(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 





r"-.„ . ^\^. r ' 


^v- 


-.^^■- -V.-. ;: .) 


^H 'ilifiiif 




^^^^^^^^^^M^B^^«^ 


-*Y L>* -• - tt'' '"'•• 


. -/tC Cl-'-» 


•^V ^.X-v:r*--io,^ 






'■^\ ^-TH ,' W ^^ 










v-I-. ^ ' <. 


' i ■ , 1* ' -ï* / 


- 7*r-» ^ ^ ^ 


^* { /» i- 'Lti 




» > 4^ f^* 


-,"i. A . 




■■M-:'- 










i ^^' '-.">- H -r^"' . 




ïS'" '^^ 


^k 




• ^" :v-^::- 


T 


1 


A. --^"^ ■ 


■^__ 




1 


0.r ■--/' 


C^' 






^7'^ 








*! .>-. • 


p^ 





GIFT OF 
HORACE W. CARPENTDER 




{ 



BIJDRAGEN 



TOT DB 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAK 



NEDERLANDSen- IN Dl E. 



GEDRUKT BIJ U. L. 8M1TS. 



•* m « • « • 



• « • • • • • 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIE, 



UITGEGEVEN DOOR HET 



Koninklijk Instituut voor de Taal- , Land- en Volkenkunde 

van Nederlandseh-Indi6. 



ZESDE VOLGREEKS. — DERDE DEEL. 



(deel XL VII DER GEHEELE REEKS.) 



'S GRAVKNHAGE, 

MARTINUS NIJHOFF. 
189 7. 



GIFT OF 
HORACE W. CARPENTIER 




INHOUD. 



Bladz. 

De economische oorzaken van den Java-oorlog van 1825— 30. 
Door P. H. van der Kemp 1 

Een Bussisch geleerde over de beeldhouwwerken van den 
Boro-Boedoer. Door Prof. Dr. H. Kern .' 49 

Schetsen uit Bomeo's Westerafdeeling (Met een afbeelding). 
Door E. L. M. Kühr, Controleur 1« klasse B. B. . . . 57 

De afwijkingen van het Mohammedaansche vermogensrecht 
op Java en Madoera. Door Prof. Mr. L. W. C. van den 
Berg 83 

Onderzoek van stukken in het India OiRce. Verslag van Mr. 
W. Boosegaarde Bisschop 183 

De zendingen van Ibbetson en Anderson naar Sumatra's 
Oostkust in 1820 en 1823. Door P. H. van der Kemp . 210 

Een Spaansch schrijver over den godsdienst der Heidensche 
Bikollers. Door Prof. Dr. H. Kern 224 

De sluiting van het Londensch tractaat van 13 Augustus 1814. 

Door P. H. van der Kemp. . 239 

FendalPs en Baffies' opvattingen in het algemeen omtrent 
het Londensch Tractaat van 13 Augustus 1814. Door P. 
H. van der Kemp 341 

Een Mythologisch gedicht uit de Filippijnen. Door Prof. 
Dr. H. Kern 498 






VI 



INHOUD. 



Bladz. 



Javaansche ''Gainëlan-BeschrijviDgv in poëzie. Door Ko-Mo-An 508 
Ambon in 1647. Door Mr. J. E. Heeres 510 



Notulen der Bestuurs- en Algemecne Vergaderingen. 

373»^ Bestuursvergadering van 19 September 1896, 
374"^* Bestuursvergadering van 27 October 1896 
375»** Bestuursvergadering van 21 November 1896. 
376'*« Bestuursvergadering van 19 December 1896 
3778ie Bestuursvergadering van 16 Januari 1897. 
378"*« Bestuursvergadering van 20 Februari 1897 

Jaarverslag over 1896 

Algemeene Vergadering van 27 Februari 1897 . 



lil 

V 
VI 
IX 

X 

xu 

XVII 
XX 



• • • • 

• • • ■ 

• • • • 



••• • ••• . , 

• • • • • • 



DK ECONOMISCHE OORZAKEN VAN DEN JA VA- 
OORLOG VAN 1826—30. 



DOOR 

P. H. VAN DER KEMP. 



De Java-oorlog van 1825— 3C), door P. J. F. Louw, kapitein der Infanterie by 
het Ned. O. L leger. Uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en Wetenschappen, met medewerking van de Nederlandsch-Indische Regeering. 
Eerste deel. Batavia, Landsdrukkery 1894. 'sHage, M. NijhofT. 

Op bl. 537 van mijn artikel, houdende de correspondentie van 
den Qouv.-Qen. Van der Capellen over Dipanegara^s opstand, 
vestigde ik er de aandacht op, dat het 2^ , 3^ en 5^ hoofdstuk van 
Louws werk handelen over „De vermindering van het gebied en 
het gezag der vorsten een der oorzaken tot het ontbranden van 
den Java-oorlog" , over „De verpachting der tolpoorten in hare 
werking en gevolgen" en over „De laudverhuurquaestie". 

In deze drie hoofdstukken vindt men de economische oorzaken van 
den Java-oorlog met critische scherpzinnig)) eid uiteengezet ; nochtans 
kan ik wellicht door eenige nadere toelichting den arbeid van den zorg- 
vuldigen geschiedschrijver op enkele punten aanvullen. Zoo vindt men 
o. a. daarin , naar het mij voorkomt , niet geheel afdoende in het licht 
gesteld, waarom het brandpunt van den opstand steeds Jogja is geweest 
en Solo ook niet in vlam werd gezet. Zeker, men had ginds een 
Dipanegara, een minderjarig vorst en den zeer onbeduidenden onaf- 
hankelijken Pakoe alam ; hier een zelf regeereuden Soesoehoenan en 
een meer beteekenenden onafhankelijken Mangkoenegara. Doch daar 
tegenover staat, dat Solo steeds wrok voedde over de verkleining 
van het rijk ten bate van Jogja; dat de intrekking van de Land- 
verhuring veel meer trof de Solosche dan de Jogjasche grooten ; dat 
men ook te Solo had een teleurgestelden kroonpretendent , die zóó na 
aan den troon stond, dat hij ten slotte nog keizer is geworden I 
En de tolpoorten. Zij werkten zeker niet fataler in Jogja dan in 
6» Volgr. III. 1 



• • • • • . » 

• • • •- • - • 



. •--.••:;••• ••.•♦.♦ 

« ••• ••*•* • •••• ••" 

2 DE EOONOMISOHE OORZAKEN VAN DEN 

Solo; en wat bovendien wel nader in het licht mocht gesteld worden . 
hoe werden nu die tollen in eens zoo'n bezwaar, terwijl zij zoo 
oud waren, zou men kunnen zeggen, als het Mataramsche rijk 
zelf, terwijl de vorsten de belastingheffing reeds sinds lang uit 
de handen hadden gegeven, terwijl Chineezen reeds van ouds de 
heffers waren. Ook in andere opzichten zijn er nog gezichtspunten , 
waarvan de aanwijzing eene mij welkome gelegenheid openen om 
Louws arbeid aan te vullen; steeds zullen wij daarbij zien, dat, 
vergeleken met Jogja , aan Solo bf gelijke , bf meer aanleiding tot 
ontevredenheid werd gegeven. 

Voor de vermelding der bronnen houd ik mij aan de letters, 
waarop ik in mijn voorgaand opstel bl. 536 — 537 in de Bijdragen 
van 1896, 4® afl., met verwijzing naar mijn artikel over üipane- 
gara, de aandacht vestigde. Het opstel over Van der Capellens 
correspondentie , noem ik met de letters BC. Tevens maak ik van deze 
gelegenheid gebruik beide verhandelingen evenzeer nog aan te 
vullen en wel met de hieronder volgende opmerkingen. 

1® Onder de zeer gewaardeerde welwillende beoordeelingen, die 
mij over het Dipanegara-opstel in zoo ruime mate zijn geworden, 
behoort eene beschouwing van den heer S. Kalf in het Bataviaasch 
dagblad De Java-Bode van 29 Augustus 1896, N<> 201. Ik 
breng dit in herinnering omdat zij mij aanleiding geeft, een paar 
opvattingen over Dipanegara's verleden nader toe te lichten. 

De heer Kalf merkt aan, dat Gerlach den Javaanschen held 
een bedrieger noemt; ik had er echter reeds op gewezen 
(bl. 417), dat, gelijk E. De Waal aanteekende, voor zulk eene 
beschuldiging niet den minsten grond bestond. — De beschuldiging 
van overlegde wreedheid trachtte ik mede bereids te weer- 
leggen (bl. 413 — 414); doch ik kan er nog bijvoegen, dat de groote 
achting en eerbied, die onze officieren en zoo vele anderen Dipa- 
negara betuigd hebben, m. i. voldoende bewijzen, dat aan Dipa- 
negara^s verfijnde wreedheid door hen, die in de eerste plaats er 
een oordeel over konden vellen, geen geloof werd geslagen. — Dan 
gewaagt de criticus nog van den onverwachten dood van sultan 
Djarot in 1822 (ten onrechte wordt gesproken van sultan B^dja), 
waarin Dipanegara de hand zou gehad hebben. Op blz. 357 maakte 
ik er melding van, dat er sterke vermoedens van vergif- 
tiging bestonden , doch noemde geen namen , omdat verscheidene 
prinsen , o. a. ook Mangkoeboemi werden aangewezen , zonder echter 
eenig redelijk bewijs van schuld. Men vergete niet, dat zulke 



JAVA-OOELOQ VAN 1825 — 30. 3 

militante en sterk sprekende karakters als Dipanegara nooit falen 
vinnige vijanden te hebben , voor wie soms de kwaadsprekendheid 
het eenige wapen is om verre boven hen verhevenen te treffen. 
Ik wensch ten deze een onbetwistbaar groote figuur uit onze 
eigen vaderlandsche geschiedenis in herinnering te brengen , nl. 
prins Willem I , om het feit te kunnen aanteekenen , dat deze , 
onder velerlei toegekende gemeenheden, beschuldigd is geworden 
van zijne gemalin Anna Van Buren niet alleen wreed behandeld, 
maar zelfs haar dood door geweldpleging verhaast 
te hebbenl De historische critiek is, dunkt mij, volkomen in 
haar recht, dergelijke aantijgingen, die door geen stellig bewijs 
worden gestaafd , ter zijde te leggen ; en wat den plotselingen dood 
van sultan Djarot betreft, een ieder in Indië weet, hoe spoedig 
men daar in vergiftiging de oorzaak van onverwachte sterfgevallen 
meent te moeten zoeken. De schrijvers, diè ik raadpleegde, laten 
zich over deze quaestie veel te onbepaald uit , om op goeden grond 
den Javaanschen held voor een lagen moordenaar te mogen houden ; 
een bron , die ik tot dusver niet noemde , omdat zij mij niet van 
voldoend belang voorkwam , nl. J. A. Wilkens in zijn „Overzicht 
der geschiedenis van Java, grootendeels uit oorspronkelijke inlandsche 
bronnen geput" (Tijdschrift voor N. I., 1849 dl. II), zegt ook 
op bl. 225 over den plotselingen dood van den Sultan : „Gelijk 
sommigen wilden , zou Dipanegara hem een drankje bezorgd hebben ; 
anderen beweerden wedfer, dat pangeran Mangkoeboemi . ... er de 
eer van had '); doch de zwaarlijvigheid van den Sultan 
deed evenwel vermoeden, dat hij aan een aanval van 
beroerte overleden was." 

2« Op bl. 316 en 410 DP deelde ik mede, dat Dipanegara te 
Makasser overleed. Ouder de correctie ontvang ik het tijdschrift 
Eigen Haard, 5 September 1896, N® 36. Daarin handelt de 
kapitein der genie van het O. I. leger M. C. Van Rouveroy van 
Nieuwwaal over „Makasser en Omstteken" , welk artikel is verrijkt 
met illustratiën van door den Schrijver genomen photografieëu. 
Op blz. 603 ziet men dientengevolge eene afbeelding van het graf 
van den Javaanschen held. Het ligt bijna onzichtbaar in een der 
kampongs en met de graven zijner echtgeüoote , zoomede van 
kinderen en familie-leden binnen eene ommuurde ruimte. Een 
familielid van den gevallen vorst bewaakt de grafplaats en heeft 



') Ook noemt men niet overal een drankje, doch vergiftigde spijzen} 



4 BS EOONOMIflCHK OORZAKBIf TAK BK9 

belangeloos de zoig voor het onderhoud der plaats op zich ge- 
nomen, doch veel kan hq er niet aan doen en zoo ziet de plaats 
er Trij verwaarloosd nit. „Wij gelooven dan ook'^ — meent de 
Schrijver (bl. 604) — „dat het eene zeer gewaardeerde daad van 
piëteit zonde zijn, wanneer het gonvefnement jaarlijks een klein 
bedrag voor het onderbond toestond, en meenen dat de man, die 
door zijn energiek optreden toonde een onzer waardige tegenstanders 
te zijn, wel aanspraak heeft op zoodanig bewijs van waardeering 
van de z^de van zijn overwinnaar. Een dapper volk behoort ook 
in zijne vijanden, zelfs na hunnen dood, mannenmoed te eeren/^ 

S"* Op bl. 561 noot 3 , van het artikel BC deed ik de vraag of 
er eenig familieverband bestond tusschen den schilder raden Saleh 
en den naamgenoot, die met diens vader, den oud-regent van 
Semarang, bij het uitbreken van den opstand gevankelijk is weg- 
gevoerd. De heer Kielstra had de groote vriendelijkheid mij hier- 
omtrent in te lichten. Uit het Tijdschrift voor N. I. 1846 dl. I 
bl. 277 en 1851 dl. II bl. 274; verder uit de „Levens en Werken 
der HoUandsche en Ylaamsche schilders^^ van J. Immeizeel (1841) 
met de voorzetting van Kramm (1861), voce Saleh, blijkt inder- 
daad dat die oud-regent een oom , en dus diens zoon een neef van 
den schilder was. Hij schijnt daar bij zijn oom te hebben gewoond , 
doch tijdens het uitbreken van den opstand was* hij reeds te 
Batavia, waar hij van een gonvemementsbezoldigiug leefde en 
zijne opleiding tot schilder kreeg. — In het Tijdschrift voor N. I. 
1851 dl. n bl. 274 is een portret van hem opgenomen. 

4^^ Op bl. 538 van mijn artikel BC maakte ik gewag van een 
een brieQe van majoor De Bast: „met de Indische drie spoed- 
krnisjes^* op het adres. Een Indisch officier , voor wiens waardeerend 
schrijven ik hierbij tevens mijn bijzonderen dank betuig, merkt 
mij op, dat die kruisjes niet specifiek Indisch of Hollandsch zijn. 
In de Duitsche „Felddienst Ordnung^^ vindt men eene bepaling 
voor de toepassing van „keine Eile (f), Eile (ft)» oder grosze 
Eile (ttt)"- Minder algemeen is, gelopft de geachte briefschrijver, 
de beteekenis, welke het op een stuk voorkomend woord spoed 
volgens de bepalingen op de Indische militaire correspondentie heeft. 
Men heeft dan met een gewichtig stuk te doen. 

5® Het had mijne aandacht getrokken, dat aan het verzoek van 
Dipanegara om hem op zijne reis naar Menado iemand mede te 
geven, die Javaansch verstond, werd voldaan door voor zijn 
begeleider aan t^ wijzen den adjudant van den Gouv.-Qen. Van 



JAVA-OORLOQ VAN 1825 — 30. 5 

den Bosch , luitenaut Knoerle. Ik vind nu echter een particulieren 
brief dJ. 30 September 1828 van Nicolaas Engelhard aan Elout 
— over die particuliere correspondentie nader op bl. 22 — , 
waarin Knoerles keunis van het Javaansch uitdrukkelijk onder de 
aandacht wordt gebracht. 

De luitenant was oorspronkelijk voor de rechtsgeleerdheid be- 
stemd, maar hij moest in den militairen dienst overgaan, wegens 
„noodlottige omstandigheden, waarin hij als rechtsgeleerde, uit 
dankbaarheid voor zijn weldoener in zijn geboorteland, is geraakt^' 
en welke overgang hem, naar Engelhard meende, eer aandeed en 
hem „recommandabeF^ maakte „bij ieder weldenkend menschen- 
vriend^\ Ziek geworden door de expeditiën tegen Dipanegara, was 
hij met verlof naar Nederland moeten gaan en nu riep Engelhard 
de tusschenkomst van Elout, destijds minister van Marine en 
Koloniën in, om hem bij terugkomst eene rechterlijke betrekking 
te doen erlangen. ,.De luitenant Knoerle^^ — luidt o. a. de aan- 
beveling — „heeft den tijd, dat hij op Java is, en voor zich- 
zelven heeft gehad , zich ten nutte gemaakt. Hij heeft zich hoofd- 
zakelijk bekend gemaakt met den aard , de taal , zeden en gewoonten 
van den Javaan." En verder ten einde hem aan te bevelen voor 
eene rechterlijke betrekking : „De deplorabele toestand van de beide 
Hoven van Justitie vordert eene buitengewone voorziening. Uwe 
Excellentie kan zich niet voorstellen, hoeveel overleg en moeite 
het aan Z. E. den Commissaris-Generaal geeft, in het voorzien van 
de Justitie-hoven met personen , voor het lidmaatschap berekend , 
die de vereischte kunde daartoe hebben. Trouwens over geheel Java 
is gebrek aan ambtenaren , die lust hebben tot werken en geschikt 
zijn om met den Inlander om te gaan; zelfs met de lantaarn van 
Diogenes in de hand , zijn de Gouverneurs van de Buitenetablis- 
sementen en Residenten van de Kantoren, ter vervulling van de 
vacante posten , met moeite bijeen te brengen. Mocht het aldus in 
de wijsheid van Uwe Excellentie opkomen den Heer Knoerle gunstig 
te zijn en hem op zijne plaats terug te brengen, hierdoor zoude 
aan Java een ambtenaar worden geschonken , die bij zijne rechterlijke 
capaciteiten ook bezit kundigheden, die in Europa niet kunnen 
worden verkregen , en nochtans op Java onmisbare vereischten zijn , 
gepaard met onberispelijk gedrag. De weldaad , die Uwe Excellentie 
hiermede aan den Heer Knoerle en de Kolonie bewijst, zal in een 
dankbaar geheugen bij hem, bij mij en andere weidenkenden op 
Java levenslang bewaard worden." 



6 DE ECONOMISCHE OORZAKEN YAN DEN 

Knocrie heeft inderdaad in zijn rapport over de reis naar Menado 
getoond geen alledaagsch persoon geweest te zijn, doch dat zijn 
overgang, althans bij het Binnenlandsch Bestuur, niet als eene 
weldaad mag beschouwd worden aan de Kolonie bewezen 
teekende ik bl. 343—344 D P aan. 

£n eindelijk: 

6® In den brief van den Bataviaschen schutter bl. 558 — 559 BC 
wordt medegedeeld, dat deze op schildwacht moest staan te 
Kanton Bare e. Hiermee zal wel bedoeld zijn Kantor baroe, 
het Nieuwe bureau, waarvan men in Mijers Levensschets van 
J. G. Baud op bl. 74 leest : „Eien huis op Molenvliet , toen bekend 
onder den naam van Kantor Baroe (nieuw bureau of kantoor), 
hetwelk bij het verlaten van het oude kasteel van Batavia door 
Daendels was ingekocht om te dienen voor de vergaderingen en 
bureaux der Hooge Begeering , van de Algemeene Rekenkamer en 
van den Algemeenen ontvanger en betaalmeester.^^ 



T. 

De vermindering r,an kei aa^izieii fier Vorsten ran Solo en Jogja: 
in hoever een (Ier oorzaken van üipanegard s opalaniL 

Toen de te Jogja uitgebroken opstand de hulp van het moeder- 
land aan troepen en geld vorderde, verzocht koning Willem I, 
naar aanleiding van beschouwingen in onze dagbladen , den minister 
Ëlout om inlichting, in hoever wij eigenlijk tot die bemoeiing 
wel verplicht waren. ') Immers Jogja was een onafhankelijk sultanaat 
en braken daar of in Solo onlusten uit, dan lag het eenigszins 



^) Elout was dd. 1 April 1824 als Minister van Koloniale Nijverheid en Koloniën 
opgetreden (BC 539); dit departement werd een jaar later hervormd in een 
voor Marine en Koloniën, met directeuren voor ieder dezer onderdeden; terwijl 
by hetzelfde Kon. besl. van 5 April 1825 Nationale Nijverheid bij Binnenlandsche 
Zaken werd gevoegd. Dit laatste in antwoord van Louws aanteekening op blz. 70 
noot (3): „Waar Nat. Nijverheid toen bleef, is ons onbekend." — Men zie b. v. de 
noten 8 en 9, bl. 632, der Letterkundige Aanteekeningen betreffende de Geschie- 
denis van het Nederlandsche Staatsie ven en Staatsrecht van J. De Bosch Kemper 
(1871). 



JA VA-OORLOG VAN 1825 30. 7 

in de reden, dat de Inlandsche besturen dier vorstendommen 
zelven voor de herstelling der rust zorgden. Hieraan heeft men te 
danken een ministerieel rapport dd. 10 Januari 1827, hetwelk ge- 
publiceerd is in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië , 1864, 
II deel bl. 34, waarin kortelijk een geschiedkundig overzicht wordt 
gegeven van de betrekkingen die, gedurende de laatste helft der 
vorige eeuw , tusschen de vorsten van Java en de Nederlandsohe Oost- 
Indische Compagnie hadden bestaan. Het stuk is uit de wel versneden 
pen van den Directeur voor de Koloniën J. C. Baud. Ook de heer Louw 
geeft een dergelijk overzicht , doch ontleend aan een mede door ge- 
noemd Tijdschrift gepubliceerde verhandeling van F. Q. Valck (bl. 3 
noot (1) ). In beide stukken wordt o. a. het ontstaan van het Jogjasche 
rijk uiteengezet en medegedeeld , dat het door Daendels ingevoerd hof- 
ceremonieel een einde maakte aan de overheerschende positie, die 
tot dusver de vorsten tegenover de vertegenwoordigers van ons 
Gouvernement innamen. Deze en andere hervormingen , als op het 
gebied van strafrecht, ontstemden de vorsten en dientengevolge 
heeft men Daendels^ ingrijpende maatregelen wel eens als onvoor- 
zichtig afgekeurd ; doch Yan Sevenhoven is het met deze afkeuring 
blijkens zijne op bl. 294 DP sub 23 vermelde „Nadere toelichting" 
van 4 December 1826 volstrekt niet eens geweest; ik vestig daarop 
te eerder de aandacht , wijl de aanhaling bij Louw , bl. 9 , uit eene 
memorie van Van Sevenhoven dd. 25 Maart 1826 allicht doet ver- 
moeden, dat deze deskundige eene tegenovergestelde meening was 
toegedaan ; hoe gunstig hij trouwens over de maatregelen van Daendels 
en van de Engelschen ten deze dacht, blijkt ook uit de woorden 
van zijn brief dd. 8 Juli 1814 door mij op bl. 535 BC aangehaald. 
In de toelichting van 4 December 1826 blijft hij aan dat gunstig 
oordeel getrouw. Hij noemt de genomen maatregelen „zeer doel- 
matig", en oordeelt in het bijzonder dat de verandering van het 
hofceremonieel geene billijke reden tot ontevredenheid kon zijn. 
Eene Compagnie van handelaren, betoogde hij, kon wellicht de 
afgeschafte gebruiken toelaten , doch toen Nederland een koninkrijk 
was geworden , mocht zulk een hoogst vernederend ceremonieel niet 
blijven bestaan. Van Sevenhoven zag ook niet in , waarom de 
vorsten zich door die verandering vernederd konden gevoelen; 
zij werden toch steeds zeer fatsoenlijk en inderdaad met groote 
onderscheiding behandeld; en ook aannemende, dat de vorsten aan 
die uiterlijke eerbewijzen zeer veel hechtten, zoo moest men toch 
niet vergeten , dat de onderdanen daaruit hun macht en den 



8 DE £CONOMll9GH£ OOBZAK.EN VAN DEN 

invloed , dien zij op ons hadden , afleidden , terwijl zij daarvan steeds 
ten koste hunner onderdanen misbruik maakten. Mocht nu ook 
de persoon van den vorst on vergenoegd zijn geweest, zeker was 
dit niet het geval met de prinsen, noch met de onderdanen, die 
hunne vorsten niet beminden, en niet eens trouw waren. 

Evenals bij Elout, vindt men bij Louw , herinnerd dat de vorsten , 
én onder Daendels , én onder het Engelsch bestuur eene aanzien- 
lijke vermindering van inkomsten ondergingen, waardoor de armoede 
onder de prinsen en grooten aanzienlijker werd en dit weder tot 
ontevredenheid moest aanleiding geven. Blijkens bl. 10 — 11 van 
Louws werk heeft hierop tevens speciaal Yan Lawick gewezen. Yan 
Sevenhoven waarschuwt er echter tegen, dat men ook aan dit punt 
niet te veel waarde moet hechten. Jogja namelijk was een land 
van groote hulpmiddelen, zoodat Daendels zich 196.000 Sp. matten 
kon laten uitbetalen, hetgeen niet belette, dat de Engelschen nog 
vele kostbaarheden in den Kraton vonden en één millioen Sp. matten 
goeden prijs verklaarden; noch dat sedert 1755 op kosten van 
den Sultan een fort te Jogja gebouwd werd, dat hij in de helft 
der kosten van het fort te Klatten kon deelen , dat men een kost- 
baren Kraton zag verrijzen en bovendien 16 d 18 buitenverblijven 
met steenen behuizingen. 

Men moest evenmin , meende Yan Sevenhoven , uit de bedragen 
der inkomsten , die wij van de afgestane regalen trokken , opmaken 
dat de vorsten tot die bedragen armer waren geworden; want 
dank onze ordelijke en stelselmatige administratie trokken wij 
er veel meer voordeel uit, dan zij er ooit van hadden ge- 
noten. De vermindering van inkomsten had evenmin zonder over- 
gangsmaatregel plaats gevonden. De Engelschen toch hadden bepaald, 
dat zij gedurende 6 maanden aan hen de inkomsten zouden uit- 
keeren , die door den afstand verlies hadden geleden en niet verkozen 
onder het Gouvernement in de afgestane gewesten te blijven; 
ook de Sultan had aangenomen te voorzien in de behoeften van 
hen , die aldus verliezen ondergingen , waartoe hij een gedeelte 
zijner eigen gronden afstond. Zoo schikten zich van lieverlede de 
zaken, te meer wijl het den Sultan ten troost strekte, dat het 
Gouvernenient hem jaarlijks zou uitkeeren 100.000 Sp. matten. 
Maar de Sultans — ontaarde vorsten als zij waren — gebruikten 
hunne middelen niet ten bate van grooten en onderdanen; zij 
verkwistten het aap allerlei zaken van weelde; en zoo vorst, zoo 
dienaar. De grooten waren voorzeker meerendeel arm , niet zoozeer 



JAVA-OOKLOG VAN 18E5 30. 9 

echter teu gevolge vau de verminderiug van grondgebied , euz. , 
doch ten gevolge van hanne eigene grenzenloos lichtzinnige levens- 
wijze. Eindelijk kon in geen geval de afstand van grondgebied aan 
Dipanegara rechtmatig ongenoegen hebben gegeven, want hij was 
juist de middelaar geweest, die ten behoeve zijns vaders bij de 
Ëngelschen tegen zijn grootvader was opgetreden en alzoo tot 
dien afstand had medegewerkt (verg. DP 322 — 324). 

De regeling in 1822 over de voogdij van Saltan Menol (DP 310 
noot (1) ) , waarbij het rijkszegel gedurende ^s Vorsten minderjarig- 
heid in handen van den Besident verbleef, was uitgegaan van 
resident De Salis (DP 294). Deze regeling had de bekende onge- 
lukkige gevolgen, zoodat het niet te verwonderen is, dat men 
haar heeft afgekeurd. Yan Sevenhoven drukt zich er in zijn bl. 293 
DP sub 22 vermeld „Kort overzicht" gematigd over uit, waar hij 
schrijft: „Het oogmerk van deze bepalingen was zeer goed; dan 
de onberekenbaarheid van eenige personen, die voorname rollen 
in dezen geheel nieuwen politieken stand van zaken te vervullen 
hadden, mitsgaders hunne geheel vreemde verhouding en groote 
oneenigheden tusschen dezelve, brachten de zaken in verwarring; 
het oppergezag was als het ware de bodem ingeslagen, en kon 
weinig invloed meer uitoefenen. In den Kraton , waarvan het 
bestier overgelaten was aan de Batoe Ageng, grootmoeder van 
den jongen Sultan, ging het decorum verloren, terwijl de prinsen 
en beambten ook al gebruik maakten van de verlamming van het 
gezag, hetwelk alles zeer nadeelige gevolgen had voor de bevol- 
king, die reeds onderscheiden malen den last ondervonden had 
van de zoo spoedig op elkander wisselende troonsopvolging en 
sterfgevallen der vorsten, bij alle welke gelegenheden kostbare 
feesten gegeven werden, waartoe zij moest bijdragen." 

Generaal De Koek keurt in zijn bl. 294 DP sub 24° vermeld 
schrijven van 20 Mei 1826 het regentschap niet goed, doordien 
de bepalingen tot misnoegdheid aanleiding konden geven : „omdat 
die bepalingen de strekking hadden om ons een meer direct deel 
in het bestuur te doen nemen en ons in de Jogjasche aangelegen- 
heden in te dringen (DP 303), hetgeen den naijver moest opwek- 
ken." — Geene autoriteit heeft zich echter zóó scherp tegen de regeling 
uitgelaten als Du Bus, die zoo gaarne alles beter dan zijn voor- 
ganger toonde te weten. Nooit — oordeelt hij (DB) — had men 
onstaatkundiger, onbillijker en meer tegen den geest der contracten 
kannen handelen. Beeds sedert geruimen tijd was de Begeering 



10 DE ECOSOyasCKE OOBZAKXN TA!f DEX 

met de fjaaestie der Laudverharin^ bezig en liepea er, te recht 
of te onrecht, een aantal geruchten omtrent de bedoelingen der 
Regeering betrekkelijk de inbezitneming van nieaw« landstreken, 
den vorsten behoorende. Bij de hoven bestond hierover groote 
bezorgdheid en men zag, gelijk vanzelf spreekt, eiken nieawen 
maatregel van het Ooaveniement met angst en kommer te gemoet. 
Op het oogenhlik dos, dat alle gemoederen verontrust waren; op 
het oogenblik , dat de staatkunde medebracht om kwade vermoedens 
te verdrijven en het vertrouwen in 's Goavemements handelingen 
te verhoogen ; op datzelfde oogenblik wordt een besluit genomen, 
waarbij de heiligste rechten en gewoonten van de Javasche rijken 
worden geschonden en vernietigd, en waarbij aan beide hoven 
hun aanstaande val en vernietiging onder 's Gouvemements invloed 
verkondigd wordt. „Of* — vervolgt de Landvoogd — „zeggen wij 
te veel , wanneer wij beweren , dat het Gouvernement met het vor- 
stelijk gezag en den vorstelijken rang voor het oog van het Javaan- 
sche volk den spot gedreven en de waardigheid van den kroon 
gehoond heeft, door een rijksbestierder van geringe afkomst het 
beheer der landszaken op te dragen (DP 362) , door een persoon 
van vorstelijken bloede voorbij te gaan (DP 355) en door twee prinsen 
als voogden van den minderjarigen sultan, buiten alle bemoeiing 
met de teederste belangen van het rijk en uit dien hoofde met 
dien van hun pupil te stellen?" 

Doch zoo de vervulling van het Sultanaat tot ontevredenheid 
moest aanleiding geven, de benoeming tot Soesoehoenan te Solo 
kon evenzeer een bron van ontevredenheid zijn (DP 303). Ter loops 
teeken ik aan, dat dit reeds eenigszins het geval in 1820 was, 
toen Pakoeboewam V, bijgenaamd Soegih, den troon beklom, als 
oudste zoon van den overleden soenan Bagoes; de nieuw benoemde 
toch had reeds als kroonprins de openbare meening en zelfs zijn 
vader tegen zich , zoodat men het liever zou gezien hebben , dat een 
jongere broeder ten troon ware verheven. Het Gouvernement ont- 
ving echter nooit eeuig bepaald voorstel om in de troonsopvolging 
verandering te brengen , zoodat het van de tegen Soegih bestaande 
partij geene keunis droeg; ook viel er op zichzelf genomen niets 
tegen te zeggen. Maar in 1823 overleed soenan Soegih zonder 
kinderen na te laten uit vorstelijke gemalinnen verwekt. Er zou 
daarom zeer veel voor te zeggen zijn geweest om alsnog dien jongeren 
broeder des overledenen , geboren uit een volbloed- vorstelijken echt, 
vriend van de Europeanen , gezien bij het volk en bij vele grooten , 



JAVA-OOKLOG VAN 1825 — 30. 11 

voor den troou aau te wijzeu. Een hoofdbezwaar tegen Dipauegara^s 
verheffing op den Jogjasclien troou was steeds geweest zijne her- 
komst uit een halfbloed-vorstelijk huwelijk van sultan Radja, 
ofschoon hij diens oudste zoon was (DP 299); hier in Solo daaren- 
tegen verhief men zulk een vorstenzoon van mindere geboorte tot 
soenan als Fakoeboemana YI , bijgenaamd Saperdan. Wijl er geene 
andere kinderen van den overleden Soenan waren, kon dit wel; 
doch het had ook zeer wel anders gekund ; en nu men den gezieneu 
broeder des overledenen als vriend der Europeanen had leeren 
kennen, scheen het inderdaad vreemd, dat men de keuze liet vallen 
op iemand, voor wien zoo weinig viel te zeggen als voor Saperdan en 
die tot zijne keizerlijke betrekking volstrekt niet voorbereid was. 
Het volk toch kende hem niet anders dan als de kwispedoordrager 
van den Bijksbestierder ; de formaliteit, noodig om de verheffing 
van een kind uit half bloed- vorstelijken echt tot soenan in de 
oogen der Javanen te wettigen , namelijk hem eerst tot kroonprins 
te benoemen , was achterwege gebleven door het plotseling afsterven 
van den vader. De Begeering zelve wist niet eens of hij wel meer- 
derjarig was, gelijk blijkt uit de resolutie van 9 September 1823 N<*45, 
welke deze aangelegenheid behandelde en ingevolge waarvan de voor- 
bijgegane broeder des overledenen , bij wijze van pleister op de wonde , 
tot majoor werd bevorderd. Als reden voor de benoeming is opge- 
geven geworden de uitgedrukte wensch des overleden Soenans, 
doch die wensch was nooit rechtstreeks aan het Gouvernement 
geopenbaard geworden. De Resident ontving er eerst kennis van 
bij monde van Saperdans bloedverwant, prins Boeminotto (BC 547) en 
van den Bijksbestierder op een oogenblik toen de Soenan reeds 
te zwak was om daarover door den Resident te worden onderhouden. 
De resident Van Sevenhoven heeft van den onwaardigen vorst, 
die , zonder ooit den titel van Pangeran te hebben gedragen , zich 
plotseling tot despoot zag verheven, zeer weinig genoegen beleefd. 
Bij de Javanen stond hij in geringe achting; zijne geestvermogens 
waren bekrompen; zijne geaardheid was slecht en hij werd geheel 
geleid door dezelfde grooten, die de bewerkers zijner verheffing 
waren geweest; dus vooreerst door den Bijksbestierder, denzelfden 
die zijn ontslag dreigde te nemen, toen de Resident er aan dacht 
den Soenan wegens verstandhouding met de muitelingen te schorsen 
(L 275 noot (i) ), en waarvan men openlijk in die moeielijke dagen 
getuigde, dat hijzelf in verstandhouding met Dipanegara stond; 
ten andere door pangeran Boeminotto, waaromtrent De Salis in 



12 D£ ECONOMISCHE OORZAKEN YAN DEN 

zijn Pro Memoria (Sa) getaigde : ,,6eslepen van aard , trots, 
geldzachtig, doch in aiterlijk aanvallig, waardoor hij zoo vele 
personen voor zich inneemt, heeft hij steeds een warm aandeel 
genomen aan alle gebeurtenissen en troebelen aan het hof en wel 
speciaal heeft hij zijn valsch karakter doen kennen door de insti- 
gateur te zijn geweest tegen het Goavernement en tegen het hof 
van Jogja, doch te gelijk de correspondent geweest tusschen de 
beide hoven in 1812, welke, zooals reeds is aangehaald, ten doel 
had, om bij reüssite des tegenstands van den Sultan, de Engel- 
sche macht te helpen vernietigen; en het is, geloof ik, buiten 
twijfel of hij is een der moteurs geweest van den tegen woordigen 
opstand en nog op dit moment zou ik hem niet vrij durven houden 
van met Dipanegara in verstandhouding te wezen.'^ — Trouwens, 
blijkens het DF 295 opgeteekeude , was de weerzin tusschen Boe- 
minotto en De Salis wederkeerig. 

Waarschijnlijk hebbeu Rijksbestierder en ' Pangeran met hunne 
voordracht van den ellendigen Saperdan geen ander doel gehad, 
dan om onder het bestuur van den onervaren jongeling hun 
invloed te handhaven en dien aan hunne oogmerken dienstbaar te 
maken. Behalve de bevrediging van geld- en heerschzucht , zouden 
zij daardoor in staat zijn de aloude Solosche staatkunde te hand- 
haven, om namelijk onder den schijn van trouw en onderdanigheid 
steeds onlusten aan te stoken in Jogja, ten einde daaruit voor 
Solo het een of ander voordeel te trekken. De heer Louw heeft 
op het dubbelhartig gedrag van Solo tijdens de onlusten wel gewe- 
zen, gelijk ik bereids in mijn vorig artikel mededeelde, doch aan 
de kennis van het verband der gebeurteniesen ware het wellicht 
ten goede gekomen, indien tevens aan deze Solosche politiek ware 
herinnerd, die er immer naar streefde om Jogja de kastanjes uit 
het vuur te doen halen, een punt, waarop onderscheidene autori- 
teiten van die dagen , gelijk o. a. J. C. Baud en Elout , de aan- 
dacht hebben gevestigd. Moedeloos geworden door eene reeks van 
tegenspoeden en eindelijk door de schepping te zijnen koste van 
het Jogjasche rijk , had Solo sinds de politiek aangenomen , welke 
overal die van den zwakke is. Yoor het uiterlijk voorkomend en 
vriendelijk jegens de dienaren der Begeering — dus geheel tegen- 
overgesteld aan de traditie van het Jogjasche hof — , was men 
echter steeds bedacht om het verlorene op de eene of andere wijze 
te herwinnen, en vooral om het gehate Jogja vernederd en weder 
geheel of gedeeltelijk bij Solo ingelijfd te zien. 



JAYA-OOBLOO VAN 18E5 — 80. 13 

Alleen deed de tijd eenigszins de vijandelijke gevoelens, tusschen 
de beide hoven oorspronkelijk bestaande, slijten. De haat, die 
soenan Pakoeboewana III en sultan Mankoeboewana I elkander 
toedroegen, ging wel op hunne kinderen o?er, doch in veel min- 
deren graad en daardoor bestond bij beide hoven van lieverlede 
eene meerdere geneigdheid om hunne krachten tegen de Europeanen 
te vereenigen. Dat geen hunner tot het jaar 1808 eene ernstige 
poging daartoe aanwendde , moet aan onderling wantrouwen worden 
toegeschreven, en aan het behendig bestuur der Nederlandsche 
residenten, schrijft Elout (bl. 88), die steeds van alle woelingen 
kennis droegen en zorgden de vijandschap tusschen Solo en Jogja 
levendig te houden. Hoezeer onze bestuurders destijds goed op de 
hoogte waren, blijkt o. a. kenschetsend uit een rapport dd. 14 Mei 
1808 van N. Engelhard, den Gouverneur van Java^s Noord-Oost- 
kust. Men leest daarin de voorspelling van hetgeen 17 jaar later 
zou gebeuren: 

In het staatkundig gevoelen, waarin men den Sultan en den Keizer 
bij het verdeden der landen gebracht heeft, dat namelijk ingeval van 
eene onverhoopte vredebreuk tusschen hen beiden door de deswege 
gemaakte schikkingen, zij altoos de balans weer zouden doen over- 
slaan naar de zijde van dengenen , welke onze hulp en bijstand kwam te 
erlangen, blijven de vorsten alsnog verseeren, en wij mogen zulks in 
de presente onmacht, waarin wij ons bevinden, als een bijzonder geluk 
aanmerken, te meer, daar ik zijdelings geïnformeerd ben, dat hoezeer 
zulks in het openbaar voor ons bedekt blijft, van jaar tot jaar de 
plaats gehad hebbende verwijdering tusschen het Soerakarta's en Jogja- 
karta's hof begint te verminderen en er zelfs eene bedekte onder- 
linge verstandhouding tusschen de beide vorsten en sommigen van 
derzelver hofgrooten plaats vindt, en waarom ik het dan ook geens- 
zins met wijlen Zijne Excellentie Van Overstraten en mijn predecesseur 
Van Reeden eens ben, namelijk dat het niet waarschijnlijk zoude 
kxmnen zijn, dat beide deze vorsten zich tegen ons zouden verbinden , 
te meer daar de jalouzie en het wantrouwen der grooten als de inge- 
wortelde haat , die steeds tusschen de inwoners van beide de rijken zouden 
heerschen, geenszins zoodanig is, als sommigen, die met de zaken der 
hoven vermeenen bekend te zijn, zich dit voorstellen, en hetgeen 
ons de ondervinding weléens bij een of ander voorval tot onze schade 
zoude doen blijken, ten ware de vorsten bij hun (en dat is ook nog 
het eenigste dat wij in ons voordeel dienaangaande kimnen uitleggen) 
tot dusver gekoesterd gevoelen blijven, dat niets nadeeliger voor hen 
en himne rijken zoude kunnen zijn dan zich onzen onmin op den 
hals te halen, in de onzekerheid tot wien de balans zoude overhellen 



14 DE ECONOMISCHE OORZAKEN VAN DEN 

en in een zoodanig geval de beide vorsten elkander zelven niet zouden 
vertrouwen, en in allen gevallen daarom bij voorkeur zullen verkiezen 
de kris in de scheede te laten, en in zaken, waarmede zich de 
Lande mêleert, liever iets toe te geven, dan zich bloot te stellen, aan 
de gevolgen, die uit een tegenovergesteld gedrag zouden resulteeren. 

Zoo bleef bij beide hoven in de uiterlijke stemming steeds de 
indruk bewaard, dien de gebeurtenissen van 1758 hadden nage- 
laten : Solo toonde zich altoos kruipend , voorkomend , listig ; 
Jogja, met zijne bovendien meer krijgshaftige bevolking, liet daar- 
entegen steeds door eene min eerbiedige houding blijken, dat 
het niet vergat zijne eerste opkomst verschuldigd te zijn aan 
een gelukkigen kampstrijd tegen de Compagnie. ') Vandaar dat 
immer Jogja het tooneel van onlusten begon te worden, terwijl 
Solo nooit verder ging dan het aannemen van eene dubbelzinnige 
politiek. Op eene zeer eigenaardige wijze trad deze aan den dag 
in 1814, kort vóór de teruggave van Java aan het Nederlandsche 
gezag, in de bekende muiterij der Bengaleesche troepen. Deze 
troepen waren in garnizoen te Jogja, Solo en elders op Java en 
nu zette niemand minder dan de Soenan tot de beweging aan; 
doch hij had tevens de slimheid het er heen te leiden , dat de 
samenzwering tegen het Europeesch gezag in plaats van te Solo, 
uitbrak te Jogja, niettegenstaande het hof aldaar aan het verraad 
geen deel had. Het Engelsche bestuur, dat toch spoedig zou 
aftreden, gevoelde geene roeping de zaak zeer ver te zoeken, en 
nam daarom genoegen met de uitlevering van den broeder des 
Soenans , die als zinneloos werd verwijderd. De lessen onder Daendels 
en Raffles ontvangen, die, gelijk wij op bl. 535 BC lazen, naar het 
oordeel van mannen als Muntinghe , Van Sevenhoveu en vele anderen , 
voor goed de macht der Vorsten hadden gebroken , schrikten echter het 
Solosche hof niet af, om in Jogja tegen het Europeesche gezag te blijven 
iutrigeeren. De beste weg om het gezonken aanzien des Rijks te her- 
stellen, scheen om Jogja over te halen tot een stijd tegen de Europeanen 
onder belofte van hulp, doch met het voornemen tevens om die 
hulp niet te verleenen en integendeel c. q. den rol van 's Gouver- 
nements bondgenoot te spelen. Zoo het wapengeluk onze Regeering 



O Een ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur had de vriendelijkheid mijne 
aandacht op die grootere krijgshaftigheid der Jogjasche bevolking te vestigen. Hy 
meent dit ook bij een deskundig schryver over de Vorstenlanden te hebben ge- 
lezen; zoomede te gelooven dat de ketjoe's, die Midden- Java onveilig maken, 
vooral van Jogja afkomstig zijn. — Voor de welwillende mededeeling mijn dank. 



JA VA-OORLOG VAN 1825 — 30. 15 

diende , kon Solo hopen om tot belooning van zijne hnlp een gedeelte 
van Jogja terug te bekomen; moohten daarentegen de Europeanen 
het onderspit delven, dan kon de Soenan onder het masker van vriend- 
schap, de nederlaag te gemakkelijker voltooien: zoowel in het 
eene , als in het andere geval kon de oorlog iets gunstigs uitwerken. 

De uitslag heeft intasschen aan deze berekening nooit beant- 
woord. Zoo ook begon de door Daendels afgezette , doch onder het 
Engelsch bestuur op den troon herstelden sultan Sepoeh ') den oorlog 
tegen de Engelschen in 1812 op raad en met overleg des Soenans ; 
het einde was echter, dat evenzeer deze met verlies vau grondgebied 
werd gestraft. Teruggekeerd onder ons gezag werkten verschillende 
maatregelen omtrent de Yorstenlanden samen om Solo niet minder dan 
Jogja van ons te vervreemden; doch dit gaf dddr nooit aanleiding 
tot die onbewimpelde vertooning van misnoegen, welke hier ten 
toon gespreid en met Dipanegara's opstand besloten werd. De voor- 
naamste raadgevers, raddraaiers en opstekers tot dien krijg zaten echter 
in Solo. De zoo invloedrijke kjaï Madja woonde in de nabijheid dier 
hoofdplaats, ontleenende zijn naam aan eene aldaar gelegen desa, 
waar hij geestelijke was. Dat de Soenan zelfs last had gegeven om 
Dipanegara ongemoeid te laten; dat slechts de tijdige overkomst 
van generaal De Koek eene uitbarsting te Solo heeft voorkomen ; — 
deelde ik reeds mede (BC 543 — 556) ; en tot krachtvoUe medewer- 
king kwam het eigenlijk nooit. Berichten over de rebellen door 
den Soenan en zijne raadgevers zeker gemakkelijk te erlangen, 
konden wij niet behoorlijk verkrijgen; en de oproerige medevoogd 
Mangkoeboemi zwierf met een groot aantal vrouwen en kinderen 
der voorname muitelingen rond , zonder dat het ons ooit gelukte 
de juiste verblijfplaats te weten te komen, ofschoon ons bestuur 
overtuigd was, dat zij elk oogenblik te Solo bekend moest zijn. 

Met dit gedrag had de Soenan niets anders voor dan om den 
oorlog te doen rekken, tot hij gelegenheid zou vinden om er 
voordeel uit te halen. Hij hoopte dat één van beiden gebeuren 
zou: 6{ dat wij ten langen laatste zouden overgaan Jogja te ver- 
kleinen en hem er een gedeelte van af te staan; óf wel dat wij 



') Op biz. 40 noot (l) herinnert Louw aan eene mededeeling van Valck, dat 
door de Engelschen belangrijke stukken o. a. het contract waarbij sultan 
Sepoeh op den troon werd hersteld uit de archieven werden gelicht „om 
redenen die zich gemakkelgk laten beseffen." — Naar het my voorkomt had dan 
tevens wel vermeld mogen worden, dat dit contract in Van Dcventers „Ncder- 
landsch gezag" is afgedrukt als Bijlage LXXIV op bl. 314. 



16 BS SCONOMISCHS OORZAKCN VAV DEN 

onze krachten in een langdurigen en nutteloozen krijg zouden uit- 
putten, in welk geval hem de gelegenheid was gegeven om zonder 
gevaar het masker af te werpen. 



II. 



De intrekking van de Landverhnring, 

Wat gebeurd zoude zijn , indien iets anders niet of wel geschied 
ware, is bij de beoordeeling van geschiedkundige feiten altijd 
in zoover eene ondankbare vraag , dat zij natuurlijk niet voor eene 
positieve beantwoording vatbaar blijkt , terwijl er de schaduwzijde aan 
verbonden is, dat „de beste stuurlui" het slechts voor het zeg^gen 
hebben. Nochtans onvruchtbaar behoeft eene dergelijke behandeling 
zeker niet te zijn; want de critiek, die ijvert om de oorzaken in 
het licht te stellen, brengt tal van bijzonderheden aan den dag, 
welke zoo zij al niet aan het doel beantwoorden, of wel voorbij- 
streven, toch uit een algemeen historisch oogpunt voor de kennis 
der zaken van belang zijn. Dit mag o. a. gezegd worden van de 
Landverhuring , aan wier regelloozen toestand sommigen voor een 
deel de oorzaak van de heerschende ontevredenheid, welke tot den 
opstand leidde, hebben toegeschreven; aan wier gewelddadige 
intrekking door anderen de schuld van het misnoegen is geweten ; 
terwijl er zich nog eene derde raeening voordeed, die in het een 
én in het ander de hoofdbronnen van de wijd verbreide ontstem- 
ming zocht. 

Vóór 1816 verhuurden de vorsten en geapanageerden aan enkele 
ingezetenen gronden van weinig uitgestrektheid en in de nabijheid 
der hoofdplaatsen gelegen. Deze stukjes werden slechts voor korten 
tijd afgestaan en mochten alleen gebruikt worden om er groenten 
op te telen of wel om er eenvoudige lusthuizen van te maken. 
De resident Nahuijs, die in 1816 in één en later voorloopig in 
beide gewesten benoemd werd (DP 289) , deed door zijn invloed 
deze landverhuring uitbreiden. Cultuurproducten voor de Europeesche 
markt, als kofiie, enz. werden geteeld; hij achtte deze verhuring 
in het belang én van den landbouw, én — van hem zelf. 

Over het algemeen maakt Nahuijs in zijne ofiicieele correspon- 
dentie een sympathieken indruk; hij heeft heldere inzichten, 
schrijft goed , weet prinsen en grooten naar zijne hand te zetten. 



JAVA-OOELOG VAN 1825 — 30. 17 

In een artikel van den heer Kielstra over „Eenige personen uit 
den Java-oorlog" , gepubliceerd door De Tijdspiegel van J896, 
lezen wij wel dat Nahuijs^ collega^s niet zoo bijzonder met hem inge- 
nomen waren ; maar de regeering van Commissarissen-Generaal stelde 
steeds zijne diensten op prijs , waarvan hij ook stoffelijk de bewijzen 
ontving. Reeds maakte ik in noot (1) bl.377DP er melding van , 
dat hij in hoedanigheid van resident der beide Yorstenlanden een 
dubbel traktement genoot; ook werd, nadat een besluit van 
20 Februari 1818 N® 35 organiek aan ieder der residenten van 
de Yorstenlanden een tafelgeld van f 500 's maands boven hunne 
bezoldiging was toegekend, bij een besluit van dien dag N<^ 36, 
aan die bepaling te zijnen behoeve terugwerkende kracht verleend , 
nl. te rekenen van den dag, dat de bediening was aanvaard; en 
wel in aanmerking genomen zijnde: „de buitengewone ijver voor 
den dienst van Zijne Majesteit, door den f ung. Resident van Jogja- 
karta, den majoor Nahuijs, gedurende de waarneming van zijn post 
betoond , en aan hem een blijk willende geven van de goedkeuring , 
welke zijne verrichtingen wegdraagt." 

Doch destijds wist de Begeering niet^ dat Nahuijs op eigen gelegen- 
heid nog andere wegen had geopend, om zich als resident voordeden 
te bezorgen. Inderdaad is het te betreuren, dat hij als figuur van 
beteekenis verliest door zijne onmiskenbare drift om ten eigen bate 
de Landverhuring te exploiteeren ; en men kan het m. i. zeker zeggen , 
dat bij de autoriteiten te Batavia, den Landvoogd er onder begrepen , 
nooit zulk een sterk uitgesproken vooroordeel tegen de Landverhuring 
zou hebbeu bestaan , indien de Resident tegenover deze aangelegen- 
heid eene vrijere positie had weten in te nemen. Ongetwijfeld was 
het niet meer van den tijd , dat de hoofden van Gewestelijk Bestuur 
zelven zich binnen hun gewest met dergelijke handelingen inlieten. 
Niet slechts dat de waarde van Nahuijs^ adviezen er door moest 
lijden , doch het verwijt kon ook niet uitblijven , dat wel verre 
van aan vrijen wil viel te denken, de Resident zijn invloed mis- 
bruikte om voor hem en zijne vrienden land in huur te erlangen. 
Van Sevenhoven meende echter dit laatste te moeten weerspreken. 
„Men heeft indertijd gezegd" — leest men in zijn „Kort Over- 
zicht" (S) — „dat hij zijn grooten invloed gebruikt had om de 
prinsen en andere vruchtgebruikers daartoe over te halen, doch 
ik geloof, dat het dezen al tamelijk onverschillig was, of zij huur 
ontvingen van Europeanen of van Chineezen ; de bevolking , alleen 
bedacht op het genot van het oogeublik, kon deze verhuring niet 

Ce Vogr. lU. 2 



18 DE E0ONOMI80HE OORZAKEN VAN DEN 

anders dan voordeelig voor zich beschouwen ; zij wisten , dat de 
Europeanen niet, als de Ghineezen, door allerlei middelen hen 
uitzogen en het aanleggen der koffietuinen zelve stelde hen in de 
gelegenheid voor arbeid loon te ontvangen. Noch voor de vrucht- 
gebruikers, noch voor de bevolking was hierin over het algemeen 
genomen dus gegronde reden van bezwaar gelegen." 

De Regeering had omtrent het onderwerp geene regelingen 
getroffen. Mr. H. W. Muntinghe bracht als President van den 
Baad van Financiën, zijn op bl. 535 BC vermeld rapport van 14 
Juli 1817 N® 65 uit, waarmede de Raad zich vereenigde. ') Het 
College ontraadde dientengevolge volstrekt de uitgifte van beplante 
gronden, en toonde zelfs maar zeer weinig sympathie voor den 
afstand van woeste gronden. 

De Inspecteur-Generaal en diens Adjunct, de heeren Van Lawick 
van Pabst en Yan de Graaff gingen met den Raad van Financiën mede. 

C. C. G. G. namen intusschen geene beslissing , doch besloten , 
lezen wij bij Louw in noot (7) van bl. 49 , „kort voor hun aftreden 
in Januari 1819, de beslissing van Z. M. den Koning in te roepen". 
De Schrijver doelt hier op het besluit dd. 8 Januari 1819 N® 5, 
hetwelk aldus luidt: 

Is in deliberatie gebracht eene missive door den Inspecteur-Generaal 
en Adjunct-inspecteur-generaal van de landelijke inkomsten , geschreven 
op den 29«» December iSiS N° 25, daarbij ter voldoening aan het 
besluit van den 23 December 18 17 N<* 34, naar aanleiding van de 
missive van President en Raden van Financiën van den 14®" Juli 181 7 
N° 65 , eenige consideratiën indienende omtrent het hun bevolen onder- 
zoek nopens de bepalingen, welke ten aanzien van de uitgifte van 
gronden zouden kunnen worden aangenomen: 

Gevende gemelde Inspecteurs bij dezelve missive de redenen op om 
welke zij meenen dat eene uitgifte van landen in het algemeen niet 



») Men zie het Tydschrift voor Ned.-lndië, 1850, dl. II, bl. 307, waar ook in 
hoofdzaak het rapport werd afgedrukt, dat later Van De venters „Landelyk stelsel" 
weder publiceerde, gelgk ik ter aangehaalde plaatse mededeelde. Alleen moet ik 
nog opmerken, dat de copie, voorhanden in de El o ut stukken van 's Ryks archief , 
den datum van II Juli draagt, en dat die dagteekening ook door het Tgdschrift 
voor Ned.-lndië werd overgenomen. De op 's Ryks Archief berustende afschriften 
der E lo ut stukken werden echter helaas allerslordigst van de origineele overge- 
schreven, zooals ik my hierover reeds beklaagde in de noten op bl. 567 BC; zy 
zyn derhalve niet altyd volkomen te vertrouwen. Het is eehter vreemd, dat in 
de Eloutcopie van het hierboven volgend besluit van 8 Januari 1819, waarin 
twee malen naar het rapport van den Raad wordt verwezen , ook telkens de datum 
van 11 Juli is gesteld, die nu eveneens door mij in 14 Juli werd veranderd. 



JAVA-OORLOG VAN 1825 — 30. 19 

was aan te raden, doch stellende daarbij tevens voor dat die enkele 
personen, welke uit de stilzwijgende toelating van het Gouvernement 
de hoop hebben opgevat, dat hunne reeds begonnen ondernemingen 
de goedkeuring en bekrachtiging van hetzelve zullen erlangen, eene 
uitzondering verdienen en aan hen de reeds ontgonnen en tot hunne 
onderneming onontbeerlijke gronden behoorden te worden gelaten 
onder zoodanige bepalingen als strekken kunnen om aan den eenen 
kant deze ondernemers voor verliezen te beveiligen en aan de andere 
zijde de belangen van het Gouvernement zooveel doenlijk te waarborgen. 

En in aanmerking genomen zijnde, 

Dat het onderwerp over eene uitgifte van landen, zoo min door 
den President en Raden van Finantifin in den tijd, als nu door den 
Inspecteur-Generaal, uit alle de belangrijke gezichtspunten, waaruit 
dezelve behoort beschouwd te worden, is verhandeld; 

Dat een meer algemeen overzicht van alle de onderscheidene en 
belangrijke voordeelen van eene uitgifte van landen voor den landbouw , 
de nijverheid , den handel en wederkeerige betrekkingen van deze met 
inlandsche bezittingen tot het moederland wellicht tot andere uitkomsten 
zouden kunnen leiden; 

Dat intusschen vooralsnog de zaak zoo niet is gebracht tot die 
rijpheid, dat zij geheellijk zou kunnen worden beslist of afgedaan en 
het ook groote nuttigheid heeft , dat dezelve , naar algemeene regelen van 
staathuishoudkunde booordeeld, door den Koning zelven worde beslist; 

Dat desniettemin eenige voorloopige onderzoekingen zouden kunnen 
worden in het werk gesteld, welke in de onderstelling dat eenmaal 
eene uitgifte van gronden door Z. M. zou kunnen worden bepaald , aan 
de uitvoering spoed zouden bijzetten; 

Dat ten aanzien van de overige personen, welke nu reeds eenige 
gronden in bezit hebben, dadelijke voorzieningen noodig zijn. 

Zoo is goedgevonden en verstaan: 

Ëerstelijk: De missive van President en Raden van Financiën van 
den 14^" Juli 1817 N°Ó5, alsmede de missive van den Inspecteur en 
Adjunct-inspecteur-generaal van de landelijke inkomsten van den 
29 December 1818 N° 25 te brengen ter kennisse van het Departement 
van de Koloniën in Nederland, met verder te kennen gave, dat de 
kortheid des tijds niet gedoogt dat thans door Commissarissen-Gene- 
raal dit onder^'erp vollediglijk in geschrifte behandeld wordt , doch dat 
die hunner, welke op het punt zijn naar het vaderland terug te keeren , 
bij behouden aankomst, volgaarne daarover hunne nadere consideratiën 
deswege zullen opgeven. 

Ten tweede: Den Gouverneur-Generaal te verzoeken om zoo- 
danige maatregelen te nemen als hij zal vermeenen nuttig te zijn , om 
te doen onderzoeken , wat bij de uitgifte van gronden , indien daartoe 



20 DS XOOXOMI8CHE OORZAKEN VAN DEN 

eenmaal mocht besloten worden, zouden dienen te worden in acht 
genomen. 

Ten derde: Den Gouverneur-Generaal wijders te verzoeken om 
zoo spoedig mogelijk te doen opnemen de gronden op welke enkele 
particulieren bij de missives van den Inspecteur en Adjunct-inspecteur- 
generaal bedoeld, reeds eenige ondernemingen begonnen hebben, en 
aan die ontginners die gronden tot zoodanige matige uitgestrektheid 
en onder zoodanige voorwaarden in eigendom of pacht af te staan, 
als na hen gehoord te hebben , blijken zal met hunne en 's Lands 
belangen overeen te komen. 

Afschrift enz. 

Hoe ongunstig echter C.C.6.G. zelven overigens omtrent de 
reeds onder bet Engelsch tasschenbestuar uitgegeven gronden 
dachten, kan nog uit het volgende blijken. Dat bestuur had de 
onbescheidenheid gehad om gronden uit te geven, toen reeds C.C. 
G.Q. op Java waren, zij het ook de overneming nog niet had 
plaats gevonden. Zoo wareir o. a. als landhuurders opgetreden John 
Hunt in Banjoewangie van zeven stukken land, Charles du Pont 
in Pekalongan van den kofSetuin Baujoematie, enz. Bij besluit 
dd. 19 November 1816 N® 4 vernietigden C. C. G. G. de concessie 
Hunt, doch behielden zich de overweging voor: „in hoever dien 
man te gemoet te komen'^ ')• Hunt herinnerde een en andermaal 
bij request aan die belofte en dientengevolge werd bij besluit dd. 
4 October 1817 N® 1 den resident van Banjoewangie aangeschreven 
om eene berekening te maken van de uitgaven, die Hunt reeds 
voor zijn land gedaan had, terwijl aan de residenten van Probo- 
lingo, Bezoeki en Pasoeroean werd opgedragen om met Hunt na 
te gaan , of er geene woeste gronden voor hem ter beschikking waren. 

Du Pont kwam er echter minder goed af, ofschoon het rapport 
van 14 Juli 1817 had geadviseerd hem den koffietuin te laten: 
„uit aanmerking van de weinige uitgebreidheid der gronden , door 
den rekwestrant bezeten , van den afstand welken hem daarvan 
reeds onder het vorig bestuur is gedaan , en van de gunstige con- 
sideratie welke de rekwestrant, als burger en ingezetene en als 
vader van een talrijk huisgezin, meriteert" *). De Begeering namelijk 
bij besluit dd. 24 November 1818 N» 19 in aanmerking nemende : 

Dat daargelaten in hoeverre het Britsche bestuur gerechtigd was tot 
den afstand van land in een tijdstip dat de teruggave van 't eiland 

») Rapport van C.C.G.G. aan het Opperbestuur dd. 23 December 1817 op 
bl. 232—233 van M. L. Van Deventers „Nederlandsch gezag". 
*) Zie op bl. 347 dl. I. van S. Van Deventers ^Landelijk stelsel". 



JAVA-OORLOG VAN 1825 — 30. 21 

aan het Nederlandsche Gouvernement was bepaald, er ten aanzien 
van deze vergunning verscheidene omstandigheden te zamen loopen, 
welke tegen de verzochte bekrachtiging ten sterkste militeeren, als 
zijnde het uit 't onderzoek en de door de Generale Inspectie over- 
gelegde stukken ten duidelijkste gebleken: 

Dat 't Britsche Gouvernement geen voornemen heeft gehad aan den 
Suppliant eene grooter uitgestrektheid grond toe te staan dan tot een 
bepaald einde dienstig was, te weten tot het oprichten eener indigo- 
fabriek. 

Dat hetzelve hem aanvankelijk niet heeft willen vergunnen landen 
tot de aanteelt der plant, maar begeerde dat hij deswege overeen- 
komsten met de landvolkeren zoude treffen. 

Dat het Britsch Gouvernement in het vaste denkbeeld stond, dat 
hel Land ter grootte van 85 jonken, hetwelk hetzelve naderhand tot 
het cultiveeren van indigo op de opgegeven voorwaarde afstond , woest 
was en tot het bepaald oogmerk moest dienen om daarop indigo te 
planten. 

Dat ten aanzien van de waarde van de daarop liggende kofüetuinen 
het voormalig Gouvernement door valsche berichten is misleid geworden. 

Dat het bij nader onderzoek is gebleken dat de Suppliant niet is 
in bezit van zoodanig stuk lands, als hem is afgestaan, maar integen- 
deel van een stuk grond beplant met een aanmerkelijk getal kofiie- 
boomen; 

Dat de Suppliant zich niet heeft bepaald tot het oogmerk waartoe 
hem de afstand was gedaan, als zijnde de aanleg der indigofabriek 
eerst onlangs op een zeer kleine schaal begonnen; en eindelijk 

Dat ook uit de verzoekschriften van den Suppliant zelve niet is ge- 
bleken, dat zijne opgaven der waarheid overeenkomstig zijn geweest. 

En nog in aanmerking genomen zijnde, dat 't met het belang van 
den Lande en het aangenomen stelsel overeenkomt, dat het Gouver- 
nement zich in *t bezit der kofüetuinen stelle en dat ook in een 
daarmede eenigermate overeenstemmend geval met C. Hunt in de 
residentie Banjoewangie op dit grondbeginsel is te werk gegaan. 

Zoo werd besloten: 

i^ Het verzoek van Du Pont af te wijzen „en dienvolgens de 
verhuring van den koffietuin Banjoematie aan denzelven gedaan 
door het voormalig Britsch Gouvernement te niet te doen en buiten 
effect te stellen, zooals dezelve wordt te niet gedaan en buiten 
effect gesteld bij deze". 

2** Den resident van Pekalongan op te dragen het stuk land 
terag te nemen met opgave der kosten , die Du Pont gemaakt 
had welke hem teruggegeven zouden worden. — 

Dit alles toont voldoende aan, dat C.C.G.G. geenszins met 



d**n aft^tJiXjd Tjiü groud vtn particulieit- l&ndbouwoDdenjemfr^ waren 
in^eiiottieu; zij twijfelden alleen of misficliien niet Vtu i^lc»ri*e l<»n 
worden OTerg'ejraian tot de nitgift-e van woe«t<; gronden. 

Onder deze indrukken en n.adat £lout met Baijskes In di^ liedden 
Terlatea, be»>chl de GouT.-Gen- Van der Capellen in 1^19 de Vor5t<*n- 
lauden, waarin bij ook in 1817 eene rei§ had gemaakt. Bij die 
^elej^enheid kwam ter zijner kenni*, dat nitsre^trekt-e terreinen aan 
Kuropeaueu en Chineezen in hour waren afeestaan en dat daar- 
onder de resident Nabuijs en eenige zijner bijzondere rrienden 
f>eh^x>rden. I>en inspecteur Van de Graaff werd een ffezet onder- 
zoek opgedragen ; zijn adrjes Tan 1S£1 luidde ongunstig over hetgeen 
had plaats g-evonden- Het volgende jaar 1S22 begaf de Gouv.-Gen. 
zich op nieuw naar de Vorrtenlanden. Door Nabuijs t* J<>rd* *'*•'' 
een rapp^irt dd. 2 Dec. 1821 ter verdediging van de Landverburing 
gewjhreven; men vindt het op bl. -39 dL 1 Xs en Bauds aantee- 
keningen er op bij Meijers Levensschets van Baud bl. 171 w. Van 
de Graaff had bij een breedvoerig advies dd. 23 Maart 1 822 ander- 
maal zijne afkeurende meening blootgelegd; ook na herlezing blijf 
ik ongunstig denken over zijn betoog, hetwelk ik in het Tijd- 
Kchrift voor Nijverheid en Landbouw in Ned. Indiê 
publiceerde, bl. 14* vv., dl. XLI 1890; niet in 1891, gelijk 
abusievelijk bij Louw bl. 51 vermeld. 

Nicx>laa« Engelhard heeft Van de Graaff met enkele woorden 
niet onaardig geteekend. De gewezen Gouverneur van Java'^s 
Noord-Oostkust had het als Commissaris voor de overneming van 
de Mol ukken afgelegd en dientengevolge was hij bij de organisatie 
van den Baad van ludië niet in dat college opgenomen. Zijne 
weinig schitterende geldelijke omstandigheden trachtte hij te ver- 
geefs als medeëigenaar van een particulier land in de Preanger 
met den bekenden Andries De Wilde te verbeteren; de Indische 
regeering — het is overbekend — was den landheeren niet 
genegen. Engelhard deed een beroep op Elout in Holland en 
daaruit vloeide van Engelhards zijde eene door mij op blz. 5 
reeds vermelde particuliere correspondentie voort, waarin de In- 
dische bestuursmaatregelen en de personen, die er toe medewerkten, 
niet altijd met lof werden besproken. Zoo schrijft hij ook dd. 12 
Maart 1825 aan Elout: „Zijne Excellentie houdt zich te vast aan 
de opiniën van den Baad van Indië Van de Graaff, een zeer 
verstandig man, maar die de plank weleens misslaat^'. — 
Hoe geheel anders inderdaad is b.v. de indruk , welken Van de Graaffs 



JAYA-OOELOG VAN 1825 — 30. 23 

rapport over de Landverhuring maakt; eu die van „veel omvat- 
tende kennis^^ en „zoowel theoretische als praktisohe ervaring in 
staatshuishoadelijke aangelegenheden^^ welken een bevoegd beoor- 
deelaar als J. P. P. Van Zujlen en Nyevelt verkrijgt van het 
door Van de Graaff gesteld rapport in 1S25 door den Raad van 
Indië betrekkelijk het Indische muntwezen uitgebracht ^) ; en 
eenerlei doorzicht toont hij ook in dat zelfde befaamde Landver- 
huringsadvies, waar hij toch tegen te reactionaire maatregelen 
waarschuwt, doordien „de vorsten niet dan met weerzin 
en als het ware gedwongen zouden toestemmen*' (blz. 
187 van het aangehaalde Nij verheidsopstel). Doch aan die waar- 
schuwing heeft de Begeering zich ten slotte niet gestoord; de 
doorslag gaf het ongunstig advies dd. 30 Juni 1822 van den resident 
van Solo, baron De Salis, wiens voorstellen rechtstreeks tot de 
regeling van het intrekken der Landverhuring leidde, gelijk ons 
Louw in het breede mededeelt. 

Met de hier vermelde stukken gewapend , toog de Landvoogd naar 
de Yorstenlanden. Hij was ontevreden en vond den staat van zaken 
ellendig. Vervuld met de gedachte , dat het Vorstenlandsch bestuur 
eens een einde moest nemen, oordeelde hij een staat van verar- 
ming beter dan een, die als de Landverhuring, vorsten, prinsen 
en bevolking tot meer welstand kon brengen. Bij gemis van alle 
regelingen was het zeker niet moeielijk daaruit voortvloeiende 
misbruiken aan te toon en, doch de Landvoogd zag die, naar het 
oordeels zijns opvolgers (DB) , te zwaar in , dan wel mat ze te breed 
uit; de nieuwe richting stond namelijk aan zijne plannen tot reor- 
ganisatie in den weg , doordien „de steeds meer en meer verarmde 
en onvermogende staat der Hoven tot volvoering van een plan 
leiden moest, hetwelk onder het voortdurend stelsel van landver- 
huuT naar het oordeel der Begeering nimmer konde bereikt wor- 
den.**' Nogal vreemd was het, dat de Landvoogd bovendien deze 
annexatie-plannen niet beter voor zich hield. Op bl. 555 van mijn 
artikel over Van der Capellen (BC) maakte ik melding van eene 
correspondentie van Nahuijs met Du Bus over de oorzaken van 
den opstand, en noemde brieven van 28 Augustus en 4 September 
]828. In dit laatste schrijven bericht Nahuijs nl. , dat toen de 
Qouv.-Qen. Van der Capellen in 1822 te Solo eene bijeenkomst 
hield, waaraan deelnamen de inspecteur-generaal Van de Graaff, 

*) Bijdragen tot de kennis der Nederlandschc en Vreemde Koloniën. Utrecht, 
1847. In de noot (1) van bl. 362 aldaar. 



24 DE ECONOMISCHE OORZAKEN VAN DEN 

de resident van Solo, de Bijksbestierder, de regeut Arong 
Binang en nog eenige andere heeren en hoofden , ten getale van 
7 of 8 personen , de Qouv.-Gen. aan den Eijksbestierder opmerkte , 
hoeveel gelukkiger het eiland Java er aan toe zou zijn, indien 
het, in plaats van onder het Javaansche en het Nederlandsche 
gezag te staan , alléén aan het laatstgemelde onderworpen ware en 
indien het te Solo was, als in Bantam en Cheribon. 

„Na zoodanige al leron voorzichtigste opening" — schrijft Nahuijs — 
„gevolgd door de besluiten omtrent de landverhuringen , omtrent Dja- 
barankah en Karangkobar (bl. 38 vv.) , en door de vorderingen opzich- 
telijk de Bagelen en Banjoemas (bl. 45 vv.), moet men zich waarlijk over 
de lankmoedigheid en de lijdelijke gehoorzaamheid van het Solosche hof 
verwonderen en den eerlijken, ijverigen, niets dan goed bedoelenden 
afgetreden Gouverneur-Generaal beklagen , van het oor te hebben 
geleend aan mannen , weliswaar van algemeene kundigheden , doch 
geheel verstoken van plaatselijke kennis en ondervinding. De man 
toch van de minste ondervinding aan het Solosche hof zoude voor- 
zeker nimmer zoodanig gewichtig staatsgeheim , met hoop op geheim- 
houding en op medewerking, aan den fiijksbestierder hebben toe- 
vertrouwd: aan den Inlander, die den meesten rijksgrooten , ja 
zelfs den Keizer in bloede bestaat. Hem op Cheribon, op Bantam 
te wijzen, en deze plaatsen als het voorbeeld van Soerakarta aan 
te halen , was zooveel als hem te zeggen , wat de voormalige sul- 
tans en grooteu van Cheribon en Bantam geworden zijn, dat zullen 
Uwe keizers en prinsen ook eeüs moeten worden. En indien men 
het noodzakelijk had geacht om deze gevaarlijke bekendmaking aan 
den Bijksbestierder te doen, dan had men immers moeten be- 
ginnen, om in de eerste plaats zijn eigen belang en grootheid 
zoodanig met de iuwerkingbrenging van 's Gouvernements plannen 
te verbinden , dat hij bij dezelve zich en zijne nakomelingschap 
een altoos durend voordeel en hoogen rang gewaarborgd zag.'' 

Alvorens de Begeering een besluit in zake de Landverhuring 
nam, meende Zij de Vorsten omtrent Hare ongunstige meen ing te 
moeten inlichten; en zoo werd o. a. dd. 14 Januari 1823 aan den 
Soenan geschreven: „dat hetgeen met de landverhuringen gebeurd 
was, door den Gouverneur-Generaal niet konde worden goedge- 
keurd en wel 1^ omdat volgens de bestaande aloude gewoonten 
en bepalingen geen stukken gronds in de Vorsteulanden mochten 
worden verhuurd aan Europeanen of Chineezen enz., en in de 
tweede plaats omdat de gedachte verhuringen waren geschied buiten 



JAVA-OORLOG VAN 1825 — 30. 25 

de toestemming der Regeering en zonder zelfs dat die toestem- 
ming was gevraagd geworden, hetgeen das geheel en al aanloopt 
tegen de verplichtingen van het Soerakartasche rijk omtrent het Ne- 
derlandsch Gouvernement en tegen de oude gebruiken , die dat Gou- 
vernement steeds heeft willen bewaren ; dat de Gouverneur-Generaal 
niet twijfelt of Zijn Kleinzoon zal in al de handelingen van het 
Gouvernement, zoowel omtrent hem als omtrent den Soesoehoenan 
van Zijnen vader, opgemerkt hebben met welke getrouwheid en 
nauwgezetheid de Hooge Indische Eegeering de beloften vervult, 
die zij aan hem gedaan heeft en de overeenkomsten naleeft, die 
zij met hem heeft aangegaan.'^ 

Ëene beschuldiging tegen een onzer Inlandsche vorsten , dat 
hij de akte van verband des bewust overtreedt, is zeker wel 
het meest ernstige geval, dat zich in de teere verhoudingen 
tusschen de fiegeering en de Haar ondergeschikte potentaten kon 
voordoen, zoolang men op prijs stelt in vrede en vriendschap 
te leven. Hier wordt zulk eene schending den Soenan op de meest 
onaangename wijze te kennen gegeven -- en dan te bedenken dat de 
gansche beschuldiging ongegrond was! Er waren volstrekt geen e zoo 
stellige bepalingen , die den Vorsten het recht tot landverhuring ont- 
zeide, als dit schrijven vooropstelde; de zeer verstandige man, 
die de plank wel eens mis sloeg had ook ten deze zijne goede 
zijde getoond, door er uitdrukkelijk aan te herinneren, dat de 
Land verhuringen „niet zijn daargesteld tegen eene be- 
staande of bekende wet, en bijgevolg op zich zelve 
niet kunnen gehouden worden voor eene ongeoor- 
loofde daad of zaak" (bl. 186 van mijn Nij verheidsopstel). En 
afgescheiden van dit alles , 's fiegeerings eigen vertegenwoordiger had 
die handelingen bewerkt en ze aldus met zijne verantwoordelijkheid 
gedekt ! „Was er meer noodig" — meent Du Bus — „om , nadat alle 
de land verhuringen met voorkennis en onder de goedkeuring van 
's Gouveruements ambtenaar , den Resident , hadden plaats gehad , de 
goede gezindheid van een Javasch vorst te doen wankelen, en de 
goede trouw van het Gouvernement meer te schokken en onder ver- 
denking te brengen dan door te beweren , dat de toestemming van 
het Gouvernement nooit was gegeven voor eene daadzaak, welke 
in geschrifte onder Gouveruements zegel door den eersten Gou- 
vernementsambtenaar ter plaatse zelve was erkend en toegestaan 
geworden? In dier voege werd aan de beide hoven geschreven 
toen de zaak nog niet tot rijpheid was gekomen, en er slechts 



26 DE ECONOMISCHE OOKJJLEElf TAK DEN 

bfisloten was om de haartermijnen tot twee è drie jareo te ver- 
roindereD." 

De Soenan ontving den ongel akkigen brief met eene waardig- 
heid, die zich bij den Javaan niet licht schijnt te verloochenen; 
hij antwoordde hem ontvangen te hebben y,met belangstelling en 
onder betuiging van zijn leedwezen over het gebenrde^^; doch tevens 
schreef de resident De Salis dd. 24 Febr. 1S23 — wiens rapport, 
gelijk ik zeide , tot de te nemen resolatie rechtstreeks heeft «releid — 
dat het hem getroffen had: ,,dat Zijne Hoogheid na lectuur van 
den brief zeer onthutst was, en mij, ofschoon doordrongen van 
de noodzakelijkheid van den maatregel, vele zwarigheden opperde, 
die er voor hem in de executie van den last gelden waren; spe- 
ciaal merkte Zijne Hoogheid aan , dat de uitgegeven huurcontracten 
der verhuurde landerijen met zijn zegel voorzien en bekrachtigd 
waren , en dat door het verbreken van die contracten zijn z^el 
eene groote vernedering zou ondergaan, en dat het voorts zeer 
moeielijk zoude zijn de zaken met de huurders te schikken/^ — 
Ook de nadere letteren aan de Begeering van resident De Salis 
dd. 8 April 1823 gewaagden van de misnoegdheid en onaangename 
gewaarwordingen des Soenans uit hoofde van de Landverhuring , 
welke ontevredenheid hij bij twee bezoeken van den Resident aan 
den dag legde. Het Bestunrshoofd schreef echter tevens dat de 
Vorst „verkeerde indrukken" had gekregen, die hij, Besident, 
had weten weg te nemen , doch Du Bus is van oordeel geweekt , 
dat op die wijze het misnoegen des Soenans „toen ter tijd door 
den Besident zeer listig omkleed en bedekt" werd. 

De brief van De Salis werd nader behandeld in het „Gelezen" 
sub c van de befaamde resolutie dd. 6 Mei 1823 (L621), Staats- 
blad 1823 N^ 17, die aan de Landverhuring radicaal een einde 
maakte. Bij dezelfde resolutie werd den Soenan, in antwoord op 
zijn schrijven, een nieuwen brief toegezonden, die wel verre van 
den Vorst neder te zetten, hem nog meer moest ontstemmen. 
Immers daarin gaf de Gouv.-Gen. te kennen: „dat het hem is 
toegeschenen , dat Zijne Hoogheid de Soesoehoenan meer moeielijk- 
heden in de bewuste zaak vindt, dan daarin wezentlijk gelegen 
zijn en gevonden zullen worden, wanneer Z. H. met eene oprechte 
gezindheid tot medewerking de hand legt aan de uitvoering van 
hetgeen bij den brief van 14> Januari is voorgeschreven; dat de 
Gouverneur-Generaal te wel met de gevoelens van Z. H. bekend 
is om niet overtuigd te zijn, zoowel van Zijne verkleefdheid aan 



JA VA-OORLOG VAN 1825 — 30. 27 

het Nederlandsche Gouvernement, als van Zijn vertrouwen op de 
goede gezindheid van hetzelve ten Zijnen opzichte, en dus geens- 
zins veronderstellen kan , dat Z. H. zoude wenschen moeielijkheden 
en zwarigheden te opperen , die van achteren zouden blijken slechts 
gezocht te zijn; dat het echter mogelijk zoude zijn, dat Z. H. in 
deze zaak het oor geleend had aan raadgevingen van lieden , die 
niet belangeloos zijn '), maar integendeel voordeel hebben om het 
kwaad te laten voortduren , hetwelk de Gouverneur-Generaal door 
Z. H. wenscht te herstellen ; dat uit dien hoofde hij , Gouverneur- 
Generaal, vastelijk had besloten aan den voorgenomen maatregel 
de hand te houden, omdat deze maatregel ten doel heeft om aan 
een ieder en een iegelijk wien het aangaat , te doen gevoelen , dat 
het Gouvernement geene inbreuken toelaat op bestaande wetten 
en verordeningen , en tevens omdat die maatregel tot bevordering van 
de ware belangen en van de duurzame welvaart van de landen van 
Z. H. strekten; dat de Gouverneur-Generaal het echter aangenaam 
is , aan Z. H. te gelijkertijd te kunnen verklaren , dat hij , Gou- 
verneur-Generaal , met veel genoegen uit de voorstellen van den 
Soesoehoeuan had gezien, dat Z. H. niettegenstaande de zwarig- 
heden, welke Zij vermeend heeft aanvankelijk in deze zaak te 
ontmoeten, nochtans zich bereidwillig toont om dezelve volgens 
de wenschen van het Gouvernement te schikken." 

Deze fraaie letteren , zoomede die gericht aan den Sultan te 
Jogja, waren vastgesteld bij art. 2 der hooger genoemde resolutie ; 
art. 4 van datzelfde besluit kende eene tevredenheidsbetuiging toe 
aan den in het Solosche gevestigdeu onafhankelijken prins Mangkoe- 
negara: „omtrent deszelfs betoonde bereidwilligheid om tot het 
daarstellen der heilzame bedoelingen van het Gouvernement met 
al zijn vermogen mede te werken" (L 624). De Soenan kon zich 
nu hieraan spiegelen! 

Het is niet gebleken , in hoever De Koek als Luitenant-Gouverneur- 
Generaal aan de resolutie heeft medegewerkt. Hij was het in zijn 
op bl. 294 DP sub 24 *> vermeld advies van 1826 niet eens met 
Mac Gillavry, die in de Landverhuring zelve een oorzaak tot 
opstand meende te zien. „Ik wil daarom niet zeggen" — laat hij 
hierop volgen — „dat het verhuren van landen aan particulieren 
goed was voor degenen aan wie de landen toebehoorden, maar 
het kon voordeelig zijn voor al de ingezetenen, die op de landen 



*) Als de ex-residcnt Nahuijs?? 



28 DE ECONOMISCHE OORZAKEN YAN DEN 

waren gevestigd , omdat zij daardoor bevrijd worden van de menig- 
vuldige knevelarijen door hunne hoofden gepleegd, en... de huurders 
hadden dadelijk belang om dezelve te beschermen en wel te be- 
handelen, ten einde verhuizingen te voorkomen, en die landen 
zouden waarschijnlijk , zoowel voor de huurders als voor de handel- 
drijvende gemeente ruime bronnen van winst hebben aangeboden, 
en mitsdien voor het algemeen nuttig zijn geweest/^ 

Doch van dit oordeel ten gunste der handhaving van de Land- 
verhuring blijkt niets toen de groote maatregel er tegen werd 
genomen. „Jammer voorzeker" — luidt de ontboezeming van 
Du Bus in zijn rapport van 1827 (DB), tegen den man, die 
den Schrijver zeide te verachten, men zie hei op bl. 17 ver- 
meld opstel van Kielstra — „Jammer voorzeker , dat indien de Lui- 
tenant-Qouverneur-Generaal tijdens de beraadslagingen der Begeering 
over dit onderwerp dezelfde gevoelens is toegedaan geweest , een hoofd- 
ambtenaar, die een zoo gewichtige betrekking bekleedde , zijn invloed 
niet heeft kunnen gebruiken om in eene zoo belangrijke zaak , zoo 
niet de Begeering van het besluit terug te houden, althans om 
dezelve daarna nog tijdig van den genomen maatregel te doen 
terugkomen, toen de min gunstige staat der hoven reeds de 
ontevredenheid verraadde , die 's Qouvernements handeling bij de 
Javasche vorsten verwekt hadden. En het ware in alle geval voor 
de eer van den Luitenant-Qouverneur-Generaal te wenschen geweest , 
dat van deszelfs bijzondere gevoelens in de notulen der Indische 
Regeering aanteekening ware gehouden."' 

De Koek was overigens van oordeel (altijd in 1826), dat de 
maatregelen der intrekking „wel eenige aanleiding tot de onlusten 
(konden) hebben gegeven, vooral te Jogjakarta, daar de huurders 
dadelijk door aanzienlijke sommen gelds schadeloos zijn gesteld , het- 
geen men beweert dat de pangerangDipauegara zeer heeft mishaagd.'' ') 

De verhuurde landen moesten nl. aan de Inlandsche bezitters 
worden teruggegeven : „behoudens het recht der huurders op de 
verhuurders tot terugvordering der voorgeschoten huurpenningen, 
of tot zoodanigen andere schadeloosstellingen « als zij vermeeneu zullen 
hun toe te komen.'-' Men kan zich zoo voorstellen , wat van dit 
vermeenen terecht kwam. De inhaligheid der £uropeesche huur- 
ders , Nahuijs niet uitgezonderd , verplichtte dan ook de Begeering 
bij resolutie dd. 15 Juli 1823 N^ 15 nader te bepalen, dat de 

») Verg. DP 341-343. 



JAVA-OOSLOG VAN 1825 — 30. 29 

schadeloosstellingen moesten berusten op het beginsel van schade- 
vergoeding en niet van winstderving en dat zij alzoo behoorden 
te bestaan: „in de teruggave van het welbesteede en doelmatig 
ingestoken kapitaal , vermeerderd met een billijken interest van het- 
zelve, behoudens dat daarop in rekening worden gebracht de vruchten 
en inkomsten reeds genoten'* (verg. DP 386 noot 2). Doch zelfs met 
deze beperking kan men wel nagaan , hoe bezwarend de teruggave 
voor de niets bezittende Inlandsche grooten moest zijn. Om niet 
te spreken van de verbruikte voorschotten, wat voor den onder- 
nemenden Europeaan een welbesteed en doelmatig inge- 
stoken kapitaal mocht heeten, was het volstrekt niet voor den 
Inlander, die niet in kofSe en andere Europeesche producten wist 
te handelen , die gewoon was bij den dag te leven , voor wien kost- 
bare Europeesche landhuizen enz. geene genoegzame waarde had- 
den. Te Jogja waren te weinig landen verhuurd, dan dat er het 
besluit ver kon reiken. Te Solo echter was het een ander geval; 
alhier ontstond onder de grooten bij het bekend worden der ver- 
ordening eene algemeene beweging, die slechts voor een deel tot 
rust kon gebracht worden door de bereid verklaring des fiijks- 
bestierders tot het betalen der schadeloosstellingen. Dit althans 
heeft hijzelf verhaald aan Nahuijs in 1828, toen weder resident 
geworden. In zijn op bl. 23 vermeld schrijven van 4 Sept. 1828 
deelt toch de Hesident aan Du Bus het volgende mede: 

„Wanneer ik eergisteren in een lang gerekt gesprek met den 
Uijksbestierder , denzelven mijne tevredenheid aan den dag legde 
over de openhartigheid des Keizers ^), en hem opmerkte hoezeer 
het er voor Nederland , en voor het rijk van Soerakarta wenschelijk 
ware, dat tusschen dezelve een wederkeerig vertrouwen en goede ver- 
standhouding onafgebroken plaats vond: voor eerstgenoemde, 
omdat bij een oorlog veel bloed en veel schatten verloren gaan, 
en voor laatstgenoemde, omdat het einde van haar Rijk , zoo- 
wel als de verwoesting van alle hare landen dan voorzeker niet 
meer verre af was door de uitzending van eene ontzettende Neder- 
landsche militaire macht, trad de Bijksbestierder in de volgende 
détails omtrent het vroeger te Soerakarta plaats gevondene. 

„Dat toen de besluiten omtrent de terugneming der verhuurde 
landerijen, en het betalen der groote schadeloosstellingen aan het 
Solosche hof waren bekend gemaakt, hetzelve in de grootste ver- 
legenheid was gedompeld, en dat er alstoen langdurige beraad- 

>) Verg. bl. 555—556 BC. 



30 DE ECONOMISCHE OOIIZAKEN VAN DEN 

slagingen hebben plaats gevonden vóórdat men tot een beslait 
konde komen, of men al of niet aan ^s Goavernements orders 
zonde gevolg geven. 

„Dat ofschoon het bij den Keizer besloten was 's Gonvemements 
orders te gehoorzamen , verscheidene prinsen onwillig bleven hnnne 
landen op deze onérense voorwaarden terng te nemen en zich voor 
aanzienlijke schadeloosstellingen te verbinden, waarom dan ook 
hij, Rijksbestierder, is verplicht geweest voor velen deze schade- 
loosstellingen in zijn naam te beloven , ofschoon de teruggegeven 
landen nooit aan hem hadden toebehoord/' 

Nahnijs beslnit deze mededeeling aldus : 

„De waarheid van deze aanhaling wordt gestaafd door de, door 
den Rijksbestierder geteekende beloofde schadeloosstellingen van 
Seropoe, Getas en meer anderen/^ 

Terwijl dus de ontevreden grooten dachten aan eene samenspan- 
ning tegen het Gouvernement, had resident Nahuijs, wegens het 
meenings verschil over de Landverhuur, verlof naar Nederland ge- 
nomen. De afgetredene was echter te Batavia nog niet scheep 
gegaan, toen hij een afscheidsschrijven ontving van den staats- 
dienaar, die met den Rijksbestierder de verhefSng van den toen- 
maligen Soenan had bewerkt, prins Boeminotto (bl. 11). Het 
schrijven van dezen „doodarmen verhuurder", zooals Louw hem 
noemt (bl. 58 noot 1), luidt aldus: 

Brief van den Pangeran Ario Boeminotto onder aflegging van vele 
groeten aan zijn vriend den heer ridder luitenant-kolonel H. G. Nahuijs 
te Batavia, aan wien wordt toegewenscht , dat zijn leeftijd verlengd 
worde, zijn welvaart, geluk, grootheid en voorspoed voortduren. 

Nademaal Zijne Excellentie den Heer Gouverneur-Generaal of het 
Gouvernement een bevel aan Zijne Hoogheid den Soesoehoenan heeft 
gegeven, namelijk dat alle Javanen of Zijne Hoogheid zelve geene 
landen aan overwallers, dat zijn Europeanen, Chineezen en gelijk 
gestelde natiën mogen verhuren, in pand geven, of voor schulden in 
bezit geven, en dat alle landen, welke bereids aan Europeanen, Chi- 
neezen of gelijk gestelde overwalsche natiën mochten zijn verhuurd, 
aan de respectieve eigenaren zullen moeten worden teruggegeven, 
terwijl de landhum'ders alsdan aanspraak zouden kunnen maken op 
de door hen voor die landen gemaakte onkosten , die zij van de ver- 
huurders kunnen eischen , en dat de ' verhuur van landen met eene 
tijdsbepaling van drie jaren en met een voorschot van een half jaar 
pacht kan worden voortgezet '); 

») Zie art. 1 van Staatsblad ISJ3 N" 17. 



JAVA-OOKLOG VAN 1825 80. 81 

Zoo geef ik UEdGestr. bij deze kennis, dat Z. H. de Soesoehoenan 
hierover ontevreden is, wanneer er dienaangaande geene verandering 
plaats vindt Met vele woorden was Z. H. door den WelEdGestr. Heer 
De Salis, resident, omtrent de verhuurde landen aangesproken, zeg- 
gende dat die landen door de huurders bedorven zouden worden ') 
en dat zij zouden strekken tot verzameling van slecht volk, hebbende 
hij, Resident, met dit alles bedoeld de goedkeuring van Z. H. den 
Soesoehoenan te zullen verkrijgen tot het terugnemen der reeds ver- 
pachte landen. Niettegenstaande dit alles was toch het genomen besluit 
van het Gouvernement verre van de intentie van Z. H. den Soesoe- 
hoenan, zoodat daardoor Z. H. zich thans in een bedroefden staat 
bevindt, alsmede alle de pangerans, reenten en anderen, wiens 
landen reeds verhuurd zijn. Ook de Europeanen , Chineezen en anderen , 
die landen gehuurd hebben, z^n in de uiterste verl^enheid. 

Redenen waarom ik de vrijheid neem deze letteren aan UEdGestr. 
te schrijven, in het vertrouwen, dat ik als de oudste van des Soesoe- 
hoenans hof gerekend worde, en dientengevolge niet onbewust ben 
van de zware gemoedsgesteldheid en innerlijke gevoelens van mijn 
Vorst, alsook van alle Hoogstdeszelfs bloedverwanten, regenten en 
die van alle Javanen van dit Rijk, als ook zonder twijfel van alle 
Europeanen en anderen, die in huur bezitten eenig land, hetwelk 
onder dit Rijk behoort 

Daar alsnu UEdGestr. binnen kort naar Nederland vertrekt, zoo is 
mijn vriendelijk verzoek, dat U al de hierboven aangehaalde klachten 
en al de verdere omstandigheden , die daaruit onstaan kunnen , aan de 
grooten in Nederland kenbaar maakt , ja zelfs dat deze zaak aan Z. M. 
den Koning der Nederlanden voorgelegd worde, zoodat ik dit alles 
aan UEdGestr. overlaat Verder wensch ik U uit grond mijns harten 
allen mogelijken voorspoed op Uwe reis naar het vaderland en smeek 
den Almachtige , dat hij U in al Uwe pogingen en wenschen wil zegenen. 

Daar het geschift door mij eigenhandig is opgemaakt, zoo verzoek 
ik UEdGestr. om verschooning, indien er eenig onbetamelijk woord 
in mocht voorkomen. 

Ook heb ik dit geschrift aan den heer Dezentjé overhandigd, met 
verzoek het in de Hollandsche taal over te brengen, en zulks met deze 
in een couvert van mij aan U over te zenden. 

Geschreven op Dinsdag, den 29° van het 
licht Jawal in het jaar Djei 1750 of den 
8» JuU 1823. 

Deze brief zal wel niet, denk ik, zonder eenige ingeving van 



^) Nahugs in zgne Memorie van 1826 verwet met de eigen woorden aan De Salis 
deze ongunstige voorstelling omtrent n\jvere Europeesche planters : zie Louwbl. 71. 



32 DE zcosomscEX oorzaken tax dkk 

een belanghebbend laurlheer aan resident Nahaijs zijn geschreven. 
Hij was destijds een gevallen grootheid en dat Inlanders een 
Europeaan verzoeken hooger op te gaan bij 's Lands vertegenwoor- 
disrinr?, bij den Koning, is evenmin gewoon. De brief zelf — al 
vraagt de Schrijver hoffelijk verschooning voor mogelijke fouten — 
laat in duidelijkheid en strekking niets te irenschen over en men 
vindt hierin althaas niet teru? de onknnde van de Yorstenlandsche 
grooten, waai omtrent Van Sevenhoven in zijn „Kort Overzicht" (S) 
klaagt : „Ik ben verplicht om de brieven , die de Bijksbestierder 
moet schrijven, zelf voor hem op te stellen, omdat alle die hij 
nog geschreven heelt over zaken van belang zoo weinig waren 
in den gee^t, die bedoeld werd, en met zooveel onachtzaamheid 
waren te zamen gesteld, dat men moeielijk konde begrijpen, 
wat er in gemeend wordt." Misschien wisten de heer Dezentjé, 
die de verzending en vertaling op zich nam, en Nahuijs, die 
het stuk den Minister liet lezen bij zijn aankomst in Neder- 
land, er wel meer van. Zooals Nahuijs zelf dien brief weergeeft, 
18 de slotzinsnede geheel weggelaten; zij is echter opgenomen in 
het op bl. 336 DP vermeld , den Koning aangeboden schrijven van 
D. Boelen Schnurman, gedagteekend Utrecht, 21 December 1S29 
en handelende over de oorzaken van den opstand. Ook in andere 
opzichten wijken trouwens de vertalingen af. Doch al wenscht 
men aan de spontaneïteit van den brief te twijfelen, dan ligt 
daarin nog geene reden om twijfel te koesteren aan de nitgedrnkte 
gevoelens van misnoegen over den in ieder geval veel te radicalen 
maatregel omtrent de Landverhuring : verg. DP 365 en BC 540 — 541 ; 
uit dien hoofde was de minister Elont alleszins gerechtigd om 
mede in dat schrijven het bewijs te zien, dat de intrekking deu 
economischen staat der Vorstenlanden had verstoord, gelijk hij 
deed, blijkens § 30 zijner missive van 27 Nov. 1826 (zie mijn op 
bl. 22 vermeld opstel in het Tijdschrift van N. en L. bl. 187). 

Voor de regeling van de schadeloosstellingen , aan de landhnurders 
uit te keeren, was dd. 3 Februari 1824 benoemd eene commissie 
bestaande uit Van Sevenhoven, resident van Solo ; Smissaert , resi- 
dent van Jogja; Mac Gillavry, 2« resident van Solo. In de beide 
Vorstendommen werd de zaak niet op dezelfde wijze ten einde ge- 
bracht. Te Jogja namelijk zouden de schadeloosstellingen uit de kas 
van den Sultan terstond worden gekweten; te Solo daarentegen 
zou zulks geschieden , al naar gelang de koilietuinen produceerden. 
Zij werdeu daartoe gesteld onder opzicht van Qouvernements-ambte- 



JAYA-00BL06 TAN 1825 — 30. SS 

naren, en de hnarders ontvingen tot het overeengekomen bedrag 
de waarde van liet product der tainen, naar gelang zij jaarlijks 
voortbrachten. Te Jogja werden daarentegen de tainen voor rekening 
van den Sultan geadministreerd en de voordeden er van kwamen 
hem dus rechtstreeks toe. De residenten waren verplicht op alles 
toezicht te honden. Waarop kwamen nu deze regelingen feitelijk 
neder? Aan de grooten was het beheer hunner landen zoo niet uit- 
drukkelijk dan toch feitelijk ontnomen; Gk)uvemementsambtenareu 
kregen er alles te zeggen; en pachtsommen zagen zij niet meer. 
Alles toch ging op in de administratie, in de terugbetaling der 
voorschotten en in de uitkeering der schadeloosstellingen, terwijl 
zulk een beheer niet van dien aard was, dat er nog wat voor de 
Inlandsche landbezitters overbleef. Niet de kleine lieden leden er 
onder, doch wel hunne hoofden, en bovendien nu moesten de op- 
gezetenen arbeiden onder Gouvemementstoezicht, hetwelk^ zooals 
de toestanden destijds zich voordeden, allicht gestrenger, methodi- 
scher was, dan dat der Landheeren. Het komt mij voor, dat Van 
Sevenhoven , wiens oordeel , als oud-lid van de op vorige bladzijde 
vermelde Yereveningscommissie , over de gevolgen van den intrek- 
kingsmaatregel niet geheel onbevooroordeeld kon zijn, dat onder- 
scheid eenigszins voorbij ziet, waar zijn „Kort Overzicht^^ (S) 
betoogt, dat het intrekken van de Land verhuring en de in 
opstand uitgebroken ontevredenheid in geen enkel verband met 
elkander stonden. Hij stelt in het licht dat de verhuurder 
toch het vooruitzicht had het land, nadat de huurtijd afgeloopen 
was, verrijkt door kostbare koffietuinen te zullen terugkrijgen; en 
de Javaansche verhuurder bleef onder dezelfde omstandigheden 
verkeeren. Hem toch was verzekerd de som waarvoor hij zijn land 
verhuurd had, jaarlijks te zullen ontvangen en zelfs was hem de 
bemoeienis van het land overgelaten, mits hij de koffietuinen maar 
niet liet verwaarloozen , daar het Gouvernement de vorderingen 
van de voormalige huurders had gewaarborgd. Ook bij de bevol- 
king maakte dit geene verandering te haren nadeele. De tuinen 
toch werden door bezoldigden van het Gouvernement of onder 
opzicht van den resident bearbeid; de arbeid door haar verricht 
werd meest overal betaald; en dit was het belang der verhuurders, 
evenzeer als het hun belang was de Javanen goed te behandelen. 
In Jogja werden inderdaad aanzienlijke sommen aan de huurders 
terstond uitgekeerd, maar het waren gelden, die toch in des Sul- 
tans kas renteloos lagen (sic), en de Sultan outvinj^ met voordeel 
Ce Volgr. III. 3 



'!»4 DS XOÜKOIOBCHX OOSZAXZ9 TAS? J>KSr 

dadelijk de waarde der producten- ^Ook moet ik hierbg Tocgen^ 
— rervol^ Vaa ScveuhoveD , m. L evenzeer niet geheel juist — 
„eu elk £al dit nog wet-en, dat toen bet Gouvernement de 
iu trekking der verhuurde landerijen gelastte en het verder ver- 
huren verbood, op grouden, die duidelijk ontwikkeld rijn in de 
memorie L daarover gediend , men wel veel gesproken heeft over 
de hardheid der huurders aangedaan, ja er waren zelfs die dit eene 
o urecht vaardigheid en willekeuriire daad van het Gouvernement 
durfden noemen, almede over de voordeelen, die deze groote uit- 
breiding der kofBecultuur zoude geven aan de schaal van den 
handel en ter bevordering van particuliere welvaart enz. enz. , maar 
dat niemand heeft gezegd of beweerd, dat deze handeling van het 
Gouvernement op de Javaansche bevolking eenigen nadeeligen 
indruk zoude maken, veel minder dat dezelve aanleiding zoude 
hebben kunnen geven tot een opstand; en voorwaar onderde 
vele personen, die zich tegen de intrekking der verhuring luide 
verklaard hebben, zouden diegenen onder hen, die dit konden 
weien — en dit waren de belanghebbenden — niet hebben ver- 
zuimd ook breed uit te weiden tegen de gevolgen, die deze 
intrekking voor onze veiligheid zoude hebben, en onder de 
redenen, die dringend ingebracht zijn om deze intrekking te voor- 
komen en naderhand om deze ongunstig te beoordeelen, zoude er 
zeker geene geweest zijn, die sterker gewerkt had; terwijl ook aan 
den anderen kant onder de kundige en voorzichtige mannen, die 
ampel tegen de verhuring geschreven hebben en alle belangen 
hebben overwogen, geen enkele is geweest, die van dien kant de 
zaak beredeneerd hebben en zeker zoude het hun aandacht niet 
ontslipt zijn, evenmin als aan de Hooge Regeering zelve, die de 
intrekking bevolen heeft. Trouwens hoe zoude in dien maatregel 
grond tot een opstand te vinden geweest zijn? En daarom is het 
zoo vreemd , dat men daarmede nu voor den dag komt ; althans ik 
houd mij overtuigd, en alle Javanen van aanzien, die ik daarover 
gesproken heb, hebben mij erkend, dat deze geheele zaak geen 
indruk bij pipanegara heeft verwekt en nog minder hem zoude 
vervoerd hebben tot den opstand; en als wij het karakter der 
groote Javanen en de geschiedenis van de Yorstenlanden nagaan, 
dan zullen wij wel vinden , dat personeele beleediging , onthouding 
van uiterlijk aanzien en dergelijke hen vervoeren tot uitersten, maar 
nimmer de publieke belangen. De aanzienlijke en geringe Javanen 
zijn elkander daarin gelijk. Ik herinner mij uit de geschiedenis van 



JAYA-OOELOO VAN 1825 80. 35 

den 16-jarigen oorlog in de Yorstenlanden , die in 1757 geëindigd 
is, dat prins Mangkoeboemi , naderhand sultan van Jogjakarta, 
zich met zijn dapperen schoonzoon Mangkoenegara, die voor hem 
van zoo groot nut was , oneenig maakte , omdat deze eenige vrouwen 
was machtig geworden, en die voor zijn serail had genomen, in 
plaats van hem dezelven aan te bieden, en dat deze vijandschap 
nooit verzoend is, en zoo zijn er vele voorbeelden." 

Was voor Van Sevenhoven het adviseeren in deze aangelegen- 
heid, nu Commissaris Generaal en Opperbestuur over de intrekking 
hunne ontevredenheid zeer scherp hadden uitgesproken , reeds 
eenigszins moeielijk, voor hem toch, die het rapport van Van de 
Graaff indertijd met Mac Gillavrj toegejuicht (bl. 147 van mijn 
opstel in het Nijverheids tijdschrift) en die instemmend aan de uit- 
voering van den maatregel medegewerkt had; — voor De Salis, 
wiens advies rechtstreeks met de intrekking verband hield, moest 
zijn op bl. 295 DP vermelde Pro Memorie van i<S28 nog meer te 
denken geven. Hij redt er zich echter op eene waardige wijze uit. Hij 
verklaart zich geen volstrekt tegenstander van de Landverhuur en 
erkent, dat het wonen van Europeanen in de binnenlanden der 
vorsten een middel kan zijn om land en volk onder een meer 
milddadig en verlicht bestuur te brengen, en er meer orde en 
regelmaat in te voeren : „evenwel den stand nagaande , waarin 2ich 
het geheele Mataramsche rijk bevond, tijdens die verhuring, als 
door een samenloop van omstandigheden in een compleetèn staat 
van regeeringloosheid en ontbinding gevallen" kon men geene 
goede verwachting koestereiï van een verhuur van geïsoleerde land- 
streken aan zoovele als hét ware op zich zelf staande personen, 
die ieder naar zijn wil en zijne belangen deze landen zouden re- 
geeren , naar het beginsel om zooveel mogelijk gedurende het tijdvak 
van huur winsten te genieten ; terwijl noch het ontzenuwd ert ge- 
brekkig Inlandsch bestuur, noch het weinig krachtig Ëuropeesch 
gezag daarop controle zou kunnen uitoefenen. „Ik zeg hier con- 
trole" — vervolgde De Salis — „dewijl het hier niet geldt de 
personen van edeldenkende beginselen , noch ook in zeker opzicht, 
die door eigen vlijt en arbeid, kennis van het land, de zeden en 
gewoonten van het volk , gerangschikt kunnen worden als nuttige 
voorwerpen tot meerdere uitbreiding van den landbouw, verbete- 
ring van de toomeloosheid en onbeschaafdheid der opgezetenen; 
maar wel dezulke, die geheel ontbloot van deze noodwendige hoe- 
danigheden, slechts konden strekken om de ingezetenen van het 



36 DS EGONOKIBCHS OOVZAKKN TAX DEN 

eene juk onder het ander te brengen , en alleen hunne grootheid 
en eigen belangen najagende en zich aan niets storende wat naar 
orde en regelmaat lijkent, oorzaak moeten worden van eene ver- 
meerdering van den reeds zoo wankelenden staat van rust en van 
de verdere verbreking van het slecht en gebrekkig gezag. Terwijl 
het verder eene ontegenzeggelijke waarheid is en door daadzaken 
geprouveerd , dat die verhuur een middel gaf aan vele rijksgrooten 
en mindere hoofden om, voor een moment hunne behoeften vol* 
doende, zich voor het vervolg geheel buiten staat te stellen om 
zich te kunnen emeeren , en dezen dus tot middelen moesten of 
zouden hebben moeten komen om hierin te voorzien door onéreuse 
en kwade handelingen. En zonder nu hierbij langer stil te staan 
of na het zoo vele daarover gezegde te herhalen , kunnen wij het 
daarvoor houden , dat de verhuur .... wel geene dadelijke oorzaak is 
geweest tot den opstand door Dipanegara daa^esteld, maar wel 
gelegenheid heeft gegeven om vele misnoegden en van middelen 
van bestaan ontbloote prinsen en hoofden te doen voorkomen, en 
daarbij meerdere ongeregeldheid in het algemeen bestuur, waardoor 
van zelve eene gemakkelijkheid moest voortvloeien tot een opstand. 
Men beschouwe slechts wat de mede-oorzaak is geweest des op- 
stands in het Cheribonsche door de verhuur van landen, om te 
weten hoe nadeelig zoodanige mesure voor de rust is ^). Gaarne 
nochtans maken wij deze zelfde toepassing op den maatregel tot 
intrekking van die verhuur : 1^ omdat de Keizer en de Rijksgrooten 
van beide Hoven vermeenden daardoor tekort te zijn gedaan in hunne 
rechten over deze landen. Ik zeg vermeenden, dewijl dit toch 
zeker het geval niet is, daar, zoo daartoe geene andere gronden 
waren, artikel 15, 16 en 17 van het contract met den Keizer van 
den 1° Augustus 1812, ten dezen aanzien het geding van zelve 
zouden beslissen ^) ; 2<^ om de wijze , waarop dit anders inderdaad met 



1) Over de oorzaak dier onlusten , zie mijne Bgdragen tot de Wordingsgeschie- 
denis van het Reglement op de Particuliere Landeryen, bl. 75 — 76. 

') Dit contract met den Soenan is als bijlage LXXVll in Van Deventers „Neder- 
landsch gezag" bl. 327 opgenomen. De hier vermelde artikelen bevatten in sub- 
stantie het volgende: 

15. De Soenan erkent het oppergezag der Britsche regeering over geheel Java 
en de bevoegdheid van Haar om overal tusschen beiden te treden , waar de staat 
des lands zulks vordert. 

16. Indien de Regeering in eenig departement de invoering eener betere regeling 
wenschelijk acht, zal de Soenan daartoe bevelen geven; en zoo deze dat niet 



JAYA-OORLOO VAN 1825 — 30. 37 

recht, billijkheid en belang instemmend besluit van Mei 1828 zoo- 
danig is ter executie gelegd, dat daarover bij de prinsen onverge- 
noegdheid moest bestaan en dat wel hoofdzakelijk bij den persoon 
van Dipanegara, mede-schatbewaarder van den minderjarigen Yorst, 
daar hij in deze transactie niet naar zijn rang noch stand schijnt te zijn 
gekend ; daar hij anders een van die personen was , die zich stellig 
had verklaard tegen de verhuur, terwijl van de zijde van het 
Jógjasche hof geene opofferingen te groot zouden zijn om de ver- 
huurde landen aan particulieren weder in het bezit der verhuur- 
ders te stellen; daarin volgende het beginsel van den Sultan en 
den pangeran Pakoe alam , die geene landen onder eenige conditie 
hebben willen afistaan/^ 

Het is zoo. Dipanegara was tegen de Landverhuur (verg. DP 363), 
en dus had hem de intrekking genoegen moeten doen ; zijn mede- 
voogd Mangkoeboemi had slechts een tuintje van drie- k vierduizend 
kofiBeboomen aan een Chinees verhuurd en deze zaak persoonlijk 
met den huurder afgewikkeld ; er waren in Jogja slechts weinige 
landen afgestaan en het bericht der intrekking van de Landverhuring 
zou er over het geheel genomen met sympathie zijn vernomen, 
ook al moeten daarop uitzonderingen bestaan hebben (verg. DF 365) ; 
doch de uitvoering der maatregelen wekte ook te Jogja groote ont- 
stemming, gelijk De Salis opmerkte en ik reeds mededeelde in mijn 
Dipanegara-verhandeling bl. 341 — 343. Behalve het daar vermelde land 
Bedaja, door den vader van den minderjarigen Menol uit vriendschap 
aan Nahuijs afgestaan, voor slechts f 62| ^s jaars huur! waren er 
ook nog Sultanslanden aan Thompson en Tissot verpacht. Doch na de 
conferentie over Bedaja wilden de voogden zich niet meer met resi- 
dent Smissaert over de Landverhuring verstaan; de Resident, 
merkten zij op, liet zich toch niet aan hunne billijke vertoogen 
gelegen liggen en nam evenmin de belangen van den jongen 
Sultan in aanmerking ; op een gebiedenden toon wees hij al hunne 
aanmerkingen van de hand , zoodat hijzelf de wijze van afdoening 
der schadeloosstellingen voorschreef. Des Sultans inkomen verdween 



binnen 30 dagen heefl gedaan» zal de Regeering zelve de maatregelen ter uit- 
voering zonder nader uitstel of bericht in handen kunnen nemen. 

17. De Soenan belooft nauwgezet rekening te houden met eenige raadgeving, 
die de Regeering nuttig acht in het belang van zgne inkomsten , financiën of het 
justitie wezen, dan wel van eenig ander onderwerp, strekkende ter bevordering 
van 's Vorsten belangen of van *s volks welzijn. 

Hel contract met Jogja van 1 Augustus 1812 is mede in het genoemde werk 
afgedrukt als bylage LXXVl op bl. 321. 



^^ DK KOyOianrUM, OOKJLk££5 TAS DCT 

dbD !r^'>l c:.k^E>e^ 2>-ij*itl m*^ h^ uiiir^nAltik der «:L**it';»ï«rr.:33zeD, 
i/jfAM lü-^ tl'^f in gT^^A^ Miiiifjinit TenieL De p3«>dii'r3cD en de 
^niktl&n t^ü vaarde in den KraAon verien »>p ie 'C>»pe-i: t^ire markten 
Terloesit, en de opbrenz^ o&derÜiie reideeld. Die toestand trof 
men ook elien in de Toistenlanden aan. I>& beTOikine ondersin^r 
aip^T^ingen ran allerlei aard , ten einde in de nc«c«den der giooten 
te kannen Ti>orzien, en zoo Toedde een maatreet « met de bene 
bedoeÜD^en genomen , direet en indirect aiier onienedenheid. Dat 
Smiioaert nog éene maand Toor den opstand Toor de geToIgen be- 
^on ie rreezen , doch dat hij door Mac Gülarrv veid ^ros^^e^teld , 
deelde ik op bl. 3S6 m^ner Dipane^ra-Terhandrling mede. 

lU. 

Het maxT er alzoo vel Yoor eehoaden voiden , dat de leden van 
de op bh -32 Termelde Commissie ter Tererening Tan de Terhunrde 
landen ie veinig oog hebben gehad Toor de Terstoring der econo- 
mische toestanden en voor het schenden Tan de landsheerlijke 
hoogheid door ingrijpende maatregelen, die aan het soaTerein 
gezag der Torsten te kort deden. Deze schending trad boTendien 
op eene zeer bijzondere v^ze aan den dag, velke een diepen indruk 
moet gemaakt hebben. 

De grooie postweg tusschen Semarang en Pekalongan loopt door 
de landen Karangkobar en Djabarangkah: streken, welke aan de 
Torsten behoorden. Hare ligging tnsschen Gouvernementsgrond was 
lafftig Toor onze politie. Bovendien lagen de landen Ter Tan Solo 
en Jogja , zoodat de residenten er moeielijk toezicht konden honden. 
De Commissie ter TereTening kwam nn op de gedachte den Torsten 
in overweging te geTen om deze landen aan de Begeering te Ter- 
huren Toor 30 jaren. Aan dat denkbeeld werd uitToering gegeTen 
met 1 Januari 18£5y dus een halQaar TÓór het uitbreken vanden 
opifUnd. De Soenan ontTing f 100000, de Sultan f26000 'sjaars 
aan pacht Tan de Begeering. De Djabarangkahsche landen 
werden bij resolutie dd. 22 Februari 1825 N«. 7 ingedeeld bij de 
re«identiëu Semarang (district Selokaton), Pekalongan (district 
Keboemen) en Kedoe (district Kebondalem). De Karang- 
kobarsche landen , bestaande uit de toenmalig districten Karang- 
kobar, Wirawari en een gedeelte van het district Kalibeber, werden 



JATA-OORLOG VAN 1S25 — 30. 39 

krachtens resolutie van 22 Maart 1825 N^ 14 gevoegd bij de 
residentie Pekalongan, en verheven tot de assistent-residentie Ka- 
rangkobai. Dat de Begeering aldus haar eigen tegen verhuring 
gericht beginsel ontrouw werd , zooals men wel eens heeft beweerd , 
kan niet bepaald worden gezegd; immers het bezwaar tegen den 
afstand van grond gold de particuliere Europeanen, Chineezen, 
enz., over wie toezicht ontbrak, een bezwaar hetwelk natuurlijk 
zich niet voordeed , waar het Gouvernement zelf als huurder optrad. 
Er was echter een ander bezwaar. Reeds het beheer der aan de 
particulieren verhuurde landen door Gouvernementsambtenaren had 
tot gevoelens van onwil geleid, omdat het er veel op geleek, dat 
de Regeering zelve zich in het bezit er van stelde. Diidrom waar- 
schuwde Yan de Graaff, gelijk ik op bl. 23 mededeelde, tegen 
eene regeling, die nochtans werd ingevoerd. „Indien^^ — schrijft 
hij nl. — „het vooruitzicht geopend ware^ dat door deze schade- 
loosstelling aan belanghebbenden te verleenen, het Gouvernement 
in het bezit van de aangelegde koffietuinen zou raken, en dus in 
de gelegenheid gesteld worden om op deszelfs beurt zich wederom 
schadeloos te stellen, zoo zoude mij deze wijze van afdoening de 
geschiktste en tevens de billijkste voorkomen in het belang der 
beide partijen. Daar echter het Gouvernement de verklaring voor 
zich heeft van den heer Resident van Jogja en Soerakarta, 
dat de vorsten niet dan met weerzin en als het 
ware gedwongen zouden toestemmen om dat bezit 
aan hetzelve af te staan en wellicht uit een politiek 
oogpunt beschouwd het met het belang van het Gou- 
vernement niet kan strooken om dezen dwang te 
bezigen, zoo vinde ik mij bezwaard dit middel aan Uwe Exel- 
lentie voor te dragen . . . ." De Regeering had echter dat bezwaar 
niet overwegend gevonden , maar , gelijk wij reeds lazen , ambtenaren 
tot administrateurs aangesteld , en wel met de uitdrukkelijke be- 
paling , dat de landen geheel buiten bemoeienis der gewezen huurders 
zouden beheerd worden, hetgeen, schrijft de minister Elout „al 
den schijn had van eene poging om de omstandigheden van het 
oogenblik tot uitbreiding van ^s Gouvernements gezag en invloed 
te benuttigen^\ Met Karangkobar en Djabarangkah ging de Regee- 
ring nog veel verder. Daar toch trad Zij zelve als huurder op en 
wel voor zoo n langen tijd , dat zulk een bezit nederkwam op eene 
finale afstanddoening door de vorsten. Zij waren reeds vroeger, 
nl. in 1819 of 1820, aangezocht land af te staan, en zij hadden 



dtfi u»eu jierJii^iit rfWfirfrd- hfriiiii«-cit Tnn 8f Gnuif ':.]. l^o,; 
liivt tf TtrnroiidfrtTi it- btn du*-, db.i üt Lp. Tt^riDnnr Ta.ii üülte 

ViLU Sert'iiii^reii dttfh in l^S»^ oiw Ltl btii :»:»}» dtr xaAk bet 
x'ji^'iii^ Htedt iS/- De jLfbOaiid lii*d irf-ü ocrrmtai nfroiidiiis' der 
jrT*fiii^ii^ niet b*n btaat tmi koiïitïttiiii«i- Ej- Ltrei er niet rtstli ook 
w^'.rd uoeli diïor d»-ti Sc»eiiLii, lioci d-i^or B:»fmiu:>Ti.o, nwh dc»or den 
E.ijkM./etïtierder een voord over koffitïtTiiDeD rerej»!- Jciirjai bad er in 
b*n areb*?e] z^^ht. Verg". L7€. Xociiian* 2mair!<t- bet Tci':»r*ne] wü ob&2lD' 
zejijfcmeii iiidrui- ^Ik mag bier eTeLwel niet Terberrf d"" , — f^cbrijft 
V, S. — *?dal toen ik. met bet Soloscbe bof bwidelde orci deic 
rerburiij^, rij iljj ]iet»eii g-eroelen, dut rij dej* lüuden lierer niet 
veii u urde-L : dan ditar ik erenwel buiine rftdenen k^iide weder- 
]<3;Kj?eiï, «temdeü ig ditarin lK>e.^ Overirens bad de Sc»enMi te^en 
bet Tx^orj^'etJUrld bedrat^ viui de büur, nL 100.000 Spaanscbe m&tt<en 
% jwin^ ^«>eii bezwaar g^e maakt : „in aar Z. H. de Keiler vas vel 
^>c«inrd, vaarrau bij rijn dodol, e^ene Inlaiidscbe Tersnapering: of 
rrucbtjfebak, T^wrUtaii üoude bekomen, daar uit dat distiikt de 
lekkere^ fooit als eontin^'ent geleverd werd/* Wat Jogja betreft, 
iraanuiu £-^>.000 Spaanscbe matten 'sjaars scbadeloosstelling werd 
toegezegd, V. S. «rbrijft: ^De Êijksbestierder van Jokjakarla heeft 
iüij gezK^gd, dat t/>en bg Dipane^ra daArorer gesproken heeft, 
dez^ hem had geantwoord toe roet Solo, dat is Tolg S oe ra- 
ka rta, daardoor veri?taande, dat indien dal Hof in die verhuring 
t/>e»!U;aide , hij het ook konde doen.*" — Was de zaak dan niet van 
b*rlaiig genoeg geweekt om de voogden zelven te booren? Nu heette 
het to«;h lat*T, dat zij volstrekt niet over den afstand waren 
geh<></rd! „De waarheid van dit alles te kennen", — schreef 
De Koek — „i« zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk; dan, hoe dit 
ook zij, z^>o mag men aannemen, dat dusdanige maatregel den 
vf^y/4«:n niet aangenaam kon zijn. Zelfs een toestemmend antwoord 
derzelren zoude niets bewijzen; want men weet hoe gemakkelijk 
het is van Inlanders toestemmende antwoorden te bekomen. Maar 
daar zij oui* nog minder vertrouwen dan wij hen, geloof ik, dat 
de voogden voor zich zelven hebben gemeend, dat landen aan het 
Gouvernement voor dertig jaren te verhuren, even goed was als 
dezelve voor altoos af te staan, en daar de heer Mac Gillavrj 
U^.rfj'M zegt, dat zf>owel aan het Hof van Soerakarta als dat van 
Jogjakarta het verlies van de Kedoe en andere provinciën nog 
nU*.fal» met leedwezen en jaloozie gevoeld wordt, zoo zal hij, geloof 



JA VA-OORLOG VAN 1825 30. 4j1 

ik , inoeteu toegeven , dat de verhuur der Djabaraiigkahsche landen 
velen heeft geindisponeerd.'^ De ambtenaren wisten dat ook wel; 
Sinissaert maakte zich ongerust en Van Sevenhoven deelde mede, 
dat de Regeering zich met hare annexatie-plannen wilde in- 
toomen, totdat de soldaten van Makasser terug waren (DP 387). 
Bovendien waren de bepaalde huursommen, naar Yan Lawicks 
oordeel , te gering en wat erger was , wij hielden ons woord niet. 
Het gebrek aan fondsen ui. bleek zóó groot, dat wij aan de 
vorsten, prinsen en grooten de overeengekomen schadeloostellingeu 
niet betaalden; dit geschiedde eerst onder Du Bus! Generaal De 
Koek meent, dat deze nalatige betaling geen reden tot misnoegen 
te Jogja kon geven „vermits men die penningen voor den jongen 
sultan niet npodig had^\ doch dit schijnt niet juist; er heerschte 
integendeel aan de hoven ook zoo^u geldgebrek, dat het eenige 
middel om ze in rust en tevredenheid te houden, juist uitkeering 
in geld zou geweest zijn. En wat moest er wel , bij al hetgeen was 
voorafgegaan, in het gemoed van vorsten omgaan, aan wie men 
nog kort geleden had verweten, dat zij niet trouw de bepalingen 
der verdragen nakwamen! 

„Deze inhuur*' — schreef De Salis in 1828 (Sa) — „hetzij 
met gewilligheid of niet der hoven , heeft ontegenzeggelijk het 
oogenblik moeten verhaasten van den opstand. Immers zij ge- 
schiedde op een moment dat aan de hoven het gerucht verspreid 
was , dat het Gouvernement geen ander uitzicht had met den maat- 
regel van de huur der particuliere landen dan zichzelven daarin 
te willen stellen ; op een moment dat de zaak der gedachte ver- 
huurde landen nog onverevend was ; en dat het Gouvernement buiten 
geldelijke middelen was om aan hare verbintenissen uit gedachte 
zaak voortgevloeid en uit deze nieuwe inhuur voortvloeiende, te 
voldoen. Voegen wij hierbij dat men in het bezit is getreden van 
deze landen , terwijl men meer dan een jaar in gebreke is gebleven 
om aan de vorsten en voornamelijk aan de prinsen en rijksgrooten , 
die hieruit inkomsten trokken, zoo op Solo als op Jogjo, de pacht 
te betalen ; hoe tegelijk sommige in liet gezag sinds lang geweest 
zijnde hoofden daarvan zijn verstoeten om door gunstelingen te 
zijn vervangen ; en dat de assistent-resident Chevallier al verder 
tot in de schoone geliefkoosde provincie van de Banjoemas was 
getreden om opnamen te doen en het idee te établiseeren , dat het 
Gouvernement ook deze provincie naar zich wenschte te trekken ; 
en men zal kunnen oordeelen in boe verre zulke onpolitieke ban- 



a 19^ STTJiaOKUlCXI CiMSASXI^ T±3 143^ 



VI jr*;B*'xfi »*tö ii:»r ^a ?'.«r;L i* iif.:':»sii tieRimai. isuues^ik : 
C;U c*ai»' r^btitlvt iT-itiu "t^i :'r«r»tei;r*x:niftïL i?r.ti '•'» iDrt i^n 

ii lucitl «■ -frfinrtr kioi i><-i^i:i/««:i , du en {'irt-iv^ffli van 
I>t SiJif oi*d*T irti^T Tc••:^^:*^ic•I#■3 i/tii i* wc-rstu iAJiF«i»o>infii. 
H*^ "rw rrii ».5-n** g^cTr-wsn, -WTLkriLn tf: -.krMi iirr:»rf» 8* imrek- 
k : iiiT*: ;' - •-' ] :■ efc.1 5 1 n-.tii5:tT«i* witf t ■ • :.r r ^t ::«*-« 5 : 15 ki^d ij:*» niet 

hi^i^r afcdri** al* i« vare ▼«ie* "iL ^^. 8:»c-i k^ ii^ i« misiniik 

r>*'p*'D "J. 9; Xift* nanaiiTLjker dka -3*3, oa ig tvck»! het feit 
Tjiö d^a opi-TALd WAS fi-eplü-ifJi , ea itta, afir«>fiie3dra van de 
Vr>v^,jy-quA«^if, iil2^m«>n aaa -de iLtretkine' der LtDoreriaiinQ^ 
ti*'Tj^ der «ytyrzAkfn enran weet, xxin «ïAiiipBiil nede bracht <mb aan 
t* vx/üf-n, dat d]e o<>rx&ken ^on^erwi-ft-ld*" eJdeis l&sea: men lie 
<>^>k Jiiera^ IL 4-^ — 17. 

Wat oTtrifi'en* a^ns^uit het reiwn taji den assistent-resident 
ClieTilher naar de «:ti^>one Monrioneffaia^che lAnden bewe^ten de 
ifjïdd*:] punten der VomeiidoniDDen , dit stond in Tertand met andere 
<jverwegin^en . waaromtrent het Tolkende jdj aansterkend en waar- 
«D<:de ik mijne b<e*choa wingen over Louws 1* deel van het in 
h^Xifde deze» genoetude werk besluit. 



lY. 

JM pacht d^r T'Jyjori^n. 

l)t b<r Uiting der tolpoorten had in den Compas^nie'stijd behoord 
aiüfi d(i Vorsten. Zij i^tonden die voor eene «ekere som af aan de 
fttiideijten erj wel in Jogja met de vogelnesten , waarvoor de Sultan 
^0000 S[>aan!»che matten "'s jaars ontving. De bestuurshoofden ver- 



JAVA-OORLOQ VAN 1825 — 30. 43 

pachtten het regaal aan de kapiteins der Chineezen ; in Jogja be- 
hield het bestuurshoofd de vogelnestjes voor zich , doch hij kreeg reeds 
voor de tolpoorten de 60000 Spaansche matten; het product der 
nestjes was dus voor hem zuivere winst. De tolpoorten brachten 
overigens genoeg aan de Kapiteins op, zoodat zij er belang bij 
hadden dat ons bestuur niet met klachten werd lastig gevallen, 
waardoor zij gevaar zouden loopen de pacht te verliezen. Openbare 
veiling had derhalve niet plaats; de betrekkelijk billijke som, die 
de Kapiteins betaalden , maakte het hun gemakkelijk de belasting- 
heffing niet al te gestreng op te vatten en door gematigdheid de 
gunst van de bestuurshoofden te behouden. Dit echter veranderde 
allengs toen de vorsten zich verplicht zagen aan het Gouvernement 
de tolpoorten af te staan. 

Bij besluit dd. 3 September 1817 N*^ 1 werden de residenten der 
Yorstenlanden aangeschreven: „om in te zenden eene zoo juist 
mogelijke opgave van de rechten, welke door de pachters der 
tolpoorten en bazaars op de verschillende plaatsen, waar dezelve 
bestaan, geheven worden, en om daarbij te voegen gemeenschap- 
pelijke consideratiën om deze belasting op een geregelden voet te 
brengen, alsmede om de reglementen en tarieven, welke tot dat 
einde noodig zouden zijn, voor te dragen.^' De resident Nahuijs, 
zich niet in staat ziende de zaak aldus in haar geheel te behan- 
delen, gaf bij missive, gedagteekend Jogja 4 November 1817, 
een afzonderlijk advies. Hoe zwaar hem ook toen reeds de 
tolheffing over het geheel voorkwam, hij meende er geene ver- 
anderingen in te moeten doen brengen, wegens den staat der 
financiën. £r waren bij hem ook nooit bezwaren tegen de tarieven 
ingebracht. Het éénige , wat hij veranderd wenschte te zien , was de 
regeling, dat de Javaan, „de natuurlijke invoerder dezer landen^', 
meer tol moest betalen „dan de Chinees, welke een vreemdeling 
is'\ De Chineezen hadden hem verklaard, dat hierin voor den 
Javaan niets drukkends was gelegen , daar de hoogere heffing alleen 
zoodanige goederen gold , als waarin hij in het geheel niet of in het 
klein handel dreef, terwijl de Chineezen groothandel in die goe- 
deren dreven. „Dan wie ziet niet in", oordeelde de Resident „dat 
hierdoor voor den Javaan eene moeielijkheid , om deel te nemen 
in den handel van goederen , van welken hij meer tol dan de 
Chinees betalen moet, en een betrekkelijk monopolie geboren 
wordt". — Ook stelde hij voor meer openbaarheid aan de tarieven 
te geven; en verder de pacht van 3 op 2 jaar terug te brengen. 



fri i>i fcosonacxB ooecakc^ tas dcf 

r^na^ii.» rr »ll^ op- »«»: „/ikC h.«*t eiUad J^ta uhaa* ia e^n toe- 

Ak^*l:;;ic:* aL^'-^mftï^Q'^T eo bl">»^L*n.fi'»-r worfï, waArd<oor het voomil- 
xi'i^hr» z^h'mtn wo^rds, Akt ook d«? «doorroer tui k«»pizLiit:<e^o«dcreii 
T^naeerlerftn en de vaAnie der loIp«x>neii *tiï^a »!"', in Toe^e 
het 4tellen Tan deae konere termgaen de Re^tmug meaisraldiger 
^elejrenheïd kon geTen oaa de p^eht op^lreTen ie zien. — Men 
Tindt ei^hner ïn de stakken Tan User crjd Tenneld, h<ïe in dexe 
Terk^^rtinj^ Tan den pachuenaïja een prikkel te meer Toor de 
[Kvrhtten moe^ zijn gelegen om er zooTeel Tan te nemen, ab 
maar eenigszins mogelijk va$! De Be^eenn^ bepiaalde t^^eh reeds 
hij f^eslait dd. 2 December 1S17 X* 15 Toor alle eevesien betx)(5ten 
de Tji ^lanoeky dat de rerpaehtitt? der tolpx>rten slechts zou 
ptaau Tinden Toor den tijd Tan een jaar: Terder verd bij be- 
*lriii ran 5 December 1S17 N* fl orereenkomitig Nahn^s^ Toor- 
^Ftellen beschikt. 

De:«tijds beatond dos reed^ de pacht onder den Torm, dat zij 
aan de meenbiedenden verd toegewezen. Dit deed natnnrlijk de 
heffingen gestrenger zijn. Daarbij kwamen allengs: de Terpachting op 
korte termijnen, de Terhooging der taricTen en eindelijk de toe- 
nemende reisnippering der pachtperceelen , waardoor de inning 
alweder met grooter onbarmhartigheid zou plaats Tinden. Toor de 
dobbelzocht der pachters moest de bevolking den inzet betalen , 
7Jni(\cT dat men zich door de tarieven stipt gebonden achtte; en 
bij het nijpend gebrek der Indische schatkist, wilde de Regeering 
dezen rampzaligen staat van zaken niet al te ernstig opnemen , wijl 
anders de pacht zon dalen. Had men vroeger in ieder vorstendom 
jilechts één belastingheffer, de verdeeling in perceelen riep even 
zoovele kwellers der bevolking en der grooten in het leven. Te Jogja 
kwamen er, herinnert Van Sevenhoven, 38; en de verpachting van 
1825 , te Semarang gehouden , bracht niet minder dan f 3S9427 voor 
dit Kijk op; vergelijk daarbij de 60000 Spaansche matten {±k{ 2.20) 
en dat in een tijd toen het Rijk nog in zijn geheel bestond, dos 
met de Kedoe enz. In strijd met de voorschriften, betoogde De 
Salis in 1828 (Sa), en ondanks boeten en bedreigingen, gingen 
de pachters voort rijst , olie , trassie en zout bij den op- en afvoer 
der Solosche rivier ten hoogste te bezwaren, terwijl zij het volk 
op de prauwen hoofdelijk belastten; op één mijl afstand van de 
hoofdplaats Solo hieven zij een tol van de sirappen , die dienen moesten 
tot dekking der huizen van de vorsten, prinsen, enz., tot een bedrag 



lATA-ooKLoe VAN 1825 — 30. 43 

van 26 dubbeltjes de 1000 stuks in het jaar 1822, terwijl in 1 SI 7 
slechts 4 dubbeltjes werden geheven. Alle mondbehoeften en benoo- 
digdheden voor de hoofdplaatsen werden in dezelfde mate hooger belast 
en het spreekt alzoo vanzelf, dat alles in prijs toenam en hieruit 
bezwaren , zelfs misnoegen ouder de grooteu , voortvloeiden. Het was 
dus niet juist, dat de verbazende toeneming van de pachtsommen, 
zooals Van Lawick en anderen beweerden , aan hoogere welvaart moest 
worden toegeschreven , althans daarmede werd de grootte der verhoo- 
ging geenszins voldoende verklaard ; het kwam evenmin te pas om 
met beroep op een verleden , toen de belasting naar gansch andere 
beginselen werd geheven , te vragen of wij dan nu minder dan vroeger 
in staat waren toezicht op de pachters uit te oefenen. „Ik ver* 
klaar^^ — wederlegde Van Sevenhoven — „dat zij nooit gesurveil- 
leerd zijn, en dit onder de omstandigheden der Vorstenlanden en 
onder die der verpachting van de tolpoorten ook niet kunnen 
worden; maar dat vroeger hun belang de surveillance was, die hen 
in bedwang hield om de knevelarij te overdrijven , zooals thans hun 
belang hen gebiedt vexatiën te plegen om het hoogste voordeel te 
trekken van hun pacht. Aan de opgegeven redenen , en niet aan de 
toegenomen welvaart of uitgebreiden handel , schrijf ik toe de jaar* 
lijksche vermeerdering van de som , waarvoor de tolpoorten worden 
verpacht. Wij weten hoe ondernemend de Ghineezen zijn in het 
doen van speculatiên ; hoe zij bij elke verpachting , ook van andere 
middelen elkander opjagen; hoe menigeen reeds door afgunst of 
door hoop op winst, in hunne geldmiddelen zijn geruïneerd: en 
geen wonder is het dus , dat zij op het zeer ruime veld der tolpoorten 
— alwaar zij zoozeer hunne handen vrij hebben, en zoo geheel 
op zijn Ghineesch kunnen handelen, zoo alles kunnen doen en 
laten wat zij willen — dan ook aangemoedigd zijn en opgewekt 
worden om het hoogste te bieden, en hieraan moet dus de jaar- 
lijksche vermeerdering worden toegeschreven en daarmede dan ook 
de steeds toenemende en ondragelijke vexaties door hen gepleegd.^^ 
De residenten lieten niet na de Begeering te wijzen op de 
schandelijke misbruiken, die van de pacht der tolpoorten onaf- 
scheidelijk waren, en dientengevolge werden Van Sevenhoven en 
Mac Gillavrj, 1* en 2* resident van Solo, met den resident van 
Jogja, Smissaert, tevens in 1824 in commissie gesteld , om over dit 
onderwerp van advies te dienen. Daar de wegneming van de mis- 
bruiken zonder verkleining der pachtsommen niet mogelijk scheen , 
bleef der Commissie niets anders over , dan het voorstel om de geheele 



46 DC ecoiroMidCEn oojlzahzs yax dex 

belasting op te heffen en het equivalent voor de Begeering alweder te 
zoeken in een afstand van grondgebied door de vorsten. De Bijksbe- 
sticrders garen, blijkens de notulen der Commissie van 10 — 24 October 
1824 (L16), te kennen, dat van Soloos zijde daarvoor in aanmerking 
konden komen: de landen Karangkobar, Soloosch Banjoemas, Daja- 
loehoer (ook Banjoemas) en Soloosch Bagelen ; van Jogja^s zijde : 
de Jogjasche Djabarankahsche landen en Jogjaasch Bagelen. £n 
waren de inkomsten hieruit niet groot genoeg om als equivalent 
te dienen , dan waarborgden bovendien de rijksbestierder van Solo 
den afstand van Kediri; en die van Jogja den afstand der afdee- 
ling Karanganjar (in Bagelen). Wel merkten de rijksbestierders op, 
dat Bagelen de steunpilaar der Vorstendommen was, hebbende 
onderscheidene hoofden hieruit hun bestaan en dienende voor- 
namelijk tot het leveren van werkvolk; terwijl de Soenan uit 
Banjoemas zijne grootste voordeden trok; doch zij zouden het door 
het verdeden van andere landen en het nemen van voorzichtisre 
maatregelen trachten te schikken. (L19). 

Zoo stond reeds de definitieve afstand van Karangkobar en 
Djabarangkah op het programma, toen men over de huur ervan 
aan het onderhandelen was ! En de secretaris der Commissie , de 
assistent-resident Chevallier , bovendien geen zeer bescheiden man , 
reisde alvast naar de schoone Montjonegarasche landen om opne- 
mingen te doen * ). Natuurlijk , dat dit alles geen geheim bleef en dat 
men , van het een op het ander komende , voorzag , dat de einddijke 
vernietiging der Vorstendommen in de lucht zat. Onder zulke omstan- 
digheden, zegt de Salis in zijn advies van 1 826 (DP 295) — men zie ook 
hiervoor bl. 41 — had men nooit de huur van Djabarangkah moeten 
vragen , veel minder van Karangkobar , als liggende laatstgenoemde 
geheel buiten de grenzen tusschen ons gebied en de Vorstenlanden^ 
terwijl toch afronding der grenzen de eenige goede grond was 
om, krachtens art. 20 van het tractaat dd. 1 Augustus 1812 met 
den Soenan gesloten*), de huur voor te stellen. „Geen ongeschikter 



») Verg. BC 573. 

») Zie over dit contract, hiervoren bl. 36 noot *)). Art 20 (Van Deventer bl. 331) 
luidt, dat, daar de verspreiding der berglanden tusschen de Engelsche Oost- 
Indische Compagnie, den Soenan en den Sultan hoogst lastig is, de Soenan toe- 
stemt in eene ruiling van grondstukken »with a view to render the several 
frontiers connected and regular"; en dat de Soenan tevens toestemt in eenige 
regeling, die ter zake tusschen den Sultan en de Regeering gelijkel^k zou worden 
getroffen. In art 22 van het contract met den Sultan (Van Deventer bl. 320) komt 
de overeenkomstige bepaling voor. 



jATA-oomuoe tan 1S25 — 30. 47 

moinent*\ meent De Salis, „kon derhalre gekozen wordeu dan het 
vorenstaande. £n vat moesten een met de TooischreTen door in- 
trigen daaigestelde gevoelens beiielde Keizer en de zijnen denken , 
toen hun als het stellig voornemen van het Gouvernement irerd mede- 
gedeeld, dat: het Gouvernement geene de minste oogmerken had 
om in possessie van landen te komen (verg. BC 54>0), en te gelijk 
het verlangen wierd te kennen gegeven , om in het bezit te raken 
van de voorschreven landen Djabarangkah en Karangkobar , landen 
vaaruit de voornaamste prinsen hun bestaan genoten? Wat voor 
denkbeelden moesten geboren worden, toen men bij die gelegen- 
heid nog het plan beraamde, om in gelijker voege het fraaie 
landschap Banjoemas tot zich te trekken? £n welke verlegenheid 
en gedachten moesten er opkomen, toen men, misschien v6<$r het 
sluiten van eene definitieve overeenkomst, de voorschreven landen 
in bezit nam, die bij de residentiën van Semarang, Pekalongan 
en Kedoe trok, daaruit inkomsten inde, de meeste plaatselijke 
hoofden, die van ouder tot^ ouder aldaar hun bestaan hadden 
gehad, door anderen liet vervangen, en daarbij aan de prinsen of 
de personen, die uit deze landen door middel dezer verwijderde 
of a^ezette hoofden hunne inkomsten hadden, zonder voldoening 
liet der gecontracteerde huren en hen geheel of gedeeltelijk buiten 
middel van bestaan bracht? Immers was deze handelwijze hoogst 
onpolitiek, en ofschoon het mogelijk is, dat de bedoelde verhuur 
dier landen vrijwillig was, het Gouvernement had nooit...., ont- 
bloot van contanten om de huur te betalen, aan deze huur 
moeten denken/^ 

Intusschen kwam het oorspronkelijke compensatie-denkbeeld niet 
tot uitvoering ^). Terwijl de opstand van Juni 1825 de Hegeering over- 
viel in een tijd , dat Java volstrekt ontbloot was van troepen en geld , 
had zij reeds bij eene resolutie van 9 Sept. 1828 te kennen gegeven, 
niet te willen medegaan in eenige voorstellen betrekkelijk de reorgani- 
satie der Yorstenlanden , wijl de intrekkingsmaatregel wellicht reeds 
eenige bezo^dheid bij de Javasche vorsten en rijksgrooten had doen 
ontstaan omtrent den aard en de uitgestrektheid der bedoelingen 
van het Gouvernement met betrekking tot de Vorstenlauden , en 
dat het alzoo vooral in die omstandigheden, onstaatkundig zoude 
zijn om deze bezorgdheid , „hoe ongegrond ook^^ ! ! door in het oog 
vallende veranderingen te voeden , waardoor al spoedig het nauwelijks 



' Verg. DP 386. 



4S DV iCD^ioiascHi oovzjxk:v t±% dw% jata-oo&log. 

T^.Tt^ti^rd venromr^n van d<ï vomi^Ti en grrwten op het Xeder- 
land;^<!h«» Gonvememenc .lan het wank'^Ien kon worien gebracht. 
Xo^htians w^a.^ 1.1 jaar later Kannijkobar e.nz. ^n haar" ge- 
nomen , do<:h rerier darfde men dan «>?k niet te gaan. Wat 
de qaaft^tic der tol poorten betreft ^ Van de Graalf diende een on- 
znn-nig jidriea over de ophetüni? in. Flet Terlie* ran een millioen 
zniden 's jaar» kon zonder equivalent, hetvetk men na miste, 
niet worden geleden : door het o^estrenz va:*t honden aan de tarieven 
kon men wel mi:»bruiken te^eniraan : kortoni de intrekking was noch 
met het belang van het Gouvernement. n'Och met het belang, 
den vrijen wil en de kenze van de Javaanaohe vorsten overeen te 
brengen , zoodat de voorgetitelde maatregel moest worden be- 
schouwd ^\s ondoelmatig, onrechtvaardig en onraadzaam". Het 
rapport werd door den Raad van Indië toegejuicht en alzoo bij 
resolutie dd. -M December 1S25 bepaald, dat de beslissing over 
deze aangelegenheid voorloopig in advies werd gehouden. 

Toen reed? echter was de opstand een half jaar aan het woeden ; 
en de mniters hadden de Be?eerin? de moeite bespaard om de 
tolpoortCB op Midden-Ja va weg te nemen , daar de tollen en hare 
gaarders de eerste slachtoffers werden van een opstand , waamit de 
Begeering en hare ambtenaren sinds vele nuttige lessen blijvend 
hebben getrokken. 

's Gra venha^e. December 1896. 



EEN RUSSISCH GELEERD K OVER DE BEELDHOUW 
WERKEN VAN DEN BORO-BOEDOER. 



DOOR 

Prof. Dr. H. KERN. 



De Russische geleerde Sergius F. Oldenburg heeft in de Ver- 
zameling (Sbornik) van opstellen en onderzoekingen, welke door 
de Faoalteit van Oostersche Letteren te Petersburg bij gelegenheid 
van 't eeuwfeest der Ecole des Langues Orientales vi- 
V a n t e s aan deze laatste werd opgedragen ^ , eene bijdrage geleverd 
onder den algemeenen titel van /^Opmerkingen over Budd- 
histische kunst//. In dat alleszins belangrijke stuk handelt de 
Schrijver o. a. //Over eenige voorstellingen van Bud- 
dhistische Jstaka's in beeldhouw- en schilderwerk/i^, 
te Bharhut, Ajan^S en Boro-boedoer. Aangezien de kennis der 
Russische taal hier te lande en in onze overzeesohe bezittingen 
weinig verbreid is, meen ik aan de lezers der Bijdragen eeneu 
dienst te bewijzen niet alleen met hunne aandacht op Oldenburg's 
verhandeling te vestigen , maar ook door eene vertaling te leveren, 
en wel van dat gedeelte hetwelk betrekking heeft op den Boro- 
boedoer. Tot recht begrip van H onderwerp zal ik echter tevens 
een gedeelte der inleiding in vertaling mededeelen. 



0?er eenige yoorstellingen yan Bnddhlstische Jataka's in 

beeldhouw- en schilderwerk. 



DOOR 

S. F. OLDENBURG. 



De Buddhistische kunstenaars hebben zich reeds vroeg beijverd 
om met den beitel of het penseel niet enkel beelden van den 
Buddha, de Bodhisattva's en andere Buddhistische leeraars en 

* Kene opgave van de titels en den korten inhoud der stukken in genoemde 
Verzameling vindt de lezer in het tijdschrift Toung Pao, jaarg. 18%. 

0« Volgr. 111. 4 



ifnlIz^Tk- iflLAAr ook '>b z*ï-?>^iïnr e :«***& ah ït^t lütste aardsche 

WiTS/i-Q - «raArTAQ fit ilrjkkA* nirl lis^ izL^tta , T*»ri \t brengen. 
Orvnci^a, Ss^p*'*, ti^-mpieL* zïJ'q f^-^irki m^ ^z.\tlht\T^ fehf^Jeriiigen, 
flukar fi-^ehif #^n <i«^tl Tan *ir^i? *traani:en » «:»n* ton^g^akelijk in be- 
Kr">aw?y*rfr r*:pro»iQctii?# en aZeien €*n klein sre^ieielie diLirran b 
Tf/li'j-^Ti'ie T^rkl^^ard 2^W''>riien. B^ orize Bg i ihLFirifehe stadiën varen 
W5J dikvrjl* g^rï'^iopi o&z*- aAdJi^rhs te wr-^en a^ui At OTereebleren 
moDft2neQt/:n tad «totfelijken a^rd, waarbij bet on* gelokt is een ige 
▼oom<^lIing^n, Tor>mameI:;k Tan Jataka*«, te Terklaren. Een ge- 
A^\e, dezer opmerkingen wïllen wij hier mededeelen, in de hoop 
mettertijd een meer «Tstematisoh en ToUer beverkinsr te zullen 
gtTfM Tan *t materiaal dat on* ten dienste staat ten aanzien Tan 
de Traag in welk Terband de Bnddhistiiche knnsl staat tot de 
Boddhi«tiJche leer en hare legenden. 

Thans bepalen wij onze opmerkingen tot den Stüpa Tan Bharhat, 
de grotten Tan Ajanta, den tempel Tan Boro-Boedoer ' . 



BOBO-BOEDOEB. 



Met de literatanr OTer dit Termaarde Bnddhistische heiligdom 
op JaTa zijn w^, tot onzen spijt, zeer slecht Tertronwd, daar de 
meeste Nederlandsche aitgaTen waarin OTer dit merkwaardig mo- 
nnment Tan Bnddhistische kanst gesproken wordt, in Petersburg 
uiet toegankelijk zijn ^. Niettemin hebben wij besloten hier over 
de bas-rel ie f 8 Tan dit heiligdom te spreken, omdat het ons 
gelakt is eeuige daar Toorgestelde tafereelen te Terklaren, welke, 
zoorer ons bekend, tot nog toe niet geïdentificeerd waren. 

Wij zijn Tan meening dat de meeste Toorstellingen betrekking 
hebben op Jfttaka^s ; op de platen moet men de Jataka^s zoeken in 
N'' XVI— N'' CXXXV (eTen N- — onderste rij); CXXXVI— 

« Hetgeen volgt van blz. 337— 3.Ï3 is onvertaald gelaten. De Vert. 

* l)t schrijver had alleen te zijner beschikking 't bekende door wylen Dr. 
I>ccmanH uitgegeven werk, en Yzerman's Iets over den voet van Bor o- 
B o cd oer De Vert 



YAK DEN BORO-BOSDOBK. 51 

CCXXX (A. en B.); CCXCV— CCCII; CCCXLVH— CCCLV ; 
CCCLXXXIX— CÖCXCII. 

De hieronder -staande identificeeringen in tabellarischen vorm 
beschouwen wij als een begin van verklaring der geheele serie van 
bas-refiefs, welke verklaring, naar wij hopen, geen onover- 
komelijke bezwaren zal opleveren, zoodra wij eenmaal over H ge- 
heele materiaal zullen kunnen beschikken. Op de platen CXXXYI — 
CLXX (A) meenen wij de voorstelling te vinden van 84 Jstaka^s, 
ongeveer in dezelfde volgorde als in de Jstaka-mala ^ in acht ge- 
nomen is, ofschoon enkele tafereelen ons nog niet ten volle 
duidelijk zijn. De voornaamste moeielijkheid zien wij in de om- 
standigheid dat de kunstenaars niet altoos met voldoende scherpte de 
gewichtigste momenten van een verhaal gevat en zich te veel in on- 
beduidende détails verloren hebben ; het is evenwel mogelijk dat zij 
een eenigszins afwijkenden tekst hadden , hoewel dit twijfelachtig is. 

CXXXVI. 1. ? 

£. ? 

3 — 4. [Geen teekening]. [5 — 12 ontbreekt]. 
CXXXVII. 13—14. [Geen teekening]. 
CXXX7III. 15. [Geen teekening]. 

16. De koopman brengt spijs. I ^ (.^^,^Ydn. 

17. De hel. De Pratyekabuddha. 

18. De Pratyekabuddha vliegt weg. 
CXXXIX. 22. [Geen teekening]. [19—21 ontbreekt]. ] 

23. ? 

24. De wouddieren brengen geschenken . ^ ,^ 

) 6. Qa9a. 
aan Indra. 

25. De haas maakt zich gereed om zich 

in 't vuur te storten. 
26. 
27. 

28. ) ? 

29. 
CXLI. 30. 
31. 
32. 

PYTTT *^± l ï^öïii^? Maitrabala en de Yakfa's. 



De 5 Yaksa's en de herder. 



8.Maitribala. 



> Dezelfde volgorde is natuurlijk in acht genomen in de Engelsche vertaling door 
Prof. Spcijer, die 't eerst in deze Bijdragen verschenen is. Vert. 



52 XXN RUS8IS0H GKLXEKDE OYEK DX BKELDHOUWWKBKSN 

85. I . 

86. \ 

87. Wegschenking van den olifant. ) 9. Yi^yantara 
38. De kinderen van yi9vantara. 
89. Yaksa's leiden Vi^vantara. J 
40. 
41. 
42. 
43. 
44. 
45. 
46. 

CXLVI. 47. [Geen teekening]. 

48. Den Koning wordt Unmftdayantï 

als vrouw aangeboden. 

49. De gezanten des Konings en 

UnmSdayantl. v-,o tt -j 

«o> Tx / 1 >13. UnmSdayanti. 

60. De gezanten geven verslag aan ' 

den Koning. 

CXLYII. 51. Ontmoeting des Konings met 

UnmSdayanti. 

52. De kooplieden op zee. 14. Snp&raga. 

58. I 

54. [ P 

CXLVin. 55. \ 

56.DevisscheninHmeerv66rdenregen.| ^ 

57. De visschen na den regen. j * 

58.'t Kwarteljong in 't »««»*«« «Jde Ugy^rtakspotaka. 
van den brand. ) 

CXLIX. 59.Indra vóór den Koning met de kruik. 17. Kumbha. 
60. [Het benedenstuk van één figuur 
overgebleven]. 



[Geen teekening]. 



CL. 61. 

62. 

68. 

CLI. 64. 

65. 
66. 

67. . P 

CLII. 68. Indra wordt berispt. 



Heremieten in ^t woud. 



18. Bisa. 



VAK DEN BOKO-BOSDOBB. 53 

69. 1 j 

70. j ? j 20. Cresthin. 

71. \ I 
ClilII. 72. [Geen teekening]. 

'73. Man en vrouw gaan naar H bosch. 

74. De Koning in 't bosoh. ] 21. Cu^Ha-bodhi. 

75. De vrouw des heremiets weggevoerd. 
CLIV. 76. [Geen teekening]. 

77. De zwanen op H meer. 

78. Den Koning wordt van de zwanen bericht. 

79. De jager vangt de zwanen. 
GLV. 80. [Gteen teekening]. V 22. Hamsa. 

81. Gesprek van de zwaan met den Koning l 
(brokstuk). ] 

82—84. [Niet voorhanden]. J 

CLVI. 85. \ 

86. I [Geen teekening]. 

87. I 

88. [Brokstuk]. 
CLVn. 89. ? 

90. De Koning trekt ter jacht. 

91. De Koning aan den afgrond. 

92. De Qarabha brengt den Koning in veilig-) 25. Qarabha. 

heid. 
CLYIU. 93. Afscheid van den Qarabha. 
94. [Brokstuk]. 
CLIX. 95. Dieren in 't woud. 

96. De drenkeling en de Ruru. . _ 

97. De Koning in 't woud. 

98. Zedepreek van den Buru. 
CLX. 99. j Den Koning wordt een vrucht (?) 

100. I gebracht. 

101. De Koning maakt zich op om de 

vruchten op te sporen. 

102. De apen redden zich door de vlucht. 
CLXI.103. De slapende Vorst. 

104. De Vorst zoekt de vrouwen. ] 28. Ksanti. 

105. ? 
CLXIL106. [Brokstuk]. 

107. [Geen teekening]. 



27. Mahakapi. 



54 



££N RUSSISCH GSLEBEDS OVJ9& DK BBSLDHOUWWEBKJSN 



30. Hastin. 



81. Sutasoroa. 



CLXIII. 108. j 

109. J [666H teekening]. 

110. I 

111. Brahma leest den Koning eene | «^ ti i. . 

, , I *'^' Uranma. 

zedepreek tooi. \ 

CLXIY. 112. De olifant en een der reizigers. 

113. Reizigers. 

114. De olifant maakt aanstalten om zich 

in de diepte te storten. 

115. De reizigers eeren de overblijfselen 

van den oli&nt. 
CLXY. 116. Sutasoma en de Brahmaan. 

117. Saudisa ontvoert Sntasoma. 

118. Sutasoma hoort de spreuken des 

Brahmaans ten einde. 

119. Sutasoma houdt eene preek tot Sau- 

dSsa en de prinsen. 
CLXVI. 120. Geboorte des Prinsen. 
121. 
122. 

128. De Prins rijdt uit. 
CLXVII. 124. j 

125. [ ? 

126. I 
CLXVIII. 127. De Prins heremiet geworden. 

128. [Geen teekening]. 
CLXIX. 129. De aap en de buffel. 

130. Een'Yaksa vraagt den buffel waarom 

hij den aap duldt. 
181. ? 

132. De Taksa luistert naar de zedepreek 
van den buffel. 
CLXX. 133. P 

134. De leeuw die een beentje in de 

keel heeft gekregen. 

135. De specht die \ beentje uithaalt. 

136. De specht in gesprek met den 

leeuw. 

Van de overige afzonderlijke tafereelen deelen wij vooralsnog alleen 
dezulke raeê, waarvan de identificeering ons niet twijfelachtig schijnt. 



32. Ayogrha. 



83. Mahisa. 



34. Qatapattra. 



VAN 0£N BORO-BOEDOEB. 55 

Sudhana Kinuaravadana i. 

XVI. 2. ? 

XVII. 4. ? 

XVIII. 6. I) Gesprek van Koning Daksinapaiicala met den be- 

tooverden Naga Janmaoitra. 

2) Bezwering van Janmaoitra en verschijning van 
den jager Halaka. 

3) Dankbaarheid van Janmaoitra jegens den jager 
voor zijne bevrijding. 

XIX. 8. Vertoef van den jager Halaka in 't verblijf van 

den Naga. 
XX. 10. De Kinnarï-prinses ManoharS met eene Kinnari aan 

't meer Brahmasabha. 
XXI. 12. De prins Sudhana brengt de prinses Manohara ten 

zijnent. 
XXII. 14. ? 

XXin. 16. De prins neemt afsoheid van zijne moeder. 
XXIV. 18. Ontmoeting van den prins met Indra. 
XXV. 20. De Koning beraadslaagt over zijn zoon. 
XXVI. 22. Manohara vliegt weg. 

XXVII. 24. De prins maakt zijn opwachting bij zijn vader na 

zijn krijgstocht. 
XXVIII. 26. De prins heeft een onderhoud met zijn moeder. 
XXIX. 28. ? 

XXX. 30. De prins en de heremiet. 

XXXI. 32. De prins in 't rijk der Kinnara's; bij den vijver. 
XXXn. 34. Boogproef. 
XXXIII. 36. Proef met de meisjes. 
XXXiV. 38. Dansen der Kinnari's. 

XXXV. 40. Sudhana en Manohara, teruggekomen, deelen ge- 
schenken uit. 



Maitrakanyaka ^. 

CXXIII. 216. Schipbreuk, ontmoeting met de 4 jonkvrouwen. 
CXXIV. 218. Ontmoeting met de 8 jonkvrouwen. 

CXXV. 220. Ontmoeting met de 16 jonkvrouwen (afgebeeld 11). 

/ 

* Zie Divyavadana XXX en onze (d. i. Oldenburg's) Buddhistische Legenden 
I, Petersb. 1894. 43-47 en 80. 

• Zie Buddhistische Legenden 40 — 43 en 79 — 80, waar men de literatuur op- 
gegeven vindt. 



56 EKN RUSSISCH GELUBDE OVEU Dl BEELDHOUW WKBKE.N ENZ. 

CXXVI. 222. Ontmoeting met de 32 jonkvrouwen (a^e- 

beeld 14). 

CXXVII. 224. Drie tafereelen : 1) Vertoef in de laatste stad 

(der 32 meisjes); 2) Aankomst bij den Preta ; 

3) Het rad valt op 't hoofd van Haitiakanyaka. 

Kaoohaplvadsna. 
Dit Jataka kennen wij enkel volgens Rijendralalamitra's over- 
zetting uit BodhissttvSvadftna-kalpalata XCVIl. 
OLXXXII. 192. (A). De schildpad in zee. 

193. Schipbreuk. 

194. De schildpad redt de drenkelingen. 
CLXXXII. 195. De schildpad biedt zich aan ais voedsel voor 

de geredden. 



Het paard Balaha. 
CCCLXXXIX. i. Baliha voert de reizigers over de zee. 



[Naschrift van den vertaler. Na dat gedeelte van boven- 
genoemde Verhandeling vertaald te hebben hetwelk den lezers der 
Bijdragen wel 't meeste belang zal inboezemen, moet ik hier nog- 
maals uitdrakkelijk verzekeren dat het geheele stuk van groote 
waarde is voor de ontwikkelingsgeschiedenis der Buddhistiaohe 
kunst. De verhandeling van den Fetersburgschen geleerde stelt ona 
in staat om de oudste ons bekende voorstellingen van Jfitaka's, 
zooals die op de bas-reliefs van Bharhut voorkomen, te ver- 
gelijken met de latere uit Ajanta en de nog latere van den Boro- 
Boedoer. £nkele Jstaka's komeu op alle drie monumenten voor; 
welke? kan men met een oogopslag zien uit de tabellei] die de 
Heer Oldenburg in zijne verhandeling met groote nauwkeurigheid 
en met de noodige verwijzingen samengesteld heeft, en daar de 
titels der Jstaka's in 't oorspronkelijke Pali en Msgadhi of Prikrit 
zijn opgegeven, behoeft men geen Russisch te kennen om van die 
tabellen (blz. 311, vgg. en blz. 352 van den 8b om ik) gebruik 
te maken. Ik eindig met de hoop uit te spreken dat alle die 
belang stellen in Buddbistische kunst met de uitmuntende bij- 
drage van Oldenbu^ kennis zullen maken, voonsooverre dat niet 
reeds geschied is.] 



SCHETSEN UIT BORNEO'S WESTERAFDEELING 



DOOR 

E. L. M. KÜHR, 
Controleur Isto klasse B, B. 



VII ». 
Over de Ziel [sëmangat — gana]. 

Wanneer een Dajak of Maleier (man, vrouw of kind) van het 
landschap Sintang uit eene woning of een boom gevallen is, en 
men hem weer in huis heeft gebracht, begeeft zich een vrouw 
[de vrouw of een der vrouwelijke bloedverwanten, doch bij het rotan- 
snijden of getahinzamelen in het bosch , een der oudste kameraden] 
zoo spoedig mogelijk naar de plek waar het ongeluk is gebeurd , 
en strooit aldaar geel gemaakte rijst uit , onder het uitspreken van 
de woorden: //koer, koer, koer sëmangat, N. N. bevindt zich al- 
weer in de woning, koer, koer sëmangat. /i^ 

Dan gaart zij met de hand de korrels met de aarde, waarin ze 
lagen, bijeen in een tanggok [langwerpig vierkante , platte vischschep- 
mand van rotan zonder mazen], schudt dit voorwerp om er de 
aarde uit te verwijderen , en laat de rijst op de kruin van den ge- 
vallene uit de hand regenen, al zeggende: >/koer, koer sëmangat!/'^ 

Is iemand hevig geschrikt of aan een ernstig gevaar ontsnapt; 
komt hij thuis na een lange of gevaarvolle reis ; heeft hij een zwaren 
eed afgelegd, dan is het eerste werk van zijne bloedverwanten, 
kameraden of van zijn hoofd , hem gele rijst op het hoofd te strooien , 
mompelend: //koer, koer sëmangat.'^ 

Als een Dajak van de Kajan- of Melawie-streek op sneltocht is, 
rolt zijne vrouw, verloofde of naaste vrouwelijke bloedverwant zijn 
matje met kussen op , maakt ^t bundeltje vast aan een der horizontale 
dakdwarsstijlen van de lawang en hangt daarnaast een kommetje 
met gele rijst op. 's Avonds wordt er een lichtje bij geplaatst. 

1 De vorige „schetsen" werden opgenomen in den jaargang 18% der Bydragen. 



58 SCaXTSSN UIT BORNEO'S WE8TEEAFDEELING. 

Regent 't nu in den nacht , gepaard met donder en bliksem , dan 
staat de naaste vrouwelijke bloedverwant haastig op, wascht zich 
het gelaat met het van \ dak afstroomeude water en roept daarna door 
een blaasroer naar buiten : «rhi . . . oe . . . N. N. koer , koer sëmangat.^ 

Teruggekeerd bij het opgehangen ligmatje, neemt ze wat geel- 
gekleurde rijstkorrels uit het kommetje, en ze weer er in latende 
vallen, zegt zij: ^koer, koer sëmangat.^ 

De vrouw of verloofde neemt daarenboven dat bundeltje mee 
naar hare slaapplaats en omhelst 't daar herhaaldelijk. 

Uit de hierboven vermelde /rfeiten/r , dat de ziel op een vischschep- 
mand en daarna op de kruin van den oorspronkelijken bezitter wordt 
gelokt , mag men de gevolgtrekking maken dat zij zich gemakkelijk 
uit het lichaam kan verwijderen door vrees , schrik enz. , en niet heel 
groot van omvang is, aangezien zij anders niet met een tanggok 
zou kunnen gevangen worden; alsmede dat zij gewoonlijk haar 
zetel heeft in het hoofd. 

Verder is de lokroep koer, koer [de gewone lokroep tot kippen 
(manoek) , bij Dajaks en Maleiers de vogel bij uitnemendheid] een aan- 
wijzing dat de nuchtere volksverbeelding de ziel de gedaante heeft 
gegeven van een vogel ; wat zeer natuurlijk is voor zulk een klein 
beweeglijk ding. Onze engelen immers voorzien wij ook van vleugels ; 
hoe zouden zij zich anders daar hoog in de lucht kunnen ophouden? 
Hecht Bouguereau geen vlinderwiekjes aan zijne Psjche's? 

Nog andere opvattingen van Maleiers en Dajaks pleiten voor die 
voorstelling der ziel. 

Droomt iemand een verre reis te hebben gemaakt, dan meent 
hij , dat zijn ziel met zijn schim des nachts aan het zwerven is ge- 
gaan en het gedroomde werkelijk heeft ondervonden en gezien. 
Vandaar het ingeworteld geloof aan droomvoorspellingen , het strikt 
opvolgen van in den slaap ontvangen waarschuwingen en raad- 
gevingen, enz. 

Eene zwangere vrouw, noch haar man, mag een lijk of een gesnelden. 
kop zien, om te voorkomen dat de ziel van het kind bang wordt 
en het levenloos ter wereld komt. 

Gedurende het oogsten mag niet gezegd worden dat de tempadjangs 
en takiens (rijstkorven) vol rijst zijn. De sëmaugat padi wil dat niet 
hebben. Zij zou met den geheelen voorraad kunnen verdwijnen. 



SCHJSTSBN UIT BQKNEu's W£9T£&AFD£JJilNQ. 59 

Ook mag er op de ladangs niet gesproken worden over lijken 
en hantoes. De ziel van de groeiende rijst zou bang kunnen worden 
en wegvliegen naar Java. 

Na het mëmanggil lang (roepen van den kiekendief ) en het bê- 
boeroeng (raadplegen der vogels), bezweren de Boven-Mêlawie Dajaks , 
die uit snellen gaan , 's nachts in het bosch de schimmen van hunne 
gesnelde voorouders of bloedverwanten, voor wie weerwraak zal ge- 
pleegd worden. 

Daartoe ontdoet men een plekje van klein houtgewas en alangalaug , 
en richt aldaar een kleine sandoong raoeng op [een op éen paal of 
vier palen staand planken huisje ter bewaring der lijkaschurnen 
of raoeng], waarin wat eten wordt gelegd en welks ingang door 
een omgekeerd opgestelde trap (geesten of schimmentrap) met den 
grond verbonden is. Verder begrenst men de ruimten aan weerszijden 
daarvan door twee aan acherpgepunte , in den grond geplante stokken 
bevestigde rotantouwen, waaraan in hout nagebootste staartveeren 
van den neushoomvogel hangen. 

De leider van den sneltocht gaat daarna op eenigen afstand van 
het huisje op den grond zitten met een bërioet (draagkorf) naast 
zich, en zegt: ffO schimmen van die en die [namen der gedoode 
bloedverwanten] , komt spoedig terug in onze kampong. Wij hebben 
rijst in overvloed. Onze boomen dragen al rijpe vruchten. Onze 
tempajans zijn boordevol met toewak gevuld. O schimmen, keert 
dus gauw wéér en vergeet niet je nieuwe vrienden en kennissen 
mee te brengen.^ 

Met die vrienden en kennissen worden bedoeld zij, die de te 
plegen weerwraak hebben uitgelokt. 

Intusschen hebben de andere snellers zich in den omtrek van 
de sandoong achter boomen en tusschen het kreupelhout opgesteld , 
en luisteren scherp toe. 

Als nu in het bosch kidangs of herten geluid geven, of er een 
gebrom gehoord wordt in het huisje , — een bewijs dat de gemelde 
bloedverwanten de schimmen hunner vijanden hebben meegebracht — 
dan springen de op de loer gelegen Dajaks te voorschijn, en hakken 
en steken om en bij die sandoong raoeng. 

Van die schimmen, door dezen overval verschrikt, vliegen de 
zielen overal rond en verbergen zich achter bladeren en steenen, 
welke op die plek liggen. Daarom grabbelt de leider van den 
sneltocht met beide handen naar de onder zijn bereik zijnde 



oamiii.üll.jït miïrmLiir i-iiafiric . mfitiKtiii^ i-w* -£;■! kuiidinj 
lif. zii^Li^a via rl^ !L-',a u fii<iI>iL i^j^uuiea ia s^a bais w &«óckii. 

W.ifirta « lUii'^rLkOii i-i-ir iat trwtp^-; Bi-;ll*Ei kacpea bmii 
irtmaaki;, riia «r,^z ia Iittiiftr ik ia >i:«a k'>i:t', «a^r^Mf^if i^u (crvren 
Ti^*asv:i nt^Iffli w-*« iit hare rfspeirc-ire k-MÜsa kaaaea Tknn. 

V'-fOV liéi aiAriiri-i'A kfc^ ü , is veFÓika-i mat k» TOix:k^aaft-J« , 

,^E>irt H«Ki.;a"ritB v^Ra .Üwgl* nwr eiatnaapiLz. Zoo Tert*!d# biJT. 
<^i-a nAO, liie aic Kirdvfiui va^ zi*koiiLi;a, Jat de Uaa-Ü riionga 
liKKnr^» ^OLZ>^ g>n!''»a aua'i-^a aan if;a trMp«B had Luea nen 
na r-^^ïd fu-i , 't»c G'vrrloQ Ti<;r dai«a iKleiiea aja h« b<x>fil ran 
Kwt.iif'l'^iifta^ m-ko, r^fi-^IijV met geli ca aaiere b^aoodigdheden 
T'V'iTma , riit E^jipc« vu TcnroUcD en na krun om ncfa net 
h<MB tvt m^f^. Id dit aLaa<i<D «uca de lielen tui die KstisduieDd 
ni*a ; twinr.i^daizmd iJtifieD di»r de aaide Teislonden worden ; 
'!« *tniftnï friatizdaizend loaden in de looht Terdwgaen, en hel 
'')T<^n<Th<')t ztjh ml^t d^o Uadhï nin Tecbita. Dii b«mh[ oatrin^ 
Kmin ia Jaai l^^l, en in Aprü Tan bet rol^nde jaat onirtn^ bij 
itfitv-ra T*n dm Emii KiramAlbh, waarin de ral TanKanoemen 
d^ ririfyi Tan Gordon, d-^n TÏjand Ali»h'f , werd T«rmeM,en Emin 
t.KVf:fu* w^-td jc^lAit bij liaramalUb te komen en dien lija buide te 
bfftnjfen." 

Vait er a»n o Te re»: nk o nut Ie twijfelen ? 

Bij i)AjAk* Tan de Kajan- en Beneden-Uelawie-stieek Tiadt men, 
«4ar kinderen zijn, ^evrx>nlLJk bij hnnne ligpbiats in de Uwan^, 
f.'.n r*tnb«i, d. i. cm eenigszins nauw toeloopend mandje zonder 
rif.kxr.l , A'tfiT Troawen DJt rotan vervaardigd, waaraan «belpen 
(t.r^.nUr'in^j hani^f^n tn ftedrooïde Truchien ; doppen en bladeren, 
lif.n T'.rm hMif.nde Tan tokertjea of omgeslagen waaiers, zooakdie 
van ii'i'imfii'-.hiihf.én , r'jeroe, pelai, haDtoe arei, akoep akoep en 
ktUt*-M ; verdw «i^it t*;hg^iling [schnbben van den miereneter]. In de 
m«t »^nifk'^baltMad*:rftn d ichtgestopte toentooDgs worden de afge- 
vaÜCTi n»v>:\*Uf.ni(tn der kinderen bewaard. En in het mandje be- 
vinAr.u zi':h t/iKMtAl bladeren of takjes T»n planten, welke een 
grm.t*r ((■f'.«ikrv-ht, ht^bben, o. a. van den sabang darah. 

Wm r.f.n kind, vmUng 't nog zicbzelveu niet belpen kan, aan 
rif.n riTierkftnt gebaad vordt, of ab et een zwaai onweer losbreekt , 



SOHETSEN UIT BORNEO's W ESTER AFDEELING. 61 

dan schudt de moeder de rambei en drokt haar daarna tegen het 
kind aan. Zoodoende wordt de verschrikte ziel , die bij de navel- 
streng, waarlangs zij vroeger in het lichaam is gekomen , onder de 
vrachten of tusschen de bladeren een schuilplaats heeft gezocht, 
in de gelegenheid gesteld wéér in 't kind te varen. 

Het schudden van dat voorwerp heeft, volgens Dajaksche ver- 
klaring , ten doel , de schelpen tegen elkander te doen botsen , en met 
de bladeren, vruchten en takjes geraas te maken om alzoo de 
booze geesten te verjagen ; hetzelfde idee dus , dat bij de Chineezen 
voorzit, als zij mërtjons afsteken. 

Y66t alles zijn dus Maleier en Dajak er op uit, de sëmangat weer 
in het lichaam te doen terugkeeren ; waaruit de gevolgtrekking kan 
worden gemaakt, dat de ziel bij hen de eigenlijke levenskracht 
vertegenwoordigt. 

Dit blijkt ook uit de wijze waarop zij hunne zieken trachten te 
genezen, wier kwalen toe te schrijven zijn aan miasmen, zenuw- 
en hartziekten , als toevallen , flauwten , krankzinnigheid etc. , alle- 
maal oorzaken , welke buiten hunne bevatting liggen en alzoo 
door hen geweten worden aan booze invloeden , geesten , schimmen , 
die de zielen der zieken kwellen of zich daarvan meester hebben 
gemaakt. 

Vertoont een Sintang-Maleier , een Sëlam-boeroeng Dajak, of een 
Dajak van den Kebahan-, Bandoek, Lienoeh-, Desa-, Liembei-, 
Banza-, Koebin-, Saberoewang- , Keniendjal- en Njadoem-stam 
slechts brakingen en sterke zweetafscheiding als ziekteverschijnselen , 
dan meent hij, dat een zijner overleden bloedverwanten of voor- 
ouders er de oorzaak van is. 

De zieke wordt dan door een persoon, jang pandei bertamba 
[pandei = knap « en bertamba = geneesmiddelen toedienen] , 
déwa, doekoen, koelieng, bëlian etc. geheeten, aan de kruinharen 
getrokken, onder opnoeming der namen van al zijne overledene 
bloedverwanten. Geeft dat bundeltje haar geluid terwijl de naam 
van een der voorouders of andere gestorven bloedverwanten wordt 
uitgesproken, dan blijkt daaruit, dat de schim van dien overledene 
den zieke heeft geroepen. 

Heeft de zieke kort haar, zoodat die proef niet genomen kan 
worden, dan stoot hij zijn voorhoofd zevenmaal tegen dat van een 
ander bloedverwant, die wel lang haar heeft en voor hem die 
proefneming ondergaat. 



02 SCHETSEN UIT BOKNEo''s WESTBEAFDEELINO. 

Dan zegt de geneeskundige — meestal een oude vrouw — tegen 
die schim [padeirak, pëdara. Mal., djoenat, djonat, djinat, voor 
al de stammen langs de Kajan- en Melawie-rivier , met uitzondering 
van de Kahajans van de Z. en O. Afd. van Borneo en de Ot- 
Danoms] : '^Ghi maar weer naar je graf: wat kom-je hier doen? 
De sêmangat van den zieke verkiest niet door je geroepen te 
worden, en wil nog langen tijd in zijn lichaam blijven!'^ 

Vervolgens doet zij in een tjapan [langwerpig vierkante rijstwan] 
een weinig asch van de dapoer [kookplaats] en maakt daarvan 
met een mes een ëmpatooug, d. i. een figuurtje van menschelijke 
gedaante. 

Zevenmaal beweegt zij die tjapan met de ëmpatooug voor den 
zieke op en neer — doch zóo dat het figuurtje van asch niet 
verstuift — al bevelende: '^ Zetel jij , ziekte, in hoofd, buik, handen 
etc, ga dan gauw over in het overeenkomstige lichaamsdeel van 
den ëmpatooug!'/, waarop de zieke op het figuurtje van asch spuwt 
en de tjapan met de linkerhand van zich wegduwt. 

Met een ontstoken kaarsje of lichtje begeeft alsdan de oude 
vrouw zich naar het graf of sandoong van den door de haarproef 
bekend geworden overleden bloedverwant of voorouder, en werpt 
daarop de ëmpatooug van asch , zeggende : /i^Pëdara , plaag den 
zieke niet langer, en blijf in je graf, opdat hij je niet meer zie! ^ 

Bij haar terugkomst vraagt zij aan de bloedverwanten of andere 
personen , die haar voor de woning afwachten : ffls de sêmangat 
van den zieke al teruggekeerd?»^ Waarop snel de toegesprokenen 
moeten antwoorden : i^ Ja , de sêmangat van den zieke is al terug- 
gekeerd !/>' en de geneeskundige met water werpen, het reinigings- 
middel bij uitnemendheid. 

Bij den zieke in huis staande, blaast zij de kaars, den voorlichter- 
wegwijzer der ziel, uit, strooit geelgekleurde rijst op zijn kruin, 
drie keer herhalend: ^Koer sêmangat!// en bevestigt hem voor 
den tijd van drie dagen met een tëngang-touwtje een ringetje om 
den rechterpols. 

Eerst hierna worden den zieke geneesmiddelen toegediend. 

Is iemand plotseling hevig ziek geworden , dan maakt de genees- 
kundige een houten ëmpatooug van kajoe tabar tabar. Door haar 
wordt het beeldje zevenmaal met het hoofd van den zieke in aanraking 
gebracht terwijl zij zegt: //Deze ëmpatooug dient om den zieke te 
vervangen; jij, ziekte, gaat dus over in dat beeldje!// 

Met wat rijst , zout en tabak in een klein mandje , wordt die plaats- 



SCHETSEN UIT BORNEO's WESTEKAFDEELING. 63 

vervaDger gebracht naar de plek, waar de zieke door een boozen 
geest meent bezeten te zijn geworden , en aldaar overeind op 
den grond gesteld, nadat de geneeskundige den geest heeft toe- 
geroepen: //O hantoe, hier is een êmpatoong welke den zieke 
vervangt. Laat de sëmangat van den zieke los en plaag de êm- 
patoong, want dit beeldje is immers mooier en beter dan de 
zieke 1^ 

Om te weten te komen of de ongestelde erg ziek is, bezigt men 
de volgende pengoedjian (toetsing). 

Uit een êntëmoe-knol snijdt men zeven dobbelsteentjes , waarvan 
een der vlakken van elk stukje met een kruis van sirihkalk wordt 
gemerkt. 

Wanneer, na in de hoogte te zijn geworpen, van die zeven 
kubusjes de grootste helft op de gemerkte zijde komt te liggen, 
dan is de zieke bedenkelijk ongesteld. 

Al de op het bekruiste vlak liggende stukjes worden met rijst 
en kurkuma fijn gewreven en den zieke op het lichaam gesmeerd. 

Het merkwaardige in de boven aangegeven wijze van genezen 
is zeker het gebruikmaken van plaatsvervangers (ëmpatoongs) om 
booze invloeden uit iemands lichaam te verwijderen. 

Bijna dagelijks past de Dajak H toe. 

Wil een Ot-Danomsche zuigeling niet uitscheiden met huilen , 
dan snijdt de mërina [schoonmoeder van den vader van H kind en 
dus zijn grootmoeder van moederszijde] uit het groot e blad van 
den poean- of mëntawak-boom een poppetje, dat 't kind verbeelden 
moet en tegen zijn lichaam word gedrukt; waarna zij H hoog tegen 
den binnenkant van het dak plaatst en met pijltjes uit een blaas- 
roer doorboort, ten einde den plaaggeest van het kind, koedjang 
genaamd, te dooden. 

Elke Dajaksche vrouw, die haar zuigeling naar het water draagt , 
heeft gewoonlijk een groote toedoong op 't hoofd, niet alleen ter 
beschutting van haar kind voor regen en zonneschijn, maar ook 
tegen ziekten, booze geesten. Want aan dat hoofddeksel hangt 
diens ëmpatoong-plaatsvervanger. 

Zoodra er epidemische ziekten uitbreken , als cholera of pokken , 
dan treft men in de geheele Residentie langs paden , welke naar 
Dajaksche vestigingen leiden , en wel voornamelijk aan de linkerzijde 
van het pad dat van de woning naar de rivier gaat, verzame- 
lingen van ëmpatoongs aan van mannen , vrouwen en kinderen , 



64 SCHETSEN UIT BORNEo's WE8TEKAPDEBLIN6. 

waartusschen kleine mandjes, met gekookte rijst, tabak en zont 
gevuld, aan stokken of aan de poppetjes zijn gehangen. 

Verder worden de voornaamste wegen , komende van de besmette 
vestigingen, op groote afstanden van de andere woningen streng 
bewaakt en afgesloten door paggers (schuttingen) van doomstokken , 
welke gesëngkëland zijn met bloed van varkens, die voor geza- 
menlijke rekening der bewoners van het beveiligde huis worden 
aangekocht. 

Vooral in de Saberoewang-streek [linkerzijtak van de Boven- 
Kapoeas] worden die beide maatregelen ter voorkoming van bezoe- 
king onmiddellijk genomen als de pokken heerschen. Want van 
koepokinenting willen de Saberoewang-Dajaks niets weten, en met 
reden. Een dertigtal jaren geleden namelijk hebben onder hen 
eenige tijdelijke hulpvaccinateurs in hunne domheid eene groote 
opruiming gehouden door de niet-aangetasten in te enten met etter 
van de pokpuisten der lijken. 

Elk dier houten plaatsvervangers wordt, onder luide bekend- 
making wien hij moet voorstellen, door den betrokkene tegen het 
lichaam of den rechterpols aangedrukt en , na opstelling bij het pad , 
met de linkerhand van zich gestooten. Thuisgekomen wordt er op 
de kruin van den aldus voor ziekte beveiligde gele rijst gestrooid 
door de oudste vrouw der vestiging, onder het uitspreken van de 
woorden „koer, koer sëmangat.'^ 

De houten ëmpatoongs zijn meestal gesneden uit kajoe-koempang — 
een der lomponghoutsoorten , waarvan bij verzoeningen tusschen 
vijandelijke stammen de scheidsboom is gemaakt. 

Deze poppetjes-plaatsvervangers moet men echter niet verwarren 
met de bijna levensgroote beelden op hooge voetstukken, welke 
men in de Boven-Melawie , en vooral te Mëntoemoi [Embalaüw- 
Melawie], voor de Dajaksche woningen ziet. 

Dergelijke standbeelden — ook ëmpatoong of tempatoeng ge- 
naamd — zijn meestal uit tëkam- of ijzerhout, en vooreen Dajak 
nog al kunstvaardig gebeiteld. 

Wat kleur en verhoudingen betreft, zijn o. a. die, welke op laatst- 
genoemde plaats een Dajaksche vrouw met haar kind op den rug en 
twee op reis zijnde Dajaks voorstellen , werkelijk nog zoo kwaad niet. 

Daaraan worden gedurende de oogstf eesten de stieren , koeien of 
karbouwen [over land aangevoerd uit de Z. en O. Aid. van Borneo] 
vastgemaakt, als men ze gaat slachten. 

Volgens verschillende Maleische hoofden , zou de eerste assistent^ 



f , 

SCHETSEN UIT BOBNEO^S WESTERAFDEELING. 65 

resident van Sintang , de heer Von Gaffrou , bewerkt hebben dat , in- 
stede van menschenoffers te brengen, een der bovengenoemde run- 
deren aan een groot houten manne- of vrouwebeeld verbonden , werd 
getoloïd, opdat in het Dajaksche hiernamaals aan de schim van 
dat standbeeld door de ziel van het geofferde beest leven worde 
gegeven. 

Dit is zeker wel te rijmen met de denkbeelden van Borneo's ih- 
heemsche bevolking. Immers, zijn er in bijna alle deelen van dat 
gewest niet vele stammen, die geen hertenvleesch eten omdat de 
schimmen hunner voorouders zich ook in de gedaante van die 
dieren vertoon en ? 

Vele Dajaks in de Mëlawie-streek volgen nu ook dat ingevoerd 
gebruik , en wel om de zeer geldige reden , dat daardoor de 
kosten voor de lijkbezorging aanmerkelijk minder worden. Een koe 
toch kan men aldaar voor vijf en dertig gulden koopen. 

Over die bezieling van den standbeeld-êmpatoong sprekende, 
kreeg ik van den al dikwijls door mij genoemden Raden Demang 
van Mentoemoi tot antwoord : 

//Ik zou liever niet willen , dat men na mijn overlijden voor mij 
een karbouw aan een tëmpatoeng slachtte. Dat ding zal hiernamaals 
net zoo onbeweeglijk zijn als op het oogenblik. Instede dus dat 
die tëmpatoeng mij bedient , zal ik \ hem moeten doen \ f ,,. . 

Ook weer waar! En volkomen in overeenstemming met den 
Dajakschen gedachtengang ! 

Dat zag ik vroeger zoo niet in; vooral niet, toen ik die houten 
plaatsvervangers langs den weg voor het eerst zag, en het doel 
vernam waarmee zij aldaar waren opgesteld. 

Wat een idiote spokenfopperij ! dacht ik toen. 

Doch thans zeg ik: volkomen passend in der Dajaks begrippenketen. 

Want door de luide bekendmaking dat een êmpatoong-poppetje 
zijn vader voortstelt, zal een Dajak door suggestie in die beeltenis 
zijn oorsprong in werkelijkheid zien , temeer omdat gedurende hare 
vervaardiging men al braaf gelachen heeft als de kunstenaar in een 
enkel opzicht, bijv. een kromme arm, of een vlek op het gelaat, 
eenige gelijkenis mét zijn model heeft weten te treffen. 

Uit een Dajaksch standpunt moet 't bijgevolg voor het ziekte- 
aanbrengend spook eene onmogelijkheid wezen niet te zien , dat het 
mannelijk kleinoorig poppetje Pak-Ooenang is; het mansbeeldje 
met den krommen arm: Mak Soeloek , en de geknevelde ëmpatoong : 
Araei Daroong. 

6e Volgr. III. 5 



66 SCHETSEN UIT BORNEO's WESTEBAFDEELING. 

Ziel heet bij de verschillende stammen langs de Beneden-Melawie- 
en Kajan-streken sêmongat, samongit, semingit; de Ot-Danoms en 
Pangin-Dajaks [afkomstig van de Boven-Kapoeas] noemen haar 
mêroewak, meroewei; terwijl men haar in het Landaksche zoowel 
met Tocwa als sêmangat hoort aanduiden. 

Komt iemand te sterven, dan meent de Dajak, dat zijn ziel 
met zijn schim heen vaart naar andere streken , alwaar hij een zelfde 
leven leidt als vroeger in zijn aardsch vleeschelijk omhulsel. 

En aangezien hij nog geen Flammarion is , die op wetenschappe- 
lijke gronden gist dat planeten en vaste sterren [met uitzondering 
van zon en maan, die al dadelijk tot andere voorstellingen aan- 
leiding hebben gegeven] bewoonbaar kunnen zijn , en uit vrees 
zijne afgestorvenen niet in zijne onmiddellijke nabijheid wil 
hebben, zoo plaatst hij ze op bergen, en wel op den hoogsten, 
bijna nooit bezochten berg, dien hij uit zijn woonoord zien kan; 
want tengevolge zijner herinnering verbeeldt hij zich, dat zijne 
dooden nog in zijn horizont verblijf houden, terwijl zijne onder- 
vinding hem zegt, dat menschen — dus ook schimmen — in de 
aarde niet hetzelfde leven kunnen leiden als daarop. 

Is hij door omstandigheden genoodzaakt naar afgelegen streken 
te verhuizen, dan zal hij zijn schimmenland naar den hoogsten 
top zijner nieuwe woonstreek verplaatsen. 

Tot bewijs hiervoor kunnen eenige stammen van de Kajan-streek : 
Tebidahs, Kajans, Papaks en Djampals strekken, die, hoewel in 
taal, zeden en gewoonten aan de andere stammen langs de Kajan- 
rivier en de Beneden-Melawie nauw verwant, en vroeger ook met 
hen de Boekit Saran (oorsprong van de Bliembing-linkerzijtak van 
de Melawie) tot schimmenland gehad hebbende , sedert een dertigtal 
jaren — denkelijk tengevolge hunner isoleering door bloedveeten — 
de Boekit Pëtoeran (oorsprong van de Tebidah-rivier) als verblijfplaats 
hunner afgestorvenen beschouwen. 

Ook de Ot-Danoms , afkomstig van de Z. en O. Afd. van Bomeo, 
hebben thans hunne roeboek rijo (verblijfplaatsen van schimmen, 
roeboek = huis) gevestigd op de Boekit Pemoeroe (oorsprong van 
de Lekawei, linkerzijtak van de Melawie). 

Dat schimmenland nu is zeer uitgestrekt en bestaat uit verschil- 
lende streken. 

Van de wijze waarop een Dajak schim is geworden, hangt 't af 
in welk gedeelte hij te land komt. 



80HSTS£N UIT BOBNEO's WfiSTSRAFDSXLINO. 6^ 

De gesnelden en aan kap- en schotwonden overledenen gaan naar 
het oord: rood van bloed. 

De Kajan- en Beneden-Melawie-Dajaks noemen die plaats : Ribang 
Sabang [Sabang-helling] ; de Ot-Danom : Danom Doehoeng [danom 
== water, en doehoeng = een tweesnijdend mes om te sëngkëlan, 
ter lengte van een parang]. 

Verdronkenen en door neervallend hout gedooden , varen naar de 
vuurstroomversnelling [Ot-Danomsch : Riam Api en Kiham Apoi]. 

Zij die aan ziekten en ouderdomskwalen , en vrouwen die in de 
kraam sterven, trekken naar de witte streek [Kajan- en Beneden- 
Melawie-Dajaksch : Sëbajan ; Ot-Danomsch : Batang Kadjoenahan 
(batang = groote rivier, en kadjoenahan = groote vlakte tasschen 
bergen). 

De Ot-Danom plaatsen daarenboven hunne gestorven kinderen 
te Tanak Danom — een streek bestaande uit aarde en water. 

Natuurlijk heerscht ook de Dood in het Dajaksche hiernamaals. 

£n als de schim zeven maal den tol der natuur heeft betaald , 
is haar doodkist [in Kajan- en Beneden-Malawie-Dajaksch : lantjang ; 
Ot-Danomsch: doeniek] niet grooter dan een pink, en gewoonlijk 
gemaakt van een stuk kapoewah-bast. 

De Djonat of Rijo zelf gaat over in steen, aarde of een plant , en 
haar sëmangat of meroewak, die dan geheel is opgeteerd, veran- 
dert in gana. 

Om het denkbeeld, aan dit laatste woorc| verbonden, te doen 
begrijpen, zal ik vertellen hoe 't mij duidelijk is geworden. 

Voor H eerst trof ik dat woord aan in \ volksgeloof dat , als meisjes 
gedurende zeven jaar //beroemboeng/)^ [schets I], zij ten slotte de 
gedaante van gana's aannemen en de geheele ^^oemboeng^^ van zelf 
naar het water gaat om daarin te verdwijnen , terwijl de kampoong- 
bewoners door de rivier worden verzwolgen en herschapen in 
steenen. 

Op mijne vraag: hoe is die gedaante? kreeg ik tot antwoord: 
ff(hinsL lijkt eenigszins op een slangetje, op een aardworm, heeft 
een lang rond lichaam; tenminste men zegt *t zoo!// 

Verder zullen Beneden-Melawie-Dajaks, over de gebruiken bij 
den aanleg van rijstvelden sprekende, nooit nalaten te verhalen, 
dat van zeven broers en zusters, Piang Gana [Piang beteekent in 
het Embaloh Kapoeas-dialect : grootihoeder = het Javaansche : Biang] 
degene was, die zonder armen en beenen werd geboren. Men noemt 
haar daarom ook gewoonlijk Potong Keempat Piang Gana [potong ^^ 



68 SCHETSEN UIT BORNEO^S WESTERA^DSSLINO. 

snijden, keempat = al de vier ledematen]. Bij de verdeeling van 
de poesaka (erfenis) der overleden ouders wilden zij haar echter 
geen ramoe (roerende goedereu) geven, maar slechts een handvol 
aarde. Bij zich zelve dacht toen Fiang Gana: /i^Alzoo heeft men 
mij de aarde als mijn deel aangewezen /<. Toen dan de broers en 
zuster ladangs aanlegden en het hout en onkruid hadden gekapt, 
liet zij de hoornen en het struikgewas in den nacht weer aangroeien. 
Over deze bemoeilijking werd natuurlijk geklaagd. Maar Piang 
Gana zeide: '/jelui neemt wat mij toebehoort; daarom laat ik alles 
weer aangroeien wat er eenmaal stond >/. 

De broers en zusters, die hun ongelijk inzagen, gingen daarop 
aan het beraadslagen , en kwamen overeen hunne armen-en-beenen- 
looze zuster altijd eten te geven. 

Dat Piang Gana met dat besluit heel tevreden was , toonde zij 
door in den vervolge het omgekapte hout en onkruid niet meer 
te doen aangroeien. 

En van dien tijd dagteekent de gewoonte , dat men bij het aan- 
leggen van ladangs aan Piang Gana offert. 

Zou alzoo gana, volgens deze legende, niet de groeikracht in 
planten, het leven verwekkende in den grond voorstellen? 

Deze meening werd mij bevestigd, toen ik vernam dat de sêmangat 
ten slotte in gana overging in verband met het geloof dat menschen 
tengevolge van het //beroemboeng/!' , zonder zevenmaal in het schim- 
menland te zijn gestorven , onmiddellijk in gana's konden veranderen. 

Gana beteekent dus, de ziel van alles wat tot het planten- en 
delfstoffenrijk behoort; zooals sêmangat of meroewak de ziel is van 
hetgeen het dierenrijk omvat, alsmede van rijst, en dingen welke 
groote waarde hebben , zwaar en aangenaam geluid geven of den Dajak 
diensten bewijzen, als gereedschappen en huisraad, en hem in den 
droom als menschen verschijnen etc. — : gongs , tawaktawak , 
tempajangs, toewak, parangs, kommen, borden etc. 

Maar terwijl sêmangat, voor de voorstelling, belichaamd werd 
in den vorm van een vogel , kreeg gana de gedaante van een slang , 
aardworm. Naar mijn inzien zeer natuurlijk. Want als men in de 
bosschen van Borneo boompjes uittrekt, steenen verplaatst of in 
de aarde wroet, zijn ^t slangetjes, maar vooral pieren, die overal 
worden aangetroffen en al wegsluipende zich slechts even laten zien. 

Ik herhaal : levenskracht , ziel werd belichaamd ter wille van de 
voorstelling. 



SCHETSEN UIT BOBNEo's WESTERAFDEELING. 69 

Maar zooals , wanneer in de Zaanstreek de Zuid-Westewind waait , 
\ hem weinig schelen kan of hij één dan wel honderd molens met 
zijne stroomingen in beweging moet brengen , terwijl er toch niet 
éene wiek klagen zal over minder winddruk dan hare zusters ge- 
nieten, evenzoo wordt ook sêmangat dikwijls beschouwd als een 
finidum, dat, voornamelijk het menschen- of dierenhoofd vervul- 
lende, elk deel daarvan begrijpt, en wél z66, dat het haar noch 
djen kaken , noch den tanden , noch den geheelen kop kan verwijten 
meer zielstof te bezitten. Tenminste dit moet men m. i. afleiden 
uit de volgende gebeurtenissen, welke ik eenigszins de fil en 
aiguille zal vertellen. 

Een Béadjoek, Aban genaamd , van de Z. en O. Afd. van Borneo, 
had op het einde van 1889 in vereeniging met Kahajan-Dajaks, die 
zich ook tijdelijk in de Embalaüw-Mêlawie ophielden, in de Boven- 
Boenoet [Boven-Kapoeas-streek] een huis, waarin alleen vrouwen 
waren, overvallen, en alzoo zonder veel tegenkanting een twintig- 
tal koppen buit gemaakt. 

Teruggekomen in de Boven-Mela wie-streek , werden die snellers 
van Kemangei uit (eene Maleische kampoong aan de Boven-Melawie) 
door politie-oppassers en Maleische handelaars achtervolgd, die 't 
geluk hadden ze des nachts te omsingelen , toen zij in een ladang- 
hutje overnachtten. 

Bij het dagen bemerkende te zijn achterhaald , schoten de snellers 
al vluchtende op de Maleiers, die onmiddellijk dat vuur beant- 
woordden , met het magere gevolg dat slechts de aanvoerder Aban 
dood onder het hutje werd gevonden. 

Om tot stuk van overtuiging te strekken, echter naar ik geloof , 
meer als weerwraakpleging , had men dien dooden Béadjoek het 
hoofd van den romp gescheiden. 

Beeds een kwartier voordat de terugroeiende Maleiers in 't ge- 
zicht waren, verscheidene tandjoengs (rivierkapen) nog boven Ke- 
mangei, waar ik mij bevond, wist ik uit de wijze waarop zij 
gilden en op den tawaktawak sloegen , dat er een gesnelde kop in 
hun bezit was. 

Bij snellers, die met een koppenbuit huiswaarts keeren, is'tnl. 
gewoonte — als zij geen vrees meer behoeven te koesteren voor 
achtervolging of overval — om gedurende het roeien met kleine 
tusschenpoozen te //berlélé// , d. i. de aanvoerders der bende , naast zich 
de koppen in berioets hebbende , ontlokken aan hunne tawaktawak , 
door krachtige , kort op elkaar volgende slagen , het welbekende, een- 



70 SCHETSEN UIT BORNEO's WESTERAFOEELING. 

toonige, doordringende, zenuwachtigmakende , koperklankige geluid , 
terwijl zij tegelijkertijd in hoe langer hoe sneller maat het ge- 
schreeuw van lé lé \é \é . . . lé uitstooten , opeens afgebroken door 
een in koor invallenden langgerekten gil van de roeiers, die, na 
op het lemmet hunner parangs te hebben gebeten , met verdubbelde 
krachtsinspanning met hunne korte riemen weer het water klauwen. 

Het duurde dan ook niet lang of Aban^s kop, nog bloedende 
uit de halsaderen, rolde uit een draagkorf op den planken vloer 
van het drijvende huisje (lanting), dat mij tot verblijfplaats diende. 

Zijn onbeweeglijk gelaat leek een dronkaards masker, met half 
gesloten mij schuins aankijkende oogen, en de tong een weinig uit 
den scheef vertrokken mond hangende. 

Toen die kop zou worden verpakt, kwam er iemand vanwege 
Hadji Baden — thans Pangeran Bandahara van Sintang — mij 
vragen, of hij er eenige lokken haar mocht afknippen ten einde 
er zijn parang-kahajan (mandauw) mede te versieren. 

Een dertigtal dagen daarna in de Kajanstreek reizende , vernam 
ik, dat die Pangeran van de sandoong van een reeds een paar 
maanden geleden gestorven Oendauw-Dajak een kostbare oude 
gong [met een omtrek van zeven span] had weggenomen, en 
daarvoor in de plaats had gegeven de van Aban^s kop afgeknipte 
haarlokken. 

vHei was volkomen in den haak^, antwoordde men mij van 
Dajaksche zijde , op mijne vragen ter onderzoek of er soms afpersing 
achter die handeling school. //Na de verbranding van het lijk 
ffwexd die gong aan de sandoongpaal gehangen voor hem, die 
//een kop zou offeren, omdat tegenwoordig het toloiën van een 
^slaaf of pandeling verboden is. Daar Hadji Raden een pluk haar 
//gegeven heeft van Aban^s kop, die nog niet aan een overledene 
//is gewijd, komt *t op hetzelfde neer als had hij Aban^s kop 
//zelf afgestaan. Immers gebeurt het dikwijls dat snellers, bij 
//achtervolging, om harder weg te kunnen loopen, verplicht zijn 
//de buitgemaakte koppen weg te gooien. Ten einde nu niet alle 
//vrucht van hunnen gevaarvoUen arbeid te verliezen, snijden zij 
//van eiken kop eenig haar af, en verbergen dat in hunne tjawats//. 

Een ander feit. 

Een Dajak , Biempak genaamd , had in de Boven-Mentatei (linker- 
zijtak van de Melawie) twee zijner verre bloedverwanten — vader 
en zoon, Maleiers — vermoord, om zich van hunne handelsgoe- 
deren en rijst meester te maken. Tijdens het voorloopig onderzoek 



SOHBTSEN UIT BORNEÜ^S WESTERAFDBELING. 71 

in mijne ^mooiste'/ kamer, met handboeien aan, opgesloten, — 
Nanga Pinoh was toen nog geen gevangenis rijk — vond hij, 
naar alle waarschijnlijkheid door de hulp van een mijner Dajaksche 
bidarroeiers , gelegenheid om 's nachts te ontvluchten. Na allerlei 
vergeefsche pogingen om hem te arresteeren, had men hem ten 
langer leste overrompeld en , daar hij zich verweerde , gedood. 

Van zijn kop nu, die als identiteitsbewijs naar Sintang werd 
afgevoerd, had men onderweg kruinharen uitgetrokken. 

Volgens de door Maleiers gegeven inlichtingen, o. a. ook van 
hen , die zelf eenige haartjes uit Biempaks kop hadden getrokken , 
zouden die haartjes //dari kepala orang jang mati di boenoeh^, 
gebezigd worden als geneesmiddel tegen vallende ziekte (sakit 
pitam of pitam babi) in H bizonder, en in het algemeen tegen 
flauwvallen en hevige hoofdpijnen. 

De zieke wordt dan besprenkeld, en het hoofd nat gemaakt met 
water, waarin die haartjes en //daon sabang^ gelegen hebben. 

Bij personen toch, die aan vallende ziekte lijden of aan hevige 
hoofdpijnen of flauwten onderhevig zijn, is, volgens Maleisch en 
Dajaksbh inzicht, de ziektetoestand te wijten aan geheele of ge- 
deeltelijke ontvluohting van de sëmangat. 

Het ontsnapte gedeelte der ziel kan dus aangevuld worden 
door de zieledeeltjes , welke in de uitgetrokken kruinharen van den 
gesnelden kop zijn blijven zitten. Of wel, deze laatsten kunnen 
de verdwenen zieledeelen van den patiënt terugroepen. 

Verder vernam ik van Kiai Mas Soeta Laksana te Nanga Pinoh , 
dat men ook gewoon is haartjes uit den kop van een gesnelde te 
trekken onder het uiten van een wensch , ten einde dezen spoedig 
vervuld te zien. 

In dit geval zouden de zieledeeltjes in de haren als middelaars 
optreden tusschen den wenscher en de goden en geesten die in- 
vloed oefenen op het lot van den mensch. 

Nog een ander feit. 

In de maand Augustus van het jaar 1883 deden Mempawa- 
Dajaks een inval in het gebied der Semaroewa-Dajaks van Landak , 
en verwondden drie mannen van laatstbedoelden stam op de 
ladangs. 

Volgens het door den controleur van Mempawa en mij gehouden 
onderzoek, was de reden daarvoor de volgende. 

Om de begrafenis van zijn zoon geheel naar Dajakschen aard 
te doen plaats hebben, was Pak Goenang, het meest invloedrijke 



72 SCHETSEN UIT BOKNEu's WESTERAFDEELING. 

hoofd der Semaroewa's, naar de Oeloe-Djamboe (bovenloop van de 
Landak-rivier) gevaren bij wijze van rouwtocht, en had van de 
daar gevestigde Dajaks een kop gekocht, dien zij bij de feitelijk 
nog onfhankelijke Soengkoeng-Dajaks — naar alle waarschijnlijk- 
heid op zijn verzoek — hadden gesneld. 

Toen nu genoemd hoofd in zijne woonstreek was teruggekomen , 
werd er niet alleen in zijn huis, maar in bijna alle woningen der Sema- 
roewa's op de gongs en tawaktawak geslagen , zoodat elke vreem- 
deling in Jeruzalem moest denken , dat door den stam een sneltocht 
was ondernomen, welke een rijken koppenbuit had opgeleverd. 

Ten minste , dit was ook de meening hunner buren : de Mem- 
pawa-Dajaks. En toen in hunne kampoongs het praatje liep dat 
een hunner stamgenooten was vermist — deze was op reis gegaan 
zonder er zijne familie van kennis te hebben gegeven — trokken 
verscheidene benden, na raadpleging der vogels, naar de Sema- 
roewa's, met het bovenvermelde ongelukkige gevolg. 

Wat was nu de oorzaak van die algemeene feestviering ouder 
de Semaroewa's.P 

Den door Pak-Goenang gekochten kop had men in stuk- 
ken gezaagd, welke vóór de wijding werden verkocht aan hen, 
die een kop wilden offeren aan hunne overleden bloedverwanten. 
En daar men in die streken in de laatste tientallen van jaren geen 
verschen kop had aangebracht, was de deelneming zeer algemeen. 

Een stuk van de kaak bijv. was er toen dus evenveel waard als 
de geheele kop, om de eenvoudige reden dat men den kaak niet 
vóór zich kon hebben zonder zich den volledigen schedel, den 
zetel der ziel, er bij te denken. 



AANTEEKENINGEN. 

Blz. 58. Dat Dajaks een vast geloof in droomen hebbeu, kan 
afgeleid worden uit het feit, dat alle zwangere vrouwen de vrucht 
afdrijven zoodra zij droomen dat het ongeboren kind hun ongeluk 
zal aanbrengen. 

Bij de Saberoewang-vrouwen is 't zelfs zoo erg , dat , als abortiva 
niet helpen , zij hare zuigelingen ergens in het bosch achterlaten. Van 
Maleiers te Smitauw of Silat verneemt men dikwijls , dat zij Dajak- 
sche kinderen hebben aangenomen , die zij in de Saberoewang-streek 



SCHETSEN UIT BORNËO^S WESTERAFDËELING. 73 

op den grond in een mandje , of in een saroong hangende tasschen 
de takken, in het bosch aantroffen. 

Blz. 58. Als de padi groeit, dan zegt de Dajak dat de /i'Sengiang 
van de rijst// op reis is naar Java. Deze godheid komt terug als 
de padi rijp is. 

Er zijn mannelijke en vrouwelijke Sengiangs. 

De Sengiang van de rijst is eene vrouwelijke godheid 

Blad. 59. Mënanggil lang (Mal.) ^ niempei (van tiempei) lang 
(Beneden-Mëlawie- en Kajan-Dajaksch) nah atang (Ot-Danomsch). 

Beboeroong (Mal. en Beneden-Mëlawie- en Kajan-Dajaksch) — - 
bedahiang (Ot-Danomsch). 

Blz. 60. Bij de Ot-Danoras heb ik geene rambei's gezien. Aan het 
touw van de hangmat, boven het kind, zijn echter bevestigd waaier- 
en kokervormige orchideeën-bladeren, stukjes hout, belletjes, de met 
een sengkoebakblad dicht gestopte schelp waarin de navelstreng 
van het kind zich bevindt, en de ëmpatoong van 't kind. 

Blz. 61. Als het bliksemt en dondert, slaat men in de la wang 
op de tawaktawak. 

De naam //rambei'/ is aan bovenbedoeld voorwerp gegeven , 
omdat, door zijne aanhangsels, het op de smakelijke, kleine, in 
trossen hangende vruchten van den Bambei-boom gelijkt. 

Blz. 61. De geneeskundige krijgt een zeker loon, bestaande uit 
een saroong of badjoe, wat rijst of andere eetwaren, of, als de 
zieke ^t rijk is, eenig geld. 

Het doekoen-, déwa-, bëlianschap is gewoonlijk erfelijk in de 
familie. 

Blz. 65. Het verhaal als zoude vóór het doodprikken (toloi) van den 
te offeren slaaf, de ziel uit zijn lichaam worden verwijderd, is m. i. 
onwaar. Een Dajak zal aan een zielloos ding geene boodschappen 
meegeven, als vroeger door mij werden aangeduid (Schets V). 

Blz. 65. De Liembei- en Boenjauw-Dajaks van de Mëlawie- en 
Kajanstreek noemen de groote ëmpatoongs ook kedjahan. 

Bij de Ot-Danoms zijn kedjahan of tedjahan kleine houten 



74 SCHETSEN UIT BOKNEo's WESTEKAFDEELING. 

beeldjes, welke hunne voorouders voorstellen en in het bosch worden 
opgesteld bij niboeng-palmen , op plaatsen waar zich verschillende 
otoe's (geesten) ophouden. 

Bij het op touw zetten van gewichtige ondernemingen wordt , om 
ze te doen slagen, aan die tedjahan^s en aan goden en geesten geofferd. 

Aangezien de kosten voor het vervaardigen van die beeldjes nog 
al oploopen doordat de kunstenaars gevoed en beloond moeten 
worden , en het aantal voor de plechtigheid te slachten varkens en 
kippen tamelijk groot is, zoo kan het plaatsen van tedjahan^s bij 
niboengs slechts door rijkaards geschieden. 

Merkwaardig genoeg is de niboengpalm in den hemel (rangit 
of langit , Ot-Danomsch) het huis van Bénang : Petara's vrouw. 

Een andere vrouw van god Petara heet Majang: de bloemkolf 
van den pinangpalm. 

In het Landaksche heet die soort van beeldjes: pantak. Het 
grootste aantal daarvan treft men in de Benjoekei-streek aan. 

Is daar een hoofd of invloedrijk persoon , met aardsche goederen 
gezegend, gestorven, dan wordt na de begrafenis, of tijdens het 
oogstfeest, de pantak van den overledene gemaakt en bij den hoek 
van de voorzijde der woning aan den kant van zonsopgang opge- 
steld , met het gelaat naar de opkomende zon. 

Ik heb dikwijls gezien dat men aan het grootste en meest kun- 
stig gesneden beeld van de verzameling, in een vlak daarvoor 
gebouwd planken huisje , als op Chineesche manier, rijst, vruchten, 
tjoe (arak) in kopjes offerde, waarbij een lichtje brandde. 

Dien pantak had men dan voor die gelegenheid een rood baadje 
aangetrokken, een haarband met veeren opgezet, een miniatuur 
parang omgehangen en een klein schild met daarbij passende lans 
in de handen gegeven. 

Blz. 66. De Pangins in de Ëlla-streek (Melawie) , af komstig van 
de Boven-Kapoeas , noemen schim : o-oong. Hun schimmenland is 
echter nog altijd gelegen op de Boekit Tebiroeng, waardeMandei 
(linker-zijtak van de Boven-Kapoeas) ontspringt. 

In de Kajan-streek (Melawie) heet de schim van een vrouw : data. 

Blz. 68. Piang Gana. — Het volksgeloof wil , dat Piang Oana , 
behalve een lichaam met afgesneden armen en beenen, een hoofd 
heeft dat op een ananas lijkt. 

Vele Boeddha-beelden nu hebben een kapsel van krullend haar , 
dat groote overeenkomst vertoont met genoemde vrucht. 



SCHETSEN UIT BORNEo's WESTERAFDEELIN6. 75 

Verder moet er zich in de Boveu-Tempoenak , volgens zeggen vau 
den Panembahan van Sintang, een beeldje van goud of koper 
bevinden, hetwelk in de wandeling ook Potong Keempat Piang 
Gana wordt genoemd. 

Zou dus Piang Gana geen aanpassing wezen van Dajaksche be- 
grippen aan een Hindoe-Ja vaansche voorstelling? 

Ook in het Ambaloh-Kapoeas-dialekt beteekeut Piang grootmoeder. 

Blz. 70. Berl(?lé is in 't Ot-Danomsch : hodélé ; in 't Panginsch : 
ningkijauw. 

Blz. 72. Ik bevond mij juist voor dienstaangelegenheden te Pon- 
tianak, toen van de Sepatah-streek het bericht van dien inval kwam. 

Op genoemde hoofdplaats van Borneo's Westkust heerschte toen 
de cholera. Van de Boegineesche , Maleische en Chineesche bevolking 
stierf er gemiddeld een vijftiental per dag. Van de Europeanen 
was er gelukkig pas één , een onderwijzer , overleden. 

Tot overmaat van ramp kreeg ik toen een nogal hevige endel- 
darmontsteking. Maar, hoewel ziek en zwak ter been, besloot ik 
toch op reis te gaan , ook om met mijne toenmalige vatbaarheid de 
cholera-besmetting te ontloopen. Daarbij kwam , dat ik reeds een tikje 
cholera-vrees beet had door het zien sterven van drie Chineezen op 
den weg van de Chineesche kamp naar de apotheek van het hospitaal. 

In den namiddag liet ik mijn bidar (vaartuig) bij een tijdelijke 
vestiging van Pontianak-Dajaks niet ver van Koewala Sekilap, 
meren , aangezien de Sapatah te veel onder water liggende boom- 
stammen en steenen bevatte om haar in het donker op te varen. 

Aan wal stappende hoorde ik plotseling duidelijk geweervuur 
en tirailleurschoten , afgewisseld door zwaar dreunend kanon- 
gebulder, zóo dat de Dajaksche woning schudde van den lucht- 
druk. Ik dacht dadelijk aan eene vulkanische uitbarsting. Misschien 
was de Kina-Baloe aan het werken. Ook was 't niet onmogelijk 
dat zich ergens op Borneo een nieuwe krater had gevormd. 

Een veertien dagen daarna bleek 't dat mijne gissing juist was: 
Krakatau ! 

De oudste der mij omringende Dajaks was evenwel overtuigd, 
dat de lilla's en bedils der bala van Mempawa's Panembahan die 
donderende en knetterende luchtberoeringen veroorzaakten, niet- 
tegenstaande hij mij gelijk gaf dat men het avondschot van Pon- 
tianaks bentèng slechts hoogst zelden bij windstilte te Koewala Tërap 



76 SCHETSEN UIT BORNEo's WESTEBAFDEELING. 

— destijds een Mandhor-Chineesohe wachtpost niet ver van de 
uitmonding der Sepatah in de Landak-rivier — kon hooren; dat 
de afstanden van Pontianak tot laatstbedoelde koewala, en van 
Koewala Sekilap tot de streek der Semaroewa^s ongeveer evengroot 
waren ; en dat de lilla's van genoemden inlandschen zelfbestuurder 
niet konden vergeleken worden met ons geschat. 

In de kampoeng van het Boegineesche hoofd der Semaroewa- 
Dajaks aan de Boven-Sepatah durfden de Maleiers 's nachts niet 
naar bed te gaan. Met het geweer in de hand zaten zij , met den 
rug tegen den binnenwand hunner woning geleund, te dutten, om 
elk oogenblik tut tegen weer gereed te zijn. Allerlei onrustbarende 
geruchten waren in omloop. Het huis van Pak-Goenang, het 
indertijd bijna zeventigjarig hoofd der Samaroewa^s , dat zich nader- 
hand gedurende den Mandhor-opstand zoo gecompromitteerd heeft, 
zou omsingeld wezen. Al sedert drie dagen had men van hem 
geen bericht. En het geschiet duurde steeds voort. 

Den morgen na mijne aankomst in de kampoong waren slechts 
het bejaarde Boegineesche hoofd en zijn oudste zoon te bewegen 
met mij naar Pak-Ooenangs woning te gaan. Na drie uur loopens 
vonden wij dezen gezellig een strootje rookende in zijn nooit door 
vijanden omringd, versterkt huis! 

Een paar bijzonderheden van dien tocht. 

Bij het afgaan der trap zijner woning stampte de zoon van het 
zooevenbedoeld Boegineesch hoofd met den rechtervoet met geweld 
op den grond. Omdat ik nogal moeite had gehad hem te over- 
reden mij te vergezellen , dacht ik dat die voetbeweging een uiting 
was van drift. Verontwaardigd sprak ik hem daarover aan. Maar 
al lachende vertelde hij mij , zulks gedaan te hebben om te zien 
hoe de tocht door het bosch voor hem zou afloopen; want had 
zijn voet bij het stampen op een scherp voorwerp getrapt dan was 
dat voor hem een zeker teeken geweest dat hem onderweg een 
ongeluk zou overkomen ! 

Niet ver van Pak-Qoenang's huis , bij een driesprong , trof ik een 
open ronde plek van ongeveer twee meter straal aan, door enkele 
boomen omringd en waar noch gras noch alangalang groeide. Zoowel 
mijne bidarroeiers en politie-oppasser als de twee Boegineezen weken 
zijwaarts uit. //Tempat hantoe Dajak// (Dajaksche-geestenplaats) zeiden 
zij. — Verdere inlichtingen kon men mij tot mijn spijt niet verschaffen. 



SCHETSEN UIT BOKNEO^S WESTEEAFOEELINQ. 77 

Over de Zonsvereering. 

Niet alleen dat bij bijna alle mogelijke plechtigheden de opkomende 
en de ondergaande zon wordt (of worden) aangeroepen en bezworen ; 
maar de Dajaks leggen zich te slapen, en begraven of verbranden 
hunne dooden altijd met het gelaat naar zonsopgang gekeerd. 



Over de Vogelwichelarij. 

Omtrent vogelwichelarij deed een Landak-Maleier , een hadji, 
mij in 1883 te Ngabang (hoofdplaats van de afdeeling Landak) een 
verhaal, dat te karakteristiek is om 't hier niet over te vertellen. 

//Eens begaf ik mij per sampan, met handelswaren bevracht, 
naar de Tingon-streek. Een Dajak, die in mijn dienst was, had 
met mij den geheelen ochtend hard geroeid, maar wij waren toch 
niet veel opgeschoten , daar er nogal stroom liep , hoewel het laag 
water was. Tegen den middag hadden wij de laatste Dajaksche 
nederzetting vóór de groote kampoong, waar ik wezen wilde, be- 
reikt. Na me gewasschen, gesembajangd en gegeten te hebben, 
gingen we verder. Als we ons best deden, zouden wij zeker nog 
vóór het donker op onze plaats van bestemming aankomen. We 
roeiden dus krachtig voort. 

//Doch zulks hadden wij nog geen uur volgehouden, of mijn 
Dajaksche roeier stelde voor terug te keeren. Links van ons had 
hij den geluksvogel kito gehoord. Was zijn geroep van den rechter- 
kant gekomen, dan zou 't een goed voorteeken zijn geweest. 

//Kom, zeide ik, praatjes! Laat ons maar flink doorroeien, anders 
halen we de kampoong niet! 

z)' Juist waren mij die woorden uit den mond, of de sampan 
tornde tegen een onder water liggenden boomstam op, met zulk 
een vaart dat we beiden bijna uit het vaartuig tuimelden. 

//fl'Daar heb-je 't al, heb ik geen gelijk?// schreeuwde mijn 
roeier. //Laat ons terugkeeren, 't loopt nooit goed af//. 

//Ik lachte zooals u nu lacht. Ik hechte er ook geen geloof aan. 
Nu echter ben ik wijzer geworden en geef wel op die voorteekens 
acht. U zal ook overtuigd wezen als u vernomen heeft wat wij op 
onzen verderen tocht hebben ondervonden. 



78 SCHETSEN UIT BORNEo's WESTERAFDEELING. 

//Teneinde te voorkomen dat de Dajak , om gelijk te hebben , 
met voordacht verkeerd of te laat zou wenden , ging ik achter in 
de sampan zitten en staarde al roeiende met mijn korten riem. 

//Weer voeren we de rivier een heelen tijd kalm op , tot opnieuw 
mijn roeier zich omkeerde en zeide: /i^Hoor, dat is de ongeluks- 
vogel, de kotoek. Van welke zijde ook zijn geluid tot ons komt, 
altijd voorspelt hij ongeluk!/)' 

//Ik werd een weinig ongeduldig. /«'Och, zanik niet van gelaks- 
en ongeluksvogels , — beet ik hem toe. Hoe kunnen zij uit 
het bosch ons zien, of weten dat wij de rivier opvaren. Kijk liever 
goed uit je oogen, opdat wij niet tegen steenen of boomstammen 
bonzen//. 

//Intusschen was de lucht gaan betrekken en begon het te 
waaien. Daarop deden val- en rukwinden het water sterk rimpelen. 
En opeens vielen er groote regendroppels, die gestadig in aantal 
toenamen en lucht en boomen bestreepten Zoo spoedig mogelijk 
roeiden wij naar den oever en bevestigden met een rotanlijn aan 
een nabijzijnden boom onze sampan, welke wij een weinig op het 
droge hadden getrokken. Kleine regenbuien toch kunnen dikwijls 
het water in den bovenloop der rivier nog al vrij snel doen zwellen. 

»De handelswaren en ons zelven beschutten we toen zoo goed 
mogelijk met kadjangs tegen den regen. Maar als mijn roeier zijn 
strooitje met Ghineesche tabak had aangestoken en ik mijn sirih 
in den mond genomen, bemerkten wij tot onze groote ergernis 
dat wij vol springende bloedzuigers (patjèt) zaten , de kleine zwarte 
zoowel als de grootere bruine, wier beten zoo jeuken. Wat een 
ellende I 

//We moesten ze éen voor éen met tabaks- en zoutwater bedruipen 
om ze van onze huid te doen afvallen. 

//Eindelijk was de laatste patjèt in het water geslingerd ! De 
regen begon ook hoorbaar te minderen. We vroegen elkander al 
af of we niet verder zonden roeien , toen opeens een hevig gekraak 
in het bosch ons deed zwijgen. Eerst twee & drie minuten daarna 
echter smakte er iets met donderend geweld tegen den grond , 
en onmiddellijk daarop werden we beiden met onze aangezichten 
tegen onze knieën aangedrukt als door een reuzehand , die als lood 
zoo zwaar woog. Mijne kommen en kopjes van Chineesch aardewerk 
rinkelden op onheilspellende manier. Door de scheuren van het 
kadjangdak, dat als tegen mijn hoofd zat vastgeplakt, bemerkte ik 
takken en bladeren. In verband met den door ons gehoorden dreu- 



SCHETSEN UIT BORNEo's WESTERAFDEELING. 79 

nenden val , begreep ik onmiddellijk dat wij bedolven waren onder 
de kruinbladeren en takken van een omgewaaiden boom. Ik werkte 
me zoo goed en zoo kwaad het ging uit de sampan en van onder 
de takken los. Maar mijn roeier, die zeker door schrik en pijn 
zijne zinnen kwijt was, schreeuwde en gilde om hulp, en bewoog, 
zoover de takken het toelieten, zijne met de korte parang gewa- 
pende rechterhand alsof hij zich tegen vijanden verweerde. Het duurde 
een heelen tijd voordat ik hem tot bedaren had gebracht en met zijn 
parang kon verlossen uit zijn groene fuik. 

/^Het eerste wat hij mij toevoegde, toen hij het hoofd buiten de 
bladeren en takken had gestoken en zijne ledematen betast of ze 
niet waren gebroken : ^Heeft de kotoek geen ongeluk voorspeld ? 
En is ons geen ongeluk overkomen ?'''' 

fJk antwoordde niet. Ik voelde zoo iets als vrees in mijn hart 
sluipen. Had ik zijn raad maar opgevolgd. We zijn er nu tamelijk 
goed afgekomen , dacht ik. Zou dat ook in den vervolge het geval zijn P 

^Na lang wikken en wegen besloten wij toch maar weer verder 
te roeien, omdat we al over halfweg waren. 

//Het laatste gedeelte van onzen tocht werd gelukkig zonder on- 
heilen volbracht. Alleen bij het trekken over de laatste en grootste 
riam (stroomversnelling) scheelde het heel weinig of onze sampan 
was omgeslagen door het breken van een der rotanlijnen. 

ffldet was al donker toen wij bij de Dajaksche kampooug voet 
aan wal zetten. 

/t'Aan de landingsplaats bevonden zich slechts een paar oude 
vrouwen en een meisje. 

//Mijne handelsgoederen droegen wij de hooge trap van het ge- 
bouwtje op, dat, tamelijk hoog boveii den grond op eenigen afstand 
van de gemeenschappelijke woning der Dajaks geplaatst, dient tot 
herberging van handelaars, in het algemeen van vreemdelingen. 

//Als wij ons vaartuig hadden vastgelegd en een bad genomen, 
bereidde mijn roeier ons potje rijst met de uoodige laook (toe- 
spijzen) in ons hoog nachtverblijf, terwijl ik in een der hoeken daar- 
van mijn dunne bultzak van alangalangbloemen ontrolde , en daar- 
overheen mijn schuif hangklamboe spande, om zoo spoedig mogelijk 
mijne vermoeide ledematen te kunnen uitstrekken en heerlijk te 
slapen. Doch dit laatste scheen ons niet voorbeschikt te wezen; 
want terwijl wij bezig waren met eten , hoorden wij onder ons ge- 
durig voetstappen en stemmen als van thuiskomende of te gast 
gaande Dajaks. Telkens als zij op de deur der groote woning 



80 SCHETSEN ÜIT BORNEo's WE8TEKAPDEELING. 

hadden geslagen om toegelaten te worden , steeg er tot ons een gegons 
op als van opgejaagde bijen. Tot lang na middernacht werd er toen 
op gongs , tawaktawak en gendangs geslagen , van tijd tot tijd afge- 
wisseld door zeurigen , langzaam golvenden en als over hindernissen 
springenden zang, welke dikwijls overstemd werd door luide bij- 
valskreten, gelach of gejuich van vrouwen en kinderen. 

/^Op eens zwegen het gezang en de muziekinstrumenten, en 
hoorden wij een verward geroep, angstgeschreeuw en gestommel, 
alsof allen in het Dajaksche huis aan het harddraven waren. Wel 
wetende dat bij dergelijke feestelijke bijeenkomsten toewak en 
tjoe (arak) niet worden gespaard, keken wij beiden bevreesd en 
nieuwsgierig door de reten der omwanding. De schrik sloeg ons 
in de beenen ! Uit den voorhoek van het huis sloegen de vlammen , 
waarvan er enkelen bijna aan het dak lekten. Bamboes met water 
werden er tegen leeg gegooid , met stokken trachtte men het vuur 
uit te slaan. Een Dajak, die dronken scheen en bij het werpen 
met water zijn evenwicht verloor , viel door de brandende latten en 
dwarsstijlen op den grond , al kermende en schreeuwende. Vrouwen 
en kinderen vlogen met allerlei voorwerpen beladen de trap af. Na 
een kwartier van ontzetting was men echter den brand meester. 

//Toen kwam er eenige kalmte. Het geloop in de woning hoorden 
we niet meer. Slechts een gewiegel van stemgeluiden golfde tot 
ons op. 

/fWe dachten dat het oogenblik om eens goed in te slapen voor 
ons was aangebroken. We zochten weer onze ligplaatsen op. Het 
genot van het vooruitzicht om eindelijk rust te vinden, deed ons 
reeds de doorgestane oogenblikken van angst en krekeligheid 
vergeten. 

//Maar water, in een kom in beweging gebracht, wordt niet gauw 
stil. Dikwijls kan 't, na regelmatig in rimpeling te zijn geweest, 
plotseling golfjes over den rand werpen. Zoo hoorden we in de Da- 
jaksche woning het geraas zich langzamerhand weer verheffen. Ook 
de muziekinstrumenten ontliepen hun gewone dracht slagen « niet. 
En niet lang daarna begon de oude lawaaistroom opnieuw woest 
te bruisen. Doch gaandeweg veranderden de geluiden van karakter. 
Kort en stootend , krijschend, tierend, warrelden mannen- en vrouwen- 
stemmen door elka&r. Een gestommel als van vechtenden. Alles 
kraakte. Een opengerukte deur. Meuschen die van de trap der 
Dajaksche woning rolden. Stompen , stokslagen , uitdagende kreten. 
Enkelen liepen tegen de palen en de trap van onze tijdelijke woning. 



SCHSTSSN UIT BOBNEO's WSSTSEAlTDEELING. 81 

Verschrikt sprongen wij op. Door de reten der omwanding zagen 
wij , bij het flauwe schijnsel van een flambouw in de zoekende hand 
eener vrouw, een kluwen van Dajaks, die elkaar met parangs te 
lijf gingen. De deur van onar kwartier bonden we goed toe. Voor 
het geval dat een dronken troepje ons een kopje kleiner wilde 
maken, had ik gezien dat ^t kruit in de pan van mijn vuursteen- 
geweer nog niet nat was. En mijn kawan (kameraad) had zijn lans 
en zijn getrokken parang naast zich liggen. 

ffTüog een kwartier hield dat gevecht aan, onder de uitroepen: 
^Ik zal je kop splijten! Daar, dat zal je dood wezen! Slaat hen 
neer! Vermoordt zelu terwijl kinderen huilden en vrouwen met 
krijschende stem hunne mannen uit het gewoel trachtten te trek- 
ken; totdat ten langen leste slaap, uitputting, dronkenschap een 
eind maakten aan den strijd. 

^Eindelijk hadden wij rust. 

//Maar overspanning had natuurlijk ons den slaap uit de oogen 
gejaagd. 

^Waren wij maar de rivier afgezakt toen wij den ongeluks- 
vogel hoorden!^ mompelde mijn roeier. 

^Ik zal H een volgenden keer doen!// beloofde ik plechtig. 
//Zoodra 't licht wordt roeien we naar huis.// 

/rToen het daagde, droegen wij zoo spoedig mogelijk onze barang 
de hooge trap af naar den rivierkant. Daar ons alles scheen tegen 
te loopen, verwonderde 't ons niet onze sampan niet aan te treffen. 
Het water was gerezen en het vaartuig door den stroom meegesleurd. 

//Terwijl wij zoo langs den oever liepen om een andere sampan 
te zoeken, zagen wij in den omtrek van de groote Dajaksche 
woning hier en daar spiernaakte paren snurkend op den grond 
liggen,' en drie Dajaks, niet ver van elkslar, achterover in het 
gras uitgestrekt , met bloedige striemen over het hoofd en de armen. 

//Een oud vrouwtje, dat, met bamboekokers in een berioet op 
den rug naar de rivier ging om water te halen , vertelde dat de drie 
tot bloedens toe geslagen Dajaks broeders waren, die met andere 
gasten twist hadden gekregen over een vrouw, en toen door hen 
werden afgerost met houten zwaarden. Zoodra er een toewakfuif 
wordt gegeven, is namelijk de eerste voorzorg , alle wapens, lansen, 
zwaarden uit het huis in het bosch te verbergen. Aan veohtlustigen 
worden dan houten parangs verstrekt. 

//Waren er van een kampoong bovenstrooms niet eenige Dajaks 

in een groote sampan de rivier afgezakt om zich naar Ngabang 
6« Vogr. IIL 6 



•5: 



2 ÊCMXtwKM czr momMwtj'* 



t^ }j^s(p:ttu, die zi'ti ouziiid^ZLp: ^^^xt'A TczkLuzdem ost beiden 
Met rjüie Tf^^mn o'T€t te To^brea , daa si»di&m v^ zeker Boe uen 
aaa 4em nrieir^erer ktryO^n ^«Vra v^iC Liea vooriat t^* raji de liiui 



E ? ?< A T U M- 

t", ie béjdrttn^n Tan i<^>, > afii'.enriz. biz. JJó, rtzt^ 2 en > • vm ocdereo 
leze aicn v^x/r Sek-lap: 



DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE 
VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOËRA 



DOOR 

Mr. L. W. C. VAN DEN BERG. 



In mijne uiteenzetting van de afwijkingen van het Moj^ammedaan- 
sche familie- en erfrecht op Java en Madoera, opgenomen in 
dl. VII, 5^' Volgreeks, van de Bijdragen tot de Taal-, Laud- 
en Volkenkunde van Nederlandsoh-Indië , heb ik uiteengezet, 
welke, naar mijne meening, uit een juridisch oogpunt de ver- 
houding is tusschen de Mo^mmedaansche wet en het inlandsohe 
gewoonterecht op bedoelde eilanden, en heb ik getracht de voor- 
naamste punten van verschil tusschen beide rechtsbronnen , wat het 
familie- en erfrecht betreft , te formuleeren. De waardeering , welke 
deze poging heeft ondervonden, geeft mij aanleiding thans het- 
zelfde te beproeven ten opzichte van het vermogensrecht. Ik zal 
daarbij de in genoemd opstel aangenomen methode volgen, ten 
einde beide stukken zooveel mogelijk bij elkander te doen aan- 
sluiten. Voor die methode wordt dan ook thans kortheidshalve 
verwezen naar eerstbedoeld stuk, en naar hetgeen ik in mijne 
Nalezing in dl. I der 6*« Volgreeks van dit Tijdschrift op p. ;i08 
en vv. aanvoerde *. 



1 By het ter perse gaan van het hier volgende opstel ontving ik het eerste 
nummer van Wet en Adat (Batavia 1896), een op onbepaalde ty den te verschijnen 
tgdschrift, uitgegeven onder leiding van den heer Mr. J. A. Nederburgh. In dit 
nummer wordt o. a. door dien geachten schr^ver opgekomen tegen m^ne even- 
bedoelde constructie van de verhouding tusschen de Mo^ammedaansche wet en 
het inlandsche gewoonterecht. Ik geloof, dat het verschil , tusschen de constructie 
van den heer Nederburgh en de m\jne, inderdaad minder groot is, dan h^ ver- 
meent, en dat, waar h^ als slotsom van z^ne redeneering, op p. 72, zegt hoe 
dan , volgens hem , het dogmatische Mo^ammedaansche recht moet worden toegepast, 
eene uitspraak wordt gegeven, welke, althans voor de practyk, van myn 
gevoelen niet noemenswaardig afwijkt. Immers wensch ook ik niet ander»? dnn 
dat, door de adat van den Islam overgenomen, instellingen naar de Mo^unme- 



84 DB AVWUlLISam tak hst MOHAlOnEDAANSOHS 



§ 1. AlGEMKSNE BSSOHOUWIKOEN. 

Vogens de artt. 11 — 13 der Algemeene Bepalingen van Wetgeving 
voor Nederlandscfa-Indië , in verband met art. 75 van het Regeerings- 
reglement worden op de Inlandsche of daarmede gelijkgestelde 
bevolking alleen dan hare godsdienstige wetten, volksinstellingen 
en gebruiken toegepast, wanneer geene vrijwillige onderwerping 
aan het Europeesche buigerlijk en handelsrecht heeft plaats ge- 
vonden; voorts wanneer die wetten, instellingen en gebruiken niet 
in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en 
rechtvaardigheid, en eindelijk, wanneer onze wetgever de rege- 
ling van het onderwerp niet aan zich heeft getrokken , hetzij door 
toepasselijkverklaring van het Europeesche recht op bedoelde be- 
volking, hetzij door opzettelijk, met het oog op haar, uitgevaar- 
digde verordeningen , hetzij eindelijk door regeling van het onder- 
werp in het algemeen voor alle ingezetenen '. 

Deze punten verdienen, wat het vermogensrecht aangaat, eene 
meer uitvoerige toelichting dan bij het familie- en erfrecht te pas 
kwam. Wat het eerste punt betreft, de vrijwillige onderwerping, 
zoo neemt men terecht aan, dat die ten aanzien van het familie- 
en erfrecht alleen kan plaats hebben in het geval, bedoeld bij art. 
15 O verg. , waar als voorwaarde voor de bestaanbaarheid van een 
wettig huwelijk, tusschen personen behoorende tot de Europeesche 



daansche wet worden opgevat en toegepast, — wanneer niet blgkt, dat de adat 
daaraan iets heeft veranderd. Die veranderingen z^n dus uitzonderingen, welke 
moeten bewezen worden, en men zal omgekeerd niet behoeven te bewijzen, dat 
elk voorschrift van de Moil^ammedaansche wet ten aanzien van zekere instel- 
lingen is gerecipieerd , indien de receptie van die instelling in het algemeen vast- 
staat. Dit nu, en niet meer, is hetgeen men onder receptio in complexu 
verstaat. Had de heer Nederburgh, nevens de door hem uit myne Nalezing ge- 
geven aanhalingen, ook geciteerd wat op p. 302 en vv. daarvan voorkomt, zoo 
zoude hy hebben bemerkt, dat hij n^j Mol^ammedaansche gevoelens toedicht, 
welke ik niet huldig, en vermeen ook niet te hebben uitgesproken. Verder kan 
ik te dezer plaatse niet ingaan op het opstel van den heer Nederburgh, hetwelk 
ik , in complexu, d. w. z. zonder daarom nog elke zinsnede te onder- 
schreven, beschouw als één der meest doorwrochte commentaren, tot dusverre 
op art. 75 Reg. Regl. geleverd, en hetwelk stellig de bijzondere aandacht van 
den wetgever zal trekken, wanneer eenmaal tot herziening van bedoeld artikel 
zal worden overgegaan. Dat ik ten slotte aan het, door den heer Nederburgh 
opgerichte, juridische orgaan een lang en voorspoedig leven toewensch, behoef ik 
wel niet met vele woorden toe te lichten. 

* Zie, in denzelfden geest, Nederburgh, t. a. p. , p. 46 en vv. 



YERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 85 

of daarmede gelijkgestelde en tot de inlandsche of daarmede gelijk- 
gestelde bevolking, wordt gevorderd, dat de inlandsche partij 
zich vooraf aan het geheele burgerlijk en handelsrecht der Euro- 
peesche partij hebbe onderworpen. De speciale onderwerping , met 
het oog op eene bepaalde rechtshandeling, bedoeld bij de artt. 
11 — 13 Alg. Bepp. , kan, ofschoon de woorden dier artikelen op 
zich zelve voor verschil van opvatting ruimte laten, alleen op het 
vermogensrecht betrekking hebben. Dit althans is het meest ver- 
breide gevoelen '. 

Deze bevoegdheid nu tot onderwerping aan het Europeesche 
burgerlijk en handelsrecht is langzamerhand van grooten invloed 
geworden op de toepasselijkheid van het inlandsche vermogens- 
recht. Op de hoofdplaatsen namelijk, en vooral op de groote han- 
delsplaatsen langs Java^s Noordkust, wordt het meer en meer 
gebruik, dat, bij transacties van zoodanig belang, dat notarieele 
tnsschenkomst daarbij wordt ingeroepen, speciaal wanneer Euro- 
peanen of aan het Europeesche recht onderworpen Vreemde Ooster- 
lingen bij de zaak betrokken zijn, de inlandsche partij zich te 
dien aanzien onderwerpt aan het recht der wederpartij. Noodzakelijk 
is echter zulks niet ^ , daar, gelijk ik elders reeds ten opzichte van de 
notarieele testamenten der inlanders opmerkte '' , de akte wel blij- 
kens art. 19 Alg. Bepp., wat haren vorm betreft, per se door 
het Europeesche recht wordt beheerscht, maar niet ten opzichte 
van den materieelen inhoud. Het gevolg van dit meer en meer 
toenemend gebruik is natuurlijk, dat het inlandsche vermogens- 
recht, juist ten aanzien van de belangrijkste transacties , dikwijls niet 
van toepassing is. Intusschen mag niet worden uit het oog ver- 
loren dat, zelfs wanneer onderwerping aan het Europeesche recht 
bij het sluiten der overeenkomst heeft plaats gehad, de interpre- 
tatie der bewoordingen van de overeenkomst toch naar het inland- 



* Vergl. Handelingen der N. l. Juristen vereeniging , Jaarg. 1887, dl. I, p. 20 en 21. 

* Maar wel hoogst wenschelijk. Mocht immers eene overeenkomst tusschen par- 
tyen, die aan een verschillend recht zyn onderworpen, gesloten worden, zonder 
dat men vooruit heeft bepaald door welk recht die overeenkomst zal worden 
beheerscht, en de overeenkomst later onverhoopt niet worden nagekomen, zoo 
zal de nakoming moeten worden gevorderd bij den rechter van de partij , welke in 
gebreke is. Die rechter zal dan op de overeenkomst het recht van den gedaagde 
moeten toepassen, zoodat de vraag, naar welk recht ten slotte de overeenkomst 
zal worden beoordeeld, onzeker blijft, totdat blyke wie van beide partijen in de 
voldoening aan hare verplichtingen te kort schiet. 

' * Vergl. Familie- en erfrecht, p. 510, 511. 



86 DE AFWIJKINGEN VAN HRT MOHAMMEDAANSCHC 

9che recht moet geschieden, bijaldien partijen blijkbaar een in- 
landsch kontrakt op het oog hadden '. Als veel voorkomende 
overeenkomsten van laatstgenoemden aard, tusschen personen ge- 
sloten, die niet en die wel aan het Europeesche privaatrecht zijn 
onderworpen, noem ik hier slechts den verkoop met recht van 
wederinkoop , in zijne verschillende functies , de landhuurcontracten 
in de Vorstenlanden, het contractns aestimatorius en de 
meeste werkkontrakten met inlandsche arbeiders, over alle welke 
transacties later in dit opstel zal worden gehandeld. 

Eene andere oorzaak van niet-toepasselijkheid van het inland- 
sche vermogensrecht is op dezelfde plaatsen gelegen in het feit, 
dat aldaar van de belangrijkste vaste goederen der inlanders de 
titels zijn ingeschreven in de Europeesche registers van eigendom 
en andere zakelijke rechten, met inachtneming der voorschriften 
van Ind. Stbl. 1834 N« 27 «. Dit zelfde geldt ook van de zoo- 
genaamde particuliere landerijen bewesten en beoosten de rivier 
Tji Manoek, en van de perceelen domeingrond door het Gou- 
vernement in erfpacht of opstal aan inlanders afgestaan. Daar 
in het algemeen de conflicten tusschen het Europeesche en het 
inlandsche recht moeten worden beoordeeld en opgelost naar de 
beginselen , in het internationaal privaatrecht gehuldigd , zoo zal 
men ook den inlander, naar analogie van art. 17 Alg. Bepp., 
voor alle zoodanige gronden als stilzwijgend onderworpen moeten 
aanmerken aan het Indische Burgerlijk Wetboek '. Natuurlijk is 
hij tevens voor die gronden onderworpen aan de speciale wettelijke 
voorschriften, ten aanzien van elke soort uitgevaardigd, als de 
reglementen op de particuliere landerijen, en die op de uitgifte 
van domeingrond in erfpacht of opstal *. 

Wat de stilzwijgende onderwerping van den inlander, met be- 



1 Vergl. artt. 1319, 1339 Ind. B. W. = artt. 1365, 1375 Ned. B. W., en zie Neder- 
burgh, t. a. p., p. 75. 

• Vergl. Nederburgh , t. a. p. , p. 48 en w. Bij de argumenten , door dien schry ver 
aangehaald voor de toepasseiykheid van bedoelde ordonnantie op Inlanders, kan 
nog gevoegd worden het voorschrift van art. 21 daarvan. 

• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 4. 

• Men vindt die reglementen met de wijzigingen , welke zy later hebben onder- 
gaan, vermeld in den Regeeringsalmanak voor Ned. Ind., en toegelicht in de 
bekende Handleiding tot de kennis van het staats- en administratief recht van 
Ned. Ind. door Prof. Mr. J. de Louter, 4<*« druk, p. ö9S en vv. Op de rechts- 
vragen, waartoe zy aanleiding geven, afgescheiden van hun verband met het 
Inlandsche recht, meen ik in dit opstel niet te mogen ingaan. 



YEKMOeVNSIlEOHT OP JAVA EN MADOEHA. 87 

trekking tot alle hier bedoelde gronden , aan het Indische Burgerlijk 
Wetboek betreft , zoo zal men die onderwerping intasschen niet verder 
mogen uitstrekken dan de evenbedoelde beginselen van het internatio- 
naal privaatrecht vorderen. Men zal dus naar het Indische Burgerlijk 
Wetboek moeten beoordeelen , wat onroerend goed is ' , den omvang 
en den inhoud van het zakelijke recht , de beperkingen daarvan in 
het algemeen belang en dat van naburige erven ^ , de wijze van 
verkrijging of verlies ' , den aard en de gevolgen van het bezit, 
de wettelijke kracht en^ werking eener overeenkomst het goed be- 
treffende , den vorm en de voorwaarden der gerechtelijke uitwinning , 
en de wijze om dat goed met zakelijke lasten te bezwaren of het 
voor schuld te verbinden. Daarentegen zal het goed in quaestie 
wederom naar het recht van den inlander worden beoordeeld, 
wanneer het als deel van zijn vermogen fungeert, bv. bij het erfrecht, 
de bevoegdheid om daarover te beschikken, enz. ^ De praktijk is, 
voor zooverre mij bekend , met deze beginselen in overeenstemming. 
Nimmer is bv. betwist, dat de inlandsche eigenaar van een parti- 
culier land dit met hypotheek kan bezwaren , ofschoon zijn nationaal 
recht die instelling niet kent , noch omgekeerd , dat zoodanig land 
bij overlgden van den inlandschen eigenaar tusschen diens erfge- 



* De vraag, wat onroerend goed is, ten opzichte van de niet volgens Ind. 
Stbl. 1834 n" 27 ingeschreven perceelen, blyfl door het inlandsche recht beheerscht 
Vergl. Nederburgh, t. a. p., p. 49. De stelling van den heer Mr. M. C. Piepers 
(Tijdschr. Het R. in N. I., dl. XL Vil (1886), p. 28C), 281), dat, door de ordonnantie 
van Ind. Stbl. 1834 No 27, stilzwygend het inlandsche recht ten aanzien van 
de vraag, wat onroerend goed is, in het algemeen zoude zyn afgeschaft, gaat 
m. i., op de door den heer Nederburgh aangevoerde gronden, te ver. 

' Verkeeren die naburige erven niet in denzelfden rechtstoestand, d. w. z. 
worden op het eene inlandsche, en op het andere Europeesche zakel\jke 
rechten uitgeoefend, zoo heeft men ten aanzien der servitutes legales een 
nieuw rechtsconflict , dat wederom moet worden opgelost naar dezelfde begin- 
selen , als men in een analoog geval zoude huldigen tusschen twee erven , waarvan 
bv. het eene in Nederland en het andere in België of Duitschland ligt. 

• Bv. de verjaring. Het inlandsche recht, in overeenstemming met hetMoil^am- . 
medaansche, kent de acquisitieve verjaring niet. Zie ben. § 8. 

♦ Vergl. , voor hetgeen hier omtrent het internationaal privaatrecht wordt mede- 
gedeeld, Mr. T. M. C. .\sser: Schets van het internationaal privaatrecht, p. 66 
en vv. , en Diephuis: Het Nederl. Burg. Regt, dl. I , p. 70 en vv. Verwerpt men met 
sommigen de leer, dat art 17 Alg. Bepp. v. N. ï. (= art. 7 Ned. Alg. Bepp.) de 
in de laatste plaats door my vermelde restrictie toelaat , zoo zal men die restrictie 
ook niet ten aanzien van den inlander in quaestie kunnen aannemen. Vergl. 
Opzoomer: Aanteekening op de wet houdende algemeene, bepalingen van wetge- 
ving, p. 150. 



88 DE APWIJKINOEN VAN HET MOHAMMEDAANSOHE 

namen moet worden yedeeld , naar de voorschriften van den Islftm , 
en niet naar die van het Indische Burgerlijk Wetboek. 

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de aan inlanders 
toebehoorende schepen , waarvan eigendomstitels volgens Ind. Stbl. 
1884 N« 27 bestaan. 

De in de tweede plaats door onze wet aangegeven oorzaak van 
niet-toepasselijkheid der godsdienstige wetten, volksinstellingen en 
gebruiken , namelijk de strijd met algemeen erkende beginselen van 
billijkheid en rechtvaardigheid, kan men zeggen, dat ten aanzien 
van het vermogensrecht niet in aanmerking komt. Zoowel de voor- 
schriften van de Mohammedaansche wet, als de specifiek Javaansche 
instellingen hieromtrent, laten zich bijna allen even goed ver- 
eenigen met de natuurlijke begrippen van billijkheid en rechtvaar- 
digheid, als die van ons burgerlijk en handelsrecht. Waar dit ten 
aanzien van een enkel voorschrift niet het geval is , zoo heeft men 
te doen met een gevolg van de bepalingen omtrent het personen- 
of staatsrecht , bv. de slavernij of de beperkende bepalingen , waaraan 
ongeloovigen zijn onderworpen; maar het vermogensrecht zelf is 
daarvan gemakkelijk principieel af te scheiden. Het inlandsche 
recht, Motiammedaansch of niet, moge niet zoo ontwikkeld zijn 
als het onze ; het moge tal van instellingen , in eene Europeesche 
maatschappij onmisbaar, gelijk de verjaring en de hypotheek, ont- 
beren , dit alles is nog geene reden om het als onbillijk of onrecht- 
vaardig te qualificeeren. 

Daarentegen is op geen enkel gebied van het privaatrecht door 
onzen wetgever zoozeer ingegrepen als ten aanzien van het ver- 
mogensrecht , ofschoon dit desniettegenstaande in hoofdzaak inlandsch 
is gebleven. De gedane grepen, hoe gewichtig ook op zich zelf, 
blijven steeds uitzonderingen , in verhouding tot het geheel , van 
ondergeschikt belang. In de volgende bladzijden zal dit bij de be- 
handeling der verschillende onderwerpen blijken. Hier wijs ik er 
slechts op, dat bij de bekende ordonnantie, te vinden in Ind. Stbl. 
1855 N<* 79, op alle met inlanders gelijkgestelde personen, de zoo- 
genaamde Vreemde Oosterlingen , ook wanneer zij den Mohamme- 
daanschen godsdienst belijden, met enkele uitzonderingen zijn toe- 
passelijk verklaard het geheele tweede, derde en vierde Boek van 
het Indische Burgerlijk Wetboek, benevens het Indisch Wetboek 
van Koophandel en het Beglement op de Burgerlijke Rechtsvordering. 
Bovendien worden, volgens art. 9 dier ordonnantie, ten opzichte 
van de toepassing daarvan , ook als Vreemde Oosterlingen beschouwd 



VBRMOGENSRKCHT O? JAYA EN MADOEKA. 89 

alle inlanders, die zich baiten het gewest, waarvan zij afkomstig 
zijn , ophouden , baiten de leiding der plaatselijke hoofden , en 
zonder zich met de plaatselijke inheemsche bevolking te hebben 
vermengd. Een niet minder belangrijke en verreikende greep werd 
in het inlandsche vermogensrecht gedaan door de zoogenaamde 
Agrarische Verordeningen , als uitvloeisel van de Agrarische Wet 
(Ind. Stbl. 1870 N« 55) tot stand gekomen. 

Er bestaat echter nog een andere, niet op de wet, maar op den 
feitelijken toestand berustende factor voor de toepassing van het 
Europeesche privaatrecht ten aanzien van verbintenissen en zakelijke 
rechten op den inlander, in stede van zijn nationaal recht. Evenals 
in elk land ter wereld , geeft ook op Java en Madoera de massa der 
bevolking zich over het geheel weinig rekenschap van dit gedeelte van 
het recht. Iedereen stelt er belang in te weten, welke zijne verhou- 
ding is tot zijne vrouw en zijne kinderen , wie zijne eventueele erfge- 
namen zijn , of van wie hij zelf eventueel zal moeten erven. Maar, 
wanneer men den stand der landbouM'ers met opzicht tot de agra- 
rische toestanden uitzondert, is het getal gering van hen, die zich 
in alle opzichten rekenschap geven van de rechtsgevolgen hunner 
handelingen, welke het vermogen betreffen. Men weet, dat, als 
men iets leent, men het moet teruggeven; dat, als men iets koopt, 
men het moet betalen; dat, als men eigenaar is, men aanspraak 
heeft op het bezit met uitsluiting van anderen; maar verder dan 
deze algemeenheden gaat het rechtsbewustzijn van slechts weinige 
personen. Of bv. er verschil bestaat tusschen bruikleen en ver- 
bruikleen ten aanzien van den eigendomsovergang; of het risico 
van eene gekochte zaak overgaat door het contract dan wel door 
de levering; of er verschil bestaat in gevolgen tusschen juridisch 
en natuurlijk bezit, enz., zijn vragen, waarvoor ook ten onzent 
alleen in een zeer beperkten kring van Nederlanders belangstelling 
wordt aangetroffen. Bij de mingegoeden komen trouwens degelijke 
quaesties in de praktijk niet voor. Deze oorzaken werken natuurlijk 
in den Archipel, nog sterker dan in West-Europa, om het alge- 
meene rechtsbewustzijn ten opzichte van verbintenissen en zakelijke 
rechten zwak te doen blijven , en dewijl , vóór de inlandsche recht- 
banken op Java en Madoera, partijen in den regel van rechts- 
geleerden bijstand verstoken zijn, vindt men in het hier aangevoerde 
eene gereede verklaring , waarom , ten opzichte van die onderwerpen , 
in rechten zooveel minder beroep wordt gedaan, hetzij op de 
Mohammedaansche yret, hetzij op. de specifiek inlandsche afwijkingen 



90 DE APWIJVIlTGÜf TAir nrr MOHAinCEDAAIfSCHV 

Yan die wet, dan met betrekking tot het familie- en erfrecht het 
ge^al is. Daamit Iaat zich ook yerklaren , dat Europeesche schrijvers 
over inlandsche toestanden ons zooyeel meer mededeelen omtrent 
het fiamilie- en erfrecht, dan omtrent het vermogensrecht. Het 
bewustzijn omtrent het eerste leeft bij grooten en geringen, 
en valt in het oog , zoodra men zich in de inlandsche maatschappij 
beweegt; dat omtrent het tweede is, als men de agrarische ver- 
houdingen uitzondert, iets waarnaar men moet zoeken. 

De inlandsche rechtbank , voorgezeten door een Europeesch amb- 
tenaar, is uit den aard der zaak geneigd om, waar door partijen 
zelf geen beroep op hun speciaal recht wordt gedaan , het er maar 
al te dikwijls voor te houden, dat het eene zaak geldt, niet bij 
de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken geregeld, 
en welke dus, volgens de laatste alinea van art. 75 Reg. &egl., 
beoordeeld en beslist moet worden naar de beginselen van het 
voor Europeanen geldende privaatrecht. Wel is waar is deze handel- 
wijze principieel onjuist, en zoude de rechtbank verplicht zgn in 
zoodanig geval ambtshalve te onderzoeken, wat het voor den 
inlander geldende recht vordert; maar de vele werkzaamheden, 
waarmede, zoo niet alle, dan toch de meeste landraadsvoor- 
zitters zijn belast, maken het niet zelden onmogelijk van elke 
zaak — soms van zeer gering geldelijk belang — eene weten- 
schappelijke studie te maken. Wegens het over het algemeen zwakke 
rechtsbewustzijn der bevolking ten aanzien van de onderwerpen, 
welke het hier geldt, vindt de zooeven omschreven methode bij 
de inlandsche leden der rechtbank zelden tegenspraak , en men kan 
dan ook niet ontkennen, dat zij uit een practisch oogpunt lang 
niet zoo verwerpelijk is, als zij op theoretische gronden schijnt '. 
De persoon, die door zijn ambt nog het meest geroepen zoude 
zijn, om zich tegen de overdreven toepassing van Europeesche 
beginselen van privaatrecht te verzetten, is natuurlijk de Pang- 
oeloe; maar, aannemende dat deze altijd een voldoend ont- 
wikkeld en onafhankelijk persoon is , zoo heeft hij toch slechts eene 



' In zyne redevoering, gehouden in de vergadering van het Indisch Genootschap 
van 7 Januari 1896, p. 19, zeide nog de heer Mr. J. H. Abendanon : „Dit laatste", 
nameiyk het nemen tot richtsnoer van de algemeene beginselen van het Euro- 
peesche privaatrecht, „is het plechtanker der practijk". De uitspraak is in het 
algemeen zeker waar ; doch de geachte rechtsgeleerde had er m. i. moeten b^- 
voegen, dat die „practük", met hoe goede bedoelingen soms ook gevolgd, in 
strüd is met de wet en met den regel: cQria novit jus. 



VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 91 

adviseerende stem , en komt hij in den regel bijna aitslaitend op 
voor het doctrinaire Mohammedaansche recht, maar zeer zelden 
voor de specifiek inlandsche instellingen Bij de Kaden van Justitie 
worden de appellen van de vonnissen der inlandsche rechtbanken 
meestal door rechtsgeleerde raadslieden voorgebracht, en in den 
regel ook nauwgezetter behandeld, al ware het slechts wegens de 
grootere geldelijke belangen en het geringer aantal. Daar wordt 
dan ook veel op inlandsch recht beroep gedaan, en dat recht 
toegepast. Van verreweg de meeste vonnissen der inlandsche recht- 
banken wordt echter natuurlijk geen hooger beroep aangeteekend. 
De cassatie is, gelijk reeds herhaaldelijk werd betoogd, voor de 
handhaving van het inlandsche materieele privaatrecht een absoluut 
deugdeloos middel ^ 

In het bovenstaande ligt de verklaring, hoe, door een samen- 
loop van omstandigheden, het Europeesche recht ten aanzien van 
verbintenissen en zakelijke rechten op weg is om op Java en Madoera 
langzamerhand door gewoonte voor den inlander eene belangrijke 
rol te gaan vervullen, ja zelfs in zijn rechtsbewustzijn te worden 
opgenomen. In het wezen der zaak heeft men hier te doen met 
gelijksoortige oorzaken, als welke in de Middeleeuwen de receptie 
van het Bomeinsche recht in Europa, speciaal omtrent verbinte- 
nissen en zakelijke rechten , hebben te weeg gebracht , namelijk 
onvoldoendheid van het nationale recht voor de behoeften van een 
meer ingewikkeld maatschappelijk verkeer, grootere ontwikkeling 
van het vreemde recht, en den invloed van juristen, die hunne 
studie aan de hand van het vreemde recht hebben gemaakt. 

Intusschen is tegen dien , ik zoude bijna zeggen officieelen , 
stroom van Europeesch recht, vooral in de laatste 25 jaren een 
krachtige stroom van meer zuiver Mohammedaansch recht merk- 
baar. Ten gevolge van de gemakkelijker geworden communicatie 
met Mekka neemt het getal van hen, die in de heilige stad het 
juridische en theologische onderwijs hebben gevolgd , meer en meer 
toe. De in den Archipel gezaghebbende Arabische werken , speciaal 
de juridische , zijn allen reeds te Caïro, te Mekka of elders in de Levant 
gedrukt, en die uitgaven zijn zoo goedkoop, dat zij onder het 
bereik van bijna eiken welgestelden inlander vallen. Zij vinden dan 
ook op Java en Madoera een ruim debiet; terwijl vroeger de Ara- 



' Zie o. a. de praeadviezen van nu wylen de heereii Hulshoff Pol en Keiser in 
den eersten jaargang van de Handelingen der Ned. Ind. Jur, Ver. , dl. I , p. 247 en w. 



9£ DK AFWUKINOEN TAN II KT MOHAMMBDAANSCHE 

bi9che juridische werken, slechts in handschrift bestonden, en 
alleen reeds wegens hun hoogen prijs door slechts weinigen konden 
worden aangeschaft. Ook de kennis der Arabische taal wordt, deels 
door dezelfde oorzaken, deels door de grootere uitbreiding der 
Arabische koloniën , althans langs Java^s Noordkust , langzamerhand 
raeer algemeen , dan oudtijds het geval was. Dit alles komt natuur- 
lijk aan de populariteit der zuiver Mo^ammedaansche rechtsbegin- 
selen ten goede, en wel in het bijzonder onder dat gedeelte 
der bevolking, hetwelk buiten de inlandsche ambtenaarswereld 
staat, maar zich met handel of industrie emeert, en, evenals 
overal ter wereld, ook op Java en Madoera het meest processen 
over verbintenissen en zakelijke rechten voert '. 

De specifiek Javaansohe instellingen omtrent het vermogens- 
recht geraken , ten gevolge van een en ander , hoe langer hoe meer 
op den achte^rond. Wordt door de partijen vóór den inlandschen 
rechter op eigen rechtsbeginselen beroep gedaan , zoo is het, althans 
op de hoofdplaatsen en groote centra van bevolking, in den 
regel op de voorschriften van de Mohammedaansche wet. Alleen 
waar het dorpsverband en het grondbezit in het spel zijn, ziet 
men, vooral in Midden-Java, den inlander ook dikwijls een beroep 
doen op zijne , niet in de Mohammedaansche wet beschreven , aloude 
volksinstellingen en gebruiken. 

Behoudens hetgeen hierboven omtrent den invloed van het Euro- 
peesche privaatrecht werd opgemerkt, kan men tegenwoordig het 
dogmatische Mohammedaansche recht omtrent verbintenissen en 
zakelijke rechten reeds als voorheersohend beschouwen op de groote 
handelsplaatsen langs Java^s Noordkust. Te Batavia en in de Bata- 
viasche Ommelanden spreekt dit verschijnsel zich het sterkst uit. 
Overigens is het Mohammedaansche recht ten deze het meest in het 
bewustzijn der bevolking doorgedrongen in Bantam, de Preanger- 
Regentschappen , de afdeeling Buitenzorg en Krawang , gelijk mede 
op het eiland Madoera, doch het minst in de Vorstenlanden , 
Banjoemas, Bagelen, Kadoe en Kediri. In Madioen hebben de 
talrijke godsdienstscholen ook indirect veel bijgedragen, om de 
Arabische rechtsboeken populair te maken. In West-Java zijn een 
aantal Arabische rechtstermen als b&qq, milk, hibah, wa^ijah, 
harim, enz., zij het soms in, naar de inlandsche uitspraak ge- 



* Vergl. nog over dit punt mijn opstel: Het Kruis tegenover de Halve Maan, 
in de Gids, afl. Oktober 1890, p. 81 en v., en Nederburgh, t, a. p., p. 61. 



YEKMOGBKSBEOHT OP JAVA EN MADOERA. 93 

wijzigden vorm , bij het gros der bevolking , zelfs op het platte land , 
in gebruik. Aan de beteekenis van dit feit wordt niet te kort 
gedaan door de omstandigheid , dat de mindere man , die termen 
gebruikende, zich zelden volledig rekenschap geeft van hunne juri- 
dische waarde * . In dit opzicht staat hij trouwens wederom gelijk met 
den burgerman in Nederland, die, als hij van ^recht/i^, ^eigendom//, 
^schenking//, //legaat//, of //aanhoorigheid>r spreekt, bijna nooit 
eene in alle opzichten juiste en volledige voorstelling heeft van 
de juridische begrippen, welke bedoelde woorden vertegenwoor- 
digen in ons positieve recht ^. 

In bovenstaande opmerkingen ligt de sleutel tot het juist ver- 
stand van hetgeen in dit opstel verder zal worden vermeld. Voor- 
eerst volgt er uit, dat omtrent geen onderdeel van het privaatrecht 
van den inlander zoo groote onbestemdheid heerscht als omtrent 
de instellingen , welke hier zullen worden behandeld , de agrarische 
toestanden uitgezonderd. Niet alleen immers is het recht te dien 
aanzien zelve zwevend; dit toch is met elk recht het geval, dat 
grootendeels op gewoonte berust. Maar de zaak wordt hier nog 
nevelachtiger dan bij het familie- en erfrecht, omdat men inder- 
daad ik priori in vele gevallen moeielijk kan nagaan, welk recht 
door de inlandsche rechtbank zal worden toegepast op eene be- 
paalde handeling. In de tweede plaats zijn de bronnen, speciaal 
voor de verbind tenissen , schraal; zij zijn ten minste aanmerkelijk 
schraler dan voor het familie- en erfrecht. Het bekende Eindresumé 
bevat niet slechts voor de kennis van het grondbezit, maar ook 
voor die der verbintenissen vele gegevens. Men vergete echter niet , 
dat het in 1867 en 1868 gehouden onderzoek, hetwelk aan dit 
werk ten grondslag strekte, hoofdzakelijk een agrarisch onderzoek 
was, dat het verbintenissen, niet met de agrarische toestanden 
verband houdende, buiten beschouwing liet; dat bedoeld onder- 
zoek op belangrijke gedeelten van Java en Madoera geene betrek- 
king had, en dat het vooral de stedelijke bevolking zoo goed als 
met stilzwijgen voorbijging. En nu zijn het natuurlijk juist de 
groote centra van bevolking, waar het rechtsbewustzijn omtrent 
verbintenissen het meest ontwikkeld, is, tengevolge van het meer 
levendige verkeer. 



* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 2. 

* De vermoedelijke oorzaak van het verschil in receptie van het Mo]^ammedaansche 
recht in de onderscheidene deelen van Java en Madoera heb ik elders uiteen- 
gezet. Zie o. a. mijne Mo^ammedaansche geestelykheid , p. 35 en w. 



94 DB AFWIJKINGEN VAN UET MOUAMMEDAAN80HE 

In een en ander is ten slotte ook de verklaring gelegen, waarom 
ik mij in de volgende bladzijden nog meer dan in mijn opstel 
over het familie- en erfrecht, tot hoofdpunten zal bepalen. Zij, die 
in het land zelf in de gelegenheid zijn de inlandsche rechts- 
begrippen te onderzoeken of toe te passen, zullen mij verplichten 
door mijn arbeid aan te vullen , en op hunne beurt bekend te 
stellen, in hoeverre mijne algemeene resultaten plaatselijk al dan 
niet uitzondering lijden. Zal eenmaal het privaatrecht voor den 
inlander worden gecodificeerd, zoo is een dergelijke voorarbeid on- 
ontbeerlijk. 

§ 2. Verbintenissen. 

Omtrent de algemeene leer der verbintenissen , gelijk mede 
omtrent het karakter,' de vereischten of de gevolgen der afzonder- 
lijke overeenkomsten, kan men zeggen, dat de voorschriften van 
de Mol^ammedaansche wet vrij wel in het rechtsbewustzijn der 
bevolking zijn ingedrongen. Trouwens de inlanders, die over der- 
gelijke abstracte begrippen nadenken — uit den aard der zaak 
niet velen — hebben hunne wijsheid ten deze aan de geschriften 
der Arabische juristen ontleend, behalve natuurlijk voor zooverre 
zij bij ons ter schole zijn geweest. Herhaaldelijk vindt men dan 
ook rechterlijke uitspraken gepubliceerd, waarin in dit opzicht 
zuiver Mo^ammedaansch recht werd toegepast, zonder vooraf te 
overwegen, of die toepassing overeenkwam met de plaatselijk gel- 
dende begrippen ^. Men beschouwt dit blijkbaar als iets, dat van 
zelf spreekt. Ook de Javaansche wetten der Vorstenlanden gaan 
ten deze van de beginselen van den Isl&m uit. Men zie bv. 
Naw&l& Pradata artt. 30, 31 en Anggër Sad&sa artt. 9 , 9^7 omtrent 
de verantwoordelijkheid voor ongelukken door iemands huisdieren 
veroorzaakt en omtrent onrechtmachtige daden, en Anggër Sadasa 
art. 32 over de ontbinding eener overeenkomst wegens wan- 
praestatie *. 



1 Zie , onder meer , de rechterlüke uitspraken gepubliceerd in het Tgdschr. Het 
Recht in Ned. Ind., dl. XIX (1861), p. 305 en v., en in het Ind. Weekbl. v. h. 
Recht, No» 1023 en 1624. 

* De artikelen van de Javaansche wetten der Vorstenlanden zgn in dit opstel 
geciteerd naar de vertaling, voorkomende in het Tydschrift: Het Recht in N. I. 
dl. 1 (184<>) , p. 327 en vv. 



YBKMOQSNSBEGHT 0¥ JAVA EN MADOSBA. 95 

Slechts ten aanzien van enkele punten , de algemeène leei der ver- 
bintenissen betreffende , wijkt het inlandsche rechtsbewustzijn op Java 
en Madoera beslist van de voorschriften der Molbammedaansche 
wet af. Zoo zal geen inlander op die eilanden er aan denken , dat 
wijn, sterke drank, benevens sommige afbeeldingen van menschen 
of dieren, en sommigen zijner nationale mnziekinstrumenten , ab 
door den Islftm verboden, buiten het handelsverkeer zijn. Daar- 
entegen kent de Isl&m wederom niet, als oorzaak van onttrekking 
van roerende of onroerende goederen aan het handelsverkeer, dat 
deze, om godsdienstige redenen, bv. omdat zij tot verblijf van 
geesten strekken, niet mogen worden aangeraakt of betreden. In 
het Javaansch heet deze toestand: angkër, in het Maleisch en 
en Soendaasch: boejoet ^. Over de afwijkingen ten aanzien van 
de persoonlijke bevoegdheid om zich te verbinden van minder- 
jarigen, onder curateele gestelden, slaven en ongeloovigen, gelijk 
mede over de bereddering van insolvente boedels, en van die van 
afwezigen, heb ik elders het noodige gezegd^. Eéne belangrijke 
afwijking van het Mohammedaansche recht ten aanzien van de 
algemeene leer der verbintenissen, is verder, dat deze in ons ge- 
heele rechtstreeksche gebied te niet gaan door verjaring. Bij Ind. 
Stbl. 1882 N<^. 41 is namelijk de extinctieve praescriptie voor 
alle ingezetenen van Nederlandsch-Indië geregeld, en, ofschoon 
deze regeling voor Europeanen en met hen gelijkgestelden in 1848 
is komen te vervallen, tengevolge van de nieuwe voorschriften 
omtrent dit onderwerp, in het Burgerlijk Wetboek vervat, zoo is 
die regeling toch voor inlanders blijven bestaan '. Eindelijk is op 
Madoera en in de Madoereesche streken van Java het wedden en 



1 Vergl. Veth: Java, dl. III, p. 132, benevens de Mal. Jav. en Soend. woorden- 
boeken s. V. 

« Vergl. FamUie- en erfrecht, p. 455, 464, 479 en w., 495-500 en 503. 

* Dat het in de bedoeling van den wetgever lag de voorschriften van Ind. 
Stbl. 1832 No 41 ook op niet-Ëuropeanen te doen slaan, bl^kt uit het slot dier 
publicatie, waar vertaling in de inlandsche en Chineesche talen gelast wordt. 
Voor Vreemde Oosterlingen, ook die den Isl&m beladen, is de regeling komen te 
vervallen , ten gevolge van de toepassel^k- verklaring op hen van de voorschriften 
van het Ind. Burg. Wb., bg Ind. Stbl. 1855 N» 79. In de Vorstenlanden geldt 
Ind. Stbl. 1832 No 41 niet voor Inlanders, volgens art. 27 al. 2 Reg. Regl.; maar 
geldt Ind. StbL 1855 No 79 wel voor Mohammedaansche en andere Vreemde Ooster- 
lingen, omdat deze aldaar de rechtstreeksche onderdanen van het Gouvernement 
zyn, volgens de bestaande kontrakten met de inlandsche vorsten. Zie over deze 
aangelegenheid nog het arrest van het Hoog Gerechtshof dd. 31 Januari 1850 
(Tydschr. Het Recht in N.-I., dl. Hl (1850), p. 256 en w.). 



96 DE AFWUKIMGEN VAN HET MOHAHMEDAANSCHE 

aitloven van prijzen bij wedrennen van hoomvee in gebruik; 
terwijl op geheel Java en Madoera bij hanen- en andere dieren- 
gevechten wordt gewed en prijzen worden uitgeloofd , alles in strijd 
met het Mot^iinmedaansche recht *. Daarentegen is het weder in 
overeenstemming met den [slam, dat de Javanen van onds niet, 
gelijk de Maleiers en Boegineezen, een afzonderlijk recht hebben 
voor de verbintenissen uit de scheepvaart voortspruitende. Ten 
gevolge echter van het slotartikel der Bepalingen op de huishou- 
en tucht op de koopvaardijschepen (Ind. Stbl. 1873 N^ 119) zijn 
inlanders, op Europeesch getuigde schepen dienstdoende, op eeue 
kleine uitzondering na, van rechtswege aan Boek II, Titel IV van 
het Indische Wetboek van Koophandel onderworpen. 



§ 3. Koop ». 

Het koopcontract is de overeenkomst, welke in het maatschap- 
pelijk verkeer , ook op Java en Madoera , als de meest voorkomende 
en de belangrijkste moet worden aangemerkt. //Koopen^!' heet in 
het Javaansch : t o e k o e (N) t o e m b a s (K) , in het Soendaasch : 
b e u 1 i , en in het Maleisch : b ë 1 i. ^Verkoopen// is in het Javaansch : 
a d o 1 (N) sadé of wade (K) , in het Soendaasch en Maleisch : 
djoewal. Van deze grondwoorden zijn ook de termen voor f/koopeif 
//verkooper/y , //koop^, a' verkoop ^ , enz. afgeleid. De afwijkingen van 
de Mofiammedaansche wet betreffen vooreerst den vorm der overeen- 
komst. Onroerende goederen, waarop door inlanders zakelijke 
rechten naar het Europeesche Burgerlijk Wetboek worden uitge- 
oefend , kunnen , in verband met hetgeen reeds ter zake werd uiteen- 
gezet '' , niet worden verkocht dan met inachtneming van de regelen, 
in het Europeesche recht voor den overgang van zoodanige goederen 
gesteld. Intusschen worden ook bij den verkoop van erfelijk indi- 
vidueel bezeten onroerende goederen door den inlander veelal 



* Vergl. Fath al-Qarib, p. 655; SoUewijn Gelpke: Gegevens voor eene nieuwe 
landrente-regeling , in de Ind. Gids, Jaarg. 1 886 p. 433 ; J. L. van Gennep : Bijdrage 
tot de kennis van den Kangéan-Archipel , in dit Tüdschr. , 6<*e Volgreeks, dl. U, 
p. 98 en v. 

• Vergl. mijn opstel in den Feestbundel aangeboden aan wijlen den Hoogleeraar 
P. J. Veth, ter gelegenheid van zijn tachtigsten geboortedag, p. 28 en vv. 

' Zie boven p. 86 en v. 



VE&MOGENSEECHT OP JAVA EN MADOE&A. 97 

formaliteiten in acht genomen , bij de Mohammedaansche wet niet 
voorgeschreven. Speciaal is dit het geval bij den verkoop van 
sawah^s en vischvijvers. In den regel namelijk worden zoodanige 
goederen slechts verkocht in tegenwoordigheid van getuigen, als 
hoedanig veel het dorpshoofd met één of meer oudsten of, waar 
deze ontbreken , met één of meer leden van het dorpsbestuur fun- 
geeren. De getuigen moeten in elk geval vooraf de ligging van 
de verkochte goederen opnemen. Vooral in Bantam en de Preanger- 
Eegentschappen , maar overigens ook elders, komt het voor, dat 
hun door ééne der partijen of door beiden een klein geschenk iii 
geld wordt gegeven , ten teeken dat zij het gebeurde geconstateerd 
hebben. In de meeste streken zijn de getuigen bij de geheele han- 
deling tegenwoordig; in enkele streken alleen bij het betalen der 
koopsom. 

Het opmaken van schriftelijke verkoopbewijzen , door partijen en 
getuigen onderteekend, zij het met een kruisje, is in West-Java 
ten aanzien van onroerende goederen algemeen. In Midden- en 
Oost-Java , gelijk mede op Madoera , is het een bekend , maar niet 
zoo algemeen verspreid gebruik. Ook registratie dezer verkoop- 
bewijzen komt in vele streken voor: hier geschiedt zij door het 
districtsbestuur, elders door den districts- of regentschapspangoeloe , 
elders weder door andere inlandsche autoriteiten. Bij den ver- 
koop van onroerende goederen , welke voor den inlander 
eene groote waarde vertegenwoordigen, is, vooral op of in den 
omtrek van plaatsen , waar afzonderlijke notarissen gevestigd 
zijn, langzamerhand het gebruik in zwang gekomen notarieele 
verkoopbewijzen te doen opmaken. Het meest is dit gebruik in 
zwang in de residentie Batavia ten opzichte van gronden, waarop 
het zoogenaamde inlandsche erfpachtsrecht , krachtens Ind. Stbl. 
1836 N** 19, wordt uitgeoefend, welk recht, gelijk men weet, 
slechts in naam, maar niet in aard van het erfelijk individueele 
bezits- of gebruiksrecht elders verschilt. De notarieele koopover- 
eenkomsten , welke ik hier op het oog heb , worden evenals de 
inlandsche notarieele testamenten, volgens art. 19 Alg. Bepp., 
alleen wat den vorm betreft door het Europeesche recht beheerscht , 
maar niet ten aanzien van den materieelen inhoud , tenware partijen 
zich daarbij uitdrukkelijk voor de overeenkomst in quaestie aan 
het Europeesche recht hebben onderworpen, volgens de artt. 11 
en 13 Alg. Bepp. Dit zoude hier natuurlijk geoorloofd, maar bij 
testamenten ongeoorloofd zijn, omdat de materieele inhoud van 
6« Volgr. 1». 7 



98 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAHMEDAANSCÜE 

een testament met het familie- en erfrecht verband houdt, en 
dus van openbare orde is ^. 

Ook bij roerende goederen zijn schriftelijke verkoopbewijzen , 
zoodra het zaken van waarde geldt, algemeen in gebruik. Bij het 
opmaken dezer verkoopbewijzen , s o e r a t katëraugan, pipil 
of pèl geheeten, worden echter minder formaliteiten in acht ge- 
nomen dan bij die, welke voor onroerend goed worden afgegeven. 
In den regel bestaan zij in eene verklaring van het dorpshoofd of 
van den dorpsschrijver, dat de kooper het voorwerp van den ver- 
kooper gekocht heeft, met vermelding dat zij van deze omstandigheid, 
hetzij door eigen wetenschap, hetzij door getuigenis van anderen, 
kennis dragen. Eene korte omschrijving van het voorwerp en eene 
vermelding van den bedongen prijs worden veelal bijgevoegd. Geldt 
het vee, zoo bestaat de omschrijving in een signalement, bv. in 
eene vermelding van den vorm , de richting of de lengte der hoorns 
van buffels. Het briefje strekt dan den kooper tot bewijs, dat hij 
op wettige wijze eigenaar is geworden, en dat, als later mocht 
blijken , dat het goed aan een ander toebehoort dan den verkooper , 
de kooper, in elk geval niet als medeplichtige kan worden vervolgd , 
bijaldien de verkooper de zaak door misdrijf mocht hebben verkregen. 

Tot goed begrip van de beteekenis dezer briefjes bij roerende 
goederen, dient nog te worden in herinnering gebracht, dat de 
Isl&m noch onzen regel kent, dat bij die goederen bezit voor 
titel geldt, noch de acqnisitieve verjaring, en dat de inlandsche 
begrippen ten aanzien van beide punten met het dogmatische 
Mohammedaansche recht overeenkomen. De instelling der koop- 
briefjes van roerende goederen is op Java en Madoera blijkbaar 
zeer oud; zij komt reeds in het wetboek Soerja Ngalam voor ^. 

Van grootere beteekenis zijn uit een economisch oogpunt de be- 
perkingen der contractsvrijheid , vooral in Midden-Java, bij den 
verkoop van erfelijk individueel bezeten gronden, door gemeente- 
lijke instellingen, en wel speciaal ten aanzien van sa w ah ^s, maar 
ook ten aanzien van erven en andere gronden , ofschoon in mindere 
mate ^. Als een gevolg van die beperkingen kan men de instelling 

* Zie boven p. 85, en vergl. Familie- en erfrecht p. 510, 511; Eindresumé, 
dl. I, p. 48 en vv. ; Sollewyn Gelpke, t. a. p., p. 577, 719, 720; Handelingen der 
N. I. Juristenvereeniging , Jaarg. 1887, dl. l, p. 20, 21; Nalezing, p. 314. 

' Vergl. Handel, der N. I. Juristenvereeniging, Jaarg. 1886, dl. I, p. 132; 
Soerji Ngalam (Bydragen, Nieuwe Reeks, dl. VI), p. 26. 

• Vergl., over die instellingen volgens ons staatsrecht, Familie- en erfrecht, 
p. 478, 470. 



YEKMOOENSBECHT OP JAVA EN MADOERA. 99 

beschouwen, dat verkoop van grond doorgaans niet buiten voor- 
kennis, en dikwijls niet zonder toestemming van het dorpshoofd 
mag plaats hebben ^ In de streken , waar geene inlandsche gemeenten 
als rechtspersonen bestaan , bv. in de Vorstenlanden , komen der- 
gelijke beperkingen natuurlijk niet voor. 

De hier bedoelde beperkingen zijn vooreerst dezelfde als die, 
welke bij de behandeling van het huwelijksgoederen recht werden 
aangestipt ^. Zoo zal, waar voor het grondbezit inwonerschap der 
gemeente gevorderd wordt, de verkoop van erfelijk individueel 
bezeten grond aan niet-ingezetenen slechts kunnen plaats hebben 
onder de voorwaarde van vestiging in de gemeente. Dit inwoner- 
schap nu wordt in verreweg de meeste streken van Midden-Java, 
gelijk mede in Pasoeroean voor het sa wah-bezit gevorderd; terwijl 
ook op Madoera en in de Madoereesche streken van Oost-Java 
dezelfde instelling sporadisch wordt aangetroffen. Van het erfelijk 
individueel bezit van tëgaTs, tuinen , boomgaarden en vischvij vers 
zijn hier en daar eveneens zij , die niet in de gemeente wonen, uit- 
gesloten , en bijna overal is dit het geval ten aanzien van woonerven. 
Ja zelfs is het bezit van woonerven in Madioen en Kediri alge- 
meen, en voorts in zeer vele gemeenten van Bagelen, benevens 
eenige in Japara, Rembang, Soerabaja en elders, in dier voege 
beperkt, dat ook ingezetenen niet meer dan ééu woonerf in de 
gemeente mogen bezitten , zoodat iemand , die reeds een woonerf 
heeft , geen tweede er bij mag koopen , zonder zich van het eerste 
te ontdoen ^, Er zijn echter ook nog andere beperkingen , welke bij 
den verkoop in aanmerking komen. Om als erfelijk bezitter te kunnen 
optreden , .is het een noodzakelijk vereischte , dat men in staat zij den 
grond zelf te bebouwen , of ten minste in staat zij voor de bebouwing 
te zorgen. Minderjarigen en ongehuwde vrouwen kunnen dan ook door 
koop geen grondbezit verwerven , niet alleen , wat de eerstgenoemden 
betreft , omdat zij de bevoegdheid missen zich te verbinden , maar 
ook, en daarvan is natuurlijk hier alleen sprake, omdat zij niet als 
bezitters kunnen optreden. Hun voogd kan dus evenmin hun ver- 
vermogen in grondbezit beleggen. Voorts werken de gemeentelijke 
instellingen omtrent de dienstplichtigheid beperkend. Men kan geen 



' Vergl. Sollewijn Gelpke, t a. p. , p. 719. 
' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 477 en v. 

« Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 19, 20, 116, 144, 145, 160, 189; Sollewijn 
Gclpke, t. a. p. , p. 527. 



100 DE AFWUKI^veiY TAS HET MOHAMMSBAAXSCHS 

grondbezit Terkiijgen , als men niet in staat is zich Tan de daarop kle- 
Tende persoonlijke diensten te kvijten, en daar na de dienstplieh- 
tigheid in Tele gemeenten, zoo niet geheel dan toch grootendeels 
op de sawa h-bezitters drakt, zoo is daardoor implicite Ter- 
koop Tan sawah^s aan Tele personen uitgesloten, die, ofschoon 
OTerigens bekwaam om te verkrijgen, Toor dienst prae$tatie onge- 
schikt zijn. Slechts in West-JaTa staan de gemeentelijke instellingen 
ten deze aan den overgang Tan grond niet in den weg, eenige 
weinige gemeenten uitgezonderd , ofschoon ook daar de dienstplich- 
tigheid in verreweg de meeste streken aan het grondbezit is Ter- 
bonden. Bij de woonerven is de Toorwaarde Tan voor de behoorlijke 
bewoning te zorgen , schijnbaar gemakkelijk na te komen , daar bv. 
de voogd van een minderjarige het erf desnoods ten diens behoeTe 
zonde kannen Terharen ; doch in de praktijk is het niet altijd ge- 
makkelijk een huarder te Tinden. Verhaar Tan erven kan men 
namelijk zeggen, dat op het platteland, althans als industrieel 
bedrijf, onbekend is '. 

Het sterkst doet de iuTloed der gemeentelijke instellingen om- 
trent het grondbezit zich gelden in die gemeenten, waar zeUs de 
Terkoop Tan erfelijk indiTidueel bezeten grond, aan wien ook, 
Terboden is. Ofschoon bedoelde gemeenten de uitzondering vormen , 
zoo wordt toch in vele andere het verkoopen van zijn grond Toor 
eene handeling gehouden , welke , tenzij om gewichtige redenen Tan 
persoonlijken aard, uit een zedelijk oogpunt geene aanbeveling 
verdient. De aanleiding, om tot den verkoop Tan grond oTer te 
gaan, is trouwens in den regel geldgebrek. Het bepaalde Terbod 
Tan Terkoop komt het meest voor ten opzichte van bouwgronden, 
maar ook , ofschoon sporadisch , ten aanzien van woonerven of visch- 
TiJTers. De meerderheid der gemeenten, waar zoodanig Terbod he- 
lstaat, liggen in Midden-JaTa, maar sommigen ook in West- en 
Oost-JaTa. Het Terbod Tan Terkoop schijnt hier en daar samen te 
hangen met het algemeen bestaande bewustzijn , dat men geen eigenaar 
Tan den grond is , doch dien slechts in gebruik heeft Tan het Gouverne- 
ment 2. Verkoop Tan erfelijk individueel bezeten grond aan niet tot de 
eigenlijke inlandsche bevolking behoorende personen , is verboden bij 



» Vcrgf. Eindresumé, dl. I, p. 18, 115, 143, 163, 167, 197; SoUewön Gelpke, 
t. a. p. , p. 577 , 579. 

• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 45 en w., 115, 124, 162, 197; SoUewyn Gelpke , 
t. a. p., p. 719, en mijn opstel: Het eigendomsrecht van den staat op den grond 
op Java en Madocra, in dit Tijdschrift, ó^e Volgreeks, dl. VI (1891), p. 26. 



■9 • • • « • 



■ * • • • > • *• • 



^ * • I 



• - • 



VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 101 

Ind. Stbl, 1875 N® 179 , en evenmin kunnen naar mijne meening , op 
grond van algemeene rechtsbeginselen, de inlandsche erfpachtsrechten, 
uitgeoefend op den grond behoorende tot de zoogenaamde particuliere 
landerijen bewesten de rivier Tji Manoek, aan andere personen 
dan eigenlijke inlanders worden verkocht, ofschoon de jurisprudentie 
op dit punt niet constant is ^. De rechten op communaal bezeten 
bouwgronden, en de contractueele rechten der opgezetenen in de 
Vorstenlanden , of op de particuliere landerijen beoosten de rivier Tji 
Manoek , laten , wegens hunnen aard , geen verkoop van den grond , 
maar slechts cessie van de persoonlijke aanspraken toe. Bij gebruiks- 
rechten, aan het ambt , de bediening of de qualiteit verbonden , is zelfs 
cessie ongeoorloofd. Dat overigens verkoop van erfelijk individueel 
bezeten grond, gevolgd door levering, geen eigendom overdraagt, 
maar slechts het eigenaardige inlandsche zakelijke recht op den 
grond, is te elementair om er bij stil te staan. 

Omtrent den afzonderlijken verkoop der accessoria van onroe- 
rend goed bestaat geene andere afwijking van den Islftm , dan dat de 
beperkingen van de Mohammedaansche wet , ten aanzien van den ver- 
koop van onrijpe vruchten zonder den boom, of van een onrijpen, te 
velde staanden oogst, niet zijn gerecipieerd. Verkoop van te velde 
staanden oogst, vóór het begin der rijpwording, komtintusschen zelden 
voor; maar des te meer de verkoop der vruchten van een bepaalden 
boom , vóór dat zij de teekenen van rijpwording vertoonen , ja zelf vóór 
dat de bloesems zijn afgevallen, en zonder de door de Isl&m uit- 
drukkelijk gestelde voorwaarde van onmiddellijke weghaling ^, 

De voorwaardelijke verkoop in dien zin, dat de kooper de be- 
voegdheid zal hebben om binnen zekeren tijd de overeenkomst te 
vernietigen, hetzij omdat de waar hem niet bevalt , hetzij om andere 
redenen , is wederom op Java en Madoera in den Mol^ammedaanschen 
vorm in gebruik , behoudens dat men zich niet gebonden acht aan 
den in den Isl&m aangenomen max imu m-termijn van drie dagen ^. 

Eene bijzondere soort van voorwaardelijken koop, waarvan de 
Arabische rechtsbronnen geene melding maken, maar welke op 
geheel Java en Madoera dagelijks voorkomt, is dat iemand aan 
een rondgaand handelaar (Jav. pëpar& of bakoel, Soend. Mal. 
tjëngkaw) zekere roerende goederen afstaat , onder het beding dat 

' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 503; Nalezing, p. 314, en zie meer over dit 
punt, beneden, § 13. 

« Vergl. MinhAdj at-Talibin, dl. I, p. 402 en v. 
» Vergl. Minhadj a^-Talibin, dl. I, p. 371. 






• • ^m 



' •• • 



102 DK AFWIJUXGEX TAN HET MOHAJIIIEDAANSCHE 

laatfftgenoenide binnen een bepaalden tennijn , of den bedongen pr^s 
moet betalen , of de goederen in natara moet teroggeven. Wat 
van beiden hij doen zal , staat ter zijner keuze. De handelaar heeft 
dus de bevoegdheid de goederen te verkoopen , en wat bij dien 
tweeden verkoop meer verkregen zal worden , dan de bij den eersten 
verkoop bedongen prijs, is zijne winst. In het Maleisch is de ge- 
wone formule, waarmede dit contract gesloten wordt: djikalaw 
lakoe, bawa oewang, tidaq lakoe, poelang baraug. De 
verkooper blijft eigenaar, totdat de goederen zijn van de hand 
gezet. Het is voornamelijk de détail-handel in edelgesteenten , welke 
op deze wijze wordt gedreven, en wel in hoofdzaak door vrouwen; 
maar ook ten opzichte van andere goederen is de overeenkomst 
veel in zwang. Zij is geheel het contractus aestimatorius 
van het Bomeinsche recht, en de begrippen van den inlander, 
omtrent de vereischten en gevolgen, komen dan ook overeen met 
hetgeen ter zake de Bomeinsche rechtsbronnen ons leeren. Het 
contract wordt evenzeer dikwijls in omgekeerden vorm gesloten, 
namelijk zoodanig dat hij , die iets koopen wil , aan een handelaar 
opdraagt, hem dit tegen een bepaalden prijs te bezorgen. Kan de 
handelaar dan de goederen voor lageren prijs bekomen , zoo is het 
verschil ten zijnen voordeele. Wil men in het HoUandsch een naam 
aan de overeenkomst geven , zoo zoude die van /rinlandsch commissie- 
kontrakt^ m. i. nog de meest passende zijn. lutusschen komt het 
ook veel voor , dat de handelaar slechts tegen een zeker loon 
tracht de voorwerp\3n aan den man te brengen of te koopen , 
en dan is er natuurlijk slechts eene overeenkomst van geremu- 
nereerde lastgeving aanwezig, ja soms zelfs eenvoudig huur van 
diensten '. 

De verkoop met recht van wederinkoop kan zich, volgens den 
Isl&m, alleen voordoen in den vorm van het zooeven bedoelde 



' Vergl. over dit kontrakt eene belangrijke beschikking van den President van 
den Landraad te Batavia, te vinden in het Indische Weekblad van het Recht, 
Jaarg. 1887, N» 1244. Deze beschikking heeft wel is waar op Chineezen be- 
trekking; maar voor inlanders zullen de daarin voorkomende beschouwingen 
eveneens moeten gelden. Vergl. ook Winter: Javaansche zamenspraken , dl. I, 
p. 49, 59, 65, en Windscheid: Lehrbuch des pandektenrechts, dl. II, p. 400 en 
vv. De door mij gevolgde constructie van het contractus aestimatorius 
als eene soort van voorwaardelijken verkoop, is, naar ik meen, reeds sedert 
lang in Europa algemeen aangenomen. Ofschoon de Arabische juristen het con- 
tract niet opzettelijk behandelen, was het toch reeds ten tyde van Mol^ammad 
in .Arabië in zwang. Vergl. Bochari: fahih (ed. Krehl), dl. II, p. 52, 53. 



YE&MOGENSREGHT OP JAVA EN MADOERA. 103 

beding, dat ééne der partijen, in casn de verkooper , de bevoegd- 
heid heeft om na zekeren termijn, doch niet langer dan na drie 
dagen , de handeling door eene éénzijdige verklaring te niet te 
doen, waarna de waar en de prijs over en weder moeten worden 
gerestitueerd. Men noemt dit beding in het Arabisch : chij&r 
asj-sjart, letterlijk: ^^bedongen keuzee. Het staat in karakter gelijk 
met de overige rechtsmiddelen tot eenzijdige vernietiging van een 
gesloten koopcontract, welke rechtsmiddelen de Arabische juristen 
in het algemeen «^keuzen/i^ (chij&r) noemen, en waartoe zij o. a. 
onze actio redhibitoria en onze actio quanti minoris 
brengen Deze zoogenaamde //bedongen keuze// is echter uitdruk- 
kelijk verboden bij de overdracht van zaken aan het woekerverbod 
onderworpen, en is, wanneer zij voor langer dan drie dagen is 
overeengekomen, wat het meerdere betreft, van rechtswege nietig. 
Deze voorschriften der Mohammedaansche wet nu worden op Java 
en Madoera eenvoudig voor niet geschreven gehouden, evenmin 
trouwens als men er zich aan het woekerverbod in het algemeen 
veel stoort >. De Isl&m verklaart ten overvloede nietig alle gefin- 
geerde rechtshandelingen , waardoor men eenige ongeoorloofde 
handeling of oorzaak zoude trachten te verbergen. De regel: plus 
valet quod agitur quam quod simulate concipitur, 
wordt door de Arabische juristen streng doorgevoerd ^, Intusschen 
wijken ook in dit opzicht de op Java en Madoera gangbare be- 
grippen van den Isldm af, en de verkoop met recht van wederinkoop 



' Zie hierover nader, beneden, § 6. 

' Vergl. MinhAdj a(-Talibin, dl. I, p. 369 en volgg. Alleen dan, wanneer men 
het doel kan bereiken door een ander, zij het niet in de wet met name genoemd , 
contract te sluiten, en het doel op zich zelf en in beginsel niet verboden is, 
laat de IslAm eene uitzondering op dezen regel toe. Zoo kan men bv. het verbod 
om een langeren termyn dan drie dagen voor den wederinkoop te bedingen , ont- 
duiken door niet van „verkoop" te spreken, maar, gelyk in Turkye geschiedt, 
van ^ontruiming bij de betaling" (f i r agh b i 1 - w a f a). Vergl. Aristarchi-Bey : Légis- 
lation Ottomane, dl. I, p. 158 en vv. , 182 en vv. en 274 en vv. Een dergelijk voorbeeld 
ten aanzien van het m o z a r a ' a h-kontrakt , vindt men in den Fath al-Qarib,p. 393. 
De jjewoners van Java en Madoera noemen echter, gelijk wij zagen, de over- 
eenkomst bepaald: „verkoop", en dit contract Iaat het beding van wederinkoop 
slechts toe voor drie dagen, ofschoon op zich zelf en in beginsel een recht van 
ontbinding eener overeenkomst op langeren termyn in den Islam geene verboden 
zaak is. Daarentegen zoude bv. het beding van riba of woeker, op welke 
wyze ook geformuleerd , wel nietigheid der handeling ten gevolge hebben , omdat 
riba op zich zelf en in beginsel eene der grootste zonden is, welke de Islam 
Kent. Zie ben. § ö. 



101 DE AFirUKINOEN VAX HET MOHAMMEDAANSCHE 

is de meest Toorkomende vorm, waarin men zqne woekertransacties 
omzet, Tooral wanneer de woekeraar een Arabier, hadji, of ander 
als kerksch bekend staand persoon is. 

Dit geschiedt op tweeërlei wijzen. In de eerste plaats verkoopt 
de woekeraar aan den geldopnemer eenig voorwerp, welk ook, op 
crediet , en hij koopt het onmiddellijk weder k contant van hem 
terng. Het verschil is dan de rente. Dit is dns hetgeen men in 
Earopa , toen de woekerwetten nog algemeen in zwang waren , het 
mohatra-kontrakt noemde \ welk woord, als afgeleid van het 
Arabische mochitarah, reeds dadelijk de Oostersche herkomst 
van de handeling verraadt. De handeling is dan ook niet slechts 
op Java en Madoera, maar evengoed in andere Mohammedaansche 
landen bekend. De naam mochfttarah, letterlijk: '^kansovereen- 
komst^, laat zich verklaren door het feit, dat de geldschieter aldns 
geene enkele zakelijke zekerheid erlangt van door den geldopnemer 
op de overeengekomen termijn betaald te znllen worden , en derhalve 
het gevaar van latere insolventie van den debitenr op zich neemt. 
De wederinkoop is natnurl^'k bij deze handeling niet alleen eene 
bevoegdheid van den verkooper; maar hij is daartoe ook verplicht; 
want de wederpartij heeft alleen de zaak gekocht, met het doel 
dat hij ze om gereed geld aan den oorspronkelijken eigenaar zonde 
kannen terugverkoopen *. 

In de tweede plaats kan de verkoop met recht van wederinkoop 
een vermomd paudcontract opleveren, en dit begrijpen de inlan- 
ders zelf zoo goed, dat zij alsdan spreken van '"'pand verkoopt' (Jav. 
adol (N) of wade (K) gade, Soend. djoewal sanda of gade. 
Mal. djoewal sanda of gadai). De geldopnemer verkoopt bij 
deze overeenkomst aan den geldschieter eene hem toebehoorende 
zaak, met voorbehoud van de bevoegdheid om die zaak later terug 
te koopen (Mal. Jav. Soend. tëboes), hetzij voor denzelfdeu prijs, 
hetzij voor een hoogeren. Het eerste beding heeft veelal plaats, 
wanneer de zaak tot de zoodanigen behoort , die vruchten afwerpen , 
bv. een grondstuk, een huis, een stuk vee, enz.; het tweede, 
wanneer het niet-productieve bezittingen geldt, bv. een diamant. 
Bij het beding van wederinkoop voor denzelfden prijs strekken 
feitelijk de vruchten der zaak tot vergoeding van het gebruik van 
het ontvangen kapitaal, d. w. z. tot rente; bij het beding van 

* Vergl. Windscheid, t. a. p., dl. U, p. 44; Dalloz: Répertoire, voce Vente, No54. 

• Vergl. de redevoering van den heer F. Fokkens in de vergadering van het 
Indisch Genootschap van 4 Febr. 1896, p. 38. 



YERMOGElüiSRECHT OP JAVA EN MADOEBA. 105 

wederinkoop voor een hoogeren prijs, vervult het meer te betalen 
geld dezelfde functie. Zaken , welke door het gebruik te niet gaan , 
zijn natuurlijk voor deze overeenkomst niet vatbaar. Ten einde de 
vruchten, welke de zaak afwerpt, gemakkelijker te innen dan door 
eigen exploitatie , en soms ook om inkomsten te erlangen van eene 
zaak, welke uit haren aard niet productief is , bv. van een diamant , 
verhuurt de kooper die niet zeldenr onmiddellijk weder aan den ver- 
kooper, hetzij tegen geld, hetzij, ingeval van een grondstuk , tegen 
een evenredig deel van den oogst. Somtijds stelt de verkooper zoo- 
danige verhuur als voorwaarde voor den verkoop, wanneer hij er 
prijs op stelt het feitelijk bezit van zijn goed te blijven behouden , 
bv. wanneer hij er aan gehecht is als aan een erfstuk, dan wel 
omdat hij als landbouwer van de opbrengst van zijn aldus ver- 
kochten akker moet leven. In streken, waar schriftelijke verkoop- 
bewijzen in zwang zijn, wordt, indien van den verkoop met recht 
van wederinkoop , gevolgd door verhuur , geene speciale akte is op- 
gemaakt , de koopbrief van den debiteur door den crediteur onder 
zich gehouden , als bewijs dat hij eigenaar is geworden * . Veelal wordt 
onder deze omstandigheden het goed , zelfs niet voor een oogenblik , 
onder de macht van den kooper gebracht, hetgeen niet wegneemt, 
dat dan toch de eigendom is overgaan krachtens het consti- 
tutum possessorium, hetwelk ook als eene inlandsche instelling 
is aan te merken 2. Indien bij de overeenkomst een bepaalde ter- 
mijn (Mal. Jav. Soend. djandji) is gesteld, waarop van het recht 
van wederinkoop moet worden gebruik gemaakt , zoo heeft de ver- 
kooper niet de bevoegdheid om op dien termijn te anticipeeren , 
evenmin als de kooper hem daartoe dwingen kan , doch gaat , door 
het ongebruikt laten voorbijgaan van dien termijn , de bevoegdheid 
om weder in te koopen onherroepelijk verloren voor den ver- 
kooper. Dit laatste is ook het geval, indien de bevoegdheid tot 
wederinkoop tot op zekeren termijn is verleend. Wat overigens den 
termijn, zoowel in dit als in het vorige geval, betreft, van eene 
beperking daarvan is geen sprake , noch tot drie dagen , gelijk wij 
zagen dat de Isl&m vordert, noch tot de vijf jaar van het Indische 
Burgerl. Wetboek '. Ja zelfs kunnen partijen de uitoefening van het 
recht van wederinkoop in het geheel aan geen termijn binden. In 



* Zie boven p. 97 en v. 

' Vergl. het vonnis van den Landraad te Batavia dd. 24 Febr. 1889 (Ind. 
Weekbl. v. h. Recht N» 1347). 

» Art. 1520 a» art. 1556 Ned. Burgl. Wb. 



106 D£ AVWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEOAANSGHE 

dat veel voorkomende geval kan de verkooper, of kannen zijne 
erfgenamen of rechtverkrijgenden , hunne bevoegdheid tot in het 
oneindige doen gelden, en blijft de verplichting om den weder- 
inkoop te dulden, als een zakelijke last op het goed kleven, in 
wiens handen het zich ook moge bevinden. De last van weder- 
inkoop belet namelijk niet, dat de kooper het goed op nieuw 
verkoopt. Omgekeerd kan in zoodanig geval de verkooper van zijn 
recht van wederinkoop , zoodra hij wil , gebrnik maken , tenzij de 
kooper een termijn heeft bedongen, waarbinnen geen wederinkoop 
kan plaats hebben. Zoodanig beding is zeer gewoon bij produc- 
tieve goederen. Bij bouwgronden neemt men zelfs stilzwijgend aan , 
dat de verkooper niet van zijn recht tot wederinkoop mag gebruik 
maken tegen den zin van den kooper, indien laatstgenoemde niet 
ten minste éénen oogst van den grond heeft genoten , noch op een 
oogeublik dat de wederinkoop dsn kooper niet te voorziene schade 
zoude berokkenen, bv. v66r den oogst van het door hem geplante 
gewas. Een en ander doet op nieuw het verband met het pand- 
contract uitkomen. Het doel van beiden is geldleening tegen 
zekerheid; in het eene geval in den vorm van bevoegdheid om 
op het goed zijne preteusie te verhalen ; in het andere in den vorm 
van eigendom onder eene ontbindende voorwaarde *. In beide ge- 
vallen wil de geldschieter soms zekerheid hebben van gedurende 
een bepaald tijdverloop zijn kapitaal productief te maken. Met het 
oog op den langen, of zelfs, gelijk wij zagen , onbepaalden termijn , 
waarover de verkoop met recht van wederinkoop niet zelden loopt , 
is het niet te verwonderen, dat daarbij, speciaal wanneer het on- 
roerende goederen geldt, nog meer schriftelijke , ja zelfs notarieele , 
bewijzen in zwang zijn dan bij den gewonen verkoop ^. 

Waarom men soms tot den verkoop met recht van wederinkoop , 
en soms tot het verpanden zijne toevlucht neemt, is niet altijd 
duidelijk, daar, gelijk straks blijken zal, laatstgenoemde overeen- 
komst economisch ongeveer dezelfde gevolgen heeft, en alleen 
juridisch, d. w. z. in den aard van het bezit van den geldschieter, 
daarvan verschilt. Slechts kan men in het algemeen opmerken, 
dat, wanneer de opgenomen som geheel of bijna gelijk staat met 
de waarde van het goed , er doorgaans verkoop met recht van weder- 



* Vergl. Dalloz, t. a. p., voce Nantissemement , No 217. 

' Vergl. Eindresumé , dl. I, p. 52, 127, 166, 2(>^; Veth: De verpanding van 
akkers op Java, in het Tydschr. van N. I., Jaarg. 18<)9, dl. II, p. 75 en w. ; 
Sollewgn Gelpke, t. a. p. , p. 720 en vv. ; Fokkens, t. a. p. , p. 36, 37. 



VE&MOGENSaECHT OP JAVA EN MADOËKA. 107 

inkoop plaats heeft , eu , in het geval van opneming eener geringere 
som, in pand wordt gegeven. Ook valt het op, dat Arabieren, 
hadj i 's, en andere als kerksch bekend staande personen, meer van den 
verkoop met recht van wederinkoop dan van het pandcontract gebruik 
maken , ofschoon beide overeenkomsten op Java en Madoera in een 
vorm inheemsch zijn, met de Mohammedaansche wet in strijd '. 
Over den koop en verkoop tasschen Mohammedaansche echtge- 
nooten , die tot de Vreemde Oosterlingen behooren , heb ik elders 
het noodige gezegd ^. 

§ 4. Huur. 

Huur heet in het Javaansch: séwa, en in het Soendaasch en 
Maleisch: séwa. Deze overeenkomst is, na het koopcontract , voor 
het maatschappelijke verkeer op Java en Madoera de belangrijkste. 
Zij wordt gesloten zoowel voor onroerende als voor roerende goe- 
deren; terwijl eveneens huur van diensten eu aanbesteding in 
gebruik zijn. Men bezigt alsdan echter niet het woord séwa, maar, 
bij huur van diensten, in het Javaansch opah (N) of épah (K), 
en in het Soendaasch en Maleisch oepah of gadjih, met de 
daarvan afgeleide vormen. Bij aanbesteding bezigt men het woord 
b o rong, eveneens met de daarvan afgeleide vormen. Daar men, 
in overeenstemming met de Mol^ammedaansche wet , geen eigenaar 
behoeft te zijn om te verhuren , kunnen ook personen dit contract 
sluiten, die niet mogen verkoopen. Zoo mag de pandhouder de 
hem verpande zaak verhuren , en hetzelfde geldt van de aandeel - 
hebbers in communale velden of de houders van ambtsveldeu , voor 
den tijd van hun genot. Vóór 1863 konden de vertegenwoordigers 

* Vergl. Resumé van Bantam p. 113. De meening van Wilken, dat de verkoop 
met recht van wederinkoop inderdaad niet anders zoude zijn dan een antichretisch 
pandrecht aan een termyn gebonden, komt mij niet geheel juist voor, evenmin 
als de stelling van wylen dien geleerde, dat het ontbreken van een termijn van 
inlossing een algemeen en natuurlyk kenmerk van het antichretische pandrecht 
zoude zyn. Immers worden, althans op Java en Madoera, de beide overeen- 
komsten, verkoop met recht van wederinkoop en pand, gelykelyk met en zonder 
termijn van inlossing gesloten. Vergl. Wilken: Het pandrecht bij de volken van 
den Indischen Archipel, in dit Tijdschrift, ó^e Volgreeks, dl. IIT (1888), p. (lOï 
en vv. en, voor het karakter der antichrese in het algemeen, Dalloz, t. a. p., voce 
Nantissement , N^s 2 en 216 en vv. ; Code Civil art. 2088. Tegen de gelijkstelling 
van het Inlandsche pandkontrakt met de antichrese en den verkoop met recht 
van wederinkoop werd reeds opgekomen door Mr. A. W. C. Verweij. Zie p. 249 
en 2^.') van diens opstel: Over het contractueel pandelingschap, in dit Tydschrift , 
5de Volgreeks, dl. Vin (1893), p. 234 en vv. 

* Vergl. Familie- en erfrecht, p. 477. 



108 DE AFWUKINGBN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE 

der inlandsche gemeenten de communale melden dier gemeenten 
ook aan niet inlanders verhuren ; doch bij de ordonnantie , te vinden 
in Ind. Staatsbl. 1863 N" 152, is dit verboden. Daar het verbod slechts 
op niet-inlanders slaat, en in het algemeen de inlandsche gemeente 
als rechtspersoon , ook krachtens haar zakelijk gebruiksrecht op de 
communale velden , tot verhuur daarvan bevond moet worden ge- 
acht, zoo zal men nog steeds moeten aannemen, dat door haar die 
velden, hetzij aan andere inlandsche gemeenten, hetzij aan per- 
sonen behoorende tot de inlandsche bevolking kunnen worden ver- 
huurd, wat de laatsten betreft, behoudens de verbodsbepalingen, 
voor inlandsche hoofden en ambtenaren uitgevaardigd , omtrent het 
deelnemen aan landbouw- of andere industrieele ondernemingen 
binnen het gebied , waar zij gezag uitoefenen. De verhuur van grond 
behoorende tot het staatsdomein , door inlanders aan niet-inlanders, 
mag thans trouwens alleen plaats hebben overeenkomstig de voor- 
schriften, te vinden in de Indische Staatsbladen van 1871 N*^ 163, 
1879 N<> 209 en 1894 N» 52 en 64. Volgens art. 1 al. 2 van 
eerstgenoemde verordening worden die overeenkomsten beheerscht 
door het Ind. Barg. Wetboek, zoodat wij ze in dit opstel verder 
buiten beschouwing kunnen laten. Ditzelfde is het geval met de 
huur van diensten, door dat bij Ind. Stbl. 1879 N® 256 de artt. 
1601, 1602 en 1603 Ind. Burgl. Wb. « op de inlandsche en daar- 
mede gelijkgestelde bevolking in geheel Nederlandsch-Indië zijn 
toepasselijk verklaard , vermoedelijk omdat deze overeenkomst hoofd- 
zakelijk tusschen inlanders en Europeanen of Vreemde Oosterlingen 
wordt gesloten. Houdt men dit laatste niet in het oog, zoo moet 
de maatregel een zonderlingen indruk te weeg brengen. Immers 
zal, geloof ik, wel niemand tegenspreken, dat de geheele titel 
van verhuur één der minst gelukkig geslaagden van het Burgerlijk 
Wetboek is, en dat, van dien min geslaagden titel, juist de af- 
deeling, welke door evengenoemde artikelen worden gevormd, nog 
wel het meest vat geeft aan critiek. Nu moge men een voorstander 
zijn van de toepasselijk verklaring van ons vermogensrecht op 
den inlander, men zal toch moeten erkennen, dat de logica zoude 
vorderen in die richting te beginnen met meer voortreffelijke ge- 
deelten daarvan. Als een eigenaardig gebruik bij huur van diensten, 
speciaal tusschen inlanders en Europeanen, moet worden gewezen 
op het feit, dat het loon in den regel niet wordt betaald, gelijk 



» - artt. 1637, 1638, 1639 Ned. B. Wb. 



YS&MOGSNSRECHT OP JAYA EN MADOSRA. 109 

tosschen Europeanen onderling , nadat de diensten gepraesteerd zijn, 
maar vooraf, bij wijze van voorschot , zoo niet geheel , dan toch ten 
deele. Soms verbergt de vooruitbetaling van het loon eene overeen- 
komst van geldleening. Een ander eigenaardig gebruik is, dat in- 
landers en Vreemde Oosterlingen de personen, die zij in hunnen 
handelsdienst hebben , dikwijls niet in geld beloonen, maar in goe- 
deren, welke deze laatsten dan tegen een bepaalden prijs moeten 
nemen , en zelf moeten trachten aan den man te brengen , willen 
zij daarvoor geld in handen krijgen. Soms moeten zij dan zelfs goe- 
deren tot eene hoogere waarde dan hun loon ontvangen, en moeten 
zij de getaxeerde waarde in elk geval aan hun meester uitkeeren. 
Wat zij voor de goederen meer maken, is hun loon. Ook bij de 
huur van scheepsvolk op inlandsch getuigde schepen is deze com- 
binatie met het contractus aestimatorius in zwang'. Het 
geven van voorschot is ook door het gebruik bijna een natuurlijk ge- 
volg geworden van het contract van aanbesteding , hetwelk overigens 
geene afwijkingen van de voorschriften van den Isl&m oplevert Dit 
laatste is evenzeer het geval bij de verhuur van roerende goederen. 
Daarentegen moet langer worden stil gestaan bij de verhuur van 
onroerend goed. 

Wij zagen hierboven 2, dat inlanders , die onroerende goederen in 
eigendom volgens het Indische Burgerlijk Wetboek bezitten , bedoelde 
goederen niet mogen vervreemden dan met inachtneming der formali- 
teiten , voor den eigendomsovergang van zoodanige goederen voorge- 
schreven , al zijn bedoelde inlanders overigens niet aan het recht der 
Europeanen onderworpen. De vraag rijst, of men hetzelfde beginsel 
zal moeten huldigen bij verhuur van zoodanige goederen, en , daarvan 
uitgaande , of men de voorschriften omtrent de verhuur van landerijen 



' Vergl. Van Gennep, t. a. p. , p. 96, en zie, voor het huren van scheepsvolk 
op Europeesch getuigde schepen , de reeds hierboven (p. 96) vermelde toepasselijk 
verklaring van het voor Europeanen geldende recht, bg het slotartikel van Ind.. 
Stbl. 1873 No 119. Dat dikwyls personen in het gezin van hunne ouders , schoon- 
ouders, enz. kost en inwoning erlangen, tegen het verrichten van huis- of veld- 
arbeid, zonder juridisch tot dat gezin te behooren, beschouw ik meer als een 
gevolg van het familie- verband , dan als eene overeenkomst op huur van diensten 
betrekkelijk. Vooral is deze verhouding in zwang by schoonzoons, die, wanneer 
hun de middelen ontbreken om een eigen huishouden te beginnen , bg hunne schoon- 
ouders met hunne vrouw bly ven wonen. Vergl. C. Poensen : Iets over het Javaansch 
gezin, in de Meded. v. h Ned. Ind. Gen., dl. XXXI (1887), p. 119, 144, 146 env.; 
Dezelfde: Iets over de Javaansche naamgeving en eigennamen, Ibid. dl. XIV 
(1870) p. 309. 

■ Zie p. 86 en v. 



110 DE AFWIJULISGES YAN HET MOHAM 11 EDAANSCUE 

en huizen, vervat in de artt. 1 550 en vv. Ind. B. Wh. ' , als op dergelijke 
faanrovereenkomsten toepasselijk zal moeten aanmerken. Zeker zijn 
vele van de hier bedoelde voorschriften in overeenstemming met 
de Mohammedaansche wet, en blijkt van geen afwijkend rechtsbe- 
wQstzijn daaromtrent bij den inlander; maar andere, bv. die om- 
trent het gevorderd schriftelijk bewijs van het contract, zijn met 
beiden in strijd , en nn kan men toch moeielijk aannemen , dat de 
Europeesche of Chineesche huurder van eenig huis aan laatstbedoelde 
voorschriften gebonden zoude zijn , en zijn inlandsche verhuurder 
niet. Hoe ongerijmd deze consequentie ook is, ik beschouw ze met 
de wet in de hand volstrekt niet als onverdedigbaar, omdat eene uit- 
drukkelijke toepasselijk-verklaring op den inlander niet heeft plaats 
gehad , en de verhuur , als zijnde geene beschikking over een zakelijk 
recht, moeielijk geacht kan worden stilzwijgend door den rechts- 
toestand van het goed te worden beheerscht. De zaak wordt nog 
vreemder, als men zich herinnert, dat de wetgever de verhuur 
van onroerend goed , waarop slechts het inlandsche recht van erfelijk 
bezit wordt uitgeoefend, voor zoover die aan niet-inlanders ge- 
schiedt, door het Indische Burgerlijk Wetboek laat beheerschen * . 
Verhuur van bouwgrond heeft plaats, hetzij door geld, hetzij 
tegen uitkeering van een deel in den oogst. In het eerste geval 
wordt de huurprijs in den regel vooruit betaald, doch somtijds ook 
voor een deel vooruit en voor een ander deel wanneer de oogst 
van- het veld wordt genomen. In het tweede geval heeft altijd de 
voldoening van den huurprijs op laatstgenoemd tijdstip plaats. 
Indien niet anders bij het contract bepaald is, blijven de lasten, 
jegens den lande of de gemeente op den grond klevende, voor 
rekening van den verhuurder. Verhuur van ander onroerend goed 
dan bouwgrond , gelijk mede van roerende zaken , geschiedt steeds 
tegen geld ''. Tot verhuur van zijne akkers wordt de inlander in 
den regel gedreven door geldgebrek. Soms is ook gemis van ploegvee, 
of overvloed van bouwgrond, daartoe de aanleiding, ook wel het 
feit dat men de gemeente voor korteren of langeren tijd wenscht 
te verlaten. In deze gevallen wordt veelal als huurprijs een deel 



» = artt. 1586 en v\\ Ned. Burgl. Wb. 

« Zie boven p. 87 en 108. 

» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 54, 55, 70, 127, 168, 200; Sollewijn Gelpke, 
t a. p. , p. 716. In sommige streken wordt de verhuur van bouwgronden voor 
geld in het Javaansch en .Soendaasch speciaal nglandjak genoemd; maar dit 
gebruik is niet vast. 



VERMOGENSRECHT OF JAVA EN MADOERA. 111 

van den oogst bedongeu , en ditzelfde kan men ook zeggen van de 
goederen, welke door de gemeente, door de bezitters krachtens 
hun ambt , dan wel door de geestelijkheid als waarnemende het bestuur 
der goederen in de doode hand (Mal. Jav. Soend. wakap, v. h. 
Arab. waqf) worden verhuurd als exploitatiemiddel '. Is geldgebrek 
de aanleiding tot verhuur, dan wordt de huurprijs ook steeds in 
geld voldaan, en worden door het huurcontract niet zelden allerlei 
andere transacties bedekt. Zoo wordt soms eene geldleening omgezet 
in een huurcontract met vooruitbetaalden huurprijs; in andere ge- 
vallen verbergt de huurovereenkomst eene doorloopende rekening, 
welke de grondbezitter met zijn leverancier heeft. Zij vervult dan 
dezelfde economische functie als bij ons de crediethypotheek. In 
alle die gevallen ziet men ook dikwijls huurovereenkomsten voor 
zeer langen termijn sluiten, en door den huurder den huurprijs 
vele jaren vooruit betalen, met bevoegdheid op den verhuurder 
om, tegen terugbetaling van den ontvangen huurprijs, het con- 
tract tusschentijds te ontbinden , hetzij wanneer hem dit goeddunkt, 
hetzij bv. nadat het verhuurde veld eenmaal geoogst zal zijn. Dat 
dit natuurlijk op het bedrag van den huurprijs nadeeligen invloed 
uitoefent, behoeft geen betoogd. 

Het huurcontract, als zijnde, in beginsel althans, slechts een 
tijdelijke afstand , is aanmerkelijk minder beperkt door gemeentelijke 
instellingen dan de verkoop. Dit laat zich ook daardoor verklaren 
dat de verhuurder ten definitieve aansprakelijk blijft voor de 
lasten, jegens den lande of jegens de gemeente op den grond 
klevende, ook al neemt de huurder die voor zijne rekening. In 
het bijzonder kan men overal verhuren aan personen niet in de 
gemeente gevestigd, en behoeft de verhuurder niet aan de ver- 
eischten te voldoen om als grondbezitter in de gemeente op te 
treden. Daar het^ doel der overeenkomst is het erlaugen van het 
genot van den grond, spreekt het van zelve, dat de beperking bij 
verkoop tot personen in staat om den grond behoorlijk aan zijne 
bestemming te doen beantwoorden, bij verhuur geen zin zoude 
hebben. Dit alles verklaart, waarom som3 aan verhuur, met vooruit- 
betaling van vele termijnen , de voorkeur wordt gegeven boven 
verkoop van den grond , ofschoon de laatste voordeeliger voor den 



^ Vergl. Mol^aminedaansche Geestelijkheid, p. 38; Eindresumé, dl. I, p. 81, 
86, 92, 101, 102, 105, 111, 132, 133, 201. 

« Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 55, 56, 80, 128, 201 ; Sollewijn Gelpke, t. a. p., 
p. 714, 715. 



bez.Urrr '(LiArj^a crjiiLtr Lhü Told:«eia, of wci if^i iiA3 dto t^ziucT 
T<j»<jtr bkaTe firtli-^n of 2^>nir:reij, welke liï ^^aureade <3ro i'>j»p 
TAD bn Lflir>fy>3ii;r»i<rt fer^ireki, lieliest* de u^tiftzziiiS d>eni ran haur- 
Teri^TA^iDS'. M*rt ir-t oog* op fe-^ï, wel is vaar ^om* in CAA:B,tijie> 
lijke karkkt'er tsiü de rerhuur, W''>rdi iei e'Cïüirk'Ci Teel meer moiidtUiis 
a^fi^e^^uïzi dan L*ft k'Xi|/<:oL5raxrt- WoHï het «e 'h rif ielijk aaiige^aan , 
z^>^i gei^u daarosotrebt mutatis matandis wat omirent ««ehrine' 
l:jke ko^^jy>vereeiïkoiii«ten is gezeg^d '. 

De verhaar fan boawg-roLden te^en een deel ran den oo?5t is 
tweeledig. I>e huarder kan namelijk als haarprijs eene Taste hoe- 
Teelheïd Tan het product afstaan , en dan is de oTereenkomst gelijk 
aan de gewone haar, behoadens dat de haarprijs niet in gemant 
geld, maar in natara wordt opgebracht. Bij het mee- of tegen* 
vallen Tan den oogst heeft in dat geval de verhaurder geen belang. 
Soms is bij zoodanige huar het beding alternatief: prodaeten of 
geld , ter keuze Tan den huarder *. Het kan echter ook zijn — 
en dit is de meest Toorkomeude vorm — dat de huurprijs in een 
evenredig deel Tan den oogf<t bestaat. Zoodanige overeenkomst is, 
naar het recht van den Islam , alleen geoorloofd ten aanzien van 
aanplautingen van twee soorten van vruchtboomen , dadelpalmen en 
wijnstokken ' , welke op Java en Madoera niet in aanmerking komen. 
Ten aanzien van een akker is de overeenkomst slechts besta«iubaar, 
als aanhangsel van die omtrent dadel- of druivenaanplantingen , 
d. w. z, ten aanzien van de ledige stukken grond tusschen de 
boomen gelegen. Bovendien moet in dat geval het zaad door den 
verhuurder worden verstrekt *. Het inlandsche contract nu wijkt 
ten deze principieel van de Mohammedaansche wet af. Het wordt 
namelijk als cene zelfstandige overeenkomst gesloten , het meest 
ten aanzien van sawah's, maar ook ten aanzien van andere 
bouwgronden, ja zelfs ten aanzien van vischvijvers. Wanneer 
tuinen of boomgaarden aldus worden verhuurd, wordt noch aan 
de beperking tot dadelpalmen of wijnstokken , noch aan het maken van 



* Zie boven p. ^)1 en v. , en vergl. Eindresumé, dl. I, p. 54, 56, 81 , 128, 132, 168, 
177, 2^Xi, 2</2; SoUewijn Gelpkc, t. a, p., p. 716. 

' Vergl Eindresumé, dl. 1, p. 55, 79, 8<>. 

* Natuurlijk onderstellen de juristen van den Islam, dat men geene wijngaarden 
heeftom van de druiven wijn te maken, doch om dezen als rozijnen te confijten. 

* Vcrgl. Minhadj a^Talibin, dl. II, p. 143 en vv. 



yS&MOGSNSRSCHT OP JAVA SN MADOBRA. 113 

een speciaal beding ten aanzien der open plekken tusschen de 
boomen gedacht. Dikwijls levert de verhuarder het zaad; maar 
even dikwqls doet znlks de hnnrder. Partijen zijn ten deze abso- 
luut vrij, evenals trouwens in hunne andere bedingen betreffende 
de exploitatie, bv. omtrent de vraag of de huurder de lasten, op 
den grond klevende jegens den lande of de gemeente, voor zijne 
rekening zal nemen, wie het ploegvee zal verstrekken, of de ver- 
huurder een gedeelte van de bewerking zal verrichten, enz. De 
hier genoemde factoren beheerschen ook de vraag, welk deel 
van den oogst of, bij visch vijvers, van de opbrengst, de ver- 
huurder voor zich bedingt. Andere factoren te dien aanzien zijn: 
de vruchtbaarheid van den grond, de meerdere of mindere moeite 
aan de bewerking verbonden, en de gemakkelijke afzet der pro- 
ducten. Meestal is het aandeel, hetwelk de verhuurder bedingt, 
^ of ^ dan wel f; maar ook andere fracties komen in bijzondere 
gevallen voor, bv. \ of f, ja zelfs |- of f. Naar den noemer der 
door den verhuurder bedongen fractie wordt het aldus verhuren 
van grond genoemd, en wel in het Javaansch: maro, mërtëloe 
enz. (ü) of malih, mërtiga, enz. (K), in het Soendaasch: 
maro, martiloe, enz., en in het Maleisch: mëmpërdoewa, 
mëmpêrtiga, enz. £ene modificatie van het contract is nog, 
dat de huurder het geheele veld beploegt en beëgt, waarna het 
in twee stukken wordt verdeeld, waarvan de huurder en de ver- 
huurder elk één voor eigen kosten en risico bezaait of beplant 
en oogst ^. 

Eene eigenaardige soort van huurovereenkomst is die , welke tot 
voorwerp heeft gronden met de daarop gelegen dorpen en de 
heerlijke rechten op de in die dorpen wonende bevolking, of, gelijk 
men gewoonlijk zegt , de /^dorpsverhuur/»' , omdat de perceelen worden 
genoemd naar de daarop gelegen vestigingen. 

Deze huurovereenkomst , welke natuurlijk slechts door inlandsche 
vorsten , of apanage-houders , d. w. z. hoofden of grooten kan worden 
gesloten, is met den Isl&m volslagen on vereenigbaar. De vorst kan, 
volgens de Mohammedaansche wet, alleen de gronden verhuren, 
welke tot het vrije staatsdomein behooren; over de gronden zijner 
onderdanen , onverschillig of die in eigendom of in erfelijk gebruiks- 
recht worden bezeten , heeft hij geene beschikking. De belastingen 
en andere praestatiën aan den lande, waartoe de onderdanen ge- 



ï Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 57, 81, 82, 128, 129, 203. 

6« Volgr. III. 8 



114 D^ AFWIJKINGEN YAN HST MOHAMMSDAAN8GHS 

honden zijn, knnnen alleen worden afgestaan aan particnlieren , 
bij wijze van iqt&^ of concessie, welke concessie wel is waar in 
den regel een remuneratief karakter draagt , maar desniettegenstaande 
principieel van verhuur verschilt ^. De op Java en Madoera voor- 
komende dorpsverhuur hangt uit den aard der zaak samen met 
den privaatrechtelijken eigendom van den grond, welke aan de 
vorsten toekomt ; terwijl daaruit tevens te construeeren is de bevoegd- 
heid tot verhuur door de personen, aan wie de vorst als apanage 
een deel van den grond tijdelijk heeft afgestaan ^. Ook de voor- 
malige Oost-Indische Compagnie heeft zich, als getreden in de 
rechten der inlandsche vorsten, steeds op dit standpunt gesteld, 
en hare regenten als door haar geapanageerd beschouwd. 

De dorpsverhuur kwam dan ook oudtijds in Midden- en Oost-Java 
en op Madoera voor ; doch Daendels heeft hieraan in ons rechtstreeksch 
gebied een einde gemaakt, en aan regenten en andere hoofden 
het verhuren, op dien voet, van stukken van hun gebied uitdruk- 
kelijk verboden '. In de Madoereesche vorstendommen heeft de 
dorpsverhuur opgehouden bij de invoering aldaar van ons recht- 
streeksch gezag, namelijk in Pamakassan in 1857, in Soemenep 
in 1883 en in Bangkallan in 1885 *. Die verhuur bestaat dus 
thans nog alleen in de Yorstenlanden van Midden-Java ; doch ook 
aldaar zijn sedert 1830 Vreemde Oosterlingen als huurders ge- 
weerd ^. Nu waren het juist Chineezen en Arabieren, die, zoowel 
vroeger in de Yorstenlanden als op Madoera, en, vóór Daendels, 
ook in ^s Compagnie^s gebied , van de dorpshuur werk maakten, en de 
bevolking op allerlei wijzen wisten uit te zuigen. Wel is waar 
ligt het in den aard van het huurcontract, dat de huurder geene 
meerdere rechten kan uitoefenen dan aan den verhuurder toekomen ; 
maar , wegens de onbestemdheid der op het gewoonterecht gegronde 
verplichtingen van den bevolking, de onverschilligheid van velen 
harer hoofden, en het algemeene gebrek aan controleerend per- 



> Vergl. Mawardï: al-Mkam as-Soltanijah (ed. Enger), p. 332. 

• Zie meer hierover in myn reeds aangehaald opstel: Het eigendomsrecht van 
den staat, enz. p. 1 en vv. 

• Zie den Staat der Nederl. O. I. Bezittingen, p. 10, 46; Mr. J. A. van der Chys : 
Nederlandsch-Indisch Plakaatboek, dl. XIV, p. 750 en vv. ; De Jonge : De opkomst 
van het Nederl. gezag op Java, dl. Vin, p. LX VU. 

• Vergl. Ind. Stbl. 1858 No 54; 1883 No 242; 1885 No 144. 

• Wetteiyk werd hun eerst de bevoegdheid tot inhuren van dorpen ontnomen 
bij art. 1 van Ind. Stbl. 1857 No 116. 



VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 115 

soneel, was den haarder feitelijk alles jegens de bevolking geoor- 
loofd, zoolang niet oproer of eenig gerochtmakend geval van 
knevelarij het Earopeesch gezag dwong tusschenbeide te komen. 

Wat- den toeataad^ in de tegenwoordige Vorstenlanden betreft , 
200 valt op te merken, dat de dorpsverhuur aan inlanders nog 
geheel door de nationale instellingen wordt beheerscht, maar dat 
die aan Europeanen of daarmede gelijkgestelden door onzen wet- 
gever reeds in 1857, en laatstelijk in 1884, aan een nauwkeurig 
toezicht van het bestuur en aan tal van beperkende bepalingen is 
gebonden, de uiteenzetting van welke bepalingen intusschen niet 
tot ons onderwerp behoort ' . 

De inlandsche dorpshuurder, of liever pachter^, heet bëkël, 
soms met bijvoeging van het woord pamadjëggan (N) of pa- 
maossan(K), d. w. z. ^die pacht opbrengt^/ , om hem te onder- 
scheiden van den zoogenaamden bëkel maron(N) of b. malihan 
(K), d. i. de administrateur van den apanagehouder, indien deze 
zijn grond niet verpacht, maar voor eigen rekening en risico 
laat exploiteeren , gelijk mede van den bëkël ngiras, d. i. de 
opzichter van den apanagehouder, indien deze zelfs persoonlijk de 
exploitatie van zijn grond in handen heeft gehouden '. Heeft de 
bëkël een groot perceel gepacht, zoo noemt men hem dëmang, 
Tonggo of ngabèhi, al naarmate van den omvang zijner onder- 
neming ^. Van de pachtovereenkomst yroTii eene schriftelijke acte 
opgemaakt, welke den naam van piagëm draagt, en waarin de 
bijzondere voorwaarden van het contract, de verhouding tot den 
verhuurder, d. w. z. tot den loer ah, letterlijk : »^het onmiddellijke 

» Zie Ind. Stbl. 1857 No 116; 1872 N» 211; 1884 Nos 9, 10, 86, 189; 1886 
No 48; 1891 No 255. 

' Bij de dorpsverhuur gebruikt men in den regel in het Javaansch niet het 
woord séw& (zie boven p. 107), en de daarvan afgeleide vormen, maar spreekt 
men van padjSg (N) of paos (K), d. i. „pacht", en de daarvan afgeleide 
vormen. 

* De opdracht der administratie aan een ander, en a fortiori de persoonlyke 
«xploitatie , komen slechts bij kleine apanages voor. De groote apanagehouders, 
«venals de vorsten, exploiteeren hun grond door middel van dorpsverhuur. De 
vorsten verhuren daarbij alleen groote perceelen. 

* De gewone uitgestrektheid van een pachtperceel is hoogstens 3 djöeng; 
sommige perceelen zyn echter veel grooter. De d j o e n g bevat 4 bahoe of karj&, 
<1. w. z. de hoeveelheid land , welke door 4 gezinnen (t j a t j a h) kan worden 
bebouwd, of op andere wyze geëxploiteerd. De oppervlakte der djoeng's ver- 
^schilt dus naar de terrein-omstandigheden. De ngabèhi's zgn de grootste 
pachters, dan volgen de ronggo's, daarna de dSmang's, en eindelijk de 
gewone bSkgl's. 



116 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE 

hoofd '% van den bek el \ de opbrengsten, waartoe deze verplicht 
is , en diens verhouding tot de bevolking van het perceel geregeld 
zijn, voor zoover een en ander niet voortvloeit uit de Javaansche 
wetten of algemeen bekende instellingen. Daar de bêkël over 
zijn perceel tevens eene zekere politie-macht uitoefent, moet vau 
elke nieuwe pachtovereenkomst worden kennis gegeven aan de 
plaatselijke inlandsche bestuurshoofden ^. In het algemeen kan 
nataurlijk de verpachter aan den bêkël geene meerdere rechten 
afstaan , dan hij zelf heeft. De pacht betreft dus den grond , welke 
tot het dorp behoort (Jav. boemi dés&(N) siti doesoen (K))^ 
met de heerlijke rechten op de bevolking, overeenkomstig de 
bestaande gebruiken, maar niet de praestatiën, waartoe de bevol- 
king verplicht is jegens den vorst als zoodanig , d. w. z. de zooge- 
naamde nëgar&- (N) of nêgari (K) -diensten, en de belastingen. 
Zelfs wanneer de vorst een stuk grond aan een bêkël verpacht» 
zijn deze praestatiën niet in de overeenkomst begrepen ^. In de 
pacht is mede niet begrepen de verplichting van de bevolking om 
den vorst of den geapanageerde met zijn gevolg te onderhouden» 
wanneer deze zich tijdelijk op het perceel bevindt * , noch de 
bijzondere opbrengsten en diensten aan den verhuurder verschul- 
digd bij gelegenheid van algemeene of private festiviteiten , alles 
overeenkomstig de wetten en instellingen des lands ^, Gedurende 
den loopenden pachttijd mag de bêkël niet van het perceel door 
den verhuurder worden afgezet, en evenmin mag de bêkël dit 
verlaten, tenzij natuurlijk in geval van wettelijke ontbinding 
wegens wanpraestatie van één van beide kanten, dan wel indien 
de bêkël, wegens niet-vervuUing zijner plichten als agent van 



^ Woont de geapanageerde niet op het perceel, maar op de hoofdplaats, zoo 
spreekt men van loerah tabon, of alleen van tabon. 

' De bSkël heeft dus, behalve zijne privaatrechtelijke verplichtingen en rechten ^ 
nog publiekrechteiyke functies; doch de beschryving dezer laatsten valt buiten 
het kader van dit opstel. 

'De bëkSl is intusschen gehouden om te zorgen, dat ook de hier bedoelde 
verplichtingen door de bevolking worden nagekomen. 

* Het recht van den landheer om , vergezeld van zyn gevolg , zyne onderhoorigen 
te bezoeken, en zich dan door hen te laten onderhouden, bestond oudtyds met 
even betreurenswaardige gevolgen in Schotland en Ierland. Zie H. S. Maine: 
Early history of institutions, 3d« druk, p. 141. 

* De nadere uiteenzetting van een en ander zoude hier, waar slechts rechts- 
beginselen geformuleerd worden, misplaatst zyn; alleen moet ik ook ten deze 
opmerken , dat bedoelde opbrengsten , diensten en onthalen in de practyk grooten- 
deels naar zuivere willekeur worden gevorderd. Zie boven, p. 114, 115. 



VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 117 

het openbaar gezag, dit laatste noodzaakt tussohenbeide te komen. 
Behalve in geval van de straks te vermelden wanbetaling van de 
pacht, blijft, zelfs bij ontslag van den bëkël wegens wanpraes- 
tatie , enz. , het plantsoen , waarvoor reeds pacht betaald is , d. i. 
de zoogenaamde alib ^ , zijn eigendom. Bij overlijden van den 
bëkël gaan zijne contractueele rechten en verplichtingen op zijne 
kinderen over. De pachtcontracteu mogen in normale gevallen slechts 
loopen van den tijd dat de velden onbebouwd zijn, of althans de 
jonge rijstplantjes nog niet zijn overgeplant, totdat de oogst van 
het veld is weggehaald. Anders moet de nieuwe pachter daarvoor 
schadevergoeding aan zijn voorganger betalen. Ook deze te velde 
staande oogst heet alib. Bij perceelen , welke gedeeltelijk uit 
rijstvelden, gedeeltelijk uit andere bouwgronden bestaan, regelen 
de termijnen zich naar den rijstbouw. De pacht kan zoowel in 
geld als in producten worden bedongen; maar in het eerste geval 
heeft toch de verhuurder steeds het recht betaling in producten 
te vorderen. De betaling geschiedt in twee halfjaarlijksohe ter- 
mijnen , namelijk bij het feest van de geboorte van Mohammad , 
den zoogenaamden Garëbëg Moeloed, en bij gelegenheid van 
het feest van het ophouden der groote vasten, den zoogenaamden 
Garëbëg PoewSsS(N) of G. Siam (K) 2, bij welke feesten de 
bëkël tevens in persoon zijne opwachting bij den verhuurder moet 
komen maken, en hem de pacht 'over het verloopen halfjaar moet 
komen brengen •'. Bij wanbetaling op die termijnen, wordt de 
schuld van den bëkël voor de eerste 8 dagen met 50 pCt. ver- 
hoogd. Daarna nog niet betalende , klimt de boete naar een in Soera- 
karta en Djokjakarta eenigszins verschillend , maar in elk geval zeer 
onereus tarief , en wordt, na ommekomst van ongeveer drie maanden , 
de bëkël ontzet, zonder dat hij eenig recht, zelfs op den te 
velde staauden oogst kan doen gelden. De normale pachttijd 
is het Mohammedaansche jaar; doch het staat partijen vrij een 
langeren termijn te bedingen , hetgeen doorgaans gepaard gaat met 
vooruitbetaling van de pacht, zoo niet voor alle, dan toch voor 

• Zelfs al staat dit plantsoen nog niet te velde. Soms wordt onderscheiden 
tusschen alib en kSrab, in dien zin dat het eerste woord het plantsoen van 
den eersten moesson na het ontslag, en het laatste dat van den moesson van 
het ontslag aanduidt 

• Gaat het apanage tusschen beide feesten op een ander over, zoo heeft deze 
aanspraak op den geheelen volgenden termgn. 

• In Djokjakarta is ook het verschijnen van den bSkSl, bij dengeen van wien 
hy het perceel gepacht heeft, verplichtend op het feest Pandjindrallan, d. w. z, 
de veijaardag der Koningin, en op den Garëbëg Bësar. 



118 DE AFWUKINGJSN VAN U£T MOHAM3££DAANS0HE 

vele jaren. De bëkël heeft dan zekerheid, dat niet na het eerste 
jaar het perceel aan een ander zal worden verpacht, en dat hij 
dus de voordeelen zal hebben van eventneele verbeteringen, door 
hem aan den grond aangebracht, bv. irrigatiewerken, nieuwe 
ontginningen, enz. Znlk een bëkël, die zich voor meerdere jaren 
het genot van den grond verzekerd heeft, heet bëkël tëbassan. 
Door de aldns gedane vooraitbetaling en vooraf toegezegde pacht- 
verlenging is ook de opvolger in het apanage gebonden; alleen 
in geval van oneervol ontslag van den verhunrder uit zijne waardig- 
heid , is de opvolger niet verplicht de overeenkomst na het loopende 
jaar voort te zetten , en behoudt de bëkël slechts eene persoonlijke 
vordering tot schadevergoeding tegen dengeen, met wien hij ge- 
kontrakteerd had. De bëkël is verplicht het perceel , overeenkom- 
stig de plaatselijke instellingen of de van overheidswege gegeven 
bevelen , als een goed huisvader te beheeren. Hij moet zich op het 
perceel vestigen, en mag zonder toestemming van den verhuurder 
geen tweede perceel pachten ; maar wel mag hij elders gronden in 
onderpacht nemen. Geschillen, tnsschentijds over de uitvoering van 
de overeenkomst tusschen den verhuurder en den bëkël ontstaan, 
bv. over de grenzen van het perceel, dan wel over verhooging 
of verlaging van de pacht, ten gevolge van misgewas of veran- 
deringen in den toestand van het terrein , moeten , alvorens in 
rechten te worden aanhangig gemaakt, worden onderworpen aan 
het oordeel van de bëkëPs der vier. Oost, West, Zuid en Noord, 
naastbij gelegen perceelen en van de vier daarop volgende perceelen * . 
Elke bëkël betaalt aan den verhuurder, afgescheiden van de jaar- 
lijksche pacht, bij het aangaan van een nieuw contract een zeker 
geschenk in geld, bëkti, d. i. '/hulde>9^ , geheeten , hetwelk varieert 
naar de waarde van het perceel , den pachttermijn , enz. Gaat het 
perceel, gedurende den pachttijd, dooi overlijden van den bëkël, 
op zijne erfgenamen over , zoo betalen dezen een extra-geschenk in 
geld, panganjar, d. i. ^/vernieuwing»^, genoemd ^. De bëkël 

* De zoogenaamde montjo pat (N) of m. sëkawan (K) en m. lim& (N) 
of m. gangsal (K). Deze arbitrage van buren is reeds in het Hindoe-recht 
bekend. Zie Manoe, VIII: 2v58, 262 en vv. 

* Ook wel patoembas ing sëkar, d. w. z. „geld voor het koopen van 
bloemen", geheeten. Sommigen maken onderscheid, of de overgang op een zoon 
dan wel op eene dochter plaats heeft, en spreken alleen in het eerste geval van 
panganjar of patoembas ing sëkar, maar in het tweede van nj&tr& 
b 8 kti. Verdere erfgenamen hebben geene aanspraak op overgang van het contract, 
doch alleen een recht van naasting tegen den prijs, door een vreemde voor het 
perceel geboden. 



YEBMOOENSRECHT OP JAVA EN MADOEBA. 119 

kan zijn contract niet aan een ander cedeeren , zonder toestemming 
van den verhuurder; maar tot de onderverhuur van gedeelten van het 
perceel is hij, ook zonder diens toestemming of zelfs voorkennis, 
bevoegd. De onderpachter heet bëkël boeri (N) of b. wing- 
king (K) ». 

§ 5. Pand. 

Het pandcontract heet in het Javaansch en Soendaasch: gajé, 
in laatstgenoemde taal ook: san da, en in het Maleisch: gadai of 
san da. De uitdrukkingen voor /^^ verpanden^, /^verpander^ enz. zijn 
van deze wortels afgeleid. De inlandsche begrippen omtrent de hier 
te bespreken overeenkomst verschillen ten zeerste van de Mohamme- 
daansche. In den Islftm heeft zij een accessoir karakter , d. w. z. 
het pand strekt ter verzekering van de betaling eener schuld, en 
deelt het rechtslot der hoofdverbintenis '. Naar inlandsche be- 
grippen daarentegen is het eene zelfstandige overeenkomst , te ver- 
gelijken met het contrat pignoratif van het oude Fransche 
recht. De pandgever draagt het bezitrecht op het voorwerp over 
op den pandnemer; terwijl laatstgenoemde hem de overeengekomen 
geldsom geeft als contra-praestatie. De pandnemer wordt geen eige- 
naar , doch erlangt op het verpande voorwerp slechts een recht van 
gebruik of genot, onder verplichting bedoeld voorwerp aan 



» Vergl. Angggr Agëng, art. 27; AnggSr Sadist, artt. 19—22, 28—35, 37, 
38, 44, 52, 55; A. J. Spaan: Rapport omtrent de rechten die in de residentie 
Soerakarta op den grond worden uitgeoefend, als Bijl. B. gepubliceerd in dl. UI 
van het Eindresumé, p. 16, 22 en vv., 35 en vv. , 4<) en vv. ; Pranatan Patoeh 
of Djokjasche wet van 1863, houdende bepalingen omtrent de rechten en verplich- 
tingen der prijaji's, die gronden in apanage hebben, als Bijl. C* gepubliceerd 
in hetzelfde deel van het Eindresumé, artt. 1, 4, 5, 6, 8 — 13; C. F. Winter: 
Instellingen , gewoonten en gebruiken der Javanen te Soerakarta , in het Tydschrifl 
voor Nederl. Indië, Jaarg. 1843, dl. II, p. 732 envv.; Mr. P. Brooshooft : Solosche 
catechismus, opgenomen in het dagblad „De Locomotief", Jaarg. 1889, p. 4 — 7 
van den afzonderiyken afdruk; R. M. C. van Alphen: Landbezit in de Vorsten- 
landen, opgenomen in de Indische Gids, Jaarg. 1882, dl. II, p. 279 en vv. ; 
Anonym: De landverhuur in Solo in korte trekken, opgenomen in het Tydschr. 
V. h. Binnenl. Best., dl. I (1888), p. 383 en vv. Daar ik my in het bovenstaande 
heb moeten beperken tot de behandeling der huurovereenkomst, d. w. z. het 
contract tusschen den bëkSl en den verhuurder (vorst of geapanageerde) , zoo 
wordt, voor de verhouding tusschen den bSkél en de op het perceel wonende 
bevolking, gelijk mede voor de agrarische toestanden, door het pachtsysteem in 
het leven geroepen, venvezen naar § 14 van dit opstel. 

• Vergl. Fatb al-Qarib, p. 331. 



120 DE AFWIJKINGEN VAN UKT MOHAICMEDAANSCHE 

den pandgever te restitueeren , zoodra deze het inlost (Mal. Jav. 
Soend. t eb o es) door hem het opgenomen geld terng te betalen, 
tot welke betaling de pandgever, wanneer niet anders is bedongen , 
te allen tijde bevoegd blijft. De overeenkomst is dus, wat 
den pandgever betreft , van alternatieven aard : hij kan het voor- 
werp in handen van pandnemer laten , of hem het opgenomen geld 
teruggeven *. 

Het behoeft geen betoog, dat deze overeenkomst wel een antir 
chretisch karakter draagt, in zooverre dat de pandgever slechts 
de opgenomen som behoeft terug te geven , terwijl het gebruik of 
genot der zaak den pandnemer tot vergoeding voor het gemis van 
zijn kapitaal strekt; maar daarom is de overeenkomst nog geens- 
zins met de Europeesche antiohresis identiek. Bij laatstgenoemde 
overeenkomst immers heeft de schuldeischer eene vordering tot be- 
taling; bij het inlandsche pandkontrakt niet. De antiohresis 
is eene accessoire overeenkomst; het inlandsche pandcontract heeft 
een zelfstandig rechtsbestaan. Bij de antiohresis is rente be- 
dongen , waarvoor het gebruik of genot der zaak geheel of gedeel- 
telijk in de plaats treedt; bij het inlandsche pandcontract vervult 
het gebruik of genot ab initio de functie van rente ^. Dit, met 
rentebeding onvereenigbare , antichretische pandrecht voor onbe- 
paalden tijd vinden wij in de op Java gegolden hebbende Hindoe- 
rechtsbronnen terug, en de gevolgtrekking ligt dus voor de hand, 
dat wij ook hier weder met eene instelling van dat recht te doen 
hebben *. 

Naast het pandrecht voor onbepaalden tijd , staat op Java en 
Madoera dat, waarbij een termijn (Mal. Jav. Soend. djandji) 



* Vergl. Verwey , t. a. p. , p. 247 en vv. en de door dien schry ver aangehaalde 
plaats van Pothier (Oeuvres Complètes, dl. II, p. 12(>5). Volgens Dalloz, t. a. p., 
voce Nantissement , No» 229 en 293 en vv. en de aldaar aangehaalde schrijvers, 
werd het contrat pignoratif wel veelal in den vorm van een gefingeerden 
verkoop met recht van wederinkoop gesloten, maar was het daarvan toch in 
aard onderscheiden, al ware tevens verhuur aan den verkooper bedongen. Het 
criterium lag in de vilité du prix, welke een element van het contrat 
pignoratif vormde. Was dit element niet aanwezig, zoo bestond er een wettige 
verkoop met recht van wederinkoop. Ook in dit opzicht is de overeenstemming 
met de Javaansche toestanden hoogst merkwaardig. Zie boven, p. 106, 107. 

' Vergl. Verv^'ey, t. a. p., p. 250; Code Civ., artt. 2085, 2089, en zie boven 
p. 107 noot 1. 

» Zie Manoe, Vul: 143, 145; Koet Man., artt. 91, 114, in welke laatstge- 
noemde artikelen de buitengewone voordeden, welke de zaak afwerpt, voor den 
pandgever worden gereserveerd, 



YERMOOENSKKGHT OP JAVA £N MADOEBA. 121 

van aflossing der schuld door den crediteur is bedongen. Dit 
laatste pandrecht kan zoowel antichretisch zijn , als niet-antichretisch. 
Waar vee of andeie roerende zaken in pand zijn gegeven , welke 
uit haren aard slechts een beperkten tijd bestaan , vinden wij zelfs 
in de oude en nieuwe Javaansohe wetten bepaalde termijnen 
voor de inlossing vastgesteld, na verloop waarvan de crediteur 
gerechtigd is het pand, bij wanbetaling, te naasten (Mal. Jav. 
Soend. ram pas), en niet, gelijk de Isl&m voorschrijft , zich behoeft 
te bepalen tot het vorderen bij den rechter, dat het pand zal 
worden verkocht, om aan de opbrengst zijne pretensie te verhalen. 
Een dergelijk vervallen van het pand aan den crediteur, bij wan- 
betaling , heeft evenzeer plaats bij een bedongen , als bij een door de 
wet of de gewoonte vastgestelden termijn, gelijk mede wanneer 
eene bepaalde rente in geld is bedongen, en die tot gelijke 
hoogte als het kapitaal is opgeloopen. Bij goederen, niet aan 
ondergang of waardevermindering onderhevig , en vooral bij vastig- 
heden, is echter het beding van een termijn van inlossing zeld- 
zaam ' . Bij de bevoegdheid tot naasting moet intusscheu rekening 
worden gehouden met de vraag of, wanneer het onroerend goed 
betreft, de pandnemer de zakelijke rechten van den pandgever 
vermag uit te oefenen. De beperkingen , ten gevolge van gemeen- 
telijke instellingen , ten aanzien van het verkrijgen van grond 
bestaande, de onbevoegdheid van niet-inlanders om het erfelijk 
individueel gebruiksrecht op den grond uit te oefenen , en hunne 
nog niet door eene constante jurisprudentie uitgemaakte, maar 
m. i. toch bestaande onbevoegdheid tot uitoefening van het in- 
landsche erfpachtsrecht op de particuliere landerijen bewesten de 
rivier Tji Manoek zullen hierbij als factoren gelden ^. 

Voor verpanding zijn vatbaar roerende zoowel als onroerende 
goederen, waarvan men eigenaar is, of, bij onroerende goederen, 
het individueel erfelijk gebruiksrecht, dan wel het inlandsche 
erfpachtsrecht op de landerijen bewesten de rivier Tji Manoek heeft. 
Ook gebouwen of beplantingen afgescheiden van den grond zijn voor 
verpanding vatbaar, doch natuurlijk wederom niet vastigheden, 
waarop men zakelijke rechten volgens het Indische Burgerlijk 
Wetboek uitoefent, aangezien laatstgenoemde vastigheden slechts 



• Vergl. Koet Man., artt. 98, 99, 101, 120, 121; AnggSr Sad&sft,artt. 23,25; 
Wilken, t. a. p. , p. 601, 6()2; Eindresumé, dl. I, p. 51 en v. , 20(); Minhddj at* 
Talibïn, dl. I, p. 439, 442. 

* Zie boven, p. 99 en vv. 



122 DE AFWUKINOEN VAN IIKT MOHAMMEDAANSGHE 

bij wege van hypotheek kunnen worden verbonden *. Aandeelen 
in communale velden kunnen niet worden verpand, en evenmin 
ambtsvelden in de Oouvemements-residentiën. Wel daarentegen 
kunnen in de Vorstenlanden de apanagehouders hun grond ver- 
panden, ofschoon ook zij daarop slechts een tijdelijk en contrac- 
tueel gebruiksrecht uitoefenen '. 

Het pandrecht, hetzij voor onbepaalden, hetzij voor bepaalden 
tijd, hetzij antichretisch , hetzij niet antichretisch , is uit zijnen 
aard ondeelbaar. Nimmer kan de pandgever den pandnemer dwingen 
de zaak terug te geven vóór de algeheele voldoening der schuld. 
Zonder beding van het tegendeel zijn de verbeteringen , door den 
pandnemer aan de zaak aangebracht, ten voordeele van den pand- 
gever, wanneer hij het pand inlost. Elk pandrecht gaat verder 
over op of tegen de erfgenamen of rechtverkrijgenden , respektievelijk 
van pandgever of pandnemer. De laatste is echter niet bevoegd 
de zaak in achterpand te geven, of zijne pretensie aan een ander 
te cedeeren, tenzij met toestemming van den debiteur '. Niet 
zelden worden hieromtrent bij het aangaan der overeenkomst de 
noodige bedingen gemaakt. Verhuur aan den pandgever heeft plaats 
geheel onder dezelfde voorwaarden als ingeval van verkoop met 
recht van wederinkoop; terwijl ook de daarbij aangegeven be- 
perkingen van het recht tot inlossing op een ongelegen tijd, spe- 
ciaal wat bouwgronden betreft, bij het pandrecht gelden *. 
Ondergang of verlies van het pand maakt de schuld dadelijk 
opvorderbaar , tenzij aan den pandhouder te wijten ^, Eindelijk 



> Zie boven p. 86, en vergl. artt. llfx) en 1162 Ind. Burgert. Wb. = artt. 11% 
en 1208 Ned. B. W. 

« Zie boven, p. 101, en vergl. Eindresumé, dl. I, p. 18, 116, 143, 185, 189, 
2(X), 214, 216, 221. By erven in erfelyk individueel bezit schijnt het verpanden 
ongebruikeiyk , en de verkoop met recht van wederinkoop daarvoor altijd in de 
plaats te treden. Ibid. p. 166. Voor het verpanden van apanagegronden in de 
V^orstenlanden , vergl. AnggSr Sad&sft, artt. 20, 21. De contractueele gebruiks- 
rechten der bevolking op den grond in de Vorstenlanden en elders zgn wederom 
niet voor verpanding vatbaar. 

■ By verkoop met recht van wederinkoop heeft de kooper de bevoegdheid tot 
vervreemden van rechtswege. Zie boven p. 1C)6. Het geven in achterpand of het 
cedeeren der pretensie heet in het Javaansch : 8 1 i h , en in het Soendaasch en 
Maleisch: p ind ah, met bijvoeging respectievelijk van ga^é, san4a of ga da i. 

* Zie boven, p. 105, 106. 

* Bij verkoop met recht van wederinkoop , zoude ondergang of verlies , met of 
zonder schuld van den kooper, uitsluitend dezen laatsten treffen, als zgnde hg 
eigenaar geworden. 



VEKMOQENSBEGHT OP JAVA EN MADOERA. 123 

komt het, wat den vorm betreft, bij alle soorten van pandovereen- 
komsten voor« dat de pandnemer aan den pandgever althans een 
onderhandsch bewijs geeft, dat hij het goed in pand heeft ont- 
vangen. Geldt het vaste goederen , dan wel roerende goederen van 
groote waarde, zoo is naar de omstandigheden, verklaring van 
getuigen, ja zelfs tusschenkomst van het dorpsbestuur , of het 
opmaken van een notarieel contract in zwang, ofschoon, vooral 
buiten de hoofdplaatsen en groote centra van bevolking , partijen 
zich ook alsdan niet zelden met de algemeene bekendheid tevreden 
stellen, zoo zij zich al niet geheel op elkanders goede trouw 
verlaten '. 

Als eigenaardigheden van het antichretische pandrecht moet 
nog het volgende vermeld worden. Een enkele maal strekken , vol- 
gens overeenkomst, wel eens de vruchten, welke de zaak afwerpt, 
voor een gedeelte tot aflossing der schuld ; zoodat de pandgever 
na zekeren tijd zijn goed , zonder eenige betaling zijnerzijds terug- 
bekomt *. A.an den anderen kant wordt dikwijls, de antichretische 
pandovereenkomst, na eenigen tijd te hebben geloopen, door par- 
tijen geconverteerd in een verkoop met recht van wederinkoop, 
indien de primitief opgenomen som, welke veelal ver beneden 
de waarde der zaak was, door nieuwe geldopnemingen tot een 
bedrag is verhoogd, dat ten naastenbij aan de waarde der zaak 
gelijk is geworden. Dit laatste, en het geval dat de schuld met 
de achterstallige renten tot zoodanig bedrag is opgeloopen, zijn 
ook dikwijls oorzaak der conversie van een niet-antichretisch 
pandrecht in een verkoop met recht van wederinkoop ^. 

De hier beschreven inlandsche begrippen omtrent het pandrecht 
hebben natuurlijk geene betrekking op de hypotheek, door een 
inlander genomen op een vast goed, beheerscht door het Indische 
Burgerlijk Wetboek, noch op bodemerij , door hem gesloten met 
inachtname van artt. 569 en vv. Ind. Wb. van Koophandel , noch 
eindelijk op het oogstverband , geregeld bij Ind. Stbl 1886 n® 57. 



» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 51-54, 127; AnggSr Sad&si, art. 26. Het 
eerste lid van dit artikel is niet duidelijk. Men zoude er uit kunnen opmaken, 
dat de pandhouder, van zijn kant, den pandgever, in geval van toevallig verlies 
moest schadeloos stellen ; doch , zoo dit de juiste opvatting is , geldt het voor- 
schrift stellig niet buiten de Vorstenlanden. 

* De overeenkomst draagt alsdan het karakter van den v i f-g a g e van het oude 
Fransche recht, in tegenoverstelling van haar gewoon karakter van mort-gage. 
Vergl. Dalloz, voce Nantissement , N» 22. 

• Zie boven, p. 106, 107, en vergl. Eindresumé, dl. I, p 53, 127. 



124 de afwijkingen van het mohammedaan8che 

§ 6. Yerbruikleen. 

Het schaldrecht , naar de inlandsche begrippen , is geheel 
afwijkend van de beginselen van den Islftm. Qeen recht kan men 
zeggen , dat voor den debiteur gunstiger is dan het Mohammedaan- 
sche. Naar een uitdrukkelijk voorschrift van den Koran ' moeteen 
debiteur, die werkelijk niet betalen kan, zonder dat hij zelf zijn 
onvermogen met opzet heeft veroorzaakt om zijne crediteuren te 
bedriegen , en zonder dat hij de bchuld ontkent , met rust worden 
gelaten. Bovendien bestaat voor iemand de verplichting tot betaling 
zijner schulden, alleen onder de voorwaarde dat hij daartoe in 
staat is, zonder in zijne verplichtingen jegens All&h, jegens zich 
zei ven en jegens de personen, die hij onderhouden moet, te kort 
te schieten * . Het renteverbod van den Koran is absoluut , en be- 
treft niet slechts geldleeningen , maar ook het leenen van levens- 
middelen ^. Nu zijn, wel is waar, gelijk wij straks zien zullen , de 
voorschriften der juristen , omtrent het renteverbod , juist door 
hunne specialiteit, in onze dagen gemakkelijk te ontduiken; maar 
dit neemt niet weg, dat het beginsel, waarvan die voorschriften 
uitgaan, van eene merkwaardige mildheid tegenover de verbonden 
partij getuigt. 

Daarentegen is het Javaansche schuldrecht van ouds zeer streng. 
Ik heb hier niet zoo zeer het oog op het , reeds in het wetboek 8oerj& 
Ngalam afgeschafte , recht van den crediteur om zich eigenmachtig 
eenig goed van den debiteur toe te eigenen (Mal. Jav. Soend. 
rampas"*), welk recht ook in de latere Javaansche wetten aan 
den crediteur wordt ontzegd, doch in het Hindoe-tijdvak op Java 
bestond-^. Deze bevoegdheid immers kent ook de Isld,m, ondanks 
zijn bijzonder zacht schuldrecht ^. 

1 Koran, II: 280. 

« Zie Minhadj at-TAlibin, dl. Il, p. 1,6 en w. , dl. III, p. 425. Bij de beoor- 
deeling van de eerlijkheid van een vroom Muzelman, mag men dit, van het onze 
verschillende, standpunt nooit uit het oog verliezen. Zijne begrippen omtrent de 
zedelijke verplichting, om zijne handteekening te honoreeren, zijn anders dan 
de onzen. 

» Vergl. Koran, II: 276—278, III: 125, IV: 159, en den Commentaar van Bai- 
dhawi op deze plaatsen. 

* In het Javaansch ook tjan^ak tjSkSl ofdjarah rajah genoemd. 

* Vergl. Koet Man. , art. 84 ; SoerjA Ngalam , t. a. p. , p. 43 ; PapakSm van Che- 
ribon, in het Tydschrift: Het Recht in N. I. , dl. III (185(1) , p. 220; Naw&li PraditA, 
art. 14; Angger Agëng, art 6; Wilken, t. a. p. , p. 559 en vv. 

* Vergl. Minhadj at-Xalibïn, dl. III, p. 425 en vv. 



VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 125 

Wat het nationale Javaanscbe schuldrecht van het Moharamedaan- 
sche vooral onderscheidt, is dat, bij wanbetaling, wanneer de 
pretensie niet op de goederen van den debiteur kan worden ver- 
haald, deze daarvoor pandeling (Jav. raoedjangan, Soend. boe- 
djang. Mal. orang bëroctang) wordt; voorts het rentebeding 
als eeue , in beginsel uiet slechts geoorloofde , maar zelf in de 
nataur der overeenkomst liggende zaak, en eindelijk de bevoegd- 
heid om den debiteur tot de uiterste armoede te brengen. 

Het pandelingschap is stellig van Polynesischen oorsprong. Het 
Hiu^oe-^recht kent, ook blijkens de op Java gegolden hebbende wetten, 
de schuldslavernij , maar niet het recht van pand op een insolventen 
debiteur, en nog veel minder het recht van pandbeslag op zoodanigen 
debiteur en op de leden van zijn gezin ' . Dit pandbeslag op een vrij 
persoon en op zijn gezin « is wel te onderscheiden van het contrac- 
tueele pandelingschap , d w. z. de overeenkomst , waarbij men zich 
zelf in a^tichretisch pand geeft bij het opnemen van geld , evenals 
een a;pder eene hem toebehoorende zaak aldus verbindt. Dit laatste 
wordt , of liever werd , ook op Java door de gewone regelen van het 
aatichretische pandcontract beheeischt. Beide soorten van pande- 
lingschap waren sedert vele eeuwen op Java en Madoera in zwang, 
en wordcQ nog in de Javaansche wetten der Yorstenlauden erkend ^. 
Intusachen was , ook bij het pandbeslag op mensehen , van ouds de 
eigenrichting uitgesloten '. De treurige gevolgen van het pande- 

» Vergl. Manoe, VIII: 177, 415, 416; Koet. Min., artt. 270, 217. Daarentegen 
schijnen artl. 80 en 161 Ibid. niet op schuldslavernij, maar op pandelingschap 
te doelen. Is deze opvatting juist, dan hebben wy in dit artikel wederom te doen 
met eene specifiek Javaansche afwijking \'an het dogmatische Hindoe-recht. Over 
het praktische en juridische verschil tussohen pandelingschap en schuldslavemg , 
zie Verwey , t a. p. , p> 237, 238, 240. Daar bet pandelingschap op Java en Madoera 
thans tot het verleden behoort, meen ik, ten aanzien van dit onderwerp, met 
eene eenvoudige verwijzing naar dit voortreffelijke opstel te mogen volstaan. 

' Vergl. Verwey, t. a. p. , p. 534 en vv. ; Wilken, t. a. p. , p. 565 en 574; Soerjft 
Ngalam, p. 22; Naw. Prad., artt. 9 en 10; Angg. Ag., art. 2 ; Angg. Sad. , artt. 3, 
12, 50. Volgens den IslAm is een vry persoon buiten den handel, en dus noch 
voor eigendom, noch voor eenig ander zakelgk recht vatbaar. Tusschen echtge- 
nooten bestaat absolute scheiding van vermogen, en kinderen z^n nooit verplicht 
de schulden hunner ouders te voldoen, voor zooverre deze de baten van den, 
door laatstgenoemden nagelaten, boedel te boven gaan. De rechter kan in zekere 
gevallen den debiteur dwingen voor z\jn crediteur te werken; doch dit laat den 
persoonleken staat van den debiteur onaangetast Zie MinhAdj at-Talibin, dl. n, 
p. 8, 223, dl. III, p. <X) en vv., 229. 

• Vergl. Koet Mèn. , artt. 85 en 108; Angg. Ag., art. 6. In het opstel van wijlen 
Wilken (t a. p. , p. 565) wordt daarentegen geen onderscheid gemaakt tusschen het 
verbod van de eigenrichting als executie-middel , en het verbod van het pandbeslag zelf. 



126 DE AFWIJKINGEN VAN HET liOHAMMEDAANSCHE 

lingsohap , uit een economisch oogpunt , mogen als bekend worden 
ondersteld ' , en de Oost-Indische Compagnie had dan ook reeds, 
bij plakkaat van 24 Augustus 1696, het contractueele pan deling- 
schap in haar gebied verboden, omdat allerlei ^ongemacken/i^ 
daaruit voortvloeiden , welk verbod , bij plakkaat van 8 November 
1715 werd herhaald, en ook tot het pandbeslag bij wanbetaling 
werd uitgebreid*. In de Vorstenlanden bleef intusschen het pande- 
lingschap met beide functiën nog bestaan tot 1822 '. 

Het rentebeding , zelfs tot een bedrag , dat in Europa voor buiten- 
sporig zou worden gehouden, is eveneens op Java en Madoera 
gewoon ^j en wortelt blijkbaar wederom in het Hindoe-recht **. 
Trouwens het Mohammedaansche recht verbiedt wel goud , zilver 
of levensmiddelen te geven , met het doel om grootere hoeveel- 
heden daarvan terug te bekomen, bv. 100 guldens om over eene 
maand met 110 guldens terug te betalen; maar het verbod heeft 
geene betrekking op terugbetalingen in een ander metaal of in 
eene andere soort van levensmiddelen, noch ik fortiori op het 
geval dat de rente of het kapitaal in den vorm van bankbiljetten 
wordt betaald*. De economische toestanden, in de Middeleeuwen 
in Zuid-Westelijk Azië bestaande, welke toestanden de klassieke 
Arabische juristen voor oogen hadden, wier werken thans nog als 
wet gelden, wijken zoozeer af van die in onzen tijd, dat niet- 
tegenstaande het door hen tot in de verste consequentiën en in 
allerlei bijzonderheden uitgewerkte renteverbod , de geloovigen 
tegenwoordig nergens meer, zelfs in hunne meest exorbitante woeker- 
transactiën , beperkt zijn. Alleen de moreele band van den godsdienst 
blijft, en Arabieren, hadji's, en andere als kerksch bekend staande 
personen , geven dan ook de voorkeur aan het maskeeren van hun 
woeker door andere contracten. 



1 Vergl. Veth: Java, dl. I, p. vS20, 526. 

« Vergl. Plakaatboek, dl. lil, p. 410, en dl. IV, p. 73. 

• Ind. Stbl. 1822 N» 10. 

• Vergl. o. a. bovenaangehaald plakkaat van 8 November 1715, en, voor de 
tegenwoordige toestanden, C. Poensen: Naar en op de pasar, in de Meded. v. h. 
Nederl. Zend. Gen., dl. XXVI (1882), p. 21 ; Fokkens, t a. p., p. 34 en w. en 44; 
Wilken, t. a. p., p. 604. Zie ook Angg. Sad., artt. 23, 25, en het vonnis van den 
Landraad te Probolinggo van 16 Januari 1894 (Ind. Weekbl. v. h. R., No 1624). 

•Vergl. Manoe, VHI: 140 en w.; Koet Man., artt. 72— 75, 80, 82, 104, 262—266. 

• Vergl. Minhadj at-Talibin, dl. I, p. 355 en vv. en 425 en vv. ; Fat^ al-Qarib , 
p. 315. 



YERMOGENS&ECHT OP JAVA EN MADOERA. 127 

De inheemsche bevolking op Java en Madoera is , om economische 
oorzaken welke niet tot ons onderwerp behooren, en bovendien 
reeds voldoende door anderen zijn uiteengezet ^ , veelal in de 
voortdurende noodzakelijkheid van geld of andere vervangbare zaken, 
bv. zaadpadi, te leenen bij Europeanen, Vreemde Oosterlingen, 
of enkele meer vermogende landgenooten. Zelfs zij , die zich onder 
gewone omstandigheden buiten schuld weten te houden, vervallen 
op betrekkelijk weinige uitzonderingen na, daarin bij den minsten 
tegenspoed, als misgewas, enz. Bezit de Javaan nu geene roerende 
goederen van voldoende waarde, om daarmede zich in de officieel 
erkende pandhuizen geld te verschaffen, dan wel ziet hij tegen de 
daaraan verbonden forpialiteiten op , zoo valt hij in handen van parti- 
culieren, die in den regel de transactie omgieten in eene der reeds 
in den loop van dit opstel vermelde overeenkomsten van verkoop 
met recht van wederinkoop, verhuur met vooruitbetaling van den 
huurprijs of het loon, en de straks te bespreken overeenkomsten 
van voorschot op den oogst of van maatschap ^. De oorzaak hiervan 



' Vergl. o. a. SoUewgn Gelpke: Naar aanleiding van Staatsblad 1878 N» 110, 
passim; Arminius: Het budget van een Javaanschen landbouwer, in de Ind. 
Gids, Jaarg. 1889, p. 1685 en vv. , 1885 en vv. en 2149 en vv. ; Poensen, 1. 1. p., 
p. 21, 24; Dezelfde: Iets over de , Javaansche desa, in de Meded. v. h. Ned. 
Zend. Gen., dl. XXXV^H (1893), p. 344 en vv.; Fokkens, t. a. p., p. 33. 

• Als eene merkwaardige combinatie van inlandsche en Europeesche overeen- 
komsten, welke te zamen niets dan eene crediet verleening beoogen, kan men 
beschouwen het volgende contract, sedert lang door vele suikerfabriekanten met 
inlanders ten behoeve van het riettransport gesloten. Het gebruikeiyke voorschot 
op het transportloon wordt in de acte vermeld als pr^s voor de kar en het span 
trekdieren, waarmede het transport moet geschieden, en welke de eigenaar ver- 
klaart te hebben verkocht aan den fabrikant, met recht van wederinkoop na 
afloop der suikercampagne, doch onder voorwaarde dat deze zaken hem door 
den kooper tot dien termgn in bruikleen zullen worden afgestaan. Het loon voor 
de verrichte Transportdiensten wordt slechts voor één dag van de 5 of van de 7 
dagen uitgekeerd; dat voor de overige dagen wordt ingehouden, en strekt tot 
payementen van de betaling van den wederinkooppr^s , zoodanig dat, na afloop 
der campagne , de Inlander kar en beesten zal hebben terugbetaald. Op wanpraes- 
tatie is eene geldelgke poenaliteit gesteld, welke van het verdiende loon wordt 
afgehouden. Is de wederinkooppr^s , met de poenaliteit , bij het einde der campagne 
niet aldus kunnen verrekend worden, zoo heeft de fabrikant het recht kar en 
beesten te naasten, dan wel het gebruik daarvan aan den inlander te laten, 
tegen overschryving van de schuld op de rekening van de volgende campagne. 
Soms is zelfs bedongen, dat de fabrikant het naastingsrecht van kar en beesten 
heeft, in bepaalde gevallen van g^ove wanpraestatie gedurende de campagne; 
doch daartegenover staat in vele contracten, dat de fabrikant belooft, bij 
het einde der campagne, boven het transportloon, eene in verhouding hooge 



128 DE AFWIJKINGEN YAN HET MOHAMMEDAANSOHE 

is, dat de geldschieter zich aldus eene reeële zekerheid verschaft, 
zonder tot pand of hypotheek zijne toevlucht te nemen, en ge- 
makkelijker zijn debiteur in den waan kan brengen, dat de voor- 
waarden voor hem weinig onereus zijn, althans minder dan inder- 
daad het geval is. Welke van de hier bedoelde schijnovereenkomsten 
wordt aangegaan, hangt af van de persoonlijke omstandigheden, 
waarin partijen verkeeren, van gemoedsbezwaren aan den Moj^am- 
medaanschen godsdienst ontleend, enz. Dat alle pogingen om in 
dezen toestand verbetering te brengen, zijn mislukt, is wel een 
bewijs, dat men hier met een treurig, maar niettemin natuurlijk 
verschijnsel te doen heeft ' . 

Wanneer eene niet-vermomde overeenkomst van verbruikleen 
wordt gesloten, geschiedt dit in den regel vergezeld van pandrecht, 
en , indien er meerdere debiteuren zijn , van solidaire aansprakelijk- 
heid (Mal. tanggoeng mënanggoeng, Jav. Soend. tang- 
goeng rèntèng). De hierboven bedoelde kerksche Muzelmannen 
trachten intusschen ook dan het rentebediug te vermijden, door 
bv. in naam eene hoogere som te leenen dan feitelijk wordt ont- 
vangen, of door eene poenaliteit te stellen op de niet-betaling 
op den overeengekomen termijn, welke betaling, of welke termijn, 
dan zoo wordt voorschreven, dat de debiteur daaraan, ook in 
verband met de zorgeloosheid aan inlanders eigen, naar alle waar- 
schijnlijkheid niet zal voldoen. Schuldbekentenissen voor groote 
sommen worden tegenwoordig hoe langer hoe meer notarieel op- 
gemaakt. Voor kleinere bedragen is het afgeven van een onder- 
handsch schuldbewijs regel, zelfs op het platte land. Kunnen 
partijen niet schrijven, zoo helpt hen een goed vriend of de dorps- 
schrijver; terwijl men ook dikwijls getuigen bij de handeling 
neemt , die het stuk met den debiteur onderteekenen , desnoods 
met een kruisje. Van eene oflScieele bemoeienis van het dorps- of 
districtsbestuur, gelijk wij die bij de verkoopbewijzen hebben ont- 
moet, is echter bij het opmaken van de hierbedoelde schuldbe- 
kentenissen geen sprake *. In de Vorstenlanden is den crediteur 
zelfs de actie wegens verbruikleen ontzegd, wanneer hij geene 

premie te betalen, wanneer de kaïrevoerder zonder interruptie aan alle zgne ver- 
plichtingen zal hebben voldaan. Ik dank deze mededeeling aan den heer H. E. 
Steinmetz, laatstelijk assistent-resident van Bondowoso. 

* Een aardig voorbeeld van recenten aard tot illustratie van het hier mede- 
gedeelde, is te lezen bij Fokkens, t. a. p. , p. 37, met opzicht tot het Indische 
Staatsblad van 1891 N» 10. 

* Zie boven, p. 97, 98. 



VEHMOGENSUECHl' OP JAVA SN MADOERA. 120 

duidelijk geschreven en gave schuldbekeDtenis kan overleggen. 
Tusschenvoeging of doorhaling zijnerzijds in het document is als 
valschheid strafbaar. Teruggave van de schuldbekentenis is het 
eenige wettige bewijsmiddel van de betaling ; zoolang die teruggave 
niet heeft plaats gehad, kan de debiteur desnoods op nieuw tot 
bet'iling der schuld in rechten worden aangesproken ^. 

Over de bijzondere voorschriften en instellingen omtrent de 
wijze, waarop de concursus creditorum plaats heeft, is reeds 
elders gehandeld 2. Daarentegen worden wederom de voorschriften 
van het Mohammedaansche recht ten aanzien van de vraag, of 
schulden preferent dan wel concurrent zijn , bij de liquidatie op- 
gevolgd , voor zooverre die opvolging niet wegens verschil van toe- 
standen onmogelijk is , bv. de preferentie van den bloedprijs en van 
de djakat (Arab. zakHli) ^. Bij de executie op onroerend goed zal 
steeds rekening moeten worden gehouden met den aard van het 
recht, door den inlander op den grond uitgeoefend, en met de 
beperkingen ten aanzien van het verkrijgen daarvan door wettelijke 
bepalingen of door gemeentelijke regelingen. Zoo zal beslag op 
aandeeleu in de communale velden onmogelijk zijn, en zullen 
personen, die de bevoegdheid missen om in het dorp als grond- 
bezitter op te treden, ook zijn uitgesloten van het koopen van 
grond bij gelegenheid van een executorialen verkoop*. 

Een zeer gewoon middel om buiten tusschenkomst des rechters 
betaling van eene pretensie te erlangen, is het, aan het Hindoe- 
recht ontleende , voortdurend manen van , of liever de wacht houden 
bij den debiteur. De overlast van de tegenwoordigheid des credi- 
teurs, door den debiteur ondervonden, en, vooral indien het een 
Arabier of als vroom bekend persoon geldt , de bijgeloovige vrees , 
dat den crediteur aldus iets zal overkomen, tengevolge van het 
niet voldoen der wettige pretensie, doen doorgaans betaling volgen ^. 

§ 7. Akde&e overeenkomsten. 

Ruil heet in het Javaansch: liroe (N) of lintoe (K)^ in het 



< Vergl. Naw. Prad. , art. 19 ; Angg. Sad. , art. 58. Blykbaar wortelen deze voor- 
schriften in het Hindoe-recht. Vergl. Koet- Man., artt. 81, 83, 84, 106,109,110. 

' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 50(). 

» Vergl. Minhèdj at-Talibïn, dl. II, p. 223, en het Maleische werkje van Sajjid 
'Othman bin 'Abd Allah bin Jal^jA, getiteld: Kitab 'ilmoe paraïl, p. 4. 

* Vergl. boven, p. 99 en vv. 

s Vergl. Maine , t. a. p. , p. 40 en 297— 3( v4 ; Manoe , VIII : 49 ; Wilken , t. a. p. , p. 567 
6e Vogr. III. 9 



130 0« AFWIJKINGEN VAN HRT MOHAMMEDAAN9CHE 

Soendaasch : toekeur, en in het Maleisch : t o e k a r. Deze overeen- 
komst heeft op Java en Madoera eene veel grootere economische 
beteekenis dan bv. in Nederland. In de binnenlanden vindt men 
zelfs pasar^s, waar bijna alle zaken bij wege van railhandel ge- 
dreven worden \ en in de afgelegen dorpen is dit h fortiori 
het geval. Qebrek aan circuleerend medium is hiervan natuurlijk 
de oorzaak. Zoowel roerende als onroerende zaken, ja zelfs rechten *, 
worden onderling en wederkeerig tegen elkander geruild , wat de 
onroerende zaken betreft, ook in geval men daarop slechts eene 
contractueele aanspraak heeft. Zoo komt tusschen aandeelhouders in 
de communale velden dikwijls ruil hunner aandeelen voor '. Eene 
bijzondere soort van ruil is het wisselen van geld , en wel wederom 
in een zeer eigenaardigen vorm. Het bedrijf van den wisselaar 
(Mal. Jav. Soend. toekang réjal) bestaat namelijk daarin, dat 
hij bankpapier of standpenningen inwisselt tegen pasmunt of koper- 
geld, tegen een zeker agio, soms tot 5 pCt. en zelfs tot 10 pCt., 
niet, gelijk men zoude onderstellen, op de pasmunt of het koper, 
maar op het bankbiljet of de standpenningen. Het wisselen van 
pasmunt of koper tegen standpenningen of bankbiljetten geschiedt 
doorgaans, zoo niet gratis, dan toch tegen eene aanmerkelijk 
lagere belooning. De oorzaak van dit schijnbaar abnormale ver- 
schijnsel is te zoeken in de omstandigheid, dat de groote meerder- 
heid der inlanders, tengevolge van de geringe bedragen, welke 
zij voor hunne dagelijksche inkoopen besteden , veelal meer behoefte 
hebben aan kleingeld dan aan guldens of rijksdaalders, om van 
bankpapier niet te spreken ; terwijl zij bovendien , buiten de groote 
handelsplaatsen , van de zekerheid , welke laatstgenoemd betaalmiddel 
aanbiedt, over het geheel weinig begrip hebben. 

Voorschot op den oogst (Mal. tëmpah, Jav. idjon (N) of 
idjëmman (K), Soend. timp ah) is het s a 1 a m-contract derAra* 
bische juristen ** , maar beperkt tot landbou w-producten, terwijl 
de voorschriften van bedoelde juristen, om te waken dat de debiteur 
vooraf goed wete, waartoe hij zich vetbindt, voor niet geschreven 
worden gehouden. Van ouds is het dan ook eenvoudig eene soort 
van woekerovereenkomst , en is de debiteur tot praestatie gehouden 



* Vergl. SoUewyn Gelpke: Gegevens, enz., p. 592. 
' Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 199. 

* Ibid. p. 74. 

* Vergl. Minhadj at-Talibïn, dl. I, p. 414 en vv. 



Vermogensrecht op java en madoera. 131 

onaf hankelijk van het slagen van den oogst ' . De vorm , waarin 
het contract zich vroeger het meest voordeed, namelijk het betalen 
door den geldschieter van de landrente, door egne geheele in- 
landsche gemeente verschuldigd , tegen afstand van het te velde 
staand rijstgewas, is verboden bij § 4 van Ind. Stbl. 1834 N®52; 
maar dit verbod heeft geene betrekking op dergelijke overeen- 
komsten, individueel gesloten. Eene analoge overeenkomst is het 
geven van voorschot, zoodanig dat bij mislukking van den oogst 
de geldschieter zijne aanspraak verliest, en hij bovendien de helft 
van de kosten van bearbeiding en van de landrente draagt. Deze 
afwijking van het s a 1 a m-contract schijnt intusschen alleen in 
Bantam voor te komen, en heet daar djampang^. 

Maatschap heet in het Javaansch : baton, sakoetoe of sirkat, 
in het Soendaasch: sarikat, en in het Maleisch : pêrséroan of 
përsëkoetoean. In strijd met de Mohammedaansche wet ' worden 
maatschappen aangegaan , niet slechts tusschen personen , die elk 
een zeker kapitaal in geld, of althans in op geld gewaardeerde 
goederen inbrengen, maar ook tusschen hen, die niets dan hun 
arbeid gemeen maken, bv. tusschen sjouwers. Bij dergelijke , steeds 
mondeling aangegane associaties, kiezen de deelhebbers zich een 
mandoer of hoofd , die met den werkgever contracteert , en veelal 
het loon voor allen ontvangt ter latere verdeeling. Ja zelfs, als 
het loon om de eene of andere reden heet individueel te worden 
uitbetaald, wordt het, na ontvangst, niet zelden weder bijeen- 
gevoegd, om, overeenkomstig de onderling vooraf gemaakte afspra- 
ken , opnieuw en op andere wijze te worden verdeeld. Ook de 
Mohammedaansche commanditaire vennootschap komt veel voor; 
doch wordt in de inlandsche talen niet door ecu anderen naam 
dan de gewone maatschap aangeduid. Zij is verder in gebruik , 
niet slechts, gelijk de Isl&m vordert * , voor het drijven van handel, 
maar ook voor allerlei soorteu van nijverheid. Zij ontaardt in beide 
gevallen niet zelden in een vermomd woekercontract, vooral wan- 
neer het door den geldschieter gefourneerde kapitaal niet in 
geld, maar in levensmiddelen of andere goederen bestaat, en daar- 
voor eene vaste rente is bedongen , iets dat de Isldm wederom ver- 



* Eindresumé , dl. II, Byiagen, p. lOO) Resumé van Bantam, p. 122, 123. 

* Vergl. Resumé van Bantam, p. 123. 
» .Minhadj at-Talibin, dl. II, p. 49, 50. 

* Ibid. p. 133. 



132 BS AI^WIJKINGIN YAN HET MOHAMMED AAN80HS 

biedt ' . De gereerende yennoot ontvangt dan van den geldschieter 
veelal slechts onderhoud , en moet hem daarvoor op afbetaling alles 
afstaan, wat hij met het kapitaal verdient of verkrijgt, bv. als hij 
visscher is, en de geldschieter heeft hem een vaartuig of netten 
verschaft dan wel de middelen om die aan te koopen, ialle door 
hem te vangen visch , welke dan weder door den geldschieter in 
den regel te laag wordt getaxeerd ; terwijl het levensonderhoud , 
voor zooverre het in natura is verstrekt, te hoog wordt aange- 
rekend. Zelfs is het beding, dat de geheele winst voor den geld- 
schieter zal zijn, tegen verstrekking van levensonderhoud aan den 
gereerenden vennoot, niet ongebruikelijk. Bij den minsten tegen- 
spoed , moet de man zijne instrumenten verkoopen , dan wel opnieuw 
geld leenen, en zoo geraakt hij op den duur onherroepelijk in de 
macht van zijn crediteur^. Eene speciale soort van commanditaire 
maatschap, welke niet het karakter van een woekercontract df^aagt, 
is die , welke gewoonlijk door herders wordt aangegaan. De herder 
ontvangt bij deze maatschap van den veebezitter één of meer beesten, 
welke hij voor zijne rekening moet oppassen en onderhouden. Als 
belooning heeft hij dan aanspraak op een zeker deel , veelal ^of| 
van de jongen, uit het beest of uit de kudde geboren; terwijl 
daarentegen de andere voordeden van het beest of van de kudde 
in hun geheel toebehooren aan den eigenaar ^. 

Bij lastgeving is de eenige belangrijke afwijking van de Mo- 
hammedaansche beginselen , dat de lasthebber (Mal. Jav. Soend. 
wakil, V. h. Arab. waktl), bij gebreke van een tegenstrijdig 
beding , aanspraak heeft op loon. Is in de overeenkomst geen loon 
bepaald, zoo moet, bij verschil, de rechter het begrooten **. Inde 
Yorstenlanden geldt nog de regel , dat het afstaan aan iemand van 

1 Ibid. p. 132, 134, 135. 

* Vergl. Van Gennep, t. a. p., p. 95; Fokkens, t a. p., p. 34, 37. Een merk- 
waardig voorbeeld van een zoodanig associatie-contract , wel is waar van Ma- 
kassar afkomstig, vindt men in het Tgdschrifl: Wet en Adat^ Afd. Kleinere Be- 
dragen, Jaarg. 1896, p. 48 en w. 

' Ook deze mededeeling dank ik aan den heer H. E. Steinmetz. Om dit con- 
tract uit een economisch oogpunt juist te beoordeelen, moet men in het oog 
houden, dat in den regel de herder het vee op onbebouwden grond kan laten 
weiden, dan wel aldaar gras kan sneden, zonder vergoeding. Voor het voedsel 
van het vee behoeft hy dus geen geld uit te geven. 

* Vergl. Minhadj at-Talibin, dl. II, p. 65, 71 ; vonnis van den Raad van Justitie 
te Batevia dd. 25 Febr. 1867 (Ind. Weekbl. v. h. R., N» 191); arrest van het 
Hoog Gerechtshof dd. 8 Sept 1867 (Tgdschr. Het R. in N. L, dl. XUX (1887), 
p. 316 en vv.). 



VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 133 

zijn zegel, jegens derden, als algemeene lastgeving geldt, zoodat 
de lastgever gebonden is dooi de daden van zijn aldus geconsti- 
tueerden lasthebber, al had hij hem in zijn mandaat beperkt, be- 
houdens natuurlijk zijn verhaal op den ontrouwen mandataris ^ 

De speciale voorschriften, in de Yorstenlandeu bestaande om- 
trent borgtocht (Jav. tanggoeng (N) of tanggël (K), Soend. 
Mal. tanggoeng) door ambtenaren voor hunne ondergeschikten ^, 
missen in het overige gedeelte van Java en op Madoera, wegens 
het verschil in toestanden , alle toepasselijkheid ; terwijl eindelijk de 
schenking van een belangrijk deel van het vermogen alleen voor- 
komt bij wege van uiterste wilsbeschikking , en daarom bij het 
erfrecht is behandeld ^. 

§ 8. ALGEMEENE BESCHOUWINGEN OVER DE RECHTEN OP ZAKEN. 

Wanneer» men de agrarische toestanden uitzondert, kan men zeg- 
gen , dat over het algemeen op Java en Madoera de begrippen der 
iuheemsche bevolking geene belangrijke afwijkingen opleveren van 
de Mohammedaansche beginselen omtrent zakelijke rechten. 

De verjaring , als middel om zakelijke rechten te verkrijgen, is 
onbekend *. Evenzoo de regel, dat bij roerende zaken bezit als titel 
geldt •'». Gebouwen en beplantingen zijn voor het uitoefenen van 
zakelijke rechten vatbaar, afgescheiden van den grond, waarop zij 
staan; terwijl het bezit op zich zelf nimmer als een recht wordt 
aangemerkt. Wel is waar wordt hij , die animo d o m i u i en te 



* Vergl. Angg. Sad., art 54. 

* Zie Angg. Sad. , artt. 1 — *. In den Soerj& Ngalam (p. 46) vinden wy nog den 
rechtsregel , dat het wegloopen van den debiteur met diens insolventie gelijk staat , 
en dat de borg dan moet betalen. Vergl. mijne Rechtsbronnen van Zuid-Sumatra , 
p. 300, en Het handels- en scheepswetboek der Wadjoreezen (editie van Dr. B. F. 
Matthes) , p. 60. Ik kan nergens vermeld vinden , of die rechtsregel ook thans nog 
op Java en Madoera gehuldigd wordt. Vermoedelijk is dit echter het geval. 

' Vergl. Familie- en erfrecht, p. 509 en vv. 

* Herhaaldelijk werd aldus door den rechter beslist. Zie o. a. een vonnis van 
den Landraad te Tjiringin dd. 14 Aug. 1872 (Ind. Weekbl. v. h. Recht, N» 489), en 
een vonnis van den Landraad te Modjokerto dd. 12 Maart 1879 (Ibid. N» 847). 

* Vergl. Nawil& Praddt& , artt. 22 , 25 en 26. In laatstgenoemd artikel wordt de 
termijn van één jaar , welken de IslAm stelt voor de voorloopige toeëigening van 
gevonden goed, tot 3 maanden verkort. Vergl. Minh&dj at-Talibïn, dl. II, p. 205. 
Art. 12 van den AnggSr Ag5ng sluit de revindicatie van roerend goed tegenover 
den derden verkrijger uit, wanneer deze te goeder trouw een verloren voorwerp 
op eene markt heeft gekocht. 



131 DE AFWIJKINGEN VAN HET HOUAMMEDAANSCUE 

goeder trouw bezit, ondersteld ook eigenaar te zijn, zoodat, bij revin- 
dicatie, de eisclier zijn eigendom zal hebbeu te bewijzen. Dan echter 
loopt het proces niet, gelijk bij ons, over twee rechten, maar over 
de vraag wie van beiden inderdaad eigenaar is. Op grond van zijn 
bezit alleen , d. w. z. zonder tevens te beweren eigenaar te zijn, kan 
niemand eene zakelijke actie, tegen wien, of op welke wijze ook, 
instellen. 

Daarentegen zijn als afwijkingen, die in het Javaansche rechts- 
bewustzijn haren groud vinden de volgende rechtsbeginselen te be- 
schouwen , bij de bespreking van welke ik de afwijking omtrent de 
zaken buiten den handel , als reeds vroeger in dit opstel besproken, 
thans niet meer behoef uiteen te zetten '. 

De zakelijke rechten op gebouwen en beplantingen , afgescheiden 
van den grond, waarop zij staan, is niet alleen mogelijk ten aan- 
zien van grond, waarop eigendomsrecht (Arab. milk. Mal. Jav. 
Soend. m i 1 i k) wordt uitgeoefend , doch ook ten aftnzien van 
grond, waarop de bezitter slechts gebruiksrechten, zakelijke zoo- 
wel als contractueele , heeft ^. Zoo ook kan niet alleen grond in de 



* Zie boven , p. 95. 

' Intusschen is, voor de uitoefening van zakelijke rechten op gebouwen en 
beplantingen , afgescheiden van het recht op den grond , volgens den IslAm zoowel 
als naar inlandsche begrippen, noodig, dat de rechthebbende op den grond tot 
het bouwen of planten vergunning hebbe gegeven, dan wel die gebouwen of 
beplantingen afgescheiden van den grond hebbe overgedragen. Vergl. Soerja 
Ngalam, p. 42, en de vonnissen van den Raad van Justitie te Batavia dd. 13 Juli 
1872 en 21 Dcc. 1873 (Ind. Weekbl. v. h. R. , No» 480 en 556). Dit laatste wordt 
in sommige streken ondersteld by den verkoop van een nipah-bosch; doch anders 
moet de grond uitdrukkelijk worden gereserveerd door den verkooper. V'ergl. 
Eindresumé, dl. I, p. 215. De gebouwen en beplantingen, afgescheiden van den 
grond bezeten, zyn vatbaar voor alle overeenkomsten, bv. voor verhuur. Vergl. 
SoUewijn Gelpke, t. a, p., p. 577. Dat de grondbezitter zelf zijne gebouwen of be- 
plantingen , afgescheiden van den grond , niet slechts kan vervreemden , maar ook 
verpanden, verhuren of legateeren, is natuurlyk. V^ergl. Eindresumé, dl. I, p. 185. 
Evenals in het Mohammedaansche recht keert de grond, na het verlaten, weg- 
nemen , invallen of uitsterven der gebouwen of beplantingen , vrij tot den erfeiyken 
bezitter terug. Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 177, 186, 215. Vergl. overigens, voor 
de litteratuur en de jurisprudentie over den rechtstoestand van aan inlanders 
toebchoorende gebouwen en beplantingen, zonder een zakelijk recht op den 
grond, Mr. J. H. Abendanon: Ncderlandsch-Indische rechtspraak, voce Opstal. 
In de praktyk worden deze inlandsche opstallen als roerend goed verpand , over- 
gedragen en in beslag genomen, ofschoon uit een juridisch oogpnnt hiertegen 
veel te zeggen valt. Het is een specifiek Indische rechtstoestand, welke vooral 
aanleiding geeft tot twijfel, wanneer daarbij, aan het Europeesche vermogensrecht 
onderworpen , Vreemde Oosterlingen zijn betrokken. Het Indische Burgerlgk Wet- 



VERMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOEBA. 135 

doode hand (Arab. waqf, Mal. Jav. Soend. wakap) wordeu 
gebraolit, waarvan men eigenaar is, gelijk in den Isl&m, maar 
ook grond, waarop men gebraiksrechten uitoefent, mits in dit 
geval de gebruiksrechten, een zakelijk karakter dragen. Het brengen 
van roerende goederen in de doode hand bepaalt zioh tot boeken, 
handschriften , lampen , en andere in de bedehuizen benoodigde 
zaken, welke aldaar tot voortdurend gebruik worden geplaatst. 
Soms wordt ook wel geld in de doode hand gebracht ; maar dan is 
het onder de voorwaarde, dat het in onroerende goederen zal worden 
belegd. Het brengen van goederen in de doode hand betreft bijna 
altijd, wat wij eene >yvrome stichting// zouden noemen , hetzij dat het 
doel der stichting bestaat in het gebruik der zaak zelf, bv. eene 
waterleiding of een bedehuis, dan wel dat het doel moet worden 
bereikt door de inkomsten der zaak daartoe aan te wenden , bv. 
een stuk grond , waarvan de opbrengst strekt tot onderhoud van 
een bedehuis of van de daaraan verbonden geestelijken. In het 
eerste geval spreekt men van wakap djama (Arab. waqf ^alft 
djam^), indien de grond zelf in de doode hand wordt gebracht, 
en van amal (Arab. 'amal, d. i. /ygoed werk/i^), indien het brengen 
in de doode hand slechts op de gebouwen of de beplantingen afge- 
scheiden van den grond betrekking heeft , en de grond zelf later tot 
den stichter of zijne nakomelingen moet terugkeeren. In het tweede 
geval spreekt men van wakap milik (Arab. waqf al-milk). 
Het maken tot wakap komt zelden, en dan nog het meest in West- 
Java, voor in de functie van een fideïcommissair verband ten be- 
hoeve van afstammelingen of andere familieleden. Het zich voor- 
behouden van de administratie door den stichter, of het benoemen 
van bewindvoerders, is dientengevolge even zeldzaam; want de 
administratie der goederen , met een bepaald vroom doel in de 
doode hand gebracht , behoort van rechtswege tot de bemoeienissen 
der geestelijkheid * of van de hoofden der zoogenaamde /^ vrije// 
dorpen. Ontginning geeft geen eigendom, doch slechts gebruiks- 



boek immers, ten deze overeenkomende met het Nederlandsche , kent slechts 
zakeiyke rechten op gebouwen of beplantingen , zonder een zakel^k recht op den 
grond, wanneer die gebouwen of beplantingen van den grond los zyn, of althans 
bestemd om daarvan naar believen los te worden gemaakt. Vergl. Opzoomer : Het 
Burgeriyke Wetboek verklaard, dl. III, p. 37 en v\'. 

* Sommigen der w a k a p's op de hoofdplaatsen zyn zelfs ten name der geestelyk- 
heid ingeschreven in de registers van Europeesch eigendom, volgens Ind. Stbl. 
1834 No 27. 



136 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOUAMMEDAANSCHE 

recht, hetzij tijdelijk, hetzij erfelijk, naar het in de streek gel- 
dende gewoonterecht. Het tijdelijke gebruiksrecht kan al dan 
niet zakelijk zijn ' ; het erfelijke is altijd zakelijk. Van het recht 
van naasting vinden wij alleen in eene enkele streek van Midden- 
Java sporen, en wel niet ten aanzien van mede-eigenaars, maar 
van dorpsgenooten , wanneer een tot het dorp behoorend erfelijk 
individueel bezeten grondstuk aan een niet-dorpsgenoot wordt ver- 
kocht. Tengevolge van de afwijkende inrichting der Javaansche 
dorpen, kunnen de voorschriften, door de Arabische juristen gegeven 
ten aanzien van de rechten en verplichtingen tusschen naburige 
woningen, geene toepassing vinden. Daarentegen is, althans in 
de Yorstenlanden, de blijkbaar aan het Hindoe-recht ontleende 
vordering tot afscheiding van erven implicite erkend, over 
welke rechtsvordering de Arabische juristen het stilzwijgen bewaren 2. 
De individueele rechten op waterwerken en op het daardoor ver- 
kregen water, welke in den Isldm zoo sterk op den voorgrond 
treden, vindt men alleen in West-J ava, op Madoera en in de 
Madoereesche streken van Oost-Java geëerbiedigd. In de overige 
gedeelten van Java wordt het irrigatierecht door het gemeente- 
verband beheerscht *. 

Zoo ook is het een op Java en Madoera van ouds bestaan heb- 
bend begrip, dat de vorst civielrechtelijk eigenaar is van allen 
grond in zijn gebied , zonder dat dit eigendomsrecht beperkt wordt 
door eenig zakelijk, maar slechts door een contractueel recht van 
de opgezetenen, eene instelling met het Mohammedaansche recht 
onvereenigbaar , en in elk geval daarin absoluut onbekend. In 
West-Java is onder den invloed van den Islftra deze rechtstoestand 
reeds sedert lang veranderd , en vindt men het zakelijke bezitrecht 
der opgezetenen van ouds erkend, tegenover het eigendomsrecht 
van den vorst. In Midden- en Oost-Java en op Madoera is deze 

1 Een tijdelgk zakciyk gebruiksrecht ontstond door ontginning in de streken, 
waar nieuw ontgonnen bouwgronden van rechtswege na zekeren termijn in het 
communale bezit werden gebracht. Een tydelyk en niet-zakelijk gebruiksrecht is 
het gevolg van ontginning in de Vorstenlanden. Zie over beide onderwerpen be- 
neden, §§ 9 en 14. 

* Vergl. Angg. Sad. , art. 41 , en Manoe, VIII: 245 en vv. 

• Vergl. voor alle deze afwijkingen: Eindresumé, dl. I, p. 21, 45, 46, 64, 65, 
100 en w., 132, 177 en vv., 183 en vv. , 190, 209, 214 en v\'., dl. Il, p. 329 
en vv. , 333 en w. ; Resumé van Bantam, p. 142 en w. ; Minhadj at-TAlibin, dl. 1, 
p. 396 en vv. , dl. Il, p. 28 en vv., 120 en vv. , 171, 179 en vv., 182 en w.; 
Fat^ al-Qarib, p. 311; .Mawardi, p. 299; Mohammedaansche geestelijkheid, enz. , 
p. 1 1 , 35 en vv. 



yERMOG£NSll£CHT 01' JAVA £N MADOEHA. 137 

rechtstoestaud eerst wettelijk afgeschaft door de iiivoeriug der 
Agrarische Wet (ludisch Stbl. 1870 N« 55). In de Vorstenlandeu 
bestaat de toestaud nog *. 

Intasschen hebben zoowel de Mohammedaansche als de specifiek 
inlandsche begrippen omtrent eigendom sedert 1870, ten aanzien 
van onroerende goederen, in ons rechtstreeksch gebied hun prac- 
tisch belang geheel verloren. Nadat immers reeds bij Indisch 
Stbl. 1836 N® 19 omtrent de inlandsche rechten op den grond, 
behoorende tot de zoogenaamde particuliere landerijen bewesten de 
rivier Tji Manoek , was uitgemaakt , dat die rechten geen eigendom 
waren, maar slechts zakelijke gebruiksrechten op den grond van 
den landheer, ging de Agrarische Wet (Ind. Stbl. 1870 N® 55) 
van het beginsel uit , dat alle grond , waarop niet door anderen 
recht van eigendom bewezen wordt, in Nederlandsch-Indië , in 
ons rechtstreeksch gebied , in oivielrechtelijken zin staatsdomein is. 
Dit eigendomsrecht van den staat werd nader in wettel ijken vorm 
voor Java en Madoera uitgesproken bij art. 1 van het zoogenaamde 
Agrarische Besluit (Ind. Stbl. 1870 N« 118) «, doch wordt, voor zoo- 
verre het gronden geldt, door inlanders voor eigen gebruik ont- 
gonnen , of als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de 
dorpen behoorende, beperkt door het hun op die gronden toegekend, 
hetzij individueel, hetzij communaal, maar in elk geval zakelijk 
bezit- of gebruiksrecht. Hiermede is dus uitgemaakt, dat de 
nationale rechten van den inlander op den grond altijd zijn ju ra 
in re aliena, en dat de eenige grondeigendom, welke particu- 
lieren in ons rechtstreeksch gebied, zonder onderscheid van land- 
aard, kunnen uitoefenen, is de eigendom, overeenkomstig het 
Indische Burgerlijk Wetboek verkregen, en overeenkomstig Ind. 
Stbl. 1834 N® 27 geconstateerd. Voor dien eigendom nu is dé 
inlander, naar de hierboven uiteengezette onderscheidingen ^,aan 
het Europeesche recht onderworpen. Onafhankelijk dus van de 
vraag, welke oorspronkelijk de aard was der inlandsche grond- 



* Vergl. , voor de bewijsplaatsen en voor de historische ontwikkeling van een 
en ander, myn meergeciteerd opstel over het eigendomsrecht van den staat op 
den grond op Java en Madoera, passim. 

' Krachtens Ind. Stbl. 1875 No 199a is bedoeld artikel ook van toepassing in 
de Buitenbezittingen, behoudens het ook voor Java en Madoera geldende voor- 
schrift van art. 27 al. 2 van het Regeeringsreglement. 

• Zie boven, p. 86 en vv. 



138 D£ AFWIJKINGEN VAN HET MOUAMMEDAANSGUE 

rechten * , hebbeu in elk geval thans het Mohammedaansche 
eigendomsrecht en de afwijkingen daarvan op Java en Madoera 
aldaar nog slechts ten aanzien van roerende goedereu practisch 
belang ^. 

Ditzelfde geldt voor de Vorstenlanden , aangezien de eenige 
grondeigendom, welke aldaar bestaat, die is van den vorst, en 
van het Gouvernement, gelijk mede van de Gouvernementsonder- 
danen , wier eigendomstitels overeenkomstig het Indische Burgerlijk 
Wetboek zijn verkregen, en overeenkomstig Ind. Stbl. 1834 N*» 27 
zijn geconstateerd. Op laatstgenoemde perceelen is wederom het 
Europeesche recht, naar de evenbedoelde onderscheidingen, toe 
passelijk. 

Ook de inlandsche begrippen omtrent de bevoegdheid tot ont- 
ginnen van woesten grond , en omtrent den aard van het recht op 
den grond, door ontginning verkregen, hebben, sedert de regeling 
dezer aangelegenheid bij Ind. -Stbl. 1874 N*» 79, opgehouden haar 
te beheerschen in ons rechtstreeksch gebied. Aldaar geeft ontgin- 
ning , mits onder de bij bedoelde ordonnantie gevorderde voorwaarden 
tot stand gekomen , thans overal een erfelijk en zakelijk gebruiks- 
recht •'. 

Daar nu door den Europeeschen wetgever wel het zakelijke karakter 
van het inlandsche bezit- of gebruiksrecht op domeingrond is uit- 
gemaakt, maar overigens dat recht in hoofdzaak nog steeds, ten 
aanzien van den omvang, de wijze van verkrijging of verlies, de 
bevoegdheid tot beschikking en de lasten jegens de gemeente of 
den lande, beheerscht blijft door de nationale inlandsche instel- 
lingen, zoo vormen de rechten op den grond op Java en Madoera 
een hoogst merkwaardig mozaïek van inlandsch en Europeesch 



* In mijn evenaangehaald opstel over het eigendomsrecht van den staat, enz. 
heb ik trachten aan te toonen, dat die rechten van ouds nergens op Java en 
Madoera overeenkwamen met het Mohammedaansche of Europeesche eigendoms- 
recht, maar in West- Java hoogstens zakelijke gebruiksrechten op domeingrond, 
en elders slechts contract ueele gebruiksrechten op domeingrond waren. 

' De zoogenaamde agrarische eigendom blijft hier, ofschoon een uitsluitend 
voor inlanders in het leven geroepen recht, buiten sprake, omdat bedoeld recht 
geene schepping van het nationale rechtsbewustzijn der bevolking, maar eene 
schepping van het Europeesch gezag is. Vergl. Agr. Wet, al. 4, en Ind. Stbl. 1872 
No U7. De instelling heeft bovendien nimmer beantwoord aan de verwachtingen 
daarvan gekoesterd. Vergl. voor de oorzaken van dit verschijnsel, Eindresumé, 
dl. III, p. 166 en vv. 

• Vergl. ook al. 3 der Agrar. Wet. 



YEKBlOaENSUECHT Oi' JAVA EN MADOE&A. 139 

recht, waarvan ik wil trachten in de volgende bladzijden de 
leidende beginselen onder juridische formules te brengen *. 

De rechten, waarvan hier sprake is, kunnen worden onder- 
scheiden als volgt: 

a. de rechten, door de inlandsche bevolking uitgeoefend op het 
staatsdomein ; 

è, de rechten, door de inlandsche bevolking uitgeoefend op den 
grond, behoorende tot de zoogenaamde particuliere landerijen en de 
erfpachi^perceelen ; 

c. de rechten , door de inlandsche bevolking uitgeoefend op den 
grond in de Yorstenlanden. 

Wat de rechten betreft op het staatsdomein uitgeoefend, zoo 
valt wederom te onderscheiden tusschen: 

1° het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht ; 

2° het communale bezit- of gebruiksrecht; 

3° het bezit- of gebruiksrecht krachtens het ambt; 

4^ het bezit- of gebruiksrecht op de begraafplaatsen, de erven 
der moskeeën en de andere gewijde gronden ^. 

§ 9. ERFELIJK INDIVIDUEEL BEZIT- OF GEBRUIKSRECHT. 

Het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht is een zakelijk 
recht, dat door inlanders wordt uitgeoefend op domeingrond , door 



* Hoe vele en hoe verdienstelijke geschiften over het inlandsche grondbezit op 
Java en Madoera ook verschenen zijn, zoo heeft toch, voor zooverre mij bekend, 
ecne dergelijke algemeene synthetische behandeling daarvan nog nimmer plaats 
gehad. 

' Vergl. art. 2 van Ind. Stbl. 1874 N» 79. De redactie van dit artikel is uit een 
juridisch oogpunt niet gelukkig. 2^00 is niet alleen de grond , „door inlanders voor 
eigen gebruik ontgonnen", aan het ontginningsrecht van anderen onttrokken, maar 
natuurlijk evenzeer vroeger ontgonnen grond , door koop , erfenis , enz. in handen 
der bezitters gekomen. En toch kan men moeiclijk in dat geval van cene ont- 
ginning „voor eigen gebruik" spreken. Dezelfde onjuistheid komt trouwens voor 
in al. 3 der Agrarische Wet, hetgeen des te meer treft, omdat in al. 4 dier Wet 
de goede uitdrukking: „grond door inlanders in erfclyk individueel gebruik bezeten", 
voorkomt. Voorts mist , in het even aangehaald art. 2 , de onderscheiding tusschen 
„ontgonnen grond" en „woonerven" alle beteekenis; terwijl eindelijk „gewijde 
gronden" niet behoorden te zyn overgesteld tegen „begraafplaatsen" en „erv^en 
der moskeeën", daar immers ook de eerstgenoemden dikwijls, en de laatstge- 
noemden zelfs in den regel „gewijde gronden", d. w. z. Wakap's, zyn. 



140 DE AFWIJKINGEN VAN UET MOUAMMEDAANSOHE 

hen metterdaad beboawd of beplant ^ liet recht ontstaat primitief 
door inbezitneming , d. w. z. door ontginning van woesten grond , mits 
die ontginning hebbe plaats gehad overeenkomstig de wettelijke 
voorschriften ^. üet is vatbaar voor overdracht onder de levenden 
en voor overgang bij wege van erfrecht of legaat * , voor verhuur 
en voor pand, en het kan in de doode hand worden gebracht, 
alles onder de beperkingen bij deze instellingen uiteengezet, en 
waarnaar hier wordt verwezen ■*. Behalve in de residentie Madioen, 
waar ten deze verschil van opvatting schijnt te bestaan, rekent 
men algemeen, dat de erfelijke bezitter eveneens zijn recht kan 
uitoefenen op de strook, waarmede zijn grond door aanslibbing 
vergroot is , mits hij dat recht door eenig teeken van inbezitneming 
kenbaar make '\ Hetzelfde beginsel wordt gehuldigd ten aanzien 
van grondstukken , door de kracht van het water van den eenen 
oever der rivier overgebracht naar den anderen, behalve in West- 
Java, alwaar het recht van den bezitter op zoodanigen grond blijft 
voortduren , althans wanneer op het afgespoelde stuk teekenen van 
beplanting zichtbaar gebleven zijn *. 

De algemeene naam voor het erfelijk individueele bezit- of ge- 
bruiksrecht is in het Maleisch en Soendaasch : jasa, en in het 
Javaansch: jasa. In Bantam bezigt men ook het woordoesaha, 
en in de Preanger ook het woord pribadi. Wat den aard van het 
recht betreft, valt op te merken, dat, naar de inlandsche begrip- 



* Men kan het recht niet alleen tegenover derden, maar ook tegenover den 
staat, d. w. z. den eigenaar, handhaven. Zie Agrar. Wet, al. 3. Het recht houdt 
stand, zelfs indien .het Gouvernement het stuk van het staatsdomcin , waarop 
het wordt uitgeoefend, aan een derde verkoopt Aldus besliste o. a. het Hoog 
Gerechtshof van N. I. by arrest van 5 Oktober 1882 (Ind. Weekbl. v. h. R. , N« 1009) 

2 Ind. Stbl. 1874 No 79, art. 7. 

• Aan den overgang op erfgenamen of legatarissen is het vermoedelyk toe te 
schrijven, dat men veelal het individueele bezit- of gebruiksrecht als ^erfelijk" 
betitelt. Ofschoon deze bijvoeging m. i. op zich zelf niet is aan te bevelen, zoo 
wil ik haar toch behouden , om niet in strijd te komen met het gevestigde spraak- 
gebruik. 

* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 18, dl. Il p. 333; De residentie Kadoe naar de 
uitkomsten der statistieke opname (Batavia 1871), p. 130, 131; Familie- en erfrecht 
p. 477, 478 en 50(), en zie boven, p. 99 en vv. , 108, 114 en 121. 

• Vergl. Eindresumé, dl. II, p. 331. De aldaar in noot c gedane verwijzing naar 
§ 10 van het Overzicht van Soerabaja moet, blykens het te dier plaatse ver- 
melde, in omgekeerden zin worden opgevat; terwijl ook de mededeeling, dat in 
Madioen slechts in twee dorpen de aangeslibde grond aan den lande toebehoort, 
in stryd is met de geciteerde § 18 van het Overzicht dier residentie. 

» Ibid. p. 332. 



VERMOGENSUECBT OP JAVA EN KADOEHA. 141 

pen , bét recht minder betrekking beeft op den grond zelf, dan 
wel op betgeen van den grond is gemaakt, en op of in den 
grond is gebouwd, aangelegd of gedaan. Wanneer dan ook 
in Bantam en de Preanger-Regentschappen van milik (Arab. 
milk, d. i. ^eigendom//) wordt gesproken, beeft dit woord niet de 
beteekenis, welke wij en de Arabisebe juristen daaraan hechten, 
namelijk de eigendom van den grond in abstracto, maarbebbe 
men veeleer te denken aan tien eigendom van betgeen door werk- 
zaamheid aan den grond is toegebracht. Dat bij vele bezitters dit 
begrip niet scherp van het recht op den grond zelf wordt onder- 
scheiden, ligt in den aard der zaak. Immers valt de uitoefening 
van het recht op hetgeen aldus met den grond verbonden is, in 
de practijk feitelijk met de uitoefening van het recht op den grond 
samen. Dat speciaal in West-Java, onder den invloed van bet 
Mohammedaansche recht , de band tusschen de j a s a en den grond 
nauwer werd dan elders, waar dat recht minder in het bewustzijn 
der bevolking was ingedrongen , is niet meer dan natuurlijk. Even- 
min behoeft het , na het hierboven aangevoerde ' , nader betoog dat, 
toen in de overige deelen van bet eiland en op Madoera de be- 
volking nog slechts een contractueel recht op den grond bezat, 
de jasa aldaar hetzelfde rechtskarakter droeg, als bv. bij ons de 
verbeteringen door een huurder aan een vast goed aangebracht. 
De teekenen, dat de grond jasa is, noemt men tjiri of kitri. 
Men verstaat daaronder, bv. bij sawah^s, de dijkjes, bij al wat 
geplant wordt , den boom of den struik zelf, bij een erf, de opgeworpen 
grond tot gelijkmaking van den bodem; soms ook het huis, en 
bij alle gronden, zonder onderscheid, de grensteekenen of afpalingen. 
De tjiri's of kitri 's zijn dus de dragers van de jasa ^. 

* Zie boven, p. 136. 

• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 3, 4, 18, 47, dl. Il, p. 333 en vv.; De residentiö 
Kadoe, enz., p. 128; Eigendomsrecht van den staat, enz., p. 23, 24, 26; art. 
1603 Ned. Burgl. Wb. = 1567 Ind. Burgl. Wb. Het begrip, dat de grond op zich 
zelf, d. w. z. onaf hankel^k van hetgeen daaraan door menschenhanden is gedaan « 
geene waarde heeft, is een logisch gevolg van den overvloed van grond. Wy 
vinden dit begrip dan ook elders terug, waar hetzelfde feit zich voordoet, bv. 
op het schiereiland Malakka, waar verkoop van grond als poelang bëlandja 
d. i. terug erlangen van het daaraan ten koste gelegde, wordt omschreven 
Vergl. W. E. Maxwell: Laws and customs of the Malays with reference to the 
tenure of land , in het Journal of the Straits Branch of the R. A. S. , Jaarg. 1 884 , 
p. 121. Zie ook Newbold: Account of the British settlements, enz., dl. II, p. 254. 
Zie, voor hetzelfde begrip in den aanvang der Middeleeuwen in Europa, Maine, 
t. a. p. , p. 151, waar zeer juist gezegd wordt: The true difüculty of those days 
was not to obtain land, but to obtain the means of cultivating it 



142 DS AFWIJKINGEN VAN llET MOHAIktMEDAANSOHE 

Behalve de reeds meermalen genoemde beperkingen van het 
beschikkingsrecht over erfelijk individueel bezeten gronden, en van 
de bevoegdheid om die door erfrecht te verkrijgen , tengevolge van 
gemeentelijke instellingen , wordt ook de uitoefening zelf van het 
recht op den grond overal min of meer, maar in Midden-Java 
het sterkst, door bedoelde gemeentelijke instellingen aan banden 
gelegd. Het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht draagt dus 
op Java en Madoera een meer beperkt karakter dan het erfelijke 
gebruiksrecht of, gelijk zij het noemen, de ^eeuwige huurv, der 
Arabische juristen , die een beheerschen daarvan door het gemeente- 
verband niet kennen. Waar op Java en Madoera erfelijk individueel 
bezitrecht bestaat , is dan ook wel het gemeenteverband , waaronder 
de grond ligt, in zooverre verbroken, dat de grond niet meer 
tijdelijk onder de gemeenteleden wordt verdeeld , maar geenszins 
in die mate dat het systeem van solidariteit van privaatrechtelijke 
belangen tusschen de gemeentenaren zoude zijn verlaten, om, 
gelijk bv. in Nederland, daarvoor een zuiver staatsrechtelijken 
band tusschen hen in de plaats te stellen '. Zoo brengt de aard 
der sawah^s van zelve mede, dat de bewerking daarvan afhangt 
van de water verdeeling en dat, waar die waterverdeeling bij het 
dorpsbestuur berust, de exploitatie van genoemde velden steeds 
min of meer een gemeenschappelijk karakter moet dragen, en onder 
den invloed van het dorpsbestuur plaats vindt. En aangezien slechts 
in West-Java de individueel bezeten leidingen en waterwerken 
eenige beteekenis hebben, zoo volgt hieruit, dat bedoelde invloed 
van het dorpsbestuur zich in verreweg de meeste streken over- 
wegend doet gelden. Voorts bestaat in Midden-Java in de meeste 
streken het bewustzijn, dat, ofschoon de woonerven heeten in erfelijk 
ndividueel bezit te zijn, toch de grond, waarop het dorp gebouwd 
is, in haar geheel aan de gemeente als rechtspersoon is gebleven. 
Een gevolg hiervan is, dat, wanneer, tengevolge van vermeer- 
dering van ingezetenen, nieuwe erven moeten worden gevormd, 
en daarvoor de grond niet op andere wijze kan worden verkregen, 
het dorpsbestuur bevoegd is om de grootste erven in te korten, 
en van de aldus vrij vallende stukken nieuwe erven te vormen. 
Voorts bestaat overal de verplichting om den grond overeenkomstig 
zijne bestemming te bebouwen of te gebruiken. De dienstplichtig- 
heid, welke op den grond rust, is mede overal in meerdere of 

* Eene gelijksoortige opmerking ten aanzien van Britsch-Indic maakte reeds 
H. S. Maine: Village communities, 3^* druk, p. 109. 



TE&MOGENSKECHT OP JAVA EN MADOERA. 143 

mindere mate eene oorzaak van beperking in de uitoefening van 
het bezitrecht, en zulks niet slechts, waar het de vervreemding 
geldt, maar ook wanneer de bezitter wegens ziekte of ouderdom 
ophoudt de diensten te kunnen praesteeren, dan wel om andere 
redenen ophoudt tot den stand der dienstplichtigen te behooren. Hij 
is dan genoodzaakt, bf zich van den grond te ontdoen, zoodanig 
dat deze in handen van een valieden persoon komt, bf een vervanger 
te stellen , die hem veelal een groot gedeelte van de opbrengst van den 
grond zal kosten. Eindelijk moeten als beperkingen van het erfelijk 
individueele bezit, tengevolge van gemeentelijke instellingen, in herin- 
nering worden gebracht : de voorwaarde van ingezetenschap der ge- 
meente , waaraan op vele plaatsen de uitoefening van het grondbezit 
is gebonden; het in vele streken van Midden-Java bestaand verbod, 
dat ingezetenen meer dan één woonerf bezitten ^ ; het, vooral 
in de residentie Soerabaja, maar ook elders, bestaand verbod om, 
zonder voorkennis van het dorpshoofd , zekere boomen of bamboe 
op zijn erf te kappen; de verplichting om, ingeval van bezit van 
meerdere erven, te zorgen, dat allen bewoond zijn door personen 
in staat om de daarop rustende diensten na te komen; en de 
beperkingen van de straks te bespreken verandering in de bestem- 
ming van den grond. Niet nakoming van de op den grond klevende 
lasten heeft tengevolge, dat het erfelijk individueele bezit- of ge- 
bruiksrecht verloren gaat , al heeft in de meeste streken niet dade- 
lijk ontzetting voor goed plaats, maar bepaalt men zich, om te 
beginnen , tot dwangmaatrelen , dan wel tot eene tijdelijke ontzetting 
uit het bezit *. 

Hierboven ^ is gezegd dat de ontginning moet voldoen aan de 



» Vergl. Eindresumé , *dl. I, p. 14v=j, dl. II, p. 329 en w. , dl. lil, p. 63envv. ; 
Familie- en erfrecht, p. 477 en v. , 506; SoUewyn Gelpke, t. a. p. , p. 576 en v. , 
en zie boven , p. 99 en vv. De in den tekst aangegeven lasten verschillen natuurlijk 
van plaats tot plaats, niet slechts wat den omvang daarvan betreft, maar ook 
ten aanzien van de soorten van gronden, waarop zij rusten. Wat de diensten 
aangaat, zoo blijkt uit de Bijlage U van het Koloniaal Verslag van 1893, dat 
in 3965 gemeenten van Java en Madoera op het staatsdomein gelegen , de dienst- 
plichtigheid uitsluitend op de bouwgronden , en wel speciaal op de sa w a h 's 
rust, in 17460 gemeenten op de bouwgronden zoowel als op de woonerven, en 
in 9233 gemeenten niet alleen op de grondbezitters, maar op alle gegoede inge- 
zetenen. Dat het recht van den bezitter afhankelijk is van de nakoming der op 
den grond klevende lasten, werd o. a. erkend in een vonnis van den Landraad^ 
te Grissee dd. 18 September 1880 (Ind. Weekbl. v. h. R., Jaarg. 1881, No 915). 

• Vergl. Eindresumé, dl. II, p. 342. 

» Zie p. 140. 



144 DB AFWIJKINGEN VAN IlET MOHAMMEDAANSCHE 

wettelijke voorschriften, wil men daardoor erfelijk individueel 
bezit van den grond verkrijgen. Die voorschriften zijn vervat 
in het reeds meer geciteerde Ind. Stbl. 1874 N° 79, waarvan 
de volledige interpretatie niet tot ons onderwerp behoort. Alleen 
moet er op worden gewezen , dat daardoor in verschillende opzichten 
op het inlandsche gewoonterecht inbreuk is gemaakt. Zoo wordt in 
art. 1 het ontginnen zonder vergunning verboden, en zijn in de 
artt. 3 en 4 de autoriteiten aangewezen , die bedoelde vergunning 
zullen geven , gelijk mede de vorm waarin de vergunning wordt ver- 
leend. De artt. 6 en 7 bepalen , dat de vergunning eene voor over- 
dracht vatbare bevoegdheid geeft tot ontginnen, maar dat het zakelijk 
recht van individueel bezit eerst verkregen wordt, wanneer aan 
alle voorwaarden der vergunning is voldaan , m. a. w. wanneer de 
ontginning is afgeloopen ^. Door deze bepalingen is een einde ge- 
maakt aan de verschillende opvattingen, omtrent bedoelde aange- 
legenheden vroeger bij den inlander bestaande, evenals indirect, 
d. w.z. door in de ordonnantie over de zaak te zwijgen, is beslist 
dat zijn afgeschaft de beperkingen der ontginning , o. a. ten aanzien 
van ingezetenen van andere gemeenten , en het recht op de aanhoo- 
righeid van den ontgonnen grond, overeenkomstig de Mo^iamme- 
daansche wet, o. a. vroeger in Bantam en de Preanger erkend ^. Bij 
art. 5 is verder imperatief en algemeen bepaald , dat bij de vergunning 
een termijn zal worden gesteld, waarbinnen de ontginning moet 
zijn tot stand gebracht, dat de grond dadelijk door duurzame 
greusteekenen ' zal worden afgebakend , en dat , behalve de met 



1 Het erfelijk individueele bezit, volgens de ontginningsordonnantie verkregen, 
is natuurlijk in elke gemeente onderworpen aan de daar bestaande speciale be- 
perkingen van dat bezit, zoowel wat uitoefening, als, wat overdracht betreft. 
Daarentegen is m. i. door de ordonnantie stilzwijgend het tijdelijke karakter af- 
geschaft, hetwelk in vele streken het door ontginning verkregen gebruiksrecht 
oudtijds had, zoodanig dat na eenige jaren de nieuwe ontginningen in het com- 
munaal bezit terugvielen. Alleen wanneer dit uitdrukkelijk bedongen is, zal de 
ontginner voortaan nog ex contractu tot inbreng kunnen worden genoodzaakt. 
Zie, in denzelfden geest, H. E. B. Schmalhausen : Voorstel tot afschaffing der 
heerendiensten, enz. in de afdeeling Djombang (Soerabaja 1889), p. 76, 77. Over 
de thans dus opgeheven algemeene verplichting in vele streken met communaal 
bezit, om nieuwe ontginningen na een zeker getal jaren daarin te doen op- 
nemen, vergl. Eindresumé, dl. I, p. 64, en v. , 132. 

* In Bantam noemde men deze aanhoorigheden : o e 1 o e r a n , en in de Preanger : 
harim, het laatste van het Arabische harim afgeleid. Vergl. Minhadj at-TAlibïn, 
dl. Il, p. 172 en v. ; Eindresumé, dl. II, p. 16, 46, 308 en w. 

' Het vroeger in vele streken bestaan hebbend gebruik, om als grcnsteekenen 



VBILMOGSN8EECHT OP JAYA EN MAOOEItA. 145 

name genoemde voorwaarde van terrasgewijzen aanleg , ook nog zoo- 
danige andere voorwaarden kannen worden gesteld als plaatselijke 
omstandigheden wenschelijk maken. Intasschen moet de vraagt 
wanneer eene ontginning kan geacht worden te zijn afgeloopen, 
nog steeds worden beantwoord naar de Inlandsche rechtsbegrippen. 
Die rechtsbegrippen nu verschillen wel plaatselijk , wat de bijzon- 
derheden betreft , maar komen toch overal daarin overeen , dat de 
grond in een staat moet zijn gebracht, welke onmiddellijke bebou- 
wing toelaat , naar den aard van hetgeen men van den grond maken 
wil. De eerste werkzaamheden der bebouwing zelve zijn echter daartoe 
niet noodig. Zoo zal het voor een tëgal-veld voldoende zijn , dat 
het van boomeu en struiken is gezuiverd, en de grond zoodanig 
is gelijk gemaakt, dat men met de bebouwing een aanvang kan 
maken. Oeldt het eene sawah, zoo zal de grond waterpas moeten 
zijn gemaakt, en zullen de dijkjes moeten zijn gelegd, en de noodige 
werken, om het irrigatie-water er op te krijgen, moeten zijn tot 
stand gebracht. Het is echter niet noodig dat het veld beplant of 
beploegd zij * . Naar dezelfde beginselen zal men de vraag , of de 
ontginning is afgeloopen, bij andere bouwgronden, bij erven en 
bij vischvijvers , moeten beslissen ^. 

Met de ontginning hangt samen de zooeven reeds genoemde 
verandering in de bestemming van den grond. Dikwijls is die ver- 
andering van bestemming slechts eene voortzetting der ontginning, 
bv. indien men op woesten grond een tëgal-veld aanlegt, en dit 
later tot eene sawah, een boomgaard of een woonerf maakt. In- 
tusschen verbieden de woorden der meer geciteerde ontginnings- 
ordonnantie de daarin voorkomende bepalingen omtrent het vragen 
van vergunning, enz. ook op eene dergelijke verandering in de 
bestemming te doen slaan; maar dit doet niet te kort aan de 
beperkingen , waaraan de verandering in de bestemming ten gevolge 
van gemeentelijke instellingen is onderworpen. Die gemeentelijke 



te bezigen merken op de hoekboomen, het wegkappen van eene strook gras, 
greppels, het samenbinden der takken van struiken, staken met bosjes alang- 
alang, enz., is dus thans niet meer voldoende. 

* Slechts zeer sporadisch wordt gevorderd , dat reeds met de eerste bebouwing 
een aanvang is gemaakt Zie bv. Eindresumé, dl. II, p. 75, 169, 2(^5, 218, 252. 

« Vergl. Eindresumé, dl. II, p. 8 en vv., 20 en v., 37 en w., 60 en w., 74 
en w., HF) en vv., 105 en vv., 129 en vv., 145 en vv. , 167 en vv., 187 en vv., 
203 en vv. , 216 en vv. , 232 en vv. , 250 en vv. , 259 en vv. , 266 en vv. , 273 
en v. , 279 en v. , 325 en vv. 

O Volgr. 111. 10 



146 DE AFWIJKINGEN TAN HET MOHAMMED AANSCHE 

instellingen nu vorderen hier en daar zoo niet vergunning, dan toch 
kennisgeving aan het dorpshoofd voor het veranderen van tëgal^s 
in sawah^s, omdat daarmede het maken van eene nieuwe leiding 
of althans beschikking over het irrigatie-water gemoeid is, en dit 
in strijd zoude kunnen zijn met de verkregen rechten of de be- 
langen van anderen. Daarentegen is algemeen vergunning noodig 
van het dorpshoofd voor het veranderen van bouwgrond in woon- 
erven, en omgekeerd. Dit laatste is in sommige streken, bv. in 
Soerabaja , zoo niet geheel verboden , dan toch aan allerlei be- 
zwarende voorwaarden gebonden *. 

Het erfelijk individueele bezit- of gebruiksrecht gaat verloren: 

1® door overdracht op anderen met inachtneming der beper- 
kingen hierboven uiteengezet * ; 

2® door afstand ten behoeve van den staat , als eigenaar van den 
domeingrond : 

3^ door onteigening ten algemeenen nutte en door beschikking 
ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde cultures tegen 
behoorlijke schadeloosstelling, volgens al. 3 der Agrarische Wet '*; 

4^ door niet-nakoming van de verplichtingen aan het grond- 
bezit verbonden , gelijk mede door de toepassing van de gemeente- 
lijke regelingen houdende beperkingen in de bevoegdheid tot het 
uitoefenen van het recht op den grond, dan wel in de bevoegdheid 
tot erfopvolging , waarover hierboven gehandeld is * ; 

5° door het kennelijk verlaten van den grond ^. In West-Java 
geldt omtrent gronden., welke op deze wijze onbeheerd (Mal. Jav. 

* Vergl. Sollewijn Gelpke, t. a. p., p. 577; Eindresumé, dl. I, p. 325, 326. De 
op laatstgenoemde plaats voorkomende mededeeling, dat „het bestuur" , d. vv. z. de 
Europeesche of inlandsche ambtenaren boven de dorpshoofden staande, toestem- 
ming moeten geven, is sedert de ontginningsordonnantie komen te vervallen, 
nu die ordonnantie de inmenging van »het bestuur" heeft beperkt tot de ont- 
ginning. De bevoegdheid der dorpshoofden ten aanzien van de verandering in 
de bestemming van den grond , is echter door de ordonnantie onaangetast gelaten. 

' Zie boven , p. 99 en vv. 

* Door dit voorschrift zyn van zelve komen te vervallen alle , vroeger in zwang 
zijnde , wgzen van eigenmachtige beschikking over erfelijk individueel bezeten grond 
door het Europeesch of inlandsch bestuur voor den aanleg van wegen, dammen 
of waterleidingen, voor de verfraaiing of uitbreiding der hoofdplaatsen of dorpen, 
voor de uitbreiding van Europeesche of Chineesche wijken , voor cultures of zout- 
aanmaak, enz. enz. Vergel. Eindresumé, dl. II, p. 339 en v. 

* Zie boven , p. 142 , 143 , en vergl. Familie- en erfrecht, p. 477 en v. en 506 en v. , 
alwaar tevens is uiteengezet^ hoe met zoodanige vrijvallende gronden gehan- 
deld wordt. 

* Verg. art. 2, al. 2 van Ind. Stbl. 1874 N<\ 79. 



VEEMOGBNSKECHT OP /AVA £N MADOKKA. 147 

Soend. pëlajangan) ^ raken, de regel, dat de bezitter of zijne 
erfgenamen hun recht behouden, zoolang er teekenen van inbezit- 
neming van den grond zichtbaar zijn. Zelfs bleek , bij het onderzoek 
in 1867 en 186S, in sommige dorpen van Bantam de meen ing te 
bestaan , dat de rechthebbenden , ook na het verdwijnen dier 
teekenen, den grond konden opeischen, natuurlijk mits zij het 
bewijs van hun recht konden leveren *. Ditzelfde begrip werd 
ook in eene enkele gemeente van de Preanger aangetroffen. Alleen 
dus, wanneer het verlaten van den grond met den uitgedrukten 
wil om daarvan afstand te doen had plaats gevonden , is verlies 
van het recht in bedoelde streken daarvan het gevolg. Elders, 
speciaal langs het Noorderstrand , treft men ook wel zeer sporadisch 
hetzelfde begrip aan; maar dit neemt niet weg, dat, naar het al- 
gemeene rechtsbewustzijn in Midden- en Oost- Java en op Madoera , 
het recht op den grond verloren gaat, hetzij onmiddellijk bij het 
staken der bebouwing, of bij het verlaten van de gemeente zonder 
orde op de exploitatie van den grond te hebben gesteld, hetzij 
nadat een zekere termijn, na het staken der bebouwing of het 
verlaten der gemeente , is verloopen. Die termijn is plaatselijk zeer 
verschillend , en hangt ook af van de bestemming van den grond. 
De kortste termijn is 2 , en de langste 9 jaar. Natuurlijk heeft dit 
alles geene betrekking op het verlaten met den uitgedrukten wil 
om afstand van den grond te doen , in welk geval het recht daarop 
dadelijk verloren gaat, zoowel in Midden en Oost-Java en op 
Madoera als in West-Java '. 

Wanneer het recht op den grond , tengevolge van het verlaten , 
hoe dan ook, is te niet gegaan, wordt met dien grond gehandeld 
als met andere onbeheerde gronden "*. 

Daarentegen gaat het recht op den grond niet verloren, door- 
dat daarover vroeger , hetzij met , hetzij tegen den wil des bezitters , 



* Van lajang, dus letterlijk: „zwevend", eene uitdrukking vermoedelyk ontleend 
aan den Arabischen rechtsterm mauwqoef. In mijn Familie- en erfrecht, p. 5()6, 
staat abusievelijk plajangan, evenals trouwens in het Eindresumé. 

' Dit is geheel in overeenstemming met de Mohammedaansche wet. Zie Minhadj 
al-Talibtn, dl. ITl, p. 427, 441 en vv. 

* Verg. Eindiesumé, dl. II, p. 340 en vv. 

* Zie , voor de wijze van beschikking over dergelijke gronden , Familie- en erf- 
recht, p. 50C), bOT. In West-Java en elders, waar het recht op den grond eerst 
na geruimen tijd verloren gaat, trekken wel de dorpshoofden zich de verlaten 
gronden aan , en zorgen zij in den regel dadelyk voor de exploitatie , maar meer 
als voorloopige maatregel, en als waarnemende de belangen van de eventueele 
rechthebbenden. Vergl. ook art. 231 Inl. Regl. 



148 DS AFftruitlNaSN Van Hst liOHAKlIXDAAKSCHlS 

door het dorpsbestuur of van hooger hand is beschikt ten algemeenen 
nutte, bv. voor het plaatsen van woningen, of het aanleggen van 
wegen, waterleidingen, enz. In al die gevallen, gelijk mede in 
de gevallen dat iemand uit eigen beweging aan anderen toestaat 
op zijn grond te boawen of te planten, wordt de toestand be- 
heerscht door de hierboven uiteengezette beginselen omtrent het 
recht op gebouwen of beplantingen afgescheiden van den grond, 
in verband gebracht met gemeentelijke regelingen of bijzondere 
bedingen ^ 

§ 10. Communaal bezit- of gsbruikskscut. 

# 

Het communaal bezit- of gebruiksrecht is een zakelijk ^ recht, 
door de iulandsche gemeenten, als zedelijke lichamen, uitgeoefend 
op domeingrond. De gemeente kan over haar aldus bezeten grond 
niet beschikken, maar alleen de wijze regelen, waarop de ingezetenen 
daarvan het genot zullen hebben. De communaal bezeten gronden 
noemt men gewoonlijk : >^grond van het dorp/^. 

Tot deze dorpsgronden nu behooren in de eerste plaats de wegen, 
die ten laste zijn van de gemeente , alle binnen de kommer gemeente 
gelegen pleinen en openbare plaatsen , en , waar die bestaan , de 
gebouwen voor den publieken dienst van het dorp bestemd, voor 
zooverre bedoelde pleinen en gebouwen of plaatsen niet het karakter 
dragen van gewijde zaken of gronden , en onverminderd de rechten 
van bijzondere personen, op bedoelde wegen, pleinen, gebouwen 
of plaatsen verkregen, of ondanks hunne bestemming behouden. 
Van de hierbedoelde dorpsgronden is het gebruik altijd gemeen- 
schappelijk. Het onderscheid van het Bomeinsche en van ons 
recht tusschen zaken, welke staatsrechtelijk aan de gemeente be- 
hooren, en die waarvan de gemeente privaatrechtelijk eigenaresse 



ï Zie boven, p. 134, en vergl. Eindresumé , dl. I, p. 175 en w., dl. II, p. 339 en v., 
dl. III, p. 159, 163. Ik geloof, met het in den tekst medegedeelde, de juridische 
formule te hebben gegeven , waaronder de vele feiten , in het Eindresumé ten deze 
vermeld , allen te brengen zyn. Sedert de afkondiging der Agrar. Wet is natuurlek 
de beschikking over erfelgk individueel bezeten grond van hoogerhand, buiten 
het geval van onteigening of voor de cultures , uitgesloten , en dan nog is schade- 
vergoeding noodig. Zie Agrar. Wet, al. 3. 

* Vóór de Agrarische Wet , contractueel. Zie boven, p. 136, en Eindresumé, dl. II, 
Byiage L. 



TEE1C06ENSKECHT OP JAVA EN MADOERA. 149 

is, wordt in het inlandsche rechtsbewustzijn niet teruggevonden '. 

In de tweede plaats behooren tot de dorpsgronden de zoogenaamde 
gemeene weideft, welke eveneens in gemeenschappelijk gebruik d er 
ingezetenen zijn. Soms behoort eene gemeene weide niet aan één , 
maar aan meerdere dorpen met gemeenschappelijk gebruik. Elders 
weder hebben wel meerdere dorpen het recht om van eene zelfde 
weide gebruik te maken , maar wordt die weide toch geacht slechts aan 
ééne dier gemeenten toe te behooren, en moeten de bewoners der andere 
gemeenten, voor de uitoefening van hun weiderecht, eene zekere 
vergoeding aan de betrokken gemeente of haar hoofd betalen. De 
gemeene weiden , waarvan hier sprake is , treft men het meest aan 
in de residentiën Pekalongan, Banjoemas, Bagelen en Bembang. 
Elders komen zij slechts sporadisch voor. Waar geene gemeene 
weiden bestaan , wordt het vee op den onbebouwden of braak lig- 
genden grond geweid , dan wel op de bouwgronden , nadat de oogst 
gesneden is. Wat laatstgenoemde gronden betreft, zoo heeft na- 
tuurlijk de rechthebbende de bevoegdheid het weiden te verbieden, dan 
wel daaraan de voorwaarden te verbinden , welke hij goedvindt. Het 
weiden op onbebouwden of braakliggenden grond staat ieder vrij , 
behoudens zekere beperkingen ten aanzien van alang-alang velden^. 

In de derde en voornaamste plaats behooren tot de dorpsgronden 
ook bouwgronden , woonerven , visch vijvers en nipah-bosschen. 
Wanneer men eenige vischvijvers in de Preanger-Begentschappen en 
Cheribon uitzondert, die gemeenschappelijk door de gemeenteleden 
worden geëxploiteerd ^ , zoo gaat , bij alle de hier genoemde vaste 
goederen, het communale bezit gepaard met individueel gebruik, 
d. w. z. zij worden in aandeelen (bagian, bakon) verdeeld, 
welke aandeelen aan de rechthebbende gemeenteleden ter indivi- 
dueele exploitatie worden toegewezen voor korteren of langeren tijd. 
De gebruikers hebben dus op hun aandeel geen zakelijk recht, maar 
slechts eene persoonlijke aanspraak tegen de gemeente, welke op 



> Vergl. art. 2, al. 2 van Ind. Stbl. 1874 N» 79; Gemeentewet, artt. 229, 230; 
Eindresumé, dl. I, p. 4, dl. UI, p. 159, 163. Op beide laatstgeciteerde plaatsen 
wordt minder juist onderscheiden tusschen gemeenten, waar de grond voor de 
wegen , pleinen , enz. geacht wordt aan het Gouvernement , en die waar bedoelde 
grond geacht wordt aan de gemeente toe te behooren. Het eigendomsrecht van 
het Gouvernement sluit immers het gebruiksrecht van de gemeente niet uit. 

« Vergl. art. 2, al. 1 van Ind. Stlbl. 1874 No 79, en Eindresumé, dl. I, Byl. A , 
dl. m, p. 145, 146, 159. 

» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 204, dl. UI, p. 36, 59. 



150 DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHE 

hare beurt de grondeu in quaestie bezit, uiet om daarover naar 
welgevallen te beschikken, doch als eene soort van fonds ten be- 
hoeve van hare dienstplichtige ingezetenen ' . Het communaal bezit 
van bouwgronden bestaat niet in de residentiën Bantam, Batavia, 
Krawang, Preanger-Begentschappen , Besoeki en Madoera. Dat 
van woonerven wordt daarentegen ook in onderscheiden gemeenten 
van Bantam en de Preanger-Begentschappen , en algemeen in het 
regentschap Banjoewangi aangetroffen. Communaal bezeten visch- 
vijvers komen buiten Midden-Java slechts in eene enkele gemeente 
van de Preanger voor. In de streken , waar communaal bezit wordt 
aangetroffen , heeft men echter tevens individueel bezit , zoodat men 
kan zeggen , dat op Java en Madoera de beide soorten van bezit 
in totale uitgestrektheid thans nog ongeveer tegen elkander op- 
wegen , al heeft laatstgenoemde soort reeds min of meer de over- 
hand, en eene neiging om zich langzaam uit te breiden ^. 

Het communaal bezit , waarover hier gehandeld wordt , en dat in 
den vervolge alleen bedoeld zal worden, wanneer de uitdrukking 
zal worden gebezigd , is evenals trouwens de Javaansche naam voor 
ffioTfff zelve, désS (N) of doesoen (K), blijkbaar van Hindoe- 
oorsprong. De instelling hangt samen met het wezen der aloude 
Arische dorpsgemeenschappen. De Mol^ammedaansche wet zwijgt 
over het communaal bezit, ofschoon zij aan den anderen kant het 
ook niet verbiedt. Intusschen is deze bezitsvorm juist onbekend 
in de streken van Java en op Madoera, waar de Isl^m de diepste 
wortelen geschoten heeft, en daarentegen van den grootsten om- 
vang in die gedeelten van Java, waar de Hindoe-beschaving het 
grootst was. Zoo ook treft men de instelling thans nog onder de 
Hiiidoe's op het eiland Bali aan. Intusschen heeft, voor zooverre 
men kan nagaan , zelfs in streken met communaal bezit , daarnaast 
van ouds ook het individueele bezit bestaan ^. 



• Vergl. Eindresumé , dl. I, p. 8. 

• Vergl. Ibid. Byl. A. ; Koloniaal Verslag van 1893, Bijl. U. De combinatie van 
individueel en communaal bezit doet zich voor in tweeërlei vorm. Er liggen na- 
melyk soms gemeenten met uitsluitend individueel of met uitsluitend communaal 
bezit naast elkander, en soms treft men beide soorten van bezit in dezelfde ge- 
meente aan. 

• De dorpsgemeenschappen zyn van ouds in het Hindoe-recht bekend. Vergl. 
Manoe, VIII: 219 en B. W. Leist: Alt-Arisches jus gentium, p. 24 en w. Zie over be- 
doelde dorpsgemeenschappen, en over die in Britsch-Indië in het bijzonder: Mainc: 
Village communities, p. 18 en vv. , 76 en vv. , 103 en vv. ; E. de Laveleye: De 
Ia propriété et de ses formes primitives , p. 4 en vv. , 65 en w. , 349 en vv. ; 



YE&llOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 151 

Het commiinaal bezit heeft de grootste uitbreiding ten aanzien 
van sawah's, vermoedelijk omdat deze ait den aard der zaak 
meer dan andere boawgronden door geroeenschappelijken arbeid 
zijn ontgonnen, hetzij vrijwillig, hetzij op last van hoofden 
of ambtenaren, en omdat zij veelal door gemeenschappelijk aan- 



over die in Rusland : K. Kawelin : Das bauerliche gemeindebesitz in Rusland , 
(Lcipzig, 1877), en over Bali: F. A. Liefrinck: Bijdrage tot de kennis van het 
eiland Bali, in het Tijdschr. v. Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde, dl. XXXIII 
(1800), p. S'X^ en w. Het verband der Javaansche dorpsgemeenschappen met de 
Arische dorpsgemeenschappen elders wordt o. a. ook erkend door wijlen den Hoog- 
leeraar P. J. Vcth en door Prof. Mr. P. A. van der Lith. Zie Java, dl. I, p. 354, 
en Nederlandsch Oost-Indië, 2^* druk, dl. II, p. 228. Daarentegen wordt door 
anderen het communaal grondbezit op Java voorgesteld, niet als eene aloude 
volksinstelling, maar als eene vrucht van tallooze misbruiken, door Europeesche 
en Inlandsche bestuurders in vroeger eeuwen gepleegd , hetgeen in het Eind- 
resumé zoude bewezen zijn. Zie Eindresumé, dl. II, passim, en De Louter, t. a. p., 
p. 587. Ik acht deze meening, van hoe geachte zijde ook verkondigd, beslist 
onjuist. Het moge waar zijn , dat in vroeger tijd door Europeesche en inlandsche 
bestuurders in Midden- Java vele misbruiken zijn gepleegd , daarmede is , gelyk 
reeds de heer Van der Lith opmerkte, het ontstaan der instelling zelve, van het 
communaal bezit aldaar, in den Arischen vorm, niet verklaard. Bovendien blijft 
het alsdan , naar mijne mecning , ten eenemale onbegrijpelijk , waarom gel^kc 
oorzaken niet gelijke gevolgen hadden in West- Java en in de Madoereesche streken , 
waar de Hindoe invloed het zwakst, en die van den IslAm het sterkst was. Om 
die zoogenaamde „misbruiken" naar billijkheid te beoordeelen, mag bovendien 
niet uit het oog worden verloren, dat het oudtijds in Midden-Java bestaan hebbend 
individucel bezit niet was, gelijk thans, en vroeger ook in West- Ja va, een zakelyk 
recht, maar louter eene contractueele aanspraak, eene soort van huur, opzegbaar 
door den eigenaar van den grond , d. w. z. door het Gouvernement. Door den grond 
voortaan aan de gemeente als zedelijk lichaam , in plaats van aan de individueele 
leden der gemeente, te verhuren, deden de vertegenwoordigers van het Gou- 
vernement niet anders dan van een recht gebruik maken. Het misverstand is 
daaraan te wijten, dat de niet juridisch gevormde en, blykens hunne eigene 
verklaringen, bijna allen met voorliefde voor het individueel bezit bezielde amb- 
tenaren, wier onderzoekingen de bouwstoffen voor het Eindresumé hebben geleverd, 
blikbaar met het onderscheid tusschen zakelijke en contractueele rechten onbekend 
waren, en van „individueel bezit" in twee verschillende bcteekenissen spraken. 
Ook by ons immers is het „bezit" van den huurder individueel, evengoed als 
het „bezit" van den eigenaar, erfpachter, opstaller, enz. Alleen beteekent in het 
eene geval „bezit" iets anders dan in het tweede. Vergl. Eigendomsrecht , p. 16 en 
26; De residentie Kadoe, p. 131; Eindresumé, dl. II, p. 355 en vv. Het bestaan 
van het communaal bezit onder de O. I. Compagnie is niet voor tegenspraak 
vatbaar. 2^o wordt in het rapport van Rothenbuhler dd. 19 April 18(X) en Bijlagen, 
te vinden in dit Tijdschrift, dl. Il (1854), p. 62 en w. telkens onderscheiden 
tusschen de velden, die aan de opgezetenen individueel zijn toebedeeld, als op 
het eiland Madoera, en die aan de „negorijen" en bloc zyn uitgegeven ter ver- 
deeling onder de ingezetenen , als in het Grisseesche. Zie t. a. p. , p. 79 en vv. , 



J5£ DË AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAAN3CHE 

gelegde , of althans gemeenschappelijk onderhouden , waterwerken 
of leidingen worden geïrrigeerd. In den regel worden de communale 
sawah's verdeeld tusschen alle ingezetenen, die aan de vereisch- 
ten voor aandeelhebber voldoen. Soms echter komt het voor, dat 
het moederdorp en de daaronder ressorteerende gehuchten elk afzon- 
derlijk hunne communale sawah^s hebben, welke respectievelijk 
worden verdeeld onder de ingezetenen van het dorp en van de 
gehuchten. Bechthebbenden op een aandeel zijn alleen de volle 
dienstplichtige mannen (sikëp, gogol, koeli këntjëng)ende 
hoofden en bestuurders der gemeente, voor zooverre deze geene 
vaste ambtsvelden of bijzondere aandeden als zoodanig genieten. 
Ophoudende tot den stand der volle dienstplichtigen te behooren < , 
de gemeente verlatende, dan wel door overlijden, verliest men zijn 



91, 99, 103, 107, 113. Vergl. ook het Rapport van denzelfden dd. 31 Dec. 1812, 
te vinden in de Verhandelingen van het Bat. Gen. v. K. en W. , dl. XLl (1881), 
p. 16, 30 en v. ; het Rapport van den heer Mr. H. van Dissel over de particuliere 
landerijen beoosten de rivier Tji Manoek, in het Tijdschrift voor Nyverheid en 
Landbouw in Ned. Indië, dl. XXH (1878), p. 280, 281; Eindresumé, dl. II, 301; 
Rafïles: Substance of a minute (Londen, 1814), p. 107, 129, 131. Zelfs in den 
Soerj& Ngalam vinden w^ reeds eene plaats (p. 15) , welke blgkbaar op gemeenschap- 
pelgk bezit van sawah's doelt. Trouwens, indien men zich, bij het lezen van het 
Eindresumé, aan de daarin medegedeelde feiten houdt, los van de aan die feiten 
vastgeknoopte beschouwingen, zoo blgkt wel, dat men in vele gemeenten in 
1867 en 1868 nog wist van ontstaan of uitbreiding van het communaal bezit, 
tengevolge van het verlaten van gronden, overlyden zonder erfgenamen, volks- 
verloop , bevelen van hooger hand , heeren- en cultuurdiensten , aanleg van water- 
werken, gemeenschappeiyke ontginning op last of vry willig, enz., enz; maar 
nergens werd verklaard, dat de instelling als zoodanig te voren in de streek 
onbekend was. Daarbij komt, dat in den tekst van het Eindresumé soms de in 
enkele gemeenten afgelegde verklaringen z\jn gegeneraliseerd , zoodat men wel 
doet, steeds ook de noten te consulteeren; terwyl aan den anderen kant ook 
positieve verklaringen, dat men niet beter wist, of het communaal grondbezit had 
altijd bestaan, niet ontbreken. Zie, tot staving van het hier opgemerkte: Eind- 
resumé, dl. II, p. 56 en w., 70 en vv. , 82 en w, 100 en w. , 124 en w. , 
142 en vv., 153 en v., 161 en vv., 182 en vv., 198 en vv., 213 en vv., 227 
en vv. , 247 en vv. , 257 en w. Wat intusschen van dit alles moge zyn, het 
communaal bezit bleek, bij het onderzoek in 1867 en 1868, waar het bestond, 
zoo zeer in het rechtsbewustzijn der bevolking te zyn doorgedrongen, dat zelfs 
tegenover daaraan vyandige ambtenaren , zoo niet alle , dan toch de meeste en voor- 
naamste leden der gemeenten doorgaans verklaarden het te willen behouden. Zie 
Eindresumé, dl. II , p. 352 en w. De betrekkelyk zeldzame gevallen van conversie 
in individueel bezit , sedert dat daartoe de bevoegdheid werd verleend , bewyzen , 
dat de geest der bevolking ten deze nog niet veranderd is. 

* De beantwoording der vraag, wie tot den stand der volle dienstplichtigen 
gerekend worden , beschouw ik als niet te dezer plaatse te huis behoorende. Vergl. 
boven, p. 143. 



YKRMOGBNSRECHT OF JAYA BN MADOERA. 153 

aandeel na afloop van den oogst. In de gemeenten , waar de lasten , 
op het grondbezit klevende , niet opwegen tegen het voordeel , dat 
men uit een aandeel trekt, is het recht op een aandeel veranderd 
in eene verplichting van elk erf bezitter, ja niet zelden zelfs van 
elk werkbaar man , om een aandeel te nemen , en , als gevolg daar- 
van , in de lasten der gemeente bij te dragen. Deze ongezonde toe- 
stand is intasschen uitzondering; het meest komt hij nog voor in 
de residentiën Madioen en Kediri, waar de aandeden zeer ver- 
snipperd zijn ^. 

In de meerderheid der gemeenten zijn de aandeelen vast, d. w. z. 
zij worden zoo lang mogelijk onveranderd in handen van dezelfde 
personen gelaten, en wijziging in de grenzen of verwisseling heeft 
alleen plaats om bijzondere redenen , als het uitvallen of bijkomen 
van aandeelhebbers, groot verschil in de productiviteit der aan- 
deden, verhuur van grond aan Europeanen, enz. In andere ge- 
meenten echter heeft men periodieke verwisseling van aandeelen , 
hetzij om het jaar, hetzij na langere termijnen. Deze toestand heeft 
thans alleen nog in de residentiën Japara, fiembang, Madioen, 
Kediri en Soerabaja beslist de overhand; zij vertoont over het 
algemeen eene neiging om geleidelijk voor het communaal bezit 
met vaste aandeelen plaats te maken. Hetzij echter de aandeelen 
vast zijn, hetzij periodieke verwisseling plaatsheeft, doo^aanszijn 
zij van ongeveer gelijke waarde , en rusten daarop gelijke verplich- 
tingen. In Kediri echter, en voorts in vele gemeenten van Madioen 
en enkelen van Cheribon en Japara, zijn de aandeelhebbers in 
klassen verdeeld, die grootere of betere aandeelen bekomen, naar 
mate zij zwaardere diensten moeten doen. Vroeger was ditzelfde 
het geval in Rembang, ten aanzien van de veebezitters bij de, 
thans niet meer bestaande, zoogenaamde b 1 a n d o n g-diensten ^ 
ingedeeld. Bij uitzondering is ook wel de hoegrootheid of de waarde 
van het aandeel verschillend, naarmate men over meerdere mid- 
delen tot bebouwing kan beschikken, bv. omdat men veebezitter 
is, zonder dat daar tégenover grootere verplichtingen staan. Elders 
wordt wel eens aan een ingezeten een kleiner aandeel gegeven, 
omdat hij tevens sa w ah 's in erfelijk individueel bezit heeft, en 



» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 59, 61 en vv., 69, 75, 77, dl. III, p. 139, 140; 
De residentie Kadoe, p. 132 en v. 

• Diensten by de houtbosschen. In eenige gemeenten van Rembang is niet- 
tegenstaande de afschaffing dezer diensten, de bevoorrechting der veebezitters 
big ven bestaan. 



154 DE AFWIJKINGEN VAN HKT MOHAMMEDAANSGHE 

eindelijk geeft men in vele dorpen aan personen, die wegens hun 
leeftijd of om andere redenen hebben opgehouden dienstplichtig te 
zijn, een kleiner aandeel bij wege van pensioen. Dergelijke locale uit- 
zonderingen op den regel van gelijke verdeeling zijn er meer. In 
zeer vele gemeenten wordt over de toelating van nieuwe aandeel*- 
hebbers door de gezamenlijke belanghebbenden beslist; elders ge- 
schiedt zulks door het dorpshoofd, dat hoogstens van de toelating 
aan de andere rechthebbenden keunis geeft. Naarmate de aandeden 
grooter, en de lasten daarop rustende naar verhouding minder 
drukkend zijn, is men met de toelating strenger, en moet de 
nieuweling aan allerlei voorwaarden , bv. van inwonerschap gedurende 
zekeren tijd, bezit van een erf, enz. voldoen *. 

De afbakening en de toewijzing der aandeden geschieden meestal 
bij onderling goedvinden der belanghebbenden onder de leiding van , 
en na voorafgaande opneming door het dorpsbestuur , dikwijls , waar 
periodieke verdeeling bestaat , volgens een rooster. In sommige streken 
evenwel geschiedt de afbakening, en in enkele anderen ook de toewij- 
zing der aandeden door het dorpsbestuur , ja zelfs door het dorpshoofd 
alleen, welke handelwijze vroeger vooral in Cheribon aanleiding 
tot vele misbruiken gaf. Bij de verdeeling wordt echter bijna overal 
ook min of meer rekening gehouden met persoonlijke aanspraken, bv. 
doordat men aan nakomelingen van ontginners bij voorkeur als aandeel 
de plek geeft door hun auteur ontgonnen, maar later in het communaal 
bezit gebracht , of doordat men zoons of schoonzoons in het aandeel 
van hun vader of schoonvader laat opvolgen, ja zelfs de weduwe 
in het aandeel van haar overleden man , mits zij zorgt, dat de dien- 
sten op het aandeel rustende worden nagekomen 2. Tëgal's, tuinen 
en boomgaarden in communaal bezit zijn veel minder talrijk dan 
de communaal bezeten sawah^s. In den regel treft men die niet 
aan in gemeenten, waar niet tevens communaal sa wah-bezit aan- 
wezig is. Het aandeel daarin vormt veelal eene toegift op het 
sawah-aandeel, dan wel het strekt om een min waardig sawah- 
aandeel aan te vullen. Het volgt dan in alle opzichten het rechtslot 



* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 61 en w., 66 en vv. ; De residentie Kadoe, 
p. 133, en het Kol. Verslag van 1893, Bijl. U. Blijkens laatstgenoemde Bijlage 
waren er, in 1892, 13201 gemeenten met vaste aandeelen, tegen 12429 in 1887. 
Zie B^lage S van het Kol. Verslag van 1888. 

• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 71, 73 en vv. , dl. III, p. 256, 257; Sollewyn 
Gelpke: Naar aanleiding van Stbl. 1878 N» 110, dl. l, p. 48 en vv.; Poensen, 
t. a. p., dl. XXXVm (1894), p. 100 en v. 



VBaMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 155 

van het laatste. Ook komt het voor, dat men de aandeelen in de 
tëgal's geeft aan personen, die de vereischten voor sawah- 
aandeelhebber missen , en die men toch niet geheel wil voorbijgaan. 
Alleen in enkele gemeenten van Bagelen en Japara treft men het 
abnormale verschijnsel aan, dat de sawah's in individueel, maar 
de têgaTs in communaal bezit zijn ^. 

Vischvijvers in communaal bezit bestaan slechts in de residentiën 
Preanger-Regentschappen , Cheribon, Japara en Eembang. In de 
beide eerste residentiën worden zij gemeenschappelijk door de inge- 
zetenen geëxploiteerd; in de beide laatsten bestaat individueel 
gebruik. Daar de aandeelhebbers soms talrijker zijn dan de aan- 
deelen , waarin de vijvers kunnen worden gesplitst , zoo wordt vaak 
één aandeel aan twee of meer rechthebbenden te zamen ter 
exploitatie toegewezen, iets dat met aandeelen in bouwgronden 
nimmer het geval is. Dan heeft men , bf beurtregeling , óf exploi- 
tatie door één hunner, die de lasten draagt, welke op den vijver 
kleven , en , na aftrek der onkosten en eene billijke belooning 
voor zijne moeite, de netto-opbrengst deelt tusschen zich en zijne 
mede-aandeelhebbers. Het komt ook voor, dat een communale 
vijver aan den meestbiedende onder de aandeelhebbers wordt ver- 
pacht, en het ontvangen bedrag onder de anderen wordt ver- 
deeld. Ook • deze vorm van exploitatie is bij bouwgronden on- 
bekend 2. 

Bij de weinige nipah-bosschen in communaal bezit, bestaat 
daarentegen weder uitsluitend individueel gebruik, meestal met 
vaste aandeelen. Alleen in de gemeenten, waar wilde nipah 
wordt aangetroffen , is deze ter beschikking van alle ingezetenen. 
Waar verdeeling in aandeelen bestaat, heeft men soms toewijzing 
van een aandeel aan meer dan één persoon , in welk geval de 
exploitatie door de tusschen hen aangegane overeenkomsten wordt 
beheerscht ^. 

Bij het communaal bezit der woonerven is het individueel ge- 
bruik wederom van anderen aard. Men beschouwt dan namelijk den 
grond, waarop de woningen staan , als gemeentegrond. Daarvan 
wordt aan elk gezinshoofd, die aan de locaal uiteenloopende ver- 
eischten voldoet om als ingezeten van het dorp te worden toe- 



» Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 130 en vv., dl. III, p. 120, 160. 

• Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 2M en vv., en zie boven p. 149. 

* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 217 en v. 



156 DS ▲FWIJKINGEN VAN HKT MOHAMMEDAANSOHE 

gelaten, een stuk aangewezen, om eene woning te plaatsen. Voor 
zooverre de plaatsing der woningen het gedoogt, mag hij op den 
hem toebedeelden grond tevens plantsoen aanleggen. Op. dien 
grond heeft hij een gebruiksrecht , zoolang hij ingezetene is ; terwijl 
wat daarop gebouwd of geplant is, zijn eigendom blijft. Over een 
en ander mag hij beschikken als over zijne andere goederen, be- 
houdens dat hij, door verkoop van zijn huis, niet eigenmachtig 
een inwoner in de gemeente mag binnensmokkelen, die, opgrond 
van de bestaande instellingen, er niet zoude kunnen worden toe- 
gelaten. Bij geoorloofden verkoop echter is de gemeente verplicht 
het gebruik van den grond aan den kooper van het huis of van 
den aanplant te laten , onverminderd het recht , dat de gemeente 
steeds behoudt om, ingeval van gebrek aan grond, de erven te 
verkleiiïen, voor zooverre dit mogelijk is met het oog op de be- 
staande gebouwen en beplantingen. Ook bij het bouwen van een 
nieuw woonhuis moet men zich in gemeenten , waar deze toestand 
bestaat, aan de bevelen van het dorpsbestuur omtrent ligging, 
grootte, enz. van de woning onderwerpen. Slechts bij hooge uit- 
zondering en in streken, waar op de erven geen plantsoen staat, 
komt het voor, dat de gemeentelijke instellingen aan het dorps- 
bestuur de bevoegdheid toekennen, om bevel tot verplaatsing van 
woningen te geven. Trouwens, behalve in het regentschap Banjoe- 
wangi, wordt het communaal bezit van erven overal slechts zeer 
sporadisch aangetroffen K 

De voorwaarden , waaronder de meerderheid der deelgerechtigden 
de minderheid kan dwingen, om het communaal bezit van bouw- 
gronden 2 in individueel bezit te converteeren , zijn geregeld bij 
Ind. Stbl. 1885 N® 102. Dat, bij eenstemmigheid der rechthebbenden, 
ook andere communaal bezeten gronden in erfelijk individueel 
bezit kunnen worden gebracht, en omgekeerd erfelijk individueel 
bezit in communaal bezit kan worden geconverteerd, volgt m. i. 
uit den omvang, welke de autonomie der gemeenten op Java en 
Madoera naar ons staatsrecht , gelijk mede naar de inlandsche instel- 
lingen, heeft *. 



* Vergl. Eindresumé , dl. I , p. 169 en w. ; SoUewün Gelpke , t. a. p. , p. 576 , 577. 
s De beperking tot bouwgronden staat uitdrukkelgk te lezen in art. 1. Woon- 
erven, wegen, enz. vallen dus buiten het bewuste Koninklijk Besluit 

• Vergl. Familie- en erfrecht, p. 478, 479. 



VE&MOGENSESOHT OP JAVA EN MAliOE&A. 157 

§ 11. BEZIT- 07 GEBRUIKSaSÜHT K&AOHTENS HET AMBT. 

Het bezoldigen van hoofden en van burgerlijke of militaire 
landsdienaren geheel of gedeeltelijk in land is, voor zoover men 
kan nagaan, eene instelling, van ouds op Java en Madoera in 
zwang, en ook door de Oost-Indisohe Cotnpagnie in practijk ge- 
bracht. Dergelijke gronden bestonden vroeger, of in geheele land- 
streken , óf in bepaalde dorpen met hunne gronden , bf in eene 
zekere uitgestrektheid bonwgrond. De beide eerstgenoemde vormen 
verdragen zich noch met de Mo^iammedaausohe , noch met de 
Hindoe-wetten, welke, gelijk wij reeds vroeger zagen , den sou verein 
alleen het recht toekennen de inning der hem verschuldigde belas- 
tingen bij wege van concessie (iqt&^) aan zijne ambtenaren of 
krijgsoversteu te cedeeren, maar niet om over den grond te be- 
schikken, door anderen in eigendom of in erfelijk gebruiksrecht 
bezeten. De laatstgenoemde vorm verdraagt zich daarentegen zoo- 
wel met den Isl&m als met het Hindoe-recht, mits de afstand 
betrekking hebbe op bouwgronden, tot het vrije staatsdomein be- 
hoorende. Yermoedelijk zijn de beide eerstgenoemde vormen oor- 
spronkelijk inlandsch, evenals het geheele eigendomsrecht van den 
vorst op den grond. In het voormalige Bantamsche rijk en in de 
voormalige Madoereesche vorstendommen had het ambtelijk land- 
bezit meer een Mohammedaansch karakter, en kwam speciaal de 
beschikking over de dorpen slechts voor in den vorm van ver- 
gunning, om de aan den vorst toekomende diensten te genieten 
of opbrengsten te innen ^. 

In ons rechtstreeksch gebied op Java en Madoera , de Freanger- 
Regentschappen uitgezonderd , werd het ambtelijk landbezit bij Ind. 



» Vergl. Sollewijn Gelpke: Naar aanleiding van Stbl. 1878 No 110, dl. I, p. 4; 
Het eigendomsrecht van den staat, enz., p. 6, 11, 14, en de daar geciteerde 
bewysplaatsen , waarbg nog te voegen: Manoe, VII: 118 en vv., en , speciaal voor 
Bantam en Madoera: Eindresumé, dl. II , p. 3 en w. , 275 en w.; Resumé van 
Bantam, p. 70; voor Midden- Java: Eindresumé, dl. II, p. 295 en w. , 288 en 
vv. en 295 en w. Het landbezit, door de inlandsche vorsten aan landsdienaren, 
familieleden en grooten tot hun onderhoud toegekend , noemt men in de Indische 
administratieve taal gewoonlijk : „apanage" , in tegenoverstelling van het ambtel^k 
landbezit van de hoofden en bestuurders der dorpen. Naar de inlandsche be- 
grippen bestaat intusschen geen onderscheid in rechtskarakter of naam tusschen 
deze „apanages" en het landbezit als belooning voor het vervullen van gemeente- 
ambten. In Bantam werden , onder het vorstenbestuur , de concessies niet met den 
Arabischen naam iqta', maar met den Inlandschen pëtjaton aangeduid. Op 
Madoera heetten z^ përtjaton. 



158 DE AVWIJKINOEN VAN 11 RT MüHAMMEDAANSCHE 

Stbl. 1867 N® 122 afgeschaft voor alle hoofden en ambtenaren , 
behalve voor de hoofden en bestuurders der gemeenten. Bij Ind. 
Stbl. 1870 N« 122 werd dezelfde maatregel tot de Preanger uit- 
gestrekt, en, bij de overname der Madoereesche vorstendommen, 
Soemenep en Bangkallau, ook aldaar ingevoerd, behoudens het 
later te bespreken landbezit der zoogenaamde barissan '. 

Het ambtelijk landbezit van de hoofden en bestuurders der Inland- 
sche gemeenten is, evenals die gemeenten zelve , op Java en Madoera 
stellig van Hindoe-oorsprong. Het feit, dat bedoeld landbezit zich 
van onds nooit anders dan in den zooeven vermelden derden , met 
het Hindoe-recht overeenstemmenden , vorm heeft voorgedaan , dat 
het geheel met het gemeentewezen samenhangt, dat het zich juist 
in die streken van Java het sterkst ontwikkeld heeft, waar de 
Hindoe-invloed het grootst en de Mo|^ammedaansche het geringst 
is geweest, en eindelijk de treffende gelijkenis met de toestanden 
in Britsch-Iudië zijn hiervoor voldoende aanwijzingen ^. 

De meest gebruikelijke benaming voor de ambtelijk bezeten 
gronden is in het Javaansch: loenggoeh (N) of lênggah (K). 
Daarnaast zijn echter in Midden- Java de uitdrukkingen : b a k o n 
en bëngkok in gebruik. In de Preanger spreekt men van sawah 
of têgal tjarik of patjarikan; in Tegal en Japara van s. of 
t. pantjèn. Eene andere wijze van aanduiding is het noemen 
van de soort van grond met bijvoeging van het ambt, waaraan 
het bezit is verbonden. Zoo spreekt men in Bantam , waar het 
dorpshoofd dj ar o heet, van s. of t. kêdjaroan, in Cheribon, 
waar diens titel koewoe is, van s. of t. pëkoewon; elders 
weder van s. of t. pêtiuggèn, van pëtiuggi; op Madoera van 
s. of t. klèboenan, van klèboen (Mad. =kliwon Jav.). 
Soms ook worden beide wijzen van aanduiding gecombineerd, bv. 
bëngkok loerah, loenggoeh kamitoewa. In beperkten 
kring zijn ook nog hier en daar andere namen en uitdrukkingen 



i Zie Ind. Stbl. 1883 N" 242 en 1885 No 144. 

* Voor de toestanden in Britsch Indië, zie Maine, t. a. p.. p. 126. Waar het 
communaal bezit bestaat, vormen gemeenten zonder ambtelijk landbezit eene 
uitzondering. Daarentegen heeft men in Krawang en de Preanger-Regentschappen 
slechts zeer weinige gemeenten met ambtelgk landbezit; in Bantam bestaat het 
nog niet in de helft der gemeenten , en in Besoeki nog niet in een derde. Madoera 
is de eenige residentie met uitsluitend individueel bezit , waar het ambtelijk land- 
bezit algemeen is. Het ontbreekt er in slechts 7 gemeenten. Vergl. Kol. Verslag 
van 18M3, Bijl. L'. 



YSEMOGENSRECHT OP JAYA EN MADOERA. 159 

in zwang ^ . De gronden , krachtens het ambt bezeten , bestaan 
meerendeels uit sawah's, minder uit tëgaPs, tuinen, boom- 
gaarden of vischvijvers , en eene enkele maal slechts uit een woon- 
erf. De hoegrootheid dier gronden is, of eens voor altijd vast- 
gesteld, M zij wordt, bij elke nieuwe verkiezing van een titularis, 
opnieuw bepaald. Men heeft verder, of vaste, voor het ambt be- 
sterade gronden, bf verwisseling, welke verwisseling wederom 
periodiek of niet-periodiek kan plaats hebben. De verwisseling 
komt alleen voor in gemeenten met communaal bezit, ofschoon 
ook in velen daarvan voor de ambtsvelden vaste plekken zijn be- 
stemd. Bij communaal bezit wordt eindelijk de hoegrootheid van 
de ambtsvelden bepaald, bf in een zeker aantal bouws, bf in een 
zeker aantal gewone aandeden, bf in een evenredig deel van de 
totale uitgestrektheid van den gemeentegrond, meest 8 pCt. of 10 
pCt. In gemeenten met louter individueel bezit heeft men natuurlijk 
alleen vaste ambtsvelden. Het bezit van ambtsvelden is onafhan- 
kelijk van dat der eigen gronden , in erfelijk individueel gebruiks- 
recht bezeten. Bij verlies van de betrekking gaat uit den aard 
der zaak het recht op de daaraan verbonden velden verloren. 
In de residentiën Tegal, Bagelen, Bembang en Madioen behoudt 
desniettegenstaande de afgetreden titularis, of zijn boedel, aan- 
spraak op den te velde staanden oogst, dan wel, indien het veld 
reeds bewerkt is, gaat het bezit daarvan eerst na het loopende 
jaar, of na den loopenden moesson, over, dan wel eindelijk gaat 
het bezit terstond op den nieuwen titularis over, maar moet deze 
aan zijn voorganger of diens erfgenamen eene vergoeding geven 
voor hunne reeds aan den grond verrichten arbeid en hunne reeds 
gemaakte kosten ^. 

Omtrent de bestemming van gronden tot ambtsvelden en den 
omvang vnn het ambtelijk landbezit zijn sedert 1800 in geheel 
Java en Madoera gewestelijke regelingen tot stand gekomen , welke, 
met eerbiediging van verkregen rechten, paal en perk hebben ge- 
steld aan de vroeger ten deze, vooral in streken met communaal 
bezit, voorkomende misbruiken. Zelfs individueel bezeten gronden 
schijnen vroeger niet zelden bij de ambtsvelden te zijn geannexeerd. 



* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 88 en v. 

' Vergl. een vonnis van den Landraad te Indramajoe dd. 10 April 1878 (Ind. 
Weekbl. v. h. R. , Jaarg. 187<:), N» 850); Eindresumé , dl. I , p. 87 en v., 89 en v., 
94, 9Ö, 98, 134 en v., 174, 207 en v.; Kol. Verslag van 1893, Byl. U. 



160 DK AViriJKINOBN VAN HBT HOUAHICBDAANSCHC 

Bedoelde regelingen streven aan den anderen kant zooveel mogelijk 
naar eene billijke belooning voor de boofden en bestaarden der 
gemeenten, en laten ook aitbreiding van bet ambtelijk landbezit 
toe in gemeenten of streken, waar bet niet of niet voldoende 
bestaat. De pëlajangan-gronden kannen dan daarvoor worden 
bestemd. Zoo is in de residentie Krawang nog in 1890 bet amb- 
telijk landbezit ingevoerd '. 

Het ambtelijk landbezit der dorpshoofden beeft aanmerkelijk 
grootere beteekenis dan dat der dorpsbestuarders. In vele streken 
hebben deze laatsten zelfs geen ambtelijk landbezit, d. w. z. in 
de gemeenten met commanaal bezit erlangen zij, krachtens hun 
ambt, das zonder daarvoor diensten te verrichten, een gewoon 
aandeel, en in gemeenten met zaiver individaeel bezit, niets. Na 
het hoofd, zijn het diens adjuncten en de dorpsschrijvers, die in 
den regel het meest met ambtsvelden zijn begunstigd In elk geval 
is, waar de dorpsbestuorders ambtelijk landbezit hebbeu, de grootte 
daarvan geringer dan die der ambtsvelden van het dorpshoofd, 
en verschilt zij naar het meerdere of mindere gewicht van hunne 
functies ^. 

Bij de beoordeeling van de waarde van het ambtelijk landbezit 
moet nog worden in aanmerking genomen, dat doorgaans de ge- 
meenteleden de bewerking daarvan geheel of ten deele om niet 
op zich nemen, dan wel die bewerking tegen zeer geringe beloo- 
ning verrichten. Zoo ook wordt de , voor de ambtsvelden verschul- 
digde, landrente vaak geheel of ten deele over de andere grond- 
bezitters omgeslagen. Deze voordeden intusschen worden door de 
leden van het dorpsbestuur in veel mindere mate genoten dan 
door het dorpshoofd. In de hierboven vermelde gewestelijke rege- 
lingen, sedert 1890 in het leven geroepen, is tevens voorgeschreven, 
dat, bij het optreden van nieuwe titularissen, deze voordeden 



1 Zie Kol. Verslag van 1891, p. 75; Eindresumé, dl. I, p. 91, dl. II, p. 315, 316, 
dl. III, p. 288 en vv. De tot stand gekomen gewestelyke regelingen maken een 
onderdeel uit van de gewestelijke regelingen betreffende de samenstelling der 
dorpsbesturen , gepubliceerd in de Koloniale Verslagen van 1891, Byl. O, 1892, 
Byl. Q, en 1893, Byl. O. Eene korte opgave der daarin voorkomende bepalingen 
omtrent het ambtelyk landbezit vindt men op p. 302 en vv. van dl. III van het 
Eindresumé. Voor de bijzonderheden wordt naar deze bronnen verwezen. Zie ook , 
over de vroegere onzekerheid in de grenzen der ambtsvelden: Tydschrift van 
het Binnenlandsch Bestuur, Jaarg. 1891—1892, p. 335 en vv. 

« Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 94 en vv. , dl. III, p. 288, 291. 



tStLMOGlSNSHECUT OP JaVa £N iiAbOERAu ' 16 1 

officieel moeten worden geconstateerd, en als door de bevolking 
vrijwillig op zich genomen lasten moeten worden aangemerkt '. 

Behalve het ambtelijk landbezit van de hoofden en bestuurders der 
gemeenten , heeft men nog eenige andere gevallen van grondbezit, 
door personen krachtens eene zekere qualiteit genoten. Dit bezit, 
hetwelk men inet den naam van quasi-ambtelijk zoude kunnen 
bestempelen , kan worden teruggebracht tot de volgende gevallen : 

1® In sommige gemeenten met communaal bezit wordt een 
aandeel toegekend aan personen , die een bepaald beroep uitoefenen , 
waarvoor bijzondere geschiktheid noodig is, bv. aan een timmer- 
man, een (jalang, een gamelan-speler, een politie-spion , een 
godsdienstleeraar , eene publieke danseres, enz., zonder dat bedoelde 
personen tot liet dorpsbestuur behooren, of op grond van dienst- 
praesiatie voor een aandeel in aanmerking komen ^. 

2^ Hetzelfde geschiedt hier en daar met familieleden en volgelingen 
van dorpshoofden, ja zelfs met afgetreden hoofden en bestuurders ^. 

30 Op Madoera bestaan nog bouwgronden bestemd voor de 
barissan of inlandsche militie. Bedoelde gronden worden door 
de commandanten dier troepen in aandeden verdeeld, en aan de 
officieren, onderofficieren of minderen uitgegeven. Die aandeden 
vormen een gedeelte der soldij. Bij ontslag uit den krijgsdienst 
of bij overlijden gaat het recht op het aandeel verloren. Bij 
de overname der Madoereesche vorstendommen is deze toestand 
gehandhaafd *. 

4® In dezelfde residentie vindt men nog de zoogenaaujde negëri- 
gronden. Dit zijn de gronden , tijdens het vorstenbestuur aan leden 
der vorstelijke familie en aan grooten tot hun onderhoud uitge- 
geven. Wel zijn de houders, bij de overname der vorstendommen, 



* Zie p. U)0 noot 1, en vergl. Eindresumc, dl. I, p. 94 en v., % en vv., dl. III, p. 387, 
29(J en v., 297; Sollewyn Gelpke, t. a. p. , p. 43; Poensen, t. a. p. , p. 101. Van 
de geheel ol* ten decle kostelooze bewerking der ambtsvelden spreekt reeds 
RafTles , t. a. p. , p. 102. 

* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 99. Voor een analoog verschijnsel in Britsch- 
Indië, vergl. Maine, t. a. p. , p. 125, 126. 

» Vergl. Eindresumé , dl. I , p. 99. 

* Vergl. Eindresumé, dl. I, p. 111, 137; Ind. Stbl. 1883 N" 242 en 1885 N« 144. 
By de overname van Pamakassan is geene speciale bepaling voor de barissan- 
gronden gemaakt; maar dit neemt niet weg, dat de oude toestand ook aldaar 
is gehandhaafd. Zie Ind. Stbl. 1858 No 54 en 1872 N" 66 art. 1 litt. h. Voor de 
bestemming, aan de vrijvallende bar is san-gronden te geven, zie noot r van 
de tabel I der Byl. Q van het Kol. Verslag van 1893. 

6- Vol^r. 111. 11 



l62 



DS AFWmiKOEN VAX UKT MOHAMMEDAANSOHE 



door het GouvernenieDt scbadeloosgesield in geld; maar de be- 
werkers dier gronden zijn voorloopig in hunne oude rechten 
gelaten '. 

Vroeger kon men ook als soorten van quasi-ambtelijk landbezit 
aanmerken de sawah negara in Bantam, de sawah tjarikin 
het Soemedangsche , en de sawah of tëgal pikoelan in Pro- 
bolinggo en Besoeki. Ofschoon nog in het Eindresumé besproken, 
zijn alle deze gronden thans in het erfelijk individueel bezit der 
opgezetenen ^. 

§ 12. Bezit- of gebruiksrecht of de begraafplaatsen , dr 
erven der moskeeën en de andere gewijde gronden. 

Begraafplaatsen zijn volgens de Mohammedaansche wet altijd 
goederen in de doode hand (A.rab waqf. Mal. Jav. Soeud. 
wakap), niet alleen wanneer zij uitdrukkelijk in de doode hand zijn 
gebracht, maar ook van rechtswege door het enkele feit van het 
begraven. De eigendom daarvan behoort dus aan AU&h, en is 
aan het handelsverkeer onttrokken. Opgraven van lijken is alleen 
in bepaalde gevallen toegestaan, en nimmer kan de grond zelf 
aan zijne bestemming worden onttrokken. Nu treft men vooral in 
West-Java en op Madoera ook wel begraafplaatsen aan, die wakap 
zijn , en worden elders ook de heilige en vorstelijke begraafplaatsen 
gerekend in een bijzonderen, straks nader te beschrijven, rechts- 
toestand te verkeeren ; maar met de gewone gemeentebegraafplaatsen 
is dit niet het geval. Laatstgenoemden worden namelijk geacht te 
behooren, bf aan de betrekkingen der overledenen, bf aan het 
Gouvernement, bf aan niemand, bf aan de gemeente, of aan hen 
die de graven hebben gedolven, in één woord, men vindt daar- 
omtrent de meest uiteenloopende begrippen. Ook zijn er voorbeelden 
van het veranderen der bestemming van den grond, waartoe alleen 
het houden van een offermaal noodig schijnt ^, 

Behalve de algemeene begraafplaatsen, aangelegd ingevolge het 
bepaalde b\j Ind. Stbl. 1864) N> 196, welke nog betrekkelijk 



1 Vergl. Kol. Verslag van 1893, Byl. Q, tabel I, noot r. 

• Vergl. Kol. Verslag van 1888 , Byl. S , en de correctie in het Kol. Verslag 
van 1893, Byl. Q, tabel I, noot d. 

» Vergl. Minhadj at-Talibïn, dl. I, p. 225, 227, dl. II, p. 189; Syed Ameer 
AH: The law relating to gifts, etc. (Calcutta 1885), p. 243 en v., 339, 351 en v.; 
Eindresumé, dl. III, p. 100, 102 en v. ; Soerj& Ngalam, p. 33. 



VERIktOGENSRECltt O^ JAVA EK MADOEILA. 16& 

Weinig talrijk zijn, en natuurlijk niet door het inlandsche recht 
worden beheerscht ' , vindt men in den regel bij elke gemeente 
eene begraafplaats, roet locaal uiteenloopende namen aangeduid, 
als pamakaman (van het Arab. maqdm*, lett. : ^i^standplaats^r) , 
pakoeboeran (van het Arab. qoboer, raeerv. v. qabr, d. i. 
/i'graf/ir), pasar éjan, astana, enz. Sommige gemeenten hebben 
meer dan ééne begraafplaats; terwijl omgekeerd ook wel meerdere 
gemeenten te zamen ééne begraafplaats bezitten, dan wel eenige 
gemeente hare dooden op de begraafplaats van eene andere 
brengt ^. Behalve deze gemeentelijke heeft men nog particuliere 
begraafplaatsen, meestal op woonerven, waar echter ook aan 
anderen wordt toegestaan te begraven. Dikwijls vindt men op de 
gemeentelijke begraafplaatsen bepaalde, door muren of anderszins, 
afgescheiden plekken, welke de graven van bepaalde familiën be- 
vatten, bv. van regenten of andere hoofden, van de stichters van 
het dorp , enz. , welke graven eene zekere vereering genieten , 
zonder daarom nog als heilige graven (Mal. Jav. Soend. kramat, 
v.h. Arab. kar&mah, d. i. //wonder/^) te worden beschouwd. Het 
onderhouden en schoonmaken der graven van bijzondere personen 
is een plicht van hunne familie; het onderhouden en schoonmaken 
der gemeenschappelijke begraafplaats komt ten laste van de ge- 
meente, welke daarmede eenige, meestal oude en van andere 
diensten vrijgestelde, personen belast, tegen vergoeding van een 
klein aandeel in de gemeentevelden , van een deel der d jak at of der 
pitrah, enz. Bedoelde personen zijn veelal tevens belast met het 
delven der graven en andere werkzaamheden , op de bezorging van 
lijken betrekking hebbende, voor zooverre die niet ten laste der be- 
trekkingen van de overledenen kunnen worden gebracht De boomen, 
op de gemeentelijke bej^ raaf plaats groeiende, blijven behooren aan 
hen, die ze geplant hebben, of die daarvan , tijdens de bestemming 
van den grond tot begraafplaats, eigenaars waren. Zijn dezen niet 
bekend , dan wel hebben zij van hun recht afstand gedaan , zoo 
volgen de boomen den rechtstoestand van den grond , en mogen niet 
door de leden der gemeente worden gekapt of geveld. Deze regel geldt 
ook ten aanzien van bamboe, op de begraafplaats groeiende. Over de 
boomen en de bamboe-stoelen waarvan hier sprake is, mag alleen ten 
algemeenen nutte door het dorpshoofd worden beschikt, speciaal 



• Die begraafplaatsen blyven dus hier verder buiten bespreking. 

• Van eene daarvoor te betalen recognitie vind ik geene melding gemankt. 



104* DE Anann^azs wa's nwr MOHAMinn>A^?i9cmi 

tot TernieowiDg yan de benoodigdheden Toor de begrafenissen of 
tot onderhoud der begraafplaats '. 

Be»^;hikkirig over irrond , om die tot begraafplaats te maken , 
tegen den wil der recjithebbenden , schijnt zelfe vroeger zoo goed 
als niet t« zijn voorgekomen, althans in het Eindresnmé vindt 
men daarvan niet^ vermeld. Wel daarentegen schijnen niet zelden 
moskeeën gebouwd te zijn op gronden, aan de bezittei^ ontnomen ', 
in welk geval ten aanzien dezer gronden natuurlijk hetzelfde zal 
gelden, wat hierboven omtrent willekearige beschikking over in- 
dividueel bezeten £rrond tot andere doeleinden srezesrd werd '. 
[ntnsschen zijn verreweg de meeste moskeeën met hare erven en 
de aan haar tot onderhoud , enz. verbonden bouwgronden , goederen 
in de doode hand, of worden althans door de bevolking ala zoo- 
danig beschouwd , in de gevallen , waarin men den oorsprong van 
den tegen woordigen toestand niet meer kan nagaan *. De lang- 
gar^s of bedehuizen, niet voor het Vrijdaggebed bestemd, zijn 
ht eveneens in de doode hand, bf zij staan op gewonen dorps- 
grond , en verkeeren dan in denzelfden rechtstoestand als de wegen, 
pleinen, enz. ^. 



* Verg. Eindresumé, dl. IFI, p. *)2, KiO en v., 34ó; L. Th. Mayer: De Javaan 
(Batavia 1894), p. 183 en vv. De in den tekst bedoelde gra venbewakers heeten zeer 
verschillend. Soms noemt men hen djoeroe-koentji, d. w. z. ^sleutel bewaarders"; 
maar dit woord is meer in gebruik voor de bewakers der graven van vorsten 
of heiligen. Op de meeste plaatsen heeten zij eenvoudig: „bewakers", en op enkele 
anderen : ah 1 i m aj i t (Arab. a h 1 a 1 - m a j j i t , d. w. z. „lijkenbezorgers"). Dat zij 
soms de djakat krijgen, is, blijkens mijne aanteekeningen , bij het onderzoek 
in IHdl en 1868 o. a. in het dorp Sidojoe van Bantam verklaard; doch in het 
Eindresumé, dl. 111, p. 3;i8, wordt deze bijzonderheid niet vermeld. 

' Verg. Eindrcsumc, dl. III, p. 162, 163. Op laatstgeciteerde pagina staat zelfs, 
dat zulks „in den regel" heefl plaats gehad; doch dit is beslist onjuist, en alleen 
daardoor te verklaren, dat het onderzoek in 1867 en 1868 toevallig slechts in 
weinige gemeenten schijnt te zijn gehouden, waar zich moskeeën (mësigit 
d. w. z. een bedehuis voor het Vrydaggebed) bevonden. Al had dus de willekeurige 
beschikking over den grond in de meerderheid van die gemeenten plaats gehad, 
zoo bewgst dit nog niets ten aanzien van den algemeenen toestand. Vergl. Mo- 
bammedaansche geestelijkheid, enz., p. 4, 5, 19, 20. 

» Zie boven, p. 147, 148. 

^ Vergl. Mol^ammedaansche geestelijkheid, p. 37 en w. ; Eindresumé, dl. I, 
p. 100 en vv. , 136, 209. Dat men in Midden-Java, behalve de erven der mos- 
keeën, betrekkelijk zoo weinige goederen als eigeniyke wakap's vermeld vindt, 
ligt waarschynlgk aan het feit, dat de opgezetenen er van ouds geene zakelyke 
bezitrechten op den grond uitoeienden, en dus ook geene wakap's konden 
maken. Zie boven p. 134 en vv. , en Moh. geest., p. 39. 

^ Zie boven, p. 118. 



yERMOG£NSR£CHT OP JAVA BN MADOKBA. 165 

Als gewijde gronden van zeer bijzonderen, en buiten het Moham- 
medaansühe recht staanden, aard, moeten echter de zoogenaamde 
/ï' vrije V of përdi kan-dorpen in Midden -Java en op Madoera worden 
vermeld , waaronder men in het algemeen te verstaan heeft gemeen- 
ten , met hare gronden , geheel of ten deele van diensten aan den 
lande en van belastingen vrijgesteld, maar waarvan de bevolking 
daarentegen voor het onderhoud van graven, godsdienstscholen of 
voorname familiën moet zorgen. 

Ofschoon de Europeesche administratie alle deze gemeenten met 
den naam van >yperdikan// bestempelt, zoo bestaan daarvan toch 
verschillende categorieën , en moet men , naar de inlandsche begrip- 
pen , onderscheiden tusschen : 

P desa përdikan ', of zoodanige gemeenten, welker gronden 
geschonken zijn aan bepaald aangewezen personen met hunne na- 
komelingen , gewoonlijk onder voorwaarde van eene godsdienstschool 
te onderhouden en daarin als onderwijzer (goeroe) te fungeeren, 
dan wel van zorg té dragen voor de bewaking en het onderhoud van 
bepaalde graven. Soms zijn beide bedoelingen gecombineerd. De be- 
volking is dan , ten behoeve van den begunstigde , vrijgesteld van het 
opbrengen van belastingen en het praesteeren van diensten jegens den 
lande, en ook wat haar grondbezit betreft, staat zij niet recht- 
streeks met den lande , maar met den begunstigde in rechtsbetrek- 
king. De waardigheid van met zoodanig dorp begunstigd hoofd is, 
behoudens de voorwaarde van geschiktheid voor de waarneming 
zijner functies, erfelijk in zijn geslacht. Den begunstigden persoon 
noemt men: përdikan, d. w. z. //vrijheer// ^, 

2^ desa kapoetihan, of zoodanige gemeenten, waarvan de 
vrijstelling van, op den grond of op de ingezetenen rustende, 
lasten jegens den lande , heeft plaats gehad ten behoeve , niet van 
een persoon, maar van eene instelling, waaraan geestelijken (w ö n g 
poetihan (N) of tijang pëtakkan (K)) ^ verbonden zijn , bv. 
eene moskee of eene godsdienstschool. Onderhoud der personen in 
quaestie , maar geene individueele schenking van grond is dus hier 
het doel. 

3® desa midjèn, of zoodanige gemeenten, waarvan de vrijstel- 
ling van , op den grond of op de ingezetenen rustende , lasten jegens 



* Of ook pardikan. 

* Voor de afleiding , zie het feestnummer van dit Tijdschrift , uitgegeven bij ge- 
legenheid van het Orientalisten-Congres in 1883, dl. II, p. 5 en vv, 

* Vergl. Moh. geestelijkheid, p. 9. 



166 DE AFWIJKÜiGEN VAX HET MOHAMMEDAANSCHE 

den lande , heeft plaats gehad ten behoeve van een bepaald persoon 
of eene bepaalde familie , welke daardoor aan het gezag der gewone 
inlandsche hoofden en ambtenaren werd onttrokken , en op zich 
zelf, d. w. z. rechtstreeks onder den vorst of, in het Gouvernements- 
gebied, onder den regent, staat. Is de gnnst aan een bepaald 
persoon bewezen , zonder recht van overgang op zijne nakomelingen, 
zoo keert na diens dood het dorp in zijn vorigen rechtstoestand 
terug. Afstand van grond voor goed heeft bij deze dorpen dus niet 
plaats. De begunstigde is alleen belastingheffer. 

4^ d és a p a k o e n t j è n , of zoodanige gemeenten , waarvan de 
vrijstelling van , op den grond of op de ingezetenen rustende , 
lasten jegensL den lande heeft plaats gehad, opdat de gemeente 
zich zoude belasten met de bewaking en het onderhoud van eene 
moskee of ander, voor den godsdienst bestemd, gebouw, of van 
eene heilige of vorstelijke begraafplaats. Ook in deze gemeenten 
had dus geene schenking van grond plaats, maar werden alleen 
speciale diensten en opbrengsten , tot instandhouding van het gebouw 
of de graven, aan de bevolking opgelegd. De personen , die in het 
dorp speciaal met de zorg voor een en ander zijn belast, heeten 
dj oero e-koe n tj i, of alleen koentji, d. w. z. ^sleutelbe- 
waarders^ *. 

Dat alle deze soorten van stichtingen alleen mogelijk waren van 
overheidswege, en niet door particulieren konden worden in het 
leven geroepen , behoeft geen betoog , en evenmin dat zij slechts 
konden worden in het leven geroepen door vorsten, wier eigen- 
domsrecht op den grond niet door zakelijke bezitrechten der opge- 
zetenen was beperkt ^. 

Ofschoon onderscheidene dezer stichtingen uit het Hindoe- 
tijdperk dagteekenen , zoo valt toch de oorsprong van de meesten 
in den Mohammedaanschen tijd, ja zelfs is die van eene enkele 
in een bevel van de Europeesche overheid te zoeken. Alle stich- 
tingen uit het Hindoe-tijdperk zijn trouwens door de latere 
Mohammedaansche regeerders van Java en Madoera herhaaldelijk 
vernieuwd, en zoowel bij de overname der zoogenaamde Montjo- 
Nëgaransohe landschappen, als bij de invoering van het recht- 



' Vergelijk: Mohammedaansche geestelijkheid, p. 40, 41, gecorrigeerd naar 
F. Fokkens: Vrye desa's op Java en Madoera, in het Tydschrift voor Indische 
Taal-, Land- en Volkenkunde, dl. XXXI (1886), p. 477 en vv. 

• Zie boven, p. 136. 



YBSMOGENSRECHT OP JAVA EN MADOERA. 167 

streeksche bestuur op het eiland Madoera heeft het Gouvernement 
verklaard de //vrijeer dorpen in hunnen rechtstoestand te willen 
laten. Zelfs schijnt het, dat men, om staatkundige redenen, vaak 
te weinig streng is geweest in het beoordeelen van de aanvragen 
om als "vrij'/ dorp te worden erkend. In de meeste «^vrije» dorpen 
vindt men thans nog archaïstische vormen van grondbezit, welke 
alleen door vergelijking met de toestanden onder het vorstenbestuur 
te verklaren zijn. Zoo bestaat in de dorpen, welke te zamen het 
Makam-gebied (Res. Banjoemas, afd. Foerbolinggo) vormen, nog 
het toempang paroek, d. w. z. de toestand dat de gronden dier 
verschillende gemeenten tusschen en door elkander verspreid liggen, 
iets dat men vroeger algemeen in de Montjo-Nëgaransche landschap- 
pen, en thans nog bij zeer vele apanages in de Vorstenlanden 
aantreft. In de eigenlijk gezegde p ë r d i k a n-dorpen beschouwt het 
hoofd zich als eenig zakelijk rechthebbende op den grond, en is 
het recht der opgezetenen tegenover hem slechts contractueel , welk 
contractueel recht zich wederom voordoet, zoowel in den indivi- 
dueelen vorm , als in dien van communaal bezit met aandeden ^ . 
Het bovenstaande betreft alleen in zijn vollen omvang de dorpen, 
die in hun geheel zijn vrijgesteld ; slechts tot op zekere hoogte is het 
toepasselijk op die, waar de vrijstelling niet op de geheele gemeente , 
maar op bepaalde gronden , dan wel op een bepaald getal hoofden van 
huisgezinnen betrekking heeft. In dit geval is het doel der vrijstelling 
altijd het bewaken en onderhouden van graven of moskeeën, zoodat 
deze gedeeltelijk vrijgestelde gemeenten slechts përdikan- of pa- 
koen tjèn-dorpen kunnen zijn *. De verplichtingen, welke tegen- 
over de vrijstelling staan , hebben in zoodanig geval uitsluitend 



• Vergl. Eigendomsrecht van den staat, p. 10 en vv. ; C. J. Hasselman: De 
perdikan-dessas in het distrikt Tjahijana, in het Tijdschrift voor het Binnenlandsch 
Bestuur, Jaarg. 1887—1888, p. 72 en vv.; Fokkens, t. a. p. , p. 486 en vv., 
498 en vv. , 5CH en w. ; Eindresumé, dl. I, p. 103 en vv. , dl. II, p. 121, en 
Bijl. p. 54, dl. III, p. 22 en vv. , 130 en v. Voor de bijzonderheden omtrent elk 
dorp of elke streek afzonderlijk wordt naar de opstellen van de heeren Fokkens 
en Hasselman verwezen. De beschrijving van het bestuur der „vrye" dorpen be- 
hoort natuurlijk niet te dezer plaatse. 

* P<1rdikan's behoort men de vrygestelde personen alleen te noemen, wanneer 
bepaald aan hen of aan hunne voorzaten bepaalde stukken grond zijn geschonken 
onder de bewuste voorwaarden. Van koen tj i's of djoeroe-koentji's kan 
men ook spreken, wanneer dit niet het geval is, en aan de gemeente slechts de 
last is opgelegd een zeker getal personen voor de diensten in quaestie beschikbaar 
te stellen. Dit volgt ten minste uit de hierboven van den heer Fokkens over- 
genomen detinities; maar ik betwijfel, of het spraakgebruik wel altgd constant is. 



inS DE AFWIJKINGEN VAN HET MOHAMMEDAANSCHK 

betrekking op de ingezetenen, in wier bezit zich de bewuste 
gronden bevinden, of op hen, die zijn vrijgesteld van heeren- 
diensten als anderszins. Laatstgenoemden zullen , bv. bij communaal 
bezit, recht hebben op een aandeel, al behooren zij niet tot de 
volle dienstplichtigen; terwijl, bij individueel bezit, voor de vrij- 
gestelde gronden evenmin diensten behoeven te worden gepraesteerd 
of landrente betaald. Overigens wijken in de gedeeltelijk vrijgestelde 
dorpen de toestanden, ook ten aanzien van het grondbezit, niet af 
van die der gewone omliggende gemeenten ' . 

§13. DR RECHTEN, DOOR IE INIiANDSCHE BEVOLKING UITGEOEFEND 

OP DEN GROND, BEHOORENDE TOT DE ZOOGENAAMDE PARTICULIERE 

LANDERIJEN EN DE ERFPACHTSPERCEELEN. 

Hierboven ^ werd reeds aangetoond , dat , en in hoeverre , in- 
landers , die Ëuropeesche zakelijke rechten op den grond uitoefenen , 
te dien aanzien aan de voor Europeanen geldende bepalingen zijn 
onderworpen. Wij hebben hier slechts in het kort te spreken van 
de rechten der bevolking, op zoodanigen grond gevestigd, waarbij 
wij ons echter tot enkele hoofdpunten kunnen bepalen met het 
oog op de omstandigheid , dat bedoelde rechten grootendeels niet 
door inlandsche instellingen , maar door , van het Europeesch gezag 
uitgegane, verordeningen worden beheerscht. Wat de perceelen 
betreft , in erfpacht uitgegeven ' , de bevolking , daarop gevestigd , 
oefent op den door haar geoccupeerden , zelfs op den door haar 
voor eigen gebruik ontgonnen bouwgrond , geene zakelijke rechten 
uit , maar heeft alleen contractueele aanspraken tegenover den 
landheer. Dit zelfde is het geval met de bevolking, gevestigd op 
de zoogenaamde particuliere landerijen beoosten de rivier Tji 
Manoek *. Deze contractueele rechten worden beheerscht door de 
gewone beginselen , welke voor de verbintenissen gelden . 

Daarentegen oefent, volgens art. 8 van Ind. Stbl. 1836 N°] 9, 
de inlandsche bevolking der particuliere landerijen bewesten de 
rivier Tji Manoek op alle gronden, door haar metterdaad be- 

• Vergl. Mohammedaansche geestelykheid , p. 42. 
' Zie pag. 86 en 87. 

' Voor zooverre die nog bestaan, geldt hetzelfde van de bevolking, gevestigd 
op , van het Gouvernement gehuurde , gronden. De perceelen , in gewoon eigendom 
of in opstal uitgegeven, zijn van te geringe uitgestrektheid, dan dat daarop van 
eene gevestigde Inlandsche bevolking sprake zoude kunnen zijn. 

♦ Vergl. Van Dissel, t. a. p., p. 293 en vv., en Ind. Stbl. 188l) No KtO, 



VERMOGENSRECHT OV JAVA EN MADOERA. 169 

bouwd , bewerkt of onderhouden , voor eigen rekening en risico , 
een zakelijk recht uit , door den wetgever '^erfpacht'" genoemd , 
omdat het met onze erfpacht wel eenige anjilogie heeft, maar dat 
inderdaad een specifiek inlandsch recht is, in natuur overeenkomende 
met het erfelijke bezits- of gebruiksrecht vjin het Mohammedaansche 
recht en van de Agrarische Wet * . Het is een jusin re aliena, dat 



* V'ergl. De Louter, t. a. p. , p. 6.K); arresten van het Hooggerechtshof dd. 
IK Jan. 1872 en 5 Maart 1874 (Ind. Weckbl. v. h. Recht, N«* 454 en iyd'S). Ik 
geloof niet, dat door juristen deze opvatting meer bestreden wordt, en evenmin 
dat men in jure constituto de verbindende kracht van Ind. Stbl. 1836 N" 10 
meer kan bestryden. Het beweren van den heer J. Faes , dat in de overschrijvingsacten 
der particuliere landerijen, sedert 1330 verleden, van de beperkingen van be- 
doeld Staatsblad geene melding werd gemaakt, en dat dus bij die acten „vol 
en vrij eigendom werd overgedragen", is mij niet duidelijk. Vergl. Geschiedenis 
van het particulier landbezit in West- Java , (Batavia 1 8^3) , p. II. Waar immers de 
wetgever het eigendomsrecht heeft beperkt , is de vraag of door den eigenaar , bij 
overdracht, van zoodanige beperking melding wordt gemaakt, niet ter zake meer 
dienende. Vergl. art. 570 Ind. Burgerl. Wb. = art. 625 Ned. B. W. Ten allen overvloede 
heeft art. 621 Ind. B. W. de beperking van het eigendomsrecht der landhceren, 
door het zakelijke recht der opgezetenen , nog gesanctionneerd. Eene andere vraag 
is natuurlijk, of de wetgever niet onbill\jk heeft gehandeld, en den eigendom der 
landheeren eigenmachtig heeft beperkt , door aan de inlandsche bevolking een vroeger 
niet bestaand zakelijk gebruiksrecht toe te kennen. Deze vraag wordt ontkennend be- 
antwoord door wijlen Mr. H. C. Pennink : Het Reglement van 28 Februari 1836 voor de 
particuliere landerijen (Groningen 1885), p. 40, en door mij, in myn meer geciteerd 
opstel over het eigendomsrecht van den staat, enz., p. 19, doch door anderen, 
waaronder ik den heer Faes als de meest gezaghebbende reken , in bevestigenden 
zin. Naar aanleiding van zi^n uit al tegen mij , op p. XVII van zijn even geciteerd 
belangrijk geschrift, wensch ik dien kundigen oud-resident beleefd het volgende 
te doen opmerken. Tegen den hoeksteen van mijn betoog, dat in West- Java, 
onder den invloed van den Islam, zich by de bevolking het bewustzijn van een 
zakelijk gebruiksrecht op den grond heeft ontwikkeld , wordt door hem niets aan- 
gevoerd, ja zelfs toont hij, op p. 26^>, door van Padjadjaran te spreken, d. w. z. 
van den Hindoe-tijd, de beteekenis van mijn betoog niet te hebben ingezien. 
Nu ontbreekt tot dusverre alle aanwijzing, dat, in dit opzicht, in het gebied der 
O. I. Compagnie bij de bevolking een ander rechtsbewustzyn bestond dan in de 
overige gedeelten van West-Java, ja wat meer zegt het Eindresumé leert ons 
dat , althans in de Preanger en in Krawang , de begrippen in hoofdzaak met die in 
Bantam, wat dit punt betreft, overeenstemmen. Dit nu vaststaande, kon de O. l. 
Compagnie, als getreden in de plaats der vroegere vorsten, door landverkoop 
geene andere of meerdere rechten overdragen dan die vorsten bezaten, en zij 
dus zelf bezat. Ook zonder eenig voorbehoud by de vervreemding, kon die hande- 
ling naar algemeene rechtsbeginselen aan de rechten der bevolking niet schaden. 
Dit laatste slaat natuurlijk alleen op de gronden, waarop door de autochtone of 
geïmmigreerde bevolking zakelijke gebruiksrechten werden uitgeoefend , maar niet 
op onbebouwden of door eene vlottende bevolking bewoonden grond, gelyk de 
groote meerderheid der door de O. I. Compagnie vervreemde perceelen waren. Alle 



L70 DE AFWU&INGEN VAN H£T MOHAMMËDAAN8GHE 

tefifen deu landeigenaar kan worden gehandhaafd , dat vatbaar is 
voor vervreemding, verpanding , verhuur of erflating, alles be- 

stukken , op laatstbedoelde perceelen betrekking hebbende , en waarop men zich ten 
betooge van onvoorwaardelgken afstand beroept , zgn derhalve niet ter zake dienende. 
Evenmin valt tegen myn beweren iets af te leiden, uit het gebruik, in de acten 
van verkoop, van de uitdrukking: „volle eigendom"; vooreerst omdat ik niet 
gezegd heb, dat het voorbehoud van de rechten der inlandsche bevolking in de 
„acten" heeft plaats gehad, maar ik, blgkens myn citaat (p. 19 n. 5), integen- 
deel op de aan die acten voorafgegane stukken doelde; in de tweede plaats 
omdat, naar het Oud-HoUandsch , evenals naar het hedendaagsche recht, be- 
doelde uitdrukking geenszins wettelijke en voor alle eigenaars geldende beper- 
kingen van den eigendom, in ecne bepaalde streek, uitsluit. Wil de heer Facs 
de onjuistheid van de geïncrimineerde plaats aantoonen, zoo heeft hg het om- 
gekeerde daarvan te bcwgzen, namelijk dat uit de stukken — niet alleen uit de 
acten van overdracht — op den verkoop van een bepaald land door de O. I. 
Compagnie betrekking hebbende, blykt van eene gevestigde bevolking op dat 
land, en desniettegenstaande daarin geene reserve ten aanzien van de gebruiks- 
rechten dier bevolking werd gemaakt. Levert hg dat bewgs, zoo moet mgne 
uitspraak, door invoeging van de woorden: ,in den regel", of iets dergelgks, 
worden verzacht. Zij blijft dan immers nog in haar geheel ten aanzien van den 
afstand van het land Klappa Noengal en de beide andere tegelgk vervreemde lande- 
rgen, gelijk mede ten aanzien van den primitieven afstand van het land Buiten- 
zorg. Door dit laatste blijkt tevens , dat de uitspraak ook van kracht blgft ten aan- 
zien van de verschillende landergen , uit de latere splitsing van Buitenzorg voort- 
gekomen. Vergl. Faes, t. a. p. , p. XVllI; Eigendomsrecht, p. 1<); Bgdragen, N. R. 
dl. Vil (1864), p. 2Ö6; Plakaatboek, dl. V, p. 255, dl. VI, p. v58, 59. Dat des- 
niettegenstaande ook in de acten van overdracht van bedoelde landen door de 
O. I. Compagnie van „vollen en vrgen eigendom" gesproken wordt, bewgst op 
nieuw, dat uit dien rechtsterm voor het onderwerp in quaestie niets valt af te 
leiden. In het voorbijgaan wgs ik er nog op, dat, in de bekende publicatie van 
Daendels dd. 13 Maart 1809, wel aan de landheeren wordt toegestaan van hunne 
opgezetenen hoogere opbrengsten , dan vroeger geoorloofd waren , te „bedingen", 
maar geenszins hoogere opbrengsten eigenmachtig te vorderen, en nog veel minder om 
naar willekeur over den grond te beschikken , waarop bedoelde opgezetenen zakelgke 
rechten uitoefenden; terwgl in § 4 van de verkoopvoorwaarden van Raflles uit- 
drukkelijk „de wetten en gevestigde gebruiken des lands" , omtrent de verhouding 
van den landheer tot zijne opgezetenen, werden gehandhaafd. Ten slotte moet 
ik onder de aandacht van den heer Facs brengen, dat niets mg aangenamer is, 
dan dat hg of anderen mgn arbeid aanvullen of verbeteren, dan wel mg, door 
hunne opmerkingen , aanleiding geven mijne meening omtrent eenig punt nader toe 
te lichten. Wenscht hij echter, dat ik hem in den ver\'olge op wetenschappelgk 
gebied te woord sta, zoo verzoek ik hem vriendelijk zich ten mgnen aanzien van 
uitdrukkingen als: „verwarring stichtend geschrgf', „naschrgven van onjuiste 
stellingen uit eene dissertatie" , enz. te willen onthouden. Het is toch mgne vaste 
gewoonte van op bedenkingen , in zoodanigen toon gesteld , niet in openbare ge- 
schriften te antwoorden , en ik heb op dien regel alleen ditmaal eene uitzondering 
gemaakt, omdat de heer Faes zijn stuk ook bg de Regeering schgnt te hebben 
ingediend, blgkens de onderteek^ning in de qualiteit van lid eener ofti<;ieele com* 
missie. 



YERMOGRNSRËCUT OF JAVA EN MADOERA. 171 

houdens nakoming der wettelijk geregelde verplichtingen en voor- 
waarden. Daar alle woeste gronden, tot bedoelde particuliere 
landerijen behoorende, vrij eigendom zijn van den landheer, kan 
de inlander zich daarop geen erfpachtsrecht verwerven door 
ontginning, tenzij met diens toestemming '; doch overigens wordt 
het erfpachtsrecht beheerscht door de plaJitselijke instellingen en 
gebruiken 2 , en zullen daarbij ex analogia de, elders ten aan- 
zien van het erfelijk individueele gebruiksrecht bestaande, instel- 
lingen en gebruiken mutatis mutandis als richtsnoer kunnen 
gelden. Alleen moet als eene algemeene afwijking worden gewezen 
op het ontbreken van inlandsche gemeenten op bedoelde landerijen. 
Daardoor vervallen van zelve alle beperkingen in de uitoefening 
van , en de beschikking over , het recht , in andere streken uit ge- 
meentelijke regelingen voortspruitende evenals het communaal 
grondbezit. Gewijde gronden, in een bijzonderen rechtstoestand 
verkeerende, bestaan op bedoelde particuliere landerijen niet; wel 
daarentegen ambtelijk landbezit, zoowel voor dorps- als voor distrikts- 
hoofden , gelijk mede een weiderecht en een recht om boschpro- 
dukteu te verzamelen ''. De vraag, of hét inlandsche erfpachtsrecht 
vatbaar is voor overdracht aan Europeanen of Vreemde Oosterlingen , 
wordt in verschillenden zin beantwoord *. 

» Vergl. artt. 2—7, 19-21, 23 van Ind. Stbl. 1836 N« 19. De wijzen van over- 
gang , in art. 4 genoemd , moeten als enuntiatief en niet als limitatief worden be- 
schouwd. Deze opvatting is, meen ik, nooit bestreden. 

2 Eene beschrijving van die instellingen en gebruiken is mij niet bekend. Voor 
de wettelijk geregelde verplichtingen en voorwaarden meen ik te kunnen vcr- 
wyzen naar De Louter , t. a. p. , p. 599 en w. 

» Vergl. artt. 2 al. 2, 52 en 53 van Ind. Stbl. 1836 No 19. 

* In ontkennenden zin wordt de vraag o. a. beantwoord in de arresten van het 
Hooggerechtshof dd. 24 April en 28 November 1878 en 27 Februari 1879 (Tijd- 
schrift: Het Recht in N. I., dl. XXX (1878), p. 142 en vv., dl. XXXI (1878), p. 378 
en vv. , en dl. XXXII (1879), p. 313 en vv.), gelijk mede door Pennink, t. a. p. , 
p. 43 en vv., en door my in de Handelingen der N. 1. Juristenvereeniging , Jaar- 
gang 1887^ dl. 1, p. 27 en vv. In bevestigenden zin luiden o. a. de arresten van 
het Hooggerechtshof dd. 24 December 1874, 15 October 1885 en 22 September 
1892 (Ibid. Nos d^M, 1169 en 1532), en spraken zich uit Mr. J. Sibenius Trip, 
Ibid. dl. XXX (1878), p. 97 en w. , dl. XXXII (1879), p. 8 en w.; De Louter, 
t. a. p. , p. 601. Het door mü t. a. p. aangevoerde argument, dat Europeanen en 
aan het Europeesche recht onderworpen Vreemde Oosterlingen, naar algemeene 
beginselen, onmogelijk een zakelijk recht kunnen uitoefenen, in hunne wetgeving 
onbekend, werd tot dusverre door de tegenstanders niet wederlegd. Al kan men 
dus, gelijk het Hooggerechtshof nog in laatstgenoemd arrest doet, aantoonen 
dat de wetgever in 1836 bedoeld heeft, ook Chineezen als opgezetenen niet 
inlandsche erfpachtsrechten toe te laten, zoo is toch dQ zaak anders geworden 



172 DE AirWIJRINGEN VAN IILT MOUAMMEDAANSCHE 

Naast de zakelijke rechten van den inlander op den grond, be- 
hoorende tot de hier besproken particuliere landerijen, kan hij op 
dien grond ook contractueele rechten uitoefenen. Ten aanzien 
van deze contractueele rechten moet worden herhaald , wat zooeven 
werd opgemerkt met opzicht tot de contractueele rechten op den 
grond, door opgezetenen van de erfpachtslanden en van de parti- 
culiere landerijen beoosten de rivier Tji Manoek uitgeoefend '. 

§ 14. DE RECHTEN, DOOR DE INLANDSOHE BEYOLBLING UITGEOEFEND 

OP DEN GROND IN DE VOR8TENLANDEN. 

Hierboven werd reeds aangevoerd * , dat in de Vorstenlanden van 
Midden-Java de eigendom van den grond berust bij den vorst ' , 
en niet beperkt is door eenig zakelijk gebruiksrecht van de op- 
gezetenen. Alleen de terreinen , door den vorst aan het Gouvernement 
afgestaan voor forten en andere landsgebouwen , gelijk mede de 
gronden aan Europeanen en Vreemde Oosterlingen in eigendom 
afgestaan , zijn aan dezen algemeenen regel onttrokken ; maar die 
gronden worden , ook als"zij naderhand aan inlanders worden over- 
gedragen , beheerscht , niet door de godsdienstige wetten , volks- 
instellingen en gebruiken , doch door het Indische Burgerlijk 
Wetboek. Zij blijven dus hier verder buiten sprake. Zoo ook 
vormen eene uitzondering op den regel de gronden , in de doodc 
hand gebracht, en die der zoogenaamde //vrijei' dorpen, welke 
gronden in rechtstoestand niet verschillen met de gelijksoortige 
gronden buiten de Vorstenlanden, en waaromtrent dus wordt ver- 
wezen naar de hierboven gegeven beschrijving van dien rechts- 
toestand *. 

Van den overigen grond , voor zooverre die niet gebruikt is 
voor paleizen , lusthuizen en andere niet-productieve doeleinden , 



door hunne onderwerping aan het Europeesche vermogensrecht bij Ind. Stbl. 
1855 N<> 7M. Dat eindelyk de wetgever, door bij Ind. Stbl. 1875 N^ 179 het over- 
dragen van erfelyk gebruiksrecht op domeingrond aan niet-lnlanders te verbieden , 
implicite de overdracht van Inlandsche erfpachtsrechten toestond, is m. i. eene 
minder juiste toepassing van den regel : qui de uno dicit, de altero negat. 
Zie boven, p. UX), 101; Familie- en erfrecht, p. 503. 

» Vergl. artt. 6 en 41 van Ind. Stbl. 1836 X» 19, en zie boven, p. 168. 

* Zie boven p. 136. 

' Onverminderd natuurlijk de staatsrechtelijke verhouding van den vorst tot 
h^t Gouvernement als zijn leenheer. 

* Zie boven, p. 162 en vv. ; Spaan, t. a. p. , p. 14, 15, 21; Brooshooft, t. a. p., 
p. 2 ; Van Alphen , t. a. p. , p. 292. 



YB&MOGENSRKCHT OP JAVA EN HADOERA. 173 

trekt de vorst gedeeltelijk zelf de inkomsten, gedeeltelijk heeft liij 
dien in leen gegeven aan familieleden, ambtenaren, oJKcieren, hof- 
dignitarissen en bedienden. Dit ambtelijke landbezit heet in het 
Javaansch: loeuggoeh (N) of lênggah (K) ' , en wordt door de 
Earopeesche administratie met den algemeenen naam van /^apanage^i^ 
aangeduid^. Daar de apanagehouders in den regel, wegens de 
plichten van hun ambt of hunne bediening, den grond niet zelf 
kunnen administreeren , geschiedt de exploitatie door middel van 
bëkëfs of pachters, over wie reeds vroeger het noodige is ge- 
zegd -''. Ook de vorst verpacht op dezelfde wijze den grond, welke 
niet voor speciale doeleinden is gereserveerd. 

In de residentie Soerakarta zijn in den regel voor elk ambt of elke 
bediening speciale gronden als apanage bestemd, zoodat men, bij 
bevordering, het apanage, dat men bezit, aan zijn opvolger over- 
geeft, en op zijne beurt in bezit neemt het apanage, aan het 
hoogere ambt of aan de hoogere bediening verbonden. Ditzelfde 
geldt ook van de vaste apanages, verbonden aan bepaalde titels 
van 's vorsten naaste familieleden , welke titels altijd slechts door één 
persoon gevoerd kunnen worden, bv. van het apanage van den Fang- 
éran Ngabèhi. In de residentie Djokjakarta daarentegen, 
behoudt men bij bevordering het apanage, waaraan echter alsdan 
een stuk wordt toegevoegd in evenredigheid van de verhooging in 
den staats- of hofdienst. Naar beide systemen blijft intusschen de 
totale uitgestrektheid der apanages, waarvan hier sprake is, tamelijk 
standvastig. Alleen bij het scheppen van nieuwe, en het opheffen 
van bestaande ambten of bedieningen , ondergaat deze uitgestrekt- 
heid noemenswaardige wijziging. Anders is het intusschen gesteld met 
de overige apanages, op grond van familiebetrekking met den vorst 
genoten. Van deze apanages namelijk heeft ook in Soerakarta geene 
verwisseling plaats. Daar zij echter geëvenredigd behooren te zijn aan 
de rangen , welke de personen in quaestie in den adel innemen , 
en bedoelde rangen verminderen , naarmate er meerdere generaties 
staan tusschen den begunstigde en zijn vorstelijken stamvader, 



* Ook paloenggoehan (N) of palSnggahan (K). 

' Alleen in het Mangkoe-Nëgaransche gebied z\jn de apanages langzamerhand 
zeer ingekrompen, en worden tegenwoordig verreweg de meeste ambten en be- 
dieningen uitsluitend in geld bezoldigd. Vergl. Spaan, t. a. p. , p. 29, 30; Broos- 
hooft , t, a. p. , p. 39. 

* Zie boven, p. 115 en vv. Ook de Europeesche landhuurders zyn, naar de 
Javaansche begrippen, bgkël's. Vergl. Anggfir Sad&s&, art. 19. 



174 DE AFVriJKINQBN VAS IIËT llOUAMMBDAA^SCËE 

ZOO heeft in elke familie eene voortdurende inkrimping van apa^ 
nage plaats, en worden telkens, uit de aldus vrijvallende stukken ^ 
nieuwe apanages gevormd ten behoeve van de nieuwe gerechtigden, 
welke bij vermeerdering der vorstelijke nakomelingen ontstaan •/ 
De vrijvallende stukken komen weder bij de gronden, van welke 
de vorst zelf de inkomsten trekt, gelijk omgekeerd ook uit die 
gronden in de behoefte aan nieuwe apanages wordt voorzien ; 
wanneer de vrijvallende stukken van bestaande apanages daartoe 
niet voldoende zijn. Tengevolge van deze en andere oorzaken vormen 
zeer vele apanages geen aaneengeschakeld en afgerond geheel; 
maar liggen de daartoe behoorende gronden tusschen en door 
elkander verspreid. Men noemt dezen, vroeger ook ten aanzien 
van de grenzen der vorstendommen zelve bestaan hebbenden , 
toestand: toempang paroek. Het apanage op grond van fami- 
liebetrekking tot den vorst wordt casu quo genoten nevens dat, 
hetwelk verbonden is aan een ambt of eene bediening ^. 

Welke rechten de apanagehouder op den grond en op de 
daarop gevestigde bevolking heeft, wefd reeds vroeger vermeld, 
en zoo ook dat, en in welke mate, door hem of door den Yorst die 
rechten op den pachter fbëkël) worden overgedragen '. De apanage- 
houder is echter, ook als hij niet tot verpachting wil overgaan, 
verplicht een administrateur (bêkêl maron) of een opzichter 
(bëkël ngiras) aan te stellen voor zijn grond *. Het gevolg 
daarvan is, dat de koelies, d. w. z. de opgezetenen die noch bëkël 
noch apanagehouders zijn, op den grond slechts kunnen verblijven 
krachtens overeenkomst, hetzij met den apanagehouder, hetzij met 
den bëkël aangegaan, al naarmate het perceel niet of wel verpacht 
is. De door den koeli te bedingen voorwaarden hangen geheel af 
van de verhouding tusschen vraag en aanbod. Die voorwaarden 
kunnen evenwel worden teruggebracht tot de vier volgende stelsels 
van exploitatie van den grond: 

1° het bëngkok- of grondgebruik-stelsel, daarin bestaande , dat 



' Vergl. , voor nadere toelichting , mijne Inlandsche rangen en titels , p. 26 en vv. , 
79 en vv. In de ö^^ generatie houdt het toekennen van apanage geheel op. 

* Zie boven, p. 167, en vergl. Spaan, t. a. p. , p. 15 en vv.; Brooshooft, t. a. p. , 
p. 2, 3; Van Alphen, t. a. p. , p. 293. 

■ Zie boven, p. 116. De grootte der apanages wordt, evenals die der b8k?l- 
schappen, berekend in djoeng's en tjatjah's. Zie boven, p. 115 noot 4. De 
gronden worden genoemd naar de daarop gelegen dorpen, of liever vestigingen. 

* Zie boven, p. 115, en AnggSr AgSng, art. 27; Pranatan Patoeh, art. 1. 



tEBMOGüNSRECltT OP lAVA EK MADOEKA. 175 

de apanagehouder of de bëkë] een gedeelte van den bouwgrond 
voor zich reserveert om dien zelf te bebouwen of te doen bebou- 
wen; terwijl hij liet overige in aandeelen verdeelt, welke aan de 
koel i's in gebruik worden gegeven tegen zekere opbrengsten, of 
tegen het verrichten van zekeren arbeid op het voor den apanage- 
houder of den bëkël gereserveerde gedeelte; 

2^ het mar on- of half bouw-stelsel , daarin bestaande, dat de 
bouwgrond bij kleine stukken aan de koel i's wordt verhuurd 
tegen uitkeering van een gedeelte van den oogst, naar de onder- 
scheidiiigen ten aanzien van deze overeenkomst vroeger uiteengezet ' ; 

3^ het glèbaggan- of wisselbouw-stelbel , daarin bestaande dat 
aan de koeli's stukken bouwgrond worden afgestaan, waarvan zij 
een afgebakend gedeelte voor zich zelf, en het overige voor den 
ananagehouder of den bëkël bewerken, beplanten en oogsten, 
zoodanig Üat periodiek de beide gedeelten omwisselen; 

4^ het gli(}ik- of daglooner-stelsel , daarin bestaande, dat het 
perceel door den apanagehouder of den bëkël geheel voor eigen 
rekening en risico geëxploiteerd wordt met gehuurde arbeiders, 
die niet eens op den grond behoeven te wonen. 

Intusschen zijn andere soorten van overeenkomsten niet uitge- 
sloten , evenmin als modificaties van de hier kortelijk verklaarde , 
meest gewone stelsels. Alles hangt af van het vrij beding tusschen 
partijen. Bij aftreding van den bëkël moet diens opvolger aan den 
koeli de gelegenheid geven onder zekere voorwaarden den grond 
te blijven bewerken ^. Ook worden niet zelden in de pachtbrieven 
(piagëm) aan den bëkël zekere verplichtingen tegenover zijne 
k o e 1 i 's opgelegd, ten einde volksverloop te voorkomen ; maar dit alles 
neemt niet weg, dat het eenige, waarop de koeli eigendomsrecht 
uitoefent , is hetgeen hij op den grond gezaaid , geplant of gebouwd 
heeft, zonder dat echter aan bedoeld eigendomsrecht de bevoegdheid 
verbonden is om tevens den grond te blijven gebruiken. Zijn eigen- 
domsrecht bepaalt zich , gelijk dat van een huurder bij ons , tot een 
recht van weghaling onder voorwaarde van den grond weder in den 
vorigen staat terug te brengen ^ . Voorts bevat de , in het apanage 
of in den pacht begrepen , grond zoowel de akkers als de woonerven. 
Wat men in de Yorstenlanden ^dorpen^ noemt , zijn , tegenwoordig 

* Zie boven, p. 112, 113. By de niet aan Europeanen verhuurde gronden is dit 
stelsel het meest gewone. 

• Vergl. AnggSr Sad&s&, art. 36; Pranatan Patoeh, art. 10. 

» Vergl. art. 1567 Ind. Burgl. Wb. = art. ItO'S Ned. Burgl. Wb. 



oh'ltr *:^j ^/^p-*:. 1 "i ^ n l :i* m ^ifrk e n L 'lyyA:^ l Isre izzl o il eriiie kin t .:«^ 
*^':;i j/i/^^tp^rrf:-^] v*rri^x/ren, uüAr t\trtZ'^ tot in ^reri ere pa<:ht perceel e n. 
'r*:'/*:u'*fp^fTfli7 i* d^: Liikt*t« a>:i£* n-^1 '. fea»ren er b-jaw^roLirn 
^.j , jyx* wordt a^ifj de }/^rv>rjen, <3ie bij de bewerking' dóArT:iQ be- 
trokkeji zijfj, re^Ul Vrren? een «tukje in het dorp aai^vezeu 
oirj t^ l>eworjeD ; d^^ch de apana^ehooder of de pacht< r is Trg om 
z/'#^/vee] en x^Xi weiiii;? perviijeü in zija dorp toe te laten, als hij 
wil, erj zijn belang medebrengt. In de dorpen zonder boa wgron den 
^d^»a fN; of (Jocsocn (K) kopek; beslaat de opbrengst in de 
dieniften der inwoners, en in den huurprijs roor den grond , waarv.»p 
df^ woningen geplaatst zijn, of in een aandeel in de vruchten of 
groenten , welke op de erven geteeld worden. Ook ten deze 
hangen de vrxirwaarden , door den koeli te bedingen, geheel af 
van vraag en aanbod ^. 

De ontginning van woesten grond doet in geen enkel opzicht 
te kort aan het eigendomsrecht van deu vorst, noch aan de 
rechten van den apauagehouder of van den bêkël. Hij, die- 
woeiiten grond wil ontginnen, welke tot een apanage of tot een 
pachtper(M;el behoort, kan dit slechts doen roet veigunning van 
den apanagehouder of van den bek el, en deze kannen hem dan 
de voorwaarden stellen, welke zij goedvinden. Ontginning van niet 
als apanage uitgegeven of niet verpachten woesten grond, staat 
in den regel vrij; inaar inen kan de ontginning alleen behouden, 
wanneer men die als apanage van den vorst verkrijgt, of als 
bëkël van hem pacht. In overeenstemming met deze beginselen 
geven de «favaansche wetten deu ontginner wel bescherming tegenover 
stoornis, door derden gepleegd, doch niet tegenover deu apanage- 
houder of deu bëkël van deu grond, noch tegenover den vorst. 
Ileclames van derden tegen nieuwe ontginningen verjaren na 3 
jaar. Als grensteekeuen van ontginningen mogen slechts merkeu 
van steen of groote hoornen worden gebezigd -^. 



• In dat geval li^Kcn de woningen en erven , tot de verschillende perceelen be- 
hoorcndc, niet ;sciden ook door elkander verspreid. 

• Vcrgl. Spaan, t. a. p. , p. 'M) en vv. , 39 en vv. , 58 en vv. ; Pranatan Patoch, 
art, f) : Brooshooft , t. a. p. , p. :i , , 7 , 1( > en v. , 19 en w. ; V^an Alphen, t. a. p. , p. 28:i. 

• Vcrgl. AnggSr Saditsii, art. 41. 42; Angger Goenocng, art. li)\ Spaan, t. a. p. , 
p. 04 en vv. 



VfiRHOGENSUECHT OP ^AYA EN MADOE&A. 177 

Ten slotte moet nog worden melding gemaakt van zekere gron- 
den, welke in een bijzondereu rechtstoestand verkeeren, namelijk 
de zoogenoemde pangrëmbé- en kë par ak- gronden. De pang- 
r ë m b é-gronden vormen een deel van de terreinen . waarvan de 
voist zelf de inkomsten trekt , maar zij worden nimmer in apanage 
uitgegeven, als zijnde bestemd voor de voorziening in de dage- 
lijksche behoeften van de hofhouding. De bekëTs/die perceelen 
van deze gronden gepacht hebben, brengen dan ook geen e pacht 
in geld op, maar in vruchten, groenten en andere prodacten 
van den bodem, welke in den Krat on benoodigd zijn. De 
këparak-gronden, vormen eene soort van erfelijke leenen ten 
behoeve van de zoogenaamde këparak's, d. z. de personen, 
die eene afdeeliug van de lijfwacht van de Soesoehoenan of van 
den Sultan vormen, toembak irëng of ^rzwarte pieken /i^ genaamd. 
Hoofden van de këparak's zijn de Boepati këparak tëngën 
en de Boepati këparak kiwa. Behalve den dienst als lijf- 
wachten , zijn hun ook nog andere diensten opgedragen. Deze leenen 
gaan op 'de kinderen en verdere afstammelingen van de houders 
over , zelfs in de vrouwelijke linie ; maar in het laatste geval moet 
de vrouw in qnaestie een vervanger stellen. Bij het uitsterven van 
eene familie, of bij verlies van het leen wegens veroordeeling ter 
zake van een zwaar misdrijf, wordt dit aan een ander persoon toe- 
gewezen. Tntusschen is de vorst steeds bevoegd ook om andere 
redenen over het leen of een gedeelte daarvan te beschikken. De 
oorsprong dezer leenen is onzeker; vermoedelijk waren de primitief 
daarmede begiftigden , personen , die zich voor de uitbreiding van 
den Isl&m verdienstelijk hadden gemaakt ^. 

§ 15. iBJUaATIE&EOHT. 

De begrippen omtrent het irrigatierecht in West-Java zijn geene 
anderen dan die vaü den Isl&m. Het water, dat zijn natuurlijken 
loop volgt, is hakoellah (v. h. Arab. haqq All&h), d. w. z. het 
behoort aan All&h , en ieder mag daarvan nemen zooveel hij wil en 
kan, mits eerbiedigende de rechten van derden op den door hen 
erfelijk individueel bezeten grond, indien het water zich daarop 



* Vergl. Spaan» t a. p. , p. 17, 20 en v.; Winter: Javaansche samenspraken, 
dl. 1, p. 69; Inlandsche rangen en titels, p. 54, ó7; Brooshooft, t. a. p. , p. 3; 
Van Alphen, t. a. p. , p. 2W, 292 en vv. 

6« Volgr. III. 12 



178 DS AFwi»iifon TA5 arr uobamükdaaüscbm 

berindt; tcnrijl het water door toeëigening priTaat-eigendom 
(bakoeladam v. h. Arab. haqq al>4da mi) wordt. Leidingen en 
andere waterwerken behooren aan de aanl^gers, gelijk mede het 
daardoor verkr^en water, en zijn, afgescheiden Tan den grond, 
voor het uitoefenen van zakelijke rechten vatbaar '. Alleen op de 
particuliere landerijen bewei^ten de rivier Tji Manoek \b deze materie 
door de artt. 32 en 33 van Ind. Stbl. 1S36 N» 19 geheel aan het 
gezag der inlandscke instellingen en gebruiken onttrokken , en aan 
de verordeningen en bevelen van het Gouvernement onderworpen. 
In de overige gedeelten van Java, gelijk mede op Madoera, 
treft men, blijkens het onderzoek in 1867 en 1868 gehouden, de 
meest onbestemde en uiteenloopende begrippen aan omtrent het 
irrigatierecht. uier meent men, dat het water principieel aan 
niemand toebehoort', elders beschouwt men iedereen als recht- 
hebbende daarop, en in weder andere streken beschouwt men als 
eigenaar het Oouvemement, of wordt het water als een acces- 
sorium van den grond aangemerkt. Van eerbiediging der indivi- 
dueele rechten op leidingen en andere werken, en op het daardoor 
verkregen water, is over het algemeen in die streken dan ook 
geen sprake. Slechts in enkele gemeenten van Banjoemas, Bagelen, 
Japara en fiembaug vindt men erkenning van soodanige individueele 
rechten , meest trouwens ten aanzien van onbeteekenende leidingen 
en werken ; maar overal elders worden de persoonlijke aanspraken der 
aanleggers hoogstens zoo lang erkend , als zij leven , of de onmiddellijk 
op hen volgende rechtverkrijgenden bekend zijn. Bij verdere geslach- 
ten worden eenvoudig als rechthebbenden beschouwd allen, die 
feitelijk voor hunne sawah^s het door die leidingen en werken 
verkregen water gebruiken , en deelnemen aan het onderhoud er van. 
Zonder dit laatste erkent men geen recht op het water hoegenaamd. 
De overgang van de rechten der aanleggers in die der gemeenschappe- 
lijke gebruikers en onderhouders heeft, in streken met communaal 
bezit , nog spoediger plaats , dan in die met zuiver individueel bezit. 
In eerstgenoemde streken wordt veelal zelfs aan de aanleggers slechts 
een tijdelijk recht toegekend , en brengt het feit van de toewijzing 
van een sa wah-aandeel , ja zelfs dat der ontginning van eene nieuwe 

» Vcrgl. Minhadj a^TAlibm, dl. 11, p. 179 en w.; Resumé van Bantam, p. 170 
en V.; Eindresumc, dl. II, p. 331, dl. Hl, p. 310, 312. Alleen ingeval van be- 
hoefte aan drinkwater is men, volgens den Islim, onder zekere omstandigheden 
verplicht het water, waarvan men eigenaar is, zonder vergoeding met een ander 
te deelen. Vergl. Katb al-Qarib, p. 397, 399. 



YBIUiOGENS&ECHT OP JAVA EN MADOERA. 179 

sawah, van rechtswege toekenning van aanspraak op het water 
met zich , behoudens de voorwaarde van deelneming aan het onder- 
houd. Trouwens buiten West-Java schijnen de meeste leidingen en 
werken van belang te zijn aangelegd op hoog bevel, dan wel in 
gemeenschappelijken arbeid door één of meer gemeenten , niet zelden 
met willekeurige beschikking over individueel bezeten grond. Dat 
in zoodanig geval het recht op het water ook volgens den Isl&m 
een gemeenschappelijk recht is, behoeft geen betoog. Alleen ligt 
het verschil tusschen de streken met zuiver individueel bezit, als 
West-Java en Madoera, aan den eenen kant, en de streken met 
communaal bezit aan den anderen kant, wat de op hoog bevel of 
gemeenschappelijk aangelegde leidingen en werken betreft, daarin, 
dat in eerstgenoemde streken het gemeenschappelijke recht op het 
water geene gevolgen heeft gehad ten aanzien van het grondbezit ; 
terwijl bedoeld recht in laatstgenoemde streken het gemeenschap- 
pelijk bezit van den grond na zich sleepte *. 

Als eene andere afwijking van de Mohammedaansche wet moet , 
ook ten aanzien van West-Java, vermeld worden het bij die wet 
onbekende preferente recht van den aanlegger van eene waterleiding 
of een waterwerk om , onder bepaalde voorwaarden en beperkingen , 
ook den grond te ontginnen, welke met de leiding of het werk 
geïrrigeerd kan worden. Alleen op Madoera en in Madioen , Kediri 
en verder oostwaarts gelegen residentiën schijnt dit recht van voor- 
keur onbekend ^, 

De behoorlijke en regelmatige verdeeling van het irrigatie-water 
heeft, ingeval alle rechthebbende sawah's niet te gelijk voldoende 
kunnen worden voorzien , een aantal rechten en verplichtingen doen 
ontstaan, welke tot de navolgende categorieën kunnen worden terugge- 
bracht Men heeft vooreerst het stelsel van prioriteit der hooger gelegen 
sawah^s of sawa h-blokken, zonder dat daarbij wederom melding 
wordt gemaakt van de bepaling van den Isl&m , dat het prioriteits- 
recht ophoudt, zoodra het veld ter hoogte van de enkels onder 
water staat '^. Een ander stelsel is dat van beurtregeling , zoodat 
elk veld of elk blok van velden het water bekomt om het etmaal, 

ï Vergl. Eindresumé , dl. II, p. 330 , dl. III , p. 310 en vv. , en zie boven , p. 151 , 152. 
Het verband van het gemeentewezen met het irrigatierecht bestaat ook in Britsch- 
Indië. Vergl. Maine , t. a. p. , p. 108 en vv. Daarentegen erkent wederom art. 43 
der Koet. Man. in zeer beslisten vorm de individueele rechten ten aanzien van 
het irrigatiewezen. 

* Vergl. Eindresumé, dl. H, 329 en v. 

» Vergl. MinhAdj a^Talibin, dl. U, p. 180. 



óau »*r! om dt 2, ->, 4^ vn »rlf* S diï^en; t^rw:jl in beiz/eïfdc 
bi'A ••'^rrjji h*rt e^rjt ir*:ld b*ft vat^r des dwiz? bekoail , en bet an- 
d«rn!r d*3% n^f:hx£. ¥^n i^T^t stelsn?] betirft de Tcrboudinz tii5=^hen 
de ca va h 'ft of ts va h- blekken, welke od middellijk bun vater 
oit de l*ridiriir erlaniren, en die welke daarachter of daar beneden 
Ijjfjrerj, Op de bezitters ran eerst bed ck-1 de groDden ni«t dan in den 
rejr^l de verplicht iiig orn het water op de laatst bed oei den te laten 
afvloeien, jihA^i rij zelf Toldf>ende voorzien zijn: terwijl wederkeerig 
v^Kir laat*ll>edoelde gronden meestal de verplichting be^tAat het 
afl^#'>f>eiide water te ontvangen. Op dezen l&atsten regel schijnt alleen 
eene ujtz'>ndering te worden aangenomen, indien de lagere gronden 
het water in het gelieel niet kannen gebruiken. Dan moeten de 
^>ezittenl van de h^Kiger gelegen sawah^s het water te hnnnen 
koide elder» doen afvoeren. Niet zelden worden ook de achteree- 
legen «awah^s, door bijzondere kleine leidingen of kokers, recht- 
«treekji uit de hoofdleiding van het benoodigde water voorzien '. 

Üe hierbedoelde regelingen van het watergebruik ondergaan naar 
plaatselijke omstandigheden vele modificaties. Onderlinge schik> 
kingen tofsschen de rechthebbenden hebben overal plaats, welke 
»cliikkingen intusi^chen in West-Ja va steeds verband honden met 
d(5 individaeele rechten, aldaar op leidingen en werken uitgeoefend. 
In vele gemeenten treedt bij beurten één der rechthebbenden op 
het water als bestuurder op. Overigens staat de waterregeling in 
de Ktreken , waar de individueele rechten der aanleggers niet voort- 
durend erkend worden, en in de streken waar dit wel het geval 
iff, zoodra rechten van derden daarbij zijn betrokken, onder het 
toezicht en de bevelen der gemeentebesturen, naar de omstandig- 
heden met inachtneming der bevelen van hoogere autoriteiten. Bij 
leidingen en werken, welke aan de gemeente zelve toebehooren, 
i« de geheele zaak in handen van het gemeentebestuur, onder 
hetzelfde voorbehoud. Dikwijls is een speciaal dorpsbestuurder met 
deze aangelegenheid belast: anders behoort zij tot de persoon- 
lijke attributen van het dorpshoofd, en soms van den dorps- 
geestelijke *. 

De waterleidingen en werken , welke onder rechtstreeksch beheer 
van het Gouvernement staan, en waarvoor speciale ambtenaren 
zijn aangesteld, blijven hier buiten beschouwing, als zijnde de 



* Vergi. Eindrcsumé, dl. III, p. 316 en vv. 
« Vcrgl. Ibid. p. 258 en vv., 314, 320 en vv. 



VE&MOGENS&EOUT ÜP JAVA SN MAOOERA. 181 

inlandsche rechisbegrippen daarop uiet toepasselijk. Daar deze aan- 
gelegenheid nimmer in wettelijken vorm geregeld is, en geheel 
door administratieve voorschriften en bevelen wordt beheerscht, 
zonde zij ook om die reden in dit, aan het privaatrecht gewijde, 
opstel niet op hare plaats zijn '. 

Wat ten slotte de Vorstenlanden betreft, zoo gelden omtrent 
het graven van waterleidingen en den aanleg van waterwerken 
dezelfde beginselen, als ten aanzien van het ontginningsrecht zijn 
uiteengezet, namelijk dat men daarvan alleen het genot heeft, 
zoolang men als geapanageerde of bëkël het gebruik heeft van 
den grond, waarop de leiding of het werk gelegen is, gelijk mede 
van d«n grond, welke daardoor wordt geïrrigeerd. Zoolang dat 
gebruiksrecht duurt, is echter het recht op de leiding , het werk en 
het water onaantastbaar. Bij gemeenschappelijken aanleg is dat recht 
ook gemeenschappelijk, en wordt geheel beheerscht door de onder- 
linge overeenkomsten tusschen de belanghebbenden ^. Derden kunnen 
het water slechts bekomen, wanneer de rechthebbenden het hun 
willen afstaan, en onder zoodanige voorwaarden als in elk geval 
worden bedongen. Intusschen heeft ook de rechthebbende op den 
grond, voor het graven van leidingen en het maken van water- 
werken, de vergunning van de overheid noodig; terwijl eindelijk 
niemand kan gedwongen worden leidingen of werken op zijn grond 
te dulden ten behoeve van een ander. Derde belanghebbenden 
kunnen zich tegen het maken van nieuwe leidingen of werken in 
rechten verzetten , mits hunne actie binnen het jaar na het plegen 
van het feit instellende ^. 



ï Vcrgl. Ibid. p. 314 en vv. , 322 en vv. 

• In geval van gemeenschappelijke belangen wordt veelal door de rechthebbenden 
één persoon aangewezen, om voor het gewone onderhoud en voor de gewone 
waterverdeeling te zorgen. Zoodanig persoon heet: pangoeloe banjoe(N) of 
p. toj4 (K). 

• Vergl. AnggSr Sad&sA, art. 43; Spaan, t. a. p. , p. 68 en w. 



ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET 

INDIA OEFICE. 

Verslag van Mr. W. ROOSEGAARDE BISSCHOP. 



Aan 

het Bestuur van het Koninklijk Instituut 
voor de Taal-^ Land- en Volkenkunde van 
Neder landsch'Indiè , 

te 's-Gravknhage. 

M ij II e Heeren, 

Volgens uw machtiging, mij in Juni 1S95 verstrekt, werd mij 
opgedragen een onderzoek in te stellen naar de voor de Neder- 
landsch -Indische geschiedenis belangrijke stukken in het Archief 
van het India Office te Londen en het doen vervaardigen van 
copieën van die documenten, welke niet reeds in druk mochten 
zijn verschenen of reeds aanwezig zijn in de nrchieven in Neder- 
land. Het onderzoek diende te loopen over de jaren 1595 — 1830. 

Ik meende geen tijd te moeten verliezen , doch terstond roet 
mijne werkzaamheden een aanvang te maken. Door de goede 
zorgen van de autoriteiten van het India Office, vooral van Lord 
Reay, toen Under-Secretary of State for India en Sir Stewart 
Bayley, toen nopr hoofd van het Secret Department, en met 
medewerking van den heer F. C. Danvers, Registrar and Super- 
intendant of Records, werd ik in staat gesteld den 1" Juli d. a. v. 
het onderzoek te beginnen. Van dien datum tot op het einde van 
Maart 1896 is dit werk geregeld voortgezet , met uitzondering van 
een korte onderbreking in denmanden October en November 1895. 

Hier volge thans een verslag over het materiaal , dat te onderzoeken 
viel , mijne werkzaamheden en het resultnat vnn het onderzoek. 

MateriaaL 

Bij de beschrijving van het mnterinal in het India Office aan- 
weziif wensch ik voorop te stellen , dat een uitvoerig verslag daar- 
6e Volgr. lil. 13 



ISi ONDFUZOEK VAN STUKXrX IN HF.T ÏNDTA OFPICR 

over in het jaar 1888 is verschenen van de hand van den heer 
F. C. Danvers. ' Om noodelooze herhalingen te vermijden , daar dit 
verslag slechts dient als handleiding bij de aan U overgedragen 
lijsten, meen ik te kannen volstaan roet naar het Engelsche 
werk te verwijzen voor de nauwkeurige opgave van de stukken 
aldaar en de systematische indeeling van het archief, en mij hier 
hoofdzakelijk te bepalen tot die punten, waarin de administratie 
der Bngelsche Oost-Indische Compagnie verschilde van die der 
Oost-Indische Compagnie in Nederland , en dientengevolge de 
indeeling van de India Office Records verschilt van de indeeling 
van het Koloniaal Archief op het Rijksarchief te 's Gravenhage. 

Toen in 1858 het beheer der Britsch-Indische Koloniën door 
den Staat werd overgenomen van de oude Engelsch-Indische 
Compagnie , werd door den eerstgenoemde geen verandering gemaakt 
in de eens aangenomen administratie. De East-India Companj 
verwisselde slechts van hoofd, haar eigendommen werden eigendom 
van den Staat, doch het beheer werd op denzelfden voet voort- 
gezet. Vanda«ar dat, ondanks enkele veranderingen die sinds plaats 
grepen , de tegenwoordige inrichting van het Ministerie geheel 
steunt op die, welke de Compagnie in het begin der 18^ eeuw 
invoerde en dientengevolge de tusschen de verschillende plaatsen 
gewisselde stukken tot op den huidigen dag een onafgebroken 
reeks vormen. 

In 1708 werden de toen bestaande twee East-India Companies 
vereenigd tot één enkele maatschappij, hetgeen leidde tot een 
meer systematische behandeling van zaken d»n voor dien tijd het 
geval was geweest. De Directors in Londen , die de leiding van 
zaken in handen hadden, vormden onderling commissies, die ieder 
een onderdeel dier leiding voor haar rekening namen. De voor- 
naamste dier commissies was de /^Committee of Correspoudence^. 
Bij haar kwamen alle brieven in, van haar gingen alle brieven 
uit, die door de Court of Directors moesten worden geteekend. 

Min of meer afgescheiden van deze Committees waren de werk- 
zaamheden van den staf der Compagnie eveneens — naar den aard 
van het werk — in onderdeden verdeeld. Hier onderscheidt men de 
verschillende 'i'Departments'/, waarbij voornamelijk de gemakkelijk- 
heid en juiste inrichting der administratie op den voorgrond stond. 



' „Report to the Secretary of State for India in Council on the Records of the 

hidia OfIVjc." London, Fyre rinl Spnttiswonde. 



ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET INDIA OFFICE. 185 

De briefwisseling nu is ingericht met bet oog op die departe- 
mentale indeeling. 

Tegelijkertijd werd op het vasteland van Indië het derde en laatste 
hoofdkantoor opgericht, dat van Bengalen. Bengalen vormde vóór 
dien tijd een onderdeel van Madras. De besturen der Indische 
kantoren waren geschoeid op de leest van het hoofdbestuur in 
het moederland, President and Council, met dit verschil echter, 
dat zij zich niet tot committees vormden, doch hun werkzaamheden 
verdeelden nacir de indeoling in departementen, die te Londen 
waa doorgevoerd en in Indiö was nagevolgd. Althans wat de drie 
bedoelde hoofdkantoren , Bombay , Madras en Bengalen bejbreft ; 
voor de kleinere kantoren verviel het belang dier indeeling en 
heeft men later slechts verschil gemankt tusschen geheime en 
niet-geheime brieven en die betreffende militaire aangelegenheden. 

Zooals gezegd, ontving de //Comraittee of Correspondence^^ alle 
inkomende brieven. Deze werden door haar, naargelang van het 
onderwerp, over de verschillende departementen verdeeld (gewoonlijk 
stond het betreffende Departement reeds op den brief vermeld), 
van wie zij eveneens antwoord afwachtte. De antwoorden der ver- 
schillende departementen worden door haar samengevoegd tot de 
meer zaak- dan woordenrijke generale missives. * 

Op gelijke wijze geschiedde de briefwisseling in Indië, waar 
President and Council de taak waarnamen der ijenoemde Com- 
mittee at home. 

Het gevolg is geweest, dat ieder departement in het bezit is 
gekomen van een eigen archief, dat thans nog voortdurend ver- 
meerderd wordt met de loopende stukken. Voorzoover dit archief 
echter niet meer dadelijk van noode was voor het desbetveflende 
departement, voor de afdoening van loopende zaken, werden de 
stukkt^n aan het beheer van dat departement onttrokken (met 
uitzondering van het Secret Department) en geplaatst in het Alge- 
meene Archief. Voor het tijdvak ló95 — 1830 bevinden zich aldus 
— met uitzondering van genoemd Geheim Archief — alle archief- 
stukken , behoorlijk chronologisch gerangschikt en in deelen ge- 
bonden , in de kelders van het India Office, met behoud echter 
van de eens aangenomen departementale indeeling. Zij vormen 
tezamen de «'Public Records./»' 

Wij kunnen deze massa in drie groote groepen verdeden : 



» Zie vei-der bl. l'XK 



4 

186 OHDKSZOKIC VAN STCKKEX IX HKT INDIA OITICE. 

I. Verslagen van de vei^adeiïngen der Coart of Directon (Conrt 
Books). 

n. Briefwisselinsr van de Conrt of Di rectors met de autoriteiten 
der Indische kantoren. (Dispatches and letters received}. 

III. Verslag-en van de vergaderingen dier autoriteiten der Indische 
kantoren , hunne overwegingen en besluiten en de door die kantoren 
onderling gevoerde briefwisseling, ((^ousultations). 

Bij het be:«preken dezer drie groe])en zal ik met den laatsten 
oeginnen. Hoewel de «^Consultations^ eerst meer dan een eeuw 
later beginnen dan de documenten der overige twee groepen, is 
hare massa veel omvangrijker: 

1" zijn zij volledig bijgehouden en bewaard gebleven. De brie- 
venreeks (II) vertoont tot 1750 — 60 groote gapingen; uit de 
16* eeuw zijn slechts betrekkelijk weinig stukken tot ons gekomen ; 

2^ nam het zelfbestuur in Indië meer en meer toe, werden 
aldaar meer zaken behandeld en beslist, waarover bij een ge- 
regelde administratie geen advies aan Directeuren in London 
behoefde gevraagd te worden 

Deze laatste groep bevat ongeveer een 36.000 deelen folio. 

Consultations. 

Wij kunnen de «Consnltations^ het best vergelijken met de 
uitvoerige notulen eener vei^aderiug, waarbij copieen van de 
inkomende stukken werden opgenomen met de daarop gebaseerde 
meeningen der verschillende leden van den raad (President and 
Council), hun be;$luiten en de daarop berustende uitgaande stukken , 
alles in geregelde volgorde gerangschikt naar den datum der ver- 
gaderingen van den raad. 

Naargelang van den aard der werkzaamheden vereenigden zich 
President and Council in rade voor een bepaald departement. 

Heeft men dus aan den eenen kant Bengal, Madras, Bombaj 
Consultations (Plaatselijke indeeling), aan den anderen kant 
worden ieder van deze weder onderverdeeld in Public, Secret, 
Political, Foreign , Military, Marine etc. etc. Consultations (De- 
partementale indeeling). Voor de kleinere kantoren als 
Malakka en Singapore nemen de Consultations somtijds den naam 
en den aard aan van een dagboek (Diary), indien nl. van het 
bestuur van het betreffende kantoor slechts één lid ter plaatse 
aanwezig was. 

A- Plaatselijke indoeling. Hierbij dienen wij op te merken : 



ONDERZOEK VAN STUK.KEN IN HET INDIA OFFICE. 187 

1". Voor zoover zij niet de reeds genoemde kantoren betreffen 
op het vasteland van Britsch-Indië , zijn alle documenten, die op 
de overige kantoren betrekking hebben, door den tegen woord igen 
archivaris, den heer F. C. Danvers, tot groepen vereenigd, nl. 
de 1'Java,'' de "Sumatra,// de //St. Helena," de '/Cape of Good 
Hope,^ de //China and Japan Records^ en de '^Records relating 
to the French in India /y Hieraan lag ten grondslag zoowel het 
groote aantal lacunes, die in de stukkeu uit de 17" en 18" eeuw 
ten opzichte van deze landen bestaan , als de wensch om alles te 
vereenigen , wat behoort tot de streken waar een directe inmenging 
der Engelschen heeft opgehouden te bestaan , als Java en Sumatra , 
of de betrokken landen sedert een onderdeel zijn gaan vormen 
van de groote rij van Engeland's koloniën buiten Indië, als de 
Kaap, St. Helena en China De verdere documenten betreffende 
deze laatstgenoemden zijn te vinden in het Public Record Office en 
het Colonial Office. 

Daarenboven was het mogelijk deze documenten in locale 
groepen te zaïnen te voegen, omdat — gelijk reeds werd opge- 
merkt — bij hen een departementale indeeling of het geheel niet 
bestond of niet tot ontwikkeling kwam. 

Een afzonderlijke groep vormen ook de '/Straits' Settlements 
Records//. Door de nieuwe indeeling toch van Lord Bentinck in 
1829 kwamen Prince of Wales' Island, Malakka en Singapore, 
evenals de geheele Westkust van Acliter-Indië, voor zoover deze 
onder Engelschen invloed stond, onder direct bestuur van Ben- 
galen en hield het bestaan van Prince of Wales' Island (Straits' 
Settlements) als afzonderlijke faktorij op 

2^ Sinds de meer systematisclie behandeling van zaken in de 
18" eeuw werd doorgevoerd en liet kantoor in Bengalen de hoofd- 
plaats werd van het geheele gebied , dat nan de East-India Com- 
pany toebehoorde, de zetel van den Governor-Qeneral , werden 
de //Bengjil Consultations// bij verre de belangrijkste van al wat 
uit Indië afkomstig is. 

Van de briefwisseling toch tusschen twee ondergeschikte kantoren, 
beide Engelsche kantoren, of tusscheu een der ondergeschikte 
kantoren en dnt van een der andere Europecsche natiën in Indië, 
werd allereerst copie gehouden en de origineelen bewaaid op de 
betreffende kantoren. Doch tevens werd van alle handelingen keunis 
gegeven aan het hoofdkantoor, in den vorm van copieën der be- 
doelde gewisselde stukken met een begeleidend schrijven. Was dit 



188 ÜNOKKZÜËK VAN STUK.KKN IN UKT INDIA OFKICJi. 

hoofdkantoor uiet Beugaleii (Fort William), doch zelf weder daaraan 
ondergeschikt, dan ontving het kantoor in Bengalen weder copie 
van de bedoelde correspondentie met de verdere desbetreffende 
briefwisseling tusschen het hoofdkantoor en de bijkantoren plus, 
ten overvloede, een begeleidend schrijven. 

Dientengevolge vormden zich de ^y Bengal Consultations^y tot een 
conglomeraat der verschillende op schrift vermelde handelingen 
en gewisselde brieven over het geheele gebied der East-India 
Company. 

B. Departementale indeeling. Deze indeeling komt, gelijk 
is opgemerkt, voornamelijk te pas bij de ^rConsultationSiv der kan- 
toren op het vasteland van Britsch Indië. liet aantal departementen 
is zeer groot, ongeveer een vijftigtal. Natuurlijk zijn niet allen 
van evenveel belang. De omvangrijkheid hunner documenten- 
massa hangt voornamelijk van de tijdsomstandigheden af en ge- 
wicht voor de Nederlandsch-lndische geschiedenis kunnen zij 
slechts bezitten, voor zoover de werkzaamheden van het be- 
trokken departement in verband stonden met de handelingen van 
vreemdelingen. Wat dit laatste betreft , zullen gewoonlijk de «Poli- 
ticaU en ^Foreign Consultations^ voor Nederland het meest van 
gewicht zijn. 

Over de inrichting zelf der '•'Consultations*^ valt weinig meer 
op te roerken. Wat de brieven aangaat, die daarop voorkomen, 
zullen die, welke als inkomende stukken vermeld staan op de 
^Bengal Consultations ,/' de uitgaande brieven der overige kan- 
toren , en omgekeerd de antwoorden van het hoofdbestuur te Fort 
William de inkomende brieven vormen der bijkantoren, aan wie 
zij gericht zijn. 

De overwegingen en discussiën naar aanleiding dezer brieven 
staan nimmer geboekt, wel het daaropvolgend besluit, in zoo kort 
mogelijke bewoordingen. In belangrijke gevallen echter stelden de 
President en leden van den Baad, gewoonlijk bij verschil van 
gevoelen, hun meening op schrift. Die meeningen vormen de zg. 
^Minutes,'/ die weder geboekt werden onder de notulen van de 
vergadering, waarop zij ter tafel kwamen. 

Somtijds vormen deze ^Minniesv belangrijke bijdragen v(»or de 
geschiedkundige ontwikkeling van het Engelsch koloniaal beheer, 
wanneer zij nl. met breedvoerige omschrijving van de gronden, 
waarop de individueele meening berust, feiten vermelden, die tot 
de verre geschiedenis behooren, met vermelding der stukken, 



OND£&ZO£K VAN 8TUK.KEX IX UL£T INDIA OFFICE. 189 

waaraan die feiteu werden ontleend. Als voorbeeld haal ik hier 
aan een »Min\xie» van den President Phillips (Prince of Wales 
Island) uit liet jaar 1829 «^on the land tenures in Nanniug«r 
(Malakka) , die later te Singapore als brochure in druk verscheen. 
Het is een geschiedkundige verhandeling ov^r de verhouding der 
Hollanders tot de inlandsche bevolking ten opzichte van het ver- 
huren van landerijen in die streken, en is gebaseerd op oude 
archiefstukken uit het toen reeds onvolledige archief te Malakka. 
Later werd dit archief grootendeels overgebracht naar Singapore, 
waar het als zoo menig ander in Indiê gedeeltelijk een prooi werd 
van de witte mieren. * 

Van de aldus in chronologische volgorde gevormde //Consul- 
tations// werden meerdere afschriften gemaakt, naar ik meen drie. 
Van deze afschriften, met een duidelijk leesbare hand vervaardigd 
op deugdelijk papier, behoorlijk gerangschikt voor een geheel jaar 
of halfjaar en voorzien van een klapper, werd één bewaard op 
het plaatselijk archief bij de origineele stukken, één vond zijn 
weg naar Bengalen (Fort William), terwijl een derde werd opge- 
zonden naar Londen. Vandaar, dat men te Calcutta, voor de 
laatste It^O jaren, een even volledige verzameling archiefstukken 
behoort te bezitten als te Londen , met uitzondering alleen van 
de rechtstreeksche briefwisseling der bijkantoren van het moeder- 
land ; naar mij aan liet India Office werd medegedeeld , is dit ook 
werkelijk het geval, voorzoover althans de ongunstige weersge- 
steldheid en de witte mieren hierin geen lacunes hebben veroorzaakt. 

De afschriften der Consultations , die hun weg vonden naar 
Londen, werden daar in roodlederen banden gebonden, zoo, dat 
iedere band ongeveer een gelijk aantal bladzijden beslaat. Het zijn 
deze folio's, die de belangrijkste stof bevatten voor het opbouwen 
van een Eugelsch-Indische geschiedenis 

Om ü een denkbeeld te gaven van den omvang dezer stof, 
diene het volgende. Voor het jaar 1826 beslaan de //Bengal Public 
Consultations// 22 folio's (incl. de klapper), waaraan de //Bengal 



* Door de welwillendheid van den heer Ch. O. Bladgen te Singapore gewerd 
mij een „List of Malacca Records now in existence in the Resident Councillor's 
Omce, Malacca," 1785-1827. Deze lijst loopt over de jaren 1785— 17^)6, 1798— 
18')4, 1806-1813, 1815—1816, 1818—1826 en bevat slechts een 144 tal docu- 
menten. Als extra's zijn aan de lijst toegevoegd een zevental stukken uit vroeger 
jaren o, a. „N«. 6. Een bundel papieren refereerende den stand van zaken van 
Nanning," uit de laatste helft der 16« en begin der 17* eeuw. 



190 O.HDBB^OKK VAX STFLCKSX IS HET l.'VDiA UPFICK. 

Political CoDsultations^ 'i4 folio's toevo^en en rie ^rBeug^ii Secret 
Consaltations nog een zeveuUL Ën deze 'rConsulUtions^ Tonnen 
nog slechts die der 3 belangrijkste afdeelicgen in de lange 
rij departementen, waarin de administratie van het hoofdkantoor 
was verdeeld. 1/aarenboven hebben wij hier nog slechts met één 
kantoor te doen. 

Hierbij dient echter in aanmerking te worden genomen, dat 
onder de ^Bengal Consul tation:*" veel staat vermeld , dat ook elders 
te vinden is. Wordt hierdoor het onderzoek van langduriger aard, 
het wint tevens aan volledigheid en nauwkeurigheid door ve^e- 
lijking der documenten van gelijken inhoud , vooral waar het de 
briefwisseling betreft met andere mogendheden en compagnieën. 
Terwijl de Engelsche compagnie toch in haar eigen taal brief- 
wisseling Voerde, geschiedde dit van de zijde der /rvreemdelingen4' 
eveneens in hun eigen taal of in het Fransch; en waren hiervan 
de copieën niet op verschillende plaatsen voorhanden , dan zou het 
ontcijferen van hetgeen de copiïst uit die dagen ons dikmaals te 
lezen geeft, of geheel onmogelijk zijn öf tot zeer gewaagde uit- 
leggingen kunnen aanleiding geven. 

Inkomende en uitgaande brieven. 

Generale missives, gelijk die in zwang waren bij de Neder- 
landsche Oost-Indische Compagnie, heeft de English East India 
('ompauy niet gekend. De correspondentie van de Court of Direc- 
tors te Ijondon had rechtstreeks plaats met ieder der Indische 
kantoren. Natuurlijk nam, met het toenemen van het gewicht 
van het kantoor te Bengalen, het belang toe der briefwisseling 
met Fort William. Een résumé echter van alle gebeurtenissen 
in het gebied der East India Company , met verwijzing naar de 
daaraan als bijlagen toegevoegde brieven der bijkantoren inindië, 
zijn de Bengaalsche brieven nimmer geweest. 

Wel vindt men '^General letters^/, doch deze zonden vertaald 
moeten heeten /^Algemeene brieven «/, in tegenstelling met die, 
welke afkomstig waren van een bepaald departement (speciaal de 
//Secret" en //Political Letter»//) en slechts over zaken en gebeur- 
tenissen handelden , die dat Departement speciaal betroffen , zoowel 
als in tegenstelling met de //Separate letters , die slechts liepen 
over bepaalde zaken en gebeurtenissen, onverschillig tot welk 
departement deze behoorden. 

Dientengevolge vindt men weinig baat bij het nemen der corres- 



ONDSKZOKK VAN STUKILKN IN UET INDIA OJfFIGK. 191 

poudeutie uiet het moederland als leidraad voor een onderzoek 
van het archiefmateriaal, temeer omdat de "Oeneral Letters» 
uiterst kort en zaakrijk zijn, en slechts eeuigszins uitvoeriger worden 
waar het bestuur meent zijn gevoelen te moeten medcdeelen over 
zaken, waarbij 'verschil van meening bestond. 

De brieven van de kantoren in Indië aan de Directors der 
East India Gompany werden, behalve in originali, gelijk bij de 
Nederlandsche Compagnie, in afschriften overgezonden , somtijds 
tot een vijftal toe. Zoowel de origineele stukken als vele der 
afschriften zijn in Londen eveneens te zamcn gebonden in deelen, 
in chronologische volgorde — naar den datum der afzending — 
gerangschikt. 

üe in die brieven vervatte bijlagen werden echter afzonderlijk 
bewaard en zijn nimmer in banden gebonden. Het gevolg hiervan 
is geweest, dat in sommige departementen alle bijlagen zijn 
verloren gegaan , in een ander (Secret Department) de verzameling 
niet geheel volledig meer is. Door de volledigheid der ^Consul- 
tationsir zijn vele dezer documenten echter weer te vinden onder 
de notulen der vergaderingen , waar zij als inkomende of uitgaande 
brieven staan nedergeschreven. Mochten sommige bijlagen op die 
vConsultations/y niet zijn terug te vinden, dan is het te vreezen, 
dat wat zij wetenswaardig bevatten met hen voor de geschiedenis 
verloren ging. 

Bij de uitgaande brieven, die der Directors of the Bast India 
Company te Londen aan de besturen der kantoren in Indië, ging 
men als volgt te werk. De origineele stukken met afschriften in 
duplo, triplo etc. werden verzonden naar Indië; te Londen zelf 
behield men het concept van den brief, waarop de veranderingen 
waren aangeteekend , die daarin mochten zijn gemaakt voordat men 
het eens was geworden over de bewoordingen van den brief, zooals 
die werd afgezonden. Waren die bewoordingen eenmaal vastgesteld , 
dan werd dit concept door de verschillende Directors geteekend 
en aan den desbetreffenden Secretaris (Secretaris van het Departemeut 
waartoe de brief behoorde) opgedragen een gelijkluidend schrijven 
te richten aan het bestuur van het aangewezen kantoor. 

Deze concepten zijn weder in chronologische volgorde — naar 
den datum van onderteekening — in leeren banden gebonden. 

De bijlagen staan hierbij echter niet vermeld, noch bevinden 
zich daarvan copieën in het Archief. Voor zoover zij niet zijn 
aangewezen in de bewoordingen van den brief of niet zijn terug 



192 ONDERZOEK VAN STUKKEN IN JIËT INUIA OFKICE. 

te vinden onder de ingekomen stukken op de ^Consultations/i' der 
Indische kantoren, tasten wij hier in het duister omtrent hun 
bestaan, of hun inhoud, of beide. 

Van een groot gedeelte dezer briefwisseling tusschen Londen 
en de Indische kantoren zijn extracten vervaardigd, ingedeeld 
naar de paragrafen der respectieve brieven. Dit geldt voornamelijk 
de briefwisseling met de kantoren op het vasteland van Indie, 
Boiiibay , Madras en Beugalen. Te zamen beslaan deze 51 deelen. 

Deze ''Abstracts of Dispatches'/ , uitgaande brieven en «^ Abstracts 
of Letters'/ inkomende brieven^ geven een beknopt, leesbaar 
overzicht van de brieven en kunnen door hun nauwkeurige ver- 
wijzing naar de origineele stukken als een betrouwbare gids en 
leidraad dienen bij het nagaan der oorspronkelijke documenten 
Het onderzoek wordt er door vergemakkelijkt en minder tijdroovend. 

Waren zij , zooals zij daar zijn , in druk verschenen , dan zouden 
zij een uitnemende aanvulling vormen van de ^Calender of State 
Papers". Zij hebbeu echter bij deze voor, dat zij nauwkeuriger 
den inhoud der brieven weergeven en door de iudeeliug in hoofden 
een duidelijker overzicht geven. 

Court Books. 

Uaar het eerste Boek der verslagen van de vergaderingen der 
Directors of the East India Company in druk is verschenen * en 
de latere boeken in hoofdzaak niet van dit eerste verschillen , 
meen ik hier te kunnen volstaan roet over te nemen wat de heer 
F. G. Danvers daaromtrent in zijn bovcnaangehaald rapport 
mededeelt bl. 9) : 



> „The fir.st Letter Book of the East India Company, 1600—1619: 
,The Register of Letters, etc. of the Govemor and Company of Merchants of 
„London trading into the East Indies, lf)(K)— 1619. By Sir George Birdwood." 
London, B. Quaritch , 1893. Een tweede werk, dat op de Court Minutes be- 
trekking heeft, is: „The Dawn of British Trade to the East Indies, as re- 
corded in the Court Minutes of the East India Company , 1599 — 1603. Containing 
an account of the formation of the Company, the first Adventure and Way- 
mouth's Voyage in search of the N. W. passage. By Henry Stevens of Vermout." 
London, Henry Stevens & Son, 1886. Daarenboven is thans een begin gemaakt 
met het publiceeren der eerste brieven, die de E. L Company in Londen ont- 
ving en de eerste dezer publicaties neergelegd in het boek getiteld: „Letters 
received by the East India Company from its Servants in the East. Transcribed 
from the original Correspondence series of the India Office Records. Vol. I 
1602—1613. With an introduction by F. Ch. Danvers." London, S. Low & C"., 
1896. 



ONDERZOEK VAN STUKKEN IN UET INDIA OFFICE. 193 

"Ue '/Couit Books'/ bevatten de oudste archiefstukkeu van de 
^i'Kast India Coiupany in Engeland en bestaan uit de notulen van 
//de Directievergaderingen te Londen : zij loopen , met enkele 
«'gapingen, van 1599 tot 1858 — 59 en beslaan te zamen 19J 
''deelen. Die gapingen worden veroorzaakt door liet ontbreken van 
//de notulen voor de volgende jaren: 10 Augustus 1603 — 30 De- 
//ceraber 1606; Februari 1610— Januari 1614; 17 November 1615 — 
//18 September 1617; 1 Juli 1629—1 Juli 1630; 17 Juli 1631— 
//3 Juli 1632; 4 Juli 1637.-4 Juli 1639. Zij bevatten allen een 
'/Index 

/^Daarenboven zijn er 14 folio's //Dissents// (ineeningen van de 
minderheid) 'afkomstig van leden van de Court of Directois, 
^waarvan 4 folio's (Februari 1764 — Maart 1811) in originali aan- 
//wezig zijn, terwijl de overige 10 folio's (14 October 1807 — 1 
'/September 1858) afschriften bevatten. Hierbij behooren 19 folio's 
//notulen van de algemeene vergaderingen van aandeelhouders 
//(//General Court Minutes//), die loopen over de jaren 1702 tot 
//30 Augustus 1858.// 

Dit wat betreft het materiaal. 

Uet onderzoek. 

Uit die documenten massa dienden de stukken te worden aan- 
gewezen, welke van belang konden zijn voor de Nederlandscli- 
Indische geschiedenis en dienovereenkomstig in aanmerking kwamen 
om te worden gecopieerd. Dit doen vervaardigen van copieën stond 
in den aanvang op den voorgrond. 

Wil men echter weten wat men noodii? heeft, dan dient vast 
te staan wat er is Daarom diende dus in de eerste plaats te 
worden vastgesteld , welke onder de menigte documenten betrekking 
hadden op de Nederlanders in Indië , en licht konden werpen op 
de geschiedenis van hun betrekkingen in dien Archipel. 

Allereerst was dus aan de orde het maken van lijsten, waarop 
die stukken vermeld werden , die van belang konden zijn voor den 
Nederlandsch-Indischen geschied vorscher. Om echter niet geheel 
op eigen oordeel af te gaan en die lijsten zoo doelmatig mogelijk 
in te richten , besloot ik te beginnen met een onderzoek van een 
enkel, niet omvangrijk departement en de documenten van een 
der bijkantoren. De van die stukken vervaardigde lijsten zouden 
als proef kunnen dienen en, met inachtneming der daarop ge- 
maakte bemerkingen , als voorbeeld kunnen strekken voor het later 



li*l osbLLZAjLK \A% snri&sxs 1% iiiit isDiA omes. 

U: T«*l2'^D oü^eriork Titn de arcnï^-fs^takken, afk<«m>ii^ vaa het 

H-es »a* *f \lin!n4e'r5 wenscK dal r^r^onDt-n z^a w>rdeo mei de laatste 
jaren étr ^*rheele periode, die Toor ocdeixciek ïd aaDinerkin^ kvam. 
Ih-e^ïteiizeTol^^e weidt n roor de jaren l>fO — l>oO de rStiaiu' 
StlVtmtnU" E-e^ords* ea die ait bet •-Secret Department*' der 
^Beosral Re-cori** het etist io lijst zebracht. 

Ik k<K#« de 'Straits' SenleiDeni**, omdat de stukken Wlreïïeiïle 
Jara en Bonieo uit den aard der zaat Toomamelijk br|*erkt blijven 
VtX de jaren ró«ir 1S20 en Su.Datra Benffkoeleii; beboonie tot hei 
b<r>tuur>g^rbifd van Benealen, terwijl de China and Japan, Caj^ie 
of G<>*>d Hope en de St. Hdena Records, Toorzoover zij over de 
jaren 1S20 — IVjO bestaan, niet van direct belang zijn voor de 
XederLrid«K:h- Indische Geschiedenis en dus eerst voor later onder- 
zoek in aanmerking komen. 

Met de op deze lijsten ont Tangen bemerkingen heb ik getracht 
mijn voordeel te dr»en, toen in het najaar van 1^95 een aanvang 
«erd eemaakt met het in lijst breoeen der Ben<ral Records over 
iS.O — 1S30. Het eerste g-edeelte dier serie liüt thans voor U. Mo^e 
de inrichting dier lijsten thans blijken volkomen aan hun doel te 
beantn'oordeu , en een duidelijk en practisch overzicht geven van 
de aanwezige brieven en )iun inhoud. 

Uit het bovenstaande overzicht van het aanwezige materiaal 
blijkt, dat de meest doelmatige inrichting van het onderzoek wa:", 
te beirinijen met de «Consultations» , de notulen van de ver- 
gaderingen (Procecdings) van den Govemor General in Council te 
Fort \Villiam. Behalve de zooeven reeds genoemde stukken uit 
het '"Secret Department^, zijn thans daarvan onderzocht en iu 
lijst gebracht de stukken uit het ''Public*, het »Political* en het 
"Foreign Department.* Te zameii beslaan deze ruim 600 folioV 
Voegt men hierbij de ^Straits** Settlements Records* en de brief- 
wisseling uit het "Secret Department* met de Directors in Londou, 
dan zijn thans iu H geheel een 7S5-tal folio^s onderzocht. 

Een schijnbaar gering resultaat voor een arbeid van ongeveer 
H maanden tegenover een documenteumassa van meer dan «iö.OOO 
folio's, die no^ te onderzoeken overblijven! Toch dunkt het mij 
niet onbevredigend. Het tijdvak 1S20 — 1S30, dat allereerst voor 
onderzoek iu aanmerking kwam, behoort tot een periode (1795 — 
1S30), waarin meer inmenging in de zaken der Nederlandsch- 
Indische regeering plaats vond van den kant der Engelsehe East 



ONDERZOEK VAN STUKKEN IN IIRT INDIA OFFICE. 195 

ludia Company dan iu eeiiig ander tijdperk van de geschiedenis 
der Oost-Indische Compagnie. Daarbij komt in aanmerking de 
grootere vaardigheid met de pen der latere beambten op de Indische 
kantoren, de meer geregelde wijze van correspondeeren en — 
gelijk boven reeds werd opgemerkt — de meer systematische be- 
handeling van zaken, waardoor de copieën van de briefwisseling 
tusschen twee bijkantoren zich niet slechts onder de documenten 
van ieder dier kantoren , doch eveneens onder die van het hoofd- 
kantoor en daarna nogmaals onder die van het kantoor te Bengalen 
bevinden. 

Het is zeer waarschijnlijk, dat het onderzoek der 35 jaren dezer 
periode , betrekkelijkerwijze gesproken , den meesten tijd zal in 
beslag nemen. Begint men nu met het laatste gedeelte dezer 
periode, nl. met het tijdvak (1820 — 1830) der directe onderhan- 
delingen tusschen de twee concurreerende natiën in Indie, dan 
stelt men zich, uit den aard der zaak, aan teleurstelling bloot, 
wat de lengte van het onderzoek betreft. Die lengte blijft natuurlijk 
wel dezelfde, ook wanneer men anders handelt en aanvangt met 
de eerste periode, waarvan het aantal documenten kleiner en de 
inmenging der Engelsehen in Nederlandsche zaken geringer was 
— doch een vlug voortschrijden in den beginne doet dikwijls een 
langzamer vooruitgaan bij het afwikkelen over het hoofd zien. 
Voor de deugdelijkheid van een archiefonderzoek zijn echter vol- 
ledigheid en nauwkeurigheid meer waard dan een vlug bereiken 
van het doel. 

Stond deze meening bij mij op den voorgrond, zij leidde, ge- 
durende het onderzoek, langzamerhand tot een gevolgtrekking, 
die mij deed besluiten eenigszins eigenmachtig het door U iu mijn 
instructies neergelegde plan, nl. het doen vervaardigen van copieën 
van wat mocht blijken belangrijk te zijn, ietwat te wijzigen. 

Met het copieeren der stukken, die mij het meest belangrijk 
voorkwamen, werd in September 1895 een aanvang gemaakt; 
geregeld is dit werk door mij voortgezet tot het einde van Maart 
1896. Ongeveer 1| riem papier aan copieën kwam aldus in uw 
bezit, behoorlijk correspondeerende met en verwijzende naar de 
daarbij behoorende lijsten. Het bleek mij echter meer en meer, 
speciaal bij het onderzoek van de documenten uit het hoofdkantoor 
der Ëngelscheu in Indië, dat het moeilijk valt te bepalen welk stuk 
al dan niet voor copieeren in aanmerking komt , indien men niet alle 
stukken kent, die op de aanhangige zaak betrekking hebben, in 



196 ONDRRZOF.K y\s gruiCKKv i\ iïkt india office. 

hun samenhang. Die samenhang kon slechts hlijken uit de lijsten. 

Daarbij kwam de later eerst verkregen overtuiging , dat eigenlijk 
niemand in Nederland nauwkeurig weet, welke stukken over de 
periode 1813—18-30 zich in Nederland zelf bevinden. Wil men 
niet in noodeloos copieeren vervallen, dan dient van beide zijden 
bekend te zijn wat in de verschillende archieven aanwezig is. Om 
dit van Engelsche zijde te weten te komen, werd begonnen met 
het aanleggen van genoemde lijsten. 

Nu eenmaal de Ensrelsche res^eerinsr haar toestemming heeft 
sresreven voor het door Nederland in te stellen onderzoek der ar- 
chieveu van het India OfiBce te Londen en het daaruit doen ver- 
vaardigen van copieën der voor de Nederlandsch-lndische geschiedenis 
belangrijke stukken, zal die toestemming niet licht weder worden 
ingetrokken, vooral nu de Engelsche regeering zelve b^nt haar 
archiefstukken in druk te doen verschijnen ' Neemt men hierbij 
in aanmerking de gemakkelijkheid om een copiist te vinden en de 
welwillendheid der autoriteiten aan genoemd OfiBce, dan dunkt 
mij, dat het laten copieeren nimmer moeielijkheid zal opleveren, 
ook wanneer het onderzoek zelf eens tot de geschiedenis zal 
behooren. 

Aldus kwam het belang van het maken van copieën op den 
achtergrond te staan en drong zich de belangrijkheid van volledige 
en uitvoerige lijsten geheel op den vooi^rond. Het gevolg was, 
dat, terwijl thans de lijsten over de bovengenoemde 700 folio^s 
reeds | riem papier beslaan, het copieeren van daaruit aange- 
wezen stukken voorloopig is gestiakt — bij gebrek aan aanwijzing. 
Dit laatste is weder gedeeltelijk toe te schrijven aan de herha- 
lingen, waarin men vervalt bij het onderzoeken van nieuwe depar- 
tementen over hetzelfde tijdperk, terwijl dit onderzoek zelf toch 
geenszins achterwege mag blijven. 

De lijsten zijn ingericht naar voorbeeld van de in het Engelsche 
archief aanwezige klappers. Het hoofd vermeldt de plaats , waar de 
'«'Cousultations'' plaats hadden , den datum van de maand en het 
jaar der vergadering. Links staat diezelfde datum als hoofd voor 
de brieven , die dien dag ter tafel kwamen , met vermelding daar- 
onder van den datum van iederen brief afzonderlijk. Rechts staat 
de verwijzing naar de deelen in het Engelsche archief, waar de 
brieven te vinden zijn. De brieven zelf staan tusschen deze twee 



' Zie noot op biz. 1'''J. 



ONDERZOEK VAN STUKKFA' IN HF.T INDIA OFPICK. 197 

kolomraen vermeld onrler de hoofden, die in don klapper vermeld 
staan. Elke brief staat aangegeven met inhoudsopgave, al of niet 
beknopt, naarmate van de belangrijkheid en lengte van het 
document. 

De lijsten , die sedert — om tijd te winnen — met een type- 
writing machine zijn geschreven, sluiten met ieder jaar af. Het 
voordeel hiervan is^/dat — onafhankelijk van de wijze, waarop 
het onderzoek wordt .vervolgd en de periodes, waarin men dat 
onderzoek wenscht te verdeelen — de lijsten één doorloopende 
reeks zullen vormen, gelijksoortig aan degenen, die van de aan 
1820 voorafgaande jaren zullen gemaakt worden, wanneer het 
onderhavige tijdvak eenmaal is in lijst gebracht. 

Hun inrichting is dus zuiver chronologisch. 

Bestond er bezwaar de lijsten naar periodes in te richten , andei-s 
was dit, wat het onderzoek zelf betreft. De doelmatigste methode 
bleek hier te zijn, om de geheele geschiedenis der twee eeuwen, 
die dienden nagegaan te worden , in tijdvakken te verdeelen , 1® 
om het overzicht te vergemakkelijken, 2® om de stukken beter in 
hun samenhang te kunnen beschouwen , vooral waar het uw wensch 
was het allereerst den inhoud der documenten uit het begin dezer 
eeuw te leeren kennen. Deze jaren kunnen saamgevat worden tot 
het tijdvak 1815 — 1880, waarin Nederland zijn heerschappij in 
den Indischeu archipel herstelde. 

Deze periode kan men weder onder verdeelen in twee tijdvakken , 
1" dat van 1815 — 1819, de ten-uitvoerlegging van het traktaat 
van 1814 en 2° dat van 1820 — 1830, de nieuwe onderhandelingen 
tnsschen Engeland en Nederland over hetgeen ongeregeld bleef in 
1814 en over nieuwe verwikkelingen, de definitieve regeling van 
1824 en de ten-uitvoerlegging daarvan. Eigenlijk zou dit laatste 
tijdvak alsdan moeten eindigen kort na 1825. Daar echter de ten- 
uitvoerlegging van het Londensch tractaat door omstandigheden 
werd vertraagd en ten einde eenige speling te houden , werd het 
onderzoek tot 1830 voortgezet. 

Het tweede der genoemde tijdvakken is thans voor een groot 
deel onderzocht en in lijst gebracht. 

Er zijn in dit tijdvak twee hoofdfiguren, waaromheen zich de 
geschiedenis van Nederlandsch-Indië voornamelijk groepeert. Voor- 



198 OXDKBZOEK VAN STUKKEN IN HKT INDIA OFnCK. 

zooTer het geldt de bnitenlandsche staatkunde, is het de groote 
tegenstander van het Nederlandsche element , Sir Thomas Stamford 
Raffles, de incarnatie van de denkbeelden van het volk, waaruit 
hij sproot en daarom in zijn omgeving de populaire edelman, die 
op een sterken aanhang kon rekenen ; — waar het betreft de 
binnenlandsche staatkunde, de meer dramatische persoonlijkheid 
van Dipanegara. Kon de laatste echter handelen in openlijken strijd 
met het Nederlandsch gezag , de eerste was gedwongen van hoeder 
geplaatsten bevelen af te wachten en die op te volgen ; hij vormde 
— hoezeer dit dikwijls stuitte tegen zijn gevoel — deel van een 
administratie. Hij kon slechts handelen voorzoover zgn handen niet 
waren gebonden door het roode lint van het mozaïekachtig ge- 
vormde bestuur eener Maatschappij met haar koel berekenende 
hoofden; en hij nam ieder oogenblik te baat, dat hem — naar 
eigen meening — een vrije handbeweging was gelaten. 

Was hem bij zijn terugkeer in Indië een ondergeschikte stelling 
toebedeeld op Sumatra, op een oord , vanwaar schijnbaar door hem 
weinig invloed op den algemeenen gang van zaken kon worden 
uitgeoefend — fiaffles was niet aan een plaats gebonden, indien 
hij zich slechts in Indië bevond, in ket raderwerk, waarvan hij 
de verschillende deelen kende en beheerschte. Voordat no? een 
jaar sinds zijn terugkeer was verloopen, schonk hij de Indische 
wereld het eenigszins twijfelachtig nut van een vrijhaven te 
Singapore 

Beide personen echter, zoowel BAffles als de leider van den 
Jnvaanschen oorlog, waren als de meesten van hen, die daden 
deden, het uitvloeisel van den geest, die hun omgeving bezielde , 
het laatste toevoegsel nan de gedachten , die langzamerhand waren 
gerijpt, de voltooing van wat voorbereid was, d. i de daad. Daarom 
vonden zij steun bij hun omgeving en was het ageeren tegen den 
persoon, het ageeren tegen een samenhangende macht; een macht 
echter , die saamgehonden werd door die hoofdpersonen en met hun 
verdwenen verbrokkelde. Bleek dit vooral bij het ageeren — met 
de wapenen in de hand — tegen den Javaanschen vorst, tegen 
Raffles was een openlijke strijd onmogelijk en kon men slechts 
optreden — hetzij op dezelfde wijze als hij optrad tegenover de 
Nederlanders — hetzij door het aanteekenen van protest. Men 
volgde het laatste; doch Raffles^ denkbeelden behielden de overhand. 

Juist hierom is het kennen van het karakter van den agitator 
uit Benirkoelen , van zijn denkbeelden , van zijn oogmerken van 



ONDE&zoEK Van stukken in Het india oï-fiöe. 199 

zooveel belang. Wij leeren er zijn tijd uit kennen, de verklaring 
der handelingen van de zijde der Engelschen. 

Het denkbeeld dat bij de teruggave van Malakka de Neder- 
landen weder beide zeestraten , die toegang gaven tot den Indischen 
archipel en de Chineesche Zee, in handen zouden hebben en daar- 
door in staat zouden zijn hun monopolie van vroeger jaren weder 
te herstellen , boezemde den Engelschen vrees in , een vrees waaraan 
zij uiting gaven reeds voordat Raffles den Gouverneur-Generaal 
Hastings tot zijn plannen in de straat van Malakka had overgehaald. 
Reeds den 17'" October 1818 bericht President in Rade van Prince 
of Wales' Island den Gouverneur-Generaal, dat met het oog op 
de zending van van Braam naar de Straits , door hem een gezant- 
schap is gezonden naar de hoven van Perak en Salangor en Kolonel 
Farquhar was aangewezen de Engelsche belangen te behartigen op 
Borneo, te Riouw en in Siak — "for fear that the Dutch might 
re-establish their monopoly of foriner years.// * 

De uitslag dier zendingen is bekend. Tractaten , gesloten met 
de inlandsche vorsten, met het doel //that the English might not 
be excluded,// ademden een zeer exclusieven geest tegenover 
andere Europeesche natiën. 

Kort daarna verschijnt Raffles ten tooneele. Hoewel de hande- 
lingen van de bestuurders van Prince of Wales' Island volkomen 
in zijn kader pasten en oogenschijnlijk weinig meer voor Raffles 
te doen overbleef, zien wij toch bijna onmiddellijk onaangenaam- 
heden ontstaan tusschen hem en den President van gemelde fak- 
torij, kolonel Bannerman. Het verloop dier onaangenaamheden 
werpt m. i. een bijzonder licht op de vestiging der Engelschen 
te Singapore. 

De heer van Deventer ^ verwerpt ten eenenmale het denkbeeld , 
dat Raffles Singapore oj) het oog heeft gehad, voordat hij er toe- 
valligerwijze landde. Moge de //Memoir// geen absolute waarheid 
bevatten , het is eveneens twijfelachtig of deze absolute ontkenning 
geheel juist is. De woorden van Raffles' brief aan Marsden, dd. 12 
December 1818 ^ pleiten hier reeds tegen. 



« Bengal Political Consultations dd. 20 Maart 18U), ii". lO), Range CXXI, 
Vol. 45. Cf. Bengal Foreign Consultations dd. 3 September 1819, n^. 1, Range 
CLXVI, Vol. 65. (Brief van Col. Farquhar aan de heeren Wolterbeek en Timmer- 
man Thgssen.) 

' ,,Het Nederlandsch gezag over Java en onderhoorigheden," I. Inleiding. 

» „Memoir," bl. 374. 

i> Vül*<r. 111. 14 



£00 O^DfTRZOKK TA^ srn^KKFTT F» HTT TXDIA OFFICT. 

Dc oorzaak Tan de onsrunstiee Terstanlhoadinff tussclien Kaftle? 
en Bannerman wn<» cIppI^ persoonlijk, deel? principieel. Bannerraan 
zaj? in Raftle^' nprlrncht een miskenninir van zijn jrez.iir. De Straits 
behoorde tot het eebied van Poeloe Penans" — waarom diende 
Benirkoelen zich te moeien in de zaak der zendinsren l:in?s dc 
kusten van Siimatm en het S4*hiereiland van Mal:ikka? 

Doch ook wa5 Bannerman niet bekend met de geheime instructie 
aan Ra f Hes medesrcsreven. Dit was niet zonder opzet credaan. De 
President van Prince of Wal et?' Fsland was ffeenszins overtuigd %'an 
de noo^lzakelijkheid eener tweede nederzetting in de straat van 
Malakka, wen:*chte daarentegen zijn eiland als den sleutel voor 
die straat beschouwd te zien en wenschte, door overeenkomsten 
met de inlandsche vorsten in de nabuurschaj), Poeloe Penang te 
verheifen tot het voornaamste en beheerschende pont dier streken. 

Vandaar diens eroote tesrenkantinsr tesren de vestisinjj te 
Singapore Was Bannerman niet op een voor de Nederlanders 
ontijdig oogenblik gestorven , misschien waren alsdan de onder- 
handelingen te Londen gunstiger afgeloopen voor de Nederlandschc 
regeering. Met zijn dood viel de handhaver van het door hem 
ingenomen standpunt, de verdediger van zijn opvatting in het 
principieel verschil met Baffles en had deze alle vrijheid, den 
nadmk te leggen op hun persoonlijk ongenoegen. ' 

De loop dezer onderhandelingen en verschillende opvattingen 
blijkt ten duidelijkste uit de stukken nit het archief van Prince 
of Wales** Island , alsmede uit de srevoerde briefwisselins met den 
Gouverneur Generaal van Bengalen. * 

Bannerman's standpunt blijkt o. a. uit de instructies medege- 
geven aan Mr Cracroft op zijn zending naar Salangor (gedateerd 
20 Maart 1S19) tot verkrijging van het eilnnd Pankore, waarbij 
hem wordt bevolen zich op de hoogte te stellen van het recht 
van den regeerenden vorst op het eiland , »that the Netherlauds 
Government could not raise an equitable claim to it afterwards.» * 

Een eigenaardig licht werpen deze onderhandelingen ook op de 
vraag, in hoeverre Baflles' gewapende macht gerechtvaardigd was 



« Cf. Bengal Politica! Consultations dd. 8 Januari lH2i>. n^. '^K Range CXXIT, 
Vol. 4. 

• De desbetreffende stukken uit de ^Straits Settlements Records" behooren voor 
een gedeelte tot die vóór IHAi en zijn zoover nog niet in lijst gebracht 

» Cf. Bengal Political Consultations dd. 7 .Augustus 1819, n*>. 1'» — 17. Range 
CXXl, Vol. f^} en dd. l Januari ISJi». n". IS-.Ni. R.in<7C CXXIF. Vol. 3. 



ONDERZOEK. VA.V STUKKEN IN liET INDIA OFFICE. 201 

ter etablisseering vau een gewoon haiidelscentrum te Singapore. 
Baron van der Capellen heeft £aifles verweten, dat, getuige die 
grootc uitrusting , Rallies overtuigd moest zijn , dat wat hij ging 
doen rechtstreeks tegen verkregen rechten van de Nederlandsche 
regeering indruischte. RaiHes heeft dit in zijn brieven tegenge- 
sproken. Doch juist die uitrusting vormde een der geschilpunten 
tusschen den president van Fort Cornwallis en den allee nheersch er 
vau Bengkoelen. Bannerman stelde den laatstgenoemde een goed 
uitgeruste, gewapende macht ter beschikking voor zijn zending 
naar Atjeh. Zij werd door Raffles geweigerd op grond, dat het 
hein niet passend voorkwam ^/for a great power to come and treat 
^with au independent prince, when accompanied hy a large force^ 
(IS Februari 1S19). * De troepen voor Singaporees bezetting waren 
inmiddels uit Bengkoelen aangekomen en een tweede zending volgde 
in Maart d. a. v. 

Het protest van Nederlandsche zijde tegen de vestiging der 
Engelschen te Singapore bleef niet uit; en is het Koloniaal Archief 
in den ilaag in het bezit van van der Capellen ^s lijvigen brief met 
bijlagen waarin hij zijne lueeuingen bloot legt omtrent de onrecht- 
matigheid dier daad , het Engelsche archief stelt ons in staat ook 
de '/andere zijden te hooren in een even omvangrijk schrijven met 
bijlagen van den Qouvernor-Qeneral uit Bengalen aan de Court of 
Directors te Londen (1 Maart 1821. Cf. ook die dd. 17 Juni 1820). 

Rallies liet geen gras groeien over zijn stichting ten Zuiden vau 
Malakka. Een overzicht van zijn pogingen om die stad tot bloei 
te brengen en zijn nauwkeurig nagaan van haar omgeving, levert 
zijn brief aan den G. Q. in Rade dd. 22 Juni 1819. * 

Het was RafHes echter niet slechts te doen om de toegangen 
tot den Indischen archipel aan de uitsluitende zorg der Neder- 
landers te onttrekken. Te Bengkoelen teruggekeerd — waar, volgens 
zijn eigen schrijven, weinig voor hem te doen viel, althans veel 
te weinig om ' zijn geest voldoende bezig te houden — had hij 
weder een nieuw plan overdacht. Fadang was zeer tegen zijn zin 
aan de Hollanders afgestaan , doch evenals hij Malakka tot een 
"lastpost" voor de Nederlandsche natie had gereduceerd, zou dit 
kunnen geschieden met die voornaamste handelsplaats op Sumatra^s 
Westkust. Door de onderhandelingen met den Sultan van Atjeh 
waren de Engelsche belangen voldoende gehandhaafd in hel Noorden 



ï Cf. Bengal Political Consullations dd. 31 Juli 1819 , n^. 4, Range CXXl Vol. 59. 



202 OXbKRZUUl^ YAS STIL' WE BN IN UKT INDIA OFflCB. 

Taa het eiland; Zoidelijker Tormden de pc»tea te Natjftl en Beug- 
k<jelen steanpanten Toor dixecten £ngelscheii invloed. Konden 
slecht» die Yerschillende panten gebracht worden onder één bestuur 
met een Tereeniging9punt , Tsnwaar de geheele kust door de 
Britsche rloot kon worden bestreken, dan zou het behoud van 
Padang door de Nederlanders zeker den Engelschen weinig tot 
last zijn. Voor dat vereenigingspunt koos hij Poeloe Xias. *When 

>^it is considered , that it was the principal resort of the 

^enemv's cruizers for refreshment and redt ment , and whence the ƒ 
"^commanded the whole coast of Sumatra during rnany periods of 
^the late war; oar undisputed supremacv of the Island is perhaps 
"uo less important in a political point of view, particularlv as 
^it majr be considered to complete our command of the Coast from 
^Acheen to Nattal.^' (Batfies aan G. G. in Rade, 25 Januari 1^21). ' 

Het feit Tan de bezitneming van Poeloe Xias is bekend uit RatHes" 
Memoir * , hoewel daar niet de geheele brief wordt weergegeven , 
waaraan het bovenstaande is ontleend. Zijn weduwe deelt echter 
niet het antwoord mede van 6. G. in Rade aan den gebieder van 
Bengkoelen, die vergat, dat in een administratie bevelen moeten 
afgewacht worden van hooger geplaatsten voordat een onderge- 
schikte kan overgaan tot het verwezenlijken van zijn denkbeelden. 
Dat antwoord liet niet lang op zich wachten. Per omgaande liet 
de Governor General hem weten , dat de bezitneming van Poeloe 
Nias <rhad met with the disapproval of Government ,«^ dat er geen 
noodzaak bestond voor zulk een daad , en dat door Rallies voortaan 
verlof moest worden gevraagd van Bengalen, eer hij oveig'ing tot 
het vormen van nieuwe >irsettlements.^ De Ëngelsche vlag moest 
terstond van het eiland worden verwijderd. ' 

Een groote teleurstelling voor Raffles, die thans zoo op zijn 
hoede was geweest en zijn gemachtigden streng op het hart had 
gedrukt «rto ascertain to whom the actual sovereigntj of the Island 
>^virtualljr belonged^ en die zich waarschijnlijk reeds verheugd 
gevoeld had over het antwoord der inwoners, eenige maanden 
vroeger gegeven aan Nederlandsche gezanten, die met soortgelijk 
doel op Nias kwamen : f we are the Companj's»' (d. i. de En- 



• CC Bengal Public Consultations , dd. 15 Jani 1821, n«. 3— 15, Range X, Vol. 2^K 

* bh 475 en vgl. 

» Cf Bengal Public Consultations dd. 15 Juni 1821, n^ 16. Range X, Vol 29. 
In de , Memoir" bl. 4'K», is slechts het gevoelen medegedeeld van de ,Court of 
Di rectors" in London. 



ONDERZOEK. VAN STUKKEN IN UET INDIA OJ^'FICE. 203 

gelsühe üotnpagnie) //men , and caii make uo agreement with 
//foreiguers». 

Was Padang den Britschen Luitenant-Gouverneur een doorn in 
het oog, niet minder hinderde hem de verpichte uiet-iu menging 
in de zaken van de Nederlaudsche regeering elders op Sumatra; 
en dat ondanks aanvragen om hulp van de inlanders zelf tegen 
de //arbitrary and relentless conduct of the Dutch//. (Cf. de 
brieven uit Palembang aan £afties) '. 

Ondanks deze redenen voor eene gespannen verstandhouding 
was toch samenwerking tusschen Engelsehe en Nederlaudsche 
autoriteiten hoogst wenschelijk. 

Het zoutgebrek op Java in 1820 was oorzaak, dat het Neder- 
landsch-ludisch Bestuur zich o. a. wendde tot de Britsch- Indische 
regeering te Calcutta voor het laten opkoopen en overzenden van 
dit belangrijk artikel naar de Nederlandsche koloniën. Om de zaak 
te bespoedigen wordt ijlings een depêche gereed gemaakt te Ba- 
tavia en wordt een Engelsch koopman te dier plaatse verzocht om 
zijn hulp te verleenen, ten einde het schip de //Ann,// dat eenige 
dagen te voren van Batavia was vertrokken naar Calcutta, op te 
houden — te Bengkoelen , ten einde die depêche aan haar adres 
over te brengen. De bewuste koopman was natuurlijk de tusschen- 
persoon voor een verzoek, dat men in Batavia minder gaarne 
rechtstreeks tot Raffles richtte. 

De uiting van den indruk , dien dit verzoek maakte , klinkt dan 
ook eenigsziiis ironisch. //I feel,// zoo schrijft /^merchant Skelton// 
aan Raffles (26 Augustus 1S20) //that they// (i. e. the Dutch Go- 
vernment) /i'have hardly a right to make such a request of you — 
fftMid no business to make it through me,» En toch — //I hope 
//you will , if it should be necessary , exert your authority for 
//their interest on this occasion — as I am afraid it is a matter 
^of the most serious consequence to the Island.// 

Kaffles gaf aan dit laatste verzoek gereede gehoor. ^ 

Ook het gouvernement in Bengalen was welwillend genoeg 
terstond een voldoenden voorraad zout beschikbaar te stellen ten 
uitvoer. De Nederlandsche factor te Chinsura meende echter dit 
aanbod te moeten afslaan omdat de prijs, dien men vroeg, dien 



» Bengal Political Consultations dd. 1 Januari 1820, n^ 2Ö-26. Range CXXII, Vol 3. 

* Bengal Politieal Consultations, dd. 14 October 1820, no 26—27, Range 
CXXII, Vol. 33. en Bengal Foreign Consultations, dd. 24 November 1820, 
no 5-6, Range CLXVI , Vol. 67. 



2^H ONDEEZOEK VAN STOI^K^N IS UKT INDIA OFFICE. 

in zijn loandaat genoemd oirertroL Hij gaf den voorkeur private 
kooplieden bij advertentie uit te noodigen om hoeveelheden zout 
naar Batavia te exporteeren. ' 

De hulp oit Britsch-Indiê schijnt zeer veel tot opheffing van 
het zoutgebreK op Java te hebben bijgedragen : dus althans Gou- 
verneur-Generaal van der Capellen in zijn s«hrijven van 7 September 
lS2l aan den Rritschen landvoogd. * 

Een andermaal was het, dat een gemeenschappelijke vijand te 
bestrijden viel op Sumatra, nl. de Padris. Over samenwerking 
werd een oogenblik gedacht, doch het (tijdelijk) einde van den 
oorlog en de overdracht van Xatal hadden plaats, vi>ordat deze 
denkbeelden werden verwezenlijkt. 

De oorlog met de Padris is ook uit de Xederlaudsche docu- 
menten bekend, doch de groote verzameling brieven van den 
Ëugelschen commandant. Mr. Prince, over zijn hachelijke positie, 
zijn weinig vastberaden optreden, zijn klachten over te geringe 
toezending van hulptroepen, zijn ingekankerde haat tegen het 
Xederlandsch gezag, die hem — zoodra hij uit zijn netelige positie 
was verlost - deed overslaan tot een houding, die den insolenten 
geest kenmerkt, zoodra hij zich, buiten gevaar, gerugsteund voelt 
door een machtisr srouvernement — deze brieven kunnen niet alleen 
door hun tegenstelling een juist oordeel doen vellen over het 
ojitrrden der Nederlanders tegen denzelfden vijand, doch tevens 
een zijlicht werpen op het karakter van een man als Raffles en 
o\} de niate van zijn invloed op, en van zijn verantwoordelijkheid 
voor de daden zijner ondergeschikten. 

Van eenigszins gelijksoortige strekking is de briefwisseling van 
kolonel Farquhar met Baffle^, omtrent de overdracht van zijn 
bestuur over Singapore aan zijn tijdelijkeu opvolger Mr. Huil, in 
verband met het brengen van Singapore onder het rechtstrecksch 
bestuur van Fort William (18£3). 

Een der meest karakteristieke punten dezer periode vormt het 
optreden der Engelscheu tegenover de iulandsche vorsten, speciaal 
in die streken, waar volgens het verdrag van 1824 de Neder- 
landsche invloed alleen zou mogen gelden. De beloften der Engel- 

• Bengal Foreign Consuitations dd. l December 1820, n'' 1—3 en dd. 22 De- 
cember 1820, no 1, Range CLXVI, Vol. Ó7. 

* Bengal Foreign Consuitations dd. 23 November 1821, n« 1 Range CLXVI, 
Vol. 58. 



ONDERZOEK VAV aTUKKKV IN HET IMOIA OFFICE. 205 

sehcn, vóór 1824 anu inlandsche vorsten in de nabijheid van de 
straat van Malakka gegeven ter verkrijging van een monopolie, 
>rto turn out the Dutch,^ waren vele geweest, meer dan zij later 
konden en wilden nakomen, toen ieders verhoudingen waren ge- 
regeld. Er ligt een eigenaardig verschil in toon en houding tegen- 
over deze inlandsche staatjes in de briefwisseling van 1819 — 1820 
en die omstreeks en na 1825. 

Raffles zag reeds spoedig in, dat hier voorjsichtig optreden de 
hoofdzaak was, wilde men zich geen last van de /^native Princes'^ 
op den hals halen. Raffles zag hierin vooruit en zijn voorzichtig- 
heid tegenover de inlandsche vorsten op het schiereiland van 
Malakka, toen eenmaal Singapore was gesticht, staat in eigen- 
aardig verband met zijn latere pogingen tot het verkrijgen van 
Engelsche alleenheerschappij op de Westkust van Sumatra. Voor de 
uitnoodiging van den "Prince of Singapore^ om die plaats te komen 
bezoeken , bedankt hij. De uitnoodiging was hem toegezonden door 
den Engelschen Besident. Raffles antwoordt dezen laatste: //The 
/srpeculiar political circumstances in which the settlement is at 
^present placed in regard to the Dutch authorities, render the 
^most extreme caution necessarj in our Communications with the 
/^surrounding countries, ant it is prudent to avoid in adopting 
frsiuj nieasures which maj create a greater degree of confidence 
fu\ the permanence of the Establishment than those circumstances 
//warrant'/ (16 Augustus 1820). * 

Die voorzichtigheid bleek niet misplaatst. Als op het einde van 
1823 door het Nederlandsch gezag te Malakka een nieuwe vorst 
op den troon van Johor wordt geplaatst, schrijft Besident Craw- 
furd uit Singapore: //The native Chiefs in connection with us 
//have upon this occasion come forward to claim cur active assi- 
//stance on the faith of promises alleged to have been made to 
//thera. I have declined on the part of Government to interfere 
//in this transaction in any respect whatever, and recommended 
//to the parties to rest satisfied in the meantime with the ample 
/i^allowances which they derive from the bounty of the British 
//Government.// (18 November 1823). * 

Met het verdwijnen van Sir Thomas Stamford Baffles van het 



» Cf. Bengal Political Consultations dd. 14 October 1820, no. 17, Range CXXII, 
Vol. 33. 

« Cf. Bengal Political Consultations dd. 12 Maart 1824, n». 5, Range CXXIII, Vol. OO. 



206 OVDERZOEIt VAX STÜKKKN IN HET INDIA ÖfPlCfE. 

Nederlansch-Indisch tooneel en de regeling der wederzijdsche ver- 
houdingen in 1824, worden de Engelsche archiefstukken minder 
«'interessant i' voor den Nederlandschen geschied voischer en de 
lijsten van de laatste jaren dezer periode nemen dan ook aan- 
merkelijk in omvang af Het '^Secret Departmeut'ir levert na J 825 
in zijn Consultations zelfs geen enkel vermeldenswaardig feit meer op. 

Voornamelijk trekken thans de aandacht de regelingen voor het 
overdragen van het geruilde grondgebied. 

De Nederlanders hebben al hun macht te zamen getrokken op 
Java, in den zwaren strijd tegen den grooten opstandeling uit 
Djocjokarta met zijn aanhang; en uit de Engelsche documenten 
klinken ons slechts flauwe klanken tegen , korte echo^s van de 
krijgskreten in Java 's bergen, navertellingen van i'van-hooren- 
zeggens'' uit brieven van particnlieren in de hoofdstad, die zich 
beklagen over hun eigen hard lot, omdat zij moeten schutteren 
op moerassige plaatsen , en die van een audiëntie bij den Gouver- 
neur-Generaal gebruik maken /i^to give him a hint or two before 

^his departure (drawing) a picture of the facilities & 

^advantages of your free porti' (Singapore) '«'contrasted with the 
1'obstacles and tribulations of Batavia.^ * 

Een enkele maal slechts is er een vermeend conflict tusschen 
Nederlandsche en Engelsche belangen , wanneer Majoor Elout 
zich mengt in de geschillen op de Karimon-eilanden (1827 — 1828) 
en John Prince, dezelfde, die indertijd commandant was van 
Natal en dan het Britsch gezag vertegenwoordigt te Singapore, 
meent, dat deze tusschenkomst niet gerechtvaardigd wordt door 
het tractaat van 1824. Doch de desbetrefl'ende stukken bevinden 
zich, op een enkele uitzondering na, eveneens op het Koloniaal 
Archief in den Haag; en de geschiedenis, die zij bevatten, vond 
een plaats in de Bijdragen van het Bataviaasch Genootschap. Een 
volledige inhoudsopgave is echter in de lijsten opgenomen. 

Het is natuurlijk , dat de in de gemaakte lijsten vermelde docu- 
menten over meer onderwerpen handelen dan in dit korte overzicht 



I Bengal Political Consultations dd. 17 Februari 1826, n" 4, Range CXXIV, 
Vol. 38. Naief voegt de auteur van dien ,hint" er aan toe: „it staggered and I 
„think rather displeased him." 



ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HBT INDIA OFFICE. 2(J7 

zrjn opgenomen. Het handelsvraagstuk dier dagen , de invoer- 
rechten , die te Batavia werden geheven, het verklaren van Riouw 
tot een vrijhaven, de uitvoering van het tractaat van 1824 en 
dientengevolge de overdracht der verschillende wederzijdsche be- 
zittingen in den Indischen archipel zoowel als op het vasteland 
van Indië, personalia, de mislukte leening der Nederlandsch- 
Indische regeering te Calcutta , de regeling der pensioenbetalingen 
te Malakka (na de overdracht) en de desbetreffende zending van 
Mr. Ibbetson naar Batavia , de smokkelhandel en de zeeroof in de 
straat van Malakka — omtrent al deze onderwerpen zijn de be- 
treffende stukken in de lijsten vermeld. 

In hoeverre die stukken van belang zijn voor den geschied- 
schrijver der Nederlandsch-Indische geschiedenis dient, mijns in- 
ziens, door dien geschiedschrijver zelf te worden beoordeeld. 

Men kan moeilijk verwachten , dat ons uit archieven in den 
vreemde feiten zullen bekend worden — vooral waar het de ge- 
schiedenis geldt van den jongsten tijd — die niet in onze eigen 
archieven vermelding vonden. Doch met dat doel werd door Uw 
College ook niet tot het onderzoek van de archiefstukken in het 
India 0£Sce te Londen besloten. 

Met een feitengeschiedenis hebben de historici van den laatsten 
tijd gebroken. Zal de geschiedenis voor het thans levende geslacht 
eenig voordeel opleveren, dan dient men zoo nauwkeurig mogelijk 
te weten: waarom de geschiedenis van ons volk, zoowel in Europa 
als in den vreemde, zoo werd opgebouwd en niet anders Niet 
het enkele feit, dat een botsing plaats had tusschen twee nationa- 
liteiten is op zichzelf belangrijk, doch het antwoord op de vraag, 
waarom die botsing op dat oogenblik plaats vond en aldus verliep. 

En evenzeer als tot het juist verstaan daarvan de beweegredenen 
dienen gekend te worden van onze eigen landgenooten, bestaat 
thans het streven om ook de beweegredenen , de omstandigheden 
te kennen; die de tweede partij — de vreemdelingen — aldus 
deed handelen en niet anders. Het //audi et alteram i)artem'/ kan 
eerst ten volle worden doorgevoerd, wanneer uit de stukken zelf, 
die de handelingen beschrijven ten tijde, dat zij plaats gre])en, 
de juiste beweegredenen zijn geput voor onze tegenpartij. 

Dit denkbeeld heeft voorgezeten bij het behandelen van de stof, 

die thans gedeeltelijk in uw lijsten ligt opgesloten. Mogen deze 

oogenschijnlijk meer bevatten dan voor uw doel dadelijk noodig 

is, zoo diene men niet te vertreten , dat een inhoudsopgave aller- 
oe Volgr. Hl. 15 



208 ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET INDIA OFPICE. 

eerst volledig moet zijn; dat het verder hier niet het doel was, 
de geschiedenis te beschouwen van een of ander standpunt, doch 
om zooveel mogelijk al de bouwstoM'en aan te wijzeu, die voor 
eiken onderzoeker der Nederlandsch-lndische historie van belang 
kunnen zijn. Aan den geschiedvorscher blijve het overgelaten 
uit deze verzameling eeu keus te doen van hetgeen hij van zijn 
gading acht. 

Wat de voor U reeds vervaardigde copieën betreft', hierbij is 
zooveel mogelijk slechts het oog gehouden op hetgeen aan de 
Nederlau'lsche verzamelingen van Indische documenten mocht ont- 
breken of onvoldoende aanwezig zijn. Door het niet bestaan eener 
juiste opgave van de stukken over 1813 — 1830 in Nederland 
aanwezig, is slechts gecopieerd wat, uit welk oogpunt ook be- 
schouwd, voor de Nederlandsch-lndische geschiedenis van belang 
is en, naar alle waarschijnlijkheid, kan geacht worden hier te 
lande niet aanwezig te zijn. 

Het allereerst kwamen hiervoor in aanmerking de brieven ge- 
wisseld tusschen de Engelsch-Indische kantoren onderling en tus- 
schen hen en het moederland. Een groot gedeelte dier verzameling 
zal, met behulp van de Engelsche regeering, worden openbaar 
gemaakt door de pers. Onder leiding van den heer F. C. Danvers 
zullen de documenten uit de 17*^ eeuw worden gepubliceerd * , 
nl. al die, welke behooren tot de oorspronkelijke twee, ^East 
India Companies^/ vóór hun ineensmelting in 1708. 

Daardoor blijft wel is waar het meest uitgebreide gedeelte voor 
uw college ten onderzoek over — de vroegste '/Consultations^' toch 
dateeren van 1702 — , die openbaarmaking bespaart aan den anderen 
kant het onderzoeken en in lijst brengen van een geheele eeuw. 

De groote kosten aan de uitgaaf verbonden, de lange tijd, die 
er mede gemoeid is en het, vermoedelijk, weinig pecuniaire voor- 
deel voor de uitgevers doen niet verwachten, dat de publicatie der 
achttiende eeuwsche stukken spoedig die der daaraan voorafgaande 
eeuw zal volgen. En zoolang dat niet geschiedt blijft uw onder- 
zoek zijn volle waarde behouden. 



Moge ik hiermee erin geslaagd ziju U een denkbeeld te geven 
van de belangrijkste historische stof, die zich ook voor de Neder- 



* Het eerste deel dier publicaties verscheen reeds in 1896. Zie bl. 1M2, noot. 



é 



ONDERZOEK VAN STUKKEN IN HET INDIA OFFICE 20ff 

landsch-Indische geschiedenis in het Engelsch-Indische Achief 
bevindt , en mogen mijn pogingen om die stof voor den historicus 
gemakkelijk toegankelijk te maken uw goedkeuring wegdragen. De 
welwillendheid en het vertrouwen, waarvan Uw college mij zoo 
herhaald blijken gnf, zouden schaars belooning vinden , indien het 
onderzoek, door U op touw gezet, mocht blijken niet aan het 
door U gestelde doel te beantwoorden. 

Met de Aieeste hoogachting teeken ik mij 

Uw Dw. Dienaar 

W. ROOSEGAAHDR BIS.SCHOP. 

Arnhem, December 1896. 



DE ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON 
NAAR SUMATRA'S OOSTKUST IN 1820 EN 1823 



DOOR 

P. H. VAN DER KEMP. 



In de ^Verhandelingen van het Bat^viaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen^', deel XXXV (1870) werd opge- 
nomen eene beschrijving van E. Netscher over »De Neder- 
landers in Djühor en Siak 1602 tot 1865 '^. Het 8« hoofdstuk 
hiervan heeft tot onderwerp Siak: 1811 — 1829 en daarin wordt 
van de in hoofde dezes vermelde zendingen melding gemaakt. 
Netscher's mededeelingen nu hierover kunnen eenigszins aangevuld 
worden , door enkele stukken , die Mr. Roosegaarde Bisschop uit 
het archief van het India Office te Londen deed overschrijven 
(verg. hierover bl. 558 — 559 dezer Bijdragen , 6« Volgr. 2* Deel 
1896). De bladzijden, die ik zul aanhalen, hebben, indien geen 
andere aanwijzing is gegeven, op Netscher^s boek betrekking. 

In het begin van deze eeuw hadden de Engelschen hunne bij- 
zondere aandacht op de landen van Sumatra aan straat Malakka 
gevestigd. De snel toenemende handel van Poeloe Finang bracht 
de bewoners van die landen in nauwere aanraking met de En- 
gelsche handelaars en bestuurders: verscheidene zendingen van 
Engelsche zijde moesten er toe leiden om de gemeenschap uit te 
breiden en den handel van Sumatra naar Poeloe Pinang te ont- 
wikkelen. Het bleef daar echter niet bij. Toen het bekend werd, 
dat, krachtens het Londensch tractaat van 13 Augustus 1814 * 
Malakka aan Nederland zou worden terug gegeven, zagen de En- 
gelschen uit naar een nieuw punt, waardoor zij zich van den handel 
in straat Malakka konden verzekeren. Dientengevolge werd de majoor 



> Netscher beging natuurlijk eene vergissing, waar hij op bl. 148— 14*^^ deed 
drukken „krachtens het Weener Congres." 



DE ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON ENZ. 211 

(Icr ingenieurs William Farquhar naar Sumatra^s Oostkust gezonden 
en sloot hij te Boekit Batoe dd. 31 Augustus 1818 met den Sultan 
van Siak eene handelsovereenkomst (bl. 148 — 149). 

Het Gouvernement te Calcutta scheen, evenals dat van Poeloe 
Pinang, zeer met dezen stap ingenomen te zijn en gaf zelfs 
machtiging om een Britsch etal^lissement te Sit^k o]) te richten , 
indien het Gouvernement van Poeloe Pinang het raadzaam mocht 
aciiten. Dit bestuur oordeelde het echter beter om er eerst naar 
te streven van de Oostkust meer kennis te verkrijgen. Vandaar 
de zending van den heer R. Ibbet^ou, een der ambtenaren van de 
O. I. Compagnie te Poeloe Pinang; zijne instructie van 18 Mei 
1820 was ook geheel van commercieelen aard. De luitenant 8. C. 
Crooke werd hem toegevoegd , voornamelijk voor typographische en 
hydrographische opnemingen. De zending liep echter ongelukkig 
af. Men kwam dd. 25 Juni 1820 in eene monding van de rivier 
van Djambi, maar kon niet tot de stad van dien naam komen. 
Ibbetson werd ziek en moest naar Singapore om geneeskundige 
hulp. Van daar zeilde men naar de rivier van Siak , maar Ibbetson 
was te ongesteld om dat rijk te bezoeken. Assahan werd voor één 
dag, Deli voor twee dagen aangedaan, en den 4" September 1820 
kwam de commissie te Poeloe Pinang terug (bl. 151 — 152). 

Doch ofschoon inderdaad Ibbetson's zending uitsluitend van 
commercieelen aard was geweest, ontlokte zij aan het bestuur der 
Oost-Indische Compagnie te Londen afkeurende opmerkingen, die 
bij schrijven dd. 23 April 1823 (dus ruim 2 jaar na Ibbetson's 
tocht) den Gouverneur van Pinang, Phillips, onder de aandacht 
werden gebracht, en die hij ontving in den aanvang van November 
d. a. V. Bij nota dd. 7 November 1823 teekendc Phillips hierop 
echter het volgende aan : 

The Honourable Court seems to have misconceived the objects of 
Mr. Ibbetson 's mission to the Eastcoast of Sumatra, by the streng 
terms in which they enjoin us scrupulously to abstain from forming 
any new engagements with the native states, and from any ])roceeding 
likeïy to affect our political relations with the Dutch in these seas. 
That mission had no political object whatever, froiii all points bor- 
dering or likely to border on which , Mr. Ibbetson was most earnestly 
and decidedly instructed to abstain. His mission was piireiy commer- 
cial and such as the Honourable Court in para 44 of their general letter 
of the i8tli. April 1805 authorized and called upon this Government 
to depart. 



212 DE ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON 

It is pleasing to observe, and must be satisfactory tu Mr. Ibbetson 
and Captain Crooke to know that the Honourable Court concur in 
the commendations bestowed by us on their conduct during the 
mission, and declare their reports to be creditable to their talents 
and industry, and to contain interesting information. These reports 
however were such only as the unfortunate illnes of Mr. Ibbetson 
enabled them to prepare, but I trust that when the Honorable Court 
shall be possessed of the result of Mr. Anderson's more successful and 
more happy labours, they will admit that there were objects in the 
Eastcoast of Sumatra for accomplishing , which this Government was 
fuUy justified in deputing missions to that quarter. 

Wij worden hieronder met de zending van Anderson uitvoerig 
bekend. Middelerwijl had reeds in 1822 een Engelsche kruiser de 
gansche kust van Sumatra langs straat Malakka hydrographisch 
opgenoraen (bl. 152). 

In dat zelfde jaar vernam onze Gouverneur van Maiakka, dat 
de Luitenant-Gouverneur van Benkoelen, Rafles, die zich toen te 
Singapore bevond , voornemens was zich naar Siak te begeven , om 
aldaar eene Engelsche bezetting te leggen. Terecht bevreesd, dat 
dit zeer tot nadeel zou strekken van den ontluikenden handel van 
Malakka, trachtte onze Gouverneur zijn mededinger voor te zijn, 
en hij twijfelde te minder aan den goeden uitslag, omdat in het 
vorige jaar de Sultan van Siak herhaaldelijk bij hem aanzoek 
had gedaan om de oude betrekkingen tusschen Siak en Malakka 
te vernieuwen. De Gouverneur stelde in commissie tot de behan- 
deling van deze zaak den kapitein-luitenant ter zee D. Buijs, 
commandant van Zr. Ms. Irene ' , aan wien hij als Secretaris toe- 
voegde den hoofdcommies van het Gouvernement van Malakka 
E. Van Angelbeek. Deze slaagde er in dd. 16 December 1822 
het vroegere tractaat van 1761 te vernieuwen. De Sultan gaf een 
brief en geschenken aan den Gouverneur van Malakka mede en 
de Irene kwam den 19° December aldaar ter reede terug (bl. 
152—155). 

Intusschen had ook het bestuur van Poeloe Pinang besloten de 
zending van Ibbetson naar de Oostkust van Sumatra te hervatten , 
zoowel omdat men van die eerste, hoewel niet geheel volbrachte, 
reis reeds goede uitwerkselen voor den handel van Poeloe Pinang 



* Netscher schrijft op bl. Ió3, 155 en 158 noot*) steeds Sirene. Op gezag 
van J. J. Backer Dirks' „Nederlandsche Zeemacht" (1891) dl. Il bl. 503, 505, 507 
houd ik dit ook voor eene vergissing. 



NAAR StJMATKA's OOSTKUST IN 1820 EN 1823. 213 

nieeiule te bespeuren, als omdat men vernomen had, dat het 
Nederlandsch Bestuur van Malakka zich met Siak had in aanraking 
gesteld en men er zeer bevreesd voor was, dat daardoor de handel 
geheel naar Malakka zou worden verplaatst. Men koos voor deze 
zending weder een der ambtenaren van het etablissement, John 
Anderson, een man van veel zaakkennis en goed op de hoogte van 
de Maleische taal, zeden en gebruiken (bl. 157). De geloofsbrief, 
dien hij op zijn zending niedekreeg , luidde : 

To all to whom these presents shall come. 

Greeting , 

Be it known that 1 the Honourable William Edward Phillips, Governor 
of Pulo Penang and its dependencies , have nominated and appointed 
Mr. John Anderson , a civil servant of the Honourable East India Com- 
pany of England and by these presents, do nominate and appoint the 
said Mr. föhn Anderson my Agent and deputed him to visit such 
ports and places on the East coast of Sumatra and other countries 
to the Eastward as are on communication and friendly terms with the 
Government of Pulo Penang and I hereby request that all Rajahs 
and Chiefs of the several ports or places, he may visit during his 
mission , will receive the said Mr. John Anderson as Agent of the 
Honourable Company with kindness and hospitality and that they will 
communicate with him freély and confidentially on all matters relating 
to trade and commerce, which it is my desire to promote and en- 
courage to the mutual advantage and benefit of these countries and 
Pulo Penang. 

Given at Pulo Penang this 4th day of January 1823, corresponding 
with the 22nd Rabiulakir 1238 under my hand and seal as Governor 
of Pulo Penang and its dependencies. 

Tegelijkertijd werden voor de verschillende vorsten en hoofden 
op Sumatra's Oostkust brieven geschreven , gedagteekeud 6 Januari 
1823 en gericht aan de vorsten van Langkat, Siak, Salengore en 
Deli, zoomede aan de hoofden van Batoebara, Assahan, Serdang, 
enz. Alle deze door den heer Bisschop overgelegde brieven komen 
met ondergeschikte wijzigingen op hetzelfde neder, zoodat volstaan 
kan worden met de mededeeling van het volgend schrijven : 

THE RAJAH OF SIACK 
After compliments. 

It is some time since I last addressed my friend, but he may be 
assured that those friendly feelings and that amicable relation, which 
is founded upon our long acquaintance and the intimate connection 



214 DB ZENDINGEN VAN IBBETSON EN ANDERSON 

between Siack and Pulo Penang , for a long series of years , still remain 
unaltered and unchanged. The last ambassador whom I deputed to 
wait upon my friend, about 3 years ago, was forced by indisposition 
to return without accomplishing the objects of his mission. As some 
time has elapsed thereforc since a direct communication took place 
between us (although the trading vessels of my friend's country have 
continued to resort to this place) I am desirous of manifesting to my 
friend the continuance of my friendly disposition towards him and 
being desirous to improve and extend the commerce between the two 
countries, I have deputed a confidential Agent, Mr. John Anderson, 
one of the Honourable Company's servants on this etablishment to 
wait upon my friend, not only for the purpose of giving additional 
assurances of my sincere disposition to promote the welfare of Siack, 
but also to give my friend some beneficial information respecting the 
trade and useful manufactures which are imported into this place from 
Europe and other places, which my friend may perhaps be disposed 
to introducé a greater demand for in his dominions. The valuable 
produce of my friend's country always finds a profitable and ready 
sale here, while every proper accommodation is given to the traders 
who visit this port, and which it is my particular injunctions to the 
several officers of my Government to continue. It will be gratifying 
to me to see the vessels from Siack resort to Pulo Penang in encreased 
numbers, and it cannot fail to be extremely beneficial to my friend's 
country and to the prosperity and welfare of its inhabitanls. Mr. 
Anderson will communicate fully with my friend. Mr. Anderson will 
deliver some small presents as a mark of good will. 

Doch zoo de vroegere zendingen van Poeloe Pinang inderdaad 
slechts vhu commercieelen aard geweest waren, Andersou^s missie 
had ook staatkundige bedoelingen, al stond dit niet in de brieven 
van Piuangs Gouverneur. Ouder den schijn van eene loutere handels- 
zending te volbrengen, moest Anderson blijkens eene '/Memorie 
tot naricht van den heer Anderson " dd. 1 Januari 1823 door den 
Gouverneur verstrekt (bl. 157), het noodige trachten te doen om 
ons uit Sumatra^s Oostkust, en speciaal uit Siak, te weren. 

Na een aantal plaatsen, van kaap Temiang af, bezocht te hebben , 
kwam Anderson op 21 Maart 1823 voor de hoofdstad Siak ten 
anker en keerde hij den 26" d. a. v. naar Poeloe Pinang terug. 
Hij had geen tractaat gesloten met den Sultan van Siak , door 
wien geweigerd was hem het verdrag met de Nederlanders aan- 
gegaan , te laten zien , maar Anderson was de overbrenger van 
twee brieven van dien vorst aan den Gouverneur van Poeloe 
Pinang. In den eersten, gedagteekend 11 Redjab 1238 (24 Maart 



NAAR SÜMATRA*S OOSTKUST IN 1820 EN 1823. 215 

1823), zegt (Ie Saltaii bevreesd te zijn voor een aanval van de 
Hollanders en zijn steun te zoeken bij de Engelsclien In den 
tweeden van den volgenden dag betoogt hij zijne ingenomenheid 
met Anderson's komst; verder deelt hij mede van, in overeenstemming 
met zijne vier soekoe-hoofden , niet slechts het hiervoren bl. 211 
vermelde tractaat van Farquhar bevestigd te hebben, doch tevens 
zich tot acht door den heer Netscher vermelde punten te ver- 
binden (bl. 159), die de verlevendiging van den handel met Pinang 
ten oogmerk hadden, terwijl de Koning en zijne hoofden tevens 
op zich namen "den Hollanders noch eenige andere natie eene 
vestiging'/ te verleenen , «noch hun toestaan hunne vlag te hijsclien 
of te wonen te Siak of op eenige plaats onder het belieer daarvan.'/ 
Dit werd bepaald, niettegenstaande art. 9 van het op bl. 212 
vermeld tractaat van Siak met de Nederlanders aldus luidde: "De 
Sultan zal niet toestaan, dat andere natiën zich in Siak vestigen. 
Hij zal de vrienden en de vijanden van het Nederlandsch 
Gouvernement als de zijnen beschouwen, en zijne vrienden en 
vijanden zullen door het Gouvernement mede als de zijnen wor«len 
a;inge merkt. Ingeval van oorlog zullen partijen elkander helpen, 
zooveel in hun vermogen en hunne maclit is en voor zoover hunne 
belangen dit medebrengen." 

Op den dag, dat Anderson van Siak naar Pinang teruirkecrde , 
schieef Toewankoe Pangeran Koesoema di La^a (ook Zaid Zin ge- 
noemd) , een vijand van den Sultan (Netscher bl. 158 noot 2 en 
bl. 165), en in de Engelsche briefwisseling Pangeran van Siak 
geheeten, den volgenden brief aan Pinangs Gouverneur, dien 
Anderson ook medebraclit en waaruit men ontwiiren kan, dat deze 
met succes onrust en verdeeldlieid gestookt had. 

I beg to acquaint my friend respecting the state of the Kingdom of 
Siack at present. In the month of Jemadil-awal a Dutch brig arrived 
with a great man named Commandant * by the order of the General 
of Batavia, and brought with him the form of a treaty with 12 diffe- 
rent articles *. The King consulted with the Dutch and made a 
solemn engagement, attested on oath, that he would not receive any 



' De Maleyers pleegden aldüs den commandant van een Nederlandsch oorlogs- 
schip te noemen. 

'^ Bedoeld werd het hiervoren op bl. 212 vermeld tractaat van 16 December 
1822. Het telde echter slechts 9 artikels. Misschien bestond het concept, dat op 
aanmerkingen van den Sultan en zijne rijksgrooten gewijzigd werd (Netscher bl. 
153), uit 12 artikels. 



216 DE ZENOINGES VAN IBBBTSON EN ANDERSON 

other nation than the Dulch and that if Malacca should be in difïi- 
culty Siack is bound to assist, and if Siack required aid, Mallacca is 
to grant it '. Aften^ards came Mr. Anderson and brought a letter 
from the Govemor of Pulo Penang and he also requested an engage- 
ment. The King accordingly gave him one containing 8 articles, 
and there is still one more regarding the currencv not inchided -. 
I have furthcr to infonn mv friend that mv rclatïves and children in 
Siack are numerous, and I niyself am the principal old man remaining. 
The Rajah is a young inexperienced lad , and I cannot consent to be 
guided by his understanding or approve of his making an engagement 
both with the Dutch and English. If the Dutch come with a force he 
will no doubt receive them. If my friend wishes to protect or coun • 
tcnance me, do so in sincerity and powcrfully, st) that no other nation 
mav come here, for formerlv I took Siack and hoisted the En^Iish 
colours and till this day I have never been unfaithful to or separated 
from the English. I beg my friend will reply to this letter, that I mav 
know his intentions. I have stated mv wishes to Mr. Anderson. 

De heer Netscher heeft op de waardeloosheid van Siaks ver- 
bintenissen met Engeland nadrukkelijk gewezen (blz. 160), omdat 
^iederland, krachtens de Londensche Conventie van 1811, weder 
in zijne sinds het trautaat van J6 Januari 1761 bestaande 
rechten was' getreden. ^Er is dan ook nergens het bewijs 
geleverd^, merkt Netscher op , '^d a t het bestuur van 
P o e 1 o e P i n a n g de verbintenis van den Sultan van 
S i a k zou hebben aangenomen^ De door den heer Bisschop 
overlegde stukkeu leveren wat meer is het bewijs, dat de ver- 
bintenis door het Pinangsche bestuur werd afgekeurd, zoowel op 
den hiervoren aaugevoerden grond, als omdat, blijkens het door 
Netscher op bl. 161 mede aangehaalde, het aan de Engelsche 
ambtenaren uitdrukkelijk verbodeu was eigenmachtig handelingen 
te plegen , waarmede de Gouvernementen in Europa zich niet 
zouden kunnen vereeniijen. '' 

' Bedoeld worJt blijkbaar het hier boven in den tekst vermeld art. •' van het 
tractaat van IS22. Met werd echter door do Regeerini; te Batavia at'i^ekejrd : 
bl. l.'w) en bl. 102. 

* .Ander-ton was bij zijne instructie (^Netscher bl l.'>7) opgedra.i^en om zoo mogelijk 
de vorsten te bewegen hunne sterke voorin«;enomenheid tegen den Spaanschcn 
dollar te laten varen en de Engelsche sicca-ropijen en kleinere munt aan te nemen. 
Dat hij hierin slaagde blijkt uit de beloften van Deli en Langkat voorkomende 
in de verbindtenissen, bl. XLIX en L door Netscher in de bijlagen gepubliceerd. 

•'' Blijkbaar had Philiip- niet bedoeld, dat onze uitsluiting zwart op wit 
zou worden behandeld I 



NAAR SUMATEA's OOSTKUST IN 1820 EN l823. 217 

Ziehier namelijk wat de Gouverneur bij nota 29 April 1823 als 
president van het medebesturend college te Pinang naar aanleiding 
van Anderson's voorloopig rapport dd. 20 April t. v. opmerkte: 

I have gone over with much interest Mr. Anderson's report of hls 
mission to the Eastcoast of Sumatra and it is gratifying to me to 
acknowledge, that in point of zeal and intelligence he has even sur- 
passed my expectations , and that he has further in the progress ot 
the service entrusted to him displayed a spirit of enterprise and re- 
search and an insensibility to danger and personai fatigue that cannot 
be too highly extoUed. 

He has evidentally succeeded in winning the confidence and good 
will of all the native chiefs whom he visited, and in promoting a 
better and more direct intercourse between them and this Government 
and in impressing them , not only with a correct opinion of the general 
firmness of our purposes , but with some consistent idea of the adven- 
tage that must accrue to themselves as well as to us, from their ad- 
mitting our currency and adopting other means to facilitate and extend 
the commerce subsisting between this Island and the Eastcoast of 
Sumatra. He appears also to have gathered a mass of highly useful 
and interesting information regarding the chiefs and the political and 
natural * history of their dominions. For all these important results of 
his mission he has therefore fully entitled himself to the warmest 
acknowledgments of this Government. 

But it is my duty to point out certain aberrations into which Mr. 
Anderson's great zeal and evidentally most ardent desire of justifying 
the confidence of the Board has betrayed him. 

In the first place what he called «engagements» can be considered 
only as treaties under a different name, to frame which however 
he possessed no authority. His instructions contain not a word regar- 
ding treaties * , and he appears to be unaware of the provisions of 
the 43rd. Sec. of 33 Geo. 3rd. which very decidedly and clearly 
forbids all subordinate Governments to negotiate or conclude any 
treaty with any Indian Prince or State uniess in pursuance of express 
orders from the Governor-General in Council or the authorities in 
Europe, not that I think much harm or good can ensue from these 
engagements or treaties. ^ The Chiefs will attend to them so long as 
its suits their respective interests to do so. But I trust as Mr. An- 
derson wisely abstained from introducing into them any stipulation 
on our part, the Chiefs will not consider these documents as giving 



* Zie bepalingen der Instructie bij Netscher bl. 157. 

* Het komt mij voor, dat aan den zin van de laatste komma af, te beginnen 
met not, iets hapert. Ik nam echter Bisschop 's afschrift behoorlijk over. 



• 



21S DE ZEND1N6BM VAN IBBET80N EN ANDERSON 

theni in return greater claims to pecuniary or even political aid from 
us than what we may be disposed to afford. 

In the next place the whole of the writings, Mr. Anderson has 
produced frora the native chiefs ', are calculated, I fear, to give an 
unfair and erroneous idea of the real motives of this Government; 
they seem to impress an opinion that we desired to engross the 
whole of the trade of their Kingdoms, to the complete exclusion of 
the Netherlanders and even of our friends at the other end of the 
Straits. We had no such intention. It would be manifestly illiberal 
and unfair to make any direct attempts to preclude others from en- 
joying their proportion of that trade. Our object was to advise the 
chiefs against entering into monopolies or exclusive contracts with any 
one, and to prevent the Dutch Government from entirely diverting 
the commerce from the long established channel of this Island to 
their settlement of Malacca and in executing this object our agent 
was particularly cautioned against doing anything likely to excite a 
collision between us and the Netherlanders. Lastlv : Mr. Anderson when 
he leamed at Siack that the Rajah had just before concluded a treaty 
with the Dutch, he should have confined himself to explaining fuUy 
and forcibly the provisions of Colonel Farquhar's treaty (bl. 211 hier- 
voor) , without accepting any new engagements. That treaty having been 
approved by the Suprème Government he should on no account 
have interfered with it, or allowed any additional articles to be 
joined to it. 

The circumstance of the Rajah, not allowing our agent to see a 
copy of this treaty which he had concluded with the Dutch, joined 
to the peculiar character of the letters which His Highness as well as 
Tuanku Long have addressed to me, fully convince me that the terms 
of the treaty are unfavourable tó us "-, and that the Rajah being 
unwilling to fulfill them, looks to us for aid in resisting the encroach- 
ments of the Dutch. It is to be regretted then that Mr. Anderson's 
proceedings at Siack must have raised and fostered such expectations 
on the part of the Rajah as we have no intentions of realizing and 
as we could not attempt to realize without express authority from the 
Suprème Government. 

Mr. Anderson 's additional articles also being accepted after the 
Netherlanders had anticipated us, may involve us in some unpleasant 
discussions with the Government of Malacca. I hold it my duty there- 



^ .Vlen zie de contracten met Langkat en Deli ook by Xetscher, bl. XLIX en L. 

' Dit vermoeden was blijkens het op bl. 215 medegedeelde art. 9 juist. Gelijk 
ik echter in de noot 1 bl. 216 mededeelde, keurde onze Regeering dat artikel 
af; ook werd, blijkens de door Xetscher op bl. 154 — 155 medegedeelde artikelen, 
de handel ^zonder uitzondering van cenigc natie" open en vry verklaard. 



NAAR SUMATRA^S OOSTKUST IN 1820 EK 1823. 219 

fore to take the first opportunity of addressing the Rajah of Siack to 
explain and insist on his observing Colonel Farquhar's treaty as far 
as extending to our commerce the same indulgences as he may at 
any time grant to the most favoured nations, and to remove every 
impression which His Highness may have imbibed of our assisting 
him to violate or set at defiance any political engagements that he 
may have contracted with the Government of Malacca. 

I have thus fully discussed the several inaccuracies into which Mr. 
Anderson has been led. I should bc unjust indeed to notice them 
further than to point them out and I have done this merely to pre- 
vent this Government from being hereafter in any manner committed 
by them. I see clearly that our Agent has been betrayed into these 
errors of judgment by his extraordinary ardour of temper and by his 
anxiety to promote the full success of the interesting mission on which 
he was deputed, and I repeat that his conduct on this fatiguing and 
arduous service justly entitles him to the reward to which he looks 
forward: the best approval of Government and a representation of 
its sentiments to the Honourable the Court of Directors. 

Het raadslid W. A. Clubley meende echter Anderson's hande- 
lingen niet zoo gestreng te moeten veroordeelen als de President; 
zijne Nota luidt namelijk als volgt: 

I quite concur with the Honourable the President in considering Mr. 
Anderson entitled to the fullest approbation of Government for the 
zeal, ability and perseverance with which he has pursued to a successful 
termination the mission lately entrusted to his charge. 

Mr. Anderson's Diary is not yet before the Board, but from the 
report which has been now recorded, we have I think sufficiënt to 
justify a rationa! conclusion that by the result of this mission we shall 
be put in possession of most valuable information with respect to a 
large portion of Sumatra, which has never hitherto been descibed, 
becaase never before visited by Europeans. 

Independent therefore of the adventage which will result to the 
cause of general science, there is a reasonable hope that by the 
additional information now acquired of the cultivation, habits and 
character of the different States comprized within the sphere of Mr. 
Anderson*s visit, this settlement will ultimately derive important bene- 
fits by the extension of trade and by the opening of new channels for 
manufactures. 

With respect to the engagements or as the Honourable the President 
considers them the treaties concluded by Mr. Anderson with the diffe- 
rent chiefs, I am inclined to think that the strict interpretation of 



2£0 DE ZENDINGEN TAN IBBFT90N EN ANDF.R90N 

the Act quoted, might not apply to the present case, for it must 
evidently allude to political treaties of alliance etc, and not to those 
friendly and mutually beneficial commercial arrangements with the 
native princes and states in our neighbourhood which by the 44 para 
of the Honourable Courts ordres of the i8th. April 1 805 this Govern- 
ment is positively and special ly desired to encourage. 

If in the case of Siack , which is the only one of a doubtful nature 
in my mind, Mr. Anderson may have been led to receive from the 
Rajah a paper containing certain engagements on his part, without 
having first seen the treaty or engagement which had been concluded 
by the Dutch mission only a short time previous , — I think it is but 
fair to consider that Major Farquhar*s treaty on the part of this 
Government of 18 18 has been by them considered as obsolete in 
consequence of our restauration of Malacca to the Dutch, and that 
perhaps the intervention of an English agent from hence so imme- 
diately following the Dutch mission ought to be viewed as highly 
opportune, as offording the opportunity to set at rest the erroneous 
notions which had been entertained and to restore to Penang that 
due participation in the commerce of the country, which was indeed 
a main object of the mission. It must be remembered also that there 
is no stipulation on our part or any concession whatever, and that 
the engagement which the Raja of Siack voluntarily drew out and 
gave to Mr. Anderson, may be considered and have been intended 
as a proof of his great consideration and respect for the British Govern- 
ment and of his sincere disposition as far as he was able to observc 
the treaty formerly concluded with Major Farquhar. 

Nochtans besloot de Raad om overeenkomstig het advies van 
den President Gouverneur de gerezen bezwaren aan Anderson onder 
het oog te brengen en alzoo ook de door hem medegebrachte 
brieven eenigszins afwijzend te beantwoorden. 

Vandaar dat de Gouverneur Phillips dd. 15 Mei 1823 het 
volgende schreef aan den Vorst van Siak : 

I have received my friend's letter which he transmitted by my 
Agent Mr. John Anderson and ara highly sensible of the kind and 
friendly reception which that gendeman experienced at Siack. The 
sentiments which Mr. Anderson was instructed to deliver to my friend 
were to recommend an entire freedom of commerce to people of all 
ports and nations being permitted and encouraged , which I am happy 
to find my friend is equally inclined with myself to patronize. 

With reference to the subject of the Communications, which have 
taken place between my friend and the Duth Government of Ma- 
lacca, I can only say that the British are at peace and on lerms of 



XAAR SUMATRa's OOSTKUST IN 1820 EN 1823. 221 

amity and friendly commercial intercourse with that nation and wish 
to remain so. It is by no means our desire to form any treaties or 
engagements by which the trade of Malacca or any other place whether 
under Dutcli, British or Malagan rule should be injured or restricted 
and at the time I request my friend attentively to consider these 
sentiments. I of course expect that the commercial intercourse between 
Penang and Siack will be also unrestricted and by the joint endeavours 
of myself and my friend be increased, as indeed it is stipulated in 
the treaty which my friend concluded with Major Farquhar in i8i8 
that the British traders visiting Siack shall have all the privilege and 
favour which the most favoured nations possess them. 

As to the treaty above mentioned it has been confirmed by the 
Govemor-General in Council of Bengal and it is proper that both 
parties should mutually perform their respective and original stipu- 
lations. 

I therefore do not wish to make any alterations or additions théreto 
and I have only to express my gratification of my friend's cordial 
reception of my Agents and my hope that a lasting friendship will 
always exist between Siack and the Government of Prince of Wales 
Island. 

Aan den op bl. 215 vermelden Paugeran van Siak schreef 
Phillips tegelijkertijd den volgenden brief: 

I have the pleasure to acknowledge the receipt of a letter from my 
friend by Mr. Anderson and to express my obiigations for the assistance 
and civility of my friend towards that gentleman. I am obliged to my 
friend for his information relative to the treaty formed with the Dutch 
Government and the affairs of the country of Siack, with the Rajah 
of which I have been long in the habit of friendly correspondence 
and desire to be on the best of terms. As to my friend's own affairs 
with the Government of Siack it would not be proper for me to enter 
into any discussion of them, but I hope that my friend and the Rajah 
may always be on those terms of good will and amity which are so 
desirable between relations, and that by their united means an enc- 
rease of intercourse may take place between the subjects of Siack 
and the British possessions. 

Bij schrijven van den Qouvernements Secretaris dd. 8 Mei 1828 
werd Anderson zijoe verkeerde opvattingen onder het oog gebracht , 
doch deze berustte niet in de aanmerkingen; de '/Late Agent to 
the Eascoast of Samatra'/ beantwoordde ze toch bij missive, gedag- 
teekeud Piuang 13 Juli 1823 aldus: 

Having been engaged in the preparation of the final rcports of my 
mission, I have thus long delayed replying to your letter of the 8th. 



£22 DE ZENDINGEN VAN IBBRT80N EN ANDBBSON 

May, in answer to my communication to Government of the 20th. 
of April. Highly gratified as I must naturally be, by the flattering 
approval which Government is pleased to express of my proceedings 
generally and of my intentions, it is matter of no small concern to 
me to observe that a misconception exists as to my conduct at Siack , 
which has drawn forth the animadversions of Government , and which 
I am very anxious to remove. 

I have reperused my report and its accompaniments , and am 
unable to observe an\' expression which can bear the construction 
«that my proceedings at Siack raised any expectation on the part of 
the Rajah, of the interference of the British Government, to enable 
him to resist the encroachments of the Dutch.» So far indeed from 
giving him any such assurances, it is distinctly stated in my report 
that «the Rajah of Siack particularly enquired whether the Ënglish 
would give him assistance and protection in case the Dutch should 
attempt to settle in his country by force, (for he expressed his deter- 
mination to resist them as long as he had the power). I informed 
him that I had no authority to interfere in political 
matters at all, my mission being purely of a commercial 
nature; and designed to devise new means of extending and impro- 
ving our commerce»: and afterwards in allusion to a conference 
with the Tuanko Pangeran, and his desire to send a letter to the 
Honourable the Govemor, I stated that «although I explained to the 
Tuanko Pangeran that the English Government had no desire for any 
extension of territory, but merel y desired a fair and equi- 
table participation in the trade of the surrounding countries. 
and its objection to interfere in any of their intemal disputes etc.» 
The mere circumstance of my taking charge of his letter cannot in 
strict propriety , render me liable to the imputation of being his 
advocate, or having held out to him any prospects from the British 
Government. Me gave me two letters for Sir Stamford Raffles and 
Colonel Farquhar on the same subject, which I forwarded from 
Malacca and which proves, I think, conclusively , that I had no 
intention of aiming at the exclusion of the Settlement at the other 
end of the Straits from a participation of the trade of the country. 

I am at a loss therefore to conjecture upon what grounds 
the Honourable the Governor in Council should impute to me any 
devialion from my instructions , to which indeed I have , as far as 
I am able to judge, strictly conformed, nothwithstanding a discre- 
tionary power was vested in me to act as I deeraed best for the 
interests of this settlement. ' 

I have onlv in conclusion to add, that I lear any disavowal of niv 

• Zie den aanhef der op bl. 214 hiei voren bedoelde Memorie. 



NAAR SÜMATRa's OOSTKUST IV 18Z0 EN 1823 223 

proceedings or the acts of an Agent vested as I was with fuU powers 
to negotiate with the several chiefs would be a very serious reflection 
upon my character, and a virtual abandonment of any privileges ac- 
quired by the treaty of Colonel Farquhar, which it was my object 
and study to secure and retain, and I apprehend would have a ten- 
dency to excite jealousy and distrust towards the British Government ^ 
and withdraw that small portion which yet remains of that once 
valuable commerce which formerly subsisted with the State of Siack, 
and assuredly occassion a degree of reserve and want of confidence 
towards any future agent who might be deputed to that State. 

As to the papers or writings from the Malagan chiefs which I 
brought with me, and which I have called «engagements» , they 
cannot in any view be termed «treaties» as a treaty supposes a 
mutual concession. I conceded nothing on the part of the Government, 
I bound myself to no obligation, and in short I promised nothing 
more than that they should receive every attention in respect to their 
commerce with Penang, and every consistent facility, as desired by 
my instructions. These engagements were voluntary, and may be 
considered merely as replies to the letters of which I was the bearer. 

Dezelfde redeneeringen over het louter commercieele van Anderson's 
optreden, vindt men in zijn Mission, blijkens de aanhalingen 
▼an Netscher, bl. 158. En wat te zeggen van Anderson's ver- 
dediging over het medenemen van den brief van den Pangeran 
van Siak ! 

's Gravenhage, Mnart 1897. 



G« Vülgr. III. 1G 



EEX SPAANSCH SCHRIJVER OVER DKN GODSDIENST 

DER HEIDENSCHE BIKOLLERS. 



In den vorigeo jaargang van dit tijdsclirijft ' is met een enkel 
woord gewag gemaakt van een geschrift over de afkomst en de 
godsdienstige voorstellingen der bevolking van 't Bikolgebied in 
vroeger tijd, welk geschrift door Pater José Castaüo opgesteld, 
deel uitmaakt van Retana^s Archivo del Bibliofilo Filipino, 
Deel I. Hetgeen ons in dat stuk wordt medegedeeld is voor een 
niet gering deel ontleend aan oudere berichten van zendelingen, 
die werkzaam waren onder de heidensche BikoUers om dezen tot 
het Christendom te bekeeren , doch het is er niet te minder 
belangrijk om. Want daargelaten dat Pater Castano ook menig 
feit uit eigen waarneming inlascht en daarenboven een geheel 
mythologisch gedicht van een ouden Bikoller voor H eerst wereld- 
kundig maakt, zijn de oude boeken, waaruit hij geput heeft, hier 
te lande niet te vinden. Daarom geloof ik geen overbodig werk 
te doen, wanneer ik de lezers van dit tijdschrift met den zakelijken 
inhond van genoemd geschrift bekend maak en daaraan eenige 
noten toevoeg. Het zal hun blijken dat de godsdienstige voorstel- 
lingen en gebruiken der heidensche Bikollers in \ nauwste verband 
stafctn met den aiouden godsdienst hunner stamverwanten in Indonesië. 

Onder den naam van Bikol verstaat men het Z.W. gedeelte van 
Luzon, dat schiereilandachtig door de landengte van Tavabas met 
het veel grooter Noordelijk deel van genoemd eiland verbonden is. 
Het bevat tegenwoordig de provinciën Camarines en Albaj, 
benevens de eilanden Masbate, Tikao, Burias en Katandnanes, en 
ontleent zijn naam aan de rivier Bikol '. De bewoners dezer uit- 
nemend vruchtbare en aan natuurschoon rijke streek worden door 
Pater Castano geroemd om hun zachtaardigheid, leerzaamheid en 



< D. XLVI, blz. 146. 

* Over den staat der provinciën Camarines en Albay in 't begin dezer eeuw 
zal men met vrucht raadplegen de Estadismo van Marlinez de Zuniga (ed. 
Retana) D. II, 4<»— 45. 



EEN SPAANSOH SOHRIJYER OVER DEN GODSDIENST ENZ. 225 

godsdienstigen zin. Eigenlijk is dit alleen van toepassing op de 
Christelijke bevolking, die verreweg de meerderheid uitmaakt en 
die door den schrijver als Bikolsch van zuiveren bloede wordt 
beschouwd. Als tot een ander ras behoorende noemt hij de Agta^s 
of Negrito's, die in wilden staat leven. Een derde groep vormen 
de Cimarronen, lieden die zich, om onafhankelijk te blijven van 
de Spaansche heerschappij , in de wildernis hebben teruggetrokken. 
Volgens 't eigen oordeel van Pater Castano zijn echter deze laatsten , 
hoezeer onbeschaafd , van hetzelfde ras als de bekeerde Bikollers. 

De oude godsdienst der thans Christelijke Bikollers was een 
veelgodendom, en hun geloofsbegrippen waren gegrond op het 
denkbeeld dat er een God van 't goede , en een God van 't kwade 
bestond, met hun aanhang van mindere goden, goede of kwade, 
al naarmate de oppergod was wien zij gehoorzaamden. 

Aangaande de godsdienstige voorstellingen der Agta's weet de 
Schr. uit eigen ervaring het een en ander dat niet van belang 
ontbloot is, mede te deelen. Meermalen had hij gelegenheid met 
uiterst onwetende en bekrompen personen van dat volkje in aan- 
raking te komen en te onderzoeken of zij eenig denkbeeld van 
een Opperwezen hadden. Het antwoord van die lieden was dan, 
terwijl zij den blik ten hemel hieven: «ydat zij geloofden dat daar 
boven in den hemel een groote Heer woonde; dat hij degene is 
die den donder voortbrengt en op de aarde de dingen die vrees 
verwekken afzendt n Op de vraag of voor hen na den dood 
alles uit was, betuigden zij van neen; '^dat zij na gestorven te 
zijn rondwaarden door veld en haag . zich dikwijls des nachts ver- 
toonende, totdat zij ten slotte van deze aarde verdwenen om voor 
eenwig in een ander oord te verblijven.'/ 

Om tot de oude Bikollers terug te keeren , dezen geloofden aan 
een Opperwezen, dat zij Gugurang * of Heer van alles noemden. 
De Gugurang is de goede god, de beschermer van het mensch- 
dom tegen de boosaardigheid van den Asuang, den boozen 
geest *. Van den Gugurang geloofden zij dat hij steeds geneigd 

* Gugurang is afgeleid van Bik. gurang, Bisaya en Tagalog gulang, 
Sangir gurang, met prefix ma: magurang, magulang, magurang, oud. 
Gugurang kan krachtens zijn formatie beteekenen „zeer oud" of „oudvader". 
Dat zulk een woord de beteekenis van „heer" aanneemt, vindt zijn tegenhangers 
in verscheidene, ook niet verwante talen; bijv. in de Romaansche talen, waar 
Signore, Seigneur, Senor, zooals men weet, uit Lat. senior ontstaan is. 

' Asuang, eig. Asuan. wordt in *t Bikolsch Wdb. van Marcos de Lisboa 
opgegeven als zijnde een demon of heks, die op menschenvleesch, inzonderheid 



226 KlCy SPAANSCH SCHRIJYIR OTKR DVX eODSDIENST 

was om hunne gebeden te verhooren en han te schenken wat zij 
behoefden, terwijl zij van den Asaang niets dan kwaad ver- 
wachtteu. Vooral de moeders die kleine kinderen hadden duchtten 
dezen en gaven zich alle moeite om hun kleinen te verbergen , 
uit vrees dat de Asuang zich aan 't bloed en de ingewanden der 
kinderen zou verzadigen. 

Voorts geloofden zij ook aan 't bestaan van den Batala, een 
soort van beschermgeest , minder in macht dan Gugarang*. 
Het was de taak van den Ba tal a de negerij die hij in zijne 
hoede had gelukkig te maken en den raensch wiens geleigeest 
hij was te beschermen. Hij zorgde dat zijn beschermelingen geen 
last leden of ten minste geen groote schade ondervonden van 
naburige landschappen. Wanneer nu eene negerij vrede en voor- 
spoed genoot 9 schreef men zulks daaraan toe dat haar Batala 
door Gugurang met hare bescherming belast was. Ook geloofden 
zij aan uog andere goede geniussen, eveneens door Gugurang 
afgezonden, en Katsimbaj geheeten. Deze werden beschouwd 
als geleigeesten van individuen, en niet, zooals de Batala, van 
eene negerij of familie. Deze geniussen waren talrijk en werden 
dikwijls verward met de Anito's of geesten der voorouders *. De 
jagers hadden een bijzonderen beschermgeest der jacht, Okot 
genaamd'. Dit was een boschgeest, die zich in 't struikgewas 
placht op te houden en door gefluit een teeken gaf waar men 
overvloedig wild kon aantreffen. Ëvenzoo hadden de visschers hun 
beschermgeest, dien zij Mangindan noemden, en die door 
kreten of teekens te kennen gaf waar overvloed van visch was, 
of waarschuwde als er slecht weer op handen was. 

Zij geloofden verder aan onderscheidene booze wezens, waarvan 



de ingewanden aast. Iets dergelijks is Bis. asuang, Tag. usuang. Het is het- 
zelfde woord als Dayaksch sa wan, de booze geest die stuipen veroorzaakt; 
Jav. sa wan, een booze geest die stuipjes en beroerte veroorzaakt. Ook bekend 
in 't Sundaneesch en Maleisch. In 't Mak. en Bugin. sawang, de besmetting 
van een kind door een boozen geest 

' Batala is natuurlijk het uit Skr. Bhatfftra ontstane woord dat in zooveel 
talen van den Indischen Archipel zijn weg heeft gevonden. Vgl. deze Bijdragen 
D. XL VI, 723, en Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië , Jan 18^7, blz. 16. 

* Katambay ontbreekt in 't Wdb. , doch het woord vertoont zich duidelyk 
als eene afleiding van eenen stam, die in 't Oud-jav. tambay, tambe, Nieuwj. 
tSmbe, Tag, tambay, vroeg, eerst, dan eerst, enz. luidt. Katambay is 
dus »met het begin (der wereld) ontstaan", of , eersteling" , hetgeen tamelijk wel 
samenvalt met ,voor\'ader". 

' Hiermede weet ik niets te vergelijken dan Bis. oko, heksenmeester. 



DEK HRIDENSOHB BIKOLLERS. 227 

de Bongg(5^s de kwaadaardigsteu waren. Deze dienaren van den 
A s u a n g , op wiens last zij door de dichte bosschen rondwaarden , 
waren eeveneens van eene menschelijke gedaante , doch zeer leelijk , 
inet oogen welke, naar het scheen, vonken vuurs schoten, alles 
wat hun te gemoet kwam door gloed verterende. Zij waren het, 
die wanneer de Asuang in aantocht was, hem voorafgingen en 
de klaagtoonen van den nachtvogel Korokoró * lieten schallen. 
Dat was altoos een onfeilbare voorbode van de aaustaaude komst 
van den Asuang, wanneer deze dd ingewanden van een kind 
wilde verslinden. Daarom nam men alle voorzorgen om de kin- 
deren te verstoppen en te bewaken, totdat de Korokor6 zij «e 
klagende tonen niet meer liet hooren. Doch zoo men bij voort- 
during een dof gerommel hoorde, als van donder in de verte, 
werd men door een onbeschrijfelijkeu angst aangegrepen, daar 
men dan geloofde dat de Asuang gekomen was om de inge- 
wanden van een klein kind of eenen zieke te halen, of ook dat 
er weldra een sterfgeval zou plaats hebben in de duluhan of 
afdeeling 2. 

Een ander boos wezen was Irago of Oriol, een fabelachtige 
slang, de dochter van den A s u a n g , welke de eigenschap bezat dat 
zij zich even plots aan de blikken der meuschen placht te ver- 
toonen als wederom daaruit te verdwijnen. Haar werk was den mensch 
dien zij betooverd had te verleiden en mee te slepen waarheen zij wilde ; 
zij verlokte de mannen tot boeleerderij , tot roof en wraakneming, 
zonder dat zij in staat waren aan hare aaulokselen wederstand te 
bieden of zich aan haren invloed te onttrekken. 

Een zeer geduchte booze geest was ook Yasao, een soort van 
gedrocht, dat zich 's nachts bij heldere maan in de schaduw van 
't geboomte vertoonde en schrik aanjoeg. Wanneer men met 
zijn verschijning ook kreten hoorde, dan was het een teeken dat 
iemand spoedig zou sterven, daar de Asuang dan in aantocht was 



^ Korokoro, Bis. kolokolo is eig. 't geroep van Bik., Bis., Bagobo 
limukun, limokon, een soort houtduif. Vgl. Mak. kuru. 

' Duluhan, dat ook in het Tag. bestaat , wordt weergegeven met een Spaansch 
„la gente de una cabeceria, o barrio." Vermits Tag. dulu, Jav. , Mal. enz. 
djuru o. a. hoofd beteekent, kan duluhan z. v. o. hoofdmanschap, en „wat 
onder een hoofd staat" uitdrukken. Doch dulu kan ook beantwoorden aan Mal. 
djuru, hoek, Malag. zuru, Batak duru. hoek, uiteinde, Bulu ruru, kant, 
zijde; zoodat duluhan te vergelijken ware met het Duitsche ortschaft (ort 
is eig. punt). 



228 E£.H SPAAN'SCH SCHRUTER OVEE DE!! GODSDIENST 

om een moordaanval of lalaban* te doen. Deze Yasao nam 
somwijlen ook de gedaante aan Tan Laki ^, een monster met de 
voeten en het haar van een geit en het gezicht van een afzichtelijk 
mensch. In dezen staat zwierf het door de bosschen , als straf hem 
door den Asaang opgelegd, om zijn traagheid in H vervolgen der 
mensch en. 

Wat het leven hiernamaals betreft, geloofden zij dat de zielen der 
goeden naar den Gagurang gingen, om het loon van han dappere 
daden te ontvangen, in eene plaats genaamd Kamnraaayan, 
eene plaats van zalige rast. Uaarentegen gingen de boozen naar *t 
verblijf van den Asaang om de straf te ondergaan voor hanne 
zonden , waaronder als de ergste beschoawd werd bloedschande met 
een zaster of naverwante ^, eene plaats van vaar, vlammen en 
verstikkende hitte, Gagamban genaamd. 

De eeredienst der heidensche BikoUers was weinig ontwikkeld. 
Zij vereerden den Gngaraug met een offerande, atang**. De 
plaats waar men die offerande placht aan te bieden was de galang- 
gnlaogan^, eene soort van tijdelijke looverhnt van riet en 
palmbladeren. 

Van het Opperwezen, Gugarang, maakten de Bikollers geen 
beelden i doch wel hadden zij beeldjes, lag dong, van de voor- 
ouders. Bij de Agta s treft men ook zeer raw bewerkte beeldjes aan. 

De oade maatschappij der inlanders van Bikol was samengesteld 
ait drie standen: dato, dalahan en oripon. De dato is het 
hoofd; de dalahan is de werkman; de oripon is de slaaf, in 



• Het Wdb. heeft lalaba^ verklaard als zijnde een voortceken door klaagtonen 
die men hoort dat iemand veeg is. 

• Laki is de stam van la laki, dat'zoowel in 't Bikol als in zooveel andere 
verwante talen „kerel, mannelijk wezen" beteekent, gelijk trouwens ook laki. 
In 't Bis. is laki, grootvader; bij de oude Pangasinans was laki de naam van 
den krijgsgod. 

• De verbodsbepalingen tegen huwelijken in de verboden graden zijn, gelijk 
men weet, ook zeer streng bij de Dayaks. Voor de Ngadju-Dayaks vgl. men 
Hardcland's Wdb. onder tulah; voor de Dayaks in Sarawak, Ling Roth, The 
Natives of Sarawak, Ch. V. 

• In 't Oudjav. is de gewone naam van eene offerande saji: ook thans 

nog »M(C^;aK. Daar nu j^'tict in bcteekcnis ver\vant is met ajÊifc , en io»»ó 

wederom zich aansluit bi} tunici\ Bis. adang, enz. schijnt Bik. atang eene 

gewijzigde vorm van adang te wezen. 

• Vgl. Jav. go4ongan, loof. 



DER HETOENSCHE BIKOLLERS. 229 

den oorlog verkregen, of wel gekocht of tot dien staat vervallen 
tee gevolge van geldschulden. Tot den stand der duluhans of 
belastingschuldigen behoorden de bedienaren van den godsdienst 
die Asog genoemd werden >. 

Deze Asog's — ook in 't Bisaya bekend — zijn mannen die 
zich als vrouwen kleeden en ook in andere opzichten , in gebaren , 
manier van spreken enz zich als vrouwen trachten voor te doen. 
Het was een zeer gewoon gebruik dat zij niet trouwden om beter 
geschikt te zijn voor hun beroep. Zij kenden ook het gebruik der 
besnijdenis, pagturi^. Men erkent in deze soort van priesters 
licht de tegenhangers van de basirs bij ettelijke Dayakstammen , 
d. i. van mannen die zich als vrouwen kleeden , en van tooverij 
en ontucht hun beroep maken. Zij doen ook denken aan de biss u's 
des Makassaren en Boegineezen, een soort van toovenaars die 
voorgevende door een hooger wezen bezield te zijn, overal toegang 
hebbeu , tot zelfs in de slaapvertrekken der jeugdige vorstinnen , 
daar zij meestal den schijn aannemen van onbekwaam tot den 
coïtus te wezen, zooals men bij Matthes Mak. Wdb. kan vinden, 
om van diens verhandeling over de Bissu's niet te gewagen. Onwille- 
keurig zou men geneigd zijn de opgenoemde toovenaars en waar- 
zeggers in verband te brengen met den bas o der Bataks, want 
ook deze is iemand die door eenen geest bezield is en daarom bij 
kwalen geraadpleegd wordt; tevens is het eene benaming voor 
vroedvrouwen. Iets soortgelijks is de baritj — dat er uitziet 
als eene opzettelijke omzetting van batjir = bas ir — bij de 
Dayaks van Sarawak. Zoowel in klank, als ten opzichte der voor- 
stellingen die er aan verbonden zijn , vertoonen al deze woorden 
zekere overeenkomst, maar volgens de gewone klankregelen laten 
ze zich niet tot één ï^rondvorm herleiden. 

De vrouwelijke priesteressen en waarzegsters heetten balian, 
een woord dat in eene verwante beteekenis over den geheelen 
Indischen Archipel verspreid is om een verwant begrip uit te 
drukken. Zoowel het woord als de zaak moet derhalve van over- 
ouden tijd dagteekenen en een erfenis zijn van de voorouders van 
't geheele ras. 



* Het albekende woord datu, enz. vereischt geen nadere toelichting. Duluhan 
kan hier kwalijk anders zijn dan eene afleiding van 't Mal. Jav. djuru, en moet 
dus „werkman, baas" of „stand der werklieden, der bazen" betcekenen. Ori po n , 
bis. olipon, Tag. alipin, Ibanag aripan, Dayak djipên. 

' Van turi, Bis. en Tag. tuli, besnijden. 



230 EEX SPAAXSGH SCBÏIJTBR OTK« DBTf GODSDIENST 

Om tot den eeredienst terag te keeren, hebben wij gezien dat 
men den Gugarang eerde met eene offerande, atang. Deze 
offerande, die men bracht om aardsche goederen deelachtig te 
worden of wel als dankoffer, bestond in de aanbieding ¥an veld- 
rrachten, bepaaldelijk ¥an tienden, himolóan *. De ceremonie 
geschiedde op de volgende wijze. Men richtte een tafel op van 
bamboeriet; op die offertafel, salangat, plaatste men allerlei 
spijzen, en nadat de bal ia n eenige geheimzinnige gebeden opge- 
zegd had, hief zij de sorak, een godsdienstig lied aan ter eere 
van den Gagarang, welk lied de aanwezige vronwen in koor 
medezongen '. Zoodra het gezang ten einde was, verdeelden de 
aanwezigen de aangeboden spijzen onder zich en nuttigden die in 
een laidrnchtig festijn, hetwelk dooi^ans eindigde in walgelijke 
dronkenschap of uitliep op twisten, zelfs oorlogen. 

De Sehr^ver betreurt het dat er geen oorspronkelijke liederen 
zijn bewaard gebleven. Het staat vast uit de berichten der eerste 
zendelingen, dat de inlanders zulke liederen in menigte bezaten, 
daar zij veel smaak in poëzie hadden en behagen schepten om in 
verzen te spreken en te schrijven. Yan die neiging hebben die- 
zelfde vreemdelingen behendig partij getrokken: zij hebben de 
geheimenissen van het Katholiek geloof in vers gebracht en zijn 
zoodoende er in geslaagd de inlanders spoedig te bekeereu. De 
laatsten hadden den naam van vaardige sprekers te zijn: hun 
toasten bij gastmalen waren puntig, kort en tintelend van vernuft '. 
Ook heden ten dage ontbreekt het niet aan gelegenheidsdichters 
die de gasten uren lang, soms den gauscheu nacht, door hun improvi- 
saties en kwinkslagen aangenaam bezig wet«n te houden. Oudtijds 
waren er dichters of rhapsoden , die met de kodyapi op den rug 
van plaats tot plaats gingen om de oorlogen der gemeenten, de 
roemruchte daden van een of ander nienwen held, of wel de 
droevige gevolgen van een natuurramp te bezingen. De kodya pi 
was een soort luit van bamboe en met vijf snaren van Manila- 

* Afgeleid van polo, tiental, Jav. puluh, algemeen Maieisch-Polvniesisch. 

' Sorak betcekent eigenlijk gejuich, zooals blijkt uit Jav., Sund., Bataksch 
SU rak. Mal. suraq, enz. 

• De Schr. noemt een toast: kangsin, en een gastmaal: abatayo. Dit 
berust op een misverstand. Aba tayo is in 't geheel geen Bikol. maar de ge- 
wone toastformule der Tagalogs; men kan het vertalen met „op ons aller ge- 
zondheid!'*; eig. is aba een uitroep, z. v. a. : ons ^komaan!" en tayo is het 
voomvv. 1 ps. mv. inclusief. Kangsin heb ik niet kunnen opsporen; kangay 
is in 't Tag. „een genoodigde". 



DEK HRIDF.NSCIiR BIKOLLERS. 231 

henuip voorzien *). Van nieuwere proeven van dichtkunst vermeldt 
pater Castafio het gewrocht van een blinden zanger van Ligao, 
bijgenaamd /rde Homerus van Ibalon^^, in welk gedicht op een 
verdienstelijke wijze de vreeselijke uitbarsting van den vulkaan 
Mayong op 1 Febr. 1814» bezongen wordt. 

De vereering van den Asuang was bijna even algemeen als 
van den Gugurang, doch verschilde natuurlijk in aard en doel. 
Van de verschillende ritueele handelingen waardoor men den fiooze 
trachtte af te weren of te verzoenen , worden met name genoemd de 
hidhid en hogot. De hidhid was een soort van bezwering of 
duivelbaunerij. Wanneer een 'algemeene ramp, zooals sprinkhanen, 
pest of orkaan de streek teisterde , verrichtte deBalian de hidhid, 
waarbij zij den Asuang heftig vervloekte en beval zich van daar 
te verwijderen. Ook ingeval iemand ziek werd door den Boozen 
geest, werd de hidhid toegepast, begon men met een pleister van 
geweekt betelbladen op ^t hoofd van den lijder te leggen , en daarna 
ging de Balian om den zieke heendansen, haar lichaam in 
duizend bochten wringende, en met gebaren alsof zij bad, den 
Asuang te bezweren van den zieke af te laten. Genas de zieke, 
dan schreef men het toe aan de kracht der bezwering; kwam hij 
daarentegen te sterven, dan was het omdat de Asuang den zieke 
uithoofde van diens zonden naar de Gagamban wilde mede 
voeren om hem gruwelijke folteringen te doen lijden. Als men let 
op de beteekenis van h i d in de verwante talen , is het duidelijk 
dat de term eigenlijk alleen toepasselijk is op de behandeling van 
eenen zieke met een pleister van geweekte bladen. Het is ook alleszins 
verklaarbaar dat in H Bisaya hidhid gebezigd wordt als een 
woord voor het laatste oliesel. De hidhid bij landplagen is dus 
een overdrachtelijke term 2. 

Onder hogot, eigenlijk worging, ophanging, verstond men 
een menschenoffer aan den Boozen geest. Bij den dood van een 
• dato of stamhoofd, schreef men dien toe aan de geheime wraak- 
zucht van den Asuang, die zijn honger wenschte te verzadigen 
aan de ingewanden van den overledene. Om zulks te verijdelen , 

^ Kodyapi, ook Bis. ko dyapi, Jav. kacapi, Mal. k&capi, Batak hasapi, 
husapi, Day. kasapi, kutjapi, alles van het Skr. kacchapi, een soort 
van luit. 

' Hidhid bet. in 't Bis. met olie bestrijken; Tag. hirhir, bevochtigen; het 
is eene reduplicatie van Tag. h i r , waarvan p a h i r , het zalven ; Oudjav. h i r , 
stryken, sprenkelen ^ smeren; waarvan hiniran, bestreken (bijv. met sandel- 
poeder). 



232 EEN SFAANSCH SCHRIJVER OVER DEN GODSDIENST 

(loodde men den meest geliefden slaaf van den dato en bood zijn 
ingewanden den Asuang aan, opdat deze het lichaam van het 
opperhoofd niet zou aantasten. Het is onnoodig te zeggen dat 
parallelen van een dergelijk barbaarsch gebruik zeer talrijk zijn *. 

Het allermeest verbreid was de vereeriug der A n i t o 's of zielen 
der voorouders. Deze waren evenals de Romeinsche Lares, huis- 
goden en beschermgeesten , wier beelden geplaatst werden in een 
huisje hoog in een boom, moog, of wel in de meer bezochte 
plaatsen van het gehucht. Den huisgenius betitelde men als Tango; 
den bescherrageest der gemeente als Parangpan ^. 

Bij 't overlijden van een aanzienlijk lieer,magino6 ', vierden 
zij de zoogenaamde pasaka, welke daarin bestond dat men het 
lijk van den gestorvene gedurende langen tijd onbegraven liet en 
bewaarde , zoolang totdat men al 't noodige in orde had gebracht 
om met grooten praal de uitvaart te vieren , waarbij aan de geheele 
duluhan of negerij een overvloedig gastmaal werd toegediend *. 
Om het lijk voor bederf te bewaren, werd het gebalsemd, door 
het van de ingewanden te ontdoen, die ergens werden neergelegd 
waar het zorgvuldig door slaven bewaakt werd , opdat de A s u a n g 
er zich niet meester van zou maken. Daarna werd het lichaam 
gelegd tusscheu twee groote schorsen van den d a o d-boom -* , 
waardoor het reukeloos en voor een langen tijd onbedorven blijft. 
Het gebruik om de lijken gedurende drie of vier maanden on- 
begraven te laten heerscht thans nog bij de Agta's — en, men 
mag er bijvoegen , bij verschillende andere volkstammen in den 
Indischen Archipel. 

De eerste lijkplechtigheid , bas bas geheeten , bestond daarin 
dat men 't lichaam van den doode wiesch. Het was een algemeen 
verbreid geloof dat allen die van deze wereld scheidden in een 



• Vgl. Tijdschrift voor Nederlandsch-Indic , Jan. 1H07, blz. 14 en de daar aan- 
gehaalde schrijvers. 

' Parangpan schijnt te beleckenen: in 't openbaar, daar het eene afleiding 
is van rangop, zich vertoonen. 

' Maginoo van gin co, Bis. en Tag. ginoo, groote heer of dame. Verwant 
is Jav. sinuhun; wat de verwisseling der beginletters aangaat vgl. sin a hu met 
g i n a h u. 

* Blykens de beteekenis van sa ka in 't Bisaya, o. a. onthalen, moet pasaka 
„'t geven van een onthaal", dus „doodenmaal" beteekcnen. 

» Zeker wel dezelfde boom als Bis. dao, volgens Blumentritt's Vocabular de 
naam van twee boomsoorten: Paliurus Dao, en een Poupartia. Het Jav. rahi; 
wordt opgegeven als DracQntomelon mangiferum. 



DEK IIEIDKNSCHE BIKOLLKRS. 233 

staat van bezoedeliug verkeerden, en dat, zij zoo niet vooraf ge- 
gereinigd, groote folteringen in de macht van Asuaug zouden 
te verdnren hebben. Om den overledene van die smadelijke gevan- 
genschap te bevrijden' maakten de balians een kwispel met 
bladeren van aromatische Chinaasappelen , dien zij in goudwater 
doopten en waarmede zij op het lijk sloegen onder 't zingen van 
een lied, kotumba genaamd. Dit alles deden de balians ver- 
gezeld gaan van lichaamsverwringingen en schelle kreten van droef- 
heid, totdat zij uitgeput van vermoeienis ter aarde zegen, als 
bezeten door een helschen geest 2. Wanneer het lijk nu gezuiverd 
was, dwaalde de ziel des afgestorvenen als Anito, vrij van de 
wreede dwingelandij des Asuangs, ongestoord rond door de 
bekoorlijke dreven of in *t dichte lommer der bosschen. 

Bij een of anderen tegenspoed die hun in den oorlog overkwam , 
was het eerste wat zij deden, zich te wenden tot den beroemdsten 
Anito onder hunne voorouders, met den diepsten eerbied en met 
hartverscheurende kreten van droefheid en weeklachten. Ten einde 
het doel van hunne smeekingen beter en eerder te bereiken, 
plachten zij een vasten, dool, te houden, waarbij zij zich ont- 
hielden van zekere geliefde spijzen als teeken van boete. 

Indien iemand een kind had hetwelk hij zielslief had — want 
zij hadden hun kinderen, vooral de moeders, uitermate lief — 
verrichtten zij, om het kind van den vloek des Asuangs te ver- 
lossen, de zgn. yókod ', of wel zij brachten eene offerande aan 
de Anito's. Met dat doel nam men het kind in de armen en 
stapte daarmee met groote snelheid van den eenen kant des huizes 
naar den anderen, opdat het kind den Asuang zou ontvluchten 
en onder de hoede van den Anito komen. 

De bijgeloovigheden der oude Bikollers waren talloos; in de 
geheele hen omringende natuur, nu eens zoo liefelijk en vriendelijk , 
dan wéér ontzagwekkend en vernielend, maar altoos geheimzinnig , 
waanden zij in elk verschijnsel goede of kwade voorteekens te zien. 

* Basbas beteekent in het Tag. absolutie; balasbas, geheel afmaken. Ver- 
gelijkt men het fei'.elijk met basbas overeenkomende Jav. bebas, dan mag men 
aannemen dat met basbas bedoeld is „bevrijding". 

* Bij de Zee-Dayaks op Borneo zijn het demanangs, mannelijke ziektebanners , 
die in zulk een sjamanistische geestvervoering geraken ; vgl. Ling Roth. op. cit ; 
voorts Wilken , Het Shamanisme bij de volken van den Indischen Archipel , in deze 
Bijdragen van 1886, pag. 453 vg. 

* Yokod beteekent blykens het Tag. yokor eigenlijk „eene ngging (als eer- 
betoon)". 



234 EEN SPAANSCH SGHRIJVRIl OVER DEN GODSDIENST 

Een zeer gewoon bijgeloof onder hen was, dat er aan de oevers 
der rivieren zekere heel leelijke apen, Angongolóod genaamd, 
leefden, die wanneer zij iemand te pakken kregen, hem zoo vast 
omklemden dat hij niet losgelaten werd voordat hij in mu boom 
veranderd was Uit dien hoofde nam men de voorzorg, bij 't be- 
varen van een beschjiduwde rivier met een prauw, bal at o, eerst 
flinke slagen op de boord van gezegd vaartuig te geven en tegelijk 
met alle macht te schreeuwen om den Angogolóod te verjagen '. 

Een eigenaardig bijgeloovig feest was de hal ia, hetwelk op de 
luidruchtigste wijze met trommels, pauken en uitgeholde houts- 
blokken of balalons gevierd werd bij voUemaan , om te voorkomen 
dat de Bakonana^, een gedrochtelijk monster, de maan zou ver- 
slinden en een eklips veroorzaken. Ook in 't Bisaya heeft bako- 
ndua (sic) de beteekenis van ^/eklips'/. De voorstelling dat een 
monster de maan verslindt en daardoor de eklipsen veroorzaakt 
bestaat zooals men weet, ook in 't volksgeloof der Hindu's, en de 
Skr. naam van het monster, Rdhu, is in tal van Indonesische talen 
doorgedrongen, o. a. ook in het Tagalog, waar de naam Laho 
luidt. Oogenschijnlijk is bakonaua een inheemsch woord , ofschoon 
de afleiding duister is, en daarom is het twijfelachtig of de mythische 
verklaring van 't ontstaan van eklipsen eerst uit Indië tot de volken 
van den Archipel is doorgedrongen. 

Zonder twijfel inheemsch is wat de BikoUers van den regenboog , 
Hablong-Daudni, fabelen •**. Dauani, die den regenboog heeft 
voortgebracht, was een vermaarde weefster in den ouden tijd en 
wordt beschouwd als de moeder van alle wevers in lateren tijd. 

Gelijk andere volken , op lagen trap van beschaving staande , ziekten 
toeschrijven aan den invloed van booze geesten , zoo geloofden ook de 
inlanders van Bikol dat allerlei kwalen door den Asuang veroorzaakt 
werden. Een natuurlijk uitvloeisel van zulk eene meening is dat 
men ziekten tracht te overwinnen, niet of weinig door genees- 
middelen, maar door allerlei hocus pocus. De machtige man 
die in staat wordt geacht de oorzaak der ziekte te verdrijven is 
d«n meer een geestenziener, een toovenaar, dan een geneesheer. 

* Het Wdb. heeft den vorm angangoloól; het is een nom. actoris of partic 
praes. van een stam kolool, kolood, doch de beteekenis hiervan heb ik niet 
kunnen opsporen. 

' Dit schijnt een drukfout, want het hikol Wdb. geeft bakonaua, en dit 
komt ook zoo voor in 't Bisaya. 

• Het Wdb. heeft habol ni Dauani, d. i, weefsel van Dauani , of h a b I o n 
nin Dauani. Ook in 't Bisaya is habol, hablon, weefsel. 



DER HEIDENSGHE BIKOLLERS. 235 

Bij de BikoUers heet zulk een personage hokloban '. Een van 
de meest gewone praktijken der hokloban s was de haplos^, 
die wel met eenig ceremonieel gepaard ging, doch in hoofdzaak 
een redelijke , op ondervinding steunende geneeswijze was Bij deze 
kuur wierpen de hoklobans na eene aanroeping van Batala 
of eene verwensching van Asuang eerst een wortel, tangan •** 
genaamd, in kokende kokosolie, en wreven met dat mengsel de 
leden van den zieke. Vóórdat de hokloban zijne kunsten begon, 
werd hij behoorlijk onthaald op smakelijke gerechten en gedurende 
de wrijfkuur liet men het hem niet ontbreken aan palmwijn. 

De waarzeggerij werd uitgeoefend door de balians. Werd eene 
balian geraadpleegd om te voorspellen of een zieke zou herstellen 
of sterven, dan slachtte zij een spierwitte kip, o g i s *, en trachtte 
zij door de trillingen van *t hart of de ingewanden er van te 
beschouwen, het lot van den kranke uit te vorschen. 

De balete of Indische vijgeboom was voor de heidenen van 
Bikol — zoo geheel anders dan voor de Hindu's — een voorwerp 
van bijgeloovige vrees. Zij geloofden dat zijn invloed noodlottig 
was en dat hij alles wat door zijn schaduw bereikt werd, in een 
plant kon veranderen. Vandaar dat zij de nabijheid van een balete 
ontweken en zorgvuldig vermeden hun huizen dichtbij dien boom 
te bouwen, uit vrees van in een boomstam veranderd te worden 
of onophoudelijk wederwaardigheden te ondervinden of voortdurend 
aan ongesteldheden te sukkelen. De noodlottige balete oefende 
zoo'n invloed op hun verbeeldingskracht, dat sommige ongel ukkigen, 
als waren zij door een geheimzinnige kracht onweerstaanbaar mee- 
gesleept , er toe kwamen zelfmoord te plegen door zich aan een der 
takken op te hangen. 

Een grooteu schrik hadden zij ook voor den Popó, een kwaadaardig 
spook, dat door de hand te leggen op kleine kinderen dezen in 
hun groei belette en van lieverlede al hun krachten verteerde. Om 
den toorn van den Popó te doen bedaren, nam men de toevlucht 
tot de balian,, die, na "t prevelen van eenige gebeden, het sap 

' Ook Tag. hokloban, bezweerder, toovenaar, van hoklob, Bis. hoklog, 
toover. Bij de Dayaks is de manang zulk een persoon; zie Ling Roth, op cit. 
Chapt. X. 

* Bis. hap los, met bijvorm hapolas, wrijven, afvegen, strijken; het Bikol 
Wdb. geeft hap las. 

* Ontbreekt in 't Wdb. Wel komt voor Bikol, Bis. tangan-tangan. wonder- 
boom, welks vruehten en bladeren een beproefd geneesmiddel zijn. 

* Ook Bis. ogi's, een albino (onder dieren of menschen). 



236 KEN SPAANSCH SCHRIJVER OVER DEN GODSDIENST 

van limoenbladeren op de oogen van het kind deed druppen, 
hetgeen ten gevolge had dat de Pop6 week. 

Het geloof dat de ziel tijdelijk het lichaaoi kan verlaten , bestond 
bij de Bikollers evenzeer als bij hun stamverwanten op Sumatra, 
Borneo en elders. De oorzaak van ziekten lag dikwijls daarin dat 
de ziel uit het lichaam vedwenen was, en zoolang ze niet terug- 
gekeerd was, kon de zieke niet genezen. Om nu' de ziel te doen 
terugkomen, riep men de hulp in van de balian, welke dan 
b dn a y-bladeren ' plukte , ze boven den zieke heen en weer schudde , 
en zoodoende bewerkte dat de ziel in H verlaten lichaam terug- 
keerde, met gevolg dat de kranke aanstonds herstelde. Dit terug- 
roepen van de ziel noemde men sakong^. 

Een schrikbeeld voor de verbeelding der Bikollers was de 
sarimiio, een woest en schadelijk dier, waarvan men geloofde 
dat het zich nu en dan plotseling aan de blikken van misdadigers 
vertoonde om ze met zijne scherpe klauwen te verscheuren. Het 
is duidelijk dat sarimdo niet anders is dan een verbasterd 
Maleisch si harimau, tijger. Ook de Bisayas kennen het woord 
salimao, doch de voorstelling die zij van het dier hebben, is 
nog nevelachtiger dan die der bewoners van Bikol , want zij wanen 
dat het een soort van wezel is. Aangezien er op de Filippijnen 
geen tijgers zijn , is het natuurlijk dat de inlanders geen duidelijke 
voorstelling van dit dier hebben. Het zou gewaagd zijn te ver- 
onderstellen dat de Filippijners eene flauwe herinnering bewaard 
hebben uit een tijd toen hun voorouders in streken woonden waar 
tijgers aangetroffen worden. Eerder mjig men het er voor houden 
dat zij het gevreesde dier enkel uit vertellingen , die tot hen door- 
gedrongen waren , kenden. In de Tagalogsche woordenboeken vindt 
men h a 1 i m a o opgegeven , maar als Bruneisch woord en met de 
vertaling ''leeuw-/, hetgeen reeds voldoende is om het vage der 
voorstelling te doen uitkomen , want leeuwen zijn er in den 
geheelen Indischen Archipel niet. 

Het spreekt wel van zelf dat de inlanders veel hechtten aan 
allerlei toovermiddelen , amuletten , talismans , enz. Tot de toover- 
middelen behoorde het kooksel van zeker kruid, tagahopa 
genaamd •'. Wie van dit kooksel dronk, werd tegen wil en dank 

' Hetzelfde ook in 't Bis.; het zijn de bladeren van de anahao genaamde 
palm (Corypha). 

* Het Wdb. heeft hiervoor sakom, verwant met Jav. cakëp, cakup, pakken, 
daar kêm en kt*p variëteiten syn van denzelfden wortel; vgl. o. a. Jav. tt^këm. 

' Sj'noniem hiermede is volgens het Wdb., tagolmay. Dit komt overeen met 



DER HEIBKNSCHE BIKOLLERS. 287 

de slaaf van dengene die het hem toediende en geheel onderworpen 
aan diens wil. Het was dus een soort van philtrum. Door ^t 
drinken van een afkooksel van een anderen tooverkrachtigen wortel , 
tagohala of tagohalln, verwierf men het wonderdadig ver- 
mogen om door de lucht te vliegen , zich te veranderen in een 
hond, kat of eenig ander dier. 

Nog niet lange jaren geleden, verhaalt Pater Castaiio, kwam 
iemand bij hfem met de bewering dat zeker individu, die vol 
behangen was met kruisen en relieken , door het gebruik van zekere 
wonderbare zalf, waarvan hij 't geheim bewaarde , zich gerust langs 
de toppen der hoogste kokosboomen kon bewegen zonder in 't 
minste of geringste duizelig te worden. 

Ëen middel om zich onkwetsbaar te maken, was een amulet 
hetwelk men kabaP noemde. Geen pijl, geen speer, hoe scherp 
ook, kou doordringen in 't lijf van iemand die in 't bezit van 
zoo'n machtig behoed middel was. Als amuletten dienden gewoonlijk 
Chineesche kopermunten, met een gat in 't midden, ook in Neder- 
landsch Indië welbekend; soms ook diende tot amulet een grof 
bewerkt stuk schelp, met de figuur van een vermaarden Anito. 

Tot de met iooverij verwante praktijken kan men ook brengen 
het h i n ao , d. i. bevroeden , raden. Door deze handeling vermochten 
de balians te raden wie de dief was van een geroofd voorwerp ^. 

De Tagolipod, zekere plant, was een ander amulet , waardoor 
men zich onzichtbaar kon maken, wanneer men wilde. Het was 
voldoende den wortel dezer plant te eten, en door de kracht van 
het sap werd men oogenblikkelijk onzichtbaar voor alle vervolgers 
of aanranders '*. Het is overbodig op te merken dat het bijgeloof 
aan onzichtbaar makende kruiden wijd verbreid was en gedeeltelijk 
nog is. Tal van voorbeelden vindt men in de Europeesche literaturen 
der Middeleeuwen. Een andere wortel, de pat o, had de deugd 

den naam van hetzelfde kruid in 't Bis. 1 o m ay , dat ook „sussen" beteekent. Ook 
Bikol en Tag. h o p a is „sussen , doen bedaren , gunstig stemmen." Vgl. Sund. 1 a m e h. 

* Dit beteekent „onkwetsbaar", blijkens het Mal. k&bal; vgl. Day aksch k a b a 1 , 
gabal, dikhuidig, ongevoelig voor slagen. Het Tag. ka bal, Bis. kabal en 
k i b a 1 is volgens de woordenboeken alleen over in de afgeleide beteekenissen 
van toovermiddel om zich onkwetsbaar te maken. 

' Hinao is niet identisch, maar toch vorm- en zinverwant met Jav. sinahu, 
ginahu, binahu, en ook met Mal, tahu, Bulusch tau, matau, weten; Maori 
matau, weten; Bulusch nau, nanau, kenteeken; Sangirsch naung, zin, 
gemoed; enz. 

' Vgl. Bis. salipod, verbergen, dekken, beschermen; Oudjav. liput, bedekken, 
Nieuwjav. 1 i m p u t. 



238 EEN SPAAXSCH SGHRTJVEK OVBR DBN GODSDIENST ENZ. 

dat het den dief van een voorwerp doodde, indien hij werkelijk de 
dader was, terwijl hij ongedeerd bleef, indien hij geen deel had aan 
den diefstal. De la do was een kruid, waarmede iemand desver- 
kiezende zijnen tegenstander den dood kou aandoen, en zoo hij 
dat niet wilde, alleen een gezwel of wonde veroorzaken. Van dit 
kruid maakten zij steeds gebruik wanneer zij zich op een van hun 
tegenstanders, wiens dapperheid zij duchtten, wilden wreken. 

Het ontbrak niet aan tegenmiddelen tegen vergif of tooverij. Zoo 
geloofden zij dat geen vergif of toovermiddel hun 't geringste 
kwaad kan doen, indien zij zich bedienden van de tauak K Dit 
was zoo'n krachtig middel dat het zelfs de meest gevreesde van 
alle tooverpraktijken, de naratakan, kon te niet doen. Deze 
laatste soort van tooverij had de verderfelijke uitwerking, dat zij 
die er door getroffen werden, het gebruik van hun geestvermogens 
kwamen te verliezen , zoodat zij ongevoelig bleven voor elke uiting 
van menschelijk leven. 

Bovenstaande staaltjes van bijgeloof zouden met nog veel andere 
kunnen vermeerderd worden, doch de Schrijver meent dat hij genoeg 
heeft bijgebracht om ons een denkbeeld te geven van 't Bikolsche 
heidendom. £n inderdaad is er uit zijn geschrift zooveel nuttige 
leering te trekken, dat wij hem voor 't geleverde hoogst dankbaar 
zijn. De waarde van zijn geschrift heeft hij nog verhoogd door de 
toevoeging van een fragment van een nog onuitgegeven gedicht, 
vervaardigd door een ouden inboorling van Bikol. Dat gedicht, 
in Spaansche taal en in vierregelige koepletten met assonantie in 
den tweeden en vierden regel , vertoont in aard en strekking over- 
eenkomst met de oudste Indische Pur&na's, en ook met de Yöluspïl 
der £dda en de Theogonie van llesiodus; het behelst een mythisch 
verhaal van de eerste aardbewoners, van den zondvloed, van den 
strijd der heroën uit den voortijd tegen monsters, enz. Wij hopen 
eeue vertaling van dat fragment te kunnen doen verschijnen in 
een volgend nommer dezer Bijdragen. 

H. Kekn. 



* Bikol en Tag. tauak is klaarblijkelijk een wanvorm voor t a u a g , zooals het 
woord behoorlijk in 't Bisaya luidt, want het is 't Mal. tawar, Jav. tawa, 
Day. tawah, Batak tawar, Mak. tawa, Bug. taw6. 



DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT 

VAN 13 AUGUSTUS 1814, 



DOOR 

P. H. VAN DER KEMP. 



In de Aanteekeningen op mijne Rede Over den Indischen Stand- 
penning van 1817, voorkomende in de Aprilaflevering van het 
Tijdschrift voor Ned.-Indië, heb ik sub 2 en elders gewezen 
op M. L. van Deveuter's gebrekkige behandeling van een ge- 
wichtig deel der Indische huishouding van Staat in zijn boek 
over //Het Nederlandsch gezag over Java en onderhoorigheden 
1811 — 1820" (1891). Het in hoofde dezes vermeld onderwerp is 
er niet minder onvolledig in uiteengezet en zoo er niet evenveel 
onjuistheden zijn aan te wijzen als in het Muntonderwerp , dan 
moet dit enkel worden toegeschreven aan de grootere gemakkelijk- 
heid van de behandelde stof. Geduld had hier veel kunnen ver- 
goeden , wat aan scherpzinnigheid ontbrak. Maar alles werd afgewerkt 
met eeue wanhopige overhaasting, waaraan de degelijkheid is ten 
offer gebracht. Geen aan billijke eischen voldoend standaardwerk 
kan heeten een boek , waar in één deel , in het bekende formaat van 
De Jonge's Opkomd van het Nederlandsch Oezag , de belangwekkende 
geschiedenis behandelt wordt èn van Raffles' bestuur, èn van het trac- 
taat der overgave en zijne uitvoering, èn van het bestuur der Neder- 
landsche Commissarissen-Generaal. Veel was over dat alles geschre- 
ven, zelfs op voortreffelijke wijze; de Schrijver mocht zich niet 
ontslagen rekenen — en dat deed hij ook niet — van een opzet 
der aldus reeds bekende feiten , een overzicht , hetwelk als kader 
noodwendig voor het nader mede te deelene dienen en dus 
reeds eenige ruimte innemen moest. Doch ofschoon de stof inder- 
daad geenszins uitgeput was , zéér veel verder dan het destijds reeds 
bekende kwam de Schrijver niet; en zoo is zijn arbeid geenszins 
dat geworden, hetwelk men van een standaardwerk over onze 

nieuwere koloniale geschiedenis had mogen verwachten. 

0« Volgr. III. 17 



£40 DK SLUITING VAK HET LONDEXSCH TKACTAAT 

Gemis aan kennis van de literatuur, van meesterschap over de 
ruim voorziene archieven meende ik in hooger vermelde Aanteeke- 
ningen (sub 64) den Schrijver te mogen verwijten; hier trof mij 
dat weder op eigenaardige wijze. 

»De wedergeboorte van Nederland" werd door den Groninger 
Hoogleeraar wijlen Mr. B. D. H. Tellegen in JJe Guü en in de Bij- 
dragen (M de kenvis ran het SfaaUhesfuur in onderscheidene opstellen 
behandeld en in 1884 als een afzonderlijk werkje' uitgegeven. Hoe- 
véél en hoeveel uitnemends heeft deze geleerde ons niet in dat kleine 
boekwerk van 250 bladzijden medegedeeld , waarvan het voortreffelijke 
YII" hoofdstuk '/De teruggaaf der koloniën" behandelt ; maar nergens 
vind ik dit aan feiten zoo rijke hoofdstuk door Van Deventer aan- 
gehaald , zoodat ik moet vermoeden dat hij er geen kennis van 
heeft genomen: eene veronderstelling, waartoe ik te eerder meen 
gerechtigd te zijn, omdat Fagel's brief aan Falck dd. 13 Augustus 
1814 over het Londensch tractaat bij Van Deventer als bijlage 
XIII (bl. 39) is opgenomen , niettegenstaande het stuk reeds op 
bl. 243 van Tellegen's boek was gepubliceerd. Bij den rijkdom van 
te publiceeren stukken zal men zich anders zoo mogelijk onthouden 
van tweemaal hetzelfde binnen korten tijd te doen drukken 

Zoo ook wees ik er in mijne Aanteekeningen-Muntrede op (sub 79), 
dat noodzakelijke toelichtingen bij de geopenbaarde archiefstukken 
ontbreken. Hier kan ik er andermaal een voorbeeld van geven. 
Van Deventer publiceert een brief van Malmesbury , geschreven 
naar aanleiding van een door G. K. Van Hogendorp geuiten 
wensch om al onze koloniën terug te erlangen. Men vindt 
dien brief van Malmesbury door den Schrijver als bijlage VIII op 
bl. 25 weergegeven; Van Deventer vestigt èn op Hogendorp's èn 
op Malmesbury 's epistel uitdrukkelijk de aandacht (bl. L) , ofschoon 
hij het eerste wel niet zal gelezen hehben; maar voor den Neder- 
landschen lezer is natuurlijk Van Hogendorp's missive van belang, 
en om hem te doen kennen zou de Schrijver slechts te verwijzen 
hebben gehad naar het door Mr. F. Baron Van Hogendorp nage- 
laten en in 1876 uitgegeven geschrift over //Gijsbert Karel Van 
Hogendorp in 1813" bl. 20. Het zijn toch zulke verwijzingen , die 
medewerken om aan de geschiedbeschrijving leven en eenheid te 
geven. 

Ik kan mijn bezwaar nog met eene opmerking in het licht stellen , 
waartoe onwillekeurig leidt de openbaarmaking van Castlereagh's brief 
dd. 14 Juli 1814 in bijlage XII van het werk. Op bl. 37 schrijft de 



Van I3 AUGUSTUS 18] 4. 241 

Britsche minister aan den Engelschen gezant in den Haag over ons : 
ffl am sorry to observe the same discontented tone in the instruc- 
tions sent to their Ambassador in London. To part with as little as 
possible and to describe that little as an injurj, whilst extensive 
acquisitions are made onlj an argument for further demands, 
appears to coustitute the principles of Mr. de Nagell's diplomacj." — 
Toen ik dit indertijd heb gelezen vbbr ik mij tot zelfstandige 
studie van de stukken zette, heeft het mijne aandacht getrok- 
ken, dat alzoo Fagel militante instructiën van zijn Minister — 
en zij waren destijds in den regel onvriendelijk — aan Castlereagh zou 
hebben laten lezen; maar nu blijkt mij uit de archiefstukken — 
die V. D. ook had kunnen raadplegen — dat onze Gezant bepaal- 
delijk ontkent, de instructiën te hebben laten lezen; ii zou me 
er wel voor gewacht hebben , was het in zekeren zin niet zeer vrien- 
delijk bericht aan den telkens zich boos makenden Van Nagell ! 
— Men zie mijne hierna voorkomende Aanteekening N°. 62 (bl. 312). 
En, alsof het zoo zijn moet, wanneer Van Deventer aanteeke- 
kende noten geeft, dan blijkt ook daaruit maar al te dikwerf, ge- 
lijk ik mede in mijne Aanteekeningen-Muntrede aangaf ^sub 64) , hoe 
weinig hij de te verwerken stof meester was. In denzelfden op de vorige 
bladzijde vermelden brief van Malmesbury bijvoorbeeld worden diens 
denkbeelden uiteengezet over hetgeen naar diens meening van onze 
vroegere koloniën niet moet worden teruggegeven ; deze schrijft dan : 
n\ did touch on this point with Lord Castlereagh , and gave 
him mj opinion, that 1 now write.'He did not appear to have 
turned his attention rauch to it, bul ïf I recoïiect righi what he 
said to the Prince of Ürange^ it is in substance nearly the same.^^ — Hier 
heeft de Schrijver de noot gesteld (bl. 26) : "Dit slaat waarschijnlijk 
op een onderhoud van JiOrd Castlereagh met den Prins van Oranje 
op 27 April 1813." — Moge/ijk is het zeker, doch waarschijnlijk? 
Malraesbury's brief is van 3 December 1813: dus zou hij op 
een particulier gesprek van een ambtgenoot met den Prins negen, 
maanden te voren gehouden ^ zonder eenige nadere aanwijzing voor 
Fagel, het oog hebben gehad : is dat aannemelijk? Hoe Van Deventer 
tot de veronderstelling is gekomen, blijkt uit bl. LI. In eene 
noot *) aldaar maakt hij melding van eene door Fagel geschreven 
//Minute des principaux points , touches par Ie Prince d'Orange dans 
son entretien avec Lord Castlereagh, Ie 27 Avril 1813" en blijkens 
die minuut heeft de Prins van Oranje destijds Castlereagh gepolst 
over de mate der terugüfjive v;ui de koloniën Wat toen eigenlijk 



242 DB SLUITING VAN HET tONÖÈNSCH TRACJTAAT 

werd geantwoord, is niet gebleken (bl. LI), doch de Schrijver, 
in een brief van 9 maanden later toevallig ook iets over zulk 
een gesprek aangeteekeud vindende , brengt nu beide zaken in 
verband. Zonder voldoende reden echter, aangezien het (ook door 
Van Deventer aangehaalde toch wellicht niet of niet goed ge- 
lezen) //Leven van den generaal Frederik von Gagern'' (1866) 
eene meer voor de hand liggende beantwoording, dunkt mij, 
geeft. Slechts een 14tal dagen nl. voor Malmesbury's mededee- 
ling , dat niet Jh Kaap , doch wel Batavia , de Molukken , de 
West-hidi'é^ vermoedelijk ons zouden teruggegeven worden en 
dat deze schrijft: '/but I am not sure that these retrocessions 
should be made at once, and perhaps not at all till either Hol- 
land has recovered its former strengh and power, or till ageneral 
peace takes place"; — bericht de Prins in een brief van 11 
November 1813 dat hij met Castlereagh den voorafgaauden Zondag 
eene //conversation tres interessante" had gehouden over de kolo- 
niën, en dan blijkt, dat de Britsche minister Z. H. juist hetzelfde 
heeft medegedeeld, als wat Malmesbury aan Fagel schreef: //Il 
était disposé" — bericht toch de Prins — ^^ faire des sacrifices , 
et ^ en rendre [dtis niet alhs)\ mais que la latitude & donner & 
cette mesure dépendrait de la situation dans laquelle la Hollande 
serait place, puisqu^on ne pourrait faire des restitutions considé- 
rables et lui rendre des possessions qui augmentent ses moyens, 
sans être sür qu^ils ne tomberaient pas immédiatement & la dis- 
position de la France, ce qui exposerait TAngleterre ^ fortifier 
9on ennemi en voulant aider son allié." (L. v. V. G. I bl. 71). 
De medegedeelde woorden worden eveneens aangetroffen op bl. 47 
van //Het herstel van het Nederlandsch gezag over Java en onder- 
hoorigheden in de jaren 1816 tot 1819" door Mr. I. H. J. 
Hoek (1862). 

Ik vestigde ook in mijne Munt-Aanteekeningen (sub 64) de 
aandacht op de weinig zorgvolle wijze , waarop Van Deventer deze 
voortreffelijke monographie van Mr. Hoek hier en daar bespreekt. 
Wij vinden er weder een voorbeeld van met betrekking tot het 
onderwerp , dat nu onze aandacht zal trekken. Hoek schrijft op bl. 
56 over de teruggave der koloniën door Engeland: //voortdurend 
werden de onderhandelingen uitgesteld door den drang van om- 
standigheden , welke vóór andere punten eene spoedige regeling 
eisohten." 

Van Deventer teekent nu omtrent deze onderhandelingen op bl. 



\A^ 13 AUGUSTUS 1814. 243 

LI aan : //De ouderhandelingen over de teruggave der Koloniën 
gevoerd , waren uit den aard der zaak afhankelijk van die tot de 
vorming van het Vereenigd Koningrijk , evenals van de betrekkingen 
tusschen de beide landen in 't bijzonder." En hierop leest men de 
noot : >/0p welken grond Mr. Hoek . . . spreekt van een voortdurend 
mtstel der onderhandelingen , is dan ook minder duidelijk." Geenszins. 
Toen Noord-Nederland zich onafhankelijk had verklaard , werd de 
teruggave aanstonds bij onze bewindslieden en bij den Prins tot 
een onderwerp van gedachten wisseling gemaakt. Het Engelsch be- 
stuur wilde echter van geene ernstige onderhandelingen hooren, 
alvorens de quaestie der vereeniging van Noord en Zuid was uit- 
gemaakt. Van Deventer vindt dit uit den aard der zaak y en zoo 
vond Engeland het óók , doch van onze zijde werd dit niet 
toegegeven , en dit was , dunkt mij , verklaarbaar. Terwijl het 
recht op onze voormalige koloniën zóó zeer erkend werd , — wel 
eenigszins in den roes der vreugde over Europa's bevrijding! — 
dat onze afstanddoeningen zelfs onwillekeurig als sacrifcea door de 
Britsche bewindslieden werden aangeduid (bl. 245 en 255) , scheen 
de zorg om ons toch vooral sterk te maken , alvorens de koloniën 
teruggegeven konden worden , wèl overdreven en wat verdacht ; men 
zie ook de op bl 307 voorkomende Aanteekening sub 58 van den ge- 
schiedschrijver Von Treitschke hierover. Hoe ook — er was uitstel : 
Van Deventer zelf erkent het. En plotseling worden de onderhan- 
delingen van Engelsche zijde geheel afgebroken — ook dat beschrijft 
V. D. — wegens de weigering van den Souvereinen Vorst om de 
voorwaarden der vereeniging van Noord en Zuid te onderteekenen. 
Zoo ook was er steeds uitstel , nu eens wegens de parlementaire 
werkzaamheden van het Britsche ministerie, dan wegens het be- 
zoek der vreemde vorsten aan Londen en daarmede samengaande 
vergaderingen en feesten , dan wegens conferentiën op het vaste 
land. De brieven van onzen Gezant wijzen er meermalen op, hoe 
moeilijk het was om tot gezette onderhandelingen te komen; men 
zie o. a. hierna noot 52. Dit alles bij elkander genomen, vind 
ik het geenszins mmder duuieVijk ^ zoo een schrijver van den loop 
der zaak den indruk krijgt, dat er voorf4lurend uitstel plaats vond 
— In zucht tot tegenspraak , oordeelt Van Deventer het dan 
echter ook al weer niet juist, blijkens het in noot 3) bl. LVI 
opgeteekende , dat, volgens den aanhef der instructie van 10 
Juli 1820, voor Eagel bestemd ter herziening van de in 1814 
gesloten Conventie, het gebrekkige van dit stuk wordt geweten 



244 DK SLUITING VAN IIET LONDENSCU TRACTAAT 

aan /i^den ougemeeneu spoed met weikeu het Britsche ministerie 
de zaak begeerde af te doen" (Elout's ^Bijdragen" van 1863, 
bl. 81 en Hoek bl. 58). Nochtans, zoo het waar is, dat wij er 
naar haakten de zaak af te doen vóór Castlereagh naar het 
Weener congres zou vertrekken, niet minder waar is het, gelijk ik 
nog zal aanwijzen , dat de Britsche regeering ten slotte zé^r deze 
afdoening op prijs stelde, zoodat van hare zijde wel degelijk ook 
pressie werd uitgeoefend om de conventie ten spoedigste te zien 
gesloten. 

Lichtvaardig is evenzeer Van Deveuter's aanteekening in noot 2) 
bl. LVllL Engeland verlangde dat wij voor een deqj van onze 
voormalige bezittingen in Guiaua zouden afzien. Blijkens eene in 
het boek medegedeelde zinsnede, aangehaald uit eene ministerieele 
missive dd. 8 Juli 1814, had daartegen de Sou vereine Vorst ernstig 
bezwaar, hetgeen den Schrijver eene noot als volgt doet plaatsen: 

Het tegenovergestelde wordt door Mr. Hoek beweerd, waar hij 
zegt. : «Tot de vergoeding voor Guadeloupe werden later meer bepaald 
de West-Ind. -koloniën aangewezen. Toen dit aan den Souvereinen Vorst 
werd meegedeeld {sic) , betoonde hij er zich zeer tevreden mee » . . . . 
(Herstel Nederl. gezag, blz. 67). 

Ik kan gerust vragen of dit nu eene manier van behandeling 
is. Hoek haalt notabene de bron aan, nl. een brief, gedagteekeud 
Den Haag 13 Maart 1814 van den Engelschen gezant aan den 
Britschen minister Castlereagh, afgedrukt in de vCorrespondence , 
Despatches, and other Papers of Viscount Castlereagh" (1853), 
verschenen in 12 deelen , doch waarvan de Ihird series uit 4 af- 
zonderlijke deelen bestaat. Wijl ik naar bedoelden brief toch later 
wensch te verwijzen, geef ik hem hier, voor zooveel noodig terug, 
gelijk hij te lezen is op bl. 344 van dl. I (dl. 9) : 

Your letter of the 4-th, marked private, ha ving notified to me the 
expectation of the AUies that, in consideration of the continental ar- 
rangements proposed to be made in favour of the House of Orange, 
his Royal Highness should be prepared to give up a West India 
colony to Sweden, to imdemnify her for the proposed cession of 
Guadeloupe to France , and having placed it at my discretion at what 
time to open this business to the Prince of Orange, it appeared to 
me that the most immediate and frank manner of communicating 
with his Royal Highness upon this matter was the best line I could 
takeupon it. 

Accordingly, having been admitted to a private audience with his 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 215 

Royal Highness on Thursday last , I at once opened the business , and , 
at the same time , communicated to him the accession on the part of 
Russia to the barrier of Holland, before agreed to by Austria and 
Prussia .... 

The Prince appeared so much satisfied with the accession of all 
the great Powers to the advanced barrier of Holland, that he reeeived 
the communication of the sacrifice expected from him, far better than I 
should have imagined .... 

Uit het door mij cursief wedergegevene , blijkt teu duidelijkste, 
dat er volstrekt geen reden was voor V. D's sic in de van Hoek 
aangehaalde woorden , waarvan bovendien de eerste zinsnede nog 
geheel ten onrechte werd aangehaald; men zie hierna sub 96. 

Door alzoo ongeloovig mede te deelen, dat Hoek het tegen- 
overgestelde beweert, van hetgeen blijkens een schrijven dd. 8 
Juli 1814 getuigd M'ordt, ontsloeg V. D. zich van de verklaring 
waaraan die sch'fjnhare tvederspraak moet toegeschreven worden\ iets dat 
anders wel op den weg des geschiedschrijvers had gelegen. Die 
verklaring nu vinde men hierin : bf dat de Prins zijne vroe- 
gere toestemming had vergeteo , hetgeen echter wel niet aannemelijk 
is ; of dat hij tot andere gedachten is gebracht geworden door zijn 
minister Van Nagell , die inderdaad een heftig tegenstander van 
den afstand, althans van Guiana, was; of — en dit is wel het 
waarschijnlijkst — dat de Prins niet zoo zeer heeft gedacht aan 
Guiana , als wel aan een of meer onzer West-Iudische eilanden , 
zooals immers Guadeloupe ook was en tegen den afstand waarvan 
Van Nagell evenmin overwegend bezwaar had, gelijk wij hierna 
zullen zien. Zeker is het echter dan ook, dat tusschen partijen 
over de beteekenis der besprekingen misverstand heeft bestaan , 
want eene maand nadat bedoeld gesprek had plaats gevonden , 
schreef Castlereagh aan lord Liverpool, bij brief gedagteekend 
Parijs, 19 April 1814, dat Zweden BerUce zou bekomen. 

Eindelijk ook is Van Deventer zeer onvolledig omtrent een bij- 
zonder eigenaardig incident, dat zich bij de sluiting van het 
tractaat heeft voorgedaan. Het Britsche ministerie, en speciaal 
Castlereagh, ontstemd over de bezwaren tegen de koloniale eischen, 
ingebracht door onzen gezant Fagel , die trouwens tegen zijn 
advies ze deed hooren oj) instructiën ontvangen van den Minister 
van B. Z. Van Nagell, gaf den 30» Juli 1814 bij wijze van ulti- 
matum een oullhu van de te sluiten verbintenis; terwijl ook de Engel- 
sche gezant te 's Gravenhage, Clancarty , van bevelen voorzien werd 



246 DE SLUITING VAN HET LüNDENSCU TRACTAAT 

om den Souvereinen Vorst onder het oog te brengen , dat de 
outline nu het laatste woord over de zaak zou zijn. Den 2** Augustus 
werden de berichten in Holland ontvangen ; Clancarty sprak er den 
Souvereinen Vorst over, die met zijn secretaris Falck van oordeel 
was, het tijd werd om alle verzet op te geven, zoodat den 4*" 
Augustus Clancarty kon schrijven , dat de outline was aangenomen, 
terwijl de Staatssecretaris rechtstreeks, namens den Souvereinen Vorst, 
dien dag aan Fagel gelastte op den aangegeven voet het tractaat 
te sluiten. Tusschen Palck en Clancarty hadden er geen e andere 
besprekingen van belang over de outline plaats , dan dat de Staatssecre- 
taris inlichting vroeg over Bngelands rechtstitel op fianka. 

Ziehier nu hoe Van Deventer de geschiedenis op bl. LIX — LXI 
verhaalt : 

Toen deze depêche {van Castkreagh aan Clancarty dd. ^ojult) te *s Hage 
ontvangen werd , was er , als een gevolg zoowel van *s Prinsen per- 
soonlijke zienswijze als van de waarschuwingen van den Ambassadeur 
te Londen, eene verandering gekomen in den persoon des Neder- 
landschen onderhandelaars. De Baron van Nagell kon zich met den 
loop , dien de zaak scheen te nemen geheel niet vereenigen , en wellicht 
deed ook de prikkelbaarheid, waarvan hij menigmaal blijk gaf, hem 
minder geschikt achten om haar tot een goed einde te brengen. De 
buigzamer en handiger Algemeene Secretaris van Staat werd van 
nu af met de leiding daarvan belast. En het was, na met dezen en 
Z. H. zelven nader overleg te hebben gepleegd, dat de Britsche 
Ambassadeur weldra aan zijn Hof de volgende bevredigende uitkomst 
kon mededeelen: \yolgt de brief van Clancarty dd. 4 Augustus], 

Op die grondslagen werden de laatste voorschriften voor den Neder- 
landschen Ambassadeur te Londen door Falck opgemaakt en ver- 
zonden; en het is een feit, waarvan zeker niet vele voorbeelden zijn 
aan te wijzen, dat de onderhandeling over zulk een hoogst gewichtig 
onderwerp buiten den Minister van Buitenlandsche Zaken om , en tegen 
diens inzichten , tot de sluiting van het verdrag met Engeland heeft geleid. 

Zooals men dit leest, krijgt men echter geen juist inzicht van 
de zaak. Van een N ederlandscken onderhandelaar in Nederland , 
zooals Van Deventer bedoelt, kan kwalijk gesproken worden. Van 
Nagell was het niet geweest, daar hij slechts van Den Haag uit zijne 
instructiën aan onzen Gezant deed toekomen; Falck is dit even- 
min geworden en alzoo was en bleef Fagel te Londen de onder- 
handelaar. De bemoeiingen van Falck hebben zich niet verder uit- 
gestrekt dan dat Clancarty èn met hem èu met den Souvereinen 
Vorst een onderhoud heeft gehad, waarvan het resultaat was, dat 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 247 

men te Brussel ouzerzijds aau den Britschen gezant verklaarde de 
ouiline aan te nemen , dat Falck in dien geest Fagel instrueerde en 
dat den Minister 's Konings beslissing werd medegedeeld. Den 2*^** 
Augustus waren de brieven van Castlereagh uit Londen ontvangen 
en reeds den 4*'" was dezerzijdsche beslissing gevallen. Van eene 
leiding met de onderhandelingen , waarmede /i^van nu af' Falck belast 
werd , kon ook verder kwalijk sprake zijn , daar er niets te leiden viel ; 
men «^«•fl^ geleid. — Overigens was het buiten de zaak houden van Van 
Nagell, op diens uitdrukkelijk verzoek, daar hij zijne* handen met 
zulk een tractaat niet wilde bezoedelen! Ik kom er hierna uit- 
voeriger op terug: het vorenstaande slechts om aan te geven, dat 
V. D. geen goed inzicht in de zaak heeft gegeven. 

De Noten op mijne verhandeling vindt men aan het einde er 
van. Brieven, waarvan ik de bron niet vermeld, zijn door mij 
rechtstreeks aan de archieven ontleend, waartoe mij op 's Rijks archief 
en Buitenlandsche Zaken met hoog gewaardeerde welwillendheid 
toegang werd verleend. Naar Van Deventer's werk zal ik verwijzen 
met de letters V. D.; de stukken van Buitenlandsche Zaken wees 
ik met de letters B. Z. aan. De bescheiden uit 's Rijks archief zijn 
die, welke baron Van Nagell van Ampsen te Ampsen bij Lochem 
in 1885 ten geschenke gaf, zijnde correspondentiën van zijn groot- 
vader, die minister van B Z. was in den tijd, dien ik hier zal 
behandelen. 



I. 



De Engelsche Oost-Indische Compagnie was sinds 1811 tegen 
den door haar uitgedrukten wil bezitster van Java en onder- 
hoorigheden gebleven * ; voordeel had zij er sinds de verovering 
ook niet van genoten , zoodat de beslissing , waarbij de eilanden 
tot eene kolonie van de Engelsche kroon werden verklaard ^ ^ 
niet anders dan haar welgevallig kon zijn •**. Deze overgang kwam 
echter niet tot uitvoering. De algemeene vreugde in Engeland 
over Europa's en onze verlossing ; inzonderheid sympathie voor 
den in ballingschap wonenden Prins van Oranje en zijn huis ^ en 
voor Nederlands eigen optreden tegen de Fransche overheersching •'"' ; 
politieke overwegingen om nevens de vereeniging met België ook 
door koloniaal bezit ons vaderland zoo krachtig te maken dat het 
als een bolwerk tegen Fransche veroveringszucht kon beschouwd 
worden •*' ; eindelijk de gedachte om door het toonen van waar- 



248 DE SLUITING VAN HKT LONDBNSCU TttA(rrAAÏ 

dige zelfbeperking iu territoriale hebzucht een invloedrijk voor- 
beeld aan de overige mogendheden te geven , die Europa ieder 
naar hare eigen belangen zocliten te verdeelen ' : zoovele oorzaken , 
die Engeland vervulden met — om woorden van Castlereagh te 
gebruiken — het bijna rornanfuch streven ons vaderland ter wille 
te zijn door de teruggave der koloniën ^. 

Reeds in den aanvang van 1813 mocht de Prins hieromtrent de 
geruststellende verzekering ontvangen, al is toen misschien reeds 
aanstonds te kennen gegeven , dat wij voor de '/bewaarneming" ^ 
eenige koloniën voor goed verloren zouden zien gaan ^". Nadat 
de gebeurtenissen voor Europa's bevrijding steeds gunstiger keer 
namen, dus met het ten einde loopen van dat jaar , kwam de zaak 
nu en dan weder ter sprake. Den 11" November 1813 schreef de Prins 
aan H. C. E. Von Gagern, dat hij wel inzag , dat van geene andere 
mogendheid eene welwillende opvatting viel te verwachten dan van 
Engeland en dat Castlereagh hem in het algemeen de teruggave der 
koloniën, behoudens enkele niet genoemde, had toegezegd **. 

Onder de mannen , die in Engeland den Prins ter zijde stonden , 
behoorde H. Fagel. Aan dezen meldde G. K. Van Hogendorp dd. 
28 November 1813 het heuglijk bericht, dat de omwenteling 
haar beslag had gekregen, dat de Prins slechts behoefde over te 
komen , om zich aanstonds door het gansche volk als Souvereinen 
Vorst toegejuicht te zien, en dat men dus ook geheel mede ging 
met Engelands politiek. ^/En vous donnant. Monsieur, ces assu- 
rences" — luidt het geestdriftig schrijven * ^ — ^en entrant par- 
faitenient dans les vues de TAngleterre, je dois en même temps 
faire connaitre ïi celle-ci ce qu'attend d'elle ma patrie; c'est la 
restitution prompte et sans réserve des colonies dans les trois 
parties du monde. Nous nous lierons i\ TAngleterre par des noeuds 
indissolubles, nous serons tout h,.elle, mais nous avons la ferme 
confiance qn'elle ne gardera rien de ce qui est }s. nous." — Maar 
dnn haast zich Malmesbury, aan wien Eagel den brief liet lezen, 
bij schrijven dd. 3 December 1813 • •* die hooge verwachtingen 
over de teruggave te temperen met een niet allen en niet dadelijk 
of in éms, In beschermenden toon gaf de Britsche minister zijne hooge 
tevredenheid over Van Hogendorp's epistel te kennen , het vertrouwen 
uitsprekende, dat //if he coutinues to act on the same priuciples'' 
alles wel goed zou gaan; doch, vervolgde de Minister: al was het 
nu ook natuurlijk, dat in de eerste opwelling van geestdrift men 
al de koloniën wilde terug hebben, ^/on more calm reflectiou'\ 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 219 

zou Van Hogendorp er wel anders over gaan denken , daar de ver- 
dediging van l)e Kaap en Ceiflon eene sterke militaire macht 
vorderde en dus . . . /i^safer in our possession than on beiug restored 
to them" ! ! — Voor Van Hogendorp zal dit wel eene groote teleur- 
stelling geweest zijn; de Prins schijnt er zich echter gemakkelijker — 
misschien te gemakkelijk — in geschikt te hebben ^"*. 

De omstandigheden waren trouwens niet gelijk; de Vorst werd van 
banneling koning, koning bovendien van een zeer vergroot Ne- 
derlandsch rijk , en zonder eenigszins te willen beweren — het zou 
in strijd zijn met de waarheid (bl. 263) — dat alzoo persoonlijke 
eerzucht het won van hetgeen de belangen van ons vaderland 
vorderden , kan men zich toch wel voorstellen , dat , eerder dan 
de gewone Nederlandsche burger, aan wien bovendien het bezit 
van België over het geheel genomen volstrekt niet toelachte, zelfs 
niet aan Van Nagell naar het schijnt — zie zijn brief sub 48 
bl. 303 — de Prins het rechtmatige erkende van eene koloniale 
vordering, gesteld door de Mogendheid, die men in velerlei op- 
zichten erkentelijk moest zijn. De Britsche bewindslieden toonden 
zich intusschen met zulk een gemakkelijk medegaan, bijzonder 
ingenomen, 't Was alsof er een pak van het hart viel; dat kan 
men ten minste opmaken uit een brief dd. 8 Januari 1814 door 
Castlereagh aan Liverpool geschreven over een nieuw onderhoud , 
dat gene met den Prins in den Haag betreffende de niet-teruggave 
van eeuige koloniën , speciaal De Kaap , gevoerd had ; het bezit«van 
JJe Kaap beschouwde trouwens de Britsche regeering als eene s'nie 
Hud non //to our own peace", schreef Castlereagh nader uit Parijs dd. 
19 April 1814 aan lord Liverpool *^'. Door den Prins toch was de 
voorgestelde uitkeering van eene geldsom , welke Engeland beloofde 
voor het aanleggen van eene rij vestingen aan de grens Frankrijk- 
België, waartegen wij JJe Kaap zouden laten, beoordeeld * •* als 
'/very satisfactory'' , '/liberal", '/just and reasonable". I was extremeli/ 
glad^ getuigde Castlereagh! /^His Royal Highness understands that 
Great Britain remains master of this question to execute her own 
liberal purpose towards Holland in her own way and at her own 
discretion." Het ZaUg zijn de bezitters mocht ook hier wel gelden; 
dat zou in ieder geval nog blijken. 

Misschien had eene andere houding onzerzijds de zaak tot een 
beter einde kunnen brengen dan ten slotte heeft plaats gevonden in 
het tractaat van 1814: een staatsstuk reeds een paar jaar later dezer- 
zijds zoo onvolledig gevonden * ' , dat nieuwe onderhandelingen 



250 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT 

werden geopend, die in de conventie van 1824 haar beslag kregen. 

Bij de onderhandelingen, die tot de eerste verbintenis leidden, 
ontmoeten wij voor de Nederlandsche belangen het driemanschap 
Nagell — Fagel — Faick. Zij verschilden naar deze volgorde onge- 
veer 10 jaar van elkander in leeftijd , zijnde geboren in Januari 
1756, in Maart 1765 en in Maart 1777; de oudste hunnerover- 
leed het laatst, nl. in Februari 1851; Fagel stierf reeds in Maart 
1838; Falck in Maart 1843 >«. 

A. R. Falck, /'homme d'esprit et d'une grande capacité", /^eene 
bescheidene kalme hoogheid'^ * ^ , was als secretaris van staat 
de raadsman van den ten slotte tegen zijn zin op het einde 
van Juni 1814 naar Brussel vertrekkenden Souvereinen Vorst; 
Fagel, met zijn broeder Robert, als '/geleerde staatsmannen" 
ons geschetst 2", behartigde de vaderlandsche belangen als 
ambassadeur te Londen en dankte aan zijne sympathieke per- 
soonlijke eigenschappen , dat hij bij soms zeer militante quaestiën 
op goeden voet bleef met lord Castlereagh, secretaris van staat 
voor Buitenlandsche Zaken en lord Bathurst voor de Koloniën ; 
eindelijk Al. W. C. Van Nagell tot Ampsen , die in den Haag stond 
aan het hoofd van het departement van Buitenlandsche Zaken. 

Ofschoon tot 1824 in deze betrekking werkzaam , bracht de loop 
der gebeurtenissen niet mede , dat Van Nagell's naam aan het tractaat 
van 1814 werd verbonden. Door alle lotgevallen van het stadhouderlijk 
hui^ was hij , evenals de familie Fagel , de Oranje's trouw gebleven ; 
van 1787 tot 1795 Nederlandsch gezant te Londen, had de omwente- 
ling hem buiten "'s Lands dienst doen blijven en , weigerende iedere 
betrekking onder de republiek, het koningschap en het keizerrijk 
te aanvaarden, woonde hij met het verbannen vorstelijk gezin in 
een deel van Hampton Court, dat de Oranje'^s tot verblijf hadden 
bekomen , dank de milde gastvrijheid van het Groot-Brittanjesche 
vorstenhuis. Maar deze steilheid, die hem m. i. ten onrechte iedere 
betrekking in zijn vaderland na de revolutie-jaren deed weigeren, ver- 
loochende zich ook niet in den dagelijkschen omgang, zelfs niet tegen- 
over des Stadhouders zoon , tot wiens verheffing op den koninklijken 
troon hij eerlang zou mogen medewerken. Ongemakkelijk man als hij 
was, konden de Britsche bewindslieden A&n galzielcm ^ schoon geens- 
zins oubekwaraen , minister ^ • moeilijk uitstaan , die wel wat al 
te zeer vergat, dat hij opkwam voor de onschendbaarheid der 
koloniale belangen van een pas uit den druk weder opgekomen 
uitgemergeld land , dat enkel zijne geschiedenis kon doen spreken 



Van 18 AUGUSTUS 18l4. 2öl 

Voor rechten, waarvan het reeds sinds jaren geen bezitter meer was. 
Aan vaderlandsliefde, aan hartelijke toewijding voor de taak, 
die ieder te vervullen had , heeft het geen dezer drie mannen 
ontbroken; maar, gelijk Macaulaj het ergens in zijne Geschiedenis 
van Engeland opmerkt, het is steeds de donkere schaduwzijde 
eener restauratie , dat het beleid in handen komt van menschen , 
die jaren lang^ buiten de zaken werden gehouden en daardoor de 
vereischte kennis soms missen. Naar scherpzinnigheid van opvat- 
ting omtrent hetgeen de toekomst brengen zou, dus politieken 
zin , zoekt men bij hen te vergeefs. Wat die koloniën eigenlijk waren , 
hoe men ze behoorde te classificeeren en welke geschiedenis aan 
ieder min of meer ten grondslag was gelegen: men toonde het 
niet dan wel zeer gebrekkig te weten , ofschoon , naar men zou 
zeggen , het ballingstijdperk tijd en gelegenheid kon gegeven 
hebben om zich theoretisch op de hoogte te stellen. Voor het be- 
houd van onze Amerikaansche slavenkoloniën maakte men zich 
warm, op hetzelfde oogenblik, dat wij beloofden aan de slavernij 
te onzent een einde te zullen maken ^^; maar Ve Kaap, maar 
Ceilon? Zeker; aannemen mag men, dat, goed- of kwaadschiks, 
wij deze schoone koloniën behoorden af te staan , waarvan anders 
De Kaap voor Nederlands toekomst meer waard zou geweest zijn 
dan alle andere teruggegevene te zamen — gesteld natuurlijk 
dat door ons ten minste politieke zin genoeg aan den dag was gelegd 
om haar niet van ons te vervreemden ; doch wij hadden althans het 
verlies van Cejlon, — van het door den laatsten Hollandschen dichter 
aldaar ah nooit te vergeten eiland bezongen I — van /^onze geliefde Kaap 
de Goede Hoop, waar de inwoners , uit onverbreekbaar attachement 
aan het oude Moederland, nog geene andere taal dan de Hol- 
landsche willen spreken" , gelijk de Amsterdamsche Kamer van Koop- 
handel in 1817 herinnerde 2"' , — zwaarder kunnen doen wegen, om 
te trachten Benkoelen te erlangen en volledige vrijheid in de Straiis 
te bekomen met afstanddoening te onzen behoeve zoo mogelijk 
van Penang, des noods nog met opoffering van onze reeds in die 
dagen als waardeloos erkende bezittingen in Vóór-Indië en van 
het even waardelooze 8t. George d'Elmina. Het ontbrak echter 
onzen onderhandelaars aan genoegzaam heldere voorstelling omtrent 
de betrekkelijke waarde van ons koloniaal bezit; daardoor is het 
tractaat van 1814» niet een stuk geworden, waarin men de meester- 
hand van groote Nederlandsche staatslieden erkent. Het was veeleer 
een gebrekkige arbeid , gelijk ik bl. 249 — 250 opmerkte , die te veel 



252 DK »M;ITIS'0 vak HFT I/iVDEVSCH TRACTAXr 

zijn ontstaan dankte aan hetgeen de Britsche resreering" zelve ons 
wilde laten en waarop wij overigens slechts een zeer lijdelijken invloed 
oitifeoefend hebben. Altijd aannemende, echter niet volkomen toe- 
gegeven , dat wij aan Engelands eischen omtrent Dr Kaap ^ O^Jtjfi ^ De 
Went in ieder g'eval hadden moeten voldoen , dan toch zonden wij bij 
meer kennin der toestanden door betere redactie, no? veel hebben 
goed gemaakt ; doch wij bepaalden ons te zeer tot de outfine ^ welke over 
gebracht werd in een enqui»He ^ die lord Castlereagh wel zoo goed was 
voor ons samen te stellen en die wij zonder veel nadenken of hoofd- 
brekens maar aannamen , gelijk trouwens, naar wij nog zien zullen , al 
het eigenlijke werk door het Britsche ministerie is verricht, de redactie 
er onder begrepen. ^^Dans cette convention , terminee un peu pr^ci- 
pitamment" — merkt De Grovestins op *'• — /^furent faites des 
omissions très-importantes, dont la Hollande eut si souffrir plus 
tard": en aldus krijgt Van Nagel Ts schamper bescheid nog eene 
andere beteekeuis dan de Minister er zelf aan toekende, toen deze 
in zijne verstoordheid over het verlies van Essequebo, Demerary 
en Berbice, de hoop uitdrukte, dat Fagel nooit reden van teleur- 
stelling zou hebben over het sluiten van een tractaat, waarvan de 
Gezant zelf overmoedig had getuigd, dat het als voordeeliger en 
eervoller voor ons Vaderland moest beschouwd worden dan eenig 
ander door ons sinds het Munstersch tractaat sresloten ^*. Reeds 
zes jaar later luidde het in VKonings instructie aan Fagel, voor 
eene herziening van het tractaat gezonden, dat toch het stuk 
eigenlijk niet deugde, al werd dit ook te verschoonend aan Kngeland 
geweten; men leest er toch o. a. 2*: "Üe Conventie van den J'i" 
Augustus 1814 is in algemeene bewoordingen vervat. Het ontbrak 
toenmaals in Engeland zoowel als hier te Lande aan volkomen 
nauwkeurige en geloofwaardige berichten over den toestand der 
bezittingen, die terug moesten gegeven worden; en van de be- 
richten zelven , die misschien voorhanden mochten zijn , wierden 
Wij althans belet gebruik te maken door den ongemeenen spoed 
met welke het Britsche ministerie de zaak begeerde af te doen.'' 
Er dient echter tevens herinnerd te worden aan het gemis van 
nationale uiting bij ons volk. Het is anders zulk een zedelijke steun 
voor onderhandelaars , wanneer zij hun wederpartij met recht kunnen 
toevoegen , dat zij zich des noods wel met gedane voorstellen kunnen 
vereenigen, doch dat ook rekening moet gehouden worden met 
de openbare meening. Castlereagh waarlijk liet zich ten deze niet 
onbetuigd^': hij zou geen Engelschman geweest zijn; maar hoe 



VAN 13 AUGUSTUS I8I4. 253 

stond het met ons? Het vooruitzicht van, nevens onze onafhan- 
kelijheid , ook de verloren bezittingen terug te krijgen , weder 
heer en meester te worden in die verre zeeën , waaraan wij onze 
grootheid en onzen rijkdom eens dankten : wel ! in geestdrift er voor 
moest men ter nauwernood het uur der teruggave kunnen ver- 
beiden, en zoude de openbare meening niet ophouden daarover 

haar stem te doen hooren Helaas ! niets van dat alles. De 

'/degree of enthusiasme such as I never before witnessed, and 
which was certainly never surpassed*' — gelijk Castlereagh onze 
nationale opgewektheid , blijkens een schrijven uit Den Haag dd. 
1 December 1813 waarnam, was reeds in Februari 1814 gedaald 
tot eene mate van «'apathy of the Hollanders", die een Nederlandsch 
ooggetuige met verbazing aanschouwde 2". Apathie \ het eigen 
woord ontmoet ik bij een ander schrijver, naar eene opmerking 
uit die dagen van niemand minder dan den graaf Van der Duyn: 
/'une grandeur passée sur laquelle la nation s'était endormie, saus 
faire Ie moindre progrès depuis cent ans , au contraire s'enfon^ant 
toujours davantage dans une apathie qui lui avait fait conserver 
les idees et les préjug^s d'un autre &ge sans en avoir Ténergie et 
la perséverance" ^ ® . En zoo bleek dan ook , dat Falck en Van 
Nagell beiden den politieken zin hunner landgenooten te hoog aan- 
sloegen toen de eerste , overeenkomstig Van Nagell's meening (men 
zie o. a. de missives bl. 275, 323 enz.), in brieven van Augustus 
1814 aan Van Hogendorp en Van Lennep den indruk toonde te 
vreezen, dien het definitief verlies van kostbare koloniën //aan de 
Maas en den Amstel", //op de beurs" zou veroorzaken ' *' ; men 
scheen voor //den slag^* even weinig te gevoelen als voor de terug- 
verkrijging der andere koloniën waardeering over te hebben. Het 
is waar, gedurende eenigen- tijd was het tractaat officieel ge- 
heim •'* * ; doch de Engelsche bladen bespraken niettemin zeer kort 
na de sluiting de teruggave ! — gelijk bl 279 zal blijken — 
en onze toebereidselen voor de weldra te ondernemen expeditie 
naar het hersteld Nederlandsch-lndië moest de belangstelling wel 
prikkelen. Doch men vond ze voor dit land van belofte niet, toen 
evenmin als later. Wij waren zoo lan-g lijdelijk getoeest ^ en hieven het: 
herinnert Thorbecke in zijn sub 19 vermelde Aankondiging. Ginds 
bracht men kapitalen aan voor de koloniale ontwikkeling; hier 
hield men zich gesloten , dacht men slechts aan Staatshulp en aan 
middelen om er van Staatswege onverwijld rechtstreeks geld uit 
te slaan; en zoo werd ook bij apostil dd. 27 Mei 1814, als 



254 DE SLUITING VaN HET LONÜÈNSCH TRAOTAAI* 

de onderhandelingen over de teruggave zouden aanvangen , op ons 
departement van Buitenlandsche zaken eene breede blijkbaar van 
deskundige hand herkomstige nota gedeponeerd , houdende een 
ernstig betoog, dat wij niets wijzer konden doen, dan al onze 
koloniale rechten te verkoopen ^ ^ f [ jjet is waar , dat advies werd 
niet gevolgd, doch de geest er van, leeft destijds overeenkomstig 
Falck's dispositie , door al onze onderhandelingen ! De tranen over 
ontroostbare koloniale verliezen werden telkens spoedig weder afge- 
droogd door geld: onze wederpartij aan gene zijde van het Kanaal 
begreep dat wel; en handelde dienovereenkomstig. 

Juist eene halve eeuw later bood zich de gelegenheid aan , den 
man te herdenken, aan wien wij met Hollands zei f bevrijding, 
volgens eene bekende getuigenis van een lid der Britsche regeering, 
de teruggave onzer koloniën hebben te danken gehad '». Als 
echter Mr. F. A. Baron Van Hall dan een tweeden druk bezorgt 
van een in 1835 uitgesproken redevoering ter gedachtenis van 
Van Hogendorp gehouden , vindt het woord zóó weinig weerklank , 
dat onze politieke zedemeester dier dagen teleurgesteld opteekent: 
^Men snuflFelt onder de asche van het vuur, dat nu 30 jaren 
geleden ter eere van Hogendorp brandde, of daarbij ook nog een 
enkele vonk zou kunnen worden aangetroffen, om als plaat«ver- 
vangster te dienen van de overal ontbrekende geestdrift" ^'. 

II 

De losse besprekingen over de teruggave der koloniën konden niet 
het onderwerp van gezette behandeling worden , zoolang er nog strijd 
tegen Napoleon's leger werd gevoerd ; en dan rees bovendien de vraag 
of deze gewichtige zaak zou worden behandeld bij het met Frankrijk 
eerlang aan te gane vredestractaat , dan wel op het destijds reeds 
voorgenomen congres der mogendheden , of eindelijk uitsluitend 
met Engeland. Fagel verwachtte dat de quaestie hetzij bij het 
vredestractaat, hetzij op het congres zou uitgemaakt moeten wor- 
den, wegens het verband met andere restituties •*"*. Maar noch 
aan gene zijde van het Kanaal , noch vooral door ons werd deze bond- 
genootschappelijke behandeling wenschelijk geacht; onze bewinds- 
lieden zagen, evenals de Souvereine Vorst (bl. 248), wel in, dat 
veel meer te verwachten was van de persoonlijke sympathieën , die 
destijds tusschen Engeland en Nederland bestonden dan van eene 
algemeene vergadering, waar het pas weder in het leven geroepen 



Van 13 AUGUSTUS 1814. 255 

staatje — als andere kleine staten in die dagen, een sous-aliié 
spottend geheeten ! — niets te zeggen zou hebben. En hoe juist men 
dit heeft ingezien , blijkt ons o. a. uit den brief van baron Van Spaen , 
wedergegeven bl. 313 — 314. Het kon dus voor onze vertegenwoor- 
digers geene teleurstelling zijn, dat de vredesacte van Parijs, die 
den 30° Mei 1814 eindelijk tot stand kwam, de teruggave met 
stilzwijgen voorbijging. Nochtans hield zij eene koloniale resti- 
tutie in, die voor Nederland eerlang schadelijke gevolgen zou 
hebben. Guadeloupe hadden de Engelschen in 1810 op Frankrijk 
veroverd en in 1813 aan Zweden afgestaan. De geallieerden, 
speciaal Engeland, wilden dit eiland weder in het bezit zijner 
vroegere meesters stellen, doch wijl dan Zweden eene schadever- 
goeding diende te hebben, viel het oog op eene der voormalige 
Nederlandsche koloniën in West-Indië, die overigens bestemd 
waren om aan ons teruggegeven te worden. Daarom achtte men 
het noodig, dat onze Souvereine Vorst er zich mede vereenigde. 
De Engelsche gezant sprak er dientengevolge in Maart 1814 
Z. K. H. over, die, evenals vroeger Castlereagh over de Kaap- 
quaestie, verrast was, volgens den op bl. 244 — 245 medegedeelden 
brief van Clancartj , door de gereede instemming met het voorstel. 
//Without offering any objection to the principle", schreef de 
Gezant aan Castlereagh, /^he received the communication of the sacri- 
fice expected from him far better than I should have imagined.'^ 
Zoo werd bij het Parijsche tractaat van 30 Mei 1814 Quadeloupe 
door Zweden teruggegeven //en consequence d'arrangemens pris avec 
ses alli^s", zonder dat alzoo over den aard dier schikkingen in 
nadere bijzonderheden werd getreden •'•'. 

Of onze minister Van Nagell destijds reeds op de hoogte was 
van de door den Prins alweder te snel gegeven toestemming tot 
de West-Indische opoffering, kan ik niet zeker zeggen, doch 
de indruk is mij gegeven, dat evenmin als Fagel, de Minister 
er iets van wist. De Gezant hoorde er eerst van toen hij door 
Van Nagell dd. 7 Juni 1814, dus eene week na den Parijscheu 
vrede, werd aangeschreven om nu eens het Britsche kabinet 
over den omvang der koloniale onderhandelingen te polsen '' ® , 
en hieraan voldoende, Castlereagh hem den vorstelijken Guadeloupe- 
wissel voorhield; overigens verklaarde de door Falck terecht als 
almachtig geschetste Britsche bewindsman ' ^ , dat hij gaarne on- 
vena'ijld de besprekingen over de teruggave zou aanvangen. Onze 
Gezant vond het wellicht minder aangenaam, dat hij van de 
Oc Volgr. UI. 18 



io6 DE SLÜITIXO VAN HET tONDENSCH TRACTAAT 

ZweeJsclie qunestie niet bevorens op de hoogte gesteld was; in 
zijn rapport dd. 11 Jnni 1814 merkt hij althans op, dat Castlereagh 
hem over deze en andere zaken had gesproken , die aan Van Nagell 
en den Prins zeker volkomen bekend waren, althans beter dan 
aan hem, die ze voor de eerste maal vernam ^'. 

En nu beginnen de ergernissen van onzen Minister. Uit het sub 36 
vermelde schrijven van 7 Juni blijkt ons, dat hij zich, evenals 
Van Hogendorp , met de hoop gevleid had , dat wij al de koloniën 
zouden terug bekomen , die />/ lui juui 1792 in ons bezit waren 
geweest, dus ook De Kaap, Ceylon enz., de Oost, de West, 
bovenal het zoo kostbaar geachte Guiaua. Weldra zou het echter 
blijken , dat voor Guadeloupe men het booze oog juist op een deel 
van deze laatste kolonie had geslagen. Van Nagell stelde de vol- 
ledige teruggave van Guiana op zoo'n hoogen prijs, dat hem dit 
punt der koloniale quaestie boven alles ter harte bleek te gaan; 
trouwens mannen als Kluit en andere vaderlandslievende landge- 
nooten oordeelden er in die dagen eveneens zoo over •^**. Af te 
zien van Esnequehu , van IKéhcuiy , van die zelfde streken , waaromtrent 
toch Malmesbury in zijne op bl. 242 en 248 vermelde missive 
van 3 December 1813 uitdrukkelijk had gezegd: 1 veiUhtl^ wotiJd 
give tfua (juck , zou eene teleurstelling zijn , die men met alle macht 
moest trachten te voorkomen. Dezen gedachtengang legde Van Nagell 
op ontvangst van het Gezantschapsbericht aanstonds neder in een 
schrijven dd. 16 Juni 1814, waarin hij voor den Souvereinen Vorst 
ontworpen had eene aan Fagel te verstrekken instructie. Men moest 
zich, leest men daarin, stellen op het standpunt van ons koloniaal bezit 
van vbór 1795, in welk jaar en ook later wij enkel door Frankrijk 
gedwongen werden Engeland te beoorlogen, waarom wij ook wel 
al onze koloniën, het in den oorlog van 1795 verloren Ceylon er 
onder begrepen , mochten terug verlangen. Indien Engeland territo- 
riale vorderingen deed gelden, dan had onze Gezant zich vooral 
te doordringen van het feit, dat niet alleen in West-Indië de 
geheele Guyana het belangrijkste deel onzer bezittingen aldaar was , 
doch vermoedelijk de kostbaarste van al onze bezittingen in Oost 
en West! Een verdeeld bezit van Guiana zou ook tot de grootste 
moeilijkheden aanleiding geven, vooral wanneer de slavenhandel 
werd afgeschaft, daar de vrije werklieden dan van de eene bezitting 
naar de andere zouden overloopcu. Moest men eene opoffering, doen 
dan zou Caru^^uo in aanmerking kunnen komen, waarvan de belangrijk- 
heid onze Gezant , dank eene bij de instructie overgelegde memorie 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. £5'7 

kon aantoonen, in geval Engeland er op zou wijzen, dat het bezit 
van dat eiland meer een last dan een steun voor ons was. Bleef 
men voor dit lokaas ongevoelig, dan moesten nog aangeboden 
worden de eilanden SL Èusfache, Saba en 8L Martin (voor zoover 
het voormalig Nederlandscli gedeelte betreft) ; overigens behoorden 
geene dezer opofferingen, ook niet van Curagao ^ te worden toege- 
staan , zonder dat Fagel er eene geldelijke indemnisatie voor vroeg. 
Over onze forten op de hisi van Gninea behoefden niet gehandeld 
te worden, daar wij die reeds in bezit hadden. Aan /)e Kaap 
zou wellicht Engeland groote waarde hechten, doch dan diende 
men daartegenover te stellen, niet slechts geldelijke vergoeding, 
doch in ieder geval — en zoo komt Van Nagell telkens weder op 
zijn geliefde West terug — de volledige teruggave van Quiana. 
Den Oost-Indischen Archipel moesten wij terug verlangen, zooals 
wij dien in 179£ bezaten; doch omtrent de bezittingen in Vóor- 
Indië kon Fagel gemakkelijk zijn en ze des gevraagd tegen geldelijke 
vergoeding afstaan ''*. 

Den volgenden dag, den 17° Juni 1814, berichtte de Minister 
aan Fagel , dat eene voor hem bestemde instructie den Souvereinen 
Vorst was voorgelegd. Hij had van Z. K. H. gehoord over het 
plan om Zweden uit onze West schadeloos te stellen, en Aij zou 
zich daarover waar niet vertier uitlaten^ m. a. w. hij vond de zaak niet 
in orde ; maar hij wilde er dan toch van zeggen , dat het onver- 
deeld bezit van Ouiana /t^t kosföaarsf^e onzer koloniën uitmaakte; 
Fagel zou daarentegen, merkte de Minister verder op, voor den 
afstand van Cura^ao //en zelfs van St. Eustache'' in de instructie de 
grootste vrijheid vinden **". 

Niet weinig verbaasd zou de Minister geweest zijn , als hij dien 
zelfden dag over de schouders van den Britschen gezant in den 
Haag had kunnen zien , toen deze het volgend rapport aan Cast- 
lereagh schreef ^ * : 

As I suppose you will soon , either with M. Fagel in Londen or by 
instructions to me here, negociate with this Government for the res- 
toration of their colonies; it is fit you should know that, in con- 
versing with M. De Nagell upon this subject, he has professed to me 
his incUnation to advise the utmost liberality respecting it; nay, that 
he was not very tenacious of colonial acquisition; and that, with 
respect to those in the West Indies, would bc willing even to forego 
their re-acquisition, upon an adequate indemnity. With respect to 
the nature of the indemnity , I could not gct hini to bc quitc ex- 



258 DE SLUITING VAN HKT LONDENSCH TRAC3TAAT 

plicit, but understood him to mean their sale for money. Inmymind, 
however, except perhaps the colony of Demerary, in which so much 
British capital is engaged, the purchase would be but a bad one. 

Ziedaar het zwakke punt van al onze onderhandelingen in die 
dagen vrij onaangenaam blootgelegd : mj loareit U hoop, Castlereagh 
had iets dergelijks blijkens het door mij op bl. 249 medegedeelde 
dd. 8 Januari 1814 aan lord Liverpool met betrekking tot Bê 
Kaap gemeld, hetgeen Hoek op bl. 56 van zijn >/ Herstel" snedig 
doet opmerken : //De Engelsche bewindslieden wisten dus bij 
voorbaat, dat zij tegen opoffering van eenig geld zich enkele 
koloniën zouden kunnen verschaffen, die men reeds zoo lang be- 
geerd had, en dat zoodra de onderhandelingen aanvingen, be-'' 
krachtigd zou worden , wat zij nu reeds als zeker verworven kon- 
den beschouwen." — Ter verschooning strekke, dat ons vaderland 
n\VL merg en been" uitgeput was ^^ ^ %w. dat Engelands jammerlijk 
idee om alweder eene Chineesche muur aan Frankrijks noorder 
grenzen te doen oprichten niet krachtig genoeg schijnt te zijn 
wederlegd met de opmerking, dat zoo de Verbondenen zulk eene 
barrière noodig achtten , zij er dan ook maar de kosten voor hadden 
te dragen. In een sub 70 te vermelden memorie van Van Nagell wordt 
wel de aanmerking gemaakt, dat /^^y waarlijk niet dddrvoor koloniën 
behoefden te verliezen , doch toen was het te laat ! En mocht het wel 
verstandig heeten , dat wij direct en indirect aan ieder vreemdeling 
zoo maar blootlegden hoe /^ellendig arm" wij waren * * , hoe wij 
er naar haakten van de koloniën door schadevergoedingen of door 
exploitatie in wat beter doen te komen? Het getuigde zoo weinig 
van een vol hoop op de toekomst berustende levenskracht, //üne seule 
chose semblait Ie préoccuper, c'était la craiute de donner avant 
d'avoir re9u" — gelijk De Qrovestins in zijne sub 24 vermelde 
Mémoires bl. 27 aanteekeude: — dit bezielde helaas niet alleen 
onzen Vorst , doch onze gansche regeering en niet minder ons 
volk. Ik geloof wel, dat wij ook bij eene meer hooghartige en 
politieke opvatting, noch De Kaap^ noch C-eylon^ zouden bekomen 
hebben, maar in deze West-Indische quaestie wordt het toch zeer 
duidelijk hoezeer wij onze positie door dergelijke geldzucht ver- 
zwakten. Ware het dan niet beter geweest over eene pijnlijke 
herinnering henen te stappen en krachtig de quaestie der 
eertijds toegezegde bewaarneming op den voorgrond te stellen? 
Van Nagell heeft er — het blijkt uit al het volgende — 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 259 

uiet aan gedacht om een deel van Guiana tegen geld prijs te 
geven , maar het oog vermoedelijk gehad op de West-Indische 
eilanden : eiland toch tegenover eiland^ gelijk ik bl. 245 opmerkte ; 
Engeland wilde ze echter niet hebben en dwong ons ten slotte , ook 
al voor geld , om van Demerarj , Esseqnebo en Berbice af te zien ^* ! 
Door het aannemen van dergelijke vergoedingen bewogen wij ons 
in Engelands politieke richting, die aldus de rol van den Be- 
langlooze, den Edelmoedige bewaarde, waarop het zoo zeer prijs 
stelde , ten einde zich tegenover de andere Mogendheden te kunnen 
doen gelden en ook uit aangeboren huichelzucht ; terwijl op Neder- 
land het odium van al dergelijke geldelijke transactiën viel : hoe- 
zeer is ons ook niet het zoogenaamd Verkoopen van De Kaap ver- 
weten ! * ' En het treurigste van alles was , dat wij ten slotte toch 
nog bedrogen uitkwamen , tengevolge van de niet verwachte geldelijke 
eischen , die door de Engelsche autoriteiten in Oost-lndië bij de over- 
gave gesteld werden , terwijl wel degelijk de grondgedachte van het 
tractaat van 1814 was geweest, dat wij de koloniën zonder andere 
betalingen zouden terug erlangen dan die de rechtstreeksche over- 
neming van Engelsche goederen medebrachten : de teruggave zou 
geschieden, blijkens den op bl. 271 vermelden brief van Fagel dd. 
9 Augustus 1814, overeenkomstig Castlereagh's verzekering, vpure 
et simpïe et immediate*'* \ En gaaf vond zij inderdaad ten slotte 
plaats ten aanzien der West-Indische koloniën , zooals de Dir. Gen. 
van Koloniën dd. 31 October 1816 aan onze C. C. G. G. in de 
Oost verzekerde (V. D. 128) ; daar waren zeker geene FendalFs en 
Raffles' geweest. 

De eerste missive van Fagel dd. 21 Juni 1814 N® 89 over de 
geopende onderhandelingen meldde, dat wij zoo goed als alle 
koloniën zouden terugkrijgen, behalve De Kaap^ waarvoor — 
gelijk onze Minister reeds goed gevonden had — een e aanzien- 
lijke som gelds ten behoeve der barrière-steden werd toegezegd '*•''. 
De Britsche regeeriug wilde volstrekt niet , had Castlereagh blijkens 
het sub 7 aangeteekende verzekerd, zich inhalig betoonen. Cockin 
op de kust van Malabar zouden wij echter ook wellicht ver- 
liezen; en wat betrof de Guadeloupe-quaestie , nu wij eene veel 
aanzienlijker vergrooting van ons gebied in Europa verkregen 
dan oorspronkelijk voorzien was toen Castlereagh het bewuste onder- 
houd er over met den Souvereinen Vorst had gehouden, zouden 
wij dan toch ook wel, meende de Minister, geen bezwaar hebben 
tegen den afstand van het enkele Berbice aan Zweden ; daarentegen 



260 DE SLUITING VAN U£T LONDENSCU TRACTAAT 

ZOU deze Moi^endheid — oordeelde de Britsche minister — zich 
hiermede hebben tevreden te stellen, al was het ook minder dan 
Gnadeloupe, wijl de rechtstitel veel zekerder werd **. Opmerking 
verdient, dat in dit gansche rapport over Fagel's onderhoud met 
den Britschen minister * ' geen woord werd gerept omtrent het lot 
van het overschoone Taprobané; weldra zou het blijken, dat wij 
daaraan evenmin mochten denken. 

In ieder geval Van Nagell kon niet weten wat nog in den raad 
der Britsche goden mocht besloten worden ; dezen wisten het trouwens 
zelven niet altijd; hoe meer toch de geestdrift tijd tot verkoelen 
had, hoe minder men geneigd scheen al onze koloniën terug te 
geven. Daarom zou het eene gelukkige opvatting geweest zijn, 
indien het zwijgen over Cejlon — al mocht het een misverstand 
blijken — den Minister hadde geprikkeld ommiddellijk op den 
brief in te gaan , bedenkende dat gevoelens van edelmoedigheid in 
den regel kort verloop hebben en dat wij dus, hoe meer tijd wij 
over de zaak deden gaan, steeds in minder gunstige omstandig- 
heden zouden komen. Wel verre echter, dat aan onzen Gezant werd 
bevolen Castlereagh bij zijn woord te houden en dus onzerzijds 
prijs te geven De Kaapy Berdice en zoo noodig Cochiny lokte de 
Minister geene wijziging uit in zijne veeleischeude instructie, bij 
schrijven van 24 Juni 1814 aan Fagel gezonden. Over het verlies 
van De Kaap wordt maar al te gemakkelijk heengegaan, maar 
Berbice te moeten verliezen, een deel dus van die kostbaarste aller 
bezittingen: dat zoude al te smartelijk zijn en maar al te bittere 
gedachten opwekken ; dan nog beter op te geven , — hoe maakten 
wij ons steeds zwakker I — niet slechts alles op het vaste land van 
Vóór-Indië, doch zelfs.... Ceylon ^ zoomede hei sMerel/and van 
Malakka! Waarlijk de heer Van Nagell, hoe goed ook zijne 
bedoelingen mogen geweest zijn, zou ons van den wal iu den 
sloot hebben geholpen. ^^ 

Fagel trachtte in zijn antwoord van 30 Juni 1814 het hope- 
looze van dergelijke basis tot onderhandeling aan te toonen. Cejlon 
kon niet meer voor tegengift gelden, daar dit eenmaal bij den 
vrede van Amiens aan Engeland afgestane eiland buiten behan- 
deling was gekomen ; en ook het denkbeeld van een gedeeltelijken 
afstand van Guiana aan Engeland zou men niet meer willen prijs- 
geven. /yJe suis f^ché de devoir vous informer" — was het ant- 
woord van den Gezant *** — /ï^que Tesprit des instructions que 
vous m'avez transmises, s'écarte si fort du point de vue sous 



VAN J3 AUGUSTUS 1814?. 261 

lequel la matière est considérée ici , que je désespère de voir cette 
négociation se terminer & la satisfaction générale." 

Deze waarschuwing wekte bij den Minister slechts hHterhmd 
en h/trfzfiPT op, blijkens zijn schrijven van 8 Juli d. a. v. Hij 
meende dat het nog verder afwijken van de koloniale positie, die 
wij bij dtsn vrede van Amiens hadden verkregen , den Souvereinen 
Vorst en zijne regeering tegenover het gansche Nederlandsche 
volk in een verkeerd daglicht zou plaatsen; dat daaraan eene in 
ons vaderland nog bestaande Fransche partij — hoe was het 
mogelijk?! — kracht zou erlangen; dat het verlies van Guiana 
gelijk stond met het afsnijden van onze levensdraden (sic) , en dat 
geen waar Nederlander daarvoor niet gevoelig kon zijn; dat aldus 
het Parijzer tractaat, ons een vergrooting van grondgebied toezeg- 
gende ^ " , werd geschonden , want geene uitbreiding in Europa kon 
het verlies van Guiana vergoeden ; dat, gelijk bl. 248 en sub 7 opge- 
teekend, aldus Ëngelands hebzucht een zeer ongunstigen indruk 
op de andere mogendheden zou maken ; enz. •'» ' : kortom eene 
schrikbarende overdrijving, waarvoor men alléén wat zou kunnen 
gevoelen als het 't bezit van De Knap had gegolden. 

Intusschen hadden zich de vorsten van Rusland en Pruissen en 
onderscheidene eerste ministers naar Londen begeven ; de werkzaam- 
heden voor het Britsche ministerie hieruit voortvloeiende, werden 
zéér vermeerderd door de geopende parlementaire debatten, terwijl 
het overige van den tijd door talrijke feesten werd ingenomen; het 
resultaat was, dat voorloopig Castlereagh niet over onze koloniale 
zaken viel te spreken, gelijk Fagel dd. 8 Juli 1814 naar Den Haag 
meldde '^^. En toen hij eindelijk daartoe gelegenheid vond, bleek 
de Britsche Minister onder Van NagelFs verzet zijn geduld te hebben 
verloren. Eene zeer gewichtige niet-koloniale quaestie kwam trou- 
wens daarbij. Omtrent de voorwaarden der vereeniging van Noord- 
en Zuid-Nederland was te Londen door de Verbondenen een stuk 
opgemaakt, hetwelk de Souvereine Vorst behoorde te teekenen; 
doch deze maakte bezwaar wegens het onbestemde der regeling van 
de schuldeiiquaestie tusschen beide deelen, verder wijl de grenzen 
van den te scheppen staat nog niet behoorlijk waren aangewezen 
en eindelijk omdat het land door vreemde troepen bezet bleef •'"'. 
Aldus ontmoette Castlereagh én in de koloniale quaestie , én in de 
vereeniging der Nederhiiiden — beiden met name door hem in het 
leven geroepen en geleid — een naar zijn inzien ondankbaren weder- 
stand bij den Vorst en zijne regeering, die hij slechts met wel- 



262 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH 'IRACTAAÏ 

daden toonde te willen overladen. De besprekingen met onzen 
Gezant afbrekende, wegens Van NagelFs ontevreden bescheiden, 
verklaarde hij niets verder te zeggen te hebben; Nederland kon 
zonder België niet sterk genoeg geacht worden voor de verdediging 
van kostbare koloniën en de zaak moest dan maar op de eind- 
beslissing van het Congres wachten. — Mistroostig en niet zonder 
scherpte schreef den 15** Juli 1814 Fagel dit bedroevend resultaat 
aan onzen Minister, nadat evenzoo door Castlereagh deze beslissing den 
vorigen dag aan den Britschen gezant in den Haag, Clancartj, 
was bericht. Fagel gaf in de betuigingen van zijn leedwezen, dat 
men zich niet vriendschappelijk had weten te verstaan, duidelijk 
genoeg te kennen, dat Van Nagell eigenlijk den normalen gang 
had verstoord en verknoeid. ^^ 

De raededeelingen van Clancarty aan den Souvereinen Vorst in 
den avond van den 19" Juli 1814 brachten dezen tot nadenken 
en deden hem besluiten het z. g. Londensch protocol te onder- 
schrijven, gelijk den 21° Juli 1814 door Van Nagell namens den 
Prins gedaan werd. //Ik heb lord Clancarty gisteren avond zeer 
lang bij mij gehad" — berichtte Z. K. H. aan Van Nagell dd. 
20 Juli, //en ik geloof dat hij met het resultaat onzer conferentie 
beter te vreden is dan ik." De Britsche gezant had ffeen soort 
van model" voorgelezen omtrent de verklaring, dat het Protocol 
werd aangenomen; Zijne Hoogheid berichtte, dat zulks hem aan- 
nemelijk had toegeschenen. //Uit égard voor Engeland en tegen 
mijn zin" — vervolgde de Vorst — //heb ik ook geaccepteerd 
de administratie van België op mij te nemen, en diensvolgens 
mij naar Brussel te begeven. Ik hoop dat daardoor alle redenen van 
ontevredenheid zullen weggenomen worden en dat de negociatie der 
koloniën zal kunnen weder opgenomen worden. Het nut wat ik 
daarin zie voor dit land heeft mij grootendeels bewogen mij te 
sacrifieeren. Door twee voorbeelden, dat van den koning van 
Pruissen en van dien van Sardinië, die solliciteert het Gouvernement 
provisoir van Genua , heeft mij lord Clancarty trachten te overtuigen, 
dat het niet tegen de digniteit is dat van België te aanvaarden, 
en daar ik maar het welzijn van de zaak behartig, is mijn eenige 
wensch dat dezelve bevorderd worde." 

Van Nagell berichtte de aanneming van het Protocol aan onzen 
Gezant te Londen bij brief van 22 Juli 1814 N° 82. De Minister schijnt 
geen idee te hebben gehad dat ook zijne hooge koloniale eischen , 
en niet uitsluitend de Belgische quaestiën , tot het afbreken der kolo- 



VAN 13 AUGUSTUS 181A. 263 

niale onderhaudeliugen hadden geleid. Althans, terwijl geene wijzi- 
ging in de instructies werd gebracht, sprak hij bij deze nieuwe 
aanschrijving de verwachting uit, dat Castlereagh nu weder de 
koloniale quaestie zou willen ter hand nemen , zonder dat het 
Congres er in gemoeid werd. f^ïi serait bien h désirer" — schreef 
nl. de Minister (B.Z.) — /'que Son Excellence lord Castlereagh voulüt 
couronner son oeuvre avec nous en terrainant ce qui a rapport ^ 
la restitution de nos colonies. — Si Son Excellence préféré de remettre 
cette affaire au congres de Vienne, S. A. R. ne peut que déférer 
aux volontés du cabinet de St. James; néanmoins EUe préférerait 
de beaucoup, que cette n%ociation fut terminée k Londres, afin 
d'éviter toutes interventions quelconques, et de simplifier la négo- 
ciation autant que faire se peut." 

Ook de Prins schijnt van meening geweest te zijn, dat Castle- 
reagh's ontevredenheid enkel was voortgevloeid uit de bezwaren tegen 
het Protocol ; hij toch bleef evenzeer de meening deelen, dat Guiana 
in ons onverdeeld bezit moest terugkomen. De vergrooting van het 
rijk met België mocht daarop geen invloed uitoefenen: //Tabandon 
de nos meilleures colonies ou leur entière détérioration" — her- 
innerde hij dd. 22 Juli aan Fagel •'» ^ — //est une chose trop grave 
et de trop grande conséquence pour y pouvoir donner les mains, 
et être taxé d'avoir sacrifié Ie bien de TEtat h la gloire de la 
maison." 

In dit kort tijdsverloop was echter de zaak nog veel hopeloozer 
geworden. Wij lazen op bl. 256, dat Malmesburj den 13° De- 
cember 1813 aan Fagel o. a. had geschreven: //all the West-India 
Islands, Essequebo, Demerary and Surinam I certainlj would give 
JOU back". Een paar maanden later had het op bl. 244 — 245 ver- 
melde onderhoud plaats tusschen Clancarty en den Prins, waarin deze 
te gereedelijk den afstand aan Zweden van West-Indische koloniën 
had goedgevonden , terwijl Castlereagh toen op het oog had Berbice : 
doch ook niet méér, '/which ought to satisfy", schreef deze 
over Zweden aan lord Liverpool dd. 19 April 1814 ^»". //More 
than this I think Holland ought not to lose, even though cora- 
pensated on the side of the Netherlands", besloot hij , na genoemd 
te hebben het bezit van Malta, De Kaap, Mauritius en Tobago 
als een sine (lud ivon //to our own peace". Bij deze zelfbeperking 
ten aanzien van West-Indië bleek Castlereagh nog gebleven te 
zijn in het onderhoud, dat weder een paar maanden later plaats 
vond met Fagel en waarvan deze rapport deed bij het op bl. 259 



26 1 DE SLUITING VAN U€T 1A3NDENSCH TRACTAAT 

aangehaald schrijveu van 21 Juui 1814 *', Na toch vermeld te liebhen 
dat wij alleen D^ Knap en Cm-hm zouden verliezen, schreef de 
Gezant: "11 ne resterait alors ji arranger que Ia cession de quel- 
qu'une de nos ci-devant colonies ^ la Suède, en remplacement de 
la Guadeloupe. L'accroissement de notre territoire Europeen étant 
devenu beaucoup plus considérable qu'on ne pouvait Ie prévoir 
lors du passage de lord Castlereagh par la Hollande, il pensait 
que nous pouvions être coulauts sur eet article, et semblait croirc 
(|ue ce ne scrait pas trop exiger de nous que de demander si eet 
etiet la cession de la colonie de Berbice, dont la Suède devrait 
se contenter, quelqu^inférieure en valeur qu'elle fdt ^ la Guade- 
loupe, ei dont il jugeait que cette Puissance se contenterait , 
pour cette raison que cette cession lui donnerait un titre de pro- 
priété incontestable, tandis qu'on ne pouvait pas lui en fournir 
un semblable pour la Guadeloupe." 

Maar als eene maand weer later, nl. den 28" Juli 1814, Tagel 
opnieuw met den Britschen minister een onderhoud heeft , bemerkt 
hij dat de hekken geheel zijn verhangen. Er is en er wordt nu inderdaad 
comedie gespeeld. Castlereagh toont er in te berusten , dat Zweden 
de regeling volstrekt wW goed vindt , dat het toch , behalve IWhice.^ 
ook nog wil hebben Df^wfran/ en EjtipfiMpf^o en dat het zich in 
geen geval wil laten afschepen met Cura^ao, St. Eustache, St. 
Martin eu Saba: r**//* af ff af rm^n Hfirhice op f /en hutp t4}e! 

Den valmachtigen Minister'' zou het natuurlijk licht gevallen zijn 
om de veeleischende Mogendheid tot andere gedachten te brengen , 
doch .... hoe toevallig anders Zwedeus plotseling opgekomen voor- 
liefde tot een goed gedeelte van Guiaua! — Engelands belang 
bracht onverwacht die verhooging van eischeu mede. Genoemde 
kolouiCn, "which are Anglicized"*, met name Demerary eu Berbice , 
nare tmiHt réihnihl** f o /fv" ^ was toch bij nadere overweging het 
oordeel der Engelsche staatslieden geworden'»'! — Men zou echter 
buiten den rol van Edelmoeditre, Belani^elooze vallen '»^, indien 
men ze zoo rechtjstreeks maar aanhield. Niet Engeland eischte ze , 
maar Zweden en ... . Zweden verkocht ze aan Engeland. Mochten 
wij hiervan soms het onze denken , de Britsche minister gaf uu 
gezant Eagel den veel beteekeneuden wenk : niet te vergeten , dat 
hier van eene gelijk opgaande verbintenis eigenlijk geen quaestie 
was, daar de eene partij slechts had te geven, en de andere enkel 
te ontvangen , die dus maar tevreden moest zijn met hetgeen 
aldus werd verkregen, üe toon, waarmede de hervatting van de 



VAN lf*j AUGUSTUS 1814. 265 

ouderhandelingen begon, was dus heel wat minder vriendelijk 
geworden ; immers tot dusver had men altijd vooropgesteld , dat de 
teruggave eene quaestie van recht en het dezerzijdsch opgeven vau 
eene enkele kolonie een sacrifce was. — Fagel deelde het in den 
ochtend van 28 Juli 1814 verhandelde onzen Minister den volgenden 
dag mede ^^. 

Den 30° had eene nieuwe conferentie tusschen Castlereagh en 
Fagel plaats; de Britsche minister legde toen onzen Vertegen- 
woordiger een ontwerp, een outHjie over, als ultimatum ^/for 
the consideration of his Court'\ gelijk het in een brief van 
Castlereagh aan den Britschen gezant te 's Graveuhage , nog den 
dag der conferentie geschreven, luidde ^". //The necessity of 
having something to hold forth to the public", lichtte hij indien 
brief toe •* * , ^s'is the more feit from the probability , there is , 
of our being involved in a further charge on account of Holland 
of £3.000.000, arising out of what is called the Dutch Loan." — 

Ook Fagel haastte zich denzelfden dag onzen Minister van B. Z. 
in te lichten. Hij waarschuwde tegen het maken van verdere 
bezwaren, hetwelk tot niets anders kon leiden dan tot onte- 
vredenheid , uitstel der overgave en tot de zoo zeer gevreesde 
behandeling der zaak op het Weener congres. Hij adviseerde dus 
tot onmiddellijke aanneming, opdat het tractaat nog voor Castle- 
reagh's vertrek derwaarts, op den 15** Augustus bepaald, kon ge- 
sloten worden; hij wees er ook op, dat Clancarty in den Hang 
van dezelfde instructies voorzien was en dat het nu huigen of barsteed 
zou moeten zijn ; Fagel's dringende raad was echter voor het eerste. — 
Naar al hetgeen ik er van weet, en tevens mij herinnerende wat 
het Weener congres zou voorbrengen, schijnt mij dat advies, 
zooals de stand der zaak nu eenmaal was geworden , heel ver- 
standig toe ^^. 

Van Nagell, onbewust van den keer, dien de besprekingen — 
//onderhandelingen" konden ze bijna niet heeten — hadden genomen, 
schreef nog den 2° Augustus i 814 een brief naar Londen , waarin 
hij de hoop uitdrukte, dat de onderhandelingen over de teruggave 
der koloniën weder opgevat en vóór den aanvang van het Congres 
zouden beëindigd worden; en evenzeer onbekend met de intrige, 
waardoor aan Zweden eene zeer aanzienlijke som van Engeland 
werd verzekerd als middellijke schadeloosstelling voor Guadeloupe, 
maakte hij zich tevens alweer boos over de belangstelling van den 
Zweedschen gezant in den Haag, die den korzeligen heer Van 



266 DE SLUITING VAN HET LONDENSGH TRACTAAT 

Nagel l naar deu stand der onderhandelingen belangstellend had 
durven vragen •*•"* ! 

Doch daar kwamen dien eigen 2" Augustus de brieven uit 
Londen , waardoor de Minister met Engelands volstrekte wenschen 
werd bekend gemaakt; geheel teleurgesteld, antwoordde hij den 
Gezant nog denzelfden dag, dat hij nu zulk een weerzin tegen 
zijne betrekking had opgevat, dat hij niet langer minister wilde 
blijven *"* ! 

De Souvereine Vorst en zijn secretaris Falck zagen echter te 
recht in , dat de tijd voorbij was om nog bezwaren te doen hooren. 
Op Castlereagh's outline werd geene andere aanmerking gemaakt, 
dan ten aanzien van de bepaling, dat Banka ons in ruil zou 
worden afgestaan tegen het verlies dezerzijds van Cochin en onder- 
hoorigheden. Die aanmerking betrof echter niet, helaas! dat dan 
bij Banka ook het >i'en onderhoorigheden" moest gevoegd worden ; 
evenmin dat de redactie omtrent een afstand van Banka misplaatst 
was, wijl reeds bij vormelijk contract dd. 10 Juli 1668, te Batavia 
gesloten, dit eiland met Billiton onder Nederlandsch gezag werd 
gebracht , ten einde '/te voorkomen dat eene andere vreemde mogend- 
heid zich daar vestigen zou" **• "* ; doch de vraag werd enkel 
gedaan , waarop het afstandsrecht van Banka berustte — men kwam 
dus het eigenlijke punt wel nabij! — waarop Clancarty het ant- 
woord had gegeven upon unlitigated posseas'wn. Hiermede was de 
behandeling afgedaan en kon Clancarty naar Londen reeds den 4" 
Augustus schrijven dat de outline was aangenomen ^^! 

In den vorm van de alsnu af te sluiten conventie werd onze 
gevoeligheid zooveel mogelijk verschoond , gelijk o. a. blijkt uit de op 
bl. 286 sub 9 vermelde overweging; doch zoo — naar wij nog zullen 
zien — ï^agel, Falck en de Souvereine Vorst hiermede zich zeer toonden 
ingenomen , naar het wezen beschouwden onze bewindslieden het 
verlies der af te stane koloniën , gelijk werkelijk het geval was , 
niet als een ruil of vrije geldelijke transactie. De Prins toonde 
het te gevoelen in een nader te noemen brief aan Van Nagell, 
waarin hij zijn Minister tot berusting in het onvermijdelijke aan- 
spoorde; Fagel maakte zich blijkbaar geene illusie, waar de grond- 
toon zijner adviezen is jv'ij moeten wel\ Falck eindelijk gaf er 
de meest stellige uitdrukking aan, toen hij den 6" Augustus 
1814 aan Van Hogendorp, die belangen aan Be Kaap had , het teleur- 
stellend bericht moest zenden, niet alleen dat Engeland deze 
kostelijke kolonie voor zich had behouden, doch tevens: //Het 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 267 

neemt voorts Demerarj, Essequebo cd Berbice; maar in de Oost 
niets dan Cochin, waartegen het ons het bezit guarandeert van 
het kostelijk eiland Banka" ®'. Overigens is het in Falck te 
prijzen, dat hij de waarde van dit eiland niet onderschatte. Had 
de Britsche regeering het opgegeven, wijl de tinondernemers van 
Gom wallis verstoord waren over de concurrentie, die hun Banka's 
productie dreigde aan te doen ® ^ , de ver vooruitziende Raffles 
betreurde dien afstand ten zeerste, én wegens de beheerschende 
ligging, én wegens de groote voordeden der exploitatie ®*. 

III. 

De brieven, waarin Fagel bij onzen Minister op berusting in 
het onvermijdelijke aandrong, waren tegelijkertijd, gelijk hij dezen 
mededeelde (bl. 313 noot 62) wegens het belang der zaak door den 
Gezant in afschrift naar Brussel, voor kennisneming door den Prins, 
gezonden ; Clanoartj had tevens het zijne bij den Souvereinen Vorst 
verricht om tot toegeven te stemmen, en zoo had deze, ook op 
advies van Falck, rechtstreeks en zonder den Minister nader te 
hooren! onzen Gezant den 4° Augustus 1814 gemachtigd de voor- 
waarden van Castlereagh te onderschrijven. 

Dat het van geen nut zou geweest zijn en slechts tot vertraging 
hebben geleid , indien nog Van Nagell gehoord ware geworden , 
blijkt uit eene Metnorie van denzelfden dag door den Minister aan 
den Souvereinen Vorst gezonden. Hierin zette hij zijne grieven 
tegen den loop der zaak uiteen , terwijl hij besluit met aan Engeland 
alsnog voor te stellen, althans aan Nederland eene vergoeding 
voor Demerary enz. te geven aan den rechter oever van de Maas. 
In het schrijven , waarbij hij de overigens lezenswaardige Memorie 
aanbood, merkt hij nog op: '/Zonder eenige bewimpelingen moet 
ik erkennen, dat de wijze van doen mij zeer stuit en ik mij niet 
zal kunnen gewennen aan den gebiedenden toon, dien men aan- 
neemt. Er ontbreekt niets aan dan te zeggen bij proclamatie: dU 
gedeelte der Hollandsche koloni'én behoud ik, en dat gedeelte geef ik 
terug y '" 

Aangezien de vreemde gezanten met den korzeligen Minister minder 
gaarne te doen hadden, dan met het aangenamer hoofd der Regeerings- 
secretarie, werden derwaarts ongevoelig vele zaken overgebracht, het- 
geen de ironische Secretaris ' * aan Roel deed schrijven , dat //de galco- 
liek van den heer V. Nagel", wel //de leelijkste ziekte" voor .... hem 



268 DE SLUïTÏXa VAN HET LONDKNSOH TRAOTAAT 

(Falck) was ' - ! Maar aan den Minister zelf berichtte de Staatssecre- 
taris , den 6" Augustus 1814, onder toezending van een afschrift 
van het aan den Oezant geworden rescript om het tractaat te sluiten , 
dat Z. K. H, '/met belangstelling" de Memorie had gelezen »die, 
zij het ook eenigszins verzacht, nog nut kon doen op het H^ eeyter 
cuityi't,a\ ook werd als een doekje voor het bloeden hem be- 
richt, dat Fagel was opgedragen pogingen te blijven aanwenden 
'f om Berbice uit den brand te redden" '•''. Persoonlijk trachtte 
Falck zich te vreden te toonen , waar toch niets te veranderen 
meer viel; in practische levenswijsheid schreef hij toch op dien 
zelfden datum aan Van Hogendorp: '/Wat mij betreft, mijne partij 
is genomen; ik ben het getroost en zie gaarne met goede gratie 
te doen , wat ik toch niet beletten kan. Wij komen thans spoedig 
uit de onzekerheid. Lord Castlereagh gaat, zonder slecht humeur 
over ons, naar het Congres en kan er uitsluitenderwijze onze 
continentaal-aangelegenheden voorstaan. Dit is de fraaie kant van 
den penning. Op de keerzijde zie ik , dat in Guyana buren te hebbeu , 
welker wetten en reglementen zoo zeer verschillen van de onze, 
bedenkelijk worden kan voor Suriname, om welke kolonie nog 
dertig jaren te bezitten, ik gaarne premie van assurantie zou 
geven" '*. 

Zoo hebben onze staatslieden in die dagen op koloniaal ge- 
bied nagenoeg alles even slecht doorzien. Het ons overgelaten 
gedeelte van Guiaua is, niettegenstaande de buren, in ons bezit 
gebleven: doch voor de buurmansschap, waar deze werkelijk ons 
nadeelig zou worden: — op Sumatra, in de Straits, kortom in den 
Oosterschen Archipel — daarvoor werd het oog eerst geopend, toen 
het eigenlijk te laat was. 

Van Nagell geraakte door het verlies van Üemerary , Essequebo en 
en Berhice niet alleen buiten zich zelven, doch ook buiten de 
verdere politieke behandeling der zaak. Het rescript over het 
tractaat werd uit Brussel den 8^ Augustus 1814 te Londen ont- 
vangen , zoodat de Gezant aan den Minister den volgenden dag 
schreef (B. Z.) : //Ces instructions m'ont éié transmises par Mon- 
sieur Ie Secrétaire d'Etat Falck, auquel j^addresserai en consé- 
quence mon rapport ultérieur sur la suite de cette affaire." 
Wel verre echter van dit onaangenaam te vinden , was het 
geheel en al overeenkomstig den eigen wensch des Ministers ' •'' , 
daar deze bij brieven van 8 Augustus aan Falck en den Prins 
uitdrukkelijk berichtte, dat hij absoluut niets meer met de zaak 



VAN 13 AUGUSTUS 1814, 269 

wilde te maken hebben . dat hij daarmede zijn hand niet langer 
wilde .... bezoedelen ! En in zijn drift schrijft hij liefst het 
ongelukkig beloop van de zaak toe aan den man , die althans door 
zijn bescheiden en gematigd optreden veel goeds had gedaan , aan 
Fagel! ^^Wat de negotiatie over de restitutie der Koloniën aangaat", 
is toch zijne aan Falck medegedeelde raeening, //hoop ik dat ons 
ongelukkig vaderland , dat sedert jaren ilum' vne^iiU:v gedurig geplun- 
derd werd, den schok geduldig zal doorstaan : doch ik beken , dat ik 
deze deugd voor mij zelven niet bezigen kan en schrijf aan Zijne 
Konink. Hoogh. om ootmoedig mijn ontslag te smeeken. De eer- 
volle resultaten der onderhandelingen van den Ambassadeur Fagel 
kunnen met mijne onderteekening niet bezoedeld worden." 

Met denzelfden post richtte de vertoornde Departementschef het 
volgend weinig eerbiedig, maar van een warm gemoed getuigend 
schrijven aan den Souvereinen Vorst: 

Door den koerier, gisteren middag aangekomen, heb ik kennis ge- 
dragen van het door Uw Konink. Hoogh. geresolveerde nopens de 
onderhandelingen met het kabinet van Londen ter restitutie onzer 
Koloniën. Van harte wensch ik dat de doeleinden van Uw Kon. 
Hoogh. zullen bereikt worden , en dat ons vaderland minder lijden zal 
dan ik mij verbeeld door de gevoelige nepen, die het Engelsche 
ministerie haar toebrengt, door zich de fraaiste onzer koloniale be- 
zittingen toe te eigenen. — Inmiddels kan ik nimmer van mij verkrijgen 
tot deze (in mijne pogen) willekeurige en illiberale handelwijze mede 
te werken, en ik smeek Uw Konink. Hoogh. ootmoedig van mij hoe 
eer hoe liever mijn ontslag te willen verleenen. 

Evenals de Souvereine Vorst en Falck gelijktijdig een brief 
van Van Nagell ontvingen, evenzoo schreven zij beiden hem dd. 10 
Augustus van Brussel terug. Recht hartelijk luidt het in den 
brief van den Staatssecretaris: 

Juist die vriendschap, welke ik mij vereerd vinde van voor U te 
koesteren en mijne hoogschatting van uwe kordaatheid hebben mij een 
onaangenaam gevoel aangebracht op het vernemen van Uw verlangen 
naar ontslag. Wetende dat Z. H. zelve U deswege schrijft, kan ik mij 
van eene gedetaillleerde redeneering onthouden, maar dit wil ik U 
niet verbergen, dat het mij in U onvergefelijk voor zoude komen bij 
het mislukken Uwer bedoelingen mismoedig het ambt te laten varen, 
waarin Souverein en Vaderland juist uwe hulp dubbel behoeven nu 
de positie netelig is of -ten minste onaangenaamheden oplevert. 

En vorstelijk is het schrijven van Z. K. H. De Prins gaat over 



270 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT 

den vorm van het ongewone aan hem gerichte briefje henen. 
Blijkbaar voelende voor de motieven, is het antwoord eene waar- 
dige verdediging van eene door den drang der omstandigheden 
wel gevorderde beslissing : '/dewijl wij ons in de ongelukkige nood- 
zakelijkheid bevinden dikwerf te moeten toegeven , daar resistentie 
onmogelijk en zelfs nadeelig zoude zijn**; het zou dan ook den 
Vorst //bijzonder smarten", indien bij het aangevraagd ontslag 
werd gebleven '*. 

Van Nagell volhardde nochtans in zijn belangwekkend antwoord van 
12 Augustus 1814 bij de ontslag-aanvrage " ; doch de Vorst heeft 
er niet in willen treden, zoodat hij de portefeuille van B. Z. nog 
tien jaren behouden, en derhalve ook de onderhandelingen over 
de herziening van het den volgende dag te sluiten tractaat als 
Departementschef beleven zou; met de administratieve afdoening er 
van bleef hij zich dan ook belasten, doch men eerbiedigde het verlangen 
om zijn naam niet te bezoedelen met de onderteekening van het 
verdrag; hetgeen bij de huishoudelijke, /i' vaderlijke", wijze waarop 
destijds in het algemeen de regeering werd opgevat , geen bezwaar 
opleverde. Het Londensch tractaat van 13 November 1814 is dan 
ook niet van onze zijde geteekend geworden door een Minister, 
maar enkel door den gezant Fagel '**. Wat de Engelsche mede- 
onderteekenaar Castlereagh van Van NagelPs aanblijven dacht, 
blijkt uit diens brief aan Clancarty dd. 14 Augustuis 1814, 
waarin de Britsche minister schrijft: //Fagel is quite satisfied — 
I should rather say gratified — by the shape I have given to the 
Convention , as you will see by the enclosed copy of his private 
letter to the Prince. We must keep Nagell, notwithstanding his 
contracted notions. It would be unpleasant to have any break-up 
on such questions" '*. 

Vertoeven wij echter nog een oogenblik bij de welwillende 
opvatting van onzen Vorst jegens zijn onaangenamen, doch 
trouwen staatsdienaar. Een jaar later had de sinds ten troon 
verheven koning Willem I met een nog driftiger dienaar 
te doen , namelijk met Hendrik Von Gagern , die 's Vorsten be- 
langen op het Weener congres moest behartigen. Op bl. 313 
komt eene belangwekkende beschrijving van dit Congres voor, 
en aan het slot daarvan wordt door baron Van Spaen op de 
wenschelijkheid gewezen om onzen Vorst eenigszins voor te 
bereiden op de teleurstellingen , die hij van de Cougresbeslis- 
singen zou te wachten hebben. Of dit al dan niet geschiedde, 



Van 13 AUGUSTUS 1814. 271 

is mij onbekend, doch zeker is het, dat in een dd. 4 Mei 1815 
gedagteekenden brief de Koning zijne ontevredenheid over den 
loop der onderhandelingen meende te moeten betuigen; aan Yon 
Gagern o. a. opmerkende, dat dan toch anderen beter //bediend" 
werden. Von Gagern's antwoord dd. 28 Mei op het zeer zeker 
niet gerechtvaardigd schrijven , ging echter alle perken van 
welvoegelijkheid te buiten; zijn ontslag vragende, merkte hij 
o. a. den Koning op: ^/dat uwe kamerdienaars en klerken u 
bedienen \ dat aanzienlijke edellieden en staatsdienaren u dienend 
Doch ook nu toont de Vorst meer te zijn dan een chef de 
lnvreau\ een kort, maar door en door waardig antwoord op zoo- 
veel '/drift en overijling" bracht den staatsdienaar in het rechte 
spoor, en doet dezen in zijne eigen levensbeschrijving berouwvol 
aanteekenen: '/Het kalm en waardige antwoord des Konings, zijne 
volkomen vergeving behooren tot de edelste trekken van zijn 
karakter'' ^*'. — Zoo ware uit het verleden van departementschefs 
tot meer vergelijkingen te komen. * 

Falck's brief dd. 4 Augustus, namens den Prins, aan onzen 
Gezant geschreven, houdende, naar wij zagen, de lastgeving tot 
het medegaan met Castlereagh's wenschen, gaf aan dezen weder 
geheel zijn goed humeur terug. Fagel had geen bezwaar gehad om 
den brief van den Staatssecretaris , waarin 's Vorsten inzichten 
werden uiteengezet aan den Britschen minister te doen lezen, en 
volgens het Gezantschapsrapport dd. 9 Augustus 1814^' deed 
de Minister //pleine justice ^ la sagesse de ces vues et h. la maniere 
dont elles sont présentées", daarbij in overweging gevende dadelijk 
en vóór zijn vertrek een tractaat te teekenen, waarin de voor publiciteit 
bestemde artikelen "stipulant la restitution pure et simple et 
immédiate de toutes nos ci-devant colonies ^ Texception du Cap 
et des établissements de Demerary, Berbice et Essequebo" werden 
opgenomen (Ceylon bleef ongenoemd , wijl men zich zou stellen 
op het standpunt van den vrede van Amiens) ; — terwijl in een 
geheim artikel gemakshalve slechts in beginsel zoude aangegeven 
worden de aard der nog nader te nemen schikkingen over onze vaart 
op de Engelsch-West-Indische koloniën, over den aanleg enz. der 
vestingen op de Belgisch-Fransche grenzen en de Russische schuld : 
punten, die zoo spoedig niet uitgewerkt konden worden en dus 
voor bijzondere verbintenissen , na afloop van het Congres , bewaard 
bleven. De Minister zou dit nieuwe denkbeeld, dat de overgave 

aanmerkelijk bespoedigde, in den kabinetsraad brengen en beloofde, 
6« Volgr. III. 19 



272 DE SLUITING VAK HET LONDENSCH TRACTAAT 

uaar hij hoopte, reeds den volgenden d«ag, dus 10 Augustus, te 
kuunen overleggen '^l'esquisse de la convention et de Tarticle 
secret", dat dan datief [jk geteekend zou kunnen worden. Of de 
Minister nu ook haast maakte!! Maar wij zien hier tevens uit , dat 
niet zonder reden op bl. 251 — 252 door mij werd medegedeeld, dat van 
Nederlands zijde eene zeer lijdelijke rol in de samenstelling van het 
tractiat is vervuld geworden : Castlereagh's onfïhff zou nu worden 
in handen van denzelfden Minister een voor afdoening vatbaar esquigse. 
Fagel berichtte aan Falck, dat hij het ontwerp zou teekenen, indien 
er niets in stond , dat met de door Falck gegeven aanwijzingen in 
strijd was. — Zoo stelde reeds den 13" Augustus 1S14 onze Gezant, 
namens den Prins, zijne handteekening onder het tractaat en 
schreef hij Z. K. H. : i'J'ai Thonneur d'offrir k Votre Altesse 
Royale mes sincères félicitations sur la conclusion d^un traite qui , 
en considérant les stipulations quUl renferme, pose la base d^un 
arrangement plus avantageux anx interets de ma patrie et de la 
Maison d'Orange, que je ne cesserai jamais de regarder comme 
inseparable, et aussi honorable qu^aucune transaction du même 
genre depuis la paix de Munster. Je m'estime heureux d^avoir éié 
appelé h, y attacher mon nom" ^*. — En op denzelfden toon aan 
Van Nagell, voor wien het als eene uittarting moest luiden: »Je 
me f^icite d^avoir pu attacher mon nom h un pacte, que je regarde 
comme plus avantageux et plus honorable pour ma Patrie et pour 
la Maison d^Orange , qu^aucune transaction du même genre depuis 
la paix de Munster" » » ««» t • j — Hq^ groot evenzeer de tevreden- 
heid bij het Engelsch bestuur was, kan hieruit blijken, dat de 
Prins-Regent van Engeland en Castlereagh het geheele Engelsche 
leger in geval van nood ter beschikking van onzen Vorst stelden, 
zonder dat het dezen een cent zou behoeven te kosten ! ^ * 

Daar Van Nagell als minister van B. Z. niets meer met de 
zaak scheen te maken hebben , had de Gezant overeenkomstig zijn 
op bl. 268 vermeld schrijven, de gesloten verbintenis rechtstreeks 
den secretaris van staat Falck gezonden; hij voegde daarbij een 
brief, die als eene memorie van toelichting op het tractaat kon 
strekken, doch overigens zeer onbeduidend is ^^. 

FageFs tevredenheid over den vorm der conventie, waarover 
Castlereagh, blijkens het op bl. 270 medegedeelde, berichtte, 
bleek ook uit dit schrijven. Het begon er toch op te wijzen, dat 
de bl. 286 sub 9 vermelde woorden der inleiding tot het tractaat : 
^rend justice h la conduite de notre nation et aux vues du Prince- 



VAN 18 AUGUSTUS 1814. 273 

Régent et de son Gouvernement k notre égard". — Behalve Ceylon , 
dat niet genoemd werd, omdat, gelijk ik opmerkte, partijen van 
den staat onzer bezittingen uitgingen op 1 Januari 1803, stonden 
wij bij art. 1 af De Kaap , Demernry y Essequebo en Berbice, Bij art. 
2 stond Engeland af, alsof dit vroeger ons eigendom niet geweest 
was, Bavka ^ waartegen wij moesten afzien van Cochin met zijne 
onder hoorigheden , zoodat ten onzen koste eeue jammerlijke redactie- 
fout werd begaan door het "onderhoorigheden" ook niet bij Banka 
te voegen. Eene andere betreurenswaardige fout werd gemaakt, 
door de onbekendheid van onze onderhandelaars met het feit, dat 
aan onze teruggegeven bezittingen in Vbbr-Indië nog eenige rechten 
tegenover Engeland van ouds verbonden waren, die echter de 
autoriteiten in Britsch-Indië bij de overgave niet wilden erkennen, 
wijl het tractaat er over zweeg, en waardoor feitelijk die bezit- 
tingen voor ons feitelijk al hare waarde verloren ! Onder de 
overige negen artikelen behoort de bepaling, waarbij de Souve- 
reine Vorst zijne medewerking tot tegengang van den slaven- 
handel in de herkregen bezittingen toezegde: een reeds vóór de 
sluiting van het tractaat met betrekking tot onzen Afrikaanschen 
handel op verzoek van Clancarty door ons genomen voorschrift 
(sub 22) , doch dat het in menschlievendheid handelende Engeland 
gaarne in het tractaat zag (sub 40), terwijl men er onzerzijds 
geen gevoel voor had, dat zulk eene belofte, om rechtschapenheid 
in ons eigen gebied te betrachten , minder in het tractaat op hare 
plaats was. — In overeenstemming met het door Castlereagh's 
geopperd denkbeeld was aan het tractaat nog een geheim artikel 
gevoegd over de op bl. 271 vermelde onderwerpen, waaromtrent 
de Britsche minister had verzocht , herinnerde Fagel , '^le secret 
Ie plus absolu" ^ *• ; een ander geheim artikel , dat men daar 
anders niet zou zoeken , hield nog eene uitzondering in op de 
algeraeene teruggave, bedoeld in art. 1 van het openbaar tractaat, 
namelijk den afstand door ons van het district Bemagore bij Cal- 
cutta gelegen : /^mais cette exception est de si peu d'importance" 
— oordeelde Fagel — vqu'il a paru préfórable d'en faire Ie sujet 
d'un article secret pour ne pas affaiblir Timpression que fera Tarticle 
patent." Dus alweder uit vreeze voor de openbare meening ten 
onzent , die ten slotte niet bleek te bestaan ! De afstand scheen 
Fagel overigens //si équitable en lui-même et d'une si petite im- 
portance relative", dat hij er niet aan twijfelde of Z. K. H. zou 
er wel in willen treden. — Over de verkrijging van Banka was 



271 DF. SLUITING VAN HFT LOSDENSCH TRACTAAT 

onze Gezant in verrukking. "L'ile ile Banca, dont il est fait meii- 
tion dans Tart, 2, est" — merkte hij op — ''une possession du 
plus irrand intt-rêt en elle inême et sous Ie rapport de son voisi- 
nage de File de Java et des Moluques. J'espère pouvoir vous 
faire passer dans peu un nirmoire, qui developpe ces avantages 
et qui est d'autant plus interessant qu'il a été corapose dans 
Ie hut de les mettre dans toute leur etend ue sous les yeux 
du Gouvernement Britannique h une époque oü Tauteur du 
inémoire ne se doutait certainement pas que cette ïle soit cédée 
aux Hollandais. Le Gouvernement sent parfaitement les avan- 
tages naturels et politiques qu'elle réunit, inais étaut décidé 
j\ nous rendre les Moluques, il a préféré nc pas garder une ile 
qui en est voisine et qui a avec cette partie de nos établissements 
aux Indes Orientales des rapports si intiraes." En aan het slot: 
//J'apprends que lord Castlereagh envoie h lord Clancarty le mé- 
moire sur File de Banca; je ne doute pas que Tambassadeur ue 
le communiqué h S. A.. R., mais en tout cas j'espère toujours 
pouvoir vous en faire passer une copie. Je crois avoir corapris que 
le revenu net de cette ile se monte h plus de 400.000 £.'*'' 

Van Nagell was intusschen ook door dit schoone vooruitzicht 
niet te vermurwen. Volgens art. 9 moest het den 13" Augustus 
geteekende tractaat binnen drie weken worden geratificeerd en de 
ratificaties te Londen zijn uitgewisseld. De Minister bleef echter 
weigeren er zijne medewerking aan te verleenen; vandaar dat hij 
den Souvereinen Vorst het volgende schreef: 

Overbodig zoude het zijn, de aandacht van Uwe K. H. verder te 
vestigen op het werk der restitutie onzer koloniën , de zaak beslist zijnde 
door de conventie, die de heer Fagel den 13" dezer geteekend heeft. 
Het zou bovendien vermetel zijn iets naders te willen adstrueeren en 
ik zal mij thans alleen bomeeren tot de oprechte wenschen dat mijne 
gevoelens over deze gewichtige zaak louter herschenschimmig waren. 

De ratificatie dezer conventie en der drie geheime artikelen hoop 
ik per koerier van aanstaanden maandag aan Uwe K. H. te zenden 
en onder goedgunstig welmeenen, zal ik op dezelve laten stellen: 

Dans r absence du Secretaire tV Etat pour les Affaires Etrangères. 

De onderteekening ' zal alsdan kunnen geschieden door dengenen, 
dien Uwe K. H. daartoe zal gelieven te benoemen. 

In Engeland vond Van Nagell's wederstand — begrijpelijker wijze 
trouwens — geene genade. Malmesbury schreef den dag na de 
onderteekening, dus den 14" Augustus, aan Fagel een brief waarin 



VAM 13 AUGUSTUS 1814. 275 

hij (leu tooniigen Minister duchtig doorhaalde , eu overigeus 
denzelfden beschermenden toon aannam , waarvan ik op bl. 248 
gewaagde. Niet onaardig dan ook noemde onze Van Spaen in zijn 
verontwaardigd schrijven omtrent het Weener congres (bl. 313) 
de Engelsche ministers vos tuteun! Zijn humeur, knorde Meester 
Malmesbury over Van Nagell ^', beheerscht zijn verstand eu 
memorie; al wat hij nu schrijft en doet is in rechtstreeksche 
tegenspraak met zijne politieke gedragslijn van 20 jaar geleden , 
toer. hij Nederlandsch gezant bij het Engelsche hof was. Had hij 
destijds dergelijke instructiën ontvangen, als door hem nu aan 
Fagel gezonden waren, hij zou ze in het vuur hebben geworpen. 
Dan had Fagel zelf vrij wat gematigder en wijzer gehandeld : 
zijne brieven aan den Souvereinen Vorst zeide Malmesburj te 
beschouwen als meesterstukken van '/temper, firmness and hono- 
rable manly feelings" ! ! Het was gelukkig, dat Fagel te doen 
had gehad, vervolgde de briefschrijver, met zulk een zacht 
man als Castlereagh ; anderen zouden lang zoo geduldig niet ge- 
weest zijn. Hij kon verder niet aannemen , dat Van Nagell in functie 
zou willen blijven, nu een tractaat was gesloten: //in direct oppo- 
sition to his views, and under the authority of the Prince Sove- 
reign unhwmi to kim, Either this will happen , or he will be com- 
pletely restored to his senses , though it is not likely that a person 
of his angry and susceptible mind should sing paIivo(/ie\ Malmes- 
burj eindigde met den wenk , dat het den Souvereinen Vorst 
steeds wel zou gaan , indien hij mocht blijven luisteren naar 
mannen , die het belang vim eene vereenigde samenwerking met 
Engeland inzagen , in plaats van te hooren "to the saundried lan- 
guiige of pigned and prejudiced persons". Daarnaar te streven 
ware de plicht "of every good subject in both countries''. 

Falck betreurde intus^cheu evenzeer het gedeeltelijk verlies onzer 
vroegere koloniën als Van Nagell ; doch de eerste was zoo ver- 
standig van tijdig in te zien, dat Engeland ons in ieder geval 
zeer edelmoedig ter wille was, waarom men de zaak niet door 
overdrijving moest bederven. '/Ik voorzie" — schreef hij den 16° 
Augustus 1814 aan D. J. Van Lennep, toen hij dezen het verlies 
van nog andere koloniën dan De Kaap berichtte ^^ ^ — '/dat dit 
weer geschreeuw op de beurs zal veroorzaken , hoewel waarlijk de 
teruggave van dat alles een ejforf. de gmérosHt geweest ware, dat 
men noch konde verwachten, noch in redelijkheid vergen." — Aan 
Van Nagell berichtte hij den 18" d. a. v. : "Ik vlei mij , dat voor zoo 



276 D£ SLUITING VAN U£T LONDiINSCU TKACTAAT 

ver iu eene zoo gewichtige zaak Ja forme peut emporter Ie fomU , 
de gebezigde uitdrukkingen min of meer verzoeten zullen het 
leed, dat wij over ons verlies moeten gevoelen. Ik neem voorts 
nog de vrijheid aan te merken , dat in de Conventie , welke het 
eerst publiek worden zal, de dispositie over de afgestane koloniën 
wordt gereserveerd en dat dus in deze omstandigheid een middel 
ligt om den eersten schrik der beurs , waarover Uwe £xc. mij eens 
schreef, te matigen en het publiek nog eenigen tijd op eene gave 
restitutie te laten hopen." Wat met dit re^erteeren wordt bedoeld, 
blijkt uit het slot van art. 1 van het tractaat, door mij weder- 
gegeven iu noot {fj) aan den voet van bladzijde 328 , en waarmede 
het belangstellend Nederlandsch publiek — er was echter geeue 
noemenswaardige belangstelling — bedot werd. 

Ook de Souvereine Vorst schreef te gelijkertijd aan zijn Minister, 
die wegens ziekte had moeten afzien van de voorgenomen reis 
naar Brussel. Na hierover leedwezen te hebben betuigd , komt de 
Vorst op het Tractaat, dat den Minister ter expeditie en voor 
het in orde brengen der ratificatiën zou worden gezonden , waarna 
de Prins troostend zijn Minister het volgende opmerkt: 

Alhoewel hetzelve niet uitgevallen is, volgens hetgeen wij gewenscht 
hebben, vind ik, dat wij in de gegeven omstandigheden geene reden 
hebben zwarigheid te maken hetzelve te ratificeeren, te minder daar 
de Ambassadeur hetzelve ingevolge zijne laatste instructie ondertee- 
kend heeft en dezelve door die van 24 Juni genoegzame latitude had 
af te sluiten, daar deze in den zin gegeven zijn om alles te vragen, 
maar tevreden te zijn met hetgeen mogelijk weder te bekomen zijn zoude. 
Ik hoop ook, dat UHEG. dit stuk min nadeelig beschouwen zal als 
dezelve vreesde, dat het zijn zoude; beschouwt men de restituties 
in de Oost, de onzekerheid van de West, ingevolge de liberale prin- 
cipes van den slavenhandel en behandeling, en dat de individuenden 
directen handel op hunne plantages verzekerd is , zonder dat het Gou- 
vernement met de kosten van altoos min of meer precaire bezittingen 
bezwaard is en hetzelve toch de kolonie, die meer positief Holland- 
sche plantages heeft, terugbekomt, zoo zijn er redenen tevreden te 
wezen, vooral wanneer nog de acquisitie van Banca geconsideerd 
wordt, alsmede de positie in Europa, waar de onafhankelijkheid van 
het land meer verzekerd wordt door het vergrooten van het territoir 
en de vermeerdering van middelen van defensie niet alleen, maar 
ook het gebruik van deze , hetzelve afhangende van eigen wil, zoodat 
zij niet geheel en al op vreemde hulp of goedwilligheid gesteund wordt. 

De Souvereine Vorst had het tractaat bij besluit van dien dag, 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 277 

dus 18 Augustus, bekrachtigd ^^. Zoowel aan den Secretaris van 
Staat, als aan onzen Gezant schreef Yan Nagell een brief, die 
andermaal getuigden, hoezeer hem het verlies der Amerikaansche 
koloniën bleef hinderen. Onbekend met de bekrachtiging , meldt 
hij dien zelfden 18° Augustus het volgende aan Palck: »llet 
schijnt uit de medegedeelde depêche van den ambassadeur Fagel, 
dat onze drie fraaie West-Indische koloniën, door een patent 
tractaat gecedeerd moeten worden; terwijl wij, door een geheim 
artikel het uitzicht op anodyne middelen (a) behouden. Met Ninon 
zullen wij kunnen zeggen : Ie beau billet qua la Chdtre {Jj) ! Fagel 
zal deze uitkomst toeschrijven aan het verlies van tijd, teweeg- 
gebracht door het zenden van de instructiën, zoowel als door het 
verzocht éclaircissement over het bewuste protocol, waarbij het 
provisioneel bestuur van België aan Z. K. H. is opgedragen. Het 
is fijn , zeer fijn , maar de goede trouw ! ! ! Inmiddels gevoel ik 
minder dan ooit de noodzakelijkheid om door een tractaat de 
partieel e restitutie onzer koloniën te verkrijgen. Een declaratoir 
schijnt mij volledig en minder te compromiteeren. — Ik zou 
gaarne weten of de groote man ernstig was, toen hij voorstelde, 
dat er zwarigheden op het Congres, ten opzichte van de reunie 
met België konden zijn? en alsdan aan de Hooge Bondgenooten 
wilde toevoegen: In dat geval behoeft Holland, Zweden niet te 
dedommageeren voor Guadeloupe. — Zou hij in zoodanig geval 
ons onze koloniën teruggeven?'' 

En den 19" luidt het even bitter en ironisch, met een terug- 
slag op het bl. 272 in den brief van 13 Augustus medegedeelde, 
aan Fagel zelf (B. Z.): 

//Hier soir, j'ai re^u la dépêche de V. E. N«. 116 dul6«Aoüt 
par laquelle j'apprends qu'EUe a signé, lel3avec lord Castlereagh 
une convention patente et deux art. secrets pour Ia restitution de 
nos colonies. Elle se réfère ^ ses rapports du 13 (bl. 272) et 14, 
que je n'ai pas vus; je ne connais que celui du 9 (bl. 271). 

/'Je vois avec plaisir, que V. E. se félicite d'avoir été appellë 
^ attacher son nom \ un pacte qu'Blle regarde (fi considerer Ten- 
semble des stipulations qu'il renferme) comme plus avantageux et 
plus honorable pour sa Patrie et pour la Maison d'Orange, dont 
les interets sont plus que jamais inséparables , qu'aucune transaction 
du même genre depuis la Paix de Munster. — Je me réjouirais en- 

(a) Pijnstillende middelen. 

ib) ,Van die belofte komt niets!" „Dat moet gij maar gelooven!" 



£78 D£ SLUITING VAN UKT LONDENSCU T&ACTAAT 

core davantage , lorsqae je verrais , que la nation entière, coïncidant 
avec les opinioos de V. E. et trouvant qu'Elle vient d'obtenir 
des avantages eqnivalants k ceux que Ia Paix de Munster lui assurait, 
Lui porie un juste tribut de recounaissance/'' 

Daarentegen ontving Fagel een schrijven van denzelfden dag 
(19 Augustus) van den staatssecretaris Falck , waarin hem 's Vorsten 
hooge ingenomenheid werd betuigd met de verbintenis eu met de 
kiesche redactie. Falck maakte er tevens gebruik van om zijne belang- 
stelling voor Banka te toonen, in antwoord op het bl. 273 — 274 
medegedeelde; terwijl hij niet slechts berichtte dat tegen den afstand 
van Bernagore in het geheel geen bezwaar gerezen was^ doch dat 
hij voor zich persoonlijk zou wenschen, indien er zich geene volks- 
veroordeelen tegen verzett^en, den afstand van al onze bezittingen 
in Vóór-lndie, waaraan wg niets meer hadden *". — Deze 
opvatting was zeer juist, doch ten gevolge van de fout waarvan 
op bl. 273 werd melding gemaakt; toen dan ook de quaestiën met 
Baffles rezen en dientengevolge sterker de behoefte gevoeld werd 
aan onverdeeld bezit, waren het andermaal onze waardeloos ge- 
worden bezittingen in Vóór-lndie, die wij voor een ruil tegen 
Benkoelen wilden aanbieden; zoo is het geringe belang, dat wij 
bij die koloniën hadden, de eerste aanleiding geweest tot nieuwe 
onderhandelingen, die hebben geleid tot het tractaat van 1824. 

Bij officieel schrijven van 25 Augustus betuigde onze Gezant 
zijne voldoening over de te kennen gegeven tevredenheid; hij bood 
de op bl. 274 vermelde memorie over Banka aan, terwijl hij 
aldus besloot : ffJe partage extrêmement votre opinion , Monsieur , 
sur Ie peu d'importance de la cession de Bernagore et de Tuti- 
lité quMl j aura (sans les préjugés dont vous faites mention) k 
abandonner tous ces établissements de terre ferme sur Ie continent 
de rinde Britannique." 

Den 8" September 1814 werden te Londen de ratificatiën uit- 
gewisseld *', dus juist op den dag, dat de drie weken, gesteld 
voor de uitwisseling van het den 13"* Augustus gesloten tractaat 
(art. 9), zouden ten einde loopen. 

De Souvereine Vorst had gewenscht, dat het tractaat niet zou 
worden openbaar gemaakt, alvorens Z. K. H. gelegenheid had 
gevonden om er in de weldra te openen zitting der Staten-Generaal 
mededeeling van te doen. — Anders toch kan men niet lezen in het 
schrijven van Falck dd. 25 Augustus 1814 aan onzen Gezant, 
waarin, na lof te hebben toegebracht aan den ijver van minister 



VAN ia AUüUSTUS 1814. 279 

Yau Nagell, ten aanzien der spoedige opmskkiug der aangeboden 
ratiticatie-stukken , het volgende wordt opgemerkt (B. Z.) : 

II est essentiel de remarquer en cette occasion qu'il a paru conve- 
nable au Prince Souverain de ne pas publier en Hollande les stipu- 
lations du Traite patent , avant que Son Altesse Royale y soit de retour , 
ce qui pourra, a ce que je présume, avoir lieu vers la mi-Septembre. 

Il est désirable qu'une discrétion pareille soit provisoirement observée 
par Ie Ministère Britannique et Votre Excellence voudra bien lui 
demander cette condescendance lorsque Téchange s'effectuera. 

Waarop Fagel den 30° Augustus antwoordde: 

Je n'ai pas de doute que j'engagerai sans peine Ie Gouvernement 
a ne pas publier les articles patens du Traite avant qu'ils ne l'ayent 
été en Hollande. 

Doch terzelfder tijd hadden de Engelsche couranten zich reeds 
met het tractaat onledig gehouden. Immers aan de Leydsche 
Courant van 9 September 1813 ontleen ik het onderstaand bericht : 

Vervolg van Londen den 2 September. Volgens onze dagbladen heeft 
de Prins Regent eene conventie onderteekend tusschen Groot-Brittanië 
en de Vereenigde Nederlanden, welke ter onderteekening aan den 
Souvereinen Vorst bereids naar Brussel zou gezonden zijn. Bij dezelve 
is, naar men zegt, bepaald, dat aan Holland terug zal gegeven worden 
het eiland Java, Suriname, Cura^ao en St. Eustatius en dat aan 
Engeland de Kaap de Goede Hoop, Demerary, Essequebo en de 
Berbice zullen verblijven , de drie laatst gemelde koloniën voornamelijk 
uit hoofde der aanzienlijke Britsche kapitalen aan derzelver bebouwing 
ten kosten gelegd, sedert zij in de macht van Groot-Britannië gekomen 
zijn. Het eiland Ceylon, voegen er die dagbladen bij, blijft natuurlijk 
aan ons, als reeds vóór den oorlog afgestaan. 

Denzelfden 9° September meldde ook onze Gezant, dat alle 
Engelsche couranten den substantieelen inhoud der artikelen van 
het openbaar tractaat wedergaven en bespraken ; hij drong dienten- 
gevolge op spoedige openbaarmaking aan, wijl halve bekendheid 
slechts tot verkeerde besprekingen kon leiden ^ ' . 

Nochtans in weerwil van die openbare bespreking; in weerwil 
ook van 's Vorsten oorspronkelijk geuite wenschen om het tractaat 
in de aanstaande zitting onzer Staten-Generaal mede te.deelen, 
wordt, toen den 7" November 1814 Z. K. H. de eerste gewone 
vergadering der Staten-Generaal opende, slechts in het algemeen 
van de teruggave der koloniën melding gemaakt, zullende weldra 
weder onze vlag wapperen //in die gewesten , waar de ondernemings- 



280 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT 

gerst eii Doeste vlijt onzer vaderen bijkans even groote wonderen 
gesticht hebben als op hun geboortegrond" • * : zonder dus dat 
openbaarmaking van het tractaat plaats vond! Waarom men de 
publiceering van het voor openbaarmaking bestemde gedeelte der 
Conventie destijds achterwege liet, weet ik niet. Nog in Mei van 
het volgende jaar was de tekst van het tractaat onbekend en moest 
Van Hogendorp aan den Souvereinen Vorst de machtiging vragen 
het mede te deelen aan de leden der Commissie voor het ontwerp 
der Grondwet, die ten behoeve van het nieuwe Koninkrijk moest 
vastgesteld worden *•'. Eerst in Juni 1815 werd de inhoud wereld- 
kundig en wel door de overlegging van de Conventie aan het 
Engelsche parlement ^*, De discussiën, die aldaar er over plaats 
vonden , zijn o a. in substantie medegedeeld door D. C. Steiju Parvé 
in zijne //Handelingen van Sir James Brooks op Borneo" (1859): 
bl- 13 — £1 ; en op bl. 70 — 72 van Mr. Hoek's /i^Herstel van het 
Nederlandsch gezag" (1862). 

Voor het nogmaals wedergeven van het tractaat zelve bestaat, 
naar het mij voorkomt, geen voldoende reden, wijl het in vele 
nog niet verouderde werken wordt aangetroffen , als : bij Hoek bl. 
50 — 55 ; in de boeken door noot 4) aldaar op bl. 49 vermeld ; bij Ue 
Waal: //Nederlandsch-Indië in de Staten-Generaal" dl. I bl. 9 — 11 , 
in het academisch proefschrift van Jhr. De Sturler //Het Grondge- 
bied van Nederlandsch Oost-Indië" (18SJ), bl. 332— 337. Alleen zij 
opgemerkt, dat, waar Van Hogendorp in zijne //Bijdragen tot de 
Huishouding van Staat'"* dl. UI der 1« Uitgave (1819), bl. 337— 342 
de Hollandsche vertaling van het voor openbaarheid bestemd deel 
der Conventie geeft * ' , hij in art. 9 de storende fout maakt dat de 
ratiticatiën //binnen drie maanden" zouden uitgewisseld worden, 
hetwelk moet zijn weien: eene vergissing, die in de door Mr. 
Thorbecke bezorgde 2« uitgave, dl. II, bl. 148 — 150, niet ver- 
beterd werd en evenzeer is nagevolgd door den heer De Waal. 

Den Haag Maart 1897. 



TOELICHTKNÜE AANTEEKENINGEN 

BKHOORENDE BU UKT ARTIKEL 

„De sluiting yaii het Londenseh tractaat van 13 Augustus 1814 

door P. H. VAN DEE Kemp." 



BI. 247 noot 1. //We are not satisfied as to the propriety of taking 
possession of Java in behalf of the E. I. Company": 
brief van het Geheim Commitée dd. 23 December 1811 
aan den Gouv.-Gen. van Bengalen. V. D. 115. 

// 247 noot 2. Volgens een geheimen brief dd. 25 October 1816 
van Directeuren der O. I. C. aan lord Bathurst werd de 
quaestie om Java e. o. tot eene Kroonkolonie te maken 
reeds spoedig na de inbezitneming overwogen : /^At an 
early period after the capture, it was in contemplation 
of His Maj/s Ministers, to make Java a dependency of 
the Crown" (V. D. 115); doch uit den ondervolgenden 
brief, die, op mijn verzoek, mij welwillend door den heer 
F. C. Danvers, //Registrar and Superintendent of Records 
of The India Office" te Londen werd verstrekt, valt op te 
maken , dat het punt eerst in 1818 ter sprake werd gebracht ; 
het kan echter best mogelijk zijn, dat eene vroegere 
behandeling om bijzondere reden geen voortgang heeft 
gehad. De brief is van lord Bathurst, gedagteekend 
Downingstreet 26 October 1813 en gericht aan den graaf 
van Buckinghamshire , president van A^n Board of Control \ 
hij luidt als volgt: 

The advantages which have been experienced from the 
arrangement, made in the year i8oi, for placing the island 
of Ceylon upon the footing of a Royal Government, have, 
in my opinion, rendered it my duty to advise His Royal 
Highness the Prince Regent to adopt a measure similar in 
principle with respect to the future administration of the 
island of Java , and of that part of Sumatra and its depen- 



282 DE SLUITING VAN HET LÜNDENSCII TRACTAAT 

dencies which have lately been added to His Majesly's 
dominions. I have therefore to request that you would takc 
an early opportunity of communicating to the Court of Di- 
rectors of the East India Company the views and intentions 
of His Majesty's Government on this subject, and of con- 
certing with them such arrangements as may be necessary 
for carrying thera into effect. 

De vraag of Java e. o. eene Compagnies bezitting zou 
blijven dan wel eene Kroonkolonie zou worden, werd in 
laatstgemelden zin toen beslist: ^bl decision had been 
formed in favour of the letter arrangement": brief dd. 
5 Mei 1815 aan den Gouv Gen. van Bengalen; «a 
positive decision to this effect has thereafter been made" : 
de boven vermelde brief van 25 October 1816; men 
leze ook de noot 5. 

BI. 24.7 Noot 3. Zie het betoog der Directeuren van de O. I 
C. dd. 25 October 1816 bij V. D. 115. 

» 247 Noot 4. De weinig waardige houding door den Prins in de 
Fuldasche geschiedenis aangenomen, was dus vergeven. In 
de Leidsche Courant van Woensdag, 1 December 1813 
lees ik: ^'De vreugde in Engeland is zeer groot, en een 
ieder, zonder onderscheid, draagt aldaar Oranjeliut." — 
"De Prins van Oranje stond onder den invloed der ge- 
allieerde Mogendheden en meer bepaald onder dien van 
het Engelsohe gouvernement, bij H welk hij zijn hechtsten 
steun vond; van dat gouvernement hing het af, of, en 
in hoeverre onze natie hare koloniën zoude terugbekomen." 
/)e Ghk Jan. 1864 bl. 83: //1813 en 1815 in onder- 
ling verband beschouwd." — "The deep interest which the 
Prince Regent's Government took in his concerns", werd 
onzen Vorst verzekerd door den Engelschen gezant : zie 
bl. 345 van de in mijne Inleiding bl. 244 vermelde 
missive dd. 13 Maart 1814. Enz. 

" 2 17 Noot 5. /'Wij hebben de bevrijding van het Fransche juk 
voor een deel aan ons zei ven te danken. Wij hebben de 
volheid des tijds niet afgewacht; maar, toen er nog 
Fransche benden op onzen bodem waren , nog vóór de 
overkomst der Geallieerden, dat juk afgeschud. In zoover 
zijn wij vrijer geweest in onze bewegingen, dan anders het 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. ^83 

geval wel zoude geweest zijir'. Het sub 4 vermelde Gids- 
artikel, bl. 83 — '/Van Hogendorp ontving in 1814eenen 
brief van lord Bathurst, welke nog onder zijne papieren 
bewaard wordt, waaruit blijkt, dat het Besluit, om Java 
tot eene kolonie van de Kroon van Engeland te ver- 
klaren , en allen provisioneel en toestand te doen opliouden , 
gereed lag, doch dat het nemen daarvan opgeschort 
werd door de edele zelf bevrijd ing van Holland. Ook deze 
parel heeft zijne moedige daad voor het Vaderland helpen 
bewaren/' BI. 6 \ sub 14) van de Aanteekeningen op 
de '/Redevoering ter gedachtenis van Gijsbert Karel Graaf 
Van Hogendorp, door Mr. F. A. Baron Van Hall, Mi- 
nister van Staat 2® druk 1864. — De rede werd in 1835 
uitgesproken; dit staat niet op het titelblad, doch in 
het voorbericht tot de 2® uitgave. 

Heinrich Von Treischke in zijne //Deutsche Qeschichte im 
Neunzehnten Jahrhundert" (1879), dl. I bl. 526, dingt inde 
volgende bewoordingen op onze zelf bevrijding af: //Das neue 
niederlandsche Reich war an arrangement for an European 
object \ nur um die Rheinlande vor Frankreich zu sichern, 
sollte Deutschland wieder einige seiner alten Reichslande 
verlieren. Zugleich wurde mit begeisterten Worten der 
Heldenmuth der Hollander gepriesen; Europa war ver- 
pflichtet den 7ioljle élan dieses Volkes zu belohnen. Das 
englische Marchen ward mit solcher ausdauernden Ernst- 
haftigkeit wiederholt, dasz man im Groszen Hauptquartier 
schlieszlich daran glaubte und die Phrase von Holiarids 
V erdienstev vm Europa in das Wörterbuch der Diplomatie 
aufnahm.". — Vriendelijk is het niet. 

Bl. 247 noot 6. In een Memorandum van Engeland , betoogende 
de noodzakelijkheid, dat ook deze mogendheid tegen de 
veroveringszucht van Frankrijk worde beschermd door de 
vestiging van een sterken Nederlandschen staat, geeft 
Engeland , nog vbor de Nederlanders in opstand waren ge- 
komen, doch kort na den slag van Leipzig, aldus eene 
nadere toelichting op de uiteengezette beginselen : 

In doing justice to the principles, which throughout this 

long and arduous contest have invariably actuated this 

country, the powers of the continent will no doubt feel 

interested in upholding the strength and influence of a na- 



£H4 DE SLUITING TAN HET LONOESSCH TRACTAAT 

tion, which has so perseveringly devotcd all it's faculties to 
reestablish on a firm and lasting basis the independence of 
other nations. — The immediate object of this memorandum 
is to point the active and early efforts of the allies to the 
recoverv of Holland. — Whenever matters may be ripe for 
entering more fuliy upon its future settlement the british 
govemment will be prepared to recur to those principles, 

which were laid down in a despatch to lord Cathcart 

with respect to the colonies conquered from Holland since 
1803, which dispateh has already been communicated to 
the Allies, with a sincere disposition on their part liberally 
to strengthen Holland, in proportion as that important 
portion of Europe can be rendered secure by adequate 
arrangements , against the power of France. 

«rMein Antheil an der Politik^^ van H. C. E. vrijheer 
\on Gagern 1826. Het Memorandum^ op bl. 25 dl. U 
vermeld , is er op bl. 245 als bijlage opgenomeu ; de aan- 
gehaalde woorden op bl. 249. 

Bl. 248 noot 7. Uit de op bl. 244 vermelde ^Correspondence" 
van Castlereagh blijkt herhaaldelijk, dat de Britsche be- 
windslieden hun hebzucht trachtten in te toornen uit 
ontzag voor de meening der andere mogendheden. Na 
in een brief aan Liverpool dd. 19 April 1814 opge- 
merkt te hebben, dat Malta, De Kaap, Mauritius en 
Tobago Engelsch moesten blijven, schrijft Gastel ereagh : 
»\ still feel great doubts about the acquisition of so 
inany Dutch Colonies. I am sure our reputation on the 
conlineniy as a feature of strength , power and confidence, 
is of more real moment to us than an acquisition thus 
made." Dl. I (dl. 9) bl. 474. (Het cursieve van mij ) 

En als onze minister Van Nagell boos wordt over 
hetgeen deze beschouwt als onredelijke inhaligheid, treft 
hij juist de teedere snaar door dd. 8 Juli 1814 aan 
Fagel te Londen te schrijven (hierna bl. 305 — 306 sub 51), 
dat het Britsche kabinet wel zou inzien : //combieu il est 
dangereux de faire voir ^ toutes les Puissances continen- 
tales, que les faibles moyens de la HoUande Texposent 
11 devoir se soumettre il tout ce qu'ou peut exiger d'EUe : 
que c'est de TAngleterre que Ton espère protection .... 
et que cette protection, pour être efficace, par&it devoir 



Van 13 AUGUSTUS 1814. 285 

être basée sur des principes de désinteressement." — 
Deze woorden wekten dan ook bij de Engelsche bewinds- 
lieden een storm vav verontioaardigwg op, leest men bij 
V. D. bl. LVIII. — 

«rLord Castlereagh m^a donné les assurances les plus 
fortes" — schreef onze Gezant aan den toornigen Minister 
dd. 21 Juni 1814 (V. D. 35) — ^^du désir du Gouv* 
Britannique dMviter dans un tel arrangement tout ce 
qui pourrait donner ^ ce pays-ci Tapparence de cupi- 
dit<^ et de vouloir protiter des circonstances , poür im- 
poser des conditions onéreuses si un Ktat, auquel on 
souhaite de bonne foi ici de rendre une véritable 
indépendance , et avec lequel on se regarde comme \\é 
par les Hens les plus étroits et les plus indissolubles 
d'un intérêt commune' — Het meeningsverschil gold 
Engelands eisch tot behoud van de voormalige Neder- 
landsche koloniën Demerary, Essequebo en Berbice, 
waarin wij bij het Londensch tractaat van 13 Augustus 
1814 wel moesten berusten: «'The retention of them will , 
however, add in some degree to the colonial jealousy 
which exists on the Continent of Qreat Britain" : Castlereagh 
Corr. Dl. II (dl 10) bl. 133. — Zie ook noot 58. 

Bl. 248 noot 8. nk desire , almost romantic , to serve Holland" : 
brief van Castlereagh aan den Eugelschen gezant te 
'sGravenhage dd. 14 Juli 1814. V. D. 37. 

tf 248 noot 9. Als zoodanig was de verovering steeds voorgesteld 
ook in verband met den bekenden lastbrief van onzen 
stadhouder Willem V: verg bl. 3 — 5 en 11 — 13 van 
C. M. Smulders' //Geschiedenis en Verklaring van het 
tractaat van 17 Maart 1824" (1856). — In zijne proclamatie 
van 4 Augustus 1811 drukte zich lord Minto dan ook 
aldus uit : ^/De Britsche wapenrusting heeft geenszins 
tot oogmerk om onbetamelijke plannen ten uitvoer te 
leggen, maar alleen om het onwettig gezag derFranschen 
te verdrijven , en het eiland Java en onderhoorigheden 
onder de bescherming van GrooUBriitanm'é te plaatsen. 
Hoezeer de oorlog tusschen Groot-Brittannië en de Ver- 
eenigde Nederlanden elke vijandelijke poging der Britten 
tegen de Hollandsche bezittingen genoegzaam zoude 



£86 DE SLriTINO VAN HET LOXDBNSCH TRACTAAT 

rechtvaardigen, grijpt echter Groot -Brittannië , uit aan- 
merking van den beklagenswaardigen toestand, waarin 
Holland sedert de vernietiging van deszelfs onafhanke- 
lijkheid gebracht is, en waardoor hetzelve tot een win- 
gewest eener vreemde kroon is vernederd, deze gelegen- 
heid aan, om zich ah rriend en niet ah rijand der HollantUcke 
hfjezetenen te t}etij(menr Zie Hoek '^ Herstel van het Neder- 
landsch gezag enz'\ (1862) bl. 45. 

De aanhef van het tractaat van 1814: /^The United 
l^rovinces of the Netherlands , ander the favour of Divine 
Providence , having been restored to their independence, and 
having been placed by the lojalty of the Dutch people and 
the achievements of the Allied Powers, under the Go- 
vernment of the lllustrious House of Orange, — and 
His Britannie Majesty being desirous of entering into 
such arran&rements with the Prinee Sovereisrn of the 
United Netherlands, concerning the colonies of the said 
United Netherlands, which have been conquered by His 
Majesty 's arms during the late war, as may conduce to 
the prosperity of the said State and may afford a lasting 
testimony of His Majesty 's friendship and attachment to 
the Family of Orange and to the Dutch nation: the 
said high contracting parties, equally animated by those 
sentiments of cordial good will and attachment to each 
other^' — deze aanhef wil ook als het ware zeggen: "de 
gelofte, die wij bij de inbezitneming afgelegd hebben 
om de bezittingen voor het Huis van Oranje en de 
republiek te bewaren en te beschermen , zullen wij nu ge- 
stand doen". Hoek bl. 59. 

Bl. 248 noot 10. Gesprek tusschen den Prins van Oranje en Castle- 
reagh dd. 27 April 1813, V. D. bl. LI. Verg. mijne 
Inleiding bl. 241. 

// 248 noot 11. Brief van den Prins in het /'Leven van den 
generaal Frederik von Gagern" (1866), aangehaald op 
bl. 242 mijner Inleiding. 

ff 248 noot 12. Bl. 20—21 van het geschrift //Gijsbert Karel 
Van Hogendorp" op bl. 240 mijner Inleiding vermeld. 

// 248 noot 13. V. D. 25 mede op bl. 240 mijner Inleiding 
reeds vermeld. 



Van 18 AUGUSTUS 1814. 287 

BI. ^9 noot 14. Dit schijnt o. a. de opvatting te zijn van V. 
D. bl. LI. 

^ 249 noot 15. DL I (dl. 9) bl. 474 der op bl. 244 vermelde 
^Correspondence" van Castlereagh. 

// 249 noot 16. Zie Castlereagh's brief gedagteekend den Haag 
8 Januari 1814 in de x/Correspondence'' , Dl. I (dl. 
9) bl. 155. De Britsche minister was speciaal naar den 
Haag gekomen om met den Prins de vereeniging tus- 
schen Noord en Zuid , zoomede de teruggave der koloniën 
te bespreken. Zie bl. 13 der sub 24 vermelde Mémoires. 

" 249 noot 17. Het draagt «'al de kenteekeningen der over- 
haasting, waarmede men de zaak heeft willen afdoen^'. 
Hoek 58. — Men zie ook de op bl. 252 door mij ver- 
melde getuigenis van De Qrovestins. 

// 250 noot 18. A. J. Van der Aas vBiographisch Woordenboek". 

ff 250 noot 19. //Notice . . . ." van C. F. Sirtema De Grovestins. 
1852. Bl. 101 noot >). — Mr. J. R. Thorbecke in zijne 
aankondiging der Brieven van Falck : //Bijdragen tot de 
kennis van het Staats-, Provinciaal- en Gemeentebestuur 
in Nederland" (1860) dl IV bl. 20. 

/' 250 noot 20. Bl. 77 dl. I van het sub 11 vermelde //Leven" — 
Hoek, bl. 57, naar dezelfde bladzijde van Von Gagern 
verwijzende , haalt de woorden aan : //een schrander man 
van een levendig en zeer beminnenswaardig karakter". 
Ofschoon zij wel op Hendrik Fagel van toepassing kunnen 
geacht worden, heeft Von Gagern deze woorden gebruikt 
ter teekening van Robert, den l)roeder. Er waren onder- 
scheidene broeders, die nogal eens verward worden ; men 
zie o. a. noot *) van het op bl. 240 vermelde geschrift 
over Van Hogendorp. 

ff 250 noot 21. Over //de galcoliek van den Heer V. NagelF' 

op bl. 126 noot ^) in een brief van Falck dd. 16 Augustus 

1814 bij Tellegen. — //Nagell's temper subdues his uuder- 

standing even his memory": Malmesbury dd. 14 Augustus 

1814 aan Fagel; V. D. 42. — 's Ministers moeielijk humeur 

toonde zich ook in het particuliere leven. De Grovestins 

maakt o. a. melding (op bl. 265 van het sub 24 ver- 
6« Volgr. UI. t20 



288 D15 sLurriNO tan hkt londensch tkactaat 

melde boekdeel) van de volgende karakteristieke scène , 
waarmede geheel Brussel zich bemoeide en welke in 1820 
op eeue partij tnsschen hem en De Bainer, gezant van 
den Napelschen koning bij ons hof , plaats vond : ^Jouant 
avec Ie baron de Nagell aa whist, Ie chevalier de Rainer 
coramit quelques inadvertances qui lui attirèrent de la 
part du premier des reproches faits d'an ton peu en usage 
parmi des personnes qui se doivent des egards. Le ministre 
de Naples y répondit en se servant des mêmes expres- 
sions. PouT doubler d^impolitesse , le baron de Nagell 
ajonta Tinjure en nommant le chevalier de Bainer uu 
insolant et cela k plusieurs reprises. Le demier se bèta 
de se retirer . . . ." (Uit een brief van generaal De Phull 
aan De Nesselrode). 

BI. 251 noot 22. Beeds dd. 15 Juni 1814 had de Souvereine Vorst 
een besluit tot onderdrukking van den slavenhandel ge- 
nomen en bij de toezending er van Clancartj, ingevolge 
art. 3 sub 1 van het besluit, doen weten, dat geen bezwaar 
zou gemaakt worden eene bepaling van gelijke strekking 
op te nemen in het te sluiten tractaat over de teruggave 
der koloniën: zie sub 40; Hoek 56; V. D. 40 noot *) ; 
Lagemans I 16; Castlereagh II (dl. 10) 54. 

ff 251 noot 23. V. D. 201 noot >). 

ff 252 noot 24. BI. 47 noot ^ dl. IV der ^Mémoires et Sou- 
venirs du Baron C. F. Sirtema de Grovestins'' (1869). 

ff 252 noot 25. Zie de bl. 272 en 277. 

ff 252 noot 26. Bl. 81 der //Bijdragen tot de geschiedenis der 
onderhandelingen" van Elout. 1863. 

// 252 noot 27. "You may observe'', instrueerde Castlereagh 
den Eugelschen gezant in den Haag dd. 30 Juli 1814 
(V. D. bl. LIX) , ffihsii the Cape is of no real commer- 
cial value to Holland; not perhaps of much to us (sic). 
It is, however, a point in favour of which there is a 
prejudice, which inclines the British nation to attach 
importauce." - — //Geen oogenblik verkeerde hij in twijfel" — 
luidt het bij Hoek bl. 57 over Castlereagh — ffot aan 
Nederland moesten zijne oude bezittingen teruggegeven 
worden; hij wilde het die niet onthouden en wat hij kon , 



VAN 18 AUGUSTUS 1814. 289 

zou hij toestaan. Doch als Engelsch minister bevond hij 
zich in een moeielijken toestand ; want als zoodanig kon. 
hij niet allen afgeven, hoe overtuigd hij ook ware van 
het goed recht der Nederlanden om alles terug te vorderen. 
Eenige koloniën heeft hij voor zijn Vaderland bedongen , 
en nog viel men hem hard Engelands belang uit het oog 
verloren te hebben,...." — Men zie ook bl. 307 sub 58. 

BI. 253 noot 28. Bl. 86 en 265 dl. I (dl. 9) van de op bl. 244 
vermelde ^Correspondeuce". 

tf 253 noot 29. Bl. 51 van het sub 24 vermelde boek. In eene 
noot aldaar voegt De Qrovestins er bij : /i^Cette opinion 
sur l'état stationnaire des esprits en HoUande était d^ail- 
leuTs partagée par d^autres. Varnhagen von Ense Ie dit 
également dans son livre intituM: Denkwürdigieiten ^ t. 
III, p. 421." 

// 253 noot 30. //Brieven van A. B. Falck" 2« Uitg. 1861. Bl. 207 
en 210. — Van NagelFs sterk uitgesproken meeuing over 
het verlies van de bij het tractaat afgestane koloniën, 
speciaal van de bezittingen in de West, blijkt ons uit 
brieven, die ik hierna sub 51 en 77 wedergaf. 

ff 253 noot 31. '/Ontstond er nu geschreeuw op de beurs? Dit 
kon moeilijk, daar aan het tractaat geen ruchtbaarheid 
werd gegeven." Tellegen 129. — Falck wilde //om den in- 
druk te verzachten", dien het tractaat in Nederland maken 
zou , het staatsgeheim gaandeweg //laten uitlekken": Brieven 
bl. 207. 

ft 254 noot 32. De nota met dispositie luidt als volgt: 

Worde deze gedeponeerd bij het Dep', van Buit. Zaken, 
om daarop, naar gelang van den loop, dien de negociatiën 
nemen zullen, regard te slaan. 

Parijs, 2'j Mei 1814. 

Ter ord. van Z. K. H. 

A. R. Falck. 

Ofschoon *s Lands Kasse door de gearresteerde Negotiatie 
zoo rijkelijk zal voorzien wezen, dat de gewone uitgaven 
van het toekomend jaar daaruit zullen gevonden worden, 
is het nochtans verre af, dat door de cvengemelde operatie 
de publieke financiën op den duur zullen zijn gered, en 



290 OE. SLUITING VAK HET LOXDKK9CH TRACTAAT 

lot z<>>danigen stand gebracht als noodig is, tot herstel van 
het algemeen vervallene crediet, en tot het doen van zulke 
groote en extraordinaire ${>endatiên als de omstandigheden 
zullen komen te vereischen, als daar zijn: 

1. Verzorging van Artillerie; 

2. Aanvulling der Magazijnen ; 
3- Verbetering van Fortificatiên ; 
4. Herstel der Zeem ach L 

Alle deze objecten te zamen genc«men, zullen eene aan- 
merkelijke lux^veelheid millioenen k>edragen. De middelen 
om die te bekomen , zouden kunnen zijn : 

1. Door i*ecompli'iueerde plans, gelijk het laatste is; dan 
dit heeft bij velen weinig bijval gevonden: ook vermeerdert 
het de massa van *s Lands schulden , die men gaarne ver- 
minderd zag, en wordt berekend zware intressen te kosten. 

2. Do<ir rrifii'illige negotiatiën\ doch het discrediet der 
publieke efi'ecten, en hare actueele laagte, toont maar al 
te klaar, dat hieraan niet te denken is, zonder zich door 
exorbitante interessen verder te ruïneeren. 

3. Eindelijk door geforceerde geldhefftngen\ dan die zijn 
hatelijk, en kunnen van de verarmde onderdanen nauwelijks 
gevergd worden : daarenboven zouden zij volgens den tegen- 
w^oordigen koers der effecten moeten geschieden, en daar- 
door zeer onereus worden. 

Deze middelen dus vervallende, en de dringende geld- 
behoefte tot herstel van 's Lands financiën blijvende bestaan , 
meent men geen ander expediënt tot redding te kunnen 
vinden, dan uit onze O. I. bezittingen. 

Men diende te beginnen, met zich te verzekeren, dat 
dezelve alle door Engeland zullen teruggegeven worden, 
speciaal ook, zoo mogelijk, het eiland Ceyloft , hetgeen 
van zoodanige importantie is, dat, volgens informatie, de 
Engelsche Oost-Indische Compagnie daarvoor aan de Onze 
in 1788 ^ 7CXX).ooo Stx. of bijna 80 millioenen heeft geboden, 
toen zij tevens Cochin voor 5 millioen overnemen wilde. 

(De Heer Van Nagell kan daarvan iets weten, wijl hij 
destijds Minister te Londen was). 

Het is waar, dat Ceylon bij den \Tede van Amiens ten 
jare 1802 aan Engeland is afgestaan; maar het is niet 
minder waar, dat HoUand door de Fransche influentie, die 
haar regeerde, tot deze cessie gedwongen is geworden, 
zonder dat zij destijds de Engelschen in de Oost-Indiën 
beoorloogde. Indien het al niet mochte gelukken om dit 
eiland evenals de overige possessiën te doen considereeren, 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 291 

zoude men echter kunnen insteeren, dat in de negotiatiën, 
waarvan straks nader, op dit geforceerde verlies eenige 
reflexie genomen wierd. 

De restitutie onzer bezittingen in Oost-Indië en De Kaap , 
van de zijde van Engeland geobtineerd zijnde, gelijk men 
zulks vertrouwt , zouden vervolgens onderhandelingen kunnen 
aangelegd worden, om dezelve alle aan de Kroon te ce- 
deeren, tegen eene redelijke vergoeding; en men vertrouwt 
te kunnen betoogen , dat beide landen , zoo na aan elkander 
verknocht, daarbij hunne rekening zouden vinden. 

Betreffende deze cessie staat ten opzichte van Holland te 
considereeren , dat indien men de even gemelde possessiën 
terug bekwam, al aanstonds zoude moeten worden gezorgd 
voor importante spendatiën, die ons tegenwoordig gebrek 
aan geld en crediet geenszins toelaat, zoo niet onmogelijk 
maakt, als daar zijn: met relatie tot Indië\ 

1°. Het herstellen van publieke gebouwen, magazijnen 
en andere objecten van dien aard, die door den oorlog 
denkelijk veel zullen geleden hebben; 

2°. Het aanleggen van fortificatiën , dewelke voor de 
veiligheid tegen eenen eersten aanval uit Europa of tegen 
den Inlander vereischt worden; 

3**. Het zenden en onderhouden van een genoegzaam 
aantal militairen, ten fine als voren; 

4°. Het formeeren van toereikende kassen om de admi- 
nistratie en den handel wederom in activiteit te brengen. 

In Holland zelve zouden insgelijks groote sommen noodig 
zijn, als: 

!<». Tot het weder oprichten en bekostigen der Directie en 
al wat tot berging der goederen behoort; 

2^ Tot het bouwen of huren van schepen , die aanstonds 
zouden moeten geëxpedieerd worden; 

3". Tot het bekostigen der uitvrachten, en het verzorgen 
der contanten, die de handel op China vereischt. 

In den eersten opslag komt het wel voor, dat Holland 
door het staken der navigatie op de Indien een voornamen 
tak van hare commercie zoude verliezen; doch hiertegen 
staat aan te merken, dat die handel sedert lang niet dan 
tot groot nadeel van 's Lands financiën is kunnen worden 
gedreven; zoodat voor het gaande houden van denzelven de 
O. I. Comp. in de laatste lo jaren van haar bestaan, en 
wel van 1785 tot 1795, meer dan 5O millioen heeft moeten 
opnemen. 

Volgens het bericht der vergadering van XVII*^", gegeven 



292 DE SLUITING VAN UBT LONDENSGH TRACTAAT 

den 20° September 1795, is door Holland en Zeeland van 
1785 tot 1791 ter leen verstrekt: 

f 33i 250,000 
en uit den 25®" penning » 23,625,000 

samen f56,875,000 

Het blijkt ook uit het secreet rapport van den 14*^" Juli 
1791 (p. 4.) dat de O. I. Comp. op den 3i«" Mei 1790 
tot haar last had de som van f80,937,737.14 buiten nog 
meer dan 15 millioen, sedert door haar genegotieerd . dus 
te zamen eene schuld van bijna honderd millioenen : trouwens 
zij had volgens hetzelfde rapport (Bijlage litt. B) in de 5 
jaren van 1786 — 1790 meer uitgegeven dan ontvangen 
f43,674,810 en dus 'sjaars f8,734,962; men nam toen reeds 
in deliberatie , of de zaken der Maatschappij niet als reddeloos 
moesten aangezien worden. 

Sedert is de schuld nog zoodanig vermeerderd, dat zij, 
volgens een specifieken staat, dien ik heb, in het jaar 1796 
bedroeg in kapitaal f 119,712,115.5 en in interest f 3,803,970. 10. 

De kundige Heer Van Hogendorp merkt in zijne Memorie 
over den tegenwoordigen staat van Oost-Indië (p. 92) terecht 
aan , dat , «zoo er geen middel wordt aangewezen , om meerdere 
inkomsten uit onze Oost-Indische bezittingen te halen, de- 
ze! ven bloote lastposten zijn voor den Staat, die beter ver- 
laten waren, dan langer aangehouden". 

Hij zegt verder (p. 168): «Wij hebben het treurig vooruit- 
zicht ontdekt , dat niet alleen de hoop op groote voordeden 
stond te verdwijnen, maar dat de O. I. bezittingen, ware 
lastposten zijnde geworden, ons van jaar tot jaar dieper 
in ons verderf zullen slepen." 

Men begrijpt lichtelijk, hoe onzeker de hoop op verbe- 
tering is op zulk een verren afstand en werwaarts lieden, 
meest niet van de beste soort , zich begeven, enkel met oogmerk 
om zich te verrijken ; en men weet maar al te wel , hoe zij 
zich naar dat beginsel in Indië gedragen. 

Kort vóór en sedert de expiratie van het laatste Octrooi, 
zijn door deskundigen geformeerd en overgegeven diverse 
meraoriën over de wijze van voortaan de O. I. zaken te 
behandelen en die tusschen Commissarissen van 's Lands 
wege en Bewindhebbers te verdeelen, alle zoo zeer uit 
elkander loopende en zich contradiceerende , dat het Gou- 
vernement daaruit moeiel ijk een keuze zoude kunnen doen , 
zonder zich te exponeeren aan eene gevaarlijke kansrekening 



VAN 23 AUGUSTUS 1814. 293 

waarvan het effect onzeker is, en niet dan na langen tijd 
zoude kunnen ondervonden worden. 

Men observeere verder omtrent het gemis van den O. 
I. handel , dat sommige der objecten, uit de Aziatische landen 
wordende aangebracht, superfluiteiten zijn (except de thee, 
waarvan straks nader) , die wij kunnen ontberen ; en waarvan 
zelfs eenige de Inlandsche manufacturen benadeelen, terwijl 
andere noodwendige evenwel niet behoeven gemist te worden. 

Suiker, koffie en katoen b. v. kunnen onze Koloniën in 
de West-Indiën in genoegzamen overvloed leveren, en de 
navigatie daarop kan, uit hoofde der voordeelige uitvrachten , 
niet te veel aangemoedigd worden. 

Alleen is de theehandel op China een zaak van groot 
aanbelang; doch deze vereischt geene territoriale possessiën, 
noch onkosten van publieke administratie: men zoude dien 
aan particulieren kunnen overlaten, om door hen gedreven 
te worden, gelijk zulks door de Engelschen, Noord-Ame- 
rikanen, Ostendenaars en anderen geschiedt; enkele facto- 
rijen zijn daartoe genoegzaam. 

Voor het overige kan Holland zich te lichter troosten 
over het verlies harer landen in O. I. en der commercie 
daarop wordende gedreven, wijl eene droevige ondervinding 
heeft geleerd, dat de noodige bescherming daarvan in tijd 
van oorlog ondoenlijk is, zoodat de eigendom van het 
een en ander als onzeker en precair moet aangemerkt worden. 

Laat ons nu zien of en welk belang Engeland heeft, om 
de possessiën onzer O. I. etablissementen, die het thans 
alle bezit, tegen eene redelijke schadevergoeding in geld te 
blijven behouden. 

Sedert dat die mogendheid de importante provincie van 
Bengalen en het rijk der Maratten op de kust van Malabar 
heeft vermeesterd, voorts de Fransche bezittingen op Coro- 
mandel heeft vernietigd , zijn de Hollanders de eenige Euro- 
peesche natie gebleven met dewelke zij in Indië kan te 
doen hebben, en die haar den onschatbaren exclusieven 
handel zouden kunnen betwisten. 

Daarenboven verzekert haar de ligging van het eiland 
Ceylon tusschen de Oost en de West van Indië en het 
houden eener navale macht in de voortreffelijke haven van 
Trinconomale , de beste van geheel Indië, tegen alle vijan- 
delijke aanvallen, die uit Europa op haar Indische posses- 
siën kunnen ondernomen worden. 

Indien zij derhalve de Hollanders uit den weg kan ruimen , 
blijft zij buiten alle concurrentie en mercantile discussiën, in 



294 DB SLUITING VAN HET IX)NDENSCH TRAOTAAT 

het gerust en exclusief genot van den importanten handel, 
die met geheel Indië (China except) wordt gedreven. 

Het is haar voorts gemakkelijk, om door het bezit van 
De Kaap en van THe de France (zoo zij dat eiland behoudt) 
het acces derwaarts completelijk te sluiten. 

Wij hebben reeds aangemerkt, dat er meermalen onder- 
handelingen tusschen de Engelsche O. I. Comp. en de Onze 
hebben plaats gehad, over het afstaan van verscheidene 
onzer etablissementen, ieder afzonderlijk, en voor bepaalde 
sommen. 

Indien men thans, daar zij alle in handen van Engeland 
zijn, zich met dat rijk kon verstaan over eene generale 
cessie, zoude daaruit dit wederkeerig voordeel en gemak 
resulteeren, dat n.I. door de overneming zouden worden ge- 
eviteerd, moeilijke en langwijlige pretentiCn en liquidatiën, 
die de restitutie van weerszijden zal na zich slepen; zonder 
het applaneeren van dewelke onze O. I. Comp. niet wederom 
in het genot van hare verloren eigendommen en de navi- 
gatie daarop zal kunnen geraken. 

Het is derhalve nu het juiste tijdstip om negotiatiën 
deswegen te en tameeren en, zoo mogelijk, tot een spoedig 
einde te brengen , vooral daar de intieme en vriendschappelijke 
betrekkingen, die tusschen de beide landen zoo gelukkig, 
en meer dan ooit, subsisteeren , alle hoop op een gewenscht 
succes voorspellen. 

Het bepalen der sommen tot het schadeloos stellen onzer 
O. I. Comp. en het reguleeren der termijnen van betaling, 
zal hierin het grootste werk zijn; terwijl men tevens diende 
te conditioneeren , dat aan onze ingezetenen zal worden 
geaccordeerd het frequenteeren van De Kaap, tot de vaart 
op China benoodigd, op gelijken voet als de Engelsche 
onderdanen genieten. . 

Men vleit zich , dat indien deze voorslag het geluk mocht 
hebben van door Z. K. H. gegouteerd te worden, Hoogst- 
dezelve de beste middelen zal vinden, om daarin te reus- 
seeren, en dat daardoor vervolgens zal kunnen worden ge- 
ëffectueerd eene billijke vergoeding, die de eigenaars van 
actiën onzer O. I. Comp. reclameeren : en tevens daargesteld 
het bekomen der gelden tot de opgenoemde behoeften van 
den Staat wordende vereischt: terwijl het overschietende 
zoude kunnen dienen tot een fonds om de publieke schuld 
te verminderen, en het vervallen crediet te herstellen; alle 
objecten van het grootste aanbelang, die ik in mijne kort- 
zichtigheid niet begrijp, dat langs een anderen weg, als die 



YAN 13 AUGUSTUS 1S14«. 295 

men bij deze Memorie hasardeert voor te slaan, kunnen 
bereikt worden. (B.Z.) 

BI. 254 noot. 33. BI. 96 der aflevering April 1864. vau De G'uk. 
Mr. J. T. Buys: '/Een monumeDt voor Hogendorp", ge- 
schreven naar aanleiding van de sub 5 bl. 283 vermelde 
Bedevoering. 

'/ 254 noot 34. Fagel schrijft nl. dd. 9 Mei 1814 het volgende 
aan onzen Minister van B. Z. : /'Je saisirai la première 
occasion de parier \ lord Liverpool au sujet de notre 
navigation aux Golonies; mals pour ce qui est de leur 
restitution, je suis porté ^ croire que ce point, qui se 
lie si intimément aux autres restitntions coloniales, que 
ce Pays sera dans Ie cas de faire 2i la paix , sera discute 
et regM soit ^ Paris, soit au futur Congres." (B. Z.) 

Bl. 255 noot 35. Hoek vermeldt op bl. 48 naar aanleiding van 
art. 9 in verband met het 3^ geheime artikel van het 
Parijzer tractaat: //Zij bepaalden dat de Koning van 
Zweden Ouadeloupe aan Frankrijk zou afstaan en daarvoor 
eene schadeloosstelling ontvangen uit de Hollandsche ko- 
loniën, door den Souvereinen Vorst te verstrekken." De 
Schrijver verwijst hiervoor naar de //Histoire abrégée des 
Traites de Paix" van De Koch voortgezet door F. Schoell , 
dl. X (1818) bl. 493. Doch daar wordt slechts naar de 
arrangemenU van art. 9 in het algemeen verwezen : //D'après 
les arrangements dout il est ici question, il avait été 
convenu que, dans Ie cas oü la Belgique serait réunie 
^ la Hollande, Ie prince souverain des Provinces-Unies 
se chargerait d'indemniser la Suède de cette renonciation, 
en lui fournissant une compensation par Ie moyen des 
colonies hollandaises qui se trouvaient entre les mains 
des Anglais." — Van het derde geheime artikel wordt 
melding gemaakt op bl. 525 , doch ook zonder eenige 
mededeeling over deze [aangelegenheid. In 1818 waren 
echter de geheime artikelen vau het Parijzer tractaat 
nog niet volledig bekend. Zij zijn eerst in 1856 openbaar 
gemaakt en dientengevolge o. a. gepubliceerd door E. G. 
Lagemans in zijn '/Recueil des Traites" (1858) dl. I bl. 
15; men kan daar lezen, dat in geen enkele der zes 
artikelen , over de Guadeloupe-quaestie wordt gehandeld, — 



296 DS SLUITINO VAN 11£T LONDKNSGU TRACTAAT 

Het openbaar art. 9 vindt men o. a. bij Hoek op bl. 51 
noot (1). Het geheim art. 3 luidt aldus: 

L'établissement d'un juste équilibre en Europe, exigeant 
que Ia Hollande soit constituée dans des proportions qui la 
mettent a mcme de soutenir son indépendance par ses 
propres moyens, les pays compris entre Ia mer, les fron- 
tières de la France, telles qu'elles se trouvent réglées par 
Ie présent traite, et la Meuse, seront réunis a toute per- 
pétuité a la Hollande. 

Les frontières sur la rive droite de la Meuse seront ré- 
glées selon les convenances militaires de la Hollande et de 
ses voisins. 

La liberté de navigation sur l'Escaut sera établie sur Ie 
méme principe qui a réglé la navigation du Rhin dans 
Tarticle 5 du présent traite. 

Het is eigenaardig dat Mr. Hoek zelf op bl. 53 noot 
(2) ook dit artikel wedergeeft, zouder er aan te denken, 
wat hij op bl. i8 over den inhoud van die geheime be- 
paling opmerkte 

Bl. 255 noot 36. ^Le second point (a) , celui des Colonies, sera, li 
ce que je prësume, uniquemeut traite entre 1'Angleterre 
et nous, saus intervention aucune. J^espère sous pen de 
jours, pouvoir entretenir V. E., en détail sur eet im- 
portant objet ; mais il serait en atteudant tres interessant, 
que V. E. pöt sonder Ie terrain et t&cher de découvrir, 
queues sont les vues du cabinet de Londres? Natu- 
relle ment nous devons désirer d'étre retablis sur Ie pied 
colonial, que nous possédions en 1792. — Nous n'avons 
pas encore reyu les licences pour nos vaisseaux destinés 
vers nos anciennes colonies d'Occident: peut-étre que cette 
occurence fournira h V. E. Ie moven de faire expliquer 
plus OU moius lord Castlereagh.^' (B. Z ) 

V 256 noot 37. Fagel schreef nl. dd. 11 Juni 1814 het volgende: 

Dans Ie courant de la conversalion de ce matin, lord 
Castlereagh m'a parlé de la maniere dont les Ministres en- 
visagent Taffaire de la réunion de la Belgique ; de leur désir 
que Ie Prince Souverain put être mis en possession de ces 

(a) Hel eerste in 's Ministers brief van 7 Juni 1S14 N" oó behandelde punt. 
gold onze vereeniging met België. 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 297 

Provinces aussitot que cela serait possible et dans Ie but 
que S. A. R. fut mise par la en état d'y envoyer un Gou- 
verneur k la place du Baron de Vincent (a) ; d'un papier 
dressé par lord Clancarty sur cette affaire et qui doit avoir 
été approuvé par S. A. R. ; de ce qui s'est passé relativement 
a la Suède et k Tespèce d*engagement pris d'indemniser cette 
Puissance pour la cession de la Guadaloupe par celle de 
Tune OU Tautre de nos ci-devant colonies : toutes choses qui 
doivent être parfaitement connues de V. E. et de S. A. R. 
au moins beaucoup mieux qu'elles ne Ie sont de moi qui 
apprenais tout cela pour la première fois. Mais ce que lord 
Castlereagh m'a expressément prié de porter a votre con- 
naissance , c*est que comme ces affaires , en particulier celle 
des colonies , allaient être mises ici sur Ie tapis sans delai , il 
priait que vous voulussiez faire passer incessamment soit a 
moi, soit k telle autre personne que Monseigneur Ie Prince 
voudra honorer de cette commission, les plein-pouvoirs et 
instructions necessaires. Ceci s*accorde , a ce qu'il me parait , 
avec les intentions énoncées dans la dépêche de V. E. n° 66 (/>) 
du 7 de ce mois. J'observerai seulement que si Msgr. Ie 
Prince Souverain trouve bon de m'employer dans cette nc- 
gociation, il me semble que Ie plein-pouvoir général dont 
je suis déja muni , et qui a été dressé dans cette intention , 
pourra tres bien servir a ce but, et qu'il ne sera pas né- 
cessaire de m'en envoyer d*autre. Je saisirai la première 
occasion pour montrer ce pouvoir a lord Castlereagh et 
lui demander s'il Ie juge sufiisant. Sa Seigneurie me dit que 
M. de Rehausen, Ministre de Suède ici, avait déja re(;u 
ses pouvoirs pour traiter de Taffaire en question. (B.Z.) 

BI. 256 noot 38. Tellegeu 125. 

ff 257 noot »39. Het hierbedoelde schrijven dd. 16 Juni 1814« 
vau den Minister aan den staatssecretaris Falck luidt in 
zijn geheel als volgt: 

Le moment oü par une pacification générale l'Europe va 
se trouver dans un état de tranquilité , et jouir des bienfaits 
que les exertions glorieuses des Hautes Puissances allióes 
ont produits — ce moment, dis-je, qui doit remplir l'Europe 
d'admiration et de reconnaissance — fait nailre l'espoir a 
S. A. R. que la générosité de Sa Majesté Britannique ne 



(a) De door den Keizer van Oostenrijk benoemde Gouverneur- Generaal over de 
voormalige Oostenryksche Nederlanden. 

(b) Brief noot 36. 



£98 DE SLUITING VAN HET fX>NDENSCH TRACTAAT 

SC démentira pas pour les autres parties du monde , et que ne 
saurait paraitre hors de saison de fixer un instant I'attentiun 
de S. A. R. sur la situation actuelle des colonies Hollandaises 
tant aux Indes Orientales qu'Occidentales. 

M^ TAinbassadeur Fagel pourrait conséquemment être 
instruit a donner lous ses soins a la restitution de ces co- 
lonies et bien de ia maniere suivante: 

1. Il profitera de la première occasion qui pourra se pré- 
senter ptiur pressentir les Ministres de Sa Majesté BriL et 
tacher de décou\Tir leurs vues relativement du sort de ces 
colonies. 

2. Il serait a désirer, que les ministres de Sa Maj. Brit 
voulussent prendre Tinitiative ; raais si Ton demandait a M' 
Fagel de s*expliquer sur ce sujet, il pouvait faire obser>'er que 
la Hollande s'est trouvée conquise par les armes Fran<;^aises 
des Tannée 1795 — que depuis Elle a cié ou secrètement, 
OU publiquement gouvemée par la France, qui Ta entrainé 
toujours malgré Elle dans les guerres contre TAngleterre, 
qui de loutes les manières leur étaient funestes, et entrai- 
nèrent la perte de ces possessions; qu*a la paix d'Amiens 
toutes les colonies Hollandaises dans l'Orient et l'Occident 
avaient été rendues a 1^ Mère-Palrie, sauf Tïle de Ceylon. 

3. Que dans Ie moment actuel , 011 par les efforts , la fermité 
et Tamour des habitants de la Hollande pour la maison 
d'Orange , et avec l'assistance des Hauts alliés en général et 
celle de la Gr. Brit. en particulier, Ie joug de la France 
avant été secoué , et ce Pays rétabli au nombre des Puissances 
indépendantes de TEurope, S. A. R. et ses sujets sont rem- 
plis de confiance dans la générosité et la munificence de 
S. A. R. Ie Prince Régent, et que S. A. R. leur rendra toutes 
leurs ci-devant possessions dans les Deux-Indes. 

4. Si, comme il y a apparence, Ie Ministère Brit notifia 
ces demandes, Tambassadeur Fagel se pénétrera que la 
possession dans les Indes Occidentales la plus interessante 
pour notre pays est celle de la cote de Guiane — connue 
sous Ie nom d'Essequebo , Demerari , les Berbices et Suriname. 

5. Ces colonies sont peut-être de toutes nos possessions, 
hors d'Europe , les plus précieuses , tandis que leur ensemble 
en augmentc la valeur. Il serait de la plus grande incon- 
venance de partager ou diviser cette cote et si Ie c:ommerce 
des esclaves doit demeurer aboli, comme on Ie présume, 
ce partage ou cette division seraient les sources de différents 
perpctuels, puisque la désertion des travailleurs formeront 
unc source intarissable de réclamations et de plaintes , et que 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 299 

les colons se trouveraient exposés a des intrigues et des menées 
sourdes, qui détruiraient absolument toute espèce de tranquilité. 

6. S'il était nécessaire de faire un sacrificè d'une partie 
de nos possessions en Amérique, Tile de Curac^ao pourrait 
être cedée. On avancera peut-être en Angleterre que cette 
ile est plutot une charge pour nous qu'un avantage; — M"" 
Fagel re^oit a ce sujet Ie mémoire ci-joint qui Ie mettra par- 
faitement au fait de la vérité et qui lui foumira abondamment 
les argumenLs requis pour démontrer que cette ile est non- 
seulement d'une grande importance sous Ie point de vue 
militaire a cause de la securité de son port; mais a de plus 
une valeur tres considérable par son comraerce actif et passif. 

7. Si la cession de Cura^ao ne paraissait pas suffisante, 
Ton pourrait encore sacrifier St. Eustache, Saba et la partie 
Hollandaise de St. Martin. 

8. Ces cessions néamoins ne sauraient être faites sans en 
recevoir une indemnisation en argent; et si M^ Fagel était 
obligé d'articuler une somme, il pourait demander: 

pr Cura9ao .... 

pr St. Eustache et Saba .... 

pr la partie Holl. de St. Martin . . . . (a) 

9. Les possessions en Afrique se bornent a nos forts sur 
la cote de Guinee et Ie Cap de Bonne Espérance: — les 
premières n'entrent pas en considération , étant actuelleraent 
entre nos mains ; l'autre est une possession a la quelle proba- 
blement 1' Angleterre mettra grand prix et il sera par consé- 
quent nécessaire que M*" Fagel se montre plus ou moins 
facile , observant néanmoins de faire valoir Ie sacrificè , et de Ie 
faire servir a emmener une restitution entière, pour les colonies 
de rOuest: Essequebo, Demerari, les Berbices et Suriname. 
De plus, il employera tous ses talents pour obtenir une 
compensation en argent , pour la cession de Ia dite Colonie. 

10. En Asie l'ile de Java avec les iles Moluques forment 
la partie la plus interessante de nos anciennes possessions, 
et M*" Fagel employera tous ses efforts a en obtenir la par- 
faite restitution, ainsi que celle de toutes les ïles Moluques 
qui ont appartenues a la Holl. a Tépoque de 1792. 

11. Les possessions Holl. de Tïle de Ceylon, ainsi que 
celle de Cochin et autres sur les cotes de Malabar et Travancore 
pourraient devenir des objets de négociations et M^ Fagel 
pourrait écouter favorablement toutes les propositions d'indem- 
nités pécunielles qui pourraient être proposées tandis que 



(a) In V'an Nagell's minuut oningevuld. 



300 DK StUITINQ VAK HET LONDKNSCH TRACTAAT 

Ie Gouvernement de S. A. R. tachera de se procurer les 
renseigements nécessaires pour pouvoir informer M' Fagel 
de la valeur intrinsèque de ces différentes possessions. 

12. Si par suite de la présente négociation, Ia HoUande 
venait a renoncer a ces anciens établissements dans la 
presqu'ïle de Tlnde, il est essentiel, que la faculté et Ie 
pouvoir d'établir sur ces cotes orientales et occidentales des 
comptoirs de commerce, lui soient assurés et que la nation 
^ Holl. soit admise au commerce de l'Inde en général sur Ie 
pied de Ia nation Ia plus favorisée. 

BI. 257 uoot 40. De Minister schreef namelijk dd. 17 Juni 1814 
aan Fagel : 

J'ai remis hier a S. A. R. un projet d'instruction pour 
V. E., afin de pouvoir entrer en négociation avec lord 
Castlereagh sur la restitution des colonies et je me flatte de 
pouvoir les Lui expédier sous peu de jours. S. A. R. vient en 
attendant de prendre une résolution , en réponse a une note 
de S. E. lord Clancarty , portant la prohibition du commerce 
des esclaves sur la cöte d'Afrique {zie xw^ 22); et manifestant 
son désir, que dans Ie prochain traite de restitution de nos 
colonies un article expres interdise a jamais ce commerce. 
J'envoie incessament a V. E. la copie de ce décret. S. A. R. 
m'a également informé du projet de lord Castlereagh, de 
dédommager Ia Suède de sa cession de Ia Guadeloupe , par une 
de nos ci-devant possessions aux Indes occidentales. Je 
m'abstiendrai de toute réflexion sur ces vues. Je me bornerai 
a faire observer a V. E. que ce que nous posscdions de 
plus précieux est Ia cöte de Guiane, que son grand merite 
est dans I'ensemble des Colonies et que nous ne pourrions, 
sans nous exposer aux plus facheux résultats, concourir a 
un partage. Avec les instructions que j'annonce a V. E., 
Elle trouvera néamoins toutes les facilités a faire Ia cession 
de Tile de Cura<;ao. et même de St. Eustache. 

// 257 uoot 41. BI. 54—55 dl. II (dl. 10) van de op bl. 244 
vermelde //Correspondence" van Castlereagh. 

'' 258 noot 42. //Het jonge Koninkrijk was geënt op den stam 
der oude, roemrijke republiek, eenmaal de kleinste der 
Staten, maar de grootste der mogendheden. Had reeds 
dit verleden zwareu schuldenlast achtergelaten; was het 
land door de schaamtelooze plundering van vreemde 
overheerschers en door de in waarheid dolzinnige wijze, 
waarop tegeu den buitenlandscheu handel te werk was 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 301 

gegaan in merg en been uitgeput...." BI. 172 der 
^Studies over Geld- en Muntwezen door Jhr. Rochussen" 

(1888). 

BI. 258 noot 43. Woorden van Raffles na een bezoek bij onzen 
Koning te Brussel. Zie bl. 245 mijner in den aanhef 
dezer Verhandeling genoemde Muntrede (Maartafl. 1897 
Tijdschr. Ned. Indië). 

ff 259 noot 44. In de ^Geschiedenis der Nederlanders buiten 
Europa'' (1832) van N. G. Van Kampen, dl. III bl. 517 
leest men het volgende: ^i^Van de vier koloniën der Neder- 
landers in Guiana (Zuid-A merika) was Suriname de uit- 
gebreidste en oudste, maar juist daarom ook het meest 
uitgeput, terwijl vooral Demerary een weligen, vrucht- 
baren, nog gedeeltelijk maagdelijken grond aan den land- 
bouwer aanbood. Ihze nu , met hare beide naburige zusters, 
nam Engeland, en liet Suritiamey welks ten deele uitge- 
mergelde grond minder voordeden scheen te beloven, 
aan Nederland over." — Deze opvatting van de zaak heb 
ik bij ons nader te vermelden verzet tegen den afstand niet 
gevonden. 

ff 259 noot 45. Vijf milioen £ werd voor de barrière-steden en 
de Russische schuld bij het weldra te sluiten tractaat 
toegezegd. 

'/ 260 noot 46. üe quaestie omtrent den aard van het bezitrecht 
op Guadeloupe gaf later, nadat het eiland inderdaad aan. 
Frankrijk was afgestaan tot verschil van meening aanleiding. 
Dit blijkt uit een brief van lord Bathurst , gedagteekend 
Downingstreet , September 22, 1815 aan Castlereagh, 
waarin men het volgende leest: 

The French Ambassador called on me yesterday. He 
asked me how I considered we held Guadeloupe. I ans- 
wered by conquest. He said that he hoped we should held 
it as we held Martinique. I said that the way by which 
we obtained possession of the ene was quite different frora 
the conditions under which we held the ether. He replied 
that Guadeloupe should be surrendered to the King of France 
according to the Treaty of Paris, which was still in force, 
I answered that, with respect to the final destination of 
Guadeloupe, it must be settled, with ether matters, at Paris. 



302 DE SLUITING VAN HET LONDKNSGH TRAOTAAT 

BI. 30 — 31 dl. III van de op bl. 244 vermelde '/Corres- 
pondence'' van Castlereagh. 

Bl. 260 en 264 noot 47. Zie den brief van 21 Juni 1814 bij 
V. D. bl. 34—35. 

f 260 noot 48. 's Ministers brief dd. 24 Juni 1814, waarbij 
de instructie aan Fagel werd gezonden, luidt als volgt: 

D'aprés ce que j'ai eu rhonneur de mander antécédemment 
a V. E. , je Lui envoye une instruction , peur pouvoir entrer 
en négociation avec Ie Ministère de Sa Majesté Britanique, 
quant a la restitution de nos colonies. Elle voudra bien 
observer, que nos anciennes possessions sur la cote de 
Guiane sont ce que nous avions de plus précieux , peut-être 
sur Ie total, mais assurément et hors de tout doute, en 
Amérique; et Elle ne sera sürement pas surprise que dans 
ses instructions , Elle trouvera Ie voeu Ie plus prononcé, 
pour rentrer en pleine possession de cette importante partie 
de notre bien-être. Nous savons que la Suède doit être 
indemnisée pour ne pas avoir conservé Ia Guadeloupe : mais 
il serait quasi irrelevant (d) de supposer qu'on voulut la dé- 
dommager a nos depens en favorisant la France et de remettre 
entre des raains peu sures , pour ne pas dire équivoques , un 
domain aussi important. 

V. E. trouvera plus de facilité pour la cession de Cura^ao , 
même de St. Eustache, Saba, et la partie Holl. de St. Martin. 
Ces différentes colonies pourraient dédommager en quclque 
sorte la Suède, sans entrainer vers des inconvénients aussi 
graves, que la perte d'une partie de la terre ferme de 
Guiane, perte qui seraitau Congres, étant 
comme V. E. se Ie rappelera , que de ces neuf millions , trois 
restent a la charge de la Russie, trois passent a celle de la 
Hollande et de la Belgique et trois a celle de la Grande 
Bretagne: (a) 

Que moyennant cela, ce que Ie Ministre aurait a com- 
muniquer au Parlement , en Lui faisant part des arrangements 
en question, reviendrait a ceci: 

Nous rendons a la Hollande toutes ses anciennes colonies a 
Vexception du Cap de Bonne Espérance, et en revanche nous 
nous chargeons du payement de la somme de Six Millions de 
Livres Sterling. 

Lord Castlereagh me dit qu'un tel arrangement paraïtrait 
si onéreux ici, surtout a la fin d'une guerre telle que celle 
qui vient de se terminer, qu'il n'y aurait pas moven de Ie 
faire gouter aux Représentations de la Nation, a moins de 
Leur offrir cu échange la perspective de quelqu'avantage 
qui put contrebalancer des charges aussi énormes: et qu'on 
croyait ne pouvoir trouver un tel avantage qu'en gardant 
en pleine Souverainité nos trois colonies de Demerary , Esse- 
quebo et Berbice, sauf a accorder aux planteurs Hollandais, 
qui s'y trouvent , des facilités de commerce et de navigation , 



(a) Deze 1 , '1 en li millioen sterlinji; werden inderdaad opgenomen bij het geheim 
art. 1 van het Londensch tractaat van 13 Aujjustus 1814! Zie o. a. /f 0^/? bl. 53 — 54. 



310 DE SLUITING VAN IIBT LONDENSCH TRACTAAÏ 

semblables a celles qu*on a déji eu en vue de leur assurer dès 
Ie mois de Janvier demier par Tarrangement fait a la Haye 
avec lord Clancarty; que ces facilités consisteraient princi- 
palement dans la liberté d'importer leurs produits en droiture 
en HoUande dans leurs propres vaisseaux; que cependant 
la faculté ainsi concédée a des planteurs Hollandais dans les 
colonies Anglaises rendrait Tétat des colons a Demerary, 
Berbice et Essequebo si différent de celui des colons Anglais 
dans d'autres établissements aux Petites Indes (comme p. e. 
a la Jamaïque) et ouvrirait en général la porte a un si 
grand changement dans tout l'ensemble du système colonial 
de ce Pays-ci, qu'il faudrait restreindre jusqu*a un certain 
point cette liberté de commerce par quelqu'arrangement qui 
serait détaillé dans un des articles du Traite. 

Qu'a Texception des 3 colonies ci-dessus nommées, Ie 
Traite stipulerait la restitution entière et sans reserve de 
toutes les autres dans les différentes parties du monde, 
nommément de ce que lord Castlereagh nommait notre 
Empire de Tile de Java et des Moluques, que seulement 
on proposerait de nous donner Tile de Banca sur la cote 
de Sumatra en échange de Cochin que TAngleterre gar- 
derait. 

Enfin que , quoique Tétablissement de notre nouvelle fron- 
tière militaire du coté de la Francc fut un objet qui nous 
regardat plus directement que ce Pays-ci, cependant, afin 
de prouver a la nation Anglaise l'intérêt majeur qui s'y 
attaché pour elle, et Tobligation directe qui en résultera de 
contribuer efficacement par Tenvoi de troupes a la défense 
de cette frontière toutes les fois qu'elle sera attaquée, on 
propose d'insérer dans Ie Traite un article par lequel il sera 
réglé que les deux millions a fournir par ce Pays-ci , et telle 
somme qui sera aifectée de notre coté au même objet seront 
employés è. atteindre graduellement ce but sous Tinspection 
commune des deux parties contractantes de maniere a 
assurer l'emploi effectif des dites sommes a l'accomplissement 
de l'objet auquel elles sont destinées et qu'il sera envoyé 
de ce c6té-ci pour eet effet dans la Belgique des ingenieurs 
qui co-opèreront avec les notres a Texécution de ce travail. 

Telle est la substance de Tarrangement proposé et la base 
sur laquelle lord Castlereagh m'a dit être pret a signer un 
Traite, me demandant si les plein-pouvoirs que j'avais, 
étaient suffisants pour me mettre ^ même d'en faire autant. 
Vous comprendrez, Monsieur, en comparant ce quejeviens 
d'avoir l'honneur de vous marquer avec la teneur des in- 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 311 

structions que vous m'avez transmises , sous la date du 24 
Juin, que loin de me trouver dans ce cas, j'ai simplement 
pu prendre sur moi de vous faire Ie présent rapport et de 
vous demander des ordres ultérieurs. 

Je terminerai celle-ci par une observation que fit lord 
Castlereagh dans Ie cours de la conférence: c'est qu*il 
existe une grande différence entre une négociation oü les 
Parties ont des cessions mutuelles a se faire, et des avan- 
tages réciproques a obtenir. et un arrangement telle que 
celui-ci, oü une des parties a tout a rendre a l'autre, sans 
avoir rien a attendre en échange, et oü il ne s'agit que du 
plus OU moins de restitutions a faire et des conditions a 
y amener. 

BI. 265 noot 60. V. D. 38. 

^ 265 noot 61. V. D. bl. LIX. 

// 265 noot 62. Het advies van Fagel dd. 30 Juli 1814 aan deu 
Minister gegeven, luidt als volgt: 

Je crains bien, mon cher Monsieur, que vous serez tout 
aussi peu satisfait de ma dépêche d'aujourd'hui que de celles 
qui Pont précédée. Tant ce que je puis vous dire, c'est 
ce que je sais, a n'en pouvoir douter, que l'arrangement 
que lord Castlereagh propose, ayant été délibéré dans Ie 
Cabinet est une mesure définitivement prise, sur laquelle 
il n^y a pas a revenir , et contre laquelle il serait parfaitement 
inutile d'argumenter. Non seulement tous les raisonnemens 
par lesquels vous pourriez vouloir la combattre, ne feraient 
pas changer d'opinion , mais il feraient un très-mauvais effet 
en reproduisant a pure perte Fhumeur et Ie mécontente- 
ment causés par les demières discussions et qui sont a peine 
un peu calmés. Si l'on attaché du prix chez nous k recou- 
vrer promptement celles de nos anciennes colonies qu'on 
est disposé ici a nous rendre, et a conclure pour eet effet 
un traite avec lord Caslereagh avant Ie départ de ce Ministre 
pour Ie Congres, il n'y a pas de temps a perdre; après ce 
départ il ne se fera plus d'affaires a Londres. Vous concevez 
bien que je n*ai pas voulu prendre sur moi de signer un 
arrangement tel que celui-ci. Lord C. m*a lu hier la demière 
dépêche a lord Clancarty qui est a-peu-près de la même 
date que mes lettres du 15 de ce mois : il m'a lu égaleraent 
celle qu'il adresse aujourd'hui a eet ambasadeur, et qui par- 



312 OE SLUITING VAX HETT LONDKNSCH TRACTAAT 

tira en même lemps que mes lettres d'aujourd'hui. L'une 
et l'autre s^mt égaleinent prononcées et positives, et quoique 
vous ayez pu croire que je me suis expliqué fortement dans 
ma dépêche et dans mes lettres particulières du 15, je vois, 
depuis que j'ai lu ces dépêches de lord Castlereagh, que 
je n'ai rien dit de trop, et je sens de plus en plus.quelque 
dé^sag^éable que cela m'ait été , que je me suis véritablement 
acquité d*un devoir en vuus écrivant et a Msgr. Ie Prince, 
comme j'ai fait. Encore cette fois lord C. m'a instamment 
prié de ne rien négliger pour vous inspirer des sentimens 
l>lus justes sur les vues politiques de ce pays-ci a notre égard. 
Le raisonncment sur lequel il revient toujours est celui-ci: 
Comment peut-on se plaindre en Hollande d'avoir a nous 
laisser en possession de 3 colonies, quand nous doublons 
Texistence de la mère-patrie? D'ailleurs notre parti est pris; 
c'est k nous de juger de ce qu'il nous convient de rendre 
OU de garder: et des plaintes qui ne sauraient apporter du 
changement a nos résolutions, ne serviraient qu'a nourrir et a 
augmenter le mécontentement de certaines personnes en Hol- 
lande, supposc qu'il y ait des personnes chez lesquelles un 
tel sentiment existe (a).» 

II devra nécessairemcnt v avoir encore bien des discussions 
entre les deux Gouvemements, avant que le notre ait pris une 
entière consistance , et que tous nos interets soient régies : je 
ne saurais vous dire, mon cher Monsieur, combien il me 
parait a désirer qu*on apporte a ces discussions un esprit 
d'équité et de modération et qu'on en écarté tout sentiment 
d*aigreur et de jalousie. Les deux pays ont besoin de 
s'entendre et de voir une entière confiance s'établir dans 
leurs rapports mutuels. 

Avant de finir j'ai encore une observation a faire. J*ai 
remarqué dans une des dépêches de lord Castlereagh quMl 
m'a lues hier , un passage oü il parie de mes instructions sur 
Taffaire des colonies d'unc maniere qui pourrait faire présu- 
mer qu'il en avait eu connaissance. Ce que je puis voas dire 
la-dessus c'est que je me suis bien garde de les lui communi- 
quer; j'ai du Lui en dire la substance afin de me conformer 
a leur contenu; mais voila tout ce que j'ai fait et encore 
Tai-je fait en très-peu de mots (ó). 

Aan dit schrijven was het volgende P. S. toegevoegd: 
Celle-ci écrite j'ai encore vu lord C. et je suis convenu 



(a) Deze aanhaling vindt men ook bij Tellegcn -Mt». 

(h) In mijne inleiding, bl. LMl, had ik op deze zinsnede het oog. 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 313 

avec Lui que Ie courier qui se charge de ses dépêches pour 
lord Clancarty, et qui part ce soir, aulieud'aller en droiture 
a Bruxelles passera par la Haye oü il vous remettra Ie 
paquet a votre adresse. Il est extrêmement a désirer, si 
Ton veut finir 1'affaire des Colonies avant Ie départ de lord 
Castlereagh pour Vienne, fixé au 15 du mois prochain, 
que la détermination du Prince me parvienne Ie plutot 
possible. En conséquence Ie courier, porteur de la pré- 
sente , a ordre d'attendre a La Haye les lettres dont vous 
voudrez Ie charger pour S. A. R. a Bruxelles, a moins 
que vous ne jugiez préférable, a cause de l'urgence du cas, 
de vous rendre vous-mêmes dans cette ville afin de vous y 
aboucher avec S. A. R. et avec lord Clancarty sur cette 
importante affaire et de me faire parvenir de la les ordres 
de Msgr. Ie Prince. Ce dernier parti (celui de vous rendre 
vous-mêmes a Bruxelles) me semblerait Ie plus propre a 
assurer une prompte décission. Quoiqu'il en soit, Ie courier 
reviendra en droiture de Bruxelles ici. J^envoie au Prince, outre 
la copie ordinaire de ma dépêche, une copie de celle-ci. 
Lord Castlereagh lui-même désire de terminer avant son 
départ. Mr. de Rehausen et moi sommes munis de plein- 
pouvoirs. A Vienne il en faudrait de nouveaux pour de 
nouveaux plénipotentiaires. Cela seul occasionnerait de Tem- 
barras et des retards indépendamment des autres inconve- 
nients inséparables du renvoi de la négociation au Congres. 

Wat de werkzaamheden op het Weener Congres aangaat, 
is kenschetsend de particuliere brief van een onzer afge- 
vaardigden aldaar, baron Van Spaen, aan minister Van 
Nagell dd. 25 December 1814, waarin men o. a. het 
volgende leest: 

Il n'y a point de tache plus tédieuse, plus ingrate, 
plus décourageante , plus désespérante quelquefois, que de 
poursuivre des affaires intéressantes a un Congres tel que 
celui-ci, et dans la position écartée et désavantageuse oü Ton 
est place ainsi avec des moyens tres incomplèts, au milieu 
de l'esprit d'usurpation , d'une cupidité générale, d'intrigues 
presque révolutionnaires , même de mauvaise foi et de manque 
absolu de tout scrupule. On parait avoir perdu entiérement 
de vue Ie véritable but d'une si respectable réunion. En outre 
mylord Castlereagh a d'autres interets a coté des notres; et 
comme il n'est pas assez au fait des interets particuliers du 
continent, il se laisse beaucoup guider par Ie Prince de 



314 DE SLUITING VAN HET LONDENSGH TRACTAAT 

Mettemich, qui dissipé, superficiel et léger, ne tache que de 
se tirer d'affaire Ie moins mal qu'il pourra, afin de devenir 
chancelier et pouvoir ensuite se comparer a son aise au célèbre 
grand-père de sa femme (a). Mylord Clancarty est rempli de 
zêle pour nous, franc et droit; c*est un excellent homme, 
je I'aime beaucoup; mais toujours il est Anglais , et il ne peut 
pas aller plus loin que mylord Castlereagh ne Ie lui permet. 
Le Baron de Gagem est rempli d^esprit, de connaissances , 
de moyens de toute espèce; mais il a trop d'ardeur et de 
cette activité un peu inquiète , qui remue tout , et ce ne sont 
pas principalement les véritables solides interets de notre 
bonne ancienne Hollande qui Tintéressent le plus (ó), 

Vous aurez pu voir par nos dépêches l'étrange direction et 
le triste état des affaires ; mais je n'ai pu que faiblement vous 
le dépeindre, et il faudrait être ici pour pouvoir se faire 
une véritable idéé de la confusion qui règne dans les interets, 
dans les projets, dans les vues des Cabinets, qui doivent 
regier le sort de TEurope et nous rendre ce repos et cette 
süreté pour Tavenir, dont nous avons tant besoin. Je me 
flatte bien que la nécessité, c'est-a-dire 1'impuissance et la 
crainte, nous sauverons du scandale, de Topprobre et de 
Taffreux danger d'une nouvelle guerre, mais ce ne sera que 
pour peu d'années; et voila tout le bien que j'ose espérer 
après de si nobles eflforts et de si longs malheurs. 

Le ton solennel et sérieux de ma lettre vous surpendra 
peut-être; mais ce n'est pas une dépêche; je vous écris 
en confiance. Je suis profondément affligé de tout ce que 
je vois; je n'ai presque pas cessé de Têtre depuis que je 
suis ici, et je ne suis pas un politique assez peu scrupuleux 
pour pouvoir voir de sang froid cette indifférence presque 
générale pour le bien public, ainsi que ce mépris des 
maximes et des principes qu'on a soi-même si solennelle- 
ment proclamés. Savez-vous comment on nomme ici deux 
souverains intimément unis? les Pseudo Napoleons. Il est 
trop cruel de devoir renoncer a la douce espérance de 
pouvoir enfin finir ses jours paisiblement et sans crainte de 
nouveaux bouleversements. 



{d) In 179Ö was Metternich in het huwelijk getreden „mil der Enkelin und 
Allodialcrbin des Staatsministers Kaunitz, Fürstin Maria Eleonore (^geb. 1 Oct. 
177"), ges'. 19 Miirz 182ö)." Brockhaus' Conversations-Lexikon (1885). 

(^) Aan Van Gagern moet het geweten worden, dat de Koning der Neder- 
landen tevens lid van den toenmaligen Duitschen Bond werd: „Een feit, waar- 
voor wij den ouden Von Gagem niet dankbaar behoeven te zijn", zegt de Schrijver 
op bl. 95 van het sub 4 vermelde (?/V/s- artikel. 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 3J5 

Personne ne sera plus content que moi de voir la fin de 
ce malheureux Congres. Puissé-je du moins en sortir avec 
quelque honneur! 

Je voudrais bien que les Ministres Anglais, nos iuteurs, 
écrivissent au Prince comme ils nous parlent. S. A. R. 
comprendrait par la, qu'Elle ne doit pas nourrir de trop 
grandes espérances. Je crois a la vérité qu'ils nous parlent 
quelquefois au dessous de ce qu'ils espèrent, pour tempérer 
un peu la grande ardeur de mon CoUégue, qui d*ailleurs 
est véritablement un tres galant et avec qui je suis parfai- 
tement bien. 

BI. 266 noot 63. In den brief dd. 2 Augustus 1814 N° 85 van 
den Minister aan Fagel komt nl. het volgende voor: 

Je souhaite que la négociation pour la restitution de nos 
colonies soit renouvelée et que V. E. puisse terminer cette 
affaire avant Ie départ de S. E. lord Castlereagh pour Vienne. 

Le Baron de Stopken, ministre de Suède, m'a faitTautre 
jour une assez singuliere question, dont voici les propres mots : 

«Si l'expédition s'est déja faite des plein-pouvoirs néces- 
saires pour mettre S. E. TAmbassadeur d'Hollande a Londres 
a même d'ouvrir les négociations avec Mr. de Rehausen, 
Ministre du Roi, sur une compensation de la Guadeloupe, 
que la Suède a sacrifié pour procurer la paix a TEurope?» 

J*ai répondu verbalement que je ne pouvais m'expliquer 
sur un objet qui serait traite par le Ministère de S. M. 
Britannique. Je prie V. E. (si EUe le croit nécessaire) de 
vouloir communiquer ceci a lord Castlereagh; au reste 
j'avoue que j*y attaché peu d'importance et quej'envisagela 
démarche comme calculée pour obtenir plus ou moins de 
lumière sur 1'état de notre négociation. (B.Z.) 

ff 266 noot 64. Tegenover Castlereagh's uitlatingen over Van 
NagelFs //discontented tone" , '/exorbitants demands" enz. 
als in den op bl. 262 vermelden brief aan Clancarty voor- 
kwam, schreef Van Nagell nl. dd. 2 Augustus 1814 aan 
onzen Gezant: ^yQuant ^ mon individu, je vois non sans 
douleur combien je suis méconnu par lord Castlereagh, 
mais parfaitement indépendant , je n^ai que le désir que 
S. A. R. veuille m^accorder la démission d^un poste qui 
r^pugne ^ mon caractère. La suite des temps démontrera 
peut-être que ma maniere de voir et d'agir n'étaient pas 
aussi condamnables que Ton les envisage & Loudres.^^ 



316 DK SLL'ITINO VAN HET LONDBNSCH TRACTAAT 

BI. 266 noot 65. Zie V. D bl. CCVII noot 3) en Levjssohn 
Nonnan's ^rBritsche Heerschappij'* (1857) bl. 826—527. 

/r 266 noot 66. V. D. bl. LX— LXI. — Niettegenstaande de ver- 
zekering ten aanzien van het volstrekte beschikkingsrecht 
over Banka, nog versterkt door de mededeeling : #that we do 
not propose to give as an eqnivalent that which it is not in 
our power to transfer'^ — ging de Laitenant-Gouvernear 
Fendall in Bade bij de overgave ons goed recht op Banka 
betwisten , wijl Commissarissen-Generaal weigerden de 
onschendbaarheid der Palembangsche contractsbepalingen 
te waarborgen, ingevolge waarvan o. a. dat eiland aan 
Engeland werd afgestaan. Men was echter zoo weinig de 
zaken meester, dat C. C. G. G. niet eens van die voor- 
afgaande besprekingen , naar ik vermoed , op de hoogte 
werden gesteld vbör zij naar Indië vertrokken ; zij brengen 
het argnment althans niet te berde. 

f 267 noot 67. In de snb 30 vermelde Brieven van Falck bl. 207. 

// 267 noot 68. V. D. bl. LUI. 

ff 267 noot 69. Eaffles' brieven van 3 Juli en 12 Augustus 1818 
bij V. D. bl. 259 en 268. 

f 267 noot 70. De door Van Nagell bij brief van 4 Augustus 
1814 aan den Souvereineu Vorst gezonden Memorie (ge- 
dagteekend 3 Augustus 1814) luidt aldus: 

Dès Finstant que Ie Prince d'Orange fut rappelé dans 
Sa Patrie qui venait de secouer Ie joug odieux sous lequel 
El Ie avait gémie depuis vingt années , il considéra les anciennes 
relations d'amitié et d'intérêts réciproques rétablies, entre 
la Grande Bretagne et la Hollande. Il re<;:ut les preuves les 
plus évidentes de la bienvaillance de S. A. R. Ie Prince 
Régent, et fut mis en mcme d'amener des secours de tous 
les genres peur consolider Touvrage de Tindépendance que 
les peuples Hollandais venaient de reconquérir. 

S. A. R. fut dès lors dans Tespoir et dans la ferme con- 
fiance , que eet te indépendance une fois assurée , Ie Ministère de 
Sa Majesté Britannique mettrait Ie comble a sa générosité 
en étendant sur la Hollande les principes bienfaisants que les 
Hauts alliés avaient adoptés dans une convention solennelle 
a Leipsic au mois d'Aoüt 1813 (a). Plein de cette confiance S. 



(a) En ook door Engeland in het op bl. 283 sub 6 vermelde Aietnoramlum 
uiteengezet. 



TAN 13 AUGUSTUS 1814. 317 

A. R. n'a fait aucune démarche directe pour solliciter la 
restitution des colonies Hollandaises , et s'est repose sur les 
assurances qui lui étaient données que cette restitution se 
ferait a i*époque oü la Hollande serait assez forte pour pou- 
voir protéger et défendre les dites Colonies. La paix de Paris 
ayant stipulé la réunion de Ia Belgique a la Hollande afin 
d'établir une balance de pouvoir en Europe , Ie Prince d'Orange 
s'est flatté qu a Tépoque de cette réunion la munificence de 
la Grande Bretagne serait déployée, et que la négociation 
pour la rétrocession des colonies Holl. n*éprouverait aucune 
difficulté vu que Tinstant était clos, qui devait déterminer 
jusqu'^ un certain poini ce degré de puissance, qui était 
requis pour protéger et défendre ces colonies. 

Le Prince d'Orange vient d'être informé par son Ambas- 
sadeur a Londres que ses espérances sont dé^ues, et que 
les vues actuelles du ministère Anglais sont de garder dans 
les Indes Occidentales , Essequebo, Demerari et les Ber- 
bices; en Afrique le Cap de Bonne Espérance; aux Indes 
Orientales tout ce que nous y possédions , sauf Java et ses 
dépendances , l*ile de Banca , en échange de Cochin. (a) 

Les motifs du ministère Anglais sont qu*il faut dédom- 
mager la Suède pour la perte de la Guadeloupe, et qu'il 
en coütera i million sterling, vu TAngleterre se charge 
pour J de la dette Russe en Hollande, équivalant k 3 
million £ et vu pour le Cap de Bonne Espérance Ton 
donnera 2 million ^ a employer pour les fortifications des 
frontières de la Belgique. Enfin 1'on met en avant Tagran- 
dissement de Ia Holl. en Europe, comme un mode de faire 
adopter le projet ci-dessus énoncé. 

Pour mettre un certain ordre dans la discussion de cette 
importante aflfaire, je commencerai l'examen du demier 
argument. 

L'agrandissement de la Holl. est énoncé dans 1'art. secr. 
N'. 3 du traite de Paris (ó) , comme étant d'une utilité géné- 
rale, c'est pour établir une juste balance de pouvoir en 
Europe qu'il est requis que la Holl. soit constituée de 
maniere qu^elle puisse maintenir son indépendance par ses 
propres ressources et c'est k cette fin qu'on Lui assure les 
pays entre la Meuse et la mer. une frontière sur la rive 



(a) Eene aardige bijdrage tot Van Nageü's onvriendelijke manier om de zaken 
voor te dragen : wat een overdry ving toch om te zeggen , dat Engeland in Oost- 
Indië alles behield „behalve", terwyl wij er alles terugkregen! 

{b) Zie dit art. bl. 296 sub 3ö hier\'oor. 



318 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT 

droite de la Meuse et par 1'art. 4 (0) une partie des duchés 
sur Ia rive gauche du Rhin , qui avaient été rèunis k la France 
depuis 1792. 

Ces différentes dispositions tendent toutes au même but, 
celui d'assurer a la Holl. les ressources pour pouvoir se 
défendre, et établir ainsi ime juste balance de pouvoir en 
Europe; mais ne stipulent aucunement un échange de pos- 
sessions dans les Indes Occidentales ou Orientales, contre 
un dédommagement en Europe. — Si un tel projet de faire un 
échange d'une partie des colonies Hollandaises contre la Bel- 
gique avait été Ie but de ces stipulations , il eut été a désirer 
que l'on se fut exprimé plus ouvertement afin que Ie Prince 
d'Orange eut pu débattre un projet qui conceme les interets 
les plus chers de ses . . .(^) sujets. 

Au lieu de cette franchise S. A. R. a été tenue dans 
l'incertitude ; 1'on a dit et répété: il faut que vous soyez 
d'abord en état de protéger et de défendre vos colonies; 
c'est un motif pour vous réunir a la Belgique. Cette réunion 
s'effectue, et dés lors l'on tient eet autre langage: Nous 
vous faisons forts et puissants en Europe , nous voulons vous 
faire riche etc. etc; vous renoncerez en retour a vos plus 
belles possessions aux Indes Occidentales ! ! ! 

La cession de ces belles colonies doit se faire pour dédom- 
mager la Suède de Ia Guadeloupe. 

L'on ne se permettra pas discuter dans ce mémoire quels 
droits la Suède avait sur la Guadeloupe; mais il sera au 
moins pennis d'observer, que cette Guadeloupe avait été 
donnée a la Suède, afin de la déterminer a accéder a la 
coalition, que celle-ci avait pour but de rétablir la liberté 
en Europe. 

Que TEspagne et Ie Portugal éprouvent les bienfaits que 
cette coalition a répandus, a Pinstar de la Holl. et qu'il ne 
serait par conséquent aucunement irrelevant (c) , que PEspagne 
et Ie Portugal contribuassent a ce dédommagement pour la 
Suède , et Ie premier million sterling qui servirait de dédom- 
magement a la Suède pourrait de cette maniere ne pas 
tomber a la charge de la Grande Bretagne. Quant aux trois 
millions sterling que l'Angleterre payerait pour sa part dans 
la dette Russe, Ton ne saurait disconvenir que cette charge 
ne soit considérable , mais Test-elle moins pour la Holl. , qui 
voit également trois millions de livre sterling mis sur Ie compte 



(a) 7Ae dit art. in noot (a) aan den voet der bladzijde 319. 
{h) Ffier staat een woord , dat ik niet kan lezen, 
(t) Zie noot (a) aan den voet van bl. 302. 



▼AN 13 AUGUSTUS 1814.. 319 

de la Belgique? Et si l'Angleterre en compensation de ces 
trois millions sterling garde pour EUe les possessions Holl. 
d'Essequebo, Demerari et Berbice, n'est-il pas évident que 
la Hollande paye les trois millions ou leur valeur et non 
pas 1' Angleterre , d'oü il résulte qu'au lieu de satisfaire au 
grand principe énoncé dans Tart secret N° 3 d*établir 
une juste balance de pouvoir en Europe, en constituant la 
Hollande de maniere a pouvoir soutenir par elle-même son 
indépendance , 1'on grève directement ou indirectement cette 
mêrae Hollande d'une somme de 6 millions sterling. 

Il est vrai que pour Ie Cap de Bonne Espérance 1'on 
offre 2 mill. sterling, mais ces deux millions, servant a la 
construction des places fortes sur les frontières, dont la 
dépense est évaluée a dix millions sterling, laissent une 
nouvelle charge sur la Belgique et la Holl. de huit millions. 

Conclusion : 

La Hollande et la Belgique réunies se trouveront grévés 
de la somme de 11 millions sterling et la première sera 
privée dé ses plus beaux établissements dans les Indes Occi- 
dental es et ce sera Ie mode qui mettra en exécution Tart. 
secr. N° 3 ! ! ! 

Peut-être y aurait-il un mode qui rectifie cette situation. 
Ce serait l'application de l'art. secret N^ 4 (0) , si 1'Angleterre 
voulait employer son influence k procurer k S. A. R. sur 
la rive droite de la Meuse une compensation convenable. 

La partie de i'évêché de Liége, sur la rive droite de la 
Meuse, les duchés de Julich, de Limburg, et la partie de 
la Gueldre lutherienne pourraient ensemble servir de dédom- 
magement et de compensation pour les colonies d'Essequebo , 
Demerari et Berbice. 

BI. 267 noot 71. Thorbecke in zijne sub 19 vermelde beschou- 
wingen over A. R. Falck spreekt van 's mans //ironische 
gelatenheid" , van //dien luiraigen humor" , die //telkens 
in treffende, lijne tinten van lonk, scherts of spot uit- 
kwam" (bl. 8 en 20). — In de ^Notice enz." van Sirtema 
de Grovestins (1852), bl. 101, worden Falck en Van 
Nagell beiden geschetst als //pleins d'adresse, doués h 
un haut degré d'un esprit ironique, habiles k saisir les 
ridicules et k les faire ressortir par un persiflage adroit." 



(a) Dit artikel luidt: „Les pays allemands sur la rive gauche du Rhin, qui 
avaient été réunis a la France depuis 1792, semront a ragraiidissement de la 
Hollande et a des compensations pour la Prusse et aulres États allemands." 
6e Volgr. III. 2t> 



320 DE SLUITING VAN HBT LONDENSCH TRACTAAT 

— Eeu staaltje van Vau Nagell's ironisch schrijven 
vindt men o. a. op bl. 277 in den daar vermelden brief 
aan Eagel. 

BI. 268 noot 72. Zie hierna noot 75. 

n 268 noot 73. Falck schreef nl. dd. 6 Augustus 1814 aan den 
Minister: 

Eindelijk kom ik tot het meest gewichtige punt, de 
depêches van den Ambassadeur Fagel over de cessie van 
Demerary enz. Z. K. H. heeft met ingespannen aandacht 
de geheele materie op nieuw overwogen en de beslissing is 
zoodanig geweest als zij bij eene zoo dringende aanvrage 
in de gegeven omstandigheden zijn moest en zooals Uwe 
Exc. ze nader omschreven vinden zal in mijne hierbij over- 
gelegde rescriptie aan genoemden Ambassadeur. Niet dadelijk 
te besluiten, maakte dat het eene quaestie wierd voor het 
Congres, alwaar de zaak op zich zelve van eene mindere 
conditie worden moest en nog veel verergeren door den 
slechten luim, waarin de almachtige Engelsche negociateur 
zoude geraakt zijn. — Ook na zich bepaald te hebben , heeft 
Z. K. H. met belangstelling de memorie gelezen, die de 
courier gisteren heeft aangebracht en welker argiun enten in 
een verzachten toon met vrucht op het Congres zullen 
kunnen worden te berde gebracht. Z. H. is voornemens 
zelve deswege aan U. E. te schrijven, gelijk Hoogstdezelve 
ook eigenhandig aan den Heer Fagel geschreven heeft, die, 
naar ik mij vleie, nog pogingen doen zal om Berbice uit 
den brand te redden. 

• 

// 268 noot 74. Bl. 207 der sub 30 vermelde /i'Brieven'' van 
Falck. Ik ging nog speciaal na of ik mij ook wellicht 
met de aanhaling vergiste. Niet onaardig schreef Thor- 
becke bij de sub 19 vermelde aankondiging dezer Brieren 
n\vi eene Chrestomathie van nederduitschen stijl zal men 
deze Brieven wellicht niet opnemen" (bl. 2). 

n 268 noot 75. Op bl. 245 — 247 wees ik er reeds op, dat Van 
Deventer omtrent het hier behandeld incident weinig 
inzicht geeft. Tellegen schrijft over de toedracht er van 
op bl. 126 het volgende: 

En nu heeft er eene gebeurtenis plaats , die men , lettende 
zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis van 
de Regeering van Willem I, niet zoude hebben verwacht. Van 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 321 

Nagell laat de onderhandelingen uit zijne handen glippen, 
en het is Falck, de Algemeene Secretaris, die ze weder 
opneemt. 

En ia eene noot: 

Grovestins beweert in zijne Mss. Mémoires, dat v. Nagell 
had geweigerd de zaak verder te behandelen. Falck zegt in 
een brief van i6 Augustus aan Roëll er echter dit van: 
«Het buitenlandsche verdringt telkens het binnenlandsche , 
en komt veelal voor mijne rekening, zoodat ik de galcoliek 
van den Heer v. Nagell voor de leelijkste ziekte houdt, die 
mij (sic) in lang overkomen is." 

*t Zou kunnen zijn, dat die ongesteldheid hier voor v. Nagell 
juist van pas kwam, om zich met fatsoen aan de onder- 
handeling te kunnen onttrekken , en de ironie , die in Falck^s 
woorden doorstraalt, maakt dit ook niet onwaarschijnlijk. 

Uit het door mij medegedeelde zal men zien , dat het 
uit de handen glippen ook niet juist de zaak aangeeft. 
Van Nagell wilde zich niet meer met de onderhandelingen 
inlaten , zooals Grovestins het , volgens Tellegen , heeft 
verzekerd. Hij nam ook geen voorwendsel van ziekte te 
baat, om zich daaraan te onttrekken; het schrijven van 
Falck doelt blijkbaar op ^smans korzeligheid, die de 
menschen afschrikte met hem zaken te doen. £erst na 
het sluiten van het tractaat, toen Castlereagh, op reis 
naar WeencD , Brussel aandeed en de afspraak was , dat 
Yan Nagell daar den Britschen minister zou ontmoeten, 
heeft Van Nagell zich ten slotte ziek gemeld. Daar hij 
echter eerst Z. K. H. beloofde te komen, niettegen- 
staande deze hem de vrijheid had gegeven weg te blijven, 
— men zie de brieven hierover sub 76 en 77 — is er 
geene voldoende reden voor om aan te nemen, dat de 
ziekte destijds voorgewend was. 

BI. 270 noot 76. De brief van den Soevereinen Vorst uit Brussel 
dd. 10 Augustus 1814 aan Van Nagell luidt in zijn 
geheel als volgt: 

Bij de onderhandelingen met Engeland nopens de terug- 
gave der koloniën, moesten wij zoo mij schijnt niet alleen 
onze oogen vestigen op hetgeen waarvan afstand gedaan 
moet worden, maar ook op de bezittingen, die wij weder- 
bekomen en die wij buiten staat zijn te reoccupeeren , zelfs 
met assistentie van de overige mogendheden van Europa, 



322 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT 

zonder vrijwillige cessie van de zijde van Engeland. Wan- 
neer zulks geschiedt, schijnt mij dat de onaangename indruk 
der cessiën verminderd wordt, te meer daar de modifiatiên 
der bepalingen omtrent den handel etc. en het personeele recht 
der individuen, welke in het te sluiten tractaat opgenomen 
zullen worden (a) , eerst aan de hand zullen geven of de 
planters en bezitters van schuldvorderingen op de plantagiën 
door de aftreding in quaestie benadeeld worden dan alleen 
maar het Gouvernement , hetwelk nochtans ook niet vergeten 
kan , dat hetzelve bevrijd is van de onkosten van onderhoud 
der etablissementen, en zijne ingezetenen het voordeel van 
den handel blijft verzekeren. 

Ik verwacht dus de nadere en finale tijdingen uit Londen 
voor en aleer mijne meening omtrent de geheele zaak te 
vestigen , kunnende desniettegenstaande niet ontveinzen , dat 
mij zeer ter harte gaat in de noodzakelijkheid te zijn, 
te moeten toegeven aan grondbeginselen, die niet zoo 
liberaal zijn als wij dezelven hadden kunnen verwachten , doch 
die wij niet in staat zijn te doen veranderen, aangezien 
dezelven zich in relatie bevinden met andere schikkingen , die 
de groote j>olitiek van Europa betreffen en tot welke het 
Britsche Gouvernement reeds zoodanige engagementen ge- 
troffen hééft , dat hetzelve ook voor de Natie dezelven dient 
smakelijk te maken. Hiervan uitgaande is de noodzakelijkheid 
van te moeten toegeven onwedersprekelijk , alsmede de partij 
te kiezen van de best mogelijke conditiën te trachten te 
bekomen om het nieuwe Staatsgebouw te formeeren en die 
noodige kracht toe te brengen, die vereischt wordt om te 
kunnen beantwoorden aan het oogmerk en hem in staat 
stelt een wil te hebben. Zulks scheen vroeger ook UHEdG. 
meening te wezen en in die begrippen hebben wij ook bij 
de verschillende voorkomende omstandigheden gehandeld. In 
dien zin wensch ik verder voort te werken, en het is dus 
onvermijdelijk dat^ dewijl wij ons in de ongelukkige nood- 
zakelijkheid bevinden dikwerf te moeten toegeven, daar 
resistentie onmogelijk en zelfs nadeelig zoude zijn. Hiertoe 
heb ik op UHEdG. hulp en medewerking gerekend en 
het zoude mij bijzonder smarten dezelve te moeten missen, 
daar de ondervinding mij heeft geleerd het nut dat ik er 
voor *s Lands belangen van trek. Ik hoop ook dat UHEdG. 
zich niet weigeren zal zulks verder te doen, en wanneer 
zulks ook eenige toegeving en inschikkelijkheid vordert, zoo 



(nr) Zie hel geheim artikel 1 sub 3« van het tractaat dd. 13 Aucjustus IRU. 



VAN 13 AuuusTus 1814. 323 

dient het belang van 't Vaderland aan hetzelve bij verdere 
gelegenheden nuttig te zijn, ook te bewegen tot het niet 
verlaten van deszelfs interest. Hierop vertrouwende, hoop 
ik dat dezelve mij niet zal willen verlaten, en ik kan dus 
ook niet dan difficulteeren in het verleenen van het gewenscht 
ontslag, van welk verzoek ik hoop dat UHEdG. ook afzien 
zal ... . De s. r. medegedeelde brief van den ambassadeur 
Fagel , alsmede de memorie van den heer Von Gagem kunnen 
nog ingrediënten tot suppletoire instructiën geven. Na lectuur 
en verder gebruik wensch ik dezelven^ ten spoedigste weder 
terug , teneinde meer of min daarvan gebruik te maken ge- 
durende het oponthoud van lord Castiereagh te Brussel. 
Ik insisteer niet op de reis herwaarts om denzelven te ren- 
contreeren, daar zulks in de tegenwoordige stemming misschien 
niet wenschelijk is; doch indien UHEdG. zich daartoe kan 
decideeren , zal het mij altoos aangenaam zijn denzelven hier 
te zien ; des te meer insisteer ik op het niet accepteeren van 
het verzochte ontslag, daar mij in de gegeven omstandig- 
heden zulk abandon mij zeer sensible zoude zijn en zoo ik 
vertrouw zeer nadeelig voor 's Lands belangen. 

BI. 270 noot 77. De brief dd. 12 Augustus 1814, waarin Van 
Nagell op nieuw zijn ontslag verzoekt, luidt aldus: 

Uwe Konink. Hoogheid kent mij te wel om het noodig 
te achten Uwe Konink. Hoogh. op nieuw de verzekeringen 
te geven van mijne verknochtheid, van mijn verlangen om 
nuttig te zijn, van mijne bereidwilligheid mijne geringe ver- 
mogens aan Uwe Konink. Hoogh. dienstbaar te maken. — Het 
is de overtuiging dat in de gegeven omstandigheden deze 
doeleinden niet bereikt worden, wanneer ik bleef in het 
Eereambt, dat Uwe Konink. Hoogh. mij heeft toevertrouwd, 
die mij noopt Uwe K. H. om ontslag te smeeken. De sen- 
satie, die het eventueele tractaat over de restitutie onzer 
koloniën in Holland maken zal, kan en mag ik Uwe K. H. 
niet verbergen. Ik ben d'ostensibele persoon, die dit werk diri- 
geeren moest, en hoe snaren de uitkomsten met de instruc- 
tiën, die door Uwe K. H. en eenige leden van het Kabinet 
gesanctionneerd waren , en die aan den Heer Fagel gezonden 
zijn? Het eerste en natuurlijkst geroep zal zijn: Daar zijn 
de gevolgen van de keuze, die de Vorst gedaan heeft van 
een Minister voor Buitenlandsche Zaken, die uit de provin- 
ciën herkomstig, niets weet van koloniën of handel (a). 

(a) Teilegen teekent bl 126 het volgende aan, nadat hy blykens het door my 



S2^ DE SLUITING VAN' U£T LONDENSCU T&ACTAAT 

De navigatie op de verloren koloniën geeft luttel troost; 
immers door de ondervinding te wel onderricht van de 
dubbelzinnige handelingen der Engelschen om in deze ver- 
gunning vertrouwen te stellen; men heeft deze wijze van 
handelen nog onlangs beproefd in het verleenen der licenses 
en de beperkingen, die reeds aangekondigd werden, ten 
einde de vaart op Jamaica niet te kort te doen, duiden den 
min doorzichtigste aan , hoe het daarmede zal aüoopen (a). 

De raarche van lord Castlereagh blijft naar mijn inzien 
ten uiterste gevaarlijk voor de verdere belangen van ons 
Gemeenebest De rol van moderateur op het Congres had, 
dunkt mij , kunnen gespeeld worden. Wanneer de overdreven 
oogmerken van Rusland, van Pruissen, te berde zullen 
komen, moest Engeland kunnen zeggen: Mijne beginselen 
steunen op belangeloosheid; mijne opofferingen en de uwen 
moeten betaald worden, door onzen invloed op alle de 
volkeren van Europa; deze moet bewaard worden door ge- 
rechtigheid te handhaven. — Hoe staat de zaak nu? 

Waijneer Rusland, Pruissen en anderen hunne pretensiën 
zullen aankondigen , en Engeland dezelven zal willen beperken , 
is het antwoord eenvoudig: Gij hebt uwe zaken gedaan te 
Parijs ; Gij hebt verder de aanzienlijkste koloniën van Holland 
voor eene zeer modiecque retributie aan geld aan U be- 
houden; Gij hebt U voor de cessie-België , door onze 
wapenen genomen , doen compenseeren ; Gij hebt geen zweem 
van aanspraak om ons tegen te gaan in het verkrijgen onzer 
compensatiën. — Was het niet wijzer geweest op het af- 
loopen van het Congres te wachten, voordat men de zaak 
der Holl. koloniën had afgedaan? 



op bl. 3l.'0 sub 75 reeds medegedeelde , vermeld heeft , dat Van Nagell de onder- 
handelingen uit zijne handen liet glippen : 

, Onwillekeurig herinnert men zich bij dit feit, wat v. Nagell als voorzitter 
van de Groote Vergadering bij de inhuldiging van den Souvereinen Vorst gezegd 
had. Gedachtig aan hetgeen hij in den tijd zijner ballingschap in Engeland gezien 
had, en niet aan den inhoud der Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne 
betrekkingen tot zijn volk nimmer verdacht kon worden, daar de Ministers voor 
al hunne verrichtingen verantwoordelijk bleven. Zoo kan ook hier het besef zijner 
verantwoordelijkheid de reden zijn geweest, waarom hij de verdere behandeling 
dezer zaak aan een ander overliet." 

{a) Het komt mij voor, dat Van Nagell in dit opzicht juist zag. Het libera- 
lisme van Engeland heeft steeds getracht om ons waar mogelijk weg te dringen of 
weg te kijken. Daarom ook traden wij in 1824 in allerlei ruilingen, ten einde 
met deze onaangename menschen zoo weinig mogelijk aanraking te hebben. De 
Engelschen stonden den vrijhandel slechts daar voor, waar zij toch door hur 
geldelijke overmacht gecne andere nationaliteiten behoefden te vreezen! 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 325 

Dezelfde oorzaken moeten dezelfde uitwerkselen hebben; 
de overheersching van Frankrijk heeft de meeste volkeren 
van Europa toornig gemaakt, dewijl de vorsten ongeduldig 
wierden van gekroonde prefecten te zijn en de ministers 
niet langer commiezen wilden wezen. Dit zal weder gebeuren 
en Frankrijk onder de Bourbons zal weldra het streelend 
genoegen hebben van zich allerzijdsch te zien aanzoeken om 
verdedigende connexiën te sluiten. 

Cordaat en eerlijk blijf ik handelen, en hoop op Uwe 
K. H. verschooning zoo onbewinpeld te schrijven. 

Ik mag Uwe K. H. niet aanraden tot het onderteekenen 
van het bewuste tractaat; ik kan noch mag de ratificatie 
onderteekenen. 

Laat Engeland bij verklaring zeggen: ik geef die en die 
koloniën aan Holland terug, die en die behoud ik: dan 
blijft Uwe K. H. ongecompromiteerd ; maar wordt er eene 
conventie gesloten op dien voet als de heer Fagel het voor 
heeft, dan zal Uwe K. H. te laat ondervinden, wat eene akelige 
impressie het in ons Gemeenebest maken zal ; de algemeene 
kreet zal zijn : onze koloniën zijn voor een gedeelte voor 
België getoetst {a). Reeds heeft het vertragen der restitutie 
veel bekommernis en achterdocht verwekt. 

Het teruggeven van het zoogenaamde J^^'Ji van Java zal 
dien indruk niet maken, dat het verlies van de West ver- 
zachten zal; — om die zoogenaamde mijn te bewerken, 
worden er groote sommen gelds gevorderd, en zoo het 
tegenwoordige Engelsche systeem doorgaat, hoe lang zullen 
wij dit rijk bezetten ? Hoe zullen wij er komen , daar Engeland 
van alle toegangen meester is? 

Ik herhaal. Koning en Vorst, mijne verknochtheid, mijn 
eerbied, ik durf zeggen mijn liefde kennen geen palen , maar 
zoodanig een tractaat kan en mag ik volgens eed , plicht en 
geweten niet onderteekenen. 

Ik maak ^^^^w zwarigheid mijne gevoelens voor lord Castle- 
reagh open te leggen; dienvolgens zal ik mij aanstaanden 
Maandag te Brussel bevinden en mijne opwachting bij Uwe 
K. H. afleggen. 

BI. 270 noot 78. In Van der Aa 's Biographisch woordenboek vindt 
men mede herinnerd , dat Van Nagell de nadere regeling 
in 1816 voor de overgave der West-Indische Koloniën 
evenmin heeft willen teekeneu. 

(a) Dit staat in 4e minuut; vetruUd zal wel bedoeld worden. 



326 D£ SLUITING VAN UET LONDENSCU TKACTAAT. 

BI. 270 noot 79. BI. 85 dl. II (dl. 10) van de bl. 244 vermelde 
//Correspondence". — Contracted notians! Het spreekt van 
zelf, zoo is het met alle //liberale"' beginselen der Engelschen 
gegaan. Men is bekrompen^ als men hèn niet vrij laat 
nemen. De wijze, waarop wij de West hebben verloren, 
verdiende ten volle Van Nagell's verontwaardiging en 
het paste allerminst een Engelsch staatsman hem daar- 
voor een bekrompen man te heeten. 

>r 271 noot 80. Bl. 156—159 dl. I van het sub 11 vermelde 
werk over het leven van den generaal Prederik Von 
Gagern. Deze was de zoon van den in den tekst bedoelde. 
Het hier in herinnering gebracht incident met Von Ga- 
gern kan men ook lezen op bl. 88 — 89 van het sub 4 
vermelde (j/ö&artikel. 

// 271 noot 81. De brief van Fagel dd. 9 Augustus 1814 bij 
Tellegen 241. 

» 272 noot 82. Bl. 48 van het sub 24 vermelde deel der Mé- 
moires van Grovestins. 

// 272 noot 83. V. D. 39 noot '). Men zie echter nog sub 96 
hierna. 

ff 272 noot 84. Fagel schreef nl. dd. 12 Augustus 1814 aan 
den Soevereinen Vorst : 

//Le Prince Regent me témoigua la part qu'il prenait 
li Taccueil que S. A. fi. reyoit ^ Bruxelles et combien 
il se réjouissait des belles destinées que la Providence 
semble réserver & son illustre Maison dans le Gouver- 
nement d'un Etat, qui va dévenir un des plus florissants 
de TEurope entière. Le Prince et Lord Castlereagh me 
ürent remarquer tous les avantages, que ce nouvel Etat 
va réunir, et dont ce ne sera pas un des moindres, 
quMtant pour ainsi dire ^ la portee de ce pays-ci , Tarmée 
Anglaise entière pourra au besoin s'j porter ^ la moindre 
apparence de danger. Lord Castlereagh fit Tobservation 
que V. A. R. pourrait considérer toute cette armee comme 
étant ^ sa disposition sans être ^ sa charge.'^ 

Tellegen 242 — 243. — De Grovestins dezen brief op 
bl. 46 van het sub 24 vermelde deel der /^Mémoires// 
wedergevende (echter in den aanhef gewijzigd) voegt er 



VAN 13 AuausTiTs 181k 327 

oudeugeud aan toe: //CMtaient \k saus doute de belles 
promesses, inais ce fut une tout autre affaire quand il 
fallut les réaliser/' 

BI. 272 noot 85. Den brief dd. 13 Augustus 1814, waarbij Fagel 
het tractaat aan Falck zond, vindt men opgenomen bij 
Tellegen 243 en Van Deventer 39. 

» 273 noot 86. Waarom de Engelsche regeering de geheimhouding 
op zoo hoogen prijs stelde, is door Teilegen 129 — 130 
met zorg uiteengezet. 

'/ 275 noot 87. De brief van Malmesburj dd. 14 Augustus 
1814 is opgenomen bij Van Deventer 42. 

// 275 noot 88. BI. 210 der sub 30 vermelde //Brieven". 

ff 277 noot 89. Besluit van den Souvereinen Vorst dd. 18 Au- 
gustus 1814 La. E Geheim, houdende bekrachtiging der 
Londensche Conventie van 13 te voren (B. Z.) : 

Wij Willem, bij de Gratie Gods, Prins van 
Oranje-Nassau, Souverein Vorst der Vereenigde 
Nederlanden, enz. enz. enz. 

Gezien de depêche van Onzen Ambassadeur bij het Hof 
van Groot Brittanje, geschreven te Londen den 13" dezer 
Sub n°. 2 en dienende ten geleide der Conventie op dien dag 
door hem met Lord Castlereagh , Secretaris van Staat voor de 
Buitenlandsche Zaken van het vermelde Hof aangegaan en 
gesloten, ten aanzien der Koloniën, welke, gedurende den 
afgeloopen oorlog, op Holland door de Engelschen veroverd 
geworden en tot dusverre bezet gebleven zijn; alsmede de 
drie geheime artikelen omtrent deze materie, in verband 
met de bepalingen omtrent het lot der Belgische Provinciën , 
ten zelfden dage door voornoemde Staatssecretaris en Am- 
bassadeur gesloten. 

En bij examinatie derzelve stukken, gebleken zijnde, dat 
de inhoud overeenkomstig is met de autorisatiën en instruc- 
tiën successief, en laatstelijk op den 4®" dezer, aan den 
Ambassadeur lage/ door Ons of Onzen twege gedaan; 

Hebben besloten en besluiten de Conventie en drie ge- 
heime Artikelen , in de premissen dezes breeder omschreven , 
te bekrachtigen en te ratificeeren, zooals die bekrachtigd en 
geratificeerd worden bij deze; en mitsdien de instrumenten 
in originalt^ waarin dezelven zijn vervat, te renvoyeeren aan 
Onzen Secretaris van Staat voor de Buitenlandsche Zaken , met 



32S DE SLUITING VAV HET IXINDENSCH TRACTAéT. 

last, om de acten van ratificatie in gewonen vorm, daarop 
in gereedheid te brengen, onder inachtneming, voor zoo 
veel betreft de geheime artikelen, van de meest mogelijke 
voorzorgen ter geheimhouding en om voorts die acten aan 
Ons, ter onderteekening , aan te bieden. 

Brussel, i8 Augustus 1814. 

Willem. 

Ter ordonnantie van Zijne Koninklijke Hoogheid 
De Algemeene Secretaris van Staat 

A. R. Falck. 

BI. 278 noot 90. Üe brief dd. 19 Augustus 1814 vau den Staats- 
secretaris aau onzeu Gezant (B. Z.) luidt aldus : 

Votre lettre du 9^ (a) m'avait prévenu de la prochaine 
conclusion d'un traite pour la restitution de nos colonies 
sur les bases que Monseigneur vous avait autorisé a accepten 

L'idée de séparer ce Traite en deux parties et celle de 
réserver pour une convention ultérieure Tarrangement des 
détails sur la navigation directe, sur les nouvelles fortifica- 
tions , et sur la dette Russe , ont été goütées par Son Altesse 
Royale et lorsque Farrivée de Monsieur Votre frère m'a mis 
avant-hier dans Ie cas de Lui présenter les pièces impor- 
tantes qu'accompagnait votre lettre du 13 de ce mois N<*. 2 
(bl. 2J2) je n'ai pas tardé a donner l'ordre de les transmettre au 
Département des Affaires Étrangères a la Have pour que 
les actes de ratification y soyent dressés et présentés sans 
délai a la signature du Prince. Ce sera probablement encore 
Monsieur W. Fagel qui sera chargé de les porter aLondres, 
mais je ne veux pas que Votre Excellence ignore jusques-la 
la satisfaction que Son Altesse Royale a éprouvée en voyant 
les soins qu'on a pris pour n*employer que des termes hono- 
rables et tout-a-fait propres a alléger Ie poids du sacrifice, 
devenu nécessaire par les circonstances. 

Le Preambule surtout doit, dans ce sens, plaire même 
aux plus difficiles. Je n'ai pas été moins content de voir 
que dans les articles patens les colonies que nous ne réoccupe- 
rons pas, paraissent réservées pour une disposition ulté- 
rieure (d). Cela laissera subsister l'espérance chez les interesses 

(a) Ik maakte melding van dit schrijven op bl. 271. 

(b) Bedoeld wordt het slot van art. l van het tractaaat , waarin staat , dat ons 
alles wordt terui^gcgcven behalve De Kaap, Demerary, Kssequebo en Berbice: 
„of which pr)ssessions the high contracting parties reserve to themselves the right 
to dispose by a suplcmcntary convention, hereafter to be negociated accor- 
ding to their mutual interets." 



VAN It AlKïüSTUS 1814. 329 

et lorsque la cession effective deviendra publique l'effet en 
sera adouci par Ia connaissance des avantages pécuniaires 
et autres qui nous seront assurés rélativement a la Belgique 
et qu'il sera permis de publier en même temps. 

J'aurai une sincère obligation a Votrc Excellence de l'envoi 
qu'Elle veut bien m*aJinoncer du mémoire sur ITle de Banca. 
La valeur intrinsèque de cette ïle et Ie mérite de sa posi- 
tion m'étaient depuis longtemps connus et avaient attiré mon 
attention particuliere dans Ie temps oü j'étais dans Ie Dépar- 
tement des Colonies (a), J'ignorais seulement que les Anglais 
en eussent commencé Texploitation et je n'avais jamais 
entendu parier de Mm/o-Town. 

II est a peu prés superflu de dire que la cession du district 
de Bemagore n'a pas donné lieu a la moindre rcflection. S*il 
ne fallait quelque respect pour les préjugés populaires, je con- 
seillerais Tabandon de tous ces établissements de terre ferme , 
enclaves dans TEmpire Indo-Britannique , toujours couteux 
et doublement inutiles aujourd'hui que les Anglais viennent 
de nous y assurer la liberté du commerce et Taccueil réserve 
aux pavillons les plus favorisés. 

Quant a la nécessité d*occuper Java avec un corps assez 
considérable j Son Altesse Royale en était depuis longtemps 
convaincue. Déja des préparatifs ont été ordonnés et des 
ordres expédiés pour réunir des volontaires. On se flatte d'en 
trouver un grand nombre; mais si eet espoir se réalise il 
sera d'autant plus douloureux d'être privé des moyens de 
transport sufBsants. La rareté des grands batimens de com- 
merce, dont j'eus Poccasion de parier dans une dépêche 
précédente, doit ie faire craindre (d). 



(a) Falck was in 1808 tot Commissaris:Generaal voor de Koloniën, later tot 
Secretaris-Generaal bij het Ministerie voor Marine en Koloniën benoemd geworden. 

(b) Fagcl , voor het schrijven zijne voldoening in een brief van den 24«» Augustus 
uitsprekende, heeft op deze laatste alinea den 25" particulier het volgende ge- 
antwoord (B.Z.) : 

„En réfléchissant depuis hier au passage qui termine votre depêche du 19e Aout 
oü il est question du manque de vaisseaux, assez grand pour servir au transport 
des troupes a envoyer a l'ïle de Java, Tidée m'cst venue si Ton ne pourrait pas 
employer a eet effet quelques uns des vaisseaux de guerre, dernièrement tombes 
en partage a S. A. R. a Anvers. Je ne sais si ce plan ne serait pas sujet dans 
son exécution a des diflicultés de divers genres qui ne me sont peut-ctre pas 
sufHsamment connucs; ce qui m'y a fait songer c'est que dans ce pays-ci des 
vaisseaux de guerre ont plus d'une fois été employés a ce genre de service dans 
des cas urgens. Quoiqu'il en soit, il m'a paru qu'il n'y avait pas d'inconvenient 
a mettre en avant une idéé a laquelle je n'altache pas plus de prix, qu'elle ne 
se trouvera mériter." — In een volgend artikel vind ik gelegenheid er op te wijzen , 
dat van dezen raad werd gebruik gemaakt. 



330 DE SLUITING VAN HET LONDËNSCU TRACTAAT. 

BI. £79 noot 91. Ziehier deu brief dd. 9 September 1814, waarin 
onze Gezant aan den Minister Van Nagell de wisseling 
der ratiiicatiën mededeelde en waarin tevens over de 
openbaarmaking van het traetaat door de £ngelsche 
bladen wordt gehandeld (B.Z.) 

Hier 1'échange des ratifications de la Convention et des 
articles secrèts du 13 du mois passé a eu lieu, ainsi que 
Votre Excellence verra par Ie certificat ci-joint, signé, en 
Tabsence de lord Castlereagh, par lord Bathurst, Secrétaire 
d'Etat du Département des Colonies. J'avais re9u la veille 
la lettre, dont copie est égalemement ci-jointe du Ministre 
de Suède a cette cour pour m'annoncer que la Convention 
annexée k nos articles secrets, telle qu'elle a été conclue 
entre lord Castlereagh et lui, a été entièrement approuvée 
par Ie Gouvernement Suédois. 

A l'occasion de l'échange des Ratifications on m'a remis 
Ie présent d'usage, consistant en une tabatière avec Ie por- 
trait de Sa Majesté Ie Roi de la Grande Bretagne richement 
entouré de brillants. Je prie Votre Excellence de vouloir bien 
demander pour moi au Prince notre Souverain la permission 
d'accepter ce présent. 

Votre Excellence verra aussi par Ie re^u ci-joint qu'une 
somme de £ 500 est destinée a la Chancellerie Hollandaise. 
Suivant Tusage deux reimus semblables ont été signés, l'un 
(ci-inclus) par Mr. Hamilton, sous-secrétaire d'État au Dé- 
partement des Affaires Etrangères, l'autre par moi que Mr. 
Hamilton a garde! En vertu de eet arrangement, qui se 
pratique depuis longtemps a cette cour, les Chancelleries 
respectives sont payées directement par leurs propres Gou- 
vernements. C'est a Votre Excellence a décider quelle part 
ma Secretairerie pourra avoir a cette libéralité. 

Les Papiers Publics de ce Pays ont déja communiqué la 
substance des articles patents du Traite. Je crois qu*il est a 
désirer qu'on ne tarde pas trop chez nous a en publier Ie 
texte , afin de prévenir que des notions imparfaites ou erro- 
nées ne se répandent et ne s'accréditent a ce sujet. 

Bij missive dd. 13 September 1814 antwoordt de 
Minister, dat hij voor het geschenk en de gratificatiën 
het noodige bij den Souvereinen Vorst verricht heeft, 
terwijl hij omtrent de quaestie der publicatie van het 
traetaat het volgende opmerkt (B.Z.) : 
J'attends les ordres de S. A. R. relatiVement a la publica- 



VAN 13 AUOXTSTÜS 1814. 331 

tion du Traite patent concernant les colonies. V. E. voudra 
cependant observer, qu'une pareille publication ne saurait se 
faire avant que les ratifications soient connues. 

Intusschen bespraken nagenoeg alle ËDgelsclie bladen 
het tractaat , zoodat nog den 23° September onze Gezant 
aan den Secretaris van Staat schreef: //Je suis tkché 
que Tarticle inséré dans la plu part des papiers Anglais 
au sujet de nos colonies ait devancé la publication des 
articles patents du Traite." 

BI. 280 noot 92. Zie de openingsrede op bl. 14 dl. 1 van de 
Waal's //Nederlandsch-Indië in de Stateu-Generaar' (1860). 

ff 280 noot 93. Den 2" Mei 1815 schreef Van Hogendorp aan den 
Koning over de bezwaren , die de Belgische leden maakten 
tegen het deelen in den Nederlandschen schuldenlast: be- 
zwaren, die wellicht gedeeltelijk zouden weggenomen worden, 
vleide zich V. H. , bij de wetenschap , dat België nu ook in 
den handel op de koloniën zou deelen. En dan leest men op 
bl. 95 van het sub 24 vermelde boekdeel van Grovestin's 
Mémoires //M. Falck, dit M. Hogendorp dans sa lettre au roi, 
m^a envojé h, ce sujet un mémoire très-remarquable. Les 
principales raisons coutenues dans ce mémoire présupposent 
la connaissance du traite de Londres relativement aux 
transactions coloniales et k la reprise de la dette russe. 
Tontefois, les membres de la commission des provinces 
du Nord n'en ont pu encore été informés et les membres 
des provinces méridionales n'en ont pas davantage con- 
naissance. Votre Majesté trouverait-elle convenable que 
je fisse k eet égard k la commission réunie des Commu- 
nications confidentielles?" 

Het was dus niet noodig, dat door Mr. Tellegen ten 
deze verwezen werd , gelijk op bl. 130 noot 4 van zijn boekje 
plaats vond , naar manuscripUmémoiTes van De Grovestins. 

ff 280 noot 94. //Jaarboeken van het Koninkrijk der Nederlanden 
door Martinus Stuart, Geschiedschrijver des Rijks, 1814" 
(1818) bl. 391. — //De Handelingen van Sir James Brooke 
op Borneo door D. C. Steijn Parvé" (1859) bl. 13. — 
Tellegen 131. 

ff 280 noot 95. De ^Uitgever" vergat volgens Van Hogendorp 



332 DE SLUITING VAN HET LONDENSCH TRACTAAT 

er toen de geheime artikelen aan toe te voegen, zoodat 
die eerst in een later deel zijn opgenomen. 

61. 272 noot 96. fieeds bij het schrijven dezer aanhaling rees bij mij 
eene ernstige bedenking , die ik echter onderdrukte , omdat 
het zijn bezwaar heeft zonder positief bewijs, twijfel te 
opperen aan de juistheid van door schrijvers medegedeelde 
aanhalingen ; doch telkens , ook onder de correctie , is de 
bedenking weder boven gekomen, zoodat ik bij nadere 
overweging toch beter vind, haar aan het oordeel der 
lezers te onderwerpen. 

Dat een geest vol man als H. Fagel in nagenoeg dezelfde 
wijdsche woorden èn aan den Souvereinen Vorst, èn aan 
den Minister zichzelven met de ouderteekening van het 
tractaat geluk wenschte, trekt onwillekeurig reeds de aan- 
dacht; doch laat het zich bovendien wel denken, dat 
onze Gezant, bekend als hij was met Van Nagell's on- 
tevredenheid, den Minister onbetamelijk sarrend, de 
aangehaalde woorden nog toevoegde? Van Deventer zegt 
ook niet bij welken brief ze door den* Gezant aan onzen 
Minister werden geschreven ; evenmin ontmoette ik in 
den lijvigen bundel- Van Nagell , op bl. 247 mijner 
Inleiding vermeld, een brief als V. D. op het oog heeft. 
Zou de schrijver zich ook vergist hebben met de woorden , 
die volgens De Grovestins aan den Souvereinen Vorst zijn 
geschreven in een brief, dien de Minister daarna wellicht 
van dezen heeft ontvangen en waarover Van Nagell weder 
den Gezant schreef? De manier waarop de Minister dit 
deed , schijnt er ook wel eenigszins op te wijzen , dat de 
Gezant hem de bewuste woorden niet rechtstreeks had 
geschreven ; immers de Minister meldt aan Fagel (bl. 277) : 
A'Je voi8 avec plaisiri' dat gij u met de zaak geluk wenscht 
m. a. w. '/Ik zie het uit de stukken ,'/ met name uit het 
rapport van 13 Augustus, waarin de bewuste woorden 
voorkwamen (bl. 272). Bovendien haalt Van Nagell juist 
de woorden aan, zooals de Gezant ze voor den Prins 
heeft bestemd , en niet , gelijk ze volgens V.D. , aan den 
Minister zouden zijn geschreven , speciaal (lat de belangen 
van het Oranje kim onafscheidelijk met die van Meder/and 
zijn verhovde^i: eene betuiging, die inderdaad wel in een 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 333 

brief aan den Prins zelven, doch bezwaarlijk in een aan 
den Minister op hare plaats geacht kan worden. Inderdaad , 
hoe meer ik er over nadenk, hoe onwaarschijnlijker het 
mij voorkomt, dat Fagel op de door V.D. bedoelde wijze 
met den Minister zon hebben gecorrespondeerd. — Zoo 
V.D. de woorden niet geput heeft uit Qrovestin's Mé- 
moires, kan hij ze ook gelezen hebben in den brief-B.Z. 
door mij op bl. 277 van Van Nagell aangehaald; de 
Schrijver toch heeft het archief-B.Z. blijkens bl. VII van 
zijn Voorwoord mogen raadplegen. 

Wanneer nochthans uit den door mij niet gelezen 
depêche van 16 Augustus 1814 N° 116, door Van Nagell 
aangehaald ,. of uit een ander schrijven nader mocht blijken , 
dat ik in dit opzicht Van' Deventer ten onrechte heb 
verdacht van eene onjuistheid, dan moge behalve de aan- 
gevoerde gronden, bovendien tot verschooning strekken 
zijn gemis aan nauwgezetheid in het algemeen, waarvan 
ik in mijne Inleiding gewag maakte, en die ook uitkomt 
in andere aanhalingen waarvan het onjuiste overtuigend 
is te bewijzen; ik maakte er slechts in mijne Inleiding 
niet uitdrukkelijk melding van, omdat de verkeerdheden 
tot het wezen der zaak niet deden, en dergelijke fouten 
een ieder weleens door verschrijving of onder het drukken 
kunnen overkomen. Nu worde echter op de volgende 
aanhalingen de aandacht gevestigd. 

Hoek schrijft bl. 67 : //De vergoeding, kwam men overeen, 
zou door Holland uit een zijner overzeesche gewesten 
gegeven worden , waartoe later meer bepaald de West-Ind. 
koloniën aangewezen werden." Van Deventer haalt deze 
woorden op bl. LVIII noot 2 aldus aan : '/Tot de ver- 
goeding voor Guadeloupe werden later meer bepaald de 
West-Ind. koloniën aangewezen." — En ik zelf liep er 
bijna in, door uit Van Deventer bl. LVIII in mijne noot 
7 (bl. 284) deze woorden over te nemen, die volgens 
den Schrijver^ zouden staan in een brief van Van Nagell 
aan onzen Gezant dd. 8 Juli 1814: //Lord Castlereagh 
comprendra combien il est dangéreux de faire voir ^ 
toutes les Puissances continentales , que les faibles moyens 
de la HoUande Texposent ^ devoir se souiuettre ^ tout 
ce qu'on peut exiger d'Elle. La protection, que Ton 



334 DE SLUITING VAN HKT LONDENSCH TRACTAAT 

espère de TAngleterre, pour être eificace, parait devoir 
être bas<?e sur des principes de desinteresse ment." — Hoe 
geheel onjaist echter deze woorden zijn aangehaald, kan 
blijken uit mijne noot 51 , waarin ik den geheelen brief 
deed afdrukken en bedoelde woorden blijkbaar in de plaats 
zijn getreden van de laatste alinea dier missieve op bl. 
305 — 306. — Ook de op de op vermelde bladzijde 805 
voorkomend alinea 5 is in zoover niet goed door V. D. 
aangehaald, dat Van Nagell schreef: ^/une colonie ^ 
cette même cote de Guiane"; terwijl men bij V. D. leest: 
//une colonie sur la cote de Guiane". 

BI. 259 noot 97. Mijne gansche verhandeling was reeds afgedrukt 
en wachtte nog slechts voor het fiat afdrukken op de 
toestemming van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken 
voor het doen verschijnen der aan het archief aldaar 
ontleende stukken, toen ik de gewone maandelijksche 
vergadering op Vrijdag 2 April 1897 van de Maatschappij 
der Nederlandscke Letterkunde te Leiden ging bijwonen, 
speciaal om te hooren de aangekondigde voordracht van 
den heer Mr. J. E. Heeres uit 's Gravenhage : ^De af- 
stand der Kaap in 1814". Terwijl mijne bijdrage haar 
ontstaan te danken had aan eene ernstige studie van de 
Buiteubezittingen tijdens de overgave aan onze Commis- 
sarissen-Generaal , waartoe ik ten slotte eene grondige 
kennis van het tractaat van 1814 noodig achtte, bleek 
de spreker van dien avond geheel hetzelfde onderwerp 
ook met gebruikmaking van bovenbedoelde stukken te 
behandelen, nochtans met dit belangrijk verschil, dat de 
belangwekkende voordracht ten doel had te betoogen, 
dat de grove gepubliceerde beschuldigingen , alsof Neder- 
land indertijd De Kaap /'verkocht" zou hebbeu, ten 
eeuenmale onjuist was {a), In dat betoog slaagde de ge- 
achte spreker , naar het mij voorkwam , volkomen ; en in 



(fl) De jongste beschrijver der , Geschiedenis van Zuid-Afrika" , George Mc Call 
Theal (1897) was de historie getrouw, toen bij op bl. 193 het volgende deed drukken : 

„In de omstandigheden waarin de nieuwe koning van de Nederlanden zich 
bevond, had hij bijna geene keus, en dus werd er een overeenkomst met hem 
gesloten, waarbij hij voor de som van zes millioen ponden sterling de Kaap- 
kolonie en eenige HoUandsche provinciën in Zuid-Amcrika afstond aan Groot- 
Brittanje." 



tAN 13 AUGUSTUS 1814. 88^ 

zoover had op de vraag des Voorzitters, waarbij de ge- 
legenheid tot discussie werd geopend , gezwegen kunnen 
worden. Wijl echter reeds een paar weken later mijne 
verhandeling, die in hoofdzaak dan toch dezelfde zaak 
ten onderwerp had , zou verschijnen meende ik van mijne 
belangstelling te moeten doen blijken, door niet alleen 
het vorenstaande mede te deelen, doch tevens enkele 
woorden over de lezing in het midden te brengen; zij 
kwamen hierop neder. 

Volkomen waar is het, dat wij Be Kaap niet «^ver- 
kochten^^ ^ doch het wil mij toeschijnen , dat onze onder- 
handelaars zwak zijn geweest, waar zij zich sterk hadden 
kunnen toonen; mocht het geen resultaat gehad hebben , 
wij zouden dan toch tegenover de geschiedenis meer ver- 
antwoord zijn geweest. Wat professor Tellegen aan Falck 
toegeeft (bl. 18£ der Wedergeboorte) , dat het van Engeland 
eene ongehoorde daad van edelmoedigheid ware geweest, 
indien het al onze koloniën zou teruggegeven hebben (bl. £75 
hiervóór)) kon ik mede toestemmen , te meer, zeide ik, wijl 
overzeesche bezittingen in algemeenen zin genomen niet 
2ulk nationale deelen van het moederland uitmaken , als naar 
bestaande opvattingen, bij den vrede behooren te worden 
verlaten , wanneer zij tijdens den oorlog bezet werden. 
Doch men zou, meende ik, eeA althans voor het nageslacht 
verdienstelijk standpunt ingenomen hebben, door er op 
te wijzen , dat men bij het woord kohnxén diende te onder- 
scheiden, dat toch De Kaap de éénige werkelijke ^eder- 
landêche kolonie was, dat men aldus een stuk van ons 
moederland voor immer wegreet , en dat zulke zaken zich 
niet door geld lieten goedmaken. Een ernstig verzet zou 
ons wellicht niets geholpen hebben : toegegeven ; maar 
onder den indruk ddirvan zou- men zich dan toch wel 
dubbel bedacht hebben, om ten slotte bovendien met 
den afstand van die andere Nederlandsche koloniën aan 
te komen, waaromtrent Van Nagell zich zoo verontwaardigd 
heeft betoond; zonder vrucht, maar m. i. door eigen 
schuld. — Voor zulk een onderscheid tusschen kolonie en 
kolonie hadden toch onze staatslieden geen geopend oog, 
evenmin voor de ondermijning van hun standpunt door 

het grage aannemen van geld. Wij waren arm, 't is 
0« Vol^r. UI. t23 



I 



336 DK SLUITING YAN HET LONDSK8CH TBAOTAAT 

waar, en indien wij geld volstrekt wilden hebben, dan 
hadden wij moeten doen , gelijk onze onderhandelaars 
deden. Doch dat was geenszins — hetzij ter hunner eere 
gezegd — het geval; zij stelden de geldqnaestie slechts 
als alternatief; naar mijne opvatting is echter de fout 
geweest, dat onze onderhandelaars niet inzagen, welke 
ellendigen indruk wij aldus telkens moesten maken, hoe 
wij aldus in weerwil van ons zelven van den eenen afstand 
naar den anderen gedrongen werden : de op bl. 257 — 258 
vermelde brief van Clancartj is er wel het meest sprekende 
bewijs van. Nog ter elfder ure, toen reeds Castlereagh de 
grondslagen van het tractaat als een ultimatum ons had 
opgegeven en die dezerzijds waren aangenomen, kwam 
Castlereagh waarlijk aan met den afstand van Bemagore 
door ons; ook hierin berustten wij, maar voor geld. De 
afstand werd opgenomen in een voor geheimhowHng bestemd 
artikel van het tractaat van 1814 (bl. 273) en daarom 
oordeelde men het niet noodig, ten deze die zachte om- 
schrijvingen te gebruiken , welke men in acht genomen had 
bij het prijsgeven voor geld van de Kaap en de West: 
^omschrij vingen'' waarover wij ons bijna kinderlijk ver- 
heugden (bl. 270, 272—273, 278), schijnt de indruk 
van Castlereagh geweest te zijn. Ziehier echter de rauwe 
redactie van de bepaling, waarbij wij een recht weder 
prijs gaven, dat ons uitnemend nog later had kunnen 
dienen : 

Le petit district de Bemagore, situé pres de Ia ville de 
Calcutta, étant nécessaire pour assurer Ia tranquillité et la 
police de cette ville, le Prince d'Orange consent k cédei* 
le dit district k S. M. Britannique centre le paiement aimuel 
k S. A. R. d'une somme, qui au jugement de commissaires 
è. nommer de part et d'autre, sera trouvée juste et raison- 
nable eu égard aux profits ou revenu ordinairement per^u 
par le gouvernement Hollandais , dans le district en question. 

Werden nu bovendien landsrechten voor een particulier 
inkomen, vervreemd? of is evenzeer hier S, A. K. ge- 
lijkluidend met le gouvernement Hollandais i' 

Hoe ook de gemoedelijke wijze, waarop alles plaats 
vond, toont voldoende aan, dat men de zaken zoo niet 



VAN 13 AUGUSTUS 1814. 387 

inzag. En het is juist dat niet inzien^ waarin ik de fout 
meen te moeten zoeken. 

De in het vooruitzicht gestelde barrière-kosten enz. 
drukten onze bewindslieden , in plaats van te denken , 
dat tijd gewonnen , hier voorloopig veel was ; en zoo ont- 
leende zelfs een Van Nagell, die dan toch het verlies 
van Demerary enz. als onherstelbaar beschouwde, niet 
eens aan den ernst van zijn verzet de kracht, om te 
adviseeren lord Castlereagh althans te doen weten, dat 
wanneer zich de zaak tegenover Zweden in de door de 
Minister bepaalde geldquaestie moest oplossen, deze dan 
even goed kon uitgemaakt worden door ten onzen laste 
naar evenredigheid Engelands bijdrage aan de Fransch- 
Belgische vestingenlijn te verminderen. 

Nog een ander punt heeft daarbij mijne aandacht ge- 
trokken. Op bl. 273 en sub 22 deelde ik mede, dat wij 
op verzoek van Engeland het auti-slavernij besluit namen 
dd. 15 Juni 1814. Clanclarty in een schrijven van twee 
dagen later vertelt aan Castlereagh hoe de zaak in den 
Haag is toegegaan ; zij was ingeleid door Van Nagell ter 
Kabinetsraad en deze had hem medegedeeld : ^i^that he 
was impressed with the feeliug of so mething absurd in 
the form , as well as substance , of a resolution , the 
object of which might have been to prohibit the West- 
ludiau colonies from a trade in slaves, at a time when 
they were not in theirs, but in the possession of another 
Power." — Welk eene ongezochte gelegenheid , zou men 
onwillekeurig denken, om toen reeds vóór het nemen 
van dat besluit, waaraan Engeland dan toch hechtte, 
eene verklaring over het behoud van Guiana uit te lokken , 
op een oogenblik , dat hoogstens Berbice , maar nog geene 
andere West-Indische kolonie gevaar liep! 

In antwoord op de kortelijk door mij te berde gebrachte 
bezwaren wees de waardige Voorzitter der Maatschappij, 
professor Blok , op de groote hoedanigheden van A. R. 
Falck; ik antwoordde, dat ook door mij die hoedanig- 
heden in algemeenen zin gaarne werden erkend, doch 
dat de handelingen over het tractaat van 13 Augustus 
1815 ze niet aan den dag hebbeu gebracht. — Men vrage 
zich bovendien eens af, welken indruk J|:iet op den vreem- 



338 DB SLUITING VAN HST LONDENSGH TRACTAAT 

deling moest maken, dat wij zijne redactie uitbundig 
toejuichten, niet slechts van wege de preambule destrac- 
taats, waartegen inderdaad niets valt te zeggen, maar 
ook van wege art. 1 waarbij ons volk in de luren werd 
gelegd: — dat was, al meende men het zoo ei^niet, het 
oogmerk der redactie (bl. 276 en 328) houdende, dat 
over de Kaap en de West /rthe high contracting parties 
reserve to themselves the right to dispose bj a supple- 
mentar j convention , hereafter to be negociated aocording 
to their mutual interests/^ 

Ën eindelijk merkte ik op, dat men tegen het aan- 
houden van De Kaap nog had kunnen doen gelden, de 
vroegere befaamde bewaargeving door den Stadhouder 
Willem V. Ik weet het wel, het zou eene pijnlijke her- 
innering zijn geweest , doch eenmaal door nood gedrongen , 
hadde men zich daardoor niet moeten laten terughouden. De 
geachte Voorzitter bracht terecht daartegen in herinnering 
dat over die bewaargeving nog onderscheidene oorlogen 
waren heengegaan , maar het wil mij voorkomen , dat het 
aan ons niet was, de waarde daarvan te doen gelden. 
Moest een betoog ten deze geen weldadigen indruk hebben 
gemaakt op staatslieden , die voor zich zelven reeds hadden 
erkend , dat Bngeland zich eigenlijk van De Kaap , Ceylon 
en Cochin met onderhoorigheden doob yebbaad (sic) 
had meester gemaakt? I Of schreef lord Malmesburj niet 
in October 1798 aan lord Grenville over de onderhande- 
lingen met ons te Kijssel : ^Je ne pouvais guère , il est 
vrai, me dissimuler qu'elles n^avaient pas éié prises de 
trop bon jeu, qu^elles se trouvaient ^ nous par un peu 
de trahison, par ce qu^elles Tétaient par la connivence 
d'une autorité, qui n'existait déj^ plus en Hollande, mais, 
ce n'était pas de droit quMl s^agissait, c'était de préten- 
tions." Hoek bl. 22 noot (5). En wat meer is, de j9f^ffi^«/!^ 
van het tractaat van 1814, door Castlereagh zelven ge- 
steld en door ons als eene fraaie redactie gecomplimenteerd , 
erkende — zij het ook middellijk — dat de koloniën 
eigenlijk in bewaring waren genomen ; onwillekeurig werd 
dit door de £ngelsche staatslieden ook erkend, waar zij 
onze afstanddoeningen telkens als sacrifices verklaarden te 
beschouwen; en uitdrukkelijk had lord Minto bij de 



YAN 13 AUQuaTUs 1814. 339 

verovering van Insulinde bij proclamatie verkondigd, dat 
de bezetting slechts viel te beschoawen als het verleenen 
eener bescherming: zie noot 9. 

Dit waren , zoo ik mij wel herinner , de opmerkingen , 
waartoe de belangwekkende voorlezing van Mr. Heeres 
aanleiding gaf. Deze voordracht en de daarop gevolgde 
discussie konden mij dan ook geene aanleiding geven, 
nog eenige wijziging in mijne eigen verhandeling aan te 
brengen. 



FENDALL'S EN RAFFLES' OPVATTINGEN IN HET 

ALGEMEEN OMTRENT HET LONDENSCH 

TRACTAAT VAN 13 AUGUSTUS 1814 



DOOR 

P. H. VAN DER KEMP. 



Blijkens een in de vorige aflevering voorkomend verslag van 
Mr. W. Roosegaarde Bisschop, werd deze door het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië 
gemachtigd een onderzoek in te stellen naar de voor de Neder- 
landsch-Indische geschiedenis belangrijke stukken in het archief 
van het India-Office te Londen en tot het^oen vervaardigen van 
copieën van die documenten, welke niet reeds in druk mochten 
zijn verschenen of aanwezig waren in de archieven in Nederland. ' 
Blijkens het op bl. 195 medegedeelde, kwam als eerste resultaat 
dezer werkzaamheid het Instituut in bezit van ongeveer 1^ riem 
papier aan copieën. 

Het bestuur van het Instituut deed mij daarop het verzoek na 
te gaan, in hoever die stukken voor publicatie geschikt waren, 
aan welk verzoek ik terstond heb voldaan. 

Eéne missive publiceerde ik dientengevolge reeds in mijne 

^i' Brieven van den Gouv. Gen. Van der Capellen enz.", voorkomende 

in deze Bijdragen (6* volgr. , 2 dl. 1896, bl. 558); eenige andere 

stukken kouden nog stof geven voor een afzonderlijk opstel over 

/'De zendingen van Ibbetson en Anderson enz.'\ in de vorige 

aflevering der Bijdragen openbaar gemaakt * ; doch overigens zijn 

Bisschop's afschriften, voor zoover mijne kennis op het oogenblik 

van de veelzijdige daarin behandelde onderwerpen reikt , slechts voor 

publiceering geschikt , wanneer zij in het kader worden geplaatst van 

geschiedverhalen, die op breederen grondslag zijn aangelegd dan 

het laatst vermelde opstel ; in den regel toch zouden de studie en 

publicatie niet altijd voldoende loonend kunnen heeten , wanneer 

als hoofdzaak de openbaarmaking dier stukken moest beschouwd 
f»« Volgr. lil. 24 



342 FEXDALL^S EX EAFFLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN 

worden. Altijd voor zoover ik er nu nog over kan oordeelen, 
helderen zij zoo bijzonder veel niet op, geven zij niet veel nieuwe 
gezichtspunten; zij kleeden echter de ons bekende geschiedenis, 
als die betreffende Singapore enz. nader aan en als zoodanig ver- 
dienen zij in ieder geval zeer de aandacht. 

In de Office-stukken komt ook niets voor, dat in dit opstel op 
zijne plaats geacht zou mogen worden ; een enkelen brief over 
de positie van Cranssen en een oordeel over Elout*s onoprechtheid 
heb ik er nochtans aan kunnen toevoegen , blijkens de noten 32 en 
130. De verwikkelingen echter afzonderlijk te behandelen, waartoe 
de overgave van Palembang, de Lampongs, Padang, Bandjermasin , 
Malakka enz. aanleiding gaf, wordt eenigszins lastig, wanneer men 
aanstonds iedere bezitting afzonderlijk tot onderwerp neemt. De 
indruk toch van het geheel wordt verzwakt , wanneer men niet eerst 
de overgave in zekeren samenhang beschouwt en wel in verband 
met de bepalingen van het tractaat, dat de bezittingen aan Neder- 
land teruggaf: vandaar het in de vorige aflevering der Bijdragen 
verschenen opstel over de sluiting ervan; vandaar ook het artikel, 
dat hierbij wordt aangeboden. 

In de administratieve bijzonderheden van den overgang der Oost- 
Indische bezittingen wensch ik niet te treden; zij liggen buiten 
het kader der meer algemeeue behandeling, dat ik mij heb voor- 
gesteld. Brieven, waarvan ik de bron niet vermeld, zijn door mij 
weder rechtstreeks aan de archieven ontleend. De noten zijn evenzeer 
aan het einde der verhandeling geplaatst. Van Deventer's Neder- 
landêch Gezag wordt aangewezen met de letters V. D. 

Ten slotte zij opgemerkt, dat ik ook nu gelegenheid zal vinden 
dit laatste werk door gewijzigde behandeling der zelfde onderwerpen 
aan te vullen. Een paar punten kunnen reeds hier aangewezen worden. 

Op bl. CLXXXV vv. deelt V. D. terecht mede , dat Raffles , inge- 
volge eener aanschrijving dd. 5 Mei 1815 van de Directie der O. L 
Compagnie te Londen aan den Gouv. Gen. , moest vervangen worden ; 
zie hierna bl. 347. Hoe kon men echter in Engeland daartoe destijds 
besluiten, is reeds meermalen gevraagd: hoe ook kon de Gouv. Gen. 
er toe komen een opvolger aan te wijzen , die eerst te Batavia aan- 
kwam , toen Nahuijs reeds daar voet aan wal had gezet om de komst 
van C. C.G-G. te melden en dezen naar Java op reis waren? 
Zoo de Compagnie vreesde, dat met BAffles' aanblijven haar 
nieuwe lasten opgelegd zouden worden (bl. CLXXXVI), dit 
bezwaar hield op te bestaan , waar hij niets meer te doen kon 



OMTRENT HET LONDENSCH TllACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 343 

hebben dan de bezittingen over te geven ; en zijne bekende anti- 
Nederlandsche gezindheid gaf waarborgen genoeg , dat hem dan de 
Compagnie's belangen wèl toevertrouwd zouden zijn. Daar het punt 
mij , ook na de lezing der bl. LXIU vv. , niet voldoende duidelijk 
was, wendde ik mij tot den heer F. C. Danvers, //Begistrar and 
superintendent of Becords*' van Tie India Office te Londen, om 
inlichting. Deze had de vriendelijkheid om mij afschriften te zenden 
van twee door mij eenigszins aangewezen lastgevingen , die niet 
alleen dat punt, doch ook eene ander belangrijke quaestie ophelderen. 

Een dier brieven is gedateerd op denzelfden dag, dat boven 
vermelde brief van 5 Mei 1815 afging; ik heb hem onder noot 
17 wedergegeven. Daaruit blijkt, hoe weinig men in Engeland 
verwachtte, dat de omstandigheden, door Napoleon's terugkomst 
andermaal in het leven geroepen, van korten duur zouden zijn: 
de Gouv. Gen. wordt uitdrukkelijk gelast om , nieUegenstaande het 
iractaat van 1814, geene ' bevelen tot overgave te doen afgaan en 
in verband mei dtn ie verwachten langen duur der aanhouding bevelen 
zij tevens in den anderen brief, dat Baffles dient vervangen te 
worden. De orders tot overgave, die, gelijk ik nader zal herinneren , 
door het Engelsch bestuur in December 1814 waren uitgevaardigd 
en waarvan men de Nederlandsche regeering had mededeeling 
gedaan, werden dm ingetrokken. Dit schrijven is steeds^ ook voor 
onze bestuurders^ ioi dusver geheim geliouden; daardoor ligt over het 
gebeurde in die dagen 'reen floers van geheimzinnigheid^^ gelijk 
S. Van Deventer op bl. 254 dl. I van zijn /irLandelijk stelsel" 
(1865) terecht opmerkt, en dat niet door zijn naamgenoot M. L. 
Van Deventer in zijn "Nederlandsche Gezag" genoegzaam is weg- 
genomen geworden , ofschoon deze Schrijver de zaak beter door- 
zien heeft dan vroegere publicisten. 

De vraag rijst nog of de bevelen, die volgens lord Bucking- 
hamshire , Voorzitter van den Board of Control ^ , in December 
1814 ter overgave waren uitgevaardigd, zoomede hunne nadere 
intrekking, de luitenant-gouverneurs Baffles en Fendall op Java 
hebben bereikt? Men zij bij het nagaan der data indachtig, dat 
een brief tusschen Europa en Indië wel ^n half jaar onderweg 
kon blijven en dat de door den Gouv. Gen. van Bengalen aan 
Batavia te zenden bevelen nog ééwt maand noodig hadden , alvorens 
zij hunne bestemming bereikten. Zoo b.v, werd blijkens bl. £49 
dl. I /'Landelijk Stelsel", Napoleon's terugkomst in Frankrijk , die 
op 1 Maart 1815 plaats vond, het eerst op Java vernomen in deu 



544 rCXDAlX^S Eï BAffTUS^ OPTATTI^tGES IX HIT JLLfiUfIZX 

lUQTjiSijr fan AasruitcLs d. a. r. , tenrijl men m^s aanDeaBen ^ Am met 
di^* ti;J3n2' nryjTeel moeielijk luast lal 2i;D ?«'aiaakl:iooookhe<^ft de 
G*>aT.-Gen. van Bennlen de nadere door hem ontraneen beTelen 
Uit OTereafe, 21 December 1^15 van Londen eifda£teekend,e«i?t 
den 2" Jani 1S16 te Caleotta ontvangen: en dexe den 11* Juni 
1S16 per XaMjflftu naar BaUria gezonden *, welk sehip den 4" 
Jali d. a. t. te Bataiia aankwam. 

Xo schrijft Baffles particalier een brief, gedagteekend Boitenzorg 
25 Xorember 1^15, aan een rriend. Dr. Hor?öeld , die voor onder- 
zoekingen eene reis orer Jara deed: ^It is, perhaps , fortnnate 
that JOQ arailed joarself of the present season, as we mar eer- 
tainlj espect the Datch before the next , and I conelade that jon 
will nov be prettv soon prepared for a trip to Enrope, happen 
vhat maj, The transfer of these colonies being now no longer 
donbtfnl. and there being fair gronnds for expeoting the arriTal 
of the Dntch authorities in the spring of next jear , I am desirous 
of making all mj arrangements for the Tovage home:...** — En 
dd. 28 Febroari 1S16: ^rYon will, no doabt, have heard of the 
expected chaoges in the administration of this colonj. It seems 
the anthorities at home have no idea of its immediate resamption 
bj the Dntch, and have been indueed to believe, that it ma? be 
more economicallj managed than at present. Mv period of live 
jears is nearly expired , and bv appointing me to the charge of 
the settlements on the West coast of Sumatra, thev considerthev 
have adequatelv rewarded mv services — be this as it may, it is 
clear jon are to expect a new Govemor, (Mr. Fendall , who came 
to India in 177S), in the course of the ensaing month, a new 
Commander in Chief, Sir Wm. Keir, and a new ei vil member of 
Conncil, Mr. Abrahams.^^ * 

Uit de wijze, waarop hier Bafdes bericht: in den eersten brief, 
dat men spoedig de Nederlanders kan verwachten; in den anderen, 
dat men in Engeland schijnt te denken dat zij niet zoo spoedig zullen 
komen, blijkt m. i. voldoende, dat Baffles noch stellige bevelen 
tot overgave, noch contra-bevelen heeft ontvangen. Wat hij van 
de aanstaande komst der Hollanders bericht, vloeide voort uit zijne 
bekendheid met het tractaat van 1814; van stellige lastgevingen 
zou hij zeker gesproken hebben, dunkt mij, indien ze door hem 
ontvangen waren geworden. 

Hetzelfde is het geval met Fendall. Als C. C. G. G. hem vragen 
of hij dan geene bevelen tot overgave heeft ontvangen, dan wel 



OMTRENT HBT LONDENSCH TRACTAAT VAN 18 AUG. 18x4. 345 

tegeiibevelen , antwoordt hij positief: noch het een, noch het 
ander; en als onze Vertegenwoordigers, hem niet vertrouwende, 
zijn secretaris Assey ondervragen, of er dan geene bevelen 'op 
Java ter zake zijn gekomen, antwoordt deze ook positief: noch onder 
fiAfHes, noch onder diens opvolger! — Het zou alleen mogelijk 
zijn, dat Fendall bij zijn vertrek van Calcutta particulier op de 
hoogte is gesteld geworden; zeker is het, dat hij geen lust had 
zich de benoeming te laten welgevallen met het oog op de spoedige 
overgave van Java, doch dat de Gouv. Gen. hem daarop had ge- 
antwoord: dal hij op zijn woord verzekeren kon ^ dat de kolonie nog 
in geen twee jaren zou worden overgegeven.. Evenzoo heeft generaal 
Grant-Keir, die in het laatst van Mei 1816 te Batavia aankwam, 
verhaald, dat de Gouv. Gen. ook hem nagenoeg hetzelfde had 
verzekerd, daarbij voegende: dat Nederland zooveel aan Engeland 
schuldig was en men , v66r de voldoening daarvan , zeker de over- 
gave niet zou doen ^, — Toch moet van het contra-bevel iets 
uitgelekt zijn, wellicht door particuliere berichten uit Londen 
aan ingezetenen op Java ; want in een brief van C. C. G. G. wordt 
gesproken van een gerucht ^ volgens welk er een uitdrukkelijk bevel 
bestond om onze bezittingen niet over te geven; maar als van 
een gerucht, dat geen geloof verdiende y gelijk ik bl. 359 nog zal 
mededeelen. 

Ue komst van den majoor Nahuijs te Batavia dd. 5 Maart 1816, 
die het eerst het bericht van de nadering onzer C C. G.G. aan- 
bracht, vervulde Fendall met groote verwondering, zoodat hij dd. 
23 Maart 1816 aan den Gouv. Gen. van Bengalen schreef ® : 
'/From a letter brought by Maj. Nahuijs, it appears, that an cxpe- 
dition sailed from Holland in the end of October last, for the 
purpose of resuraiug possession of these Colonies, in pursuance of 
the Convention concluded in August 1814 between Great-Britain 
and the Netherlands. The intelligence , thus received on the^Öth 
instant , was by no means expected on the Island. On the contrary, 
it would appear that private advices from London in September 
last had given ground to suppose, a considerable time was likely 
to elapse before the transfer would take place. The nature of the 
communication now received appears , however , to be sufficiently 
authentic to warrant au expectation , that the Dutch Commissioners 
may be expected to arrive in all next month , and we are anxious 
to lose no time in bringiug to Your Lordship^s notice the very 
delicate situation in which we may possihly be placed, if these 



346 FENDALL 8 EN RAFFLES OPVATTINOEN IN HET ALGEMEEN 

Commissioners should bring no [lositive instmctions from the 
aathorities in England/^ 

Zie hier nu wat Van Deventer bl. LXIV — LXV schrijft: 

Kort na de bekrachtiging van het toen gesloten Tractaat, richtte 
onze Ambassadeur reeds de aanvraag tot de Britsche R^eering, om 
mededeeling der bevelen , welke aan Raffles en de andere Gouverneurs 
zouden gezonden worden, „relating.to the surrender of the different 
establishments in the Ëast-Indias to the Dutch troops". Zooals men 
weet, volgde daarop in December het bescheid, dat voorschriften tot 
dat einde , met name aan het Gouvernement van Java , verzonden waren. 
Hiermede niet tevreden, vaardigden de benoemde Commissarissen- 
Generaal, mede in December, van 's Hage een schrijven uit aan 
Raffles, waarbij zij kennis gaven van het gebeurde en tevens van de 
voorgenomen uitzending der HH. Nahuijs c s. naar Batavia. De 
onwetendheid , later door den Britschen Luitenant-Gouverneur van Java 
aan den dag gelegd, kan dus niet anders dan voorgewend zijn. Er 
bestaat te minder reden om daaraan eenig geloof te hechten, wijl 
tegelijkertijd de Directeuren der O. I. Compagnie Raffles aanschreven 
om, naar aanleiding van het gesloten traktaat, de Nederlandsche vlag in de 
Koloniën al dadelijk op gelijken voet met de Ëngelsche te behandelen. 

Er is echter volstrekt geen reden om aan te nemen, dat de 
luitenant-gouverneurs Raffles en Fendall slechts onbekendheid 
hebben voorgewend. Dat zij het zouden doen tegenover Nahuijs 
of onze C.C. 6. 6. kan zich laten denken, doch wat zouden 
zij er aan gehad hebben comedie te spelen in particuliere corres- 
pondentie met vrienden , of in officieele met den Gouv. (Jen. ! — 
Van Deventer teekent in de noten aan, dat de correspondentie 
tnsschen onzen Ambassadeur en de Britsche regeering plaats vond 
dd. 5 November 1814, dat het antwoord van deze aan C. C. 6. G. 
werd medegedeeld dd. 15 December 1814, dat de gelijkstelling der 
vlag aan BAffles werd bericht dd. 22 September 1814 ' , en dat 
C. C.G. G. zelven aan Raffles hunne aanstaande komst en die van 
Nahuijs c. a. hadden medegedeeld: doch op dit alles was gevolgd 
het contra-bevel van 5 Mei 1815 en zoo aan het Gouvernement van 
Java dit contra-bevel niet werd gezonden , dan heeft het ook geen 
bevelen ontvangen, dat de overgave wèl zou plaats vinden. Hoe 
alles op losse schroeven stond , blijkt ook uit Van Deventer's eigene 
mededeeling in eene noot op de vlaggenquaestie , dat de aanschrijving 
van 22 September 1814 eerst werd uitgevoerd op 9 October 1815 
d. w. z. een jaar later! Bij Napoleon's terugkomst in Maart 1815 
was inderdaad die zaak nog niet in orde, doch werd door den 



OMTRENT HET LüNDBNSCH TRA.OTAAT VAN 13 AUG. 1814. 347 

Bngelschen gezant onzen Minister van B. Z. verzekerd , dat de ver- 
traging, die de teruggave der koloniën nu moest ondervinden, 
op de bevelen tot gelijkstelling geen ongunstigen invloed zou uit- 
oefenen; zie noot 16. Hoe ook, al zag BaiHes tegen geen streek 
ten onzen opzichte op, in de quaestie der overgave heeft hij 
evenmin als Eendall , zoover ik heb kunnen nagaan, onbekendheid 
voorgewend van zaken, die hem wèl bekend waren. Ik moet er 
echter bijvoegen, dat mij sommige punten ten deze onhelder zijn 
gebleven; ik schreef uit dien hoofde den heer Dan vers op nieuw 
om een paar stukken; nu mocht ik echter geen antwoord meer 
ontvangen, ook na eene beleefde herinnering. 

Nog een ander punt wensch ik toe te lichten. 

In de overtuiging , dat de teruggave nog wel eenigen tijd zou duren, 
schreef het bestuur der O. I. C. aan den Gouv. Gen. van Beugalen , 
den 5" Mei 1815 den navolgenden, op bl. 342 bedoelden, brief: 

Whatever may be the result of the investigations of the charges 
preferred against mr. RafHes, we are of opinion that his continuance 
in the Government of Java would be highly inexpedient, and we, 
therefore, desire that you would select forthwith from amongthe Civil 
Servants of the Company some person of approved talent and integrity 
to whom you can, with confidence, en trust the charge of that Colony , 
until the period shall arrive for restoring 'it to the Sovereign of the 
Netherlands. 

Van Deventer haalt hiervan slechts het eerste gedeelte tot het 
inexpedient aan (bl. CLXXXVI noot 3) , waardoor het volstrekte 
der lastgeving minder goed uitkomt ^. De Gouv. Gen. voldeed aan 
het bevel door bij besluit van 8 December 1815 Fendall tot 
luitenant-gouverneur te benoemen ®. 

Leest men nu de //Memoir^' van Raffles' weduwe over dit on- 
derwerp, dan komt men op een dwaalspoor; daar staat op bl. £69 
der uitgave van 1830 en op bl. 293 dl. I der uitgave van 1835 
het volgende: 

Mr. Rafiles was at Ciceroa (Tjiseroa), when he heard that he was 
to be relieved from the charge of tlie government. Though the mode 
in which the intelligence was conveyed was most unexpected, it did 
not affect his equanimity and composure. — Lord Minto had secured 
to him the residency of Bencoolen, as a provision in case Java had 
been transferred to the Crown, when of course a Governor and 
Council would have been sent out from England. This appointment 
was now offered to him , hut his health was so irapaired , his strength 
so exhausted , that his raedical advisers considered it absoiutely necessary 



'ji^ TESDAJuSê KS MArrVEB OFTATTINGES IV HET 4liGEMCE?( 

ïor tbc presen'atioii of bis life, thal bc sbould proceod Ixi Euroj>e 
without delai'- — As soon as il was asoertained tbal Mr. Fendal] 
was appointed to succeed to tbc govemment . . , . tioI^ het Tterkaal der 
üvergjove aan den nieuw benoemdm Goici^ermtur, 

Het£^ dat de veduve niet op de boekte der XMk vas, betzij 
dat bier een teer punt viel ie bebandelen , dat de Scbr^&ter liever 
niet in zijn geheel wilde mededeelen, de g'cg-evene Toorst«lling 
maakt een niet Tolkomen juisten indruk. Immers zooals men dit 
leert, zon men zeg^gen , dat Fendairs komst eenvoadig een gevolg vas 
van de administratieve hervorming, ingevolge welke Java e. o. eene 
Kroonkolonie was geworden ; het besluit daartoe was inderdaad wèl 
genomen , doch opgeêch^fH ^ blijkens den briefin noot 17 medegedeeld. 

En ook zonder die ziekte had BaiSes naar Europa moeten gaan, daar 
hij er zich te verantwoorden had ; dit was dus heel wat anders, dan dat 
hen| Mm hei Benkoelenscbe residentscbap zou zijn aangeboden ! Raffles 
deelt het zelf mede in zijn dd. 3 November 1824 geschreven en ook 
toenmaals uitg^even ''Statement^^ gericht aan de Court of Direetort, 
Men leest er toch bl. 29 in: 

„In the course of tbc follou-ing year, 1814, the cbaiges preferred 
by General Gillespic, already refeired to under tbc first head of 
tbls represcntation , were received by your Honourable Court; in con- 
sequence of wbicb you were pleased to intimate to the Bengal Go- 
vernment, tbat my succession to Bencoolen would depend upon my 
explainiiig satisfactoril\^ to that Govemment my conduct as affected 
by th<jse charges." — En wijl Lord Moira zijne verdediging niet afdoende 
vond, diende hij wel naar Europa terug te keeren, ten einde zich 
aldaar te verantwoorden. „No opinion was, h o we ver, passed on the 
charges in question ;" — vindt men nader vermeld op bl. 23 over het lot 
zijner verdediging in Bengalen — „but my succession to Bencoolen 
was made contingent upon my successfuUy refuting them. I stood, 
therefore, condemned in my character of Lieutenant-Govemor , as 
far as my measures of intemal policy were concemed; and before 
the world , as a servant who had lost the confidence of his superiors , 
with a character tainted by aspersions, to which the extraordinaiy 
silence of the Bengal Govemment gave some appearance of credit 
In such a situation, my only altemative was to seek at the hands 
of the highest authority, that honourable acquittal, which I was 
conscious I should receive when the subject was fully investigated. To 
stay in India was imp>ossible. With health impaired from arduous 
duties in a climate proverbially fatal to European constitutions , and 
imder circumstances of no ordinary kind , I proceeded to Europe , and 
urged at your bands a judgment on my case." 



OMTRRNT HET LONDENSGH TRACTAAT VAN 13 AUO. 1814. 349 

Aldas vertrok Eaffles, na de overgave van zijn gouvernement 
aan Fendall dd. 11 Maart 1816, naar Londen, waar hij den 
16^ Juli aankwam. * ^ 

Van Deventer heeft terecht op sommige minder juiste voorstel- 
lingen van de ^i'Memoir" gewezen (speciaal op bl. CLXXXVI noot 
1), doch het hier vermelde punt omtrent de verandering in eene 
Kroonkolonie onbehandeld gelaten. 

Verder mag wel de aandacht gevestigd worden op den dubbelen 
naam van lord Minto^s opvolger als gouverneur-generaal van Beu- 
galen ; zoo leest men bij Van Deventer in de noten op bl. LX VIII 
over brieven van ^Fendall aan Lord Moira, £3 Maart 1816", 
^liord Moira aan Fendall, 18 Mei 1816^', /ir Markies Hastings aan 
Lord Bathnrst, 19 Juni 1817'\ — Men moet nu toch eenigszins in 
de Britsch-Indische geschiedenis bedreven zijn om te weten, dat 
met Hastingi en Moira dezelfde personen worden bedoeld. Lord 
Moira erlangde namelijk in 1816 wegens zijn gelukkigen oorlog 
tegen de Goorkha^s den titel van (eersten) marHei van Hastings. 
De herinnering schijnt te meer op haar plaats, wijl men er 
onwillekeurig toe komt om met onze oppervlakkige kennis van de 
Britsch-Indische gouverneurs-generaal bij het lezen van den naam 
Hastings onder de stukken , te denken aan Warren Hastings , zooals 
Schrijver dezes zich vergist heeft, blijkens bl. 49 van zijn /s^Hand- 
boek tot de kennis van 's Lands zoutmiddel in Ned.-Indie*' (L894); 
aan de hulp, die men ons toen van Britsch-Indië wel wilde 
verleenen, herinnert nu juist Bisschop op bl. £03 van zijn in den 
aanhef dezes genoemd verslag. De beroemde Warren overleed 
weliswaar eerst in 1818, doch had reeds in 1795 het bestuur 
nedergelegd. Gelijk Th^ Encyclopadia Britannica y voce Hastings, 
opmerkt (1880), stonden beide gouverneurs zelfs in geenerlei be- 
trekking tot elkander; om verwarring te voorkomen zal ik uit- 
sluitend in mijne verhandeling van lord Moira gewagen. 

I. 

Volgens art. 15 van het vredestractaat , den 30" Mei 1814 te 
Parijs gesloten *\ ontving Nederland, behalve de schepen en 
arsenalen van Holland , waarbij die van Texel uitdrukkelijk genoemd 
werden, nog een derde van de schepen, het geschut en de 
scheepsbehoeften, die in de afgestane plaatsen, dus ook te Ant- 
werpen, voorhanden waren: («'seront partagés entre la France et Ie 



•350 FKNDALLS RN RAFFLEs' OPVATTINOEN IN HET AI/SEÜEEN 

pajs OU les places soiit situëes, dans la proportion de deux tiers 
pour la France et d'un tiers pour les Puissances auxquelles les- 
dites places appartiendront"); terwijl onder die toewijzing aan 
Frankrijk niet begrepen werden : ^les vaisseaux et arsenaux existans 
dans les places maritiines qui seraient tombées au pouvoir des 
Alliés antérieurement au 23 xivril, ni les vaisseaux et arsenaux 
qui appartenaient A la Hollande , et nomméraent la flotte du TexeF' ' '. 
Op die wijze werd Holland weder in zijne marine gezet; de 
schepen werden herdoopt en ontvingen de namen , waaronder wij 
ze in de Nederlandsch-Iudische geschiedenis dier dagen herhaal- 
delijk ontmoeten , zoodat ze ons allengs als bekenden voorkomen ; 
b.v. de Eendraehi ^ de Mana Reyger%herffei\ ^ de 4S/?kw , de WUheïmifuiy 
de De Ruyier ^ de Braband^ de Everlsen , de Irene ^ de Amsterdam ^ 
de Prins Frederik^ enz. 

Het materieel liet echter alles te wenschen over; vandaar de 
jammerlijke ongelukken , die wij met de schepen ervoeren en die slechts 
den spotlust der natiën opwekten , waar wij met gebroken dit of dat 
katzwijm binnenvielen ; zoo mislukte reeds de eerste vreedzame expeditie 
naar de Middellandsche zee van den schout-bij -nacht Tulleken ''. 

Inmiddels werd alles in gereedheid gebracht voor de expeditiëu 
ter overneming van onze koloniën in Oost en West. Voor Oost- 
Indie had men eenc troepenmacht van 3000 K 4000 man gereed ouder 
den generaal Anting * "* , terwijl de commissarissen-generaal Elout, 
Van der Capellen en Buyskes in November 1814 voor de over- 
neming werden aangewezen. Schenen er een oogenblik moeielijk- 
heden te rijzen ten aanzien van het transport der troepen, wegens 
het gemis aan geschikte koopvaardijschepen , men volgde in dit 
opzicht den r<'iad van onzen Gezant te Londen, die er op waes, 
dat men in Engeland wel de oorlogsvaartuigen voor troepentrans- 
porten aanwendde '*. Ook het Britsch bestuur had zich beijverd, 
naar het scheen , om de overgave zoo spoedig doenlijk te doen 
plaats vinden. Lord Buokinghamshire berichtte toch onzen Gezant 
in December 1814, dat de orders of warrant^ voor de overgave 
der bezittingen behoorlijk aan de Engelsche autoriteiten waren 
verstrekt geworden. 

In al deze plannen kwam op eeue betreurenswaardige wijze 
stoornis door de terugkomst van Napoleon. Het Engelsche geld, 
voor de barrière ons toegezegd ; de troepen , die gereed waren naar 
Indië te gaan ; de schepen , die daarvoor zeilree lagen : alles moest 
nu aangewend worden om in de eerste plaats het vaderland on- 



OMTEKNT HBT LONDBNSOH TRA.OTAA.T VAN 13 AUG. 1814. 351 

middellijk weder te verdedigen. De Britsche gezant in den Haag, 
Charles Staart, verzekerde in Maart 1815 onzen minister Van 
Nagell Engelands hulp in ieder opzicht, daarbij nog uitdrukkelijk 
voegende, dat de omstandigheden, waardoor de overneming der 
koloniën vertraagd werd , volstrekt niet de goede bedoelingen zijner 
regeering ten deze wijzigden '*. Maar de onzekerheid der toekomst 
van een oorlog, door Napoleon's verlaten van Elba weder ontvlamd, 
deed het niettemin de Engelsche regeering geraden achten omtrent 
dezelfde koloniën contra-bevelen te geven, die de overgave ten 
zeerste hebben vertraagd. Immers den 5° Mei 1815 schreef zij den 
Gouv. Gen. van Bengalen aan, dat Java en onderhoorigheden niel 
zouden worden overgegeven , zoolang de staat der zaken in Europa 
onzeker bleef * ' ; den 24" d. a. v. gaf Castlereagh aan Fagel op 
eene ter zake gedane vraag te kennen , dat de overgave om dezelfde 
reden werd uitgesteld ' ® ; en den 28** berichtte de Engelsche 
minister aan den Kussischen kanselier , dat , in het geval Nederland 
andermaal zijne onafhankelijkheid verloor, Engeland niet slechts van 
toegezegde deelneming aan de Russische schuld zou afzien ^but keep 
the Dutch colonies into the bargain **. 

De slag van Waterloo deed echter alle gevaren voor ons zelf- 
standig bestaan verdwijnen, zoodat de toebereidselen voor de 
inbezitneming onzer koloniën op nieuw aangevangen konden worden. 
In 1814 had men het voornemen gehad, om de komst der door 
den Souvereinen Vorst aangewezen Commissie-Generaal ter over- 
neming van onze Oost-Indische bezittingen, tijdig te laten ver- 
wittigen, speciaal ook om logies enz. ten behoeve der mede- 
komende troepen in gereedheid te doen brengen. In verband 
hiermede schreef de staatssecretaris Falck aan den directeur- 
generaal van Koloniën Goldberg dd. 14 September 1814 bij de 
kennisgave zijner benoeming tot departementschef : /-'Voordrachten 
om het transport der 3000 man te regelen en om een paar 
knappe menschen naar Batavia te zenden, zijn onder de eerste, 
welke Z. K. H. van liet Departement van Koophandel en Ko- 
loniën te gemoet ziet" ^o j)g keuze viel op de heeren Nahuijs, 
Schulze en Asmus, die toch voor den Indischen dienst bestemd 
waren. Voorzien van eene instructie, die nader de plichten hunner 
belangrijke zending omschreef ^ ' , vertrokken zij met vele pas- 
sagiers per koopvaardij , de Armus Marinus, in den voormiddag van 
den 29"* December 1814 uit Hellevoetsluis , doch men leed reeds 
ten half drie ure in den namiddag schipbreuk op eene zandbank 



352 FENDALLS EN KArFT.ES OPVATTINOEN IN HET ALGEMEEN 

▼oorbij Goereé, den Drempel genaamd, met het ongelukkig gevolg, 
dat de lading geheel verloren ging; de passagiers werden met 
moeite gered. -— Drie maanden hierna bevond zich Nahaijs weder 
ingescheept, doch nu was Napoleon^s terugkomst van Elba oorzaak 
dat de tocht niet doorging ''. Toen ook dit bezwaar niet meer 
bestond, verzocht Nahuijs, om alsnog ter volbrenging der com- 
missie naar Java vooruit gezonden te mogen worden. De Regee- 
ring zag thans echter tegen de kosten op, terwijl zij overtuigd 
was, dat de Britsch-Indische autoriteiten, dank het lange tijds- 
verloop sinds de eerste mededeeling omtrent de komst der Generale 
Commissie verloopen, voldoende voor de ontvangst der onzen 
zonden gezorgd hebben. Nahuijs legde daarentegen door hem uit 
Batavia ontvangen berichten over, waaruit bleek, dat niet slechts 
de Britsche autoriteiten geenerlei maatregelen hadden genomen, 
doch zelfs geschikte kazernen voor afbraak hadden doen verkoopen. 
Onze Kegeering hechtte evenwel geene waarde aan deze berichten, 
die zij overdreven waande, — ten onrechte naar later bleek — 
en vond het goedkooper om de heeren Nahuijs, Schulz en Asmus 
te gelijk met de voor Batavia bestemde troepen te laten vertrekken. 
Nahuijs verzocht toen geheel op eigen kosten naar Java te mogen 
gaan, en daar alle(^n de taak der drie commissarissen op zich te 
nemen. Men stond hem dit toe , ofschoon geoordeeld werd , dat 
hij daarmede eene gekheid beging! Aldus kwam deze den 5" Maart 
181B reeds te Batavia, terwijl, zooals ik nader zal mede deeien, 
O. C. G. G. eerst twee maanden later er voet aan wal zett'en: 
een kostbare tijd voor Nahuijs, om nog zooveel mogelijk de ontvangst 
der onzen voor te bereiden, wijl inderdaad niets daarvoor was 
verricht, waartoe ook in onbekendheid met de veranderde omstan- 
digheden volstrekt geene aanleiding had bestaan ^^. 

Voor Hnffles was inderdaad het bericht eene bittere teleurstelling. 
Hij had zoo gehoopt, dat Napoleon's terugkomst wijziging in het 
tractaat van 1814 zou brengen door de kostbare koloniën voor 
Engeland behouden te doen blijven ^*\ en nu was het oogenblik 
te voorzien, dat hij weldra tot de overgave genoopt zou worden. 
Eene nieuwe onverwachte gebeurtenis heeft dit weliswaar belet, 
doch deze verhindering was van persoonlijken aard en evenmin voor 
hem aangenaam. Had hij nog den 5" Augustus 1815 in zijne 
vreugde over het mogelijk behoud der kolonie voor Engeland , ten 
gevolge van Napoleon's terugkomst uit Elba, aan Kamsay ge- 
schreven : "I have uo idea of returning to Europe while any- 



OMTR1NT HKT LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 353 

thing is to be done hereabout" — het bestuur der O. I. Compagnie 
te Londen meende het daarentegen volstrekt noodzakelijk, dat hij 
teruggeroepen behoorde te worden. Ik wees hierop bl, 347 , doch 
wijl omtrent Baffles' ontijdig aftreden de mededeelingen niet vol- 
komen helder zijn, zal ik in aansluiting met het reeds aauge- 
teekende, de zaak eenigszins uitvoeriger verklaren. 

Op bl. 247 van mijn voorgaand opstel deelde ik mede, dat in 
1813 besloten was om Java en onderhoorigheden tot eene Engelsche 
Kroonkolonie te maken. De luitenant-gouverneur Raffles moest 
dan zijne betrekking verliezen; bij de velen in dienst van den 
Kroon, zou toch de Gompagnie's. dienaar, gelijk ook waren de 
legercommandant Nightingale (opvolger van Gillespey) en het raadslid 
Hugh Hope (vervanger van Muntinghe, die in 1814 zijn ontslag 
had genomen) voor ambtenaren van den Kroon moeten wijken. — 
De gouv. gen. van Bengalen, lord Minto, voor Kaffles' belangen 
tijdig willende zorgen , vond daartoe gelegenheid door het aftreden 
van den heer Parker als resident van Benkoelen ^ ^ , een gewest , 
dat sinds de 17^ eeuw reeds eene Engelsche bezitting was. Baffles 
toonde zich genegen als hoofd van dit gewest op te treden ^ ^ ; 
dientengevolge gewerd hem het in noot £7 vermeld schrijven uit 
Bengalen dd. 4 Juni 1813, waarin hem werd medegedeeld, dat 
hij benoemd was tot resident te Fort Mariborough en dat hij als 
zoodanig kon optreden, van het oogenblik dat hij ontheven werd 
van zijne positie als luitenant-gouverneur van Java, dan wel die 
betrekking nederlegde. Inmiddels fungeerde de heer G. J. Siddons 
als resident van Benkoelen. — In October 1813 trad lord Minto 
af, die niet lang daarna overleed, hetgeen Raffles, ook wegens 
zijne persoonlijke belangen, zeer leed deed ^^. 

Minto werd opgevolgd door den op bl. 349 vermelden lord 
Moira, markies van Hastings. 

De aftredende Gouv. Gen. had nog y66v zijn vertrek van Cal- 
cutta, Baffles bij zijn opvolger aanbevolen ^ ^ ; doch deze aanbe- 
veling bleek niet bestand tegen de ernstige klachten, die in De- 
cember 1818 generaal Gillespey tegen onderscheidene bestuursdaden 
van den Luitenant-Gouverneur inbracht'". Raffles' schriftelijke 
verdediging werkte zóó weinig uit, dat zelfs lord Moira weigerde 
hem in de gelegenheid te stellen zich mondeling te Calcutta te 
komen verantwoorden ' ^ . Ook op de Courl of Direclors te Londen, 
waaraan de Gouv. Gen. de beslissing had overgelaten, maakten 
de beschuldigingen een bijzonder ongunstigen indruk; en daar het 



354 PENDALL^S EN RAPFLES^ OPVATTtNOBN IH HET ALOBIIEEN 

ingevolge van de op bl. 351 vennelde aanschrijving dd. 5 Mei 1815 
nog wel zeer lang kon doren , alvorens de kolonie soa overgegeven 
moeten worden, meende de Court^ dat men daarop niet kon wachten, 
en werd alzoo de Goov. Gen. gelast hem te vervangen, gelijk ik 
bl. 347 heb medegedeeld. Vandaar de benoeming van John Fendall 
tot laitenant-goavernear van Java e. o. bij besluit van 8 December 
1815, mede blijkens het op bl. 347 aangeteekende ; hem werd toe- 
gevoegd als legerbevelhebber de generaal Grant-Keir, en als lid 
van den Raad van Indië Th. Abrahams. In dat collie bleef in- 
middels steeds het Nederlandsch lid Mr. W. J. Cranssen, die niet 
den tact had gehad om gelijk Mautinghe tijdig zijn ontslag te 
nemen, zoodat zijn naam voorkomt onder al de van het Engelsch 
bestaar uitgaande hinderlijke stukken, die aan C.C. G. U. de 
overneming der bezittingen zouden moeielijk maken. Het laat zich 
begrijpen, dat het hersteld Nederlandsch bestuur niet aanstonds 
genegen bleek om, evenals Muntinghe, Cranssen in eene aan- 
zienlijke positie te gebruiken. Dat ergerde Baffles, zoodat hij er 
zich bij de Britsche autoriteiten over beklaagde! '^ 

Het bericht van Fendall^s benoeming ontving Baffles geheel 
onverwacht, en diens komst op den 8*^ Maart 1816 was voor hem 
te pijnlijker, nu Nahuijs' verschijning het voor een ieder duidelijk 
maakte , dat de dagen van het Engelsch bestuur geteld waren en dus 
het bestuur der Compagnie wel zeer ontevreden over het gevoerd 
beleid moest zijn, waar hij vervangen werd, niettegenstaande een 
natuurlijk einde van het Luitenant-Gouverneurschap toch zoo 
spoedig ophanden was. Gelijk ik op bl. 349 mededeelde, gaf 
Raffies den 11° Maart, dus zes dagen na Nahuijs* komst, het 
bestuur over. 

Doch ook voor Fendall was , blijkens het op bl. 345 aangeteekende, 
het bericht van Nahuijs even onverwacht. Nadat deze het doel zijner 
komst medegedeeld en een brief van £lout den Luitenant-Gouver- 
neur aangeboden had, werd hij verzocht den 15° Maart in de 
Britsche raadzaal te komen, om daar nadere inlichtingen nopens 
het vertrek van C.C. G. G. te geven. Fendall schreef den 23" 
Maart dientengevolge naar Bengalen om inlichting (bl. 345). 

Het antwoord van den Gouv. Gen. dd. 18 Mei 1816 luidde 
echter, dat geenerlei bevelen uit Engeland waren ontvangen. 
Intusschen vond lord Moira in het bericht aanleiding om alvast 
den Luitenant-Gouverneur van Java, den Gouverneur van Penang 
en den Resident te Amboina instructiën voor de oveigave van Java 



OMTRENT HET LONOENSOH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 355 

e. O. , Malakka en de Molukken te zenden , daar bij wel begreep , 
dat nu de bevelen tot de overgave spoedig verwjicht konden worden ^ *. 
In dezelfde maand, dat dit antwoord werd geschreven, ver- 
schenen de Nederlandsche schepen met de Generale Commissie op 
de reede van Batavia. C. C. Q. G. hadden bij brief dd. 15 De- 
cember 1814 van onzen departementschef voor de Koloniën het 
bericht ontvangen, dat, gelijk ik bl. 350 mededeelde, aan onzen 
Gezant te Londen door lord Buckinghamshire verzekerd was de 
bevelen tot overgave aan de Britsche autoriteiten in Indië waren 
afgegaan ; doch nu er sinds zooveel tijd over henen was verloopen , 
vroegen zij vóór hun vertrek om nieuwe stukken ; Fagel kon echter 
dd. 8 October 1815 onze Kegeering slechts melden : //que les warrants 
pour la remise des colonies venaient d^être signés^\ Maar de stukken 
lieten op zich wachten , hetgeen tengevolge had , dat toen den 29^ 
October 1815 Elout en Buyskes op de Evertsen en Van der Capellen 
op de Amsterdam^ vergezeld van de Braband^ de De Kuyter^ de Maria 
Ueygershergen , de Ir'ti en de ^pion de reede van Texel verlieten , het 
geval zich juist voordeed, hetwelk Fendall , blijkens het bl. 345-346 
medegedeelde , gevreesd had , namelijk van //no positive instructions 
from the authorities in England" bij zich te hebben ''**. Trouwens 
hetzelfde deed zich voor bij de expeditiën , die voor de overneming 
naar de andere bezittingen eenige weken later vertrokkene^'. — 
Bij koninklijk besluit van 10 November 1815 werd Fagel nog- 
maals opgedragen het Engelsch bestuur over het uitblijven der 
stukken te interpelleeren , ten gevolge waarvan zich onze Gezant 
den 13° tot Castlereagh richtte met het verzoek om de warrants; 
zij werden echter eerst den 20" November 1815 geteekend ^^, Ue 
origineelen ontving daarop Fagel, waaraan wellicht moet worden 
toegeschreven, dat de Britsche regeering met de verzending van 
de afschriften aan den Gouv. Gen. van Bengalen zoo weinig haast 
maakte. Immers eerst den 21° December 1815 verzond men ze 
uit Londen; de stukken kwamen te Galcutta den 2° Juni 1816 
en werden toen ten spoedigste, nl. den 11° d. a. v. , door lord Moira 
aan Fendall gezonden''. Trouwens over en weer is met groote 
onverschilligheid omtrent deze gewichtige aangelegenheid gehandeld ; 
karakteristiek is het, dat in de warrants was vergeten op te nemen, 
niet dat wij Cochin en onderhoorigheden moesten afstaan , doch wèl dat 
wij er Banka voor in ruil verkregen I ' ^ Het blijkt echter niet , dat 
Fendall hierin een voorwendsel heeft gezocht , gelijk Raffles vermoede- 
lijk wel zou gedaan hebben, om tegen de letter van het tractaat, het 



356 FCNDAIX^S KX MATFUSS* 0PTATTIN08N I2f HCT ALaEXEKN 

eiUnd aan te houden ; vellicht verd het stuk echter n(^ ▼erbeterd. 
Maar ook met de aEeending der stukken aan ome antoriteiten ging 
men met onbegrijpelijke langzaamheid , onverschilligheid mag men het 
wel heeten, te werk. Aangezien de expeditie den 29" Octoberl8l5 
Texel had Terkten en den 20" November d. a. t. de warrmnts waren 
geteekend, zouden C. C. O. O. nog zoo kng niet op de stnkken gewacht 
behoeven te hebben, indien slechts eenige spoed was betracht; 
de moeielijkheid scheen echter in de gelegenheid tot verzending 
te bestaan. Nu waren de Bralamd en de Maria Itejgertbergen ^Yiori 
nadat het eskader was in zee gestoken, op dien zelfden reeds meer 
dan eens voor onze schepen noodlottig gebleken Drempel geloopen , 
waarvan ik op bL 352 gewaagde. Met dit onheil opende zich 
bovendien voor de expeditie eene reeks van tegenspoeden '*. Zwaar 
beschadigd liep het eene schip te Portsmonth, het andere te Fal- 
month binnen. Men vleide zich intusschen met eene spoedige 
herstelling en zoo werden de warrants aan de Braband toevertrouwd. 
Bij nader onderzoek bleek echter , dat dit schip voorloopig de reis 
geheel moest staken *^\ waarom Fagel aan deu secretaris van staat 
Faick dd 19 Januari 1816 machtiging verzocht tot het verzenden 
der stukken met de Maria Reygeribergen ^ ' . Het blijkt niet , dat onze 
autoriteiten zich eeuigszins over die warrants ongerust maakten. Falck 
antwoordde slechts dd. 26 Januari 1816, dat de Koning de vooi^e- 
stelde verandering goedkeurde. Dientengevolge zond onze Gezant, die 
den Commandant der Maria Reijgerêbergen verzocht had op zijne aan- 
wijzingen te wachten, dd 1 Februari 1816 het ongelukkige pakket aan 
deu kapitein Van der Nypoort , onder mededeeling , dat het «rpapieren 
van aangelegenheid^^ bevatte en met verzoek om het «"onverwijld*^ bij 
aankomst te Batavia aan het adres van den schout-bij-nacht Buyskes 
te bezorgen. /^Na ontvangst dezer derhalve" — besloot het schrijven — 
'^is er niets dat UWelEdGestr. verder behoeft of behoort op te 
houden of deszelfs vertrek te doen uitstellen , zoo rasch UWelEdGestr. 
onderhebbeude bodem in staat zal zqn de begonnen reis voort te 
zetten. . . ^ Maar den 6*^ Februari 1816 antwoordde de Comman- 
dant, dat dit niet spoedig kon plaats vinden! ^Men is bezig'* — 
lichtte hij in — ^dit schip aan stuurboordzijde te koperen , hetwelk 
aan bakboordzijde nog moet worden verricht.** Inderdaad eerst . . . 
den 26" Mei 1816 kon het schip Engeland verlaten, en toen 
slechts om half ontredderd de Kaap te bereiken. Ten gevolge van 
al dezen tegenspoed verscheen de Maria Ret/ger%hergen eerst den 
26° October 181G op de reede van Batavia, dus een jaar nadat 



OMTRENT HET LONDENSCH T&ACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 857 

zij Texel had verlaten. De medegebrachte stukken waren nu van 
geen nut meer. Onze zuinigheid had weder de wijsheid bedrogen; 
want met het ijlings afhuren van een schip om de warrants naar 
Batavia over te brengen , ware eene kostbare vertraging in de over- 
gave voorkomen en zouden bovendien aan C. C. G. G. heel wat 
onaangenaamheden zijn bespaard. 

II. 

Inderdaad zoo C. C. G. G. alles hadden geweten , dan zouden 
zij, inzonderheid Elout, meer recht aan den Britschen Luitenant- 
Gouverneur hebben doen wedervaren , zich niet zoo zeer door diens 
weigering tot overgave hebben doen ontstemmen. Nu wisten zij 
slechts van lord Buokinghamshire^s mededeeling van 1814, dat 
bevelen tot overgave waren gegeven , niet dat ze bepaaldelijk waren 
ingetrokken; zij namen het Fendall kwalijk, dat hij aan hunne 
verzekeringen omtrent het bestaan van dergelijke oude bevelen 
geene waarde hechtte, terwijl zij zelven zóó overtuigd waren 
geweest van het onvoldoende dier stukken, dat zij vóór hun ver- 
trek nadere opdrachten hadden verzocht. Zij wantrouwden Fen- 
dall, die van bevelen tot overgave evenmin als van intrekking 
iets beweerde te weten, in zijne mededeelingen en speurden zelfs 
bij diens secretaris Assej na: of het wel waar was, dat geene 
lastgevingen waren afgekomen! Bij wien ook de schuld mocht ge- 
zocht worden, zeker in dit opzicht bij Fendall niet; ware Elout 
in diens plaats geweest, hij zou de laatste man gebleken zijn 
om anders te handelen. Niet geheel ten onrechte nam dan ook 
de Gouv. Gen. van Bengalen in zijn sub 33 vermelden brief 
aan lord Bathurst de verdediging van zijn Luitenant-Gouverneur 
op zich over het door C. C. G. G. aan dezen ten laste gelegde , 
als zou hij de overgave opzettelijk hebben vertraagd. 

//On the arrival of the Commissioners of the King of the Ne- 
therlands at Batavia" — merkte hij op — //it appeared that con- 
trarj to the expectation , which had been raised by the original war- 
rant^, having been given to the Dutch minister in Londen, 
those getlemen did not possess the warrants or anj instructions 
from any authoritj addressed to the British Government of Java 
foT the restitution." 

Den 26" April 1816 kwam de Evertsen raet Elout en Buyskes 

aan boord te Batavia; aan de C.C. werden de verschuldigde eer- 
6« Volgr. m. 25 



358 VRNDALL's EK KAVFLEs" OPVATTINOKX in het AU3E1CEEN 

bewijzen betoond; de Goavemementssecretaris geleidde ze naar 
Fendall's woning. Bij brief, gedagteekend Rijswijk 80 April 1816 
deelden zij het doel hunner komst en de volmachten, waarvan zij 
voorzien waren, mede. 

De Luit. Gouv. antwoordde geenerlei bevelen tot overgave te 
hebben ontvangen ; hij verklaarde zich niettemin bereid tot het houden 
eener conferentie op den 2" Mei. Daar toonden Ëlout en Buyskes 
/rleedwezen" , ^verwondering" over het ontvangen antwoord ; zij 
vroegen of dan de orders, die de Britsche regeering in December 
1814 gegeven bad , waren ingetrokken. Fendall verzekerde dat hij van 
niets wist , noch van gegeven , dus evenmin van ingetrokken bevelen ; 
hij had eerst door Nahuijs^ komst van de. zaak vernomen en hier- 
van, onder toezending van den op bl. 354 vermelden brief van 
Ëlout , bericht gezonden naar Bengalen. — C. C. bleven aandringen , 
zich liefst beroepende op art. 5 van het Londensch tractaat van 
13 Augustus 1814, houdende dat binnen 6 maanden na de rati- 
ficatie de overgave moest geschieden; het wekte hunne ^i^verbazing", 
dat nochtans bezwaar tegen de overgave rees! — Doch was er 
niet evenzeer reden tot verwondering , dat men zich van onze zijde 
beriep op eene bepaling, waaruit veeleer een argument voor 
verjaring van het gansche tractaat kon geput worden? — Fendall 
herhaalde slechts , dat hij nog meer verwonderd was dan CC, 
dat hij ook van de data der verstrekte volmachten, zoo ver ver- 
wijderd van die der conventie, niets begreep. Hij herhaalde zijne 
weigering, doch verzekerde andermaal, bevelen van Calcutta te 
hebben gevraagd. 

Aldus werd de eerste conferentie in groote ontstemming opge- 
broken. Van Elout^s zijde hoogst onverstandig. In plaats van met 
goefU gratie te herudiifi ^ gelijk Falck als een wijzen leefregel zeide 
te betrachten , in omstandigheden , waaraan niets te veranderen 
viel ••2, boden C C den dag na de conferentie eene nota aan, 
waarin zij eene onverwijlde ten uitvoer legging van het tractaat 
vorderden en ten sterkste tegen elke vertraging protesteerden. Hier- 
mede vangt aan die reeks van //krachtige'^ en in den regel 
^plechtige" protesten ^ die, zoowel de hoogere als lagere ambtenaren 
in de tijden, die nu volgen, onophoudelijk tegen elkander wisselen, 
en die zoowel door hunne menigvuldigheid als door den bijzon- 
deren vorm van sommigen , dikwerf een eigenaardigen vermakelijken 
indruk opwekken. 

Ëlout's gemoedstoestand, die hem tot een bedenkelijk optreden 



OMTURNT HET TiONdÈNSClt TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 359 

tegeuoyer het Britsch bestuur verleidde , blijkt helder uit zijn ver- 
trouwelijk schrijven dd. 30 Mei 1816 namens C. C. G. G. aan den 
departementschef voor onze Koloniën gezonden, /rintusschen is 
het zeker" — merkte hij ten onrechte op ** — //dat men 
alle oorzaken en middelen, die tot vertraging leiden kunnen, 
immers hier, reeds lang opgezocht heeft; zulks blijkt uit de brief- 
wisseling bij ons officieel rapport gevoegd. De oudheid der tractaten, 
de veranderde omstandigheden in Europa, en dat wel op dit 
oogenblik, bij te brengen, is een zeer grof voorwendsel, en het 
zou welhaast leiden tot geloof van hetgeen hier sub rosa verhaald 
wordt, dat waarlijk hier de orders van 1814 (welke dan die zouden 
moeten zijn, waarop lord Buckinghamshire in zijn antwoord aan 
onze legatie te Londen doelt, 't welk ons door UHEdGestr. bij 
missive van den 15 December 1814 officieel is medegedeeld) ge- 
komen waren , doch dat tusschen de Fleeren Moira en Raffles , na 
de landing van Napoleon besloten was, daarop niet af te gaan. 
Wij kunnen echter nauwelijks gelooven, dat dit zou waar zijn, 
daar niet alleen de Luitenant-Gouverneur Fendall stellig verklaard 
heeft , dat hier geene orders hoegenaamd voorhanden waren , maar 
ook de Secretaris Assey, op mijne zeer categorische afvrage, zeer 
stellig geantwoord heeft, namelijk: l^'. of ook gedurende zijne 
bediening eenige orders waren gekomen? Neen. 2^ hoe lang hij 
die bediening reeds waargenomen had? Sedert het begin van het 
Provisioneel gouvernement. 3**. of er ook eenige contra-orders ge- 
komen? Neen, noch orders, noch contra-orders." "*•• 

Men kan zich wel voorstellen, dat Fendall onder het betoonde 
wantrouwen zijne oorspronkelijk welwillende houding niet lang 
volhield. Zoo hadden o. a. Nahuijs en C. C. geene tegenwerking 
ondervonden in het onder dak brengen der troepen, die met de 
Evertsen waren aangekomen ; doch toen ook de Amsterdam met den 
gouv. gen. Van der Capellen den 10" Mei 1816 op de reede 
kwam, werd voor de onverwijlde ontscheping der troepen geene toe- 
stemming meer gegeven; Fendall liet weten, dat de zaak op eene 
conferentie, die hij tegen den 13" vaststelde, zou behandeld 
worden. Voor de manschappen, die reeds zoovele maanden de 
ontberingen van eene eindelooze reis hadden ondervonden, moest 
dit wel eene bittere teleurstelling zijn : doch het hielp niet , 
dat C. C. op den gezondheidstoestand , welke eene dadelijke ont- 
scheping wenschelijk maakte, wezen; evenmin dat wij te kennen 
gaven, dat het Engelsche kabinet ten onzen opzichte niet van 



-360 FSXOALLS E!f RAPFLE9 OPVATTIKGEX IX UET ALGEMKEX 

meening veranderd wa^ en dat das — welk eene gevolgtrekking! 
— de bewering van het Britsche tusscheubestanr omtrent de 
mogelijkheid , dat er geene orders tot overgave gegeven zouden 
zijn geheel op losnen grond êieunde ! — De conferentie voiid op den 
bepaalden dag plaats; men kan zich voorstellen in welke stemming. 
C. C. moesten eene verklaring teekenen , die hierop uederkwam , 
dat het toelaten der troepen geene erkenning van overgave der 
bezittingen inhield ^*. Deze regeling was te fataler, wijl bij ieder 
nieuw aankomend troepenschip de formaliteiten der toestemming 
moesten vervuld worden en welke vergunningen , als bij de komst 
op 21 Mei 1816 van de i)e Ruif ter eerst na aanzienlijke vertraging 
konden verkregen worden , doordien de Luitenant-Gouverneur 
Batavia verliet voor een tocht naar de binnenlanden! Het was 
zeker niet vriendelijk van Fendall om te midden van omstandig- 
heden, die telkens zijne persoonlijke medewerking vorderden, 
Batavia te verlaten , ja tot ergernis van C. C. nog een reisje door 
de Preanger te maken * * ; de vraag rijst echter of Fendall niet 
anders zou geweest zijn, indien men onzerzijds meer recht aan 
zijne bedeukingen had laten wedervaren. 

Het Britsch bestuur begon nu bovendien maatregelen te nemen , 
die ^s Lands middelen voor de toekomst ten onzen nadeele troffen. 
£r in geen geval aan twijfelende, dat binnen min of meer korten 
tijd het uur der overgave zou slaan , liet men kostbaar hout haastig 
kappen, verpachtingen vóór den gewonen tijd houden, enz."*'. 
C. C. konden in de officieele courant dergelijke maatregelen aan- 
gekondigd zien ; doch wijl zij niets hadden te zeggen , stonden zij 
er machteloos tegenover; nochtans brachten zij hierover ernstige 
aanmerkingen in; waardig zwijgen zou m. i. beter geweest zijn ***. 

Den 16** Juni 1816 ontving de Luitenant-Gouverneur uit Londen 
eene missive , houdende bericht van het vertrek onzer C. C. G. G., 
van hunne volmachten tot overneming der koloniën, van de war- 
rants, die ons bestuur waren gegeven, en van de afschriften, die 
naar Calcutta waren gezonden. Voor eene nadere behandeling dezer 
mededeelingen stelde Fendall bij brief van den 18" d. a. v. eene 
conferentie aan C. C. G. G. voor op den 20" Juni 1816. Meenende 
dat dit het einde zoude zijn van het status quo, begaven zij zich 
vol illusie ter vergadering; doch nieuwe teleurstelling en ergernis 
volgden. De Luitenant-Gouverneur verklaarde eenvoudig, dat hij 
als ondergeschikt aan Bengalen, yan daar eerst de bevelen tot 
overgaaf moest ïifwachten : een bezwaar, hetwelk in zichzelf natuurlijk, 



OMTRENT HET LONDBNSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 361 

niet meer ernstig gemeend kon zijn, nu toch de Gouv. Gen. dd. 
18 Mei, blijkens het op bl. 354 medegedeelde , bereids instructiën 
had verstrekt voor het geval de bevelen tot overgave zouden 
komen *^. Fendall verklaarde overigens dat in de ontvangen stukken 
voldoende aanleiding was om te verwachten , dat de bevelen tot 
overgave spoedig zouden volgen, waarom hij zich althans bereid 
verklaarde , tot het maken van voorhopge schikkingen. Nieuwe ver- 
bazing onzerzijds! C. C. G. G. schenen zich — en niet zonder 
grond — gevleid te hebben, dat op de ontvangst der bevelen 
onmiddellijk de verwisseling der vlaggen zou volgen en nu sprak 
men van voorafgaande schikkingen ! "> " Onaangename discussiën 
ontsponnen zich ; men ging onverrichter zake huiswaarts onder af- 
spraak , dat van Engelsche zijde de punten op papier gesteld zouden 
worden , waarop men dan dezerzijds schriftelijk kon antwoorden ^ ^ . 

Aldus zijn wij in de phase getreden , dat inderdaad Fendall 
minder haast ging maken om tot de overgave te komen dan wel 
gekund had; maar, zeide zijne dochter niet onaardig aan den heer 
Steijn Parvé, toen deze Caicutta een bezoek bracht en het punt 
der vertraagde overgave aanvoerde , men vergete niet : vdat degene , 
die een onschatbaar juweel moet overgeven^ nooit zooveel haast heeft, 
ah hij y die in het bezit daarvan wenscht te komen''' ^^, 

De indruk , dien C. C. G. G. van de houding der Britsche be- 
stuurders kregen, was dat dezen, in hunne teleurstelling wegens de 
verplichting tot overgave van zulke kostbare bezittingen , trachtten 
tijd te winnen , in de hoop dat eene of andere onverwachte gebeurtenis 
alles nog ten goede zou keeren ; en dat toen de overgave van 
Java niet langer kon uitgesteld worden , het kostbare Bauka met 
Palembang om dezelfde reden nog zoo lang mogelijk moest aan- 
gehouden worden. ^De Engelsche regeeriugsleden , zoowel als de 
bijzondere personen dier Natie, welke zich in deze gewesten be- 
vinden, zijn" — schreven C. C. G. G. dd. 9 October 1816 aan het 
Opperbestuur — "zeer ontevreden over de teruggave van alle de 
Indische bezittingen aan Nederland , maar vooral ook over den 
afstand van Banka , en schrijven over het algemeen dezen afstand 
toe aan onkunde van het Europeesch Britsch Gouvernement omtrent 
de belangrijkheid van die bezittingen ; en zij vleien zich nog altijd 
dat er eens eene goede gelegenheid zal komen om die bezittingen 
terug te bekomen; bijzon derlij k is dit waar voor Palembang en 
Banka" '^ ' . 

De op de conferentie van 20 Juni 1816 toegezegde voorstellen 



362 FSNOALLS Eli RAFFLKS OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN 

hadden C. C. reeds in hun ongeduld den volgenden dag verwacht ^*. 
Daar de stukken echter niet kwamen , meenden zij er een en ander- 
maal aan te moeten herinneren. Eindelijk ontvingen zij den 29' eene 
den 27'^ gedagteekende breede memorie : eene week was dus voor het 
samenstellen heengegaan. Men zou zeggen, dat dit voor zulk een 
gewichtig stuk nog zoo lang niet mocht heeten. Nu echter kwamen 
de bezwaren onzerzijds tegen de daarin gestelde eischen. Het 
politieke punt van ver strekkende gevolgen lag in de vordering, 
dat onzerzijds gewaarborgd zouden worden de contracten , die onder 
het Engelsch tusschenbestuur met de Inlandsche vorsten enz. waren 
gesloten: eene aanmatiging, waardoor voor goed ons koloniaal be- 
heer onder voogdijschap van Engeland zou gesteld zijn ! Te vergeefs 
deed de Luitenant-Gouverneur een beroep op de eer van Engelands 
volk enz. — een zeer bijzondere eer! — die niet toeliet, dat 
wij aan beloften een einde konden maken, die de Inlandsche be- 
sturen van Engelands zijde hadden ontvangen : C. C. G. G. wilden 
in geen geval van den eisch iets weten. Fendall mocht protesteeren , 
zooveel hij wilde, en hij deed het zoowel waar het de Yorstenlanden 
op Java als het Sultanaat van Palembang betrof, onzerzijds werd 
standvastig geweigerd op dat punt iets toe te geven ^^, Vreemd 
mag intusschen deze houding van Fendall schijnen tegenover de 
stellige bevelen hieromtrent van Calcutta ontvangen. Immers hij 
had reeds bij het schrijven van 23 Maart 1816, waarin hij Nahuijs^ 
komst mededeelde (bl. 354 ), het welraeenen van den Gouv. Gen. 
gevraagd, en deze had daarop den 18" Mei 1816 geantwoord: 

/i^The absolute and unqualified terms of the cession of the Co- 
lonies by the Convention, supposing no subsidiary arrangements 
to have been concerted or no understanding to exist between the 
Contracting Parties, deprives this Government, and even the Exe- 
cutive Government of the United Kingdom , of any right to demand 
the observance of the treaties with the Native Princes'' ^^. 

Dit was toch duidelijk genoeg en wijl de reis tusschen Calcutta 
en Batavia niet langer dan 'n vier weken duurde, laat het zich 
moeilijk verklaren hoe Fendall nochtans niet ophield zijn eisch 
te handhaven. 

Gelijk ik op bl. 344 mededeelde, ontving de Gouv. Gen. eerst 
den 2" Juni 1816 stukken uit Londen, die hem met de bevolen 
overgave bekend maakten; maar toen hij ze den 11° per Nautilus 
naar Batavia doorzond , voegde hij er geene nadere bevelen tot 
overgave aan toe, omdat de door hem ontvangen warrants slechts 



OMTRENT HET LONDENSGH TJRAGTAAT VAN 13 AUQ. 1814. 363 

afschriften waren van de origineelen , die aan het Nederlandsch be- 
stuur afgegeven en dus door C. C. Q. G. medegenomen waren ! Nieuwe 
aanleiding derhalve tot misverstand, wijl immers dezen de stukken 
niet hadden en ook vooreerst niet zouden ontvangen. — Den 4" 
Juli 1816 kwam ie N'autilus op de reede van Batavia; het alge- 
meen vermoeden was nu, dat de bevelen waren gekomen. . . maar 
Feudall zweeg Gode ! C, C. G. G andermaal hun geduld ver- 
liezende, interpelleerden den Luitenant-Gouverneur en nu eerst 
luidde het antwoord, dat de Nauli/m nog geene bevelen gebracht 
had , wijl C. C. G. G. zei ven ze zouden medegenomen hebben. 
Fendall verklaarde zich nochtans op de afschriften der warrants, 
in verband met het tractaat , voldoende gemachtigd om Java e. T). 
over te geven. Men werd het nu echter over den vorm der con- 
ventie , die de zaak zou regelen , niet gemakkelijk eens. Het firitsch 
bestuur had dd. 14 Juli een uit negen artikelen bestaand ontwerp 
aangeboden , dat enkel over Java handelde. De redenen voor 
de uitsluiting van de andere bezittingen waren niet voor 
allen dezelfde. Enkelen , zooals Padang en de Molukken , waren 
nooit tot de onderhoorigheden van het gouvernement van Java 
gerekend. Wat Bandjermasin betreft, toonde Fendall i. R. wel hoe ver 
de onwelwillendheid der Britsche bestuurders ging. In 1809 had 
de gouv. gen. Daendels deze bezitting opgebroken , omdat het een 
lastpost was. //Waarlijk een bekrompen denkbeeld" — schreven 
C. C. G. G. dd. 9 October 1816 aan het Opperbestuur — »yoot 
een man , die zoo uitgestrekte ontwerpen vormde en gedeeltelijk 
volvoerde! Ook is deze intrekking indertijd gedaan tegen alle be- 
denkingen van deskundigen." •"»' Fendall beweerde nu, dat Bandjer- 
masin door de Britsche regeering niet werd bezet ten gevolge van 
Java's verovering, daar het door de Nederlanders verlaten was; 
dat de Sultan , na menigwerf beproefd te hebben de Hollanders 
tot een terugkeer te bewegen , zich onder bescherming van de 
Engelsche Compagnie gesteld had; en dat het alzoo niet kon ge- 
rekend worden te behooren onder de oud-Hollandsche bezittingen , 
die bij het tractaat van 1814 aan het Nederlandsch Gouvernement 
waren teruggegeven. Vruchteloos voerden C. C. daar tegen aan, 
dat de intrekking van den gouv. gen. Daendels alleen uit een 
militair oogpunt moest worden beschouwd; dat hij geen recht had 
gehad ook de geringste bezitting te verlaten zonder machtiging 
van het Gouvernement in het Moederland; dat bij het Londensch 
tractaat was teruggegeven, al wat op 1 Januari 1803 in ons bezit 



364 FENOALLS EN RAFFLEs' OPVATTINORN IN HET ALGEMEEN 

en nu in dat der Britten was. Men wilde te dien aanzien van 
niets weten 9 maar tevens verklaarde men, dit bezit niet te zalle'n 
honden voor de Engelsche Ck)mpagnie en men het alzoo zon teruggeven 
aan den Sultan als eén onafhankelijk vorst, waarvan het gevolg 
was, dat de Sultan aan onzen Gonv. Gen. schreef, dat hij ons niet 
verlangde ! Ook wat er daarna geschiedde , toonde niets anders dan 
zucht tot tegenwerking van Engelsche zijde ; en nog kan men niet 
zonder ergernis de Engelsche stukken hierover lezen , waarin het ge- 
huichel over vriendschappelijke verhoudingen, oprechtheid, openbaren 
plicht, eergevoel, enz. sterk aan den dag treedt door het schenden 
eener overeenkomst, die C. C. G. G. in goed vertrouwen op het gegeven 
woord aannamen. Op dit alle§ kan ik echter eerst terugkomen, wanneer 
ik gelegenheid vind het onderwerp afzonderlijk te behandelen. 

C. C. G. G. , nog onbekend met al hetgeen Fendall ten aanzien 
van de Buitenbezittingen zou te berde brengen, hadden natuurlijk 
bezwaar tegen zijn ontwerp van 14 Juli , 'hetwelk alleen de over- 
gave van Java behandelde. Zij dienden daarom den volgenden dag 
een tegenontwerp in, waarin art. 1 nevens Java ook de overgave 
van Makasser vaststelde, terwijl een slotartikel 11 luidde: tfLes 
(lépeftdances de Fisle de Java , dont il nest pas fait mentioti dans cetie 
conventimt^ seront remises aussitot que les troupes N(^erlandaises y 
* seront arrivées et toutes les stipulations contenues dans la présente 
'convention seront également applicables ^ ces établissements^\ Het 
voorafgaande art. 10, dat dus ook voor de Buitenbezittingen van toe- 
passing was, bepaalde: /^Aussitot après la signature de cette con- 
vention Ie L^ Gouverneur s^engage de donner connaissance , de la 
remise future de la colonie, aux princes de Java, et il sera libre 
aux C.C. G.G. de S. M. Ie Roi des Pajs-Bas d^en donner la 
communication.^^ 

Deze toevoegingen van de artt. 10 en 11 konden de goedkeuring 
der Britsche bestuurders niet wegdragen. Tegen de opneming in 
art. 1 van Makasser nevens Java werd geen bezwaar gemaakt, 
doch wel tegen de algemeene vantoepassingverklaring der bepa- 
lingen op de Buitenbezittingen in het slot van art. 11 : zij schrapten 
dit niet alleen, doch stelden in de plaats zelfs uitdrukkelijk: ^The 
L*. Governor in Council however in the exeóution of this arttcle 
excludes the Factory at Palembang as far as the tenure of the 
said factorj maj be found to be affected by the possession and 
.cession of the island of Banca.^^ Bovendien voegde men aan art. 
10 alweder, zij het ook in zachter vorm, de erkenning door ons 



OMTRENT HET LONDENSCH TRAOTAAT VAN 13 AUG. 1814. 365 

van gesloten contracten toe, door de bepaling: //The L^ Governor 
in Council will at the same time commuuicate to them the vo- 
lautary declaration of their Excellencies the Commissioners that 
it is the intention of H. N. M. Government , to continue the same 
protection which they enjoy under existing treaties , and that they 
maj rest assured of being allowed in the engagement, which they 
will have to form with the succeeding Government , the same condi- 
tions, which are contained in the existing treaties. Their Excellencies 
the Commissioners General on the other hand spontaneously declare , 
that though the British Government is not to be considered in any 
manner as a guarantee in the treaties which the succeeding Govern- 
ment will conclude with the Susuhunan and the Sultan of Mataram , 
they maj be assured, that the succeeding Government will con- 
tinue to those Princes the immunities and advantages, which they 
hold under the treaties, concluded with them in Juni 1812.'' ^^ 

Maar G.C. G. G. bleven standvastig weigeren onder eenigen 
vorm de onschendbaarheid van vroegere contracten te erkennen; 
ook verloor art. 11 zijne beteekenis, wanneer Palembang e. o. 
buiten de bepalingen der conventie werden gesteld. Men eindigde 
dientengevolge beide artikelen 10 en 11 weg te laten, terwijl de 
overgave van Palembang e. o. het onderwerp van eene afzonderlijke 
conventie zou worden. Aldus ontstond de conventie van 23 Juli 
1816, die enkel de overgave van Java en Makasser regelde. De 
ouderteekeuing had eerst plaats den 31 d. a. v. en de overgave 
den 19" Augustus 1816. Bij de onderteekening op 31 Juli vaar- 
digde de Luitenant-Gouverneur tevens protest uit tegen de wei- 
gering onzerzijds om het hierboven vermelde art. 10 op te nemen; 
dat het Britsch bestuur langs een slinkschen weg, nl. door eene 
z.g. vergissing in de officieele courant, toch nog trachtte bij de 
conventie te doen verkondigen, dat onzerzijds eene belofte tot 
waarborging der Inlandsche contracten was gegeven — eene ver- 
giêsing ^ die op eisch van C. C. G. G. in het volgend nommer der 
courant werd verbeterd ! — is den lezer bekend. 

Het bericht der overgave vernam men in Nederland het eerst 
uit Londen. Onze Gezant vond het belangrijk genoeg om nog in 
den avond van den 17° December 1816 zijn secretaris er mede 
naar den Haag te zenden , mededeelende toch , dat C. C. G. G. bezit 
hadden genomen '/de Tile de Java et de ses dépendances" •"» ^ . Zóó 
ver waren C. C. G. G. echter niet ; voor Palembang en onderhoorig- 
heden moest toch nog een levendige pennenstrijd worden gevoerd. 



'>^J6 rE^llALL» tS KAfrl^L» OP%'ArTINGE!« 1% HET ALGEMEEN 



HL 



Ih: r*:f\*'U*'U ^ dl*: I'<ftk'iu''jaiii; e. o. buiuu de c«»uveiilie Tau £3 
Juli li^K'ii, hi»:Mtf'n r^rUuud ui et Hi: hijzMrid».Te om^tat.digheden , 

waarofid^rr Kank;i in Kn^^eland'? hezil was srekomen. Ik zal de jre- 

•— «- ^^ 

Mrhied^'fii^ hien'ari inrl eeniire uiivoerigheid behandelen, wijl wij 
li;t;ir UK;h voor een nader te geven qjeciaal artikel over Paleiubang 
n'KKli^r hebben. 

Jara was nog niet bij de capitalatie van IS Septeniber l^ïll 
a;in de F^n^eUehen oversreireven , toen de <ultan van Palembang, 
HadrrR'din, den l\* i. v. zich van de vreemde overheer>chin? los- 
maakte. — Een paar jaar later aou Nederland tegenover de ver- 
bonden mo^^endheden op zijne onafhankelijkheid en zijne voormalige 
koloniën aanspraken doen gelden, krachtens het feit, dat het de 
Frari«*ehe overheerschers onzen bodem had doen verlaten vóór de 
mogendheden zich met onze belangen inlieten*"; en op cenerlei 
gronden hield Palembangs vorst de rechten op zijne onafhankelijk- 
heid staande tegenover de op Java verschenen Britsche overwin- 
naars*'. Het Fjngelsch bestuur zag die bijzondere verhouding 
tot l'alembang, waarin het door Hadroedin's overhaasting was 
gebrai^ht, wel in; doch het geluk wilde, dat de onafhankelijkheids- 
verklaring met de bekende zeer lage daad was gepaard gegaan, 
waardoor nagenrieg al de Europeanen op de jammerlijkste wijze 
omgebracht werden. Ook dat feit echter, als plaats gehad hebbende 
vóór het Fingelsch gezag op Java erkend was, behoefde zich de 
luitenant-gouverneur Raftles, indien hij het verkoos, niet aan te 
trekken; maar men wilde het land wel, en zoo RafHes zelf den Sultan 
indertijd compromitteerende brieven had geschreven met de aanspo- 
ring om de //Hollanders" te verjagen, kon het optreden als wreker 
van den moord tevens beschouwd worden als bewijs, dat de brief- 
schrijver het aldus niet bedoeld had ^^. Bovendien zoo Palembang 
zelf geene aanlokkelijke bezitting scheen, de daaraan onderhoorige 
tinrijke eilanden Banka en Billiton mochten in geen geval het 
Britsche gezag ontgaan *'. In naam der menschelijkheid daar heer 
en meester te worden : wat schooner , mocht men zeggen , voor de 
Engelsche openbare meening: Mavnev ^ rrovweii e» khifieren te he- 
Hchermen of te wreken; openbare plicht; eisclien van bescharing ; fje- 
Tjonhriiig en beiracktiuf/ van bil/ij kkeid^ recht y eer HjMeia f I Op een y^n 
Londens fraaie squares ziet men het beeld van een neger met 



OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUQ. 1814. 367 

biddend , daukend oog knielend voor Eugelauds laatsten vorst-gemaal ; 
het is voor het Engelsche karakter typisch: /^Schijnheiligheid en 
Pecksnifferij , inderdaad, die twee verwante gewassen, vinden 
nergens een gunstiger bodem dan in Engeland" **. 

De gouv. gen. van Bengalen, lord Minto, toonde zich dan ook 
in een uitvoerig aan Raffles gericht schrijven , gedagteekend Fort 
William 15 Mei ISIE'*^, bijzonder ingenomen met Gillespey^s 
expeditie naar Palembang als wrekende gerechtigheid. Hij weidde 
uit over den moord, over «'the combination of oruelty and treachery", 
over ffihe barbarous Malay Governments" en ^their savage subjects", 
over den afschuw ^with which we might expect every portion of 
the human race should contemplate crimes so opposite to the most 
uncultivated nature, when undepraved". — Op de vraag of het 
Engelsch gezag zich eigenlijk wel met de zaken van het onafhankelijk 
geworden rijk had in te laten, werd geantwoord door den Gouv. Gen. 
met «'clearest rights" , ^saored duties" , >^moral sense and feelings", 
^avenge innocent blood" , irmost sacred and most universal law 
of the devine or human code." — Dit alles wettigde afdoende, 
meende lord Minto, de beschikking over Badroedin's troon en — 
«'his treasure". — Intussclien moest de inbezitneming van Palera- 
bang niet de hoofdzaak worden, wel die van de tineilanden, en 
de Landvoogd geeft aan Raffles toe, dat een uitdrukkelijke afstand 
hiervan aan de Engelschen het minder waarschijnlijk zal maken , 
dat bij teruggave der veroverde koloniën, in geval van vrede, die 
eilanden er toe zouden gebracht worden , ofschoon tevens do 
mogelijkheid werd ingezien, dat ook de teruggave diuirvan kon 
worden geeischt. ®® 

De inneming van Palembang door de Engelschen in 1812 had 
de vlucht van den Sultan ten gevolge, waardoor men niet in 
staat was met hem in onderhandeling te treden; doch nu bood 
zich als opvolger bij den commandant der expeditie, kolonel Gil- 
lespey ®^, aan, des Sultans jongere broeder, die met den gevluchteu 
vorst in onmin schijnt geleefd te hebben. Gillespey meende uu 
den jongeren broeder op den troon te moeten verheffen, hetgeen 
geschiedde onder den naam van ratoe Achmed Najm al Diu. ^^ 

Het contract van 17 Mei 1812 beloonde de Engelschen voor hun 
optreden als wrekende gerechtigheid. Bij art. 1 , waarom het eigenlijk 
te doen was, stond de nieuwe Sultan voor hem zelven, zijne 
erven en opvolgers, en in naam van al de Pangerans, Mantries 
en Opperhoofden van Palembang aan den Koning van Engeland 



368 fenüall's en raffles opvattingen in het algemeen 

en aan de Eugelsche O. I. Compaguie af: //the fuU and uncon- 
trolled sovereignty and possession of the island of Banca , the island 
of Billiton , and all Ihe other small islands adjacent thereto and 
dependent thereon"; terwijl de Sultan verder beloofde: «'that this 
deed of cession shall be authenticated by a formel written transfer 
under his signature and chop, and that of the Princes , Pangerangs 
and Mantries of Palernbang, who may be concerned therein. ** 

Onderstaande afstandsakte was van deze laatste bepaling het gevolg. 
Hierop is niet voldoende de aandacht gevestigd. Zij is toch van 
belang , omdat van Engelsche zijde , speciaal daaruit voortvloeide : 
eensdeels de aanspraak op het blijvend bezit van BUliton , niettegen- 
staande de Londensche conventie ons de koloniën en daaronder 
ook Banka afstond; anderdeels het beweren, dat dit laatste eiland 
en onderhoorigheden uitdrukkelijk aan Engeland waren afgestaan 
onder gekoudenis dat de Sultan op den troon gehandhaafd zou blijven 
oiuler de destijds overeengekomen voorwaarden. Kolonel Gillespey naar 
Batavia terugkeerende, deed Banka aan, waar hij de afstandsakte 
in eene vergadering van hoofden , enz, deed voorlezen. De aanhef 
luidt aldus: 

I sultan ratoe Achmed Najm al Din, of Palernbang, do of my 
own free will, as an aknoivledgmeni of the favor conferred on me by 
the English government of Java , in advancing me to the throne of the 
kingdom of Palembang, and relying on the liberality of the English 
government for a suitable provision to maintain my rank and dignity, 
code to his M^jesty the King of Great Britain and to the Hon. East 
India Company, in full and unlimited sovereignty, the islands of 
Banca and Billeton and the islefs thereon depending; hereby renouncing 
on my own behalf , as well as on behalf of my heirs and sucessors for 
ever , all claim and title to those islands , with the mines and produce 
thereof, which together with all the privileges and prerogatives here- 
tofore exercised there by the Sultans of Palembang, I acknowledge 
to be henceforth the sole and exclusive property of his Majesty the 
King of Great Britain and the Hon. East India Company. '"^ 

Men ziet hoe hier het Engehch gouvernement op den voorgrond 
treedt; dit is niet toevallig geschied, maar bepaaldelijk met het 
oog op de, overeenkomstig het op bl. 367 aangeteekende, mogelijke 
teruggave der koloniën in het algemeen aan den vroegeren bezitter. 
De onpartijdigheid vordert te erkennen, dat het Raftles en de zijnen 
niet aan politieken zin ontbrak. Door het tractaat, krachtens welk 
de eilanden waren afgestaan, te verbreken, gelijk dezerzijds in 
1818 geschiedde, verloren wij, zeiden RafBes' organen, zelfs het 



OMTRENT HET LONDENSCH TttACTAAT VAN 13 AÜG. 1814. 369 

recht op het bezit van Baiika, niettegeustaande ous dit in ruil 
voor Cochin uitdrukkelijk was afgestaan. ' * Zoo namen de heeren 
de unlitigaied rights op, ingevolge waarvan ons Banka werd gegeven! ' ^ 

De overige bepalingen van Gillespey's contract dd. 17 Mei 1812 
zijn voor ons hier van geen belang; de ^8chat",dien de verjaagde 
Badroedin naar de binnenlanden had medegenomen , zou de 
nieuwe Sultan helpen opsporen en er de helft van aan het Engelsch 
bestuur uitkeeren. Ook zou men de schuldigen aan den moord 
— er moest toch ook iets van gezegd worden — opzoeken , ze bij 
gevangenneming ter dood brengen en hunne goederen verbeurd 
verklaren : //to relieve" — luidt het nota bene ! ! — //the distress 
of the widows and orphans of the late members of the Dutch 
Factory, who were murdered by the late Sultan." 

Oillespey haastte zich naar Java terug, waarheen de staat der 
Vorstenlanden hem riep, aan zekeren kapitein Meares overlatende 
den gevluchten Vorst op te vangen. Meares keerde echter doodelijk 
gewond van eene expeditie naar de binnenlanden te Palembang 
weder. De nieuwe Sultan — een even groote ellendeling als de 
verjaagde — stortte hittere tranen bij het aanschouwen van den hoog 
geachte gekwetste! ! luidt het in een tegen de Nederlanders gericht 
pamflet van den laatsten Engelschen resident te Palembang. '•'' 

Deze lieve Sultan nu was op den troon , toen C. C. Q. G. omtrent 
de overgave van Palembang en onderhoorigheden ernstig quaestie 
kregen met den Britschen Luitenant-Gouverneur. Weigerden genen 
reeds voor de handhaving der met de Javasche vorsten gesloten 
verbintenissen eenige belofte te doen, nog veel minder vond men 
ze geneigd eenigen waarborg ten dezen voor Palembang te geven. 
//Les Commissaires-Généraux ont eu les plus fortes raisons" — luidt 
het in eene op 'sKonings last dd. • 25 Augustus 1817 op het 
ministerie van Buitenlandsche Zaken samengestelde memorie over 
de geschillen bij de overgave ontstaan — //pour ne point garantir 
Ie traite fait avec Ie sultan de Palembang, qui parait ne pas être 
etranger, non plus que Ie 1* gouverneur RafHes, au meurtre du 
resident HoUandais ^ Palembang, ainsi que de 24 Européens, 
commis Ie 14 Septembre 1811" '^. — Daartegenover stond, dat 
Fendall vooral met betrekking tot Palembang de contractwaarborging 
verlangde , wijl ons Banka moest worden overgegeven , en dat eiland 
slechts in Engelands bezit was gekomen onder voorwaarde , dat 
Najm al Din sultan zou worden en blijven; blijven niet alleen op 
den troon, maar ook in het bezit van al de Palembangsche in- 



370 FBNDALL S EM RAFFLES OPVATTiXaEN IN HKT ALGEMEEN 

komsten: onder verzekering toch, dat de Sultan uitsluitend die 
inkomsten zou erlangen , had hij Banka afgestaan. Het Britsche 
bestuur wees hierop bij missive dd. 15 Juli 1816 '-^ en betoogde 
uitvoerig, dat het waarborgen van deze verbintenissen geheel met 
de rechtvaardigheid overeenkwam, terwijl Banka zoo veel voordeel 
opleverde, dat er onzerzijds geen bezwaar tegen bestaan kon om 
de inkomsten van Palerabang uitdrukkelijk aan den Sultan te 
verzekeren. Eerst den 26° Augustus 1816 antwoordden C. C; 
wel bleek het hun nu, hoe verkeerd men onzerzijds bij het tractaat 
van 1814 had gedaan, door overeenkomstig Castlereagh^s redactie, 
Banka destijds te beschouwen als eene zelfstandige , den Ëngelschen 
inderdaad toebehoorende kolonie "*. — C. C. hielden zich intusschen 
aan hunne betoogen tegen het waarborgen der contracten van de 
Javasche vorstenlanden. '41 ne s'agit pas" — merkten zij terecht 

m 

op — //de ce qui peut-être expediënt ou même de ce qui pourrait 
être considevé comme juste il Técart des Princes, avec lesquels Ie 
gouvernement precedent a contracté , mais il s'agit ici uniquement 
des droits et des devoirs des parties contractantes ; nous devous 
donc inhérer par rapport ik Ban ca tout que nous avons allegaé 
au sujet des traites conclus avec Ie Soesoehoenan et Ie Sultan , 
et nous prions Votre Excellence de vouloir concourir k une con- 
clusion prompte , pour que nous puissions prendre possession de eet 
établissement." — Den 3" September 1816 kwam het Britsch bestuur 
op de oude argumenten terug. Men ziet hieruit, dat Falck's 
vraag, of het afstandsrecht van Banka onvoorwaardelijk was — immers 
daarop kwam die vraag feitelijk neder — nog volstrekt niet zoo 
ongegrond was, als Clancarty destijds scheen te meenen. '^ Fendall i. 
R. besloot zijn betoog met de volgende woorden : ^Should Your Excel- 
lencies still see the case in. a different point of view and decline 
giving us an assurance for the maintenance of the Treaty now existing 
with the reigning Sultan of Palembang and bj which the Island of 
Banca has been obtained , we request to propose to Your Excellencies 
that the question be referred to our respective Governments in 
Europe , and an agreement be mutuallj made that in the mean time 
no change in the political relations or matters at Palembang shall 
take place, with the exceptiou of the Netherland ïlag and 
authority being established in stead of the British. Your Excel- 
lencies' concurrence in this proposal would give us great pleasure , 
as being the most amicable mode of adjusting a point on which 
we cannot agree in opinion. If otherwise , we still will not delaj the 



OMTRENT HET LONDENSCH TKACTAAT VAN 13 AUO. 1814. 371 

cession of the island of Banca and the restitution of the factory 
at Palerabang to His Netherlauds Majesty's Government, but in 
so doiug we must feel it our indispensible duty to enter asolemn 
Protest against auy act which does or may infringe the Treaty 
entered into by the British authorities of Java and its dependencies 
and the reigning Sultan of Palerabang, when Banca was ceded 
by the latter." 

Uit het antwoord van C. C. dd. 14 September 1816 bleek dat 
zij, en terecht, niet genegen waren Fendall i. 11. het verzochte 
//plezier" te doen; Ae seul raoyen donc de conclure" — be- 
richtten zij — //nous parait être Ie même adopté K Tégard de 
Java, c'est-Ji-dire la délivrance de Palerabang et Banca sous tel 
protêt que Tancien Gouvernement provisoire Britannique jugera 
convenable." — In dit antwoord lag dus volstrekt niet opgsloten , 
dat C. C. beloofden de contracten onveranderd te laten totdat 
daaroratrent de regeeringen in Europa hadden beslist, gelijk lord 
Moira hen later meende te moeten verwijten , toen zij inderdaad 
eigenmachtig verandering aanbrachten ' ' ; wèl had dit Fendall 
i. R. ook voorgesteld , doch door onze Vertgen woord igers was het 
alternatief niet aangenomen. Vreemd mag het heeten, dat op het 
ministerie van B. Z. ten onzent dezelfde verkeerde opvatting had 
bestaan; immers in het aan den Koning gericht rapport dd. 12 
Juli 1817 N». 12 wordt gezegd, dat de C. C. G. G. //ter vermijding 
van verdere discussie" het voorstel hadden aangenomen om de 
waarborging der met de Inlandsche vorsten gesloten contracten 
aan het oordeel der regeeringen in Europa te onderwerpen. 

De Britsche bestuurders lieten nu het quaestieuse punt in hun 
antwoord van 20 September 1816 rusten, doch verzochten een 
kort uitstel van behandeling, met het oog op de komst van den 
Palembangschen resident majoor Court, schrijver van het op bl. 369 
vermelde pamflet: ^s'With regard to Banca" — luidde het in dat 
schrijven — //we will have the pleasure to communicate with Your 
Excellencies fully in a very few days ; the unexpected arrival of the 
resident Major Court enable us to place in your possession the latest 
information on several matters of importance both regarding the 
mode of transfer and the interests of the future Government of 
that Island, and the delay of a few days will be amply com- 
pensated by the more complete information which raay then be 
laid before you." 

Bij brief van 1 October 1816 zette daarna Fendall i. R. breed- 



372 fendall's en uafples' opvattingen in het algemeen 

voerig de voortreffelijkheid der Banka-administratie uiteen, ffk 
lively regret" werd gevoeld over het antwoord van CC; nochtans 
meende men, dat dit niet de overgave van Falembang en Banka 
mocht tegenhouden, zoodat die zou plaats vinden onder protest: 
//however contrary to our wishes and painful to us to protest and 
appeal." Verder werden de voorwaarden medegedeeld, volgens 
welken de lusten en lasten van Banka en Falembang zouden 
worden overgegeven. — CC stelden het stuk in handen van de 
AdvUeerende CommiMte ' ^ , die vooral ten aanzien van Banka zeer 
gunstig over de voorstellen dacht, blijkens haar rapport van den 
5" d. a. V. ^*. Dientengevolge gaven CC den 20" October 1816 
o. a. aan Fendall te kennen , dat zij de bezittingen zouden over- 
nemen in den staat, waarin zij zich bevonden den laatsten Juli 
1816, overeenkomstig de conventie voor Java dd. 23 Juli 1816 
gesloten. — De Britsche autoriteiten antwoordden echter den 24" 
October, dat hun schrijven was //completely misunderstood'^ , waartoe 
het volgende o. a. werd bijgebracht: /rWith regard to Your Ex- 
cellencies proposal that the 7th article of the Convention, oon- 
cluded between us on the 23th of July last shall be rendered applicable 
to Banca, we must frankly declare, that we consider Banca to 
be a cession separately and distinctly situated as such, and quite 
in a different point of view from the restitution of Java and its 
dependencies. Indeed Your Excellencies will no doubt recollect, 
that in the conference which preceded the conclusion of our Con- 
vention of the 23th July 1816, — the Settlement of Banca was 
expressly resolved to be excluded from that Convention and the 
clause that had been proposed regarding it, was in consequence 
omitted. — We therefore positively decline acceding to Your 
Ëxcellencies' proposal on this head, no diiliculties or delays have 
beeu started on our part and we have not as yet received any 
iutimation of Your Excellencies being prepared to take charge of 
the Island of Banca. Until the cession actually takes place we 
cannot consent to consider the administration of that Island as 
held for any other than the British Government." 

C C vatten hierop vuur, blijkens hun schrijven dd. 27 October 
1816. Wat in het algemeen het misverstaan betrof, zij wezen er 
op te zijn voorgelicht door eene commissie, waarvan onderscheiden 
leden goede dienaren van het Britsche gouvernement geweest waren. ^" 
En wat het tijdstip der berekeningen aanging , C C zeiden den 
laatsten Juli als het einde van het Britsch bestuur te beschouwen , wijl 



OMTEBNT HET LONDBNSCH TRACTAAT VAN 13 AÜG. 1814. 378 

het toch geenszins hunne schuld was, dat Banka zooveel later 
werd overgenomen. De Engelsche autoriteiten zelven hadden met 
het oog op, majoor Court's overkomst eenig uitstel verzocht: ^mais 
ce qui nous pèse fortement, c'est d'encourir Ie reproche d'un 
délai, qui plutöt nous donnerait droit & la reconnaissance de 
Yotre Excellence en Son Conseil, puisque nous avons détaché la 
plus belle troupe de notre foroe militaire peu considérable , pour 
prendre possession d^un établissement bien moins interessant pour 
nous, mais uniquement pour retirer les troupes de 8a Majesté 
Britannique, de la position vraiment cruelle, dans laquelle elles 
se trouvaient h Macasser^\ Doch, wat daarvan ook zij, C.C. 
zouden zich aan de gestelde voorwaarden onderwerpen, behoudens 
hooger beroep 'op de regeeringen in Europa. — Pendall i. R. ant- 
woordde den ü"" November 1816 , dat zijnerzijds volstrekt geen aan- 
leiding tot uitstel was gegeven; dat de spoediger overneming van 
Makasser alleen was aanbevolen , omdat anders de moesson het weg- 
zeilen der troepen zou bemoeilijken; dat er het Britsche garnizoen 
volstrekt geen hulp behoefde, ten bewijze waarvan kon strekken, 
dat het inmiddels weder voordeden behaald had, enz. Verder luidde het 
daarin , dat de noodige instrüctiën aan den Engelschen resident voor 
de overgave van Banka en Falembang waren verstrekt; en met den 
aanmatigenden toon, dien de Engelsche autoriteiten zoo gaarne 
tegen zwakkeren aanslaan, werd onder overlegging der instrüctiën, 
de hoop uitgedrukt, dat de bevelen, die onze Eegeering aan den 
Nederlandschen commissaris voor de overneming zoude geven , 
evenzeer de strekking mochten hebben om de zaak geleidelijk te 
doen afloopen. //In conclusion" , besloot het schrijven , ^we have to 
regret that Your Excellencies' opinion upon the required guarantee 
of the existing treaty with the Sultan of Falembang is so com- 
pletely at variance with ours, that we are compelled by a consi- 
deration of upholding the good faith pledged by the British 
Government to the Sultan, to protest against any infringement 
of that treaty; and we consequently transmit herewith a formal 
protest upon the subject. ®' 

En dat geschiedde , terwijl , gelijk ik op bl. 362 mededeelde , de 
Oouv. Oen. aan Eendall uitdrukkelijk had gelast dien eisch ni^l 
te stellen! 

De overgave zelve had verder zonder onaangenaamheden 
plaats. De aan resident Court gegeven instrüctiën luidden in- 
derdaad zoo welwillend mogelijk. Zij waren vervat in een aan 
6e Volgr. III. 26 



374 fendall's en raffles' opvattingen in het algemeen 

hem door den secretaris Assej gerichten brief dd. 2 November 
1816; politieke aangelegendheden werden er echter niet in be- 
handeld ; hieromtrent ontving de Resident een afzonderlijk schrijven. 
Aangezien de overgave niet slechts Banka, doch ook Falembang 
betrof, werd spoedshalve Court gemachtigd om zijn eersten assistent, 
kapitein Forbes, namens hem te doen optreden. De overdracht 
behoorde te geschieden : x^in the spirit of mutual concession and 
good wiir\ ^on the principles of amity and conciliation". Het 
^colonial corps" , dat onder den Resident diende , moest met toe- 
kenning van ééue maand extra-betaling ontbonden worden; doch 
het zou //satisfactory and gratifyiug'' zijn , dat deze troepen in 
dienst van de Nederlandsche regeering overgingen, indien zij 
daartoe werden aangezocht, terwijl den Resident in het bijzonder 
werd opgedragen : fdo use all proper means of persuasion to induce 
them to do so, but they cannot be compelled against their incli- 
nations and if they refuse, you will take proper measures to 
convey them to their home or to Java as circumstances may admit." 

Bij besluit van den Souvereinep Vorst dd. 8 Januari 1815 was 
voor C. C. Q. G. eene instructie vastgesteld , die eenige maanden 
later door eene suppletoire instructie, vastgesteld bij Koninklijk 
Besluit dd. 23 September 1815 gevolgd werd ^^, Art. 8 dezer 
laatste luidde aldus: //Bijaldien Commissarissen-Generaal het niet 
noodzakelijk of nuttig mochten oordeel en , dat de overneming 
van een of meer dier bezittingen door een hunner in persoon 
wierde gedaan , zullen zij daartoe Commissarissen mogen benoemen , 
te kiezen uit zoodanige personen, als zij oordeelen de meeste 
aanspraak en vereischten tot zulk eene eervolle commissie te bezitten , 
en dezelve Commissarissen voorzien van zoodanige instructiën, 
als zij ter bereiking van het oogmerk en ter provisioneele beheering 
van dezelve meest dienstig kunnen keuren , met inachtneming der 
voorschriften hierboven omtrent de overneming gegeven." 

Voor Banka en Falembang was de keuze gevallen, wegens 
//'s mans oordeel , kunde en ervarenheid" , berichtte Elout particu- 
lier aan Goldberg dd. 4 Juli 1817, op den heer Klaas Heynis ^ •' , 
//wiens bekwaamheden en goede naam boven alle verdenking 
zijn" , verzekerden C. C. G. G. in hunne missivive dd. 9 October 
1816 aan het Opperbestuur; — een oordeel, dat weldra geheel 
en al onjuist zou blijken. De Commissaris vertrok den 19" November 
1816 op het fregat de Marm Reygerabergen ^ terwijl de medegaande 
ambtenaren, 33 militairen en 16 /^bandieten" met vrouwen en kin- 



OMT&ÜNT HET LONDENSCH TSACTAAT VAN 13 AUQ. 1814. 375 

deren ^ * over dit schip en een ingehuurd particulier vaartuig * ^ 
verdeeld werden ; kapitein-luitenant Van Everdingen van der Njpoort 
was commandant van het fregat. 

De overgave had zonder stoornis verder plaats, den 10" van 
fianka en den 16° van Falembang , zoodat Fendall een schrijven 
aan C.C. dd. 12 februari 1817 aldus besloot: //In concluding 
this letter we request to express to Your Excellencies our satis- 
faction at finding from the reports of Major Court that every 
thing has been arranged between him and Mr. Hejnis with oor- 
dialitj and conciliation/^ 

Nochtans waren ook nu quaestiën gerezen , die eerst bij het 
tractaat van 1824 uitgemaakt zouden worden. 

Gelijk ik reeds op bl. 273 mijner vorige verhandeling mede- 
deelde, was in het tractaat van 1814 vergeten nevens Banka de 
onderhoorighedeii te noemen , terwijl wij wel in ruil moesten afstaan 
//Cochin en onderhoorigheden". Toen C. C. G. G. dit lazen , — of 
liever, vermoed ik, eerst in Indië overwogen, — dachten zij wel, 
dat hieruit moeielijkheden zouden voortvloeien ; zij spraken er daarom 
met Fendall maar niet over, doch gelastten Heynis om bij de 
overgave van fianka ook de onderhoorigheden , speciaal Billiton , te 
vorderen , als eene vanzelf sprekende zaak. Onze Vertegenwoordiger 
gaf hieraan gevolg, doch Court weigerde op het verzoek in te 
gaan, als daartoe geeue bevelen hebbende ontvangen: //evenals wij 
het hadden voorzien", schreven C.C. dd. 3 Maart 1817 aan het 
Opperbestuur. Nochtans deden zij zich in hun beklag hierover bij 
Fendall i. R. als zeer verwonderd voor! Immers bij brief dd. lö 
Februari 1817 schreven zij het volgende: 

Une lettre du resident Heynis nous apprend que Ie major Court a 
fait des difficultés pour Ie transfer de Tïle de Billiton puisque n'ayant 
re9u aucun ordre a eet effêt de son Gouvernement, il serait en 
conclure que cetle ile et les autres dépendances de Banca restaient 
toujours sous la souveraineté du Gouvernement Britannique. 

Nous regrettons beaucoup qu'une opinion aussi erronée ait empêché 
Ie Resident Néerlandais è prendre les mesures nécessaires pour l'occu- 
pation des dépendances de Banca; aussi nous lui feront parvenir les 
ordres nécessaires pour ne plus retarder cette occupation. 

Nous avons cru devoir en avertir cependant Votre Excellence en 
Son Conseil , puisque Ie départ du major Court pourrait peut-être 
rendre nécessaire de nouveaux ordres ^ donner pour Elle. 

Fendall i. R. beantwoordde dit schrijven den 21° d. a. v. met 
een beroep op het ons bekende art. 2 der Londensche conventie 



376 FENDALLS EN RAFFLES OPVATTINOEN IN HET ALOEMEEK 

This article stipulates for the cession of the island of Banca and 
nothing farther ; the refusai of your Excellencies to guarantie the Treaty , 
existing between His Highness the Sultan of Palerabang and the 
British Government at the time of the cession of this colony, has pre- 
vented our placing at the disposai of his Netherlands Majesty's Govern- 
ment the possessions ceded to the British Government bij that Treaty. 
The island of Billiton is one of them and we are not aware that 
under any article of the convention concluded in August 1814 His 
Netherlands Majesty's Government has acquired any right to the pos- 
session of the said island , it neither being comprehended in the article 
about alluded to, nor having been so far as we know under the 
sovereignty of the Dutch Government on the i*^ of Januari 1803. 

We have therefore not transferred and we do not transfer the 
dependencies of the island of Banca to His Netherlands Majesty's Govern- 
ment and if your Excellencies deem it proper to take possession of 
them, it can not be under any orders or authority on our part, but must 
be entirely on your own responsibility . At the same time if your Excel- 
lencies wish that the question with regard to the possession of the 
dependencies of Banca should be brought to the notice of the suprème 
authorities in Europe we can have no objection to do so. 

It is unnecessary to add that this question has no reference to the 
Factory which the Dutch govemment possessed at Palembang and which 
has been delivered over by us to his Netherlands Majesty's Govemment. 

C. C. G. Q. antwoordden dd. 28 Januari 1817. Zij stemden er 
in toe , dat de quaestie aan de beslissing der regeeringen in Europa 
zoude worden overgelaten^ doch deelden tevens mede, dat zij in 
afwachting hiervan alvast het eiland zouden doen bezetten en wel 
in /rhet algemeen belang", dat te eerder drong, wijl de bewoners 
van het eiland de zee onveilig maakten ^^. Het algemeen helavg 
kon alzoo , dank ter rechter tijd verschijnende zeeroovers , op 
den voorgrond worden gesteld! C. C. Q.Q. schreven dan ook dd. 
3 Maart 1817 aan het Opperbestunr over hun bevel tot het be- 
letten van Billiton, niettegenstaande de overgave was geweigerd: 
//De resident van Fekalongan ons bericht hebbende, dat eenige 
rooversvaartnigen , welke de kust aldaar verontrusten , volgens bij 
hem ingekomen informaties te Billiton zouden thuis behooren, 
hebben wij in den laatst aangehaalden brief daarvan gebruik ge- 
maakt , tot nader bewijs van de noodzakelijkheid om dat eiland te 
bezetten." 

De in bezitneming kon echter niet zoo spoedig plaats vinden, 
als C. G. G. G. het hier deden voorkomen; zij hadden namelijk 
volslagen gebrek aan troepen en het is zeker niet oneigenaardig, 



OMTRENT HET LONDEN8CH TRAOTAAT VAN 13 AUG. 1814. 377 

dat dezelfde bittere klachten hierover bij het Opperbestuur weinige 
jaren later in eenerlei verwijtenden toon zonden herhaald worden 
door den Gouv.-Qen. Van der Capellen, toen zijn vroegeren 
ambtgenoot £lout aan het hoofd van het departement van Kolo- 
niën geplaatst was! ^' 

In een brief van 9 October 1816 ®» reeds geven C. C. G. G. 
te kennen, hoezeer reikhalzend naar troepen, ook voor onze be- 
zittingen op Snmatra, wordt uitgezien, al zou //vertoouing van 
macht meer dan gebruik daarvan noodig"' blijken te zijn. /i^Wij 
verlangen dan ook zeer naar eene nieuwe bezending van troepen , 
en het smart ons in waarheid, dat van de zoo veelvuldige gele- 
genheden, die er in het vaderland geweest zijn, geen gebruik ge- 
maakt is om troepen , al was H compagnies of halve compagnies 
gewijze , naar herwaarts te zenden."" Evenzoo in een particulieren brief 
aan den departementschef voor de Koloniën dd. 8 Februari 1817 ®*. 
"Waar blijven toch de troepen I" — vraagt Elout. — '/Het is bijna een 
wonder, dat wij nog de Molukken hebben kunnen bezetten. De be- 
langrijke bezetting van Malacca kan niet geëffectueerd worden. Ik 
verzoek uwe bijzondere aandacht op den brief, waarin wij over 
de niet-overgave van Billiton schrijven. Dat eiland behoort ons, 
moet in geene andere handen zijn, en is van alle zijden voor ons 
belangrijk. Het brengt veel ijzer voort, en is een schuilnest voor 
zeeroovers." En alzoo werd bij een besluit van 7 April 1817 door 
onze Regeering verklaard: dat van het eiland Billiton in naam 
en van wege Z. M. den Koning der Nederlanden bezit zoude 
worden genomen, en voorts het beheer der zaken aldaar zoude 
zijn opgedragen aan een ambtenaar, onder den titel van assistent- 
resident van Banka en Palembang®*^ 

IV. 

Met het vertrek der Engelschen van Java e. o. zouden intusschen 
de onaangenaamheden eerst recht beginnen. 

Terwijl namelijk tot grootere schade dan wij wel konden ver- 
moeden , gemis aan troepen , schepen en geld belette alle ons toe- 
gewezen bezittingen ten spoedigste over te nemen, w. o. Fadang 
en Malakka, verbreidde zich de mare, dat Baifles als luitenant- 
gouverneur van Benkoeleu zou terugkomen. Inderdaad, was ook 
niet alles nog naar genoegen van de Court of Directors opge- 
helderd , dit College kreeg niettemin al rasch zeer gunstige indrukken 



378 FENDALL8 EN RA.PPLES OPVATTINOEN IN HET ALGEMEEN 

over Kaffles' bestnursdaden in het algemeen, zoodat het aan den Gouv. 
Gen. van Bengalen dd. 13 Februari 1817 schreef: ^With these impres- 
sions, we shall not have the least diflBcnltv in permiiting him to 
proceed from hence (as soon as his health permits) to Fort Marbro' , 
to assume the office of Resident of that station" • * . 

Zijne gezondheid en vermoedelijk ook de door hem noodzakelijk 
geachte bemoeiingen om in Engeland de openbare meening tegen 
het in Oost-Indië hersteld Ned^landsch gezag te stemmen , deden 
hem echter nog eenige maanden in Europa blijven; eerst toch in 
October 1817 ging hij te Portsmouth met zijne familie scheep •*. 

Weinige dagen vóór zijn vertrek, betoogde hij echter, dat 
indien hij enkel als resident optrad in de nabaurschap van het 
land , waar hij Gouverneur was geweest , zulks hem in eene 
onaangename verhouding zou brengen en den schijn geven, 
alsof de tegen hem ingebrachte beschuldigingen gegrond waren 
geoordeeld. Yaudaar dat de Couré of DhectorSy ^in considera- 
tion of the zeal and talents he displajed during the period 
he fiUed the office of Lieutenant-Governor of Java" * * , hem den 
verzochten titel schonk: «^as a peculiar mark of the favourable 
sentiments which the Court entertained of that gentleman^s 
merits and services" •*. Echter geschiedde dit met de uitdrukke- 
lijke voorwaarde, dat hij zich slechts had te beschouwen als een 
commercial resident en dat dus de titel hem geen enkel politiek 
gezag toekende ^^, 

In verband daarmede luidde het ook in zijne instructiën , dat 
hij zich slechts tot berichten aan de Court of Birectors had te 
bepalen over : >fthe proceedings of the Dutch and other European na- 
tions, as well as of the Americans, in the Eastem Archipelago" ••. 
Trouwens reeds vóór Eaffles' vertrek was onze departementschef 
voor de Koloniën van Londen uit gewaarschuwd : //dat de intentie 
was om den handel van Java zeer na te gaan, en Raffles daarom 
in de nabijheid gezonden was"; en dat hij /reen pecuuiële onder- 
steuning ontving" van een handelshuis, waarvan de associó lid 
van het Parlement was •'. 

Baffles landde den 22° Maart 1818 te Benkoelen ^® en gaf 
hiervan den volgenden dag aan onze Regeering kennis ' * . In een 
schrijven van eenige dagen later, nl. van 2 April, stelde hij voor 
om gezamenlijk de kosten te dragen van een geregelden postdienst 
tusschen Benkoelen en Batavia'"". Eindelijk had hij bij eene 
missive dd. 27 Maart onze Regeering aanbevolen , dat , tot regeling 



OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 379 

eener greusquaestie, wij eeu deel van de Lampongs aan hem zouden 
afstaan : een onderwerp , dat niet tot de beschouwingen van dit 
opstel behoort, zoodat wij het slechts voor de eenheid der voor- 
stelling aanstippen. 

Een zekere kapitein Travers * " ^ bracht de drie brieven persoonlijk 
bij onzen Gouv.-Gen. Ook werden dezen eenige brieven en kleine 
geschenken van Raffles voor Inlaudsche hoofden aangeboden. De 
Gouv.-Gen. had geen bezwaar gemaakt zich met de bezorging 
hiervan te belasten , evenmin als in het toestemmen van het door 
Raffles gedaan verzoek, om als lid van het Javasche Menschiievend 
Genootschap te worden beschouwd en toezending van de gedrukten 
te erlangen; doch de drie hooger genoemde brieven meende hij 
aan het oordeel van C. C. G. G. te moeten onderwerpen. *"2 

Vertoeven wij hier een oogenblik. Het tractaat van 1814 herstelde 
onzen kring van belangen in den Oosterschen archipel , gelijk wij dien 
in 1 Januari 1803 bezaten. Er kon daarbij geene quaestie zijn — 
nu evenmin als vroeger — van eene gebiedsaanwijzing , die slechts 
ging voor zoover wij er ons plaatselijk zouden vestigen of de be- 
staande lulandsche contracten toelieten , dus met vrijlating aan 
eenige andere mogendheid om zich desverkiezend op een plaatsje 
naast dat , waar wij de vlag gesteld hadden , neder te zetten of om 
met de binnen dien belangenkring gevestigde vorsten ook contracten 
aan te gaan. In geen koloniaal rijk, ook natuurlijk niet in En- 
gelsche sferen, werd iets dergelijks toegelaten; wat ^neer is, ter 
wille dier eenheid van belangen had men ons Banka afgestaan, 
gelijk immers bij de onderhandelingen over het tractaat van 1814 
uitdrukkelijk was verzekerd geworden ! * " "' Raffles' streven nu was 
op dat internationaal-koloniaal beginsel, dat geen Engelschman 
op zijn koloniaal gebied ooit zou miskend willen zien, inbreuk te 
maken, met schending van het tractaat van 1814; de plicht onzer 
Regeering natuurlijk om dit met alle macht tegen te gaan. De 
voorstellingen der Engelsche schrijvers omtrent ons verzet in dit 
opzicht zijn als overal, waar zij onze koloniale aangelegenheden 
behandelen, tot in het logenachtige eenzijdig. Zoo leest men 
op bl. 492 der Quarterly Review van Jan. en April 1862: '/The 
conduct of Holland to England after the restoration of her Eastern 
colonies was abominable. They were no sooner regained than it 
became a primary object of the Dutch Government to obliterate 
every tracé of the British rule. [Alsnof dut abominabel gedrag 
niet overal door Engeland zelf in veroverde koloniën is in acht ge^ 



380 FENDALLS EN RAPPLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN 

nomen! f) It grasped at the andivided sovereignty of the archi- 
pelago, deposed the Sultan, whom we had placed on the throne 
of Java (? ?) , laid claim to territories to which it had no right , 
opposed the formation of a settlement for affording aid and 
refreahment to British ships {toe onschuldig niet waar f') and was 
obviously bent upon re-establishing its old commercial monopoly. 
With that intention , it possessed itself of the onlj two channels 
by which ships could pass into the archipelago and the China 
seas — the straits of Sunda and Malacca. These measures might 
have inflicted irreparable injury upon the trade of England if sir 
Stamford Baffles had not fortunately established, almost on his 
own responsibility , the free port of Singapore." — Zoo schrijft 
men geschiedenis 

C.C.G. G. behandelden Raffles' brieven in hunne vergadering 
van 7 Mei 1818. Besloten werd de kennisgave van 23 Maart be- 
leefd te beantwoorden. — Over den postdienst was reeds in 1816 met 
het Engelsch bestuur eene correspondentie geweest. Destijds had 
de resident van Bantam De Bruin bij brief van 25 December 1816 
onze Begeering er op gewezen, dat er zelfs onder het Britsch 
bestuur op Java, toen er eene geregelde correspondentie tusschen 
Benkoelen en Java bestond, geene uitsluitende postboot was aan- 
gewezen, waarom hij die ook nu niet noodig achtte '"^. De 
Regeering had zich met dit advies vereenigd , en in dien geest bij 
missive dd. 27 December 1816 door den heer J. C. Baud aan C. 
Assey , ^i'Secretary to the British Commissioners" , doen schrijven * " ^. 
C. C. G. G. besloten ook nu den Luit.-Gouv. kennis te geven , dat 
zij geen vasten postdienst noodig achtten. — Wat eindelijk betrof 
het voorstel tot afstand van Lampongs grondgebied , hiervan wilden 
zij natuurlijk in het geheel niet weten. 

Yan deze drievoudige beslissing der vergadering van 7 Mei 
1818 '***, werd den Luit.-Gouv. kennis gegeven door onzen Gouv.- 
Gen. bij brief van 15 Mei 1818, doch bovendien werd de aan- 
vrage van Lampongsch grondgebied zóó militant gevonden, dat 
C. C. G. G. tegelijkertijd [overwogen : //dat het hoogst belangrijk is 
deze aanvrage van den Britschen Luitenant-Gouverneur van Ben- 
koelen te brengen ter kennisse van Zijne Majesteit, en daarbij eene 
en andere bedenkingen tot die materie dienende, te voegen/' 

Met Baffles' aanvrage om Lampongs grondgebied had inderdaad 
de strijd, die op de stichting van Singapore zou uitloopen, 
een aanvang genomen; dat hijzelf, niettegenstaande zijne vleiende 



OMTEKNT HET LONDBNSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 381 

brieven, dit ook beoogd had, blijkt uit een partikulier schrijven 
van een paar dagen later aan zijn in Europa vertoevenden vriend 
William Marsden, nl. van 7 April 1818, waarin hij op de mede- 
deeling zijner behouden aankomst te Benkoelen, na eene ver- 
velende reis uit Europa van vier maanden, het onderstaande laat 
volgen * ^ ' : 

I am already at issue with the Dutch Government about their boun- 
daries in the Lampoon country. They insist on packing us up close 
to Billimbing , on the west coast. 1 demand an anchorage in Simangka 
Bay, and lay claim to Simangka itself. If we obtain this, we shall 
have a convenient place for our China ships to water ; and shouid we 
go no further within the Archipelago, be able to set up our shop 
next door to the Dutch. It would not , I think , be many years before 
my station in the Straits of Sunda would rival Batavia as a commercial 
entrepot, If I have time, you shall have copies of my dispatches, and 
I hope to have your support with Mr. Canning on this point. You 
will at once see the immense importance of what I am standing out 
for, both for this coast and our interest generally. 

C. C. G.G. hadden echter Raffles^ plannen reeds vóór zijne terug- 
komst doorzien en in verband daarmede getracht zich nog zooveel 
mogelijk in den verkregen kring van belangen vast te zetten, als 
in de Lampongs, in Palembang, op Billiton, op Borneo, op Bali. 
Zij werden echter in hunne wijze politiek zeer belemmerd, gelijk 
ik opmerkte, door gebrek aan troepen en geld. Belangrijk wegens 
het doorzicht, waarvan zij blijk geven, zijn hunne brieven over 
de gevolgen , die Baffles* terugkomst voor het Nederlandsch gezag 
zou kunnen hebben. 

Den 9° October 1816 reeds schreven zij in de sub 55 vermelde 
missive het volgende aan het Opperbestuur: 

De L' Gouverneur Raffles, die thans in Europa is, zal ongetwijfeld 
zijne bijzondere en plaatselijke kennis bezigen om het Britsch kabinet 
of de Britsche O. I. Compagnie al het belangrijke in te prenten, dat 
er voor Engeland gelegen is in die bezittingen. Wij zijn genoegzaam 
onderricht, dat 'hij met Sumatra groote ontwerpen in den zin heeft, 
en wanneer hij eens weder als resident op Benkoelen geplaatst zal 
zijn (waartoe hij is aangesteld), zal hij ongetwijfeld zijne beste en 
onvermoeide pogingen aanwenden, om van dien kant den Britschen 
invloed en het Britsch gezag uit te breiden , en tegelijkertijd zijne 
geliefkoosde ontwerpen op de andere zijde niet uit het oog te verliezen ; 
kan hij nu op grond van een of ander voorwendsel, zich mengen in 



•382 FENDALLS EN RAFFLEs' OPVATTINGEN IN HET ALGESiTEEN 

de betrekkingen tiisschen de Vorsten daar en de Nederlandsche 
Regeering, hij zal zekerlijk niet nalaten daarvan gebruik te maken. 

Een jaar later, nl. den 10" October 1817, schrijft Elout par- 
ticulier aan Goldberg, den departementschef van Koloniën: 

De benoeming en aanstaande komst van den heer Raffles als Luitenant- 
Gouverneur op Benkoelen en de plans, welke wij weten, dat hij èn 
op Sumatra, èn op Borneo, èn op Bali heeft, hebben ons aangezet 
om derwaarts onze oogen en oplettendheid te vestigen , en ook hieraan 
zijn wij in deze oogenblikken werkzaam. Wij zenden personen naar 
de onderscheiden vorsten om met hen in nadere verhouding te treden 
en ik vlei mij daaruit goeds te zien geboren worden. Wij hopen, dat 
dit 7^ M* goedkeuring zal verwerven, doch men houdt het in Europa 
maar voor onbekend. 

Het cursieve was door Elout onderstreept. 
En dd 21 December 1817 «"«: 

De heeren Muntinghe en Smissaert zijn naar Banka en Palembang 
vertrokken: de regeerende Sultan heeft zich eenigszins cavalièrement 
gedragen ten aanzien van een aan hem medegedeeld besluit, waarbij 
wij zijne betrekkingen en verplichtingen jegens den ouden Sultan ge- 
regeld hadden. Hij zal er over onderhouden worden. Wij moeten daar 
onzen invloed en autoriteit vermeerderen. Dit staat in verband met 
dat andere gedeelte van Sumatra, dat de benaming van Lampongs 
draagt. De heer Kruseman, die, door zware onpasselijkheid genood- 
zaakt eene reis naar Europa te doen, voor \\ jaar verlof heeft, zal 
UHEG. bekend maken met zijne idees omtrent die waarlijk belangrijke 
districten. De heer Raffles had zeker sedert lang plans tot uitbreiding 
aldaar , die hij bij zijne terugkomst zal zoeken te realiseeren , denk ik. 
Wij zijn hem eenigszins vó()rgekomen, door bezit van die streken te 
nemen, die de droit aan ons behooren, en reeds met de Inlanders 
(geheel met hun vrijen wil) verbintenissen aan te gaan. Ik wenschte 
dat wij Benkoelen hadden en de verdere kleine Engelsche bezittingen 
op Sumatra. Ik gaf veel van onze bezittingen op het vaste land van 
Indië daarvoor. 

Doch Muntiughe's tocht naar Palembang had, krachtens het 
besluit van 27 October 1817, vrij wat aitgebreide» strekking , dan 
de door de Engelschen ten troon verheven Sultan ie onderhouden. 
Hij moest worden gepenswuneerd met toekenning van eenige districten 
voor zijn onderhoud, terwijl de verantwoordelijke moordenaar van 
1811 weder ten troon zou worden verheven, zij het ook met afstand- 
doening van het grootste deel des Eijks aan de Nederlandsche 
regeering ' "*, 



OMTEENT «ET LONDENSCH TICACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 383 

Termen om zóó hardhandig tegenover sultan Najm al Din op te 
treden, waren er eigenlijk niet. Falembang leed aan wanbestuur, 
*t is waar; doch tot dusver hadden wij er nog geen voldoend gezag 
gevestigd gehad om den Vorst in zijn bestier bij te staan. Mun- 
tinghe kwam er nu eerst met eene macht; wij hadden het daarbij 
voorloopig moeten laten : vroeg of laat zou de Vorst toch wel in 
de kaars zijn gevlogen ''". C.C. waren echter te zeer onder den 
indruk van Raffles^ komst; zij vreesden den onder diens bestier 
ten troon verhevene , in wien zij zagen een Engelsch gezind vorst : 
hem onschadelijk te maken en den door het Engelsch bestier van 
den troon vervallen verklaarden Badroedin andermaal tot sultan 
te verheffen , zou ons tegenover de te verwachten Engelsche intriges 
steun geven. 

Hoe spoedig reeds dit denkbeeld bij C.C. G. G. zekeren vorm 
had aangenomen , kan blijken uit hun op bl. 381 vermeld schrijven 
aan het Opperbestuur dd. 9 October 1816. Daarin dringen zij er 
vooral op aan, dat ook de regeering in Nederland niet toegeve 
aan eene eventueele vordering om de onschendbaarheid der gesloten 
contracten te waarborgen, wijl dan aan de Britscbe autoriteiten 
gelegenheid zou worden geschonken om zich met onze koloniale 
zaken in te laten, waarnaar dezen verlangden, indien men onzer- 
zijds in die contracten eenige verandering wilde aanbrengen. C.C. 
vervolgen dan aldus: 

En wij mogen niet ontveinzen, dat zulk eene gedachte ons niet 
geheel vreemd is. 

Dit is zeker, dat de bezitting van Banka op zich zelve reeds eene 
groote aanwinst is ; te voren toch werd enkel eene bepaalde hoeveelheid 
tin door den Vorst volgens contract als eene verplichte 'leverantie 
overgegeven ; nu zijn wij meester van alle de rijke mijnen , en hoezeer 
wij liever tot nu toe de hoegrootheid der opbrengst niet willen be- 
palen , zoo kunnen wij uit de bij ons ingekomen onderrichtingen reeds 
genoegzaam opmaken, dat zij hoogst aanzienlijk zijn zal. 

Zulk eene bezitting dus voor ons te verzekeren is plichtelijk, maar 
daartoe en tot andere einden evenzeer moet onze invloed en ons 
gezag op Sumatra vergroot worden , en wij moeten zoo mogelijk voor- 
komen, om niet voorgekomen te worden. 

Wellicht kunnen wij dit nu met eene mindere macht doen dan 
na verloop van eenigen tijd , en wij zouden dit ook niet ver- 
zuimen, wanneer niet ongelukkiglijk de troepen, die wij met de Prins 
Ftederik en de Maria Reygersbergen verwachten , zoo lang achter bleven. 

Uit deze redeneering evenwel moet niet worden opgemaakt , dat wij 



38i FENDALLS EN RAFFLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN 

een vijandelijken inval in den zin hadden; integendeel, het is waar- 
schijnlijk, dat tot het bedoelde einde niets dan onderhandelingen, 
maar ernstige onderhandelingen, door vertooning, niet door gebruik 
van macht gerugsteund, noodig zullen wezen. 

De wijze van hun optreden zou echter juist te weeg brengen , 
wat eigenlijk niet beoogd werd ; en het is werkelijk jammer ge- 
weest dat ten deze het doorzicht van C. C. G.6. gefaald heeft. Dat 
wij aan allen invloed van Engelsche zijde een einde wilden maken , 
niets natuurlijker : zóó zelfs, dat reeds in een schrijven dd. 13 December 
1816 , van Fendall aan het Londensch bestuur der Oosi-Indische Com- 
pagnie j dit streven van C. G. G. 6. als eene vanzelf sprekende zaak 
wordt vooropgesteld. ^i'It is the wish of the Netherlaud Commis- 
sioners-General" — lezen wij daar * ' ' — ^to exclude as much 
as possible an acknowledgmeiit of relations established during the 
Briti4sk administration , and carefuUy to avoid giving the Native 
Chiefs any reason to thii^k, that the British continue to retain 
an influenoe or connection in this Colony. The poUcy may he natural 
enougk!''' — Doch deze politiek sloot geenszins uit, dat daarbij 
zekere vormen van achting niet werden overschreden ten aanzien 
van de mogendheid , die , gelijk het luidt in een brief van Castle- 
reagh dd. 14 Juli 1814 *'*, vervuld was geweest met het streven 
//almost romantic, to serve Holland^\ Wat omtrent onze waar- 
deering hiervan , C. C. G. G. zelven ook in de voor openbaarheid 
bestemde schrifturen mochten getuigen, hunne handelingen waren 
er zeer zeker niet in overeenstemming mede. Terwijl nog zoo kort 
te voren de al of niet handhaving der tractaten, ouder het Engelsch 
tusschenbestuur gesloten, het onderwerp van ernstig geschil was 
geweest, gaven zij zelven zonder noodzaak aanleiding lot het niet 
geheel ongegronde verwijt, dat al zeer weinig eerbied betoond 
werd voor den «'grootmoedigen en rechtvaardigen bondgenoot", 
gelijk het luidde in de publicatie dd. 19 Augustus 1816 (Stbl. 
N° 5), waarbij C.C. G. G. het optreden der nieuwe Nederlandsche 
regeering verkondigden ; en terwijl het Engelsch bestuur het ge- 
durende onderscheidene jaren met de aangegane verbintenissen in 
Palembang had kunnen stellen, scheen het dan toch al zeer ver- 
dacht, dat er nu op eens dringende omstandigheden waren opge- 
komen , die ons tot radicale wijzigingen noopten. Inderdaad was 
de zaak zóó zwak , dat wij in de officieele stukken tot eene voor- 
stelling kwamen, die bezijden de waarheid was. In eene voor 
onzen gezant te Londen bestemde nota, samengesteld in deii 



OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 18 AUO. 1814. 885 

aanvang van 1819, lezen wij toch: //Mr. Mnntinghe, Commis- 
saire du Gouvernement des Pays-Bas h Palembang, étant arrivé 
h sa destination, trouva dans Ie Sultan établi une incapacité 

absolute de régner et par suite "" Zoo werd de indruk 

gemaakt, dat de pensionneering van den door de Engelschen aan- 
gesielden Sultan het gevolg was van een door onzen Commissaris 
ingesteld onderzoek naar de resultaten van diens bestuur, terwijl 
inderdaad reeds v66r Muntinghe^s vertrek van Batavia als doel der 
zending was beschreven afzetting van den Sultan : ffancienne créature 
des Angiai«\ zooals het in die Nota mede luidt, en in welke 
woorden naar waarheid de drijfveer der voorgeschreven en nagekomen 
handelingen was gelegen. Zelfs ons eigen Indisch bestuur haastte 
zich weldra door de eene inconsequentie op de andere te doen 
volgen, een ieder te overtuigen, dat het roet onze fraaie argu- 
menten tegen Najm al Din's wanbestuur en slechtheid geen ernst 
was geweest; want als wij hem door zijn broeder Badroedin hebben 
vervangen , vinden wij ook dezen zóó slecht . . . dat we den ver- 
bannen Najm al Din naar Palembang in eere laten teruggaan en 
een zijner zonen op den troon plaatsen. 

Deze dubbelhartigheid , want ook wij waren met streken , is ons 
duur te staan gekomen: daaraan toch is het o. a. te wijten, dat 
wij den werkelijk sympathieken steun, dien ons het Britsche mi- 
nisterie door Castlereagh en Bathurst, zoomede het Bengaalsch 
bestuur door lord Moira dikwerf hadden verleend, bleken ver- 
loren te hebben, toen wij dien op nieuw behoefden in ons verzet 
tegen de stichting van Singapore. 

Met Baifles' komst te Benkoelen op den 22° Maart 1818 volgen 
de gebeurtenissen elkander betrekkelijk snel op. Den 13" April 1818 
was Muntinghe van Batavia vertrokken en den 19° te Muntok op 
Banka aangekomen; ziekte hield hem daar langer op dan in liet 
belang der zaak wel gewenscht was , zoodat hij eerst jden 4° Juni 
te Palembang aankwam. Baifles had intusschen geen antwoord op 
zijn bl. 878 vermelden brief van den 27° Maart over de Lam- 
pongsche grensquaestie afgewacht, doch in Mei d. a. v. een 
Europeesch ambtenaar met soldaten ter bezetting van de Semanka- 
baai naar de Lampongs gezonden I 

Dank kalm beleid wisten wij ons gezag tegenover deze eerste 
proeve van Baffles' gewelddadig streven te handhaven, ofschoon 
C. C. G. G. het gevaarlijke van zulke ontmoetingen voor de ver- 
houding tot Engeland niet over het hoofd konden zien, te meer 



386 FENDALL S EN RAFFLES OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN 

wijl zij vreesden, gelijk ten slotte juist bleek, dat het bij die 
eerste proeve niet blijven zou. ^/Zulke feitelijkheden kunnen her- 
haald worden:" — schreven zij dd. 9 Juni 1818 aan het Opper- 
bestuur * * * — ^zij kunnen van meer dadelijken invloed op de rust 
en veiligheid der Nederlandsche bezittingen worden: zij kunnen 
een oogenblikkelijken en krachtdadigen tegenstand noodwendig 
vorderen. En dan wordt het voor de Indische Begeering eene der 
neteligste omstandigheden, hoe, zonder den wil en de begeerte 
van het Europeesch Gouvernement te kennen, te handelen. Het 
wordt voor haar dan een raadsel, wat te doen, wat te laten. Het 
ware hoogelijk te wenschen , dat over vele zaken de buitenlandsche 
bezittingen betreffende, maar vooral ook over dit bijzondere en 
teedere punt, tusschen de Europeesche mogendheden vaste be- 
palingen onderling werden gemaakt."" 

Dit schrijven was nog niet verzonden, toen onze Regeering te 
Batavia twee brieven, gedagteekend 7 Juni 1818, van Baffles 
ontving, waarin zij formeel ter verantwoording werd geroepen! 

Onzen Regeering-Almanak doorloopende — schreef hij in den 
eenen — had hij opgemerkt , dat voor Billiton een besturend per- 
soneel was aangewezen : wegens Eugelands rechten op dit eiland , 
vroeg hij wat dit beteekeude * * "* ; in den anderen brief verzocht 
hij te mogen weten op welken grond wij de onafhankelijkheid van 
Palembang bedreigden '*'^. Het lijdt wel geen twijfel , dat Raffles 
van de Billitonsche quaestie meer wist, dan de Nederlandsche 
Regeerings- Almanak hem leerde; doch wijl hij eigenlijk geenerlei 
bevoegdheid had om zich met de politieke zaken buiten zijn ge- 
west in te laten, vond hij in die lectuur zeker eene als het ware 
ongezochte aanleiding om de quaestie op nieuw bij ons aanhangig 
te maken. 

De beide aanmatigende stukken werden door C. C. G. G. ter 
vergadering van 80 Juni 1818 behandeld. Hunne resolutie toont 
duidelijk aan, hoezeer zij er zich door gekrenkt gevoelden; te 
grooter was hun ergernis doordien een acht dagen te voren, nl. 
den £1*^ Juni, onze expeditie ter overneming van Fadang na eene 
reis van 14 dagen zonder resultaat uit Benkoelen te Batavia was 
teruggekeerd, daar RafHes geweigerd had deze onderhoorigheid 
van zijn gouvernement terug te geven, op grond dat men zich 
dezerzijds ongenegen verklaarde , geldelijke vorderingen te erkennen, 
die, volgens Rafiles, onafscheidelijk aan de overgave verbonden 
waren. Alzoo werd den Gouv.-Gen. verzocht aan den Luitenant- 



OMTKSNT HET LONOENSCU TUACTAAÏ VAN 13 AUG. 1814. 387 

Gouverneur van Benkoelen te schrijven, dat ontkend werd diens 
bevoegdheid om met de regeering te Batavia te correspoudeeren 
over aangelegenheden niet tot zijn gewest behoorende; op (lerge- 
gelijke brieven zou dan ook nwt meer wordev geantwoord ; geschiedde 
het nog dezen keer, dan was het om van hunne vriendschappe- 
lijke gevoelens te doen blijken. Betoogd werd dan nader ons recht 
op een volstrekt gezag in Falembang en onze aanspraken op 
Billiton , in overeenstemming met hetgeen hierover met fiaffles' op- 
volger te Batavia, den heer Fendall, was verhandeld geworden ' *'. 
In de bet(fogen omtrent Billiton hebben C. C. G, G. , en in na- 
volging onze diplomatie, zich beroepen op den geest van het Lon- 
densch tractaat, in zoover in art. 2 abusievelijk achter //Banka" 
de woorden //en onderhoorigheden" waren weggelaten. Partij tegen- 
over partij kon het argument moeielijk indruk maken bij de plaat- 
selijke overgevende macht, daar zij zich niet beriepen op de aan- 
leiding tot den afstand van Banka , te weten miverdeeld bezit , gelijk 
ik op bl. 274 der vorige verhandeling mededeelde; Elout zou , 
indien hij het tractaat van Engelsche zijde had moeten uitvoeren , 
onder die omstandigheden zeker de eerste geweest zijn , zich 
tegen het vergissing-argument te verzetten. Waarom moest dat 
eene vergissing heeten , al had men bij het vlak daartegenover 
gestelde Cochin de onderhoorigheden wèl vermeld? Beter ware 
het dan m. i. geweest — nu de fout eenmaal begaan was door de 
onkundige wijze waarop, naar de uiteenzetting in mij a vorig opstel, 
onzerzijds het tractaat werd geredigeerd gelaten — om een beroep 
te doen op de ' algemeene strekking van art. 1 , volgens welke 
alles, wat niet uitdrukkelijk werd uitgezonderd, aan Nederland 
terugkwam. Tegen deze opvatting viel ook wel, juist in verband 
met art. 2 , eenig bezwaar te maken , doch het had niet dezelfde 
bedenkelijke consequentiën , daar het inroepen van d-en geest eeuer 
verbintenis een tweesnijdend zwaard kon blijken. En Raffles zou 
Raffles niet geweest zijn, als hij van die kostelijke exceptie 
ook niet eens gebruik had gemaakt. Hadden toch C. C.Q. G. 
verklaard niet te willen weten van eene waarborging der onder 
het Engelsche tusschenbestuur gesloten verbintenissen met de In- 
landsche vorsten, enz. op grond dat de Londensche conventie ten 
deze geenerlei verplichting oplegde; de Luitenant-Gouverneur van 
Benkoelen merkte op (in den brief sub 131): dat wij in geen geval 
mochten gebruik maken van nan oversight^'' , die toegeschreven moest 
worden aan de haast , waarmede Engeland zich edelmoedig bereid had 



388 FENDALL S EN RAPFLRS OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN 

verklaard onze bezittingen weder te geven ! * * * C. C. Q. G, vonden zulk 
een antwoord bijzonder vreemd; nochtans hadden zij voor Billiton 
evenzeer het argament eener vergissing te berde gebracht. — RafHes 
heeft echter zijn bescheid op de wederlegging onzer Begeering 
omtrent Billiton niet aanstonds gegeven. Hij deed het eerst den 
15" Aagustus, nadat de op zijn last te Falembang geheschen 
Britsche vlag door Muntinghe^s flink optreden weder was ingehaald. 
Toen berichtte hij , dat onze Regeering zelve maar moest weten of 
zij al dan niet met hem wilde correspondeeren ; hem liet het vol- 
komen onverschillig * * * ! 

Op denzelfden dag , dat C. C. G. G. aan den Luitenant-Gouverneur 
trachtte te doen verstaan, wat de kring zijner bevoegdheden was, 
dus den 30^* Juni 1818, richtten zij een schrijven aan het Opper- 
bestuur **". Zij brachten in herinnering, dat zij reeds bij brief 
van 9 October 1816 hunne beduchtheid over Raflles^ terugkomst 
hadden te kennen gegeven (bl. 381) en dat die nu gegrond bleek. 
//Dan" — vervolgden C. C. — «'wat hiervan ook zij , wij hebben 
vastelijk voorgenomen den Heer BafHes niet in het geringste toe 
te geven in zijne zeer verkeerde begrippen als had hij eenige be- 
voegdheid om zich met ons bestier in te laten, en wij zullen 
integendeel voortaan alle zijne brieven van dezen aard zonder ant- 
woord laten. Nu hebben wij , ten einde de meest mogelijke wel- 
willendheid aan den dag te leggen, hem nog eenige inlichtingen 
medegedeeld. Zoo dezen geen invloed hebben, wordt alle verdere 
briefwisseling, in stede van goed-, kwaadstichterij , en bijzonderlijk 
ook dat van den voor ons zoo kostbaren tijd zonder nut weg te 
nemen.'^ Zij kwamen vervolgens op het bezwaar, waarvan zij reeds 
naar aanleiding der gelijktijdig plaats gehad hebbende Lampongsche 
verwikkelingen melding hadden gemaakt (bl. 386) , dat het voor hen 
zoo moeilijk was eventueele gewelddadigheden van Baffles te keer te 
gaan. /srWij mogen met dat al [JHEdG. niet ontveinzen , maar ook 
hier met aandrang aanmerken'^ — merkten zij den departements- 
chef voor de Koloniën op — /j'dat de tegenwoordigheid van den 
L^ G' Raflles, mogen wij van zijne eerste daden tot de volgende 
besluiten, aan de Hooge Regeering van Ned.-Indië voorwaar niet 
dan veel zorgen baren zal, vooral wanneer zij geen stelligen last 
heeft, hoe zich ten aanzien van dien Britschen ambtenaar te ge- 
dragen. Om zulk een last of instructie smeeken wij ten ernstigste, 
zoo niet hetgeen nu reeds door ons onder de oogen van het Gouver- 
nement gebracht is, genoegzame aanleiding geeft om bij het Britsch 



OMTRENT HET LONDEXSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 389 

Gouvernement in Europa over hem te klagen, en op zijne ver- 
wijdering aan te dringen , of dezelve door eene ruiling van Sumatra 
zaelitkens gevolg te doen nemen." De brief besluit aldus, ook in 
verband met de bezetting van de Lampongs: '/Het is niet een 
ijdele zucht tot uitbreiding van het Nederlandsch gezag, zonder 
nut of bepaald doel, die ons doet denken en handelen, gelijk wij 
deden, maar het is de innige en welgevestigde overtuiging, dat 
het voor de NederlandscKe vaart en handel, voor de welvaart, ja 
voor de veiligheid van Java zelfs noodig en onontbeerlijk is (waren 
er nog sterkere uitdrukkingen, wij zouden die bezigen), om op 
Sumatra geheel meester te zijn , zoo het mogelijk is , maar althans 
om niets af te staan van den invloed en het gezag, die de Hol- 
landers altijd op Palerabang en de Lampongs geoefend hebben. 
Zoo aan den Heer Raffles de vrije teugel gevierd wordt, dan 
voorzien wij zeer veel onheil." 

Als minister van Onderwijs, Nijverheid en Koloniën fungeerde 
destijds de gewezen secretaris van staat A. R. Falck, die volgens 
De Grovestins en Thorbecke uit 's Konings omgeving ver- 
wijderd werd, omdat Willem I geene onafhankelijke raadslieden 
naast zich kon dulden ^^t j)^ Minister was, blijkens een rapport 
aan den Koning dd. 18 November 1818, uitgebracht naar aan- 
leiding van de Lampongsche verwikkelingen , van meening dat C. C- 
G. G. zich over het geheel een overdreven begrip schenen te maken 
van het nadeel , dat eene krachtige handhaving onzer rechten in andere 
werelddeelen aan de goede verstandhouding tusschen de wederzijd- 
sche Gouvernementen in Europa konde toebrengen. Hadden zij 
opgemerkt dat het voor hen in geval van dadelijkheden van Raffles' 
zijde zoo moeielijk was te handelen, zonder den wil en de begeerte 
des Konings te kennen^ Ealck schreef den Koning: //Mij komen 
deze wil en begeerte niet twijfelachtig voor en ik hoop dat C. C- 
G. G. zich zullen hebben overtuigd, dat geene plicht of zorg 
hooger staan moet dan die om de rechten van den Staat voor 
verkorting of miskenning te bewaren" **2. 

C. C. G. G. hadden inderdaad reeds ruim gelegenheid gevonden 
zich tegenover Raffles te doen gelden. Den 17° Juni 1818 ontving 
deze een brief van den regeerenden Sultan , waarin hulp werd 
ingeroepen tegen mogelijke plannen van den naderenden commis- 
saris Muntinghe. Raffles haastte zich daarop zekere kapitein Sal- 
mond met 150 ^ 200 man door de binnenlanden naar Palembang 

te zenden. Toen zij echter op ^^^^ wareu , ontving de Luitenant- 
Ge Volgr. III. 27 



•390 FENDALLS EN RAFFLES^ OPVATTIHGEN IN HET ALQElCiSEN 

Gouvernear eeue nieuwe dringende bede om hulp van den Sultan , 
onder mededeeling dat commissaris Mnutinghe te Palembang was 
aangekomen '^^. Raffles zond dit schrijven Salmond achterna met 
een briefje dd. 24 Juni 1818. Wijl nu de omstandigheden ver- 
anderd konden zijn, liet hij de verdere behandeling der zaak over 
aan Salmond^s //discretion and judgment^\ terwijl hij daaraan toe- 
voegde eene proclamatie^ waarin hij zich noemde Vertegenwoordiger 
van het Brit^che Gouremement in den Oosterschen Archipel^ die 
Salmond moest afkondigen ^if necessarj", en waardoor feitelijk 
de volken van den Archipel tegen het Nederlandsch gezag werden 
opgezet '24 Dreigbrieven voor den commissaris Muntinghe en 
onzen Gouverneur-Generaal , met afschriften der Proclamatie waren 
daarbij gevoegd, zoomede een brief voor den resident Farquahar in 
de Straits^ houdende aanbeveling om Malakka niet over te geven, 
bevorens de zaken op Palembang in orde waren. In den brutalen brief 
aan Muntinghe verklaarde hij tevens Padang niet te zullen overgeven . . . 
//until the affairs of Palembang are satisfactorily arranged" ' ^ ^ ; hier- 
mede gaf hij derhalve het voorwendsel der geldelijke vergoedingen , 
waarop ik bl. 386-387 wees , prijs. Het was dan ook slechts om een 
voorwendsel te doen geweest! — Deze brieven werden nog door 
eenige anderen gevolgd , die echter hunne bestemming niet be- 
reikten, daar zij door een ons getrouw hoofd aan Muntinghe 
in handen vielen. Een er van was door Raffles aan Salmond 
gericht, gedagteekend Benkoelen, 30 Juni 1818, en geschreven 
in de verwachting van een voorspoedig verblijf te Palembang. Zij 
bevatten twee bijlagen, nl. brieven bestemd voor de vorsten van 
Riouw en Pontianak ten einde dezen tegen ons op te stoken ; Salmond 
had ze van Palembang uit te bezorgen ; het waren stukken die op 
het karakter van den briefschrijver een hoogst ongunstig licht 
werpen '^•. Een ander schrijven was van 3 Juli; het had betrek- 
king op den hiervoren vermelden brief van Farquahar dd. 24 Juni; 
sinds het afgaan van dit laatste schrijven had toch Raffles zulke 
gunstige berichten over Salmond's marsch naar Palembang ge- 
kregen, dat de Luitenant-Gouverneur meende er Salmond aan te 
moeten herinneren om den voor Farquahar bestemden brief niet te 
laten afgaan, wanneer Muntinghe zich zoude hebben nedergelegd 
bij ffiiTij fair and honourable arrangement" ; de vermakelijke mede- 
deeling, dat mevrouw Travers eene heerlijke dochter had gekregen, 
is het eenige lichtpunt in deze brieven, die overigens slechts 
ergernis wekken '2'. 



OMTRENT HET LUNDRNSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 391 

De loop der zaken was echter een geheel andere dan Raffles 
verwachtte. Onderweg uit Raffles' schrijven vernemende, dat Mun- 
tinghe reeds met troepen te Falembang was, besloot Salmond den 
hoofdtroep voorloopig achter te laten en slechts met 'n 25 man 
de reis te vervolgen. In den nacht van den 3*^ op den 4*^ Juli 
kwam deze expeditie te Falembang aan , waar men steelsgewijze 
tot het verblijf van den hulpbehoevenden Vorst werd toegelaten. 
Najm al Din was toen reeds door Muntinghe onttroond en had den 
kraton met zijne tegenwoordige woning moeten verruilen, waar 
nu aanstonds de Britsche vlag werd geheschen! Muntinghe bleef 
echter den toestand meester. Hij dwong Salmond en de zijnen via 
Batavia naar Benkoelen terug te keeren, terwijl hij ook spoedig 
daarna Najm al Din in ballingschap wegzond. 

Inmiddels had er Raffles voor gezorgd, dat de Britsche bladen 
op de hoogte bleven van de groote daden , die uit Benkoelen 
werden geleid. De Bengal Hurhary van 18 Juli 1818, eene weid- 
sche beschrijving gevende van de ontvangst van den heer en mevrouw 
Raffles te Benkoelen en den doop hunner dochter, deelde daarna 
het volgende mede: 

Met de Passumahs is een verbond gesloten , waarbij dezelve onder- 
danen zijn geworden van het Engelsch Gouvernement; de bijzonder- 
heden zijn nog niet bekend, maar wij vertrouwen, dat wanneer die 
zullen openbaar worden gemaakt, dezelve voordeelig voor ons zullen 
worden bevonden. De Britsche vlag waait te Semangka. Wij onder- 
stellen dat het aan de China- vaarders zal worden toegestaan, die 
haven aan te doen, schoon wij nog voor het tegenwoordige niet 
klaarblijkelijk inzien , welke voordeden van het plaatsen van een etabli- 
scment in de Lampongs (hetgeen eerst onlangs is ingetrokken) mogen 
verwachten. De heer Samuel Garling is met eene militaire macht naar 
Semangka vertrokken met het schip Lady Raffles, en heeft de baai op- 
genomen. Terwijl een zee-ofiicier aldaar bij den heer Garling is verbleven , 
vertrouwen wij dat de uitslag aan de wereld zal worden medegedeeld. 

En verder: 

Groote zaken zijn in de geboorte. De uitkomsten zullen , hopen wij, 
voordeelig zijn; dan zullen wij Fort Marlbqrough eene bloeiende en 
handeldrijvende residentie zien worden. 

De Pr'ince of Wales Island Gazelle van 22 Augustus nam deze 
berichten over. Den 29^ deelde zij mede , dat onze commissarissen 
Wolterbeek en Timmerman Thijssen voor de overneming van Malakka 
waren aangekomen, terwijl de Courant op de mededeeling van be- 
doelde aankomst deed volsfen : 



392 FENDALLS EN RAFJfLKS OPVA'ITINGEN IN HET ALGEMEEN 

^Wij hebben een resident te Palembang, en troepen om den 
regeerenden Saltan te ondersteunen. 

ffin de straat Snnda en in de Semangkabaai zullen etablissementen 
worden opgericht." 

Onze Begeering te Batavia — zich sterk gevoelende door haar 
inmiddels behaald succes — achtte het noodig, al deze berichten 
in de officieele Bataviasche Courant van 24 October 1818 over 
te nemen , onder toevoeging van het volgende : 

Bij voorraad kunnen wij onze lezers berichten , dat de onderstaande 
verhalen, voor zoo verre zij de staatkundige betrekkingen betreffen, 
met de waarheid niet overeenkomen. De Britsche vlag waait niet te 
Palembang, er zijn geen Britsche troepen daar ter plaatse. Er is wel 
eene poging door sommige onbevoegde personen gedaan^ om het 
Nederlandsch gezag aldaar te belemmeren, dan de oordeelkundige 
maatregelen van den Kommissaris Muntinghe hebben spoedig een einde 
aan die verkeerdheden gemaakt. ^ 

Op eene der plaatsen in de Semangkabaai is waarlijk op ditoogen- 
blik een post door den heer Raffles gesteld; doch deze schending 
van het Nederlandsch grondgebied is zijne eigene daad en kan niet 
dan zeer euvel door het Britsche Gouvernement worden opgenomen. 
Dit gouvernement zal zeer zeker niet dulden, dat een ondergeschikt 
ambtenaar van eene zoo onbeduidende plaats als Bencoelen zulke ge- 
weldenarijen op het grondgebied van eene bevriende mogendheid 
oefent, maar zekerlijk doen, hetgeen de Hooge Regeering van Neder- 
landsch-Indië gedaan heeft , ten aanzien van een hunner ondergeschikte 
ambtenaren, die op Timor het Portugeesch grondgebied geschonden 
heeft 

De Engelsche bladen namen het entre-filet over, om daaraan 
slechts nieuwe aanvallen tegen ons toe te voegen. //Some unpleasant 
discossions between the two nations in Europe" zouden zonder 
twijfel het gevolg zijn van /i'the verj extraordinary proceedings of 
the Dutch commissioner at Palembang towards the British agent, 
depnted by this government to that place on the invitation of 
the reigning Sultan"; de Sultan /i^was created an independent 
sovereign bj the British nation, and his independence guaranteed , 
in consideration of his ceding the island of Banca to the British 
government in Java". Het zou dus de vraag worden, of wij niet 
aldus het bezitrecht op Banka hadden prijsgegeven : ^The territories 
of Palembang and Bencoolen join, and it becomes absolutelj 
necessarj to check the interference of the Dutch, in a country 
to which they cannot have the shadow of a claim." ' ^ ** 



OMTRENT HET LONDENSCH TRA.CTAAT VAN 13 AUO. 1814. 393 

Muntiüghe als C. C. Q. G. trachtten Baffles door lange be- 
toogen te overtuigen van het onrechtmatige zijner daden; ook 
dat hij zich in de door hem opgestelde proclamatie onwettig den 
titel aanmatigde van Vertegenwoordiger van het Brif-sche Gouvernement 
in den Oosterschen Archipel; doch wat kon dit baten tegenover den 
man , wiens eenig doel was de rechten te verkorten , die het Londensch 
tractaat van 13 Augustas 1814, naar zijn inzien verkeerdelijk , ons 
in den schoot had geworpen! 

Onze Regeering dit begrijpende, wendden C. C. G. G. zich ingevolge 
haar besluit dd. 25 Augustus 1818 — //ten einde zoo mogelijk 
daardoor de bezwaren deswegens worden weggeruimd" — tot lord 
Moira, die destijds in een roemrijken veldtocht van 4 maanden 
het Mahrattengebied aan het Britsche rijk in Bengalen had toe- 
gevoegd. //There was at last, after sixtj years from the battle of 
Plassj" — leest men in een Engelsch geschiedboek over het resultaat 
van dezen oorlog • ^ ® — ffuo question of the supremacy of British 
power in India, now more perfectly established and more effeo- 
tively dominant than that of Aurongzebe." Onze C.C. hieraan 
gedachtig , boden Zijne Excellentie hunne verontschuldigingen aan , 
dat zij hem lastig vielen : //au milieu des hauts faits , qui Toccu- 
pent si glorieusement" ; zij zagen zich echter wel verplicht — 
schreven zij — de grieven voor te brengen, die zij tegen Raffles' 
optreden hadden, doch zij zouden het doen: /sravec la franchise 
propre & notre caractère national , non-étrangère tout-&-fait & nous 
personnellement , et soutenu surtout par la haute estime, que 
nous portons & celui, auquel nous avons Thonneur de nous 
adresser". — Het mocht inderdaad weleens niet overbodig schijnen 
de verzekering van onze franchise te geven ; aan C C. G. G. , of 
liever aan Elout, werd verweten, dat zij het soms achter den 
mouw hadden *•'"! — Na de vermelde inleiding gingen C.C. al 
de gerezen quaestiën in de Lampongs, in Palembang, te Banjer- 
masin , over Padang enz. na , en vestigden zij tevens de aandacht 
op den door Rafiies aangematigden titel, waarna zij aldus, steeds 
wierook aan lord Moira wijdende ! eindigden : 

//Voila Monseigneur! les plaintes que nous croyons forcés de 
porter contre la conduite du Chevalier Raffles. EUes sont justes 
et fondées, et nous sommes persuadés que Votre Excellence les 
jugera telles. Nous la prions donc instamment de vouloir prendre 
telles mesures qu'elle jugera propres pour engager Ie Chevalier 
Raffles ik ne pas sortir des bornes de son pouvoir legitime, et de 



•391 IfENDALLS EN KA^YVLEs' UPVATTISGEX IV HET ALGEILEEÜ 

ae pi UB se permettre des voies de fkit, qai poavaient coinpro- 
mettre aatant les interets de son Gouvernement que ceax du notre. 

/rNous connaissons Mjlord votre grandear d^lLme, votre amoor 
pour la jostice, et poar Tordre et nous sommes sürs, que Ie 
recours que nous prenons k Yotre Excellence contre la violence 
et Ie désordre ne sera pas vain/^ 

Dit schrijven werd ruim een maand later door een stuk van 
eeni^zins anderen aard gevolgd. Baffles was met zijne intriges 
voortgegaan en had dd. 12 Augustus en 1 September 1818 protesten 
tegen onze handelingen uitgevaardigd niet alleen ' " , doch er 
tevens voor gezoigd , dat de eenzijdige beschouwingen, onbescheiden 
genoeg! in de Britsche bladen werden gepubliceerd. Dezen vielen 
ons natuurlijk met de grootste bitterheid als altijd aan. Zij merkt«n 
o. a. op, hoe wij steeds in onze koloniën, van de Kaap tot Japan, 
het Engelsche volk hadden benadeeld , zonder dat door de Britsche 
regeering het noodige daartegen verricht werd : /rit was'' — meende 
de Engelsche journalistiek " ^ — «^the business on one side to 
commit aggression , and on the other to overlook it. The stronger 
state disciplined his temper to forbearance , and the weaker applied 
her mind to insult, till generositj looked like connivance, ^nd 
what was policj in Europe sunk to imbecilitj in India. We hope 
a history of the past will not furnish a prediction of the future ; 
and that the share of the English in achieving the victorj of 
Waterloo, is not to entail upon this nation the secure insults of the 
Dutch; nor that the independence of the Netherlands, as one of 
the weights in the balance of power, is to hang for two centuries 
more as a millstone upon the neck of England.'' 

Tegenover al dat geschetter kwam eene waardige houding ons 
ten goede. Den 5" October 1818 stelden C. C. G. G. protest tegen 
over protest '•". Al de gerezen quaestiën werden punt voor punt 
in het stuk, dat natuurlijk plechtig heet te zijn, nagegaan; en 
wat ook reeds geschied was in hunne depêche aan Bengalen, werd 
hier herhaald, nl. dat Raffles door zijne brieven in 1811 aan den 
Sultan van Palembang middellijk tot den bekenden moord had 
medegewerkt. /^^Ce massacre" — herinnerde het Protest — «'fut re- 
garde par Ie L*.-Gouverneur Raffles comme un attentat commis 
envers Thumanité entière; et en effêt c'en fut un si jamais; mais 
on aurait dd prévoir, que telles devaient étre naturellement les 
suites de ces manoeuvres sourdes, évidemment imprudentes et in- 
délicates , si non criminelles ; manoeuvres reprouvées par les poli- 



OMTRENT UBT LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 395 

tiques les plas relélchées en morale, méme dans Tétat de guerre, 
manoeavres qui poniraient compromettre Thonneur et les interets 
de la nation la plus loyale en politique/^ 

Ofschoon C. C. aan Raffles indertijd hadden medegedeeld , dat 
zij hem niet meer zouden schrijven (bl. 387), vonden zij het niet 
onaardig, hem toch dit stuk te doen toekomen bij een begeleidenden 
brief, waarin zij naar waarheid getuigden: >yCet acte contient tous 
nos sentiments et se serait abuser d*un temps, qui peut être 
employé plus utilement, que d*entrer ici dans plus de détail." 

Ook lord Moira werd natuurlijk het Protest gezonden , vergezeld 
van een schrijven , inhoudende dat C. C. G. G. dit wilden beschouwd 
zien als een vervolg op hunne klachten van 25 Augustus over 
Baffles^ g^^drag (bl. 393), waarna zij aldus besloten: 

//Nous sommes parfaitement convaincus que Votre Excellence 
ne Taura apprise qu'avec regret; et qu'elle en témoignera un vrai 
mécontentement k ce fonctionnaire. 

//Nous nous reposons 1^ dessus; des nouvelles démarches du 
Ghevalier Eiaüles cependant nous ont obligé k pénétrer plus en 
avant dans toutes les matières quMl s^est plues de traiter non seule- 
ment dans des lettres quMl a écrites h notre Gouvernement, mais 
encore dans des protestations pnbliques, qui sans doute auront 
éié mis sous les yeux de Votre Excellence. 

//Eorts de nos droits, nous y avons répondus dans la protestation 
que nous ferons parvenir au Ghevalier Raffles. et que nous avons 
rhonneur maintenant de porter ^ la connaissance de Votre Excel- 
lence, afin qu^elle soit instruite de tous les raisonnements et de 
tous les faits surtout, sur lesquels nous fondons nos droits." 

V. 

De teleurstellingen , die C. C. G. G. in zoo ruime mate onder- 
vonden , waren ook aanstonds het onderwerp van ernstige diplomatieke 
gedachten wisseling in Europa geworden. Reeds bij dezerzijdschen 
brief van 22 October 1816 was toch aan den gezant Fagel opgedragen , 
om over de vertraging der overgave door Fendall bij het Britsche 
ministerie beklag te doen '**"*. Bij missive van den 29" d. a. v. berichtte 
Fagel, dat hij er lord Bathurst over had gesproken , en dat door 
deze, als altijd, weder de meeste welwillendheid betoond was. '/Je 
dois rendre h ce Ministre la justice de dire" — luidde het in zijn 
rapport — '/que je Tai non seulement trouvé dans cette occasion , 
comme dans toutes les autres qui se sont présentées , pret h entrer 



'>(?6 fZSDALLS EX EAi'l'LES OPVATTINGEN IX UET ALGEilElTX 

dans noa vries, mais même dbprwe dans ce ca:*-€i , k partager n«>3 
sentiraenta et h concoarir de toas ses moyeus ^ remedier k ce qui 
fait Ie sujet de nos plaintes, ou plutot de nos inquietudes/' — 
Ten einde het Britsche ministerie in staat te stellen schriftelijk 
te antwoorden, wenschte Batharst eene nota van onzen Gezant. 
Dtze voldeed hieraan als vol^, waarbij tevens een afschrift werd 
overgelegd van Van NagelTs schrijven dd. 22 October: 

Le Sou.*isigné, amba-ssadeur etc, a rhonneur de mettre confiden- 
tiellement sous les yeux de lord Castlereagh la copie d'une dépêche 
qu'il vient de recevoir de Son Excellence Mr. le Baron de Na<;ell, 
Minihtre d'Etat au Département des Affaires Etrangères de Sa dite 
Majesté, relative au retard des ordres attendus a Java peur la remise 
de cette colonie et de ses dépendances nommément des Molucques 
aux autr>rités commises a eet effét par Ie Roi des Pays-Bas. Le Sous- 
signé se persuade que S. E. lord Castlereagh trouvera naturel et légitime 
le sentiment d'inquiétude que ce délai fait éprouver au Gouvernement 
du Roi son maitre, et il doute nullement que Son Excellence, par- 
tageant la conviction des graves inconvenients qui résulteraient d*un 
tel état de choses, s'il se prolongeait, et qui sont parfaitement indi- 
quées dans Ia susdite dépêche, ne s'empresse de concourir a prendre 
les mesures propres a le faire ccsser le plus proraptement possible. 

Lord Bathurst antwoordde hierop bij nota van 31 October 1816, 
dat hij er niet aan twijfelde of de bevelen tot overgave uit Bengalen 
waren nu reeds te Batavia aangekomen , doch dat hij ten overvloede 
een duplicaat der uit Londen gezonden bevelen den Gezant nog 
aanbood, om daarmede naar hem goed dacht te handelen ''*. 

De Gouv. Gen. van Beugalen , uit Engeland de klachten van onze 
C.C. G. G. ontvangende, kon, naar wij nu reeds weten , in zijne mis- 
sive dd. 19 Juni 1817 met de data der stukkeu aantoonen , dat zijner- 
zijds de meest mogelijke spoed was betracht; doch bovendien kwam 
hij op tegen eiken blaam, door onze bestuurders aan Fendall ten 
laste gelegd. »li any delay , otherwise avoidable , have taken place 
in the delivery of the heretofore Dutch possessions to the Com- 
missiouers of the King of the Netherlands" — voegde hij er ge- 
belgd aan toe — //I must assert it as whoUy ascribable to the 
repulsive and controversial spirit, manifested by the chief of that 
commission in the arrangemeuts necessary towards the transfer. 
It is pain f ui to be obliged to express any thing that looks like 
an imputatiou on a person standing in a public capacity. But the 
phrase 1 have used will be borne out by the reports of proceedings 
despatched to us from time to time by the British Commissiouers 



OMTRENT UET LüNDBNSCIl TllACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 397 

aud which will necessarily coine uuder the perusal of the Board 
of Control. The coiiduct of the British coramissiouers has appeared 
to this Government liberal, frank, temperate and upright in the 
highest degree throughout the transaction, and those gentlemen 
have received our unqualitied ackuowledgraents of a tone so truly 
becoming the British character. — I should add they have uni- 
formly spoken in most favourable terms of the disposition of baron 
Van der Capellen, second in the Commission, to promote the 
harmony dcsirable on such an occasion. ^^ 

Naar aanleiding van eene opdracht van onzen Koning, schreef 
hierover minister Van Nagell aan zijn ambtgenoot van Koloniën om 
advies: //doende" — teekende de Minister aan — //Hoogstdezelve mij 
te gelijkertijd opmerken , dat de Engelsche commissarissen op Java 
bij ons in geen minder ongunstig dagblaadje staan, dan waarin 
de Hr. Elout bij hen voorkomt." 

Het resultaat der overwegingen was om de zaak te laten rusten. 
Weldra echter maakten de klachten over Raffles' intriges het nood- 
zakelijk , dat wij ons op nieuw tot de Engelsche regeering wendden. 
Dat daarbij steeds een sympathieke gezant als Fagel, de Neder- 
landsche belangen vertegenwoordigde, strekte niet weinig in ons 
voordeel; en wanneer deze, naar aanleiding van hernieuwde bevelen 
om het Britsche ministerie met dezerzijdsche klachten lastig te 
vallen, bij brief van 10 October 1817 den minister van B. Z. 
bericht: //je les exccuterai avec tout Ie zêle et en même temps 
avec toute la discrétion et la prudence, dont je suis capable" : 
dan vordert de billijkheid te erkennen, dat hij inderdaad steeds 
aan deze gedragslijn getrouw is gebleven. 

Een koninklijk besluit van 6 December 1818 had hem ander- 
maal opgedragen de Indische quaestiën ter sprake te brengen ; 
er moest nu weder eene nota aan het Britsche ministerie over- 
handigd worden. Fagel kon daaraan echter niet onmiddellijk gehoor 
geven, wijl lord Castlereagh uitlandig was. Eerst den 31° December 
werd onze Gezant , op diens verzoek , uitgenoodigd zich bij lord 
Castlereagh te vervoegen , niettegenstaande deze bedlegerig was. 

De conferentie duurde een half uur. Na eerst over aangelegen- 
heden betreffende de Zuidelijke Nederlanden gesproken te hebben, 
bracht Fagel het op de Oost-Indische zaken. Castlereagh bleek 
beter op de hoogte te zijn dan Fagel had verwacht , doch de een- 
zijdige voorstellingen van Raffles, speciaal over onze zucht tot 
uitsluiting, waren niet zonder invloed gebleven. Afgedaan werd 



'398 fendall's ks raffles* opvattixgem in het algemeen 

weliswaar niets, maar — schreef de Gezant dd. 1 Januari 1819 
over deze conferentie aan onzen minister Van Nagell — "Iol 
glacé étant ii-pr^sent rompue, des que lord Castlereagh sera mieux 
je reviendrai h, la charge" •'*. 

Toen Fagel in den loop dier maand andermaal een bezoek bij 
den zieken Minister bracht , onthield hij zich met opzet de Indische 
quaestie aan te roeren, doch bij het afscheid nemen verzocht 
Castlereasrh uit zich zelven — berichtte de Gezant dd. 12 Januari — 
den heer Van Nagell mede te deelen , dat Raffles' handelingen werden 
afgekeurd , en dat de quaestiën ter hand zouden worden genomen , 
zoodra de staat van 's Ministers srezondheid zulks veroorloofde *". 

Den dag nadat dit werd geschreven, kwam gansch Londen en 
Engeland in beweging door de publicatie van Raffles' protest in 
TJie Brithh Press van 13 Januari 1819; als bijlagen waren eraan 
toegevoegd, een brief van den door ons afgezetten Sultan, waarin 
hij nogmaals Raffles* hulp inriep, onder mededeeling dat hij ge- 
vangen werd gehouden, dat kapitein Salmond en de zijnen waren 
opgezonden, dat de Britsche vlag was verwijderd, enz.; en het 
verbaal van een verhoor der brengers van dien brief, waarin het 
in braafheid doend Engelsch gemoed nog meer werd bewogen , b.v. 
door het verhaal dat eene vrouw, die een geheel onschuldigen 
brief uit het den vorst aangewezen verblijf had willen bezorgen, 
door de onzen was doodfjefjetseld ^ enz. enz. ' ^ ^ En nu luidde het 
moord en brand tegen ons! The Times vooraan natuurlijk met een 
heftig aitikel in ziju nommer van den 14". Destijds waren in de 
Vereeuigde Staten van Noord-Amerika twee Britsche onderdanen, 
die de Indianen tot oorlog tegen de Amerikanen hadden opgewekt, 
door een krijgsraad ter dood veroordeeld en gefusilleerd, hetgeen 
ook al eene groote beweging in Engeland had veroorzaakt , zonder 
echter tot iets meer dan tot luidruchtig geschreeuw te leiden; 
maar Holland had nu ook den Britschen Eenhoorn beleedigd en dat 
eischte wraak. *'^ Het edele Engeland, de natuurlijke beschermer 
"of all that is weak and unoffending among nations'^ moest maar 
overgaan tot onze //re-expulsion from the Asiatic Islands" ! Alzoo 
kort recht — tegenover een klein land ; alzoo ook in zijne gansche 
tentoonstelling, de door Veth gebrandmerkte //schijnheiligheid 
en Pecksnifferij, waarmede de schoone leuzen der Britsche staat- 
kunde in het belang van politieke hartstochten en van toome- 
looze hebzucht worden geëxploiteerd". '*" In eene missive dd. 
15 Januari 1819 van onzen Gezant te Londen werd minister 



OMTRENT HET LÜNDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 399 

Van Nagell medegedeeld , dat alle Engelsche couranten het protest 
hadden overgenomen ^accompagnées de remarques et de réflexions 
plus OU moins amères contre notre Gouvernement et ses employés 
aux Indes". Wel behoorde het r«W^-artikel tot ^uu des moins 
mesurés", maar er was geen enkel blad, dat een goed woord voor 
ons over had: ^j'Mais il n'y a pas, jusqu'au Courier, papier mini- ' 
steriel bien connu, qui ne prenne, jusqu'^ un certain point, 
fait et cause contre nous et pour Ie S' Raffles." Fagel meende dan 
ook in het welzijn van het van alle zijden beleedigd wordend 
vaderland te handelen door den Londenschen Courier in den arm 
te nemen. '/LMnfluence que les journaux exercent sur Topinion 
publique dans ce pays" — berichtte hij — //devient de jour en jour 
plus formidable, et n^est pas uu des moindres maux qui sortent 
de cette botte de Pandore qu'est devenue de nos jours la Liberté 
de la Presse. Convaincu de la nécessité de parer ce coup sans 
délai et de tê,cher de donner une autre direction au jugemeut du 
public, j'ai fait insérer dans Ie Courier d'aujourd'hui un article 
dont je me promets un bon effêt." 

Fagel zond het door hem bedoeld artikel aan The Courier met 
een briefje, geteekend D. E. en dat aldus luidde: 

From the time that the Treaty between Great Britain and the 
Netherlands was signed, in 1814, it appears evident that a party has 
existed in this country , influenced by motives of self-interest , inamical 
to the retrocession to the Dutch of their Indian possessions. Indivi- 
duals, having held lucrative situations, would naturally feel reluctant 
to give them up. This party has , ever since , been incessantly at work 
in misrepresenting the state of affairs in the Indian Archipelago, and 
trying to prejudice and inflame the public mind against the Dutch. 
The same party, far from assisting in forwarding the measures agreed 
upon by the different articles of the said Treaty, have done every 
thing in their power to elude and retard their execution , and in some 
instances (as was very lately exemplified in the refusal to restore to 
the Netherland authorities the settlement of Padang on the west- 
coast of Sumatra) have gone so far as actually to thwart the intentions 
of the British government. 

The late events at Palembang, of which so much has been said 
in the public prints within these last few days, serve as a fürther 
illustration of this subject. In order, therefore, to enable the British 
public to come to a right understanding concerning this matter, I 
have to request that you will give a place in your impartial columns 
to the following statement, drawn from the most authentic sources. 



400 f£noall's en raffles' opvattingen in het algemeen 

The Courier nam brief eu artikel op in zijn nummer van 15 
Januari 1819; en de officieele Bataviaitche CourmU van 26 Juni 
1819 n® 26 haastte zich het over te nemen. Het artikel zette op 
waardige eu bondige wijze ons goed recht op een onbeperkt gezag 
in Palembang en onderhoorigheden uiteen. Verder werd herinnerd, 
dat tengevolge van twisten tusschen den ouden en den jongen 
Sultan ^the inhabitants of that petty kingdom were most miserable 
themselves , and their contentions were a constant subject of alarm 
to their neighbours". De afzetting van den jongen Sultan was 
noodig , wegens zijne volstrekte ongeschiktheid tot regeeten : Ut- 
terly incapable of governing the country, he was distinguished 
only by excessive cruelty , which manifested itself in the shocking 
punishments he inflicted, and by his toleration of the Malay 
pirates, who carried on in those seas a regularly organized trade 
in slaves, of the proiit of which the Sultan partook.'^ En na deze 
snaren der menschenliefde te hebben aangeroerd , heet het dan , 
dat Muntinghe //was hailed by the natives as their deliverer", en 
dat hij er aldus in slaagde eene overeenkomst te treffen, die den 
slavenhandel afschafte , de ingezetenen aan hunne nijvere werkzaam- 
heid teruggaf en een eind maakte //to the horrible system of 
punishments formerly introduced." Eindelijk wordt er aan her- 
innerd, dat onze Commissaris met de meeste wellevendheid tegen 
de zendelingen van Rafties was opgetreden : //In every thing that 
has passed'' — besloot het artikel — «'the Netherland Commissioner 
has acted with the greatest propriety and respect towards the agents 
of an allied and friendly power , and has manifested that skill and 
wisdom for which he is eminently distinguished." 

In eene missive van 19 Januari berichtte Fagel, dat het stuk 
aan zijn doel had beantwoord. De Britïsh Pre** had slechts gegeven 
//une réplique très-faible et iusignitiante , et depuis lors les au tres 
journaux n'en ont plus parM." Fagel vertrouwde, dat het daarbij 
zou blijven. //Le grand point dans ce Pays-ci," vervolgde hij, 
//lorsqu'on est dans le cas d'avoir ^ faire insérer quelque chose 
dans les papiers publics dans le but de réfuter Tune ou l'autre 
erreur ou calomnie, est de saisir pour cela le moment opportun. 
Si on le laisse échapper, il ne se retrouve plus, ^ cause de la 
succession rapide des événements, et de Tégale mobilité avec 
laquelle Tattention et Tintérêt du public se portent de Tun sur 
l'autre. J'ai appris au surplus d'assez bonne part que la Direction 
de la Compagnie des Indes approuve aussi pen que le Gouverne- 



OMTRENT HET LONÜENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 401 

raent la conduite du S' BafHes. Les Directeurs doivent avoir déjh. 
fait répondre h ses derniers rapports sur Taifaire de Palembaug, 
et Ton m'assure que dans cette réponse il a ^té rappel^ ^ la sphère 
d'activité propre h ses fonctions , qui sont celles d'un chef de comptoir 
subalterne, et non d'un agent politique ^e la première classe." 

Dat ook de Britsche regeering ontevreden op Raffles was, weten 
wij reeds uit Fagel's brief van 12 Januari (bl. 398). Doch die 
ontevredenheid werd niet weinig vermeerderd door de onbescheiden 
openbaarmaking van het protest in de Press. Den volgenden dag, 
nl. den 14° des avonds, was onze Gezant naar Castlereagh gegaan , 
berichtte hij in het hiervoren vermeld schrijven van 15 Januari. 
Hij had den Minister niet ontevredener kunnen aantreffen, dan 
hijzelf mogelijk kon zijn. //Je Tai trouvé" — verzekerde toch Fagel — 
//aussi mécontent que je pouvais Têtre raoi-même de cette nouvelle 
ineartade du S' Baffles, au sujet duquel il me r^péta ce que 
j'ai rapporte Ji V. E. dans ma lettre particuliere de mardi passé. 
Il me fit observer que non-content d'adresser ses rapports direc- 
tement aux Directeurs de la Compagnie des Indes h Londres, 
sans les faire passer (comme il est de son devoir) par Ie canal du 
Gouverneur-Général , son supérieur immédiat, il se permettait 
encore d'en appeler sans nécessité au tribunal de Topinion publique 
en faisant publier de son chef des documents oificiels , h quoi lord 
Castlereagh ajouta, qu'au surplus Ie dit Baffles était entièrement 
indépendant de lui et même jusqu'^ un certain point du Gouver- 
nement, étant un employé de la Compagnie et seulement indirec- 
tement subordonné au Board of Conirol^. L'impudence de ce 
personnage est grande et Ie ton qu'il prend en parlant de notre 
Roi et de nos autorités tout-^-fait déplacé. Au surplus je suis 
porté ^ croire, que tout ceci, en Ie faisant encore mieux con- 
naitre, achèvera de Ie perdre dans Tesprit de ses supérieurs et 
pourra contribuer & faciliter Tarrangement ^ conclure entre les 
deux pays & la suite des instructions contenues dans la dépêche 
de V. E N^ 164 du 11 Décembre dernier" «*». 

Juist in deze dagen werd het Parlement geopend. Raffles had 
steun gezocht bij den hertog van Somerset, die tot de oppositie 
behoorde en waarmede de Luitenant-Gouverneur, ook blijkens de 
in de Memoir gepubliceerde brieven, in nauwe betrekking stond. 
Somerset spande zijn partijgenoot , het lid van het Hoogerhuis lord 
Lansdown, voor de zaak '^^ g^ ^j^ge was het, die den 1° Februari 
1819 over de Palembangsche quaestie eene interpellatie tot de 



402 fendall's en rakflks opvattingen in het algemeen 

Regeering richtte. In het Lagerhuis kwam de zaak niet ter 
sprake. Lord Lansdown verzocht overlegging van stukken en daar- 
onder Raffles' protest, ofschoon dit bereids gepubliceerd was. De 
Regeering weigerde echter het over te leggen , op grond dat Raffles 
in zijne ondergeschikte betrekking van handelsresident geenerlei 
bevoegdheid tot publiek optreden en tot protesteeren gehad had. 
De Times, ^un des plus virulens de ceux qui sont en opposition 
au Gouvernement", — gelijk het luidt in Fagel's rapport van 15 
Januari 1819, — gaf de belangrijke discussiën in zijn nommer 
van 2 Februari weder //passablement bien rendu" , oordeelde Fagel 
in zijn schrijven van dien dag — en daaruit bleek , dat de Britsche 
regeering op eene eerlijke uitvoering van het tractaat van 1814 
bleef staan en dat Raffles' eigenmachtig optreden, als daarmede in 
strijd , werd afgekeurd , zij het ook het Ministerie onze handelingen 
niet ten volle kon goedvinden '•*^. Onze Gezant haastte zich bij 
vermeld schrijven de Times over te zenden , natuurlijk buitengewoon 
met het succes ingenomen. /'Enfin" , besloot hij , »ce qui me parait 
aussi résulter assez évidemment de cette discussion , c'est que Ie 
S' Raffles est en rapport avec Toppossition , et n'a nuUement fait 
sa cour aux Ministres par la conduite qu'il vient de tenir. il joue 
sans doute gros jeu, mais je doute qu'il gagne la partie, et s'il 
la perd, comme cela me paralt probable, il aura sujet de s'ap- 
pliquer Ie proverbe: Qui trop embrasse mal étreinV — Met deze 
laatste woorden herinnerde de Gezant aan lord . Buckinghamshire's 
oordeel over Raffles, waarvan ik op bl. 411 melding maak. 

Onze minister voor de koloniën Falck gaf bij schrijven vïin 5 
Februari 1819 *"*"* de Indische regeering van den gunstigen loop, 
dien de zaken in Engeland namen , kennis onder toezending van 
het 7Vmtf*-artikel. Hij vertrouwde, dat een en ander Raffles tot 
nadenken stemmen en het onze Regeering minder moeielijk dan 
ooit vallen zou , om den Luitenant-Gouverneur het goede spoor nader 
aan te wijzen: //en dienvolgens ook de wettige belangen van Neder- 
land , op alle punten waar dezelve door hem aangerand zijn of alsnog 
mochten worden, te doen gelden met dien nadruk en met die omzich- 
tigheid tevens , welke alle de maatregelen van het Indisch Bestuur, 
nopens de onderhavige geschillen, zoo voordeelig hebben gekenmerkt." 

De Gouv. Gen. liet, bij ontvangst van dit schrijven , het Times- 
artikel vertalen en in de officieele Bataviasche Courant van 26 
Juni 1819 N« 26 opnemen. 

Ook de verhoudingen tusschen Fagel en Castlereagh bleven 



OMTRENT HET LONDENSOH TRACTAAT VAN 13 AUCf. 1814. 403 

steeds uitnemend ; daartoe bracht niet weinig bij , dat wij ter 
rechter tijd uit Batavia nieuwe depêches over de Palembangsche 
aangelegenheden ontvingen, waarmede het Britsche ministerie kon 
voorgelicht worden. Bij missive van 18 Januari 1819 gaf daarom 
Falck als minister voor de Koloniën aan den Koning in overwe- 
ging onzen Gezant nader in te lichten ' ** "^ , met welk voorstel de 
minister van Buitenlandsche Zaken bij zijn rapport van den 20'^ 
d. a. V. zich vereenigde '*•. 

Fagel moest dus andermaal de verwikkelingen onder de aandacht 
van den Engelschen minister brengen , waartoe hij eene nota dd. 2 
Februari samenstelde, aanwijzende Raffles' vijandige handelingen en 
den door hem aangematigd en : ^/titre pompeux de représentant du Gou- 
vernement Britannique dan^ i'' Archipel Indien.^' //Aussi Ie soussigné ne 
doute-t-il pas" — besloot de Nota — ^que S. E. sentira la nëces- 
sité de prendre les raesures les plus efficaces pour faire cesser d'une 
maniere ou d^autre des entreprises aussi contraires aux justes droits 
du Roi des Pays-Bas, que propres II compromettre les relations 
intimes d'alliance et d'amitië qui unissent si heureusement les 
deux Etats en Europe." — Fagel wilde al die stukken persoonlijk 
aanbieden, doch lord Castlereagh werd door drukke parlementaire 
werkzaamheden verhinderd onzen Gezant onmiddellijk te ontvangen. 
Dit werd hem medegedeeld bij een schrijven van Castlereagh's 
particulier secretaris, houdende uitnoodiging tot eene conferentie 
op Dinsdagavond ten 11 ure, waarvan Fagel verslag gaf in zijn 
rapport dd. 11 Februari d. a. v. De Engelsche minister deelde hem 
mede, dat een schrijven in overweging was, waarbij Raffles' han- 
delingen formeel werden afgekeurd. Gebruik makende van den 
betoonden goeden wil, legde nu onze Gezant ook de medegebrachte 
stukken en de nota van 2 Februari over, waarna de conferentie 
eindigde met de verzekering van Engelsche zijde, dat men ons 
in de Palembangsche quaestie ten dienste zou blijven ''*^. En dat 
het niet bij deze mondelinge betuigingen bleef, bewees weldra eene 
officieele nota van lord Castlereagh , gedagteekend Foreign Office J 2 
Februari 1819 , waarin onzen Gezant werd verzekerd: /s^that the acts of 
Sir Thomas Raffles , as alluded to by His Exc, will be entirely disavo- 
wed , that gentleman being merel j a commercial agent, and not having 
been authorized to act politically in any manner whatsoever" '•*^. 

Toen bij brief van 16 Februari Fagel deze nota overzond, had 
er den vorigen avond eene nieuwe interpellatie van lord Lansdown 
plaats gevonden , zonder dat echter de oppositie er in slaagde succes te 



404} FENDALL» E?i RAFPLES OPVATTI.VGEX I.V HET ALOEMEEN 

behalen. Tegelijkertijd was nu ook in Holland ontvangen het op bl. 
394 vermeld protest van C.C.Q.G. dd. 5 October 1818. ' '^ De mi- 
nister Falck bood '/dit bondig en de zaak voldingend staatsstuk" bij 
rapport dd. 15 Februari den Koning aan. De vraag was bij den Mi- 
nister gerezen of men nu ook dit stuk in de dagbladen zou plaatsen, 
doch hierop racende hij ontkennend te moeten antwoorden. /«'Eene 
openbare bepleiting van het onderhavige geschil heeft" — schreef de 
Departementschef — nin het algemeen dit tegen zich, dat zij de 
gemoederen, vooral in Groot-Britanniën , al meer en meer warm 
zoude maken, en eene opinie zoude zich dus bij de natie kunnen 
vormen en vestigen, welke het Ministerie, thans min gunstig voor 
den H^ Rallies gestemd, uitermate zoude belemmeren in de maat- 
regelen welke , ten gevolge onzer ernstige klachten , eerlang dienen 
te worden genomen. Bijzonder worden in dit protest van G. C. G. G. 
punten van een hoogst teederen aard aangevoerd, en die hoewel 
tot de geschiedenis van vroegere jaren (1810 — 1811) betrekkelijk, 
desniettemin geschikt zijn , om stof te geven tot hatelijke discussiën , 
en voedsel aan gevoelens van verwijdering, afkeer en wraak. Het 
geldt den moord door de Sultans van Palembaug aan de Neder- 
landers gepleegd en het karakter van den H' Raffles als mensch." 
Op deze gronden beval hij aan , het Protest onzen gezant te Londen 
te zenden : //ten einde van derzelver inhoud , geheel of gedeeltelijk , 
een zoodanig gebruik te maken, als hem de loop der aan zijne zorg 
toebetrouwde onderhandelingen voor zal komen te vereischen". — 
Ealck vestigde verder de aandacht op het belang eener ruiling 
van Sumatra tegen de Nederlandsche kantoren op de vaste kust 
van Indië, zoomede op het wenschelijke van Raffles' verwijdering, 
waarna hij besloot met den Koning machtiging te verzoeken om 
aan de Indische regeering kenbaar te maken : »fdat de gedragingen 
van C. C. G. G. in de door den Ridder Raffles berokkende moeilijk- 
heden en de door hen dienvolgens genomen maatregelen U^ M" 
volkomen goedkeuring hebben verworven, en dat in alle soortge- 
lijke omstandigheden, die zich onverhooptelijk verder mochten 
opdoen , de rechten en belangen onzer natie en de waardigheid van 
den Nederlandschen naam , in gelijker voege met bedaardheid en 
nadruk tevens moeten worden gehandhaafd". 

De Minister van B. Z. vereenigde zich geheel met deze voor- 
stellen, blijkens zijn rapport aan den Koning dd. 19 Februari 1819. 
Het protest oordeelde hij '/overbelangrijkst", aangezien het ons 
goed recht "voldingend" bewees. 



OMTRENT HET LONDEKSCH TttACl'AAT VAN 13 AUO. 1814. 405 

Het Koninkl. Besl. van 22 Februari 1819 1^ U, was het uit- 
vloeisel dezer overwegingen. C. C. Q. Q. ontvingen de voorgestelde 
tevredenheidsbetuiging bij schrijven van den Minister van Koloniën 
dd. 2 Maart 1819 '*^, terwijl de Minister van B. Z. bij brief van 
5 Maart onzen Gezant het protest als ffune pièce extrêmement 
interessante^^ toezond , ten einde er het meest gepast gebruik van 
te maken: ff om het plan van ruiling van Sumatra tegen de Ne- 
derlandsche kantoren op de vaste kust van Indië , met allen nadruk 
te bevorderen, als het meest geschikt middel, om eens voor al, 
een einde te maken aan alle verschillen en onaangenaamheden 
tusschen de wederzijdsche Indische autoriteiten", gelijk art. 1 van 
bovenvermeld besluit luidde. ^/Mais je dois observer k V. E.", 
herinnerde de Minister verder, ^que S. M. dans Tintention d'éviter 
toutes discussions désagréables sur certains points de cette pro- 
testation, qui sout d'une nature tres delicate, et parmi lesquels 
je citerai particulièreraent les circonstances du meurtre des Nèer- 
landais k Palembang en 1811, ue désire pas que eet acte soit 
communiqué in extenso k lord Castlereagh, mais seulement que 
V. E. se serve des arguments que cette pièce renferme, pour dé- 
montrer de plus en plus que Ie bon droit est de notre cöté et que 
Ie meilleur moven de conserver la tranquillité dans ces parages 
lointains et d'éviter des désagréments sans nombre aux deux Gou- 
verneraents seront de se prêter rautuelleinent h Téchange proposé.'* 

Pagel kon intusschen weder niet aanstonds bij de ontvangst van 
het Protest, lord Castlereagh spreken, daar deze zich wegens het 
overlijden eener zuster had teruggetrokken en de parlementaire 
werkzaamheid al diens krachten verder in beslag nam *'*". Zoo 
vond eerst eeue samenkomst plaats in den ochtend van den 19" 
Maart, blijkens een rapport van dien dag aan Van Nagell. Onze 
gezant bracht het gesprek op het protest van C. C. G. G. , waarop 
Castlereagh betuigde gaarne er van te willen kennisnemen, '/pour 
éclairer la discussion". Falk zou het stuk in eene nota resumeeren 
en dan de bekende moordgeschiedenis weglaten : ^^comme étant d'une 
nature delicate et pouvant mener li des discussions f&cheuses". ' •'» ' 

VI. 

Terwijl wij alzoo in Europa niets dan steun bij het Britsche 

ministerie ondervonden , werd ook onze Regeering te Batavia door 

brieven uit Bengalen geheel gerust gesteld. Uit het op bl. 396 

mcdes^edeelde , weten wij dat lord Moira tegen Elout ingenomen 

6e Volgr. lil. 28 



406 F£NDALL's £N KAFJ^LES OPYArLING£N IN HET ALGEMEEN 

was, eu dat deze meeniug onverzwakt bleef, kan blijken uit liet 
schrijven dd. ]4 Januari ISsJO aan den Qouv.-Qen. Van der Capellen, 
waarin de Qouv.-Gen. van Beugalen o. a. het volgende opmerkt 
over de belemmeringen, die den Engelschen handel werden aan- 
gedaan '•''*'*: »I am even willing to believe that the counsels of 
Mr. Elout did not proceed from a deliberate view of sowing the 
seeds of discord between the two countries, but from an ungover- 
nable splenatic distaste towards the English. The result however, 
has been the same as if it arose from studied enmity/^ 

Nochtans deze antipathieke gevoelens, die immers ook zeer sterk 
aan den dag traden in het sub 130 wedergegeven schrijven dd. 1 
Maart 18£1, schenen, voorloopig althans, geen invloed te hebben 
uitgoefend op lord Moira's ongunstig oordeel omtrent Raffles' 
handelingen , zij het ook de Gouv. Gen. ze reeds destijds te zacht- 
aardig toeschreef: ^to an unjudicious zeal" '•'**, eene manier van 
verschooning, waardoor maar al te zeer wederrechtelijkheden van 
Engelsche zijde straffeloos plaats hebben gevonden '•^•*. 

Den 16** Januari 1819 had zich de Commissie-Generaal ont- 
bonden verklaard, en wachtten dientengevolge Elout en Buyskes 
op een gunstigen wind , welke zich eerst den 28" d. a. v. zou voor- 
doen , om naar Nederland per Admiraal Evertseii terug te gaan. In 
die dagen nu ontvingen zij van den Gouv. Gen. eene uitnoodi- 
ging tot het houden eener laatste bijeenkomst: nitn einde mede 
te deelen drie brieven door den Gouv. Gen. in Britsch-Indië op 
den 10° October en 7 en 28 November 1818 aan C.C.Q.G. ge- 
schreven, houdende in substantie de geheele afkeuring van het 
gedrag des ridders Baffles betrekkelijk Falembang, de Lampongs 
en Fadang gehouden, alsmede betrekkelijk de nog bestaande on- 
verevende zaken wegens de Moluksche zaken". — De brieven lieten 
in den vorm niets te wenschen over; men vindt er ook niet in, 
noch het vervelend gehuichel over plicht, vriendschap , enz. , noch 
den aanmatigenden toon, die Raffles' epistels zoo zeer kenmerken. 
De missive van 10 October handelt over de Palembangsche en 
Fadangsche zaken, en is uitsluitend geschreven naar aanleiding 
van inlichtingen door Baffles verstrekt: dit in aanmerking nemende, 
moet men zeker aan het onbevangen oordeel van lord Moira hulde 
brengen; ook is zijn bericht geheel in overeenstemming met de 
sub 167 mede te deelen instructie aan Eendall. De persoonlijke 
achting, die de Gouv. Gen. i. E., volgens het schrijven van 10 
October, heeft voor C. C.G. G. en de vriendschappelijke verhou- 



OMTRENT HET LONDENSCH TllAOTAAT VAN 13 AUG. 1814. 407 

dingen tusschen de regeeringen der wederzijdsche natiën : //necessarily* 
incline us to put the most favourable construction on any circum- 
stances arising out of the proceedings of your officers" ; doch bij 
gemis aan verdere toelichting, luidde het, moest de Gouv. Gen. 
i. E. wel op de ontvangen mededeelingen afgaan, volgens welken 
de Engelsche kapitein Salmond met zijn gevolg gevangen genomen 
was, en wij den onder het Engelsch tusschenbestuur ten troon 
verheven Sultan tot een voor hem nadeelig contract hadden ge- 
dwongen , niettegenstaande C. C. G. G. toch beloofd hadden (hier 
vergiste zich lord Moira, zie bl. 371) niets te veranderen in de 
onder dat bestuur gesloten overeenkomst , waarbij Banka door den 
Sultan was afgestaan , onder waarborg van des Sultans positie. De 
brief besloot dan aldus: 

While we deem it our duty to make the communication ol the light 
in which we view the steps taken by Mr. Muntinghe , we are desirous 
at the same time of distinctly disclaiming any in tention to interrupt 
them either by measure of force or by negotiation with the Sultan or 
any of his subjects, deeming it our duty to abide by our original 
resolution of leaving the question entirely to the decision of the 
Govemments in Europe. In the spirit of that resolution we do not 
hesitate to declare to your Excellencies, that we never sanctioned, 
nor have we approved the procedure of the Lieutenant-Govemor of 
Fort Marlborough in exercising any interference in the affairs of Palem- 
bang and in deputing a British officer thither for the purpose of coun- 
teracting your measures. 

The frankness of this declaration will , we are assured , be regarded 
by your Excellencies as entitling us to a similar confidence in return; 
and we rely on receiving from you a distinct and satisfactory expla- 
nation of the procedure of Mr. Muntinghe in arresting and making 
prisoner a British ofïicer, charged with a diplomatic mission and 
sending him to Batavia. We should have seen nothing to object to 
in Captain Salmond being directed to return to Fort Marlbourough , 
an order which it would have been his duty to obey, but we are 
assured that the harsh procedure of Mr. Muntinghe cannot receive 
the sanction of your Excellencies high authority and that it will be 
disavowed and satisfactorily explained. 

The Lieutenant-Govemor of Fort Marlborough having signified to 
your Excellencies his intention to suspend the restitution of the Dutch 
factory at Padang, we have the honour to inform your Excellencies 
that we have renewed our orders for the immediate surrender of 
that Establishment to the ofïicer appointed by your Excellencies to 
receive it. 

The sums expendcd on the place , while in our possession , in cxcess 



408 VENDALL's en KAyFLKs' OPVATTINGKN IN HET ALGEMEEN 

to the revenue derived from it, will eventually form a demand against 
the Netherlands Government to be adjusted in Europe, but this cir- 
cumstance constitutes no valid reason in our judgment , for delaying the 
restitution. 

We have the honor to be 

Honorable Sirs 

With the highest consideration and 
respect , 

Your Ëxcellencies most faithfull and 
obedient servants, 
Fort William, Hastings. 

the lo October 1818. G. Dowdeswell. 

J. Stuart. 

A. H. RlCKETS. 

De tweede door onzen Qouv. Gen. vermelde brief van lord 
Moira, nl. die van 7 November 1818, was eerst een antwoord op 
klachten van C. C. G. G. , en wel die zij bij schrijven van 25 
Augustus t. V. (bl. 393) onder de aandacht hadden gebracht. 
Ook de depêche van 7 November strekte slechts om onze Regeering 
de overtuiging te schenken van den goeden wil des Britsch-Indischen 
bestuurs tot tegemoetkoming aan billijke bezwaren. Wellicht waren 
de betuigingen ten deze nog stelliger geweest , indien niet Moira^s 
brief van 10 October t. v. eene hindernis ware gebleken om het 
daarbij ingenomen standpunt zoo spoedig te verlaten. ^We request 
your Ëxcellencies" — leest men er intusschen in — '^to accept 
the assurancc of our high sense of the caudid , frank and amicable 
procedure adopted by You in this instance, by laying before 
us the circumstances of which You see cause to complain, and 
You will find in our part the most cordial disposition to meet 
You in a similar spirit". De quaesties over Padang, Lampong, 
Harems handelingen op Bandjermasin worden dan behandeld ; Moira 
meent echter te moeten opmerken , dat het hem nog altijd niet duide- 
lijk is , waarom wij ons zoo gehaast hadden met het verbreken van de 
Palembangsche verbintenis , onder het Engelsch tusschenbestuur met 
Najm al Din gesloten, en hij vraagt mede nadere inlichting over 
Salmond's gevangenneming; maar wat ook — betuigt het schrijven — 
G. C. G. G. hierover nader mochten mededeelen , reden om ons te 
dwarsboomen en met schending van het Londenschtractaat van 1814 
bezittingen als Padang niet over te geven , waren geenszins aanwezig, 
/y We have indeed" — schreef de Gouv. Gen. i. E. — >^distinctly disavo- 
wed the proceedings of the Lieutenant-Governor of Fort Marlborough 



OMTRENT HET LONDENSCH TRACTAAT VAN 13 AUG. 1814. 409 

and expressed our dissatisfaction at his conduct", terwijl het schrijven 
aldus welwillend besluit : ^We have thus adverted to each distinct 
point, iucluded in your dispatch and we trast our expositiou must 
seem entirely satisfactory. We entertain the most cordial desire to 
cultivate the friendship and confidence of your Excellencies, and 
we gladly persuade ourselves of the existence of a reciprocal sen- 
timent of your part." — De derde brief, in de uitnoodiging 
vervat, nl. die van 28 November, handelde nader over Banjermasin. 
C. C. Q G. beantwoordden al de missives bij het volgend schrijven 
dd. 26 Januari 1819: 

Nous n'aurions pu finir la mission dont Ie Rol notre auguste Sou- 
verain a daigné nous honorer, sous de meillieurs auspices pour l'avenir 
que ne sont ceux que nous présenlent les dépêches que Votre Excel- 
lence en son Conseil nous a fait l'honneur de nous faire parvenir en 
date du lo Octobre et 7 Novembre 181 8, que nous venons de 
recevoir hier. 

Nous étions sürs d'avance que la conduite du chevalier Raffles 
serait reprouvée par Votre Excellence et nous sommes persuadés 
encore que les Communications que nous avons eu l'honneur de faire 
a Votre Excellence dans plusieurs lettres postérieures a celles du 25 Aoüt 
18 18, Taurait convaincu de nos droits et de la légitimité de nos mesures- 

Nous sommes profondément touches de la delicatesse avec laquelle 
Votre Excellence a bien voulu nous faire connaitre les ordres qu'elle 
vient de donner au L* Gouverneur de Bencoelen, relativement a Téva- 
cuation de Palembang et des Lampongs et k la remise de Padang. 

Nous éprouvons une grande satisfaction d'avoir agi dans les discus- 
sions d'une maniere qui nous a mérité Tapprobation du Gouvernement 
Britannique dans cette partie du monde. 

Nous sentons trop Mylord Ie prix de la bonne harmonie entre nos 
Gouvernements respectifs, pour ne pas en agir avec toute la loyauté, 
franchise et modération propres a les cultiver. 

Nous avons a donner k Votre Excellence la plus complete garantie , 
que telle sera en tous temps Tesprit qui animera Ie Gouverneur- G/neral 
en son Conseil, que nous venons installer Ie 16 de ce mois, ce dont, 
nous avons Thonneur de faire part a Votre Excellence. — Nous 
laissons au Gouverneur-Général notre Collègue, Ie soin de traiter 
tout ce qui reste , nommément encore par rapport de la liquidation des 
affaires des Molucques. 

VII. 

C. C. G. G. konden dus, evenals onze diplomatie met een ige vol- 
doening op het tot dusver verrichte terugzien. Er bleef echter een 



410 fendall's en raffles* opvattingen in uet algemeen 

doukere wolk aan deii Itisuliudischeu hemel, die zich maar al te 
spoedig uog in eene voor onze belangen hoogst nadeelige onweersbui 
zou ontlasten. 

//Dat toch die Mr. Raffles uit onze nabuurschap verdwijne !" — 
schreef Elout particulier aan den departementschef voor Koloniën , 
Goldberg, dd. 9 Juni 1818 *•'*•''. — '/Mij dunkt er is nu reden 
genoeg om over zijn gedrag te klagen. Zoolang hij hier is, zal hij 
niet ophouden ons te kwellen; hij is ondernemend, en ziet niet 
op den aard der middelen; alles is hem goed. Het is intusschen 
moeielijk voor ons, hier den goeden middenweg te houden. Wij 
zijn nogal voor geen klein geruchtje vervaard , maar met dat al 
is de zaak teeder, vooral omdat wij niet weten, wat eigenlijk het 
meest aangenaam zou zijn aan het moeder-gouvernement (verg. bl. 
388). En zoo wij, die nog al durven op ons nemen, huiverig 
zijn, hoe dan hierna de Hooge Regeering? De tijd verbiedt mij 
uit te weiden." 

En de inmiddels afgetreden departementschef Goldberg oordeelde 
er evenzeer zoo over , daar hij , in verband met Elout's missive 
van 9 Juni aan den Qouv.-Qen. Van der Cappellen dd. 25 No- 
vember 1818 *^* schrijft: '«'Ik ben het met C.C. G. G. eens, dat 
alle argumenten bij het Britsche Gouv' beproefd moeten worden 
om dezen gevaarlijken man uit de nabijheid van Java te verwijderen. 
Zijn vroeger gedrag omtrent den moord te Palembang levert, 
dunkt mij , meer dan genoegzame redenen op , om het Nederlandsch 
Gouv^ te nopen zijn rappel openlijk te verzoeken. De bewijzen 
daarvan hebben C. C. G. G. overgezonden, en kunnen door den Heer 
Falck geproduceerd worden , wanneer hetgeen nu gebeurd is geen 
genoegzame aanleiding tot het voors. verzoek mocht opleveren." 

Ook Goldberg's vervanger, l^alck, achtte Raffles' heengaan niet 
anders dan gewenscht. Hij drukte dit o. a. in zijn op bl. 404 
vermeld schrijven aan den Koning dd. 15 Februari 1819 uit, waarbij 
hij het protest van C. C. G. G. aanbood. De Minister had toen nog 
niet ontvangen lord Castlereagh*s nota dd. 12 Februari , die Fagel 
eerst den 26° naar Brussel zond en waarin , gelijk wij mede op 
bl. 403 lazen , de Britsche minister pertinent verklaard had , dat 
Raffles zou berispt worden. Falck wijst in zijn rapport aan den 
Koning op het wenschelijke eener ruiling van Sumatra tegen de 
Nederlandsche kantoren op de vaste kust van Indië , waardoor aan 
alle quaestiën een einde zou komen ; doch , schrijft hij , mochten ^e 
daarover aan te gane onderhandelingen te lang duren, dan zoude 



OMTRENT HET LONOENSCH TUACTAAT VAN 13 AüG. 1814. 411 

van 's Koniogs wege '^iet alleen op de berisping van het gedrag van 
den H' Raffles , maar ook op zijne verwijdering van zijn tegenwoordig 
standpunt en van geheel Sumatra moeten worden aangedrongen. Na 
al het gebeurde" — voegde de Minister er aan toe — //zoude het 
verkeerd zijn op eene goede verstandhouding tusscheu dezen ambte- 
naar en den Gouv -Gen. der Nederlandsche bezittingen te rekenen." 
Den 6" December 1818 schreef onze Qezant aan Van Nagell 
den volgenden brief uit Londen , waaruit mede blijkt , hoezeer men 
daar genoeg van Raffles scheen te hebben : 

Le S^ Raffles est un busy body et je me souviens très-bien que 
longtemps avant la remise de nos possessions, lorsqu*il était encore 
Gouverneur de Java, feu lord Buckinghamshire , tout en rendant 
justice ^ ses talents, me dit qu'il embrassait trop et qu'on n'était pas 
content de lui sous ce rapport. Depuis lors j'ai appris indirectement 
plusieurs particularités qui m*ont expliqué ce dire de Lord B. — Rafl^es 
est un homme qui ayant commencé par les postes les plus subalternes 
au service de la Compagnie des Indes, a fait une fortune rapide qu'il 
doit principalement a la faveur et a la protection de feu lord Minto. 
Il a beaucoup d'ennemis parmi les employés de la Compagnie, et je 
suis a-peu-près sur que ni le Gouvernement suprème a Calcutta , ni les 
autorités suprêmes ai home, n'approuvent ce qu'il fait. Je suis a-peu-près 
également sur que lord Castlereagh n'en avait aucune connaissance , 
lorsque vous lui en avez parlé. Il n'a nullement été envoyé a Bencoelen 
pour nous inquiéter. Il avait déja ce Gouvernement quand lord Minto 
le prit avec lui lors de Texpédition de Java, et des cette époque Sa 
Seignerie lui a assuré la conservation de ce poste pour le temps ou 
celui qu'il allait avoir a Java lui manquerait. J'ai lieu de croire que 
sur le compte qu'il a rendu ici de ce qu'il a fait dernièrement par 
rapport ^ Padang, il a été renvoyé au Gouvernement suprème du 
Bengale. Ce sera toujours un voisin incommode ei Sumatra et j'avoue 
que l'idée de Mr. Elout d'échanger nos établissements sur la cöte de 
la presqu'ïle de l'Inde centre les comptoirs Anglais a Sumatra me 
plairait bien, si c'était mon aflaire. Je ne sais jusqu'^ quel point on 
la goüterait ici, mais je croirais assez qu'on serait disposé a quelques 
sacrifices pour se débarasser d'établissements étrangers dans le coeur de 
l'empire Britannique aux Indes. 

Je viens de recevoir une lettre de Mr. Van Braam, qui en accom- 
pagne une de lui a Mr. Goldberg, qu*il a laissée ouverte. J'envoie 
l'une et 1'autre a Mr. Falck et parmi ce paquet, qui est ci-joint sous 
cachet volant pour que vous puissiez , mon cher Monsieur , en prendre 
lecture si vous le désirez. Le rapport de Mr. Van Braam est, a mon 
avis , tout en faveur de Tabandon de nos comptoirs sur la cute de Pinde. 

Je vous prie de vouloir bien ne pas divulguer les détails que je 



412 F£NDALL8 £N HAFFLËS' OPVATTINGEN IN HET ALGEMEEN 

vous donne sur Ie S' Raffles. J'aurais beaucoup de regret de compro- 
mettre ceux de qui je les tiens. 

Van Nagell antwoordde dat de busy-body een hoistslokcr was; 
hetgeen de Qezant den 22° Januari 1819 andermaal deed schrijven: 

Vous définissez Ie S^ Rafflles très-exactement en Ie qualifiant de 
brouillon. C'est cela même; mais je crois qu'on lui rend la même 
justice ici, et s'est un grand point de gagné pour nous, en attendant 
les nouveaux arrangements que lord Castlereagh se déclare disposé a 
concerter avec nous. J'espére Ie voir au premier jour, mais voila Ie 
Parlement assemblé et cela n'est jamais favorable aux conférences 
ministérielles. 

De minister Van Nagell koesterde intusschen ook de beste ge- 
dachten over den loop , dien de zaak allengs wel van zelf ten opzichte 
van Raffles zou nemen. In een particulier schrijven dd. 9 Februari 
1819 aan den luitenant-generaal Fagel te Parijs (broeder van den 
Londenschen gezant) zegt hij o. a. fSe vous prie d^être extrêmement 
prudent avec la communication confidentielle que je vous envoye , 
relative Ji la conduite de Mr. Raffles. Nos démélés avec eet homme , 
vrai brulot, prennent une bonne tournure en Angleterre, et il 
serait tres préjudiciable ^ nos interets, si Topposition pouvait 
d^biter, que nous avons fait ailleurs qu'Ji Londres, des ouvertures 
sur ces démelés." — Zoo vereenigde Van Nagell zich eveneens geheel 
bij zijn rapport aan den Koning dd. 19 Februari met de beschou- 
wingen zijns ambtgenoots van Koloniën; alleen achtte hij in ver- 
band met de sinds bekend geworden afkeuring door de Britsche 
regeering zelve van Raffles' handelingen, het wenschelijk dat men 
niet nader op eene berisping, noch op diens verwijdering voor- 
alsnog zou aandringen. 

Het Kon. Besl. dd. 22 Februari 1819 was hiermede in over- 
eenstemming. Den minister van B. Z. toch werd opgedragen onzen 
Gezant te Londen met het Protest in kennis te stellen, in het 
belang der aanbevolen ruiling, terwijl het slot luidt: 

Wordende, uit aanmerking van den inhoud der jongste depêches 
van Onzen Gezant te Londen, waaruit blijkt dat het gedrag van den 
Luitenant-Gouverneur Raffles door het Engelsche Gouvernement is 
afgekeurd, het voorstel van Onzen laatstgenoemden Minister om op 
de berisping van denzelven bij dat Gouvernement aan te dringen, 
gehouden voor vervallen; terwijl het doen van instantiën tot verwij- 
dering van dien Luitenant-Gouverneur van het standpunt, waarop hij 
zich tegenwoordig bevindt en van geheel Sumatra , nader door Ons in 



OMTRENT IIKT LONDENSCtl TIIACTAAT VAN 13 AUO. 1814. U3 

overweging zal worden genomen, wanneer onverhoopt mocht bUjken, 
dat hij niettegenstaande de afkeuring van zijn gedrag door deszelfs 
Gouvernement, bleef voortgaan nieuwe inbreuken te maken op* Ons 
goed recht, en de Regeering van Java nogmaals stof gaf tot billijke klachten. 

Den 19" Maart had onze gezant Fagel eene samenkomst met 
lord Castlereagh. De ruilingsquaestie kwam ter sprake; de Britsche 
minister bleef er gunstig over denken; alleen zou het begin der 
onderhandelingen nog eenigen tijd wegens zijn gezondheidstoestand 
uitgesteld moeten worden. Fagel wees op het bezwaar van dit uitstel, 
in verband met Raffles' aanblijven: ffh quoi il répondit" — be- 
richtte onze Gezant dd. 19 Maart 1819 aan B. Z. — //par Tobservation 
juste et vraie, que Ie Roi, notre Souveraiu, doit étre parfaitement 
rassuré sur les vues de ce Qouvernement-ci par rapport ^ toute 
cette affaire, notamment par Ie désaveu formel de la conduite du 
Sr. Baffles et les mesures qui ont éié prises ^ la suite de ce dé- 
saveu pour Tempêcher de recidiver, (Toh lord Castlereagh tirait 
la conclusion qu'il ne résulterait pas de grands inconvénients du 
délai en question'\ 

Dat RafHes ten slotte wèl zou recidiveeren^ trad helaas maar al te 
spoedig aan den dag met de wederrechtelijke stichting van Singa- 
pore ' •'» 7 ; terwijl het succes van deze daad zulk eene schitterende 
kroon was C\\ voor zijn eigen streven, én voor zijne nagedachtenis, 
dat de Britsche regeering in dit voldongen feit meende te moeten 
berusten en zijn volk hem als een der groote mannen des lands 
eene plaats in het Westrainster Pantheon heeft waardig gekeurd ' •''»^. 
Ook hier was het 't succes, dat vergeven deed. 

Zoo bleek de bi-ulói niet alleen de woelgeest te zijn, waarvoor 
men hem gaarne onderschattend deed doorgaan, doch ook het 
gevaarlijke schip, bestemd, om zonder er zelf bij te vergaan, des 
vijands schepen te vernielen I Men scheen het soms maar al te zeer 
te vergeten , dat Raffles , niettegenstaande zijne gebreken , een bui- 
tengewoon talentvol, vindingrijk man was, die de grootheid van 
zijn vaderland lief had en daaraan eene kracht tot handelen ont- 
leende, waartoe hij waarlijk niet den prikkel behoefde eener ge- 
krenkte ijdelheid. Zoo meende toch een Nederlandsch , anders 
geenszins onverdienstelijk publicist, dat wij Raffles niet voldoende 
hadden gecajoleerd door hem .... niet met eene decoratie te begif- 
tigen ' "^ '^ ; en Falck zag ook slechts kleinzielige ijdelheid , waar 
hij in