen nog ééwt maand noodig hadden , alvorens
zij hunne bestemming bereikten. Zoo b.v, werd blijkens bl. £49
dl. I /'Landelijk Stelsel", Napoleon's terugkomst in Frankrijk , die
op 1 Maart 1815 plaats vond, het eerst op Java vernomen in deu
544 rCXDAlX^S Eï BAffTUS^ OPTATTI^tGES IX HIT JLLfiUfIZX
lUQTjiSijr fan AasruitcLs d. a. r. , tenrijl men m^s aanDeaBen ^ Am met
di^* ti;J3n2' nryjTeel moeielijk luast lal 2i;D ?«'aiaakl:iooookhe<^ft de
G*>aT.-Gen. van Bennlen de nadere door hem ontraneen beTelen
Uit OTereafe, 21 December 1^15 van Londen eifda£teekend,e«i?t
den 2" Jani 1S16 te Caleotta ontvangen: en dexe den 11* Juni
1S16 per XaMjflftu naar BaUria gezonden *, welk sehip den 4"
Jali d. a. t. te Bataiia aankwam.
Xo schrijft Baffles particalier een brief, gedagteekend Boitenzorg
25 Xorember 1^15, aan een rriend. Dr. Hor?öeld , die voor onder-
zoekingen eene reis orer Jara deed: ^It is, perhaps , fortnnate
that JOQ arailed joarself of the present season, as we mar eer-
tainlj espect the Datch before the next , and I conelade that jon
will nov be prettv soon prepared for a trip to Enrope, happen
vhat maj, The transfer of these colonies being now no longer
donbtfnl. and there being fair gronnds for expeoting the arriTal
of the Dntch authorities in the spring of next jear , I am desirous
of making all mj arrangements for the Tovage home:...** — En
dd. 28 Febroari 1S16: ^rYon will, no doabt, have heard of the
expected chaoges in the administration of this colonj. It seems
the anthorities at home have no idea of its immediate resamption
bj the Dntch, and have been indueed to believe, that it ma? be
more economicallj managed than at present. Mv period of live
jears is nearly expired , and bv appointing me to the charge of
the settlements on the West coast of Sumatra, thev considerthev
have adequatelv rewarded mv services — be this as it may, it is
clear jon are to expect a new Govemor, (Mr. Fendall , who came
to India in 177S), in the course of the ensaing month, a new
Commander in Chief, Sir Wm. Keir, and a new ei vil member of
Conncil, Mr. Abrahams.^^ *
Uit de wijze, waarop hier Bafdes bericht: in den eersten brief,
dat men spoedig de Nederlanders kan verwachten; in den anderen,
dat men in Engeland schijnt te denken dat zij niet zoo spoedig zullen
komen, blijkt m. i. voldoende, dat Baffles noch stellige bevelen
tot overgave, noch contra-bevelen heeft ontvangen. Wat hij van
de aanstaande komst der Hollanders bericht, vloeide voort uit zijne
bekendheid met het tractaat van 1814; van stellige lastgevingen
zou hij zeker gesproken hebben, dunkt mij, indien ze door hem
ontvangen waren geworden.
Hetzelfde is het geval met Fendall. Als C. C. G. G. hem vragen
of hij dan geene bevelen tot overgave heeft ontvangen, dan wel
OMTRENT HBT LONDENSCH TRACTAAT VAN 18 AUG. 18x4. 345
tegeiibevelen , antwoordt hij positief: noch het een, noch het
ander; en als onze Vertegenwoordigers, hem niet vertrouwende,
zijn secretaris Assey ondervragen, of er dan geene bevelen 'op
Java ter zake zijn gekomen, antwoordt deze ook positief: noch onder
fiAfHes, noch onder diens opvolger! — Het zou alleen mogelijk
zijn, dat Fendall bij zijn vertrek van Calcutta particulier op de
hoogte is gesteld geworden; zeker is het, dat hij geen lust had
zich de benoeming te laten welgevallen met het oog op de spoedige
overgave van Java, doch dat de Gouv. Gen. hem daarop had ge-
antwoord: dal hij op zijn woord verzekeren kon ^ dat de kolonie nog
in geen twee jaren zou worden overgegeven.. Evenzoo heeft generaal
Grant-Keir, die in het laatst van Mei 1816 te Batavia aankwam,
verhaald, dat de Gouv. Gen. ook hem nagenoeg hetzelfde had
verzekerd, daarbij voegende: dat Nederland zooveel aan Engeland
schuldig was en men , v66r de voldoening daarvan , zeker de over-
gave niet zou doen ^, — Toch moet van het contra-bevel iets
uitgelekt zijn, wellicht door particuliere berichten uit Londen
aan ingezetenen op Java ; want in een brief van C. C. G. G. wordt
gesproken van een gerucht ^ volgens welk er een uitdrukkelijk bevel
bestond om onze bezittingen niet over te geven; maar als van
een gerucht, dat geen geloof verdiende y gelijk ik bl. 359 nog zal
mededeelen.
Ue komst van den majoor Nahuijs te Batavia dd. 5 Maart 1816,
die het eerst het bericht van de nadering onzer C C. G.G. aan-
bracht, vervulde Fendall met groote verwondering, zoodat hij dd.
23 Maart 1816 aan den Gouv. Gen. van Bengalen schreef ® :
'/From a letter brought by Maj. Nahuijs, it appears, that an cxpe-
dition sailed from Holland in the end of October last, for the
purpose of resuraiug possession of these Colonies, in pursuance of
the Convention concluded in August 1814 between Great-Britain
and the Netherlands. The intelligence , thus received on the^Öth
instant , was by no means expected on the Island. On the contrary,
it would appear that private advices from London in September
last had given ground to suppose, a considerable time was likely
to elapse before the transfer would take place. The nature of the
communication now received appears , however , to be sufficiently
authentic to warrant au expectation , that the Dutch Commissioners
may be expected to arrive in all next month , and we are anxious
to lose no time in bringiug to Your Lordship^s notice the very
delicate situation in which we may possihly be placed, if these
346 FENDALL 8 EN RAFFLES OPVATTINOEN IN HET ALGEMEEN
Commissioners should bring no [lositive instmctions from the
aathorities in England/^
Zie hier nu wat Van Deventer bl. LXIV — LXV schrijft:
Kort na de bekrachtiging van het toen gesloten Tractaat, richtte
onze Ambassadeur reeds de aanvraag tot de Britsche R^eering, om
mededeeling der bevelen , welke aan Raffles en de andere Gouverneurs
zouden gezonden worden, „relating.to the surrender of the different
establishments in the Ëast-Indias to the Dutch troops". Zooals men
weet, volgde daarop in December het bescheid, dat voorschriften tot
dat einde , met name aan het Gouvernement van Java , verzonden waren.
Hiermede niet tevreden, vaardigden de benoemde Commissarissen-
Generaal, mede in December, van 's Hage een schrijven uit aan
Raffles, waarbij zij kennis gaven van het gebeurde en tevens van de
voorgenomen uitzending der HH. Nahuijs c s. naar Batavia. De
onwetendheid , later door den Britschen Luitenant-Gouverneur van Java
aan den dag gelegd, kan dus niet anders dan voorgewend zijn. Er
bestaat te minder reden om daaraan eenig geloof te hechten, wijl
tegelijkertijd de Directeuren der O. I. Compagnie Raffles aanschreven
om, naar aanleiding van het gesloten traktaat, de Nederlandsche vlag in de
Koloniën al dadelijk op gelijken voet met de Ëngelsche te behandelen.
Er is echter volstrekt geen reden om aan te nemen, dat de
luitenant-gouverneurs Raffles en Fendall slechts onbekendheid
hebben voorgewend. Dat zij het zouden doen tegenover Nahuijs
of onze C.C. 6. 6. kan zich laten denken, doch wat zouden
zij er aan gehad hebben comedie te spelen in particuliere corres-
pondentie met vrienden , of in officieele met den Gouv. (Jen. ! —
Van Deventer teekent in de noten aan, dat de correspondentie
tnsschen onzen Ambassadeur en de Britsche regeering plaats vond
dd. 5 November 1814, dat het antwoord van deze aan C. C. 6. G.
werd medegedeeld dd. 15 December 1814, dat de gelijkstelling der
vlag aan BAffles werd bericht dd. 22 September 1814 ' , en dat
C. C.G. G. zelven aan Raffles hunne aanstaande komst en die van
Nahuijs c. a. hadden medegedeeld: doch op dit alles was gevolgd
het contra-bevel van 5 Mei 1815 en zoo aan het Gouvernement van
Java dit contra-bevel niet werd gezonden , dan heeft het ook geen
bevelen ontvangen, dat de overgave wèl zou plaats vinden. Hoe
alles op losse schroeven stond , blijkt ook uit Van Deventer's eigene
mededeeling in eene noot op de vlaggenquaestie , dat de aanschrijving
van 22 September 1814 eerst werd uitgevoerd op 9 October 1815
d. w. z. een jaar later! Bij Napoleon's terugkomst in Maart 1815
was inderdaad die zaak nog niet in orde, doch werd door den
OMTRENT HET LüNDBNSCH TRA.OTAAT VAN 13 AUG. 1814. 347
Bngelschen gezant onzen Minister van B. Z. verzekerd , dat de ver-
traging, die de teruggave der koloniën nu moest ondervinden,
op de bevelen tot gelijkstelling geen ongunstigen invloed zou uit-
oefenen; zie noot 16. Hoe ook, al zag BaiHes tegen geen streek
ten onzen opzichte op, in de quaestie der overgave heeft hij
evenmin als Eendall , zoover ik heb kunnen nagaan, onbekendheid
voorgewend van zaken, die hem wèl bekend waren. Ik moet er
echter bijvoegen, dat mij sommige punten ten deze onhelder zijn
gebleven; ik schreef uit dien hoofde den heer Dan vers op nieuw
om een paar stukken; nu mocht ik echter geen antwoord meer
ontvangen, ook na eene beleefde herinnering.
Nog een ander punt wensch ik toe te lichten.
In de overtuiging , dat de teruggave nog wel eenigen tijd zou duren,
schreef het bestuur der O. I. C. aan den Gouv. Gen. van Beugalen ,
den 5" Mei 1815 den navolgenden, op bl. 342 bedoelden, brief:
Whatever may be the result of the investigations of the charges
preferred against mr. RafHes, we are of opinion that his continuance
in the Government of Java would be highly inexpedient, and we,
therefore, desire that you would select forthwith from amongthe Civil
Servants of the Company some person of approved talent and integrity
to whom you can, with confidence, en trust the charge of that Colony ,
until the period shall arrive for restoring 'it to the Sovereign of the
Netherlands.
Van Deventer haalt hiervan slechts het eerste gedeelte tot het
inexpedient aan (bl. CLXXXVI noot 3) , waardoor het volstrekte
der lastgeving minder goed uitkomt ^. De Gouv. Gen. voldeed aan
het bevel door bij besluit van 8 December 1815 Fendall tot
luitenant-gouverneur te benoemen ®.
Leest men nu de //Memoir^' van Raffles' weduwe over dit on-
derwerp, dan komt men op een dwaalspoor; daar staat op bl. £69
der uitgave van 1830 en op bl. 293 dl. I der uitgave van 1835
het volgende:
Mr. Rafiles was at Ciceroa (Tjiseroa), when he heard that he was
to be relieved from the charge of tlie government. Though the mode
in which the intelligence was conveyed was most unexpected, it did
not affect his equanimity and composure. — Lord Minto had secured
to him the residency of Bencoolen, as a provision in case Java had
been transferred to the Crown, when of course a Governor and
Council would have been sent out from England. This appointment
was now offered to him , hut his health was so irapaired , his strength
so exhausted , that his raedical advisers considered it absoiutely necessary
'ji^ TESDAJuSê KS MArrVEB OFTATTINGES IV HET 4liGEMCE?(
ïor tbc presen'atioii of bis life, thal bc sbould proceod Ixi Euroj>e
without delai'- — As soon as il was asoertained tbal Mr. Fendal]
was appointed to succeed to tbc govemment . . , . tioI^ het Tterkaal der
üvergjove aan den nieuw benoemdm Goici^ermtur,
Het£^ dat de veduve niet op de boekte der XMk vas, betzij
dat bier een teer punt viel ie bebandelen , dat de Scbr^&ter liever
niet in zijn geheel wilde mededeelen, de g'cg-evene Toorst«lling
maakt een niet Tolkomen juisten indruk. Immers zooals men dit
leert, zon men zeg^gen , dat Fendairs komst eenvoadig een gevolg vas
van de administratieve hervorming, ingevolge welke Java e. o. eene
Kroonkolonie was geworden ; het besluit daartoe was inderdaad wèl
genomen , doch opgeêch^fH ^ blijkens den briefin noot 17 medegedeeld.
En ook zonder die ziekte had BaiSes naar Europa moeten gaan, daar
hij er zich te verantwoorden had ; dit was dus heel wat anders, dan dat
hen| Mm hei Benkoelenscbe residentscbap zou zijn aangeboden ! Raffles
deelt het zelf mede in zijn dd. 3 November 1824 geschreven en ook
toenmaals uitg^even ''Statement^^ gericht aan de Court of Direetort,
Men leest er toch bl. 29 in:
„In the course of tbc follou-ing year, 1814, the cbaiges preferred
by General Gillespic, already refeired to under tbc first head of
tbls represcntation , were received by your Honourable Court; in con-
sequence of wbicb you were pleased to intimate to the Bengal Go-
vernment, tbat my succession to Bencoolen would depend upon my
explainiiig satisfactoril\^ to that Govemment my conduct as affected
by th<jse charges." — En wijl Lord Moira zijne verdediging niet afdoende
vond, diende hij wel naar Europa terug te keeren, ten einde zich
aldaar te verantwoorden. „No opinion was, h o we ver, passed on the
charges in question ;" — vindt men nader vermeld op bl. 23 over het lot
zijner verdediging in Bengalen — „but my succession to Bencoolen
was made contingent upon my successfuUy refuting them. I stood,
therefore, condemned in my character of Lieutenant-Govemor , as
far as my measures of intemal policy were concemed; and before
the world , as a servant who had lost the confidence of his superiors ,
with a character tainted by aspersions, to which the extraordinaiy
silence of the Bengal Govemment gave some appearance of credit
In such a situation, my only altemative was to seek at the hands
of the highest authority, that honourable acquittal, which I was
conscious I should receive when the subject was fully investigated. To
stay in India was imp>ossible. With health impaired from arduous
duties in a climate proverbially fatal to European constitutions , and
imder circumstances of no ordinary kind , I proceeded to Europe , and
urged at your bands a judgment on my case."
OMTRRNT HET LONDENSGH TRACTAAT VAN 13 AUO. 1814. 349
Aldas vertrok Eaffles, na de overgave van zijn gouvernement
aan Fendall dd. 11 Maart 1816, naar Londen, waar hij den
16^ Juli aankwam. * ^
Van Deventer heeft terecht op sommige minder juiste voorstel-
lingen van de ^i'Memoir" gewezen (speciaal op bl. CLXXXVI noot
1), doch het hier vermelde punt omtrent de verandering in eene
Kroonkolonie onbehandeld gelaten.
Verder mag wel de aandacht gevestigd worden op den dubbelen
naam van lord Minto^s opvolger als gouverneur-generaal van Beu-
galen ; zoo leest men bij Van Deventer in de noten op bl. LX VIII
over brieven van ^Fendall aan Lord Moira, £3 Maart 1816",
^liord Moira aan Fendall, 18 Mei 1816^', /ir Markies Hastings aan
Lord Bathnrst, 19 Juni 1817'\ — Men moet nu toch eenigszins in
de Britsch-Indische geschiedenis bedreven zijn om te weten, dat
met Hastingi en Moira dezelfde personen worden bedoeld. Lord
Moira erlangde namelijk in 1816 wegens zijn gelukkigen oorlog
tegen de Goorkha^s den titel van (eersten) marHei van Hastings.
De herinnering schijnt te meer op haar plaats, wijl men er
onwillekeurig toe komt om met onze oppervlakkige kennis van de
Britsch-Indische gouverneurs-generaal bij het lezen van den naam
Hastings onder de stukken , te denken aan Warren Hastings , zooals
Schrijver dezes zich vergist heeft, blijkens bl. 49 van zijn /s^Hand-
boek tot de kennis van 's Lands zoutmiddel in Ned.-Indie*' (L894);
aan de hulp, die men ons toen van Britsch-Indië wel wilde
verleenen, herinnert nu juist Bisschop op bl. £03 van zijn in den
aanhef dezes genoemd verslag. De beroemde Warren overleed
weliswaar eerst in 1818, doch had reeds in 1795 het bestuur
nedergelegd. Gelijk Th^ Encyclopadia Britannica y voce Hastings,
opmerkt (1880), stonden beide gouverneurs zelfs in geenerlei be-
trekking tot elkander; om verwarring te voorkomen zal ik uit-
sluitend in mijne verhandeling van lord Moira gewagen.
I.
Volgens art. 15 van het vredestractaat , den 30" Mei 1814 te
Parijs gesloten *\ ontving Nederland, behalve de schepen en
arsenalen van Holland , waarbij die van Texel uitdrukkelijk genoemd
werden, nog een derde van de schepen, het geschut en de
scheepsbehoeften, die in de afgestane plaatsen, dus ook te Ant-
werpen, voorhanden waren: («'seront partagés entre la France et Ie
•350 FKNDALLS RN RAFFLEs' OPVATTINOEN IN HET AI/SEÜEEN
pajs OU les places soiit situëes, dans la proportion de deux tiers
pour la France et d'un tiers pour les Puissances auxquelles les-
dites places appartiendront"); terwijl onder die toewijzing aan
Frankrijk niet begrepen werden : ^les vaisseaux et arsenaux existans
dans les places maritiines qui seraient tombées au pouvoir des
Alliés antérieurement au 23 xivril, ni les vaisseaux et arsenaux
qui appartenaient A la Hollande , et nomméraent la flotte du TexeF' ' '.
Op die wijze werd Holland weder in zijne marine gezet; de
schepen werden herdoopt en ontvingen de namen , waaronder wij
ze in de Nederlandsch-Iudische geschiedenis dier dagen herhaal-
delijk ontmoeten , zoodat ze ons allengs als bekenden voorkomen ;
b.v. de Eendraehi ^ de Mana Reyger%herffei\ ^ de 4S/?kw , de WUheïmifuiy
de De Ruyier ^ de Braband^ de Everlsen , de Irene ^ de Amsterdam ^
de Prins Frederik^ enz.
Het materieel liet echter alles te wenschen over; vandaar de
jammerlijke ongelukken , die wij met de schepen ervoeren en die slechts
den spotlust der natiën opwekten , waar wij met gebroken dit of dat
katzwijm binnenvielen ; zoo mislukte reeds de eerste vreedzame expeditie
naar de Middellandsche zee van den schout-bij -nacht Tulleken ''.
Inmiddels werd alles in gereedheid gebracht voor de expeditiëu
ter overneming van onze koloniën in Oost en West. Voor Oost-
Indie had men eenc troepenmacht van 3000 K 4000 man gereed ouder
den generaal Anting * "* , terwijl de commissarissen-generaal Elout,
Van der Capellen en Buyskes in November 1814 voor de over-
neming werden aangewezen. Schenen er een oogenblik moeielijk-
heden te rijzen ten aanzien van het transport der troepen, wegens
het gemis aan geschikte koopvaardijschepen , men volgde in dit
opzicht den r<'iad van onzen Gezant te Londen, die er op waes,
dat men in Engeland wel de oorlogsvaartuigen voor troepentrans-
porten aanwendde '*. Ook het Britsch bestuur had zich beijverd,
naar het scheen , om de overgave zoo spoedig doenlijk te doen
plaats vinden. Lord Buokinghamshire berichtte toch onzen Gezant
in December 1814, dat de orders of warrant^ voor de overgave
der bezittingen behoorlijk aan de Engelsche autoriteiten waren
verstrekt geworden.
In al deze plannen kwam op eeue betreurenswaardige wijze
stoornis door de terugkomst van Napoleon. Het Engelsche geld,
voor de barrière ons toegezegd ; de troepen , die gereed waren naar
Indië te gaan ; de schepen , die daarvoor zeilree lagen : alles moest
nu aangewend worden om in de eerste plaats het vaderland on-
OMTEKNT HBT LONDBNSOH TRA.OTAA.T VAN 13 AUG. 1814. 351
middellijk weder te verdedigen. De Britsche gezant in den Haag,
Charles Staart, verzekerde in Maart 1815 onzen minister Van
Nagell Engelands hulp in ieder opzicht, daarbij nog uitdrukkelijk
voegende, dat de omstandigheden, waardoor de overneming der
koloniën vertraagd werd , volstrekt niet de goede bedoelingen zijner
regeering ten deze wijzigden '*. Maar de onzekerheid der toekomst
van een oorlog, door Napoleon's verlaten van Elba weder ontvlamd,
deed het niettemin de Engelsche regeering geraden achten omtrent
dezelfde koloniën contra-bevelen te geven, die de overgave ten
zeerste hebben vertraagd. Immers den 5° Mei 1815 schreef zij den
Gouv. Gen. van Bengalen aan, dat Java en onderhoorigheden niel
zouden worden overgegeven , zoolang de staat der zaken in Europa
onzeker bleef * ' ; den 24" d. a. v. gaf Castlereagh aan Fagel op
eene ter zake gedane vraag te kennen , dat de overgave om dezelfde
reden werd uitgesteld ' ® ; en den 28** berichtte de Engelsche
minister aan den Kussischen kanselier , dat , in het geval Nederland
andermaal zijne onafhankelijkheid verloor, Engeland niet slechts van
toegezegde deelneming aan de Russische schuld zou afzien ^but keep
the Dutch colonies into the bargain **.
De slag van Waterloo deed echter alle gevaren voor ons zelf-
standig bestaan verdwijnen, zoodat de toebereidselen voor de
inbezitneming onzer koloniën op nieuw aangevangen konden worden.
In 1814 had men het voornemen gehad, om de komst der door
den Souvereinen Vorst aangewezen Commissie-Generaal ter over-
neming van onze Oost-Indische bezittingen, tijdig te laten ver-
wittigen, speciaal ook om logies enz. ten behoeve der mede-
komende troepen in gereedheid te doen brengen. In verband
hiermede schreef de staatssecretaris Falck aan den directeur-
generaal van Koloniën Goldberg dd. 14 September 1814 bij de
kennisgave zijner benoeming tot departementschef : /-'Voordrachten
om het transport der 3000 man te regelen en om een paar
knappe menschen naar Batavia te zenden, zijn onder de eerste,
welke Z. K. H. van liet Departement van Koophandel en Ko-
loniën te gemoet ziet" ^o j)g keuze viel op de heeren Nahuijs,
Schulze en Asmus, die toch voor den Indischen dienst bestemd
waren. Voorzien van eene instructie, die nader de plichten hunner
belangrijke zending omschreef ^ ' , vertrokken zij met vele pas-
sagiers per koopvaardij , de Armus Marinus, in den voormiddag van
den 29"* December 1814 uit Hellevoetsluis , doch men leed reeds
ten half drie ure in den namiddag schipbreuk op eene zandbank
352 FENDALLS EN KArFT.ES OPVATTINOEN IN HET ALGEMEEN
▼oorbij Goereé, den Drempel genaamd, met het ongelukkig gevolg,
dat de lading geheel verloren ging; de passagiers werden met
moeite gered. -— Drie maanden hierna bevond zich Nahaijs weder
ingescheept, doch nu was Napoleon^s terugkomst van Elba oorzaak
dat de tocht niet doorging ''. Toen ook dit bezwaar niet meer
bestond, verzocht Nahuijs, om alsnog ter volbrenging der com-
missie naar Java vooruit gezonden te mogen worden. De Regee-
ring zag thans echter tegen de kosten op, terwijl zij overtuigd
was, dat de Britsch-Indische autoriteiten, dank het lange tijds-
verloop sinds de eerste mededeeling omtrent de komst der Generale
Commissie verloopen, voldoende voor de ontvangst der onzen
zonden gezorgd hebben. Nahuijs legde daarentegen door hem uit
Batavia ontvangen berichten over, waaruit bleek, dat niet slechts
de Britsche autoriteiten geenerlei maatregelen hadden genomen,
doch zelfs geschikte kazernen voor afbraak hadden doen verkoopen.
Onze Kegeering hechtte evenwel geene waarde aan deze berichten,
die zij overdreven waande, — ten onrechte naar later bleek —
en vond het goedkooper om de heeren Nahuijs, Schulz en Asmus
te gelijk met de voor Batavia bestemde troepen te laten vertrekken.
Nahuijs verzocht toen geheel op eigen kosten naar Java te mogen
gaan, en daar alle(^n de taak der drie commissarissen op zich te
nemen. Men stond hem dit toe , ofschoon geoordeeld werd , dat
hij daarmede eene gekheid beging! Aldus kwam deze den 5" Maart
181B reeds te Batavia, terwijl, zooals ik nader zal mede deeien,
O. C. G. G. eerst twee maanden later er voet aan wal zett'en:
een kostbare tijd voor Nahuijs, om nog zooveel mogelijk de ontvangst
der onzen voor te bereiden, wijl inderdaad niets daarvoor was
verricht, waartoe ook in onbekendheid met de veranderde omstan-
digheden volstrekt geene aanleiding had bestaan ^^.
Voor Hnffles was inderdaad het bericht eene bittere teleurstelling.
Hij had zoo gehoopt, dat Napoleon's terugkomst wijziging in het
tractaat van 1814 zou brengen door de kostbare koloniën voor
Engeland behouden te doen blijven ^*\ en nu was het oogenblik
te voorzien, dat hij weldra tot de overgave genoopt zou worden.
Eene nieuwe onverwachte gebeurtenis heeft dit weliswaar belet,
doch deze verhindering was van persoonlijken aard en evenmin voor
hem aangenaam. Had hij nog den 5" Augustus 1815 in zijne
vreugde over het mogelijk behoud der kolonie voor Engeland , ten
gevolge van Napoleon's terugkomst uit Elba, aan Kamsay ge-
schreven : "I have uo idea of returning to Europe while any-
OMTR1NT HKT LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 353
thing is to be done hereabout" — het bestuur der O. I. Compagnie
te Londen meende het daarentegen volstrekt noodzakelijk, dat hij
teruggeroepen behoorde te worden. Ik wees hierop bl, 347 , doch
wijl omtrent Baffles' ontijdig aftreden de mededeelingen niet vol-
komen helder zijn, zal ik in aansluiting met het reeds aauge-
teekende, de zaak eenigszins uitvoeriger verklaren.
Op bl. 247 van mijn voorgaand opstel deelde ik mede, dat in
1813 besloten was om Java en onderhoorigheden tot eene Engelsche
Kroonkolonie te maken. De luitenant-gouverneur Raffles moest
dan zijne betrekking verliezen; bij de velen in dienst van den
Kroon, zou toch de Gompagnie's. dienaar, gelijk ook waren de
legercommandant Nightingale (opvolger van Gillespey) en het raadslid
Hugh Hope (vervanger van Muntinghe, die in 1814 zijn ontslag
had genomen) voor ambtenaren van den Kroon moeten wijken. —
De gouv. gen. van Bengalen, lord Minto, voor Kaffles' belangen
tijdig willende zorgen , vond daartoe gelegenheid door het aftreden
van den heer Parker als resident van Benkoelen ^ ^ , een gewest ,
dat sinds de 17^ eeuw reeds eene Engelsche bezitting was. Baffles
toonde zich genegen als hoofd van dit gewest op te treden ^ ^ ;
dientengevolge gewerd hem het in noot £7 vermeld schrijven uit
Bengalen dd. 4 Juni 1813, waarin hem werd medegedeeld, dat
hij benoemd was tot resident te Fort Mariborough en dat hij als
zoodanig kon optreden, van het oogenblik dat hij ontheven werd
van zijne positie als luitenant-gouverneur van Java, dan wel die
betrekking nederlegde. Inmiddels fungeerde de heer G. J. Siddons
als resident van Benkoelen. — In October 1813 trad lord Minto
af, die niet lang daarna overleed, hetgeen Raffles, ook wegens
zijne persoonlijke belangen, zeer leed deed ^^.
Minto werd opgevolgd door den op bl. 349 vermelden lord
Moira, markies van Hastings.
De aftredende Gouv. Gen. had nog y66v zijn vertrek van Cal-
cutta, Baffles bij zijn opvolger aanbevolen ^ ^ ; doch deze aanbe-
veling bleek niet bestand tegen de ernstige klachten, die in De-
cember 1818 generaal Gillespey tegen onderscheidene bestuursdaden
van den Luitenant-Gouverneur inbracht'". Raffles' schriftelijke
verdediging werkte zóó weinig uit, dat zelfs lord Moira weigerde
hem in de gelegenheid te stellen zich mondeling te Calcutta te
komen verantwoorden ' ^ . Ook op de Courl of Direclors te Londen,
waaraan de Gouv. Gen. de beslissing had overgelaten, maakten
de beschuldigingen een bijzonder ongunstigen indruk; en daar het
354 PENDALL^S EN RAPFLES^ OPVATTtNOBN IH HET ALOBIIEEN
ingevolge van de op bl. 351 vennelde aanschrijving dd. 5 Mei 1815
nog wel zeer lang kon doren , alvorens de kolonie soa overgegeven
moeten worden, meende de Court^ dat men daarop niet kon wachten,
en werd alzoo de Goov. Gen. gelast hem te vervangen, gelijk ik
bl. 347 heb medegedeeld. Vandaar de benoeming van John Fendall
tot laitenant-goavernear van Java e. o. bij besluit van 8 December
1815, mede blijkens het op bl. 347 aangeteekende ; hem werd toe-
gevoegd als legerbevelhebber de generaal Grant-Keir, en als lid
van den Raad van Indië Th. Abrahams. In dat collie bleef in-
middels steeds het Nederlandsch lid Mr. W. J. Cranssen, die niet
den tact had gehad om gelijk Mautinghe tijdig zijn ontslag te
nemen, zoodat zijn naam voorkomt onder al de van het Engelsch
bestaar uitgaande hinderlijke stukken, die aan C.C. G. U. de
overneming der bezittingen zouden moeielijk maken. Het laat zich
begrijpen, dat het hersteld Nederlandsch bestuur niet aanstonds
genegen bleek om, evenals Muntinghe, Cranssen in eene aan-
zienlijke positie te gebruiken. Dat ergerde Baffles, zoodat hij er
zich bij de Britsche autoriteiten over beklaagde! '^
Het bericht van Fendall^s benoeming ontving Baffles geheel
onverwacht, en diens komst op den 8*^ Maart 1816 was voor hem
te pijnlijker, nu Nahuijs' verschijning het voor een ieder duidelijk
maakte , dat de dagen van het Engelsch bestuur geteld waren en dus
het bestuur der Compagnie wel zeer ontevreden over het gevoerd
beleid moest zijn, waar hij vervangen werd, niettegenstaande een
natuurlijk einde van het Luitenant-Gouverneurschap toch zoo
spoedig ophanden was. Gelijk ik op bl. 349 mededeelde, gaf
Raffies den 11° Maart, dus zes dagen na Nahuijs* komst, het
bestuur over.
Doch ook voor Fendall was , blijkens het op bl. 345 aangeteekende,
het bericht van Nahuijs even onverwacht. Nadat deze het doel zijner
komst medegedeeld en een brief van £lout den Luitenant-Gouver-
neur aangeboden had, werd hij verzocht den 15° Maart in de
Britsche raadzaal te komen, om daar nadere inlichtingen nopens
het vertrek van C.C. G. G. te geven. Fendall schreef den 23"
Maart dientengevolge naar Bengalen om inlichting (bl. 345).
Het antwoord van den Gouv. Gen. dd. 18 Mei 1816 luidde
echter, dat geenerlei bevelen uit Engeland waren ontvangen.
Intusschen vond lord Moira in het bericht aanleiding om alvast
den Luitenant-Gouverneur van Java, den Gouverneur van Penang
en den Resident te Amboina instructiën voor de oveigave van Java
OMTRENT HET LONOENSOH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 355
e. O. , Malakka en de Molukken te zenden , daar bij wel begreep ,
dat nu de bevelen tot de overgave spoedig verwjicht konden worden ^ *.
In dezelfde maand, dat dit antwoord werd geschreven, ver-
schenen de Nederlandsche schepen met de Generale Commissie op
de reede van Batavia. C. C. Q. G. hadden bij brief dd. 15 De-
cember 1814 van onzen departementschef voor de Koloniën het
bericht ontvangen, dat, gelijk ik bl. 350 mededeelde, aan onzen
Gezant te Londen door lord Buckinghamshire verzekerd was de
bevelen tot overgave aan de Britsche autoriteiten in Indië waren
afgegaan ; doch nu er sinds zooveel tijd over henen was verloopen ,
vroegen zij vóór hun vertrek om nieuwe stukken ; Fagel kon echter
dd. 8 October 1815 onze Kegeering slechts melden : //que les warrants
pour la remise des colonies venaient d^être signés^\ Maar de stukken
lieten op zich wachten , hetgeen tengevolge had , dat toen den 29^
October 1815 Elout en Buyskes op de Evertsen en Van der Capellen
op de Amsterdam^ vergezeld van de Braband^ de De Kuyter^ de Maria
Ueygershergen , de Ir'ti en de ^pion de reede van Texel verlieten , het
geval zich juist voordeed, hetwelk Fendall , blijkens het bl. 345-346
medegedeelde , gevreesd had , namelijk van //no positive instructions
from the authorities in England" bij zich te hebben ''**. Trouwens
hetzelfde deed zich voor bij de expeditiën , die voor de overneming
naar de andere bezittingen eenige weken later vertrokkene^'. —
Bij koninklijk besluit van 10 November 1815 werd Fagel nog-
maals opgedragen het Engelsch bestuur over het uitblijven der
stukken te interpelleeren , ten gevolge waarvan zich onze Gezant
den 13° tot Castlereagh richtte met het verzoek om de warrants;
zij werden echter eerst den 20" November 1815 geteekend ^^, Ue
origineelen ontving daarop Fagel, waaraan wellicht moet worden
toegeschreven, dat de Britsche regeering met de verzending van
de afschriften aan den Gouv. Gen. van Bengalen zoo weinig haast
maakte. Immers eerst den 21° December 1815 verzond men ze
uit Londen; de stukken kwamen te Galcutta den 2° Juni 1816
en werden toen ten spoedigste, nl. den 11° d. a. v. , door lord Moira
aan Fendall gezonden''. Trouwens over en weer is met groote
onverschilligheid omtrent deze gewichtige aangelegenheid gehandeld ;
karakteristiek is het, dat in de warrants was vergeten op te nemen,
niet dat wij Cochin en onderhoorigheden moesten afstaan , doch wèl dat
wij er Banka voor in ruil verkregen I ' ^ Het blijkt echter niet , dat
Fendall hierin een voorwendsel heeft gezocht , gelijk Raffles vermoede-
lijk wel zou gedaan hebben, om tegen de letter van het tractaat, het
356 FCNDAIX^S KX MATFUSS* 0PTATTIN08N I2f HCT ALaEXEKN
eiUnd aan te houden ; vellicht verd het stuk echter n(^ ▼erbeterd.
Maar ook met de aEeending der stukken aan ome antoriteiten ging
men met onbegrijpelijke langzaamheid , onverschilligheid mag men het
wel heeten, te werk. Aangezien de expeditie den 29" Octoberl8l5
Texel had Terkten en den 20" November d. a. t. de warrmnts waren
geteekend, zouden C. C. O. O. nog zoo kng niet op de stnkken gewacht
behoeven te hebben, indien slechts eenige spoed was betracht;
de moeielijkheid scheen echter in de gelegenheid tot verzending
te bestaan. Nu waren de Bralamd en de Maria Itejgertbergen ^Yiori
nadat het eskader was in zee gestoken, op dien zelfden reeds meer
dan eens voor onze schepen noodlottig gebleken Drempel geloopen ,
waarvan ik op bL 352 gewaagde. Met dit onheil opende zich
bovendien voor de expeditie eene reeks van tegenspoeden '*. Zwaar
beschadigd liep het eene schip te Portsmonth, het andere te Fal-
month binnen. Men vleide zich intusschen met eene spoedige
herstelling en zoo werden de warrants aan de Braband toevertrouwd.
Bij nader onderzoek bleek echter , dat dit schip voorloopig de reis
geheel moest staken *^\ waarom Fagel aan deu secretaris van staat
Faick dd 19 Januari 1816 machtiging verzocht tot het verzenden
der stukken met de Maria Reygeribergen ^ ' . Het blijkt niet , dat onze
autoriteiten zich eeuigszins over die warrants ongerust maakten. Falck
antwoordde slechts dd. 26 Januari 1816, dat de Koning de vooi^e-
stelde verandering goedkeurde. Dientengevolge zond onze Gezant, die
den Commandant der Maria Reijgerêbergen verzocht had op zijne aan-
wijzingen te wachten, dd 1 Februari 1816 het ongelukkige pakket aan
deu kapitein Van der Nypoort , onder mededeeling , dat het «rpapieren
van aangelegenheid^^ bevatte en met verzoek om het «"onverwijld*^ bij
aankomst te Batavia aan het adres van den schout-bij-nacht Buyskes
te bezorgen. /^Na ontvangst dezer derhalve" — besloot het schrijven —
'^is er niets dat UWelEdGestr. verder behoeft of behoort op te
houden of deszelfs vertrek te doen uitstellen , zoo rasch UWelEdGestr.
onderhebbeude bodem in staat zal zqn de begonnen reis voort te
zetten. . . ^ Maar den 6*^ Februari 1816 antwoordde de Comman-
dant, dat dit niet spoedig kon plaats vinden! ^Men is bezig'* —
lichtte hij in — ^dit schip aan stuurboordzijde te koperen , hetwelk
aan bakboordzijde nog moet worden verricht.** Inderdaad eerst . . .
den 26" Mei 1816 kon het schip Engeland verlaten, en toen
slechts om half ontredderd de Kaap te bereiken. Ten gevolge van
al dezen tegenspoed verscheen de Maria Ret/ger%hergen eerst den
26° October 181G op de reede van Batavia, dus een jaar nadat
OMTRENT HET LONDENSCH T&ACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 857
zij Texel had verlaten. De medegebrachte stukken waren nu van
geen nut meer. Onze zuinigheid had weder de wijsheid bedrogen;
want met het ijlings afhuren van een schip om de warrants naar
Batavia over te brengen , ware eene kostbare vertraging in de over-
gave voorkomen en zouden bovendien aan C. C. G. G. heel wat
onaangenaamheden zijn bespaard.
II.
Inderdaad zoo C. C. G. G. alles hadden geweten , dan zouden
zij, inzonderheid Elout, meer recht aan den Britschen Luitenant-
Gouverneur hebben doen wedervaren , zich niet zoo zeer door diens
weigering tot overgave hebben doen ontstemmen. Nu wisten zij
slechts van lord Buokinghamshire^s mededeeling van 1814, dat
bevelen tot overgave waren gegeven , niet dat ze bepaaldelijk waren
ingetrokken; zij namen het Fendall kwalijk, dat hij aan hunne
verzekeringen omtrent het bestaan van dergelijke oude bevelen
geene waarde hechtte, terwijl zij zelven zóó overtuigd waren
geweest van het onvoldoende dier stukken, dat zij vóór hun ver-
trek nadere opdrachten hadden verzocht. Zij wantrouwden Fen-
dall, die van bevelen tot overgave evenmin als van intrekking
iets beweerde te weten, in zijne mededeelingen en speurden zelfs
bij diens secretaris Assej na: of het wel waar was, dat geene
lastgevingen waren afgekomen! Bij wien ook de schuld mocht ge-
zocht worden, zeker in dit opzicht bij Fendall niet; ware Elout
in diens plaats geweest, hij zou de laatste man gebleken zijn
om anders te handelen. Niet geheel ten onrechte nam dan ook
de Gouv. Gen. van Bengalen in zijn sub 33 vermelden brief
aan lord Bathurst de verdediging van zijn Luitenant-Gouverneur
op zich over het door C. C. G. G. aan dezen ten laste gelegde ,
als zou hij de overgave opzettelijk hebben vertraagd.
//On the arrival of the Commissioners of the King of the Ne-
therlands at Batavia" — merkte hij op — //it appeared that con-
trarj to the expectation , which had been raised by the original war-
rant^, having been given to the Dutch minister in Londen,
those getlemen did not possess the warrants or anj instructions
from any authoritj addressed to the British Government of Java
foT the restitution."
Den 26" April 1816 kwam de Evertsen raet Elout en Buyskes
aan boord te Batavia; aan de C.C. werden de verschuldigde eer-
6« Volgr. m. 25
358 VRNDALL's EK KAVFLEs" OPVATTINOKX in het AU3E1CEEN
bewijzen betoond; de Goavemementssecretaris geleidde ze naar
Fendall's woning. Bij brief, gedagteekend Rijswijk 80 April 1816
deelden zij het doel hunner komst en de volmachten, waarvan zij
voorzien waren, mede.
De Luit. Gouv. antwoordde geenerlei bevelen tot overgave te
hebben ontvangen ; hij verklaarde zich niettemin bereid tot het houden
eener conferentie op den 2" Mei. Daar toonden Ëlout en Buyskes
/rleedwezen" , ^verwondering" over het ontvangen antwoord ; zij
vroegen of dan de orders, die de Britsche regeering in December
1814 gegeven bad , waren ingetrokken. Fendall verzekerde dat hij van
niets wist , noch van gegeven , dus evenmin van ingetrokken bevelen ;
hij had eerst door Nahuijs^ komst van de. zaak vernomen en hier-
van, onder toezending van den op bl. 354 vermelden brief van
Ëlout , bericht gezonden naar Bengalen. — C. C. bleven aandringen ,
zich liefst beroepende op art. 5 van het Londensch tractaat van
13 Augustus 1814, houdende dat binnen 6 maanden na de rati-
ficatie de overgave moest geschieden; het wekte hunne ^i^verbazing",
dat nochtans bezwaar tegen de overgave rees! — Doch was er
niet evenzeer reden tot verwondering , dat men zich van onze zijde
beriep op eene bepaling, waaruit veeleer een argument voor
verjaring van het gansche tractaat kon geput worden? — Fendall
herhaalde slechts , dat hij nog meer verwonderd was dan CC,
dat hij ook van de data der verstrekte volmachten, zoo ver ver-
wijderd van die der conventie, niets begreep. Hij herhaalde zijne
weigering, doch verzekerde andermaal, bevelen van Calcutta te
hebben gevraagd.
Aldus werd de eerste conferentie in groote ontstemming opge-
broken. Van Elout^s zijde hoogst onverstandig. In plaats van met
goefU gratie te herudiifi ^ gelijk Falck als een wijzen leefregel zeide
te betrachten , in omstandigheden , waaraan niets te veranderen
viel ••2, boden C C den dag na de conferentie eene nota aan,
waarin zij eene onverwijlde ten uitvoer legging van het tractaat
vorderden en ten sterkste tegen elke vertraging protesteerden. Hier-
mede vangt aan die reeks van //krachtige'^ en in den regel
^plechtige" protesten ^ die, zoowel de hoogere als lagere ambtenaren
in de tijden, die nu volgen, onophoudelijk tegen elkander wisselen,
en die zoowel door hunne menigvuldigheid als door den bijzon-
deren vorm van sommigen , dikwerf een eigenaardigen vermakelijken
indruk opwekken.
Ëlout's gemoedstoestand, die hem tot een bedenkelijk optreden
OMTURNT HET TiONdÈNSClt TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 359
tegeuoyer het Britsch bestuur verleidde , blijkt helder uit zijn ver-
trouwelijk schrijven dd. 30 Mei 1816 namens C. C. G. G. aan den
departementschef voor onze Koloniën gezonden, /rintusschen is
het zeker" — merkte hij ten onrechte op ** — //dat men
alle oorzaken en middelen, die tot vertraging leiden kunnen,
immers hier, reeds lang opgezocht heeft; zulks blijkt uit de brief-
wisseling bij ons officieel rapport gevoegd. De oudheid der tractaten,
de veranderde omstandigheden in Europa, en dat wel op dit
oogenblik, bij te brengen, is een zeer grof voorwendsel, en het
zou welhaast leiden tot geloof van hetgeen hier sub rosa verhaald
wordt, dat waarlijk hier de orders van 1814 (welke dan die zouden
moeten zijn, waarop lord Buckinghamshire in zijn antwoord aan
onze legatie te Londen doelt, 't welk ons door UHEdGestr. bij
missive van den 15 December 1814 officieel is medegedeeld) ge-
komen waren , doch dat tusschen de Fleeren Moira en Raffles , na
de landing van Napoleon besloten was, daarop niet af te gaan.
Wij kunnen echter nauwelijks gelooven, dat dit zou waar zijn,
daar niet alleen de Luitenant-Gouverneur Fendall stellig verklaard
heeft , dat hier geene orders hoegenaamd voorhanden waren , maar
ook de Secretaris Assey, op mijne zeer categorische afvrage, zeer
stellig geantwoord heeft, namelijk: l^'. of ook gedurende zijne
bediening eenige orders waren gekomen? Neen. 2^ hoe lang hij
die bediening reeds waargenomen had? Sedert het begin van het
Provisioneel gouvernement. 3**. of er ook eenige contra-orders ge-
komen? Neen, noch orders, noch contra-orders." "*••
Men kan zich wel voorstellen, dat Fendall onder het betoonde
wantrouwen zijne oorspronkelijk welwillende houding niet lang
volhield. Zoo hadden o. a. Nahuijs en C. C. geene tegenwerking
ondervonden in het onder dak brengen der troepen, die met de
Evertsen waren aangekomen ; doch toen ook de Amsterdam met den
gouv. gen. Van der Capellen den 10" Mei 1816 op de reede
kwam, werd voor de onverwijlde ontscheping der troepen geene toe-
stemming meer gegeven; Fendall liet weten, dat de zaak op eene
conferentie, die hij tegen den 13" vaststelde, zou behandeld
worden. Voor de manschappen, die reeds zoovele maanden de
ontberingen van eene eindelooze reis hadden ondervonden, moest
dit wel eene bittere teleurstelling zijn : doch het hielp niet ,
dat C. C. op den gezondheidstoestand , welke eene dadelijke ont-
scheping wenschelijk maakte, wezen; evenmin dat wij te kennen
gaven, dat het Engelsche kabinet ten onzen opzichte niet van
-360 FSXOALLS E!f RAPFLE9 OPVATTIKGEX IX UET ALGEMKEX
meening veranderd wa^ en dat das — welk eene gevolgtrekking!
— de bewering van het Britsche tusscheubestanr omtrent de
mogelijkheid , dat er geene orders tot overgave gegeven zouden
zijn geheel op losnen grond êieunde ! — De conferentie voiid op den
bepaalden dag plaats; men kan zich voorstellen in welke stemming.
C. C. moesten eene verklaring teekenen , die hierop uederkwam ,
dat het toelaten der troepen geene erkenning van overgave der
bezittingen inhield ^*. Deze regeling was te fataler, wijl bij ieder
nieuw aankomend troepenschip de formaliteiten der toestemming
moesten vervuld worden en welke vergunningen , als bij de komst
op 21 Mei 1816 van de i)e Ruif ter eerst na aanzienlijke vertraging
konden verkregen worden , doordien de Luitenant-Gouverneur
Batavia verliet voor een tocht naar de binnenlanden! Het was
zeker niet vriendelijk van Fendall om te midden van omstandig-
heden, die telkens zijne persoonlijke medewerking vorderden,
Batavia te verlaten , ja tot ergernis van C. C. nog een reisje door
de Preanger te maken * * ; de vraag rijst echter of Fendall niet
anders zou geweest zijn, indien men onzerzijds meer recht aan
zijne bedeukingen had laten wedervaren.
Het Britsch bestuur begon nu bovendien maatregelen te nemen ,
die ^s Lands middelen voor de toekomst ten onzen nadeele troffen.
£r in geen geval aan twijfelende, dat binnen min of meer korten
tijd het uur der overgave zou slaan , liet men kostbaar hout haastig
kappen, verpachtingen vóór den gewonen tijd houden, enz."*'.
C. C. konden in de officieele courant dergelijke maatregelen aan-
gekondigd zien ; doch wijl zij niets hadden te zeggen , stonden zij
er machteloos tegenover; nochtans brachten zij hierover ernstige
aanmerkingen in; waardig zwijgen zou m. i. beter geweest zijn ***.
Den 16** Juni 1816 ontving de Luitenant-Gouverneur uit Londen
eene missive , houdende bericht van het vertrek onzer C. C. G. G.,
van hunne volmachten tot overneming der koloniën, van de war-
rants, die ons bestuur waren gegeven, en van de afschriften, die
naar Calcutta waren gezonden. Voor eene nadere behandeling dezer
mededeelingen stelde Fendall bij brief van den 18" d. a. v. eene
conferentie aan C. C. G. G. voor op den 20" Juni 1816. Meenende
dat dit het einde zoude zijn van het status quo, begaven zij zich
vol illusie ter vergadering; doch nieuwe teleurstelling en ergernis
volgden. De Luitenant-Gouverneur verklaarde eenvoudig, dat hij
als ondergeschikt aan Bengalen, yan daar eerst de bevelen tot
overgaaf moest ïifwachten : een bezwaar, hetwelk in zichzelf natuurlijk,
OMTRENT HET LONDBNSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 361
niet meer ernstig gemeend kon zijn, nu toch de Gouv. Gen. dd.
18 Mei, blijkens het op bl. 354 medegedeelde , bereids instructiën
had verstrekt voor het geval de bevelen tot overgave zouden
komen *^. Fendall verklaarde overigens dat in de ontvangen stukken
voldoende aanleiding was om te verwachten , dat de bevelen tot
overgave spoedig zouden volgen, waarom hij zich althans bereid
verklaarde , tot het maken van voorhopge schikkingen. Nieuwe ver-
bazing onzerzijds! C. C. G. G. schenen zich — en niet zonder
grond — gevleid te hebben, dat op de ontvangst der bevelen
onmiddellijk de verwisseling der vlaggen zou volgen en nu sprak
men van voorafgaande schikkingen ! "> " Onaangename discussiën
ontsponnen zich ; men ging onverrichter zake huiswaarts onder af-
spraak , dat van Engelsche zijde de punten op papier gesteld zouden
worden , waarop men dan dezerzijds schriftelijk kon antwoorden ^ ^ .
Aldus zijn wij in de phase getreden , dat inderdaad Fendall
minder haast ging maken om tot de overgave te komen dan wel
gekund had; maar, zeide zijne dochter niet onaardig aan den heer
Steijn Parvé, toen deze Caicutta een bezoek bracht en het punt
der vertraagde overgave aanvoerde , men vergete niet : vdat degene ,
die een onschatbaar juweel moet overgeven^ nooit zooveel haast heeft,
ah hij y die in het bezit daarvan wenscht te komen''' ^^,
De indruk , dien C. C. G. G. van de houding der Britsche be-
stuurders kregen, was dat dezen, in hunne teleurstelling wegens de
verplichting tot overgave van zulke kostbare bezittingen , trachtten
tijd te winnen , in de hoop dat eene of andere onverwachte gebeurtenis
alles nog ten goede zou keeren ; en dat toen de overgave van
Java niet langer kon uitgesteld worden , het kostbare Bauka met
Palembang om dezelfde reden nog zoo lang mogelijk moest aan-
gehouden worden. ^De Engelsche regeeriugsleden , zoowel als de
bijzondere personen dier Natie, welke zich in deze gewesten be-
vinden, zijn" — schreven C. C. G. G. dd. 9 October 1816 aan het
Opperbestuur — "zeer ontevreden over de teruggave van alle de
Indische bezittingen aan Nederland , maar vooral ook over den
afstand van Banka , en schrijven over het algemeen dezen afstand
toe aan onkunde van het Europeesch Britsch Gouvernement omtrent
de belangrijkheid van die bezittingen ; en zij vleien zich nog altijd
dat er eens eene goede gelegenheid zal komen om die bezittingen
terug te bekomen; bijzon derlij k is dit waar voor Palembang en
Banka" '^ ' .
De op de conferentie van 20 Juni 1816 toegezegde voorstellen
362 FSNOALLS Eli RAFFLKS OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN
hadden C. C. reeds in hun ongeduld den volgenden dag verwacht ^*.
Daar de stukken echter niet kwamen , meenden zij er een en ander-
maal aan te moeten herinneren. Eindelijk ontvingen zij den 29' eene
den 27'^ gedagteekende breede memorie : eene week was dus voor het
samenstellen heengegaan. Men zou zeggen, dat dit voor zulk een
gewichtig stuk nog zoo lang niet mocht heeten. Nu echter kwamen
de bezwaren onzerzijds tegen de daarin gestelde eischen. Het
politieke punt van ver strekkende gevolgen lag in de vordering,
dat onzerzijds gewaarborgd zouden worden de contracten , die onder
het Engelsch tusschenbestuur met de Inlandsche vorsten enz. waren
gesloten: eene aanmatiging, waardoor voor goed ons koloniaal be-
heer onder voogdijschap van Engeland zou gesteld zijn ! Te vergeefs
deed de Luitenant-Gouverneur een beroep op de eer van Engelands
volk enz. — een zeer bijzondere eer! — die niet toeliet, dat
wij aan beloften een einde konden maken, die de Inlandsche be-
sturen van Engelands zijde hadden ontvangen : C. C. G. G. wilden
in geen geval van den eisch iets weten. Fendall mocht protesteeren ,
zooveel hij wilde, en hij deed het zoowel waar het de Yorstenlanden
op Java als het Sultanaat van Palembang betrof, onzerzijds werd
standvastig geweigerd op dat punt iets toe te geven ^^, Vreemd
mag intusschen deze houding van Fendall schijnen tegenover de
stellige bevelen hieromtrent van Calcutta ontvangen. Immers hij
had reeds bij het schrijven van 23 Maart 1816, waarin hij Nahuijs^
komst mededeelde (bl. 354 ), het welraeenen van den Gouv. Gen.
gevraagd, en deze had daarop den 18" Mei 1816 geantwoord:
/i^The absolute and unqualified terms of the cession of the Co-
lonies by the Convention, supposing no subsidiary arrangements
to have been concerted or no understanding to exist between the
Contracting Parties, deprives this Government, and even the Exe-
cutive Government of the United Kingdom , of any right to demand
the observance of the treaties with the Native Princes'' ^^.
Dit was toch duidelijk genoeg en wijl de reis tusschen Calcutta
en Batavia niet langer dan 'n vier weken duurde, laat het zich
moeilijk verklaren hoe Fendall nochtans niet ophield zijn eisch
te handhaven.
Gelijk ik op bl. 344 mededeelde, ontving de Gouv. Gen. eerst
den 2" Juni 1816 stukken uit Londen, die hem met de bevolen
overgave bekend maakten; maar toen hij ze den 11° per Nautilus
naar Batavia doorzond , voegde hij er geene nadere bevelen tot
overgave aan toe, omdat de door hem ontvangen warrants slechts
OMTRENT HET LONDENSGH TJRAGTAAT VAN 13 AUQ. 1814. 363
afschriften waren van de origineelen , die aan het Nederlandsch be-
stuur afgegeven en dus door C. C. Q. G. medegenomen waren ! Nieuwe
aanleiding derhalve tot misverstand, wijl immers dezen de stukken
niet hadden en ook vooreerst niet zouden ontvangen. — Den 4"
Juli 1816 kwam ie N'autilus op de reede van Batavia; het alge-
meen vermoeden was nu, dat de bevelen waren gekomen. . . maar
Feudall zweeg Gode ! C, C. G. G andermaal hun geduld ver-
liezende, interpelleerden den Luitenant-Gouverneur en nu eerst
luidde het antwoord, dat de Nauli/m nog geene bevelen gebracht
had , wijl C. C. G. G. zei ven ze zouden medegenomen hebben.
Fendall verklaarde zich nochtans op de afschriften der warrants,
in verband met het tractaat , voldoende gemachtigd om Java e. T).
over te geven. Men werd het nu echter over den vorm der con-
ventie , die de zaak zou regelen , niet gemakkelijk eens. Het firitsch
bestuur had dd. 14 Juli een uit negen artikelen bestaand ontwerp
aangeboden , dat enkel over Java handelde. De redenen voor
de uitsluiting van de andere bezittingen waren niet voor
allen dezelfde. Enkelen , zooals Padang en de Molukken , waren
nooit tot de onderhoorigheden van het gouvernement van Java
gerekend. Wat Bandjermasin betreft, toonde Fendall i. R. wel hoe ver
de onwelwillendheid der Britsche bestuurders ging. In 1809 had
de gouv. gen. Daendels deze bezitting opgebroken , omdat het een
lastpost was. //Waarlijk een bekrompen denkbeeld" — schreven
C. C. G. G. dd. 9 October 1816 aan het Opperbestuur — »yoot
een man , die zoo uitgestrekte ontwerpen vormde en gedeeltelijk
volvoerde! Ook is deze intrekking indertijd gedaan tegen alle be-
denkingen van deskundigen." •"»' Fendall beweerde nu, dat Bandjer-
masin door de Britsche regeering niet werd bezet ten gevolge van
Java's verovering, daar het door de Nederlanders verlaten was;
dat de Sultan , na menigwerf beproefd te hebben de Hollanders
tot een terugkeer te bewegen , zich onder bescherming van de
Engelsche Compagnie gesteld had; en dat het alzoo niet kon ge-
rekend worden te behooren onder de oud-Hollandsche bezittingen ,
die bij het tractaat van 1814 aan het Nederlandsch Gouvernement
waren teruggegeven. Vruchteloos voerden C. C. daar tegen aan,
dat de intrekking van den gouv. gen. Daendels alleen uit een
militair oogpunt moest worden beschouwd; dat hij geen recht had
gehad ook de geringste bezitting te verlaten zonder machtiging
van het Gouvernement in het Moederland; dat bij het Londensch
tractaat was teruggegeven, al wat op 1 Januari 1803 in ons bezit
364 FENOALLS EN RAFFLEs' OPVATTINORN IN HET ALGEMEEN
en nu in dat der Britten was. Men wilde te dien aanzien van
niets weten 9 maar tevens verklaarde men, dit bezit niet te zalle'n
honden voor de Engelsche Ck)mpagnie en men het alzoo zon teruggeven
aan den Sultan als eén onafhankelijk vorst, waarvan het gevolg
was, dat de Sultan aan onzen Gonv. Gen. schreef, dat hij ons niet
verlangde ! Ook wat er daarna geschiedde , toonde niets anders dan
zucht tot tegenwerking van Engelsche zijde ; en nog kan men niet
zonder ergernis de Engelsche stukken hierover lezen , waarin het ge-
huichel over vriendschappelijke verhoudingen, oprechtheid, openbaren
plicht, eergevoel, enz. sterk aan den dag treedt door het schenden
eener overeenkomst, die C. C. G. G. in goed vertrouwen op het gegeven
woord aannamen. Op dit alle§ kan ik echter eerst terugkomen, wanneer
ik gelegenheid vind het onderwerp afzonderlijk te behandelen.
C. C. G. G. , nog onbekend met al hetgeen Fendall ten aanzien
van de Buitenbezittingen zou te berde brengen, hadden natuurlijk
bezwaar tegen zijn ontwerp van 14 Juli , 'hetwelk alleen de over-
gave van Java behandelde. Zij dienden daarom den volgenden dag
een tegenontwerp in, waarin art. 1 nevens Java ook de overgave
van Makasser vaststelde, terwijl een slotartikel 11 luidde: tfLes
(lépeftdances de Fisle de Java , dont il nest pas fait mentioti dans cetie
conventimt^ seront remises aussitot que les troupes N(^erlandaises y
* seront arrivées et toutes les stipulations contenues dans la présente
'convention seront également applicables ^ ces établissements^\ Het
voorafgaande art. 10, dat dus ook voor de Buitenbezittingen van toe-
passing was, bepaalde: /^Aussitot après la signature de cette con-
vention Ie L^ Gouverneur s^engage de donner connaissance , de la
remise future de la colonie, aux princes de Java, et il sera libre
aux C.C. G.G. de S. M. Ie Roi des Pajs-Bas d^en donner la
communication.^^
Deze toevoegingen van de artt. 10 en 11 konden de goedkeuring
der Britsche bestuurders niet wegdragen. Tegen de opneming in
art. 1 van Makasser nevens Java werd geen bezwaar gemaakt,
doch wel tegen de algemeene vantoepassingverklaring der bepa-
lingen op de Buitenbezittingen in het slot van art. 11 : zij schrapten
dit niet alleen, doch stelden in de plaats zelfs uitdrukkelijk: ^The
L*. Governor in Council however in the exeóution of this arttcle
excludes the Factory at Palembang as far as the tenure of the
said factorj maj be found to be affected by the possession and
.cession of the island of Banca.^^ Bovendien voegde men aan art.
10 alweder, zij het ook in zachter vorm, de erkenning door ons
OMTRENT HET LONDENSCH TRAOTAAT VAN 13 AUG. 1814. 365
van gesloten contracten toe, door de bepaling: //The L^ Governor
in Council will at the same time commuuicate to them the vo-
lautary declaration of their Excellencies the Commissioners that
it is the intention of H. N. M. Government , to continue the same
protection which they enjoy under existing treaties , and that they
maj rest assured of being allowed in the engagement, which they
will have to form with the succeeding Government , the same condi-
tions, which are contained in the existing treaties. Their Excellencies
the Commissioners General on the other hand spontaneously declare ,
that though the British Government is not to be considered in any
manner as a guarantee in the treaties which the succeeding Govern-
ment will conclude with the Susuhunan and the Sultan of Mataram ,
they maj be assured, that the succeeding Government will con-
tinue to those Princes the immunities and advantages, which they
hold under the treaties, concluded with them in Juni 1812.'' ^^
Maar G.C. G. G. bleven standvastig weigeren onder eenigen
vorm de onschendbaarheid van vroegere contracten te erkennen;
ook verloor art. 11 zijne beteekenis, wanneer Palembang e. o.
buiten de bepalingen der conventie werden gesteld. Men eindigde
dientengevolge beide artikelen 10 en 11 weg te laten, terwijl de
overgave van Palembang e. o. het onderwerp van eene afzonderlijke
conventie zou worden. Aldus ontstond de conventie van 23 Juli
1816, die enkel de overgave van Java en Makasser regelde. De
ouderteekeuing had eerst plaats den 31 d. a. v. en de overgave
den 19" Augustus 1816. Bij de onderteekening op 31 Juli vaar-
digde de Luitenant-Gouverneur tevens protest uit tegen de wei-
gering onzerzijds om het hierboven vermelde art. 10 op te nemen;
dat het Britsch bestuur langs een slinkschen weg, nl. door eene
z.g. vergissing in de officieele courant, toch nog trachtte bij de
conventie te doen verkondigen, dat onzerzijds eene belofte tot
waarborging der Inlandsche contracten was gegeven — eene ver-
giêsing ^ die op eisch van C. C. G. G. in het volgend nommer der
courant werd verbeterd ! — is den lezer bekend.
Het bericht der overgave vernam men in Nederland het eerst
uit Londen. Onze Gezant vond het belangrijk genoeg om nog in
den avond van den 17° December 1816 zijn secretaris er mede
naar den Haag te zenden , mededeelende toch , dat C. C. G. G. bezit
hadden genomen '/de Tile de Java et de ses dépendances" •"» ^ . Zóó
ver waren C. C. G. G. echter niet ; voor Palembang en onderhoorig-
heden moest toch nog een levendige pennenstrijd worden gevoerd.
'>^J6 rE^llALL» tS KAfrl^L» OP%'ArTINGE!« 1% HET ALGEMEEN
HL
Ih: r*:f\*'U*'U ^ dl*: I'<ftk'iu''jaiii; e. o. buiuu de c«»uveiilie Tau £3
Juli li^K'ii, hi»:Mtf'n r^rUuud ui et Hi: hijzMrid».Te om^tat.digheden ,
waarofid^rr Kank;i in Kn^^eland'? hezil was srekomen. Ik zal de jre-
•— «- ^^
Mrhied^'fii^ hien'ari inrl eeniire uiivoerigheid behandelen, wijl wij
li;t;ir UK;h voor een nader te geven qjeciaal artikel over Paleiubang
n'KKli^r hebben.
Jara was nog niet bij de capitalatie van IS Septeniber l^ïll
a;in de F^n^eUehen oversreireven , toen de <ultan van Palembang,
HadrrR'din, den l\* i. v. zich van de vreemde overheer>chin? los-
maakte. — Een paar jaar later aou Nederland tegenover de ver-
bonden mo^^endheden op zijne onafhankelijkheid en zijne voormalige
koloniën aanspraken doen gelden, krachtens het feit, dat het de
Frari«*ehe overheerschers onzen bodem had doen verlaten vóór de
mogendheden zich met onze belangen inlieten*"; en op cenerlei
gronden hield Palembangs vorst de rechten op zijne onafhankelijk-
heid staande tegenover de op Java verschenen Britsche overwin-
naars*'. Het Fjngelsch bestuur zag die bijzondere verhouding
tot l'alembang, waarin het door Hadroedin's overhaasting was
gebrai^ht, wel in; doch het geluk wilde, dat de onafhankelijkheids-
verklaring met de bekende zeer lage daad was gepaard gegaan,
waardoor nagenrieg al de Europeanen op de jammerlijkste wijze
omgebracht werden. Ook dat feit echter, als plaats gehad hebbende
vóór het Fingelsch gezag op Java erkend was, behoefde zich de
luitenant-gouverneur Raftles, indien hij het verkoos, niet aan te
trekken; maar men wilde het land wel, en zoo RafHes zelf den Sultan
indertijd compromitteerende brieven had geschreven met de aanspo-
ring om de //Hollanders" te verjagen, kon het optreden als wreker
van den moord tevens beschouwd worden als bewijs, dat de brief-
schrijver het aldus niet bedoeld had ^^. Bovendien zoo Palembang
zelf geene aanlokkelijke bezitting scheen, de daaraan onderhoorige
tinrijke eilanden Banka en Billiton mochten in geen geval het
Britsche gezag ontgaan *'. In naam der menschelijkheid daar heer
en meester te worden : wat schooner , mocht men zeggen , voor de
Engelsche openbare meening: Mavnev ^ rrovweii e» khifieren te he-
Hchermen of te wreken; openbare plicht; eisclien van bescharing ; fje-
Tjonhriiig en beiracktiuf/ van bil/ij kkeid^ recht y eer HjMeia f I Op een y^n
Londens fraaie squares ziet men het beeld van een neger met
OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUQ. 1814. 367
biddend , daukend oog knielend voor Eugelauds laatsten vorst-gemaal ;
het is voor het Engelsche karakter typisch: /^Schijnheiligheid en
Pecksnifferij , inderdaad, die twee verwante gewassen, vinden
nergens een gunstiger bodem dan in Engeland" **.
De gouv. gen. van Bengalen, lord Minto, toonde zich dan ook
in een uitvoerig aan Raffles gericht schrijven , gedagteekend Fort
William 15 Mei ISIE'*^, bijzonder ingenomen met Gillespey^s
expeditie naar Palembang als wrekende gerechtigheid. Hij weidde
uit over den moord, over «'the combination of oruelty and treachery",
over ffihe barbarous Malay Governments" en ^their savage subjects",
over den afschuw ^with which we might expect every portion of
the human race should contemplate crimes so opposite to the most
uncultivated nature, when undepraved". — Op de vraag of het
Engelsch gezag zich eigenlijk wel met de zaken van het onafhankelijk
geworden rijk had in te laten, werd geantwoord door den Gouv. Gen.
met «'clearest rights" , ^saored duties" , >^moral sense and feelings",
^avenge innocent blood" , irmost sacred and most universal law
of the devine or human code." — Dit alles wettigde afdoende,
meende lord Minto, de beschikking over Badroedin's troon en —
«'his treasure". — Intussclien moest de inbezitneming van Palera-
bang niet de hoofdzaak worden, wel die van de tineilanden, en
de Landvoogd geeft aan Raffles toe, dat een uitdrukkelijke afstand
hiervan aan de Engelschen het minder waarschijnlijk zal maken ,
dat bij teruggave der veroverde koloniën, in geval van vrede, die
eilanden er toe zouden gebracht worden , ofschoon tevens do
mogelijkheid werd ingezien, dat ook de teruggave diuirvan kon
worden geeischt. ®®
De inneming van Palembang door de Engelschen in 1812 had
de vlucht van den Sultan ten gevolge, waardoor men niet in
staat was met hem in onderhandeling te treden; doch nu bood
zich als opvolger bij den commandant der expeditie, kolonel Gil-
lespey ®^, aan, des Sultans jongere broeder, die met den gevluchteu
vorst in onmin schijnt geleefd te hebben. Gillespey meende uu
den jongeren broeder op den troon te moeten verheffen, hetgeen
geschiedde onder den naam van ratoe Achmed Najm al Diu. ^^
Het contract van 17 Mei 1812 beloonde de Engelschen voor hun
optreden als wrekende gerechtigheid. Bij art. 1 , waarom het eigenlijk
te doen was, stond de nieuwe Sultan voor hem zelven, zijne
erven en opvolgers, en in naam van al de Pangerans, Mantries
en Opperhoofden van Palembang aan den Koning van Engeland
368 fenüall's en raffles opvattingen in het algemeen
en aan de Eugelsche O. I. Compaguie af: //the fuU and uncon-
trolled sovereignty and possession of the island of Banca , the island
of Billiton , and all Ihe other small islands adjacent thereto and
dependent thereon"; terwijl de Sultan verder beloofde: «'that this
deed of cession shall be authenticated by a formel written transfer
under his signature and chop, and that of the Princes , Pangerangs
and Mantries of Palernbang, who may be concerned therein. **
Onderstaande afstandsakte was van deze laatste bepaling het gevolg.
Hierop is niet voldoende de aandacht gevestigd. Zij is toch van
belang , omdat van Engelsche zijde , speciaal daaruit voortvloeide :
eensdeels de aanspraak op het blijvend bezit van BUliton , niettegen-
staande de Londensche conventie ons de koloniën en daaronder
ook Banka afstond; anderdeels het beweren, dat dit laatste eiland
en onderhoorigheden uitdrukkelijk aan Engeland waren afgestaan
onder gekoudenis dat de Sultan op den troon gehandhaafd zou blijven
oiuler de destijds overeengekomen voorwaarden. Kolonel Gillespey naar
Batavia terugkeerende, deed Banka aan, waar hij de afstandsakte
in eene vergadering van hoofden , enz, deed voorlezen. De aanhef
luidt aldus:
I sultan ratoe Achmed Najm al Din, of Palernbang, do of my
own free will, as an aknoivledgmeni of the favor conferred on me by
the English government of Java , in advancing me to the throne of the
kingdom of Palembang, and relying on the liberality of the English
government for a suitable provision to maintain my rank and dignity,
code to his M^jesty the King of Great Britain and to the Hon. East
India Company, in full and unlimited sovereignty, the islands of
Banca and Billeton and the islefs thereon depending; hereby renouncing
on my own behalf , as well as on behalf of my heirs and sucessors for
ever , all claim and title to those islands , with the mines and produce
thereof, which together with all the privileges and prerogatives here-
tofore exercised there by the Sultans of Palembang, I acknowledge
to be henceforth the sole and exclusive property of his Majesty the
King of Great Britain and the Hon. East India Company. '"^
Men ziet hoe hier het Engehch gouvernement op den voorgrond
treedt; dit is niet toevallig geschied, maar bepaaldelijk met het
oog op de, overeenkomstig het op bl. 367 aangeteekende, mogelijke
teruggave der koloniën in het algemeen aan den vroegeren bezitter.
De onpartijdigheid vordert te erkennen, dat het Raftles en de zijnen
niet aan politieken zin ontbrak. Door het tractaat, krachtens welk
de eilanden waren afgestaan, te verbreken, gelijk dezerzijds in
1818 geschiedde, verloren wij, zeiden RafBes' organen, zelfs het
OMTRENT HET LONDENSCH TttACTAAT VAN 13 AÜG. 1814. 369
recht op het bezit van Baiika, niettegeustaande ous dit in ruil
voor Cochin uitdrukkelijk was afgestaan. ' * Zoo namen de heeren
de unlitigaied rights op, ingevolge waarvan ons Banka werd gegeven! ' ^
De overige bepalingen van Gillespey's contract dd. 17 Mei 1812
zijn voor ons hier van geen belang; de ^8chat",dien de verjaagde
Badroedin naar de binnenlanden had medegenomen , zou de
nieuwe Sultan helpen opsporen en er de helft van aan het Engelsch
bestuur uitkeeren. Ook zou men de schuldigen aan den moord
— er moest toch ook iets van gezegd worden — opzoeken , ze bij
gevangenneming ter dood brengen en hunne goederen verbeurd
verklaren : //to relieve" — luidt het nota bene ! ! — //the distress
of the widows and orphans of the late members of the Dutch
Factory, who were murdered by the late Sultan."
Oillespey haastte zich naar Java terug, waarheen de staat der
Vorstenlanden hem riep, aan zekeren kapitein Meares overlatende
den gevluchten Vorst op te vangen. Meares keerde echter doodelijk
gewond van eene expeditie naar de binnenlanden te Palembang
weder. De nieuwe Sultan — een even groote ellendeling als de
verjaagde — stortte hittere tranen bij het aanschouwen van den hoog
geachte gekwetste! ! luidt het in een tegen de Nederlanders gericht
pamflet van den laatsten Engelschen resident te Palembang. '•''
Deze lieve Sultan nu was op den troon , toen C. C. Q. G. omtrent
de overgave van Palembang en onderhoorigheden ernstig quaestie
kregen met den Britschen Luitenant-Gouverneur. Weigerden genen
reeds voor de handhaving der met de Javasche vorsten gesloten
verbintenissen eenige belofte te doen, nog veel minder vond men
ze geneigd eenigen waarborg ten dezen voor Palembang te geven.
//Les Commissaires-Généraux ont eu les plus fortes raisons" — luidt
het in eene op 'sKonings last dd. • 25 Augustus 1817 op het
ministerie van Buitenlandsche Zaken samengestelde memorie over
de geschillen bij de overgave ontstaan — //pour ne point garantir
Ie traite fait avec Ie sultan de Palembang, qui parait ne pas être
etranger, non plus que Ie 1* gouverneur RafHes, au meurtre du
resident HoUandais ^ Palembang, ainsi que de 24 Européens,
commis Ie 14 Septembre 1811" '^. — Daartegenover stond, dat
Fendall vooral met betrekking tot Palembang de contractwaarborging
verlangde , wijl ons Banka moest worden overgegeven , en dat eiland
slechts in Engelands bezit was gekomen onder voorwaarde , dat
Najm al Din sultan zou worden en blijven; blijven niet alleen op
den troon, maar ook in het bezit van al de Palembangsche in-
370 FBNDALL S EM RAFFLES OPVATTiXaEN IN HKT ALGEMEEN
komsten: onder verzekering toch, dat de Sultan uitsluitend die
inkomsten zou erlangen , had hij Banka afgestaan. Het Britsche
bestuur wees hierop bij missive dd. 15 Juli 1816 '-^ en betoogde
uitvoerig, dat het waarborgen van deze verbintenissen geheel met
de rechtvaardigheid overeenkwam, terwijl Banka zoo veel voordeel
opleverde, dat er onzerzijds geen bezwaar tegen bestaan kon om
de inkomsten van Palerabang uitdrukkelijk aan den Sultan te
verzekeren. Eerst den 26° Augustus 1816 antwoordden C. C;
wel bleek het hun nu, hoe verkeerd men onzerzijds bij het tractaat
van 1814 had gedaan, door overeenkomstig Castlereagh^s redactie,
Banka destijds te beschouwen als eene zelfstandige , den Ëngelschen
inderdaad toebehoorende kolonie "*. — C. C. hielden zich intusschen
aan hunne betoogen tegen het waarborgen der contracten van de
Javasche vorstenlanden. '41 ne s'agit pas" — merkten zij terecht
m
op — //de ce qui peut-être expediënt ou même de ce qui pourrait
être considevé comme juste il Técart des Princes, avec lesquels Ie
gouvernement precedent a contracté , mais il s'agit ici uniquement
des droits et des devoirs des parties contractantes ; nous devous
donc inhérer par rapport ik Ban ca tout que nous avons allegaé
au sujet des traites conclus avec Ie Soesoehoenan et Ie Sultan ,
et nous prions Votre Excellence de vouloir concourir k une con-
clusion prompte , pour que nous puissions prendre possession de eet
établissement." — Den 3" September 1816 kwam het Britsch bestuur
op de oude argumenten terug. Men ziet hieruit, dat Falck's
vraag, of het afstandsrecht van Banka onvoorwaardelijk was — immers
daarop kwam die vraag feitelijk neder — nog volstrekt niet zoo
ongegrond was, als Clancarty destijds scheen te meenen. '^ Fendall i.
R. besloot zijn betoog met de volgende woorden : ^Should Your Excel-
lencies still see the case in. a different point of view and decline
giving us an assurance for the maintenance of the Treaty now existing
with the reigning Sultan of Palembang and bj which the Island of
Banca has been obtained , we request to propose to Your Excellencies
that the question be referred to our respective Governments in
Europe , and an agreement be mutuallj made that in the mean time
no change in the political relations or matters at Palembang shall
take place, with the exceptiou of the Netherland ïlag and
authority being established in stead of the British. Your Excel-
lencies' concurrence in this proposal would give us great pleasure ,
as being the most amicable mode of adjusting a point on which
we cannot agree in opinion. If otherwise , we still will not delaj the
OMTRENT HET LONDENSCH TKACTAAT VAN 13 AUO. 1814. 371
cession of the island of Banca and the restitution of the factory
at Palerabang to His Netherlauds Majesty's Government, but in
so doiug we must feel it our indispensible duty to enter asolemn
Protest against auy act which does or may infringe the Treaty
entered into by the British authorities of Java and its dependencies
and the reigning Sultan of Palerabang, when Banca was ceded
by the latter."
Uit het antwoord van C. C. dd. 14 September 1816 bleek dat
zij, en terecht, niet genegen waren Fendall i. 11. het verzochte
//plezier" te doen; Ae seul raoyen donc de conclure" — be-
richtten zij — //nous parait être Ie même adopté K Tégard de
Java, c'est-Ji-dire la délivrance de Palerabang et Banca sous tel
protêt que Tancien Gouvernement provisoire Britannique jugera
convenable." — In dit antwoord lag dus volstrekt niet opgsloten ,
dat C. C. beloofden de contracten onveranderd te laten totdat
daaroratrent de regeeringen in Europa hadden beslist, gelijk lord
Moira hen later meende te moeten verwijten , toen zij inderdaad
eigenmachtig verandering aanbrachten ' ' ; wèl had dit Fendall
i. R. ook voorgesteld , doch door onze Vertgen woord igers was het
alternatief niet aangenomen. Vreemd mag het heeten, dat op het
ministerie van B. Z. ten onzent dezelfde verkeerde opvatting had
bestaan; immers in het aan den Koning gericht rapport dd. 12
Juli 1817 N». 12 wordt gezegd, dat de C. C. G. G. //ter vermijding
van verdere discussie" het voorstel hadden aangenomen om de
waarborging der met de Inlandsche vorsten gesloten contracten
aan het oordeel der regeeringen in Europa te onderwerpen.
De Britsche bestuurders lieten nu het quaestieuse punt in hun
antwoord van 20 September 1816 rusten, doch verzochten een
kort uitstel van behandeling, met het oog op de komst van den
Palembangschen resident majoor Court, schrijver van het op bl. 369
vermelde pamflet: ^s'With regard to Banca" — luidde het in dat
schrijven — //we will have the pleasure to communicate with Your
Excellencies fully in a very few days ; the unexpected arrival of the
resident Major Court enable us to place in your possession the latest
information on several matters of importance both regarding the
mode of transfer and the interests of the future Government of
that Island, and the delay of a few days will be amply com-
pensated by the more complete information which raay then be
laid before you."
Bij brief van 1 October 1816 zette daarna Fendall i. R. breed-
372 fendall's en uafples' opvattingen in het algemeen
voerig de voortreffelijkheid der Banka-administratie uiteen, ffk
lively regret" werd gevoeld over het antwoord van CC; nochtans
meende men, dat dit niet de overgave van Falembang en Banka
mocht tegenhouden, zoodat die zou plaats vinden onder protest:
//however contrary to our wishes and painful to us to protest and
appeal." Verder werden de voorwaarden medegedeeld, volgens
welken de lusten en lasten van Banka en Falembang zouden
worden overgegeven. — CC stelden het stuk in handen van de
AdvUeerende CommiMte ' ^ , die vooral ten aanzien van Banka zeer
gunstig over de voorstellen dacht, blijkens haar rapport van den
5" d. a. V. ^*. Dientengevolge gaven CC den 20" October 1816
o. a. aan Fendall te kennen , dat zij de bezittingen zouden over-
nemen in den staat, waarin zij zich bevonden den laatsten Juli
1816, overeenkomstig de conventie voor Java dd. 23 Juli 1816
gesloten. — De Britsche autoriteiten antwoordden echter den 24"
October, dat hun schrijven was //completely misunderstood'^ , waartoe
het volgende o. a. werd bijgebracht: /rWith regard to Your Ex-
cellencies proposal that the 7th article of the Convention, oon-
cluded between us on the 23th of July last shall be rendered applicable
to Banca, we must frankly declare, that we consider Banca to
be a cession separately and distinctly situated as such, and quite
in a different point of view from the restitution of Java and its
dependencies. Indeed Your Excellencies will no doubt recollect,
that in the conference which preceded the conclusion of our Con-
vention of the 23th July 1816, — the Settlement of Banca was
expressly resolved to be excluded from that Convention and the
clause that had been proposed regarding it, was in consequence
omitted. — We therefore positively decline acceding to Your
Ëxcellencies' proposal on this head, no diiliculties or delays have
beeu started on our part and we have not as yet received any
iutimation of Your Excellencies being prepared to take charge of
the Island of Banca. Until the cession actually takes place we
cannot consent to consider the administration of that Island as
held for any other than the British Government."
C C vatten hierop vuur, blijkens hun schrijven dd. 27 October
1816. Wat in het algemeen het misverstaan betrof, zij wezen er
op te zijn voorgelicht door eene commissie, waarvan onderscheiden
leden goede dienaren van het Britsche gouvernement geweest waren. ^"
En wat het tijdstip der berekeningen aanging , C C zeiden den
laatsten Juli als het einde van het Britsch bestuur te beschouwen , wijl
OMTEBNT HET LONDBNSCH TRACTAAT VAN 13 AÜG. 1814. 378
het toch geenszins hunne schuld was, dat Banka zooveel later
werd overgenomen. De Engelsche autoriteiten zelven hadden met
het oog op, majoor Court's overkomst eenig uitstel verzocht: ^mais
ce qui nous pèse fortement, c'est d'encourir Ie reproche d'un
délai, qui plutöt nous donnerait droit & la reconnaissance de
Yotre Excellence en Son Conseil, puisque nous avons détaché la
plus belle troupe de notre foroe militaire peu considérable , pour
prendre possession d^un établissement bien moins interessant pour
nous, mais uniquement pour retirer les troupes de 8a Majesté
Britannique, de la position vraiment cruelle, dans laquelle elles
se trouvaient h Macasser^\ Doch, wat daarvan ook zij, C.C.
zouden zich aan de gestelde voorwaarden onderwerpen, behoudens
hooger beroep 'op de regeeringen in Europa. — Pendall i. R. ant-
woordde den ü"" November 1816 , dat zijnerzijds volstrekt geen aan-
leiding tot uitstel was gegeven; dat de spoediger overneming van
Makasser alleen was aanbevolen , omdat anders de moesson het weg-
zeilen der troepen zou bemoeilijken; dat er het Britsche garnizoen
volstrekt geen hulp behoefde, ten bewijze waarvan kon strekken,
dat het inmiddels weder voordeden behaald had, enz. Verder luidde het
daarin , dat de noodige instrüctiën aan den Engelschen resident voor
de overgave van Banka en Falembang waren verstrekt; en met den
aanmatigenden toon, dien de Engelsche autoriteiten zoo gaarne
tegen zwakkeren aanslaan, werd onder overlegging der instrüctiën,
de hoop uitgedrukt, dat de bevelen, die onze Eegeering aan den
Nederlandschen commissaris voor de overneming zoude geven ,
evenzeer de strekking mochten hebben om de zaak geleidelijk te
doen afloopen. //In conclusion" , besloot het schrijven , ^we have to
regret that Your Excellencies' opinion upon the required guarantee
of the existing treaty with the Sultan of Falembang is so com-
pletely at variance with ours, that we are compelled by a consi-
deration of upholding the good faith pledged by the British
Government to the Sultan, to protest against any infringement
of that treaty; and we consequently transmit herewith a formal
protest upon the subject. ®'
En dat geschiedde , terwijl , gelijk ik op bl. 362 mededeelde , de
Oouv. Oen. aan Eendall uitdrukkelijk had gelast dien eisch ni^l
te stellen!
De overgave zelve had verder zonder onaangenaamheden
plaats. De aan resident Court gegeven instrüctiën luidden in-
derdaad zoo welwillend mogelijk. Zij waren vervat in een aan
6e Volgr. III. 26
374 fendall's en raffles' opvattingen in het algemeen
hem door den secretaris Assej gerichten brief dd. 2 November
1816; politieke aangelegendheden werden er echter niet in be-
handeld ; hieromtrent ontving de Resident een afzonderlijk schrijven.
Aangezien de overgave niet slechts Banka, doch ook Falembang
betrof, werd spoedshalve Court gemachtigd om zijn eersten assistent,
kapitein Forbes, namens hem te doen optreden. De overdracht
behoorde te geschieden : x^in the spirit of mutual concession and
good wiir\ ^on the principles of amity and conciliation". Het
^colonial corps" , dat onder den Resident diende , moest met toe-
kenning van ééue maand extra-betaling ontbonden worden; doch
het zou //satisfactory and gratifyiug'' zijn , dat deze troepen in
dienst van de Nederlandsche regeering overgingen, indien zij
daartoe werden aangezocht, terwijl den Resident in het bijzonder
werd opgedragen : fdo use all proper means of persuasion to induce
them to do so, but they cannot be compelled against their incli-
nations and if they refuse, you will take proper measures to
convey them to their home or to Java as circumstances may admit."
Bij besluit van den Souvereinep Vorst dd. 8 Januari 1815 was
voor C. C. Q. G. eene instructie vastgesteld , die eenige maanden
later door eene suppletoire instructie, vastgesteld bij Koninklijk
Besluit dd. 23 September 1815 gevolgd werd ^^, Art. 8 dezer
laatste luidde aldus: //Bijaldien Commissarissen-Generaal het niet
noodzakelijk of nuttig mochten oordeel en , dat de overneming
van een of meer dier bezittingen door een hunner in persoon
wierde gedaan , zullen zij daartoe Commissarissen mogen benoemen ,
te kiezen uit zoodanige personen, als zij oordeelen de meeste
aanspraak en vereischten tot zulk eene eervolle commissie te bezitten ,
en dezelve Commissarissen voorzien van zoodanige instructiën,
als zij ter bereiking van het oogmerk en ter provisioneele beheering
van dezelve meest dienstig kunnen keuren , met inachtneming der
voorschriften hierboven omtrent de overneming gegeven."
Voor Banka en Falembang was de keuze gevallen, wegens
//'s mans oordeel , kunde en ervarenheid" , berichtte Elout particu-
lier aan Goldberg dd. 4 Juli 1817, op den heer Klaas Heynis ^ •' ,
//wiens bekwaamheden en goede naam boven alle verdenking
zijn" , verzekerden C. C. G. G. in hunne missivive dd. 9 October
1816 aan het Opperbestuur; — een oordeel, dat weldra geheel
en al onjuist zou blijken. De Commissaris vertrok den 19" November
1816 op het fregat de Marm Reygerabergen ^ terwijl de medegaande
ambtenaren, 33 militairen en 16 /^bandieten" met vrouwen en kin-
OMT&ÜNT HET LONDENSCH TSACTAAT VAN 13 AUQ. 1814. 375
deren ^ * over dit schip en een ingehuurd particulier vaartuig * ^
verdeeld werden ; kapitein-luitenant Van Everdingen van der Njpoort
was commandant van het fregat.
De overgave had zonder stoornis verder plaats, den 10" van
fianka en den 16° van Falembang , zoodat Fendall een schrijven
aan C.C. dd. 12 februari 1817 aldus besloot: //In concluding
this letter we request to express to Your Excellencies our satis-
faction at finding from the reports of Major Court that every
thing has been arranged between him and Mr. Hejnis with oor-
dialitj and conciliation/^
Nochtans waren ook nu quaestiën gerezen , die eerst bij het
tractaat van 1824 uitgemaakt zouden worden.
Gelijk ik reeds op bl. 273 mijner vorige verhandeling mede-
deelde, was in het tractaat van 1814 vergeten nevens Banka de
onderhoorighedeii te noemen , terwijl wij wel in ruil moesten afstaan
//Cochin en onderhoorigheden". Toen C. C. G. G. dit lazen , — of
liever, vermoed ik, eerst in Indië overwogen, — dachten zij wel,
dat hieruit moeielijkheden zouden voortvloeien ; zij spraken er daarom
met Fendall maar niet over, doch gelastten Heynis om bij de
overgave van fianka ook de onderhoorigheden , speciaal Billiton , te
vorderen , als eene vanzelf sprekende zaak. Onze Vertegenwoordiger
gaf hieraan gevolg, doch Court weigerde op het verzoek in te
gaan, als daartoe geeue bevelen hebbende ontvangen: //evenals wij
het hadden voorzien", schreven C.C. dd. 3 Maart 1817 aan het
Opperbestuur. Nochtans deden zij zich in hun beklag hierover bij
Fendall i. R. als zeer verwonderd voor! Immers bij brief dd. lö
Februari 1817 schreven zij het volgende:
Une lettre du resident Heynis nous apprend que Ie major Court a
fait des difficultés pour Ie transfer de Tïle de Billiton puisque n'ayant
re9u aucun ordre a eet effêt de son Gouvernement, il serait en
conclure que cetle ile et les autres dépendances de Banca restaient
toujours sous la souveraineté du Gouvernement Britannique.
Nous regrettons beaucoup qu'une opinion aussi erronée ait empêché
Ie Resident Néerlandais è prendre les mesures nécessaires pour l'occu-
pation des dépendances de Banca; aussi nous lui feront parvenir les
ordres nécessaires pour ne plus retarder cette occupation.
Nous avons cru devoir en avertir cependant Votre Excellence en
Son Conseil , puisque Ie départ du major Court pourrait peut-être
rendre nécessaire de nouveaux ordres ^ donner pour Elle.
Fendall i. R. beantwoordde dit schrijven den 21° d. a. v. met
een beroep op het ons bekende art. 2 der Londensche conventie
376 FENDALLS EN RAFFLES OPVATTINOEN IN HET ALOEMEEK
This article stipulates for the cession of the island of Banca and
nothing farther ; the refusai of your Excellencies to guarantie the Treaty ,
existing between His Highness the Sultan of Palerabang and the
British Government at the time of the cession of this colony, has pre-
vented our placing at the disposai of his Netherlands Majesty's Govern-
ment the possessions ceded to the British Government bij that Treaty.
The island of Billiton is one of them and we are not aware that
under any article of the convention concluded in August 1814 His
Netherlands Majesty's Government has acquired any right to the pos-
session of the said island , it neither being comprehended in the article
about alluded to, nor having been so far as we know under the
sovereignty of the Dutch Government on the i*^ of Januari 1803.
We have therefore not transferred and we do not transfer the
dependencies of the island of Banca to His Netherlands Majesty's Govern-
ment and if your Excellencies deem it proper to take possession of
them, it can not be under any orders or authority on our part, but must
be entirely on your own responsibility . At the same time if your Excel-
lencies wish that the question with regard to the possession of the
dependencies of Banca should be brought to the notice of the suprème
authorities in Europe we can have no objection to do so.
It is unnecessary to add that this question has no reference to the
Factory which the Dutch govemment possessed at Palembang and which
has been delivered over by us to his Netherlands Majesty's Govemment.
C. C. G. Q. antwoordden dd. 28 Januari 1817. Zij stemden er
in toe , dat de quaestie aan de beslissing der regeeringen in Europa
zoude worden overgelaten^ doch deelden tevens mede, dat zij in
afwachting hiervan alvast het eiland zouden doen bezetten en wel
in /rhet algemeen belang", dat te eerder drong, wijl de bewoners
van het eiland de zee onveilig maakten ^^. Het algemeen helavg
kon alzoo , dank ter rechter tijd verschijnende zeeroovers , op
den voorgrond worden gesteld! C. C. Q.Q. schreven dan ook dd.
3 Maart 1817 aan het Opperbestunr over hun bevel tot het be-
letten van Billiton, niettegenstaande de overgave was geweigerd:
//De resident van Fekalongan ons bericht hebbende, dat eenige
rooversvaartnigen , welke de kust aldaar verontrusten , volgens bij
hem ingekomen informaties te Billiton zouden thuis behooren,
hebben wij in den laatst aangehaalden brief daarvan gebruik ge-
maakt , tot nader bewijs van de noodzakelijkheid om dat eiland te
bezetten."
De in bezitneming kon echter niet zoo spoedig plaats vinden,
als C. G. G. G. het hier deden voorkomen; zij hadden namelijk
volslagen gebrek aan troepen en het is zeker niet oneigenaardig,
OMTRENT HET LONDEN8CH TRAOTAAT VAN 13 AUG. 1814. 377
dat dezelfde bittere klachten hierover bij het Opperbestuur weinige
jaren later in eenerlei verwijtenden toon zonden herhaald worden
door den Gouv.-Qen. Van der Capellen, toen zijn vroegeren
ambtgenoot £lout aan het hoofd van het departement van Kolo-
niën geplaatst was! ^'
In een brief van 9 October 1816 ®» reeds geven C. C. G. G.
te kennen, hoezeer reikhalzend naar troepen, ook voor onze be-
zittingen op Snmatra, wordt uitgezien, al zou //vertoouing van
macht meer dan gebruik daarvan noodig"' blijken te zijn. /i^Wij
verlangen dan ook zeer naar eene nieuwe bezending van troepen ,
en het smart ons in waarheid, dat van de zoo veelvuldige gele-
genheden, die er in het vaderland geweest zijn, geen gebruik ge-
maakt is om troepen , al was H compagnies of halve compagnies
gewijze , naar herwaarts te zenden."" Evenzoo in een particulieren brief
aan den departementschef voor de Koloniën dd. 8 Februari 1817 ®*.
"Waar blijven toch de troepen I" — vraagt Elout. — '/Het is bijna een
wonder, dat wij nog de Molukken hebben kunnen bezetten. De be-
langrijke bezetting van Malacca kan niet geëffectueerd worden. Ik
verzoek uwe bijzondere aandacht op den brief, waarin wij over
de niet-overgave van Billiton schrijven. Dat eiland behoort ons,
moet in geene andere handen zijn, en is van alle zijden voor ons
belangrijk. Het brengt veel ijzer voort, en is een schuilnest voor
zeeroovers." En alzoo werd bij een besluit van 7 April 1817 door
onze Regeering verklaard: dat van het eiland Billiton in naam
en van wege Z. M. den Koning der Nederlanden bezit zoude
worden genomen, en voorts het beheer der zaken aldaar zoude
zijn opgedragen aan een ambtenaar, onder den titel van assistent-
resident van Banka en Palembang®*^
IV.
Met het vertrek der Engelschen van Java e. o. zouden intusschen
de onaangenaamheden eerst recht beginnen.
Terwijl namelijk tot grootere schade dan wij wel konden ver-
moeden , gemis aan troepen , schepen en geld belette alle ons toe-
gewezen bezittingen ten spoedigste over te nemen, w. o. Fadang
en Malakka, verbreidde zich de mare, dat Baifles als luitenant-
gouverneur van Benkoeleu zou terugkomen. Inderdaad, was ook
niet alles nog naar genoegen van de Court of Directors opge-
helderd , dit College kreeg niettemin al rasch zeer gunstige indrukken
378 FENDALL8 EN RA.PPLES OPVATTINOEN IN HET ALGEMEEN
over Kaffles' bestnursdaden in het algemeen, zoodat het aan den Gouv.
Gen. van Bengalen dd. 13 Februari 1817 schreef: ^With these impres-
sions, we shall not have the least diflBcnltv in permiiting him to
proceed from hence (as soon as his health permits) to Fort Marbro' ,
to assume the office of Resident of that station" • * .
Zijne gezondheid en vermoedelijk ook de door hem noodzakelijk
geachte bemoeiingen om in Engeland de openbare meening tegen
het in Oost-Indië hersteld Ned^landsch gezag te stemmen , deden
hem echter nog eenige maanden in Europa blijven; eerst toch in
October 1817 ging hij te Portsmouth met zijne familie scheep •*.
Weinige dagen vóór zijn vertrek, betoogde hij echter, dat
indien hij enkel als resident optrad in de nabaurschap van het
land , waar hij Gouverneur was geweest , zulks hem in eene
onaangename verhouding zou brengen en den schijn geven,
alsof de tegen hem ingebrachte beschuldigingen gegrond waren
geoordeeld. Yaudaar dat de Couré of DhectorSy ^in considera-
tion of the zeal and talents he displajed during the period
he fiUed the office of Lieutenant-Governor of Java" * * , hem den
verzochten titel schonk: «^as a peculiar mark of the favourable
sentiments which the Court entertained of that gentleman^s
merits and services" •*. Echter geschiedde dit met de uitdrukke-
lijke voorwaarde, dat hij zich slechts had te beschouwen als een
commercial resident en dat dus de titel hem geen enkel politiek
gezag toekende ^^,
In verband daarmede luidde het ook in zijne instructiën , dat
hij zich slechts tot berichten aan de Court of Birectors had te
bepalen over : >fthe proceedings of the Dutch and other European na-
tions, as well as of the Americans, in the Eastem Archipelago" ••.
Trouwens reeds vóór Eaffles' vertrek was onze departementschef
voor de Koloniën van Londen uit gewaarschuwd : //dat de intentie
was om den handel van Java zeer na te gaan, en Raffles daarom
in de nabijheid gezonden was"; en dat hij /reen pecuuiële onder-
steuning ontving" van een handelshuis, waarvan de associó lid
van het Parlement was •'.
Baffles landde den 22° Maart 1818 te Benkoelen ^® en gaf
hiervan den volgenden dag aan onze Regeering kennis ' * . In een
schrijven van eenige dagen later, nl. van 2 April, stelde hij voor
om gezamenlijk de kosten te dragen van een geregelden postdienst
tusschen Benkoelen en Batavia'"". Eindelijk had hij bij eene
missive dd. 27 Maart onze Regeering aanbevolen , dat , tot regeling
OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 379
eener greusquaestie, wij eeu deel van de Lampongs aan hem zouden
afstaan : een onderwerp , dat niet tot de beschouwingen van dit
opstel behoort, zoodat wij het slechts voor de eenheid der voor-
stelling aanstippen.
Een zekere kapitein Travers * " ^ bracht de drie brieven persoonlijk
bij onzen Gouv.-Gen. Ook werden dezen eenige brieven en kleine
geschenken van Raffles voor Inlaudsche hoofden aangeboden. De
Gouv.-Gen. had geen bezwaar gemaakt zich met de bezorging
hiervan te belasten , evenmin als in het toestemmen van het door
Raffles gedaan verzoek, om als lid van het Javasche Menschiievend
Genootschap te worden beschouwd en toezending van de gedrukten
te erlangen; doch de drie hooger genoemde brieven meende hij
aan het oordeel van C. C. G. G. te moeten onderwerpen. *"2
Vertoeven wij hier een oogenblik. Het tractaat van 1814 herstelde
onzen kring van belangen in den Oosterschen archipel , gelijk wij dien
in 1 Januari 1803 bezaten. Er kon daarbij geene quaestie zijn —
nu evenmin als vroeger — van eene gebiedsaanwijzing , die slechts
ging voor zoover wij er ons plaatselijk zouden vestigen of de be-
staande lulandsche contracten toelieten , dus met vrijlating aan
eenige andere mogendheid om zich desverkiezend op een plaatsje
naast dat , waar wij de vlag gesteld hadden , neder te zetten of om
met de binnen dien belangenkring gevestigde vorsten ook contracten
aan te gaan. In geen koloniaal rijk, ook natuurlijk niet in En-
gelsche sferen, werd iets dergelijks toegelaten; wat ^neer is, ter
wille dier eenheid van belangen had men ons Banka afgestaan,
gelijk immers bij de onderhandelingen over het tractaat van 1814
uitdrukkelijk was verzekerd geworden ! * " "' Raffles' streven nu was
op dat internationaal-koloniaal beginsel, dat geen Engelschman
op zijn koloniaal gebied ooit zou miskend willen zien, inbreuk te
maken, met schending van het tractaat van 1814; de plicht onzer
Regeering natuurlijk om dit met alle macht tegen te gaan. De
voorstellingen der Engelsche schrijvers omtrent ons verzet in dit
opzicht zijn als overal, waar zij onze koloniale aangelegenheden
behandelen, tot in het logenachtige eenzijdig. Zoo leest men
op bl. 492 der Quarterly Review van Jan. en April 1862: '/The
conduct of Holland to England after the restoration of her Eastern
colonies was abominable. They were no sooner regained than it
became a primary object of the Dutch Government to obliterate
every tracé of the British rule. [Alsnof dut abominabel gedrag
niet overal door Engeland zelf in veroverde koloniën is in acht ge^
380 FENDALLS EN RAPPLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN
nomen! f) It grasped at the andivided sovereignty of the archi-
pelago, deposed the Sultan, whom we had placed on the throne
of Java (? ?) , laid claim to territories to which it had no right ,
opposed the formation of a settlement for affording aid and
refreahment to British ships {toe onschuldig niet waar f') and was
obviously bent upon re-establishing its old commercial monopoly.
With that intention , it possessed itself of the onlj two channels
by which ships could pass into the archipelago and the China
seas — the straits of Sunda and Malacca. These measures might
have inflicted irreparable injury upon the trade of England if sir
Stamford Baffles had not fortunately established, almost on his
own responsibility , the free port of Singapore." — Zoo schrijft
men geschiedenis
C.C.G. G. behandelden Raffles' brieven in hunne vergadering
van 7 Mei 1818. Besloten werd de kennisgave van 23 Maart be-
leefd te beantwoorden. — Over den postdienst was reeds in 1816 met
het Engelsch bestuur eene correspondentie geweest. Destijds had
de resident van Bantam De Bruin bij brief van 25 December 1816
onze Begeering er op gewezen, dat er zelfs onder het Britsch
bestuur op Java, toen er eene geregelde correspondentie tusschen
Benkoelen en Java bestond, geene uitsluitende postboot was aan-
gewezen, waarom hij die ook nu niet noodig achtte '"^. De
Regeering had zich met dit advies vereenigd , en in dien geest bij
missive dd. 27 December 1816 door den heer J. C. Baud aan C.
Assey , ^i'Secretary to the British Commissioners" , doen schrijven * " ^.
C. C. G. G. besloten ook nu den Luit.-Gouv. kennis te geven , dat
zij geen vasten postdienst noodig achtten. — Wat eindelijk betrof
het voorstel tot afstand van Lampongs grondgebied , hiervan wilden
zij natuurlijk in het geheel niet weten.
Yan deze drievoudige beslissing der vergadering van 7 Mei
1818 '***, werd den Luit.-Gouv. kennis gegeven door onzen Gouv.-
Gen. bij brief van 15 Mei 1818, doch bovendien werd de aan-
vrage van Lampongsch grondgebied zóó militant gevonden, dat
C. C. G. G. tegelijkertijd [overwogen : //dat het hoogst belangrijk is
deze aanvrage van den Britschen Luitenant-Gouverneur van Ben-
koelen te brengen ter kennisse van Zijne Majesteit, en daarbij eene
en andere bedenkingen tot die materie dienende, te voegen/'
Met Baffles' aanvrage om Lampongs grondgebied had inderdaad
de strijd, die op de stichting van Singapore zou uitloopen,
een aanvang genomen; dat hijzelf, niettegenstaande zijne vleiende
OMTEKNT HET LONDBNSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 381
brieven, dit ook beoogd had, blijkt uit een partikulier schrijven
van een paar dagen later aan zijn in Europa vertoevenden vriend
William Marsden, nl. van 7 April 1818, waarin hij op de mede-
deeling zijner behouden aankomst te Benkoelen, na eene ver-
velende reis uit Europa van vier maanden, het onderstaande laat
volgen * ^ ' :
I am already at issue with the Dutch Government about their boun-
daries in the Lampoon country. They insist on packing us up close
to Billimbing , on the west coast. 1 demand an anchorage in Simangka
Bay, and lay claim to Simangka itself. If we obtain this, we shall
have a convenient place for our China ships to water ; and shouid we
go no further within the Archipelago, be able to set up our shop
next door to the Dutch. It would not , I think , be many years before
my station in the Straits of Sunda would rival Batavia as a commercial
entrepot, If I have time, you shall have copies of my dispatches, and
I hope to have your support with Mr. Canning on this point. You
will at once see the immense importance of what I am standing out
for, both for this coast and our interest generally.
C. C. G.G. hadden echter Raffles^ plannen reeds vóór zijne terug-
komst doorzien en in verband daarmede getracht zich nog zooveel
mogelijk in den verkregen kring van belangen vast te zetten, als
in de Lampongs, in Palembang, op Billiton, op Borneo, op Bali.
Zij werden echter in hunne wijze politiek zeer belemmerd, gelijk
ik opmerkte, door gebrek aan troepen en geld. Belangrijk wegens
het doorzicht, waarvan zij blijk geven, zijn hunne brieven over
de gevolgen , die Baffles* terugkomst voor het Nederlandsch gezag
zou kunnen hebben.
Den 9° October 1816 reeds schreven zij in de sub 55 vermelde
missive het volgende aan het Opperbestuur:
De L' Gouverneur Raffles, die thans in Europa is, zal ongetwijfeld
zijne bijzondere en plaatselijke kennis bezigen om het Britsch kabinet
of de Britsche O. I. Compagnie al het belangrijke in te prenten, dat
er voor Engeland gelegen is in die bezittingen. Wij zijn genoegzaam
onderricht, dat 'hij met Sumatra groote ontwerpen in den zin heeft,
en wanneer hij eens weder als resident op Benkoelen geplaatst zal
zijn (waartoe hij is aangesteld), zal hij ongetwijfeld zijne beste en
onvermoeide pogingen aanwenden, om van dien kant den Britschen
invloed en het Britsch gezag uit te breiden , en tegelijkertijd zijne
geliefkoosde ontwerpen op de andere zijde niet uit het oog te verliezen ;
kan hij nu op grond van een of ander voorwendsel, zich mengen in
•382 FENDALLS EN RAFFLEs' OPVATTINGEN IN HET ALGESiTEEN
de betrekkingen tiisschen de Vorsten daar en de Nederlandsche
Regeering, hij zal zekerlijk niet nalaten daarvan gebruik te maken.
Een jaar later, nl. den 10" October 1817, schrijft Elout par-
ticulier aan Goldberg, den departementschef van Koloniën:
De benoeming en aanstaande komst van den heer Raffles als Luitenant-
Gouverneur op Benkoelen en de plans, welke wij weten, dat hij èn
op Sumatra, èn op Borneo, èn op Bali heeft, hebben ons aangezet
om derwaarts onze oogen en oplettendheid te vestigen , en ook hieraan
zijn wij in deze oogenblikken werkzaam. Wij zenden personen naar
de onderscheiden vorsten om met hen in nadere verhouding te treden
en ik vlei mij daaruit goeds te zien geboren worden. Wij hopen, dat
dit 7^ M* goedkeuring zal verwerven, doch men houdt het in Europa
maar voor onbekend.
Het cursieve was door Elout onderstreept.
En dd 21 December 1817 «"«:
De heeren Muntinghe en Smissaert zijn naar Banka en Palembang
vertrokken: de regeerende Sultan heeft zich eenigszins cavalièrement
gedragen ten aanzien van een aan hem medegedeeld besluit, waarbij
wij zijne betrekkingen en verplichtingen jegens den ouden Sultan ge-
regeld hadden. Hij zal er over onderhouden worden. Wij moeten daar
onzen invloed en autoriteit vermeerderen. Dit staat in verband met
dat andere gedeelte van Sumatra, dat de benaming van Lampongs
draagt. De heer Kruseman, die, door zware onpasselijkheid genood-
zaakt eene reis naar Europa te doen, voor \\ jaar verlof heeft, zal
UHEG. bekend maken met zijne idees omtrent die waarlijk belangrijke
districten. De heer Raffles had zeker sedert lang plans tot uitbreiding
aldaar , die hij bij zijne terugkomst zal zoeken te realiseeren , denk ik.
Wij zijn hem eenigszins vó()rgekomen, door bezit van die streken te
nemen, die de droit aan ons behooren, en reeds met de Inlanders
(geheel met hun vrijen wil) verbintenissen aan te gaan. Ik wenschte
dat wij Benkoelen hadden en de verdere kleine Engelsche bezittingen
op Sumatra. Ik gaf veel van onze bezittingen op het vaste land van
Indië daarvoor.
Doch Muntiughe's tocht naar Palembang had, krachtens het
besluit van 27 October 1817, vrij wat aitgebreide» strekking , dan
de door de Engelschen ten troon verheven Sultan ie onderhouden.
Hij moest worden gepenswuneerd met toekenning van eenige districten
voor zijn onderhoud, terwijl de verantwoordelijke moordenaar van
1811 weder ten troon zou worden verheven, zij het ook met afstand-
doening van het grootste deel des Eijks aan de Nederlandsche
regeering ' "*,
OMTEENT «ET LONDENSCH TICACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 383
Termen om zóó hardhandig tegenover sultan Najm al Din op te
treden, waren er eigenlijk niet. Falembang leed aan wanbestuur,
*t is waar; doch tot dusver hadden wij er nog geen voldoend gezag
gevestigd gehad om den Vorst in zijn bestier bij te staan. Mun-
tinghe kwam er nu eerst met eene macht; wij hadden het daarbij
voorloopig moeten laten : vroeg of laat zou de Vorst toch wel in
de kaars zijn gevlogen ''". C.C. waren echter te zeer onder den
indruk van Raffles^ komst; zij vreesden den onder diens bestier
ten troon verhevene , in wien zij zagen een Engelsch gezind vorst :
hem onschadelijk te maken en den door het Engelsch bestier van
den troon vervallen verklaarden Badroedin andermaal tot sultan
te verheffen , zou ons tegenover de te verwachten Engelsche intriges
steun geven.
Hoe spoedig reeds dit denkbeeld bij C.C. G. G. zekeren vorm
had aangenomen , kan blijken uit hun op bl. 381 vermeld schrijven
aan het Opperbestuur dd. 9 October 1816. Daarin dringen zij er
vooral op aan, dat ook de regeering in Nederland niet toegeve
aan eene eventueele vordering om de onschendbaarheid der gesloten
contracten te waarborgen, wijl dan aan de Britscbe autoriteiten
gelegenheid zou worden geschonken om zich met onze koloniale
zaken in te laten, waarnaar dezen verlangden, indien men onzer-
zijds in die contracten eenige verandering wilde aanbrengen. C.C.
vervolgen dan aldus:
En wij mogen niet ontveinzen, dat zulk eene gedachte ons niet
geheel vreemd is.
Dit is zeker, dat de bezitting van Banka op zich zelve reeds eene
groote aanwinst is ; te voren toch werd enkel eene bepaalde hoeveelheid
tin door den Vorst volgens contract als eene verplichte 'leverantie
overgegeven ; nu zijn wij meester van alle de rijke mijnen , en hoezeer
wij liever tot nu toe de hoegrootheid der opbrengst niet willen be-
palen , zoo kunnen wij uit de bij ons ingekomen onderrichtingen reeds
genoegzaam opmaken, dat zij hoogst aanzienlijk zijn zal.
Zulk eene bezitting dus voor ons te verzekeren is plichtelijk, maar
daartoe en tot andere einden evenzeer moet onze invloed en ons
gezag op Sumatra vergroot worden , en wij moeten zoo mogelijk voor-
komen, om niet voorgekomen te worden.
Wellicht kunnen wij dit nu met eene mindere macht doen dan
na verloop van eenigen tijd , en wij zouden dit ook niet ver-
zuimen, wanneer niet ongelukkiglijk de troepen, die wij met de Prins
Ftederik en de Maria Reygersbergen verwachten , zoo lang achter bleven.
Uit deze redeneering evenwel moet niet worden opgemaakt , dat wij
38i FENDALLS EN RAFFLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN
een vijandelijken inval in den zin hadden; integendeel, het is waar-
schijnlijk, dat tot het bedoelde einde niets dan onderhandelingen,
maar ernstige onderhandelingen, door vertooning, niet door gebruik
van macht gerugsteund, noodig zullen wezen.
De wijze van hun optreden zou echter juist te weeg brengen ,
wat eigenlijk niet beoogd werd ; en het is werkelijk jammer ge-
weest dat ten deze het doorzicht van C. C. G.6. gefaald heeft. Dat
wij aan allen invloed van Engelsche zijde een einde wilden maken ,
niets natuurlijker : zóó zelfs, dat reeds in een schrijven dd. 13 December
1816 , van Fendall aan het Londensch bestuur der Oosi-Indische Com-
pagnie j dit streven van C. G. G. 6. als eene vanzelf sprekende zaak
wordt vooropgesteld. ^i'It is the wish of the Netherlaud Commis-
sioners-General" — lezen wij daar * ' ' — ^to exclude as much
as possible an acknowledgmeiit of relations established during the
Briti4sk administration , and carefuUy to avoid giving the Native
Chiefs any reason to thii^k, that the British continue to retain
an influenoe or connection in this Colony. The poUcy may he natural
enougk!''' — Doch deze politiek sloot geenszins uit, dat daarbij
zekere vormen van achting niet werden overschreden ten aanzien
van de mogendheid , die , gelijk het luidt in een brief van Castle-
reagh dd. 14 Juli 1814 *'*, vervuld was geweest met het streven
//almost romantic, to serve Holland^\ Wat omtrent onze waar-
deering hiervan , C. C. G. G. zelven ook in de voor openbaarheid
bestemde schrifturen mochten getuigen, hunne handelingen waren
er zeer zeker niet in overeenstemming mede. Terwijl nog zoo kort
te voren de al of niet handhaving der tractaten, ouder het Engelsch
tusschenbestuur gesloten, het onderwerp van ernstig geschil was
geweest, gaven zij zelven zonder noodzaak aanleiding lot het niet
geheel ongegronde verwijt, dat al zeer weinig eerbied betoond
werd voor den «'grootmoedigen en rechtvaardigen bondgenoot",
gelijk het luidde in de publicatie dd. 19 Augustus 1816 (Stbl.
N° 5), waarbij C.C. G. G. het optreden der nieuwe Nederlandsche
regeering verkondigden ; en terwijl het Engelsch bestuur het ge-
durende onderscheidene jaren met de aangegane verbintenissen in
Palembang had kunnen stellen, scheen het dan toch al zeer ver-
dacht, dat er nu op eens dringende omstandigheden waren opge-
komen , die ons tot radicale wijzigingen noopten. Inderdaad was
de zaak zóó zwak , dat wij in de officieele stukken tot eene voor-
stelling kwamen, die bezijden de waarheid was. In eene voor
onzen gezant te Londen bestemde nota, samengesteld in deii
OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 18 AUO. 1814. 885
aanvang van 1819, lezen wij toch: //Mr. Mnntinghe, Commis-
saire du Gouvernement des Pays-Bas h Palembang, étant arrivé
h sa destination, trouva dans Ie Sultan établi une incapacité
absolute de régner et par suite "" Zoo werd de indruk
gemaakt, dat de pensionneering van den door de Engelschen aan-
gesielden Sultan het gevolg was van een door onzen Commissaris
ingesteld onderzoek naar de resultaten van diens bestuur, terwijl
inderdaad reeds v66r Muntinghe^s vertrek van Batavia als doel der
zending was beschreven afzetting van den Sultan : ffancienne créature
des Angiai«\ zooals het in die Nota mede luidt, en in welke
woorden naar waarheid de drijfveer der voorgeschreven en nagekomen
handelingen was gelegen. Zelfs ons eigen Indisch bestuur haastte
zich weldra door de eene inconsequentie op de andere te doen
volgen, een ieder te overtuigen, dat het roet onze fraaie argu-
menten tegen Najm al Din's wanbestuur en slechtheid geen ernst
was geweest; want als wij hem door zijn broeder Badroedin hebben
vervangen , vinden wij ook dezen zóó slecht . . . dat we den ver-
bannen Najm al Din naar Palembang in eere laten teruggaan en
een zijner zonen op den troon plaatsen.
Deze dubbelhartigheid , want ook wij waren met streken , is ons
duur te staan gekomen: daaraan toch is het o. a. te wijten, dat
wij den werkelijk sympathieken steun, dien ons het Britsche mi-
nisterie door Castlereagh en Bathurst, zoomede het Bengaalsch
bestuur door lord Moira dikwerf hadden verleend, bleken ver-
loren te hebben, toen wij dien op nieuw behoefden in ons verzet
tegen de stichting van Singapore.
Met Baifles' komst te Benkoelen op den 22° Maart 1818 volgen
de gebeurtenissen elkander betrekkelijk snel op. Den 13" April 1818
was Muntinghe van Batavia vertrokken en den 19° te Muntok op
Banka aangekomen; ziekte hield hem daar langer op dan in liet
belang der zaak wel gewenscht was , zoodat hij eerst jden 4° Juni
te Palembang aankwam. Baifles had intusschen geen antwoord op
zijn bl. 878 vermelden brief van den 27° Maart over de Lam-
pongsche grensquaestie afgewacht, doch in Mei d. a. v. een
Europeesch ambtenaar met soldaten ter bezetting van de Semanka-
baai naar de Lampongs gezonden I
Dank kalm beleid wisten wij ons gezag tegenover deze eerste
proeve van Baffles' gewelddadig streven te handhaven, ofschoon
C. C. G. G. het gevaarlijke van zulke ontmoetingen voor de ver-
houding tot Engeland niet over het hoofd konden zien, te meer
386 FENDALL S EN RAFFLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN
wijl zij vreesden, gelijk ten slotte juist bleek, dat het bij die
eerste proeve niet blijven zou. ^/Zulke feitelijkheden kunnen her-
haald worden:" — schreven zij dd. 9 Juni 1818 aan het Opper-
bestuur * * * — ^zij kunnen van meer dadelijken invloed op de rust
en veiligheid der Nederlandsche bezittingen worden: zij kunnen
een oogenblikkelijken en krachtdadigen tegenstand noodwendig
vorderen. En dan wordt het voor de Indische Begeering eene der
neteligste omstandigheden, hoe, zonder den wil en de begeerte
van het Europeesch Gouvernement te kennen, te handelen. Het
wordt voor haar dan een raadsel, wat te doen, wat te laten. Het
ware hoogelijk te wenschen , dat over vele zaken de buitenlandsche
bezittingen betreffende, maar vooral ook over dit bijzondere en
teedere punt, tusschen de Europeesche mogendheden vaste be-
palingen onderling werden gemaakt.""
Dit schrijven was nog niet verzonden, toen onze Regeering te
Batavia twee brieven, gedagteekend 7 Juni 1818, van Baffles
ontving, waarin zij formeel ter verantwoording werd geroepen!
Onzen Regeering-Almanak doorloopende — schreef hij in den
eenen — had hij opgemerkt , dat voor Billiton een besturend per-
soneel was aangewezen : wegens Eugelands rechten op dit eiland ,
vroeg hij wat dit beteekeude * * "* ; in den anderen brief verzocht
hij te mogen weten op welken grond wij de onafhankelijkheid van
Palembang bedreigden '*'^. Het lijdt wel geen twijfel , dat Raffles
van de Billitonsche quaestie meer wist, dan de Nederlandsche
Regeerings- Almanak hem leerde; doch wijl hij eigenlijk geenerlei
bevoegdheid had om zich met de politieke zaken buiten zijn ge-
west in te laten, vond hij in die lectuur zeker eene als het ware
ongezochte aanleiding om de quaestie op nieuw bij ons aanhangig
te maken.
De beide aanmatigende stukken werden door C. C. G. G. ter
vergadering van 80 Juni 1818 behandeld. Hunne resolutie toont
duidelijk aan, hoezeer zij er zich door gekrenkt gevoelden; te
grooter was hun ergernis doordien een acht dagen te voren, nl.
den £1*^ Juni, onze expeditie ter overneming van Fadang na eene
reis van 14 dagen zonder resultaat uit Benkoelen te Batavia was
teruggekeerd, daar RafHes geweigerd had deze onderhoorigheid
van zijn gouvernement terug te geven, op grond dat men zich
dezerzijds ongenegen verklaarde , geldelijke vorderingen te erkennen,
die, volgens Rafiles, onafscheidelijk aan de overgave verbonden
waren. Alzoo werd den Gouv.-Gen. verzocht aan den Luitenant-
OMTKSNT HET LONOENSCU TUACTAAÏ VAN 13 AUG. 1814. 387
Gouverneur van Benkoelen te schrijven, dat ontkend werd diens
bevoegdheid om met de regeering te Batavia te correspoudeeren
over aangelegenheden niet tot zijn gewest behoorende; op (lerge-
gelijke brieven zou dan ook nwt meer wordev geantwoord ; geschiedde
het nog dezen keer, dan was het om van hunne vriendschappe-
lijke gevoelens te doen blijken. Betoogd werd dan nader ons recht
op een volstrekt gezag in Falembang en onze aanspraken op
Billiton , in overeenstemming met hetgeen hierover met fiaffles' op-
volger te Batavia, den heer Fendall, was verhandeld geworden ' *'.
In de bet(fogen omtrent Billiton hebben C. C. G, G. , en in na-
volging onze diplomatie, zich beroepen op den geest van het Lon-
densch tractaat, in zoover in art. 2 abusievelijk achter //Banka"
de woorden //en onderhoorigheden" waren weggelaten. Partij tegen-
over partij kon het argument moeielijk indruk maken bij de plaat-
selijke overgevende macht, daar zij zich niet beriepen op de aan-
leiding tot den afstand van Banka , te weten miverdeeld bezit , gelijk
ik op bl. 274 der vorige verhandeling mededeelde; Elout zou ,
indien hij het tractaat van Engelsche zijde had moeten uitvoeren ,
onder die omstandigheden zeker de eerste geweest zijn , zich
tegen het vergissing-argument te verzetten. Waarom moest dat
eene vergissing heeten , al had men bij het vlak daartegenover
gestelde Cochin de onderhoorigheden wèl vermeld? Beter ware
het dan m. i. geweest — nu de fout eenmaal begaan was door de
onkundige wijze waarop, naar de uiteenzetting in mij a vorig opstel,
onzerzijds het tractaat werd geredigeerd gelaten — om een beroep
te doen op de ' algemeene strekking van art. 1 , volgens welke
alles, wat niet uitdrukkelijk werd uitgezonderd, aan Nederland
terugkwam. Tegen deze opvatting viel ook wel, juist in verband
met art. 2 , eenig bezwaar te maken , doch het had niet dezelfde
bedenkelijke consequentiën , daar het inroepen van d-en geest eeuer
verbintenis een tweesnijdend zwaard kon blijken. En Raffles zou
Raffles niet geweest zijn, als hij van die kostelijke exceptie
ook niet eens gebruik had gemaakt. Hadden toch C. C.Q. G.
verklaard niet te willen weten van eene waarborging der onder
het Engelsche tusschenbestuur gesloten verbintenissen met de In-
landsche vorsten, enz. op grond dat de Londensche conventie ten
deze geenerlei verplichting oplegde; de Luitenant-Gouverneur van
Benkoelen merkte op (in den brief sub 131): dat wij in geen geval
mochten gebruik maken van nan oversight^'' , die toegeschreven moest
worden aan de haast , waarmede Engeland zich edelmoedig bereid had
388 FENDALL S EN RAPFLRS OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN
verklaard onze bezittingen weder te geven ! * * * C. C. Q. G, vonden zulk
een antwoord bijzonder vreemd; nochtans hadden zij voor Billiton
evenzeer het argament eener vergissing te berde gebracht. — RafHes
heeft echter zijn bescheid op de wederlegging onzer Begeering
omtrent Billiton niet aanstonds gegeven. Hij deed het eerst den
15" Aagustus, nadat de op zijn last te Falembang geheschen
Britsche vlag door Muntinghe^s flink optreden weder was ingehaald.
Toen berichtte hij , dat onze Regeering zelve maar moest weten of
zij al dan niet met hem wilde correspondeeren ; hem liet het vol-
komen onverschillig * * * !
Op denzelfden dag , dat C. C. G. G. aan den Luitenant-Gouverneur
trachtte te doen verstaan, wat de kring zijner bevoegdheden was,
dus den 30^* Juni 1818, richtten zij een schrijven aan het Opper-
bestuur **". Zij brachten in herinnering, dat zij reeds bij brief
van 9 October 1816 hunne beduchtheid over Raflles^ terugkomst
hadden te kennen gegeven (bl. 381) en dat die nu gegrond bleek.
//Dan" — vervolgden C. C. — «'wat hiervan ook zij , wij hebben
vastelijk voorgenomen den Heer BafHes niet in het geringste toe
te geven in zijne zeer verkeerde begrippen als had hij eenige be-
voegdheid om zich met ons bestier in te laten, en wij zullen
integendeel voortaan alle zijne brieven van dezen aard zonder ant-
woord laten. Nu hebben wij , ten einde de meest mogelijke wel-
willendheid aan den dag te leggen, hem nog eenige inlichtingen
medegedeeld. Zoo dezen geen invloed hebben, wordt alle verdere
briefwisseling, in stede van goed-, kwaadstichterij , en bijzonderlijk
ook dat van den voor ons zoo kostbaren tijd zonder nut weg te
nemen.'^ Zij kwamen vervolgens op het bezwaar, waarvan zij reeds
naar aanleiding der gelijktijdig plaats gehad hebbende Lampongsche
verwikkelingen melding hadden gemaakt (bl. 386) , dat het voor hen
zoo moeilijk was eventueele gewelddadigheden van Baffles te keer te
gaan. /srWij mogen met dat al [JHEdG. niet ontveinzen , maar ook
hier met aandrang aanmerken'^ — merkten zij den departements-
chef voor de Koloniën op — /j'dat de tegenwoordigheid van den
L^ G' Raflles, mogen wij van zijne eerste daden tot de volgende
besluiten, aan de Hooge Regeering van Ned.-Indië voorwaar niet
dan veel zorgen baren zal, vooral wanneer zij geen stelligen last
heeft, hoe zich ten aanzien van dien Britschen ambtenaar te ge-
dragen. Om zulk een last of instructie smeeken wij ten ernstigste,
zoo niet hetgeen nu reeds door ons onder de oogen van het Gouver-
nement gebracht is, genoegzame aanleiding geeft om bij het Britsch
OMTRENT HET LONDEXSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 389
Gouvernement in Europa over hem te klagen, en op zijne ver-
wijdering aan te dringen , of dezelve door eene ruiling van Sumatra
zaelitkens gevolg te doen nemen." De brief besluit aldus, ook in
verband met de bezetting van de Lampongs: '/Het is niet een
ijdele zucht tot uitbreiding van het Nederlandsch gezag, zonder
nut of bepaald doel, die ons doet denken en handelen, gelijk wij
deden, maar het is de innige en welgevestigde overtuiging, dat
het voor de NederlandscKe vaart en handel, voor de welvaart, ja
voor de veiligheid van Java zelfs noodig en onontbeerlijk is (waren
er nog sterkere uitdrukkingen, wij zouden die bezigen), om op
Sumatra geheel meester te zijn , zoo het mogelijk is , maar althans
om niets af te staan van den invloed en het gezag, die de Hol-
landers altijd op Palerabang en de Lampongs geoefend hebben.
Zoo aan den Heer Raffles de vrije teugel gevierd wordt, dan
voorzien wij zeer veel onheil."
Als minister van Onderwijs, Nijverheid en Koloniën fungeerde
destijds de gewezen secretaris van staat A. R. Falck, die volgens
De Grovestins en Thorbecke uit 's Konings omgeving ver-
wijderd werd, omdat Willem I geene onafhankelijke raadslieden
naast zich kon dulden ^^t j)^ Minister was, blijkens een rapport
aan den Koning dd. 18 November 1818, uitgebracht naar aan-
leiding van de Lampongsche verwikkelingen , van meening dat C. C-
G. G. zich over het geheel een overdreven begrip schenen te maken
van het nadeel , dat eene krachtige handhaving onzer rechten in andere
werelddeelen aan de goede verstandhouding tusschen de wederzijd-
sche Gouvernementen in Europa konde toebrengen. Hadden zij
opgemerkt dat het voor hen in geval van dadelijkheden van Raffles'
zijde zoo moeielijk was te handelen, zonder den wil en de begeerte
des Konings te kennen^ Ealck schreef den Koning: //Mij komen
deze wil en begeerte niet twijfelachtig voor en ik hoop dat C. C-
G. G. zich zullen hebben overtuigd, dat geene plicht of zorg
hooger staan moet dan die om de rechten van den Staat voor
verkorting of miskenning te bewaren" **2.
C. C. G. G. hadden inderdaad reeds ruim gelegenheid gevonden
zich tegenover Raffles te doen gelden. Den 17° Juni 1818 ontving
deze een brief van den regeerenden Sultan , waarin hulp werd
ingeroepen tegen mogelijke plannen van den naderenden commis-
saris Muntinghe. Raffles haastte zich daarop zekere kapitein Sal-
mond met 150 ^ 200 man door de binnenlanden naar Palembang
te zenden. Toen zij echter op ^^^^ wareu , ontving de Luitenant-
Ge Volgr. III. 27
•390 FENDALLS EN RAFFLES^ OPVATTIHGEN IN HET ALQElCiSEN
Gouvernear eeue nieuwe dringende bede om hulp van den Sultan ,
onder mededeeling dat commissaris Mnutinghe te Palembang was
aangekomen '^^. Raffles zond dit schrijven Salmond achterna met
een briefje dd. 24 Juni 1818. Wijl nu de omstandigheden ver-
anderd konden zijn, liet hij de verdere behandeling der zaak over
aan Salmond^s //discretion and judgment^\ terwijl hij daaraan toe-
voegde eene proclamatie^ waarin hij zich noemde Vertegenwoordiger
van het Brit^che Gouremement in den Oosterschen Archipel^ die
Salmond moest afkondigen ^if necessarj", en waardoor feitelijk
de volken van den Archipel tegen het Nederlandsch gezag werden
opgezet '24 Dreigbrieven voor den commissaris Muntinghe en
onzen Gouverneur-Generaal , met afschriften der Proclamatie waren
daarbij gevoegd, zoomede een brief voor den resident Farquahar in
de Straits^ houdende aanbeveling om Malakka niet over te geven,
bevorens de zaken op Palembang in orde waren. In den brutalen brief
aan Muntinghe verklaarde hij tevens Padang niet te zullen overgeven . . .
//until the affairs of Palembang are satisfactorily arranged" ' ^ ^ ; hier-
mede gaf hij derhalve het voorwendsel der geldelijke vergoedingen ,
waarop ik bl. 386-387 wees , prijs. Het was dan ook slechts om een
voorwendsel te doen geweest! — Deze brieven werden nog door
eenige anderen gevolgd , die echter hunne bestemming niet be-
reikten, daar zij door een ons getrouw hoofd aan Muntinghe
in handen vielen. Een er van was door Raffles aan Salmond
gericht, gedagteekend Benkoelen, 30 Juni 1818, en geschreven
in de verwachting van een voorspoedig verblijf te Palembang. Zij
bevatten twee bijlagen, nl. brieven bestemd voor de vorsten van
Riouw en Pontianak ten einde dezen tegen ons op te stoken ; Salmond
had ze van Palembang uit te bezorgen ; het waren stukken die op
het karakter van den briefschrijver een hoogst ongunstig licht
werpen '^•. Een ander schrijven was van 3 Juli; het had betrek-
king op den hiervoren vermelden brief van Farquahar dd. 24 Juni;
sinds het afgaan van dit laatste schrijven had toch Raffles zulke
gunstige berichten over Salmond's marsch naar Palembang ge-
kregen, dat de Luitenant-Gouverneur meende er Salmond aan te
moeten herinneren om den voor Farquahar bestemden brief niet te
laten afgaan, wanneer Muntinghe zich zoude hebben nedergelegd
bij ffiiTij fair and honourable arrangement" ; de vermakelijke mede-
deeling, dat mevrouw Travers eene heerlijke dochter had gekregen,
is het eenige lichtpunt in deze brieven, die overigens slechts
ergernis wekken '2'.
OMTRENT HET LUNDRNSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 391
De loop der zaken was echter een geheel andere dan Raffles
verwachtte. Onderweg uit Raffles' schrijven vernemende, dat Mun-
tinghe reeds met troepen te Falembang was, besloot Salmond den
hoofdtroep voorloopig achter te laten en slechts met 'n 25 man
de reis te vervolgen. In den nacht van den 3*^ op den 4*^ Juli
kwam deze expeditie te Falembang aan , waar men steelsgewijze
tot het verblijf van den hulpbehoevenden Vorst werd toegelaten.
Najm al Din was toen reeds door Muntinghe onttroond en had den
kraton met zijne tegenwoordige woning moeten verruilen, waar
nu aanstonds de Britsche vlag werd geheschen! Muntinghe bleef
echter den toestand meester. Hij dwong Salmond en de zijnen via
Batavia naar Benkoelen terug te keeren, terwijl hij ook spoedig
daarna Najm al Din in ballingschap wegzond.
Inmiddels had er Raffles voor gezorgd, dat de Britsche bladen
op de hoogte bleven van de groote daden , die uit Benkoelen
werden geleid. De Bengal Hurhary van 18 Juli 1818, eene weid-
sche beschrijving gevende van de ontvangst van den heer en mevrouw
Raffles te Benkoelen en den doop hunner dochter, deelde daarna
het volgende mede:
Met de Passumahs is een verbond gesloten , waarbij dezelve onder-
danen zijn geworden van het Engelsch Gouvernement; de bijzonder-
heden zijn nog niet bekend, maar wij vertrouwen, dat wanneer die
zullen openbaar worden gemaakt, dezelve voordeelig voor ons zullen
worden bevonden. De Britsche vlag waait te Semangka. Wij onder-
stellen dat het aan de China- vaarders zal worden toegestaan, die
haven aan te doen, schoon wij nog voor het tegenwoordige niet
klaarblijkelijk inzien , welke voordeden van het plaatsen van een etabli-
scment in de Lampongs (hetgeen eerst onlangs is ingetrokken) mogen
verwachten. De heer Samuel Garling is met eene militaire macht naar
Semangka vertrokken met het schip Lady Raffles, en heeft de baai op-
genomen. Terwijl een zee-ofiicier aldaar bij den heer Garling is verbleven ,
vertrouwen wij dat de uitslag aan de wereld zal worden medegedeeld.
En verder:
Groote zaken zijn in de geboorte. De uitkomsten zullen , hopen wij,
voordeelig zijn; dan zullen wij Fort Marlbqrough eene bloeiende en
handeldrijvende residentie zien worden.
De Pr'ince of Wales Island Gazelle van 22 Augustus nam deze
berichten over. Den 29^ deelde zij mede , dat onze commissarissen
Wolterbeek en Timmerman Thijssen voor de overneming van Malakka
waren aangekomen, terwijl de Courant op de mededeeling van be-
doelde aankomst deed volsfen :
392 FENDALLS EN RAFJfLKS OPVA'ITINGEN IN HET ALGEMEEN
^Wij hebben een resident te Palembang, en troepen om den
regeerenden Saltan te ondersteunen.
ffin de straat Snnda en in de Semangkabaai zullen etablissementen
worden opgericht."
Onze Begeering te Batavia — zich sterk gevoelende door haar
inmiddels behaald succes — achtte het noodig, al deze berichten
in de officieele Bataviasche Courant van 24 October 1818 over
te nemen , onder toevoeging van het volgende :
Bij voorraad kunnen wij onze lezers berichten , dat de onderstaande
verhalen, voor zoo verre zij de staatkundige betrekkingen betreffen,
met de waarheid niet overeenkomen. De Britsche vlag waait niet te
Palembang, er zijn geen Britsche troepen daar ter plaatse. Er is wel
eene poging door sommige onbevoegde personen gedaan^ om het
Nederlandsch gezag aldaar te belemmeren, dan de oordeelkundige
maatregelen van den Kommissaris Muntinghe hebben spoedig een einde
aan die verkeerdheden gemaakt. ^
Op eene der plaatsen in de Semangkabaai is waarlijk op ditoogen-
blik een post door den heer Raffles gesteld; doch deze schending
van het Nederlandsch grondgebied is zijne eigene daad en kan niet
dan zeer euvel door het Britsche Gouvernement worden opgenomen.
Dit gouvernement zal zeer zeker niet dulden, dat een ondergeschikt
ambtenaar van eene zoo onbeduidende plaats als Bencoelen zulke ge-
weldenarijen op het grondgebied van eene bevriende mogendheid
oefent, maar zekerlijk doen, hetgeen de Hooge Regeering van Neder-
landsch-Indië gedaan heeft , ten aanzien van een hunner ondergeschikte
ambtenaren, die op Timor het Portugeesch grondgebied geschonden
heeft
De Engelsche bladen namen het entre-filet over, om daaraan
slechts nieuwe aanvallen tegen ons toe te voegen. //Some unpleasant
discossions between the two nations in Europe" zouden zonder
twijfel het gevolg zijn van /i'the verj extraordinary proceedings of
the Dutch commissioner at Palembang towards the British agent,
depnted by this government to that place on the invitation of
the reigning Sultan"; de Sultan /i^was created an independent
sovereign bj the British nation, and his independence guaranteed ,
in consideration of his ceding the island of Banca to the British
government in Java". Het zou dus de vraag worden, of wij niet
aldus het bezitrecht op Banka hadden prijsgegeven : ^The territories
of Palembang and Bencoolen join, and it becomes absolutelj
necessarj to check the interference of the Dutch, in a country
to which they cannot have the shadow of a claim." ' ^ **
OMTRENT HET LONDENSCH TRA.CTAAT VAN 13 AUO. 1814. 393
Muntiüghe als C. C. Q. G. trachtten Baffles door lange be-
toogen te overtuigen van het onrechtmatige zijner daden; ook
dat hij zich in de door hem opgestelde proclamatie onwettig den
titel aanmatigde van Vertegenwoordiger van het Brif-sche Gouvernement
in den Oosterschen Archipel; doch wat kon dit baten tegenover den
man , wiens eenig doel was de rechten te verkorten , die het Londensch
tractaat van 13 Augustas 1814, naar zijn inzien verkeerdelijk , ons
in den schoot had geworpen!
Onze Regeering dit begrijpende, wendden C. C. G. G. zich ingevolge
haar besluit dd. 25 Augustus 1818 — //ten einde zoo mogelijk
daardoor de bezwaren deswegens worden weggeruimd" — tot lord
Moira, die destijds in een roemrijken veldtocht van 4 maanden
het Mahrattengebied aan het Britsche rijk in Bengalen had toe-
gevoegd. //There was at last, after sixtj years from the battle of
Plassj" — leest men in een Engelsch geschiedboek over het resultaat
van dezen oorlog • ^ ® — ffuo question of the supremacy of British
power in India, now more perfectly established and more effeo-
tively dominant than that of Aurongzebe." Onze C.C. hieraan
gedachtig , boden Zijne Excellentie hunne verontschuldigingen aan ,
dat zij hem lastig vielen : //au milieu des hauts faits , qui Toccu-
pent si glorieusement" ; zij zagen zich echter wel verplicht —
schreven zij — de grieven voor te brengen, die zij tegen Raffles'
optreden hadden, doch zij zouden het doen: /sravec la franchise
propre & notre caractère national , non-étrangère tout-&-fait & nous
personnellement , et soutenu surtout par la haute estime, que
nous portons & celui, auquel nous avons Thonneur de nous
adresser". — Het mocht inderdaad weleens niet overbodig schijnen
de verzekering van onze franchise te geven ; aan C C. G. G. , of
liever aan Elout, werd verweten, dat zij het soms achter den
mouw hadden *•'"! — Na de vermelde inleiding gingen C.C. al
de gerezen quaestiën in de Lampongs, in Palembang, te Banjer-
masin , over Padang enz. na , en vestigden zij tevens de aandacht
op den door Rafiies aangematigden titel, waarna zij aldus, steeds
wierook aan lord Moira wijdende ! eindigden :
//Voila Monseigneur! les plaintes que nous croyons forcés de
porter contre la conduite du Chevalier Raffles. EUes sont justes
et fondées, et nous sommes persuadés que Votre Excellence les
jugera telles. Nous la prions donc instamment de vouloir prendre
telles mesures qu'elle jugera propres pour engager Ie Chevalier
Raffles ik ne pas sortir des bornes de son pouvoir legitime, et de
•391 IfENDALLS EN KA^YVLEs' UPVATTISGEX IV HET ALGEILEEÜ
ae pi UB se permettre des voies de fkit, qai poavaient coinpro-
mettre aatant les interets de son Gouvernement que ceax du notre.
/rNous connaissons Mjlord votre grandear d^lLme, votre amoor
pour la jostice, et poar Tordre et nous sommes sürs, que Ie
recours que nous prenons k Yotre Excellence contre la violence
et Ie désordre ne sera pas vain/^
Dit schrijven werd ruim een maand later door een stuk van
eeni^zins anderen aard gevolgd. Baffles was met zijne intriges
voortgegaan en had dd. 12 Augustus en 1 September 1818 protesten
tegen onze handelingen uitgevaardigd niet alleen ' " , doch er
tevens voor gezoigd , dat de eenzijdige beschouwingen, onbescheiden
genoeg! in de Britsche bladen werden gepubliceerd. Dezen vielen
ons natuurlijk met de grootste bitterheid als altijd aan. Zij merkt«n
o. a. op, hoe wij steeds in onze koloniën, van de Kaap tot Japan,
het Engelsche volk hadden benadeeld , zonder dat door de Britsche
regeering het noodige daartegen verricht werd : /rit was'' — meende
de Engelsche journalistiek " ^ — «^the business on one side to
commit aggression , and on the other to overlook it. The stronger
state disciplined his temper to forbearance , and the weaker applied
her mind to insult, till generositj looked like connivance, ^nd
what was policj in Europe sunk to imbecilitj in India. We hope
a history of the past will not furnish a prediction of the future ;
and that the share of the English in achieving the victorj of
Waterloo, is not to entail upon this nation the secure insults of the
Dutch; nor that the independence of the Netherlands, as one of
the weights in the balance of power, is to hang for two centuries
more as a millstone upon the neck of England.''
Tegenover al dat geschetter kwam eene waardige houding ons
ten goede. Den 5" October 1818 stelden C. C. G. G. protest tegen
over protest '•". Al de gerezen quaestiën werden punt voor punt
in het stuk, dat natuurlijk plechtig heet te zijn, nagegaan; en
wat ook reeds geschied was in hunne depêche aan Bengalen, werd
hier herhaald, nl. dat Raffles door zijne brieven in 1811 aan den
Sultan van Palembang middellijk tot den bekenden moord had
medegewerkt. /^^Ce massacre" — herinnerde het Protest — «'fut re-
garde par Ie L*.-Gouverneur Raffles comme un attentat commis
envers Thumanité entière; et en effêt c'en fut un si jamais; mais
on aurait dd prévoir, que telles devaient étre naturellement les
suites de ces manoeuvres sourdes, évidemment imprudentes et in-
délicates , si non criminelles ; manoeuvres reprouvées par les poli-
OMTRENT UBT LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 395
tiques les plas relélchées en morale, méme dans Tétat de guerre,
manoeavres qui poniraient compromettre Thonneur et les interets
de la nation la plus loyale en politique/^
Ofschoon C. C. aan Raffles indertijd hadden medegedeeld , dat
zij hem niet meer zouden schrijven (bl. 387), vonden zij het niet
onaardig, hem toch dit stuk te doen toekomen bij een begeleidenden
brief, waarin zij naar waarheid getuigden: >yCet acte contient tous
nos sentiments et se serait abuser d*un temps, qui peut être
employé plus utilement, que d*entrer ici dans plus de détail."
Ook lord Moira werd natuurlijk het Protest gezonden , vergezeld
van een schrijven , inhoudende dat C. C. G. G. dit wilden beschouwd
zien als een vervolg op hunne klachten van 25 Augustus over
Baffles^ g^^drag (bl. 393), waarna zij aldus besloten:
//Nous sommes parfaitement convaincus que Votre Excellence
ne Taura apprise qu'avec regret; et qu'elle en témoignera un vrai
mécontentement k ce fonctionnaire.
//Nous nous reposons 1^ dessus; des nouvelles démarches du
Ghevalier Eiaüles cependant nous ont obligé k pénétrer plus en
avant dans toutes les matières quMl s^est plues de traiter non seule-
ment dans des lettres quMl a écrites h notre Gouvernement, mais
encore dans des protestations pnbliques, qui sans doute auront
éié mis sous les yeux de Votre Excellence.
//Eorts de nos droits, nous y avons répondus dans la protestation
que nous ferons parvenir au Ghevalier Raffles. et que nous avons
rhonneur maintenant de porter ^ la connaissance de Votre Excel-
lence, afin qu^elle soit instruite de tous les raisonnements et de
tous les faits surtout, sur lesquels nous fondons nos droits."
V.
De teleurstellingen , die C. C. G. G. in zoo ruime mate onder-
vonden , waren ook aanstonds het onderwerp van ernstige diplomatieke
gedachten wisseling in Europa geworden. Reeds bij dezerzijdschen
brief van 22 October 1816 was toch aan den gezant Fagel opgedragen ,
om over de vertraging der overgave door Fendall bij het Britsche
ministerie beklag te doen '**"*. Bij missive van den 29" d. a. v. berichtte
Fagel, dat hij er lord Bathurst over had gesproken , en dat door
deze, als altijd, weder de meeste welwillendheid betoond was. '/Je
dois rendre h ce Ministre la justice de dire" — luidde het in zijn
rapport — '/que je Tai non seulement trouvé dans cette occasion ,
comme dans toutes les autres qui se sont présentées , pret h entrer
'>(?6 fZSDALLS EX EAi'l'LES OPVATTINGEN IX UET ALGEilElTX
dans noa vries, mais même dbprwe dans ce ca:*-€i , k partager n«>3
sentiraenta et h concoarir de toas ses moyeus ^ remedier k ce qui
fait Ie sujet de nos plaintes, ou plutot de nos inquietudes/' —
Ten einde het Britsche ministerie in staat te stellen schriftelijk
te antwoorden, wenschte Batharst eene nota van onzen Gezant.
Dtze voldeed hieraan als vol^, waarbij tevens een afschrift werd
overgelegd van Van NagelTs schrijven dd. 22 October:
Le Sou.*isigné, amba-ssadeur etc, a rhonneur de mettre confiden-
tiellement sous les yeux de lord Castlereagh la copie d'une dépêche
qu'il vient de recevoir de Son Excellence Mr. le Baron de Na<;ell,
Minihtre d'Etat au Département des Affaires Etrangères de Sa dite
Majesté, relative au retard des ordres attendus a Java peur la remise
de cette colonie et de ses dépendances nommément des Molucques
aux autr>rités commises a eet effét par Ie Roi des Pays-Bas. Le Sous-
signé se persuade que S. E. lord Castlereagh trouvera naturel et légitime
le sentiment d'inquiétude que ce délai fait éprouver au Gouvernement
du Roi son maitre, et il doute nullement que Son Excellence, par-
tageant la conviction des graves inconvenients qui résulteraient d*un
tel état de choses, s'il se prolongeait, et qui sont parfaitement indi-
quées dans Ia susdite dépêche, ne s'empresse de concourir a prendre
les mesures propres a le faire ccsser le plus proraptement possible.
Lord Bathurst antwoordde hierop bij nota van 31 October 1816,
dat hij er niet aan twijfelde of de bevelen tot overgave uit Bengalen
waren nu reeds te Batavia aangekomen , doch dat hij ten overvloede
een duplicaat der uit Londen gezonden bevelen den Gezant nog
aanbood, om daarmede naar hem goed dacht te handelen ''*.
De Gouv. Gen. van Beugalen , uit Engeland de klachten van onze
C.C. G. G. ontvangende, kon, naar wij nu reeds weten , in zijne mis-
sive dd. 19 Juni 1817 met de data der stukkeu aantoonen , dat zijner-
zijds de meest mogelijke spoed was betracht; doch bovendien kwam
hij op tegen eiken blaam, door onze bestuurders aan Fendall ten
laste gelegd. »li any delay , otherwise avoidable , have taken place
in the delivery of the heretofore Dutch possessions to the Com-
missiouers of the King of the Netherlands" — voegde hij er ge-
belgd aan toe — //I must assert it as whoUy ascribable to the
repulsive and controversial spirit, manifested by the chief of that
commission in the arrangemeuts necessary towards the transfer.
It is pain f ui to be obliged to express any thing that looks like
an imputatiou on a person standing in a public capacity. But the
phrase 1 have used will be borne out by the reports of proceedings
despatched to us from time to time by the British Commissiouers
OMTRENT UET LüNDBNSCIl TllACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 397
aud which will necessarily coine uuder the perusal of the Board
of Control. The coiiduct of the British coramissiouers has appeared
to this Government liberal, frank, temperate and upright in the
highest degree throughout the transaction, and those gentlemen
have received our unqualitied ackuowledgraents of a tone so truly
becoming the British character. — I should add they have uni-
formly spoken in most favourable terms of the disposition of baron
Van der Capellen, second in the Commission, to promote the
harmony dcsirable on such an occasion. ^^
Naar aanleiding van eene opdracht van onzen Koning, schreef
hierover minister Van Nagell aan zijn ambtgenoot van Koloniën om
advies: //doende" — teekende de Minister aan — //Hoogstdezelve mij
te gelijkertijd opmerken , dat de Engelsche commissarissen op Java
bij ons in geen minder ongunstig dagblaadje staan, dan waarin
de Hr. Elout bij hen voorkomt."
Het resultaat der overwegingen was om de zaak te laten rusten.
Weldra echter maakten de klachten over Raffles' intriges het nood-
zakelijk , dat wij ons op nieuw tot de Engelsche regeering wendden.
Dat daarbij steeds een sympathieke gezant als Fagel, de Neder-
landsche belangen vertegenwoordigde, strekte niet weinig in ons
voordeel; en wanneer deze, naar aanleiding van hernieuwde bevelen
om het Britsche ministerie met dezerzijdsche klachten lastig te
vallen, bij brief van 10 October 1817 den minister van B. Z.
bericht: //je les exccuterai avec tout Ie zêle et en même temps
avec toute la discrétion et la prudence, dont je suis capable" :
dan vordert de billijkheid te erkennen, dat hij inderdaad steeds
aan deze gedragslijn getrouw is gebleven.
Een koninklijk besluit van 6 December 1818 had hem ander-
maal opgedragen de Indische quaestiën ter sprake te brengen ;
er moest nu weder eene nota aan het Britsche ministerie over-
handigd worden. Fagel kon daaraan echter niet onmiddellijk gehoor
geven, wijl lord Castlereagh uitlandig was. Eerst den 31° December
werd onze Gezant , op diens verzoek , uitgenoodigd zich bij lord
Castlereagh te vervoegen , niettegenstaande deze bedlegerig was.
De conferentie duurde een half uur. Na eerst over aangelegen-
heden betreffende de Zuidelijke Nederlanden gesproken te hebben,
bracht Fagel het op de Oost-Indische zaken. Castlereagh bleek
beter op de hoogte te zijn dan Fagel had verwacht , doch de een-
zijdige voorstellingen van Raffles, speciaal over onze zucht tot
uitsluiting, waren niet zonder invloed gebleven. Afgedaan werd
'398 fendall's ks raffles* opvattixgem in het algemeen
weliswaar niets, maar — schreef de Gezant dd. 1 Januari 1819
over deze conferentie aan onzen minister Van Nagell — "Iol
glacé étant ii-pr^sent rompue, des que lord Castlereagh sera mieux
je reviendrai h, la charge" •'*.
Toen Fagel in den loop dier maand andermaal een bezoek bij
den zieken Minister bracht , onthield hij zich met opzet de Indische
quaestie aan te roeren, doch bij het afscheid nemen verzocht
Castlereasrh uit zich zelven — berichtte de Gezant dd. 12 Januari —
den heer Van Nagell mede te deelen , dat Raffles' handelingen werden
afgekeurd , en dat de quaestiën ter hand zouden worden genomen ,
zoodra de staat van 's Ministers srezondheid zulks veroorloofde *".
Den dag nadat dit werd geschreven, kwam gansch Londen en
Engeland in beweging door de publicatie van Raffles' protest in
TJie Brithh Press van 13 Januari 1819; als bijlagen waren eraan
toegevoegd, een brief van den door ons afgezetten Sultan, waarin
hij nogmaals Raffles* hulp inriep, onder mededeeling dat hij ge-
vangen werd gehouden, dat kapitein Salmond en de zijnen waren
opgezonden, dat de Britsche vlag was verwijderd, enz.; en het
verbaal van een verhoor der brengers van dien brief, waarin het
in braafheid doend Engelsch gemoed nog meer werd bewogen , b.v.
door het verhaal dat eene vrouw, die een geheel onschuldigen
brief uit het den vorst aangewezen verblijf had willen bezorgen,
door de onzen was doodfjefjetseld ^ enz. enz. ' ^ ^ En nu luidde het
moord en brand tegen ons! The Times vooraan natuurlijk met een
heftig aitikel in ziju nommer van den 14". Destijds waren in de
Vereeuigde Staten van Noord-Amerika twee Britsche onderdanen,
die de Indianen tot oorlog tegen de Amerikanen hadden opgewekt,
door een krijgsraad ter dood veroordeeld en gefusilleerd, hetgeen
ook al eene groote beweging in Engeland had veroorzaakt , zonder
echter tot iets meer dan tot luidruchtig geschreeuw te leiden;
maar Holland had nu ook den Britschen Eenhoorn beleedigd en dat
eischte wraak. *'^ Het edele Engeland, de natuurlijke beschermer
"of all that is weak and unoffending among nations'^ moest maar
overgaan tot onze //re-expulsion from the Asiatic Islands" ! Alzoo
kort recht — tegenover een klein land ; alzoo ook in zijne gansche
tentoonstelling, de door Veth gebrandmerkte //schijnheiligheid
en Pecksnifferij, waarmede de schoone leuzen der Britsche staat-
kunde in het belang van politieke hartstochten en van toome-
looze hebzucht worden geëxploiteerd". '*" In eene missive dd.
15 Januari 1819 van onzen Gezant te Londen werd minister
OMTRENT HET LÜNDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 399
Van Nagell medegedeeld , dat alle Engelsche couranten het protest
hadden overgenomen ^accompagnées de remarques et de réflexions
plus OU moins amères contre notre Gouvernement et ses employés
aux Indes". Wel behoorde het r«W^-artikel tot ^uu des moins
mesurés", maar er was geen enkel blad, dat een goed woord voor
ons over had: ^j'Mais il n'y a pas, jusqu'au Courier, papier mini- '
steriel bien connu, qui ne prenne, jusqu'^ un certain point,
fait et cause contre nous et pour Ie S' Raffles." Fagel meende dan
ook in het welzijn van het van alle zijden beleedigd wordend
vaderland te handelen door den Londenschen Courier in den arm
te nemen. '/LMnfluence que les journaux exercent sur Topinion
publique dans ce pays" — berichtte hij — //devient de jour en jour
plus formidable, et n^est pas uu des moindres maux qui sortent
de cette botte de Pandore qu'est devenue de nos jours la Liberté
de la Presse. Convaincu de la nécessité de parer ce coup sans
délai et de tê,cher de donner une autre direction au jugemeut du
public, j'ai fait insérer dans Ie Courier d'aujourd'hui un article
dont je me promets un bon effêt."
Fagel zond het door hem bedoeld artikel aan The Courier met
een briefje, geteekend D. E. en dat aldus luidde:
From the time that the Treaty between Great Britain and the
Netherlands was signed, in 1814, it appears evident that a party has
existed in this country , influenced by motives of self-interest , inamical
to the retrocession to the Dutch of their Indian possessions. Indivi-
duals, having held lucrative situations, would naturally feel reluctant
to give them up. This party has , ever since , been incessantly at work
in misrepresenting the state of affairs in the Indian Archipelago, and
trying to prejudice and inflame the public mind against the Dutch.
The same party, far from assisting in forwarding the measures agreed
upon by the different articles of the said Treaty, have done every
thing in their power to elude and retard their execution , and in some
instances (as was very lately exemplified in the refusal to restore to
the Netherland authorities the settlement of Padang on the west-
coast of Sumatra) have gone so far as actually to thwart the intentions
of the British government.
The late events at Palembang, of which so much has been said
in the public prints within these last few days, serve as a fürther
illustration of this subject. In order, therefore, to enable the British
public to come to a right understanding concerning this matter, I
have to request that you will give a place in your impartial columns
to the following statement, drawn from the most authentic sources.
400 f£noall's en raffles' opvattingen in het algemeen
The Courier nam brief eu artikel op in zijn nummer van 15
Januari 1819; en de officieele Bataviaitche CourmU van 26 Juni
1819 n® 26 haastte zich het over te nemen. Het artikel zette op
waardige eu bondige wijze ons goed recht op een onbeperkt gezag
in Palembang en onderhoorigheden uiteen. Verder werd herinnerd,
dat tengevolge van twisten tusschen den ouden en den jongen
Sultan ^the inhabitants of that petty kingdom were most miserable
themselves , and their contentions were a constant subject of alarm
to their neighbours". De afzetting van den jongen Sultan was
noodig , wegens zijne volstrekte ongeschiktheid tot regeeten : Ut-
terly incapable of governing the country, he was distinguished
only by excessive cruelty , which manifested itself in the shocking
punishments he inflicted, and by his toleration of the Malay
pirates, who carried on in those seas a regularly organized trade
in slaves, of the proiit of which the Sultan partook.'^ En na deze
snaren der menschenliefde te hebben aangeroerd , heet het dan ,
dat Muntinghe //was hailed by the natives as their deliverer", en
dat hij er aldus in slaagde eene overeenkomst te treffen, die den
slavenhandel afschafte , de ingezetenen aan hunne nijvere werkzaam-
heid teruggaf en een eind maakte //to the horrible system of
punishments formerly introduced." Eindelijk wordt er aan her-
innerd, dat onze Commissaris met de meeste wellevendheid tegen
de zendelingen van Rafties was opgetreden : //In every thing that
has passed'' — besloot het artikel — «'the Netherland Commissioner
has acted with the greatest propriety and respect towards the agents
of an allied and friendly power , and has manifested that skill and
wisdom for which he is eminently distinguished."
In eene missive van 19 Januari berichtte Fagel, dat het stuk
aan zijn doel had beantwoord. De Britïsh Pre** had slechts gegeven
//une réplique très-faible et iusignitiante , et depuis lors les au tres
journaux n'en ont plus parM." Fagel vertrouwde, dat het daarbij
zou blijven. //Le grand point dans ce Pays-ci," vervolgde hij,
//lorsqu'on est dans le cas d'avoir ^ faire insérer quelque chose
dans les papiers publics dans le but de réfuter Tune ou l'autre
erreur ou calomnie, est de saisir pour cela le moment opportun.
Si on le laisse échapper, il ne se retrouve plus, ^ cause de la
succession rapide des événements, et de Tégale mobilité avec
laquelle Tattention et Tintérêt du public se portent de Tun sur
l'autre. J'ai appris au surplus d'assez bonne part que la Direction
de la Compagnie des Indes approuve aussi pen que le Gouverne-
OMTRENT HET LONÜENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 401
raent la conduite du S' BafHes. Les Directeurs doivent avoir déjh.
fait répondre h ses derniers rapports sur Taifaire de Palembaug,
et Ton m'assure que dans cette réponse il a ^té rappel^ ^ la sphère
d'activité propre h ses fonctions , qui sont celles d'un chef de comptoir
subalterne, et non d'un agent politique ^e la première classe."
Dat ook de Britsche regeering ontevreden op Raffles was, weten
wij reeds uit Fagel's brief van 12 Januari (bl. 398). Doch die
ontevredenheid werd niet weinig vermeerderd door de onbescheiden
openbaarmaking van het protest in de Press. Den volgenden dag,
nl. den 14° des avonds, was onze Gezant naar Castlereagh gegaan ,
berichtte hij in het hiervoren vermeld schrijven van 15 Januari.
Hij had den Minister niet ontevredener kunnen aantreffen, dan
hijzelf mogelijk kon zijn. //Je Tai trouvé" — verzekerde toch Fagel —
//aussi mécontent que je pouvais Têtre raoi-même de cette nouvelle
ineartade du S' Baffles, au sujet duquel il me r^péta ce que
j'ai rapporte Ji V. E. dans ma lettre particuliere de mardi passé.
Il me fit observer que non-content d'adresser ses rapports direc-
tement aux Directeurs de la Compagnie des Indes h Londres,
sans les faire passer (comme il est de son devoir) par Ie canal du
Gouverneur-Général , son supérieur immédiat, il se permettait
encore d'en appeler sans nécessité au tribunal de Topinion publique
en faisant publier de son chef des documents oificiels , h quoi lord
Castlereagh ajouta, qu'au surplus Ie dit Baffles était entièrement
indépendant de lui et même jusqu'^ un certain point du Gouver-
nement, étant un employé de la Compagnie et seulement indirec-
tement subordonné au Board of Conirol^. L'impudence de ce
personnage est grande et Ie ton qu'il prend en parlant de notre
Roi et de nos autorités tout-^-fait déplacé. Au surplus je suis
porté ^ croire, que tout ceci, en Ie faisant encore mieux con-
naitre, achèvera de Ie perdre dans Tesprit de ses supérieurs et
pourra contribuer & faciliter Tarrangement ^ conclure entre les
deux pays & la suite des instructions contenues dans la dépêche
de V. E N^ 164 du 11 Décembre dernier" «*».
Juist in deze dagen werd het Parlement geopend. Raffles had
steun gezocht bij den hertog van Somerset, die tot de oppositie
behoorde en waarmede de Luitenant-Gouverneur, ook blijkens de
in de Memoir gepubliceerde brieven, in nauwe betrekking stond.
Somerset spande zijn partijgenoot , het lid van het Hoogerhuis lord
Lansdown, voor de zaak '^^ g^ ^j^ge was het, die den 1° Februari
1819 over de Palembangsche quaestie eene interpellatie tot de
402 fendall's en rakflks opvattingen in het algemeen
Regeering richtte. In het Lagerhuis kwam de zaak niet ter
sprake. Lord Lansdown verzocht overlegging van stukken en daar-
onder Raffles' protest, ofschoon dit bereids gepubliceerd was. De
Regeering weigerde echter het over te leggen , op grond dat Raffles
in zijne ondergeschikte betrekking van handelsresident geenerlei
bevoegdheid tot publiek optreden en tot protesteeren gehad had.
De Times, ^un des plus virulens de ceux qui sont en opposition
au Gouvernement", — gelijk het luidt in Fagel's rapport van 15
Januari 1819, — gaf de belangrijke discussiën in zijn nommer
van 2 Februari weder //passablement bien rendu" , oordeelde Fagel
in zijn schrijven van dien dag — en daaruit bleek , dat de Britsche
regeering op eene eerlijke uitvoering van het tractaat van 1814
bleef staan en dat Raffles' eigenmachtig optreden, als daarmede in
strijd , werd afgekeurd , zij het ook het Ministerie onze handelingen
niet ten volle kon goedvinden '•*^. Onze Gezant haastte zich bij
vermeld schrijven de Times over te zenden , natuurlijk buitengewoon
met het succes ingenomen. /'Enfin" , besloot hij , »ce qui me parait
aussi résulter assez évidemment de cette discussion , c'est que Ie
S' Raffles est en rapport avec Toppossition , et n'a nuUement fait
sa cour aux Ministres par la conduite qu'il vient de tenir. il joue
sans doute gros jeu, mais je doute qu'il gagne la partie, et s'il
la perd, comme cela me paralt probable, il aura sujet de s'ap-
pliquer Ie proverbe: Qui trop embrasse mal étreinV — Met deze
laatste woorden herinnerde de Gezant aan lord . Buckinghamshire's
oordeel over Raffles, waarvan ik op bl. 411 melding maak.
Onze minister voor de koloniën Falck gaf bij schrijven vïin 5
Februari 1819 *"*"* de Indische regeering van den gunstigen loop,
dien de zaken in Engeland namen , kennis onder toezending van
het 7Vmtf*-artikel. Hij vertrouwde, dat een en ander Raffles tot
nadenken stemmen en het onze Regeering minder moeielijk dan
ooit vallen zou , om den Luitenant-Gouverneur het goede spoor nader
aan te wijzen: //en dienvolgens ook de wettige belangen van Neder-
land , op alle punten waar dezelve door hem aangerand zijn of alsnog
mochten worden, te doen gelden met dien nadruk en met die omzich-
tigheid tevens , welke alle de maatregelen van het Indisch Bestuur,
nopens de onderhavige geschillen, zoo voordeelig hebben gekenmerkt."
De Gouv. Gen. liet, bij ontvangst van dit schrijven , het Times-
artikel vertalen en in de officieele Bataviasche Courant van 26
Juni 1819 N« 26 opnemen.
Ook de verhoudingen tusschen Fagel en Castlereagh bleven
OMTRENT HET LONDENSOH TRACTAAT VAN 13 AUCf. 1814. 403
steeds uitnemend ; daartoe bracht niet weinig bij , dat wij ter
rechter tijd uit Batavia nieuwe depêches over de Palembangsche
aangelegenheden ontvingen, waarmede het Britsche ministerie kon
voorgelicht worden. Bij missive van 18 Januari 1819 gaf daarom
Falck als minister voor de Koloniën aan den Koning in overwe-
ging onzen Gezant nader in te lichten ' ** "^ , met welk voorstel de
minister van Buitenlandsche Zaken bij zijn rapport van den 20'^
d. a. V. zich vereenigde '*•.
Fagel moest dus andermaal de verwikkelingen onder de aandacht
van den Engelschen minister brengen , waartoe hij eene nota dd. 2
Februari samenstelde, aanwijzende Raffles' vijandige handelingen en
den door hem aangematigd en : ^/titre pompeux de représentant du Gou-
vernement Britannique dan^ i'' Archipel Indien.^' //Aussi Ie soussigné ne
doute-t-il pas" — besloot de Nota — ^que S. E. sentira la nëces-
sité de prendre les raesures les plus efficaces pour faire cesser d'une
maniere ou d^autre des entreprises aussi contraires aux justes droits
du Roi des Pays-Bas, que propres II compromettre les relations
intimes d'alliance et d'amitië qui unissent si heureusement les
deux Etats en Europe." — Fagel wilde al die stukken persoonlijk
aanbieden, doch lord Castlereagh werd door drukke parlementaire
werkzaamheden verhinderd onzen Gezant onmiddellijk te ontvangen.
Dit werd hem medegedeeld bij een schrijven van Castlereagh's
particulier secretaris, houdende uitnoodiging tot eene conferentie
op Dinsdagavond ten 11 ure, waarvan Fagel verslag gaf in zijn
rapport dd. 11 Februari d. a. v. De Engelsche minister deelde hem
mede, dat een schrijven in overweging was, waarbij Raffles' han-
delingen formeel werden afgekeurd. Gebruik makende van den
betoonden goeden wil, legde nu onze Gezant ook de medegebrachte
stukken en de nota van 2 Februari over, waarna de conferentie
eindigde met de verzekering van Engelsche zijde, dat men ons
in de Palembangsche quaestie ten dienste zou blijven ''*^. En dat
het niet bij deze mondelinge betuigingen bleef, bewees weldra eene
officieele nota van lord Castlereagh , gedagteekend Foreign Office J 2
Februari 1819 , waarin onzen Gezant werd verzekerd: /s^that the acts of
Sir Thomas Raffles , as alluded to by His Exc, will be entirely disavo-
wed , that gentleman being merel j a commercial agent, and not having
been authorized to act politically in any manner whatsoever" '•*^.
Toen bij brief van 16 Februari Fagel deze nota overzond, had
er den vorigen avond eene nieuwe interpellatie van lord Lansdown
plaats gevonden , zonder dat echter de oppositie er in slaagde succes te
404} FENDALL» E?i RAFPLES OPVATTI.VGEX I.V HET ALOEMEEN
behalen. Tegelijkertijd was nu ook in Holland ontvangen het op bl.
394 vermeld protest van C.C.Q.G. dd. 5 October 1818. ' '^ De mi-
nister Falck bood '/dit bondig en de zaak voldingend staatsstuk" bij
rapport dd. 15 Februari den Koning aan. De vraag was bij den Mi-
nister gerezen of men nu ook dit stuk in de dagbladen zou plaatsen,
doch hierop racende hij ontkennend te moeten antwoorden. /«'Eene
openbare bepleiting van het onderhavige geschil heeft" — schreef de
Departementschef — nin het algemeen dit tegen zich, dat zij de
gemoederen, vooral in Groot-Britanniën , al meer en meer warm
zoude maken, en eene opinie zoude zich dus bij de natie kunnen
vormen en vestigen, welke het Ministerie, thans min gunstig voor
den H^ Rallies gestemd, uitermate zoude belemmeren in de maat-
regelen welke , ten gevolge onzer ernstige klachten , eerlang dienen
te worden genomen. Bijzonder worden in dit protest van G. C. G. G.
punten van een hoogst teederen aard aangevoerd, en die hoewel
tot de geschiedenis van vroegere jaren (1810 — 1811) betrekkelijk,
desniettemin geschikt zijn , om stof te geven tot hatelijke discussiën ,
en voedsel aan gevoelens van verwijdering, afkeer en wraak. Het
geldt den moord door de Sultans van Palembaug aan de Neder-
landers gepleegd en het karakter van den H' Raffles als mensch."
Op deze gronden beval hij aan , het Protest onzen gezant te Londen
te zenden : //ten einde van derzelver inhoud , geheel of gedeeltelijk ,
een zoodanig gebruik te maken, als hem de loop der aan zijne zorg
toebetrouwde onderhandelingen voor zal komen te vereischen". —
Ealck vestigde verder de aandacht op het belang eener ruiling
van Sumatra tegen de Nederlandsche kantoren op de vaste kust
van Indië, zoomede op het wenschelijke van Raffles' verwijdering,
waarna hij besloot met den Koning machtiging te verzoeken om
aan de Indische regeering kenbaar te maken : »fdat de gedragingen
van C. C. G. G. in de door den Ridder Raffles berokkende moeilijk-
heden en de door hen dienvolgens genomen maatregelen U^ M"
volkomen goedkeuring hebben verworven, en dat in alle soortge-
lijke omstandigheden, die zich onverhooptelijk verder mochten
opdoen , de rechten en belangen onzer natie en de waardigheid van
den Nederlandschen naam , in gelijker voege met bedaardheid en
nadruk tevens moeten worden gehandhaafd".
De Minister van B. Z. vereenigde zich geheel met deze voor-
stellen, blijkens zijn rapport aan den Koning dd. 19 Februari 1819.
Het protest oordeelde hij '/overbelangrijkst", aangezien het ons
goed recht "voldingend" bewees.
OMTRENT HET LONDEKSCH TttACl'AAT VAN 13 AUO. 1814. 405
Het Koninkl. Besl. van 22 Februari 1819 1^ U, was het uit-
vloeisel dezer overwegingen. C. C. Q. Q. ontvingen de voorgestelde
tevredenheidsbetuiging bij schrijven van den Minister van Koloniën
dd. 2 Maart 1819 '*^, terwijl de Minister van B. Z. bij brief van
5 Maart onzen Gezant het protest als ffune pièce extrêmement
interessante^^ toezond , ten einde er het meest gepast gebruik van
te maken: ff om het plan van ruiling van Sumatra tegen de Ne-
derlandsche kantoren op de vaste kust van Indië , met allen nadruk
te bevorderen, als het meest geschikt middel, om eens voor al,
een einde te maken aan alle verschillen en onaangenaamheden
tusschen de wederzijdsche Indische autoriteiten", gelijk art. 1 van
bovenvermeld besluit luidde. ^/Mais je dois observer k V. E.",
herinnerde de Minister verder, ^que S. M. dans Tintention d'éviter
toutes discussions désagréables sur certains points de cette pro-
testation, qui sout d'une nature tres delicate, et parmi lesquels
je citerai particulièreraent les circonstances du meurtre des Nèer-
landais k Palembang en 1811, ue désire pas que eet acte soit
communiqué in extenso k lord Castlereagh, mais seulement que
V. E. se serve des arguments que cette pièce renferme, pour dé-
montrer de plus en plus que Ie bon droit est de notre cöté et que
Ie meilleur moven de conserver la tranquillité dans ces parages
lointains et d'éviter des désagréments sans nombre aux deux Gou-
verneraents seront de se prêter rautuelleinent h Téchange proposé.'*
Pagel kon intusschen weder niet aanstonds bij de ontvangst van
het Protest, lord Castlereagh spreken, daar deze zich wegens het
overlijden eener zuster had teruggetrokken en de parlementaire
werkzaamheid al diens krachten verder in beslag nam *'*". Zoo
vond eerst eeue samenkomst plaats in den ochtend van den 19"
Maart, blijkens een rapport van dien dag aan Van Nagell. Onze
gezant bracht het gesprek op het protest van C. C. G. G. , waarop
Castlereagh betuigde gaarne er van te willen kennisnemen, '/pour
éclairer la discussion". Falk zou het stuk in eene nota resumeeren
en dan de bekende moordgeschiedenis weglaten : ^^comme étant d'une
nature delicate et pouvant mener li des discussions f&cheuses". ' •'» '
VI.
Terwijl wij alzoo in Europa niets dan steun bij het Britsche
ministerie ondervonden , werd ook onze Regeering te Batavia door
brieven uit Bengalen geheel gerust gesteld. Uit het op bl. 396
mcdes^edeelde , weten wij dat lord Moira tegen Elout ingenomen
6e Volgr. lil. 28
406 F£NDALL's £N KAFJ^LES OPYArLING£N IN HET ALGEMEEN
was, eu dat deze meeniug onverzwakt bleef, kan blijken uit liet
schrijven dd. ]4 Januari ISsJO aan den Qouv.-Qen. Van der Capellen,
waarin de Qouv.-Gen. van Beugalen o. a. het volgende opmerkt
over de belemmeringen, die den Engelschen handel werden aan-
gedaan '•''*'*: »I am even willing to believe that the counsels of
Mr. Elout did not proceed from a deliberate view of sowing the
seeds of discord between the two countries, but from an ungover-
nable splenatic distaste towards the English. The result however,
has been the same as if it arose from studied enmity/^
Nochtans deze antipathieke gevoelens, die immers ook zeer sterk
aan den dag traden in het sub 130 wedergegeven schrijven dd. 1
Maart 18£1, schenen, voorloopig althans, geen invloed te hebben
uitgoefend op lord Moira's ongunstig oordeel omtrent Raffles'
handelingen , zij het ook de Gouv. Gen. ze reeds destijds te zacht-
aardig toeschreef: ^to an unjudicious zeal" '•'**, eene manier van
verschooning, waardoor maar al te zeer wederrechtelijkheden van
Engelsche zijde straffeloos plaats hebben gevonden '•^•*.
Den 16** Januari 1819 had zich de Commissie-Generaal ont-
bonden verklaard, en wachtten dientengevolge Elout en Buyskes
op een gunstigen wind , welke zich eerst den 28" d. a. v. zou voor-
doen , om naar Nederland per Admiraal Evertseii terug te gaan. In
die dagen nu ontvingen zij van den Gouv. Gen. eene uitnoodi-
ging tot het houden eener laatste bijeenkomst: nitn einde mede
te deelen drie brieven door den Gouv. Gen. in Britsch-Indië op
den 10° October en 7 en 28 November 1818 aan C.C.Q.G. ge-
schreven, houdende in substantie de geheele afkeuring van het
gedrag des ridders Baffles betrekkelijk Falembang, de Lampongs
en Fadang gehouden, alsmede betrekkelijk de nog bestaande on-
verevende zaken wegens de Moluksche zaken". — De brieven lieten
in den vorm niets te wenschen over; men vindt er ook niet in,
noch het vervelend gehuichel over plicht, vriendschap , enz. , noch
den aanmatigenden toon, die Raffles' epistels zoo zeer kenmerken.
De missive van 10 October handelt over de Palembangsche en
Fadangsche zaken, en is uitsluitend geschreven naar aanleiding
van inlichtingen door Baffles verstrekt: dit in aanmerking nemende,
moet men zeker aan het onbevangen oordeel van lord Moira hulde
brengen; ook is zijn bericht geheel in overeenstemming met de
sub 167 mede te deelen instructie aan Eendall. De persoonlijke
achting, die de Gouv. Gen. i. E., volgens het schrijven van 10
October, heeft voor C. C.G. G. en de vriendschappelijke verhou-
OMTRENT HET LONDENSCH TllAOTAAT VAN 13 AUG. 1814. 407
dingen tusschen de regeeringen der wederzijdsche natiën : //necessarily*
incline us to put the most favourable construction on any circum-
stances arising out of the proceedings of your officers" ; doch bij
gemis aan verdere toelichting, luidde het, moest de Gouv. Gen.
i. E. wel op de ontvangen mededeelingen afgaan, volgens welken
de Engelsche kapitein Salmond met zijn gevolg gevangen genomen
was, en wij den onder het Engelsch tusschenbestuur ten troon
verheven Sultan tot een voor hem nadeelig contract hadden ge-
dwongen , niettegenstaande C. C. G. G. toch beloofd hadden (hier
vergiste zich lord Moira, zie bl. 371) niets te veranderen in de
onder dat bestuur gesloten overeenkomst , waarbij Banka door den
Sultan was afgestaan , onder waarborg van des Sultans positie. De
brief besloot dan aldus:
While we deem it our duty to make the communication ol the light
in which we view the steps taken by Mr. Muntinghe , we are desirous
at the same time of distinctly disclaiming any in tention to interrupt
them either by measure of force or by negotiation with the Sultan or
any of his subjects, deeming it our duty to abide by our original
resolution of leaving the question entirely to the decision of the
Govemments in Europe. In the spirit of that resolution we do not
hesitate to declare to your Excellencies, that we never sanctioned,
nor have we approved the procedure of the Lieutenant-Govemor of
Fort Marlborough in exercising any interference in the affairs of Palem-
bang and in deputing a British officer thither for the purpose of coun-
teracting your measures.
The frankness of this declaration will , we are assured , be regarded
by your Excellencies as entitling us to a similar confidence in return;
and we rely on receiving from you a distinct and satisfactory expla-
nation of the procedure of Mr. Muntinghe in arresting and making
prisoner a British ofïicer, charged with a diplomatic mission and
sending him to Batavia. We should have seen nothing to object to
in Captain Salmond being directed to return to Fort Marlbourough ,
an order which it would have been his duty to obey, but we are
assured that the harsh procedure of Mr. Muntinghe cannot receive
the sanction of your Excellencies high authority and that it will be
disavowed and satisfactorily explained.
The Lieutenant-Govemor of Fort Marlborough having signified to
your Excellencies his intention to suspend the restitution of the Dutch
factory at Padang, we have the honour to inform your Excellencies
that we have renewed our orders for the immediate surrender of
that Establishment to the ofïicer appointed by your Excellencies to
receive it.
The sums expendcd on the place , while in our possession , in cxcess
408 VENDALL's en KAyFLKs' OPVATTINGKN IN HET ALGEMEEN
to the revenue derived from it, will eventually form a demand against
the Netherlands Government to be adjusted in Europe, but this cir-
cumstance constitutes no valid reason in our judgment , for delaying the
restitution.
We have the honor to be
Honorable Sirs
With the highest consideration and
respect ,
Your Ëxcellencies most faithfull and
obedient servants,
Fort William, Hastings.
the lo October 1818. G. Dowdeswell.
J. Stuart.
A. H. RlCKETS.
De tweede door onzen Qouv. Gen. vermelde brief van lord
Moira, nl. die van 7 November 1818, was eerst een antwoord op
klachten van C. C. G. G. , en wel die zij bij schrijven van 25
Augustus t. V. (bl. 393) onder de aandacht hadden gebracht.
Ook de depêche van 7 November strekte slechts om onze Regeering
de overtuiging te schenken van den goeden wil des Britsch-Indischen
bestuurs tot tegemoetkoming aan billijke bezwaren. Wellicht waren
de betuigingen ten deze nog stelliger geweest , indien niet Moira^s
brief van 10 October t. v. eene hindernis ware gebleken om het
daarbij ingenomen standpunt zoo spoedig te verlaten. ^We request
your Ëxcellencies" — leest men er intusschen in — '^to accept
the assurancc of our high sense of the caudid , frank and amicable
procedure adopted by You in this instance, by laying before
us the circumstances of which You see cause to complain, and
You will find in our part the most cordial disposition to meet
You in a similar spirit". De quaesties over Padang, Lampong,
Harems handelingen op Bandjermasin worden dan behandeld ; Moira
meent echter te moeten opmerken , dat het hem nog altijd niet duide-
lijk is , waarom wij ons zoo gehaast hadden met het verbreken van de
Palembangsche verbintenis , onder het Engelsch tusschenbestuur met
Najm al Din gesloten, en hij vraagt mede nadere inlichting over
Salmond's gevangenneming; maar wat ook — betuigt het schrijven —
G. C. G. G. hierover nader mochten mededeelen , reden om ons te
dwarsboomen en met schending van het Londenschtractaat van 1814
bezittingen als Padang niet over te geven , waren geenszins aanwezig,
/y We have indeed" — schreef de Gouv. Gen. i. E. — >^distinctly disavo-
wed the proceedings of the Lieutenant-Governor of Fort Marlborough
OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 409
and expressed our dissatisfaction at his conduct", terwijl het schrijven
aldus welwillend besluit : ^We have thus adverted to each distinct
point, iucluded in your dispatch and we trast our expositiou must
seem entirely satisfactory. We entertain the most cordial desire to
cultivate the friendship and confidence of your Excellencies, and
we gladly persuade ourselves of the existence of a reciprocal sen-
timent of your part." — De derde brief, in de uitnoodiging
vervat, nl. die van 28 November, handelde nader over Banjermasin.
C. C. Q G. beantwoordden al de missives bij het volgend schrijven
dd. 26 Januari 1819:
Nous n'aurions pu finir la mission dont Ie Rol notre auguste Sou-
verain a daigné nous honorer, sous de meillieurs auspices pour l'avenir
que ne sont ceux que nous présenlent les dépêches que Votre Excel-
lence en son Conseil nous a fait l'honneur de nous faire parvenir en
date du lo Octobre et 7 Novembre 181 8, que nous venons de
recevoir hier.
Nous étions sürs d'avance que la conduite du chevalier Raffles
serait reprouvée par Votre Excellence et nous sommes persuadés
encore que les Communications que nous avons eu l'honneur de faire
a Votre Excellence dans plusieurs lettres postérieures a celles du 25 Aoüt
18 18, Taurait convaincu de nos droits et de la légitimité de nos mesures-
Nous sommes profondément touches de la delicatesse avec laquelle
Votre Excellence a bien voulu nous faire connaitre les ordres qu'elle
vient de donner au L* Gouverneur de Bencoelen, relativement a Téva-
cuation de Palembang et des Lampongs et k la remise de Padang.
Nous éprouvons une grande satisfaction d'avoir agi dans les discus-
sions d'une maniere qui nous a mérité Tapprobation du Gouvernement
Britannique dans cette partie du monde.
Nous sentons trop Mylord Ie prix de la bonne harmonie entre nos
Gouvernements respectifs, pour ne pas en agir avec toute la loyauté,
franchise et modération propres a les cultiver.
Nous avons a donner k Votre Excellence la plus complete garantie ,
que telle sera en tous temps Tesprit qui animera Ie Gouverneur- G/neral
en son Conseil, que nous venons installer Ie 16 de ce mois, ce dont,
nous avons Thonneur de faire part a Votre Excellence. — Nous
laissons au Gouverneur-Général notre Collègue, Ie soin de traiter
tout ce qui reste , nommément encore par rapport de la liquidation des
affaires des Molucques.
VII.
C. C. G. G. konden dus, evenals onze diplomatie met een ige vol-
doening op het tot dusver verrichte terugzien. Er bleef echter een
410 fendall's en raffles* opvattingen in uet algemeen
doukere wolk aan deii Itisuliudischeu hemel, die zich maar al te
spoedig uog in eene voor onze belangen hoogst nadeelige onweersbui
zou ontlasten.
//Dat toch die Mr. Raffles uit onze nabuurschap verdwijne !" —
schreef Elout particulier aan den departementschef voor Koloniën ,
Goldberg, dd. 9 Juni 1818 *•'*•''. — '/Mij dunkt er is nu reden
genoeg om over zijn gedrag te klagen. Zoolang hij hier is, zal hij
niet ophouden ons te kwellen; hij is ondernemend, en ziet niet
op den aard der middelen; alles is hem goed. Het is intusschen
moeielijk voor ons, hier den goeden middenweg te houden. Wij
zijn nogal voor geen klein geruchtje vervaard , maar met dat al
is de zaak teeder, vooral omdat wij niet weten, wat eigenlijk het
meest aangenaam zou zijn aan het moeder-gouvernement (verg. bl.
388). En zoo wij, die nog al durven op ons nemen, huiverig
zijn, hoe dan hierna de Hooge Regeering? De tijd verbiedt mij
uit te weiden."
En de inmiddels afgetreden departementschef Goldberg oordeelde
er evenzeer zoo over , daar hij , in verband met Elout's missive
van 9 Juni aan den Qouv.-Qen. Van der Cappellen dd. 25 No-
vember 1818 *^* schrijft: '«'Ik ben het met C.C. G. G. eens, dat
alle argumenten bij het Britsche Gouv' beproefd moeten worden
om dezen gevaarlijken man uit de nabijheid van Java te verwijderen.
Zijn vroeger gedrag omtrent den moord te Palembang levert,
dunkt mij , meer dan genoegzame redenen op , om het Nederlandsch
Gouv^ te nopen zijn rappel openlijk te verzoeken. De bewijzen
daarvan hebben C. C. G. G. overgezonden, en kunnen door den Heer
Falck geproduceerd worden , wanneer hetgeen nu gebeurd is geen
genoegzame aanleiding tot het voors. verzoek mocht opleveren."
Ook Goldberg's vervanger, l^alck, achtte Raffles' heengaan niet
anders dan gewenscht. Hij drukte dit o. a. in zijn op bl. 404
vermeld schrijven aan den Koning dd. 15 Februari 1819 uit, waarbij
hij het protest van C. C. G. G. aanbood. De Minister had toen nog
niet ontvangen lord Castlereagh*s nota dd. 12 Februari , die Fagel
eerst den 26° naar Brussel zond en waarin , gelijk wij mede op
bl. 403 lazen , de Britsche minister pertinent verklaard had , dat
Raffles zou berispt worden. Falck wijst in zijn rapport aan den
Koning op het wenschelijke eener ruiling van Sumatra tegen de
Nederlandsche kantoren op de vaste kust van Indië , waardoor aan
alle quaestiën een einde zou komen ; doch , schrijft hij , mochten ^e
daarover aan te gane onderhandelingen te lang duren, dan zoude
OMTRENT HET LONOENSCH TUACTAAT VAN 13 AüG. 1814. 411
van 's Koniogs wege '^iet alleen op de berisping van het gedrag van
den H' Raffles , maar ook op zijne verwijdering van zijn tegenwoordig
standpunt en van geheel Sumatra moeten worden aangedrongen. Na
al het gebeurde" — voegde de Minister er aan toe — //zoude het
verkeerd zijn op eene goede verstandhouding tusscheu dezen ambte-
naar en den Gouv -Gen. der Nederlandsche bezittingen te rekenen."
Den 6" December 1818 schreef onze Qezant aan Van Nagell
den volgenden brief uit Londen , waaruit mede blijkt , hoezeer men
daar genoeg van Raffles scheen te hebben :
Le S^ Raffles est un busy body et je me souviens très-bien que
longtemps avant la remise de nos possessions, lorsqu*il était encore
Gouverneur de Java, feu lord Buckinghamshire , tout en rendant
justice ^ ses talents, me dit qu'il embrassait trop et qu'on n'était pas
content de lui sous ce rapport. Depuis lors j'ai appris indirectement
plusieurs particularités qui m*ont expliqué ce dire de Lord B. — Rafl^es
est un homme qui ayant commencé par les postes les plus subalternes
au service de la Compagnie des Indes, a fait une fortune rapide qu'il
doit principalement a la faveur et a la protection de feu lord Minto.
Il a beaucoup d'ennemis parmi les employés de la Compagnie, et je
suis a-peu-près sur que ni le Gouvernement suprème a Calcutta , ni les
autorités suprêmes ai home, n'approuvent ce qu'il fait. Je suis a-peu-près
également sur que lord Castlereagh n'en avait aucune connaissance ,
lorsque vous lui en avez parlé. Il n'a nullement été envoyé a Bencoelen
pour nous inquiéter. Il avait déja ce Gouvernement quand lord Minto
le prit avec lui lors de Texpédition de Java, et des cette époque Sa
Seignerie lui a assuré la conservation de ce poste pour le temps ou
celui qu'il allait avoir a Java lui manquerait. J'ai lieu de croire que
sur le compte qu'il a rendu ici de ce qu'il a fait dernièrement par
rapport ^ Padang, il a été renvoyé au Gouvernement suprème du
Bengale. Ce sera toujours un voisin incommode ei Sumatra et j'avoue
que l'idée de Mr. Elout d'échanger nos établissements sur la cöte de
la presqu'ïle de l'Inde centre les comptoirs Anglais a Sumatra me
plairait bien, si c'était mon aflaire. Je ne sais jusqu'^ quel point on
la goüterait ici, mais je croirais assez qu'on serait disposé a quelques
sacrifices pour se débarasser d'établissements étrangers dans le coeur de
l'empire Britannique aux Indes.
Je viens de recevoir une lettre de Mr. Van Braam, qui en accom-
pagne une de lui a Mr. Goldberg, qu*il a laissée ouverte. J'envoie
l'une et 1'autre a Mr. Falck et parmi ce paquet, qui est ci-joint sous
cachet volant pour que vous puissiez , mon cher Monsieur , en prendre
lecture si vous le désirez. Le rapport de Mr. Van Braam est, a mon
avis , tout en faveur de Tabandon de nos comptoirs sur la cute de Pinde.
Je vous prie de vouloir bien ne pas divulguer les détails que je
412 F£NDALL8 £N HAFFLËS' OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN
vous donne sur Ie S' Raffles. J'aurais beaucoup de regret de compro-
mettre ceux de qui je les tiens.
Van Nagell antwoordde dat de busy-body een hoistslokcr was;
hetgeen de Qezant den 22° Januari 1819 andermaal deed schrijven:
Vous définissez Ie S^ Rafflles très-exactement en Ie qualifiant de
brouillon. C'est cela même; mais je crois qu'on lui rend la même
justice ici, et s'est un grand point de gagné pour nous, en attendant
les nouveaux arrangements que lord Castlereagh se déclare disposé a
concerter avec nous. J'espére Ie voir au premier jour, mais voila Ie
Parlement assemblé et cela n'est jamais favorable aux conférences
ministérielles.
De minister Van Nagell koesterde intusschen ook de beste ge-
dachten over den loop , dien de zaak allengs wel van zelf ten opzichte
van Raffles zou nemen. In een particulier schrijven dd. 9 Februari
1819 aan den luitenant-generaal Fagel te Parijs (broeder van den
Londenschen gezant) zegt hij o. a. fSe vous prie d^être extrêmement
prudent avec la communication confidentielle que je vous envoye ,
relative Ji la conduite de Mr. Raffles. Nos démélés avec eet homme ,
vrai brulot, prennent une bonne tournure en Angleterre, et il
serait tres préjudiciable ^ nos interets, si Topposition pouvait
d^biter, que nous avons fait ailleurs qu'Ji Londres, des ouvertures
sur ces démelés." — Zoo vereenigde Van Nagell zich eveneens geheel
bij zijn rapport aan den Koning dd. 19 Februari met de beschou-
wingen zijns ambtgenoots van Koloniën; alleen achtte hij in ver-
band met de sinds bekend geworden afkeuring door de Britsche
regeering zelve van Raffles' handelingen, het wenschelijk dat men
niet nader op eene berisping, noch op diens verwijdering voor-
alsnog zou aandringen.
Het Kon. Besl. dd. 22 Februari 1819 was hiermede in over-
eenstemming. Den minister van B. Z. toch werd opgedragen onzen
Gezant te Londen met het Protest in kennis te stellen, in het
belang der aanbevolen ruiling, terwijl het slot luidt:
Wordende, uit aanmerking van den inhoud der jongste depêches
van Onzen Gezant te Londen, waaruit blijkt dat het gedrag van den
Luitenant-Gouverneur Raffles door het Engelsche Gouvernement is
afgekeurd, het voorstel van Onzen laatstgenoemden Minister om op
de berisping van denzelven bij dat Gouvernement aan te dringen,
gehouden voor vervallen; terwijl het doen van instantiën tot verwij-
dering van dien Luitenant-Gouverneur van het standpunt, waarop hij
zich tegenwoordig bevindt en van geheel Sumatra , nader door Ons in
OMTRENT IIKT LONDENSCtl TIIACTAAT VAN 13 AUO. 1814. U3
overweging zal worden genomen, wanneer onverhoopt mocht bUjken,
dat hij niettegenstaande de afkeuring van zijn gedrag door deszelfs
Gouvernement, bleef voortgaan nieuwe inbreuken te maken op* Ons
goed recht, en de Regeering van Java nogmaals stof gaf tot billijke klachten.
Den 19" Maart had onze gezant Fagel eene samenkomst met
lord Castlereagh. De ruilingsquaestie kwam ter sprake; de Britsche
minister bleef er gunstig over denken; alleen zou het begin der
onderhandelingen nog eenigen tijd wegens zijn gezondheidstoestand
uitgesteld moeten worden. Fagel wees op het bezwaar van dit uitstel,
in verband met Raffles' aanblijven: ffh quoi il répondit" — be-
richtte onze Gezant dd. 19 Maart 1819 aan B. Z. — //par Tobservation
juste et vraie, que Ie Roi, notre Souveraiu, doit étre parfaitement
rassuré sur les vues de ce Qouvernement-ci par rapport ^ toute
cette affaire, notamment par Ie désaveu formel de la conduite du
Sr. Baffles et les mesures qui ont éié prises ^ la suite de ce dé-
saveu pour Tempêcher de recidiver, (Toh lord Castlereagh tirait
la conclusion qu'il ne résulterait pas de grands inconvénients du
délai en question'\
Dat RafHes ten slotte wèl zou recidiveeren^ trad helaas maar al te
spoedig aan den dag met de wederrechtelijke stichting van Singa-
pore ' •'» 7 ; terwijl het succes van deze daad zulk eene schitterende
kroon was C\\ voor zijn eigen streven, én voor zijne nagedachtenis,
dat de Britsche regeering in dit voldongen feit meende te moeten
berusten en zijn volk hem als een der groote mannen des lands
eene plaats in het Westrainster Pantheon heeft waardig gekeurd ' •''»^.
Ook hier was het 't succes, dat vergeven deed.
Zoo bleek de bi-ulói niet alleen de woelgeest te zijn, waarvoor
men hem gaarne onderschattend deed doorgaan, doch ook het
gevaarlijke schip, bestemd, om zonder er zelf bij te vergaan, des
vijands schepen te vernielen I Men scheen het soms maar al te zeer
te vergeten , dat Raffles , niettegenstaande zijne gebreken , een bui-
tengewoon talentvol, vindingrijk man was, die de grootheid van
zijn vaderland lief had en daaraan eene kracht tot handelen ont-
leende, waartoe hij waarlijk niet den prikkel behoefde eener ge-
krenkte ijdelheid. Zoo meende toch een Nederlandsch , anders
geenszins onverdienstelijk publicist, dat wij Raffles niet voldoende
hadden gecajoleerd door hem .... niet met eene decoratie te begif-
tigen ' "^ '^ ; en Falck zag ook slechts kleinzielige ijdelheid , waar
hij in