(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



(cll 



BIJDRAGEN 



TOT DB 



TAAL, LAND- EN VOLKENKÜNDK 



VAN 



NEDKRLANDSCH-INDIK. 



OEDHUKT BIJ U. L. SMITS. 



BIJDRAGEN 



TO'I DE 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



V A X 



NEDERLANDSCH-INDIË 



UITGEÜEVEN ÜOOR HKT 



Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Nederlandsch-Indië. 



VIJFDE VOLORRRKS — TIENDE IiREL. 

(deel xi.iv dek GËUKELK kkkkhj 

THKKDK AFLf;%KRI%€i. 



•SOUAVKNHAGK. 

M/\RTINUS NI.THOFF. 
1H94. 



INHOUD 



Bladsijde. 
VA'ue hijdraiTf tot. E. 15. Kiel«tra*s opstrlleii nwv Sumatra's 

WestAU>t d(»or P. H. van der Kemp HbJ 

JutakamAlA (liarland of birtli-stories) tran:4lat(»(l tVoin thiï 
oriL'inal >anskrit (coTitinued IVoin j). 250). \\y Piof. 
Dr. el. S. SpeijfM- :321 

Sanü:ireescli(ï tekstt^n. Mt?t vrrtalini^ en aanteokeningen. 

Uitüreireien door Dr. X. Adriani :N6 

Fabelen in *t Rottineesch door 1'rof. Dr. JI. Kern . . 450 



EENE BIJDRAGE 

TOT 

K B. KIELSTRA'S OPSTELLEN OVER SÜMATRA'S WESTKUST. 

DOOR 

P. H. VAN DER KEMP. 



Werkkring en belangstelling riepen mij tot eene zeer diepgaande 
stadie over het zoatmiddel in Ned.-Indië. Men kan echter zulk 
een bijzonder gewichtig middel van financieel beheer niet met 
vrucht beoefenen zouder tevens kennis te nemen van vele staat- 
kundige gebeurtenissen, die op de ontwikkeling der gewesten van 
inTloed waren. Vandaar mijne aandachtige lezing van bovenvermelde 
opstellen, welke in dit Tijdschrift achtereenvolgens gepubliceerd 
werden. Ik trok zeer veel nut van die belangrijke stukken ; en ik 
kan wel geen beter bewijs van erkentelijkheid daarvoor geven, dan 
ze met mijne kennis van de archiefstukken aan te vullen. Ik heb, 
zoover mij dit mogelijk was, de archieven van de voormalige 
departementen der Middelen en der Producten, die van mijn eigen 
departement en van de Algemeen e Secretarie geëxploreerd : een 
moeitevolle , maar dankbare arbeid. Slechts van enkele resultaten 
ervan wil ik hier mededeeling doen , namelijk voor zoover zij 
strekken eenige punten in Kielstra's opstellen toe te lichten. Men 
houde daarbij in het oog, dat ik niet systematisch naar aanvulling 
dier opstellen gezocht heb. Dat lag niet op mijn weg en zou mij 
ook te veel tijd hebben gekost; doch ik vond het jammer om, 
hetgeen ik toevallig tegenkwam , weder ongebruikt in 's lands 
archief te doen deponeeren, terwijl het mij zoo gemakkelijk 
viel de door den Schrijver behandelde stof hier en daar uit te 
breiden. 



5« Volgr X. 18 



258 EENE BIJDRA UK TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

1. 

/'SUmatua's wkstkust van 1819 — 1825." 

(Üccl XXXVI der gelM»elc reeks van dit Tij.lschrift, 1887). 

De SS** Mei 1819 is voor Padang eeu gewiehtige dag geweeï*t. 
Toen toch woei voor het laatst de Britsclie vlag aldaar ten teeken 
van de souvereiniteit der Engelschen, en gaf hun resident De la 
Motte het gezag over aan onze voor de overneming aangewezen 
commissarissen Du Puv en Dibbetz. 

Van de daarbij plaats gehad hebbende plechtigheden was een 
ofRcieel programma opgemaakt, waaraan ik het volgende ontleen. 

Commissarissen en de Engelsche resident begaven zich naar het 
plein voor de vergaderzaal , alwaar de Engelsche vlag wapperde en 
de Europeesche en inlandsche ingezetenen, zoomede de inlandsche 
hoofden verzameld waren. 

Het Engelsche garnizoen was rechts, de door Commissarissen 
medegebrachte troepen waren links aldaar opgesteld en bewezen bij 
de komst der hooge heeren de militaire honneurs. De Engelsche 
resident deed daarop aflezen de volgende proclamatie: 

PROCLAMATION. 

Whereas by the terms of a convention, concluded between His 
Britannic Majesty and the Sovereign of the United Netherlands on 
the thirteenth day of August One Thousand Eight Hundred and 
fourteen, it has been mutually agreed amongst other things, that the 
Settlement of Padang and its Dependencies shall be restored, and 
whereas M^ James du Puy and Colonel Dibbets , Knight of the 
Royal Netherlands Military order of William, comnianding His Nether- 
lands Majestys Ship Wilhelmina , appointed by His Excellency the 
Go vemor- General of Netherlands India Commissioners, ha ving produced 
full powers to receive over the said place ant its Dependencies, the 
necessary arrangements having been made between the Acting Resident 
Digby Delamotte Esquire , and the Commissioners aforesaid , for 
the restitution of the same, it is hereby publicly proclaimed that the 
Commissioners have this day received over possession of the said 
place and its Dependencies, and the inhabitants thereof are accor- 
dingly placed under His Netherlands Majestys Government. 

Given at Padang ihis 22^^ dc^> of May i8ig, 
By me Acting Resident, 
D. Delamotte. 



OVER sümatka's westkust. 259 

l)e Ëngelsche vbiggeu ter vergaderplaats, die op de bergbatterij 
en op het fregat Wilhelmiua waarmede onze Commissarissen waren 
aangekomen, werden na liet lezen dezer proclamatie nedergehaald , 
onder een saluut van 21 schoten , het presenteeren van het geweer 
en het slaan van de trommen der troepen van beide natiën. 

Vervolgens wisselden de troepen van plaats, marcheerden de 
Ëngelschen van den rechter naar den linkervleugel en de Neder- 
landers van den linker naar den rechter. 

Hierop lieten Commissarissen onze proclamatie voorlezen ; enkele 
zinsneden zijn gelijkluidend met die welke voorkomen in de procla- 
matie van Commissarissen-Generaal dd. 19 Augustus 1 SI Ö, Staats- 
blad N** 5 , bij de overneming van Java. 

Ziehier het stuk : 

IN NAAM DES KONINGS! 

Wij J.VMKS Dr Pinr, benoemd Resident van Padang en 
Onderhoorighcdcn (iv\ Herman Mai'RITZ Dibbktz , Ridder 
der Koninklijke Nedcrlandsche Militaire Willemsorde , 
Kolonel ter zee, Commandeerende Zijner Majesteits 
Fregat de Wilhelmina , Commissarissen ter overneming 
van Padang en Onder hoorig/tedeu. 

Alle degenen die dezen zullen zien en horen lezen — Salut. 

Door Zijn Excellentie den heer Secretaris van Staat, Gouverneur- 
Generaal van Nederlandsch'Indië , gemachtigd om , krachtens het verbond 
tusschen Hunne Majesteiten de koningen van Grooi-Btiiiannie en der 
Nederlanden op den i3**®" Augustus 1814 gesloten, in Hoogstdeszclfs 
naam weder bezit te nemen van Padang en onderhoorigheden. 

Hebben wij ter voldoening aan deze geëerbiedigde bevelen, van den 
Heer Digby Delamotte , waarnemend Britsch Resident , overgenomen 
het Etablissement voornoemd en wat daartoe behoort. 

Wij verklaren alzoo hetzelve van stonden aan te zijn teruggekeerd, 
onder het Nederlandsch Bestier. 

Deze bezitting door eenen grootmoedigen Bondgenoot wederge- 
geven, zonder verwijl onder de Nederlandsche Regeering terug te 
brengen , was Zijner Excellentie's bevel , en onze last ; dit ogenblik 
is daar en het is voor ons een hoogst genoeglijk gevoel , ulieden zulks 
te mogen aankondigen. 

Gij komt onder de Regeering en Bescherming van eenen Vorst uit 
Nederlandsch Dierbaarst geslagt gesprooten, bij wien gantsch Nederland 
in Edelen moed ontstoken zijn heil zocht , en dank zij der Goddelijke 
voorzienigheid vondt. 



260 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA^S OPSTELLEN 

Nederlandsch Indien aan Nederland hergeven, zal ook Padang in 
dat heil delen en zo God Zijnen Zegen schenkt tot grooteren luister 
dan nog voorheen geraken , zodanig is de vaste wil van Zijne Excel- 
lentie den Heere Gouverneur-Generaal, het hoogst bewind in deze 
gewesten in naam van Zijne Majesteit voerende. 

Het gezag als Resident van dit Etablissement en onderhoorigheden 
door Zijne Excellencie aan onze ambtgenoot den Heer James Du 
PuY toevertrouwd wordt ook heden door denzelve met zulke bedoe- 
lingen aanvaard, in de verwagting van in zijne pogingen daartoe, 
allerwege medewerking en ondersteuning te zullen ondervinden, 

Regtvaardig, billijk, doelmatig tot bevordering van algemeen en 
bijzonder belang te zijn, als ook eene nauwkeurige waarneming der 
maatschappelijke plichten in overeenstenmiing met de algemeene en 
bijzondere wetten, zijn Zijne voorschriften, ten einde allen te doen 
delen in Zijne Majesteits bescherming die onder Hoogs tdeszelfs ge- 
bied leven. 

Wij verklaren voorts ter voorkoming van alle stoornis en hinder in 
den geregelden loop der zaken dat de bestaande wetten en verorde- 
ningen op de oeffening van het regt, de beheering en Invordering 
van 'sLands middelen en Geregtigheden, de Landbouw, den Handel, 
de vaart en andere voorwerpen van algemeen Bestier, hare volle 
kracht en werking behouden. 

Willende en begerende wij dat dezelve door allen worden geëer- 
biedigd en achtervolgd, en door hen aan wien dezelver toepassing 
en uitvoering is toevertrouwd , uit naam en van wege het Neder- 
landsch Bestier worden gehandhaafd tot dat daarin nader mogt worden 
voorzien. 

Een opdat niemand hiervan eenige ignorantie mogt pretendeeren 
zal deze publiek worden afgekondigd en aangeplakt ter plaatse waar 
zulks gebruikelijk is. 

Gigeven ie Padang den 22*^^ Meij i8ig. 

J. Du PUY, 
DiBBETZ. 

Toen de aflezing geëindigd was , werden de HoUandsche vlaggen 
geheschen ouder dezelfde eerbewijzen, die bij het nederdalen der 
Engelsche waren gedaan. 

Commissarissen ontvingen daarop de gelukwenschen dfex autoriteiten 
en ingezetenen , waarna de vergaderzaal , onder dezelfde honneurs 
als te voren, werd verlaten. 

Van de overgave en overneming werden ondervolgende akten 
opgemaakt; de daarin genoemde bijlagen A, B en C liet ik weg. 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 261 

The Undersigiied duly authorized by William Robert Jennings 
Esquire, Acting Resident for all affairs of the Honorable United 
Company of Merchants of England trading to the East Indies, on 
the West Coast of the Island of Sumatra, and commanding Fort 
Marlborough under powers of him the said Acting Resident granted 
by the Most Noble the Marquis of Hastings &c. &c. &c. Govemor- 
Generaal of British India in Council has this day restored unto the 
Officers duly authorized of His Majesty the King of the Netherlands 

(whose names are inserted in the 
Mr. JA3IES DU PuY Resident, Colonel Margin) the Settlement of Padang 
Hekman Maurttz Dibbetz Knight of the and its Dependencies. 
fx>yal Netherlands Military order of The Undersigned has also this 

William, commanding His Netherlands day delivered over to the said 
Majestys Ship Wilhelmina , Commis- Officers the various public buildings 
sioncrs. specified and enumerated in the 

annexed Schedule marked A. 
The Undersigned has likewise this day delivered over to this said 
Officers the various ordnance and Military Stores specified and detailed 
in the annexed Schedule marked B together with the various civil 
Stores as detailed in the annexed Schedule marked C. 

The Undersigned has further this day delivered over to the said 
Officers the public Accounts of the Padang Residency, closed to this 
day, exhibiting a Balance of Dollars 152496.3,14 due from His Majesty 
the King of the Netherlands to the Honorable United English Company. 
This restitution of the Settlement of Padang and of its Depen- 
dencies to His Majesty the Ring of the Netherlands is made under 
the Conditions of the Convention concluded between His Britannic 
Majesty and the Prince Sovereign of the Nederlands on the I3*'*'* day 
of August in the Year 18 14. 

Üone at Padang and sealed with the 
Honorable Companys Seal, this Twenty 
Second day of May in the Ycar of our 
TiOrd One Thousand Eight Hundred and 
Nineteen. 

D. Deij^motte, Z. S, 

Ac/ing Resident, 

We duly authorized on the part of His Majesty the King of the 
Netherlands have hereunto subscribed our names and have affixed 
our seals in acknowledgement of the restitution this day of the 
Settlement of Padang and of its Dependencies to His Netherlands 
Majesty and of our receipt of the public buildings, of the ordnance 
and Military Stores, of the Civil Stores and of the public accounts 
of Padang Residency, hercin above advcrted to in Articles 2, 3 and 4 
and detailed in Schedule marked A, B and C and in recognition of 



262 EKNE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

the Conditions and Stipulations contained in the convention concluded 
between His Britannic Majesty and the Prince Sovereign of the 
Netherlands on the 13^''*' August 18 14 as far as the same are appli- 
cable to the Settlement of Padang. 

J. DU PuY. 

DiBBETZ. L. S, 

Nog deuzelfden dag richtten Coiumissarisseu eene missive aan de 
Regeering te Batavia, waarin van het vorenstaande bericht werd 
gedaan. '/Het is ons'/ , voegden wij daaraan toe, /'een bijzonder 
genoegen Uwe Excellentie in Rade te gelijk te kunnen be- 
rigten , dat de vreugde door de inwonendeu des Lands bij deze 
gelukkige gebeurtenis , aan den dag gelegd , een voldoend bewijs 
oplevert , dat zij zulks met verlangen te gemoet hebbeu gezien , 
en dat de herstelde betrekkingen hun de aangenaamste vooruit- 
zigten op de toekomst inboezemen. // 

Intusschen waren er onder de Europeesche ingezetenen ernstige 
spelbrekers, wier wangedrag den als resident opgetreden Du Puj 
aanleiding gaf, reeds bij missive dd. 13 Juni 1819 N*» 22 het 
nemen van maatregelen aan de Regeering in overweging te geven. 
Onder aanbieding namelijk van een nominatieven staat der Euro- 
peanen te Padang, erkende hij dat op een groot gedeelte hunner 
van Padang geboortig en meest allen van HoUandsche afkomst 
('/ten minste van den eenen kant", luidt het veelbeteekenend) niets 
viel te zeggen, "doch er zijn eenige personen//, vervolgde de 
Resident, //die zich thans onder de ingezetenen rekenen, alhoewel 
vreemde ondeidanen zijnde, en sommige zelfs zonder verlof van 
het vorig bestuur zich hier nedergezet hebbende, deze personen 
noemen zich allen kooplieden , schoon bestaande meerendeels uit 
gewezene schippers of stuurlieden van koopvaardijvaartuigen , die 
om hunne crediteuren op de vaste kust van Indië te vermijden 
zich hier ophouden, alwaar dezelven buiten het bereik van de 
Engelsche regtbank zijn. Dit gedeelte van de bevolking heeft zich 
door deszelfs onrustig en gemeen gedrag zeer lastig gemaakt aan 
den Engelschen resident, die met geene genoegzame magt bekleed 
was om dezelven in toom te houden , of hunne ongeregeldheden 
te straffen, vooral daar het Gouvernement van Bengkoelen zich 
omtrent deze plaats weinig liet gelegen liggen ; en het is in de 
laatste tijden zoo verre gegaan, dat de afgetreden Resident om 
die reden alleen zijn ontslag verzocht had. 

Het is derhalve tot de handhaving van het gezag en van de 



OVER sümatra's westkust. 26S 

openbare rust hoogst noodzakelijk, dat hierin op eene voldoende 
wijze wordt voorzien door den Resident met eene genoegzame 
magt te bekleedeu, om deze onstuimige burgers tot een goed 
gedrag te kunnen noodzaken, en hen voor een tegenovergestelde 
te kunnen straffen.// 

Twee dagen na dit bericht deed zich de eerste gelegenheid sinds 
de komst van Commissarissen te Fadang op , om brieven te zenden 
naar Batavia, en wel met het vertrek van de brik /)e lleltm. Wel 
was Z'. M'. fregat De Wilheimhia ^ dat Commissarissen had over- 
gebracht, ook reeds teruggekeerd, o. a. medevoerende het origineel 
van hun schrijven dd. 22 Mei over de gelukkige overneming van 
Padang , doch het scheepje zou nog eerst Malakka aandoen, zoodat 
het niet rechtstreeks voor Batavia bestemd was. Met Ih ïhten nu 
werden o. a. verzonden het duplicaat van het rapport dd. 22 Mei, 
verder het schrijven dd. 13 Juni over het onrustig bestaan van 
verloopen sujetten, en eindelijk een breed opgezet stuk van den 
Resident dd. 15 Juni 1819 N° 28 over Padaugs economischen 
toestand. Dit laatste is alzoo een authentieke bron voor de kennis 
van den staat der Westkust op het oogenblik dat Padang tot ons 
gezag wederkeerde , en uit dien hoofde van belang. 

De inleiding van het rapport handelt over de onderhoorigheden 
van Padang. Rapporteur erkent dat zijne mededeelingen daarover 
zeer onvolledig waren, doch hij verschoonde dit met den korten 
duur van zijn gezag en de bijna ongeloofelijke bezwaren der ge- 
meenschap. Hij zelf trouwens had aan de onderhoorigheden nog 
geen bezoek kunnen brengen. Het was hem wel bij zijne intrede 
gelast geworden om na de overneming te Padang eene reis met 
de Wilhelmha te gaan maken, doch kolonel Dibbetz, de comman- 
dant, durfde met het scheepje niet zoo aan de kusten te blijven; 
hij vond het meer geraden dadelijk van Padang het ruime sop te 
kiezen en eerst omtrent de hoogte van Atjeh het land te naderen, 
ten einde de reis naar Malakka te vervolgen. De Puy had hiertegen te 
minder bezwaar, dewijl het Engelsche gouvernement op de plaatsen ten 
Noorden van Padang noch militairen , noch burgerlijke ambtenaren 
bezat; en wat de Zuidelijk gelegen plaatsen betreft, namelijk 
Poeloe Chinko en Ajer Adji, wijl ze geheel buiten den koers van 
het schip lagen; eindelijk achtte Du Puy het volstrekt onmogelijk 
Padang te verlaten : "Zonder den dienst geheel te doen stilstaan 
en alles in verwarring te laten ". 

Inmiddels huurde de Resident een vaartuig af, waarmede de 



264 BENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

troepen uaar genoemde plaatsen werden gezonden ter aflossing van 
de Engelschen ; terwijl twee commissiën , ieder bestaande uit twee 
panghoeloes of regenten van Padang , bij 's Residents beschikking 
dd. 24 Mei werden uitgezonden, de een naar het Noorden en de 
ander naar het Zuiden, om de herstelling van het Nederlandsch 
gezag bekend te maken , en de in de Maleische taal overgezette 
proclamatie van Commissarissen op iedere plaats af te kondigen en 
aan te plakken. Ofschoon de regenten tiog niet waren terug 
gekomen , waren evenwel reeds tijdingen ontvangen , waaruit bleek, 
dat de gebeurtenis, welke zij gingen afkondigen, eene algemeene 
vreugde had doen ontstaan onder de inwoners ; en sommige hoofden 
waren reeds te Padang gekomen , anderen waren op weg , om 
trouw en gehoorzaamheid te verzekeren. Alleen de vorst van de 
zuidelijkste streek Indrapoera had zich op twijfelachtige wijze ge- 
dragen; hij was door zijn volk echter niet bemind en naar het 
onder Engeland nog ressorteerende Mokko-Mokko vertrokken , welke 
streek vroeger tot Indrapoera behoorde. Wegens het karakter van 
dezen zwervenden vorst zou zijn afval geen groot onheil zijn; 
kwam hij er toe, dan zou de Resident de Mantris of Rijks-grooten 
van Indrapoera aanschrijven om een nieuw hoofd te kiezen. 

Ajer Bangis, waar voorheen een Nederlandsch resident verblijf 
hield, was door de Engelschen niet bij Padang maar bij Natal, 
de Noordelijkste der Engelsche bezittingen, gevoegd. Vandaar dat 
bij de overgave van Padang, de Engelsche resident De la Motte 
de Nederlandsche commissarissen had verwezen naar den Engelschen 
resident van Natal , aan wien dan ook de overgave was afgevraagd. 
Van terzijde had echter Du Puy vernomen , dat de Engelsche 
regeering van plan was Ajer Bangis aan te houden, op grond 
dat het door het Nederlandsch Gouvernement was verlaten lang 
vóór Padang in handen der Engelschen viel. Rapporteur had 
omtrent de juistheid hiervan te vergeefs onderzoek gedaan, het 
archief der Compagnie was geheel verdwenen en de berichten van 
oude lieden waren tegenstrijdig. 

Kielstra brengt op bl. 10 vv. in herinnering de merkwaardige 
reis van Raffles en zijne echtgenoote in 1818 naar Menangkabou. 
Te Semawang, eene plaats gelegen nabij het punt, waar de Om- 
bilien haar oorsprong neemt, was de Britsche vlag geplant en 
aldaar werden 2 officieren met 100 man, zoomede de ambtenaar 
Salmon achtergelaten. De Luitenant-Gouverneur van Bengkoelen 
was tot dezen tocht gekomen ten einde, met het oog op de 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 265 

aanstaande overgave der Kust aan de Nederlanden , dezen tegen 
te werken, en werkelijk heeft de bekwame man succes gehad. Doch 
het is van korten duur geweest; ziehier wat Du Puy rapporteerde: 

i'Intusschen heb ik het genoegen Hoogstdezelve te berichten , 
dat wij vooreerst weinig te vrezen hebben vau den invloed van 
den Luitenant Gouverneur van Benkoelen in de binnenlanden, 
dewijl de troepen, die hij te Semawang in het rijk van Menankabau 
had gelegd, ten getale van 100 man, vandaar zijn teruggekomen 
en men dat geheele plan schijnt te abandonneren. Den heer Salmon , 
die onder het vorig bestier te Padang het ambt van kollecteur 
der in- en uitgaande rechten bekleedde ' , was tevens door Sir 
ï. 8. Raiftes in Julij 1818 aangesteld tot resident aan het hof 
vau Menangkabau, en als zoodanig geheel onafhankelijk gemaakt 
van de civile autoriteit te Padang; van deze kon ik dus geene 
elucidatie omtrent de juiste bedoelingen van het etablissement te 
Samawang verkrijgen; maar het is mij over het algemeen genoeg- 
zaam gebleken, dat dezelven niet de vriendelijkste waren ten 
aanzien van het Nederlandsche Gouvernement. Ik zal eerstdaags 
eene commissie naar derwaarts zenden om den tegen woord igen 
staat van zaken in het Menankabausche te vernemen , en daarna 
met den Kommandant raadplegen over het plaatsen eener militaire 
bezetting aldaar, hebbende intusschen reeds een missive gezonden 
aan de regenten der Tigabelas kotta's, die voorheen onder de 
trouwste bondgenooten van de Maatschappij werden gerekend , en 
wier landen aan die van Menankabau grenzen; de Panghoeloes 
van Pau en Kotta tenga, wier districten meer in de nabijheid 
zijn gelegen, hebben reeds tegelijk met die van Padang den 
eed van trouw en gehoorzaamheid iian het Nederlandsch gouver- 
nement in mijne handen afgelegd//. 

Na deze inleiding gaat Du Puy den staat van Padang beschrijven. 
Ik geef nu het rapport verder in zijn geheel weder. 



HET ALGEMEEN BESTIER. 

Dit heb ik in eenen zeer gebrekkigen staal gevonden ; — de Engelsche 
Regering van Bencoelen schijnt zig weinig om deze plaats bekommerd 



' Volgens PYancis {Hemmeriftfien , \{{ bl. ir>2) was Salmon vóör De la Motte, 
in 1816-17, resident van Padang geweest; vermoedelgk nam hij het ambt tijde- 
l\jk waar. 



266 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

te hebben en dezelve vooral in latere jaren geheel aan zig zelve Ie 
hebben overgelaten; — zelfs de Engelsche Resident verklaart dat hij 
eerder tegenkanting dan ondersteuning van zijne superieuren heett 
ondervonden, waardoor hij allen ijver verloren heeft, zijn gezag bijna 
ten gronde is gegaan, en de ingezetenen zoo wel Inlanders als Euro- 
peeschen, dog vooral de laatste, zig zoodanige onbetamelijkheden 
hebben geoorloofd, als of de plaats zonder regering ware geweest. 

Het Inlandsch Bestier van Padang is zamengesteld uit een Hoofd- 
Regent die de eerenaam van Towangko Panglima voert, en twaalf 
mindere Regenten genaamd Pangoeloes, waaruit een. Dato Bandaro 
getituleerd, de tweede na de Panglima is. Deze wordt verkozen door 
de gezamenlijke Regenten van Padang, Pau, Kottatenga, en der 
Tigablas kottas , doch hunne keus moet door de Europeesche autoriteit 
worden goedgekeurd en bevestigd; — in vorige tijden ontving dezen 
Hoofd-Regent zijne Kommissie van de Hooge Regeering te Batavia , 
doch de tegenwoordige Panglima heeft zulks onmiddelijk van den 
Resident gekregen zooals Uwe Excellentie uit het hier nevens gevoegde 
afschrift van dezelve zal kunnen ontwaren. 

Zoowel de Panglima als de Pangoeloes hebben weinig gezag over 
het volk, en kunnen zelfs de geringste bevelen en minst belangrijke 
maatregelen niet zonder behulp van den Resident ten uitvoer brengen ; 
dit ontzag en eerbied voor hunne eigen hoofden die onder de bevolking 
van Java heerscht, is hier geheel onbekend, en den weirigen invloed 
die de Regenten nog op hunne ondergeschikten hebben , schijnt eerder 
gegrond te zijn op de ingewortelde luiheid en onverschilligheid van het 
Maleische karakter, die hen de wederspannigheid in geringe zaken te 
moeijelijk doet vallen. 

Buiten de onmiddellijke omtrek van de plaats zelve hebben zij 
geen magt, en niet zelden worden zelfs te Padang hunne besluiten 
openbaarlijk onvoldaan gelaten door degene, waarop dezelven be- 
trekking hebben, wanneer hun eigen belang, verwaandheid of luijen 
aard het medebrengt om zig daartegen te verzetten. 

Er is nog een Hoofd der Chinezen die echter in geen groot getal 
zijn; hij voert den naam van kapitein, doch heeft weinig of geen gezag 
over die van zijn natie, schoon hij om zulks te handhaven een vast 
traktement uit 's Lands kas geniet, en in alle zaken waarin Chinezen 
betrokken zijn de vergadering van de Regenten bijwoont. 

Het volk van het eiland Xias dat zich hier ten getale van omtrent 
300 heeft nedergezet, wordt insgelijks door hun eigen Pangoeloe ot 
Regent bestuurd voor wien dezelven even weinig ontzag schijnen te heb- 
ben ; deze menschen zijn de eenigste die men als koelies tot het verrigten 
van eenigen arbeid kan bekomen , want de Maleijer heeft over het alge- 
meen te veel luiheid en hoogmoed om voor eenen ander te werken. 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 267 

DE JUSTITIE EN POLITIE 

worden op eene allergebrekkigste wijze uitgeoeffend , of liever worden 
dezelven niet uitgeoeffend ; voor zoo verre ik heb kunnen nagaan, 
bestaan er geene andere wetten dan de oude gebruiken van het Land 
en zelfs deze zijn nergens te vinden als in het geheugen, want ge- 
drukte of geschrevene wetboeken zijn hier onbekend , zelfs in de taal 
van het land. 

De Regenten , waarvan onder het vorig artikel is gesproken , maken 
eene soort van Raad uit, dewelke alle Zaturdagen bijeenkomt, en 
waarvan den tijdelijken Resident als voorzitter fungeert; aan dezen 
Raad is toegevoegd eenen Maleische Secretaris, die tevens als zoo- 
danig op het bureau van den Resident gebruikt wordt. 

Onder de Regering van de Maatschappij is hier een Fiskaal geweest , 
die tevens als Magistraat fungeerde, doch dit ambt heeft gedurende 
het Engelsch Bestier niet bestaan« 

Er wierd geen Register gehouden in de Engelsche taal, en in het 
Maleisch slechts eenige ruwe aantekeningen van het verhandelde bij 
deze vergadering voor welke echter alle zoo wel criminele als civiele 
zaken waren gebragt; zijnde deze de eenigste Regtbank. 

Het is bijna overtollig om hierbij aan te merken , dat zaken tusschen 
Europeesen voorvallende niet voor dezen Raad kunnen worden ge- 
bragt « en alzoo dat in zoodanige gevallen de partijen meerendeels 
hun eigen rechter worden en tot allerhande buitensporigheden overgaan. 

De straffen voor alle misdaden bepalen zich bijna tot geldelijke 
poenaliteiten ; alleen wordt in ernstige gevallen de misdadigen somtijds 
verwezen tot publieken arbeid, voor een of meer jaren, en dit noemen 
zij de slaaf worden van de Kompagnie. Doodvonnissen zijn hier bijna 
onbekend, en zelfs de moord wordt met eene boete gestraft; de be- 
sluiten van de vergadering worden gemeenlijk naar het gevoelen van 
den Resident gewijzigd, dog in gevallen waar zulks strijdig is met 
der Regenten eigen belangen of die van eenige hunner talrijke naast- 
bestaanden en aanhangelingen schroomen zij niet zig daartegen te ver- 
zetten en het kost den Resident somwijlen veel moeite om tot eene 
beslissing te geraken met zijne begrippen van regt overeenkomende. 

Het beheer van de dagelijksche politiezaken werd cmder het vorig 
bestier toevetrouwd aan een Inlandsch Militair Officier, genaamd 
kapitein Raden Tumungung, zijnde van de Maduresche Vorstelijke 
Familie, en deze was tevens kommanderend Officier van de Troepen; 
dezelven bestonden voor een groot gedeelte uit de zoogenaamde 
Boegissen die te gelijk voor soldaten en voor politie-dienaren waren 
gebruikt; zodat men dezelven, ware de vergelijking niet belagchelijk, 
Gens ffarmes konde noemen. De meest j dezer zijn thans geene wezen- 
lijke Boeginezen , maar inboorlingen van differente landen op Sumatra 



268 BENE BIJDBAOK TOT K. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

en elders , hebbende alleen den naam van hunne voorgangers behouden ; 
naar allen schijn bezitten dezelven weinig goede hoedanigheden doch 
er is hier geen keus en men moet zich, als een noodhulp, er wel 
van bedienen. 

Ik heb dan ook daaruit een getal van 14 man met i Hoofd en 2 
ondermandoors provisioneel in dienst genomen op hunne oude be- 
zoldiging , om de plaats toch niet geheel zonder politie te laten totdat 
men in dit groot gebrek op eene meer voldoende wijze zal kunnen 
voorzien, zooals Uwe Excellentie zal blijken uit mijn Besluit van den 
i« dezer, waarop ik Hoogstdeszelfs approbatie eerbiedig ben ver- 
zoekende. 

De Regenten zelve hebben geen afzonderlijke politie-bedienden , 
gelijk de Mantries en Goelang-Goelangs op Java en zelfs heb ik eenigen 
twijfel of men hun wel eenen zoodanigen aandeel in het uitvoerend 
gezag konde toevertrouwen, dewijl, onder anderen redenen, dezelven 
beschuldigd worden, van zig gretig te laten omkoopen. 



MILITAIRE ZAKEN. 

Deze waren onder het vorig bestier evenals alle anderen, verwaar- 
loosd. Het Fort , dat voorheen op de oever van de rivier stond , is 
sedert lang vernield geworden, schoon aan eenige overblijfselen nog 
den naam van Fort wordt gegeven, maar die voor geene verdediging 
vatbaar zijn; boveu op de Apenberg is een kleine batterij, die echter 
waarschijnlijk in zijnen tegenwoordigen staat van weinig dienst tegen 
eenen vijand zoude zijn, schoon de ligging tot eene sterkte voordeelig is. 

Door den heer kommandant zijn aangeworven 26 Bengalezen en 50 
Inlanders uit de door de Engelschen ontslagene troepen; dan deze 
zijn zonder wapens en kleding en kuimen dus, vooralsnog van weinig 
dienst zijn. 

Kasemen voor de militairen zijn er in het geheel niet, de Inlandsche 
troepen van het vorig Gouvernement waren in eenige bamboesen hutten 
gehuisvest, geheel ongeschikt tot het logies \an Europeesen, en hier- 
mede is het op de buitenposten nog slechter gelegen. 

Onze manschappen bewonen nog de civile gebouwen , waar dezelven 
bij het debarkeren hun intrek hebben genomen; deze zijn het tolhuis, 
de vergaderzaal en een oud pakhuis van welker gebruik ik dus ver- 
stoken ben, tot groot ongerief van 'slands dienst, zoo wel als voor 
mij zelven en voor de ambtenaren van het tolhuis-departement. 

Bij de aankomst van het van Batavia verwagt wordende schip met 
vivres en van de Javasche en Macassaarsche prauwen, die eerstdags 
een groot hoeveelheid goederen zullen aanbrengen, zullen wij ge- 
noodzaakt zijn om tot het opschuren van dit een en ander, een 



OVKR SUMATKa's WESTKUST. 269 

gedeelte der gemelde gebouwen door de militairen te laten ontruimen. 
Ik heb daarom met den Heer Kommandant geraadpleegd over het 
oprichten van eene kazerne, en zal trachten dit werk uit te besteden, 
zoo als Uw Excellentie uit mijn besluit van den ii^en dezer zal 
blijken, Ik heb echter weinig hoop van hierin te zullen slagen, ver- 
mits de enkele huistimmerlieden die hier zijn, — ongewoon aan zulk 
op contract werken en onvoorzien van materialen , die voor het grootst 
gedeelte vooraf moeten worden vervaardigd — waarschijnlijk ongenegen 
zullen zijn tot het aannemen- van een zoo uitgebreid werk. Om het- 
zelfde tegen dagloon en met inkoop van alle materialen van landswege 
te verrigten zoude zeker zulke groote onkosten veroorzaken, dat ik 
mij niet geautoriseerd zoude vinden daartoe over te gaan, behalven 
dat er niemand hier in staat is om het opzigt daarover behoorlijk 
te kunnen waarnemen. 

Tijdens het bestaan van de Maatschappij waren er een ruim getal 
ambagtslieden van allen aard, in dienst van het Gouvernement onder- 
houden , tot het verrigten van alle publieke werken , en wierden de 
voornaamste materialen van Batavia gezonden, dewijl de jatiboom op 
dit eiland niet gevonden wordt en het hout, dat men hier tot het 
timmeren gebruikt , niet duurzaam is. Metselsteenen kunnen hier gemaakt 
worden , dog langzaam en van geene goede hoedanigheid , en dakpannen 
zijn bijna onbekend; eindelijk is het ijzerwerk zoowel tot sluiting als 
andere doeleinden, zeer lomp in maaksel en hoog in prijs. 

Het zoude dus wel wenschelijk zijn eene hoeveelheid bouwstoffen 
van Batavia te zenden en dat een Officier van de genie gemist konde 
worden om de nodige militaire gebouwen te komen oprichten , geassis- 
teerd met eenige goede werklieden en pioniers want het koelieloon is 
exorbitant hoog, zijnde een kwart gulden per man daags, en dan nog 
zijn dezelven in geen genoegzaam getal verkrijgbaar; in vorige tijden 
maakte de Maatschappij gebruik van slaven, die tot dat einde, van 
het eiland Nias aangebragt en tot het getal van 150 a 200 onder- 
houden worden. 

Wat de levensmiddelen voor de militairen betreft, kan men hier 
goed rundvleesch bekomen , tegen den matigen prijs van circa 3 stuivers 
het pond; daarentegen is de rijst hoog in prijs en dient van Batavia 
te worden gezonden , zoomede arak , zout , azijn en meel ; peper , koffie 
en olie zijn echter alhier verkrijgbaar tegen billijke prijzen. 

De Boeginesen zijn onder de inwoonders van Sumatra m groot 
aanzien, en de krijgsmacht van de Maatschappij bestond voor meer 
dan de helft uit dit volk, zijnde hetzelve wegens hunne goede militaire 
hoedanigheden, zeer nuttig gemorden. Ik zoude daarom Uwe Excellentie 
in consideratie geven om in onze bezittingen op de kust van Celcbes 
vooreerst een honderdtal Boeginezen te doen aanwerven voor den 
diepst van dit etablissement, alwaar dezelven even goed te gebruiken 



270 KENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

zijn als Europeanen , en vooral op de Buitenposten , die voor dezen 
laatsten ellendige verblijfplaatsen moeten wezen, waar zij van alles 
verstoken zijnde, een bijna ondraaglijke lot moeten hebben. 

Daar de Heer Kommandant Uwe Excellentie met deze gelegenheid 
ongetwijfeld een breedvoerig verslag zal aanbieden en natuurlijk beter 
in staat is Hoogstdezelve met alle verdere bijzonderheden bekend te 
maken, zal ik thans mijne aanmerkingen over het Militaire wezen 
afsluiten, en overgaan tot het verhandelen van: 

FINANTIËN. 

De verwagting van bij de bezitneming der Residentie, een wel 
voorziene kas van de Engelschen te zullen overnemen, is zoo verre 
van vervuld geworden, dat de afgetreden Resident niet in staat is 
geweest, om alle de reclames op zijn Gouvernement te kunnen voldoen 
Deze te kort komst wordt toegeschreven aan de groote uitgaven waar- 
mede het gewezen etablissement door den Heer RafBes in de binnen- 
landen gelegd, is verzeld gegaan, en welke in het verleden boekjaar 
van I Mei 1818 tot Uit®. April 1819 hebben bedragen f 26.000, dat 
uit de inkomsten van Padang is gevonden. 

Deze bestaan tegenwoordig alleen in de verpagtingen van amphioen , 
arak en sageweer, en in de gerechtigheden op den invoer en uitvoer 
van goederen over zee. 

In het laatste boekjaar hebben deze twee takken van inkomsten 
opgebragt ruim 70.000 guldens, en ik heb alle redenen te veronderstellen , 
dat bij eene nauwkeuriger toezicht dezelven nog vrugtbaarder zullen 
worden — en wel met der tijd in eene aanzienlijke evenredigheid, 
wanneer men de thans bestaande tolhuisreglementen en pacht-conditien , 
naar die welke op Java bestaan, zal hebben gewijzigd. De pachten 
zijn op den 1*'*" Meij l.l. door den Engelschen Resident voor een 
rond jaar verhuurd , en de Pachters hebben hunne eerste termijn rigtig 
afbetaald, zoodat ik mij vooreerst en zonder autorisatie van Uwe 
Excellencie niet geregtigd vind, eenige veranderingen in derzelver 
voorwaarden te maken. 

Intusschen heb ik op grond van het Art. 13 mijner instructie eenige 
wijzigingen in de bestaande verordeningen op de inkomende en uit- 
gaande rechten daargesteld, welke Uwe Excellentie des verkiezende 
bij mijn Besluit van den 26 Mei 1.1. zult ontwaren, en waardoor zoo 
ik hoop de ontvangsten van dat Departement zullen vermeerderen. 
Voorts vervrije ik mij bij deze gelegenheid tot dat zelfden einde een 
afzonderlijk voordragt te doen bij mijne missive van den 12 dezer 
N°. 21 waaraan ik verzoek mij te mogen refereeren. 

De uitgaande rechten zullen mede in het vervolg merkelijk aan- 
groeijen door de voortzetting van de koffij teelt , welke sterk toeneemt, 
in het jaar 18 18 is eene hoeveelheid van 6000 pikols uitgevoerd en 



OVER sumatra\s westkust. 271 

het lopend jaar wordt op 12 a I50cx> gerekend; en men veronderstelt 
dat dit in het volgend jaar zal verdubbelen , indien dit product op zijn 
tegenwoordig hoogen prijs blijft staan. 

Direkte belastingen bestaan er hier in het geheel niet, en noch de 
vreemde noch de Inlandsche bevolking brengt iets van het zijne tot 
de goedmaking der onkosten van administratie , behalven in zoo verre 
als den handel door de Tolregten. 

Ik moet tevens bekennen, dat ik nog niet in staat ben om te kunnen 
oordeelen in hoeverre andere belastingen van eenig aanbelang zouden 
kunnen worden ingevoerd, het aan mij behoudende om na het ver- 
krijgen van grondiger kennis Uwe Excellencie ten dezen aanzien een 
vollediger berigt aan te bieden. 

Intusschen kan ik Uwe Excellencie gerust verzekeren, dat het voor 
het Gouvernement belangrijk is, om den uitsluitend invoer en handel 
van zout, zoo sf>oedig mogelijk in te voeren, tevens den aanmaak 
alhier verbiedende: indien al het zout dat hier omgeset wordt, door 
de kooplieden van Java werd gehaald, zoude het Gouvernement door 
de verkoop aldaar een gedeelte der winsten genieten welke door den 
vrijen handel in dat zout alhier worden gemist, dog zulks is het ge- 
val niet, want het zout wordt in groote hoeveelheden van vreemde 
landen aangebragt en levert alleen een inkomend regt op en zelfs 
hierin, zoo ik verneem, wordt het Gouvernement blootgesteld aan het 
tekort doen van deszelfs inkomsten, door de onnauwkeurige wijze 
waarop de hoeveelheid bij den invoer berekend wordt, namentlijk niet 
bij het gewigt, maar bij maten van welker grootte geen algemeen e 
standaard is bepaald. 

Het jaarlijksch debiet van zout op deze plaats wordt thans op c. c. 
300 koyangs geschat , en de prijs loopt van f 60 tot f 80 de (Javasche) 
koyang bij eenen ruimen invoer, doch anders wel tot 90 en 100 
guldens de koyang; door het bepalen van eenen vasten en billijken 
prijs en het verbieden van den aanmaak, zoude zeker de consumtie 
grootelijks vermeerderen. 

Het zal echter nodig zijn alvorens de monopolie in werking te 
brengen dat er alhier en op de buitenposten, pakhuizen worden op- 
gericht tot het opschuren en debiteren van het zout, en hieromtrent 
zal ik de autorisatie van Uwe Excellencie afwagten. 

Voorts dient de uitvoer van Java naar herwaards voor particuliere 
rekening door eene proclamatie van wegen Uwe Excellencie te worden 
verboden , zoodra het Gouvernement een voorraad naar herwaards 
overzendt. 



272 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

PUBLIEKE GEBOUWEN, WEGEN EN BRUGGEN. 

Deze zijn in eenen zeer gebrekkigen staat, daar het vorig bestier, 
reeds lang verwagt hebbende de bezitting te zullen moeten overgeven, 
geene dan de dadelijke onvermijdelijke uitgaven daartoe heeft willen 
impenderen. 

Er is geen residentiehuis , kantoor, nog wooning voor de andere 
ambtenaren. De Resident genoot onder het vorig bestier P. 40 of f 80 
'smaands. en de koUecteur de helft zooveel voor huishuur. 

Het thans door mij bewoond wordende huis, is het eenigste welke 
daartoe geschikt of zelfs verkrijgbaar was , en hiervoor moet ik P. 50 of 
f 100 betalen, hetzelve wordt te koop aangeboden, voor den prijs van 
P 5000, dan zoude waarschijnlijk voor wat minder te bekomen zijn, 
indien Uwe Excellencie konde goedvinden mij tot den inkoop van dit 
huis tot eene Residentswoning te qualificeeren ; zooals ik bij deze 
eerbiedig ben verzoekende. 

Er is maar cén pakhuis nog in wezen en dit is klein ongeschikt en 
bouwvallig, zoo dat men tot het opschuren van het zout, gelijk ik 
hiervoren reeds heb aangemerkt anderen gebouwen zal nodig hebben, 
alsmede voor de militaire levensmiddelen et(\ en ik verzoek mij , ten 
dezen aanzien te mogen gedragen, naar hetgeen omtrent de militaire 
gebouwen reeds is opgegeven. 

Het tolhuis is klein en slechts van hout en atap gemaakt, doch 
kan vooreerst wel dienen en de Passeer baan of Raadzaal heeft ook 
geene dadelijke vernieuwing, maar slechts eenige verbeteringen nodig. 

Alleen in Padang zelve zijn er eenige kleine rijwegen, en deze 
zijn uit hoofde van de zanderige grond zeer slecht en vereischen een 
gestadig onderhoud, welke dezelve echter cmder het vorig bestier 
wegens de onkosten hebben moeten missen ; en hetzelfde is ook het 
geval geweest met de bruggen, waarvan er echter weinigen zijn. 

Het komt mij niettemin onder weiduiding voor dat de ingezetenen 
met billijkheid zoude kunnen worden genoodzaakt, om het hunne tot 
het onderhoud van de publieke wegen en bruggen bij te brengen, 
hetgeen zij nog nimmer gedaan hebben, en hiertoe sollicitere ik de 
autorisatie van Uwe Excellencie. 

Tot eene kleine distantie buiten Padang aan de Noordkust kan 
men te paard komen, maar alle verdere reizen over land moeten 
door kleine wandelpaden worden afgelegd; en zelf deze zijn niet in 
allen saisoenen bruikbaar. 

Ik heb vooreerst de wegen te Padang zelve laten schoonmaken en 
het hoogst nodige herstellen ; dan vind ik mij met gerechtigd om eenige 
kapitale reparatiën of uitbreidingen te ondernemen, op kosten van 
het Gouvernement, zonder de voorafgaande autorisatie van Uwe 
Excellencie te hebben verzogt en verkregen. 



OVKE sümatra's westkust. 278 

MARINE DEPARTEMENT. 

Het Engelsch Gouvernement heeft hier geen eigen vaartuigen ge- 
stationeerd gehad, waardoor alle communicatie met de buitenposten 
met ingehuurde vaartuigen tegen groote kosten moest geschieden en 
dan nog werd deze communicatie alleen (Xiderhouden met Poelo 
Chinkü en Ayer-Adjie; zijnde alle de verdere plaatsen zoo wel ten 
Noorden als ten Zuiden volstrekt aan zig zelven overgelaten. 

Door de ontstentenis van gewapende kruisvaartuigen , die ze van tijd 
tot tijd gingen bezoeken , en de onmogelijkheid om troepen over land 
te zenden kan men ligtelijk begrijpen dat op deze buitenposten de 
Inlanders te weinig ontzag voor de Regering hadden , om zig altijd 
gerust en vreedzaam onder elkandcren te gedragen en hunne onderlingen 
geschillen aan de beslissing van het Gouvernement over te laten, cp 
het Ls dan ook gebeurd dat zelfs in de nabijheid van Padang twee 
partijen de wapens tegen eikanderen opvatteden , en treurige tooneelen 
het gevolg waren, die zelfs de rust en veiligheid van Padang in het 
gevaar bragten. 

Ook de sluikhandel langs de kust werd op eenen uitgebreiden voet 
gedreven, uit hoofde van de ontstentenis aan gewapende vaartuigen 
om daarop een wakend oog te houden. 

Ik verzoek derhalve Uwe Excellencie eerbiedig in consideratie te 
mogen geven, de nuttigheid van behalve Z. M. koloniale kotter de 
Nautilus, die toch niet overal te gelijk kan wezen, nog een of 
twee Kanoneerbooten tot den dienst van dit Etablissement te 
dispecieren. 

Onder dit hoofddeel neem ik nog de vrijheid te brengen den gcdanen 
inkoop van een schoenertje en een jol , breder vermeld bij mijn Besluit 
van den 12^^ dezer en waarop ik de approbatie van Uwe Exccltentie 
soliciteere. 



DE HANDEL 

is geheel vrij en wordt hier sterk gedreven , zoowel door de Europcesche 
als de Maleidsche en Chinecsche ingezetenen. De hoofdartikelen van 
invoer zijn lijnwaden en andere stukgoederen en voorts amphioen van 
de vaste kust van Indie. 

Zout, zo wel van daar, als van differente havens van Java. 

Javasche en Macassaarsche kleedjes van die plaatsen respectievelijk. 

De uitvoer bestaat voornamelijk in koffij , die van cene slechter 

hoedanigheid is dan de Javasche en in goud, dat sedert eenige jaren 

zeer vervaischt, en in fijnheid verminderd is geworden; de pcperteclt 

is bijna opgehouden, sedert de koffij kul tuur, aangemoedigd door den 

5e Volgr. JL 19 



274 EENE BIJDRAGE TOT ¥.. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

hoogen prijs die de Amerikanen voor dit product geven , zoo aanmer- 
kelijk is toegenomen. 

Het benzoin is geen product van Padang zelve , maar wordt van de 
noordelijke havens aangebragt en weder uitgevoerd. 



LANDBOUW. 

Over dit artikel kan ik nog geen uitgebreid verslag aanbieden, 
hebbende daartoe eene langere ondervinding benoodigd ; alleen heb ik 
de eer Uwe Excellencie bij deze gelegenheid te berigten, dat de 
groote winsten welke de Inlanders in de kofïijteelt, sedert eenige jaren 
vinden , hun de rijstvelden hebben doen verwaarlozen , waardoor deze 
mondbehoefte zeer duur is geworden, tot groot ongerief voor de 
mindere klassen van ingezetenen. 

Bij het afsluiten van dit verslag, waartoe het vertrek van de Helen 
mij noodzaakt , vind ik mij verpligt de verschooning van Uwe Excellencie 
in te roepen wegens deszelfs onvolledigheid en onvolmaaktheid. 

Ik heb hetzelve in de haast moeten opstellen, bijna ontbloot van 
assistentie en onder de gedurige tusschenvallingen van personen van 
allen aard, dien ik toch niet kan afwijzen; dan ik vertroost mij, in 
de hoop, dat door dit voorlopig berigt hoe gebrekkig het dan ook zij 
de billijke verwagting van Uwe Excellencie, om eenige narigten van 
deze plaats en van onze positie alhier met de eerste gelegenheid te 
zullen ontvangen, niet geheel zal worden teleurgesteld. 

De Resident van Padang, 
Du Puij. 



Gelijk Kielstra herinnert (bl. 19) moest in die dagen de Indi- 
sche regeering hare inlichtingen over Sumatra's Westkust uitslui- 
tend te Batavia inwinnen bij den Raad van Indië P. T. Chasse, 
die van 1792 — 17 4 opperkoopman te Padang was geweest. Deze 
bracht over de van Du Puy ingekomen voorstellen en rapporten, 
vervat in diens brieven van 22 Mei 1819 N®. 30 en van 9 tot 
15 Juni 1819 N». 15, 16, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 27, 28 en 29, 
advies uit bij rapport dd. 12 Augustus 1819. Het stuk is wel 
uitvoerig, doch houdt bijna voor ons niets belangrijks in. Her- 
haaldelijk waarschuwt hij tegen vermeerdering van uitgaven, zoo- 
lang de Kust nog zoo weinig productief blijkt. Ziehier enkele 
punten uit zijn rapport, die verdienen gekend te worden. 



OVKR sümatra's westkust. 275 

Ajer Baiigis was niet verlaten gewee.st, gelijk de Engelschen 
beweerden; maar in 1793 had men de bezetting, bestaande uit 4 
man en 1 korporaal, zoowel als de troepen van al de andere bui- 
tenposten moeten zenden naar Padang, ten einde de hoofdplaats 
zooveel mogelijk in staat van verdediging te brengen. Dat men 
daarmede echter Ajer Bangis niet opgaf, bewees het feit, dat bij 
het vertrek van het garnizoen , de Nederlandsehe vlag aan het 
inlandsch hoofd aldaar ter hand gesteld, en hem de bedoe- 
ling hiervan duidelijk gemaakt werd. Ook zou men er zeker de 
bezetting, tot tegengang van den smokkelhandel met Natal, her- 
steld hebben, ware Padang niet in 1793 in handen der Franschen 
gevallen, terwijl na hun vertrek slechts 14 k 15 militairen op de 
hoofdplaats ter beschikking bleven. 

Omtrent de Justitie deelde Chasse mede, dat er seder 1782 
geen liskaal, noch Raad van Justitie meer te Padang geweest 
was ; vóór dien tijd werd wel de eerste betaald , doch de leden van 
den Raad van Justitie waren ambtenaren , die uit anderen hoofde 
bezoldigd werden. 

Magistraatspersonen waren er nooit te Padang; het bestuurs- 
hoofd droeg den titel van commandeur en vereenigde in zich de 
magistratuur en het militair gezag. 

Nadat de Engelschen in 1781 Padang, hetwelk zij bij eene 
schandelijke capitulatie, herinnert Chasse, zonder slag of stoot 
hadden verkregen , en even schandelijk geheel geruineerd en ver- 
woest in 1784 hadden teruggegeven op grond van het toenmalig 
vredestraktaat , doch tegen het verlangen van het Engelsch bestuur 
te Bengkoelen, kreeg het opperhoofd den titel van commandeur. 
In geschillen tuschen Europeanen en Inlanders of gelijkgesteldeu 
trad hij als vrederechter op, met apj)èl voor den Raad van 
Justitie te Batavia. In strafzaken werden de Europeanen op 
hunne kosten naar Batavia gezonden. Burgerlijke geschillen en 
straüzaken tusschen inlanders onderling, werden te Padang beslecht 
door den inlandschen Raad , die in het openbaar , onder voor- 
zitterschap van den commandeur, krachtens de inlandsche wetten 
recht sprak. 

Chasse was er tegen in de bestaande manier van rechtspraak 
verandering te brengen, wegens de groote kosten en het klein 
aantal Europeanen , zoomede ook , wat de politie betreft , omdat 
de Resident altijd de beschikking had over de militaire macht. 

Over het fortje op den Apenberg, dat tot 1781 bestaan had, 



276 EEXE BIJDRAGK TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

toen het door de Engelschen vernield werd , teekende Chasse het 
volgende aan. De versterking was nooit voor eene behoorlijke 
verdediging geschikt geweest. Het lag onder het bereik van het 
geschut van eene zeer nabijgelegen hoogte, waartegen het kanon 
van het fortje niet«» kou doen : en ofschoon het buiten twijfel 
stond, dat men op den Apenberg, omtrent een half uur gaans 
zeewaarts van Padang, eenti zeer geschikte versterking zou kunnen 
bouwen , was het even waar , dat dit niet zonder groote kosten 
kon geschieden , terwijl de top eerst genoegzaam vlak gemaakt zou 
moeten worden; bovendien zou de versterking dan nog zeer ge- 
makkelijk door den vijand van alle gemeenschap afgesneden , en 
daardoor geheel machteloos gemaakt kunnen worden. 

Chassé verklaarde zich mede tegen het herstellen van den post 
te Semawang. Rallies had slechts met dien post beoogd langzamer- 
hand in het Menangkabousche te dringen , want tot andere militaire 
doeleinden was de bezetting niet geschikt; en gesteld ook dat dit 
wel het geval ware, dan zou dit voor de bevestiging van Padang 
tegen invallen van inlanders toch geen doel treffen, daar men 
hen niet voor zoo onnoozel kon houden , dat zij niet een voor 
hen te sterken post voorbij zouden trekken. Overigens achtte 
Chassé het streven om zich met ver afgelegen inlanders en hunne 
geschillen te bemoeien ^eene ijdele verkwisting van menschen, 
geld en oorlogsbehoeften//. 

Rapporteur vond het verder onbegrijpelijk hoe de Resident op de 
gedachte was gekomen om op Celebes Boeginee^che soldaten voor 
Padang aan te werven : //daar de ondervinding bij onderscheiden 
ondernemingen . . . heeft geleerd , dat dat volk daartoe niet vrij- 
willig te bewegen is, maar men van zulke werving zelf de onge- 
lukkigste gevolgen gezien en ondervonden heeft'/. 

Ook begreep Rapporteur niet, wat de Resident toch met de 
uitbreiding der militaire macht beoogde. In 1784 waren er in de 
geheele bezitting geen 100 man; in 1796 had hij. Rapporteur, 
niet meer gevraagd. 

Mede bestreed hij 's Residents kostbare voorstellen omtrent 
bouwwerken. Hij achtte het voldoende, wanneer men als voorheen, 
en evenals ook bij de Eugelschen in zwang scheen geweest te zijn , 
kazernen bouwde van bamboe, dubbel of met kadjang bekleed, 
op palen, met atap of nipa gedekt; men berekende dat die ge- 
bouwen twee jaren kunnen bestaan, vooral wanneer ze op drogen 
grond werden gebouwd en niet gelijk vóór hem in een z. g. 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 277 

Compagnie's tuin , waar hovendien de hewoiiert» van de dampen 
enz. te lijden hadden gehad. 

Op even eenvoudige wijze behoorde men alle andere gebouwen 
op te richten. 

's Residents opgave omtrent de artikelen van in- en uitvoer achtte 
Rapporteur onvolledig; daar als invoer o. a. de volgende artikelen 
vergeten waren : koper , ijzer , staal , lakens , goud- en zilvergalon , 
dito stoffen , fluweel , Neurenbergerwaren , galanterieën , provisiën , 
•Tavaansche tabak en kleederen, voort** Chineesohe handelswaren. Zoo 
ook de eerst in- en dan weder uitgevoerd wordende kamfer, was 
en wilde kaneel. 

De minder goede hoedanigheid van de koffie lag niet aan den 
grond, doch aan het plukken, drogen en bewerken, zoodat men 
het product even goed kon doen zijn als dat van Java; doch wijl 
zoo licht bij eenigen vredebreuk niet Engeland Sumatra weer gevaar 
liep , was het niet geraden iets tot verbetering van het product te 
verrichten, /'terwijl het zeker'/, voegde deze gewezen ('ompagnie's 
dienaar er Jian toe , "Voor de Javasche markt vorderlijk is, dat de koflij 
van buiten dit eiland (Java) slegter bereid blijven. 

Rapporteur kon niet aannemen , dat de achteruitgang van de 
rijstcultuur moest toegeschreven wonlen aan de toewijding der bevol- 
king voor de kofliecultuur; veeleer was zij te wijten aan eene algemeene 
verwaarloozing van den landbouw over de laatste vier en twintig jaren 
ouder het Engelsche bestuur. "Voor dien tijd werd Beukoelen meest 
uit het Padangsche gevoed , zoowel wat rijst , als hoenders, eend- 
vogels, eieren en andere levensbehoeften betrof; zijnde het steeds 
een van de levendigste j)ligten voor liet opperhoofd te Padang en 
als het geschikste middel om rust en vrede onder de inlanders 
te bewaren , beschouwd geweest , dat hij een wakend oog op den 
padybouw vestigde; want rijst is het eenigste door geen ander 
leefmiddel bij mogelijkht^id op den duur te vervangen voedsel van 
den inlander, dus is het gebrek daaraan voor hem niet te ver- 
vullen.'^ Rapporteur achtte het dan ook iioodig "dat de Resident 
zooveel imraer mogelijk de inlanders in hun eigen welzijn, zooals 
dat voorheen geschiedde , tot (h* pady- of rijstteelt aanmoedigde 
en hun steeds daartoe en bij tijds aanzette , want den aard dezer 
menschen over het algemeen is zoodanig, dat zij zelf om tot waar 
voordeel en bestaan te werken dit noodig hebben." 

Van een onderzoek naar grondton tot verkoop en verhuur aan parti- 
culieren verwachtte Rapporteur niet veel, in aanmerking nemende, dat: 



278 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA^S OPSTELLEN 

'/Padang eii onderhoorighedeu wel de lengte langs strand van 40 ji 50 uren 
bereiken , doch in breedte op het breedste geen drie kwartuur meten." 

Rapporteur verklaarde zich tegen het aankoopen van landswoningen, 
wijl men dan allerlei onkosten aan verbeteringen, witten, enz. 
had , uitgaven , die bij het huren van woningen niet of in mindere 
mate plaats vonden; ook wees hij op de schade, die te Padang 
aardbevingen aan vastigheden veroorzaakten. 

Dat ook de ingezetenen wel konden bijdragen aan onderhoud en 
verbetering der wegen , die van ouds door de zanderigheid van den 
bodem slecht waren en ook smal, erkende Rapporteur, doch hij 
meende dat vooreerst niet de door den Resident aanbevolen wijze 
teo deze gevolgd moest worden ; '/maar wel zooals in de Bataviasche 
ommelanden geschiedt, dat een ieder de voor en over zijn erf en 
land liggende weg kon onderhouden in een zooveel mogelijk steeds 
bruikbaren staat en dat vervolgens de Resident een voorstel wegens 
het onderhouden en des noodig herbouwen der vereischte en daar 
aanwezig zijnde bruggen, benevens de omschrijving van dier 
lengte en breedte behoort te zenden. '/ 

Rapporteur herinnert er aan, dat de Resident in een brief 
van 15 Juni 1819 N® 30 er op gewezen had, dat de Engelsohe 
resident te Padang genoot f 1080 's maands traktement, /^en dat 
dezelve als een vast ambtenaar van de Compagnie voor deputation- 
ongelden nog f 20 , denkelijk daags , want dit vindt men niet 
aangeteekend , heeft genoten.'/ Wijl Du Puy verklaard had, niet 
zonder deze dejmtation allowantr van zijn traktement te kannen 
bestaan , was door hem inlichting gevraagd , hoe zijn inkomen 
behoorde geregeld te worden. Chass^ adviseerde nu, dat het trakte- 
ment gelijk moest zijn aan dat der residenten op Java, benevens 
f 100 huishuur 's maands zonder meer. 

De Regeering beschikte bij bij hare resolutie van 4 Ootober 1819 
N® 3 op de gedane voorstellen. Het stuk is zeer uitvoerig, doch ik 
geloof dat met de mededeeling van het volgende kan volstaan worden. 

Art. 1. Het door Commissarissen met betrekking tot de overgave 
verrichte werd goedgekeurd. 

Art. 4. //In afwachting van nadere berigten voor informatie aan 
te nemen, dat het onder Padang behoord hebbende etablissement 
Ayer Bangies , niet in de teruggave van die bezitting is begrepen, 
en dat van de Engelsche zijde wordt beweerd dat hetzelve onder 
Nattal behoort en in het jaar 1795 door het toenmalige HoUandsch 
bestuur is verlaten geworden//. 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 279 

Art. 6. "Den Resideut van Padang aan te schrijven om na een 
voorafgaand naauwkeurig onderzoek op te geven of, en zoo ja , 
welke directe belastingen te Padang en onderhoorigheden zouden 
kunnen worden ingevoerd, zonder drukking van de ingezetenen^. 

Art. 10. De militaire zaken, waaronder ook de quaestie over 
liet wederbezetten van Samarang, werden in advies gehouden. 

(Vandaar de nadere resolutie van 6 November 1819 , vermeld 
bij Kielstra, bl. 2S. 

art. 12. «Den Resident van Padang aan te schrijven om op te 
geven, welke geschikte middelen zouden kunnen worden aange- 
wend om van de nog onbebouwde gronden aldaar, het meeste 
nut te trekken , door eene uitgifte aan particulieren , bij verkoop 
of verhuur, dan wel door andere maatregelen.'/ 

art. 14. De aanstelling van eenige ambtenaren werd goedgekeurd. 
A. de Nys van Groll was aangesteld tot secretaris op eene bezol- 
diging van f .*3()0; 11. Lantzehr en Volmer waren geworden post- 
houders te Ajer adjie en Poeloe Chinco op f 20 traktement ; A. van 
den Bei^ was opgetreden als ontvanger der inkomende en uit- 
gaande rechten. 

Eindelijk handelde het laatste art. 16 over de onstuimige bur- 
gers. De beslissing luidde aldus: 

"Ten aanzien van de te Padang aanwezende onrustige Europee- 
sche ingezetenen en de pogingen, door hen tijdens het Britsche 
bestuur gedaan om zich aan het gezag van de plaatselijke auto- 
riteit te onttrekken , den Resident van Padang te kennen te 
geven, dat het geven van speciale voorschriften op dit stuk voor 
onnoodig wordt gehouden, als zijnde de omvang van de magt 
der residenten met genoegzame duidelijkheid in de reglementen 
aangewezen en bijzoude rlijk in het derde Hoofdstuk van het regle- 
ment op het beleid der Regeering in Nederlandsch-lndië , waartoe 
bij deze wordt geren voyeerd." 



Wij lazen, dat door den Resident een nader onderzoek met 
betrekking tot de directe belastingen in het vooruitzicht was gesteld. 
Chass^ had in zijn advies daarop gewezen en aanbevolen, dat de 
Resident alsnog hierover eene aanschrijving zou ontvangen, doch 
er tevens het volgende bijgevoegd : 

"Mijn gevoelen strekt zich daaromtrent niet zeer in het voordeelige , 



280 KE\E BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

wordeude ik daariu gehiuderd door de inij bekende armoedige 
staat van meest al die mensclien, en dat er niemand vastigheden 
van eenige aangelegenheid aldaar bezit, uitgezonderd de woon- 
huizen, welke nog wegens de veelvuldige aardbevingen meest met 
stroo gedekt, voorts over het algemeen zeer bekrompen gebouwd 
en bouwvallig zijn , levende en onderhoudende die kustbewoners 
zich grootendeels met en door den handel, welke nog, zoo niet 
geheel, veelal op schuld gedreven wordt.'/ 

Het gevolg was , dat , naar wij zagen , art. 6 der resolutie van 
1 October 1819 den Resident uitdrukkelijk opdroeg over het invoeren 
van directe belastingen te adviseeren. Kielstra teekent hierop aan 
(bl. 20): 

'/Aan deze opdracht schijnt echter geen gevolg te zijn gegeven 
totdat , zooals beneden blijken zal , de quaestie van scheepvaart , 
handel, belastingen enz. ter Westkust van Sumatra in 1822 in 
het bijzonder ter sprake kwam." 

Hierin vergist zich echter de geachte schrijver. Ziehier de zaak. 

Uit 's Residents rapport hebben wij gezien , dat hij geen gevolg 
had gegeven aan de opdracht om met de Wilheliniua de onder- 
hoorighedeu van Padang te bezoeken. Chassé had in zijn advies 
dientengevolge aanbevolen, dat alsnog de Resident zou worden 
aangeschreven : /'dat zulks desniettemin als nuttig werd geacht en 
dat ook verwacht wordt , dat hij die rondreis naderhand zal gedaan 
hebben of nog doen zal. Voorts dat hij te gelijk bij die gelegenheid 
de volle ervaring van deze staat en toestand der landen eu be- 
woners onder het Nederlandsch gebied ter Westkust van Sumatr« 
zal verkregen hebben of nog bekomen." 

Dientengevolge was bij art. 5 van de zooeven vermelde resolutie 
dd. 1 October 1S19 den Resident te kennen gegeven: 

"Dat genoegen wordt genomen in de door hem opgegevene 
redenen , waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van Z. M. 
fregat Wilhelmiua tot het bezoeken der buitenposten onder zijne 
residentie behoorende, doch dat hem desniettemin wordt aan- 
bevolen om dezelve bij de eerste gelegenheid te gaan opnemen." 

Hetzij dat de Resident reeds vóór de ontvangst dier resolutie 
uit eigen beweging zich op reis had begeven, hetzij dat, hetgeen 
waarschijnlijker is, de oorzaak der late ontvangst van dat stuk, 
gedagteekend trouwens van Soerabaja . uitsluitend aan de slechte 
gemeenschap moet worden geweten, zooals Kielstra op bl. 21 doet, 
zeker is het, dat toen hij eerst in AprU 1820 de resolutie van 4 



OVER SUMATKa's WESTKUST 281 

October 1S19 ontving, hij gereed stond naar Batavia te gaan ter 
bespreking van dieustaangelegenheden. Vandaar dat hij op art. 6 
van advies diende bij een schrijven, gedagteekend Batavia 14 
Augustus 1820. 

Hij deelt nu daarin het volgende mede. 

Aangezien de resolutie hem eerst kort voor zijn vertrek van 
Padaug was geworden , had hij weinig tijd gehad tot het doen 
van de noodige onderzoekingen , zoodat Rapporteur zich nog niet 
in staat achtte een definitief voorstel te doen. Hij meende echter 
reeds aanstonds te kunnen mededeelen , dat de bevolking der 
Westkust nog te onbeschaafd en te arm was om eenige noemens- 
waardige belasting te kunnen dragen. De staat van den landbouw 
wjis verre van gevorderd ; met moeite werd de benoodige rijst voor 
eigen voedsel gekweekt, en ofschoon dit gebrek eerder aan het 
volkskarakter dan aan den aard van het land viel toe te schrijven , 
was het niettemin een beletsel voor het wettigen eener grond- 
belasting. Bovendien waren de menschen ongewoon aan directe 
belastingen; wel is waar werden zij vroeger verplicht hun peper 
en andere producten aan de Compagnie te leveren; doch zij ont- 
vingen daarvoor betaling, zij het ook eene zeer geringe, zoodat 
deze levering als eene handelstransactie beschouwd werd. 

Alleen van de koffiecultuur, waaruit de inwoners in sommige 
distrikten een redelijk groot voordeel trokken, zou men wellicht 
eene belasting kunnen hellen , doch dit nog vereischte nauwkeurig 
onderzoek en rijpe overweging, daargelaten dat men hierdoor een 
deel der bevolking verplichtingen zou opleggen , waarvan de overigen 
waren vrijgesteld. Rai)porteur behield zich voor, hierover nader 
afzonderlijk te adviseeren , doch gaf alvast in overweging de volgende 
directe belastingen , als niet drukkend voor de ingezetenen in te 
voeren : 

1. Het hoofdgeld der slaven; 

2. de belasting op de geschatte waarde van vastigheden ; 

3. idem op de overdracht ervan ; 

4. eene contributie tot onderhoud van de op bl. 20 door 
Kielstra vermelde burgerwacht. 

De drie laatste moesten alleen van Europeanen en Chineezen 
worden geheven, welke toch geene ander»; belastingen betaalden. 

Als belasting op de geschatte wajirde der vastigheden stelde hij 
voor op 1 pCt. 'sjaars eu die op de overdracht oj) 5 pCt. van den 
koopschat. 



282 EKNE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

Bij een nota, gedagteekend Batavia 15 September 1820, lichtte 
hij deze belastiugcijfers aldus uader toe. De huizen en andere 
gebouwen te Padang waren , met uitzonderingen van een viertal , 
samengesteld uit hout, bamboe, enz. en hadden dus wel minder 
waarde dan steenen gebouwen; een half percent, zooals elders was 
gewettigd, zou alzoo weinig opbrengen. De gebouwen waren ook 
veel minder duurzaam en brachten dientegenover niet zoo dikwijls 
de belasting op als steenen huizen. De waarde van de uit tijdelijk 
materieel opgerichte huizen was onderhevig aaii eene meer spoedige 
vermindering dan die van solieder gebouwde huizen, zoodat 
de belasting wat hoog diende te zijn, daar ze bijna ieder jaar 
geringer wenl. En wat betreft de 5 pCt. overdracht, in vroegere 
tijd bestond dit belastingcijfer te Padang ook. Het aantal huizen 
te Padang was gering; men had weinig keus en de huizen ver- 
anderden dikwerf van eigenaren , omdat niemand zijne fondsen in 
dergelijke gebouwen wilden beleggen , zoodat de gaanden en komenden 
wel verplicht waren de woningen te koopen , daar men ze niet wilde 
verhuren. 

Wat den slaventax aangaat, die zou bepaald kunnen worden 
op een daalder of f 2 per hoofd 'sjaars, en de helft bij over- 
gang van eigendom. 

Ten aanzien van de contributie voor de burgerwacht werd 
aanbevolen voor Europejineu f -i , voor een afstammeling, niet in 
de wacht dienstdoende f 2, en voor een Chinees f 1. 

Eindelijk begrootte de Resident de opbrengst op f 10000 's jaars. 

Hierop is gevolgd de resolutie van den 14 September 1820 
n®. 5 , luidende als volgt : 

Gelezen eene missive van den thans alhier aanwezigen Resident van 
Padang J. Du Puy d d. 14 Augustus jl., daarbij ter voldoening van § 6 
der resolutie van den 4 October j.1. n°. 3 zijne gedachten mededeelende 
ten aanzien van de directe belastingen welke te Padang zouden kunnen 
worden ingevoerd. 

Waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan te be- 
palen dat de volgende directe belastingen, te Padang zullen worden 
ingevoerd : 

I**. Een jaarlijksch hoofdgeld van een reaal of twee gulden indisch 
van eiken lijfeigene boven de acht jaren en voorts eene belasting van 
een gulden bij den (overgang van eigendom van eiken slaaf, die aan 
het hoofdgeld subject is. 

2**. Eene jaarlijksche heffing van een ten honderd van de getaxeerde 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 283 

waarde van alle huizen , erven en tuinen het eigendom van Europeanen , 
derzelver afstammelingen of Chinezen. 

3". Eene geregtigheid van 5 ten honderd bij de overdragt van alle 
vaste goederen behoorende aan Europeanen, derzelver afstammelingen 
of Chinezen, te betalen van de koopschat of wel van de getaxeerde 
waarde. 

4°. Eene contributie voor het onderhoud de^ burgerwacht, 
waarvan zal worden betaald door eiken Europeaan . . . . f3. — 
door eiken afstammeling van Europeanen niet in de wacht 

dienstdoende f 2. — 

En door eiken chinees f i. — 

Wordende de Hoofddirectie van financiën aangeschreven om den 
Resident van Padang ten aanzien van de drie eerstgemelde belastingen 
onder nadere goedkeuring van het (jouvernement te voorzien van 
zoodanige voorschriften, als zullen noodig zijn om hem in staat te 
stellen dezelve op eenen gelijkmatigen voet met hetgeen op Java 
bestaat, te heffen, met in achtneming echter van dien trap van 
eenvoudigheid , die de mindere uitgestrektheid van de residentie Padang 
gedoogen zal. 



Nog eene kleine aanvulling op dezelfde bl. 20 van Kielstra's 
opstel. Daar staat dat i)ij publicatie van 6 September 1819 de 
haven voor Amerikaansche eu andere vreemde schepen werd 
opengesteld eii. wej op at/nes luin het Hd van deft Raad van Indir 
Chasëé. 

Dit is wel juist, doch het initiatief er toe nam Du Puy, 
blijkens zijn voorstel dd. 12 Juni 1819 N" 21. Hij wees er op, 
dat de Amerikanen door de Kngelschen van den handel waren 
uitgesloten geweest. 

"Het verbod", schrijft hij, "is een gevolg geweest van het 
commercie-tractaat tusschen het Koningrijk van G root-Brittan nië 
en de Vereenigde Staten, waarbij de schepen der laatste alleen 
tot de hoofdhavens van Britscli-lndië waren toegelaten , waarschijnlijk 
met oogmerk om den Fiiigelsche handel te bevoordeelen , waarin te 
voren de Amerikanen een zeer groot aandeel naar zig toe hadden 
getrokken." 

"Tot staving mijner voordragt", vervolgde de Resident, "meen 
ik het nog te mogen aanhalen , dat het verbod in quaestie meer 
in naam dan indedaad bestaan heeft, dewijl de Amerikaansche 



284 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

schepen te Padang uiet biimeiigelaten zijnde, zig in iulandsclic 
havens in de nabijheid ophielden en laldaar de producten uit . . . 
inlaudsche vaartuigen overnamen, die tot dat einde van Padang 
waren gezonden, en voor de Northern PorU waren uitgeklaard. '^ 

Flindelijk stelde hij in het algemeen voor dat vreemde schepen 
vrij zouden worden toegelaten. Hierop had Chassé geadviseerd : 

'/dat onverwijld de vaart en handel op Padang en onderhoorigheden 
vrij en zonder eenige bepaling voor alle natiën worde geopend , 
evenals dat in 1793 door het Nederlandsch gouvernement geschied is." 

Uit deze adviezen is bovenvermelde publicatie voortgevloeid , 
welke werd afgekondigd in Staatsblad 1819 N« 67. 



Op bl. 21 schrijft Kielstra het volgende: 

"Zooals bekend' is, had de Oost-Indische Compagnie in de 17* 
en 18® eeuw veelvuldig contracten aanggegaan met de langs de 
kant gelegen landschappen , waarbij zij de bevolking zooveel mogelijk 
haar monopoliestelsel opdrong en daarentegen de verplichting op 
zich nam, deze aan de zeezijde tegen hare vijanden te beschermen. 
Bij geene dier contracten werden de Sumatranen als onderdanen 
der Compagnie, doch verleer als bondgenooten beschouwd.'/ 

"Aan deze contracten wijdde Du Puy in 1820 zijne aandacht. 
Vele daarvan waren uiet meer in de archieven aanwezig , alle 
waren in grootere of mindere mate verouderd. Du Puy wenschte 
die contracten te vernieuwen , doch vroeg deswege , bij missive 
van den 17® Augustus 18£s, de bevelen der Hooge Regeering." 

"Om den geest der toenmalige regeering te doen kennen is het 
niet zonder belang te weten , welke beslissing door haar , op advies 
van de Raden van Indie Chassc^ en Mr. H. W. Muntinghe , bij 
resolutie van den Gouverneur-Generaal in Rade van -i Januaai 
1821 n" 20, genomen werd.// 

Hierop kat de schrijver den inhoud der resolutie volgen. Doch 
tegen de gewoonte geven de overwegivijen dier resolutie al zeer 
onvolledig den inhoud dezer adviezen terug en staat en dan ook 
hiervan weinii? anders in , dan wat Kielstra hierboven mededeelt. 

Nochtanj< zijn de adviezen zelve voor een deel van belanir met 
het oog op lietgeen daarin wordt medegedeeld over de kofliecultunr ; 
zoowel Du Puy als Muntinghe leveren ten deze bijdragen, die 
voor de geschiedenis der cultuur op Sumatra^s Westkust niet 
zonder gewicht zijn. 



OVER SÜMATRa's WESTKirST. Ji85 

Volgens (Ie resolutie * van 8 Januari 1S21 n°. 20, door K ielstra 
op bl. 21 vermeld, moesten o. a. de volgende beginselen door den 
Resident worden in acht genomen bij liet aangaan van overeen- 
komsten of het opstellen van instructieve voorschriften ten behoeve 
van inlandsche hoofden, enx. 

a, i)e cultures en handel zijn , tegen betaling der reeds inge- 
voerde of nader in te voeren belastingen geheel vrij , behoudens 
de reeds bestaande en hieronder nader te noemen restrictiën. Het 
Gouvernement verlangt geene leverantiën van producten hoegenaamd , 
en laat aan de planters de vrije beschikking over de vruchten 
hunner nijverheid; 

h. Tot welzijn der bevolking zullen de hoofden haar zooveel 
mogelijk aansporen tot het uitbreiden der kotfiecultuur en vooral 
om die cultuur geregeld en met zorg te beoefenen (volgen nog 
enkele aanwijzingen omtrent het planten van schaduw boomen en 
de plantwijdte der kottieheesters) ; 

c. Aan de hoofden zal worden betaald eene premie van een 
kwart gulden voor eiken pikol koffie uit hunne districten afgevoerd; 

(i. Bij de verkiezing van nieuwe hoofden zal bijzonderlijk ook 
gelet worden op den minderen of meerderen graad van ijver, 
waarmede de sollicitanten de koffiecnltuur hebben behartigd ('/Uit 
deze § blijkt wel de weinige bekendheid der Indische Regeering 
destijds met de volksinstellingen op Sumatra's- Westkust," meent 
Kielstra blijkens noot 2 bl. 22); 

e. De hoofden zullen zorgen dat al het product ter markt ge- 
bracht wordt te Padang, en zullen aauteekening houden van het 
getal koffieboomen in elk district, enz. 

Ziehier nu hoe de Regeering aan deze voorschriften is gekomen. 

In de door Kielstra op bl 21 vermelde missive dd. 17 Augustus 
1H20, waarbij de Resident o. a. het welmc^enen der Regeering had 
gevraagd over hetgeen den hoofden enz. moest worden voorge- 
schreven met betrekking tot de verplichte leverantiën, leest men 
het volgende : 

Bij de meeste der oude contracten is bedongen dat de peper- 
teelt met ijver zoude worden voortgezet, en het product, zoo wel als 
alle andere handelswaren, voortbrengselen van het land, geleverd aan 

* „Van den Gouverneur-Generaal in Rade." Dit behoeft er echter niet bijge- 
voegd te worden. Reaolutiën waren steeds m Uiidr : zie Van Üeventcr's Landeiyk 
stelsel, deel II, bl. 141. 



286 EENE BUD&AOE TOT K. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

de Maatschappij tegen behoorlijke prijzen ; jaarlijks werd eene opname 
der tuinen gedaan van wege het Gouvernement om toe te zien dat 
dezelven in behoorlijken staat werden onderhouden, en geen bedrog 
met de leverantie gepleegd. Op deze wijze heeft men aanzienlijke 
hoeveelheden peper ingezameld , waarmede de Maatschappij een voor- 
delig handel dreef naar Europa. 

Die pepertuinen bestaan niet meer, en het zoude moeielijk, zoo 
niet onuitvoerlijk zijn dezelven weder daar te stellen ; ook is de peper 
thans geen zeer voordelig artikel van handel, daarentegen is de 
koflFij teelt, welke in verscheidene districten ten zuiden van Padang 
de peper reeds heeft vervangen, en waarschijnlijk met gepaste aan- 
moediging bijna algemeen zoude kunnen worden ingevoerd, veel ge- 
makkelijker als een voorwerp van cultuur, en voordeliger als een tak 
van handel. 

Men zou dus bij de nieuwe contracten kunnen bedingen het voort- 
zetten van de koffij-culture instede van die van peper, zulks als eene 
voorname verpligtnig aan de Hoofden opdragende, en hen zelfs in 
stede van andere toelagen beloovende eene geringe premie, op de uit 
hunne respectieve districten naar Padang ter markt gebragte hoeveelheid. 

Dan of het met de belangens en vooral met de grondbeginselen 
van de tegenwoordige regering zoude overeenstemmen om nu, gelijk 
te voren door de Maatschappij ten aanzien van de peper werd ge- 
daan, van de planters te eischen het leveren van het geheel product 
van hunne kofiij -tuinen aan den Lande tegen eene bepaalde prijs, 
is eene punt welker's beoordeeling ik liever aan Uwe Excellencie zoude 
willen overlaten; het is echter mijn plicht Uwe Excellencie bekend te 
maken met de consideratien welke voor en tegen eene terugkeer tot 
het oude stelsel zijn pleitende. 

Het aandeel welke den Lande door eene zoodanige bepaling in den 
Padangsche handel zou verkrijgen zoude in der tijd nog al aanzien- 
lijke voordelen opleveren, het is mij thans niet mogelijk een definitief 
berigt over den staat van de koffij cultuur aan te bieden, daar de 
kommissie, uitgezonden om zulks op te nemen, niet naar Padang was 
teruggekeerd bij mijn vertrek van daar ; uit de boeken van het Tolhuis 
over het jaar 181Q echter, blijkt dat er eene hoeveelheid van ruim 
acht duizend Pikols in dat jaar is uitgevoerd geworden ; de opbrengst 
van het loopend jaar wordt op twaalfduizend Pikols geschat, en de 
aanplanting wordt sterk voortgezet, zoodat er met reden eene jaar- 
lijksche vermeerdering van den oogst kan worden vooruitgezien, de 
koffij zelve is van gelijke hoedanigheid als die van Java, schoon de 
verkeerde wijze van behandeling eene vermindering van dies waarde 
in den handel veroorzaakt. 

Er zijn te Padang geen andere voordelen van den landbouw te 
verwachten; een stelsel van grondbelasting, gelijk aan dat welk te Java 



OVKR SUMATUa's WESTKUST. 287 

bestaat , is met de geestgesteldheid van het vr)lk , en de aloude plaat- 
selijke inrigtingen onbestaanbaar; de belastingen op den handel, het 
debiet van zout en de verpachtingen zullen naar het tegenwoordige te 
berekenen genoeg opleveren om de plaatselijke uitgaven te bestrijden ; 
men behoeft dus niet te vrezen, dat Padang in vreedzame tijden een 
lastpost zal worden, doch verlangt men dat deze bezitting eenige 
noemenswaardige finantieele voordeelen voor den Staat opleveren, zal 
men die uit andere bronnen moeten zoeken, waaronder eene ver- 
pligte leverantie van koffij als voornaamste moet worden gerekend. 

Aan den anderen kant, moet men in aanmerking nemen dat de 
kofïijtuinen vrijwillig zijn aangelegd zonder bemoeijenis van het 
Gouvernement, door en ten behoeve van den gemene man; dat hij 
ook gedurende eenige jaren het volle genot van zijn oogst zonder 
eenige korting , heeft behouden ; dat het weder handhaven van de oude 
bepalingen , na eene tusschentijd van bij^a dertig jaren , gedurende 
dewelke de bevolking van de Westkust bijna zonder regering , en altijd 
zonder verpligtingen is geweest, zeer moeielijk zoude zijn, en niet 
zonder dwang, naar allen schijn, zoude kunnen geschieden, dat zulks 
eerder eene stremming dan aanmoediging in de culture zoude ver- 
oorzaken , dat men veel gemakkelijker eene belasting kan heffen bij den 
uitvoer, en eindelijk dat het Gouvernement thans geen handel drijft 
in de lijnwaten, opium etc. die te voren in ruiling voor de peper 
waren gegeven. 

£ene geringe belasting op het getal vrugtdragende boomen, zoude 
mogelijk kunnen worden daargesteld in plaats van de gedwongen 
leverantie, doch zelfs dat zoude zeer moeilijk wezen, uit hoofde van 
de plaatselijke gesteldheid, behalven dat de perceptie in loco zoude 
moeten geschieden en aldus zwaare onkosten veroorzaken ; de uitgaande 
rechten worden geheven op den zetel van de residentie , zonder moeite 
en zonder gevaar, en worden betaald door den koopman; hij geeft 
wel is waar zooveel minder aan den planter, als hij aan het Gouver- 
nement moet opbrengen , doch de belasting blijft voor deze verborgen , 
hij verkoopt zijn product aan wien hij verkiest, en voelt geene regt- 
streeksche bemoeijenis van het Gouvernement. 

Uit deze consideratien vermeen ik te kunnen en moeten afleiden dat 
het beter en doelmatiger zoude zijn, onder de tegenwoordige omstandig- 
heden , om den planter het vrij genot te laten behouden van zijn product, 
mits hetzelve naar Padang brengende en aldaar te heffen eene belasting 
op den uitvoer, gelijk gesteld met die welke te Java bestaat. 

Het tegenwoordig regt op de uitvoer van kofïij is 6 ten honderd, 
hetgeen, op de gewone marktprijs van de koffij te Padang gerekend, 
bedroeg voor het jaar 1819 omtrent f 1.20 de Pikol zoodat de invoering 
van de Javasche belasting bij den uitvoer , inderdaad eene aanzienlijke 
vermeerdering zoude wezen. 



288 KETSTE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA*S OPSTELLEN 

Bij eene overlating van de koffijteelt en handel aan den geest van 
particuliere onderneming , zoude men echter eenige maatregelen kunnen 
daarstellen om de behandeling en alzoo de hoedanigheid van de koffij 
zelve te verbeteren , hetgeen waarschijnlijk een gunstig gevolg zoude 
hebben zoo voor de algemene als bijzondere belangens. 

De boomen worden thans bijna in het wild geplant, zonder eenig 
regard te slaan .op den aard van {\cn grond, de tijd van het jaar of 
andere omstandigheden ; de tuinen worden bijna nooit schoongemaakt , 
de vruchten worden geplukt eer zij tot rijpheid zijn gekomen , vervolgens 
in de zon gedroogd, en eindelijk in rijstblokken gestampt , al het geen , 
zoo ik vermeen , zeer nadeelig is voor de hoedanigheid en het behoud 
van de oogst. 

Indien de Sumatrasche koffij op dezelve wijze werd geplant, onder- 
houden en behandeld als de Javasche, zoude dies hoedanigheid 
waarschijnlijk dezelve evenaren, alsdan zoude dezelve meer gezocht 
worden als een voorwerp van handel, eene hoogere prijs in de markt 
halen, en hierdoor den landman worden aangemoedigd de cultuur 
uit te breiden, en zich toe te leggen op dezen vrugtbaren tak van 
landbouw. 

Met dit oogmerk vermeen ik dat eene proef zoude kunnen worden 
genomen van eene Gouvemements tuin , in het midden zooveel mogelijk 
van de particuliere culture , aan te leggen , door eenige familién uit de 
Preanger Regentschappen, of elders, bekend met de planting en 
behandeling van koffij op de Javasche wijze: deze menschen zouden 
zich aldaar onder de onmiddellijke bescherming van den Rresident 
moeten nederzetten, onder de belofte van de helft van het product 
voor hunne arbeid te zullen genieten , en intusschen door het Gouver- 
nement te zullen worden onderhouden, met geringe toelagen in geld, 
rijst en zout. 

Men kan vervolgens naar den uitslag van deze proefneming besluiten 
de koffijteelt voor 's Lands rekening aldan niet te doen voortzetten , 
intusschen vermeen ik te kunnen veronderstellen, dat de oprichting 
van eene zoodanige kleine etablissement een gunstig gevolg zoude 
hebben op de Sumatrasche koffijteelt en handel. 

De daartoe te gebruiken personen dienen echter met hun vrije ver- 
kiezing en op kosten van den Lande , te worden overgezonden , en door 
een a twee van hunne geringere Hoofden te worden verzeld met de 
noodige werktuigen. 

In geval Uwe Excellencie mogt goedvinden, eene zoodanige proef- 
neming te laten doen en alzoo de verzending naar Padang van de 
de noodige lieden als boven te laten geschieden zal ik mij nader ver- 
eeren Hoogst dezelve een bepaald voorstel aan te bieden, over de 
meer bijzondere punten wegens hunne onderhoud, enz, 

Eene jaarlijksche opname van de koffijtuinen van 's Gouvemements 



OVER sumat&a's westkust. S89 

wege zoude ook nuttig zijn ter uitbreiding en verbetering van de 
koffijtcelt, alsmede tot het inwinnen van nauwkeurige informatien 
wegens den opbrengst van elk district , om te kunnen nagaan of het 
geheel product naar Padang word ter markt gebragt dan wel ge- 
deeltelijk ter sluik naar Bencoelen of elders uitgevoerd. 

Eene verdere aanmoediging zoude kunnen worden daargesteld door 
de inlandsche hoofden belang te doen voelen bij de uitbreiding van 
de culture, hetgeen zoude te bewerken zijn door het uitreiken van 
eene kleine premie aan dezelven op de hoeveelheid koffij uit hunne 
districten ter markt gebragt, en door het verklaren dat bij de verkiezing 
van hunne opvolgers zal worden gelet op de meerdere of mindere 
nijverheid welke de respectieve candidaten in het voortzetten van de 
koffijteelt betoond hebben. 

De toelage op de kofffijleverantie zoude tevens dit nut hebben, 
dat de inlandsche hoofden zich zelven daardoor cenigsints als be- 
zoldigde dienaren van het Gouvernement zoude beschouwen, hetgeen 
een stilzwijgend, doch zeker werkend middel zoude zijn, om aan 
den invloed van het Europesch bestuur die noodige versterking te be- 
zorgen, waarvan hetzelve sedert bijna dertig jaren ontbloot is. 

Ten aanzien van de hoegrootheid van eene zoodanige toelage , ver- 
meen ik dat een stalie of 7^ stuivers p. pikol vooreerst voldoende 
zoude wezen; hetgeen bij de invoering van de Javasche uitgaande 
regten geene groote opoffering voor den Lande zoude veroorzaken. 

Et volgen dan nog eenige korte beschouwingen over andere 
onderwerpen , zoodat bijna het geheele advies over de koffiecultuur 
handelt. 

De Begeering stelde dit stuk in handen van de leden van den 
Raad van Indië Chasse en Muutinghe , die rapport uitbrachten dd. 
18 December 1820. Het stuk is door eerstgenoemde gesteld en 
evenals al de adviezen van Chasse ongenietbaar door het slechte 
HoUandsch en uoodelooze langwijligheid ; zoo heeft hij b. v. de 
gewoonte de voorstellen , waarop hij moet adviseeren , nagenoeg 
geheel in zijn advies eerst weer op te noemen, waardoor wel het 
zijne eenigszins omvangrijk, doch naar waarheid dikwerf weinig 
beduidend wordt. Volgens het advies van 18 December 1820 hadden 
de beide Raadsleden bezwaar tegen het aanleggen van een rnodel- 
koffietuin door Javanen , doch terwijl Chasse o. a. , in overeen- 
stemming met 'sResidents voorstel aanbeval: 

«'Om de kofïij planting en handel oj) Sumatra's Westkust of 

Padang en dies onderhoorigheden geheel vrij en aan particulieren 

over te laten, mits zij dat voortbrengsel op Padang brengen, ten 
5e Volgi. X. 20 



290 EKNE BflDEAOK TOT K. B. KIELSTRa's OPSTELLSN 

einde van daar na betalinf( der uitvoerregten , gelijk aan die men 
op Batavia betaald, vervoerd te worden 'i', — 

voegde Muntinghe bij het collectief advies eene afzonderlijke nota 
waarin hij />^teu aanzien van de beheering der koiÜj culture^ het 
volgende opmerkte: 

Dat ofschoon ik op de verzekering van den resident van Padang 
zeer gaarne wil aannemen, dat op dit oogenblik de westkust van 
Sumatra niet geschikt is om eene landelijke belasting evenals Java 
op te brengen, ik echter niet kan toestemmen, dat eene verpligte 
leverantie van de koffij, zooals tevoren van de peper, het eenige 
middel zoude zijn, waardoor de reeds bestaande inkomsten van het 
Gouvernement zouden kunnen worden vermeerderd. 

De koffijculture toch op de Westkust van Sumatra, zooals zij thans 
bestaat, en zooverre als zij tot nu toe gebragt is, is hare oorsprong 
alleen verschuldigd aan den vrijen handel en aan de mededinging der 
koopers, die daaruit is geboren. 

De vernietiging dan van deze mededinging en de bepaling, dat de 
kofiij, evenals te voren de peper, uitsluitenderwijze aan het Gouver- 
nement zoude moeten geleverd worden, tegen vastgestelde prijzen, is 
te voorzien dat alle lust tot voortzetting van die cultuur in het vervolg 
zoude uitdoven, en dat gevolgelijk deze nieuwe bron van inkomsten 
van het Gouvernement weldra weder zoude zijn opgedroogd. Het 
voorgestelde middel zoude dus in dezen, het doel zelve indertijd te 
niet doen; en het voorstel mag dus uit dien hoofde te regt ondoel- 
matig worden genoemd. 

Doch gesteld zelfs dat deze objectien niet regtstreeks toepasselijk 
waren op het voorstel van den resident van Padang, zoo bestaan er 
nog andere redenen, waarom zijne assertie niet aannemelijk is, dat er 
geene andere middelen zouden te vinden zijn , om 's Gouvemements 
inkomsten op de Westkust te kunnen vermeerderen. 

Waaraan toch mag men vragen, is de vordering te danken, welke 
de kofHjculturc in die streken, in de laatste jaren gemaakt heeft? 

Waaraan is verder toe te schrijven , het verbod, welk uit de contracten 
blijkt, dat in vroeger jaren bestaan heeft , tegen den aanplant \'an iit;^ .' 

Waaraan het verbod om geene vreemdelingen , zelfis geene vreemde- 
lingen van inlandschen afkomst, in hunne districten ten handd 
toe te laten ? 

Natuurlijk aan geen andere oorzaak, dan aan de bestaande zucht 
en neiging van die volkeren , om door allerlei middelen \'an landbouw 
en handel hun voordeel te zoeken, wanneer hun daartoe sledits 
opening werd gelaten. 

Deze blijken nu van nijverheid, en van eene trek tot v 



i 



OYEB SUMATKa's WESTKUST. 291 

van hunne middelen van bestaan voorhanden zijnde, zoo vraag ik 
slechts of de resident van Padang met grond kan beweren, dat er 
gecne middelen zouden kunnen gevonden worden , om 's Gouvemements 
inkomsten, op de westkust te vermeerderen, alleen wijl die streken 
nog geene geschiktheid hebben, om eene land-tax als Java te dragen. 

Dat intusschen de westkust ook niet geheel ongeschikt is om zelfs 
landelijke inkomsten te kunnen opbrengen, is op te maken uit de 
vorderingen, welke de kofïijculture nu in de laatste jaren gemaakt 
heeft, en uit het verbod welk in vroegere jaren tegen den aanplant 
van kapas bestaan heeft. 

Doch gesteld zelfs dat de westkust van Sumatra nimmer eenig 
aandeel van belang in eene directe belasting op de voortbrengselen 
van den grond zoude kunnen dragen, zoo schijnt het echter niet in 
twijfel te kimnen getrokken worden , of die bron van nijverheid , wiens 
bestaan onder de bevolking van de westkust door daadzaken wordt 
bewezen, moet ook, vooral bij eene toenemende welvaart, steeds nieuwe 
voorwerpen van belasting voor het Gouvernement opleveren. 

Het eerste voorwerp van belasting levert thans reeds de koffij op; 
een tweede voorwerp kan na weinigen tijd de kapas zijn ; en een derde 
middel kan bij eene voortdurende welvaart gezocht worden in de 
oprigting van markten ^ waardoor alle consumtive middelen op eene 
indische wijze worden bezwaard. 

De mogelijkheid dierhalven veronderstellende van eene grootere 
uitbreiding van Gouvemements inkomsten op Sumatra's Westkust dan 
door den resident te Padang wordt berekend, zoo zoude ik ook van 
gevoelen zijn , dat zoo min mogelijk eene belemmering aan de algemeene 
nijverheid , die daarvan de voorname, bron zal zijn , behoort te worden 
toegebragt. 

De mededinging in den handel zoude ik dus ook van gedachten 
zijn, dat niet behoorde verloren te gaan en ofschoon dan ook de 
vrijheid om te handelen aan de ambtenaren te Padang zij toegestaan , 
zonde ik van gevoelen zijn , dat de staat der cultures op de westkust , 
en de verwachtingen welke dezelve voor den handel opleveren, alge- 
meen dienden bekend gemaakt te worden, ten einde daardoor de 
vereischte mededinging te doen geboren worden en eindelijk ook eens 
de hoop te kimnen voeden, dat onze eigene Nederlandsche schepen 
de producten van de Westkust op Padang zullen gaan afhalen. 

Ondergeschikt aan ditzelfde oogmerk zoude het mij ook niet ondienstig 
voorkomen, dat aan den resident te Padang opgedragen wierd eene 
nauwkeurige opname van den staat der koffijculture in zijne districten 
te laten doen, en daarvan te dienen van bericht, met opgave tevens 
der prijzen welke voor dit product zoowel in de bovenlandsche districten 
aan den inlander, als op de markt te Padang onder Europeanen en 
anderen worden besteed. 



Z9it EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA^S OPSTELLEN 

En ofschoon ik wijders ook gereedelijk moet toestemmen , dat in de 
aanplanting der koffij , en in den aanleg der tuinen , eene geringe kunst- 
bewerking gelegen is, zoo moet ik echter aanmerken, dat in het 
plukken van de vrucht , in het droogen , in het ontbolsteren en in het 
zuiveren van dezelve, oplettendheden zijn te gebruiken die dikwerf 
door den inlander worden over het hoofd gezien, en waarom het mij 
niet ondienstig zoude voorkomen, dat een paar geschikte Javasche 
mantries , op deszelfs verzoek aan den resident van Padang tot opzien- 
ders over de koffijculture wierden toegestaan. 

Als een ander voordeelig gevolg van dezen maatregel zoude men, 
geloof ik, ook nog mogen rekenen op eene verdere uitbreiding der 
culture en eene gevolgelijke vermeerdering van het product; eene uit- 
komst , waardoor natuurlijk de lagere prijzen van Padang eindelijk eens 
in mededinging zouden komen met de enorme hooge prijzen van 
Java ; die waarschijnlijk dan ook in zoo verre zouden worden gematigd , 
dat de klagten daarover in Nederland eindelijk eens zouden ophouden ; 
en tevens een einde maken aan die mededinging, welke de ongelooflijk 
hooge prijzen van Java in den kofüjhandel over de gansche wereld 
moeten doen geboren worden. 

Terwijl het slechts van de inrigtingen van het Gouvernement zal 
afhangen , om over een grooter product , bij gematigder prijzen , dezelfde 
voordeelen te blijven genieten, welke het thans trekt over een geringer 
product bij immers hooge prijzen. 

En het meerdere voordeel voor den algemeenen handel dus als een 
neilo surplus zal overblijven. 

Op bl. 65 schrijft Kielstra het volgende : 

//Het spreekt vau zelf dat iu een gewest waar, zooals in het iii 
beide voorgaande hoofdstukken behandeld tijdvak, onafgebroken 
oorlog werd gevoerd , de beschikbare tijd der burgerlijke ambtenaren 
voor een goed deel in beslag werd genomen door zaken, met krijgs- 
operatiëu in verband staande. Die ambtenaren waren inmiddels 
voorzeker hoogst nuttig werkzaam, doch hunne verrichtingen kwamen 
uit den aard der zaak meer op den achtergrond. 

//Maatregelen, in het thans besproken tijdvak door den resident 
en zijne ambtenaren genomen of voorgesteld voor de ontwikkeling 
van de Westkust van Sumatra, zijn dan ook, voor zooverre ons 
bleek , niet te vermelden ; wat in deze richting geschiedde , werd 
te Batavia beraamd en besloten. 

//Het was de Baad van Indië Mr H. W. Muntinghe, die zich, 
in den aanvang van het jaar 1822, //den staat van vaart en handel 
op de ^ederlaudschc bezittingen te Westkust van 8umatra^ aantrok 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 293 

en dienaangaftude , deu 18" Maart 1822, zijne beschouwingen en 
voorstellen aan het oordeel van den Gouverneur-Generaal onder- 
wierp. Zijn advies is ons, in zijn geheel, niet bekend, maar de 
inhoud en strekking daarvan blijken uit de resolutie van den 
Gouverneur-Generaal in Rade van 30 April 1822 N** 23, waaraan 
wij het volgende ontleenen.'/ 

Het weinige, wat daarop volgt, geeft geen voldoend overzicht 
van Muntinghe's uitgebreid advies. Het stuk is voor de kennis 
van de politiek dier dagen en vooral met het oog op hetgeen 
eerlang zou volgen van belang ; al ware het alleen , omdat men 
van den Europeeschen landeigenaar deze getuigenis er in leest : 
"Hij ix ('ene parcutile plaitt ^ die ^ zornhr zehe eevifj nut aan U Lr en yen ^ 
zich voedf ten kuste der mlavd^che bevolking , en Um kofite der wettige 
niordeeJen van h't Gonrernement.» Opmerkelijke woorden van den 
man , die in het koopen van particuliere landerijen onder Ilaffles 
zulk een werkzaam aandeel had genomen ! 

Ook heeft Muntinghe zijn advies niet uit zichzelf geschreven , 
gelijk de heer Kielstra vermoedde. Er was een vreemdeling te 
Padang gevestigd, die zich burger van Nederlandsch-Indië wilde 
doen verklaren , ten einde de voordeden te genieten , die aan den 
Nederlandschen handel bij uitsluiting destijds waren toegestaan. 
De resident Du Puy had deze zaak onder de aandacht der Regeering 
gebracht en daarover was eeue geheele correspondentie ontstaan. 
Muntinghe moest nu over deze quaestie ook zijn oordeel doen 
kennen ; en haar hoog opnemende , schreef hij er het stuk over , 
dat ik in zijn geheel laat volgen. 

Batavia, den i8«" Maart 1822. 

Het behaagde Uwe Excellentie bij marginaal Besluit van den 24" 
Januarij jl. L A, in mijne handen te stellen, om consideratien en 
advies, een rapport van de hoofddirectie van financiën dd° 16 Januarij 
daar te voren, N** 5, vergezeld van: 

I®. Eene missive van den resident van Padang, van den 29° September 
a. p. N® 210, ten geleide van een rekwest van zekeren John Kemp, 
wonende te Padang, doch deelgenoot in de Britsche firma van John 
Kemp en Guyon Mackintosh; verzoekende, onder het genot der 
voorregten van burger van Nederlandsch-Indie, te Padang te mogen 
resideren en handel drijven; — in welke missive de voorn***" Resident 
aanmerkt, dat hij niets ten nadeelc van den suppliant kan in het 
midden brengen, en dat laatstgen**® reeds te Padang woonachtig was 
vóór de weder in bezitneming van dat etablissement. 



294 EENE BIJTDUAGE TOT E. B. KIELSTRA's OPSTELLEN 

2^. Eene missive van den genoemden Resident, dd**. 3 December 
a. p. N° 251, ten geleide van een rekwest van denzelfden John Kemp, 
daarbij verzoekende eenen zeebrief voor zijn brikschip gen^ Not/olk^ 
waarvan hij is eigenaar geworden, ten gevolge van eene akte van 
opdragt, gepasseerd door hem John Kemp, als deelgenoot in de 
voorn*^® firma, aan hemzelven John Kemp, in zijne particuliere be- 
trekking, bij welke voom^® missive de Resident van Padang berigt, 
dat hij, den rekwestrant beschouwende als een Nederlandsch inge- 
zetene, hem een certificaat heeft uitgereikt, in stede van een zeebrief^ 
naar aanleiding van het Besluit van 15 September 1808, N® 6, en zich 
in dit geval heeft bevoegd geacht om eenigermate af te wijken van 
de letter der bestaande wet. En 

30. Een rapport van den Directeur der Uit- en Ingaande regten, 
dd° 4 Januarij jl. N** 13, wegens de beide voorn**® rekwesten , houdende 
de navolgende consideratien : 

dat de koffij teelt en het product van het stofgoud in het etablis- 
sement Padang aanleiding kunnen geven tot een zeer uitgebreiden 
handel, welke zoowel voor het eiland Java, als voor het Moederland, 
groote voordeelen zoude kunnen afwerpen , doch thans geheel in handen 
van vreemden is; 

dat de ware belangen van onze oostersche bezittingen, zoowel als 
die van het Moederland, hetzij uit een staatkundig, financieel of 
commercieel oogpunt beschouwd, vorderen dat in dit gebrek zoo 
spoedig mogelijk worde voorzien ; 

dat het domicilium van vreemden in de bezitting van Padang strijdig 
is met die belangen; 

dat het nationaliseren van vreemde schepen ten behoeve van vreemden , 
de zaak in allen opzigte verergert, en daarenboven oorzaak is, dat 
die vreemden de helft der door hen verschuldigde regten aan het 
Gouvernement onttrekken ; 

dat in het onderwerpelijke geval, de rekwestrant John Kemp, een 
deelgenoot is van een Engehch huis van negotie in Britsch^Indie onder 
de firma van John Kemp en Guyon Mackintosh, aan welk Engelsch 
huis van negotie het Engelsche schip Norfolk toebehoort; 

dat de rekwestrant , een paar maanden te voren getracht hebbende , 
dour autorisatie van wege Uwe Excellentie een ingezetene van Neder- 
landsch Indie te worden , nu , in zijne hoedanigheid van Britsch onder- 
daan , aan zich zelven , in zijne geassumeerde hoedanigheid van Neder- 
landsch onderdaan y verkoope en aan zich zelven cedert den eigendom 
van het Engelsch schip Norfolk; — aldus den spot drijvende met alle 
legale cessiën; 

dat door deze transactie geen ander onderscheid wordt te weeg 
gebragt, dan dat de Engelsche brik Norfolk, toebehoorende aan het 
Engelsch* huis van negotie John Kemp en Gxjyon Mackintosh, en 



OVEK SUMATRA's WESTKUST. 295 

door een der deelgenoten aan zich zelven verkocht, te voren toebe- 
hoorde aan dit huis van negotie gezamenlijk en nu aan een der deel- 
genoten alleen \ 

eindelijk dat de rekwestrant, door het bekomen van een certificaat 
van den Resident van Padang, thans den voordeeligen handel drijft 
tusschen dat etablissement, en de westkust van Indie, onder betaling 
van de helft der regten , welke hij verpligt was aan het Gouvernement 
uil te keeren. 

Op grond van welke consideratiën hij Directeur der Uit- en Ingaande 
regten, in de hoop, dat weldra in de belangen der Nederlandsche 
scheepvaart en handel met betrekking tot Padang, door doelmatige 
bepalingen zal worden voorzien, Uwe Excellentie adviseert, om beide 
voornoemde rekwesten van John Kemp te wijzen van de hand. 

Onder terugzending dezer stukken teekent de Hoofddirectie van 
financiën voor haar gevoelen aan, dat zij de aangevoerde gronden 
van den Directeur der Uit- en Ingaande regten gouteert , om namelijk 
te Padang geene vreemdelingen optenemen; — dat echter aan John 
Kkmp het burgcrregt niet wel kan worden ontzegd, alzoo hij V(')ór de 
weder in bezitneming van dat Etablissement aldaar met derwoon is 
gevestigd geweest, — dat hij, als ingezetene van Nederlandsch Indie 
ook vermag een vreemd schip te koopen, en hetzelve te laten natio- 
naliseren; doch in het onderwerpelijke geval zulks gedaan heeft op 
eene gesimuleerde wijze, ten einde de firma van John Kemp en 
GuYON Mackintosh de voorregten te doen genieten van Nederlandsche 
burgers; en dat in dit zijn gehouden gedrag welligt een grond zoude 
kunnen gevonden worden om hem het verzochte burgerregt te 
weigeren. — Waarop de Hoofddirectie Uwe Excellentie adviseert: 

i**. In het verzoek van den Suppl^ te difficul teren; en 

2°. Den Resident van Padang te gelasten het door hem aan den 
Suppliant verleende certificaat wederom in te trekken. 

Alsnu overgaande om aan den vereerenden last van Uwe Excellentie 
te voldoen, zal ik vooraf in het algemeen aanmerken, dat ik mij met 
de gevoelens van de Hoofddirectie van financiën, en den Directeur 
der Uit- en Ingaande regten , voor zooverre betreft de onderwerpelijke 
zaak en het weigeren of toestaan van de verzoeken door den Suppliant 
John Kemp gedaan, gereedelijk kan verecnigen; en dat inzonderheid 
de consideratien van laatstgemelden amlotenaar mij zijn voorgekomen 
als gegrond op het wezenlijk belang van onzen handel, zoowel voor 
het Moederland, als voor deze hare overzeesche bezittingen. 

De uitbreiding toch van de scheepvaart en van den buiten- en 
binnenland schcn handel van het Moederland, is, gelijk zij de eerste 
aanlcidende oorzaak was van de vestiging, ook nog het groote doel 
en de bestemming van alle hare koloniale bezittingen. 



296 KENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

De voortbrengselen van deze bezittingen dienen dan ook, zooveel 
mogelijk, door den buitenlandschen handel op de markten van het 
Moederland ten stapel te worden gèbragt; ten einde zich van daar 
wederom, door den binnenlandschen handel, over het vaste land van 
Europa en verder te kunnen verspreiden. 

Overeenkomstig dit eerste beginsel van het bestaan van alle koloniën , 
dienen dus deze voortbrengselen niet alleen bij voorkeur , maar in alle 
gevallen, waar zulks kan geschieden, zeljs met uitsluiting van alle 
vreemdelingen, overgegeven te worden aan onzen nationalen handel en 
scheepvaart, ten einde door dezelve naar de stapelplaatsen van het 
Moederland te worden overgevoerd. 

Niets kan dus, volgens het aangehaalde beginsel, gegronder zijn, 
in het algemeen, dan het gevoelen door den Heer Directeur der Uit- 
en Ingaande regten aan den dag gelegd, dat het zoowel onder een 
staatkundig, als financieel en commercieel oogpimt, strijdig is met de 
belangen van het Moederland en van deze hare bezittingen, dat die 
voortbrengselen en de handel in dezelve aan vreemden worden overgelaten. 

Onvoldoende toch zoude het zijn op deze redenen te antwoorden, 
dat onder eene vrije en opene vaart en handel, de mededinging ook 
voor onze Nederlandsche schepen en kooplieden vrijstaat. Een onge- 
lukkige zamenloop van omstandigheden heeft toch in de laatste 20 a 30 
jaren, teweeggebragt, dat onze Nederlandsche vaart en handel , vooral 
hier in Indie , in vergelijk met die der Engelschen en Amerikanen , 
werkelijk is verachterd. De onbepaalde vrije handel komt dus in effectu 
dikwerf op eene geheele uitsluiting van den Nederlandschen handel 
neder. Dit is vooral het geval ten aanzien van onze bezittingen buiten 
het eiland Java gelegen, waarop de handel aan onze Nederlandsche 
kooplieden nog niet genoeg in hare bijzonderheden schijnt bekend te 
zijn. Padang en de Westkust van Sumatra leveren hiervan een sprekend 
bewijs op. Niettegenstaande deze plaatsen gedurende de laatste 3 a 4 
jaren omstreeks 20,000 pikols koffie hebben opgeleverd, is er, voor 
zoover men weet, geen enkele Nederlandsche bodem geweest, die in 
het minste door den handel in deze producten is bevoordeeld geworden. 

In opvolging derhalve van het zooeven aangehaalde beginsel van 
koloniaal bestuur , in verband beschouwd met den plaatselijken toestand 
en de aangelegenheden van Padang en Sumatra's Westkust, dienen er 
maatregelen genomen te worden, om de voortgang van de vreemde 
vaart aldaar te fnuiken en te beteugelen , en de Nederlandsche daaren- 
tegen optebeuren, en te brengen in het bezit van hare natuurlijke 
regten en voordeelen. 

Op deze gronden kan het dan ook niet anders dan geraden schijnen, 
om, in de onderwerpelijke zaak, de voorstellen van de Hoofddirectie 
van financiën en van den Directeur der Uit- en Ingaande regten gaaf 
aan te nemen. 



OVER sumaïra's westkust. 297 

Doch, bij eene algemeene beschouwing, acht ik mij echter verpligt 
onder de opmerking van Uwe Excellentie te brengen: 

dat, hoewel aan dat grondbeginsel hetwelk zoo even door mij op 
den voorgrond geplaatst werd, en van hetwelk de heer Directeur der 
Uit- en Ingaande regten ook in zijne redeneringen is uitgegaan, 
buiten allen twijfel deji eersten rang moet worden toegekend , onder alle de 
maximes, waarna zich de koloniale handel en scheepvaart behoort te 
regelen. — de strenge gevolgen echter, welke daaruit zouden kunnen 
getrokken worden, in vele opzigten dienen gewijzigd en getemperd te 
worden, naar een ondergeschikt begtfisel , het behoud namelijk en de 
voorziening in de behoeften van die bezittingen zelven , waaruit alle deze 
voordeelen van vaart en handel naar het Moederland moeten afvloeijen. 

Het behoud toch van deze bezittingen vordert plaatselijke winsten 
en inkomsten , tot goedmaking der onkosten van bestuur en verdediging, 
en deze plaatselijke winsten en inkomsten kunnen in sommige gevallen, 
door toelating en mededinging in den handel ook van de zijde van 
vreemden, aanmerkelijk worden vermeerderd. Beter is het dus, dat in 
die gevallen het Moederland een gedeelte der regtstreeksche voordeelen 
van vaart en handel afsta, om daardoor het behoud harer overzeesche 
bezittingen te verzekeren, dan dat, met het behoud dezer bezittingen, 
tevens het verlies van alle de voordeelen van scheepvaart en handel 
in de waagschaal worde gesteld. Het belang derhalve welk er gelegen 
is in het behoud der bezittmgen zelve, en het belang welk gelegen 
is in de uitbreiding van de vaart en handel van het Moederland, 
wegen zich hier van wederzijde op. Beider echter vereenigen zich en 
hebben geen ander doel, dan het ware en duurzame belang van het 
Moederland zelve: — het behoud der overzeesche bezittingen wordt 
alleen gezocht ten voordeele van het Moederland , en er kan dus hier 
geene andere moeijelijkheid bestaan, dan alleen om het ware punt 
van vereeniging te treffen waar zich beide deze belangen in evenwigt 
stellen. 

In het algemeen, en in het afgetrokkene , valt het echter zeer ge- 
makkelijk om dit punt van vereeniging en van evenwigt aan te wijzen. 

In de veronderstelling, welke hier mag worden aangenomen, dat 
het behoud en de integriteit van alle de bezittingen van het Rijk 
onschendbaar is, wijst ook de ware en onvermijdelijke behoefte van 
al hetgeen tot het bestuur en de verdediging van die bezittingen 
vereischt wordt, het juiste punt aan, tot hetwelk het Moederland in 
hare opoffering van regtstreeksche voordeelen van Vaart en Handel 
dient te gaan, om hare overzeesche bezittingen in stand te houden. 

Wenschelijk ware het echter dat, zou gemakkelijk als het is, om 
hier, in het afgetrokkene het vercenigingspunl der belangen van het 
Moederland en van hare overzeesche bezittingen te kunnen aanwijzen, 
het ook evenzoo gemakkelijk ware, om in concreto de ware schaal en 



298 EBNE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA's OPSTELLEN 

maatstaf te vinden , waarna zich de behoeften van het koloniaal bestuur 
lieten berekenen. Dan, zonder in deze moeijelijke berekening verder 
te willen indringen , zal het echter , na het voorafgezegde , geen betoog 
meer behoeven, dat, hoe lager de schaal zij, waarop de inrigtingen 
van het koloniaal bestuur gesteld worden, mits het slechts niets van 
zijne kracht en werking verlieze, des te hooger ook de winsten en 
voordeelen zullen rijzen, die ter regtstreeksche beschikking van het 
Moederland zullen overblijven. En moeijelijk als het moge zijn om 
in bijzonderheden, en in elk voorkomend geval, deze maatstaf te 
kennen en te volgen, minder moeielijk is het echter, om in dezen de 
wederzijdse he grenzen te bepalen , binnen dewelke het goede en 
nuttige moet gelegen zijn, en buiten dewelke men zich, zonder gevaar 
van imminente nadeelen , noch van de zijde van het Moederland , noch 
van de zijde der koloniën, kan begeven. 

Deze grenzen namelijk worden kennelijk en zigtbaar , wanneer slechts 
bij de twee hier voren reeds ontwikkelde grondstellingen , nog eene derde 
wordt te hulp geroepen, van dezen inhoud: dat, met uitsluiting van 
alle onregtvaardigheid , de koloniën moeten gerekend worden te bestaan 
voor het Moederland. 

Zoo zeer toch als het Moederland zoude zondigen tegen hare ware 
en duurzame belangen, wanneer zij in hare vorderingen van regt- 
streeksche voordeelen zoo verre ging, dat daardoor de middelen van 
behoud en van verdediging harer overzeesche bezittingen ondermijnd 
en verzwakt werden , zoo zeer ook zouden deze afgelegene bezittingen 
zondigen tegen de eerste wet van haar bestaan, wanneer zij alle de 
voordeelen, die zij afwierpen in zich zelven verslonden, en ophielden 
van iets tot den welvaart en bloei van het Moederland toe te brengen. 

Het eerste zoude het geval zijn wanneer ongelukkig het beginsel van 
uitbreiding van nationale vaart en handel weder zoo verre werd ge- 
dreven, dat alle de uitgebreide landen en volkeren, welke hetNeder- 
landsche Rijk in Indië daarstellen, op nieuw aan den ijzeren schepter 
van den alleenhandel werden onderworpen; — doch het laatste vrees 
ik dat thans inderdaad het geval is met onze bezittingen te Padang en 
verder op de westkust van Sumatra. 

Het zijn echter , zoude men mij hier met het hoogste regt te gemoet 
kunnen voeren, het zijn dezelfde inrigtingen, dezelfde beginselen van 
bestuur , van vrije vaart en handel , waaronder Java thans bloeit en 
wel vaart, en ook het hare tot het welzijn van het Moederland 
bijdraagt, die thans op Padang en op de Westkust van Sumatra bestaan; — 
en zouden dan dezelfde beginselen van bestuur en vrije vaart en 
handel, die op de eene plaats dienstbaar zijn om deze Indische be- 
zittingen dezelver bestemming te doen bereiken, op de andere plaats 
het doel van deze bestemming geheel kunnen vernietigen? 

Juist dit, indien ik mij niet bedrieg, en indien het mij geoorloofd 



ovEK sümatha's westkust. 299 

is zoo vrij te oordeelen, schijnt mij toe hier het geval te zijn. Het is 
niet in het afgetrokkene , noch bij loutere bespiegeling; maar in ver- 
houding tot land en volk, en tot de plaatselijke aangelegenheden van 
beide, dat de waarde van eenige inrigtingen van bestuur, en ook die 
van de vrije vaart en handel kunnen worden gekend en beoordeeld. 
Het is dus in het verschil welk er bestaat tusschen de plaatselijke 
aangelegenheden van het eiland Java en de Westkust van Sumatra, 
dat de oorzaak moet gezocht worden, dat inrigtingen, welke op de 
eene plaats voordeelig, op de andere schadelijk kunnen zijn. In ditzelfde 
verschil van plaatselijke aangelegenheden , zullen wij den grond vinden 
van het gevoelen van den Directeur der Uit- en Ingaande regten , dat 
de thans bestaande inrigtingen aldaar werkelijk nadeelig zijn: — en 
wij zullen er door worden opgeleid, tot die inrigtingen, welke hij, in 
het belang, zoowel van het Moederland als van deze bezittingen, 
wenschelijk acht dat aldaar worden gemaakt. Het beginsel van vrije 
iHiart en handel ^ met toelating zelfs van vreemden, kan niet ontkend 
worden in de laatste jaren werkelijk te hebben bijgedragen tot den 
plaatselijken bloei en welvaart van Java. Het is aan deze vrijheid van 
handel , en grootendeels ook aan de mededinging van vreemden onder 
dezelve, dat men de bewonderingswaardige uitbreiding der vrije kof fij- 
culture in de oostelijke afdeelingen van dit eiland gedurende de laatste 
jaren heeft te danken. Van daar, dat deze vruchtbare streken, die 
niettegenstaande de hooge berekeningen door wijlen Zijne Excellentie 
VAN OvERSTRATEN, als aftredend gouverneur van Java gemaakt, in 
het jaar 1801 slechts opbragten 2801 pikols koffij *,. die in het jaar 
1808 slechts leverden ongeveer 20,000 pikols; en waarvan de gansche 
leverantie van koffie, door den Heere Nic. Engelhard, bij deszelfs 
nagelatene memorie, als aftredend gouverneur van Java werd geoor- 
deeld, dat nimmer hooger dan op 45,000 pikols behoorde gesteld te 
worden, thans onder de inrigtingen van H. H. E. E. C. C. G. G. 
van den 17 October 18 17 eenen oogst hebben opgeleverd , die ten minste 
op 120 a 130 duizend pikols mag worden begroot. Deze vermeerde- 
ring nu van het product der koffij, schijnt voornamelijk hare oorzaak 
verschuldigd te zijn aan den prikkel, welke, onder een stelsel van 
vrijen handel en cultuur, aan de nijverheid van den Javaan is mede- 
gedeeld door de hooge prijzen, waartoe de koffij vooral door de 
mededinging van vreemden in de laatste jaren is gedreven. De Neder- 
landsche handel en scheepvaart heeft hierdoor wel dit nadeel geleden : 
dat niet alle de koffij van Java bij uitsluiting op de markten van 
het Moederland is ten stapel gebragt; dat de hooge Javasche prijzen, 
ook natuurlijk de handelwinsten in Nederland hebben moeten ver- 
minderen, en misschien zelfs in sommige gevallen winstderving en ver- 
lies hebben kunnen doen lijden; dan deze nadeelen worden echter, 
voor zoo verre den handel op Java en de hoofdplaats Batavia betreft , 



300 EENE BIJTDKAGE TOT E. B. KIELSTRA's OPSTELLEN 

gematigd door de volgende omstandigheden: dat de handel uit het 
Moederland op Java en de hoofdplaats van Neêrlandsch Indie, eenen 
gevestigden en geregelden loop heeft; — dat dus ook het Moeder- 
land naar evenredigheid van kapitaal en scheepsruimte een gelijk aandeel 
met alle vreemden in den handel op Java heeft kunnen nemen; 
terwijl de winstderving , welke misschien de Nederlandsche koopman , 
door de hooge prijzen der koffij in sommige gevallen heeft moeten 
lijden, van eene andere zijde wordt opgewogen, door het meerdere 
kapitaal y hetwelk daardoor op eene onmerkbare wijze binnen deze 
kolonie in omloop is gebragt, en zich ook gedeeltelijk onder de 
Inlandsche bevolking heeft gevestigd ; van waar dan ook de geregelde 
loop en de jaarlijks vermeerderde opbrengst van alle belastingen; — 
de faciliteit waarmede de Javaan zijne landrenten, zijne huur van 
de koffijtuinen in geld voldoet, en de meerdere vertering, welke hij 
voor zich zelven in staat is te maken, en werkelijk maakt; — en 
waarin de eerste oorzaak van de steeds toenemende hoogte van alle 
verpachte middelen moet worden geacht. De geschiktheid dus, welke 
de bevolking van Java bezit, om onder een stelsel van vrijheid in 
handel en cultuur zulke aanzienlijke belastingen te kunnen opbrengen , 
dat daardoor het Moederland schier van alle kosten van bestuur en 
verdediging ten aanzien van deze Oostersche bezittingen is bevrijd ge- 
bleven, en het aandeel, welk zelfs de handel en mededinging van 
vreemden heeft bijgedragen, om de Javasche bevolking in staat te 
stellen, deze lasten te torschen, zijn de ware oorzaak, waarom het 
stelsel van vrije vaart en handel , en misschien zelfs de mededinging van 
vreemden in eene zekere mate op Java voordeelig mogen geacht worden. 

Edoch, in de verschillende gesteldheid, waarin zich tot nog toe de 
Westkust van Sumatra in beide deze opzigten bevindt, ligt ook de 
reden, waarom tot op dit oogenblik, het stelsel van vrije vaart en 
handel, en vooral de toelating van vreemden tot den handel, daar 
ter plaatse, zulke tegenovergestelde uitkomsten heeft opgeleverd. Het 
is trouwens alleen uit hoofde dat de inlandsche bevolking op de 
Westkust van Sumatra tot nog toe schier niets, bij wijze van regtstreeksche 
en regelmatige belastingen, aan het Gouvernement opbrengt, en dat 
ook onze Nederlandsche kooplieden, naar mate van het kapitaal en 
de scheepsruimte, welke zij daartoe zouden kannen besteden, nog 
geen aandeel in den handel op de Wettkust van Sumatra hebben 
genomen, dat het stelsel van vrije vaart en handel, en de toelating 
van vreemden , aldaar als schadelijk voor 's Gouvernements belangen 
moet worden beschouwd. 

Bestond de mogelijkheid om aan den Nederlandschen handel en 
scheepvaart , dadelijk , en in dezelfde evenredigheid als hier op Java , 
een aandeel in den handel op de Westkust te bezorgen; — bestond 
de mogelijkheid om de bevolking van die landen, evenals die van. 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 301 

Java, aan eene landrente, aan eene huur van hare k o f!ij tuinen, van 
hare huizen, van hare vischvijvers , en aan de regelmatige opbrengsten 
van marktgeregtigheden en andere indirecte belastingen, onderhevig 
te maken ; zoo zoude er weinig bedenking kunnen vallen of de bestaande 
inrigtingen zouden voor Sumatra's Westkust even als voor Java boven 
alle andere, voor de verkieslijkste moeten gehouden worden. Dan, 
ofschocm ook deze verminderingen niet oogenblikkelijk en als het ware 
door de werking eener tooverroede kunnen worden daargesteld, ver- 
dient het echter, naar mijn inzien, eene rijpe overweging of het niet 
der moeite waardig zouden zijn, in dezen te beproeven, wat de zorg 
en een geprononceerd verlangen der Regeering, binnen weinige jaren 
zoude kunnen uitwerken, liever dan dadelijk over te gaan tot die 
uitersten, welke in een tegenovergesteld geval noodzakelijk zouden 
worden. Immers, beschouwt men het van nu af aan voor eene on- 
mogelijkheid, om of aan het Moederland of aan deze bezittingen, 
haar geregt aandeel in den handel op de Westkust te bezorgen; 
beschouwt men het tevens als eene onmogelijkheid, om nog binnen 
eene reeks van jaren de bevolking van de Westkust van Sumatra tot 
dien staat van onderwerping en beschaving tevens op te voeroen, dat 
zij onder een regelmatig stelsel van belastingen, door eene verhuring 
der koffijtuinen , landrente , marktgeregtigheden , of zelts door een 
huisgezinnengeld {oean se'oemahan) , gelijk ik de eer had indertijd , Uwe 
Excellentie voor de Bovenlanden van Palembang voor te stellen, iets 
van belang zullen kunnen bijdragen, om in vergoeding te strekken, 
voor die regtstreeksche voordeelen van vaart en handel, welke men 
thans als het ware, bij uitsluiting aan de vreemden overlaat; zoo 
moet ik erkennen, dat er mij geen andere uitweg schijnt over te 
blijven, dan dat het Gouvernement, dadelijk, voor eigene rekening, 
de hand legge op den ganschen handel van de Westkust van Sumatra , 
en daardoor voorkome, dat deze bezitting niet langer zonder nut en 
doel voor het Moederland blijve bestaan. 

Doch, hoe vele zijn niet de zwarigheden, welke aan zoodanigen 
maatregel zouden verbonden zijn? 

De uitbreiding der koffijculture op de Westkust van Sumatra, is tot 
nog toe de vrucht geweest van vrijheid van vaart en handel. Door 
het sluiten van den handel zou men dus gevaar kunnen loopen van 
deze vruchten in derzelver eerste geboorte wederom te doen smooren. 
Ongetwijfeld zoude dit het geval worden, wanneer de koffij op de 
Westkust voor zulke onevenredige prijzen van Gouvemementswege 
werd gevorderd, als daarvoor thans nog onder het aloude stelsel van 
monopolie zonder gevaar in de Preanger- Regentschappen worden 
besteed. En meende men hier tegen een toereikend middel gevonden 
te hebben door eene aanzienlijke prijsverhooging toe te staan, zoo 
valt men wederom in een andere zwarigheid. Hoe namelijk , deze hooge 



802 EENE BIJDRAGE TOT K. B. RIELSTRa's OPSTELLEN 

prijzen zonder bezwaar van het Gouvernement zullen voldaan worden , 
wanneer eens, door toevallige en noodlottige gebeurtenissen de loop 
van den handel gestremd werd , en het Gouvernement dus in de verpligting 
geraakte om de koffij tegen die hooge prijzen aan te nemen , terwijl de 
gelegenheid om dezelve wederom van de hand te zetten , misschien in 
het geheel zoude ontbreken? Welke zouden bovendien niet gevolgen 
moeten zijn van de weder invoering van een stelsel van monopolie , in 
eene landstreek , gelegen als de Westkust van Sumatra , van wederzijde 
ingesloten door de bezittingen onzer mededingers , die van alle kanten 
zouden trachten onzen alleenhandel te ondermijnen, en de hunne, ten 
koste van dezelve uit te breiden ! Zoude hieruit dus geen verloop van den 
handel , moeielijkheid m het bestuur , gevaar voor de rust , en onzekerheid 
zelfs omtrent het behoud dezer bezittingen kunnen geboren worden? 
Althans , deze zwarigheden , hoe verwijderd dezelve ook nog mogen zijn , 
komen mij echter gewigtig genoeg voor , om daarbij stil te staan en er bij 
na te denken , voor en aleer men tot de verkiezing van een stelsel van 
monopolie voor de Westkust van Sumatra overga. Zij schijnen mij toe ook , 
in allen gevalle zooveel te vermogen , dat indien , met een redelijk voor- 
uitzigt op goed gevolg , het stelsel van vrije vaart en handel , kan behouden 
blijven, dit laatste boven den alleenhandel dient te worden verkozen. 

De beslissing echter der vrage, of bestaanbaar met de commerciële 
en financiële belangen van het Moederland, en van deze Bezittingen, 
de vrije vaart en handel op Padang en de Westkust zal kunnen behouden 
worden, blijkt reeds uit het vooraf behandelde; dat voornamelijk zal 
moeten afhangen , van de twee ondergeschikte vragen : of aan onze Ne- 
derlands(*he scheepvaart haar geregt aandeel in den handel op de West- 
kust zal kunnen bezorgd worden ? en , of de bevolking van de Westkust 
vatbaar is, om, na ommekomst van eenige jaren aan een geregeld stelsel 
van belastingen , even als die van Java , te kunnen onderworpen worden ? 

De eerste van deze twee ondergeschikte vragen staat dadelijk ter 
beoordeeling aan het Gouvernement. Hetzelve zal daarbij in overweging 
dienen te nemen, of door aanschrijvingen aan het Ministerie van 
koloniën aan den eenen kant , — en door opwekking en aanmoediging 
van de koloniale vaart en handel aan den anderen, de voorgestelde 
leiding aan den handel op de Westkust zal kunnen gegeven worden. 
Deze te nemen maatregelen nu van naderbij inziende , dunkt mij , 
dat aan het goed gevolg van dezelve nog niet behoeft gewanhoopt te 
worden. De aanschrijving aan het Ministerie van Koloniën zal dienen 
te worden voorafgegaan, door eene alteratie in het i**« artikel van het 
Reglement op de Uitgaande en Inkomende Regten van den 28 Augustus 
181 8, waardoor de Nederlandsche schepen ontheven worden van de 
verpligting, om bij aankomst in Indie geene andere haven dan die 
van Batavia te mogen aandoen , althans met betrekking tot Padang , en 
de Westkust van Sumatra. Deze vrijlating , vergezeld van eene calculati ve 



OVKK SUMATRa's WESTKUST. 308 

berekening van het koffijgewas , op de Westkust van Sumatra , gedurende 
de beide laatste jaren, en eenige opgaven, omtrent de gelegenheid 
der reede van Padang , zoude waarschijnlijk reeds genoeg zijn , om eene 
regtstreeksche vaart uit Nederland naar Padang te trekken; te meer, 
wanneer men in aanschouw neemt, dat Padang althans in de westmoesson 
zonder eenig ongemak door de schepen uit Nederland kan worden 
aangedaan, en zij daar eene voordeelige markt zullen vinden voor 
onze Nederlandsche lijnwaden, ijzer, staal en andere artikelen, die 
voor een groot- gedeelte uit de voortbrengselen van ons eigen land 
zullen kunnen getrokken worden. 

Tot aanmoediging van onze koloniale vaart en handel , zoude voorts 
ook gevorderd worden, dat van de hoeveelheid der van Padang uit- 
gevoerde voortbrengselen gedurende de beide laatste jaren, eenige 
meer echte berigten aan den koophandel van Batavia in het algemeen 
werden medegedeeld; — dat voorts ook de producten op de westkust 
in Nederlandsche schepen ingeladen, en waarvan de Uit- en Ing® 
regten aldaar zouden zijn betaald , van alle verdere betaling van regten 
in Nederlandsch Indie werden vrij gekend; — en dat, eindelijk tot 
geruststelling van den vrijen handelaar , tegen alle ongelijke mededinging 
in den handel, de provisionele licentie om te handelen, aan de 
ambtenaren te Padang bij resolutie dezer Regering , van den 5 December 
1820 *, toegestaan, weder wierde ingetrokken; met last aan die amb- 
tenaren, om alle dezelver uitstaande zaken van dien aard, binnen 
den tijd van drie maanden tot een einde te brengen. 

Wanneer zich nu, onder begunstiging van deze of dergelijke maat- 
regelen , eenige teekenen mogten laten bespeuren , dat zich een meerdere 
geest van onderneming bij onze nationale vaart en handel begon te 
ontsluiten, zoo zoude het verder misschien in overweging kunnen 
komen, of tot bevestiging van alle die voordeelen, de vaart van vreemde 
schepen op de westkust van Sumatra niet geheel zoude kunnen worden 
geïnterdiceerd. En tot voorkoming intusschen, dat de invloed van 
vreemden aldaar verder toenam , zoude terstond reeds aan den Resident 
kunnen worden aanbevolen, om hoegenaamd geene vreemdelingen, 
van welke natie ook , buiten degene , welke aldaar reeds gezeten zijn , 
verder op Padang en de Westkust, ter inwoning toetelaten. 

Door zoodanige middelen wordt het dan ook zeer waarschijnlijk, 
dat onze nationale belangen, wat de vaart en handel betreft, weldra 
weder op de westkust van Sumatra zouden zijn te herstellen. 

En wat dan verder betreft , de mogelijkheid , om de bevolking op de 
Westkust van Sumatra , aan een gelijksoortig stelsel van belastingen te 
onderwerpen als hier op Java ; — daaromtrent moet ik wel erkennen , 
dat de opgaven van den resident van Padang , tot nu toe , niet volledig 



ï Zie Kielstra, bL 20. 



304 BENE BIJBRAOE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

genoeg zijn, om op dezen afstand, een beslissend oordeel te kunnen 
vellen ; — doch er bestaan echter eenige bijzonderheden en daadzaken , 
waarna zich de vooruitzigten in dit opzigt ook van nu af aan reeds 
laten berekenen. 

De daadzaak, welke hier de meeste opmerking verdient, is, naar 
mijne gedachte, deze: — dat, onder een genot van vrije vaart en 
handel , de nijverheid der bevolking van de Westkust zich , uit eigene 
beweging, reeds zooverre heeft ontwikkeld, dat zij aanleiding heeft 
gegeven, tot een uitvoer van meer dan 20, of, geKjk sommigen be- 
weren, van 30,cxx) pikols van het kostbaarste product, welk onze 
Indische bezittingen thans voor den handel op Europa opleveren. Een 
volk nu , vatbaar om , door den prikkel van zijn eigenbelang , tot deze 
uitoefening van zijne krachten te worden bewogen, moet ook, naar 
algemeene gronden, indien het hun op eene klare, bevattelijke en 
welmeenende wijze wordt voorgesteld , een stelsel van matige belasting 
verre verkiezen boven een stelsel van alleenhandel , waardoor de voor- 
uitzigten op voordeel werkelijk verkort, en de prikkel tot nijverheid 
misschien geheel uitgedoofd zoude kunnen worden. Deze algemeene 
geneigdheid der bevolking nu vooraf ondersteld zijnde , zoo laten verder 
de enorme winsten, welke men weet dat de Europeesche handelaren 
en de Maleidsche kustbewoneren in dezen archipel, zich op hunne 
eerste inkoopen van de eenvoudige bevolking der binnenlanden weten 
te bezorgen, een gegrond vooruitzigt over, dat alle regtstreeksche 
belastingen op de voortbrengselen van den landbouw, op eene voor 
den landbouwer en planter zelven zeer dragelijke en misschien zelfs 
ongevoelige wijze zouden kunnen geheven worden ; — vooral , wanneer 
bij het leggen dezer belastingen de tegenwoordige inrichtingen van 
Java ten voorbeeld wierden genomen; en dat bij de heffing van een 
gedeelte van het product, in geldswaarde of in natura^ ook tevens 
eene jaarlijksche prijsbepaling wierdc gevoegd, waarvoor het overige 
gedeelte van den oogst , de planter zulks verkiezende , voor Gouveme- 
mentsrekening zoude worden aangenomen. 

De belasting, eenmaal op het voornaamste artikel van den land- 
bouw gevestigd zijnde, zoude verder, doch niet dan langzamerhand, 
en met eene zeer voorzigtige en teedere hand, tot de overige voort- 
brengselen van den grond dienen te worden uitgestrekt. — Bij het 
opium en het zont, waarvan thans reeds het Gouvernement hare voor- 
deelen trekt, zouden eindelijk ook nog de gewone marktgeregtighcdcn 
in de binnenlanden van Padang dienen gevoegd te worden ; en daar- 
mede zoude dan ook het stelsel van belastingen , voor de Westkust van 
Sumatra , naar mijn inzien genoegzaam zijn gecompleteerd , om als eene 
vergoeding voor de meer onmiddelijke en regtstreeksche voordeden 
van den alleenhandel te kunnen beschouwd worden. 

Alle deze einden komen mij nu voor, dat, althans na ommekomst 



OVER SUMATBA^SI WESTKUST. 805 

van eenigen tijd, en onder eene goede leiding, bereikt zullen 
kunnen worden. 

En de inkomsten, welke deze gezamenlijke belastingen aan het 
Gouvernement zullen kunnen afwerpen, vlije ik mij, dat zeer weinig 
door de onkosten van het hilandsch Bestuur zullen behoeven bezwaard 
te worden, wanneer hetzelve op goede gronden wordt gevestigd. De 
afdeelingen toch, welke in de Binnen- of Bovenlanden van Padang 
gevonden worden, en welke bekend zijn onder de benamingen van 
Toedjoe Kotta's, Samhilang Kottas^ Tigahlns Kotta's^ toonen klaarblijkelijk 
aan, dat er een inlandsch districts^<?j//////^ in de Bovenlanden van 
Padang bestaat , en dat waarschijnlijk zelfs dit Bestuur zich in sommige 
gevallen, evenals in de Bovenlanden van Palemhangy over eenige ver- 
eenigde distrikten te gelijk uitstrekt. 

De overeenkomst welke voorts in de inrigtingen van het inlandsch 
bestuur op verschillende plaatsen wordt aangetroffen, geeft verderen 
grond , om te mogen veronderstellen , dat dit dtstrikts-hestuur in de 
bovenlanden van Padang zeer veel gemeens bezit met datgene , hetwelk 
de Heer Marsden , in zijne Geschiedenis van Sumatra , als in de naburige 
streken van de Westkust plaats hebbende heeft beschreven , en hetwelk 
ik, wat het wezen der zaak betreft, ook weder, zonder eenige ver- 
andering, in de Bovenlanden van Palembang, aan den oorsprong van 
de Moesie, de Klingie en de Blitie heb aangetroffen. 

Dit distriktshestuur nu bezit in zich alle de vereischten , welke noodig 
zijn, om rust, orde, politie, en zelfs justitie, naar de begrippen dier 
volkeren in het land te verzekeren, zonder dat van Gouvemements- 
wege daartoe eenige kosten of uitgaven behoeven te worden besteed. 
Alleen in die gevallen, waarin de hoogheid en de belangen van het 
Gouvernement regtstreeks zijn betrokken, behoeft zich hetzelve met de 
uitoefening van het Regt te belasten. En de invoering van het geheele 
stelsel, wel gewijzigd zijnde, kan dus waarschijnlijk ook zeer onkost- 
baar geschieden. Voor het Gouvernement zullen alleen overblijven de 
kosten van het algemeen bestuur: oppertoezigt en bescherming. 

En dit het resultaat zijnde waartoe ik vooralsnog mijne beschouwingen 
omtrent dit onderwerp weet te brengen, en waardoor ik natuurlijk 
worde opgeleid tot het gevoelen, dat het gan.sch niet onder de 
onmogelijkheden behoeft gesteld te worden, dat, binnen een redelijk 
tijdverloop, de Westkust van Sumatra onder een regelmatig stelsel 
van belastingen zal kunnen begrepen worden; dat het inlandsch 
bestuur er op eene zeer onkostbare wijze geregeld worde , en dat onze 
Nederlandsche vaart en handel ook niet behoeft te wanhopen van 
zich in hare natuurlijke regten, op de Westkust van Sumatra, eerlang 
weder hersteld te zien, zoo mag ik ook voor Uwe Excellentie mijn 
gevoelen niet verbergen, dat mij de proeve, om deze maatregelen 
onder een stelsel van vrije vaart en handel, in werking te brengen, 
5« Vülgr X. 21 



306 EENE BIJDRAOE TOT E. U. KIELSTttA'H OPSTELLEN 

vooralsnog verkieselijker zoude voorkomen, boven eene dadelijke 
omhelzing van het stelsel van alleenhandel. 

Dan, het zoude niettemin hier ter plaatse in overweging kunnen ge- 
nomen worden, of niet, onder het behoud van een stelsel van vrije 
vaart en handel, echter tot tegengang van den verderen nadeeligen 
invloed van vreemden, niet al terstond, met intrekking, uit dien 
hoofde, der Publikatie van H. H. E. E. C. C. G. G. van den 6 
September 1819, waarbij de vaart op de Westkust voor de Ameri- 
kaansche schepen is opengezet; en gebruik makende, ten dien einde 
van de salutaire clausule, gevoegd bij het 137''* artikel van het 
Reglement op het Beleid der Regeering in Indie , de vaart op Padang 
en de Westkust i^ati Sumatra ^ van nu af aan, niet reeds aan alle 
vreemde natiën zoude kunnen verboden worden? 

Dan, tegen dezen maatregel, mag ik voor Uwe Excellentie niet 
verbergen, dat mij voo^lsnog versdieidene gewigtige bedenkingen 
schijnen te bestaan; die mij dezelve, althans op dit oogenblik, nog 
als ontijdig en voorbarig doen beschouwen. De vaart en handel op 
de Westkust is, sedert de laatste jaren, en tot nu toe, bij uitsluiting, 
in handen geweest van vreemdelingen ; onze Nederlandsche kooplieden, 
daarentegen, hebben lot dusverre, volstrekt geen deel in den hande 
op de Westkust genomen. De vreemde handel is dus op dit oogenblik 
nog ingerigt en berekend , om in de gewone behoeften van de Westkust 
te voorzien; — de onze is daartoe in het geheel niet voorbereid; — 
eenc plotselinge sluiting van den vreemdeii en inroeping van den Neder- 
landschen handel alleen, vrees ik dat een al te grooten schok en 
stremming in de behandeling van zaken op de Westkust zoude te 
weeg brengen. Onze Nederlandsche kooplieden hunne berekeningen 
nog niet gemaakt hebbende , om in alle de behoeften der Padangsche 
bevolking te voorzien, zoude daaruit verloop van handel, onverge- 
noegdheid, ja volksverloop kunnen geboren worden. De handel kan 
niet verwacht worden, haren loop op den eersten wenk te zullen 
veranderen. Daar moet eenige lijd toe gegund, en eenig geduld bij 
geoefend worden. Het Gouvernement zal zich, mijns inziens, moeten 
vergenoegen, den weg voor onzen Nederlandschen handel te banen 
en, door het toestaan van alle mogelijke gunsten en voordeelen, 
gemakkelijk te maken. 

Hiertoe zullen vooreerst de voorgestelde alteratie van het i**« artikel 
van het Reglement op de Uit- en Ingaande Regten; de interdictie 
aan de Padangsche ambtenaren, om verder handel te mogen drijven; 
en de vrijheid van regten, in alle verdere havens van Nederlandsch 
Indiü, voor die goederen, welke in Nederlandsche schepen van Padang 
zullen worden uitgevoerd , en voor dewelke aldaar de Uitgaande regten 
zijn betaald, — waarschijnlijk wel als de meest doelmatige middelen 
kunnen beschouwd worden. 



OVER sumatha's wksïkusï. 307 

Geheel ongeraden en verwerpelijk todi, zou(ie het mij voorkomen dal, 
intusschen dat onze vrije vaart en handel zich, als het ware, in staat stelde 
en voorbereidde, om aan de behoefte der We^stkust te voldoen, het 
Gouvernement, bij wijze van eene temporaire beschikking, dien handel 
geheel aan zich trok. met oogmerk om denzclven naderhand weder 
open te stellen! — Immers, om niet te gewagen van de moeijelijkheden, 
welke in de uitvoering van zoodanig plan zouden worden ondervonden, 
zoude niets geschikter zijn, om, in den tegenwoordigen toestand van 
zaken, en bij de eerste ontluiking van vrije nijverheid, welke op de 
Wesikust schijnt plaats te hebben, het vertrouwen der bevolking op 
het Gouvernement aan het wankelen te brengen, als zoc^danig eene 
onbestendigheid en ongelijkheid van maatregelen , als aan het gewaagde 
plan zouden zijn verbonden. 

Er bestaat echter nog een andere maatregel , waartoe het Gouverne- 
ment misschien reeds dadelijk, en met behoud intusschen van het 
stelsel van vrije vaart en handel ^ zoude kunnen besluiten. 

Ik bedoel de bepaling van een vasten jaarlijkschen prijs , waarvoor 
het Gouvernement, even als op Javay zoude kunnen aanbieden, de 
kofiiij op de Westkust bij voorkeur van alle anderen te willen ontvangen. 
Dan, hoezeer mij deze maatregel, in het algemeen, ook wenschelijk 
en bij het maken van vaste bepalingen voor de Westkust van Sumatra, 
raadzaam en aannemelijk voorkome, moet ik echter al wederom er- 
kennen, dat mij dezelve, op dit oogenblik, nog ontijdig en voorbarig 
zoude schijnen te zijn. Het Gouvernement toch bezit op dit oogenblik 
nog geene genoegzame inlichtingen omtrent den loop van den handel, 
vo<3rai in de Binnen- en Bovenlanden van Padang, om nu reeds op 
goede gronden te kunnen beoordeelen, welke prijs in billijkheid, en 
zonder noodeloos bezwaar voor de schatkist, aan de bevolking in 
die streken voor het produkt der koffij zoude kunnen en behoorén 
te worden toegestaan. Evenzoo min is het Gouvernement, op dit 
oogenblik, nog in staat om te beoordeelen, of deze jaarlijksche prijs- 
be[>aling op de Westkust zal kunnen gepaard gaan , met eene belasting 
op het voortbrengsel zelve der koffijtuinen, voor de helft, een derde, 
of twee vijfde van het gewas, even als op /^z^^. En zoolang hieromtrent 
nog geene zekerheid bestaat, kan ik niet ontveinzen, dat mij het 
nemen van eenen partielen maatregel ook ongeraden zoude schijnen. 

En mogt het eindelijk nog in overweging kunnen komen, of, in- 
tusschen dat de groote vraag, ten aanzien van vrije vaart en handel 
of alleenhandel, met betrekking tot de Westkust 7'an Snmatra, nog 
onbeslist zal blijven, de belangen van het Gouvernement op die 
plaatsen niet zouden kunnen bevorderd worden, door den afstand 
van eigendom van grond aan Europeanen; zoo moet ik de vrijhei<i 
nemen, om met opzicht tot deze bedenking rondborstig voor Uwc 
Excellentie te verklaren dat, welke denkbeelden ik ook, in vroegere 



308 EENR BIJBKAGK TOT E. B. KIELSTRa's OP8TELL1ÏN 

jaren , omtrent het nut van den afstand i^an eigendom i^an grond aan 
Europeanen hier in Indie moge hebben gekoesterd, en in welke be- 
grippen , ik mij nimmer zal schamen , de voorlichting van eenen overi- 
gens zoo bevoegden rcgter over onze Indische zaken te hebben 
gevolgd, als den Heere Gijsbert Karel Grave van Hoogendorj), ik 
echter reeds sedert eenen geruimen tijd, door meerdere ondervinding 
en betere onderrigting geleerd, ten dezen opzigte een geheel tegen- 
overgesteld gevoelen gemeend te moeten omhelzen. 

De geheele ontwikkeling van dit gevoelen is niet van deze plaats; 
doch daartoe zal zich, hoop ik, weldra eene meer gepaste gelegenheid 
aanbieden. 

Intusschen zij het mij veroorloofd, Uwe Excellentie ter dezer ge- 
legenheid kortelijk voor te stellen de redenen, waarom mij de afstand 
van eigendom van grond aan Europeanen , met zeer weinige uUzonde- 
ringen, zoowel op onze Buiten-etablissementen als op het eiland Java 
zelve , wel verre van nuttig , veeleer als hoogstnadeelig voorkomt. 

Dezelve zijn deze: 

I. De zaak uit een regtskundig oogpunt beschouwende. 

a.) Dat het zoogenaamde regt van eigendom der Aziatische vorsten 
op den grond veel te onzeker is , en de verschillende regt«n van 
eigendom door de Aziatische volkeren uitgeoefend , veel te mee- 
nigvuldig , dan dat een gemoedelijk en regtvaardig Gouvernement , 
in de plaats der Aziatische vorsten opgetreden, zich, op grond 
van dit beginsel, den afstand van eenige ber^oikie landen althans, 
zou durven veroorlooven ; 

b.) Dat de afstand van bevolkte landen althans, aan Europesche 
eigenaren, en de invloed, welke deze daardoor onvermijdelijk 
op de bevolking dezer landen verkrijgen, en noodig hebben 
om iets op dezelve te kunnen uitvoeren, onbestaanbaar is met 
de regten en hoogheden van het Gouvernement , en de daaraan 
onafscheidelijk verknochte verpligting, om regtstreeks voor de be- 
scherming en welvaart, ook van hare Indische onderdanen, 
te moeten zorgen. 

II. De zaak uit een oogpunt van Belang en Voordeel 
VOOR HET Gouvernement beschouwende. 

tf.) Dat het strijdig is met de zuivere en oorspronkelijke inrigtingen 
van het bestuur dezer Bezittingen , dat de Europeesche bevolking 
in dezelve zich verder uitstrekke dan noodig is, om den civielen 
en militairen dienst krachtdadig te bezetten en om den handel 
met voordeel te drijven; 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 809 

è.) Dat aan de noodelooze en overtallige uitbreiding der Europesche 
bevolking, vooral van hen, die zich als landbezitters hier hebben 
gevestigd , ook grootendeels te wijten is , die vermeerderde omslag 
in alle vakken van Bestuur, Justitie, Politie en Administratie, 
onder welker kosten het Indische Bestuur thans meer en meer 
gedrukt wordt, en waardoor het langs hoe meer van hare oude 
eenvoudigheid wordt verwijderd; 
c.) Dat , door een verderen afstand van landen aan Europeanen , 
weldra in het ligchaam van deze landbezitters een afzonderlijk 
belang, magt en invloed zoude vereenigd worden, waartegen de 
tegenwoordige vormen van bestuur, de wijze van belasting, en 
de eenvoudigheid , waarmede andere deelcn der oppermagt thans 
nog worden uitgeoefend, niet meer bestand zullen zijn ; en waaruit 
dus onberekenbare gevolgen voor het welzijn van het Rijk zelve 
zouden kunnen voortvloeijen ; 
//.) Dat er geene voordeelen zijn , welke de Europeesche landbezitters 
aan het Gouvernement zouden kunnen aanbrengen , die niet , in 
dezelfde mate , regtstreeks door het Gouvernement van die landen 
zouden kunnen getrokken worden , en telkens met bijvoeging van 
hetgeen de bijzondere winst van den Europeeschen eigenaar \i\\.xci'Si?^\,, 
Om dit laatste punt te bewijzen , zoude het overtollig zijn , onder de 
aandacht van Uwe Excellentie te willen brengen, dat toch alle de 
voordeelen, welke de Europesche landbezitters ^ zoowel voor zich zelven 
als voor het aandeel van het Gouvernement , uit hunne landen trekken , 
in de eerste plaats moeten voortvloeijen uit den arbeid der Indische 
bevolking op die landen gezeten, en uit de leiding, welke zij aan 
dezen arbeid weten te geven. Even zeer nu, als het Gouvernement in 
staat is, om regtstreeks den arbeid van zijne Indische bevolking te 
benuttigen, even zeer is het ook in slaat om aan dien arbeid en 
nijverheid alle die voordeelige strekkingen en wijzigingen te geven, 
welke een bijzonder landbezitter daaraan zoude kunnen mededeelen. 
Dit kan het Gouvernement doen , zoowel onder een stelsel van alleen- 
handel, en verpligte leverantie, als onder een stelsel van vrije handel 
en cultuur. De Europeesche landbezitter is dus niet anders dan een 
noodeloos en overtollig rad in het bestuur der inlandsche zaken. Hij 
is een parasite plant, die, zonder zelve eenig nut aan te brengen, 
zich voedt ten koste der inlandsche bevolking, en ten koste der wettige 
voordeelen van het Gouvernement. 

Wat men toch mag voorwenden van de uitbreiding der koffijculture , 
door particuliere landbezitters! — Kan het Gouvernement door hare 
eigene middelen, en voor hare eigene rekening, deze culture niet veel 
krachtdadiger en mot beter gevolg doen uitbreiden , dan eenig bijzonder 
landbezitter in staat is zulks te doen ? Getuige zij hiervan bet uit- 
muntend gewas, welk de Pieanger Kegcntsi happen , in de beide laatste 



310 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

jaren, en ook de Oostelijke afdeelingen van Java, onder eenc vrije 
culture hebben opgebragt. 

En welk een schoon verschiet men verders ook moge openen, van 
de invoering op /a7)a van eene Europeesche wijze van landbouwen ; — 
van het verplaatsen op dit eiland van nijvere Europesche huisgezinnen , 
geschikt voor den landbouw ; van het aankweeken van tanve en boekiveit 
en rogge ^ van het verbeteren der rassen van rundvee en paarden; 
hebben de proeven van alle deze zaken, reeds in vroegeren tijd ge- 
nomen , niet genoegzaam geleerd , welken uitslag men ook in den tegen- 
woordigen tijd van dergelijke ondernemingen moet verwachten ? Doch , 
gesteld zelfs, dat deze zaken met eenig goed gevolg zouden kunnen 
ondernomen worden, zoo ontbreken voorzeker aan het Gouvernement 
ook de middelen niet, om die voor hare eigene rekening, met even 
goed vooruitzigt, ten uitvoer te doen brengen. Ondernemingen, waartoe 
een groot kapitaal in den aanvang , en veel zorg in de uitvoering 
worden gevorderd, zijn de eenige waarbij de tusschenkomst van 
particuliere Europeanen nuttig kan geoordeeld worden. Doch deze 
bepalen zich voornamelijk tot de fabrieken van indigo en suiker. En 
ten aanzien van beide, bewijzen de thans bestaande inrigtingeu op 
Wiera Dessa, en in de residentie van /a/>é7rrt, op verscheidene plaatsen, 
dat geen eigendom van grond vereischt wordt , om aan de oogmerken 
van den fabrikant te voldoen ; — maar dat aangegane contracten met 
de Indische bevolking, tot het leveren van hun produkt, daartoe 
volkomen toereikende zijn. 

Ik zie dus zelfs in deze beide uitzonderingen geen genoegzamen 
grond , om niet in het algemeen den afstand van landen aan Europeanen 
voor hoogst schadelijk te houden ; althans in die gevallen , wanneer 
de landen reeds door eene inlandsche bevolking zijn bewoond en 
bezeten ; — en zonder welke bevolking de ledige landen toch geen 
prijs noch waarde in het oog van onze Europesche landheeren 
bezitten. 

Naar aanleiding van alle de voorafgaande consideratien , kan ik 
dan ook niet anders, dan Uwe Excellentie, met betrekking tot onze 
bezittingen op de Westkust van Sumatra voor mijn advies voordragen; 
om , latende voor als nog het stelsel van Vrije Vaart en Handel op den 
voet zooals het is, te bepalen: 

I. Tot opbeuring van de Nederlandsche Vaart en 

Handel op die plaatsen: 

a.) Daf met alteratie in zooverre van art. i van het Reglement op 
de Uit- en Ingaande regten, van 28 Augustus 1818, voortaan 
aan Nederlandsche schepen, zal worden vergund, om, in Indie 
komende , regtstreeks de Reede en Haven van Padang te mogen 



OVER sümatra's westkust. 311 

aandoen , aldaar te lossen en te laden , zondef gehouden te 
zijn om, vooraf de Reede van Batavia binnen te loopen; 

(i.) Dat, van de goederen, welke op Neder/afit/sr/re bodems te Prjt/an^ 
zullen zijn ingeladen, het product zijnde van de Westkust van 
Suma/ra, en waarvoor aldaar de Uitgaande regten zullen zijn 
betaald , geene verdere regten in eenige haven van Nederlandsch 
Indie zullen worden gevorderd; 

y.) Dat omtrent deze bepalingen de noodige aanschrijving aan 
Zijne Excellentie, den Minister van het Publiek Onderwijs, de 
Nationale Nijverheid en de Koloniën, zal worden gedaan; — 
met opgave tevens van de calculaticve hoeveelheid kofïij, welke 
de Wesfktist i^an Sumatra , gedurende de beide laatste jaren, 
reeds heeft opgebragt en in het vervolg nog zal kunnen leveren, 
met uitnoodiging om dit een en ander aan den Nederlandschen 
handel kennelijk te maken ; 

è.) Dat tot wegneming van alle nadeclige mededinging in den 
handel, de provisionele licentie, bij Resolutie van den 5 De- 
cember 1820, aan de ambtenaren te /-V/rtV/w^» verleend , om handel 
te mogen drijven, — voortaan zal worden ingetrokken, met last 
aan deze ambtenaren, om hunne uitstaande handelzaken binnen 
den tijd van drie maanden na ontvangst van dit besluit tot 
verevening te brengen; 

#.) Dat van deze laatste bepaling, en van het calculative gewas der 
koffij op de Westkust van Sumatra, almede, op eene gepaste 
wijze, zal wf)rden kennis gegeven, aan de voornaamste Neder- 
landsche handelhuizen hier op Batavia gevestigd. 

II. Ten einde te beletten, dat de nadeelige invloed 

van Vreemden op de Westkust van Sumatra 

zich niet verder uitbreide: 

a,) Dat aan den Resident van Padang zal worden geïnterdiceerd , 
om aan eenige Vreemdelingen, van welke Natie ook , niet zijnde 
geboren in Nederland of in eene Nederlandsche bezitting, het 
regt van inwoning te Padang, of in eenig gedeelte van het 
Nederlandsch bezit op de Westkust van Sumatra, zelfs bij pro- 
visie te vergunnen ; 

h.) dat aan geen der Ruropeschc, of van Europcschen bloede afkomstige 
ingezetenen van Padang, met uitzondering alleen van hen die ambts- 
halve in de Bovenlanden worden geroepen, zal worden vergund , 
om zich verder dan tot een afstand van 10 a u Bataviasche palen 
van de hoofdplaats aldaar te verwijderen ; 

r.) dat voortaan aan gene door fictie genationaliseerde schepen. 



312 EENE BIJDRAGE TOT E. H. KIELSTRa's OPSTELLEIf 

door hem Resident, eenige zeebrieven of certificaten in stede 

van dien zullen worden verleend ; 
d,) dat hij Resident over zulks ook wordt gelast, het aan den 

rekestrant John Kemp verleende certificaat wederom in te trekken ; 
e.) dat het door denzelfden rekestrant gedaan verzoek, om onder 

het genot der voorregten van Burger van Nederlandsch Indic 

te Padang te blijven resideren , zal worden ontzegd , dan wel 

gehouden in advies. 

III. Ten einde te onderzoeken of de Inlandsche Bevol- 
king op de Westkust van Sumatra vatbaar zoude 
zijn, voor een gelijksoortig stelsel van belas- 
tingen als de bevolking van Java. 

A.) Den Resident van Padang te gelasten , omtrent deze vraag te dienen 
van een gedetailleerd en gemotiveerd rapport, met opgave onder 
anderen : 
I "'** van eene nauwkeurige analijse van het Inlandsche Bestuur , 
zoo wel met betrekking tot het Districts- als het Dorpsh^^XMMX \ 
2<io van de wetten en gebruiken, beschreven of onbeschreven , waar- 
van zich de volkeren van de Westkust bedienen; 
3^" van de redenen, vóór en tegen, waarom het koffij gewas op de 
Westkust van Sumatra, naar inzien van hem Resident, niet 
even gemakkelijk eene belasting bij den oorsprong zoude kunnen 
dragen , als hier op Java ? en of het verschil tusschen de prijzen , 
waarvoor de planter in de Bovenlanden gewoon is , zijn product 
van de hand te zetten, in die welke daarvoor bij den uit- 
voer besteed worden, hiertoe geene genoegzame ruimte zouden 
overlaten ; 
4"* van de redenen, waarom bij zoodanige belasting der koffij - 
tuinen, niet even zeer eene jaarlijksche prijsbepaling, en ten 
zelfden effecte als hier op Java , zoude kunnen gevolgd worden ? 
5^° welke prijsbepaling, in dat geval, zoowel met de billijkheid als 
met de belangen der schatkist het meest overeen zouden komen ? 
ó^'^ welke belastingen, hetzij grondlasten, of marktgeregtigheden , 
verder , en na verloop van tijd , nog bij de voorschrevene huur 
van koffijtuinen zou kunnen gevoegd worden? 
B.) Den Resident van Padang duidelijk te kennen te geven, dat het 
de wil van het Gouvernement niet is, dat reeds dadelijk maat- 
regelen of pogingen door hem zouden worden in het werk gesteld , 
om de voorschrevene belastingen in te voeren, maar eenelijk, dat 
hij daar«>mtrent zijne beredeneerde ronsideratien en advies aan 
het Gouvernement inzende; 
C.) dat het Gouvernement ook in het vervolg niet zal verlangen, 



OVER SUMATKa's WESTKUST. 313 

dat immer belastingen van de bevolking der Westkust worden 
geheven, dan waarvan de voomaamsten der District- «n Dorps- 
hoofden de billijkheid en regtmatigheid zullen hebben erkend; 

D.) dat hij Resident echter van nu af aan dient in het oog te houden , 
dat het Gouvernement op den duur niet kan verleenen be- 
scherming en verdediging, zonder daarvoor eene toereikende 
vergoeding van de bevolking te trekken, en dat, wanneer deze 
vergoeding niet kan gevonden worden in regelmatige belastingen, 
de regtstreeksche en uitsluitende voordeelen van den handel 
daartoe zullen moeten dienen; 

E.) dat hij Resident deze gronden, niet alleen zelf in het oog zal 
moeten houden , maar dat hij daarvan , ter bereiking van 's Gouver- 
nements oogmerken, ook van nu af aan, reeds een voorzigtig en 
bescheiden gebruik zal mogen maken, ter overreding in der tijd, 
van de voornaamste en meest verstandige Hoofden der inlandsche 
bevolking. 

De Raad van Indiè\ 

H. W. MUNTINGHE. 

Tegen enkele punten van Muntiughe's couclusiëu bracht zijn 
medelid Chai<se bezwaar in bij advies dd. 18 April 1822. Hij vond 
nog j^een aanleiding het verlof der ambtenaren geschonken tot het 
drijven van handel in te trekken (M, 's advies sub 1), daar hetgeen 
er tegen aangevoerd werd van de uaijverige belanghebbenden als 
van den bewusten Kemp kwam , terwijl de handel dan geheel aan de 
bngelschen zou toevallen ; het was noodeloos te verbieden dat de 
particulier zich buiten 10 ïi 12 palen van Padaug zou vestigeU 
(M. 's advies sub 11^), daar ons gezag niet verder ging dan een 
halve paal landwaarts in; eindelijk moe:$t men nog niet naar ecu 
stelsel van grondbelasting als op Java streven (M.'s advies sub lil 
K), wijl ons gezag ter kust nog te weinig gevestigd was. 

Ziehier het advies in zijn geheel : 

Batavia, den i8" April 1822. 

Op den 2" dezer aangenomen hebbende bij de tegenwoordige ver- 
gadering over te leggen mijn advies wegens sommige punten vervat in 
de brief door den Raad van Indie Muntikghe op den 18" Maart jl. 
Uw Excellentie geschreven betreffende den handel te Padang enz. , 
zaJ ik alvorens hier aan te voldoen eene schets geven van hetgeen mij 
bekend is van de Nederlandsche bezittingen op de westkust van 
Sumatra, als zijnde naar mijn gevoelen eene niet te ontwijken nood- 
zakelijkheid, en eene verpligting welke bijzonder op mij rust , aangezien 



816 EENE BIJBRAOE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

wel voor J is gekomen in het bereik der op Padang gezeten Engelschen 
met handelhuizen op Madras en elders verbonden ! — terwijl door de 
nederlandsclie ambtenaren en inwoonders bijna niets genoten wordt; 
en waaromtrent geen verandering te wagten is, vooral zoolang er 
Engelschen op Padang wonen, — want het is niet alleen dat zij de 
goederen uit de west van Indien uit de eerste hand bekomen, maar 
zij beletten dat de Nederlanders eenig crediet van de Engelschen 
erlangen hetwelk anders zelf het belang van den handel voor de laatste 
zoude vorderen. 

Ofschoon nu het daarstcllen van een alleenhandel als voor dertig 
jaren op de onderwerpelij ke kust heeft bestaan, zeer denkelijk aller- 
zijds ongeraden , ja mogelijk, ondoenelijk zal bevonden worden! — zoude 
zulks evenwel het gereedste middel zijn om alle vreemdelingen te doen 
verhuizen, van daar te houden; en door dat middel, alle voordeel 
aan de Nederlanders terug te geven: — dat is, buiten het voordeel 
dat de Engelschen genieten op de lijnwaten van de west van India 
en de amphioen , tenzij men die artikelen voor Nederlandsche rekening 
kan aanvoeren, hetwelk echter vooral opzichtelijk de amphioen niet 
in het zekere kan ondersteld worden. 

Dit aangevoerde zal gelove ik genoeg wezen om thans tot de bij de 
onderwerpelijke brief gedane \'oors tellen waartegen ik mij verpligt rekene 
advies uittebrengen , te kunnen treden ; — te meer daar mijn voornemen 
was en noch is, dit geschrift, zoo eenvoudig klaar en kort doenlijk 
ten dien einde in te stellen! 

Er komt voor bij die brief onder art. i tot opbeuring van de tieder^ 
landsche vaart en handel op die plaatsen. 

L'*. «Dat tot wegneming van alle nadeelige mededinging in den 
handel de provisioneele licentie bij resolutie van den 5 December 1820 
aan de ambtenaren te Padang verleend , om handel te mogen drijven , — 
voortaan zal worden ingetrokken , met last aan deze ambtenaren om 
hunne uitstaande handelzaken binnen de tijd van drie maanden na 
ontvangst van dit besluit ter verevening te moeten brengen.» 

Daar ik gene nadeelige mededinging in het de ambtenaren te Padang 
toegestane , om namelijk aandeel aan den vrije vaart en handel aldaar 
te nemen kan vinden, — en mij in waarheid gene daaruit voortge- 
vloeijde nadeelige omstande of misdrijven, zoo min bij de onder- 
werpelijke brief als van elders gebleken zijn, — want de onlangs 
uitgebrachte beschuldiging, als zoude de ambtenaren tot het handel- 
drijven geld uit 's gt)uvernements schatkist geligt en alzoo wederreg- 
telijk gebruikt hebben ! kan niet gegrond geacht worden alvorens gehoord 
en wederhoord of volkomen bewijs overgelegd is; zijnde bovendien 
de beschuldiger John Kemp een Britsch koopman welke op Padang 
gezeten , met het handelhuis van Ouyon Mackintosh te Madras , 
en zeer denkelijk met noch anderen verbonden, van een uitgestrekt 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 317 

fonds en credit meester is, en denkelijk niet vrij van naijver in handel- 
bedrijven zal wezen, — ook zoude het na mijn inzien wanneer 
waarlijk de tegenwoordige ambtenaren, zich onpligtmatig gedragen 
hadden, niet geheel vrij van hardheid zijn de onschuldige met de 
schuldige te straffen en als het ware eene deur te sluiten waardoor 
nog eenige weinige ambtenaren op eene eerlijke wijze iets boven haar 
tractement kunnen genieten. 

Bovendien is het niet mogelijk dat de op Padang wonende Neder- 
landers den plaatselijke handel, hoe gering dezelve tegenwoordig is, 
zoude kunnen gaande houden, want dit geschied nu al gezamenlijk 
de ambtenaren zeer gebrekkig! — en zooals ik dat voorwaards aan- 
haalde is dezelve thans iets minder als geheel in Engelschen handen 
en zoude zeer zeker het gouvernement hare lasten op verre na niet 
goed maken indien de koffijuitvoer en het zout monopolie daartoe niet 
aanmerkelijk vorderlijk waren. 

Geen handel word bij mogelijkheid buiten geld en credit gedreven, 
hieruit vloeijt voort, dat door eene nadere beperking, den handel op 
de westkust van Sumatra, de koffij er onder gerekend , want de Inlandsche 
bevolking handelt alsmede om gebrek aan fondsen onder hun, alleen 
met de inwoonders van Padang, geheel aan de Engelschen moet ge- 
raken, terwijl zij dan ook te Padang niet meer regten voor lijnwaden 
en amphioen zullen betalen als zij goedvinden, kunnende de binne- 
landen van anderzijds geheel door hun voorzien, en met het daarvan 
komende de koffij opgekogt worden. 

Aangezien het mij nu in waarheid herzegge ik, onmogelijk is, voor 
als noch te beseffen, dat het aan de ambtenaren vergunde gedeelte 
in de vrije vaart en handel op 's lands bezittingen op de westkust van 
Sumatra zonder openbare wetovertreding , van nadeel kan zijn , invoege 
ik dit reeds bij mijne brief aan Uwe Excellentie van den 28" November 
1820 heb aangemerkt, maar wel dat zulks het voordeel heeft, dat 
boven het nut voor de ambtenaren, buiten vreemden eenig ofschoon 
altijd noch verre (mtoereikend handelfonds op Padang gereed zal 
wezen ; waardoor intusschen den handel zoolang al is het ook gebrekkig 
levendig gehouden kan worden totdat eenig credit van de Bataviasche 
kooplieden zal toevloeijen of dat deze rechtstreeks in die handel be- 
geeren te treden en althans, dat de Engelschen niet het geheel voor- 
deel van de nederlandsche bezittingen op de westkust van Sumatra 
na zich nemen en genieten ! is mijn stellig advies dat de in 1 820 
herhaalde vergunning aan de ambtenaren om in de op Padang open- 
gestelde vrije vaart en handel te moge deelen, althans vooreerst en 
tot dat nader nadeelen of onwettige handelingen van dezelve voor- 
komen dan wel dat men door in het zekere te raken, dat die handel 
op eene andere wijze of met uitsluiting der ambtenaren voor rekening 
van Nederlanders meer aan het oogmerk voldoende gedreven wordt, 



•SlH KENE BIJDRAGK TOT K. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

of kan worden en dat de vaart van vn^emdelingen en hun handelbe- 
drijven aldaar misbaar zijn! lietwelk de bedoelde intrekking zouden 
kunnen nuttig . somtijds noodzakelijk maken ! bij het besluit daaromtrent 
op den 5 December 1820 genomen te persisteeren. 

Art. II. Ten einde te beletten dat de nadeelige invloed 
van vreemden op de westkust van Sumatra zich 

niet verder uitbreide! 

L" h.) «Dat aan geen der Europesche of van Europeschen bloede 
afkomstige ingezetene van Padang met uitzondering alleen van hen 
die ambtshalve in de bovenlanden worden geroepen , zal worden 
vergund, ova zich verder dan tot een afsUmd van 10 a 12 Bata- 
viasche palen van de hoofdplaats aldaar te verwijderen. 

Daar het grondgebied van het gouvernement als boven gezegd is, 
niet meer dan een half uur of een en een halve paal landwa^rds be- 
staat, vinde ik deze bepaling oNerbodig, althans, zoolang het gouver- 
nement van geen verder grondgebied op een of ander wijze meester 
geworden en verzekerd is. 

Zijnde bij de resident Du Puij ondervonden dat zelfs de minste 
uitstap niet ongemerkt worde geleden, — hebbende hij wegens zijne 
voorbarigheid om een huis in de nabijheid van de negorij Paauw te 
bouwen het onaangenaame aangetroffen dat hetzelve toen het naauwe- 
lijks bewoonbaar was, is in brand gestoken en door de vlam vernield. 

Art. III. Ten einde te onderzoeken of de Inlandsche 
bevolking op de westkust van Sumatra vatbaar zoude 
z ij n , voor een g e l ij k z o o r t i g stelsel van belas- 
tingen als de bevolkingen van Java. 

E. '<Dat hij Resident deze gronden , niet alleen zelfs in het oog zal 
»moetcn houden, maar dat hij daarvan, ter bereiking van 's gouvcr- 
»nements oogmerken, ook van nu af aim reeds een voorzichtig en 
»bescheiden gebruik zal mogen maken ter overreding indertijd, 
»van de voornaamste en meest verstandige hoofden der Inlandsche 
«bevolking.» 

Daar het tegenwoordig nederlandsch gouvernement is getreden en 
noch staat in het boven omschreven regt van de voormalige (Mimpagnie , 
en gene verbreding van grondgebied heeft plaats gevontlen, kan (^ok 
geen grondbelasting of andere opbrengsten geheven worden van de 
binnenlandsche bcvc^lking no( h van de bewoonders van de Padangschc 
boven- of binnenlanden! — zelfs w<.>rd de koffij veelal buiten g^uvcr- 
nements gebied gewonne. 



üVKK sumathaV westkust. ^319 

Op grond hiervan is mijn advies! om met liet invoeren van belas- 
tingen op de westkust van Sumatra, ter voorkoming van onaange- 
naamheden, vooral gedurende de bestaande geschillen met de Padries , 
te wachten tot het Nederlandsch gouvernement, dit begeerende, ter 
westkust van Sumatra een ruimer grondgebied heeft verkregen, — en 
oordeeld hetzelve te moeten aanhouden. 

Hiermede, overeenkomstig mijn voornemen de bedoelde in den 
hoofde dezer gem^ punten verhandeld en mijn gevoelen daarover 
mitsgaders de vorige en tegenwoordige staat van 's Lands beztttingen 
ter westkust van Sumatra bekend gemaakt hebbende! zal ik met ter 
zijde lating van het overige bij die brief voorkomende vooral op pag"* 
54: 55: 50 : — als niet regtstreeks met de onderwerpelij ke voorstellen 
in verband staande, ten slotte, ofschoon dit mogelijk bij een afzonderlijk 
schriftuur meer eigenschappelijk zoude geschieden, de vrijheid neme 
Uw Excellencie in overweging te geven om te Padang het in- en 
uitvoerrcgt op kamfer Baros, beuzuin en peper, van de eilanden, 
welke voormaals onder de compagnie hoorde en benoorde 's lands 
tegenwoordig grondgebied op de westkust van Sumatra gelegen zijn, 
waarvan boven waards gesproken is, geheel op te heffen, het laatste 
voor zoo verre dezelve naar een nederlandsche bezitting worden ge- 
bracht , hetgeen ik beschouwe eene zaak te wezen welke kan en moet 
werken tot voordeel van den handel voor de Nederlanders op Padang 
niet alleen, maar op Batavia en elders; en waarvan tegenwoordig de 
Engelschen alle genot en bijna eene volkomen allcenhandel erlangd 
hebben! — deelende de Amerikanen slechts in de peperhandel. 

Deze vTijlating zal ook het voordeel hebben dat de smalle kustvaart 
van Batavia en Padang, op die eilanden weder in werking kome; 
dat die artikelen veelal, ten minste door de tijd, van elders worden 
gehouden en als ontvallen schakel uit den handel vooral op de westkust 
van Sumatra teruggerake ; door welk 's lands bezittingen en als gezegd 
is de nederlanders voordeel kunnen aankomen, terwijl alleen de 
inkomende regten te Padang daardoor in schijn kunnen lijden, want 
wezenlijk bestaat thans noch vaart noch handel van Padang zooals 
bevorens plaats had op de bovengem**** Eilanden, en gevolglijk ook 
geen genieting voor inkomend regt van de voortbrengselen ! maar zal 
in het vervolg bij den invoer op Batavia , werwaards dezelve art. ter 
markt moeten raken, ontvangen worden. 

Vooral zal de kamfer Baros, welke thans naar de Engelschc be- 
zittingen gevoerd en denkelijk door de chineezen van daar geheel 
of gedeeltelijk binnegesmokkeld word, bij uitvoer van Padang als on- 
vermijdelijk aangegeven zijnde, de invoer geregtigheid hier dragen. 

Om alle welke reden ik vrijheid gelove te hebben. Uwe Excellencie 
te moge raden om het in en uitvoerrecht op kamfer Baros, de peper 
en benzuin te Padang op te heflen en die art. alzoo te Padang ge- 



820 KENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTHa's OPSTELLEN. 

heel vrij te stellen van alle belasting — voor zoo verre daarvan aldaar 
geen verkoop aan vreemde natiën zal geschieden , in welk laatste geval 
het uitvoerregt aldaar behoord betaald te worden. 

De Raad van huUe, 
ChassÉ. 

Hierop is j^evolgd de resolutie vjin 3(1 April 1822 N°. ^^i, waarvan 
de inhoud op hl. (5G vv. door Kielstra behoorlijk is wederge.ireven. 

(Wordt rervoJfjd.j 



JATAKAMALA 

(garland of birth-stories). 
translated fro.h the original sanskrit 



BY 
.1. S. SPKYEH. 



(Coulmned from voL A', p. 256 y 

XXV. 

THE STORY OF THE ^ARABHA DEER. 

(O a r a b h tl j il t a k a) 

Eveu to hira who atttimj)ts upoii thcir lives the iuteii- 
selv coiiipassioiiate show pity in his distress; they will uot 
(lisregard such a oiie. This will be taught in the foUowing. 

One time, it is said, the Bodhisattva was a yarabha 
deer, ' living in some remote part of a forest. That tract 
lying outside the j)ath and the noise of men , was a 
dwelling-plaee of manifold tribes of forest-animals. lts 
many roots and trees and shrubs were immersed in the 
thiek and high griv*s which covered its soil, untrodden 
l)y travellen* and showing no traces of vehicles and car- 
riages whïvtever, the tracks of whose feet or wheels might 
have beaten somethiug like a road or border-line ; jet the 
ground was anything hut even , being intersected with 
channels and full of ant-hills and holes. That ^arabha 
had a solid body , endowed with strength , vigour and 
swiftness; he was distinguished by the beautiful colour of 
his skin. As he was addicted to practising compassion, he 



' The 9a ra bh a is a common kind of deer. Herc not that ordinary animal scems 
to bc meant, but the fabulous animal of that name, said to be very strong , eight- 
leggedy and a match for lions and elephants. 

5c Volgr X. 22 



822 j^takamAtA. 

cherished frieiidly feelings towards all auimals and snb- 
sisted oulj ou grasse», leaves and water. Possessing the 
virtue of contentment , be was j)leased with his residence 
in the forest. So he adorned that part of the forest, like 
a ^ o g i n longing for comj)lete disattachment. ' 

1. Bearing the shape of a forest-aniinal , hut possessing 
the intellectual faculties of a man, he lived in that soli- 
tary wilderness, showing, like an ascetic, mercj to all 
living beiugs, and, like a yogin, contenting himself 
with blades of grass. 

Now once upon a time it happen ed that the king who 
was the mier of that country was out hunting. Sitting on 
the back of his excellent horse , holding his bent bow and 
arrow in his hand and being eager to try his skill of arms 
on the game, he was pursuing the deer with speed, 
indulging in the excitement of the chase. 80 he was car- 
ried away by his horse, an animal of extraordinary swift- 
ness, and separated by no small distance from his retinue, 
a body of elephants, horse, chariots and footmen, he 
entered into the place where the Great Being lived. As 
soon as he saw him from afar , he was resolved on killing 
him , and keeping ready his bow strung with a sharp arrow , 
spurred liis horse to run after the Iiigh-mind,ed One. 
But the Bodhisattva had no sooner perceived the king 
on horseback coming near to him with a hostile inten- 
tion , than he took to flight , running away with the 
utmost swiftness; uot because he would have been po- 
werless to stand and tight his aggressor, but he had desistcd 
from acts of violence and anger. While being pursued 
by the king, meeting with a large hole on his way, he 
quickly jumped over it as if it were a small puddle and 
continued his flight. When the excellent horse, running 
after the garabha in the same direction and as swiftly 
as he ever could, arriyed at that hole, he hesitated to 
risk the leap and of a sudden stood still. 

2. Then the king , as he wa,s , bearing his bow in his hands , 
tumbled down from horseback and feil headlong in the 



* The original cxpresses this simile with intended ambiguousncss, for the epithet 
praviveka kd maJi means also ^longing for complete solitude", in that scnse 
it suits rather the animal. 



jAtakam&lII. 323 

lari^e lioli» as a warrior of the Daitvas sinks in the 
0<;ean. ' 
3. Keeping his looks tixed on the ^«arabha, he had uot 
noticed that chasiu. So his want of eircuiuspection was 
the fault causing his fall , which happened whcn his seat 
shook by the sudden stopping of his horse frora his great 
swiftness. 

Now, the sound of the trainpling of hoofs ceasing, the 
Bodhisattva coinineneed to think : "shouhl j)erhaps that 
king have turned back?" Then, bending his head and 
looking behind , he saw the horse without his rider stand- 
ing on the brink of that chasm. On perceiving this, he 
entered upon this reflection : "No doubt , the king must 
have fallen into this chasm. No tree is here spreading its 
thick foliage, the sheltering shade of whicli might invite 
to sit down and rest, nor is here any lake to be found 
fit for bathing in its water «as blue and as pure jis a petal 
of a blue lotus. Nor, since he entered this wild region 
of the forest haunted by ferocious animnls, is he likely 
to have disraounted and left his excellent horse in some 
place or other, that he might either take his rest or con- 
tinue hunting alone (in the thickct). No more is there 
here such jungle in which he might be hidden. Surely, 
therefore, he must have tumbled down into this hqle. " 
Having got this conviction, the Iligh-minded One feit 
the utmost commiseration for that king, even though he 
sought his life. 
4 — 5. '/Just before now this monarch possessed tlie enjoyments 
of royalty, being worshipped like the Lord of the Uevas 
by crowds of people re vering him with clasped hands. 
His army attended him, a mixed host of chariots, horse- 
meu, footmen and elephants, adorned with gay banners, 
glittering in their armour and weapons, and marching 
at the brisk ton es of music. His head was sheltered by 
the lovely umbrella and the chowries fanning him made a 
beautiful effect. ^ 



> Cp. story XI. The war bctween gods and demons is of course fought out in 
the vicinity of the Occan. In such expression as is here used by (^'ura, the original 
and rcal meaning of this mythological fact is palpable. 

• I am at a loss how to rcndcr cxactly the meaning of the compound pari- 



324 j&takam4lA. 

6. //And now in tliis moment he is lyin^ below in this 
large cliasm. By the rapidity of lus fall he will have 
broken his bones, he has swooned or pines with sorrow. 
Alas! In what a miserable state he has come! 

7. //Common people, whose mind has grown callous by 
suffering, so to speak, are uot so much afflicted by their 
sorrows , as men of a higli rank , when ealamities visitinir 
them plunge them into grief, something new to sueh as 
are accustomed to great delicaey in all matters. 

//He will never be able to evade from thence by himself. 
If there is still some rest of life in hiin, then it is not 
right to abandon him to his fate." So considering , the 
Iligh-minded One , moved by his compassion , went to the 
brink of the precipice and perceived him struggling there. 
His armour, covered with dust, had lost its splendour, 
his diadem and his elegant garments were utterly disarrang- 
ed , and the pains caused by the blows he had received in 
falling down afflicting his mind had reduced him to a state 
of dull sadness. 

8. Having seen the king in that wretched situation, he 
forgot that it was his enemy, and affected with pity feit 
an pain equal to his; tears welled up in his eyes. 

9. And he addressed him with modest and kind language , 
manifesting his innate pious disposition and comforting 
him by the proper and honoritic words he used in a distinct 
and lovely-sounding voiee. 

10. //You have received no hurt, Majesty , I hope , dropping 
into this hell-resembling chasm ' ? You have broken no 
limb , I hope? Do your pains grow less alrejidy? 

11. //l am no goblin, o most distinguished of men, 1 am 
a forest-animal living within your realm , reared with your 
grass and water. So you may put contidence in me. 

12. "üo not despond, then, because of your fall into the 
precipice. I have the power to save you from it. If you 

sphuracc&marahAra9obhah. It may be that cAmarahtVra is intended a 
dvandva, then not only the moving chowries but also the ghttering royal necklacc 
of pearls is praised. Yct it is unlikely the poet should have named here the 
necklace, a common ornament, and neglected the royal diadem with its re- 
splendent jewels. Or is il possible that with c&marah&ra the handlc of the 
chowrie is meant? 
1 In the pAli recension the chasm itself is called naraka „heil". 



J^TAKAM^Lfi. 325 

tlnnk me trustworthy , tlieii do quickly order me aud I come." 
This marvollous speech of the animal roused the admi- 
ration of the king. Shame arose withiu his mind and he 
entered upon iiiteut reflection like this: 

13. /i'How is it possible that he shows pity towards me , his 
enemy , of whose prowess he perceived to be himself the 
goal? And how could I act so unbecomiugly as a foe to 
this innocent one? 

14. //O! IIow he confounds nu^ by the sharp reproach of 
his softness! It is 1 who am the animal, the brute, he 
is some being hearing only the shape of a Qarabha. 

'/He deserves, therefore, to be honoured bj my accepting 
his friendly offer." Having thus made up his mind , he 
spoke : 
15 — 17. //My body, being covered by my armour has not been 
too heavily injured , and the pains 1 feel from being crushed 
in this chasm are endurable. Vet, that grievance caused 
by my fall does not torment me so jnuch jis my offence 
agjiinst a being so pure-hearted and holy as thou. Do not 
mind it, I pray thee, tliat relying on thy ontward shape 
I took thee for a forest-animal without being aware of 
thy real nature." 

Then the parabha, inferring from these words of the 
king indicative of his satisfaction , that he agreed to his 
proposal , exercised himself with the object of rescuing him , 
having on his back a stone of a man's weight. Ilaving 
learnt the extent of his strength , he was determined upon 
bringing the king out of the hole, and descending into 
it and coming near to him , spoke in a respectful tone : 

18. "Pray, put up for a while with the necessity of touching 
this body of mine for the sake of your interest, that, 
with the object of obtaining my own happiness, 1 may 
make your face resplendent with contentmont and joy. 

-«/Your Majesty , then, deign to mount upon my back 
and cling tight to me". And he, after declaring his ap- 
proval, mounted as if on horseback. 

19. ïhen, with the king on his back, he climbed aloft with 
surpassing vigouv and swiftness, and holding high the fore- 
part of his body, resembled some (stone-)elephant rising 
in the air, as is represented on gates. 



326 jftTAKAM&Lè. 

20. After carryiïig the king out of that iuaccessible place 
and making liim rejoiu his horse, he gladly told liim the 
waj to his capital aud himself prepared to retire to his 
forest. 

But the king , moved by gratitude for his kind service , 
so modestly reudered, embraced the yarabha affectio- 
nately, saying: 

21. '/This life of raiue is at thy disposal, o Qarabha. It 
is unnecessary to add that thou must consider as thy 
property all that is withiu my power. Give me, therefore , 
the pleasure of visiting my capital, and if thou likest it, 
please, take thy resideuce there. 

22. /'Is it uot unbecoming to me that I should set out for 
home alone, leaving thee in this dreadful forest haunted 
by hunters, where thou art exposed to suffering because 
of cold, heat, rains and other calamities? 

n VVell theu , come , let us go together." 
Then the Bodhisattva praised him in modest, soft and 
honorifie terms, answering thus: 

23. '/In lovers of virtues , like you , o most excellent of men, 
a behaviour like yours is the proper one. For virtues, 
constantly practised by pious persons, turn out to be an 
essential part of their Self. 

24. /'But as to the benefit you think , I who am accustomed 
to the forest-life might perceive by taking my residence 
at your home, please, no more of this. Another is the 
pleasure of men, another that of the forest-animals con- 
formable to the habits of their kind. 

25. "If, however, you want to do something pleasant to 
me , then desist from hunting , o hero , for ever I The poor 
beasts of the forest, brute and destitute of reason as they 
are, are worth pitying for this very reason. 

26. /'With respect to the pursuit of happiness and the re- 
moval of mischief, the animals, you should know, are 
subject to the same inclinations of mind as men. Keeping 
this in mind, you must deern it improper to act towards 
others as would be disagreeable when being done to 
yourself. 

27. "Knowiug that evil deeds eutail loss of reputation , 
censure by the virtuous, and moreover suffering, you 



jdXAKAM^i. 327 

must extir|wite the evil within you , considering it your 
adversary. It liever becomes jou to overlook it, uo tnore 
then illness. 

28. '/It is by holding on meritorious actions that you ob- 
tained royal dignity , a thing highly esteemed by men and 
the abode of bliss. That very store of merit you oughtto 
enlarge, not to enfeeble the ranks of the beuefactors. 

29. vGather meritorious actions, the instruments of glory 
and happiness , by muniticent gifts , taking care to enhance 
their charm by distributing them in the right time and 
in a honorific marnier ; by a moral coiiduct , the right laws 
of which you may learn by intercourse with virtuous per- 
sons; ' and by succeeding in making your dispositions 
towards all creatures as well-wishing as to yourself." 

In this manner the Iligh-minded One favoured the king 
by lirmly establishing him in the matters relating to the 
future life. And the king accepted his words. After which 
he entered his haunting-place in the forest, foliowed with 
respectful looks by the king. 

In this manner the intensely compassionate show pity 
even to him who attempts upon their lives when he is in 
distress; they will not disregard such a one. This story is 
to be told also when treating of commiseration . when dis- 
coursing on the high-mindedness of the TathAgata and on 
the subject of listening with attention to the preaching of 
the Law. Likewise it is to be propounded when demon- 
strating that enmities are appeased by means of friend- 
liness, also when treating of the virtüe of forbearance. 'In 
this way it is seen that the Iligh-minded, even when in 
the state of beasts , behave mercifuUy towards those who 
attempt upon their lives. How , indeed , should it become 
a human being or one who lias taken the vow of a home- 
less life to be wanting in mercy towards the animals? 
For this reason a pions man (arya) must show mercy to 
living beings'. 



* In the original two short syllables are wanting in the second pada of this 
stanza. I gaess that pAda should bc rcad thus 9 1 1 e n a s A d h u(j a n a) s a ip- 
gatanifcayena. 



•328 J&TAKAM&L&. 

The parallel tale in the pAli J&taka is n. 4H'A. That redaclion is much 
different from that of our author. The stanzas are quite other nor do 
Ihey belong to what is told by (^ura. For the fall of the king — who 
is here afoot, not on horseback, when pursuing the (farabha — 
and his rescue , and his being established by the 9 a r a b h a into the 
tive commandments (pancasu silesu) makc up but the preamble 
* of the tale, so to speak. The eighteen stanzas, with the prose encom- 
passing and connecting them together, treat of the subsequcnt behaviour 
of the king and how he was prevented aflerwards by Sakka to kili a 
bear whom he was hunting. 



XXVI. 



THE STORY OF THE RURU-DEER. 



(ruruj&taka) 

To the virtuous 110 suffering exists but that of others. 
It is this thej cannot bear , not their own suffering , as will 
be taught by the foUowiug. 

One time the Bodhisattva , it is said, lived in the forest 
a ruru deer. He had his residence in some remote part 
of a large wildemess, outside from the paths of men and 
overgrown with a rich , manifold vegetation. There were a 
great number of sals, bakulas, piyTilas, hintalas, 
tam Tl las, naktam&las, ofvidula and nicula reeds ' 
and of shrubs ; thickets of QiTn9ap{ls, tini9as, pamïs, 
p a 1 (i Q a 8 , 9 ft k a 8 "^ , of k u 9 a-gras , bamboo and reeds en- 
eumbered it; kadambas, sarjas, arjunas, dhavas. 



* The b a k u 1 a is the mimusops elengt , the p i y A 1 a or rather p r i y A 1 a 
the btichaitanta latifolia , the h i n 1 4 1 a = phoenix paludosa , a kind of palmtree , 
the tamala renowned for its very dark bark is xanlftochymus pictorius, the 
naktamAla = pongania glabra , the nicula = barrini^toHia acu/angula. The 
botanical name of v i d u 1 a I could not tind out. 

* The «^im^apA = dalbergia stsu ^ a strong and fine-shaped tree , the tini<;a 
= dalbvrgia erugciuiensts , the 9 a m ï = prosopis spicigvra , the p a 1 a <; a , a 
tree with beautiful blossoms = butea froHdosa , the 9 A k a = tectona grandts is 
the teak-tree , it seems. 



jsItakam^lA. 329 

khadiras and kutajas ' abouuded in it; and the 
extended briiiiclies of its many trees were covered as 
by a veil with the tendrils ol mauifold creeping phmts -. 
It was the abode of a great mauy forest-aniraals : deer 
of the ruru, prshata' and srmara varieties, yaks, 
elephants, gavaya-oxen , buffaloes, antelopes of the 
h a r i u a and the n y a n k u kind , boars , pautheis , 
hyenas, tigers, wolves, lions, bears and others. Amoug 
them that r ut u-deer excelled by its hue brilliaut like 
pure gold and the very soft hair of his body which was 
raoreover adorned and resplendent with spots of different 
lovely eolours, shining like rubies, sapphires, emeralds 
and beryls. With his large blue eyes of incomparable 
mildness and brightness , with his homs and hoofs endowed 
with a soft splendour as if they were made of precious 
stones, that ruru -deer of surpassing beauty had the ap- 
pearauee of a moving treasure of jewels. ïhen , knowing his 
body to be a inueh desirable object and being aware of 
the pitiless nature of man , he liked to frecjuent such 
forest-tracks as were free from human intercourse and in 
consequenee of his keen intellect, was careful in avoiding 
sach places, ivs were unsafe by the artitices of huntsmen, 
their traps, nets, snares, holes, lime-twigs and the seeds 
and'other food they strew down. Moreover, he warned 
also the animals who foliowed after him to avoid them. He 
excrcised his rule over them like a teacher, like a father. 
1. Where on earth people, longing for their happiness, 
will not honour the combination of ptiramount beauty and 
paramount intelligence , hïillowed by accomplished good 
actions ? 

Now ouce upon a time it happened that the Uigh-minded 
One, residing in that wild part of the forest, heard cries 



* The kadamba is imuclcn cadamba , renowned for its fragrant orange-colourcd 
flowers; the arjuna = tcrmiualia ar/Hfta ; the dhava is a shrub, grtslca 
tomentosa; the khadira, distinguishcd by its strong timber and red foliage is 
acacia catechu : the ku^aja = wnfn/ilia anfidysentctica. — It is curious that the 
sarja tree is herc mcntioned, sarja hcing commonly another name for 
the sAl-trec, which kind has already been namcd, and even rtrst of all. 

* The pAli recension is much shorter in its cnumeration of the flora of that 
forest, calling it a forest of mangos intermixcd with sjils. 

* The pfshata is the „spotted" antelopc. 



330 J&TAKAM&Lft. 

for help uttered by some man who was beiug carried away 
by the cnrrent of a rapid streain flowing near aud lately 
swollen by the rains. 

2. '/The rapid and swollen streara carries me away, and 
there is nobody to help, no vessel to take me. Come to 
me, pitiful people, and quickly to rescue a miserable man ! 

3. '/My arms, exhausted from fatigue are not able tokeep 
my body on the water ' , and nowhere I lind a ford. Help 
me then aud soon , there is no time to lose." 

These piteous cries of distress struck the Bodhisattva, 
jind if he were wounded by them in his heart, he nished 
out of the thicket, exolaiming those comfortiiig words he 
had accustomed himself to use in hnndreds of previous 
existences and by which he was wont to banish fear , grief , 
sadness and fatigue. So even now he succeeded in bringiug 
forth the words //do not fear! do not fear !" in plain human 
voice repeatedly and loudly. And coming out of the forest 
he saw from afar that man like a precious present brought 
to him by the stream. 

4. Then , rcsolved upon rescuing him and without mindiug 
the risk of his own life, he entered the river that was 
running with tremendous rapidity, like a brave warrior 
perturbing a hostile army. 

5. He put himself across his way, then told him to cling 
fast to him. And the man who was in the paroxysm of 
fear and had almost lost the power of his limbs , his strength 
being exhausted, climbed on his back. 

6. Ncvertheless , though he was mounted by the man and 
urged out of his way by the violence of the current, the 
paramount excellence of his nature euabled him to keep 
his large strength unshaken , and he reached the riverbank 
according to the wish of that man. 

7. Ilaving brought the man to the rivei-side and dispelled 
his wearinesss and pain by dint of the great rejoicing 
(of his rescue), he warmed with the warmth of his body 



' The corrupt reading of the mss. na vilambayitum atra 9akyate 
has been altered by the editor in na vilambitum etc. So the metre is 
restored. But it is obvious that vilambitum cannot be = „to tarry". It 
must have here ahnost the signification of „stemming" or „resisting" the stream. 



. jkTAKjLÜ&ljL. 331 

liis liinbs tlmt were stift* witli uold, after wliicih he dis- 
luissed bim. "Go'' he said, sliowiug hiin the way. 

Ilis wüiiderful propensity tor aflfording succour, such as 
is unparalleled iu aflectionate relations and friends , touched 
the man to the quick, and the beautiful shape of the 
ruru-deer roused his ndraimtion and respect. Bowing liis 
liead to him in token of his veneration , he addressed him 
with kind words like these : 
8 — 10. //No friend from childhood nor kinsman is capable of 
performing such a deed as thou hast done for me. lliis 
life of mine, therefore, is thine. If it were to be spent 
for some matter of thj interest, however small, 1 would 
esteem myself highly favoured. VVhy , procure me that 
favour by ordering me to do something for thee , in whatever 
respect Thy Hpnour tliinks me lit for employment." 
In reply to tb is the Bodhisattva said praisingly : 

11. //Gratitude is not to be wondered at all in a gentleman. 
For this is his inherent property, being the effect of his 
very nature. But seeing the corruptness of the world, 
even gratitude is nowadays reckoned amoug the virtues. 

//For this reason, 1 teil thee this. Let thy grateful 
disposition not induce thee to relate to auybody thou wast 
rescued by such an extraordinary animal. My beautiful 
figure makes me a too desirable prey. Look here. Gene- 
rally, the hearts of men, in consequence of their great 
covetousness, possess little mercy or self-restraint. 

12. //Therefore, take care to guard both thy own good 
properties and me. A treacherous behaviour towards a 
friend never tends to bliss. 

//Neither shouldst thou discompose thy mind by taking 
it ill that 1 speak so to thee. 1 am but a deer, unskilled 
in the deceitful politeness of men. Moreover, 

13. //It is the fault of such people as are clever in falhicy 
and possess the talent of assuming a show of feigned honesty 
that even those who sincerely show their honest disposition 
are looked at with suspicion. 

//8o then thou wilt please me by doing as 1 said." 
And the man promised to do so, and after showing 
his reverence for the (ireat Being by bowing to him and 
circumambulating him, set out for his home. 



332 J:VrAKAM^Lft. • 

Now in that tiirie there happened to be a queen of some 
king who saw true dream«. Whatever extraordiuary dream 
she dreamt was realized. Oue time being asleep about 
day break, she had this dream. She isaw a ruru-deer of 
resplendent brilliancy , shining like a heap of jewels of everj 
kiud, standing on a throue and surrounded bj the kiug and 
his assembij , preachiug the Law in a human voice of an 
articulate and distinct sound. Affected with astonishment 
she awoke with the beating of drums which were to 
arouse her husband frora sleep. ' And she took the first 
opportunity to go and see the king, who kindly received 
her not only with the houour she deserved but also with 
solicitous affection. 

14. Then she whose bright eyes were expanding with asto- 
nishment and whose lovely cheeks were trembling froin 
gladness, presented her lord with the account of that 
marvellous dream as with a gift of homage. 

When she had finished the account of her wonderful 
dream to the king, she added this instant request: 

15. '/Therefore, my lord, pray, endeavour to obtain that 
deer. Adorned with this jewel-deer your zenana would be 
jis resplendent as the sky shines with the Deer-asterism.'*" ' 

The king relying by experience on the visions of her 
(Ireams, readily complied with her desire, partly that he 
might do something agreeable to her, partly because hira- 
sclf was covetous of obtaiuiug that jewel-deer. Accordingly he 
iüstructed all his huntsmen to search for that deer and ordered 
this proclamation to be made in his capital day after day : 

16. "There exists a gold-skinned deer variegated with spots 
shining like hundreds of jewels. The holy texts celebrate 
it, some few have got the sight of it^^ho will show that 
deer, him the king gives a very rich village and fuU ten 
lovely womeu." 

Now the man (who had been rescued by the Bodhi- 
sattva) heard that proclamation again and again. 

17. As he was poor, the reflection on the sufferings of 
poverty afflicted his heart, but on the other side he 



* It was the custom to avvake the king by the sound of music and songs. See 
f. i. R a m A y a V a II , sarga 65. 

' Viz. Mrga^iras, corresponding with the head of Orion. 



jflTAKAMdLa. 333 

kept in mind the crreat benefit lie had reeeived frora the 
rum -deer. Distraeted by cupidity and gmtitude , he was 
inoved in both directions as in a swing by different (M)n- 
siderations like these : 

"VVhat, then , have 1 to do now? Shall 1 have regard 
of Virtue or Wealth? Shall 1 keep the proinise to niy 
beuefactor rather than the duty of sustaining niy familyH 
VVhether I have to esteem higher, the other world or this ? 
Whether to foUow, the eonduct of the pious or rather that 
of the world ? Shall 1 strive after riehes or rather after 
sueh good as is cherished by the virtuousi^ Whether raind 
the present time or the time hereafter?'' At last his mind 
disturbed by covetousness came to this conelusion. //If 1 have 
once obtained a large wealth , so he thought , I shall be 
able by means of these riehes to gain , while enjoying the 
pleasures of this world , also happiness in the other world , 
being inteut on honouring my kinsmen and frieuds , guests 
and mendicauts." ' Having so resolved , puttiug out of 
his mind the benefit of the rur u-deer, he went up to 
the king and said : 'J , Majesty , know that excellent deer 
and his dwelling-place. Pray, order to whom I shall show 
him." On hearing this, the king much rejoiced answered 
him: "Why, friend, show him to mt/self'^\ and putting 
on his hunting-dress left his eapital , accompanied by a large 
body of his army. Conducted by the man , he went to the 
riverside mentioned above. Then he encircled the forest 
adjoining it with the whole of his forces, but himself 
hearing his bow , weariug his linger-guard • and surrounded 
by a select number of resolute and faithful men , entered 
the thicket, being showed the way by that man. As 
they went onward , the man discovering the rur u-deer 
who quietly and unsuspectiugly was staying in his forest, 
showed him to the king, exclaiming: '^Here, here is that 
precious deer, Majesty. Your Majesty deign to look at 
him and be careful.'' 
18. So saying he raised his arm, eager as he wjis for pointiug 



' A similar reasoning is made by (^akra, when hc tries the Uodhisattva in his 
Avishahya-cxistence, see story V, stanza 18 — 21. 

' The fmger-guard (a n g u 1 i t r a u a) is a contrivance used by archers to protect 
the thumb and fingers from being injured by the bow-stiing. 



^84 j^takamAlA. 

nt i\\v deer, and lo, his hand feil down off his arm, as 
if it had been cut off with a sword. 

19. Indeed, when beirig directed to such objects hallowed 
by their extraordinary performances , actions (k a r m a) come 
immediately to ripeness, if they are of consequence and 
there is but little to counterbalance them. ' 

Then the king curious to get the sight of the ruru- 
deer, let his looks pass along the way showed by the man. 

20. And in the midst of that wood dark as clouds newlv 
formed , he perceived a body shining with the lustre of a 
treasure of jewels and saw that deer, dear by his illustrious 
])ropeTties. So does the lire of lightning appear out of the 
womb of the cloud. 

21. Charmed by the beauty of his ligure, the king, eagerly 
desiring to catch him, immediately curved his bow, made 
the arrow bite its string and mounted up to him that hc^ 
might hit him. 

But the Bodhisattva, on hearing the noise of people 
on every side around, had thereby concluded that he 
must have been surrounded, to be sure. Afterwards pereeiv- 
ing the king coming up ready to shoot off his arrow on 
him , he understood there was no opportunity for running 
away. Then he uttered distinct articulate language, ad- 
dressing the king in a human voice. 

22 — 2'3. /i'Stop a moment, mighty prince, do not hit me, hero 
among men ! Pray , tirst satisfy my curiosity and teil me 
this. Who mav have discovered mv abode to thee, far as 
it is from the paths of men , saying that I , such a deer , 
dweil in this thi(5ket?" 

The king, touohed by thi« wonderful address in a 
human voice and taking still more interent in him, showed 
him that man with the point of his arrow. ^This man , 
he said, has disclosed thy extremely marvellous person to 
us.'' But the Bodhisattva knowing again that man, spoke 
blamingly : "Fie upon him ! 

24 — 25. "It is a true saying, forsooth 'better is it taking a log 
out of the water than saving an ungrateful person from 



' In othcr tcrm^. the evil karma done in such cases has so great astrength 
that a consiJcral^lc amount of good works would be required in order to check 
the rapidity of the dcvelopment of its fruit. 




jaTAK am/It/i. :)85 

it'. In this inaniieT he returns that exertion made in his 
behalf! How is it that he did not see his destrojing his 
own good, too, jit the same time?" 

Now the king, being curious to know whom he might 
reproach in this way, vividly said to the ruru-deer: 
26 — 27. "On hearing thee censure somebody without catching 
the meaning of thy obscure words nor knowing with 
respect of whom thou spokest them , my mind is somewhat 
alarmed. Therefore, teil me, wonderful deer, who is he 
on whose account thou speakest so? Is it a man or a 
spirit, a bird or perhaps a forest-animal ?" 
The Bodhisattva spoke : 

28. "No desire of blaming prompted me, o king, to this 
utterance, but becoming awarc of this blame-deserving 
actiou , I spoke sharp words with the object that he never 
might think of doing such a thing again. 

29, "For who would like to use a harsh language to those 
who have committed a sin, strewing, so to speak, salt 
upon the wound of their fault? But even to his beloved 
son a physician is obliged to apply such medical treatment 
as is made necessary by his illness. 

•30. "He whom I, moved by pity , rescued, when he was 
carried off by the current, he is the man who made this 
danger arise for me, o best of men. Indeed, intercourse 
with wicked ])eople does not tend to bliss." 

Then the king casting on that man a stern look ex- 
pressive of harsh reproach , asked him : "In truth , say on , say, 
wast thou rescued from such a distressbefore by this deer?" 
And the man wlio pale from fear and sorrow was in low 
sfpirits and perspired with anxiety , answered in a low tone 
of shame: "Yes, I was." Upon which the king revilingly 
exclaimed: "Fie over thee!" and placing the arrow on 
the bowstring continued : "Do not think it a trifle ! 

31. "He whose heart was not even softened by an exertion 
like that employed in thy behalf, is a vile representative 
of his fellow-creatures and brings them iuto dishonour. 
Why should this last of men live any longer?" 

With these words he grasped his bow in the middle and 
bent it in order to kill him. But the Bodhisattva, over- 
powered by his great compassion , placed himself between 



336 jktAKAukiA 

both, sayini^ to the kinj^ : //Stop, Majesty, stop, do not 
strike one already stricken ! 

'VZ. "In tlie viM-y moment he listened to the culpahU* enticemeut 
of Cupidity , his enemy , in that moment , surely , he was 
ruined both in this world , because of the loss of his repute 
and in the next too, his rigliteousness beiug de^stroyed. 

•33. //Yea, in this way, when their sonndness of mind has 
faded away in eonsequenee of unbearable sufferiugs, men 
fall down in calamities, beini? allured by the prospect of 
rich prolit, like fooi moths attracted by the shine ofalight. 

34. "Thou must, therefore, rather pity him and leave thy 
wrath. And if he wanted to obtain something by so acting , 
let not his rash deed lack that reward. For lo, I am 
standing here with bent head waiting for thy orders'\ 

Tliis merci f ui and sincere regard of rewarding even the 
man who hfid ill-treated him excited the highest surjjrise 
of the king. His heart became couverted, and looking up 
with veneration to the rur u-deer, he exclaimed: //Well 
said, well said, holy being. 

35. //Verily, showing t//?s mercy to him whose cruel oifence 
against thee is evident, fAau art a human being by thy 
I)ro])erties , we do bear biit the shape of men. 

3(). ''Further, since thou deemest this knave worth commi- 
serating and he has been the cause of my seeing a virtuous 
jHTson , l give him the wealth he coveted and to thee 
the permission of going freely in this kingdom wherever 
it pleases thee.*" * 

The ruru-deer said: //l accept this royal grant, illu- 
strious king, whieh is not given in vain. Therefore, 
deign to order that I may be of some use to thee as the 
effect of our meeting here." Then the king made the 
ruru-deer mount his royal chariot, worshipping him like 
his teacher and led him with great pomp to his capital. 
And having made him the reception due to a guest and 
invited him to ])lace himself on the royal throne, he 
with his wives and the whole retinue of his officers exhorted 
him to preach the Law , and raising his eyes to him with a 



' In other terms, the king says: ^I grant thee safety in my kingdom". The 
pAli redaction has ahani ca te kamacAram daddmi, and the commen- 
tary explains k a m a c j\ r a m by a b li a y a m. 



J&TAKAM&L&. 3S7 

kind exj)ression of gladness mixed witli revc^euce , cntreated 

him in sucli a manuur: 
37. //ïhere is a great diversity of opinions amoug men 

conceniiug the Law , hut thou possessest the certainty 

about the Law. Thou , therefore , deigu to preach it to us/' 
Upou which the Bodhisattva raised his voice and preached 

the Law to the king and his royal assembly in words 

distinctly spoken in a soft tone and elegantlj composed. 
.*iH. //()f the Law with the raanifold performances depend ing 

on it and with its subdivisions : abstaining from inj uring 

others , from theft etc. , this , 1 believe , is the brief sum- 

mary 'Mercy to the creatures.' 
'/Look here, illustrious priuce. 
•39. //If mercy to all creatures should makc men hold theni 

like themselves or their own family , whose heart could ever 

cherish the baleful desire for wickedness? 
4-0. //But the lack of mercy is to men the cause of the 

greatest disturbance, as it corrupts the action of their 

miuds and words and bodies no less with respect to their 

family than to strangers. 

41. '/For this reason he who strives for Righteousness ought 
to cherish mercy, which will yield rich protit. Mercy, • 
indeed, engenders virtues, as a fructifying rain makes 
the crops grow. 

42. //Mercy , possessing a mau's miud , destroys in it the 
passiou for iujuring one's ueighbour; and his mind being 
pure, ueither his voice nor his body will be perverted. 
So the love of one's neighbour's good always increases and 
becomes the source of many other virtues: charity, for- 
bearance and so on, which are foliowed by gladness of 
mind and couducive to reputation. 

43. //The merciful one does not stir the alarm of others 

because of his tranquillity. Owiug to his mercy, everybody 

will hold him a person to be relied upon , as if he were 

their kinsmau. No agitation of passion will seize him whose 

heart has been made lirm by mercy , nor does the tire 

of anger blaze within his mind enjoying the coolness of 

water, thanks to mercy. 

* In the fourth pAda of this stanza I read s A for s a, as is required by the femin. 
gender of s u v f s h t i h . the thing compared. Profi Kern informs me that s a is 
A misprint. 

59 Volgr. X. t23 



SSH j4takam&ü1. 

4«4. //Why use mvmy words? For this reasou the wise are 
decided upon the üpiuiou that iu Mercy the whole of 
Righteousiiess is eontaiued. VVhat virtue , iudeed , cherished 
by the pious doe» there exist which should uot be the 
consequeuce of Mercy? Haviug this iu miiid, be iuteut 
OU ever enhaucing thy mercy to all people, holding them 
like thy sou, like thyself ; aud wiuuiug by thy pious couduct 
the hearts of thy people , mayst thou glorify thy royalty !'' 
ïheu the kiug praised these words of the ruru-deer 
aud with his townsmen aud laudsmeu became iuteut on 
acting up to the Law of Righteousuess. Aud he grauted 
security to all quadrupeds and birds. 

In this mauuer, then, for the virtuous no suffering 
exists hut that of others. This they cannot bear , uot their 
own suffering. This story is also to be told when discoursing 
on compassion, aud may be adduced when treating of 
the high-miudedness of the virtuous, likewise when cen- 
suring the mischievous. 

The pAli recension in the J A t a k a » where it is n. 482 , agrees in 
the main with our author; but there the scène of action isBenaresand 
Brahmadatta the king who in order to satisfy the longing of Khemd 
his queen, issues the proclamation etc. The pAli narrator gives also 
some additional information about the man who was s&ved by the 
Bodhisat and aflerwards betrayed him. He was the son of wealthy 
pnrents who spoiled him when a child and neglected his education; 
so he became addicted to many vices, and having lost his estate by 
indulging in his passions for women» strong liquors and gaming and 
being greatly in debt, hc threw himself out of despair in the Ganges 
from whence he was rescucd by the r u r u-deer. The contest in his 
breast between duty and covetousness is not told in the pAli book. 
Retuming to Benares, he hears the proclamation and is forthwith ready 
to commit his deed of perfidy, without feeling the slightest hesitation. 
In truth , that man, as the Lord declared in explaining this j&taka, 
was ai^erwards the wicked Devadatta of the time of his Buddha-existencc. 

The metrical part of the p&li redaction does bear but little aftinity 
with the verses of (^üra. ^üra 's stanza 21 may be compared to pal. 
4rt , and 22 , 23 to pAli 5. Kurther there is correspondence between his 
st 24 and 27 and pkH 7 resp. 8; st. 3C)ofthe JAtakamAlAhasobviously 
a close conncction with p&li 9. Kor the rest the discrepancies are more 
frequent, and the same contents expressed in either rather differently. 

In the anukrama^i of the AvadAnakalpalatA the thirtiest 
p a 1 1 a V a (not yet edited) of that work is said to treat of some deer: 
SuvaruapAr9van&mAsid y sik sattvahitakfn mfga^. 
t>ome story conceming our ruru-deer may perhaps be found there. 



J&TAKAMélL&. 389 



XXVll. 
THK STORY OF THE OREAT MONKEY. 

(mah& kapij /Itaka) * 

Tliose who follow the behaviour of the virtuous win 
over even the hearts of their ene mies. This will bc taught 
as folio ws. 

In the heart of the Hiimilaya there was a place 
blessed by nature. Owing to the various powerful con- 
stituent parts of its fertile soil , it was eovered with 
many kinds of herbs and abounded with hundreds of 
forest-trees with their great variety of boughs , twigs , 
leaves, tlowers and fruits ditferently arranf^ed; it was irri- 
gated by mountain-eurrents whose water possessed the lim- 
pidity of crystals ; it resounded with the music of mauifold 
erowds of birds. In that forest the Bodhisattva lived , it is 
said, a chief of a troop of monkeys '. But even in that 
state, in consequenct; of his constant practice of charity 
and compassion , jealousy , seltishness and cruelty would not 
enter (the threshold of) his mind, so that it seemed that his 
culti vating the virtues opposite to them had made him incur 
their enmity. There he had his residence on a large banian tree 
whieh by its tallness, standing out against the sky like 
the top of a mountain, could paas for the lord of that 
forest and with its thiek foliage resembled a mass of clouds 
by the opacity of its branches. Those branches were some- 
what curved, loaded as they were with excellent fruits of 
a size surpassing that of palmyra-nuts * and distinguished 
by a very , very sweet relish and a lovely colour and smell. 
1. The virtuous, even when they are in the state of ani- 
mals, have still some remainder of good fortune * which 
may produce prosperity with respect to the duties against 

> This j a t a k a bears the same title as n. XXIV. Cp. the note on jat XX. 

• In the pali JAtaka they are told to be SiMXK), a very common number in 
buddhistical records. 

• The fruits of the t A 1 a-tree , the vine-palm or borassus flabelliformis, 

• In other terms it is said, that though their store of merit producing good 
fortune must have been exhausted according to their being bom beasts, yet there 
is always left some remainder, the effect of which may assuage them in that 
low state. 



340 jiTAKAudhL 

their friends in the like inanner as tlie reraaincler of 
the wealth of people ahroad inay serve the wants of their 
friends at home. 

But one branch of that tree was hanging over some 
river passing near that place • . Now the Bodhisattva ac- 
cording to the far-sightedness of his mind had instructed 
his flock of monkeys in this inanner: ^/unless ye prevent 
this banian-branch froui having fruits, none of you shall 
be ever able to eat any fruit from anywhere else." * But 
it once happened that the monkeys overlooked one young 
and foT this reason not very big fruit, hidden as it was 
in the cavity of some leaf crooked by ants. So that fruit 
grew on and time going developed its fine colour, smell, 
tlavour and softness; when it had ripened and its stalk 
becarae loose, it dropped into the river. Being carried 
down the stream , it stuck at last to the net-work of some 
fence , (let down in the river by the ortlers) of some king 
who with his harem were sporting at that time in the 
water of that river '. 

2. Spreading about its delicious smell of great excellency 
and delightful to the nose , that fruit dissolved the different 
other odours exhaling there from the garlands , the rum and 
the perfumes, even though they were intensified by the 
union of the women interlacing each other. 

3. This smell soon enchanted the women; they enjoyed it 
with prolonged inhalations and half-shut eyes. And being 
curious to know its origin, they cast their looks in all 
directions. 

And while looking all around with eyes stirred by cu- 
riosity , the women perceived attached to the network of 
the fence that banian tig, surpassing by its size a ripe 



• In the pdli redaction that river is the Gangft and the king of that country 
Brahmadatta of Benares. 

• Considehng the abruptness of the narration, it seems there is something 
wanting here in the text. It is not said what the monkeys had to do to execute 
the order of their chief nor that they did so. The pAli redaction fills the gap. The 
Bodhisat . having warned the monkeys that a fruit of that tree fallen in the water 
would cause them mischief, orders them to destroy all germs of fruits on that 
branch in blossom-time. 

• In the pAli redaction two large nets are told to have been laid over the river, 
below and above the place reserved for the water-sport of the king and his wives. 



j&TaKaM&L&. 341 

palmyra-nut , and haviiig ouce discovered it, tliey coiild 
iiot keep their eyes ott* it. Nor was the king less curious 
to know the nature of that fruit. He had it brought to 
hira and after examination by reliable physiciaus tasted 
it hiraself. 

4. lts inarvellous tlavour roused the king's amazement, as 
(in a dramatic eomposition) the inarvellous sentiment, 
ravishing the mind of the spectators by a good represeu- 
tatiou, rouses their admiration. ' 

5. Had its extraordinarv colour and smell stirred his sur- 
prise before, now its relish lilled liim with the highest 
admiration and agitated him with lust. 

Though accustomed to daiuty dishes, the king became 
so eager for enjoying that relish that this thought came 
to him: 

6. /i'Who does not eat those fruits, in truth, wliat fruit 
does such a one enjoy froni his royalty? But he who 
gets them is really a king even though he raay be free frora 
tlie toil of exercising royal power." 

Accordingly he made up his mind to ftnd out its origin , 
reasoning by (the light of) his own intellect. '/Surely , tlie 
excellent tree whcnce came this fruit must be not far 
from here and it must stand on the riverside. For it cannot 
have been in contact with the water for a long time, 
since it has kept its colour, smell and flavour intact, 
moreover it is undamaged and shows no tracé of decom- 
position. For this reason, it u possible to pursue its origin." 
Having so resolved , as he was possessed by a strong desire 
for that fine relish, he ceased playing in the water and 
after taking the measures suitable for the maintenance of 
the order in his capital during his absence , took the lield , 
accompanied by a grejit body of armed people ecjuipped 
for expedition. With them he marched up the river aud 
perceived the ditt'erent and various sensations proper to 
journeying in a forest-region , clearing his path through 
thickets haunted by ferocious animals, beholding groups 



' The sentiment (r a s a) of « literarv compositiou is a tcrni much used in Indian 
rhetorics and esthetics. Commonly they are said to be eight: that of love. of 
compassion, of heroism , of wrath. of terror, of disgust» of wonder and the 
comic one. 



342 j4takam^l4. 

of wood of aii artless and gouuine ravisliing beauty, fricrli- 
teuiug elephauts aud deer by the noise of liis drums. At 
last he reached the ueighbourhood of that tree, a place 
diffioult to approach for men. 
7. Like a inass of olouds hanging down by the burdeu 
of their water, this lord of trees appeared froin afar to 
the eyes of the kiug, dorainating the other trees which 
seemed to look up to it as to their sovereign aud , though 
it stood near a steep mouutaiu , reseiubling a mouutain 
itself. 

The exceedingly lovely sinell , more fragrant than of ripe 
mango fruits, which was spreading from it and met the 
army as if it went to its eucounter, made the king 
sure that this was the tree he sought for. Coming 
near, he saw many hundreds of apes filling its boughs 
and branches and occupied in eating its fruits. The king 
became angry with those monkeys who robbed him of 
the objects so ardently longed for and with harsh 
words as /'hit them ! hit them ! drive them away , destroy 
them all , these scoundrels of monkeys !" he ordered his 
men to assail them. And those warriors made themselves 
ready to shoot oflF the arrows from the bows strung and 
uttered cries to frighten away the monkeys, others lifted 
up clods and sticks and spears to throw on them. Thcy 
invaded the tree, as if they were to attack a hostile fortre^s. 

But the Bodhisattva had perceived the approach of that 
noisy royal army moving with loud tumult and uproar like 
the billows of a sea roused by the violence of the wind; 
he had seen the assault made on all sides of his excellent 
tree with a shower of arrows, spears, clods, sticks with 
as great vehemence as if they were thunderbolts ; and now 
he beheld his monkeys unable to do anything but utter 
dissonant outcries of fear and looking up to him in a 
counteuance of despair and dejection. He was affected 
with the utmost compassion. Himself being free from 
aftliction, sadness and anxiety, he comforted his tribe of 
monkeys, and having resolved upon their rescue climbed 
on the top of the tree, desirous to jump over to the 
mountain-peak near it. And al though that place could be 
reached only by many successive leaps, the Great Being, 



J^TAKAM&L&. 343 

by (lint of his surpassiug lieroism, passed acrost^ like a 
binl and held the spot. 

8. üther luonkeys would uot be able to traverse that space 
iiot even in two sucoessive leaps, but he, the courageous 
oue , swiftly crossed it with one single step , as if it were 
a small distauce. 

9. His corapassion had reared his strong determination , 
but it was his heroism which brought it to its pitch. So 
he made his utmost etfort to carry it out and by the 
earnestness of his exertion he found the way to it in 
his mind. 

Ha ving mouuted , then , on some elevated place of the 
mountain-slope , he found a cane , tall and strong , 
deeprooted and strongrooted , the size of which surpassed 
the disüince between the mountain and the tree. ïhis he 
fastened to his feet, after which he jumped back to the tree. 
But as the distance was great and he was embarrassed by 
his feet bei ng tied , the Great Being hardly succeeded 
in seiziug with his hands the nearest branch of the tree. 

10. Then holding fast that branch and keeping the cane 
stretched by his effort, he ordered his tribe, raaking them 
the signal i)roper to his race, to come quickly off the 
tree. ' 

And the monkeys , as they were bewildered by fear , 
having got that way of retreat, hastened to make use of 
it, wildly rushing over his body without regard of him 
on whom they trod , and safely escaped along that cane. 

11. While being incessantly trodden by the feet of those 
fear-bewildered monkeys , his body lost pieces of flesh, but 
never did his mind lose its extraordinary ürmness. 

On beholding this, the king and his men were overcome 
by the utmost aston ish ment. 

12. Such a splendid display of strength and wisdom, com- 
bined with so great a self-denial and mercy to others, 
must rouse wonder in the minds of those who hear of it; 
how much more did it att'ect the bystanders who witnessed 
it with their eyes. 

Then the kinj? roninianded his men in this raanner. 
"This chief of apes , he said , having his limbs shaken and 



' abhiprayéy^t in the editcd tcxl is ot' course a misprint for abhipray Alat. 



344 J&TAKAM&L4. 

bruised by the feet of the multitude of inoukeys wlio 
agitated by fear rau over his body , and reinaiuing in that 
same position for a long time, raust be excessively tired. 
Surely, he will be unable to retire from this difficult 
posture by himself. Therefore, quickly dress a canopy made of 
a cloth underneath the place where he is, ' which being 
done, the caue and the banian brauch must be shot off 
simultaneously , with one arrow each." And they did so. 
Tlien the king ordered the monkey to be gently carried off 
the canopy and placed on a soft couch. Th ere he lay 
without consciousness , for in conse(|uence of the pain of 
his wounds and his exhaustion he had swooned. After his 
wounds had been salved with clariüed butter and other 
ointments suitable for relief of fresh lesions, his faintness 
grew less. When he had recovered his senses, he was visited 
by the kiug who affected with curiosity, admiration and 
respect , after asking him about his health, continued thus : 

13. '/Thou madest thy body a bridge for those moukeys and 
being merciless for thy own life rescuedst them. What art 
thou to them or what are they to thee? 

14. '/Jf thou deemest me a person deserving to hear this 
matter , pray , teil it me , foremost of moukeys. No small 
fetters of friendship, methinks, shonld fasten one's mind 
if they enable it to do the like performances." 

In reply to these words the Bodhisattva, wishing to 
return the king's propensity to relieve him by his honouring 
him, made himself known in a proper manner. He said: 

15. '/Those, always prompt to act up to my orders , charged 
me with the burden of being their ruler. And I, for my 
part, bound to them with the affection of a father for his 
children, eugaged myself to bear it; so I did. 

16. '/This, mighty sovereigu, is the kind of relation existing 
bet ween them and me. It is rooted by time and supported 
by our (natural) friendship, which is the effect of our 
belonging to the same species ; and since we live together , 
we have become as kinsmen." 

On hearing this, the king affected with great admiration 
replied : 



* Viz. by rtxing poles in the earth and fastening a cloth on their upper cnds. 



J^TAKAM^lA. 345 

17. "The ininiïJters and the rest of his ofRcialj* are to serve 
the interest of their lord, not iuvcrsely is tlie kiug to 
serve theirs. This so beiiig, why did Thy HoDour sacrilice 
herself in behalf of her attendants?" 

The Bodhisattva spoke : "Verily, such is the lore of 
Political Wisdom, Majesty, hut to me it seems something 
difficult to follow. 

18. "It is excessivelj painful to overlook heavy and unbear- 
able pain, even if the sufferer be somebody nnacquaiuted 
with ns. How niueh more, if fhose sutter who having their 
minds bent to worship ns are like dear relations to us ! 

19. "So, on seeing distress and despair waxing in the 
monkeys in eonsequence of that calamity , anon a great 
sorrow ran over me , which did not afford me room for 
thinking of my personal interest. 

20. "Pereeiving the bows bent and tlie glittering arrows fly 
npward on all sides, and hearing the dreadful noise of 
the strings , hastily and without fnrther consideration I 
jumped over from the tree to the mountain. 

21. /i'Then — for the distress of my poor comrades , overcome 
with the highest degree of terror, drew me back to them 
— I tied a cane fast to my feet , a well-rooted reed , 
suitable for the effort, which 1 aimed at. 

22. '/So I jumped once more, leaping from the mountain- 
side to the tree, in order to rescue my comrades, and 
with my hands I got its utmost branch stretched out like 
a hand to meet me. 

23. /'And while l was hanging there with extended body 
between that cane and that utmost branch of the tree, 
those comrades of mine made happily their escape, running 
over my body without scrupling to tread on it.'' 

The king, perceiving the ecstasy of gladness which even 
in that miserable condition pervaded the Great Being and 
much wondering at it , again spoke to him : 

24. 'AVhat good has Thy Honour obtained thus despising 
thy own welfare and taking upon thyself the disaster 
which had befallen others?" 

The Bodhisattva spoke : 

25. /rVerily , my body is broken , o king , but my mind is 
come to a state of the greatest soundness , since I removed 



346 J&TAKAMélLft. 

the flistress of tliose, over whora I exercised rojal power 
for a long time. 

26. /'As heroes wlio vauquislied in battle their "proud 
enemies wear on their lirabs the beautiful marks of their 
prowess like oruaments, so I these pains do bear. 

27. "Now I have procured thera the requital of that long 
succession of prosperity which I enjoyed by the chieftaincy 
that my tribe bestowed on me, showing me not only 
their re veren ce and other marks of worship attending that 
dignity, but also their affectuous attachment. 

28. '/For this reason , that bodily pain which I incurred 
does not grieve me, nor the separation from my friends 
nor the destruction of my pleasure , nor my instant death I 
have caught by thus acting. It seems to me rather the 
approach of a high festival. 

29 — 80 //Satisfaction of my heart since I have requited former 
benefit , appeasement of the chagrin thereabout which 
burned it before, a spotless fame, honour fiom the aide 
of a king , fearlessness of death and the approbation which 
my grateful behaviour will meet with the virtuous: these 
good qualities, o thou who, like a tree, ' art the residence 
of excellent virtues! 1 have obtained by falling in with 
this wretched state. On the other hand , the vices opposite 
to these virtues will be met by such a king as is without 
mercy for his dependents. 

31. //For, if a king be devoid of virtues, if he have destroyed his 
good renown and vices have taken its abode in him, say, 
what else may he ex peet than his going to the tierce- 
llaming tires of heil? 

32. //l\)r this reason, 1 have explained to thee, powerful 
prince, the power of virtues and vices. Rule, therefore, 
thy realm with righteousness. For Fortune shows in her 
affections the iickle nature of a woman. 

33. '/His army, not only the military men but also the 
auimals of war; his officials; his people both townsmen 
and landsmeii ; those who have no protector ; and both 
(classes of religious people) yramanas and brahmans; all 
of them a king must endeavour to endow with such happiness 
as is conducive to their good, as if he were their father. 



* This simile is aot impropcr to the speaker being a monkey. 



JriTAKAM^Lfi. 347 

81. fflu tliis nuiiuuïT wjixing by laerit , wealtli and irlorv , 
tliou mayst enjoy jjrosperity which will l)e protit^ible to 

• tliee l)()th iu this world and iu the next. With tliis kind 
of felicity proper to the holy kiugs of old ' aud attainable 
by practisintr coramiseratiou towards thy subjectï^ mayst 
thoii be illustrious , o king of men !" 

3."). After thus instructing the king who, like a pupil, 
listened to him with devout atteutioii and set a high 
value on his words, he left his body paralysed in its 
functions by the excess of his pains and mounted to Heaven. 

In this manner, then , tliose who imitate the behaviour 
of the virtuous win over even the hearts of their enemie^. 
Thus considering, he who is desirous of gainiug the af- 
fection of men ought to iiuitate the behaviour of the 
virtuous. This story is also to be propounded , wheu dis- 
coursiug on the Tathjkgata. "Tlie creatures are not so able 
to briug about their own protit as the Lord was to briug 
about the protit of otliers." Likewise, wheu treating of 
listening with atteution to the preacliing of the Law, when 
discoursing ou compassion and also when iustrueting 
princes, in which case it is to be said . "In this manner 
a king must be merciful towards his subjects." It may 
be adduced also when treating of gratitude. '4n tliis 
manner the virtuous show their gratefulness." 

The MahAkapijAtaka ot' the p4li .1 fV t a k a corresponding with our 
story is n. U^l. In some points it is somewhat different, though upon 
the whole the tale is lold similarly. The author of the prose part is 
uncertain whethcr the tree was a mango or a banian , and no mountain 
is mentioned therc , it is only said the great monkey jumped in one Icap 
to .1 shrub over a distancc ofonehundred d h a n u. When the monkeys 
fled over his body, Dcvadatta who at that time was also a monkey 
let himself fall off one high branch that he might grieve his adversary, 
whose heart he wounded by that leap , causing much pain to the Grcat 
Being. The seven stanzas of n. 4<)7 give an account of the king's 
question and the D.'s answer, much shorter than in the JAtakamalA 
but of similar composition; st. l f. i. is much akin to Aura's st. 13, 
who may have had here before him a tcxt hearing grcat afrtnity to 
the J4taka stanzas, if not the very same. 



' The original calls them with the term of rAjarshi, which is olXen rendcred 
by «royal sage". They are r s h i s of the Kshattriya caste and like other 
fshis, belong to prehistorie times, as Manu, Yama. YayAti etc. 



348 J&TAKAM&L&. 



XXVIII. 
THE STORY OF KSH&NTIV^DIN. 

(Kshftntijataka) • 

Tliere is notliiug unbearable to these who have wholly 
imbibed the virtiie of forbearaiice and are great in keeping 
their tranquillity. This will be taught as follows. 

One time the Bodhisattva, it is said, was au ascetic 
who liad forsaken the world. He had got the insight that 
the life in a home abounding in bad occupations doe« 
leave but little room for righteousness , visited as it is by 
many sins and evils and unfit for quiet, in as much as 
it implies the prevalence of material interest (artha) and 
sensual pleasnres (kftma); for it is exposed to the occur- 
rence of defiling passions, love, hatred, infatuation , jealousy , 
anger, lasciviousness , pride, selfishness and the rest, it 
adduees the loss of the possession of shame and virtne 
and is the abode of covetousness and wicked lusts. On 
the other hand he understood the homeless state, as it 
avoids material property and sensual objects, to be an 
agreeable one, being wholly free from those evils. Thus 
knowing, he became an ascetic, eminent by his conduct 
(QÏla), his learning, his placidity of mind, his modesty 
and his self-restraint. As he was in the habit of always 
})reaching forbearance and teaching the Law from that 
point of view, in strict conformity with the vow he had 
taken to do so , peoj)le neglecting his proper name and that 
of his family , made him a name of their own invention , 
calling him KshftntivAdin (forbearauce-preacher). 

1. lllustrious domiuntion or knowledge or penance, also 
an extreme passion for art«, likewise anomaly of body, 
language or hehavionr are the causes of giving new name^ 
to men. 

2. So was the case with him. His true name vanished 
for the appellation of Ksh^ntivftdin , because knowing the 



' KshAnti must here be an abbreviation of the name KshAnti\'Adin ; in the 
pAli JAtaka the corresponding story bcars the title of KhantivAdï. 



J&TAKAM&L&. 349 

power of forbearaDce and desiriug to adorii mankind, like 
himself, with that virtue, he coustantly used to discourse 
on that topic. 

3. The great endurance, which was a part of his very 
nature and the tirmness of which he showed hy keeping 
his calm unaltered when being iujured hy others, as well 
as his excellent sermons on that subject made him the 
renown of a Muni. 

The residence of the High-minded One was a place in 
the forest, lovely hy its utter solitude and exhibiting the 
charming beauty of a garden; it bore tlowers and fruits 
of all seasons and encompassed a pond of pure water 
embellished by white and blue lotuses. By his dwelling 
there he procured to that place the holiness of a 
hermitage. 

4. For it is such a place where the pious have their 
residence, persons adorned with excellent virtues, that is 
an auspicious and lovely one, yea a sacred place of 
pelgrimage (t i r t h a) , a hermitage. 

There he was venerated by the different classes of 
deities having their abode in that place and often visited 
by such people as were lovers of virtues and desirous of their 
salvation. To those numbers he showed the high favour of 
entertain ing them with his sermons on the subject-matter 
of forbearance , rejoicing both their ears and hearts. 

Now one time in the season of summer it happened 
that the king of that country in consequence of the hot 
weather took a great longing for playing in the water, a 
much desirable thing at that time. So he with his harem 
went up to that place in the forest, as it was distinguished 
by excellent properties surpassing those proper to gardens. 

5. While he was rambling in the wood with the beauties 
of his zenana who spread about on all sides, he embel- 
lished its Nandana-like ' splendour, so to speak, by the 
rich display of the graceful sport of himself and his 
wanton retinue. 

6. In the arbours and bowers, under the forest-trees with 
their laughing dress of flowers, and in the water with its 

' Nandana is the name of the celestial gardens in Indra's world. 



350 J&TA&AM&Lft. 

ex|mu(liti^ lotuses tlie king delighted iu the unrestrained 
expaiisioii of the uut umi dalliauce of the feinales. 

7. Smiliugly he beheld the graceful uiovemeuts of fear aud 
its beautiful expressiou on the faces of sonie who were 
luolested by bees agitated by the peifumes of the iuiplemeuts 
for bathiug and auointing mixed with tlie fragnincy of 
the garhinds aud the odour of the rum. 

tS. Though they had adonied their ears with the most 
beautiful tlowers ' and tlieir hair wore pleuty of garlaiids, 
the women could not have enoiurh of flowers. In the verv 
sa me way the kiug could not look euough at their 
wanton playing. 

9. He beheld those chaplet-like clusters of females, now 
clingiug to the arbours; now tarrying at the lotus-groups ; 
sometimes hovering like bees about the ttowery trees and 
shrubs. 

10. Even the bold lascivious cries of the ouckoos, the 
dances of the peacocks and the hummiug of the bees 
were outdone by the tattle, the dances and the songs of 
those women. 

11. The sound of the royal drums, as stroug as the rattling 
of thunder, iuduced the peacocks to utter their ])eculiar 
cries - and make a wide-spread circle of their tails, as 
if they were actors worshipping the monarch by the 
virtue of their art. 

Then , having eujoyed , with his harem , to his heart's 
content the pleasure of walking about iu that garden-like 
wood, as he was tired with incessant playing and drun- 
kenness overcame liis mind, the king laid himself down 
on his very precious royal couch in some beautiful arbour 
and feil asleep. 

Now, when the women perceived that their lord was 
no longer occupied with them , as they had not yet satiated 
themselves with the manifold loveliness of the forest wliich 
kept them euchanted , they moved from that place , ram- 



Mt is a common usage in India to use beautiful flowers as earrings. In the 
prologue ot the drama (,'&kuntala f.i. the actress who sings the pmkrt 
stanza, mentiuns s i r i s a-tlowers cmployed in this manner. 

• Cp. supra p. 215. 



) 



J&TAKAMélL&. 351 

bliug about in self-arrauged groups aud mixiug the coii- 
tused sounds uf their rattliiig oriiaiiieuts with the tiuklin^ 
uoise of their chatter. 

12. FoUowed by the badges of sovereigu power, the royal uni- 
brella , the royal tail-fan, the royal seat etc.,richly oruamented 
with gohl and borne by female shives, the womeu walked 
about, indulging unrestrainedly in their natural wanton nejs. 

13. Disregarding the instances of the female servants, they 
greedily laid hands upon the lovely llowers and twigs of 
the trees within their reach, prompted by their petulance. 

14". Though they had plenty of Üowers, both as ornaineuts 
and arranged to wreaths, they left on their way no shrub 
lovely by its Üowers nor tree with its waving twigs without 
stripping them. 

Now the king's harem, rambling through the forest, 
the loveliness of which had captured their minds, approaehed 
the hermitage of KshilntivMin. But those who stood in 
charge of the royal wives, although they knew the 
penance-power and high-mindedness of that Muni , did not 
venture to prevent them from entering , on account of the 
king's attachment to his darlings , lest he might resent their 
intervention. So the royal wives, as if they were attracted 
by the splendour of that hermitage, the loveliness of 
of which was enhanced by the supernatural power (of its 
occupant), entered the hermitage and saw the eminent 
Muni sitting there with crossed legs below a tree, a view 
auspicious and purifying to behold. His tranquillity gave 
a soft expression to his countenance ; the exceeding pro- 
fundity of his . mind inspired awe ; his face radiated , as it 
were , from the splendour of his penance and , owing to 
his diligent exercise of dhy&na, the beautiful expression 
of his subdued senses remained unshaken , even [though 
the loftiest subjects of meditatiou were present to his 
thoughts. In short, he resembled Dharma himself. The 
lustre of his penance touched the minds of those royal 
wives, and the very sight of him was sufficiënt to make 
them abandon their dalliance , wantonness and haughtiness. 
Accordingly they went to him in a humble attitude and 
sat down respectfuUy in a circle around him. He, for 
his part, bestowed upon them the usual honour of salu- 



352 . J&TAKAMdL& 

tatioii , welcoraiiiir the in and saying to them kind and 
cüurteous things which are so agreeable for guest*; then 
availing himself of the opportuuity which their questions 
pvoüured him, he showed them his hospitality by a 
religious discourse, preaching in such ternis as were easy 
to catch for woiuen and illustrating liis expositioii of the 
Law with examples. 

15. /'Who, having obtained * the blameless state of being 
boni a man in the full possession of organs and senses 
sound and sharp, without any default, neglects to do good 
actions evcry day from lack of attention — such a one is 
much deceived; is hc uot subject to the necessity of death ? 

16. "A man may bc ever so excellent by his birth, his 
ligure , his age , his superior power or the wealth of his 
estate, never will he enjoy happiness in the other world, 
unless he be purified by charity , conduct (y i 1 a) aud the 
rest of the virtues. 

17. ''For surely , who though devoid of a uoble birth and 
the rest, abhorring wickedness, resorts to the virtues of 
oharity, conduct etc, such a one is hereafter visited by 
every kind of bliss, as the sea in the rainy season by 
the water of the rivers. 

18. '/To him who excels by his extraction, his ügure , his 
age , his superior power or the wealth of his estati^ , 
attachment to virtues is the most proper ornament alrcndy 
in this world ; his golden garlands are only indicativc of 
his riches. 

19. //Blossoras are the ornaments of trees, it is flashes of 
lightning that adorn the big rain-clouds, the lakes are 
adorned by lotuses and waterlilies with their bustling 
bees; but virtues acquired to a great extent are the 
proper ornament of living beings. 

20 /'The variety and ditt'erence of men with respect to their 
health, duration of life, beauty of ügure, wealth, birth niay be 
classed uuder the heads of low, middle and high. This triad 



* \^iz. by his destiny, which is the consequence of the store of his actions 
done in previous existences. Bodily inhrmities of a man are similarly the effect of 
former actions. They are an impediment to procceding on the way to salvalion 
with the Buddhists for the same cause as they entail impurity and incompetence 
to assist at sacriticial performances in Brahmanism. ' 



\ 



j4takam4l&. 353 

is liüt the effect of oiie's owu natural properties nor caused 
by exteriial intlueuces, forsooth , but it is the result of a 
inau's actious (karma). 

21. //Knowing this to be the lixed law of humau oondition 
and keeping in mind the tickleness and frailness of life, 
a man must avoid wickedness, directing his heart to a 
pious behaviour. For this is the way leading to good 
reputation and happiness. 

22. But a defiled raind acts like a tire, it burns away the 
good of one's self and one's neighbour. He who is afraid 
of wickedness, therefore, ought to keep off with effort 
such detilement by holding on what tends to the contrary. 

23. /'As a fire , however burning , if meeting a great river , 
tilled up to its borders with water , becomes extinguished , 
so does the tire which blazes within the mind of a man , 
if he relies on forbearance that will serve him both in 
this world and in the next. 

24. //So forbearance is of great benefit. He who practises 
this virtue avoids wickedness, for he hfis vanquished the 
causes of it. In conse(iuence thereof he will not rouse 
enmity, because of his cherishing friendliness. For this 
reason, he will be a person wcll-liked and honourable and 
accordingly enjoy a happy life. At the end he comes to 
Heaven as easily as if he entered his home, thanks to 
his relying on a meritorious behaviour. 

//Moreover, ladies, this virtue of forbearance, 1 say, 

25. //is celebrated as the superior degree of a pious nature; 
as the highest expansiou obtainable by merit and good 
repute; as that puritication which is attained without 
touching water; as the highest wealth afforded by many 
affluents of virtuous properties. 

26. fflt is praised also as the lovely firmness of mind of 
the virtuous always indifferent to injuries done to them 
by others; as having obtained by its properties it« lovely 
name of k s h a m ü ; ' as benefitting mankind ; as well 
accjuainted with pity. 

27. //Forbearance is the ornament of the powerful, it is 
the highest pitch of the strength of ascetics, and since 



' Kshama is a synonym of ksh&nti. 

5e Volgr. X. 24 



354 j^takam4l&. 

it acts like a shower of rain to the conflagration of evils, 
it may be called the extinctor of raisfortuiie both in this 
world and after death. 

28. /^To the virtuous forbearance is a mail-coat, bluuting 
the arrows which the tongue of the wicked shoots off 
against them. Mostly it changes those weapons into flowers 
of praise, which may be inserted into the garland of 
their glory. 

29. i'It is stated to be the killer of Delusion , that adversary 
of the Dharma, and an easy contrivance for reaching 
salvation. Who, then, should not do his utmost to obtain 
forbearance, that virtue invariably conducive to happiness ?" ' 

In this manner the High-miuded One entertained those 
women with an edifying sermon. 

Meanwhile the king, having satisfied his want of sleep, 
awoke; his lassitude was gone, but his eyes were still 
heavy with the dimness of inebriation, which had not 
entirely passed away. Desirous of continuing his amorous 
sport, he asked frowning the female servants who were 
gnatding his couch , where his wives were. '/Majesty , they 
answered, Their Highnesses are now embellishing ether parts 
of the forest, to admire the splendour of which they 
walked on." Having thus been informed by them, the 
king, as he eagerly desired to witness the sportive sayinirs 
and doings of the royal wives, how they were laughing 
and jesting free and unrestrained , rosé from his couch, 
and accompanied by his female warriors hearing his umbrella, 
his fan of tails, his upper garment and his sword, and 
foliowed by the eunuchs of hts zenana, wearing their 
armour and having reed-staves in their hands, he marched 
through the forest after them. It was easy to follow the 
way they had taken, for they had traced it out with 
juvenile wantonness by means of a multitude of various 
blossoms , flower-clusters and twig*, which they had strewed 
about, moreover by the red sap of the areca-nut and 
betel chewed by them. So then , going after them he went 
to the hermitage. But no sooner had the king seen that 



* Of this finely wrought stanza cach péda ends in the same syllables ksha- 
m&yAm with always different signification. 



J^TAKAM^Ld. 355 

most excellent llshi KshAutivadin siirrouiuled bv the cirele 
of the rovul wives thau he was seized with a tit of wrath. 
This froiizy overtook hiiii, partly beeause he was long 
siiice his eneiny and bore him a grudge, • partly in 
consequence of his intellect being still troubled by druu- 
kenness and his mind subdued by jealousy. And as his 
power of coraposing hiiiiself was small, he lost his coun- 
teiiance, disregarding the laws of decencj and politeness, 
and exhibited his subrnittance to sinful wrath by his 

ft. 

altered colour, the drops of sweat appearing on his face, 
the trembling of his liinbs, the frowning of his brows, 
and his eyes tinged reddish and scpiinting, rolling, star- 
ing. The loveliness, grace and beauty of his ügure had 
waned. He pressed his hands together, and rubbing 
them, squeezing thereby his tinger-rings and shaking his 
golden arralets, scolded that excellent Rshi , uttering many 
invectives: "Ha, he exclaimed, 

30. r/Who is that knave who injures our majesty , casting 
his looks on our wives i' Under the disguise of a Muni 
this hypocrite acts like a fowler." 

These words alanned and disturbed the eunuchs who 
said to the king: '/Your Majesty ought not to speak so. 
This is a Muni who has purified his Self by a long life 
of vows and restraints and penance; Ksh&ntivadin is his 
name." Nevertheless the king, in the pervertedness of his 
mind , did not take at haart their words and conti nued : 
''Alas! Ah! 

31. '/So it is then already a long time si nee this hypocrite , 
setting himself up as the foremost of holy ascetics, deceives 
people by his forgery ! 

'/Well then, I will lay open the true nature of that 
hypocrite, though he keeps it veiled with his ascetic's 
dress and well conceals it by his practising the art of 
delusion and false godliness." After thus speaking, he 
took his sword from the hand of the female guard (who 
was hearing it) and rushed on the holy Rshi with the 
determination to strike him, as if he were his rival. The 



' This can be no wonder, for in the p41i J Ata ka, when the Lord cxplain-» 
the persons of this story , he identifies that wicked king with Dcvadatta. 



So6 J&TAKAM&L&. 

royal wive», beiüg iiiforined by their attendance of the 
king^s approach , ou seeing his countenance furious with 
anger , became much afflicted and , with auxious looks 
expressive of their trouble and consternation , rosé froin 
the earth and took leave of the holy Eshi. Then they 
went to meet the king, and as they stood near him with 
their folded hands lifted up to their face, they had the 
appearance of an assemblage of lotuses in autumn , when 
the brightness of the flowers begins to peep out of the 
envelop of the buds. 

32. Yet their graceful demeanour , their modesty and come- 
liness did not appease his mind incensed with the fire 
of wrath. 

But the queens who coinmenced already to recover from 
their fiftt terror, perceiving that the king in the iierce 
manner of one whose actions are troubled by anger was 
marching with a weapon in the direction of the holy Bshi 
on whom he kept tixed his oblique looks , placed themselves 
in his way and surrounding him entreated him: /i^Majesty, 
pray, do not commit a reckless act, do not, pray. This 
man is the Reverend Ksh&ntiv&din.^' The king, however, 
wicked as he was in his heart, became the more angry, 
for he thought: //indeed, he Aas already gained their 
affection". He reproved their freeness of requesting by the 
contraction of his brows and his oblique looks, tiercé as 
the jealousy which had taken possession of his mind. 
Then angrily casting his eyes to his eunuchs and shakiug 
his head that his royal diadem and ear-rings trembled, 
he said with a glance at his wives: 

83. //This man speaks only of forbearance, but he does not 
practise it. For example, he could not withstand cove- 
tousness of the contact with females. ' 

34. //His tongue does not at all agree with his actions, 
still less with his wicked-intentioued heart. What has this 
man with unrestrained senses to do in the penance-forest 



I In the original we have here something like a pun; when saying na 
k sh&ntav&n „he could not withstand'% the king employs the verb ksham, 
the ordinary acception of which is „to forbear" , in a somewhat different 
sense. 



jaTAKAM&L^. 357 

that he ^liould siinulat^ religious vows aud dress and sit 
down in the hypocritical posture of a saint?" 

Now , when the queens were thus rebuked by the 
liart-heartedness of the king mad with wrath, they were 
affected with sorrow and saduess, for they knew his fero- 
cious nature and his contumacy which made him inacces- 
sible to persuasion. The eunuchs who were likewise 
alarmed , affected with auxiety and afHicted , made signs to 
them with their hands that they should withdraw. So they 
went away , lowering their faces with shame and lamenting 
that best of Rshis. 

35. /'We are the cause of the king's wrath against that 
sinless aud self-subdued holv ascctic famous for his virtues. 
Who knows what will be the end of itï' In one way or 
other will the king perforra some unbecoming deed , wheu 
he will make his wrath fall down on that religious man. 

3H. '/Yea,this king would be able to lay violent hands upou 
his owu royal behaviour and his glory obtained by it, 
hurting the body of that Muni , his corporeal one as well 
as his body of penance, and inj uring our guiltless minds 
at the same time!" 

After the queens thus lamenting and sighing on his 
account — for they were unable to do more for him — 
were gone, the king came up to the holy llshi with drawn 
sword, threatening him and wrathful , in order to strike 
him himself. ün soeing that the üreat Being, though 
thus assailed , kept his usual calm with imperturbablc. 
constaucy , he became the more excited and angrily 
said to him : 

37. ^How skilled he is in playing the holy one, that he 
looks even at me as if he were a Muni , persisting in 
his guileful arrogance!" 

The Bodliisattva, however, owing to his consUnt practice 
of forbearance , was not at all disturbed and as he at oncc 
understood from that hostile proceeding, though not 
without astonishinent , that it was the eagerness of wratli 
which caused the king to act in such an unbecoming way 
as to throw off all restraint of |)oliteness and good 
manners and to lose the fa<*ulty of distinguishing between 
bis good and evil, he pitied that monarch and, with the 



358 JliTAKAMaL&. 

object of appeasing hiin, said frankly soiuethiug like this : 

»38. "A disrespectful behaviour is often met with iii the 
world ; for this reasou , siuce it raay also be the effect of 
destiny and guilt, I do not mind it. But this grieves me 
that I cannot perform towards you, uot eveu with luy 
voice, the usual kiud reception, due to those who come 
to me. 

"Moreover hear this, o sovereign. 

39. ''To yonr likes who are bonnd to put the evil-doers ou 
the right way and to act for the interest of the creature» 
it never behoves to do auv rash action. You should 
rather follow, therefore, the way of reflection. 

iO. «"Something good may be considered evil, somethiug 
evil inveisely may appear in a false light. The truth 
about anything to be done cannot be discemed at once 
before iaquiring by argument into the differences in the 
several modes of action. 

il. 4rBut such a king as gets a true insight of his proper 
line of conduct by reflection and, after that, carries out 
his design with righteousness by the way of his policj, 
will always effect the thrift of the triad of objects — d h a r m a, 
artha and ka ma — in his people and in consequence 
thereof never be devoid of that threefold prosperity himself. 

42. ''For this reason, you ought to refrain your mind bom. 
rashness, ruling your pass^ions, and to be intent on sach 
actions as tend to glory. In fact, tnnagre9sion$ of the 
decenov of behaviour are hisrhlv notorious, if thev are 
committed by persons of a high rank in whom they were 
not seen before. 

43. -In a penance-forest protected by yovr mightj arm, 
vou ousrht not to suffer anvbodv ebe, fonooth, to do 
anything blamed by the pious (irya) and desInictiTe of 
the way leading to happiness. How is it ihal ro« should 
resolve to act in this wav vourself , o kuur? 

44. •'If vour harem eame br chance to mv hermiiaee toeether 
with their male attendant^ , what fault of miiie mav be 
found there that vou should allow voursdf to be tbas 
altered bv wrath'r 
45. •Suppo^'e, however, there ** hete sone £walt of mine^ 
forbearance should become vou even thes, bv ktid. For- 



J&TAKAUftL4. 359 

bearance, iudeed, is the chiof oruameiit of a powerfiil oiie ; 
for it betrays his cleveruess iu keeping the treasure of liis 
virtues. 

44i. //Kings cauuot so much be adorned either by their dark - 
blue ear-rings with their reverberatiou of dancing shine 
on the cheeks or by the several brilliant jewels of their 
head-omament , as they are adorned by forbearauce. Thus 
considering, pray, do not disregard that virtue. 

17. '/Set aside irascibility which is never fit to be relied 
upon, but preserve forbearance, will you? with as niuch 
care as if it were your dominions '. Princes behaviug 
towards ascetics in the lovely way of showiug them their 
esteem, are promoters of bliss." 

Notwithstanding this admonition by that excellent Mu ui , 
the king, troubled by the crookedness of his mind, per- 
sisted in his false suspicion. 80 he addressed him again : 

48. '/If you are not a mock-ascetic , but really eugaged in 
keeping your vow of religious duties, for what reason 
should you , under the pretext of exhorting me to forbear- 
ance , beg safety from my side?" 

The Bodhisattva answered : //Ilear then, great princc, 
for what reason I urged you 

49. *'I spoke so that your good renown raight not break 
down under the blame you would incur because of me, 
if it were to be said of you 'the king has killed a guiltless 
ascetic, a brahman'. 

50. '/Death is an invariable necessity for all creatures. For 
this reason I am not afraid of it , neither when recollecting 
my conduct and behaviour. 

51. "But it was for jfour sake, that ,^uu should not suffer 
loss of merit by injuring fiighteousness , the source of 
happiness, that 1 praised forbearance to you as the tit 
instrument for attaining salvation. 

52. //Since it is a mine of virtues and an armour against 
vices, I gladly praise Forbearance, for it is an excellent 
boon, I offer you." 



* Literally: as if it were the earth. The comparison constitutes a pun in the 
original, for kshamA may convey the meaning of „earth" as well as it means 
, forbearance." 



360 j&takam^l4. 

Hut the kiug disdaiued these tlowers of speech however 
lovely which the Muui ofFered him. Scorufully he said : 
//Let us now see your attachiuent to forbearance" , and 
with these words , he directed his sharp sword to the right 
hand of the Muni which was a little extended towards 
him, having its very line and long tingers upward with 
a preventive gesture, and severed it from his arm like a 
lotus from its stalk. 

53. Yet the Bodhisattva did uot feel so much pain even 
after his hand had been cut off — so steadfast was he 
in keeping his vow of forliearance — as sorrow concerniug 
the cutter, whose future misfortuue he saw, which was 
to fall terrible and irremediable upon that person uutil 
now accustomed to pleasures. 

And thinking within himself: '^alas! he has transgressed 
the boundary of his good, he has ceased to be a person 
worth admonishing'^ * and commiserating him , as he would 
do a sick man given up by the doctors, he kapt silent. 
But the kiug continued to speak threatening words to him. 

54. '/And in this manuer your bodj shall be cut to pieces 
till death ensues. Desist from your hypocritical penance 
and leave that villainous forgery." 

The Bodhisattva made no answer. He knew him to be 
deaf to admouition and had learnt his obstinacy. Then the 
king successively and in the same way cut off the other 
hand of the High-minded One, both his arms, his ears 
and nose and his f eet. 

55. Yet that foremost of Munis did not feel sorrow or anger , 
when the sharp sword feil down on his body. His know- 
ledge that the machinery of his body must once come to 
its end and his habitual practice of forbearauce against 
(the insults of) the world made him so strong. 

56. In conse(iuence of his practice of friendliness , the mind 
of that virtuous one was inaccessible to the sense of sorrow 
on account of himself. Even while he saw his limbs 
being cut otf, his forbearance remained unshaken, but 
that he saw the king fallen from righteousness , made him 
sore with grief. 

» Cp. j&t. VII, stanzas 20—20. 



J&TAKAM&L&. S61 

57. Verily, the (ïompjwsionate who are great iii retaining 
tlieir trauquillity throughout are uot so mach afflicted by 
pain arisiug to themselves , as they grieve on account of 
the suffering of othera. 

58. But the king, after performing that cruel deed, was 
anon caught by a fire-like fever, and when he went out 
of the gardens , earth on a sudden opened and swallo- 
wed him. 

After Wallowing the king , the earth continued to 
make a fearful noise and fire-flames appeared in the 
opening. ïhis caused a great consternation and alarm in 
the country and perplexed the royal attendance. The 
king's ministers, knowing the great extent of the penance- 
power of that Muni and imputing to it the king being 
swallowed by the earth , were affected with anxiety lest 
that holy Kshi should burn down the whole country on 
account of the king. Thus apprehending , they went up to 
the holy Rshi and bowing to him entreated him with 
folded hands to be propitious. 

59. '/May that king who impelled by his infatuated mind 
has put thee into this state by an exceedingly rash 
action , be alone the fuel for the üre of thy curse. Pray , 
do not burn his town! 

60. /'Pray, desist from destroying for his fault innocent 
people , women and children , the old and the sick , the 
brahmans and the poor! Rather shouldst thou, being a 
lover of virtues, preserve both the realm of that king and 
thy own righteousness." 

In reply to this, the Bodhisattva comforted them: "Do 
uot fear, he said, mylords. 
61 — 62. "As to that king who just cut ofl' with his sword 
my hands and feet, my ears and nose, maiming an 
innocent ascetic living in the forest, how should 
a persou like me aim at his pain or conceive even 
such a thoughtl' May that king live long and no evil 
befall him! 
63. "A being subject to sorrow , death and sickness , subdued 
by cupidity and hatred , consumed by his evil acti(nis is 
a person to be pitied. Who ought to become angry with 
such a oue? 



362 J&TAKAM^lA. 

64. '/Aud should tliat line of conduct ' bc ever so prefe- 
rable, o that his sin might ripeu (its unavoidale result) 
in detriment of no other hut me ! For sufferings clinging, 
even for a short time, to one accastomed to pleasure 
: re keen to such a one and unbearable. 

65. vBut now, as I am uuable to protect that king who 
annihilated in this manner his own happiness, for what 
reason should I give up that state of powerlessness and 
indulge in hatred against hira? 

66. *Even without a king's intervention , everybody bom 
has to deal with sufferings , arising from death etc. There- 
fore in this series of evils, it is birth alone which one 
has to oppose *. For this not being, what suffering may 
there arise and from whence? 

67. //For many kiilpas I have lost my worthless body in 
manifold ways in numbers of existences. How is it that 
I should give up forbearance on account of the destructi on 
of that frame? It would be as if I were to give up a 
jewel of the first water for a straw? 

68. vDwelling in the forest , bound to my vow of world-reuun- 
ciation, a preacher of forbearance and soon a prey of death, 
how should I feel the desire of revengeP Do not fear me 
any longer , then , peace be to you , go !" 

69. After thus instructing and at the same time admitting 
them as novices in the excellent Lore, that foremost of 
Munis , who kept his constancy unshaken owing to his relying 
on forbearance, left his earthly residence ' and mounted 
to Heaven. 

So then, there is nothing unbearabk for those who have 
whoUy imbibed the virtue of forbearance and are great in 
keeping their tranquillity. Thus is to be said, when dis- 
coursing on the virtue of forbearance, taking the Muui 



* viz. indulging in anger and cursing that king. The curse of an Rshi, having 
obtained supematural power by his penance, is a dreadful weapon. In his answcr 
the Bodhisattva expresses his desire that the result of the king's evil karma 
could fall upon himsclf, hut this is of course an impossibility. 

' In other terms, one has to strive for final extinction, nirvA^a. 

• Ksh am a^ravAt samadhiruroha divam kshamaijra yAt. The same 
abl. kshamA^rayAt is put twice with a different meaning either time, here 
it is , owing to his relying on forbearance" and there ,from his abodc on carth." 



j^takam4l&. 363 

for example, aud on account of the vices of rashness and 
wrath , taking the kiug for example. This story is also to 
btj told , when expounding the miserable consequences of 
sensaal pleasures , sayiug : "Tn this manner sensual pleasures 
induce a man to be addicted to a wicked behaviour which 
brings him into ruin." It may also be told with the object 
of showing the inconstancy of material prosperity. 

X. 'M.\ viz. the KhAntivAdijAtaka narrates this story in the 
PAIi Collection of jAtakas (l'^ausb. JAt. lil, p. 30 foll.). In somc point 
there is a slight discrepancy, f. i. Ihat the king after being appeased 
by the handsomest of his wives, is again irritated by the calmness 
of the ascetic , and does not perform the cruel act with his own sword 
but has it done by his hangman. In order to try the ürmness of mind 
of the Rodhisat, he orders him rtrst to be vvhipped, aftcr which he 
asks him ,,what do you profess, monk?" the other answers: ^I profess 
forbearance. But you thought that forbearancc to rest in my skin. It 
does not rest there, but in the depth of my heart my foibearance lies, 
invisible to the eye." A similar answer is made, when successively 
his hands and fect, cars and nose are cut off. Finally the king strikes 
with his foot on the H.'s heart, saying: „hypocrite, do then cjcct 
your forbearance by yourself, sitting here" and goes away. Then 
the king's commander-in-chief, who had given him the permission of 
dweiling in the royal gardcns - the scenc of the story is there, not 
in the forest - comes to the maimed ascetic, stanches his wounds, 
comforts him and asks him not to destroy the whole country in punish- 
ment of the king's cruelty. This question is conveyed by stanza 1 , 
which may be compared wiih (^'üra's ó9 and (i>, and the Bodh'.s 
answer =. stanza '2 cp. (,'ura 61 and ()'_*. The king is named Kalabü of 
Benares, the B. was formerl}' named KuQ^akakumAra and an archi- 
millionaire before he forsook the world. 

Another recension of this tale is extant in the 38'*» pallava of the 
Avadanakalpalata, as appears from the anukramaui vs. lö (yab 
ksh Anti<^ilal> <;Antyabhüc chinnango'py avikAravan), but 
this part of the work has not yet been published nor is it to be found 
in the Cambridge mss. 



XXIX. 

THE STORY OF THE INHABITANT OF THE BRAHMALOKA. 

(Brahmaj &taka) 

Since the tenets of the unbelief are blamable, those 
who are possessed by the vice of clinging to a false belief 



364 J^TAKAM&lil. 

are especially worth commiserating by the virtuoua. This 
will be taught as follows. 

One time the Bodhisattva , our Lord , haviug gathered 
by a constant practice of dhy&ua a store of good 
karma, obtained , it is said , a birth in the Brahmaloka, 
in consequence of the ripening of that merit. Neverthele^, 
owing to his having always been con versant with com- 
miseration in his former existences, that high happiness 
of the Bralimaloka ' whi(ïh he had obtained as the etFeet 
of the excellence of his dhyflna did not destroy in 
him his louging for being engaged in bringing about the 
good of others. 
1. By indulging in sensual pleasures, however material, 
worldly people become utterly careless. But a frequent 
absorption in the delight of meditatiou , however ideal , 
does not make the desire for benefitting others vanish 
from the heart of the pious. 

Now one time it happened that the High-minded One 
was passing his looks over the Begion of Sensuality below 
(his Brahma-world) , where Compassion tinds its proper 
sphere of action , since this is the region visited by 
hundreds of different forms of sufTerings and calamities 
and contaius the clements for moral illnesses, disasters, 
injuries against living beings and sensual pleasures. And 
he perceived tlie king of Videha, named Angadinna, 
erring in the wilderness of disbelief, partly by the faalt 
of his intercourse with bad friends, partly also in conse- 
quence of his being ardeutly attached to false convictious. 
That king had got the persuasion : there is no other 
world after this; how could there be anything like result 
ripening out of good or evil actions? and in couformity 
to this belief his louging for religious practices was 
extiuguished , he was averse to performing the pious works 
of charity , good conduct (yila) etc, feit a deep-rooted 



^ The Brahmaloka or Brahma-world is in Buddhist cosmology the world superior 
to the region of sensuality, the kftmadhAtu (sec Bumouf, Intyoiiiutiou p. ttW) 
or K&mavacAra (see Hardy, Mamial p. 3; 261). Cp. Kcm^ C esc hiedetiisvati het 
Buddhisme I, p. 'J^H) and 291. It is superior to Ileaven or the world of the celestials. 
Cp. jAt. XXX, st. 21 where we have this series of happiness: l. royalty on earth, 
2. heavenly bliss, 3. Ürahma's world, 4. final extinction. 



J&TAKAM&L&. 365 

despise for such as led a religieus life, and owiiig to 
his want of faith bove ill-will to the religious lawbooks. 
Beiug inclined to laugh at tales conceruing the other 
world and show ing but little respect and honour to 
Qramanas and brahmaus whom he held in little esteem, 
he was exclusively bent to sensual pleasures. 

2. Who is tirm in the belief 'surely, there is a world 
hereafter where the good and evil karma produce 
their fruit of happiness and mishap', such a one will 
avoid evil actions and exert himself holding on pious ones. 
But the absence of faith causes a man to act up to his lusts. 

Now that king whose disastrous attachment to a false lore 
must have mischievous consequences and was a source 
of calamities to his people, roused the compassion of 
that High-minded Devarshi. ' One time, wheu that king 
always directed by his indulgence in sensual pleasures 
was staying in some beautiful and lonely arbour, he 
descended in his flaming brilliancy from the Brahma-world 
before his eyes. On beholding that luminous being who 
ilamed like a mass of fire, shone like an agglomeration 
of lightnings and spread about a great brilliancy of intense 
light like a pencil of sun-rays, the king, overwhelmed 
by that lustre, was alarmed and rosé from his seat to 
his encounter reveringly with folded hands. Respectfully 
he looked up to him (who stood in the air) and said : 

3. /'The sky makes thee a resting-place for thy f eet, as 
if it were the earth, o thou being with lotus-like feet; 
thou shinest far and wide, hearing the lustre of the sun, 
so to speak. Who art thou , whose form is a rejoicing 
to the eyes?" 

The Bodhisattva replied : 

4. /'Know me, o king, one of those Devarshis who 
attained Brahma's world , having by the power of their 
mind's strong and assiduous attachment to virtue vauquished 
love and hatred , * those two proud foes , like two haughty 
chiefs of a hostile army in battle. 



' The inhabitants of the Brahma-world may be so called, for they are sages 
among the celestials (devAl^). 

• Love, viz. sensual love and covetousness , and hatred (with anger) are the 
two great divisions of vyasan&ni (vices , evil habits) , not only with Buddhists. 
See Manu, VII. 45 foU. 



366 JiVrAKAM<lL&. 

A-fter these words the king offered hiin the hospitable 
reception due to a worthy guest, water to wash his feet and 
the arghv a-water ', accompanyiug tliis act (of houiage) 
with kind words of welcorae and the like. Then, casting 
admiring looks at his face, he said: "Much wonderful, o 
Great Rshi , is thy tigure. Indeed , thy power is supernatural. 

5. "Without sticking to the walls of a building thou walk - 
est in the sky as easily as on earth. Teil me, o thou 
whose brightness lias the lustre of a flash of lightning, 
how didst thou obtain this supeniatural power?'' 

ITie Bodhisattva spoke : 

6. ''Such superhuraan power is the result , o king , of medi- 
tation (dhyftna), a spotless good conduct (^ila) and aii 
excellent restraint of senses, whicli I have so practised in 
other existeuces that thev becanie essential clements of 

■ 

my nature." 

The king said : /'Does there exist in eamest anything 
like a world hercafter P" The Brahman * said : // Verily , 
Majesty , there is a world hereafter." The king said : '/But , 
my dear sir, how should I too be able to believe so?'' 
The Bodhisattva said: //This is a tangible truth, Majesty, 
which may be proved by reasoning with the ordinary 
modes of proof (pram^na): perception by the senses and 
the rest*. It is exemplified by the declarations of reliable 
persons, and may be tested by the way of accurate 
examination. Do but consider this : 
r . /'The heaven with its ornament of sun , moon and stars , 
and the many-shaped variety of animals are the world 
hereafter in a concrete and visible form. Let not thy 
mind be benumbed by scepticism not to perceive this truth. 



' The arghya is the solemn name of a honorilic offering of water to a 
worthy guest, given with the other ceremonial marks of hospitality: vish^ara, 

4 

padya, madhuparka. Sec A^valéyana and PAraskara in the Sacred Books oj 
the East, Vol. XXIX, p. l(>7 and TtW, and Gobhila and Hirauyake9in in the 
same coUection, vol. XXX, p. VM) and 172, 17;^ 

* The inhabitants of Brahma's world are also called Brahmans. 

* The other are, inference and analogy; for it is unlikely the Brahman may 
think of persuading a disbeliever by means of the fourth mode of proof, uni- 
versally acknowledged by orthodox Hindoos , revelation. Stanza 7 gives the proot 
by means of perception, 8 by means of inference. Kurther st. 9 and foll. contain. 
it seems, the „close examination" spoken of in the preamblc. 



ikTAKAH^lA, 367 

8. "Further there jire iiow juul theii persons who, owiug to 
their practice of dhyuiia aml the sharpness of their atten- 
tiveness, reinember their fornier existences. From this it 
inust likewise be inferred, there exists a world after this. 
And myself, do 1 not give thee the evidence of a witness? 

9. /'Moreover, thou must couclude to its existence also from 
this. The perl'ection of the iutellect presupposes a previous 
existence of that iutellect. The rudimeutary iutellect of 
the fetus is the uniuterrupted coutiuuation of the intellect 
in the preceding existence. 

10. //Further, it is the faculty of catching matter of know- 
ledge that is called intellect (buddhi). Therefore there 
must be a sphere of employment for the intellect at the 
beginning of existence '. But in lAls world it is not pos- 
sible to tind it, because of the absence of the eyes and 
the other (organs of sense). By inference , the place where 
it is to be fouud, is the other world. 

11. '/It is known by experience that children diverge from 
the nature of their fathers and show a different couduct 
etc. Now , si nee this faet cannot arise without a cause , 
it follows that we have to do here with habits got in other 
existences. 

12 — 13. ''That the uew-born child, though his mental powers 
are wholly rude and his organs of sense in a torpid state , 
raakes the etfort to take the breast without being instructed so 
and almost in a state of fast sleep, this proves his having 
in former existences exercised himself as to the lit ways 
of taking his food. For practice perfecting the mind, 
sharpens its» faculty of acquiring knowledge; this general 
rule applies to the special performances. 

"Perhaps, on account of thy having never familiarized 
thyself with the idea of the existence of another world 
beyond this, thou mayst still be doubtful about the last 
statement. Should this be the case and shouldst thou reason 
in this way: 
14. 'Then the lotuses disclosing and opening (by themselves) 
are also a proof , forsooth , of their having practised those 
movements already in other existences. Or, if this is not 
admitted, why dost thou aflirm that the suckling's effort 

* In other terms: in the state of the fetus. 



368 J&TAKAM&L&. 

of taking the breast is the effect of exertion raade iu pre- 
vious births?' 

^theu thou art obliged to ])ut aside that doubt by the 
consideration that in one case there is compulsion , iu the 
other freeuess, and exertion is not made there, hut that 
it Is raade here. 

15. //In the case of the lotuses, their opening and shuttiug 
depend on time, but the effort to take the breast has 
nothing to do with time. Moreover, there is no exertion 
iu the lotus, but in the case of the suckling it is evident, 
there is. It is the power of the suii that is th?^ :ause of 
the expanding of the lotuses. 

//Therefore, Majesly, a close and careful examination 
euables thee to have faith iu the world hereafter." 

But the kiug, beiug deeplj attached to the false lore 
he professed , also in consequence of the extent of tlic 
evil within him, feit uneasy on hearing that account of 
the other world and spoke: "Why, great Rshi, 

16. fdi the next world is not that bugbear for children (I 
held it for) or if thou judgest it lit for me to believe in 
it, well, lend me tive hundred nishkas ' here f and I 
shall give thee back one thousand in the next existence." 

Now when the king , according to his habitual boldness, 
had ejected without scruple this uubecoming language, 
which was as it were the vomiting of the poison of his 
disbelief , the Bodhisattva made him this answer in a verv 
proper way. 

17. /^Still in this world those who wish to employ their 
money , in order to augraent it , do not raake any loan at 
all to a wicked person or a gluttou or a blockhead or a 
sluggard. For wealth going to such persons, perishes. 

18. "But if they see one bashful, with thoroughly subdued 
senses and skilled in business, thev offer a loan to such 
a one, even unwitnessed. Such a bestowal of money pro- 
duces bliss. 

19. /'The same line of conduct, quite the same is to be fol- 
iowed, o king, with respect to a debt payable in the world 
hereafter, Yet, it is not suitable to contract such a loan 



'Anishka isa gold coin whose value varied at different times. 



J^TAKAM^Lfl. 369 

with thee who art a person of a wicked hc^liaviour because 
of the evil dortriiie thoii professeM. 

20. //For, at the time vrheii , bei nar precipitated into heil bv 
thy own atroeious aetioiis which have their source iii the 
sin of a wicked lore , thoii wilt lie there sore with paiiis 
and paralysed of thy mental powers, who would then call 
upon thee for a debt of oue thousand nishkas? 

21. ''There the regions of the sky do not shine in their 
full feminiue beautv ' by the beams of sun and luoon , 
but they are enwrapt in compact darkness. Nor is the 
tirmament there seen witli its ornament of crowds ofstai-s, 
like a lake embellished by unclosed waterlilies. 

22. //The place where the unbelievers dweil in the next 
world , is beset with thick darkness , and an icy wind pre- 
vails there penetrating to the very bones and extremely 
painful. Who , being wise , would enter that heil in order 
to obtain moneyH 

2*3. //Some err for a long time on tlie bottom of heil which 
is wrapt in dense obscurity and dull with sharp smoke; 
they are attiicted there drawing along their rags fastened 
with leather thongs and crying with pain as often as they 
tumble over cach other. 

24. "Likewise others are running with wounded feet again 
and again in all directions in the Heil of Flaming Chaff 
(.1 valatkuküla), longing for deliverance from thence , but 
they do not attain the end of their badness nor of their life. 

25. '/Terrible servants of Yama carve like carpenters the 
limbs of others, having them fastened in different man ners, 
and delight in shaping them by cutting with sharp knives, 
as if they wrought in fresh timber. 

2f). "Others again are entirely stripped off their skin , 
groaning with pain , or are even bereaved of their flesh , 
living skeletous, but they cannot die, kept alive by their 
own evil actions. Likewise others who are cut to pieces. 

27. //Others draw tlaming chariots for a long time. They 
wear a broad tlaming bit in their mouth and obey to 
harnesses and goads of a tawny hue, being liery. The 



' The di9as (regions of the sky) have the feminine for their grammatica], 
and accordingly, their mythological gendcr. Hence they are compared with females 
in the original. 

5c Volg^' X. *25 



:i70 jAtakam^l^. 

grouiids OU wliich they draw are of iron, hejited by uii 
unintennittent tire. 

28. //Some have their bodies crushed , wheii meeting mouut 
Saingh&ta ' , or are even ground to dust , oppressed bj it, 
and still while being in that great suffering of the most 
intense degree, they cannot die before their evil karma 
is anuihilated. 

29. '/Some others are being ground to dust with big auil 
Üaming brazen pestles in troughs incandesoent by tire 
during a suocession of fuU tive hunderd years, and yet 
they do not lose life. 

30. //Others again are hanging with their heads or even feet 
to trees made red-hot like corals and of a rough surface, 
being beset with tlaming thorns of aharp iron. They are 
beaten by demons, attendants of Yama, who chide them 
with harsh cries. 

31. '/Others enjoy the fruit of their conduct, lyiug on 
large heaps of buming coals, flaming and resembling 
melted gold. Helpless they are exposed to their fate , they 
can do nothing but sprawl and moan. 

32. /^Some howl with their tongue hanging out of their 
mouth while their body suffers from heavy pains caused 
by hundreds of sharp spears on a ground illuminated by 
garlands of tlames rising out of it. In that time they are 
made to believe that there exists something like a world 
beyond this. 

33. /^There are others whose heads are tied with tlaming 
diadeins of brass; othei^s are boiled out in pots of brass. 
Of others the bodies are wounded by sharp stings of showei-s 
of weapons and devoured by crowds of ferocious animals, 
who gnaw them off to the bones. 

34. '/Others again, exhausted by toil, enter the salt water 
of the Vaitaranl *, but that water is painful to touch like 
fire, and their tlesh wastes away from their limbs, wheu 
being in it , but not their life , kept up by their evil actions. 

35. "And those who afflicted because of the intense torment 
caused by burning have resorted to (the heil named) 



1 SaipghAta is the name of a kind of infemal Symplegades. 
• The VaitaraQi is the Indian Styx. 



j^takam&l4. 371 

A^ucikiinapa [the heil of uncleaii corpses] as to n pond 
of fvesh water, meet theve with uuparalleled paiu. Tlieir 
hoiies are brouglit to decomposition hy hiiudreds of worms. 

36. //Klsewhere others undergo the puin of beiug burnt for 
a long time. Surrounded hy tire, their bodies flame like 
iron staves surrounded hy ttames. Yet they do not burn 
to ashes, being kept alive hy their actions. 

•37. '/There is sawiug of others with tiery saws, cuttiug of 
. others with sharp razors. Of others the heads are crushed 
with haminers quickly swung, so as to make theni yell 
with anguish. There is roasting on a smokeless tir(ï of 
others, tixed on broad iron-spits which pierce through 
their bodies. Others again are compelled to drink liquid 
brass lookiug like blaziug tire , which makes thein utter 
raw cries. 

38. /'Some are assailed hy spotted dogs of great strength 
who with their sharp biting teeth tear otf' the ilesh froni 
their limbs; they foll on the ground with lacerated bodies, 
erying loudly with pain. ■ 

39. /'Of such nature are the tremeudous torments in the 
different hells. If pushed by thy karma, thou wilt 
once have reached that state * , who then would think of 
calling upon thee for that debt at that time, while thou 
art sore with sorrow and thy mind is afflicted with ex- 
haustion and sadness? 

40. '/It may happen that thou art staying in the heil of 
brazen jars HUed with the corpses of wicked people and 
hard to approach because of the tire-tlames which heat 
them and make tliee move helplessly exposed to the suflering 
of being boiled (alive). Who then would think of calling 
upon thee for that debt at that time? 

41. //Or thou mayst lie with tied limbs on tlaming iron pins 
or on the earth made red-hot by a violent tire. While 
thou wilt be weeping piteously , thy body buruing away. 



* This stanza is composed with great metrical skill, each of the pAdas ending 
in trisyllabic homonyms put twice. 

* In the printed text the seoond pAda of this stanza is wanting an iambus 
in its middle part. I think it is thus to be supplied: prApto bhavishyasi 
(3'adA) svakytapranunna^j. 



.372 jiTAKAMllLil. 

who then would think of ca 11 ing upoii thee for that debt 
at that time? 

42. //Who would require that debt from thee, wheu thou 
hast coiue into that wretched state of huiuiliation , uiider- 
going terrible sufferings and not even able to make any 
answer? * 

4Ji. ^Or suppose , thy bones will be pierced by the icy 
wind which destroys even the power of groaning, or 
thou wilt utter roaring cries of pain , when torn asunder , 
who would dare ask you that money (payable) in the other 
world ? 

44. //Or, if rather thou wert to be exposed to the injuries 
of Yama's attendants or sprawl in the midst of iire-flames , 
or if dogs and crows were to feast on thy fiesh and blood, 
who would urge thee with a call upou money in the 
other world? 

45. /i'Besides, when thou wert to undergo an uniuterrupted 
suffering by striking or cutting or beating or cleaving, 
by burning or carving or grinding or splitting, in short, 
by the most different modes of tearing up (thy body), 
how shouldst thou be able to give back that debt to me 
at that time?" 

This extremely fearful account of the hells missed not 
its effect upon the king. Hearing it, he became alarmed 
and left his attachment to the false lore (of annihilation). 
And having obtained faith in the world hereafter, he 
bo'ved to that illustrious Rshi and spoke : 

46. //After being apprised of the tortures in the different 
hells, ttrstly my mind almost dissolves from fear, on 
the other hand 1 feel a burning sense of anxiety , thinking 
of how I may never come into that state. 

47. //For, short-sighted as I was, I walked on the wrong 
road, my mind being perverted by a wicked doctrine. 
Now then , do Thy Reverenoe be my guide in this matter. 
Thou kuowest the right way. Thou art my authority and 
my refuge, o Muni. 

48. //As the rising sun dispels the darkness, so thou hast 



* Here we have another instance of the poet's skill as a metrician. The four 
p&das of this stanza have one trisylJabio final rhyme. 



i^TJLKJLUklA. 373 

dispelled the darkiiess of mj false opiuions. In the very 
saine mauiier, o Hshi, thou must teach me the road, 
goiug OU which I may uot attaiu misery after death." 

Theu the Bodhisattva, perceiving his emotiou aud 
uuderstauding that he had chauged his opiuion for the 
better and had uow beeome a vessel Ut for accepting the 
Law, iustructed him — for he pitied him, like a father 
his sou or a teacher his pupil — in this way. 

49. '/Thou must go ou the glorious way leading to Heaven , 
by which the former kings went, displaying thy love 
of virtues by a behaviour of a good pupil towards 
(^ramanas and brahmans, aud manifesting tliy compassion 
for thy subjects by thy own behaviour. ' 

50. "Tlierefore, subdue injustice which is much difficuli 
to subdue, and overcome vile covetousness which is much 
diflicult to overcome! So thou mayst mount a luminous 
beiug to the city of the Lord of Heaven , that city respleudent 
with tlie most excellent jewels and provided with golden gates. 

51. "Be steadfju?t in thy approval of the lore cherished by the 
virtuous which thou acceptedst in a mind accustomed to a 
wicked lorc. Give entirely up the latter which is a syatem of 
injustice proclaimcd by people intent on gratifying thefools. * 

52. '/Now, in that very moment thou didst put thy feet 
on the (right) road, o king, when desiring to walk on it 
with such a behaviour as is stated in the True Lore to 
be the good one, thou destroyedst within thy heart the 
harsh feeliug against virtues. 

53. //Let , therefore, thy wealth be an instrument for obtaining 
virtues, and to thy people exercise mercy, which is au- 
spicious and will increase thy own happiness. Be also 
constant in keepiug excellent self-restraint , watching thy 
senses and observing good conduct (9 11a). In this way 
thou mayst incur no calamity in the next world. 

54. '/Let thy rule, o king, derive its brilliancy and lustre 
from thy meritorious actions; then it will be relied upon 
by those who practise good actions and be lovely by its 



^ The following slanzas are again of a much artful composilion. In st ri) — 54 
each p4da ends in iwo homonymous syllables put twice in different functions 
and from ór> the simile of the chariot is elaborated in a masterly manner. 

« Cp. jAt. VU, stanza 21 foll. 



374 J^TAKAM^Ld. 

piiritj. So ruling, thou laayst strive for thy truc happiness 
which tends also to the promotion of thy rnaterial interest , 
and exterminate the anguish of the creatures increasing 
tlierebj thy glory in a lovely raanner. 
o 5. '/Thou art here (on earth) standing on thy royal war- 
chariot. Worship of the pious be thy charioteer. Thy 
own body , engendering virtues , be thy chariot. Let friend- 
liness be its axle , self-restraint and charity its wheels , and 
the eamest desire for gathering merit be its axletree. 

56. i'Refrain thy horses, the organs of sense ' with that 
splendid bridle named attentiveness. Make prudence thy 
goad and take thy weapons from the store of sacred 
learning. Let shame be the furniture of thy ehariot, hurai- 
lity its lovely pole , forbearance its yoke. Standing on that 
chariot , thou wilt drive it with skilfulness , if thou art 
firm in courageous self-coraraand. 

57. ffBy keeping down bad words thou wilt make it go 
without rattling of the wheels , whereas the sound of them 
will be low and deep if thou usest lovely language. Never 
breaking thy self-restraint will preserve thy chariot from 
looseness of its constituent parts. Thou wilt keep the right 
direction , if thou dost avoid going astray on the winding 
paths of wicked actions. 

58. /i'Using this vehicle (yA,ua), brrlliant with the lustre 
of thy wisdom, adorned by the tlag of thy good renown 
and the high-floating banner of thy tranquillity and fol owed 
by mercy as its attendance, thou wilt move in the direction 
of the Highest Atman (param (it ra (i) and never shalt thou 
descend to the infemal regions, o king." 

Having thus dispelled by the brilliant beams of his 
words that darkness of false doctrine which lay upou the 
mind of the king, and shown hini dearly the road of salv- 
ation , the High-minded One disappeared on the very 
spot. But the king, having got a thorough knowledge 
about the matters of the next world , erabraced the True 
Lore with whole his heart, and hiniself as well as his 
officials, his towsmen and landsmen becnme iutent on exer- 
cising charity, self-command and self-restraint. 



' This image, a common one in Indian rhetorical style, seem to have roused 
in the mind ot the author tlic idca of claboratingt the whole similu. 



jéLTAKAM&L&. 375 

Tu tliis inaiiiK^r, then those who are possessed by the 
vide ül' dingiiig to a false belief are especiaily worth 
corainiserating by tlie virtuous; forthe teuets of the unbelief 
are bhiinable things. This story may also be adduced with 
this coiKjlusion : '/lu this raanner listening to the preachiug 
of the Excellent Law (saddharma) tills the listener with 
overflowing faith." Or with this: '/In this manner hearing 
the Law preached by another, rouses the belief in the 
true lore." And when adducing it in a disoourse on praise 
of the virtuous, likewise on the subject of forbearance, 
this is to be said : '/In this manner the virtuous will parry 
even a hostile assault by couuselliug their enemy for his 
good, and they will do so without harshness in conse- 
(juence of their being accustomed to forbearance". Also 
when treatiug of sa in v eg a ' , it is to be said: ^In this 
ïnanner emotion of the raind makes a man inclined to care 
for his salvation." 

Of this jAtaka no pAli recension has been edftcd as yet, nor am 
I aware of its contents occuring in other texts of the Northern Hud- 
dhists but this. Yet. at Ica-t stanza U> which contains the />o/m/é' of the 
tale must bc foundcd on somc old traditional verse, onc of those sacrcd 
sentences, of which the Jataka-class of the Holy Writ is made up. 



XXX. 

THE STORY OF THK ELBPHAXT. 

(hastij&taka) 

If they may cause by it the happiness of others, even 
j)ain is highly esteemed by the righteous, as if it were 
gain. This will be taught by the foUowing. 

Once the Bodhisattva , it is said , was a huge elephant. 

* Samvega is the ernotional state which prcpares the mind to accept spiritual 
instruction or to takc iho vow of a religious lifc. It was saipvega which in 
jAt. XIX overtook the mind of the Bodhisattva, when his parcnts deceased, it 
was also samvega which alarmcd the king of jat. 111 on his rccoliccting of a 
suddcn his prcvious existcnce. 



878 J&TAKAM^Lè.. 

He had liis residence ia some forest suitiible for elephant:?, 
which had for its ornament, so to speak, the young 
offshoots of its excellent trees , whose tops were distinguished 
bj their twigs , ftowers and fruits. Its bottom was bidden 
under manifold kinds of shrubs and trees and grasses. It 
was beset with mountain-ridges and plateaus that made 
the effect as if thej were detained there by the charming 
beauty of the forest and would not long for another place. 
That wood was the abode of forest-animals and contained 
a lake of abundant and deep water, It was far remote 
from the inhabitations of men , being surrounded on all 
sides by a large desert, where there was uo tree, no shrub , 
no water. There he lived a solitary elephaut. 
1. Like an ascetic he was satisfied with leaves of the trees, 
lotus-stalks and water , and with the virtues of contentmeut 
and tranquillity. 

One time, when the Great Being was wandering uear 
the border of that forest , it happened that he heard from 
the side of the wilderness a noise of people. Then this 
thought entered his mind : //What raay this be? First of 
all, there is in this direction no road leading to some 
country ; nor is it likely , a huntiug-party sliould have 
crossed a wilderness so large as this. Still less can there 
be question of au attempt to catch ray fellow-elephants , 
as such an attempt would be troublesome and attended 
with heavy toil. 
2 — 3. '/Surely, this people are either astray, their guides 
having lost their way , or they have been banished in con- 
sequence of a king's anger or perhaps of their own mis- 
conduct. Such is the nature of the noise I hear , which is 
not made up of the strong tones of joy , cheerfulness and 
merriment, but rather remiuds of people weeping under the 
overwhelming power of a great grief. 

'/At all events, I will know what it really is." Thus 
retlecting , the Great Being irapelled by his compassion , 
hastened forth in the direction from wheuce the noise of 
that multitude came. When he heard more distinctlv those 
sad and piteous accents of lamentation , disharmonious to 
the cars, the High-minded One, understauding that they 
were cries for help uttered by people in distress , ran with 



Ji\TAKAM^L4. 377 

still greatcr swiftiiess. After leaviiig tlie thicket, owiiig to 
the uakediiess of the desert destitute of vegetatioii , he saw 
alreadj from afar that body of persons who cried for as- 
sistauce , keepiug their eyes in the directiou of the forest. 
They uumbered saven huudred men and were exhausted 
from liunger , thirst and fatigue. And those men , on the 
other hand, saw the Great Being coming up,to theni re- 
sembling a moving peak of a snow-covered mountaiu, or a 
condensed mass of white fog , or a cloud in autumn driven 
by a strong wind ; and as they were overcome with sorrow 
and utterly dejected , this sight frightened them much. In 
their fear thej thought : '/ahis ! now we are certainly lost ! " 
but they could make no etfort to run away ; hunger , thirst 
and fatigue had destroyed their energy. 

4. Powerless by hunger, thirst and toil and being in low 
spirits, they made no preparations for flight, though the 
peril seemed imminent. 

The Bodhisattva perceiving their anxiety exclairaed : "Be 
not afraid ! Be not afraid ! You have nothing to fear from 
my pai*t," and so comforting them, drew nigh uplifting 
liis trunk and showing its tip broad , soft and dark-red as 
copper. Moved by compassion he askedthem: '/Who are 
you , sirs , and how are you come in this state ? 

5. //Your coU)urless faces betray the effect of dust and sun, 
meagre you are and sutfcring from sorrow and dejection 
of mind. Who are you and why have you come here?"" 

On hearing him utter in a human voice these words 
not ouly indicative of a peaceful disposition butalsoofthe 
propensity to help , the men recovered their mind , and the 
whole assembly bowed to him. Then they spoke : 

0. //An outburst of the king's anger blew us away to this 
region from the very eyes of our kinsmeu who sorrowful 
must behold that banishment, o lord of elephants. 

7. ''Yet there must be still extant a remainder of our good 
fortune and Felicity must have become propitious to us, 
that we have drawn the attention of Thee , who art better 
than friends and kinsmen. 

S. "By the auspicious sight of Thee we know wc have crossed 
our calamity. Who , forsooth , having seen even in his dreams 
sucli n being like Thee, would not be saved from distress y' ' 



378 jaTAKAM^iiL. 

Then tliat eminent elephaut spoke : '/Well, how maiiy 
are you , sirs P'' The men said : 
9 — 10. //We numbered oue thousaud men, o fair-tigured being, 
wheu the king left us here, but many of us, being unac- 
quainted with advereity , have perished overcome by hunger, 
thirst and sorrow. And now, o lord of elephants, we esti- 
mate the number of those still alive to be seven hundred, 
wlio being about to sink down in the mouth of Deatli , 
look up to Thee as Comfort incorporate come to us 
for help." 

By these words the Gre^t Being , as he was in the habit 
of compassion , was moved to tears and commiserating them 
said with stress something like this : ^Alns ! alas ! 

11. '/Oh! How averse to tenderness, how devoid of shame, 
how unsolicitous conceming the next world the miud of 
that king is ! Oh ! How his senses , caught by his royal 
splendour, something as fickle as lightning, are blind to 
his good! 

ISi. //Oh! He does not understand aught about death, methinks, 
nor has he been taught the unhappy end of wickedness! 
Alas ! Oh ! Those poor and helpless kings who , owing to 
the weakness of their judgment, are impatient of listeniug 
to words of counsel. 

13. //And this cruelty towards living beings is even performed 
on account of oue single body , a perishable assemblage 
of illnesses ! Alas ! Fie upon such ignorauce !" 

Now , while letting his looks fuU of pity and tenderness 
go over that people, the chief of elephants entered upon 
this thought: //Being so tortured by hunger, thirst and 
fatigue and having lost their strength of body, how may 
they cross that wilderness of an extentofmany yojanas, 
where they tind no water nor shade, if they have no 
wholesome foodP Nor does the forest of elephants contaiu 
proper food for them to subsist on even for one day 
without much trouble. Nevertheless , if they were to take 
their provisious from the flesh of my linibs and to use 
my bowels instead of bags putting water in tliem, they 
would be able to cross this desert, uo otherwise. 

14. //Let me, therefore, in their behalf employ my body, 
the abode of many hundreds of illnesses, that it mfiy be 



jaTARAMUL^. 379 

for this iriultitude of men overwheluiril hy sufTiiriiig, like 
il rat't to ^et «ku'oss their jnisery. 

15. "Beiiig bom a luau is the proper state for reaching 
happiness, either lieaveuly bliss or tinal extinction, aud 
it is (lifücult to attaiii that state. May theu this advantage 
not i)e lost to these iii so pitiful a mauner! 

16. "Further, siuce they are coine within the coinpass of 
my dominion, I rightly may call them my guests. And 
tliey are in distress and destitute of relations; heuce I 
have to show the more pity to them 

17. "And this vessel of many intirmities, this substratum of 
manifold toil, caused by uuceasing illuess, this assem- 
blage of evils, whose name is 'body\ will uow, after 
a long time, have at last its tit employmeut, serving to 
the relief of others." 

Then sonie of them , who suftered intensely from the 
pain of hunger, thirst, fatigue and heat, after bowing 
to him with folded hands and eyes wet with tears , dolefully 
asked him for water by means of signs with their hands. 
Others spoke to him piteous words: 
IS. '/To us who are destitute of kindred Thou art a kinsman, 
Thoii art our reconrse and refuge. Üeigu to shelter us 
in sueh a way as Thou deemest best, Illustrious One!" 

Others again who had more energy of miud , asked 
him to show them sonie place where to tind water and 
the way to get out of that dreadful desert. 
19 — 20. "If there is here some pond or river with cold water, 
or perhaps some waterfall , if a shady tree may be found 
here or a grass-plot, teil it us, o chief of elephants. And 
since thou thinkest it possible to get out of this desert, 
show us mercy and point out the direction to us. 

"Lt is a good many days since we are erring in this 
wilderness. for this reason afford us thy assistance, o 
lord , to get across it." 

Then the lligh-minded One who feit his heart growing 
still more wet with pity by their piteous retjucsts , uplifting 
his trunk as big as the coils of a mighty serpent, showed 
them the mountain, bevond which they could make their 
es(;ape from the wilderness , and spoke : /'Underneath this 
mountain there is a large lake adorned with lotuses, 



380 j&takam4l4. 

wliite and red , and coutaiuing pure water. Go , therefore , 
bv this way. With the water of that lake you may queucb 
your thirst and dispel your fatigue and (the vexation of) 
heat. Then , coutinuiug jour waj , you will meet , not 
far from that place, with the corpse of an elephaut, 
precipitated from the mountaiu-plateau. The ftesh of his 
limbs you must take to serve for provisions ou the jouruey 
and provide yourselves with water, putting it in his 
bowels instead of bags ; after which you have to go farther 
in the very same directiou. So you will get beyond this 
wilderness without much hardship." With such comfoi-ting 
lauguage the High-minded One induced them to set out , 
but himself, running quickly by another way, ascended 
to the top of that mountain. Standing there, about to 
give up his own body with the purpose of rescuing that 
body of people , he corroborated his strong determination • 
by representing energetically to his mind something like this. 

21. //This performance does not tend to the attainment of 
a high state for myself, neither the magniticence of being 
a king of men enjoying royal power and worship, nor 
Ileaven with the singular flavour of its surpassing enjoy- 
ments, nor the bliss of Brahma's world nor even the 
happiness of release. ^ 

22. //But if there may be any merit of mine in thus striviug 
to help those men forloru in the wilderness , may 1 become 
by it the Saviour of the World , of those creatures erring 
in the wilderness of samsö.ra! '" 

Having thus resolved , the High-minded One , not mind ing 
because of his gladuess , the pain of death by being crushed 
down that deep descent , gave up his body according to his 
design by precipitating himself down that steep mountain. 

23. While tumbling, he shone like an autumn-cloud or 

' This „strong determination" is the pravidhi, also called pra^idhana. 
By it he who performs some extraordinary mcritorious action with the object 
of attaining some definite result in a future existence proclaims his design before 
carrying out his performance, lts counterpart in the ritual of Hinduism is the 
so-called s a m k a 1 p a preceding the ceremony and contributory to its success. 
Other instances of it, though the name of pratiidhi is not used, wc met 
with at jAt. 1, st. 'M)—\V2, VIII, st. 53—55. 

' vid. ptinal extinction" or nirv4^a. 

* Cp. the foot-note on st. 18 of Jftt. I. 



\ 



j4takam&l&. 38l 

like the niooii sinking with upset disc behiud the mouiitiiin 
of setting, ' or like the sriow-cover of the peak of that 
mouutaiu, cast dowu hj the violent swiftness of the wi'd 
agitated hy the wiugs of Garuja. 

24. With the heavy noise of a whirlwind he precipitated 
himself dowu , shaking uot only the earth and the 
luountains, but also the iniud of M ra, possessed by the 
infatuatiou of sovereignty. * And in his fall he bent 
both the forest-ereepers and the forest-deities. 

25. No doubt, on that occasion the celestials residing about 
that forest we re aftected with the utmost astonishraent. 
From the ecstasy of their gladness the hairs on their body 
bristled and they swung their arms in the sky, their tine 
tingers tumed upwards. 

26. Some overspread hira with a thick shower of flowers 
sweet-scented and tinged with the dust of sandal. Others 
covered him with their upper garments , wrought of (celestial) 
unwoven stuff and resplendent with golden decorations; 
others with their omaraeuts. 

27. Others again worshipped him with hymns they had 
composed out of glad devotion ; and with the reverence of 
the anjali, their folded hands reserabling opening lotus- 
buds. He was also revered by them by bows of their heads 
with beautiful head-omaments and by prayers of veneration. 

2S. Some fanned him with an agreeable wind , such as arranges 
garlands (of foam) on the waves and is perfumed with the 
scents borrowed from the dust of flowers. Others held in the 
sky above his head a canopy made up of dense clouds. 

29. Some were prompted by devotion to make Heaven echo 
his praise with the sounds of the celestial drums. And more 
others enamelled the trees with an outburst out-of-season 
of new twigs , flowers and fruits. 

30. The sky assumed the lovely splendour of autumn, the 
sun's rays seemed to becomc longer , and the Ocean trem- 
bled and shook its wave-surface as from impatience to go 
and visit him out of gladness *. 



^ The astagiri, the mythological expression of the western horizon. Likewise 
there is a mountain of nsing, the udayagiri. 

' In the original c a put two times in the second |>Ada of this stanza is scarcely 
genuine. In the latter place, 1 suppose, there is to bc read sa. 

» L'p. jat. II, st. 38-40; VI, st. l^)— 21; VIII, st. 01—63; IX, st. 8<> and 90. 



382 jAtakam4i/i. 

Meaiiwhile thoso men folio winjjr the wav poiiited out to 
them , had reached the lake and after refreshing themselve» 
and recoverini^ from heat, thirst and fatigue, goiug on as 
the High-miuded One had instrueted them , saw at no great 
distance from that place the body of an elephant, died 
uot long before. And they reHected : '/What a stro ug li- 
keness this elephaut has to that chief of elephants! 

31. "Should he be a brother to that micfhtv beintr or some 
kinsman of his or oue of his sons^ In fact, it is the self- 
same beautiful tigure eqiialling a snow-peak we behold 
in thia body, even though crushed. 

32. "It looks like a eondensatiou of the lustre of many groups 
of waterlilies, like the concrete form of moonshine, or 
rather like flis image , reflected in a mirror." 

But some amoug them who had a keener judguit^nt of 
the matter entered upon this reHection. "As far as we see, 
this auiimd , whose surpasning beauty rivals with the elepliAnts 
of the world-quarters * , is that very elephant , indeed , 
who has throwu himself from this ])lateau, in order that 
He might save from distress us who are without relations 
aud friends." (And they said :) "^ 

33. //That noise we heard, as of a whirlwind , as of an earth- 
quake , was caused by /fi^ fall , to be sure. 

34 //This body , forsooth , is His. It has the samc yellowish- 
white hue of a lotus-root, and is covered with the like 
hairs as white as moonbeams aud adorned with tine spots. 
These are the same tortoise-like feet and white nails. And 
this is the same backi)one gracefully curved in gnise of 
a bow. 

3j. //Also this is tiie same face long and full , embellislied 
by the furrows of his wind-perfuming juice. And this is 
the same head , tall, auflj)ici()us, never touched by a driver's 
goad , standing on a strong ueck. 

3f). //This is the same couple of tiisks of a honey-colour; 
they boastingly bear the token (of his glory), being covered 
with the red dust of the mountain-slope. And this is that 



* Each of the eight parts of the horizon is imagined to be supportcd by an 
immense elephant. 

* These words are missing in the original. Something like this is however requircd 
by the context. 



J&TAKA3i&La. 383 

truiik with lon^, finger-likc tip, with which he showed 
U8 t\m wav. 

"Oh ! This is i'ursootli a woiuU'r of surpassiuf^ iimrvel- 
lousuess ! 

37. /'Ah! Sü great a frieudship lie has showntous, without 
before iiiquiriiig into out family , our coiuluct and faith , 
to us broken by luisfortunes and iiever heard of by hini 
before ! How great his frieudline^s must be for his friends 
and relations! 

'/In every way veneration be to liiin , that illustrious One ! 

38. ''Assistiug the likes of us, distressed people, overcome 
with fear and sorrow and desponding, he, hearing the 
shape of an elephant is likely to display the behaviour 
of one of those who strive for Self-perfection [?] '. 

39. "Where has he been taught this extraonlinary propi- 
tiousness? At the feet of what teacher mav he have sat 
in the forest? It is a popular saying: uo beauty of tigu re 
pleases without virtues; in him it is made true. 

40. ^Oh ! How he has raanifested by the exceediug loftiness 
of his nature the ex teut of his auspiciousuess * ! Verily , 
though he is dead , the satisfaction of his Self appears 
in his eoniplexion shining like a snow-mouutain , as if it 
laughed with joy ! 

"Who, therefore, will allow himself to feed on the 
body of this exceediugly virtuous being, who excelling by 
his goodness loviug relations and friends, was thus inclined 
to help us, thus ready to sacritice even his own life for 
our benefit? No, it becomes us rather to pay hini our 
debt of gratitude by the creniation of his body with the 
rites proper to a person deserviug worship." ITius consid- 
ering, they were inelined to iudulge in mourniug, as if 
a family-disaster had befallen theni; their eyes grew dim 
with teai-s and they were lamenting in a faltering voice. 
But some of them who had a stronger frame of mind, 

' Instead of the senselcss sidatsatAm etc. prof. Kern, by a very ingenious 
amendation , reads sishatsatAm udvahativa vfttam. Yet the common 
meaning of udvahati being „to bear, to keep high, to display*', I should 
rather like to propose a slight amendment, reading sishitsatam, and have 
translated accordingly. 

' Ot perhaps „how he has manifcsted the auspioiousness to be expected of 
an animal (so auspicious)." 



384 j4taka.u{1l4. 

perceiving their attitude and luiderstauding the ditfereiiee 

of the cases, spoke to them: "Verily, by doiug so this 

excellent elephaut will be iieither worshipped nor gratitied. 

For aught we küow, it is by the accomplishraent of his 

design that we ought to houour him. 
41. /'For it was with the object of rescuiug us that this 

being, a stranger to us nor even knowing us, left his 

body in this manner, abaudoning something dear tohira, 

to his guests, still dearer to him. 
4£. "For this reason it is proper to fulüU his design. Otherwise , 

should not the exertion of that beinj^ be made fruitless? 
4.*i. "He has offered affectiouately his whole property , forsooth , 

to entertain his guests. Who, then, would render his 

hospitality fruitless by not accepting it? 

44. "We are therefore bound to favour him by accepting 
it like the word of a teacher and we ought to secure 
also our own welfare. 

45. i/Afterwards, after sunnounting our adversity, we shall 
worship him either conjointly or severally, and perfonn 
for this excellent elephant the whole of the funeral rites 
due to a deceased kinsman.^' 

Accordingly those men, keeping in mind that the chief 
of elephants had taken his determination that he raight 
rescue them from the wilderness, obeyed his words. Thc^y 
took their provisions from the body of the Great Being 
and tilled his bowels with water, usiug them as water-bags. 
Then following the direction he had pointed out to them, 
tliey safely crossed that wilderness. 

In this manner the righteous do highly esteem even 
pain, as if it were gain, if they may cause by it the 
happiness of others. So is to be said , when praising the 
righteous. Likewise, when discoursing on the Tath'gata 
or on the subject of listening with attontion to the preaching 
of the Law. When treating of how to acquire an auspicious 
nature , this is to be added : "In this manner an auspicious 
nature obtained by exercise (of virtues) comes back in 
new existences." This story may also be told when demon- 
strating the virtue consisting in habitual charity. "So the 
habit of abandoning material objects makes it easy to 



j&takamül/I. 385 

give up eveu self-love." And on the words spoken by 
the Lord at the time of His Complete Nirv.'na, when He 
was atteuded with celestial flowers and celestial music : 
"Something like this , forsooth , is uot the right manner , 
Ananda, to gratifj the Tath&gata", this story may serve 
as the commeut, taking it for example: 'Jn this manner 
worship consists in fultilling the design (of the person 
honoured) , not in oflerings of perfumes , garlands and 
the like." 

In the Avad&nakalpalat& this tale occurs in pallava % where 
the Lord tells it succinctly. This pallava being not edited as yet, 1 
availed myself of the opportunity of a very short stay at Cambridge 
past summer to transcribc from the Sanskrit mss. Add. 13(J0 and 913 
of the Cambridge Univ^ersity Library the passage in question. It runs 
as follows. 
VArAvasyAm purA rajnA Brah madattena mantrinAm 
9atAni panca bhinnan&m nirastAni krtAgasam %,9. 

te rajabhityA samtaptA marumArgapravAsinah 
grïshme nirudakacch Aye nipetus tivratrshuay a in. 

vilokya Bodhisattvas tAn Bhadro' nAma mahAdvipab 
tatpralApeshu nirbhinnah kAruvyAt savyatho 'bhavat 11. 
durAt salilam AdAya sa hastcna mahiyasA 

tAn vitatrshQAn vidadhe payomulaphalapradal^ 12. 

tenaiva samtatam prshtan (sic) nirdishtaprA^adhara^Ali 
vi9rAntim tatra te prApuh pra9Antavipula9ramAh l'X 

kAlena ty aktadchasya tatas te tasya dantinah 
krtvA 9arirasaTnskAra(m) pujAip cakru^ surocitAm 14. 

kunj arena mayAraoye ta ete mantri^ah purA 
krcchrAt samtAritAs tasmAt etc. 15. 

This narration, though concise and by that shortncss sometimes ob- 
scure, points to a redaction somewhat different from the text used by 
(/ura. It is not plain whcther in this redaction the elephant kills himsclf. 
Pallava 1»>2 of the same work contains a similar tale of a lion who 
rescued a caravan from a big and terrible serpent. The Bodhisattva was 
at that time a lion,^\vho on hearing the cries of distress ofthc frightened 
travcllers , went at their rescue not alone but assisted by another animal 
of extraordinary virtue , an elephant on whose back he mounted in order 
to bring relief. He kills the serpent, but both virtuous animals perish 
in consequence of the venomous breath of the monster dying. In order 
to honour their memory, the people saved by them erected a stüpa. 
The serpent of that time was Devadatta, and (j'Ariputra was the elephant 
In the pAli coUection , as far as I know , no redaction of this story 
has been edited until now. 

^ The cpithct bh ad ra „the auspicious one" is given to the elephant also by 
(,*üra, sce the footnote on stanze :\^K 

5« Volgr X. 2G 



SANGIREESCHK TEKSTEN 

MET VKHTALING EN AANTEEKE?aNÖEN UITGEGEVEN DOOK 

N. ADRIANI. 



(Vervolg van Deel X blz. 168.) 

XLI. 
SANGIREESCHE RAAÜSEUS. 

Een raadsel heet in ^t Sang. tatinggung, werktuignaam van 
den stam tinggung (Bul. Sea, ingko, Pak. intjo, Bent. 
tingkum, Moug. tangki, Ponos. tangke, vgl. ook Jav. tjang 
kriman ^raadsel", Bal. ^/wiegelied, wonderspreukig raadsel//), 
w.w. vorm metinggung //raadsels opgeven//; tatinggung bet. 
dus //dat waarmee men opgeeft.// De raadsels beginnen alle met 
tinggung-tinggung, zooals bij ons met //r^-rA^//, doch dit kan 
niet anders beteekenen dan: //Ik geef op, ik geef op//, want 
//raden// is tika (man ik a), vanwaar tatika, //waarmee men 
raadt, oplossing.// De woordherhaling is eigen aan den stijl der 
raadsels , die min-of-meer in kindertaal zijn gesteld en ook Sasahara- 
woorden bevatten. Telkens wanneer dit voorkomt, zal er in de 
aanteekeningen op gewezen worden. 

Een der Sangireezen , die deze raadsels hebbeu medegedeeld , 
zegt vooraf dit: 

Tatinggung mëngkatewe kere apa rig ta gunane su 
taumata ta makaênna e, kai mambeng apa mak^- 
tualag^ laënna ip^bawatang tamai-ramai, u tating- 
gung kai kere kakiwa|o mas^gadë, kerewe tating- 
gung in i. 

Raadsels zijn als iets dat vrijwel zonder nut is voor menschen 
die ze niet begrijpen, doch het zijn dingen die het verstand ver- 



SANQIREESCHK TEKSTEN. ö87 

helderen , door het daarmee werpen en terugkaatsen , want raadsels 
zijn als moeilijke vragen , zooals de hier volgende. 

De meeste dezer raadsels kunnen slechts door kennis van de 
maatschappij waarin zij zijn ontstaan worden l)egrej)en : daarom is 
bij de keuze niet op den eisch van onzen smaak gelet. Die welke 
woordsj)elingen bevatten , vinden de Sangireezen H mooist. 



TATINGGUNÖ. 

T i u g g u n g - 1 i n g g u n g : 

1. Semi)oto eke, sëm])oto tatoë. Tatika-e: Manu ku 
Jehe-e r. to[ene. 

't Eene eind is een hengelhaak , 't andere een visch-speer. 
Antwoord : De hals en de staart van den haan. 

Met eke ^'hengel'/ is pek eng '/hengellumk'/ bedoeld en diens- 
overeenkomstig is vertaald. De visch-speer is de snavel , de gekromde 
staart wordt met een hengelhaak vergeleken. 

£. Darahung papile on as e. T. Mohong u maniji. 

Eene naald gebruikt om vuilnis uit te zoeken. 

A. De snavel eener kip. 

Papile, werktuignaam van p i 1 e (ma m.) //uitzoeken. '/ 

3. Mangëusajiji, mangënsonge, medea kakapurang 
kirabe. T. Raran tëlluh' u manij. 

De rivier op- en afgaan , zoekende naar een porseleinen kalk- 
kopje. A. De schaal van een kippenei. 

M a n g ë n s a I u en m a n g ë n s o n g e van s a | u en s o n g e , 
beide //rivier//, zijn op dezelfde wijze gevormd ak mangëm- 
p a n s e //oesters zoeken //, mangëmpuhe //vischjes , schelpdieren 
en derg. zoeken //, mangënsaghe //de riffen afzoeken // , van 
paus e (bet. onbekend), puhe //schelp// en saghe //rif, klip//. 
Over de bet. van het voorvoegsel, vgl. het Spr. bl. 202 bij 
mangintënno opgemerkte. 

4. Maugënsa[u, mangëusonge, m^de^ apiji bu|aeng. 
T. Ghësin tëlluhë, hawolane. 

De rivier o]3- en afgaan , zoekende naar gouden kalk (voor de 
betelpruim). A. De dooier van een ei. 



388 SANGIREF.SCHE TEKSTEN. 

Voor ir^J^i "vleesch, ook van vTurhten " wnrc beter da Joh o 
srezegd, daar K^^^» hoewel van denzelfden stam als 't Mal. Jav. 
Tag. l)av. Bug. Bat. Bal. Mig. isi, toch niet geheel sjuouiein 
daarmee is. 

5. Mangëusaju, mangensonge, medea pahiji bujaeng. 
T. Manümbaje. 

D*^ rivier op- en afzoeken naar een gouden tol-snoer. A. Koper- 
draad. 

üe afleiding van manumbaje is onbekend. Als w.w. vorm, 
bet. het '/een tatumbaje maken '/ , d. i. een steiger, om iets 
hoogs, een huis, boom of derg. te bereiken. 

6. Ba|e rihine ruambua, atu-e ruampaude. T. Manu, 
dihine ute wisj-e, atij-e ute pauid-e. 

Een huis op twee palen, met twee katoe-bladen gedekt. A. Een 
kip; de palen zijn hare pooten, de katoe-bladen hare vlerken. 

7. Binunukang susaka. T. Wawi rudajeug. 

Een groote mand , die naar boven klimt. A. Een varken dat loopt. 

8. Kalu pai ajako, sa|a makapia, sa|a tala. T. Hisa, 
u mapulu mêndabu, kaiso ma h e gang, medeau madiri, 
kaisü mapulu wue, u temang-e r'n) mahegang. 

Haal die plant daar eens , deels goed , deels niet. A. Spaansche 
peper, want men wil er daboe-daboe van eten , maar zij is scherp , 
doch 't niet te willen , maar men wil H weer wel , want de smaak 
is opwekkend. 

Daboe-daboe is eene soort van saus, gewoonlijk gemaakt van 
uien, Spaansche peper en zout, en als men 't kan bekostigen, 
varkeusvet en groente. 

De bet. van medeau madiri is //om nu niet te willen [dat 
gaat toch ook niet aan].'/ 

9. B u a n e p ë 1 o [ e , h a m u - e p a m i u s a n g. T. E m m e , u 
wuan ëmme, temang-e kai mapia, kere singka u kebi, 
a r a w e h a m u - e ute kai m a k a p a t e , m a ge n g k a n e n g a n g. 

De vrucht is genezend , de wortels zijn pijnverwekkcnd. A. De 
rijst, want de vrucht der rijst heeft een goeden smaak, zooals allen 
weten , doch hare wortels zijn giftig , wanneer zij gegeten worden. 

Peloje //genezend, verzachtend// komt van den stam u|e, 
(mu|e) //beter worden, herstellen//, waarvan ook mepapiluje 
//tot bedaren komen, in hevigheid afnemen.// Peloje bet. dus 
/' pijnhersteller // , evenals p a m i n s a n g , van den stam p i n s a n g 
(Mal.) //bezwijmer, pijnverwekker in zoo hooge mate, dat men er 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 389 

van bezwijmt." De Siuigireezen verhalen n.1. van de wortels der 
rijst-plant dat zij giftig zijn. 

10. PakeT u ghaghurang ta mawawau. T. Tajetad' u 
wang o. 

De voetsporen der ouden worden niet uitgewischt. A. De kerven 
in den kokospalm. 

't Is niet uitgemaakt , of met pakel'u ghaghurang bedoeld 
worden de litteekens , door den //hiel// d. i. den ffwoai» der blad- 
steelen van de successief afgevallen bladeren, dan wel de vrij 
diepe inkervingen , door menschenhanden in den stam van kokos- 
boomen gemaakt , om bij 't klimmen den voet er in te kunnen 
zetten. Hoogstwaarschijnlijk is het 't Imitste , en is dus de bepaling 
u ghaghurang met meer beteekenis gebruikt , dan in 't raadsel 
N^ 26, daar de lagere inkervingen althans gewoonlijk uit den tijd 
der ouders zijn , en betreden zijn door de voeten van den vader 
des eigenaars. 

11. Mawi SU wang o daluhe, tëngku|ebi-e wujaeug. 
T. Sinsing su tajimedo. 

Als hij klimt in den hoogen kokospalm, is zijn kring-touw van 
goud. A. Een ring aan den vinger. 

B a n g y daluhe is de naam van zeer oude en hooge kokos- 
boomen. K u J e b j , t ë n g k u J e b i of t a t ë n g k u | e b i , is de naam 
van een touw, waarvan de uiteinden aaneen zijn gevoegd. Als 
't om den boom geslagen wordt, omspant het den stam niet; de 
uiteinden zijn dus twee lussen , waarin men de voeten steekt , om 
een steunpunt te hebben bij 't I)eklimmen van gladde boomstam- 
men Ken ring geeft dus een juiste voorstelling van zulk een 
klim-touw , als 't niet gebruikt wordt. 

12. Ta we mangebu dihi, ka we mangebu kek ad e. T. 
Sinsing s u t a J i m e d o. 

Men trekt den ])aal niet uit, maar men trekt het gat uit. 
A. Een ring aan den vinger. 

13. Bu[ude ruambua nietetanung. T. Sahêmmang u 
sakaen<ir su ruambeka. 

Twee bergen, die een wedloop met elkaar houden. A. De vlerken 
eener prauw aan l)ei{le zijden. 

Mrtetanung bet. "een wedstrijd in het roeien of in 't loopen 
houden.// Het duidt dus hier aan, dat de beide uitleggers elkaar 
bijhouden. 

14. T a J i ra e d o n I) a w u m a I) a w i t i n g. T. B ë 1 1 i ng s u kot 9-e. 



390 SANOIREESCHK TEKSTEN. 

Damesvingers die in de hoogte hangen. A. Sirih-vruchten in den 
top (van den boom). 

De sirih-vruchten zijn langwerpig en zoo dik als een pink. De 
bijvoeging b a w ij beteekent, dat zij op hoogen prijs gesteld worden. 

15. Kamanga mabawiting. T. Uai su kotg-e. 

Een slijpsteen die opgehangen is. A. Eene mangga-vrucht in 
den top (van den boom). 

De vlakke gedaante van de mangga-malaka geeft aanleiding tot 
deze vergelijking. 

16. Gati masanggirang |ima. T. Surate, arau apaewen 
koateng u |ima, wohekang iringg su manga mararau, 
kere su Waranda. Kereewe ini kai niwohe su Sangih^ 
o, kai sen niratiug Waranda, arawe ghatin tau 
namohe ini tawe nirating u Waranda. 

De hand is naderbij dan 't gelaat. A. Een brief of al wat met 
de hand gemaakt of geschreven wordt , en naar menschen die ver 
zijn wordt gezonden, bijv. naar Holland. Zooals ook dit, dat toch 
op Sangir is geschreven, en Holland heeft bereikt, doch het 
gelaat des schrijvers heeft Holland niet bereikt. 

17. I kau hedo sini, ia kai sojoug pai. T. Watata, u 
pungene kawe su sëmpalang, arawe kotg-e kai tutondo 
tamai. 

Blijf gij hier, ik ga naar ginds. A. De batata, want de hoofdstengel 
is op 't eene gedeelte van 't veld en het uiteinde groeit naar elders. 
De batata is n.1. eene kruipplant. 

18. ^/Endaung, indng, piatau!'/ '/Kedi,k^di,momó, 
ia êndaung bue.// T. Pahuru r. pekeng. Pahuru temo- 
kang u kina: maeng sen naêllu, ute makai u pekeng 
SU k ombang-e. 

'/Moeder, hier is iemand!/' '/Stil, stil, kindlief, ik ben thuis." 
A. Het aas en de vischhaak. Het aas wordt aangebeten door 
een visch; wanneer het ingeslokt is, dan blijft de haak in zijne maag 
vasthaken. 

Ook wel : //Jai, indng, pia tau!// Jai is een uitroep van angst. 

19. Dade kentg, dala kentg. T. Kakahurang. 

Aan deze zijde kreupel, aan de andere zijde kreupel. A. Een 
koffo-hekel. 

Het werktuig kakahurang, dat dient om de kolfo te hekelen, 
is in 't Woordenboek beschreven. De groote hefboom, die aan 
de eene zijde met een treedplauk in beweging wordt gebracht, 




SANGIREESCHE TEKSTEN. 391 

gaat bij iedeien tred als een wipplank op eu neer, eii maakt 
aldus de l)ewcgiugeii van iemand die aan beide zijden mank is. 

20. Sëmpoto dano, sërapotcp kakuawa. T. Padamara, 
sobune r. Ja na. 

't Eeue deel is een meer , het andere een toorts. A. Bene lamp, 
met pit en olie. 

Ëeu kakuawa is. een brandend stuk hout , waarmee men 
heen-eu-weer zwaait, om er mee te lichten, eene soort van toorts 
dus, waarmee hier de pit wordt vergeleken, 

21. Kakalabë su cl Ij. T. Kina dêndila. 

• • • • 

Een keukenwaaier op den bodem der zee. A. Een plat-visch. 

Deze visch gelijkt op een schol en heeft door zijn platten vorm 
zijnen naam gekregen (Spr. bl. H9). Hij zwemt op zijde en doet 
daarbij, door zijne bewegingen aan een keukenwajtier denken. Zijne 
bruin-grijze kleur komt overeen met den boombast, waarvan de 
keuken waaiei"s gemaakt worden. 

22. Mananina su ëllj. T. Kina sauëmpa r. sam^-e. 
Een zwartverver op den bodem der zee. A. De inktvisch met zijn sap. 

23. Bautajë su ëlli. T. Kina kapughu. 

Een koffer op den bodem der zee. A. De koffer-visch. 

24. Tëmbahe susuhi ngura. T. Kina sënsuang, kai 
kere tëmbahe dumajeng majeang su ghilamu. 

Een spies die een jong bosch binnen gaat. A. De sënsuang- 
visch, want even als een spies gaat hij schietende door het wier. 

25. Singongo wou Jaede. T. On tap eng, bati^ siugo- 
ngone kai susebang bou wawa Ja e-d e. 

De adem komt uit de voeten. A. Ben blaasbalg, omdat zijn 
adem onderaan uit zijne voeten uitkomt. 

De voeten van den blaasbalg zijn n. 1. de twee bamboe-kokers, waar 
de lucht, die er van boven in gedreven wordt, tegen het vuur van 
onderen aan uitkomt. Zie de beschrijving in Wdbk. i. v. onta. 

26. Bantaj' u ghaghurang ta mapapingka. T. Seba u 
taumata, u kai ta bekene majekese sarang mate. 

Een koffer van ouders die nooit opengaat. A. De borst des 
menschen , want het is nooit verteld dat die is opengegaan , tot 
zijnen dood toe. 

27. Bujude sëmbua nilak^ng. ï. Sohong u maniji. 
Ben niet balsiMuiiu; geverfde ])erg. A. Een hanekam. 
NlilakTing bet. ^met la ka geverfd.'^ - Over dit gebruik is 

g^*^proken in di» Aant. bij N*». XXIa, bl. 48, van dezen Jaargang. 



392 SANGIRESSCHE TXKSTEN. 

28. Mageng ta koineliaug, ta|uiuege. T. Lansong, 
bati^ kereu ta pesukang kai ta mabeka. 

Wanneer hij niet aan zijn mond wordt geknepen, lacht liij niet. 
A. De lansong-vrucht , want als zij niet wordt geperst, barst zij 
niet open. 

29. Mageng ta kapuang, ta mêngkil^. T. llëmbia 
r^dondongang, mageng ta kapuang, tawe marondong. 

Wanneer het niet wordt gewreven, heeft het geen ontlasting. 
A. Sago , die men door de zeef laat gaan , wanneer die niet 
wordt gedrukt, komt zij niet door de zeef. 

Het sago-meel, dat nat in de manden gepakt wordt, wordt tel- 
kens in de benoodigde hoeveelheid met een schelp er uitgekrabd , 
en door een groffe zeef van lumbaha-bëlla gezeefd. De voch- 
tigheid er van maakt het soms noodig, dat men het met de vlakke 
hand door de zeef heen wrijft. 

30. Datun Pung-u-|angi simëbang, sala-e tim- 
bun g. T. Kina hola, ten mohong-e. 

De Koning van den Gezichteinder is uitgegaan , met een kokos- 
bladnerf als haarsieraad. A. De bek van den hola-visch. 

S a 1 a is een bloem of een ander versiersel , dat men in het haar 
steekt. De hola, die uit de zee komt aanzwemmen en daarom 
//Koning van den Gezichteinder" wordt genoemd, heeft een langen 
spitsen bek , die vooruitsteekt. 

31. Penga isuang su penga. T. Salana r. taumata, 
ten bisj-e. 

De eene gevorkte tak wordt geplant in den anderen. A. Een broek 
en de beenen van den mensch. 

32. Këlome nangëllu dulung. T. Kahiwu. 

De këlome- vi SC h heeft de zeekoe ingeslikt. A. Een sarong. 

De këlome is een weeke visch (lome, slap), en de sarong, 
die van zachte stof (kofib of katoen) is, wordt er mee vergeleken. 
Bij een dulung wordt de vrouw vergeleken, die met de sarong 
bekleed is. 

33. Bahoa namutan deaje. T. Kakiraeng pangihiang 

bangv* 

Een reiger braakte A. Een rasp, waarop een kokosnoot 

geraspt wordt. 

De klapa-rasp bestaat uit een stuk hout dat horizontaal op de aarde 
ligt; een weinig van 't eene eind verwijderd komt er een zijtak 
uit, die ietwat schuin naar buiten opstaat, en daarin is het rasp- 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 393 

mes, ongeveer iu den vorm van een dissel, van boven ingestoken. De 
oj)staaude tak wordt met een reiger-hals vergeleken , en de neervallende 
klapavlokken met (wit) braaksel. Watdea[e beteekeut , weet ik niet. 

34. Pilikang tëmbahe, mekaese enne, metaming 
dapella, wiwih-e uase. T. Baung u sesa, ""kekoateng 
panamba. 

In den toestand van te zullen afgehouwen worden , is 't een 
spies, als *t uit elkaar gaat, is het als zand, sluit *t zich, dan is 
't een rots, zijne lippen zijn van ijzer. A. Nipa-palmbladeren . 
waarvan men hoeden maakt. 

Dit raadsel noemt vier toestanden waarin het blad van den 
nipa-palm komen kan. Als het in nog opgerolden toestand aan den 
boom zit en voor 't gebruik zal afgehouwen worden, is het dun 
en puntig als een spies, wordt het uit elkaiir gehaald, dan zijn 
de afzonderlijke bladeren die los komen buitengewoon talrijk (als 
zandkorrels) , sluiten de bladeren zich , dan zijn zij vast ineen- 
gedrongen en de bladranden zijn hard als ijzer. 

35. Tajangke, tajangke, laugj e, kakahëbane! T. 
Rajombo. 

Vlucht, vlucht, de hemel is aan 't instorten. A. Een werpnet. 

liet werpnet spant zich als een halve bol over de visschen uit. 
Als het wordt ingehaald , is het dus voor de visschen , alsof de 
hemel instort. Dit raadsel wordt ook aldus opgegeven : T u m a- 
Jangke, tumajangke, Jangj e mahebae. '/Laat ons vluch- 
ten, laat ons vluchten, de hemel stort in." 

36. Pia |imane, pia badang-e, pia matane, pia 
m o h o n g - e , k a i t a w e t ë m b o - e r. t a t u | i n e. T. K a h a k a , 
u patikiji bajunang-e pia, kal tawe tëmb^-e. 

't Heeft handen, een lichaam, oogen, een mond, en toch geen 
kop en geen ooren. A. Een krab , want den geheelen romp heeft zij, 
maar zij heeft geen kop. 

Dat dit gcheele raadsel op onnauwkeurige waarneming berust, 
is duidelijk. 

37. Bawi sënduru nakapene banua. T. Sojo. 
Een stuk varken vulde een huis. A. Eene lamp. 

Duru (mënd.) bet. '/afsnijden/', sënduru is dus '/een afge- 
sneden stuk, een jjedeelte.// Hier wordt aldus het varkensvet 
genoemd , waarvan de lamp brandt , die het huis met licht vult. 

3s;. Pilikang su pungene, hum^te su koto-e. T. 
K a h i w u a u g. 



i 



394 SAN6IRRESCHK TEKSTEN. 

Als liet geslaf^eu wordt aan zijn voet, geeft het geluid aan den 
top. A. Eeii weefgetouw. 

Bij liet weveu wordt geslagen inet de bajira tegen de kam of 
sasuahe, die den pas ingeslagen draad aandrukt tegen het ge- 
weven stuk, dat zich vlak voor de weefster, in de breedte van 
hoogstens twee palmen, bevindt. De hierdoor veroorzaakte schok 
wordt door de draden van 't weefgetouw overgebracht naar de 
(ledaje, die juist aan 't andere eind van het weefgetouw zit en 
die dan geluid geeft. Zie de Aant. bij N^ Xla (B. T. L. V. 1893, 
bl. 430) en bij N». XVIlI/y (Ibid. 1894, bl. 29). 

39. Kahiwuang dandang, sa|^-e taumata. T. Sapie. 
Een sleep-weefgetouw , met menschen tot inslag. A. Een slaapmat. 
De slaapmat ligt op den grond en wordt daarom vergeleken bij 

een weefgetouw, dat niet door de weefster gespannen is, toen zij 
't verliet, of waarvan 't spantouw gebroken is. Het raadsel is pas 
juist, wanneer de menschen dwars over de mat heen liggen, in 
de richting van den inslag. 

40. Batun kuang mangalo. T. Buan tuwa. 
Een tjongka-pit doet oorlog aan. A. De tuba- vrucht. 

De tuwa (Mal. tuba, Millettia sericea) is de plant die gebruikt 
wordt om de visschen mee te bedwelmen. Van de meeste soorten 
gebruikt men de stengels, hier is echter blijkbaar de tuba-bidji 
of andowalli (Anamirta Cocculus) bedoeld waarvan de zaden (hier 
met de pitjes vergeleken welke men bij het kuang of tjongka- 
spel gebruikt, zie Wdbk. i. v. kuang) gebruikt om den visschen 
den oorlog aan te doen. 

41. Hedo SU m aio u wyu ha pus -e. T. Kasing. 
Het danst eerst nadat het gebonden is. A. Een tol. 

42. Hedo mangalo u wyu ru|e-e. T. Lawuo. 

Het valt eerst aan nadat het vermorzeld is. A. De tuba-plant. 

Lawuo worden blijkbaar de soorten der tuba-plant genoemd , 
waarvan men de stengels gebruikt tot het hierboven genoemde 
doel. Deze stengels worden eerst gekneusd , om het bedwelmende 
sap beter af te geven. 

43. TëlluhO neb era, katoang timalang. T. Boloke 
ipangujuhe d. ipamatung sikutjin ka pa Je, d. tajine. 

Het ei gaf geluid , de slang vluclitte weg. A. Een katrol , waarmee 
men de sloepen van een schip neerlaat en opliijscht, en het touw. 

l^olóke is het HoU. "blok//, een seheepsterm voor katrol, die 
om haren ronden vorm met een ei vergeleken wordt. De bijge- 



SANQIREKSCHE TEKSTEN. 395 

voegde verklaring' van het woord dient om aan do Sangireezeu 
duidelijk te maken wat men bedoelt. Het touw dat er doorheen 
loopt , is de slang die het ei wil stelen , maar voor het gejiiep 
dat het blok maakt, op de vlucht gaat. 

i4f. Sakaeng ponggo, ba lang -e mahasu. T. Rajiawed^. 

Een schip zonder voor- en aehtersteven , met duizend roeiriemen. 
A. Het insect dajiawedc. 

Ponggg bet. "afgeknot zijn.'/ Het hier bedoelde dier heeft 
veel meer pooten dan de duizendpoot en kan dus met minstens 
even veel recht een schip met duizend roeiriemen geheeten worden. 

45. Mag eng ta sewohang, ta manginung. ï. Tatimba. 

Wanneer het niet bevochtigd wordt, dan drinkt het niet. A. 
Een waterschepper. 

De stam tatimba komt in den vorm t i m b a in nagenoeg alle 
Indonesische talen voor (zie Brandes, Proefschrift, bl. 12).^Waarom 
het Sangireesch de eindlettergreep gesloten heeft, kan niet uit de 
andere talen verklaard worden, het is dus waarschijnlijk geschied 
om klank verzwakking te voorkomen. Vgl. Spr. bl. 39. 

De waterschepper is eene soort van emmer, gevlochten uit 
nipa-bladeren en dus zeer licht en glad, zoodat hij «op het water 
drijft. Hij zinkt dus niet, om te '/drinken^, tenzij hij eerst be- 
vochtigd worde. 

4j6. Ba|e rihine sembua. T. Palung. 

Een huis op een paal. A. Een zonnescherm. 

47. Ba|e watu kabawawa. ï. Komang. 

Een steenen huis, dat gedragen wordt. A. Eene krab. 
De komang is eene soort van landkrab, die een huisje op den 
rug draagt, zooals de huisjes-slak. 

48. Xalu mëbëbuan bara. T. Kalu limbalo d. wuane. 

• • • • 

Een boom die zwaarden tot vruchten heeft. A. De limbaly- 
boom en zijne vruchten. 

De liml)al(.) is een boom die zeer lange, smalle vruchten draagt. 

49. Papakang sëhempy. T. Isi. 
Een mandvol beitels. A. De tanden. 

50. Kereen kapandenu: Sude surat' i amang-u 
rëduan ninaug-u? T. Kakëduang. 

Daar gij dan zoo knap zijt : Welke is de brief van uwen vader 
en uwe moeder":' A. Mijn tweede ik. 

\N ie Kakëduang is, is reeds op bl. lOS van dezen jaargang 
vermeld. Overigens begrijp ik de beteekenis van surate in dit 



396 8ANG1KEESCHE TEKSTEN. 

raadsel niet. Uitdrukkingen als kereen kapandenu, beteekeneu 
woordelijk : aldus uwe knapheid zijnde. 

51. Lode-lode, k&ng-e wunu. T. Lu tang. 

Een liggend iets, dat kokos-vezels eet. A. Een geweer. 

Lode-lode zegt men van een inensch of kind, dat graag ligt. 
]Mj het laden van geweren , die natuurlijk van ouderwetsch systeem 
waren, werden er ook wel eens wat zachte b u n iji- vezels bij het 
papier gebruikt, om als prop te dienen. Men speekt op Sangir 
ook nog steeds van mendiko jutang /'een geweer aansteken '^ , 
een term die alleen voor lont-geweren past. 

5£. Mawune marange ëllang-e. T. Wukëhang. 

De heer is lager dan de knecht. A. Het b u k ë h a n g-graan. 

J)eze graansoort schiet hooger op dan de rijst, maar wordt niet 
zoo hoog gesteld als deze en daarom de knecht van de rijst 
genoemd. 

53. Kum&ng k&ng sa dia, kumina kina sadia, maka- 
pate kai lunus^. T. Ake u susu. 

Gereede spijze eet het, gereed vleesch eet het, en wat het zou 
doen sterven is de honger. A. Melk. 

Het antwoord van dit raadsel slaat op de spijze en het vleesch, 
daarin genoemd. De moedermelk is wel het voedsel voor het wicht, 
doch de Sangireezen gelooven , dat het tocli zou verhongeren , 
indien hem niet eenige vaste spijs in den mond wordt gestoken 
en diuirom krijgen de zuigelingen reeds eenige dagen na de ge- 
boorte dagelijks gekauwd voedsel , oiu niet van honger te sterven. 

54. Dario kadodo susadada u woto. ï. Na nasi. 

• • • • 

Een klein kind, dat bevallig prijkt met een hjiarwrong. A. De 
ananas. 

De ananas-vrucht draagt een kroontje, dat hier een haarwrong 
wordt genoemd. Het woord sadada wordt bij voorkeur gebruikt 
van kinderen , die met iets loopen dat hun goed staat. Dit raadsel rijmt. 

55. Dario kadodo maningku|u tojeu talaug. T. 
Pauid'u |ango. 

Een klein kind , dat een v liegende- vischstaart op den rug 
draagt. A. De vleugels van de vlieg. 

De i k a n m a 1 a 1 u g i s heeft een vliezigen staart. 

56. Mangënsajn, mangensonge, medea kasili uhise. 
T. Ponsoje bou kinëllu. 

De rivier op- en afzoeken naar witte palingen. A. Geschilde 
bamboespruiten. 



SANOIREESCHE TEKSTEN. 397 

De jonge iiitspruitsels der bamboe zijn eene geliefde groente op 
Sangir. Als ze van hunne bruine schubben zijn ontdaan, zien ze 
er wit uit. De bamboe-planten groeien gewoonlijk langs de rivier. 

57. Mangënsa|u mangënsonge raedea kapiji ta bu- 
kune. T. Ue. 

De rivier op- en afzoeken naar een liaan zonder knoopen. 
A. De rotan. 

De rotan heeft slechts vlakke knoopen , die weinig in 't oog vallen. 

58. Sënsepe mawi, sënsepe mawi. T. Raung u ghiutc;. 
Het klimt bij sepe's op. A. Gi nt o-bladeren. 

Sepe is de naam van een kam (Mal. si kat) van een tros 
pisang, zooals de natuurlijke afdeelingen der bananen-trossen ge- 
naamd worden. De bladeren nu , die aan den rankenden stengel 
van de ginto-plant voorkomen, worden, om hunne diep inge- 
sneden bladranden (zij gelijken op varen-bladeren) met pisang- 
kammen vergeleken. Die bladeren zitten op regelmatige afstanden 
aan den stengel, die dus, voor 't oog, bij blads-afstanden opklimt. 

59. Sënsepe susélle. T. Kahaka. 

Eene kam pisangs loopt langs het strand. A. Eene krab. 
De krab wordt om hart», uitstekende pooten , bij een kam pisangs 
vergeleken. 

60. Ino sëmbënsade. T. Wuan ka pa la. 
Een vat vol kralen. A. De papaja- vrucht. 

De papaja-vrucht heeft vele zwarte pitten, die in een helder 
doorschijnend omhullend vocht onder de pithuid zitten. 

61 . M a d a p o 1 a n g s u k ë h u. T. E a u k a 1 u n 1 ë m b a w u u 
mawaw i ra. 

Wit katoen in het bosch. A. De witte bladeren van den lëm- 
b a w u a-boora. 

De vruchten van dezen boom hebben bladvormige uitsteeksels 
(vervormde vruchtdeelen) die wit zijn , zoodat zij er in de verte 
als wit katoen uitzien. Madapolang is de Sang. uitspraak van 
m a d a p o 1 1 a m , den naam eener geweven stof. 

62. Binati tataka-e ake. T. Kuji pamangkonang, 
tang 11 SU rajung u kuji ene kai ake, naun ake pëleha- 
ra i s a n g h ë m b i a. 

Iets dat in de zou is gelegd om te drogen heeft tot bedekking 
water. A. Een vat waarin sago geklopt wordt en in dnt vat is water, 
welk water gediend heeft om sago in te wasschen. 

63. Pilikang ta ënna-e. T. Ake. 



898 SANGIKEESCHE TEKSTEN. 

Als 't gehouwen wordt, krijgt het geen litteeken. A. \A'ater. 

84. Boiaug nauiikung hatu, watu iianiiku ug apu, 
a p u u a m i k u II g a k e. ï. W u a u b u n g o , b u n u - e , r. k a w u- 
J u n e , g h ë K i u e r. a k e w e. 

Bordpapier dat steen omsluit, steen die kalk omsluit, kalk die 
water omsluit. A. De kokosnoot, haar vezelomhulsel, haar dop, 
haar vruchtvleeseh (dat wit is , en daarom bij kalk vergeleken wordt) 
eu haar water. 

65. Ba|e rihine sëmbua, makadatu. makaboki. T. 
Paluug. 

Een huis op é6u paal, dat iemand tot koning of koningin 
maakt. A. Een zonnescherm. 

Alleen de vorsten mochten vroeger op Sangir een zonnescherm 
gebruiken, en wel gedragen door een slaaf of //wachtmensch'^. 
Vergelijk ook N«. 46. 

66. Paha-paha bawa, taghuM-a^a rasi. ï. \Va|e. 
Het uitkijkdek is beneden, de kiel boven. A. Hen huis. 

Met de '/kiel" wordt hier de boven-daklijst bedoeld, de nok, 
die in 't Sang. sasa^awo, Mol. Mal. mofana heet. Paha- 
pah^, de uitkijk, soms de voorplecht van 't schip, soms iets dat 
meer met den mars overeenkomt, is iets dat de gedaante van een 
paha (de bekende rookvliering of rookhorde) heeft, zie N^ XVIII, 
Aant., bl. 30 van dezen Jaargang. Waarom de laatste lettergreep 
half gesloten is, weet ik niet. Met paha-paha is hier de vloer 
bedoehl. Taghuwa^a, de benaming voor den binnenkant der kiel, 
is met 't voorvoegsel taghu (Spr. bl. 132) gevormd van ba|a, 
bodem, diepte, dal, hier in de eerste beteekenis gebruikt. 

67. Bujude ruanbua, nanajine kapeda. T. Irung pia 
s ë m m u n g. 

Twee bergen die sago-pap tot hebben A. Een neus met snot. 

De bet. van nana|i weet ik niet. 
6S. Kajiwëmbang lu|ika na po. T. Tu|i. 
Vlinders die om eene rots in zee vliegen. A. De ooren. 
Ooren die wijd van 't hoofd stnan, heeten in 't Sang. tu|i tëlla 
//vliegende ooren.// 

69. Ka|epa masasandehe. T. Irung. 

Een kokosblad-stengel, die tegen iets steunt. A. De neus. 
Deze vergelijking geeft zeer juist den vorm van den breeden 
stompneus der Indonesische volken aan. 

70. Dario kadodo makadating pung u Jaugj. T. Mata. 



SANGIREE8CHE TEKSTEN. e399 

Een klein kind , dat den gezichteinder kan bereiken. A. Het oog. 

71. Sëmpoty ba tang, sein pot o sahëmpang. T. Badang 
u taumata r. (ima. 

Het eene is een boomstam, het andere eene vischsspeer. A. Het 
lichaam van den mensch en de hand. 
De visch-speer is bij N*». 143 beschreven. 

72. Kahëmmisë makapande. T. Wohe. 
Mieren die wijs maken. A. Letters. 

73. Umberere, um ba rara, mangangemoug darig. T. 
Tamborë. 

Gteroffel dat kinderen verzamelt. A. De trom. 

Umberere en u m b a r a r a zijn twee klanknabootsende woor- 
den, met klankafwisseling, ongeveer weer te geven met ons. 
gebim, gebam, geboem, of iets dergelijks, om het geroffel op de 
trom aan te duiden. De trom is op Sangir het middel om de 
menschen te verzamelen, lot een gerechtszitting, of bij het zien 
van een marineboot, die misschien den Resident aan boord heeft, 
dien men met allerlei eerbewijzen moet ontvangen. 

74. Tujine manandu ka|eh§. T. Wajiung. 
Het oorsmeer is langer dan het oor. A. Eene bijl. 

Het bijl-ijzer, met het gat voor den steel er in, wordt bij het 
oor vergeleken en de steel met het oorsmeer dat er uitloopt. 

Over den hier gebruikten comparatief-vorm, zie Spr. bl. 283. 

In de daar gegeven voorbeelden verbetere men tevens: maran- 
geben kau in marangebe i kau terwijl van ma|ënggi- 
heben en mapiawen de scheidpartikel n aan 't eind moet 
worden weggelaten. 

75. Dario kadodp mamamëntaden badoa. T. Mata. 
Een klein kind , dat de zee afreist. A. Het oog. 
Mamamëntade en badoa zijn beide Sasahara. Vgl. N°. 70. 

76. Mani^ punggu darua metetangga, m^tetajawidae. 
T. Kakandong. 

Twee staartlooze kippen vechten met elkaar en draaien om elkaar 
heen. A. Een touwslagerswiel voor gumutu-touw. 

Eene andere (rythmische) lezing van dit raadsel is deze (de 
sasahola, zie boven, bl. 131, is door accenten aangegeven): 

Mdniji pdnggi^ ddrua, 
Netdngga, nëterë, 
Nedal^mbiden taine, 
Nga netiingga, n^tere. 



400 SANOIRKE80HK TEKSTEN. 

/'Twee kortstaartige kippen stooteii tegen elkaar, vechten , draaien 
hunne uitwerpseh^n in elkaar, stooten tegen elkaar, strijden." 

De kakandoug is een werktuigje, ora touw uit gumutuvezels 
te draaien. Het bestaat uit twee kruiselings over elkander gebonden 
ba Ja-staafjes, waarvan het eene eind in een haakjes uitloopt, waar- 
aan men het touw bevestigt, en het andere eind los in een bamboe- 
koker steekt , dien men in de handen houdt. Door een draaiende 
beweging van de hand , wordt die staaf in den koker aan 't draaien ge- 
bracht. Het andere stokje dient slechts, ora met dit eene een touwwinder 
te vormen, waarop men telkens het eindje touw dat gereed is, opwindt. 

Mëtëtalawidae is een raadsel-woord , dat in den klank iets 
heeft van pi da re en lam bi de, die inelkander slingeren en draaien 
beteekenen. 

77. Katoang su tanumba|e. T. Sasaran ba|e. 

Een slang aan (of op) den huisvloer. A. De drempel van een huis. 
Tanumbaje is de ruimte binnen de wanden van een huis. 

78. Papua wilid-e §pa T. Pelesuku. 

Een Papua met vier kanten. A. Een jeneverflesch. 

Het woord pelesuku is 't Mol. Mal. flesko, dat uit 't Por- 
tugeesch stamt. Het wordt alleen gebruikt van de vierkante ttes- 
schen, waar men arak, jenever enz. in doet; andere flesscheii 
heeten botoje. Mol. Mal. botol, 't Holl. "bottel//. 

79. Ka pijl SU pan in du, nebuan botoje. T. Ketagheng. 
Ken slingerplant op het erf draagt flesschen. A. De kalebas. 

80. Dario mani^eke su liwua. T. Kohabë. 

Kinderen die hengelroede slaan in een vijver. A. De oogharen. 
Het vooroverslaan van de hengelroede is in 't groot dezelfde bewe- 
ging als di(ï welke de wimpers maken bij 't knippen met het ooglid. 

81. Metatde su [iang. T. Rila. 
Een wanner in een hol. A. De tong. 

Het op-en-neer gaan der tong wordt vergeleken bij de beweging, 
welke de wannere met de wan maken. 

82. Papua su wow on Balanda. T. Tinta r. kurapfre. 
Een Papua op een Hollander. A. Inkt en papier. 

83. Kina b i n e k a n D u a t a. T. R ë n d i 1 a. 
Een visch door God gespalkt. A. De plat-visch. 

Dëndila (zie Spr. bl. 69) is de naam van een zeer plat soort 
van visch, verschillend van onze //tong/', hoewel gelijknamig er 
mee. Doordat dit dier zoo dun is, gelijkt liet op de helft van een 
gespalkten visch. 



9ANGIRKKSCHE TEKSTEN. 401 

84. Pi 80 pekuh? su ëll]. T. Kina Bern ba 

Een knipmes op den bodem der zee. A. De bëm ba-visch. 

Pekuhe. een verlengde vorm van peku, is van denzelfden 
stam als p i n ^ k u , p i n sr k u h e en 1 e k u (vouw). De gewone bena- 
ming voor /'knipmes'' pis o Jipa, het Mal. pi san lipat. 

Het antwoord moest eigenlijk luiden : de sehaar van de b e m b a , 
een garnaal met groote scharen , die men op de riffen vangt. 

85. Tetuh§ su ëll]. T. Kina mëraeha. 

Een vurige kool op den bodem der zee. A. De mënieha-visch. 

De raëraeha-viseh is geel-rood van kleur. De bet. van den 
stam meha (zie boven, bl. 1H7, Aant. bij N^ XL) ligt tusschen 
"rood" en "bruin", vgl. Sang. meha "bruin", Mal. merah 
"rood, bruinrood", Dano mea, Saw. meha "rood"; doch Sang. 
mea, O. Jav. irang, Bal. erang "schaamrood". In dit eene 
geval komt het woord ook in 't Sang. in de beteekenis van 
"rood" voor. 

T^tuhe is gevormd van eene variatie van den bekenden M. P. 
stam tung, (Kern, Pidj i-taal, bl. 184) waarvan Sang. j>utu ng 
"Vuur", mëtAng "koken", mauutung '«'verbranden ", ka nut ung 
" brandend stuk hout " , euz. 

86. Mahana u pajed?, mëta|apuhaug u siku.T. Wuan 
koka. 

Het brengt een (hand) palm voort, het koe^stert een elleboog. 
A. De koka-vrucht. 

De koka-boom (Oaesalpinia pulcherrima) brengt bij menigte 
mislukte vruchten voort , de wordende goede vruchten * worden bij 
de palm van hand of voet vergeleken , de mislukte bij ellebogen , 
eigenlijk moest het zijn bij "armen", daar zij plat rolrond zijn. 

87. Mangënsa|u, mangënsonge, mël^ke watu manipj, 
s ë n g k a J e k e , watu m a n i p i e k a i soa. T. K a s e n A n g. 

De rivier op- en af zoeken en een platten steen oplichten ; bij 
het oplichten van den platten steen ziet men dat het eene stad is. 

Bij het oj)- en afzoeken der beken , lichten de Sangireezen tel- 
kens de steenen op, om de garnalen of kleine visschen die daar- 
onder schuilen, te vangen. Het oplichten van het deksel eener 
kapdoos, aan welks binnenkant zich een spiegel bevindt, wordt 
daarmee vergeleken en in dien spiegel ziet men dan eene stad of 
wat daiirin nl verder weerkaatst wordt. 



*) Dr. Büerlage, handleiding tot de kennis der Flora van N.-Indic, I, bl. 393. 
5e Voigr. X. 27 



402 SANOIBEESCHB TKKSTEN. 

88. Sondang i Wodi^ su Jaugi, naiiawo nëtumbaliling. 
T. Raung u patung mijluawon anging. 

De kris van Bodia aan den hemel draait zich al vallende. A. 
Bladeren van de bamboe, die vallen door den wind. 

De bladeren van de patung (Bambusa aspera) zijn zwaardvormig 
en zeer licht, zoodat zij bij het afvallen ronddraaien. Bodia is 
een eigennaam, waarschijnlijk gemaakt van Bodiake (Bis. bodiak) 
"lans, spies'/; sondaug i Wodia kan dus vertaald worden met 
/'de kris van den steker.'/ 

89. Bahugha riJidurnh^. T. Tëntangub'u sakaeng. 
Een graf huisje dat langs de kust vaart. A. De hut eener 

prauw. 

90. Maten pêsasambo ta uusa kaotongang. T. Uhiang 
d. tau mëbebowo rarig. 

Men sterft van het zingen en er komt geen eiland om aan 
te leggen. A. Een wieg en iemand die een kind in slaap zingt. 

Sasambo's worden dikwijls door de roeiers gezongen, om de 
zinkende krachten te verlevendigen, b.v. als er een eiland in 
't zicht is, waar men wil aanleggen. Met dit mesambo wordt 
het m^bowo vergeleken. 

91. Pilen h&\\ ta maia^ua. T. Kady. 

Patroon van een kleedingstuk (koffo-weefsel) dat niet kan uit- 
getrokken worden. A. De kaskado. 

De kaskado is eene huidziekte (psoriasis) , waarvan men kringtMi 
en figuren op de huid krijgt, die bij het patroon van een koHo- 
weefsel worden vergeleken. 

92. Timëlla kaëmbang kapajë, nanawo kuwang u 
|io. T. Pan ik i d. iingkube. 

Een roofvogel van het schip vloog op en er viel een waschkom 
neder. A. Een vleermuis en een jonge kokosnoot. 

Lingkube is de naam van de kokosnoot die afvalt voordat 
zij' vleesch heeft gezet, dus voordat zij lewohe heet. Wanneer nu 
een vleermuis, die op een kokospalm gezeten heeft, er af vliegt, 
valt er vaak een vrucht waarvan zij geknabbeld heeft, als ling- 
kub§ af. Deze wordt in het raadsel kuwang u |io genoemd, 
't welk de naam is van de uitgeholde J kokosnoten , die , met 
water gevuld , dienen voor de reiniging na 't verrichten der be- 
hoeften. Lio is de vloer, die vroeger de plaats was waar men 
zijne behoeften deed. Vgl. de uitdrukking ma me u Jio (B. T. 
L. V. 1898, blz. 482). 



SANGIREESOHE TEKSTEN. 403 

98. Pangkolaensr-pangkojada tiraumpa su rano, 
nakajësa. T. Lairu. 

Toen de Kromme iii liet meer sprong werd het er droog van. 
A. Een pollepel. 

Pangkojaeng-pangkojada is een grappige benaming voor 
den pollepel, die ik met /'kromme'/ heb vertaald , omdat p a n g k o 
een verbasterd bangko //krom// is. De steel van den pollepel is 
aan het eind gebogen. 

94. Kalu sëiiipedi pahamawuang. T. Diabatang. 
Een stuk hout waaraan men eer bewijst. A. Een schepter. 

95. Lëhas-e su |ikud-e. T. Lumbaha. 

Het heeft zijn kern-hout op den rug. A. De bladnerf van den 
sago-palm. 

Lëhase is de naam van het harde kern-hout van alle hout- 
soorten. T o g h a s e (Mal. t ë r a s , Brandes , Proefschr. bl, 44 , 45) is 
niet in die bet. in gebruik, alleen maar als stam van matoghase 
//stevig". De bladnerf aan den sago-palm (Mol. Mal. gaba-gaba) 
heeft van buiten eene harde schaal, van binnen eene zachte kurk- 
achtige pit. 

96. Tahëntungang kabawiting. T. Koka. 

Een stekelvisch die in de hoogte hangt. A. De kokavrucht. 

97. Bujo sëmpü ng dijidajeng. T. Momana. 

Een bamboe-stoel die zich voortbeweegt. A. De momana (een 
stekelvisch). 

98. Tujine su |aed-e. T. Sanëmpa. 

Zijne ooren zijn aan zijne pooten. A. De inktvisch. 

De vangarmen of tentakels van de stekelhuidige dieren noemen 
de Sangi reezen h a m e , deze worden met de pooten der andere dier- 
soorten vergeleken. De zuignappen die zich aan 't eind bevinden, 
worden hier tn\\ genoemd naar hunne overeenkomst met ooren. 

99. Masingka mam on a, wega man el ede. T. 'KaJu- 
b a n g k a n g. 

Het kan netten knoopen , maar weet ze niet uit te werpen. 
A. Eene spin. 

100. Laed-e manüng tëmbo-e. ï. Tal a ng byu pine- 
kuhë. 

De voeten dragen het hoofd. A. Een talang-visch, die omge- 
bogen is. 

Deze visch (Mol. Mal. ikan m al al u gis), wordt gespalkt, 't 
binnenste buiten gekeerd , de visch omgebogen en de staart achter 



404 SANOIREKSOHK TKKSTEX. 

de kieuwen irestoken, zoodat hij er doorheen gaat. De visch heeft 
dan den vorm van een schakel en wordt dan ook , met andere , 
tot een ketting aaneengeregen. Naar de bewerking die zij onder- 
gaat, is de Sasahara-benaming toje-petj, Sang. Spr. bl. 59. 

101. Sake mangondoj'u taun baje. T. Taumata ma- 
nga w i b a n g o. 

De gast werpt de bewoners van 't huis er uit. A. Iemand die 
een kokospalm leegplukt. 

102. Kadod9 mepakeang, matëllang m^tëntoje. T. 
Ponsojë. 

Klein draagt het kleeren , volwassen loopt het naakt. A. Een 
bamboe-spruit. 

Dit is dus juist tegen het Sangireesche gebruik in. De bamboe- 
spruiten hebben donker bruine hulzen, die zij later afwerpen. 

.103. Kalu hëgumpüng, nakasasa k&ng baraguna. T. 
Huso tinutung api^, kiji ipëlëlai^ mam&ng. 

H^gumpun g-hout, dat bruikbare spijs klaar gemaakt heeft. 
A. Koraalsteen tot kalk, gebrand en gebruikt om de sirih-pruim 
te mengen. 

De kalu hëgumpüng is eene boomsoort , welker naam herin- 
nert aan h^gu //dor'/, eene eigenschap van de kalk , die uit koraal- 
steen wordt bereid, welke kalu kan genoemd worden wegens zijn 
vertakten vorm. Masasa bet. ook: //goed gemengd, in de goede 
verhouding bijeengevoegd//, 't Is dus de kalk die makasasa de 
betel-pruim, eene woordspeling op het hout, dat 't eten gaar 
maakt. 

104. Gantin kS,ng sadia, kai k&ng tipu. T. Sosp. 
Na gereed eten komt rook-eten. A. Een sigaar. 

KAng sadia of kang klaar noemen de Sangireezen toebe- 
reide spijs. 

105. Majukade laed-e §pa, ëllo-range laed-e rarua, 
wawëllo laed-e tatëllu. T. Taumata, u ren kadid], 
kai liJihomang, kij |aed-e epa, ëllo-range ute sen maka- 
dajeng, u Jaed-e ruaubëka, wawëllo ute sen maghu- 
rang, u kai mêtet^king. 

's Morgens heeft het vier been en, 's middags twee, 's avonds 
drie beeneu. A. De mensch, want als hij nog klein is, kruipt hij 
en heeft hij dus vier beenen; de middag is wanneer hij loopen 
kan , want dan heeft hij twee beeneu , de avond is als hij oud is , 
want dan gebruikt hij een stok. 



SANGIRSESOHE TEKSTBN. 405 

Het bekende raadsel van de Sphynx heeft dus ook reeds zijn 
weg naar Sangir gevonden. 

106. I ninang-e pad e, i amang-e pade, mahana u 
aniji baliani. T. Kalieson^g u putuug. 

De moeder is laf, de vader is laf, zij krijgen dappere kinderen. 
A. De vuur-bamboe's 

Om vuur te maken, gebruikt men twee smalle stukken van een 
gespleten bamboe. liet eene stuk krijgt een overdwarse kerf, 
waarin men met den kant van het andere stuk wrijft; de vonkjes 
die daardoor ontstaan , vallen door de sleuf van het eene stuk 
naar beneden op iets licht ontvlambaars , dat men er onder gelegd 
heeft, en doen het ontbranden. 

Pade bet. "stijf, levenloos, traag", 't Is dus eene woordspeling, 
daar het in de eerste bet. van de stukken bamboe-lat gezegd wordt 
en in de derde de tegenstelling tot bahani is. — Kahesong 
is wellicht afgeleid van den stam isu, misu, schuiven '/; dus iets 
dat heen en weer schuift, of heen en weer geschoven wordt. 

107. Mageng ta kenibokang, ta m^bera. T. Orgel §. 
Indien het niet gekitteld wordt, geeft het geen geluid. 

A. Een orgel. 

108. Mageng kakange kapen gakaj§. T. Ni hu p$t§- 
ta^kang ëmme. 

Wanneer het aan 't eten is bedriegt het (doet het afbreuk). 
A. Een wan , waarin rijst wordt gewand. 

Doordat het kaf wegstuift , blijft er minder in de wan , dan er 
in gestort is. 

109. Kalu mat u Ji-tu Ji , nat o matileloi linsënnade, 
k a 1 u t a k a t a t a h a s a k a e n g. T. K a 1 u n k a p a 1 ^. 

Een zeer rechte boom , een rechtopgaande linsênnad ^-stam , 
een boom die niet tot eene prauw kan verkapt worden. A. De 
papaj a-boom. 

De woorden nato matileloi linsënnade zijn Sasahara en 
herhalen 't voorafgaande. Nato is eigenlijk een tweede Sasah. woord 
voor kalu; de andere naam is m a r a n t i 1 e. M a t i t e 1 o i is eene 
vermomming (Spr. bl. 60) van matujide, evenals matuji-tuji 
terwijl linsënnade de naam is van eene zeer bruikbare boomsoort. 

De stam van den papaj a-boom , die week is, heeft eene holte 
van binnen. 

110. K a 1 u n p a n i n d i]i n ^ b u a u i n o. T. K a 1 u n k a p a 1 a. 
Een tuinbooni , die kralen voortbrengt. A. De papaja-boom. 



406 SANOIBEESCH^ TSKSTEN. 

Pauiudi^ iö het erf, dat roudoin 't huis ligt en dat gewoonlijk 
met allerlei gewassen is beplant. Voor de verklaring , zie verder N". 60. 

111. Kalu pungene rasi, koty-e wawa. T. Matan ëllo 
Een boom wiens voet boven, wiens top beneden is. A. De zon. 
Üe stralen zyn de takken, de zon zelf is de oorsprong, dus de 

voet , 't onderste deel van den stam. 

112. Panga^akeng masaria, arawe tamb&ng kai 
kadi dj. T. Ensaji d. Jio. 

Wordt er van afgenomen , dan wojdt 't grooter , wordt er bijge- 
daan, dan wordt het kleiner. A. De vloer en de vloerlatten. 

Neemt men een of meer latten uit zoo'n vloer van latten , dan 

worden de vloergaten op die plaatsen grooter, bindt men inte- 

• gendeel er nog latten tusschen, dan worden die gaten kleiner. 

113. Sahinda su panindu. T. Uisa. 
Eene epidemie op het erf. A. Spaansche peper. 

De Spaansche peper wordt gewoonlijk op het erf geplant. Om 
hare bijtende eigenschappen wordt zij met eene landplaag ver- 
geleken. 

114. L§kuang pondo|§, iwila tajoara. T. Siku. 
Wordt het gevouwen , dan is 't een uiteinde , woydt het uitge- 
spreid , dan is 't een middenstuk. A. Een elleboog. 

115. Sasae itoudo kapaje, dumajeto kai pedese. T. 
Paniki. 

Wordt het afgeduwd, dan is 't een schip, drijft het dan is 't 
een vod. A. Een vleermuis. 

Pedese is een voddig stuk goed , een prul , waarmee een 
vleermuis wordt vergeleken; een vleermuis, die zich van eene 
hoogte afzet, wordt vergeleken bij een schip dat in zee steekt. 

116. Itondo i sire sëhiwu, masu^e mang keta seng- 
gësa. T. Uta byu niwoto. 

Met hun duizenden steken zij in zee, en er komt maar één 
terug. A. Opgemaakte haren. 

117. I Angkanan^ kere komang, tingih' u mandiaga 
bujaeng. T. Kanton g. 

Angkanana als een krab er uitziende, de stem van een 
gouden wachter. A. Een gong. 

Angkanana is eene klanknabootsing van het geluid van de 
gong, dat in 't Sang. nanaungang heet. Om de verschillende 
verhoogingen, die op de gong zijn, wordt zij met eene komang 
(huisjeskrab) vergeleken. 



SANOIREESCIIE TEKSTEN. 407 

1 1 H. T a k i a 11' i A n ^ k o - a n g k o u a p e n e u m n ii t j u 
wuuga. T. Kuhita teug haineue pia |ia(le. 

De anneu van Augky-angky vol vau paddestoelen-knoppen. 
A. De vangarmen van een poliep, met uithollingen. 

De naam angky-angko is eene vermomming van bangky 
'/knmi// en de herhaling duidt het dooreenslingeren en krioelen 
der vangarmen aan. De zuignappen gelijken op de jonge padde- 
stoelen, die nog knoppen kunnen genoemd worden. 

119. Pisp SU ëlli. T. Kina piso. 

Een mes op den bodem der zee. A. De mes-visch. 

120. Tiang-e su Jikud-e. T. Wisi. 
Zijn buik zit op zijn rug. A. Een been. 
De kuit wordt met den buik vergeleken. 

121. I Antage takara^eang. T. Pondo^ u kas o. 
Antage, waarmee men niet kan werpen. A. De uiteinden der 

daksparren. 

Maugautage of m end ia, is: 'Muet een spies de beweging van 
werpen , of met een mes die van houwen maken//. liet raadsel zegt 
dus eigenlijk: /'Een ding, dat het voorkomen heeft van een werk- 
tuig waarmee men de beweging vau spiesen maakt, en waarmee 
men toch niet steken kan // , omdat de sparren het uiterlijk van 
spiesen hebben. 

122. I Pengkong mama Jawuh§. T. Lairu. 
De Kromme die uitdeelt. A. Een scheplepel. 

Pengkong is eene toespeling op b e n g k q //krom//. Vgl. N*». 93. 

123. 1 Pengkong dumoro, manu uhisë tumëlla. ï. 
Waji ung d. wiing. 

Als de Kromme zicli nederzet vliegen de witte kippen op. 
A. De bijl en de spaanders. 

124. Kalun un dan gang sëudumakiji, tatuwang-e ka- 
nuk ung. T. Ka^iapa. 

Een woudboom van édne omspanniug, wordt omgehakt met den 
nagel. A De Kajiapa. 

Kajiapn is de Sang. benaming van de Mal. Sajor baja(ng) , 
de hanekam, die als groente wordt gebruikt. De stengel, die on- 
geveer zoo (lik is als een vinger, wordt met den nagel afgeknej)en. 

125. Kalun undangeng sëndumaku, mahaka ta ong- 
g a n g-e. T. P e |) u s e. 

Ken woudboom van ëéne omspanning valt om zonder geluid. 
A. Eene rookzuih 



408 SANOIREESCHE TEKSTEN. 

126. Rawa maten pesasake, dasi inauganteh' u ka- 
pang. T. Puta ng pedèndangéug hëmbia r. hënibiaewue. 

Beneden sterven ze van het vechten en boven tellen ze geld 
uit. A. Het vuur waarop men sago bakt en de sago zelf. 

Het gestoei en geknetter der vlammen is het vechten, en het 
met de vingers bijstrooien van sago in de pan wordt met geld 
tellen vergeleken. 

127. Mawawa^u su undangeng, kasuang ilêlele moade. 
T. Tuid' u kala koateng sakaeng, d. sakaeug e. 

Die weduwe is geworden, is in 't bosch, het lijk wordt op de 
zandbanken rondgedragen. A. De tronk van een boom, waarvan 
men een prauw heeft gemaakt, en de prauw. 

128. Tinainemamajybiwih-e. T. ürasë. 
De darm slaat de lippen. A. Een klok. 

Met den darm wordt de klepel bedoeld. 

129. Tapele mangëlaude. T. Sajëngka. 

Een koffo-mand die op zee gaat visschen. A. Eeue klos. 

Tapele is de mand, waarin de koffodraad in den vorm van 
een opgeschoten lijn of touw wordt nedergelegd. 

Omdat de klos, waarop het heugelsnoer is gewoiiden, rond is, 
en evenals de tapele, de houder is van een draad of snoer, 
wordt de klos bij een koffomand vergeleken. Zie verder B. T. L. 
V. 189^, bl. 869. 

130. Ti wat u maarëg&ng kor 9 -e. T. Ta bak o. 
Het geheel is goedkooper dan de brokken. A. Tabak, 
Gekorven tabak is duurder dan ougekorven. 

131. Penga mëbebaelë. T. Ghaghunting ip^gëng- 
gunting uta. 

Een gaffel die een woud ontgint. A. Een schaar waarmee 
't hoofdhaar wordt gekuipt. 

132. Boghase so wowon sasi. T. Lël^to su sasj. 
Gepelde rijst op de zee. A. De bloesems der strandboomen op 

het zeewater. 

Lël^to is de reduplicatie van den stam leto, waarvan du- 
majëto // drijven </, het bet. dus woordelijk <'drijfsel". 

133. B o g h a s ^ s ë m p o t o , t a k ar a J e m p a n g e n g. T. W i- 
tuing Boghase. 

Een halve korrel gepelde rijst, waar nieu niet overheen kan 
stappen. De ster Boghase. 

134. Bu|aeng sënihu. T. Wituiug su |angi. 



SANGIllK.RSCHE TEKSTBX. 409 

Een wan vol goud. A. De sterren iian den hemel. 

Viï). Pinikung bëliaiig, ta ka wel ia ng, dorongang, 
t a k a r o r o n g a n g. T. K e n g k u n g u r a r i o d a r o d y. 

Een pakje dat men niet kan koopen , al wil men 't koopen, 
dat men niet kan afvragen , al wil men 't afvragen. A. De vuist 
van een klein kind. 

136. S allang- e ma na w 9 kot o-e. T. Ghilamu. 

De oude droge bladeren vallen op de toppen neer. A. Wier. 

De oude bladeren van wier drijven op het zeewater, terwijl de 
nieuwe er onder blijven. 

Manawy koto-e voor manawo su koty-e, zie Sprk. 
bl. 279. 

137. 1 Wëtiji makjbanggo. T. Langkaiu sipa. 

De Bochel laat zich op den rug slaan. A. De bloemkolf vaii 
de sagoeweer. 

1 3S. T u n t u n g a n g d aj i g - e s u m ë b a n g a k e u m a w u. 
I . o 1 p a. 

Als de wortelb geklopt worden, komt er heerendrank uit. A. De 
sagoeweer-boom. 

Manuntung dajige is eene ceremonie die bij offerplechtig- 
heden plaati^ heeft. Het geluid van het kloppen op de wortels die 
boven den grond uitsteken , hoort men dan mijlen ver in den 
omtrek. Iliennede wordt het kloppen op de bloemkolf van de 
arèn-pahn vergeleken. 

139. I nëng-e tutondo, an^-e njL d a Je ng. T. Sakaeng 
d. punda|-e. 

De moeder kruipt, de kinderen loopen. A. De prauw en hare 
roei spanen. 

1 lO. Kalun panindiji, nëbuan sakeTu mani^. T. Limu. 
r. hanggang-e. 

Een tuin-boom, die hanesporen draagt. A. De limoen en zijne 
dorens. 

141. Bi ka sëmpoto, ba la i sai mangahi^. T. Ap^ su 
k a k a p u r a 11 g. 

Een halve mand sago, overgelaten aan wie maar wil uitkrabben. 
A. Kalk in een kalkkopje. 

Als de Sangireezen van eene bika spreken, bedoelen zij eene 
mand vol sagomeel. Dit meel wordt met de kalk in het kalk- 
kopje van de <«irih-doos vergeleken. De zin bala i sai mangahiji, 
ziet op de gewooonte om ieder die komt de sirih-doos aau te bieden. 



410 SANGIREBSGHS TEKSTEN. 

142. Kijikakurung niangaka|e. T. Kaka|eti u sede. 

't Zit gebogeu om te bedriegen. A. De boog van een han- 
genden strik. 

De strik die sede heet, hangt aan een dunnen veerkrachtigen 
stok, die met 't eene eind in den grond staat, terwijl de strik aan 
't andere eind afhangt. Deze stok heet kakajetj, een frequ. van 
den stam ketj, met reduplicatie, syn. met betj, petj, hetj; 
de naam bet. dus //oprichter". Een liggende strik heet sasaung. 

143. Sahëmpang pujune wanua. T. Umbon tuhigu. 
Een vischsspriet die een land tot steel heeft. A. Het haar van 

de maïs. 

De maïs-kolf , met den nog stijf optaanden bundel haren , wordt 
vergeleken met een vischsspriet, die vele punten van ba Ja heeft. 
(Zie de afbeelding in Hickson's ffk Naturalist in North Celebes", 
Londen, 1889, bl. 201). Het land waarin de maïs staat, wordt 
dan de steel der speer genoemd. Tuhigu is 't Port. trigo. 

144. Kota mëlelanging kota. T. Waje r. ka ma re pia 
darëndung-e. 

Eene vesting die vestingen vormt. A. Een huis en kamers met 
afgeschoten ruimten. 

145. Tinapan gaghurang ta mawawiling. T. Atij u 
waje. 

Rooksel van ouders dat niet kan worden omgekeerd. A. Het 
dak van 't huis. 

Het dak is doortrokken van rook, omdat het haardvuur er 
onder brandt , evenals bij hetgeen op de p a h a ligt om gerookt te 
worden , met dit onderscheid , dat het niet , zooals dit laatste , van 
tijd tot tijd wordt omgekeerd. 

146. Mawu Imang darua, nesara tong gene, murung 
sëngkaurung, sumepu sëngkasepy. T. Mata r. kalun 
i r u n g. 

Twee heeren Zieners, die een landtong scheidt, duiken tegelijk 
en komen tegelijk boven. A. De oogen en het neusbeen. 

Imang is 't Ar. im/ini; tongge is "voorgebergte^: de oogen 
worden voorgesteld als twee nienschen, die aan weerskanten van 
zoo'n hooge landtong aan het strand een huis hebben, en tegelijk 
een bad in zee nemen. Met het "duiken/^ en "bovenkomen " wordt 
't knippen der oogen bedoeld. 

147. H ë b i m ë k a k o k o , ë 1 1 o m ë k a k a m e. T. Mata, keren 

• • • 7 • • 7 

u^tik) d. kereu këlla. 



SAN'OIRKESCHE TEKSTEN. 

's Xachts houden zij elkaar in de annen, over dag grijpen zij 
nmir elkaar. A. De oo^en en de oogleden, als zij slapen en als 
zij open zijn. 

148. Hebi pëkampougang, ëllo pekaesang. T. Langi 
d. wituing. 

Des nachts als verzamelplaats, des daags als verstrooiplaat* ge- 
bruikt. A. De hemel en de sterren. 

149. Ka pa Je ujing-e su monane. T. Kawa|o. 

Een schip welks roer aan den voorsteven zit. A. Ken {mard. 

15Ü. Pahuru taniai, pekeng ëudaung sia, T. Kaja] 
d. as u ipangany. 

Met aas gaat daar ginds heen , de haak is hier bij mij. A. De 
jachtspriet en de hond waarmee geja^igd wordt. 

151. llakoudan undangeng sumèbang pangalo. T. 
La w ao. 

Takkebossen uit het woud komen uit als strijders. A. Tuba- 
wortel». 

Vergelijk de N»'s 40 en 42. 

152. Kahiwuang u tajaihakeng, kahiwune ta n^tikiji. 
T. K a n u k u. 

't Is het weefsel eener ijverige weefster en toch komt de sarong 
niet rond. A. De njigel. 

Al groeit de nagel nog zoo hard, hij kan nooit den vinger rond 
komen en is dus bij een sarong die niet wijd genoeg is, en waar- 
voor men dus niet genoeg geweven heeft, te vergelijken. — 
Ta|aihakeug bet. "ijverig in 't weven". Het is afgeleid van den 
stam i h a (Form. u g a t , Tag. Bis. o g a t , Mal. Suud. Bat. u r a t , 
Jav. wod. Mak. ura, Bug. ure, Mig. o zat ril. '^pees, spier, 
ader, vezel'') waarvan ook maiha '^krachtig''. 

15'3. Ta pel e su togore. T. Tëmpu. 

Eene mand aan de punt van een tak. A. Eene slang. 

1 54. E d u n B a w u k a b a w i t i n g. T. K o m p o s §. 
Prinsessen-speeksel dat in de hoogte hangt. A. De rozeuappel. 
Edu, omdat de vrucht rood is, als sirih-speeksel (al is het dan 

ook niet van 't zelfde rood), en de bepaling b a w iji is gekozen omdat 
de rozenappel fraai is , en graag gegeten wordt. 

155. Kas en ir ir o e k abala nirone. T. La wen batata d. 
gh esi n e. 

Zeilende werpt het d«^ ankei-s uit A. Balata-ranken , en hunne 
vruchten. 



412 SANGIKEESOHE TEKSTEN» 

Al voortkruipeude met hare ranken, zet de batata vruchten, 
die met de ankers van een schip vergeleken worden. 

156. 1 Wajaghira mëlelanging bukid^, m^tetajapu- 
hang u ana bujaeng, ana ta kasasagherang. T. Manu 
me 11 e. 

Ba|aghira werpt een heuvel op, gouden kinderen koesterende, 
kinderen die geen moeite veroorzaken. A. De raoleo. 

Deze vogel legt zijne eieren in een diep gat, dat hij in den 
grond maakt en daarna vol schraapt met afval, dorre bladeren, 
enz. De gisting dier stoffen broeit ze uit, zoodat de vogel zelf 
niet naar zijne eieren behoeft om te zien. Zie Wallace's /^Insulindei' 
(vert. van Veth) I, bl. 274. 

De naam Ba^aghira is mij niet duidelijk. 

157. Lijilimbe maiang. T. Baung u ko|e. 

Het zwaait met de armen terwijl het zit. A. De bladeren van 
de bete-plant. 

Deze bladeren» zijn groot en zijn door hunne buigzaamheid en 
veerkracht bijna altijd in beweging. Het zwaaien met de armen 
doet de Sangirees terwijl hij loopt, 't Wordt voor bijzonder fraai 
en deftig gehouden eti daarom ook vaak als een teeken van hoog- 
moed en aanmatiging beschouwd. 

158. Lumuas' u makapanj, irenta kate ona-e. T. 
Wungan batang. 

Men verheugt zich over het vangen van een panj-visch en 
brengt slechts de schubben thuis. A. Paddestoelen van een stam. 

De pani-visch heet in 't Mol. Mal. ikan boboratji. Padde- 
stoelen die aan een rottenden liggenden boomstam zitten, worden 
dus hier met de schubben van een visch vergeleken, en de boom- 
stam zelf met den visch. 

159. Itondo wininta, iwua Jingkaheng. T. Tojen asu. 
In zee geduwd, is 't een lange smalle prauw, opgetrokken is 't 

een hoepel. A. De staart van een hond. 

In zee geduwd , wil hier zeggen : uitgestoken ; opgetrokken 
(zooals men met de prauw doet , na de landing) is dus '^omge- 
kruld " L i n g k a h e n g is een hoepel vdu rotan gevlochten , waarop 
men de kookpotten zet , die men van 't vuur genomen heeft. De 
grondbet. zit in den wortel ling, die ook in de verwante talen 
't denkbeeld aangeeft van //rond, rondom, omringen." 

160. D a d e n u s a , r a 1 a n u s a , k e r e e 1 e k a b' u p a p e d a n g. 
T. Ah^ u wanua. 



SANOIREESCHR TEKSTEN. 415 

Hier een eilaml, daar een eiland, als het aanzetsel in den sago- 
vonn is het. A. De kust in 't verschiet. 

De schilfers die in den sago- vorm (forno) hier en daar blijven 
zitten, worden vergeleken met de verspreide eilanden, die men 
aan den gezichteiuder waarneemt. 

161. Katoang tëmbo-e wujaeng. T. Sobu su padamara. 
Een slang met gouden kop. A. De pit in de lamp. 

De vlam is de gouden kop der slang. 

162. Kanutung sêmpedi, nipangimbo maniji dujy. 
T. Lauty malaluge. 

Een stuk brandhout om schuwe kippen mee te lokken. A. Een 
fakkel om visschen mee te vangen. 

Bij donkere nachten vangt men den ikan antoni door fakkels 
aan te steken , oj) 't licht waarvan de visch toeschiet , zoodat hij 
dan met de speer kan gevangen worden. 

163. Bang9 sëngëlla, nakawojeng ëllang. T. Pahuru 
n a k a a } a kina. 

Een reepje klapa, dat een slaaf heeft getrokken. A. Aas dat 
visch heeft gevangen. 

Een stukje* kokosnoot wordt het aas genoemd, omdat het zich 
als iets wits in 't water vertoont. De visch wordt ëllang ge- 
noemd, omdat hij nuttig is, 

164. Tuid§ lijihiang datu. T. Tamon dodoj-e. 

Een tronk die bij een koning zit. A. Een torentje van lekkers. 

Bij gastmalen heeft de koning of wie overigens de voornaamste 
is, een torentje van lekkernijen bij zich, opgemaakt, zooals bij 
ons hooge taarten. 

165. Bënsad' u Ratun Diawa, napene u |anan Maka- 
s a r ë. T. W u a n n a n a s i. 

Een vat van den vorst van Java, gevuld met Makasser-olie. 
A. De ananas-vrucht. 

De ananas wordt om zijne geurigheid vergeleken bij een vat 
Makasser-olie. 

166. Da}ung-e kuhangkang, wowone majënno. T. 
L e s a. 

Het binnenste is ruig, het buitenste glad. A. De lesa-vrucht. 

167. Ansuang aghid-e rarahung. T. Hëmbia r. 
Jarang-e. 

Een reus gewapend met naalden. A. De sago-palm en zijne 
dorens. 



414 SANUIREKSCHK TEKSTEN. 

168. Dokeng sëiigkatuwo Aiidi, sëngkasombo tau- 
mata, ta naka^iu sasara. T. Sasêhiraug u ênsaj). 

Sedert het is opgegroeid tot Audj, opgewassen tot een menscli , 
heeft het den drempel niet overschreden. A. De onderlatten van 
den vloer. 

De dikkere latten (do las e) waarop de vloerlatten liggen , blijven 
sinds ze neergelegd zijn, steeds op hare plaats en komen nooit 
meer over den drempel , d. w, z. nooit meer het huis uit. Audj 
is hier Sasahara van taumata, maar eene verklaring van d«zen 
term weet ik niet te geven. 

169. Tawe molon bisj-e, kai molon palang-e. T. 
Kalun sêsa. 

Het doorwaadt het water niet met zijne beenen, maar met zijne 
dijen. A. De bobo-palm. 

De bobo-palm is een moerasgewas , dat dikwijls in 't water staat. 
De dijen zijn de dikke einden der bladsteelen , die boven water 
uitsteken, en verder op steeds dunner worden. 

170. Bënsad'u ake su winangaeng. ï. Wuan ban go. 
Watervaten in het luchtruim. A. Kokosnooten. 

171. Pand&ng kai mamanda. T. Kumbuahe. 

Ziet men 't aan, dan ziet het u ook aan. A. Ëen mand met 
groote gaten. 

172. Bara i Ansuang Bawaje, sengkapilj su Batawi. 
T. Kila. 

Het zwaard van Reus Bawaje, reikt, als 't een houw doet, tot 
Batavia. A. De bliksem. 

Batavia is genomen als het verste punt dat men zich kan 
denken. De bliksem wordt hier voorgesteld, als het zwaard van 
een Reus die in de lucht vliegt; daarom wordt hij Bawa^e ge- 
noemd. Dit is de naam van iemand die 't hoofd van den romj) 
kan los maken, en djiarmee tusschen zousondergang en opgang 
kan rondvliegen om kwaad te doen. Vgl. Wilken, Animisme, 
bl. 2.J— 81. 

173. Bakese netangeh'u me o. T. Senggo d. sakaeng. 
liet spek loopt weg met de kat. A. Het zeil en de prauw. 
Bak es ^ is haaien-spek, dat bij de Sangireezen zeer gezocht is. 

De haai wordt gespalkt en aan den binnenkant overdwars en schuin 
gekorven. De twee helften worden dan afzonderlijk genomen en oj) 
bamboe-latten uitgespannen. Het zeil van nipa-bladeren genaaid, ver- 
toont den vorm der inkervingen in zulk eene zijde haaien-spek gemaakt. 



SANGIKEESCHE TEKSTEN. 415 

174. Lama inapujoii beka netangeh' u mcQ. T. Walaüg 
u sakaeug. 

Tien borden loopen weg met een kat. A. De roeiriemen der prauw. 
Ba lang is eene roeiriem met breed rond blad, dat hier met 
een bord wordt vergeleken. 

175. Manu boliinting u ëlli, makokotang u wisala. 
T. Kina bukëti. 

• • • 

Een gespikkelde kip van den zee-bode*m, id. in Sasahara. A. De 
buketi-visch. 

Over bohinting, zie Sprk. bl. 62, Noot 1, over makoko- 
tang of mangkokotang, ibid. bl. 56. De buketi is een visch 
met zachte stekels, die aan veeren doen denken. 

176. Aj tatarai, pia mawu Imang, ai sasasae, pia 
Bagimana. T. Mo man a r. h imang. 

Ga niet te ver naar de laudzijde, daar is een Imdm, ga niet 
te zeer naar de zeezijde, daar is een Bagimana. A. De momana 
en eene rots in zee. 

Dit raadsel berust op twee woordspelingen , nl. imang en 
h imang, bagimana (Mal.) en momana, de naam eener steke- 
lige zee-plant. 

177. Ngura su ëlli. T. Ghilamu su sasj. 

Een jong bosch op den bodem der zee. A. Wier in zee. 

17 H. Uai, uai, kuwuaukai, kuwuaukai, makalahëng- 
king. T. Namuhë su ruku u ra} eng. 

Au, au, ai, ai, het doet mij ineenkrimpen. A. üauw op het 
gras van den weg. 

179. Kadëntane kada^enge. T. SimbuT u ake. 

't Komt aan en 't gaat meteen weer weg. A. Een waterwel. 

180. Timëlla kaëmban ka pa} e, manawo weran sarëdj. 
T. Manu tumëlla, ënnae manawo kai kumuku. 

Als het opvliegt is het eeh meeuw van 't schip, als het neer- 
valt zijn het woorden van opgeblazenheid. A. Een haan die op- 
vliegt, en op den grond neerkomende, kraait. 

K a ë m b a is een dichterlijke vorm van k a 1 ë m b a , de grootste 
roofvogel van Sang ir. De bepaling kapa}e daarbij, doet denken 
aan den vogel, die gewoonlijk een schip bijblijft op zijnen koers, 
daarom heb ik 't met '/meeuw// vertaald. 

Sar^di is het Mal. tjërdik //snugger, schrander//, dat in 't 
Mol. Mal. de bet. van //opgeblazen, aanmatigend /i' heeft. De be- 
teekenis van 't raadsel is dus //veel geschreeuw, weinig wol.// 



416 SANOIREF.SOttK TKKSTEN. 

181. Baiisro sërabëka, masasëlle su atu. T. Wulanir. 

Een halve kokosnoot, gei«token tusvschen fle katoebladen. A. 
De maan. 

Men steekt wel eens een halve kokosnoot, die men later wil 
gebruiken , aan de binnenzijde van het dak , tusschen de katoe- 
bladen der dakbedekking. Do open zijde vertoont dan eene 
witte schijf, niet ongelijk aan de< maan, die tusschen de openingen 
van het dak te zien komt. 

IS2. Turo si winangaeng. T. Wituing. 

Ghiten in de lucht. A. De sterren. 

Turo noemt men een gat in het dak, door 't welk men 't daglicht 
soms zien kan , en ook 't water dat daardoor lekt. 

183. Sanëmpa nangaes' u sama-e. T. Tinta r. ])ena. 
Een inktvisch die zijn sap uitspuit. A. Inkt en pen. 

184. Bajanda kinawat^ u Papua, ake aghid-e. T. Kum- 
plrë 'pamohekang u tinta. 

Een Hollander ten onder gebracht door eefi Papua, gewapend 
met water. A. Papier, dat met inkt wordt beschreven. 

185. Papua i sire tëllu, lingung mëbisara tala. T. 
Sunggij'u rapuhang. 

Drie Papoewa's die zelfs niet spreken. A. De steenen van den 
haard. 

De steenen van den haard worden met Papoewa's vergeleken , 
omdat zij gewoonlijk zwart gebrand zijn. Over sunggile, zie 
N«. XXVIII, Aant. (B. T. L. V. 1.S94, bl. 97). 

186. Dumojong, bajine kina, turaëlla, bajine manu. 
T. Tumatebang. 

Drijvende en toch geen visschen, vliegende en toch geen vogels 

A. Nettenspoelers (met een net). 

Wanneer de netten gespoeld worden, drijven zij deels op 't water, 
als zij doorgehaald worden , deels vliegen zij door de lucht , als zij 
opgehaald en met een zwaai weer in 't water geslagen worden. 

187. Endai senggo, ëndai senggo, daraung, ëndaj 
daraung. T. Rëllang. 

Daar is een zeil, daar is een zeil, een schip, daar komt een 
schip aan. A. Eene bui die komt opzetten. 

Over deze wijze van zich uitdrukken, zie N°. I (B§ken Nabaja, 

B. T. L. V. '93, bl. 326, r. 7 v. o. en de Aant. bl. 346). 

188. Maniug medëlly, uiekila, sakueug dajaki tondoe. 
T. Tai. 



SAXGIREE8CHE TEXSTEN. 417 

Al is het onder (londer en bliksem , langzjime |)ranw , steek in 
zee! A. ürelc. 

IS9. I won oh e, m.^besu, iwonoh^, mabesiji. T. Ta i 

't Wordt neergelaten , en breekt telkens af. A. Drek. 

T)e vergelijking is hier met een hengelsuoer (bawae), dat neer- 
gelaten wordt, bezwaard met een larung, een lid bamboe met 
zand gevuld, om het snoer te bezwaren. 

190. Balunang-e matawa sahumbing-e. T. Nihu. 
üe romp is niet zoo vet als de rugvin. A. Eene wan. 

Üe wan heeft een dikken rand , die met de rugvin van een 
viseh wordt vergeleken. 

191. L e m j) a n g k e , 1 e m p a n g k e , w a | e k a t a n *i n g k e. T. 
Rarahung d. penggepekang. 

Stap voort, stap voort, in dit huis blijven wij. A. Naald en 
naaiwerk. 

"Stap voort" wordt tot de naald gezegd, het huis is de sarong, 
waarin de spreekster zich wil kleeden. Over penggepekang, 
zie Sprk. bl. 161. 

192. Papua ringangu Papua m^papili, dahane ma- 
wira. T. Watu \e\ r. gërepe. 

Een Papoewa strijdt met een Papoewa, het bloed (dat daarbij 
vloeit) is wit. A. Lei en griffel. 

Gërépe is 't HoU. //grif" (naast //griffel//). Mol. Mal. grèf. 

19-3. Liang kumakui. T. Ka m pa i na. 

Een hol dat een roeper is. A. Een trom. 

Kampaina is 'tSp. campanina , verkleinw. van campana //klok , bel. // 

198. EUo-ëllo keré nianengkoh?, kai tawe mab§sj; 
ligha-Jighae rënta. T. Tagonggong. 

lederen dag maar aldus aan 't kloppen en toch barst het niet ; 
kom toch sfauw aan! A. Een tifa. 

"Kom gauw aan", nl. te Menado of Ternate of aan 't vader- 
landsche strand, en wel de prauw, waarin op <le tifa's, langwer- 
pige trommen van hout en geitenleer, geslagen wordt ter aan- 
moediging van de roeiers. 

195. Ba|unang-e matane Jongj-e. T. Atij d. honda. 

De romp is niet zoo dik als 't tandvleesch. A. Het dak en de 
gootbalk. 

19f), La ka su ngura. T. Sa la u padihë. 

Roode balsamine in een jong bosch. A. De bloem sala u padihë. 

Deze bloem is de zoogenaamde bungan Franschman, wier 
5e Volgr. X. 28 



418 SANOIKKKSCHK TSKBTEN. 

bloem dezelfde kleuren vertoont als het sarong-goed van dien naam. 
Sa Ia is eene bloem die men in 't haar steekt, mesalsi, bloemen 
in 't haar steken. De bloem sala n padih$ is rood en geel van 
kleur; deze bloem te midden van het jonge hout waarin zij wel 
voorkomt, geeft tot de bovenstjiande vergelijking aanleiding. Deze 
bloemen mogen niet geplakt worden en daarom noemt men een 
mooi meisje dat weigert om te trouwen, sala u padihë. 

197. Dala wou wongkon Awu sarang dade pung-u 
Jangi paped&ng i Sinora. T. Winawa. 

Van den bult van den Vuurberg tot aan den gezichteinder is de 
sago-vorm der Prinses. A. Eene wolk. 

198. Ma^ahaku ma^ahame kinapulun mararatu. T. 
Kade ra. 

Het met lange draden bij elkaar gehechte, en van groote gaten 
voorziene, is gewild door vorsten. A. Een rotan-stoel. 

Mëhaki^ bet. '/iets dat gescheurd is hechten, eene scheur met 
groote steken bijeenhalen , alsof het grof gemaasd was^, mahame 
//in flarden scheuren" (intr.). De geredupliceerde vormen komen , 
met nog eenige soortgelyke vormen, 't naast aan de Sprk. bl. 91 
genoemde beroepsnamen, n.1. matatimade //ouders /", ma^ahan^ 
// moeder //, mawavaji;i // weduwe // of // weduwnaar // ; zij klinken 
evenwel juist doordat zij zoozeer op b^roepsnamen gelijken, eenigs- 
zins grof. 

Met iets dat groote gaten heeft, die grof gehecht zijn, wordt 
de zitting van een rotan-stoel vergeleken. 

199. Munsing namikung batu, watu namikung kum- 
pir|. T. Lëhi. 

*■ r 

Een stuk gedoofde houtskool omwikkelt een steen , de steen om- 
wikkelt papier. A. De kanari-vrucht. 

Wanneer de vrucht rijp is, heeft zij eene zwarte schil, die met 
houtskool wordt vergeleken, de harde schaal is de steen, de witte 
kern wordt papier genoemd. 

Pikung is van harde, onbuigzame dingen even onjuist gezegd 
als 't Holl. /'onwikkelen//. 

200. Lama namikung sajaka, sajaka namikung bu- 
Jaeng. T. Tëlluhe. 

Porselein omwikkelt zilver, zilver omwikkelt goud. A. Een ei. 

201. Bokiu baje ta mëndarëmmuse. T. Mcq. 

De Koningin des huizes wascht haar gezicht niet. A. De kat. 
De Sangireezen vinden 't een oneer voor iemand, zijn gezicht 



SANGIREKSCHK TKK8TKN. 419 

\s morgeus niet te wassdieii. Men ziet het hen op andere tijden 
viin den dag ook nog wel eens doen. Zij reinigen ook na iederen 
maaltijd <leji mond. in nog enkele andere gevallen beschamen zij 
de gewoonten van het gros der Europeanen. In een ander opzieht 
zijn zij echter meestal zeer onzindelijk. Terwijl zij zelf veel baden 
en zeer veel zorg aan hnu haar besteden (de vrouwen nl, ; de 
mannen scheren zich, of houden hun haar zeer koit), reinigen zij 
hun huis nooit, en vinden zij 't ook maar af en toe noodig, 
hunne klêeren te wasschen. Sirihspeeksel vinden zij zuiver genoeg 
om zelfs overal in 't huis gezien te worden, waar de spuwende 
mond niet precies de vloergaatjes geraakt heeft. Een mond die 
geen sirih kauwt, kan naar oud-sangirsche begrippen niet goed 
zuiver gehouden worden; een reeds gebruikte pruim nemen de 
sirihkauwers van elkaar aan. Zij zouden echter verbaasd kijken , 
indien zij eens een kind uit het volk hier een brood zoo maar onder 
den arm dragend, tegenkwamen, of indien zij groente in een schort 
zagen plukken. 

202. lluas' u makapaui, irëntajkate ona-e. 

Men verheugt zich dat men een pani-visch gevangen heeft 
en slechts de schubben worden thuisgebracht. 
Andere lezing van N°. 158. 

203. Mageng ta tëlirang, ta m eb e ra. T. Aranio- 
nika. 

Legt men er de hand niet op, dan geeft het geen geluid. 
A. F]en harmonika. 

204. Mëlahampug e mou, lahampughang-e wiahe. 
T. Watu SU sajii d. sa^n e. 

De lijkbewakers zijn stom, en 't bewaakte [lijk] is levend. A. 
De steenen in een rivier en de rivier. 

De st(^en(jn , die boven 't watervlak der rivier uitsteken , doen 
denken aan de zwart gesluierde en stil ineengedoken zittende lijk- 
bewakers. De rivier, het bewaakte lijk, stroomt er levendig en 
geraasmakend langs. 

205. H ë m b i a n i u ]) u n g b 9 u r a p ë 1 1 a. T. A p u b 9 u h u s o 
t i n u t u n g. 

Sago van de voorvaderen] uit eene rots. A. Kalk uit gebrande 
koraiilsteen. 

De bijvoeging i upung {'of gaghurang heeft de beteekenis 
v:in /^nuttig voor huishoudelijk gebruik, van practische waarde." 

20(j. Balanda su wëlle-e. ï. ïëllubë. 



420 SAXOIREESCHK TEKSTEN. 

Hollanders in den hoek. A. Eieren. 

''In den hoek" wil zeggen '/in de vernedering'/ , niet op de eere- 
plaats, die een Hollander in 't oog der Sangireezen hebben moet. 
üario mëngkate su wëlle-e "'t kind bleef maar in zijn hoek, 
't kind was verlegen, kwam niet uit." De eieren worden gewoonlijk 
in een hoek van *t huis bewaard. 

207. Ta we mebera ren biahe, hedo m^bera u sen 
mate. T. Puhe t^tougkateng. 

Het spreekt niet zoolang 't leeft, het spreekt eerst wanneer 't 
sterft. A. Ben schelpdier dat gebakken wordt 

Het "spreken" is dan het knappen en knetteren dat bij 't bak- 
ken gehoord wordt. 

208. Tënda manahusu wawi. T. Sasêngki r. kutu. 
De heining jaagt de varkens. A. De fijne kam en de luizen. 

209. Tawe susukang, ta sumu^. T. Nuning. 

Als het geen prik krijgt, gaat het niet naar binnen. A. Het 
dier nuning genaamd. 

Dit is een buitengewoon glibberig dier, dat in gaten van den 
koraalsteen huist en bij aanraking zich plotseling terugtrekt. 

210. Bu^o sêmpêdi nakoa mangindano. T. S^pu. 

Een stuk bamboe geworden tot moordenaar. A. Een blaasroer. 

Mangindano is de naam der Filippijnsche eilanden, welker 
bewoners tot voor korten tijd beruchte zeeroovers waren. Tau 
mangindano beteekent bij de Sangireezen ook nog altijd 
//moordenaar". 

211. Palung bpu winangunang. T. Wunga tataha- 
keng. 

Een zonnescherm uit de onderwereld. A. Een paddestoel. 

De meeste paddestoelen groeien op Sangir niet uit den grond , 
maar op rottende boomstammen; tot de soorten die uit den grond 
komen behoort de tatahakeng. 

212. Tau maghurang, kahiwune ino. T. Tuhigu. 

Een oude vrouw met een sarong van kralen. A. Turksche 
tarwe. 

De maïs wordt met eene oude vrouw vergeleken , om de lange 
witte haren , die aan den kolf voorkomen. 

213. Samehe b^gan sasj. T. Walong d. pahan dapuhang. 
Visschers die de zee niet kennen. A. De rookmand en de rook- 

vliering. 

Sameh§ (man.) bet. //visch braden op kolenvuur, aan het 



SANGIREESCHK TEKSTEN. 421 

strand, (lu^< zoo iiiuar terloops; het bradeu van de viscli tehuis 
heet, evenals het bradeu van andere diiigeu , metongka. Omdat 
het manamahe zoo dikwijls door de visschers moet wordeu in 
praktijk gebracht, heet een visscher is 't Sasahara samehe. De 
b a 1 o n g is eene mand met groote gaten , die tot bewaring van 
visch dient en gewoonlijk nog boven de p a h a boven 't vuur hangt 
en dezelfde functie heeft als deze. Deze twee bereiden dus ook 
visch boven 't vuur en kunnen dus samehe genoemd worden. 

214. K a 1 u n e b u a n s a h ë m p a n g. T. W u a n p a h § p a. 

Een boom di(; visch-speren draagt. A. De bloem van den Rizo- 
phorenboom. 

Over dezen boom, zie Aant. bij N^ lil» (B. T. L. V. 1893, 
bl. ;3H1). Zijne bloem, van een bleekroode kleur, heeft uitwendig 
den vorm van de fuchsia-Jbloem , doch de nog dikkere bloem- 
kroon is in meer , en daardoor in spitsere afdeelingeu verdeeld , en 
daar deze stijf en hard zijn , zoodat men zich daaraan zou kunnen 
bezeeren, is zij goed met een sahëmpang te vergelijken. 

215. Bujo sëlaese sasuka ëlli. T. Larung. 

Een bamboe-lid dat den bodem der zee peilt. A. De hengelsnoer- 
bezwaarder. 

Ken larung is een bamboe-lid , met zand gevuld , gebonden aan 
een hengelsnoer van rotan, om te zorgen dat dit recht naar 
beneden daalt. 

21H. Piso Jea su togor-e. T. Wuau pasa. 

Hen aardappel-mes aan het eind der takken. A. De bloem van 
een pas a-boom. 

Een piso }ea heeft ongeveer den vorm van onze aardappel- 
messen. De kalun pasa wordt ahlus genaamd, omdat van zijn 
liout de pinnen voor de prauw worden gemaakt (Pasa, Mal. 
pa sak, Jav. palok, patfak. Bul. Sea papan tik. Dano 
paiyitik); zijne bloemen nu hebben den vorm der bedoelde 
messen. 

217. Kapu u uudangeng, 

tiijiwatun ngiira: 
k u h a n g k a n g u | d u d e , 
nia^^ i Sasundame, 
pfn^tëngon Datu. 

T. Rëlling, til ad e, d. huso koateng apu. 

Een liaan van het woud , oen kiemhoudende arèn-vrucht in een 
jong bosch, takkebossen van de zee, worden door Sasundame geuo- 



4££ 8ANOIREESCHE TEKSTEN. 

men, om den Koning voor te zetten. A. Sirili, pinang en koraal 
dat men tot kalk wil maken. 

Tajiwatu heeten de kiemhoudende vruchten van den arèu- 
palm, naast de kiemlooze, die deze boom voortbrengt aan den tros 
waaruit de sagoeweer getapt wordt. Kuhangkang is "takkebos", 
meer gezien als een warboel van vertakkingen, terwijl hak on da 
"droge dunne takjes^' beteek ent. "Takkebossen van de zee" worden 
de vertakte koraalsteenen genoemd , waarvan de kalk wordt gebrand. 
Sasundame moet misschien de eigenschap aanduiden, die de 
ma ra II ng bezit, om een gezelschap Sangireezen gezellig en be- 
hagelijk te stemmen. M ara me is een uitdrukking voor "genoe- 
gelijk , gezellig". Sasundame is waarschijnlijk ook van denstam 
dame, en beteekent dan "dat , waarmee men 't zich genoegelijk 
nuuikt, waarmee men een gezellig samenzijn te weeg brengt." 

Door accenten is in dit raadsel en in "'t volgende , de sahola 
aangegeven. 

218. Apy u ^adrang, 

kapi^ u indalane, 
netiimba, netéwoge, 
nakapia sêndinganeng. 

T. Mam&ng. 

Kalk uit het zeegebied , slingerplant van het binnenland , hebben 
zich bijeengevoegd en vereenigd en doen het gezelschap goed. 
A. Een sirih-prnim. 

Laurang is een vorm als b u | u d a n g , en 't Mal. 1 a u t a n , 
en is hier Sasahara ; het Sasahara indalane staat daar tegen- 
over; 't is gevormd van dala "achter, de richting landwaarts." 
Tewoge is Sasah. van tamba, en sêndinganeng is eene vor- 
ming van d i n g a n g , bv. i kami senclinganeng "wij met 
elkaar, ons gezelschap." 

219. Pahighi su wiuangaeug. T. Lewohe. 
Een put in de lucht. A. Een jonge kokosnoot. 

220. Kakaji, ëhab-e su tajoarane. T. Takiahe d. siku. 
Een graafstok met de punt in het midden. A. De arm en de 

elleboog. 

Kaka^i van den stam kaji (Bis. kale, Tag. Bul. Jav. Day. 
Bal. Sund Bug. kali. Mal. gali) "graven" is een puntige graaf- 
stok, om batata's uit te steken. Vergelijk Raadsel N°. 114. 

221. Pu n gen e niwunin Se tang, tajoaraue ghugin- 
s a h a n g , k o 1 9 - e s i n o J e n a n g i n g. T. W a J e. 



SAXGIRKESCHE TEKSTEN. 4S13 

De voet wordt verborgen door Satans; het ihidden is levendig, 
<le top wordt door den wind geschokt. A. Een huis. 

Met den voet worden de palen bedoeld die in den grond staan, 
en al wat onzichtbaar is, behoort tot het gebied der Setans. 
Ginsahahg, (gu m.) beteekent bleven maken , rumoer maken , 
levendig, druk zijn." Soje (man.) bet. ^^schokken, door hevige 
bewegingen doen lijden.// 

222. Bu^ude sëmbua, napene u Jama uhise. T. Watang 
dingangu wunga. 

Een berg vol witte borden. A. Ben boomstam met zwammen. 

l)e zwammen die op de boomstammen groeien, hebben oj) 
Sangir den mantel met de holle zijde naar boven gekeerd en 
kunnen, ook omdat zij meestal wit zijn, dus met borden verge- 
leken worden. 

223. Piso Jipa kakëhi laude. T. UJing u sakaeng. 
Ken knipmes waarmee men de zee dooi-snijdt. A. Het roer eeuer 

prauw. 

De helmstok maakt met het roer een ongeVeer rechten hoek ; 
daarom en omdat het een zoowel als het ander snijdt , kan het roer 
met een knipmes worden vergeleken. 

224. Hem pang Jaopene momana. T. Kentab' u rihi 
lahose-e a^e. 

Kene huidziekte verbonden met een stekel visch. A. De inker- 
vingen van de palen , waaromheen gumutu-touw is gebonden. 

De palen aan het huis worden ingekorven op de plaats waar er 
dwarsbalken tegenaan gelegd moeten worden. Zulke inkervingen 
worden vergeleken bij de huidziekte h e mpang genaamd, waaraan 
enkele Sangireezen lijden , en die de huid en "'t vleesch aantast , 
zoodat daarvan geheele stukken uitvallen , soms tot op 't been toe. 
De inkervingen in de palen nu worden , nadat de dwarsbalken er 
in zijn gelegd , ombonden met gumutu-touw , dat ruw fen vezelig 
is en er niet gemakkelijk afglijdt. Zoo lijkt het alsof het verbonden 
he mpan g-wonden zijn. Het stekelige aj e-touw wordt dan met 
de stekels van den visch m o m a n a vergeleken. 

225. Bujude sëmbua netumbihing. T. Sasasiang n 
b a n n n g. 

Een dniaieiuh^ lierg. A. Ken garenwinder. 

Sjisasiniig is afgeleid van sasi (man.) '/winden'/. Banang 
is 't Mal. bënang, blijkens 't accent en 't niet veranderen der 
h in w. 



424 SANQIBEESCHE TEKSTEN. 

226. Dario kadidj laawi su wango dajuhë, ujcne ma- 
le awawi. T. Me o man a me bajawo. 

Een klein kind dat op een kokospalm klimt, en thuiskomt met 
een varkensvangst. A. Eene kat die eene muis heeft gegrepen. 

De katten vangen op Sangir dikwijls muizen in de boomen. 
UJe noemt men van visschers, jagers of handelaren, wat zij thuis- 
brengen , waarmee zij thuiskomen , hun buit. Het voorvoegsel 
m a k a wordt nog op een bijzondere wijze gebruikt , verbonden met 
den naam van hetgeen een jager, visscher of zoeker weuscht 
te vangen of te vinden, in den zin van '/het nagejaagde ver- 
krijgen , het bedoelde voorwerp machtig worden , als zijn buit 
thuisbrengen '/. Zoo b.v. makapani '/een pan i-visch vangen f , 
makakëmbojeng "een haiii bemachtigen//, mak aki na, '/visch 
vangen//. 

227. Bajunang-e napene u ma tan e. T. Kumbuahe. 
De romp is vol met oogen. A. Een gevlochten mand. 

228. Sagoly su wëlle-e. T. Wënsade. 
Een dikzak in den hoek. A. Een watervat. 

229. Koje sinuaug kanini, kinAug u wawi kah^bi. 
T. Sasuang bangy, byu pinangajakeng kae-e. 

Een bete-plant, zooeven geplant, gisteren door een varken o|>- 
gegeten. A. Een klapa-zaailing waaruit men den kiembal heeft 
genomen. 

De ko^e is de Colocasia antiquorum en geeft pa^ een paar jaar 
nadat zij geplant is, vruchten. Des te zonderlinger klinkt kin^ng 
kahebi. De Sangireezen eten van eene uitgeloopen kokosnoot, 
die zij gaan poten, nog wel eens eerst den kiembal op, waardoor 
de boom, die later uit de noot opschiet, altijd schraal blijft. 

230. Kakoa u waje ta nipili. T. Sunggile. 
Huisraad d<at niet bekapt is. A. De haardsteenen. 

231. Majimbolong dudalëdu. ï. K uring sijsahoka. 
Een rond ding dat buldert. A. Een pot (met batata of pisang) 

die op 't vuur staat te koken. 

232. Mësombang karudi T. Papëhaseng. 
Als ze samenkomen, kraakt het. A. Een olie-prrs. 

De olie-pers bestaat uit twee helften van een stevigen , over- 
langs gespleten boom, die met de vlakke zijde naast elkander 
liggen. De geraspte kokosnoot, waaruit de olie moet gepeist worden , 
is reeds eenigszins jian 't rotten geraakt en wordt, in mandjes, 
tusschen die beide helften der pers ingestoken. Aan 't eind 



SANGIUEBSCHE TEKSTEN. 425 

zijn (loze vast jian ('Ikiuir [re^)()n(len , ciaii 't andere eind met rotan- 
banden los omwonden , die door een handspaak (de d a J u p i t ë) 
omgedraaid worden, waardoor de boomen dus Viust tegen elkaar 
gekneld worden, en de olie er uit geperst wordt. 

233. Bujude sëmbua, kinawëntujang n heka Jaka. 
T. Rëndipah^. 

Ken berg waaroj) een stuk purperstof is gevallen. A. Een 
regenboog. 

234. Bujude sëmbua napene u reh^. T. Soliong u 

mjauu. 

Een berg vol voetangels. A. Ken hanekam. 

Deho is de uaam van eene pin die men in den grond steekt, 
met de punt naar boven, bij wijze van voetangel. 

235. Pagha^agë su këhu. T. Paghajag' u Jaminding. 
Groote vischhaken in het woud. A. Jonge varenbladeren. 

Een paghajage is een vischhaak voor groote visch. Het jonge 
blad der eetbare varensoort wordt aldus genoemd , omdat het boven- 
aan gekromd is. 

236. Mas ing ka manginung, bega me lias e. T. Manu. 
liet kan wel drinken, maar 't kan niet wateren. A. Ken kip. 
Li as e ^/urine" en mëliasë zijn grove woorden. Fijnere uit- 
drukkingen zijn d o m o en m ë n d o m o. 

237. Li pang duanbua, su pondoj'u wanua. T. Lau- 
w u n g n s a p i e , ]) o n d o J - e r u a n p o 1 9. 

Twee duizendpooten tuin 't einde van een stuk land. A. De 
beide uiteinden van den rand eener rotan-mat. 

De rand eener rotan-mat is een vlechtwerk van 6 of S strengen, 
die wel wat gelijkt op den gekorven rug van een duizendpoot. 

23S. Mohong-e sakuhe, tojene rajiwuah^. T. Sa pi. 

Zijn bek is eene fuik , zijn staart is iets om weg te jagen. A. 
Eene koe. 

239. Ta makarea sënd^pa, pond o J-e sëndango. T. 
Wawi r. tojene. 

Het haalt geen vadem en heeft toch eene rest van een span. 
A. Ken varken en zijn staart. 

240. Kajëmona kakikine, ta^oarane gareta, tojene 
k a k u a w a. T. W a w i. 

Voorop zijn bijter, het midden is een wagen, de staart is een 
lichthont. A. Ken varken. 

Gareta komt voor naast kareta (Mal., uit 't Port.). Kaku- 



426 SANGIKEESGHfi TEKSTEN. 

awa is een bhmdend stuk hout, dat de Sangireezen heeu en weer 
bewegen, als zij op eene donkere plaats voor een oogenblik licht 
willen hebben. 

241. Turaajangke, turaajangke, sëngkareta owa- 
ngeng. T. Lua. 

Laat ons wegloopen laat ons wegloopen, daar komt een wagen 
met grijsaards aan. A. Een golf. 

242. Mihinu mou. T. Winawa. 
Een stomme bode. A. Eene wolk. 

243. Kora-koran Mawu Ratu su winangaeng. T. 
Wuan turi. 

De oorlogs-prauw van een Koning in de lucht. A. De turi- 
bloem. 

De turi-boom is een acacia en draagt groote vlinderbloemen , 
waarvan vooral de kiel aanleiding geeft tot de hier gemaakte ver- 
gelijking met een kora-kora, een vaartuig, dat zeer breed en ruim 
is in verhouding tot zijne lengte. De bepaling u Mawu Ratu 
is wegens de fraaiheid der bloem. 

244. Tinaine su rujung-e. T. Lauhij u sajana. 

De darm zit aan den rand. A. De schuifband aan een broek. 

245. Sake man mêndau, taun ba^e man men da u. T. 
Apu su kakapurang. 

De gëst tast er in en de huisgenooteu tasten er in. A. De kalk 
in een kalkkopje. 

Dit doelt op het vrij gebruik , dat ieder van de kalk in de 
sirih-doos mag maken. 

21-6. Bowone nahegu, unid-e tamata. T. Waje r. tau- 
mata rajohone. 

De bovenkant is dor, liet binnenste is groen. A. Een huis en 
de menschen die er in wonen. 

''Groen" is hier de vertaliui^ van het woord tamata, dat 
behalve voor "rauw , ongaar" , gebezigd wordt voor "groen , niet 
dor", bijv. van hout. Hier wil het zeggen, "levend, niet dood". 

247. Sapi su pujun tukade kawegftng, ara we kagho 
SU pung u |angi kasi ngkateng. T. Kikire. 

Een koe onder aan de trap bespeurt het niet, maar een klein 
diertje aan den gezichteinder bemerkt liet. A. Ken kijker. 

Kikire is 't FIoll. "kijker, verrekijker." De kagho is een 
zeer klein wit diertje , dat wel eens gebruikt wordt om iet^ bij- 
zonder kleins aan te duiden, zooals bij ons: een zier, een snip- 



SANfUUEÈSCHK TEK8*ttK. 427 

per. Ta wen apa kere kagho ^nV heb niets, ik bezit geen zier 
er van.'/ 

248. Longi-e nahene kajaraona, isine ren ta na bon o. 
T. Ampan sak a eng d. pasa-e. 

Het tandvleesch is verrot voordat de tanden er nog zijn uit- 
gevallen. A. De zijplanken der prauw en hare pinnen. 

249. Pia mohong-e, ta isine. T. Liang. 

't Heeft een mond en geen tanden. A. Een grot. 

250. Kasuang ilele soa, sumasangj-e su Jantang. 
T. Sipa. 

't Lijk wordt in de stad rondgedragen , de rouwklager is in 
den tuin. A, De sagoweer. 

Met het lijk bedoelt men den bamboekoker, waarin de sago- 
weer wordt opgevangen , de rouwklager is de druipende bloemkolf 
Vcan de arèn-palm. — ilele soa, voor ilele su soa. 

251. Maten pananaha, wau}-e itëntang. T. Wajan 
hëmbia pinangkong. 

Men sterft haast van het kappen en laat de uitgeholde prauw 
liggen. A. De stam van een sagoboora, die geklopt is. 

252. Ilëbi ng pedesë, ileke wusa masas^. T. Uase 
itetongka u sesajeng. 

Als 't begraven wordt is 't een vod, als 't er uit genomen wordt, 
is 't een rijpe pisang. A. IJzer dat gegloeid wordt om gesmeed 
te worden. 

Pedese ^een oud kleed, een vod van een kleed" wordt 
(^en stuk sraeedijzer genoemd , om de zwartachtige kleur , die oud 
staafijzer vertoont , evenals oud zwart koffo-goed ; roodgeel is de 
kleur van sommige soorten van pisang als zij rijp zijn. 

25'*i. Mate ta ikasasusa. T. Tau metiki. 

Een sterven waarovet men niet bedroefd is. A. Iemand als hij 
slapen gaat. 

254. Areng-e ir es o, balunang-e kakëlftng. T. Buk e 
d. waweran e. 

Men behoudt den naam , het lichaam bekijkt men. A. Een boek 
en de woorden daarvan. 

255. Tamata ta uakataking mahegu. T. Akeje d. 
këmpughang koateng a^e 'pëlehose baje. 

Een groene die den dorre niet heeft kuntien vergezellen. A. De 
sagoweevboom en het guniutu-touw waarmee het huis wordt vast- 
gebonden. 



428 SANGIREXSCHE TEKSTEN. 

De bedoeling is: de arèii-palin , waarvan men de oinliuUing van 
vezelweefsel, dat hij bovenaan om den stam heeft , afgenomen heeft , 
kan deze niet volgen , wanneer zij door den mensch meegenomen 
wordt om tot touw gedraaid te worden, maar moet op zijn plaats 
blijven, ofschoon hij leeft en 't andere dood, dor is. 

256. Sumiie elong, sumëbang këhamij. T. Mamflng. 
(Iroen gaat het naar binnen, rood komt het er uit. A. Sirih. 

^ Groen '' is m a e 1 o n g , m e 1 o n g ; en daar k ë h a m i bet. 
'/een rood vischje/!' (//rood" is mahamu), zoo is 't ook waarschijnlijk 
dat elong 't een of ander groen voorwerp aanduidt. 

257. Mëbawuno timbang-e mohong-e. T. Maniji ip§- 
b ^ b a w u ^ e. 

Als zij elkander doodslaan , moet de bek er bij helpen. A. lianen 
die men laat vechten. 

258. Bu|au nalang-e maniji. T. Ontapeng d. Jaonta-e. 
Slangenholen die er een haan op na houden. A. De blaasbalg 

en de zuigers. 

De holle houten buizen van den blaasbalg (die op Sangir den 
vorm van een scheepspomp hebben) is het slangenhol; de zuiger 
is met haneveeren omwikkeld en wordt daarom een haan ge- 
noemd. 

259. U t H i W a w u m e p d n g k e n i a h us a n g k e n k i h j 
p e n t e h e. ï. L a n g k a i p e p o h o s a n g k o a t e n g s i p a . 

Zwaar dameshaar wordt vervangen door een afgesneden achterste. 
A. De bloemkolf van den sagoeweer-boom, die wordt afgesneden 
en geklopt. 

Bij dit raadsel deuke men aan de bewerking die de bloemkolf 
van den arèu-palm ondergaat, bij het pohose (Amb. Mal. tifar) 
//'t afsnijden van schijfjes en het kloppen.// 

260. Tatingkujuang mana^uru. T. K ad era. 
Draagbanden die in de armen houden. A. Een armstoel. 

T a t i n g k u ^ u a n g is de naam van de draagbanden van koffo- 
bast, waaraan de mand op den rug wordt gedragen (tiugku^u). 
Hiermede worden de leuningen van een armstoel vergeleken. 

261. Kasuang su wa^ane, sumasangi su wu|ude. T. 
Kina bebaekang kij mapinsu^e, ute taumata rasj su 
s a k a e n g e m a s u s a. 

Het lijk is in het dal , de weekhigers zijn op den berg. A. Keu 
visch dien men met den hengel vangt en die losraakt : dan zijn 
de inensch^n boven in de schuit teleurgesteld. 



i 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 429 

262. l niiiang-e su tiv^oarane, au a-e su ruanb^ka; 
maa|a itoiido, maa^a iwiia. T. E po, u lasine ruanh^ka 
r. i nëng-e su tajoarane, wou isuhudë su makisasake, 
saiji bo^engang u tauu ba^e kapia. 

De moeder is in 't midden, de kinderen aan heide kanten; 
heeft de een het gekregen, dan wordt het van wal geschoven, 
heeft de ander het gekregen, dan wordt het op den wal ge- 
trokken. A. De sirih-doos, want de hiadjes zijn aan beide 
kanten en de groote ruimte is in 't midden; nadat men ze aan 
de gasten heeft toegeschoven , trekken de gastheeren ze weer 
tot zich. 

Lasi is 't lloll. ''laadjc. Men zit op den grond en schuift dus 
de sirih-doos over den vloer heen en weer, 't welk met het in 
zee steken en op land getrokken worden eener prauw vergeleken 
wordt. 

263. Sansah? su ëllj. T. Wuwu. 

Een gevlochten weefpatroon op den bodem der zee. A. Eene fuik. 

Sansahe is een gevlochten patroon voor 't koffo-weefsel , niet 
ongelijk aan de vlechtmatjes welke bij ons de kinderen van reepjes 
gekleurd papier maken. De fuik, die van mandewerk is, heeft 
hiermee eenige gelijkenis. 

264. Bunga tatahakeng su ^angj. T. Wu^ang. 
Een paddestoel aan den hemel. A. De maan. 

265. Pisine laua ra^ung-e. ï. Laëlla Jewohe. 

De schil wordt gebruikt om 't binnenste uit te halen. A. Ken 
lepel voor 't eten van een jonge kokosnoot. 

Bij 't eten van jonge kokosnooten slaat men een stuk van den 
bast af en snijdt dit tot een scheplepel, om den weeken inhoud 
uit te scheppen. 

266. Ana-e mamunin nëng-e. T. Lahaseng u atij. 

De kinderen verbergen de moeder. A. De katoebladeren die tot 
één katoeblad aaneengehecht worden , en de gesnoeide baraboelnt , 
wjiar zij om heen geslagen worden. 

267. Hakondan gaghurang makadajungkang. T. 
Tuwu. 

Takkebossen van ouders, die aan het weeklagen brengen. A. 
Suikerriet. 

Stukjes suikerriet worden als lekkernij uitgekauwd; wanneer 
kinderen nu suikerriet op het erf zien staan, jengelen zij er dik- 
wijls om. 



idH, Ki'Ui*np['kene.nfe li^^erite. T. Peut uu bawae. 

K f twhi^ 'k f ntt tl p^ dat lallfr^ ef n sidhIIc brut? loopt. A. De 
Itéuin van ^t heugelMK>er, 

Peut II it» Miu nU'J'U iu rotau gevlochteu , dieu men aan twee 
r^iiaii \ntmé*4i laugM het hengelt$noer naar beueden laat glijden, indien 
dé; haak op den bodem van H water aan iets> is va^itgeraakt. Men 
doet daarmee den haak gewoon Igk n;iar beneden schieten en krijgt 
hem op die manier lo». 

'Zii^, J'iinda|-e kuhangkang, seweh-e kuhangkang. 
T. KahakiA. 

De roeiriemen zijn haken , de boomstokken zijn haken. A. Eeue krab. 

M«t de roeiriemen worden de j)ooteu bedoeld, met de boom- 
utokkt^ii de Meharen. 

ili), Kady Mëmpelo. T. Wuuga këha. 

Ken nehuit vol huidwehilfen*. A. Ue këh a-zwam. 

Deze HOort van zwam is klein en lijn. Kado (Mol. Mal. kas- 
kado) is eene soort van psoriasij*, doch hier worden blijkbaar 
bedoeld de huidschilfers, die zich daarbij ontwikkelen. Pelo is 
iij'n. met pelang, eene breede prauw, die met roeiriemen voort- 
bt^wogen woi:dt. 

i7\, Papehe u Hatun ^angi nauawo su watata. T. Rën- 
dipah(. 

De gordel van den Koning des hemels, gevallen op een batata- 
veld. A. De regenboog. 

^7)4. Nangka keren k^guw^-e, watune ketyi sembaii. 
T. Si au. 

Zulk eeu groote nangka-vrucht heeft maar t^^en pit. A. Siau. 

Siau wortlt vei-geleken bij eeiu' nangka met een pit, omdat het 
unmr een vorst heeft. 

)Ji.S, Tau uiaghurang mt)dëndujang tèpihe. T. Luu. 

Keu oud meuseh, die eene mat opndt. A, Kene golf. 

^7k T^tuh^ lv4<*ïïte SU hakonda. T. Kupa. 

Keu gloeiende kooK die langs een takkebi>s gaat. A. IV djamboe- 
vrueht, 

IV rvuteuapjH*! ^«lambusa vulg;4ris) is rinnl en gn>eit met een 
•et^r korten steel aan deu tak» 

3jiC>. Tamha ka^iusvi, hae siwe» T. K^towaug. 

/«\j liggtMi ouder êtMie slaa)isari>ug « ma;ir xiju toch iu ven^'hil- 
leude kamers. A. IV k^t ow auir-luHUK 

iVjt» driekautiire Ihvui is iuweudiir iu drie ruimten ire5<*hei Jeu ; 



SANGULEESCHK T£KST£N. 431 

de boontjes of pitjes die zij bevat zijn dus wel in een gemeen- 
schappelijke schil besloten, maar zijn toch door de middelschotten 
der vrucht gescheiden. Si we is de naam van eene afgeschoten 
ruimte in huis. 

276. Maten karararung, kahiwu makakoko. T. Hangube. 
Het sterft haast van de koude en heeft de sarong in de armen. 

A. De kleereumand. 

Ilangub^ is een ronde mand met deksel, waarin de Sangi- 
reezen hunne kleeJeren bewaren. 

277. I Pidy m^ngakaj^. T. Pekeng. 

Pidu, vgl. ka^impudij, van den stam pudu, Sprk. bl. 141; 
ma mi d IJL is '/krommen als een hengelhaak.// 

278. I Lohang m^ngaka]e. T. Somb^. 
Het gat dat bedriegt. A. Eene fuik. 

279. Maeng ta il^bing, ta mebiahe. T. Putung su 
hunaeng. 

Wanneer het niet begraven wordt blijft het niet in 't leven. 
A. Vuur in de asch. 

De Sangireezeu bewaren des nachts vuur onder de asch. 
Hunaeng //asch van den haard " is afgeleid van den stam h u n u 
(mëh.) "de geheele bewerking van 't vuur aanleggen verrichten" 
(hout opstapelen en dit aansteken) en staat dan voor hunuang, 
omgezet hunaung (vgl. sakaeng voor sakeang), hunaeng. 

280. SëmpotQ kanen gang, sempoto kinaseng; ta^o- 
arane ilabo tumuwo. T. Ko^e. 

Ben deel wordt als spijs gegeten, een stuk wordt als vleesch 
gegeten , het midden weggeworpen , groeit op. A. De bete-plaut. 

Van de bete-plant wordt de knol gegeten en de jonge bladeren 
ook als groente; de stengel wordt gestekt en groeit op tot eene 
plant. — Kumin^ bet. " vleesch , visch of groente eten^; iets 
andei*s eten is kumdng. 

281. Tahiti uhis§ sënggapilng. T. Hëmbia redondo- 
n g a n g. 

Eene wolk witte regen. A. Sago die gezeefd wordt. 

282. SijLsasajëpa, ta tëmbo-e. T. Laky. 

Het houdt de armen ter zijde gestrekt, doch beeft geen hoofd. 
A. Een baadje. 

Van den stam lepa komt o. a. kaj^pa "tak", taghuj^pa 
of t a t a g h u J e p a " vlerk , uitlegger eener prauw (Spr. bl. 132). " 
Sumasajëpa bet. "de armen ter zijde horizontaal uitstrekken." 



432 SANOIEEESCHE TEKSTEN. 

283. Gio-ghio ënsa^, galo-ghalo ëusaé, bojaug- 
bojang këngkëllung, bQete i kite tahana tumajaugke. 
T. Tahiti? 

Gejuich, gejuich komt van 't binneulaud, gejubel, gejubel van 
't binnenland, haal, haal de schilden voor den dag, komt kin- 
deren, laat ons vluchten. A. Regen. 

B o ^e n g , ma m. is eig. «'trekken , uithalen. // K ë 1 1 u n g bet. 
'^schild'/; këngkëllung is met de Sprk. bl. 69 genoemde redupli- 
catie daarvan gevonnd. Met gio en gal o wordt het geruiseh 
aangeduid, dat eene naderende regenbui aankondigt, en met këng- 
këllung bedoelt men het een of ander middel ter bescherming 
tegen den regen: maar men doet met het geheele raadsel voor- 
komen, alsof men 't gejuich en 't krijgsgeschreeuw van naderende 
vijanden hoort, en elkander aanspoort, om de schilden voor den 
dag te halen en weg te loopen. 

284. M o h o n g - e m a n a n d u ^ d u n e. T. S i u a p a n g i p ^ 1 e- 
lutang, kij uwane r. ha gel-e kai si]Lsëbang mararange. 

Het speeksel is langer dan de mond. A. Een geweer waarmee 
geschoten wordt, en welks kruit en hagel er hoog uitkomt. 
Uwa is 't Mal. obat, hagel^ 't HolL '/hagel'/. 

285. Kapu mëtëtëlluhë. T. Watata d. manga salawu, 
manga sasuang mëgegesi su hamu-e. 

Een slingerplant die eiereren legt. A. Batata en allerlei ge- 
wassen en aanplautingen , die vruchten zetten aan de wortels. 

286. Sasae kere mehe-mehe, nilawungang u songko. 
T. K a s i n g. 

Daar gaat het heen, rechtop, door een songko (met een touw) 
omslingerd A. Een tol. 

Met mehe-mehe wordt bedoeld //rechtop, onbelemmerd, niet 
ter nedergedrukt door een last//; het kan zich dus gemakkelijk en 
vlug bewegen. Songky is de miara van spoken, die des nachts 
uitgaan , in den vorm van menschen , die met pieken door den 
huisvloer porren (manongko , de versche lijken in de graven 
van hunne kleeren en sieraden berooven en voortdurend ko, ko! 
roepen. 

287. Ene, ene! ia mëhopaen nanaraka. T. Tau mëlëlutang. 
Daar, daar, ik ga iets uit de hel uitspuwen. A. Iemand die een 

geweer afschiet. 

Ene wil hier zeggen 'alaar gebeurt het, daar moet je heen 
kijken". Nanaraka, van het grondwoord u ara ka (Skr., door 



8ANGIRKESCHE TKKSTEN. 43*3 

't. Mal.), met reduplicatie, dus: iets om de hel mee na te doen, 
om een helsch iets te doen. 

28S. K a 1 u s e m p e d i m e l e h o p a n k o h a s e d. r a m p e 1 o s' 
u na ra ka. T. JiUtan*^. 

Een stuk hout dat grof zand en puimsteen uit de hel uitspuwt. 

A. Een geweer. 

K oh as e "grof zand, grint'' is waarschijnl. van denzeifden stam 
als t o g h a s e (t u h a s e) en 1 e h a s e ''kernhout , ijzerhout. " 

289. 1 s i r e s ë u g k a s o tl n g t a n a k a s u e d e n d e n g s ë n g- 
kerapang. T. Watu pa pon o isi. 

De bevolking van eene geheele stad kan nog niet één stuk 
gedroogd vleeseh met elkaar opkrijgen. A De steen waarmede men 
de tanden afslijpt. 

Sëngkasojing; over dezen vorm, zie Sprk. bl. 82, 83. 
Den d eng is uit 't Mal. overgenomen. Pon o (mam.) bet. "de 
tanden slijpen". Dit ziet vooral op 't van cmderen gelijk slijpen 
der tanden , want men zegt ook m a m o n o k a n u k u "de nagels 
korten". Vgl. 't overeenkomstig gebruik in de Minahasa, Wilken, 

B. T. L. V. 188S, //Iets over de Mutilatie der Tanden bij de 
volken van den O. 1. A.", bl. 182. De bovenkant wordt daiirbij 
eenigszins hol geslepen , zoodat de tanden er uitzien als waren zij 
een weinig naar voren gebogen. Het zwart maken der tanden 
geschiedt met totoji, eene soort van email, dat de tanden éëns 
voor goed zwart maakt. Een stuk ijzer of staal wordt gloeiend 
gemaakt , daarop worden d ë n d i k i (srt. van klit)-bladeren slap 
(lab e) gemaakt en dit geeft de toto^j. Men vgl. 't Day. Wdbk. 
van Dr. Ilardeland, i. v. katiting. 

290. Mesombang medarëngu, raësombang mcdarëngu. 
T. Kahëmmisë. 

Telkens als zij elkaar tegenkomen , zoenen zij elkaar. A. Mieren. 

291. Dangengke, ruma^engke; lintue m^tikie. T. 
Sakaeng d. wajango. 

Kom boven , wij gaan uit ; ga naar beneden , wij gaan slapen. 
A. De prauw en het anker. 

Men bedenke dat "boven komen" in 't Sang. bet. "binnen 
komen" en "uaar beneden gaau", ook "het huis uitgaan^. 

292. Batang-e sëngkalu, tuid-e mahasy. T. Tëmbod. uta 

't Heeft ^en stam en honderd ranken. A. 't Hoofd en de haren. 

Vele boomen op Sangir groeien met de verlengden der wortels 

boven den grond , zoodat de stam daarop staat. Houwt men zulke 
5ü Volgr X. 21) 



434 SANülRKKSCHK TKKSTEN. 

boomcii ;it', dan geschitult dit hoven dir duliüfc'j^; hvX geihielte 
dat aldns blijl't staan , lieet t n i d i;. DaarniiM^ wordi^n de hoofdharen 
die kortgesneden zijn vergeleken , terwijl met "een stam'/ bij elkander 
gebonden, lang haar bedoeld wordt. 

29-3. Kekade luhaung dihi. T. Sinsing d. tajimedo. 

liet gat komt naar den paal toe. A. De ring en de vinger. 

294. Kina sembeka, rudarëmma najjo. T. Sasehen atu 
u wa^e. 

Ken halve visch, die tegen eene groote rots (in zee) aanligt. 
A. De zijvlakken van het dak. 

De vorm der eiudvlakken van \\vX dak , aan de breedtezijde van 
't huis, doet den Sangiree.s aan een halven visch denken. 

295. Kagho, Jaiki-e ujang. T. Uukuraang u Kum- 
])auia r. kawanuan Sangihe. 

Een zeer klein diertje, gebonden aan' een kabeltouw. A. liet 
Nederlandsch gezag en het Sangireesche volk. 

296. Leangeng e rulung, luniinso e tahakuku. T. 
Lisung d. ëmme lel u tak eng u wawalu. 

Men steekt naar eene zeekoe, hetgeen opspringt zijn rifvischjes. 
A. liet rijstblok en de rijst die met den stamj)er wordt gestampt. 

297. Maten pangangi n u ng , bega mëndomg. T. Manu. 
Het sterft van het drinken en kan niet wateren. A. Eene kip. 
Domo is het tijnere woord voor lias e. Zie N°. 28(). 

29S. Maten kararou, ake su wungkele. T. Lekan biha. 

Het sterft haast van dorst en heeft water in zijn lies. A. De 
bladsteel der biha-plant. 

Deze bladsteel vormt met het aansluitende gedeelte van het blad 
eene soort van koker, waarin gewoonlijk water staat, dat door 
den steel niet kan opgenomen worden. 

299. SowA.ng kadodo napen e u ma n ga n gek e. T. 
K o h a b' u m a t a. 

Een kleine zeeboezem, vol hengelaars. A. Het oog en de wim- 
pers van 't oog. 

Zie Raadsel N^ SO. 

300. Dumangeng dumajaugi, lumintij duma^angi. 
T. Këngkau. 

Gaat men naar boven, dan ligt het ojj den rug, gaat men njuir 
beneden, dan ligt het op den rug. A. De sehaduw. 

De beteekenis van dit raadsel is niet reeht duidelijk. De sehaduw 
wordt blijkbaar besehouwd op den rug te liggen. — Këngkau 



SANGIRKf:snHE TKK8TKN. 135 

is met (1<* Sprk. 1)1. f)9 irt^noeiiide reduplicatie trevorind van k jmi 
"«rij'', en heteekeiit dus '/;j1s 't ware i^ijzelf, eeu tweede irij". 
Met een derg. reduplicatie is ürevormd 't Bent. tuntauii 
"schaduw/', eitr. "mannetje, (piasi-niensch , hoinunculus.'/ Ook bet. 
kengkau "spiegelbeeld". Eene verklaring van sommige zieklen, 
is dat de kengkaun si^tang op den patiënt is gevallen. 

301. Ilumaung baliani, ia porongke. T. Kuring u kïing, 
itüng SU putung. 

Daar ik op een dappere wil afgann, omwind mij het hoofd. A. 
Ken pot met t^ten dat op 't vuur wordt gekookt. 

Ue pot opgehoo])t vol met pisnng ol' batatn , die men te vuur 
wil zetten, wordt v;ist b(*dekt niet jnsangbljuleren , wi(*r einden 
men vaststeekt tusschen den pot rand en hetgeen er in is. — 
Po rong is turn priesterhoed , bij 't verrichten van shamanistische 
ceremoniën gedragen, ij.i porongke is hier zooveel :ils //zet mij den 
helm op// ; p a p o r o n g is de gewone hoofddoek , m a m o r o n g 
"'t hoofd omwinden.// — Met bahani is hier 't vuur bedoeld. 

302. P a p u ;i m a n f^ n g | a n g i . T. S u n g g i 1 e t i n a k a t e n g 
n k M h e m p e n g. 

Papuwa's die den hemel op 't hoofd dragen. A. Haardsteeuen 
ovc^rdekt met een pan. 

Om een sago-pan van binnen te verwarmen , wordt hij omgekeerd 
O]) de drie haardsteeuen boven 't vuur gezet. Daarop doelt dit rnadsel. 

303. Bansro daluhe ma range kinsul e. T. Raleiur de- 
dajengang e r. taumata. 

De kinsuje is hooger dan de hooge kokospalm. A. De begane 
weg en de menschen. 

De weg wordt hier bij den kokospalm vergeleken, diMuenschen 
met de k i n s u ) ë-plant , dus lengte en hoogte worden met elkaar 
vergeleken. De kinsu[e is een lage plnnt, die in twee sooHen 
voorkomt: k. n wawi (de bijvoeging u wawi is weer te geven 
met ons "wild"), die altijd maar een blad heeft, en een knol of 
radijs zet, die de Sangireezen als geneesmiddel gebruiken. De 
kinsuj' u taumata is eene andere plant; zij wordt in 
beddingen gekweekt om de welriekende» sap])en die zij oplevert, 
heeft een wortelstok en vele bladeren en draagt roode bloemen. 

30 k L a n g i t a b it u i n g - e : s a s i t a kin a - e. T. W u a n 
1) a n g o , a k e n e r. g h es i n e. 

Ren hemel zonder sterren , een zee zouder visschen. A. De 
kokosnoot, zijn sap en zijn vruchtvleesch. 



t36 SANGIREKSCKK TEKSÏE!^. 

't Laatste wordt, om deu hollen votm en de witte kleur, inet 
deu hemel vergeleken. 

305. Kahëmmise mesesajimbang. T. Wohe su kumpire. 
Mieren die feest zitten te vieren. A. Schrift op papier. 

M e s e s a 1 i in ba n g wil hier zeggen /^op eene rij zitten zooals feest- 
vierenden.// Zie ook No. 72, 363. 

306. Masingka mam oh e, bega mebasa. T. UJide d. 
k a h ê m m i s^. 

Ze kunnen schrijven, maar ze kunnen niet lezen. A. Wormen en mieren. 
Bedoeld zijn de (witte) strepen en ligureii die deze dieren bij 
't kruipen over de bladereu maken. 

307. Tinggung, tika, tinggung tika; ta katata- 
ghajang. T. Singongo. 

Ik geef op, raad; ik geef op, raad: het kan niet bijgehouden 
worden. A. De adem. 

Taghaje is //telkens//, m^tataghaje "telkens doen, tel- 
kens meedoen, bijhouden.// 

308. Du^ungang buase, mawila kumpfre. T. Lua. 
Wordt het opgerold, dan is 't (een bladknop van) de buase, 

heester, wordt het ontrold dan is het papier. A. Een golf. 

De buase is een groote heester, waarvan de blaadjes der blad- 
knoppen een zeegroene kleur hebben 

309. Darig kadidj mël^langiug banua. T. Pego^e d. 
waho w o. 

Ern klein kind, dat een land opbouwt. Het peg o 1 e-dier en 
de hoopen die het opwerpt. 

Dit dier, ook t ego Je genaamd, huist aan het strand en werpt 
aardhoopen op , waarin het zich , bij nadering van menschen terugtrekt. 

310. 1 sire mahasu lijjente su timbung sëmbua. T. 
Emmesukuhampene. 

Met hun honderden loopen zij langs een kokosbladnerf. A. De 
rijst aan de aar. 

De kuhanipe is de tros zonder de vruchten; dus: de tros of 
de aar van vruchtstelen. 

311. Dulung pananapdng-e timbung. T. Taumata 
Tijida^oka su sapie. 

Zeekoeien die kokosbladnerven tot rookhorde hebben. A. Men- 
schen die op eene rotan-mat liggen. 

Menschen worden in de raadsels vaak met zeekoeien vergeleken, 
zie bv. de N^'s 32 en 347. 



8ANGIREESCHE TEKSTEN. 437 

312. Duampoto kal ong-kalong, ta^oarane pis^-pisy. 
T. Kakahurang. 

Twee eindeu schommeleud , het midden mes. A. Een koffo-hekel. 

K al o ng is een woord, gemaakt naar balong (m§b.) /'schom- 
melen " , t a 1 o n g (man.) "hangen " trans. Zie verder over den 
koffo-hekel, N®. 19. PisQ-piso is namaak van b al on g-b al o ng, 
dat een frequentatieve beteekenis heeft. 

313. Dasi kukolong kukanoa, bawa k^komang mana- 
phipo. T. Pëntu. 

Boven schudt het en beweegt het zich , beneden besluipt het 
tastende. A. Het werktuig waarmee men den haak ontwart. 

K u m o m a n g is '/doen als een krab (k o m a n g) , sluipen , 
kruipen". Over de pëntu, zie N®. 268. 

314. Papekohang, papediang, lumahiang Datu. T. 
Wawanu^ng d. mamUng. 

Buig- en breekdingen , bijzitters van den Koning. A. De pinang- 
doos met sirih. 

Papekohang van pek oh e (vgl. peku, p^kuh^) en p$di 
doelen op de ingrediënten van het sirih-kauwen , die alle worden 
stukgebroken , eer men ze gebruikt. 

313. Man au du e sëmpukang, makibiji e potokaug. 
T. Hote nënonöng. 

Het lange wordt verlengd , het korte wordt afgesneden. A. 
Koffo die geknoopt wordt. 

De koffodraden , die niet langer dan ééu of anderhalve Meter 
zijn , moeten voor het weven aaneengeknoopt worden. Opdat de 
knoopen, die de Sangireesche vrouw zeer vlug en vast weet te 
leggen , zoo weinig mogelijk bij het weven hinderen zullen , worden 
de overschietende eindjes zoo dicht mogelijk bij den knoop afge- 
sneden. Deze korte eindjes worden dus nog afgesneden, terwijl de 
draden zelf, die in verhouding daartoe lang zijn, door elkander 
verlengd worden. 

316. Lew ^ng, ta tem an g-e. T. Hote leëmpukang. 

Als er aan gelikt wordt heeft het geen smaak. A. Koffo die 
aan een geknoopt wordt. 

De knoopster bijt de eindjes der geknoopte koffo ook wel eens 
af, als zij voor andere doeleinden moet dienen dan voor 't weven. 
M e n a n o n o is ook de naam van een insect , dat in zijne bewe- 
gingen aan eenc koffo-knoopster doet denken en gelijkt op onzen 
"hooiwaj^en". 



438 SANGIREESCllK TEKSTEN. 

;il7. Ku mak Cl la kang, ta kakaiig, ku makel la kina, 
ia kakiua, kiimakëUa ake, ta kainuiig. T. VVituin^ 
Umpihise, d. vvituing Kina, d. wituin^r Bowoug. 

Men ziet naar eten , het kan niet gegeten worden , men ziet 
najir visch, zij kan niet gegeten worden, men ziet naar water, 
het kan niet gedronken worden. A. De ster Umpihise, de ster 
de Viseh, en de ster de Waterbamboe. 

Een umpihise is eene soort van rijst-spijze , de besehrijving 
vindt men in 't Woordenboek. 

318. Mahebi iwati, maéllo ajakeng. ï. Wituing. 

Des naehts worden ze te zonnen uitgespreid , des daags worden 
ze weggenomen. A. De sterren. 

319. Ta gatine o sene wue. T. Ilëbi marend unt^. 

liet heeft geen gezicht en 't is er toeli. A. De donkere nacht. 

3^0. Duma^eng su rajeng sëlelang, nakaeba ^eugane 
tëllu lelang, nirajengang kebj. T. Laku, bajunang-e r- 
kahoko-e ruanbëka. 

Op een enkelen weg zich begeven hebbende, heeft men drie 
vertakkingen gevonden en beloopt die alle drie. A. Een baadje, 
het lijf en de beide mouwen. 

Hierbij stelle men zich voor, dat het kleediugstuk over het 
hoofd Avordt aangetrokken. 

321. Kuring kadidi, napene u kudada, kudidi. T. 
K ë n n a n g. 

Een kookpotje vol kleinigheden. A. De kënnang-vrucht. 

Deze vruchten zijn zoo groot als onze gewone grijze knikkers en 
zitten vol pitten. Kudada eii kudidi zijn namaaksels van 

kadidi. 

322. 1 s i r e ni a h a s u t a p o n d o J - e. T. II a ^ o m b o. 
Honderd zijn zij en hebben geen eind. A. Een werpnet. 

De touwen die eene maas begrenzen, zijn ook weder de grenzen van 
andere mazen , men kan dus niet zeggen, waar het eind eener maas is. 

323 . 11e ni p a n g t u in e do, il e m p a n g t u m 6 d o. T. P u n d a J e. 
Bij iederen stap druipt het. A. Eene roeisjman. 

De Sangireezen maken onderscheid lusschen punda^e (Sasah. 
b a w a h a s i , Mal. p ë n g a j u li) , een r(»eis[)iuin nit een st uk , waar- 
van 't blail slechts eene kleine verbreeding aan den steel is, en 
die geheel in de liand wordt gehouden , zonder in een dol te 
liggen, en ba lang (ISasah. sasindua. Mal. dajung), een breed 
blad , waaraan een steel is bevestigd , die in een dol van touw ge- 



SAVGIREESCHF TEKSTEN. 489 

1(\ü:(1 wordt i;n dus altijd ijT^^pjiard moet zij» met oen tweedi'ii riem 
(vïidr. de S.isjiliara-beuaming, vgl. lii n d u a "tweeling"'/). 

•i2l. Tan mahuf^u, manendeng banua. T. Rihin baje. 

Ma^eTe lieden , die een land draden. X. De palen van het huis. 

Tendentr is een bord, ma namenden er "iets op de vlakke 
haiul dragen", banua omdat de vloer van een huis ook een 
()j)pervlakte is, waaroj) veel mensehen, gewoonlijk twee, maar ook 
wel eens meer gezinnen uitmakende, leven. 

82."). B o k i n 1 a u d e s u m ë b a ii er , k A, n i^ - e m u n s i n j?. T. 
S a n ë m p a. 

Als de koningin der zee uitgaat, heeft zij een gedoofd stuk houts- 
kool tot sj)ijze. A. Ken inktviseh. 

Munsing is een uitgedoofd stuk houtskool, waarmee het 
zwarte sap van den inktviseh wordt vergeleken. 

82f). Sëmpoto 11 i rangen, *<ëmpoto niwongose. T. VValang. 

't Kene eind is in de pan gebakken, 't andere eind in sago- 
bladeren gepoft. A. Een roeiriem. 

1 1 ë m b i a s e n d a n g e is een platte sago-koek , m ë n d a n g e "in 
de pan bakken"; met nirange wordt dan ook bedoeld "plat en 
rond", tegenover binongose "in den vorm van een bongose 
gebraeht", d. i. een soort van sago-worst, in sago-bladeren gewik- 
keld en in 't vuur gepoft. De sago-koek is dus 't blad , de sago- 
worst is de steel van de roeiriem. 

.'327. Lumiu wujude sëmbua inenggu, lumiu wu^ude 
sëmbua mënggu. T. Ake su wowong. 

Telkens als 't een berg overgaat, bromt het. A. Water in een 
water-bamboe. 

Wanneer de bamboe, waarin 't water voor huiselijk gebruik wordt 
gesehept en bewaard , wordt vol of leeg gegoten , klotst het water 
telkens wanneer het door een der doorboorde tusschen.^^ehotten gaat. 

M ë n g g u of m ë n g g o h i; , van den stam ë ri g g u , ë n g g o h e 
(Sprk. bl. 19S) bet "een brommend of zwaar kreunend gcdoei maken." 

•32 s. M a nu u h i s i* s u w o w o ii s e b a. T. T a m b u k u. 

NVitte kippen op de borst. A. Knoopen. 

•J29. Pia da uk al un e, ta hamu-e. T. Se ii ir ir o u sakaenyr. 

'l II(»eft blach^reii, maar geen wortels. .\ De zeilen der prauw. 

De zeilen zijn van nipa-palmbladeren gemaakt, vandaar ook di» 
S.isatiarn-benamiiig d a r a u n g. 

•>*ML Sumepu puku|aiig, suuiepu ])uku|ang. T Sakuhe. 

Telkens als het uitkomt, krijgt het cm-ii slag. A. De kleim* viseh-fuik. 



440 SANGIREESCHK TEKSTEN. 

De sak uil e is de kleine fuik, waarin men garnalen en vischjes 
vangt, in de plassen die bij eb op de riffen achterblijven. Telkens 
als deze fuik uit het water komt , geeft men er met een stok een 
slag tegen , om de visch naar beneden te doen schieten. 

331. Pia tuji, ta makararairingihe. T. Wajiung. 
't Heeft een oor, maar 't kan niet hooren. A. Eene bijl. 

Het gat waarin de steel steekt, heet in 't Sang. tuji. Zoo wordt 
ook 'toog der naald tujin darahiing genoemd. 

332. Mangangido su ëllj. T. Woja-mata. 

Een groen verver op den bodem der zee. A. De bo|a-mata 
(een blauwgroen vischje). 

333. Man an aha su ëlli. T. Wem ba. 

Een houthakker op den bodem der zee. A. De bëmba. 
Dit dier is eene soort van garnaal , met groote knijpers. , die 
hier dus bij bijlen vergeleken worden. 

334. Ana-e raamakelë biwih' i ninang-e. T. Wawalu 
r. Jisung. 

Het kind trapt met den hiel op de lippen zijner moeder. A. De 
stamper en het rijstblok. 

Het rijststampeu geschiedt in een bepaalden raaatslag, waartoe 
o. a. behoort, dat sommige slagen op den rand van het rijstblok 
• worden gegeven. 

335. Tinganeng marau ^onde, kahaiingang sa^ëngka. 
T. Ra^iawede. 

Van verre gezien is 't een kleine prauw , van nabij gezien een 
hengelklos. A. Het insect d a^ i a w e d e. 

Dit insect, een dier met meer pooten dan de duizendpoot, rolt zich 
op , zoo men 't nadert en gelijkt dan op een klos met een gat van 
binnen, zooals men die bij 't visschen met den hengelhaak (mebae) 
gebruikt. 

336. Papua man eudeng bu^ang. T. Sunggilë d. hëmbia 
SU kahëmpeng. 

Papoewa's, die de maan op de handen dragen. A. De haard- 
steenen en de sago in de sagokoekepan. 

De witte , ronde sago-koek wordt met de maan vergeleken. 

337. Lëhasv su tonggene. T. Sungen kambing. 
IJzerhout op een voorgebergte. A. De horens eeiier geit. 

338. Masau sumenggo, paporong-e ta nëlikij. T. Kanuku. 
Hij zeilt dikwijls uit, en zijn hoofddoek komt niet rond. A. De nagel. 
Op reis gaan of uitzeilen geschiedde vroeger voornamelijk met 



SANOIKEKSOHE TEKSTEN. 441 

bestoinniiug naar Meuado of naar ïernate. Wie dat dikwijls deed, 
had gelegenheid zich riiiiusohoots van hoofddoeken enz. te voor/ien. 
De vinger nu, die overal heen gaat, heeft in den nagel een hoofd- 
doek, di<^ niet eens geheel hfvren top omwindt Zie verder Baadsel 
No. 152. 

•3-^9. Masau sumenggo, papo rong-e kalu. T. Wënsade. 

Hij is dikwijls onder zeil en zijn hoofddoek is van hout. A. 
Een vat. 

De vaten met olie , die de Sangireezen vroeger veel naar Menado 
hraehten , hadden houtcm deksels. 

340. 1 ainang e pihu, i ninang e pihu, nahana u ana 
bengko. T. Pefceng. 

De vader is gedraaid , de moeder is gedraaid , zij hebben ook 
een krom kind gekregen. A. De liengelhaak. 

Met vader en moeder worden de klos en het hengelsnoer bedoeld. 

.*541. Siraahukeke makiambang. T. Katela. 

Zij hebben zich om hulp roepende verspreid. A. Een maïsveld. 

Dit raadsel ziet daarop, dat men een maïsveld op Saugir, vooral 
wanneer het in de nabijheid van een oerwoud ligt , goed moet be- 
waken , wil men niet dat alles opgegeten wordt door de groene 
papegaaien (ka^ea) die in zulk een buurt in een groot aantal te 
vinden zijn. 

U2. Tutatondohe mangakal?.. ï. Wajatj. 

Terwijl het een been uitgestrekt houdt, bedriegt het. A. De val 
voor wilde zwijnen. 

De piek , die in dit moordwerktuig horizontaal uitgestrekt staat, 
om de wilde zwijnen te dooden, wordt vergeleken met iemand die 
met een uitgestrekt been zit. — Tatondohe is redupl. van den 
stam tondohe, ook todohe, N. dial. todo, vgl. tondo(man., 
"een prauw van **t strand in zee schuiven^, en togore "uitge- 
strekt (van takken, enz.)". De bajatj heet in H Mol. Mal. pilatu, 
dat ook beteekent: "bamboezen dwarslatten van eene heg of om- 
heining" (De Clereq, het Mal. d. Mol. bl. 45). 

'\A''']. Sengkawa|ang, sengkawujurang nahia u sondaug 
kebj. T. Tuhigu. 

Een berg vol, een dal vol, 't heeft alles krissen. A. De Turksche tarwe. 

De jonge maïs-kolven in hunne scrheeden , worden bij krissen 
vergeleken. 

344. Mohong m^.sombang mohong, r. Jima ipanaghipo. 
T. T a u m a 1 51 r. s u 1 i n g. 



442 SAXOIREB8CHE TEK9TEX. 

De mond oiiliiioet mouderi en met de hand wordt tretast. A. 
Een niensch en eeue tluit. 

345. P § b i 1 i n g a n f? , k a w e m a r a u. T. T u } i. 

Keert men zich er heen, dan gaat liet verder af. A. liet oor. 

•346. Maten pananênda, binatang su rajung-e. T. Wajo 
r. ra Joh on e. 

Men sterft haast van 't omheinen, en de dieren zijn er binnen. 

A. Een huis en zijne bewoner:'. 

347. Puhe nangëllu dulung. T. Wukaja puhe. 

De schelp slikt de zeekoe in. A. Een armband van eene schelp 
vervaardigd. 

348. Ana-c maiang, i nëng-e tutondo. T. Watatji. 

Ue kindereu blijven zitten , de moeder kruipt voort. A. De batata. 
Zie ter verklaring, Raadsel N®. 155 en 2S5. 

349. Taji meparondong, sajëngka tumiring. T. Maning- 
kahe kapese. 

Als het snoer op en neer gaat, dan draait de klos. A. liet pluizen 
en spinnen van boomwol. 

Het pluizen van de ruwe boomwol, bij 't spinnen wordt ma- 
ningkahe (tingkahe) genoemd. Met de sajëngka die draait, 
wordt de tatinaeng bedoeld, de klos die men door wrijving van de 
liandpalmen of den duim en wijsvinger doet draaien, welke beweging zij 
mededeelt aan den draad die gesponnen wordt, en aan welken zij tevens 
hangt. Het eindje draad dat klaar is, wordt telkens op die klos ge- 
wonden. De geheele bew<»rking heet tuwide (man.). De boomwol- 
draden weeft men in koH'o-weefsels, die dan 1 i 1 a m e worden genoemd. 
De schering is koffo, de inslag. i)ij strepen, om den andere kodo 
en boomwol. Meparondong is gemaakt van don dong, den 
seeund. stam van ondong (m on dong) "op en neer gaau". 

•)50. Sede manahusu najang. T. Lalungi uvang. 

De strik jaagt op het varken. A. De garnalen-strik. 

Een sede is ec^n strik die jian een bamboe-stok hangt (vgl. 
N*^. 112) en die dus o|) de plaats blijft , terwijl men met de 
lajangj, een strik die aan een timbung bevestigd is, de gar- 
nalen welke men bij de oogen wil vangen , overal heen vervolgt. 
Uajang is (»en vorm, zooals er op bl. 221- van de Spraakkunst 
nog ('enige zijn opgegeven, waar -vui^ eene ])ezittelijke beteekenis 
heeft; ua[ang ])eteekent dus '/van slagtanden (naja) voorzien^. 

.•)51. Biwihe marange longj. T. Luwi. 

Het tandvleeseh is langer dan de lip. A. Eeue met kokos- 



^ 



SAXGIRKESCHE TEKSTEN. 44-3 

banu (van de I) ii n u die om dcii stam zit, iil.) bckltH'dc mand. 

Met '/tandvl(*(*8(di" is hier do voering der mand bedoeld, die 
gewoonlijk een eentimeter boven den rand der mand uitsteekt. 

'552. Dudajingara mangakaje. T. Pawa. 

liet ligt op den rug te bedriegen. A. Hen voetangel. 

•M-i. Pikunang kere ringo, isuaug ta tumuwo. T. 
Rasuang. 

Ingepakt als een pakje, groeit het niet op wanneer 't geplant 
wordt. A. Een lijk. 

354. Papensing luhiang datu. T. Lango. 

Men plaaggeest die bij den Koning zit. A. Een vlieg. 

Papënsing, van pénsing is identiseh met bawensing "wn^vel- 
vt;rwekker", van bënsing, ^wrevel", l).v. b. u naung ^wrevel 
des gemoeds", mawënsing ^wrevelig". 

355. Daukalu maririhë uanawo su tagha^oang. T. Kilo 
maririhë. 

Een geel blad, dat in het ruime sop valt. A. De avondzon. 

•>5f>. liiaht; ikasusa, ara we mate ta ikasusa. T. Simbuji; 
sn sakaeng. 

Leeft het, dan rouwt men er over, doeh is 't dood, dan rouwt 
men er niet over. A Hen lek in de prauw. 

Simbuje is zoowel het lek, als het water dat daardoor de prauw 
binnenstroomt. 

357. Kapohongang u Wok in langj, gumaghungguine 
>u winangunang. T. Lëheng. 

Sterft de Koningin des ht^mels, dan zijn de rouwklagers in de 
<niderwereld. A. De jiardworm. 

Des avonds, mi ondergang der zon, hier "koningin des hemels" 
genoemd , iioort men op Sangir (umi Inwig geraas door een inseet 
in den grond gemaakt. Ik' inlanders gelooven dat dit door dezen 
aard\\:orm wordt veroorzaakt. 

35S. Sangiang su rëmpugé. T. Ponsoje. 

Kene Prin>es tussehen 't onkruid. A. De ponsojë. 

Kene prinses wordt de spruit der bamboe genciemd , omdat zij 
l)lank is, gelijk cene prinsr> behoort te zijn, en omdat zij eene 
kostbare groente is, even sehaarsch als smakelijk. 

•551). Kv^:>. dua, tëllu, kepa, Jima, pondol-r sëmbau. 
'\\ Lesu \\ wowon;r. 

Mm, twee, drie, vier, \ijf, ik houd n' een. A. liet doorsteken 
van een bamboe. 



444 SANOIRBE8CHE TEKSTKN. 

Bij liet doorsteken der tusschenschotten van een stuk bamboe 
dat tot watervat moet dieuen , Iaat men het onderste heel , om 
een bodem te hebbeu. — Kesa en kepa zijn eigenlijk rang- 
getallen; de eerste vorm wordt altijd voor ''ééu" gebruikt, bij 
k^pa dient deze vorm om hiaat te voorkomen. Pondoje bet. 
"eind", hier "rest, overblijvend deel". 

•360. Paporong-e su kakaiang-e. T. Lingkareng. 

't Heeft zijn hoofddoek om de zitdeelen. A. Een ring van rotan , 
om den kookpot op te zetten, 

De kookpot wordt gewoonlijk , wanneer hij van 't vuur wordt 
genomen, gezet op een ring van rotan, die op den grond ligt. 

361. Tujine su tujine. T. Sanëmpa. 

't Heeft ooren aan zijne ooren. A. Een inktvisch. 
Üe zuignappen worden tuji genoemd. 

362. Meter§ m§t§tëngo. T. Patuwo. 

Meesters die tegenover elkander zitten. A. Üe hoofdpalen van 
het huis. 

Tegenover de lagere palen worden de hoofdpalen, waarop de 
nokbalk van 't dak rust , meesters genoemd. 

363. Buta matane këlla. T. Watang su Jan de. 
Een blinde met open oogen. A. Een boomstam in zee. 
Bedoeld is een boomstam die aan 't rotten is gegaan en waarop 

zich fosforizeerende zwammen hebben ontwikkeld. 

364. Kahëmmisë bëbisar&ng. T. Wohe. 
Mieren daar men tegen spreekt. A. Schrift. 

365. Mësësikoja ta karëtase. T. Tumpepa. 
Schoolkinderen zonder papier. A. Kikvorschen. 

Het overluid spellen en lezen van schoolkinderen wordt hier met 
't gekwaak van kikkers vergeleken. 

366. Tow9-e majënggihë sa hang- e. T. Palënti. 

De oude bladeren zijn mooier dan de jonge. A. de pajënti. 

De bladeren van dezen boom worden rood, als ze oud worden, 
terwijl bij vele andere boomen in Indië de jonge bladereTi eene 
fraaie roode kleur hebben. 

367. Gaheda su ëllj. T. Wuwu. 

Eene kerk op den bodem der zee. A. Eene fuik. 

368. Manu punggu manahusu. T. P.ikelc. 
Een kip zonder staart die wegjaagt. A. ])e hiel. 

369. Bael' u watantrentf ta kasasilo. T. Re hu. 

Een eigen tuin, dien men niet kan zien. A. Het voorhoofd. 



SA5rOIRRESCHB TEKSTKM. HS 

vTuiii" of "Stuk ontgonnen land'' wordt het voorhoofd genoemd, 
omdat het onbegroeid is. 

370. Mëbebitondo, mek ek arud iiihung u Jilane. T. 
S i k ^ p e. 

liet schuift in de lengte heen en weer en arbeidt met de tong. 
A. Een schaaf. 

Over den stam van bitondo, zie Raadsel N^. 342 en Sprk. 
bl. 139. Sikdpe is het HoU. /i^schaaf." 

371. Ello mamajango, hebi mebua. T. Paniki. 

Des daags ligt het voor anker, des nachts gaat het onder zeil. 
A. Rene vleermuis. 

372. Kajai mapapikuug. T. PondoJ' u sapie. 
Weerhaken die omwikkeld zijn. A. De uiteinden der einden 

rotan waaruit eene mat bestaat , en die door omvlechting met 
dunne gespleten rotan onzichtbaar worden gemaakt. Om een houvast 
aan de randvlecht te geven , maakt men eene inkerving aan de 
uiteinden der rotan. 

373. Lode-lode bukune ëpa. T. Kapepe. 

Een traag nederliggende met vier hoeken. A. Een kussen. 

374. Dajengang u kala pia tëntang-e. T. Kado. 
Als de rijke gaat, laat hij iets achter. A. De kaskado. 

De bedoeling is, dat een kaskado-lijder zoo vol schilfers zit, 
dat hij bij 't gaan daarvan achterlaat. 

375. Mo na mahasu mawajango man sêngg^a. T. Uta 
bot o n g. 

Honderd schepen, als zij voor anker gaan liggen is er maar 
een. A. Haar dat in een wrong opgemaakt wordt. 

Een dergelijk raadsel is N®. 116. Mona "voorsteven^, wordt, 
evenals ons //zeil'/, voor ^'schip" gebruikt. 

37f>. Koto-e tahiddng, pungene rajingarang. T. 
W u J a n g. 

Op den top treedt men, naar de wortels kijkt men op. A. 
De maan. 

Den top noemt men hier 't eind van den stralenbundel , de stam 
is de maan zelve. 

377. Anuangbe kin^i, pi§i sapcQ-e, anuangbe taumata, 
pia ona-e. T. Nanasi. 

Het voor een visch houden, en 't heeft een hoed op, het voor 
et^n mensch houden, en 't heeft schubben. A. Rene ananas. 

De hoed is het kroontje van de ananas. Zie ook N». 54. 



44() SAN(aUEKSCHi: TKKSTKN. 

•37'^. I) u p a \v a w i 1 i n ir h u n u a. T. M o h o ii ir u w a w i. 

Keu liamer die liot land omkeert. A. Ken varkeiissnuit. 

•]79. li liane su pnngene. T. Ka | o mbo. 

Zijne vruchten zitten aan In^t ondereind. A. Een werpnet. 

Aan den rand van het werpnet zitten om den andere een voor- 
werpje uit \o{n\ irejroten en een treknotte tetih e-schelp, om het 
te bezwaren. Deze batuanür'^i (van l)atu) zijn hier met de vruchten 
bedoeld, en punirene kan men zeegen, als men zich het net 
voorstelt in den vorm dien het heeft, wanneer men het in H 
midden bij elkaar heeft gevat, 't Is dan een kegel, waarvan de 
rand met de bezwaarders den voet vormt, terwijl de eerst geknoopte 
mazen, waaraan het touw bevestigd is, den top vormt. 

*580. K a m b ing i p e 1 1 o s u n g e n g a | o , t a ^v e k u m A n g 
ngëngajo e, kai kuniïlng da pel la. T. Kntu. 

Geiten, die als men ze in het gras los laat, h(*t gras niet vreten, 
doch den rotsgrond vreten. A. l^ni/en. 

•iSl . T a m 1) o r e m a t e 1 e n ir a n sr b c b n . T. I i u t a n ir. 

De trom klinkt minder luid dan 't houtworm-gaatje. A. Een gewc^^r. 

Tel eng (tnm.) is /'klinken ". üe tromp van het geweeV wordt, 
om de nauwe opening, raet een houtworm-gaatje vergeleken. 

382. Man ede ansuang meha, kai ])ehïlng. T. W u n u 
u pel a h a m i s a n g. 

Als men den bruinen reus met den strik (se de) wil vangen, dan 
gaat men hem uitpersen. A. De zeef van kokosstam-vczcls nnn 
den sago-trog. 

J)ie zeef is op dezelfde manier aan een boog bevestigd, :»ls de 
strik der se de. Zie Raadsel N". 142. Met het uitpersen wordt ))e- 
doeld het uitwrijven , uitpersen en spoelen van het meel , dat in 
de vezels van den sagostam zit, welke njen er nit geklopt heelt 
en dat in de ])ëlah a m i sang geschiedt. 

3S3. Dasi p e pa Je, bawa p e pa Je, tajoaraue na ra ka T. 
Si ter f k e. 

Van boven een plank, van onderen een plank, in 't midden immi 
hel A. Een strijkijzer. 

Siterlke is 't Holl. //strijken'/; het wordt in 't Sang. voor 
"Strijkijzer" gebruikt ; //strijken// is m a n i t e y) k c. 

384. Suraalu snnialu, medea lalcsn bowonir. T. Mcdea 

Joahi. 

De rivier op- en afzoeken naar een werktnig om (h* water-i)amboe 
door te steken, A. Palingen zoeken. 



SANaittEKsrUE TEKSTEN. 447 

Suuiaju sumnju is ceiit-. aiulere uitdrukking voor het l)oven 
voorkomende ma nirë nsiajii mangensonge, zie de N^.V *^ , 
4. T), ."ifi, 57, H7. Jjoahi is eene Mang. uifspraak van loari, 
N. dial. voor Mang. ka.sili. 

'3Sj. l^ajanda namikung sapiia. T. Kapese. 

Keu Hollander die een Pa])oewa omwikkelt. A. De katoen-vruelit. 

De Papoewa's zijn de zwart(; pitten , die in de witte hoomwol 
zitten. 

'\XCk Kalnne kere pa, kajepane kere b j , daukalnne 
pinesirung, buane pinësoho. T. Kajongang. 

De stam is als een dij , de takken als eene kuit , met de bladeren 
beschermt men .zich, de vruchten draagt men tot een halsband 
geregen om den hals. A, Ue kajongang. 

Pa is eene verkorting van palang, bi van bisi. T)e Sangirees 
vergelijkt gewoonlijk de dikte van iets bij een arm, een been, 
een dij , of bij het middel van een menseh. De bladeren van de 
kajongang worden gebruikt als parapluie, de geelroode vruchten 
worden als kralen geregen. 

•3'S7. Da de na pon Kojori, pinëti i Sahuada, aten e 
rua lelang, ingge pai, ingge endaung, simaji webude. 
T. Tatimba. 

De rots Kojori daar voor ons, opgewipt door Sahuada, met 
een lever in tweeën verdeeld, die hierheen zwaait en daarheiMi 
zwaait en borrelingen maakt. A. Ken emmer van nipa-bladenMi. 

Kojori en Sahuada zijn willekeurig gekozen eigennamiMi De 
tekst van 't raadsel zinspeelt deels op de vervaardiging van den 
bladeren-emmer, deels oj) de bewegingen die hij bij 't scheppen 
in de j)nt maakt. 

'iSS. Tinaine su [ikud-e. T. Sajëngka. 

Zijne ingewanden heeft het op zijn rug. A. Ken klos. 

Met ''ingewanden'' is het hengelsuoer bedoeld. 

;38i). Mauing kapedëllue kapekilae, rajapang mëngkai 
ton do. T. Kak u ah ë. 

Al dondert en bliksemt het, schuif de dajapang maar in zee. 
A. Ken roerspaan. 

Met donder en bliksem wordt hier 't geknetter en geknaj) van 
't vuur bedo(dd. Wat een dajapang (misschien d al a pang) is, 
weet ik niet; het verband doet denken aan eene soort van prauw. 

•i90. iiëngkn-c mam o ba, wajunang-e su wanua. T. 
11 umb ia. 



448 SANOIREKsrUK TEKSTEN. 

Zijn vuil gaat op zee vftn^n , zijn liclumin blijft aan wal. A. Sago. 

Lëngki^ is het vuil van 't lichaam, dat er bij 't wasschen 
afkomt. Mjimoba is van 't woord boba, Sa^ah. van laad e "zec. 

Bij het spoelen van de sago drijven de vezels enz. met het 
water weg, gaan dus "varen^, ten^ijl de stam blijft liggen waar 
hij bewerkt is. 

391. Kapaje bajaugone rasi. T. Pa dam ara. 

Een schip dat de ankers boven heeft. A. Eene hauglamp. 

392. Karetase pitun kajepa, su rajung-e wujaeng. T. 
Tuhigu. 

Met de vellen papier worden bedoeld de omhulsels der maïskolf, 
die een geelwitte kleur krijgen wanneer deze rijp wordt, en met 
goud meent men de maïspitten der meest voorkomende gele soort. 

393. Ta we napuluu manguda, kai napulun mag hu- 
rang. T. Wusa. 

Hij heeft het niet jong, maar oud gewild. A. Een pisang. 

Manguda is eig. "onrijp, jong van vruchten'/, maar 't wordt 
bij uitbreiding ook syn. met dario gebruikt en dus aiin guraug 
tegenovergesteld . 

394. Kukakoho ta tumëlla. T. Sasajawo. 

Het zit ineengedoken, maar 't vliegt niet op. A. De nok van 
't dak. 

Kukakoho is de houding van dieren, die ineen gedoken 
zitten om een sprong te nemen of om op te gaan vliegen. 

395. BantaJ-e rasi su Manaro, papingka-e ëndaung 
sia. T. Suratë. 

De kist is ginds te Menado, de sleutel is hier bij mij. A. 
Een brief. 

Dit raadsel komt overeen met N®. 1 fï ; met den sleutel of 
sluitboom wordt waarschijnlijk de hand van den schrijver bedoeld. 

396. Pia bukune ta pal an g-e, pia kihi-e ta pënnad-e 
pia puid-e ta tiang-e, pia uta-c ta tëmbo-e. T. Wael^. 

't Heeft knieën maar geen dijen , 't heeft een achterste maar 
geen billen, 't heeft een navel maar geen buik, 't heeft haren 
maar geen hoofd. A. Een tuin. 

Buku beteekeut "knie doch ook "hoek/', bukun baelë is 
/'de hoek van een tuin"; kihi bet. "achterste", en ook in 't 
algemeen het vlak waarop iets dat geen pooten heeft, staat, bv. 
kihj u kuring "het ondervlak van een pot". In den laatsten 
tijd is kihi in al zijne beteekenissen vervangen door kakaiang 



9AN01REESCHE TEKSTEN. 449 

//zitdeel'/ , dat beschaafder kliukt. Zoo zegt men thans zelfs ka- 
kaiaug u waele, is de bet. ''de benedeuzoom van een tuin, 
(die op eeue helling ligt)". Puide is "navel''; doch ook "het 
middelste van iets", en uta "hoofdhaiir" , doch ook "bovenste 
deel van iets", bv. uta u soa "bovendeel der stad/', uta u saju 
"het bovenstroomsche gedeelte van eene rivier", enz. Dit geheele 
raadsel berust dus op woordspeling. 

397. Maeng dajenga ng sesane, ute masese, arawe 
maeng dajengang u rarua, ute matajuahe. T. Kai kumang 
pia kina-e, arau tala. 

Wanneer 't door een enkele wordt betreden dan is 't eng , 
wordt 't door twee betreden, dan is 't ruim. A. Kten met of 
zonder visch. 

Wordt de sago zonder visch of groente gegeten, dan gaat 
zij niet zoo goed door den slokdarm, die dan nauwer lijkt, dan 
wanneer zij met toespijs wordt gegeten ; dan gaat zij gemakkelijker 
naar binnen, en lijkt de weg ruimer 

Tajuahe is met 't voorvoegsel ta (Sprk. bl. l.'i*3) gevormd, 
van denzelfdeu stam als loahe "ruimte", loang majoang) 
/'ruim, wijd", taghajoang "het ruime sop". 

;i98. Maten pananaha, wauje itëntang. T. Wajan baru, 
arau wa^au hêmbia. 

Men sterft van het hakken , en den boomstam laat men liggen. 
A. De uitgeklopte stam van de sago-baroe of van de echte sago. 

•399. BaitJ-e maaregang bang-e. T. M^sujung u rasj. 

JDe uitgeholde stam is minder waard dan de spaanders. A. Als 
boven. 

Met "spaanders// zijn de stukken uitgeklopte sago bedoeld. 

400. Masingka dumangeng, b§ga Jumintu. T. Limase 
SU sakaeng. 

't Kan naar boven, maar niet naar beneden gaan. A. Het water 
dat in de prauw dringt. 

401. Su wanuan bataugeng b^ga jumintu, arawe su 
wauuan tau wuhiie masingka. T. Limas^ su sakaeng. 

In zijn eigen land kan het niet naar beneden gaan, maar in 't 
land van andere menschen wel. A. Het water dat in de prauw dringt. 

Met het "eigen land" wordt de zee bedoeld. Het lekwater kan 
eerst uit de prauw lekken wanneer deze op 't land is getrokken. 

[H^orttt vervolgd.) 



.Mi Vol^r. X. HO 



FABELEN IN T ROTTINEESCH. 



De Rottineesche onderwijzer J. Fangsridaej te Babau (Timor) , 
van wien in deze //Bijdragen" (1S92) eene grammatische schets 
van \ Rottiueesch, door Prof. Nieraann voor de uitgave bewerkt 
verschenen is, levert thans eene proeve van vertaling uit hel 
Maleisch in 't Kottineesch. Het Maleische schoolboekje, door hem 
ter vertaling uitgekozen, bevat 42 fabelen, die uit den aard der 
zaak eenvoudig van stijl en dus betrekkelijk gemakkelijk te ver- 
staan zijn. Zoo ik wel onderricht ben, zullen deze proeven van 
Rottineesch weldra door andere stukken gevolgd worden, die 
eenigszins moeielijker zijn. Zoodra er genoeg stukkeu in 't Rotti- 
neesch door den druk toegankelijk zullen wezen , om de eerste 
beginselen der taal te leeren, zal de tijd gekomen zijn om oor- 
spronkelijke, niet vertaalde verhalen en overleveringen in schrift 
te brengen. Vooralsnog moeten wij ons met het ons aangebodene 
tevreden stellen, te meer omdat wij de hoop mogen voeden dat 
de Rottineesche onderwijzers Pello en Mauafe, die evenals hun 
landgenoot Fauggidaej , getoond hebben hunne moedertaal te waar- 
deeren , ons nog menige vrucht van hun arbeid zullen toezenden. 

H. KSRN. 



BEBRRAPA TJERITKRA PEROEPAMAAN 
TERSALIN KAPAÖA BAHA8A 

ROTTI 

JAXG DINAMAI 

TUTUl NAKASASAMAK-ALA. 

J a II g m e n j a 1 i II 

J. Fanggidaej. 
B a I) a o e 25 Augocstoes 1 S91 . 



A LAMA T. 



Si^telali tcr:<a(lija daii tcckiriui karaiigaii saja ^^Pacla nieiijatiikan 
lioekoem dan djalau baliaüia Rotti'^, maka sajapoen beriiijat heudak 
iiHUigociupoelkan baraiig tjeritera, doiigcng atau pantoii Rotti 
akaukirim lagi — perocinpaiuaan Rotti telali terkirim pada tahoea 
1S90, luaski hal edjaaiiuja beloiu baik atoeraimja, dapat dioebah- 
kaïi meiioeroet atoc.raii edjaaii jaug diiijatakau dalani Iloekoem 
dan djalau baliasa jang terkirim kemoedijan itoe jaitoe pada 
tahoen 1S91. 

Adapoen pada perasaan saja, baiklali dahoeloe saja tjoba men- 
jaÜD baraiig tjeritera Melajoe kapada bahasa Rotti, soepaja pein- 
batja^ dapat mentjaliari arti kata^ Rotti deiigau luempergoenakan 
kitab Melajoe jang disalinkan itoe. Demikijan telah dipilih saja 
kitab Melajoe ^/Beberapa tjeritera peroepaniaan'/ akan disaliukan 
kapada bahasa Rotti. 

Adapoen karana bahasa Rotti aniat kakoeraugan kata, maka 
barangkala bersoewa kata Melajoe jaug tijada dapat disalinkan , 
maka saja memakai djoega kata Melajoe itoe sendiri tetapi dengaii 
mengoebahkan edji^ajuija ni^uoeroct peugoetjapau jang dioetjap- 
kannja dalam bahasa Rotti. 

Bahoewa kiranja kitab iiii akan disamboetkan deiigan kasoekaan 
hati dalam tangan penibatja^ jang mengoesahakan dirinja dalam 
hal mein])eladjari bahasa Rotti itoe, adalali asakoe, karana oesa- 
hakoe tijada akan sija- adanja. 

Demikijanlah adanja 

Pe njalin 

J. Fanggidaej. 



ÏÜTIJI NAKASASAMVK-ALA. 



1. 

MANÜLALUK DÜA. 

Mfiiiulaluk düa latala hu düas-ala latoua naü bübüak esa. De 
l^tala lala-aa dada , baeiua-aa sèu^j^i esa , de iiiilai lèa-aa Ibngaii 
dale neu kuke; te luauülalu miitala sèugik-a Ia Ica-aa uma eüta 
püuiu-a laiu uéu, de aiia kökóa fa ela lita, na lae-aa udia ndia 
lu^tala sèugik-a. 

Faik ndia tëtenia m^tü^ina esa la nèiue lülai, de nita m^nü- 
laluk ndia nai uma-a püuiu lain baéma ana lèse neu de laü 
n(^nin-aua. 



S ö s ó a n - a. 

MJik^noniina ama liapu outon , na-aa baa aina köaa, te laï 
baük-a dale m^n^kóaok ndia u^lütu h^Ulholi aon ; ma lak^ndési 
lae-aa : la mÜm&dëd^ma-a se bc^i téna dae suk. 



2. 



BUSA FUIK-A NA KUKU-AEK-A. 

Büsa fuik esa n^miilaa uan n^sala; ana laa-laa baënia neu tanga 
laë-aa osi uanÜsèle kükü-aek esa. Büsa-a nada lain neu, ma 
nJikÜnae te kükü boak-ala bëdakil basa-aa kükük-a ndanan-ala. Ma 
nakanae te kükük abi latuk-ala ma m<llale malada liik-ala. Dë 
büsa-a nJikitbóku laï baiibè südi bëbein , losa ana sata tè ta nala 
bóak esa biië. I3aëma niifada nae-aa : neme na , se hi höïnala 
^ibóa nülak ma miikéis sila na-aa hoïnala sala neu , te ala ta 
nggüna hata mai au fa. 



BEBERAPA TJERITERA PEROEPAMAAN. 



1. 

AJAxM ÜJANTAN. 

Ada doea ekor ajam djautau berbaiitah , sabab diautara kadoeauja 
heudak meiigalahkau pada soeatoe tamboeuau roeiupoet-roeinpoetau. 
Satelah beberapa lama berlaga kadoea biuataug itoe, maka alalilah 
ajam djantan jang saekor itoe serta larilah ia menjemboenikan 
dirinja kadalam kandangnja dau jang menaug itoe terbanglah kaatas 
saboeah roemah , serta berkoekoek akaD tauda ialah jang meuang. 
Maka tatkala itoe adalah saekor boeroeng belang jang amat besar 
terbang dioedara ; satelah dilihatnja ajam djantan itoe diatas roemah, 
maka disambarnjalah ajam itoe serta dibawanja terbang. 

Ibaratnja. 

Djanganlah engkau membesarkan dirimoe sabab oentoengmoe, 
karana kabesaran hati itoe atjap kali membiuasakan orang, saperti 
pepatahnja : satinggi-tinggi melamboeng , soeroetnja katanah djoega. 



2. 

ANDJING HOETAN DENGAN BOEAH ANGQOER. 

Ada saekor andjiug hoetau jang kelaparan; tengah ia berdjalan- 
djalan , maka bertemoelah ia soeatoe kebon anggoer. Maka dilihatnja 
banjaklah boeah anggoer itoe tergantoeng pada djoendjoengnja ; 
maka tampaklah boeah anggoer jang masak, terlaloe manis dan 
elok roepanja. Maka melompatlah beberapa kali andjing hoetan 
itoe deugan sakoeat-koeatnja sahingga ia pajah, tiada tertjapai 
djoega. Maka berkatalah ia: //biarlah, siapa söeka boleh mengambil 
boeah itoe jang lagi moedah dan asam, tiada bergoena padasaja./r 
5e Volgr X. 30» 



454 TUTIJI NAKASASAMAK-ALA. 

Sösóan-a. 

H^tüholi baük-a mük^nenima ala hi hata esa, te ala ta boleh 
hapu fan-ana, na-aa l^k^mütin-aua ma ala basa lae-aa ala ta hi 
fan-a na. 



3. 



LADANGGÈLEK-A NA LAFA-A. 

Ladanggèlek esa sauga ladi lèa lê esa selik néu , de nala èna 
tÜladak baêma natantra niwia ndia tia lafon t^sa. De nae lafa>a 
nae: /i^mai fa düang ata ladi lë ia." Te lafa-a nae: ^au ta ane 
iiMlak, de m^lale au usik èna fèëk.'/ Ladanggèleka n^fada sc^luk 
ma nae-aa : '^kadak-a mai fa iita tesik ia , te èuok ia natepa-la ; 
deï au paii tali néu a éim-a, fa au hela a.^ Baèma lafa-a n^kHhéik. 
l)ë ladanggèlek-a höïniila-aa tali esa de paiin uéu-aa ndia ein esa, 
ma tali-a pédan seli ana paün néu lafti-a ein esa ; basa biiëma ana 
ane na ladiinggèlek-a lèa lë sélik néu. De lala le-a taladan-a, 
baënia Lafii-a namJinéta de lèa-lèil mjlten-ana, baëina nae ladang- 
gèlek-a nae : '/ladanggèlek o , bésak ia au matek-a , ndia ia te hu 
au Smanène a kökólara-a, te deï esa balas a baïn-é.'/ Lafa-a maten 
baëma ana bomu, dë büïanak baëma-aa tëtéma esa la nésik ndia, 
de nita lafa-a pöpólan-a bóniu-bomu , baëma-laünalan , dë la nénin 
na-na ladanggciek-a. 



S ö s o a n - a. 

Baa tünga dafu-dafu ma h^t&hóli hökólan , të ela dodo mala nai 
dalem dale dei , bütüs&lai hütüholi ndia kökólan-a ndos da ta. 



BKBEllAPA TJKRITERA PEKOEPAMAAN. 455 

Ibaratnja. 

Kabaiijakaii oraug, apabila ia berkaheudak baraug soeatoe apa 
dengaii inginuja, maka djika tiada didapatinja barang itoe^ 
ditjatjatnja lagi poera-poera katanja 'i'tasoeka.'/ 



3. 

KATAK DENGAN TIKÜES. 

Adalah saekor katak heudak menjaberaug batang ajer; maka 
pada teiigali djalan bersoealali ia dengaii sahabatiija, jaitoe saekor 
tikoes. Mnka kata katak itoe : marilah eiigkau bersama-sama de- 
ngaii saja menjaberaug ajer ini." Djawab tikoes: "lebih baik saja 
berdjalaii pada djalan jang lain , sabab saja tidak paudai bereuaug." 
Kata kat^k lagi: "toeroet sadjalah menjaberjing , karana djalan ini 
djalnn meniintas; marilah kakimoe saja ikat dengau tali, soepaja 
boleh saja hela." Djawab tikoes: "baiklah." Maka diikatlah oleh 
katak sapotong tali pada kakinja sendiri dau oedjoeng tali itoe 
dikebatkannja poela pada kaki tikoes, laloe dibawaujalah berenang 
menjaberang. Satelah sampai katengah-tengah batang ajer, maka 
tikot^s itoepon lemahlah hampir mati; maka berkatalah ia: '/hai, 
katak sakarang saja mati terbenam , sabab saja toeroet perkataan- 
moe, akan tetapi uanti ada djoega jang membalas kapada engkau./^ 
Maka mati terapoenglah tikoes itoe dan sakoetika itoe djoega 
terbanglah disitoe saekor boeroeng belang , dilihatnja bangkai tikoes 
itoe terapoeng, laloe disambarnja dan kat<ik itoe terbawa ber- 
Siima-sama. 

Ibaratnja. 

Djanganlah sagala orang menoeroet perkataan orang lain, sabe- 
loemnja ia pikir dan menirabang diliatinja sendiri, perkataan itoe 
benarkah atau tiadakah, karana pikir itoe palita hati. 



45f> TÜTUI NAKASASA>IAK-ALA. 



4. 



LADANGGÈLEK-A NA SAPI-A. 

Faik esa sapi esanaa naü laa-laa uume-aa mok-a, dé tai)u uisa-aa 
ladanggcle aua esa, té aua ta bübüluk fa. Ladauggèlek deübè 
lème b^ïanau-a udia na-aa l^lai noü-uóü, esak-a fali lèa mÜmanau 
neün. De ladaiiggèle lasik esa uittaiie auan-a : /4ila lèë de émi 
basang emi fali maïug emi?" 

Aiuan^a n^ta ma nae : //iua é , fiiik ia atui basaug ami mita bana 
m&tüliina esa ; baua m^tü^ina matak iidia ami bei ta mita fau-aua, 
naden-a-a ami ta msUcüak ana baê.// luan-a n^kiiuda dóak anan-a 
kökólau-a de u^^taneu nae: //baü bata, mütüdu au südik aua.// Te 
auan-a uae: '/ami ta m^tüdu malelak bübauu-a fa.// Baêma inau-a 
nümïlnasa dë u^kèitëtéma bafa panau, fa sauga ana k&ifü aon-a^ 
dê ana k^ifü basa aou-a baëma-aa u^taue auau-a nae: //baü ia?// 
Anan-a nSta ma nae: /^wi, bei baü léna séluk ndia.// Inan-a 
k&ifü séluk aon-a de nStane suk uae: //baü ia?// Te auan-a nae: 
//béi baü léna séluk ndia bae.// Baëma inan-a k^ifïi taa tëtèë aon-a 
sudi bëbéïn, baëma-aa kadi téin-a dë maten-ana. 



S o s ó a n - a. 

Tt^taos esa, mükünénima hataholi esa ta boleh t&a fau-ana, tê 
ana taa nüküsüsük-aua , na-aa se fai miikilbüiu të aua dadi taa lèa 
tütüik ia baë. 



5. 



a c 



BlISA-A NA DANAE-A (DANA-AE-A). 

Bfisa esa nütiak ua düuaë esa; faik esa baëma büsa-a uéu kaï 
dSnaë-a fa sanga léu büsa-a üman-a laa-linu. Dün&ë-a losa büsa-a 
üman-a baëma, büsa-a lali néni-aa kSkau-aek néu pinga kabaök 



BEBEKAPA TJERITERA PEROE^AMAAN. 457 

4. 

KATAK DENGAN SAPl. 

Pada soeatoe liari adalali saekor sapi berdjalau-djalan makan 
roeinpoet pada tauali lapaiig, irinka terpidjak olehnja saekor aiiak 
katak tiada deugaii sengadjauja, inaka inatilah katak itoe. Adapon 
sagala katak jang lain jaiig ditempat itoe sainoeanja berlari-lariau 
kombali katempatnja luasing-iuasiug. Maka adalah saekor katak 
jang toea bertanja kapada anaknja : /^apakah sababnja , maka kaïuoe 
sakaliau kombali iiii?'/ Maka djawab anak katak itoe: "hai, mak, 
ka mi sakalian m(*lihat padn hari ini saekor biuatang terlaloe amat 
besanija; sakali-kali beloem periiah kami melihat biuataug jang 
sabesar itoe: namauja kami tiada tahoe.// Maka lieranlah boendauja 
serta berkata : /'berapakah besarnja itoe? Tjoba toeudjoekkanlab 
kapadakoe." Maka djawab anaknja: "tiada dapat kami menoen- 
djoekkan besarnja. -v Maka boendanja itoepon marahlah serta raenahan 
napivsnja, hendak membe^sarkan toeboehnja , laloe ia berkata: 
"adakah l)egini besarnja?" Maka djawab anaknja: '^wah, besar 
djoega binataug itoe." Maka boendauja itoepon membesarkan lagi 
dirinja, katanja, //begini besar?" Maka djawab anaknja: ''lebih 
djoega besarnja l)inatang itoe./' Maka maknja membesarkan lagi 
dirinja saboleh-Ixdehnja , sahingga ))engabisanDJa meletoes peroetnja, 
laloe mati. 

Ibaratnja. 

Baraug siapa meugerdjakan pekerdjaan jang tiada tekerdjakau 
olehnja, nistjaja kasoedahannja djadi saperti hikajat sapi dengau 
katak itoe adauja. 



5. 

ANJMINQ DENGAN BüKROENG BANGAU. 

Adalah saekor andjing bersahabat dengan saekor boeroeng ba- 
ngau; maka pada soeatoe hari boeroeng bangau itoe dipauggil makau 
oleh andjing itoe karoemahnja. Satelah sampai, maka ia diberi 



458 TTJTÜI NAKA8A8AMAK-ALA. 

esa, de düas-ala laa. D&uaê-a 6dak-a sösbsok-a te ta sasa nala 
hata, kada-aa nggönggola pf^dan-a n&k^daë; te baï busak na-aa 
ndia u^l^mêiiK^i nükübasak k^kau-aek-a. Dê la^ lala tülada baema-aa 
busa-a n&tane d&naë-a nae: Hia ó, lëabè , nünaak ia mSlada hétu?" 
D^Dae-a n^münène büsa-a kökuUn-a te ana ta n^m^nasa ma ana 
ta nÜóda baè , kada taok-a ndia n^miihaka-a m^an ; dê laii basa 
baêniii-aa d&naê-a kaï büsii-a fa b^l^ha fafaiu-a ua-aa \é\x laa l&i-aa 
dÜnaë-a ünian-a. BïlSha fiifaik baema büsa-a lèa dAnaë-a üman-a 
uéu; dë ana losa baëma nJik^nae të nggüsi bafa in&k^bia anak esa 
h(^nak na n&naak; de büsa-a nae naa, të nggönggolon-a ta boleh 
nala nggüsi dale fa, fê nggüsi-a bafan-a miikAbia hik, të dünaë-a 
ua-aa ndia naa sudi bëb<ïïn. Laa-laa baëma-aa d&naê-a n&k^nae 
bnsa-a ma nae : /i^külauk-a nJinaak ia ladau-a uasala baïu ; të busa-a 
n^I&mëméi kada-aa nünaak-a m^nüsasi nai nggusi-a d(^an-a. D&naê 
n^fada séluk nae-aa: '/au iiMak a m^m^laa, dë hu ndia dë au hi 
Ak^nae a müa m^k^bète lèa huas-a au na Ak&bète ème a ümam-a./r 
Busa-a n&m^nène d&naë-a kökólan ndia baëma ana mae dë ntóda. 
Baëma d^nae-a naen nae : ^/së ta hi h^tliholi nük^f^faik na fan-ana , 
na baa-aa ndia n^k^fófaik na hüt^hóli. Të lAkAnd<^si lae-aa: m^kA- 
nénima a kau h&Uihóli, na së h^t&hóli kau séluk a bai. 

(Wordt vervolgd.) 



BEBERAPA TJERITERA PEKOKPAMAAN. 459 

boeboer tjair didalam tjipir akan diruakannja. Maka ditjotok oleh 
bangau itoe, tiada terdapat satoe apa, iiielaiukan basah oedjoeng 
tjutoknja sadja , dan tiada satoe apa iiiakanau itoe dirasauja , 
hanjalah aiidjiug itoe lueudjilat-djilat sampai habis sagala luakaiian 
itoe. Tatkala luakau itoe maka aiidjiug bertanja kapada boeroeug 
baugau : ^/hai , sahabatkoe, bagaiinaiia rasanja inakanau ini , enak 
sakali boekaiii'" Serta dideiigar oleh boeroeug bangau perkataan 
andjing jaiig demikian itoe , sadikitpoii tiada ketjil hatinja , roepauja 
soeka dan rilah hati sadja, maka sahabisnja makan itoe dipang- 
giluja poela andjing makan karoemali tangganja puda esok harinja. 
Maka pada kaesokan liari pergilali andjing itoe, serta sampai 
dilihatnja, adalali saboeah boejoeng jaug ketjil moeloetnja berisi 
makanan ; andjing hendak makan, moentjoengnjapou tiada masoek 
karana terlaloe sempit, akan tetapi boeroeng bangau itoe makan 
sakenjang-keujaug dengan paroehnja jang pandjaug itoe. Maka 
sedang makan itoe ia memandang akan andjing itoe, katanja : 
/'perasaankoe terlah)e enak makanan ini;'/ maka andjing itoepon 
mendjihit-djilat diloear boejoeng itoe sadja makanan jang terlimpah 
dari dalamnja. Maka kata lagi l)oeroeng baugau itoe: //terlaloe 
soeka sakali liatikoe meliliat engkau ada lapar, maka haraplah 
akoe engkau ini makan kenjang, sabagai akoe soedah makan 
kenjang diroemahmoe kemarin.// Satelah dideugar oleh andjing 
perkataan bangau itoe, maka moekauja djadi asam dan maloe. 
Maka kata bangau : //ba rang siapa tiada soeka dipermain-mainkan , 
djanganlali ia mempermain-mainkan orang lain. Saperti pepatahnja: 
djika kaupanah akan orang, nistjaja dipanah orang dj oea akan dikau. 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL-.LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIË, 

UITGEGEVEN DOOR HET 

Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Nederlandseh-Indie. 



VIJFDE VOLORKEKS — TIEND'". DKKL. 
(DEEL XI.IV DER (iEUEELE REEK8.) 

DKRut: w:% «lERut: aflkvki 



•8 GRAVEN HAQE, 

MARTINUS NIJHOFF. 
1894. 



Deeê IX van deze voUjveekn zal owstreek» October aan^ 
Biaantie verschijn en . 



r N H o U 1). 



iilailzijde. 
Santrirrrsolui teksten. Met vr^rtaling en ajintetikeiiingen. 

Uitöreireven door Dr. X. Adriaiii. (Vervolir en slot van 

1)1. \W) 461 

Kene bijdraire tot K. 1^. K ielstra's opstellen over Sumatra's 
Westkust door P. 11. van der Kemp. (Vervolir en siot 
vim hl. :>20) ."iilö 

JAtakainalA ((iarlanil of birth-stories) transiatt'd i'min the 
oriirinal >anskrit (eontinued trom p. .'^"^5). By Pi of. 
Dr. .1. S. S|)eijer (ïlrt 

A. Sinhales*^ ln.<eription of 171'5 A. 1). Door Don M. 

de Zilva Wic^kremasinirlie (J5i> 

FabeK-n in "t liottineesch door Prof. Dr. II. Kern. (Vervolg 
in slot \an bl. l-6(>} (U'rl 

Ovtreenkomst \an Minahas-sisehe en Sanirireesehe met 
.Ijivaanselie en Maleische verhalen, door Dr. H. H. 
.InvnboU 71^ 

Xotulen \an de Hestuurs- en Aigemeene Vergaderingen. 

•SolHte Hestuursveriraderini;, IS Februari I Si):^ . . . m 

Aliremt'ene Veri;ad(M*inK , '27} 1'Vbruari 1 SlK'i . . viu 

.SKisic Bestuui-svcrgadering , :*.") Jfaart isy.i ... xu 

f'^ll-^tp Bestuursvergadering, 15 April lSt)o . . . . xvi 

.il'iste Brstuursvrrgaderina , :2n Mei 1S98 .... xix 

HJ.'i'^te Bejitnursvergndering , 17 .luni I Sli:5 .... xxi 

.'M !***<* Bestuursveriraderinir , ïil October lSii;i . . . xxiii 

Hl.'ist»» Bestuursveriradcrintr . is November lS9ii . . xxvi 

;Vl(;Me Bestuursvergadering, lii December 1S98 . . xxix 

;U7^**' Bestuursvcriraderinir , 27 Januari lS9t . .% . xxxril 

;j|.s«io Be>tuursvr.rgadering , 17 Februari iS9i . . . xxxvi 
Verslag van den Staat en de VV^erkzaandu'den van het 

Kcminklijk Instituut over 1S93 xxxix 

Aliremeent! Veri^aderinir . "ZV FVbruari ISDt .... XLii 

olï»**^^ Bestuursvergadering, 17 Maart 1^91. .... xlvi 

iJód't»- l^estunrsv(!rjradering , 21 April 1S9I- . . . . xrjx 



SANGIREESCHE TEKSTEN 

MKT VERTALING EN AANTEEKENINGEN UITGEGEVEN DOOR 

N. ADRIANl. 



(Vervolg van Deel X blz. 4 4 9.) 

XLII. 
SANGlllüESCHE LIEDEREN. 

De verschillende soorten van liederen , die de Saugireesche poëzie 
kent, zijn in de Inleiding op deze Teksten genoemd (B. T. L. 
V. '93, bl. 321). De papan tung 's zijn navolgingen van de 
Maleisclie pantun's en komen weinig voor. Wel zou men de 
laliumba's (bezweringen), de taghawera of tataghaw era's 
(tooverspreuken) tot de poëzie kunnen rekenen , djiar zij Sasahara 
bevatten en geheel in dichterlijken stijl zijn gesteld, maar hun 
gebruik verschilt toch van dat der overige poëtische voortbrengselen 
der Sangireezen. In ieder geval sluiten zij zich nauw aan de 
gedichten aan. 

Van laëlle's (liedjes of versjes ex improviso gezongen) is een 
voorbeeld gegeven S. T. XXXIV (B. T. L. V. 1894, bl. 124), 
terwijl ook van bawowo's (slaapdeuntjes , wiegeliedjes) en van de 
versjes die de kinderen bij hunne spelen gebruiken eenige voor- 
beelden zullen gegeven worden. 

De eerste die Saugireesche poëzie heeft uitgegeven , is Dr. J. G. 
F. Riedel , die in het XVIP deel van het Tijdschrift voor Indische 
Taal-, Land- en Volkenkunde (bl. 282, vlgg.) drie groepen van 
Sas ambo's in tekst en vertaling heeft gegeven. Zij zijn ook onder 
de hier volgende opgenomen, daar ik, door de hulp van Mejuffrouw 
Steller, de spelling in overeenstemming met het door ons gevolgde 
systeem heb kunnen brengen , en er een juistere vertaling van heb 



4fi2 SANGIREKSPTfE TEKSTEN. 

kunnen geven, voor zoo ver het uit te maken was, hoe het een 
en ander gelezen moest worden. Verscheidene van die Sasambo^s 
komen onder de door ons gegevene voor. 

Dr. Riedel noemt (bl. 300) nog kakoto's en dareong's; 
hiervan zij mij geene voorbeelden bekend. 

De wijze waarop de Sas ambo's worden gezongen, is reeds door 
Dr. R. op bl. 301 medegedeeld. De vóór-zanger zingt éón of meer 
versregels op eene bepaalde wijs, waarvan slechts cenige weinige 
variaties bestaan. De anderen herhalen hetzelfde, of antwoorden 
ook met één of meer versregels , al naar hunnen lust. Dit geschiedt 
op eene der bovengenoemde variaties. 

Het onderscheid tusschen de Sasambo's bestaat hierin, dat de 
vrouwen alleen die zingen, welke in gekuischte taal zijn gesteld; 
de mannen veroorloven zich hierbij meer vrijheid. De gelegenheden, 
waarbij Sas ambo's worden gezongen, zijn vooral zeetochten, 
rijstpoten en rijstplukken, land ontginnen , en dergelijke werkzaam- 
heden; bij feesten worden kakaJantQ's en kakumbaed^ 's gezongen. 

In de onderstaande Sasambo's is door accenten aangegeven de 
maat waarin zij opgezegd worden, de zoogen. sasahola (zieB.T. 
L. V. 1894, bl. 131). De plaats waar de caesuur valt is door een 
komma aangegeven. De maat is tweeërlei : die van de regels 1 , 
2, 3, 5, 6, 7, enz. en die van 4, 8, 9, 13, 15, 16, 17, enz. 
Die van de laatste regels is de meest voorkomende. In schematische 
voorstelling zijn ze aldus: 

I. o u u u , o u u .... u. 

II. II u u u u _ i», u u u u o o. 

In overeenstemming met het Sprk. bl. 9 over den klemtoon 
gezegde, zijn de beklemtoonde lettergrepen hier lang, de andere 
kort voorgesteld. De lettergrepen in de pauze zijn natuurlijk van 
zwevende quantiteit. 



SASAMBO. 
1. 

1. S/ihêng i LaJ^ro, wilkun kota nómbo. 

2. Ia seii masfli, wdnsa najawóe. 

3. Kdsikomen leso, ndpëudu su Jima. 

4. Su wongkón Biri^ Kadip, i Tandiiig dala ujilne. 

5. B(5u wale Idwo, hiinalaben bëngi. 
f). Pinonan tinanda, niranteii bujaeng. 

7. Kóbitïing medunde, bansj bujo Jana. 

8. Manukilng olin Sangiaug, gimënsd su wale lawp. 

9. Intang sëbiwu kimóiidg, bawowonen pinebio. 

10. la sumangie ringang, ta makatabang mëlëlle. 

11. Bóu 'nae Sëmba, palung pinëdingang. 

12. Dïila ujun Dëda, Mduinta mëgaring. 

13. Haraijon kalu mëdingang, lelang-é ta m^tatêntang. 

14. Pdsung u Jal6rabo, /ija petambdne. 

15. Hamijion kalu mëdingang, ajakó pëtamba nstung. 

16. Tariung su wongkon Dilang, aja p^tarabaëng moua. 

17. Ahaen bïinua maniu , kere anteh' u paldma. 
IS. Kereu ta ra^ajan inata, kila su nusa raaniu. 

19. Apajómbon tabanilsa, gbabaghóu manu dadiy. 

20. Bajen(^ su rarunihang, t^ban^n pinangentënno. 

21. Bïije sil wowon Lalakeng, sabëmmang mëdëdaliiiding. 

22. Kere sdsëllen ta bilno, rala pinangëndaj(?re. 

23. Ia tsi nanara dpeng, kapulilnu ta timiili. 

24. Ta makatabang mëlëlle, ia sdmangje ruigang. 

25. Inin p^ndopi arunde, panetd p^tatajënti^. 

26. Maniutji su WaJ^biraug, bawa matunon kila^ng. 

27. Tiwon biino su mardu, wawëlló sajëudarumang. 

28. Ia ta pandung si Onge, tawe kiirang manusia. 

29. Mageng budine mapia, maning mdrau nailmang. 

30. Mënalangken nalang bjllang, nalang diijëntih^ bëmbang. 

31. Medejjl kanarang Jëndu , tialni su mëgiigbo. 



464 SA5JGIÈEESCHE TEKSTEN. 

32. Têugumb^eng i Kakóe, sa^a aduawo su ^dma. 

33. I kite su ruan beka mesasdlamaten pdnsing. 

34. Ta u makaauggung puto, ^iugung a|e ipetinggung. 

35. Mebu(i bgu ^awésang, mahuudiiigaugkeu tu^dmaug. 

36. Mêluruugkeu paraniata, kumbahaug mêsa^a-wera. 

37. Manga mdwuu su waniia, pëberau ka|iomdneug. 

38. Tiügihén mahuauéne, sasaé su ghiou bdlaug. 

39. Maning uke i Lansdua, ia mangehe mëndeuo. 

40. Mêudaruru paj Ko^a, kere tipung mamamuw\jL. 

41. Metetóneng makj^a, i Sanggele wawa nusa. 

42. Tauaé dotoug kahëngang, pa^i su wanuan pia. 



1. VERTALING. 



1. Bij 't voorbijgaau vau Dajero, boog de hoek der vesting 
door. 

2. Ik zal niet meer op luiju gemak zijn ; het getal der voornamen 
is groot geworden. 

3. Zoo zacht is de zakdoek, dat hij zich over de hand (der 
danseres) heen vlijt. 

4. T a n d i n g is daar ginds in 't binnenland , op de bult van 
BirijL-Kadig. 

5. Van uit het paleis stroomt een zoete geur. 

6. Het is als tan da-werk geknoopt, en met gouden kettingen 
versierd. 

7. Met de vingers bespeeld wordende , doedelt de fluit van dunne 
bamboe. 

8. Een muziekinstrument maken voor de Prinses, dat klinkt 
door 't paleis. 

9. Duizend edelsteenen verminderden in glans, toen zij haar 
lied zong. 

10. Ik zal maar meeweenen, daar ik het niet meer volhouden 
kan, slaapliedjes te zingen. 

11. Van Sëmba af tot hier heeft men het zonnescherm begeleid. 



SANOIKEESGHE TEKSTEN. 465 

12. Daargiuds iu 't biuuenland van Deda, vertoont de Slanke 
zich in verschillende kleuren. 

13. Aangezien de wortels zijn van het hout "Elkaar vergezellen '/, 
zullen de takken ook niet van elkaar scheiden. 

14. Neem de punt van het werpnet, om bijéén te brengen. 

15. Neem de wortels van den boom '/Elkaar vergezellen//, om 
harten te vereenigen. 

16. Haal den Tariang op de bult van den Buwang, om schepen 
te verzamelen. 

17. De nauwelijks zichtbare omtrek van een ver land, is als 
een rij van naast elkaar zittende duiven. 

18. Indien ik mij niet bedrieg met mijne oogen, is de bliksem 
op een verafgelegen eiland. 

19. Doe een eiland oprijzen, klinkt de bede van den jaarvogel. 

20. Haar (zijn) huis is op de kust, de vensters daarvan zijn er 
tegenover gemaakt. 

21. Het huis staat op den Lalakeng; de vlerken (der prauw) 
schitteren door pracht. 

22. Als het gaan langs ^t strand van iemand die geen liefje 
heeft, liep hij door de daje re-ranken. 

23. Ik heb 't strand niet afgescheiden, gij hebt niet willen 
landen. 

24. Het zingen van wiegeliedjes niet kunnende volhouden, zal ik 
maar mede weenen. 

25. Wij hier, de overblij venden van dood en , laat ons nu beginnen 
elkaar liefde te bewijzen. 

26. Dr Slanke te Bajebirang smelt weg in gedachten. 

27. Een bezoek aan een liefje die op verren afstand woont, 
valt in 't huiveringwekkend avonduur. 

28. Ik geef niet om On ge, er is geen gebrek aan menschen. 

29. Wanneer zijne (hare) gezindheid goed is, al is hij (zij) ver, 
zal hij (zij) in gedachten gehouden worden. 

30. Komt, laat ons dan spelen met roei-speelgoed , speelgoed 
om de schouders stijf te maken. 

31. IMj 't zoeken van eene duiven-bekende lette men op de 
plaats van haar geluid. 

32. Wat een kwastigheid van Kakoe, hij viel haast op de 
i)orden. 

33. Wij van beide zijden (der prauw) zullen elkaar geluk wenschen 
met 



466 SAN6IEEESCHE TEKSTEN. 

34. Daar niemaud de prauw voorspoedig kan doen voortgaan, 
gaat men zelfs over gumutu-touw raadsels opgeven. 

35. Uit de baai vertrekkende, zullen we ons voegen bij hulp. 

36. Als men edelsteenen aan boord heeft, mag men zich niet 
verspreken. 

37. De heeren die aan land zijn mogen beden uitspreken. 

38. De stem van haren broeder weerklinkt tusschen het gekraak 
der roeiriemen. 

39. Al is het de badplaats van Lansuna, ik wil er toch in 
visschen en in baden. 

40. Tuinbranders daar in Ko|a, 't is als rook van reukwerkers. 

41. Zijne Sanggele daar op het eiland geeft haren wensch te 
kennen dat zij gehaald worde. 

42. Geniet maar ter dege terwijl gij nog zijt in het land des 
overvloeds. 



1. AANTEEKENINGEN. 



1. S ah eng, loc. pass. van sahe (sum.) /^voorbijgaan'/, zonder 
't voorvoegsel i. — Nombo, Praet. perf. van ombp (mombp) 
//op en neer gaan//. Dit vers is een spotdicht op de verwaandheid 
van zekeren Dajero. De beteekenis van dajero is //middel om 
beschaamd te maken//. 

2. Masili is //beschroomd zijn tegenover hoogeren in stand of 
tegenover vrouwen.// Dit woord wordt dikwijls gebruikt in verbinding 
met het synonieme têngkang, dus masili n-têngkang. 

3. //De zachtheid van den zakdoek is zoodanig, dat hij, enz.// 
Bedoeld is de zakdoek, dien de danseres bij hare functie in de 
hand houdt. Les o is een bijvorm van lenso, dat door 't Mal. 
uit 't Port. is overgenomen. 

4. Biru Kadi o //Klein— Biru// is een plaatsnaam, Tan ding 
is de naam eeuer vrouw. 

5. Po na, (mam.) bet. //netten knoopen,'/ en ook //kralen op 
minstens twee draden rijgen, en wel zóó, dat men ruiten krijgt 



SANOIR££SCUE TEKSTEN. 4}67 

als bij knoop werk. Dit inamoua inet kralen van de kleinste soort, 
is het werk van prinsessen, die bekleedingen van doozen en heele 
tafelkleedeu met patronen op deze wijze maken. Nirante is van 
het uit 't Mal. overgenomene rautai gevormd, en bet. ^/gemaakt 
tot een ketting.// 

7. Kob] (mang) bet. //tokkelen, met de vingers bespelen;// 
bij uitbreiding is dit ook toegepast op de werkzaamheid der vingers 
bij het fluitspel. Uude, zie Sprk. bl. 57. 

8. Manukang is een Sang. w. w. vorm van 't Mal. tukang 
en bet. //maken, vervaardigen;// oji is een blaasinstrument dat 
men bespeelt terwijl men het voor den geopenden mond houdt 
en er een krachtigen ademstroom tegen aan laat gaan , zonder 
te blazen. Gi mensa is een Praet. Perf. van gënsa, doch evenmin 
als bij de raadsels, is 't altijd bij de gedichten mogelijk den tijd 
van 't Sang. in de vertaling te behouden. Hier is vertaald alsof 
er gu mensa stond. 

9. In tang, pa ra mat a, en alle woorden voor edelgesteenten 
in gebruik, worden in de Sang. poëzie voor vrouwen gebruikt. 
Bawowoncn bestaat uit bawowo, 't achtervoegsel 3e pers. enk. 
van 't bez. v. n. w. en nog een volgenden n , de bekende partikel 
die Sprk. bl. 189 en 192 is besproken. Practisch is de bet. der 
n hier nul, doch plaatsen als deze (zie ook de verzen 20, 25, ) 
bevestigen het op bl. 192 der Sprk. gezegde, dat de n en de u 
betrekkelijke voornaamwoorden of lidwoorden zijn; dus letterlijk 
staat hier dus //haar zang, die werd gebruikt om mede te zingen.// 
Toor pinebio zou men in gewone taal pinëbowo of pine- 
sambo zeggen. 

10. Dit vers wordt verondersteld gezongen te worden door eene 
moeder, die haar weenend kind in slaap zingt, doch er niet in 
slaagt om het stil te krijgen. 

11. Palung wil hier zeggen //degene boven wien de pajong 
gehouden wordt//, dus de Vorst of voorname vrouw die zich van 
de eene plaats naar de andere begeeft. 

12. l)eda is eene plaatsnaam, gtgcven naar den dada p-boom 
(Erythrina Indica). Maninta is een versierende bijnaam van een 
meisje. M e g a r i n g (vertaald alsof ermëg^garing, Praes.) stond, 
zegt men van bamboe, suikerriet, en derg. wanneer zij streepen 
van verschillende kleuren hebben. 

13. De naaiü door den zanger aan dezen boom gegeven, is 
//m^dingang /', 't geen beteekent //elkaar vergezellen//. De 



468 SAT4QIKSE8CHE TEKSTEN. 

tweede helft van het vers verklaart genoegzaam de bedoeling. 

15. Zie vers 13. 

16. Hier is het niet zeker, of er gezegd wordt: ^i'Haal de 
vruchten van den bitung-boom// (Kleinhovia hospita), of //Haal 
den tahatariang//, den man die uit het inwendige van bitung- 
vruchten waarzegt (welke man op den berg Ruang woont), om 
door zijn kunst te weten te komen , hoe men een vloot ook bij storm- 
weder en ondanks strooming bij elkander houdt. Het kan ook zinne- 
beeldig gezegd zijn, gelijk de meeste Sasambo^s naar omstandig- 
heden gebezigd kunnen worden om iets verbloemd tè zeggen. 
Waarschijnlijk hebben 13, 14, 15 en 16 dezelfde beteekenis. 

18. Dit vers, eenigszins uitvoeriger (met parallel in Sasahara), 
vindt men in N» XYIIIa (B. T. L. V. 1894, bl. 14). 

19. Manu dadip is de Sang. naam van den jaarvogel of 
rhinoceros-vogel (Buceros bicomis). 

20. Daruruhang en duruhang //kust'/ zijn afgeleid van 
duruh§ (dum.) //langs de kust varen//, Tag. dorok, lorok, 
//in 't water naar iets zoeken, met een boom.// Tebanen is t§ba 
/^venster// , met pron. suff. 3® pers. enk. en de bij N® 9 besproken n. 
Het is niet duidelijk waar tegenover de vensters geplaatst zijn , 
misschien tegenover een huis op een ander voorgebergte, dat zich 
een eindje verder in zee uitstrekt, of ook eenvoudig tegenover 
de zee. 

21. Lal ak eng is de naam eener hoogvlakte achter Manganitu. 
D a I i n d i n g, frequ. van een ongebruikelijken stam d i n d i n g, bet. 
//vertoon maken, prijken.// 

22. Mangëndajere is een vorm zooals mangênsa|iji, zie 
bij de Raadsels, N® 3 (Jaarg. '94, bl. 387) en bet. '/door de 
daj e re- plan ten loopen." Deze plant (Ipomaea Pes-Caprae), Tag. 
Bis. lagarai, tagarai, behoort tot de convolvulaceen en is eene 
langs de stranden van den O.-I. Archipel veel voorkomende kruip- 
plant. 

24. Zie ver^* 10. 
. 25. In in. Over de w, zie vers 9. Pon do Je //rest, overschietend 
deel// wordt hier gezegd van eenigen die hunne ouders of ver- 
wanten overleven. A runde is Sasah. van tau nate. 

26. Bajebirang is de naam eener plaats, die weder genoemd 
is naar den gelijknamigen boom (Hibiscus tiliceus), Tag. Pamp. 
balibago. Bis. malabago. 

27. Ti WO is de stam van metiwo //gaan bezoeken, gaan 



% 



SANGIftEESCHE TEKSTEN. 469 

kijken naai"; in gewone taal zou ineu hier petatiwo zeggen 
/'tijd waarop men bezoekt.// 

28. Pandung ii:* 't Holl. wan doen//, zie Sprk. bl. 20. Onge 
is een persoonsnaam. De beide laatste woorden van dit vers zijn 
Maleisch. 

29. Budine is hier gebruikt in de beteekenis van //gezindheid, 
maar gewoonlijk beteekent het, evenals in 't Mal. //verstand.// Het 
wordt zeer weinig gebruikt. Het bez. v.n.w. kan ml. of vrl. worden 
opgevat, al naardat het vers door eene vrouw of een man ge- 
zongen wordt. 

•30. M a J ë n t i h ë is //een gespannen gevoel krijgen// (of 
hebben , al naardat deze vorm een werkwoord of een bijv. nw. isj 
gelijk in en rondom een puist of een gezwel; dajentih§, daar- 
van a^eleid , wil dus zeggen : '/iets dat zulk een gevoel ver- 
oorzaakt. // Hier worden er de riemen mee bedoeld , die bij lang en 
aanhoudend gebruik spier-pijn in de schouders veroorzaken. 

31. Lëndu, zie B. T. L. V, '93, bl. 342. MoghQ //zuchten// 
wordt het geluid maken van de woudduif genoemd , zie S. T. N® 1 
(B. T. L. V. '93, bl. 323, r. 6 v. o.). Tialai is een Imperatief 
met 't achtervoegsel / (Sprk. bl. 166), van den stam tiala 
//teeken, merk", de bet. is dus //bedien u als teeken van, ga 
af op.// 

32. Mëtëngumbaseng, van den stam umbaseng //jonge- 
ling// , bet. '/het heertje spelen , den heer uithangen, zich als een kwast 
gedragen , fatterig doen ", zooals ook m^tëmahuala //meisjes-kuren 
hebben, pruilen, nuflig zijn//, van mahuala //jong meisje//. De 
secundaire stam is hier gebruikt in de bet. die Sprk. bl. 216 , 
ouder N° 2 is besproken. In dit vers wordt gespot met een jong 
mensch , die zich met vele onnoodige bewegingen aan den maaltijd 
zet en daiirdoor bijna op de borden is gevallen , die voor de disch- 
genooten op den grond waren gereed gezet. 

33. Wat pansing beteekent, weet ik niet. 

34. Dit vers beschrijft een toestand waarin de omstandigheden 
het voortgaan der prauw tegenwerken en men dus werkeloos tegenover 
elkaar zit en den tijd tracht te verdrijven door elkaar raadsels op 
te geven. 

35. Dit vers komt reeds voor S. T. XVIII b (B. T. L. V. 
1894, bl. 25, r. 15). Met tujumang wordt de Hulpe Gods 
bedoeld. 

36. Zie de Aant. op vs. 9. 



470 SANOIREESCHE TEKSTEN. 

38. Gio is eig. "gejuich//, stam van megio //juichen//. 
Hier wordt er mee aangeduid het kraken , piepen of knarsen van 
de roeiriemen die balang heeten en die in touwen hangen, welke 
de plaats van onze dollen bekleeden. De roeispanen die pundaje 
heeten, worden uit de hand geroeid. 

40. De Sangireezen maken hunne feestkleederen geurig door ze 
te houden boven den rook van welriekende boomschorsen, die zij 
smeulend laten branden, bv. lansa-schillen (Lansium domesticum), enz. 
Dit maakt evenwel maar weinig rook in vergelijking met den rook 
die er opstijgt van een stuk ontgonnen land , welks hout verbrand 
wordt, zoodat de vergelijking niet vleiend is voor het werk der 
bedoelde tuinbranders die, naar men hieruit opmaken kan, geen 
groot stuk woud ontgonnen hebbeu. 

41. Mesësanggel§ be teeken t //naast elkaar staande , // bijv. een 
paar boomen, sanggel-e wil dus zeggen //zijne naast hem staande. n 

42. Tan^e, eigenlijk //ga naar beneden,// waar het een impe- 
ratief is (gelijk ook hier), is een woord dat men gebruikt wanneer 
men een ander tot het doen van iets wil aanzetten , of hem verlof 
er toe geeft. In dit gebruik wil het dus eigenlijk oorspronkelijk 
zeggen //val er maar op aan//. Banuan pia //het land van hebben /i^. 



2. 



1. Tinaho su wujo-jana, mëdarorong kakëngkumang. 

2. Ghahaghon inang nanëntung, kaomaneug kere wio. 

3. Demben masujen banua, maning metaung m^bujang. 

4. Kate wuhu nararau, naun mebëntuje honda. 

5. Ia began p^bawujo, mïisingka ta nedarangeng. 

6. Bujude sio Jempangeng, mebïitu beran kanarang. 

7. Punda^-e rio pediang, sumahe soan kanarang. 

8. Tau rarua masëlle, mëdedingang bou 'nae. 

9. Lakii pongg9 tëntang-kona , pangimbuan dajurune. 

10. Dajurun tau nileru, sima^i bënsin u naung. 

11. Maning kere kuse lei, ileru ma^eru Jai. 

12. Tumoto tëntajang riang, ta kajetuang u ëllo. 

13. Mëla^engkaden panamba, malambae su sakaeng. 



SANGIBKESCHE TEKSTEN. 471 

11*. Tiuëntaug dario Imia, wa^e mouodeu sasangj. 

15. Ta katentaug samuriiie, isenseFu lawp mamoba. 

16. Tëmba^ung nebiji su ra^eng, pikuugken ih^ da^aj. 

17. I Tatiuting taralilo, budiang anuang apa? 

18. Kahiwu ^ampawaiiua , pinangok^ tamasalang. 

19. Suapau pinebuakeng, pamuuakeng sene lai. 

20. Dala putuug su sêlaeng, tialan pamainunakeng. 

21. Pirua tonggen Tamako, areng ta kawawu^engang. 

22. M^batijL h^9 marau, abe ku^o^on punda^^. 

23. Timëmbo kambe ka^ougang, kiudaeng n^pulun apa? 

24. Mebati). tondon dagere, sarapellin kawawu^. 

25. Sarêdien tau Nagha, uanëlëen sondang kalu. 

26. Ba^anda kawe lentene, pungene su Manganitu. 

27. Buan dingka^eng mawira, sa^a iragaug tumuli. 

28. Simëbang bgu liodino, wituing sëngka^ipoho. 

29. Dasj su Pëudio^augeng , makiba^on gampan D\x\. 

30. Nangkoda saghed-c apa, ^imiu peto nangu^ingp 

31. Mangangu^ing sinawangeug, mona kere kakuawa. 

32. Bou Ruang dade lai, su ^ikud^u Taghu^andaug. 

33. P^asimbalau parenta, ligha kawuua u unsa. 

34. Tawe pinësa^an tude, piniti u kahiuone. 

35. Saghed-e ilojou dea, bëndune 'lojon këliwiji. 

36. Sëllihë antara ^ai, abe pangumbalan pato. 

37. Üaripen pansariang, ta mapap^kung saghed^. 

38. Sahune têntaug su ra^eng, otongaug taki^ kobitaug. 

39. Ta marau n ta marani, pëdaringang i sahëmmaug. 

40. OnggQ si Ngiaug kadod^, i kau remben ta sumangj. 

41. Bawëllo sëbang su apeng, tingang banua marau. 

42. Tagonggong su ^ingungune, kere rêlli^ su marau. 

43. Apile nanihing pu^o, mëmpangawe tahanusa. 



2. VEKTALING. 



1. Ue vrager om een zakdoek wordt in hooge waarde gehouden. 

2. Een wenscli van eene eigen moeder is als eene bede in een sprookje. 



472 SANGIREESCHE TEKSTEN. 

3. Wij koraeu nog wel terug iii 't vaderland , al duurt het ook 
jaren en maanden. 

4. 't Is pas dat wij zoo ver van een wonen, vroeger woonden 
wij vlak naast elkaar. 

5. Ik weet van geen kibbelen af, ik weet het door het niet bij 
elkaar boven komen. 

6. Negen bergen gaat men wel over, om het woord van een 
bekende te volgen. 

7. De roeispanen breekt men haast, wanneer men de negeri 
van een bekende voorbijgaat. 

8. Twee menschen loopen langs het strand, te zamen hierheen 
komende. 

9. Laat het korte buisje achter, om de lucht er van te 
ruiken. 

10. De lucht van een verworpeling wordt waargenomen als 
afkeer des harten. 

11. Al zou hij zijn als de grootste buidelratsoort, de weg- 
geworpene is ook weg. 

12. De zon wordt niet heet over iemand, wanneer hij vroeg op 
een arbeid toespringt. 

13. De hoeden opwippen van weerskanten is de avondgroet op 
de prauw. 

14. De kinderen zijn alleen achtergelaten, het huis spoelt weg 
van geween. 

15. Ik kan niet als de laatste achtergelaten worden, uitgesloten 
door de anderen die alleen gaan varen. 

16. De teerkost is op weg verloren, ingepakt als hij was met 
lusteloosheid. 

17. Ta tint ing die niet op ééne plaats blijft, wat zou men er 
aan hebben om dien te loven P 

18. De lampawan ua-sarong is gebruikt om onderdanen te 
koesteren. 

19. Vanwaar men vertrokken is, daarheen stuurt men zijne 
prauw ook weer terug. 

20. Het vuur daar op den kust- weg is het teeken waarop men 
een e prauw aanstuurt. 

21. Helaas, die landtong van Tamako, de naam er van is on- 
vergetelijk. 

22. Als men een verre school vissclien volgt, moet men niet in 
de roeiriemen verslappen. 



SANÖIREESCHE TEKSTEN. 473 

23. Wat scheelt de kin da eng toch, om aan te vallen op een 
kambe van wilde bete!"* 

24. Ik wil volgen het kruipen van de dagere, van de gouden 
sarapêlli. 

25. Wat een aanstellerij van een Nagha-er! een houten kris 
heeft hij zich aaugegord. 

26. Holland is een uitlooper, te Mauganitu is de stam. 

27. Om de witte d ingka Jeu g-bloesem zou men haast de prauw 
aansturen. 

28. Een heel sterrenbeeld is achter den berg Üodino opgegaan. 

29. Daar in Pëndiojangeng wordt gevraagd naar 't voorkomen 
van Dui. 

30. Wat heeft een scheepsgezag voerder voor vermoeienissen , naar 
den achtersteven gegaan zijnde om het roer te houden? 

31. De stuurman is bezeten door een geest, de voorsteven lijkt 
wel een lichthout. 

32. Van Kuang is 't nog verder heen , 't is achter Tagulaudang. 

33. Voer gezamenlijk het bevel uit, om spoedig het eiland te 
bereiken, 

34. 't Is niet met opzet verkeerd gedaan , 't is met een boog- 
schot geraakt door bekwaamheid in het mikken. 

35. Zijn moeite doen zal afgemat worden door zoeken, zijne 
inspanning door trachten. 

36. De strooming kan ook tusschenbeide komen, verlaat u niet 
op de prauw. 

37. Gewoon aan 't zoeken van 't dagelijksch brood, worden wij 
niet door vermoeienis gebogen. 

38. Laat de sahune op den weg achter, ik zal aankomen om 
ze te bespelen. 

39. Het gaat niet verder af en komt niet dichter bij , het te 
samen gaan der prauw vlerken. 

40. Geef het aan de kleine Ngiang, gij zult er nog niet om huilen. 

41. Kom in den avond aan 't strand, kijk naar 't ver gelegen land. 

42. De klank van scheepstrommen in de baai is als donder in 
de verte. 

43. 't Zijn dingen die gelijken op eilanden, die 't voorkomen 
hebben van omspoelde landen. 



474 SANOIRl^KSOHE TEKSTEN. 



2. AANTEEKENINGEN. 



1. De uitdrukking "gelegd in eene bujo-jana/ir, wil zeggen; 
//goed bewaard , zorgvuldig opgeborgen// , en bij uitbreiding 
//hooggeschat, met hoogachting ontvangen en opgenomen//. 
Kakëngkumang is van den stam këngkung //vuist/', en bet. 
'/'t geen in de hand gehouden wordt/'. Een zakdofek is een teeken 
van vriendschap; iemand die om een zakdoek vraagt, vraagt dus 
om een teeken van vriendschap of genegenheid. 

2. Inang nanëntu ng //eigen moeder//, woordel. /'moeder die 
naar beneden heeft gebracht//, van den stam tentung. De wen- 
schen die door prinsen en prinsessen in de sprookjes worden ge- 
daan, worden altijd onmiddellijk vervuld; daarmee wordt in dit 
vers de wensch eener moeder versreleken. Kaomanene: is de 
(sec.) grondvorm van het meer gebruikelijke kajiomaneng 
//gebed, bede/', dat dus een frequentatieve vorm is. 

3. M^bëntuje hond^ bet. /'Zoo dicht bijeen wonen, dat de 
drup van 't dak in dezelfde goot (honda) op 't erf valt/'. 

4 en 5. Deze beide verzen moeten overdrachtelijk worden opge- 
vat. Van twee gelieven beklaagt zich de eene tegenover den 
andere dat er tusschen hen verwijdering is ontstaan. 

6. Kanarang is gevormd van na rang //gewoonte//, en is 
hier een verbloemde naam voor /'geliefde//. 

7. Dio, dat "klein" beteekent, wordt ook gebruikt om de bet. 
van het volgende woord te verzwakken, zooals ons "bijna, haast" 
en derg. De riemen breken haast van 't hevige roeien dat men 
doet, om door zijne geliefde opgemerkt en bewonderd te worden. 

8. Masëlle is Siauwsch dialect voor Mang. sumëlle, //langs 
het strand gaan." 

Sa^i (sum.) is hier vertaald met //waargenomen worden als//. 
De bet. is //een reuk afgeven". 

11. Kus e lei, de grootste soort van buidelrat, is hier gebruikt 
als beeld van iets dat zeer vasthoudend is en zich niet gemakkelijk 
laat weghalen. 

13. Mëlajengkadë; deze vorm is als een wederkeerige opgevat 
en drukt dan uit het groeten en het beantwoorden van den groet. 

16. Iha dajai "ontoereikende kracht, lusteloosheid". 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 475 

17. Tatinting is een mansnaara. De bet. van dit vers is: 
Wat heeft men er aan om iemand die 't telkens met een ander 
houdt, in zijne gedachten te houden? Taralilo is een Siauwsche 
vorm, en budiang is namaak van naumang. 

18. Tamasalang is een Sasahara-term voor kawanua /'onder- 
danen/'. Dit vers is een lofdicht op een vorst, die genoemd wordt : 
een sarong als de boom lampawan ua, een groote boom, die 
zijne takken ver uitspreidt, en veel schaduw geeft. 

23. De kindaensr is een visch die in 't Mol. Mal ikan deho 
genoemd wordt. De kajongang of wilde bete is eene soort van 
aronskelk en veroorzaakt vinnigen jeuk , bij aanraking. Omdat men 
dus hare aanraking vermijdt is zij het beeld geworden van een 
adellijke. Dit vers hoont iemand die een huwelijk wil aangaan 
boven zijn stand. 

24. Sarapëlli is hier Sasah. van dajere (Ipomaea Pes-Caprae), 
en waarschijnlijk samengesteld uit sara {stam van manara //af- 
scheiden//) en pelli //verboden, onder verbodsbepaling liggende//, 
't Is de naam eener plant, die veel op de dajere gelijkt. Kawa- 
wua is Sasah. voor bu^aeng //goud//. 

25. Sar^dj, zie bij de Raadsels No. 180. Nagha is de naam 
van verschillende plaatsen op de Sangir-eilanden. 

2f>. Dit vers kan doelen op iemand die te Manganitu geboren 
is en thans in Nederland vertoeft. 

28. Dodino is de naam van een berg op Halmahera. Kaji- 
p o h o is //maagschap , familie // , dus sëngkajipoho //een heele 
familie//. 

29. Pëndiojangeng is Sasah. voor //'t land waar men naar 
toe wil//; de stam o}ang ligt in 't woord. Dui is een mansnaam. 

31. Sawang (sum.) //indalen, invaren, van geesten of zielen in 
eens meuschen lichaam, waardoor zijne eigene ziel verdreven wordt//. 
Pia himukude simawang su tauroata ene //er is een geest in 
dien man gevaren//, zegt de Sangirees van iemand die bv. door 
bloedverlies flauw valt. Kakuawa is een brandend stuk hout, dat 
men in 't donker heen en weer zwaait, om licht te verkrijgen. Er 
wordt dus hier van de prauw gezegd, dat zij hevig heen-en-weer 
slingert. 

32. Ruang is de naam van den vulkaan die v66r Tagulandang 
in zee ligt. 

83. Mesasimbala //elkander helpen, gezamenlijk iets uit- 
voeren//. // 



47() SANGIREESCttE TEKSTEÏÏ. 

35. B ë n (1 u is Sasah. vau saghed$, këliwij vari d e a. 

36. Antara is uit het Mal. (Skr.) overgenomen. Umbala is 
van den stam bala /'laten, overlaten, toelaten.// Over dit voor- 
voegsel, zie Spr. bl. 128 en 202. 

37. Pansariang is 't Mal. pëntjarian //broodwinning//; 
diirio u. p. is hier eene uitdrukking voor //iemand die door 
handenarbeid den kost moet verdienen.// 

38. Sahune is dial. van Taruna, voor Mang. sa[ude. Dit 
instrument is een bamboekoker met vijf snaren , die met de linker- 
hand bespeeld worden , terwijl het op den schoot ligt en de 
rechterhand tegen het eene eind klopt, waarin men een gaatje 
gemaakt heeft. Voor eene nauwkeurige beschrijving zie men 't 
Woordenboek. Sahune is in 't Mang. een snelle maat vau het 
ganding, geklop, waarop de mannen dansen. Vgl. het Mal. 
(Perz.) sarunai, klarinet. 

39. M ara ui is van den stam dani, in de N. dialekten ge- 
bruikt voor Mang. mas«indige, nabij. 

40. N g i a n g is eene verkorting van S a n g i a n g. 

43. P u J o is geen Sang. woord, maar het Mal. p u 1 a u. Het Sasah. 
woord voor tahanusa is humamping, soms ook buntuang. 
Het S. T. No I (B. T. L. V. '93, bl. 346). gebruikte paru we is eig. 
Sasah. van uaij //groen//, en is dus geen goed Sasahara voor 
tahanusa. 



3. 



1. Uumangéng su wajen bansa, horomatiu kabawawa, 

2. Tandan kahoromatine : lingung kinsu^e sëlungang. 

3. Mesasasan kaen balang, ta u makapëla^auda. 

4. Mëlehiking pamamoba, makiamang si nangkoda. 

5. Paton kite kabantiige! ëudaj buhu kawawuna. 

6. Dala mekekaomaneng , nakasilo pato 'ndai. 

7. Pujun balang timaingke, nesak<?n tau rarua. 

8. Makaedang kai mea, metikj sakien balang. 

9. Lukadén ëllo kapuko, mangumbd^ente mambena. 

10. I Wataha puko-kona, p^kilaja tahanusa. 

11. I kau mamêndang sia, bpu nedingang kangere. 

12. U^i u tau nedingang, tawe limembo sëngapa. 



SANGIREKSCHE TEKSTEN. 477 

13. Th u mikaghurang sin, sauiieiig nakarario. 

14. Katatikilang i Hono, tingih' u lisung iiegeiisa. 

15. Tabea u ^igha mate, ta makapëiidang mahouo. 

16. Liwuhangkeii duki.i apa, rajurune sen diiueka. 

17. Taku iawj baliinbing, ipamutj dajurune. 

IS. Lombou tarj su uiarau, wodang taku uëüaumang. 

19. Gampaue wajine wue, ta kataiidiiig si Merel ii. 

20. Abe pënauug dariia, pakatuntu si Merely. 

21. 1 Rajag^ bawa uusa, metetoneiig luakiaja. 

22. Mesombaug denoin êllo, ta^ëutu su tuariue. 

28. Maning liwuhang m^tiki, bodang tutinting su naung. 

24. Tinëntang karare/ie, manarang u niakjinang. 



;3. VERTALING. 



1. Bij 't binnengaan in een huis van een adellijke brengt men 
eerbied mede. 

2. Het teeken voor zijn eerbied is: hij kruij)t zelfs onder een 
kinsu^e. 

3. Wanneer men elkander vermaant met roeiriemslageu , mag 
niemand zich onttrekken. 

4. Wanneer men het zeevaren onderhoudt, zegt men //vader/' 
tot den gezagvoerder. 

f). Hoe heerlijk is onze prauw, die pas is aangekomen. 
0. Daar ajin wal slaakt men kreten van o])gew()ndenheid, bij 
't zien van onze prauw. 

7. De stelen van de roeiriemen zijn stil gaan staan, nadat m(ïn 
twee mensehen heeft opgenomen. 

8. Wat doet volliouden is schaamte, dommehMi wij dus in, leg 
ons dan het roeien op. 

9. De waker des daags wake op , wij gaan de zee over. 

10. Maak Batalia wakker, dat hij de eilanden trachte te herkennen. 

11. Wilt gij mij beproeven, nadat wij vóór dezen reeds samen 
gevaren hebben. 

r>c Volgr X. '32 



47S SANGIREESCHK TEKSTKN. 

12. Naar het zeggen van dengenc die zijn medgezel is geweest, 
overtreft hij in het minst niet. 

13. Er is niets dat mij oud maakt, het maakt ujij integendeel 
jonger. 

14. Op de shiai)kamer van Uono weerklinkt liet geluid van 
den vijzel. 

15. Tenzij ik spoedig sterve, zal ik het uitvallen der tanden 
niet gevoelen. 

16. Met welk kruid zal ik het verdrijven , daar de reuk zich reeds 
heeft vastgehecht. 

17. Ik zal in de blimbing-boom klimmen, om daarmede de 
lucht te verdrijven. 

18. Lombontari in de verte wordt nog steeds door mij her- 
dacht. 

19. Zijn voorkomen is anders, H is niet te vergelijken bij 
Merel 11. 

20. Denk niet aan twee, bepaal u bij Merelu. 

21. Dajage daar op 't eiland wenscht gehaald te worden. 

22. Bij het ontmoeten baad hem met tranen , uit liefde tot den 
jongeren broeder. 

23. Al wil ik de gedachte er aan door slaap verdrijven, het 
doet zich nog steeds aan het hart gevoelen. 

24. Het kind is verlaten in den tijd dat het 't meest naar zijne 
moeder zocht, toen het reeds gewoon was moeder te zeggen. 



3. AANTEEKENINGEN. 



1. Bansa, uit 't Mal. (Skr.), is hier gebruikt als benaming voor 
den hoogsten stand op Sangir. Het Sangireesche papüng, waar- 
over gesproken is in de Aant. op N^ XVI, B. T. L. V. '94, 
bl. 4, is de benaming van den adelstand, die weder verdeeld is 
in papiing tuhas^ (Sprk. bl. 282) //hoogste adel, zuivere adel// 
en p. b^ka //halve adel//, dat zijn degenen, die slechts van eene 
zijde van adel zijn. De zuivere is thans bijna geheel uitgestorven. 
Het vrije volk heet kawanua, de slaven ëllang. Deze zijn meestal 



SAXülllEESClIE TEKSTEN. 479 

verkregen door koop (meestal van de ïalaut-eilandeii , welker 
inwoners elkander verkochten, soms zelfs ouders hunne kinderen). 
Ook op beschuldiging van tooverij, of door een pëlli (tabu) te 
verbreken of door te vervallen in zoo zware boete , dat men met 
zijne persoon moest betalen , werd men vroeger slaaf. Thans bestaat 
d(^ slavernij op Sangir niet meer als erkende instelling. 

2. De kinsulë (zie bij de Raadsels, B. T. L. \. '94, bl 435) 
is een zeer lage kleine plant; het hier gebruikte beeld is dus 
zeer sterk. 

3. Landa is alleen gebruikelijk in de uitdrukking mëlanda 
kir e «zich niet aan eene afspraak houden, zijn woord breken." 
Naar deze beteekenis is de hier gegevcjn vertaling gemaakt. 

4. Me hik ing is //onderhouden// in den letterlijken zin des 
woords. Mamoba, zie Raadsel N". 390, B. T. L. V. '94, bl. 447. 
Makiamang, zie Aant. bij N». XXXI, B. T. L. V. '94, bl. 111. 

7. Ue bet. is: nadat men twee menschen , als gasten, heeft 
opgenomen, is men aan de praat geraakt en heeft de roeiriemen 
laten stilstaan. Doch daar. mes ak e ook beteekent piuang geven, 
kan dit vers ook verklaard worden : Terwijl men aan twee men- 
schen (in eene andere prauw) ])inang overreikt laat men de roeiriemen 
rusten. Tau moet in dit vers worden uitgesproken met den klem- 
toon op de u , om de maat vol te krijgen. 

9. Ma n g u ni b a J e n t e is van den stam lente (1 u m.) //over eene 
brug, boomstam of iets derg. loopen.// Mepepa^eute //heen en weer 
op een tak gaan// (eekhorens, papegaaien). U ni is een voorshig. 
liet gaan over de zee met een smalle prauw wordt hier aldus 
genoemd. De afgeleide stam is ba Jen te, of patente. Mambena 
is Sasah. voor sasj /'zee//. 

11. Mamëndang (van pëndang) is //bevoelen, betasten//, het 
is hier in den zin van "keuren, beproeven// gebruikt. 

13, 14, 15. Deze drie verzen behooren bijeen. Het eerste wordt 
door een oud man gesproken, waarop een jongere spottend aan 
merkt, dat men o]) zijne slaapplaats het geluid van den kleinen 
vijzel en stainixu- hoort, dien oude inlanders bij zich plegen te 
dragen, om de sirih-pruim lijn te stampen, die zij niet meer 
kunnen tijn kauwen. Ook de naam Hono wijst hierop, daar dit 
woord de stain is van mahono //uitvallen van tanden//, en dus 
z. V. a. "tandelooze// wil zeggen. Hierop is de repliek van den 
oude weer, dat hij, tenzij hij spoedig zal sterven, niet verwacht 
aan de kwalen van den ouderdom te zullen lijden. 



480 SANGIREESCHE TEKSTEN. 

17. Ipainuti bet. //om daarmee wit te maken//. Het klimmen 
in de blimbin g-boom, is het beeld van eene wanhopige daad, 
door iemand verricht die een ander niet uit zijne gedachten kan 
verbannen. 

17. Lom bon tari is een eigennaam, die ook beneden (Sas. 4, 
V. 88) voorkomt. 

19. G a m p a bet. //voorkomen , houding , gestalte// ; M e r e 1 ij is 
een mansnaam , die ook in 't volgende vers voorkomt. 

24. i) a r i o k a r a r e a e wordt een kind genoemd, als "t op ilen leef- 
tijd is van steeds zijne moeder te zoeken en bij haar te willen zijn. 



4. 



1. Matane wodang su ra^eng, mëkati tau tadie. 

2. FakaihiA mêgahagho, makatu^ung kawe rorong. 

3. Maning metaung mebujang, dorong: kasujen banua. 

4. Maning mëlelang tamai, sujei 'ndaung pungene. 
j. Bujude kinanarangeng, tinëntang makajairo. 

6. Banone su matan ëllo, sumëda katahëndungang. 

7. 13ajurune sen dimeka, 'Jiwuhangken duku apa? 

5. 1 sire tamahuari , nëpaparingaug namoba. 

9. Karaun pinamembangeng , lingung aha ta 'kasilo. 

10. Tëntajang bawa su nusa, pedarohoin tajëntij. 

11. Pin^beran Ganda^angi , dajeng ta sombang-e apa. 

12. Lumente su sasi ure , su wowon daghe bu^aeng. 

13. Ahaen banuan kite, masanggiden ikakame. 

14. TaJëntiTi ta piruane, iro ta ba^is-e iro. 

15. Dajeng daroi i Tuang, da^eng ta sombang-e apa. 

16. Madajurang su ghaliago, pëbarakatiko wue. 

17. Bujang pangangiloaheng , dorongang: abe pebasa. 

18. Maning su nusa marau, dorong: ia tahëndünge. 

19. Apae nakawarado, nakakoa kere ini? 

20. M^tatahang su mapia, ri^dajahëdo tujumang. 

21. Dade i Mak^^airo, dorong: kawuna ëndai. 

22. Medoróng si kau, pato! ah^ su rajeng mapia. 
28. Ai katak^ masengge, tariang su wongkon Duang. 



SANGIRKKSCIIK TEKSTEN. 481 

2 k Kasiaiig inko Jai , uihombang akc tujumang ! 

25. Med(;(Uivaki su nusa, makatujuug kai aha. 

26. Ahe riiiga këkatje, 'ndaung taraie lai. 

27. Maiiieu ta inanuinbiluiig , su ^oiidc kapapiaiie. 

28. Senggo darua tiiiara, wqu 'nsae dajawesaiig. 

29. Susan uaung ua^u , semben ta u tahëndumang. 
;50. Sfisae su monan pato, wujaeng kere kineke. 
'M. Pedise siniarang ure, ëllo simëbaiig bu^aeng. 
•32. AJa darenong Sangiang, ake su laeh' u watu. 
83. Kawawira iwebuni , mëndeiio su Juhau bujang. 

34. Bawuwukang ta nctowo, nakasaugj si Sangiang. 

35. Nasusan bansi napëdi , ahjen ta bujo ^ana. 

36. Mëndeno su ake bangka, liwuaen ta torene. 

37. Mëndeno su toleu saju, makionod' u wërabuang. 

38. Mëndeno arj panguju , raki arj paugindala , madirin lëngkiji 
ionode, këndiniang ianserete, lëngku ionode apeng, iauser^ 
SU ^ighareug. 

39. Maugontv su Jëbon tau, ^be reren pangujeëng. 

40. Uala kawe soan tau, kudaton tau wajine. 
11. Kere ta mësaja uiata, kila su nusa io|ang. 
42. Duruhang i Laml)ensina, wiala himumbe nau. 
l'3. Sumëlle su Jahuaweng, tipang sarang ikapëlly. 

44. lia^e su wowon Tariang, paniamelokang daraung. 

45. Bawantin Leien -sumangj , bawëllo kinahuwusaug. 

46. Dasi SU wowon Tendenang, raamello tatuwon buwe. 
17. Pëbijiuang tamai, pirua i tonggen Naraeng. 

48. Talianusane rarody, otongang pëlëmbeongang. 

49. I sain su paha-paha , tingih-e 'uae niauawo. 

50. Pënanangkodan Baja^ang, nëlaliky su pahëpa. 

51. Nangkoda matane wuta, ta nakasilo wualo. 

52. Nangkoda saglied-e apa , unibaseng mate mëbalang. 

53. Piloto Tata^in-boba , mësenggo ta niangangujing. 

54. Nakasilo rëllang tengke, bukun senggo nilenggohang. 

55. Kara dëllang mariadi , lëingateng i Piloto. 

56. Sarang si'Uggo e nawewe , pasibo^eng kaliiwune. 

57. Tingihen koje nëbera, wala wala nebisara. 

58. Tingilien gaheghen u^ng , tamai kere tambirang. 

59. Asan kakontin piloto, limiu peto nangu|ing. 

60. Kalëmba lujika niona, nalang i llata Anggoma. 

61. I kanii tujungko wue , kadiongeng sarang nusa. 



482 aANOIIlEESCMK TEKSTEN. 

62. Maeug inaiang tujumaug, aiigiug pakabiliu Rakj. 

63. Tiukeii anging pawawa, oiigose ina^urang ini. 

64. I kite mahamawu anging, makiëllang su timbowo. 

65. Ia (lingang sojong Para, lurang su kanukun o\&. 

66. Takatia mananunipang , ia sasakene lai. 

67. Sinsing bian Tahinate, bukala ponton Manaro. 

68. Bukala lëlla uapetang, nilimbe su soan Dagho. 

69. Sinsin tandu duan bua, wala i kau mëpile. 

70. Nakakuraug dajimbene, sinsin bia niujenang. 

71. Pahepa sihing-e lawy, apeng pakatialai. 

72. Tialan apeng u Lawa, wuan pahepa negaring. 

73. Manangka majahuud ingang, dala su pahepa tëngkang. 

74. Anging sosy bou mona, tahiti nëlimpa gati. 

75. Kite sumomah^ anging, metaturapile timbowo. 

76. Soroga i Kajendesaug natëntung su pujun balang. 

77. Suraowa su sawang bengko, su ^ajawesang kalelp. 

78. Sowïie apasowae, pamëntu^ang u wajango. 

79. Bungan kapepe batje, suinasenggo kadëntane. 

80. Manetae mëbadanie, mëkauhen kapapia. 

81. Ia lujabaen sili, inang amang su marau. 

82. Ia makiinaug bujang, makiambia üauju. 

83. Untungken tau mara^eng, lingung intang kasoinbangeng. 
S4. Bu|ude nedaku intang, nedua timbang bujaeug. 

H5. Bou 'ndai tonggen Monto, wujude sio kimera. 

86. Mctatamba si Saburo, su wawoworang sëmbua. 

87. Kite ménahing mapia, mëdamehang matujena. 

88. Lombon tan su wanna, wodang takiji nënaumang. 



4. VERTALING. 



1. Zijno oogcii zijn nog op den weg, verlangende naar den afw(^zige. 

2. Wees krachtig in het wenschen , 't geen helpen kan is het gebed. 

3. Al is 't ook over jaren en maanden, mijne bede is: keer 
weder naar het vaderland. 



SANOIRKESCHK TEKSTEN. 183 

4. Al strekt ge ook de takken naar de verte uit, keer terug 
hier naar den stam toe. 

5. De hergen waaraan men gewend is, wekken droefheid op bij 
't verlaten. 

6. Wanneer iemands liefje in de zon is, zal hij bij het onder- 
gaan aan haar deuken. 

7. Zijne reuk is er reeds aan gekleefd , met welk kruid 5^1 ik 
die verdrijven? 

S. Zij oudere en jongere verwanten hebben elkander meegenomen 
om te varen. 

9. De verte der verbanning is zóó, dat zelfs de omtrekken van 
h(^t land niet meer zichtbaar zijn. 

10. Zoolang ik daar op het eiland ben , laat ons elkander liefde- 
bewijzen zenden. 

11. Gezegd is door Gandajangj: die weg heeft in 't geheel 
geen tegenspoeden 

12. Varen op een gouden zee, over een gulden oeoaan. 

13. De omtrekken van ons vaderland zijn bijna met de hand 
te bereiken. 

11'. Liefde zonder wederliefde, beklag /onder wcderbeklag. 

15. Een weg waarop Mijnheer ons zendt, is een weg zonder 
tegenspoed. 

If). Geef ons, die geladen zijn in een tooverwensch , daarom 
tocli zegen. 

17. In de maand waarin men rust, wordt gebeden: moge het 
niet donker worden. 

18. Al zijt gij op een ver eiland', ik l)id u gedenk mijner. 

19. Wat is hei toeh , dat ons in zoo een slechten toestand heeft 
gebracht ? 

20. Wij zijn standvastig in het goede, wachtende op Hulpe. 

21. Dat Makajniro daar in zee hier moge aankomen, is mijn 
wensch. 

22. Wij vragen u , o prauw , leid t)ns op goede wegen. 

23. Vrees niet voor afdrijven , er staat een tariangboom op de 
bult van den Ruwang. 

21. Ach, dat ook ik Water der Hulpe hadde gevonden. 

25. Bij 't varen van eiland tot eiland, is hetgeen dat helpt, de 
verre omtrek van het land. 

26. W^Misch niet zoo nu en dan mijne tegenwoordigheid , ik kom 
ook al daarheen. 



484 SANQIRKESCHE TKKSTEN. 

27. Al varen wij ook uiet iu een tumbilung, in een londe is \ 
al goed genoeg. 

28. Twee zeilen naast elkaar gezet, komen van uit een dieper 
gelegen gedeelte der doorvaart. 

29. Wanneer het harteleed is overwonnen, deukt men er niet 
meer aan. 

30. Daar voor den voorsteven der prauw is het alsof er goud 
uitgespreid is. 

31. De zonneschijn straalt gouden, de zon is gouden opgegaan. 

32. Haal het tot badwater der Prinses, het water in het hol 
van den steen. 

33. De blankheid wordt verborgen, wanneer men baadt in het 
zwakke schijnsel der maan. 

34. Dat de citroen geen jonge bladeren heeft gekregen , brengt 
de Prinses aan 't weenen. 

35. Wat zou men bedroefd zijn over 't breken eener fluit, alsof 
er geen bujo Jana was. 

36. Ik wil baden in kuil-water, in diep water dat geen afloop heeft. 

37. Ik wil baden aan het beneden-eind der rivier, om de bëm- 
buang op mij te laten aandrijven. 

38. Baad niet bovenstrooms , baad niet in 't binnenland , opdat 
niet het vuil worde afgedreven, de onreinheid met den stroom 
worde meegevoerd , het vuil afdrijvc naar het strand , worde aan- 
gespoeld op de kust. 

39. Wanneer gij in eens anders modder plant, word dan niet 
boos bij 't terugvragen. 

40. Dat is eene vreemde stad van menschen , eene versterkte 
plaats van andere lieden. 

41. Indien mijne oogen zich uiet bedriegen, is de bliksem op 
het gewenschte eiland. 

42. Wanneer Lambeusiua voorbijgaat, kijken de toeschouwers 
door 't groen. 

43. Zich wringen (met de prauw) door een spleet iu de riflen, 
zoodat (de riemen) juist nog kunnen losgelaten worden. 

44. Het huis op de hoogte achter Tariang is de plaats waar 
men naar de zeilen uitziet. 

45. Welk eene plagerij van Lel en-sum a ngi : 's avonds juist 
ma hu w usi; te zijn. 

46. Daar boven op Tendenang ziet men naar de gestalte)! van 
vrouwen. 



SANGIKKKSCHK TEKSTEN. 485 

47. Men gaat lieen en weer voorbij, die arme kjvap Name hg! 

48. Kleine eilanden doet men aan , om pinang te gaan kauwen. 

49. Die op den uitkijk zit, diens stem valt naar beneden. 

50. 't Is een sturen van Bajajang, men vaart maar rond tus- 
schen de rhizophoren. 

51. De oogen van den schipper zijn verblind, hij ziet de klip- 
pen niet. 

52. Wat heeft zoo'n schipper te doen, de jongens bezwijken 
haast van 't roeien. 

53. Loods ''Recht-door-Zee// zeilt zonder te sturen. 

54. Gezien hebbende een dreigende bui, heeft men tegen 't 
zeil geklopt. 

55. Hij dacht dat er iets van de bui zou worden , de Loods. 

56. Nu het zeil geheschen is, trekke een ieder zijn sarong 
naar zich toe. 

57. liet geluid door touwen gemaakt, klinkt; laat, laat het 
spreken. 

58. liet geluid door den stuurriem gemaakt, klinkt als het 
geluid van den schoot van 't zeil. 

59. Zoo leugenachtig als de loods, die voorbij ging om liet 
stuur te houden. 

60. Een adelaar vliegt rond om den voorsteven, het lievelings- 
dier van Koning Anggoma. 

61. Helpt ons eens; al is het slechts tot het eiland (dat gij ons 
brengt). 

62. Wanneer wij gaan zitten onder Hulpe, dan wordt de wind 
naar 't Oosten gedraaid. 

63. Blaze een ons mede voerende M'ind , een wind die mede- 
geladen is. 

64. Wij willen den wind dienen , (ms tot slaven maken van den 
landwind. 

65. Ik wil mede naar Para, laad mij maar op de punt van 
het kromhout der uitliggers 

C}6. Niet te tellen zijn de medevarenden ; ik behoor ook tot de 
varensgasten. 

67. Een Ternataansche schelpring, een armband van Menado- 
reesch snijwerk. 

68. Met een gebroken armband van een 1 é 1 1 a-schelj) heeft men 
gezwaaid in de stad Dagho. 

69. Twee ringen van hoorn, zij zijn tot uwe keuze. 



486 SAMGIREESCHK TEKSTEN. 

70. Het doet te kort aan hare arm-zwaaiïiigen , dat de schelp- 
armband is teruggevraagd. 

71. De Rhizophoor heeft vele gelijken, onthoud goed het strand. 

72. De merkteekens van 't strand van Lawa zijn gestreepte 
Rhizophoorvruchten . 

73. Elkaar vergezellenden verrassen, daar achter in het tëng- 
k a n g-rhizophorenbosch. 

74. Er is een tegenwind van voren , de regen slaat in 't gezicht. 

75. Wij willen tegen den wind inroeien, ons tegenkanten tegen 
den wind. 

76. Het geluk van Kajendesang valt op den steel van de 
roeiriem. 

77. Wij willen binnenvaren in de kromme haven, in een bochtige 
invaart. 

78. Vaar in, wij willen 't laten binnenloopen , om de ankei-s 
te kunnen laten vallen. 

79. Leg de schimmel der kussens in de zon , de zeevaarders 
komen reeds terug. 

80. Wij willen beginnen in vrede te leven, ons vereenigen in 
goede verstandhouding. 

81. Ik scherts in verlegenheid, vader en moeder zijn ver. 

82. Ik zal moeder zeggen tot de Maan , de Nachtvorstin tot 
beschermster nemen. 

83. Het is 't geluk van iemand die op 't pad is, dat hij zelfs 
diamanten tegen komt. 

84. De berg heeft een edelsteen gegrej)eTi , met beide handen 
den gelijke van het goud gevat. 

85. Van ginds, het voorgebergte Monto, ilikkereu negen bergen. 

86. Gemeenschap hebben met Saburo, allen naar een model 
gemaakt zijnde. 

87. Wij willen goed spelen , gezellig bijeen zijn. 



HANUIRKESCJHK TKKSTEN. 487 



4. AANTEEKENINGEN 



1. Mëkati bet. ''iemands tegenwoordigheid weuscheu/', en dien 
wensch uiten, waardoor eeue aantrekkende tooverkracht op iemaud 
kan uitgeoefend worden. 

2. Over de w.w. vormen met paka, die de bet. hebbeu vau 
onze bijwoorden, zie Spr. bl. 122. 

5. Ito (miro, In ir o) bet. "met weemoed aan iets denken, 
treuren over", eig. //den nitroep iro! bezigen omtrent iets. Ir9e 
is een uitroep van verwondering of protest (Spr. bl. 280) , vgl. in 
't Ibanag ar/ii, Cuevas, Arte, bl. 270. 

7. Dit vers komt ook voor in N® 3, v. 16, doch de twee 
leden zijn daar in omgekeerde volgorde, 't geen gemakkelijk kan 
gescliiedcTi , daar de maat van beide geheel dezelfde is. 

'S. I si re tamahuari of tahatuari, zie Spr. bl. 77. 

11. Som bang is //ontmoeting, 't geen men aantreft", en be- 
teekent in dit verband //tegenspoed, hindernis// zoo ook vs. 15. 

12. Lu men te, zie Aaut. bij N® 3, vh. 9. 

l.'J. De n die enclitisch aan masanggide is gehecht, heeft 
hier, als betrekkingswijzer , de kracht van een voegwoord, en is 
in de vertaling met /' zoodat'/ weergegeven. 

15. Daroj, van den stam doj (mëndoi), Siaur. voor Mang. 
d o 1 o h e (d u m.) '/zenden// , beteekent eig. //zendeling , afgezant// ; 
doch de bedoeling is duichilijk die van het syn. Mang. darolo- 
hang, dat naar zijn grammatischen vorm zou moeten beteekenen 
//plaats waar of waarlajigs men zendt.// Zie Spr. bl. 162. 

ir». Ba ra ka ti is 't Mal. (Ar.) berk at. Behalve dit, heb ik 
bij de Spr. bl. .SI) genoemde voorbeelden van een ach terge voegde 
/ nog aangetroffen sahidi "getuige//. Mal. (Ar.) shahid, en 
diamanti, Holl. "diamant", 't Eerste deel van dit vers betee- 
kent : "daar wij ons ingescheept hebben in een wensch , juet een 
wensch tot u komen". 

17. Mangiloahe bet. "zich verruimen, zich ontspannen// , van 
den bekenden stam loang, loahe, zie B. T. L. V. 1893, bl. 360. 

19. Ba rad o is Sasah. van dajaki; zeer waarschijnlijk is 't 
verkorting van baradosa, 't Mal. berdosa. 

21. Da de "Voor" , beteekent bij iemand die op 't strand staat 



488 SANGIREESCHK TKKSTEN. 

'/in zee". De eigennaam Makajairo beteekent '/die l)eklag, wee- 
moed opwekt.'/ 

23. Zie voor het tweede gedeelte van dit vers, N° 1, vs. 16. 

25. Dak] (dum.) //oversteken, naar den overwal gaan//; de 
frequent vorm bet. //van 't eene eiland naar 't andere oversteken//; 
saki mededaraki //eene ziekte die van den een naar den ander 
oversteekt, besmettelijke ziekte// worden uitgesproken. 

26. Dinga of kadi n ga is //wel eens.// Bij een verbod moet 
dit woord in verbinding met abe vertaald worden door //nooit.'/ 

27. Tumbilung is de naam eener vlerk-prauw, die grooter is 
dan de Ion de. De eerste heeft drie, de laatste twee dwarshouten 
(tari) aan de vlerk. 

28. Lawese, (lum.) bet. //overgaan, overtrekken//, lawesang 
of dajawesang is eene inzinking in een overigens vlakken 
zeebodem bij de kust, of in eene landtong, die bij vloed eene 
vaargeul wordt, doch waar men bij eb de prauwen overheen moet 
trekken, of ook eenvoudig eene riviermonding, waar men uit- en invaart. 

30. Dit vers ziet op het water dat om den boeg heen opspat 
en in de zon schittert. 

32. Darenong voor darenokang, zie Sprk. bl. 156. 

34. Bawuwukang, heeft den stam buwu, mamuwu 
//parfumeeren// in zich, en ziet op de geur dier limoensoort. 

35. Bujo Ja na, eene zeer dunne bamboe-soort, wordt veel 
gebruikt om er fluiten van te maken. 

36 en 38 vindt men reeds in 't verhaal van Nabaja, S. T. 
N° l. (B. T. L. V. 1893, bl. 325, r. 4, vigg.) 

37. Bëmbuang is eene onschadelijke huidziekte, een gedeelte- 
lijk albinisme, zich openbarende in groote witte vlekken op de 
huid. Degene die benedenstrooms gaat baden , om de besmetting 
van baders, die aan deze huidziekte lijden, op zich te laten aan- 
drijven , wil door die witte vlekken eene blanke huid krijgen , om 
zijn schoonheid te verhoogen. 

38. Panguju, van uju //'t binnen of i)ovenland'/ , pan- 
g i n d a 1 a van d a 1 a ^achter (den spreker) " , met voorslag i u ; 
daki is Sasah. van den o. 

39. Onto is Sasah. van suang //insteken, planten, poten//. 
Modderpoelen worden op Sangir gebruikt om sago-])almen in te 
planten en worden daarom zeer op prijs gesteld. 

40. Kudato is Sasah. van soa; ik houd 't voor verbastering 
van 't Jav. keda to n. 



SANGItLBESCHE TEKSTEN. 489 

41. Dit vers vindt men S. T. XVIIlr/ (B. T. L V. 1894,1)1. 14, r. 14). 

42. Larabeusiua is eeu eigeimjmm voor een rijk persoon 
(1 il m b e , m a J. voornaam , groot.) N a u , zie Aant. bij N® 2 , v. 43. 

43. 11 u a b e is de tijd van eerste en laatste kwartier. Laliuaweug 
is een waterstand waarbij het geen eb eji geen vloed is. De be- 
teekenis van 't vers is niet duidelijk. Ti pang beteekent '/maat'/, 
t a t i p a n g - e '/ mateloos '/ , m a t i p a n g "matig". Als bijwoord 
gebruikt, is de bet. van tipang "bijna, nauwelijks, juist nog." 

44. L e 1 e n - s u ni a u fiT i is de naam van een treurboom en wordt 
hier ook als meisjesnaam gebruikt. Lel e is de stam van me ka- 
kul el e "het hoofd schuin houden", s)'n. met leleng, kuma- 
ku Ie leng. De stam Iele en zijne variaties beteekenen in de 
meeste talen van Indonesië "slap, slap hangen", bv. Bis. Tag. O. 
Jav. 1 a i 1 a i , Jav. 1 ë 1 c h "slap" , vgl. ook Jav. leleng, lelah, 
en Day. lalah "gesmolten". Mal. lëlah. Deze naam beteekent 
dus "slap van het weenen." Mahuwuse bet. "rijp en sappig", 
de vorm kinahuwusang bet. "geheel en al rijp, juist goed 
rijp, op zijn rijpst." 

46. Buwe, Sasah. van bawine, zie Sprk. bl. 61. Tendenang 
is hier als een plaatsnaam gebruikt, maar beteekent den tijd 
's morgens om zeven uur. 

47. Tonggeu Name ng is de naam van een kaap op Groot- 
Saugir, nabij het dorp La pang o. 

48. L e m b e o n g , Sasah. van m a m & n g , zie Spr. bl. 58. 

51. Buajo "klip, rif, rots" is misschien het Ternat. boleo 
"groot rif, dat zich ver in zee uitstrekt." 

53. Piloto "loods" is uit het Spaansch overgenomen ; de eigen- 
naam Tatajin boba bet. "het richtsnoer der zee." 

56. Kan ook gelezen worden "Wanneer het zeil" enz. De bet. 
is "nu (dan) kan ieder gaan slapen." 

59. Asang is in poëzie gelijk kere. Zie over deze uitdrukking 
de Aanteekeiiingen op S. T. IP (B. T. L. V. '93, bl. 377). Deze 
Sasambo wordt gezongen op iemand, die zich onder een voor- 
wendsel aan een ZAvaar werk onttrekt. 

65. Para is de naam van een der Sangir-eilanden , ten Z.-W. 
van Groot-Sangir gelegen. 

67. Bia "schelp" is uit 't Ternataansch overgenomen. 

70. Kan ook zijn: "Het terugvragen van den schelparmband heeft 
hare armzwaaiingen doen verminderen." 't Ts eene bespotting van 
een meisje. 



490 HANGlltEESniK TEKSTïTN. 

71. P a k a t i a I a i , van t i a 1 a (t a t i a 1 a //merkteeken ") , wil 
zeggen : "goed met merken voorzien , ter dege de eigenaardigheden 
opmerken en daardoor onthouden, go(^d zich inprenten. ^ 

78. Majah uu d ingang is een geredupliceerde (meervouds) 
vorm van d ingang "met^', samengesteld niet den jneervoudsvorm 
der w. w. die met 't invoegsel u m worden gevormd. Zie Spr. bl. 
14(). De bet. is /^menschen die met elkander gaan.^/ 

75. Metatumpile is een reflexieve vorm van den stam tum- 
pile, en bet. ^zich klampen aan^, zooals bv. een klein schip 
zich tegen een groot juinklampt; hier is het echter gebruikt voor 
"tegen iets in gaan." 

7H. Kajendesang is een naam die gegeven wordt aan vlijtige 
en bekwame jongens. De bet. van dit vers is: het geluk valt K. 
in den schoot. 

SO. M eb a dame is van badame, het Mal. bërdamai. 

<S1. Laba is Tabnkansch voor Mang. tungko "idioot", 
lumaba bet. als een "onwijze doen." 

82. De bet. is : Ik zal zegen aan de Maan trachten te ont- 
leenen. Ambia is Sasah. van inang, vgl. biang; dan Ju is 
Sasah. van bujang. 

84. Nedua-tinibang beteeken t waarschijnlijk , daar het Sasah. 
van d a k u is , "met beide handen gevat. " M a p e t i m b a n g is • 
tegen elkaar doen oj)wegen : m e t a t i m b a n g : met zijn tweeën 
iets dragen. 

86. Saburo is, naar den samenhang te oordeelen, de naam 
van een voorvader. Bawoworang "|)atroon, waarnaar iets gemjiakt 
wordt", is van den stam bowore. 

87. Medamehang (van 't Mal. damai) bet. "gezellig bijeen 
zijn ; ma t u J ë n n a is van den stam 1 e n n a "helder. " 



1. Kaen bajirane, d§daj§ menoneng. 

2. Taiuai au kampong, mamentajen sili. 

3. Mekcnnoje intang, m^tampung bujaeng. 

4. M^sensong s^sane, ta u piuamalung. 



SANGIllKKSCHK TKKSTKN. 491 

5. Guiuleii sembiringang , tiiiindii luontone. 

6. Tingkaheng paliing mekila, lintukaiigkcn iioiian Siiia. 

7. Lokaben kalu wujaeug, aja bajiraii Saiigiang. 

8. Kobitaiig medunde, kere ualaiig o\\. 

9. Uta i AVawu tuaiï, nilehe su kalu Jenga. 

10. Leudaeu darënduug, saugkiu laiigi-laugj. 

11. Tojieng SU mahuaueue, makisoson bebe ure. 

12. Giraare gimënsa, dala baje-jawo. 

13. Pinëuggauti pahuig, pauamba ghëguwa. 

14. Su horou sajai, ka^imoiiau gunde. 

IT). Metoneiig su kampong, raakjbowon pautuug. 

16. Maiang su turabeu aha, megëugguru haghiu pile. 

17. Sahjeu gojopuug, piuanguiisa mëiidu. 

18. Bokiu Dauju uënalang, pintun bu^ang giiiumëiisa. 

19. Siusing paramata, humeua JeinboDe. 

20. Tajimëdo manauiuta, nanihing hamu u \\a. 

21. Sëllüu daraghumaug, mëudu kere ninta. 
22 1 ^Vawu maiang, pia sasarane. 

2?3. Mëndu su pojaeug, Jenso masikome. 

24. Tiuiua mëdadung, ido kere lumn. 

25. Timuwo pinëkentengang , liu-Jondyen sëhiwu. 
20. Lagun kantarjen Ambong, nawawa si nona nae 

27. Utaeu Bawu mapëudu, naontp sarang Jaed-e. 

28. Biwaiu kanuku, ponton tajimedo. 

29. Tajimedon Bawij, nahëpus'u sinsing. 
•30. Dujirang bujaeng, bajen sinangiang. 

31. Lagu masikome, sahuue mapëndij. 

32. Mëhiking ana su Iele, tiwa-e 'rëdaluase. 

33. Montian galas^, kere ino ake. 

34. Kolong SU rarau puikang, ana i Wady masangj. 

35. Kakedj ! aj sesangi ! ninang-u wega mëbowo. 

3(j. Ta sumangi 'ndo këdukang, pëlëleng u wawowone. 

37. Pirua ghagliurang, metonengken apa? 

38 Pirua i Rumereku, uasaran tonggen Bunakeng. 

39. Tonggeu Bëba bingkuug-kona, nakasara tatengkelang. 

40. Kënnang j)ëllo su timbangeng, bitiji mawëlia tambaga. 

41. Bnwëllo nangasan sondaug, umbaseng kajajimbene. 

42. Suapan bujud'u weke, ia mëlantangko ringang. 

43. Bqu rala winajaeng, kate taraj kadig. 

14. Tnnae sëmpu lelaneng, uianjen ta ni^daringy. 



492 * SAXGTREESCHE TEKS'J^EN. 

45. Ta kere wawa Tajantung, wawëllo mauapiug \\iwi, 

46. Bawa Kajougaug 'lenehaiig, bahoa metende ag-kondo. 

47. Lilou taraj-ëudai , aua bekan Mauganitu. 

48. Aua bekan Manganitii, pëllo salilon Jënganeng. 

49. Ana su raralon nëng-e, ta mainëllasen bajira. 

50. Pirua, i Rarang-Konda , rala nataka u hiwiji. 

51. Ana i Raraeng-Konda , wawa nahengken su nusa. 

52. Maniji tinamang pahuru, walae lalauinbae. 

53. Mani^ punggijL mesësenggo, toje-urang mëdaraung. 

54. Maloringang ta megolo, sasënggotang sarang pondang. 

55. Pirua i Arubeka, siinahe ta da|urune. 

56. Maning pindang sëngka^omba , ta inakawëngi maghurang. 

57. Manëlleen pindang-man^ , mesuje mëtëndario. 

58. Su ajungken dukiji batu, masana kere worabokang. 

59. Kahiwunen pile manu, bawëllo saja rumoro. 

60. Kinabësuen tokojaug, nëgolo hambi bawëllo. 

61. Solerang pia man is- e, pai su soan Tamako. 

62. Su kalu Lelen-sumangi , motong mamowo Jëndune. 

63. Naung-e nëk^a-dua, napëlly su Jengau dajeng. 

64. Tawe simahe uamirabang, dajeng t?be rëdajeugang. 

65. Pungene su Rimpujaeng, Tariang kawe lentene. 

66. Pato ghugaghang Siiiu, kukajinson Karangetaug. 
()7. Taghujandang pai nobu, bawëllo nepapirua. 



5. VERTALING. 



1. Op den slag harer b a J i r a , klinkt de d ë d a J ë. 

2. Naar de kampong gaande, zullen wij schroom als scheids- 
muur gebruiken. 

3. Vergaderende met edelsteenen , iu gezelschap zijnde van goud. 

4. Zij wandelt statig alleen, niemand hebbende om het zonne- 
scherm boven haar te houden. 

5. Een gezelschap hofjuffers, op rijen geplaatst. 

6. Bij 't uitgaan der Chineesche jonkvrouw, over welke een 
zonnescherm is gespannen, bliksemt het. 



SANÖIftEESCHE TEKSTEN. 493 

7. Neem eeu spaander van goud-hout, om tot eene ba^ira voor 
de prinses te maken. 

8. Wordt het getokkeld , dan klinkt het als o \ i-spel. 

9. Het haar der jongste prinses is gelegd over een lenga-boom. 

10. Welk een glans der gordijnen, welk een bewerking der 
zoldering ! 

11. Haar wensch aan haren broeder was, zich een gouden b eb e 
te laten snijden. 

12. Er ging gedruisch op, het klonk levendig, daar in 't paleis. 

13. In plaats van een zonnescherm, is een groote hoed gebruikt. 

14. Aan de spits van den dans staat de eerste der hofjuflfers. 

15. Een wensch uiten jegens 't gezelschap, zich een pantun 
laten voorzingen. 

16. Zittende op den rand van den horizont om verscheidenheid 
van patronen af te kijken. 

17. Met de bloem van meel wordt de tijne koflb gewasschen. 

18. Als de Koningin der Maan speelt, maakt het vrouwentimmer 
op de Maan gedruisch. 

19. De ring met een edelsteen schittert boven allen. 

20. Slanke vingers, gelijkende op gember-wortels. 

21. Een spouwsel van een daraghumang-draad is even buig- 
zaam als een ninta-draad. 

22. Als Mevrouw gaat zitten, is er eene afscheiding. 
28. De zachte zakdoek voegt zich om de pols. 

24. Het zwart geverfde koflfo-goed is pikzwart , het groene is als mos. 

25. Zij is opgegroeid omringd door de zorg van velen, de uit- 
stekendste boven duizenden. 

26. De wijs van het Ambonsch lied is door de Jonkvrouwe 
hierheen gebracht. 

27. Het zachte haar van Mevrouw hangt neer tot aan hare voeten. 

28. De schulp van den nagel, het hoornvlak van den vinger. 

29. De vingers van Mevrouw zijn tot de einden toe vol ringen. 
33. Dujirangs van goud heeft het huis van de tot Prinses 

gemaakte. 

31. Een zachte wijs, eene weeke muziek. 

32. Wanneer men een kind niet thuis opvoedt, verheugt men 
zich over goed gerucht van hem. 

33. Een glazen bezoar-steen , gelijk een waterparel. 

34. Wieg het in eene schildpad-schaal , het huilerige kind van 

den Bad 9. 

5e Volgr. X. 33 



494 SANÖItlEESCHE TEKSTBif. 

35. Houd u altijd stil, huil toch nooit, uwe moeder kan geen 
slaapdeuntjes zingen. 

36. Als het kind niet huilt, dan knijpt zij het liever, om hare 
liederen te kunnen zingen. 

37. Wat zullen de arme ouders zich wcnschen ? 

38. Mijn arme Du me re is afgescheiden door de landtong 
Bunaken g. 

39. Houw de landtong van B^ba af, die den klank der prauw- 
trommel onderschept. 

40. Neem het eens in overweging, dat koper niet zoo zwaar 
zou zijn als cuprum. 

41. 's Avonds scherpte hij zijne kris, de jongeling die zich op 
den leeftijd bevond, waarop jongelingen de meeste inbeelding 
hebben. 

42. Waar is de berg van 't verhaal , ik ga er dan mee in den 
tuin wonen. 

43. Van het landgoed af is het nog maar een weinig verder op. 

44. Daar onze takken elkaar toch voortzetten, is 't niet noodig 
elkaar geschenken te zenden. 

45. 't Is niet als daar beneden in Tajajitung, wanneer men 
's avonds de haarzalf opneemt. 

46. Daar in Kajongang zal er stilte komen, de reiger zet 
zich op zijn gemak neder. 

47. Een kind dat slechts gedeeltelijk afkomstig is van Manganitu, 
gaat heen en weer. 

48. Een kind dat gedeeltelijk uit Manganitu stamt, is gesteld 
tot een zwerveling op den landweg. 

49. Het kind dat voortdurend door zijne moeder wordt geprezen, 
legt de ba^ira niet uit de hand. 

50. Die arme Darang-Konda daar is bedekt met nevel. 

51. Het kind van Darang-Konda daar op het eiland is groot 
geworden. 

52. Laat een hoen, dat men gespaard heeft tot lokaas, zijn tot 
een lajaumbae. 

53. Een staartlooze kip die zeilt, een kip met een garnalen- 
staart die drijft. 

54. Maloringang, die zich zelven niet vergooien wil, zijne 
zeereis is tot waar de pondang groeit. 

55. De arme Arubeka gaat (het huis) voorbij zonder geur uit 
te wasemen. 



SANOIREESCHE TEKSTEN. 495 

56. Zelfs een bak vol p i n d a ii g-bloesem kan een oud mensch 
niet meer geurig maken. 

57. Kip-p o n d a n g bij zich steken , om verjongd terug te keeren. 
58 Ik blijf nog onder de hoogte van steengras , ik ben zoo laag 

als 't b o m b o k a n i'-kruid. 

59. Hare sarong met iiguren van vogels schijnt 's avonds wel 
als de kippen te willen opvliegen. 

60. Zij heeft 't ongeluk gehad de t o k o | a n g-touwen te breken; 
jammer is het om de muziek van den avond. 

61. Solerang heeft iets liefelijks, daar in het dorp Tamako. 

62. Bij den boom Lelen-sumangj gaat hij aan om zijn duifje 
in slaap te zingen. 

63. Zijn hart is in twijfel , nu hij gekomen is op een tweesprong. 

64. Ik ben niet voorbij gekomen om in de war te brengen, 't 
is een weg dien ik van ouds ga. 

(55. Zijn stam is te T a b o e k a n , T a r i a n g is een uitlooper. 

GG. De prauw verlangt naar Si au, is begeerig te K ara nge- 
tang te komen. 

67. T a g h u J a n d a n g daarginds is verzonken , *s avonds beklagen 
zij elkaar. 



5. AANTKEKENINGEN. 



1. Kae is de slag die met een weefpen, een roeiriem of iets 
dergelijks gegeven wordt. Voor de verklaring van de namen der weef- 
gereedschappen , zie B. T. L. V. 1894, bl. 29, in de Aant. bij 
No. XVIII b. 

2. B ë u t a J e is een muur om af te scheiden , een dichte schutting, 
een heining van planken , en derg. 

S. Na mekomoje is de scheid-partikel u weggelaten. Zie verder 
de Annt. bij N^. 1 , vs. 9. 

4. M e n s o n g (stam e n s o n g) bet: ^'langzaam en statig loopen//, 
zooals personen van rang onder Sangircezen steeds doen. Ensong 



496 SANGIBRESCHE TEKSTEN. 

is ook een vrouwennaam. Het behoort bij de Spr. bl. 198 opgegeven 
w. w. te worden gevoegd. 

5. Sëmbiringang, komt van den stam bihing (de r is 
NoordeL dialekt), waarvan de w.w. vorm mamihing bet. ^'jonge 
meisjes tot priesteres (ampuang) opleiden.// Het woord bet. dus 
oorspr. //een troep jonge meisjes , die tegelijkertijd opgeleid worden// 
en bij uitbreiding //een troep, een gezelschap//. De bet. van mami- 
hing is eig. //doen ronddraaien//, iets wat tot de shamanistische 
praktijken belioort, om de priesteressen in kataleptischen toestand 
te brengen. Vgl. Sang. bihise, bihu, biling, en de vormen ge- 
noemd in de Aant. op N«. XXVU (B. T. L. V. '94, bl. 90). 
Tundu bet. //wijze, gewoonte, orde van iets//, thans ook //zeden 
en gewoonten//; tinundu is //geordend, in rij en gelid gesteld.// 
De laatste u is half gesloten, omdat su is weggelaten. Wat 
montone beteekent weet ik niet. 

8. Deze regel vormt het refrein van de 3® Sasambo door D^ Riedel 
uitgegeven, T. I. T. L. V. van 't Bat. Gen. Dl. XVII. 

10. De glans der gordijnen wordt verkregen door koffo te wrijven 
met eene bahuti^-schelp. Sangki (man.) is de naam van dit 
wrijven; de stam als subst. gebruikt, beteekent dus //mate van 
wrijving//; hier heb ik 't met /^bewerking// vertaald. 

11. Bebe is een staafje van b al a -hout, dat de weefsters ge- 
bruiken om de draden op te nemen voor het inslaan van een draad. 
Behalve de b^be's voor het patroon, die grooter in aantal zijn 
naarmate dit meer samengesteld is, zijn er altijd vast twee, die de 
ingeslagen draden van elkander afhouden. 

12. Gare en gënsa bet. beide //rumoer, lawaai, gedruisch//. 
Da la staat voor dala su. 

13. Een groote hoed mag, evenals het zonnescherm, alleen door 
adellijken gedragen worden. 

14. Kan ook zijn: Zij staat aan de spits van den dans, is de 
voorste, de eerste der danseressen. 

15. Su kampong beteekent //in de negeri//. Welke vertaling 
de juiste is, blijkt niet uit den samenhang. 

16. Mëngguru wil zeggen //afkijken, leeren//, van 't Mal. guru. 
Het vers doelt op eene vrouw , die 's avonds aan de kust in zee 
zit te kijken, alsof zij patronen wil afkijken van de omtrekken 
der eilanden , die men in de verte ziet liggen , of van de iiguren 
die de wolken vormen. De Sangireesche vrouwen maken naar alle 
mogelijke teekeningen die zij zien, patronen voor hunne kojöbweefsels, 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 497 

die inderdaad kunstig en schoon zijn. Zij vertellen , dat de eerste 
patronen verkregen zijn door bladeren , die van den boom in de 
maan op aarde vielen. 

17. Sahi (manahi) bet. //afscheppen//, en de stam bet. //het 
van boven afgeschepte//, dus het fijnste, de bloem van 't meel. 

Men du is de naam van fijn, zacht koffoweefsel, hoewel het 
eigenlijk een futurum is van den stam ë n d u , hetgeen zeggen wil : 
//op een hoop neervallen// gelijk zacht goed beter doet dan stof 
die grof of stijf is. De beeldspraak dient alleen om te zeggen, dat 
aan een edel persoon een niet minder edel of ook adellijk persoon 
als echtgenoot is toegevoegd. 

20. Gember-wortels zijn van een rozeroode of lichte karmijnkleur. 

21 . De vier soorten van koffodraden die in de natuur voorkomen , 
lieeten, gaande van de grofste tot de fijnste soort: se 11 ah e, ba- 
tang (ui g , d a r a g h u ni a n g , n i n t a. Een weefsel , geweven van 
spouwsels van d ara gh u man g-draden, wil het vers zeggen, zal 
even zacht zijn, als een weefsel van ni nt a-draden; dat beteekent: 
al is iemand , die een vrouw van hoogen adel trouwen wil , 
niet door geboorte zoo edel als zij, wanneer hij zich door goede 
hoedanigheden of tijne manieren van zijns gelijken onderscheidt, 
dan is hij daardoor haars gelijke geworden. 

22. Kigenlijk behoort aan dit vers vooraf te gaan: I Wawu 
d i m a n g e n g , n e n s a k e r e r ë 1 1 iji //Toen Mevrouw boven kwam , 
viel zij als donder neer.// Deze twee verzen maken toespeling op 
een hoogmoedige vrouw , die zich te deftig vond , om zonder af- 
scheiding tusschen zich eti anderen te gaan zitten. 

2;^. Vgl. N« 1, VS. 8. 

24. M e d a d u n g of m a i t u n g m e d a d u n g bet. //pikzwart. // 
liet vers is een vleierij jegens een meisje. De bet. is: wat zij 
doet, dat doet zij bijzonder goed. 

28. Biwai is de naam eener lens-vormige vrucht, waarbij de 
schulp der nagel , die met haar in vorm overeenstemt , wordt ver- 
geleken. Ponto is snijwerk, dat immers gedeeltelijk ook uit schulpen 
kan bestaan. 

30. Dujirang heeten de houten, waarop de daksparren ge- 
bonden worden. 

31. Sahune staat hier parallel met lagu en daarnaar is ook 
vertaald. Zie verder de aanteekening bij N° 2, vs 38. 

32. Tiwa is //goed gerucht, goede nagedachtenis, van dooden 
zoowel als van levenden.// Vgl. O. Jav. en Day. tiwah //dooden- 



498 8AHGIKEESCUE TEKSTEN. 

feest.'/ Lele, ilele bet. '/rondgedragen worden". Lelenma|a 
»Ae in plassen rondkruipendei' is het Sasah. van b u a 1 a , krokodil. 
Su lele zie N® 49, bij su raralo en su kakëndagheng. 

33. Montia is een bezoar- steen, die bij de Sangireezen in 
dezelfde achting staat als bij de andere Indonesische volken en 
waarvan zij vertellen , dat hij in alle mogelijke dingen gevonden 
wordt. Vgl. Wilken, het Animisme, bl. 133. Waarschijnlijk is 't 
het Mal. (Skr.) mutiara //parel." 

34. Bad 9 is de naam van een volksstam, die op de O. kust 
van Bomeo en de W. kust van Celebes woont en die te Menado 
een afzonderlijke wijk bewoont. Natuurlijk zijn slechts deze laatsten 
onder dien naam bij de Sangireezen bekend. 

36. Pëlëlêng is Siauwsch, voor Mang. pangëlêng. 

38. Dumere is een Sasëngg ah i-benaming, die het omgekeerde 
aanduidt van 't geen men er mee meent, zooals het S. T. N° I, 
Aant. (B. T. L. V. 1893, bl. 338) gegeven voorbeeld. De bet. 
is nl. ff die boos op elkaar worden, v Kaap Bunakeng ligt op de 
W. kust van Groot-Sangir. 

40. Dit vers zingt men of voegt men elkaar toe, wanneer bij 
een huwelijkskwestie een ouderpaar hunne dochter van hooger 
adel verklaart dan den jongman die aanzoek om haar doet. De 
andere partij zegt er dan mee , dat zij geheel gelijk van stand zijn. 

41 . K a J a J i m b e n e is eene uitdrukking die beteekent : "toen 
hij het drukst het mëlimbe (het zwaaien met de armen bij 't 
loopen, dat de Sangireesche pronkers zoo fraai vinden) beoefende"; 
zoo beteekent daric; e seng kasasajinge rumajeng "het 
kind is juist op zijn drukst aan 't loopeu"; andere voorbeelden, 
zie Sprk. bl. 81, Noot 1. 

42. Bujud'u weke, d, w. z. de berg waarvan men vertelt. 

44. Sëmpu is "voortzetting." De beteekenis is: wij zijn als 
boomen die zoo dicht bijeen staan, dat de takken elkaar voort- 
zetten, in eikaars verlengde liggen. 

45. De haarzalf opnemen, wil zeggen: gaan baden. Dit vers 
uit weemoed bij 't herdenken van een plaats , waar men een aan- 
genaam en gezellig leven heeft geleid. 

46. De reiger wordt hier als weer-voorspeller beschouwd. M e- 
tendeng-kondo, zie Spr. bl. 72. 

47. Ana bekan Manganitu beteekent: een kind dat slechts 
door een zijner ouders uit M. stamt. Zulk een kind wordt dus dan 
naar de familie zijns vaders, dan naar die zijner moeder meegenomen. 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 499 

10. 8u raraloii nëng-e ^/iii den lof zijner moeder,'/ d. w. z. 
'/voortdurend geprezen door zijne moeder." Ha pi su kaken- 
dagheng wil zeggen //een vriend, dien men in liefde behoudt, 
dien men blijft liefhebben//, ook wel eenvoudig //dien men lief 
heeft./' Eene dochter die voortdurend door de moeder als ijverig 
geprezen wordt, wordt zoo ijverig, dat men zeggen kan, dat zij 
de weefpen niet uit de hand legt.// 

52. Lajaumbae beteekent waarschijnlijk //iets dat als lokaas 
dienen moet" van den stam bae, mebae //hengelen.// Dat moet 
het ook beteekenen als parallel van 't vorige halfvcrs. 

53. Dit is een spotvers op iemand die meedoen wil, hoewel 
hij niet kan, evenals een geheel of bijna staartlooze kip haren staart 
in den wind zou willen opzetten, zooals men andere kippen wel 
eens ziet doen. 

54. Maloringang is een eigennaam, die beteekent '/mee 
willen gaan./' De pondang is eene plant die op Sangir alleen 
gekweekt voorkomt en dus op de erven der woningen staat. Het 
vers is dus een spotdicht op iemand die zegt wel mee te willen 
gaan, maar die toch 't erf niet afkomt. 

55. Beklaagt of bespot iemand, die door ouderdom niet meer 
in den smaak kan vallen. 

5H. De p i n d a n g is een soort van pandanus, die aan H strand groeit. 

57. Meten dario //zich jong maken" is samengesteld met me te*, 
dat bij m et i* en m et u*, Sprk. bl. 126, behoort genoemd te worden. 

5S. Duku batu is gras dat op schralen bodem groeit; b om- 
bok ang is een gras dat zeer laag blijft. 

62. Leien -SU man gi . zie N<» 4, vs. 44. 

68. Mekesa-dua stelt den toestand voor van iemand die niet 

• • • 

weet of hij N^ 1 of N** 2 zal nemen of doen , en is dus eene 
zeer juiste uitdrukking voor "twijfelen." 

65. Dirnpujaeng is Sasah. voor Tawukang. 

66. Kajinso is Siauwsch. Karangetang, zie Sprk. bl. 56, 



500 SANGIREESCHE TEKSTEN. 



6. 



1. I Uren Makanenengang , ta ^kawembamg su malalang. 

2. M^darea tarj apa, ene tari kakengkenaug. 

3. Kasaghedang mangilêllaug , dudea karaugan Douduug. 

4. Pëlojon pung u Mahai, medea masajeusehaug. 

5. Bajine mauga umbaseng, pato lawg ta timondo. 

6. Tawe kere raleng tona, ikasanggolie bawëllo. 

7. Pakatdtana kereiie, kumbahang mama^u lojong. 

8. Mageng bega mêla^ora, pakiwajo si Lumona. 

9. Bala i kau mekoa, bou marange masana. 

10. Kakedje pau^ikang, maeng uatala su uauug. 

11. Simegeeu sege-a|i, kirajing bodang si sie. 

12. Maeng tam^fikataha unddngeng, pesuje pëliri kënnang 

13. Kak^diken gëgauang, aj imang tajiinbogho. 

14. N^ëndileu ta nclantang, tinujan bowong u sasj. 

15. Koutin tau mjikibajo, kalu Pajatau-pontiëng. 

16. Kënnang beka su kalaeng, inënsang pia bera sa^a. 

17. Karakin dajung u naung, bawa mesesajikar^. 

18. Dajurune sen diincka liwuhangkeu duku apa. 

19. Awi balimbing u sina, ipaniuti dajurune. 

20. Man ing ia ilëleru , dorong : tiwa su mapia ! 

21. Bujang sëngkasenda ini , pëlajiwuhaug kanarang. 

22. Kanardng buhu winala, bedan taku nenaungang. 

23. Nasusan ëllo sitncda: ahus-e iwujaug bue. 
24". Mëgogh^ SU wowon tëndji, tanakajagun pirua. 

25. Ai sangi pamunda^eug , hedo 'uae kawajikang. 

26. Aj gaghang su wanua, pakatariina mamoba. 

27. Maning mahia u nusa, dorong: ai kiwujéi. 

28. Sara apa tamaheuc; sëngapan edang u tuwo. 

29. Su wa^an kalaeng lawQ, tamasasusan saliune. 

30. Bowon tarj tinarikang, sahëmmang sinahëmangcng. 

31. Bajen lantang sinondojang, medea su kajambane. 

32. Maning mesuje metëndariy , naun nënnoh' u inaghurang. 

33. Maning m^saiji boworang, tamasuje kere horo. 

34. Kere ia tamajaiji, banuan pananahikang. 

35. Pësasimbang p^darael bujaëng i kite pira. 

36. Ia sen tëbe mataki^, napa^iun peberaneng. 

37. Gugaghiopy su rajeng, mataku u kasenggeliang. 

38. Tandan kahoromatine , lingung kinsuje sëlumang. 



SANGlREFiSCIFE TEKSTEN. 501 



6. VERTALING 



1. I)c kleine Ure kan niet ver verbannen worden. 

2. Wat voor (ander) tarj zou men (nog) zoeken, dat is (reeds) 
tari waarmee men blijde mag zijn. 

3. Het meest afgesloofd door uit visschcn te gaan, door te gaan 
zoeken naar den mond voorraad van Dondung. 

4. Richt den voorsteven naar 't Z. W. , om te zoeken naar 't 
rammelende. 

5. 't Zijn geen jongelingen (die aan 't roeien zijn), dat de vele 
vaartuigen niet vooruit komen. 

6. 't Is niet als wanneer men op een weg over land is, dat men 
het 's avonds in der haast kan doen. 

7. Laat het zoo blijven, verander de richting van den voor- 
steven niet. 

S. Indien gij niet weet te geven en t^ nemen , vraag het dan 
aan Lumona. 

9. 't Zij aan u overgelaten , hoe gij 't doen wilt : na hoog, laag. 

10. Zwijg stil, als 't u medegedeeld wordt, indien 't niet meer 
in 't hart aanwezig is. 

11. llij (gij) snoeft met een ongegronde pocherij, denkende dat 
het hem (u) nog toebehoort. 

12. Indien gij geen oerwoud kunt ontginnen, keer dan terug, 
en snijd ken n a n g-stengels af. 

13. 't Is niet waar, gij wordt belogen; sla geen geloof aan 
influisteringen. 

14. Zij ontkent het, in den tuin gewoond te hebben, maar is 
verraden gew^orden door de zeewaterbamboes. 

15. Welk een leugen van den vrager naar den pa^ata- 
pontie n g-boom. 

16. Splijt de bamboe eens open, of er een verkeerd woord in is. 

17. De voornemens van 't hart woelen daar binnen. 

18. Zijn (haar) reuk is reeds aangekleefd, waarmede zal men 
die verdrijven? 

19. Haal vruchten van den Chineeschen blimbing af, om d(». 
reuk uit te trekken. 

20. Al word ik ook verworpen, mijne bede is: gedenk mijner 
met welwillende woorden. 



502 SANGIREESCHE TEKSTEN. 

21. De tijd dat de maan ditmaal schijnt zal worden i^ebruikt om 
eeu kennis uit het hart te bannen. 

22. De keunis die pas verlaten is leeft nog in mijn hart. 

23. Wat zou men wel bedroefd zijn daar over, dat de zon onder- 
gegaan is; zij heeft toch de maan tot opvolgster. 

24. 't Zit op de haag te zuchten, het woord van beklag niet 
op eeu wijs kunnende zingen. 

25. Ween niet wanneer men van u vertrekt; men keert tot u terug. 

26. Verlang niet naar 't land ; vaar met een rustig hart. 

27. Al zullen wij (voortaan) afzonderlijke eilanden bewonen, mijn 
bede is: vergeet mij niet. 

28. Welk rouwteeken zou niet vergaan ; het blijft maar zoo Lang 
in stand als de duurzaamheid der t u w o groot is. 

29. In een dal van veel kalaeng-bamboe is men niet verlegen 
om een sahune. 

30. Op de dwarsliggers zijn nog meer dwarsliggers gelegd, de 
uitliggcrs zijn zelf nog van uitliggers voorzien. 

31. Het tuinhuis heeft men verlengd, om het zoo groot mogelijk 
te maken. 

32. Al komt ge terug om u te verjongen , gij hadt reeds het 
voorkomen van een oud mensch. 

33. Al bracht gij het patroon er weer in , het zou toch niet 
meer worden gelijk het eerst was. 

31. Menschen gelijk ik mogen er niet bij komen, in 't land der 
afscheiding. 

35. Antwoordt elkander, neemt het van elkander over; 't is ons 
gemeenschappelijk goud. 

3(). Ik ben reeds schroomvallig, nog veel meer (ben ik dat dus) 
wanneer men mij bestraft. 

37. Hij krimpt ineen op den weg, vreezende aangeraakt te worden. 

3S. 't Bewijs voor zijne eerl)iedighei(l is, dat hij zelfs wel onder 
een k i n s u | e-plant zou willen kruipen. 



6. AANTEEKENINGEN. 

1. Ure, dikwijls in verbinding met een' anderen naam, is een 
geliefkoosde meisjesnaam. — K e n e n g , (ma n g.) afhakken , wordt 



SANOIUEESCHE TEKSTEN. 503 

in flat^elijksche taal nog slechts in de beteekenis van '/af korten", 
een naam nl. , gebruikt. — Malalang staat voor marau in ge- 
wone taal. 

2. Dit vers is zinnebeeldig. — Kengkeng, (kum.) is //op een 
been huppelen//; tari kakengkenang is dus tari waarover 
men van vreugde rondspringt. 

3. Masaghede is vermoeid worden door arbeid. Tau masa- 
g h e d e zegt men van iemand die veel werkt. — Mangilëllangis 
Sasah. voor man gelande. — Dondung was een groot visscher; 
karanga '/krop// noemt men eten, dat iemand voor zich bewaart ; 
k a ra n g a n Dondung worden de visschen in 't Sasah. genoemd. 

4. Lojong is Sasah. voor mona. Dit vers zegt met andere 
woorden : Qn naar Menado — dat in het Z. W. ligt — om geld 
te verwerven. 

5. Ikasanggoh§ wil zeggen //gedaan worden in zulk een korten 
tijd, alsof men eventjes tegen iets aanstoot in 't voorbij loopen//. 
Saki mananggohe is een ziekte waaraan men plotseling sterft. 

7 . M a m a J u staat voor m a m a J u i , //veranderen // , van b iij u i. 

8. Mëlajora is in de eerste plaats //een hengelsnoer vieren en 
inhalen//; dan wordt het ook gebezigd voor geven en nemen bij 
den omgang met menschen , voor strengheid met toegevendheid doen 
afwisselen bij de opvoeding van kinderen. 

10. Over kedi, kakedi enz. zie Sprk. blz. 260. 

li. M elan tang is wonen in den tuin, in de la n tang. — 
Wat een bowong is weet men reeds uit de bio's, verhaal N®IIb 
(B. T. L. V. 1893, bl. 355, r. 16 v. o.). In plaats van zout, dat 
zij niet hebben , doen de Sangireesche vrouwen zeewater in de 
groente. Wonen zij aan de kust , dan kunnen zij telkens bij mindere 
hoeveelheden halen , maar wonen zij in den tuin , op de bergen , 
dan zijn ze genoodzaakt, meer bamboes tegelijk te vullen en te 
dragen , indien zij zich een gang willen besparen. Zoo kan het dragen 
van incier dan 66n bamboe liet verraden , dat de draagster in den 
tuin woont. 

16. Zijn de woorden van iemand, die niet vertrouwd wordt. 

18. Zegt met andere woorden: De genegenheid voor die persoon 
heeft reeds wortel gevat in mijn hart ; waarmede zal ik die genegen- 
heid uitroeien? Met dukii wordt natuurlijk' een welriekend kruid 
bedoeld. De eene reuk toch kan maken , dat men e(me andere , 
minder sterke , niet meer of weinig waarneemt. 

19. Ipamuti is eigenlijk '/om er mee te bleeken '/ van den stam 



504 SANGIREKSOHE TBK8TEN. 

p u t i , die in eeu ander gebruik niet voorkomt. Voor 't bleeken 
van wasch wordt op Sangir , behalve eenige soorten uiterst zure 
limoenen, ook een zuur soort blimbing gebruikt. 

20. 1 1 e r u is in poëzie gelijk aan i r ë m m e in dagelijksche taal. — 
't Woord tiwa is reeds behandeld bij Sasambo N^ 5 vs 32. 

21. Bujang sëngkasenda ini is het best weertegeven door 
"de maan die ditmaal schijnt//. Mëliwuhe (een reuk zoowel als 
de gedachte aan een persoon of aan iets) is het best te vertalen 
door '/verdrijven'/. 

24. Mëlagu is een deuntje, (een pantun-wijsje bijv.) ^zingen"; 
tamakajagu is '/den behoorlijken draai van een wijsje niet kunnen 
maken//. 

26. Gaghang, gum. is //verlangen krijgen naar zijn land of 
thuis'/; Siauwsch kumajinso. — Pakatarima is eigenlijk "be- 
rustend // van 't Mal. tarima, mënarima //ontvangen. 

27. Mahi^ van denzelfden stam als mam ah ia //verdcelcu'/ is 
eigenl. //ieder een deel hebben van// , maar wordt gebruikt voor //ieder 
een of meer van iets hebben//, en ook "beiden of allen voorzien zijn 
van". De beteekenis die het hier heeft is in de vertaling gegeven. 

28. Macdang is "duurzaam", edang is duurzaamheid; — 
tuwo heet het jonge blad van den kokos. Zie voor sara verder 
S. T. N«. I (B. T. ].. V. 1S93, 1)1. 314, r. 1 v. o.). 

30. Dit vers bespot iemand die overdrijft, of onnoodige dingen 
doet uit zucht om te pronken. 

31. Evenals het vorige, bespot dit vers een pronker. Om geroemd 
te worden als de bezitter van een groot huis, heeft iemand aan 
een tuinhuis eeu stuk aangezet, hetgeen de bouwwijze van een 
Sangireesch huis eigenlijk niet toelaat. 

33. Voor b o WO rang, mamowore, bawoworang zie Sa- 
sambo N°. 4 vs 87. — Horo is 't Siauwsche woord voor kajomona. 

34. Ta ma Jan, eigenl. "kan niet gemengd worden onder", wil 
hier zeggen "mag niet raken onder of tusscheu". — Voor sahi 
waarvan p a n a u a h i k a n g zie Sasambo 5 vs 17. 

35. Met bujaeng wordt een meisje bedoeld, dat in een of 
andere betrekking staat tot de personen, die aangeduid worden door 
"i kite pi ra", een onbepaald getal. 

36. Gumaghiopo is de uitdrukking voor "zich klein maken 
uit vrees ", hoogstwaarschijnl. oorspr. : gedurig "opo!" zeggen. — 
Kasenggehang is "anngeraakt wordeu", doch niet opzettelijk. 

37. Over horo ma ti, uit het Mal., zie Sprkk. blz. 39. 



SANGIREESOHK TEKSTEN. 505 



KAKALANTO D. KAKÜMBAEDE. 

r 

1. Kakajanto kamageug pia manga matatimade 
n a t e : 

Dip mdkatedo ëllo, makanawo rujaéhe. 
Kasiilng bata samuri , uiob(i bëllas-e wue ! 
Mebilliig koaiieng pëmpang, kaihi tatënggi uaeng. 
Ta u paugdrabajerang bukide, 'pebilingaug kadehotang, kina- 
posokaüg i TJmbo. 

2. Kakumbaedë daralo su Mawu Ratu i Manuel 
Mokodorapise, datun Manganitu: 

Mawu i Mokodompise timeleng longong su Manganitu : ta u 
uakaajuug sarang mëtu u uapohong, ta u uakauutung bou tëta-e 
saraug kasuêng-e. 

3. Kakalautou Mawu i Smael: 

Sangit4ng i Donau-kila, Uren-piiramata-intang ! 
peba|6 Mawii i Sraael , \x\\ si Mëhengkenglangj : 
Maning mjliang su dame , maintójang su kawasa , 
mailing su damen Buo|ë , su kawasan Kaodipang : 
pënënaung, pënenaung, — tahëndung, pëtetahëndung , 
pënënaungko nusane, tahëndilngko wuntuang-e, 
ëndaung nusa sawilangke, buntuiing-e karawinangke , 
nusa sjlwilaug u moje, karawinang u wahani, 
wëgan kasili mamundajë. 

4. Kakumbaedë pia kasilin Sidu nataweng su tau 
Mangindano, tangu niaja u Mawu i Katiandaghp, 
datun Manganitu: 

Sii4u , rasi Siau , — Karangetang , dasj , Karangetang , 

dasi Siitu kimondo, Karangetang nëkëngkung-mohong , 

batu nasusan mawune, r^darimpa u nilawp, 

batu nawawa pangalo , nisaghënnun bou Mangindano, 

i Ratu-wawine, bat\i dimala i Kante, 

limairon i Kurai, Kurai areng-e i Luji, 



506 SANGIEEESCHE TEKSTEN. 

nipiiteu Sajawo. 

Areng u Mawu e i Tukuiiang d. i Lahawuateng, 

iiataua su Maugindano , dimënta su Manganitu , 

uedorong tujuiig su Mawu i Katiandagho. Natanae iiatauae, 

taiute sojong Mangiudano , buntuang u luababarani , 

nangaja si ïukunang d. si Lahaw uate ng. 

5. KaJantQ: 

I limbo 'udai kasaka, OJoriwun kairengkang, 'udai kasaka bu- 
Jude, kairengkang tadetene! otongko panginting sala, pëndikala 
tapo-tapo; kai sala i ratune, tapo-tapon majambene, dasj ipauga- 
Jung bukide, ipebinein kaderotang. 

Kumui ellang-e mëhinu, dadolorang-e i mamamohang : Manuku 
i Kaemba , mangkokotang i Komamare, pakipoto pakipoto , — pen- 
tere, j)akipentere , anu kina u mesojang, majanigliang mebawirua; 
kënniingko lekese dokone , bungkaese sa|ikara-c, mënsang pia bcra 
sa^a, singgatu luakata^engko. 

6. Kakumbaede: 

Ensaé i Kalëmba-kapaje , mangkokotang i Komamare, ënsaéraa- 
nukang mangëlle, manurajin kawekaseng-e, ënsae mangajung datune, 
timëlla so|ong titnae, bawa nunu k 

7. Kakajanto: 

Mëlanging pato su moade , mama|anting su nianuwo , pato pasa-e 
j)ahëpa, bawuang-e haniu-tengkang, ainpilin kalun bujilde, maran- 
tilen tadetene, kalu pisine melihaiig, lokaben nebiHajako. 



VERTALING. 



1. Een lijkzang die gezongen wordt wanneer een 
der ouders gestorven is. 

liet doet nog al tranen druppelen (id. in Sasahara). Helaas, 
een later kind ! (of latere kinderen) id. in Sasahara. Naar reelits 
zich wendende is er een afgrond, naar links, daar is een ijzing- 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 507 

wekkenide. Kr is er ^^tn (meer) op wieii het eiland zich kan ver- 
laten, (id. in Sasah.), nu Umbo afgebroken is. 

2. K 1 a a »^ za n ^ over Z. M. M a n u e 1 M o k o d o m p i s , Vorst 
van Maniranitoe. 

Heer MokodompisÖ, van wien door Manganitoc het gerucht 
liep, dat hij dom was, — niemand heeft hem kunnen onderwerpen 
totdat hij overleed, geen een heeft hem overwonnen, van 't begin 
tot het einde. 

3. De Kakajanto van Heer Isniaël: 

Prinses Donna-vau-den-bliksem , Goud-edelsteen-diamaut ! mekl 
het Heer Israaël, zeg het aan Mëh engkenglangi : al zit hij 
ook in vrede, al is hij neergezeten in macht, in den vrede van 
Bwool, in de macht over Kaodipang, hij neme het ter harte , 
hij neme het ter harte , hij herinnere het zich , hij herinnere liet 
zich, hij denke aan zijn eiland, herinnere zich zijn eiland, het 
eiland hier wordt door woestheid overmeesterd , (id. in 't Sasah.), 
het wordt overmeesterd door woestheid van dapperen , (id. in 
't Sasah.), niet wetende dat de Prins gaat uitzeilen. 

4. Kakumbaedë bevattende het verhaal van een 
Siauwschen prins die krijgsgevangen was gemaakt 
door Mangindan öers, en toen gehaald is door Heer 
Katiandaghy, radja van Manganitoe. 

Siauw , daar in 't Z.0. , Siauw, — Karangetang aldaar. 
Ka rangetang, Siauw is ineengekrompen , Karangetang heeft 
den mond in de vuist genomen, omdat het bedroefd is over zijne 
heeren , en hïirtzeer heeft over de grootgemaakten , omdat zij in 
den stijd zijn meegevoerd , meegenomen zijn door die van Ma- 
ngindano, de vrouwelijke koning, omdat het treurt over Kante, 
omdat het K u r a i beklaagt , K u r a i genaamd L u J i , gedood door 
Sa Ja WO. De namen der heeren waren ïukunang en La- 
hawuateng, die bleven te Man gin dan o, kwamen te Ma- 
nganitoe om hulp te vragen aan Heer Katiandaghy. Hijging, 
hij ging, ging naar Mangindano, het eiland der dapperen, en 
haalde Tukunang en Lahawuateng. 

5. Een Kakajanto: 

Umbo moge opklimmen , de Prinses moge bovenkomen , zij moge 
den l)erg beklimmen hierheen , (id. in 't Sasah.) , zij moge aan- 
komen om bloemen voor 't haar te plukken, (id. in Sasah.), 't zijn 
bloemen voor 't haar van haren radja , (id. in Sasah.), om 't eiland 
daar ginds te onderwerpen, (id. in S.). Hij zal zijn dienaar den 



508 SANGIEEESCUE TEKSTEN. 

raëhinu roepen, (id. in S.): Mijn vogel K a e m b a , (id. in Sasah.), 
doe hem slachten, doe hem slachten, doe hem doorsnijden, door- 
snijden , om hem te doen worden vleesch voor degenen die op zee 
zullen strijden, (id. in Sas.). Maak zijn borst eens open, (id. in S.) 
of er ook valsche woorden zijn, woorden die verkeerd doen gaan. 

6. Een Kakumbaede: 

Daar komt (uit het binnenland) de kaemba kapaje aan, de 
vogel kom a mare, de manukang-vogel komt daar aan, zingende, 
doedelende met zijn snavel , hij komt onder zich brengen zijnen radja ; 
hij is naar beneden gevlogen , naar den den n u n u-boom. 

7. Een Kakajantp: 

Een prauw op de zandbank bouwen, (id. in Sasah.), een prauw 
die pinnen heeft van rizophoren-hout , (id. in Sasah.), van hout 
welks bast gloeit, welks schors rood is (als) van ontsteking. 



VERKLARINGEN. 



Kajanto's of kakaJantQ's worden door mannen en vrouwen 
beiden gezongen, en wel voornamelijk bij 't manaje ad ing, het 
aanroepen van de goede geesten genaamd ading, (het Mal. Ar. 
dj in), van welke de Sangireezen ^elooven, dat zij, met vleiende 
woorden te hulp geroepen, de ziekte, door geesten van voorouders 
veroorzaakt "opzuigen ". Gelijk men door sommige der gegeven 
voorbeelden ziet, bevatten ze ook in andere gevallen een verzoek. 

K a k u m b a e d e's zijn verhalen over voorouders of vroegere vorsten, 
die slechts door mannen gezongen worden bij lijkfeesten of bij 't 
metip u-offer, het algemeene en groote offerfeest, dat om de paar 
jaren gehouden wordt (of liever werd) , om gedane beloften aan de 
voorouders te betalen , en dezen tevreden te stellen. 

1. M at at i made wil zeggen menschen op jaren of ouders. Van 
matimade //ouder /^ komt matahimad^ //verstandig//, van kin- 
deren gezegd. Dujaehe, het Sasah. van ë 1 1 o , ëllon mata,komt 
van laehe /^plasje// , en is letterlijk //hetgeen (als water) staat^/. 
Bata en nioba zijn beide Sasah. van ana, het laatste wil missch. 
zeggen //het verkregene//. Een ë is in Sasah. dikwijls o of u. — 
Bëllas^, mam. is opvolgen, dus bëllas-e //die op anderen of 



SANOIBEESCHE TEKSTEN. 509 

een ander gevolgd is//. — Pëmpang staat voor pahërapang. — 
Gumëngginaeng is het angstige gevoel krijgen, dat men bij 
een ongewoon klimmen, of bij 't neerzien van een groote hoogte 
heeft; tatenggi n aeng beteekent dns //dat, waarmee dat gevoel 
van ijzing verwekt wordt//. — Mangumbajed^ is een woord voor 
//zieh verlaten op//. Indien p^bilingaug juist is, dan moet in het 
voorafgaande lid pan g'u mbajurang staan, //dat waarnaar men den 
mg toe keert, wien men den rug (in 't Sasah. is bajurang //achter^) 
toe draait//. Er is missch. echter meer grond om te denken, dat 
overnemers van dezen zang dat //pangnmbajerang// verkeerd ver- 
staan hebben, het in pangnmbajurang veranderd hebben, en 
in plaats van de juiste parallel er van, mebiling, de parallel van 
man^umbajude genomen hebben. Zóó zijn die regels te verstaan , 
doch met pangumbajurang en pëbilingang niet. Want dan 
zou er moeten vertaald worden : //Er is er geen meer om den rug toe 
te keeren aan 't eiland//, of //er is er geen meer, wien het eiland 
den rug toe keeren kan// — Kadehotang, het Sasah. van bu- 
k i d e , eiland , is van den stam d e h o , in de beteekenis van m a- 
r e h o //blijven haken // ; kadehotang beteekent dus //dat waar 
men opgehouden, teruggehouden wordt// op een zeereis nl. — 
Map os o //afbreken//, zegt men van een takje. — ümbo noemt 
men o. a. de lange bladeren van de maïs; maniji umbo is een 
haan met lange staartveêren. 

2. Manu el Mocodorapis was de voorlaatste radja van Ma- 
nganitoe. Zijn onbeduidendheid (behalve in 't drinken van sagowecr, 
en in daarmee gepaard gaande ondeugden) en zijn gebrek aan kennis 
schijnt zelfs voor de Sangireezen in 't oogloopend geweest te zijn, 
daar het gerucht daarvan in zijn rijkje rondging, gelijk wij uit 
zijn lijkzang vernemen. Nu hij overleden was, had men er niets 
tegen zijn geest te vleien met den roem, dien hij gemakkelijk 
genoeg verdiend had, daar hij in een vredelievenden tijd leefde, 
en in een tijd, waarin zelfs de radja van Siau niet meer kon denken 
over het onderwerpen of beoorlogen van andere vorsten. 

3. Ismaël schijnt een Siauwsche prins te zijn, die radja of 

een ander opperhoofd in Bwool geworden was. De boodschap 

schijnt meegegeven te worden aan een prinses, die naar genoemd 

land vertrok. De naam Smiiel (de i van Is ma el wordt voor den 

naamwijzer gehouden) was zeer geacht en geliefd in het vorstenhuis 

Si a uw-Bo|an git an g-Taboekan. 

Dona, zie B. T. L. V. 1894, bl. 137, r. 2 v. o. — Pa- 
Se Volgr. X. 34 



510 SANOI&EESCH£ TEKSTEN. 

ramata is eigenlijk een steen aan een ring. — Intang is met 
diamant vertaald. — Voor //vrede /y als vertaling van dame moet 
misscli. staan //vreugde//, zie Sasambo 4 vs. 87. — Kaodipang 
wordt steeds gebezigd als Sasah. van Buoje. — Sawilang is 
eigenlijk woest worden door bezetenheid, nadat men een se tang 
bezit van zich heeft doen nemen. — Karawinang is Sasah. 
van sawilang, mo^e van mawawahani. 

4. Ta w eng heeft geheel dezelfde beteekenis als 't Mal. tawan. 
— Van het geslacht Katiandaghy leven nog verscheidene 
vertegenwoordigers op Sangir. Een er van heeft eenige jaren de 
waardigheid van radja bekleed. Hij was de laatste radja van Ma- 
nganitoe, en opvolger van bovengenoemden Mocodompis. — 
Kumond^ wordt gewoonlijk gebruikt voor //in glans vermin- 
deren.// — M^këngkung-mohong is een teeken van ont- 
zetting of van droefheid. — Nilawp bevat het woord labo, 
dat bij de Siaureezen thans nog //groot// beteekent. — Nawawa 
staat weer voor nawawa sojong of su. — Pangalo, van den 
stam aio, mang. //aanvallen//, bet. //gevecht, strijd//. — Rata 
wawine staat waarschijnl. voor boki. — Daar lumairo //be- 
klagen// parallel is van dumala, moet dit woord //betreuren /y 
beteekenen. — De naam Kante is de stam van mangante, 
thans alleen nog maar in gebruik voor //een gedeelte afsnijden// 
bijv. een streng haar afsnijden, of ook alleen maar van 't andere 
afscheiden, en mekante, 't Sasah. van m^papilj, elkaar 
houwen met een zwaard. — Kurai is de stam van mangurai, 
't Sasah. van mamoty, //snijden// of //slachten.// — Lu|i is 
missch. de stam van mënduji (zie Woordenb.) — Tukunang 
en Lahawuateng schijnen de namen te zijn van den radja en 
zijne gemalin ; de volgende regels zijn niet zeer duidelijk , of liever : 
natana //blijven, wonen// is niet juist gebruikt, en dimënta 
SU Mang. n^dorong tujuug evenmin. — Mababarani; 
de verzachting van sommige medeklinkers ter wille der welluidend- 
heid wordt in 't Sasah. opzettelijk verwaarloosd, om 't nog buiten- 
gewoner te maken ; daartoe dient ook 't gebr. van de r in plaats 
van de Manganitoesche h. 

5. De titel der prinsessen te Manganitoe isiWawy Towo-e 
//Mevrouw het jonge blad./^ De oudste wordt genoemd i W. T. 
iakang, de tweede i W. T. tajoara, de jongste i W. T. 
tuari. Umbo, hetgeen bet. de weelderige, lange topbladeren 
van sommige planten, is hier waarsch. voor bovengenoemd woord 



SAKaiHESSCHE TEKSTEK. 511 

gebruikt. — Sala, d. w. z. //bloemen die in 't haar gestoken 
worden /!': die bloemen moesten naar 't schijnt, als too vermiddel 
dienen, ter onderwerping van een eiland. — Tapo-tapo, Sas. 
voor sala, is te onderscheiden van dapo-dapo, mes of kris, 
(zie 't verh. van Nabaja). K omamare komt meer voor als 
parallel van kaemba of kalëmba. — Penteh§, mam. is /i'iets 
doorsnijden//. — M^sojang, anders een Futurum voor //een strijd 
op zee met prauwen houden// is hier een subst; masojang 
is //met de punt, den voorsteven, aanstooten.// — Mebawirua 
is niet precies een parallel van tau m^sojang. — Lekes^, mël. 
is eigenl. '/oplichten, als een deksel.// — Sajikara, het Sasah. 
van doko, is volgens een ander gebruik van dat woord (o. a. in 
de Sasambo: Karakin dajung u naung bawa m§s§sajikar^) 
datgene, waarin de gedachten woelen. — Singgïita is 't S. voor 
bera of bawera. 

6. Wat een kaemba-kapajy voor een vogel is, is niet bekend. 
Het moet een zeevogel zijn , ook naar het woord m a n u k a n g , dat 
verderop gebezigd wordt; de manukang is een soort meeuw. — 
M a n u r a J i of m e t u r a J i is 't Sasah. voor m § b a n s i , op de 
bans i-fluit spelen. — Kawekaseng-e, hier als grof Sasah. woord 
voor mohong gebezigd, is een scheldwoord. Kab§kas§! //barsfc 
open ! // is een verwensching jegens een kind , dat niet ophoudt 
met schreeuwen, of tegen een vogel, die voor ongelukaanbren- 
gend wordt aangezien, (zie voor ajung Spr.k. blz. 27). — Het 
woord dat als bep. bij nu nu staat, luidt ongeveer als kuka- 
kujang, 't is niet precies te lezen, en een zoodanig woord is 
niet bekend. — Mëlanging is het speciale woord voor 't bouwen 
van een prauw; 't Sasah. daarvan is mamajanting. — Manuwo, 
van tuwo, turn. //wassen//, is Sasah. van moad^, zandbank. — 
Bawuang, hier gebruikt als Sasah. van pasa, is eigenlijk de 
naam van een pin , die men in een andere pin, in de p a s ^, inslaat , 
als deze niet vast genoeg er in zit. — Pah^pa-tëngkang is de 
naam van een rhizophoor met bijzonder hooge bovenaardsche wor- 
tels, en lange, rolronde vruchten. Hamy-tëngkang //tëngkang- 
wortels//. — Am pa heeten de zijplanken van een prauw. — 
M ë 1 i h a n g of m ^ d i h a n g zegt men van de zon als zij bijzonder 
heet is, als zij steekt. — Wat m^bujajako is, zegt reeds de 
vertalinsr. 



512 SANOIBGESCHK TSKSTEN. 

BAWASADOA R. LAHÊMBA. 

1. Bawasadoan tau kapire su tempon tauu Mauga- 

nitu mësëseke u taun Tahuna. 

• • • 

Taun Tahuna e nëmpebasadoa uugkdng: //Pain bujude, pain 
bujude, tadete, pain tadete, pain bujud' u Manganitu, tadeteen 
Maëbungang, pai wujude miwonóhe, tadetene miwujuse!// 

Ené taun Manganitu e mêngkatewe ik^kawusa u taun Tahuna 
e. Sar^eng kerene , tangu tëmbonang u seke u Manganitu e nana- 
n^ui ungkdng: "Isai i kite tahawawajë?'/ Kuteu piau sëngkatau 
simimbang u : //Ia tahawawajë. '/ En^ tëmbonang u seke e nëbera : 
/^Dak^ko tamai têlla diQëllo paka^ukadë, tarang su ra^intiji i sire 
m^eke , ku daringihëko , mënsang kai wawera kereapa ipëbebera si 
kite e./!' Tangd i sie timëlla majuka-jukadë. Narënta su waje rajin- 
tukang u taumata humotong mëpapili e , i sie riraaringihë baweran 
sire lumintu mëseke e, wpue' timëlla nëhabarë su seke u Manganitu 
e. Ené tëmbonang u seke u Manganitu e mêngkatewe namaji u 
wasadoan sire ene, ringangu nëbera u: //Endaung bujude, ëndaung 
bujude, tadetene, ëndaung tadetene, ëndaung bujud' u Manganitu, 
tadeteen Maubungaug, bujudé tate miwonóhe, tadete tate miwu- 
|usë, kate nanahemmang u ^angi, nana^epan biang-biang.// Enétauu 
Manganitu e wuhiie nakauntung, nakawata kasili areng-e i Umba. 

2. Bawasadoan Makaampo, ipëkëkumbuni su tempon i 
sie namate tau Ta^aude, kiji i sie isësahusuang u tau 
Tajaudë e. 

Pulung i Rojo-tingga , ana i Ro|o-tingga, tegateng takatategateng. 
Tinggateng su wu^ude, ia su wa|ane; tinggateng su wajane, ia su 
wu|ude. Mauiug mataho su Jiwung, mapua kere pëpuse; maning 
pilikang u wara, kakëUng kai watu. Ana i Rojo-tingga, tegateng 
takatategateng. 

I sie h^don kinawusa u tau Siau. 

3. Lahëraba tëmpu. 

Limbagen püng u watu, Johon kahampua, da^oka madima su 
arëndukang-e , su wajan pintu marëndung , ^p^muniang garing-e , 
awa-e wantiri. 

4. Lahëmba katoang. 

Mangampang su rajeng, su pamamotokang; pilikang tëllu su|e, 
ta iwa^i, sawung nakaw^ka tëmbg u anggoma e. 



SANGIREESCHE TEKSTEN. 513 

5. L a h ë in b ji m a u i^ J ë n d u. 

la nimouo, uinuraaniang, kiriatotokaug i Ansa, i Awuni^. 

H. Lahëmba mauij tana-Jawp. 

Mauii tana-Jawo, kahesa! kapotp! aja(u) m^asawung sahedc su 
rarorokaug-e ! 

7. Lahëmba manu baueha. 

O waueha! wanuanu pahêmpang, }ambuuang-u tëuggilihaug , 
piingimbukang ukur-u, pauawukaug siugongonu, pangajakeng niawauu. 



VERTALING. 



TOOVEUSPREUKEN EN BEZWERINGEN. 

1. HeideTische tooversp reuken, uitgesproken toen 
de Manganitoereezen streden met de Taroenareezen. 

De Taroenareezen spraken den tooverwensch uit : Die bergen daar, 
die bergen daar, (id. in Sasah.) die bergen daar van Manganitoe, 
de verhevenheden van Maubungang, die bergen daar verzinken, 
die verhevenheden gaan naar de diepte! 

Toen verloren er voortdurend Manganitoereezen hun hoofd door 
de zwaarden der Taroenareezen. Dat alzoo zijnde, onderzocht het 
oorlogshoofd van Manganitoe zeggende: //Wie onder ons heeft het 
vermogen bawajë te worden?'/ Toen antwoordde er een: //Ik.// 
Toen zeide de aanvoerder van den strijd: //Vlieg er heen, morgen 
(ochtend) zeer vroeg, juist op 't oogenblik van hun naar beneden 
gaan ten strijde, en luister af, wat voor woorden het zijn, die tegen 
ons gesproken worden.// Hij vloog er heen, zeer vroeg. Gekomen 
aan 't huis , vanwaar zij naar beueden gingen , die het eerst zouden 
strijden, luisterde hij de woorden af van hen, die ten strijde zouden 
naar beneden gaan , daarna vloog hij heen en meldde ze aan de 
Mangauitoesche strijders. Toen keerde het Manganitoesche oorlogs- 
hoofd hun tooverspreuk om en zeide: '/De bergen hier, de bergen 
hier, de verhevenheden, de verhevenheden hier, de bergen hier van 



514 SANeiRSESCflE TBK.8TSX. 

Maiiganitoe, de verhevenheden van Maubuutrang, de bergen zailen 
niet verzinken, de verhevenheden zullen niet naar de diepte gaan: 
wij hebben den hemel tot uitliggers genomen , het uitspansel tot 
prauwvlerken.»" 

Toen eerst overwonnen de Manganitoereezen , versloegen zij den 
Prins genaamd Umba. 

2. De tooverspreuk van Makaampo, waarmee hij 
zich verborg, toen hij een Talaurees had gedood, en 
hij achtervolgd werd door de Talaureezen. 

Ue kleinzoon van Dojo-tingga, de zoon van Dojo-tingga 
kan niet opgevangen worden wanneer men hem opwacht. Tracht 
men mij op den berg te treffen, dan ben ik in 't dal, komt men 
mij in 't dal tegemoet, dan ben ik op den berg. Al geraak ik in 
een omsingeling, ik word opgenomen als rook, al slaat men met 
het zwaard naar mij, men ziet een steen. Den zoon van Dojo- 
tingga kan men niet opwachten als men hem tracht op te wachten. 

Het gelukte pas aan Siaureezen hem het hoofd af te slaan. 

»3. Eene verwensching tegen slangen. 

De Qroote van den voet van een steen , de inhoud van een gat, 
moge plat blijven liggen op zijne legerplaats, op den bodem van 
't donkere vertrek, waar hij zijne streepen verbergt, zijn fraai lichaam. 

4. Verwensching tegen reuzenslangen. 

Ik wil 0]>wachten o]) den weg, waar men (haar) snijdt. Driemaal 
zal ik v.r op houwen, ik zal haar niet doen terugkeeren, de wond 
die den ko]) der slang gespleten heeft. 

5. Kene bezwering van lendu-vogels. 

Ik heb mij verbaasd, verwonderd, toen de gans, de Awunig 
in eens kwam aanvliegen. 

6. Eene verwensching tegen uilen. 

Uil , breek door , l)reek in tweeën ! hij worde gekregen door den 
verwonder van kiekendieven op hunne zitplaats. 

7. Verwensching tegen baneha- vogels. 

O baneha, gij die een afgrond tot woonplaats hebt! men zal 
uwen leeftijd verkorten, uwen adem af breken , uw leven wegnemen. 



i 



SANOIKEESCHE TRX8TBN. 515 



VERKLARINGEN. 



1. Basadoa of bawasadoa //bezwering, too verspre uk'/ is 
samengesteld uit b a s a ('t Mal. batj a) en d o a en wil dus zeggen //ge- 
bedsoplezing, opzegging//. Su tempon is navolging van 't Mol. 
Mal. (Port.) tempo voor tatkala; goed Sangireesch ware p i a. — 
Pain, de n is hier zulk eene , als reeds boven bij de S a s a m b o 's 
N^ 1, VS. 9, besproken is. — Tadete is, gelijk ook genoegzaam 
blijkt, Sasjili. van bujude. — Maëbungang, zie Sprk. bl. 58. 
— Miwujuse, ook in 't Manganitoesch gebruikt voor miwo- 
uolie //zinken//, is een woord, dat meer eigen is aan de noordelijke 
dialecten. — Mëngkatewe ik^kawus^ is letterlijk 'rwerdeu 
voortdurend onthoofd//. Kehalve van menschen in een strijd, wordt 
dit woord gewoonlijk slechts gebezigd van visschen. Bawusakeng, 
letterlijk: //de plaats waar 't hoofd van den romp gescheiden, af- 
gesneden wordt//, is 't Sasah. woord voor //hals//, en tevens een 
woord van de hooge taal. — Tëmbonang u seke u Manga- 
nitu kon ook beteekenen //het Hoofd der vijanden vanMang. ,// 
uit het verband echter blijkt , dat t. u. s. als een sameugest. woord 
moet opgevat worden, en u M. als de bep. daarvan en niet van 
seke alleen. — Voor nananesui (van s§sui) //onderzoeken//, 
eigenl. //nagaan//, zie Spraakk. bl. 198. — Voor bawaj§, taha- 
wawaje, tau mamawajc, zie Sprk. bl. 76 en 91. — Dak pk o 
tam ai tëlla diyëllo pakajukade //ga heen vlieg morgen , 
doe het vroeg (recht vroeg) zijn//; — tarang stam van ma na- 
rang, mapakatarang, zie S. T. XIV (B. T. L. V. 1893, bl. 
140), is hier Imper. /'doe het treffen met//, — dajinti; //het 
naar beneden gaan, het afdalen van de trappen//, nl. als tijdsbe- 
paling en niet als benaming van een handeling. — 1 sire mesekc 
zou ook kunnen zijn //van hen die ten strijde gaan/f, daar mende 
bepalende e , die in dat geval het slot zou moeten maken, dikwijls 
verwaarloost; maar volgens het verband moet m^seke vertaald 
worden met "om te (gaan) strijden//, en is i sire alléén bep. van 
dajintiji. — Kn daringihe; ki^ is hier het verbindend voegw. 
"eii" waarmede een zin begint, die het gevolg aangeeft van de 
handeling door den voorgaanden zin genoemd. Zie daarover verder 
S. Spraakk. blz. 265. — Mënsang kai wawera kereapa 



516 sANOi&EESMriii: tekstex. 

ipëbebera si kite e ''wat voor woorden (of) het zijn, die er 
t^en on* gesproken worden ''. — Rajintukang, anders 'W^ 
waarlangs men (altijd) naar beneden sraat'^ is hier "plaats van waar 
men (steeds) zich naar beneden begeeft". — Baweran sire 
Inminti^ meseke e ''de woorden van hen die zouden afdalen 
om te strijden''. — namaji "kaatste terug". — Tadeteen 
'i^namelijk de bergen'^. — Ta te zou in dagelijksche taal hier font 
zijn , daar tate miwonohe beteekent ''wil maar niet (ver)zinken, 
zinkt maar niet" , of ook, in ander zinsverband, "niet willende zinken, 
voorttlurend in den toestand blijvende van niet te zinken"; het is 
hier gebruikt voor tawe, en maakt den stijl van de bezwering 
nog eigenaardiger. — Zoo is kat e ook niet in zijne gewone be- 
teekenis op te vatten. De beteekeuis van kate nanahêmmang 
u |angj is eigenlijk of "men was er zoo ongelukkig aan toe, dat 
men zich, om zich te redden, behielp met zulk een gebrekkig 
hulpmiddel, als de hemel (het uitspansel) is", of "zij hadden geen 
beter middel om zich te helpen, dan den hemel als uitligger(s) te 
gebruiken", — al naar H verband. De reden waarom men kate 
gebezigd heeft, is hier waarschijnlijk om den vorm van tate ook 
hier te hebben, en denzelfden vreemden indruk te geven. Toch 
komt die vorm van kai in Sasambo^s dikwijls in plaats van 
kai voor. Den hemel als uitligger te kunnen gebruiken is toch 
een grootsche zaak , maar kate duidt een ongelukkigen toestand 
aan. — Nanajepa, het Sasah. van nanahêmmang "van sahëm- 
mang's (uitliggers) voorzien", is een verkorting van nanaghu- 
Jepa, van taghujepa, 't Sasah. van sahëmmaug; zie verder 
in 't Wdboek over 1 e p a. — B i a n g - b i a n g is Sasah. van 1 a u g i. 
— Makauntung "geluk hebben boven iemand, 't van iemand 
winnen", en //overwinnen" gevonnd van untung, dat waarschijnlijk 
uit het Mal. is overgenomen, wordt nader toegelicht door naka- 
wata //hebben overwonnen". Prins Umba is volsrens de over- 
levering bij een anderen strijd met de Manganitoereezen , gevallen 
en gestikt in den modder van 't kreekje b a ra ngka genoemd, dat 
o. a. langs het erf van den zendeling te M. loopt, en wel aan 
den eenen voorlioek van dat erf, waarop vroeger een steenen radjas- 
huis stond. Die dappere prins was dus reeds ver doorgedrongen, 
toen hij den dood vond bij 't overspringen van de kreek. 

2. Mak aam po was volgens de verhalen die er van hem bestaan, 
(ien gevreesde man , de zoon eener Talaureesche vrouw en een man 



SANOIREESCHE TEKSTEN. 517 

van Salurang, op Groot-Saiigir. Als zoontje eener weduwe voort- 
durend getergd door de Talaureesche kinderen , die hem waarschijn- 
lijk als een onbeschermdcn vreemdeling beschouwden, kwam hij 
tot het begaan van een moord toen hij nog zeer jong was, en 
pleegde hij later zonder reden wreedheden. Zijn naam is Sasah. voor 
makatataku //vreesverwekker//. 

Ro^o, de eerste helft van den naam Rojo-tingga is destam 
van marojo of majojo 't Sasah. van maruj^pe ^vermoeid 
worden (nl. van eén of meer der ledematen) door inspanning//. — 
Tingga, metingga, of tega, metega is //opwachten, op- 
gangen// op den weg. l)oor zich kleinzoon en zoon van Dojo- 
t ingga te noemen , maakte hij zich onaantastbaar voor de listen die 
tegen hem beraamd waren. Evenals het in de gahagho van een 
sprookjesprins of -prinses nog meer gewicht in de schaal legt, dat 
degene die den wensch uitspreekt, ook de kleinzoon van een radja 
en een boki is , zoo is het ook hier. — Voor m a n i n g ware beide 
malen maeng taalkundig juister geweest, om den vorm van den 
volgenden zin, die na maning met kai moest beginnen. 

3. Eene bezwering tegen slangen: 

Limbage is volgens verklaring van den eeneu Sangirees te ver- 
talen met //groote , voorname// , volgens die van den anderen echter 
met //bewaker//. — Pdng u watu //"t onderste gedeelte van een 
steen//. — Kahampua is Sasah van lohang //gat//. — Lohon 
(hier een subst. met de n van den bezitsgenitief) voor een ander 
subst. dan een woord voor //gat// staande zou ook kunnen zeggen 
//inhoudende, met di\t tot inhoud, wat door het subst. genoemd 
wordt//; bijv. bohoge lohon ake //een kopje met water er in//; 
hier echter is de slang de lohon kahampua, gelijk het water 
de lohon bohoge is. — Dajoka stam van du ma jo ka //liggen// 
(//gaan liggen//, tanae dumajoka). — Madima naar het schijnt 
van denzelfden stam als m ë n d i m a //goed (behoorlijk) op elkander 
pakken // , en in dat geval ook hetzelfde woord als d ë m m ^ , d u- 
raarëmma '/plat op den buik gaan liggen// zou ook kunnen zijn 
het woord m a d i m a, dat Sasali. is van m a r ü m m a s e //stil'/ (//rustig// 
en ook ^zwijgend//) van dëmmase. Beide beteekenissen vallen 
hier goed te samen. — Arëndukang, van ëndij, is een vorm 
als ariru, alëlla, voor lairu en laëlla, de Siauwsche vorm 
der op Spraakk. bl. 51 vermelde reduplicatie. — Pintu in een 
ander gebruik dan voor verblijf van prinsessen (die zoo zij al niet 



518 SANOIRKESCHE TEKSTEN. 

tassclien hemel en aarde zweven , dan toch in de hoogte zich be- 
vinden, in den top van een of anderen hoogcn of grooten boom 
of onder den nok van een huis) komt hier voor het eerst voor. 
— Wantiri is volgens de Sangireezen Sasah. voor malênggihc 
//fraai, schoon/-'. Toch heeft iedere lezing van die bezwering //a w ^ 
u wantiri'' (of awa u wuntari) waardoor het laatste woord tot 
een subst. wordt. De zin pleit ook hier tegen, de begrijpelijkheid 
ten minste. 

4. Bezwering tegen reuzenslangen : 

Mangampang (ampang) is het Taboekansche woord voor 
mangënsomahe, of hier beter m e t i n g g a r/tegemoet gaan//. — 
Su pamamotokang ziet misschien op het //snijden// van den 
weg door lawe's (zie Naba^a S. T. N^. 1, B. T. L. V. 1893, 
bl. 323); dan zou het gevolgd moeten worden door een bep. e, 
en opgevat moeten worden als parallel van su rajeng. — Deze spreuk 
wordt duister door ta iwaji, sawung nakaweka tëmbo u 
anggoma e, daar sawung //wond// moet beteekenen. De beste 
uitlegging is, dat ta iwaji moet vertaald worden met //zal niet 
ongedaan gemaakt worden//. 

5. Bezwering van een len du-duif: 

De lëndu is een woudduif, grooter dan de bakiang, kleiner 
dan de ahang, en vertoont zich, of liever doet zich ook hooren 
in de nabijheid van mensclienwoningen. De geliefde van iemand 
wordt in poëzie wel eens zijne 1 ë n d u genoemd. 

N i m o n 9 is Sasah. van m a r a j i n g u en m a (w a) w o h a n g 
//zich verwonderen// : ninumauiang is een andere vorm (in 't 
Praeter.) van mananiang, liet Siauwsehe woord voor hetzelfde 
begrip. — (sarang) kinatotokang zou cigenl. moeten betee- 
kenen //toen op mij afkwam (of toevloog)//. 

6. Verwenschiug tegen uilen * 

Van de manu tana-Jawo (zie Wdb.) , in de andere dialecten 
naar 't geluid dat hij maakt kulieo genoemd, en van de manu 
baneha, een vogel met langen staart en witte strepen over de 
vleugels, gelooven de Sangireezen, dat zij verkondigers of veroor- 
zakers zijn van iemands dood , want wanneer zij gehoord zijn op of 
boven een huis, dan sterft er een van de bewoners. Vandaar zulke 



SAN6IRBESCHK TBKSTIN. 519 

verwoede verwenschiugen. Kahesa wil zeggen '^breek af gelijk een 
draad of een touw dat reeds gedeeltelijk doorgesneden is;// 't is 
een ruw vloekwoord als uiting van wrevel jegens een kind, dat 
onophoudelijk schreeuwt ; k a p o t q beteekent ongeveer hetzelfde 
nl. //worde in tweeën doorgesneden, breek in tweeën//. Mapedi 
zegt men voor 't breken van droge, brosse en levenlooze voor- 
werpen; voor een ding dat sappen heeft, en bijv. voor den staart 
eener hagedis, die in tweeën breekt, bezigt men map o tg. Beide 
woorden doelen op de stem , ten minste het eerste ; het tweede ziet 
misschien op den adem van den vogel. Gewone uitdrukkingen over 
de ademhaling van een stervende zijn singongone sen mapotp 
'/zijne ademhaling (eigenlijk //zijn adem'/) breekt reeds telkens af//, 
of singongone kate pësëmpotg //zijn adem was nog maar bij 
brokjes, bij eindjes.// — De u (voor //door, door middel van//) 
die in 't handschrift niet achter aja staat, moet er zijn om 't 
volgende te verklaren. — Met mesasawung sahede su raro- 
rokang-e //de verwonder van kiekendieven op hunne zitplaats// (de 
tak van een boom) wordt waarschijnl. een blaasroer bedoeld. A\^ 
zou dan hier met //worde getroffen// in plaats van door met 
//worde gekregen// moeten vertaald worden. 

7. Verwensching tegen baneha-vogels. 

Tënggilihang is een Sasaharawoord voor pahëmpang //af- 
grond// naast tatëngginaeng (zie voor beide hierboven, bijden 
treurzang bij 't overlijden van oudere betrekkingen). — De volledige 
beteekenis van pangimbukang ukur-u is ongeveer //gij zult 
onder handen genomen worden (als een voorwerp), om uw levens- 
duur te verkorten // , en van panawukang singongonu //gij 
zult onder handen genomen worden om uw adem uit u te trekken//. 
Bij 't laatste moet men zich een buis voorstellen , waaruit men een 
rol, of een gat, waaruit men een pin uittrekt, die er in past. 
Een andere uitdrukking voor het afgebroken ademen van een stervende 
is singongone sen masawu //zijn adem werd telkens reeds uit- 
getrokken// (zonder bewerker). — Pangajakeng, een vormfals de 
twee voorgaande: //van u zal genomen worden'/. — Niawanu, 
het Mal. njawa. 



520 SANGIREESrifE TEKSTEN. 

NANALANG U MANGA RARIO. 

1. I momo, i momo snsangi u a'? — Siisangi u nalang. — 
Nalaug buan a^? — Nalang buan bómboje, dala ujune. Umbaseng 
darda sentuwo-tuwó , sentuwo pinepi u tawaung-dahd , dahan Ma- 
nganitu. — Nioje su a'? — Nioje su sampang su waje lawó. I 
Ampuang Monggo^e mëd^dorong jana, lana sëDtapimping, nak^weran 
turj-turi nak^weran turj. 

2. Isai 'na^ suselle , kere sjisëllen ku^ano, rajimbén takaengetang, 
laku sêmbeka niluhe, sêmbekd nalang u anging, paporong du) 
upiing-e, sa^an^ sahen Makasare, laku s<4hen Kaudipang? Tara} 
8U Wuo|§, mangalo Kaudipang, slnenggene bëllade, angaduekon 
sapatirin Malila. 

3. Ingge, ingge Idwp! ndhiaen pdnamba, pfinamba niuwnngang, 
niuwungang i Limba, Limba inakaalope. I AIq, i Alp, ini wajen 
sa'? — Wa|en Makadmbala pininti u manii, manijL darud. Arawe 
wulele miipujo-tellu , k&ng-e wusa ngaeng niaja i Kengkeng, Kéng- 
keng takumengkeng, bahoan 8a|ii, tadinting u apéng, pamajon sêlaéng! 

4. Tamai su Lep makimama , mangawj lansong papesukang, tana- 
kapesu sego-sego, tii i Leutenggirude, tii bajiku ta ta tó i Lapëndó. 

5. l)asi i Simbiing-bu|aeug, dëhn-e nihoron-bingkung, këug- 
kond5i-(e) kinahumata, jnata itondo bajane, ipelo kahuntikilang. 
Sinsiug, Ikwi.i! takumerong }aed-u? 



VERTALING. 

• Kinderspelen. 

1. Waarom schreit zusje, zusje? — Zij schreit om speelgoed. — 
Sp(»elgoed wat voor soort van vruclit ? — B o m b o J e vruchteu- 
sjM'clgoed, daar (achter) in 't binnenland. Twee jongelingen van den- 
zelfden leeftijd , van denzelfden leeftijd afgehouwen door bloed- 
tawaung, bl()ed-(tawaung) van Mangaiiitoe. — Waar ingeplant? — 
Ingestoken in 't vaartuig in 't radjasliuis. Priester Monggojë die 
vroeg om olie, een tapimping vol olie, kwam turi uit te spreken. 



% 



SANOIREESCHK TEKSTEN. 521 

2. Wie komt daar langs het strand geloopen, loopende als een 
radja, met armzwaaiingeu als van een opperhoofd, het bovenkleed 
half aangetrokken, de andere helft den wind tot speeltuig gegeven, 
den hoed opgezet volgens de wijze zijner voorvaderen . de broek 
van Makassaarschen snit , het bovenkleed naar Kaudipangsehe snede ? 
Heengegaan naar Bwool , om Kaudipan den oorlog aan te doen , is 
hij door de deining weggestuwd 

3. Dodijn ! dodijn ! Gij die ieder voorzien zijt van een hoed, een 

omgeboorden hoed , omgeboord door L i m b a , L i m b a , die , 

Aio, Aio! wiens huis is dit? — 't Huis van Mak au m bal a dat 
van hanen slagen met de pooten gekregen heeft, van twee hanen. 
Maar dertien bulele-kippen, daarvan is het voedsel, ngaeng-pisang, weg- 
genomen door Huppelaar, Huppelaar die niet Huppelen wil, reiger 
der rivier, steltloopertje van 't strand, strandlooper van de kust. 

4. Heengegaan naar Leo om zich op pinang te doen onthalen, 
om lansa vruchten af te halen, (vruchten) die men opendrukt, hebben 
ze (of heeft hij, zij) niet kunnen opendrukken, sego-segp, zonder 
Jjcntenggirude, zonder Hajiku, zonder, zonder, zonder Lapën do. 

5. Simbang-bujaeng daar ginds, haar voorhoofd heeft den vorm 
van een bingkung, hare wenkbrauwen dien van een maansegment, 
hare oogen slaat zij naar beneden , als zij kijkt, sla])en deze (bijna) 
in. Vingerringen Mevrouw! gaan uwe voeten niet blinken? 



VERKLARINGEN. 



L M o m 9 , in 't Siauwsch k u k o, is 't best vertaald door //zusje//, 
of ook //dochtertje//, daar 't door meer bejaarden gebruikt wordt. — 
't Primitiefste s])eelgoed in de tropen zijn natuurlijk de voort- 
brengselen van de natuur, die de kinderen in 't rond vinden, 
steeneu , stokjes, maar vooral allerlei vruchten. De buan bom- 
b o J e moet niet in de werkelijkheid bestaan en is slechts bekend door 
dit spelletje. — l)ala ujune staat voor dala su ujune. — Sen- 
tuwo is de verkorting van sëntinuwo //van denzelfden leeftijd, 
tegelijk opgewassen // . De zin van umbaseng tot tawaung 
daha (en ook nog wel verder, tot aan 't eind) lijkt naar onzin. 



522 SAN6IUEE8CUE TKKSTBK. 

Pinepi wil zeggen: afgehakt, gelijk men bijv. een suikerriet of 
een stak hout, dat men in een hellend vlak met de linkerhand 
uitgestoken houdt , in twee of meer stukken doorhakt. Was 't nu : 
umbaseng darua namepi tawaung daha, of t. d. pinepi 
u umbaseng darua, dan zou het zin hebben. — T)ahan Mang. 
is de verkorting van tawaung-dahan Mang. De tawaung is de 
dracaena, die ook in de Minahassa godsdienstige beteekenis heeft, 
en bijv. bij fosso's eene rol speelt. Op Sangir wordt die plant 
rondom de graven geplant. Tawaung daha is de naam der soort 
die bietkleurige bladeren heeft. — Nioje en zijn syn. niontp 
zijn oude woorden, het eerste is ook een Sasah. woord voor nipas], 
ingestoken. — Sampangs heeft men, tegenwoordig althans, op Sangir 
niet; het woord is missch. uit het Maleisch overgenomen. — Een 
t a p i m p i n g is eene maat die niet meer bestaat, en misschien ook 
nooit bestaan heeft. — Turi is onbekend. — Nakawera is de 
vorm voor /'heeft iets uitgesproken , onwillekeurig . door innerlijken 
drang, of ten gevolge van eene plotselinge en hevige pijn, die 
het woord aan de lippen deed ontsnappen/'. 

2. 'N^ie, ënnde //van boven//, of uit de richting, van den kant, 
die das] heet. — Sëlle, sumëlle, sëlueng, zie H Wdbk. 

't Woord kujano is op Sangir uit de spreektaal verdwenen; 
op (Ie Talaut-ei landen heeteu de radjas echter nog zoo — Ra- 
J i m b e zie 1 i m b e , 1 u m i m b e. 

De beteek. van takaengetaug is niet bekend. De stam is 
enge(t), en de vorm wil zeggen //kan niet ge-enget worden//, 
natuurlijk wegens zijn stand of zijne afkomst. — Laku (e) sëm- 
b ë k a n i 1 u h e , s ë m b ë k a n a 1 a 11 tr u a ii ir i n tr ''het kleed , daarvan 
is de eene kant (de eene mouw) aangetrokken , voor de andere helft 
is het tot een speeltuig van den wind". — Du] is van mëndui 
/'boven op iets zetten" het subst. , zooals "opzet" van '/opzetten//, maar 
hier met de bet. " wijze van opzetten" en anders: het resultaat van 
de handeling "opzetten". Overigens kan men mëndui wel van 
een p o r o n g (zie 't Woordenboek) voor m a n a k a gebruiken, maar 
niet van een p a p o r o n g , tenzij die , eenmaal om 't hoofd gewonden 
en bevestigd , in een vasten vorm van 't hoofd is afgenomen , en 
zóó weer opgezet wordt. — Tusscheu dui en upung is de u 
wegens de maat weggelaten, en evenzoo de i voor 't woord upung, 
dat nooit meer zonder i gehoord wordt. — Sahe, manahe is 
//een kleedingstuk snijden//, door middel van een mes het fatsoen 



SANOIBEESOHK TEKSTEN. 523 

van het te maken kleedingstuk geven aan de stof er toe, die op 
eene tafel of plank uitgespreid ligt. — Tarai su Wuoje is 
gelijk aan tarai so|ong Buoje. — Kaodipang wordt gewoon 
als Sasah. van Buoje gebruikt. — Voor sinenggene bëllade 
moet waarschijnl. staan sinenggene n b., voorsinenggen b. — Wat 
de volgende woorden willen zeggen is niet bekend ; M a 1 i 1 a is Manila. 

3. Ingge, m'ingge is //een beweging naar rechts en links 
maken met het bovenlijf//. Zooals de kinderen hier bij 't zingen 
van //Klap eens iii de handjes!// datgene doen waartoe zij er door 
aangezet worden , zoo maken de Sangireesche kleintjes, die 't geleerd 
hebben, bij den dreun van Ingge, inggé, inggé, — ingge, 
ingg^, ingge enz. de beweging van m'ingge, evenals zij eene 
op- en neergaande beweging maken op 't hooren van Ondong, 
on dong, on dong, — óndong, ondóng, ondóng. — Men 
dreunt wel op: Ingge, ingge Idwp, — Ndhiaen p^namba, 
alsof lawQ bij den eersten regel behoorde, doch het behoort bij 
nahiaen panamba. Lawo //veel//, is in een zin als deze op 
een eigenaardige wijze gebruikt: i kitc man JawQ taumata 
waradosa wil zeggen : //wij zijn allen zondige menschen/i' ; het- 
zelfde als: i kit e mengkai taumata waradosa k$bi, tenn'ijl 
een gewone constructie met lawy: i kite lawQ mëngkai enz. 
beteekcnt /'wij velen zijn allen enz.//; — pêmp^kakëndag^ 
bue, i kamene lawo murit u Mawu i Jesus Christus e 
//hebt elkander lief, gij die allen discipelen van den Heer Jezus Chr. 
zijt//. — De beteek. van makaalópe is niet bekend. — Wat i 
Al 9, i Aio is, is niet uit te maken; misschien is 't een naam 
in den vocatief maar met een i er voor wegens de maat. — Wu- 
lele staat voor many bulele, grijs-witte kippen of hanen. — 
Kengkeng, kum. is //op één been huppelen of voortstrompelen. 
— Pamajo is de naam der zwartgrijze strandloopers op Sangir. 
De bahoa, wit en met gele pooten, houdt zich aan den kant 
eener rivier , en tusschen de steenen er in , alsook in moerassige 
streken op. Op Sangir zijn zij zeer schaarsch; doch ziet men ze 
soms zelfs bij drieën of vieren tegelijk tusschen de koeien loopen, om 
de vliegen op te pikken , terwijl zij zich anders niet in de nabijheid 
van menschen vertoonen. — De tadinting is een moeras vogeltje. 

4. Tamai su Leo staat weer voor t. solong L. — Maki- 

r * 't 

mama hoort men wel eens voor makisake, een pinangvisite 



524 SANGIREESCHK TEKSTEN. 

maken. — Papesukang van pesu maraesij is de Sasah. uaam 
voor lansong, de la n sap of duku, en doelt op 't opendrukken 
van de dunne schil dier vrucht , ten einde haren inhoud te kunnen 
eten, met uitzondering van de uiterst bittere pit. Het volgende is 
weer onbegrijpelijk : tanakap§su /'heeft niet kunnen opendrukken ff 
('tgeen ook kan beteekenen '/heeft geen lansa kunnen eten, heeft 
ze niet te proeven gekregen'/ *, — Sego-segQ is onbekend. — 
Lente n-girud$, Bajikiji en Lapëndo zijn waarschijnlijk 
namen van mannen, de eigenaars dier lansaboomen, in wier 
afwezigheid men daarvan niet dorst plukken. Vruchtboomen die ge- 
meenschappelijk eigendom zijn worden door de verschillende eigenaars 
gezamenlijk geplukt. 

5. Simbang-bujaeng is de naam van een meisje of van eene 
vrouw. — Nihoron-bingkung is een werkw. gevormd van 't 
samengesteld subst. horon-bingkung //scherpte van een dissel", 
en wil zeggen dat het meisje een hoog, breed voorhoofd heeft , met 
eenigszins groote en ronde hoeken aan weei'skauten , (het haar is aan 
de slapen dus weer meer naar het oog toe gegroeid) welke vorm 
van 't voorhoofd blijkbaar fraai gevonden wordt. liet voorhoofd is 
bij de Sangireesche vrouwen meestal smal en door een boogvormige 
lijn begrensd. — Kahumata wil zeggen //een maansegment" , 
kengkonda kinahumata zijn dus wenkbrauwen, die den vorm 
hebben van de maan in 't eerste kwartier. — Itondo ba Jan e 
voor itondo s o jong b. is eigenl. //geschoven, geduwd naarden 
bodem//. Het gebruik dat hier van ba ja gemaakt wordt is onge- 
woon. — Pel o, mam el o is een dichterlijk woord voor tu ma- 
tingang of kumakëlla //kijken//. Ikahuntikilang is ^/in- 
slapen//, hoewel de vorm van 't woord eigenlijk zegt : //slaperigheid 
krijgen//. (Zie voor het pref. hu* Sprkk. bl. 128 en 129). Het 
meisje kan coquet met haar oogen gedaan hebben, maar waarschijnlijk 
zijn de woorden van m a t a tot 'k a h u n t i k i 1 a n g óók een schoon- 
heidsbeschrijving , evenals het voorgaande , en willen zij zeggen : 
//het meisje heeft zulke kleine oogen met lange (liefst gebogen) 
wimpers, dat het schijnt alsof zij slaapt, wanneer zij de oogen naar 
den grond slaat//. Kleine oogen zijn nl. een sclioonheid naar den 
smaak der Sangi reezen. — De zin van Sinsing, bawu! taku- 
merongjaed-u!? is duister , indien het een zin heeft. 



EENE BIJDRAGE 

TOT 

E. B. KIELSTRA'S OPSTELLEN OYER SÜMATRA'S WESTKUST, 

DOOR 

P. U. VAN DER KEMP. 



(Vervolg en slot van bl. 320.) 

Tegen het eind van 1823 werd Du Puy als resident vervangen 
door den luitenant-kolonel Raaff (bl. 103), die echter reeds in 
April 1824 op negen-en-twintigjarigen leeftijd — welk een tijd 
van bevordering! — overleed en opgevolgd werd door den kolonel 
II. J. J. L. ridder De Stuers (bl. 113). Met het oog op de 
waarschijnlijk spoedig te verwachten overneming van de nog over- 
gebleven zijnde Britsche bezittingen op Suniatra's Westkust, Ben- 
koehui en Tapanoeli , werd De Stuers opgedragen zich mede daartoe 
voor t(i bereiden, terwijl hem voor de hem opgedragen werkzaam- 
heden toegevoegd werd de collecteur der landelijke inkomsten en 
eoltures B. C. Ver])loegh (bl. 114). — Dat collecteurschap was 
een titel uit den Engelschen tijd, die nog bij de Britsch-Indische 
administratie in zwang is en nu ongeveer gelijk staat met ons 
reshleni. Aangezien echter Verploegh collecteur te Semaravg was 
en hij naar Sumatra's Westkust werd overgeplaatst met de be- 
stemming om als resident van Benkoehn op te treden, schijnt 
het collecteurschap destijds toch iets minder geweest te zijn. 
Verder werd aan De Stuers toegevoegd de ambtenaar E. Francis 
(bl. 114), die zijne verdienstelijke loopbaan besloot als president der 
Javasche bank. 

Eindelijk werden bij resolutie dd. 17 Februari 1825 N*> 1 de 
heeren De Stuers en Verploegh aangewezen tot commissarissen voor 
de overneming der Britache bezittingen (bl. 117). Terwijl Francis 

5t> Volgr. X. 35 



52f) EENE BUDKAOE TOT E. B. KIELSTRa''s OPSTELLEN 

naar Tapanoeli werd gedirigeerd, begaven zij zich naar Beukoeleii , 
waar zij den 2* April aankwamen en de volgende correspondentie 
plaats greep: 

A bord de la coYDctte royale Dolphyn en rade 
de Benkoeloe ^ Ie 2 Ai^ril 1825, 
Les Commissaires de la part du Gouvernement Neerlandois, a 
Teffet de prendre possession du Fort Marlborough et de toutes les 
possessions britaniques sur Tisle de Sumatra 

Monsieur John Prince, Resident etc. etc. 

au 

/ör/ Marlborough, 
Monsieur! 

Nous avous Thonneur de vour prévenir de notre arrivée en cette 
rade avec les navires royales la corvette Dolphyn et Ie schoener 
Zephyr k Teffet de prendre possession du fort Marlborough et toutes 
les possessions britaniques sur Tisle de Sumatra, conformément au 
traite conclu entre leurs majestés Ie roi de la grande Bretagne et 
dlrlande et Ie roi des Pays-bas eu date du 17 Mars 1824. 

Nous avous Tintention de debarquer demain dans la matinee apfès 
quoi nous aurous Phonneur de nous aboucher avec vous afin de 
prendre les mesures necessaires a Teffet de remplir notre commission. 

Nous avous Thonneur d'ctre avec parfaite consideration , 

Monsieur , 

Vos frès obeissants semiteurs , 
DE Stuers. 
Verploegh. 

To Colonel de Stuers & B. C. Verploegh, Esquire 
Commissioners on the part of His Majesty the King 
of the Netherlands, on board His Majesty 's Cor- 
vette Dolphin. 

Sirs, 
I have had the honor to receive y(^ur letter of this date announcing 
your arrival in these Roads in the National Corvette Dolphin for the 
purpose of executing on the part of His Netherlands Majesty the 
stipulation of the Treaty concluded with his Majesty the King of 
Great-Britain and Ireland, dated 1711» of Marck 1824. 
2"«'. I heg to express my satisfaction and to offer my congratulations 
OU your appearance in these Roads, and to inform you that the 
Master Attendant will conduct you safe on shore in the Honorable 
Company 's Accommodation Boat , so as to reach it half an hour after 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 527 

Divine Service, when I hope to have the honor of paying you my 
personal respect. 

I have etc. 
Fort Marlbrö, J. Prince, 

2»^ April 1825. acting Resident. 

Bij missive dd. 12 April 1825 lett. B N® 6 deelden Commis- 
sarissen aan den Gouv. Gen. mede, dat de plechtige overgave den 
ö'» te voren geschied was op het plein buiten het fort Marlborough , 
in tegenwoordigheid van alle hoofden en in het bijzijn der troepen 
van de beide Europeesche natiën. 

Dit sclirijven werd gevolgd door een rapport, gedagteekend 
Sumatra's Westkust 31 Juli 1825 lett. D N» 17. 

Het stuk verdient om dezelfde reden gekend te worden, als 
welke ik vermeldde voor de publicatie van l)u Puy's rapport dd. 
15 tluni 1819, namelijk wijl het eene authentieke bron is voor 
de kennis der toestanden van Benkoelen tijdens den terugkeer 
aan het Nederlandsch gezag, terwijl het bovendien den grondslag 
uitmaakt voor de na te noemen belangrijke beslissingen der ttcgeering 
ter organisatie van Sumatra's Westkust. Ik laat (hiarom het rapport 
hier volgen, zonder evenwel de daarin vermelde bijlagen, als voor 
ons doel van minder gewicht , weer te geven. 

Westkust van Sumatra, den 31 Juli 1825. 

Als een vervolg van het rapport wegens de overname van het Fort 
Marlborough , of de residentie Benkoeloe en onmiddelijkc onderhoorig- 
hedcn, gedagteekend den 12 April jl., L*" B., N« 6, hebben wij de 
eer, door dezen Uwe Excellentie een overzigt aan te bieden van 
den Staat dezer landen op het tegenwoordig tijdstip — de wijze van 
administratie tot dusverre onder het Britsch bestuur, — en den voet 
waarop wij eerbiedig voorstellen , dat het beheer dezer Residentie voor 
den vervolge worden geregeld. 

De staat van het land of desselfs bevolking in het algemeen is 
rustig, ofschoon het moeijelijk te bepalen is, welke de werkelijke 
geestgesteldheid zij ; eenlijk is de natuurlijke geneigdheid van het volk , 
tot personeele wraakneming, zoowel wegens ingebeelde als werkelijke 
beledigingen, van eene nadceligen invloed op de publieke veiligheid, 
en is het etablissement der politie steeds ontoereikend bevonden, om 
de misdadigers uit te vinden, veel minder dus het kwaad door de 
vigilantie der beambten tegen te gaan. 

Wij doelen hier niet dadelijk op het gebeurde, en ter onzer kennis 



528 ££N£ BUD&AOE TOT E. fi. KIELSTRA^S OPSTELLEN 

gekomene in verledene tijden, maar bepaaldelijk wat de ondervinding 
daaromtrent reeds heeft geleerd, sedert het tijdstip der overname. 

Om de oorzaken van dit kwaad op te sporen , zouden wij wijdloopig 
moeten zijn, en welligt in bespiegelingen vervallen, welke van geen 
dadelijk nut voor het tegenwoordig oogmerk zouden wezen; genoeg 
zij het dus te zeggen, dat de zedeloosheid der bevolking, en meer 
bepaaldelijk der eerste Hoofden en hunne naastbestaanden , en der- 
zelver omkoopbaarheid in de bedeeling van het regt, waardoor alle 
misdaden door de grooten gepleegd, steeds ongestraft zijn gebleven, 
de kanker is, welke aan de welvaart van dit land knaagt en waarvoor 
weinig hoop van herstel is, dan in de tijd. 

Het Justitie-wezen is in deze Residentie eene der gebrekkigste takken 
van het bestuur. 

De Pangerangs-raad , waarin de Resident voorzit doch geene stem 
heeft, is uit den aard harer inrigting, het instrument der grootste 
willekeur , dezelve heeft het regt over leven en dood , en de voorzitter 
bekrachtigd het vonnis. 

Alle Euroj>eanen zijn gehouden voor dezen raad te regt te staan — 
een beknopte Code der vigerende wetten is onder vertaling en zal 
nader door den tweeden teekenaar in deszelfs hoedanigheid van waar- 
nemend Resident het Gouvernement worden aangeboden, met eene 
voordragt tevens tot organisatie dezer regtbank naar de voor Neder- 
landsch Indiê gearresteerde wetten. 

De leden van dezen raad zijn: 

de pangerang Lingang Allam van Soengie Lainouw; 

de pangerang Radja Kalippa van Soengie Itam; 

Radja Daieng Mabeelah; 

de vier dato^s van Benkoeloe; 

de vijf dato's van Tengah Padang; 

de Kapitein en twee Luitenants der Chinezen. 

Aangaande het bestuur dezer landen in vroegere tijden, is zooveel 
gezegd en door den druk publiek gemaakt , dat wij ons daaraan moeten 
refereren om niet in repetitiën te vervallen van werkelijk vrij naauw- 
keurige opgaven, en dus daarop niets zullen aanmerken, als dat dit 
land onder de veelvuldige verschillende stelsels van administratie kan 
gezegd worden , onder eene altijd durende regeering van beproevingen 
gelaboreerd te hebben. 

Tot op het tijdstip van den overgang dezer landen tot het Neder- 
landsche Gouvernement , is de bevolking als het ware levendig gehouden 
door eene publieke uitgave van weinig minder dan een honderdduizend 
guldens *s maands — naar den gewonen loop van zaken verspreidde 
zich deze som min of meer onder alle de inwoners van en onmiddelijk 
in de nabuurschap van Benkoeloe. 

Door de onbeteugelde vrijheid der bevolking, van aard niet zeer 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 5£9 

naarstig, om al of niet werkzaam te zijn, tracht een ieder om op de 
gemaklijkstc wijze , en liefst zonder te werken aan den kost te komen: 
Het is (lus niet onbelangrijk hier aan te merken, dat de schok welke 
de overgang van het bestuur moet veroorzaken overgroot is , en op de 
gansche bevolking van aanmerkelijken invloed moet zijn. 

Met de betrekking tot de buitenposten van Moko Moko om de 
noord , tot Croeë om de zuid , kimnen wij eenlijk zeggen , dat door de 
vernietiging der peperculture, het eenigst natuurlijk product van het 
land, geschikt voor den uitvoer, op het, in het openbaar geprocla- 
meerde en hoogklinkend beginsel van vrije handel en vrije culture, 
alle bronnen van welvaart zijn verstikt, en niettegenstaande dat deze 
beginsels op een tijdstip zijn aangenomen, waarop dezelve dadelijk 
gezegd zijn ingevoerd te wezen, zijn dezelve genoegzaam terzelver 
tijd tegengewerkt door de bijzondere inzigten en belangens der refor- 
mateurs zelve en ten blijke hiervan strekke , dat aan de eene zijde de 
residenten en derzelver etablissementen op de buitenposten zijn in- 
getrokken , en aan de andere zijde in hune plaats inlandsche officieren 
zijn aangesteld , welke in himne personen even vreemd aan die landen 
waren, als de vorige Europesche Residenten, welke laatste in huime 
commercieele capaciteit ook weder door Europesche agenten (misschien 
van eenen minderen stempel) zijn vervangen , en welke tot het tijdstip 
der overname hebben bestaan. 

De inlandsche officieren met deze Europesche agenten genoten weinig 
minder, ofschoon onder verschillende benamingen, dan dezelfde in- 
komsten als de vorige Residenten , en ofschoon deze liberale beginselen 
met zooveel nadruk als ingevoerd zijn opgegeven, bestaan dezelve 
voornaamlijk op 't papier en weinig indedaad, hetgeen blijkt door 
de administratie van het digst bijgelegen district Laijes, hetwelk onder 
den Inlandschen Kapitein Raden Mahomed op denzelven voet, met 
de kennis van het Gouvernement , thans nog wordt bestuurd als te voren 
onder de Residenten. 

Ofschoon wij opzettelijk zullen vermijden aanmerkingen te maken 
op het vorig bestuur, zoo is het echter noodzakelijk de zaken in hun 
waar daglicht te stellen, alzoo hier veel voor Europa is geschreven, 
terwijl menschen bevoegd om over de omstandigheden met kennis van 
zaken te oordcclen, de overtuiging hebben van het tegenovergestelde 
der opgegevene bestaandens. 

Het rapport wegens de Staat der Zamenleving onder de Inlandsche 
bevolking van Benkoeloe en Onderhoorigheden , gedateert October 1815, 
te vinden in het eerste deel der verhandelingen van het landbouw- 
kundig Genootschap van Sumatra, bevat aantijgingen tegen den Com- 
missaris Ewer wegens de intrekking der Residenten op de buitenposten , 
de contracten voor de leverantie van peper en de hooge prijzen, 
welke daarvoor werden toegestaan, en in datzelfde rapport wordt aan 



530 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

het einde gewag gemaakt van de recente verandering in het stelsel 
van bestuur, hetwelk in den volstrcksten zin met dezelfde bewoor- 
dingen als de aantijging tegen den Commissaris Ewer gebezigd, kan 
worden gelogenstraft. 

In het vijfde paragraaph van het document, bevattende de Organi- 
satie dier bui ten-etablissementen dd° 22 Mei 1820, wordt gezegd «dat 
de bevolking thans aan het onmidlijk bestuur hunner eigene Hoofden 
wordt overgedragen,» en in dien geest is het gansche stuk ingerigt, 
dat men zou moeten geloven dat door de intrekking der voor de 
Compagnie zoo kostbare Europeesche Ambtenaren op de buitenposten , 
de natuurlijke Hoofden van het land waren opgetreden in het bestuur 
waarin zij te voren als secondaire beambten hadden gefungeerd, doch 
geheel verschillend van dit, zijn de Europeesche ambtenaren ver- 
vangen door inlandsche officieren van een te voren bestaan hebbend 
Boeginees Corps, en, in hunne coramercieele hoedanigheid, door 
gimstelirigen van den Chef van het bestuur. 

De benaming van dit Corps alleen duidt aan, dat hetzelve uit 
vreemdelingen heeft bestaan , en met betrekking der officieren , is zulks 
ook strict waar. 

Deze officieren, afstammelingen der Bocgineesche familie vanDaieng 
Mabeelah, en der Madurasche prinsen, voorheen als vlugtelingen hier 
aangeland , zijn de Hoofden , welke aan de bevolking zijn gegeven , 
om als door hunne eigene hoofden geregeerd te worden , en in werkelijk- 
heid zijn deze menschen even vreemd aan de bevolking van Croëe, 
Manna, Saloemah e. a. als de Europeesche ambtenaren bevorens waren 
dewelke daarenboven nog het voordeel hadden, van door eene meer 
beschaafde en Europeesche opvoeding, en de hoedanigheid zelve van 
Europeanen, meer op het volk te vermogen, dan deze inlandsche 
Hoofden, die behalve de roode uniform, niets imposerends bezaten. 

Wat hiervan zij, deze eerste Hoofden zijn sints den 1^*^ Maart jl. 
ingetrokken , en zoodanig hebben wij dezelve bij de overname bevonden ; 
een gedeelte der etablissementen echter bestaande uit een vaandrig, 
en eenige weinige manschappen, eigenlijk niets anders als politie- 
dienaren, zijn op ieder der buitenposten, tot nu toe gecontinueerd. 

Wij hebben de eer Uwc Excellentie eene staat aantebieden van 
het Boeginees Corps (Bijlage L» A.) zoodanig als zulks ons is mede- 
gedeeld, en tot den eersten Maart 1825 bestaan heeft, en waarop wij 
nog aantemerken hebben, dat de manschappen van dit korps, meest 
slaven en pandelingen der inlandsche officieren waren. 

En aangezien de ondervinding geleerd heeft ('t welk wij uit vrij 
authentieke rapporten voor zeker houden) dat deze officieren zoowel 
in hunne personen als door hunnen aanhang steeds lastige en gevaar- 
lijke sujetten woox de politie zijn geweest , zoo beschouwen wij het 
onvermijdelijk noodzakelijk Uwe Excellentie eerbiedig in consideratie 



OVER sümatra's westkust. 531 

te geven, om alle deze officieren, als supernumerair bij de troepen 
te dezer kust gestationeerd intelijven, met vrijlating aan de Kapiteins 
en oudste Luitenants , welke van de Engelsche Compagnie pensioenen 
erlangen om al of niet daaronder begrepen te worden. 

De handel , welke voorheen van noemwaardig aanbelang was , is thans 
geheel verlopen. 

De monopolie der compagnie en derzelver dienaren, welke bij de 
vrijverklaring dezer Haven gezegd is ingetrokken te zijn , heeft nimmer 
opgehouden te bestaan. 

Deze bezitttingen , thans onder het Nederlandsch Goevemement 
gebracht, moeten noodwendig op eene gelijke schaal van voorrechten 
k« )men , als alle andere en daar gevolglijk vrije handel en vrije culture 
niet door de bijzondere belangens van 'sLands ambtenaren kunnen 
worden belemmerd, mag men met eenigen grond afleiden dat de 
behoeften der bevolking, welke voor de gansche Residentie op 60.000 
zielen (waaronder die der binnenlanden niet berekend zijn, als te 
voren onder Palembang gehoord hebbende) wordt geschat, en de 
producten, welke eigenaardig aan het land zijn, doch waarvan de 
culture slechts ten achteren is naar de comparative belangrijkheid van 
het land , genoegzaam voordeelen voor den speculateur zullen opleveren. 

De Landbouw, welke door het vorig bestuur is aangemoedigd in de 
onmiddelijke nabuurschap van Benkoeloe, kan met betrekking tot de 
specerijen gezegd worden, in eenen voordeelig^n staat te zijn ; omtrent 
de rijst-culture zijn de pogingen tot verbetering veelvuldig geweest, 
doch de ondankbaarheid van den grond is steeds de grootste obstacle 
geweest tegen den goeden uitslag. 

Wij hebben de eer onder bijlaag La B. een afschrift aan te bieden 
van het laatste rapport van het Landbouwkundig genootschap, het- 
welk nog niet in het licht Is gegeven , en uit dien hoofde niet onbelangrijk 
is, wij voegen daarbij een extract uit het rapport d.d. 9 Februari 1821 
bevattende de begrooting van het voortbrengsel der specerij plantagien 
van 182 1 tot 1825, en ten bewijze dat die commissie zich niet weinig 
vergist heeft in het werkelijk product is daarbij tevens gevoegd eene 
staat der werkelijk uitgevoerde specerijen gedurende genoegzaam dat- 
zelfde tijdvak, hetgeen de beste basis is, voor de berekening van het 
voortbrengsel, in het toekomende (zie Bijlagen I-^ C. en D.) 

Door de afschaffing van alle regten op den in- en uitvoer van koop- 
manschappen of producten, is de Residentie Benkoeloe in stede van 
in welvaart toetenemen, zichtbaar achteruitgegaan, ofschoon men 
door die maatregel heeft gehoopt, den handel van Padang af te 
trekken. 

Een reglement voor de heffing der inkomende en uitgaande regten, 
't welk ons is in handen gekomen, hebben wij de eer, tot speculatie 
hierover te leggen onder Bijlaag La E. (Hierbij zijn tevens gevoegd 5 



532 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

bekendmakingen D» E, N°. i a 5, bevattende gedetacheerde pro- 
visioneele bepalingen, omtrent de inkomende en uitgaande regten tot 
speculatie). 

De inhoud daarvan duidt aan, dat zulks te voren voor Padang was 
ingericht, doch geheel hetzelfde zijnde, als voor deze plaats ter dier 
tijd bestond, diene zulks tot toelichting van vorige bestaandens. 

Wij regretteeren zeer, niet in het bezit te hebben kunnen komen 
van de registers van in- en uitvoer , ten einde door authentieke stukken 
te bewijzen, hetgeen wij hier avanceeren en met zekerheid durven 
opgeven. 

De aanvoer van opium schijnt volgens de zekerste opgaven in de 
laatste jaren het getal van 50 kisten *sjaar niet te hebben overschreden, 
waarvan een vierde onder de bevolking wordt geconsumeerd en drie 
vierde, met de Boegineesche praauwen, welke gewoonlijk in de maanden 
Julij en Augustus aankomen, weder werd uitgevoerd. 

De inkomende en uitgaande regten hebben, volgens de accuraatste 
opgaven van onderscheidene personen, nimmer meer dan 10 a 12 
duizend ropijen 'sjaars bedragen, doch wanneer men daarentegen in 
aanmerking neemt, dat alle de compagnies- ambtenaren zelve koop- 
lieden waren, en de voornaamste artikelen van inlandsche consumptie 
door de Compagnie zelve werden ingevoerd, en daarvoor gevolglijk 
geen regten zijn geheven, zoo is het onmogelijk, bij het afwezen van 
minutlijke opgaven der ingevoerde en uitgevoerde koopmanschappen 
of producten eene berekening te maken wat dit middel aan den lande 
zoude kunnen opbrengen. 

De conclusie hierop te maken is de vergelijking van den tegen- 
woordigen financieelen staat der Residentie Padang met het tijdperk 
onder het Britsch tusschenbestuur onder welk de inkomsten nimmer 
meer dan zestig duizend Guldens hebben bedragen, hetgeen oiider 
het Nederlandsch bestuur evenwel tot circa zesmaal honderd duizend 
Guldens is gestegen. 

Behalve de inkomsten der pachten van de amfioen en sterke dranken , 
trok de Engelsche Compagnie dus geene directe voordeden als uit de 
inkopen van peper, welke altijd nog niettegenstaande de vrijverklaring 
van den handel door de gansche Residentie is gemonopoliseerd gebleven 
in de handen der gunstelingen van de Chefs van het bestuur, welke, 
onder den naam van contractanten, de werkelijke commmerciëele 
agenten der kompagnie waren. 

Volgens de accuraatste opgaven (want wij moeten herhalen, dat wij 
niet in het bezit zijn gesteld van de boeken waaruit wij zulks welligt 
zouden kunnen bewijzen, evenmin van eenigc andere archieven, als 
de handelingen sedert het bestuur van den Luitenant Gouverneur 
Rallies van den Jaar 18 18 tot 1824) is de gemiddelde opbrengst van 
peper der laatste twee jaren geweest: 



•» 



OVER SUAIATRa's WESTKUST. 533 

van Moko Moko 'sjaars Cwt. 541 — 2 

Laijc » 544 — 3 

Ngallam » 50 — > 

Salocma » 170 — i 

Manna & Cawour » 256 — 3 

idem witte Peper » 386 — 3 

Croëe » 295 — » 

van de Binnenlanden van Benkoclen . . » 295 — 2 

Totaal Cwt. 2539 — 3 

of Picols 2 131 : 14 

Deze peper, door de bovengenoemde agenten der Compagnie op de 
buitenposten ingekocht tegen 3 realen de 112 Engelsche ponden, of 
15 realen de Bahro, behalve 2^ reaal als toelaag aan de Hoofden, 
werd in de pakhuizen te Benkoeloe geleverd tegen 16 madras ropijen 
(de centweigt) 112 Engelsche ponden, zijnde dus daaronder begrepen 
de transport ongelden van de buitenposten. 

Onder de oorzaken der verminderde opbrengst van dit product kan 
als de voornaamste worden genoemd de onderdrukking waarover zich 
de planters zoozeer te beklagen hebben, zelfs tegen dezen lagen prijs 
steeds met moeite en dikwijls in het geheel geen e betaling ontvangen 
te hebben , en wanneer nog die betaling geschiede (alzoo die malversatie 
toch wel niet altijd kon plaats hebben) werden die reeds zoo verarmde 
planters in lijnwaden betaald, waarop twee k drie capitalen werden 
geprofiteerd. 

Hieruit moest notoir voortspruiten dat de cultuur der peper te niet 
moest gaan, en het product der nog gecultiveerde tuinen met weerzin 
door de planters werd afgevoerd. 

Wij hebben de bewijzen voor ons der aangehaalde daadzaken. 

Een der agenten, M^ Osbom, gedurende ons aanzijn op zijne reis 
van Saloemah naar Benkoeloe verdronken, laat uitgebreide en inge- 
wikkelde rekeningen achter met de planters van dat district, aan 
welken dezelve noemwaardige sommen gclds schuldig is gebleven. 

De Inlandsche officieren (van het ontbonden boeginezen Corps) 
welke op de buitenposten het hoogste gezag voerden, hebben allen 
uitgebreide uitstaande zaken met de planters van peper, en eengroot 
aantal brengen hunne reclames voor noemwaardige sommen in voor 
geleverde peper gedurende de laatste vier jaren ; de uitbetaling der 
tractcmcntcn van eenige voorname inlandsche hoofden had ook sints 
de laatste elf maanden niet plaats gehad; dit alles zijn bewijzen voor 
de onderdrukking waaronder de inwoners der buitendistricten hebben 
gezucht. 

Ter gelegenheid van den overgang van het bestuur , zijn successivelijk 
ter aanbieding hunner hulde aan het Nederlandsch Gouvernement de 



534 EENB BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA's OPSTELLEN 

meeste voorname hoofden der buitenposten naar de hoofdplaats 
afgekomen. 

Allen verzoeken uit eenen mond om onder de bescherming van 
een Europeesch ambtenaar , op elk der buitenposten , weder de pej>er- 
culture te mogen uitbreiden , en daartoe slechts de order te ontvangen , 
om onmidlijk de handen aan het werk te slaan, met het eenige ver- 
zoek echter, dat de hoeveelheid peperranken van elk huisgezin, van 
looo boomen gelijk voorheen, op 500 en de hoeveelheid te onderhouden 
boomen van een ongetrouwde van 500 op 250 ranken worde bepaald. 

Dezelfde bieden al dadelijk eene noemwaardige hoeveelheid peper 
te leveren aan, welke zij ronduit verklaren zich de moeite niet te 
hebben willen geven , van uit de verafgelegene dorpen , naar de monden 
der rivieren aftebrengen, uithoofde der onzekerheid van daarvoor be- 
taling te zullen erlangen. 

Ofschoon wij dit verslag hadden kunnen aanvangen met Uwe Excel- 
lentie aantebieden die documenten, waaruit zoowel de afstand der 
souvereiniteit dezer landen blijkt als alle de regten welke, uit welke 
oorzaken ook, aan het Gouvernement zijn afgestaan, bij de onder- 
scheidene bestaande contracten der inlandsche Hoofden, zoo hebben 
wij gemeend alle die contracten als voornaamlijk en oorspronglijk op 
de leverantie der peper doelende , ook bij de verhandeling der commer- 
cieele belangen dezer residentie te moeten te pas brengen, alhoewel 
die contracten de peper culture hebben vernietigd , welke in de laatste 
jaren zijn aangegaan. 

Wij hebben de eer Uwe Excellentie aantebieden de authentieke 
afschriften der natemelden stukken, waarop wij onmidlijk onze aan- 
merkingen zullen laten volgen. 

I". Een contract tusschen de Pangerang en proattins van Benkoeloe , 
en de vertegenwoordigers der Engelsche Oost-Indische Compagnie 
dd^ 14 April 1758. 

Naarvolgens dit contract werd de peper aan de Compagnie geleverd 
tegen piasters: 

10 p"^ Bahro van 5 c* w' hierbij 
I ten voordeele van den pangerang en 

\ ten voordeele van de proattins 

P" 11} of Ind. fl. 23 voor cc. 4J pikols. 

Deze betaling moet ten allen tijden ongenoegzaam zijn geweest 
voor het bestaan der planters, welke ongetwijfeld tot den aanplant en 
onderhouding van 1000 boomen hunnen ganschen tijd en arbeid 
hebben moeten besteden. 

Tusschen het tijdvak van den Jare 1758 tot 1802 hebben onder- 
scheidene veranderingen ook in de prijsbepaling voor de peper plaats 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 535 

gehad , welke wij echter met geene mogelijkheid hebben kunnen traceeren. 

Dit is intusschen zeker dat op zeker tijdstip de prijs van lo tot 15 
Sp* matten p*^ Bahro is verhoogd, en hiervoor werd dezelve, niettegen- 
staande de successieve bepalingen van hoogere prijzen, door de ge- 
protegeerden van den chef van het bestuur van de planters ontvangen. 

2° en 3°. Twee acten van overeenkomst met den pangerang Lingang 
Allam en Radja Brahim dd*^ 8 November 1802. 

Bij deze documenten wordt de prijs der te leveren peper, als 
gedwongen leverantie , in 's Compagnies pakhuizen bepaald op 30 
Sp* matten de Bahro, benevens eene toelage van 3 sp* matten p*^ 
Bahro , voor de pangerang , wijders hierbij tevens eene premie uitgeloofd 
voor de vrijwillige planters van peper tegen 50 Sp» Matten de ichx) 
boomen , in termijnen uittereiken , terwijl aan den Superintendent over 
deze vrijwillige aangelegde tuinen , Radja Brahim , eene maandelijksche 
toelage van 30 Sp* matten worden toegestaan, tot dat de pepertuinen 
in staat van productie zouden zijn, waarnaar eene gratificatie van 
twee soecoos (eene ropy) voor elk op de schaal gebrachte Bahro peper, 
in stede van alle bezoldiging zoude worden uitgereikt. 

Deze bepaling is de steen des aanstoots geweest van alle aantijging, 
jegens den Commissaris Mr. Walter Ewer , welke door deze voorschotten 
aan de peperplanters immense sommen gelds van de Kompagnie heeft 
verspeeld en welke men nimmer heeft kunnen rccouvreeren. 

4°. Een Contract met de Hoofden van het district Laije gedateerd 
18 Junij 1818. 

Bij deze overeenkomst wordt de pepcrculture vrij verklaard en de 
prijs der in 's Lands pakhuizen geleverde peper van drie realen op 
zes realen voor elke 112 Engelsche Ponden (c^ W'); wijders wordt de 
bevolking een hoofdgeld van twee realen voor ieder huisgezin 'sjaars 
opgelegd , en de dorps hoofden ieder acht realen 's maands toegelegd , 
terwijl de gebruikelijke toelagen aan de pangerang en mindere hoofden 
in volle kragt blijven, en bij voortduring worden geguarandeerd. 

Geene enkelde dezer bepalingen is tot heden ingevoerd; de peper 
wordt steeds tegen 15 realen de Bahro van 5 centweigts geleverd 
aan de eerste authoriteit te Laijc ; de cultivateurs worden als voorheen 
tot de culture van peper door gevangenis en boetens genoodzaakt. 

Het hoofdgeld is nimmer kunnen worden ingevorderd, alzoo de 
bevolking zich daartegen in massa heeft geopponeerd ; de dorpshoofden 
hebben nimmer hunne maandelijksche toelagen bekomen, doch de 
pangerang en de mindere Hoofden . hebben steeds als van ouds hunne 
emolumenten op de geleverde peper genoten. 

50 en 6°. Twee contracten tusschen den Luitenant Gouverneur Sir 
Thomas Stamford Raffles , en den pangerang Lingang Allam van Soengi 
Lamouw, en pangerang radja Khalippa van Soengie Itam, gedateerd 
den 4 Julij 18 18. 



536 EBNE BUDEAOE TOT E. B. KIBLSTEa's OPSTELLEN 

Bij deze contracten wordt de peperculture vrij verklaard. Het te 
leveren product tegen 30 dalers de bahro aangenomen; de bevolking 
belast met een hoofdgeld van twee dalers p^ huisgezin *sjaars; de 
uitgaande regten bepaald op drie dalers p^ bahro; de pangarangs een 
aandeel dezer uitgaande regten toegekend; de bestaande wetten en 
gebruiken geguarandeerd en gewijzigd; het bestuur over de landen 
van de pangerangs in de handen der Compagnie, ten gevolge der 
algemeene erkende suprematie bevestigd en verder afgestaan , de 
peperplanters derzelver schulden aan de Compagnie conditioneel kwijt- 
gescholden, onder de voorwaarden van onder de bepaalde belasting 
van het hoofdgeld begrepen te worden , en daarenboven 's jaarlijks een 
daler of 25 tó peper in afdoening hunner schulden op te brengen, 
terwijl almede aan de pangerangs aan welke eene maandelijksche 
toelaag wordt toegestaan, derzelver schulden bij de boeken der kom- 
pagnie worden kwijtgescholden. 

Ook deze contracten hebben geen effect gehad, verder dan de 
afschrijving der schulden van de Pangerangs en der planters, en dat 
aan de eerste hunne maandelijksche bezoldigingen geregeld zijn uit- 
betaald. 

Gelijk boven gezegd is, heeft de bevolking zich in Massa tegen de 
betaling van het hoofdgeld geopponeerd en wel op instigatie van de 
pangerangs zelven — toen het volk in groote meenigte voor de 
barrière verzameld was om den Heer Raffles in persoon te spreken; 
't welk dezelve (uit vrees voor eene scène gelijk als die der moord 
van den resident Parr) met behulp der sterke arm heeft afgewend, 
zond de heer Raflles eene boodschap , door middel van den Magistraat 
kapitein Methven aan den pangerang van Soengie Lamouw, onder te 
kennen gave dat nimmer van het hoofdgeld meer zoude worden 
gerept, indien hij slechts door deszelfs invloed het bergvolk van 
Rejang de nabijheid der hoofdplaats deed ruimen; — dit geschiedde 
bijna op hetzelfde oogenblik, en het gevaar was afgewend, met 
opoffering der goucle bergen, welke men zich van het hoofdgeld 
had beloofd. 

7*^. Een contract met de Hoofden van Passoemah Oeloe Manna 
dd. 23 Mei 18 18. 

Bij dit contract worden de berg volken van Passoemah Oeloe Manna 
onder de protectie der Compagnie gesteld, en gevolglijk alle de voor- 
deelen geguarandeerd , welke de overige bewoners der stranden , onder 
het Europeesch bestuur genieten. 

Dit gansche dcK:ument h(judt niets belangrijks in, en echter heeft 
men het zelve van zoo veel belang doen voorkomen, dat daarvan 
zelfs melding gemaakt wordt, in de officieële correspondentie tusschen 
H. H. E. E. de plenipotentiarissen der beide Gouvernementen , tijdens 
het sluiten van het Tractaat diV' 17 Maart 1824. 



OVER SUMATRA^'s WESTKUST. 537 

De omstandigheden, welke het sluiten van dit contract hebben 
vergezeld zijn, dat het onbeschaafde bergvolk van Passumah Oeloe 
Manna op dat tijdstip, evenals sedert onheugelijke tijden steeds 
hunne gewoonte is geweest, als roof benden naar de stranden w^aren 
afgezakt, en de dorpen der benedenlanden in geval van onvoldoende 
tegenstand bedreigden te plunderen, om 't welk tegen (e gaan, de 
Compagnie meermalen contracten heeft aangegaan, welke zelden 
langer zijn gerespecteerd als de herinnering aan de geschenken duurde , 
welke de hoofden van de bergvolken bij die gelegenheid steeds ont- 
vingen. Bij het aangaan van bovengenoemd contract, heeft hetzelfde 
plaats gehad; de heer Raffles heeft door goud de Hoofden van Pasoe- 
manah Oeloe Manna een contract opgedrongen, hetwelk voor hen 
niets verbindends vervat , doch alle voordeelen aanbiedt , en desniettemin 
door hen nauwelijks met goeden wil is aangenomen. 

8°. Een contract met de hoofden van Pasoemah Lebar dd" 21 
September 1818. 

Dit contract bevat genoegzaam dezelfde voorrechten, als aan de 
bergvolken van Pasoemah Oeloe Manna zijn toegekend , en heeft mede 
niets belangrijks of voordeeligs voor het Gouvernement, alzoo de 
bewoners dezer berglanden zich ten eenemaal onafhankelijk rekenen, 
zelfs van Palembang, aan wiens vorsten zij echter in vroegere tijden 
homage hebben bewezen. 

9". Een document , bevattende de preHminaire voorwaarden van een 
contract tusschcn de heer Thomas Stamford Raffles, Luitenant Gou- 
verneur van Benkoeloc, en de zendelingen van de Pasiera Ampat 
La wang en de Hoofden van Li n tang. 

De belangrijkheid van dit document bestaat hierin dat de persoon- 
lijke ambitie van den heer Raffles ten klaarsten hieruit blijkt, doordien 
bij dit contract protectie van wegc de Engelsch Oost Indiesche Compagnie 
wordt beloofd, zoowel tegen den Sultan van Palembang als tegen het 
Nedcrlandsch-Gouvernement. 

Het landschap Lintang, aan gene zijde van het voorgebergte (Boekiet 
Barissan) gelegen, 't welk als de grensscheiding tusschen Palembang en 
Bcnkoeloe wordt beschouwd , behoort ook als zoodanig onder het 
bestuur van Palembang, doch sedert de oorlog en verandering in het 
bestuur van dat gewest in de laatste jaren , hebben de verst afgelegene 
districten van de confusie der hoofdplaats gebruik makende , zich meer 
of min onafhankelijk verklaard, en de afschaffing daarnaar in naam 
van de Toekan Tieban en verandering dier belasting in den vonn der 
landelijke inkomsten (en werkelijk niets anders als een hoofdgeld 
hetwelk dorpsgewijze bepaald is) heeft hen geheel afvallig en wars 
gemaakt van het bestuur der Sultans van Palembang, en gevolglijk, 
van het Gouvenienient 't welk dat der Sultans heeft aanvaard. 

De nabijheid van Bcnkoeloe, het aanbod van de protectie der Com- 



538 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA^S OPSTELLEN 

pagnie, en verscheidene andere bijoogmerken hebben het geciteerde 
contract ten gevolge gehad. 

Zooals de zaken thans veranderd zijn, is het allerdoelmatigst dat 
dit landschap, zoowel als de noord en westelijk gelegen landen aan 
de rivier Moessie, onder Benkoeloe gehoore, en dit zal dan ook ten 
bekwamen tijd en plaats nader behoren te worden toegeligt, en defi- 
nitiveJijk geregeld, wanneer de belangen van Palembang onmidlijk 
met die der Westkust in aanraking zullen zijn gebragt. 

Gelijk in den hoofde dezes is aangemerkt, schijnt dit land sedert 
circa eene eeuw tijds onder een altijd durend bestuur van beproevingen 
gelaboreerd te hebben , hieruit zoude men moeten afleiden dat werkelijk 
het zuidwestelijk gedeelte van Sumatra als eene kostbare lastp>ost het 
bezit niet waardig was, waarvan de onvriendelijkheid harer kusten, ook 
veel bijdraagt. 

Wij zullen trachten , de werkelijke en natuurlijke resources van dit land , 
in hun waar daglicht voor te stellen, zpodanig als dezelve onder een 
liberaal Gouvernement, waar de vrijheid van handel en culture niet in 
naam , gelijk tot dus verre onder de Compagnie , maar in de daad bestaat. 

De werklijke vrije handel kan echter ecnlijk op de hoofdplaats Ben- 
koeloe bestaan; de onvriendelijkheid van de kust is zoodanig, dat geen 
particulier eenigc speculatie op de buitendistricten onder geene om- 
standigheden permanent zoude kunnen doen — ongerekend het groot 
etablissement hetwelk aldaar van landswcgc tot de protectie der hande- 
laren noodzakelijk zoude zijn. 

De peper, het voornaamste product van het land, is dus het artikel 
van handel, waarop het Gouvernement de aandagt te vestigen heeft, 
en wanneer men nu voor zeker aanneemt ('t welk wij niet betwijfelen) 
dat het product dezer residentie en onderhoorigheden van Moeco 
Moeco tot Croëe bevorens meer dan 2000 (twee duizend) tonnen of 
3000Ü pikols peper heeft bedragen, 't welk niet dan door de agenten 
van het Gc^uvernement van de planters kan worden ontvangen, 

I**. omdat het Gouvernement steeds een etablissement op de buiten- 
posten moet onderhouden, aan welke de surveilance over de peper 
culture bijzonder moet zijn opgedragen. 

2^ dat daaruit al dadelijk volgt dat dat etablissement een twee- 
ledige nuttigheid heeft, namentlijk: de instandhouding van orde, en 
de bevordering der welvaart van het land ; 

3** dat de ongenaakbaarheid (op sommige tijden van het jaar) der 
kusten en de onzekerheid van het product te bekomen, het voor een 
particulier onmogelijk maakt, van permanent een etablissement voor 
den peperhandel met de buitendistricten te onderhouden, terwijl het 
transport te land te kostbaar en te moeijclijk is , en alweder voor 
een particulier niet vol te houden is, uithoofde de geringe bevolking 



OVEE SUMATRa's WESTKUST. 539 

hem geenc adsistentie kan aanbieden, zelfs tegen ruime betaling, 't 
welk zijn gansche speculatie zoude verijdelen , en welke omstandigheid 
zelve, voor het Gouvernement, ofschoon oneindig minder, dan voor 
een particulier, niet alleen kostbaar maar moeijelrjk is, uithoofde 
ook voor deze transporten permanente etablissementen moeten worden 
aangehouden, zoo volgt hieruit dat zonder een monopolie te retablis- 
seeren 't welk te zeer tegen den geest van den tijd aandruischt en 
dus den handel in peper behoort vrij te worden gelaten, voor een 
ieder, zoodanig als zulks thans in naam bestaat, en desniettemin de 
peper op alle de buitenposten door de posthouders voor rekening 
van den lande kan worden opgekocht tegen den bepaalden prijs van 
drie Sp* Matten of Ind fl. 6 voor elke 112 Eng. Ponden, behalve 
de gewoone toelage aan de hoofden van 5 guldens p*^ bahro — de 
posthouders de culture met klem behoren nategaan , en ter voldoening 
aan het eenparig verlangen, van alle de hoofden, deze teelt weder 
aan te moedigen , op eene verminderde verpligting voor elk huisgezin , 
in stede van 1000 boomen als voorheen slechts 500 peperranken te 
planten, terwijl de ongetrouwden, met 250 zullen kunnen volstaan. 

Niet alleen het voordeel voor den lande, hetwelk hieruit is te 
berekenen , en hetwelk wij op een niet zeer vcr>\'ijderd tijdstip durven 
voorzeggen, van de onkosten der etablissementen genoegzaam te 
zullen dekken , zoo is de werkelijke rust en welvaart der bevolking 
met instandhouding en weder aanmoediging der peper culture ten 
naauwste verbonden. 

De natuurlijke onwerkzame geneigdheid der bevolking leidt tot 
volslagen ijdelheid, wanneer het bestuur gecne leiding geeft aan derzelver 
werkelijke middelen en de gevolgen der zoogenaamde vrijheid, welke 
aan de bevolking is teruggegeven, door hen van de peperculture af 
te trekkea zijn geweest, dat niettegenstaande wat men tot het contraire 
moge prctendceren , de bevolking is venninderd, verspreid, en een 
noemwaardig aantal uit werkelijk gebrek zich als schuldenaars tot 
slaven hebben gemaakt. 

De peperculture, zoo als dezelve thans veragterd is, zal natuurlijk 
eenige jaren noodig hebben, om zich weder op te beuren, doch het 
is tevens zeker dat, daar de bevolking met die teelt volkomen bekend 
is. er dus geene van de obstacles zullen voorkomen als welke men 
zoo menigmaal elders met de koffijculture heeft ondervonden. 

Eenige weinige oude tuinen zijn nog in staat van weder voort- 
brengend te kunnen worden gema<ikt, en het aanleggen van nieuwe 
tuinen is dus noodzakelijk, en ten bewijze dat de meeste hoofden 
daartoe vurig genegen zijn, zoo hebben reeds eenige werkelijk aan- 
gevangen met t(^ebercidselen tot het aanleggen van nieuwe tuinen te 
maken, en de oude van het onkruid te zuiveren, zoodra zij slechts 
hebben bespeurd, dat het Nedcrlandsch Gouvernement genegen is. 



540 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTBJL's OPSTELLEN 

de welvaart van het land te bevorderen, door gebruik te maken 
van de werkelijk aanwezige ressources in hetzelve in tegenoverstelling 
van de invoering der culture van uitheerasche producten, en het doen 
van experimenten van allerlei aard, als onder het vorig bestuur heeft 
plaats gehad, en waaronder die van het forceeren der rijstculture kan 
genoemd worden. 

Het is tastbaar voor den oppervlakkigsten beschouwer, dat de rijst- 
culture in de nabijheid van Bengkoeloe, ofschoon in den omtrek van 
Bentuan zeer fraaie velden gevonden worden, met geen voordeel 
uittebreiden is, en daarentegen eenigsints de gesteldheid van het land, 
en de relatien tot de nabuurige streken nagaande, vindt men dat de 
noordlijke en zuidlijke districten overvloedig rijst opleveren, terwijl in 
het gebergte hetzelfde voordeel gevoegd bij eene comparatieve groote 
bevolking te vinden is : wat was dus natuurlijker als dat het voormalig 
bestuur in stede van een duizendtal bannelingen, sterke robuste menschen, 
van het vaste land van Indië aan particulieren te geven voor huis- 
houdelijke diensten (waartoe genoeg menschen van het land te ver- 
krijgen waren) en het aanleggen van kleine plantagiën, zelts veel van 
rijstvelden — deze bannelingen had gebezigd tot het aanleggen van 
groote wegen naar de binnenlanden, en zoo aldaar voor termen tot 
het contrarie mogten bestaan, welke wij echter niet kunnen uitdenken, 
dan had men ten minsten om de noord en om de zuid eenige soort 
van wegen kunnen maken, waarvan thans niets bestaat, en men met 
levensgevaar van de eene plaats naar de andere moet reizen. 

Door het bestaan dezer groote wegen, had men met karren of last- 
dieren de producten (wij bedoelen voornamelijk de rijst) kunnen af- 
voeren en daarmede het groote doel bereikt van dit land van deszclfs 
eigen ressources te doen bestaan. 

Indien wij d(jor boven geciteerde (om niet langwijlig te zijn beperkte) 
aanmerkingen, den staat dezer landen, in een eenigsints minder on- 
voordcelig dagligt hebben voorgesteld als zulks gewoonlijk afgeschilderd 
en bekend is , dan is het werklijk ter oorzaak , dat wij doordrongen zijn , 
dat het land zekere ressources bezit , waarvan geen gebruik is gemaakt 
of liever waarvan geen nut te trekken was , onder de administratie van 
eene Compagnie, waar een ieder er op uit is, om fortuin te maken, 
en hoe eerder dat but bereikt is zoodanige ambtenaren naar de 
terugreis uitzien, om door een nieuwe gunsteling van een der bewind- 
hebbers der Compagnie met hetzelfde oogmerk vervangen te worden. 

Wij zullen thans overgaan om Uwe Excellentie, met terzijde stel- 
ling voor het oogenblik, van alle verdere beschrijving en oordeelvelling, 
zoowel der politieke als financieele zaken betrekkelijk deze landen, 
waartoe eene meer grondige kennis en onderzoek gevorderd wordt 
dan ons kortstondig verblijf alhier heeft toegelaten, en hetwelk alzoo 



OVEE SUMATKA^S WESTKUST. 541 

vooreerst jnoet worden opgeschort , de maatregelen voortestellen , welke 
wij eerbiedig mcenen, dat voor het beheer der Residentie Benkoeloe 
en onderhoorigheden onraidlijk kunnen worden geadopteerd. 

De politieke gesteldheid van het land vordert geene dadelijke con- 
sideratie; de geographische ligging der residentie Benkoeloe, ofschoon 
over 't algemeen, tot bevordering van eenheid in het bestuur der 
Westkust, daarvan een gedeelte moetende uitmaken, vordert dat al 
wat het inwendige der administratie aangaat , en de relatiën tot Palem- 
bang en de Lampongs, onafhankelijk van Padang, alhoewel com- 
municatif met den chef van het bestuur ter Westkust van Sumatra, 
zal behoren te worden behandeld , aangezien de verschillende aard der 
bevolking en de bijzondere relatiën der uitgestrekte buitenposten 
onmogelijk aan het overzigt van den Resident van Padang onder- 
worpen kunnen worden. 

Het Justitiewezen is in vergelijk van Java zeer gebrekkig ingerigt, 
doch daar alle de Hoofden het grootste belang hebben bij het voort- 
durend bestaan der tegenwoordige regtspleging , welke hen een inkomen 
verschaft uit de boeten welke zij zelve vrij willekeurig opleggen, zoo 
is het ons raadzaam voorgekomen, het onderzoek af te wagten 
waarop in den hoofde dezes is gedoeld en 't welk door de vaststelling 
van een raad van Justitie voor deze kust (door *t bestaan van welk 
collegie thans het grootste voordeel wordt te gemoct gezien) van nut 
zal kunnen zijn, tot het zamenstellcn van bepaalde wetten voor de 
bedeeling van het regt ; en gevolglijk hierin vooreerst geene verandering 
voor te stellen, alzoo de wetsbepalingen veelvuldig genoeg zijn, doch 
de applicatie derzelvc meenigmaal botsingen ontmoet in de gewoonten 
der maleijers, waardoor dezelve, hoe doelmatig ook, dikwijls geheel 
zijn ter zijde gesteld. 

Ten aanzien der financiën daarentegen is het ons noodzakelijk voor- 
gekomen, en hebben wij de eer naar aanleiding van het deswegens 
reeds aangehaalde, Uwe Excellentie voor te stellen: 

I**. Om onmiddelijk de belastiging der inkomende en uitgaande 
regten, alhier in te voeren op het reglement, deswegen voor Padang 
bestaande hetwelk, ofschoon voor herziening vatbaar en welk hoogst 
noodzakelijk onderzoek thans onder behandeling is, in deszelfs geheel 
kan worden geïntroduceerd, alzoo ons niets, om het contraire aan te 
bevelen, is voorgekomen, evenmin als tegen de invoering der belas- 
tingen op het klei f i zegel, 's Heren geregtigheid , op de collaterale successen , 
het vendu'departement enz. alle op de voor Nederlandsch-Indie be- 
staande Reglementen. 

2" Dat naar aanleiding van hetgeen ons is gebleken als tevoren 

bestaan hebbende (bijlagen La. P & Q), de uitgaande regten op de 

specerijen worden bepaald op 5 pCt. der Bataviasche marktprijzen, 

telkens 3 maanden te bepalen en die der peper op drie Sp^^. Matten 

5i' Volg?". X. 36 



542 EENE BTIDRAGE TOT E. B. KIELSTRA^S OPSTELLEN 

of Ind. /6. — de bahro of Ind. f i-i5 p"*. pikol zwarte peper, & Ind. 
f2. — pr. pikol witte peper. 

30. Dat de alleenhandel van het zout almede onmidlijk worde in- 
gevoerd, voor zoover de aanvoer van buiten van dat artikel betreft, 
doch dat hierbij wel uitdrukkelijk bepaald worde dat (de zooveel ergernis 
en haat tegen het gouvernement verwekkende restrictie van) het aan- 
maken van zout, op deze kusten, aan een ieder voor eigen consumptie 
wordt vrijgelaten *. 

4<* Dat met vrijlating van den handel en culture der specerijen, en 
der peper in 't algemeen, het laatstgenoemde artikel op de onder- 
scheidene buitenposten voor rekening van den lande tegen dadelijke 
betaling worde ingekocht, tegen Ind: f30. — de bahro, van 560 Eng: 
ponden , behalve de toelaag aan de hoofden van Ind : fl. 5. — p"^ bahro , 
hetwelk alzoo cc. f35. — voor 4J picol peper uitmaakt, en dat bij 
periodieke publieke veilingen, overtelaten aan het oordeel en discretie 
van den resident, deze peper ter hoofdplaats worde van de hand 
gezet, wanneer daarvoor genoegzame prijzen te bekomen zijn. 

5° Dat de cultures, voornamelijk der peper, door de voorhanden 
middelen, namenlijk den goeden wil en het eenparig aanbod van 
alle de hoofden , weder worde aangemoedigd en uitgebreid , op het be- 
ginsel dat slechts 500 peperranken door een huisgezin, en 250 door 
een ongetrouwd landbouwer , zullen behoeven te worden onderhouden , 
instede van het dubbeld getal, gelijk voorheen, doch dat ook deze 
bepaling naar oud gebruik worde opgevolgd, en met eene gepaste 
strengheid, door de op elke buitenpost gestationeerden posthouder, 
worde gecontroleerd. 

6*^ Dat op grond van hetgeen te voren op onderscheidene tijd- 
stippen onder het Britsch bestuur met succes heeft plaats gehad, en 
alzoo de balans van den handel vooralsnog tegen deze plaats is, 
en gevolglijk het ziivergeld steeds door den gedurigen uitvoer schaars 



' Het is noodzakelijk dat wy hier ondubbelzinnig verklaren dat wij de over- 
tuiging hebben, dat de verbittering, welke deze restrictie bij alle maleijers verwekt, 
uiterst groot is, daar zij ons toevoegen, dat men hun het gebruik beneemt van 
hetgeen de natuur hun mildelyk aanbiedt. 

Overigens moet in het voordeel vaii de zaak gezegd worden dat de geogra- 
phische ligging van dit eiland de aanmaak van zout bijna geheel belet, uithoofde 
der gedurige regens, veroorzaakt door de ongestadigheid van het saisoen, 't welk 
bij elke nieuwe en volle maan verandert. 

De aanmaak van zout geschiedt voornamelijk door het verbranden van hout- 
stapels, welke onophoudelijk met zoutwater bcsproeijd worden; en deze wijze van 
zout te maken is niet alleen zeer kostbaar en duurder, dan waarvoor hetzelve 
in 's landspakhuizen verkrijgbaar is gesteld , doch hetzelve is bitter en van eeno 
onaangename smaak. 

Om de noord wordt het zout ook op eene kostbare wyze door koking van het 
zeewater verkregen. 



öVer sumaïra's westkust. 543 

is, hier het gebruik der papieren muiU^ onmidlijk worde ingevoerd, 
en tevens de Indische Gulden de standaardmunt wordt, in stede 
van de madras ropy , welke volgens het bestaande tarief, bijlaag L*^ R , 
zeer is gedeprecieerd ^ 

7** Dat provisioneel, het personeel voor het bestuur dezer residentie 
en onderhoorigheden , wordt bepaald naar den staat , welke hierbij > 
onder bijlaag L' S. wordt aangeboden ^. 

8** Dat de begrooting van inkomsten en uitgaven, behoudens de 
wijzigingen, welke omstandigheden daarin noodzakeUjk mogten maken, 
voor den dienst van dit jaar mag worden gearresteerd , zooals dezelve 
onder bijlaag \J V. bij deze is overgelegd. 

Ten slotte hebben wij de eer, Uwe Excellentie aantebieden twee 
bundels der gewisselde correspondentie met den Britschen commis- 
saris, ter overgave van alle britsche bezittingen op Sumatra, waaraan 
eerbiedig verzoeken, ons te mogen gedragen, voor de details onzer 
handelingen (bijlage W en X). 

De Commissarissen ter Overname 
der Britsche Bezittingen^ 

Verploegh. De Stuers. 



Eerst vier maanden later dienden Commissarissen mede een 
rapport in over de tot het Nederliuidseh gezag teruggekeerde Tapa- 
noelische landschappen. 

Ook dit rapport, gedagteekend Sumatra's Westkust 30 November 
1825, Lett. F N". 22, is van belang en laat ik hier volgen: 

Westkust van Sumatra, den 30 November 1825. 

Wij hebben de eer Uwe Excellentie bij deze rapport te maken 
aangaande de staat der nieuwlings ingelijfde bezittingen ter dezer 
kust, gelegen ten noorden van Padang en waarvan de hoofdposten 
zijn Aijer bangics , Natal en Tappanoelif, 

Door deze uitbreiding van grondgebied is het gezag des Gouvernements 
tans over de gansche westkust van Sumatra verzekerd tot Baros om 
de noord; ongeacht dat de bewoners der kust tusschen Tikoo en 



' Wcswegen wij voorstellen dat (ook met inzigt om dubbele en onnoodige 
moeijelijke transporten van Padang voor Ie komen) direct van Batavia eene som 
van honderd duizend guldens papieren geld en vijftig duizend guldens kopermunt 
naar Benkocloc worde verzonden. 

* Hierbij wordt tevens tot speculatie overgelegd: eene betalingsrol van het 
afgetreden bestuur, uit de vergelijking waarvan zal blijken, de economie welke 
in dezen is in het ooggehouden (Bglaag L>. T). 



S44 £EN£ BIJD&AQ£ TOT £. B. KI£LSTRa's OPST£LtE^ 

A^'et bangtes door de onlusten in de binnenlanden zich min of meer 
onder den invloed der Padries rekenen. 

Aifer barigies gelegen in eene fraaije en veilige baai en aan eene 
rivier welke 8 a lo uren binnen lands bevaarbaar is voor vaartuigen 
van 6^8 voeten diepgang, was voorheen en tijdens het bestaan 
der Nederlandsch Oost-Indische Kompagnie, wier agenten sints 
onheugelijke tijden hier gevestigd zijn geweest, eene plaats van noemens- 
waardig belang voor den handel. De naburige binnenlanden van 
Agam en Raauw bevatten, behalve eene groote bevolking, de voor- 
naamste goudmijnen van Simiatra. 

Thans is deze bezitting, ofschoon nominaal tot grenzen hebbende 
Oejong massang om de zuid en Laboean loeloe of Batoe Koedan om de 
noord, gereduceerd tot eene kampong van 50 tot 60 huizen op de 
vaste wal, en eenige verspreide gehuchten op de naburige eilanden; 
afgesneden van alle binnenlandsche communicatie door de steeds 
voortdurende fanatieke beroeringen onder de bevolking, is deze haven 
geheel nietig voor den handel, doch daarentegen zeer belangrijk als 
eene militaire pyost, uithoofde der nabijheid van eene der hoofdzetels 
der Padries secte namelijk Alahan panjang of Bonjol (de naam der 
kampong welke circa 12 uren binnenlandsch gelegen is op die rivier 
welke zich door twee armen in zee uitstort te Katiagan en Massang). 

Het Inlandsch bestuur van Aif'er bangtes bestaat in den Towanko 
en vijf Panghoeloes, welke, gepresideerd door den civielen ambtenaar, 
den landraad uitmaken, welke kennis neemt van alle civiele en 
criminele zaken, waarvan die van eenen capitalen aard te voren naar 
den Rcsidentsraad van Natal en nu voor den vervolge naar dien 
van Padang zullen verwezen worden. 

Deze hoofden zijn in het genot van geringe pensioenen voor den 
afstand hunner regten op den handel enz., waarin dezelve zijn ge- 
continueerd voor een gezanientlijk bedrag van Indisch f76.20 'smaands 
waarvan de verdeeling is: 

aan Towanko moedo Ind. f 33.10 St. 

» Radja Poetie » - 10. — » 

» Datoe Simponno » - 8.10 » 

» » Bilangan » - 8.10 » 

» » Ammat » - 8.10 » 

» » Taddoeng » - 8.10 » 

Ind. f 76.20 St 

De voortbrengselen van dit land zijn stofgoud , kampher, dammer , 
rotting en divetse goede houtsoorten, waarvan de voornaamste zijn het 
kampher- en marabouwAïOMi, 

Er zijn hier hoegenaamd g^^no publieke inkomsten ; de pacht der 
opium is het eenige middel 't welk onder den tegenwoordigen staat van 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 545 

zaken zoude kunnen worden ingevoerd, terwijl het debiet van zout, 
bij eventuele wederopening der communicatie met de binnenlanden, 
van eenig belang zal kunnen worden, wanneer door gepaste middelen 
den aanmaak van zout aan de stranden in de nabijheid van Aijer 
bangies, anders dan voor eigen consumptie der strandbewoners , 
wordt belet. 

Het etablissement voor dezen post is provisioneel bepaald op: 

Eén civiel en militair kommandant; 

Eén klerk; 

Eén maleisch schrijver: 

Drie oppassers. 

Nat al (eigentlij k Naiar), Deze bezitting heeft tot grenzen Batoe 
Koedam om de zuid en Batoemoendam om de noord en ten oosten 
het distrikt van Lingoha^a, circa 8 uren landwaarts gelegen aan de 
rivier welke zich te Natal in zee stort. 

Deze post, voorheen door de Engelschen gevestigd tot afbreuk 
van den handel der Nederlandsche Oost-Indische Kompagnie te A^er 
hangteSy is door de natuurlijke ligging en opene gevaarlijke rhede 
alsints ondoelmatig voor den handel gesitueerd. 

Door de voorbeeldeloze verspreiding van den invloed der Padries 
zijn mede de gansche binnenlanden van Raauw en Mendaheeling , en 
welke eene zeer grootte bevolking bevatten, van alle communicatie 
afgesneden, gevolglijk is ook hier den voorheen zeer uitgebreiden 
handel tol niet gegaan en zijn deze landen , zoowel als Aijer bangies , 
verstoken zelfs van alle middelen tot levensonderhoud voor de be- 
volking, welke andersints rijkelijk in de binnenlanden worden voort- 
gebragt en thans van buiten moeten worden ingevoerd. 

Als eene militaire post is dus het Fort tot bescherming van Natal 
en de onderhorige districten van Batahan om de zuid , Lingobaija om 
de oost en Singkoean om de noord, benevens de daar tusschen lig- 
gende kampongs, waarvan de gezamentlijke bevolking op ruim 12,000 
zielen wordt begroot, in zoo ver van aanbelang. 

Doordien hier evenmin als te Benkoeloe door het afgetreden Britsch 
bestuur eenige overgave is gedaan van de archiven waaruit zulks zoude 
kunnen blijken (niettegenstaande deswcgen ter bekwamer tijd de noodige 
afvrage is gedaan) zijn wij niet in de gelegenheid eene accurate opgave 
te doen van de werkelijke ressources dezer landen, in vroegere en 
voor den handel en de bevolking gelukkiger tijden. 

Eene in handen gekomene opgave der in- en uitgevoerde goederen 
en producten te Natal gedurende de jaren 181 7 — 18, 1818 — 19, 
1819 — 20, 1820 — 21, hebben wij de eer bij deze overteleggen (bij- 
laag Ijl A.) 

De voornaamste produkten dezer landstreek zijn peper, circa 2000 
a 3000 pikols, stofgoud, circa 50 katties, kampher, circa 14 è 16 pikols 



546 BENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA^« OPSTELLEN 

'sjaars; voorts roting en verscheidene goede houtsoorten, als JI/flr<7Ó<?ww- 

en kampherA\OM\.. 

Het inlandsche bestuur van Natal bestaat uit een Tozvanko en zes 

Dato*Sy welke benevens den Towanko van Lingobaija den landraad 

uitmaken, waarin de eerste civile autoriteit presideerd. 

De bestaande verordeningen aangaande de bedeeling van het regt 

zijn gegrond op de overlevering van oude lands-gebruiken , welke in 

vele opzichten, ofschoon oorspronkelijk door de Koran voorgeschreven , 

daarvan afwijkende zijn. 

De Hoofden, welke voor den afstand hunner regten op den handel in het 

genot zijn bevonden en gecontinueerd van pensioenen zijn de volgende : 
Towanko Bezaar van Natal .... Ind. f 66.20 
Towanko Sambah van Lingobaija . . » - 66.20 
Radja Mangoeijang van Soeboejong . » - 10. — 
Radja Indamara van Singkoeang . . » - 10. — 

Totaal *smaands Ind. f 153.10 St 
Overigens hebben de zes Dato's of Panghoeloes zekere verouderde 
regten op den handel , welke hen aanspraak geeft op eene schadeloos- 
stelling bij den wederinvoer van het middel der inkomende en uit- 
gaande regten, dan waarvan dezelve gewillig afstand hebben gedaan, 
tegen eene maandelijksche toelaag (even als voor de amfioenpacht) 
a Ind. f 10. — ieder 'smaands, hetwelk eene maandelijksche uitgaaf 
van Ind. f60. — veroorzaakt. 

De pacht der opium, voorheen aan de inlandsche hoofden afgestaan, 
is omtrent een jaar geleden met de voorkennis van het bestuur aan 
een particulier koopman , met name John Graij , overgegeven voor eene 
maandelijksche som van Ind. f 180. — welke onder de twaalf Hoofden 
wordt verdeeld als : 

Aan den Towanko Bezaar van Natal Ind. f 50. — 

» » » Sambah van Lingobaija » - 30. — 

Aan de zes Dato's van Natal 

» Dato Sinaro van de soekoe Menangkahoiiiv . . . » - 10. — 

» » Poetie van de soekoe Barat » - 10. — 

» » Mage Maradjo van de soekoe Padang en Ttgablas » - 10. — 

» » Moedo van de soekoe Bandar Sapoeloe ...» - 10. — 

y> B Makoeta Allam van de soekoe Achee, . . . » - 10. — 

» » Soetan Panghoeloe van de soekoe Raauw . . » - 10. — 

Aan de vier Anak Radja's 

ï> Soetan I^rangan » - 10. — 

» » Kahiedon » - 10. — 

» » Sahidie » - 10. — 

2» » Salim » - 10. — 

Totaal 's maands Ind. f 180. — 



OVEE SUMATBa's WESTKUST. 547 

Deze hoofden zijn genegen liun regt op de opiumpacht aan het 
Gouvernement weder af te staan onder genot van bovengenoemde 
maandehjksche toelage, 't welk als eene maatregel van politie allesints 
noodzakelijk is. 

Overigens zijn hier geen publieke inkomsten, en is de alleenhandel 
in zout hier mede van geen belang, alzoo zoo wel om de noord als 
om de zuid van Natai, veel zout wordt aangemaakt, door middel 
van koking van het water. 

Het personeel voor deze bezitting is provisioneel bepaald als volgt: 

Een civiel en militair kommandant; 

Een adsistent bij denzelve; 

Een klerk; 

Een inlandsch schrijver; 

Een Europecsch sergeant der politie; 

Acht oppassers; 
terwijl bij de invoering der inkomende en uitgaande regten dit etablisse- 
ment nog zal worden vermeerderd met 

Een klerk; 

Een maleische schrijver; 

Twee oppassers. 

Tappanoelie (eigenlijk Tapean-Oelie)^ gevestigd op het klein eiland 
Ponfjan^ is gelegen in eene boven alle beschrijving fraaie en voor een 
onrekenbaar getal schepen veilige baai. 

De belangrijkheid voor den handel met de binnenlanden is hier niet 
gelijk in de Natalsche bovenlanden door de Padries , welke tot dus verre 
hunne veroveringen slechts tot het Batta-land van Mendaheiling hebben 
uitgebreid , gestoord ; doch door de onderlinge twisten en oorlogen van 
zeer onbeduidende Hoofden onder de Battasche bergvolken, welke 
elkander onophoudelijk bevechten en de passages naar de stranden 
belemmeren, grootendeels verminderd. 

De bevolking der zoogenaamde bezitting Tappanoelie op het eiland 
is slechts circa 300 zielen. 

In den omtrek der baai heeft men de plaatsen Tappanoelie , Sibogha, 
Colonghan , Siboeloean , Badierie en Pinang Soedie benevens Batang Terro 
om de zuid en Sorkum om de noord , waarvan de gezamentlijke bevolking 
geene 5000 zielen overschrijdt. 

De bevolking der binnenlanden (de Batta's) wordt gezegd buiten 
mate groot en het land zeer goed bebouwd te zijn , vooral omtrent het 
groote lac Toba , hetwelk slechts drie dagen reizens binnenslands gezegd 
wordt gelegen te zijn, van daar dat hier ongelijk aan Natal en Aijer- 
bangies geen gebrek aan rijst is voor de naburige bevolking, ofschoon 
echter de aangevoerde hoeveelheid niet genoegzaam schijnt voor den 
uitvoer van eenig aanbelang. 

De producten zijn hier voornamelijk kampher , benzoin, dammer, eene 



548 EENE BIJDKAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

geringe hoeveelheid zwarte vogelneslen en verscheidene goede hout- 
soorten als kampher^ apie apie^ en zoogenaamd hintango hout. 

Volgens ingewonnen informatien was de uitvoer in den Jare 1817 : 

Benzoin 979 Pikols. 

Kampher 128 id. 

en de ingevoerde artikelen in dat jaar : 

Opium 5 Pikols, 79 katties. 

Koperdraad 5 id. 

IJzer 487 Staven. 

Staal 8 Pikols. 

blauwe witte en bruine lymuaden. . 60 Korgies. 

Tabak 200 Kranjangs. 

Zoi4t 200 Koijangs. 

Tans is ook deze handel veel verlopen, waarvan als eene der 
oorzaken (hoe onverklaarbaar andersints ook, evenals te Benkoeloé) de 
vrijverklaring dezer havens wordt opgegeven. 

Het etablissement alhier in dienst bevonden en provisioneel ge- 
continueerd bestaat in: 

Een posthouder; 

Een hoofdoppasser; 

Acht oppassers. 

Het inlandsch bestuur bestaat op het eiland in twee hoofden ^ welke 
Dato's genoemd worden en voorts in een hoofd op elk der boven- 
genoemde plaatsen in de baai gelegen , welke met den civielen ambtenaar 
den raad uitmaken ter beslissing van geschillen en misdaden welke 
onder deze geringe gemeente voorvallen. 

Deze hoofden zijn in het genot bevonden en mede gecontinueerd 
van eenige geringe pensioenen, ten gezamentlijk bedragen van Ind. 
fiio. — 's maands. 

Deze som is verdeeld als: 

Aan Radja Manoeka van Sibogha Ind. f 16.20 St. 

— — Semaong van Tappeanoelie » - 16.20 » 

— Dato Majo Endo van Pontjan » - 10. — 

— — Radja Allam » - lO. — 

— — Pangsah van Pinang Soerie » - 5. — » 

— — Sie Jangot » - 5. — 

— — Radja Ahmat van Sorcum » - 10. — 

— — Radja Boukiet » - 10. — 

— — Si Goentoer allam van CoUengan ...» - 10. — » 

— — Radja Ambatjang van Batang Terroo . » - 8.10 » 

— — Sieallang » - 8.10 » 

Ind. f iio. — St. 



» 
» 






OVER SUMATRa's WESTKUST. 549 

De eenige publieke inkomst welke hier tans bestaat is die der 
opiumpacht a Ind. f400. — 'sjaars. 

De alleenhandel van het zout welke hier voor de vrijverklaring 
dezer havens steeds heeft bestaan, en gelijk boven gezegd op 200 
koijangs 'sjaars kan worden begroot, zal zeer doelmatig weder kunnen 
worden ingevoerd, hetwelk meer dan genoegzaam voortbrengend zal 
wezen om de ongelden van dit etablissement te bestrijden, overigens 
heeft deze plaats alle voordelen zoowel door het fraaie zeehoofd, 
waaraan groote schepen kunnen laden en lossen, als door de localiteit 
van het eiland en deszelfs ruime pakhuizen, welke echter slechts van 
hout en atapdaken voorzien zijn. ' 

De tegenwoordige comparatieve onbelangrijkheid dezer nieuwe be- 
zittingen gedoogd geene verdere uitwijding omtrent de plaatselijke 
bijzonderheden van land of volk, welk een en ander zeer nauwkeurig 
in Marsden*s historie van Sumatra zijn beschreven. 

Ofschoon bezittingen van de vereenigde Engelsche Oost-Indische 
Compagnie, was het etablissement van Natal en Tappanoelie (waarbij 
in latere tijden Aijerbangies gevoegd is) voormaals aan eene afzonderlijke 
Compagnieschap , voor het drijven van allen handel , behalve de peper , 
welke des Compagnies monopolie was, afgestaan, waarvan de Heer 
John Prince, de laatst overgebleven deelhebber, nu onlangs als laatste 
Britsche resident van Benkoeloe en onderhorigheden is afgetreden. 

Er bestond nimmer omtrent deze plaatsen eenig territoriaal regt, 
en ofschoon de supprematie der Compagnie steeds stilzwijgende is 
erkend, zoo is de bevolking altijd in de bedeeling van het regt aan 
zich zelve overgelaten , voor zooverre 's Compagnies dienaren daarbij 
geen belang hadden, zoodanig dat na de gewoontens des lands alle 
misdaden zelfs moord met boeten konden worden afgekocht, ten 
voordeele der regters welke hunne eigene Hoofden zijn. 

De belasting der inkomende en uitgaande regten voormaals in deze 
bezittingen bestaan hebbende en bij eene publikatie van den 12 Maart 
1824 (waarvan afschrift bij deze wordt aangeboden onder bijlage 
L' B) afgeschaft, heeft onder den alleenhandel van den Heer John 
Prince nimmer veel opgebragt. 

De binnenlandsche fanatieke revolutie welke als een smeulend vuur 
voortlopende, het schoonste deel van Sumatra beroerd en eenlijk 
daardoor de bezittingen benoorden Padang gelegen, niet geringe 
lastposten voor den Staat zijn geworden, schijnt de noodzakelijkheid 
voor zekere maatregelen te provoceeren, welke de strekking kunnen 
hebben om de overgroote bevolking der binnenlanden, benevens 



' Aangaande de civiele en militaire gebouwen en werken op deze etablissementen 
maken wij bij deze geene melding , als zyndc in een vorig rapport reeds ver- 
handeld. 



550 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

derzelver kostbare producten ten voordeele der schatkist te doen 
verkeren. 

Van alle kanten en onophoudelijk zijn ons eene menigte hoofden 
van de uitgestrekte landen van Raauw en Mendaheiling om de hulp 
van het Gouvernement komen smeken tegen de invasiën dier roof- 
benden, welke onder den dekmantel der Godsdienst zich meester 
maken niet alleen van alles wat de bevolking bezit, maar buitendien 
de vrouwen en kinderen ontroven en veelal om hiertoe te geraken, 
de mannen om het leven brengen, *t welk buitendien het lot van 
alle hoofden en rijken des lands, en voornamelijk van de zoodanige 
die zich door hunne bekwaamheden onderscheiden is. 

Alle reeds zoo menigvuldig aangewende pogingen zelfs door het 
afgetreden Britsch bestuur ('t welk nimmer tot dadelijkheden met hen 
is gekomen , en welke omstandigheid het ontwijfelbaarst bewijs oplevert 
voor hunne hardnekkigheid) om tot de minste minlijke schikking met 
de noordelijke Padries te komen, zijn vrugteloos geweest. 

Als een hoofdzetel der Padries Secte is Bonjol of Alahan panjang 
het orakel voor de noordelijke landen van Raauw en Mendaheiling en 
dat gedeelte van het noordwaarts gelegen landschap Agam, hetwelk 
aan onze bezittingen in die streek steunt, gelijk het gezag der hoofd- 
zetels van Linto en Lima poeloe Kotta's zich om de oost en noordoost 
tot Siak uitstrekt 

Terugkomende op dit onderwerp mogen wij niet voorbijgaan even 
in beschouwing te geven, de algemeene staat der zamenleving onder 
de bevolking van gansch Sumatra. 

In 't algemeen kan gezegd worden dat de bevolking geheel rcgeringsloos 
is. Overal vindt men Radja's ^ Panghoeioes en eene menigte Hoofden 
onder verschillende benamingen , en desniettemin bestaat er geen bestuur , 
en het regt der sterkste is j:)redominant. 

Al wat man is, en zelfs naauwiijks tot die jaren van onderscheiding 
gekomen is, gaat steeds zwaar gewapend, uit vrees voor den ver- 
raderlijken aanval van zijnen naburigeu dorpeling , neen zelfs uit vrees 
voor zijn eigen bloedverwant, welke met hem onder een dak woont. 

Er bestaat onophoudelijk eene burgeroorlog van eene kampong met 
de andere. Op de bazaars ontmoet men zich gewapend, doch met 
de palmtak des vreedes; die tijd voorbij zijnde is alles weder vijandig, 
men beloert elkander in de rijstvelden, alwaar de onbedachtzame 
vaak zijnen dood vindt of zijne vrouw en kinderen ontroofd worden. 

De ouderdom waarvoor nog eenige eerbied door instinct bestaat, 
doet steeds uitspraak in de ontstane geschillen onder het volk, doch 
den rijke of sterke, welke in het onregt is gesteld, laat zich zelden 
deze uitspraak welgevallen en wreekt zich eerlang door de vele 
middelen welke hem zijnen aanhang verschaffen, en zijne tegenpartij 
boet al spoedig met het leven, het betwiste voorwerp, welligt van 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 551 

eenige stuivers waarde. Voorts leeft de gansche bevolking, waarvan 
evenwel de vrouwen behoren te worden uitgezonderd, als zijnde met 
alle noodzakelijk en zelfs zwaar werk belast, in eenen staat van 
werkeloosheid (met alle de heillooze aankleven van dien) waartoe 
himne werkelijk geringe behoeften de grootste aanleiding geven. Niet 
moeijelijk is hieruit afteleiden dat de landbouw en algemeene nijverheid 
in eene allesints kwijnende staat zijn. 

Onder dusdanige omstandigheden zijn de fraaiste en rijkste gedeelten 
van Sumatra en derzelver bevolking onder den invloed geraakt van 
de Secte der Padries, welke door de krachtdadigste, doch ook tevens 
de onmenschelijkste middelen, dus voortgaande, tot het doel zullen 
geraken van dit land , onder eene regelmatige doch despotieke regeering 
te brengen, waaronder hetzelve nimmer heeft bestaan, en welke 
voorbereidende orde van zaken, uit een wijsgerig oogpunt beschouwd, 
werkelijk door de opoffering van een noemenswaardig gedeelte der 
tegenwoordige generatie, de welvaart en het geluk der toekomende 
moet ten gevolge hebben, wanneer men aanneemt dat door de ver- 
spreiding der verlichting, ofschoon ook in het tegenwoordig tijdstip, 
door roof en bloeddorstigen onder den dekmantel van den Godsdienst, 
te weeg gebragt, in den vervolge geleerde mannen zullen te voorschijn 
komen, welke door hunne kennis de magt zullen bezitten om zich als 
Hoofden der verlichte bevolking optewerpen en dezelve naar den 
geest der tijden te bestieren 

De staat van zaken in de noordelijke nieuw ge<lcquireerde be- 
zittingen, vordert dat dezelve vereenigd en ingelijfd worden onder 
de benaming van Noordelijke Afdeeling der residentie Padang en 
waarvan de Hoofdplaats zal behoren te zijn, de voor den handel 
zoo voordelig gesitueerde plaats Tappanoelie. 

De grenzen dezer afdeeling zullen alzoo zijn Oejoengtnassang om de 
zuid en Baros om de noord. 

Ter laatstgenoemde plaats bestond voorheen eene factorij der Neder- 
landsche Oost-Indische Compagnie, welke van noemenwaardig belang 
voor den handel is geweest. Ten gevolge van twee brieven gerigt aan 
aan den Resident van Padang in den beginne van dit jaar van den 
Radja Baros, welke gezeten is in de zoogenaamde Kampong Moediek, 
houdende verzoek dat het Gouvernement zich de belangens der negorij 
Baros wilde aantrekken, door naar die plaats zekere magt te zenden 
tot het dempen der onlusten welke tusschen de zoogenaamde Radja's 
Moedik en Hier bestonden , heeft de tweede teekenaar op zijne tournee 
om de noord die plaats aangedaan , en het voordeel gehad van eene 
overeenkomst tot vrede en vriendschap te sluiten, tusschen de twee 
voornoemde Radja's, waarvan afschrift bij deze eerbiedig wordt over- 
gelegd onder bijlaag La C. 



552 EËNfi BIJDRAGE TOT E. B. RIELSTKa's OPSTELLEN 

Bij deze nieuwe overeenkomst is bekragtigd het oude kontrakt 
tusschen de hoofden van Baros en de voormalige Oost-Indische 
Compagnie dd. 5 Januarij 1756, bijlaag La D, en gevolglijk zal het 
noodzakelijk zijn, deze plaats als binnen de grenzen der noordelijke 
afdeeling te beschouwen en aldaar een klein etablissement te vormen. 

Baros heeft eene opene reede, welke bij onstuimig weder onveilig 
is even als de bank voor de rivier, welker twee mondingen slechts bij 
hoogwater bevaarbaar zijn. 

Deze negorij bestaat tans uit twee kampongs , de Kampong Moediek 
en de Kampong Hier. De kampong Moediek, gelegen circa twee palen 
van het strand en bestuurd door den Radja Baros van Bergallan 
Soetan Seilan, is eene bij uitstek fraaie maleidsche kampong, be- 
vattende ruim 100 groote hecht en sterke huizen van goed hout en 
goede bouworde, en eene bevolking van ruim 200 weerbare mannen, 
of ongeveer duizend zielen. 

De kampong Hier, gelegen aan de zuidelijke monding der rivier en 
bestuurd door Radja Bandhara nan Bergallan Soetan main allam, 
was voorheen zeer onbelangrijk, doch sints de twisten tusschen de 
twee Radja*s heeft deze kampong bijzonder in bevolking toegenomen; 
dezelve bevat tans ruim 150 weerbare mannen of circa 800 zielen. 

De historie van hunnen oorlog is kortlijk deze: 

Ongeveer zes jaren geleden stierf de oude Radja (welke oorspronkelijk 
tot de familie der Radja's van Troessan om de zuid van Padang be- 
hoorde). — Twee neven hadden zekere regten op de opvolging, waarvan 
degenen welke daarop het meest recht had, afstand deed (dit is de 
nog in leven zijnde oom van den tegenwoordige Radja Heer). — De 
tweede rechthebbende, zijnde de tegenwoordige Radja Moediek, aan- 
vaardde het gezag, 't welk hij gedurende vijfjaren gerust behield, 
dan nu ruim een jaar geleden heeft de tegenwoordige Radja Heer, 
opgestookt, waarschijnlijk door vreemde, meest Acheesche handelaren, 
zekere pretcntiën gemaakt c^p den regeerende Radja {Moediek) welke 
niet ingewilligd zijnde, ten gevolg hebben gehad, dat hij de kampong 
heeft verlaten en zich bij zijne handelende vrienden aan het strand 
heeft gevoegd, met 8 zijner bloedverwanten, waaronder ook zijnen 
bovengenoemden Oom. 

Deze kampong bestond toen slechts uit zeer weinige huizen; doch 
kort hierop door de kooplieden ondersteund en tot Radja van de 
kampong lieer uitgeroepen zijnde, op grond zijner gepretendeerde 
regten, is deze kampong (meest door vreemdelingen) aanmerkelijk 
aangegroeid. 

Onderscheidene bloedige gevegten, waarvan de uitslag steeds on- 
beslissend was, zijn hiervan het gevolg geweest. 

Door het recente vredesverdrag is tans door de autoriteit van het 
Gouvernement geconfirmeerd , de verdeling der magt, tusschen de 



oVer sumatra's westkust. 558 

twee kampongs, welke te voren onder een Radja vereenigd was. — 
Deze verdeling der magt kan niet dan zeer voordelig voor den handel 
en de welvaart van het land in het algemeen zijn, alzoo de Radja 
Moediek bevorens zeer despotiek te werk ging, en de handelaren 
zoowel van buiten als uit de binnenlanden, door deszelfs willekeurige 
handelingen afschrikt deze plaats te bezoeken. — De Radja Heer is 
zeer bemind bij de handelaren, welke genoegzaam de gansche be- 
volking uitmaken. 

De bovenlandsche en eigenlijke bevolking van dit land, de Batta'Sy 
welke alle hunne behoeften van het strand bekomen, moet enorme 
zijn, dewijl om de 6 a 7 dagen twee k driehonderd koelies hunne 
benodigheden waarvan het zoul het voornaamste artikel is, komen 
afhalen. — De Acheesche kooplieden debiteren het zout hier tegen 
negen guldens de pikol. 

De voornaamste handel is hier in henzoin en kampher voor den 
uitvoer, en ijzer ^ lijmvaden^ koperdraad, ruw katoen en zout voor de 
behoefte der bevolking. 

Het artikel van het zout is hier van groot belang. De Batta's zijn 
bijzonder gesteld op het grove zwarte zout, en het debiet 't welk 
ten minste op een honderd koijangs wordt begroot en hetwelk zoowel 
hier als te Tappanoelie voor groote uitbreiding vatbaar is, gelet dat 
het debiet zich ook tot de Acheesche havens zal uitstrekken ingeval 
het hoofddepot steeds van eene genoegzame hoeveelheid zout voorzien 
wordt, zal meer dan voldoende wezen ter bestrijding der ongelden 
voor het etablissement, terwijl deze post als eene onderhoorigheid 
van het naburige Tappanoelie alle hare benoodigdheden en dus ook 
het zout, uit het hoofddepot aldaar zal kunnen verkrijgen. 

Voor het bestuur der Noordelijke afdeeling der Residentie Padang 
zal het noodzakelijk zijn, dat een assistent-resident worde benoemd, 
welke zijne gewone woonplaats te Tappanoelie als de hoofdplaats der 
afdeeling zal behoren te vestigen. 

Naar aanleiding van het vorenstaande hebben wij de eer Uwe 
Excellentie voortedragen : 
1°. Dat de nieuwlings geacquireerde bezittingen benoorden Padang 

in deze residentie worden ingelijfd onder de benaming Noordelijke 

afdeling. 
2°. Dat de grenzen dezer afdeling worden bepaald van Oejoengmassang 

om de zuid tot en met Baros om de noord; waarvan de hoofd- 
plaats zal zijn Tappanoelie. 
3°. Dat in deze afdeeling met i Januarij 1826 alle wetten en reglementen 

zullen worden in werking gebragt , welke voor de residentie Padang 

tans bestaan of hierna zullen gemaakt worden. 
4**. Dat te Tappcnoelie zal worden opgerigt een hoofddepot en tevens 

verkooppakhuis van het zout. 



554 EKNK liliDKAGtE tOT E. Ö. ICIELsTUA^» üt*8TELLElï 

5°. Dat voor deze afdeeling worde toegestaan het etablissement hetwelk 

op bijgevoegde Staat van het personeel sub La E is bekend gesteld. 

6°. Dat voor den Assistent- Resident der noordelijke afdeling worde 

gearresteerd de instructie, sub La F bij deze aangeboden. ' 
7**. Dat voor den dienst ter dezer kust, nog eenige ambtenaren 
mogen worden gedespicieerd (behalve de reeds aangevraagde) als : 

Een kundig adjunct-ontvanger der inkomende en uitgaande regten 
voor Padang. 

Een commies d*^ ontvanger, Benkoeloe of Tappanoelie. 

Twee commiezen voor de algemeene administratie en plaats- 
vervanging van beambten welke nu als zoodanig dienst doen en als 
posthouders op de buitenposten kunnen worden gebezigd. 

En aangezien de residentie Padang zich voor de inlijving der voor- 
malige Engelsche bezittingen ter dezer kust, steeds heeft kunnen sou- 
tineren door hare eigene middelen, niettegenstaande den staat van 
oorlog in de vier laatste jaren eene additioneele uitgave van ruim 
drie maal honderd duizend guldens *sjaars heeft veroorzaakt, zoo is 
het ons voorgekomen, dat de ressources op den tegenwoordige voet 
ontoereikende zijn voor het onderhouden dier nieuwe bezittingen, 
hoc veel belovend dezelve ook, voor den vervolge, door de uitbreiding 
van den handel, als andersints, mogen zijn. 

Bevorens is reeds (en wij hopen op goede gronden) aangetoond , 
dat na den tegenwoordige staat van zaken dezer landen, geen ander 
finantieel stelsel is aantebevelen , dan hetwelk tans wordt opgevolgd. 

De minst drukkende en tevens de onfeilbaar algemeen werkende 
belasting is toch die, welke gesteld wordt op de eerste behoeften van 
alle klassen der bevolking, en daar, door de uitbreiding van 's Gouvemc- 
mentsgebied ter dezer kust eene genoegzame verzekering bestaat tegen 
den clandestine invoer van de eerste en onontbeerlijke behoefte der 
bevolking, namentlijk het zout, zoo hebben wij de eer voortestellen 
dat den verkoopprijs van het zout uit '% Lands pakhuizen ter Westkust 
van Sumatra voortaan op negen guldens de pikol in stede van den 
tegenwoordige prijs van zes guldens zal worden bepaald. 

Deze maatregel , welke , op een calculatief debiet van 2000 koijangs , 
's Lands inkomsten met een honderd en tachtig duizend guldens 
'sjaars moet vermeerderen, durven wij hopen dat behalve de eenvoudig- 
heid van zoodanige algemeen werkende belasting (die echter in andere 
landen en onder verschillende omstandigheden dan waarin de zeer 
groote binnenlandsche bevolking van Sumatra, welke geen de minste 
belasting opbrengt en hierdoor in zekere mate aan den Staat cijnsbaar 
wordt gemaakt, tans verkeerd, voorwaar niet als een raffinement van 



' Zijnde de posthouders respectievelijk op de ondcrhoorige posten, met 
inachtneming van plaatselyke omstandigheden, vaii gelyke instructiën voorzien. 



OVKH SÜMATRA^S WESTKUST. 55Ö 

finantieele operatiën zoude kunnen geacht worden) van geen nadelige 
invloed zal zijn op het debiet , gelet dat te Baros bij eene genoegzame 
hoeveelheid in de markt en eene vrije competitie, het zout aldaar 
voor negen guldens de pikol wordt verkocht en hier ter plaatse de 
bergbewoners gretig acht guldens op de bazaar aan de kooplieden 
betalen , terwijl dezelve op honderd passen afstand in 's Lands pak- 
huizen hetzelve tegen zes gulden kunnen verkrijgen 



Na, met vermijding van volledige statistieke beschrijvingen, welke 
buiten het bestek van het tegenwoordig rapport vallen, als ver- 
eischende en langwijlig en meer naauwkeurig onderzoek dan een 
kortstondig overzicht kan opleveren , te hebben verhandeld , alles wat 
voor het tegenwoordige van de gewezen Engelsche bezittingen be- 
noorden Padang te berigten en voortedragen is, komen wij op eene 
onderhorigheid van voornoemde bezittingen , gelegen op het belangrijk 
eiland Ni as. 

Wij hebben opzettelijk deze possessiön van die der Westkust van 
Sumatra afgescheiden, alzoo dit land en deszelfs bevolking als geheel 
verschillend van het evengenoemde , afzonderlijk behoord te worden 
behandeld. 

De bezittingen welke de Engelschen op dit eiland hebben gehad, 
liggen ter Oost- en Zuidoostkust. 

De Radja van Laragho wordt erkend als de Hoofdradja van alle 
ter oostkust gelegene plaatsen, en weinige mijlen noordwaarts ligt 
Goenoeng Sie Toelie ^ de woonplaats van den posthouder. — Deze 
plaats heeft het voordeel van eene rivier, welke voor inlandsche 
vaartuigen eene veilige haven opleverd. — De kust is overigens veilig 
en zuiver en zeer digt genaakbaar tot op een kwart kabellengte en 
de diepte van 39 a 40 vadem. 

Eenige mijlen zuidwaarts heeft men Tellok Dallam, eene fraaije en 
veilige baai , waar voorheen eene Nederlandsche Oostindische Compagnie 
factorij bestond, voor de herstelling waarvan door de hoofden van 
die plaats, dringende aanzoek is gedaan bij eene missive gerigt aan 
den Resident van Padang in dato zy April 1825, en met de Radja's 
van welke plaats, de Engelschen in de laatste jaren weer eens een 
contract hebben geslooten, 't welk door alle de Radja's ter Oost- en 
Zuid(^ostkust van dit eiland is getekend. 

Dit contract, waarvan afschrift bij deze wordt aangeboden sub 
La G. H. I. heeft voornamelijk ten doel de afschaffing van den 
slavenhandel, waanjmtrent de bepalingen zijn daargesteld, waarvan 
mede afschriften worden overgelegd sub La K. L. 

Dit eiland, waarvan de bevolking buitengemeen groot is, levert zeer 
veel rijst en olij op, ook vallen hier eenige vogelnestjes en wordt 



556 E£!^E BIJDHAGE tot Ë. 6. KIELST&A^S OPSTELLEN 

de tabaksplant voor de inlandsche consumptie geteeld, alsmede eene 
geringe hoeveelheid peper voor de Europeesche markt. 

Volgens bekomen informatiën worden jaarlijks eenlijk van de oost- 
en zuidkust ruim 3CX) koijangs rijst uitgevoerd, terwijl het product 
van het gansche eiland niet te berekenen is, doch hetwelk naar den 
uitgebreide staat der cultures, welke zich tot de toppen der bergen 
uitstrekt, zeer groot moet zijn. 

Het is bekend dat dit product niet voor eigen consumptie der 
bevolking wordt geteeld en slechts bij gelegenheid van feesten daarvan 
wordt gebruik gemaakt; ook is bij deze eilanders het zout geenc 
behoefte en gevolglijk niet gewild. 

De slavenhandel welke ter sluiks nog op sommige plaatsen gedreven 
wordt en onder anderen van Setnambmvah , eene plaats tusschen 
Goetioeng Sü Toeloe en Tellok- Dallam. gelegen, alwaar de Radja zulks 
schijnt aan te houden en volgens geloofwaardige opgaven meer dan 
duizend menschen 'sjaars aan de AcJieesche handelaars fourneert, 
vordert dat gestrenglijk de hand worde gehouden aan de daartegen 
bestaande bepalingen door de gevestigde etablissementen op de 
onderscheidene posten , ten einde de gruwelen welke door de Achinezen 
in dezen worden gepleegd, doeltreffend tegen te gaan, gelijk tijdens 
het aanzijn van Z. M. Schoener Zephir in de wateren van Nias drie 
kleine praauwen gczamentlijk met 45 slaven beladen, naarvolgens de 
geciteerde bepalingen zijn aangehaald en de slaven in vrijheid zijn 
gesteld. 

De bevolking gelijk reeds gezegd is, is bovenmate groot, *t welk 
geensints te bewonderen is, aangemerkt het zeer gewoon is, dat eene 
vrouw tot twee en dertig kinderen baart, terwijl de geboorte van 
tweelingen hier zcmder voorbeeld is , van daar dat de landbouw geheel 
door handenarbeid geschied en in ^it^w geval door trekdieren. 

0[) de weinige plaatsen waar Male^'efs gevestigd zijn vindt men 
karbouwen , welke echter niet voor de ploeg gebezigd worden , doch 
eenlijk voor de consumptie dienen. 

Voor de bezittingen ter westkust van Sumatra is het eiland Nias 
van groot aanbelang 

I®. Voor de rijst welke aldaar gewoonlijk voor f2.15 de pikol ver- 
krijgbaar is , ofschoon het geld hier niet gewild is , en de producten 
van het land eenlijk in ruiling voor goud (van gering gehalte), 
ijzer, rood laken, Javasche tabak en grove kustlijnwaden te ver- 
krijgen zijn; en 
2°. voor werklieden, waaraan ter dezer kust steeds gebrek is. 

De staat der zamenleving onder de bevolking van het eiland Nias 
is zoodanig, dat uit hoofde der grootc hoeveelheid menschen en de 
slechte regeringsvorm waardoor onophoudelijk twisten ontstaan tusschcii 
de onderscheidene kampongs, de bewoners zich verdringen en den 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 557 

eenen den anderen hetzij als krijgsgevangenen hetzij op eene directe 
of overgeërfde pretensie, meestal door de kostbaarheid van het huwelijk 
veroorzaakt, als schuldenaar overgeeft aan dengenen welke in over- 
eenkomst vo<:)r wederkeerig te presteren diensten daarvoor de schuld 
voldoet, ongerekend dat de aanzoeken der Achesche slavenhandelaars 
de onmenschelijkheid bevorderen van het stelen van kinderen door het 
slechtst gedeelte der bevolking zelve, welke niet zelden hunne eigen 
bloedverwanten op die wijze verkoopen. 

De bestaande bepalingen (vide bijlagen La K en La L) omtrent de 
schuldenaars (menjiring) welke van Nias naar de Westkust overkomen, 
zijn eenlijk berekend om het ombrengen der zoogenaamde krijgsgevan- 
genen in hunne oorlogen, zoo wel als den hatelijken handel in slaven 
welke zoo sterk tans als immer te voren op de Acheesche havens 
gedreven wordt, tegen te gaan. 

De ondervinding heeft genoegzaam de doelmatigheid van dit stelsel 
bewezen en het gebrek aan werkvolk ter westkust van Sumatra wordt 
hierdoor even zeer weggenomen, als de van het eiland Nias overge- 
bragte schuldenaars, werkelijk na de expiratie van hunne gecontrac- 
teerde diensttijd, een gelukkiger lot beschoren wordt dan zij immer 
in hun eigen land konden genieten; de groote hoeveelheid Niasscrs, 
waarvan op elke plaats dezer kust eene afzonderlijke kampong bestaat , 
bewijst dit ten volle , alzoo er bijna geen voorbeeld is dat een Niasscr, 
welke cenigc tijd ter westkast gezeten is geweest, naar zijn land terugkeert. 

Het eiland Nias zoowel als de overige eilanden langs de westkust 
van Sumatra gelegen, zijn nog zeer weinig bekend en beschreven, dezelve 
zijn echter zeer belangrijk en wij zullen de beschrijving der door ons 
reeds verkregen kennis opschorten , tf)t dat deswegens een omslagtig 
rapport zal zijn ingekomen van den gecommitcerdcn van wege den 
Resident van Padani^ voor dezen eilanden, de benoeming van welken 
ambtenaar is goedgekeurd bij besluit van zijne Excellentie den Gou- 
verneur Generaal dd. 5 October 1825 N°. 5. 

Eene statistieke beschrijving der eilanden bekend onder den naam 
van Poelo Pagie en derzelver bevolking, welke nog niet in het licht is 
gegeven, hebben wij de eer, als het werk van boven genoemden 
ambtenaar J. Christie bij dezen overteleggen onder bijlaag La M. 

In verband met voornoemd besluit dd. 5 October 1825 N°. 5 hebben 
wij de eer voortestellen : 
1°. Dat de eilanden langs de westkust van Sumatra voortaan zullen 

worden beschouwd als eene afdeling van de Residentie Padang. 
2°. Dat deze afdeeling zal worden bestierd door den gecommitteerden 
van wege den Resident van Padang voor de afdeling der eilanden 
ter westkust van Sumatra. 
y. Dat provisioneel voor deze afdeling zal zijn toegestaan het eta- 
blissement op nevensgaande staat sub La N. aangeboden. 
5e Volgr. X. 37 



558 EENE BUD&AOE TOT E. B. KIELSTKA^S OPSTELLEX 

4®. Dat voor den gecommitteerden voor de eilanden mag worden 
gearresteerd de instructie welke eerbiedig onder bijlaag La O 
wordt overgelegd. ' 

5®. En eindelijk dat de bestaande bepalingen en overeenkomsten met de 
hoofden dezer eilanden, en voornamelijk die tegen den slavenhandel 
en de bepalingen omtrent de schuldenaars van kracht zullen zijn 
en van applicatie blijven voor de gansche westkust van Sumatra. 

Ten slotte hebben wij de eer, in achtervolging der 15®, 16** en 17** 
artikelen onzer instructie gearresteerd bij Uwer Excellenties besluit dd. 
17 Februarij 1825 N**. i en met referte aan het rs4>port wegens de 
overname van Benkoeloe in dato 12 April 1825 La B N*>. 6 te rapporteren, 
wat ons naar de naauwkeurigste informatiên omtrent de onderlinge 
betrekkingen tusschen het rijk van Achee en de voormalige Engelsche 
possessiên ter westkust van Sumatra, en voornamelijk in den staat 
van den handel met en op de noordelijke Acheesche havens is te 
voren gekomen. 

Dat zonder de voorkennis of sanctie van het Bengaalsch Gouvernement 
hetwelk in den jare 181 5 met het Acheesche rijk, door middel van 
zekeren commissaris Kapitein J. Canning onderhandelingen heeft aan- 
geknoopt, welke eenlijk ten oogmerk hebben gehad, de bepaling van 
vrije handel in 't algemeen en in 't bijzonder die op alle Acheesche 
havens, door de zoogenaamde Chtdia vaartuigen van de kust van 
Choromandel (welke te voren onder zekere restrictiën lagen en niet op 
Achee zelve mogten handel drijven), wel omtrent den jare 18 19 onder- 
handelingen met den Radja van Achee en den heer Raffles Luitenant- 
Gouverneur van Benkoeloe hebben plaats gehad (waarvan het onder 
bijlaag La P overgelegd dociunent de bijzonderheden bevat) welke 
even als of dezelven verschillende Gouvernementen dienden , in oppositie 
hebben gestrekt, van gelijke onderhandelingen van de zijde van het 
bestuur van Poelo Pinang^ welke door haren invloed ongeveer twee 
Jaren vroeger, zekeren Said Abdulla zoon van eenen rijke Arabiesche 
koopman, met Said Hoesin op laastgenoemd eiland gevestigd, die 
aldaar door relatiën zich eene partij had gemaakt, aan het bestuur 
had geholpen; en welke nu door den geprotegeerde van wege het 
Gouvernement van Benkoeloe (namentlijk den eigenlijke en door ge- 
noemden Said Abdulla verdrongen Acheesche Radja Johor Allam Shah) 
die zijne magt door zekere factiën was ontnomen, uit hoofde men 
voorgaf, denzelve zich tegen de voorschriften der Godsdienst in het 
gebruik der sterke drank te buiten ging, en bovendien een te groote 
vriend der Europeanen was, waarvan hij eene menigte in zijnen dienst had. 

De gunsteling van het Poelo Pinangs Gouvernement, Said Abdulla 

* In welken geest ook afzonderlijke instructiën voor de respectieve posthouders 
zyn vervaardigd. 



OVEE SUMATKa's WESTKUST. 559 

welke als Radja den naam van Sephoel Allam had aangenomen, nu 
op zijnen beurt gesupplanteerd zijnde, wendde zich tot het Bengaalsch 
Gouvernement om bescherming, *t welk ofschoon door het bestuur 
van Poelo Pinang ondersteund, van geen effect is geweest, en dezen 
ex-radja, door den dood van zijnen vader Said Hoessin op meer 
gemeld eiland zijnen invloed verloren hebbende, is tot zijnen vorigen 
handel teruggekeerd, en bouwt tans sedert eenigen tijd een groot 
schip te Cochin, 

Later is deze Radja Johor Allam Shah (de protégé van den heer 
Raffles) door vergif omgekomen, 't welk hem door zijne eigene vrouw 
is toegediend , en nu twee jaren geleden opgevolgd door eenen Radja , 
bevestigd door de keuze der rijke Arabieren te Achec, welke hier 
eenen grooten en goed gewapenden aanhang en daardoor eenen 
ge vreesden invloed hebben. 

Van tijd tot tijd gebeuren er in dat land serieuse onlusten, en nog 
zeer onlangs heeft de factie van de moordenares van genoemde 
Radja Johor Allam Shah, welke voor hare misdaad levenslang in de 
ketting is veroordeeld, cene groote opstand en bloedbad veroorzaakt, 
met het oogmerk om des overledens Radja's kleinzf )on, eenen zuigeling , 
tot de regeering te verheffen. 

De door de keuze van de rijken tans regerende Radja is de 
oudste zoon van meergemelde Johor Allam Shah, welke genaamd is 
Toekoe Raijo en tot titel voerd den naam van Radja Mohamad Shah. 

Alle onderhandelingen van wege de Engelsche Compagnie, welke 
de strekking hadden, om den handel voornamentlijk der pepyer te 
verzekeren en de Amerikanen , welke den weg naar de Acheesche havens 
sints eenige jaren hebben gevonden, te verdringen, zijn vrugteloos 
geweest en de Acheesche handelaars voeren zelden hunne producten 
zelve uit, en wagten daartoe de komst van vreemde scheepen in. 

De voornaamste havens waar peper in groote hoeveelheid wordt 
voortgebragt zijn gelegen benoorden Kaap Singkel en bezuiden Poeloe 
Raijo ; de hoeveelheid peper jaarlijks langs deze kust geteeld wordt 
circa op 150,000 pikols begroot. 

Het jaarlijksch product is evenwel zeer onzeker, alzoo de gedurige 
binnenlandsche onlusten de grootste obstakel zijn tegen de uitbreiding 
van alle nijverheid en algemeene welvaart in die landen. 

Ten bewijze hiervan strekke dat in den jare 1824 uit Taroemon 
40,000 pikols zijn uitgevoerd en dat de onlusten, welke aldaar in den 
aanvang van dit jaar tusschen de twee wedijverende hoofden hebben 
plaats gehad, de verwoesting van meer dan de helft der pepertuinen 
hebben ten gevolg gehad, waardoor in dit jaar geen 20,000 picols 
peper daar ter plaatse zijn voortgebragt. 

Als de stapelplaats voor den handel met de noordelijke havens 
hebben wij, ten algemeenen voordele voor den handel, het voordelig 



550 BENE BIJDBAGE TOT E. B. KIELSTRA^'s OPSTELLEK 

gelegen Tappanoelie aangewezen, het zal dus niet ongeplaatst zijn, 
als onze opinie te geven, dat zich thans de schoonste gelegenheid 
voordoet voor de rijzende Nederlandsche handelmaatschappij, hier 
een kantoor te vestigen , hetwelk, als voorzien van genoegzame fondsen , 
door middel van kleine kustvaartuigen , de producten der noordelijke 
havens, tijdens de recolte, wanneer niet altijd eene buitengewone 
competitie door het aanwezen van Amerikanen en Engelschen bestaat, 
successievelijk kunnen worden opgekocht en te Tappenoelie opgeschuurd , 
om daarna door Europesche schepen te worden afgehaald. 

En hiermede hopen wij te hebben voldaan aan den vereerende 
last, vervat in het besluit van Uwe Excellentie gedagteekend den 
17 Februarij 1825 N*'. i, en onze commissie voor de overneming der 
Britsche bezittingen op Sumatra alzoo te zijn afgelopen. 

De Commissarissen Door de overneming der 
Britsche bezittingen op Sumatra, 

Verploegh. de Stüers. 

Hierop zijn gevolgd de resolutiën van 30 December 1825, 
N"*. 15 en 18; de eene handelt over de organisatie van Benkoelen 
(of Zuidelijke Afdeeling), de andere over die van Tapanoeli (of 
Noordelijke Afdeeling). Beide stukken zijn alzoo mede van gewicht , 
en luiden als volgt: 

N". 15. Resolutie Batavia, den 20 December 1825. 

Gelezen eene missive van Commissarissen, benoemd tot het over- 
nemen der Britsche bezittingen op Sumatra (naar aanleiding en ten 
gevolge van het Londensch tractaat van 17 Maart 1824) dd° 31 Julij, 
La D, N** 17, daarbij ten vervolge van hun rapport wegens de over- 
name van fort Mariborough of de residentie Benkoelen en onmiddelijke 
onderhoorigheden , dd" 12 April jl. Lii B N*^ 6 , verhandeld bij resolutie 
dezer vergadering van 14 Junij 1.1. N^' 9) alsnu, na te hebben doen 
voorafgaan een beknopt verslag omtrent den staat in welken de even- 
gemelde bezitting door hen is overgenomen en omtrent de wijze van 
administratie, welke er was ingevoerd, eene voordragt doende tot 
regeling van het beheer dier residentie voor den vervolge; 

En hierover gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan: 
Eerstelijk: te houden in advies het voorstel van Commissarissen voor- 
noemd , om in de residentie Benkoelen het Reglement op de inkomende 
en uitgaande regten in te voeren, zooals hetzelve voor de Residentie 
Padang tot dusverre bestaat , zullende worden afgewacht de voorstellen 
dien aangaande van den Adjunct-Directeur der inkomende en uit- 



OVEK SUMATRa's WESTKUST. 561 

gaande regten Kruseman^ onlangs alhier terug gekomen van de zen- 
ding naar Padang^ hem opgedragen bij besluit van 12 September 
jl. N« I. 

Ten Tweede: Het opperhoofd der Westkust van Sumatra te autori- 
seren om in de residentie Benkoelen intevoeren de middelen: 

a. van het klein zegel, 

b, van 'sHeeren geregtigheid , 

c. van het regt op de Kollaterale successien, en 

d, van het Vendukantoor; 

alle op de voor Nederlandsch-Indie bestaande Reglementen. 

Ten Derde: te houden in advies de voorstellen van commissarissen 
betrekkelijk de uitgaande regten in de residentie Benkoelen^ te heffen 
van specerijen en peper, alsmede in afwachting dat op het door den 
Adjunct Directeur Kruseman voortedragen reglement voor de heffing 
der inkomende en uitgaande regten ter Westkust van Sumatra zal 
worden gedisponeerd. 

Ten Vierde: te houden in advies het voorstel van Commissarissen 
om in de residentie Benkoelen intevoeren den alleenhandel in het zout , 
voor rekening van het Gouvernement, voor zooveel betreft den aan- 
voer van dat artikel van buiten, doch om wel uitdrukkelijk aan een 
ieder vrijtelaten den aanmaak van zout op de kusten van Sumatra 
voor eigene consumptie ; zullende dit voorstel inmiddels door den alge- 
meencn Secretaris worden medegedeeld aan den Adjunct Directeur 
der inkomende en uitgaande regten Kruseman, die door zijn jongst 
verblijf op de westkust van Sumatra, in de gelegenheid geweest is te 
beoordeclen of de alleenhandel in zout op Padang in het wel begrepen 
belang van den Lande al of niet zoude behooren voort te duren, 
en al of niet te Benkoelen te worden ingevoerd , met noodiging omtrent 
dit onderwerp zijne gedachten medetedeelen aan het Gouvernement, 
en daarbij optegeven den prijs waarop thans het zout te Padang dexi 
Lande komt te staan, alle onkosten daaronder begrepen. 

Ten Vijfde : Als het gevoelen der Regering te doen aanteekenen dat 
zij het alleszins als wenschelijk beschouwt dat in de residentie ^^w^^^/fw , 
reeds nu dadelijk eene onbepaalde vrijheid van cultuur , bijzonder van 
de peper , konde worden ingevoerd ; dat zij echter van oordeel is dat 
zulk een maatregel in de tegenwoordige omstandigheden, bij de nog weinig 
ontwikkelde nijverheid der Inlandsche bevolking die door commissarissen 
wordt (voorgesteld ?) als uit der aard niet zeer tot arbeid genegen, zoowel 
met 'slands belangen als met dat der bevolking zelve zoude strijden, 
vermits daarbij het oogmerk om eene meerdere welvaart, die het gevolg 
moet zijn van meerdere uitbreiding der cultuur, onder de geringere 
volksklasse te verspreiden niet zou kunnen worden bereikt, en dat zij 
het mitsdien doelmatig acht dat , immers vooralsnog, de cultuur in het 
algemeen en vooral de pepertcelt onder een gestadig toezigt der in- 



562 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTEa's OPSTELLEN 

landsche hoofden blijve en op eene doelmatige wijze door de plaatse- 
lijke autoriteit worde geleid. 

Ten Zesde: In dien geest en onder mededeeling van het voren- 
staande het opperhoofd ter westkust van Sumatra aan te schrijven 
om, onder medewerking der inlandsche hoofden de pepercultuur in 
de Residentie Benkoelen door alle gepaste middelen aan te moedigen 
en voorts te zorgen dat de ingezetenen aan den arbeid gehouden 
worden, opdat door hen, uit besef van eigen voordeel en tot ver- 
meerdering hunner welvaart, deze cultuur voortgezet en successivelijk 
uitgebreid worde; zullende als eene algemeene maatstaf aangenomen 
worden dat elk huisgezin 500 en elk ongehuwd landbouwer 250 peper- 
ranken kan onderhouden. 

Ten Zevende: te bepalen dat op de buitenposten de peper voor 
rekening van den lande van den planter zal worden ingekocht voor 
gereed geld tegen f30.— Ind. de bahro van 560 Eng. li: ongerekend 
de Ind. f 5. — per bahro welke als toelaag aan de hoofden zal worden 
betaald; zullende de alzoo ingekochte peper bij publieke veilingen, 
op zoodanige tijden als daartoe door den Resident van Benkoelen 
zullen worden bepaald, te dier hoofdplaats aan den meestbiedende 
ten voordeele van den Lande worden afgestaan , voor zooverre daarvoor 
genoegzaam prijzen kunnen worden verkregen, alles onder dien uit- 
drukkelijke verstande dat de planter, wanneer hij bij andere koopers 
hoogere prijzen kan bedingen dan hem volgens bovenstaande bepaling 
door de posthouders kunnen worden gegeven, volkomen vrijheid 
hebben zal om over zijn product naar welgevallen te beschikken > 
zonder eenige verplichting om hetzelve, tegen de bovengemelde prijzen , 
aan den lande aftestaan: 

len Achtste: De beslissing op het voorstel van Commissarissen, om 
het gebruik van papieren munt in Benkoelen in te voeren, alsmede 
den Indischen gulden als standaard in plaats van de tans gebruikelijke 
Madras ropij , aan te houden tot dat de algemeene bepalingen omtrent 
het muntstelsel in Nederlandsch Indië (thans een onderwerp van de 
beraadslagingen dezer vergadering) zullen zijn gearresteerd; — zullende 
inmiddels de zaken ten deze in de gemelde Residentie blijven op den 
thans bestaanden voet. 

Ten Negende: provisioneel te arresteren den staat van het personeel 
van Europesche en Inlandsche ambtenaren voor de Residentie Benkoelen, 
mitsgaders van Inlandsche pensioenen aldaar genoten wordende, 
zooals die staat, aanwijzende eene uitgaaf van f 10072. — *s maands, 
dour commissarissen onder La S is overgelegd en te vinden onder de 
bijlagen dezer resolutie, wordende mitsdien de daarbij vermelde amb- 
tenaren in hunne rcspectivelijke betrekkingen bevestigd (behoudens 
dat de fungerend Secretaris Waterloo , die tot andere functiën zal worden 
geroepen, door een nieuw te benoemen Secretaris zal wordtin vervangen.) 



OVJS& sumat&a's westkust. 563 

Ten Tiende : te benoemen en aan te stellen , gelijk geschiedt bij deze 

tot Resident van Benkoelen: 

B. C. Verploegh, (laatst collecteur der landelijke inkomsten in de 
residentie Samarang)] 

tot Secretaris der Residentie Benkoelen: 
J. A. Gagel, laatst inspecteur der tinmijnen iejeboes^ op het eiland Banka\ 
tot Commies op het residentie bureau te Benkoelen: 

C. M. Visser, laatst confrontist der tweede klasse bij de algemeene 
Rekenkamer, 

allen op de tracteni enten, in den bij het voorgaande artikel provisioneel 
gearresteerden staat bepaald; 

Ten Elfde: De begrooting van inkomsten en uitgaven voor de 
residentie Benkoelen , zooals die door commissarissen is voorgesteld, 
en bij hunne missive overgelegd, te zenden aan de Hoofd-Directie 
van financiën, om daarvan het noodig gebruik te maken voor het 
opmaken der begrooting voor het jaar 1826, en om dezelve voorts 
tot leiddraad te doen strekken voor de rekeningen en verantwoordingen 
van gemelde residentie voor het lopende jaar. 

Extract, enz. 

N°. 18. Resolutie Batavia, den 20 December 1825. 

Gelezen eene missive van Commissarissen , benoemd tot de overname 
der Britsche bezittingen op Snmatra (naar aanleiding en ten gevolge 
van het Londensch tractaat van 17 Maart 1824) dd. 30 November jl. 
La F. N**. 22^ daarbij verslag doende van den staat der nieuwelings 
overgenomene bezittingen ter gemelde kust, gelegen ten noorden van 
Padang en waarvan de hoofdposten zijn Aijer bangis^ Natal en Tappanoelie 
mitsgaders van het landschap Baros ^ met welke hoofden eene over- 
eenkomst is getroffen tot bekrachtiging van het oude contract met de 
voormalige O. I. Compagnie dd. 5 Januari 1 756 (een en ander te vinden 
onder de bijlagen dezer resolutie), — en tot regeling van het bestuur 
over die bezittingen eene gemotiveerde voordragt doende; — wijders 
eenige bijzonderheden mcdcdeelende omtrent het eiland Nias en ver- 
dere eilanden langs de westkust van Sumatra , in afwachting dat volledige 
berigten zullen zijn ontvangen van den gecommitteerde J. Christie (wiens 
benoeming door den Resident van Padang^ tot de opname dezer 
eilanden, is goedgekeurd bij besluit van den Gouverneur Generaal 
buiten rade. dd. 5 October jl. N*^. 5); 

gevende commissarissen in overweging deze eilanden, van welke vooral 
Nias bijzonder belangrijk worden kan , wegens deszelfs talrijke bevolking 
en uitgebreide rijstcultuur, voortaan als eene afdeeling van Padang 
te beschouwen en als zoodanig te besturen, en wordende daartoe 
door hen de noodige voordragt gedaan; 



564 EENE BIJOaAGE TOT E. B. KlKLSTR\'s OPSTELLEN 

en hierover gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan: 

Eerstelijk: te bepalen, dat de nieuwelings van het Britsch bestuur 
overgenomene bezittingen benoorden de residentie Padang mitsgaders 
het landschap Baros bij gemelde residentie zullen worden ingelijfd en 
uitmaken hare noordelijke a/deeling \ 

ten tweede: de grenzen dezer afdeeling, van welke de hoofdplaats 
zal zijn Tappanoelie^ te bepalen van Oejoeng Massang om de zuid tot 
en met Baros om de Noord ; 

ten derde: het opperhoofd ter westkust van Sumatra te autoriseren 
in deze afdeeling in werking te brengen alle wetten en reglementen 
voor Padang thans bestaande of nader nog te maken, voor zoo verre 
althans plaatselijke omstandigheden zulks niet onraadzaam of onmogelijk 
zullen doen voorkomen; 

ten vierde : te houden in advies het voorstel van commissarisen om te 
Tappanoelie op te rigten een hoofddepot en verkooppakhuis van zout; 
en inmiddels dit voorstel bij missive van den algemeenen Secretaris 
te doen mededeelen aan den onlangs van zijne zending naar Padang 
teruggekeerden adjunct-directeur der inkomende en uitgaande regten 
Kruseman, met noodiging daaromtrent, evenals omtrent de alverder 
aan hem medegedeelde voorstellen van commissarissen , bij art 4 
der resolutie van heden, N**. 15, gehouden in advies, zijne gedachten 
aan de Regering kennelijk te maken ; 

ten v^fde : te arresteeren den staat van het personeel voor het Euro- 
pesch en inlandsch bestuur in de noordelijke afdeeling der residentie 
Padang, mitsgaders van de raaandelijksche schadeloosstellingen aan 
inlandsche hoofden voor den afstand van den arafioenpacht en handels- 
privilcgiën , — zooals die staat, aanwijzende eene uitgaaf van f 2473. — 
's maands, door commissarissen is overgelegd en te vinden onder de 
bijlagen dezer resolutie; — mitsdien 

ten zesde: te benoemen en aan te stellen gelijk geschiedt bij deze 

a. tot adsistent Resident voor de noordelijke afdeeling der residentie 
Padang, 

W. J. Waterloo , laatst fung. Secretaris der residentie Benkoelen ; 

h. tot commies bij denzelven, om speciaal, onder den Adsistent- 
Resident het beheer te hebben over de pakhuizen en de inkomende 
en uitgaande regten, 

den ambtenaar C. Noest; 

c. tot posthouder te Baros ^ 

den ambtenaar Barthelemij; 

d. tot posthouder te Natal , 

den ambtenaar A. Intveld; allen op de tractementen, in den 
bij het voorgaande artikel gearresteerden staat bepaald; 
met autorisatie voorts : op het opperhoofd ter westkust van Sumatra 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 565 

om de verdere bij dien staat vermelde Europeesche geëmploijeerden 
en inlandsche ambtenaren zelf in dienst te stellen; 

ten zeifende : provisioneel als leiddraad te doen dienen de instructiën 
voor den Adsistent Resident voor de noordelijke afdeeling der residentie 
Padang, zoo als dezelve door Commissarissen ontworpen en bij hunne 
missive overgelegd is, te vinden onder de bijlagen dezer resolutie; 
met last op het opperhoofd voornoemd om na eenige ondervinding 
te berigten of deze instructie volgens zijne meening definitief behoort 
te worden gearresteerd dan wel eenige verandering of wijziging zal 
behooren te ondergaan; 

ten achtste: bij dispositie op het verzoek van commissarissen dat 
voor den dienst ter westkust van Sumatra nog eenige geschikte amb- 
tenaren mogen worden gezonden, te benoemen en aan te stellen, 
gelijk geschiedt bij deze 

n, tot adjunct-ontvanger der inkomende en uitgaande regten te 
Padang op een tractement van f 400. — *s maands , 

C. E. Pahud, laatst eerste commies bij de hoofdinspectie van 
den waterstaat; 

b. tot commies-ontvanger, om te Benkoelen of te Tappanoelie te 

worden geplaatst, naarmate de dienst zulks zal vercischen 

c. tot commiezen voor de algemeene administratie, 

J. van der Linden , 2® confrontist bij de algemeene Rekenkamer 
op een maandelijksch tractement van f250. — 

en 

ten liegende: te bepalen dat eilanden Nias^ Batoe^ Pagee en verdere 
eilanden langs de westkust van Sumatra zullen uitmaken eene afdeeling 
van de residentie Padang\ 

ten tiende: te bepalen dat deze afdeeling zal worden bestuurd door 
den gecommitteerde voor de gemelde eilanden (wiens provisionele 
aanstelling door den Resident van Padang is goedgekeurd bij besluit 
van 5 October jl. n" 5); 

ten elfde: te arresteren den staat van het personeel voor het 
Europeesch en inlandsch bestuur in de evengemelde afdeeling, en 
van inlandsche pensioenen, zoo als die staat, aanwijzende eene 
uitgaaf van f945.20 's maands, door commissarissen is overgelegd en 
te vinden onder de bijlagen dezer resolutien; mitsdien 

ten tiuaai/de: te benoemen en aan te stellen gelijk geschiedt bij deze 

a. tot gecommitteerde van wegc den Resident van Padang voor de 
afdeeling der eilanden ter westkust van Sumatra, 

John Christie; 

h. tot posthouder te Goenoeng Sic Toelie, 

Thomas Messum; 



566 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRA^S OPSTELLEN 

c. tot posthouder te Mokko-Mokko 

J. Stome , 

d. tot posthouder te Poelo-Tellok 

De la Motte, 
allen op de tractementen en den bij het voorgaande artikel gearresteerden 
staat bepaald; 

ten dertiende: provisioneel als leiddraad te doen dienen de instructie 
voor den gecommitteerde voornoemd, zoo als dezelve, door commis- 
sarissen ontworpen en bij hunne missive overgelegd, te vinden is 
onder de bijlagen dezer resolutie; 

met last op het opperhoofd ter westkust van Sumatra om na eenige 
ondervinding te berigten of deze instructie volgens zijne meem'ng 
definitief behoort te worden gearresteerd dan wel eenige verandering 
of wijziging zal behooren te ondergaan; 

ten veertiende: te bepalen dat de bestaande overeenkomsten met 
de hoofden der meergemelde eilanden, voornamelijk die tegen den 
slavenhandel en de verordeningen omtrent schuldenaars, van kracht 
zullen zijn en van toepassing blijven voor de geheele westkust van 
Sumatra ; 

ten vijftiende: aantenemen voor informatie de mededeelingen van 
commissarissen omtrent het rijk van Acheen, in afwachting van nadere 
berigten ; 

ten zestiende: de commissarissen 

Kolonel H. J. J. L. de Stuers, thans opperhoofd ter westkust 
van Sumatra , en 

B. C. Verploegh, thans Resident van Benkoelen^ 

bij besluit van 17 Februarij jl. N" 1 benoemd tot de overname der 
Britsche bezittingen op Sumatra (naar aanleiding en ten gevolge van 
het Londensch tractaat van 17 Maart 1824), uit deze commissie hono- 
rabel te ontslaan onder betuiging van de bijzondere tevredenheid der 
Hooge Regering over de wijze waarop zij de hun opgedragene taak 
in dezen hebben volvoerd. 
Extract enz. 

Met het vorenstaande vul ik eenigszins aan de volgende mede- 
deelingen van Kielstra op bl. 118: 

'/De opdmcht aan commissarissen (tot overneming der Britsche 
//Bezittingen) werd den 25" Maart 1825 door hen ontvangen, waarop 
//zij zich onmiddellijk naar Beugkoeleii begaven en hier den 6° 
//April het bestuur overnamen. De noodige ambtenaren werden hier 
//voorloopig aangesteld om den dienst gaande te houden , Verploegh 
//trad tijdelijk als resident op (resolutie* van den Gouverneur- 
//Generaal in rade van 11 Juni 1825 n® 9). 



OVEE SUMATRa's WESTKUST. 567 

vljüter werden de posteu ten Noorden van Padang (Ajer Baugies, 
^/Natal en Tapauoeli) overgenomen. Met de hoofden van Baros, die in 
^/aanvang des jaars onze hulp hadden verzocht tegen vijandelijke 
^/aanvallen van Malaboeh, werd eene overeenkomst getroffen tot 
'/bekrachtiging van het den 5° Januari 1756 met de O. I. Com- 
//pagnie gesloten contract (resolutie van den Gouverneur-Generaal 
//in rade van 20 Uec. 1825 u». 12). 

//De nieuw verkregen bezittingen, zich uitstrekkende van de 
//Oedjong Massang tot en met Baros, werden ingedeeld bij de 
//residentie Padang en zouden eene afzonderlijke afdeeling uit- 
//maken, met Tapanoeli (eiland Poutjau) tot hoofdplaats. 

//De eilanden langs Sumatra's Westkust (Nias, Batoe, Poggi 
//enz.) //van welke Nias bijzonder belangrijk kon worden wegens zijn 
//talrijke bevolking en uitgebreide rijstcultuur// zouden eene afzon- 
//derlijke afdeeling der residentie moeten vormen (resolutie als boven). 

//Ook de //zuidelijke afdeeling der residentie Padang// werd in 
//1825 georganiseerd. De Stuers betoogde, bij missive van 3 Sept. 
//1825 n® 810, de noodzakelijkheid, behalve de reeds te Poeloe 
//Tjinko en Ajer Hadji zich bevindende posthouders, nog een 
'/ambtenaar te belasten met het houden van een algemeen toezicht 
'/over de uitgestrektheid der landen tusschen Boengoesbaai en 
'/Indrapoera. De regeering besliste dienovereenkomstig bij hare 
//resolutie van 20 December 1825 n® 17.// 

Vergelijkt men deze mededeelingen met de door mij weder- 
gegeven resolutiën, dan blijkt dat de geachte Schrijver hier niet 
juist is geweest. De resolutie n® 18, waarbij toch Tapanoeli werd 
georganiseerd bleef onvermeld , en omtrent den inhoud der reso- 
lutie n® 15, die uitsluitend Beftkoefen organiseerde, worden geene 
mededeelingen verstrekt. 

In het vorengenoemd rapport De Stuers — Verploegh werd niet 
alleen voorgesteld in de nieuw verkregen bezittingen het zout- 
monopolie te wettigen , doch tevens den verkoopprijs van het zout , 
welke in het Padangsche f 6 was , op f 9 te brengen. De Regee- 
ring ging daarin echter niet mede; zij schafte zelfs het zout- 
monopolie af. 

De Stuers heeft later in zijn bekend werk over Sumatra's West- 
kust (1849) zeer hard over het zoutmonopolie geoordeeld, te hard 
inderdaad voor iemand, die, tijdens hijzelf bestuursambtenaar was, 
tot de wettiging er van breed opgezette voorstellen deed. Dat geeft 



568 EENE BIJDRAGE TOT B. B. KIKLSÏRa's OPSTELLEN 

gecu aangenameu indruk en Kielstra maakt hem van deze incon- 
sequentie ook een verwijt (bl. 126). Doch er zijn punten van ver- 
schooning bij te brengen. Uit de officieele stukken blijkt wel 
degelijk, dat De Stuers noode het zoutraonopolie toeliet, doch er 
moest geld zijn , daarom b.v. voerde hij ook de door Kielstra ver- 
oordeelde passerbelasting in (bl. 124 — 126). Verder was zijn 
weerzin tegen het monopolie speciaal opgewekt door het der 
bevolking gestelde verbod om zout te maken , dus zelfs voor haar 
eigen gebruik. Hij stelde zich voor, dat de ontwikkeling van ons 
zoutmonopolie bestaanbajir was met verlof tot eigen aanmaak door 
de bevolking. Ik zou dit niet gaarne willen onderschrijven, 
doch de vraag behoeft hier niet te zijn of men het met hem 
eens is. Telkens komt hij op dat denkbeeld, waar de quaestie van 
het monopolie officieel wordt behandeld, terug, en wraakt vooral 
ook de ruwe wijze , waarop men het verbod handhaafde. Als bestuurs- 
ambtenaar brengt hij diezelfde humane beginselen in praktijk, 
welke later zijn boek sierden. Zijne schoone humanistische gevoelens 
deden hem als besturend ambtenaar met hoogst beperkte middelen 
nog betrekkelijk groote dingen tot stand brengen, doch ongelukkig 
heeft hij in zijn boek daarvan te zeer een stokpaardje gemaakt en 
gewenscht, dat opvolgers, geplaatst onder andere omstandigheden 
en voorzien van andere middelen , zijn eigen politiek van zelf- 
bedwang zouden blijven volgen. Men moet ook, om zijne voorstellen 
betrekkelijk wettiging en opvoering van het zoutmonopolie te kunnen 
billijken , zoowel de stukken van zijne hand , als die van Krusemau 
(bl. 126) lezen; evenzoo de redenen kennen, waarom de Regeer ing 
zoo plotseling, geheel in afwijking van die voorstellen, het zout- 
monopolie ophief. Ik acht het niet noodig een en ander hier te 
publiceeren. Doch hoc ook, Kielstra heeft gelijk, waar hij, melding 
makende van die voorstellen, schrijft (bl. 126): 

'/Wanneer men zich herinnert op hoc hoogst afkeurende wijze 
//de Stuers zich op verschillende j)laiitscn van zijn werk over het 
//zoutmonopolie uitlaat dan kan men niet nalaten , zich over dit 
//voorstel te verbazen!// 

Men moet echter zelf in den tredmolen oener veelomvattende 
administratie geloopen hebben, om te kunnen begrijpen, hoe men- 
schen . niet ontdaan van ideële opvatting , geheel ter goeder trouw 
zich na jaar en dag soms verkeerde voorstellingen vormen van 
hetgeen zij deden , dikwerf tegen hun eigen ideële wensehen in , 
enkel omdat de omstandigheden , de eisehen van de praktijk hun 



OTER SUMATRA*8 WESTKUST. 5ff9 

te machtig worden. Men is wezenlijk onbillijk dergelijke naturen, 
als van een de Stuers , daarover hard te vallen , althans eeniger- 
mate hen van opzettelijke zelfverheffing te verdenken. Hoe hij soms 
in de war is, blijkt o. a. op bl. 114 deel F van zijn werk, waar 
hij schrijft: 

//Op mijne voordragt werd evenwel met 1 Jan. 1827 het mono- 
//polie in zoover afgeschaft, dat de invoer van zout, mits uit 
//'s Gouvernements-zoutpannen afkomstig, werd vrijgesteld.// 

In deze kleine zinsnede zijn liefst drie fouten , namelijk : 

1°. het geschiedde niet op zijne voordracht; 

2®. de gebeurtenis waarop de schrijver het oog had, ging niet 
in met 1 Januari 1827, doch met 1 Augustus 1826; 

3*^. er had geene volstrekte uitsluiting van vreemd zout plaats, 
doch liet Gouvernements-zout was vrij van rechten; terwijl van 
het vreemde zout invoerrecht moest betaald worden, hiat ik er 
bijvoegen zóó zwaar, dat het veel van eene verbodsbepaling had. 

Doch zoo weinig schijnt de Schrijver van 1849 aan de juistheid 
zijner voorstelling getwijfeld te hebben , dat hij niet eens er aan 
da<ïht even Staatsblad 1825 N®. 45 in te zien, dat hem althans 
omtrent de punten 2° en 3" de meest voldoende inlichting had 
kunnen geven. 

Hoezeer hij echter ook als bestuursambtenaar omtrent de meer- 
dere vrijheid in de zoutaangelegenheden warm liep, blijkt nog uit 
het volgende. De bij Staatsblad 1825 N»*. 45 afgekondigde vrij- 
heid maakte er volstrekt geene melding van , dat ook het verbod 
tot aanmaak van zout was ingetrokken. Nu nog komt het op 
sommige liuitenbezittingen voor, dat het wel een ieder vrijstaat 
zout in te voeren , doch de bevolking geen zout mjig aanmaken. 
Hierdoor waarborgt zich de schatkist een grooter bedrag aan 
invoerrechten. Mfiar de Stuers heeft zich jvan dat zwijgen der wet 
over intrekking van het verbod tot aanmaak niet gestoord, zoodat 
hij bij publicatie van 5 Juni 1827 Jillerwegen aan de strandbewo- 
ners liet bekend maken , dat het verbod om zout langs de kusten 
te maken was ing(»trokken , en dat het dus den strandbewoner vrij 
stond zout voor eigen gebruik te maken ! 

Nog eene bijzonderheid. Kielstra maakt alleen melding van h(»t 
roornfil der commissarissen De Stuers en Ver])loegh ter verhooging 
van den debietprijs tot f9; doch De Stuers is eigenmachtig zelfs 
verder gegaan. Aangezien namelijk de staat der kas, welke uithoofde 
der meerdere uitiraven , veroorzaakt door de territoriale uitbreidinir 



570 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELST&a'h OPSTELLEN. 

(Ier Residentie, zoodanig gedaald was, dat zij met de betalingen 
ten achteren geraakte, sloot hij op het einde van 1825 onder ver- 
schillende voorwendselen gedurende eenige dagen het zoutpakhuis 
te Padang, zoodat er geen momentaneele particuliere speculatiën 
konden ontstaan, en vervolgens verhoogde hij met ingang van 7 
December 1825 den debietprijs tot f9 het pikol! Bij missive dd. 
28 Januari 1826 N® 8 gaf hij er kennis van aan de Regeering, 
tevens er bijvoegende, dat de ondervinding van twee maanden nog* 
geene mindere consumtie door de verhooging van den prijs had 
doen bespeuren. Zijne handeling was in strijd met 'sRegeerings 
besluit van 20 December 1825 (hiervoren vermeld), waarbij hem 
was medegedeeld, dat de voorstellen van het zoutmonopolie nader 
in behandeling werden genomen ; en toen de overwegingen ten slotte 
leidden tot de inmiddels genomen resolutie van 29 December 1825 
N® 2, afgekondigd bij het zooeven genoemde Staatsblad 1825 N" 
45, gaf de Regeering met betrekking tot de eigenmachtige prijs- 
verhooging van De Stuers bij resolutie dd. 14 Februari 1826 N*> 
16 te kennen: /'in het verrigte van den resident en militairen 
//commandant van Padang en onderhoorigheden (thans opperhoofd 
//ter Westkust van Sumatra) in dezen te berusten, en denzelven 
//voorts over te wijzen tot de publicatie van den 29'*'" December 
/'jl. (Staatsblad N« 45).// 



II. 

//SUMATRA'S WESTKUST VAN 1826— 1832./^ 
(Deel XXXVII der geheele reeks, 1888). 

Op bl. 240 deelt Kielstra het volgende mede: 

vin een brief van de Stuers, dd. 11 Sept. 1826 N® 61, gericht 
vaan het Departement van Koloniën , lezen wij : 

// //En zoo door de thans bestaande omstandigheden het zout- 
// //monopolie hier niet weder mocht hersteld worden, zoo hoop ik 
// //ten minste op eene spoedige dispositie ten aanzien van het 
////binnenvoeren van vreemd zout te Tapanoeli . . .'. opdat de in- 
// //komsten van de Noordelijke afdeeling , of de nieuw verkregen 
// //bezittingen ten Noorden van Padang , eenigszius de uitgaven 
////mogen tegemoet komen.//// 

//liet gevolg van de Stuers' daartoe strekkende voorstellen lezen 
//wij uit zijn , mede aan den Minister van Koloniën gerichten brief 
//van 7 Januari 1828 N" 2, waarvan het slot aldus luidt: 

////Het Gouvernement heeft het vreemde zout, hetwelk vroeger 
////^ f 1.50 inkomend recht per pikol belast was, verboden door 
// //het met f 6 te belasten. De tijd zal leeren of die maatregel wel 
// //doelmatig is , bijzonder ten aanzien van Tapanoeli , aan welks 
////kusten het kustzout aangebracht wordt, in vrije districten of, 
// //in het klein , in de onze waar wij het niet kunnen beletten.// // 

En in een noot voegt de schrijver alhier de opheldering: 

//Deze maatregel is, blijkens het jaarverslag over 1828, met 
het einde van dit jaar weder opgeheven.// 

De geachte schrijver zelf zal w^el gevoeld hebbeu, dat zijne ge- 
gevens onvoldoende waren; de volgende mededeelingen helderen 
de gansche correspondentie op. 

Gelijk wij weten hadden de commissarissen De Stuers — Verploegh 
aanbevolen het zoutmonopolie ook in de nieuw verkregen bezittingen 
te wettigen. Nadere overweging gaf echter De Stuers de over- 
tuiging, dat zelfs een debietprijs voor het Gouveniementszout van 



572 EENK BIJDRAGi: TOT E. B. KIKLSTUa's OPSTELLEN 

f 6 als te Padang bestond en dien hij nog opvoerde tot f 9, voor 
Tafiavoelie te hoog zou zijn , in verband met de moeielijkheid het 
smokkelen van vreemd zout te beletten , waartoe een sterke prikkel 
moest bestaan , eensdeels omdat dit zout slechts f 3 de pikol kostte 
en de ingezetenen ook , naar het scheen , meer van het zwarte 
vreemde zout dan van liet Javasche witter product hielden. De 
Stuers haastte zich uit dien hoofde niet om , na de overneming , 
Tapanoeli van Java-zout te voorzien , te eerder wijl er nog veel 
in voorraad was, tijdens het Engelsche bestuur aangebracht. En 
eindelijk besloot hij maar geen Landszout er te laten debiteereu, 
wijl het Gouvernement of door te lagen debietprijs toch sch.ide 
zou lijden , of door te hoogen debietprijs geene beletselen zou weten 
te vinden tegen het smokkelen uit de Noordelijk van Tapanoeli 
gelegen onafhankelijke landschjippen met hunne uitnemend gelegen 
havenplaatsen. Eindelijk zag hij er tegen op, den ingezetenen loo 
dadelijk na de overneming het onaangename en voor hen drukkende 
van een monopolie te doen gevoelen. 

Maar om nu toch eenige inkomst van het zoutmiddel te trekken , 
wettigde hij in 1826 eigenmachtig een invoerrecht van f 24 per 
koijang of f 0.80 per pikol voor het vreemde zout, met verbod 
om dit ten Zuiden van Ajerbangies te vervoeren. 

Evenals zijne verhooging van den debietprijs te Padang, kruiste 
zieli de Tapaiioelische maatregel met de resolutie van 29 December 
1 825 , Staatsblad N*' 45 , waarbij het zoutmonopolie werd afge- 
schaft, doch tevens het invoerrecht op vreemd zout werd gest<dd 
op f180 de koijang of f6 het pikol. 

Tfr/cii dit hoorje in voer recht Iwaw l)e Stiierti f jij schrijven dfl. l Jiüi 
1826 .V'^ 39 L^ A. mot (jrootr warmte op ^ voor zoover Tapavoeli aav- 
givfjf. Dat stond gelijk met een verbod , ergo met dien prikkel tot 
smokkelhandel , welken De Stuers ^^^.\\ kans zag £e beletten , en 
waarvoor hij zelf juist een 1\ maal lager recht had ingevoerd. 
Verder verzocht hij goedkeuring op deze laatste handeling, waar- 
door bereids f5000 zuiver in 'sLands kas was gevloeid. /^Tijd en 
//ondervinding// , besloot hij , //hebben mij omtrent den zouthandel 
//te dezer kust die inlichtingen bezorgd , waarop het bovenstaande 
/'gegrond is, hetwelk in sommige opzichten afwijkt met het door 
//Kommissarissen voor de overname der Britsche bezittingen op 
//Sumatra betrekkelijk den zouthandel bij hun rapport van den 
//30 November 1825 L" F. N^' 22 gerapporteerde.// 

Doch de Indische regeering besliste hierop niet spoedig, en het 



o Ver sumat&a's westkust. 573 

is hierwer dat Be Séuers zicJi ruim twee maanden later bij het Depar- 
tement van Koloniifn^ in zijn schrijven dd. 11 September 1826 min 
of meer beklaagt. 

De Indische regeeriug had namelijk aan Kruseman De Stuers' 
voorstel over Tapauoeli in handen gesteld; en ingevolge diens 
missive dd. 5 September 1826 N®. 276, zoomede eener nota van 
den 16" d. a. , v. verscheen de resolutie van 24 November 1826 
N^ 10. Daarbij werd o. a. de Stuers' invoerrecht van f 24 de 
kojang goedgekeurd, //zoolang de publicatie van 29 December 1.1., 
//waarbij dat regt op f 6 per pikol is bepaald , niet ter zijner 
//kennis was gekomen//, en verder, met wijziging van Staats- 
blad N°. 45, het invoerrecht voor de ueheele Westkust verlaagd 
tot f Ij het pikol of f 45 de kojang. Men zie Staatsblad 
1826 N«. 70. 

De aanleiding tot het tweede schrijven aan den Minister van 
Koloniën was de volgende. 

De vrijzinnige politiek ten opzichte van het vreemde zout, des- 
tijds in acht genomen, veroorzaakte slechts teleurstelling met 
betrekking tot den uitvoer van Gouvernements Java-zout. 

Daarom werd de uitvoerprijs van dit zout van Java naar de 
Buitenbezittingen , ter mededinging met particulier zout bij Staats- 
blad 1827 N«. 69 slechts op f 30 de kojang gesteld, terwijl de 
Generale directie van Financiën bij missive dd. 24 Juli 1827 
N". 103 aanbeval, op Sumatra's Westkust het invoerrecht van 
f 6 per pikol , hetwelk ook elders op de Buitenbezittingen bestemd, 
te herstellen. De Raad van Indië was het blijkens zijn schrijven 
dd. 21 Augustus 1827 N*». 1374 hiermede eens. 

//Ofschoon//, oordeelde het College (destijds de Regeerhuj genoemd), 

//vroeger dat regt voor de Westkust van Sumatra, speciaal voor 

//zooveel betreft de noordelijke afdeeling van de Residentie Padang 

//te hoog geoordeeld is, om de aanleiding welke daardoor tot 

//smokkelhandel zoude zijn gegeven (waarom hetzelve dan ook, bij 

//publicatie van den 24" November 1826, voor de gemelde kust 

//is vastgesteld op f IJ per pikol), is de regeering thans evenwel 

/yvan oordeel , dat hetzelve ook hier ter kuste op f 6 kon wor- 

//den bepaald, omdat de aanzienlijke vermindering in den prijs 

//van het Javaansche zout voor den uitvoer de omstandigheden 

//ten deze aanmerkelijk heeft doen veranderen , en ook de vrees 

//voor smokkelhandel in vreemd zout genoegzaam doet vervallen.'/ 

Zoo loerd bj besluit dd. 27 Augustus 1827, Staatsblad N\ 83, het 
5e Volgr. X. 38 



571 E£N£ BUD&AGE TOT L. B. K.IELSTRA^8 OPSTELLEN 

Invoer rec/U io*ftier op f 6 gestehl ^ dus zonder uitzondering, vooralle 
Buitenbezittingen. 

In zijne rapporten van 2^3 Maart 1S2S N^ 19 en 29 September 
d. a. V. N®. 63 wees De Stuers er andermaal de Indische regeering 
met kracht van redenen op, dat zulk een recht voor Tapauoeli 
het doel voorbij streefde, *in hef 't 8 hierover ^ dat hij zich mede fje- 
kïuagde aan liet Mininterie rau Kofottiëu f/ij den ticeejlen door KieUtra 
verniettlm tjrief ratt 7 /anuari 1828 A**» 2 

Men vergunne mij de geschiedenis van den Tapanoelischen zout- 
handel eenigszins voort te zetten. 

Op aanbeveling van den Directeur der Middelen, blijkens mis- 
sive dd. 15 April 1828 N*». 393, werd de Stuers' voorstel om het 
invoerrecht voor Tapauoeli tot f 1 te verlagen maanden lang in 
advies gehouden , zoodat eerst bij een besluit van 3 December 
1828 overeenkomstig zijne wenschen beschikt werd. Van dit besluit 
wordt echter niet alleen melding gemaakt in het door Kielstra 
genoemde jaar>'erslag , maar het is ook gepubliceerd, en wel bij 
Staatsblad 1828 N^ 82. 

In dat Staatsblad kan men lezen, dat slechts voor twee jaren 
de afwijking van Staatsblad 1827 N*». 83 werd toegestaan, en dat 
de Resident over de voortzetting tijdig moest rapporteeren. 

Toen echter de tijd daar was, werd het door het Gewestelijk 
Bestuurshoofd vergeten , waarom hij er bij art. O der resolutie van 
10 Januari 1831 N** 21 aan werd herinnerd. Hierop volgde het 
rapport, van den resident Mac Gillavry dd. 12 Maart 1831 N«. 242. 
Hij gaf in overweging den maatregel voorloopig te laten bestaan, 
doch verzocht hulpmiddelen om beter den smokkelhandel te 
kunnen bestrijden , voor wieu zelfs het invoerrecht van f 1 nog 
genoegzaam winst aanbood, om langrs allerlei andere wegen vreemd 
zout binnen te voeren. 

Zoo bleef de maatregel gehandhaafd , toen bij resolutie van 
23 Januari 1833 N®. 3 op Sumatra's Westkust het zoutmono- 
polie andermaal werd ingevoerd ; en weder vergat de wetgever 
de bijzondere toestanden van Tapauoeli ! Men deed echter alsof 
de resolutie voor die afdeeling niet geschreven was, en toen 
men de fout ontdekte, liet men haar stil passeeren. Zoo bleef 
Tapauoeli bevrijd van het zoutmonopolie , dat nu in de Padaug- 
sche Binnen- en Benedeiilauden tot lieden onafgebroken zou voort- 
werken , en bleef men in Tapauoeli f 1 invoerrecht heifen van 
het vreemde zout. Doch in 1836 ontdekte de fiekenkamer dat 



OVER sumatua's westkust. 575 

meu aldus in strijd handelde met Staatsblad 1827 N*». 83, hetwelk 
immers slechts gedurende een korten tijd door Staatsblad 1828 
N*». 82 was gewijzigd. Nauw was het Gewestelijk gezag van deze 
overtreding op de hoogte gesteld, of voor de derde maal werd te 
Tapauoeli het invoerrecht gesteld op f6, maar al weder met het 
heilloos gevolg dct de wettige zouthandel geheel verliep. 

Op dezen abnormalen staat van zaken werd in 1837 de aan- 
dacht der Regeering gevestigd , tevens onder mededeeling , waarom 
het Monopolie-besluit van 1833 niet op Tapanoeli was toegepast 
geworden. Aldus ontstond het besluit d.d. 10 Mei 1838 N^. 9, 
waardoor de Gouverneur der Kust gemachtigd werd "om tot zoo- 
'/lang daaromtrent geene nadere bepalingen zullen worden vast- 
/'gesteld, op den invoer van vreemd zout te Tapanoeli te doen 
^'van toepassing zijn het bepaalde bij besluit van den Kom- 
'/missaris-Generaal d.d. 3 December 1828 N®. 28 (Staatsblad 
No. 82). 

Ik noemde daar de Monopolie-resolutie van 23 Januari 1833 
N® 3. Terecht heeft K ielstra aan deze verordening groot gewicht 
gehecht, waarvan hij op bl. 374 — 376 de redenen voor de weder- 
invoering /'Voor zoover wij kunnen nagaan// mededeelt. Uit die 
mededeelingen blijkt mij echter, dat de geachte Schrijver over 
onvoldoende stof beschikt heeft; waar bv. , gelijk hij mededeelt, 
reeds de resident Mac Gillavry bij rapport dd. 21 April 1830 
N® 315 en Elout bij een schrijven van 17 December 1831 la J 
de wederinvoering van het zout-monopolie bepleit, moet het wel 
eenigszins de aandacht trekken, dat bij eene regeering als die 
van Van den Bosch eerst in 1833 de zaak haar beslag krijgt; en 
andere stukken worden door Kielstra niet vermeld. Ziehier de 
toedracht der zaak. 

Nog in hetzelfde jaar , dat Mac Gillavry den resident De Stuers 
had vervangen, bracht de nieuw opgetredene bij missive dd. 17 
September 1829 N° 169 een ongunstig rapport omtrent den vrijen 
zouthandel uit, en hij kwam hierop terug in het daareven vermeld 
rapport van April 1830. Met meer ernst drong hij echter op ver- 
andering aan, toen de assistent-resident van Bengkoelen, Francis, 
bij missive dd. 4 Mei 1830 N*» 33 den resident berichtte, dat 
er geen zout op de plaats was, waarom hij ten behoeve der ge- 
vangenen zoo spoedig doenlijk de toezending verzocht van 20 i\ 30 
picols ; tevens deelde hij echter mede , vernomen te hebben : /'dat 



576 EENE BIJDRAGE TOT K. B. KIELSTEA^S OPSTELLEX 

/s^er om de Zuid overal zout wordt aaugemaakt, hetgeen in de 
//gegeven omstandigheden onmogelijk kan worden tegengegaan./)^ 
De Stuers proclamatie had dus wèl gewerkt! 

De Resident zond dit schrijven aan den Directeur der Producten 
bij missive dd. 15 Mei 1830 N« 346. Hij deelde mede, dat in 
Februari 1830 zich ook te Padang gebrek aan zout had doen 
gevoelen , en betoogde nu uitvoerig de wenschelijkheid tot weder- 
invoering van het zoutmonopolie. 

De Generale Directie van Financiën bracht deze stukken onder 
de aandacht der Eegeering bij schrijven dd. 8 Juli 1830 N*» 463, 
en ook daarin werd met kracht van redenen de wenschelijkheid 
betoogd : //dat de alleenhandel in zout ter Sumatra^s Westkust 
//voor rekening van het Gouvernement worde hersteld.// 

De stukken werden in handen gesteld van het lid van den 
Raad van Indie Goldman. Het schijnt dat destijds Mac Gillevry 
te Batavia was, want Goldman vond gelegenheid met hem over 
de zaak te spreken; waarvan het gevolg was, dat Goldman het 
volgend praeadvies voor zijne medeleden uitbracht: 

//Over dit punt met den Heer Mac Gillavrj geconfereerd en op 
'/grond van deze conferentie de zaak door Z.Ed.G. nader en rijpelijk 
'/in overweging genomen zijnde, hoofdzakelijk met betrekking tot 
//de tegenwoordige omstandigheden te dier kust, zoo is het resul- 
'/taat dajirvan geweest: 

//dat Z.Ed.G. alsnog bij het gevoelen blijft persisteeren , dat 
//het zoutmonopolie op Sumatra's Westkust dient hersteld te 
//worden, evenwel met die mits, wanneer de Oostkust door 
"ons bezet is , namelijk wanneer de landschappen der L kotta's 
//en Lintau en de Binnenlanden weder Padries werden, 
//terwijl thans, nu de communicatie van het Ooster- en het 
/'Westerstrand open en vrij is, hieraan niet te denken is.// 

//Op grond, waarom ik dan ook van gevoelen ben, dat de zaak 
//vooreerst nog behoort te worden gehouden in advies.// 

Hiermede vereenigde zich de Raad in Juli 1830. 

Wij hadden destijds op Java door het eindigen van den Dipo- 
Negoroschen opstand de handen vrij gekregen en in het streven 
der toenmalige Regeering om van Sumatra een Java te maken, 
werden de troepen aangewend tot uitbreiding van ons gezag ter 
Westkust. De Stuers was legercommandant, zag dit oorlogzuchtig 
streven met weerzin aan en werd daarom van zijn algemeen com- 



OVER SUMATRA*» WESTKUST. 577 

mando, wat Sumatra's Westkust betrof, ontheven. liet succes 
scheen ten slotte tegen diens opvattingen te pleiten. Mac Gillavry 
was in 1831 herbenoemd tot resident van Soerakarta en door den 
luitenant-kolonel Elout in 1831 als resident van Sumatra^s West- 
kust vervangen. Reeds in 1832 kon deze aan den Landvoogd 
melden /^de volledige onderwerping van bijna alle volken in de 
^/binnenlanden van dat eiland.// Een zijner officieren, de heer de 
Quaij , werd door El out naar Batavia gezonden , o. a. om over den 
stand van zaken mondeling nadere inlichtingen te geven. 

De heer Van den Bosch bleek niet weinig ingenomen met eene 
onderwerping, welke hij aan den Koning beloofd had en die 
nu reeds zoo volkomen scheen. De gelukkige brenger van het 
nieuws werd tot majoor bevorderd en toegevende aan eene bijzon- 
dere neiging tot het schrijven van nota's, haastte zich de Land- 
voogd zijne gedachten over de organisatie van het land op papier 
te zetten. 

Over het stelsel van belasting was hij natuurlijk bijzonder uit- 
voerig en dat het plan vaststond om ook eerlang het cultuurstelsel 
op Sumatra in te voeren, blijkt uit de volgende aanhaling: 

// Eindelijk zal de grond moeten worden gelegd , om eene gere- 
'/gclde en duurzame belasting te heffen op de teelt van alle pro- 
//ducten, welke het land oplevert. Hierin echter zal aanvankelijk 
//de meest mogelijke omzichtigheid worden gebruikt, en vooral de 
//kuituur van producten voor de markt van Europa geschikt, 
^worden aangemoedigd. 

//Men zal vooreerst beproeven om met de dorpshoofden overeen- 
//komsten te treffen wegens het planten van koffij en peper, en 
//het delven van goud ; ook de kamfer- en beuzoïnhandel zal behooren 
'/te worden aangemoedigd. 

'/Het zal den inlander vrijstaan, zijne producten naar de stranden 
//af te voeren ; het zal echter een punt van overweging moeten 
//uitmaken, of, zoo die producten worden afgevoerd langs wegen 
'/van het Gouvernement, dezelve in dat geval niet aan eene 
"geringe belasting of tollen zouden kunnen worden onderworpen. 

//Yan eene verstandige leiding der industrie dezer landen zal 
//het voornamelijk afhangen , om dezelve aan onze belangen dienst- 
baar te maken , namelijk de produkten zullen voor onzen Neder- 
//landschen handel moeten verkrijgbaar zijn, tegen zoodanige prijzen, 
"dat dezelvi» met voordeel naar het moederland kunnen worden 
"overgebragt, en aan hetzelve de sleet wordt bezorgd van alle 



580 XENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTBA^S OPSTELLEN. 

tarie aanwezig stond dat nommer óók, doch dit is doorgehaald 
en vervangen door N°. 46 , terwijl bij de verwijzing naar dien brief 
en andere stukken, als b. v. in de resolutie over het zoutmonopolie, 
ook steeds N®. 46 wordt vermeld; men zou anders, gelijk ik oor- 
spronkelijk meende, aan het bestaan van twee missives denken. 

Paragraaf 17 op bl. 379 van Kielstra^s opstel over de tienden 
der T\ptr>e1den. wordt in den brief behandeld als sub «, dus vol- 
gende op nd. de in- en uiiffoande rechten en alle andere helaetingfn» 
terwijl als toelichting van d in den brief volgt de hiervoren weder- 
gegeven aanhaling over het cultuurstelsel , welke ik belangrijk 
vond, omdat ze meer dan iets anders den geest der toenmalige 
regeering karakteriseert. 



UI. 

/.SUMATBA'S WESTKUST VAN 1841—1849.// 
(Deel XL der geheele reeks, 1891.) 

Kielstra beschrijft hier o. a. de ontruiming van Sumatra's Oost- 
kust op last van den minister J. C. Baud. Bij een besluit van 
15 November 1841 werd de bezetting van Siak uitgesteld, enden 
Gouverneur van Sumatra's Westkust te kennen gegeven dat voor- 
eerst van de Oostkust tegen Siak niets zou worden ondernomen 
en dat, afgezien wordende van het voornemen eener vestiging te 
dier plaatse, zijn bestuur zich ten doel moest stellen om (Un hamlet 
en afvoer van producten uit (Ia binnenfanden van Sumatra nu/ir de 
Westkust te leiden. 

Hierop laat de Schrijver dit volgen (bl. 379) : 

"Wellicht eenigszins in verband hiermede was, bij besluit van 
^/14 November 1841 N®, 1, bepaald dat, met ingang van 1 Januari 
//1842, de havens van Singkel en Baros, onder dezelfde verorde- 
'/deningen als die van Tapanoeli, voor den grooten en transito- 
s/handel werden opengesteld; dat voor den handel daarentegen 
//waren gesloten de tusschen Singkel en Tapanoeli gelegen plaatsen , 
//wier havens alleen toegankelijk waren voor inlandsche vaartuigen , 
//ter Sumatra's Westkust behoorende en op jaarpassen varende. 
//Het uitgaand recht op benzoë werd bepaald op f 8 , f 6 en f 4 
//per pikol voor de 1* 2^ en 3® soort; als tijdelijke maatregel 
//werd de invoer van Javaansch en vreemd zout te Tapanoeli en de 
'/meer noordelijke havens toegestaan; het Javaansche zout vrij van 
'/rechten, het vreemde tegen betaling van f 1. — inkomend recht 
//per pikol.// 

Uit deze aanhaling meen ik de gevolgtrekking te mogen maken, 
dat Kielstra niet de beschikking heeft gehad over de stukken die 
tot het bij Staatsblad 1841 N". 40 afgekondigd besluit hebben 
geleid, — stukken, mede belangrijk omdat zij ons bekend maken 
met den toestand dier Noordelijke havenplaatsen , tijdens de in- 
bezitneming door Michiels, den Gouverneur der Kust. De bundel 
is echter te lijvig voor het wedergeven van de gansche correspon- 



582 EENE BIJDRA.aiS TOT E. B. RTELSTKa's OPSTELLEN 

deutie, maar twee rapporten verdienen hier in hun geheel mede- 
gedeeld te worden, namelijk van P. de Perez en een van den 
Directeur der Middelen Van der Vinne. 

Michiels had in de jaren 1839 en 1840 Baros, Tapoes en Singkel 
aan ons gebied gehecht , doch middelerwij 1 was door de Begeering, 
zooals Kielstra op bl. 281 van dl. XXXIX (1890) mededeelt, bij 
besluit dd. 25 Juni 1839 N*». 1 den Kaad van Indië Mr. Merkus 
als Gouvernements-Commissaris naar de Westkust gezonden en aan 
dezen toegevoegd geworden de heer De Perez. 

Toen nu Singkel, na Baros en Tapoes, mede vermeesterd was, 
zond de kolonel Michiels een rapport, gedagteekend Singkel den 
26 Juni 1840 I/* X^ aan den Hoofdgecommitteerde voor de 
Battalanden Padang Lawas te Singkel. De aanhef luidde aldus: 

'/Door het vermeesteren van Singkel strekt zich 's Gouvernements 
//gebied uit over het geheel gedeelte der Kust, waarvan het hoofd- 
//product is kamfer en benzoïn; en het geldt nu de vraag, welke 
'/beginselen van bestuur, welk stelsel van belastingen zullen 
//worden aangenomen. 

//Baros, Tapoes en Singkel ontleenen hunnen meerderen of min- 
//deren graad van belangrijkheid niet uit eigen productief vermogen, 
//maar uit hunne topographische ligging, die hen de kanalen doet 
//zijn, naar welke dit product der binnenlanden zijnen natuurlijken 
//weg vindt, om in ruil te kunnen strekken van die artikelen van 
//buitenlandschen aanvoer , welke of geriefelijk , zooals lijnwaden , 
//of onontbeerlijk als zout, ijzer, enz. voor de behoefte der massa 
//geacht worden.// 

Na dezen aanhef wijdde Michiels in het breede uit over de 
toekomst der nieuw verwonnen landen . doch zijne beschouwingen 
verloren veel van haar belang, nadat de Perez een nauwkeurig 
plaatselijk onderzoek had ingesteld, en als resultaat daarvan het 
belangrijke stuk inzond , hetwelk ik hier laat volgen : 

NOTA betrekkelijk den Handel en de heffing 
van Inkomende- en Uitgaande regten in de Noordelijke 
Havens van 's Gouvernements bezittingen ter Wesiktist 
van Sumatra. 

De gunstige afloop onzer militaire operaliën tegen Singkel en de 
in bezitneming van die plaats thans het oogenblik hebbende doen 
naderen waarop gedacht mag worden aan de regeling van de belangen 
van 'sLands schatkist door heflingen op den handel in de Noordelijke 



OVEK sümatra's westkust. 583 

havens van 's Gouvernements bezittingen ter dezer kust, heb ik in 
voldoening aan mij deswegen door UHoog Edel Gestrenge gegeven 
bevelen opzigtelijk dien Handel eenige onderzoekingen gedaan , waarvan 
ik de eer heb het nog zeer onvolkomen resultaat met mijne conside- 
ratiën over het onderwerp bij deze nota aan UHoog Fdel Gestrenge 
aan te bieden. 

De havens waaromtrent hier de reden is, zijn die van Sinkel, Tapoes, 
Baros en Tappanoelij, 

Sinkel. De informatiën welke het mogelijk is geweest te Sinkel 
ten aanzien van dit onderwerp in te winnen, zijn slechts zeer beperkt 
en komen hoofdzakelijk neer op het ondervolgende. 

De zeehandel bevond zich geheel in handen van de nu onlangs 
verdreven Atjinezen, die aan de monding van de voor deze kust 
aanzienlijke rivier van Sinkel gevestigd waren en daarvan eene monopolie 
hadden gemaakt; dezelve wierd wijders gedreven met handelaren, 
hooger de rivier op gevestigd en behoorende tot de bevolking , tusschen 
het beneden gedeelte van deze rivier en de bergstreeken, of de 
zoogenaamde Oeloe Sinkel^ derzelver oevers bewonende, en die onder 
het beheer staan van acht Radjas en acht Panghoeloes. Ook, maar 
zeer zeldzaam, wierd de handel gevoerd met binnenlanders uit de 
berglanden. 

De Berglanden, waarmede Sinkel in handelsgemeenschap stond, zijn 
het N. W. deel van Toba^ Deiri, Karo en Alias ^ ook wel maar weinig 
Kataran. Naarvolgens de berichten, dienaangaande bekomen, is het 
landschap Deiri, gelegen N. W. van Toba en tusschen dit laatste in 
Kataran; de afwatering uit hetzelve geschiedt naar de Oostkust van 
Sumatra^ de bevolking is Battaks en ook verspreid over een gedeelte 
land , aan de W. zijde van het waterscheidende gebergte boven Tapoes 
en boven een der voorname takken van de rivier van Sinkel, bekend 
onder de benaming van Simpang Kanan. 

Ofschoon de conclusie niet voor zekerheid durvende opgeven, heb 
ik uit de erlangde informatiën gemeend te moeten afleiden, dat de 
landen Karo en Alias valleijen zijn waarvan de wateren zich storten 
in de rivier van Sinkel en te beschouwen zijn als de voorname 
bronnen van den tak Simpang Kierie, en dat men de positie dezer 
landen onderling en betrekkelijk de rivier van Sinkel, vergelijken mag 
met de onderlinge positie van de landen van Mandheling en Ankola 
en derzelver ligging tot de Rivier Gadies. 

Karo is door heidensche Battaks-stammen bewoond en Alias door 
afstammelingen van Battaks welke tot de Mohamedaansche godsdienst- 
leer zijn overgegaan. 

Kataran, ook door Battaks bevolkt, had meer handelsverkeer 
met de Oostkust dan wel met Sinkel; Deiri een weinig met Baros, 
maar meest met Tapoes en Sinkel; Karo was voor den handel geheel 



584 FiEHE BIJDRAGE TOT E. B. KISLSTJu's OPSTELLEN 

aan Sinkel dienstbaar, doch Alias dreef denzelven ook met Troemon 
en zelfs met het meer noordelijk gelegen Soesoe. 

Men wil, en dienaangaande waren alle de bekomen berigten 
overeenstemmende, dat alle de hiervoren genoemde berglanden, vooral 
Alias , rijkelijk bevolkt zijn , en dat de Oeloe of tnsschen-bevolking op 
6- a 7000 weerbare mannen mag worden geschat; evenwel, op goede 
gronden steunende opgaven van de approximatieve hoegrootheid dier 
bevolkingen ben ik niet bij magte U Hoog Edel Gestrenge aan te 
bieden. 

De monding van de Rivier van Sinkel heeft eene diepte van 5 a 6 
voeten, weshalve voor prauwen en Inlandsche vaartuigen van de 
grootste soort het binnenvaren derzelve , wat de diepte betreft mogelijk 
is; gemeenlijk neemt men aan die monding zware rolling waar, en niet 
zeldzaam bij hooge deining verandert die rolling gedurende eenige achter- 
eenvolgende dagen in branding , in welke men zich soms in het geheel 
niet en voorts niet dan met groot gevaar begeven kan. Daar het 
echter steeds mogelijk is op slechts korten afstand beoosten deze 
monding te landen en men van daar over land tot nabij ons etablissement 
doch aan den t^en overgestelden oever van de rivier naderen kan, 
behoeft nimmer de gemeenschap met de Reede, althans voor personen, 
als geheel gestremd te worden geacht. 

Vloed neemt men in de Sinkelsche rivier niet waar, en evenwel 
is dezelve — voornamelijk de Simpang Kierie — met sampangs 
tot op verre afstanden van de monding bevaarbaar, zoo zelfs dat 
landgemeenschappen met Karo en Alias niet schijnen te bestaan 
en de op- en afvoer naar en van die landen ook geheel te water 
geschiedt. 

Uit de Oeloe Sitikel bestonden geen directe landgemeenschappen, 
noch met Tapoes^ noch met Troemon^ en men geeft op, dat van de 
boorden der rivier binnenwaarts in die rigtingen alles wildernis en 
moeijelijk te doordringen bosch is. 

Ook met het Eiland Nias werd van Sinkel uit eenige handel 
gedreven, zoo wel ter bekoming van slaven als ter voorziening in de 
behoefte aan rijst en olie. 

De voortbrengselen van de binnenlanden , voor den uitvoerhandel 
geschikt, zijn benzoein, kamfer, was en rotting, en de voornaamste 
artikelen van invoer waren zout, grove kustlijnwaden (kain kring), 
blauw linnen, ruw katoen, ijzer, koperdraad, opium, terwijl nog een 
aantal artikelen in mindere hoeveelheden hier eene markt vonden. 

Met uitzondering van een weinig door wankangs, van Poeloe^Pinang^ 
van Malakka of »Sy/;^rtr/>ö<?;hicr jaarlijks aankomende, aangebragt wordend 
Siamsch zout, wierd hier overigens zwart kustzoul ingevoerd. Beide 
soorten schijnen even zeer gewild te zijn geweest , en dit zoude pleiten 
tegen de opgave van sommigen, door anderen ook weder tegengesproken. 



OVÉ& SUMATEA^S WESTKUST. 58& 

dat de Binnenlander uitsluitend zwart zout verlangt. Volgens de laatsten 
is het voldoende dat het zilt van eenen grove korrel zij en daardoor 
bij vervoer minder spilleert. 

De prijs van dit artikel varieerde naarmate van den voorraad en 
wel van 50 tot 100 Spaansche matten, gemiddeld 75 matten de 
Sinkelsche koijang, bevattende 64 picols. — Het is mij niet mogen 
gelukken de hoegrootheid der consumptie met eenige zekerheid te 
kunnen nagaan, evenwel de thans nog plaatselijk aanwezige kooplieden 
beweren dat dezelve 100 Sinkelsche koijangs jaarlijks niet te boven 
ging, en dat dan ook nog een gedeelte wierd uitgevoerd naar Nias, 
en soms naar Baros en Troemon. — Evenzeer zijn geen opgaven 
verkrijgbaar geweest van de approximatieve jaarlijksche invoer van 
kustlijnwaden, blauw linnen, enz. ofschoon algemeen wordt gezegd, 
dat dezelve vrij belangrijk was. 

De uitvoer van benzoein was niet elk jaar even groot en ofschoon 
ik vermeen dat bij ondervinding zal blijken dat die opgaaf te gering 
is, werd mij dezelve gemiddeld opgegeven p. m. 1000 picols te hebben 
bedragen, van welke hoeveelheid 100 picols van de eerste soort. 

Van kamfer wordt dezelve op 5 è 6 picols begroot, terwijl die van 
was tot slechts 20 a 30 picols zoude zijn geklommen. De waarde 
van kamfer was verschillende naarmate van de kwaliteit en wordt 
opgegeven te zijn geweest van 10 tot 23 Spaansche matten het katje. 

De benzoein van de i" soort behaalde van 25 tot 40 matten 

2° » 22 » 25 » 

3^ » 22 » 23 » 

do( h deze laatste som wierd steeds in ruiling met goederen gesleten , 
terwijl de waarde der beide eerste soorten in geld wordt berekend. 

De wijze van handeldrijven op Sinkel was als volgt. 

Aan de monding van de rivier in de kampong Sinkel waren alleen 
Atjinezen gevestigd welke, zoo als hooger reeds vermeld is, het 
zeehandel-monopolie bezaten. 

In vroegere tijden onder de regeering van den vader van den 
jongelings van Sinkel verdreven Radja Mohamad Arieph, meer algemeen 
bekend onder de benaming van Radja Amaras, dat is van Toekoe 
Sinkel, waren de Oeloe Radjas uitgezonderd van het anders voor 
een ieder behalve de Atjinezen bestaande verbod om regtstreeks met 
de gezagvoerders der aankomende schepen te handelen, ma«'ir na het 
overlijden van dezen vorst is ook op hun dit verbod toepasselijk 
gemaakt, en heeft hun dit tot eenen represaille-maatregel geleid, 
waarover nader zal worden gesproken. 

Bij aankomst van ecnig schip wierd daarvan door een in de kampong 
Panaga , nabij de zamenvloeijing van de beide Sampangs wonend 
hoofd, onder vennelding van de aangebragte soorten van goederen 
en van de prijzen waarvoor dezelven te verkrijgen waren, aan de 



i}H(i KKN'K MUliHAta: TOT K. H. KIELSTILA^S OPSTELLEX 

<)<:Uft'Mn>t>UUtn Jx;kend gemaakt; en door dezen wierd voorts het 
berij(t ciaarvaii iii de l>erglanden overgebracht 

0|i het ontvangen van Zfxxlanige berigten wierd in de Oeioe en 
berglanden de vo^^rraad kamfer , benz^jein, enz. verzameld en naar 
Sinkel gebragt. En naarmate van de hoegrootheid van den afvoer 
«;n van de aanvraag naar de ingevoerde artikelen, wierden door de 
l<j Sinkel gevestigde Atjinesche kooplieden de transatiën met de 
gezagvoerders der scliepen geregeld. 

Bij voorkeur wierd door de binnenlanders verkocht en weder 
ingeko<:ht met in spetie (Spaansche raattenj bepaalde prijzen, en waren 
het mecMtcil slechts enkele artikels, onder welke hooger reeds de benzoein 
van de 3" so(^rt is vermeld, waarmede transactiën bij ruil tot stand 
kwamen. 

Door den Radja wierd op den invoer van goederen , mondbehoeften 
(laarvan uitgezonderd, aan regten geheven 5 ten honderd, terwijl nog 
I ten honderd wierd geïnd ten behoeve van daarmede gepriviligeerde 
kooplieden onder zijne naastbestaanden , te zamen bedroeg alzoo het 
invoerregt () % ; op amüoen, waarvan het vertier in de laatste jaren 
ilo(»r de buitengewoon toegenomen consumptie van dat heulsap in 
Ih'irie en binnen landsche Battakslandcn aanzienlijk was vergroot en 
tol p/m JO kisten was geklommen, wierd geheven van 40 tot 50 
Spaansche matten per kist 

Op den uitvoer waren de regten als volgt: 
kamfer $ i '2 per katje, 
benzoein $ i » picol. 
was en andere artikelen o pCt der waarde. 

Hoven en behalve deze lasten op den handel waren de artikelen 
kanifei en benzoein nog bezwaard met een regt van 6 % , door de 
(>eloe Radjas bij den afvoer in de binnenlanden geheven wordende, 
di>or welke heffing , welke vroeger niet bestond, zij zich hebben zoeken 
Ie wreken vi>or de hooger vermelde intrekking van het ten hunne 
behi>eve omler IWanktu Sinkel bezeten persi>onlijk voorregt van regt- 
slieekschen handel met de scheepsoverheden. 

Oe beriglen, vloor mij erlangd ten aanzien der veiligheid van personen 
e!\ i»oeiUTen, bij hel bevaren door handelaren, van het hcK>ger deel 
vlei liviei of l^^eloe SinkeK luiden hoojrsl gunstig. ler\^ijl men beweert 
dal nocU \ai\ moord n<.xh van berooviuir voorbeelden kunnen w«^rdcn 
aaiïiiewcien» en dal len de/en aanzien ile gestrengheid der Inlandsche 
wellen aan den iei.:isier de meeste waarbor*: bievlen. Wel ondervindt 
ile 4ien\oonschap soms lijdelijke >irenuninir. .^nislaan do^»r onderiinge 
iwiNien \an kamivmiis aan de vH'vers \an de rivier gelegen, en wanneer 
vlïo i\\i>UM^ lol eene .r.K>vlanice li. k'cIo 7\\\\ i^erezen, dat eezecde 
kamjMniiN vle wij alj:enuvne .sk oKle:^ ..ancetr- t^en wordende adat 
talian ivHT^xassen. daarin beslaande, dai de dcvnaart van het gebied 



oVer sümatra^s westkust. 587 

van een der twistende partijen naar dat der andere , of aan een 
regt wordt onderworpen, of ook, in geval het tusschen deze partijen 
tot openbare oorlog is gekomen, geheel wordt gesloten. 

Uit het voorgaande beknopt overzicht van den handel van Sinkel 
vermeen ik dat afgeleid mag worden dat , ofschoon door geene directe 
hooggevoerde lasten gedrukt, dezelve toch aan zoo vele restrictiën 
onderworpen was, dat hij nimmer de uitbreiding heeft kunnen erlangen, 
waarvoor hij bij meerdere vrijheid vatbaar was; en dat overigens het 
gebruik daar opgevolgd om bij aankomst van schepen daarvan naar 
de binnenlanden berigt te* zenden ten einde eerst dan producten te 
bekomen voor den uitvoer geschikt, aantoont dat gebrek aan handels- 
kapitaal bestond, zonder hetwelk eene steeds wel voorziene markt 
onmogelijk is, en een belangrijke handel zich niet kan vestigen. 

T a p o e s. Nog minder volledig dan de voorgaande zijn de berichten, 
welke ik heb mogen erlangen betrekkelijk den te Tapoes bestaan 
hebbende handel; welke plaats ik door ongesteldheid verhinderd ben 
geworden te bezoeken. 

Daar echter bij het in bezit nemen van Tapoes de bevolking, uit 
Atjinezen bestaande, geheel is uitgeweken en niet even als te Sinkel 
eene oorspronkelijke tusschen-bevolking aan de boorden van de rivier, 
welke hier in zee stort , gevestigd is , ware denkelijk in het belang der 
verlangd wordende informatiën door een bezoek minder gewonnen. 

Naar den uiterlijken staat te oordeelen waarin de verlaten kampong 
Tapoes bevonden is, in welke kampong onderscheidene groote wei- 
gebouwde huizen van pakhuizen voorzien van eene zekere welvaart 
getuigden, zoo ook uit den aldaar aanwezig bevonden voorraad zout, 
mag men met eenige grond onderstellen dat de handel van deze 
plaats niet geheel onbeduidend was, en dat voornamelijk hier even 
als zulks met andere berigten instemt , zout in eene niet onaanzienlijke 
hoeveelheid wierd van de hand gezet. 

Baros. Omtrent Baros bestaan bereids meer zekere opgaven. 

De journalen van invoer aldaar door den civiel gezaghebber 
aangehouden, loopende van 20 Juli tot ultimo December 1839, en welke 
ik verwacht eerlang door gelijke journalen over het i® semester van 
het loopende jaar te zien vermeerderen, toonen aan dat gedurende 
de laatste vijf maanden van 1839 die invoer voornamelijk heeft bestaan 
uit het navolgende: 

zout 143 Javaansche koijangs. 

ijzer 196} picols. 

staal 90 » 

Java tabak • . . , . 351 krandjangs. 
amfioen 5 kisten. 

ruw katoen I '4 balen. 

I 344 picols. 



55 


kodies, 15 stuks. 


3 


» 10 » 


34 


>> 


6i 


rollen. 


lO 


kodies. 


41 


pic(^l. 



588 EENE BUDltAQE TOT E. B. KIELST&A^S OP^ELtSK 

Katoenen goederen, zijnde voortbrengselen van Europa^ Amerika of 
van plaatsen b/w de Kaap de Goede Hoop, 3.782 stukken. 

Doeken 95 dozijn. 

Katoenen goedereu uit landen b/o de Kaap de Goede Hoop, niet 
behoorende tot den Indischen archipel 1 baal , 8 kodies en 1 stuk. 

Uit den Indischen archipel: 
Javaansche en Boeg: kleedjes 
batik slendangs . 
id. doeken . . 
zijde stoffen . . 
Atjinesche broeken 
koperdraad . . 
enz. enz. 
De journalen van uitvoer, loopende van den 7" Mei t/m ult^. 
December 1839, geven de volgende resultaten: 

benzoein 2iob\ picols. 

vogel-nestjes 10 katjes. 

kamfer 4 id. 

aarden potten . . . .2716 stuks. 
Eenige paarden, muntspeciën, 
en voorts een gedeelte van de ingevoerde goederen naar Tapannolie, 
Natal en Nias weder uitgevoerd. 

Het voorname binncnlandsch debouché voor den handel is het 
achter Baros gelegen Battaksche land van Grooi Toba. 

V(')ór de weder in bezitneming van Baros in het afgeloopen jaar 
1839 wierden ter dezer plaats geen reglstreeksche regten op den 
handel geheven, doch in plaats daarvan bezaten de hoofden het regt 
van voorkeur van eersten aankoop van door aankomende schepen 
aangevoerde artikelen, welke, nadat gezegde Hoofden daarvan zich 
voor zoo veel hunne middelen toelieten of naar hunne verkiezing 
hadden voorzien, niet dan tegen eenen 20 tot 25 °/o hoogeren prijs 
aan de overige ter plaats gevestigde handelaren mogten worden 
afgestaan. 

Dit regt dat, bij aldien de hoofden vermogend waren geweest, aan 
een werkelijk monopolie ten hunnen behoeve zoude hebben geleken, 
was echter bij hunne bekrompene geldmiddelen minder belangrijk en 
belette dan ook niet, dat eenige hier gevestigde kooplieden, meestal 

malaboes van (?) zich van den handel geheel hadden kunnen 

meester maken en ook het gezag grootendeels hadden weten te 
verwerven. 

De reede van Baros biedt geen goede beveiliging aan voor aldaar 
geankerde schepen , en eene vrij zware branding voor de monding van 
de rivier en langs het zeestrand is almede eene hinderpaal voor eene 
goede gemeenschap met deze plaats. 



OVKR SUMATRA^S WESTKUST. 589 

De gemiddelde prijzen der voornaamste handel voor werpen worden 
door den civiel gezaghebber opgegeven te zijn als volgt: 

zout / loo. — per Jav. koijang; 

ijzer » 25. — » picol; 

Java-tabak » 8. — >^ krandjang; 

amfioen » 1800. — » picol of kist; 

ruw katoen » 28. — » picol; 

benzoein » 80. — » » 

kamfer » 3600; — ^ » » 

paarden » 60. — » stuk. 

Ta pa nol ie. Deze sedert nu vele jaren onder Europeesch gezag 
staande schoone haven en veilige ruime ligplaats voor schepen, heeft 
naar mijn inzien om redenen hieronder nader te ontwikkelen bij verre 
na niet die handelsbelangrijkheid bekomen, waarvoor dezelve vatbaar 
is, en ofschoon zoo zeer door de natuur begunstigd staat hij in dit 
opzigt niet met Baros gelijk. 

De hier reeds lang ingevoerde regten hebben dan ook tot dus verre 
aan den lande slechts geringe inkomsten bezorgd , en dit niettegenstaande 
op den invoer van zout bij uitzondering van de overige meer zuidelijke 
openc havens dezer kust, waar het monopoliestelscl van dit zilt is 
werkende, hier de invoer van vreemd zout was toegestaan met 
betaling slechts van een regt van / i zilver per pikol. 

De opbrengsten hebben bedragen: 

over 1838 , / 3036.73 

* 1839 •" 540573 

waaronder het artikel zout 

in 1838 voorkomt voor » 1224.60 
» 1839 » » » 2045.68 

Evenwel mag uit deze resultaten niet de geheele omvang van 
den handel worden beoordeeld, dewijl de invoer van vele goederen 
van Padang of andere zuidelijke havens der W. K. van Sumatra 
aangevoerd wordende goederen, mits daar niet uit het entrepot 
uitgevoerd zijnde, en daarop bereids eenmaal regten elders zijn 
voldaan, hier vrij geschiedt. 

De alphabetische staten van in- en uitvoer waarvan de vervaardiging 
door mij is bevolen, maar welke het uit hoofde der buitengewoon 
drukke werkzaamheden welke met een gering personeel in de laatste 
tijden hebben moeten worden volbragt, niet mogelijk is geweest voor 
mijn vertrek van Tapanolie geheel te voltooijen, en ik mitsdien bij 
deze nota niet in de gelegenheid ben, aan te bieden, doch die nu 
elk oogcnblik door mij worden te gemoet gezien, zullen den waren 
stand van den handel alhier meer toelichten. 

5e Volgj. X. 39 



590 EENE BIJD&AGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

Als oorzaken, welke den handel van Tapanolie hebben gedrukt, 
worden door mij aangemerkt: 

I". de nabijheid van Baros waar geen regten hoegenaamd tot dus 
verre zijn geheven; 

2". gebrek aan goede en veilige binnenlandsche communicatiewegen ; 

3". de vestiging van ons etablissement op het eiland Klein Pontjang 
in stede van op den vasten wal, waardoor het verkeer, met de binnen- 
landsche Battaks, die hoe veilig dit hier ook geschieden kan van elk 
varen afkeerig zijn, gestremd of althans bemoeijelijkt wierd; 

4°. gebrek aan behoorlijk handelskapitaal, gepaard met het mono- 
polie van handel door de beide datos en eenige weinige andere te 
Pontjang gevestigde inlandsche kooplieden bij aanmatiging tot hier 
toe bezeten. 

Dan daar thans deze belemmeringen óf bereids zijn óf op het punt 
staan van te worden uit den weg geruimd door: 

a. de sluiting van den haven van Baros voor den grooten handel 
of invoering van het heffen van regten aldaar; 

b. het gebruik maken van de meerdere morele kracht welke het 
bestuur bij den gunstigen uitslag der jongelings om de noord plaats 
gevonden hebbende militaire operatiën lieeft ven^orven en die het 
oogenblik heeft doen geboren worden waarop het openen van goede 
gemeenschappen in onderscheidene rigtingen met de binnenlanden 
zonder veel bezwaren zal kunnen plaats vinden; 

c. de meerdere uitbreiding aan het bestuur gegeven; 

d. de bevolene overbrenging van het etablissement van Pontjang 
naar den vasten wal; 

e. de reeds plaats gevonden hebbende vestiging van eencn tak der 
Handelmaatschappij aldaar , 

mag men bij zoodanig verbeterde omstandigheden met grond 
verwachten dat Tapauolte in belangrijkheid in eene ruime mate zal 
toenemen. 

Na het te neerstellen van de voorgaande opgaven en beschouwingen 
thans willende overgaan tot de behandeling van het belangrijke 
vraagpunt der regeling van zaken rakende de heffing van regten op 
den handel in de noordelijke havens van het Gouvemements gebied 
ter Westkust van Sumatra , vermeen ik echter vooraf te moeten stilstaan 
bij de met deze aangelegenheid vooral hier zeer nauw verbondene 
voorziening in de behoefte van zout, en eerst te moeten treden in 
de beschouwing der vraag of de invoering van het zoutmonopoHe 
voordeelig mogelijk en raadzaam is, en zoo ja op welke wijze zulks 
zoude moeten geschieden om andere belangen zoo min mogelijk te 
kwetsen ? 

Hierboven is bereids opgegeven dat de consumptie bedroeg calculatief 
te Sinkel: 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 591 

p/m looSinkelsche koijangs 's j aars , waarvoor 

wij hier zullen stellen van 1 50 tot 200 Jav. koijangs 

Dat te Baros in de laatste vijf maanden 
van 1839 waren ingevoerd 143 Jav. koijangs, 
en mitsdien de jaarlijksche behoefte calcu- 
latief mag worden geraamd op van . . . 200 » 300 » » 

Dat de invoer te Tapanolie gemiddeld 
naar den invoer over 1838 en 1839 ^® rekenen 
mag worden gesteld op 50 » 60 » » 

aldus een totaal van . . . 400 » 560 » » 

of gemiddeld 480 Javasche koijangs; een bedrag dat als matig mag 
worden geacht wanneer men in aanmerking neemt, dat van Tapoes 
uit vroeger ook zout naar de binnenlanden wierd vervoerd, en bij 
gemis aan opgaven daarvoor hier niets in rekening is gesteld. 

De waarde van het zilt te Sinkel opgegeven met 75 Spaansche 
matten de Sinkelsche koijang, dat is bij de koers van/ 3. — waarvoor 
deze munt om de noord courant, is de Javaansche koijang f 105. — 
zilver of / 3.50 zilver de picol ; en te Tapanolie klimt die waarde tot 
/ 4*33 wegens het regt, dat met / i. — per picol bij den invoer 
geheven wordt. 

De zoo even gemelde prijzen van zout zijn inkoopsprijzen, waarop 
mitsdien nog winst behaald moest worden, en bijaldien men aanneemt 
dat op elke picol slechts eene halve gulden voordeel wierd erlangd , 
zoo mag de gemiddelde consumptieprijs gesteld worden als volgt: 

Te Sinkel per picol op . . . . / 4.00 zilver. 

» Baros » » »....- 3.83 » 

» Tapanolie » » »....- 4.83 » 

Deze prijzen nu herleidende tot koper met de om de Noord gewone 
agio van 30 % dan verkrijgt men voor de waarde van het zout: 

Te Sinkel per picol / 5-20 koper. 

» Baros » » - 4.98 

> Tapanolie » » - 6.28 



» 



waaruit mitsdien blijkt dat, zonder last of druk op de bevolking daar 
door te leggen , bij eventueele invoering van het zoutmonopolie 
in de N. havens, de van wegen het Gouvernement te bepalen ver- 
koopprijs vooreerst zoude kunnen worden gesteld op / 5.25 koper 
en later bij een meer gevestigd handelsverkeer zoude kunnen worden 
gebracht tot op / 6.00 evenals voor Aifer Bangies en Natal thans is 
bepaald. 

Het voor 's Lands schatkist daardoor te behalen voordeel kan nu 
worden berekend als volgt: 



592 EENK BI/DRAGE TOT E B. KIKLSTRa's OPSTELLEN 

oorspronkelijke prijs bij den aanmaak per koijang. / 15. — 

aan vracht van Java . . >» 60. — 

kosten op den verkoop ad 10 et. per picol ...» 3. — 

4 % voor spillages » 3. — 

Totaal per koijang . . . / 81. — ko{>er. 
Verkoopprijs » I57«50 » 

te behalen voordeel. . . / 76.50 » 

of voor een gemiddeld debiet van 480 koijangs ƒ 36720. — koper 
's jaars. 

Een voornaam bezwaar tegen het monopoliestelsel en debiet van 
zout in hel klein van wege het Gouvernement, is gebrek aan munt- 
specie bij den inlander, die ofschoon wel zijne producten veelal tegen 
een in geld bepaalden prijs van de hand zet, en daarentegen weder 
evenzoo zijne benoodigdheden inkoopt, maar toch, omdat koop en 
verkoop bij afrekening geschiedt, tot nu toe gewoon was inderdaad 
bij ruil het door hem benoodigde zout te verkrijgen. Intusschen 
benzoein, dat het voorname artikel van afvoer uitmaakt, is aan fluc- 
tueerende prijzen onderhevig en overigens bij retour gemeenlijk slechts 
met verlies te slijten, voorts nog zeer verschillende in waarde naar 
gelang der kwaliteiten , en daarbij een product , genoegzaam enkel voor 
de oostersche markt geschikt , welke omstandigheden nu allen te zamen 
genomen, het mijn inziens hoogst bezwaarlijk doen wezen, het debiet 
van zout vanwege het Gouvernement bij ruiling tegen benzoein aan 
te bevelen. Die maatregel echter zoude onvermijdelijk worden bij 
al dien niet op cene andere wijze daarin kan worden voorzien; en 
zoude dan, onder verbetering, het meest eenvoudig kunnen plaats 
vinden door: 

I** te bepalen dat slechts de in den handel bekende eerste en tweede 
soorten benzoein in ruil kunnen worden aangenomen, en 

2° vast te stellen het gewigt der hoeveelheid welke van elke soort 
tegen een picol zout moeten worden uitgeleverd. 

Bij aldien echter de N. H. Maatschappij , al ware het dan ook 
slechts te Sinkel en Tapanolie , voor eene door het Gouvernement 
bepaalde prijs en (^ndcr beding dat de verkoop zelfs tot hoeveelheden 
van \ pikol moet plaats vinden, zich met het debiet van zout kondc 
belasten in voege als thans in de L. Kotta's (Padangsche bovenlanden) 
geschiedt, zoude deze wijze mij verreweg verkieselijk toeschijnen. 

Omtrent de uitsluitende voorkeur welke de binnenlanders aan het 
zwart kuslzout zouden geven, zijn de gevoelens verdeeld; te Sinkel is 
mij beweerd dat nu en dan, door wangkangs van Pocioe Pitmng en 
Malakka komende, aldoor Siantsch zout is ingevoerd dat ook gereedelijk 
van de hand is gezet. Aan de drooge hoedanigheid van het kustzout 
dat bij verre landvervoeren slechts gering spilleert, is de partialiteit 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 593 

voor deze soort toe te schrijven, en is het om dezelve te overwinnen 
noodzakeHjk dat men als eene regel aanneme geen ander dan Javaansch 
zout van de beste hoedanigheid en grofste korrel bij de invoering van 
het zt)utmonopolie ter markt te brengen. 

Ook dit niet uit het oog verliezende , zoude het debiet van Tapanoite 
en liaros verzekerd wezen, zonder dat men bedacht zoude behoeven 
te zijn van verloop van hetzelve, terwijl de binnenlandschc verbruiker 
nu dat ook Sinkel is vermeesterd en bezet, noch van de oostkust van 
Sumatra noch van uit de meer noordelijke havens dezer kust voor 
mindere of gelijke prijzen in die behoefte zal kunnen voorzien, en 
toch om den wille van het soort alleen, niet waarschijnlijk tot in ver- 
gelijking met die naar de eerstgenoemde plaatsen zoo zeer verdere en 
moeijelijkere reizen zal besluiten. 

Mocht echter zooals mij het meest raadzaam voorkomt , niet kunnen 
worden besloten tot het daarstcllen van eenen ruilhandel van zout 
tegen benzoein, en met de N. H. Maatschappij voor het debiteren 
van Javaansch zout geene overeenkomsten kunnen worden getroffen, 
dan zoude naar mijn oordeel, om eene stremming en te plotselinge 
schokken in den handel, ja zelfs wat aangaat Sinkel y het verloop van 
denzelven naar het naburige cmafliankelijke Tr^^^wöw en meer noordelijk 
gelegene zeeplaatsen te voorkomen, de invoer van vreemd zout in de 
Noordelijke havens vooreerst niet behooren te worden belet maar met 
zekere regten moeten worden bezwaard. 

Tot dus verre is te Tapanolie zi^oal» reeds hooger is vermeld , een recht 
van / I. — per picol op de invoer geheven, dat voor die plaats en 
ook voor fJarosS vermeen ik , zonder groot bezwaar met nog één gulden 
zoude kunnen worden verhoogd, terwijl men alsdan, gelijktijdig eenig 
Javaansch zout aldaar aanvoerende, het debiet van hetzelve tegen 
contanten ad / 5.25 koper per picol zoude kunnen beproeven. Eene 
gelijke maatregel acht ik het bezwaarlijk voor Sinkel nu reeds aan te 
raden , daar mij dezelve voor verloop van handel beducht zoude doen 
zijn , waarom ik dan ook vermeen , dat ter dezer laatste plaats het regt 
/ I. — per picol niet zoude behooren te overtreffen. 

De inkomsten, welke het Gouvernement op deze wijze zoude erlangen 
ingeval namelijk de ondervinding mogt leeren, dat de proeven met 
Javaansch zout ongunstige resultaten opleveren, nu berekenende, en 
daartoe de reeds hooger gebezigde elementen weder gebruikende, 
vinden wij : 

van zout te Baros van .... 200 tot 300 koijangs jaarlijks 

» >. > Tanapolie » .... 50 » 63 » » 

te zamen ... 250 » 860 » » 

of gemiddeld 305 koijangs jaarlijks, 

hetgeen bij een inkomend regt van / fe- — zilver per koijang aan 



594 EENE BIJDRA.OE TOT E. B. KIELSTKa's OPSTELLEN 

inkomsten oplevert / 18.300. — 

voege men hierbij nog het bedrag der inkomende 
regten op 175 koijangs gemiddelde calcutatieve con- 
sumptie van Sinkel ad / 30. — zilver per koijang . - 5250. — 

Wordt het geheel bedrag / 23550. — zilver 

of tot koper herleid met een agio van 20 % dat 
is van 10 % minder dan die van den dag maar hier 
aangenomen als meer instemmende met de door het 
gouvernement verlangde verwisselkoers » 28260. — koper 

de finantiéeele resultaten bij invoering van het 
monopoliestelsel hierboven berekend hebben be- 
dragen » 36720. — 

en alzoo een verschil van , . . / 8460.— koper 

Alvorens nu van dit onderwerp af te stappen zal ik echter nog de 
opmerking hierbij voegen, dat bij het reeds aangegeven gebrek aan 
numerair, en de daaruit voortvloeijende daadzaak dat de zouthandel 
wezenlijk eene ruilhandel is , met de vergunning van invoer' van vreemd 
zout , ook tevens een middel wordt gemist om zonder werkelijk prohi- 
bitief systema de geheele productie van het land meester te worden, 
en zulks tevens den nationalen lijnwaadhandel niet bevorderlijk 
zoude zijn. 

Buiten en behalve de opheffingen van een aantal belemmeringen , 
welke vooralsnog de uitbreiding van handel in den weg hebben 
gestaan zooals daar zijn voorregten door hoofden of bijzondere per- 
sonen genoten , gebrek aan goede en veilig binnenlandsch verkeeren , 
afpersingen en lasten langs de communicatiewegen op den handel 
gelegd, opheffing die een gevolg moet wezen van een beter bestuur 
en de vermeerdering van 's G(juvernements gezag en invloed in deze 
streken, stel ik op den voorgrond, dat gebrek aan voldoende kapi- 
taal tot hiertoe nimmer aan den handel de uitbreiding hebben doen 
verkrijgen, waarvoor dezelve hier vatbaar is; maar dat bijaldien hetzij 
door bijzondere personen hetzij door middel van een ligchaam, zoo- 
als de N. H. Maatschappij de markten steeds behoorlijk voorzien 
gehouden worden van hetgeen den inboorling voornamelijk behoeft, 
zout vooral niet uitgezonderd, en tevens aan den binnenlander de 
verzekering werd gegeven van steeds zonder oponthoud en in welke 
hoeveelheid ook aangevoerd wordende zijne producten tegen behoor- 
lijke prijzen gerecdelijk van de hand te zullen zetten, men dan met 
redelijkheid zoude mogen onderstellen dat dit, gevoegd bij de impulsie 
welke de industrie en speculatiegeest door het oordeelkundig verleenen 
van credieten meestal bekomt, weldra eene grootere bedrijvigheid 
zoude doen geboren worden, en dat den bezitter van het dit alles 
bewerkende kapitaal, zoo lang hij in zijne eigene handelingen van 



OVER SUMATRa'r WESTKUST. 595 

buitensporigheid vrij zoude blijven, het geheel product meester zoude 
zijn en hem geene concurrentie in den weg zoude kunnen staan. 

Dit aangenomen vermeen ik het wenschelijke te hebben aangetoond 
dat Nederlandsch kapitaal, aangewend ter bevordering van nationale 
fabrikatie , in de Noordelijke havens behoorende tot *s Gouvemements 
gebied, niet ontbreke en dat met hetzelve de mogelijkheid bestaat 
om den handel van die havens geheel aan het Moederland cijnsbaar 
te doen zijn. Dat hetzelve vereischt wordt om den handel die uitbrei- 
ding te geven , waarvoor hij vatbaar is , en dat speciaal zonder het- 
zelven het vooralsnog niet geraden zoude wezen om aan de invoering 
van een monopoliestelsel op den zouthandel te denken, en vooreerst 
aan het stellen van matige belasting op de invoer van vreemd zout 
met gelijktijdige beproeving van het debiet van Javaansch zout voor 
rekening van het Gouvernement de voorkeur zoude behooren te worden 
gegeven. 

Voorbedachtelijk en ten einde zoo min mogelijk in bespiegelende 
redeneringen te vervallen, is bij het zoo evengevoerde betoog geen 
gebruik gemaakt van een evenwel de aandacht overwaardig argument , 
en zulks omdat hetzelve ofschoon in de toekomst een gunstig verschiet 
openende, vooralsnog te zeer afhankelijk is van politieke omstandig- 
heden. Hiermede wordt door mij bedoeld de nabijheid van de peper- 
havens onmiddellijk bij onze noordelijke grenzen aanvangende, en de 
mogelijkheid om van die nabuurschap en onze boven vreemdelingen 
gunstige stelling gebruik te maken, om ook deze havens aan onzen 
handel te verbinden, en een deel van de in de Atjineesche landen 
gewonnen wordende peper naar onze markten te doen vloeijen. 

Ter bereiking van het zoo even vermelde doel is zeer zeker Sinkel 
het meest gunstig gelegen, zoodat deze overweging gevoegd bij het- 
geen reeds hooger betrekkelijk de aangelegenheden van deze plaats 
is vermeld, mij tot het gevoelen hebben geleid, dat Sinkel ^ althans 
zeker voor de nationale groote kustscheepvaart , eene voor den zee- 
handel opene plaats behoort te blijven. 

TapoeSy zoo als reeds is opgegeven zonder bevolking verbleven, en 
in communicatie staande met binnenlanden van uit welke toch ook 
met Sinkel en Baros kan worden verkeerd, kan gevoegelijk gesloten 
worden ofschoon het naar ik vermeen toch raadzaam blijft, om hier 
door eene geringe bezetting te doen waken tegen alle sluikhandel. 

Ook Baros komt mij voor zeer wel tot eenen voor den grooten 
handel gesloten haven te kunnen worden verklaard, mits namelijk op 
de eene of andere der hiervoren in consideratie gegevene wijzen in de 
behoefte aan zout aldaar worde voorzien. Welk gevoelen ik grond op 
de overwegingen, dat terwijl bij zoodanige verklaring, wegens de nabij- 
heid dezer plaats en van Sinkel en van Tapanoelicy dezelve steeds 
door middel van kustvaart behoorlijk kan worden voorzien, hier geen 



596 EENE BIJDBAGE TOT E. B. KIELSTKa's OPSTELLEN 

verloop van handel naar vreemde havens is te duchten, en dus geen 
dringende noodzaaklijkheid bestaat om de opbrengsten van 's Lands 
regten door plaatsing alhier van voor de inning derzelven vereischt 
wordende personeel te bezwaren; en eindelijk, op de omstandigheid 
dat hier mede eene onveilige reede in de onmiddelijke nabijheid , schier 
in het gezicht van eene der schoonste havens van den aardbodem, 
het ook daarom onnoodig doet zijn, de handelstoegangen tot Sumatra, 
en dit gedeelte van hetzelve te vermenigvuldigen. 

Wat ten aanzien van Tapanoelie hooger is gezegd, zal vleije ik mij 
het gevoelen regtvaardigen dat het wenschelijk is deze plaats, evenals 
zij thans reeds is, bij voortduring eene voor alle natiën en schepen 
geopende haven te doen verblijven. 

Naarvolgens de voor de Westkust van Sumatra bij Publicatie van 
den 1° Januari 1838 (Staatsblad N°. i) gearresteerde tarieven, worden 
thans te Tapanolie regten geheven, en vermits tot de invoering van 
die tarieven aldaar besloten is geworden op een oogenblik dat Baros 
nog niet weder in bezit genomen aan den sluikhandel oneindig meer 
dan thans een ruim veld over liet, vinde ik nu, dat door het terug- 
schuiven onzer uiterste grenzen en door meerdere uitbreiding aan het 
bestuur gegeven de omstandigheden zoo zeer zijn verbeterd, geen 
gronden, om ten behoeve van deze haven, tot alteratie van de alge- 
meene voor de meer zuidelijke havens van deze kust gemaakte be- 
palingen te adviseeren. 

Sinkel evenwel verkeert in ander omstandigheden die het voor als 
nog raadzaam doen zijn de reeds gemelde tarieven aldaar niet dadelijk 
in werking te brengen. 

Bereids is opgegeven het bedrag der inkomende en uitgaande regten 
die onder het beheer van de Atjinesche Radjas te Sinkel wierden ge- 
geheven , waarbij ik nu mag voegen dat naar volgens de beste berigten 
gelijke rechten door de Radjas van de meer noordelijke havens worde 
geïnd. 

De invoering van een belastingstelsel op den handel zoude mitsdien 
ter dezer plaatse geen nieuwigheid wezen , waardoor verloop van handel 
zoude ontstaan , mits het verschil tusschen de heffingen ten behoeve 
van het Gouvernement en de vroegere geen vermeerdering van lasten 
daarstelle. 

Zwaardere belasting dan de voormalige is het aanvankelijk en zoolang 
onze handel hier niet goed gevestigd is, ongeraden in te voeren aan- 
gezien met het naburige Troemon , ofschoon die thans binnen *s Lands 
niet bestaan, in dat geval denkelijk spoedig landkommunicatiën zouden 
worden geopend en niet onwaarschijnlijk de handel weldra de rigting 
zoude nemen van eene plaats waar racn zich thans beijvert om de 
peperproductie, in de laatste jaren tot eene hoeveelheid van 5 ^6000 
pikols gedaald, weder op de hoogte terug te brengen die dezelve 



OVER SUMATRA S WESTKUST;, 



597 



onder de regeering van Radja Boedjang, vader en voorganger van 
den tlians regeerenden jongen vorst , verkregen had en tot de aanzienlijke 
hoeveelheid van 46CXX) picols 'sjaars was geklommen en waar bij de 
wijze waarop die handel wordt gedreven en welslagen der aangewend 
wordende pogingen eerlang eene massa koopwaren zullen worden 
aangevoerd, die het in het belang van 's Lands schatkist geenszins 
wenschelijk is de richting onzer bezittingen te zullen nemen. 

Wij hebben gezien dat regten van invoer op alle goederen met uit- 
zondering van mondbehoeften 6 ten honderd bedroegen en dat amphioen 
met een regt van 40 tot 50 Spaansche matten was bezwaard. 

De voornaamste dezer goederen van in oer waren: kustlijnwaden 
(grove, kain kring); blaauw en wit katoen; ijzer en ijzerwerken ; koper- 
draad; gambier; ruw katoen; chitsen en opium, die naarvolgens de 
Tarieven N° 7 Litt. B, C, D en E, in werking gebragt bij publicatie 
van den i*^ Januarij 1838, zijn belast als volgt: 

kustlijnwaden met 25 % der factu urs waarde , verhoogd met 30 % of 

wel volgens taxatie door de beambten naar den markt- 
prijs van den dag; 

blaauw en wit naar mate van den oorsprong en wel Nederland 25 % 
katoen ad valorum met grondslag van belasting de taxatie volgens 

het tarief van minste prijzen over de drie maanden 
herzien wordende doch de helft van dien of 12^ % in 
Nederlandsche schepen, mits met bewijs van Ned. oor- 
sprong. Europa en Amerika mits voor landen met welke 
het Koningrijk der Nederlanden in vriendschappelijke 
betrekking staat, 25 % ad valorum voor alle vlaggen 
volgens denzelfden grondslag, doch het dubbelde van 
dien of 50 % voor fabrikaten uit landen met welke 
Nederlanden niet in vriendschappelijke betrekkingen staat. 

/ 1 2. — per / 100. — waarde , doch van Nederland komende 
regtstreeks in Ned. schepen 6 %. 

het dubbelde van dien. 

24 % doch in Nedcrl. schepen met l>cwijs van Ned. 
oorsprong 12 Jo voor/ 100 waarde. 

mits product van Sumatra vrij van regt. 

\2\ en 25 % als voren. 



Ijzer 

ijzerwerken, 
kuperdraad 

gambier 
ruw katoen 
chitzen 
C)pium 



/ 300.— p®*^ pikol of kist. 



» 



0-^0' 



id. id. 

levantsche 

Pantna & Benares . . . 

Malva » 375. — 

Perzische » 300. — 

De voorname voorwerpen van uitvoer ware vroeger belast als volgt : 



» 



598 EENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

kamfer \ spaansche mat per katje. 

benzoein i » * » picol. 

was rotting 6 % der waarde. 

kamfer / loo. — en onder Ned. vlag de helft van deze regten. 

benzoein eerste en tweede soort / 8. — per picol ; — mindere 

soort / 4 per picol, doch onder Ned. vlag de helft van 
deze regten. 

was / 4. — per / 100. — waarde , de helft onder Ned. vlag. 

rotting / 0.30 per picol , en onder Ned. vlag de helft. 

Is nu , iets waaraan ik weinig twijfel , van de Ncderlandsche Handel- 
Maatschappij de zekerheid te erlangen, dat door hare bemoeijenis de 
markt van Sinkel van de voorname benoodigdheden , en bovenal van 
het in Nederland nagebootste kain kring, en van grof blaauw katoen 
zal worden voorzien, dan komt het mij onder verbetering voor, dat 
om toch niet ten eene male het nationaal fabrikaat hier geheel 
onbeschermd te doen zijn, de regten bij tarief, N° 7 Litt B met 25, 
12^ en 50 % vastgesteld voor Sinkel provisioneel op 12, 6 en 24 % 
zouden kunnen worden gesteld ; 

ijzer met ' 12 % doch de helft van dien of 6 % onder Ned. vlag 
zoude kunnen worden belast; 

ijzerwerken met het dubbelde van dit regt, en 

koperdraad als het ijzer; 

het tarief N° 8 onveranderd zoude kunnen blijven, en dat, wat de 
opium betreft, het debiet van dit heulsap bij den algenicenen pacht 
zoude kunnen worden getrokken; maar, bijaldien eene zoodanige 
verzekering eventueel van genoemd handelsligchaam niet niogt kunnen 
worden erlangd, geloof ik dat alsdan het tarief N° 7 Litt B in 
afwachting van dien en telkens voor een bepaald tijdperk zoude 
kunnen worden gealtereerd en vervangen door het navolgende: 



OVER SUMATRA S WESTKUST. 



599 



VOOR SINKEL. 
Sumaira's Wesikttst. Tarief N"" 7 Litt, B 

Inkomende regten op wollen en katoenen goederen. 



OORSPRONG 

DKK 

GOEDEREN. 



Grondslag 

VAN 
ÜKLASTlNti. 



Inkomend 
Reut. 



BuZONDi-JtE 
BEPALINGEN. 



Nederland. 



Taxatie volgens ad valorum 
het tarief van 
minste prijzen , 1 
om de drie | 
maanden her- \ 
zien wordende ' 12 pCt. 



Nederlandsch Indie 
en bevriende inlandsche 
staten in den Indischen 
archipel. — 

Met Nederlandsch- 
Indische en daarmede 
gelijkgestelde vaartuigen 
komende van Neder- 
landsche en bevriende 
Inlandsche havens in 
den Indischen archipel. 



Alle andere landen 
beoosten de Kaap de 
goede hoop. 

Met Nederl. Indische 
en daarmede gelijk- 
gestelde vaartuigen ko- 
mende van havens uit 
deze landen. 



Europa en Amerika 
mits van landen waar- 
mede het Koningrijk 
der Nederlanden in 
vriendschappelijke be- 
trekkingen staat. 

Landen , met welke 
het Koningrijk der Ne- 
derlanden nietin vriend- ■ 
schappelijke betrekkin- : 
gen staat. ; 



als boven. 12 pCt. 



als boven. | 24 pCt. 



Taxatie door 
de beambten 
naar den markt- 
prijs van den 
dag . . . 
idem. 



Taxatie door de 

beambten naar 

de marktprijs 

van den dag. 



Idem. 



12 pCt. 
6 pCt. 



12 pCt. 



6 pCt. 



met bewijs van 
Nederlandsche 
oorsprong en 
onder Neder- 
landsche vlag. 



als boven. 
I De oorsprong te 
I bewijzen volgens 
■ het Indisch 
staatsblad van 
1834 N*> 42. 



Uitgezonderd 
chinesche goe- 
deren met chi- 
nesche jonken 
aangebragt van 
China waarop een 
vast regt bepaald 
is voor ofgeheele 
lading , zie La E. 
hienia. 



600 BENE BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

N.B. Katoenen stoffen en garens, vervaardigd op Java, en van daar 
aangebragt met Nederlandsch-Indische en daarmede gelijkgestelde 
vaartuigen, zijn vrij van rcgten mits de betaling van uitgaand 
recht op Java bewezen wordt. 

Het zal schier overbodig wezen hier te noteeren dat bij weder uitvoer 
van tegen verminderde regten te Sinkel ingevoerde goederen naar een 
der meer zuidelijke havens op deze kust gelegen de bedoeling hier is, 
dat die goederen bij den invoer aldaar met het verschil in regten 
worden belast. 

Nu resumerende neem ik de vrijheid als mijn gevoelen te noteren: 

I". Dat het ongeraden is reeds dadelijk in de Noordelijke havens van 
Sinkel j Tapoes ^ Baros en Tapanolie, het monopolie van den zout- 
handel in werking te brengen, ten ware de Nederlandsche Handel- 
maatschappij zich zoude kunnen verbinden om de markten van 
deze plaatsen steeds van al het benoodigde aan lijnwaden enz. te 
voorzien, en zich tegen provisiepenningen met het debiet van 
zout in het klein, zelfs tot hoeveelheden van \ picol tegen den 
prijs van / S-^S koper per picol ook bij ruiling tegen benzoein als 
anderzins, evenwel dit laatste voor hare rekening, zoude kunnen belasten. 

2^. Dat bijaldien — hetgeen meest waarschijnlijk is — de Neder- 
landsche Handelmaatschappij zich op de zooeven gezegde wijze 
niet met het zoutdebiet mogt kunnen belasten, de invoer van 
vreemd zout provisioneel en voor een bepaald tijdperk nog zoude 
dienen te worden toegestaan, maar moeten worden onderworpen 
aan een invoerregt van ƒ 2. — zilver per picol van 125 ponden te 
Tapanoeli en van ƒ i . — zilver te Sinkel en zulks ten\'ijl gelijktijdig 
het Javaansch zout voor rekening van den lande tegen contant 
betaling in speciën te Tapanolie^ Baros en Sinkel bij wijze van 
proefneming verkrijgbaar zoude worde gesteld voor den prijs van 
ƒ 5.25 koperen munt per picol. 

3*\ Dat de havens van Tapanolie voor den grooten handel opengesteld 
kan verblijven, maar na overweging dient te worden beslist of de 
haven van Sinkel evenzoo zal worden beschouwd dan wel alleen 
voor grootc kustvaart op de wijze als de tusschen havens van Java , 
zal zijn geopend, en dat voorts de havens van Baros en Tapoes 
voor de groote vaart (kustschepen daaronder begrepen) behooren 
te worden gesloten. 

4*\ Dat te Tapanolie bij voortduring de regten kunnen worden geheven 
bij de Gouvernement tarieven geannexeerd aan de publicatie van 
den i''^*^ Januarie 1838 (Staatsblad n^ i bepaald; dat te Sinkel \i^\. 
tarief 11° 7 Lettr. B ook weder j)rovisioneel en voor eenen vasten 
termijn dient te worden vcrvanp^en door het tarief hierboven 
ingelascht. 



OVER sümatra's westkust. 601 

5*>. Dat de opium handel te Sinkel kan worden gevoegd bij den 
aigemeenen pacht van dat middel ter dezer kust; en eindehjk 

6° dat deze regeling in werking zoude kunnen worden gebragt met 
1° Januarij 1841. 
Padang den 22 Augustus 1840. 

De Ambtenaar toegevoegd aan den Raad van 
Indië, Gouvemémentskommissaris voor Sumatra, 

P. DE Perez. 

De directeur der Middelen van der Vinne bracht over deze 
nota, zoomede over de adviezen betrekkelijk deze zaak van de 
geëmployeerden der Handelmaatschappij ter Westkust en van den 
Gouverneur Michiels zijn gevoelen uit. Hij deed dit bij een uit- 
voerig rapport, na den president der Factorij, Plate, te hebbeu 
gehoord. Ook dit stuk meen ik ten slotte hier nog in zijn geheel 
te moeten doen volgen. 

N° 1200. Batavia, den 8 Junij 1841. 

Onder geleide missive van den 12" Januari jl. n" 18 is mij door 
den Waarnemend Algemeen Secretaris toegezonden de missive van den 
Kolonel , Civiel en Militair Gouverneur van Sumatrds Westkust d.d. 
I October ji. N" 1449 ^"^ daaraan annexe bijlagen, met verzoek om 
aangaande het voorkomende bij die stukken mijne beschouwingen aan 
Uwe Excellentie kenbaar te maken. 

Gedacht schrijven is handelende over het invoeren van een doelmatig 
stelsel van belasting (^p den handel, en van het zoutmonopolie in 
het Noordelijkst , eerst sedert kort aan het Nederlandsch gezag onder- 
worpen gedeelte van het eiland Sumatra , en worden ten dien aanzien , 
door den Civiel en Militair Gouverneur de ondervolgende zes voor- 
stellen gedaan. 

A. Om in de noordelijke havens Singkel, Tapos^ Baros en Tapannolte , 
in werking te brengen, zoodra een zaakgelastigde van de Factorij der 
Nederlandsche Handelmaatschappij ter eerstgemelde plaats zal zijn 
gevestigd , ten einde dc^or diens tusschenkomst het zout op den voet , 
als thans in de L Kottas plaats vindt ' ook bij hoeveelheden van eenc 
halve picolj aan den inlander te verkoopen. 

B. Om de prijs van het zout te Singkel, Tapos en Baros vooreerst 
te stellen op ƒ 5. — kopergeld de picol. 

N.B. Waarschijnlijk is Tapannolie hierbij in de pen gebleven, terwijl 
deze haven evenwel nader dc^or den Gouverneur wordt opge- 
nomen onder de plaatsen waar het zoutmonopolie almede moet 
worden ingevoerd. 



602 EEHK BIJDRAGE TOT E. B. KIELSTKA^S OPSTELLEN 

C. Om de haven van Singkel evenals als die van Tapannoiie voor 
den groeten en transito handel open te stellen en daarentegen die van 
Baros en Tapoes niet alleen voor de groote vaart, maar zelfs voorden 
handel met kustvaartuigen te sluiten. 

D. Om te Singkel evenals te Tapannoiie de regten te doen heffen 
overeenkomstig het bepaalde bij de tarieven gearresteerd bij Publicatie 
van den i®" Januari 1838, welke echter in dier voege zouden behooren 
te worden gealtereerd dat het uitgaand regt op het artikel benzoein 
tweede soort ^ thans bepaald op / 8. — de picol met/ 2.— verminderd 
en alzoo gesteld worde op / 6. — en de helft van dien wanneer de 
uitvoer onder Nederlandsche vlag geschiedt, 

E. Om het inkomen regt op vreemd zout te Tapannoiie, Baros 
Tapoes en Singkel tot weder opzeggings toe te stellen op /2. — de picoL 

F. Om deze bepalingen in werking te brengen met i'^Januarij 1841. 

Overeenkomstig het mij door Uwe Excellentie bij monde te kennen 
gegeven verlangen, heb ik met den President van de Factorij der 
Nederlandsche Handelmaatschappij, den heer Plate, die door zijn 
langdurig verblijf en belangrijke bemoeijenissen op Snmatra^ met de 
handelsaangelegenheden en met onze betrekkingen tot de bevolking 
aldaar ten volle bekend is, en voorzeker als een der kundigste be- 
oordeelaren ten deze mag worden aangemerkt, ten aanzien der om- 
schreven voorstellen in het breede geconfereerd. 

Bij de puntsgewijze behandeling van de onderwerpelijke aangelegen- 
heid in dezelfde volgorde als hierboven vermeld, zal zich van zelve 
de gelegenheid aanbieden, om Uwe Excellentie met de denkwijze 
van den heer Plate in wetenschap te stellen. 

A. Te gelijker tijd met het onder dezen letter omschreven voorstel , 
zullen tevens dienen te worden behandeld, die welke boven onder de 
initialen B. en E zijn vermeld , als makende gezamenlijk een eigenaardig 
geheel uit. 

De generale consumptie van zout in de Noordelijke havens van 
Sumaira , Tapoes daar niet bijgerekend, kan, af te leiden uit den in 
verband gebragtcn inhoud der onderwerpelijke bijlagen worden geraamd 
gemiddeld te bedragen 480 Jav. koijang , uitmakende , ad 30 picols per 
koijang, eene hoeveelheid van 14.400 picols. 

Voor hel grootste gedeelte bestaat dit zilt uit vreemd of het zoo- 
genaamd kust-zout, hetwelk van eene mindere qualiteit dan het Javasche 
en zwart van kleur, maar groot van korrel is. 

De gemiddelde consumtieprijs van het vreemde zout kan worden 
gesteld : 

te Singkel de picol op ƒ 5.20 koper. 

» Baros » » v » 4.98 » 

» Tapannoiie » » » » 0.28 » 



V 



üVKR sumatra's westkust. 003 

Wordende de meerdere duurte ter laatstgenoemde plaats te weeg 
gcbragt uithoofde het zout bij den invoer aldaar aan een inkomend 
regt van / i. — per picol is onderworpen. 

De heer de Perez stelt voor , den debietprijs van het Gouvemements 
zout voorloopig op / 5.25 koper de picol te stellen, en berekent dat 
het Gouvernement, alsdan bij den verkoop van 480 koijangs, een 
geldelijk voordeel van / 36.720 zoude genieten, welke berekening echter 
onjuist is, naardien hij het aanmaak kostende van eene koijang zout 
op / 15. — stelt, terwijl zulks slechts /5. — bedraagt, zoodat hij 
/lo. — per koijang of in het geheel / 4800. — in het nadeel berekent, 
zoodat de te behalen winst/ 4 1.520 zou beloopen. 

Men schijnt het niet geheel eens te zijn, of de Sumatraan aan het 
vreemde zout van minder allooi , werkelijk al dan niet boven het betere 
Javasche de voorkeur geeft , echter schijnt het aan geen twijfel onder- 
hevig te wezen, of laatstgemelde soort zilt zal onder den Inlander 
aftrek vinden bijaldien slechts worden gezorgd, hetzelve droog en 
grof van korrel en alzoo geschikt zij, om, zonder veel te spilleren, 
naar de binnenlanden te worden vervoerd. 

De heer Plate en ik kunnen het ons dan ook niet wel begrijpelijk 
maken , dat het vreemde zout , in kleur en smaak als anderzins zooveel 
minder dan het te Madura vervaardigd wordende zout, nogtans op den 
duur boven het laatstgemelde zoude geprefereerd worden ; en wij 
twijfelen dan ook geen oogenblik of het Madura's zout zal wel gewild 
zijn en binnen zekeren tijd het vreemde zout verdringen, doch zulks 
kan niet dan door geleidelijke maatregelen verwacht worden, en tot 
dat einde wordt niet alleen vereischt, dat men den inlander zooveel 
mogelijk door eene algemeene verspreiding van ons eigen zout, in de 
gelegenheid stelt , het te leeren waarderen , maar zal men vooral daar- 
heen moeten trachten te dirigeren, dat het Madura's zout zooal niet 
tegen mindere dan toch voorzeker tegen geene hoogere prijzen dan 
het vreemde worde verkrijgbaar gesteld. 

Wel is waar zoude bij de dadelijke algeheele invoering van het 
Gouvemements zoutmonopolie de mededinging van het vreemd zout 
de jure tevens moeten ophouden, maar het oogenblik tot invoering 
van dat monopolie in de noordelijke havens van Sumatra komt mij 
voor nog niet rijp te zijn. 

Het zoude vooralsnog alleen een monopolie in naam zijn. 

Op Java is de invoer van zout verboden, doch men heeft aldaar 
ook de middelen , om tegen dien verboden invoer te waken en denzelve 
te keer te gaan. 

Wat zoude evenwel een gelijke prohibitieve maatregel ten aanzien 
van de noordelijke Sumatrasche havens baten ? Immers is men , althans 
voor het tegenwoordige , niet bij magte denzelve te handhaven , en dan 
kan het niet anders of het vreemde zilt zal worden ingesmokkeld , en 



C}{)\- EENE BUDRAGK TOT E. B. KIELSTllA^S OPSTELLEN 

het debiet van 's Gouvemements zout in den weg staan , ten\'ijl naar 
mate de prijs van dit laatste hooger is gesteld , de prikkel tot clandes- 
tienen invoer van het eerste al grooter en grooter worden zal. 

Ik ben met den stand van zaken, met den aard onzer instellingen, 
en met het meerder of minder klemvolle van ons gezag op Suma/ra 
niet genoegzaam bekend. Dat het evenwel in den geest van ons bestuur 
moet liggen, om zooveel mogelijk, alle aanleiding tot smokkelhandel 
weg te nemen, vermeen ik te mogen afleiden uit het voorkomende in 
het rapport van den Raad van Indie, Gouvemements Commissaris 
van Sumatra d.d" 2y Maart N" 208/87, alwaar onder anderen de 
volgende zinsnede wordt aangetroflfen , ten betooge dat het Javaasch 
amfioen-pachtstelsel ter Sunuitra's Wesikttst althans voor het tegenwoordige 
niet kan worden ingevoerd : 

«Behalve het belang van den handel met de binnenlandsche districten , 
«hetwelk met de invoering der Javasche verpachting onvermijdelijk 
«zoude lijden, mag daartegen als een wezenlijk bezwaar worden aan- 
«gevoerd, dat dezelve ^eene verpachting i uit haren aard, een zoo 
«vermogend aanloksel tot smokkelen aanbiedt, dat zulks niet, en dan 
«nog gebrekkig te voorkomen is, dan door strenge dwangmiddelen en 
«vervolgingen , welke zoowel in strijd zijn met de bestaande inrigtingen 
«van bestuur, die geene bemoeijenis in de inwendige huishouding van 
«den Maleijer gedoogen , als met den geest der bevolking die zich niet 
«ligt aan banden laat leggen.» 

Het komt mij voor, dat deze beschouwingen ook /;/ casu van volle 
tocj^assing zijn. 

Maar behalve dien verzetten zich naar mijne meening nog andere 
(omstandigheden , immers voor liet oogenblik , tegen de inwerking brenging 
van het bedoelde systenia. 

Afgescheiden toch van de meerdere of mindere gewildheid welke 
het Madura's zout zoude te beurt vallen , kan het niet raadzaam geacht 
worden, om een artikel van eerste levensbehoefte, waaraan eene in- 
landsche bevolking sedert onheugelijke tijden gewoon is, plotseling en 
bij dwang te doen vervangen, door eene andere soort, hetwelk men 
welligt, of uit onkunde, of uit voor ingenomenheid minder acht; — 
zoo iets laat zich niet opdringen zonder aanleiding tot ontevredenheid 
te verwekken. 

Uit het rapport van diiw ambtenaar de Perez blijkt dat daargelaten 
eene menigte andere beletselen en belemmeringen , de grootste hinder- 
paal, welke de uitbreitiing van onzen handel in de noordelijke havens 
van Sumatra voor het oogenblik en waarschijnlijk nog voor langen tijd 
in den weg staat, is, nagenoeg volslagen gebrek aan kapitaal. 

Op dit oogenblik is te Singkel een geëmploijeerde van de Factorij 
der Nederlandsche Handelmaatschappij tijdelijk gedetacheerd , en belast 
met de exploitatie van den handel aldaar. 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 605 

Dc verkoop van het zout zoude, gelijk zulks door den Gouverneur 
van Sumafrns Westkmt wordt voorgesteld en evenals vroeger te Padang 
Pandjang en Paya Kombo het geval ware, maar thans nog slechts ter 
laatstgeraelde plaats geschiedt, gevoegelijk aan dien geëmployeerde 
kunnen worden opgedragen, maar daarbij doet zich eene gewigtige 
moeijelijkheid op, namelijk de wijze van betaling van het zout door 
den handelaar of consumateur. 

Bij het bestaande gebrek aan een circulerend medium is aan eenen 
verkoop uitsluitend tegen specie niet te denken, en zullen alzoo in 
betaling dienen te worden aangenomen de voortbrengselen van het 
land. 

De heer Plate heeft mij te kennen gegeven, dat aan eenen zooda- 
nigen ruilhandel niet dan met groote verliezen voor de Factorij zoude 
kunnen worden gevolg gegeven, indien gezegd ligchaam verpligt werd 
de benzoein over te nemen tegen den fictieven prijs, die daarvoor bij 
ruilhandel wordt bepaald en, volgens aangenomen gewoonte in de 
noordelijke havens, altijd ver boven de waarde is, welk nadeel voor 
den rnlandschen handelaar door de winst op den verkoop, of liever 
op de weder in herruil aangeboden goederen vergoed wordt, doch 
welke vergoeding voor de Factorij verloren zoude gaan, indien zij, gelijk 
uit den aard der zaak voortvloeit , verpligt ware het zout tot den zelfden 
prijs aan het Gouvernement te verantwoorden, als voor den verkt^op 
bepaald, en van den inlander elders verkregen zoude worden. 

Eene aan de juiste waarde geövenredigde prijsbepaling der benzoein , 
voor zooverre dezelve in ruil voor zout zoude aangenomen worden, 
is niet denkbaar, eensdeels door dc aangenomen gewoonte reeds aan- 
gehaald, om dien prijs veel te hoog te stellen, waaraan vooralsnog 
zal moeten toegegeven worden , en waarin slechts van lieverlede ver- 
andc'ing kan worden te weeg gebragt, en ten andere omdat de veel- 
vuldige soorten benzoein, die zich niet juist door de benaming van 
I®, 2^ en 3*^ laten bepalen , alle voorafgaande juiste prijsbepaling 
onmogelijk maakt. 

Met uitsluiting der slechts in zeer geringe, ja niet noemenswaardige 
hoeveelheid voorkomende eerste soort , voor welke voor de Europesche 
markt tot /i6o. — de picol kan besteed worden, ondervindt de benzoein 
een zeer moeijelijk debiet De Clingaleesche handelaren die dezelve 
tot hier grootendeels hebben weg gehaald , vonden daarvoor een 
voornaam debouché op de ktist van Coromandel en te Bombay : dc 
vernietiging der handelsgemeenschap tusschen onze bezittingen en 
Britsch Indie ontneemt aan de Factorij de gezegde directe uitweg, en 
onereuse intermediaire debouchós moeten dus door haar te baat ge- 
nomen worden. 

De gestremde gemeenschap met C/////<i, welke markt een gedeeltelijke 
uitweg voor de benzoein opleverde, vermeerdert de moeijelijkheid in 
5e Volgr. X. 40 



ftOf) ££NE BiJDkAia: TOT K. B. RIELSTRA^S OPSTELLEN 

het aannemen van dat product, zoodat alle inspanning zal vereischt 
worden om het verlies, op de benzoein onvermijdelijk te lijden, te 
verminderen en daarvoor nieuwe uitwegen op te sporen. 

De Factorij, de noodzakelijkheid inziende, om den inlander der 
noordelijke districten van zijn hoofdproduct te ontlasten, heeft reeds 
een aanvang daarmede gemaakt, en is genegen daarmede voort te 
gaan , doch zij kan en behoort daarin niet aan banden gelegd te worden, 
doch moet vrijheid hebben naar omstandigheden hierin te handelen, 
en eene gebiedende bepaling tot het in ruil aannemen der inferieure 
soorten benzoein, waaruit de recolte bij verre het grootste gedeelte 
bestaat , tegen vastgestelde prijzen , zou de Factorij ten eenemale onge- 
negen maken om zich met *s Gouvemements-zouthandel In te laten. 

Hierbij mag niet uit het oog verloren worden, dat de verkoop van 
het zout in het klein de aanneming van benzoein in betaling daar\'oor 
onmogelijk maakt. Immers men zoude niet van de Factorij kunnen 
vergen minder dan i picol tegelijk aan te nemen, en hoe kan zulks 
geschieden bij de geringe waarde van i picol zout, en hieruit vloeit 
dus opnieuw voort , de nt)odzakelijkheid om geheel naar omstandigheden 
geld of benzoin in betaling te nemen. 

Troowens de heer de Perez schijnt de moeijelijkheden , waarmede 
de verkoop van zout in ruil tegen benzoein zal gepaard gaan , te hebben 
voorzien, althans doet hij het voorstel om, wanneer deswege met de 
Factorij in geene schikkingen kan worden getreden, alsdan den invoer 
van het vreemde zout niet te verbieden, maar met een inkomend regt 
te bezwaren, welk regt voor Haros en Tapajiiwlic op / 2, — per pico/ 
voor Singkci daarentegen op slechts y' i per picol zoude kunnen gesteld 
worden. De calculatieve consumtie tot basis genomen, berekent de 
heer de Perez dat het Gouvernement bij deze regtshcfïing , een finan- 
cieel voordeel van /28.2(X). — koper zoude genieten. 

Te Tapannolie is het vreemde zout op dit oogenblik reeds ntet een 
inkomend regt van ƒ i. — per picol belast «zie Staatsbad 1828 \V^ 82». 

Tengevolge van de gebrekkige wijze, waarop de periodique stukken 
van Sumaira, maar vtxiral van eene plaats als Tapannolie worden ont- 
vangen, kan alleen weerden opgegeven, dat aldaar op vreemd zout is 
gepercepieerd : 

gedurende het laatste halfjaar 1838 . . . . / 12QO.03 

» jaar 1839 > 2148.72 

» derde kwartaal 1840. , . , > 815.85 

Hoe onvolledig dit aperc^u ook wezen moge, zoo is hetzelve niet te 
min in zooverre voldoende om aan te toonen, dat de invoering van 
de door den heer de Perez voorgestelde maatregel stellig niet die finan- 
cieele resultaten zal opleveren, welke daaraan volgens zijn gevoelen 
zouden verknocht zijn. 

£n hoe zoude dit ook anders kunnen zijn? immers welke handelaar 



» 



OVER 8ÜMATRa's WESTKUST. 607 

in vreemd zout, zal dat zilt hetzij te Baros dan wel te Tapannolie of 
Sin^kel tegen betaling van een hoog regt invcjeren , indien hij in de 
gelegenheid is, om of op die plaatsen zelven, of op slechts zeer korten 
afstand van daar, het artikel in te smokkelen en alzoo zonder betaling 
van eenige regten in te voeren? een maatregel welke hem te gemakke- 
lijker vallen zal, uithoofde hij van de zijde der bevolkii.g voorzeker 
steeds de meeste hulp en medewerking tot het wel gelukken zijner 
pogingen zal ondervinden. 

En zijn wij bij de ontluiking van ons, op eene zeer kleine schaal 
ingerigt bestuur in de noodzakelijke havens bij magte , om dien smokkel- 
invoer tegen te gaan? kan zelfs de perceptie dier regten wel immer 
gecontroleerd worden ? 

Eene prohibitieve wet, zonder dat men de middelen aan de hand 
heeft, dezelve te handhaven, beteekent weinig of liever niets; wil 
men nu den smokkelhandel hier bedoeld tegen gaan, dan moet men 
daartoe ook de middelen bezitten en zouden dus niet alleen tolkantoren 
opgerigt, maar daarenboven langs de kusten eene waakzame recherche 
uitgeoefend behooren te worden. 

Dat door de aanwending van zoodanige middelen ter verzekering 
van toiregten, enorme kosten zullen worden te weeg gebragt, en dat 
deze althans voor het oogenblik hi niet de minste evenredigheid tot 
die revenuen zullen staan, behoeft voorzeker geen wijdloopig betoog. 

Eindelijk zouden daarmede ook gepaard moeten gaan aanhalingen, 
vervolgingen en verbeurdverklaringen, welke in het oog van den 
inlander als even zoo vele vexatoire handelingen in strij<l zijn met den 
geest van ons op Sumatra gevolgd wordende liberaal bestuur en systema 
van non-interventie. 

De heer Plate vereenigt zich dan ook geheel met mijne opinie, dat 
eene tolheffing op het vreemd zout weinig of niet zoude opbrengen. 

Alle deze beschouwingen doen het dan ook raadzaam zijn , om vo<^>r 
als nt)g het vreemd zout fiict te verbieden, maar door eenen indirecten 
maatregel het gebruik daarvan te beperken , en eindelijk van lieverlede 
te weeren. 

Indertijd, ik meen tot in den jare 1831 of 1832, was de aanvoer 
van Javaansch zout te Padang vrij en onbelemmerd, welke vrije invoer 
toen echter gej)aard ging met een verbod op den aanbreng van 
vreemd zout. 

De heer Plate oppert het denkbeeld, om eenen gel ijksoortigen maat- 
regel tijdelijk van toepassing te verklaren op de noordelijke havens 
van Sumatra , en mitsdien, voor die plaatsen , de aanvoer van Javaansch 
zout aan een ieder vrij te laten (waarbij ik nogtans de vrije mede- 
dinging van het vreemd zout vooreerst niet beletten wil, hoofdzakelijk 
oj) grond lier onmagt om zulke voorshands te kunnen <loen), als 
wanneer de Factorij zich verbinden wil in ieder der havens, steeds 



608 EENE BIJDRAGE TOT K. B. KIELSTRA^S OPSTELLEK 

een ruimen voorraad zout aanbanden te hebben, om vervolgens door 
haar voor eenen minderen prijs verkocht te worden , dan het vreemde 
zout thans geldt. 

De prijs waarvoor het zout, voor den uitvoer bestemd, bij het 
Gouvernement kan worden ingekocht bedraagt, krachtens het bepaalde 
bij staatsblad 1831 n'' 9, f 60. — per koyang. 

Het transport naar Padang en verder naar de Noordelijke havens 
gaat met groote kosten gepaard; echter berekent de heer Plate dat 
deze niet hooger dan f 40. — per koijang beloopen zullen en zoude 
de Factorij alzoo het zilt tegen f 100. — zilver (of koper f120. — ) 
de koijang verkoopen kunnen, hetgeen de picol op f4. — zoude doen 
staan. 

De Factorij zal mitsdien bij het debiet van zout geene voordeelen 
genieten, ook is het hare bedoeling niet daarmede eenige winsten 
te behalen ; zij wenscht alleen ten aanzien van het al of niet in ruil 
nemen van benzoein tegen zout, de handen ruim te hebben en niet 
afhankelijk te zijn van eene overeen tekomen prijsmaking van dat 
product, gelijk het geval wezen zou, wanneer de Factorij het zout 
voor rekening van het Gouvernement verkoopt, en daarvoor benzoein 
in betaling aanneemt. 

Het komt mij voor, dat dit denkbeeld in meer dan in een opzigt 
aandachtige en aanprijzenswaardige overweging verdient 

Tegen dat denkbeeld zoude kunnen geobjecteerd worden het gevaar 
van invoer van het vrije zout, in die Gou vernemen tsbezittingen aan 
het zoutmonopolie a f 8. — per picol onder^'orpen , doch daartegen 
moet ik opmerken, dat de verkoop in de Noordelijke havens volgens 
voorstel van den heer de Perez tegen f5. — en het reeds bestaande 
debiet te Aijer Bangies tegen denzelfdcn prijs, dit gevaar evenzeer 
doet bestaan en dat dus de surveillance, indien die behoorlijk kan 
daargesteld worden, (^nder beide systema's even noodig is. 

De Factorij genegen zijnde het zout tegen f 100. — zilver koijang te 
verkoopen, zoo zoude de picol (de koijang op 30 picols gesteld) 
slechts op f3.330 te staan komen. 

De gemiddelde prijs waarop het kuslzout in de Noordelijke havens, 
volgens het raj)porl van den heer de Perez, te staan komt bedraagt 
per picol f5.50 zilver. 

Ik geloof echter, dat deze prijs een weinig te hoog gesteld, en 
het zilt tegen mindere prijzen verkrijgbaar is, dus, aannemende dat 
dezelve in het algemeen om fi. — behoort te worden verminderd, 
en voor het vreemde zilt alzoo niet meer dan f4.50 de picol wordt 
betaald, dan nog zal bij eenen verkoop, op de door den heer Plate 
voorgestelde wijze, het Javasche zout tegen f i.iój per picol minder 
in consumtie kunnen gebragt worden. 

Een natuurlijk gevolg van deze omstandigheid zal zijn, dat het 



OVER sumatka's WÏSTKUST. 609 

Javasch zout, vooral wanneer zorg wordt gedragen, hetzelve droog 
en grof van korrel en van superieure qualiteit zij, van lieverlede 
meerderen aftrek vinden, en het vreemde zout allengkens, zonder 
met eenigerhanden dwang of ontevredenheid verwekkenden maatregel 
gepaard te gaan, verdringen zal. 

Wel is waar, zoude in den regel, de aanbreng van vreemd zout, 
wanneer de invoer van het Javasche zout werd vrijgelaten, dienen 
te worden verboden, al waar het dan ook slechts in naam. 

Behalve het hierboven betoogde van het onraadzame van zoodanig 
eenen maatregel, acht ik het ook nog bijna overbodig, ten dien 
aanzien eene prohibitieve wet met speciale poenale bepalingen uit te 
vaardigen. 

Immers, wanneer het vreemde zilt de concurrentie van het Javasche 
evenmin in prijs als in qualiteit, zal kunnen wederstaan, en daarvoor 
wijken moet, zal de aanbreng van hetzelve niet alleen langzamerhand 
minder worden, maar eindelijk geheel ophouden, en worden gevolglijk 
eene verbodswet, en de middelen om die te handhaven als het ware 
van zelven noodeloos. 

De invoering en handhaving op de geheele kust van Sumatra van 
het tarief van inkomende regten op lijnwaden en andere goederen, 
en de ijverige pogingen van de Factorij om de bezittingen van nationale 
voortbrengselen te voorzien, zal krachtdadig medewerken tot wering 
van het vreemde zout — Immers de verkoop van dit artikel is 
nimmer de aanleiding geweest voor het bezoeken der vreemde schepen 
op de kust van Sumatra, de hoofdzaak was de insmokkeling en 
verkt)op van vreemde lijnwaden, en het zout diende alleen tot ballast 
en opvulling der vaartuigen; de verkoop der vreemde lijnwaden ver- 
moeijelijkt of onmogelijk gemaakt zijnde, zal de aanvoer van vreemd 
zout van zelve ophouden. 

Is nu eenmaal de stand van zaken zoo verre gevorderd, dat het 
vreemde zilt in het geheel niet wordt aangebragt, en wordt er alzoo 
in de noordelijke havens geen ander dan Javasch of beter gezegd 
Madura's zout geconsumeerd, dan zal ook het tijdstip daar zijn, om 
den vrijen invoer van dat zout van lieverlede meer en meer te be- 
perken, den aanbreng van het vreemd zout geheel te verbieden, en 
vervolgens als het ware ongevoelig het zout-monopolie ook op die 
plaatsen in te voeren, met eene successieve vermeerdering van den 
debietprijs, evenals op Java heeft plaats gehad. 

De consumtie in de Noordelijke havens wordt door den heer de 
Perez geraamd op 480 koijangs 'sjaars. — Het voor den uitvoer be- 
stemde zout wordt door het Gouvernement tegen betaling van f 60. — 
de koijang afgestaan en zal de verkoop van evengemelde hoeveelheid alzoo 
renderen eene som van f28,800 zilver, of koper {34,560. — . 

Hiervan dienen evenwel te worden afgetrokken de kosten van 



610 EEN£ BIJDKAaK TOT E. B. KIBLSTRA^S OPSTELLEN 

aanmaak, welke te Sumanap^ de plaats alwaar het vervaardigde zout 
alleen voor den uitvoer naar Sumatra geschikt is, bedragen f5. — 
per koijang of voor eene hoeveelheid van 480 koijang f 2,4CX). — en 
zal de geheel partiailiere verkoop van zout in de Noordelijke havens 
van Sumatra alzoo aan den lande een zuiver voordeel opleveren van 
f32,160,— ; 

hetwelk wel is waar minder, maar ook aan den anderen kant 
zekerder is, dan de door den heer de Perez toegezegde financieele 
resultaten, te behalen door den consumtieprijs van het zout op f5.25 
de picol te bepalen, een debiet, hetwelk echter tegenover het zooveel 
goedkoopere en niet te beletten vreemde zout, nimmer verwezentlijkt 
zal kunnen worden. 

C. Bij het onder dezen letter boven omschreven voorstel, geeft 
de Gouverneur van Sumatra' s Westkust in overweging, om de haven 
van Sinkel even als die van Tapannolie voor den grooten handel of)en 
te stellen, en daarentegen die van Baros en Tapos voor de groote 
vaart en zelfs voor den handel met kustvaartuigen te sluiten. 

De haven van Tapannolie is ingevolge art. i der Publicatie van den 
31® December 1825 (Staatsblad N° 48) voor den grooten handel 
opengesteld. 

De heer Plate is van gevoelen, dat eene gelijke bepaling ten 
aanzien van Sinkel althans voor het oogenblik nog niet moet worden 
genomen en zulks behoort te blijven uitgesteld, tot tijd en wijle de 
loop en rigting van den handel in de noordelijke havens in het 
algemeen met eenige zekerheid zullen bekend zijn; konde er op dit 
oogenblik omtrent het openen of sluiten van de haven van Aijer Bangies^ 
blijkens Gouvemements besluit van den 4® Februarij 1839 N*^ i , voor 
de groote vaart en handel opengesteld, nog questie bestaan, dan 
zoude de heer Plate evenzeer tegen de openstelling van die haven 
opineren. 

De Factorij lieeft up dit oogenblik vaste agentschappen te Tapannolie 
en A^'er Bangies, terwijl een van hare geemploijeerden tijdelijk te 
Sinkel is geplaatst ; zij is niet ongenegen , om aldaar een vast agentschap 
te vestigen , doch zoude dan ook het agentschap te Tapannolie wenschen 
inletrekken. De heer Plate kan zich echter te dezen aanzien voor 
het tegenwoordige moeijelijk stellig verklaren, als zijnde het te nemen 
besluit geheel afhankelijk van de herigten, welke betrekkelijk den 
handel te Sinkel in vervolg van tijd zullen worden ontvangen. 

Gelijk de heer Plate mij heeft te kennen gegeven, is Sinkel voor 
uitbreiding vatbaar, en kan hetzelve het middenpunt van een niet 
onaanzienlijk handelsverkeer worden, bij aldien de naburige onafhankelijke 
volkeren hunne producten aldaar ter markt willen komen brengen. 
Plij vreest echter, dat zij daaraan geen gevolg geven zullen, zoo lang, 
gelijk thans plaats vindt, fransche en amerikaansche schepen op de 



OVER SUMATRa's WESTKUST. 611 

benoorden Sinkel Q;clegene plaatsen ten handel blijven varen, en 
aldaar peper komen innemen. 

Ik vereenig mij dan ook met het gevoelen van den heer Plate dat 
het doelmatig is, om ten opzigte van de haven van Sinkel voorloopig 
generhande beschikking te nemen , maar alvorens de tijd en omstandig- 
heden te raadplegen. 

Anders is het gelegen met de tusschen liggende havens Tapos en 
Baros. Het ligt niet in de plannen van de Factorij om op eene dier 
beide plaatsen een agent te plaatsen, en ziet de heer Plate er dan 
ook geen bezwaren in, dat dezelve voor den grooten handel, en ook 
voor de kustvaart , aangezien het voornemen toch wel niet zal bestaan 
om aldaar tolkantoren op te rigten, worden gesloten. 

Omtrent dit laatste zoude evenwel eene spoedige verordening , alleen 
ten overvloede kunnen uitgevaardigd worden, aangezien voor zoover 
Sumatra betreft, het niet openen van eeni^c havens voor de groote 
vaart , van zelf in zich sluit , dat zoodanige haven door geene kusters , 
ra vaartuigen zijnde, mogen w(jrden bezocht. 

Immers art. 49 van het Reglement op de inkomende en uitgaande 
regten ter Westkust vmi Sumatra y gearresteerd bij Resolutie van den 
3i« December 1825 N® i7 zegt: 

«het varen van Padang oj) Beiuoelen en Tapannolie vice versa, is 
«toegestaan aan alle Nederlandsche schepen en daarmede gelijkstaande 
«inlandsche vaartuigen , daarentegen zal het varen , van en op de kleine 
«havens langs de kust, binnen het gebied van Nederlandsch Gouveme- 
«ment, alleen kunnen geschieden door inlandsche vaartuigen , op dezelve 
«te huis behoorende , en voorzien van /aarpassen>, 

Padang y Hencoelen en Tapannolie y de drie in dit artikel vermelde 
plaatsen, zijn bij Publicatie van 31 December 1825 (staatsblad N" 48) 
voor de grt)ote vaart opengesteld. 

De plaatsen, die dus in het onderweq)elijk artikel kleine havens 
worden genoemd, zijn geene anderen dan die, welke niet voor den 
grooten handel zijn opengesteld, en volgt daaruit dus in den geest 
van het Sumatra's Tolreglement dat, wanneer eenig haven voor dien 
handel is gesloten, dezelve ook niet door zoogenaamde kustvaarders , 
of op de Europesche wijze getuigde vaartingen , mag worden bezocht , 
hoezeer dan ook ^s Gouvernements besluit van den 4"" Februarij 1839 
N" I eene daarmede strijdige verklaring behelst, zijnde bij het provo- 
ceren en uitvaardigen van die beschikking op het bovenbedoelde art 
49 van gedacht Reglement niet gelet; welke verklaring alsnog eene 
verandering zal dienen te ondergaan, indien de twee onder te 
noemen binnenliavens almede voor de Europesche kustvaart gesloten 
worden. 

Worden nu Baros en Tapos voor Nederlandsche en vreemde schepen 
ontoegankelijk verklaard , hetgeen noodig is, aangezien die havens. 



612 EENTE BIJDRAGK TOT E. B. KIELSTHA^S OPSTELLEN 

niet opengesteld zijnde, evenwel door clingalesche vaartuigen worden 
aangedaan, dan ligt daarin van zelf opgesloten, dat dezelve door 
geene andere dan inl indsche vaartuigen op de kust van Sumatra te 
huis behoorende, mogen worden bezocht, 

D. Zoowel de heer Plate als ik vereenigen ons geheel met het door 
den Gouverneur gedaan en hierboven onder evengemelde initiale om- 
schreven voorstel, betrekkelijk de in werking brenging der nieuwe 
Tol tarieven, zoo te Singkel als te Tapannolie. 

De heer de Perez stelt voor , ter eerstgemelde plaats een verminderd 
Tarief in te voeren, en wel uithoofde het te vreezen is, dat de invoering 
van de voor Sumatra's Westktisi gearresteerde tarieven op den handel 
te dier plaats, eenen schadelijken invloed zal te we^ brengen, en 
dezen zal doen verloojjen. 

De Gouverneur van Sumatra s Westkust is hier tegen , uithoofde : 
i**. Onze instellingen uit een politiek oogpunt, langs de geheele kust 
dezelfde dienen te zijn, en een verminderd Tarief slechts gróote 
aanleiding zal geven tot smokkelarij van Singkel, door het binnen- 
land heen, naar de meer zuidelijk gelegen districten. 
2®. De voor Srwtatra's Westkust gearresteerde tarieven zoo al niet nu, 
dan toch te eeniger tijd ook te Singkel zullen behooren te worden 
in werking gebragt, welke latere invoering welligt, op alsdan door 
gewoonte als het ware gewettigde zaken, eenen meer nadeeligen 
invloed zal te weeg brengen, dan wanneer tot die invoering al 
dadelijk wordt overgegaan. 
3'\ De handel door de heffing der bij de tarieven in questie bepaalde 
regten niet verloopen zal, bijaldien de agent van de Factorij 
slechts zorgt, dat alle goederen, tegen lagere prijzen en vooral in 
ruiling tegen voortbrengselen van hel land verkrijgbaar zijn. 
4^. De nadeelige gevolgen , welke in het algemeen uit eene tijdelijke 
uitzondering van den regel \oor Singkei zouden voortvloeijen , van 
dien aard zijn , dat zij de weinige voordeelen , welke de invoering 
van een verminderd tarief te Singkel welligt kan opleveren , steeds 
zullen overtreffen. 
Gelijk gezegd is, verecnigen de heer Plate en ik ons geheel met 
des G«>uverneurs opinie ten deze, en zouden dan ook, bij aldien 
Singkel wk^t den gri>oten handel mogt worden o{>engeste!d , waartoe 
de heer Plate echter van «K»r.ieel is dat het tijdstip no^ niet gekomen 
is, de \'oox SuMa/ni's Westkust gearresteerde tultarieven, evenals voor 
Ta/njunoh\\ ».H.»k \k*ot die haven van kracht beh<.K>ren te werden ver- 
klaard, ten einde op de geheele kust een en hetzelfde douanenslelsel 
ie bezitten. 

De ("iouvemeur stelt evenwel v(.»or, om in de bdasting, welke op 
den uitvoer van hel artikel l^enzoein ^ is gelegd eene vermindering te 
brengen. 



OVKR SUMATRA^S WESTKUST. 613 

Bij tarief N** 8 is het uitgaand regt op benzoein eerste en tweede 
soort gesteld op f8. — en van de mindere soorten op f4. — perpicol, 
en op de helft wanneer de uitvoer geschiedt onder Nederlandsche vlag. 

De Gouverneur beschouwt |deze belasting voor de benzoein tweede 
soort, in verhouding tot de werkelijke waarde, als te hoog, en stelt 
uit dien hoofde voor, denzclve om f2. — te verminderen en alzoo te 
brengen op f6. — waardoor het uitgaand regt alsdan gesteld wordt: 

voor de eerste soort op f 8. — de picol 

» » tweede » » - 6. — » » 

> » derde en mindere soorten op . - 4. — » » 

en op de helft, wanneer de uitvoer onder Nederlandsch vlag ge- 
schiedt. 

Er bestaan noch bij den heer Plate noch bij mij hiertegen eenige 
bedenkingen, naardien gelijk reeds hierboven gezegd, de eerste soort 
van benzoein slechts zeer zeldzaam of althans in zeer geringe quanti- 
teiten gevonden wordt , zoo dat de uitvoer zich geheel tot de mindere 
soorten bepaalt, en vermeenen wij dan ook dat aan des Gouverneurs 
voorstel gevolg gegeven en het bestaande tarief in dien geest geampli- 
ceerd zoude kunnen worden , met dien verstande nogtans , dat >\ ij van 
oordeel zijn, dat deze regtcn-vermindering niet alleen voor Singkel en 
Tapannolie, gelijk de Gouverneur voorstelt, maar eenvormig over de 
geheele kust dient te werken. 

Ik moet evenwel de opmerking maken , dat bij 's Gou vernemen ts 
Besluit van den 8® November 1838 L" B' het verlangen is uitgedrukt , 
dat in de nieuwe toltarieven zoo min mogelijk veranderingen worden 
gebregt, edoch ik durf niet beoordeelen in hoeverre zulks termen 
zoude kunnen opleveren om tot de wijziging in questie, waarmede 
andere groote belangen verbonden zijn, niet over te gaan. 

Verder is bij de Sumatrasche tarieven even als bij de Javasche de 
invoer van zout geprohibeerd ; worden dus de tarieven op de be- 
noorden Ayer Bangies gelegen havens van toepassing verklaard, en 
mogt tevens het Gouvernement genegen zijn om ingevolge het voorstel 
van den heer President der Factorij , de invoer van Javasch zout 
aldaar tijdelijk toetelaten , zonder nogthans het vreemde zout te weeren , 
dan zal bij wijze van exceptie en in zooverre met alteratie van de 
tarieven, de invoer zoowel van Javasch als van vreemd zout tijdelijk 
dienen te worden toegestaan, met vrijstelling van inkomende regten voor 
beide soorten , enkel nogtans voor zooveel de bedoelde havens betreft. 

Naar aanleiding van het vorenstaande gebruik ik de vrijheid Uwer 
Excellentie in overweging te geven: 

Te7i Eerste: Het voorstel van den Gouverneur van Sumatras Westkust 
om de haven van Singkel evenals die van Tapannolie voor den grooten 
handel open te stellen, voorloopig te houden in advies, in afwachting 



614 EENE BIJDRAOK TOT E. B. KIELSTRa's OPSTELLEN 

der resultaten, welke de overbrenging van het Nederlandsch Bestuur 
en de vestiging van onzen handel, op de aangelegenheden van die 
plaats zullen te weeg brengen. 

Ten Tiveede: Ten overvloede, met alteratie in zooverre van § «lart. 
3 van het Besluit 4 Februarij 1839 N° i , te bepalen dat de havens 
van Natale Tapos en Baros en voorloopig ook Singkel voor den grooten 
handel gesloten, en mitsdien op dezelve van toepassing zullen zijn 
de bepalingen voorkomende bij art. 49 van het Reglement op de 
inkomende en uitgaande regten ter Westkust van Sumaira gearresteerd 
bij Resolutie van den 31 December 1825 N° 17; zullende de vier 
havens alzoo alleen toegankelijk wezen voor de inlandsche vaartuigen 
ter gemelde kust te huis behoorende , en op /aarpassen varende. 

Ten Derde: Ten overvloede te verklaren, dat behoudens de hier 
onder te vermelde wijzigingen, de nieuwe voor Sumatra's Westkust bij 
publicatie van den i® Januarij 1838 gearresteerde toltarieven, zoowel 
voor de noordelijke als zuidelijke havens dier kust (de Lampongs 
hiervan uitgezonderd) van toepassing zullen zijn, en de inkomende 
en uitgaande regten daarnaar, en in verband met het aldaar vigerend 
tolreglement, voortaan zullen worden geheven. 

Ten Vierde: Met alteratie ui zooverre van het tol tarief N® 8 voor 
Sumatra's Westkust^ gearresteerd bij Publicatie van den i**" Januarij 
1838 (Staatsblad N® i) het uitgaand regt voor het artikel benzoein 
vasttestellen als volgt: 

voor eerste soort op f8. — de picol 

» tweede soort op - 6. — » 

» derde en mindere soorten op . - 4. — » 

en op de helft , wanneer de uitvoer under Nederlandsche of daannede 
gelijkstandige vlag geschiedt. 

Ten Vijfde: als een tijdelijke maatregel, bij uitzondering en met 
opheffing van het deswcgen voorkomende verbod in de bij art. 3 
bedoelde tarieven, toetcstaan, de invoer zuuvvel van vreemd als Ja vasch 
zout in de langs die kust voor den grooten handel opengestelden 
havens benourden Aijer Bangies, 

Ten Zesde: Den Directeur van producten en civiele magazijnen aan 
te schrijven, het noodige te verrigtcn, ten einde aan de zoodanigen, 
welke zout naar de benoorden A^cr Bangies gelegen havens wenschen 
uitte voeren, geen ander dan Sumanapsch zout, hetwelk zooveel 
mogelijk droog en grof van korrel en van de beste hoedanigheid zijn 
moet, te doen verstrekken, onder kennisgeving dat die uitvoer voor- 
loopig geraamd is geworden op ecne hoeveelheid van 500 koijangs 
'sjaars, zonder dat men zich evenwel aan dat cijfer zal behoeven 
te houden. 

Ten Zevende'. Te bepalen, dat de bovenstaande verordeningen in 
werking zullen worden gebragt twee maanden na dat dezelve ter 



OVER SÜMATRA.'» WKSTKUST. 615 

kennisse van het Bestuur te Padang zullen gekomen zijn , mits alvorens 
op de onderscheidene plaatsen van Sumalra^s Westkust te zijn gepu- 
bliceerd. 

De Directeur der Middelen en Domeinen^ 

Van der Vinne. 

De ondergeteekende , President der Factorij der 
Nedcrlandsche Handel Maatschappij, van den Direc- 
teur der Middelen en Domeinen officieuse mede- 
deeling bekomen hebbende van den inhoud van 
het bovenstaande rapport, verklaart bij deze, zich 
daarmede geheel en al te kunnen vereenigen. 

L. M. F. Plate. 

Daarop uu is het bovenvermeld besluit in Staatsblad 1841 N^éO 
gevolgd. Meu zal uit de leziug der stukken ontwaren, dat de 
quaestie over Sumatra^s Oostkust hier niet zoo zeer de hoofdrol 
speelt , als wel de vrees , dat onze handel in de Noordelijke havens 
zich niet zou ontwikkelen door de nabijheid der Atjehsch haudels- 
plaiitsen en den handel op Britsch-ludië , wanneer wij niet een 
eeuigszins vrijzinnig handelstelsel volgden Daarmede werd echter 
teveus onze tegen de Oostkust gerichte handelspolitiek gediend, 
en in zoover had het besluit van 1841 een dubbel belang. 

Baf4ivia , 16 November 1898. 



JATAKAMALA 
(garland of birth-stories) . 
translated from the original 8ans1crit 

BY 
J. S. SPEYKIi. 



(CmithmM frimi rol. A', p. 385 y 

XXXI. 

The story of Sutasoma. 

(Sutasomajtltaka) 

Meeting with a virtuoiis persoii , in whatever way it may 
have been occiusioned , proniotes salvation. Thus consideriiig , 
lic whü longs for salvation must strivc after the iuter- 
course with virtiious persons. This will bc taught as foUows. 

In the time when our Lord was a Bodhisattva, he hap- 
pened to be bom , it is said , in the illustrious royal 
family of the Kauravas, that dyuasty wide-famed for its 
gh)ry, who owing to their intentness on possessing virtues 
possessed the deep-rooted affeetion of their subjects and 
the splendour of whose power had put their proud neigh- 
bours to vassalage. Ilis father gave him the name of 
Sutasoma , for he h)oked as lovely as Soma (the Moougod) , 
his face being irradiated by the nimbus of his hundreds 
of virtues. Like the nioon in the bright half of the month , 
his loveliness and graee increased every day. llaviug in 
course of time attained skill in the Vedas with their 
angas and in the upa vedas ', and having been also 

' As to the angas sce the lirst note on story VU, the upa vedas are ex- 
plained in the lirst note on story XIX. 



jdTAKAM&lX 61 7 

iuitiated in the worldly arts and sciences, including the 
additioual ones ' , he becarae an object of esteem and love 
to his people and might be called a kinsman of virtues, 
so to speak. For he was inclined to be a decided helper 
of virtues ^, his regard for them was ever increasing, and 
he kept himself under restraint to preserve them carefully. 
1 — 2. Good conduct (Qila), learning, charity, mercy, self- 
command, raajesty , forbearance, wisdom, patience, humility , 
modesty, shame, judgmenl, loveliness, renown , civility, 
retentiveness , strength, pureness of mind, these and such 
were the excellent properties which dwelt with him. Em- 
bellished by his youth , as it were , and deriving an addi- 
tional chami from the holiness and loftiness of his person , 
they were like his constituent parts, as the (sixteen) kal&s 
of the moon. ^ 

And for this reason the king, his father, raised him to 
the illustrious rank of heir-apparent,judging him the proper 
person for ruling his subjects, for he knew his high aspi- 
rations and the holiness of his nature. 
3. liut as he was fond of learning, he was a great lover 
of religious sentences well-turned and paid the most dis- 
tinguished reward to those who attended him with well- 
said sentences. 

Once it was the season of spring, and the power of 
the month of tiowers had decorated the suburban parks. 
The young offshoots of shrubs and trees overspread them 
with a soft brilliancy; the ttowers opening gave them 
a charming and laughing aspect; fresh grass-plots, like 
smooth woolleu carpets, were extending all around over 
their grounds; their ponds with unstained and blue water 
were covered with the petals of lotuses white and blue; 



* These worldly arts and sciences are the so*called kal&s, the total number 
of which is sixty-four, partly fine arts, partly manual arts and handicrafls. 

• So elsewhere the pious are called „partisans of virtue" (guQapakshapA- 
tinah). See f. i. st. Vil., st. 31. 

■ Indian astronomy divides the moon's disc in sixteen equal parts, named 
kalüs; in this measure they express the size of the illuminated part and the 
cxtent of eclipses. The exactness of the comparison would appear more, if the 
number of virtues of young Sutasoma were also sixteen. But I count nineteen. If 
retentiveness (medhA), judgment (mati) and wisdom (dhi) might be computed 
together as one virtue, and majesty (tejat) with strength (ba la) as an other, 
we would have exactly sixteen. 



6l8 j&takam&l4. 

the humiaing' iioise of iiumbers of roainiug bees was heard 
iii them; crowds of bold cuckoos and peacocks showed 
themselves; and breezes, agreeable by their mildness, fra- 
örrancy and cooluess blew over them. ïhe splendour of 
those gardeus roused gladness in the minds of men. So 
the Iligh-miuded One, walkiug about escorted by a small 
body of guards went out to one of those pleasure-grouuds 
in order to divert himself. 

4. lts groves resounded with the chants of the he-cuckoo, 
its various trees were bending uuder the weight of their 
flowers, and the grace of the gardens was enhanced by 
their charming arbouis , artfully arrauged. Rambliug through 
his groves in the company of his wives he resembled 
(me enjoying the fruit of his merit in Naudana (the gar- 
dens of the Celestials). 

5. There he delighted in the songs of the females blending 
with the soft tones of musical instrumeuts, in their dances 
charmingly executed with exciting cocjuetry and graceful * 
gestie ulati on , in their brilliant amorous play iu couse- 
quence of their excitement by liquors , but no less in the 
lovelincss of the forest. 

Now, whilc he was staying there, some brahman who 
professed himself a speaker of well-said sentences approa<*hed. 
After beiiig received in an hoiioriiic manner, he sat down 
in that place, ravished by the contemplation of the prince's 
beautiful tigure. So the Great Being, though he was 
enjoying at that time the sport allowed to his age and 
fallen to his share as the elfect of the power of his rich 
store of merit (gathered in previous existences), was never- 
theless affectcd with great regard for that brahman. Vet, 
before reaping the protit of his coming, that is to say , 
before hearing his sentences, there suddeuly arose a con- 
fused noise, diecking the sounds of song and music, 
(lestroying the merrimcnt of the company engaged iu 
playful occupation , find rousing fear and anxiety in the 
women. On liearing this uproar he bade the guardiaiis 
of his harem kindly to incjuire about the matter. Then 
his doorkcepers hastily went to him , alarmed and with 

* The reading ol* the mss. la lila is the righl one. 



J&TAKAM&L&. 619 

saddeiied faces exprejïsive of their fear and anxiety. They 
related hiiu this: '/Majesty. that raaii-eater Kalindshapfida, 
the sou of Sudasa is approaching, the cruel disposition 
of whose raind exceeds even that of the giants, for as if 
he were an incaruation of the God of Death, he is in 
the habit of destroyiug hundreds of men. Looking dreadful 
and terrible like a giant, that embodied Terror of the Worid 
of superhuman strength, vigour and insolence is coming 
to this very place. Ourguards are dispersed. Terror devoured 
the courage of your warriors , cousternatiou dissol ved their 
ranks and put also your chariots, horse and elephants into 
disorder. Therefore Your Majesty must be on your guard 
for your defence or reflect on the proper measures to be 
taken uow." ïhen Sutasoma , though knowiug it well , 
asked them: '/Who is that man whom you call the son 
of Sudasa ?" And they said to him : '/Is it then unknown 
to Your Majesty that there was a king of that name, 
who having gone out a hunting, carried away by his 
horse penetrated into the very heart of the forest. There 
he cohabited with a lioncss who having become pregnant 
after some time was delivered of a male human child. 
Some foresters took up that boy and brought him to Sud&sa , 
M'ho being childless, brought him up as his son and when 
he passed away to the city of the (Jelestials * left him 
his successor. So he came to the po1»session of his proper 
royal dignity, but by the fault of his maternal origin he 
was fond of raw flesh. Once having tasted human tlesh 
and liking its relish suri)assing any other Hesh, he com- 
menced to kill and eat the very inhabitants of his capi- 
tal. Then the townsmen prepared to put him to death. 
llie son of Suddsa, being afraid of them, made this pro- 
mise to the goblins - who are wont to enjoy offerings of 
human flesh and blood: 'If I am saved from this peril , 
I shall j)erform a sacritice of on e hundred royal princes to the 
goblins.' 80 he was saved from that peril of life. And now 
he carried off by force many , many royal princes, and so he 



' in ülher terms: „when he died." 

' Those goblins are here callcd b hul as, but this is of course a generic 
appellation; cp. vol. VIII of the Bi/aragrti p. 259 note 1 (story VUI). 



620 J&TAKAMftL&. 

is also corae hcre in order to carry away ' Your Majesty, 
too. You have heard the matter; deign to give us your 
orders, Majesty." 

Now the Bodhisattva, who knew already formerly 
the aberratiou of miiid of the sou of Sud^sa and his 
wicked behaviour caused by it, feit compassion with him. 
So he set his miud on the design of curing him , and 
since he trusted himself to possess the qualities adapted 
to the extinctiou of the monstrous abuormity of his con- 
duct, the information about Sud&sa's sou drawing near, 
like a welcome uews, roused within him the seuse of 
ghidness. And with tirmness he spoke in this manuer: 
fi. /'This man who disi)ossessed from his royalty because of 
his ftmdness of huniau tlesh - aets like a madman utterlv 
unable to govern himself, having left his royal duties 
and destroyed his (former) good re])ute and merit , such a 
l)erson, 1 suppose, is in a state deserving comuiiseration. 

7. '/This so being, what opportunity is there for me of 
using force now or what room for «alarm and fear from 
the side of sueh a one? Rather will 1 utterly destroy his 
wickedness without employing eifort, violence and prowess. 

8. "And now that man wlio would deserve commiseration 
fronï my sidi^, if even he went away from me, couies 
himself to the plaee , where I :im staying. For this re;u>on 
it botits me to show him liosj)itality. For in this way the 
virtuous aet towards irnests visitins: them. 

"Therefore, it suHiees that eacli of you minds his ordi- 
nary duty." So he instructed the guard of his harem. And 
turning to his female life-guards who with eyes great and 
bewildered with anxiety and with throats almost clioked 
by agitation prepared to bar the way of the monster, he 
made tliem desist from that j)urpose , addressing them with 
comforting words, and went forward in the direction of 
tliat alarming noise. And he saw his royal army dispersed 
and on llight, pursued by the son of SudAi^a, whose 

' U p a h a r t u m is of coursc a misprint tbr a p a h a r t u m. 

* Though it is not cxprcssly nanalcd in the foret^oing, it is -here a matter 
of coursc that the son of Sudasa was expcllcd from his capital by his own 
peoplc after he began to cat them. The pali rcdaction in the J A t a k a gives 
a detaiied account of that expulsion. 



jftTAKAM&L&. 621 

aj)|)ear«anco was droadful. Ilis soiled garments, loosdy kept 
together with a i^irdlc, huug arouiid his body; his liair 
dn»,ssed with a diadcm of bark and coarse with dust was 
dishevtdhid and hauging down his face wholly covored 
with a thick , rugged beard which lïiy upon it lik(^ darkness ; 
liis eyes rolling with wrath and angor lookod trcinendous; 
hv. brandished his sword and shidd. The princc fearless and 
free from anxiety, called out to hiin : //Halloo, here 1 am, 
I Sutasoma. Turn to me. What are you troubling yourself 
with vexing that poor people?" These words of ehallenge 
stirred the pride of the son of SudiLsa, and turning from 
theaice like a lion he perceived the Bodhisattva (waiting 
for hiin) alone, unarmed and placidly looking aceording 
to his nature. On seeing hini he exclaimed: ^you are the 
vcry man I am seeking'\ and anon without delay went 
hastily and with iinpetuosity to him and placing him on 
his shoulder ran olf. And the Bodhisattva considering with 
solicitude that his mind was still troubled with agitation 
and his heart infatuated by wrath and arrogance kindlcd 
by the insolenee of his rejoicing at the royal forces put to 
tlight, thought it was now no j)roper time for admonition and 
persisted in his attitude of unconcern. On the other hand , 
the son of Sudasa having obtained his wish and thinking 
himself to have made a gain of importanee entered much 
rejoieed the stronghold where he had his residenee. 
9 — 10. That unholy dwelling, when appearing from afar to the 
eyes of the travellers eaused thein to be frozen with hor- 
ror; for it ottered an aspect as dreadful as the daneing- 
plaee of giants and spectres. ' It wns encumbered with 
corpses of men slain , and wet with blood horribly moistening 
its ground ; it seemed to threaten every one (approaching) 
with the cries of jackals roaring there most inausj)iciously : 
and the trees standing on its area, exposed to the disco- 
louring smok(^ of many funeral piles, bore leaves rough 
and dark-red, the abode of vultures and crows. 

Having set down the Bodhisattva in that place, he took 
his rest for a while , his looks intently tixed on the face 
of his victim , charmed as he was by his surpassing beauty. 
Meanwhile the Bodhisattva remcmbered that poor brahman 

' In olhcr tcrms: as drcndful as a cemelery. 

5e Volgr. X. 41 



622 JikTAKAMuLft 

come to him in order to gei some present for his senten- 
ces, whom he had not yet paid the due honour and wlio 
must still be waiting for his return to the f^ardens with 
hope in his he^rt. And he entered upon this reflection: 
/'Alas ! oh ! 

11. "That brahraaii came to me from afar, bringing to me 
the present of his senten ces and filled with hope. What will 
he do now on hearing ray being rapt? 

12, ''AfHieted by a burning sorrow on account of the de- 
struction of his hope and vexed with fatigue feit the keener 
in consequeuce of his despair, he will either sigh , com- 
miserating my fate, or chide his own destiny." 

While the Great Being was reflecting in this manner 
and his miud accustomed to commiserate (the sufferings 
of others) was sore with grief on account of that brahman, 
tears weiled up in his eyes. The son of SudAsa, seeing 
those tears , began to laugh aloud and said : ^Uo leave off. 

13. "You are renowned for your wisdom proved bj many 
different virtues. But, having come into my power, you 
too shed tears! 

"Verily , this is a true saying: 

14. /'In cahiraities constaiicv has no effect, and in cases of 
sorrow leariiing is of no use. No being is to be found, 
indeed, who does not shake, being stricken. 

"Therefore , teil me the truth. 

15. //Do you bewail your life dear to yourself, or your 
wealth , the instrument of pleasures , or your relations or 
perhai)s your royal rank? Or is it the recollection of your 
father who loves his son so niuch or that of your own 
children wlio now weep for ycm , which makes these tears 
burst from your eyes?" 

Th( Bodhisattva said : 

16. //It is not the thought eitlier of my life or my parents, 
children, relatives and wives, or the recollection of the 
pleasures of royalty, that moves me to tears; but some 
brahman who is come to me hopeful, relying on the well- 
said sentences he hrings. Forsooth, hearing my being carried 
off', he must grieve with despair. This I reraembered and 
hence my eyes are wet with tears. 

17. '/For this reason you ought to give me leave iu order 



J&TAKAM&Ld. 623 

that I may refresh the heart of that brahraan , now distressed 
with the grief of disappointraent , pouring on it the water 
of honoritic reward , and on the other hand I mav take 
from hira the honey-sweet sayings he offers me. 

18. //After thus paying ray debt to that brahman , 1 shall 
coine back to you again , that 1 may be also free from 
debt with respect to you , and afford gladuess to your eyes 
beholding me re turn ing here. 

19. "Never suspect me however, troubling your mind with 
the thought, this raay be some contrivance of mine to go 
off'. Those like me, o king, foUow a way different from 
that on which other people are wont to walk." 

The son of Sud^a spoke : 

20. //What you say , as if it were something worth regard , 
is a thing which utterly exceeds belief. Who, indeed, 
being released from the mouth of Death and having recovered 
his freedom of movement, would go to meet it once more ? 

21. "If having passed the danger of death hard to overcome, 
you be in safety in your brilliant palace, say, what reason raay 
there exist, that should induce you to come here back to me?" 

The Bodhisattva spoke: //How? Does Your Ilonour not 
understand the motive of my returning here, though it is 
a strong one, to be sure? Have I not promised, I shall 
come back? Therefore, do no suspect me any longer, 
taking me for an equal of the villain. Am I not Sutasoma? 

22. /'It is true that some, out of cupidity and fear of 
death , leave veracity , as if it were a straw. But to the 
virtuous veracity is their property and life ; therefore they 
do not give it up even in a dangerous situation. 

23. "Neither life nor the pleasures of this world will preserve 
from mishap him who has fallen from veracity. Who , then , 
should leave veracity for the sake of these objects? that virtue 
which is a rich source of praise, glory and happiness? 

24. /'But in a person who is seen walk ing on the road of sin 
and in whom there does not appear any effort to lead a 
holy life, a pious behaviour becomes a matter of disbelief. 
Now, what of the kind did you perceive in my person 
that you should suspect even me? 

25. "\{ I should really have been afraid of you , or attachcd 
to the pleasures (of my royal state) , or if my mind should 



624 jaTAKAM&L&. 

have been devoid of coiupassioD , do you not think I 
would have met an adversary so famous for his ferocity 
as you , in full armour and prepared to fight , as becomes 
one proud of his valour? 

26. "But it may be that I did even desire that conversation 
with you. Why, after satisfying the labour of that brahman, 
I shall eome back to you of my own accord. Persons like 
me, forsooth, do not utter an untruth." 

Now these words of the Bodhisattva irritated Sudasa, 
as if they spoke of something fanciful, and he eiitered 
upon this retlection : //Verily , he does greatly boast of 
his veracity and righteous behaviour. Well then, I will 
see them, both his attachmeut to truth and his love of 
righteousness. What matters to me his loss, after all? I 
have already my full number of one hundred royal priiices 
whom I subdued by the overwhelming strength of my arm; 
with fhein I may perform my sacritice to the goblins accor- 
ding to my want." After thus considering he said to the 
Bodhisattva: '/Well then , go. We wish to nee your faithfulness 
in keeping your promise and your righteousness. 

27. /'Go and having done for that brahman what he longs 
for , return soon , meanwhile I will dress your funeral ])ile." 

And the Bodhisattva promised him he would do so. 
Then Ik; set out for his palace , where he was welcomed 
by his household. TIaving sent for that brahman , he learnt 
from him a tetrad of gathiis. The Qreat Being, whom 
the hearing of those well-said sentences ])roeured an intense 
gladness, praised the brahman with kind words and marfcs 
of honour , and valuing each gathd at the rate of one 
thousand (pieces of gold), rewarded him with the we^ilth 
so much desired for. 

Now his father, intending to avert him from expenses out 
of ])laee and extravagant, availed himself of this opportunity 
and admonished his sou in friendly terms. //My dear, he said, 
when rewarding well-said sentences you should know the 
limit, should not you? You have to maintaiu a large 
retinue; besides, the splendour of kings depends on the 
affluence of their treasury. For this reason I teil you this. 

28. /'Rewarding a well-said senten ce with one hundred is 
a very high estimation. It is not fit to exceed this limit. 



If a man liowever wealtliy is too liberal, he will never retain 
the spleiidour of liis riches for a long time. 
jJJ). vWealth is the chi^f iustrumeiit of success aud aii 
effective oiie; for no pleasure is attarnable in detiance of 
wealth. Eortuue, indeed, like a harlot, disregards a king 
who hicks an abundant treasury/' 
The Bodliisattva spoke: 
'30. /'If it should be at all possible to settle a limit to the 
value of well-said sentences, Majestj, I would not incur 
your reprehension , to be sure, if I were to deliver even 
my royal rank to purchase them. 
31. /'Verily, such sayings by hearing which a man gains 
placidity of mind , his love for salvation is strengthened 
and the darkness (of ignorance) disappears (from his intellect) 
by the increase of his wisdom , — - ought they not to be 
bought even at the price of one's own tlesh? 

ÖÜ — 33. //Holy texts are a light which destroys the darkness of 
delusion (moha); they are the highest wealth, a wealth 
beyond the reach of thieves and the rest * ; the weapon 
to hurt that enemy whosc name is infatuation; the best 
counsellor and adviscr as to a man's course of conduct; 
an unalterable friend even in time of distress; the painless 
mcdicinc of the diseïise called sorrow ; a mighty army 
strong enough to crush the army of viccs; the highest 
treasure of glory and bliss. 

34— 37. '/Moreover, the splendid possession of holy texts is the 
principal course of eloquent speech, that precious thing. When 
meeting with virtuous persons, this possession affords the op- 
portunity of making a present of great value; in the assemblies 
it conciliates the favour of the learned; in disputes and contro- 
versies it casts its light sunlike and destroys the arrogance 
and fame of envious adversaries. lts immense superiority is 
exhibited by the expression of delight and the high colour in 
the eyes and on the faces of even common people, when they 
are euraptured with ecstasy and applauding with the 
clap])ing of hands. Eurther it enables its possessor to 
demonstrate a matter with plain argument and in a gra- 
ceful way, owinir to his (jnotations from manifold treatises 



^ ('ompare note U) story III, stanza Jl 



626 j^takamIIlA. 

and sacred books. By its softiicss, its culture and its 
loveliness, eloquence may be cornpared U) a striug of 
unfaded garlands or to the blazing lustre of a fine and 
teinpered flame, and (tinally) it ueeds makes glory arise 
to its owner. So making use of sacred texts is a pleasant 
way to success. 

38. //And those who learn thein become released from the 
vices obstructing the road to the threefold prosperity ' 
and are accordingly iuduced to betake theraselves to that 
road ; and conforrning their behaviour to the precepts 
involved in those texts and inaking it excellent, they 
easily cross the dangerous passage through existenoes. 

39. '/For 80 raany excellent properties holy texts are famous. 
Now theu, having got them like a present, how should 
I, beiug able to reward the giver of them, not have 
hououred him in return? Or how could I (doing so,) 
transgress your order? ^ 

40. /'I will go, therefore, to the son of Sud^a. I do not 
want either the toil of the royal dignity or that other 
solicitude I would incur .by following the way of wickedness, 
if I were to transgress my duty of keeping my engagement 
to come back." 

These words ahirmed his father who moved bv his 
atfection replied with earnest entreaty: //Verily, it is but 
for your good, uiy dear, that I spoke so. You must not 
take ofl'ence at it, will you? May your enemies come into 
the power of SudA-sa ! In fact , you made him the proraise 
to return to him , and for this reason you , being wout to 
kee]) your faith , wish to act up to your promise. Never- 
theless , I shall not allow it. No sin is incurred , forsooth, 
by following the way of untruth, if one may thereby 
save one\s own life and also for the sake of one's parents 
and other persons venerabli;. Why should you ex ertyourself 
to avoid this precept , whii;h is preseribed by the Veda ? 
Besides, those who are skilled in the science of politics 
])roper for kings proelaini the attaehment to Righteousness 
(d har ma) in sueh cases as where it evidently causes 
damage to material interests (art ha) and pleasures (k^ma) 
to be mismanagement arid au evil habit. No more tben 



' viz. oi' the triad of d h a r m a . a r t h a and k a m a. 



of tliat obstiiiatioii , with wliich you grieve luy heart and 
disregarcl your owii interest. — But you will object, iny 
(loar, that actiiig thus is dishonourable and in coutradiction 
with righteousness and it is for this reason that you 
cannot resolve on violating your proïuise, having never 
been accustomed to do anything like that. Yet, why 
should you violate your promise? Here I have an army 
of footnien, chariots, horse and elephants prepared for war and 
ready to inarch for your rescue. They make up an excellent 
body of warriors attached to your person , yea , a legion 
of heroes skilied in arms and having distinguished them- 
selves in inany battles. In short, these forces are dreadful 
like a violent stream of water. Well , come to him sur- 
rounded by that army and bring him either to submission 
or to death. In this manner you shall have fultilled your 
promise and at the same time saved your life." 

The Bodhisattva replied : '4 am not able to promise one 
thing, Majesty, and perforra auother, nor can I strike at 
such people as deserve pity being immersed in the mud of 
wicked habits and moving in the direction of Heil , whom 
I reckon my friends after their relations have abandoned 
them and there is nobody to protect them. Further, you 
must consider also this. 

41. '/fhat man-eater performed for me something generous 
and difWcult to be done (by others), since he dismissed 
me out of bis power, relying on my faith. 

42. '/So it is thanks to him that I got those holy stanzas, 
father. For this reason he is my benefactor and is especi- 
ally entitled to be an object of my commiscration. 

/'Cease also to be afraid of any misfortune threatening 
me, Majesty. How should he be capable of injuring me 
when I come back to him, as I went?" So speaking the 
Iligh-minded One persuaded his fathcr to give him leave. Then 
declining the entreaties of his contidents and his faithful 
army wlio were eager to prevent his going away , he set 
out for the dwelliiig of the son of Sudilsa, alone and free 
from fear and sadness , for he was keeping his faith and 
marched with the aiin of softening his heart, to the 
hapj)iness of men. As soon as the son of Sudilsa saw the 
Grcat Being approaching from afar, he becarae exceedingly 



628 j&takam4l&. 

astouishcd , wuA his esteem jiud propensity for liiin iucreased. 
Not even his eruelty lon^ practised and deep-rooted in 
his detiled mind eould prevent him from entering, forsooth, 
upon a thought like this : "Ah ! Ah ! ! ! 
•1j3. //This is the wonder of wonders, to be sure, the marvel 
of inarvels ! That prineeV lofty veracity exceeds all that 
may be expected of men and deities ! 

44. '/To me, a person as cruel-natured as Death, he comes 
back of hiraself, setting aside fear andanxiety! Ah! W'hat 
a constancy! Bravo for his veracity! 

45. // Justly , indeed , the renown of his truth-speakiug is 
wide-spread, as he now gave up his life and royal state 
to keep his faith!" 

While he was thus artected with amazement and admi- 
ration , the Bodhisattva drew near saying : 
40. //I have obtained that treasure of well-said sentences, 
I have rewarded the indigent man who presented me with 
it, and gladness has ])een procured to my mind, thauks 
to you. Now 1 am back here. Eat me, if such is your 
desire , or nse me as a victim at your sacritice." 
The sou of SudAsa spoke : 
47. "1 Jim not in a hurry to eat you; moreover, this funcral 
pile is still sinoky , and tiesh will get its proper relish 
only when roasted on a smokeless tire. Let us hear mean- 
while these well-said sentences." 

The Bodhisattva re])lied : »0ï what use is it to you , 

in such a state, to listen to holy sentences? 

VH. //You adoj)ted this mode of living merciless to your subjects 

for the sake of your belly. Now these stanzas praise right- 

eousness. llighteousness does not go together with injustice. 

19. //Following the wicked livelihood of rakshasas and haviug 

left the way of the pious, ' you do not possess faith , 

still less righteousness. What shall you do with holy texti^?" 

This contem])t roused the im])atience of the son of 

SudAsa. 11e answered: "Do not speak so, sir. 

50. -vWhere is that king, say , who does not kill with lus 

bent bow in his ])ark the mates of the hinds of the forest? 

' In other Icrms : ^having tiansgrcsscJ the prcccpts of morality.'" Instead of 
s a ra t y a k t A r l h a p (i t h a s y a , I rcaJ s a ip t y a k t a r y a p a t h a s y a. 



jAtakam&lH. 629 

If I iii a siinilar way kill men for my livelihood , I am 
the unjust one, it is said, iiot those killers of deer!" 
The liodhisattva spoke: 

51. '/Neither do those stand on the ground of righteousness 
whose bent bows are directed agaiust the fleeing and 
frightened deer. But by far more reprehensible than those 
is a man-eater. Human beings, indeed, occupy by their 
birth the high(\st place (in the seale of creatures) and are 
not allo wed to serve as food." 

Now , though the Bodhisattva had spoken very harsh words 
to the son of Sud&sa, the friendliness of his nature cxer- 
cised such a power that it outweighed the ferocious 
nature of the man-eater. So hc quietly heard this reproval, 
only he laughed aloud at it, then he spoke: '/Say, Sutasoma. 

52. "Sinee, after 1 had released you and you reached your 
home, that lovely residence resplendent with the lustre of 
royal dignity , you came back to me , for this reasou you 
are not skilied in political wisdom, methinks." 

The Bodhisattva said: //You are wrong. On the contrary, 
I am skilled in political wisdom , and for this very reason 
I do not put it into effect. 

53. '/What, in truth, is the worth of skill in an art, resorting 
to which entails the certain fall frora righteousness with- 
out bringing about happiness? 

//Moreover, I teil you, 

5k //Those who are wise in directing their actions along 
the way of political wisdom , commonly get into calamities 
after death. Therefore I put aside the winding i)aths of 
artful politics and kee])ing my faith , came back. 

55. //Also for this reason [ show I am skilled in the mana- 
gement of atfairs, that leaving untruth 1 delight in veni- 
city. For no action is dedared by com])etent judges in 
the science of politics to be well-managed which is un- 
connected with good reputation , satisfacticm and interest." 
The son of Sudasa spoke : 

50. '/ \V hat is that interest you perceive to be attained 
by holding on veracity , that giving up your own dear 
life, ycmr relations who shed tears at your departure , and 
the chnrining pleasures attending on royalty you returned 
to me in order to keep your faith before alll'" 



630 J&TAKAM&L&. 

Tlie Bodliisattva spokc : "Maiiy excellent virtues are the 
consequeuce of holding on vcracity. Hear but the succinct 
account of them. 

57. //Veracity surpasses splendid garlands by its lovely grace 
and any sweet flavour by its sweetncss, and inasmuch as 
it produces merit, that excellent good, without teil, itis 
superior to every kind of penance and the tronblesome 
pilgrimages to tïrthas. 

58. "Affording to glory the opportunity of spreading in the 
world, Veracity is the way to its penetratiug the whole 
Universe [the three worlds]. It is the en trance-door of the 
abode of the Celestials, the bridge to cross the swamps 
of saras&ra. '" 

Then the son of Sudasa exclaimed : '/excellent! right!'\ 
and bowing to him and casting au admiring look on him 
said again : 

59. /'The other men come into iny power, are paralysed by 
ailliction and fear robs them of their courage. In you , on 
the contrary, I see a splendid imperturbation. I suppose, 
you are not afraid of death , my prince." 

The Bodhisattva spoke : 

60. "That state being unavoidable even with ever so great 
exertion , how should there l)c room for cowardous fear 
with respect to it, whicih is moreover something whoUy 
unfit for prevention ? 

"Nevertheless and though kuowing the natural course 
of things in the world, people are poltroons against death. 

61. "It is thr vexation of their mind in consequence of their 
wickedness, it is because they were wanting in exerting 
themselves to perform good actions , it is their apprehension 
of sufferimrs in the other world. That conscience makes 
them torpid from anxiety that they have to die. 

62. "But l do not remember having done anything that 
should torture my c(mscience , and cousequently I have 
imbibed pure actions in my very nature. Who then , 
clinging to Righteousness, should be in fear of death? 

6.^3. /'Nor do l remember having made gifts to the indigent, 
whieh (lid not tend to the gladness of both the mendicants 

* (^p. note on story 1, st. 18. 



J&TAKAM&Lfi. 631 

and myself. Who , haviiig in tliis inanner obtained content- 
nuint hy liis gifts clinging to Bighteousness , should be in 
fear of death? 

04. '/Even when reflectiug for a long time, 1 never recollect 
to have taken any step towards evil, not even in my 
thoughts. So the path to Heaven is cleared for me. Why 
should I conceive fear of death? 

65. //On brahmans , on my relations and friends , on 
my dependents, on the poor, on ascetics who are the 
ornamenta of their hermitages I bestowed much wealth, 
giving ac.cording to the worthiness of the recipients ; what 
each of them was in want of, that was done for hira. 

06. //l built hundreds of magnificent monuments, hospices, 
court-yards, hennitages, halls and tanks, and by this I 
obtained satisfaction. Therefore I do not fear death. Whv, 
dress me for your sacrifice or eat me." 

On hearing this language , the son of Sudflsa was moved 
to tears of tenderness, the hairs on his body bristled, the 
darkness of his wicked nature vanished, and looking with 
re veren ce up to the Bodhisattva , he exolaimed : //Beware ! 
Do not speak of evil ! 

67. '/Verily, may he who should wish evil to such a being 
like you, o foremost of princes, take the poison Hala- 
hala ' knowingly or eat a furious serpc^nt or flaming iron 
or raay his head , also his heart , burst asunder into one 
hundred pieces! 

//Therefore you mav teil me also those holv sentences. 
Touched to tenderness as [ ani bv the tlower-shower of 
your words, my curiosity to hear thera waxes stronger. 
Attend also to this. 

6H. //I have beholden the ugliness of niy conduct in the 
mirror of Righteousness. O that now my mind , touched 
by emotion , may bo (appearing to you , as it is) craving 
for the Law !" 

Now th(ï Bodhisattva, c.ousidering the eagernessof hisdesire 
for hearing the Jjaw, knew him to have beeome a tit 
vessel. He spoke : ''Being then desirous of hearing the 



' The Ilalahala or Kalaku^a poison was produccd at the churning ol" the occaii. 
(^iva swallowcd it , lest it shouk! devour the IJniverse, see Mhbh. 1, IK, 41 foll. 



632 jAtakah&l4. 

Law, it is right that you listen to its preacliing in the 
proper attitude 8uital)le for that act. Look here. 
69 — 70 ^Sittiug on a lower seat, which is the tokeu of lovelj 
niodesty; enjoying the honey of the (sacred) words with 
eyes expanding from gladness, so to speak; beuding one's 
uiind calm and pure to the most intense reverential atten- 
tion — so one must listen devoutly to the preaching of the 
Law, as a sick man to the words of a doctor." 

Then the son of SudAsa covered a slab of stone with 
his upper garment and ha ving offered this higher seat to 
the Bodhisattva, sat down himself on the naked earth 
before the eyes of the Bodhisattva. After which , keeping 
his looks lixed with attention on his face, he iuvited the 
(ireat Being: ^/Speak now, sir" '. Then the Bodhisattva 
opened his mouth and tilling as it were the forest with 
his voice deep and loud like the lovely sound of a new~ 
formed rain-cloud, spoke: 

71. '/Meeting a virtuouspersonbutonceandperchancewillsufiiceto 
'/Erieudship stroug and for ever, not wanting repeated 

rejoining/' 
On hearing this gTithil the son of Sudüsa exclairaed 
'/well said! well said!" and nodding his head and waving 
his tingers said to the Bodhisattva : "go on , go on/' 
Then the liodhisattva iittered the second gathA. 

72. '/From virtuous persons thou shouldst never keep remote, 
'/But foUow those; to worship theni thyself devote. 
"Their fragrance-spreadiug virtues uncompelled must 
"Attain hiiii who stands near thrm, as does tlower-dust.**' 

The son oC SudAsa s])()ke : 
7''3. "üoing your utmost, o virtuous ono, to reward well-said 
senteuces, you employed your wealth in the right mauiier, 
indeed, rightly you did not mind trouble. 
'/(to on , go on."' 
The J bodhisattva spoke : 
7t. '/The ears of kiugs, from jewels shining and from gold, 
//With their possessors lose their beauty growing old. 
"But not to pions c-onduct old age has aceess. 

' Tlii^ Ibrmula (b r li h i d A u i m m li r s li a) and the wholc of this ccremonial 
shows a striking likeness to the obscrvanccs prescribed tbr the instruction in 
tlic Veda of a pupil by his spiritual teacher. 



J&TAKAM&L&. 633 

//So strong a love of virtues pious men poaaess. ' 
(The other replied): //This is as a shower of ambrosia, 
to be sure. O , how great a satisfaction you made me ! 
Go OU, go on." 
The Bodhisattva spoke : 

75. ''How distant Earth frora Heaveii is, the East 
//How far frora Sunset and both Ocean's shores 
//Frora one an other. Greater distance keeps 
//Separed of virtue and of wrong the lores." 

Then the son of Sudftsa who in consecjuence of his 
gladness and surjmse was tilled with affection and reverence 
for the Bodhisattva said to hira : 

76. //Lovely are the g^thils I heard frora you. Their mag- 
niticent contents are expressed with an artful choice of 
very distinguished words. You have by reciting them pro- 
cured gladness to rac. Let rae honour you in return by 
offering you four boons. 

/'Therefore, choose whatever you desire from my side." 
Then the Bodhisattva, astonished at this offering, and 

esteeraing hira for it, spoke: //Who are you that you 

should bestow boons? 

77. //You have no power over yourself, being dominated 
by a passion for sinful actions. Say what boon , then, shall 
you give to another, you whose heart is averse to pious 
conduct ? 

78. //It might be that 1 were to declare the boon 1 would 
ask , but that your mind would be disinclined to give it. 
Who, being corapassionate, ^ would like to provoke such a 
calamity? Enough, enough you have done for rae." 

On these words the son of Sud^sa was somewhat ashamed 
and lowering his face said to the Bodhisattva: '/I beg 
Your Honour not to have so mean an opinion of me. 

79. //[ shall irive vou your boons, even if it were to cost 
my life. Therefore, choose freely, prince, be it what it 
may be that you desire." 

The Bodhisattva spoke : // Well then , 



• ('p. Dhammaf^aila ^ vs. 15 1. 

2 Inasmuch as by his naming the four boons hc would bring about for the 
man-eater an opportunity of brcaking his faith , hc might become the unvoluntary 
cause to his neighboyr of infernal punishment. Cp. story XXTV, stanza 32. 



634 j&takamAl&. 

80. '/Give me these four precious boons. Take the vow of 
veracity; give up iiijuring living beings; release your pri- 
souers all, uobody excepted; and never more eat hamau 
llesh , o you hero aiuong men !" 
The son of Sud&sa said : 

vSl. /'l irrant vou the tirst three, but choose another fourth 
boon. Are you not aware of this that 1 am unable to 
desist from enting human flesh?" 

The Bodhisattva spoke: //Ah! Indeed! There you are! 
Did not I say *who are you that you should bestow 
boons?' Moreover, 

H'Z, //How can you keep the vow of veracity and refrain 
from iujuring others , o king, if you do not part with 
the habit of being an eater of human flesh? 
//Fie upon you ! 

83. /'Did not you say before you were williug to give 
the^e boons even at the risk of your life? But now you 
act (juite otherwise. 

84. //And how should you abstain from injury , killing 
men in order to get their tlesh ? And this so being , what 
may be the value of the three boons you did grant me?' 

The son of Sud^a spoke : 

85. //How shall I be able to give up that very habit, !)e- 
cause of which I renouncod my kingdom, bore hardship 
in the wilderness and sutfered myself to kill mv riirht- 
eousness and destrov mv <rood ronown ?" 

The Bodhisattva re))lit'd : //For this very reiison you 

ought to give it up. 
Sfi. //How should vou not leave that state because of which 

you have lost your righteousness , your royjil power, your 

pleasures and your good renown 'f Wliy cling to such an 

abodc of misfortune? 
87. //l^osides, it is hut the vilest among men who repeut 

having given. How, then , should this meanness of niind 

subdue a perscni like you? 

//Sto]) then , stop that following after mere wickedne-ss. 

You ought to stir up yourself now. Is Your Honour not 

the son of Sudftsa? 
S8. "Meat examined by physioians and dressed by skilful 

(cooks) is at your disposal. You may take the flesh of 



J&TAKAM&Iift. 635 

domestic animals, of fishes living iu waterbasins and also 
veuison. With such meat satisfy jour heart, but pray, 
desist from the reprehensible habit of eating hu man flesh. 

89. //How do you like to staj in this solitary forest and 
prefer it to your relations and children and your attendance 
(once) beloved, to enjoying the raelodious songs at night, 
the grave sounds of drums reminding of water-clouds , and 
the other various pleasures of royalty? 

90. //It is not right, o monarch, that you allow yourself 
to bc dominated by your passion. Take rather that line 
of conduct which is compatible with righteousness (dharma) 
and interest (artha). Having, all alone, vanquished in 
battle kings with their whole armies, do not become a 
great coward now when you have to wage war with your 
passion. 

91. //And have you not to mind also the next world, o 
lord of men? For this reason you must not cherish what 
is bad because it pleases you. But you ought to pursue 
that which is favourable to your renown and the wav to 
which is a lovely one and to accept it, which is your 
good, even though you dislike it, taking it as a medicine." 

Then the son of Sud^a was moved to tenderness and 
tears, which barred his throat with emotion. He threw 
himself before the Bodhisattva and embracing his feet 
exclaimed : 

92. //Justly your fame pervades the world in all directions, 
spreading about the flower-dust of your virtues and the 
scent of your merit. For example, who else but you 
alone, forsooth, could have feit compassion for such an 
evildoer as I was , accustomed to a cruel livelihood , which 
made me resemble a messenger of Death? 

9(3. //You are my master, my teacher, yea, my deity. I 
houour your words accepting them with (bowed) head. 
Never more I shall feed on human ilesh, Sutasoma. 
Everything you tohl me I shall accomplish according to 
your words. 

94. //Well then, those princes whom I brought here to be 
victims at my sacrifice , and who vexed by the sufferings 
of imprisonmeut lost their splendour and are overwhelraed 
by grief, them let us release together, none excepted." 



636 jftTAKAM&L&. 

The Bodhisattva , haviiiir promised him his assistanoe, 
set out with him to the very place, where those roval 
priuees were kept in continenient. And no sooner had 
they seen Hutasonia than understanding that they were 
set at liberty , they beeanie tilled with extreme gladne^iJS. 
9.'). At the siurht of Sutasoma the royal prinee» became 
radiant with joy, and the loveliness of laughter burst out 
on their faces, in the same way as in the beginning of 
autumn the groups of waterlilies, invigoratcd by the 
nioon-beams, are breaking open. 

And the Bodhisattva having eome to them addressed 
them with comforting and kind words and after making 
them take an oath not to do harra to the son of Sudtksa , 
released them. Then together with the son of Sudusa and 
foliowed by those royal ])rinces h(^ set out for his kingdom , 
and having then^ made to th(» princes and the son of 
8udA.««a an honourable reception Jiccording to their rank , 
he reestablished them each on his royal throue. 

In this manner meeting with a virtuous person, in 
whatever way it may have been occasioned, promoten sal- 
vation ; accordingly he wlio longs for salvation must strive 
alter th(^ intercourse with virtuous persons. This story 
niay also be told when jmiising the Tathrigata : 'So Budilha 
the Lord always intent on doing good was a friend even 
to strangers still in his j)revious existences.' Likewiso it 
is to be told , when diseoursiuir on listeninir with atten- 
tion to th(^ preaehing of the excellent Ijjiw : 'In this 
manner hearintr the excellent Law tends to diminishinir 
wickedness and ac(|uiring virtues.' Also it is to be told 
when cxtoUinir sacred learninir : 'In this manner saered 
learning has many advantages.' Likewise when discoursing 
on vcracity : 'In this ninnner speaking the truth is approveil 
by the virtuous and procures a large extent of merit.' 
And also when gloriiying vcracity this may be propounded : 
'In this manner tin» virtuous keep their faith without 
regard of their life, pleasures or domination.** Likewise, 
when ])raising commisenition. 

In Ihe pali Jataka thcrc are Iwo jAtakas hcaiicd Sutasoma, one 
CuUasutasomaj. (n. ó?ö Fausböll) and onc MahAsutnsomaj. (n. 537 ibtd.) 



J&TAKAH&L&. 6S7 

The former has nothing to do with our story, but the lattcr relates it 
in the main in quite the same way as our author. Yet, as it is very 
extensive — this number fills 55 pages in Fausböll's ed. V, 456 — 511 — 
many more particulars are added there. In that recension the man-eater 
is a king of Benares, whose proper name is never mentioned. When 
still a boy setting out for Taksha9ilft to study, he had happened to 
meet with Sutasoma going with the same object thither and to make 
friendship with him. The one hundred royal princes, afterwards carried 
off by him when he had become the p o r i s A d a (man-eater) , were 
at that time their fellowstudents. Afler receiving the royal dignity at 
Benares, he bccomes a man-eater not in consequencc of his maternal 
origin — his father is lirahmadatta, not Sudasa, his mother is no 
lioness — but by the fault of his cook. Having become addictcd to 
the cvil habit of feeding on human flesh , he first ordered his victims 
to be taken out of the prisons, afterwards this store of supply having 
been exhausted, he commanded his cook to assail his townsmen unawares 
and steallhily and kill them severally as oftcn as was wanted for his 
neccssity. The murders , howevcr , could not fail to bc discovered , and 
the king refusing to renounce his evil habit was not put to death, but 
banished owing to the intercession of KAlahatthi, his chief minister 
who had fruitlessly exerted himself to turn his master off from his 
wickedness. — The splendid sentences commjnicatcd to Sutasoma by 
the brahman are said there to have the Buddha Kassapa for their author; 
it may be pointed out that the brahman reads them from a book to 
Sutasoma, but Sutasoma recites them by heart to the man-eater. When 
allowing him to return home, the man-eater makes Sutasoma take a 
solcmn oath , touching his sword and spear, to come back after satisfying 
the brahman (p. 481 , stanza 36.) 

The metrical part of this péli recension is made up of 123 stanzas 
unequally distributed between the prose text. By far the majority of 
them are different from the 95 stanzas of 9üra; often the same content 
has been expressed in a quite dissimilar style, cp. f. i. pAli st. (A — 71 
with (|'üra 61—66. The four sentences recited by the brahman (pAli 
U» — 13 = 74-77), though cmbellished by ^'üra , point at the same 
redaction. Moreover there is a close connexion between pAli 54—56 and 
(,'ura 47 — 49, also pAli 57, 58 and Q. 5(», 51, but especially between 
pAli 59, (^) a—d and Q. 52 and 54. Compare also pAli 72, 8() , 102 
with (^. 67 , 78 , 93 foU. respectively. 

A very short and uncomplete skeleton of this tale makes up n. 32 
of the CariyA-pitaka. Prof. Kern has translated it in a very 
interesting paper on the mixture of (^aivism and Buddhism in the isle 
of Java, shown by the Old-Javanese poem Sutasoma (see Vcfs/a^en 
e ft Afededeclhiff^en der Kon. Akademie van Wetenschappcft afd. Letterkunde 
3 Je Reeks, dl. V, p. 8—43, especially note on p. 21). This Javanese 
poem, composed by Tantular, a manuscript of which belongs to the 
Leiden University Library, is based on some unknown work named 
BauddhakAvya , not mentioned in Bunyiu Nanjio's Catalogue. 



5e Volgr. X. 42 



688 JÜTAKAMftlA. 

XXXII. 
The story of Ayogrha * 

(Ayogrhaj&taka) 

To these whose mind has been seized by emotion 
(s a rn V e g a) '^ even the brilliancj of royalty does not obstruct 
the way to salvation. Thus considering one must make 
oneself familiar with the euiotional state , as will be taught 
in the foUowing. 

In yon time, when our Lord was still a Bodhisattva, 
seeiug the world exposed to the assaults of hundreds of 
oalamities : dist^ases , old age , death , separation from beloved 
persous and so on, and understanding that it was woe- 
begone , without protector , without help , without guidanee , 
He was impelled by His compassion to take the deter- 
mination of saving the creatures according to His exceedingly 
good nature, bringing about again and again the good 
and the highest happiness even of people averse to him 
and unknown to him. In that time, then, he once took 
his birth, it is said, in sonie royal family distinguished 
for their modest behaviour and their surpassing lustre, 
which in consequence of their being intent on possessing 
the. afiection of their subjects was manifested by the 
steadiness of their prosj)erity and riches as well as by the 
submissiveness of their proud vassals. His very birth adorned 
both that court and that capital, always symj)athizing with 
their niasters in weal and woe, with the brilliant show of 
a festival day. 
1 — 2. (x\t the court) a large distribution of gifts tilled the 
hands and satistied the minds of brahraans, and the 
attendance were proud of their very brilliant festival 
garments. * (Outside the palace) the streets were üUed 
with the tones of many instruments blending to one 
indistinct noise and with the merry sounds of singing. 



* That ayogrha is the name of the piince, not an appellative , appears 
from the pAli recensions. He was named so , sincc hc was bred in the «iron 
house" (a y o g r h a). 

* Compare the last note on story XXIX. 

* Apparently the attendants had received that new attire as a present. 



J&TARAKftlA. 639 

jesting, laughing, as the gladness of the hearts manifested 
itself by various raerriment , danciug and wautonness. Every- 
where people meeting told each other with exultatiou 
and embraces the happy news, which oaused to them the 
sarae coutentment as a present, and they inagnifled the 
felicity of their king. 

3. The doors of the prisons were opened and the prisoners 
set at liberty. ' Flags floati ng at the tops of the houses 
decorated the places, and the ground was covered with 
fragrant powders and flowers and nioistened with odorous 
licjuors. So adorned the town bore the lovelj and bright 
appearance of a festival. 

4. Froin the splendid dwellings of the wealthy abundant 
showers of different goods: clothes, gold, jewels etc. poured 
down , so that it seeraed as if Felicity , doing her best 
to pervade the world, iinitated with a lovely sport GangA 
in madness. ^ 

Now in that time it happened as a rul e that the princes 
born to that king soon died. Supposing that rule to be 
the effect of goblin-power ^ he ordered , with the object 
of saving the life of that son , the building which was 
to serve for lying-in chamber to be wholly constructed of 
iron, ornamented with figures wrought of jewels, gold and 
silver: the preservative rites destructive of goblins were 
performed there according to the precepts ordained by the 
Veda and expounded in the Science of Spirits ; and likewise 
the different customary auspicious ceremonies which have 
the effect of securing prosperity. As to his son , he had 
the jlltakarraa * and the other sacraments perfonned 
to him in thïit iron-house, and let him grow up there. 
Owing to that most careful guard but no less to the 



* It is plain that v i g h a t i t a is a misprint instead of vighatfita. 

' The presents strewed about are compared either with the cascade of the 
Ganges at GangAdvara , where the river rushes into the valley , or with the 
mythological account of GangA hurling down from heaven to earth at the instances 
of Bhagiratha. 

* In the pali redaction the new-bom children are in fact carried away by a 
goblin , a female y a k s h a. 

* ('p. note l on story XII. The king has thosc sacraments performed by his 
p u r o h i t a , the king's constant and customary representative in sacriticial and 
ceremonial matters. 



640 jdtAKAM&L&. 

power of the store of merit which belonged to the excellent 
goodness of his nature , no goblins overpowered the Great 
Being. In course of time, after being administered the 
sacrameuts and iuitiatory rites , he was iustructed bj 
teachers illustrious for their knowledge of the sacred texts , 
their extraction and behaviour, who were renowned and 
honoured as scholars and attached to the virtues of trau- 
quillity, modesty and discretion. Having leamt from them 
manj branches of science and being favoured by the 
loveliness of youth which made his figure grow fuller 
day by day ', further displaying that attachment to nio- 
desty which was innate to him, he became an object of the 
greatest love both to his relations and the people at lai^e. 

5. People go after a virtuous person, though no relation 
nor acquaintance of theirs, with the like joy as if they 
honoured a friend. It is the brilliancy of his virtues which 
is the cause thereof. ^ 

6. In the season of autumn , whcn the Moon freely shooting 
his beams all around is the laugh of Heaven, say what 
kind of relation does there exist for the people to him? 

So then the Great Being was enjoyiug the blias that 
had fallen to his share as the effect of the power of his 
merit. lle was petted with plenty of objects of celestial 
brilliancy standing at his disposal, and his father who 
loved him much and bore him high esteem was no more 
anxious about him, trusting (he would be safe). Now 
once on the opportunity of the Kaumudi-festival ^ coming 
back by course of time, it happened that the Bodhisattva 
was desirous of eoutemplating the lovely beauty and the 
display of brilliancy in his capital. Having obtained the 
permission of his father he mounted the royal chariot to 
take a drive. This 'chariot was embellished with fair orna- 
ments of gold, jewels and silver; gay flags and banners 
of various colours were floating aloft on it; its horses 
well-trained and swift were adorned with golden haruesses; 
it was driven by a charioteer distinguished by his dexterity , 



' Though not expressed . it is plain that the image of the waxing moon is 
present to the mind of our author. 

* Compare the stanzas 1 and *J of story XVlll. 

• See vol. VIII , p. 443 of the Bijdragen. 



skill, coiiieliness, purity, modesty and firmness and foliowed 
hy a retiuue adorned with a picturesque andbrilliantattireaud 
arinour. Preceded by the delightful tones of musical in- 
struineuts the prince with his train passed through the 
capital in many directions, and as he was whoUy intent 
on beholding its splendour, he let his eyes fuU of curiosity 
roam about, while passing through the streets crowded 
with townsmen and landsmen in their lovely festival array, 
who all along his way received him with praise and 
worship, folded hands and bent heads and pronouneed 
blessings over him. Nevertheless , though the contemplation 
of this beautiful spectacle was a proper occasion for con- 
ceiving a great rejoicing within his mind, he regained 
by it the remembrance of his former births. So familiar 
to his nature was the feeling of sarnvega. 
7. '/Alas (he thought), piteous is the state of the worldand 
displeasing because of its unsteadiness. The brilliant splend- 
our of this Kaumudi-day, how soon it will exist but in 
the memory ! 

8. ''And yet, such being the condition of all creatures, 
how mindless of danger are men , that they hurry after 
rejoicings untroubled, though every way around them is 
obstructed by death. 

9. '/Disease , old age and death , three cnemies of irresistible 
strength stand near ready to strike , and there is no escape 
froni the dreadful world hereafter. How then may there 
be opportunity for merriment to an intelligent being? 

10. "The clouds that poured out streams of water with tremend- 
ous noise, almost in anger, imitating, as it were, the 
uproar of great seas , the clouds with their golden garlands 
of flashing lightnings, being born of agglomeration come 
again to dissolution. 

11. "The rivers that flowing with increased rapidity carried 
away trees together with the river-banks, upon which they 
had their roots, afterwards and by course of time assume 
again a raean appearance , as if they were bumt away 
by sorrow. 

12. "Tlie violence of the wind, too, blowing down peaks 
of raountains, dispersing masses of clouds, rolling and 
stirring up the waves of the ocean, becomes extiuguished. 



642 j&TAKAyikiA. 

13. '/With high and blaziiig flaiue sparkling about, the 
lire buriis away the grass, theu it abjites aud ceases. By 
turus the different beauties of the groves and forests 
appear and disappear, time going. 

14. //Which union does there exist which has not its end 
in separation? what felicitj which is unattainable to mishap?' 
Since inconstancy, then, is proper to the course of 
worldly things, that mirth of the multitude is a very 
inconsiderjite one." 

In this manner the High-ininded One reasoned within 
himself. Utterly tonched with emotion his heart became 
averse to that rejoicing and festival mirth; he no longer 
paid attention to the picturesque groups of the people 
flocking to embellish the capital. In this disposition of 
mind he perceived that he had alreadj got again to his 
palace. His emotion waxed still by this, and considering 
that there is no other refuge but Righteousness , since it 
is unconcerned with sensual pleasures, he made up his 
mind to embrace the state of a virtuous life. At the first 
opportnnity he visited the king, his father, and with 
folded hands asked his leave to set out for the penance-forest. 

15. ''ïaking the vow of world-renunciation I wish to bring 
about the good of my Self , and I want your leave which 
1 shall hold for a favour and a guidance." 

16. On hearing this recjuest of his well-beloved son the king , 
as if he were an elej)hant wounded by an empoisoned 
arrow or a dee]) sea shaken by the wind , was taken by 
a shiver, for his heart was sore with grief. 

17. Aud desirinir to withhohl him, he embraced him affec- 
tionately and in a faltering voiee obstructed by his tears 
spoke : //My son , what have you made up your mind for 
to leave us so of a suddcu? 

18. vWho is that man who being a cause of displeasure to you , 
eauses his own ruin rousing in this manner Death (against 
himself)':^ Sny , whosc relations have to shed tears of sorrow ? 

* This scntencc is expressed in a similar way in a (^loka , recurring scvcral 
timcs in D i v y a v a d a n a (p. '21 in tinc; 1(X) ; IHo) 

s a r V c k s h a }• jI n t A n i c a y tl l.i p a t a n »\ n t a li s a m ii c c h r a y A h 
s a m y o g A v i p r a y o g A n t A m a r a p a n t a in ca j i v i t a m. 

('p. also supra story VI . st. 7. 



J<VrAKAM/lL^ 643 

19. "Or do you perhaps appreheiid or did you hear any 
improper act of mine? Tlien, say on that I may put an 
end to it. But myself do not pcreeive any thing of the kind." 

The Bodhisattva spoke : 

20. '/What improper act may be found in you being thus 
intent to show me your affection? And who would be 
capable of assailing me with grief?" 

"But why theu do you want to leave us?" replied the 
king with tears. Theu the Great Being answered : //Because 
of the peril of death. Do but consider, Majesty. 

21. '/From the very night when a man obtains his residence 
in the maternal womb , he moves to death , o hero among 
men, marching without interruption in that direction 
day after day. 

22. '/May a man be ever so skilled in the management 
of his affairs, ever so strong, nobody escapes Death or Old 
Age, both of whom infest every place in this world. For 
this reason I will resort to the forest to lead a virtuous life. 

23. '/llau{?hty princes vanquish by bold attack whole armies 
in splendid battle-array of footmen, horse, chariots and 
elephants; but they are powerless to defeat that enemy 
named Deatli , though he is alone. Therefore I am resolved 
on taking my refuge to Righteousness. 

21. '/Guarded by their forces made up of brisk horses and 
elephants and footmen and chariots , the princes succeed in 
makiug their escape from their enemies; but all princes 
since Manu together with their armies succumbed holplessly 
to the superior power of that enemy whose name is Death. 

25. i'Furious elephants crush in battle with their pestle-like 
tusks the gates of towns, the bodies of men, chariots 
and other elephants. Yet the same tusks that were victorious 
even over town-walls do not enable them to push back 
Death when meeting them. 

26. ''Skilled archers pierce with their arrows in battle their 
enemies though being far and sheltered by shield and 
armour strong and artfully wrought; but they never hit 
that enemy of old , named Death. 

27. "Lions may Jibate the martial lustre of elephants rendmg 
open with their sharp claws the frontal globes of those, 
and with their roars they may pierce the ears and frighten 



644 J&TAKAMftL&. 

the hearts of their adversaries; but when encountering 
Death, their insolence and strength are brokeu, aiid they 
fall asleep. 

28. i'Kings inflict punishment on their enemies haviug sinned 
against them according to the raeasure of their guilt: but 
if their enemy whose name is Death has greatly sinned 
against them, they are powerless to enforce their law- 
sentences upon him. 

29. '/Likewise kinsrs mav submit a foe who has offended 
them by means of the (well-known) expedients : conciliation 
and the rest; * but üeath, that ferocious enemy whose 
insolence is strengthened with the long duration of his 
hatred is not to be put to quiet with such craft. 

30. '/Serpents in wrath bite men, and the poison of their 
pointed teeth has th(» burning effect of a lire awfully 
blazing , kindled as it is by their anger ; but against Ueath , 
though always clever in doing harm and therefore deserving 
punishment, their eiibrt of biting is deticient. 

31. /'If a man has been bitten by serpents, however furieus, 
medical men will appease the poison by means of charms 
and medicines; but Ueath is a serpent with imperishable 
teeth and irresistible poison , hix power cannot be put 
down by charms, medicines and the like. 

3£. "Garucjas will stir uj) the abode of crowds of playing 
fishes, shaking with the ilap])ing of their wings the water 
out of the seas with a thunderlike dreadful noise, theu 
seize the serpents with their outstretched fangs: yet they 
are unable to destrov Death iu this boisterous manner. 

33. Tigers by their surpassing swiftness overtake the deer 
of the forest running away froni fear, and easily smashing 
them upon the enrth, as if playing, with the thunderbolt 
of their unequalled claws , drink their blood ; but they 
have no skill to ])roeoed in the same way with Death. 

34. It may happen perclianee that a deer having coine 
within the reach of a tii^er-mouth with its tremendous 



' The füur expedients (u p A y a) are ecjiieilialiun (s A m a n). bribery (dan a) , 
causiiig dissensions ^b h o d a) and punishment by violence (d a q 4 &>• Sec 
f. i. Kulliika on Manu 7, l(>7. hi the parallel stanza of the pAli redaction 
it is said that one who has oflended a king may bc ablc to soften him (by 
proving his innocence , says the commentary) etc. 



J&TAKAM&L^. 645 

teeth , mak es his escape even then. But who liaving reached 
the mouth of Death with big teeth named disease or old 
age or grief, can become sound again? 

•35. ''Demons (grahas), deformed and ferocious-looking 
drink up the vital strength and absorb the lives of the 
men thej hold with a strong grasp * ; but when the time 
has come also for them to wage war with Death, they 
no longer possess their insolence and heaviness. 

f36. ''Such as are masters in mfigic arts may subdue those 
demons , if they come up to do harm to godly persons , 
l)y the use of penance-power , evil-averting spells and 
medicinal herbs; but against that demon, whose name is 
Death, there is no remedy at all. 

•37. '/Such as are skilled in the art of bringing about 
magical illusions, perplex the i^,ye8 of a great assembly. ^ 
Yet Death, too, must have still some power, that kis 
eye is not bewildered even by those. 

38. //Both those who by their charms made of effect 
because of their penance-power, checked the virulence of 
poison, and the excellent physicians who extinguished 
the diseases of men, even Dhanvantari and his likes, 
have disappeared, There fore my mind is bent to practise 
righteousness in the forest. 

•39. '/The Vidy&dharas ^ owing to their might made up of 
manifold spells and powers, make themselves visible and 
again invisible, go through the air or descend to the 
carth. Nevertheless , when meeting Death , they too have 
lost their might. 

iO. "The lords of the Celestials (the Devas) drive back 
the Asuras in spite of their haughtiness, and inversely 
themselves in spite of their haughtiness are driven back 
by the Asuras. Yet, even both armies combined, a host 
that would march with just pride against any «adversary , 
are not able to defeat Death. 

41. "Understanding this ferocity of nature of Death, our 



* In the pAli redaction these demons are specitied by the names of yakkhA, 
pisAca and peta ( = skr. pretAh), different classes of goblins. 

' Ju^glers may etïect illusions of the kind. The fourth act of the Katn&vali 
affords an instance of that i n d r a j a 1 a. 

• Cp. the rtrst note on p. Jll supra. 



646 J&TAKAM^&. 

eiiemy, and his irresistibleiiess , I am no longer pleased 
with the lifc at home. It is uot from auger that I will 
leave nor in consequence of diminished affection , but I have 
resolved upon a life of righteousness in the forest.'^ 

The king said : '/But what hope do you set upon the 
forest-life, the danger of death being thus irremediable ? 
what hope on taking the vow of a holy life? 

42. "Shall not Death our enemy attain you also in the 
forest? Uid not the Rshis die who kept their vows of 
righteousness in the forest? In every place that course 
of life you wish to adopt is practicable, indeed. What 
protit , then , do you see in leaving your home and resorting 
to the forest?" 

The Bodhisattva spoke: 

43. //No doubt, Death equally visits those at home and 
those in the forest, the righteous as well as the vicious. 
Yet the righteous have no reason for remorse, and right- 
eousness is nowhere easier to be attained than in the 
forest, to be sure. 

'/Your Majesty deign to consider this. 

44. "The house is an abode of carelessness (about one's 
moral and religious duties) , of infatuation , scnsual love , 
concupiscence, hatred, of everything opposite to righteousness. 
Wliat opportunity of applying oneself to it may be found 
at home? 

45. 'fk householder is distracted by many bad occupations; 
the care of earning and guarding bis goods agitates bis 
mind , wliic^h is also troubled by calamities arisini? or 
approaching. At what time may a householder take the 
way of trauquillity ? 

46. '/In the forest , on tlie other hand , after leaving that 
multitude of bad occupations and being freed of the 
solicitude for worldly goods , a man is at his ease and 
may strive for tranciuillity exclusively and with a satistied 
mind. So hc will comc to happiness and righteousness 
and glory. 

47. '/Not his wealtli nor his power preserves a man, nothiug 
but his righteousness. It is righteousness tliat procures 
hiin great haj)piness, not alflueiice of riches. And to a 
righteous man death is even a cause of gladness. For 



\ 



jrftTAKAM&L&. 647 

no danger of lüishap cxists for him who is devoted to a 
holy life. 
48. And as good and evil are discriininated by their difiFerent 
characteristic marks and separated frora each other by the 
discrepancy of the actions belonging to either, in the 
same way the result, too , of wickedness is mishap, biit 
that of beautiful righteousness a happy state." 

In this manner the Great-minded One persuaded his 
father. He obtained his father's leave and renouncing his 
brilliant royal bliss, as if it were a straw, took his 
residence in the peuance-grove. Ilaviug acquired there 
dhv^nas of immense extent and established mankind 
in them, he raounted to Brahma's world. 

In this manner even the brilliancy of royalty does not 
obstruct the way of salvation to those whose mind has 
been seized by emotion (sainvega). Thus considering 
one must make oneself familiar with the emotional state. 
Tliis is also to be told , wlien expoundiug the right con- 
ception of deatli : *So the thought that one may die soon 
causes the sense of sainvega. Likewise when expounding 
that death should always be present to our mind, and 
when teaching the temporariness of everything: 'So all 
phenomena (s a m s k (l r a) ' are perishable.' Also , when 
inculcatiug the tenet of takiug no delight in whole the 
Universe. 'So nothing which has form (saipskrta) ' is 
reliable.' And also with tliis conclusion : *So this world is 
helpless and succonrless.' Also this may be propounded : 
'In this manner it is easy to resort to a holy life in the 
forest, but not so when a householder.' 

We have two pAli redactions of this story , one in the J a t a k a-book , 
whcre it makcs up n. .'UO (Fausb. IV, 491 -4W) and another , n. J;i 
OH •<) of the CariyApitaka. The former agrees upon the whole with 
our author , save some small discrepancies. It is not on the occasion o!' 



* a n i t y A 11 s a r v a s a in s k 4 r a h , one ol' .he most popular sayings ol' 
the Lord. 

' Properly speaking , the samskrta is the phenomcnon , and the s a rn- 
s k A r a h are the 'fashions' or 'forms* of the perceptibic objects as well of the 
percciving mind. But the Jatter term is not rarely likewise indicative of the things 
or objects (see Childers, Dictionary ^ s. v. sahkhAro) and the former is here 
nearly a synonym of n A m a r li p a. 



648 J&TAUUC&Lft. 

a festival that the princc becomes disgustcd with the world , but ader 
living up to bis sixteenth within the narrow limits of the ^hon house", 
his guard against goblins , having never before set bis foot outside of 
it, he at oncc is freed from his confinement and designed by his 
father to the succession on the throne. Being touched b^' this sudden 
change the Bodhisat desires to leave the world. He expounds the reasons 
for his renunciation in twenty-four stanzas ot the same purport as st 
21—41 and 44—48 of (^'üra. Partly the correspondence is still greater, 
since most of them make up obviously the framc-work of the embellished 
and elcgantly wrought verscs of the JAtakamAlA. Compare 
pali 1,2 with (^üra 21,22 paU 17 with ^üra 27 and 33 

» f» ** ' 

n n 30,31 

n n 38,39 

« n 10 

n n 47,48 

In consequence of this sermon not only the B. obtains leave to 
become an ascctic , but his fathcr , his mother , the ministers and the 
whole population of the kingdom — which in both pAli redactions is 
Bcnares — folio w his example. They take their residence in 'somc 
place on the HimAlaya, whcrc they dweil in a large hermitage of the 
sizc of Benares, which Sakka has built for them by Vissakamma. 

The CAriyapitaka givcs but a very fragmcntary account of 
this talc. 



3 and 5 


n 


1» 


23 


18 


4 


n 


» 


24 


19,20 


0,7 


» 


» 


25,26 


21,22 


12,23 


» 


» 


35,36 


U 


14,15 


»» 


n 


28,29 


23,24 



XXXTll. 

The story of the buffalo. 

(inahishajataka). 

Forbearance deserves this name only if there exists 
somc opportunity of showing it, uo otherwise. Thus con- 
sidering the virtuous a])preciate their injurer, deeming 
him a protit. This will he shown by the foUowing. 

The Bodhisattva , it is said , one time lived iu some 
forest-region a wild buffalo-bull of grim apj)earance, 
owinsr to his beinsc dirtv with mud and so dark of cora 
])lexion that he resembled a moving piece of a dark-blue 
cloud. Nevertheless , though in that animal-state , in which 



jdTAKAM&L&. 640 

there prevails coiüplete iguorance and it is difficult to 
comc to the conception of righteousness , he in consequeuce 
of his keen understauding exerted himself to practise 
righteousness. 

1. Compassion , as if it had taken aifection for him in 
return for his long obsequiousness , never left him. But 
some power too, either of his karma or his nature must 
be taken into account to explain the fact that he was so. 

2. And it is for this reason, forsooth, that the Lord • 
declared the mystery of the result of karnt^a to be 
insc-rutable , since He, though compassion was at the 
bottom of his nature , obtained the state of a beast , yet even 
in this condition rotained his knowledge of righteousness. 

3. Without karma the series of existences cannot exist, 
it is also an impossibility that good actions should have 
evil as their result. But it must be the influence ofsmall 
portions of (evil) karma that caused him now and then, 
notwithstanding his knowledge of righteousness, to be in 
such (low) states. - 

Now some wicked monkey , knowing his natural goodness 
which had manifested itself in course of time and under- 
stauding from his habitual mercy that anger and wrath 
had no power over him, took the habit of vexing the 
Great Being very much by different injuries. //From him 
1 have uothing to fear" so he thought. 

4. A rascal is never more eager to insult and never displays 
greater insolence than towards people meek and merciful. 
Against those he performs his worst tricks, for he sees 
no danger from their side. But with respect to those froni 
whence a suspicion of danger , however slight , strikes him , 
he will behave o so modestly, like an honest man; his 
petulance is put to quiet there. 

Sometimes, then, while the Great Being was calmly 
asleep or nodding from drowsiness, that monkey would 
of a sudden leap upon his back. Another time having 

* In his Buddha-existencc, of courso. 

' This apology is not supcrfluous. indeed. Though the fables of animals are 
adopted of old as an integrant part of the stock of sacrcd lorc of the Buddhists , 
the contradiction between the low existences of the most v-irtuous ones and the 
doctrines about the karma is as great as possible. 



650 jdTAKAMftlA. 

climbed on (his he«ad) , as if he were a tree , he swung 
repeatedly (between his horns). ' Soinetimes again, when 
he was hungry , he would stand before his leet , obstructing 
his grazing. It happened also now and then that he rubbed 
his cars with a log. When he was longing for bathing, 
he would sometiracs climb on his head and cover his eyes 
with his hands. Or having mounted on his back he would 
ride him perforce, and holding a stick in his hand coun- 
terfeit Yaraa. ^ And the Bodhisattva, that Great Being, 
forbore all that unbecoming behaviour of the moiikey 
without irritation find anger, quite untroubled, for he 
considered it a benefit, as it were. 

5. It is the very nature of the wicked, indeed, to walk 
aside from the wav of decent behaviour, whereas forbear- 
ance of their rashness is something like a benetit to the 
virtuous, owing to their habitual practicc. 

Now surely , soine y ak s h a who was scandalized at those 
insults of the Great Being or perhaps wished to try his 
nature, one time when the wicked monkey was riding 
the buffalo-buU , placed himself in his way , saying : '/Be 
not so patiënt. Are you the slave of that wicked monkey by 
purchase or by loss at gaine or do you suspect any danger 
from his part- or do you not know your own strength that 
you suffer vourself to be so abused by him as to become 
his riding animal? Verily , my friend, 

(i. /The thuuderbolt of your pointed horns swung with 
rajudity could pierce a diamond or, like the thuuder- 
bolt, cleave huge trees. And these your feet treading with 
furious auffer would sink in the mountaiu-rock as in mud. 

7. /'And this body of yours is like a rock solid and com- 
pact, the splendid strength of its muscles makes its beauty 
perfect. So your power is well-kuown to the vigorous by 
nature, and you would be hard to approach even to a lion. 



' Hcrc I have in a ccrtain dcgrec used the pali redaction as a commentary on 

the text of T'ura. Cp. Fausb. JAtaka II , liH") .LM u c c A r a p a s s A v a m k a t v A 

sin ge gaphitx'A olamhanto nangii^the gahetvA dolayanto 
ktlL 

* The common reprcsentation of Yama is sitting on the back of a biiffalo with 

a stafT in his hand. Sec f. i. VarAhamihira Brhatsainhita "iS, 57 d a u 4 » Vamo 
mahishagab. 



jftTAKAMftLft. 651 

8. ''Therefore, either crush hira with your hoof by an 
energetic efiFort, or destroy his insolence with the sharp 
edges of jour horns. Whj do you forbear this rogue of 
a moiikey tormeuting you and causing pain to you, as if 
you were powerless? 

9. 'i'Where is it ever seen that an evil-doer is bronght to 
reason by a cure oonsisting in a virtuous behaviour to- 
wards him, condesoendence , modesty and kindness? This 
treatment being applied to such a one who is only to be 
cured by pungent and burning and harsh remedies, his 
insolence will wax like a disease arising from the phlegm." * 

Then the Bodhisattva looking at the y aks ha spoke to 
him mild words expressive of his adherence to the virtue 
of forbearance. 

10. '/Surely, 1 know him a tickle-miiided one* and always 
fond of iniquity , but for this very reason it is right , 
forsooth, that I put up with him. 

11. //What forbearance is that, practised towards somebody 
of greater strcngth , whom it is impossible to retaliate? 
And with respect to virtuous people standing firm in honesty 
and decent behaviour, what is there to be forborne at all? 

12. "Therefore we ought to forbear the injuries by a feeble 
one, though having the power of revenge. Better hearing 
insults from such a one than getting rid of virtues. 

1'i. "111 treatment by a powerless one is the best opportunity , 
forsooth, for showing virtues. With what purpose, then, 
should the lover of virtues make use of his strength in 
such cases to the effect of the loss of his firmness of mind? * 

Ik "Besides, the opportunity for forbearance, that always 
benelicial virtue, being difïicult to obtain inasmuch as it 
depends on others, what reason should there be to indulge 
in anger just then when that opportunity has been aflorded 
by another? 

15. /'And if I should not use forbearance against him 
who disregarding the damage of his own righteousness 



' Indian medicinc divides the discases in threc classes, according to thcir 
origin from one of the three humors: phlegm (kap ha), wind (vAia) and 
bile (pitta). 

* Cp. the note on story VI, st 34. 



652 J&tAKAM&L&. 

(dharma) acts as if he endeavoured to cleanse mj sins, 
say who else would be ungrateful if not I?'' 

The y aks ha spoke: //Theu you will uever be delivered 
from his vexations. 

16. "Who inay be able to chastize the ill behaviour of a 
rascal having no respect for virtues, unless he sets aside 
hurable forbearance ?" 

The Bodhisattva spoke: 

17. "It is not suitable for him who longs for happiness to 
pursue comfort or preveiition of discomfort by indulging 
to the wish of hurtiiig another. The result of such actions 
will not tend to the production of happiness. 

18. //My persisting in patiënt endurance is, in fact, an 
admonition to awake his conscience. If he doe^ not under- 
stand it, he will assail afterwards others of a hasty temper 
who will obstruct his wrong way. 

19. "And having been ill treated by such a one, he will 
no more do these things, neither to my likes. For having 
received punishment, he will not act in this (unbecoming) 
manner again. And so I will get rid of him." 

Ou these words the yaksha, afiFected with gladuess, 
amazenient and respect , praisingly exclaimed : // Well said ! 
well said!" and moving his head and shaking his (extended) 
tingers magniticul the Great Being with kind words like these : 

20. "How is it possible that bcasts should posse^s a conduct 
like this? How did you come to that degree of regard of 
virtues? Having assumed with some purpose or other this 
animal-shape you must be somebody who practises peiiance 
in the penance-forest !" 

After thus eulogizing him he threw the wicked monkey 
off his back and taught him a preservative charm; after 
which he disappeared on the very spot. 

In this manner , theu , forbearance deserves this name 
only if there exists some opportunity of showing it , no 
otherwise : thus cousideriug the virtuous appreciate their 
injurer, deeming him a profit. So is to be said when dis- 
coursing on forbearance. And this may also be said : *In 
this manner is shown the imperturbable tranquillity of 
the Bodhisattvas even when in the state of beasts; how, 



J&TAK.AM&lil. 658 

indeed, should it become a liuman beiug or one who has 
taken the vow of a homeless life to be deficiënt in it?' 
This story is also to be told , when praising the Tathagata 
and when discoursing on listening with attention to the 
preaching of the Law. 

Of this story thcre are at least two redactions extant in the pAli 
TipiVaka, n. 278 of the J^taka (Fausb. II, 385—388) and Cariya- 
pi(aka 15 == 11,5. In the JMaka-text it is not the yakslia that 
protects the Ü. but the expectation of vs. 18—10 supra is fulHlled; 
another buffalo of an irascible nature being likewise vexed by the 
monkey, kills him with his homs and hoofs. Of the three 9lokas of the 
Jdtaka redaction the third is identicai with vs. 1(> of the Car-Pit. , the 
reading of which anne is to be preferred, cp. also st 19 of our author. 



XXXIV. 

The sToaY of the wood-peckeb. 

(Catapattrajfttaka). 

Even when provoked a virtuous person is uncapable to 
betake himself to wickedness, having uever learnt to do 
so. This will be taught as follows. 

The Bodhisattva, is is said, lived in some place of a 
forest a wood-pecker distinguished by his beautiful and 
lovely feathers of manifold colours. But though in that 
state , owing to his habitual compassion , he did not foUow 
the livelihood of his kind, a sinful one since it needs 
involves injuries to living beings. 

1. With the young shoots of the trees, the sweet and 
delicious flavours of their flowers and with their fruits of 
different hue, scent and relish he kept such diet as was 
dictated by his contentment. 

2. He inanifested his care for the interests of others by 
preaching to others the precepts of righteousness on proper 
opportunities , by helping the distressed according to 

5e Volgr. X. 43 



654 JaTAKAJfilA. 

his priwer aud by pivveuting thtr base-minded froin iin- 
modest actioiis. 

The whole multitude of aiiimals, thu$ protected by the 
Great Beinsr, thrived and were happy: for in him they 
pos:ies!<ed as it were a teacher, a kinsman, a physiciau, 
a king. 

3. A> they, being well protected by the greatoess of his 
mercy, iiicreased in virtues, to the same extent his pro- 
tection endowed them , thoagh making up a collection of 
substances, with increase of qualities. * 

Now one time, when the Great Being, according to 
his pity for the creatures, was rambling from forest to 
forest, it hap|>enerl that he saw in some part of the wood 
a lion who overcome by an exceedingly heavy paiu was 
sprawling on the earth , as if he were hit with a poisonous 
arrow, having his manes disarranged and dirty with dust. 
And drawing near to hini moved by compassion , he asked 
him: "What is the matter, king of qaadmpeds? You are 
seriously ill , indeed , I see. 

4. nl» this illness cansed by exhaastion after indulging 
too much in bohlness against elephants? or iu excessive 
running after deer? Or are you hit with an arrow by a 
huntcr? Or has some diseasc scized vou? 

5. i'Sav thcn , what ails vou, if at least it mav be told 
to me. Likewise teil me what mav be done for vou in 
this case. And if perhaps 1 possess some j>ower for the 
benefit of niy friends, you must enjoy the prolit 1 niay 
brini^ about bv it and recover vour health. '^ 

The lion s])oke : "Virtuous king of birds, this illness 
is not the effect of exhaustion nor is it caused hv disease 
or occasioned by a hunterV arrow. But it is the fnisrnient 
of a boue that sticks here in my throat. As if it were 
the point ol' an arrow, it causes heavy paiu to me. I eau 



• The pojftti of this stanza is lost in translation. The term sattvakAya 
admits of two acceptatie >ns, according to its bcing applied to the philosophical and 
to the ordinary use of the word sattva. S<> the same compound may signifv 
^a body of animale" and »a collection of suhstances." Similarly the term j^una 
means „virtue" as well as ^quality." 

"^ The last pa da of thib <;loka looks corrupt in the original, yel without 
encumbrance of the main sense which is evident. 



j(lTAKAM&Lfl. 055 

neither swallow it down uor throw it up. Therefore, it 
is iiow the time of assistaiice by frieuds. Now, if you 
kuüw the way to make me sound, well, do it.'' Then 
the Bodhisattva, owing to the keenness of his intellect, 
thought out some means of extracting the object which 
was the cause of his pain. Taking a piece of wood large 
enough to bar his mouth, he spoke to the lion: //Open 
your mouth as wide as you ever can." After he had done 
so , the Bodhiöattva having placed the log tightly between 
the two rows of his teeth , entered the bottom of his throat. 
VVith the top of his beak he seized that fragment of bone 
sticking athwart in it at onc edge and having loosened 
it, took it at another edge and at last drew it out. And 
while retiring he dropped the log which barred the lion's 
mouth. 

0. No wound-healer , however skilled in his art and clever , 
would have succeeded even with great effort in extracting 
that extraneous substance, yet h^ pulled it out, thanks 
to his keen intellect thougb not exercised by professional 
training • but proper to him through hundreds of existences. 

7. After taking away together with the bone the pain and 
anguish caused by it, hc feit no less gladness having 
relieved his painful folio w-creatu re than the Jion did feel 
being released from the pain-causing object. 

This, indeed , is the essentiiil property of a virtuous person. 

S. A virtuous person having effected the happiness of anothcir 
or stopped his mischief even with difticulty, will enjoy 
a greater amount of excessive gladness than he would on 
account even of prosperity happening to himself and 
easilv obtained. 

So the Great Being having relieved his pain, was rejoiced 
in his heart. He took leave of the lion and having 
received his thanks went his way. 

Now some time after it happened that the wood-pecker 
Hying about with his outspread wings of a lovely beauty 
could nowhere get any suitable food and was caught by 
huni^er which burnt his limbs. Then he saw that same 
lion feasting on the flcsh of a young antelope fresh killed. 



• Cp. the beginning of story XIV, Bijdragen VllI, p. 452. 



656 j&takjlm&l4. 

Uis mouth and claws and the lower end of hls manes 
being tinged with the blood of that animal, he resembled 
a fragment of a cloud in autumn, immersed in the glow 
of twilight. 
9. Yet , though he was his benefactor , he did not venture 
to address him with words of request, disagreeable to 
the ear; for however skilled in speech, shame imposed 
him a temporary obligation of silence. 

10. Nevertheless , as his wants required provision, he walked 
up and down before his eyes in a bashful attitude. But 
that scoundrel, though well aware of him, did not at 
all invite him to join in the repast. 

11. Like seed sown on a rock, like an oblation poured 
out on ashes that have lost their heat , of that verj nature 
is at the time of fruit a benefit bestowed on an ungratefnl 
person and the flower of the vidula-reed. 

Then the Bodhisattva thought: '/Surelj, he does not 
know me again^\ and approaching him with a little more 
confidence , asked him for a share , supporting his demand 
with a proper benediction after the manner of mendicants. 

12. /rMuch good may it do you, lord of quadrupeds, who 
earn your livelihood by your prowess ! I beg you to honour 
a mendicant, which is an instrument to you to gather 
good repute and merit." 

But the lion disregarding this kind blessing , unacquainted 
as he was with the behaviour of the pious (drya), owing 
to his habitual cruelty and selfishness, fixed an oblique 
look on the Bodhisattva, as if he were willing to burn 
him down with the ilame of his anger blazing out of his 
fiery eyes, and said : '/No more of this. 

13. //Is it not rauch that you are alive after entering the 
mouth of somebody like me, a devourer of sprawling 
deer, not knowing unmanly mercy? 

14. //It is to insult me that you dare molest me thus 
another time with a demand. Are you \feary of your 
life? You wish to see the other world, I suppose." 

This refusal and the harsh words expressing it filled 
the Bodhisattva with shame. He ilew directly upward to 
the sky , telling him in the lauguage of hi^ extended 
wings he was a bird , and went his way. 



jftTAKAMftlA. 657 

Now some forest-deity who was indignant at this injurj 
or who wauted to know the extent of his virtuous con- 
stancy, mounted also to the sky and said to the Great 
Being: /yExcelleut one among birds, for what reason do 
you forbear this injury inflicted by that scoundrel on 
you, his benefactor, thongh you do po?sess the power of 
revenge? What is the profit of overlooking that ungrateful 
one in this mannerP 

15. "He raay be ever so strong, you are still able to blind 
hira by a sudden assault on his face. You may also rob 
the flesh of his repast from between his very teeth. Why 
thcu do you forbear his insolence?" 

In that moment the Bodhisattva, though having been 
ill-trcated and insulted and notwithstanding the provocation 
of the forest-deity, manifested the extreme goodness of 
his nature, saying: //Enough, enough of this manner of 
proceeding. This is no way foliowed by our likes. 

16. '/It is out of mercy, not with the desire of gain , that 
the virtuous take care of a person in distress , nor do they 
mind whether the other undcrstands this or not. What 
fit opportunity for anger may arise in such case? 

17. '/Ingratitude cannot but tend to the deception of the 
ingrateful one himself. Who, indeed, wishing a service 
in return, will do good to him a second timeP 

18. '/As to the beuefactor, he obtains merit and the result 
of it in the world hereafter in consequence of his self- 
restraint, and an illustrious renown still in this world. 

19. "Moreover, if the benefit has been performed in order 
to practise a righteous action , what should it be regretted 
for afterwardsP If done with the purpose of getting so- 
raething in return , it is a loan , not a benefit. 

20. '/He who because of the ingratitude of his neighbour 
prepares to do him harm, such a one, forsooth, after 
first earning a spotless repute by his virtues, will sub- 
sequently act jifter the manner of elephants. 

21. "If my neighbour by the infirmity of his mind does 
not know to return the benefit, he will never obtain the 
lovely lustre inherent to virtues; but, say, what reason 
should there exist for a sentieut being to destroy on 
account of that his own lofty renown? 



653 J&TAKAM.\lA. 

/^But this rule scems to me most becoming io the case. 

22. /^He in whose heart a service done bj a virtaoos person 
did not rouse a friendly disposition, such a one is to 
be left, but gentlj, without harshness and anger." 

Then the deity , rejoiced at his well-said sentences 
praised him repeatedly exclaimiug: /i^well said! well said!^^ 
and adding many kind words. 

23. //While being exempt of the toil caused by matted 
hair and a bark garment, thou art a Bshi, thou art a 
holy ascetic knowing the future! It is not the dress, 
forsooth, that makes the Muni, but he who is adomed 
by virtues is the real Muni here." 

After thus distinguishiug him and honouring him he 
disappeared on the very spot. 

In this manner , tlieu , a virtuous persou is uncapable 
of betakiug himself to wickedness, even though provoked, 
having uever learnt to do so. So is to be said when 
eulogizing the virtuous. And when discoursing on for- 
bearance this story is also to be adduced with this conclosion : 
'In this manner a man practising forbearance will rarely 
meet with enmity , rarely with reproach , and will be 
beloved and welcorae to many people.' When praising 
tranquillity , it may be told with these words: 'In this 
manner the wise being great in tranquillity preserve their 
own lustre of virtues.' Likewise when glorify ing the Tath&gata 
and praising the eultivation of an excellent nature : *ln 
this manner a good nature being always striven after does 
not pass away even when in the stekte of beasts.' 

The cüiTcsponding tale in the pali Jataka is not that of the same 
name satapattajAtaka (F. II, 387) , but n. 1U)8 the j a v a s a- 
kuwaj&taka „the tale of the swift bird" (F. IIK p. 25—27). It is 
much shorter and does not contain the intervention of somc deity. Of 
the four *;lokas in it, the second has the same purport and parlly even 
the same wording as (^'ura's st. \'A, and the fourth shows a slrong 
hkencss to Cüra's st. 2'J. 



A SINIIALKSJ?: INSCRIPTION OF 1745 A. O., 

fouixl eiigraved od an old cannou now lying in the Royal Museum 
of Amsterdam; deciphered from a pencil rubbing furaiahed hy 
Professor Dr. Kern of the University of Lejdeu, 



cJ3isJö8daD'.£6 



'■^^üö^CöUt) 



TRANSCKIFT. 



(1) Sakft-wftTsji ekwüdabiisit ' -sn — 

(2) Krodha-narawü muina war>a 

(3) iitima-wii'iKatiyehidi sata — 

(4) beua Lewuke-teiiannii — 

(5) kkawJpu külatuwa 



siya-hata-hatala paraini 
yehi IswaradbipstiwTï a — 
ra Körale Disawa labi ti - 
Imwisin ' wüdakarawj da - 
kkuwayi 



TRANSLATION. 

This i:s the canrioii which Lewuke, ttie minister holdini^ [the 
office of] Disawa over tlie Four Koralcs , has had made and pre- 
sented [to the Hollanders] in the year named Krodha, which 
hits becorae the 1667"" of the Saka era [which is] in the last 
V i il 3 a t i (period of 20 yeiira) of the cycie under the regency of 
Iswara (Jupiter cyelus). 



n + w ii h a. T c n a (Sanskr. s t h a n a) is here 
csfiiim uf a plftco or situation". W a h a is from 
ie -iuch prakrilic lorm as h a w a t chanRed by 
j wflha or wiiha. This, as well aswahanda. 
ms of respect. 



660 A 8INHALKSE INSCIPTION OF 1745 A. D. 

The Saka era is , in Ccylou , re^ïkoned as commencing on or abont 
the 12^h of April, and heuce every Saka-year, like the Buddhist 
ƒ ear , covers portions of two Christian years , the right one of which 
should bc got at by the addition of 79 or 78 to the Saka-era, 
according as the date falls before or after the 12th of April. 

The date on the inscription is Saka 1667 and this in Christian 
era extends over a year beginning from April 1745. In the 
absence of a more definite date, it is not possible to say with 
ccrtainty, if the presentation of the Sinhalese cannon to the 
Hollanders took place in 1745 or in 1746. The word pa mini 
meaning '/arrived or come// seenu?, however, to point to the 
commencement of the Saka-year, that is to the latter half of 
1745 A. D. 

Lewuke was the Disawa or the Chief over the district still 
known as the four Korles. lle held his rank under the Sinhalese 
crown during the ürst half of the last century , and was a prominent 
figure in the negotiations of the Hollanders with the Sinhalese 
kings. No delinite account of him, however, is, I believe, to be 
met with in the historical records of the period hitherto brought 
to light. 1 inay , indeed , say that this inscription on the cannon 
in the Amsterdam Museum contains the earliest authentic mentiou of 
him a.s the Disawa of the four Korles, whereby we are ahle to identify 
Lewuke with the Disawa of the four Korles, who in 1741 instigated 
some of his men to conimit raids on the villages belonging to the 
Dutch company and forbade the building of a church and a 
school in the village Moragampola ; from whom '/in 1742 Qovemor 
'/Overbeck received an im])ertiueiit letter requesting that two let- 
'/ters, the one to the officials at Arakkan, the other to Siam, 
'/should be sent to those places by the company's own servants, 
/'and the answers received communicated to him, (to please the 
//Court even this demand was partially complied with)//; and who 
"three years afterwards made many unreasonable deraands, and 
//finally sent 400 men to destroy the houses and plantations of 
"the inhabitants of Siyanil Korale , pretending the while that he 
//had induced the Kandyan kiug to remain in friendship with the 
'/Dutch'/ (Archaeolotrical Survey of Ceylon. Report on the Kegalle 
District by 11. (]. P. Bell 1892. p. 11). It was in this year that 
the cannon in question was preseuted to the Dutch. 

Kirti Sri Rajasinha (1747 — 1778 A. D.) having ascended the 
throne after the demise of his brother-in-law Sri Vijaya Sinha 



A SINHALESE IN8CRIFWON OF 1745 A. D. 661 

(1739 — 1747 A. D.), Lewuke Disawa, iu 1751, '/perhaps bought 
'/over hy the Dutch appeared to have iufluenced the councils at 
'/Kandy ; for a favourable turn ensued , aud the Court seemed very 
//friendly disposed. 

//Two years afterwards (1753) the Disawa came down to Colombo 
//as ambassadoT with the object of gaining for the king participatiou 
//in the elephant trade. The unwelcome demand was again and again 
//pveferred in succeeding years, through the agency of the Disawa, 
//until the Batavian Government gave a distinct and iinal refusal. 

'/Between 1760 — 62 trouble in connection with the extension 
//of cinnamon cultivation by the Dutch brought on a desultory 
'/war. In 1763 the Dutch penétrated to Kandy with an army of 
/y 8,0 O O men , but retained possession of the capital for nine months 
//only, being forced by sickness and other causes to retire with 
'/heavy loss. 

'/Governor Falk compelled tlie king in 1766 to treat with 
"him on his own terms, and to cede to the Dutch those parts 
"of the coast which they had not hitherto possessed. 

"Lewuke attempted to negociate a convention with the British 
"(lovernment on the lines of the Dutch treaty of 1766, but with 
"uo success. War ensued in 1803. Lewuke Disawa, whose anti- 
"pathy to Pilimatalawa Adigar was strongly itiarked , kept up 
"communication with the British, and apprised Major Davy, Com- 
//niandant at Kandy, of the projected treachery of the Adigar.// 
(Ibid. p. 11). He was ultimately found out and beheaded by order 
of the Sinhalese king, Srï Wikrama Rajasinha (1798 — 1815). 

Lewuke was a staunch Buddhist. He patronized his religion much 
by having the old viharas repaired and endowing the priesthood 
with lands for their maintenance. A representatiou of Lewuke, 
wearing the peculiar red oonical hat of the day may be found 
paintcd on the right wall inside the Dambulla temple in Weligara- 
pattu , Kegalle-District (L. c. p. 39). 

Don M. de Zilva Wickremasinghe. 
München 171'^ March 1894, 
Aiurailler Strasse 8^. 



TÖTUl NAKASASAMAK-ALA 

(Vervolg van blz. 458). 



6. 

KA-A NA BUSA-A. 

Ka esa nÜinanakii neul ])a tuk bibiak esa, de la ueniii lea ai 
esa lain ueu. Faik ndia busa csa nak^nae nita ka ndia tèLtaoii-a, 
baema aaa lae-lae mèsan ueu-aa ai-a hun-a dei de u&n&r^tük , de 
ana uada k^-a bèsak-a ana koan-ana uae-aa: ^/wi, nilndo basa 
faik-a au bei ta ita in^uüpüi esa buluu-a uÜndc^a-n^saa ma ana 
fula lea a ia baê, nai au ^ting-a hétu a halam-a-a lalen-a masa- 
lak baë; mak^uduima tèë lea udia sa, ua-aa têtèëk-a m&nüpüik 
esa ta dae bafok ia lale lea a bae. 

Ka-a Uc^m^nène busa-a kökolau-a baema u&m^haka, dê nae: 
/rm^lale , au soda fa , fa ela busa-a namenene. " ])e ana sórla heni 
basa hala inaii-a baema, tuda heni pa-a de büsu-a ka nalan de 
ana hika ka-a n(fu ana pëpèka nalan-ana. 



S ö s ó a n - a. 

Se hi nÜim^nène dëdoa kökóa-kikiok na se fai m^kübüiii te na- 
heni ; fa hatahóli dae bafok ia baük-a hadan-a matak busa nakas-a, 
inakanenima ahi sanga hihi tüu hatan , na ala koan-ana, fii mXkS- 
ndnima ala hapu-a ndia bë sa na-aa abt ta latadüli hata ueu hata- 
hóli ndia sa. l/ii dëdra nakitnch'sik-a nae-aa : nèëk-a mate hu 
mlikèk. 



BKBERAPA TJERITERA PEROEPAMAAN. 

(Vervolg vau blz. 45 9). 



6. 

BOEROENG GAGAK DENGAN ANDJING. 

Bermoela maka adalah saekor boeroeug gagak telah mentjoeri 
sapotong (lendeug kerbaa, laloe dibawanja terbaug kaatas sapohou 
kajoe. Sakatika itoe dilibat oleh saekor andjing akaii perboeatan 
boeroeug gagak itoe; maka datauglah ia perlahau-lahan doedoek 
dibawah pohon itoe, serta dipandaiignja akan boeroeng gagak itoe 
dan dipoedji-poedjinja elokujr boeroeng itoe katanja : /' Wah , saoemoer 
hidoepkoe ini beloein pernah koelihat boeroeng jang aapoetih ini 
boeloenja serta dengan berkilat-kilat roepanja sabagai eugkau ini 
dan sasoenggoehnja pikirankoe soearamoepon terlampau merdoe 
djoega; djikalau demikian saekor boeroengpon tiada didalam doenia, 
jang dapat disaroepakan dengan engkau ini.' 

Serta didengar oleh boeroeng gagak perkataan andjing jang 
demikian itoe, maka terlaloelah senang hatinja, serta in berpikir: 
//baiklah akoe bernjanji sadikit; soepaja andjing itoe menengar 
soearakoe.'^ Maka bernjanji boeroeng gagak itoe dengan njaring 
soearanja, laloe deudeng itoe terdjatoeh dari pada paroehnja; maka 
dendcng itoe digoenggoeng di bawa lari oleh andjing itoe serta 
ditertawa-tawakannja gagak itoe, sabah telah keua tipoenja. 

Ibaratnja. 

Barang siapa soeka menengarkan kapoedjian , nistjaja pada 
achirnja dapat djoega karoegian ; karana banjak orang didoenia 
berlakoe saperti andjing jang tadi itoe ; maka djikalau kiranja ia 
hendak mentjahari oentoeng pada saorang , maka dipoedji-poedjinja 
akan dia dan diangkat-angkatnja akan dia dan djikalau ia telah 
dapat jang dikahendakinja itoe, tiada diperdoelikannja jang telah 
dikitjoehnja. Pepatahnja: biasa mati semoet karana manisan. 



664 TUTUI NAKASASASAlCAK-AIiA. 



7. 



MANADANGA-A NA KADB-A. 

Faik esa mansidanga esa ik^u danga nüiuc nüla dale; dé aua 
laa-laa haêma u<^tanga na-iia mêaasu esa de ana nggcngela, de ana 
kae lèa ai esa laiii ueu. Mëaasu-a nita tau mÜnlidSu^a-a kae ai 
lain ii(^n , baema-aa neu ai-a hun-a de nllhaniu ana kona. 

Mêaasu-a nlihani nala da-da baêina tau m^n^danga-a n&in&laa, 
te fa ana ta naa ninu fa, de lima cin süpiudale dë ela fak-a ana 
tüda. Tauk-a n^ingÜnala lain neu, ma niikanae te k&de ^u^ütuk 
esa neni fe anan-a nünaak. Bacma n^lo kade-a nae: i^kade é, sue 
an fa doi, au ae kóna dok-a sa, te ta boleh fa, fö-aa mêa&su esa 
maku n&hèlek au ndia-aa ai ia hun-a; fali au n&iiaak fa dei; a 
ta fe fa, na se mate au hu laas-a//. 

Kade-a n^ta ma nae-aa: vh^t^hóli o nen, au fe taa a n&uaak 
lèë, fa au ta likiibói ^Mï au anang-a na a fa.^ 

M^Uf^danga-a nafada seluk ana nae-aa: //mÜk^boi inala au fa au 
as6da, na-aa deï au balas d mlilalcm-a hma séluk a anam-a bftlas 
a-a ; a anam-a nauuitüa-a se bei udia bana bae , de m&haui te ana 
ta balas a mrilalem-a bae , elan nèmo na fa maten neu , te sadi 
makabói mala au." Baema kiide-a afin neu ma nae-aa: /^tetèëk-a 
lèa h^tÜhóli ia kökólan-a.^ l^ilema ana ela anan-a na laa-iidaeu dë 
maten-ana, te neni fe-au nianadang-a «^ibóak, de naa dei dë lësak- 
a dalen-a lóak-a. 

Mëaasu-a nahani- nühani nala hata t-ë tauk-a ta kóna sasain, 
ma ana ta tüda baen, dë hu ndia dë ana fali seluk nüla dale 
neün. Müniidanga-a nakiinae ma mëaasu-a tak-ana baenia ana sanga 
lai-lai uma neün-ana. Dë ana kona nala-aa ai-a tÜladan-a , baema 
nilfandèle nan : '^au nade miinJidanga , ma au laa ela au üraang'-a lèa 
nüla dale mai dok-a sji; l)esak-ia au üüng-au ndia ia sa te au uni 
hiita fë au saong-aP Au ta uni hiïta fa na-aa së au mile au saoug-a, 
fa lëandia sii na müliile au isa kade ia.'/ Nilfada basa baema ana 
silon neu kiide-a, de kiide-a nameda tólan-ana baema-aa ualo uae : 
"bo hfitJthóli mÜngHlauk-ii nen , dë ii miie deï ü balas au m^Ialeug-a 
ndia ia?'/ Të mflnjtdanga-a nÜselu nae: //küde e, a ta mita au 
nade manildanga fa, fii sudi faik-a au soa hoï bana sömanenP'sr 
Baema mate kade-a dë miinSdanga-a hoïnalan , dë nae sünga nenin 
lèa üman-a neu. A të mëaasu mÜnÜmakun-ana bei ta nala dok-a 



BEBEBAPA TJEElTKftA P£kOEt»ASiAAN. 665 



7. 



PERBOEROE DENGAN KERA. 

Pada soeatoe katika adalah saorang perboeroe berdjalan masoek 
kadalam hoetau meutjahari perboeroean , maka bertemoelah ia 
deugan saekor harimau, maka terkedjoetlah perboeroe itoe, laloe 
ia lari memandjat sabataDg kajoe. Tatkala dilihat oleh harimau 
oraug itoe telah memandjat pohon maka dinautinja dibawah pohon 
itoe kajoe, orang itoe akan toeroen. fieberapa djam lamanja menauti 
ia demikian , maka perboeroe itoepon laparlah , sabab tiada makan 
dan miuoem ; hampirlah ia djatoeh kabawah oleh karana lemah 
dan litak badannja. Maka pada masa itoe iapou memandang kaatas, 
serta terlihat olehnja soekor kera beranak ketjil membawa makanan 
kapada anaknja. Maka kata perboeroe kapada kera itoe: //hai, kera , 
sajangilah akoe ini; soedah beberapa djam lamanja akoe hendak 
toeroen , tiada boleh , karana akoe dihintai oleh saekor harimau 
dibawah pohon katoe ini; toeloenglah beri sedikit makanan akan 
dakoe; djikalau tiada engkau beri, nistjaja matilah akoe ini kala- 
paran.'" Maka djawab kera itoe: ^^hai, manoesia, bagaimanakah 
koeberikan makanan kapadamoe, karana akoe tiada koeat memberi 
makanan akan dikau dengan anakkoe.^' Maka djawab perboeroe 
itoe: //peliharakanlah akan dakoe, hai kera; djikalau akoe hidoep 
koebalas djoega akan dikau terlebih dari pada anakmoe itoe; kalau 
anakmoe itoe besar, ialah binatang djoega, tiada ia tahoe mem- 
balas goena akan dikau , sabab itoe biarlah ia mati , peliharakanlah 
olehmoe akoe ini." Maka pikir kera itoe: //benar djoega perkataan 
orang itoe." Maka ditinggalkannja anaknja itoe dengan kalaparan 
sahingga mati. Maka dibawanjalah boeah-boeah pada orang itoe, 
maka senanglah hatinja perboeroe itoe mendapat makanan. 

Hatta beberapa lama dinanti oleh harimau akan orang itoe, 
tiada djoega toeroen atau djatoeh mati, maka kombalilah harimau 
itoe kadalam hoetan. Serta dilihat oleh perboeroe harimau tiada 
lagi , sigcralah ia hendak pöelang karoemahnja. Maka toeroenlah 
ia; sampai kapertengahan batang kajoe itoe, maka berpikir ia: 
''bahoea akoe ini bernama perboeroe; sakarang telah beberapa lama 
akoe meniuggalkan roemahkoe masoek kadalam hoetan, apabila 
sakarang akoe poelang, apalah boeah tangan jang koetoeudjoekkan 
pada isterikoe? Kalau tiada akoe bawa barang satoe apa, nistjaja 



666 Tirrui nakasasamak-ala. 

bae, de iilim^iiciie kade-a u^kÜaün-a baeina-aa, aiia fali seluk lèa-aa 
ai-a huu-a ueüu, de uita münILdauga-a bei uae laa baema-aa huü- 
nalan-aiia de naii héuin. 



Sös6an-a. 

MükSnénima h^tilhóli taong a mülale nai üluk , te ncu fai mük^- 
büiD ma ama balas-aiia münglilauk, ua-aa se ama dadi taa lèa 
in&déLdanga ndia bae. 



8. 
HATAHÓLI-A NA MANU MATALA LILA PILAS-A. 



N^ <. 



H^t^hóli hÜtÜtak esa nilnü manu ina esa; de faik esa baeioa-aa 
manu-a natala nala lila pilas, dë-aa tïluk-a nilmfihakanan n^iila, 
naik dalen-a ta dok-a tese nSmüsüï. Da-da baema tïiuk-a ati ma 
naë: '4ëtèëk-a au nggóak ma; lea au palu isa manu ia, fa au 
höïala basa lila pilas-ala lai téin dalc dei na-aa, so au ^m^süï 
lena manek-a.'/ 

Baema höïnala-aa manu-a neme besak ndia, de palu nisan-ana, 
te mae ana hapu hata? Lila pilas ta, kada-aa dak-a tei-ate-bak-a 
mesan lea basa-aa manu-la bae. 



Sösoan-a. 

M^kiinénima se tënetü nam^üï lai-lai na-aa, m^künaen te ue- 
lédin ta nala neuu-a, fa ana dadi aon neu h^t^tak nükandi\ 



BEBERAPA TJEKITERA PEBOEPAHAAN. 667 

maloelah akoe isterikoe itoe; djikalau demikiau, baiklah kera ini 
(Ijoega koeboenoeh." Maka sabentar itoe djoega ditembaknja kera 
itoe , serta kera itoe merasa loeka , maka berteriaklah ia , katanja : 
/^hai, manoesia, jang tiada tahoe membalas goeiia, inikah pemalas 
olehmoe akan dakoe karana kabadjikankoe akan dikau?"' Maka 
djawab perboeroe : ^hai , kera tiadakah engkau tahoe , bahoea ^ 
akoelah perboeroe, pada tiap-tiap hari mengainbil njawabinatang?" 
iMaka matilah; maka diambil oleh pemboeroe itoe akan dia, laloe 
dibawanja poelang. 

Adapou harimau jang meuanti perboeroe itoe, beloem samapi 
djaoeh dari tempat itoe; maka terdengar olehuja pekik kera itoe, 
laloe in kombali kabatang kajoe itoe, serta dilihatja perboeroe 
itoe hendak pergi maka ditangkapnja dan dimakannja. 

Ibaratnja. 

Adapon orang jang soedah mendrpat katoeloengan dan kabaikan 
dari pada orang lain , maka kamoedian dibalasnja dengan kadjahatan 
tadapat tiada pada achirnja halnja sabagai h.il perboeroe itoe adanja. 



8. 
ORANO DKNGAN AJAM BERTELOR EMA8. 

Adalah saorang-orang miskin, jang mempoenjai saekor ajam; 
maka pada soeatoe hari ajam itoe bertelor emas dan terlaloe soe- 
kalah hati orang miskin itoe, karana pada sangkanja tentoe ia 
lekas kaja. 

Tiada berapa lama maka berpikir orang itoe: "hai, sasoenggoehnja 
bodoh akoe ini; kalau ajam itoe koepotong, sakali koekaloearkan 
telor emas jang didalam peroetnja, maka laloelah akoe terlebih 
kaja dari pada radja. "" Maka disembelihnja ajam itoe pada katika 
itoe (Ijoega , tetapi jang didapatinja didalem peroet ajam itoe boekan 
telor emas , hauja darah dan isi peroet djoega saperti pada ajam lain. 

Ibaratnja. 

Djika orang terlampau lekas hendak beroleh kakajaan , maka 
terkadang-kadang salah djoega pentjahariannja , sahingga djadi 
miskin sakali. 



668 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 

BÏI ANA-A NA MÈAASU-A. 

Biï hik esa sanga néu sanga n&naak , de ana hélu anan-a n§e : 
//ana é, kéua lêlésu-a, fa baba deak mu, mJtnéa mfilalale losa au 
maïug au ba ! // Biï iua-a hé\\x basa bae ma néu sanga n^naak. 

Biï ina-a h^u anan-a ndia te aa mêaasu esa neme baianan-a ndia, 
biï ina-a kokolar-a. De biï ina-a laa nÜsMéa, de n&m^nène basa 
baëma-aa mëaasu-a néu, de ana dêdélu l&lae-a lêlésun-a ma ana 
taa halan-a nönbk-a hala biï-a. Biï ana-a nJlm&nène ma hJttöhóli 
dëdélu lélésu-a baëma-aa, ana mète nésik-aa dinéla-a ma n&k&nae 
të mëaasu esa ta-ta ndia-aa l&lae-a lêlésun-a p&l&matan-a, ma ana 
taa halan-a nönok-a hala biï-a. Biï ana-a nillélak më&asu-a këkédin-a 
dë ana hikan-ana ma naen nae: //tëtèëk-a a m&lélam &n^éli nai 
t&taos leaiak-a, të naden-a a më&asu, dei dë milhèok ia.// 



Sösóan-a. 

Auiïana sa na éla nÜraJlhèle ina aman ma mèseu n&noli nüfadan 
ma pSlétau lëandia dei të sila lïllélak léna ^niïana. 

Fa mJikiiiiénima aniïana tünga tèë-tèë nanóli nÜfadak ma p^léta 
sila sa, na-aa se lüsóda; te m^kanénima ala ta taa <^atik da ntls^- 
uédak néu-aa nanoli n^fadak ma paleta sila-la , ua-aa ula hiïpu 
silaka. 



10. 

LAPA NUSAK-A NA LAFA NULA-DALEK-A, 



C 3 



Eaik esa lafa nüsak esa u&haa tian-a lafa nula-dalek esa; ana 
lali néni nÜuaa-uiniuu m^lada-la lème-aa ndia mamanan-a mai dë 
taa sala léu-aa h&tJlholi uma tSladan , léu pinga-manga laok-ala. 
Lafê-la düas-ala lilm^hakalan nÜsala; dë düas-ala laii lala talada, 
baema-aa uma-l^m&tüak-a mai dë lafö-Ia duas-aln l^lai sudi bëbéin- 
ala lèa lafa nüsak-a mümana këkèken-a lëu. 



BEBEUAPA TJEBITERA PKBOEPAMAAN. 669 

9. 

ANAK KAMBING DENGAN HARIMAU. 

Saekor iboe kambing hendak kaloear mentjahari makanan , maka 
berpesaiilah ia kapada anaknja, katauja: '/hai, auakkoe, toetoeplah 
pintoe, djangan engkau kaloear, iugati baik-baik sampai akoe 
poelaug/^ Maka kaloearlali iudoek kambing itoe meutjahari makanaii. 
Tatkala ia berpesan kapada anakuja jaug demikian itoe, maka 
adalah saekor harimau dekat pada tempat itoe serta menengar 
sagala perkataan indoek kambing itoe. Satelah indoek kambing 
laloe , maka datanglah harimau mcugetok-ugetok pintoe kaudang 
kambing itoe, serta ia meniroe memboeat soearanja saperta soeara 
indoek kambing itoe. Apabila didengar oleh anak kambing itoe 
orang mengetok piutoenja, maka mengintai ia dari tjelah, dilihatnja 
ada saekor harimau dimoeka pintoe kandang memboeat soearanja 
saperti soeara kambing. Maka anak kambing itoepon tahoe akan 
oemboek dan tipoe harimau itoe, maka ditertawa-tawakannja harimau 
itoe, katauja: //sasoenggoehnja engkau pandai dalam pekerdjaan 
ini, hanja engkau harimau djoega, baiklah engkau hiloe dari sin i.'' 

Ibratnja. 

liahoea patoethih anak-anak menengarkan dan mendjalankan 
parentah iboe bapak dan goeroenja, sabab marika itoe lebih pandai 
dan bidjak dari pada anak. Adapon anak-anak itoe, djikalau ia 
mcngikoet parentah dan pengadjaran itoe beroenggoeh hati , nistjaja 
bersalamat; akan tetapi nasihat itoe djikalau tiada diingati ohdi 
anak, taihipat tiada ia kadatangan tjelaka. 



10. 

TIKOES NEGBRI DENGAN TIKOES HOETAN. 

Pada soeatoe hari adalah saekor tikoes negeri berdjamoe makan 
sahabatnja jaitoe saekor tikoes hoetan; maka dikaloearkannja sagala 
makanan dari pada tempatnja, jaitoe sagala makanan jangenak- 
enak disediakannja pada tempat jang soetji dan bersih ditengah 
roemah orang. Sjahadan terlampau bersoeka hati doea orang jang 
bersahabat itoe; akan tetapi dalam antara marika itoe lagi makan, 

5e Volgr. X. 44 



670 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 

Uroa-l&m&tuak laa, baema lafa nusak-a iiae laf& uüla-a uae: 
yiaai fö düaug-ata téu taa heni ita n&uaa-niniuu béi n&u&naa taau- 
ala dei.// Të lafii nula uae-aa: //lèöii-a tia, au fali uüng-au leaau 
münjauang-a nai nula dale u , tèë iiai ndia na-aa au u&uaa-niuinung 
s^ak-a , kada-aa Skidok-a X-iókak-a, te-aa hStJlhóli ta üsi-pu au 
fama-aa au ta bi hata esa bae.'/ 



S ö s ó a II - a. 

MOa minu te këkèa in^ngSpau inliiig^lUlau-u , m^ik&u^uiuia dalem-a 
loak-a, na laleii-a lena seluk luam^suï mükübètek-ala la dale 
h&lMóiu-ala. 



11. 



w 9 — e — — 



MEAASU-A NA Bil ANA-A. 

I 

Biï aiia esa ninu ae neme Ie esa süün-a, de meaasu m&têl&as 
esa néu baema-aa uae : //taa lèë de au sanga inu ae ia ma-aa 
a taa këlüpüan-ana?/' Biï aua-a uÜsf^u ma nae-aa: /^ba^ milui^nasa 
liimütüak, te au ta taa këlüpüa fan-aua; au inu ndia-aa l&mütüak-a 
nési daen-a dei ma.// 

Te më&asu-a uae : ^K. ndia këlüpüa ae-a sa , ma au &lelak 
m^u21falik-a a m&kJimuti au.// Biï ana-a u^élu ma uae: münüfalik-a 
au Sk^müti taa l&m&tüak>a lèë, fa-aa teuk ndia ala bei ta bougi 
au fa ma.// De mëaasu-a uaë: //uiaima a ta, na hétu a, töl&nom-a 
ndia n&k&müti au-a./«' Biï ana-a n^élu nae-aa: //au ake apou 
l&m&tüak, au töliinong ta.^ Te mëaasu-a nae: //a töl^nom ta na 
h<^tu a tiam esa ndia nükamüti-a, fa au ^lélak <^mi biï-Ia m^p^da 
dale m^ng^Iauk ma au , de hu ndia de bèsak ia au sanga balas 
emi dale m&ng&laum ndia.// Baema niëaasu-a ka nala-aa biï aua-a 
de nénin lèa nula dale n^u de naa h(^nin-ana. 



BEBKRAPA tji:ritj!:]la perokpamaan. 671 

datanglah jang ampoenja roeinah, maka sakoeat-koeatujalah tikoes 
jaiig doea ekor itoe berlari-lari masoek kadalam tempat meujoeroek 
tikues negeri itoe. Satelab kaloear jang poenja roemah, maka kata 
tikoes uegeri kapada sahabatnja : //marilak kita kaloear, mengabiskau 
perdjaiQoeaii kita jang katinggalau/^ Maka djawab tikoes boetan : 
/'biarlab, sahabatkoe, akoe poelang ketempatkoe ditengah riinba 
sadja; soenggoehpon makauankoe disitoe ainat kasar jaitoe melainkan 
daoen-daoen dan akar-akar, banja tiadalah nianoesia jang niengedjar 
dan nienakoetkau dakoc. 

Ibaratnja. 

Raho(^k sasoenggoehnja pengidocpan jang rendab itoe kalau 
dengan ka.senangan dan kasantausaan lebih baik dari pada kamoe- 
liaan den&rau kasoesahan hati. 



11. 



HARIMAU DENGAN ANAK KAMBING. 

Adalah saekor anak kambing lagi minoem ajer ditepi soengai; 
maka datanglah saekor harimau jang kalaparan, maka kata harimau 
itoe : //bagaimanakah engkau berani memboetakkan ajer ini , jang 
hendak akoe minoem*'" Maka djawab anak kambing itoe: //djan- 
ganlah marah toeaukoe , sakalikali tiada hamba boetakkan ajer jang 
hendak dimiuoem oleh toeankoe, karana tempat hamba minoem 
disabelah ilir tempat toeaukoe." Maka kata harimau: /^kauboetakkan 
ajer djoega dan akoe tahoe pada tahoen jang telah laloe engkau 
pitnahkan dakoe." Djawab anak kambing : "ja, toeankoe, dimanakan 
boleh hamba pitnahkan toeankoe pada tahoen jang telah laloe, 
karana pada katika itoe hamba beloem lahir." Kata poela harimau: 
''djika boekan engkau, nistjaja soedaramoe jang mempitnahkan 
akoe." Djawab anak kambing: '/am])oenlah toeankoe , tiadalah hamba 
bersoedara." Maka kata harimau : //dj ikalau begitoe, nistjaja saorang 
temannioe jang mempitnahkan , karana akoe tahoe sagala kaoemmoe 
menaroeh hati djahat ataskoe dan pada sakarang ini djoega akoe 
hendak membalas dendam padamoe." Maka dengan sabentar itoe 
djoega anak kambing itoe digoenggoeng harimau dibawa lari katengah 
rimba, laloe dimakannja. 



672 TUTUi nakahasamak-aLa. 

Sös6an-a. 

M&k&nénima hllt&hóli m&ug&lauk dadi manek ma ana sanera-aa 
laka h&töhuli auak-a, na se ta k&Ian udia düdüa-uatiu fa. 



12. 

NAKA KATÉLUK-ALA. 



Faik esa tauk dua l&müuaka léni kapa esa, de tauk esa, na 
n&sü neui kapa-a lèa udia üman-a nén, ma-aa esak-a n^ü néu 
n&sèün-ana. Baëma duas-ala l&liü de lafépa aa. De pöïhéni kapa-a 
lèa èua ina-a uéu, de tau uakok esa néu bie ma ana {Sl néniu-ana. 



Süsóan-a. 

Süï ia , m&k&nénima ana hène lai-lai , na-aa mupon-ana-a lai- 
lai bae. 



13. 

MANU-A NA MÜTÏALA-A. 

Manu esa sauga u^iiaüu-a uèiue uaü dale , ma ana hapu mütiala 
esa m^naa hik, ma beliu-a luütü^iua. De manu-a neui mütiala-a 
léa-aa tau m&scö büas esa neu , ma nae-aa: /^Mala mütiala mabélik-a 
udia ia, sadi fe au liade dèëk esa./^ 



Sösóan-a. 



Laï baük-a bua anak-ala tu-tabe léna bua in&huk-ala. 



B£fiERAPA TJERITERA PEROEPAMAAN. 673 

Ibaratnja. 

Djikalaii orang djahat jaog berkoeasa liendak iQentjahari terapat 
menganiaja orang jang rendab, moedah sahadja dapatnja. 



12. 

TIGA ORANG PENTJOERI. 

Sakali peristswa aUa doea orang pentjoeri membawa lari saekor 
kerbau, maka jang saorang hendak mengantarkan kerbau itoe 
karoemahnja dan jang saorang hendak mendjoealnja. Maka ber- 
bantah-bantahlah inarika itoe sampai berpoekoelpoekoelan. Dalam 
antara itoepon maka terlepas kerbau itoe ditengah djalan raja dan 
dibawa lari oleh saorang pentjoeri jang lain. 

Ibaratnja. 

Bebera])a kali sabagai orang beroleh harta bendanja, demikian 
djoega ia kahilangan barangnja itoe. 



13. 

AJAM UENGAN MOBTIARA. 

Ada saekor ajam mentjahari makanannja diantara roempoetroem- 
poet, maka terdapat olehnja saboeah moetiara jang endah-endah 
dan amat besar harganja. Maka moetiara itoepon diberikan oleh 
ajam itoe kapada saorang soedagar serta katanja: ^/Inilah moetiara 
jang besar harganja, akan tetapi pada akoe saboetir padi lebih 
bergoena. 

Ibaratnja. 

Kadaug-kadang barang jang hina roepanja lebih bergoeua kapada 
kita dari pada barang jang amat moelia dan endah-endah. 



674- TUTOI NAKASASAMAK-ALA. 



14. 

t 

LAFA-LA LA MÈA-A. 

Nai nüsak esa mèa esa höhóü lafon-a ^u^éli. Vaik esa de mèa-a 
fa né,u bae, ma-aa mane lafê-a ii^k^bübüa basa-aa udia in&- 
Dg&laun-ala fa ala sanga l^kübüa lala dêdéak esa da düdüak esa fa 
^a baa bae mèa-a taa bai sala. De lafa ISsi m&lélak esa sékun nén 
ma uae: ^mai ata lalaë bëbèugu e^a n(^u-aa mèa-a bötölin-a, fa 
m^kÜneiiima ana lüiiga-lünga nong ita na-aa ela ata töm&nène.i' 
De basa lafa-la sipok dêd<^ak ndia. Te lütane fa se ndia n&p&lini 
lalaë bëbèiigu-a néxx mèa-a bötölin-a, raa-aa ta hapu esa fa sbük 
tötaos ndia bae. 



Sös6au-a. 

M&k^n(^nima hatöholi l^kübüa sa na-aa südi se n^fada udia 
Jiatin-a; te ra&kSiK^nima neu tötaon-a ma bJilÜd6ik-a , na-aa kikisak-a 
dei fa ana taa tünga ndia n^födan-a. 



15. 

BUSA ÏNA DÜA. 

Busa ina kailus esa böl)üngi dalen, de nSneta na-aa ndia tian 
esji , bei busa bae , nia-aa nake tian ndia ndünun-a fa-aa sanga 
nen bongi neu dalek. l^usa nüino ndünuk-a lutküheik , de busa-aai 
k?lilus-a ndunuk dale neu dv, ana bongi. Bei ta da be te-aa mÜno 
ndünuk-a fiili neüTi , de-aa busa iinÜütuk-a hüle seluk-ana , fa èla 
ndia lèa neme Tidia nala aa faik esa dua fii dei , de niÜnb ndünuk-a 
sipok srhik busa itnÜütuk-a dëdeiin ndia. Niisalua faik hid^hülu 
baema-aa busa mano ndünuk-a seluk neu n?lkitnen i-aa ndia ndü- 
nun-a, te fa ndia-a küilus ma-aa böbongi dalen sa bSe. De busa 



BKBERAPA TJSRITERA PEROIPAUAAN. 075 



14. 

TIKOES ÜENGAN KOETJING. 

Didalam saboeah negeri adalah saekor koetjing, jang terlaloe 
tjakap sakali meuaugkap tikoes. Maka pada soeatoe masa koetjing 
itoe pergi katempat lain, maka radja tikoespon mengoempoelkan 
sakalian rajatuja heiidak bermoeapakat dan mentjahari akal, soepaja 
boleh ia lepas dari pada bahaja kadjahatan koetjing itoe. Maka 
kata saekor tikoes jang toea lagi boediman : //baiklah kita 
ikatkau saboeah giriug-giring pada leher koetjing itoe; djikalau 
demikian boleh kita dengar, apabila koetjing itoe hampir pada 
kita.'' Maka katji itoepan diperkenankan oleh sakalian tikoes , tetapi 
apabila ditnnja, siapakah jang berani menggantoengkan giring-giring 
itoe pada leher koetjing itoe, saorangpon tiada jang akan meng- 
erdjakan pekerdjaan itoe. 

Ibaratnja. 

Djikalau orang bermoeapakat, maka beberapa diantara marika 
itoe menaroeh akal, akan tetapi apabila ada pekerdjaan jang men- 
datangkan kasoesahan dan bahaja atasnja , djaranglah ia melakoekan 
bitjaranja sendiri. 



15. 



DOKA KKOR ANDJING. 



Ada saekor andjing jang boenting hampir waktoenja hendak 
beranak , maka pergilah ia mendapatkan sahabatnja saekor andjing 
djoega minta berhenti ditempatnja, sampai ia telah beranak. 
Satcluh dikaboelkan permintaan itoe, maka andjing jang boenting 
itoepoii niasoek pada iempat itoe, laloe beranak. Tiada beberapa 
lamanja maka datanglali jang ampoenja tempat itoe , maka dipinta 
oleh andjing jnng beranak itoe sadikit hari lagi dan permintaannja 
itoe diloeloeskan djoega. 

Sjahadan bebi^rapa hari lagi datanglah poela andjing jang am- 



676 TUITUI NAKASASAMAK-ALA. 

2ln^ütuk-a uacn nae : //dalek raai sudi , itak-a a m^béï na ; aa ia 
laö fa, lea ta na u^k^ëtik tau-an."^ Busa ÜnÜütuk-a n&fada dcdf^ak 
ndia na, na-aa ndia n^mlihtma ndia anan-ala raiitüa-la ma-aa b&lS- 
kaik-a sa. 

Busa mauo ndunuk-a dalem-a hedis-a tiau-a tötaa m&ngalaau 
ndia, de ana laö hèok néu sauga séluk ndünu beuk. 



Sosóan-a. 

Mük^nenima araa ta bübuluk h&töhóli hadau-a fa, na-aa bal 
taa n^m^hèlck neun-ana , fê-aa baa fai m^k^büin ma ama sale dalem-a. 



16. 



s^ 3 — 



MEAASU-A NA NINIK-ALA. 

Faik esa raëaasu mütüa-iua esa n^tati hu-aa ninik-ala l^karaü 
\vAi diïdon-a. De nüfada ui uik-ala nae: /'bana sösóa-ndünda tak, 
ma lu^uiidadi taue emi, mühèok bilïauan-a ia, baa lüngak-a ma 
au, te au manek nai nüla ia dalek.^ 

B^ïanak bae ma ninik-ala l^kak mêaasu-a difidbn-a ma ala la 
lèa-aa diïdobblon-a lon-a panübblon-a dalek l(^u , de mêaasu-a nóï 
n?iraülu , fa-aa ta nakÜtatakak nala hedin-a fa, ma ana ta bühüluk 
ana taa taoTi lèë , fa mate ndia nuisu kadiïanan sila-la fa. 

Mëaasu-a nilmeda liédi baük , ana ta nüL^tiitak-ala hédis-a, de 
tai nSk:taek-a, de banu lasi dalek-ala iSmJinèue sila manen-a 
halan-a biëma ala nggèntre de lima-ein-ala dole bëtb. Hu kada 
mëaasu-a bedin-a na nasan-a , de ta da bë të ana sóta ; dë ninik- 
ala tai iSmÜhbkok-a lae-aa sila Ifisëngi mëaani-a, de ala la sudi 
loa bè Mu fa sanga bfu tui sila pfilanin-a, fa (^a sila dadi Mu 
manek lëu lasi ndia dalek. 

llu kada nanuthokok-a mèsan , ninik-ala ta lita bölau ndünu-a, 
de böliln ndunu-a liila nala sala , de bölau-a neu dë heünala 
ninik-ala de naiibeni sala. 



fi£B£RAFA TJKRITKRA PEROIPAMAAN. 677 

poenja ieniimt itoe, karau«i ia bocntiug djoega, hendak beraiiak 
disitoc. Maka kata andjing jang telah beranak itoe: //tjoba, 
masoeklah kateinpat ini kjilau boleh, hanja akoe tiada hendak 
kaloear, djika tiada dengau paksa." Maka berkatalah jangsademikian 
itoe, sabab anaknja telah besar lagi koeat. 

Adapon andjing jang lain itoe dengan soesah hatinja ia berpindah 
mentjahari tempat jang lain oleh karana kadjahatan sahabatnja. 

Ibaratnja. 

Djanganlah engkau pertjaja saorang jang tiada engkau kenal 
kalakocaunja, soepaja djangan kaïnoedian engkau menjesalkan dirimoe. 



16. 

HARIMAU DENGAN NJAMOEK. 

Sakali peristiwa adalah ^aekor harimau jang terlampau gedang, 
maka beranglah ia oleh sabab inendeugar boenji njainoek hampir 
pada teliuganja. Maka kata harimau itoe : ^hai , binatang jang 
tiada bergoena , lagi asalmoe dari pada koebangan , indarkan dirimoe 
dari sini, djanganlah engkau hampiri akoe ini, karana akoelah 
radja rimba iiii." Maka sabentar itoe djoega njainoek itoe menggigit 
bibir harimau serta inanoek kadalam telinga dan lobang hidoeng 
harimau itoe, stihiuL'tra hampir gila harimnu itoe meraisn sakit dan 
tiada djoega dapat uieniboenoeh lawannja jang amat ketjil itoe. 
Maka harimau itoepon meuauggoenghih kasakitan jang amat sangat, 
tiada tertahau olehnja lagi , serta ia meraoeng-raoeng , sahingga 
sakalian binatang didalam rimba terkedjoet gementar menengar 
soeara radjanja. Tiiula berapa lama maka pangsan harimau itoe 
karana sakit dan marahnja; maka terlaloelah soeka hati njamoek 
itoe sabab ia niengalahkan harimau , laloe ia terbang kamana-mana 
liendak ine.mberi talux^ kamenangaiinja dan ia hendak uaik radja 
didalam rimba itot». Maka kaïrana sangat soeka hatinja, maka njamoek 
itoe tiada ingat (hm tiada dilihatnja sarang laba-laba jang hampir 
pada tempat itoe; maka ia kena sarang itoe, laloe ditangkap dan 
dimakan oleh laba-laba itoe. 



678 TUTUI NAKASA9AMAK-ALA. 

Sösöan-a. 

Mae töta& m&tüa-la ita tala sala-a baa ata köaa, te fa ma néa 
tötaa anak-ala ma ita ta tala fa sala, da fa ma ita silaka. 



17. 

MEAASU-A NA LAFA-A. 



3 — 



Faik esa lafa esa neme bolon dale raai, ma ana tüda néw mêaasu 
esa eifangan-a dalek. Dè lafa-a hiile mëaasu-a fa élanana n&s6da, 
dë mêaasu-a poïn-aua. 

Ta da bè ma-aa méaasu-a uala hihiïk dale, ma ana ta bübüluk 
ana taa taon lèë, fa uala lóau-a. Lafa-a n&m^nène mêaasu-a tai 
u^k^e- u^k&auk-a bae ma-aa Q&lai-u&lai mésan uéa, de aua ka 
ketu hihiïk-a, bèsak-a meaüsu-a nala lóan-a. 



Sösoan-a. 

I 

Laï baük-a hÜtXhüli mlitua-la hapu sösoak baük-a lème h^t^hóli 

auak-ala mai. 



18. 

MUKK-A NA NÈËK-A. 

Muëk esa saë nènic-jia ai esa ndanan lain nai lè süiik-a , ma 
njik^nae te nèëk esa tüda lè dale neu de ana \\6i lèa-lèa hala-a. 
Miiëk-a uakanae nita biiema aua sfie uèëk-a, de ana tüü uaü dok 
esa lèa lè dale uéu bèsak-a nèëk-a nama niila lain , de aua nala 
madak-laiu. 

ilëni faik i)aübè biie ma-aa mauÜdanga esa u<^u , de uita müëk-a 
bitema iiae kaun-ana; de bei noï nae kiiu, l)ae ma-aa uèë uakas-a 
neu de aua ka luni de aua ka u(»u-aa manadauga a <^iu-a , de 
mÜu^dauga-a niiuirda b('dis bae ina niikabale rin-a , de müëk-a 
uamJluèue biie ma uiilai. 



BEBERAPA TJERITEIA PEROEPAMAAN. 679 

Ibaratnja. 

Apabila kita telah meraboeat pekerdjaan jang moelia , djangaulah 
kita mengataskan diri kita, karaua djikalau telah kita memboeat 
pekerdjaan besar sakalipon , kadaug-kadang kita biuasa djoega 
didalam pekerdjaau jang hina. 



17. 

HARIMAU DENGAN TIKOES. 

Pada soe.*t()e hari adalah saekor tikoes kaloear dari piida liangnja, 
maka djatoehlah ia dibawiih koekoe hari man. Maka tikoes itoepou 
minta djiwa kapada harimau itoe dengan tangisnja; maka dilepaskau 
oleh harimau nkau tikoes itoe. Tiada beberapa lama maka harimau 
itoe kena djerat dan tiada ia dapat melepaskan dirinja dari pada 
djerat itoe. Maka didengar oleh tikoes harimau meloeloeng meraoeng 
maka datanglah ia berlari-lari serta minggigit djerat itoe , sahiugga 
])oetoes talinja, laloe kaloearlah harimau itoe. 

Ibaratnj a. 

Demikiaulah orang jang hina terkadaug bergoeua besar akan 
oraug moelia. 



18. 

PBRAPATl DENGAN SEMOET. 

Ada saekor peraj)ati hinggap ])ada ranting batang"kajoe ditepi 
batang ajer, maka dilihatnja saekor semoet djatoeh kadalam ajer 
itoe hampir tinggehim. Maka sajang hati perapati itoe melihat hal 
semoet itoe, laloe didjatoehkan sabelai roempoet kadalam soengai 
itoe, maka seuioet itoepou naiklah kaakas roempoet itoe, laloe 
tciserah kadarat. Satelah beberapa hari maka datanglah saorang 
perboeroe, dilihatnja perapati itoe, laloe hendak dipanahnja; akan 
tetapi tatkala ham|)ir dilepaskannja anak panahnja, maka semoet 
jang tadi itoepou menggigit kaki perboeroe itoe, maka oleh sabab 
sakitnja perboeroe menggenikkan kakinja, maka terdengar oleh 
perapati, laloe ia terbang. 



680 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 

Sö8Óaii-a. 

M^k^iif^nima ita fali li&tölioli auak, na-aa mae ndia anak bae-a 
fai mük&büin te se ana fali nala ita se] uk. 



19. 

KUE-A NA MANU LALU-A. 

Manu laluk esa m^l^a hik, ana saëk neme paa esa lain. Bae 
ma küe esa neu de uafada manu lalnk-a nae: //töl&nb é naik-a 
manu teidalen na küe têidalen male sa tau-a, de au lasi-maneng- 
ala l&dénu au mai fö tüi émi dêdéak ia. 

Manu l&laën basa bae bi küe-la bai, te mömblek ia lósa basan; 
mSnu-a küe-a dadi töl&nbk-ala sa. Kóna m&i fk düang-ita teu 
t&fada dëdéa m&l&le ia néu a tia lsim-ala.«' 

Manu laluk-a nül^ak küe-a kökolan ndia s&söan-a, hu hata de 
ndia n&dénun-ana kona ndia, de hu ndia de nae küe-a nae: 
//têtèëk-a töl&nb, ami m^m&nène dêdéak ia ma-aa ami dalem-a 
n^m^haka nan n^sala, tünga ami ^afim-a ua-aa m&lale manu-a 
küe-a male fa ata baa bae müsu bai; te maek-a au ita büsa düa 
mai sila èle, de au medak sila-a sauga Mni fe ita bei dêdéak 
luatak ia l)ae. Mai ata t^haui sala dei, fa ala losa na-aa t^tane 
sudi sala, sila léui dëdea lëahatak.// 

Kne-a n^manc^ne üi büsa-la mai bae ma ana bi de nae: /^se au 
ta ^Iiani sa töl^nb, fa-aa faik au bei lÜlaök dae dok.'/ Nafada basa 
lëaudia baema-aa iijilai , de manu laluk-a nümahaka mésau, fandia 
kcfdi nala-aa bai küek sii bain na. 



Sösoan-a. 

MakÜnenima h^taholi fangi nong a, na-aa mae dëdéa-kökólan 
malale taa lëabtVJi, baii-aa tünga ndia dëdra-kókólan sila-a, fa 
baa-aa fai makabüin ma ama hapu bjtlüdoik: te (^la^ ama kedi 
m&bün-ana déi. 



BEBERAPA TJERITERA PEROEPAMAAN. 681 

Ibaratnja. 

Djikalau kita menoeloeiig pada jang terlebih ketjil dari pada 
kita, kaïuoedian boleh ditoeloengnja poela pada kita, djikalau ia 
ketjil sakalipou. 



19. 

MOESANG DENGAN AJAM DJANTAN. 

Saekor ajam djantan , jang pandai menjelidik akal moesoehnja , 
bertiiiggir diatas soeatoe pagar. Maka dataiiglah saekor moesaug, 
kataiija: //hai, soedarakoe, pada masa ini telah djadi berdamai 
autani bangsa ajam dan bangsa moesang dan akoe ini disoeroeh 
oleh orang toea-toea bangsakoe mengchabarkan hal itoe pada sagenap 
negeri ini. Djanganlah sagala ajam takoet lagi akan moesang, 
karana perdamaian ini kekal dan ajam dengau moesang sabagai 
bersoedara djadinja. Marilah engkau toeroen dari pagar itoe, ber- 
djalanlah bersamasania akoe memberi tahoe chabar baik ini kapada 
sahabat-sahabatmoe/^ Maka ajam itoe telah tahoe akan akal moesang 
itoe menjoeroeh dia toeroen diri pagar, maka katanja: /s^hai , 
soedarakoe, sasoenggoehnja soekatjita kami mendengar chabar baik 
ini , karana pada pikiran kami baik berdamai dari pada bermoe^oeh 
diantara bangsa ajam dan bangsa moesang; tetapi ini akoe lihat 
andjing doea ekor hendak kamari; agaknja marika itoe disoeroeh 
djoega membawa chabar akan hal itoe. Baiklah kita nanti marika 
itoe sampai kamari , boleh kita tanja poela chabarnja/^ Maka apabila 
moesang mendengar andjing itoe lagi datang, maka ia takoet serta 
katanja : //hai , soedarakoe , akoe tiada sempat berhenti lagi , karana 
masih djaoeh akoe hendak berdjalan hari ini.^^ Satelah berkata jang 
demikian, maka larilah ia; maka terlaloelah soeka hati ajam itoe, 
karana telah diperdajakannja moesang itoe. 

Ibaratnja. 

Djikalau bagaimana baik bitj ara orang jang berseteroe, djanganlah 
ditoeroet, soepaja djaugan achirnja beroleh kasoesahau; melainkan 
maksoednja jang djahat itoe disia-siakan sadja. 



632 TCTL'I NAKASASAMAK-AUL 



2^. 
NÜALA SASAEM-A NA XDALA FIFCaK-A. 



Xdala s^saêk esa laök ii.1p^lolok na nciala fifoak esa, ana fü 
liöa süili luatak-ala belan-ala Uïlsala. De uiiala fiifoak-a nakcr ndala 
di&saëk-a uae: «^tóli&fio a, lépa baba au büa au lépak lb-1a lüma 
iléi, te au am&lasi lie au ta flbtM aoncr «a, a ta fali ao fa, na-aa 
se mate au." 

Xdala s&9aêk-a nSta ma nae: ''tölino, au ta lépa il«^k fa, 
kada miLkinénima-aa hStÜhuli Iru l^tati sa, na ala l&baböa aa sUa 
büa mösun-ala , fa-aa ala saê au : a niita nai dae bafok ia lama 
pütes ma aa lüma sudak, de esak-a nata ndia singa-salan tau-on.' 
Xdala füfüak-a ta nilh&hala, béi ta da be te-aa ana bala nt^a de 
maten-ana, fa ana ta lépa nib«M-aa büas sila-la fa na. 

De tau mino ndalak-a huï nala basa büas^ala de ana faa 5ala léu-aa 
ndala sSsaêka lain. ma ndala fiifuak-a liuna-d ana foan ném bae. 



Sösuan-a. 

Ilfitahijli uaia hrtli-laus Ja höta-builk na rla ata taii-falin-:ina 
dri (il \i,iii-:\:\ iirsik «lr:k . (113 hüta-buük sib laë 5»^uk ita ai»ii--ft. 



21. 

LAFA-A XA XGADl-A. 

InAm.uiëaiia e^^ sië ntraradi es^a ni basa ndia büa p&pdke [lüciaan^ 
al:i , ile ;ina laiik ékift*.* uüsak-a de hfiiahvli-U tunj?an-an:i. Risa 
nüs-ik inlia hrliahMliü-ula Limahiiku lanilu n^idi-a lalen-a. RieniA 
lafi ezia uil»» uia nae; -hataholi-la lémin a, lad Icê iir éuii basac^- 
emï oianilu ni/ïTidi udia . te esa ta nakauae au baer Emi EBLiviilu 
üi^radi ndia na, ua hu mlia initüan-a ma uJia UWu-a Wet^i. \tr 
tüüATa au aanü«?-a ua-aa au mt'dan aiiii bri Ica cïsak-ala. » Btri 
nlfada uae lëandia 



BEBËKAPA TJ£RIT£IIA PEROEPAMAAN. 683 



20. 

KOEÜA TOKNGQANG DENGAN KOEDA BEBAN. 

Ada saekor koeda toeuggang berdjalan bersaiua-saina saekor 
koeda beban , jang ineraikoel roepa-roepa barang jang terlampau 
berat bagaiDJa. Maka kata koeda beban itoe : ^hai , soedarakoe , 
toeloenglah engkau memikoel sabahagian barang jang akoe pikoel 
ini, karaua akoe telah toea dan koerang koeat, dan djikalau tiada 
jang menoeloeng akan dakoe ini , nistjaja akoe mati." Maka djawab 
koeda toenggang: /^hai , soedarakoe, akoe sakali-kali tiada tahoe 
memikoel barang sasoeatoe apa, hanjalah akoe dinaiki orang pepe- 
rangan dengau sagala alatnja dan tahoelah engkau , bahoea didalam 
doenia ini ada jang bersoesah dan ada jang bersenang, dan sakalian 
orang ])atoetlah ia mengandoeng kasoesahan sendiri/^ Maka berdi- 
amlah koeda beban itoe, akan tetapi tiada berapa lama maka 
rebahlah ia katanah, laloe mati oleh karana amat kaberatan barang 
jang dipikoelnja itoe. Adapon jang ampoenja koeda jang doeaekor 
itoe, maka dipindahkannja sagala barangnja kapada koeda toeng- 
gang , tambahan poela koelit koeda jang mati itoe disoeroeh pikoel 
djoega olehnja. 

Ibaratnja. 

Hendaklah kita saboleh-bolehnja menoeloeng orang jang kena 
soesah , soepaja djangan kamoedian kaso(^sahan itoe djatoeh atas 
kita sendiri. 



21. 

TIKOES DENGAN GADJAH. 

Adalah saekor gadjah diarak oranglah koeliling negeri serta 
(likandurai oleh saoraiig poeteri dengan sagala kalangkapau jang 
eudah-endah. Maka sagala rajat negeri itoepon bersoeka hatilah 
melihat gadjah itoe dengan elok roepauja. Maka kata saekor tikoes: 
/'hai , manoesia , mengapa kamoe sakalian menengok gadjah itoe 
dan saorangpon tiada melihat akoe. Adapon gadjah itoe dipandangi 
karana gedanguja dan kalangkapannja, akan tetapi pada rasakoe 



084 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 

baema-aa mèa esa uéu de kabi ualau ma nSen nfie: «^lafS o, 
nggadi a téë, ua hetu au ta kaba ala Lff 



S ö s 6 a 11 - a. 

Bai ata köau ma baa ata töküsiLsamak aa tala ta-an h&Ulhóli 
ini&tua-manalu-la. 



•>o 



KÉKÉIHK NALA KÉKÉÜIK. 

Tau dangan esa sanga laö lèa iiüsa fèëk neu, de néni fè ndia 
tiau-a bési piko esa, i^ ii^pedau losa faik bè ana nÜs^föli. De 
bülak b^übè Mnak-ala baema-aa tau daugan-a D&s^fali , dè iii^u 
nük&néni tiau-a fa sanga nake falik b^sin-a. Baema tian-a uaeu nae: 
//tia é, aa süe ala a n^ala baïu tè tk taon lèë, & lafa-la laa 
basa-aa 5 besim-a sa.// Müna brsik-a uSuSuène tian-a dêdéün-a 
biiema-aa taok-a nilmJihèle de ana nadii nahèlek tian-a. 

Iléiii filik büübè biieuia tau daugaii-a hiUi nala tian-a aiiaii-a 
dè nÜfünin-ana , na tè aniïana-a aman-a ta nita. l)è :tuiïana-a 
amnn-a neu nïlkaueni tian-a dè n^tanen nae: /'tia e, au daleng-a 
silsa nan nJlsala, fa niipa-aa au ana siisüeng-a sa." Biiema tiaii-a 
naen nae: //au ita ii anam-a balitpüa esa laü nrnin lèa lÜtai iieu. 
//Baema tiiu mjtna anak-a nae : //külauk-a dè , au anang-a m.^tüa-a 
sa, ma dadi bè dè, bÜlttpüa bei n,^b(n laü n<5nin-aua!// 

Baema m^na besik-a naen nae : //tiang-a baa n^k^nda suta 
dëdeiik ndia, tè itak-a a mita nai bè lafö naa nahéi besi piko 
esa, na-aa bütópüa-a nilbeï la neni ïlniïana bae.// 

Tau mJlnii anak-a njlmünène tian-a kökólan baema-aa n^lélak 
sösoan-a dè ana fe falik tau dangan-a besin-a, dè besak-a tóu 
dangan-a fè falik ndia anan-a. 



BEBERAPA TJERITEEA PEROEPAMAAN. 685 

sakali-kali akoe tiada hiua dari pada gadjah itoe/' Teugah ia ber- 
kata-kata, maka datanglah saekor koetjing; maka ditangkapnja 
tikoes itoe, kataiija: //hai, tikocs, djika eugkau gadjah, tiada 
dapat eugkau akoe tangkap.^' 

Ibaratuja. 

Djangaulah kita luembesarkau hati kita dau djaugaulah kita 
heudak meujamakan kita deugan orang jaug lebih besar. 



22. 

TI POE DIBALA8 DENQAN TIPOE. 

Ada saorang soedagar hendak pergi berlajar dau dibawauja besi 
sapikoel kapada saorang sahabatnja akau disimpan , sampai ia 
poelang berlajar. Maka antara beberapa boelau soedagar itoepon 
kombalilah , laloe ia pergi mendapatkau sahatbatnja memiuta besiuja. 
Maka kata sahabatnja : /i^hai , sahabatkoe , akoe terlaloe sajaug 
padamoe karaua besimoe itoe tiada lagi, habis dimakan tikoes/^ 
Maka jaug ainpoeuja besi itoe poera-poera pertjaja akan perkataan 
sahabatnja, heraulah ia roepanja mendengar hal jang demikian itoe. 

Arkian tiada berapa hari autaranja maka dilarikau dan disem- 
boeuikau oleh soedagar itoe akan anak sahabatnja, tiada deugan 
satahoe bH])akuja. Maka suhabatujapou datang kapadanja, katauja: 
/'hai , sahabatkoe, akoe iui terlaloe sakali soesah hati, karaua auakkoe 
jang koekasihi itoe telah tiada lagi/' Maka djawab sahabatnja: 
//adapon auakuioe akoe lihat dibawa terbang oleh saekor boeroeug 
helaug kaoedara/' Maka kata jaug aiupoeuja anak itoe : ^mauakan 
boleh karaua auakkoe telah besar dau tiada sakali-kali boeroeug 
helaug koeat menggoeuggoeug dia/' Maka sahoet jaug ampoeuja 
besi: //hai, sahabatkoe djaugaulah eugkau heran oleh sabab hal 
jang demikian itoe, karaua djikalau besi satoe pikoel boleh habis 
dimakan tikoes, nistjaja boeroeug belang dapat djoega menggoeug- 
goeug terbang kauak-kanak. 

Adapon bapak anak itoe telah ia mengerti maksoed sahabatnja , 
mnka laloe besi itoe dikombalikauuja dau auaknja dikombalikau 
djoega kapadanja. 

5e Volgr. X. 45 



686 TUTIJI NAKASASAMAK-ALA. 

S ö s O a n - a. 

Sü kédi füle hStöhdli, ua se m&kSnaeu tè ala kédi füle lala 
suk-ana. 



23. . 

HATAHÓLI DÜA lA TÏTÏAK ESA. 

H&töhdli düa bëlaa M^ik-aa tasi süük-a ma lita-aa titiak esa. 
Ha lölóka nénin lèa sölökaek-a néu. Dè düas ala l&tóna titiak-a, 
esa na uau fa-aa ndia luésak-ana iiaaii, tè üi ndia ndia nita 
n&k&hOluk-aiia , ma-aa esak-a uau fa ndia mésak-ana n&au, tè üi 
ndia nita nük&hüluk-ana. Baema düas-ala l&hü, dè t&u pokek esa 
neu baema-aa IJlden un-ana ntlkétu fe sala si la dëdéan-a. Baema tau 
pbkek-a höïnala-aa titiak-a isin-a dè naa héniu , ma ana bia baë-aa 
laun-a néu düa dè ana fè düas-ala bêkësélik. 



Sös6an. 

M^k^ueuima bcugon néu dëdeü bibia anak esa fa h^t^hóli dadi 
l^hü, na-aa m^k^uaen tè ala hapu luugi ma m^maek béla. 



24. 

MÊAASU-A NA BUS A-A. 



v^ 3 — 



Faik esa mêaasu nggèok esa uStauga na büsa esa, de-aa uae 
hóü ueni busa-a lèa uüla dale néu. Baema busa nae : ^au ake 
apon l^m^tüak-a; iSmÜtüak-a nae uaü au tè fa nggüna hata fa-aa 
au aong-a bei nggofalauk-a , de ta dai fa lamatüak-a naa uiik&béte 
fa.'/ Naik mëiiasu-a daleu-a na nae: /rtèë lèa büsa ia k&kólan-a 
tèë, lèa au poïn-aua bülak düa lëandia na-aa sè u^aa ièë.ff Baema 
nae büsa-a n&e: //au póï a sódak bülak düa./' 

Mëaasu-a fali nüla dale néün, de basa büla k^düak-ala b«aema-aa 
ana fali néu sanga büsa-a; de ana hapun nèmc-aa h&t&hóli uman, 
b&ema-aa n&16n-ana f& ana lè& deak mai. Tè btisa-a nfie: /i^lftmi- 



BEBEBAPA TJERITERA PEBOEPAMAAX 687 

Ibaratnja. 

Barang siapa inenipoe dan mengoemboek orang, tadapat tiada 
dibalas djoega dengau tipoe dan oemboek. 



DOEA ORANG DENGAN TIRAM. 

Akoe doea orang berdjalan-djalan ditepi laoet, raaka terlihat 
olehnja tiram , jang dibawa oleh ombak kapantai itoc. Maka orang 
jang berdoea itoe hendak memakan tiram itoe sendiri-sendiri , 
karana pada perkataan satoe-satoenja ialah jang dahoeloe meliliat 
tiram itoe. Maka berkalahilah marika itoe, sahingga datanglah 
saorang boeta; maka orang boeta itoepon disoerochnja mamoetoeskan 
perbantahan itoe. Maka orang boeta itoepon memakan tiram itoe 
dan koelit tiram itoe dibelahnja doewa, maka sabelah diberikannja 
akan saorang jang berbantah dan sabelah akan jang lain. 

Ibaratnja. 

Demikianlah djika orang berbantah oleh karana perkara jang 
ketjil, nistjaja kadoeanja ia mendapat roegi dan maloe. 



24. 

HARIMAU DENGAN ANDJING. 

Pada soeatoe hari maka adalah saekor harimau koembang bertemoe 
dengan saekor andjing, maka andjing itoe hendak digoenggoengnja 
lari kadalam hoetan. Maka kata andjing itoe: ^ampoen, toeankoe, 
beriboe-riboe am])oen , apalah goenanja toeankoe memakan badan 
patik, karana patik masih koeroes, tiada tjoekoep badan patik 
melepaskan kalaparan toeankoe.'' Maka pikir harimau itoe: ^^^benar 
sa])erti perkataan andjing ini ; djika andjing itoe koehidoepi barang 
doea boelan lamanja , nistjaja gemoeklah ia ;^^ maka katanja: ^biarlah, 
engkau akoe hidoepi doea boelan lamanja." 

Arkian maka pergilah harimau itoe masoek kadalam rimba dan 



688 tÜTUt NAKA8ASAMAK-AtA. 

tüak-a hi na-aa mahani t&tak b^ïanak fa ela au a-aa au töl&Dbng-a 
mai, f& déï iSm&tüak-a naa ami dua bela.^' Mëaasu-a nSklliiae 
ma büsa tölSuou-a, luiltü&ina ma-aa bSlSkaik-a baema-aa a&lai uüla 
dale Deun. 



Sö96an-a. 



Baa m&mShéna mae a hapu baük-a dei fU-aa lèsak-a ahöïmalan, 
tè mae a n^lem-a bSïünak-a-a höïmalan {& baa-aa fai uésik déa, 
ma na te ama ta hapu hata fa. 



25. 

TAÜ LASIK ESA NA TAÊANAK TÉLU. 

Tau lasik esa téun-a nai lè& falu huluk-a dei, ana séle ai, dè 
t&ëanak telu lésik ndia dè litan-ana sèle ai , baema-aa laen lae : 
//ama 6, a sèle ai taa néu hata, (a-aa ai-a bei ta nJibóa fa, na 
te mate a sa./^ 

Tau lasik-a nae sala nae: /^^mi baa m^kSf^faik au taa lêandia, 
tè-aa ta bübüluk ita hStSholi ia lëlèa-lalaön fa; büluk-a fa ma au 
bei ^óda leua emi bae, ma-aa mae au ta hapu üa ai ia bóan-a 
fa-a, fai uésïk d(^a tè sè au üpu-anang-ala hapu laan-ana.// 

T&ëanak-ala laa, de ta dok-a te esa nëu sae 6fak, de 6fak-a 
bala de mate udia . ma esa dadi langa musu , de musu-a sila nisan- 
ana , ma esa tüda ai de maten , de dadi mate basa t[iëauak>ala 
telus-ala, te bei ela tau lasik-a k^sudak. 



Sös6an-a. 

Hatühóli mülik baa n5m&hé;na nae se ndia nüsóda nala dok-a , 
te h&t&hóli mSnSmate nülak-a baük-a. 



BEBERAPA TXERITERA PEROEPAMAAN. 689 

sasoedahnja doea boelan itoe, rnaka iapon kombali mentjahari andjing 
itoe; maka kadapatau padanja andjing itoe didalam roemah orang 
laloe dipanggiluja andjing kaloear. Maka kata andjing itoe: //hai, 
toeankoe, silakanlah toeankoe nanti sabentar, hamba kaloear ber- 
sama-8ama soedara hamba, boleh toeankoe memakan hamba, boleh 
toeankoe memakan hamba berdoea bersoedara.'^ Maka dilihat harimau 
soedara andjing itoepon terlaloe amat besar dan koeat roepanja, 
maka larilah ia poelang kadalam rimba. 

Ibarat nja. 

Demikianlah djoega djanganlah orang salaloe harap akan oentoeng 
jang besar, hendaklah ia berseuang djoega kalau beroleh oentoeng 
jang ketjil sadja, soepaja djangan achirnja soeatoe apapon tiada 
didapatnja. 



25. 

OEANG TOEA DENGAN TIGA OEANG MOEDA. 

Ada saorang toea, jang kira-kira oemoernja delapan poeloeh 
tahoen, menanamkan sapohon kajoe; maka laloe tiga orang moeda 
melihat hal itoe, serta katanja: //hai, bapak, apa goenanja eQgkau 
tanamken batang kajoe itoe , karana sabeloemQJa ia berboeah , 
nistjaja engkau meninggal/' Maka sahoet orang itoe; //djanganlah 
kamoe bergoerau-goerau , karana oemoer manoesia tiada dapat 
ditontoekan ; barangkali oemoerkoe dilandjoetkan lagi lebih dari 
pada oemoermoe, dan lagi apabila pohon kajoe ini tiada bergoena 
akan dakoe , kamoedian boleh bergoena djoega akan anak tjoetjoekoe/^ 
Maka laloelah orang moeda itoe, dan tiada berapa lama antaranja 
maka jang saorang pergi berlajar; maka kapalnja karam dan iapon 
tenggelam : dan jang saorang djadi hoeloebalang , mati ditembak 
oleh moesoeh, dan jang katiga djatoeh dari pada batang kajoe; 
maka matilah orang moeda jang tiga itoe dan oraug toea itoe 
masih hidoep djoega. 

Ibaratnja. 

Djanganlah orang moeda harap akan pandjang oemoernja, karana 
banjak orang jang mati moeda. 



690 Turn xak^sasjlmak-ala. 



9&. 

KADE-A NA MAXGI W>AK-A. 

K^e e!<a iit^nii; ó<i esa dalek, ram n&kinie te mangb rsa 
nésala, baenui ana kae lèa ai-a lain nea de ana sea luüa- 
e-m Ijaema ana saa Uan-a. I>e niméda ma maii^ bóak-a laiin-a 
mikahedak-a bae ma ana tnühéuin, na te ana ta babölukfii. Ei-aa 
man^n^a lauu-a mikihédak-a te-aa isin-a mikkèk-a. 

Sös6an-a. 

Miik^n^nima ama mlitauga ma-aa baas esa, na te ama bei ta 
bnbüliik-aua na-aa bsïa téuétü makaman-ana ma-aa baa Xmi nüUütn 
d^in-ana, Ut ela milamüla mélalale déiu-ana. 



27. 
PAK EK-A NA LÜÜÉIK-A. 

Tau )iak(^k fsa nduota ua-aa tau lüüeik esa. l)e tan pakek nae 
iHU lüümk-a nae: ^-d nau na düaug ata \^(bI\ aa. Déï au löa a. 
Ut inae au matau^-ala pakek-ala-a , au éing-ala b&lakaik>ala , fa déï 
a matiidu au ènok-a te a matam-ala dei fa lita.^r 

Tau lüük-a üipok tau pakek-a kökólau-a de duas-ala laök l&n- 
dule nii8ak-ala. 



S ö s ó a n - a. 

Mak.-ineiiiina luitalioü Ififali aa, iia-aa se ala liapu sila m^Ialen-a 
bèla. 



BEBEIUPA TJERITEiU PEROEPAMAAN* 691 



86. 

KEEA DENQAN BOEAH MANGQIS, 

Saekor kera masoek kadalam kebon boeah-boeahaii , maka dili- 
hatiija sabaiang kajoe manggis jang berboeah, laloe dipandjatuja 
batang itoe; maka diambiluja saboeah manggis serta digigituja 
koelit boeah itoe. Maka dirasanja pahit, laloe boeah itoepon di- 
boeangkannja , karaua tiadalah ia tahoe hal boeah manggis itoe 
paln't diloear, manis didalam 

Ibaratnja. 

Djikalau bertemoe barang sasoeatoe jang beloem kamoe katahoei, 
djanganlah barang itoe ditjela dan ditjatjat, sabeloemnja dipariksa 
dengan sabenarnja. 



27. 

OEANG BOETA DENGAN ORANG LOEMPOEH. 

Ada saorang boeta berdjoempa dengan saorang loempoeh. Maka 
kata orang boeta itoe: ^djika dengan kahendakmoe, dapat kita 
toeloeng-menoeloeng. Marilah akoe doekoeng engkau, karaua mas- 
kipon matakoe boeta, kakikoe masih koeat, dan engkau boleh 
menoendjoekkan djalan padakoc, karana engkau ada melihat/^ 

Sjahadan oleh orang jang loempoeh ditarimalah perkataan jang 
demikian itoe, laloe berdjalanlah orang jang berdoea itoe berkoe- 
liling negeri. 

Ibaratnja. 

Djikalau orang toeloeng-menoeloeng, nistjaja meudjadi oentoeng 
kapada kadoea pehaknja. 



692 TVTVI NAKASASAMAK-ALA. 



38. 

HATAHÓLI DÜA LAA LÏNU. 

H&töhóli daa laa linu de póa heni nóü pan-ala aen-a, de boa- 
lóau-ala lük&dae naü-n&ü-a. Baema esak-a nae-aa nönon-a nie: 
/^töl^nb a, külauk-a a müa mini ta na hadak fa, &-aa aboa-ldim 
iSk&dae paae baïn te a ta mita fa.^ Baema nönbn-a nSen nae: ^a 
m&kHnae südi a büa-lóam-ala dei tol&nb> l&k&hae pShae bae te i-i 
ta mita bae.// 



Sösóan-a. 

Baa m&foda m^ng&l^laa hataholi, te m&f&ndèle m&kiihaliik i 
singa-salam dei, &-aa baa lèa dédéa n&k^nd(^sik-a nae-aa: nggü- 
mak-a nai taai sélik, ua a mitan-ana, te nggadi-a ndia a mata 
laum-a bae, na-aa a ta mita fan-ana. 



29. 

HATAHÓLI-A NA NA-A. 

Na m^déma ina e^a uiifada ma nae: '/tëtèëk-a basa ai-la manen-a 
ndia au, fa-aa ai esa-a ta dema au bae, au laugang-a süi l^lai 
ma au Ük^nae hüt^hóli-la lai au éing-a na-aa nönok-a bai uèëk- 
ala.// Ana bei kola-kola nae lêandia baema-aa tauk esa neu , hóü 
néni taka esa de laa n^bün-ana. 



Sösóan. 

Baii inauiahéna a bül^kaiui-a mésan, te-aa laï baük-a h^Uihóli 
bëïtak-a ualtitu solung-a. 



BEBKRAPA TJEBJTCBA PEROEPAMAAN. 693 



28. 

DOEA ORANG MAKAN KOEAH. 

Adalah doea orang doedoek makan, maka dari pada kadoea 
tertjoetjoerlah koeahnja, sahingga herloemoer pakaiannja. Maka 
kata jang saorang : //hai , soedarakoe , sasoenggoehnja koerang adjar 
engkau makan, karana pakaianmoe katjoetjoeran koeah dengan 
tiada satahoemoe.'/ Maka djawab temannja : //hai , soedarakoe, 
lihatilah olehmoe pakaianmoe sendiri ia telah katjoetjoeran koeah 
djoega, sahingga berloemoer dan tjemar dan tiada engkau tahoe 
djoega. 

Ibaratnj a. 

Djanganlah kamoe soeka mentjela orang lain, hanja hendaklah 
kamoe ingat dahoeloe akan salahmoe sendiri, soepaja djangan saperti 
pepatah : koeman disaberang laoetan tampak , gadjah dipeloepoek 
mata tiada tampak. 



29. 

ORANG DENGAN BATANG NJIOER. 

Ada sabatang njioer jang terlaloe tinggi adanja, maka kata 
batang itoe : /^hai, benarlah akoe radja diatas sagala pohon kajoc , 
karaua sabatangpon tiada jang satinggi akoe ini; adalah kapalakoe 
sampai kaoedara dan manoesia dibawah kakikoe sabagai semoet 
roepanja.'' Sedang ia berkata demikian itoe, maka datanglah saorang 
dengan kapaknja, laloe ditebangnja batang njioer itoe sahingga 
rebah katanah. 

ibaratnja. 

Djanganlah eui^kau terlaloe pertjaja akan koeatmoe sendiri , 
karana atjap kali jang terlebih hina dari padamoe dapat djoega 
membinasakan eugkan. 



694 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 



ae. 

HATAHÓLI DÜA HAPU BÜAS LÈME ÈNOK LAIN. 

Faik esa li&tahóli düa bëlaa, de lala «na tölddak ma-aa esa héle 
iiala ^lükosu esa d6ik lii dalek. Baema nönon-a nSen nSe: «^ita 
düa nalen-a de ita hapu doik ia-Ia, m&i düa töbaë aala.'r Baema 
miln^hêlënala ^lükosu-a nae: /^au ta iiaa &baë dóik ia-la a afa, aa 
ndia héle ala sala, de esak-a aii aou.^ Düas-ala béi ta Isök Wa, 
dok-a te ala ndüku nüla dale, baema l&tanga la h&tèlhóli mftlbsok 
esa ; baema mUniihoü &lük6su-a bi de nae : ^se ita dua sil&ka bsïn, 
fa ita tötanga ta-aa tau kiilosok ia.// Baema nönbn-a nften nie: 
//tetèëk-a ita silaka sa ma, te kada il m<^sang a bae, fa bèsak ia 
esak-a aii aon bae sa ma.// Aua bei kola-kola te n&lai sa, te 
nónou-a ndia bè ua-aa tau k^losok-a hoünan de Ibsa nala-aa büa- 
lóan-ala. 



Sösóan-a. 

Makaneraina se liapu onton ma niifandèle kada aon-a mesan , 
na-aa ndia hapu luita-büük te se esa t^i falin-ana bae. 



31. 

MANAFÖ KAPA-A NA MANASÖPU-A. 

Müuïlfc) kapa esa nünra kapa neme nüla süük-a , baema-aa 
m^nasopu esa neme nüla dale mai de nÜtanen nae : ^/m^n^fo kapa 
e, ii ta mita nusa esa nesik nüla süük ia fai' Neme f^faik-a inai-a 
au tünjran-ana te au ta hole hapu fan-ana.'/ Biiema mÜn&fo kapa-a 
nüfiidaii nae: "Uiikas ia au ita nüsa-a nitlai fali séluk nüla dale 
neün , te nnlinia ii sótan«r ü na-aa drï au u tünga nüsa-a fa a 
makanae au kaj)anj^-ala. // 

Biiema inÜnitsoj)u-a nae : "inahi au sisilon^-a nii büsa-a fa mu 
tünga nüsa-a, deï au Ünea a kapam-ahi.'/ 

MSnÜfo kapa- hoï nala münüsopu-a sisilou-a büsan-a de-aa lèa 



BEBKRAPA TJEBITERA PEROEPAMAAN. 695 



30. 

DOEA OBANG JANG MENDAPAT HARTA DIDJALAN. 

Fada soeatoe hari adalah doea orang berdjalan-djalan , maka 
ditengah djalan jaiig saorang inendapat saboeah poendi-poendi herisi 
docit. Maka kata handainja : ^/hai , beroentoenglah kita mendapat 
harta itoe : inarilah kita bahagi.^ Maka djawab jaug meudapat 
poeudi-poendi itoe : '/tiada sakali-kali akoe berniat hendak inem- 
bahagi harta ita deiigau engkau, akoelah jaug mendapat akan dia 
dan sasaorang ingat akan dirinja.// Tiada berapa lama doea orang 
itoe berdjalan, maka masoeklah ia kadalam hoetan, maka ber- 
soealah ia dongan saorang penjamoen ; maka takoetlah orang jang 
menaroeh jmendi-poendi itoe, katanja: 'Hjelakalah kita bertemoe 
daugan orang penjamoen itoe.^/ Maka djawab temannja: //beuarlah 
tjelaka pada engkau sendiri, karana sekarang ini sasaorang-pon 
ingat akan dirinja sadja.^ Tengah ia berkata demikian, maka 
larilah ia, akan tetapi temannja jang beroleh harta itoe ditangkap 
dan dirampas barangnja oleh penjamoen itoe. 

Ibaratnja. 

Barang siapa jang beroentoeng ingat akan dirinja sadja, nistjaja 
tiada ia beroleh pertoeloengan , kalau dalam kasocsahan. 



31. 

ORANG GOMBALA UENGAN ORANG PERBOEROK. 

Ada saorang gombala mendjagai kerbau ditepi hoetau, maka 
sakoenjoeng-koenjoeng kaloearlah saorang perboeroe dari dalam 
hoetan itoe, katanja: ^hai, gombala, tiadakah engkau melihat 
saekor roesa ditepi hoetau ini F Adalah dari pagi-pagi akoe mem- 
boeroe poesa itoe, tiada djoega akoe dapat meugampiri dia.// Maka 
djawab gombala: //adapon baharoe ini akoe lihat roesa lari kom- 
hal i masoek kadalam hoetan , tetapi djikalau engkau lelah , marilah 
akoeh ini boleh memboeroe roesa itoe, engkaulah mendjagai 
kerbaukoe ini.'/ Maka kata perboeroe: //ambillah bedilkoe dengan 
andjingkoe, beroelab roesa itoe, biarlah akoe djagai kerbaumoe. 



696 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 

nula dalé néu, Ta da be te n^k^nüe ma nüsa-a hlihae, baema ana 
silon te salan-ana, laë kada-aa inlinlis6pu-a büsan-a. De busa-a 
fali néün n&k&néni l&m&töan-a de m^n&fb kapa-a tüngan-ana. De 
ana lósa man&s6pa-a sungu, ma kapa-la hèit&hóli l&mftuaka léni 
s& sala. 

Mftn&m kapa-a dalen-a süsa baük-a, de ana bi lèa uma néün- 
ana, te fa n^mapa kapan-ala sa na; de amau-a n&fakblun-ana de 
fépa-fépa nalan hata néu ndia ta n&n^a mSlalale ndia t&t&on-a. 



Sosoan-a. 

Esak-a ta& ndia Uitaa-nönóïn , te baa sököndaki basak-aa h&t&hóli 
Ifttaa-nönóïn. 



32. 



TAU MANALÈA NGGALAK-A NA AI LASIK-A. 

Tau m^nalèa ngggalak esa uae laa nisa süükiiböiibaëk csa te uni 
ta uah6a sa. Baema ai-u naen iiae : "basa lali misa au dei t** ta 
dok-a te au móli séluk, ma a mSfóndèle südi h6ak au fe ok-ala 
fa a hiipu a ontom-a haü basa ndia-a.'/ Te tilu iiggiilak selu nae: 
^/tetèëk-a au süe ii liiii isa a-a, te besak ia iia-aa au sauga pake a 
aim-ala, ma a-a ta iii^bua dok-a sa bae./^ Baema m&nüpüi lüma 
landünu lai-lai ai ndia lain , ala mai de lae-aa tauk-a lae : //litm^- 
tüak a, basa laa misa ai ia, te ami mündünu nai ndia lain , ma-aa 
saön-a nüsülu ami baük-a; mllkünc^nima ami m^taU na-aa a anam- 
ala mili fa lÜmÜhahaka ami tolom-ala, de éla ai-a nioli." 

Tauk-a hikn münüpüi-la hiihülen-a , te ana nau fa laa nisa ai-a 
d<^i. Baema faiii bübüak esa neme ai-a bolon dale mai de nae : 
'/basa laa misa ai ia ; ü ta laa misan-ana na-aa ami mai ia tai , fa 
südi téuk-ala a hapu ami aem-a, te mllkSnt^nima a laa misa sou- 



BEBEBAPA TJSBITEBA PEBOEPAHAAN. 697 

Maka gombala itoepon masoek kadalam hoetau membawa bedil 
serta andjing oraug perboeroe itoe. Tiada berapa lama maka dilih- 
atnja roesa itoe berhenti , laloe ditembaknja tiada kena , melainkan 
andjiDg orang perboeroe itoe kena peloeroe. Maka andjing itoepon 
kombalilah, mentjahari toeanuja dan gombala mengikoetnja. Maka 
9ampailah ia katempat perhentian. perboeroe, maka didapatnja 
perboeroe itoe tidoer dan kerbau itoe dibawa lari ditjoeri orang 
sakaliaunja. Adapon gombalan itoe terlaloelah ia bersoesah hati 
dan takoet ia poelang kapada iboe bapaknja, karana kerbaunja 
soedah hilang; maka dimarahi dan dipoekoel akan dia oleh bapaknja, 
karana koerang djaga akan pekerdjaannja sendiri. 

Ibaratnja. 

Hendaklah sasaorang mengerdjakan pekerdjaan sendirinja, dan 
djanganlah ia bertjampoer dalam pekerdjaan orang lain. 



32. 



ORANG KAMPOENQ DENGAN BATANQ KAJOE JANQ TOEA. 

Adalah saorang kampoeng hendak menebang sabatang kajoe tjoe- 
badak, jang tiada berboeah lagi. Maka kata batang itoe: //dja- 
nganlah engkau tebang akoe ini, karana tiada lama djoega 
akoe akan hidoep lagi dan ingatlah akan boeah jang telah koeha- 
silkau dengau menerbitkan oeutoeng besar bagi engkau.// Maka 
orang kampoeng: //sasoenggoehnja akoe sajang menebang, hanja 
pada masa ini akoe hendak mempergoenakan kajoemoe, karana 
tiada engkau berboeah lagi.// Maka datanglah beberapa boeroeng 
jang bersarang pada dahan-dahan batang kajoe itoe, seraja berkata: 
//hai , toeaukoe , djanganlah kiranja ditebang batang ini , karana 
ialah tempat kami bersarang, sabab banjak katedoehan dari pada 
bajang-bajanguja ; dan apabila kami bertelor didalam sarang itoe, 
atjap kali anak-anakmoe soeka hati bermain-main dengan telor 
kami; biarlah hidoepi batang ini.// Adapon orang itoepon tertawa- 



698 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 

ana na se ami mé\x s&nga m&mana beuk nai h&töhóli ain.^^ B&ema 
tauk-a nae: ffémi mae lëandia sa, na se au éla ai ia n&s6da./^ 



Sös6an-a. 

Ama sanga hüle h&tüholi hata, na-aa mlitüdu m&k&hüluk iiilia 
onton-a fa Icsak-a ana sipok a halam-a. 



83. 

LAMAK-A NA BABAÜ-A. 

L&mak esa neme naü dale, de n&klinae te b&baü esa la neme 
osi bünga esa dalek. ]^mak-a aQ ma nae: //k&sian au tèë-tèë, au 
lidang-a ta lèa b^baü ndia de hündia de au ta boleh ndüku bünga 
mXnaa hik sila-la, te au kada naü dale mesan." BSïanak baema 
aniïana-lji osi dale leu de hoü lala-aa babaü-a de litléak-ana baema, 
héni lidan-ala de mjiten-ana. Lümak-a nita ndia baema ana ali ma 
nae: //fa hu kada bübaü-a lilen-a de ndia ana dadi taa lèa ndia, 
na au dei fa au naleng-a de esa ta hi hüh()ü au bae; mSlale éla 
au m&ngSlauk-a fa baa esa n&föndèle au baen.^ 



Sös6an-a. 

Ingu niane m&mÜsüïk ia>la, ala hapu singasalak seku hu sila 
süïn-ala; te hütahóli anak-ala ta hapu singii-salak dafu-dafu te fa 
sila süïn-ala ta na. 



BEBERAPA TJEEITERA PEBOEPAMAAN. 699 

tawalah akan permintaan boeroeng itoe, tetapi ia hendak mene- 
bang batang itoe djoega. Maka kaloearlah lebah sakawaii dari 
bataug kajoe itoe , katauja : ^^djaiigaulah eugkau tebang batang ini : 
djika tiada eugkau tebang, maka kami boeat manisau tiap-tiap 
tahoen jaug akan kaupergoenakan , dan djika eugkau teba akan 
dia , uistjaja kami akan tjahari tempat kabatang kajoe orang lain.// 
Maka djawab orang kampoeng: //djika demikian, biarlah bataug 
jaug toea ini koehidoepi djoega./^ 

Ibaratuja. 

Djikalau ada permintaan kapada saorang, toendjoekkaulah dahoeloe 
oentoeng ka])adanja, soepaja diloeloeskannja permintaan itoe. 



33. 

BILALANG DENGAN KOEPOE-KOEPOE. 

Adalah saekor bilalaug diroempoet melihat koe])oe-koepoe terbang 
dikebon boenga-boengaan. Maka pikir bilalaug itoe : //soeuggoehlah 
tjelaka akoe ini tiada bersajap saperti saperti koepoe-koepoe itoe; 
tiada boleh akoe hampiri boeuga jaug elok-elok itoe dan teuipatkoe 
melainkan diroempoet sahadja.^' Tiada berapa lama maka datanglali 
anak-anak dikebon menaugkap koepoe-koepoe itoe, maka ditarik- 
tarikuja sahingga hilang sajapuja, pengabisanuja mati. Apabila 
dilihat oleh bilalaug hal jaug demikian itoe, maka pikirlah ia: 
''djika demikian hal koepoe-koepoe itoe sabab elok roepauja, oen- 
toenglah akoe ini, karana saorangpon tiada hendak menaugkap akoe; 
kaiklah akoe hina dan boeroek sahadja, karana saorang tiada ingat 
akan dakoe./^ 

Ibaratuja. 

Adapou orang kaja dan uioelia kena beberapa mara bahaja oleh 
karana kakajsianja; maka djarauglah orang hina kadatangan bahaja 
itoe sabab koerang hartauja. 



700 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 



u. 

MANU-A NA KÖE-A. 

Manu ndana anak esa sanga nilnaan-a neme 6si kbfi esa dslek. 
De nae néün baema-aa n&tanga na küe esa de ana nggènge-la, 
nHe hétuk-a küe-a sanga kan-ana. Te küe-a nSen nae: /i^bSa bi aa 
töl&nb. Au &léak 'manu-la bi küe-la tèë, fa küe lüma m&ng&lsuk- 
ala, te au ia ta lèa basa küe sila-la fa; au daleng-a sasa baük-a 
&k&nae küe sila-la tötaa m&ng&Uun-ala. Au süe ala manu-la u&sala, 
hündia de au mai ia na, na-aa au mai ^fada basa a töl&nbm-ala 
lëödaek ia küe düa sanga mai ksla émi ümam-a, de au néï ndia 
&néa f& ^a ala mai, na-aa au üsi héni sala.^ 

Manu ndana anak-a nümünène küe-a kökólan ndia baema-aa 
n&m&haka-n&m&haka mésaii, de nake m&kasi néu küe-a nae faliu- 
ana, de na küe-a lèa ndia üman-a dalek néu. Kue-a nala üma 
d&le biema ana ka nisa basa manu-a bèbe-a südi hata-a. 



Süsóan-a. 

Ingu hütöholi müng^lauk ia mae ndia dëdeü-kökolan millale da 
mükèk lèa be-a, baa mÜm^hèle fau-ana, te nai ndia daleu dale 
na-aa nae sadi-sadi ana taa uiilütuug a dei. 



TAU LANGAPÓLIK ÜÜA. 

Faik esa tau lüngüpolik düa lita nggadi bibiak esa neme naü 
dale, raa düas-ala l&tonan-ana de ISfepa aa. De esak-a nSU^éngi 
nönou-a baenia ana hëlenala nggadi-a, ma n^k^nae né\x te nggadi 
ndia sauk, de fê ta n^nda na h^tHholi lüngüpolik p^paken fa. 



BEBEKAPA TfEBITEBA PEUOEPAMAAK. 701 



34. 

AJAM DENGAN MOESANG. 

Ada saekor ajam moeda pergi masoek kadalam kebou kopi hendak 
iiientjahari makananiija. Tatkala ia hendak poelang, niaka her- 
soealah ia dengan saekor inoesang; maka terkedjoetlah ia, sabab 
pada sangkanja moesang itoe hendak mcmakannja. Maka berkatalah 
nioesang itoe kapadanja : //hai , soedarakoe , djanganlah takoet melihat 
akoe. Adapon akoe tahoe, benarlah ajam takoet akan moesang, 
karana ada banjak moesang jaug djahat; tetapi akoe ini tiada 
saroepa moesang jang lain; sasoenggoehnja bersoesah hatikoe me- 
lihat moesang jang lain berboeat pekerdjaan jang djahat. Akoepon 
terlaloelah kasih ak<iu bangsa ajam , maka sabab itoelah akoe kamari , 
hendak memberi tahoe akan sagala ajam soederamoe, bahoea nanti 
mahim doea ekor moesang hendak merampas kandangmoe; maka 
akoe datang mendjaga disitoe, soepaja boleh akoe oesir akan dia.// 

Sjahadan terlaloe soeka hati ajam moeda itoe mendengar per- 
kataan moesang demikian itoe , maka ia banjak minta tarima kasih 
akan pertoeloengannja , serta dihantarkannja moesang itoe kadalam 
kandangnja. Satelah moesang itoepon masoek, maka diboenoehnja 
sagala ajam dan itik dan lain-lain sakaliannja. 

Ibaratnja. 

Djanganlah kamoe pertjaja akan perkataan orang jang djahat, 
djikalau terlampau baik dan manis sakalipon , karana niatnja hendak 
membinasakan kamoe djoega. 



35. 

DOEA ORANG GOENDOEL. 

Sakali peristiwa adalah doea orang goendoel melihat sapotong 

gading diroempoet, maka laloe kadoeanja ia hendak mengambil 

gading itoe ; maka laloe berbantah-bantahlah marika itoepon , 

sahingga mendjadi perkalahian. Tatkala jang menang mengangkat 

gading itoe, maka dilihatnja saboea gading itoe saboeah sisir, 

jang tiada bergoena sakali-kali pada orang goendoel itoe. 

5e Volgr. X. 4C 



702 TUTUI NAKASAMAK-ALA. 

Sös6an-a. 

M^k^néniiua ama béi ta bübüluk hata esa lêabèk, na-aa baA 
taa nSm&hénak baük-a néuii, te fa-uia ama m^ni^hena lauk. 



36. 

MÈA-A NA LAPA-LA. 

Mèa esa l^mStüan-a süênalaii ; nasala sudi faik-a ana ta u&m&Iaa 
n&naü m&lada fa, de hüiidia de ana ta üsi lafa-la sa, de-aa lafa-Ia 
l&p&-laui lesik mjÊitan-a. De foik esa mèa-a süngu neme pöpblek esa 
dalek, de lafa-la lae leu laü liade müuai pöpolek-a dalek baema-aa 
lita mèa-a süngu a, nn mane lafa-a nae sala nae: ^mai, basaiig 
éini mlifökulu mèii ia; taa misan na basa udia tia-lain-ala , te sila 
föfangie ita./^ 

Basa lafa-la léu de ala tliilala mèa-a bae ma-aa mèa-a fóa de 
höünsla lafa-la baün-a de ka nisa sala. ^ 



Sösoan-a. 
Ingu musu ia , m^künenima ana ne-ne , na basa fÜfae m&fóan-ana. 



37. 



w o — 



MEAASÜ DUA. 

Laë fanun esa üdan ta fa tènga dae bae, de mada basa Ie nüla 
dalek-ala. Faik esa mëaasu dua léu nda aêmatak esa bei kilaek 
bJlïanak; ae-a dai fa düas-ala linu, te hu düas-ala köaon-ala, de 
ta nau linu l&k^bübüa; ésak-a nau fa udia mésak-ana ninu, ma-aa 
ésaka-a nau fa ndia mésak-ana ninu bae. Biiema düas-ala lüka aa, 
de mate nóü düas-ala léu aematak-a süüu-a. 



BEBEUAPA TJERITRKA PEKOEPAMAAN. 703 

Ibaratnj a. 

Djanganlah sangat harap akan baraiig sasoeatoe jang beloem 
engkau kcnal, agaknja tiada bergoena djoega 



36. 



KOET.TING UENGAN TIKOP». 

Adalah saekor koetjiug amat sangat dikasihi oleh toeannja ; maka 
oleh sabab salaloe tiada ia koeraug makanau jang enak-enak, 
maka iapoii tiada lagi memboeroe tikoes , sahiugga beraiiilah tikoes 
lueugampiri dia. Adalah pada soeatoe katika koetjiug itoe tidoer 
didalam loemboeng padi, maka datanglali beberapa tikoes hendak 
memakan padi itoe. Serta terlihat olehuja koetjing itoe tidoer ^ 
maka kata radja tikoes: /^marilah kamoe sakalian, seranglah akau 
koetjing ini; biarlah kamoe boenoeh akan dia dan akan sagala 
temannja sakaliannja, karana ialah moesoeh oleh bangsa kita.^/ 
Maka segala tikoes i toepon menjeranglah kapada koetjing jang lagi 
tidoer itoe ; maka koetjing itoepon bangoenlah dan ditangkap diboe- 
noehnja beberapa tikoes. 

Ibaratnj a. 

Seteroemoe jang diam-diam djangaulah kamoe bangoekan. 



37. 



DOEA EKOR HARIMAU. 

Pada soeatoe moesim kamarau maka sakali-kali tiada toeroen 
hoedjan, sahingga habis ajer soengai-soengai ditengah rimba. Maka 
datanglah doea ekor harimau kapada soeatoe perigi jang lagi ada 
ajemja sadikit; maka boleh ia djoega minoem berdoea disitoe, 
tetapi sabab besar hatinja, harimau itoe hendak minoem 'sendiri- 
i*endirinja, tiada ia maoe beri minoem kawannja mati kadoeanja 
dipinggir perigi itoe. 



704 TÜTUl NAKAdASAMAK-AtA. 

Süsóan-a. 

M&k&nénima büas esa n&uda fa hiit&hóli bsük-a h&puu ^ na baa 
esa mésak-ana huïnalan, te-aa ingu m&u&d&lêsalak ia laa-la& te 
n&lutu suk aoii-a; Ica dëdéa n^kündésik-a nae-aa: hllti&holi ha 
n&naau , baa esa mésak-ana uaan-aua. 



KU-A NA ANA PALAN-A, 



c — 



Ku bei Jln&tak esa iiita münüpüi ndünu esa na-aa tólok esa iiai 
dalek. Kua-a hi n&aiia ba-e, de ana lüü tidok ndia; de ana tutu 
bae, ma ua te ünak ndia tetéma ana. Têtéma ana-a n&m&tüa bae 
ma k&lüa esa uéu titina ku-a; de külüa-a losa-aa ndünuk-a matan-a 
bae, ma tëtéma-a l&üualan de naa hénin-ana. Ku-a nita ana 
p&lau-a t&taon ndia baema-aa dalen-a susa de ana ki, de nén 
n&k&uéni töl&nou-a fa nüfadan-ana ndia dale hédin-a. Baema töl&- 
non-a uaen nae: //tölüno é, t&taos matak ndia. 



Sösóan ndia ia. 

Nfide h&t&huli iSlilën-a, kikisak-a déi fa-aa sSis^Ou nala ndia 
hadan-a. Ma hStShuli hiida mSugülauk-ia, mae a feii iiüiiuli imtlale 
ta& lêlbè-a, baa mSmShèlen-aua lua-aa baa müniSliéuan baü-baü , te 
Itó-laa te se ndia hada mSngülauu-a sai déak séluk. 



39. 

ANÏÏANA MANABÓLOK-A. 

Faik esa Üniïana lüma iSdiu ae lème Ie esa dalek, ma-aa ae-a 
fa néni aniïana esa lèa &e-a m&èpou-a ma mlidéman-a néu, de-aa 



BBBKRAPA TJERITERA PEEOEPAMAAN. 703 

Ibaratnj a. 

Djanganlah orang ueudak mengambil akau dirinja, jang bergoena 
akau heberapa orang, karaua kalobaan itoe achiruja mengadakan 
tjelaka atasnja; saperti pepatahnja: makanan berempat orang dj angan 
dimakan saorang diri. 



38. 

BOBROENG ÜARA DENGAN ANAK TIRINJA. 

Adalali saekor boeroeng dara jang beloem ada anaknja mendapat 
soeatoe sarang boeroeng dengan saboeah telor didalamnja diatas 
sebatang kajoe. Maka sabab ia terlaloe beringin hendak beranak , 
maka laloelah diheraminja telor itoe serta ditetasuja; maka kaloe- 
arlah saekor anak boeroeng belang dari pada telor itoe. Satelah 
besarlah boeroeng belang itoe, maka datanglah saekor boeroeng 
dara itoe; serta hampir pada sarang itoe maka disambar oleh 
boeroeng belang akan boeroeng latik-latik itoe, laloe dimakannja. 
Maka terlaloe soesah hatih boeroeng dara itoe melihat kalakoean 
anak tirinja jang demikian serta dengan tangisnja ia pergi 
mendapatkan soedarauja mentjeriterakan hal kasoesahannja itoe. 
Maka kata soedaranja: //hai, soedarakoe, didalam perboeatan jang 
demikian inilah. 

Ibaratnja. 

Bahoea sasoenggoehnja perangai orang djarang sakali dapat 

dioebahkan//. Adapon orang jang djahat perangainja, djikalau 

diberi akan dia nasihat jang amat baik sakalipon, djanganlah 
djoega perangai jang djahat itoe. 



3». 

ANAK TERBENAM. 

Pada soeatoe hari maka adalah berapa anak-anak mandi didalam 
soengai; maka jang saorang diantara marika i toepon hanjoetlah 



706 TUTUI NAKASASAMAK-ALA. 

ëlÜkaik-a ana bala. Tauk esa n^kXnae iiita banna-aa aua m^su lèa 
Ie dale néu de höünala kana m^n^bolok-a iia sÖs6ta baiik-a, de 
non m^d&klilin n^u. A te Sniïaua-a ta nake mükasi néu taiik-a 
dale ni&lalen-a de Man nalan-ana fa, te ana ^ali t&uk-a ma ana 
tapa batu néun-ana. 



Sösóan-a. 

Dêd<^ak ia n^nda na mèsen-ala. M^k^n^nima ala l^nóli lala 
aniïana l^lélak f& ala k&lüa s^kóla sa, na-aa ala ta tül^ak hada- 
hölmata la sila mèseu-a dafu-dafu sa. 



40. 

NDALA SASAEK-A NA NDALA FÜFÜAK-A. 

Ndala u^n^péui lilok esa l^m^tüan-a paan neme ai esa; de aua 
lüï këtu taiin-a de n^lai tötófak. De uÜtanga na-aa ndala füfüak 
esa m^ugalau hik , ana füa büa m^béla baük-a. Baema nafada ndala 
füfüak-a na nasak: ^/hè, malela had^tak a, taa lèë de a mita 
ndala malale lèa au ia lillaok, ma a ta m^ingok fa? A ta m^- 
singok fa na-aa makJinaen te au fiti tina a laugam-a fa mateng a." 
Baema ndala füfüak-a bi de ana singok , te ana ta héni halak esa bae. 

Ta dok-a te ndala s&saëk-a Ifinijitüau-a höünalan, de ana hoï 
héni basa-aa büa-lóa mSlalen sila-la, de n^èö henin neu tukang 
pedati esa, de tukang pedati-a taon neu ndala pedatik. Faik e^sa 
ndala füfüak-a nita ndala sjisaëk-a ta lèa bëihatan-a baema uaen 
nae: "bó lümütüak-a, naik-a iSmdtüak-a nSmédan lëabè? L^ma- 
tüak-a büa-lóa lilon-ala l^ibè sa? Besak ia mae lamJitüak-a Ifilaök-a 
au ta sasingok sa.// 



BEBEEAFA TJERITBKA PEROEPAKAAN. 707 

kaiempat oelakan ajer jang dalam , hainpir tenggelam. Maka adalah 
saoraiig meliliat hal itoe, laloe ia terdjoen kadalain soengai dan 
dipegaugnja aiiak jang liampir tenggelam itoe dengan beberapa 
soesahnja, serta dibawanja kadarat. 

Adapon anak itoe tiada ia minta tarima kasih akan kabaikan 
orang jang menoeloeug akan dia, hauja dimakiuja akan dia dan 
dilemparkaunja batoe kapadanja. 

Ibaratnj a. 

Deinikianlah djoega atjap kali hal goeroe-goeroe. Djikalau anak- 
anak jang beroleh elmoe oleh pengadjaran goeroenja , telah lepas dari 
pada tangannja, maka djarang sakali ia tahoe membalas goena. 



40. 



KOBÜA TÜBNGGANG DENGAN KOEDA BEBAN. 

Adalah saekor koeda jang berpelana kaemasan dikebat oleh 
toeanuja kapada sabatang kajoe; maka disintakkannja tali pengi- 
katuja sahingga poetoes, laloe ia lari kamana-mana. 

Maka bertemoelah ia dengan sackor koeda beban jang boeroek 
roepanja dengan memikoel moeatan jang amat berat 

Maka kata koeda toenggang dengan morkanja: //hai, engkau 
tiada tahoe bahasa ; betapakah engkau tiada menepi . kalau melihat 
koeda datang jang rooelia saperti akoe ini? 

Djika tiadi engkau menepi, nistjaja akoe sepak kapalamoe 
sahingga mati.'/ Adapon koeda beban itoepon menepi dengan 
katakoetannja, tiada ia berkata sapatahpon. 

Arkian tiada beberapa lamanja maka koeda toenggang itoepon 
ditangkap oleh toeannja, maka sagala kalangkapannja jang elok- 
elok ditonggolkon oleh toeannja dan koeda itoepon didjoealnja 
kapada saorang toekang pedati ; maka koeda toenggang itoe didja- 
dikan koeda pedati. Tatkala dilihat oleh koedah beban jang tadi 
hal koeda toenggang jang dahoeloe itoe , maka berkatalah ia : 'i'hai , 
toeankoe bagaimanakah rasa hati toeankoe pada masa ini ? Dimanakah 
kalangkapan toeankoe jang kaemasan? Adapon sakarang ini tiada 
akoe hendak menepi lagi, bila toeankoe berdjalan-djalan.'/ 



708 TUT UI NAKASASAMAK-ALA. 

Sös6an-a. 

M&k&néniroa ama hapu Mnak Mt&holi , na-aa ama basa köaom , 
te-aa laï baük-a hiit&hóli müm^üï-m^k^bètek-ala dadi \é\i mi^ngJilau 
ingu ma hiitötak-ala, fa~aa in&k&n(^niina lêandia sa, na-aa se h^tö- 
hóli anak-ala l^taik asa n^u-aa bêihatau-a sila hada tn&ng^laun-a. 



41. 

NDALA 8ASAÊK-A NA KAPA-A. 



e — 



NdiLla s^aëk esa l^m&iüan-a h^t&hóli m&üe-Mdik, de ndala-a 
nita kapa esa n&k&hühük hüdêae baema-aa nae: //hana hata ia? 
De ta n&béi labau hfttöhóli, de udia ala fen-aua tda t&taa m^- 
tü&ina udia, na te ana ta hapu hata esa néu ndia sösotau-a b&e? 
Lè& tae au , na-iva esa ta boleh ta& kftdiï au aong-a lèa kapa 
nggóak ia bae.// Baema kapa-a uaen nae: ^/Hae bafam, au ta &üe 
fa, ua-aa Ie U\ hapu hade fa pau & müa b^l^kai neu a aom-a 
lêandia fa.// 



8ös6an-a. 

Baa taa k^diï haüihóli m<^ue-inaMdik-ala, te leandia-a se luma 
laa lita luma üe-ledin-ala. 



42. 



HATAHÓLI MANALAA LÈTEK DUA. 

llatJiholi düa tia-laik-ala , ala laök lésik mXnanak e^a lète-lctek 
mésau ; mJikSnénima ala iSe , ua-aa esak-a tai kikik-a te mJikSneuima 
ala ndae, na ana hika-hika mc^san. Baema tian-a nütaneu nae-aa : 
'^taa lèë fa ata kóna lètek , fa ata laök na muda hin-a , na-aa a 
ki? Ma-aa taa Irë, fa mJtkanenima ata kae lètek, fê bülHdóik-a na 
iSlaön-a, na-aa a hika?/' Baema naselu ma nae: ^Ata lae fa au 



BEBERAPA TJERITERA PEROEPAMAAN. 709 

1 1) a r a t u j ii. 

Djangnnlah kanioe tiggikan hatiinoe, apabila kamoe beroleh 
lebih (lari pada oraug lain , karana kadang-kadang orang jang 
amat luoelia dan kaja mendjadi liiua dan papa, dan djikalau telah 
demikian halnja, maka sakalian oraug ketjil menggalak-galakkan 
dia karana perangai takaboer jang dahoeloe itoe. 



41. 

KOEDA ÏOENGGANG ÜENGAN KERBAU. 

Adalah saekor koeda toenggang, jang toeannja saorang gedang, 
melihat saekor kerbau mendjadjar sawah. Maka kata koeda : binatang 
apakah jang hina ini? Adakah ia koerang berani melawan manoesia, 
jang menjoeroeb dia memboeat pekerdjaan jang berat itoe dan jang 
tiada bergoeua akan dirinja? Djika akoe, saorangpon tiada dapat 
merendahkan akoe saperti kerbau jang bodoh ini." Maka djawab 
kerbau : //diainlah engkau , djika tiada jang mendjadjar, nistjaja 
tiada engkau beroleh padi jang diberikan kapada engkau, soepaja 
engkau djadi koeat. 

Ibaratnj a. 

Djauganlah direndahkan akan orang jang bekerdja, karana sagala 
pekerdjaan orang bergoena akan orang lain. 



42. 

ÜOEA ORANG BERDJALAN PADA TEMPAT 

BERBOEKIT-BOEKIT. 

Adalah doea orang bersahabat berdjalau pada soeatoe tempat 
jang berboekit-boekit; maka jang saorang menangis-uaugis, apabila 
ia meoeroeni goenoeng dan ia tertawa-tawa , apabila ia meudaki 
goenoeug. Maka temannja bertanja: ^/apakah sababuja maka engkau 
menangis, apabila meoeroeni goenoeug, karana moedah perdjalanannja? 
Dan apakah sababnja maka engkau tertawa, apabila mendaki goe- 

r>e Volger. X. 4r>' 



710 TÜTÜI NAKASASAMAK-ALA. 

daleiig-a susa ndiaii-a , na-aa atalae basa te se ata ridaë seluk lètek 
esa ndia ita mataii-a bai, te nutküneuiina ata kae lètek sa, na-aa 
au daleng-a loak-a, fa-aa ata udaë basa te ata lae lèon." 



Sösoa 11 -a. 

M^k^iieiiima ama hapu ontoii , na aina baa m&m^hakamau seli , 
ma ama baa taa ii^m^heuak baük-a ueuii, te fa-ma ;i silakam-a 
lüngak-a; ma makÜnéiiiina ama hapu hüta-büük, na-aa dalem-a 
basa baïanak-a, te büluk-a a ontom-a lünga-lünga bae na. MXkS- 
ndnima hat^hóli n^t^dale u&lan scüi, da u^kiisösótak nala dalen-a 
séli , na se ana ta n<^flidüli nala ndia üe-lédin , ma ana nggali héni 
üa-nalen. 



BKBKRAFA TJKRITEHA PERUEPAMAAN. 711 

iioeiig, kaninu berat (Ijalauiijar*" Maka iljawabiija: ^/Adapon djika 
meoeroeni goenocnj^ akoe terlaloe soesah liati , karaiia dihadapan 
kita ada poela goenoeng jaiig akau didaki ; maka djikalau mendaki 
goenoeiig ukoe bersoeka liati , karaiia sasoedahnja kita mendaki 
iiistjaja kita heudak toeroen.// 

Ibarat nja. 

Djikalau eugkau beroleh oeutoeiig, djaiiganlah eugkau terlainpau 
sakali berhati harap dan 8oeka, karana agaknja tjilakamoe hampir; 
dan djikalau engkau kena kasoesahan , djanganlah engkau terlaloe 
berhati ketjil , barangkali oentoengmoe hampir. Maka djikalau 
orang terlampau riang hati atau terlaloe ketjil hati, nistjaja tiada 
ia tjakap mendjaga pekerdjaan dan oentoengnja sabagaimana patoet. 



Tammat. 



OVEREENKOMST VAN MINAHASSISCHE EN 

SANGIREESCHE MKT .lAVAANSCHE EN 

MALEISCHE VERHALEN. 



DOOR 

Dr. H. H. JUYNBOLL. 



In het 8® deel vaii de 5^ volgreeks dezer Bijdragen vestigde 
prof. Kern (p. 501 — 502) de aandacht op de overeenkomst van 
een mythe der Kei-eilanders met een Minahassisch sprookje. Hij 
kwam tot de gevolgtrekking, dat '/beide overleveringen zich zelf- 
standig moeten ontwikkeld hebben uit één gemeenschappelijke bron 
en dus dagteekenen uit een tijd , toen de voorouders der Toum- 
bulu's en Kei-eilanders nog stammen waren van een volk.// De 
hooge ouderdom van het hier bedoelde Minahassische sprookje " 
blijkt ook uit de omstandigheid, dat het oorspronkelijk één was 
met het Bataksche verhaal Porbadaan ni si Mangmaima dohot 
Datu IJalu , zooals dr. Brandes reeds opgemerkt heeft in zijn 
proefschrift (stelling XVll). Dit sprookje is niet de eenige Bulu- 
sche tekst, die overeenkomst vertoont met andere Maleisch- 
Polvnesische verhalen. Om dit nader aan te toonen , zal ik deze 
Bulusche teksten opnoemen , gevolgd door de verhalen , waarmede 
zij overeenkomen. 

1. Het begin van N a a s a r e m * b i v a * si M a m a n u a (ver- 
haal van Mamanua) , vertaald door P. N. Wilken in de 
Mededeelingen van wege het Nederlandsche Zendeling-genoot- 
schap , Vn p. 326 onder den titel // Volharding overwint de 

' Blijkbaar van gelijken oorsprong is het Japansche verhaal, volgens de ver- 
taling van Chamberlain medegedeeld door den heer T. W. K. Muller in Verh. 
Berl. Anthrop. Ges. in de zitting van 18 Nov. 1893. 

'NaasarSn is misschien cene verkorte schrijfwijze voor un aasarën, 
evenals nakSl voor un ak51 (Niemann, Bijdr. p. 116). De stam as ar is 
verwant met Jav. Mal. Sund. adjar, Tag. ad al, Mak. a dj ara Mad. .tni^N 

• Wiya beteckent ^aanwezig, door, voor, aan, van"; vgl. Day. awi ^door" 
en Sawun. wyc, wi „ten behoeve van, voor, aan" (Bijdr. T. L. V. .V volgr. 
VII p. ftöl); Bimaneesch weya (Jonker Bim. Wdb. 116). 



OVEREENKOMST VAN MINAUASSISCHE EN SANOIKEESCHE 713 

grootste bezwaren '^ komt overeen met Hikftyat Seri R&ma 
p. 2 — 3 (ed. Boorda van Eysinga) • en Hikftyat r&dja-r&dja 
Pései p. 1 — 2 (ed. üulaurier). In deze drie verhalen is 
sprake van iemand, die uit een boomstam of bamboe ge- 
boren is. Dergelijke verhalen vindt men ook bij vele andere 
Indonesische volken , zooals prof. Wilken aangetoond heeft. ' 
Het daarop volgende gedeelte herinnert aan Babad Tanah 
Djawi p. 40 ed. Meinsma 1874. In beide verhalen verlaat 
eene vrouw haren echtgenoot en keert terug naar den hemel , 
omdat hij de belofte , die hij bij hun huwelijk gedaan heeft , 
niet nakomt. Zie ook den Sangireeschen tekst XXIX in Bijdr. 
T. L. Vk. 5« Volgr. X p. 100—102. 
2. Naasarêm biya si linta wosilangkou^ (verhaal van 
den bloedzuiger en de wilde koe) , de vierde Bulusche tekst , 
vertaald door P. N. Wilken (Med. Zend. Gen. VII p. 379—380) 
onder den titel f De sterke wordt door den zwakke overwonnen// 
komt geheel overeen met het slot van u9, I der Pakëwasche 
teksten, die de heer E. J. Jellesma in zijne Bijdragen 
tot de kennis van het Tompakëwasch (Verband. Batav. Gen. 
XLVII p. 52 volg.) opgenomen heeft. Daar het Pakëwasche 
dialect nog weinig bekend is, geef ik hier eene vertaling 
van het door mij bedoelde stuk, dat begint pag. 53 r. 4 
(Ja mësoengkoelo k^i si lint^ ' si toea enz.): 

Een antilope ontmoette eens een bloedzuiger; toen sprak 
de antilope: »0 bloedzuiger! Recht langzaam voorwaar is 
uwe wijze van gaan.// De bloedzuiger zeide: //Hoewel ik zoo 
loop en gij , antilope , snel loopt , kunt gij , mijn vriend , mij 
toch niet inhalen.// De antilope zeide: //Als dat zoo is, laten wij 
beiden dan een wedloop houden (om te zien), wie van ons 



' Animisme, p. 75. n. 2. Prof. Wilken wyst op het voorkomen van deze 
legenden by de Maleicrs, Bataks, Tagala's, Bisaya's, de Alfoeren van de 
Minahasa enz. 

' Langkou is de wilde koe , die in het Mal. s a p i u t a n heet en door 
de zoölogen Anoa depressicornis genoemd wordt. Zie eene beschrijving 
van dit dier by Wallace, Insulinde I p. 4H) — 452 en p. 475 (van prof. Veth's* 
vertaling), bi het Pakëwasche dialect heet het t u a , zooals blykt uit Verband. 
Batav. Gen. XLVll p. 77, r. 2: toea patoeoelen e Toumboeloe in 
„langkou w". Jellesma vertaalt het door „antilope" (1. c. p. 4<>). De wilde koe 
heet ook antilope (-elebica (Med. Zend. Gen. VII p. 378 n. l). 

* Linta beteekent „bloedzuiger"; vgl. Tag. linta Mak. Mong. Tond. 
a 1 i n t a , Jav. 1 i n t a h , Mal. halintah, lintah, Sea d i n t a , Saw. 1 i t a 
(Bijdr. T. L. Vk. 'M volgr. IV. p. 223) Bim. linta (Jonker, Bim. Wdb. p. 46). 



714 MET JAVAANSCHE EN MALEISCHE VERHALEN. 

beiden den «ander inhaalt. ^^ De antilope liep daarop hard: 
toen riep hij tot den bloedzuiger: "Waar zij t gij?'»' De bloed- 
zuiger antwoordde: "Hier.'/ Toen hield hij het zoo lang vol, 
totdat de antilope bewusteloos werd van het harde loopen en 
stierf, want de antilope had niet gezien, dat de bloedzuiger 
op zijn achterpoot geklommen was. 

3. Naasarëm biya si talongka ' wo si langkou (ver- 
haal van het schelpdier en de wilde koe), de daarop vol- 
gende tekst, vertaald door prof. Niemann (Med. Zend. Gren. 
XXX p. 292) behandelt ook een wedloop tussohen twee 
dieren, evenals het vorige verhaal en komt overeen met 
Kantjil V, 58 — 96 (ed. Palmer van den Broek) ^. In beide 
gevallen overwint het langzaam loopende dier door dezelfde list 
het vlugge dier. 

4. Naasarëng kura ' ung kinatuurran u mahatilalém * 
(verhaal hoe het begin was van het duiken), de zevende 
Bulusche tekst, vertaald door P. N. Wilken (Med. Zend. 
Gen. VII p. 386 — 387) met het opschrift Burukan, her- 
innert eenigszins aan het slot van tekst XI a van de door 
dr. Adriani uitgegevene Sangireesche teksten (Bijdr. T. L. Vk. 
5" volgr. VIII p. 429), daar in beide verhalen een wedstrijd 
in het duiken beschreven wordt. 

5. Naasarëm biya si langkou wo si moupou'* (verhaal 
van de wilde koe en de moupou) , de daarop volgende tekst 
VIII, vertaald door prof. Niemann (Med. Zend. Gen. XXX 
p. 293 — 294) komt eenigszins overeen met Ilik^yat Pëlanduk 
Djin^ka p. 40 — 43 (cd. Klinkert 1885) ® en vooral met 
p. 42 — i7 van de editie van 1S93. In beide verhalen houden 
twee dieren een wedstrijd in het schoppen , waarbij het zwakke 
dier het sterkere door een list overwint. 



' Talongka „schelpdier" is verwant met Tag. talangka ^krab", Mong. 
l ung ka. (Rijdr. T. L. Vk. 'M volgr. V p. h:,). 

' Zie dr. Brandcs , Dwerghert-vcrhalen uit den Archipel, Tijdschr. I. T. L. V. 
XXX VII p. •M>-Ai). 

' Kura is verwant met Sal. kura, ngura „hoe, hoe zijn", kurakuran 
„wat te doen", Bikol gurano „hoedanig". Bal. nguda. Bat. borha. Zie 
Brandes, proefschrift p. V.VJ. 

♦ BfahatilalSm „duiken"; vgl. Jav. Sund. Bal. sil??m. Mal. sSlam, Mak- 
se lang. Het ontbreekt in de vergelijkende woordenlijst (B. T. L. V. lH^/>). 

* Deze vogel wordt beschreven in Med. Zend. Gen. XXX p. 291^, n. 1. 
" Zie Brandes in Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vk. X.XXVIl p. •">'' ^)<'. 



OVEREENKOMST YA^f MINAHASSISCHE EN SANGULEESCHE 715 

6. Naasarëm hiya se siyow mahatuari ' weweiie ^ (verhaal 
van de negen zusters) , vertaald door prof. Niemanu (Med. Zend. 
Gqn. XXX p. 295—30:3). Tn dit verhaal komt (pag. XIX van 
den tekst pag 300 van de vertaling) eene episode voor, die 
herinnert aan eene geschiedenis in het Javaansche geschrift 
Ahmad Muhamad. Hiervan heeft van Bloemen Waanders eene 
gedeeltelijke inhoudsopgave gegeven in Tijdschr. v. Ind. T. L. 
en Vk. VIII p. 268—279. Later gaf Cohen Stuart enkele ge- 
deelten van den tekst met vertaling uit in Tijdschr. v. Ind. T. 
L. en Vk. XVII p. 548—557. Prof. Vreede gaf de inhouds- 
opgave van twee handschriften van dit verhaal in zijn cata- 
logus der Javaansche en Madoereesche IISS. (cod. 1985 (1) 
en cod. 1877). Dr. Brandes wees op een belangrijke passage 
van dit geschrift in Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vk. XXXV 
p. 451 — 452 en juist deze is het, die met het Bulusche 
verhaal overeenkomt. In beide verhalen is sprake van een 
voorwerp, dat oogenblikkelijk alle etenswaren verschaft, die 
die de bezitter ervan wenscht. Zoo wordt op pag. 48 van 
mijn handschrift ^ gezegd: Ëiidong iku saktin e mangke 



1 Mahatuari is verwant met Iban. uagi, Kidji tadi' (Kern, Fidjitaal 
p. 'Ah en p. 175). 

" We w ene „vrouwelyk"; cf. Tag. binibini, O. Jav. Mal. bini, Sumb. 
kawini, wini. Sund. b e bene, Mak. baine. 

' Dit handschrift is zeer goed geschreven, afkomstig uit West- Java, zooals 
uit de spelling duidelgk blykt, en geïllustreerd. De tekst is veel beter dan die 
van de beide Leidsche HSS. en loopt ook verder door. Overigens merk ik hier 
nog op, dat cod. 1H77 niet eene andere bewerking is van den Ahmad Muhamad 
dan cod. 1985 (l)- Het is mij door vergelijking met mijn HS. gebleken, dal het 
begin van cod. 1877 ontbreekt en dat in plaats daarvan een gedeelte ingevoegd 
is , dat eerst fol. ; /) moest volgen , nl. de schaking van Siti BagSdad door 

Wira .Maya en Wira Sontika. De adoptief-zuster van Ahmad heet in mijn HS. nu 
eens Kara Sumtlkar, zooals in cod. 1985 (1;, dan weer Ki^nggasmara . zooals in 
cod. 1877. Na fol. 'n) van cod. 1877 verandert de geschiedenis, zooals prof. Vreede 

(pag. •M»5) zegt, maar dit is daaraan toe te schrijven, dat cod. 1985 (1) slechts een 
fragment is en niet verder doorloopt dan tot fol. '^ji van cod. 1877, overeenkomende 

met pag. 91 van mijn HS. Ter vergelijking geef ik nog eenige regels van myn HS., 
die beantwoorden aan de uittreksels, die prof. Vreede p. -I<K) aanhaalt: 

O Q Q Q 

O O o r") o O / o. O 

Het vermoeden van van Bloemen Waanders , dat deze episode aan de Indische 
KalhésaritsAgara ontleend is (Tydschr. v. I. T. L. V. Vill p. Iv54), is onbewezen 
en wegens de overeenkomst nicl de Uulusche legende twylelachtig. 



716 MET JAYAAX9CHE EN MALEISGHE 

8un tutur: singa kang den tjipta dadi, apakang 
sinëdya iku was ana ing endong iki. In het Buln- 
sche verhaal is het een kleed, dat allerlei spijzen verschaft. 
7. Naasarêmbiyaseula' witiwanuaKimoong (ver- 
haal van de weezen in de nêgari Kimoong) , de daarop volgende 
tekst, vertaald door P. N. Wilken (Med. Zend. Gen. YIl 
p. 295 en p. 304 — 305), vindt men terug in het Pakëwasch, 
n.1. de vierde van de door Jellesma uitgegeven teksten, die 
tot titel draagt /i^Sisisilên a si kekekouw^woseroea 
mêtoeari/i' (verhaal van de kekekouw en de beide broeders). 
Ook n®. XVII van de Sangireesche teksten (Bijdr. T. L. Vk. 
5* volgr. X p. 8 — 11) komt er geheel mede overeen, behalve 
dat de tripang hier dezelfde rol speelt als de kekekouw 
in de beide Minahassische verhalen. De Fakêwasche tekst 
(Verband. Batav. Gen. XLVII p. 54 — 55) is korter dan de 
Bulusche. De vertaling ervan luidt aldus: 

Twee broeders gingen groente zoeken. Terwijl z^ honger 
hadden, hoorden zij de vogel kekekouw zeggen: ''Zet mij 
in een kist, dan zal ik eieren leggen. /^ En zij zochten, tot- 
dat zij er een gevonden hadden en zetten hem in de kist. 
Toen namen zij de kist en zij droegen haar op het hoofd 
en zij was zwaar; toen openden zij haar, en zagen dat zij 
vol gekookte, in bladereu gewikkelde rijst was en de broe- 
ders aten. Zij keerden terug naar huis en de vogel kekekouw 
sprak: vZet mij in een rijstvat, dan zal ik eieren leggen." 
Zij zetten hem erin. Toen zagen zij , dat het rijstvat dage- 
lijks vol rijst in den bolster was en zij zetten er andere 
rijstvaten voor in de plaats. ledereu dag waren de rijstvaten 
vol. En zij gingen hunnen oom roepen, daar het huis tot 
de stijlen ^ vol rijst was. Toen zeide * hun oom : //Geef 
mij dezen vogel, want ik heb geen rijst." De kinderen gaven 



' Ula beteekent „wees" en is verwant me' Jav. iftiutu Day. nula, Tag. 

Iban. ulila. Het ontbreekt in de vergelijkende woordenlijst (B. T. L. V. 1871). 
' Kekekouw is volgens Jellesma (Verh. Bat. Gen. XLVll p. 41) in het 
PakCwasch de naam van een vogeltje, dat zich bij voorkeur in padiveldcn 
ophoudt. 

* A r i i beteekent „stijl" en is verwant met Rul. a r i h i , Bis. Tag. h a 1 i g i 
Day. d j i h i , Bug. a 1 i r i (Brandes, Proefschrift p. IJo) Sang. d i h i. 

♦ K u m u a van k u a „zeggen"; vgl. Mak. k u w a, Day. k o a, O. Jav. 
r a k w a „zoü , zou ik zeggen" , enz. (Zie mijn proefschrift Drie boeken van het 
O. J. Mah&bh. enz. p. 1(>J -U)3 en Kern, Kawi-studicn p. 77.) 



OVEIIEENK.OMST VAN MINAUASSISCHE SN BANIGKEESOHE 717 

gehoor aan hetgeen hun oom zeide, maar zij fluisterden den 
vogel in : f Ah gij eieren legt, leg dan onderin kaf en leg 
bovenop ' de rijst het zaad ervan. ^/ Hun oom zag, dat hem 
dagelijks een ei gelegd werd, dat was, zooals de broeders 
den vogel ingefluisterd hadden. En hun oom werd vertoornd 
en doodde den vogel. Toen de broeders gingen kijken naar 
de kekekouw, zeide hun oom tot hen, dat hij de kekekouw 
opgegeten had, maar dat zijne beenderen in het fornuis 
gelegd waren, omdat de vogel hem bedrogen had. En de 
broeders zagen zijne beenderen en zij begroeven deze in het 
boseh. En deze beenderen groeiden op tot een boomstam. 

Na langen tijd kreeg deze boom allerlei spijzen. Men be- 
pro(*fde hem om te hakken, maar hij viel * niet. Toen riep 
men de beide broeders en zij hakten den boom om; maar bij 
het vallen van den boom werden alle menschen bewusteloos 
en de broeders namen de spijzen, terwijl ieder van hen het 
zijne koos. Zij beiden waren gelukkig, dat zij (mochten) 
kiezen en verheugd; toen eerst wekten zij al die menschen 
en deze menschen namen, wat de broeders overgelaten hadden. 



Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tnsschen sommige 
van de Saugireesche teksten en Javaansche fabels. Zoo heeft dr. 
Adriani reeds opgemerkt (Bijdr. T. L. en Vk. 5« volgr. VIII p. 349) , 
dat de Saugireesche Fabel Ilb (p. 359) overeenstemt met Kantjil 
II, 6. volg. ' Hierbij kan men voegen de Sang. fabel III (p. 392), 
het verhaal van den aap, den tijger, de kat en de geit, dat her- 
innert aan Kantjil IV, 6 — V, 16 *, waar verhaald wordt, hoe 
de kantjil eenen reus doodt, nadat deze eerst den olifant , den tijger 
en het everzwijn , die de gevangene visschen moesten bewaken , een 
voor een verjaagd had. Ook vertoonen de beide redacties van het 
vierde Sang. verhaal (p. 397 en p. 402) overeenkomst met Kantjil 



' Wawo beteekent , boven op" en is verwant met Favorl. babo, Sang. 
WO WO, Tag. babau, Day. ambau ^ boven", Bug. Biman. wawo, 
Bonth. Mak. b a w o , Bug. t i m b a w o «gehemelte" enz. (Kern , Fidjit p. 208 
s. V. fa f o). 

' ItjarSba «raakte nederstort" De stam rSba ontbreekt in Jellema's 
woordenlyst; vgl. echter Bul. r6wa, Sund, Mal. Jav. rSbah, Tag. g i b a. 
Bis. guba, Bal. hSbah, Bat. robo. (Brandes, Proefschrift p. 50). 

• Zie de inhoudsopgave hiervan door dr. Brandes in T. I. T. L. V. XXXVII , p. 35. 

* Brandes in Tydschr. v. Ind. T. L. Vk. XXXVII, p. 37-39. 



718 ICBT JAYAANSOHE EM MALEISCHE VE&HALEK. 

XX, 1 — XXI, 3 ». Hier irordt verhaald, hoe de tj abak- vogel en 
de boschkat een weddenschap aangaan , wie het langst wakker zal 
blijven, evenals in de beide Sangireesche teksten. 

Uit het feit dat dergelijke verhalen, als hier opgenoemd zijn, 
zoowel op de Sangir-eilanden en in de Minahasa als op Java en 
bij de Maleiers voorkomen, blijkt dat zij van zeer ouden oorsprong 
zijn en dateeren uit een tijd, toen de voorouders van de Sangi- 
reezen, Alfoeren, Javanen en Maleiers nog stammen van één volk 
waren. Tevens blijkt er uit, dat ettelijke verhalen in den Kantjil 
zuiver Maleisch-Polynesisch en niet van Indischen oorsprong zijn. 



> Brandes 1. c. p. 48—49. 



INHOUD. 



Bladzijde. 

Sangireesche teksten. Met vertaling en aanteekeningen. Uit- 
gegeven door Dr. N. Adriani 1 , 386 , 461 

Vervolg van de lijst van Javaansehe en Sundaneesche Woorden , 
uit het Arabisch of het Fersisoh afstammende. Naar de 
nagelatene papieren van Ür. A. W. T. Ju)'nboll, bewerkt 
door Dr. H. II. Juynboll 169 

JiUakam&lil (Oarland of birth-stories) translated from the 
original sauskrit. By Prof. Dr. J. S. Speijer (coutinued 
from t. VIII p. 500) 201, 321, 616 

Eene bijdrage tot E. B. Kielstra's Opstellen over Sumatra's 
Westkust, door P. H. van der Kemp 257, 525 

Fabelen in 't Rottineesch door Prof. Dr. H. Kern. . 450, 662 

A. Sinhalese Inscription of 1745 A. D. Door Don M. de Zilva 
Wickremasinghe » • • Ö59 

Overeenkomst van Minahassische en Sangireesche met Javaansehe 
en Maleische verhalen, door Dr. H. H. Juynboll . . . 712 

Notulen van de Bestuurs- en Algemeene Vergaderingen. 

339-*« Bestuursvergadering, 18 Februari 1893 iii 

Algemeene Vergadering, 25 Februari 1893 viii 

34()ite Bestuursvergadering, 25 Maart 1893 kii 

341"*« Bestuursvergadering, 15 April 1893 xvi 

342»** Bestuursvergadering, 20 Mei 1893 xix 

343"t« Bestuursvergadering, 17 Juni 1893 xxi 

344"*« Bestuursvergadering, 21 October 1H93 xxiii 

345«*« Bestuursvergadering, 18 November 1898 .... xxvi 



Bladzijde. 
346*** Bestuursvergadering, 16 December 1893 .... xxix 

34>T^ Bestuursvergadering, 27 Januari 1894 xxxiii 

348'** Bestuursvergadering, 17 Februari 1894 xxxvi 

Verslag van den Staat en de Werkzaamheden van het 

Koninklijk Instituut over 1893 xxxix 

Algeraeene Vergadering, 24 Februari 1894 xLii 

349"*« Bcïstuursvergadering, 17 Maart 1894 xlvi 

350*** Bestuursvergadering, 21 April 1894 xlix 



NOTULEN 



VAN DE 



BESTUURS- EN ALGEMEENE VERGADERINGEN 



VAN II £T 



KONINKLIJK INSTITUUT 



VOOR DB 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE VAN NEDEKLANDSCH-INDIË. 



1893-'94. 



:339« BESTÜURSVERGAÜERING, 



GEHOUDEN 18 FEBRUARI 1893. 



Tegenwoordig de lieereu der Kinderen (Voorzitter), Kern 
(Onder-voorzitter), de Groot (Penningmeester), L. W. C. 
van den Berg , Kielstra , Nieniann , Quarles van üfford , 
Sohleirel Vreede en Wijnmalen (Secretaris). Afwezig de 
heeren N. P. van den Berg en van der Paut, eerstgenoemde 
met kennisgeving. 

De notulen van het verhandelde in de vorige Bestuursvergaderingen 
worden gelezen en goedgekeurd , waarna mededeeling wordt gedaan 
van de ingekomen en aangekochte boekwerken. 

Plaatsing in de Bibliotheek. 

Ingekomen zijn missives : 

1". van Prof. mr. J. Oppenheim te Groningen en Willem Wijt 
te Rotterdam , meldende dat zij aan het einde dezes jaars Imn 
lidmaatschap van het Instituut wenschen te doen eindigen. 

Aangenomen voor kennisgeving. 

2®. van den Minister van Koloniën van 21 Januari 1893, lett. 
A, n®. 68, waarbij, naar aanleiding van een schrijven dezerzijds 
van 7 Januari 1893, n°. 796, wordt medegedeeld, dat in het 
aan den Gouverneur-Generaal van Ned. Indië gericht request 
van 19 October 1892, n®. 788, gesproken werd van nog voor het 
ethnographisch deel van het onderzoek van de eilanden der Banda- 
zee beschikbare gelden , die evenwel niet voldoende waren om de 
totale kosten daarvan te bestrijden, waarom voor het jaar 1893 eene 
aanvulling met f 5000 werd gevraagd. Sinds van dat ethnographisch 
onderzoek werd afgezien , kou niet anders worden verwacht dan dat 
door het Instituut ook zou worden afgezien van de nog niet ont- 



l 



IV 339^TE BESTU URSVERGADEHINa. 

vangen helft van het voor 1892 verleende subsidie, waarom thans 
wordt gevraagd. Aangenaam zou het den Minister daarom zijn, 
wanneer nader kon worden verduidelijkt , dat het nog niet ontvangen 
gedeelte van het bedoelde subsidie noodig is voor het doel waar- 
voor het werd toegestaan. 

Omtrent den inhoud van dit schrijven des Ministers worden door 
den Voorzitter en Secretaris nadere inlichtingen verstrekt, waaruit 
blijkt , dat sinds van het ethnologisch onderzoek moest worden 
afgezien , inderdaad ook zou kunnen worden afstand gedaan van 
de nog niet ontvangen helft van het toegestaan subsidie. Het was 
ook geenszins de bedoeling om het nog niet gehonoreerde gedeelte 
van het subsidie aan te wenden voor de onderzoekingsreizen zelven, 
doch wel om daarmede te bestrijden alle uitgaven, die betrekking zullen 
hebben op de publicatiën van de resultaten der onderzoekiugsreis 
van den hoogleeraar Martin. Mocht voor dit oogmerk de aan het 
Instituut aankomende helft niet beschikbaar kunnen worden gesteld, 
dan zou het Instituut zich de vrijheid moeten voorbehouden te 
zijner tijd nog eene subsidie aan te vragen voor bedoelde publicatiën. 

Overeenkomstig het voorstel des Voorzitters wordt eenparig be- 
sloten een en ander den Minister van Koloniën mede te deelen. 

Ter tafel worden gebracht twee brieven van Commissarissen van 
het Instituut te Batavia, van 21 December 1892 en 10 Januari 1893, 
waarbij 1®. worden aangeboden vier prima wissels, groot f351.75, 
f281.15, f 182.91 en f200 Ned. Cour.; 2«. kennis wordt gegeven 
van het ontslag van het lid B. J. E. Roskott , gep. assistent-resident 
te Soekaboemi en van den dood van het lid D. F. W. Lucassen ; 
3®. voorts eenige financieele mededeelingen worden gedaan in ver- 
band met en in antwoord op het schrijven des Penningmeesters 
van den 28 Augustus 1892 , en eindelijk R de wensch van den 
heer Zwager wordt te kennen gegeven om als Commissaris-thesaurier 
te worden ontslagen , terwijl tevens met het oog op de moeielijkheid 
om reeds aanstonds een plaatsvervanger voor te dragen, het voor- 
stel wordt gedaan , om in afwachting eener benoeming van een 
definitieven opvolger met de werkzaamheden , dusverre door den 
Commissaris-thesaurier vervuld, te belasten den hoofdcommies bij 
de Secretarie van den Baad van Nederlandsch-Indie , de heer Blok, 
die zich daartoe tegen het genot eener belooning van f75 'sjaars 
bereid heeft verklaard. 

Na uitvoerige gedachtenwisseling , gehoord de inlichtingen van 



339«TE BEST UURS VERG ADEEINQ. V 

den Penningmeester , wordt overeenkomstig het voorstel des 
Voorzitters, besloten 1°. de ontvangst der brieven met daarbij 
gevoegde wissels te erkennen; 2®. den Secretaris te machtigen, in 
overleg met den Penningmeester omtrent de verschillende in den 
brief van den Commissaris-thesaurier van 21 December .892 be- 
handelde financieele aangelegenheden de noodige ophelderingen te 
verstrekken; 3°, aan den Commissaris-thesaurier, den heer Zwager, 
het gevraagd ontslag te verleenen , onder dankzegging voor hetgeen 
door hem als zoodanig in het belang van het Instituut werd ver- 
richt; 4®. het door hem gedaan voorstel als overgangsmaatregel 
goed te keureu; en eindelijk van een en ander den Commissaris 
13r. Braudes mededeeling te doen, met uitnoodiging tevens het 
Bestuur te willen dienen van bericht en raad omtrent de inning 
van de contributiën van leden in Indië, hetzij door tusschenkomst 
der firma Koltf en C®. te Batavia tegen een vaste provisie, hetzij 
vanwege den Penningmeester zelven door tusschenkomst van den 
postdienst. 

De Vergadering gaat thans over tot het opmaken van de noodige 
drietallen , aan de Algemeene Vergadering aan te bieden bij de 
vervulling der drie vacatures in het Bestuur tengevolge der perio- 
dieke aftreding der heeren D. F. van der Pant, Jhr. mr. J. K. 
W. Quarles van Ufford en Prof. Schlegel. 

De uitslag der stemming is, dat zullen worden voorgedragen: 

Voor de vacaturen van der Pant, de hh. 

Prof. C. Poeuseu, te Delft, 

Dr. B. F. Matthes , te 's Gravenhage en 

Mr. W. B. Bergsma, te Apeldoorn; 

voor de vacature Quarles van Ufford, de hh. 

Mr. O. J. H. Graaf van Limburg Stirum, 

Jhr. mr. W. C. A. Elout van Soeterwoude en 

Mr. C. Voute , allen te 's Gravenhage ; 

voor de vacature Schlegel, de hh. 

Prof. Dr. J. J. M. de Groot, te Leiden, 

Dr. J. G. F. Riedel en 

A. J. Spaan, te 's Gravenhage. 

Door den Secretaris wordt ter tafel gebracht een door hem gereed 
g(uuaakt concept-verslag van den staat en de werkzaamheden van 
het Instituut over het jaar 1892, namens het Bestuur voor te 



VI 339^TK BESTUURSVERGADERING. 

dnigen iu de Algenieeiie Vergadering. De vergad ei ing hecht daaraan 
hare goedkeuring. 

De Voorzitter dankt den Secretaris voor den geleverd en arbeid. 

De Voorzitter noodigt de vergadering uit zich onledig te houden 
wat de keuze van nieuwe leden zoowel hier te lande nis in Indië. 
Na gedachten wisseling en omvraag worden achtereenvolgens tot 
1 eden voorgedragen en benoemd : 

in Nederland de hh. A. Plate, lid van de Tweede Kamer der 
Staten-Qenemal , te Rotterdam ; Mr. G. H. Barnet Ljon , agent- 
generaal , lid van den raad van bestuur in de kolonie Suriname , thans 
te 's Graveuhage ; J. C. Schippers, hoofdingenieur bij de staatsspoor- 
wegen op Java, thans te 's Graveuhage ; R. W. J. C. van den Wall 
Bake , directeur van de Batav. Oosterspoorweg-Maatschappij, te Am- 
sterdam ; A. L. J. Marlens , directeur van de Samarang-Joana- en 
Oost-Java stoom-trammaatschappij , te 's Graven hage ; L. A. Dittlof 
Tjassens, oud-directeur van het marine-etablissement te Soerabaja, 
gedetacheerd bij het departement van koloniën , te 's Graveuhage ; 
H. A. de Smit van den Broecke , kapitein-ter-zee titulair , chef van 
den afdeeling hydrographie aan het departement van marine, te 
's Graveuhage ; Mr. C. A. Verriju Stuart, secretaris van de centrale 
commissie voor de statistiek , te 's Graveuhage ; W. H. L. Bor- 
gerhoff Mulder, officier van gezondheid 2e kl. , te *s Graveuhage ; 
Baron H. A. Clifford, te 's Graveuhage ; Mr. F. J. H. de Wetstein 
Pfister, te 's Graveuhage ; Th. J. van Stockum , industrieel, te 
's Gravenhage ; Mr. G. D. Advocaat, vice-concul , laatstelijk ge- 
plaatst bij het consulaat te Constantinopel , thans bij het departe- 
ment van Buitenlandsche Zaken, te 's Graveuhage; H. C. Ypey, 
vice-consul , te Constantinopel : A. J. Anemaet , te Parijs ; T. A. de 
Neve, kapitein der artillerie van het O.-I. leger, gedetacheerd aan 
den hoogere krijgschool , te 's Graveuhage ; Mr. C. F. Schoch , amb- 
tenaar bij het departement van koloniën, te 's Graveuhage; E. 
Thomas, O.-I. Ambtenaar m. v. te 's Graveuhage. 

In Indië, de hh. E. A. Rovers, directeur van het departement van 
Financien, te Batavia; J. K. Kempees , hoofdinspecteur der Spoor- 
wegdiensten en van het Stoomwezen , te Batavia; H. E. Dorrepaal , 
president van de vereeuiging voor oudheid-, taal- , land en volken- 
kunde te Djokjokarta; Dr. C. Eykman , directeur der school tot 
opleiding van inlandsche geneeskundigen, te Batavia; Dr. J. F. 
van Bemmelen, bibliothecaris van de Koninklijke Natuurkundige 



k 



SSQS'TK BKSTUURSVERaADEEING. VII 

Vereeniging in Ned. Inde, te Batavia; Mr. H. J. Mij er, redacteur 
en secretaris van de Ned-. Ind. Maatschappij van • Nijverheid en 
Landbouw, te Batavia; J. H. F. ter Meuleu, Adsistent-resident, 
toegevoegd aan den hoofdinspecteur voor de koffiecultuur; H. ü. H. 
Bosboom , majoor en J. J. A. Muller, kapitein bij den Generalen Staf, 
te Padang Sidempoean; H. T. M. Pino Post, controleur bij het 
B. B. te Padang Sidempoean; M. C. Schadee, controleur bij het 
B. B. te Ngabang (Landak); H. E. B. Schmalhausen , controleur 
bij het B. B. ; H. N. Kiliaan, controleur 2e kl., belast met het 
verzamelen op Madoera van gegevens tot een vast stelsel van 
spelling voor de Madoereesche taal. 

Van deze keuzen zal aan de Algemeene Vergadering mededeeling 
worden gedaan. 

In verband met de spoedig te verwachten uitgave van het plaat- 
werk van den heer Dr. Groneman over de Tjandi-groep vraagt en 
erlangt de Secretaris de machtiging om aan den bewerker 25 
present-exemplaren af te staan , terwijl overeenkomstig het voorstel 
van den heer Quarles van Ufford besloten wordt een recensie-exem- 
plaar ter beschikking te stellen van de redactie van de Economist. 

Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door den 
Voorzitter gesloten. 



ALGEMEENE VERGADERING , 

GEHOUDEN 25 FEBRUARI 1893. 



Tegenwoordig de heeren leden van het Bestuur: der 
Kinderen (Voorzitter), Kern (Onder-voorzitter), de Groot 
(Penningmeester) , Wijnmalen (Secretaris) , L. W. C. van den 
Berg , Kielstra , Niemann , Quarles van Ufford , Sclilegel en 
Vreede ; voorts de leden : Ganne , C. Voute , de Roo , Matthes, 
Poensen , Verwey , C. A. M. van Vliet , van de Wal , Heeres, 
Serrurier, W. Pleyte, Buys en van Vlijmen. 

Na opening der Vergadering heet de Voorzitter , Mr. T. H. den 
Kinderen, de opgekomen leden welkom. 

Van de heeren N. P. van den Berg en C. van der Gon Netscher 
is bericht ontvangen, dat zij de vergadering niet kunnen bijwonen. 

De notulen der vorige Algemeene Vergadering worden voorge- 
lezen en goedgekeurd. 

Overeenkomstig de bepaling van het Reglement brengt de 
Secretaris , namens het Bestuur , verslag uit omtrent den staat van 
Instituut en zijne belangrijkste lotgevallen en handelingen gedurende 
het verloopeu jaar 1892. 

De Voorzitter dankt den Secretaris voor zijnen arbeid, ook uit 
naam der Vergadering. 

Overeenkomstig het voorstel des Voorzitters wordt besloten het 
verslag te doen drukken en o]) te nemen in de Bijdragen. 

De Voorzitter deelt mede, dat de Penningmeester de rekening 
en verantwoording omtrent zijn geldelijk beheer over 1892 aan 
het Bestuur heeft overgelegd , dat haar heeft onderzocht en 
zijnerzijds goedgekeurd. Uit naam der uit de gewone leden benoemde 
commissie brengt de heer O. A. M. van Vliet daarover verslag uit; 
zij rapporteert dat zij het beheer van den Penningmeester heeft 



ALGBMEENE YEROADERING. IX 

nagegaan en in volkomen orde heeft bevonden ; hulde brengende 
aan de nauwgezetheid, waarmede de financieele belangen van het 
Instituut zijn behartigd, stelt zij voor den Penningmeester te 
dechargeeren , onder dankbetuiging voor het door hem gevoerd 
beheer. 

Met acclamatie vereenigt zich de vergadering met dit voorstel, 
waarna de Penningmeester omtrent de kas en de balans nog eenige 
mededeelingen doet. 

Aan de orde is thans de verkiezing van bestuursleden in de 
plaats der aftredende heeren D. Y, van der Pant, Jhr. Mr. J. K. W. 
Quarles van Uflbrd en Prof. Dr. G. Schlegel , aan wie de Voorzitter 
hulde brengt voor hunne vierjarige werkzaamheid ter bevordering 
van de belangen van het Instituut. 

Tot stemopnemers worden aangewezen de heeren Buys en Pleyte , 
die als uitslag der stemming mededeelen , dat met groote meerder- 
heid uit de voorgedragen drietallen (zie Bestuursvergadering van 
18 Februari 1893) verkozen zijn de HH. Prof. C. Poensen, te 
Delft, Mr. O. J. H. Graaf van LimbArg Stiniin , te VGravenhage , 
en Prof. dr. J. J. M. de Groot, te Leiden. 

De hoogleeraar Poensen, wien de Voorzitter geluk wenscht met 
zijne verkiezing als bestuurslid, verklaart zich bereid de op hem 
gevallen keuze te aanvaarden. Aan de beide andere benoemden zal 
van hunne verkiezing kennis worden gegeven. De Voorzitter zegt 
den stemopnemers dank voor de vervulling hunner taak. 

Onder herinnering aan hetgeen bereids door den Secretaris in 
zijn verslag werd medegedeeld, brengt de Voorzitter ter tafel het 
voorstel van het Bestuur om, ingevolge al. 2 van Art. 18 van het 
Keglement, het vanwege het Instituut uit te geven Javaansch 
woordenboek van den heer H. A. de Nooy voor de leden verkrijgbaar 
te stellen tegen de helft van den boekhandelsprijs. 

Het voorstel wordt met algemeene stemmen aangenomen. 

Op uituoodigiug van den Voorzitter leest de Secretaris de namen 
voor van de nieuwbenoemde leden van het Instituut (zie de lijst 
in de notulen der Bestuursvergadering van Februari 1893). 

Het lid Canne zegt gaarne eenige inlichtingen te ontvangen 
omtrent den stand der voorgenomen, reeds meermalen besproken 
Wajang-uitgave. 



X ALGEMEENE VERGADEEING. 

De heer Serrurier, met die uitgave belast, geeft daarover eeuige 
ophelderingen in verband met de daarvoor beschikbaar gestelde 
fondsen , en geeft de verzekering dat de uitgave vóór het einde 
van het loopend dienstjaar kan worden tegemoet gezien. 

Het lid (J. A. M. van Vliet spreekt den wensch uit dat het 
Instituut een ander gebouw verkrijge , da£.r het tegenwoordig pand 
niet meer aan de behoeften voldoet. Het lid Quarles van üfford 
doet opmerken, dat tot dusver de verwezenlijking van den ge- 
opperden wensch afgestuit is op de moeielijkheid om een voor het 
doel geschikt pand aan te koopen , terwijl voor de stichting van 
een ander gebouw bezwaarlijk een geschikt terrein te verkrijgen 
is ; waarop de heer van Vliet , repliceerende , de aandacht vestigt 
op een alleszins geschikt terrein op den Bezuidenhoutschen weg , 
door de Eegeering onlangs aangewezen voor den bouw van een 
nieuw Rijksarchief, en van welk terrein de kosten, zijn zijne 
inlichtingen juist, niet bovenmatig hoog zijn. 

De Voorzitter zegt, dat de zaak zelve herhaaldelijk reeds in 
den boezem van het Bestuur is besproken; meer dan eens is zelfs 
een voorstel gedaan tot aankoop van een aangewezen huis, dat 
echter bij nader onderzoek of te kostbaar voor de beperkte geld- 
middelen des Instituuts, of voor het doel ongeschikt bleek ; eveneens 
zijn er plannen ontworpen tot verbouwing van het tegenwoordig 
gebouw , doch mede zonder resultaat. De zaak is intusschen gesteld 
in handen eener Commissie, bestaande uit den Voorzitter, Secretaris 
en Penningmeester. 

Daar niemand verder het woord verlangt , sluit de voorzitter 
de Algemeene Vergadering. 



imiTKNGEWONE BESTUURSVERGADERING, 

GEHOUDEN 25 KEBRUARI 1893. 



Tegenwoordig de heereii der Kinderen, Kern, de' Groot, 
L. W. C. van den Berg, Kielstra, Niemann, Poensen, 
Vreede en Wijnmalen. Afwezig de heer N. P. van den Berg. 

Do Voorzitter, de vergadering geopend hebbende, heet het nieuw 
benoemd bestuurslid , C. Poensen , welkom en verzoekt de leden , 
overeenkomstig de bepalingen van het Reglement, over te gaan 
tot de hernieuwde samenstelling van het bureau van liet Instituut 
voor het ingetreden genootschappelijk jaar. 

Het bestuurslid, mr. L. W. G. van den Berg, stelt voor de 
tegenwoordige titularissen bij acelamatie te herbenoemen. 

De vergadering vereen igt zich met dit vooi*stel , waarna de 
Voorzitter, ook namens den herbenoemden Ondervoorzitter, Penning- 
meester en Secretiris , verklaart zich de keuze te laten welgevallen , 
onder dankzegging voor het opnieuw in hen gesteld vertrouwen. 

Niets meer aan de orde zijnde , sluit de Voorzitter de vergadering. 



340^^TE BESTUURSVERGADERING, 

OEHÜUÜEN 25 MAART 1893. 



Tegenwoordig de heeren : der Kiudereu (Voorzitter), Kern 
(Ouder-voorzitter) , J. H. de Groot (Penningmeester) , N. P. 
van den Berg, L. W. C. van den Berg, J. J. M. de Groot, 
Kielstra , Niemann , Poensen , Van Limburg Stirum , Vreede 
en Wijnmalen (Secretaris). 

Na opening der vergadering deelt de Voorzitter mede, dat van 
de nieuwbenoemde Bestuursleden, Prof. J. J. M. de Groot en Mr. 
O. J. H. Graaf van Limburg Stirum, brieven zijn ontvangen, 
houdende mededeeling van de aanvaarding hunner benoeming tot 
leden van het Bestuur. Beiden, ter vergadering tegenwoordig, 
worden door hem verwelkomd. 

Hierna worden achtereenvolgens gelezen en goedgekeurd de 
notulen van het verhandelde in de vorige Gewone en Buitengewone 
Bestuursvergaderingen , terwijl mede worden gelezen de notulen van 
het verhandelde in de laatstgehouden Algemeene Vergadering , welke , 
onder nadere goedkeuring in de volgende Algemeene Vergadering, 
voorloopig vanwege het Bestuur worden vastgesteld. 

üe Voorzitter vestigt de aandacht op de nieuw verworven boeken 
en tijdschriften , die ter tafel zijn nedergelegd en deelt vervolgens 
mede , dat zijn ingekomen missives : 

l^ van den directeur van het Rijks Museum van oudheden , te 
Leiden , houdende dankbetuiging voor de toezending van het boek- 
en plaatwerk //Tjandi Parambanan op Midden-Java.v 

2^ van den heer Jhr. mr. J. K. W. (iuarles van Uiibrd, 
houdende bericht van ontvangst ter bespeking in '/de Economist'/ 
van hetzelfde werk. 

Voor kennisgeving aangenomen. 

.'3°. van de Liverpool Geographical Society , houdende voorstel 
tot ruiling van wederzijdsche uitgaven. Na gedachten wisseling wordt 
besloten aan dat voorstel geen gevolg te geven. 

'!•*'. van den waaruemenden Hoofdredacteur van de "Portefeuille" 
Taco H. (Ie Beer, te Amsterdam, waarbij, onder mededeeling dat 
in zijne uitgave steeds meer zorg besteed zal worden aan mede- 
deelingen van wetensc]ia})])elijkeu aard, van beteekenis voor allen, 
die b(*langstelle]i in wetenschap, kunst en letteren, het verzoek 



\ 



340iTE BESTUURSVERGADERING. XIII 

wordt gedaan daarvoor wel te willen toezenden de vanwege het 
Instituut bezorgde uitgaven, opdat men dienaangaande de lezers 
van gemeld orgaan uitvoerig zou kunnen inlichten. Wordt besloten 
geen gevolg te geven aan het ingediend verzoek. 

5°. van Mevr. de Wed. F. C. Valck, houdende verzoek den 
naam van haren echtgenoot, 12 Dec. 1892 overleden, als lid van 
het Instituut te willen afvoeren. 

6®. van de heeren J. L. Hordijk en W. H. M. van Schmid , 
houdende mededeeling de eerste van zijn adres te Arasterdam , de 
tweede van zijne overplaatsing naar Singkarah (Sumatra's W.-K.). 

7®. van de heeren Mr. G. H. Barnet Lyon, Mr. G. D. Advocaat, 
C. L. J. Martens, te 's-Gravenhage , A. Plate, te Rotterdam, 
Mr. C. F. Schoch, J. C. Schippers, Mr. F. J. H. de Wetstein 
Pfisteu en H. C. Ypey, te 's-Gravenhage , en Alb. C. Kruyt te 
Gorontalo, allen houdende bericht van de aanvaarding van het 
lidmaatschap van het Instituut. 

8**. van de heeren Verrijn Stuart,de Neve, Borgerhof Mulder, de Smit 
van den Broecke en Jhr. Cliftbrd, te 's-Gravenhage, waarbij zij berichten 
het lidmaatschap van het Instituut niet te kunnen aannemen. 

9**. van het lid de Vlaming, te Haarlem, verzoekende- van de 
ledenlijst te worden afgevoerd. 

Al deze missives, worden voor kennisgeving aangenomen. 

Op voordracht van het lid C. W. Pleyte Wz. , te Amsterdam, 
wordt als gewoon lid voorgedragen en aangenomen de heer A. Obreen, 
hoofdredacteur van de Telegraaf, te Amsterdam. 

Ter tafel wordt gebracht een schrijven van den heer Alb. Schwemer 
te Brunshaupten i. M. , waarbij , onder mededeeling dat hij in het 
bezit is van eenige handschriften bevattende de geschiedenis van de 
Minahassa en aanteekeningen voor eene grammatica en woordenlijst, 
verhalen, fabels en gezangen in het Alfoersche dialect der Tompa- 
cheva's, de vraag wordt gedaan of het Instituut wellicht geneigd 
zou zijn die handschriften over te nemen en onder welke voorwaarden. 

Na gedachten wisseling wordt besloten den schrijver te antwoorden 
dat men, alvorens eenig besluit te kunnen nemen, inzage behoort 
te nemen van de bedoelde handschriften. 

Van den heer G. W. W. C. Baron van Hoëvell is dd. 20 Januari 
1898 een schrijven ontvangen, waarin hij de ontvangst erkent van 



XIV 340STK BESTUURSVERGADERING. 

de missive van het Instituutsbestuur van 24 November 1892, 
n° 192, blijkens welke het Instituut verplicht is de hem gedane 
opdracht tot het houden van een ethnographisch onderzoek op de 
eilanden der Banda-zee in te trekken. 

Het nog beschikbaar bedrag der subsidie h f 5000 is nu per 
gouvernementswissel overgemaakt aan 's Instituuts Commissaris Dr. 
Brandes te Batavia, terwijl daarvan f 18.25 is afgehouden, zijnde 
het bedrag der in deze zaak door hem gemaakte onkosten voor 
telegrammen , zegels ,