(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



'^ 



..IV 



' . / 



"PvwHm ïa^.I 



löavbarti CoUcsc littrars 




BOUGMT WITH INCOME 
rnoM TiiB H««*jJBsT ar 

HENRY LILLIE PIERCE 

OF BOSTON 

UïipUl A VOTÉ OF THE PSWlomNT AWD FEÏ-I-OWB 
OCTOBEti 24, 1S98 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



BIJDRAGEN 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



NEDEBLAïLDSCH-INDIE. 

/// 

/ 

7 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



BIJDRAGEN 



TAAIi LAND- EN VOLKENKUNDE 



NEDEBLANDSGH INDIE. 

ÜITGEGIVEN 

DOOI 

HBT KONINKLIJK INSTITUUT 

▼OOI D> 

TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE VAN NEDBRLANDSCH INDIË. 



DBRDI TOUUtnU. 
VIEBDE DEEL. 



'8 6SATSNHi6B. 

MAETINUS NIJHOFF. 

1869. 



GEDRUKT BLF H. L. SMITS, n „::,„. .yGoOQle 



Digitized by ' 



Tv^ 3i^.| 



o — ^<^\ 
MAR 10 1910 j 




'^ 



-*-' V. Cal. ^--.a 



A_ 




Digitized by 



Google 



VERSLAG 



DEN STAAT EN DE WERKZAAMHEDEN 

OEDUKBNDB HST IXSTITUüTSJAAB 1868, 
UITOEBRAOHT IN DE ALGEMEENE VEBaAOBBINa VAN 20 MAART 



Mijne Heeren! 

Het Bestuur van het Instituut heet U welkom in deze 
nieuwe veigaderzaal. 

In het verslag van het vorig jaar werd uwe aandacht er op 
gevestigd, dat onze instelling behoefte' had aan een geschikter 
lokaal dan zij tot dusverre bezat, niet alleen om haar uiterlijk 
aanzien, maar óok omdat de bibliotheek meerdere ruimte 
vereischte. 

Wel had het Bestuur aanvankelijk meer het oog op een 
eigen gebouw; maar de keuze daarvan ging gepaard met onder- 
scheidene bezwaren en de gelegenheid « welke tot het huren 
dezer goed gelegen lokalen zich aanbood, verbond doelmatig- 
heid aan spaarzaamheid, te meer omdat het Indisch Grenootschap, 
eene vereeniging die wel een anderen weg dan het Instituut 
betreedt, maar naar een gelijk doel: de kennis van Indie, 
streeft, aanbood de helft der kosten te dragen, onder be- 
ding deze vergaderzaal ook voor zijne bijeenkomsten te bezigen 
en zijne belangrijke bibliotheek in een der aangrenzende ver- 
trekken te bewaren, waartegen geene bedeukingen konden be- 
staan , omdat voor beide instellingen plaats genoeg is en de kas 
van het Instituut daarmede tevens een lichter lagt.^ha^ te dragen^ 



VI VEBSLAG. 

Het Bestuur noodigt U uit, Mijne Heerenl straks deze 
inrichting van naderbij te bezichtigen , en vleit zich , dat gij met 
ons instemmen zult, dat die schikking aan een goed doel be- 
antwoordt. 

Het Bestuur meent tevens U opmerkzaam te moeten maken 
op de zeer belangrijke bibliotheek, in het bezit van het Indisch 
Genootschap. Wellicht mag daarvan getuigd worden, dat geene 
verzameling van werken over Indische onderwerpen van allerlei 
aard zoo volledig in ons land wordt aangetroffen. Die rijkdom 
deed bij het Bestuur van het Instituut den wensch ontstaan, 
dat ook anderen dan de leden van het Indisch Genootschap, 
meer in het bijzonder die van het Instituut, de gelegenheid 
mochten hebben, met die kostbate verzameling kennis te maken, 
haar te raadplegen en aan ons doel dienstbaar te doen zijn. 

Het Bestuur was wel ten volle overtuigd van de bereidvaar- 
digheid van heeren Directeuren van het Indisch Genootschap, 
om dat oogmerk te bevorderen, doch was tevens bekend met 
de omstandigheid, dat geldelijke oorzaken tot dus ver belet 
hadden de uitgave van een noodzakelijken catalogus, om in 
die omvangrijke verzameling eenen weg te vinden. 

Indachtig aan eene der verplichtingen, in art. 1 van onze 
statuten omschreven, om de kennis van Indie aan te kweeken, 
ook door het steunen van nuttige ondernemingen, heeft het 
Bestuur van het Instituut als een middel daartoe aan het Indisch 
Genootschap voorgesteld, den catalogus van zijne boekerij te 
doen drukken tengebniike van de leden van beider inrichtingen, 
die dan gelijk recht van toegang zullen erlangen tot de ver- 
zameling, zoowel van het Instituut als van het Indisch Ge- 
nootschap. 

Ook eene nauwere kennis met deze instelling door hen, die 
daarvan geen lid zijn , hebben wij nuttig geacht. Zij kon , meen- 
den wij, tot meerdere toetreding aanleiding geven. Ook om 
vreemdelingen een denkbeeld te gejven van ons streven, scheen 
de vrijheid tot introductie ons het doeltreffendst. 

"Wij verheugen ons , dat de directie van het Indisch Genoot- 
schap onze inzichten gereedelijk deelde. Zijn catalogus is reeds 
ter perse en zoodra die gereed is , zal U , Mijne Heeren , worden 
aangekondigd, dat op aanvrage der leden, daarvan een exem- 
plaar ter hunner beschikking is; terwijl uit ons midden eene 
commissie is benoemd om eenige bepalingen te ontwerpen om- 
trent het gebruik der boekerijen. oigitizedbyGooglc 



TBKSLAG. Vn 

Het Bestaur vleit zich, dat in een tijd, welks streYen zich 
kenmerkt om de vrachten van den geest onder het bereik van 
zoo velen mogelijk te brengen/ deze nienwe pogingen, om ook 
de litteratnnr van Indie algemeen te maken en aan den werk- 
kring van het Institunt een grooter getal belangstellenden te 
doen deelnemen, door de leden dezer inrichting op prijs zal 
worden gesteld. Wij dnrven ons althans verzekerd houden, dat 
zij niet ongaarne znllen vernemen, dat door middel eener be- 
trekkelijk geringe geldelijke opoffering zij als het ware deelge^ 
nooten, althans wat het gebroik betreft, zijn geworden van eene 
kostelijke Indische boekverzameling. 

Dezelfde wensch om al wat kan bijdragen ter beoefening der 
kennis van Indie, van de volkeren en van het maatschappelijk 
leven in het oosten, jin wijden kring te brengen, was ten ver- 
leden jare de drijfveer van een voorstel , om ook de belangrijke 
verslagen van het Indisch Genootschap in onze bijdragen op 
te nemen. 

. Wij zullen in geene herhaling treden van de gronden, die 
dat voorstel moesten steunen, noch van de bedenkingen, die 
daartegen zijn aangevoerd. Zij zijn uiteengezet in het extract der 
notulen der op 30 Maart 1868 gehouden algenieene vergadering, 
hetwelk den leden gedrukt is toegezonden , en het onderwerp 
waarvan straks een punt van nadere beraadslaging zal kunnen 
uitmaken. ^ 

Indien het Bestuur U, Mijne Heeren, zoo even wees op de 
betere lokaliteit, die het Instituut had gewonnen, zeer zeker 
was het met de hoop, dat zij zou getuige worden van een 
krachtig intellectueel leven en van toenemende ontwikkeling. 
Leveren de boekdeelen, in het afgeloopen jaar den leden des 
Instituuts aangeboden, het bewijs, dat de onderzoekingen van 
linguistischen, ethnographischen en geographischen aard rusteloos 
worden voortgezet, niet minder rekenen wij er op, dat in het 
tijdvak, dat wij thans intreden, de bouwstoffen, om onze bij- 
dragen te verrijken, niet zullen ontbreken. 

De breedvoerige notulen der bestuursvergaderingen, in die 
bijdragen opgenomen, maken reeds melding van onderscheidene 
belangrijke stukken, die voor de uitgave gereed liggen, en de 
plaatsing waarvan slechts op beschikbare ruimte wacht. 

Maar die aanteekeningen liebben U nog niet kunnen bekend 
maken met eeu verlies, dat de wetenschap heeft getroffen enr 



VIII VBES1.AO. 

ons voor een oogenblik deed vreezen , te zullen worden verstoken 
van eenen arbeid, waarop het Bestnnr hoogen prijs stelt, die 
door ondersteuning des Instituuts een aanvang had genomen en 
naar ' welks voleindiging wij met verlangen uitzagen ; — wij 
doelen op het toegezegd werk van den hoogleeraar H. C Millies 
over de munten van Nederlandsch-Indië , waarvan wij vroeger 
eenigzins in het breede hebben gewag gemaakt. 

Slechts enkele platen ontbraken aan dat werk; de laatste 
bladzijden daarvan waren nog ongeschreven, toen de dood dien 
geleerde aan zijn hoogst verdienstelijken werkkring ontrukte. 

Zijn de geschriften, van hem bekend, niet vele in getal, 
zooveel te grondiger en degelijker van gehalte is alles wat zijne 
uitgebreide kennis van de Indische litteratuur toebracht, om het 
licht over verschillende onderwerpen zoowel betreffende de poly- 
nesische taaistudie als de middelen ter aankweeking van bescha- 
ving der oostersche volkeren te verspreiden en ons waarborgen 
gaf van de vruchten , die onze instelling zou plukken van hare 
geldelijke ondersteuning der uitgaaf van het numismatiek werk , 
door Millies ondernomen. 

Gelukkig is het Instituut het vooruitzicht daarop niet benomen. 
Belangeloos stond weder een geleerde ons ter zijde, wiens 
voorlichting het Instituut nimmer te vergeefs had ingeroepen. 
Ons geacht medelid , de heer Niemann , heeft de taak op zich 
willen nemei^, niet alleen om voor de correctie van dat werk 
te zorgen, maar ook om aan te vullen wat nog daaraan ontbreekt. 

Indien wij zouden willen uitweiden in den rechtmatigen lof, 
die hem toekomt, niet slechts daarvoor, maar tevens voor de 
voortdurende medewerking, die het Bestuur van hem ondervindt, 
dan zou dat meer zijn dan zijne bescheidenheid welkom zou 
zijn en toch zeker niet overtreffen de mate van erkentelijkheid , 
die het Bestuur hem toedraagt. 

Een nieuw bewijs zijner onvermoeide werkzaamheid en 
belangstelling in de ontwikkeling van den Oosterling hoopt het 
Bestuur weldra te doen aantreffen in de uitgave eener Chres- 
tomathie, dienstig als handboek voor de instellingen van 
onderwijs der Indische talen en in het algemeen als leesboek 
voor de volkeren, die het Maleiscli verstaan. 

lleeds meermalen is het Bestuur toch indachtig geweest aan 
de wenschelijkheid , om onder de inlandsche bevolking nuttige 
lectuur te verspreiden, overeenkomstig hare vatbaarheid, en het 
Instituut ma^ er op wiizen , reeds meermalen daartoe t de 

^ f J ' DigitizedbyCOOgle 



VKKSliAG. IX 

behulpzame hand te hebben geboden. Het nut daarvan was ons 
ook weder gebleken uit eene opmerking van ons geëerd medelid , 
den heer Sloet van de Beele, uit persoonliike ervaring geput, 
dat de inlanders indedaad meer belang stellen in boeken en 
geschriften dan men vermoeden zou uit het aantal, daarvan 
naar Indië gezonden wordende. Hij wees ons op eenige der 
boeken of geschriften , in den smaak der inlanders vallende en 
deed de toezegging, sommigen daarvan te ontbieden. Het is 
bijzonder welkom , te kunnen mededeelen , dat eerstdaags die 
toezegging zal vervuld worden en het Bestuur noodigt de 
belangstellenden uit, van die geschriften kennis te nemen, ook 
als maatstaf of aanwijzing bij de uitgave in het vervolg van 
werken, voor de Indische bevolking bestemd. 

Gij ontwaart. Mijne Heeren, dat de uitzichten betreffende de 
werken, die wij zoo even noemden, niet zullen worden teleur- 
gesteld. Ook de verwachting van de uitgave der Wayangver- 
halen, waarvan in ons vorig verslag sprake was, door den 
hoogleeraar dr. T. Eoorda te bewerken, is thans verwezenlijkt. 

Het Bestuur is het hoogst aangenaam bij deze gelegenheid 
ter tafel te kunnen brengen het door ons Instituut uit te geven 
werk van dien hoogleeraar, getiteld: De Wayangverhalen van 
Pala Sara, Pandoe en Baden Pandji in het Javaansch, met 
aanteekeningen , wellicht voor den Europeschen smaak niet geheel 
aanlokkelijk, maar gewichtig voor de kennis van zeden en denkwijs 
van het Javaansche volk, dat zoo gretig de vertooningen 
van de Wayang bijwoont en de voordracht van den Dalang 
opvangt. 

Zij , die zich met dezen arbeid gemeenzaam trachten te maken , 
zullen inzien welke bezwaren zijn te overwinnen geweest, hoe 
de daarbij gevoegde aanteekeningen de studie der Javaansche 
taal bevorderen, doch ook veel onderzoek hebben vereischt; zij 
zullen zich niet verwonderen , dat de verschijning van dit werk 
vertraagd is geworden, maar tevens zullen zij de overtuiging 
erlangen, dat de geldelijke bijdragen der leden van het Instituut, 
door zoodanigen arbeid steun te verleenen, wel besteed worden. 

Den geëerden schenker van het keurig manuscript van het 
Wayangverhaal : het huwelijk van Pala Sara getiteld, den 
regent van Poerbalingga (residentie Banjoemaas) Radin adi , 
Patti Dipa Koesoemo, biedt het Bestuur als dankbewijs een 
fraai exemplaar van dit werk van prof. Koorda^^jpi^^en heeft ^ 



X VEKSTiAO. 

tot erkenning zijner diensten en spoorslag tot voortdniende 
belangstelling hem benoemd tot lid dezer Inrigting, 

Wij hebben de bewijzen erlangd dat zoodanige geschriften , die 
den geest des volks van nabij leeren kennen, op waarde worden 
gesteld. Het bleek ons weder nit de verzameling van Javaansche 
en Maleische spreekwoorden, geplaatst in het derde deel onzer 
Bijdragen. Zij vergunnen een diepen blik in de d^kwijze van 
het volk, en daarom ontvingen wij van ons medelid, den heer 
Klinkert, met erkentelijkheid een vervolg op de Maleische 
spreekwoorden, dat spoedig door ons zal worden opgenomen. 

Het Bestuur mag zich voortdurend verheugen in de blijken 
van welwillendheid en belangstelling van het Ministerie van 
Koloniën ondervonden. Wij ontvingen niet alleen onderscheidene 
boekwerken en kaarten ten geschenke, maar wij vleien ons ook 
met het uitzicht op een hoogst belangrijk document uit het koloniaal 
archief, bevattende een overzicht der betrekkingen tusschen Neder- 
land en Siak van 1746 tot 1858. 

Het is bekend, dat de oude Oost-Indische compagnie in de 
vorige eeuw zich te Siak gevestigd en souvereiniteitsrechten uit- 
geoefend had; dat in 1761, na eene bloedige tuchtiging wegens 
het afloopen en uitmoorden der factory op het eiland Qombong, 
eene nieuwe overeenkomst werd gesloten, welke echter met het 
verval dier compagnie weinige kracht uitoefende, totdat niet 
alleen onophoudelijke binnenlandsche twisten , maar ook de aan- 
slagen van eenen Engelschen avonturier: Wilson, met misken- 
ning van het Nederlandsch gezag, dat onbetwistbaar volgens 
het Londensche tractaat van 1824 uitsluitend recht had zich op 
Sumatra te vestigen, de Regeering bij een in 1858 gesloten 
contract zich weder handhaafde in hare rechtmatige betrekking 
tot dat rijk. 

Over die betrekkingen verspreidt dat stuk een helder licht. 
Het zet uiteen de verhouding der Nederlanders tot de staten 
op Sumatra's Oostkust en is eene gewichtige bijdrage tot weder- 
legging der onrechtmatige grieven , welke vaak in de Engelsch- 
ludische bladen tegen de Nederlanders worden aangetroffen. 

Wij moeten met deze korte vermelding volstaan, maar zijn 
verzekerd, dat het uitvoerig stuk, door eene hoogst bevoegde 
hand opgesteld, eene waardige plaats zal beslaan in de uitgaven 
van het Instituut. 

Het Bestuur heeft redenen zich te vleijen, dat yaii^tiidTJfcot 

Digitized by VjDO'Q IC 



VERSLAG. XI 

tijd ook andere documenten, die voor openbaarmaking vatbaar 
worden geacht, te zijner beschikking zullen worden gesteld. 

Het zal U « Mijne Heeren , ook reeds uit de gedrukte notulen 
zijn gebleken , dat onze commissarissen in Oost- en West-Indie 
met gpooten ijver onze pogingen schragen. Van de eersten zien 
wij weldra te gemoet een register op de placaten der Indische 
legeering van 1602^—1762, waaronder de aanwijzing van vele 
wordt aangetroffen, die belangrijk zijn te rekenen voor de 
Indische gewesten. 

Onze medeleden in West-Indie zullen door de plaatsing in 
onze bijdragen van de ons met dat doel toegezonden opstellen 
het bewijs vinden, dat het Bestuur steeds veel belang blijft 
steUen in de West-Indische koloniën, al is het, dat wij geen 
dadelijken invloed op haren toestand kunnen uitoefenen , zoo als 
dan ook gebleken is, toen het Bestuur het verzoek van commis- 
sarissen te Paramaribo om de immigratie van Staatswege be- 
vorderlijk te zijn, in ernstige overweging nam. Maar al moeten 
wij ons bepalen bij den wensch , dat weldra maatregelen mogen 
worden genomen tot opbeuring dier kwijnende gewesten , kunnen 
wij toch niet nalaten de opmerking er bij te voegen, dat de 
verspreiding onder het publiek van meerdere kennis dier oorden 
gewis tot grootere belangstelling bijdragen en op hare toekomst 
niet zonder gevolg blijven kan. Het Bestuur vestigt dan ook met 
genoegen de aandacht op het geschrift van ons medelid den heer 
van der Gon Netscher getiteld: de nood van Suriname, dat 
afiEonderlijk is uitgegeven, 'maar bovendien ook op de plaats- 
beschrijving en statistischemededeelingendoor dien heer, gevolgd 
door eene schetskaart van de West-Indien en bijzondere kaarten 
van de Nederlandsche Antilles, welke de laatste aflevering van 
onze Bijdragen bevat. Deze opstellen mogen onzen West-Indischen 
leden tot spoorslag strekken, om ook over andere deelen dier 
gewesten bijzonderheden openbaar te maken, die voorzeker ons 
zeer welkom zullen zijn. 

Het Bestuur meent dan ook bij deze gelegenheid de aan- 
dacht van deskundigen te moeten vestigen op het denkbeeld, 
door den heer Netscher geopperd, om voor den zwaarderen en 
meer aanhoudenden arbeid, die vroeger door slaven werd ver- 
richt, getransporteerde gevangenen uit Nederland te bezigen en 
een der kleinere eilanden te bestemmen tot eene strafkolonie, 
waaraan ook Nederland wdlicht de behoefte zou gevoeleCooglc 



XII VBRSIJk.G. 

Het Bestuur acht dit denkbeeld van geheel economischen 
aard. Het moet zich thans van een eigen gevoelen onthouden, 
maar za} gaarne ruimte in de bijdragen openstellen voor hen, 
die dit onderwerp zullen willen toelichten of beoordeelen. 

O&choon het Bestuur reeds gewezen heeft op de vermelding 
in de notulen der Bestuursvergaderingen, ten bewijze dat het 
ons niet aan bouwstoffen ontbreekt en eene klacht over gebrek 
daaraan onredelijk zou mogen worden genoemd, beseffen wij 
toch, dat het niet overbodig zou zijn een beroep te doen op 
de medewerking van zoo velen, die het talent bezitten en de 
bronnen hebben opgespoord om het zeer uitgebreid en voor een 
aanzienlijk deel nog onontgonnen veld door wetenschappelijk 
onderzoek vruchtbaar te doen zijn. 

Sedert ons verslag van verleden jaar zijn de buitenlandsche 
betrekkingen met instellingen van gelijken aard als dit Instituut 
uitgebreid tot: 

die Königlich Bayerische Academie der Wissenschaften zu 
München ; 

l'Universit^ Boyale de Norvège; 

de maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leyden. 

Door de toezending van hare werken in ruil met des Instituuts 
bijdragen is die betrekking ook aangeknoopt met de 

kaiserliche Academie der Wissenschaften, te Weenen; 

königliche Academie der Wissenschaften te Berlijn. 

Waarschijnlijk ten gevolge van den afstand hebben wij tot 
dusver geen antwoord bekomen op een gelijk voorstel aan de 
Madras litterary Society en de takken van de Boyal Asiatic 
Society te Ceylon, Bombay en in North China; doch wij 
meenen weldra ook de instemming dier wetenschappelijke ver- 
eenigingen te gemoet te kunnen zien. Daardoor zal het getal 
genootschappen, waarmede het Instituut in aanraking is, tot 
28 klimmen. 

De catalogus van het Instituut , die u binnen kort afzonderlijk 
zal worden toegezonden, toont aan, hoe door menig geschenk 
en door aanschafiing van belangrijke werken de boekerij van 
het Instituut in waarde verhoogd is. 

In4ien het Instituut al eenige leden hetzij door overlijden, 
hetzij door ontslag heeft verloren, hunne plaats is door andere 
nieuw toegetredenen weder aangevuld, zoodot .^hejb^ getal daarvan» 



VEKSLAG. XIII 

met inb^rip der buitenlandsche leden en verschillende vereeni- 
gingen, thans bedraagt 314. 

De Penningmeester des Instatunts is gereed u een overzicht 
voor te leggen van den geldelijken toestand des Institunts. 
De uitgaven beliepen in het afgeloopen jaar . / 4,706.885 

de ontvangsten // 2,996.48^ 

ssoodat de eerste met / 1,709.90 

de laatste overtroffen; een verschil, dat wij ons vleien slechts 
van oogenblikkelijken aard te zijn, omdat bij de begrooting 
was gerekend op de contributie van leden in de Oost- en 
West-Indiën ten gezamenlijke bedrage van . . ƒ 3,437.— 
waarvan echter tot dusverre slechts is . . 

overgemaakt / / 746.80 

zoodat nog invorderbaar is / 2,690.20 

behalve de som van ƒ600. — , die jaarlijks door het Indisch 
Gouvernement aan ons Instituut toegelegd wordt. 

Een bericht van commissarissen in Oost-Indie, kortelings 
ontvangen, geeft ons reden om spoedig op dat saldo te mogen 
rekenffli, en wij willen ons vleien, dat de herhaalde pogingen 
van onzen penningmeester, om de contributien , zoo onmisbaar 
voor de belangrijke uitgaven van het Instituut, meer geregeld 
te doen storten, met het gewenschte gevolg zuUen worden 

bekroond. 

Ondanks die achterstallige contributien is het bedrag der 
fondsen, in het vorig verslag opgegeven ad/ 31 55 belegd in 
lentegevende effecten, door de nauwlettende zorg van onzen 
penningmeester vermeerderd tot eene waarde van/ 5130. 

De begrooting voor dit jaar raamt de ontvangsten op / 781 9 . 

en de uitgaven op • " ^^OQ 

zoodat nog / 1^1^ 

beschikbaar zullen blijven. 

Het bestuur meent alzoo, dat de geldelijke staat des Insti- 
tunts gunstig is te noemen. 

Wij vestigen thans Uwe aandacht op de artikelen 4 en 7 
onzer statuten, ingevolge welke de beurt van aftreding is 
gekomen aan de bestuursleden: 

J. MlLT.AED, 

A. P. GoDON en 

A. D. VAN DBE QON NbTSCHER. 

Digitized by VjOOQ IC 



XIY VSBSLAO. 

Bij overvloedige stof tot tevredenheid is het voor het Bestaar 
een aangename plicht dit verslag te besluiten met allen* die 
door hnnne wetenschappelijke medewerking, door gesGhenken 
of door hunnen ijver en hnnne belangstelling in eenigen werl:- 
kring des Institnuts, tot den bloei dezer instelling zoo onver- 
moeid bijdragen, den welverdienden lof toe te zwaaien en onzen 
oprechten dank te betnigen. 

'sOravenhage, 20 Maart 1869. 



i 
i 



Digitized by 



Google 



ALGEMEENE VERGADERING 

GEHOUDEN TE *S ORAYENHAOB OP 30 BCaART 1868. 



Tegenwoordig de heeren Dr. P. Bleeker (Voorzitter), 
J. Millard, A, P. Godon, P. J. Bachiene, Mr. J. E. 
Banck, Mr. G. van Heükelom, Dr. H. Kern, A D. 
van der Qon Netscher, G. K. Niemann, J. M. 
Obreen, Jhr. Mr. W. T. GeTera Deynoot, Dr, F. A 
C. Dumontier, Mr. D. J. Baron Mackay , J. J. Meinsma, 
P. A. Leape en J. Vijzelaar. 

Na opening der yergadering door den Voorzitter worden de 
notalen van het verhandelde in de vorige algemeene vergadering 
gelezen en goedgekeord. 

Op nitnoodiging van den Voorzitter brengt de SecretanB ver- 
slag uit van den staat en de werkzaamheden van het Institaut 
in 1867. 

De Voorzitter brengt ter tafel de rekening en verantwoording 
▼an den Penningmeester over 1867 en benoemt eene commissie, 
bestaande nit de heeren Gtovers Dejmoot en Lenpe, om die te 
willen nazien en van haar bevinden verslag te^ doen aan de ver- 
gadering. 

Na eenige oogenblikken pauze bericht de heer Gevers Deynoot 
dat de commissie de rekening opgenomen en met de justifica- 
toiie bescheiden vei^leken heeft. Daar zij alles in volkomen 
orde heeft bevonden, stelt zij aan de vergadering voor dereke- 
iiing goed te keuren onder dankbetuiging aan den penningmeester 
Toor zijn gehouden beheer. 

Op voorstel van den Voorzitter betuigt de vei^adering haaroglc 



XYI AT.OSMEENE VEROADERINO. 

dank aan den Secretaris en den Penningmeester voor de moeite 
die zij zich op nieuw in het belang van het Institant hebben 
getroost en de wijze waarop zij zich andermaal van hunne taak 
hebben gekweten. 

Aan de orde is daarop het verkiezen van drie bestuursleden , ter 
vervanging van de heeren P. J, Bachiene en G. K. Niemann, 
aan wie de beurt van aftreding is en ter voorziening in de va- 
cature ontstaan door het niet-aamiemen van het lidmaatschap van 
het bestuur door den heer I. D. van Herwerden. De door art 6 ge- 
vorderde drietallen worden daarvoor door het bestuur voorgesteld. 

Met meerderheid van stemmen worden tot leden van het bestuur 
gekozen, de heeren: P. J, B. C. Eobidé van der Aa, Mr. P. 
A. S. van Limburg Brouwer en Jhr. Mr. W. T. Gevers Deynoot. 

De heer Gevers Deynoot verklaart, onder dankbetuiging 
voor het vernieuwd bewijs van vertrouwen, de betrekking van 
bestuurder te willen aanvaarden. Aan de heeren Bobidé van der 
Aa en van Limburg Brouwer zal, daar zij niet tegenwoordig 
zijn, van hunne benoeming worden kennis gegeven. 

De Voorzitter betuigt den heeren Bachiene en Niemann den 
dank van het Instituut voor hetgeen zij in het belang van het 
Listituut, in hunne betrekking van bestuurder, hebben verricht. 

De Voorzitter herinnert dat in het verslag van den Se- 
cretaris gesproken is van het denkbeeld om de verslagen der al- 
gemeene vergaderingen van het Indisch Genootschap op te nemen 
in de Bijdragen. Het Bestuur heeft gemeend omtrent dat denk- 
beeld geene beslissing te moeten nemen , maar die over te laten 
aan de algemeene vergadering. 

De heer Meinsma vraagt of de opneming van die verslagen 
in de Bijdragen een officieel karakter zal hebben en of die ver- 
slagen op geene andere wijze zullen worden gepubliceerd. 

De Voorzitter antwoordt dat het Indisch Genootschap zal 
voortgaan de verslagen der vergaderingen uit te geven voor zijne 
leden, zooals het totdusver gewoon is geweest. De bedoeling 
is thans alleen aan die verslagen , die in menig opzicht belangrijk 
zijn te noemen, eene ruime publiciteit te verzekeren. Die was 



ALGfiMBËNÊ VtsHÖAlJlilimO. XVti 

vroeger gewaarborgd door de opneming in het Tijdschrift van 
Ned. Indie. Bij de optreding van de nienwe redactie voor dit 
Tijdschrift is die opneming gestaakt en daardoor is het publiek 
verstoken van de gelegenheid om kennis te nemen van hetgeen 
op de vergaderingen van het genootschap voorvalt. Van daar het 
denkbeeld om de verslagen in de Bijdragen over te drukken. 

De heer Gevers Dejnoot vraagt welk denkbeeld bij het be- 
stuur bestaat omtrent de uitgave van die verslagen en welke 
kosten men rekent dat daaraan voor het Instituut verbonden 
zullen zijn. 

De Voorzitter antwoordt dat die uitgave geheel afhan- 
kelijk zal zijn van het tijdstip van verschijning der Bijdragen. 
Wat de kosten betreft, ofschoon daaromtrent geene bepaalde 
berekening is gemaakt, zoo is het toch te verwachten dat zij 
niet groot zullen zijn, omdat het plan bestaat van de ver- 
slagen, die op kosten van het Genootschap gedrukt worden, 
een zeker aantal overdrukken te doen maken en die als aan- 
hangsel aan de Bijdragen toe te voegen, hetgeen zeer gemak- 
kelijk kan geschieden daar de Bijdragen en de verslagen van 
het Gteuootschap bij denzelfden drukker gedrukt worden. 

De heer M eins ma verklaart van opinie te zijn dat de op- 
neming van die verslagen in de Bijdragen in strijd is met het 
karakter van het Instituut, dat van geheel wetenschappelijken 
aard is , terwijl op de vergaderingen van het Genootschap zoo niet 
uitsluitend dan toch in het algemeen onderwerpen van politiek 
belang besproken worden. Mocht in die verslagen het een of 
ander voorkomen, dat ook uit een wetenschappelijk oogpunt 
waarde bezit, men zou dan, indien daartegen bij het Indisch 
Genootschap geen bezwaar bestaat, dat gedeelte in de Bijdragen 
kunuen overdrukken. Spr. zou wenschen dat men niet verder ging. 

De Voorzitter zegt dat de vraag of die overneming in de 
Bijdragen strookt met den werkkring van het Instituut ook be- 
paaldelijk door het bestuur is overwogen. Men was evenwel van 
meeniug dat vooral ten opzichte van indische vraagstukken po- 
litiek en wetenschap moeilijk te scheiden zijn , daar de wetenschap 
de grondslag uitmaakt voor de politiek. Maar bovendien het 
beweren dat het [ndisch Genootschap zich meer uitsluitend be- . 
8e volgr. IV, •* 



weegt op politiek terrein, is niet juist. Het Genootschap heeft 
zich toch, vooral in den laatsten tijd, ten doel gesteld het on- 
derzoek van economische vraagstukken op koloniaal gebied zonder 
uitsluiting van eenige politieke richting. Als bewijs kan dienen 
dat het Genootschap in zijne verschillende vergaderingen ge- 
durende den winter behandeld heeft het landrentestelsel op Java 
in zijn ontstaan en zijne ontwikkeling. De discussien hebben 
voorzeker een tal bijzonderheden aan het licht gebracht, die voor 
den wetenschappelijken beoefenaar op koloniaal gebied niet te 
versmaden zijn. Het opnemen der verslagen van het Genootschap 
in de Bijdragen zal dus ongetwijfeld de kennis van Trtdië ver- 
meerderen, dat het doel van het Instituut geacht kan worden 
te zijii. 

De heer Meinsma blijft bij zijne meening volharden dat eenè 
geregelde opneming van de verslagen van het Genootschap in 
de Bijdragen niet wenschelijk is. Tets anders zou het zijn om 
wanneef in die verslagen het een of ander voorkoint, dat meer 
uitsluitend voor de wetenschap van belang is te noemen , dit in 
de Bijdragen over te drukken. Ten opzichte van de verklaring 
van den Voorzitter dat het doel der opneming is het publiek* 
in de gelegenheid te stellen van het verhandelde op de verga- 
deringen van het Genoot-schap kennis te nemen, zegt Spr. dat 
zob iets niet de taak van het Instituut kan zijn , maar van het 
Genootschap zelf. 

De Voorzitter zegt dat het Genootschap doet hetgeen het 
doen kan. Het laat de verslagen drukken voor zijne leden , terwijl , 
al is het dan ook niet bepaald door tusscheukomst van het Bestuur , 
een overzicht van het verhandelde op de algeméene vergaderingen 
opgenomen wordt in het bekende tijdschrift de Economist en verder 
in enkele dagbladen. Het Bestuur van het Instituut meende 
dat daarmede het publiek niet voldoende in de gelegenheid wordt 
gesteld van het verhandelde kennis te nemen en daarom werd 
het denkbeeld geopperd om die verslagen achter de Bijdragen 
in een afzonderlijken bundel op te nemen. Wat het geven van 
een uittreksel betreft , ook daaraan is gedacht , maar het is niet 
aanbevelenswaardig gevonden, omdat door zoodanig uittreksel 
de gedachtegang wordt verbroken en men geen juiste voor$<tel- 
ling verkrijgt van den loop van het gevoerde debat. 

Digitized by VjOOQ IC 



t)e heer van der Gou Netscher hennnert dat men zich 
in tet vervolg op de vergaderingen van het Genootschap , blijkens 
eeue mededeeling van den Voorzitter bij den aanvang der win- 
terwerkzaamheden , zal onthouden van het voorstellen van moties , 
zooals vroeger dikwijls plaats had, waardoor toen het Genoot- 
schap eeue bepaalde politieke kleur aannam. 

De heer Kern merkt op dat er vrees bestaat om door de op* 
neming der verslagen van het Genootschap in de Bijdragen het 
doel van het Instituut te zullen verwarren met het doel van het 
Genootschap. Die vrees is geenszins ge^grond , want ook al werden 
de discussies van de tweede kamer der staten-generaal over 
koloniale onderwerpen in de Bijdragen overgedrukt, dan zou 
daardoor het doel van het Instituut niet van aard veranderen. 
De vrees is dus slechts schijn. En ook die schijn wordt geheel 
vermeden wanneer de overdrukkeii vaii de verslagen een afzon- 
derlijken bundel vormen, terwijl het Bestuur des noodigbijhet 
opnemen van het eerste verslag een woord tot inleiding zou 
kunnen doen voorafgaan, ten einde zelfs niet de minste aan- 
leiding tot misverstand te geven. 

De heer Gevers Deynoot deelt het gevoelen van den heer 
Meinsma. Het Instituut en het Indisch Genootschap hebben ieder 
hun eigen terrein, dat zeer verschillend is en dat beide moeten 
bewaren. Al worden nu geene besluiten meer genomen in naam 
van het Genootschap , ofschoon niet de zekerheid bestaat dat dit 
in het vervolg niet weer zal geschieden , omdat een lid daartoe 
slechts het voorstel behoeft te doen , toch hebben de discussies 
ook zonder door de aanneming van eeae motie gevolgd te worden , 
eene politieke kleur. Hij is op grond daarvan van meening dat 
al is het niet t& ontkennen dat de verslagen uit een weten- 
schappdijk oogpunt waarde bezitten, het Instituut zich door het 
opnemen van die verslagen in de Bijdragen op een verkeei-den 
weg zal begeven. 

De heer B ach i en e komt op tegen het herhaald beweren 
dat het Indisch GcBiootschap eene uitsluitend politieke kleur heeft. 
Blijkens zijne statuten heeft het Genootschap ten doel de kennis 
der koloniën te verbreiden en de publieke opinie voor te lichtej^ 
in alles wat op koloniale vraagstukken en koloniale belangen 
betrekking heeft. Daartoe kunnen mannen van verschillende rich- 



tiug medewerken ; steeds , maar vooral in den laatsten tijd , zijn 
personen van geheel verschillende denkwijze tot het Genoot- 
schap toegetreden. Dit kan dus ten waarborg strekken dat het 
Genootschap niet eene uitsluitende politieke kleur bezit. Daarbij 
moet men niet vergeten dat in het Genootschap dikwijls voor- 
drachten zijn gehouden , die geheel van wetenschappelijken aard 
waren. Hij herinnert aan de mededeelingen van de heerèn Veth en 
Godon over Bomeo en Smnatra en de geschiedkundige beschou- 
wingen van den heer Gramberg in de jongste vergadering over 
het grondbezit en het belastingstelsel op Palembang. Wanneer 
men nu in de gelegenheid is met geringe kosten voor het In- 
stituut de verslagen van het Genootschap in de Bijdragen over 
te drukken, dan zal men dit, naar hij meent, vooral in Indië 
zeer op prijs stellen. 

De heer M ei n s m a heeft ook nog oit een ander oogpunt bezwaar 
tegen de opneming der verslagen van het Genootschap in de 
Bijdragen, Het heeft, zijns inziens, geene houding om in de 
Bijdragen ook op te nemen de verslagen van eenig genootschap, 
welk ook. Ieder genootschap heeft zijn eigen werkkring en ieder 
genootschap is ook geroepen zelf te zorgen voor de verspreiding van 
zijne verslagen en geschriftien. 

De Voorzitter wijst, naar aanleiding van deze opmerking 
op het voorbeeld van andere , zelfs zeer invloedrijke instellingen, 
die geheel handelen in den geest, zooals thans door het bestuur 
van het Instituut wordt voorgesteld. 

Gaat men na de verslagen van het eerste wetenschappelijke 
lichaam in Nederland, de Koninklijke academie van weten- 
schappen , dan zal men zien dat daarin ook mededeelingen voor- 
komen van hetgeen op wetenschappelijk gebied gebeurt in andere 
wetenschappelijke instellingen, niet alleen in ons vaderland , hiaar 
ook in Engeland , Frankrijk , Duitschland , Amerika en elders en 
dat daarin ook uittreksels voorkomen uit de werken en gesclirifben 
van de meeste wetenschappelijke instellingen. Op grond ook daarvan 
kan er geen wezenlijk bezwaar zijn tegen de opneming der ver- 
slagen van het Genootschap in de Bijdragen. Door die opneming, 
die slechts eene geringe uitgaaf voor het Instituut zal vorderen, 
worden de leden van het Instituut gebaat en de kennis van Indiê 
meer verbreid. 

Digitized by VjOOQ IC 



ALGEMEENE VEEOADEEING. XXt 

T)e heer M e i n s m a verklaart er geen bezwaar tegen te hebben , 
indien men den weg wil bewandelen , dien de Koninklijke academie 
van wetenschappen inslaat en in de Bijdragen ook opnemen 
het uit een wetenschappelijk oogpunt belangrijke^ dat in de ver- 
slagen van het Genootschap mocht voorkomen. 

De Voorzitter constateert dat de heer Meinsma zich in 
beginsel bij het geopperde denkbeeld aansluit : opneming in de 
Bijdragen van hetgeen in het Indisch Genootschap ter venneerdering 
der kennis van Indië wordt medegedeeld. De vraag bestaat thans 
alleen: zullen de verslagen geregeld en in extenso worden op- 
genomen, dan wel in den meer beperkten zin, door den heer 
Meinsma bedoeld. 

De heer Gevers Deynoot blijft gelooven dat de opneming 
der verslagen van het Genootschap in de Bijdragen niet wenschelijk 
is. Het is te verwachten dat sommige leden daarin zullen zien dat 
het Instituut partij trekt voor het Genootschap. 

De heer Y ijzelaar sluit zich aan bij het gevoelen van de 
heeren Meinsma en Gevers Dejnoot. Hij ontraadt de opneming 
der bedoelde verslagen in haar geheel ook op dezen grond , dat 
in die verslagen veel voorkomt dat uit een wetenschappelijk oog- 
punt geene waarde heeft. Daarentegen zou hij er geen bezwaar 
tegen hebben om datgeen uit die verslagen over te drukken wat 
met het oog op den werkkring van het Instituut van genoeg 
belang wordt geacht aan de leden te worden medegedeeld. 

De heer Mackay verklaart dat het nimmer de taak van een 
Genootschap kan zijn met een ander Genootschap een contract 
aan te gaan om te publiceeren wat door dat Genootschap wordt 
verricht. Door die publiceering neemt men de verantwoordelijk- 
heid op zich en dit kan men niet doen voor stukken waarvan 
men den inhoud niet kent. In elk geval zou men dus niet kunnen 
besluiten voetstoots alles op te nemen wat in de verslagen ge- 
drukt zal worden. Aannemende voor een oogenblik dat het In- 
disch Genootschap de liberale koloniale politiek voorstaat, ofschoon 
hij het nevelachtig vraagstuk, of het Genootschap eene politieke 
kleur heeft, ter zijde wil laten , en dat morgen opgericht wordt 
eene vereeniging van geheel tegenovergestelde richting, dan is 
hij er eveuzeer tegen dat dQ verslagen vau die vereeniging,^ 



XXII Al.GEMEEXE VERGADERING. 

wanneer men dit verlangen mocht, in de Bijdragen werdfn op- 
genomen , alleen omdat hij van oordeel ia dat het eene Genoot- 
schap ttiet de trechter moet zijn waardoor de verslagen van an- 
dere Genootschappen onder Uet publiek worden gebracht. 

De Voorzitter meent dat de heer Mackay zich op een ver- 
keerd standpunt plaatst. Vooreerst is er geen sprake van het 
sluiten van een contract met het Genootschap. Men zou het 
opnemen der verslagen van het Genootschap heden kunnen be- 
ginnen en wanneer men het verlangde die morgen weer kunnen 
staken. In de tweede plaats kan er nimmer sprake zijn dat het 
Instituut eenige verantwoordelijkheid zou behoeven te dragen 
voor hetgeen in de verslagen voorkomt , want die verslagen zijn 
reeds vooraf gepubliceerd en het Genootschap stelt zich daarvoor 
verantwoordelijk, ook dan walmeer die in den vorm van eene 
bijlage achter de Bijdragen worden overgedrukt. 

De heer van Henk el om vraagt, nu men eene scheiding 
maakt tusschen politiek en wetenschap, of economie en staats- 
recht buiten de wetenschap staan? Dit toch zijn in den regel 
de onderwerpen, die in het Indisch Genootschap besproken worden. 
Dat die besprekingen veelal overeenstemmen met de denkbeelden 
der liberalen op koloniaal gebied, geeft daarom geen recht te 
bewerön dat het Göiootschap als zoodanig die denkbeelden als 
grondslag van de discussien heeft aangenomen. Indien hét al niet 
onjuist mocht zijn te ^beweren dat op dezen oogenblik de meer- 
derheid der leden van hét Genootschap de liberale gevoel^s 
aankleeft , dan bestaat daarin geen waarborg dat die liberale meer- 
derheid niet 'in eene conservatieve veranderd worde. Zoo iets heeft 
meermalen ten opzichte van andere genootschappen plaats gehad. 
"Misschien zou men kunnen beweren dat men eene dergelijke 
verahdering ook heeft kunnen opmerken in het Instituut, dat, 
zooals thans blijkt, zuiver de wetenschap wil beoefenen. 

Verder wijst Spr. er op dat het Instituut en het Indisch Ge- 
nootschap naar hetzelfde doel streven. Het Instituut beoogt de 
bevordering van de kennis der taal-, land- en volkenkunde, 
dat is de kennis van de voorwaarden waaronder de Indische 
bevolking leeft. Van hetzelfde denkbeeld gaat het Genootschap 
uit, zoodat de besprekingen die daar gehouden worden even 
goed in de vergaderingen van het Instituut zouden kunnen plaats 
vinden. Het eenige onderscheid tusschen de beide instellingen 



ALG£M££N£ VEB6ADERIN6. XXIII 

is dat het Instituut het doel tracht te bereiken door het uit- 
geven van afzonderlijke werken en periodieke geschriften en het 
stellen van vragen ter beantwoording , terwijl het Genootschap de 
kennis van Tndië tracht te vermeerderen en te verspreideju door 
onderlinge besprekingen. Beide instellingen zouden dan ook des 
noods kunnen \ereenigd worden en ieder eene afdeeling .vor- 
men zonder daarom h^* eigenaardig karakter van arbeiden te 
verliezen. 

De heer Ba nek vraagt of het verzoek tot opneming der ver- 
slagen van het Genootschap direct door het Bestuur van dit 
Genootschap is gedaan ? Zoo neen , of het dan niet wenschelijk 
zou zijn een formeel verzoek af te wachten alvorens eene beslissing 
te nemen? 

De Voorzitter zegt dat geen voorstel of verzoek door het 
Genootschap gedaan is. Eenige leden van het Bestuur van het 
Instituut , die pok leden zijn van het Bestuur van het Genoot- 
schap, betreurden het dat de verslagen Jdiet verder dan in den 
tring der leden van ,het Genootschap worden gebT^l\t en heb- 
ben daarom h^t denkbeeld geopperd die in de Bijdr^n over 
te nemen. 

De heer Mi Hard deelt niet de geopperde jbezwfiren en is bet 
met dm heer van Ileukelom ee^ 4^t.de^ens tus^ch^n^olitie^ 
en wetenschap niet te trekken is. Hij zou het evenwel betreuren 
dat mocht het geopperde bezwaar algemeen onder de leden van 
het Instituut gedeeld worden , een besluit werd genomen dat 
nadeelige uitkomsten voor het Instituut zou opleveren. Daar het 
onderwerp niet op het convocatiebiljet is vermeld, zou het da^om 
missdiien overweging verdienen de beslissing aan te houden tot 
eene volgende algemeene vergadering, wanneer het yopraf als 
een punt van behandeling op het oproepingsbriefje kan gorden 
vermeld. 

Over dit denkbeeld, dat door den heer Xe rn in een bepaald 
voorstel wordt geformuleerd., .ontstaat nog eenige discussie, 
waaraan door de -heeren van der Gon Netscher, Bachiene , Banck 
en de Toarzitter wordt deelgenomen. 

Het voorstel van den heer Kern om de behandeling van d^ e 



XXIV alqëmsene vëuqadbking. 

kwestie van opneming der verslagen van liet iDdisch Genoots^chap 
tot eene volgende vergadering uit te stellen en het vooraf als 
punt van beschrijving op het oproepingsbiljet te vermelden , wordt 
met 1^ tegen ^ stemmen aangenomen. 

Daar niets . verder te behandelen is en niemand iets heeft 
voor te stellen, wordt de vergadering door den "Voorzitter ge- 
sloten. 



ii7j>i5 bestuursvergadering. 

aEHOuoEN 16 Januari 1869. 

Tegenwoordig de heeren Bleeker , MiUard, Godon, van 
Limburg Brouwer, Gevers Deynoot , van Heukelom , Kern , 
van der Gon Netscher, Obreen en de adjunct-secretaris. 

Op verzoek van den heer Bleeker, wien ten gevolge eener 
zware verkoudheid het spreken hoogst moeilijk valt, neemt de 
heer Obreen, als oudste in jaren, het voorzitterschap waar. 

De notulen van het verhandelde in de vorige vergadering 
worden gelezen en goedgekeurd. 

De Voorzitter doet mededeeling dat ten behoeve der biblio- 
theek zijn ingezonden of aangekocht de volgende werken: 

Van rUniversité royale de Norvège te Christiania : M. Sars , 
Memoires pour servir h, la connaissance der crinoïdes vivants. — 
Bitragt il Kundskab om Christiania-fjordens fauna. 

Van de kon. akademie van wetenschappen te Amsterdam, 
afd. letterkunde 12e dl. Ie. stuk. 

Van de Kaiserl. Akademie der Wissenschaften in Wien , Jahrg. 
1868, no. 26. 

Van de Preuss. Akademie, 1868 Julij — October. 

Journal Asiatic society of Bengal no, 296 en supplementary 
ïiumber to vqI. 33, 



Digitized by 



Google 



117de bestuursvergadering. xv 

Tijdschr. ter bevordering van nijverheid 1868, 3^ reeks, 
deel IX, lle en 12® stuk. 

Van den heer Schiff, een ex. van zijn geschrift: Kolonisatie 
op Java. 

Semper. Beisen im archipel der Philippinen 2^ afd. 1^ deel 
5e aflevering. 

Recherches snr la faune de Madagascar Ie dl. Ie afl. 

Panthier, Confdcius et Mencins. 

Wolbers, Gteschiedenis van Java. 

Pijnappel. De rijks-instelling te Leiden. . 

Warmolts, Meer kofSj en suiker van Java. 

De Nederlandsche residentie almanak voor 1869. 

De Voorzitter bericht verder dat door den heer Niemann een 
ganstig advies is uitgebracht omtrent het opstel van den heer 
Klinkert ter beantwoording van de heeren Gonggrijp en Riedel. 
De heer Niemann beveelt de opneming des heeren Klinkeits 
opstel in de Bijdragen aan omdat de heer, Klinkert zich verde- 
digt tegen beschuldigingen , tegen hem in de Bijdragen ingebracht, 
zoodat het billijk kan genoemd worden hem de gelegenheid te 
geven daarop in de Bijdragen te antwoorden. Ook voor de be- 
langstellenden in het onderwerp is die opneming in het Tijd- 
schrift van het Instituut wenschelijk, omdat men nu nagenoeg 
alles wat totdusver daarover verschenen is in dit tijdschrift 
kan vinden. 

Naar aanleiding van dit advies besluit de vergadering tot 
plaatsing van het opstel in de eerst volgende aflevering, met 
toevoeging daaraan van het antwoord dat de heer Klinkert thans 
nog geeft aan den heer Graafland, welk antwoord inmiddels 
dezer dagen van den heer Klinkert ontvangen is. 

De heer Millard zegt, ook namens zijn medegecommitteerde, den 
heer Godon, dat zij het denkbeeld in de bestuursvergadering geuit 
om de bibliotheek van het Instituut en die van het Indisch genoot- 
schap wederkeerig voor de leden der beide instellingen open te 
stellen, met bevoegdheid tot het introduceeren van niet-leden, in de 
bestuursvergadering van het Indisch Genootschap hebben over- 
gebracht en dat men zich daar met het denkbeeld in beginsel heeft 
veieenigd. Vervolgens is ook van de zijde van het bestuur van het 
ludisch Genootschap eene commissie benoemd, bestaande uit de 
heeren Scliill en Haitink. Deze vereenigde commissie lieeft be-^ 



X2CVI 117»>E BESTU ÜRSV£EGAD£KING. 

sloten aan de bestnren van beide instellingen in overweging te 
geven de bibliotheken voorloopig één dag in de week open te 
atdlen, waaraan later« wanneer het noodig mocht zijn, uitbreiding 
kan gegeven worden. Die commissie heeft verder den wensch 
uitgedrukt daft de catalogussen der bibliotheken van de beide in- 
stellingen , maar vooral die van het Indisch Genootschap, gedrukt 
mochten worden , oipdat nu de bibliotheek van het Indisch Geoioot- 
schap voor de leden van het Instituut zal worden opgesteld, 
laatstgenoemde leden ook behoefte hebben aan een ex. van den 
catalogus. 

De heer Millard rdoet daarna het voorstel het drukken vwj den 
catalogus van het Indisch Genootschap op kosten van het Ijcisti- 
tuut te doen plaats hebben , in de eerste plaats omdat die cata* 
logus wetonsohappelijk belang en letterkundige waarde heeft en 
daarom reeds het Instituut het tot zijne roeping zou kunnen 
rekenen de uitgaven daarvan geldelijk te ondersteunen, maar in 
de tweede plaats omdat tegenover het groote voordeel dat het In- 
stituut erlangt om van de zoo rijke verzameling van het Ge- 
nootschap' gebruik te maken , het Instituut van het Genootschap 
niet bovendien i^aag vorderen dat laatstgenoemde zich belast met 
eene uitgave die ten behoeve der Instituutsleden zou behooren te 
geschieden , want wil men toch gebruik maken van de bibliotheek, 
dan dienen ook de leden van het Instituut .in de gelegenheid 
te zijn een exemplaar van den catalogus te kunnen ontvangen. 

De vergadering stemt na dit betoog, dat door den heer Bleeker 
geformuleerd en ondersteund wordt, geheel in met het denkbeeld 
om den druk van den catalogus der bibliotheek van het Indisch 
Genootschap op kosten van het Instituut te doen plaats vinden. 

In den loop der discussie was de vraag geopperd of een exem- 
plaar van den catalogus aan ieder lid zal worden toegezonden 
dan wel of aan de leden door middel van eene circulaire of 
wel op andere wijze zal worden medegedeeld dat op aanvraag 
een exemplaar voor ieder der leden beschikbaar is. Deze vraag, 
die speciaal in behandeling wordt genomen, wordt in laatstge- 
melden zin met meerderheid van stenmien beslist. Zij die zich 
hiervoor verklaarden, meenden dat die leden , die werkelijk be- 
lang in 'het bezit van een catalogus stellen , zich gaarne de moeite 
zullen getroosten een exemplaar aa]i te vragen, terwijl men op 
die wijze de zekerheid heeft dat zoo weinig mpgel\jk exemplaren 
^verloren gaan of ongebraikt bl^v^n. 

Daar het noodig wordt geacht; zoodia de catalogus in druk 



IIT^^ BESTUURSVERGADERING. XXVII 

gereed is eenige bepaHngen uit te vaardigen omtrent het gebruik 
der beide bibliotheken voor de leden der beide instellingen, 
omtrent de wipe van introductie van niet-leden, omtrent het 
gebruik dat deze van de beide bibliotheken zullen kunnen 
maken en in het algemeen wat verder daarbij in aanmerking 
dient te komen, wordt besloten aan eene commissie op te dragen 
eenige bepalingen te ontwerpen en het bestuur daarbij van voor- 
lichting te dienen. Door den Voorzitter worden tot leden «dezer 
oommissie l>6noemd de heeren Millard, Godon en van Henkelom. 

Daar niets verder aan de orde is en niemand eenig voorstel 
te doen heeft, wordt de vergadering gesloten. 



118^= BESTUURSVERGADERING. 

OE HOU DEN 20 VAART 1868. 



Tegenwoordig de heeren Bleeker , (Voorzitter) , Godon , 
Robidé van >der Aa, Gevers Deynoot en van der Gon 
Netscher en de adjunct-secretaris. — De heer Millard 
ten gevolge van ongesteldheid afwezig. 

De notulen van het verhandelde op de vprige vergadering worden 
gelezen en goedgekeurd. 

De Voorzitter deelt mede: 

I. dat zijn ingezonden of aangekocht de volgende boekwerken : 

Journal of the Asiatic Society of Bengal, 1868, part I no. 

1, part II no. IJL 

Bibliotheca Indica, old series no. 220; new series n*». 11 — 122, 

123— 1.S5. 

Bulletin de la société de geographie, Nov. en Dec. 1868 

en Januari 1869. 

Academie te Weenen. Math. natuurk. afd. Jaarg. 1869 no\ V. 
Tijdschr. van Nijverheid 8*. reeks, ideel X, 1® en 2c /stuk, 
Javaansche almanak voor 1869 door Oohen Stuart, 
Wallace, The malay archipelago. 2 dln, DigitizedbyGoogle 



XXVIII nSDK BESTUUE8VEBGADEKTNG. 

IT. dat commissarissen ie Batavia onder dagteekening van 12 
Januari jl. hebben bericht dat de Qouverneur-Qeneraal welwil- 
lend heeft beschikt op het door commissarissen namens het 
bestuur gedaan verzoek om een afschrift te mogen laten maken 
van het alfabetisch register op de placcaten der indische regeering 
van 1602 — 1762. De toezending van dit afschrift kan spoedig 
worden te gemoet gezien. 

Na eenige inlichtingen gegeven te hebben, op verzoek van 
het bestuur, omtrent de wijze van verzending der Bijdragen en 
werken in Indiê, stellen commissarissen als nieuwe leden voor 
de heeren: 

Mr. J. H. J. Hoek, advocaat en procureur te Batavia, 

T. A. P. van der Valk, docent aan het Gymnasium Willem 
m, te Batavia. 

J. C. Kummer, tweede onderwijzer aan de kweekschool voor 
inlandsche onderwijzers te Bandong. 

De brief van commissarissen wordt voor kennisgeving aan- 
genomen en de drie door hen voorgestelde personen tot leden 
van het Instituut benoemd. 

lU. dat door den minister van koloniën , naar aanleiding van 
het schrijven van het bestuur omtrent de in het bezit van het 
Instituut zijnde Agenda van Gouverneur- Generaal in Rade van 
18)^4, die het bestuur in geval bedoeld manuscript aan de ver- 
zameling van het departement van koloniën ofhetindisch archief 
mocht ontbreken, bereid zou zijn ten behoeve van het ministerie 
af te staan, schriftelijk is medegedeeld dat bij het departement 
van koloniën geen agenda van Gouverneur-Generaal in Kade 
aanwezig zijn, maar dat bedoelde agenda van 1824 mogelijk 
behoort tot het Indisch gouvememéntsarchief. Ten einde hier- 
omtrent zooveel mogelijk zekerheid te erlangen, alvorens den 
Gouverneur-Generaal om bericht te vragen, wordt het bestuur 
uitgenoodigd bedoelde agenda ter kennisneming aan het depar- 
tement vaA koloniën te doen toekomen. 

Het bestuur maakt geen zwarigheid aan het verlangen van 
den minister te voldoen en besluit dus bedoeld manuscript aan 
het departement van koloniën in te zenden. 

lY. dat de heer H. C. Klinkert het bestuur ter opneming 
in de Bijdragen heeft aangeboden een Vervolg op de maleische 
spreekwoorden, waaraan hij de raadsels en kinderspelen heeft toe- 



gevoegd. Door den secretaris is dit opstel bereids den heer 
INiemann toezonden, met verzoek het bestuur omtrent de 
wenschelijkheid tot opneming van het opstel in de Bijdragen 
van adviesi te dienen, welk advies nog wordt ingewacht. 

Y. dat het bestuur van de maatschappij der nederlandsche 
letterkunde te Ijeiden het voorstel heeft gedaan tot ruiling van 
wederzijdsche uitgaven. Daar het bestuur het steeds in het belang 
van het Instituut heeft geoordeeld het getal der wetenschappelijke 
instellingen, waarmede het in betrekking staat, uit te breiden, 
wordt besloten het voorstel van het bestuur der maatschappij 
van letterkunde aan te nemen en die maatschappij een exemplaar 
der Bijdragen en werken toe te zenden. 

In verband daarmede deelt de voorzitter mede dat de secretaris 
in overweging heeft gegeven ruiling van wederzijdsche geschriften 
voor te stellen aan: 

het Historisch Genootschap te Utrecht; 

de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Tndië; 

Academie royale des sciences, lettres et art« de Belgique 
(Brussel); 

Société royale de science, te Luik; 

Academie impériale te Lyon; 

Academie impériale te Bordeaux; 

Tatituto de Scienze, lettre et arti te Venetië; 

Istituto Lombardi de Scienze , lettre et arti , te Milaan ; 

La real Academia de dencias te Madrid; 

La real Academia de ciencias te Lissabon; 

Philological society te Londen; 

Academie des sciences de Hongrie te Pesth; 

Kon. Qesellscliaft der Wissenschaften te Gtöttingen; 

Kon. Sack. GeseUschaft der Wissenschaften te Leipzig; 

Academie impériale des sciences te St. Petersburg; 

Société geographique de Rnssie te St. Petersburg. 

Aan dit voorstel schenkt de vergadering gaarne hare goed- 
keuring , zoodat aan genoemde wetenschappelijke instellingen 
ruiling van werken zal worden voorgesteld. 

De secretaris heeft verder ook in overweging gegeven, met welk 
voorstel de vergadering zich vereenigt, den regent van Poerbo- 
lingo, B>aden Tomougong Dipo Kesoemo, te benoemen tot lid 
van het Instituut, als een bewijs van dank voor het door hem 



e 



Jtkk Udöfc fiiflTt7ütóVKR6AMJBLt!^ë. 

iudertijd aan hei Instituut geschonken manuscript. Waaruit ge- 
deeltelijk het werk van professor Boorda is saamgesteld. 

Door den adjunct*secretaris wordt thans voorlezing gedaan vau 
het door den secretaris samengesteld verslag van den staat en de werk- 
zaamheden van het Instituut in 1868 , welk verslag bestemd is om 
op de aanstaande algemeene vergadering namens het bestuur te 
worden uitgebracht Behoudens wijziging van een paar onderge- 
schikte punten hecht de vergadering hare goedkeuring aan het 
verslag. 

De voorzitten geeft in overweging op de aanstaande algemeene 
vergadering het voorstel te doen tot wijziging van art. 4 van 
het reglement. Dit jirtikel schrijft voor dat de uittredende leden 
uit het bestuur eerst na een jaar herkiesbaar zijn. Die bepaling 
is, naar het oordeel vau den voorzitter, door de ondervinding 
gebleken minder doelmatig te zijn. Eene verplichte aftreding 
moet noodwendig de belangstelling voor het Instituut doen ver- 
flauwen. Zoo die bepaling al nuttig moet geacht worden om 
hen, die minder ijver aan den dag leggen uit het bestuur te 
verwijderen, aan de andere zijde berooft zij ook het Instituut 
van die personen, die gaanie tijd en moeite ten beste willen 
geven. De voorzitter zou dus wenschen dat namens het bestuur 
aan de algemeene vergadering het voorstel werd gedaan om de 
tweede zinsnede van art. 4 te lezen: «^Elk jaar treden, naar 
rang van benoeming ^ drie leden af, die dadelijk herkies- 
baar zijn." 

De heeren Gevers Deynoot en Sobidé van der Aa ontraden 
het voorstellen van bedoelde wijziging , in de eerste plaats omdat 
zij het beginsel dat de uittredende leden eerst na een jaar her- 
kiesbaar zijn, op zichzelf niet verkeerd vinden, maar in de 
tweede plaats omdat het reglement nog slechts weinige jaren in 
werking is en bij de vaststelling tot langdurige debatt^ , speciaal 
ook over de wijze van samenstelling van het bestuur , heeft aan- 
leiding gegeven. De heer Robidé van der Aa acht het niet wen- 
schelijk een voorstel tot wijziging van het reglement na in over- 
weging te nemen, omdat vele bestuursleden afwezig zijn. Mis- 
schien zouden «ommige der afwezigen niet verzuimd hebben 
tegenwoordig te zijn , wanneer het hun vooraf bekend ware ge- 
weest dat een voorstel tot wijziging van het reglement ter tafel 
zou worden gebracht Hij vindt daarin aanleiding om den wensch 



uit te drukken dat op het oproepingsbrief je de vooraame punten, 
die te behandelen zijn, worden vermeld. 

De Voorzitter zegt dat tegen het voldoen aan den wensch 
van den heer van der Aa geen bezwaar bestaat , zoodat voortaan 
in dien zin zal worden gehandeld. 

Wat het gedane voorstel tot wijziging van het reglement be- 
treft, nu twee van de vijf tegenwoordig zijnde leden daartegen 
bezwaren opperen, acht de voorzitter hét niet geraden het verder 
in behandeling te nemen en neemt het voor dezen oogen- 
blik terug. 

De heer Robidé van der Aa zegt dat wanneer later op het 
voorstel tot wijziging van het reglement zal worden teruggekomen, 
het misschien ook overweging zou verdienen art. 17 eenige ver- 
andering te doen ondergaan. Hij acht het toch wenschelijk dat 
wei de Bijdragen kosteloos aan de leden worden verstrekt , maar 
dat de door het Instituut uitgegeven afzonderlijke werken voor 
de )eden tegen betaling verkrijgbaar worden gesteld , ofschoon 
tegen minderen prijs dan voor het publiek, bijv. de helft van 
den prijs waarvoor de werken in den handel verkrijgbaar zijn. 

De penningmeester brengt ter tafel zijne rekening en verant- 
woording over het Tnstituutsjaar 1868, die tot onderzoek gesteld 
wordt in handen van de heeren iS-evers Deynoót en van der Gon 
Nctófcher. Deze commissie zal tot het uitbrengen van haar ver- 
slag in de gelegenheid worden gesteld op eene vóór de algemeene 
vergadering te houden bijeenkomst van liet bestuur. 

Verder dient de penningmeester eene begrooting in van ont- 
r&ngsten en uitgaven over 1869. Die begrooting , waarvan enkele 
posten wijziging ondergaan, wordt daarna vastgesteld. 

De heer Robidé van der Aa zégt dat de heer GFramberg het 
Instituut ter ovemehiing heeft aangeboden een viertal haindschriften : 

I. Radiciile besclYrijving der residentie Banda door den buiten- 
gewoon Eaad van Jndië Reinier de Klerk Anno 1756. 

Een veel gebruikt atuk uit het oude archief van Banda , onder 
anderen in het bekende rapport over de Molukfcen van v. d; 
Graaff en Meylan. De heer van der Aa heeft in zijne inleiding 
▼öor fiosenbergs werk over de Znidoostereilanden reeds een en 
ander uit dit stuk overgenomen betreffende de betrekkingen der 
Comp. met die eilanden. Bovendien bevat het veel over het 



verkeer der Comp. met de Zuidwestereilanden, over expedities 
naar Nieaw-Guinea, eene geschiedenis van het eigenlijke Banda, 
beknopter maar vollediger dan die van Valentin , eene lijst van 
de uitbarstingen van den Goenong-Api en van andere natuur- 
rampen, die Banda verwoestten. 

IL Consideratiën over den staat der perken op Banda en 
middelen tot herstel dier kuituur, dd. 1 Mei 1806 van L. 
Heukevlugt, Gezaghebber op Banda. 

Dit merkwaardig stuk bevat eene geschiedenis van Banda 
na den orkaan van 1778 en vooral belangrijke beschouwingen 
over het nut voor den staat en de perkeniers van een juist om- 
schreven eigendomsrecht boven tijdelijk leeubezit. De door Heu- 
kevlugt aanbevolen maatregelen tot regeling der notenkultuur 
ziju grootendeels door Daendels ingevoerd en gedurende een 
halve eeuw van kracht gebleven tot de geheele opheffing van 
het specerij monopolie in onze dagen. 

ITI. Journaal gehouden door den Gouverneur der Molukken 
Hendrik Tilenius Kruythoff op den hongitogt van 1819. 

Belangrijk voor den toenmaligen toestand van Ceram , ook 
daar dit de eerste hongitogt was na het herstel van het Ne- 
derlandsch gezag in de Molukken en hoogst waarschijnlijk de 
laatste , die gehouden werd. 

YI. Eene afloste obligatie « groot honderd rijksdaalders, 
no. 468 der door Daendels in 1810 voor het regentschap 
Probolingo uitgegeven leening. 

De vergadering bewilligt in de overneming van deze stukken 
voor de bibliotheek. 

Overgaande tot het opmaken van drietallen, die .volgens de 
bepaling van ari 6 Van het reglement der algemeene vergadering 
worden aangeboden, voor de vervulling der vacatures in het 
bestuur, wordt vastgesteld, dat zal bestaan: 

het drietal ter vervanging van den heer J. Millard, uit de 
heeren P. J. Bachieue, mr. E. H. 'sJacob, mr. D. J. baron 
Mackay ; 

het drietal ter vervanging van den heer A. P. Godon, uit 
de heeren: G. K. Niemann, prof. J. Hoffmann en G. R. P. 
F. Gonggrijp; 

het drietal ter vervanging van den heer A. D. van der Qon 
Netscher, uit de heeren dr. F. A. C. Dumontier, Jhr. mr. J. 
K. W. Quarles van Ufford en P. A. Leupe,zedbyGoOQlc 



119^^? BBSTlUinsVBl^OADBIltNG. XXX UI 

De vergadering besluit h.et lidmaatschap vau hei Tiistitnut 
s|an te bieden aan de heeren: 

mr. C. J. ¥. Mirandolle te Haarlem; 

mr. L. Bd. Ijenting, te Zutfen; 

jhr. P. de Casembroot te 's Qravenhago ; 

J. L. Nierstrasz CJzu. te itjeirji; 

kolonel A. R. Blomipei^dal te i^pï^; 

N. D. Lamiuers vqb ToQrenburg te idem; 

kolonel Verspijcjc te idem. 

Niefe verder te behandelen zijnde, wordt de vergadering gesloten. 



l\9^^^ BESTUURSVERGADERING. 

GEHOUDEN 31 MAART 4809. 



T^nwoordig de heeren Bleeker (Vporzïj^ter), Qp^on, 
Robidjé van der Aa, Banck, Qeyers PeynqQt, JCem, 
van der Gon Netscfier en Qbroen. J)^ hjeei^ Sloet van 
de Beele en Mjllatd ipet kennisgeyii^ afwj^g. 

De notnljBn van het verhandelde in de VQpge vejjg^^^P^g 
worden gelezen en goedgekeurd. 

Ten bel^oeve der bibliotheek is i^gezo}i,deii : 

dooj den consul-generaal te TiOnden , den hoer }i^y , pen px. 
van het door dpn heer W. W. Funter uitgegeveiji werk: ^. 
comparative ^ictionary of the language^ of Indja ;fnd higlj Asia ; 

door den heer van Deventer een ex. vnfx het g^chri^ : //Eene 
Javaansche plegtigheid// ; 

door de kon. Akademie van wetenschapp^ \e Atnpterdam : 
Jaarboek over 1868. Verslagen en mededeelingen yap djB afijeding 
Natuurkunde, 2« reeks, 3® dl., a« stuk. 

De Voorzitter deelt mede: 

I. dat de heer Sloet van de Beele bij zijne Jcennisgeying dat 
hij door ongesteldheid verhinderd wordt de vergadering bij te^ 
3» volgr. rv. •♦♦ - 



5cXXtV ll9l>fi BftStlTUltèVEltÖAtElllKO. 

wonen, het bestuur heeft toegezonden eene aflevering van het 
Archiv des Vereines fiir Siebenbüi^sche Landeskunde, dat 
bevat eene » Beschreibung eener Reise nach Java in den J-ahren 
1696—1699 von Georg Schuller," medegedeeld door Gustav 
8iewert. De opneming eener vertaKng van dit reisverhaal in de 
Bijdragen komt den heer Sloet niet onbelangriik voor. Op voor- 
stel van den Voorzitter wordt besloten bedoeld stuk in handen 
te stellen van de heeren Gtevers Deynoot en Banck, met ver- 
zoek het bestuur omtrent de wenschelijkheid van de opneming 
der vertaling in de Bijdragen van advies te dienen. 

IT. Dat de heeren Verspijck, Mirandolle, Blommendal en 
Nierstrasz, in de vorige vergadering tot leden van het Institaiit 
benoemd, zich bereid hebben verklaard het lidmaatschap aan te 
nemen. 

ni. Dat de heer Gonggrijp schriftelijk het verzoek heeft ge- 
daan /i'hem eene plaats in de Bijdragen in te mimen om zich 
te kunnen verdedigen tegen den nieuwen aanval van den heer 
Klinkert. tt Het bestuur is eenparig van oordeel "dat aan het 
verzoek van den heer Gonggrijp niet kan worden voldaan , omdat 
het vroeger reeds het besluit heeft genomen , zooals in een noot 
op blz. 407 van het 3e deel der Bijdragen verklaard is, het 
debat over de kwestie der maleische leesboekjcs in de Bijdragen 
te sluiten. Het bestuur meent te meer bij dit besluit te moeten 
volharden omdat het gevoerde debat een persoonlijk karakter 
verkregen heeft, waarmede de wetenschap weinig gebaat wordt. 
Werd aan den heer Gonggrijp toegestaan op nieuw een oi)stel 
over het uitvoerig behandelde onderwerp te plaatsen , het bestuur 
zou, wanneer de heeren Riedel en Graafland een gelijk ver- 
zoek deden, dit niet kunnen afwijzen, terwijl mogelijk daarna 
ook de heer Klinkert zich nog geroepen zou gevoelen een weder- 
antwoord te geven. Op die wijze zou evenwel een einde niet te 
voorzien zijn en op dien grond blijft het bestuur van oordeel, 
hoeveel leed het overigens gevoelt den heer Gonggrijp een afwij- 
zend antwoord te moeten geven, dat het bij het vroeger geno- 
men besluit moet volharden. 

IV. Dat de heer Niemann , aan wien verzocht was het bestuur 
van advies te dienen over de wenschelijkheid tot plaatsing in 
de Bijdragen van het door den heer HigJcjM:<Qlgegezonden 



119öB BESTÜÜBSYfiRGADEaiNG. XXXV 

opstel: >f Vervolg op de Maleische spreekwoorden, benevens 
eenige Maleische raadsels en kinderspelen// verklaard heeft dat 
het opstel hem voorkomt zeer geschikt te zijn in het tijdschrift 
van het institnut te worden opgenomen. De heer Niemann zegt 
het volgende: vïlet medegedeelde omtrent de kinderspelen van 
Maleiers en Javanen beteekent wel is waar niet zeer veel , maar 
de schr. heeft gegeven wat hij kon en overigens is nog niets 
van dien aard, met betrekking tot Ned. Indië, gepubliceerd. 
De spreekwoorden en raadsels vooral zijn eene niet onbelang* 
rijke bijdrage tot de kennis van taal en volk. Wat de taal be- 
treft, hierop zon ik niets van belang weten aan te merken. 

Na dit gonsüg advies wordt tot opneming van het opstel 
des heeren Klinkert in de bijdragen besloten. 

De Commissie, bestaande uit de heeren Gevers Deynoot en 
van der Qon Netscher, aan wie het onderzoek was opgedragen 
der rekening van den penningmeester over 1868 , rapporteert dat 
zij de rekening met de jnstificatoire bescheiden vergeleken en in 
behoorlijke orde gevonden heeft. Ten aanzien van eenige punten , 
die der commissie niet duidelijk zijn , worden door den penning- 
meester inlichtingen gegeven. In de rekening van aangekochte 
boekeu vindt de commissie aanleiding op de wenschelijkheid te 
wijzen dat het op de begroeting uitgetrokken cijfer niet worde 
overschreden en dat men zich zooveel mogelijk bepale tot den 
aankoop van werken , die zuiver op indisch gebied vallen , waar- 
toe eene trouwe naleving van art. 8 van het huishoudehjk reg- 
lement, dat tot den aankoop van boeken en handschriften door 
den Secretaris, in overleg met den Voorzitter, bevoegdheid geeft , 
bevorderlijk kan zijn. 

De Vooraitter zegt dat de Secretaris het voorstel heeft gedaan 
den heer W. W. Hunter, van wiens onlangs verschenen werk 
het Instituut een ex. is aangeboden , dat onder de boekgeschenken 
is vermeld, te benoemen tot buitenlandsch lid van het Instituut. 
De vergadering vereenigt zich met dit voorstel. 

Verder wordt besloten tot lid van het Instituut te benoemen , 
de heeren: 

liuit. kol. L. C. van Kerkwijk te 's Hage. 

professor R. P. A. Dozij te Leiden. 

professor M. Jt de Goeje te Leiden, oigitizedbyLjOOglc 



pfofe*5or V. A. van der Lith te Leidüü. 
H. MuHer Ie Botterdain. 
professoi» ï*. de Jong te Utrecht, 
J. Spanjaard te D^lflr. 

De Vobfzitter herimiert dat in de straks te houden algeuieeiie 
vergadering, overeenkomstig het vroeger genomen besluit, op 
nieuw het voorstel in overweging zal worden genomen tot het 
opnemen der verslagen van het Indisch Genootschap in de Bij- 
dragen van het Instituut. Hij vraaj^ welk advies hij namens 
liet bestuur omtrent dit voorstel aan de algemeene vergadei*iiig 
zal uitbrengen. 

De heer Robide vau der Aa zort het wenschelijk achten in- 
dien het voorstel werd ingetrokken. Het doel toch dat men met 
de opnetóiug van die verslagen hi de Bijdragen beoogt , namelijk 
meerdere verspreiding van den inhotid dier vetslagen., zal niet 
worden bereikt, want grootendeels '/ouden die verslagen dan niet 
verder dan tot de kennis der leden van het Instituut komen. 
Nu zijn de leden van het Instituut in twee categorien te rang- 
schikken: lo zij, die ook leden van het Indisch genootschap 
zijn eü die düs aan een overdruk der verslagen in de Bijdragen 
geeöe behoefte hebben en 2o zij , dié , met eene enkele uitzon- 
dering misschien, voor den arbeid van hét Indisch geilootschap 
geen of weinige belangstelK'ng koesteren en dus op dïèn over- 
druk gèeh prijs zullen stellen. 

De heeren Kern, Gevers Deynoot en van der Gon Netöcher 
verklaren achteteenvolgéns dat ook zij de intrekking van het 
voorstel wenichelqk achteta èn op de gronden door den heer van 
der Aa ontwikkeld , èn omdat op de vorige algemeèüe vergadering 
het voorstel bij sommigen nog al tegenstand heeft ontmoet. 

Na dtezc discusöie veJrklaart de Voorzitter zich beifeid het 
voói*stel, dat zoo niet adleen dan toch gróotendeels van hem lö 
uitgegaan , in (e trekken , ofschoon hij zich met de grondeii die 
er tegen zijn aangevoerd , nie!t kan vereeingen. Eene wederlegging 
daarvan, nu hij hét Vdornemén aan den dag légt, het voorstel 
in te trekken, acht hij overbodig. 

Niet verder te behandelen zijnde wordt de vergadering gesloteti. 

Digitized by VjOOQ IC 



120«* BESTüÜllSVfiftGADERINÖ. XXXVU 

130SW BESTUURSVERGADERING. 

dvHouuEN i^ Apru. 1869. 

Tegenü-oorJig de heeren Bleekef (Voorzitter) , Robidé 
vütt der Aa, Bacliiéue, Bauck, van Limburg Brouwer, 
lyüttiohtier , Gevers Deyüoot , Floffmaiiii , Kern , Obreeu, dè 
Seci'etaris en de adjunct- secretaris. De heer Sloet van de 
Beek niet kennisgeving afwezig. 

l)e notulen van het verhandelde in de vorige vergadering 
worden gelezen eh goédgiöleurd. 

Dè Voorzitter heet de heerén Bacliiene , Dumoutier en Hoffinann 
welkom in de vergadering van het bestuur en wenscht het Instituut 
geluk met hunne aanvaarding van het lidmaatschap van hét 
bestuur. 

De Voorzitter deelt daarna mede: I. dat de heeren L. C. 
vau Kerkwijk, N. D. Lamitters van Tooréiiburg en mr. P. A. 
V. d. Lith zich bereid hebben verklaard hét lidmaatschap van 
liet Instituut te aativaarden. 

II. dat voot de bibliotheek zijn ingezonden de volgende 
boekwerken : 

door den heer Robid^ van der Aa. Waü horidfo Aria Singi 
.nanga dem wgze vo dem vo gebrüike na hoso en na skolo ; 

doof den heer Hagefmön eèn ex. van zijüe geschriften: Ge- 
scWedenis der Soeitdaïanden. — Ovè'r de Európe^chè boeren. — 
Over de moddérwefien. ^- Het ontworpen standfbeéld vöör Koen. 

Mi(iuel. Aünaleè Mtiscd botanici. Lugd. Bat. deel IV aff. I— V. 

Tjahaja Sijang Kjirtats chabar Minah^tsTsa , Ï869 n^, 1. 

Zeitschtift der Gesèlbohaft für Ertlkütidé, iVe deel, Ie afl. 

Journd of the A^atic society of Bengal , 18fl8 , Part I no, 

n. Prft. II ti^. IV. 

Proceedfngs of the Asiatiè dociety of Kengal, 18^8 no 9 — 11. 

SitMöè^HcTïte der Weetiet Alademie. Phil. hiéït. tlassè. 
Jaarg. iSrfS April— Juli. 

Ifóiiïtóbërfchtè êei BerlijnèrcHe akideniië Januari ÏSÖ9. 

Noftdeü iët vefsfivdering v«n het In^'twt ^ait ingenieurs Vöïl^t 
9 Pebt, Ï869, ^ ^ 



xxxvnr 120ste bestu ursvkrgadïring. 

III. dat de miuister vau kolomen, ouder dagteekeuiug vau 
den 7n dezer, bericht heeft dat bij inzage der aan het depar- 
tement van koloniën toegezonden agenda van den gouverneur- 
generaal en rade vau 1824 , ten duidelijkste is gebleken dat dit 
stuk behoort tot het indisch gouveruements-archief. De miuister 
hééft gemeend aan de betoonde bereidwilligheid om het stuk 
voor het koloniaal archief af te staan, de vrijheid te mogen out - 
leenen de agenda aan het indisch bestuur te doen toekomen. 

Naar aanleiding vau deze missive wordt besloten den minister 
van koloniën te kennen te geven dat vermits de minister vau 
oordeel is dat het stuk tot het gouvemements-archief behoort , 
het Instituut bereid is daarvan afstand te doen. 

lY. dat de heer J. Hageman JCZn. , te Pnssaroean, onder 
dagteekeuing van 2 Februari jl. heeft bericht dat hij aan het 
Instituut heeft afgezonden een kistje, inhoudende handschriften , 
door hem zelf bewerkt. Het bestuur besluit de ontvangst vau 
het kistje af te wachten, alvorens omtrent deze missive eene 
beslissing te nemen. 

De Voorzitter zegt dat op het convocatiebiljet vermeld is dat 
de verkiezing zal plaats hebbeu van een secretaris en een pen- 
ningmeester. Wat den penningmeester betreft is dit juist, maar 
niet ten opzichte van den secretaris. De heer Millard toch is 
slechts afgetreden als bestuurslid. Daar het reglement bevoegdheid 
geeft den secretaris buiten de leden van het bestuur te kiezen, 
is de heer Millard, nog gewoon lid zijnde, tot secretaris he- 
uoemd. Eerst later, toen hij reeds eenigen tijd als secretaris 
gefungeerd had, is hij tot lid van het bestuur gekozen. Van 
dit mandaat is hij thans ontslagen, maar hij kan daarom niet 
tevens geacht worden ontheven te zijn van de functiën vau 
secretaris. De Voorzitter acht het evenwel wenschelijk dat de 
vergadering verklaart of zij met die opvatting instemt, waarop 
de door den Voorzitter gestelde vraag: moet de heer Millard 
thans nog beschouwd worden secretaris vau het Instituut te zijn , 
met algemeene stemmen in toestemmenden zin wordt beslist. 

De Secretaris zegt thans dat hij binnen weinige dagen zich 
met der woon te Amsterdam zal vestigen , zoodat hij daarin eene 
reden vindt om zijn ontslag aan het Instituut aan te bieden. 

De Voorzitter meent dat ware de heer Millard in de residentie 
blijven wonen, er geen enkel bezwaar zou zijn om hem als 
secreturis te berkiezeu- Nu hij evenwel het vooruQmeu he^ffc de 



laftstB BESTÜltttsVËRGAÜEniNÖ. XXXIX 

stad te verlaten is het mogelijk dat niet alle leden de herkiezing 
van den heer Millard als secretaris wenschelijk achten , op grond 
namelijk, al schrijft ook het reglement daaromtrent niets voor, 
dat de secretaris behoort te wonen in de plaats, waar de zetel 
van het bestuur is. De Voorzitter deelt evenwel als zijn persoonlijk 
gevoelen mede dat hij in eene herbenoeming van den heer Millard 
als secretaris, ook nu hij de residentie gaat verlaten, geen be- 
zwaar ziet omdat het bestuur behalve door een secretaris ook 
door een adjunct secretaris wordt ter zijde gestaan, die de 
loopende zaken kan afdoen. 

Uit de gedachtewisseling, die hierna volgt, blijkt dat som- 
mige leden, onder anderen de heeren Gevers Deynoot en van 
Limburg Brouwer, bepaald van gevoelen zijn dat het in het 
belang van het Instituut wenschelijk is dat de sexsretaris niet 
buiten den zetel van het bestuur woont, te.rwijl andere leden, 
onder anderen de heer Bachiene , met het oog vooral op de snelle 
middelen van vervoer, in die afwezigheid geen bezwaar zien. 
Ten einde de vergadering omtrent dit punt van haar gevoelen 
te doen blijken , stelt de heer van Limburg Brouwer de volgende 
motie voor: het bestuur is van oordeel dat het niet wenschelijk 
is het secretariaat op te dragen aan een lid , dat buiten den zetel 
van het Instituut gevestigd is. Deze motie wordt met 6 tegen 
4 stemmen verworpen. 

De vergadering, thans overgaande tot de verkiezing van een 
secretaris, ten gevolge van het door den heer Millard genomen 
ontslag, benoemt met 8 stemmen, terwijl één stem op den heer 
Henkelom wordt uitgebracht en één lid , de heer Gevers Deynoot 
de zaal verlaten heeft, den heer Millard op nieuw tot secretoris. 

De heer Millard verklaart zich bereid zich op nieuw met het 
secretariaat te belasten , in de veronderstelling dat zijne vestiging 
te Amsterdam geen stoornis zal te weegbrengen. Mocht hij , na 
verloop van eenige maanden, eenige moeilijkheden ontdekken, 
dan zal hij daarin aanleiding vinden zijn mandaat neder te leggen. 

In den loop van het debat was door den heer Bachiene het 
denkbeeld geopperd om den heer Millard, na zijne herkiezing 
tot secretaris, vergoeding van reiskosten toe te staan. Ofschoon 
het reglement wel spreekt van eene vergoeding van reiskosten 
aan de bestuursleden, maar niet aan den secretoris, zoo wordt 
algemeen aangenomen dat eene toekenning van reiskosten ook aan 
den secïetaris door de algemeene vergadering zal worden goedge- 
keurd, aangezien zij er, omdat de heer Millard in het belang van hi 



Instituut 13 herkozen, geen bezwaar tegen zal hebben dat hem (ie 
veryuJliTig zijner betrekking zoo gemakkelijk mogelijk won4t ge- 
maakt. Omtrent de bepaling dier reiskosten worden verschilieude 
denkbeelden geoj^rd : het vasts^^Jlen van een tarief, het haaien 
van eene vaste jaaflijksche som of hej; overJat«n yan het bepalen 
der som aan den seqrctaris persoonlijk. t)it laatste denkbeeld 
wordt met algemeene stemmen goedgekeurd. 

"Vervolgens ovejgaande t<)t de benoeming van een penning- 
meester, wordt de heer Bachiene met 8 stemmen, tepwijll stem 
op den lieer Rpbidé Vjan der Aa wordt uitgebrm^ht^, tpt die functpen 
gekossen. De hper Bachiene verklaart zip}^ bereid d^ze betrekking 
Ije aapvaJipden , onder uitdrukkelijke yqorwparde eyenfv'el d^^t* ^Ü 
in geep opzjjcht ^imsprakelijk zal zijn ter zake van h^t niet-in- 
komen .der op 1 ifajiuarj 1869 achjter^tallige contributien pf an4ere 
qntvapgstefl. 

Jfief^ verdar te behandelen s^ijixde , wordt de vergaderii^ door 
^pn Vppr^^jfctpr gïBslpt^n. 



Digitized by 



Google 



ALGEMEENE VERGADERING, 

GEHOUDEN TE *S GRAVENHAGE, 3i MAART 4869. 



Tegeuwoordig de heeren dr. P. Bleeker (Voorzitter), 
A. D. van der Gon Netscher, J. M. Obreen, Robidé 
van der Aa, dr. H. KBrn, A. P. Godou, mr. J. E. 
Baock, jhr. mr. W. T. Gevers Deynoot, A. P. Leupe, 
J. S. G. Gramberg, Verspy^, G. K. Niemann, dr. 
¥. A. C. Dumontier, J. J^Meinsma, mr. D. J. baron 
Mackay, mr. P. A. S./^u Limburg Brouwer, eu de 
adjunct-Secretaris. 

Na opening der vergadering zegt de Voorzitter dat de notulen 
van het verhandelde in de vonge algemeene vergadering aan de 
leden afzonderlijk gedrukt zijn toegezonden, zoodat voorlezing 
daarvan overbodig kan worden geacht. Daar niemand eenige 
bedenkingen heeft tegen de redactie dier notulen, worden zij 
goedgekeurd en gearresteerd. 

Op uitnoodiging van den Voorzitter brengt de adjunct-Secre- 
taris, daar de Secretaris door ongesteldheid verhinderd wordt 
t^enwoordig te zijn, namens het bestuur verslag uit van den 
staat en de werkzaamheden van het Instituut in 1868. 

De Voorzitter brengt ter tafel de rekening en verantwoor- 
ding van den Penningmeester over 1868 en benoemt eeue com- 
missie, bestaande uit de heeren Dumontier en Leupe, om die 
na te zien. 

Na eenige oogenblikken pauze bericht de heer Dumontier 
dat de commissie de rekening opgenomen en met de justifica- 
toire bescheiden vergeleken heeft. Daar zij alles in volkomen 
orde heeft bevonden , stelt zij aan de vergadering, ^por <jgf5^tol^ 
3e Volgr. IV. ^ ' "'• 



XUI ALGEMEENE VERGADERING. 

ning goed te keuren onder dankbetuigiiTg aan den Penningmeester 
v(X)r zijn gehouden belieer. 

Op voorstel van den Voorzitter betuigt de Vergadering haar 
dank aan den Secretaris en den Penningmeester voor de moeite, 
die zij zich op nieuw in het belang van het Instituut hebben 
getroost en de wijze waarop zij zich andermaal van hunne taak 
hebben gekweten. 

De Voorzitter zegt dat ditmaal de beurt van aftreding is, 
als lid van het bestuur , aan de heeren Millard , Godon en van 
der Gou Netscher. Het reglement schrijft voor dat de aftredende 
bestuursleden niet dadelijk herkiesbaar zijn, zoodat de vergadering, 
hoe gaarne misschien ook, het mandaat der aftredenden, die 
zich gedurende vele jaren jegens liet Instituut verdienstelijk 
liebben gemaakt, niet kan verlengen. Aan de aftredende ledeii 
wordt vervolgens door den Voorzitter den dank der vergadering 
gebracht voor de vele moeite en zorgen, die zij zich in het 
belang van het Instituut hebben getroost. 

De door art. 6 van het reglement gevorderde drietallen wor- 
den door het bestuur voorgedragen, waarna met meerderheid 
van stemmen tot leden van het bestuur worden ^gekozen de 
heeren: P. J. Bachiene, professor J. Hoflmann en dr. F. A. C 
Dumontier. 

De heer Dumontier verklaart het bewijs van vertrouwen op 
hoogen prijs te stellen en bereid te zijn de betrekking te aan- 
vaarden. 

Aan de heeren Bachiene en Hoflmann, niet t^egenwoordig 
zijnde, zal van hunne benoeming worden kennis gegeven. 

De Voorzitter zegt dat volgens het oproepingsbiljet thans aan 
de orde zou zijn de bespreking van het voorstel, in de vorige 
vergadering gedaan, tot het opnemen der verslagen van het 
Indisch Genootschap in de Bijdragen van het Instituut. In de 
Bestuursvergadering, die de tegenwoordige algemeene vergade- 
ring is voorafgegaan, heeft dit punt op nieuw een onderwerp 
van gedachteuwisseling uitgemaakt en heeft zich andermaal deu 
tegenstand doen kennen die zich reeds in de vorige algemeene 
vergadering geopenbaard heeft, zoodat de voorsteller besloten 
heeft zijn voorstel in te trekken. Dientengevolge is dit onder- 
werp van de orde van den dag verdwenen. DigitizedbyLjOOglC 



Daar niemand eenig voorstel te doen heeft of beschouwingen 
iu het midden te brengen , wordt de vergadering door den 
Voorzitter gesloten. 



121STE BESTUURSVERGADERING. 

ÜEHOUDEN 22 MEI 1869. 



Tegenwoordig de heeren Bleeker (Voorzitter), Robidé 
van der Aa, Bachiene, Banck, van Limburg Brouwer, 
Dumontier, Gevers Deynoot, Hoffmann, Kern, Obreen, 
(ie Secretaris en Adjunct-Secretaris. 

De notulen van het verhandelde in de vorige vergadering 
Morden gelezen en goedgekeurd. 

De Voorzitter lierinuert dat in de bestuursvergadering van 
Ztl Mei J868 (zie Bijdragen ;ie d]., 3e en 4e stuk, blz. XXXVI) 
de heer Sloet van de Fieele heeft medegedeeld , dat het op Java 
dikwerf gebeurt dat inlanders uit door hen gekochte of gehuurde 
boeken aan hunne laudgenooten het een of ander voorlezen, 
waarbij die inlanders zoowel door het groot aantal, dat zich 
rond den lezer schaart als door de aandacht die zij aan de 
voorlezing schenken, van veel belangstelling doen blijken. J)e 
heer Sloet achtte het wenschelijk, en de vergadering stemde 
geheel in met dien wensch , dat men hier te lande kennis kon 
nemen van de boeken waaruit voorlezing gedaan werd. Op uit- 
Doodiging van de vergadering nam de heer Sloet op zich eenige 
van die boeken te laten overkomen. 

Thans is, zegt de Voorzitter, een drietal boekdeelen uit Tndië 
overgezonden, die de heer Sloet aan het Instituut ten geschenke 
aanbiedt. Twee daarvan bevatten Wayangverhalen , terwijl het 
derde de geschiedenis behelst van den javaschen oorlog. Het is 
voorzeker van het hoogste belang uit den mond van een Javaan 
iets omtrent dien oorlog te vernemen , want al heeft ook de lieer 
Hageman voor zijne opstellen dikwijls van inlandsche bronnen 
gebruik gemaakt, een verhaal van een inlander omtrent dien 
oorlog is, zoo hij zich niet vergist, nimmer gepubliceerd. 

Bij de toezending der drie boekdeelen heeft de heei Sloet 
den wensch uitgedrukt dat zij iu handen van Q^|ftiz^<^kundige 



XLIV 121STB BBSTUURSVBRÖADBMNO. 

mochten worden gesteld om in de eerste plaats te beoordeelen 
in hoever eene vertaling of wel eene mededeeling van den inhoud 
voor de wetenschap van belang is. Overeenkomstig het voorstel 
van den heer van Limburg Brouwer besluit de vergadering het 
advies te verzoeken van den heer dr. J. J. de Hollander, 
hoogleeraar in de taal- , land- en volkenkunde aan de academie 
te Breda. 

De Voorzitter deelt mede dat ten behoeve der bibliotheek is 
ingezonden of aangekocht: 

door den Min. van Kol.: Koloniaal verslag over 1868. 
Proceedings of the royal geographical society, vol XII 1, n". 1. 
Monats- bericht der Berlijnsche akademie, febr. 1869. 
Tjahaja syang. kartas chabar Minahassa, n°. 2 — 5. 

De heer Gevers Deynoot brengt namens de comraisie, aan 
wie was opgedragen het bestuur van advies te dienen omtrent 
de wenschelijkheid tot het opnemen in de Bijdragen eener ver- 
taling van het verhaal eener reis van Georg Muller, verslag 
uit. Hij deelt mede dat de conmiissie eene vertaling niet mag 
aanbevelen, op grond van de uitvoerigheid van het stuk. Het 
grootste gedeelte is een scheepsjournaal, dat wel van belang te 
noemen is , maar waarvan alle lezers der Bijdragen vermoedelijk 
niet met belangstelling keunis zullen nemen. De commissie 
meent echter dat het wel in aanmerking zou kunnneu komen 
het opstel aanmerkelijk verkort mede te deelen. 

De heer Bobidé van der Aa ondersteunt het in de laatste 
plaats uitgedrukte denkbeeld der commissie en gelooft dat het 
wel wenschelijk zou zijn indien daarvan in de Bijdrijgen een 
overzicht werd gegeven, waarin de merkwaardigste bijzonder- 
heden eeuigzins uitvoeriger zouden kunnen worden medegedeeld 
dan andere gedeelten , die van minder belang worden geacht eu 
waarbij men dan tevens de aandacht zou kunnen vestigen op 
andere journalen van Duitschers in dienst der O. I. Compagnie. 

De vergadering vereenigt zich met dit denkbeeld en draagt 
de samenstelling van dit overzicht aan den heer van der Aa op, 
die zich hiertoe bereid verklaart 

De heer Obreen deelt mede dat de heer Jeekel onlangs van 
de Kust van Guinea is teruggekeerd, waar hij eenige opmer- 
kingen heeft godaan, die hij thans gedeeltelijk in kjiJirt heeft 



1226TE BESTUURSVERGADERING. XLV 

gebracht. De heer Obreen wenscht het oordeel van het bestuur 
te vernemen in hoever het geneigd zou zijn de kaart, wanneer 
die geheel is afgewerkt , uit te geven. Ofschoon het bestuur tot 
die uitgave niet ongezind is , wenscht het echter eene definitieve 
beslissing afhankelijk te stellen van eene opgave der kosten, 
waaromtrent de heer Obreen op zich neemt inlichtingen in 
te winnen. 

De Penningmeester bericht dat hij den n^en April jl. het 
Penningmeesterschap heeft overgenomen , waaronder ook behoort 
lijsten van aan den heer der Kinderen afgegeven assignatien voor 
verschuldigde contributie. De Penningmeester vraagt of hij zich 
gemachtigd kan beschouwen de inning der contributie in Neder- 
land ook aan den heer der Kinderen te blijven opdragen. De 
vergadering meent dat de wijze der inning van de contributie 
aan den Pennningmeester behoort te worden overgelaten , omdat 
het voor het bestuur moeilijk is daaromtrent bepalingen te stellen. 

De Voorzitter zegt dat de heeren J. Spanjaard te Delft en 
H. Muller Szn. te Rotterdam zich bereid hebben verklaard het 
lidmaatschap van het Instituut aan te nemen. 

Tot lid van het Instituut wordt benoemd de heer Fr. P. L. 
Pollen te Scheveningen. 

Niets meer te behandelen zijnde wordt de vergadering gesloten. 



122STE BESTUURSVERGADERING. 
OEHODOEN 21 Augustus 1869. 



Tegenwoordig de heeren Bleeker (Voorzitter), Robidé 
van der Aa, Bachiene, van Limburg Brouwer, Dumontier, 
Gevers Deynoot en van Heukelom en de adjunct-Secre- 
taus. De heeren Sloet van de Beele, Hoffmann en de 
Secretaris met kennisgeving afwezig. 

De notulen van het verhandelde in de vorige vergadering 

worden gelezen en na eene opmerking van den heer Gevers 

Deynoot, in welken geest de notulen gewijzigd zullen worden, 
goedgdteurd, oigitized by Googlc 



XL VI 1228TE BKSTITURSVEKOADKRING. 

Ten behoeve der hibliotheek zijn ini^ezonden of aanjrekorht 
de volgende werken : 

Bibliolheca Indica. Old series n®. 221; New series n^ 1E3, 
124, 136—158. 

Smithsonian Tnstitution. Annual rejwrt tbr 1867. — Procee- 
dings of the Nat. Academy of sciences, 1866 and 1867. 

Journal of the royal geographical society vol. 38. 

Zeitschrift der Deutscheu morgenlan dischen Gesellschaft , 23* 
deel l«'en 2« afl. 

Zeitschrift der Gesellschaft fiir Erdkunde zu Berliu, 4f^ deel 3* afl. 

Monatsbericht der Akad. der Wissenschaften zu Berlin, afl. 
Maart, April en Mei. 

Kaiserl. Akad. der Wissenschaften in Wieu. Verslagen der 
math. natuurwetenschappelijke afdeeling 1869, n^ XII — XIX. 

Bulletin de la société de géographie, 1869, Juni. 

Kou. Acad. van Wetenschappen te Amsterdam. Verhaude- 
lingen 4' deel. — Verslagen en ineded. van de afd. Natuur- 
kunde 3« deel 3« stuk. 

Tijdschr. v. Nijverheid. 3« reeks 10« deel, afl. 3—6. 

Programme du congres international de statistique ^ la Have. 

Nederlandsch-Indische Handelsbank. Jaarverslag 1868. 

Jules Babut. Felix Batel ou la Hollaude Ji Java. 2 dln. 

Van den heer v. d. Chijs te Batavia. Verslag vau het inlandsch 
onderwijs in N.-I. over 1866. 

Van den heer dr. J. J. de Hollander. Handleiding bij de 
beoefening der land- en volkenkunde van Ned. O.-I. 2® deel. 

Van den heer Hageman te Soerabaya eene collectie hand- 
schriften , waarvan de toezending reeds vroeger was bericht. (Zie 
Notulen der 120® bestuursvergadering.) — Het ontworpen stand- 
beeld voor J. P. Koen te Batavia tegenover de geschiedenis. — 
Uit het leven van wijlen J. W. B. Wardenaar. 

De Voorzitter herinnert dat in de eerste dagen der volgende 
maand te 's Gravenhage zal gehouden worden het 7^ internationaal 
statistisch congres. Hij onderwerpt de vraag aan het oordeel der 
vergadering, in hoever het Bestuur het wenschelijk acht het 
Instituut op de vergaderingen van het Congres te doen vertegen- 
woordigen. Nadat die vraag in toestemmenden zin is beslist, 
worden tot vertegenwoordigers van het Instituut benoemd, de 
heeren : mr. P. A. S. v. Limburg Brouwer , dr. F. A. C. Dumontier 
en mr. C, vau Heukelom, oigitizedbyCjOOglc 



122ste BESTUITRSVERGADEBING. XT.VII 

T)e Voorzitter deelt verder mede : 

1®. dat de lieer Hottinaiin bij de kennisgeving dat hij de ver- 
gadering niet kan bijwonen, de mededeeling heeft gevoegd dat 
hij een opstel voor de Bijdragen in gereedheid heeft gebracht, 
zijnde eene verhandeling over de Sake- (of rijstbier-)brouwerij 
in Japan, volgens Japansche bronnen, welk onderwerp, naar 
de schrijver meent, buiten Japan nog niet behandeld is. De heer 
Hoffmann zou nu wenschen te vernemen of deze stof voor de 
Bijdragen geschikt wordt geacht. De vergadering verklaart zich 
geneigd het opstel , na ontvangst , in de Bijdragen op te nemen , 
zoodat de heer Hoti'mann zal worden uitgenoodigd het aan de 
redactie in te zenden; 

2*. dat kennisgeving is ontvangen van het overlijden van den 
heer dr. S. A. Buddingh ; 

3^. dat de heer Fran^ois P. L. Pollen te Scheveningen ver- 
klaard heeft het lidmaatschap van het Instituut aan te nemen; 

4®. dat zijn ingekomen twee missives van den heer dr. J. J. 
de Hollander te Breda , naar aanleiding der drie hem toegezonden 
Javaansche handschriften. Ten opzichte der Wayangverhalen 
geeft dr. de Hollander op de hem gestelde vraag of eene 
bearbeiding van dien tekst thans wenschelijk is , een ontkennend 
antwoord. '/ ^t Is waar , zegt de heer de Hollander , de Wayang- 
verhalen zijn van .belang voor de kennis van de taal , de zeden 
en de denkwijze van het Javaansche ' volk en daarom heeft de 
heer Roorda met de uitgave van zijne collectie een zeer verdien- 
stelijk werk gedaan , maar of er uu uit eene nieuwe verzameling 
veel nieuw licht zal opgaan, meen ik te mogen betwijfelen; en 
zeker zal er ook in die opzichten nog vrij wat te le-eren vallen 
uit andere werken, die beter in staat zijn //om onze belang- 
stelling gaande te houden " en waarvoor ik daarom nu vooreerst 
liever de beschikbare krachten des Instituut*» zoude wenschen 
te besteden." 

Wat de geschiedenis van Dipa Negara betreft , is het den heer 
de Hollander bij onderzoek gebleken , dat het toegezonden hand- 
schrift volmaakt hetzelfde is als dat waarvan eene inhoudsopgave en 
gedeeltelijk woordelijke vertaling is medegedeeld door den heer 
T. Roorda in het derde deel van de nieuwe volgreeks der Bij- 
dragen van het Instituut, blz. 137 — 227. //Alleen blijkt, zegt 
de heer de Hollander , uit de aanteekeningen van den heer Roorda , 
dat de redactie van het door hem gebruikte manuscript hier en 
daar eenigzins verschilt van die van het aan mij gezondene()^[^ 



XLVin 1228TE BESTUURSVERGADERING. 

dat, gelijk het mij oppervlakkig voorkomt, de tekst van dit 
laatste, hoewel niet onberispelijk, zuiverder is dan die van het 
eerstgenoemde. Van eene vertaling of mededeeling van den inhoud 
van dit werk kan dus geen sprake meer zijn en de vraag kan 
nu alleen zijn of het Bestuur van het Instituut eene uitgave 
van den Javaanschen tekst wenschelijk acht , hetzij in het belang 
der wetenschap , hetzij met het oog op het gebruik dat , volsfens 
den heer Sloet, door de Javanen van dit en andere werken 
gemaakt wordt.'" * 

Het Bestuur wenscht het antwoord op de in de laatste plaats 
gedane vraag aan te houden en zich omtrent eene uitgave van 
den Javaanschen tekst te beraden , met het oog vooral op de 
aanzienlijke kosten , die aan de uitgaaf van een Javaansch werk 
verbonden zijn. Mocht het Bestuur later tot eene uitgave be- 
sluiten, volgaarne zal het dan gebruik maken van het door 
den heer de Hollander gedaan aanbod om de bewerking van 
het handschrift op zich te nemen. 

5®. dat is ontvangen eene missive van commissarissen van 
het Instituut te Batavia, dd. 22 Juni jl. , daarbij toezendende 
de rekening-courant over het jaar 1868, sluitende met een 
saldo ten behoeve van het Instituut ten bedrage van ƒ 589,20 » 
voor welk bedrag wissels worden overgezonden , die bereids den 
penningmeester ter hand zijn gesteld. 

60. dat het lid des Instituuts, de heer J. C. Hooykaas, het bestuur 
heeft medegedeeld dat hij zich sedert jaren onledig heeft gehouden 
met de samenstelling van een Repertorium op de koloniale litte- 
ratuur, omvattende het tijdvak van 1595 tot 1865. Dit Reper- 
torium bevat eene volledige aanwijzing van inhoudsopgaven uit 
alle tijdschriften , mengelwerken , boeken en brochures , dus een 
index op // gedrukten // , zooals er bij het departement van 
Koloniën een index op n manuscripten // bestaat. De heer Hooykaas 
heeft het repertorium gesplitst in twee afdeelingen: de eerste 
betreft Nederlandsch Oost-Indië, vreemde O. I. bezittingen en 
niet-Nederlandsche landen in Azië, Australië, de Kaap-kolonie 
en de oostkust van Afrika ; de tweede betreft de Nederlandsch^ 
West-Indische bezittingen en de Kust van Guinea, alsmede vreemde 
koloniën en landen in Amerika en Afrika. Voorloopig heeft de 
bewerker de eerste afdeeling in vier deelen verdeeld, waarvan 
het eerste deel bevat de inhoudsopgaven uit tijdschriften en 
mengelwerken, \iitgegeven in Nederland en zijne overzeesche 
bezittingen, en waarin tevens een tweehonderdtal boeken en 



1£2STE BKSTÜÜRSVERGA DEKING. IL 

brochares zijn opgenomen. Dit eerste deel wenscht de heer 
Hoojkaas, na voltooiing, aan het oordeel van het bestuur te 
mogen onderwerpen, //ten einde kunne worden beslist, of het 
werk waardig is eene uitgave door het Koninklijk Instituut 
voor de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indië.// 

De heer Robidé van der Aa , die in de gelegenheid is geweest 
van het handschrift van den heer Hooykaas inzage te nemen, 
wenscht den bewerker namens het bestuur te kennen te doen geven 
dat het bestuur; bij voltooiing van het eerste deel van het 
Repertorium daarvan gaarne inzage zal nemen, omdat het sympathie 
gevoelt voor dit werk, waarvan de uitgave geheel op den weg 
van het Instituut ligt. Na eenige gedachtenwisseling waarbij 
van onderscheidene kanten de meening wordt uitgedrukt dat 
het bestuur thans moeilijk eenig besluit omtrent eene uitgave 
door het Instituut kan nemen omdat het bestuur nog weinig 
met den inhoud van het werk bekend is gemaakt, wordt door 
de heeren van der Aa en van Limburg Brouwer het voorstel 
gedaan eene commissie te benoemen, die het denkbeeld om 
het door den heer Hooykaas bewerkte Kepertorium door het 
Instituut te doen uitgeven , onderzoeken en daaromtrent in eene 
volgende vergadering verslag uitbrengen zal. Dit voorstel wordt 
eenstemmig goedgekeurd, M^aarna tot leden dier commissie 
worden benoemd de heeren Bleeker, van Limburg Brouwer en 
van Heukelom. 

70. dat ond^r dagteekening van 18 Juni jl. een schrijven is 
gericht aan den Minister van Koloniën omtrent de spelling der 
Indische plaatsnamen. Dit schrijven is van den volgenden inhoud : 

// Herhaaldelijk is het gemis gevoeld van een beginsel bij de 
spelling van plaatsnamen , zoowel van Java als van andere deelen 
van den Indischen Archipel. 

// De pogingen door het Instituut aangewend om daarin gelijk- 
vormigheid te brengen, zooveel mogelijk op taalkundige gron- 
den, hebben op bezwaren gestuit hoofdzakelijk voortvloeiende 
uit het verschil in schrijfwijze tusschen deskundigen en de nog 
beperkte kennis der indische talen. 

i^Ook de indische regeering heeft de wenschelijkheid beaamd 
bij de transcriptie van plaatsnamen, in het bijzonder bij het 
invullen dier namen op de kaarten vervaardigd ten gevolge van 
de topografische opnemingen , een bepaalden regel aan te nemen. 
Bij besluit der indische regeering van 29 Julij 1868, n®. 31 
(opgenomen in het bijblad op het Indisch Staatsblad ^a.nj^63) werd ^ 



L 122STE BESTU ÜRSVEEG ADERING 

het militaire departement uitgenoodigd den Heeren A. B. Cohen 
Stuart en K. F. Holle de lijsten te doeu toekomen vau de 
namen, die op de kaarten van eigenlijk Java en de Soenda- 
landen moeten geplaatst worden, zoo nauwkeurig mogelijk met 
javaansche en soendaneesche karakters geschreven, terwijl aan 
genoemde heeren verzocht werd de namen met romeinsche karak- 
ters over te schrijven. Bovendien verklaarde de regeering zich 
bereid telkens wanneer dit noodig en mogelijk was dergelijke 
hulp te verleenen ten aanzien van de transcriptie van plaats- 
namen uit andere deelen van den Indischen Archipel. 

'/ Het Bestuur van het Instituut neemt de vrijheid Uwe Exc. 
te verzoeken , indien dergelijke lijsten mochten aanwezig zijn , 
een afschrift daarvan en zoo mogelijk ook van de briefwisseling 
die daaruit is voortgevloeid en den aangenomen regel zou kun- 
nen toelichten, aan het Instituut in het belang der indische 
wetenschap te willen doen toekomen en tevens vrijheid te geven 
die stukken in de Bijdragen van het Instituut op te nemen. 

'/ Mochten zij zich echter uiet in het archief van het ministerie 
van Koloniën bevinden , dan wenscht het Bestuur van het Instituut 
Uwe Exc. met bescheidenheid in overweging te geven het indisch 
goevemement te willen machtigen aan onze instelling zoodanige 
afschriften te doen uitreiken.// 

In antwoord op dit schrijven ontving het bestuur onder dag- 
teekening van 9 Juli jl. namens den minister van Koloniën 
het bericht //dat aangaande de gewenschte lijsten van plaats- 
namen in overleg is getreden met den Goeverneur-Greneraal vau 
Nederlandsch-Indië. // 

Het Bestuur hecht zijne goedkeuring aan het verrichte door 
President en Secretaris. 

8®. dat door den Maire van liet XV Ie arrondissement te Parijs 
het verzoek is gedaan een exemplaar te mogen ontvangen der 
Bijdragen ten behoeve der bibliotheek van genoemd arrondissement. 

Niettegenstaande het hier niet een voorstel tot ruiling van 
werken betreft, besluit het bestuur toch het verzoek toe te staan 
omdat het niet te verwachten is dat het door anderen van ge- 
lijken aard gevolgd zal worden. 

De Voorzitter zegt, dat hij naar aanleiding van het inter- 
nationaal statistisch congres de bew^erking heeft aangevangen 
van eene uitvoerige statistiek van Java. Wanneer het bestuur 
van meening mocht zijn dat de uitgave daarvan op den weg ligt 
van het Instituut, is hij bereid zijn arbeid later aan het Insti- 



122ste BESTIIITIISVERGADERING. LI 

tuut ter pablireeriiig af te staan. Hij stdt zich voor daaromtrent 
in eene volgende bijeenkomst nader het een en ander ter tafel 
te brengen , om den leden gelegenheid te geven over de wensche- 
lijkheid der uitgave door het Instituut te kunnen oordeelen. 

Op voorstel van den Voorzitter wordt besloten den bundel 
handschriften, die het Instituut van den heer Hageman ten 
geschenke heeft ontvangen, in handen te stellen van den heer 
Kobidé van der Aa, met verzoek eenige mededeelingen omtrent 
den inhoud aan het Bestuur te doen en verder die voorstellen 
aan het Bestuur te ondei-werpen , waartoe de kennisneming der 
manuscripten hem aanleiding zal geven. 

De adjunct-Secretaris deelt mede, dat de heer van den Berg 
op verzoek van den Secretaris, eene vertaling heeft bewerkt van 
zijn academisch proefschrift //De contractu do ut des, jure 
mohammedano." Namens den Secretaris doet de adjunct-Secre- 
taris het voorstel den heer van den Berg een honorarium toe 
te kennen voor den door hem verrichten arbeid. Eenige leden 
7X)uden wenschen , alvorens hieromtrent eenige beslissing te nemen , 
in de gelegenheid te zijn van den arbeid des heeren van den 
Berg kennis te nemen , zoodat besloten wordt de inzending der 
vertaling af te wachten en den heer van Heukelom uit te noo- 
digen daarna advies omtrent bovenvermeld voorstel uit te 
brengen. 

De heer Robidé van der Aa zegt dat hij van den heer Riedel , 
ten behoeve der bibliotheek van het Instituut, ontvangen heeft 
eenige do<fr deze vervaardigde opstellen. De titels daarvan zijn 
de volgende: 

Tooe oenseasche fabelen met Nederlandsche vertaling en aan- 
teekeningen. 

Bantiksche legenden in het oorspronkelijke met Nederlandsche 
vertaling. 

De eedaflegging bij de Tooe-oen-boeloe in de Minahassa. 

De bekentenis van eenen Holontaloschen ponggoh. 

De sesamboh of Sangische volksliederen. 

De uitbarsting van den Awoeh-taroena in 1856. Eene be- 
schrijving dezer gebeurtenis in het Sangi-Siawoehsch dialekt, 
met Nederduitsche vertaling. 

Inilah pintu gerbang pengatahuwan itu, oigitizedbyGooglc 



Lil 122ste bestüursveegadkeing. 

De vergadering verklaart deze werkjes in dank ten behoeve 
der bibliotheek aan te nemen. 

Met het oog op het reeds vergevorderd uur , worden de verder 
nog te behandelen punten tot eene volgende vergadering aan- 
gehouden. 



123STE BESTUURSVERGAUERTNG. 

GEHOUDEN 2 OCTOBER 1869. 



Tegenwoordig de heeren Bleeker (Voorzitter) , Bachiene , 
van Limburg Brouwer, Dumontier, Gevers Deynoot, 
van Heukelom , Hoflmann , Kern , Obreen , de Secretaris 
en *de adjunct-Secretaris, 

De notulen van het verhandelde in de vorige vergadering 
worden gelezen en goedgekeurd. 

Ten behoeve der bibliotheek zijn ingezonden de volgende werken: 

The Journal of the Royal Asiatic Society, vol. IV, part, T. 

Journal of the Asiatic Society of Bengal , 1869 , part. Il , n®. Il, 

Proceedings of the Asiatic Society of Bengal, 1869, n®. 2, 3 en 5. 

Zeitschrift der Deutschen Morgenlandischen Gesellschaft , 23© 
deel, 3« afl. 

Monatsbericht der Preussischen Akademie der Wissenschaften 
te Berlijn, Juni 1869. 

Bulletin de la Sociëté de Géographie, Juli 1869. 

Staatkundig en staathuishoudkundig jaarboekje 1869. 

Notulen van het Kon. Instituut van ingenieurs, verg, van 
10 Juni 1869 

Tijdschrift van Nijverheid, 8® reeks, deel X, 7" en 8« stuk. 

Tjahaja Syang. Kartas chabar Minahassa, n°. 6. 

Catalogus der bibliotheek van het Indisch Genootschap, op 
nieuw bewerkt door J. Boudewijnse. 

De Voorzitter bericht de ontvangst van een schrijven van den 
heer W. W. Hunter te Calcutta, waarbij deze het hem aan- 
geboden buitenlandsche lidmaatschap van het Instituut verklaart 



laSStE BBSTÜURSVEKGADEElNG. LllI 

aan te nemen en de mededeeling voegt, dat hij door het Engelsch 
bestaur belast is met de samenstelling van een statistisch , histo- 
risch en geografisch verslag omtrent Bengalen, waarvan hij de 
aitkomsten binnen twee jaren ook ter kennis van het Instituut 
hoopt te brengen. 

De Voorzitter brengt ter tafel een door hem bewerkt opstel, 
getiteld: >/ Nieuwe bijdragen tot de kennis der bevolkingstatis- 
tiek van Java", waarvan reeds in de notulen der vorige bijeen- 
komst aankondiging geschiedde. Met het oog op het onlangs 
gehouden internationaal statistisch congres, had hij aanvankelijk 
bet plan eene algemeene statistiek te bewerken , waarin nevens 
opgaven en mededeelingen omtrent de cijfers der bevolkingsterkte 
anderen zouden gevoegd zijn omtrent den handel en de nijverheid der 
bevolking. Van dit meer uitgebreide plan heeft hij voor het 
oogenblik moeten afzien ten gevolge van de onzekerheid der 
g^evens. Eerst wanneer de thans ondernomen statistieke opne- 
ming op Java gereed zal zijn, zal men beter dan nu in staat 
zijn dit plan uit te voeren. Hij heeft zich dus nu bepaald tot 
de bevolkingstatistiek, welken arbeid de Voorzitter aan het 
Listituut ter publiceering aanbiedt. 

Nadat, op voorstel van den heer Gevers Deynoot, de ver- 
gadering haar dank betuigd heeft aan den Voorzitter voor de 
door hem gedane aanbieding, wordt, op verzoek van den Voor- 
zitter zelf, besloten het opstel in handen te stellen van de heeren 
Bachiene en Millard, om de vergadering omtrent de wensche- 
lijkheid der publiceering van advies te dienen. 

De Voorzitter deelt verder mede: 

1^ dat de heer Niemann aan het bestuur, ter opneming in 
de Bijdragen, heeft aangeboden eene woordenlijst van dialecten 
der Minahassa en Bolaang Mongondon. Het bestuur van het 
Nederlandsch Zendelinggenootschap, aan wie deze stukken be- 
hooren, wenscht, ingeval tot de plaatsing wordt besloten, van 
deze woordenlijst zestig overdrukken te ontvangen. De vergadering 
machtigt den Secretaris het verzoek van het Zendelinggenootschap 
tot het ontvangen van het genoemd getal exemplaren toe te staan ; 

2®. dat van den heer Meinsma ontvangen is, ter opneming 
in de Bijdragen, eene levensschets van mr. D. Koorders, als 
taalgeleerde en rapporten aan het goevemement over de Soenda- 
ueesche volksleesboekjes. Namens het bestuur is aan den Minister 



llV I^Sstf: BESTUüRSVEUGADBRlNG. 

van Koloniën verlof verzocht die rapporten, aangezien zij be- 
hooren tot het goevernements-archief, te mogen openbaar maken, 
waarop namens den Minister een toestemmend antwoord is ont- 
vangen, zoodat die stukken voor de eerstvolgende aflevering 
bestemd zijn; 

3® een schrijven van commissarissen te Paramaribo, daarbij 
toezendende een wissel groot ƒ 200 en verder mededeelende dat 
voorloopig nog ƒ 180.45 in kas is gehouden. 

De Voorzitter brengt thans in behandeling de kwestie der 
uitgave door het Instituut van het door den heer Hooijkaas 
bewerkte Repertorium op de koloniale litt<^ratuur. De heer van 
Heukelom brengt namens de commissie , aan wie werd opgedragen 
het bestuur omtrent deze aangelegenheid van advies te dienen, 
verslag uit. Die commissie heeft met belangstelling van den 
door den heer Hooijkaas geleverden arbeid kennis genomen en 
acht eene uitgave door het Instituut, als geheel op zijn w-eg 
liggende, M^enschelijk, indien bezwaren van finautiëelen aard, 
aan de publiceering verbonden , overwonnen kunnen worden. Dit 
zal mogelijk kunnen zijn indien het Departement van Koloniën 
het Instituut wil ondersteunen, waartoe gereede aanleiding kan 
bestaan omdat zoodanig werk niet alleen voor de wet-enschap maar 
ook voor het bestuur zoo hier als in Indië van groot nut kan 
zijn. Op voorstel van de commissie wordt daarop besloten den 
Minister van Koloniën, nadat men zich vooraf van de instem- 
ming van den heer Hooijkaas met die handelwijze verzekerd zal 
hebben, te verzoeken hetzij de geldelijke uitgaven van het 
drukken van het Repertorium door het Departement van Koloniën 
te doen dragen , hetzij zoodanig aantal exemplaren voor rekening 
van het Departement van Koloniën te nemen als blijken zal 
noodig te zijn om de kosten te kunnen dekken. 

Thans wordt ter tafel gebracht een door den Secretaris, in 
overleg met den heer van Heukelom opgesteld concept-reglement 
voor het gebruik der bibliotheken van het Instituut en van het 
Indisch Genootschap. Op voorstel van den heer Gevers Deynoot 
wordt besloten dit concept bij de leden in rondlezing te zenden 
om in de volgende bijeenkomst met meer kennis van zaken tot 
de vaststelling te kunnen overgaan. 

De heer Obreen zegt, dat hij naar aanleiding van de hem 
gedane opdracht om inlichtingen in te winnen omtrent de kosten 
vau liet graveeren en drukken van eene \^^il^ by^C^® ^^^^ ^'^^ 



123ste bestu üllSVEKGADERIXO. LV 

Gninea, bewerkt door den heer Jeekel, thans kan mededeeleu 
dat die kosten voor 400 exemplaren zullen bedragen ongeveer 
f 150. Aangezien het budget van het loopende jaar met aanzien- 
lijke uitgaven is bezwaard , wordt besloten eene beslissing omtrent 
de uitgave dier kaart door het Instituut uit te stellen tot het 
begin van het volgende jaar. 

Ten slotte wordt op voorstel van den Secretaris tot lid van 
het Instituut benoemd de heer Hovell Thurlow , Secretaris van 
het Britsch gezantschap te 's Graven hage. 

Nieti< verder te behandelen zijnde , wordt de vergadering door 
den Voorzitter gesloten. 



124STE BESrUURSVERGADKRlNn. 

GEHOHDEN 20 NOVEMBER 1869. 



Tegenwoordig de heeren: Bleeker (Voorzitter), Robidé; 
van der Aa, Bachiene, Banck, (ievers Deynoot, van 
Heukelom , Obreen en de Secretaris en adjunct-Secretaris. 
De heeren Kern en Sloet van de Beele met kennis- 
geving afwezig. 

De Voorzitter bericht dat voot de bibliotheek zijn ingezonden 
of aangekocht de volgende werken: 

Door het departement van Koloniën: dr. P. Bleeker, atlas 
ichthyologique , afl. %\ . — Verslag van den handel , de scheep- 
vaart enz. van Java en Madura. 1867. — Kaart van Djokdjokarta. 

door het Instituut van Ingenieurs: Tijdschrift 1869 — 1 87 O, Ie afl. 

door het Historisch Genootschap: Kronijk 1869. — De oor- 
logen van Hertog Albrecht van Beieren. — Brieven en onuit- 
gegeven stukken van Wtenbogaert. 

door de akademie van Wetenschappen te Weenen : Phil. hist. 
klasse deel 60, afl. J— 111 en deel 61, afl. 1. — Register tot 
deel 51—60. 

Bibliütheca indica. New Series n» 159—164, DigtizedbyCjOOgle 



l.Vt 124stË BESTU ÜHSVEttGADEftlNG. 

Nachrichteü der Geselldchaft der Wissenschaften te Gottingen 
1866—1868. 

Proceedings of the royal geographical society, deel XIII, 
n** 3 en 4. 

Tijdschrift voor nijverheid, 1869 deel X, 9« en 10e stuk. — 
Handelingen der 92e alg. vergadering. 

Tjahaja Syang. Kartas Chabar Minahassa n° 7. 

door den heer H. C. Klinkert een ex. van zijn werk: Sup- 
plement op het Maleisch-Nederduitsch woordenboek van dr. 
J. Pijnappel. 

door den heer Sloet van de Beele , eene voorstelling van een 
tijgergevecht in Soerakarta. 

Sherring. The sacred city of the Hindus. 

Indische Streifen van A-lbrecht Weber. 

Veth. Insulinde. 

Grady. A manual of the mahomedan law. 

Die national literatur sammtlicher Völker des Orients. 

Naar aanleiding van de mededeeling der voor de bibliotheek 
ingezonden boekwerken doet de heer Robidé van der Aa hét 
voorstel aan het Bestuur van het Bataviaasch Genootschap voor 
kunsten en wetenschappen te verzoeken het voor het Instituut 
bestemde exemplaar van het Tijdschrift en Notulen, door het 
Bataviaasch Genootschap uitgegeven, per mail te willen over- 
zenden, waartegenover het Instituut het voor het Genootschap 
bestemde exemplaar der Bijdragen op gelijke wijze zal expe- 
dieeren. Aanleiding tot dit voorstel vindt de heer van der Aa 
in de omstandigheid dat door de tegenwoordig gevolgde wijze 
van verzending per scheepsgelegenheid de stukken eerst geruimen 
tijd na de verschijning hier te lande worden ontvangen. Daar- 
door moet men het in Indische aangelegenheden belangstellend 
publiek menigmaal teleurstellen en ziet het Bestuur van het 
Listituut zich ook niet in staat na te gaan wat op de verga- 
deringen van het Bestuur van het Genootschap voorvalt. 

Het Bestuur vereenigt zich met het denkbeeld van den heer 
Kobidé van der Aa en besluit op zijn voorstel het Bestuur van 
het Bataviaasch Genootschap te verzoeken het Tijdschrift en de 
Notulen per mail aan het Instituut te willen verzenden. 

De Voorzitter bericht de ontvangst van een schrijven van 
den Minister van Koloniën in antwoord op het verzoek van 
het Instituutsbestuur met betrekking tot de uitgave van het door 



1 



124ste BT.STUlTRavEROADï:iNG. LVH 

deu heer Hooykaas bewerkte Repertorium op de koloniale litte- 
ratuur. Op het verzoek van het Bestuur om , // hetzij de gelde- 
lijke uitgaven van het drukken van liet ttepertorium door het 
Departement van Koloniën te doen dragen, hetzij zoodanig 
aantal exemplaren voor rekening van het Departement van Kolo- 
niën te nemen als blijken zal noodig te zijn óm de kosten te 
kunnen dekken", heeft de Minister van Koloniën, onder dag- 
teekening van 4 November jl. het volgende te kennen gegeven : 
ff Gaarne , voor zooveel mogelijk , wenschende mede te werken 
om de uitgave door het Koninklijk Instituut mogelijk te maken 
van het Repertorium Hooykaas , verklaar ik mij bereid 's Konings 
machtiging te vragen om tot dat einde een subsidie te verleenen 
van ƒ 1600, te verdeden over twee jaren, zijnde de vermoede- 
lijke duur der uitgave, en onder voorwaarde, dat daarvoor 
minstens 100 exemplaren kosteloos aan het Departement van 
Koloniën worden geleverd." 

In verband met deze aangelegenheid en .met het oog vooral 
op de kosten die , niettegenstaande het subsidie van het Depar- 
tement van Koloniën, voor rekening van het Instituut zullen 
komen om het werk van den heer Hooykaas in het licht te 
geven, oppert de heer van Heukelom het denkbeeld om eene 
wijziging van het reglement te provoceeren , waardoor voortaan 
de leden enkel de Bijdragen gratis zullen ontvangen , maar 
alle verder door het Instituut uit te geven afzonderlijke werken , 
zooals nu het bewuste Repertorium voor de leden tegen vermin- 
derden prijs verkrijgbaar te stellen. Men zou op die wijze eene 
t^emoetkoming in de kosten ontvangen en daardoor in de 
gelegenheid zijn nog meer dan nu te publiceeren en tevens zou 
men voorkomen dat een aantal exemplaren als het ware verloren gaan, 
omdat door de gratis-toezending vele exemplaren in handen komen 
van personen , voor wie sommige werken , vooral is dit het geval 
met werken van taalkundigen aard , weinig of geen waaide bezitten. 

Tegenover de ondersteuning die dit voorstel bij den heer 
Robidé van der Aa ondervindt, staat de bestrijding door de 
heeren Gevers Deynoot , Bachiene en de Voorzitter , die er vooral 
op wijzen dat de leden eene vrij hooge contributie betalen en 
dus in zekere mate recht hebben de werken, door het Instituut 
uitgegeven, gratis te ontvangen. 

De vraag of het Bestuur eene wijziging van het reglement, 
wat dit punt betreft, in overweging zal nemen, wordt daarop 

met vijf tegen drie stemmen ontkennend l)PJi»»twow|.. ^^ ^ QqqqI^ 
3o Volgr. IV. ***** ^ 



l.VIII 124ste BESTITUBSVERGADSRING. 

Het Bestuur besluit verder: dat de uitgave van het Reper- 
torium, na de toezegging door den Minister van Koloniën 
gedaan , voor rekening van het Instituut zal plaats hebben ; dat 
aan den heer Hooykaaa , volgens zijn onderhands gedaan verzoek , 
25 present-exemplaren van zijn werk zullen worden verstrekt ; 
en dat de kwestie van het toekennen van een honorarium aan 
den heer Hooykaas tot latere beslissing wordt aangehouden. 

De Secretaria bericht dat hij van den hoogleeraar de Hollander 
het verzoek heeft ontvangen om , als afzonderlijk w'erk , door het 
Instituut uit te geven een werk getiteld : Hikajat Nadir Sjah , 
dat uitstekend geschikt zou zijn voor een Maleisch leesboek , 
vooral voor de inlanders. Het behelst het verhaal van de bekende 
verovering van üelhi door dien Vorst. De Secretaris zou het 
evenwel wenschelijk achten dat vooralsnog niet tot de uitgave 
werd besloten, omdat in den laatsten tijd door het Instituut 
nog al veel Javaansch en Maleisch gepubliceerd is en de ver- 
schijning van een nieuw Maleisch werk , door den heer Niemann 
bewerkt en voor rekening van het Instituut uit te geven, op 
handen is, waardoor ook de geldmiddelen des Ins^ituuts 
beperkt zijn geworden. De vergadering vereenigt zich met dit 
denkbeeld , zoodat de Secretaris wordt uitgenoodigd ter gelegener 
tijd op deze aangelegenheid terug te komen. 

De Voorzitter deelt daarna mede dat nog is ingekomen: 

1". schriftelijk bericht van den heer Hovell Thurlow, dat hij 
het hem aangeboden lidmaatschap van het Instituut aanneemt; 

2". een schrijven van den heer Hageman, dd. 8/13 Augustus 
1 869 , dfit met de vorige van dien heer ontvangen missives en 
bescheiden in handen wordt gesteld van den heer Robidé 
van der Aa. 

Ten slotte worden tot leden van het Instituut aangenomen 
de heeren : 

Jhr. H. W. F. Hora Siccama, Oost^Indisch ambtenaar. 

F. W. C. Valck, controleur op Java. 

J. C. van Lier, allen te 's Gravenhage. 

De vergadering wordt daarna door den Voorzitter gesloten. 



Digitized by 



Google 



125STE BESTUUaSYEROADEEINO. MX 

125STE BESTUURSVERGADERING. 

QEHOUDEK 5 JaNUAEU 1870. 



Tegenwoordig de heeren Bleeker (Voorzitter), van 
Limburg Brouwer, Dumontier, Gevers Deynoot, van 
Heukelom, Kern, Obreen en de Secretaris en adjunct- 
Secretaris. De heeren Robidé van der Aa en Bachiene 
met kennisgeving afwezig. 

De notulen van het verhandelde in de bijeenkomsten van 
2 October en 20 November 1869 worden gelezen en goed- 
gekeurd. 

De Voorzitter deelt mede dat zijn ingekomen: 

1". de volgende boekwerken: 

Van het Departement van Koloniën : verslagen van de Kamer 
van koophandel en nijverheid te Batavia, 1864 — 1867. — Ver- 
slag van den handel , de scheepvaart en de inkomende en uit- 
gaande r^ten op Java en Madura over 1866. — Verslag van 
het ondensoek naar den tegenwoordigen toestand van het krank- 
zinnigenwezen in het algemeen en van de gestichten en ver- 
blijven der krankzinnigen in N.-l. in het bijzonder. 

Reale istituto Lombardi di Scienze e lettere. Rendi conti. 
Serie n vol II fase. XVI. 

Maatschappij der Nederlandsche letterkunde. Handelingen en 
mededeelingen over 1869. — Levensberichten der afgestorven 
medeleden van de Maatschappij. 

Recherches sur la faune de Madagascar. 1^ partie 3" afl. 

Mededeelingen van wege het Nederl. Zendelin^enootschap. 
13 deel 8' stuk. 

Tijdschrift ter bevordering van nijverheid, 1869. 8" reeks, 
deel X, 11« en 12» stuk. 

Hageman. Geschiedenis van het Jcultuurstelsel , door G. H. 
van Soest. 

Van Loon. Penningkunde. 

2*. missive van den heer J. C. van Lier, waarbij hij ver- 
klaart het hem aangeboden lidmaatschap aan te i^njg^g GooqIc 



1.x laSstK BfiSTlHTRSVERGADERtNÖ. 

8°. migisive van den maire van het XVT« arrondissement te 
Parijs, waarbij hij de ontvangst erkent van een exemplaar der 
Bijdragen van het Instituut; 

4". missive van den heer J. C. Hooykaas, waarbij hij zijne 
ingenomenheid en erkentelijkheid betuigt voor het besluit van 
het Bestuur om de uitgave van zijn Repertorium op de koloniale 
litteratuur door het Instituut te doen plaats hebben ; 

5°. missive van den heer J. Hageman, waarin hij, ten ge- 
volge van de tijding van het vergaaii eener mailboot, bericht 
verzoekt of de door hem afgezonden handschriften zijn ont- 
vangen. 

De Secretaris deelt naar aanleiding daarvan mede , dat na de 
ontvangst van de eerste bezending , door tusschenkomst van den 
luit. ter zee O. J. Smith, den heer Hageman een brief van 
dankbetuiging is gezoTiden , dien hij nu reeds in handen zal 
hebben, en dat bericht is ontvangen van het binnenkomen van 
het schip JupUer ^ zoodat het Bestuur binnenkort de tweede 
bezending kan te gemoet zien. 

De Voorzitter deelt mede dat de commissie, in wier handen 
werd gesteld zijne Bijdrage over de bevolkingsstatistiek van 
Java gunstig heeft geadviseerd, zoodat dit opstel thans overeen- 
komstig het advies dier commissie voor de Bijdragen zal worden 
bestemd. 

De Voorzitter stelt thans aan de orde de behandeling van het 
Reglement voor het gebruik der bibliotheken van het Instituut 
voor de taal- , land- en volkenkunde van Ned. Indië en van het 
Indisch Genootschap. Dat Reglement wordt , na overweging van 
de verschillende door de commissie ontworpen artikelen en 
de daaromtrent van de zijde van het Bestuur van het In- 
disch Genootschap gemaakte opmerkingen, vastgesteld en luidt 
aldus: 

Art. 1. De bibliotheken van het Koninklijk Instituut voor 
de Taal-, Ijand- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië en 
van het Indisch Genootschap worden opengesteld voor de leden 
van beide instellingen. 

Art. 2. De leden dier vereenigingen hebben het recht van 
introductie van hen , die geen lid van eene dier instellingen zijnde , 
niettemin met de bibliotheken wenschen J5|jj|ygyig^aken. 



125ste bestuursvergadering. j.xi 

Art. 8. De localen , waarin de bibliotliekeu zich bevinden , 
worden , opengesteld eiken Maandag van elf ure des voormiddags 
tot vier ure des namiddags , en op zoodanige andere tijdstippen 
als door de Besturen dier genootschappen na onderling overleg 
nader zal worden nuttig geoordeeld en aangekondigd. 

Art. 4. Ieder lid van eene der instellingen heeft het recht 
boeken , nadat deze gedurende eene maand na de ontvangst ter 
visie zijn gelegd , uit de bibliotheken aan huis ter leen te ont- 
vangen , mits daartoe schriftelijk franco aanvrage doende aan den 
bibliothecaris en zich onderwerpende aan de bepalingen van dit 
reglement. Handschriften , beschreven of zeldzame boeken en 
platen worden niet ter leen verstrekt dan na verlof van of 
namens de in art. 10 bedoelde commissie. 

Art. 5. De boekwerken worden voor niet langer dan veertien 
dagen uitgeleend; wanneer echter die werken inmiddels door 
fliemand aangevraagd zijn, kunnen zij op nieuw aan denzelfden 
gpbraiker worden uitgegeven. 

Art. 6. Zij , die boeken ter lezing ontvangen , zijn verplicht 
ze vrachtvrij en in denzelfden staat terug te bezorgen, waarin 
zij zijn afgeleverd, of bij beschadiging of verlies een nieuw 
exemplaar te vergoeden of de schade te beteren, volgeus uit- 
spraak der in art. 10 bedoelde commissie. 

De schade, aan uitgeleende boeken toegebracht, wordt binnen 
S dagen nadat deze zijn terugontvangen, geconstateerd door de 
commissie , wier uitspraak omtrent het aanwezen en de hoegroo1>- 
heid der schade beslissend is. 

Art. 7. Indien een lid nalatig blijft in het terugzenden van 
eeuig werk, na daartoe tweemalen te zijn aangemaand, wordt 
het als verloren beschouwd, met toep^siug van art. 6. 

Art:. 8. De introductie van personen, geen lid van een der 
geuootschappen zijnde, wordt opgeteekend in een daartoe bestemd 
register, vermeldende den naam en de woonplaats van den 
geïntroduceerde en van het introduceerend lid. 

Art. 9. De bepalingen voor de bibliotheken, de aanvulling 
of inrichting daarvan , worden voor elke afzonderlijke instelling , 
onafhankelijk van elkander , overeenkomstig hare eigene statuten 
in stand gehouden , voorzoover zij niet met dit reglement in 
strijd zijn of daardoor vervallen. 

Art 10. Het oi)pertoezicht over de bibliotheken wordt opge- 
dragen aan eene commissie , bestaande uit een lid van het bestuur 
vau elke vereeniging, daartoe door de Besturen aangewezen, Oglc 



LXII 125STE BESTUURSVERGADERING. 

Art. 11. De coramissie zorgt voor de handhaving dezer bepa- 
lingen, beslist op bezwaren of klachten der leden, bepaalt de 
vergoeding w^ns beschadiging of het verlies van boekwerken 
en neemt kennis van eenig voorstel, dat door een lid van een 
der genootschappen betreffende de bibliotheken aangeboden wordt , 
en onderwerpt zoodanig voorstel aan de beslissing van de be- 
sturen der vereenigingen. 

Art. 12. De commissie geeft aan de besturen der beide in- 
stellingen jaarlijks verslag van den staat der bibliotheken en 
doet de voorstellen, welke zij in het belang dier boek verzame- 
lingen noodig oordeelt. 

Art. 18. Op franco-aanvraag kan elk lid kosteloos een exem- 
plaar ontvangen van de catalogussen van beide instellingen. 

Art. 14. Tn de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor 
de Taal', Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië, 
zoowel als in de verslagen van het Indisch Genootschap worden 
de titels veimeld der werken, waarmede de bibliotheken zijn 
aangevuld. 

Art. 15. De Besturen zullen, telkens wanneer zulks noodig 
is , onderling overeenkomen omtrent de keus van den persoon , 
belast met het dagelijksch toezigt over de bibliotheken, de af- 
gifte van werken en de verantwoordelijkheid daarvoor onder 
leiding van de commissie, bedoeld in art. 10. Voor het tegen- 
woordige wordt daartoe aangewezen de heer J. Boudewijnse, 
Secretaris-bibliothecaris van het Indisch Genootschap, 

De commissie geeft eene instructie aan den bibliothecaris 
omtrent de handhaving der bepalingen van dit Reglement, 



Ter voldoening aan de bepaling van art. 10 van het vastgesteld 
Reglement wordt, op voorstel van den Voorzitter, onmiddellijk 
overgegaan tot de aanwijzing van een lid van het Bestuur, dat 
voor het Instituut deel zal uitmaken der commissie , die met het 
oppertoezicht over de bibliotheken is belast. 

Als zoodanig wordt benoemd de heer Robidé van der x\a, 
van welke benoeming aan het Bestuur van het Indisch Genoot- 
schap kennis zal worden gegeven, met verzoek ook van zijne 
zijde een lid aan te wijzen om deel van die commissie uit te 
maken. 

De heer Gevers Deyuoot vraa^ eenige inlichtingen omtrent 



126ste BESTUÜKSVEHGADEKING. LXIlI 

deu sUud van liet werk van wijlen professor Millies, die door 
den Secretaris Moorden gegeven. 

De heer Gevers Deynoot oppert verder het denkbeeld om op 
uieuw de vragen te herhale)i, die in vorige jaargangen van de 
Bijdragen voorkwamen. De Secretaris zal nagaan in lioever het 
wenschelijk is die vragen , voor zoover zij niet beantwoord zijn , 
andermaal ter overweging aan te bevelen. 

Niets verder te behandelen zijnde wordt de vergadering gesloten. 



126STE BESTUURSVERGADERING. 

GEHOUDEN 23 Maart 1870. 



Tegenwoordig de heeren Bleeker (Voorzitter), Robidé 
van der Aa , Bachiene , van Limburg Brouwer , Dumontier , 
Gevers Deynoot , Hoffmann , Obreen en de Secretaris en 
adjunct-Secretaris. Professor Kern met kennisgeving 
afwezig. 

De notulen van het verhandelde in de vorige vergadering 
worden gelezen en goedgekeurd. 

De Voorzitter deelt inede dat voor de bibliotheek zijn inge- 
zonden of aangekocht de volgende werken: 

Van het Departement van Koloniën. 
Koloniaal Verslag. 

L. Ch. Kniijir. Handleiding voor het notariaat in N.-I. 
P, Jansz. Vervolg op dr. Gericke's Javaansch-Nederduitscli 
Woordenboek. 

Verslag Nijverheids-tentoonstelling 1865 te Batavia. 

P. Ch. Simon. Handleiding voor het klein notaris-examen. 

S. F. Groen. Beleediging en satisfactie. 

Zakboekje voor landhuurders , administrateurs en geëm- 



l.XIV 126ste BESTIÏUIISVKRGADÜRING. 

iTilandsch Onderwijs. Repliek door Antigraaf. 

\V. J. L. Schmidt. Over de schijuvrieudeii vanden Javaan. 

Eene stem in ludië, ook tot Nederland. 

Het ontworpen standbeeld voor J. P. Koen. 

Gids voor de feestviering ter gelegenheid van het 250jarig 
bestaan van I>atavia. 

J. A. Scliuurnian. Een woord van ernst en liefde. 

Dr. Monod. Raadgevingen betrekkelijk de cholera. 

Een . kort woord aangaande de werking der comptabiliteitswet 
op de Buiteubezittingen. 

W. de Gelder en B. V. Houthujsen. Handleiding voor de 
toepassing der ordonnantie op de lieffi)ig van het regt van het 
klein zegel in N.-l. 

J. A. Krajenbrink. Nota over de oorzaken der toenemende 
schaurschte en de hooge prijzen der rijst. 

A. Montclar. De Téconoraie agricole et manufacturière selon 
la scieuce industrielle. 

D. C. de Bruin. Eerste beginselen der aardrijkskunde van N.-T. 

J. Rijnenberg. Eerste beginselen der aardrijkskunde van den 
O.-I. Archipel. 

J. H. J. Elberg. Weggejaagd! Bijdrage tot de keunis van 
liet N.-I. legerbestuur. 

Mr. M. C. Piepers. De politierol. 

Van den heer A. B. Cohen Stuart. Javaausche Almanak 
voor 1870. 

Zeitschrift der Gesellschaft fiir Erdkunde zu Berlin. 4* dl. 
4e_6« afl. 5* dl. 1*^ afl. 

Tijdschrift van liet Instituut van Ingenieurs 1869 — 70. 2« afl. 

Mededeelingen van wege het Ncd. Zendelinggenootschap. 
Vó' dl. 4* stuk. 

Akademie der Wissenschaften te Weenen. Jaargang 1870. 
Afl. 1—5. 

Monatsbericht der Kou. Preussischen Akademie der Wissen- 
schaften zu Berlin. Dec. 1869. 

Bulletin de la Société de geographie. Afl. Januari 1870. 

Van den heer W. F. Versteeg. De metalen in Ned. Indië. 

Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid. 3' reeks deel XI. 
1« en 2« stuk. 

Tjahaja Syang. Kartas Chabar Minahassa n°. 12. 

G. K. Niemann. Bloemlezing uit Maleische geschriften, l** stuk, 

Digitized by VjOOQ IC 
1 



126ste BEyTlJlIl^SVERGADEllI^'G. LXV 

De heer Robidé van der Aa zegt dat liij mededeeling ont- 
vangen heeft van zijne benoeming tot lid van de commissie voor 
(Ie bibliotheek , en dat hij die benoeming gaanie aanneemt. 

De Voorzitter deelt verder mede: 

l**. dat door het bestuur van het Indisch Genootschap be- 
noemd is tot lid der commissie voor de bibliotheken, de heer 
jhr. mr, H. C. van der Wijck; 

£**. dat door den Minister van Koloniën, onder dagtee- 
keniüg van 61 Januari jl. , aan het Instituut is bericht, dat 
Zijne Excellentie uitvoering heeft gegeven aan zijn voornemen 
tot ondersteuning der uitgave door het Instituut van het Reper- 
torium op de koloniale litteratuur door den heer J. C. Hooykaas. 

Bij dat schrijven is gevoegd een afschrift van het Koninklijk 
besluit van 27 Januari 1870, n^ 9, waarbij voor de uitgave 
van het Repertorium door het Instituut wordt toegestaan eene 
som van ƒ 1600, te verdeelen over twee jaren , voor de uitgave 
van bedoeld werk bestemd, waarvoor honderd exemplaren van 
het werk kosteloos door het Instituut aan het Departement van 
Koloniën moeten worden geleverd. 

De tegemoetkoming der Regeering zal betaalbaar worden ge- 
steld voor de eene helft na de ontvangst van de bedongen exem- 
plaren van de eerste helft van voormeld Repertorium, en de 
wederhelft nadat het laatste gedeelte van het werk aan het 
Departement van Koloniën zal zijn afgeleverd. 

De Voorzitter zegt dat de heer J. C. Hooykaas op den 1 2den 
Maart jl. overleden is. De dood van den schrijver van het werk 
kan nu verandering brengen in de besluiten vroeger genomen. 
De vraag is toch, of Mevr. de Wed. Hooykaas bereid i^ het 
handschrift aan het Instituut ter publiceering af te staan en zoo 
ja, of de copie zoover gereed is dat zij voor uitgave geschikt, 
of door een ander voor uitgaaf gereed te maken is. Op voorstel 
van den Voorzitter wordt besloten een schrijven te richten aan 
Mevr. de Wed. Hooykaas, ten einde omtrent een en ander 
zekerheid te ontvangen. In geval Mevr. Hooykaas bereid is het 
handschrift ter publiceering aan het Instituut af te staan , wordt 
besloten haar uit te noodigen het manuscript aan het Instituut 
in te zenden, opdat het van zijne zijde gelegenheid hebbe te 
beoordeelen of het zich met de uitgave mag belasten. Op voor- 
stel van den Voorzitter wordt verder besloten het handschrif^S 



LXVI 126ste BESTUUBSVERQADBKING. 

zoodra het outvaogeu is, iii haudeu te stellen vau eene com- 
missie , teil einde Jiet Bestuur omtrent den stand van het werk 
in te lichteu en de voorstellen te doen , die zij noodig zal achten. 
Tot leden dier commissie worden benoemd de heeren Robidé 
van der Aa, van Limburg Brouwer en de adjunct-Secretaris; 

3**. dat door den heer J. Hageman JGzn. op nieuw eene 
collectie handschriften, aangebracht per het schip Jupüer^ 
kapitein Kiewit, aan het Instituut is aangeboden. Evenals ten 
opzichte der vorige collectie, wordt besloten den heer Hageman 
den dank vau het Bestuur te betuigen voor zijne hoogst belang- 
rijke bijdrage voor de handschriftelijke verzameling des Insti- 
tuuts en verder ook de nu ontvangen stukken in handen te 
stellen van den heer Bobidé van der Aa, om het Bestuur 
omtrent die verzameling te adviseeren. 

De heer Eobidé van der Aa zegt dat hij zich reeds onledig 
heeft gehouden met de vroeger ontvangen manuscripten, die 
zeer belangrijk zijn te noemen en voor de geschiedenis van het 
hoogste gewicht. 

De heer van der Aa zal zich beijveren zich spoedig te kwijten 
van de hem opgedragen taak èn met het oog op het belang der 
zaak èu met het oog op den hoogen leeftijd van den heer Hageman. 

In het schrijven van den heer Hageman, dd. November 1869 , 
waarin de afzending der nu ontvangen collectie per het schip 
Jupüer wordt medegedeeld en verder het uitzicht op de ontvangst 
van eene derde collectie geopend , wordt door den heer Hageman 
het verzoek gedaan de Bijdragen per mail te mogen ontvangen , 
welk verzoek, met het oog op de belangrijke bijdragen door 
den *heer Hageman geleverd, wordt toegestaan. Tevens wordt 
opgemerkt dat hij na 1865 niet tot betaling van contributie 
is {^ngesproken. Ten opzichte vau dit laatste punt zal den heer 
Hageman worden medegedeeld, dat hij binnenkort bericht zal 
ontvangen waar te Batavia de contributie der in Indië gevestigde 
leden betaalbaar zal zijn. 

De heer BK)bidé van der Aa zegt dat hij van de heeren Spaan 
en Valck, die zich onledig houden met de bewerking eener 
geschiedenis van Bantam , het verzoek heeft ontvangen om inzage 
te mogen nemen van eenige handschriften van den heer Hageman. 
Aangezien het nieuwe reglement voor het gebruik der bibliotheek 
aan het Bestuur de bevoegdheid geeft om ook handschriften ten 
gebmike af te staan, wordt de heer van der Aa gemachtigd 
den heere^ Spaan en Valck inzage van bedoelde stukken te geven , 



126ste BE5TÜUIISVKKGADERIXG. I.XVII 

op voorwaarde evenwel dat wauueer zij later van den inlioud 
dier handschriften in druk gebruik maken, zij den naam van 
den auteur zullen noemen; • 

4®. eene missive van het centraal bureau voor het congres 
international pour Ie progrès des sciences géograpbiques, cos- 
mographiques et commerciales , de medewerking van het Instituut 
inroepende op het in Augustus te Antwerpen te houden congres. 

Het Bestuur besluit, op voorstel van den Voorzitter, het 
Instituut op het CJongres te doen vertegenwoordigen, maar de 
benoeming van een of meer afgevaardigden tot na de vernieuwing 
van het Bestuur uit te stellen. 

De Secretaris doet thans voorlezing van het op de aanstaande 
algemeene vergadering namens het Bestuur uit te brengen verslag 
van den staat en de werkzaam lieden van het Instituut in het 
afgeloopeu jaar. Behoudens enkele opmerkingen, in welken zin 
het verslag zal worden gewijzigd , wordt liet door de vergadering 
gearresteerd. 

De Penningmeester brengt ter tafel: 1^ de rekening en 
verantwoording over 1869 en eene begrooting van ontvangsten 
en uitgaven voor 1870. 

De rekening wordt in handen gesteld van de heeren Gevers 
Deynoot en Robidé van der Aa, met verzoek het Bestuur 
daaromtrent te adviseeren. 

De begrooting voor 1870 wijst aan eene ontvangst van 
/ 5610,57 en eene uitgaaf van ƒ 5594,10. Daar de uit Oost- 
Indië te ontvangen contributies, een cijfer beloopende van ƒ6323 , 
voor memorie staaa uitgetrokken, omdat het onzeker is of dit 
bedrag geheel of gedeeltelijk in 1870 in kas zal vloeien, heeft 
de Penningmeester tot sluiting der begrootiug een post van 
f 1700 onder de ontvangsten opgenomen, voortvloeiende uit 
verkochte effecten. Het Bestuur keurt deze handelwijze goed en 
machtigt dus den Penningmeester, ingeval de uit Indië te ont- 
vaugen gelden niet spoedig in kas komen en de toestand der 
kas het vordert, effecten tot genoemd bedrag van ƒ 1700 te 
verkoopen. 

Op voorstel van eenige leden wordt besloten de aan het Insti- 
tuut behoqrende Certificaten Nederlandsche Werkelijke JSchulclT 

Digitized by VjOOQ IC 



i.xviii 1 26ste bkstuursveugadering. 

en Nationale hypotheekbrieveu ie verwisselen voor Amerikaansche 
staatsfoudsen 

De begrooting wordt daarna door de vergadering goedgekeurd 
en gearresteerd. 

De Voorzitter brengt ter tafel een schrijven van den heer 
der Kinderen, waarin hij eenige raededeelingen doet ointreut 
de pogingen in Tndië in het werk gesteld tot inning der door 
de Indische leden verschuldigde contributie. Uit die mededeelingen 
blijkt dat de firma Winsser, de Tiange en Co. te Batavia, 
bereid is de gelden in ontvangst te nemen en die aan het Insti- 
tuut over te dragen , maar dat zij wenscht dat aan de firma 
het geld zal worden gezonden, waartoe de leden, voor zoover 
zij niet te Batavia woonaclitig zijn, zich van het overzenden 
van een postwissel kunnen bedienen. De leden zouden dus per 
circulaire door het Bestuur tot betaling moeten worden aange- 
schreven, terwijl de firma Winsser, de Lange en Co. door 
plaatsing van advertenties in de Indische bladen aan de geregelde 
voldoening, dor verschuldigde contributie zou kunnen herinneren. 

liet Bestuur , overtuigd dat geen ander middel overblijft om 
zich de ontvangst der uit Indië te vorderen gelden te verzekeren , 
besluit het welwillend aanbod der heeren Winsser, de Lange 
en Co. aan te nemen en de leden per circulaire tot overmaking 
der verschuldigde gelden aan die firma aan te schrijven. 

De Secretaris verzoekt het Bestuur eeue beslissing te .nemen 
omtrent het aan den heer van den Berg toe te kennen honorarium 
voor de bewerking der vertaling van zijn Akademisch proefschrift : 
Over het contract Al.-Bai' iu het Mohammedaausch recht. De 
Secretaris stelt voor dat honorarium te bepalen op ƒ10 per vel, 
dus ƒ 60. Eenige leden zijn tegen het toekennen van eenig 
honorarium, omdat het Instituut geacht kan worden den heer 
van den Berg eene dienst te hebben bewezen en door de opne- 
ming der vertaling in de Bijdragen de gelegenheid heeft geopend 
in ruimer kring van den arbeid des heeren van den Berg kennis 
te nemen. Anderen wensclien dat het honorarium op een rond 
cijfer worde bepaald en stellen voor eene som van ƒ50, welk 
voorstel met meerderheid van stemmen wordt goedgekeurd. 

Overgaande tot het opmaken van drietallen , die volgens de 
bepaling van art, 6 van het reglement der algeraeene vergadering 



I26stfi BESTÜlIKSVËRqADEHtNG. t.XlX 

worden aangeboden, voor de vervulling dér vacatures in het 
tkïstuur, wordt vastgesteld, dat zal bestaan: 

het drietal ter vervanging van den heer dr. P. Bleeker, uit 
de heeren: J. Millard, A. P. Godon en A D. van der Gon 
Netscher ; 

het drietal ter vervanging van den heer mr. C. van Heukelom, 
uit de heeren: G. K. Niemann, jhr. mr. J. K. W. Quarles 
van Ufford en mr. E. H. 'sJacob; 

het drietal t^r vervanging van den heer J. M. Obreen, uit 
de heeren: A. R. Blommendal, mr. C. J. F. Mirandolle en 
mr, H. Beth. 

Op voorstel van den Voorzitter wordt besloten tot lid van het 
Instituut te benoemen de heer W. van Prehn , te 's Gravenhage. 

Niets meer aan de orde zijnde wordt de vergadering gesloten. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



BIJDRAGE TER VERKLARING VAN EENIGE 

UITDRUKKINGEN IN DE WAYANG-VER- 

HALEN PALASARA EN PANDU. 



Onder H lezen der Wayang^verhalen met wier uitgave Prof. 
T. Boorda de gedrukte Javaansche letterkunde onlangs verrijkt 
heeft, zijn mij enkele woorden en zegswijzen voorgekomen, die 
nit het gewoon hedendaagsch taalgebruik moeielijk te verklaren , 
inet behulp van het Sanskrit geheel of gedeeltelijk kunnen 
opgehelderd worden. Eene bijdrage ter verklaring van diergelijke 
woorden in de twee eerste verhalen bied ik hier den beoefenaren 
der Javaansche taal aan. Uitdrukkelijk moet ik te kennen geven 
dat noch eene beoordeeling der uitgave, noch eene studie over 
inhoud en vorm der verhalen zelven in mijne bedoeling ligt, 
want zulks is boven mijne kracht. Gerust kan ik die taak dan 
ook anderen overlaten, die bevoegd zijn zich op 't gebied van 
Javaansche taaistudie te laten gelden, eene bevoegdheid die ik 
mij zelven niet toeken. ZelÜEi zou het, naar mijne begrippen, 
eene aanmatiging wezen indien ik de verdiensten van Boorda's 
uitgave trachtte te roemen, want wie niet in staat is een in 
alle opzichten gegrond, of althans nauwgezet, oordeel uit te 
spreken , mag ook niet als lofredenaar optreden. Niettemin neem 
ik de vrijheid, die elk gewoon lezer heeft, om den uitgever 
mijnen dank te betuigen voor de nuttige leering die ik ruim- 
schoots uit zijn werk geput heb. 

Voor 't gemak van den druk zal ik me hier van de om- 
schrijving der vreemde letterteekens in Bomeinsch schrift be- 

3e volg. IV. DigitizedbyGcbOgle 



2 BIJDRAGS TER VERKT.ABING VAN 

dienen. Het stelsel dat ik volg zoude voor een leerboek onge- 
schikt wezen, doch het volgende is ook niet bestemd voor 
volslagen vreemdelingen in de talen waaruit woorden aangehaald 
worden. Het stelsel bestaat hierin: dat de Ja vaansche ofNagar!- 
letterteekens met Romeinsche teekens worden weergegeven. 
Aan elk Javaansch teeken, onverschillig of het één of meer 
klanken vertegenwoordigt, beantwoordt een teeken, eenvoudig 
of samengesteld , van H Romeinsch schrift. Zooveel als mij doel- 
matig toescheen heb ik met de Romeinsche teekens de Romeinsche 
uitspraak verbonden en niet de Hollandsche, want tusschen 
Romeinsch schrift en Nederlandsche spelling bestaat geen nood- 
zakelijk verband; het zijn twee gansch verschillende zaken. 
Daar men verder niet uit liefhebberij, maar uit nood zijne 
toevlucht neemt tot omschrijving , ten einde namelijk het drukken 
gemakkelijk te maken, zoo volgt dat men bij voorkeur de 
eenvoudigste teekens bezigt en zooveel mogelijk accenten enz. 
vermijden moet. Daarom is aan de Romeinsche c, welke door 
het bezigen ier i overtollig werd, eene conventioneele waarde, 
die van de palatale tennis in 't Sanskrit, gegeven. Evenzoo 
moet de j (welke geen oud Latijnsch teeken is) de palatale media 
aanduiden, en de anders overtollige y den half klinker van i. 
Voor 't Javaansch heb ik de gebruikelijke omschrijving ej en 
dj behouden, dewijl de uitspraak niet geheel met de Sanskr. 
e en J overeenkomt. Den halfklinker van i heb ik overal met 
y weergegeven, en niet alleen in zulke gevallen als madja. 
De Sanskr. v in mijne omschrijving heeft dezelfde uitspraak als 
de Nederlandsche w. Ik herhaal dat mijne wijze van omschrijving 
enkel dient voor het gemak van den druk. 

Na deze voorafspraak zullen we in geregelde orde den tekst 
van den Palasara en de aanteekeningen er op doorioopen. 

Op bl. 8, r. 14, merkt prof. Roorda ter gelegenheid van 
't woord badrahirawan te recht op, dat de verklaring door 
den Dalang gegeven niet de ware is. De uitdrukking kan in 
't Sanskr. niet anders wezen dan bh&drer&v&n (d. i. bh&dra + 
ir&v&n) ^eene regenwolk in de maand Bh&dra of Bh&drapada.iy 

Digitized by VjOOQIC 



BBNIGB arrDBüKKINGBV IN DB WAYANG-VERHALBN. 5 

Dit is namelijk de maand (Ang. Sept.) waarin de Ineht in 
Yoorindië in den regel het meest bewolkt is, zoodat de 
donkerheid er van spreekwoordelijk is , gelijk o. a. nit het 
volgende versje kan blijken: 

DashtacandHLrkakiranam nashtat&ram na-cen nabhah 
sa t&m bhadrapadéim manye yatra devo na varshati 

/rDat hond ik voor geen fihadrapadft (d. i. voUemaaiisdag 
in Bh&dra), wanneer de lucht niet van maan- en zonnestralen 
en van sterren beroofd is, en waarop Jupiter Plnvins niet 
regent.^ * De vergelijking is geheel ongepast voor het klimaat 
van Java, doch men heeft de uitdrukking zeker in den over* 
drachtelijken zin overgenomen zonder de eigenlijke beteekenis 
in *t oog te houden. 

Op dezelfde bl. r, 1 v. o. vertaalt R. de woorden tiwas 
hing prana met: //ongelukkig van constitutie of behebd 
raet een physisch gebrek.// Als we echter uit de woorden o ra 
këdnga dening ambune hamis habatjing op bl. 6, 
r. 13, bespeuren welk een gebrek bedoeld wordt, is er geen 
voldoende reden om prana in eenen anderen zin te nemen dan 
'tSkr. pr&na gewoonlijk heeft, namel. «^adem./y Ik erken, het 
is twijfelachtig of de Dalang zelf bij het uitspreken dier woor- 
den prana als //adem// opgevat heeft; want in den Pandu, op 
bl. 121, 3 , wordt het van de Kuntische prinses gezegd dat ze 
tjidra hing prana heeft. Doch dat kan, hoe men ook 
vertale, niet passen, daar deze in 't geheel geen tjidra heeft, 
derhalve ook geen tjidra hing prana. Men vergelijke in 
den Palasara bl. 58, r. 5 v. o., waar hetzelfde tjidra hing 
prana voorkomt, doch gevolgd van de toelichtende woorden 
gandanipun mambët harus, boten kenging tjina- 
këttan kadang kawulawarga, welke geheel en al in 
den Pandu ontbreken. Kortom, alleen aan verwarring van den 
Dalang is het toe te schrijven , als van de Kuntï-prinses gezegd 



* Dit Tprsje kan men vinden in de Various Rcadings op de Brhat- 
SanhiU van Var&ha-mihira, Ch. 26, vs. 14. 

' Digitized by VjOOQ IC 



4 BIJDKAOB TER VERKl.AMNG VAN 

wordt tjidra hing prana. Tevens houd ik het voor hoc^t 
waarschijnlijk dat den Dalang de beteekenis '/adem// onbekend 
was , doch het aantal verouderde en dus niet hegrepene woorden 
is in beide Wayarig-verhalen vrij groot. — Het behoort verder 
erkend te worden dat het bedoelde gebrek iets gansch anders 
is dan de vischlucht welke Satyavati (de jav. Durgaudini) 
volgens Hindusche mythen aan 't lichaam kleeft , doch de Jav. 
omwerking in H algemeen heeft weinig meer dan enkele namen 
en trekken met de Indische mythe gemeen; ja, het eigenlijk 
mythisch-symbolisch karakter is geheel en al verdwenen. 

BI. 5, r. 7. De uitdrukking mendah puna, die ook in 
't vervolg meermalen voorkomt en met mendah neya synoniem 
is , herinnert onwillekeurig aan het Sanskr. woord voor //hoeveel 
te meer!// nam. kimpunah, zoodat men geneigd zou wezen 
puna voor het sanskr. punah te houden; het eerste bestand- 
deel mendah zou dan eene overzetting zijn van kim vYfBi^ff 
opgevat als //hoe.// 

Eene uitvoerige aanteekening is aan de spreekwijze dënta- 
dënti kusumawarshi, op bl. 7, r. 10, gewijd. De zin 
moet wezen //dat het eenmaal genomen besluit niet meer kan 
veranderd worden." Hoezeer ik inzie dat voor eene volledige 
opheldering der spreuk eene uitgebreidere kennis van het gebruik 
er van vereischt wordt, dan men tot nog toe heeft, wil ik 
toch eene gissing niet achterhouden. Zooveel is duidelijk : 1. dat 
de woorden zuiver Sanskrit zijn; 2. dat het eene elliptische 
uitdrukking, eene geijkte zegswijze is, waarin het verband der 
rede niet is uitgedrukt, maar aangevuld moet worden door de 
kennis van een bedoeld en als bekend verondersteld geval of 
gebruik. De eenvoudigste wijze om die woorden in hun oor- 
spronkelijke uitspraak te herstellen is, ze te lezen: dant&- 
danti kusumavarshah. Het bijwoordelijke dant&dauti, 
//tand tegen tand// duidt het hardnekkige van eenen kamp 
aan , en is als zoodanig in 't Sanskrit bekend , zoodat we volstaan 
kunnen met naar de woordenboeken te verwijzen. Kusuma- 
varsha is //bloemenregen,^ Nu komt het in de Indische 

Digitized by VjOOQ IC 



E£VIGE UITDRUKKINGEN IN DE WAYANG-V£RHAL£N. 5 

heldeDdichten herhaaldelijk voor, dat de hemelingeu , als be- 
langstellende toeschouwers van een hardnekkigen strijd tusschen 
twee helden, bij de overwinning eenen regen van bloemen 
uitstorten op den zegevierenden held. De bloemenregen welke 
vergezeld van eenen zachten wind uit den hemel nederdaalt, 
is het teekeii dat de strijd beslist is. Als één voorbeeld uit de 
menigte daarvan noemen we dat, hetwelk misschien meer dan 
eenig ander geschikt was om den oorsprong te worden van een 
spreekwoord, namelijk den bloemenregen na afloop der gewel- 
dige worsteling tusschen B&ma en B&vana i. De woorden 
dant&danti, kusumavarshah, die, zooals gezegd, in 
geen taalkundig verband staan en enkel dienen om te herin- 
neren aan een bekend feit of eene bekende gewoonte, kunnen 
derhalve te kennen geven: /i^na hardnekkigen kamp is de 
bloemenregen neergedaald , >/ d. i. A^nu is de zaak beslist.^ 
Warshi is bf de Krama-vorm van warsha , of het is 't Sanskr. 
varshï >/ regenen de, /i' doch in 't laatste geval moet er een 
andere vorm van de spreuk bestaan hebben, waar het onder- 
werp van varshi Qakra of Indra, de hemelkoniug, is. Het 
in Winter's Zamenspr. bijgevoegde sariratjakra, Sanskr. 
^arfracakra, levert, als samenstelling beschouwd, geen 
dragelijken zin op; ^artricakra echter kan //den kring der 
levenden /i' beteekenen. Vat men 9arSra en cakra als twee 
afzonderlijke woorden op, dan vermag ik er evenmin verband 
in te ontdekken. * 

Belangrijk in meer dan ëén opzicht is het op blz. 8 r. 8 
V. o. (alsook op blz. '117) voorkomende ngendrawilawilis, 
van hoofdhaar gezegd. Het lijdt geen twijfel, of endrawila 
is door mondelinge of schriftelijke overlevering bedorven, en 
wel uit endranila, Sanskr. indranlla >/saffier.^ Eene soort- 
gelijke verbastering vinden we terug in den Javaanschen naam 
der nymph Wilutama, ontstaan nit Tilottamd, gelijk de naam 
nog terecht in het Kawi geschreven wordt (Ardjuna-wiw&ha, 



f R&ciiayaua, VI, 110. 27 (Bombaysche uitg.); vgl. Raghuvaii 



6 BUDRAGB TBK VEBKLABINO VAN 

str. 7, bl. 8). De geheele uitdrakking kan kwalijk iets anden 
wezen dan eene vertaling van 't Sanakr. indrantla^y&ma, 
d. i. ^'den donker(blauw)en tint van den saffier liebbende.4r 
Qj&ma beteekent in H algemeen «rdonkerkleurig,// doch inzon- 
derheid past men het toe op eenen donkerblauwen of donker- 
groenen tint of weerschijn. Zoo wordt in den Indischen roman 
Kftdambart > gezegd dat de voetnagels des op zijn troon zii- 
tenden konings ff door in aanraking te komen met den weétschijn 
van den saffieren vloer eenen donkerblauwen tint aannemen^ : 
indranilamanikattimaprabh&samparka^y&mftyam&n&h. 
Niet slechts een donkerblauwe, doch ook een donkergroene tint 
wordt er mée aangeduid; zoo leest men in dezelfde K&dambart 
(bl, 10, r. 2 V. o.) dat eene vogelkooi , hoewel van goudstaaQes 
vervaardigd, door den daarin zittenden groenen papegaai eenen 
donkergroenen tint kreeg alsof ze van smaragd gemaakt was: 
kanakagal&kftnirmitam-apy antargata9ukaprabhft97&- 
m&yamUnam marakatamayam-iva panjaram. Ygl. K&d. 
11, 1, vg. ; 17, 4; 32, 6 v. o. Dien donkerblauwen gloed 
van zwarte haren vergeleken de Grieken bij den hyacinth, en 
het is opmerkelijk dat ook de Hindus ter vergelijking een woord 
bezigen, hetwelk evenzeer eene plant als eenen edelsteen aan- 
duidt, nam. kuruvinda. Dit woord beteekent vooreerst 
^cypergras// ; vooral is in 't oog te houden dat cypergras ook 
wordt aangeduid door megha //regenwolk^)' , waarbij de Hindu 
steeds aan iets donkers (nlla) denkt. Voorts is kuruvinda 
^zwartzout// , en als zoodanig synoniem met nila (donker, 
donkerblauw), dat ook >/zwartzout^ aanduidt ^. Verder beteekent 
kuruvinda eene soort edelsteen, en wel volgens een Indischen 



» Bl. 9, r. 7 (Calcuttasche druk van 1862). 

^ Dewijl deze beteekenis in 't Petersb. Wdb. wel aangegeven, doch 
niet met voorbeelden gestaafd is , maak ik den lezer opmerkzaam dat ze 
VQorkomt in Su^ruta. I, 134, 10: II, 259, 6; 336, 16; de bygevoegde 
medicinale mineralen maken dat er aan de meening dos schrgvers t. a. p. 
geen twyfel kan overblijven. Ook in de Brhat-Sanhitè 82, 1, is c zwart- 
zout. gemeend. Digi.izedbyGoOgk 



. EBNIQE ÜIÏDEUKKINGEN IN DB WA YANG- VERHALEN. 7 

oommentatoT op 't Dagakum&ra-carita (bl. 57, 5, ed. Wilsou) 
den saffier, ni lama ui. Er wordt namelijk van den held des 
atnks gezegd dat zijne lokken de klenr hebben van den knra- 
▼inda, dat hij is: knruvindasavarnakuntalah. In eene 
noot maakt Wilson de aanmerking : //the commentator seems to 
be at a loss how to explain knravinda.>/ Die aanmerking is 
onbillijk en bezijden de waarheid. De commentator geeft maar 
te kennen dat men in deze vergelijking moeielijk beslissen kan 
of bi] kurnvinda aan het cypergras of aan den saffier te . 
denken valt, hetgeen eene zeer verstandige weifeling is. Waar 
het op aankomt is de tint die er mee bedoeld wordt. Nn, die 
is volgens hetGrieksche beeld //hyacinthen//, volgens hetHindusche 
#blanw-groen// , volgens Wilson //een strooklenrtje^ (//a sort of 
straw colour//) hetgeen voor eenen Hindn natuurlijk ongerijmd 
18 * . In de woordenboeken wordt de edelsteen knruvinda met 
iriobijn/!^ vertolkt. Ik houd dat voor eene der beteekenissen , hoewel 
niet voor de oorspronkelijke; zekerlijk is ze niet de eenigste. 
Want kurnvinda, naar Tamilsche uitspraak kurundam,is 
in Europa gekomen als corindon, waaronder zoowel de 
saffier, als de oosterache topaas en de robijn verstaan worden. ^ 



■ Uit de woorden karnacumbidugdhadhavalasnigdhanila* 
locauah t. a. p. in het Da^ak. haalt Wilson: cwith ]ight(!) blueeyes.» 
Nu, nila. zoowel van haren als van oogen gezegd, duidt altoos tdonken, 
of, gelijk het volk bij ons zich gewoonlijk uitdrukt: «zwart», aan. Vgl. 
Weber, Fragm. der Bhagavatf, 2, bl. 306, r. 14 ▼. o.; 311; vgl. 315. 
Een bewiju dat Wilson de bedoeling des schryvers evenzeer misverstaan 
heeft als de uitlegging door den commentator, is dat h^ clight blue 
eyesv er van maakt. Mogelijk moet dat eene vertaling heeten yaa 
snigdha «glanzig», of van dhavala twit». De vertaling van *t geheel, 
die Wilson achterwege gelaten heeft, is: «met oogen z6ó lang dat ze 
zachtkens de ooren schenen te raken, wit (ra *t wit nam.) als melk, 
glanzig en donker <in den appel).» De gele huidkleur, aangeduid door 
*t voorafgaande karnikétragaurah «geelblank als de Kannigara-bloem», 
is een andere vaste trek in de Indische schoonheidstype; zie de zoo 
even aangehaalde plaatsen uit de Bhagavati. 

* Zie Beudant, Mineralogie, p. 151. In Winslow's Tamil-English Dict. 
wordt karundara opgegeven als zijnde « diamond-spaat » ^\x'!^^B^^Qf®0^'< 



8 BIJDIIAOV TER VEBKIJLRINO VAK 

Derhalve het staat vast, dat kumvinda ook irsaf&er^ be^ 
teekent, juist hetgeen de comm. op Da^ak. ook leert. Oorspron- 
kelijk kunnen slechts steenen met blauwen of groenen tint cüet 
het woord aangeduid zijn, want alleen die tint strookt met 
de overige beteekenissen des woords* Dat men ook wel eens 
/fTobljUff er onder verstaat, is een misbruik, eene vergissing, ont- 
staan uit de gelijkslachtigheid in mineralc^sche samenstelling en 
de overeenkomst in kristalvormen van de corindon genoemde 
aluminiden, en uit de oude theorie der Indiërs, dat de robijn 
uit kumvinda, ^zwartzout/r zich ontwikkelt; zie Brhat- 
Sanhitft 81^, 1. Geno^, de verklaring van den ïndischen 
commentator op Dagak. wordt ook door het Javaansche endra- 
nilawilis schitterend gerechtvaardigd. Dat wilis denzelfden 
zin heeft of kan hebben als het Sanskr. ^y&ma of ntla, blijkt 
uit de aanteekening op bl. 618 (bijvo^el op bL 44f2), waar 
Roorda uit een Javaansch handschrift de verklaring meedeelt 
van rema mëmëk wilis door: rambut këtël tjëmëng. 
Hieruit zien we dat wilis = tjëmëng is, juist in betee* 
kenis dus het Sanskr. ^y&ma ir donkerkleurig. /r Ten bewijze 
hiervan kan ook strekken, dat in den Ardjuna-wiw&ha, bl. 8, 
r. 4. V. o., de ÏLawi-tekst warna-9y&ma hoeft, terwijl in 
de interlineaire vertaling rupa-wilis staat. 

In de aant. op bl. 10, r. 9 wordt de titel dewadji door 
den uitgever met ^^ goddelijke vorst /j' wedergegeven. De juist- 
heid ten opzichte der javaansche opvatting durf ik niet betwisten, 
doch de Hindusche woorden op zich zelven vertoonen geenszins 
den glimp die er aan de aangehaalde Nederlandsche woorden 
gegeven is. Deva, tegen of van koningen gebezigd, is de 
vaste term voor Uwe of Zijne Majesteit, wat trouwens veel 
dichter bij de oorspronkeliike beteekenis des woords staat dan 
^ goddelijk/^ of fgoi.» Het toegevoegde dji is, evenals het 
algemeen-prfi.kritsche jt, eene verkorting Van ajt, Jav. hadji 
(d. i. adji). Dit woord beteekent zooveel als Heer, en wisselt 
in Hindusche namen af met den zuiver Sanskr. titel i9a; zoo 
heette een bekende grainmaticus uit liet begin de|^|>rige eeuw , 



SENIOB UITDEUKKINGSN IN DB WATAN6-VSBHALEN. 9 

een biahtnaan, Nftge^a of N&gojt: Dit ji, ajt is nog heden 
ien dage in Hindost&n zeer gebruikelijk ; in \ Mahrattenland 
is het een titel ongeveer gelijkstaande met het Engelsche Esquire ; 
bekend ook in Europa zijn de namen van Dr. Bhftu D&ji , van 
de Bombaysche Parsi's llustam-jl, Naoro-jl, Kama-jt. * In de 
noordelijke provinciën bezigt men het in verband met andere 
titels; zoo zegt men bijv. Pandit-jil d. i. zoo ongeveer: >/Zeer 
Geleerde Heerl^sr De Sanskr. vorm van ^t woord ajt is nog niet 
gevonden en mogelijk is het niet inheemsch-Indisch. Toch is het 
zoo goed als zeker dat de Archipeltalen het uit Voorindië gekregen 
hebben; juist zulke verbindingen als dewadji en hadji-saka, 
laten hieromtrent noode twijfel toe. Al erken ik vooralsnog de 
mogelijkheid dat aji niet op Indischen bodem ontstaan is, 
waarschijnlijk acht ik zulks niet. De veranderingen die de Sanskr. 
woorden in de Prftkrit-talen ^ ondergaan, ofschoon in den regel 
zeer eenvoudig, zijn soms zeer moeilijk na te gaan, en voorts 
denke men vooral niet dat alle Pr&krit-woorden in het Sanskr. , 
zoover wi] dit kennen, terug te vinden zijn, want de tot 
ons gekomene letterkundige overblijfselen van 't Sanskr., hoe 
omvangrijk ook , zijn slechts een klein gedeelte dier reusachtige 
literatuur. Zel& in de Archipeltalen treft men menige ontwijfel- 
baar Sanskr. woorden aan , die meestal dan ook in een of ander 
inlandsch Hindusch woordenboek (Kosha, d. i. Thesaurus) ver- 
nield staan, doch die door niemand nog in de ons bekende 
letterkunde gevonden zijn. Zoo is er dan ook geen reden om 
de echtheid van het woord pratjuda, bl. 12, r. 6 v. o., 
hetwelk zweep beteekenen moet , in twijfel te trekken , ofschoon 
het tot nog toe niet gevonden is. Eoorda heeft, geloof ik, te 



.> Nauwkeuriger bijzondere regels omtrent het gebruik van ji vindt 
men in Molesworth's Mahratti-Engl. dict. onder jl, vgl. ajl. 

> Onder Préikrit verstaat men alle talen die zich uit het Sanskr. of 
Dit zoer na daarmee verwante tongvallen ontwikkeld hebben, hetzij in 
ouderen of in nieuweren t\jd. Het reeds lang als spreektaal uitgestor- 
vene Pali is evenzeer Prèkrit, als de taal der Zigeuners of het heden* 
daagsche Hindi, Mahratti, Kashraiersch, Bengaalsch, Panj&bi. 



Digitized by 



Google 



10 BUDHAO£ TBB VSBK1.ARCN6 VAV 

lecht daarin eene afleiding Taii pracud ^voortdrijvea, vooit- 
zweepea«^ gezien ^ de vorm pracuda zelf is evenwel niet 
zniver^ en moet pracoda wezen^ overeenkomstig de vervoeging 
van end in *t Sanskr., hetwelk namelijk in dedoratieve tijden 
tot stam heeft coda of codaya» niet cnda. Trouwens niets 
is gewoner dan verwisseling van u en ^ in het Javaansch , gelijk 
overvloedig bekend is. Ter loops zij hier opgemerkt dat hadji, 
dji niet het eenigste FiAkrit-woord in ^t Jav. is. Zonder nog 
zulke voorbeelden als sukma, kannigara, endgl. te rekenen 
die in zuiver Sanskr. sükshma, karnik&ra luiden, vindt 
men een veel eigenaardiger Pr&krit-vorm in tembaga ir rood« 
koper,// Prêkr« tambaka, tambaga» Sanskr. t&mraka. 
Ook djaga, Krama djagi is niet het Sanskr. j&gar (j^g^)» 
mnaf Pr^krit; vgl. Hind! JBg&n& /' waken '/; Mahr. j&g& 
irwacht.<v Voorts is djodo Pr^iit; vgl. Hindt jod& en joriL 
Ov«r 't geheel is. het aantal znlker Pr&k. woorden echter zeer 
gering. 

Op bl. 13, r. 10 komt de naam van Qiva's verblijf voor, 
nam., djonggring-slaka; ook op U. 104, regel 2, v. o. 
met de vtM^ant sëlaka, gelijk ook in Geri^ke's woordenboek 
opgegeven wordt. Het eerste gedeelte van den naam is mij 
duister, doch vermits sölak.a >/ zilver /r is, mogen we veilig 
aannemen dat de Javaansche uitdrukking eene vertaling is van 
rajat&dri // zilverberg 4^ of rajataprastha ^/zil verplateau, ^ 
zooals de met eeuwige sneeuw bedekte Kail&sa, Qiva's Olympus, 
genoemd wordt, Dat het ongepast was eene benaming voor een 
der toppen van den Him^ya, den sneeuwbeig, op eenen 
berg van Java ov«r te brengen., konden de Javanen kwalijk 
bevroeden. 

Yan de verschillende soorten van askese, vermeld op bl. 15, 
is er op zijn minst éény waarvan de Dalang eené geheel uit 
de lucht gegrepene verklaring geeft, nam. van lëmbu ang- 
gaheng, r. 12, vgg. De uitdrukking >/ loeiende os // is op zich 
zelf duidelijk genoeg. Het is namelijk één van de manieren 
waarop de Qivaifitische asketen of monniken, vooral diegenen, 

Digitized by VjOOQIC 



EINIOB UITOBUKCINOfiN IN DB WAYANO-VEBHALEN. 11 

welke Pftgupata^s, d. i. ^r vereerders van Qiva als Pa^upati/i^ 
geheeten worden, hnnne ecstase toonen. Het bulken als een 
os dient tot verheerlijking van Qiva^s stier Nandi en tevens van 
QivB, als voerende een stier in zijn vaan. Ik deel hier eene 
plaats meé uit de 8arvadar9anasangraha, waarin bij gelegenheid 
van de behandeling der Pé^pataleer dit bnlken aldus om- 
schreven wordt: /^Bulken heet het heilige, op het loeien van 
eenen stier gelijkende geluid, hetwelk met behulp van H ver- 
hemelte en de tong wordt voortgebracht.»^ ' Deze uiting van 
Qivaietische monniken-askese is klaarblijkelijk met lëmbu 
anggahang bedoeld. 

BI, 24, r. 2 V. o. Het woord tjungkub wordt door den 
uitgever hier opgevat als een ff onder dak // in 't algemeen. Ik 
waag echter de vraag te opperen, of het niet, meer overeen- 
komstig de in Qericke's woordenboek vermelde beteekenis // tombe, /r 
zou kunnen uitdrukken: ^een onderaardsche verblijf. «r Althans 
in de Hindusche vertellingen en romans is het iets zeer gewoons 
dat aan prinsessen, om de eene of andere reden, zulk eene 
onderaardsche woning, bhümigrha tot verblijf wordt aange- 
wezen. Herhaalde malen treft men het aan in den Kathftsarit- 
s&gara. ^ Nu en dan is zoo'n verblnf ook wel voor andere 
doeleinden bestemd; bijv. in genoemde verzameling van ver- 
telsels (Tar. 49) laat iemand ten gerieve van zijne dochter en 
zijn schoonzoon zulk een gebouw maken. — Dat het woord 
tjungkub volgens Wükens woordenboek als Tëmbung-Dusun 
ook /srhuis^ beteekent, laat zich z66 verklaren dat het niet 
volmaakt //huis/i^ is, maar ons //krot,4f hetwelk op dergelgke 
wijze uit krocht, eene verbastering van crypta = tombe, 
ontstaan is. Ook in 't Sanskr wordt zulk een bhftmigrha 
wel eens bila //hol, krocht »r genoemd. ' 



* Hudukkaro nlima jihv&tilasaxnyog&n nishp&dyam&nfth punyo vrsha- 
n&dasadrQO nidah; Sanradar^, bl. 78. 

* BiJY. in Taranga 29; in 39; 40; 42; 49; waar men tevens verscheidene 
synoniemen van bhümigrha vinden kan. 

* Dewyi deie beteekenis van bila (in alle woordenboeken , nopt !@(^fh)Qlp 



12 BUOItlOB TER VBBKIJk.&ING VAN 

De aanteekening op bl. 49, r. 8 v. o. behandelt het woord 
hilahila. Dit is waarschijnlijk het Sanskr. helft, hetwelk betee- 
kent it^ onbesuisdheid , woestheid, driftige beweging;^ voorts 
^minachting voor iets^; verder //wild stoeien, en in 't algemeen 
stoeien.^ Het slnit den zin zoowel van hetEngebche rash als 
van het etymologisch identische Nederlandsche rasch in zich > 
Het werkwoord waarbij het behoort is (in den 3 pers enk. Tc^. T.) 
helate of he dat e. Het ia derhalve begrijpelijk dat het zoo- 
genaamde Kawi-woord hila (de echte Kawi-vorm moet helft 
geweest zijn) hetzelfde is als rëngn //drift, ^ en als hewa 
^tegenzin, >/ wat zich heel licht nit het begrip van ^min- 
achting/)^ kan ontwikkeld hebben. Hoe het daarentegen aan den 
zin van pisah komt, is mij een raadsel; evenmin weet ik te 
verklaren hoe het, volgens Gericke's woordenboek in den zin 
van ffG&a oud gebruik >s^ is overgegaan^ welke in de hoofdzaak 
roet eene andere omschrijving xdoor sangkër en walér over- 
eenstemt. Dat hilahila werkelijk den door Gericke aangegeven 
zin hier en daar hebben kan, blijkt, dunkt mij, uit den Brata- 
Yuda (8, 18), waar gezegd wordt wat de hilahila des 
waren ridders * is; dat is dus >/de voorvaderlijke wet,^ of 
zooals Cohen Stuart zich uitdrukt ^ie dure plicht.// Wat nu 
onze plaats van het Wayang- verhaal aangaat, alsook bl. 154, 8, 
zoude ik als vertaling voorstellen: //het zou groote roekeloosheid 



dering van *t Petersburgsche , verkeerdeiyk yila gespeld) nergens opge- 
geven staat, verwijs ik op eene plaats waar het in dezen sin voorkomt, 
nam. Da^akum&ra, bl. 128, r. 14. 

* In den zin van ' drift « komt het o. a. voor in de Kéidambar!, bl. 15, 
r. 10; bijwoordelijk, in den instrumentalis, als «driftig, schielijk. * 
Pancatantra 120, 1 v o.; als «met een ruk, met vaart» 106, l; als 
«fluks, in alleryi« Rdjatarangini 5,84; als «woest, wild* Ratn^vali 17, 11. 

* Ter loops zij aangestipt dat de vertaling van Kshatriya in Europeesche 
boeken door « krijgsman « verkeerd is; ^ van de krijgslieden , Sanskr. 
yodh4h, waren en zijn geen Kshatriyas; onder het voetvolk waren 
slechts bij uitzondering Kshatriyas. Kortom de Kshati'iyas of I^janya's 
zyn wat men in de middeleeuwen Ridders, bij de Iranicrs Rathacshta's 
.wagenstrüders. noemde. oigitizedbyGoOgk 



BENIGB UITDRUKKINGEN IN DB WAYANG-VBRHAT.BN. 18 

van mij wezen, indien ik enz.y'r hetgeen in de hoofdzaak 
strookt met Prof. Eoorda's omschrijving: it^het zon een erge 
zonde zijn.^ Op bl. 160, r. 1 v. o. heeft hilahila, als ik 
de woorden niet misversta, den zin van //lichtvaardige min- 
achting van het heeischend gebmik,// korter gezegd: het 
tegendeel van &cftra of dharma. Op bl. 127, 4 schijnt mij 
hilahila ndjaring wong knna toe den zin te hebben 
van /r minachting voor de woorden der Onden,)r geheel in 
oveieenstemming met eene zeer gewone, bovenvermelde, betee- 
kenis van helft in 'tSanskr. — Hoeveel dnisters er nog 
overblijve, zooveel znllen we wel mogen aannemen dat hel& 
ovei^nomen werd in zijne onderscheiden beteekenissen. Later 
kannen daamit op Java zich wéér andere verder ontwikkeld 
hebben, doch deze zijn voor een deel zoo vreemd, dat ik 
eerder aan eene verwarring tnsschen het Sanskr. hel& en 
een Folynesisch ila, dat in 't Bataksch ^schande// beteekent, 
zou gelooven. Ygl. van der Tuuk, Bataksch woordenboek, 
onder ila. 

• De oorsprong van den naam Hastina, zooals die op bl. 52 
r. 7 V. o. aangednid wordt, laat wel eene verklariugtoe, dnnkt 
mij, mits men rogol in den letterlijken zin van ^neérdmp- 
pelen, neervallen// opvatte en de vrijheid hebbe om tres na 
als in alle opzichten synoniem met ka ma te beschouwen. Gelijk 
welbekend, vloeit er in den bronsttijd der mannelijke olifanten 
een vocht nit de slapen, hetwelk men in 't Sanskr. gemeenlijk 
mada of dftna noemt. Als men nn vergelijkt wat er op bl. 38, 
r. 1, verhaald wordt, dan is het verklaarbaar, waarom en in 
welk opzicht Palasara zich zelven bij eenen bronstigen olifant 
vergelijkt, en daarom den door hein gestichten rijkszetel Olifants- 
stad te noemen goedvindt. 

De uitdrukking anikël warti, bl. 64, r. 8 v. o., weetik 
niet volledig op te helderen, doch vermits het = njëmbah 
is, moet warti (wërti) hier aan 't Sanskr. vrtti beant- 
woorden, en wel in den zin van ^ordentelijk gedrag. «^ 

De naam van den berg waarvan Pal^isara afkomstig is , n|im. 

Digitized by VjOOQ IC 



14 BUOKAGS TKB VEAKIiAEING VAN 

sdpta-rëngga ia, gelijk leeds Cohen Stuart in zijne voortieffelijke 
inleiding op den Brata-Ynda * heeft aangetoond, eene verbas- 
tering. In Nftgaii-schrift zijn de teekens voor ^ en r somwijlen 
zeer licht met elkaar te verwarren. Het gevoelen derhalve van 
Aangga-Warsita (door Roorda op bl. 517 vermeld), als ware 
sëpta-rëngga eene verbastering van saptarga, is eene dwaling, 
doch niettemin van eenig gewicht Want die meening zal ver- 
moedelijk toch wel eenigea grond hebben; we veronderstellen 
dat dezelfde berg nn eens a^ptardngga, dan eens saptarga 
genoemd wondt Daaruit volgt nogtans geenszins dat rëngga 
(Sanskr. <^rnga) etymologisch gelijk is aan ar ga; alleen dat 
het een synoniem is. Inderdaad hond ik ar ga voor eene om- 
zetting van het Sanskr. agra /i^ spits,// dat in beteekeuis over- 
eenkomt met ^rnga //spits, bergtop,/)^ maar etymologisch er 
niets mede gemeen heeft. Wat toch zou het Jav. ar ga ^berg^t^ 
anders kunnen wezen dan het Sanskr. agra? Eene nog grootere 
omzetting vindt men in 't Jav. b radja = Sanskr. vajra 
//bliksemflits, donderhamer, schicht.// In (ïerike's woordenboek 
wordt bradja vertolkt met //wapen// in 't algemeen, en zoo. 
komt het ook voor in den Pandu, bl. 125, r. 12, doch eigen- 
lijk moet het /^een wapen,// d. i. een soort van wapen geweest 
zijn. De juistere vorm bad j ra wordt ook opgegeven. De slag- 
orde bradja-tiksna heet in Manu's wetboek ^ eenvoudig 
vajra. Het verdient opmerking dat onder de erg verbasterde 
namen door Rangga-Warsita t. a. pi. opgegeven, Sakri voor- 
komt. Keeds de heer Cohen Stuart heeft aangetoond (zie 't 
Beg. op den Brata-Yuda) dat de Sanskr. vorm Qakti is; ik wilde 
hier slechts bijvoegen dat zulk eene verbastering kwalijk anders 
te verklaren is dan uit het N&gati of uit een of anderen vorm 
van oud Javaansch schrift die meer dan 't hedendaagsche op 
N^aii lijkt, want tusschen kr &ï ió ia er in N&gart handschrift 
weinig onderscheid. 



t Vgl. vooral z^jn Register onder septa-rengga. 
« VII, 191. 

Digitized by VjOOQ IC 



EKNIQB UITDRÜKKINOEN EN DB WATANG-VERHAI,BN. 15 

Onder de woorden dié in ^t Javaansoh schier onkenbaar ge- 
worden ss^n behoort de uitdrukking katalika, op bl. 80, r. 
1 V. o., alsmede op bl, 98, r. 8 en 144, t. 7. Dit houd ik 
Toor het Sanekr. k&katUijam ^geheel onverwachts, plotseling, 
eensklaps, tf Aangaande den oorsprong en het gebruik dezer sier- 
lijke uitdrukking geeft het woordenboek van Böiitlingk en Aoth 
de noodige (^heldering, zoodat ik daarnaar, onder k&kat&Itya, 
Terwijs. De aanleiding tot het ontstaan van katalika kan 
daarin gel^n zijn , dat de Javanen hel met n a 1 i k a // tijdpunt tt 
in verband wilden brengen; nalika zelf is het Sanskr. nlllik&, 
hetwelk niet zoo ten ruwe /^oogenblik, poos" is, maar zeer 
bepaaldelijk een half uur van 24 minuten. Er zijn echter andere 
woorden in het Sanskr., zooals mmhürta, kshana, enz., die 
na eens een uur van 48 minuten, dan weder onbepaald //een 
oogenblik// aanduiden. Zoo ook naar ons spraakgebruik //te 
dezer ure/i', //op dezen stond//, ^aanstonds.// 

Op bl. 106, T. 5 komen de woorden hong pinangka 
sêbda dewane dewa Bhat&ra voor. Deze formule dient 
hier om eene //eerbiedige begroeting// uit te drukken, volgens 
de opmerking van Eoorda; het zal oorspronkelijk zoowel een 
groet als eene aanroeping geweest zijn. Want o n g is de uitspraak 
van om (naar andere spelling om) in oostelijk Voorindië, en 
ook in de Archipeltalen is dezelfde uitspraak van den Anusv^ra ^ 
ingevoerd. Een ander voorbeeld van deze gewestelijke uitspraak 
v&n den Anusv^ en tevens van verschil in spelling treft men 
aan in siddhëm (sanskr. siddham) en siddhëng (sanskr. 
siddham), hetwelk in Bengalen, alsmede in 't Pfkli, als 
siddhang kKnkt, * Het op hong volgende pinangka, 
llaarblijkelijk een Jav. passiefvronn , is mogelijk =pinongka; 
sëbda is bekend; dewane dewa is eene vertolking van 
dev&ullm devah /^der goden god,// z. v. a. mah^deva. 



* De ware uitspraak van den echten Anusv&ra is die der Fransche n 
in bon, quand, en dgl. 

* Vgl. Cohen Stuart, Krit. aant. op den Brata-Yuda, aanhef; alsmede 
Prlcderich, voorl. verslag ?ao het eiland Bali, bl. 25. r^ ^ 

Digitized by VjOOQ IC 



18 BUORAQS TER YSBKIJLBINO VAN 

de bekende bijuaam van Bhatftra, alias t9vara, /rde Heer,/)' 
waarmee door Qivaieten natuurlijk Qiva bedoeld wordt. De 
gansche formule zoude kunnen meenen: ^rOm dient als aaD- 
roeping (of begroeting) van den god der goden, van den Heere;i' 
lied bevredigend is deze gissing echter tdet. 

Bij bl. llOy r. 8, aant. , lezen we dat ngrëngga volgens 
W. Wdb. 0o6k iemand eer bewijzen, zooals een gast, doorhem 
luisterrijk te ontvangenis beteekent. lu dit geval is rëngga 
eene nasale uitspraak van Sanskr. argha /^eerbewijs aan een 
gast.^ Hetzelfde argha heeft ook den zin van //waarde, prijst 
en is, zonder nasaal invoegsel, het bekende Jav. rëga. Het 
verschijnsel dat het Sanskr. argha iuHJavaansch in re ga en 
rong ga is overgegaan ^ verdient wel eene enkele opmerking, 
te meer daar, zoover ik weet, dit punt nog nooit ter sprake 
is gebracht. Bij het overnemen van Sanskr. woorden in 't Javaansch 
is de klemtoon van H Sanskr. in den regel behouden, voor 
zooverre de Foljnesische accentuatie zulks toeliet. Dat wil z^gen : 
//woorden die in 't Sanskr. den klemtoon op de laatste hebben 
behouden dien in het Javaansch; hetzelfde geldt van de woorden 
met geaccentueerde voorlaatste lettergreep; doch valt de klemtoon 
in 't Sanskr. op de derde , vierde , enz. van achteren , dan ver- 
springt het in 't Jav. op de voorlaatste. 'Yerder valt op te mer- 
ken : dat eene a oi d^ staande in de lettergreep die onmiddellijk 
de geaccentueerde voorafgaat , de neiging heeft om in i over te 
gaan, vooral in 't Javaansch. Het Sanskr. argh& heeft den klem- 
toon op de laatste, en wordt dus in 't Jav.: re ga. Uit 
dandd, pakshf, mattd, bhaktl, agni wordt dënda^ 
pëksi, mëta, békti, gëni; uit sindhurftjd wordt 
sindurëdja. Uitzonderingen komen zeker voor; bijv. 9a t& 
is in 't Javaansch sata; 9dkti is sëkti geworden. Doch er 
is in 't Sanskr. zoo'n aanmerkelijk verschil in de accentuatie 
van ééu en 't zelfde woord in verschillende tijdperkm, en er 
zijn zooveel gevallen waarin de Indische autoriteiten met elkaar 
en met de accentuatie der Veda-handschriften in t^nspraak 
zijn, dat men in de meeste gevallen geen uitzonderingen moet 

Digitized by VjOOQ IC 



CENIGK ÜITDEÜKKINGBN IN DE WAYANG- VERHALEN. 17 

zien, maar slechts een gewestelijk of tijdelijk verschil van uit- 
spraak. Inzonderheid bij zekere klassen van woorden , zooals die 
op ti en tra, is het taalgebruik zóó weifelend, dat het ons 
niet bevreemden mag diezelfde onvastheid in de Archipel-talen 
terag te vinden; ja, die onvastheid pleit er juist voor dat men 
de Sanskr. accentuatie van dergelijke woorden getrouw heeft 
overgenomen. Zeer leerrijk ten opzichte der behandeling van den 
Sanskr. klemtoon is het Bataksch, dank zij den nauwkéurigen 
opgaven van Dr. v. d. Tuuk. In zijne Tobasche Spraakkunst, 
§ 19, zien we dat het woord debatd in het Tobasch den 
klemtoon op de laatste lettergreep heeft, in 't Mandailingsch 
daarentegen heeft dibdta dien op de voorlaatste. Uit een 
ander door v. d. Tuuk aangehaald voorbeeld: sukkurd = 
Sanskr. 9ukr^ blijkt wel degelijk dat de Sanskr. klemtoon in 
acht wordt genomen *. Nu komt het mij voor, dat debat& 
niet het Sanskr. devdt& is, dewijl dit den klemtoon op de 
voorlaatste heeft, maar het Sanskr. daïvatd, hetwelk trouwens 
denzelfden zin heeft. Aan het Sanskr. devdt& beantwoordt het 
Mand. dib&ta. De Sanskr. ai gaat regelmatig in e over, en 
de overgang van Sanskr. ö in i is analoog aan dien van*ö in «, 
in soma = Bataksch suma *; in 't Jav. is die overgang 
bijkans de regelmatige te noemen. Aangezien het hier niet de 
plaats is verder over dit punt uit te weiden, zoo wil ik hier 
.slechts bijvoegen dat de zoo straks beweerde gelijkstelling van 
't Jav. ar ga met het Sanskr. dg ra des te waarschijnlijker is, 
omdat beide woorden in klemtoon overeenkomen. En hiermede 
stappen we van den Palasara af om over te gaan tot een na- 
sprokkeling op den Pandu. 
Bij bl. 117, 2, teekent Roorda aan, dat'warudju zoowel 



^ Het andere voorbeeld suttora schijnt eene uitzondering, want het 
Sanskr. sütra wordt alleen als parozytonon opgegeven, en hiermede 
strookt dan ook het Jav. sutra; desniettemin houd ik het voor mogelijk 
^^t de Bataks si^tri hebben hooren uitspreken; vgl. het bo vengezegde 
omtrent het aanhechtsel tra. 

* Tobasche Spraakkunst, bl. 68, Aanm. 3. r^ T 

3e volg. IV. Digitized^L^OOgle 



18 BIJO&AOE TXR V£]£K1.AK1NG VAN 

ffjongereff als <rjoDgste (bioeder)/^ aanduidt. Daaruit volgt dat 
warudju ontstaan is uit het Sanskr. avaraja, hetwelk 
insgelijks *later geboren, jonger,/^ en /^'t laatste geboren, 
jongste/y beide aanduidt. De sIot*ii instede van 't Sanskr. a is 
opmerkelijk. Bijaldien het Jav. damu ffiooi een roer blazen^r 
het sanskr. dhama (ti) is, waarvan ik niet zeker ben, zouden 
we een ander voorbeeld van denzelfden overgang hebben; vgl. 
P&li nlLlindhama «^goudsmid^, eig. /i^ roerblazer a'. Evenwel, daar 
het woord zoogenaamd k a w i is, hebben we misschien er niets achter 
te zoeken dan eene louter uit onwetendheid geboren Dalangs- 
uitspraak voor waradja. 

Op dezelfde bladzijde, r. 12, staat de uitdrukking mitjis 
wutah van ^haarlokken die om de slapen en het voorhoofd 
als ringetjes gebogen zijn.A^ Fitjis zal hier wel eene overzet- 
ting wezen van het Sanskr. kap ar da, hetwelk de ala kleine 
munt gebezigde cowiy (cypraea moneta) beteekent en tevens 
krulletjes aan de slapen: 

Het woord sukerta op bl. 123, r. 9 en 13, heeft volgens 
Boorda's juiste opmerking, niet den zin van H Sanskr. sukrta. 
Het heeft hiermede trouwens niets te maken, daar dit Jav. 
sukërta ontstaan is uit svfkrta ^^toegeëigend , bemachtigd, 
bezeten,// met al de schakeeringen van beteekenis welke de 
Nedèrlandsche woorden toelaten. In kasukërtan is de werk- 
woordelijke vorm (Verl. Lijd. Deelw.) dubbel uitgedrukt. 
Behoudens het grammatisch verschil, wordt Sanskr. sukërta 
te recht omschreven door sikara, want dit is een substantief 
van denzelfden stam als waarvan svikrta, het Verl. Lijd. 
Deelw., gevormd is; het is het Sanskr. svtk&ra //toeeigening, 
bemachtiging. ^ De zin van >^ kwaad doen, mishandelen,^ dien 
sik ara volgens Gericke's woordenboek heeft, zal zich juist 
ontwikkeld hebben uit dien van bezeten zijn door Bhftta's. In 
ons Wayang-verhaal is er van eigenlijk* //kwaad doen, mis- 
handelen// geen sprake; de prinses staat slechts onder den 
boozen invloeil der Bhüta's. Wat den overgang van svikftra 
in sikara betreft, daarmede vergelijke men o. a. dipa //olifant^ 

Digitized by VjOOQ IC 



ESNIGB UITDRUKKINGEN IN ÖK WA YANG- VERHALEN. 10 

uit dvipa; seta uit ^veta. De uitspraak van svi als sa 
schijnt eerder eene eigenaardigheid van Oostelijk Hindnst&n dan 
yan Java te zijn; het Sanskr. dvitvam bijv. luidt naar de 
plompe uitspraak det oostelijke brahmanen dutvam. 

Onder de verschillende manieren van askese, die op bl. 126, 
8, vermeld worden, komt ngluwat, volgens Wilkens: «rin 
een knil zitten om tapa te doen // overeen met de telkens in 
de Indische mythologie wederkeerende beschrijving van Zieners 
die /yin een mierenhoop gezakt, tapas uitoefenen.// ^ Omtrent 
ambësmi vermoed ik dat het eene vertolking is van 't Sanskr. 
tap ff gloeien ff en tevens // askese uitoefenen.// Wat ambanas- 
pati aangaat, wil ik gaarne aannemen dat het ook /^op zijn 
hoofd staan /9^ beteekenen kan, doch zulk eene soort van askese 
bestaat niet, althans niet bij de Indische Rshis. Daarentegen 
is het wel een vast vereischte dat de askeet onbewegelijk zij 
als een boomstam of paal; vermits banaspati, naar de 
slechte uitspraak van Oostelijk Hindust^n, het Sanskr, van as- 
pati //boom// is, zal ambanaspati.wel wezen //zich onbe- 
wegelijk houden, vastgeworteld staan als een boom.// 

Bl. 144, 6. De zegswijze purwaduksina wordt door den 
uitgever, in overeenstemming met Qericke's woordenboek ver- 
klaard met //wiwittan lan wëkassan,// hetgeen gewisselijk op 
Javaansche autoriteit steunt. Maar hoe is dan de i in d uk si na 
te verklaren? Het is waar, in de aanteekening wordt duksana 
geschreven, doch zulks heldert de zaak nog geenszins op. In 
den tekst leest men: dawah siti gletak, boten hengët hing 
purwaduksina. Gaat men enkel op deze plaats af, dan zoude 
men eerder denken dat de zegswijze nagenoeg overeenkomt met 
onze Nederlandsche uitdrukking: //hij was buiten Westen,// 
of met het plattere: //hij wist van Teeuwis noch Meeuwis.// 
De eenvoudigste opvatting van den term schijnt mij toe, de 
twee Sanskr. woorden pürva //oost// en dakshina //zuid// 
erintezien; boten hengët hing purwaduksina zou dan 

' Zie byv. de gakuntali, str. 170 (uitg. Böhtlhigk) of bl 170 (Cal- 
cuttaVhe uitg. van 1864.) DigitizedbyGoOglc 



20 BIJDBAOE TER VERK1.ARING VAN 

wezen : // niet bewust van wat oost en wat zoid was , n zoo 
ongeveer beantwoordende aan ons //buiten westen. v Hoe het 
zij, de i en dnksina vereischt verklaring. 

Tn het voorbijgaan veroorloof ik mij op den oorsprong van 
een paar Javaansche woorden uit het Sanskr. te wijzen. Ten eerste 
van 't welbekende sangsaya (o. a. op bl. 152, r. 8 v. o.) = 
saya. Het eerste is het Sanskr. samcaya, het laatste het 
niet samengestelde caya; beide beteekenen, ^ opeenhooping , 
toename,// De uitspraak van den Anusvdra (m) als ng, is die 
van Bengalen en Oostelijk Hindust&n (niet Dekkhan.) Het 
is, mijns inziens, niet van belang ontbloot op deze overeen- 
komst de aandacht te vestigen, omdat ze, bij het gemis aan 
volledige gegevens, strekken kan om eenigermate te bepalen uit 
welke gedeelten van Indië de meeste , of althans de invloedrijkste 
landverhuizers of uitgewekenen op Java gekomen zijn. 

Een ander Sanskr. woord is te herkennen , ofschoon niet zoo 

terstond, in H zoogenaamde Kawi-woord palastra //dood,ir op 

bl. 154, r. 7 V. o. Het is eene Javaansche, en zeker niet eigenlijk 

Kawische, verbastering van 'par at ra //in de andere wereld.// 

Van meer belang dan de afkomst van een paar in hun 

gebruik welbekende woorden aan te toonen , is het , na te gaan 

aan welk Sanskr. woord het op bl. 157, 13 voorkomende 

sambewara zijn oorsprong ontleent. We moeten voor oogen 

houden dat in "t Jav. (overeenkomstig oostelijk-Indische manier) 

in den regel m b staat , waar de zuivere uitspraak van 't Sanskr. 

mv (d. i. Anusv&ra benevens onzen w-klank) vereischt. Dus 

is bijv. 8ayambara= Sanskr. svayamvara; priyëmbada = 

priyamvada, enz. De e is hier, gelijk zoo dikwijls, uit ya 

ontstaan; wara moet samengetrokken zijn uit wahara, even 

als bij Sadewa uit Sahadewa. Kortom, sambewara is het 

Sanskr. samvyavahllra //verkeer, handelsverkeer// (zie o. a. 

Manu's wetboek VII I, .131.) De geheele uitdrukking bakul- 

sambewara zal derhalve wel hetzelfde bedoelen als ons 

//marskramer,// 't Eugelsche //peddlar,>i' en dat blijkt ook de 

meening van den heer Ehemrev geweest te zijn. — Een ander 

Digitized by VjOOQ IC 



EENIGE UITDRUKKINGEV IX DE WAYANG-VERHALE.V. 21 

voorbeeld dat Sanskr. vya in H Jav. .in be overgaat , levert het 
woord beya '/onkosten;'/ dit is oostelijk-Indische of Javaansche 
uitbraak van 't Sanskr. vyaya //nitgaven, onkosten. /' 

In de aanteekening op bl. 160, 6 stelt prof. Roorda de 
vraag of kurobhalft de naam zou kunnen wezen van //eene 
bloem die tot sieraad op het hoofd gedragen werd?// Daarop 
kan ik, wel is waar, geen bevredigend antwoord geven, doch 
dat genoemde plant op de eene of andere wijze eene symbolische 
beteekenis moet gehad hebben, blijkt uit de omstandigheid dat 
de kumbhalft in 't Sanskr. ook heet munditikft, en in 
nieuwere Indische tongvallen mundlri en dgl. Nu is mundi- 
tik4 een verkleinwoord van raundita, en dit in vorm een 
Verl. Lijd. Deelw. of eene afleiding uit een naamwoord , op de 
wijze van pushpita /-/gebloemd,// van pushpa //bloem.// 
Hoe men het ook opvatte, het grondwoord is altoos munda 
^kruin// of //geschoren kruin.// Brengt men dit mundita over 
in den o vereenk om jtigen Jav. grammatischen vonn , dan wordt 
het kapundi, om een bestaand woord te nemen. Hit het hier 
gezegde mogen we het besluit trekken dat met radja-kumbala 
hier inderdaad de munditikfl gemeend is, en tevens dat 
muTidi de voor 't Javaansch taalgevoel hinderlijke grondvorm 
iü, welken men op den leest der inheemsche woorden schoeide 
en in 't passief in pundi liet ove^aan. (Vgl. v. d. Tuuk, 
Tobasche spraakkunst, bl. 67 en bl. 99). Welke Sanskr. vorm 
nu ten grondslag ligt, is niet zoo licht uit te maken; ver- 
moedelijk is mundi, dewijl het evenzeer Ngoko als Krama 
is, opgevangen uit mundi-ta. De wijze waarop Sanskr. woorden 
in de Archipeltalen overgenomen worden , is verre van gelijk- 
vormig te zijn , en ofschoon dit onderwerp nog een nauwkeuriger 
fin grondiger onderzoek vereischt, mag men toch gerust beweren 
dat het zeker niet volkomen juist is, zulke Jav. woorden als 
hijv. mangërti of mangarti //begrijpen// eenvoudig terug 
te brengen tot Sanskr. art ha. Dit heeft klemtoon op de voor- 
laatste en geeft, regelmatig, ook in 't Javaansch: arta, //geld, 
goed.flr Nu zoude arti als Kramavorm van arta op zicb^^lf , 

Digitized by VjOOQ IC 



f^2 BUD&AGE TER VEBKLABINO VAN 

beschouwd wel mogelijk zijn, maar vooreerst is het niet alleen 
E^rama, maar ook Ngoko, en ërti uit &rtha te laten ont- 
springen, schijnt mi] zeer bedenkelijk toe. Evenmin zoude ik 
durven denken aan drthja ^verstandig, >/ want ten eerste is mij 
een oudere vorm artya voor H Jav. onbekend, en ten andere komt 
het a<xent niet overeen. Daarom gis ik dat arti opgevangen 
of geabstraheerd is uit arthi-ta, in den zin genomen van 
't samengestelde samarthi-ta ^gehouden voor, b^repen. 4r 
Wanneer we bespeuren dat ook in 't Maleisch , waar van geen 
Kramavorm sprake is, ook zulk een i voorkomt, o. a. in de 
woorden waarvan tjuri de grondvorm is, en tevens dat in 
'tBataksch surisurijan «^gestolen goederen^r beteekent, dan 
mogen wij het aannemelijk achten, dat uit corl-ta ^ gestolen 4^ 
en zelfstandig //gestolen goed,^^ het Mal. tjuri, Bat suri 
ontstaan is; in surisurijan is de Sanskr. uitgang ta» of 
liever het meervoud tftni, vervangen door het Folynesische an. 
In de meeste gevallen verschilt de werkwoordelijke stam in 
't Sanskr. niet van den naamwoordelijken , behalve in zoover de 
slotklinker anders is , en nademaal in 't Jav. eene i in ELrama 
eenvoudig eene oorspronkelijke a vervangt, zou men nog kunnen 
meenen dat in sommige gevallen zoo'n Kramavorm in 't Ngoko 
en zelfs in verwante talen ingedrongen kon wezen, doch men 
kan bezwaarlijk in dat gevoelen volharden als het gelukt woorden 
te vinden, waar de werkwoordelijke stam zich ook anderszins 
van den naamwoordelijken onderscheidt. Zulk een woord komt 
inderdaad voor, en wel op bl. 165, r. 6 v. o. nam. pasang- 
giri. Dit is een Javaansch substantief, gevormd van 't Sanskr. 
werkwoord samgira (met den uitgang des 3^^ persoons in 
den T^. Tijd: samgira te) ^met eene gelofte of belofte zich. 
tot iets verbinden. » < Dewijl het substantief in 't Sanskr. 
samgara luidt, is het klaar dat sanggiri niet hieruit, maar 
uit den werkwoordelijken stam ontstaan is; alleen de slot-» isi 
Krama. Het Sanskr. samgara komt, zoover mij bekend is, in 



^ Zie bijv. Oa^kum. 78, 13, waar samagirat guo eene druk- of 
schrijffout is voor saraagirata guo. 

Digitized by VjOOQ IC 



EENIGE UITDRUKKINGEN IN DE WAYANG-VERHALEN. 23 

't Jav. niet voor, want als in Gericke's woordenboek het Jav. 
sënggara hieruit a%eleid wordt, dan berust dit op misvatting; 
het Jav. sënggara heeft met Sanskr. samgara niets gemeen; 
het is eene verbastering van srönggara, hetwelk voorkomt 
in den baron Sakender (zie Cohen Stuart, s. v.) Hier zij 
bijgevo^ dat sënggara, srënggara het Sanskr. 9rngftra 
«'t dartelen, vooral van minnaars iy is. Het wreede spel van 
den tijger of leeuw met zijn prooi heet ook 9&rdülavikrtdita 
«des tijgers spel,/^ inzonderheid bekend als de naam van een 
ook in Kawi geliefkoosd metrum < . 

Op'bl. 189, r. 13 komt pratjeka voor, en wel in den zin 
«slimheid ir of /r vindingrykheid. «r Het is een afleiding met het 
Javaansche voorvoegsel pra van het Sanskr. cheka /rslim./r 
Onder cheka verstaat men in 't Sanskr. ook ^i'iets kunstigs,« en 
Tooial eene kunstige soort van alliteratie, of ook wel van logogriefen 
(chekokti.) Dezen zin vindt men ook in 't Jav. pratjeka terug 
(zie supplement op Gericke's woordenboek onder 't woord.) 



Hiermede besluit ik mijne nasprokkelingen op de beide eerste 
Wajang-veihalen. De volgende stukke, de lotgevallen van 
Raden Pandji, wijken in stijl, taal en tijd van bewerking zoo 
geheel van de Wayangs ^uit den ouden tijd// af, dat ze voor mijn 
doel een te schralen oogst opleverden. Dat doel was eene proeve 
te geven, welk nut de studie der Oudindische letterkunde en 
die der Javaansche wederkeerig uit elkander trekken kunnen. 
Het algemeener-worden dezer overtuiging kan den bloei van 
beide studiën niet anders dan bevorderlijk zijn. 

Leiden, Mei 1869. H. Kbrn. 



^ Zie den Wrtta-santjaya , bl. 20, uitgegeven door den heer Friederich 
in Verh, BataT. gen. van konsten en wet. XX[[. Ook de eerste zang van 
^ A.r4jaua-Wiw&ha is in deze maat 



Digitized by 



Google 



VEEVOLG OP DB 
MALEISCHE SPREEKWOORDEN 

BENEVENS EENIGE 

HILEISGHB RAiDSELS EN KINDERSPELEN 

VERZAMELD DOOR 

H. C. KLINKEBT. 



Het gunstig onthaal, mijne eerste verzameling van Maleische 
spreekwoorden te beurt gevallen , deed mij besluiten eene tweede 
daaraan toe te voegen. Hoewel deze niet zoo groot is, geloof ik 
toch, dat ze niet minder welkom zal zijn. 

Daar in de eerste verzameling wel een paar nommers zijn 
ingeslopen , die beter waren achterwege gelaten of eenigzins ver- 
anderd of beter verklaard teruggegeven, zoo ben ik bij deze 
tweede bijdrage met een weinig meer voorzigtigheid te werk gegaan. 

Als slechts geringe bijdragen , die tot het bekend worden van 
het geheel het hunne moeten doen , meen ik dat ze op eene ver- 
schoonende beoordeeling mogen aanspraak maken en een afkeurend 
oordeel uit de hoogte van lieden, die tot de nadere kennisvan 
het zuivere Maleisch nog geene enkele bijdrage hebben geleverd, 
geenszins verdienen. 

Zeer heeft het mij verwonderd , dat op mijne uitnoodiging aan 
de andere beoefenaren van het Maleisch, om ook de door hen 
gevonden spreekwoorden mede te deelen, niets is gevolgd dan 
een paar door den heer vao der Tuuk. 

De hier geleverde spreekwoorden zijn gedeeltelijk uit de hand- 
schriften bijeengebragt, gedeeltelijk mij door de Maleij era mede: 
gedeeld. 

Daar deze bijdrage , naar mijn oordeel , te klein en te weinig 
beteekenend zou zijn geweest als ik mi] alleen ^ de spreek- 



MA1.EISCHE SPREEKWOORDEN, ENZ. 25 

woorden had bepaald, zoo besloot ik er mijne, op Riouw ge- 
maakte, verzameling van Maleische raadsels aan toe te voegen , 
niet twijfelende of ook daannede zal men met genoegen kennis 
maken. Ten slotte geef ik nog eenige Maleische kinderspelen en 
liedjes op den koop toe, niet alleen om ook op deze uiting van 
het volkskarakter de aandacht te vestigen, maar tevens om de 
onjuistheid aan te toonen der bewering dat de Maleische jeugd 
geen spelen heeft, 't Zou dan ook een bijzonder slag van kinderen 
moeten zijn als ze niet even goed speelden als die in Europa, 
Met grooter vermaak heb ik meermalen naar het lief en vreed- 
zaam spelen der Javaansche kinderen gezien dan ooit een kinder- 
spel in Nederland mij kon verschaffen. Ja , zeer opmerkelijk zelfs 
is het, dat de kinderen in Indië even goed hun vasten tol-, 
knikker-, vliegertijd enz. hebben als die bij ons en zonder af- 
spraak of voorafgaande bepaling die tijden instinctmatig zeer juist 
weten waar te nemen. 

Daar mijne omstandigheden en werkzaamheden op Kiouw van 
eenen geheel anderen aard waren dan op' Java, heb ik de Maleische 
jeugd niet zoo bepaald in mijne nabijheid en onder mijn toezigt 
gehad. Ik heb daarom het hier gelevérde uit den mond mijner 
beide schrijvers moeten opteekenen. Ook //a/s?;* Ibrahim , Datoek 
orang kaja moeda van Penjengat, de assistent van den heer von 
DE Wall, is zoo vriendelijk geweest daartoe mede wat bij te 
dragen. 

De raadseb zijn mij grootendeels door de Maleische vrouwen 
medegedeeld. Een paar slechts heb ik in een handschrift gevonden. 

Te beweren dat aan al hetgene, wat ik van tijd tot tijd over 
het Maleisch mededeel, geene gebreken kleven, zou ik mij zelf 
als eene dwaasheid toerekenen. Wat ik geef wil ik slechts als 
pas graven erts beschouwd hebben , terwijl ik het aan anderen 
overlaat die nader te zuiveren en te verwerken. 

Als zoodanig neme men dan ook dit weder gunstig aan. 

Amslerdam, 29 Jan. 1869. 



Digitized by 



Google 



S8 XAUUSOHB SPttBKKWOORDCN BNZ. 1 


J^ J/* 


^L jv 


e;Vv »^J»^ 


^jxr ^^ ^^ 


e/^;» J)i J^ 


»^j< i><.i ,-/^ 


jȐ y^. j'^'^ 


i;^ Ü^ 


J^ e,U ^ Ai^ 


yióX^ (ji-A^ 


t>«ay ^JÜJS J,) 


J» ë ^ 


* t^iij ^)j .JIê» /I 


^\y ^ ^- ^ 


t?*^r «A» é^^ 


^V^ JJ JJ 


JJÓ» JJM ^^) 


êi*^ ê^ ii/i*^ 


4>jjö yio jjjj vi^^i) ^jX 


y J^J^ J^ 


*.;.^ 


JiT ^ ^ 


JlilaijJ ^J JjS 


*-r^ Ju?^ c^ 


J\/^J l^ ^yi 



Digitized by 



Google 



1IAIJSI8CH9 SFEBXKWOOEDBN ENK. 37 

uJ'l^ i»Hjj ^ ^^ J)jj ^^Aju 

^1^ ^0 ÏJlc ^^ ^^^t ^^U 

^/^/^> C^^ trl^ u5^ ^1; >^> ^1; 



^jk>^ ^iui ji^bd J)^ ^ ^j^UJ 









jt3Ji^ ^b (^*xü ^j^ij Jjülj' $yo (fijy 9) j 



* ^U ^ly yJ^' c:.^ftiil>^ aÏW 









S6 MALEISCHB 8Pa«iSICMrOORDBN £NZ. | 


AÏK^) * ^\y^ 


i_j>ijk*>'' ij:^X« * J)^/ 


jxjj »^U c:^* * ^-^)ƒ^ 


ji^j^o^^j^. * ji^ 


^ï jIUj * u-;^^:=^ 


J.XJÜ y,U.J*J)y^ 


u-ii') ci^^ "^ S-'^^ 


^) jJbJ c:jy J <-J> * J)^ 


^b Ci,>^AA^ "^ S-^^^ 


lJü) <-J< (jy^ * J'^ 


^j^ïi'j>,.ij=*Mj=- 


JU ^) ^y>, * J)y/ 


ê?-/>^ 




"" e/*^ L^^ <i^^ 1 


^i' v^J^i^ CI^J^ ^fi-yb 


ïjL/" J)/ jAxX ^OX 


* aIk^ ^li' ^ JaJLX 


^yi ê^ ^^ >^ 


^ ƒ/ * ^^>^ 


^) uJ^ a>/*J»^ 


a!^ * S-^'^ 


jj:^ j^ /j^ * i))jy 


5^ r 


ör 


^jU ^**? 


^;'>'^ «>r t>r 


ê<ió» jjib J^»-y 


^xX ^1, ^ly- ^1, 


f j^X" é^ ^^ 


êj^ü yiU uJ) Ui' 


^ ^vv 


5JJu 4^Jjw ^. 


tt/^^^ ^> VJ-^ji^ ^^ 


</Ü ^1; Ji)ji 


*j:ii^uyy|,^i)r,>ix,^.) 


^ i^\i r^ 


rj^/ 


rè^ 


4>i) f J»*^ («i^ 


ijx*^ Jf*^ (^'>* 


JJJ) *U ^1>^ fj)^ 


^ ty^ '— ^ 


pM y;»yO .jJl/J 


»!o jjj 4jJ 


jj^ ^ï ^y 


é"^' tri; (J-^^ 


^J>jkj t>JaJi JU 


DigitizedbyGodgle'* " 



MüLElSCHK 8PREKKWOORUEN £NZ. SÖ 

^) ^,) ^^ ^i^ ^>^ ^)^ 






r^l 


19 




A A A •• • /' 




^) ^) ^ 


vj»^ J^ Ö)^ 




j5b ^b jiUr 


V-^ 


>■ 


Aïsj 


^_jSaA^ t/J^ A*4* 




é^ tj^ t)^ 


*^jr,ji jb ^i:£i:^ 




^j^. ^j^. ^"^^ 


jU- ^j ^ij j^y 




^y/ y^i ^< 


y:i/ jiS" jLum» 




j^U- ^ j^) ^b 


^ öf/ öï/ 




JW' .^ /' 



^ " DigitizedbyCiOOgle 



84 MALBISOHB SPKBBKWOOKDKN Kft. 



* l^j^y 


rjixS 


v^u y,y ^jjLé-/^ 


l^x^y ^>i2i ji:ê! 


u:&s ^J ^_p^ 


^« t?/ ^u 


s^'V <^ "-^ 


^.) ^'uX iJ:^ 


^^ fj}C> jjy:^ 


juy. Jli^ 


j^\ f\y ybU- ^ji 


^JUsvjU •*lJ ^i3L»J^ 


^ i^jy^ J}) ^ 


aaI ï) aaI »l 


c:-sjkJu ^Jlsuu 1^ 


^^Iji-'U t>lü^lji 


ê^ jO Jï 8^ 


^^i-f^ y^ é=?^ 


c:.^Ju>X /l ^-U ^ 


vj:^4jJL« (^«Xjö A»i ujy 








rijf 







HAUUSOflX SPaBlCKWOOItOBM «MZ. SS 

^J^- 8 *j^ 7 * '•«-r'ï 6 * ^Ij" 5 * vi;^*« c^ilJ;; ^ ^) 

* yy-/" i-Jl/ ^ 9 * er^'^'i ^«^ f-V «j/*"^ «^^ 

* c;*-^'^ t> Jj** ^;j^ 12 * 3<ip^ «y 11 •jUi' vi^Xc/' 10 
*Jy.l6* 't^^ 15 * ;-^ «^ 14 *r'^<:;^J >*ï;i r^ 1» 
•j*j^ oy 19 * ^jj) j^J ^ ^" 18 *,y>JU <>iy 17 
^JjJl/"23 * ^ yU 22 * ^^Utü^ ^j,) gi * Jl»l« ^j^) 20 

* c/ï;^ f Jl>' 26 * ^y »-=jU ^J^ t>r^ 26 * ^ 24 
* J?«j' ^ cJJü 30 *Ail^0W 29 *^V^^J 28 *y^ 27 

* aIjj ^jij^\>i ^^ U:t J\^ yüi 88 * ^. 3E * (j^^i 31 
tt^^ 88 * e^]; 87 * v^'Jlli' 86 * ^3^j> (;}) 35 * ^b 34 
^;,) 41 * vj:^ JIj 40 * t>ii^ jSj> 89 *j^ ^J^ (J^ 
*J^' 43 * ^ t>i^ ^;j^ 42 *or;j>J "^ ^ <-J^ji 
jJ\j>. Jx»£^ ^^) 47 * (»i^ 46 *J3) ^y^ 45 *^^ «^ 44 
»^50*^Ad.49 *,^^a>48 *yóö ^^y^J j^ ^jixi ^^AÜ yt 
•i-Jt, iji ö2 *y-J ^^^ ^-A**7i Jhyi ^V 51 *t/*»^ 
iji 57 * ^) 56 * ^^ Oï 55 * ,»^ 54 * y-^ »y 53 
»^y^60 *^ /j ^)i ^;}) 59 *„;*»- ^;j^ 58 *l-^ 
*.JJS 65 * y;iii» 64 * ^t> 63 * Jj^ ji^ 62 * o^^ 61 
cji" «^1 J) 69 * ^1 Jlsu* ^;jl 68 * ^U 67 * ^Jy yï 66 
»ƒ 71 * ^y JiyO cjl*, y!\ ^>^ 70 * jj;^) <^'^ ^ J» >y?- 
«,|J aIH y^ÏJAJ JU ïJi; ^ ^^y 73 *^j^ 72 *lJ^ 
>-A-*jUbOj>^) jiü^Ay'^J^U^) 74 *êi^ êi è»^ 
«jb ^JJS;! vjr;ï vi^ ^^ ^")0 jKs^ ^^J y/Ót tti'-i ^•^ 

* Qp^ 76 * ^i" y-^ 



Digitized by 



Google 



82 



MALSI8CHK 8PBEËKWOORDEN ENZ. 



^^j Ai\il * ^W^ c/^y ';;iy^^ 59 

* ^^0 aTU» * ^y c:^/ l::^j JU y> 61 

* ^^J aA» * Ad^y ^Ü^^ ^^ cl;IX 63 

*^^J AAi)*^X^J Aiy c:^LX ^jj JU^ lJóJ 65 
f ^ vi/'^ '^y c^.^ >r**^ 8*3^ ^soto ^^.'^ ó^ J'"^ 66 

* ^_f J AAil*JjLoA* ^^iJ &j u5jW^ *^^^ At 67 
* ^^J aAjI * Jx*^ Jj\j^ ^) ^ ^.lib 68 

* 3^ ^^^ sf ^ ^^''J^ y^ -^^'^ '^^^ '^^^^ oA^»^ 69 

^li' ^J Jy ^) J JU y.li'j vJ-C^^c ^\^ oi^l ^ 70 

* ^J A^Ü) * JU^U r Jiy 

* ^^fJ A^l * JisSb Si yd**J^j> y^^ Aty 71 

♦ ^J A^lj) ♦ ^-b c^JLdu. ^U/" ^j^j:^- 72 
ji^ J ïjj^ ajJ a^) oxÏ JUi As^y óJjO ^^Jüsj aaI A^Ti) 78 

*v^J aA» * s^rUw (J'-o^JoJ ^jl/" 76 



kJ^jj ^J J^j rejlX jy (^^0 ^*^ J^^ ci;U^ 1 



* ^^0 A^Ti) * /J^^U v^cXl* -]^ ^) 36 

* ^J A^) * LJ'ly JUi' jJb ^y 88 

* ^ó A^li» * ^b Uj^5bj ^^/U;>^ v^;>^ 89 

* v^O aSUI * (^y«^^ Jju^^ cJ^y 40 
c^Ij yiC?^ v^y ^^y ^y»^ ci^y lJoU c:^y ^j^ 41 

* ^^J AiliJ * ^) ïJ) 

* 43»J A^J * ï^Uj ^yb (j-j\J ^jJl 42 

* ^^J A^) * »^ljj u-ifj ^^JO Ajü 43 

* ^j«J A^li) » aIouX ^^Ju Ay JUJ A» ^)j ^^yi 44 
♦^JA^i» *u-(^y^) ui^^y^^ iJy. ^^ J^^ ^^ «' 45 

* v^j A^li) * c:--JüJLo y) jy o> c:^ï «y 
*^j^j A^iM^Ü ^Jl»U ,yi' ^yb (J^J <>>^ j^>^ 47 
^ J*iO ^^ •'^J^ ^ h^f^^ j^ji f^ /^ f^ 48 

* v^O A^li» * lJTj ^y J^5-;j ^^J ^y J*'*^^ 50 
* ^J A^'li) * t-J^ (J-J) J ci^l^ (j-JlJ ^A/by 58 

♦ ^^j /S[i] * ^^ S;S;^«=5^ e/^^ (^^ «J^ eA^' 84 

* ^^J aAJJ * ï^ ^l^ j^. jSojt> J^ji Js^ 55 

* ^J A^Ti) * ,^J^*^ ?)y^ 4>xoJU> ^ji;l c:^oU) 56 
*r^ e/iy^ A*^^ e/i**^/^ '^y e/i^* -?^^ tt^^.*^ lJ^ 57 

3e Volgr. IV. " 3 



30 MAt^ltsCHK S^HEEltWOOltDfi!^ l^m. 

* ^^J /^\i\ * fjjj^y^ 8;)*3 u,ft« ^ Vj>i'^ ^e'^ '^i^^ C^y 9 

* i^j iS^S a!U ^ybJ JiCX ^_^J^ 1 1 

* ^^J A^i) *^^ ^UJ JjCftsu/^^^ 16 
C^J A^) * ^Ji ^ ^^^)J ^/ Jfyii ^^ 17 

* ^j^J JsAi! * ^^ ^y^ /J4 c>^ is 
* ^5-J AiliJ * ^J ^J ^y^ ^0 19 

* 45-J . A^) * ƒ ) ^) J yJii)» *;y 20 

* ^:i aS^) *y} ^»J ^U^ ^^> 21 

* 4_5»J Aili) * '^ji^ ^^) j^)i'*^ ^^^ *^ 

* ^ó Ailil * AJ^ ^ )ƒ ^;^l 28 
* ^d ^i) * Pv-ii^JUU ^) ^'iJJ ^Lcï 24 

* kSO Aili\ ♦^l ^J £^ t>>-y 25 

* vj»J aAj! *J^] ^ji ^^*JJU £^ ^A;*f^ a^f. 26 

« ,^J A^) * ^J^s^^js^ A^l/^ vj:^^^ V.JÓÜ 27 

ujy yiX y^ ^^1J uülèJt ƒ>) Alyu/ j^ ^y 28 

io;> ^2^J ^ ^U/" ^U^ ^y^ j^)j^ ^U^ Ijy/ 29 

* aSiX A^iJt ^^^ JU ^y 

^* uJUf Jüso lJóü ju JxaJJ jjiTy ^') J A|y yol Aö-y 80 
* ^jrJ A^) * AJs-tS' ^y JJb^ ^ ^y ^J;J 31 

* ^^J A^i) » A^ ^U ^jui ^^ 33 



HALEISCHE SPKBRKWOO EDEN ENZ. 29 

*/^ J^y- ^ U^ 3558 

* jj^ yi/ 1^ A^^ ii^ c^^•^ t^ t^ r'^'^ <>^ 259 

* AJiU. ^jJU /J^ ï^i^a- ^^ c:^^V^<> 260 

/•^JT*^ e^^ :>JÜ i:^"^ '^^ u5^ ê*^^" ^ J»!**^ 261 

* ^jy/" ^y Ajy ^jU 268 

*^U ^JU^ ^^U 264 

*^y^ji^^-^)ji^ t-^^"^ "^^ ^>^^ ^^^-^ ^>f^' tr *^5 

* ^^JmoL^ /Jy yy 5.Uc ;J66 



^iji^ H^l/W -^^ 



fi U^ fi* ^y '-^' 0*^-^'*^ LT^-J*^ e;^'*^ ti/^^^ -^.^ c/y 1 
* vj-J A^» ♦ is^ j^ ^J^ ^/ AJy ^^ Ay ^ yj^ i^jl ^ 

ƒ.* c/^»^ tt/^*^ ^-i^' e/<?^y^ "^y e;% £r^ «^xXj) 3 

^y^y- r^ H '^ vV ^s^ &- è^' '^^ '^>^ ''èr'^ ^ 

*v^j '^^•^'^ »*^ é^. v'*^ t>^^ -J*^ c;'*^ 

* ^0 aA>ï * ^ jjt j ^/ yjy ^ ^)*^ ^ 7 



28 MALEISCHB 8PREEKWOOBDT5N ENZ. 

* c/^W- -^^^ J;i« »*>-^ ^, Ifi^ ^:L>yL/' 229 
* \^)^^ g/j4* c?*^' U*^ cuA/^ 280 

* A9-y AiiO c:^4xy 282 
V^ cA* t>=?r ^/y 288 

* C/*^^ ^ï ^ ^^ ^/y 284 

* h ^ J^ 285 

* ^y ^)J ^j CL^yX 286 
* ^)l ^;^ jUï v3*JJkj- «yo ^jI? ci^lJ xx/^ 287 

* ^^ vji^b Jf*>^ 288 
* £^ J ^ï ^J uJj^'" £^ ,J^ 289 

* yó^a-^ jLü c;.^Cp^,j /S^y 240 
* ^y e/^/^ ^ï ^:l>jL/^ 241 

* ajL^ x*X-/ a£ ^j«^) l2.^^A>^ 242 
ï^ \::^^ * ^jJ^ ^^^ ,^5***dJ;^ ^/^^ uT^^ ^^^ CL^^i-/^ 248 

«yux*^Ja>^ jj) Jiy 244 

• * ^fi- /f*^ tó* e:--J^ ^)^ ^^ ^ J*^i 245 

* ^^^ ^^Ü \^jL/ v^Jl»x< ^l? ^^li 246 

* ^U JJlftJ L-^vJ ALJy 247 

* ^;^ ^UJ 248 

* ^^ t>(^ J'^ J\ OUJ ^ 249 

* ^Jdui lXU ^li" 250 
*^^jls^yJ^^l^ ^JLK jJ:::^ jJJj jjjü ^ ^/ yi' 251 

* J^ J^f. ^) ^^ ^ 252 

« ^^Jxiüo^ fS\i) aaaJ ^l? 254 
* ^f^ r**^ {jrt:\ ^^^^ a)^ ^^^^-^ r**^ ^ri^ y^ÜT 255 



MALETSCHB 8 PRR BK WOORDEN ENZ. 27 

v/;' </^ «^^ ^ o^'^ s?*i ^'^ ^J^ t^ e^^ ^^^ 

. » ^i,)jj ^ cX* va/jb y^^li" iSjy^ (»W 201 

«^^jJlX ^Ü j)j ^ 204 

* ,»J^ 3^J» (jiyu 205 

«^y i>x«J 206 

* J/ ^jJcO c:,Ju; 207 

* )^ v/< uy e^/ j^ s^' uy e/^ ^^^ 

* JU JU ^y ^^^ U^J^J!^ 209 

• yU jLx« 210 

* Ö^^' J^ ^^:^y }i\ J^ <^>^ 211 

•ftjuii /o>*Ji ^J jjJ^*^ ^■^l-^^ j^ '^f** -^ y^ 212 

*^yc ^J ^U (-JV a^ 1)3^ ^^ ji/ l-^ 218 

* c:^ ^ aJLc^ t/OlJ J\ aJ^ ^ 214 

*è'"^ji^i>ly^i^'^°o'' Jy*^ J^ '/^ U>^ 216 
^y^ U^J^ ^j^ U^. "^^ ^0 »jIX ei;»^ CJ^ 216 

« i.i,sAy ^ l«» ^Jr;J^S' lj> Ci^^ 217 

* t>Ja; y^^by ^j;cl; (j»\i f^ 218 

« t>J>*»- t— iwJ ^jb t>-^ 219 

»uJ^U j_jirfJ ^/ «JJ, 220 

»^) jJuL* Jj.*y^ ^ Jf*^ 221 

^jx^'^ li^ ^y dyL/" 222 

• cyU ^j^cX^ vjt^ ULJ^itX 228 

• ^Jli Aw"J ^^) A)\ uJ^J ^^ ^. jjli* c^jb L-^è^-/" 224 

*ƒ) cljU ^ji c=J;iy 225 
* Jy »4i^«>^ ^^ *J-^ 226 



yiu ^•'Uiuy 



i-j"^ fMji ^yüUL/^ J^y*i y^ »-2r^i A»J^ cjyJ 

» i-i^ y^ j^ j^ 

* t-/^ ^) f\y u;^ 

* (A;jÜi/ ^) '^f^ J)^ '^^ '^!>^ 1^ '^*** '^^ J>*** 
* ^A^fÜuif ^ l—^^ A^ ^^f*^ *>f^^ ^^ ^^^ ^ J^ 

* e/<V c/"^ <^jrf- "^ji u/^^»* *^.^ ^^« f^ uy*^ 



184 

185 
186 
187 
188 
189 

190 
191 
192 
193 
194 

195 
196 

197 
198 



*^ '^y' ^ij ^^^j ^y^d^^cjkOglae 



TRANSSCKifTIË EN VERTALING. 



Mai«iischiI si^bbikwoordbn. 

184; AAifOé mdfiftf itoe djikahm dipóékód èh' kalipon ^ 
éëroeluëf-tmianp dfoepa ija kapada (émpat jan^ banjak ^Umg 
iioê. Al wordt een hemd ook geslagen; ttxch koint hij telkens 
ter pkdtM, waaT reel beenen Kijn. Vader OAt& 2ou zeggen: 
Om der wille van het sitfeer, likt de kat de handeleer. 

185. And/ing dUëpoek kapala méndjïngkit eikoer. De hdnd, 
als hij op den kop geklopt wordt, steekt de staart in de hoogte. 
Wotdt gezegd Tan iemand die hoogmoedig wordt, dëor dat men 
bem jffijst. 

186. Anak koeda boeloe koiap. Jonge pa&rdeii, ruWe haten. 
Wordt gefe^ van koopliedeii, die sonde^ kapitaal èn (^ goed 
gdiuk beginnen te handden in allerlei isakeu^ (Mijn schrijver). 

187. OfUa mïnjérahkan diri. De kameel geeft zith delven 
orer; wordt gerêgd van iemand die,< door den nood gedh)n^u, 
vanzelf terugkeert; 

188: OrAmg ménfaufkaèati. darat ; is eene iigunrlijké uitdrukking 
TOör een gierig of vasthoudend menseh. (Dezelfde); 

189. Adapou pipU iêoe eaéia pipU djvegè^ dak jang ing- 
ffdng Ucfe eama ïnggang dfo&ga. De mnseh bij de ntussühen en 
de rhinoeeröBVogel bij de rhinooeroevogels } d; i. soort b^ soort; 
bvj elkander doen, wat bij elkander behoort. (Hang Toewah). 

190. AJbAah éheri dipërladjam. Ylorit ook èen doom ge- 
abherpt? De beteekenis is gelijk aan die van n^. 77. Zie aid. 

19L Oentoeég saboet üfMböel; oentoeng batoe ünggïlam. 
H Lot van de kokosnotenschil is te drijven, het lot van den 
steen om te zinken; Wordt gebruikt in de beteekenis vhii • Ik 
zal het er op wageu, er moge van komen wat wil. ^ÖÖ§1^ 



40 'rkAKBdöHiPttB M Veëtai^Ino. 

192. Oepama orang ijampak boenga dibalas tjampak iakL 
Gelijk iemand die met bloemen werpt doch met drek weerom 
gesmeten wordt ; d. i. ondank voor bewezen weldaden ontvangen. 

193. Oepama andjing makan moentaknja. Gelijk een hond, 
die zijn nitbraaksel opeet. Wordt gezegd van een gierigaard, 
die zelfs datgene, wat hij eenmaal heeft gegeven, terug krijgt. 

194. Apabila ptUah toemboeA nijoer^ ioemboeh nijoer djoega 
akan gantinja; apabila patah toetnboeA pinang üoe^ toemboeA 
pinang djoega akan gantinja. Zie van drr Tuuk , Mal. leesb. 
7e st. pag. 91. 

195. Oepama süjaboel Aïndak ménjapei boelan. Gelijk de 
ingebeelde gek, die naar de maan grijpt. Zie v. d. T. Mal. 
leesb. 7e st. de inleiding p. XLIY, waar voor 5 verkeerd 3 
staat. 

196. Oepama bilaA atau lidi^ jang iéreélat kapada dinding, 
dap^t djoega dirambil akan tjoengkil gigi atau tjoengkil tëltnga. 
Gelijk een spaander of spijltje, dat in den (bamboezen) wand 
steekt, nog genomen kan worden voor een tanden- of oorpea- 
tertje; d. L hoe gering iets ook is, het kan altijd zijn uut 
hebben. 

197. Oepama kaêiA akan boenga saUjeper Urboewang boenga 
sdkakL Uit zucht naar een schotel vol bloemen, wordt de 
enkele bloem weggeworpen. Zie v. d. T. Mal. leesb. 7e st. de 
inleiding p. XIJLV. 

138. Adapon AU,am mata üoe dimanakan boliA llérijirei 
dCéugan poetik^ja, Hoe kan het zwart des oogs scheiden van 
het wit? V. D. T. d«. pag. 98. 

199. Oepama orang niémëUAarakan dirinja dalam earang 
tébaA, Gelijk iemand zich beschermt in een bijennest. Wordt 
gezegd van iemand, die zich in netelige omstandigheden of 
onder gevaarlijke personen bevindt en zich voor onheil niet 
vrijwaren kan. Zie ook v. d. T. t. a. p. 

200. Oepama kidjang dirantei dingan rantei ëmas ; dfikalau 
tja lëpas^ lari djoea ija kaAoelan makan roempoet. Gelijk een 
reebokje, dat met een gouden ketting geketend is, komt het 
los dan loopt het toch naar het bosch en eet gras ; d.i. niemand 
kan zijn natuur verloochenen of: Al draagt een aap een goudto 
ring, Hij is en blijft een leelijk ding. v. d. T. t a. p. 

20 1 . Oepama kaêioeri , karïna baoenja , maka hilang njawanja. 
Qehjk het mubkusdier, om zijn geur moet het zijne ziel ver- 
liezen. V. d. T. t. a, p. Digitizedby Google 



TKANöSClllPTlE KN VEBTALING. 41 

202. Boenganja dUoentingkun ^ paugkahtja' di berakkeu. De 
bloem wordt in het haar gestokeu, de plant (eig. datgene, waar- 
van zij afkomatig is) wordt bedreteu ; d. i. M'eldadeu met ondank 
vergelden. (Mijn schr.) 

203. BaewaA mhnbatjang boeroek koelUnja, De paarden- 
mangga heeft eene schil , die er niet fraai uitziet. Wordt gezegd 
vau een buis, dat er van buiten bouwvallig uitziet, doch met 
goederen gevuld is; of van een leelijk mensch, die een goed 
hart heeft, (dezelfde). 

Aaut. tnémbatjang = ketnbaljang ; al de soorten daiuvau zijn 
te vinden in het Tijdschr. voor T. L. en Volkenk. dl. II, pag, 
296, 1054, 

204. Tepoek dada^ lanja mlira. De borst slaan , het ligchaam 
vragen; d. i. bij zelf beschuldiging of zelfkastijding eene goede 
dosis medelijden met zichzelven hebben, of bij het wagen van 
geld behoorlijk berekenen wat de beurs lijden kan. (Dezelfde) 

205. TifJak terbawa iékam. Niet in staat zijn kaf weg te 
dragen. Wordt gezegd van iemand, die er dom en onnoozel 
uitziet, maar vol slechte streken is. (Dezelfde). 

206. Tembok kering, Drooge muur. Wordt gezegd van een 
inhalig mensch. (Dezelfde). 

207. Ttmpai noêi goeleL De plaats van rijst en kerrie. 
Figuurlijke uitdrukking voor de plaats , waar men zijn onderhoud 
vindt. (Hik. Sërangga Bajoe.) 

203. Tépoengnja pon tja maoe, koeivikuja pon ija maoe, 
£n het meel, èn de koek wil hij hebben; d. i. hij haalt er vau, 
wat er van te halen is, (Singapoera). 

209. Toeroelkan rasa^ binam; ioeroetkan Aali, malt. Door 
naar het gevoel te luisteren wordt men ongelukkig, door naar 
het liart te luisteren komt men om. 

210. I^lan batoe. Steenen slikken ; d. i. zure broodjes eten. 

211. Takoet akan oeiar, iérkédjoet akan bingkaroeng. Vreezen 
voor slangen, schrikken van een vliegende hagedis. (Zie v. d. 
T. t. a. p.) 

212. Djikalau palah ioemboeh nijoer Hoe diganti dëngan 
kemboeh pinafig. (Mal. leeab. 3 st. pag. .68 vergel. no. 194) 

213. Djika karbau, dipégang^orang talinjay djika manoesia, 
dïp^gang moekehija. Een buffel pakt men^bij zijn touw, een 
mensch bij zijn mond ; d. i. uit zijne woorden kan men iemand 
oordeelen. 

214. Djikalau kasik akan padi^ boewanglak akan roempoetOQl^ 



4:i TRAXSSCRIPTIE EN VERTALING. 

Zoo ge de rijst liefliebt, werp dau het graa weg; d. i. otter 
het ounutte aan het nuttige op. 

215. Djoewal soetëra^ belt mcLêtoelu Zijde verkoopen, grof 
doek iiikoopeu ; ook wel : djoewal soetéra , bïH kajin karoeng. 
Zijde verkoopen, zakkengoed iukoopen; d. i. iets van geene 
waarde terugkrijgen voor iets, dat veel waarde heeft. 

216. Djika karéna saboewah doesoen y maka binasa nageri^ 
haroes doesoen itoe diboewangkan. Als door een dorp het land 
ten onder gaat, dau moet dat dorp verdaan worden, (v. d. T. 

217. Tjoebits 'paha kiriy paha kanan sakiL Wordt de linker 
dij geknepen dan voelt de regter dij pijn ; d. i. als men een van 
twee echtgenooten , vrienden of broeders beleedigt , dan trekt de 
ander zich dat aan. 

218. Tjioem tapak tangan bïrbaoekah tidak. Men heeft de 
palm van de hand gekust (eig. geroken) , riekt ze of niet ? d. i. 
gij, die mijn goed gestolen hebt, zou dat niet weten; doch 
verbloemd voorgesteld. 

219. Roesak batoang dilimpa djambak. De uijen bederven 
als het loof er op neerslaat. Wordt gezegd van een verdienstelijk 
man, die in de magt van het gemeene volk valt.- (Komt voor 
in de panton's en ook in Hik Hang Toewah.) 

220. Réndah goenoeng ^ ünggi karap. De bergen zijn laag 
bij de hoogte der hoop. 

221. Samhil ménfêlam^ sambil minoem ajar. Terwijl men 
duikt water drinken. (Zie v. d. T. t. a. pi.) 

222. Saperii pol^ng kïna sïmboèr. Gelijk een spook, dat 
door eene bespuiting getroffen wordt; d. i. ginds en her loopeu , 
dit en dat doen, omdat men moet, er toe genoodzaakt is. 

Aanm. sïmboer is ook een bijgeloovige bespuiting met uijen- 
sap om eene soort van spoken, polong ^ te verdrijven. Met de 
beteekenis van dit sprw. komt geheel overeen die van 

223. Sap^rti pikal kahUaugan mata als een paardevlieg , die 
hare oogen verloren heeft. 

224. Sahingga daoen kajoe jatig kering dilioep olih angin 
diténgah padang. Zoo lang er een droog boomblad door den 
wind over de vlakte gedreven wordt. Zie Meursinge Mal. leesb. 
8e st. pag. 19. Dit komt mij voor geen spreekwoord te zijn. 

225. Sapérli parang mata doewa. Gelijk een houwer, die 
aan beide zijden scherp is. Dit wordt gezegd van een dubbel- 
tongig men^ch , die met den eenen sus en met den anderen zoo 

spreekt* Olgitized by CjOOQ Ic 



TllAMSbCllli-Tli: KN VERTALING. 43 

226. Suedak ijeharoe^ tjendafia poela. \ Is reeda aloë-iiout, 
nu nog saudelliout , d. i. iets reeds weten en er toch nog naar 
vragen; naar den bekenden weg vragen. 

227. Sapêrli karbuu tjoctjoek hidoeng. Gelijk een bufiel met 
een doorboorden neus ; d. i. men kan hem bij den neus leiden , 
waarheen men wil. 

228. Saperii saMlat moeka doewa. Als laken, dat er aan 
den eenen kant anders uitziet dan aan den anderen. De betee- 
kenis is dezelfde als die van Uq. 225. 

229. Sapérti orang jang aoedah berak dühigak djalan. Als 
iemand, die midden op straat zijn gevoeg gedaan heeft. Dit 
wordt gezegd van iemand , wiens kwaad uitgekomen is , doch die 
te beschaamd is om het te bekennen. 

280. Saklt pafidan lidak lahoekan doeri. Pijn van den 
pandan-boom hebben en van zijne doornen niets afweten. Wordt 
meestal gezegd van gelieven, die zelf niet weten hoe hun hart 
is gewond geworden. 

231. Soedah Mak tërsoedoe olih angsa^ b^haroe dibïrikan 
hapada Uik, Als het door de ganzen niet meer opgelepperd kan 
worden, dan wordt het eerst aan de eenden gegeven; d. i. als 
de rijken iets niet meer kunnen gebruiken, dan geven ze het 
pas aan de armen. 

232. SadoetoU dib^lah toedjoek. Eene duit in zevenen ge- 
kloofd; fig. uitdr. voor: tot de laatste penning toe. 

233. Sapérti tj'étjak makan kapar. Als een hagedis die een 
uiltje opeet. Wordt gezegd van een schrokkig, gulzig of heb- 
zuchtig mensch. De huisliagedis toch slikt zulk een uiltje geheel 
iö, met vleugels en pooten, zoodat het haar soms in de keel 
blijft steken. 

234. Sapêrii tjaijing k^na ajar pauas. Als een worm die 
door heet water geraakt is; d. i. iemand, die door een onheil 
is getroflen , zich draait en keert en ineenkrimpt van ontsteltenis. 

235. Satali liga oetoang. Een kwartje drie dubbeltjes; d* i. 
't Is zoo lang als breed, of 't is beiden geheel hetzelfde. Zie 
ook no. 189 en 265. 

Aanm. De gulden wordt te Batavia en elders gerekend op 
vier tali of twaalf oewang of 120 duiten, dus elke tali op drie 
oewang of 30 duiten. Op Riouw echter rekent men de gulden 
op 15 oewang of 150 duiten. Dit sprkw. wordt evenwel ook 
daar gebruikt. 

236. Saperii ajar dalam lethtang, AU wi\tef ip een aardeiPS 



4i ÏBANSöCUlPTlE EN VKllTALING. 

vat; d. i. zoo stil houdt ineu zieli, hoewel meu vroeger een 
hoog woord had. 

237. Soetlah dapat gading beloewah^ tjindei tiada bïrgoena 
lagi. Als men het ivoor met boveunatuurlijk vermogen gevonden 
heeft, dan heeft de /jindelshng geen nut (d. i. haar gift heeft 
geen kracht) meer. Wordt gezegd van iemand , die op zulk een hoog 
of onafhankelijk standpunt staat, dat zijne vijanden hem niet 
meer kunnen schaden. 

238. Soemboel dapat toetoepnja. Het mandje krijgt zijn 
deksel. Uit wordt gezegd van lieden, b. v. gelieven, die vol- 
maakt bij elkander passen. 

239. Sahagel boengay iédap dipakei, lajoe diboewang. Gelijk 
eene bloem, aangenaam zijnde wordt zij gebruikt, verdord wordt 
ze weggeworpen. Wordt gezegd van lieden, die in hunne jeugd 
gevierd, in hunnen ouderdom verlaten worden. 

240. Soeiiggoeh berdjavggoet tiada bïrdjoebah. Hij heeft wel 
een baard, maar geen tabbaard aan; d. i. hij neemt wel dan 
schijn aan van eerwaardig te zijn, maar is het daarom toch 
nog niet. 

241. Sapérti andjing m^reboetian toelang. Gelijk honden 
vechten om een been. Wordt b. v. gezegd van lieden, dieeene 
erfenis deelen en om hun deel met elkander twisten. 

242. Sapérti hnas javg soedah (érsépoeh. Als goud, dat 
gekleurd is. Wordt gezegd van den hoogsten graad van schoonheid. 

243. Sapérti boewak padl^ makin b^risi^ makin roendoek; 
sa'pérti boewak padi jang ICémpa^ makin lama, makin tinggi. 
Gelijk de rijstaren, hoe voller hoe meer nedergebogeu ; gelijk 
de ledige rijst-areu , hoe langer hoe hooger. (Zie v. d. T. t, a. p.) 

244. Poekoel anak, situlir minantoe. De dochter slaan, op 
den schoonzoon bedoelen, d. i. iemand bestraffen of iet« zeggen, 
doch daarmede niet hem, maar een ander bedoelen. 

245. Pan ton kïïang dengan kajam^ lambat laoen diêamLar 
djoega. Al zingt de kiekendief ook minneliedjes met de kip, 
ten laatste wordt deze toch door hem gegrepen. Wij zouden zeggen : 
De vogelaar, op vangen uit, Den vogel lokt met zoet gefluit. 

246. Parang gaboea méndjadi mpérfi parang bésL De houwer 
van planten-mergpit wordt een houwer van ijzer ; d. i. een zwakke 
krijgt kracht, een magtelooze wordt sterk. 

Aanm. gaboea is het mergpit uit zekeren boom , zooals bij ons 
het vlierpit, Men gebruikt het iu Tudie voor pitten in nacht- 

l^»"rJ^' Digitizedby Google 



TIIAXSSOIIIPTII? 13N VTJMAT.tNÖ. 45 

247. PoetoesJaA timba linggal lali. De aker is losgegaan , 
het touw blijft over; d. i. Men heeft alles verloren. Er rest 
nog wel leta, maar men kan er niet veel mede doen. 

248. Pingadjar boeroeng. Onderwijzer van vogels. Dit Wordt 
gezegd van iemand, die lieden onderrigt, welke hem niet kunnen 
begrijpen en die hem dus werktuigelijk volgen, even als een 
vogel slechts napraat, wat hem voorgezegd wordt, zonder dat 
hij er iets van verstaat. (Zie ook v. d. T. t. a. pi.) 

249. Kalau tiada angin , tahan poiok hérgojmg. Als er geen 
wind is dan bewegen er ook geen boomen ; d. i. zonder geld of 
goede woorden doet men niets. 

250. Kapak najik pémidang. De houwer klimt op het bor- 
dunrraam; d. i. een grofsraid speelt voor horologiemaker, een 
boer voor politicus, een turftrapper voor tlieologant, enz. 

251; Kalau koetjing pakei tandoek , wolanda maxoek islam 
tikaroe bolih djadi. Als de katten horens krijgen en de Tlollan- 
ders mohammedanen worden, dan zal het pas gebeuren; dus: 
zoo iets gebeurt nooit, dat is onmogelijk. 

252. Kéiam ménjoeroehkan anaknja b^rdjalan bïtoel. De 
krabbe beveelt haren kinderen regt te gaan; d. i. de duivel 
houdt een zedepreek. 

253. Kalau *8aioè bêriariak iiada kadêngaran kapada satoe- 
ft/a. Als de een schreeuwt kan het door den ander niet gehoord 
worden; fig. uitdr. voor dingen die te ver van elkander staan, 
b. V. van schrift dat te wijd is, of steken in het naai- of 
breiwerk, die te ver van elkander zijn, enz. 

254. Oaram toempah apakah Umpatnja, Als zout gestort 
wordt, wat is dan deszelfe vat? d. i. Wat zal men doen met 
iets, dat geheel bedorven is, gelijk zout vermengd met zand 
en aarde. 

255. Gadjah berak büsar^ kita pon Kéndak berak bhar 
djoega. De olifant k.kt in H groot, wij willen ook in 't groot 
ons gevoeg doen ; d. i. leven de rijken er goed van , wij armen 
wenschen het er op onze manier ook goed van te hebben. 

256. Gadjah ditëlan oelar lidi. Een olifant opgeslikt door 
eene /irft-slang. Dit wordt gezegd van een vorst of groot man , 
die door een ellendigen slaaf in het ongeluk gestort wordt. 

Aanm. pe oelar-Udi is eene zeer kleine , giftige slangensoort. 

257. Lébih poetjoek^ TébiA pétépah Hoe meer knop, hoe 
meer palmblad; d. i. hoe meer hij verdient, hoe hooger at^at , 

hij voert. OigitizedbyL-OOgle 



46 T11AXSS0RIÏ?T1E EN VERTATINO. 

238. Lépas ban lal bcrganU f ik ar. Vaa het kussen afgerold 
gebruikt men de mat voor kussen; d. i. als iemands vrouw 
gestorven is, neemt hij hare zuster tot vrouw, of als de maii 
gestorven is, huwt de vrouw met haar man's broer. 

259. Masoek kadalam kandavg kambing: mhigemhik; masoek 
kadalam kandang karhau: mhigoeioak. Komt men in een schapen- 
stal dan blaat men; komt men in een koeijenstal dan bulkt 
men; d. i. huilen met de wolven in het bosch. 

260. Meniandjat pokok Ijékoek^ holth mali df aloë A. Als men 
het tjl' koe A-hee^tcrtje beklimt, dan kan men dood vallen; d. i. 
iets bespottelijks ondernemen als eene zaak van gewigt , waaraan 
gevaren verbonden zijn. 

Aaum. tjékoeh is een heester, die ook wel in Nederland in 
de tuinen voorkomt. De blaadjes zijn rond , ongetand en donker- 
groen, de vruchtjes wit ter grootte van een knikker, liol, niet 
een pit. In Indie worden de bladen van de tjekoeh manis als 
groente gekookt gegeten. 

261. Moesiahil akan iértoedoeng bangkei gadjah d^ngan 
tyiroey boesoeknja ditjioem djoega. Het is onmogelijk het kreng 
van een olifant met eeue wan te bedekken ; de stank wordt toch 
geroken. (Zie n^. 47 en v. d. T. t. a. p.) 

262. Afenanlikan nasi düadjikan düoetoet W(icht6n tot dat 
de rijst op de knieën wordt klaar gezet; d. i. wachten tot dat 
de raven hem het brood komen brengen. 

263. Hajam poetiA tërbang sijang. £en witte haau , die bij dag 
vliegt; d. i. zoo duidelijk is zijne schuld aan het licht gekomen. 

264}. Il&roem méngAilangkan haoe. Ue geur verdrijft de reuk; 
d. i. bewezen weldaden door grootere weldaden in de schaduw 
plaatsen, b. v. men geeft iemand een knecht mede om hem 
den weg te wijzen of een pakje na te dragen. Deze ontvangt 
daarvoor eau goede fooi, zoodat de goedheid rijkelijk betaald 
is» dan kan men zeggen: Aaroem ménghilangkan baoe. 

265. Jang ombak üoe ombak djoega dan Jang ajar itoe ajar 
djoega. Golven zijn golven en water is water. De beteek. is 
ongeveer gelijk aan die van n<». 189. 

266. Ibarat koetoe boUA diaélisik. Als eene vloo, die men 
met de hand strijken kan ; d. i. zoo tam is hij ; hij is te pakken 
als eene aal bij den staart. 

267. Ibarat nag^ri berobak rasan. Als een land, welks grens- 
palen verzet worden. Zulk een groote opschudding ontstaat er. 

, Bigitized by VjOOQ IC 



TRANSSClUPTtE EX VKRTALING. 47 

EENIOE RAADSELS. 

1. Pohon kajoe sapohon, dahannja doewa-htla^ , daoennja 
liga poeloek , lima- belas javg hitam , Uma-helas jang poetih , 
hoenga poetih koening khnbang liêrtaboeran. Apakah dia? Een 
boom met twaalf takken en dertig bladereu, waarvan vijftien 
zwart en vijftien wit, met witgele geopende bloemen bestrooid. 
Wat is dat? 

E. Badan poetih koemng , féfhantar menantikan njawa^ datavg 
njawa badan bina.na. Apakah dia? Een lichtgeel ligehaam 
ligt te wachten op de ziel ; komt de ziel dan vergaat het ligehaam. 
Wit is dat? 

•J. Ada mboewah ghloefig ^ bilikvja toedjoehj katoedjoehnja 
itoe dipénoehkan déngan ajar , Cétapi boekan ajar Jtoengel , af au 
ajar lelaga, atau ajar hoedjan^ atau ajar tmbocn^ hingga 
l^noeh êéitdirinja, Apakah dia? Er is een gebouw met zeven 
kamers, alle zeven worden gevuld met water, doch geen rivier- , 
noch put-, noch regen-, noch dauwwater, en ze worden van zelf 
vol; Wat is dat? 

4. Dajnng'dajang ioedjoeh poeloeh orang jang pilihan^ 
féfiama-tama djanda, jang beloem Vérsoeami^ dan kadoewa 
anak dara jang soedah b^rsoeami. Apakah dia f Zeventig uit- 
gezochte juffers , ten eerste weduwen , die nooit een man hebben 
gehad, ten tweede maagden, die een man hebben gehad. Wat 
is dat? 

5. nioeinja impai^ tandjoengnja lima. Apfikahdiaf Vier 
inhammen met vijf kapen. Wat is dat? 

6. Mémboewat roemah dalam *roemah méramoe dalam bofl^n, 
Apakah dia? Een huis maken in een huis, de bouwstoffen in 
het ligehaam zoeken. Wat is dat? 

7. Long dalam long, poetih koening dalam lang. Apakah 
dia? Kist in kist, wit en geel in de kist. Wat is datP 

8. Tinggi-iinggi sarang babi, sarang lang di-atasnja. Apa- 
kah dia? Al is het nest der zwijnen hoog, het nest der kieken- 
dieven is er boven. Wat is dat? 

9. 2 oeroen boekit, najik boekit^ b^rdjoempa darah satilik. 
Apakah dia? Heuvel op, heuvel af, men ontmoet een droppel 
bloed. Wat is dat? 

10. Toeroen boekit, najik boekit^ bïrdjoempa tatalaakïping. 
Apakah dia f Heuvel op, heuvel af, men ontmoet een spaander. j 

Wat is dat? DigitizedbyLnOOgle 



48 TUAXSSÖRIPTIE EX VKllTATlNO. 

11. Nasi fiakcpal dUioedjoeng galak, Apakah dia? Een 
kluitje rijst op de punt van een scheepsboom. Wat is dat? 

12. Orafig doedoek di-aian hajoe masam moekanja. Apakah 
dia? Meu zit op hout en zet een zuur gezigt. Wat is dat? 

IS. Oranff méngajil Dérthnoe djoeran. Apakak diaf De hen- 
gelaar ontmoet een hengel. Wat is dat? 

14. Lotfff dalam long ^ sama-êama dalam long. Apakah dia f 
Kist in kist, te zamen in de kist. Wat is dat? 

15. Terbaf/g iiada b^érsajap, b^rdiri iiada b^rkaki, Apakah 
dia f Vliegen zonder vleugels, staan zonder voeten Wat is dat? 

16. Nijoer tatjoengkil dibawa bïrlajar, Apakah /&*a .^ Een uit- 
gestoken stukje kokosnoot wordt op de reis medegenomen. Wat 
is dat? 

17. üoewahnja phnoekoel goeng ^ daoennja bagei p^dang. 
Apakah dia f De vrucht is een goeug-klopper , de bladen zijn 
als zwaarden. Wat is dat? 

18. Masoek basah^ kaloewar kering. Apakah dia? Nat naar 
binnengaan, er droog weer uitkomen. Wat is dat? 

19. Dip^égang b^rboenji^ ditétak diam, Apakah dia f In de hand 
gehouden geeft het geluid, nedergelegd is het stil. Wat is dat? 

20. O rang h^rk^ lamboe dalam ajar, Apakah dia? Iemand 
met een gordijn in het water. Wat is dat? 

21. Orang bïrtabir dalam ajar. Apakah dia f Iemand met 
een voorhangsel in het water. Wat is dat? 

22. Emaknja mêmboedjoery anaknja rriélintaTtg. Apakah dia? 
De moeder overlangs^ het kind overdwars. Wat is dat? 

23. Orang toewa ménpilam boewih. Apakah dia f Een oud 
mensch, dat naar schuim duikl. Wat is dat? 

24. Emaknja (éléntang , anaknja méloempai-loempaL Apakah 
dia f De moeder ligt op haren rug, het kind springt op en 
neer. Wat is dat? 

25. Voetjoek rïboeng dit^pi ajar. Apakah dia f Een bamboe- 
uitspruitsel aan den waterkant. Wat is dat? 

26. Ji^rk^toek boekannja téd-oeng ^ rnëlansar boekannja oelar^ 
Apakah dia? In elkander gerold en geen tëdoeng-slhug zijn; 
regt voortschieten en geen slang wezen. Wat is dat? 

27. Tiga rnénjamboety sapoeloeh méngoendjoekkan. Apakak 
dia? Drie ontvangen, tien reiken over. Wat is dat? 

28. Tërbang gagak sapoeloeh eikoer ^ hinggap di-cUaskarbau 
êaeikoer , b^rapa kakinja f Er vliegen tien kraay^en , die op één 
buffel gaan zitten, hoeveel pooten heeft hijf^^yGooglc 



TRANSSCRIPTIB EN VERTATJNG. 49 

Aanm. Door de vertaling gaat het eigenaardige van dit raadsel 
verloren ; want in het Maleisch kan iakifija even goed zijne 
als Autme pooten beteekenen. • 

29. Saorang Vérdjalan kadalam hoetan mémbawa sabatang 
l^mHng^ diliktUnja êoeiioer karbau mati ditikamnja ^ oAuhah 
mlak? Tn het bosch wandelt iemand met eene lans bij zich. 
Hij ziet een buffel dood steekt hij hem; -is dat verkeerd? 

Aanm. Ook van dit raadsel is het eigenaardige niet goed in 
hot Nederlandsch weer te geven , daar in het Mal. dood zoowel 
kan slaan op bufiel als op steken. 

•30. Toedjoeh eiioer boeroeng di-at(M poiok, ditemhak mati 
tiga, tinggal bïrapa? Zeven vogels op een boom, daarvan worden 
drie doodgeschoten. Hoeveel blijven er? 

'il. Kérdéngoeng boekannja kombang, bïrboelalei boekannja 
giuljah. Apakah dia f liet gonst en is geen hommel , het heeft 
«iii snuit en is geen olifant. Wat is dat? 

32. Dimasoekkan hilam, dikaloewarkan metak^ dihantam 
xambil doedoek b^rtinggoeng. Apakah dia F Zwart wordt het er 
ingebragt , rood er uitgehaald en geslagen tqpurijl men er bij op 
de hurken zit. Wat is dat? 

33. Sijaug ka£épi^ tnalam kaiéngah. ApakaA dia? Des daags 
aan een kant, des nachts in 't midden. Wat is dat? 

34. Pandang ka-atas ta^bïrdaoen , pandang kabawah ta'b'êrakar 
hoewüAnja satoe , boenganja b^riboe-riboe. ApakaA dia ? Ziet men 
orahoog dan heeft het geen bladeren. Ziet men onnaag dan heeft 
liet geen wortel, het heeft ééne vrucht en duizende bloemen. 
Wat is dat? 

35. Hajam poetih rnëbempat kaloewar pagar, Apakah dia? 
Een witte haan vliegt door de haag. Wat is dat? 

36. Anak radja mandi ta^baaah. Apakah diaf ^tnVomw^- 
kind baadt zonder nat te worden. Wat is dat? 

37. Tank akar goeno^ bhrXémbat ApakaA dia? Aan den 
wortel trekken dan jaagt een berg hem na. Wat is dat? 

38. Toepei hatoek kapala poewakaA. Apaka dia? Het eek- 
hoorntje hoest een vurige kop. Wat is dat? 

39. Serei sa^roempoen dibalik bani. ApakaA dia f Een boschje 
citroengras achter stil water. Wat is dat? 

40. Boedak birdjamboel imas, ApakaA dia f Een kind met 
een gouden kuif. Wat is dat? 

41. Toer oen boekit ^ najik boekit, ^nüénghljar boeroeng nherf\ 
fljikalati dapat dihawa batik ^ djikalau fiada dapat di/jawn bahkDQl^ 

3e volgr. IV. 4 



50 TBA^SSGRtPTtE EN VERTALIHQ. 

djoega. Adoeh Toehan^ adoek ^matl Apakah dia? Berg op, 
berg af een papegaai nazitten, krijgt men hem dan wordt hij 
mede naar huis genomen, krijgt men hem niet dan wordt hij 
ook mede naar huis genomen. Ach Heere, ach moeder! Wal 
is dat? 

42. G^loemlfang di-atas^ hoedjan dibatoah. Apakah dia? ^fm 
boven golven, van onderen regen. Wat is dat? 

43. Tijang di-ataSy atap dibawaA, Apakah dia? De palen 
boven, het dak onder. Wat is dat? 

44. P^rigi radja jang tiada p^rnah maaoek aampah. Apakah 
dia? l^en koningsbron, waarin nooit vuil konjit. Wat is dat? 

45. Oh Allah oelar^ tëtapi boekan oelaty tëtapi oelar djoega. 
Apakah dia? O God een slang, doch 't is geen slang, en toch 
is het eerxe slang. Wat is dat? 

46. Sipatnja sapMi poelau, ada toemboeh roempqet dilpe- 
wamja, ada toemboeh akarnja^ ada toemboeh kajoe bërbatang 
ditanahnja , didalamnja ada poela boetoah êoboeÜTy pada boewah 
itoe ada poela akar mêlüit Apakah diqt ? Deszelfs gedaante is 
als die van een eiland, buiten op groeit gras, er zijn wortels 
aan gegroeid, er zijn boomen met stammen aa;igegroeid op de 
aarde, binnen is opk een vrucht en aan die vrucht een kron- 
kelende wortel. Wat is dat? 

47. Kyéêoek kïréêak dalam hoetan, kaloewar tnêndjoM papan, 
Apakah dia ? Ridselen en kraken in het boach , het komt als 
plank er uit. Wat is dat? 

48. Hidam sikoer hidaniy bhiélor dihoedjoeng galah, pagi- 
pagi makan dédak, p'êtang makan naH. Apakah dia? Belu^t- 
heid. Sikoer,, belustheid , legt een ei op 4e punt van een scheep- 
boom, eet 's morgens zemelen en des namiddags gekookte rijst. 
Wat is dat? 

49. K^tjil ramboetnja scfmpoen^ êoe^ah bïaar ratnboel kïriting 
Apakah dia? Klein zijnde heef^ het sluik, groot, geworden 
krulhaar. Wat is dat? 

50. Sérêirik boekannja oelar , b'értjoela boekannja naga. 
Apakah dia? 't Heeft schubben en is geen slang, 't heeft een 
hoorn en is geen draak. Wat is dat? 

51. Toeroen boekit, najik boekit bïrdjoempa nasi sa^hidaxig- 
Apakah dia ? Heuvel op , heuvel af, men ontmoet een maal rijst. 
Wat is dat? 

5'2. Méwtah kdbawahs masak ka-alas. Apakah dia? Onrijp 
naar beneden, rijp naar boven. Wat is dat? 



Digitized by 



Google 



TRANSSCRIPTIE EN VEETALING. 51 

53. Boewahnja di-atas^ boengauja di-atas djoega. Apakah 
dia t De vrucht is boven eli de bloera is ook boven. Wat is dat ? 

54. Emaknja tinggal diam^ anakfija ik'éntjïhari tnakan, 
Apakak dia? De moeder blijft stil, hare kinderen gaan eten 
zoeken. Wat is dat? 

55. K^tjü Mfkajin kidjaUy tXsar Vérkajin meraA. Apakah 
dia? Klein zijnde heeft het een groen, groot gewotden een 
rood kleed. Wat is dat? 

56. Empat otang m^noemboek, 8a''orang mënampi. Apakah 
dia? Vier zijn er die stampen en een die want. Wat is dat? 

57. Kjéijil b^rkajin hidjau^ kalinja poeiih; b'ésar bhkajin 
koening^ hatinja hüam. Apakah dia? Klein zijnde heeft het 
een groen kleed en wit hart , groot geworden een geel kleed en 
zwart hart. Wat is dat? 

58. Bereikoefy boekannja kïra; b^érsêpit^ boehannja k^lam. 
Apakah dia? 't Heeft een staart en is geen aap; 't heeft knijpers 
en is geen krabbe. Wat is dat? . 

59. Dihoeloer-höehef , poetoes séhadja. Apakah dia? 't Wordt 
ouophoudelijk gevierd en breekt maar af. Wat is dat? 

60. DÜarik makhi djdóehy dihoéloer mdkin dekat. Apakah 
dia? Wordt het getrokken dan verwijdert het zich meer en 
meer; wordt hel gevierd dan' komt het hoe langer hoe nader. 
Wat is dat? 

61. Kajoè mati mélilit koelit karbau. Apakah dia? Dood 
hout omslingert buffelhuid. Wat is dat? 

62. Saioe roemah, ^mpat péndjoetoè, oelar bïrkMiliug. 
Apakah dia? Een huis met vier hoeken, een slang gaat er 
rondom heen. Wat is dat? 

63. Saioe boesar warnanja toedjoeh. Apakah did? £en boog 
met zeven kleuren. Wat is dat? 

64. Badannja merah, djarinja bïratoes-fatoes ^ matanja 
hiiam. Apakah dia? Het ligchUam is rood, de vingers zijn 
lionderden, de oogen zijn zwart. Wat is dat? 

65. 'liga birdjalan didépdü^ sdtoe parintah dari b^lakang, 
Apakah dia? Drie gaan voor, een beveelt van achteren. Wat 
is dat? 

66. Tatkala kUjil bïrkajin hidjau, soedah b^sar bïrkajin 
poetih^ roepanja bdgei djoéng' sar at Vérisi ^mping, Apakah dia? 

Als het klein is heeft het een groen , gróót geworden een wit 
kleed. Het voorkomen er yan is als een Chineesch vaartuig , 
gevuld met' gebakken rijstkorrels. Wat is dat? OglC 



52 TRANSSCRIPTIB EN VERTALING. 

67. Jang dihawah foéntjéhari, jang di-atas mëngamöil. 
Apakah dia? Die beneden zijn zoeken het op, die boven is 
neemt het Wat is dat? 

68. Bapaknja ménjëlam, anainja ménarik djamboel. Apa- 
kah dia? T)e vader duikt, het kind trekt zijn kuif. Wat is dat? 

69. Dimakan tcCbolih , diminoem tabolih ; djikalau tiadadia^ 
küa mati. Apakah dia ? Het kan noch gegeten , noch gedronken 
worden. Als we het niet hebben zijn wij dood. Wat is dat? 

70. Binaiang tmpai kaki ménghinggap dikajoe maü, datang 
poela doewa kaki poekoel-poekoel ta'^maéi. Apakah dia? Een 
viervoetig dier zit als een vogel op een dood hout; daarop 
komt twee been en slaat hem voortdurend, maar hij sterft niet. 
Wat is dat? 

71. Boejoeng hidjau beriêi lada hitam. Apakdh dia f Een 
groene kruik gevuld met zwarte peper. Wat is dat? 

72. Toengkat sa^batang mélilii batang. Apakah dia? Een 
stok krom om een stam. Wat is dat? 

73. Apakah Kbih tinggi daripada toedjoeh pélala langu; 
apakah tébih rëndah daripada toedjoeh pétala boemi? Wat is 
hooger dan de ' zeven gewesten des hemels ; wat is lager dan de 
zeven gewesten der aarde? 

74. Doewa ismay doewa darah diminoem; doewa bangkei 
dimakan , rahmat datang tja lari , plërkalaan bïnar disangkalkan 
Apakah dia? Twee namen, twee soorten van bloed worden door 
hem gezogen, twee so(Mi;eu van doode ligchamen worden door 
hem gegeten , komt de barmhartigheid dan loopt hij weg en een 
waar woord wordt door hem ontkend. Wat is dat? 

75. Emak saHjoempang-ljampiug , anak s'a^katak poeroe. 
Apakah dia. De moeder als vlardén, het kind als een puist- 
kikker. Wat is dat? 

76. Sijang tidoer y malam djaga, Apakah dia? Des daags 
slapen en des nachts waken. Wat is dat? 

OPLOSSING DER RAADSELS. 

1 . Satoe tahoen dëngan doewa-bïlas boelan , êaloe-ê(Uoe boelan 
dêngan liga poeloeh hari^ jang ada lima belas ditërangkan 
olih boelan^ lima belas tidak; dan lagi dëngan mala-hari, 
boelan dan binlang-binlangnja. Een jaar met twaalf maanden, 
iedere maand met dertig dagen , waarvan vijftien door de maan 
verlicht zijn en vijftien niet; bovendien de zon , maan en sterren. 



TRANSSCRIPTIE EX VERTALING. 53 

2. Boelan déngan mala-Aari, De maau eii de zou. 
8. Katoedjoek lapis langu sérta awan-awan. De zeveu heme- 
len met de wolken. 

4. Yau dit raadgiel heeft men mij de oplossing niet kuimen 
mededeelen en ook ik heb haar niet kunnen vinden. 

5. Tangan. De hand, met hare vijf vingers en vier tusschen- 
raimten. 

6. Laba-laba. De spinnekop. 

Aanm. Ramoe. De opgave in het Mal. VVrdb. van Pünappbl 
is verkeerd. Die van B. v. Eus. is beter. Het is het benoodigde 
materiaal voor het bouwen van iets. SëAaja ijihari ramoedn^ 
t)a ijéhari toekang. Ik zoek het benoodigde materiaal, hij zoekt 
de bouwlieden. P^rgi héramoey de benoodigde bouwstoffen gaan 
halen. (Hang toewah). 

7. Tëlar. Een ei. 

Aanm. Hier geldt het ligchaam van de kip ook voor een kist. 

8. Toedoeng sadji dëngan toedoeng hidang dialaênja. Een 
spijsdeksel met een dekkleedje er over. 

Aanm. Zie het Wrdb. op toedoeng. 

9. Bidji saga saboetir. Een saga-boontje. 

Aanm. Hiermede wordt het geheel roode pitje van de saga- 
poion bedoeld. De andere saga is een klimplant en levert 
kleinere pitjes die half zwart, half rood zijn. 

10. Siiai iapala. Een haarkam. 

11. Boewah méngkoedoe. De mëngkoedoe-vrucht. 

Aanm. Deze vrucht heeft den vorm van een kluitje gekookte 
rijst, dat men in de hand gekneed heeft, en groeit aan de 
uiteinden der takken.. Zij kan even als de ïérak^ voor zeep 
gebruikt worden , daar zij , met water gewreven , schuimt. De 
wortels van den boom worden als geneesmiddel en tot het rood- 
verwen van kleedjes gebezigd. (Jav. paijih dito). 

12. Orang doedoek didjamban. Iemand die op het secreet zit 

13. Kasau Véiémoe dëngan kasau. De eene dakspar ontmoet 
de andere. 

Aanm. Hier wordt van hengelen gesproken , omdat men daarbij 
deukt aan de aiap of dekbladeren, die van de daksparren als 
een snoer afhangen. 

14. Boewah nangka. De nangka-vrucht. 

Aanm. Hier wordt eigenlijk gedoeld op de nangka-pitteu , 
die in vakken of kamertjes zitten en gezamenlijk door den schil 
van de vrucht worden omgeven. Nangka is een geheel auderöglc 



54 TRANSSCRIPTIE EN VERTALING. 

vrucht dan de zuurzak, die uangka toolanda genoemd wordt. 
Ook de beide boomen verschillen in alle deeleu. 

15. Lajang-lajang. Een vlieger. 

16. Boelan. De maan. 

Aanm. Hier denkt men aan de kwartier-maan, daar deze in 
vonn overeenkomt met een uitgestoken stukje kokosnoot en deu 
zeilenden schijnt te verzeilen. 

17. Pokoi-nanas, De ananas-plant. 

18. T^boè jang dimakan orang. Suikerriet dat gegeten wordt. 
Aanm. In Indie is men gewoon het suikerriet te schilleu, 

in kleine stokjes te snijden en het sap daaruit te kaauweii. 
Het drooge uitkaauwsel werpt men weg. 

19. Firada gïtisii. Klatergoud. 

Aanm. gïrisik en tkënggerisik is ridselen, zooals de bladeren 
aan de boomen. 

20. Orang niendjala. Iemand, die met een werpnet vischt. 
Aai^m. Zoo iemand is genoodzaakt dat net telkens als eeue 

gordijn voor zich te houden, terwijl hij door het water waadt 

21. Ora7ig méndjaring. Iemand die met een zegen vischt. 

22. Batoe giling. Een wrijfsteeü. 

Aanm. De batoe giting is een langwerpig vicrkajite gehouwen 
steen, ruim een voet lang en ruim J voet breed. Daarop ligt 
over dwars een ronde steen. Met dezen laatsten wrijven de inlan- 
ders hunne specerijen op den eersten fijn. 

23. Séndoek. Een lepel. 

24. LÏ9t)eng. Een rijstblok. 

Aanm. Dit blok dient niet om rijst te dorschen, zooals het 
Wrdb. opgeeft, maar om haar te stampen. Er is een groot, rond, 
van ondfer naauw toeloopend gat in dat blok ; dit vult men 
met ongepelde rijst en stampt die dan met een zwaren stok tot 
de doppen er af gaan. Ook gepelde rijst stampt men er in om 
die wit te krijgen. 

25. Méiyoetjoek Aidoengy maia Vérajar, In den neus steken 
dat het water uit de oogen komt. 

26. Orang b^rtënoen. Iemand die weeft. 

27. Tongkoe. DHe steenen voor treeft dienende om een 
kooksel op te zetten. 

Aanm. De tien , die overreiken , zijn natuurlijk de tien vingers, 
die den pot vasthouden bij het op vuur zetten. 

28. Doetoa séhadja. Slechts twee. 

29. Tcüada mlah. Hij is niet schuldig. zedbyGoOglc 



TRANS8GRIPTIÈ ÈH VEKTALING. 55 

liö. Tiifa jang iinggal. Er blijven drie. 

Aanm. Iinggal heeft eveii als ons bUjven ook de beteekeuis 
van sneuvelen, omkomen, sterven. 

3^. Njamoek, Eene inug. 

32. Biêi. IJzer. 

Aanm. De Maleische smeden zitten bij hnn werk op de hiuken 
en niet alleen de smeden , maar ook de andere handwerksliedien. 
Wanneer zal dat volk opstaan? 

ZZ.' PinÈoe dan lagi kaki (J>a,mar pon bolih. Eeue dear; ook 
kan men er een toortsstandaard voor nemen. 

Aanm. De maleijers verlichten hunne woningen des nachts 
met oen toorts van hars in bladeren gewikkeld. Deze plaatsen 
zij op een voetstuk, dat zij daartoe in den grond midden in 
het huis steken. Des daags wordt dit voetstuk aan een kant gezet. 

34. Datjiug, Een unstei:. 

Aanm. J)e daljing of unster bestaat uit een lange gladde stok, 
die op een zeker punt van een oog of ring is voorzien om 
(laaraan te kunnen hangen. Aan het kortste einde van deze balans 
is een haak waaraan men het te wegene bevestigt. Aan het 
langste ande is een gewigt dat men verschuiven kan. Dat ge- 
deelte waarover het gewigt loopt is aan drie zijden met strepen 
en sterretje of puntjes geteekend, die het aantal pikoePs en. 
kati^s aanwijzen. Deze unsters worden meestal dooc Chinezen 
vervaardigd. 

35. Orang Vérloedah. leqnand die spuwt. 

Aanm. Het spog is de witte haan, de haag zijn de lippen. 

36. Këladï. Eene soort van eetbaren wortel, die in een 
moerassigen grond groeit. (Jav. kimpoel,) 

Z% B^hajl. Ben spinnewiel, 

38. Boelan masoek , matahari kaloewair. De maan gaat onder, 
de zon komt op. 

Aanm. Dit raadsel heb ik niet begrepen. Kapala poewaka 
slaat natuurlijk op de vurige opgaande zon ; maar hoe de maan 
bij een ioepei hatoek te vergelijken is, vat ik niet. 

39. Boeloe k^üai. De oksel-haartjes. 

Aanm. bom is gelijk pérbani^ de stilstand, dien men in het 
water waarneemt tusschen eb en vloed of vloed en eb. Hier 
schijnt het te doelen op de borsten. 

40. Njala péliia. De vlam eener lamp. 

41. Orang Vérdjalan^é^jalan, kakinja kêna do^i. Iemand die 

uit wandelen gaat en wiens voet door een doorn gekwetst ^ordtQole . 



56 TRANÖSCUIPTIF. KM VF.RTAT.tNO. 

42. Orafig méngajak iêpoeng. Tomand die meel zeeft. 

43. Tangkoel.. YleiM totebel. 

44. Boewak nijoer. Een kokosnoot. 

Aanin. Hier wordt gedoeld op het water, dat in de kokos- 
noten is. 

45. Saroeng oelar. Een slangenhuid. 

46. Hajam. Een hen. 

47. Orang méngambil djakas atau pandan dihoeian ^ ^fahe 
dipérboewalnja tikar. Iemand gaat biezen of pandan-bladeren in 
het bosch halen en maakt er vervolgens eene mat van. 

Aanm. Djakas is eigenlijk geen biezen, maar eene soort van 
plant , die veel voor het vervaardigen van matten wordt gebruikt. 

48. Hajam. Eene hen. 

Aanm. Dit raadsel is moeijelijk in het Nederduitsch weer te 
geven. Sikoer is eene zamenstelling van koer^ de gewone kreet, 
waarmede men kippen roejit, met si, dat ook wel voor namen 
van personen gebruikt wordt. Met galak wordt hier de bam- 
boezen stok bedoeld, die regtop in den grond staat en waar 
bovenop een mandje is aangebragt in den vorm van een om- 
gekeerden kegel, waarin de hen hare eijeren legt. Dat de kip 
's morgens zemelen en 's avonds gekookte rijst eet , komt daar 
van daan , dat zij 's avonds het * overschot van den maaltijd 
ontvangt, dat toch niet bewaard zou kunnen worden. 

49. Djagoeng, De turksche tarwe. 

50. Boewak nanas. De ananas-vrucht. 

51. Orang b^rdjalan bïrdjoempa tdhi lêmboe. Iemand die 
wandelt en koedrek ontmoet. 

5£. Boewak malaka. De malaka-vrucht. 
Aanm. Deze vrucht, onrijp zijnde, zinkt als zij in het water 
valt, rijp zijnde drijft zij boven. 

53. Boewak sétoe. De setoe-vrucht. 

Aanm. De 9éioe is een soort van waterplant, een soort van 
wier? 

54. Mariam. Een kanon. 

Aanm. De kogels zijn hier de kinderen, die het vlee^ voor 
het kanon gaan zoeken. Dit raadsel is niet van de minst aardige. 

55. Lada êjina, Spaansche peper. 

56. Andjing, Een hgnd. 

Aanm. De vier die stampen zijn de vier pooten, de een die 
want is de staart, die heen en weer zwaait. 

57. Boewak Vétik. De papaja- vrucht. oigitizedbyGoOglc 



HUNSSCHIPTIK ËN VËRTAtlNG. 57 

Aanm. Deze vrucht is inwendig hol, welke ruimte oiigevuld 
is uiet kleine ronde pitjes ter grootte van peperkorrels. Jong 
zijn die pitjes wit , oud geworden zwai*t. 

58. Orang ijma. Een Chinees. 

Aanm. Hier wordt gedoeld op de staarten, die de Chinezen 
van hun hoofdhaar dragen en op de stokjes , waarmede zij hunne 
spijzen nuttigen in de plaats van onze vorken. 

59. Orang boewang ajar Sëêar, Iemand, die een groote 
boodschap doet. 

Aanm. Voor het doen van een kleine boodschap zegt men 
boewang ajar KéijiL Wil men beleefd spreken tot of van hoog- 
geplaatste personen , dan zegt men iasoengei tëaar en kaeoengei 
keljil. 

60. Zajar pérahoe. Een scheepszeil. 

61. Bébana. Een tamborijn. 

62. Kajoe héndoeL Het raam van balken, dat op het fon- 
dament van. een gebouw gelegd wordt en waarop het huis komt 
te staan. 

63. Pïlangi. De regenboog. 

64. Halipan, De duizendpoot. 

65. Kapal. Een schip. 

66. Laboe poetih. De witte laboe-vrucht. 

Aanm. Hier wordt met imping op de pitten gedoeld. 

67. Hajam. Eene kip. 

Aanm. Die zoeken zijn de pooten , die 't aanneemt is de bek. 

68. Orang méndjala ikan. Iemand die met een werpnet vischt. 
Aanm. Eigenlijk het werpnet zelf, dat het water ingaat, en 

dat bij zijn pluim of kuii door het touw weer naar boven 
wordt getrokken. 

69. Ada orang iaia djiwa, ada jang iala aff^i». Sommigen 
zeggen de ziel, anderen de wind. 

70. Gïndang aiau ribana dipoekoel orang. Een trom of 
tamborijn door iemand geslagen. 

71. Boetoah bïlik. De papaja-vrucht. 
Aanm. zie n». 57. 

72. Oelar. Een slang. 

73. Sa orang jang r^ndak kali dikadapan Allak dan »<i orang 
jang nombong. Iemand die nederig is voor God en een hoog- 
moedige. 

74. Ar tin ja malam (Tingan sijang ^ telek ïmak dikUap^ 
flaghg dan ikan dimakan , djikalan koedjan daiang^i^f4fQqy£^q\^ 

3e Volgr. IV. 5 



58 TtlAllSSCtllPTlB 1?N VBtlTAT.lNG. 

tërlindoeng, dan pêrkataan mati itoe liada manoeêia sötka 
tnénéngar dia. Dat is dag eu uacht, de borsten der moeder 
worden gezogen, vleesch en visch gegeten, komt de regen dRn 
vlugten wij en het woord dood hoort geen mensch gaarne. 

75. Dcu>en, djamboe Kêling. Het blad van de Klinganesche 
djamboe. 

Aanm. De kaiak poeroiSy püistkikker, wordt zoo genoemd 
omdat hij vol pukkels is. Tjoewpaif'g-tjamfnng is aan vlarden, 
vol scheuren en gaten , b. v. maka Aadji Hoe mémakei pake^an 
tjoempang-tjamping , en die bedevaartj^üger gebruikte kloederen 
vol scheurt^n en gaten. 

76. Djeitgkénk, Een krekel. 

MALBISGHB KINDERSPELEN. 

Anggok-anggok sëmoending. • 
Anggók-anggok sëmoending; Sëmoending shnoe daja. 
Dalang beroek boenting^ Ménggojang-gojang iangga, 

Tangga êiapa ini? Tangga n mérpatiy 

Mërpaüi-mërëpali , dfêngkoedoe niaêak Éapohon. 

M^ndjadi ta^mhidjadiy Bri tahoe sama Oeloen. 

Oh tébahy oh tébaht Si-Oeloen mënljoeri Ubah. 

Ta'iitik^ taHajoen, Këra méndjadi monjet. 

Eene vertaling van dit stukje te geven, die een eenigzins 
goeden zin heeft , gaat niet aan. Zoo is het ook met de overige 
stukjes, waarom ik ze allen onvertaald laat. Over de uitspraak 
der woorden heb ik naauwkeurig met mijne schrijvers geraad- 
pleegd, zoodat mijne transscriptie daarmede geheel in overeen- 
stemming is. Eene goede verklaring van alle woorden heb ik 
evenwel van hen niet kunnen krijgen, en geen wonder. Gelijk 
in de onze, komt ook in de Maleische kinderliedjes menig 
woord voor, dat de zangers zelf niet verstaan. Tajoen is hier 
eene verkorting van Üérajoen. 

Bovenstaand liedje woi^dt gezongen bij eene soort vaai spook- 
spel , waarbij van een der kinderen de oogen en ooren met een doek 
worden digt gebonden. Het geblinddoekte kind wordt door de 
anderen onophoudelijk geplaagd, tcJtdat het woedend wordt, als 
wanneer het voor spook wordt gehouden. 



' Na den eersten regel die te lezen, wellie er naast staat en zoo 
vervolgens. Dit geldt ook voor de andere stükjeg,^.^.^^^ ^^QqqqI^ 



TEANBBCWÏTIE BK VIUTAT.INO. 59 

Tjang-ijimg &iJkoe rimbht^ Boewak l-aloe dari tëlaiang, Boeha 
jütjah iiffak m^UAaé , Akoe tatoea^^ akoe simbat, 

Tjaioeng-tjatoeng siapa tj)ipat dia méloempat. 

Dit stukje wordt mede gezongen bij een soort van spel, 
waarbij men eene vrucht moet zien te pakken krijgen, terwijl 
men op den rug van een ander wordt rondgedragen. De betee- 
kenis van icUoetig moet hard ualoopen en die *van dmbai in 
eens grijpen zijn. 

Ping kilang^ patah pahoe; lialam ibing éjariaioe; H'indak 
ping, Kéndak kilung. 

Dit wordt op de vingers van een hand uitgeteld. Komt het 
laatste woord op den middelsten vinger , dan is dat de man , 
die het eerste zich wegstopt , vervolgens rekent men op dezelfde 
wijze, totdat alle spelers zich weggestopt hebben op twee na. 
De beide laatsten rekenen uit wie hunner jdch zal wegstoppen 
door alleen op den wijs- en middelsten vinger te tellen. Daarop 
gaat de eenig overblijvende zoekcui. Vindt hij er een dan wordt 
deze zijn plaatsvervanger, en hij mag zich nu op zijne beurt 
verstoppen. 

Pak-pak hëlang. 

. Soewal. Oh nenek, oh nenek! apa digali Hoe? 

Djawab. Mtnggali mata koennjit. 

Soewal. Boetoat apa mata koennjit? 

Djawab. Boewat obat kajam boeta, 

Soewal. Apa Kéita ha jam boeta? 

Djawab. Dijfambar hHang sa^malam. 

Soewal. Dimana iidoer h^lang? 

Djawab. ïHpokok kajoe ara. 

Soewal. Dimana tidoer boedjang? 

Djawab. Dibilik anak dara. 

Dit liedje wordt door ecnige kinderen gezongen , die elkander 
van achteren vasthouden, even als bij ons //hansje sokken, 
trekken bij de rokken.// ffij ioopen rondom een, die op zijne 
hurken in de aarde zit te graven of krabben en de nenek of 
het grootje genoemd wordt. Deze moet de achterste van den 
trein, de anak dara of maagd, trachten te grijpen. Gelukt haar 
dit, dan moet de gegrepene hare plaats innemen en het grootje 
wordt dan maagd. Onder liet draaijen gaan zij nu en dan zitten , 
terwijl de maagd aan het grootje haarolie, eene kam, oogen^glc 



60 TRAN8SCU1ÏTIF. RN vïhtalino. 

zalf, kleederen, een ring, ja, alles wat voor een huwelijk 
noodig is , vraagt. Op alles wat gevraagd wordt moet het grootje 
aarde geven, die het met de handen loskrabt. Hierna begint 
de maagd te smalen op het gegevene , waardoor het grootje 
kwaad wordt en haar tracht te vatten. 



Djang-ffjang sapandjaug djalan^ Djalan kabodang bading, 
Apa diboewai kabodang bading P At^nljari lêmboe kilang. 
Brapa eikoer banjaknja P Sd^raloes aambilan poeloek. 

Brapa lebar iapaknja P Sa''lebar daoen tjapa. 

Brapa b'êras Vëkalnja ? Sa'ganiang olang aling, 

Kakak kambing Sifiêlang tidak diroemah. 

SibMang birtandang desa , Masoek koeboe, masoek Ij^mpirei, 

Tahi ianljoer bïrpérei'pérei, CAlaêi pandfang djanggoetnja, 

Habis noêi di-angkoetnja. 
Aanm. Dit is alleen een zangspelletje voor meisjes. Bodang- 
bading schijnt de naam van eene plaats te zijn. Olang-aling 
houd ik voor heen en weer geschud. *Stó?/a«^ is de gevlekte geit, 
b^rtandang tot zijn vermaak rondloopen, deêa het platte land. 

Tjok-tjok këndoeng atau sëladang moeda 

Tjok-tjok kéndoeng^ Kindoeng bïrtcdi-tali^ 

Salimpat daoen bakoeng, Anak poenei radja walt. 

^lam-^iam bongkok. Karakap daoen Umau. 

Siapa {érsoengkoe. Ditangkap hanioe rimau. 

Dit liedje is bij eene soort van tijgerspel in gebruik. Het 
wordt op de vingers uitgeteld tot dat er een overblijft. Deze 
wordt tijger en moet op handen en voeten loopen en de anderen 
hij de hielen trachten te pakken. Ondertusschen trachten dezen 
Jiera stuk te houwen door onder het loopen met den kant van 
de hand op zijne rug te slaan. Hij , die door den tijger gepakt 
19, wordt op zijne beurt tijger en zoo voort. Wanneer de tijger 
mis grijpt roepen allen tot hem: êéladang moeda ^ d.i. de jonge 
i^tpringer. Séladang beteekent op handen en voeten springen, 
moeda ^ de jonge, onervarene. 

Pong ëlong-ëlong. 

Pong ïlong-'élong , K^rinting jang-jang , 

K'élapoek Itéhek-h^loek^ Mhigarak minjak sapi^ 

PHjah iéiof *fl'Ai'^iJ5,,edby Google 



TBANS8CRIFTIE EN VERTALING. 61 

Dit wordt gezougeu bij een spel evcii als ous '/torentje, 
torentje bosschekruid,// waarbij de vuisten van eenige kin- 
deren op elkander worden gezet. Bij het laatste woord moet de 
onderste vuist er uit en bovenop gebragt worden. Vervolgens 
leggen de kijidereu hunne handen plat op elkander en zingen 
daarbij : 

ham-iram pisang j Pisang masak sabidji. 

üatang hïri-bhi. Ménggonggong hawa lari. 

Bij het laatste woord gaan al de handen te gelijk in de 
lioogte. Vervolgens worden zij met de pinken aan elkander ge- 
haakt , zoodat zij een kring vormen , wat augkei-angkei périoek 
genoemd wordt en daarbij dit gezongen: 
Angkei-angkei prioeky Prioek daiang dart Djavoa^ 

Dalang ïmak süjaboeky Mémhawa kUam sa' eikoer ^ 

Akoe bïmbatn api njala^ Kerétik k'êretoek gam-gam. 

Daarop worden alle handen losgelaten en gaan de spelers met 
de regterhand op het hoofd en de linkerliaud onder den r^er 
oksel zitten en zingen nu: 

Apa duljoenéJjoeng Hoe? Tahi asoe di boewang dibalik 

Apa dikilik? Pisang masak, boekit 

Minla sa'bidji? Ambillah, 

Minia sa'bidji lagi? Takoei mar ah nenek. 

Dimana nenek? Dibalik apoeftg. 

Apa diboewaé dibalik apoeng ? M^mboewat alap. 
Boewal apa alap? Memboewat balei. 

Boewal apa balei? Nïkah sikafjoeng dêngau sikoe- 

Bageimana boenji bëdilnja? Ijing. 

Daarop laten allen den oksel kraken. Vervolgens leggen zij 
de eene hand op de mat en de andere op den schouder en 
zingen: 

Sétéébang s^néboe koewala sawaky IJoedfan boenoei mandi 
kalon. Sirih lampin pinang poelri. Sintak pêloek tangan 
ta'bilaA. 

Bij dit laatste woord worden al de armen snel over de 
borst gekruist. Daarop worden de gekruiste armen door de 
twee t^n elkander gedrukte handen van een ander geslagen en 
gevraagd: 

Koiak apa ini? Kotak bïsl, Bolih tidak masoekf Bolih, 

Daarop wordt aan de ellebogen getrokken om de armen open 
te krijgen en hiermede is het handsplletje , dat met Pong 'élong- 
Hong begint, geëindigd. oigitizedbyGooglc 



6^ 



TRANSSCRIPTIK KN VERTALING. 

Tjok-tjok këudëriug. 



Tjük'tjvk kéndêrvig^ 
Radja aana radja ainiy 
Kena apa batoe pending? 
Jang doedoek ditebing 
Bïranak radja paetëru* 
Ngong-ngong paijaJt Uling. 



Goemilang goemélanting. 
Bérdjoewal batoe pending. 
Këna gelang ri Mêriding^ 
Berlaki-laki kêling, [ngan. 

Ambong koennjió^ ambong bara- 
Ini menaky ini menak, ini menai 
ini raioe^ aamalam lagi 



Dit lieèye, mij door deu datoek Ibuahiic va» Pëujeugat op- 
gegeven, wordt door meisjes bij eeii huimer speleu geKongen. 
Welk spel dit echter is beu ik nog niet te weten gekomen. 

Hajam tërgemboel-gemboel. 



Hajam tërgemboel-gemboêl , 
'Pelik saboenga fnêluer ^ 
Tebaug Céboe b^ioeng ^ 
Indik radja toenang^ 
Tikam ioedjoeh g^loeng^ 
Bérdjaga ménengok waja^ig ; 
Tabir aa*balik pinioe; 
Takoet ditlmpa tëmbing^ 
Mthjak didalam piring ^ 
Banjak orang niêugiritig ^ 
Radja Amat radja mïlwngsi^ 
Kaki diaa'bMah kiri^ 



Hajam tërkandoeng anak, 
Kirim aama mak Andak, 
Biaandar dipohon pinang. 
Toenang lanang bodok, 
Afalam iidak iidoer^ 
Wajang aa^balik dinding, 
Timang anak datoek» 
Lémbing boevmian Sijarn. 
Teboe didalam raga^ 
Adat dia radja 

Radja mengadjak b^rtoekar kaki. 
Kaki diaa^belaA kauan. 



Giling-gilifig aapi^ 
Dimana kïling mati? 



Bïrboeloe tëlinganja. 
Di&oeloe kampoeng tjina. 



Tak aikoe titak, Tinggiling di balik dapoer ^ 

Afidk'dara hendak niengidak^ Koeliling tjekari kapoer. 



Daug lendoet tali keijapi, f^éroet kerm jang aoeka hati. 



Tvmang-titimug üfiggi, 
Belom toeniboeh gigi^ 



Najik ijoetjoer atap; 
Pandei batja kitab. 



Oavg aintak^ dang kéaintoel^ Tangan pandaJk daki dféndoel 

Digitized by V^jOOQ . 



TEANSSCRIPTIE EN VEKTALINO. 63 

Tiniang-tunang tmggi^ Najik para taboe , 

Djatoei ierdjilepoet^ Basah kajin badjoe. 

Bovenstaande deuntjes worden door de moeders gezongen als 
zij met honue kinderen op den arm spelen. 
Mana lenggok bakau tjoendoeng ^ üAj tih. 
Mana lenggok djïmalang hoelang^ iih^ tik. 
Mana lenggok tjindei haloeSj tihy tih. 

Wordt door de moeders gezongen om het kind in slaap te krijgen. 
Tong-tong lodak Todak ürkaioeng-katoeng ^ 

Bimana ménetigok boedak , Boedak m^ndjoeloetig djantoeng? 
Ujantoeng siapa int f Djantoeng toewan Dj^laneL' 

Üfélanei mana f Mhak mana f 

Djoeloeng-djoeloeng këladi, Kïladi b^noeanja. 
Soesoe emak adi Bagei boelan poemdmanja. 

Télak tïmbh'au^ Dhandar batoe litjin, 

Meniékik ménd^dau^ Opah gMang dan tjintjin. 

Tong-tong aleiy Alei koe-pa^ggang Hsik^ 

Akoe toentoeng^ akoe saleiy Akoe péngap dalam bilik, 

üit deuntje wordt dpor een vader gezongen, terwijl hij zijn 
kiud. op zijjae r^ uitgestrekte heenen heeft zitten en deszelfe 
haudjes vasthoudende het zoo op en neer laat wippen. Témberau 
is eeue soort van boom, ^hid^dau^ hard huilen, schreijen. 
Dai'dak kambing ; Kambing maian tjépédak. 

Kajin Ijompang ijamping Orang lidak AëndaL 

Jé soerakan orang. Si itoe (idak maloe, lidak dojan. 

Dit zingen de kinderen elkander toe om te plagen. 
Djoeng-djoeng kapal; Kapal dalang dari Bhiggala, 

Boenji gendang dari koeala: Paijak lé-lé-lé goem. 

De laatste uitroep driemalen herhalen. Dit wordt door de 
kinderen gezongen als zij op een afgevallen palmblad zitten en 
zich verbeelden schuitje te va^n. 

Namen van benige kindjbrspeijin. 

Serimban , een soort van bikkelspel , dat aldus ges[}eeld wordt : 
Eeiiige steentjes worden op de vlakke hand gelegd, dan in de 
lioogte geworpen en zooveel als mogelijk is op den rug der 
hand opgevangen.- Al die daarop blijven liggen heeft men ge- 
wonnen. Van deze neemt men dan een om, zooals bij het bik- 
kelen, de anderen die verstrooid zijn, onder het opvangen van 
dien eenen op te rapen. oigitizedbyGoogk 



64; TKAN8SCRIPTIE EN VKRTAUXG. 

Majln ^uedoük-Hoedoek. Eene hoeveelheid /<?/jii- schelpen wordt 
over den grond gestrooid en dan door de spelers met een der- 
gelijke schelp een voor een opgelepeld. Die het meeste opschept 
is de winner. 

Majin katak. Wordt, even als het vorige, met ^ji»^scheli)eii 
gespeeld. Deze worden op eene rei gelegd. Een daaronder is 
gevuld met slijk. De spelers moeten een voor een opnemen. Hij , die 
de met slijk gevulde treft, heeft verloren. Soms zet men er geld op. 

Sepak ëérandoeng. Wordt gespeeld door 8 kinderen , waarvan 
de eene vier op den rug van de andere vier zitten. Zij stellen 
zich aldus in een vierkant en wisselen geregeld van plaats. 
Chidei-tusschen gooijen de gedragen wordeuden, elk op hunne 
beurt, met een opgerolden doek naar een der anderen, die ge- 
dragen worden. Yangt hij dien, dan mag hij blijven zitten; vangt, 
hij hem niet, dan moet hij er af en zelf drager worden. Hij, 
die den doek tusschen de twee en tienmalen achter elkander 
gevangen heeft, wordt ook zoovele malen op den rug zittende 
rondgedragen, dikïlirikkan, 

Loempai iijoeng. Touwtje-springen in een koord, dat door 
twee in de rondte geslingerd wordt, even als bij ons. 

Majin hajam. Wordt door twee groote partijen, elk van 
ongeveer dertig jongens gespeeld. Deze stellen zich tegenover 
elkander, waarop elke partij een uit haar 'midden kiest, die 
met een kajin saroeng overdekt wordt en voor kip moet spelen. 
Beide kip})en worden nu door iemand, die hen geleidt, in de 
opene ruimte tusschen de beide partijen gebragt. De leidsman 
van de kip der eene partij moet dan op het geluid van de 
stem af den naam trachten te weten te komen van de kip der 
andere partij. Daartoe laat hij hem kakelen. Krijgt hij dien te 
weten dan is de kip voor hem en hij vermeerdert er zijne bende 
mede. Krijgt hij hem niet te weten dan keeren beiden tot hunne 
partij terug en kiezen andere kippen. 

Majin timpoeng. Wordt gespeeld met een gladden, ronden 
steen, iimpoeng geheeten, ter grootte van een mans vuist, 
waarmede men naar een stokje, dat in den grond gestoken is 
en djih genoemd wordt, werpt. De spelers zitten daarbij op 
elkanders rug. Raakt de gooijer dan wordt hij aldus rondge- 
dragen. Raakt hij niet dan moet hij er af en wordt op zijne 
beurt drager. Bovendien heeft men bij dit spel nog eene berekening. 

Majin porok. Zie de aanteekening op mijne Maleische spreek- 
woorden no. 157. 



Digitized by 



Google 



ÏRAXSSCKIVTIE KN VERTAMXG. 65 

Majin gasing. Tolspel. De tollen iii ludie worden niet bij 
de pnut, zooals bij ons, maar bij den kop opgewonden. Ook 
hebbeu de Idaleijers geen drijftolleu. 
Majin hangoes = Tjang-tjang Moe rimbat, 
Majin mé^ighljar-ngidjar. Krijgertje spelen. Zooals bij ons. 
Met het volgende deuntje wordt onder de kindereu uitgeteld wie 
het wezen zal: Sama loewei^ Kétilir bantei^ tjaboet méligei, 
ééroenei bantei, kérenjoet tok iing. 

Tot zoover hetgeen ik over de Maleische spelen en kinder- 
liedjes heb mede te deeleu. Ook de Javanen hebbeu de hunne^ 
die soms veel overeenkomst met de Maleische bezitten. Daar de 
aandacht tot nogtoe daarop niet is gevallen, geef ik hier wat 
ik er van te weten gekomen ben. Voor de juistheid van het 
Javaansch durf ik echter niet iu te staan. 

Met het Maleische ping hilang komt overeen het Javaansche 
djïmbèrèUan ^ waarbij op de vingers van de opgehouden hand 
wordt uitgeteld de syllaben van: 
Blèk-blèk salira^ êapa dadija toekoeppa, ^ 
Het Maleische Pak-pak Allang gelijkt veel op het Javaansche 
Boenioel'boenloeUan loewé^ Annjükot bofmloeUé déwé^ waarbij 
de kinderen elkauder van achteren vasthoudende een kring vormen 
eu zoo, onder het opdreuuen van deze woorden, in de rondte 
draaijen. Yan het grootje eu de maagd komt er echter niets in. 
Pong ïlong-ïlang vindt men terug iu het Javaansche /«/ö«ii^- 
culoeng; këmbang galak, kembang gadoeng; kïtjoeboeng tak 
éla-éla; tuembak dawa oelÉssana^ Uër-Lïr^ méuijokka doewoer. 

En zoo is het Maleische angkei-angkei périjoek wéér gelijk 
aan het Javaansche Oedr-oetér king, waarbij gezongen wordt: 
Oei^éf-oeiêr king^ 
Tak olak ali ambing^ 
Tak podi kala djéngkar^ 
AwaT-awaTy 
Pandjang sétra^ 
Lo déngkék ring bahita^ 
Tak ré rS moeng^ 
Tak ré rè goeng , 
Dj^ngkawak anggé-a/nggé ^ 
Anggénné kaki Ubbé^ 

* De a in een open eindlettergrecp als de Gcldersche ao in vaoder uit 
te spreken. Door gebrek aan de noodige gekroonde letters kan de ü;ans- 
criptie van het Javaansch niet zuiver zijn, oigitized by vjOOQ IC 



66 TilANSaCRlPTlK BN VEttTAUNG. 

Léhhé'Uhhi tUgawé^ 
Merang êoengsang^ 
Ké(telé lagi kémbang^ 
Düjoeljoek manoek podang; 
Kolaug kaling 

Sapa wanni noembak maling- 
Tak doek doek djèr! 

Eeu aardig spel ouder de JavaneQ is het aanzoek om eeu 
huwelijk, dat door opgeschoten meisjes gespeeld en atoer-tUoer 
genoemd wordt. Zij bezigen daarbij een tot een platten koek 
opgerolde en met een speld vastgestoken taléndang ^ die door 
liet voorste meisje op de platte, opgeheven hand gehouden eu 
rondgedragen wordt. Eeu trein van anderen volgt , die als zij aan 
de plaats komen, welke zij voor het hais der bruid houden, 
dit opdreunen: 

Aloer aloer ieméwloer tatnpannana toe pèrès, Ilikoe sapa, 
kikoe sapa hobjak-objak lawaug djaba , kakaug sélo hing donnok. 

Koela nikt, tUoerrannïpoen kapitan dalüm. ^ndika melebel, 
endika mêW^L Lauoang kori kauljiug u?esi. ^ndtka lenggaA^ 
^ndika lênggakj bali sidji ioempang loro; ïndika moetjang^ 
^éndika moetjang , éoeroh koening djdmbé wdngèn. 

Hierna begint het weer van voren aan. 

Als de Javaausche kinderen twist met elkander hebben en 
wéér vrede maken zingen ze elkander het volgende toe: 
Pring pring saoT^ng; Sidjgtak nj onding njanding^ 

Woh^ wok, loalangkoe gamboA, Sidjotak ngadjak toawqh. 
Ja toek , ja ioek gïntoerfa , Omah tjilik pagar bata. 

£eu liedje, dat door hen op de bijen gezongen wordt, luidt 
aldus: 

Goewoekkan, goewoekkan^ hidjok ^udjokkan^ 

Adja gawa gawa kénne. G.awa^a hing pasar gïdé^ 

Sifig akèh doedoehhé iapé. Soerak hapa ? soerak jé! 

En eindelijk dat, wat zij in de waclithuisjes op de rijstvelden 
roepen, is van dezen inhoud: Soelah soelah manoek bondol ^ 
imprit peking adja ijoetjoek tjoetjo.ek parinné. Tjoetjoekken 
oeVérré bahé. Tjes, ploek ploek! tjes^ ploek ploek! Dit laatste 
is het antwoord van de vogels, waarvan tjes het geluid vanden 
bondol' en ploek-ploek van den ij%ploekkan\Qge\ is. 



Digitized by 



Google 



HERBERT DE JAGER. 



In deze Bijdragen ^ plaatsten wij vroeger eeuige bijzonderheden 
betreffende dezen Oriëntalist, gedurende den tijd dat hij op kosten 
der Oost-Indische Compagnie zijne aangevangen studie te Leiden 
voortzette en in het jaar 1662 volbragt. Tn dit jaar vertrok 
hij naar Indië, met de iluit de Ooijevaer^ met den rapg van 
onderkoopman. Ileeren Bewindhebbers schreven zijne komst aan 
Gouverneur-Generaal en Baden van Indie in de volgende be- 
woordingen: * 

«'Boven of benevens Jacob van Almonde, eenige maanden 
geleden onder een traktement van f90 per maand, als koopman 
aangenomen , staat UE. met de schepen van deze equipagie mede 
toe te komen eeneu Herbertus de Jager van Zwammerdam, 
hebbende e^jiige jaren tot koste van de E. Comp. op de univer- 
siteit tot Leyden gestudeert, voornamelijk in Mathesi en Ocien- 
taalsche talen, waarin hij zoodanige progressen heeft gcd^ftn, 
dat hij daarin al vrij excelleert en uitsteeckt, gelijk hij in de 
kemiis van de Fortificatien , item Botanica en Astronomie mede 
verre geadvanceert is. 

Wij hebben hem gedefereert de kwaliteit en gJ^e voor onder- 
koopman, om in Indie gekomen wezende, bij UEd. te worden 
gebruikt daartoe UE. zullen oordeelen zijn persoon bekwaam 
te wezen. Als rector of opziender in de nieuwe op te rigten 
Ijatijnsche school zoude hij lichtelijk mede goede diensten kunnen 
doen ; zoo ook 'in het trauslateren van alle Maleische geschriften, 
daartoe hem de kennis van de Arabische talen groote awüaiding 
zal geven.'/ 

^ Nieuwe volgrecks, 4e deel, bly. 17 en vv, 

MSSept 1662. OigitlzedbyGoOgk 



68 HEUBERT DE JAGER. 

De kamer Ani8terdnin werd gemagtigd hem te voorzien van 
de noodige boekeu eu iiustrumenteu, en van eeuig geld tot zijne 
uitrusting, waartoe van we^ de kamer, de Heeren van het 
Pakhuis eu de Advocaat van de Comp. gecommitteerd werden K 
Welke boekeu en instrumenten hem werden medegegeven wordt 
uiet opgegeven. Ook w^erd de Jager door de Ifewiudhebbers 
dezer kamer vrijgesteld van het stellen van een borgtogt 
waartoe hij anders door zijne betrekking van onderkoopman 
verpligt was. * 

Aanvankelijk bestemd om naar Indië overgevoerd te worden 
met het schip Durgerdam^ schijnt hierin verandering te zijn 
gekomen, daar er een brief aanwezig is door hem op de fluit 
de Ooijevaer geschreven. Volgens het uitloopboekje der schepen 
liep dit fluitschip beuevens de schepen Durgerdam^ Elseuburgk 
eii Ifoogkarspel den 29 November 1662 uit Texel in zee. 

De brief waarvan wij hierboven melding maakten werd door 
hem aan de Bewindhebbers van de kamer Amsterdam uit zee 
op 49*» 10' N. Br. Lezard N. O. ten O. 7 mijlen, geschre^ 
ven ' en behelst een kort verhaal van hun wedervaren tot aan 
het einde van het Kanaal. Den 1 December waren ze 's nachts 
het Vrouwenzand bewesten gepasseerd, «rmeenende alzoo mede 
buiten gevaar van de zorgelijke Vlaamsche en £ngelsche banken 
geraakt te zijn.^ Maar die gunstige gelegenheid veranderde weldra, 
de wind begon te schralen, zoodat zij w^der naar de Hoofden 
moesten wenden en de Noordzee inloopen, waar zij de geheele 
maand December met stormweer lagen te worstelen tot den 
3 Januarij, toen ze een paketboot ontmoetten die het Qoeree- 
sche gat poogde in te loopen. Zij besloten dit vaartuig te volgen , 
vooral omdat het aannam — bij gebrek van loodsen — de 
Ooijevaer binnen te brengen. In den nacht begon evenwel de 
wind stijf uit het N. O. te waaijen, zoodat ze van de goede 
gelegenheid gebruik maakten weder naar de Hoofden te loopen, 
en in drie dagen tijds van den mond van de Maas tot voorbij 
Goudstaart * liepen , toen het stil werd en zij met helder en 
klaar weder tot voorbij Lezard dreven, waar zij een schip 

1 Resolutie van de XVII van 16 en van de kamer Amsterdam van 18 
September 1662. 

* Resol. van 13 November 1662. 

' Deze brief is gcdagteekend den 7 September «in grooten haast» Dien 
haast zal vermoedelijk oorzaak zijn geweest dat hij zich vergist heeft en 
waarschijnlijk 3 Januarij zal moeten zijn. 

* Startpoint. oigitizedbyGoOglc 



pniaideD dat naar het vaderland vertrok en zich met de over- 
brenging van den brief wilde belasten. 

De Oaijevaer kwain 10 April aan de Kaap de Goe^e Hoop, 
van waar het. den 17 daaraanvolgende de reis naar Batavia 
met eenige andere schepen voortzette en op den 21 Jnnij voor die 
stad ten anker kwam. 

Bij zijne aankomst aldaar werd de Jager bij provisie als 
perste klerk op de algemeene secretarie geplaatst, waarvan Gou- 
verneur Generaal en B. v. Indië, bij hun schrijven aan de 
vergadering van XVII van den 3 September 1668, in de vol- 
gende bewoordingen kennis gaven : 

>!^Tot het oprigten van een bekwame school voor de jeugd, 
om de goede lieden de oorzaak te benemen hunne kinderen 
naar het vaderland te zenden , hebben wij tot nog toe zoo be- 
kwame stof niet kunnen nitvinden als wenschen. 

^De onderkoopman de Jager, met de fluit de Ooijevaer uit- 
gekomen, die UE. daar eenigzins toe schijnen gedesigneert te 
hebben, is bij provisie als Eerste klerk op onze secretarie ge- 
steld, om bij de werken te blijven en bij voorvallende tot 
hooger diensten gebruikt te worden. «r 

Tot in het jaar 1665 was hij nog ter secretarie van Gouvem. 
Gener. en Eaden van Indië in dezelfde betrekking werkzaam. 
Er is een brief van hem voorhanden van 31 Januarij van 
dat jaar en door hem aan de Bewindhebbers ter vergadering 
van Zeventienen geschreven. Deze is ons belangrijk genoeg voor- 
gekomen om in de Bijdragen te worden opgenomen; men ziet 
daaruit hoe hij over zijne betrekking denkt, en op welke wijze 
hij zijn tijd wil besteden, als ook hoe het met zijne kennis 
van de Maleische taal staat. Hij vraagt daarin verhoogiug 
van rang en gagie, daar hij met zijn inkomen van onder* 
koopman, wil hij met aanzienlijke lieden omgaan en buiten- 
dien niets bezit, bezwaarlijk kan rondkomen. De gedachte 
hieraan zoude hem al dikwijls hebben doen wenschen dat 
hij het professoraat (P) te Duisburg niet had laten varen waartoe 
goede vooruitzigten bestonden; maar de vele weldaden die hij 
reeds van de Bewindhebbers had genoten, deden hem hopen 
dat zij zijne belangen niet uit het oog zouden verliezen. 
Gaarne stemmen wij toe dat het inkomen van een onderkoop- 
man — veertig guldens in de maand — al vrij sober was voor 
iemand, die eene wetenschappelijke opleiding had genoten; het 
was toch slechts vier gulden meer dan een ziekentrooster, maaiOglc 



70 HfSftBieRT DK JAOCH. 

vijftig gulden minder dan een Predikant ontving die voor rle 
eerste maal naar Indië vertrok. 

In September 1665 vertrok de Jager naar Persië met Hujbert 
de Lairease, die den Directeur Hendrick van Wyck in deze be- 
trekking moest vervangen; wij verbeteren tevöns hiermede wat 
wij vroeger op het gezag van Yalentijn hebben gemeld , dat de 
Jager reeds in 1668 zich in Persië bevond* 

Het is welligt aan zijn vertrek derwaarts toe te schrijven, 
dat hij geen gevolg heeft kunnen geven aan zijn voornemen, 
werken over de beoefening van het Maleisch te schrijven, opdat 
die taal op de' akademiën nevens andere Oostersche talen zou 
kunnen gedoceerd worden. Alvorens echter over te gaan tot de 
mededeeling van den brief van de Jager aan de heeren Zeven- 
tienen , komt het ons — met het oog op het weinige dat er 
van hem bekend is — niet ondienstig voor, kortelijk op te geven 
waar hij zich in Indië ssoo al heeft opgehouden, en welke werk- 
kring hem in der tijd is aangewezen geworden; een en ander 
voorzooverre wij dit uit de papieren der voormaiige O. I. 
Ck)mp. konden opmaken. 

Wij maakten reeds melding dat de Jager in de maand 
September 1665, met den nieuw benoemden Gouverneur ter kust 
van Persië, Huybert de Lairesse, derwaarts vertnA, Te Gamion 
den £4 F<^ruarij 1666 aangekomen, vertrok deze reeds spoedig 
naar I^ahan, om aldaar ingevolge zijne instructie den vorst te 
b^roeten en eenige taken, den handel betretiende, te regelen. 
Hij werd op desce reis behalve door zijn gewoon gevolg, ver- 
gezeld van de Jager en den eersten «dsistent Bejnier Gasembroot. 
Doch alvorens te vertrekk^ had de Jager reeds gelegenheid 
gehad eene proeve te leveren van fijne kennis der Oostersdie 
talen, door het vertalen van eenen brief, door den Iman van 
Maseate aan den Directeur van Wyck geschreven, behelzende 
eene uitnoodiging om aldaar handelsbetrekkingen aan te knoopen. 

Toen de Lairesse in Ispahan was aangekomen, waar Boothais 
de belangen van de Comp. waarnam , hoorde hij van .deze dnt 
het hof zich i£ ii 14 dagreizen verder het. land in, ophield, 
Koodat de Lairesse verk)f aan den vorst verzocht hem aldaar 
te mogen volgen, hsetgeen hem werd toegestaan. Hij veorzuimdc 
dan ook niet zoo spoedig mogelijk zich derwaarts te besfeven. 
Na eenig oponthoud in het leger van den koning t-e hebben 
gehad, werd hij tot dien vorst en zijne voornaamste raads- 
persoiien toegelaten, waarmede de verschillende aanhangig 



RÏIRBERT Df! SAQVsVL. 71 

zaken vnj spoedig en ten genoege van de Lairesse 
werden afgehandeld» Bij zijn vertrek werd hij door den 
Torst met prachtige geschenken vereerd, en ook de Jager 
en Casembroot, die hem steeds bij de af te leggen bezoeken 
hadden vergezeld, werden met een opper* en onderkleed van 
gond- en sdlverlaken begiftigd. 

Nauwelijks was de Lairesse in Ispahan terug of men vernam 
aldaar de tijding, dat de vorst overledei) was en zijn ondste zoon tot 
zijn opvolger was benoemd. De Lairesse was de eerste der aldaar 
verblijfhondende Europeesche natiën , die den jongen vorst met de 
komst op den troon gelnk wenschte, terwijl hij het genoegen had 
(Ie vcT^kering te ontvangen dat alles op den bestaanden voet zou 
blijven en de verkregen firmans zouden worden nagekomen. 

De Lairesse spoedde zich naar Gamron terug, daar reeds 
weinige dagen na zijn vertrek van daar, de Directeur van 
Wijck was overleden; de Jager werd aan Boothals tot zijn 
tweede persoon (secunde) toegevo^. 

Weldra betaalde ook de Lairesse den tol aan de natuur, hij 
overleed den 17 Pebruarij 1667; tengevolge van dit overlijden 
vertok Roothals van Ispahan naar Gamron, ten einde voorloopig 
het bestuur der zaken aldaar op KÏch te nemen; terwijl hij de 
Jager als zijn opvolger in het besrtuur te IspahaTi benoemde, 
mm wien de adsistenten Georg Wilmson en Reynier Casembroot 
tot hulp werden toegevoegd. 

De Jager bleef in deze betrekking tot het vooijaar van 1670, 
toen hij op zijn verzoek van daar naar Gamron terugkeerde, om 
over Coromandel naar Batavia te vertrekken 5 want daar de tijd 
waarvoor hij zich in 'sComp. dienst verbonden had reeds een 
geruimen tijd was verschenen, had hij aan den nieuwen Öouvemenr 
IJnbrnnd Goske meermalen verzocht om bij Gouve^. Generaal 
en Kaden op zijne verlossing naar bet vaderland aan te dringen * . 
Bi] een schrijven van de hooge regering van 7 September 
1669, werd de Gouverneur Goske gemagtigd aan het verzoek 
van de J;iger gevolg te geven. Dientengevolge vertrok deze op 
den 6*ien Mei 1670 iwet het jacht Nicuwenhoven van Gamron naar 
Paliacate, de hoofdplaats van het Gouvernement op de kust van 
Coromandel , om van daar verder zijïie reis naar Bntavia te ver- 
volgen *. Doch bij zijn aankomst aldaar schijnt het dat het 

' Brief van IJsbrand Goske van den 18 Junij 16G9 nan de h. regering. 
^ Brief aan de h. r. van den Oonverneor Van der Dussen die Goske in 
het bentuur was opgevolgd. DigitizedbyGoOglc 



den Gouverneur Aiithonie Pavilioen gelukte hem voorloopig van 
zijn besluit af te brengen , want deze schrijft aan Oouvemeur 
Generaal en Badeu op den 1 Julij van dat jaar: 

//De onderooopman Herbertns de Jager blijft alhier dit jaer 
noch over, om mede gebruijckt te worden tot de begroeting van 
den coningh van Gk)lconda, als grondich lesen en schrijven 
kennende de Persiaensche tale.^r 

Tot het doen dezer begroeting was de opperkoopman Pieter 
Sraith bestemd. Doch het duurde nog een geruimen tijd alvoreus 
de reis naar Golconda een aanvang kon nemen; niet voor 
den 17 November 1671 werd zijne instructie vastgesteld, 
waarin ten opzigte van de Jager deze woorden voorkomen: 

//In dien't gebeurt dat UwE. in de Hoo&e begroeting of 
comtoirs visite of eenige andere onverwachte zake ijets van 
belang voorkomt, waerover bij resolutie zou moeten worden 
geraedpleegt, zoo zal UwE. daartoe als Kaadsluyden bij een roepen 
de voornoemde residenten in Golconda, gevende rang tnsschen 
hen beijden en den koopman en diamantkoper Sr. Jacobos 
Bruijnzeel, zo hij dan aldaer ook mogt present wesen en den 
onderkoopman Sr. Herbert de Jager , die met UwE. mede zal op- 
reijzen om zijn grondige kundschap niet alleen in 't spreken 
van de Persiaense tale, maar ook inH lesen en schrijven van 
dien promptelijk. Daer benevens gaet den gezworen klerk Jo- 
hannes Pavilioen ook mede om als secretaris en kassier te dieneu./y 

De uitslag dezer zending was niet gelukkig, zoodat Smith 
den last ontving van den Gouverneur Pavilioen om het verder 
beloop der aanhangig zijnde zaken aan de opperhoofden van 
Golconda overtelaten, en na hen van eene instructie daaromtrent 
te hebben voorzien, naar Paliacate terug te keeren, waar hij 
den 14 November 1672 arriveerde. ' 

De Jager bleef nu vooreerst op Paliacate werkzaam, waar 



* Het rapport van zijne zending is nog aanwezig. Zie ook Yalentijn, 
5e deel, Ie boek, fol. 63 over de opzending van Smith; de (laar opgege- 
ven data zijn evenwel onjuist. 

In het R. Arch. is onder no. 1077 van den inventaris der kaarten, eerste 
gedeelte, eene zeer fraaije kaart aanwezig van de reis van Smith die 
zeer uitvnerig bewerkt en met aanteekeningen voorzien is. QqI^ 



sdert èenigeu tijd en elders op de kust J^.eeif veel drukte 
hoerschte, door de kouist der ïrauscheji, onder het bevel vau 
den Luiteut. Generaal de la Haye op Ceilon en op de kust van 
Cororaandel. In verschillende betrekkingen was de Jager der 
Comp. dienstig, zoo wel met zijne kennis van vestingbouw als 
die der verschillende talen enz. Zoo werd hem onderanderen 
opgedragen het ontcijferen van een brief, door de oj)perhoofden 
vau Mazulipatuam naar Paliacate gezonden, en waarover wij in 
huanen brief van den 12 Julij 1673 aan G. Gen. ei\ R. v. I. 
geschreven, het volgende lezen: 

'rNader blijckende bij twee brieven , die door den Heer Direc- 
teur Baron > , zoo als hij uijt Zuratta met 3 schepen , te 
weten E fluiten en een jagt, voor St. Thomé gecomen was, 
aen den vise Roj (La Haje) alhier ter reede liggende , geschre- 
ven sijn, met seecker boot, gemant van Frauschen, eudewaerop 
was een toevertrouwt persoon Monsieur Herpin, om dien brief 
aen meergemelte La Haye te bestellen; doch gecomen wesende 
omtrent Dieuw, zoo is hij aldaer in d'rivier geraeckt en nevens 
de geene (die) hij bij sigh hadde, aen land gecomen wesende, 
door d'inwoonders gevat gewerden ende gesamentUjck geboeijt 
herwaerts overgebracht. 

D'selve visiterende soo hebben de voorn, brieven van Baron 
f^'evonden, waer in bij een appendix gestelt waren verscheiden 
cijfferletters en caracters die niet conden verstaan worden ; maer 
den Havildaer ons alles toesendende, lieten't ten eersten copie- 
ren, naer dat we ten principalen den inhoudt hadden begrepen 
van alle 't geen in Frans geschreven was, en't wierd gesonden 
naer Palb'ateatta om door den ondercoopman Sr. de Jager aldaer 
getranalateert te werden, die zijne stuljdie maeckende op de 
caracters, ook d'ontbindinge en ontcijöeringe daervan uijtge- 
vonden heeft, als UE. Gr. Achtbaerheden bij d'copien in desen 
gevoecht sullen vinden gedeclareert , dat hun opgeven vau 24* 
schepen in korten tijd op de kust te krijgen, gelijck in den 
brief buijten de caracters geschreven was, t'eenmael wert ver- 
nietigt, om dat den Franschen Ck)ningh sijne magt in Europa 
wel van nooden hadt, maer ^t hij Baron, dit maer proforma 
hadde geschreven, om off d'briefl* door d'een offc d'ander moght 
onderschept worden ende sijn mesuren in H maeckeu van de 

' I)eze Fraiifois Baron niet ie verwarren met den Hollandschen Fran^ois , 

Caion, die met de la Have uit Frankrijk in Indië was gekomen. OglC 

3e Volgr. IV. • 6 . 



74 ttlSRMItT Ün lAOBH. 

vrede met den Coningh van Golconda sich ie» ie beter te 
kounen voegen; apparent om dat in den vorigeu brieif stondt, 
die bnijten de caracters gelezen coude worden, dat zijn ExcelL 
niet alleen meester oonde worden van de gantsche cast Oor- 
maiulel maer ook van Golconda en van meer andere plaet^eii 
als H maer van sijn begeerte was, en^t.// 

In de maand October 1673 vinden wij de Jager in het Ic^r 
voor St. Thomë ' waarvan de voortzetting der belegering, door 
het vertrek van den Raad van Tndie^ Super Intendent en Admi- 
raal Rijcklofl* van Goens, aan den Gouverneur Anthony Pavilioeii 
werd opgedragen. Het was van Ooens die voor zijn vertrek de 
Jager tot koopman bevorderde, bij de volgende resolutie: 

//Herbert de Jager van Swammerdam, Anno 166fS met de fluit 
de Oaijepo^fT voor onderkoopman è f 4G ter maend in Indie aen- 
gekomen, dewelcke bevonden werd te zijn een goed ingenieur, 
werdende bovendien door sijn vevscheijdene taalkunde in vele 
occasien omtrent de Mooren et& geemploijeert, tot welke geroelte 
diensten den selven in desen tijde, dat sijn dienst noodig hebben, 
aentemoedigen en sijnen ijver te doen voortvaren, insgelijoks met 
advijs van Raede verstaen werd, hem te defereren de qualitetjt 
van koopman absoluit, onder een maendelikse besoldinge van 
8eventig guldms, welke gagie gemeent werd door hem in dese 
occasie wel sal worden verdient, mits daervoor gehouden sal 
blijven d'E. Comp. de novo drie achtereenvolgende jaren U die- 
nen, en sich allomvne en op alle plaetsen sal moeten laten ge- 
bruijcken, qualiteit, gagie en verband ingaende primo September 
deses jaers dat den optocht naer herwaerts gepraepareert is. 
Aldus gedaen , gearrest. en geresolveert enz. In 't veld-leger voor 
Meijlapoer desen (S) October 1673./» 

Toen de stad St. Thom^ op den 6 September 1674, bij 
acooord in onze handen werd gesteld, was de Jager een vau 
de onderteekenaars van onee zijde. ^ 

I Deze stad was een paar jaren te voren door de Franschen ingenomen. 

* Er is nog van hem aanwezig: c Rapport door den koopman Herbert 
de Jager en secretaris Nicolaea Rn^jser, begde door den Heer Anthoni 
Pavilioen, Raed van Indiê, Gouverneur en Directeur van de kust CorroaB- 
del en de resorte van dien, expres gecommitteert aen den lieer Miersa 
Aboel Hasen, Lieu tenant Veldoverste van geheel Karnatik, om zijn Ed. 
ten principale aftevragen naer ceeckere negotiatie, die volgens de verclaring 



In het vooijflar van 1675 werd hem te Paliacate het bestuur 
over de munt opgedragen ; du kwam echter niet overeeu niet 
de bedoeÜDgen die de Hooge Regeering te Batavia met hem 
had, want ofschoon zij bij hun brief naar Coromandei den 4 
Novefflbef 1675 schreven ffètd zij approbeerden dat in plaats 
van den overleden koopman Johauues Pavilioen (al in Maart in 
Paliacate overleden) aan den koopman Herbert de Jager de 
mant is aanbevolen ff voegden zij er echter bij : ff doch daar zijn 
dienst op Ceilon vereischt wordt (zal men) hem met de eerste 
gelegenheid derwaerts zenden. /r 

In den afgaanden brief naar Geilon van dej^elfde dagteekening 
schreef de Hopge Regering omtrent de Jager dan ook hei vol- 
lende: ^Den coopman Herbert de Jager, die op Paliacate veel 
minder in de ^Idmunterij te doen heeft als hij andersins doen 
kan, en wiens vaerdigheid in 't aenleeren van alle Indische talen 
alwat verre boven 't gemeene gaet; behalven dat hij volgens 
getuijgenis van den heer van Goens van afiabelen omgang met 
de Inlanders is, verstreckende voor een ingenieur met een; voor- 
uamentiïjck in 't aenl)onwen van de stercktens daer men voor 
geen vijand hoeft bevreest te wezen en onbecommert zijn werk 
doen mag; wetenschappen en qnaliteiten die zoo wel als zijne 
goede stadiën op Ceijlon veel beter knnnen te stade komen als 
op Cormandel in 't casteel Gelria, hebben wfj goetgevouden 
daerom naer Geijlon te Verplaetsen om bij UEd. zoodanig te 
worden geemploijeert ab de dienst van de Comp. meest zal 
vereijsschen. Wiet twijfelende of UEd. zullen daeraen een goed 
minister hebben, en met aenwas van ervarenthetjd veel hulp in 
de justitie en de landregeering van hem trecken, in welcke 
gfivalle, dewijl wij aen zijn goed comportement niet twijifelen, 
wij hem aen UEd. in der beste voege gerecommandeert houden.'/ 

Intusschen was er door de Jager geschreven aan de Hooge 
R^ring te Batavia * naar aanleiding van een verschil tusschen 
hem en den Gouvemeut Goske ontstaan , toen hrj nog te Ispahan 
raet de leiding der zaken aldaar belast was, en wel over een 
wissel van f I2(W, die door de Jager beweerd werd dat ten 
onrpgfe op zijne rcfkening was gesteld. * 

van een seeckere Braraien, tusschen zijn Ed. ter eenre en den Heer La 
Haye, Lientenant Oénerael wegens Sijne Majesteit van Vranckrijck in 
In4iê ter andere zijde ondernomen is geWeest." Den 6 February 1674. 

' 28 Mei 1675. 

* Deze gelden sproten voort uit een faillissement van een der Inlandsebe j 
p-ooteft aan wien <tie waren verstrekt. DigitizedbyL^OOgie 



76 ItÈABfekT m lAÖEft. 

Het komt ons onuoodig voor dit schrijven in zijn geheel hier 
over te nemen, alleen zullen wij voor zoo verre hij van zich 
zelf spreekt en de redenen opgeeft, waarom hij indertijd zijne reis 
naar Batavia niet heeft voortgezet, het een en ander uit zijn 
schrijven aanhalen. Na onder anderen gezegd te hebben, dat een der 
redenen waarom hij verzocht naar Batavia te mogen vertrekken 
hierin was gelegen , dat hij aldaar al de papieren zou vinden 
die hem tot zijne verantwoording dienstig waren, /^zoomede 
mijn volkomen liberteijt tot mijn verantwoordingh sonder de 
minste becommeringh uijttestellen, en ondertusschen niet meerder 
van dese saek bij sijn E. den Qouvemeur Qoake, te reppen, 
doordien daer mede geen voordeel maer wel de irritatie van siju 
E<)s. gemoedt conde voorsien die mij voor al te mijden scheen, 
alsoo ick met sijn E. op eene bodem onder sijn magt en gewelt 
most overvaren// , vervolgt hij : 

//Aldus gingh ick dan in Comp. van sijn E. met het jacht 
Nieuwenhoven van Persiën t'zeijl, met die meeningh om daer 
mede naer Batavia getransporteert te werden, maer gelijck dese 
bodem de custe van Cormandel en passant aendede en d'iuci- 
denten, de dispositie en het voornemen somtijds detoumeien, 
alsoo geraeckte ick oock bij occasie van de vastgestelde besendingli 
aen den Golcondase coninck, die doen seer nae aenstaende scheen, 
op Paliacatta aen landt, om deselve begroetingh ten inaichte 
van mijne middelmatige kennisse in de Persiaense tael mede 
bij te wonen. Maer al soo het hiermede vrij langer aenliep als 
de verwachtingh wel was geweest en ick daer nu mede geënga- 
geerd was, soo bleef hier ook al dus al gaende w^h oontinu- 
eeren, echter met dese resolutie, om naer de voltreckingh van 
die opreijse mijne voijagie verder naer Batavia te vervolgen, 
om daer dan mijn defentie jegens de belastingh van voorsch. 
wissel te doen enz 

Doch na de a^elegde commissie aen dat Hof, heeft deze dis- 
positie van mijn vertreck almede geen voortgangh gehadt , door 
dien dat jaer mits den opgerezen Fransen oorlogh alhier geen 
scheepsgelegentheijt voor en quam, en de cours van de saeken 
in Nederlant oocq 't zedert mijn inclinatie van te repatrieeren 
voor eeuige tijt terugh gestelt; mitsgaders de daerop gevolgde 
blocquade van St. Thomé mij gelegentheijt van employ ver- 
schafte, eu Sijn Ed. d'Heer Raedt ordiuaris van Tudie, Super- 
iuteudeui en Admirael Rijekhoö' van (Joeus, laij ten dien opzigte 



HERBBRT DE JAGER. 77 

met een honorabel advancement met Haer Ed. Ho.-Agtb. hoog 
gunstigh approbatie daermede bevestigt, heeft gelieven te bene- 
iiceren. Zijnde daerop voorts gevolgt dat ick naer de verovering 
van die stadt door faveur van Sijn Edele de Heer Anth. Pa- 
vilioen, Raed van Tndic, Gouverneur en Directeur van de con- 
aderabele custe van Cormandel en den resorte van dien , hier in 
Rade getrocken en nu onlanghs ook tot opsiender van de im- 
portante munt deser plaet^e gestelt ben geworden , versoekende 
Haer Ed. Hoog Agtb. nu ook bi] dese occasie in alle gedien- 
stigheijt en nedrighei jt , dat de gedane collatie van deze chargie 
met Haer Hooge aeusienlijke approbatie gelieven te confi mieren. 
Vertrouwende dat Ilaere Edele Hoog Agtb. haere hoogwaerde 
gratiën en benefitien aen niemandt sullen besteden die deselvc met 
meerder estime, respect en sentiment als ick can ontfangen. De 
voorschr. vaste bedieningh nu en de gelegentheijt die ick in mij 
bevinde, om in den dienst van d'*E. Coinp. indien deselve aen 
Haer Eds. Ho.-Agtb. welgevalligh is nogh voor eenigcn tijdt te 
continueren , doet oock mijn reijse naer Batavia voor een wijl 
uit den sin stellen, en uu met eenen de middelen in't werk stellen 
die dienen om van voorschr. belastingh bevrijt te blijven enz. ' 



Om daer uyt — zoo vervolgt hij — een relaes van mijn 
Hdministratie , met de motiven en justificatie van dien't zcdert 
mijn residentie in dat Comptoir (Ispahan) als Hoofd, tot mijn 
vertrek van daer te foumeeren , hopende daervan aen Haer Ed. 
H.Agtb. ten genoegen te sullen betonen, dat ick in 'tstuck van 
vlijt, ijver, trouw en de ordinaire vereyschte diensten, mitsgaders 
in de conduicte van de hoofdbesoignes naer de prudence ende 
de circumspectie van de saek met eenige van mijn voor- of 
uazaten absit, invidia et gloria dicto sal connen compasseren, 
behalven nogh d'advantagie die mij de Persiaensche taelcunde 
hoven anderen verleent heeft. Welcker kennisse ende bevorde- 
ïingh van de ordinaire diensten en bijsonderlijck van ,de affaires 
ten Hove aldaer van soo groote emporte is, buyten nogh de 
meriten van mijne geringe studiën, die groot vermogen hebben , 
om sigh daerdoor bij die natie, die 't tweede in goede agtingh 



* Het nitecnzetten der redenen die hem verpligtte om wat ampelder 
papieren te verzoeken als juist tot de verantwoording van voorgen. 
noodigwas, . °'3'^"^''^ 



78 HRHBERT DE J^EU. 

houden in estinae te brengen en oocq be^nt'te roaeken. ' . . 



De vacante van de tweede plaets van de Fersise directie die 
door het overlijden van den coopman Wilmsou voorgevallen is, 
verweckt in mij oocq een inclinatie om deselve tot bevordering 
van mijn intrest bij desen in alle gedienstigheijt cni nedrighejt 
te ambiëren indien dezelve nogh niet gesuppleert is, biddende 
Ilaer Ed. Agtb. oversulx dat mijn ervarenheyt van het oomptoir 
Spahan en de prerogativen van mijn Persise taelcunde , alsmede 
mijn experientie in de uegotiatie met de Moren, die bij Sijn 
Ed. d'Heer Superintendent hooggemelt, al voor een groot fonda- 
ment van mijn verbeteringh, uytwijzende de acte en de resolutie 
daervan, verstrekt hebbeu, oocq bij Haer Ed. U. Agtb. in 
gunstigh reguart mogen comen, en aldus ten dien respecte de 
becleedingh van dat comptoir in qualiteyt van Hooft neveiw 
de titul van de secunde in de Persise directie aan mij goeder- 
tierentlijck magh toegevoeght werden ^ ; sullende die gratie met 
alle ijverige en getrouwe diensten tragten te verdienen, en indien 
dit employ reets mogt vergeven zijn, dat Haer Ed. H. Agtb. bij 
de eerste openstaende gelegentheijt van die functie mij dierwegens 
in favorabele gedagtenisse believen te houden, soudende bij 
soodanigh een gunstige beneficie het zenden van de versogte 
papieren oocq geexcuiseert blijven ^ 



En dit is 't geene dat ick onder 't welmeenen aen Haer Ed 
H. Agtb. nodigh geaght hebbe in alle gedienstigheijt eu eerbier 
digheijt voortestelleu , biddende daer op favorabele reflectie te 
nemen en dat de prolixiteijt van deze regelen uijt het esolair- 
tissement (?) van de motiven en circumstautie der saeck veroor- 
siiekt, sigh niejb en gelieven te laten verdrieten, mitsgaders met 



^ Volgt opgave welke stukken hij verlangt 

' En marge van deze regelen, had de Gouverneur Pavilioen het vol- 
gende geschreven en ondert. : Ed. Hoeren int overlesen van dit versoek- 
schrift, vindt ik m\j aengaande niets te noteren, dan dan ick den suplt. 
houde voor een man die d*UE. Comp. in veel hoger cherges wel souw 
cuunen dienen als in syn tegenwoordige alhier van de opsigt der munte, 
waertoe wel een ander bequaem persoon souw uyt te vinden syn indien 
't van UEd. believen mogte wesen hem na Persia te beroepen. 

s Door zijn onzeker verblijf had hy tegen het aanvragen dezer papieren 
nog al opgezien, enz, DigitizedbyGoOglc 



H£EB£AT DB JAGEB* 79 

Haer £d. H. Agtb. hooghaeiisieulijke goedertierentheijt te pas- 
seren, indieu icq in het favorabel expreseren van mijne quali* 
teiten en diensten buyten de palen van mijne gewone modes^ie 
getreden heb, akoo het selve in sulck een geval als dese voor 
geoorlooft geagt wert, gelievende het selve aan mijn candenren 
een billijcke ijver tot voorstandt van mijn eer te t'attribneren ; 
gelijck icq ook bidde , da4; de terman die onkent d'E Heer Goske 
gebraij<^e, aen Haer £d. H. Agtb. mede niet aeustotelijck mogen 
voorcomen; alzoo deselve h propos van het subject t'eeuemael 
applicabel sijn , en ick deselve sonder de geregtige patrooinie van 
mijn eygm saek in *t geheel of ten deele te distitueren, niet 
eii hebbe cunnen nalaten ; verclarende daerin soo veel moderatie 
gebruijckt te hebben als mij eenigsins doeuelijk is, gelijck icq 
souder dese nootsaeckelijckheit daar niet soude teegecomen hebben, 
houdende sijn £. voormelt buyten dese controveraie altijd in een 
eerbiedige en lespectueude memorie. // 

Aan het door hem gedaan verzoek naar Fersië verplaatst te 
worden werd geen gevolg gegeven, evenmin om naar Ceilon 
te vertrekken ^ zoo da4 hij op de kust werkzaam bleef. Zoo 
werd hem onderanderen in 1677 eene commissie door den 
Gouverneur Gaulier opgedn^n , om zich met deu onderkoopman 
Nicolaes Clement te begeven naar het leger van deo vorst 
Suwagie M^gaiaüe, die zich destijds ophield in de binnenlanden 
vaa Visiapoer^ ten emit hem van wege de Gomp. met het voort- 
durend geluk zijner wapens te begroeten , hem eenige geschenken 
over te br^uigeu , en te trachten onderhandelingen aan te kuoopen 
rakende de leverantie van koper te Wiugurla, en de confirmatie 
van eene vorige chaul of verlof om in die landen koopmanschap 
te drijven. 

In de2e commissie schijnt hij , volgens het schrijven van den 
Gouverneur Gaulier, naar het genoegen van deze niet geslaagd te 
zijn. In een brief aan de Hooge Begeering schrijft deze : //Herbert 
de Jager heeft in dese commissie door zijn verrigte gansch geen 
coutentement gegeven, heeft niets verkregen// *. Ook had hij 
buiten noodzakelijkheid de som voor de geschenken bepaald, te 
lioog opgevoerd, en veel te groote staatsie gevoerd, door de veele 
Hollandsche soldaten en Inlaudsche dienaren die hij medege- 
nomen had enz. 



' Zie bl. 75. 



^ Den 8 Oktober Wl, meer uitvoerig i» 4ie« vao 31 Januari) 1678l j 

Digitized by VjOOQ IC 



80 HERBERT DE JAGER. 

In een zeer uitvoerigeu brief * komt de Jager op tegen de 
beschuldigingen door den Gouverneur tegen hem ingebragt, 
vooral ook omdat hij hem niet in persoon had gehoord en zijne 
terugkomst van de hem opgedragen commisisie afgewacht, ten 
einde datgene te wederleggen waarvan hem den Gouverneur 
beschuldigde, / 

Gouverneur-Generaal en Raden waren mede niet tevreden 
met het schrijven van den Gouverneur Caulier , daar zij de/iCn — 
na bre(»dvoerig over de zaak van de Jager geschreven te hebben — 
eindelijk nog schrijven *. //Wij sullen dan met verlangen afwagten 
wat verantwoordinge den meergemelte de Jager alsmede d'op|jer- 
lioofden van Tegenepatnam, wegens deze groove overtredingen 
voor den Raet van Justitie aldaar zullen hebben gedaen, en hoe- 
verre d'Comp. over deze quade gangen ontheft en tot last van 
de schuldige gebragt zal zijn geworden. Wij meenen evenwel 
indien UEs. bevelen en ordres in deze zaeken met meerder 
ernst waren vereenigt geweest, dat de onderhoorige haren pligt 
wel beter behartigt zouden hebben, inzonderheyt in het opont- 
bieden van de Jager , 't welcke indien het zoo leyt gelijck UE. 
daervan schrijven een ongehoorde stoutigheijt wezen zoude, die 
niet zonder ernstige correctie kan verbeterd worden.// 

Deze zaak bleef lang slepende en niet voor den 20 September 
1680, leest men in een brief door den President Hartsinck aan 
de Hooge Regering geschreven, dat hij — de Jager — een 
weinig tijds voor het overlijden van den Gouverneur Caulier, 
van de tegen hem ingebragte beschuldiging vrij gekald was. 

Toen men het voornemen had zich door verrassing meester 
te maken van het fort der Franscheu te Pondichery , werd de 
Jager, — als met name genoemd door Gouverneur Generaal en 
Raden van Indie — • ^ door den Gouverneur Caulier afgezonden 
om de positie van het genoemde fort te verkennen, daarover 
een rapport uit te brengen * en inmiddels zich te begeven naar 
Nagapatnam, om aldaar aan den tot hoofd der expeditie be- 
stemden kapitein — van Ceilon verwacht wordende — de noo- 
dige inlichtingen te geven. 

Hoe wel de aanslag ook overlegd was, mislukte die echter, 



^ Aan Gouverneur-Generaal en Raden van Indië van den 45 October 1677. 

« 4 Junij 1678. 

' Bij hunne missive van 1 Junij 1678 afzonderlijk. 

* Ilij deed dit, doch zijn rapport is niet aanwezig. 



Digitized by 



Google 



HEKBKHT DE JAGEB. 81 

daar de sche{)en die het volk zouden overvoeren , door tegenwind, 
stroom en stilte belet werden den wal te naderen, zoodat de 
Franschen , zoodra de scliepen in het gezigt waren gekomen , het 
fort verlieten en de wijk in een nabijgelegen bosch iiamen, 
hetgeen ze sedert eiken nacht deden om niet overvallen te 
worden. ' 

Naar aanleiding eener door het Bestuur te Batavia bepaalde 
uadere regeling der ambtenaren op de kust van Coromaudel, ont- 
ving de Gouverneur Caulier last om den koopman de Jager 
"inette eerste gelegentlieijt herwaerts aen te laeten comen om 
bij voorvallende gelegentheijt te worden g'emploijeert.i' * 

Doch vooreerst zou aan deze order nog geen gevolg gegeven 
worden; want de Gouveraeur schreef den 25 Maart 1679 
naar Batavia, dat hij onder nadere goedkeuring aan de Jager 
had toegestaan tot het vertrek der uaastvolgeude schepen nog 
(e HK^n overblijven ; dat hij zijne betrekking als muntraeeester 
reeds had overgedragen en hem geen kostgeld of rantsoen meer 
verstrekt weitl. 

De gouverneur Caulier overleed den 5 November van laatst 
genoemd jjiar, zijn opvolger met den titel van President was 
Willem Carel Ilartsinck. Deze schreef den 25 Maart 1680 dat 
hij ten gevolge van overlijden enz. eenige veranderingen in het 
waarnemen van eenige betrekkingen had moeten maken. Zoo 
liad hij tot Fiskaal benoemd den onderkoopman Zachens van 
Ileossen, omdat Seroyen daartoe niet inclineerde en «'den 
coopman de Jager was absent en werd buijten dien geconsidereert 
voor een reijsvaerdige, hoe wel t'ae^timeren voor (?) een persoon 
die door nauwe en langhdurige mitsgaders ijverige enquestc deser 
landen en landaerts, de E. Comp. alhier bijzonder in veele 
gelegenheden te stade comen can.// 

De Jager was namelijk ten dienste der Justitie met den 
onderkoopman en fiskaal van Heussen in commissie gesteld, zich 
naar Tegenapatnara te begeven, ten einde nader onderzoek te 
(loeit in de zaak van het gewezen opperhoofd aldaar, Albertvan 
Weede , den pachter Malle Purmael , ^ den inlandschen bediende 
Wierapa enz. beschuldigd wegens malversatiën in den kleeden- 
handel. 



' Brief van Caulier aan de Hooge Reg. van iO Nov. 1678. 

* Missive van 24 Julij 1678. 

* Ook geschreven Malica Purmal. oigitized by vjOOg IC 



82 HERBSBT D£ MG£B. 

« Hij werd ten dien einde van eene instructie voorzien, 
waarin de volgende woorden worden aangetroflei] : 

«Hetgeen U£. tot een begin ter hand sal hebbeu eu dienen 
te nemen, aglit ick niet uoodigh in 't breede eu omstandelijck 
UEd. voor te schrijven, als sijnde door stadige bijwooniuge des 
Uaeds geuoegsaem daervan geiuformeert, en zullen de docomeuten 
die 13 £. nevens desen ouder register worden ter liaud gestelt, 
aenwijsan hunne gebreken en waer eu hoedauigh zij te heistellei) 
eu volmaken zijn, moetende wel en meest gelett worden op de 
rechte vertalingh, waer toe deu £. de Jager meest t'aujue sal coii> 
ti'ibuereu (daar hij de) Telingase taele kuudigh is. Dodti alles 
met nauwe communicatie van Sr. van Heusaen eu den boek- 
houiler NiJo ; kunnende niet als tot beter en meerder elucidatie 
strecken , dan dat ons alle de te makene verklsringeu selfs in zoo- 
danige tale toekomen als ze staen gesproocken te worden, en 
nM)et alles in civile termen worden verrigt, latende de luijden 
vrij en ongedreijgt, gelijck sulcx volgens regten betamelijck en 
U£. ten vollen zoodauigh te behooren, bewust zijn.4^ 

Zij mpeateu namelijk getuigenisseu inwinnen en yerklansgeQ 
afnemen van kloppers, wasschers, kooplieden enz. 

Den 9^^ Jauuarij L680 werd de reis naar Tegenapatnam over 
land aangevangi^, waar zij den 17^ daaraanvolgende aankwamen. 
Daar men in het door de Jager uitgebragt rapport over zijne 
verrigtingen aldaar eenige niet onbelangrijke bijzonderheden over 
hunne reis aantreft, deden wij daarvan een enkele in eeneaan- 
teekening mede ^ Twee dagen na hunne aankomst wetd er 
een begin gemaakt om te voldoen aan den hun opgedragen last, 
die zeer ingewikkeld en niet gemakkelijk was. Wij zouden 
buiten ons bestek gaan indien wij slechts gededtelijk een oter- 
zigt wilden geven, wat er eu hoedanig bet door huu verrigt werd. 

Dooh wij mogen niet nalaten te wijaen op de belangrijke 
kleedenhandel die aldaar voor rekening der Ck>mp. gedreven werd 
en op de wijze hoedanig die plaats had, waarover men in het 
rapport veel belangrijks vindt opgeteekend. Zoo vindt men er 
de beschrijving van de inlandsche kooplieden w^aarmede de CJomp. 
contracten had aangegaan voor de levering der kleeden. Deze 
kooplieden waren in eene maatschappij of comp. vereenigd, 



Zie Aanteekening 1, rf^r^n]p> 

Digitized by VjOO^ Ic 



USKBKRT DS JAGER. 83 

bestaande uit 34 peisonen, die gezamenlijk 25 aaudeeleii uit- 
biagten; zij kouden deze aandeeleu splitflen, ieder geheel aandeel 
i« den inleg bedroeg 700 Pagoden. ^ Het hoofdbestuur over 
deze compagnieschap was in handen van zes personen j behalve 
een kassier enz.; alle aandoelhouders waren voor elkander ook 
tot e^ borgtogt m solidium verbonden voor de sommen die 
door de CSoiap. aan dit handelsligchaam vooruit werden verstrekt. 

Hierop volgt eene beschrijving van ieder dezer ^ kooplieden, 
met den naam ^^van de vader en van de caste of het geslachte, 
van de geboorteplaets en de maelstede en van de maagschap of 
bloedverwandschap onder malkander, nevens de quantiteijt van 
ieders aenpart in de compagnie, soodanig als hier vervolgens in 
ordre gespecificeert werden; druckende dese naamen zoonaemet 
onse letters uijt aU hetselve eenigsints naer de kracht en het 
geluijd van deselve mogelijck is, gebmijokende omtrent de letters 
daar van ons alphabeth destitaijt is, eenige teeckens onder de 
geene die in de uijtspraek daer naest mede overeenkomen, en 
weder andere beduijdsels boven de woorden, om de korte en 
laage sillaben aentewijseu , opdat aldus onse pronunsiatie soo 
uae doenelijck met de haere souden overeenbrengen en confor- 
meren. Beteeckenende aldus de drie poincten of stippen bij forme 
van een driehoeck in deser voegen *.* als dat d'uijtspraeck van 
de letter of letters onder dewelcke die staen , met een dubbelde 
slagh van de tongh naer boven moeten gefonneert worden; 
dienende het teecken van een langh streepie — om te denoteren 
dat de vocael waer boven deselve gestredsit is, ak dubbelt 
of langh, en de figuiur van een half ootie met d'openingh 
iiaer boven als "^ om te designeren dat de sillaba waerboven 
deselve gestelt is, kort, zonder vertoeven moet uijtgesproooken 
worden enz.>/ 

Uitvoerig wordt besoiireven op welke wijze dit handelsligchaam 
werkte ; de veraudwoording der gelden ; vérdeeling van winst en 
verlies; aanbesteding der kleeden bij de wevers en schilders; 
het in ontvangst nemen, sorteren en overbrengen in 'sGomp. 
pakhuizen der gereed zijnde kleeden enz. 

Niet voor het begin der maand februari) was de commissie 
met hare werkzaamheden gereed, daai^ de af te nemen verkla- 
ringen en het hooien der getuigen in de Malabaarsche , Telin** 



ledere Pagode op f6 gerekend. oigitizedby vjOOg IC 



84 HERBKUT DE JAOEK. 

gasrlie en PersiajiTjsche talen veel tijcl wegnam. Den 20 Maart 
werd het rapport door de Jager aan den President Hartsdnck 
overgeleverd. 

Dat de Jager aldaar mede in den Raad van Justitie gebruikt 
werd, lezen wij in den brief van den President van 20 Sep- 
tember van genoemd jaar met de volgende bewoordingen : ^Wij 
versoecken ootmoedigh dat UE. Gr. Agtb. een goed gevoelen 
believen, te hebben van de geene die alhier het recht bedienen; 
want wij verclaren dat yder rich daerin na couscientie volgens 
eer, eedt en plicht quit, en soo 't somtijds mocht gebeuren dat 
eenige zaken niet punctueel met de rechten accorderen, nogh 
na wijse derselver gedediceert werden, zoo is 't of ten opsien 
van vu}'1e persoonen, quade gevolgen, mainctenue van eerlijcke 
ampten, wel wesen der gemeente of andersints, of dat niet 
hooger daerin geleerd is, wetende UEd. Gr. Agtbaerh. immers 
dat ons collegie van geen rechtsgeleerden is versien; dan alleen 
dat den coopman Sr. Herbert de Jager daarin meest ervaren is, 
en nu die tot UEd. Gr. Agtb. staet over te komen , soo sal er 
niet een hier sijn die daervan soo veel weet. Soudende gem. Sr. 
de Jager al op d'eerste ontbiedinge overgekomen sijn , ten waere 
zijn saecke aeugaande de commissie naer den vorst Suwagie, der 
wegen hij aengesproocken is geworden , hangende was • , welcke 
door den Ed. Heer Gouverneur Caulier zal: weynigh tijds voor 
sijn E. overlijdinge. afgedaen en van de voorgegane beschul- 
diginge vrijgekent zijnde, soo was hij voorts onpasselijck en toen 
met de benaude borst gequelt geworden, waerdoor genootsaeckt 
is geweest dus lange te blijven. Hebbende sijn E. staende con- 
tinuatie alhier verscheijde goede en emportabele diensten voor de 
E. Compagnie gedaen, en werd van ons seer begeert, als sijnde 
een man van bijzondere capaciteijt en ervareutheijt in landen en 
landaerts deser Tndise gewesten; zijn Ed. sal met het laetste 
schip van hier afvaren, om UEd Gr. Agtb. gedienstelijck de 
handen te kussen. 4^ 

Dat de Jager mede niet onervaren was in de Botanie lezen 
wij in denzelfden brief met deze woorden: Wij hebben den 
opperchirurgijn deses casteels gesegt , dat hij sich met verscheyde 
Indische kruijden en medicamenten zal moeten bedienen, in plaetse 
van die geene die voor desen uyt het Vaderland wierden ge- 



» Zie blz. 79, DigitizedbyGoOglC 



ei8cht,eii liti vaia daer niet meer staeii gezonden te worden; eu 
hem mede g' ordonneert bij notitie of specificatie pertinent uen 
ons bekend te maeken, wat dreven en medicinen alhier vallen , 
daer U£d« als oock andere en wij selve van souden kunnen wesen 
gedient. Welcke notitie of specificatie nu wel bij desen sonde 
worden overgesonden , ten ware tot UEd. Gr. Agtb. niet over- 
quam den Coopman Sr. Herbert de Jager, die van sulcx een 
studie gemaeckt , en de landen hier om her seer nauwe doorsogt 
en besigtigt heeft, ende over sulcx dier wegen volcomen en 
beter satisfactie dan onsen chirurgijn can doen. < 

Veertien dagen later vertrok de Jager met het schip de Frije 
Zee^ naar Batavia, na een verblijf van ruim lü jaren op de kust 
van Coromandel, dat hij bij zijn vertrek uit Persie slechts en 
passant dacht aan te doen. 

De President Hartsinck kwam in zijnen brief van den 7 October 
1680, nogmaals terug op de goede diensten door de Jager be- 
wezen. ffDe coopman de Jager komt nu , gelijck wij UEd. Gr. 
Agtb. vooraf bekent gemaeckt hebben datte geschieden stondt, 
over; moetende als nogh getuigen dat Sijn Ed. veele goede eu 
importabele diensten voor d'E. Comp. gedaen ende ons in 't 
bijsonder allesints contentement gegeven heeft. 

Een maand later liet de Frije Zee het anker op de reede 
van Batavia vallen. 

Welke werkzaamheden aanvankelijk aan de Jager werden op- 
gedragen blijkt ons niet uit de resol. der Hooge Regering; 
maar het komt ons voor dat hij reeds spoedig belast is 
met het geven van onderwijs aan eenige predikanten in de 
Arabische en Malelsohe talen, zooals wij later zullen zien. 

Toen de Gouverneur en Directeur Robertus Padtbrugge te 
Temate, den 30 Januarij 1682 werd benoemd tot Commissaris, 
werden hem de kooplieden Herbert de Jager en Pieter van den 
Hoorn als adjunct JKaadspersonen toegevoegd; doch hierin kwam 
weinige dagen later — door de benoeming van den Commissaris 
Isaack Soolmans, voor Makasser bestemd — de volgende ver- 



' Dit wordt op eene merkwaardige wijze bevestigd , door dien zich op 
bet Rijks-archief nog bevindt» een stuk pergament, dat aUe kenteekerien 
draagt van op een kist gesp\ikert geweest te zijn, en waar op »taat: 
cBoecken en geschriften naegelaten bij wijlen Herbertus de Jager» in syn 
leven Opperkoopman , in dienst van de Compagnie ; van Batavia herwaerts 
overgesonden, en hier te Lande èntfangen in Augusty 1695» en verder: 
•4 In dese kist' syn beschrijvingen van planten.* Digitizedby LjOOQ IC 



H6 ntlk^tM M JAOlTlt. 

//En dewijl den E. Soolmans in deze Sijti E. coffimissie ook 
niet onnoodig sehijtit mei een bequaein en taelkaiidig mm ik 
prompt in het Maleisch is, te worden gemnnieetd, is op het 
verder voorstel van den Heer Gouvemenr Generael daeromtiwit 
in Rade opmerking genomen. Overmits den Heer Gouvemfior 
en Commissaris Padtbnigge in Tematc, behalve» de genomi- 
neerde ooopKeden Herbert de Jager en Pieter van den Hoorn, 
de eerste meer als gemeen en de andere reddijck in de Ma- 
leische tele ervaren, aldaer in looo zelfe ook nog van genoe<?- 
same taelkundige ministers en suppoosten — bnite» %\jn B, 
zelfs — is voorzien om te zijiter assistentie te knnnen dienen, 
om een van de twfee ministers den E. Soolmans bij te voegen, 
en eijndelijek daeromtrent oock geresolveert , als nu brj nader 
arrest deswegen in onze genomen resolutie van éen *0 der vorige 
maand deser vergadering, ten meestcn dienst van d'B. Comp. 
wederom te maken: dat den co^^man Herbert de Jager in placts 
van (naar) Temate om zijn perfectheijt in de Maleische tael, 
als rm ter aidsistentie en als seeunde persoon in èe eommissie 
van den E. Soolmans zal mede gaen.^/ ^ 

Door verschillende ooïïsaken had ook desse eommissie geen 
voortgang. De OmimissariB Sooima»fi werd tot Visitatem^- 
Genen»d aang^BSteld, en vertrok op bekomen »anschrr)ving van 
de vergadering van 17 in de maand Junij 1 684 als Commissaris 
naar Bengalen. Maar voor dat dit plaats had, was reeds op eene 
andere wijze over de Jager beschikt. 

Het jaar te vore» (16S8) was aan Rrawier Casembroot de 
commissie opgedragen ais Commissaris «aar Pcrsië te vertrekken, 
om de zaken die aldaar niefe al te Wel slonden te trachtoi te 
verbeteren. Behalve de personen die hem ter zijde zonden staan 
in deze belangrijke commissie, had hij verzocht dat daaraan mo^ 
worden toegevoegd de koopman Herbert de Jager. De Gonver- 
neuT Generaal bragt dit verzoek op de volgende wijze in i^ 
vergadering: ^Wert bij «Ion fietst Gouverneur Gteneiael de yer- 
gaderinge geconmuniocert * dat dien Bv Directeur * Reinier 
Casembroot Sijn Ed. hadde versoght, dat nevens de geqoalifi' 
ceerde ministers bij resolutie van 7 deser, tot Zijn Ed« adsistentie 
na Persia op de bewuste togt gecommitteert, oock de&coopman 
Herbert de Jager mochte worden gevoeght, als zijnde seer expert 

I Resolutie van dén 4 Pebr. 1683« 

• 10 Sept. 1683. 

• Casembroot was Directeor van Pei'Sië en tijdeliik te Batavia.^ 



en grondig ervaren iw de Peraiaense tale, en ginder nienrant 
oiiider de ouse bij der haud, welke iogevalle tuten iets met die 
natie qname te contacteren , snlex in goede, suijvere, klaere en 
i)0)idq^ woorden in gemelde taele sonde kunnen opstellen, nochte 
bij de Fersiaenen o}^estelt sijnde^ dnijdelijek verstaen; waerdoor 
dan merckelijcke Teri^nlheijt voor de onse sóude ontstaen, 
met gevaer van door dnbbelsinnige of twïjffelaghtige artellinge 
van dien Landtaert misleijt oft verkloeckt te kunnen worden ^ 
Waerop gedelibereert en op het belangh der saecke gelet Mjnde , 
\è verstaen, gesegden Herbert de Jager mede naer Persia te 
laten vertrecken , ten eijnde als bij den E. Casembroot wert ver- 
soght; en met eeaen denselven van sijn gagie tot 70 guldens in 
sijn presente ooopmans qnalitetjt, te bevorderen en teadvanceren 
tot (^)percoopman met 80 gis. ter maent; konnende na het 
volbrengen van deae Persiaense togt sioh wederom tot zijn jegen> 
woordigr emploij tot cnderwijsing van eenige der Eerw. Predi- 
kanten in de grondige kennisse van de Arabische en Maleische 
talen, tot untte voortsgettinge van den Maleieohe Godsdienst 
appliceren en verledigen/f ^. 

Den 1 December 1683 vertrok de Commissaris Casembroot. 
met de schepen den Blavwenhulch ^ den Alexan^^ \ jacht 
de Oratnvogel enasw over Malakka, CeilonenCoohin naar Persië, 
alwaar de scfa^n den d Junij 1684» voor Gamron het anker 
lieten vidlen , en waar zich nog eenige schepen onder zijne vlaf^ 
voegden. 

Het kan niet in onze bedoeling liggen deae commissie aft* 
voerig te behandelen. Uit de aanwezige stnkken en bescheiden 
konaen wq opmaken, dat hoewel deze zendisg van een 
langwijligen aavd wae^ de Jager er zeer veel aan heeft toegebragt 
dat ze met een redelijk gnnstigen uitslag werd bekroond *. Hij 
toch was met den geëligeerden Direetenr Justns van den Hemvel , 
als gevolmagtigde van den Goromisraris Casembroot naar het hof, 
te Ispahan gezonden , om hem door z^ne meerdere bekendheid met 
de Persische taal ter zijde te staan , zoodat dan ook al de brieven , 
die naar het Hof werden gezonden , door hem geschreven en de 
van daar komende vertaald en met opmerkingen werden voor- 



• Zooals onder anderen ten t\jde van den heer Gtineus, 4654-1660 ^ 
had plaats gehad. 

• Zie bte. 85. 

• Zie ook Valentijn, die de zaken ov\erPers2e, in* dezen tijd ToorgevaWjen , , 
echter inet weinige reg'elen afdoet. V» deel fol. 249. DigitizedbyLjOOgU 



S8 MËkÈÈitT M jAëKft. 

zien; terwijl hij door zijue reeds vroeger verktégeae kcDtiis van 
zaken eu personen, zeer veel zou hebben kufmen toebrengeu 
huune oommis^e te bespoe(ligen. Doch dit laatste vond echter 
geen plaats; niet voor den 2,1 November 1686 keerden zij 
van Ispahan naar Gamron terug, op welke eerstgenoemde plaats 
/ij den 14 December 1684 waren aangekomen. 

De Commissaris Casembroot mogt evenwel den afloop humier 
commissie niet beleven, hij was reeds den 14 Augustus vau 
het vorige jaar overleden. Van den Heuvel was hem opge- 
volgd zoowel in de betrekking van Directeur als in die van 
Commissaris. 

Ëenigen tijd voor het overlijden van Casembroot was ook de 
opperkoopman en tweede persoon Ackersdijk overleden-, de 
Commissaris wenschte dat de Jager deze betrekking zou aan- 
vaarden, doch hij was daartoe niet te bewegen en schreef hem 
terug , dat hij na het volbrengen van den aan hem opgedragen last 
liever naar Batavia wenschte temg te keeren. Dit laatste ge- 
schiedde den 18 Jannarij 1687, veertig dagen na zijne temg- 
komst op Gamron, toen hij met het jacht Baniam naar Batavia 
vertrok y alwaar dat jacht op den 16 April daaraanvolgende het 
anker liet vallen.' 

Volgens hetgeen wij bij Valentijn lezen ' zou de 
Jager op 29 November 1693 nogmaals naar Persië zijn 
Vertrokken en aldaar omtrent het jaar 1696 overleden zijn ^. 
Het is wel mogelijk dat hij naar Persië is gegaan, daar hij zich 
niet te Batavia bevond, toen Valentijn in 1694 voor de eerste 
maal naar het Vaderland vertrok ^ ; maar tot dus verre zijn 
ouze.nasporiugen vruchteloos geweest om het voldoende te kunnen 
oplossen. Noch in de resolutiëu van den Biaad van Indië * , noch 
in huime brieven naar Persië, evenmin als in de van daar af- 
gezonden brieven naar Batavia en het Vaderland, vinden wij 
tusschen de jaren 1687 — 1695 zijn naam genoemd. 

Maar daar zijne boeken en geschriften hier te lande in de 
maand Augustus 1695 van Batavia zijn aangekomen ^ zoomoet 
hij reeds in het begin van 1694 zijn overleden ; want de schepen 



» 5 deel fol. 270. 
9 5 deel fol. 249. 
3 5 deel fol. 220. 

** Met uitzondering evenwel dat zijn naam voorkomt op eene nominatie 
voor weesmeester den 6 Junij 1687. 

» Zie \,U. 85 .Ie I.OOt. Digi.izedbyGOOgk 



(He op den 8 Julij 169 1 vim Gamron naar Batavia waren ver- 
trokken, kwamen eerst den 10 October te reede van Batavia. 
Dexe kannen zijne boeken enz. aan boord hebben gehad, waar- 
door ze nog met de retourvloot van dat jaar naar het vader- 
land zijn verzonden, want de schepen die later in het jaar, 
namelijk den 24 October , van Gamron naar Batavia waren ge- 
zeild, kwamen daar eerst op 1 Maart 1696 aan, derhalve 
eeu geruimen tijd nadat de retonrschepen 1694 — 1695 naar 
Nederland waren vertrokken i. 

Bij Valentijn » vindt men eene beschrijving met plaat 
van de ^Buinen van 't Paleis van Darius gelegen in 't 
oade Persepolis door last van Alexander de Groote verbrandt, 
geiekeut naer de oorspronkelijke aftekening van de Hr Herbert 
de Jager./!' Valentijn zegt dat de Jager toen hij in 1693 naar 
Persië vertrok, bij die gelegenheid de overblijfeelcn van dat 
vorstelijk paleis met veel aandacht zag; maar daar hij volgens 
(lezen schrijver eerst op den 29 November van genoemd jaar 
derwaarts ging * , zoo zal dit vermoedelijk wel bij eene vroegere 
gel^enheid zijn geweest ; want de schepen hadden doorgaans eene 
reis van twee k drie maanden tusschen Batavia en Gamron, 
vooral ook omdat ze dikwerf genoodzaakt waren eenige tusschen 
liggende kantoren aan te gieren. ^ 

Voor zoo verre ons bekend is, is er behalve de in den tekst 
aangehaalde brieven, nog aanwezig de vertaling van eene /^Dage- 
lijksche aanteekening van een Amboineesch Luitenant Patiugi, 
wegens zijne voyagie van Batavia over land naar de Zuidzee 
gedaan, beginnende den 21 Julij 1687 en eindigende den ;i 
&^ptember daarnaast volgende, zoodanig als hetzelve aan Haar' 
Ho(^ Edele in 't Maleisch overgeleverd heeft gehad , met eeïiige 
aanteekeningen tot nader elucidatie of begrip in margine gesteld 
door Herbert de Jager s. 



' De eerste bezending vertrok 2 Deo. 1694, de tweede 6 Febr. 1C95. 

« t. a. p fol. 220—224. 

' Zie t. a. p. fol. 270. 

^ Zoo alsMalakka, Bengalen, de Kust van Coromandel, Ceilon, Malabar. 
Zie echter Aanteekening 2. 

* Dexe Luitenant Patingi vergezelde den f;ergeant Pieter Bipion op 
tijn destijds nog al moeijelijken togt. Er is door den sergeant enne 
kaart van deze reis vervaardigd, onder den titel van: n Landkaart van 
Bativia na de Zuidzee.» Namelijk tot aan de Zuidkust van Java, bij do 
H*t Pttlaboean Ratoe of Wijnkoopsbaai, voorkomende onder No. H720glC 
3e Volgr. IV. 7 



96 HKftBSHT DB iAÖKVU 

Hoewel de Jager in zijn brief van het eiland Dinding — 
nabij Makkka — op. den 25 Januarij 1684 aan Bumphios te 
Amboina geschreven i, onder andere meldt: dat hij op reis ie 
naar Persië met den Commissaris Canembroot en men hem de 
verzekering heefk gegeven, dat hij bij zijne terugkomst te Batavia 
/yabhinc in pace ed.quiete victumm esse, ad stadium Botankum 
et cttltmn lingaae Malaijamae, per Grammaticam, Nomencla- 
taram et Lexicon è scriptis iUorum et reoentibus linguae hujns 
observationibus (propriis illi chamoteribos typis iraprimendis,] 
tandem unicè f ractandum ff is ons tot dus verre niet gebleken , 
dat hij dit voor de pers heeft bewerkt, tenzij de M. S.. 
mogelijk wel hier te lande gekomen, met de reeds vermelde 
boeken en geschriften » verloren zijn geraakt. 

De brief van de Jager aan de Zeventienen, waarvan wij in 
het begin van dit opstel melding maakten , is van d^i volgendeD 
inhoud : 

Ed. Hoochachtbare, wijse, voorsienige ende seer 
discrete Heeren, mijne Maecenaten. 

Mijn schrijven aen Haar £d. had ick nitgestelt, tot dat wat 
dieper in het beloop van [ndische zaken gepenetreert en daer 
door ervaring en kennisse geer^n soude hebben , hoedanich mijn 
talent ten meeste dienste van d'E. Comp. en de werelt soude 
cuimen besteden, om alzo Haar Ed. niet met stoffelose brieven 
te vervelen. En hoewel dese reden voor een groot gedeelte heden 
noch continueert , considereerde > nochtans dat dese mijne verdere 
stilswijgentht. ondertusschen voor mij prejudiciabel sonde connen 
wesen, en een qnade impressie van nalaticheit generer^, soo 
ben ik van resolutie verandert en heb goet gevonden met dese 
besending naer 't Vaderland , eenige openingh van mijn verrichten 
en verder voornemen preliminaerlk. te doen , meenende hierin soo 
seer niet als wel in mijn verder stilswijgen te sullen misdoen. 
Ik had gaeme een largo verhael van mijn gelegentheit gedaen, 
maar de gedurige besicheden , die aen de fhnctie van een eerste 
clerck op de generale secretarye al hier vast zyn, hebben mij 
tot het vertrek van dese twee retourjachten de Cogge en Niéuwen 



van den Inventaris der kaarten, eorste gedeette, in hot Rgksarchief 

aanwetig. 

1 Zie Aanteekening 3. 

« In de noot op bit. 85. r^ i 

• Considereronde. Digitizedbj^ vjOOQ IC 



flam. * , geheel eu al geocoupeert , iüvoegen ik nu aen boort ge- 
ugüt«jï^eci;t weijde deze zake mct'er haest Qver ^e lopeu ; eu \cr- 
soeke diejchalveu dat Haer Ed. 't selve ten besten gelieven op 
ien^meu, solleudje mij selven niet meer sqo laten vej^sscu, en 
wat vio^r, eer noch de drukste tijt aencom,t, met schrijven 
in de wee^ weseu. 

M^jn employ dan (als gesec]it]k 19. op de generale secretarie 
alhier; de beste plaets en gelegentheit zijnde om van Comp^. 
stnet en maximen grondige kennisse, en d^er door tot hooger 
eu emix)rtanter bedieningen te geraken. Mijn voornemen is. uit 
allede papieren v^n eenige jaren herwaerts, de principadbte sub- 
stantien als de sncceasive gegevene orders en maximes t'excer- 
peren, en deselve in sekere capita te schicken en in een manuale 
of vade mecum in te schrijven , om alzoo mij in corte de fun- 
damenten van Compe. staet familiaer te maken. Een accurate en 
pertenente geogr^phise beschrijving van d'Indische quartieren, 
soude tot intimer kennisse van Comp». gelegentheyt mij inleiden , 
maer deselve uianqueert noch : dat anders (mijns geringen oor- 
deels) wel eei» nodich werck schijnt; waartoe soo mijne studiën 
iets contribueren sullen cunnen, m\) eeibiedelijck en voor een 
groot gedeelte gewillichlijck opofieie. 

In de Maleitse tale beu ik binnen weinig weken soo verre 
geavanceert, dat d'ordinaere geschriften ivi, dezelve tale lesen en 
voor de vuijst hebbe leeren verstaen; en soo ik daertoe de tijt 
van twee j^ren mochte vaceren en daerhij eenige accomodatien 
van boeken, en penningen en andere gelegentheden genieten, 
wilde ik wel aennemen de zelve tot die perfectie te breugen, 
dat se vxx>rtaen op d' Academiën neyens d'andere Orientaelse talen 
wade G^DijLen geproEteert werden: en soude daertoe geen cleine 
pridLel wesen de glorie van d'eerst^ te zijn die de Maleische 
tale tot een perfectie gebracht soude hebben. ^ 



' Nïeuwenhoven. 

* Het schijnt hieruit, dat de Jager weinig wetenschappolijke waarde 
toekende aan hetgeen tptdusver aan de beoefening van het Malcisch ge- 
daan was, zooals door Albert Ruijl, die in 1642 de eerste spraakkunst 
dier taal in het Hederduitech uitgaf (zie deze nydragen Deel 11, nieuwe 
reek», bl. 102) en door den predikant Casparus WiUons, wiens Maleisch 
en Hollandsch woordenboek, herzien door zijn ambtgenoot Sebastiaan 
Hanckaerts, in 1623 het lich> zag. (A. J. van der Aa, Biogr. Woord. 
IV. bl 56.) 

R. fJgi|Ke(iit^^OOgle 



9'i HËtlBfitlt bÈ JAOfiË. 

Bij ^t leerén van deselve tale heb ik aengemerckt , hoe dat 
veel gewichtige eu importante zaken alleen van het qualijck ofte 
wel overdragen van een tolck kunnen dependeren, en ingevolge 
hoe dienstich getrouwe en wel taelkundige Nederlanders voor 
d'E. Comp. souden wesen. 

In 't translateren van Maleische geschriften in onse tale is 
ordinaris seer slordich overgeloopen , werdende alleen raaer de 
meningh van deselve in generale termen uitgedruct, en dan kou 
men heel mislaen ja geheele subjecten achterwegelaten ; gelijk in 
vele wel sonde cunnen bewijsen. 

In de tijtels van de brieven aen de buiten Coningen en 
Princen, heeft men tot mijn tijt toe ses il seven regelen lateu 
invloeijen tot lof van den valschen profeet Muhammed , met toe- 
wensching dat de zijnen tegen de Christenen victorie mochten 
bevechten ; hetgeen met onsen Godsdienst niet wel en quadreert. 
Uit den brief van Oija Berkelan onder dato 1« December in 
't generale dach-register van Indie geinsereert, schijnt eenigsins 
afgemeten te connen werden , dat bij oncunde van de tael , onse 
meningh, van geen Chinesen op Siamse jonken te voeren , bij den 
Coninck aldaer niet wel begrepen sal sijn geweest. lek had seer 
gaerne wijtlopiger van dese en andere materien gehandelt; maer 
de tijt en gelegentheijt snijden mij dit af, en laten nauwelijx 
toe noch een woort of twee van mijne gelegentheijt aenteroeren ; 
gevende aen Haer Ed. seer eerbiedich te considereren, hoe sober 
het hier voor een ondercoopman met sijn gagie omkomt, soo 
wanneer hij eerlijck en onafsienlijk bij voorname lieden wil 
compareren en verkeeren, en boven sijn maendelijx tractement 
niet een stuiver en besit. D'overweging van dese saek soude mij 
al dickwils melancholijck gemaeckt hebben, en doen wenschen 
dat de professie tot Duisburgh, waertoe seer groote apparentie 
was, niet ontseit en hadde; maer de ongemeene en meer als 
vaderlijke weldaden door Haer Edel. doorgaens aen mij be- 
wezen, richten mij weder op en beloven mij verdere gunste; 
waer op ick de vrijmoedicheijt neme van Haer Ed. op het 
aldereerbiedichste te smeken dat et Haer geliefte zij desen 
Haer eigen alumnum met een verhoging van qualiteit en 
gagie te beneficieeren, op dat hij alzoo onbeoommerder en 
met meer couragie zich tot den dienst van d'E. Comp. mach 
devoveren. 

Hiermede afbrekende bevele ick Haer J^4^^j^p(3t bescherming 



HERBEKT DE JAGEE. 93 

des Alderhoochsten , met een bede dat deselve gewichtige des-^ 
seinen gelieve te segenen, terwijl ick ondertusschen blijve 

Haer Ed. Hoochachtbare , Wijse, Voorsienige 
en seer discr. Ileeren, 

Mijne Maecenaten, 
Verpligte en bereidwillichste dienaer, 
(Get.) Herbert de Jager 
M<*t grooteii haost en ter loops geschreven in 
het jacht •Nieiiwenhoven» den 31 Jan. 4665. 

Deze minuit had ik gacrne in *t net gecopieert 
gehad, inaer de tgt liet sulx niet toe; en ver- 
soeckc derhalve dat Huer £d. dit slordige schrift 
gelieve t*excusereD. 



AANTEEKBNINGEN. 

Blz. 82 ' . Ten einde de beleefdheden te ontgaan die de Franschen 
liun 7.eker zouden hebben willen bewijzen wanneer zij huiuien weg 
over Poiidichery namen, waren zij verpligt eenen omweg te 
nemen en wel over Karingoelj-Palcom , ' waar een fortres lag 
tot bescherming der grenzen van Golconda en die wegens hare 
sterkte door het geheele land beroemd was en indertijd door den 
Mauigaer Jatsi^m& Naik gebouwd. Zij lag in het gouvernement 
waarvan het bestuur was opgedragen aan Fathj Chaan , een man 
met wien de Jager bi] gelegenheid van de ontmanteling der 
stad St. Thomé — nadat die in 1674 op de Franschen veroverd 
was — vriendschap had gesJoten. De broeders zonen van Fathj- 
Chaan, Siasen-(3haan en Rasoel-Chaan hadden in genoemde sterkte 
hun verblijf. 

JDaar zij te weten waren gekomen dat de Jager in het nabij - 
gel^n vlek zijn intrek had genomen, noodigden ze dezen uit 
hun te komen bezoeken uit oude vriendschap voor hunnen oom, 
*als oock d'estime die om de kennisse van de Persiaense tael 
en d'cleene ervarentheijt in de conversatie met desen landaerd van 
sijn persoon, maeckten in die beijde jonge Heerendeseciviliteit.'/ 

Juist kwam deze uitnoodiging op het oogenblik dat zij 's mor- 
gens zeer vroeg op het punt stonden te vertrekken, wat door 
hem ter verschooning werd ingebragt, hiertoe door de kortheid 
(les tijds geen gelegenheid te hebben \ niets mogt evenwel baten , 
daar zij het voornemen hadden te kennen gegeven, dat zoo hij 



Wij schrijven de inlandsche nameU) zooals wij ie vwd^n,izedby vjOOg IC 



94 HBRBBRT DT. JAGER. 

niet in het kasteel kon komen, zij hem in de Tjiawadj, waar 
hij gelogeerd was , zouden komen besioeken ; en daar het Imn 
aldaar aan alcatijven en andere meubelen ontbrak, hun volgens 
hunnen rang en staat te kunnen ontvangen , besloot hij eindelijk 
toe te geven '/en wel voor al oock om reden de Comp. de gunst 
van voornoemden* Heer Fathj^haen voor desen menigmael van 
doen en oock genooten heeft gehadt , en de Messieurs de residenten 
van Sadragapatam met Sijn E. altoos eene wenschelijcke corres- 
|X)ndentie tot dienst van de E. Comp. geconserveert gehadt 
hebben; schijnende 't faveur van desen Heer nu nogh empor- 
tanter, omdat onlangs boo veel meer ra staet en empioij geac- 
cresseert, en aen Zijne Majesteijt van Gk)lcondar docfr huWelijck 
vermaegtschapt is , wesende dit nauwe verbond dan oock oorsaeck 
dat de voorn, casteelen ^ die voor seer considerabel achten, 
aen dien Heer zoo langh vertrouwt zijn geworden.* 

vUyt dese consideratie dan volghden eyndelijck het dvid he- 
geeren van beide die Heeren in, en begaven ons naar de fo^ 
tresse al waer beyde meer als 50 passen buyt«n haer wooningh, 
ons op de straat tegengingen en ontfingen , leydende ons binnen 
haer residentie in een groot en voor open apartement, in welck 
liaer sessie gemeenlijck hebben , wanneer tot de publicque affaires 
van haer gouvemeije vaceren, alwaer op de hoogste en aansiene- 
lijckste plaets te sitten geschickt wierden. De rencontre was hier 
in allen deelen seer courtois en obligant , die wij dan met deselve 
complaisance reciproquieerden , en alsoo zij bemerckten dat wij 
meer lust hadden om het een en 't ander te besien, als soo 
plat en ongemackelijck met dé voeten in maloanderen geslagen 
te sitten, soo stonden op en brachten ons, om ons meer diver- 
tissement aan te doen in haar thuyn en in d'asjoer chaneh ? dat 
is een ruijm langhachtige zaal aldaer , met d'opene face naer een 
plaeta die met bloemen geschakeerd stond , gewend ; waer en ten 
tijde dat het treurfeest van Hossein vieren — het welck d'onse 
met een corrupt woord , het feest van Saxem Baxem noemen — 
dan hare lancen met sluijers bewonden , en d'andere ornamenten 
en meubelen die daertoe emploijeeren , oprechten , hebbende daer 
voor een steenen tancq , met een fonteijnpijp in het midden en een 
bloemthuijntie aen wederzijden, mitsgaders eenige passen verder, 
wat wijder van malcanderen afetaende twee viercante toorens 
f^.^TX over malcander, aen elcke zijde een, beijde met kalck 

* Zijnde behalve Karingoelj Palcom, de kasteelen Ponnemüly, Tsjin- 
gelpette en Tsjltpet, oigitizedbyGoOglc 



HARSJfiBT DE JAGEK. 95 

gewitt eu baveu met een korte piramidisciie spits vooraieii , sijude 
900 wel als de corresponderende inner, die over dit apartement 
aan d'audere zijde van dese thnijn koint eu dieselve sluijt, vol 
nesten geholt, om daerin op eenige feesi- en plaijaiernachten 
aeiigestoockeme lampies ie s6tten, die met haer licht onder de 
boomeu, groente en bloemen een seer agreabel en plaijsant 
gesight maec^en. £n nadat hier aUés doorkeeken hadden, soo 
letjdeD zij ons van daer aen de N. zijde van het casteel , alwaer 
de wallen langs gingen tot aen het N. W. bolwerck, dat met 
ecu cat boven besett was , waerop een seer gioot gesmeed^ stuck 
lagh, dat ons vertoonden; hebbende in de mond een soodanighe 
openiugh, dat daeruyt aen steene cogel van 216 pd. /dat as: >de 
pro]K»lie van ijser t^n steen op het driivoad , genom^i aldus 
een ijsere bal van 651 ft > uijtweirpen konde; leggende 
daarbij de camer, die geladen achter de staart hechten , wanneer 
dit stuok volcomeu monteren willen om af te cunnen sohieten. 
Siaende het sêlve op een affttijt, maer leijd in een cas zouder 
raderen vast , met een ])Qn onder , die in een pnt van een steen 
riju^t, waerop het selve /tond draijeu en voor ijder schietgat daer 
b^^reu, dirigeren knnuen; hebbende achter de staeift een 
sdiüttiugh van dicke houten in d'aerde geslagen om liet (te) 
rogh 'deijsen rte stutten; zijnde aen dit canon, om het selve 
Yorvaerlijck en 8ifgr\J8emck ie maeken, oook de schrickelijke 
uaam van l^ta Naga, datis de DuijvelsSlaughgfigeven; gelijck 
de Heidenen ^van dit land de gewoonte hebben, dat alle sware 
^tu^en onder seekere ceremoniën met slaght ofierhande iuweijen 
CD net een b\)8ondere naem baptiseren. En naer dat dit be- 
tschoawt hadden soo presenteerden die Hieeren ons om de rest 
van de tour binnen het casteel voort met ons te volbrengen, 
t'geen om de kortheijt van de tijd en dat de aqn «seer heet 
scheen, alsoo het seer na aen de middagh was, dan op de 
beleefste wijse g'exouseert gehad hebben, keerende 'Van daer 
weder in haer logiement ; alwaer in de voorsz. zael , niet langh 
daer na, met spijse op de Moorscbe wijze toegedischst , getrac- 
teert wierden, thoonende zij in aUes zich seer voldoende, en 
dit tot op onse veelvoudige solüoitatien en instantien kort op 
deu miildagh ouse dimiasie erlanghden , die met groote betuij- 
ging van aflectie en vergenoegdheijd, mitsgaders van presentatie 
van dienst aen wedersyden, en met seer serieuse expressien van 



'^^ Digitizedby Google 



96 HEBBBRT DK JAGER. 

daiickbaaiheijd en obligatien van onse kant toegingli; vaüg«^B(le 
wij daerop de verdere reijse aen , naer dat aen de wachten vas 
de poorten en aen de voornaemste dienaren van die jonge Hee- 
ren een courtoisie penningh in de hand gestoocken hadden, 
zoodanigh als de civiliteijt en het gebruijck van dit land ver- 
eijscht, en aen Sijn £. de Heer Praesident uijt ervarentheiji 
oock ten vollen bewoisit is , dat men in soodanige gel^nthedeo 
sulx met fatsoen en eer niet verbij en kan; het geen wij dan 
vertrouwen dat zijn E. dan oock favorabel in ons regnard, sal 
believen te considereren.^ 

De Jager geeft verder nog eene beschrijving van het kasteel 
voor zoo verre de tijd hem toelaat dit te kunnen opmerken. 
//Bijaldien ons de haest en spoed bij ons van soo grooten be- 
langh, en soo seer niet gerecommaudeert geweest waer, zoo 
hadden doen een schoone occasie gehad , om een exacte kennisse 
t'avauceren van de structure deser fortresse en hoedanigh deselve 
met geschut en verder oorloghsamunitie , proviande en volck 
versien was, en 't geen daaromtrent meer te remarquereustaet, 
selfs tot de minste particulariteijt toe. Soudende d'observatie en 
d'ontdeckingh van alle dese gelegentheden aen de E. Comp. bij 
tijden en wijlen te staden cunnen komen of tot haer intentie 
dienen^ geWjfln dat ondersoeck en dese informatie uyt dien insight 
bij de memorie van de Heeren 17, onse hooghgebiedende heeren 
meesters, in het stellen van rapporten in het generael, aen ons 
oock geordonneert werd; en of nu wel dese voortvarentheijt van 
ons oorsaek is dat wij zijn E. omtrent dat poinct geen volle 
openingh cunnen geven, soo sullen echter, alsoo de kennisse 
van een deel boven d'onwetentheijt van het geheel te prefereren 
is, daervan nu in het corte een ruijge schets voor oogeu steUeu, 
voor soo veel als ons gesicht bereijkt heeft, en de memorie 
daervan in ons toedraeght. 

//Deze fortresse van Karingoelj-Palcom enz. enz.^ 

Blz. 89. (2). Een geruimen tijd nadat dit opstel door mij 
was ingezonden , kwam mij in handen in H.8. het Verbaal van den 
Raad van Indië Mr. Johan Cuneus, die in 1651 — 1652 van 
Batavia naar het Hof van Persië als Ambassadeur vertrok, 
in de maand Februari] 1652 deze overblijfselen bezocht en 
daarvan in zijn verbaal eene uitvoerige beschrijving geeft. Daar 
nu deze beschrijving bijna woordelijk overeenkomt met hetgeen 
men hierover bij Valentijn leest, zoo b'gt het orijjifoor de hand 



HEKBERT DB JAGER. 97 

dat die beschrijving niet van de Jager kan zijn; te meer daar 
deze laatste niet voor het einde van het jaar 1665 naar Persie 
vertrok en zoo als wij zien de reis van Guneasinl651 — 1652 
plaats had. Toen Cuneus deze ruïnen bezocht, was hij vergezeld 
van den schilder Philip Angel, die als opperkoopman en agent 
naar het hof van Persië werd gezonden om de belangen van 
de Comp. te bevorderen en tevens als schilder voor den vorst 
werkzaam te zijn. Het is derhalve niet onwaarschijnlijk, dat 
men de beschrijving, die men van de overblijfselen van Persepolis 
iD het verbaal van Cuneus vindt, mede aan de opmerkingen 
van den schilder Philip Angel te danken heeft. 

Blz. 90. (3). In het werk van Michaelis Bemhardi Valentini , 
Jndia Literata etc. Francofiirti ad Moenum MDCCXVI , komen 
eenige brieven voor van de Jager aan den beroemden kruid- 
kundige George Everhard fiumphins te Amboina, tusscheu de 
jaren 1683 — 1689 over kruidkundige ouderwer])en , en uit 
hetzelfde tijdvak wederkeerig eenige vau Eumpbius aan de Jager. 



Digitized by 



Google 



INHOUD 

DER VERHANDET.INGEN VAN HEI BATAVIAASCH-OBNOm-SCHAP 
VAN KUNSTEN BN WKTENSOHAPPEN. 



Deel I (1779). 

Korte schets van de Bezittingen der Nederlandsche Oost- 
Tndische maatschappij , benevens eene beschrijving van het koniug- 
rijk Jacatra en der stad Batavia door mr. J. C. M. Radermacher 
en mr. W. van Hogendorp. 

Berigt en nader berigt nopens den aard der kinderziekte te 
Batavia ; in hoe ver men met de inenting gevorderd is , en wat 
daarbij is waargenomen door J. van der Steege. 

Over de bereiding van eene soort van katoen , uit den pisaiig- 
boom, door J. H. Paringauw. 

Bister der geslachten van de drie rijken der natuur door 
mr. J. C. M. Radermacher. 

Berigt van de proefiiemingen met den door kunst gemaakten 
magneet door J. van der Steege. 

Verschil der tijdrekening bij de Aziatische volken en derzelver 
vergelijking, voor de jaren 1779 en 1780 door J. C. M. 
Radermacher. 

Begin van eene Javaansche historie , genaamd Sadjara Radja 
Djawa, door J. van Tperen. 

Verhandeling over den tegenwoordigen staat van den landbouw 
door J. Hooyman: suikerkultuur. 

Benige waarnemingen over de nuttigheid van het verbeteren 
onzer Hollandsche zeekaarten naar de Engelsche en ï'ransclie 
door J. van Iperen. 

Beschrijving van het eiland Timor doo^jji^r^^^Qrga Hogendorp. 



INHOUD TyVAL VBUHAN DELING EN 99 

Beachrijviug van een witten neger van het eiland Bali tloor 
J. van Ipereu. 

Orde der ptümboomen , door F. Baron van Wannb. 

Deel II (1780). 

VeriiandelJng dver de histörfe kennis door J. van Tperen. 

Besclirijviug van het eiland Bomeo door inr. J. C. Badermacher. 

Lijst der geestelijke en wereldlijke keizers van Japan. 

De belemmeringen. Trenrgezang, door J. van Ipcren. 

Vervolg der verhandeling over flen tegenwoordigeu staat van 
den landbouw door Hooyman: arak en katjangtuinen. 

Proeve over de verschillende gedaante en kleur der menschen, 
door Uadermacher. 

Be^hrijving eener blanke negerin tiit de Papoesche eilanden , 
door J. van Iperen. 

Idem van de groote Bomeosche orang-ontang door F. baron 
van Wunnb. 

Vervolg eener Javaansche Historie, genaamd Sadjara fiadja 
Djawa, door wijlen J. van Iperen. 

Proeve van hoog, gömeen en berg Javaansch en cwiige 
Javaansche woorden. 

Kort verhaal van de Deensche zending ter voortplanting «van 
den 'christelrfken gedsdieBöt op de kust Ooromandel <door J. 
Hooyman. 

Over de doodstraffe en bet pijnigen door fiademaicfaer. 

HoUandsche zeekaarten, vervolg der waaineming^, door 
Radermadier. 

Redevoering der inenting, door mi. W. vto Hogendnrp. 

Berigt aangaande de * Gember, hatre planting en bewerking 
op Mahcca door A. Ooaperas. 

Beschrijving van de wou-ivouwen door J. van I<pcren en 
F. Schonman. 

Berigt omtrent het katoen spinnen en weven onder Javanen 
en Chinezen, door J. ^ooyinan. 

Historische opheldering en verdediging Tan 1 'Chron XXII 
VS. 14, t^n de zwarigheden van Voltaire door vaat, W. van 
Hogeudorp. 

Bijdrage tot de natuurlijke historie. 

Mtrootid antwoord der prijsvrage, omtrent de oorzaken der 
meeste ziekten te BataVia en de middelen ^tót g^ezing, door 

S. Duurkoop, OigitizedbyGoOglC 



100 INHOUD DER VfiRHANDEMNOEN 

Verhande.liug om het txx^iieineud lioutgebrek der suikermolens 
te vprhel[)en, door C. Jjicobi. 

Korte aanteekening wegens eene algemeene ziekte, de knok- 
kelkoorts genaamd, door D. Bylon. 

Verhandeliiig over de flaxus ventris of buikloop door B. Wolf. 

Berigt wegens de zware aardbeving van 22 Januarij 1780, 
door Radermacher. 

Doodlijsten van de stad Batavia van 1759 — 1778. 

Berigt wegens de hoogte der barometer en thennometer te 
Batavia, Kaap de Goede Hoop en Nangazaki. 

Vervolg der beschrijving van Timor, door Ilogendorp. 

Verzameling van eeuige Timoreesche woorden. 

Deel III (1781). 

Beschrijving van het eiland Sumatra door Radermacher. 

Idem der Vogelnestjes, door Hooymau. 

Berigt omtrent de goudmijnen van Celebes door Duhr. 

Vervolg eener Javaansche Historie. 

Bijdragen tot de beschrijving van Japan door Radermacher. 

Bereiding van de sacki door mr. Titsing. 

Idem van de Soya, door idem. 

Eenige Japansche woorden. 

Berigt wegens eene doodelijke watervrees door S. v. d. Steege. 

Aanmerking op de vraag welke zijn de spoedigste voortko- 
mende wortelen om het behoeftig gemeen te spijzigen bij mis- 
gewas van graan. 

Aanteekening over de spraak , wetenschappen en kunsten der 
Mallabaren door Gellarius. 

Bijdragen tot de natuurlijke historie door F. baron v. d. Wurmb. 

Bijvoegsel tot de beschrijving van Java, Bomeo en Sumatra. 

Vervolg der verhandeling over den landbouw: indigo, rijst 
en rijstmolens. 

Deel IV (1782). 

Omtrent de inenting der kinderziekte in de Oostersche volk- 
plantingen. 

Korte beschrijving van Celebes, Koris, Sumbawa, Lombok 
en Balie, door Radermacher. 

Korte schets van den tegenwoordigen staat van het Hindostan- 
sche Rijk en half Eiland bewesten en beoosten de Qangesdoor 
Radermacher. 



Digitized by 



Google 



VaW ttST ÜAtAVU/LSCrt ÖEïJoOI^CttA^. lül 

fiedenkingen over China. 

Idem over Tartarije eu Japan en de ontdekkingen der Russen 

aan de oosterkusteri van Azia en de Westcrkusten van Amerika. 

Verhandeling der munten, maten en gewigten van Ned. Indië. 

Bijdragen tot de Natuurlijke Historie door baron v. d. Wurmb. 

•^ Deel V (17 9 0). 

De Calappusboomen beschouwd en verdedigd als natuurlijke 
afleiders van den bliksem. 

De voortreffelijke Altingia , in het Maleisch en Javaansch ge- 
naamd Rasamala. 

Beschrijving van den boom genaamd Banghas. 

Berigt wegens tarwe , gezaaid en geoogst in een tuin op Jacatra. 

Berigt wegens een watervrees, veroorzaakt door den in eene 
hevige woede toegebragten beet van een mensch. 

Beschrijving van den Paradijsvogel. 

Verhandeling over den tegenwoordigen staat der suikermolens 
omstreeks Batavia, door A. Teisseire. 

Deel VI (17 9 2). 

Korte beschrijving van de Tjembing of het zoogenaamde 
doodenfeest der Chinezen. 

Belaas van een reisje naar en op den berg Marbaboe of berg 
van Salatiga. 

Idem naar den brandenden berg op Java. 

Over de gezondheid en gelegenheid van Salatiga. 

Inschrijving van een gedeelte der omme- en bovenlanden van 
Batavia, door Teisseire. 

Bedeneringen over nuttige muzikale onderwerpen. 

Deel VII (1814). 

A discourse, delivered on 24 April 1818 by Th. Stamfort 
Raffles. 

Antwoord op de prijsvraag : over het beste voedsel om nieuw 
geboren kinderen zonder borst of moedermelk op te voeden , door 
dr. Terne. 

Berigt wegens de zeden en gewoonten der opgezetenen van 
den berg Brama en bijgelegen volken op Java. 

Scheikundige ontleding van een vnlkaansch zand en ijzererts 
door Horsfield. 

Over de rivier van Solo. oigitizedbyCjOOglc 



Rei? naar de Oosterstrekeii van Java. 

Beknopte beschrijving van h«t Criuum Asi^ticum, dooB Horeifi^ld. 

Tdem van den Qatip-boom doov dfinaelide. 

Scheikundige ontleding der vnichten vaa den Harak boom, door 
(leuzelfde. | 

Berigt van eene met vaste lucht bezwangerde bronwei in het i 
regentschap Farakan Moeutjan, door denzelfde. | 

Narraiive of a joumey to examiue the remains of an andent 
city and temples at Brambaua in Java by L, Col. Mackeuxie. 

Au essay of tlie oopas or poison ti»c of Java, by Hiomfipld. 

Sketch of Bomeo by the lale Dr. Leyden. 

Deel VITI (1816), 

A discottrse delivered on the 11 Septeonber 1815 by Th. 
Stamfort Raffles. 

Uittreksels uit eenige aanteekeuingeil nopens den Javaan in 
liet oostelijk gedeelte van Java, door F. vau Boeckholtss. 

Chymicale ontleding van het warm water, dat aaii den voet 
van den zoogenaflmden blaauwen bei^ ontspringt. 

Short account of the medicinat plants of Java. 

Ou the minesalofify of Java by Hoisfie^. 

Essay on the geography, minerah^y anck botany oi the 
Western parts of Java by titö same. 

An inscription from the kawi or ancient Javane^e language 
rendered into Engliah by Crawüurd. 

Copies of two of the ancient inscriptions on oopper plates dug 
up in the vioimty of Surabaya. 

Bijna woordelijk translaat van een Javaiuisch geatachtr^ister 
van de vorsten vau Java. 

Narrative of the eftects of the eruption from the Tomboro. 
Mountaiu, in the island of Sumbawa on the 11 and 12 of 
Apiil 1815. 

Deel IX (18X3). 

Over de hoogte en verdere natuurlijke gestekUmd van emi^ 
bergen in de Preanger Regentschappen. 

Beschrijving van de hoofdplaats van Falembang, door J. J* 
van Sevenhoven. 

Beschrijving van eenige gewassen waargenomen &p een^ togi 
naar den Salak in 1822, door C. L. Blume. 

Bijdrage tot de kennis onzer Javaausche eiken , door denzelfde* 



VAK Hm ÜATAVtAASClt G^NOOrSCHAP. 108 

Deel X (ISa-é). 

Verbatideliiig over de Maleiache geschiedenis ybxl Isma JaUem, 
door P. P. Roorda van Eysinga. 

Over de gesteldheid van het gebergte €Mé doo» G. L. Blame. 

Salatiga, Merbaboe en de zeven tempels door H. J. üomis. 

Beschrijving van een misvormd kind, geboren in de residentie 
Samaiang* 

Over de Cholera Morbus in Bengalen geheersoht hebbende 
in 1817, door J. R. Vos. 

Over de Japansche vroedknnde, door dr. von Siebold. 

Sehets van Benkoelen, door G. H. Nahuis. 

Aanmerkingen op de Javaansche gesohiedenis genaamd Sadjara 
Kadja Djawa. 

Deel XI (18 2 6). 

Korte Schets van het eiknd Lingga en desaelis bewoners door 
G. van Ang^beek. 

Epitome linguae Japonioa. Aiiet>ore de Siebold. 
Monographie der Oost-Tndische pepersoorten door G. L. Blnme. 
Lofrede op Jan Pieters-zoon Koen, door Q. de Serière. 
Iets over Boeddhoe en zijne leer. 

Deel XII (18 80.) 

Synopsis Plantarnm oeoonomicarum Universi regni japoiiici, 
anct. de Siebold. 

Kort verhual van de Javaache oorlogen sedert 1741 — 1757. 

Korte schets der legerziekten , waargenomen tijdens de Gelebesche 
Expeditie en de jongste onlusten op Java. 1827. 

Jonraaal eener rei$^ van Welerie naar het gebergte Praauw 
door D. J. Domis. 

Deel XIII (18 32). 

Kort verslag aangaande de Cholera Morbua op Jaiva. 
Verhandeling over de afkcHDst der Japanners door von Siebold. 
Iets over de Dayakkero (Beajons) van Baajermassing op 
Bomeo door M. H. Halewijn. 
Beschrijving der Kokos- of Keeling^eilaiiden. 
Aanteekeningen over het gebergte Tinger door H. J. Domi©gIe 



104 tt^ttOllto bEtt VfiltHANÜÜI.tNéË!^ 

Deel XIV (1S38;. 

Geschiedkundig overzigt van den handel der Ëuropezpn op 
Ja\aiJi door G. F. Meylan. 

Iets over de naaldensteekkuude in Japan door vou Siebold. 

Deel XV (18 3 3). 

Javaansche spraakkunst door A. D. Cornets de Groot, uit- 
gegeven door J. F. C. Gericke. 

Deel XVI (18 3 6). 

Beschrijving der Japansche kopermijnen en der bereiding vau 
liet koper, door H. Burger. 

Korte verhandeling of aanteekeningen omtrent den adelstand 
der Javanen door Mac Gillavry. 

Iets over de Javaansche tijdrekening door J. F. C. Gericke. 

Aanteekeningen gehouden op eene reize over een gedeelte van 
Java door P. van Gort en S. Muller. 

Aanmerkingen , gehouden op eene reize door eenige districten 
der Padangsche bovenlanden door H. Burger. 

Deel XVII (18 8 9). 

Geologische gesteldheid van den vulkaan Gédé op Java door 
L. Homer. 

Verslag van eene mineralogische reis in de Residentie Bantam 
door deuzelfde. 

Korte beschrijving van het Zuidoostelijk schiereiland Celebes , 
in het bijzonder van de Vosmaersbaai of van Kendari, verrijkt 
met eenige berigten omtrent den stam der Orang-Badjos door 
J. N. Vosmaer. 

Over het geslacht Tupeia, door P. W. Korthals. 

Verhandeling over de op Java , Sumatra en Bomeo verzamelde 
Loranthaceoe, door denzelfde. 

Praemissa in floram cryptogamican Javae Insulae F. Junghuhn. 

Verslag van een geologisch onderzoek van het zuid-oostelijk 
gedeelte van Bomeo door L. Homer. 

Sketch of the geology of Jasinga by J. Bigg. 

Over de ontwikkeling van warmte in planten door K. 
Hasskarl. 

Beknopt verslag omtrent de te Amboina gedurende 1838. 
heerschende ziekte door P. F. Schindele. 



'Cigitized by 



Google 



VAN HET BATAVIAASCH GENODïgCHAP. J05 

Deel XVm (18 4 2). 

IBeknopt .chrouologiseh en alphabetisch register op de «chttien 
deelen der Yerhandelingen van het Bataviaasch Genootschap. 

Iets over de Wapenfabricatie op Bomeo. 

Woordboek der Eavorlangsche taal door G. Happart. 

Formosaanacshe woordenlijst met aanmerkingen .betreffende de 
lormosaansche taal .door C. J. v. d. Vlis. 

Deel XIX (18 4S). 

Proeve eener beschrijving en verklaring der oudheden en 
opschriften op Soekoeh en Tjetto in het Lawoegebergte door 
C. J. van der Vlis. 

Sjair Bidasarie, een oorspronkelijk maleisch gedicht, uitge- 
geven en van eene vertaling en aanteekeningen voorzien door 
W. K. van Hoevell. 

Deel XX (1844). 

Wiwoho of Mintorogo, een Javaansch gedicht uitgegeven en 
va]i eene vertaling en aanteekeningen voorzien door J. F. C. 
^ericke. 

Bijdrage tot de kennis van het Tengersch-gebergte en deszelfs 
bevonezB door J. D. van Herwerden. 

Deel XXI (1846—1847). 

Eerste gedeelte. 

Bijdrage tot de kennis der Siluroïeden van Java door F. 
Bleeker. 

Beredeneeijde beschrijving der Javaansche monumenten van 
het kabinet van oudheden van het Bat. genootschap .door 
van Hoevell en Friederich. Met afbeeldingen. 

Tweede gedeelte. 

Romo , een Javaansch gedicht naar .de bewerking van Joso 
Dhipoero nitgegeven door C. F. Winter. 

Deel XXII (1849). 
Oveizigt der te Batavia voorkomende gladschubbigé Labroïoden 
door R Bleeker. Pooal^ 

Digitized by VjOO^ IC 

3e Volgr. IV. 8 o 



106 INNOUD DER VERHANDEMNOBN 

Bijdrage tot de keunis der Fergoïdeii van den Malayo-Molok- 
schen Archipel door P. Bleeker. 
// tf tf n der Blennioïden en Gobioïden van den 

Soenda* Archipel , door id. 
» V V n der ichthyologisohe &ima van de 
eilanden Bali en Madura, door id. 
The rocks of Pulo (poeloe) Ubin by J. R. Logan. 
Het Fantheisme of algodendom door 8. A. Buddingh. 
Reis over de eilanden Balie en Lombok door H. ZoUinger. 
Voorloopig verslag van het eiland Bali door R. FriedericL 
Catalogus der geologische bestanddeelen van Nieuw-Hollaud 
door T. von Sommer. 

Deel XXIIl (18 5 0). 

Yerslag eener reis naar Bima en Soembawa, en naar eenige 
plaatsen op Celebes, Saleyer en Floris gedurende Mei tot 
December 1847, door H ZoUinger. 

Bijdrage tot de kennis der Sciaenoïden van den Soenda 

Molukschen Archipel, door F. 
Bleeker. 
// '/ // ff ff Sparoïden van den Soenda-Moluk- 

schen archipel, door id. 
" ff ff ff ff Maenoïden; als boven, door id. 
ff ff ff ff tf Visschen met doolhofvonnige 

kieuwen, als boven. 
ft ff ff ff ff Chaetodontoïden , als boven. 
ff ft ff ff ft Theuthiden, als boven. 
ff 'f ff ff ff Notacanthini y als boven. 
ff ff ff ff ff Ichthyologisohe Fauna van Midden- 
en Oost- Ja va, als boven. 
Vervolg van het voorloopig verslag van het eiland Balie , door 
Friederich. 

Javaansche Oudheden, (Twee Sansk. Inscriptien met afbeelding.) 
Ardjoena-Wiwaha, een oorspronkelijk Kawi-werk, volgens een 
Balineesch manuscript, uitgegeven door R. Friederich. 

Deel XXIV (18 5£). 

Geschiedenis der verovering van Malakka en der 'oorlogen 
tusschen de Fortugezen en Maleijers, door J. Hageman. 

Digitized b'> -C 



VAN HET BATAVIAASCH GENOOTSCHAP. 107 

Bijdrage tot de kennis der Makreelachtige visschen van den 

Soenda Molnkschen archipel , door 
P. Bleeker. 

ff ff ff ff ff snoekachtige idem, als boven. 

// ff ff ff van verschillende vischsoorten , als 



ff ff ff ff der haringachtige visschen, als boven. 
v ff ff ff ff Pleuronecteoïden , als boven. 
ff ff tf ff ff Blootkakige, als boven. 
if ff ff t ff Balistini en Ostraciones , als boven, 

met afbeeldingen. 
// ff ff ff ff Plagiostomen , als boven. 
Manik Maja, een Javaausch gedicht, door J. J. de Hollander. 
Boma Kawja, (Sansk. Bhauma Kawja), dat is gedicht van 
Bbanma, den zoon van Wisjnoe en de aarde aitgegeven door 
friederich. 

Deel XXV (1858). 

Overzigt der geschiedenis van het Bat. Gen. van 1778 — 1853 
door P. Bleeker. 
Bijdrage tot de kennis der Muraenoïden en Symbranchoïden , 

door idem. 
// '/ y '/ // Troskienwige visschen , door idem. 
Nalezingen op de Tchthyologie van Japan, door idem. 

// // ff ichthyologische fauna van Bengalen en 

Hindostan , door idem. 
Hangling Darmo, bevattende de regering, wonderlijke lotge- 
vallen en krijgsbedrijven van dezen vorst, te Melowo Pati, be- 
werkt door C. F. Winter Sr. 
Codicum mannscriptomm Arabicorum , confecit R. Friederich. 

Deel XXVI (1854—57). 

Over Inscriptiën van Java en Sumatra, door R. Friederich. 

Proeve tot opheldering van gronden der maleische spelling 
door Robinson. 

Bijdrage tot de kennis der Sphyraenoïden van den Indischen 
Archipel, door P. Bleeker. 

Nieuwe nalezingen op Tchthyologie van Japan, door idem. 

Zes platen, behoorende tot de nalezingen op de ichthyologie 
vap Bengalen en Hindostan. oigitizedbyGoOgk 



108 INHOUD DER VBRHAXDBI/INOEN ENZ. 

Deel XXVII (18 6 0). 

Brata-joedi , Indisch JavBansöh heldendicht, I* deel voorde 
uitgave bew«)rk4; door A. B. Cohen Stnart. 

Deel XX Vin (186 0). 
>Bt8tir<goed&. Indisch Javaaasch heldendicht. 2* deel. 

Deel XXIX (18 6 2). 
'Adiofeionary of the Snndalanguageof Java, by Jonathan Bigg. 

Deel XXX (18 6 8). 

V«r»lag oniltpent het eiland Nias en deszelfs bewoners, met 
platen en eene kaart, door J. T. Nieawenhuisen en H. G. B. 
'iron Aosenbeig. 

Lalang damar Woelan. 

Geregtelijke geneeskunde, uit het Chiueesch vertaald door 
C. F. M. de Grijs. 

Deel XXXI (1864). 

De vormveranderingen der Maleische taal , door H. von De^^rfl. 
De munten van Nederlandsch Indië, beschreven en afbeeld 
door E. Netscher en mr. J. A. van der Chijs. 

Deel XXXII (18 6 6). 

Hoa Tsien ki of: Geschiedenis van het gebloemde briefpapier. 
Chinesche roman. Uit den oorspronkelijken text vertaald door 
-G. Schlegel. 

Thian ti hwui. The Hung-league or hearen^eartii-leagae. A 
secret society with the Chinese in China and India, by G. Schlegel. 

De prostitutie in China, door G. Schlegel. 



Digitized by 



Google 



OVER HET CONTRACT AL-BAI' 
IN HET MOHAMMEDAANSCHE RECHT. 

DOOR 

Mb. l. w. c. van den beeö. 



Ofschoon de europeesche volken , in wier bezittingen de Isl&m 
heerscheade is, reeds sedert lang zich veel moeite hebben ge- 
geven om de wetten der Muznlmannen nit te geven, en door 
vertalingen lAeer algemeen toegankelijk te maken, zoo heeft 
toch nog, voorzoover ik weet, geen rechtsgeleerde ooit be- 
proefd het mohammedaansche recht systematisch te behande- 
len met die zorg, welke het, evenals het rumeinsche en 
liedendaagsche , zoo zeer verdient. En toch is dit zeer te 
betreuren, want alleen reeds het feit dat dit recht van de straat 
van Gibraltar af tot aan de uiterste grenzen van Oost-Indie toe 
voor bijna alle volken het richtsnoer is voor het maatschappelijk 
leven, bewijst genoegzaam dat het voor de sociale behoeften 
van een groot deel van het menschelijk geslacht voldoende is. 
Ja, als men alleen op het getal let dergenen die er aan zijn 
oiulerworpen , dan kan men wel zeggen dat de heerschappij, 
door het romeinsch recht uitgeoefend, onbeteekenend is in 
vergelijking van die van het mohammedaansche. Deze onbe- 
kendheid evenwel van ons Europeanen met het recht van de 
overwonnen bewoners van het Oosten , kan zeer zeker meer dan 
ééne reden van verontschuldiging vinden. De studie toch daarvan 
y» tot heden toe, op enkele uitzonderingen na, in handen ge- 
weest bf van juristen die het arabisch, ht van oriëntalisten die 
de rechtswetenschap niet machtig waren, en van hier lavmt het dat 
wij iu de kennis van het oostersche recht nog zoo weinig ge- 
vorderd zijn, dat zelfs de terminologie niet eens voldoende 
verklaard is, en iemand, die zich aan deze studie wil wijden, 
beginnen moet met zich eerst een glossarium van arabischcfOglc 
3e Volgr. IV. 9 



110 OVER HBT CONTRACT AI.-BAl' 

rechtstenuen te vervaardigen. En dit is geenszins te verwonderen. 
Veronderstel toch eens dat men de Pandecten ter verklaring 
gaf aan iemand die , ofschoon een uitstekend latinist, geen rechts- 
geleerde was, ik geloof dat hij er letterlijk niets van b^ijpen 
zou, gedeeltelijk wegens de moeilijkheid om, zonder vooraf- 
gaande juridische vorming, die verwarde massa te ordenen, 
maar ook grootendeels omdat de iatijnsche woorden daarin soms 
in een geheel ander spraakgebruik voorkomen dan bij de overige 
klassieke schrijvers* En deze beide moeilijkheden wegen dubbel 
zwaar waar het de rechtsgeleerde schriften der Arabieren geldt. 
Ik hoop evenwel dat niemand uit dit alles zal opmaken dat 
ik mij nu uitgeef vooir den persoon, die in dezen doolhof op eens 
den weg zal wijzen; ik heb het alleen op den voorgrond gesteld 
opdat, mocht bij geval eens de een of ander mijn arbeid in 
handen krijgen, hij een niet al te streng oordeel veile over de 
fouten, die ik sionder twijfel in grooten getale zal begaan heb- 
ben. Vooral ook is het eene klip waarop men zeer veel gevaar 
loopt schipbreuk te leiden, dat men bij het lezen der boeken 
van de arabische rechtsgdeerden niet altijd het voortreffelijke 
voorschrift vatn Quinctilianus in acht kan nemen : //dat men een 
zuiveren text moet hebben voor dat men b^nt een werk te ver- 
klaren «^ *. En nu is het juist die zuivere text, welke niet te 
verkrijgen is, voor dat men door eene, zij het ook oppervlak- 
kige, kennis van het mohammedaansche recht in staat gesteld 
worde emendaties te maken in de deels niet, deels zeer slordig 
uitgegevene bronnen. Zulk eene oppervlakkige kennis uit eenig 
arabisch geschrift zelf te putten is onmogelijk, daar die ge- 
schriften allen ht met eene ontzettende 'uitvoeri^eid allerlei 
veelal onzamenhangende quaestien behandelen , zoodat men na 
het lezen van tien öf twaalf bladzijden nauwelijks één enkelen 
rechtsregel vaststellen kan, bf slechts dictaten zijn, door hunne 
kortheid nagenoeg onverstaanbaar voor hem, die de mondelinge 
verklaringen van den leeraar in de óostersche scholen missen 
moet. Om nu reeds te trachten een volledig systeem van het 
geheele mohammedaansche recht te geven, begreep ik dat althans 
mijne krachten niet zouden vermogen. Daarom heb ik een, wel 
is waar klein, maar toch hoogst belangrijk deel van het bur- 
gerlijk recht willen behandelen. Onder de contracten namelijk 
zijn er éenigen , in het arabisch onder den algemeenen naam van 



Interpretationem praecedere debet emem 



<PM^imC*^^8l^ 



IN H«T MOHATaMEDAANSCfHE ïl1?<JHT. lil 

*:il-baiV begrepen , die j50o «eer op den voorgrond srtaan , dat 
ülleeö im Irmme verklftriüg een juiïrt; deukbeeM van het inuwnl- 
mansche cantmcten-systeem te krijgeQ is. IMt is dak de stof 
die ik veor de volgende bladzijden gekozen heb, in de hoop 
èit, nu ik aldns den stier bij de hoorns gegrepen iieb, het 
slechts moge blijken dat hij tnij niet al te sterk geweest is; 
en dat allen die eenigtiins in de vergelijkende redhtsst^die en 
de kennis van het Oodien belang sleJleïi , het fnohammedaausdM 
recht binnen den kring hunner s<^ien trekken. Alleen loch 
door beoefening van het recht éer Mnmdmantienkunaen mjions 
een juist denkbeeld van hun maatschappelijken toestand verwer- 
ven, en op die wijze onze heerschappij over hen op hechte 
gFOudslagen vestigen. 



Het bovenstaande schreef ik ongeveer 8 maanden geleden als 
Yoonede voor mijn academisch proe&chrift. M\in arbeid is sedert 
dien tijd door de geleerde wereld op eene wijsie ontvangen, die 
mijne stoute wenschen overtrof; doch ook de binnen- en bui- 
teiilandsche kritiek heeft er bedenkingen tegen geopperd , waarvan 
ik het gewicht allezins inzie en die, voorzoover ik ze niet 
geheel en al deelen kan, ten minste eene nadere verdediging 
van mijn kant noodzakelijk maken. 

Vooral zeg ik dit met het oog op eene recensie van de hand 
van prof. P. J. Veth in een der jongste afleveringen van het 
Tijdschrift voor Nederlandsch-Tndie, die mij in het bijzonder 
nog al pressant nagaat ten opzichte van hetgeen ik omtrent de 
javaansche wetten en volksinstellingen gezegd heb. Ik aarzel 
dan ook niet mijn hooggeschatten leermeester openlijk dank te 
ze^n voor vele zijner opmerkingen, en hoop dat hij, voor- 
zoover ik ze niet heb kunnen overnemen , in de volgende blad- 
zijden de gronden daarvoor vinden zal. De vereerende uit- 
iioodigiug van de redactie van dit tijdschrift om mijn latijiisch 
proefechrift in het hollandsch uit te geven, bood eene zeer ge- 
schikte gelegenheid aan om, zonder in eigenlijk gezegde pole- 
miek te treden, mijne denkbeelden nader toe te lichten. 

Een enkele opmerking echter vooraf. Mijn proefechrift was 
uit den aard der zaak voor hen bestemd , die de arabische taal- 
beoefenen, deze vertaling voor lezers, die in het mohamme- 
daansche recht belang stellen minder om de Arabieren dan wel 
om zijn invloed op onze oost-indische koloniën. Ik heb daaroöPS 



112 OVER HET CONTttACT Al.-BAl' 

in de volgende bladzijden in de eerste plaats weggelaten de 
louter grammaticale verklaringen van arabische woorden en de 
bijvo^sels op onze woordenboeken i , en ten tweede de groote 
menigte aanhalingen uit arabische schrijvers. Is er dus iemand 
die na wil gaan in hoe ver of, hetgeen ik in de volgende blad- 
zijden voor mohammedaansch recht uitgeef, werkelijk uit de 
oostersche juristen zelven geput is , dan moet ik hem naar miju 
meergenoemd academisch proefschrift verwijzen, waar hij de 
bewijsplaatsen aangehaald zal vinden. 
Den Haag Augustus 1869. 



< Prof. Veth verwijt mij te kwistig geweest te zijn met die bijvoegsels 
en soms de lexica te hebben willen aanvullen met arabische woorden 
die ei* reeds in gevonden worden. Ik antwoord hem hierop hetzelfde wtt 
hij mij by gelegenheid mijner promotie heeft hooren antwoorden aan zijn 
ambtgenoot, mgn vriend en leermeester, Dozy, namelijk dat het zeer 
wel kan dat het woord er in staat, maar dat dit niet voldoende is, zoo- 
lange de juitte juridiiehe beteekenit er niet is bijgevoegd. Dit punt echter 
nader uit te werken en met voorbeelden te staven, behoort eerder te 
huis in een tijdschrift uitsluitend aan de letteren gew^d, en zou voor 
den met het arabisch onbekenden lezer dan ook van zeer weinig belang zijn. 



Digitized by 



Google 



INLEIDING. 

Om het mohammedaansche recht goed te begrijpen is het 
noodig vooral in het oog te houden , dat alle Semitische volken 
zich den staat niet anders hebben kunnen voorstellen dan als 
eene Theocratie, dat wil zeggen, als eene instelling, waarvan 
het Opperwezen, onder welken naam dan ook, het eigenlijke 
hoofd is , eene instelling die alleen door en om dat Opperwezen 
bestaat, en waarvan de wetten als zijne onmiddellijke bevelen 
beschouwd worden. Zulk eene Theocratie zien wij reeds in de 
gehede geschiedenis der Israëlieten , en wij zien haar voortleven 
in het machtige rijk der Chaliefen, ja zelüs op dit oogenblik 
meenen de rechtgeloovige muzulmaunen , dat de tegenwoordige 
mohammedaansche vorsten hunne staatsregelingen op geen andere 
leest mogen schoeien, dan op die van dat rijk, en elk arabisch 
werk over het staatsrecht mag dan ook alleen de toestanden van 
Jat rijk voor oogen houden. Daarvan komt het ook dat de ver- 
jmippering der tegenwoordige mohammedaansche wereld in zoo 
vele kleine staten eigenlijk onwettig is, daar eene Theocratie, 
uit den aard der zaak , zich slechts denken laat als eene wereld- 
heerschappij over de gansche massa der geloovigen. Als een 
noodzakelijk gevolg van zulk eene Theocratie is het tevens te 
beschouwen dat de verdeeling, die wij Europeanen maken, tus- 
schen recht, zedeleer en godsdienst bij de Oosterlingen niet 
bestaan kan, daar deze drie zaken gelijkelijk tot de staatszorg 
behooren moeten. Dat zulk een toestand in onze staten tot eene 
ondragelijke dwingelandij zou leiden, spreekt van zelf, daar 
godsdienstige verdraagzaamheid evenzeer in strijd is met het 
wezen der Theocratie als zij een noodzakelijk element is in de 
moderne staten; doch in het oosten, waar bijna alle burgers 
<*n en dezelfde godsdienst belijden, is die toestand niet alleen 
vrij van de gebreken , die ze in onze maatschappij zou hebben , 
maar heeft ze ook dit groote voordeel dat er geen strijd denk- 
baar is t^isschen de plichten van éé» individu, aU ro^»9ch, alJDglc 



114 OVER HET CONTRACT AL-BAI 

geloovige en als staatsburger. En dat zulk een strijd van plicliten 
in onze dagen bijna overal in Europa bestaat, daarvan levert 
de nieuwste geschiedenis van bijna alle landen vele bewijzen. 

Het mohammedaansche recht nu onderscheidt men in twee 
deelen : 

lo. Het onbeschreven of gqvoonteriwllt ('&da, 'orf.) 

2». Het beschreven recht of de wet (sjar\) 

Het gewoonte-recht geldt aUeea als de wet zwijgt of er uit- 
drukkelijk op verwijst; tegen de wet vennag het nieta , en nooit 
kan deze hare kracht verliezen door dat zij in onbruik geraakt 
is. In onze oost-iudische bezittingen echter wordt het woord 
'z'&da//, of zooals de Javanen zeggen ^adat,v gebruikt in den 
zin van de algemeenheid der godsdienstige wetten, volksinstel- 
lingen en gebruiken. Eigenlijk is dit eene dwaling en kan men 
het alleen gebruiken voor deze laatsten, inet uitzondering van 
het te boek gestelde recht. 

Het beschreven recht of de^ wet (sjar'} wordt geput uit do 
volgende bronnen: 

lo- De Qor&n. 

2o. De Sonna. 

30. De uitspraken (fetw^) der rechtsgeleerden. 

Over de betrekkelijke waarde van elk dezer drie rechtsbron- 
nen moeten wij thans kortelijk handelen, daar ons oordeel 
daaromtrent eenigzins afwijkt van hetgeen tot uu toe daarover 
geleerd is. 

I. De Qor&n, het boek Gods (al-kitab), is voor de mnzid- 
mannen de hoogste wet, om zoo te zeggen de grondwet ; want , 
zooals reeds uit het voorgaande blijkt , moest Mohammed , even- 
als elke stichter eener nieuwe godsdienst bij de Oosterlingen, 
tevens zorg dragen eene nieuwe wetgeving bij zijne volgelingen 
in te voeren. 

Met den eerbied dien de Muzulmannen voor den Qorau 
koesteren, kan men geenszins op éene lijn stellen de wijze waarop 
de volgelingen van andere godsdiensten hunne heilige boeken in 
eere houden. De Qor&n toch wordt geloofd een boek te ziju 
dat, evenals God zelf, ongeschapen en eeuwig is, ten minste 
door d^ Orthodoxen , daar er ook wpl in vroegereu tijd kettersche 
sekten geweest zijn die de leer voorstonden dat de Qor&u ge- 
schapen is , en wel het eerste van alles wat bestaat. Tegenwoor- 
dig echter is de strijd over dit punt nagenoeg geheel uitgedopfd. 

Van dit ongeschapen boek nu zoude een afschrift ioQT deu 

Digitized by VjOOQIC 



IX HKT l^OHAStHEDAANSCHB BSCUT. 115 

eugel Gabriël aau Mohammed zijn medegedeeld, doch niet in 
eens, maar bij gedeelten, op verschillende tijden en plaatsen. 
Dit is volgens de Muzulmannen de reden dat er schijnbare 
tegenstrijdigheden in gevonden worden, daar sommige hoofd- 
stukken (soera) in later geopenbaarden geheel of gedeeltelijk zijn 
terug genoineox. Daarom moet de rechter (qftdhi) er zijne studie 
van maken welke hoofdstukken de oudsten en welke de jongsten 
zijn; een vroegere wet toch moet wijken voor eene latere. Dez0 
studie is echter verre van gemakkelijk, daar meu bij de redactie 
van den Qor&n onder den Chalief Aboe Bekr volstrekt geen acht 
heeft geslagen op de tijdsorde der soera's. De europeesche 
geleerden hebben ook hierin door de historische kritiekin den 
laatsten tijd veel licht ontstoken; de resultaten echter hunner 
onderzoekingen worden natuurlijk door de oosterlingen vglstrekt 
niet erkend. 

Het wettelijk gezag van den Qor&n is dus het hoogste; het 
spreekt namelijk \an zelf dat het woord Gods het beste richt- 
snoer voor de rechtspraak is^ en de rechter mag geenszins een 
vonnis vellen volgens een gezegde van den profeet of de uit- 
spraak van een rechtsgeleerde, zoo dikwijls zij in strijd zijn 
met de opperste wet. In het verklaren echter van die opperste 
wet gaat men, door bijgeloof gedreven, zoo zonderling te werk 
(lat men doorgaans den zin verofaarloost om aan den klank der 
woorden te blijven hangen, ja deze letterknechterij gaat zooyer 
Jat er sommigen zijn die beweren dat de Qor&n ^e eenige wet 
is, en dat in dat boek eene beslissing voor elke rechtsquaestie 
te vinden is, alleen omdat er Qor. VI : 38 staat dat daarin 
uiets is pvergeslagen. 

II. De overleveringen (sonna) omtrent de dad^ en gezegden 
van den profeet (rasoel) komen als tweede rechtsbron in aaumer« 
kiüg, en worden door sommigen bijna met den Qorftn op é^ne 
lijn gesteld. Mohammed was namelijk bij zijn leven gewoon alle 
quaestien tusschen zijne volgelingen dojor zijn machtwoord te 
beslissen, en toen hij nu gestorven was, kwam de gewoonte in 
zwang om zoo dikwijls als de opperste rechters, de Chaliefen, 
geen beslissende uitspraak in den Qor&n konden vinden, de 
medgezellen (o&hib) van den profeet te raadplegen of zij zich 
uiet de eene of andere uitspraak van dezen herinnerden, 
waaruit blijken kon, hoe hij over zulk een zaak dacht. Toen 
eindelijk niet alleen de medgezellen (9&hib), maar ook zelfs de 
leerlingen ra» d^zjeq (t&bi') gestorven waren, begon men onder . 

Digitized by VjOOQ IC 



116 OVKR HKT OONTRAOT Al.-BAl' 

Haroen ar Hasjtd al de verspreide verhalen (hadith), omti«nt 
den profeet in omloop, te verzamelen, waarbij men tevens zorg 
droeg aan te teekenen , wie de personen waren , die men als de 
zegsmannen er van kon beschouwen. Het getal van die verhalea 
(hadith) klom evenwel langzamerhand zoodanig, dat het den 
meest geloovige zelfs verdacht begon voor te komen; van daar 
dat geleerden als Boch&ri en Moslim kritische werken schreven, 
waarin zij trachtten de overleveringen te schiften, en diegenen, 
welke hnn voorkwamen geen geloof te verdienen, verwierpen. 
Ongelukkig bestond de maatstaf, waarnaar zij die geloofwaardig- 
heid beoordeelden, alleen in de namen en het aantal der per- 
sonen die men als zegsmannen op kon geven, zonder dat zij 
eenige acht sloegen op het innerlijke gehalte van eene overleve- 
ring, en daarbij kwam nog dat eenige personen wegens hunne 
vroomheid voor zeer geloofwaardig gehouden werden , die door 
de onderzoekingen van de europeesche geleerden later gebleken 
zijn niet het minste vertrouwen te verdienen. Met name geldt I 
dit van de weduwe van den profeet 'Aïsja en van zekeren Ibn I 
'Abb^, die beide, om hun invloed bij het gemeen te ver- i 
meerderen , niet schroomden de onzinnigste en wonderbaarlijkste ! 
verhalen omtrent den profeet aan den man te brengen. Uit I 
een mohammedaansch oogpunt beschouwd, worden echter juist 
de verhalen, die op hun gezag steunen, voor onomstootelijk 
waar gehouden. 

Hoewel nu de overleveringen groot gezag hebben, is het er 
toch verre af dat zij den Qor&n evenaren , want zoodra zij 
met dit boek in strijd zijn , houdt hunne kracht op ; maar men 
moet niet lichtvaardig tegenstrijdigheden in de wet aamiemen, 
en trachten, al is het door nog zulke spitsvondigheden, die weg 
ie redeneeren. Ts dit echter geheel onmogelijk, dan behoort de 
rechter den Qor&n bovenal toe te passen , en zoo het twee over- 
leveringen geldt, die met elkander strijden, dan behoort hij hen 
op de boven beschreven wijze aan zijne kritiek te onderwerpen. 
Staan de twee overleveringen in waarde en geloofwaardigheid 
gelijk, dan is die geldig welke een jonger gezegde of handeling 
van den profeet tot onderwerp heeft. 

Ten opzichte van het. gezag, dat men eraan toekent, worden 
de overleveringen op de volgende wijze verdeeld: 

l». Motaw&tir of na^g zijn die overleveringen, welke door 
zoo vele en door zoo geloofwaardige personen , onafhankelijk van 
elkander, zijn verhard, dat men niet aan kan->neraen dat zij 

Digitized by vjC 



IN HET MOHAMMKDAA?fSÜHS RECHT. 117 

eene onwaarheid behelzeu. Hun gezag wordt door geen sekte in 
twijfel getrokken. 

£•. Masjhoer heeten zulke verhalen , die ook wel op het gezag 
rau velen steunen wat de hoofdzaak betreft, maar waaromtrent 
verschillende redacties bestaan, en eindelijk 

3<>. Ah&d noemt men zulke verhalen , die slechts door één 
enkelen vriend van Mohammed zijn bekend gemaakt of waarvan 
de rij z^smaunen niet onafgebroken doorloopt. Op zich zelveu 
hebben zij geen gezag, doch zij kunnen in verband met anderen 
worden aangehaald ter versterking van eene rechterlijke uitspraak. 

III. Ten derde hebben kracht van wet de uitspraken (fetwê,) 
der rechtsgeleerden ter verklaring van den QorAn en de Sonna, 
iets dat ten naastenbij overeenkomt met hetgeen men in het 
romeinsche recht het Jus respon deudi noemt, en dat wellicht 
dan ook moet worden toegeschreven aan den invloed door de 
Utijnsche beschaving op de instellingen van het rijk der Cha- 
liefen uitgeoefend. Wat de mohammedaansche vorsten (sultto) 
aangaat, dezen hebben als zoodanig volstrekt geen wetgevend 
gezag, evenmin als ooit de vroegere joodsche koningen dat 
gezag hebben uitgeoefiBnd ; en hetgeen wij tegenwoordig in vele 
mohammedaansche lauden zien dat de willekeur van den vorst 
voor wet geldt , is niets dan eene grove afdwaling van de ware 
leer van den profeet, die aan het opperhoofd van den staat 
nooit zulk eene macht heeft willen geven. Waarschijnlijk had hij 
dit ook niet kunnen doen, daar aan de arabische stammen een 
afkeer van alle tyranuie is ingeboren, zooals men slechts bij 
weinig volkeu aantreft, en die gemaakt heeft dat zij in onze 
dagen zijn overgeslagen tot de grootste wanorde en regeering- 
loosheid. 

Onder de personen nu wier rechtsgeleerde uitspraken als wet 
worden beschouwd , komen in de eerste plaats in aanmerking de 
roedgezeüen van den profeet, waartoe ook de vier eerste Cha- 
liefen behoorden. Eerst onder de Ommayaden echter begon de rechts- 
geleerdheid meer als zelfstandige wetenschap beoefend te worden, 
terwijl ook destijds de vele kettersche sekten de Orthodoxen 
dwongen het heilig boek en de overleveringen meer en meer te 
bestudeeren ten einde de godsdienst beter te kunnen verdedigen. 
Reeds in de tweede eeuw der Hedjra vindt men gewag gemaakt 
van rechtsscholen te Ba^ra en te Koefa en in de derde eeuw 
ontstonden de verschillende richtingen der rechtsgeleerdheid, 
Madshab's genaamd, waarin tot nu toe de mohammedaansche Oglc 



118 OVER HKT CONTRACT A.L-BAl^ 

wereld verdeeld ia. Tu de achtste eeuw der Hedjra eiudelijk geraakte 
de rechtsstndie tot hoogen bloei in het turksche i^ijk, terwijl 
^ sedert dien tijd in haar vaderland, ^Ir&q, door da staat- 
kandige woelingen geheel verliep. 

De rechtsgeleerden hebben evenwel , geheel anders dan iu het 
romeiuscke rijlc , volstrekt niet allen een wetgevend g^zag vau 
gelyk gehalte. Sommigen, hebben een gezag (idjtih&d) ten op- 
zichte van de grondslagen (o^oel) des rechts zelven. Deze soort 
van jn^dische autoriteit wordt beschouwd als het grootste ge- 
schenk dat. Allah aan een mensch geven kan, en zij geefl het 
recht om een zelfstandig systema van rechtsgeleerdheid te maken, 
met andere woorden een school (madshab) te stichten. De lechta- 
geleerden (faq!h, 'altm meerv. 'oeiama) van onzen t\jd, of- 
schoon de mogelijkheid erkennende dat er wederom nieuwe 
personen opstaan, welke het tot deze hoogte in de rechtsweten- 
schap brengen, hebben daaraan echter zulke zware eischeu 
gesteld, dat het feitelijk onmogelijk is er aan te voldoen. Zij 
verlangen toch dat iemand, die op zulk een hoogen graad van 
geleerdheid inspraak maken wil, eerst door zijne werken de 
bewijzen gegeven hebb^ de geheele rechtswetenschap (sjan'at) 
machtig te zijn, iets dat bijna onbereikbaar schijnt, daar deze 
tak der menschel\}ke kennis niet meer of minder dan de vol- 
gende onderdeelei^ omvat: de grammaticale verklaring van den 
Qor&p en de Sonna, dat wil zeggen men moet al de soera's 
kuni^eA verklaren ook in verband met elkander, men moet 
weten de tijdsorde der openbaringen , de plaats waar zij gegeven 
zijn, welke verzen in de mekkaansche soera's staan doch in de 
medinasche te huis behooren, en omgekeerd. Verder behoort 
men het burgerlijk-, staats- en strafrecht (fiqh) geheel machtig 
te zijn, en eindelijk eene volledige kennis te hebben van de 
geschiedenis des rechts en der rechtsgeleerde scholen (madshab). 
In de geheele geschiedenis van den Isl&m worden dan ook, 
behalve de medgezelleu van den profeet, slechts zes geleerden 
gejioemd, die men algemeen erkent, dezen graad van gezag 
bereikt te hebben, en die daarom met den naam van de zes 
Im&ms worden bestempeld; namelijk Aboe Hanifa (gest. 150 
V. d. H.), Sof jan at-Thaort (f 161), MiÜek (f 179), Mohammed 
as-Sjafil (t 204), Ibn Hanbal (f 241) en Dawoed at-Th&hirl 
(t 270). Later zijn er ook neg wel enkelen geweest die op 
dezen raug aanspraak maakten, maar, zoo als reeds gezegd is, 
hun gezag is of in het geheel niet ^ ifj^S^^^h reinigen 



IN HWU )U)HAMM£DAAN6€K£ K£GUT. 119 

erkend, en tegenwoordig is, door de gehechtheid der verschil- 
lende mohiuQAQiediwmAche geleexden aan hun school (naadshab), 
bet. nagenoeg oxvmogelijk geworden» dat ec zv^k eene gebeol 
meuwe riehting ontwikjbelt. Daarbij komt nog dat in het alg^mecin 
de tegf^wQ<u^dige beoefening' d^i: lechtowetenschap in de mphamme- 
daansche landen op zeer lagen trap staat, en grootendeela out-* 
aard ia ii^. eon angstvallig be«tndeeren van hetgeeu door de 
Yio^erere groote mannen ia vastgesteld. 

Een tweede graad van idjtih&d is die, welke wordt toegekend 
aan die leerlingen der In>&ais, die de door hnn gezag va8tge9telde 
grondslagen hebben uitgewerkt tot een volledig syateem. Ook 
aan deze mate van jaridisch gezag wordt groote waarde gehecht, 
en, ofsclux>n de personen, aan wie ze wordt toegekend , degrond-' 
dagen (o^oel) van het recht niet mochten aauroeiren, hebben 
eenigen door die grondwaarheden te populariseeren soma hun 
eigen Im&m in de schaduw gesteld. Een merkwaardig voorbeeld 
liiervan zullen wij straks zien in de sekte der Hanafieten. 

De rechtsgeleerden eindelijk, die een gezag (idjtihid) hebben 
van den derden graad, worden slechts als autoriteiten beachouw4 
ten opzichte van de bijzondere quaestien (masala) die aan hunjie 
beslissing werden onderworpen en waaromtreint 2\i volgena de 
regek, door de beide voorgaande klassen van juristen vastgesteld» 
nitqsraak deden. Br} het raadplegen echter der boeken of adviezen 
van de door zijne sehoo) (madshab) als autoriteiten (modjtahid) 
erkende juristen , mo^ de rechter (q&dhi) eerst goed nagaan of 
wel elk zich binnen den kring zijner bevoegdh^d gehouden 
heeft , evenals wij vroeger gezien hebben dat hij de Sonna aan 
den Qorftn en de reehtflgeleerde adviezen aan de Sonna moefe 
toetsen. In het algemeen toch geldt de reigel dat elke wet alleen 
voor zoo ver geldt als ze niet met een van hoogeiren vang in 
strijd is '. * 

Bestaat er nu strijd tusschen de adviezen van twee of meer 
lechtsge^leerden van denzelfden graad , dan mag de rechter alleen 
kiezen als hij zelf zulk een graad van gezag deelachtig is. Is dit niet 
het geval, dan moet hij een uitspraak (fetw&) afwachten van den 
Mufti , dat is : de persoon die in een mohammedaanschen staat 
met tiet hoogste rechtsgeleerd gezag bekleed is. Desse laatste 



' D.€( persoden die, ofschoon zich met de rechtsgeleerdheid bezig hoUf> 
dende, geenerlei autoriteit hebben, wordeii inoqaUad's of volgers geitoemd. 
Ook lij worden in verschillende soorten onderscheiden, DigitizedbyGoOQlC 



120 OVER HET CONTRACT A1.-BAÏ^ 

bepaling schijnt tegenwoordig zelfs in landen in acht genomen 
te worden waar de Isl&m overigens geen zeer diepe wortelen 
heeft geschoten; men is dan gewoon om advies naar denMnlIi 
van Constantinopel te schrijven, daar de inboorlingen van die 
landen doorgaans zelf geen zoodanig persoon in hnn midden 
hebben. 

Als een onderdeel eindelijk dezer derde rechtsbron kan men 
beschouwen de zoogenaamde idjm&' of djamft'a, dat is de over- 
eenstemmende uitspraken der drie eerste Chaliefen en der medge- 
zellen (^fthib) van den profeet. Geheel ten onrechte evenwel wordt 
deze idjmê.' wel eens als rechtsbron op zich zelve opgegeven. 
De aanleiding tot deze dwaling kan men wellicht daarin zoeken, 
dat ze bij de arabische schrijvers altijd zeer op den voorgrond 
gesteld wordt; omdat de medfi^ezellen (^Ahib) geacht worden door 
liun langdurigen omgang met den profeet, 'beter dan iemand 
anders in staat te zijn geweest de quaestien naar de bedoeling 
van den stichter van den Tslftm te beslissen *. 

Wij zullen nu kortelijk nagaan welke lotgevallen de verschil- 
lende scholen of sekten (madshab) der rechtsgeleerden van den 
eersten rang gehad hebben. Twee daarvan , die van Sofj&n at- ; 
Thaotl en van Dawoed at-Th&hiri, zijn thans geheel zonder • 
volgelingen , terwijl ook die van Ibn Hanbal zeer weinig aan- j 
hang meer heeft; wij zullen ons dus bepalen tot de drie voor- ! 
naamsten: de Hanafieten, M&lekieten en Sjafeïeten. i 

Ue stichters der eerste sekte was No'man ibn Th&bit aboe Hanffa, ■ 
geboren te Koefa in hetjaar 80 der Hedjra. In het eerst behoorde j 
hij tot de kettersche sekte der Sjiieten , doch later verliet hij zijn . 
meester Aboe Dja'far, en keerde tot de orthodoxe Sonniefcen | 
terug. Reeds bij zijn leven had hij een grooten naam van geleerd- i 
heid, terwijl hij nog gerekend wordt tot de leerlingen (tftbi') 
der medgezellen van den profeet, ja zoozeer was men op zijne 



' Prof. Veth in het bijzonder maakt er mij een verwijt van dat de 
djamd.'a in myn academisch proefschrift niet als rechtsbron genoemd is. 
Ik beken dat ze er b\i mij misschien wel wat mager is afgekomen, en 
in zoover heb ik getracht in het bovenstaande aan zyne opmerking te 
gemoet te komen. Een afzonderlijke rechtsbron echter kan ik er met den 
besten wil van de wereld niet in zien ; zij is slechts een , wel is waar zeer 
belangrijk, onderdeel van de uitspraken der rechtsgeleerden. Tegen zijn 
verwijt, dat ik ze geheel zou hebben overgeslagen, moet ik mij verdedigen 
door te wyzen op pag. 4 reg. 7 v. b. van mijn proefschrift, alwaar het 
woord djama'a niet stasit, maar toch de zaak jelve vrij duidelijk ge- 
noemd wordt, Digitizedby Google 



IN HET MOHAMMSBAANSCHE RECHT. 121 

uitspraken gesteld, dat, toen hij op het eind van zijn leven 
het ambt vau qftdhi weigerde, omdat hij zich daai-toe niet be- 
kwaam genoeg beschouwde, de Chalief al-Man^oer hem in de 
gevangenis wierp om hem op die, nog al vreemde wijze, te dii^iugen 
den staat met zijne talenten te dienen. Hij stierf in het jaar 
150 der Hedjra. 

Zijn twee voornaamste leerlingen waren : 

Aboe Jösof (113—182 der H.). Hij was Qadhi al-Qodhat • 
of opperrechter te Baghd&d onder Haroen ar-Rasjid, en zoo 
groot was zijn invloed dat die Chalief in zijn geheele rijk geen 
qsidhi wilde benoemen tenzij op voordracht van Aboe J6sof. 
Hieraan schrijft men het voornamelijk toe dat de hanafietische 
siekte korten tijd daarna de heerschende werd in de geheele 
muzulmansche wereld. Hij liet een bekend en dikwijls aangehaald 
werk na: over de plichten van den Q^hi (kitftb adab al-Q^hi). 

Mohammed, geboren te W^Lsit in Ir^ Arabt in het jaar 132 
der H. Hij volgde de lessen eerst van den Tm&m Aboe Hantfa 
zelvea en later die van Aboe Josof en van den Im&m Mftlek. 
Haroen ar-Basjtd maakte hem q&dhi in het persische gedeelte 
vau Trftq, alwaar hij stierf in 179. Yan zijne talrijke werken 
noemen wij hier alleen de zoogenaamde al-dj&mi a9-9aghtr of 
korte verzameling vau rechtsregels, omdat dit werk grooten- 
deels is overgenomen in de 'In&ya, een boek m Hiudost&nvan 
zeer veel gezag, dat ons ook bij het aamenstellen der volgende 
bladzijden vau veel dienst geweest is. 

In den beginne was het gezag van den Im&m zoo groot dat 
alleen zijn oordeel in twijfelachtige gevallen door zijne school 
gevolgd werd ; langzamerhand echter begon men hoe langer hoe 
meer waarde te hechten aan het oordeel zijner twee bovenge- 
noemde leerlingen y zoo zelfs dat zij dreigden hem geheel in de 
schaduw te zuUen stellen. In onzen tijd heeft men ten opzichte 
hiervan den volgenden vrij zonderlingen regel aangenomen. Zoo 
dikwijls als de beide leerlingen den meester tegenspreken moet 
de rechter ben volgen ; staat echter een van beiden tegen over 
Aboe Hantfa , hetzij dan al of niet gesteund door den andereu 
leerling, dan moet de meester gevolgd worden, daar hij altijd 
meer gezag heeft dan elk zijner leerlingen afzonderlijk >. 

Ofschoon aan de orthodoxie van Aboe Hantfa niet te twijfelen 

' Vreemd dat eene dergelijke bepaling ook in het romeinsche recht 
gevonden wordt ten opzichte van den jurist PapinianiiH, in de zooge- 
DsaiuUe «lex citandi» van de keizers Theodosius 11 en Valentinianus. OQIc 



IftI ovten mr conthaot a!,-bai^ 

valt , eu zelfe de volgers der andere scholen hem wel eens «^den 
g/ooteu Tmftm// (al^m&m al^aHham) noemen, zoo wordt *er hem 
toch een verwijt van gemaakt dat hij bij de verklaring der wet 
van Allah te veel waarde hechtte aan menschelijke redeneering 
(qi&s), in stede van het //credo quia absurdnm// der anderen in 
acht te nemen. Ja zoo ver gaat hij soms, dat als eene over- 
levering (hadith) duidelijk met het gezond verend in strijd is, 
hij die niet als wet erkent. Yan hier worden zijne volgers vel 
eens met den naam van /^aanhangers der reóev (ahl al-qi&s) 
bestem])eld, in tegenoverstelling van de ovetige sekten , die men 
dan //aanhangers der overlevering// (hadtth) noemt. 

De heerschappij , door de school Van Aboe Hanifa in de 
mohammedaansche wereld verworven , ten gevolge van den mach- 
tigen invloed van Aboe Jösof , was ^hter niet van lai^n dtmr. 
Zij werd namelijk weldra verdrongen nit Arabie , geheel Noord- 
Africa en Spanje, terwgl ze in onze dagen beperkt is tot het 
Turksche rijk in Europa en Klein-Azie, Tartaiye en vooral 
Ilindostftn. In Egjrptc is zij de officieele richting, en elk jaar 
wordt van Constantinopel een q&di naar Caïro gezonden om 
hieraan 'de hand te houden. De inwoners evenwel van Egypte 
aijn bflna zonder uitzondering volgers van as-Sjafi'l. 

Müek ibn Anes was de stichter van eene nieuwe seküe (madshab) 
van rechtsgeleerdheid. Hij was geboren in het jaar 94 der fledjra, 
te Medtna, en woonde nog de lessen bij van de tftbi^s ^der med- 
gezellen (^fthib) van den profeet. Toen hij later zelf als Imftm 
optrad , had zijne school weldra een groeten toeloop van leerlingen. 
Hij schreef slechts één boek, Mowattb, genaamd , een soort van 
dictaat, dat hij mondeling bij ^jne lessen nader verklaarde. Dit 
boek is de grondslag geworden van alle rechtsgeleerde werken 
der latere Mftlekieten. De Im&m stierf ötider 'Haroen ar-Rasjtd 
in het jaar der H. 179 ; zijne school kwam weldra tot grooten 
bloei, vooral in Spanje, alwaar de Aöademie van Cordova door 
studenten uit alle oorden der wereld bekocht werd. De eerste 
die de Muzulmanuen in Spanje bekend maarirte mèt de nieuwe 
richting was zekere 'Abd ar-Rahmftti Sjabtoen, die een dictaat 
van M&lek zelven, van «ijne bedevaart naar de heilige plaatsen, 
mede terugbracht. Toen nu -zijn leerling Jahjè ibn ffahj^ ook 
de bedevaart wilde gaan doen, raadde hij hem dteik aan den 
Im&m M&lek eens te gaan hooren. Jahj& deed dit en keerde 
blakende van fanatisme en godsdienstijver in zijn vaderland 
terug, zoo zeer dat hij met eenige andere geestverwanten een 



IN Hét MüHAMMËÜAANSCïrtB ftECltT. 123 

opstand bewerkte tegeu koning Hakam van Cordova, die zicli 
dan ook wel wat heel weinig om de voorschriften van den 
Istóm "bekteunde. De opstand werd eclit^er bedwongen ; doch 
kort daarop stierf Hakam (180), en daar zijn zoon en opvolger 
eene geheel andere ricliting voorstond, kostte het JahjH weinig 
moeite in de gunst van dien vorst te geraken; ja hij bracht 
het zoover dat, zooals reeds gezegd is, geheel Spanje tot de 
school van MsQek overging. In Noord Africa werd de heer- 
schappij der MMekieten gegrondvest door Sehnoen (160 — 240 
IL), ofschoon ook nog Aboe Hanïfa er vele volgers bleef tellen. 
Eeiie verandering kwam hierin onder den Emïr Moazz ibn B&dis 
(398 — 454 tt.), die iedereen, die geen M&lekiet was, uitsloot 
van de waardigheid van q&dhi of mufti, en zelfs de anders- 
denkenden begon te vervolgen. Ter zelfder tijd wist zekere 'Abd- 
allah ibn Ja9}a, een leerling der cordovaansche academie, de 
stammen der Berbers in de Sahara voor den TslAm volgens 
MÖek te winnen. Deze stammen waren hét die later onder den 
naam van Almoraviden zulk eene voorname rol in de geschie- 
denis van Spanje gespeeld hebben. 

De secte der Sjaféïeten, ofschoon, wat het getal harer volgers 
betreft, niet 'met de beide voorgaanden te vergelijken, is echter 
vóot ons Nederlanders de belangrijkste, omdat zij tegenwoordig 
in onze oost-indische 'bezittingen uitsluitend gevolgd wordt. 
Haar echter waa de Im&m Mohammed ibn Idiïs as-Sjati't, 
geboren te Askalön in Palaestina in het jaar 160 der Hedji-a, 
nit een geslacht dat zijn oorsprong afleidde van 'Abd al-Motallab, 
den ootii Van den 'profeet. Zijne voorouders behoorden in het 
eerst töt de 'meest verbitterde tegeiistiatiders van clen Islê.m, zoo 
zeer dat eön huhtieï de banierdrager was vaCn den stam der 
'Hftsiraieten iü 'den strijd bij ^edr (2 H.) Aldaar gevangen ge- 
nomen werd hij gedwongen met zijn geslacJit tot den Tsl&m over 
te gaan. De Tm&m had reeds als kind bewijzen gegeven van 
groote liefde voor de studie, op zijn zevende jaar, zegt men, had 
hij reeds den geheelen Qor&n ovetgeschreven , iets dat bij den 
Mohammedaan vóór een zeer verdienstelijken arbeid gehouden 
wordt. Op zijn tiende jaar kende hij hét boek van M&lek, de 
Mowatta genaamd, van buiten en op zijn vijftien&e verkreeg hij 
den doctoi'stitel aan de rechtsschool tb Mekka. Zijn jeiigd 
bracht Sjtafi'ï dóór te Ghazza, later woonfle hij te Mekka, en 
iü het jstór 195 verhuisde hij weder naar Baghdad, alwaar hij 
zijü eerste boek de "grondslagen" (o9oel) schreef. Verder be^gl^ 



Ii4 OVEU HBT CONTRACT Al.-BAl* 

woonde hij nog Egypte, maakte daar met de leerlingen van 
M&lek kennis en stierf te Caïro in het jaar der H. 204. Of- 
schoon hij zijn eerste boek schreef toen hij al 47 jaar ond was. 
en hij in den ouderdom van 54 jaar overleed, is er toch bijna 
geen rechtsgeleerde van wiens hand zoo vele werken vermeld 
worden. Hij schijnt ook de eerste te zijn geweest die beproefd 
heeft de rechtsgeleerdheid tot een systeem te brengen, en het 
eerst eene kritische verzameling der overleveringen omtrent den 
profeet vervaardigd te hebben. Vóór hem toch was er geen 
boek bekend waarin men zien kon, welke gezegden of daden 
van Mohammed verbindende kracht hadden, en welke hij zelf 
door latere handelingen ongedaan heeft gemaakt. Ook omtrent 
het karakter en de wijze van doceeren van den Im&m wijden 
zijne levensbeschrijvers zeer uit. Zijn graf is, zegt men, nog te 
vinden in de groote Moskee te Caïro. 

Behalve in Arabic worden de volgers van Sjafi'i voomameUjk 
gevonden in Egypte, welk land al een zeer merkwaardig voor- 
beeld is van de willekeur der vorsten ten opzichte van het geloof 
hunner onderdanen. 'Abd ar-Bahm&n ibn Jeztd, gestorven te 
Alexandrie in het jaar 163, had de leer van M&lek in de plaat? 
van die van Aboe Hantfa gesteld. Twee eeuwen later ongeveer 
dwongen de fatimidische Chaliefen te vuur en te zwaard de 
Egyptenaren tot de kettersche sekte der Sjiieten over te gaan, 
en ter nauwemood was deze bekeering volbracht of de dynastie 
der Ejoebieten maakte zich meester van den troon en herstelde 
de orthodoxie, en wel volgens de richting van Sjafi^ï. De stichter 
dier dynastie, de bekende QMah ad-dtn, bij de europeesche 
schrijvers SaJadin genoemd (567 H.) vervolgde echter de anders- 
denkenden niet. Wel is waar stichtte hij voor zijne sekte een 
prachtige moskee (masdjid) en academie, al-Azhar genaamd, 
te Caïro, doch hij liet tevens toe dat elk der andere sekten 
hare academiën daar naast bouwden. Een tweede beroemde 
academie der Sjafeieten, waarvan men echter tegenwoordig niet 
veel meer hoort, bestaat te Herat in Persie, gesticht door den 
Sultan Ghlath ad-dJn , en het zijn deze twee scholen welke men 
als de foyer's der sekte van Sjafi^i beschouwen kan. 

In onze oost-indische bezittingen schijnt vroeger de richting 
van Aboe Hanifa geheerscht te hebben; door oorzaken echter, 
die nog lang niet opgehelderd zijn , en die misschien wel altijd 
in het duister zullen blijven, is daarvoor later de sjafeietische 
richting in de plaats gekomen. Men zegt zelfs^at een der af- 

Digitized by \jOOQ . 



IS HET lAOHAMMKDAANSCHE RKCHT. 125 

(leeliugeu van de acadeune te Caïro uitsluitend yoor Djawa 
«tudenteu d. i. Javanen en Maleijers bestemd is. Ook komen 
(Ie rechtsgeleerde boeken, die op Java gevonden zijn, op eene 
verrassende wijze overeen met de werken gebruikt in de academie 
alAzhar. Ik kan intusschen niet nalaten op te merken dat de Isl&m 
iu den Oost-Indischen Archipel , vooral door de onbekendheid van 
de massa der bevolking met de arabische taal, volstrekt niet in 
al haar zuiverheid gevonden wordt, zoo zelfs dat die tot heden 
toe niet eens in staat is geweest het oud-indisch bijgeloof der 
Javanen geheel te verdringen. 

Ik durf er bijvoegen: tot geluk voor het nederlandsch be- 
stuur, want had in Tndie inderdaad de Isl&m zulke diepe wor- 
telen in het volkskarakter geschoten, als van sommige kanten 
wel eens beweerd is, dan zoude onze heerschappij uit den aard 
der zaak met moeilijkheden hebben te worstelen waarbij die, 
welke de Franschen in Algerie hebbeu moeten te boven komen, 
slechts als kinderspel zouden te beschouwen zijn. De IslAm toch 
kan zich niet voegen in een staat van dienstbaarheid; zij schrijft 
instellingen^ zooals den heiligen oorlog tot uitbreiding van het 
geloof, als een plicht voor aan ëlken muzulman, en nu komt 
het mij voor dat waar wij in den indischen archipel zien, dat 
het rechtsbewustzijn der bevolking volstrekt niet geschokt wordt 
door de overheersching der Christenen , en dat zi) ons zelfs op 
sommige tijden vrijwillig heeft bijgestaan in het onderdrukken 
▼an opstanden door godsdienstig fanatisme veroorzaakt, men 
veilig kan besluiten dat onze macht, ten minste bij eene ver- 
standige staatkunde, van den Isl&m weinig of niets te vreezen 
heeft. 

De vierde sekte , die in aanmerking komt , is die van Ibn Hanbal 
(t £41 H.) , een leerling van Sjafi'!. Ofschoon bij zijn leven 
van grooten naam, is het getal zijner volgers allengs venpinderd 
en tegenwoordig bijna geheel versmolten. Het meeste opgang 
heeft deze school dan nog gemaakt in Ir&q en de stad Balch. 
Vandaar dat de arabische juristen Ibn Hanbal en zijne volgers 
gewoonlijk bestempelen met den naam van de menschen uit 
'Ir&q (ahl al-'Irftq) of de geleerden van Balch (masjaïch Dalch). 
Nageno^ hetzelfde kan men ze^en van de kettersche sekte 
der Sjiieten, die eenmaal de mohammedaansche wereld zoo in 
beweging gebracht hebben. De geschiedenis van het oosten is 
opgevuld met hun strijd om den voorrang tegen de orthodoxen, 
ja zelfs brachten zij het eenmaal zoo ver dat behalve 
3e Volgr. IV. 10 



126 OVEE HKT CONT1U.CT At.-BAl' 

geheel Africa en Spanje gedurende meer dan 260 jaar hnsne 
leer aanhingen , en nu zijn zij beperkt tot het eerstgenoemde hjk, 
waar zij thans hun laatste schuilplaats gevonden hebben. Geen 
grooter haat is denkbaar dan dien zij den orthodoxen toedragen, 
welke in hunne oogen niet anders dan heidenen zijn. Bij de 
europeesche schrijvers heerscht echter omtrent hunne leer eene 
dwaling, die het hier de plaats is aan het licht te stellen. 
Door dat de orthodoxen den naam van Sonnieten hebben aan- 
genomen , heeft men namelijk gemeend dat hunne tegenstanders 
de Sjiieten , de Sonna of overlevering omtrent den profeet ver- 
werpen. Niets is minder waar dan dit. De strijd toch loopt alleen 
hierover, in hoever 'Alf de wettige opvolger (chalief) van den 
profeet was of niet, en de Sjiieten , die dit bevestigend beant- 
woorden, ontkennen dus het recht der drie eerste Chaliefen op de 
heerschappij en daarmede ook het groote gezag der Idjma' of Djam&'a 
d. i. de juridische uitspraken van hen, gewezen in overleg met 
de medgezellen van den profeet. Zij erkennep echter natuurlijk 
dat Aboe Bekr, 'Omar en 'Othm&n evenals alle medgezellen 
(c&hib) van Mohammed het recht hadden juridische uiü<prakeu 
te doen, maar niet als chaliefen. Daarbij komt nog dat die 
waardigheid bij de Sjiieten hooger staat dan bij de orthodoxen, 
zoo zeer dat zij hun chaliefen, 'Alt en zijn afstammelingen, 
godsdienstig vereerden op eene vrijze, die alles behalve in over- 
eenstemming is met de oorspronkelijke leer van Mohammed. De 
Sonna of overlevering verwerpen zij editer zoo weinig, dat ik 
niet durf zeggen wie in het verklaren daarvan tot meer bijge- 
loovige letterknechterij vervallen zijn, zij of de orthodoxen. 
Intusschen hebben zij afzonderlijke verzamelingen dier overleve- 
ringen , welke boeken soms vrij sterk van die der rechtgeloovigen 
afwijken. 

Wij zullen nu in korte trekken handelen over de arabiscbe 
lechti^leerde boeken, welke ik bij mijn arbeid gebruikt heb; 
ik reken mij hiertoe te meer verplicht, omdat het mij gelukt 
is omtrent sommige schrijvers eenige bijzonderheden op te sporen, 
welke nog, voorzoover ik weet, niet bekend zijn. Mij stonden 
hierbij ten dienste Ibn Challikan, het bibliografisch woorden- 
denboek van Hadji Chalfa, benevens de werken van Sobki en 
Ibn Qotlobogha over de sjafeïetische en hanafietisohe schrijvers. 
Verder hebben mij over de Mftlekieten de nieuwste fransche 
werken over Algerie vele belangrijke aanmerkingen aan de hand 

B^**"* Digitized by GoOglC 



IN HXT MOHAMlIRDAANSCHIi: HMttT. 127 

Een paar algemeeae opmerkingen echter vooraf. 
In de eerste plaats dan is hel Keer te betreuren .dat wij 
Nederlanders jnist betrekkelijk 7joo weinig handschriften hebben 
van de SjafeSeten , die voor ons juist het belangrijkste zijn , en 
die ik dan ook tot basis voor de volgende bladzijden aange- 
nomen heb, terwijl ik de andere sekten slechts dan binnen den 
kring van mijn ondereoek wilde trekken, als het eenbelangrijk 
verschil van reehtabeginselen gold. Van die andere sekten tMi 
bestit de leidsche bibliotheek een bijna onnoemelijk aantal 
werken, meest in handschrift, welke wij voornamelijk te 
danken hebbcfn aan een nederlandsch oonsulair agent in de 
Ijevant , Warner genaamd , die in de vorige eeuw leefde en zijne 
rijke verzameling arabische handschriften aan de genoemde bi^ 
bliotheek vermaakte; doch reeds de plaats waar aij van daai) 
komen , toont genoegzaam aan dat zij van hanaietische schrijvers 
en dns voor ons vaa minder belang zijn. 

De rechtsgeleerde schrijvers nu hebben zonderling genoeg allen 
hetzelfde systeem gevolgd, dat van de vroegste tijden af in 
bmine school was aangenomen, ten minste als men den naam 
van systeem geven mag aan de wijze, waarop zij het recht be« 
handeien, die nog oneindig veel erger is dan in de verwarde 
massa der pandekten van het romeinsche recht: hetgeen daaiom 
zoo onaangenaam is, omdat de schriften over de afzonderlijke 
dealen der reohtswetenschap over het geheel al van zeer weinig 
waarde zijn , en men dns wel tot de groote werken zijn toevlucht 
moet nemen. Na natuurlijk eerst een lofspraak op Allah en zijn 
profeet in tamelijk opgeblazen stijl te hebben doen voorafgastn, 
bf^nnen die werken met de plichten jegens Qod (haqq Allah 
ta'Ma) te behandelen, iets dat wij tot de leer der uitwendige 
godsdienstvormen zouden brengen, b. v. de veiniging (tahAra), 
die vooraan staat omdat onreinheid den mensch ongeschikt nia»kt 
Allah te naderen, verder het gebed (^alA), de vasten (ciftm), 
de bedevaart (hadjdj) en eindelijk een soort van gedwongen 
lieidegilteu, zakft genaamd. Daarop vcJgt de behandeling der 
rechten van de mensehen (haqq adamt) d. i. het burgerlijk en 
strafrecht, het proces en bij sommigen ook het staatsrecht. Van 
het burgerlijk reeht wordt over personen gehandeld in de hoofd- 
stukken over het huwelijk (nik&h) en het onderhoud (nabqa), 
over zaken en verbindteirissen in dat over de rechtshandelingen 
(raa'amela), en eindelijk over het erfrecht (faraïdh) in een af- 
zonderlijk hoofdstuk. Dit laatste namelijk is door de polygaraidglc 



128 OVK» HET CONTRACT AI.-BAI^ 

en de daarait ontstane ingewikkelde familie betrekkingen zoo 
moeilijk te ontwarren dat het een a&onderlijk deel der moham- 
medaansche rechtsstndie geworden is, dat voor ons Europeanen 
tot heden toe nog volstrekt niet voldoende verklaard is. 

Eindelijk nog dit: het komt mij voor dat de arabische juristen, 
voornamelijk die welke iu Egypte en Syrië leefden, eénige 
kennis moeten gehad hebben van het romeinsche recht. Niet dat ik 
zon wiUen beweren dat zij eene bepaalde vertaling der pandekten 
en instituten voor oogen gehad hebben; zoo iets zou men niet 
mogen te berde brengen zonder dat er eene dergelijke vertaliug 
gevonden of ten minste vermeld was; maar het kan zeer wel 
zijn dat de Basilica ' of misschien nog oudere romeinsche rechta- 
boeken tot hen zijn gekomen. Anders blijft het voor mij een 
psychologisch raadsel hoe verschillende menschen niet alleen de- 
zelfde zaken, maar ook dezelfde dwalingen op dezelfde wijze 
zouden aan den man brengen, ja hoe zelfs rechtsinstellingeu , 
te voren bij de Semieten onbekend, na de verovering der pro- 
vinciën van het romeinsche rijk blijkbaar schoorvoetend door de 
Arabieren zijn overgenomen. Voornamelijk geldt dit van het 
huurcontract, en van eenige quaestiën die zich later onder de 
juristen hebben voorgedaan, b. v. óf de verkoop van eens anders 
zaak geldig is^ iets dat men weet dat in het romeinsche recht 
plaats vindt, doch tegen den geest van den Isl&m zoo sterk 
mogelijk indruischt; verder het maken van onderscheid tnsschen 
koop en ruil, dat ook in het oude romeinsche recht een punt 
van strijd was tnsschen de Proculiani en de Sabiniani, doch 
dat Justinianus door zijn machtwoord heeft beslist , en dat mede 
geheel tegen den geest der Semieten, evenzeer als tc^n het ge- 
zond verstand iu , in het latere mohammedaansche recht in den- 
zelfden zin is aangenomen. Ook uit vele andere kleine punten 
van overeenkomst zal de juistheid van mijn beweren aan deu 
rechtsgeleerden lezer in de volgende bladzijden blijken , daar ik 
niets gedaan heb dan de arabischc schrijvers, in veranderde orde 
van behandeling, meestal letterlijk te vertalen. De zaak wordt 
ook daardoor des te waarschijnlijker, ds men nagaat ^ dat er 
te Berytus in Syrië en te Alexaudrie beroemde romeinsche rechts- 
scholen bestonden, waarvan de laatste zeker tot in het laatst der 
zevende eeuw na Christus gebloeid heeft, terwijl de arabische 
geschiedschrijver Bel&dsort ons mededeelt dat de diw&n in Syrië 



' Latere grieksche bewerking van het '''^"leigsche X)<^ 



IN HICT liOHAMMCDAANSCHB REOHT. 129 

tot op dien tijd toe voortdurend de grieksche (roemt) taal ge- 
bruikte. Dat de rechtsgeleerden zelven van deze kennis van het 
romeinsche recht geenerlei melding gemaakt hebben, kan men 
misschien daamit verklaren , dat niets hun gezag bij de menigte 
meer schade had kunnen doen dan het gebruik van boeken der 
ongeloovigen , iets dat elk rechtgeaard muzulman tegen de borst 
moet stuiten, — vooral indien bet zulk eene heilige zaak als 
het recht geldt. ^ 

De rechtsgeleerde werken , waarvan men in de volgende blad- 
zijden eene compilatie vindt, zijn: 

al-Mochtagir of al-ghêja f! l-ichtipar , een kort begrip der rechts- 
geleerdheid van Ahmad ibn al-Hasan ibn Ahmad al-I^fahftnt, 
ook wel genaamd den q&dhi Aboe Sjodj&', geboren te Ba^ra in 
het jaar 434 der H. Sobki leert ons dat hij in het jaar 500 
reeds gedurende meer dan 40 jaar de rechtsgeleerdheid in zijne 
geboortestad had onderwezen , terwijl Hadji Chalfa zegt dat hij wei- 
uige jaren daarna overleed. Deze laatste noemt nog een ander werk 
van hem^ Mabsoet al-imAm geheeten , welk werk ik echter zelden of 
nooit bij andere schrijvers heb aangehaald gevonden. Het /inkort 
b^rip*' echter is het gewone leerboek voor de studenten te Caïro, en 
om zoo te zeggen de legger voor de studie van het moham- 
inedaausche recht der Javanen en Maleijers, daar bijna al de 
rechtsgeleerde kit&bs dezer volken de duidelijke sporen dragen 
van door dit ^kort begrip^ geïnspireerd te zijn. De meeste hand- 
^briften, die er dan ook in de nederlandsche bibliotheken van 
gevonden worden, dragen de duidelijke sporen, zoowel door 
schrift als door maleische kantteekeningen , dat zij uit onze oost- 
Indische koloniën afkomstig zijn. Het was een gelukkig denk- 
beeld van den nu overleden hoogleeraar Keyzer dit werk door 
den druk bekend te maken. De fransche vertaling en inleiding 

I De onderstelling omtrent den invloed van het romeinsche op bet 
mohammedaansche recht, is sedert dat ik ze, op bovenstaande wyze, 
in mijn academisch proefschrift heb te berde gebracht op merkwaardige 
wijze bevestigd geworden. Prof. L. Krehl te Leipzig heeft nameiyk zoowel 
in zyne recensie van mijn arbeid als in eene briefwisseling, welke ik met 
hem gevoerd heb , my nog zooveel nieuwe bewyzen daarvoor aan de hand 
gedaan dat ik geloof de zaak nu voor uitgemaakt te kunnen houden. Ja 
bij gaat zoo ver van te beweren werkelijk eene arabische vertaling van 
een romeinsch rechtsboek te kunnen aantoonen. De Syriers schijnen hier 
weder de tnsschenpersonen geweest te z\jn, en evenals in alle weten- 
schappen door de Arabieren beoefend, is dus ook hun recht niet vrg 
gebleven van den invloed der overwonnen volden bij wi^ de romeinsche j 
beschaving was doorgedrongen. • oigitizedbyLnOOglC 



1S9 OVBE HBT CONTRACT AL-BAl' 

echter, die hij et bijvoegt , dragen de duidelijke sporen van met 
ovethaasting (om geen erger woord te gebruiken) gemaakt ie zijn. 

Hei ^kort begrip^^ van Aboe Sjodjft, evenak alle werken 
van dieu aard « i« nagenoeg onbruikbaar Yoor hen , die de mon- 
delinge v^rkla,ring vu» den araUflcheft geleerde mist, en die 
dit gemia niet door het lezen Yvnx commentaren weet te verlielpen ; 
het is namelijk slechts een dictaat van eenige losse rechtsi^eb 
waarvan het onderling verband zonder nadere toeliehtmg zeer 
moeil^ te vatten is. ^ De commentaren nu die mij ten dienste 
stonden, waren de drie volgende: 

Al^qaul al-mocht&t fi sjarh ghftja al-ichti^ai vaa 8)ams ad- 
dtn aboe 'Abd-Allali Mohammed ibn Q^im al-GhAzzi, gestorven 
in het jaar 918 der H. Hiet is eene zeer korte verklaring van 
Aboe 8|jocy&\ waarmede volgens BurUm de stodenten te Cauo 
beginnen, hetgeen mij zeer begrijpelijk voorkotnt daar zij op 
uitstekende wijze vele korte rechtsregels aangeeft, en dus voor 
liandboek zeer geschikt schijnt. Ook zegt de heer Kej^zer datde 
geestelijke rechtbank der Soerambi te Soerakarta dezen commen- 
taar als richtonoer voor zijne uitspraken gebruikt. Het eeuige 
hand^hrift dat mij er van ten dienste stond is ongelukkig een 
der alordigsten, die mij ooit zijn voorgekomen. 

Ki&ja al-ichj&r fi hall gh&ja al-ichtigar , de beste van alle 
mij bekende commentaren op Aboe Sjodj&' , geschreven door Taqi 
ad-din aboe Bekr ibn Mohammed al-Hi^ui, omtrent wiens leven 
ik tot mijn spgi niets anders heb kunnen ontdekken dan dat 
hij gestorven is in het jaar 829 der H. Wel is waar wordt bij 
Hadji ChalfiA zi)n naam op vele plaatsen als auteur genoemd, 
doch nergens worden er eenige bijzonderheden van zijn leven 
bijgevoegd. Ook de andere bronnen lieten mij hier in den steek. 
Ik weet niet of hij nrisschien niet als de beste der moliain- 
medaansche rechtsgeleerden te beschouwen is; zoo veel is ten 
minste zeker dat , behalve op weinige plaatsen , waar hij gebonden 
is aan de letter der wet van Allah en dus zijn gezond verstaud 
niet vrij kan laten wenken ^ men ndu^lijks kan gelöoven een 
ambier te lezen. In redeneertrant et juridische ontwikkeling toch 



* Omgekeerd kan men een arabischen commentaar zeer goed gebruiken 
zonder het oorspronkelijke werk, daar dit altijd geheel in den commen- 
taar wordt aangehaald. Doorgaans wordt dan tevens die text metroode 
inkt geschreven of tusschen roode haakjes geplaatst, ten einde hem beter 
te kunnen onderscheiden, ^ 1 

Digitized by VjOOQ IC 



IN HET MOHAMltBDAANSCHB BECHT. 131 

kan hij op ééne lijn gesteld wordeu met de beste schrijvers die 
het westen kan aanwijzen , terwijl zijn stijl bovendien zuiver en 
heider is. Zijn boek laat dan ook den lezer bijna nooit in het 
onzekere ronddwalen. Eindelijk verwondert het mij ten zeei^ste 
(lat nog geen ojueat oriëntalisten het fraaie handschrift, dat de 
leidsche bibliotheek van hem bezit, in druk heeft vertaald en 
uitgegeven ; want daardoor zou zeker de studie van het sjafeSetisch^ 
recht eene groote schrede voorwaarts hebben gedaan. 

Iqoi^ ft hall alfikth abi 8}odj&' Van den sjeich Mohammed 
as-Sjarbtni (f 977), een werk van veel minden gehalte dan 
het voorgaande, met een soms duisteren stijl, vooral wanneer 
(Ie schrijver op wijsgeerige gronden eene verklaring zoekt te 
geven van de een of andere bepaling in het boek van Allah 
of in de overlevering van zijn profeet, welke inderdaad het kort- 
zichtig m«ischenverstand niet verklaren kan. Evenals de straks 
genoemde Ibu Q&sim verklaart hij Aboe 8jodj& woord voor 
woord, in tegenstelling van Hi^nl die meer schrijft naar aan* 
leiding van het kort begrip dan dat hij het letterlijk volgt. De 
commentaar wordt door Hadji Chal& niet vermeld; deze noemt 
evenwel een gelijknamig boek van zekeren MohamiQed ibn as-Salam 
(t 931), die hij zegt dat zijn eigen werk naderhand nog eens 
verkort heeft uitgegeven. Misschien is onze commentaar eene nieuwe 
omwerking van het gelijknamige boek van den ouderen schrijver. 
De Iquft is gedrukt te Caïro in het jaar 1865 van onze jaartelling. 

De overige sjafeïetische schrijvers, die ik gebruikt heb, zijn 
de volgende: 

Eene commentaar op het Mochtagir of kort begrip van al- 
Mothafihr Am!n ad-dtn ai-Tibrtzt, geboren in het jaar 558. Hij 
was vooral beroemd in Egypte, dat hij echter op later leeftijd 
wegens staatkundige gebeurtenissen verliet, om 'Ir&q en daarna 
de stad Sjtraz in Per^e te gaian bewonen , alwaar hij stierf in 
621. Daar wij het Mochta^r zelf niet afsïonderlijk bezitten en 
de commentaar slechts broksgewijze het boek schijnt te verklaren, 
had het voor mij soms vele bezwaren in om ze te gebruiken, 
terwijl ze dan ook voorzoover ik na kan gaan niet veel waard 
is. Ook weet men niet juist hoe de schrijver daarvan heet; alleen 
hebben de geleerde vervaardigers van den catalogus van oostersche 
handschriften der leidsche bibliotheek op verisohillende gronden 
zeer waarschijnlijk gemaakt dat hij in de achtste eeuW der Hedjra 
leefde. TJit Hadji Chal& blijkt bovendien dat het Mochta^ir 
ïdf eene verkorte bewerking is van bet meet bekende vTerk vaaOglc 



132 OVKK H«ï CONTRACT AL-BAl" 

den zelfden Tibrtss! , al Wadjtz genaamd. Tibrtzt is in het oosten 
een van de meest geachte schrijvers der Sjafeteten. 

At-tanbth van Aboe Ishftq Ibrahtm ibn 'Alt ibn J6sof asSjiiftzi 
al-Firoesabftdsi, geestorven in 476. Hij schreef dit werkje ge- 
durende de jaren 452 en 453. De commentaren er op zijn 
ontelbaar, hetgeen trouwens niet te verwonderen is, daar het een 
der vijf beroemdste rechtsboeken dezer sekte is. Onder die com- 
mentatoren worden ook Hi^ni en Sjarbini genoemd ; geen dier 
beide werken is mij echter' in handen gekomen. Ook bestaan er 
zeer veel latere omwerkingen van de //Tanbth^ en men z^ 
zelfs dat er een rijmelaar geweest is, die het in versmaat heeft 
overgebracht, opdat de studenten het gemakkelijker van buiten 
zouden kunnen leeren. De heer Keyzer heeft dit werk vertaald 
uitgegeven in zijn: //Handboek voor het Mohammedaanache 
recht, ^ welke vertaling echter op sommige plaatsen tamehjk 
onnauwkeurig is , zoodat men ze niet dan met de grootste voor- 
zichtigheid behoort te gebruiken. 

Al-minh&dj at-talibtua van den beroemden Aboe Zakarja Jahjft 
ibn Sjaraf an-Nawawt, geboren in het jaar 631 der H. te Nawa 
nabij Damaskus. Nadat hij zich reeds vroeg op de rechts- en 
godgeleerdheid had toegelegd, begon hij in 649 de academie van 
Damaskus, de Bewahia genaamd, te bezoeken, en zich vooral 
toe te leggen op het bestudeeren van de //Tanbth^ en de 
'i'Mohadsab^r beide werken van Aboe Ish&q as-Sjtr&zi Toen hij 
nu de bedevaart (hadjdj) naar Mekka gedaan had , en ook daar 
zijne studiën niet had laten rusten , begon hij in Damaskus zeli 
onderwijs te geven en werd in 665 beroepen tot professor aan 
eene rechtsschool Asjrafta genaamd. Ofschoon hij zich altijd 
meer met de wetenschap dan met de staatszaken inliet, toonde 
hij toch ook in zijn politiek leven een man te zijn van groote 
geestkracht en vastberadenheid. Aeeds bij zijn leven ging er een 
groote roep van hem op, en kwamen studenten van heinde eu 
ver zijne lessen bijwonen. Hij stierf in het jaar 676 eu werd 
begraven in zijne geboorteplaats Nawa , alwaar zijn graf nu nog 
door de Muzulmannen, als dat van een heilige, vereerd wordt. 
Het bovengenoemde werk is oorspronkelijk niet van hem, 
maar eene verkorte omwerking van het boek van ar-RAfi 
(t 623): Mochta9ir al-moharrar genaamd; maar de omwerking 
is van grooter naam dan het origineel , vooral ook in onze oost- 
indische bezittingen. Talloos zijn de commentaren die er op 
vervaardigd zijn, onder anderen doqr AboeJ^-^^^^^MarftgM 



IN HET liOHAMMüDAANSCHB BECHT. 1')8 

eu Djalftl ad-dtii al-MahalIi (f 864), ook in Indie zeer be- 
kend en geacht. De Sjeich Zain ad-din Aboe Jahj& Zakaija ibn 
Mohammed Angart schreef in het jaar 757 ook een beroemden 
commentaar, onder den titel Fath al-wahh&b bi sjarh minh&dj 
at-tallftb, welk werk ik vooral daarom vermeld, omdat wij te 
Leiden er een handschrift van hebben, dat echter in den cat«- 
logas geheel ten onrechte wordt to^eschreven aan een bijna 
gehjknamigen commentator, doch die meer dan 200 jaar later 
geleefil heeft. 

Kitftb Toehpah , een Javaansch Mohammedaansch wetboek , oor* 
spronkclijk opgesteld door den Toewan Sjeich Ibn al-Hadjar 
volgens arabische rechtsgeleerde werken. Het javaansche boek , 
zooals wij het nu bezitten, is echter eene omwerking uit veel 
lateren tijd van het werk van Ibn al-Hadjar, en wijkt in het 
algemeen zeer sterk af van den vorm waarin de juridische boeken 
der Arabieren vervat zijn. Voor de studie der rechtsgeleerdheid 
zelve is het van niet veel belang, doch zij die zich als ambte- 
naren naar Tiidie begeven, mogen niet nalaten er kennis mede 
te maken, daar het het eenige door den druk toegankelijk ge- 
maakte zuiver mohammedaansch wetboek in de javaansche taal 
is. In de uitgave door Mr. S. Keyzer bezorgd, zijn vooral van 
het grootste belang de javaansche aanteekeningen , die hij heeft 
geput uit zeker Pegon handschrift, het eigendom van Prof. 
Boorda, en. dat deze ook mij welwillend ten gebruike heeft af- 
gestaan. Het dialekt, waarin dit handschrift is opgesteld, wijkt 
echter vrij sterk van het gewone javaansche spraakgebruik af; 
de heef Keyzer meende er het dialekt van Tjeribon in te zien , 
doch zooals men mij later mededeelde, geheel ten onrechte. 

Van de Hanafieten heb ik slechts twee werken geraadplee^, 
doch beide van zeer groot gezag , namelijk : 

Al-hid&ja fi 1-foroê of al-hid&ja fl sjarh al-bidftja, een com- 
mentaar van Borh&n ad-d!n 'Alt ibn abi Bekr al-Marghin&nl , 
(gestorven in het jaar 593 der H.) op zijn eigen werk : al-bidija 
al-mobtadt. Het verhaal zegt dat hij meer dan 15 jaren be- 
steedde om dit werk zamen te stellen, gedurende welken tijd 
hij onophoudelijk vastte en gebeden deed om wijsheid. Om hem 
hiervoor te beloonen zegende Allah dan ook zijn arbeid zoo 
zeer, dat het boek in de hanafietische school, om zoo te 
7.eggiBn, de grondslag werd voor de latere beoefening van het 
lecht; ja zoover gaat de eerbied* van sommigen voor dit boek, 
dat men wel eens gezegd heeft, dat het na den Qorftu het besteeg Ie 



134 OVER HfiT CONTBACrr AI.-BA£^ 

b()<^k op aarde wa8. Het is uitgegevea te Caicotta eu reeds iu 
de vorige eeuw heeft zekere Haitiilion er eeue engelsche ver- 
taliug van ^^veu, welke echter niet van de beste is, daar 
hij een aantal arabiscbe en pdrsisohe kantteekeuingen op zijo 
handschrift zoo maar los weg in den tekst heeft opgenomen. 

De lu&ja, een beroemde commentaar op de HidAja^ door 
Akmal ad-dtn Mohammed ibn Mahmoed Babertt (f 786), die 
de door hem behandelde reditsquaesties echter niet zelden door 
zijne redeneeriugen meer verwart dan dat hij ze duidelijk maakt, 
iets waaraan zich echter wel meer mohammedaansdie rechtsge- 
leerden, om van de onzen niet te spreken, hebben schuldig ge- 
maakt. Het gezag der Infija is daarom zoo groot omdat hei 
eene compilatie is van vele der beroemdste werken uit de hana- 
fietische school , vooral van de Dj4mi' a^-^aghtr van Mohammed, 
den leerling van den grooten Tmftm > zelven. Vele andere werken van 
den zelfden schrijver worden nog opgenoemd bij Ibn Qotlo- 
bögha; geen daarvan is echter op de leidsche bibliotheek 
aanwezig of door den druk bekend gemaakt Yan de luija 
heeft men te Calcutta reeds sedert laug eene uitgave het licht 
doen zien. 

Yan de Malekieten zijn mijne bronnen geweest: 
Een commentaar op het bekende werk, al-Modawwana genaamd, 
een van de vier voornaamsten uit deze school. De oorsprong er van 
ligt in het duister; meestentijds schrijft men het toe aanAboe 
'Abd-allah 'Abd ar<Kahm&n ibn al-Q&sim al-'Ot&qt', die geleefd 
heeft van het jaar 133 tot het jaar 190 der Hedjra en een 
leerling was van den Im^ M&lek. De redactie echter die wij 
van het werk hebben, is van de hand van den jurist Sehnoeu, 
denzelfden dien wij gezien hebben dat in Noord-Afrika de 
m&lekietische school in de plaats stelde der hanafietische. De 
schrijver van den commentaar is zekere Aboe '1 Hasan a^-Qaghtr 
uit Qairaw&n, wiens leeftijd wel is waar onzeker, doch in allen 
gevalle na het jaar 550 te stellen is. Het boek is om te ver- 
stabn een der lastigste, die mij ooit zijn voorgekomen, vooral 
Omdat de schrijver een aantal gezegden van anderen alleen bij 
de twefe of drie eerste woorden alinhaalt, zoodat men niet weet 
waarop zijne verdere redeneering slaan moet. Yoornamelijk heb 
ik gebruik gemaakt van het tweede deel van den commentaar, 
dat over de onwettige bai'-coutracten handelt. 



> Aboe Hanii&i DigitizedbyGoOglc 



IN UET MOUAMM£DAAN8CHfi RECHT. 133 

al-Moclita^ir f! 'l-fiqh van ChaUl ibn Ishftq ibu Ja'q&b al- 
Djondi, die te Cairo de rechtsgeleerdheid met veel succes onder- 
wees en in het jaar 776 der Hedjra stierf. Zijne werken met 
die van Bochiii hebben in Noord- Afrika tegenwoordig het meeste 
gezag, en vooral schijnt dit het geval te zijn met zijn com- 
mentaar op de Modawwana^ welk werk hij ook in zijn Moch- 
tagir zeer dikwijls aanhaalt. De stijl van het Mochta9ir is echter 
vrij duister en gedrongen, hetgeen onder anderen daaruit blijken 
kan dat hei een werkje van 380 bladzijden is en volgeus de 
algerijnsche sjeichs 200,000 rechtsquaesties behandelt , terwijl er 
meer dan 60 commentaren op vervaardigd zijn. Men heeft dan 
ook de opmerking gemaakt dat van de 25 jaren, die men 
z^ dat de schrijver besteed heeft om het boek zamen te 
stellen, hij zeker in de laatste 20 niets anders gedaan heeft 
dau het zoo onverstaanbaar mogelijk te maken. Eene voortreffe- 
lijke fransche vertaling van het Mochta^ir en de voornaamste 
commentaren is geleverd door den heer Perron in de Explo- 
ration scientifique de TAlgérie, dl. X en volg. Het Mochta9ir 
zelf is in het arabisch te Parijs gedrukt in 1855. 

Een commentaar op het werkje Masaü al-boyoe' van Aboe 
Jahj& uit Tunis, vervaardigd door Aboe '1-Abb^ al-Qabb&b. 
Het boek handelt bijna geheel over den ongeoorloofden woeker of 
rib4, en is in het algemeen minder voor het recht dau voor de 
leiicogfaphie van belang ,. daar er vele namen van eetwaren , enz. 
iü voorkomen^ die in onze woordenboeken ontbreken. 

Van de Sjiieten is mij eindelijk van veel nut geweest: 

Kitèb Sjaraï'' al-Isl&m van Nadjm ad-dtn Dja'far ibn Moham- 
med ibn Jahj& ibn Zaid al-Hilll, gewoonlijk geniutmd Aboe 
l-Qsisim al-Mohaqqiq , van onzekeren leeftijd , vermoedelijk eehier 
tusschen de jaren 460 en 676 te stellen. Ofschoon het boek 
bij de Sjiieten groot gezag heeft en vele rechtsgeleerden het tot 
grondslag voor hunne werken genomen hebben , is het mij toch 
oiet mogen gelukken eenige nadere bijzonderheden omtrent het 
leven van den schrijver op te sporen, en geen wonder; de 
bruimen toch die mi] daartoe ten dienste stonden, waren alleen 
de boeken der orthodoxen en dezen konden uit den aard der 
zaak niet veel gewag maken van een kettersch weit en nög 
rarader van het leven van een kettersch schrijver. 



Digitized by 



Google 



HOOFDSTUK I. 

OV£B HET CONTRACT, GENAAMD AL-BAl' EN ZUNE VEKEISCHTSN. 



§ 1, Over den aard van het contract. 

Het onderwerp, dat wij in de volgende bladzijden te behan- 
delen hebben , is een contract ('aqd) dat in het arabisch aange- 
duid wordt door het woord al-bai' > en dat gewoonlijk gez^ 
wordt met ons koopcontract in beteekenis overeen te komen. 
Onder de tallooze dwalingen, die tot heden toe 'heerschen om- 
trent de terminologie der juristen, is er nauwelijks één, die 
erger is , en die meer maakt dat hunne werken voor ons onver- 
staanbaar zijn. Er zijn, wel is waar, plaatsen, waar men het 
woord al-bai' door ^verkoop ^y en het werkwoord ba'a door 
//verkoopen// kan wedergeven , doch er bestaan nog oneindig veel 
meer waar zulk eene vertaling louter onzin geeft. Vooral geldt 
dit van het werkwoord isjtar&, dat men gewoonlijk door //koopen* 
vertaalt, doch dat zelfs op een aantal Qor&nplaatsen > klaar- 
blijkelijk eene veel ruimere beteekenis moet hebben. De rechts- 
geleerde Ibn Qasim helpt ons reeds op den goeden weg , als hij 
zegt dat het woord ba'a letterlijk beteekeut het geven eener 
zaak om eene andere zaak terug te krijgen, terwijl het in 
juridischen zin omschreven kan worden als het overdragen van 
eigendom (molk) opdat een ander ons een aequivalent in eigen- 
dom overdrage. Deze laatste beteekenis nu is meer beperkt 
dan de eerste, daar het overdragen van eigendom (mallaka; 
z. n. tamliek) alleen denkbaar is bij zaken Tsjai) in rechte 



* Hetgeen w\j van dit en andere arabische woorden zuHen zeggen is 
even goed toepasselijk op de javaansche en maleische rechtstermen , welke 
daarmede overeenkomen. Deze echter telkens naast de arabische te zetten, 
kwam mij te omslachtig en ook grootendeels onnood ig voor, te meer 
omdat zij niet zelden slechts verbasteringen daarvan V^n, . 

« Qor. 3 : 171j 4 ; 47, 76i 9 ; 112 enz, DigitizedbyGoOglC 



OVfett HBT CONTtlAOT AI.-BAt* ENZ. 137 

kondigen zin, dat wil ze^en goederen (mftl) die het voorwerp 
van rechtshandelingen zijn knnnen. Nu bezitten wij ongeluk-* 
kig in onze hedendaagsche europeesche talen geen woord of 
oitdrakking, welke dit begrip juist temggeeil ; alleen kunnen 
wij er mede vergelijken eene soort der contractus innomiuati 
van het romeinsche recht , welk door de rechtsgeleerden : «^do ut 
iesf genoemd wordt. De kenners van dit recht moeten echter 
hierbij nog op eene kleinigheid bedacht zijn. De contractus in- 
Dotniuati van de soort ffAo ut des// onüeenen hun rechts- 
grond van verbindbaarheid alleen aan de feitelijke levering der 
zaak, en dit is nu bij de bai'-contracten geenszins het geval. 
In het mnzulraansche recht toch, evenals in het onze, ontstaat 
de verbindbaarheid van een contract alleen uit de wilsovereen- 
stemming der partijen ' , en de levering waartoe men verplicht 
is, kan slechts als een rechtsgevolg van die wilsovereenstemming, 
geenszins als een op zich zelf staande rechtsgrond van verbind- 
baarheid beschouwd worden. Tk hoop intusschen dat de rechts- 
geleerden mij deze afwijking van het juridische spraakgebruik, en 
de niet rechtsgeleerde deze juridische uitweiding zullen ten goede 
honden, terwijl beide nu wel mijne bedoeling zullen begrijpen. 
Dat ons koopcontract nu tot de bai'-contracten behoort, 
spreekt van zelf: immers ook dat is een geven om een aequi- 
valent terug te bekomen; ja wij zullen in het vervolg waar het 
noodig is soms kortheidshalve de woorden /^koopeu'/, ^/kooper// 
enz. gebruiken om niet genoodzaakt te zijn telkens voor één 
woord eene omschrijving van een paar regels te stellen; maar 
dit moet men dan steeds in het oog houden , dat de soort der 
hai'-coutracten zich veel verder uitstrekt. Die soort toch omvat , 
volgens de hierboven gegeven omschrijving, een aant>al overeen- 
komsten, die wij met hemelsbreed verschillende namen gewoon 
zijn aan te duiden, als: verbruikleen * (qardh) d. i. het over- 
dragen in eigendom van vergangbare zaken, opdat de ander op 
een bepaalden tijd zaken van dezelfde quantiteit en qualiteit 
teruggeve * ; verder ruil (moqaïdha) ; dading (^olh) , ook eene 

1 In het romeinsche recht zou men zeggen het zijn allen contractus 
coiisensuales. 

' De heeren rechtsgeleerden moeten het m\j niet ten kwade duiden als 
ik hier dezen , overigens hoogst onjuisten terra uit ons Burg. Wetb. over- 
neem; het is nu eenmaal de geijkte. 

^ Niet bruikleen, want hy die iets in bruikleen geeft, draagt wel het 
feitelijk bezit, maar niet den eigendom over, daar het hem doorgaans 
te doen zal zijn om dezelfde zaak terug te bekomen» die hy gegeven heeft, OQ Ic 



ISS OtKH tt«t CONTUaCT At^BAl* 

opoffftiing opdat onze tegenpartij iets van zijn recht late varen; 
en eindelijk huur (idj&ra), dat eveneens niets anders is dan het 
overdragen van het nut eener zaak of van den arbeid eens per- 
soons, mits de hnnzder een aequivalent, in cara den hcnirprijs, 
temggeve. 

Nog uitgestrekter is de groep der wederzijdsche eontraoten 
(a]-nioftwidha) , welke niet alleen die omvat waarbij elkderpa^ 
tijen iets geven moet , maar waaruit in het algemeen wederkeerige 
verpliohtingen geboren worden, eooals de maatschap of venooot- 
schap (sjarka) en de vennootschap en commandite (qirMh). 

Voordat wij nu het bai'-oontract nauwkeuriger gaan onder- 
zoeken moet opgemerkt worden dat het , als behoorende tot df 
wederzijdsche contracten , steeds van twee kanten beschouwd moet 
worden. Elk der drie bestanddeelen (rokn), namel^k: decontrac- 
teerende personen (mota'ftqid) , de vorm ((tgha) en de zaken die 
er het voorwerp van zijn (al-ma'qoed 'alaihi), is dus tweeledig *. 

Wanneer nu deze drie bestanddeelen aanwezig zijn, noemen de 
Arabieren het contract: /^^ volkomen// (^ahth); ontbreken zij, of 
wel zijn zij slechts op onvolledige wijze aanwezig, dan heet het: 
ffonwetiigff (fllsid). De volkomen (^ahih) contracten echter worden 
wederom verdeeld in de zoodanigen die , ^oor van buitenkomende 
omstandigheden geen gevolg hebben (ghaira I&zim), en zij, die 
om zoo te zeggen tot volkomen rijpheid komen (Iftzim). 

§ 2. Over de p^ersonen die het bai'-contract 

kunnen sluiten. 

(Mota^ftqid — motabaï — bajji"). 

De personen, zoowel degeen, die de zaak (blb*^), als hij die 
het aequivalent geeft (mosjtart), welke wij kortsheidshalve du 
maar verkooper en kooper zullen noemen, moeten voldoen aaii 
de vereischten (sjart), die de wet in het algemeen stelt voor hen 
die eenige rechtshandeling willen aangaan. Deze vereischten 
moeten nog wel aanwezig zijn op het oogenblik van het slaiten 
van het contract , en het is ten eenen male onverschillig of de 



t De wettigheid van het bai*-contract is Tolgens de Muzulmannen 
ODwederlegbaar; want Allah self heeft het in den Qor. (2 : 276) en if 
profeet in ontelbare gezegden voor volkomen geoorloofd verklaard. Dit 
als een staaltje hoe kleingeestig de mohamfnedaansche wetsexplicatien 
zijn. Of toch een rechtshandeling verbindend zy, hangt eenvoudig daar- 
van {if, of ze in den QorAn of de Sonna geoorloofd wordt genoemd. 



tN H^T MOHAMüiKlDAANSeHE ttEÖHÏ. 189 

partijen > later de bekwaamheid om zich te verbinden (ahlia) 
bekomen hebbende, daarvan gebruik maken om de nietigheid 
der rechtshandeling te dekken; want in het raohammednansche 
recht kan iets dat in den oorsprong nietig is, noch door 
verloop van tijd noch door latere bekrachtiging (idjft7,) weder 
geldig worden. Zoo wordt door een jurist als voorbeeld gegeven 
het geval dat een onmondige over zijne goederen beschikt heeft. 
Zulk eene handeling is nietig, en hij kan zelfs na zijne meer- 
derjarigheid de zaak niet meer bekrach tieren. Het staat hem echter 
vrij eene dergelijke rechtshandeling onder dezelfde voorwaarden 
(sjart) aan te gaan. Hetzelfde geldt van iemand die goed van 
een ander verkocht heeft en later daarvan eigenaar wordt. Om- 
gekeerd is het volkomen onverschillig of de handelende personen 
weten dat zij de bevoegdheid hebben zich te verbinden; zoo is 
volkomen geldig de verkoop gesloten door iemand, die meent 
over het goed van een ander te beschikken, doch die inderdaad 
zijn eigen zaak verkocht , daar hij ze , zonder het zelf te weten , 
b. V. door erfenis, reeds in eigendom bekomen had. 

Voor de bekwaamheid nu om zich in het algemeen te ver- 
binden, worden de volgende vereischten (sjart) gesteld. 

\^. Men moet bevoegd zijn over zijne goederen te beschikken 
(itl&q at'ta^arrofj. De toestand van hen, die deze bevoegdheid 
missen, wordt in het arabisch '/hadjr^ genoemd , en daarin worden 
geacht te verkeeren: 

Onmoncügen (^abt) dat wil zeggen , zij , die nog niet meerder- 
jarig (b^igh) zijn. Hunne rechtshandelingen zijn nietig, zelfs 
al zijn zij met voorkennis van hun voogd (watt) geschied; 

Meeiderjarigfin , die geen verstand genoeg hebben om hunne 
eigene zaken te besturen. • Zij worden onderscheiden in krank- 
zinnigen (madjnoen), onnoozelen (safïh) en verkwisters (al-mobadsir 
malihi). Deze personen bekomen ook een waW , wiens bezigheden 
dan mat die vau onze curators overeenkomen. 

Een groot punt van strijd tusschen de scholen is of hiei-toe 
ook gerekend mag worden iemand die dronken is (sokrftn). Onze 
whool, d- i. de sjafiietische , houdt het er echter voor d^t er 
geeu tejifmen zijn ook aau sulk een persoon het bestuur over 
wjne goederen te ontzeggen; vooral de Im&m Mftlek en zijne 
leerhngen zijn hier echter zeer tegen gekant. 

Eene zgnderlinge instelling vau het wohammedaaiische recht 



Iemand die zijn gezonrj verstand heeft heet 'aqil. DigitizedbyGoOQlc 



140 OV«R HÉT (^.ONTRACT AL-BAI^ 

is het beheer zijner goederen voor twee derden te ontzeggen 
aan een zieke (martdh) wiens dood elk oogenblik verwacht kan 
worden. Men beschouwt het namelijk als of zijne erenamen 
reeds een zeker recht op die goederen verkregen hebben. Natuur- 
lijk is dit niet het geval bij eene lichte ongesteldheid. 

Ten vierde de slaven ('abd) aan wien de heer niet de vrijheid 
gegeven heeft met eene zekere som handel te drijven (tidj&ra). 

Ten vijfde die door rechterlijk vonnis in staat van faillissement 
verklaard zijn ■ (moflis). 

2<>. Is het niet genoeg dat partijen over hunne goederen kun- 
nen beschikken, zij moeten ook den vrijen wil (ichtiAr) gehad 
hebben om het contract te sluiten. Die vrije wil nu wordt ver- 
hinderd door: 

Bedrog (ta^ammod, chi&na '). £venals bij ons is het een 
reden eene rechtshandeling te vernietigen als een der par- 
tijen door bedrog den ander er toe gebracht heeft. In het mo- 
hammedaansche recht worden hiervan vele voorbeelden gegeven, 
onder anderen : van iemand die eene kameelin wilde verkoopen, 
en haar in een dag of wat niet melkte, zoodat er veel melk in 
de uijers bleef, en op die wijze den kooper in den waan bracht 
dat het beest eiken dag gewoon was veel melk te geven. Zulk 
eene bedriegerij wordt tagriat genoemd, en maakt den koop 
zeer zeker nietig. 

Dwang (ikr&h) * is ook eene reden die den vrijen wil uitsluit, 
en dus het contract nietig maakt. Eene uitzondering is echter 
als de dwang wettig was , b. v. als de rechter iemand dwingt 
zijne goederen te verkoopen om zijne schuldeischers te voldoen, 

1 Tusschen ta'ammod en chüLna is hetzelfde onderscheid als tusschen de 
dolus generalis en specialis der Romeinen» dat wil zeggen het tweede woord 
beteekent bedrog of arglist, terwijl het eerste in het algemeen alles aan- 
duidt wat met opzet geschiedt, en waarvan de gevolgen door den dader 
voonien zyn. Ofschoon het eigenlijk niet hier maar by de algemeene 
leer der verbindtenissen te huis behoort, kan ik toch niet nalaten op te 
merken , dat de dolus generalis (ta'ammod) niet alleen eene overeenkomst 
nietig maakt, doch dat er ook eene verbindtenis uit ontstaat om de 
schade te vergoeden, evenals de romeinsche actio doli. Ten civiele 
wordt er mede gelykgesteld de zoogenaamde culpa lata (tafH) of verzuim 
van dien aard, dat de persoon die het pleegde er de gevolgen van bsd 
moeten voorzien. 

* Het latynsche woord metus beteekent bij de juristen , wat w\j dwang 
of vreesaaigaging noemen, geenszins cvreesi. Dit aan het adres van prof. 
P. J. Yeth , dien ik , als hij bewysplaatsen hiervoor hebben wil , moet ver- 
wijzen naar den titel in de pandekten welke over de actio quid metus 
causa handelt. ^.g.^.^^^ ^^ GoOglc 



IN HKT MOHAMMF.DAAXSCHK HECHT. 141 

of als een stak land onteigend wordt ten algemeene nutte om 
VT een weg door te leggen of er een moskee op te bouwen; 
welke onteigening niets anders is dan een gedwongen verkoop 
aan den staat. Zoo beveelt de wet ook dat de ongeloovige (k&fir) 
eigenaar van een ongeloovigen slaaf, die zich later tot den 
h]hm bekeert, zulk een slaaf verkoope aan een Muzulman, 
hetgeen men ook een soort van onteigening zou kunnen noemen. 

Dwaling (ghalat) maakt eene rechtshandeling nietig, indien 
het eene dwaling is omtrent het wezen van die handeling of van 
ïle zaak, welke er het voorwerp van is. Eene dwaling in het 
wezen der zaak is b. v. als men eene slavin koopt in plaats van 
een slaaf, niet echter als men eene kameelin in plaats van een 
kameel koopt, want het onderscheid van geslacht wordt bij dieren 
niet beschouwd als tot het wezen der zaak te behooren. De 
dwaling kan naar onze bescheiden meening in het mohamme- 
daansche recht zelden of nooit aanleiding geven tot vernietiging 
van rechtshandelingen, daar het rechtsmiddel der //keuzen// 
(chiïkr), zooals lat>er blijken zal, ruimschoots voldoende is om 
het gevaar van dwaling af te wenden. 

3». In het mohammedaansche recht bestaat geen verschil van 
rechtsbevoegdheid tusschen burgers en vreemdelingen, daar alle 
geloovigeu tot ééue groote gemeenschap gerekend worden te be- 
hooren. Tn enkele gevallen slechts maakt men onderscheid tusschen 
Muzulmannen en ongeloovigen. Aan deze laatst«n mag men b. v. 
iiiet verkoo|)en een Qordn of een boek met verhalen (hadïth) 
omtrent den profeet, en slaven, die den IsLlm hebben aange- 
nomen. Er zijn ook staten waar de ongeloovigen geene vaste 
goederen mogen verwerven, welk verbod onlangs in het turksche 
rijk is opgeheven ten gunste der Franschen en eenige andere 
europeesche volken. Dergelijke bepalingen kan men echter meer 
beschouwen als voortgevloeid uit de staatkunde van den een of 
anderen heerscher dan als instellingen, die tot het gemeen- 
schnpj)elijk recht aller Muzulmannen behooren. 

4®. De verkooper moet wettig kunnen beschikken (wil&ja) over 
de zaak, evenals de kooper over het aequivalent. Beide toch 
moeten niet alleen aan elkander leveren, maar ook eigendom 
overdragen; daarom is slechts geldig een verkoop gesloten door 
den wettigen eigenaar (m&lik) , of 'zijn gemachtigde (wakïl) , of 
zijn voogd (wal!), of zijn vader, of den rechter (h&kim) bij 
billissement (fals). Hij, die niet in een dezer hoedanigheden 
een verkoop sluit, wordt fodhoelt genoemd, d. i. iemand, dië^g^^ 
3e Volgr. IV. 11 



142 OVEK BET- CONTRACT AT,-BAI* 

ssich met eens anders zaken bemoeit 7X)1^der daartoe gerechtigd 
te zijn. Als een gevolg van deze vernietigbaarheid van den 
verkoop van eens anders goed is het te beschouwen dat de 
Arabieren weinig of geen gewag maken van de zoogenaamde: 
^vrijwaring der uitwinniug/', of praestatio evictionis, eeue in- 
stelling die den kooper het recht geeft van den verkooper 
schadeloosstelling te vragen, als een derde persoon zijn eigen- 
domsrecht op de gekochte en reeds betaalde zaak bewijst. Naar 
mijn oordeel is dit zeer juist van de Mohammedanen gezien, 
want de praestatio evictionis moet dan alleen uitdrukkelijk in 
de wet vermeld worden, als de verkoop van eens anders goed 
niet absoluut nietig is zooals in het romeinsche recht. Waar 
dit echter wel het geval is, zooals o. a. ook in ons ilurg. 
Wetb. , spreekt het van zelf, dat de kooper casu quo den be- 
taalden prijs kan terug vorderen , daar hij dezen zonder oorzaak 
blijkt gegeven te hebben. De Hanaiieten echter hebben omtrent 
den verkoop van eens anders goed eene tegenovei^estelde mee- 
ning en beweren dat het contract op zich zelf geldig is , doch 
dat natuurlijk de ware eigenaar de keus heeft, of hij er zich 
aan houden wil of niet. Evenals de romeinsche rechtsgeleerden 
wijzen zij er op hoe hieruit voor den waren eigenaar geenerlei 
schade kan geboren worden, daar hij toch, zoo hij wil, zijn 
zaak terug kan vorderen, terwijl er voor de contracteerende 
partijen zoowel als voor het handelsverkeer in het algemeen een 
groot voordeel in gelegen is. Deze hanafietische leer heb ik ook 
teruggevonden in de aanteekeningen op de Kitab Toehpah , geput 
uit het bekende Fegon handschrift over het moh. recht, welks 
schrijver verzekert dat dit op Java eene oude instelling was. 
Inhoever ze echter nu nog van kracht is, durf ik na de op- 
merkingen van Prof. Veth omtrent dit punt niet meer beslissen. 
De M&lekieten staan wederom eene andere leer voor; zij houden 
den verkoop voor onwettig, doch kennen aan den eigenaar de 
rechtsvordering slechts gedurenden één jaar toe , opdat de eigen- 
dommen niet in een voortdurenden toestand van onzekerheid 
zouden blijven verkeeren, o&choon anders het begrip van ver- 
jaring aan het moh. recht geheel vreemd is. Wat er intusschen 
ook op algemeene rechtsgronden voor elk dezer beginselen te 
zeggen moge zijn, volgens den Isl&m komt het mij voor dat 
onze school bepaald op dit punt de voorkeur verdient, daar er 
een verhaal bestaat, volgeus hetwelk de profeet zou gezegd 
hebben, dat wij op geenerlei wijze iets mogen vervreemden dat 



IN HfiT MOHAMMEDAANSOHE RèlCHT. 148 

ons niet toebehooi-t, welk verhaal daarom zooveel te meer kracht 
heeft, omdat de personen, die het hebbeu overgelevei-d , door 
alle sekten voor zeer geloofwaardig worden gehouden. 

Op de hier gestelde regels worden evenwel ook door de Sja- 
feïeten een paar uitzonderingen aangenomen. In de eerste plaats 
wordt men onherroepelijk eigenaar, als men iets van den staat 
koopt; de ware eigenaar verliest dan zijn vorderingsrecht tegen 
den kooper en kan alleen de schatkist tot schadeloosstelling 
aanspreken. Waarschijnlijk is deze uitzondering, die ook in het 
romeinsche recht eenigzins gewijzigd bestaat, ingevoerd om de 
openbare verkoopingen zooveel mogelijk te doen opbrengen. 

Ten tweede is onder de bai'-contracten de verhuur door een 
niet gerechtigde volkomen gddig j daar deze den eigenaar slechts 
tijdelijk van het genot zijner zaak berooft, en er dus hier 
dezelfde reden niet bestaat die dwong de overigen voor onwettig 
te verklaren. Het boven aangehaalde gezegde van den profeet 
bewijst hiertegen ook niets, want daarin wordt over vervreemding 
gesproken en deze uitdrukking kan op verhuur nooit slaan. 
Verder heeft men uit een beginsel van menschelijkheid aangenomen 
dat onherroepelijk zijn , het tot omm wold maken der slavin , of 
het voorwaardelijk vrijlaten van een slaaf van een ander ^. 

5. De partijen moeten de macht hebben de zaak zoowel 
als het daarvoor als aequivalent gegevene te leveren (qadra at- 
tasltm) ; want het doel is om eig^idom over te dragen , hetgeen 
bij de Arabieren evenmin als bij de Romeinen en bij ons door 
eene enkele overeenkomst geschieden kan. Deze macht om te 
leveren is tweederlei: //natuurlijk^/ (hasst) of //wettelijk// (sjart). 

Op grond van het ontbreken der eerste kan men niet ver- 
koo{)en die zaken, welke uit haren aard voor geen heerschappij 
vatbaar zijn , zooals de zon, de maan , de zee; verder die welke, 
ofschoon niet uit haren aard, dan toch om de een of andere 



* Omm wold is eene slavin» b\j wie baar meester een kind verwekt 
heeft Z\j mag niet meer verkocht worden, en wordt vrij by den dood 
van den meester , terwyl deze ook geacht wordt de vader harer volgende 
kinderen te zijn, als hij niet eene uitdrukkelyke verklaring van het 
tegendeel aflegt. Een ftlaaf kan voorwaardelijk vrijgelaten worden op twee 
wyzen. Men kan roet hem eene overeenkomst aangaan, dat hij vrq zal 
zijn na de betaling van zekere som of het volbrengen van zeker werk, 
en dan heet hij mok&tib, of men kan eene testamentaire beschikking 
maken , dat hg vrij zal zijn na den dood des meesters. Zulk een ^!^A^^{^ 
moiiabbar. Digitizedby ^ 



144 OVRR HET CONTRACT Al.-BAl' 

reden nog niet in ons feitelijk bezit zijn: een visch in de zee, 
een vogel in de lucht. 

De «'wettelijkev macht om eene zaak te leveren ontbreekt 
zoo dikwijls de een of andere rechtsregel de zaken buiten het 
handelsverkeer houdt,' bv. de zaken die aan den staat, de kerk, 
enz. toebehooren , of een zaak die men aan iemand in pand ge- 
geven heeft, tenzij de paudneraer er uitdrukkelijk in toestemt. 

§ 3. Over den vorm (gïgha) van het bai'-coutract. 

Alle soorten van bai'-contracten vereischen geen anderen vorm 
dan de wederzijdsche toestemming, slechts éen , salam genaamd , 
schrijft de wet voor, dat niet dan schriftelijk kan worden aan- 
gegaan, en daarbij is dus eene acte (dsimma) noodig. De 
Arabieren zijn echter gewoon bij het aangaan dezer rechtshan- 
delingen, door een handslag (gafaqa) te kennen te geven dat 
de onderhandeling is afgeloopen en dat dus de zaak onher- 
roepelijk afgehandeld is. In den voor-islamitischen tijd, of, om 
met de Muzulmannen te spreken, den tijd der onwetendheid 
(dj&hilia), waren bij de heidensche bedoeinen nog vele andere 
dergelijke symbolische handelingen bij het aangaan van verbindte- 
nissen iu gebruik , welke handelingen in gewijzigden vorm zoowel 
in het romeinsche ' als in het mosaïsche recht voorkomen. De 
profeet echter is zoo verstandig geweest deze symbolieke hande- 
lingen af te keuren , en wij zullen ze daarom behandelen bij de 
onwettige bai' -contracten. 

De verkooper (al-baï'), d. i. hij die zijn wil verklaart om iets 
te geven (idj&b), zoowel als de kooper (mosjtarl), d. i. hij die 
dit aanneemt (qaboel), moeten hun verlangen in //duidelijke 
bewoordingen /r uitdrukken, en zelfs gaan de arabische juristen 
zoo ver in het bepalen wat men onder duidelijke bewoordingen 
te verstaan hebbe, dat er quaesties ontstaan zijn of het wel 
geoorloofd is zijn wil in vragenden vorm te verklaren. De 
beste juristen van alle sekten staan dit evenwel toe, mits er 
maar geen onzekerheid ontsta, want dit moet ik reeds hier op- 
merken , dat in het geheele muzulmausche recht alle onzekerheid 
(gharar) omtrent den aard of het voorwerp der rechtshandelingen 
deze onwettig maakt. Als men dit slechts in het oog houdt, 
is een bai'- contract volkomen geldig, al gebruikt men niet eens 



B. V. de mancipatie. Digitizedby 



Google 



IN HET MOUAMMEDAANSCH': UfiCHT. 145 

de juiste woorden, ja zelfs al verklaart luen zijn wil slechts 
door t-eeken of wederkeerige levering (ta'^&ti). Dit laatste echter 
is een punt van strijd tusschen. de scholen. De onze staat slechts 
toe op deze wijze te verkoopeu, wanneer het zaken van weinig 
waarde geldt ; M&lek strekt dit uit tot alle zaken die het gebruik 
('ada) aanwijst, en hij bewijst de juistheid van dit gevoelen 
door aanhaling van een gezegde van den profeet. Vandaar dan 
ook dat velen van onze geleerden, o. a. de beroemde Nawawl, op 
dit punt aan zijn gevoelen boven dat van hun eigen Tmlim de 
v(X)rkeur geven. Ue liberale Hanafieten gaan nog veel verder en 
beweren dat men alle zaken op zulk eene wijze geldig kan 
verkoopen, mits ze uit hun aard daartoe geschikt zijn, terwijl 
eindelijk de Sjiieten dergelijke bai'-contracten geheel verbieden, 
tenzij partijen geen andere middelen hadden om hun wil te 
verklaren. Men kan ongetwijfeld zijn wil ook verklaren door 
middel van een bode (rasoel) of een brief, doch zulk eene- wils- 
verklaring kan steeds herroepen worden, zoolang het antwoord 
van den ander dat hij toestemt nog niet tot den eenen gekomen 
is , want voor dien tijd bestaat er geen rechtsband tusschen hen. 

De kooper heeft het recht de aangebodene zaak aan te 
nemen of te weigeren naar willekeur (chi&r al-qaboel). Dit reclit 
is evenwel binnen zekere grenzen beperkt, hij mag toch zijne 
wilsverklaring niet langer uitstellen dan het eind der samenkomst 
(madjlis) ; want gaat hij van den ander weg zonder aangenomen 
te hebben, dan wordt hij geacht van de zaak te hebben afge- 
zien, ja sommige juristen gaan zoover van te beweren dat het 
niet geoorloofd is tusschen het aanbod en de aanneming over 
andere zaken te spreken. Deze regels mogen ons misschien 
vreemd en kleingeestig voorkomen, zij zijn dit geenszins in de 
oogen der oosterlingen, bij wie alle handelszaken mondeling op 
de markt geschieden, en voor wie het dus zeer belangrijk kan 
zijn , dat de wet bepale hoe lang een koopman aan zijn gedaan 
aanbod gebonden is, opdat de ander niet door talmen hem zal 
kunnen beletten een meer voordeeligen koop met een derde 
te sluiten. 

Wat de voorwaarden (sjart) aangaat, waaronder men zijn wil 
kan verklaren, daaromtrent zijn tallooze quaestien gerezen tus- 
schen de volgers der verschiUende scholen; de beste opinie 
daaromtrent is echter dat men alle voorwaarden mag stellen, 
die de ander goed vindt aan te nemen, behalve die welke tegen 
de wet of de goede zeden gekant zijn, of die wfi 



146 OVBR HET CONTaACT AI.-BA^ 

eenig voordeel het nut der eigendommen geheel zouden wegne- 
men. Ook dit punt zullen wij nader uitwerken bij de onwettige 
bai'-contracten. 

Na deze wederzijds verklaarde wilsovereenstemming nu is 
de verkooper verplicht tot levering (taslim) en de kooper tot 
aanneming (qabdh). Hierbij is intusschen op te merken , dat alle 
recht^volgen , die bij ons de levering heeft, bij de Arabieren 
eerst geboten worden uit de aanneming. Indien wij dus in het 
vervolg, om bij ons juridisch spraakgebruik zoo veel mogelijk 
te blijven, van levering zullen spreken, zoo moet men niet ver- 
geten dat daaronder eigenlijk verstaan moet worden de daad van 
aanneming door den kooper. 

Die rechtsgevolgen zijn: 

10. Eerst door de levering wordt de zaak eigendom van den 
kooper. 

20, Van dat oogenblik af is de zaak voor zijne risico, en niet 
voor dien tijd, zooals bij ons en in het romeinsche recht; en 
terecht, want dat voor de levering de gekochte zaak voor risico 
van den kooper is, komt mij voor dan alleen raison d'étre te 
hebben als men aanneemt met de vervaardigers van den Code Na- 
poleon dat door het contract zelf eigendom overgaat. Heeft dit geen 
plaats, hetgeen naar mijn oordeel de voorkeur verdient « dau 
bestaat er ook niet ééne reden om één enkel rechtsgevolg van 
den eigendom over te dragen op den kooper. 

S^. Yan dat oogenblik af mag hij er als eigenaar over be- 
schikken , dat wil zeggen , hij heeft het jus utendi et abutendi. 
Vóór dien tijd mag hy dok de siaak niet op nieuw verkoopen, 
volgens een uitdrukkelijk verbod van den profeet , omdat verkoop 
ten doel heeft eigendom over te dtagen, hetgeen onmogelijk is 
voor ienland die zelf nog geen eigenaar is. Ook zou zulk een 
nieuwe verkoop vóór de levering groote onzekerheid in het 
handdsverkeer opleveren, en uit een juridisch oogpunt dit be- 
zwaar opleveren, dat de zaak in quaestie terzelfder tijd geheel 
voor risico van twee personen zou zijn, namelijk voor die van 
den eersten zoowel als voor die van den tweeden verkooper, 
daar geen van beide nog geleverd hebben. Eenige rechtshande- 
lingen zijn echter den kooper toegestaan reeds vóór de levering 
der zaak , namelijk het vrijlaten van een gekochten slaaf, hetzij 
onbeperkt fitq), hetzij voorwaardelijk (tadbïr mok&taba) , verder 
het maken tot omm wold, of zelfs het uithuwelijken (tazwtdj) 
vwn eeoe slavin, Dit alles is ephter tan minder invteed on Jiet 

Digitized by VjOCfQ Ic 



IN HKT MOUAUMBDAANSCHE RECHT. 147 

handelsverkeer dan de andere wijzen van vervreemden , en daarom 
was het niet noodig hierop het strenge recht toe te passen. 
Eindelijk zijn er ook juristen die toestaan eene nog niet geleverde 
zaak in de doode hand ' (waqf) te brengen; de meesten echter 
zijn hier tegen, vooral indien het tot waqf maken op eene wijze 
geschiedt, die latere levering noodzakelijk maakt. 

De kooper van zijn kant is verplicht tot levering van het 
aequivalent, gewoonlijk prijs (thaman) genaamd, en deze prijs 
moet, als men niet anders is overeengekomen, li contant (h&la, 
naqda) betaald woiden. Dit wil echter niet zeggen dat de kooper 
met het geld in de liand behoeft te staan; M&lek noemt zel£s 
nog h, contant als hij binnen de eerstvolgende drie dagen zijne 
schuld voldoet. De verkooper heeft evenwel het recht van terug- 
houding ^' der zaak, zoolang de ander niet betaalt of voor de 
betaling zekerheid stelt. Dit recht van terughouding vergalt 
natuurlijk als bij het contract is overeengekomen, dat de beta- 
ling op tijd (adjl) zal geschieden. 

Omtrent zulk een t-ermijn is op te merken, dat hij in de 
eerste plaats bepaald moet ziJTi, en ten tweede dat hij eenigzins 
anders vervalt dan bij ons en de Romeinen , die den schuldenaar 
eerst in gebreke stellen als de bepaalde dag geheel verstreken 
is , terwijl de Arabieren hem reeds beschouwen als niet aan zijne 
verplichtinejen voldaan te hebben, zoodra die dag is aangebroken. 
Ook wordt bij hen de schuldenaar steeds in gebreke gesteld 
alleen uit den aard der verbindtenis , terwijl bij ons daartoe eene 
aanmaning noodig is, en is het onderscheid van het romeinsche 
recht tusschen tijdsbepaling en voorwaarde geheel onbekend. 
Beide namelijk schorten zoowel het recht zelf als de rechts- 
vordering op, en iemand die bij voorbeeld bij vei^ssing vó6r 
den termijn betaald heeft, kan in het raohammedaansche recht 
even goed zijn geld als onverschuldigd terug vorderen, als 
d^een die voldaan heeft aan zijne verbintenis vASr dat de 
voorwaarde vervuld was. 

Bij de levering is in het mohammedaansche recht, evenals 
in het onze, een onderscheid op te merken, naarmate het roe- 



' D. i. eene zaak tot onvervreemdbaar eigendom van een natuurlijken 
of rechtspersoon maken, opdat deze de vruchten en voordeelen geniete» 
welke zulk eene zaak oplevert. 

* Ten minste bij de meeste bai'-contracten , niet echter bij ruil 
(moq&ïdha) en bij wisselen van geld (girf), want bij deze bai*-contracten 
w^t mei) nie( wie kooper en wie verkooper is; altijd volgens de Ari^bier^n, 



l^ OVEK HEÏ CONTEACT Al.-BAl' 

reilde (raauqoel) of onroerende goederen ('aqar) geldt. De laatsten 
worden geacht geleverd te zijn als de verkooper den kooper in 
de gelegenheid stelt bezit er van te nemen (tachlia), hetgeen 
doorgaans op symbolische wijze geschiedt, bv. door in de nabij- 
heid van een pakhuis de sleutels er van over te geven, of uit 
een huis de goederen te nemen, die de verkooper er in had 
(tafrtgh). Roerende goederen worden geleverd door ze over te 
brengen (naql) bij den kooper of, als het kleine zaken geldt, 
ze hem ter hand te stellen (tan&wal) , of wel , bij verkoop van 
een zekere hoeveelheid vervangbare zaken, door hem zulk eene 
hoeveelheid toe te meten of te wegen. Schepen zijn roerende 
goederen, doch de groote worden geleverd op de wijze der on- 
roerende. Kleine schepen moeien niet alleen overgebracht worden 
bij den kooper , maar de levering is niet volkomen vóór dat de 
veAooper ze eerst ontruimd heeft. 

Wanneer men iets koopt, dat men reeds in zijn feitelijk bezit 
heeft, bv. als pand (rahn) of uit kracht van eene bewaargeving 
(wadt'a), dan spreekt het van zelf dat eeue bepaalde lavedng 
niet meer noodig is, en dan ziet de kooper zijn feitebjk bezit 
in een bezit als eigenaar veranderd van het oogenblik af dat 
de wederzijdsche indlso vereenstemming verklaard ia. Omgekeerd kan 
iemand zijn bezit als eigenaar niet verfiuderen in bloot feitelijk 
bezit zondeV levering; met andere woorden het constitutmn pos- 
sessorium bestaat in het mohammedaansche recht niet, en even- 
min de tallooze oplichterijen , waartoe het in het romeinsche en 
hedendaagsche recht gelegenheid geeft. Als iemand dus iets 
verkoopt en het toch op den eenen of anderen rechtsgrond blijft be- 
zitten ♦ dan is zulk een verkoop niet volkomen , want de levering 
ontbreekt , en opdat ook deze geacht worde geschied te zijn , is 
een bepiaald uitwendig teeken noodig , bv. dat de nieuwe kooper met 
de zaak handele op eene wijze , die slechts aau den eigenaar past. 

De kosten van de levering der zaak zijn voor rekening van 
den verkooper , en die van de levering van het aequivalent voor 
rekening van den kooper, tenzij men anders mocht zijn over- 
eengekomen, of, volgeus M&lek, het gebruik anders wil. Wordt 
een aangegane verkoop ontbonden met weder/ijdsche toestemming, 
dan komen volgens Ibn Jönos alle kosten voor rekening van hem , 
ten wiens voordeele ze ontbonden is. Kan men dit niet uit- 
maken , dan . draagt elk zijne eigene. Bij ontbinding op rechterlijk 
gezag komen zij natuurlijk ten laste van de in het ongelijk 

^^^^ P"*y- DlgitizedbyGOOgle 



IN HKÏ MÜHAMMEDAANSCHE RECHT. 14!9 

§ 4. Over de zaken cbe het voorwerp van eeu bai'- 

coutract zijn, 

(Al-ma'qoed 'alaihi.) 

Tn het algemeen geeft m^i den naam van zaak (sjai) aan 
alles wat bestaat; in juridischen zin echter verstaat men daar- 
onder alleen datgeen wat voorwerp van rechtshandelingen en 
van rechten zijn kan. De Arabieren zijn gewoon dan de uit- 
drukking m^ te gebruiken, die men dus eenigzins door ons 
woord >ygoederen^/ zou kunnen vei-talen. De verdeeling uu dezer 
zaken in juridischen zin is bij de behaiidelipg der bai'-con- 
tracten van het grootste belang , daar hunne al of niet geldigheid 
voornamelijk afhangt ven hetgeen er het voorwerp van is. De 
soorten van zaken, die het meest op den voorgrond treden, 
zijn de volgende: 

In de eerste plaats worden de zaken verdeeld in vervangbare 
(mM mithlï) en niet vervangbare (m&l qlmï). De eersten zijn 
dezulken, waarbij het er niet op aankomt of men al een be- 
paald individu heeft, daar er een groot aantal individuen van 
dezelfde qnaliteit en quantiteit aanwezig zijn, bv. graan; het is 
toch iemand , die eene bepaalde hoeveelheid daarvan te vorderen heeft, 
volkomen onverschillig of hij graan uit den eenen of uit den anderen 
zak bekomt, mits de hoeveelheid en hoedanigheid niet verschille. 
De arabische naam m^ mïthlt beteekent dan ook letterlijk zaken 
welke met zaken van dezelfde soort te vergoeden zijn , in tegen- 
overstelling van de mftl qtmi d. i. zaken die alleen met hunne 
waarde (qtma) te vergoeden zijn of, zooals wij in navolging 
van de Biomeinen ze noemen : «^niet vervangbare ff zaken. Daar- 
bij komt het toch op het individu aan. Iemand, die b. v. een 
slaaf koopt, kan men niet dwingen een ander daarvoor in de 
plaats te nemen, daar hij den koop gesloten heeft bepaald met 
het oog op de bijzondere eigenschappen van dien slaaf, en het 
onmc^lijk is een te vinden die juist gelijk aan dezen is. Van 
de vervangbare zaken zijn wederom als een onderdeel te be- 
schouwen , die zaken , welke aan de woekerwet zijn onderworpen , 
d. i. waarbij het verboden is winst te bedingen als zij gegeven 
worden om zaken van dezelfde soort terug te bekomen (mill 
ribawt), iets dat men ongetwijfeld vreemd zal vinden dat in deze 
verhandeling te pas komt, als men niet in het oog houdt, dat 
onder de bai'-contracten het verbruikleen (qardh) begrepen is. 
Doet men echter zooals tot nog toe gedaan is , en vereenzelvigfeole 



150 ÜVBll HKT CONTBACT A.J.-BAf 

men die coutnicten met ouzen verkoop , dan is liet natuurlijk de 
grootste onzin in het hoofdstuk, dat daarover handelt, teveiis 
den woeker te noemen. Later komen wij hierop terug. 

Eeue tweede verdeeling is in gespecificeerde ('ain ') en niet 
gespecificeerde * (dain) zaken , d. i. zaken die nog niet als ©en* 
bepaald voorwerp van rechtsvordei-iug bestaan. Gespecificeerde 
zaken zijn dan : 1«. alle niet vervangbare zaken ; 2o. vervangbare 
zaken , zoodra zij zijn gewogen , gemeten of geteld. Voor dat 
dit he^ft plaats gehad worden zij in het arabisch dain genoemd , 
dat wil eigenlijk zeggen zaken, die men verschuldigd is, daar 
de kooper geen bepaald individu kan eischen, waar hij des noods 
beslag op zou kuimen leggen ; maar slechts eene pretensie heeft 
tegen den verkooper, volgens welke deze hem op zekeren tijd 
eene zekere hoeveelheid van dergelijke zaken moet leveren, 
welke zaken misschien nog niet eens bestaan, bv. als een land- 
bouwer zich verbindt zijn aanstaanden oogst aan een opkooper 
te geven. 

Vervolgens komt de verdeeling in aanmerking in hoofdzakeu 
en bijzaken (tab'), welke laatsten weder te onderscheiden zijn 
in zoodatnige bijzaken, die een integreereud deel der hoofdzaak 
uitmaken, en die door de Arabieren haqq en door ons /schulp- 
zaken/' genoemd worden; en die bijzaken, die wel geen inte- 
greerend deel der hoofdzaak uitmaken , maar toch geen eigen 
rechtsbestaan hebben en dat der hoofdzaak volgen (marfeq). 
Deze verdeeling is daarom van veel gewicht omdat in een ge- 
kochte zaak van rechtswege (qahra) de eerste b^repen zijn, 
terwijl dit met de tweede niet dan door eene uitdrukkelijke 
verklaring het geval is. Zoo is bv. in het koopen van een huis 
met toebehooren (dftr) alleen begrepen wat binnen zekeren 
ringmuur gelegen is, zooals de tuin en stallen, doch geenszins 
een put daar buiten gelegen , al voorziet die ook de bewoners 
van water. In een akker zijn van rechtswege de boomen be- 
grepen, daar deze er mede verbonden zijn evenals de raureu 
met een tuin, maar niet een te veld staande oogst, daar deze 
er slechts tijdelijk op gezaaid is. Gras daarentegen wel, dit 
is toch wederom tot voortdurend gebruik op het veld bestemd. 



* Het woord 'ain beteekent bij de juristen eveneens «een monster van 
koopwaren*, en ook nog tden aard of het wezen eener zaak», terwijl 
dain in het algemeen: ceen schuld» beteekent. 

' In de taal van ons Burgl. Wtb. zou men ze: «in schulden,» en in 
die van het romeinscfce recht; «res in obligationej^ k||g^en aoeme»,^ 



IN HET MOHAMMEDAANSCHK RECHT. 151 

Eene andere verdeeÜDg is in zaken die buiten het handels 
verkeer en die welke in het handelsverkeer zijn. Tot de eersten 
worden gerekend: 

1°. Die zaken welke volstrekt geen voorwerp van bezit zijn 
kunnen, hetzij door hunnen aard, hetzij door kracht der wet. 
Uit hunnen aard is bezit onmogelijk bij die zaken welke door 
hunne grootte of uitgestrektheid voor geen inenschelijke heer- 
schappij vatbaar zijn, bv. de zon, de lucht, de zee, de woestijn. 
Heeft echter iemand eenig deel van een dezer zaken onder zijne ^ 
heerschappij gebraclit (h&za), dun wordt dit zijn privaat eigen- 
dom. Die, welke de wet buiten het handelsverkeer houdt, zijn 
de zaken, die aan den staat of de gemeenschap der Muzulmanuen 
toebehooren, zooals publieke gebouwen, moskeeën, wegen enz. 
Van dezen kan een bijzonder persoon zelfs geen deel onder zijne 
private heerschappij brengen. 

2o. Zaken welke onrein (n&djis) zijn. De raohammedaansche 
godsdienst maakt evenals de joodsche een onderscheid tusschen 
reine (t&hir) en onreine zaken, welke laatsten wederom van 
tweederlei soort kunnen zijn, namelijk: die welker aard ('ain) 
onrein is en die waarbij de onreinheid slechts voortkomt uit 
van buiten af komende omstandigheden. De eersten worden door 
de wet geheel buiten het handelsverkeer gehouden , de tweeden 
niet zoodra zij door de eene of andere reiniging (tathtr), bv. 
door wassching, gezuiverd zijn. Welke echter de algemeene 
regel is omtrent het al df niet rein zijn eener zaak, is mij niet 
mogen gelukken op te sporen en ik geloof zelfs te mogen ver- 
zekeren dat dit alleen daarvan afhangt of de Qor&n of deSonna 
Kulk een zaak als rein of onrein noemt. Zoo worden als bv. vaai 
nature onrein opgegeven: honden, wijn, lijken enz., terwijl eene 
toevallige onreinheid o. a. veroorzaakt wordt door aanraking met 
een van nature onrein voorwerp. Eindelijk kan ik niet nalaten 
op te merken dat, wel is waar, dit punt, evenals het volgende, 
ons engeloovigen weinig belangstelling kan inboezemen, doch 
dat de Arabieren het van zooveel belang hebben geacht dat zij 
boeken vol geschreven hebben over de quaesties waartoe het 
heeft aanleiding gegeven. 

3^. Zaken die voor den mensch van geen uut zijn (ghaira 
manfa'a) , want als deze worden verhandeld voor zaken die nuttig 
zijn, dan is daarvan het noodzakelijke gevolg dat deze laatsten 
^®S?^ven worden voor iets dat geen waarde heeft, en het 
bai'-oontract eiwht juist ruil vw gaarde tegen gj%ï'de.(^i^Q[^ 

igi ize y g 



152 OVEK HET CONTRACT AL-BAl' 

nuttigheid vau eeue zaak moet echter eene zoodanige ziju 
die door de wet bevestigd is. Wat nu hieronder verstaan 
moet worden, kan niet beter dan door eenige voorbeelden uit de 
juristen zelven worden opgehelderd. In de eerste plaats dan 
ontbreekt de wettelijke nuttigheid bij ongedierte en wilde 
dieren , welke niet gegeten of voor den landbouw afgericht kunnen 
worden; want, dat enkele menschen daarvan verzamelingen 
maken , kan men geen, nuttigheid noemen. Verder de boeken 
der ougeloovigeu, der sterrewichelaars en der wijsgeeren, daar 
zij allen tegen het ware geloof aan Allah en Mohammed ge- 
kant zijn, of de gemoederen daarvan aftrekken. Om dezelfde 
reden is de verkoop verboden van iifgodsbeelden, waartoe de 
Arabieren ook eeti crucifix brengen, en der zaken waarmede 
gedobbeld of muziek gemaakt wordt, want ook aan deze beide 
laatste dingen droeg de slimste aller profeten een grooten haat 
toe. Doet zich nu het geval voor dat iemand zaken gekocht 
heeft, welke een tweeledig gebruik toelaten, waarvan het een 
geoorloofd , het ander verboden is , dan hangt de geldigheid van 
den verkoop daarvan af, of men hem met het oog op het eene 
of op het andere gebruik gesloten he,eft. Het vermoeden is dan 
echter steeds ten voordeele van het geoorloofde, zoodat iemand 
die zulk een contract wil doen onwettig verklaren, het onge- 
oorloofde oogmerk van den ander moet bewijzen; iets, dat in 
de meeste gevallen zeer moeilijk gaan zal. Als voorbeelden 
hiervan worden gegeven eene slavin , die eene zangeres is ; heeft 
men zulk eene slavin bedongen en het blijkt later dat zij niet 
zingen kan, dan kan men zich daarover niet beklagen bij den 
rechter. Het zelfde geldt van hanen en rammen, die behalve 
tot vechten ook nog tot andere nuttige doeleinden gebruikt 
kunnen worden, en van muziekinstrumenten die met goud of 
zilver zijn ingelegd en welke men alleen om dat goud of dat 
zilver mag ikoopen. Men ziet tot welke ongerijmde conclusien 
overigens redelijke menschen komen kunnen, als zij gebonden 
zijn aan eene soi-disant goddelijke en daarom, tot in de kleinste 
bijzonderheden toe, onfeilbare wet. 

4o. Zijn buiten het handelsverkeer: een vrijman (harr), een 
voorwaardelijk vrijgelatene (modabbar of mokatib), eene omm 
wold: deze laatste volgens de sjiïeten alleen zoolang haar zoon 
leeft, de overige sekten meenen echter tereclit dat als zij eens 
haar meester een kind geschonken heeft , zij daardoor een recht 
krijgt op haar vrijheid , dat nooit kan verloren gaan,>^eze quaestie 

DigrfizedbyVjC * 



tN HET MOTUMMEÜAANSCHÈ REÓHT. 153 

hangt echter te veel zamen met de verklaring van een paar 
arabische woorden, dan dat ik ze hier verder zou kunnen uit- 
werken. Tot de zaken , die geen voorwerp van rechten zijn kunnen, 
behooren ook de lichmimsdeelen van de bovengenoemde menschen , 
eene bepaling die men met het romeinsche ^^nemo suorum mem- 
broram dominus n zou kunnen vergelijken. Hiertoe behoort voora" 
het hoofdhaar, dat buitendien de profeet met name genoemd 
heeft, toen hij zijn vloek uitsprak over de vrouwen die het 
haar van anderen kochten om zich daarmede op te sieren. Hebbeu 
wij in het bovenstaande de regels vastgesteld volgens welke een 
zaak in of buiten het handelsverkeer gehouden wordt , wij moeten 
nu nog een en ander aanteekenen omtrent hetgeen vereischt 
wordt, opdat eene zaak voorwerp van een bai'-contract 'kan 
.zijn In de eerste plaats komt hierbij in aanmerking de bepa- 
ling dat een zaak, welke men geeft om eene andere terug te 
bekomen, moet zijn bepaald en bekend, opdat niet iemaiid zijne 
goederen weggeve voor eene onzekere waarde ; daar alle onzeker- 
heid (gharar) eene regtshandeling nietig maakt. Daar het echter 
ongegrond zoude zijn te eischen dat partijen met alle eigen- 
schappen der verhandelde zaak bekend waren , hebben de juristen 
vastgesteld dat reeds als voldoende beschouwd wordt indien men 
maar volkomen bekend is met den aard ('ain), de hoeveelheid 
(qadr) en de hoedanigheid (^ifa.) 

Onwettig is dus de verkoop van eene zaak die afwezig (ghaïb) 
is, en die niet door beide partijen eerst gezien is, tenzij het 
vervangbare zaken geldt, want deze kan men, indien ze niet 
gewoonlijk in kort tijdsverloop verandering ondergaan , op mon- 
ster ('ain) en zelfs op eene bloote omschrijving (wa9f) der hoe- 
danigheid koopen en verkoopen, mits er de juiste hoeveelheid 
bij vermeldende. Beweert dan echter de partij , die de zaak niet 
gezien heeft, dat ze bij de levering gebleken is anders te zijn 
dan de beschrijving of het monster, dan moet de ander het 
bewijs van het tegendeel leveren , daar het vermoeden tegen hem 
is. Kan hij dit niet , dan wordt aan den eerste de suppletoire 
eed (jamln) opgelegd; want bij de mohammedaansche rechts- 
spraak is het regel, dat de gedaagde niet dadelijk in het gelijk 
wordt gesteld als de eischer in gebreke blijft het bewijs zijner 
beweringen te leveren, maar dat hij zich nog eerst door een • 
eed moet zuiveren. 

Omtrent het bekend zijn van den aard eener zaak is niet 
veel te zeggen , maar des te meer omtrent de hoeveelheid. EenPS 



154 OVER HBT COXTftACr Al.-BAl* 

hoeveelheid kan volstrekt of betrekkelijk bepaald zijn; het eerste 
heeft plaats als men zegt: ^/ik verkoop u zooveel zakken graan 
voor zooveel geldstukken de zak')'; het tweede als men zegt: 
>^ik verkoop u dezen hoop graan voor zooveel geldstukken de 
zak./y Sjafit en * M&lek achten beide wijzen geoorloofd, doch 
niet zoo de groote Im&m Aboe-Hanlfa, die beweert dat de tweede 
wijze van verkoopen niet voldoende alle onzekerheid (gharar) 
uitsluit. Zijne beide leerlingen Aboe Josof en Moliammed hebben 
intuBschen op dit punt de leer der andere Im&ms omhelsd. 

Vervangbare zaken, die op de plaats tegenwoordig zijn 
(mosj&hid) , mogen ook verkocht worden bij den hoop (char^ of 
djoz&f), doch alleen onder de volgende voorwaarden. De hoe- 
veelheid moet niet te klein en ook niet al te groot zijn; niet 
te klein omdat bij eene kleine hoeveelheid eene geringe vergissing 
een grooter onderscheid maakt dan bij eene groote; niet al te 
groot omdat men dan zooveel te meer gevaar loopt zich in de 
schatting der hoeveelheid te vergissen. Verder moeten beide 
partijen de noodige kennis hebben om eene hoeveelheid ten naaste 
bij te bepalen, en moet het zaken gelden, waarbij een paar indi- 
viduen meer of minder aan de waarde der massa niet afdoen. 
Alles omdat de profeet verboden heeft dat er onzekerheid (gharar) 
bij rechtdiandelingen besta. Overigens valt op te merken dat de 
hoeveelheid door allerlei soort van maat of gewicht kan worden 
bepaald, al is het geen wettig gangbare, mits zij maar alle 
onzekerheid wegneme '. 



1 Omtrent de maten en gewichten door de arabische juristen gebruikt, 
goldt het volgende: maat in het algemeen heet: kail, lengtemaat in het 
bijzonder dsar\ gewicht: wazn. De meest voorkomende namen van 
elk dezer zijn: de wa^q d. i. zooveel als een kameel dragen kan, en 
dus ongeveer overeenkomende met ons last; zij heeft 60 q&* en elke gi* 
4 modd. De modd bedraagt eigenlgk zooveel als een roan roet zijne beide 
armen omvatten kan, en wordt verdeeld in 2 roti. By vloeibare waren 
worden dezelfde maten gebruikt, doch dan heet een modd: mann. De 
roti is ook de naam van een gewicht, dat gelijk is aan ^ ist&r, een 
woord afgeleid van het grieksche stater ; 2 ist&r zyn 9 mithqil , i mithq41 
20 qair&t (grieksch keration) en 1 qairéit de zwaarte van 4 of 5 graan- 
korrels.- De Muzulmannen hebben slechts 2 soorten van algemeen gang- 
bare muntstukken, welke tevens voor gewicht van goud en zilver gebruikt 
worden, namel\jk de dinéir (Gr. dénarion), welke op gezag van Chalier 
Omar 1 mithq&l zwaar was, en de waarde had van 10 zilveren dirhams 
(Gr. drachme), elk van een gewicht van y^i^ mithq&l. Als vlaktemaat wordt 
vooral in Egypte algemeen gebruikt de fadd&n, d. i. zooveel als een span 
ossen op een dag kan beploegen. Z\j heeft 400 Q qa^aba. Een qa^ba 
is gelijk aan 4| ned. el. Voor het meten van kleine afstanden geliruikt 



IN HKT MOHAMMEDAANSOHK RECHT. l55 

Wat de hoedanigheid (^ifa) eindelijk nog betreft, de arabische 
juristen stellen een tal vuu regelen yast, wanneer men geacht 
kas worden eene voldoende kennis van de hoedanigheid eener 
zaak te hebben gekregen , en Mvanncer de onzekerheid (ghnrar) 
genoegzaam afwezig is. De voorbeelden hiervan zijn echter meer 
geblikt om den q&dhi een leiddraad te geven iii het beoordeelen 
van de een of andere quaestio facti , dan dat ze voor ons , wien 
het natuurlijk alleen om beginselen te doen is , belangrijk kunnen 
genoemd worden. , 

Eene tweede soort van onzekerheid (gharar) bestaat bij die 
zaken, welke nog niet onder onze heerschappij gebracht zijn, 
of zich daaraan hebben onttrokken, en die geen voorwerp van 
bai'-contracten kmmen zijn , daar wij niet zeker zijn of wij wel 
de macht zullen hebben ze te leveren. Hiertoe behooren een 
weggeloopen slaaf (abaq) , e^n van de kudde afgedwaald kameel 
(dfaiUl) , en alles wat verloren , gestolen of geroofd is , niettegen- 
staande het eigendomsrecht (molk) op deze zaken ongedeerd 
blijft. Het is alleen geoorloofd dat men die goederen verkoopt 
aan den persoon , die ze ter kwader trouw bezit (gh&cib) ; dan 
toch is de macht om te leveren niet meer noodig, en wordt 
het bezit ter kwader trouw (gha^b) van het oogenblik af, dat 
de wilsovereenstemming bestaat, in een bezit ter goeder trouw 
yeranderd. In het zelfde geval verkeert natuurlijk hij, die een 
we^eloopen slaaf of kameel heeft opgevangen, want ook hier 
houdt het bezwaar op dat de macht om te leveren ontbreekt. 

Evenmin kan verkocht worden een vliegende vogel of een 
zwemmende visch, of een wild beest in het woud, tenzij men 
ze betrekkelijk in zijne macht heeft, zooals een visch in een 
vijver, of een vogel in een kooi. Zoodra zulke dieren zich echter 
daaruit bevrijd hebben, houden zij niet alleen op in bezit maar 
«ik in eigendom te zijn^ hetgeen, zooals wij gezien hebben, 
niet plaats heeft bij een weggelooj)en slaaf of kameel, bij wie 
alleen het bezit ontbreekt. Er zijn echter ook beesten die tusschen 
wilde en tamme instaan , zooals duiven en bijen , welke laatste 



men de dsirA* of el en de sjibr of palm. Djarib is een graanmaat van 
4 qafïz en 384 modd, terwijl de qafiz wederom in qabadha verdeeld 
vordt. Djarib en qafiz ook namen van vlaktematen waarvan de laatste 
144 dsiri* inhoudt. In de verachillende landen en tijden vindt men van 
allerlei andere maten en gewichten gewag gemaakt; de hierboven op- 
genoemde K^n echter om zoo te zeggen de klassieke, die mendij de j 
juristen algemeen aantreft. DigitizedbyLjOOgle 



156 OVER HET Contract ai,-bai* 

de Arabieren evenals de eerste onder de vogels rangscliikken. 
Deze dieren, die tam gemaakt zijn, houden niet op in onze 
macht te zijn al zijn zij uitgevlogen , daar zij des nachts terag- 
keeren. Dan eerst worden zij geacht uit ons bezit en onzen 
eigendom verloren te zijn, als het duidelijk blijkt, dat zij voorgoed 
zijn weggevlogen of weggeloopen, en dan worden zij natuurlijk 
weder zaken, die aan niemand toebehooren, en waarop dus 
iedereen, die ze vangt, een recht van eigendom verkrijgt. 

Onder de zaken die geen voorwerp van eeu bai'-contract kunnen 
zijn, omdat hun al of niet bestaan onzeker is, behooreu eindelijk de 
ongeboren vrucht van dieren en slaven , muskus in het muskus- 
dier, koren in de aren, vruchten aan de boomen vóór dat zij 
zijn begonnen rijp te worden, enz. Deze laatste hebben in het 
mohammedaansche recht aanleiding gegeven tot velerlei geschil- 
punten, iets dat ons onbegrijpelijk moet voorkomen indien wij 
niet in het OQg houden den maatschappelijken toestand der Arabieren 
in de woestijn , voor wie de profeet eigenlijk zijn wetten g^even 
heeft. Die vruchten nu , die reeds begonnen zijn rijp te worden , 
mogen dan verkocht worden , doch slechts onder voorbehoud dat 
zij aan den boom zullen blijven hangen tot aan den tijd van hun 
volkomen rijpheid. Op den verkooper rust dan van rechtswege 
(qahra) de verplichting ze te verzorgen èn van water te voor- 
zien « doch, ofechoon hij eigentlijk nog niet geleverd heeft , staat 
hij toch niet meer in voor toevallig verlies. Deze leer van Sjafii 
steunt op zeer vele gezegden van den profeet, doch wordt des- 
niettegenstaande door de volgers van M&lek en den groeten 
Im&m weersproken, die ook zoo veel plaatsen uit den Qor&n 
en de Sonna aanhalen, dat ik ongeloovige, het niet waag te 
beslissen wie gelijk hepft. Dit moet intusschen n<^ opgemerkt 
worden, dat als de vruchten te gelijk met den boom verkocht 
worden , van den bovengenoemden regel geen sprake kan zijn , 
omdat zij dan als bijzaak (tab^) het rechtslot van den boom 
volgen ; ja het zou zel& te bezien staan , of men dan wel zulk 
eene voorwaarde zou mogen stellen , daar zij geacht kan worden 
zonder oorzaak het vrij gebruik van den eigendom te belem- 
meren. Ten minste dit is het gevoelen van den jurist Sjarbtnt. 

De zaak die als aequivalent (^awdh of thaman) gegeven wordt, 
en die wij gewoonlijk den prijs ' noemen, wordt geheel en al 
door dezelfde regels beheerscht als wij hierboven hebben opge- 

* De prijs in engen zin, d. i. de hoeveelheid gemunt geld welke voor 
eene bepaalde zaak moet gegeven worden, heet in het arabisch qimat. 



IN HET MOHAMMBDAANSCHK EECHT. 157 

geven voor de aaiigebodeiie waar , en slechts zeer zeldzaam vindt 
men bij de jaristeu gewag gemaakt van bijzondere bepaliugeu 
voor het geval dat iemand iets tegen gemunt geld koopt. En 
dit is ook niet te verwonderen. In de eerste plaats toch omvat 
liet bai^-contract vele rechtshandelingen, waarbij hiervan geen 
de minste spraak kan zijn, terwijl nog daarenboven de handel 
in het Oosten voor verreweg het grootste gedeelte slechts een 
ruilhandel is Verkoopt men echter voor gemunt geld dan moet 
dit, evenals de zaak, eene bepaalde som zijn, doch die bepaald- 
heid kan ook betrekkelijk wezen, bv. als men zegt: >/ik ver- 
koop u dit voor den marktprijs, «f Aboe Hantfa keurt dit echter 
uatuurlijk af, evenals elke betrekkelijke bepaaldheid. Als men 
een beding maakt voor een zeker aantal goudstukken, dan is 
dit alleen geldig als op de plaats, waar zulk een beding gesloten 
wordt, slechts één enkele soort van goudstukken in omloop 
id, of als de verschillende soorten van in omloop zijnde goud- 
stukken allen dezelfde waarde hebben, en dan kan de schul- 
denaar betalen met de soort die hij wil. Eindelijk zaldegroote 
menigte soorten van gouden (dtn&r) en zilveren muntstukken in de 
oostersche landen , zonder dat iemand er ooit aan gedacht heeft 
ze een weUigen koere te geven, er wel het hare toe bijgebracht 
hebben om de juristen op het juiste denkbeeld te brengen dat 
goud en zilver geld niets anders dan eene gewone koopwaar is, 
en dat dus koopea voor geld en ruilen voor andere zaken vol- 
maakt door dezelfde regels beheerscht moeten worden. Het dwaze 
onderscheid tusschen koop en ruil en tusschen geld en andere 
waarden dat de meeste nieuwere wetgevers in navolging van 
Justinianus gemaakt hebben, is dan ook naar mijn oordeel 
alleen daaraan te wijten, dat in onze staten slechts één enkele 
mmit wettigen koers heeft, en aan het monopolie dat zeer vele 
regeeringen zich hebben to^eëigend om dien wettigen koers wille- 
keurig te veranderen. 

Behalve de verdeelingen der verbindtenissen in het algemeen 
en der bai'-contracten in het bijzonder , die wij nu reeds hebbeu 
aangegeven, naar aanleiding van de hoedanigheden der partijen 
en der zaken die er het voorwerp van zijn , bestaat er nog een 
naar aanleiding van het aanlal der in het contract begrepen 
voorwerpen. Deze komt overeen met de verdeeling in het 
romeinsch en hedendaagsch recht in eenvoudige en alternatieve 
verbindtenissen, dat zijn dezulken, waarbij men van ver- 
schillende zaken één moet levei-eii ter keuze van eeneddfG|©ÖQlc 
3e Volgr. IV. 12 



158 OVER HET CONTRACT AL-BAI^ 

tijen '. De Arabieren, gewoon nooit beginselen, maar altijd 
eeu concreet geval voorop te stellen , noemen dit een utrecht om 
het voorweq) van het contract te bepalen // (chiar at-ta'jtn) en 
behandelen het als een gevolg der bai'-contracten alleen , ofschoon 
het bij de andere verbintenissen eveneens plaats vindt. Het recht 
nu kan gegeven worden hetzij aan één , hetzij aan beide partijen , 
doch de zaken, waaruit de keus gedaan moet worden, moeten 
steeds ongeveer van denxelfden prijs en mogen niet meer dan drie 
in getal zijn, terwijl ook het recht van keuze niet langer dan 
drie dagen mag duren. Zooals men ziet, allen weder van die 
onbegrijpelijk kleingeestige bepalingen, die alleen dan te ver- 
klaren zijn als mei| aaimeemt dat de wet niet alleen iu geest 
maar ook in letter een uitvloeisel van Allah is. Worden de 
zaken aan den kooper ter hand gesteld opdat hij zou kiezen , 
en gaan daarvan hetzij alle hetzij enkele door toeval te niet, 
dan mag hij ^en prijs betalen van de minste in waarde, daar 
hij het recht had die te kiezen , en slechts één der zaken , 
ter zijner keuze, hem als eigenaar en de anderen in bewaar- 
geving toevertrouwd waren. Sterft de persoon , die de keus do^i 
moet, dan gaat het recht daartoe over op zijne erenamen ^ 
die echter niet alle zaken kunnen verwerpen, evenmin als de 
persoon zelf die de verbindtenis heeft aangedaan. Qaat een of 
meer der zaken in handen van den verkooper door toeval te 
niet, dan is de kooper, als hij wil, van zijne verbindtenis ont- 
slagen of zooals de Romeins het uitdrukken: het contract wordt 
claudicans, d. i. kreupel; het hangt dan toch niet meer van 
beide, maar slechts van een der partijen af, of het al dan niet 
voortgang zal hebben. De kooper toch kan ze^en: titik had 
juist de zaak die te niet gegaan is willen hebben , deze was mij 
nog niet geleverd, dus voor risico van den verkooper. «^ De keuze 
behoeft niet altijd door woorden , maar kan ook door daden ge- 
schieden, bv. als de kooper over een der zaken beschikt op 
eene wijze, die slechts aan den eigenaar door de wet ia toe- 
gestaan , dan wordt hij geacht die zaak gekozen te hebben. Ten 
slotte spreekt het van zelf dat de verkooper, zoolang als de 
ander het recht van keuze heeft, over geen der zaken mag be- 
schikken, wil hij de verbindtenis doen stand houden. 



1 Bv. als men zegt: «ik verkoop u een van deze drie paavden ter uwer 
keijzo voor zoo\oel i^ouiir^tiikken.* 



Digitized by 



Google 



IN HRT MOHAMMBDAAVSCHK URCHT. 159 

HOOFDSTUK IL 

ovïr i>s bal'-contraotbn , dl» g«bn geyot.0 hebbbn 
(ghaira. iAliu). 

§ 1. Over de noodzakelijke kenze (chi&r al-madjlis). 

Wanneer een bai^-contract aan de, in het vorige hoofdstak 
gestelde, vereischten voldoet, wordt het volkomen (^hlh) ge- 
noemd; het is evenwel mogelijk dat zulk een volkomen contract, 
zelfe na de levering, ontbonden wordt, hetzij uit kracht van 
een zel&tandig recht dat aan een der partijen toekomt, hetzij 
volgens onderling goedvinden der beide partijen. De Arabieren 
noemen een dergelijk zelfstandig recht in het algemeen : //keuzeo^ 
(chiftr), daar de persoon, aan wien de wet het toekent, dekens 
heeft of hij de rechtshandeling wil vernietigen of niet, en van 
deze keuze worden de volgende soorten onderscheiden: 

lo« De noodzakelijke keuze fchi&r al-madjlis) is, zooals 
reeds de ambische naam aanduidt, het onvervreemdbaar recht 
van elk der partijen, om eene overeenkomst te vernietigen, zoo- 
lang zij beiden nog op de zdfde plaats (madjlis) zijn, waar zij 
die overeenkomst hebben aangegaan. 

£•. De bedongene kenze (chiftr as-sjart) noemt men het recht 
dat een der partijen zich voorbehouden kan, om het voorwerp 
van het contract na de levering af te keuttin; hetgeen ten 
naasten bij overeenkomt met het veirkoopen op de proef in het 
romeinsoh en hedendaagsch recht. Deze beide keuzen worden 
te zamen ook wel onder den naam van /rkefuze van onderzoek /r 
(chiAf at-taravwA) begrepen. 

3^. De keuze bij het «en eener zaak (chiftr ar-roïa) is het 
reoht vMi iemand, die eene, niet op de plaats tegenwoordige, 
zaak gekocht he^, om haar af te keuren als zij hem bij de 
levering niet bevalt. 

4^. De keuze wegens verborgen gebreken (chito al-'aib of 
cbiAr an-naqty) of het recht eene gekochte zaak terug te 
geven als zij na de levering blijkt gebreken te hebben, die de 
kooper niet wist en ook niet geacht mag worden te hebben 
kunnen weten. 

Ten opzichte van de noodzakelijke keuze nu valt het volgende 
op te merken. Al is het contract geheel afgehandeld, zoowel 
wat de wilsovereenstemming als de levering betreft , dan behoudt 



160 OVER HET^ CONTRACT AT,-BAI^ 

nog altijd elk der coutracteerende partijen het recht oni van de 
geheele zaak af te zien, en de ontvangene waar terug te geven , 
waardoor dan tevens de andere gedwongen is hetzelfde te 
doen. Dit recht duurt zoo lang de partijen nog bij elkander 
zijn of, om met de Arabieren te spreken, zoolang zij nog 
geen van beiden de zitplaats (madjlis) hebbeu verlaten , waar de 
geheele rechtshandeling is voorgevallen, of zoolang de een nog 
niet van zijn recht uitdrukkelijk heeft a%ezien. Dit laatste kan 
o. a. ook indirect geschieden bv. doorgaan den ander te ze^en : 
'/maak gij maar gebruik van uw recht van keuze^^ ; doch welke 
bewoordingen men ook moge gebruiken, nooit kan daardoor 
de minste schade worden toegebracht aan het recht van den 
ander om de geheele zaak ongedaan te maken. Eerst als beide 
van hun recht hebben afgezien, of de plaats (madjlis) verlaten 
v66r dat zij er gebruik van gemaakt hebben, is het contract 
onherroepelijk. 

Ofschoon nu zulk een recht ons ten hoogste onpractisch moge 
voorkomen , zoo gaan toch de Sjafeïeten en Sjiïeten zoo ver van 
te beweren dat het niet alleen van rechtswege (qahra) in alle 
bai'-contracteu bestaat , maar dat men het zelfs niet bij voorbaat 
van de overeenkomst mag uitsluiten: want de profeet (wien 
Allah moge zegenen en genadig zijn) heeft eens gezegd: ^de 
partijen in een bai^'-contract hebben het recht van keuze, zoo- 
lang zij niet van elkander zijn weggegaan.// £venwel zijn de 
andere Im4ms van oordeel dat de p^feet veel te verstandig was 
om dergelijke dwaasheden gewild te hebben, die alleen daartoe 
kunnen strekken om in het handelsverkeer de grootste onzeker- 
heid te doen heerschen, en dat dus zijne woorden alleen willen 
zeggen : dat elk persoon , wien iet^ te koop wordt aangeboden 
(idj&b), het recht heeft dat aan te nemen of te verwerpen 
tot zoolang hij van den ander niet is weggegaan, want in dit 
weggaan ligt opgesloten dat hij den koop niet wil aangaan. Zij 
stellen dan ook voor de chiftr al-madjlis, de chi&r al-qaboel of 
de //keuze van aannemen// in de plaats; daar echter de Muzul- 
mannen die aan onze heerschappij zijn onderworpen, Sjafil vol- 
gen, moeten wij zijne beweringen nog eenigzins nader doen 
kennen. 

In de eerste plaats is het een groot punt van qnaestie« vrat 
in elk geval de woorden van den profeet: //zoo lang zij niet 
van elkander zijn weggegaan// te beteekenen hebben. Sommige 
juristen stellen met dit weggaan reeds gelijk als een der partijen 



IN HET MOHAMMEDAANSCHE RECHT. 161 

opstaat van de mat waarop hij gezeten was), toèii het contract 
gesloten werd, of als hij zich omkeert om weg te gaan, anderen, 
doch naar ons oordeel ten onrechte, nemen aan dat zij nog niet 
van elkander zijn weggegaan , als zij bv. eene reis van een paar 
maanden te zamen doen, al was het niet denkbaar dat zij zich 
gedurende dien tijd niet nu en dan van elkander voor een 
korte }XK)8 hebben verwijderd, mits zij maar den wil gehad 
hebbeu steeds tot elkander terug te keeren. 

Er zijn ook een paar soorten van bai'- contracten, waar het 
in deze paragraaf behandeld recht van keuze niet plaats vindt, 
zooals het huwelijk (nikfth), dat men misschien vreemd zal 
vinden tot een soort van verkoopovereenkomst gedegradeerd te 
zien, doch dat, altijd volgens de Muzulmannen, niets anders 
is dan een koópen van het gebruik eener vrouw voor eene zekere 
huwelijksgift (mahr of gadaqa). Dit contract nu mag, na de 
levering (qabdh) van de vrouw, niet meer op boven beschreven 
wijze vernietigd worden, daar iemand die zulk een contract sluit 
dan maar eerst goed moet toezien dathij niet, om eenhollaudsch 
spreekwoord te gebruiken, //een kat in den zak ^ koopt. Evenmin 
bestaat dit recht als een slaaf zijne vrijheid bekomt onder voor- 
waarde van zekere som aan zijn heer te betalen of een zeker 
werk voor liem te verrichten , hoedanige slaaf dan mok&tib heet. 
Daarentegen bestaat het bij alle andere bai'-contracten , zooals 
onzen verkoop benevens de ouderdeelen daarvan, bv. bij de dona- 
tie remuneratoria (al-hiba dsftt at-thaw&b) of schenking ter ver- 
goeding van vroeger bewezen diensten, en bij het recht van 
naasting (sjoFa), d. i. als eenige personen gezamenlijk een zaak 
bezitten, die niet lichamelijk verdeeld kan worden zonder veel 
van hare waarde te verliezen , bv. een paard of een slaaf, en 
een hunner wil zijn aandeel aan een vreemde verkoopen, dan 
hebben de overblijvende eigenaars het recht dat deel voor den 
reeds bedongen koopprijs tot zich te nemen. Verder bestaat het 
ook bij het huurcontract (idj&ra) en de zoogenaamde bezaaiings- 
en beproeiingscoutracten (moz&ra'a en mosftqd), die wij allen 
later afzonderlijk zullen behandelen. 

Ten slotte dient niet vergeten te worden dat als een der 
partijen voor het eind der samenkomst plotseling sterft of krank- 
zinnig wordt, zijn recht overgaat op zijne erfgenamen (wftrith) 
of op zijn curator (walï); omgekeerd echter, koopt een voogd 
of curator (walï) iets in tegenwoordiglieid van den minderjarige 
gf krankzinnig en worden 4ezen juist op dien tijd nieerderjarig 



168 OVER HRT COKTKAGT AL*BAl' 

of weder yerstandig, dan moet toch zulk een waii het recht 
uitoefenen en gaat het niet op de ouder zijne macht sttoode 
personen over. Natuurlijk kan van dit ailas ^een aprake sijn 
als men de boven aangehaalde meening omhelsd heeft dat de 
tijd der samenkomst (madjlis) soms zeer lang kan doren. 

§ 2. Over de bedongen keuze (chi&r as-sjart.) 

Yan veel meer gewicht is de tweede soort van keuze, door 
de Arabieren bedongen (chi&r as-sjart) genoemd, doch welke 
eigenlijk niets anders is, dan wat wiy onder verkoop enz. op de 
proef verstaan, met dit onderscheid echter dat in ons en het 
romeinsche recht dit als opschortende , doch bij de Arabieren als 
eene ontbindende voorwaarde beschouwd wordt *• Nog beter 
komt het dus over een met het romeinsche pactom displicentiae» 
dat ons recht evenwel niet kent. Deze soort vau keuze is inge- 
steld door den profeet zelven, die, toen zekere Hob&nzioh bij 
hem beklaagde dat hij altijd, ala hij iets kocht, bedrogen werd, 
ten antwoord gaf: >/Hob&n als gij wed^om iets koopt, dan 
moet gij er bij zeggen: bedrieg mij niet, en dan hebt gij ge- 
durende drie dagen het recht de geleverde waar te onderzoeken 
en in geval. vau bedrog terug te geven.^i' 

Uit deze woorden van den profeet nu blijkt in de eerste 
plaats ontwijfelbaar dat deze keuze niet van rechtsw^ in de 
bai'-Gontracteu is opgesloten, maar dat het eene voorwaarde is, 
die evenals alle anderen uitdrukkeliik bedongen moet ziju. I)och 
des te grooter strijd is er gevoerd over de vraag voor hoe lang 
men dit recht van keuze mag bedingen, welke strijd voornamelijk' 
zijn grond vindt in het voor de geloovigen treurige verscbijnaiel 
dat van deze uitspraak van Mohammed twee nog al verschillende 
lezingen zijn. Onze school, die de boven aangehaalde lezing 
aanneemt, beweert op grond daarvan dat men het recht van 
keuze slechts voor drie dagen mag bedingen , en voor dit gevoelen 
is werkelijk,, als men aan de woorden en niet aan den zin der 
wet blijft hangen, zooals de Muzulmaon^i altijd doen, ontzet- 
tend veel te zeggen. Men neemt dan echter aan dat men het 



* Ter verduidelijking hiervan voor niet-juristen kan dienen dat wy zeg- 
gen: eik koop dit mits het my bevalt ;i doch de Arabieren: tik koop 
dit, maar, als het mij niet bevalt, geef ik het terug. % In het eerste 
geval bestaat de knop niet vö^ dat men de 2aak heeft go^gekeurd, in 
het tweede ^val bestaat zi^ tot zoolang men ze lye^i^^fglt afgekeiir4« 



IN H£T MOHAMMEDAANSCHB RECHT. 163 

recht wel op eeu korteien duur mag stellen, e» ook dat eene 
langere tijdsbepaling bet contract niet onvoorwaardelijk nietig 
maakt, mits de partijen maar vóór dat drie dagen verstreken zijn, 
van hun recht van keuze gebruik hebben gemaakt. 

Bij de Hanafieten staat op dit punt de Imftm wederom tegen- 
over zijne leerlingen Aboe Josof en Mohammed. De eerste is 
dezelfde leer als Sjafi^ï toegedaan, met dit onderscheid dat , naar 
zijne meening, eene keuze bedongen voor langer dan drie dagen 
de rechtshandeling ook niet nietig maakt, al maken de partijen 
er binnen dien tijd geen gebruik van , maar dart zij van rechts- 
wege tot op den wettigen termijn verminderd wordt. Dit heeft 
in het handelsverkeer zeer groote practische gevolgen , hoe onbe- 
duidend de geheele zaak ook misschien aan een niet rechtsge* 
leerde moge toeschijnen. Stel bij voorbeeld eens dat men iets 
koopt met het recht om het af te keuren voor zes dagen , dan 
is die koop volgens Sjafi^ï nietig , en moet de zaak terugg^even 
worden , als men binnen de drie eerste dagen zijn wil niet ver- 
klaard heeft , terwijl men in dat zelfde geval vdgens den grooten 
Im&m juist geacht wordt de zaak te hebben goedgekeurd en 
dus te moeten houden. 

De beide leerlingen nu, en hunne meening is t^enwoordig 
ouder de Hanafieten algemeen aangenomen, beweren dat de 
profeet Hob&n zou aangeraden hebben te zeggen: //ik wil niet 
bedrogen worden en verlai^ een termijn van drie dagen om 
de zaak te onderzoeken ,>r met andere woorden de genoemde 
termijn is niet als beperking van den vrijen wil der partijen, 
maar slechts als voorbeeld gesteld, en daarom mag men het 
recht van keuze voor zoo langen of korten tijd bedingen als i'n'en 
zgü wil, en de andere toestaat, voor welke meening volgens de 
Mohammedanen een groot argument is dat Ibn ^Omar gezegd 
wordt dien tijd eens tot twee maanden te hebben uitgestrekt. 

De M^ekieten wijken op dit punt weder hemelsbreed van 
de beide andere sekten af. Zij houden het ei* namelijk voor dat 
de termijn wel is waar geheel en al afhang!^ van het beding d^r 
partijen, doch dat dezen daarbij toch acht moeten slaan op de 
gewoonte, en natuurlijk moeten zorgen dat geenerlei onzekerheid 
(gharar) , hetzij in den tijd , hetzij omtrent de zaak ontstaan kan. 
Zoo rekenen zij bij voorbeeld dat de tijd voor een onroerend 
goed faq&r) gewoonlijk op een mfeand gesteld dient te worden, 
voor slaven op één week, voor huisdieren op drie of vier weken, 
CU aoó vervolgens. Oqk staan zij toè het bedin^^.v^n^ ^k@g)^[^ 



164 OVEtt HET CONTRACT A1.-BA.1 

maken, nadat het contract gesloten en zelfs de waar geleverd 
is. Dit laatste houden ook Aboe Jósof en Mohammed voor ge- 
oorloofd, doch niet Aboe Hanifa en Sjafi'i, en terecht van hun 
standpunt, daar er toch geen beter middel denkbaar zou zijn 
om de wet te ontduiken, die volgens hen verbiedt het recht van 
keuze op langer dan drie dagen te stelleu. 

De keuze kan bij de overeenkomst worden toegestaan óf aan 
een der partijen bf aan beide bf aan een derde. Ook is het niet 
noodig dat als aan beide partijen de keuze is toegestaan, zij 
die hebben VQor gelijke tijden; de kooper kan bij voorbeeld 
omtrent de geleverde zaak in drie dagen moeten beslissen of zij 
hem bevalt, en de verkooper omtrent het aequivalent of den prija 
in één of twee. Hier moet nog bijgevoegd worden, dat in het 
mohammedaansche recht alle rechtshandelingen door een last- 
hebber (wakil) kminen geschieden, en dat deze dus ook, als 
hem is opgedragen een bai'-contract te sluiten , er een beding van 
keuze aan kan toevoegen , doch dat hij die keuze niet aan zijn 
tegenpartij of eeu derde persoon alleen mag toestaan, tenzij de 
lastgever (mowakkil) hem dit uitdrukkelijk had opgedragen. 

Wat den eigendom (molk) aangaat van eene zaak, die ver- 
kocht is onder voorwaarde van keuze, deze is, zoolang de be- 
paalde termijn duurt, bij deugeen aan wien het recht van keuze 
gegeven is. Hebben partijen zich beide dat recht voorbehouden 
dan wordt het eigendomsrecht opgeschort (mawqoef), en wordt 
het, nadat zij van hun recht hebben gebruik gemaakt, geacht 
van het oogenblik, waarop de overeenkomst tot stand kwam , 
geweest te zijn bij dengeeu, die ten katste blijkt eigenaar te 
zijn, dat wil zeggen bij den kooper als de zaak wordt goedge- 
keurd, en anders bij den verkooper. Omtrent het aequivalent 
(4wdh of thaman), dat voor de zaak gegeven wordt, gelden 
mutatis mutandis dezelfde regels. 
De bedongene keuze gaat te niet: 
lo. door eene uitdrukkelijke wilsverklaring. 
£o. stilzwijgend. 

Uitdrukkelijk heeft dit plaats als men met zooveel woorden 
verklaart de zaak goed te keuren of te verweqien, of van zijn 
recht tot goedkeuren of verwerpen af te zien ; stilzwijgend door 
daden te verrichten, die ondubbelzinnig den wil tot het een of 
het ander te kennen geven, bv. door met de zaak als eigenaar 
te handelen, of als men ze verwerpen wil, door ze niet met- 
zijne overige goedereu te vermengen en haar aan jden verkooper 

Digitized by V^jOOQ . 



IN HET M0HAMMBDAAN8CHK RECHT. 165 

terug te /iCndeu. Yolgeus de Hauafieteu gaat het recht vau keuze 
ook vau zelf te niet door den dood van hem die de keuze 
doen moest, daar zij het als een bloot persoonlek recht beschou- 
wen « dat niet op de erenamen overgaat. Onze en de male- 
kietische ajeichs kunnen echter voor dit beweren geen enkelen 
rechtsgrond ontdekken. 

Toevallige schade of verlies van de zaak volgt den eigendom , 
dus zijn beide voor risico van dengeen , die het recht van keuze 
bedongen heeft, ten minste na de levering; gaan echter bij 
wederzijdsche keuze zoowel de zaak als het aequivalent door 
toeval geheel te niet, dan beschouwt de wet het contract als 
nooit te hebben bestaan; wordt daarentegen hetzij een, hetzij 
beide, slechts beschadigd en wil een der partijen het contract 
doen stand houden tegen den wil van den ander , dan moet deze 
laatste voor den eersten worden schadeloos gesteld, terwijl in 
dit geval als wettige waarde der zaken wordt aangenomen de 
waarde die zij hadden op den dag der levering, of volgens 
sommigen de hoogste waarde, die zij gehad hebben tus- 
schen dien dag en dien waarop het contract onherroepelijk be- 
vestigd is. 

§ 3. Over de keuze bij het zien eener zaak 
(chi&r ar-roïa). 

Hebben wij vroeger gezien dat eene afwezige (gh^b) zaak, 
welke nog door geen der partijen gezien is, niet tot voorwerp 
van een bai'-contract mag gemaakt worden, dan alleen onder 
zoodanige beperkende bepalingen , dat het gevaar van onzekerheid 
(gharar) zoo niet geheel dan toch grootendeels wordt opgeheven , 
wij hebben daarbij nog niet aangeteekend dat bij zulk een koop 
de Hanafieteu en de Sjiieten den kooper van rechtswege vrijheid 
toekennen de zaak, als zij hem bij de levering om welke 
reden ook niet bevalt , dadelijk weder te geven en den reeds 
betaalden prijs terug te vorderen. Dit recht noemen zij de keuze 
bij het zien eener zaak (chi&r ar-roïa) en halen als bewijs voor 
hunne meening aan een gezegde van den profeet, dat elk, die 
eene niet van te voren geziene zaak koopt, het recht van keuze 
be^ br) het zien van die zaak. De overige Im&ms echter erkennen 
deze keuze niet '. Volgens onze begrippen misschien terecht, 

* Runue redeneeririg komt hier op neer: het koopen eener niet van te 
voren geziene zaak is, behalve in enkele gevallen, geheel onwettig volgens.C 



166 OVER HET CONTKACT A1.-BAI 

doch van eeu mohammedaansch staudpunt zeker ten onrechte, 
duar zij de echtheid ran de overlevering (hadtth) omtrent het 
genoemde gezegde van den profeet niet durven ontkennen. De 
gegeven regel, dat men deze keuze van rechtswege (qahra) 
heeft, moet vei^er in dien zin worden opgevat, dat zij zel& 
niet bij onderlinge overeenkomst bij het aangaan van het contract 
mflg woi^en uitgesloten: iets waftrin zij overeenkomt inet de 
noodzakelijke keuze der Sjafeïeten, to dat waarschijnlijk zijn 
gi*ond viïidt in de stellige woorden van den profeet. Het spreekt 
verder van zelf dat dit recht van keuze slechts plaats kan vinden 
bij den koop van niet vervangbare zaken {mêl qtmt), daar de 
vervangbare zaken (mAl mithl!), al zijn zij niet van te voren 
gezien, geheel geldig verkocht worden op monster ('ain) of op 
eene omschi^viBg (wa^f:, en niet kunnen worden teruggegeven 
dan wanneer zij bij de levering blijken niet te beantwoorden 
aan dat monster of aan die beschrijving. 

Eén groot punt van verschil tusschen de rechtsgeleerden is, 
of deze keuze evenals de bedongene (chi&r as-sjart) van rechts- 
wege slechte voor éen zekeren tijd gegeven wordt, of wel dat 
zij ioi geen termijn beperkt is, zoodat de kooper haar ssöolang 
behoudt , als hij nog niet verklaard heeft met de zaak te vreden 
te zijn of ët ö^ ééliie wijze oVèr beschikt, die alleen te' ver- 
dedigen is als hij den wil had de zaak als eigenaar te behouden. 
Dit laatste nog al zonderling beweren heeft inderdaad de boven- 
hand behouden; het staat echter partijen vr^ bij hét sltiiten van 
het contract den termijn te bepalen binnen welken de kooper zijn 
wil móet verklaard hebbfen. 

Verder moeten nog de twee volgende punten worden aange- 
geven. In de eerste plaats dat dit recht alleen aan den persoon 
van den kooper verbonden is, ssoodat, als hrj sterft voor dat 
hij er gebruik van heeft kunnen of willen maken, zijne erfge- 
namen bet niet mogen ililibefenen , én met den koop te vreden 
moeten zijn. 

En eindelijk, dat iemand, die door eéïi bode (raéöél) iets 
koq)en laat, steeds zelf het teoht van afkeuring heeft, al heeft 
de bode de zaak ge^iien, döch niet aldus een lastgever, die ' 



den regeel dat alle ohselerfaeid eente rechtshandeling nietig maakt, en n^ 
eene dergelyJce nietigheid te willen dekken door een recht van afkeuring 
te geven aan den kooper , is met het geheele beginsel der wet in strijd , 
en is slechts door Aboè Hanifo uitgevonden om, in het belang vah het 
handelsverkeer, het beginsel te ohtduiken, oigitizedbyGoOglc 



IN HttT MUUAMMEDAANSCHE BECHT. 167 

door middel van zijn lasthebber (waktl) ieta laat koopen, dat 
deze gezien heeft. Ëene üeer juiste onderscheiding, want een 
lasthebber is de v^^rtegemroordiger Tan den wil van zijn last- 
gever, rijn alter ego^ een bode daarentegen is slechts het nriddel 
om zijn wil te verklaren, om zoo te zeggen een levende brief, 
een Moot weriEtuig. Het zeilde beginsel wordt dan ook in het 
TOBietiiaclie vecht en, in navolging daarvan, in de meeste 
nieuwere wetgevingen gehuldigd, 

§ 4>. Over de keuze wegens verborgen gebreken. 
(ChiAr al-'aib of chiftr an-naqtc.) 

Deze keuze, die evenals de voorgaande van rechtswege in 
alle bai'-contracten aanwezig is, maar toch door eene uitdn:&- 
kelijke overeenkomst kati worden buitengesloten, is het recht 
van den kooper ' om na dé levering de waar aan den kooper 
terug te geven en het contract te vernietigen, indien die waar 
blijkt va*borgen gebreken te hebben , welke de waaide dër zaak 
geheel of gedeeltelijk wegnemen, en welke als de kooper ze 
gekend had, zeker gemaakt zouden hebben dat hij het contract 
in het geheel niet, of ten minste niet op dezelfde voorwaarden 
zou gesloten hebben. 

Is de kooper btdten zijn toedoen niet in staat de , aldus ge- 
brekkig bevonden, zaak terug te geven, hetzij omdat zij te- 
nietgedaan, hetzi] omdat zij in de doode hand (waqf) gebracht 
ia, dan zou het onbillijk zijn hem het i^ht te geven den ge- 
keelen koopprijs terug te vorderen en aldus den verkooper, 
die geen eigenaar meer is, de toevallige schade van het veriicd 
te laten lijden. Daarom kennen de Arabieren iü dat geval 
aan den kooper de rechtsvordering slechte Voor zooverre toe als 
strekken kan om dat gedeelte (arsj) van den koopprijs terug 
te krijgen dat blijkt te veel en dus oüv^^chüldigd betaald te 
zijn. Had echter de zaak in het g^eel geen waarde, dan be- 
draagt deze arsj natuurlijk de geheele koopsom. Uiterlijk zou 
men zeggen dat deze lechtevordering geheel gelijk is aan de 
aetio qnaoiti minoris van het romeitische recht, doch men moet 
daarbij dit groote verschilpunt niet vergeten, dat de Romeinen 
aan den teleurgesteldeu kooper deze actie ook gaven al Was de 



*'0et spreekt van zelf dat al deze en de volgende bepalingen eveneens 
gelden voor den verkooper wat Ijet aèqotvalent of den prys betreft. C 



168 üVEH HET CONTEACT AL-BAl* 

zaak nog in wezen, zoodat hij de keua had wat hem voor* 
deeliger uitkwam : de zaak in haar geheel terug te geven en 
daarvoor den betaalden prijs dan ook geheel terug te krijgen, 
of slechts schadevergoeding te eischen en de zaak te behouden , 
terwijl bij de Arabieren de rechtsvordering tot schadevergoeding 
slechts een subsidiair rechtsmiddel is dat niet mag worden aan* 
gewend vóórdat de hoofdactie buiten schuld van den koqper 
onmogelijk is geworden. 

Kan de zaak niet meer terug gegeven worden door toedoen 
van den kooper zelven, bij voorbeeld, omdat hij ze reeds aan 
een ander verkocht en dus geen nadeel geleden heeft, dan zijn 
beide genoemde rechtsvorderingen hem ontzegd , want zij beoogen 
slechts schadevergoeding en mogen nooit winst ten doel hebben. 
Dwingt echter de tweede kooper den eerste tot schadevergoe- 
ding dan heeft deze laatste regres op hem van men hij ze 
eerst gekocht had. Ook is het ongeoorloofd een koop voor een 
gedeelte wegens verborgen gebreken te vernietigen. Dewijl 
de geheele handeling ongedaan gemaakt wordt, moeten beide 
partijen zooveel mogelijk volkomen hersteld worden in den toe- 
stand, waarin zij vóór het aangaan dier handeling waren, zoo- 
dat de kooper zijn geld terugkrijgt en de verkooper zijne ge^ 
leverde doch gebrekkig bevonden zaak. Opdat nu een gebrek 
zoodanig zij, dat uit dien hoofde eenige koopwaar kan worden 
teruggaven, heeft men bepaald dat het aan de volgende vei^ 
ejschten moet voldoen. 

lo. Het gebrek moet het M'ezen of ten minste de voornaamste 
eigenschappen eener zaak aandoen; dat wil zeggen, het moet 
blijvend y niet slechts voorbijgaand zijn, en wel van zooveel ge- 
wicht dat eene zaak welke daardoor is aangedaan , algemeen voor 
defect gehouden wordt, zoodat men kan aannemen dat niemand 
er den vollen prijs voor zou willen betalen. Zoo is het, bij voor- 
beeld, geen gebrek, als een slaaf een lidteeken op het aange- 
zicht of een brandmerk op den rug heeft; doch beide zijn ter 
deege gebreken , waardoor men eene jonge slavin terug kan geven. 
Bij een slaaf worden daarente^n als wettige redenen tot terug- 
gave beschouwd , als hij diefachtig of ongehoorzaam , of geneigd 
tot wegloopen en tot dobbelspel is, of als hij uit kwaadaardig- 
heid of ongemanierdheid fatsoenlijke lieden in het openbaar uit- 
jouwt. Een lastdier is gebrekkig, als het onwillig of steigei- 
achtig blijkt te zijn, een onroerend goed als er de grondbe- 
lasting (charftdj} of eenige andere erfdienstbaarheid op kleeft ^ 



m HIT? :^OHAMMEDAANS6HB MOUT. 169 

welke voorbeelden met eeii aantal anderen zouden kunnen ver- 
meerderd worden , daar de arabische' juristen bijna geen punt 
der rechtswetenschap met zooveel voorliefde hebbeu behandeld 
als juist de verborgen gebreken , en vooral door lieden , die naar 
gebreken van dames nieuwsgierig zijn, bijna nooit te vergeefs zullen 
geraadpleegd worden. 

20. Moet de zaak niet voldoen aan die eigenschappen (^ifa) 
welke uitdrukkelijk beloofd zijn , of die men gewoonlijk bij zulk 
een zaak kan rekenen aan te zullen treifen. Daarom is het geen 
gebrek , waarvoor men een ouden slaaf terug kan geven, als hij 
grijs haar heeft of reeds zonder tanden is 

3^. Moet het gebrek van dien aard zijn dat het aan den 
kooper onbekend was, en dat deze onbekendheid niet aan grove 
onachtzaamheid te wijten is. Anders had hij daarop kunnen en 
moeten letten, bij het vaststellen van den prijs, en is het zijn 
ogen schuld als hij zich later vindt teleu^esteld. 

4fi, Moet het gebrek, of ten minste de onmiddelijke oorzaak 
daarvan, ontstaan zijn gedurende den tijd dat de zaak voor 
risico van den verkooper was , dat wil z^gen , vó6r de levering 
(qabdh). Zoo kan de kooper schadeloosstelling vragen als aan 
zijn slaaf op rechterlijk gezag de hand wordt afkapt wegens 
een diefstal begaan voor dat de levering heeft plaats gehad , niet 
daarent^en als dat misdrijf daarna gepleegd is. Verder maakt 
men eene uitzondering ab de slaaf sterft aaii eene ziekte, die 
hij kan bewezen worden reeds vóór de levering onder de leden 
gehad te hebben; dan toch krijgt de kooper niet den geheelen 
prijs terug, maar alleen zooveel als de mindere waarde opdien 
tijd bedraagt, daar niet bewezen kan worden, dat hij uit 
die ziekte niet had kunnen herstellen , en dit ook niet zou mogen 
bewezen worden volgens de orthodoxe muzulmannen , daar Allah 
alleen over leven en dood te beschikken heeft, en men diens 
wil dus nooit zoodanig aan banden kan leggen , dat men bewijst 
dat iemand onvermijdelijk sterven moet. Natuurlijk kan er ook 
van de schadeve^oeding (arsj) geen sprake zijn als de kooper 
wist dat de slaaf ongesteld was , en zijn ziekte later een ongun- 
stigen keer genomen heeft; want iemand die een zieken slaaf 
koopt , wordt geacht de risico van zijn sterven op zich te hebben 
genomen. 

Zoodra de kooper bemerkt dat de gekochte zaak gebreken 
heeft die onder bovengegeven omschrijving vallen, moet hij er 
twee getuigen bij nemen en de tusschenkomst des rechters (wIc 



170 OVBU HBT CO>'TRAÖT Al^BAI* 

roepen , hetgeen ook zijn lasthebber doen kan , zelfb zonder uit* 
drukkelijk mandaat , of zijne erfgenamen als hij komt te sterfen 
voor dat hij van de gebreken had kennis kunnen bdcomen. De 
rechtsvcNTdering ia verder aan geen tijd gebonden wat het ont- 
dekken der gebreken betreft, doch nadat de gebreken eenmaal 
ontdekt zijn, heeft de wet bepaald dat men haar zoo spoedig 
mogelijk moet instellen. Kan de kooper zijn eisoh niet bewijzen 
dan wordt volgens het reeds bekende gebruik der mohamme- 
daansohe reohters de gedaagde niet ontslagen voor dat hij nog 
eerst een eed gedaan heeft, dat de eisch inderdaad ongegrond 
was. Met de zaak moeten tevens worden terug gegeven de vruchten * 
door den kooper daaruit genoten gedurende den tijd van zijn 
bezit ; nooit kan echter de verkooper den eisch doen ontzeggen 
op grond van de bewering dat door die geiiotene vruchten de 
schade, door de gebreken geleden , ruimschoots opgewogen wordt; 
want men moet bij de beoordeeling dier schade het tijdstip der 
levering aannemen en niet dat, waarop de rechtsvordering wordt 
itigesteld. 

Het recht, om eene gekochte zaak terug te geven, gaat 
verloren : 

lo. Door een dausnle bij het contract te vo^n: dat de 
verkooper niet aansprakelijk is voor verborgen gebrdcen. Eene 
clausule van dien inhoud heet in het aiabisch bir&a, en he^ 
volgens eene uitspraak van dm chalief ^Omar slechts die kracht» 
dat zij den verkooper bevrijdt van het instaan voor de gebreken , 
welke hem zelven onbekend waren. Eene meer uitgestrekte be- 
teekenis er aan toe te kennra, zou toch gelijk staan met de 
bepaling dat men niet verantwoordelijk gesteld wil worden voor 
e^.n eventueel te plegen bedrog, iets dat zeer zeker tegen de 
maatschappelijke orde zou strijden '. Svenwel houden eenige 
hanafietisohe sjeich's het er voor dat men zulk eene voorwaarde 
bij een contract mag voegen, mits in bewoordingen, die daar* 
omtrent geenerlei dubbelzinnigheid toelaten. Zoo kan men ook 
de bepaling maken, dat men zich niet verantwoordelijk stelt 

* Dit woord op te vatten in den tin dien de juristen er aan hechten, 
namelijk tan aHe voordeelen ait eene zaak getrokken , al komen die voor- 
deelen niet onmiddeUijk ait het lichaam der laak voort. Zoo cyn bv. de 
huurpenningen de vruchten van een huis. Ons Burg. Wetb.» in navolgiiig 
van het rom. recht, noemt dergelyke vruchten: de burgerlyke, in tegen- 
overstelling van de natuurlyke. 

* Oeheel hetzelfde beginsel is in het romeinsche en hedendaagsche 
recht aangenomen. 



Digitized by 



Google 



tN HliT MOHAMMiytAANSCHE ttSCHt. 171 

voor sommige bepaalde categorien van gebreken, b.v. dat men er 
bij een slaaf niet voor in staat, dat zijne tanden wit zijn, of 
dat hij goed van gezicht is. In dit laatste geval is ecliter de 
veikooper verantwoordelijk als de slaaf blijkt geheel blind te zijn. 

2». Jioar uitdrukkelijke bekrachtiging (idj&za) van het contract 
na de kennisneming v^n de gebreken. Zulk eene bekrachügiug 
doet echter alleen het recht verliezen om de zaak voor. die ge- 
breken terug te geven , en heeft geenerlei invloed op de rechts- 
vordering, die men later zou wiUen instell^, ak men nieuwe 
gebreken ontdekt heeft. Dit laatste geldt ook voor de beide 
volgende gevallen. 

S«. Door verzuim of uitstel (tachir). De keuze w^ns verborgen 
gebreken is, zooals wij reeds gezien hebben, aan geen tijd 
gebonden , wat het ontdekken der gebreken- betreft. Heeft men 
die echter eenmaal ontdekt, dan wordt elk verzuim van het in- 
siollei) der rechtsvordering voor eene stilzwijgende bekrachtiging 
gehouden. Hieromtrent moet men evenwel de billijkheid in acht 
nemen , en wordt het bv. niet voor verzuim gehouden als iemand 
des nachts bemerkt dat eene koopwaar verborgen gebreken heeft 
en als hij dan den morgen afwacht om van de zaak werk te 
maken. Ziop ook als men op zulk een tijd zich in het bad be* 
vindt of biddende is, dan mag men die verrichtingen eerst ten 
einde bccodgpn. Ja zel& een reiziger behoeft zip w^ niet te 
bekorten of sneller te rijden als hij op reis de verborgen ge- 
breken ontdekt. 

40. Dopr.over de zaak te beschikken (taipanof ). £lke beschikking 
alfi eigenaar over eene zaak, na het ontdekken der gebreken, 
doet het vorderingorecht te niet gatn; geensEiijis is dit echter 
het geval ip^t handelingen , die slechts tot bewaring der zaak 
geschieden en die, wd verre van een hinderpaal voor de terug- 
gave te zijn, integendeel aan den kooper als plicht worden 
vooj^houden, ten einde den verkooper niet moedwillig schade 
te berokkenen door de zaak nog meer te bederven dan zij reeds 
was. Tot deigteiijke handelingen van eenvoudige bewaring be- 
hooren o. a. het te drinken geveo van veoj het verbinden van 
een gewonden of het verzorgen van een zieken slaaf, en derge- 
lijken meer. 

Het recht om iets wegen;» gebreken terug te geven heeft 
plaats in alle bai'-ccmtract^n, uitgezonderd als een vrijgelatene 
een zijner ouders of andere bloedverwanten uit de slavernij 
loskoopt, of nh lemaïid zijn omm wold koopt, om haar later 



172 ÖVEll rtKT CONTttAÖT At.-BAl* 

te kunnen trouwen. Ook lijden de gegeven r^els eenige nit- 
/ionderingen bij het huwelijk (uik&h), welke het echter van 
minder belang is na te gaan. 

Het constateeren der gebreken behoort tot de werkzaamheden 
van den rechter (adab alq&dhi), vooral als het uitwendige 
(ih&hir) gebreken geldt; want bij inwendige (ch&fi of b&tin) 
zal hij doorgaans verplicht zijn deskundigen te raadplegen, die 
evenals de getuigen twee in getal en ter goeder naam en faam 
bekende personen moeten zijn. 

Ten slotte dient niet vergeten te worden dat de Arabieren 
de vrijwaring wegens verborgen gebreken verder uitstrekken dan 
wij, die daartoe alleen brengen het niet aanwezig zijn van de 
eigenschappen welke, hetzij uitdrukkelijk gewaarborgd zijn , hetzij 
stilzwijgend geacht kunnen worden bij eene zaak niet te zullen 
ontbreken; zij echter brengen hiertoe ook de teleurgestelde ver- 
wachting door bedriegelijke middelen van den kant van den 
verkooper opgewekt om zijne waar aftrek te doen vinden, bij 
voorbeeld als iemand een kameel in eenige dagen niet melkt 
om het te doen voorkomen dat zij eene veel melk gevaoide 
kameel is, of als men een slaaf de vingers met inkt zwart 
maakt en hem een pen achter het oor geeft om het op die wijze 
te doen voorkomen als of hij kon schrijven, terwijl dit inder- 
daad het geval niet is (dit alles echter zonder er met ronde 
woorden voor in te staan dat hij de schrijfkunst machtig is). 
Zonder twijfel geeft dit het recht om het contract te doen ver- 
nietigen , maar op grond van uitsluiting van den vrijen wil (ichtij&r) 
door bedrog (chiftna) , en niet op grond van verborgen gebreken. 
Misschien is echter de reden van deze onbegrijpelijk onlogische 
plaatsing van dit punt, het feit, dat mij bij het lezen der 
ai-abische juristen wel meer is voorgekcxnen, dat zij namelijk 
doorgaans de aardigheid hebben de zaken in een hoofdstuk te 
plaatsen waar zeker een ongeloovige ze nooit zoeken zal. 

§ 5. Over de ontbinding met wederzijdsche 
toestemming. (Iq&la.) 

Na het behandelen van de wijze waarop een volkomen bai'^ 
contract van gevolg verstoken kan blijven uit hoofde van een 
zelfstandig recht van een der partijen, rest ons nog in deze 
paragraaf aan te geven de regelen, die gevolgd moeten worden 
als beide partijen overeenkomen eene rechtshandeling weder 



£N HBt MÖHAMatSDAAl^sOrtE HECHT. 178 

ongedaan te maken. Zeer terecht hebben de Arabieren evenwel 
ingezien dat zulk eeue ontbinding (iq&la) na de levering eigenlijk 
niets anders is dan een nieuw bai^-contract tnsschen dezelfde 
personen en op dezelfde voorwaarden als het oude. Elk der par- 
tijen toch had door de levering den eigendom over de zaken 
van den ander gekregen, en zoo zij nu die zaken weder tegen 
elkander oversteken, zijn hierbij al de vereischten voor een vol- 
komen bai'contract aanwezig. De volgers van Aboe Hanïfa zijn 
ecliter , zonderling genoeg , omtrent dit punt niet eenstemmig ; doch 
de quaesties, die zij opwerpen, komen mij voor grootendeels 
haar grond te hebben in het. verwarren van twee zaken , die 
eigenlijk niets met elkander gemeen hebben, maar in het arabisch, 
evenals bij ons, ongelukkig beide den naam van ^ontbinding// 
(iqdla) dragen: namelijk het afzien van een nog niet volkomen 
bai'-contract , waarover men aan het onderhandelen is, en het 
met onderling goedvinden te niet doen van zulk een contract, 
dat door wederzij dsche levering reeds a^handeld is. De overige 
scholen en vooral de M&lekieten houden dit onderscheid zeer juist 
in het oog , en stellen alleen als beperkende bepaling , dat par- 
tijen door dergelijke gefingeerde ontbinding van een bai'-contract 
geene regels omtrent den verboden woeker (ribA) schenden. 

De ontbinding (iq3,la) , in den zin waarin wij die hier behan- 
delen , wordt zeer aanbevolen door den profeet zelven , die gezegd 
heeft: /^hij die een ander, die over zijn contract berouw heeft, 
toestaat dat contract te ontbinden , zal van Allah vergiflenis voor 
zijne zonden bekomen op den dag van het laatste oordeel // , 
f niet meer of niet minder). Verder valt over de ontbinding niet veel 
te zeggen , dan dat zij door volkomen dezelfde regels wordt be- 
heerscht , waaraan een oorspronkelijk bai'-contract is onderworpen , 
en dat door zulk eene ontbinding nooit eenig letsel kan worden 
toegebracht aan de rechten, die derden zich door het eerste con- 
tract hebben verworven. Zoo heeft een makelaar (dall&l) recht 
op zijn salaris , al komen partijen later overeen den geheelen ver- 
koop ongedaan te maken; want zijn recht is geboren op het 
oogeublik dat door wederzijdsche levering het eerste contract 
onherroepelijk geworden was. 

De ontbinding (iqdla) kan ook bedongen worden als een recht 
dat een der partijen zich voorbehoudt, en dan komt zij overeen 
met ons recht van wederinkoop, welke soort van bedingen bij 
de Arabieren, evenals bij onze kooplieden, ook wel gebruikt 
wordt om beleeningen op pand (rahn) op eenvoudiger m]t^S 
3e Volgr. iV. 13 



tM OVEU HÉt CONTkACT A1.-BAI* 

te doen i. In dat geval echter bepaalt de mohammedaansche 
wet; dat de handeling geheel door de regels van het pand- 
tontnict moet beheerscht worden, daar de rcxïhter meer moet 
lol teil op hetgeen bedoeld is , dan op de woorden , die men ge- 
bruikt heeft. 

HOOFDSTUK UT. 

OVER DE ONWETTIGE (foSID) BAI'-CONTRACTEN. 

§ 1. Over de nietige (b&til) bai'-contracten. 

Nadat wij tot hiertoe onderzocht hebben wat vereischt wordt 
opUnt een bai'-contract rt volkomen n (^ahili) zij , en vervolgeus 
oj) welke wijze het gebeuren kan dat zulk een volkomen con- 
tract geen gevolgen (ghaira l&zim) heeft, moeten wij nu de 
rechtsbeginselen nagaan, volgens welke de mohammedaansche 
reclitsgeleerden meenen dat een bai'-contract onwettig (fösid) is. 
Hetgeen wij hier omtrent dit contract zullen zeggen, is, mutatis 
mutandis, op alle rechtshandelingen van toepassing. De onwettig- 
heid der contracten is niet altijd van dezelfde soort: soms kan 
zij absolute, soms relatieve nietigheid te weeg brengen, soms 
echter heeft zij volstrekt geen praktische gevolgen, maar wordt 
sleclits veroorzaakt door voorschriften, die wij tot de zedeleer 
zouden brengen , doch die bij de Muzulmannen natuurlijk onder 
huu recht begrepen worden. Naar aanleiding hiervan onderscheidt 
men de volgende drie soorten van onwettigheid: 

10. Nietig (b^il) noemt men een bai'-contract wanneer een 
of meer van de noodzakelijke bestanddeelen (rokn) ontbreken, 
of wel, wanneer zij in die mate gebrekkig aanwezig zijn, dat 
het wezen der geheele rechtshandeling daardoor wordt aangedaan. 

£0. Vernietigbaar (fósid in engere beteekenis) is een bai'- 
contract, als de onwettigheid niet is veroorzaakt door een gebrek 
in het wezen van het contract , maar door een in de bijkomende 
bepalingen, b. v. door er een beding of voorwaarde bij te voe- 
gi^ri, welke door de wet verboden is, of wel indien een der 
bestanddeelen aan een gebrek lijdt dat minder op zich zelf dan 
wt'l wegens eene speciaal mohammedaansche rechtsbepaling als 
2üOtlauig te beschouwen is. Wij zullen dit door een paar voor- 



* ^ulk een conti act heet bai* bi '1-wifA. oigitizedby doOQ Ic 



IK TtBT MoftAltMfiDAAVSÓHË ttECHT. 175 

beelden ophelderen. Nietig (bdtil) is o. a. de verkoop van de 
zee of van een lijk, omdat dit geen zaken (mM) zijn in juri- 
dischen zin, niet alleen bij de Muzolmannen, maar bij alle 
eeiiigzins beschaafde volken, daar het in de natuur der men- 
scheii zelven ligt om dergelijke zaken (sjai) niet als voorwerp 
vau rechten te beschouwen '. Dus kan men zeggen, dat een 
overdracht van eigendom daarvan voor iets anders absoluut 
nietig is. Daarentegen is de verkoop ^an wijn en varkens slechts 
veniietigbaar (fft^id in eiigeren zin), want, ofschoon deze zaken 
wel , als onrein , buiten den handel gehouden worden , kan men 
toch niet zeggen dat zij daartoe door hunne natuur bestemd 
zijn, maar veeleer door eene speciale bepaling der rauzulman- 
sche wet *. Men ziet dan ook dat bijna alle andere volken die 
zaken ter dege als voorwerp van rechten erkennen. Slechts één 
verbod is er dat speciaal muzulmansch is , en waarvan toch de 
overtreding eene absolute nietigheid te weeg brengt, namelijk 
de zoogenaamde woeker (rtba) of het maken van winst in bai'- 
contracten, waarbij vervangbare zaken worden gegeven om andere 
van dezelfde soort terug te bekomen, dat wil zeggen bij ver- 
bruikleen (qardh). Deze anomalie schijnt volgens Ibn-Qftsim 
daardoor veroorzaakt te worden dat de profeet gezegd heeft, dat 
iemand die eene dergelijke winst maakte, een der ergste zonden 
bedreef. 

3». Verboden (makroeh) heeten de rechtshandelingen die , wel 
is waar, voor den rechter niet kunnen vernietigd worden, doch 
die door den profeet aan zijne volgelingen zijn afgeraden, daar 
zij met den godsdienst en de goede zeden in strijd zijn. Niet 
alleen echter zal Allah de Muzulmannen van dergelijke verboden 
rechtshandelingen rekenschap vragen op den dag der opstanding , 
doch ook in rechten hebben zij dit gevolg, dat iemand, die 
zich daarmede ophoudt , voor minder fatsoenlijk en geloofwaardig 
gehouden wordt dan een ander, en dat de rechtshandelingen, 
die daaruit voortkomen of daarmede verbonden zijn, onder een 
vermoeden van onwettigheid liggen. 

Voordat wij nu omtrent deze drie soorten van onwettigheid 
verdere regels gaan geven, willen wij niet onopgemerkt laten, 
dat bovengegeven verdeeling en terminologie niet bij alle rechts- 



* De westersche juristen zijn echter omtrent den eigendom over een 
Ujk van een ander gevoelen dan AUah en zyn profeet. 

* Eene analogie kan men vinden in het romeinsche recht by het onder-vQÏ^ 
«cheid tusschen bepalingen van het jus civile en die van het jus gen tin m. ^ 



178 OVEU HET CONTUACT At.-BAl* 

geleerden en zelfs niet altijd in de Sonna geheel gevolgd wordt, 
zoodat men kan aannemen dat elk hieromtrent zijn eigen systema 
heeft. Wij hebhen dat . der Hanafieten gevolgd , daar zij de 
onwettigheid met veel zorg en voorliefde hebben behandeld, en 
de Sjafeïeten in hoofdzaak er mede overeenkomen , terwijl onder 
de m&lekietische schrijvers de meest mogelijke verwarring hierom- 
trent heerscht. Zoo nemen eenigen hunner de eerste en tweede 
categorie bij elkander en noemen die gezamenlijk /^onwettig vol- 
gens het recht der meuschen// (haqq adami), terwijl zij aan de 
derde den naam van //onwettig volgens het recht van God«^ (haqq 
Allah) geven. Anderen, en hiertoe behoort de schrijver der 
Modawwana , onderscheiden niet minder dan zes soorten van nie- 
tigheid en vernietigbaarheid , waarvan vijf betrekking hebben op 
het contract zelf, en één op de van buiten af komende om- 
standigheden , waartoe ook de ongeoorloofde voorwaarden (sjart) 
gebracht worden. 

Een nietig (bfttil) contract heeft in rechten geene gevolgen, 
want het is zelf slechts eene schim zonder lichaam. Noch de 
eigendom (molk) , noch het recht om over de zaak te beschikken 
(ta^arrof) , wordt door zulk eene handeling overgedragen , en de 
risico van de zaak blijft, ook na de levering, bij dengeen die 
ze geleverd had, daar hij slechts feitelijk, doch geen juridisch, 
bezit heeft kunnen overdragen , en de persoon aan wien geleverd 
was, dus slechts als een bewaarnemer is te beschouwen. Sommige 
rechtsgeleerden nemen het met dezen regel niet zoo streng; doch 
ten onrechte en geheel en al in strijd met het beginsel der 
mohammedaansche wet, dat vooral de schrijver van de HidAja 
zoo uitstekend heeft in het oog gehouden. 

Zulk eene nietigheid wordt, zooals wij reeds gezien hebben, 
veroorzaakt door het niet aanwezig zijn der noodzakelijke be- 
standdeelen van een bai'-contract, of wel, wanneer zij aan zulke 
gebreken lijden dat het op hetzelfde nederkomt of zij er zijn of 
niet zijn. Geen bai'-contract toch kan gesloten worden zonder twee 
personen , twee zaken en een behoorlijken vorm van wilsverklaring ; 
evenmin zonder dat die twee personen de bevoegdheid hadden om 
zich te verbinden (itlftq at-ta^arrof) en den wil om zulk eene 
rechtshandeling aan te gaan, welke wil niet door bedrog, dwang 
of dwaling mag uitgesloten of ten minste aanmerkelijk gewijzigd 
zijn. Eveneens wordt vereischt een behoorlijke vorm van wils- 
verklaring. Zoo behoort men, bij voorbeeld, het salam-coutract 
schriftelijk aan ie gaan, en bij de overige bai'-contracten een 



IN HET MOHAMMEDAANSCHE RKCHÏ. 177 

duidelijk aanbod (ïdj&b) en aaunemiug (qaboel) te doen plaats 
hebben. Geschieden echter beide stilzwijgend of door weder- 
keerige levering, dan is het contract slechts vernietigbaar (fasid) , 
daar dit volstrekt geen gebrek is dat om zoo te zeggen van 
zelf spreekt, en dan ook niet eens door alle muzulmansche 
sekten erkend wordt. Nietig is verder een contract, aangegaan 
zonder de natuurlijke macht om te leveren , bv. als men de zon 
verkoopt; vernietigbaar daarentegen, wamieer de wettelijke macht 
om te leveren niet aanwezig is , bv. bij den verkoop van een in 
pand gegeven zaak, daar hier dat recht en niet de natuur zelve 
de nietigheid aangeeft. 

Hetzelfde onderscheid neemt men aan bij de zaken buiten 
den handel. * Nietig is namelijk een contract als men tot voor- 
werp daarvan maakt iets dat bij alle volken, die eenige be- 
schaving kennen en een geopenbaarden godsdienst bezitten , buiten 
het handelsverkeer gehouden wordt. In dat geval toch kan men 
aannemen dat dit uit den aard dier zaken zelven voorkomt. Ver- 
nietigbaar maken zij de rechtshandeling ak zij slechts door 
AUah of zijn profeet om bepaalde redenen voor de Muzulmannen 
in dien toestand gebracht zijn. Omtrent deze laatste soort van 
zaken wordt echter eene allerzonderlingste anomalie aangenomen 
bij het eigenlijk gezegde koopcontract , d. i. het geven van iets voor 
gemunt geld ; dit toch wordt geacht ook nietig (b&til) te zijn als het 
over dergelijke zaken is aangegaan, terwijl de overige bai'-con- 
tracten, o. a. ruil, daardoor slechts vernietigbaar worden, evenals 
alle overige rechtshandelingen. De gronden, die de overigens 
scherpzinnige schrijver van de Hidftja^ evenals zijne commen- 
tatoren, daarvoor opgeeft, zijn van dien aard dat het voor zijn 
goeden naam bij de westersche lezers maar beter zal zijn die 
hier achterwege te laten. 

Nog enkele voorbeelden zullen, hoop ik, het onderscheid tusschen 
zaken die absoluut en die welke relatief buiten den handel zijn, 
nog duidelijker aan het licht stellen. De zaken die aan iedereen, 
aan den staat of aan de kerk toebehooren, (waarvan als voor- 
beelden kunnen dienen de lucht , de openbare weg en de moskee) 
behooren tot de eerste soort; want hetzij de natuur zelve , hetzij 
het gezond verstand der menschen is eene onoverkomelijke hin- 
derpaal tegen hunne inbezitneming door een bijzonder persoon. 

Onreine zaken, die rein gemaakt kunnen worden, brengen natuur- 

' Men zou die kunnen onderscheidon in zaken welke j^Visoluut^ en diQ 
welke relatief buiten den handel zijn. DigitizedbyCjQOQlC 



178 OVEK HET CONTRACT AI.-BAl' 

lijk slechts relatieve nietigheid te weeg ; zoo ook zaken die wel is 
waar in hun aard onrein zijn , doch welker onreinheid alleen door 
de Muziilmannen en volstrekt niet door alle volken erkend wordt. 
Zaken daarentegen die het menschelijk gevoel zonder onderscheid 
van landaard of godsdienst tegenstaan , worden geacht door eene 
onreinheid te zijn aangedaan welke absolute nietigheid veroor- 
zaakt. Voorbeelden van de laatsten zijn een lijk of bloed; v^an 
de eersten wijn of een varken. 

Nagenoeg hetzelfde kan men zeggen van de zaken die buiten 
den handel zijn, omdat zij geen nuttigheid hebbeu. Ongedierte 
en wilde beesten , die niet gegeten kunnen worden , hebben vol- 
strekt geen nuttigheid, niet alleen bij de Arabieren, maar in 
zekeren zin ook bij ons, hetgeen men o. a. daaruit op kan 
maken, dat de schrijvers over de staathuishoudkunde terecht 
bv. aan een leeuw of tijger geen regelmatige of marktwaarde, 
die door de nuttigheid beheerscht wordt, maar slechts, om met 
den grooten engelschen geleerde Stuart Mill te spreken, eene 
scarcety value toekennen. Daarentegen missen zangeressen en 
boeken over wijsbegeerte slechts nut voor de vrome Muzulmannen, 
en worden zelfs bij vele andere volken in eere gehouden. 

Volstrekt nietig is ook de verkoop van eene erfdienstbaarheid 
(haqq), afgescheiden van de zaak ten wier behoeve zij is inge- 
steld, daar zij zonder deze niet bestaan en dus geen voorwerp 
van eigendoms overdracht zijn kan. Eene uitzondering maakt het 
natuurlijk als de erfdienstbaarheid overgedragen wordt op iemand 
die wegens de ligging van zijn erf in staat is er gebruik van 
te maken , of als zij , zooals b.v. het recht om water te halen 
(sjirb) , niet uit haren aard aan een bepaald erf gebonden is , 
maar iedereen te stade kan komen. Eindelijk is nog nietig de 
verkoop van een vrij man, van een voorwaardelijk vrijgelatene 
(modabbar of mok^tib) en vau eene omm wold; hen toch in 
eigendom aan een ander over te dragen is onmogelijk, daar zij 
uit hunnen aard geen eigenaar kunnen hebbeu, zonder geheel 
van naam en wezen te veranderen. 

Wij zijn nu genaderd tot eene laatste oorzaak van absolute 
nietigheid , namelijk den woeker (ribd) , die wij hopen dat na 
alles wat reeds omtrent den aard der bai^-contracten gezegd is, 
geen verwondering meer zal baren hier behandeld te zien. 
Woeker is in den zin van het mohammedaansche , zoowel als 
in die van het mozaïsche recht., elke winst die men zich weet 
te verwerven bij het geven van zekere, door de wet bepaalde 

Digitized b'> 



IN HET MOHAMMEDAANSCHE HECHT. 179 

zaken, om later dergelijke zaken terug te bekomen, welk bai'- 
rontract met den bijzonderen naam van verbruikleen (qardh) 
bestem^jeld wordt. De zaken^ waarop hier gedoeld wordt, zijn 
meestal zoodanige, die men aan kan nemen dat tot de eerste 
levensbehoeften dienen, en waarvan het dus verdienstelijk is de 
verkrijgbaarstelling zoo algemeen en gemakkelijk mogelijk te 
maken. Of liet nu wel juist gezien is van den profeet om tot 
dit einde te verbieden er winst mede te behalen , zullen , geloof 
ik , de westersche staathuishoudkundigen niet zoo gaaf toegeven. 
Deze oud-semitische instelling nu is in het mohammedaansche 
recht door Qor&n , Sonna en juridische uitspraken in de sterkste 
bewoordingen bevestigd en onder bepaalde regels gebracht , volgens 
welke de elementen er van de volgende zijn: 

l®. dat de zaak, die gegeven wordt en het aequivalent beide 
vervangbaar zijn en van dezelfde soort ' , welke soort de wet 
gejbracht heeft tot de zoogenaamde mfÜ ribawl of zaken waar- 
mede gewoekerd kan worden; 

2». dat zij tegen elkander worden overgestoken in ongelijke 
hoeveelheden (tafadhol, ongelijkheid; tam&thol, gelijkheid), terwijl 
het onderscheid in hoedanigheid onverschillig is, tenzij het be- 
wezen kan worden dat ook dit als middel gebruikt is om de 
wet te ontduiken. Die hoeveelheid nu wordt bepaald door de 
maat, het gewicht, of den tel, al naarmate de zaken bij een 
dezer verkocht worden, en hierin moet men niet de gewoonte 
C^da) in acht nemen van den tijd en de plaats waar de rechts- 
handeling wordt aangegaan , maar die van de inwoners van het 
landschap Iledjftz ten tijde van den profeet; want met die 
gewoonte voor oogen heeft hij zijne wetten gegeven. Indien zij 
echter onbekend is , moet men zijn toevlucht nemen tot de ge- 
woonte van den tijd en de plaats der handeling. Ja Aboe Josof 
heeft zelfs beweerd dat men deze altijd moest volgen met uit- 
slnitiug van die van Hedj^, welk gevoelen echter weinig of 
geen aanhangers gevonden heeft; 

* Terecht maakt het mohammedaansche, evenals het mozaïsche recht, 
geen onderscheid of men geld in verbruikleen geeft dan wel koren of 
iets dergelijks. Hij , die een maat koren leent om na zekeren tijd die maat, 
met nog een halve maat er bij, terug te krijgen, neemt even goed interest 
als de geldschieter in engen zin. Op dit punt was de profeet al de latere 
westersche makers van woekerwetten ver vooruit, en ofschoon niemand 
tegenwoordig dergeiyke wetten meer verdedigen zal , zoo moet men toch 
bekennen dat zijne bepalingen in haar soort de beste en meest COU' 



sequente waren, die men zich denken kan. 



Digitized by 



Google 



180 OVER HET CONTRACT A!.-BAl' 

So. dat er tusscheii de levering (qabdh) der zaak en die van 
het aequivalent eenig verwijl is. 

Wegens het belang der rib&, in het muzulmansche recht, 
heeft men er de vier volgende soorten van onderscheiden: 

lo. rib& '1-fadhl, d. i. : als iemand vervangbare zaken in zekere 
hoeveelheid geeft en van die zelfde eene grootere terugkrijgt; 

20. ribfl» '1-jad , d. i. : als in de gevallen , waar de wet het ver- 
eischt, geen levering van hand tot hand plaats heeft; 

3«. Eib& 'n-nis& d. i. als men een bepaalden termijn van 
betaling van het aequivalent bedingt; 

40. Rib& 'l-qardh d. i.: wat wij woeker met geld noemen, 
namelijk door een zekeren interest (naF) als beloonihg voor het 
leenen te eischen. 

Over de vraag welke zaken nu in de categorie vallen van aan 
de wet over de rib^ > te zijn onderworpen, bestaat groot ver- 
schil tusschen de scholen. Daarin komen echter allen overeen 
dat goud en zilver er toe gerekend behooren te worden , ja zoo 
ver gaan de wetgeleerden in het beperken van den handel in 
deze edele metalen, dat, ofschoon bij geven van goud voor 
zilver natuurlijk geen gelijkheid van gewicht geëischt wordt, 
zij toch dergelijke ruilingen alleen toestaan als zij van hand tot 
hand geschieden. En in zekeren zin terecht, ten minste van 
hun standpunt, daar men even goed interest kan nemen door 
goud geld te geven en zilver geld terug te bekomen , als dat dit 
geschieden kan door het geven van goud voor goud. Ook dient 
opgemerkt te worden dat de Arabieren bij de riba geen onder- 
scheid maken tusschen gemunt en ongemunt goud. of zilver, en 
evenmin tusschen onbewerkt en bewerkt; in dit laatste geval 
laat men echter toe meer te geven dan de werkelijke waarde 
aan edel metaal bedraagt, als men ook den arbeid van den 
goudsmid beloonen wil. 

Omtrent de andere vervangbare zaken verschillen de Im^s 
onderling. De onze, Sjafit, steunende op een gezegde van den 
profeet, beweert dat behalve de edele metalen alleen die zaken 
aan de nM zijn onderworpen, welke tot de categorie der eet- 
waren (ta'&m) behooren, d. i. al wat den mensch tot voedsel, 
toespijs of geneesmiddel strekt , dqch niet wat alleen door beesten 



' Wij zuUen de zaak in het vervolg bij haar arabischen naam blijven 
noemen, daar het hollandsche woord «wof^ken eene beteekenis heeft, 
welke niet algemeen genoeg is. (^r^r^r^]r> 

^ ^ DigitizedbyVjQOQlC 



TN ITKT MÜHAMMEDAANSCHE KECHT. 181 

gebruikt wordt, als hooi eu gras, of alleeu door de djimie ot 
geesten, zoo als reukwerken *• 

M&lek neemt het woord //eetwaren// (ta'S.m) in engeren zin 
op. Hij begrijpt daaronder niet versche groenten en genees- 
middelen, en onderscheidt verder slechts twee soorten van riba, 
namelijk : de rib& '1-fadhl en de rib^ 'n-nisê, , waarvan de tweede 
bij de eetwaren niet verboden is. Verder houdt hij voor eetwaren 
die aan de regels der ribd zijn onderworpen, alleen die welke 
eenigen tijd bewaard kunnen worden, en die noodig zijn tot 
levensonderhoud of tot toespijs, zooals peper en zout, terwijl 
volgens zijne leerlingen ook nog een bepaald vereischte is, 
dat die eetwaren algemeen gebruikt worden. Men ziet het, deze 
school zoekt het verbod van rib& binnen zeer eïige grenzen te 
beperken , en de ribft^ zelve zooveel mogelijk gelijk te maken aan 
hetgeen bij ons woeker en bij de Romeinen //usura// heet. 

Geheel anders is het op dit punt gesteld met de Hanafieten , 
die zonder uitzondering alle vervangbare zaken (mal mithlij 
daaronder brengen , doch bij overdracht van hoeveelheden , minder 
dan een 9a* bedragende, de gelijkheid (tam&thol) niet eischen, 
daar toch bij zulke geringe hoeveelheden de volkomene gelijk- 
heid door de menschen moeilijk jnist bepaald kan worden. 
Dergelijke bepaling wordt ook in de andere scholen erkend, 
doch niet tot zulk een groot bedrag. 

Boven hebben wij reeds aangegeven dat een vereischte voor 
de rib& was dat vervangbare zaken gegeven werden voor andere 
van dezelfde soort; nu echter moeten wij de rechtsgeleerden 
volgen in hunne uitspraken omtrent hetgeen van dezelfde soort 
is. Als een staaltje van hunne natuurkennis hebben zij ons 
reeds geleerd dat de bijen tot de vogels behooren ; bij de behan- 
deling der ribfl, gaan zij op dezen weg voort , door ons te leeren 
dat amphibiën , zooals krokodillen en schildpadden , tot de vis- 
schen gerekend behooren te worden. Graansoorten maken echter 
elk eeue op zich zelve staande soort uit, evenals de oliegevende 
gewassen benevens de olie, welke daaruit voortkomt. Melk van 
welk dier ook, behoort tot ééne soort, evenals de honig en een 
onderdeel daarvan de suiker (sic). De Hanafieten staan omtrent 
deze laatste punten eene tegenovergestelde meening voor. 

Levende beesten > al kunnen zij na hun dood gegeten worden , 
^'P geen eetwaren in den zin der wet, doch wel zoodra zij 
geslacht zijn; daarom mag men geen levend beest geven voor 

* Prof. Veth zal hieruit zien dat ik zijne emendatie heb overgenomeiOQlc 



182 OVEB HEÏ CONTRACT AT.-BAl' 

het vleesch van een ander gedood dier van dezelfde soort, daar 
de hoeveelheid vleesch in het levende onbekend is en men dus 
niet zou kunnen weten of inen riba pleegt, en, zooals de jurist 
Nawawi het uitdrukt: '/de onzekerheid omtrent de gelijkheid 
(tamftthol) is even goed rib4 als de zekerheid van de ongelijk- 
heid.'/ De school der Hanafietcn is omtrent dit punt verdeeld. 
Enkele bai'-contracten zijn er waar , wegens .de bijzondere ver- 
houding der contracteerende partijen , de rib^ niet verboden is , 
b.v. tusschen een heer en zijn slaaf aan wien de vrijheid gegeven 
is om met eene zekere som handel te drijven ('abd ma'dsoeu), 
daar dat kapitaal , orn zoo te zeggen , nog tot het vermogen van 
den heer blijft behooren. Is echter de slaaf met schulden wegens 
dien handel beladen, dan heeft zulk eene handeling het ver- 
moeden voor zich van gedaan te zijn met het doel om de schuld- 
eisehers een deel te onttrekken van het kapitaal waarop zij 
gerekend hebben bij het geven van crediet aan den slaaf, en 
kunnen zij nietigverklaring van het bai'-contract, doorhem met 
zijn heer aangegaan, van den rechter vorderen. Dezelfde regel 
van geoorloofde riba geldt tussschen een heer en zijn voorwaar- 
delijk vrijgelaten slaaf, modabbar genaamd, daar ook hier eigen- 
lijk eenheid van vermogen bestaat; niet echter als de slaaf een 
voorwaardelijk vrijgelatene is , dien men mak&tib noemt ; want hij 
is eigenaar van een kapitaal dat met de goederen van den heer 
niets me^r te maken heeft, en waarvan hij alleen verplicht is 
aan dezen een zeker aandeel uit te betalen. Evenmin is ribü ver- 
boden tusschen vennooten voorzoover het ruilingen betreft van 
zaken, tot de vennootschap behoorende. Geldt het echter andere 
zaken, dan houdt de ratio legis voor de uitzondering op, en 
treedt de regel, dat ribft nietigheid veroorzaakt, weder in volle 
kracht te voorschijn. 

Eindelijk is het eene echt Semitische bepaling, die ook in 
het oude testament (Deut. 23: 21) gevonden wordt, dat geen 
ribS, verboden is als zij genomen • wordt ten koste van een 
vreemde in een vreemd land (dSlr ai-harb), daar het begrip van 
Theocratie van zelf medebrengt vreemdelingen als van God ver- 
laten menschen zonder eenige rechtsbescherming te laten ' . Onze 



1 Eene analogie kan men vinden in de oudste romeinsche wet, namelijk 
die der twaalf tafelen , waar vreemdelingen en vijanden als woorden van ééne 
beteekenis met den naam van «hostes» bestempeld worden. Volkenrecht, 
in den zin waariu wij het opvatten, was aan de oudheid evenals aan 
de Semitische volken vreemd. oigitizedbyGoOglc 



IX HET M0HAMME0AAN8CHB EBOHT. 183 

ImAm echter en Aboe Josof nemen dezen regel niet in al zijne 
gestrcDgheid aan; naar ons oordeel, volgens de uitdiukkelijke 
bewoordingen van den Qor^n, terecht; docli de groote Jmkm 
gaat zelfs zoo ver van te beweren dat men rib& mag nemen van 
eeu vreemdeling op het isldmietische grondgebied, zoolang hij 
den godsdienst van den profeet nog niet heeft aangenomen. 

§2 Over de vernietigbare (fAsid) bai'-contracten. 

Vernietigbaar (fiisid) is een bai'-contract wanneer het niet in 
den grond onwettig is, doch alleen, volgens de eene of andere 
eigenaardig muzulmansche wetsbepaling, door den rechter ver- 
nietigd kan worden, welke soort van onwettigheid door de 
Arabieren eene onwettigheid //in de hoedaniglieid// genoemd wordt, 
terwijl zij dan aan de onwettigheid, welke nietig (bfltil) maakt, 
den naam van //onwettigheid in het wezens geven. Over de 
praktische rechtsgevolgen dezer bai'-contracten bestaat wederom 
groot verschil tiu^schen onzen Imflm en Aboe Hanifa. De onze 
houdt het er voor dat zij na de rechterlijke uitspraak, evenals 
de in den grond nietige, volstrekt geen gevolgen hebben wat 
eigendomsoverdracht en risico aangaat , en dat het eenige ver- 
schil dus het bloot doctrinaire is , dat de eersten nietig zijn ook 
zonder voorafgaand vonnis , doch de laatsten moeten worden ten 
uitvoer gelegd des noods op rechterlijk gezag, als de partij niet 
eerst eene bepaalde nietigverklaring heeft uitgelokt >. Zoo ver 
gaan zelfe sommigen van onze Sjeich's, dat zij de woorden bMil 
en i&sid bijna zonder onderscheid van spraakgebruik bezigen. 
Volgens Aboe Hanïfa komt het praktische onderscheid hierop 
neder, dat bij de fösid contracten de partijen doorleveringden 
eigendom krijgen , en de geleverde zaken dan ook voor hunne 
risico zijn tot op het oogenblik der nietigverklaring * , en te- 



* In de terminologie van ons 'recht zou men zeggen: de rechter mag 
de nietigheid der fasid contracten niet ambtshalve toepassen , die der batil 
contracten wel. 

' Ten opzichte van de verbeteringen aan de zaak intusschen toegebracht 
of de kosten aan de zaak gemaakt door den tijdelijken bezitter, moet 
worden opgomeikt dat hij het recht heeft daarvoor schadeloosstelling te 
vorderen, voorzoover die noodzakelijk of nuttig waren. Behooren zij hiertoe 
echter niet, met andere woorden, zijn zij wat men in het romeinsche 
recht ceipcnsae voluptuosae» noemt, zoo heeft degeen die ze gemaakt 
beeft, het recht de daardoor te weeg gebrachte verbeteringen weg, te . 
nemen, mits geen schade aan de zaak zelve toebrengende, izedbyLjOOglC 



184! OVER HJJT CONTUACT A.L-BA.f 

recht, want eigenlijk zijn alle noodzakelijke bestanddeeleu van 
een bai'-coutract aanwezig, hetgeen bij de b^til contracten geens- 
zins het geval is. Uit dit beginsel voortredeneerende , beweren 
zijne leerlingen daïi ook, dat iemand wien uit kracht van een 
vernietigbaar bai'-coutract geleverd is, het recht heeft over de 
geleverde zaak te beschikken In dat geval echter kan hij de 
rechtsvordering tot vernietiging niet meer instellen, omtrent 
^vrlke eindelijk nog op te merken valt, dat zij in het algemeen 
toekomt aan elk der contracteerende partijen, behalve voor het 
geval dat de vernietigbaarheid voortkomt uit een bijgevo^, 
iioch door de wet verboden, beding (sjart); want dan kan zij 
alleen worden ingesteld door hem ten wiens voordeele zulk een 
becting gemaakt is. Op algemeene rechtsgronden zou men eerder 
geneigd zijn het omgekeerde aan te nemen, doch de duidelijke 
WLiürden van de HidSja laten geene andere verklaring dan de 
hier gegevene toe. Het is daarbij altijd voor de rechtsvordering 
eeue vereischte , dat degeen die haar instelt , begint met de zaak 
of het aequivalent in gerechtelijke bewaargeving te stellen, of 
Diu eene meer juridische uitdrukking te gebruiken, te behoor- 
lijker plaatse te consigneeren. 

Zien wij thans welke bai'-coutracten volgens de juristen tot 
dr in deze paragraaf behandelde behooren. 

In de eerste plaats behoort hiertoe de ruil (moq&ïdlia) van 
zaken die niet jure gentium, maar jure civili buiten den handel 
zijn, iets dat wij hierboven reeds lang en breed hebben be- 
sproken. Eveneens een bai'-contract , aangegaan over zaken die 
door het een of ander wettelijk voorschrift niet geleverd kunnen 
vvt^rtlen, of die waarbij onzekerheid (gharar) in de hoegrootheid 
en hoedanigheid heerscht, zooals den verkoop van de visch die 
itmt zeker net zal gevangen worden enz. ; welke soorten van 
verkoop bij ons en in het romeinsche reclit volkomen geldig zijn. 
Verder is relatief nietig , doch bij de Sjafeïeten en M&lekieten 
alleen, de verkoop van eens anders goed, of die waarbij de 
UI derzijdsche wilsovereenstemming stilzwijgend is uitgesproken 
hl] de sekten welke dit voor onwettig houden, of die waarbij 
vt'rtiischt wordt dat een der partijen Muzulman is, en dit geen 
plïuits heeft gehad. Vernietigbaar is ook de verkoop waarbij pas 
gt^boren slavenkinderen van hunne moeder worden gescheiden, 
of waarbij twee nog niet gespecificeerde (dain) zaken tegen 
elkander worden overgestoken; dit laatste, omdat daardoor licht 
riba zoude gepleegd worden, oigitizedbyGooglc 



tX ntr MOrtAMMEDAA.NSCHE HECHT. 185 

Wat den vorm betreft heeft de profeet nog verboden eenige 
handelwijzen bij het verkoopen , onder de heidensche Arabieren 
van zijn tijd in zwang, doch die eenig gevaar van onzekerheid 
(gharar) in zich bevatten. Hiertoe behoort de zoogenaamde 
^werpkoop// (bai' bi 'l-mon&badsa) , dat is als men tegen den 
ander zegt: //de verkoop zal onherroepelijk zijn als ik u de zaak 
toewerp//; of de koop die geldig en onherroepelijk zijn zal al 
naarmate een der partijen het voorwerp aanraakt (bai' bi '1-mo- 
lamasa), of de koop die afhangt van het werpen van een steen 
(bai' bi alqa al-hadjar). Omtrent de beteekenis van dezen laatsten 
zijn vele verschillende o.pinien. Sommige Sjeich's beweren, dat 
het beteekent, dat men geen stuk grond of zoo iets mag ver- 
koopen, waarvan de uitgestrektheid alleen afhangt van het wer- 
pen met een steen ; anderen , dat men niet van eenige zaken 
diegene mag verkoopen, waarop bij toeval een geworpene steen 
zal vallen; weder anderen , dat men geen zaak mag verkoopen 
voor zooveel geldstukken als een geworpen steen in scherven zal 
breken bij zijn val, en eindelijk zijn er ook nog die er de be- 
teekenis aan hechten van een verkoop, waarvan de onherroepe- 
hjkheid alleen afhangt van liet al of niet werpen met een steen 
door een der partijen. Deze laatste verklaringkomt den schrijver 
der Modawwana en ook mij voor de ware te zijn. 

Omtrent de voorwaarden waaronder' men geen bai'-contract mag 
sluiten en die het dus vernietigbaar maken, geldt het volgende: 
de Sjafeïet-en en Sjiieten brengen daartoe alleen de voorwaarden , 
welke tegen de wet of de zedelijkheid strijden, als de onmoge- 
lijke, en die welke eenige onzekerheid (gharar) in het contract 
te we^ brengen. Mêlek keurt ook de voorwaarden af, welke 
zonder direkt voordeel voor dengeen die ze bedingt, den ander 
van het nut zijner zaak geheel of ten deele berooven, zooals 
het verkoopen van een slaaf onder voon»'aarde dat de verkooper 
hem vrij zal laten. Partijen kunnen echter volgens hem de ver- 
nietigbaarheid dekken door de voorwaarde bij wederzij dsch goed- 
vinden te verwijderen. De Hanafieten gaan nog verder en houden 
op grond van een uitspraak van den profeet: //men moet 
geen voorwaarden aan een bai'-contract toevoegen//, vol, dat 
eigenUjk alle voorwaarden af te keuren zijn, doch datmeneene 
uitzondering moet maken voor die welke de wet of het handelsver- 
keer heeft geconsacreerd, b.v. eene tijdsbepaling. 

Ten slotte is nog vernietigbaar wegens de onzekerheid als 
iemand zijne nog onrijpe vruchten (mozabana) of gyïledt^SööQlc 



186 OVEfe HEt ÓÖJ^TRACt At.-ftAI* 

stnnnden oogst (moh&qala) bij voorbaat verkoopt voor rijpe vruchten 
of reeds ingezatnelden oogst van dezelfde soort , ten minste als de 
hoeveelheid vijf kameelvrachten (wasq) te boven gaat, op geen 
anderen grond naar het schijnt dan omdat de profeet deze hoe- 
veelheid als maximum heeft vastgesteld in eene andere overeen- 
kutiist, 'arftja genaamd, die eene schijnbare analogie oplevert. 
I>e5^e 'arAja heeft namelijk plaats als iemand zijne palmboomen 
lum een ander afstaat om te plukken, en hij zich het recht 
voorbehoudt om hem later dit recht te ontnemen tegen vergoeding 
vau een aantal rijpe palm vruchten , hetwelk naar gissing gelijk 
h aan dat der nog hangende. De Hanafieten nemen deze 
aTiïilogie echter volstrekt niet aan, en natuurlijk, want onze 
lini'im heeft hier twee geheel heterogene zaken met elkander 
vfTward. Zij verwerpen dan ook zoowel de moh&qala als de 
inozËlbana als onwettig, voor hoe kleine hoeveelheden ook aan- 
gt'gaan, daar eene schenking, zooals de 'arftja, met voorbehoud 
van in plaats van het geschonkene iets anders te mogen steUen , 
nooit eene analogie kan opleveren voor een bai'-contract , dat is 
voor een overdracht van eigendom ten einde iets anders daarvoor 
^h aequivalent terug te bekomen. 

§ ÏJ. Over de verboden (makroeh) bai'-contracten. 

Een bai'-contract noemt men verboden (makroeh) als het wel 
is waar noch in zijn wezen, noch in een zijner deelen bepaald 
tf^n de wet strijdt, maar toch om de eene of andere, meestal 
zudelijke, reden door den profeet aan zijne volgers is a%eraden, 
of^i^hoon voor den rechter de onwettigheid niet kan worden in- 
L^üroepen '. Wat dus hier behandeld wordt, zouden wij meer 
tot de zedeleer dan tot het recht brengen; natuurlijk denken 
dft Arabieren er anders over, daar zij deze twee zaken als één 
beschouwen. 

Zoo heeft dan de profeet verboden om op te jagen bij openbare 
vrrkoopingen, zonder den wil om zelf kooper te worden, doch 
alleen om anderen de zaken duurder te laten betalen, of het 
gluiten van eene overeenkomst tusschen twee of meer lieden , om 
niet tegen elkander op te bieden , ten einde den prijs laag te 
lujuden en later de winst samen te deelen, waarbij nog eeuige 

' Dit voorzoover het burgerl. recht betreft. De hier bedoelde dnden 
kunnen echter soms aanleiding geven dat aan de bedrijvers4por den, rechter 
eL'tiü arbitraire straf (ta'zir) wordt opj^elogd. Digitized by vjOOQ IC 



L 



tïl ntt itOttAMltEDAAKSCïlE ÉRCHt. 187 

andere bepalingen gevoegd worden, die alleen de strekking 
hebben om de bewegingen in den marktprijs der koopwaren hun 
natuuTlijkeu loop te laten hebben. Verder mag men niet de 
karavanen te gemoet gaan, en van hen, terwijl zij nog onbe- 
kend zijn met den marktprijs in de stad « bij voorbaat al hunne 
waren laag opkoopen , ten einde ze later duur te kunnen houden , 
en aldus groote winsten te behalen. Hetzelde geldt indien iemand 
al de landbouw-producten van een geheel district opkoopt om 
op die wijze den marktprijs der eerste levensbehoeften te doen 
stijgen. Dergelijke bepalingen kan men ook in vele vroegere 
wetten der ongeloovigen aantreffen. 

Eindelijk zijn nog zeer af te keuren. het handel drijven op 
Vrijdag (jawm al-djom'a) na de oproeping (idsdii) tot het gebed 
(gallk), en het scheiden van slavenkinderen van hunne moeder 
voor zij hun zevende jaar bereikt hebben, en volgens sommige 
orthodoxen zelfs het scheiden van slavenfamilien. Dit laatste 
echter is, waarschijnlijk wegens de belemmeringen die het aan 
het handelsverkeer zou toebrengen, nooit tot algemeenen regel 
verheven. 

HOOFDSTUK IV. 

OVER DB VERSCHILT.ENDE BAl'-CONTRACTEN. 

§ I. Koop en ruil. 

Na de behandeling der regelen die het bai'- contract in het 
algemeen beheerschen, blijft ons in dit hoofdstuk slechts over 
de verschillende soorten van contracten aan te wijzen die in ons 
en vooral in het romeinsche recht hemelsbreed van elkander in 
vorm en wezen verschillen , doch volgens het mohammedaansche 
allen kunnen gebracht worden tot de categorie : overdragen van 
eigendom ten einde een aequivalent terug te bekomen (do ut des). 
Wij zullen hierbij zeer kort kunnen zijn, daar wij geene 
rechtsbeginselen meer te ontwikkelen hebben , doch alleen moeten 
aantoonen, hoe de reeds vastgestelde beginselen gewijzigd wor- 
den naarmate van de eigenaardigheden van elke rechtshandeling. 
In de eerste plaats moeten wij hier het koop-contract (bai' in 
engen zin) noemen , niet alleen omdat het het voornaamste , om 
niet te zeggen het type van alle bai' -contracten is, maar ook 
omdat de muzulinansche iTclit^jgeleerden met de^j ^fJj^'P^öfêgle 



\ 



188 OVKIt HÊT GOKTkACT AI.-ËAI* 

hiorvan hua hoofdstuk over de rechtshandelingen beginnen, en 
naar aanleiding daarvan de algemeene theorie der verbintenissen 
ontvouwen, die echter volgens onze westersclie begrippen eene 
zelfstandige behandeling zou vereischen. Hun voorbeeld volgende 
ora redenen , welke het nu hier de plaats niet is te ontvouwen , 
hebben wij dan ook de voorgaande behandeling zoo ingericht , dat 
zij op het koopcontract in het bijzonder van toepassing was , zoodat 
wij daarover nu hier slechts het volgende hebben op te merken. 

De Arabieren onderscheiden het koop-contract in drie soor- 
ten: mardbaha d. i. verkoopen met winst; tawlia of verkoopen 
voor denzelfden prijs waarvoor men vroeger zelf de zaak ge- 
kocht heeft; en mow&dha'a of verkoopen met verlies. Van elk 
dezer drie sooi*ten hebben de rechtsgeleerden een groot aantal, 
meestendeels vrij onpraktische regels opgespoord , die allen hierop 
neerkomen, dat winst (rabh) te maken door middel van den 
handel op zich zelf zeer fatsoenlijk en rechtvaardig is, doch dat 
deze winst in de eerste plaats nooit na het sluiten van het 
contract in het onzekere mag blijven zweven , en dat men nooit 
mag voorgeven voor denzelfden of voor een minderen prijs te 
verkoopen, dan waarvoor men zelf gekocht heeft, en inderdaad 
eene grootere som vragen. Kan de kooper dit bewijzen, en 
tevens hoeveel de werkelijke eerste koopprijs bedroeg, dan heeft 
hij het recht voor dezen de waar tot zich te nemen. Uit al die 
regels schijnt echter te blijken , dat de profeet (wien Allah moge 
zegenen en genadig zijn) niet erg veel vertrouwen gehad heeft 
in de eerlijkheid en het fatsoen zijner landgenooten ; ten minste 
volgens onze begrippen, zal een koopman, die niet zegt: //dit 
is te koop voor zooveel//, maar: ff ik verkoop u dit voor zoo- 
veel, ik heb er dat zelf voor moeten betalen /j', of //het kost 
mij meer v , niet tot de deftigsten gerekend worden. 

De ruil (maqöïdha) of het geven van goederen, niet voor 
gemunt geld , maar voor andere goederen , werd in het mozaïsche 
en oudste mohammedaansche recht geheel door dezelfde regels 
beheerscht als de koop in eigenlijken zin. In lateren tijd echter , 
toen de Arabieren in de veroverde provinciën, alwaar het 
romeinsche recht reeds diepe wortelen geschoten had , eene tamelijk 
sterke afwijking vonden in de regelen welke deze twee contracten 
beheerschten , hebben zij ook begonnen, in navolging daarvan , niet 
alleen tegen den geest van het mohammedaansche recht, maar 
ook tegen het gezond verstand in^ eenige punten van onder- 
scheid in de wetgeving op te ucineu. Hiertoe kuimeri wij brengeü 



^. 



IK HET MOttAMMÜDAANSCltlS ItKÖItt. 189 

het afvrezig zijn in het ruilcontract van het recht van tenighou- 
ding van den verkooper , zoolang de kooper den prijs niet betaalt 
of daarvoor zekerheid stelt; verder dat eene zaak welke niet jure 
gentium, maar jure civili buiten het handelsverkeer is, en ver- 
kocht wordt voor geld , het bai'-contract nietig , doch daarentegen 
slechts vernietigbaar maakt, wanneer zij voor eene andere zaak 
geruild wordt, ten minste als die andere zaak in den handel is. 
Ën eindelijk, dat de ontbinding met wederzijdsch goedvinden 
(iqfda) van een koopcontract onmogelijk wordt door het te niet 
gaan of buiten den handel geraken van de gekochte zaak na de 
levering (tenzij het eene vervangbare zaak is); terwijl deonder- 
gaog van ééne der zaken , uit kracht van een ruilcontract gele- 
verd, geen beletsel is om te ontbinden, daar in dat geval de ééne 
zaak teruggegeven wordt voor de waarde der andere in geld. Bij 
koop is het natuurlijk onmogelijk dat ééne der partijen bij zoo 
iets belang kan hebben , daar hier slechts ééne zaak is ; moet men 
hiervan nu de geldswaarde vergoeden, dan ruilt men eene som 
gelds voor eene andere van dezelfde grootte, hetgeen tot niets 
kan dienen. Dit punt van verschil, met zeer veel scherpzinnig- 
heid door de Arabieren gemaakt, en dat door de romeinsche 
voorstanders van het onderscheid tusschen koop en ruil geheel en 
al is over het hoofd gezien, is, naar mijn oordeel, het eenige 
dat men des noods zou kunnen verdedigen. 

§ 2. Over het geld wisselen (5irf) 

Geldwisselen (^irf) is het ruilen tegen elkander van die zaken, 
waarmede de waarde der overige koopwaren bepaald wordt. In 
de eerste plaats zijn dus op de wisselcontracten al de regels 
toepasselijk waaraan de ruil in het algemeen is onderworpen, 
doch daar het geld niet alleen zelf waarde is, maar ook de 
waarde der andere zaken daarin wordt uitgedrukt, zoo is het 
niet te verwonderen, dat er ook nog eenige bijzondere rechts- 
vooTschriften op dit punt bestaan. Daarbij komt dat geen zaak 
meer aanleiding zou kunnen geven om de wetten op de rib& te 
overtreden, dan juist het geven van edele metalen om anderen 
terug te bekomen. Dit te beletten is dan ook het hoofddoel der 
volgende bepalingen, welke allen teruggebracht kunnen worden 
tot deze ééne. ^met die zaken mag men geenerlei winst be- 
halen./r In de eerste plaats dwi is het volstrekt verboden edele 
metalen tegen elkander te ruilen, indien de wederzijdsche leve- 
ring niet terstond plaats heeft, en die levering moet nog wdglc 
3e Volgr. IV. 14 



190 OVBtt HET CONTttACT At-BAl^ 

van hand tot hand geschieden, terwijl van de «^kenzen^ slechts 
de noodzakelijke (chi&r al-madjlis) en die wegens verborgen 
gebreken (chiar al-'aib) in het contract aanwezig zijn, doch niet 
aldns de bedongene (chi&r as-sjart) , daar deze niet tot de essentiëele 
vereischten van het contract behoort , en een gemakkelijk middel 
zou kunnen worden om rib& te plegen , en evenmin natuurlijk " 
de keuze bij het zien der zaak (chillr ar-roïa) , daar zij bij leve- 
ring op de plaats der handeling en nog wel van vervangbare 
zaken , zoo als goud en zilver , volstrekt onnoodig is. Het eenige 
geval, waarin de levering van hand tot hand (tan&wol) niet 
noodig is, heeft plaats als een der partijen van de andere reeds 
eene dergelijke of grootere som te vorderen heeft, want in dat 
geval treedt de schuldvergelijking of compensatie (moqft99a) in 
plaats van de levering. De bepalingen omtrent het geld wisselen 
zijn ook van kracht bij het koopen van voorwerpen, uit edele 
metalen vervaardigd ; dan bestaat echter de keuze bij het zien 
der zaak (chi&r ar-róïa), als de zaak niet op de plaats tegen- 
woordig was voordat de wederzijdsche wilsovereenstemming der 
partijen tot stand kwam. Ja zelfis moet men die bepalingen in 
acht nemen bij het koopen of ruilen van voorwerpen met edele 
metalen versierd, want het verbod tegen de rib&, door Allah 
zelf in den Qor&n met zooveel nadruk gegeven , moet tot in de 
kleinste en in onze oogen onbeduidendste handelingen worden in 
acht genomen. 

Een tweede vereischte is dat de hoeveelheden edel metaal 
die tegen elkander geruild worden , gelijk zijn , ten minste zooveel 
mogelijk, doch slechts indien zij beide van hetzelfde metaal 
zijn, b.v. als goud gegeven wordt voor goud; want degelijkheid 
in gewicht te vorderen bij ruilingen van goud voor zilver en 
omgekeerd, zoude eene ongelijkheid in waarde teweegbrengen, 
hetgeen juist de profeet heeft willen beletten. Ja zelfe staat het 
vrij , goud voor zilver en omgekeerd te ruilen bij den hoop of zoo- 
als de Romeinen zeggen per aversionem (charta of djoz&fa) ; doch 
niet aldns goud voor goud en zilver voor zilver. Ook dient op- 
gemerkt te worden dat de in een vorig hoofdstuk genoemde 
rf^ls omtrent de hoeveelheid die volgens de verschillende 
scholen niet aan het verbod van rib& is onderworpen , bij den 
ruil van edele metalen veel strenger genomen worden, dan bij 
die van andere vervangbare zaken. Daarom mag men b. v. geen 
handel drijven in stofgoud (torab) zoolang men niet ten naasten bij 
zeker is van de hoeveelheid edel metaal daarin vervat, en zelfs 



IN ttET M0ÖA14MEDAANSCHB UeCHT. 191 

mag men geen gond- of zilverstukken tegen elkander in gelijk 
aantal verwisselen , tenzij die tot dezelfde der volgende drie soor- 
ten behooren; namelijk: goede (gaMh), waarin meer edel metaal 
dan alliage aanwezig is; middelmatige (nabahradj of zaif) , alwaar 
beide gelijk staan; slechte (sattoeq) waar de alliage de boven- 
hand heeft. Ofschoon ook in de muntstukken van dezeKde 
soort eenig verschil van gehalte moge zijn, mag men die toch 
tegen elkander verwisselen, daar het onmogelijk zou zijn de 
volstrekte gelijkheid van fijn metaal te onderzoeken. 

£en groot punt van verschil tusschen de scholen maakt het, 
of ook de koperen mnnt (fals) aan het verbod van rib&, en wat 
daarmede samenhangt , is onderworpen. Sjafi'i en M&lek zeggen 
neen , Aboe Hanlfa, die trouwens alle vervangbare zaken aan de 
ribft onderwerpt, ja. De eerste gronden zich op de letter der 
overlevering (hadith), waar slechts goud en zilver genoemd worden, 
de laatste o. a. op het feit, dat het gezond verstand en de 
ratio legis eene beslissing in zijn geest bepaald vereischen , daar 
ook door koper geld te leenen woeker kan worden uitgeoefend. 
Vele Sjeichs, die de scholen der beide eerstgenoemde Im&ms 
volgen, vinden dit argument dan ook afdoende, en maken, om 
niet geheel en al aan hunne meesters in deze zaak ontrouw i^ 
worden, een onderscheid tusschen gemunt en niet gemunt 
koper , waarvan dan het eerste aan de ribd is onderworpen , het 
laatste niet. Men ziet het tot welke beuzelachtige spitsvondig- 
heden overigens scherpzinnige mannen komen kunnen, als zij 
eene wet aannemen die niet alleen in geest , maar ook in letter , 
om zoo te zeggen, evenals God zelf, onfeilbaar is. 

§ 3. Over dading (^olh). 

Dading (?olh) is eene overeenkomst, waarbij twee partijen elk 
een deel van hare rechten afstaan of eenige andere opoffering 
doen ten einde een naderend proces te voorkomen of wel een 
reeds aangevangen proces te doen eindigen. De jurist HiQUÏ zegt, 
op grond van eene uitspraak van den Qor&n , dat het eene rechts- 
handeling is, aan Allah zeer welgevallig, om van beide kanten 
iets toe te geven in plaats van te twisten. De opoffering moet 
echter, evenals in het romeinsche en hedendaagsche recht, van 
beide kanten komen, anders is het eene schenking en geen 
dading. De Mohammedanen eischen evenwel dat het vast staat 
dat beide partijen verplichtingen hebben ; zij erkennen dus alleen 
eene dading over het quantum der vordering, geenszins over^ 



192 OVB» HBT CONTRACT At-BAl^ 

die vordering zelve: eene bepaling, waarvoor het zeer zeker 
moeilijk is op algem'eene rechtsbeginselen een grond te vinden , 
doch die waarschijnlijk wel weder haar oorsprong zal hebben 
in het hangen aan de woorden van de eene of andere uitspraak 
van den profeet. 

De dading kan zijn van tweeërlei aard: 

lo. De dading waardoor men iets van zijne vordering laat 
vallen (ag-colh al-ibr& of a^-^olh al hatlta). Deze heeft plaats, 
zooals de naam trouwens reeds aanduidt, als men b.v. in plaats 
van 100 dinars te vorderen, zich met 50 tevreden stelt, mits 
de ander dan ook eenige opoflering doe. Zij mag van geenerlei 
vooiwaarde (sjart) , behalve van een tijdsbepaling (adjl) , afhan- 
kelijk worden gesteld. 

2o. De dading met een aequivalent (a^-^olh al-mo'&wadha) is 
als men aan een ander toestaat, niet eene mindere waarde te 
voldoen, maar een ander voorwerp te leveren. Bij voorbeeld, 
als iemand een slaaf te vorderen heeft en hij stelt zich met 
een anderen slaaf of een paard tevreden, mits de schuldenaar 
dan ook iets van den prijs laat vallen. Neemt men in plaats 
van het voorwerp der overeenkomet eene vergoeding aan, be- 
staande in het gebruik eener andere zaak, dan moeten ook de 
regels van het huurcontract in acht genomen worden. Deze soort 
van dading mag onder alle geoorloofde voorwaarden gesloten worden. 

§ 4. Over huur en verhuur (idj&ra). 

Deze is, na koop en verkoop, zeker het belangrijkste der 
bai'-contracten en bestaat, volgens de Arabieren, in het geven van 
het nut of gebruik (manfa'a) eener zaak voor een aequivalent, 
in dit geval huurprijs (odjra) geheeten. Reeds de romeinsche 
rechtsgeleerden hebben opgemerkt, dat huur en koop zeer vele 
punten van overeenkomst hadden, doch het zijn alleen de Moham- 
medanen goweest, die deze waarheid met ronde woorden hebben 
uitgesproken, en tot in alle gevolgtrekkingen hebben doorge- 
voerd. Het huurcontract is echter datgeen der bai'-contracten , 
dat men het nunst oorspronkelijk Semitisch zou kunnen noemen; 
in het mozaïsche recht toch komt het volstrekt niet voor, ten 
minste niet in het oude testament, en alleen de latere joodsche 
wetgeleerden hebben het van de vreemde volken overgenomen en 
in den talmud er eenige regels voor aangegeven. De Moham- 
medanen gaan nog verder , en houden het voor zeer quaestieus of 
het wel als rechtsgeldig erkend behoort te worden, daar het 



IN HET MOHAMMKDAANSCHE RECHT. 193 

geven van het gebruik iets onbepaalds (gharar) in zich heeft, 
en ook in den Qor4n slechts één plaats kan worden aangewezen , 
waaruit men zijdelings kan afleiden dat Allah het ten minste 
niet direct verboden heeft. Evenwel het spreekwoord //nood breekt 
wetten v heeft zich ook hier doen gelden , en de juristen hebben 
begrepen dat, bij de uitbreiding van de muzulmansche heer- 
schappij buiten de enge grenzen van Arabië , het handelsverkeer 
gebiedend vorderde dit, tot nogtoe aan de Bedoeïnen bijna 
onbekend, contract in het recht op te nemen en onder vaste 
regels te brengen , al was het dat Allah en zijn profeet het over 
het hoofd hadden gezien. Niets was natuurlijker dan dat zij die 
regels gingen zoeken bij de volken bij welke zij de geheele 
zaak als rechtsinstelling hadden aangetroffen in eenen omvang 
welke hun nog onbekend was, dat is, bij de Syriërs en Egypte- 
naren, beide reeds sedert eeuwen aan het romeinsche recht 
onderworpen. Wij zien ook dat bij geen der overige bai'- 
contracten de overeenkomst met dit recht zoo sterk spreekt, 
als juist bij de huur en verhuur (idj&ra). Dit contract nu is 
tweeledig; men verdeelt het namelijk in huur en verhuur van 
zaken en arbeid, eji dit wordt in het bijzonder ^/idjArav genoemd, 
en in aanbesteding (dja'^a of isti9n&') , d. i. als men eenig werk 
voor eene vooraf bepaalde som laat volvoeren. 

De eerste soort van huur nu staat, wat de bestanddeelen 
betreft , geheel met verkoop gelijk. Ook hier worden twee oontrac- 
teerende partijen vereischt , de verhuurder (modjir) , die de zaak 
(al-'ain al-mosta'djira of al-moktar&) niet in eigendom maar in 
gebruik overdraagt, of die zijn arbeid geeft, opdat de huurder 
(adjlr of mosta'djir) hem van zijn kant den huurprijs (odjra) geve. 
Hieruit volgt , dat men niet alleen zijne eigene , maar ook zaken 
van een ander kan verhuren, want geenszins wordt overdracht 
van eigendom, doch alleen van feitelijk bezit geëischt, iets 
waartoe de tijdelijke bezitter volkomen bevoegd en in staat is. 
De verhuurde zaak blijft dan ook voor risico van den ver- 
huurder, en de huurder heeft niet het recht daarover als 
eigenaar te beschikken , maar moet die integendeel gebruiken en 
bewaren als een goed huisvader, zooals ons Burg. Wetb. het 
uitdrukt. De verhuurder is verplicht alles te doen wat volgens 
het plaatselijk gebruik noodig is, om den ander in staat te 
stellen het voortdurend genot (manfa'a) der zaak te hebben ; zoo 
moet hij een verhuurd huis in bewoonbaren staat leveren en 
onderhouden. De pukpsten echter die noodzakelijk zijn om dat 



194 OVEE HET CONTRACT AI.-BaI' 

genot zelf te verkrijgen, zijn voor rekening van den huurder; 
deze moet b.v. de regenbakken sclioon houden, terwijl de ver- 
huurder moet zorgen dat er in het huis een genoegzaam 
aantal regenbakken aanwezig is, en als dezen buiten toedoen 
van den huurder beschadigd of verstopt geraken, moet hij ze 
laten herstellen in hun vorigen toestand. Uit dit voorbeeld , dat 
met vele andere vermeerderd zou kunnen worden , blijkt genoeg- 
zaam wat de rechtsgeleerden tot ieders verplichtingen brengen. 
Overigens is dit eene quaestio facti. 

Wat den vorm betreft waaronder men zijne wilsovereen- 
stenuning kan verklaren, valt op te merken dat partijen even- 
goed de woorden „ik verhuur// als //ik verkoop u het gebruik// 
mogen bezigen; terwijl de verhuurde zaken ook aan dezelfde 
vereischten zijn onderworpen als de verkochte. Daarbij moet 
ook het gebruik zoodanig zijn , dat bf de wet bf de gewoonte 
het geoorloofd verklaart (manfa'a mobaha), en bij verhuur van 
diensten moet wel worden opgelet, dat ook zij niet tot de 
ongeoorloofden behooren. Deze laatste soort van huur is echter 
in de mohammedaansche lauden, waar de slavernij bestaat, op 
verre na niet van zoo groot belang als bij ons, ja zelfs is de 
huur van dienstboden er bijna geheel oabekend. Daarentegen 
verstaan de Arabieren hieronder bijna alle beroepen waar men 
voor geld zijne diensten levert; en evenals de zaken in reine 
en onreine, worden ook deze onderscheiden in geoorloofde en 
niet-geoorloofde, welke laatste weder verschillende rechtsge- 
volgen hebben, naarmate zij tot de absoluut ongeoorloofde of 
tot de relatief ongeoorloofde gebracht worden. Tot die onge- 
oorloofde bedrijven brengen de Arabieren die der waarzeggers 
en fluitspelers , en verder worden ook wijsgeeren , sterrewichelaars^ 
goochelaars en vertooners van apen of imdere dieren voor een 
verachtelijk slag van lieden gehouden. ' 

De huurder heeft het recht op alle genot dat hij van de 
zaak kan hebben, tenzij eene bepaalde soort van gebruik hem 
bij uitsluiting is toegestaan of ontzegd. Ook mag hij de zaak 
niet op eene wijze exploiteeren die haar aanmerkelijk in waarde 
doet verminderen ; want het recht om de zaak te bederven komt 
den eigenaar alleen toe, en wordt, zonder uitdrukkelijke ver- 
klaring , niet geacht in het ten gebruike afstaan begrepen te zijn. 
De huurder mag verder de zaak geheel of gedeeltelijk , doch op 

' In den verhuur van diensten heet de verhuurder: adjir, een woord 
jjj^ 4vki in dezen zin met ons • huurling i overeenkomt.|^g^^yQQQQle 



IN HJST MOHAMM£DAANSCU£ RECHT. 195 

zijue risico, aan een ander onderverhuren, en behalve voor het 
geval dat dit recht bij de overeenkomst is uitgesloten, kan de 
verhuurder het hem niet beletten. Toevallige schade komt voor 
rekening van den verhuurder, schade daarentegen door toedoen 
of grove nalatigheid van den kant des huurders veroorzaakt, 
voor rekening van dezen, tenzij alweder de verhuurder uitdruk- 
kelijk of stilzwijgend in het verkeerd gebruik heeft toegestemd. 

De «keuzen^ (chi^) zijn allen in het huurcontract geoorloofd, 
behalve de bedougene (chi^ as-sjart) ; eene uitzondering waarvoor 
het mij weder uiterst moeilijk valt een rechtsgrond op te spo- 
ren, doch die alle door mij geraadpleegde rechtsgeleerden uit- 
drukkelijk leeren. Wat de keuze wegens verborgen gebreken 
(chiar al-'aib) aangaat ^ daaromtrent dient niet vergeten te wor- 
den, dat er bij het huurcontract minder op gelet wordt of die 
gebreken in het wezen der zaak, dan wel van dien aard zijn, 
dat daardoor het genot belemmerd wordt (hadjr), en verder is 
het hier volkomen onverschillig of zij ontstaan zijn vóór of na 
de levering, daar* de huurder het recht heeft om, zoodra hij 
buiten zijn schuld in het genot der zaak stoornis ondervindt, 
geheele of gedeeltelijke kwijtschelding der nog verschuldigde 
huurpenningen te vorderen. 

Evenals bij verkoop zijn ook bij verhuur in de zaak van 
zelve de hulpzaken (haqq) begrepen, doch niet de bijzaken 
(marfaq), tenzij men de zaak bedongen hebbe met al haar toe- 
behooren. De verbeteringen welke aan de zaak gedurende den 
huurtijd door toeval of uit haren aard zijn aangekomen, strekken 
tot voordeel van den verhuurder, evenals die welke de huurder 
door zijn toedoen er bij heeft aangebracht, ten minste als hij 
ze niet weg kan nemen zonder de zaak te beschadigen. Nooit 
echter kan hij van den verhuurder vergoeding vragen voor on- 
kosten, door hem buiten bepaalde noodzakelijkheid of krachtens 
uitdrukkelijke machtiging gemaakt. 

De huurprijs (odjra) eindelijk moet bepaald en zeker zijn; 
het is echter geenszins een vereischte dat zij in gemunt geld 
besta, want alle zaken kunnen als aequivalent voor het genot 
gegeven worden, ja zelfs het genot eener andere zaak, of een 
deel der vruchten. De prijs moet betaald worden op den , hetzij 
bij overeenkomst , hetzij door het plaatselijk gebruik , bepaalden 
tijd (fi mahallihi); zijn ecliter geen van beide als maatstaf aan- 
wezig, dan geschiedt de betaling ^ contant. Ts er een termijn 
bepaald, dan dient ^iet vergeten te worden, dat iu M ïpHWble 

igitize y g 



196 OVER HET CONTRACT AL- BAl' 

medaansche recht de schuldeüaar reeds van rechtswege in gebreke 
is bij het aanbreken van den bepaalden dag. 

Bij het eindigen van het contract moet de zaak worden terag 
gegeven, en is, bij verhuur van diensten, dekeen, die ze 
praesteeren moest, ontslagen. Dit einde van het contract heeft 
van rechtswege plaats op den overeengekomen of door het plaat- 
selijk gebruik bepaalden tijd, en verder op den dag der rech- 
terlijke uitspraak of der wederzijdsche toestemming in de ont- 
binding. Door den dood wordt het huurcontract niet ontbonden; 
het gaat met alle andere rechten en verplichtingen op de erfge- 
namen over, tenzij het een huurcontract is dat uit zijn aard alleen 
met het oog op of door een bepaald persoon kon worden gesloten. 

Omtrent aanbesteding geldt hetzelfde; alleen is de huurder 
hier de persoon die het geld ontvangt en die zijn arbeid 
praesteert , en de verhuurder de persoon die het geld geeft , 
omdat hem eene dienst gedaan wordt. Men mag hier een huur- 
prijs (djo'1) geven voor een weik van onzekeren omvang en 
uitkomst, zooals b. v. het terugbrengen van een weggeloopen 
slaaf of kameel. Deze soort van aanbestedingen naderen zeer het 
uitloven van prijzen, dat dan ook door de juristen daartoe ge- 
bracht wordt. De aannemer ('ftmil) kan het werk op elk oogen- 
blik laten varen, mits hij van zijn geheel bedongen loon afzie, 
niet echter de aanbesteder (gahib al-'aml), want deze moet, als 
hij dit zonder wettige redenen doet, den aannemer voor zijne 
moeite schadeloos stellen. Na voleindiging van het werk moet de 
som (djo'1) & contant betaald worden, als men ten minste niet 
anders is overeengekomen, en heeft volgens de Hanafieten de 
aanbesteder van rechtswege de keuze bij het zien der zaak (chi&r 
ar-roïa) ; hij toch heeft eigenlijk eene niet vervangbare zaak ge- 
kocht, zonder die eerst te zien. Volgens de andere scholen moet 
het recht van goed- of afkeuren, anders dan wegims bepaalde 
gebreken (chiftr al-'aib), uitdrukkelijk bedongen zijn (chi&r as- 
sjart). Levert de aannemer ook de materialen , dan is het contract 
tevens een verkoop. 

Ten slotte zijn er nog twee contracten waarover de Sjeichs het 
onderling oneens zijn of zij tot de eerste of de tweede soort van 
huur moeten gebracht worden, namelijk het zoogenaamde be- 
sproeiings- (mosdqft) en bezaaiings- (mozftra'a) contract^ welke 
beide ook op Java zeer gewoon zijn en waarschijnlijk den oudsten 
vorm vertegenwoordigen, waarin de huur zich bij de Arabieren 
vertoond heeft. Het eerste heeft plaats als een landheer (rabb 

^ . ■*■ Digitized bv ^ 



IN HET MOHAMMEDAANSCUE RECHT. 197 

al-mfti) zijne palm- of andere boomen aan eeu landbouwer ('ftmil) 
afstaat tegen een zeker gedeelte van de vruchten, die hij in 
den oc^ttijd er van plukken zal , nadat hij de boomen tot zoo 
lang verzorgd heeft. Het tweede is het tijdelijk afstaan van een 
stuk bouwgrond, onder voorwaarde van het te bezaaien en een 
ded van den oogst als vergoeding voor dien afstand te geven. 
In beide toch kan men even goed zeggen, dat de eigenaar de 
verzorging zijner boomen of de bebouwing van zijn land aan- 
besteedt voor een deel , b. v. de helft der vruchten , als dat de 
landbouwer die boomen of dat land daarvoor huurt. Hoe het 
echter zij, zooveel is zeker, dat ook deze beide overeenkomsten 
aan de regels van het huurcontract in het algemeen onderworpen 
zijn , en dat het hier slechts eene quaestie van toepassing geldt , 
welke in elk bijzonder geval niet moeilijk te beslissen zal zijn. 

§ 5. Over den verkoop met levering op tijd. 
(Salam of salaf ^.) 

De verkoop niet levering op tijd (salam of salaf) is eene over- 
eenkomst waarbij een kooper (rabb al-m&l of rabb as-salam) een 
zekeren prijs (r&s al-mftl) bij voorbaat betaalt, opdat de ander 
(al-moslam ilaihi) zich schriftelijk verbinde, hem over zekeren 
tijd (adjl) eene bepaalde, in de acte (dsimma) omschreven hoe- 
veelheid vervangbare zaken (al-moslam flhi) te leveren. Dit 
contract toch moet schriftelijk worden aangegaan, en uit een 
mazulmansch standpunt terecht, want men verkoopt iets dat 
doorgaans niet eens bestaat , en waarbij dus het grootste gevaar 
van onzekerheid (gharar) te duchten is. De profeet heeft het 
dan ook , volgens de overlevering , alleen toe.gestaan omdat zijne 
tijd- en landgenooten zoo gewoon waren er gebruik van te maken , 
dat het ais eene onmisbare schakel in het handelsverkeer be- 
schouwd werd *. Omtrent dit contract bestaat echter weder een 
groot verschil van gevoelen tusschen onzen Imftm en de beide 
andere. De eerste beweert toch dat de salam niet alleen met levering 
op tijd , maar ook met levering h contant (h&la) aangegaan kan 
worden, ja zelfe dat, als men eene salam-overeenkomst in hei 



\ Deze woorden beteekenen volkomen hetzelfde: salam echter is het 
meest gebruikelijke woord in het dialect van Hedjiz en salaf in dat van *Ir&q. 

' Men zegt dat in het Oosten van dit contract het meest gebruik ge- 
maakt wordt in de provinciën, waar de landvoogden de bevolking uit- 
zuigen en zij dus haar nog te veld staand gewas bij voorbaat moet 
veikoopen om een weinig geld in handen te krijgen. DigitizedbyGoOQlC 



198 OVi5K iiET CONTttACT Al.-BAl' 

algemeen sluit, er steeds deze laatste bepaling stilzwijgend in 
begrepen is, Aboe Hantfa en M&lek voeren hier tegen alleszins 
terecht aan , dat zoo iets tot de grootste onzinnigheid voert, en 
met het wezen van het sakm-contract in strijd is , daar het op 
die wijze niets anders wordt dan een gewone verkoop; doch 
onze Sjafi'i laat zich hierdoor niet uit het veld slaan, en zegt, 
dat het resultaat waartoe men komt, goed moet zijn, wanneer 
de redeneering goed is , en dat er op zich zelf niets tegen in 
te brengen is, dat, als de profeet heeft toegestaan het contract 
op tijd te sluiten, waarbij zooveel onzekerheid (gharar) te 
duchten is, het h fortiori geoorloofd moet zijn de levering 
dadelijk te doen plaats hebben, daar in dat geval het gevaar 
voor onzekerheid (gharar) zooveel minder is, ja doorgaans in 
het geheel niet bestaan zal. Wij zullen echter deze logomachie 
van onzen Imêm verder laten rusten , evenals zoo vele andere, die 
ons ongeloovigen tamelijk onbeduidend toeschijnen , doch voor de 
Muzulmannen inderdaad vraagpunten van //to be or not to be// zijn. 
Zooals gemakkelijk valt te begrijpen, zijn al de algemeene 
beginselen van het koopcontract ook in de salam te vinden , en 
hetgeen deze overeenkomst eigenaardigs heeft, betreft dan ook 
alleen de wetsbepalingen , die het gevaar van onzekerheid zooveel 
mogelijk moeten verhinderen. Daartoe behoort in de eerste plaats het 
vereischte dat de koopprijs (rfts al-m&l) h contant betaald wordt, 
opdat niet twee ongespecificeerde zaken of inschulden (dain) tegen 
elkander zouden overstaan. De eene school is echter op dit punt 
veel strenger dan de andere. Wij en de Hanafieten noemen ^ 
contant alleen als de prijs op de plaats der rechtshandeling 
(madjlis) zelve betaald wordt, Malek daarentegen dat nog con- 
tante betaling kan genoemd worden als men binnen de eerstvol- 
gende drie dagen zijne schuld voldoet. Voor dien tijd staat deze 
dan ook toe de bedongene keuze (chiar as-sjart) ten opzichte 
van den prijs te bepalen, doch niet voor langer, daar de zaak 
die op tijd geleverd moet worden (al-moslam fthi^ , uit haren 
aard ongespecificeerd is , en men dus steeds moet zorgen dat de 
prijs ook niet in dien toestand kome. Wegens dezelfde ratio legis 
verbieden dan ook Sjafi'i en Aboe Hauifa de bedongene keuze 
geheel , daar zij de uitdrukking ^ contant tot den tijd beperken 
dat de partijen nog bij elkander zijn (madjlis). Ook wordt liet 
niet voor voldoende beschouwd met een wissel (haw&la) te be- 
talen, maar moeten de geldstukken van hand tot hand geleverd 
zijn, zoodat de verkooper er den eigendopi j^ver bekomt. 



l.V HBT MOHAMMKDAANSCHE RECHT. 199 

In de tweede plaats is noodzakelijk, datgeenerlei onzekerheid 
blijve heerschen omtrent den tijd, waarop de waar geleverd zal 
moeten worden. Onzekerheid wordt geacht te bestaan als men 
b. Y. belooft te leveren op. een onbepaalden dag in de maand 
Rabr, zonder eenige nadere bepaling, of ook in de lente, of tegen 
het einde van het jaar, of als ik rijk geworden ben. Stellige 
tijdsbepalingen worden daarentegen geacht te zijn, als men be- 
looft te leveren in de maand Rabi\ ' want dan is de schuldenaar 
in verzuim bij het aanbreken van den eersten dag der eerst- 
volgende maand van dien naam , of bij de terugkomst der hadjt's , 
indien de hadjt's gewoon zijn de plaats, waar de overeenkomst 
wordt aangegaan , elk jaar op denzelfden tijd langs te trekken , 
of na den oogst. Geoorloofde tijdsbepalingen zijn verder , als men 
de eene of andere bepaalde maand van het mohammedaansche 
jaar noemt, of zelfs van de romeinsche of perzische jaren , in- 
dien beide partijen naar billijkheid geacht kunnen worden ook 
de maanden dier volken te kennen. Hetzelfde geldt omtrent de 
groote feesten der Mohammedanen en der ongeloovigen. Als men 
evenwel , zonder er iets naders bij te voegen (motlaq) , een jaar of 
eene maand noemt , moet daaronder steeds het maanjaar en een 
arabische maand verstaan worden, daar de wet eigenlijk slechts 
deze erkent. M&lek echter beweert, dat ook hierin de billijk- 
heid en het plaatselijk gebruik • moeten beslissen. Als men den 
tijd bepaalt door een of ander godsdienstig feest te noemen^ 
moet daaronder steeds verstaan worden het eerst komende feest 
van dien naam; zegt men evenwel in het algemeen //liet teesU 
dan wordt daaronder verstaan het zoogenaamde: //kleine feestv 
('!d a9-9aghtr, Jav. garëbëg siam) bij het ophouden der vasten 
van de maand Bamadh&n. 

Is de schuldenaar bereid te leveren vóór het aanbreken van 
den gestelden termijn , dan kan de kooper niet weigeren aan te 
nemen, tenzij hij kunne bewijzen dat de ander ter kwader 
trouw , om hem nadeel toe te brengen , den termijn van levering 
vervroegen wij , b. v. als juist op dat oogenblik op de p]aat.s der 
levering gevaar van roovers of vijanden te duchten is, of als 
uit den aard van het contract blijkt, dat de termijn speciaal in 
zijn belang gemaakt is. Bij afwezigheid van den kooper eindelijk 
wordt door levering aan zijn lasthebber of anders door gerech- 
telijke bewaargeving de schuldenaar van zijne verbintenis bevrijd. 
Beze leer van onzen Im&m wordt echter terecht zeer afgekeurd , 
vooral door de volgers van M&lek; een termijn toch2Ji^^@0ï0Qle 



200 OVER HKT CONTRACT AL BAl' 

als eeiie voorwaarde, op zich zei ven eene reden waardoor de ge- 
heele rechtshandeling wordt opgeschort , ten minste bij de Moham- 
medanen , en daarom moet zij steeds beschouwd worden , niet alleen 
in het voordeel van den debiteur, maar evenzeer in dat van 
den crediteur gemaakt te zijn. Voor het beweren van Sjafil is 
dan ook van een muzulmansch standpunt, naar het mij voor- 
komt^ nagenoeg geen enkele rechtsgrond te vinden, ofschoon 
het in het romeinsche recht, alwaar zulk een groot onderscheid 
tusschen tijdsbepaling en opschortende voorwaarde bij verbinte- 
nissen bestaat, zeer zeker volkomen rationeel is. Dat de kooper 
op den bepaalden termijn niet meer kan weigeren aan te nemeu, 
spreekt van zelf. 

Niet alleen de tijd, maar ook de plaats van levering, moet 
in de acte duidelijk worden aangewezen, ten minste als men 
daartoe eene andere plaats wenscht te bestemmen dan die waar 
de rechtshandeling is aangegaan. Zulk eene^laatsbepaling levert 
voldoende zekerheid op, indien zij slechts de stad noemt , behalve 
wanneer de stad eene zeer groote is , zooals Baghd&d of Ba^ra ; 
want dan moet men er minstens ook den naam der wijk bij- 
voegen. In het algemeen echter is men met plaatsbepalingen aan 
veel minder strenge regels gebonden dan met den tijd; iets dat 
volgens Sjarbtni waarschijnlijk daarin zijn oorzaak hebben zal, 
dat een gering verschil van tijd grooten invloed kan hebben op 
den prijs welke op de markt te bedingen valt , daar deze om zoo 
te zeggen van uur tot uur verandert, doch dat het hiervoor 
tamelijk onverschillig is of de zaak een paar mijlen verder moet 
gedragen worden of niet. 

Behalve de zaken die in het algemeen buiten den handel 
zijn, kunnen ook geen voorwerp van eene salam-overeenkomst 
worden de niat vervangbare zaken (m&l qtml) , daar het tot het 
wezen van zulk een overeenkomst behoort, dat er eene inschuld 
(dain) besta, en hiertoe, zooals wij vroeger gezien hebben, 
alleen vervangbare zaken (mftl mithli) kunnen gebracht worden. 
Ook mogen de koopprijs (rfts al-m&l) en de koopwaar (al-mos- 
lam fihi) niet beide van dezelfde soort zijn * , indien bij 
deze soort de ribft verboden is, waarbij men de punten van 
verschil in het geheugen moet terugroepen, die wij in eene 



* Ten minste de koopprijs en de waar mogen dan niet in ongelijke 
hoeveelheden bestaan, en dit toch zou noodig zijn tot het salam -contract; 
want in geval beide hoeveelheden gelijk stonden , zou het geen salara maar 
verbruikleeu (qardh) genoemd moeten worden, DigitizedbyGoOQlc 



IN rtET liOHAMMEÖAAKSÖHt: ftECHf. 201 

vorige paragraaf tusschen de scholen hebben opgemerkt , wat de 
zaken betreft die aan dit verbod zijn onderworpen. De koopwaar 
moet verder omschreven kunnen worden in de acte, en wel in 
de eerste plaats wat hoeveelheid aangaat , die hier niet , zooals in 
andere bai'-contracten , door allerlei middelen kan bepaald worden, 
maar in geijkte en officiëele maten en gewichten moet worden 
uitgedrukt. Van de eigenschappen (^ifa) moeten alleen die be- 
schreven worden, waarvan de waarde der zaak kan afhangen, 
en die invloed zouden knnnen hebben op de bedoeling van den 
kooper. Om deze reden kan men geen salam-overeenkomst sluiten 
omtrent zaken waarbij die omschrijving onmogelijk is, b. v. 
omdat zij met andere vermengd zijn of omdat zij door het 
vnur of andere scheikundige werkingen zoo zeer zijn aangedaan, 
dat de oorspronkelijke aard geheel onherkenbaar is geworden. 
Eindelijk moet de zaak zoodanig zijn , dat het naar menschelijke 
berekening mogelijk zal zijn ze te leveren op den tijd waarop 
de kooper er recht op verkrijgen zal (istahaqqa), d. w. z. op den 
tijd der levering , en volgens de Hanafieten moet dit ook het geval 
vezen op den tijd van het aangaan der overeenkomst. Daarom 
kan men niet beloven eene zekere hoeveelheid versche vruchten 
in den winter, als zij schaarsch zijn, te zullen leveren , of de aan- 
staande vruchten van een bepaalden tuin of de nog ongeboren 
jongen van bepaalde beesten , omdat er honderde omstandigheden 
zich kunnen voordoen, waardoor zulk een tuin geen vruchten 
oplevert of die beesten geen jongen werpen. Men kan echter in 
het algemeen vruchten of jongen beloven ; want de soort gaat 
niet verloren en is, al kost het ook wat meer geld, altijd te 
krijgen. Wordt evenwel door eene onvoorziene en algemeene 
ramp, b. v. de verwoesting eener geheele landstreek door den 
vijand , de soort zoozeer in hoeveelheid verminderd , dat zij ht in 
het geheel niet, bf slechts met groote opofieringen te krijgen 
is, dan moet de geldschieter (rabb al-m&l) den schuldenaar ont- 
slaan , hetzij voor goed , hetzij tijdelijk , in welk eerste geval hij 
echter zijn geld terug bekomt. 

§ 6. Over verbruikleen (qardh). 

Zeer nabij de salam komt de overeenkomst van verbruikleen 
(qardh) , dat is , als iemand (moqridh) aan een ander (moqtaridh) 
eene zekere hoeveelheid vervangbare zaken in eigendom over- 
draagt, opdat deze hem na zekeren tijd eene zelfde hoeveelheid 
zaken van dezelfde qualiteit teruggeve. Daar men nu voor dipglc 



202 OVETt ItBT CONTllACT AL-BAl' 

gPA-en geenerlei loon (naf , eig. interest) mag bedingen , zoo kan 
de overeenkomst alleen worden aangegaan ten einde den leener 
(moqtaridh) een dienst te bewijzen, en daarin ligt dan ook 
waarschijnlijk de oorzaak dat de profeet het geven in verbruik- 
leen eene zeer verdienstelijke handeling noemde. Zoo ver gaan 
zelfs de rechtsgeleerden in hun verbod tegen het uitoefenen van 
woeker (rib&), dat zij het niet alleen voor ongeoorloofd houden 
dat de geldschieter een geschenk (hadia) eischt, maar dat zelfs 
elk geschenk bij gelegenheid van dit contract vrijwillig door 
den schuldenaar gegeven, onder het vermoeden ligt van wegens 
eene onwettige oorzaak, namelijk de ribd, gegeven te zijn, 
en dat de partij die de geldigheid beweert, dan moet bewijzen de 
wet niet te hebben willen ontduiken, maar wegens eene andere 
geoorloofde oorzaak het geschenk te hebben gegeven of ontvangen. 
Men ziet het, de profeet heeft de natuurlijke neiging van den 
semitischen volkstam in het algemeen , en van zijne landgenooten 
in het bijzonder, om woekeraars en geldschieters van beroep te 
worden, met wortel en tak willen uitroeien. In hoever het 
middel echter niet ei^r geweest is dan de kwaal, zou ik niet 
durven beslissen. Verder is er omtrent dit contract niets op te 
merken dat niet reeds uit de algemeene beginselen der bai'- 
contracten gemakkelijk is at te leiden, en dat wij wijders , om niet 
in herhalingen te vervallen , gevoegelijk kunnen weglaten. Alleen 
moeten wij hier aanstippen ^ dat ook bij de Arabieren r^els 
bestaan voor het geval dat de munt waarin de uitleener de 
som gegeven heeft, ophoudt gangbaar te zijn. De leener moet 
dan namelijk in andere muntstukken zooveel mogelijk trachten 
dezelfde hoeveelheid fijn goud of zilver te voldoen, als in de 
oude aanwezig waren. 

§ 7. Over het huwelijks-contract (nik&h). 

Ofschoon het huwelijk (nik&h) bij de Arabieren terecht als 
een bai'-contract beschouwd wordt , daar het ook kan teruggebracht 
worden tot de formule: geven om iets terug te krijgen, heeft 
het toch ook een aantal gevolgen welke tot het personenrecht 
behooren, en die wij niet kunnen aangeven zonder te ver van 
ons onder^'crp af te wijken. Het is dan ook geene volledige 
behandeling van dit onderwerp die men in deze paragraaf moet 
verwachten, doch alleen eene korte aanwijzing van het verband 
met de overige bai'-contracten. Allen die zich in het algemeen 
kunnen verbinden , mogen ook een huwelijk aangaan , ja zelfs een 



W HËT MOllAïiMËOAANSCHlB ftBCHT. iOS 

failliet verklaarde, of een verkwister, ofschoon dezen overigens, 
wat hunne rechtsbevoegdheid betreft , met krankzinnigen en min- 
deijarigen gelijk staan , en nooit zelven maar door middel van hun 
curator in rechten optreden of rechtshandelingen sluiten. Slaven 
worden door hunnen heer uitgehuwelijkt ; hunne huwelijken staan 
echter in de gevolgen niet geheel en al met die van vrijen 
gelijk, ofschoon zij met denzelfden naam (nik&h) worden be- 
stempeld. Dit alles geldt echter alleen van mannen, daar vrou- 
wen , van welken leeftijd of rechtstoestand ook , steeds bij het 
huwelijk vertegenwoordigd worden door een mannelijken voogd, 
in welke betrekking hare natuurlijke erfgenamen ('a^aba), als vader , 
broeder enz., en bij gebreke van deze de rechter (h&kim), als 
vertegenwoordigende den staat, moeten optreden. Eene vrouw 
moet echter hare uitdrukkelijke toestemming tot het huwelijk 
geven , als zij reeds eenmaal of meermalen is gehuwd geweest ; is zij 
dit echter nog niet , dan is hare toestemming voor de geldigheid 
van het huwelijk overbodig. Doch de profeet raadt desniettegen- 
staande uit een zedelijk oogpunt aan , die toestemming te vragen. 
Ook kan men een huwelijk sluiten door middel van een lasthebber ; 
daartoe mag dan evenwel niet benoemd worden dezelfde persoon 
die als voogd voor de vrouw optreedt , tenzij het een grootvader 
is die zijn kleinzoon en kleindochter in den echt verbindt. 

Is aan den eenen kant de bevoegdheid om een huwelijk te 
sloiten eenigszins uitgestrekter dan die om andere rechtshande- 
lingen aan te gaan, aan den anderen kant zijn er weder per- 
sonen op wier rechtsbevoegdheid in het algemeen niets aan te 
merken is, en aan wie de wet toch dit contract verbiedt. 
Hiertoe behooren: de bloedverwanten ('acaba) in de opgaande 
en nederdalende linie altijd , en die in de zijlinie tot den derden 
graad ingesloten; verder, zij die om de een of andere reden in 
een staat van onthouding zijn ; afvalligen (mortadd) ; hermaphro- 
dieten (chonthft), en ongeloovigen die geen geopenbaarden gods- 
dienst hebben, b. v. vuuraanbidders. Daarbij moeten de beide 
partijen ten naasten bij gelijk (kof) zijn in stand, godsdienst, 
leeftijd enz. Is dit niet het geval, dan is geei^ voogd verplicht 
ï^'ijn bijstand te verleenen, en heeft hij dit gedaan, dan kan 
later de verongelijkte partij de geheele rechtshandeling doen 
Metig verklaren. Wat den vorm betreft, is aanbod en aanneming 
niet voldoende, maar wordt eene acte vereischt, opgemaakt in 
tegenwoordigheid van twee getuigen; partijen mogen daarbij alle 
voorwaarden vaststellen die zij goed vinden, mits zij maar nietPgl^ 



i04 OVÜÏl ÖET CONTRACT? Al,»BAt' 

in strijd ziju met het wezen des huwelijks of met de goede 
zeden. Deze laatste wijken echter bij de Arabieren nog al sterk 
af van hetgeen wij daaronder verstaan. De keuzen (chi&r) bestaan 
in dit contract niet, behalve de keuze wegens verboi^n ge- 
breken (chi&r al-'aib) , welke gebreken hier ongeveer dezelfde 
zijn die bij den verkoop van slaven en slavinnen door de rechts- 
geleerden zijn aangenomen. 

Het aequivalent, door den man voor het gebruik der vrouw 
aan haar te betalen , heet huwelijksgift (mahr of gadaqa). Deze 
wordt meestal bij het contract zelf geregeld en heet in dat geval 
/'bepaalde huwelijksgift// (al-mahr al-mosamm&); toch is dit geeu 
essentieel vereischte, daar zij ook later kan bepaald worden. 
Ontstaat er verschil tusschen de echtgenooten over het quantum, 
dan beslist natuurlijk de rechter en neemt als maatstaf van be- 
oordeeling aan de sommen welke voor de naaste bloedverwanten 
('a^aba) der vrouw gegeven zijn. Dit noemt men eene //even- 
redige huwelijksgift// (al-mahr al-mithl), terwijl een maximum of 
minimum hierbij door de wet niet is aangegeven, maar beide 
geheel aan het oordeel van Jen rechter zijn overgelaten. 

Eene huwelijksgift kan bestaan in alle zaken die het voorwerp 
van eigendom kunnen ziju , ja ook in onlichamelijke , b. v. schuld- 
bekentenissen of kwijtschelding van schulden. De eigendom en 
dus ook de risico , worden gerekend aan de vrouw toe te komen, 
zoodra de overeenkomst gesloten is, doch zij mag er nog niet 
over beschikken vóór de levering. Wil iemand niet trouwen met 
eene vrouw aan wie hij reeds verloofd was, dan moet hij haar 
de helft der huwelijksgift als schadevergoeding laten behouden; 
komt echter de weigering van den kant der vrouw, dan moet 
zij natuurlijk de geheele huwelijksgift laten varen. Is het huwelijk 
eenmaal voltrokken, dan kan de man zijne vronw wegzenden 
als hij wil (talftq), doch de geheele huwelijksgift blijft dan haar 
onherroepelijk eigendom. Wil de vrouw hem echter verlaten 
(choloe') dan moet zij, behalve de geheele huwelijksgift, nog 
eene schadevergoeding ('iwadh) betalen. Hebben een of beide 
partijen slechts beperkte of in het geheel geen rechtsbevoegdheid, 
dan moet de voogd of curator hen ook in deze gevallen bijstaan; 
het is echter uit een godsdienstig oogpunt zeer af te keuren, 
dat deze hun aanraadt zulk een stap te doen. 



Digitized by 



Google 



MEDEDEELINGEN OMTRENT DE ALFOERSCHE 
TAAL VAN NOORD-OOST CELEBES. 



1. Vergeijjkende woordenlijst. 

Inleiding. 

Deze woordenlijst bevat een aantal woorden uit verschillende 
dialecten der Minahasa en uit de taal van het aangrenzend 
Bolaang Mongondou. Zij is, wat de dialecten der Toumbulu 
en Toumpakëwa en het Bolaang Mongondousch betreft, door de 
zendelingen Wilken en Schwartz opgemaakt. Het Toumbulusch 
of dialect van den stam der Toumbulu wordt gesproken in de 
districten Tomohon, Sarongsong, Tombariri, Aris, Kölabat 
bkwah , Kakaskassën en een gedeelte van Nêgöri baharu , dat der 
Toumpakëwa in de districten Toumpasso , Kiwangkoan, Sonder, 
Tombassian, Kumoong en een gedeelte van Langowan. Het 
Tounseasch is het dialect van den stam der Tounsea, die de 
districten Tounsea, Këlabat atasen Likupang bewoont, de woor- 
den van dit dialect leverde de zendeling Tendeloo. Het Ton- 
danosch, de taal van den stam der Tonlour, behoort te huis 
in de districten Tondano Toulian, Tondano Toulimambot, 
Bembokën en Kakas. De heer Booker, zendeling te Tondano, 
leverde het hierop betrekkelijk gedeelte der woordenlijst. De 
woorden der drie overige dialecten, nl. die in de districten 
Tonsawang, in Batahan met Fasan (die vroeger slechts één 
district, Bentënang genaamd, uitmaakten) en in Ponosakan ge- 
sproken worden, zijn wij aan den zendeling Wiersma te Batahan 
verschuldigd. * Overigens is nog op te merken dat onze oekhmk 

1 Zie Graaüand, De Minahassa, Rotterdam 4866, ^z. 200 vg. en 225. 
Bijdragen tot de kennis der Alfoersche taal in de Minahasa, uitgegeven 
door het befitiinr van het Nederlandsch zendelin^genontschap , Rotterdam 
1H66, pag. 39 vgg. en 111. DigitizedbyGoOglc 

lic Volgr. IV. 15 



206 MKÜKDISEMNGKN OMTRFNT DK ArPOKESCHÜ 

overal door u is wedei^egeven. Het is misschien niet overbodig 
de literatuur over het Alfoersch van N. Celebes hier kortelijk te 
vermelden. De eerste gedrukte text in die taal was een vraag- 
boekje, door den sEendeling Mattem in 1841 op de pers te 
Tomohon gedrukt. In hetzelfde jaar gaf P. P. Roorda van 
Eysinga in zijn Handboek der Land- en Yolkenk. v. N. 1. 
dl. [ p, t%7 — i4A iets over de spraakkunst en een woorden- 
lijstje van de taal der Alfoeren, benevens eene vertaling van 
het Onze Yader, de 10 geboden en de 12 geloofsartikelen in 
een daar ongenoemd dialect, dat later gebleken is het Toam- 
bnlusche te zijn , vermengd met eenige woorden uit andere dialecten. 
In het 6« deel van het tijdschrift van het Bat. Qenootschap 
vindt men eenige proeven van Alfoersche poezij. In het 14<e deel 
van hetzelfde tijdschrift komen eenige formulen voor, die bij eeds- 
aflegging en ordalien gebrnikélijk zijn, medegedeeld door den 
heer J. F. Riedel, assistent-resident van Gorontalo. Een aantal 
formnliei^beden vindt men ook in het 7« deel der Mededee- 
lingen van het Nederl. zendeling^nootschap , medegedeeld door 
den zendeling Wilken. Dezelfde leverde ook de bonwstoffen voor 
de Bijdragen tot de kennis der Alfoersche taal indeMinahasa, 
in 1866 door den ondei^eteekende op verzoek van het 
bestuur van het Nederlandsch zendelinggenootschap uilgegeven, 
die eenige fabelen en legenden en eene schets der grammatica 
bevatten. Al het genoemde heeft betrekking op het dialect der 
Toumbulu. In dat der Toumpakëwa verschenen : een eatechiseer- 
boekje met Mal. vertaling getiteld: Pëngadjaran agamamesehhi 
jang pendekh. Batavia 1868 en eene vertaling van het Evangelie 
van Maüheus door den zendeling Hemnann, Amsterdam 185i(. 
Andere dialecten der Minahasa hebben wij tot dusver aUeen 
door de belangrijke bijdragen van den heer J. F. Riedel eenig- 
zins nader leeren kennen. In het 17 deel van het tijdschrift van 
het Batav. Genootschap gaf hij namelijk: eene Bantiksche legende 
in het oorspronkelijk met Nederlandsche vertaling en eenige 
fiibelen in het dialect der Tounsea, text en vertaling. In de 
bekentenis van een Holontaloschen Ponggoh in hetzelfde deel 
leverde hij eene proeve van de taal , in een gedeelte der Goron- 
talosche landschappen in gebruik. Als bijdrage tot de kennis der 
taal van Bolalmg Mongondou zijn vooral niet te vergeten de 
schets der granftiatica van die taal en de texten daarin , door de 
heeren Wilken en Schwartz uitgegeven in het 11 deel der 
MedeUeeliiigeu van liet Nederl. Zendeling^nootschap. — Woor- 



TAAI. VAN NÜÜRD-ÜÜST CE1.KBB8. 207 

denlijsten zijn voorts te vinden bij BaiHes Hist. of Java, dl. 
n der uitgave in 4o. nl. van het Alfoersch van Menado en 
Gorontalo; bij Dumont d'ürville Voyage de TAstrolabe. Philo- 
Iqgie. T. Il 193 v^.; v. d. Crab , De Moluksche eilanden^ Batavia 
1862 , waar eeue woordenlijst van drie Minahasische dialecten voor- 
komt en in het Tijdschrift v. h. Bat. Genootschap dl. IV eene 
vergelijkende woordenlijst van talen en dialecten in de residentie 
Menado, door A. J. F. Jansen. Ook in Röttger^s Briefe über 
Hinterindien, Berlin 1844 p. 137 vindt men iets over het 
Alfoersch der Minahasa , en in de Mededeelingen van het Nederl. 
Zendel. dl. YI eene proeve van oud-Alfoersch teekenschrift en 
in dl. VII eene poging tot verklaring daarvan door Ds. Tiele. 

Eene woordenlijst van de taal der Gk>rontalezen en van de 
Togean eilanden gaf C. B. H. van fiosenberg achter zijne Brcis- 
t<^ten in de afdeeling Gorontalo, Amst. 1865. 

In de woordenlijst, toegevoegd aan het werk van A. B. Wallace 
The Malay Archipelago London 1869, zijn ook eenige woorden 
opgenomen uit het Alfoersch der Minahasa en van Bolaug itam. 

G. K. NiBMANN. 



Digitized by 



Google 



208 



VÜROKLUKBNDE WOOKDENUJ8T. 



Nederduitscu. 


TOUMBULUSCH. 


ToUMPAKeWASCH 


TONSEASCH. 


TONÜANOSCU. 


Aal 


kasili 


kosei 


kasidi 


kasili 


Aalgeer 


raënga t 


tora 


raënga ' 


daum 


Aalmoes 


tatambër 


tatambër 


tatambër 


tëUmbër 


Aan 


wya, witu 


asi 


wya, aki 


wija, waki 


Aanaarden 


tumawun untana 


tumawun un tana 


tumambon un 
tana 


lumombo 
tana 


Aanbeeld 


lisigan 


laseran 


dinsidan 


rërintekan 


Aanbidden (vereeren. 


somigi 


sumiri 


sumigi 


sumigi 


eerbied bewgien) 










Aanbieden 


mehe, mamehe 


mee, mawee 


mehe, mawehe 


mehe , mawehe 


Aanbinden 


tomapik 


makës, mawakës 


tumapik, makës, 
mawakës 


tumaptk, inakë 
mawakës 


Aanblazen 


somSngo 


sumëngo 


sumëngo 


sumëngo 


Aanblikken 


milSk, mahiiek 


milëk, mailëk 


melëk, maelëk 


mato, maato, 
lumoho 


Aanbonzen 










c met den voet 


ikasangkil 


itjasuusu * 


ikasangkid 


ikasangkil . ik 
susu 


c met de scheen 


ikawangkur 


itjaruundur * 


ikawangkur 


ikalulur 


c met de knie 


ikakorkur 


itjaruundur ' 






t meth.ligchaam 


ikaraka 


itjatuli 


ikatudi 


ikatuli 


c met arm of 


ikatuli 


itjatuU 






schouders 










4 met flippen of 
neus 

t met het voor- 
hoofd 


ikatëmbo 


itjatimu 


ikatëmbo 




ikatungtung 


itjaruinsum * 


ikatungtung 




c twee personen 


masangkillan , 


mënsuusuan ' 






tegen elkander 


roawangknrran 
(zelden), ma- 
kurkurran, ma- 
rakaan, matSm- 
boan, matung- 
tungan, matu- 
lyan 


mëruundurran 
mëtulyan 






Aanbouwen 


tumorong, su- 


menët, maenët, 


tumodong, su- 


tumorong 




mondol 


mawës, maawës 


mondol 




Aanbranden 


laung, malaung 


rëngis, marëngis 


malaung 


marëngis 


Aanbrengen (goede- 


matSr *, mahatSr 


mangkei * , ma- 


matëd , maatëd 


mater, maaier 


ren) 




angkei,muwit, 
mauwit 








mali , mahali 


mali . maali 




mali, maali 




kumSlak (van het 
Hollandsche 
klafff), beter 
tumuru = too- 
nen. 


kumëlak 


kumëlak 


kumëlak 


Aandeel 


weteng, wowa 


weteng 


Weteng, wowa 


weteng. wowa 


Aaneenbindeu 


tumorong, su- 
mondol 


menët, maenët 


tumodong, su- 
mondol 


tumorong 


Aangapen 


mSnganganga- 


mënganganga- 


mënganganga- 


nganga 




nga 


nga 


nga 




Aangeboren 


rimSngan in tou 


makarëngan in 
tou 


rimëngan e tou 


rimëngan nu cl 








uiiiittKarengt 
nu okki 


Aanlanden 


sumuwa 


sumuwa 


sumuwa 


sumeret 


Aanroepen (iemand) 


tumawa 


tumowa 


tumawaQoog 


tumawa 



VStl01!l.UKByDE WOORDKNLIJST. 



209 









BOLAANG- 




Ilntënanoscu. 


TONSAWANGSCH, 


PONOSAKANSC . 


MONGONDOÜSCH. 




fiüi 


kasiU 


kosili 


bulog 


1 De S in raSuga 


nga 


toda 


panikam 


ombi 


moet bQna aU eene a 


iwehe 


bewehe 


sedeka 


tsadaka 


worden uitgesproken. 




besi 


kongki 


ko, 1, koi 




uiambun 


tumudu toba 


mumuntu wuta 


raomumbim 


* De tweede u in 
deze vier woorden wordt 


Dsilan 


dasUan 


ransilan 


dotolan 


slechts ten halve uit- 


isigi. 


masil, mapasil 


mosumba, mo- 
ngumpu 


monande, mo- 

sumba 
mobogoi 


gesproken. 

s In het Toumpa- 


e)» manje 


sumogot 


sumogot 


raobogot 


kSwasch heeft men nog 
itjatintjn = methet 


üp>, maojup 


sumSput 


mogijup 


mogirup 


hoofd tegen iets aau- 


iinbijja 


milach, mapilach (ontoiig), mogon- 


mongontong 


stooten; itjatnin- 






tong 




tung =r met het bo- 
venste gedeelte van het 


pakü 


bewisud 


noipinsnr 


moipintad 


hoofd tegen iets stootcn. 


wan^ku) 


bewiti 


noiwinti 


moibinsi 


« MatSr, maha- 
tër wordt gebezigd 


ntui2g 


bewambang 


noiruna 


moidangad 


voor het bQ herha- 
ling iets brengen, b. 
V. hout voor een huis 
of aarde aanbrengen. 
Dit geldt ook van 
mangkei en muwit 
inhetToumpakSwasch. 
Maar mali, mahali 
en maali wat in 
eens of slechts enke- 
le keeren gebragt 
wordt; b. V. de lading 
die een schip brengt, 
of wanneer men een 
of twee malen eene 


apaintok wale 


mogimawo momija 


motumpakai 


vracht naar eene plaats 










brengt. Zoo zegt men: 


apus 


suraSngit, inasëii- 
git 


motutung 


nopokak 


mahali nng koppi 
= (een of twee keer) 


ponri), mange- 


(peang), meang 


(dea), morea 


modya 


koffij brengen; maha- 


goin 


' 






tër nng koppi = 
(bij herhaling) koffij 
brengen. 


jmêlak 


kumSlach, duma- 
pot (van rap- 
port) 


mopokalak 


mopongadu 




owa 


beteng 


sukat 


silai 




anguinpu 


masupach 


(snmpak), mo- 
numpak 


motumpakai 




jraanga 


mucha i baba 


noitonga 


moitongou 




itoijik 


ake dopa 


sajopa, mowija 


nongko mointok- 
kon 




imangekatanan 


tumuwa a toba moponik in towa 


tumubu kontoba 










mogoini qj^ 


itizedby Google 



210 



VERGELIJKENDE WOORDENLIJST. 



Nederöuitsch. 


1 

1 

TouMBULUSCu. i Toi'MpakSwascu 

1 


TONSEABCU. 


TONDANOSCH. 


Aanroepen (bidden) 


malei, mahalei mSngilSk 


makuwehe 


makiwehe 


Aanspv>ren 


lumupu lumupu 


lumupu 


lumupu 


Aansteken (zie ver- 


tumutung raengket 


tumutung 


tumutung 


der branden) 










Aanvangen 


tumuur *, tumot- 

tol 
sarusarun, wija, 


tumottol 


tumottol 


tumotol 


Aanwezig 


sarusarun.ambvja 


sarusarun, w^a 


sarusarun 




wana 








Aap 


waie 


wolai 


angko 


wolai 


Aar 


wuli 


tango 


pangko\ian 


wulis 


Aardaker 


sajawu 




kapuwuol 


sajawu 


Aardappel 


mowole , kapu ne 


uwitappel 


artappel 


kaput ni kunda 


Aardbeving 


mSngero 


mangero 


jeddo un tana 


pSngero 


Aarde 


tana 


tana 


tana 


tana 


Aardig 


wangun 


loor 


wangun 




Ach! 


arol oinal 


arou! oina! 


ajo! aiina! 


aroo! 


Acht 


ualu, walu 


walu 


uwadu 


walu 


Achter 


witi muri, witu 


an somol 


witi muri 


waki muri 


Achterblijven 


muri 
witi muri «, m5n- 
to witi muri 


somoi, * mSnto 
an somoi 


aki aki muri 


mSna waki mi 


Achtermiddag 


lolambot kampe 


rangkape si Sndo 


lolambot kampe 


lambottei ma- 
wSngindo 


Achtste 


kaualu. kuma- 
walu 


kumawalu 


kauwadu, kuma- 
wadu 


kauwala 


Adel 


agka im banua ^ 


aka im banua ' 


akka im banua ' 


aka nu wanua 


Adem 


asëngan 


as5ng 


asSng 


asëngan 


Ader 


ohat 


oat 


oat 


oat 


Afbreken 


gumogar, rumok 


gumogar, mSga, 


gumogai', rumok- 


gumogar, ru- 




rok 


maSga 


rok 


mombe 


Afbrengen 










« van een trap 


myahu, mapijahu 


rumojor (act.) 


tumumpa (act.) 


rumojor (act.) 




(actieO. ipyahu 


irojor (pass.) .itumpa (pass.) 


irojor (pass.) 




(passief) 


! 




c van een* boom 


rumoros, iroros 


rumojor, irojor 1 rumoros, iroros 


rumojor» irojo 


« van een" berg 


m6ros,mahapë- 
ros, ipSros 


mSros, mapSros, 
ipëros 


mSros. ipSros 


mSros, ipëros 


« van een' paard, 


tumumpa,itumpa 


tumumpa, itumpa 


tumumpa, itumpa 


tmnumpa,ituiii 


schip, tafel enz. 










Afdingen 


mikikurang, mi- 


mikitjai*ang, mi- 


makikurang,ma- 


makikurang, it 




kiina 


kiina 


kiina 


paina 


Afdroogen (vgl. droo- 


mSra, mahapSra 


mSra, mapëra 


m5ra , mahapSra 


mSra, mapëra 


gen) 










Afhakken 


sumampil, kumS- 


moow, mapoow, 


sumampid, ku- 


rumarap, kiuB 




tor (een of meer 


mopoow 


m6tor 


tor 




stukken van een 










lang stuk af- 








* 


hakken.) 








Afhebben 


reimo *, pinaka- 


ra^o ^ , pinaka- 


rago ^ , pinaka- 


daimo * 




leosso 


emao 


emao 




Afhelpen , (zie af- 










brengen) 










Afschrijven 


mantik, maha- 


patitjijera 


pantikvjera ikumopei 




pautlk 


i 


ligitizedby VjOOQ 





VERGKUjKENt)]! WOORDKNtlïST. 



211 









BOLAANO- 




iTFNANGSCH. 


TONSAWANOSCH. 


PONOSARANSOH. 


MONGONDOUSCH. 




tnawi mangelej 


moroa, mogalej 


moigum doa 


> Tamottol wordt 


ya^manya- kumoju 


sumijasa 




vooral gebruikt van de 


i 








mapaloes ; t u m a u r 


iki,roQndiki 


tumntun 


mojongkit. 


moijongkit 


meer in het algemeen , 
soms ook voor dengene . 


ntol,mopoto- 


tumud 


momulai 


modungkiil 


die het eerst begint. 


J 








vooral met zingen. 




bana 


ojuon 


ojuon, tuata 


* Witi muri, ach- 


• 


bakaju 


bolai 


bolai 


terblijven door bng- 


li. kuawi 


gotiihiin 


wulig 


simpungoi 


zaam te gaan of te 


wil 




s^awu 


sijabu 


ryden. M6nto witi 


^)pol 








mnri, aohterbiyven 
door xich op te houden 


1 


toba xnangnawo 


linug 


linug 


onder weg. 


l 


toba 


buta 


buta 




w 


loor 


mapiha 


mopira, mopija 


' Agka im banna, 
wanneer men van eenen 


i: 


ataml 


aro! 


taissi ! 


adellijke spreekt in 


sv 




waluw 


walu 




imiiri 


amahachad 


somui 


kon tumi 


bevolking; maar in het 
algemeen wordt ook 


uto susamnri 


miito amahachad 


kon somui 


donaidon kon 
tumi 


agka im banna 
gebruikt voor de be- 


bjelaw 


chaÜcsem mo- 




noonagdon i sing- 


volking, nl. als vrijen 




chonSndo 




gai 


in tegenstelling van 


riluw 


akumawalu 


kowalu 


kowalu 


slaven. 


h) 


tuddindong 


arej im punu 


korong^jan 


* Van ons woord: 


Kk 


asSng 


gina 


gina 


handdoek. 


i 


ohat 


ugat 


ugat 




Koha 


lumoloch 


mohumbun 


morumbun 


* Reimo, rajo, 
daimo, beteekenen in 
de eerste plaats: is 


hintu (act.) 


lumolos (act.) 


moponag (act.) 


moponag , popo* 


niet meer, is op. 


Jntu (pass.) 


ilolos (pass.) 


poponag (pa«s.) 


nag 




tolns, nüolos 


lumolos, ilolos 


moponag, popo- 
nag 


moponag, popo- 
nag 




BQ<;un,nini8tti] 


tiimimboi , itim- 
boi 


mongijondog » 
pongyondog 


mosilig, posilig 




BDmpa, ni- 


tumuwa ituwA 


moponag, popo- 


Uimabu 




umpa 




nag 






N),mëmotol 


maaipe , miki- of 


(on tos), mowon- 


rontotan im bo- 






makiine 


tos 


lii^ja 




^\ mangaji 


kumusu 


kuig 


mobokag, mo- 




; 




handukan ^ 




pok 


morog, mahapo- 
ro, porogSn 


mupul, mopupul 


mopongko 




»oi,kawu9 


machawum 


rais 


nodait 




fwW patik 


iwaleng patich, 


momampin^ 


mogalin 


Digitizedby Google 




ï^mon patich. 


snrat 





in 



VEft6t:LlJK£Nf)E WOORbïlKLliSf. 



NEÜKHnÜITSCII. 



TOÜMBÜT.USCH. 



ToumparSwaseh 



TONSEASCÏI. 



TONDANOSCH. 



Afsnnpyen (hoornen) 


tiimumbgl, ma- ltiimnmbSI,moow, 


tnmumbël^moow, 


mnpow, riimur 




pow, mahapo-' mapoow 


mnpoow 




« (jyras of (»cne 


pow 
rumantow 


marangkot • 




rumantiw 


haag) 










Afspreken 


mahakuakuaan 




maaassaan 


matoroan, mas 


Afstroopen (gewas- 


kumulit 


kumulit 


kumulit 


saan 
kumulit 


sen) 










« (beesten) 


sumusu 


kumulit 


sumusu 


lumendong 


Afvall«*n (menschen, 


manawii, ika- 


itjalSpok 


ikanawu 


ikalesog, ika\\ 


dieren en goede- 


nawii 






roi 


ren) • 










f (vruchten en 


maragos. ikara- 


rumaambas > 


ikaragos 


ikarag 


bladeren) 


gos 








Afwerken 


lumëkep 


lumëkëp 


lumëkëp 


lumëkëp 


Afwijzen 


soo roenne, soo 
mehe 


maree, rai^a 
kiim 


dai wehe 


raipaar, soo 


Aldus 


tëntii, tanuniitu, 
tanu nija , tanu 


taniitu, taitu 


taintu 


tuana. tanu n 
tu, tanu nija 


Aleer (vgl. eer) 


nyana 
puuna 


rijor 


puuna 


rijor 


Algemeen 


kalakkSran 


kakSMijan 


kalakëlan 


këlakkëran 


Alle 


peleng 


waja 


waja 


waja 


Allerlei 


maha^jogijo 


mëgijogijoan 


maagijogljo 


minagijogijoan 


Als (gelijk evenals) 


tanu 


tanu 


tanu 


tanu 


Altijd 


susur in Sndo; 
reimaoton 


susur in ëndo 


susud in ëndo 


susunëndo 


Ananns 


tuis ne walanda 


tuis e walanda 


tuis 


busa 


Ander 


walina 


walina 


wadina 


welina 


Anderhalf 


karua un sana 


karua in sanga- 


kaduwa uu sana- 


ëssa wom par 




paharua 


pgrua 


paduwa 




Angel (van eendier) 


seseher 


kikitji 


sesehed 


këkiki 


Antwoord 


wingkot 


tasowat 


wi wingkot 


wingkot 


Antwoorden 


mingkot,maha- 


sumowat 


mingkot, maa- 


mingkot, ma- 




wingkot 




wingkot 


wingkot 


Arbeid 


papaajangSn 


tawojSn 


papaajangën 


papaajangën 


Arbeiden 


ma^jang, maha- 
pajang 


tumawoi 


maapaajang 


maajang mapa- 
^ang 




mSndu» maha- 


mSndu, mawën- 




mëndu mawëi 




wSndu * 


du s 




du 


Arbeiden (maken. 


lumeos,sumiwo 


maema 


lumeos, sumiwo 


lumeos, sumiv 


bouwen) 










Arm (ligchaamsdeel) 


lengen, lawas u 


kama, lowas in 


dengen, lawas 


lengen, lawas 




lengen 


(jama 


u dengen 




Arm (adjectief) 


ISngei 


ISngei 


lëngei 


lëngei 


Armband 


kulalo, olat 


olat 


kudadu 


kalula 


Armholte 


kikile 


kikile 


kekide 


kikUe 


Asch 


kurap 


kusaw 


kurap 


kurap 


Avond 


wingindo 


wawaSndo 


wëngindo 


wëngindo 


Avondster 


pamumuris 


tamomuris 


mamumuris 


wëwuris 


Azijn 


SssSm 


ëssSm 


ëssëm 


ëssëm 


Raak 


tëktSk ♦ 


tëndSk 


tëktëk 


tëtëk, pasëk 


Baard 


sokom 


sambing ^ 


i^^myGoog 


sambing 



VBBOBLlJKEKDE WOORD£Kl.USt. 



213 









BOLANO- 




SmiNANaSCH. 


TONSAWANOSCH. 


PONOSAKANSCU. 


MONOONDOUSCH. 




kil, manom- 


kumawiri 


hior, moluor 


mopongko 


1 De tweede a in 


li 








rumaambas wordt 
Bleelits ten halve uit- 
ge8proken. 


lijan 


matoroan 


morarandijan 


mododandijan 


* MSnda, maha- 
wSndtt beteekent in de 


t«i, nalisi 


lumuaba 
mijas, maija» 


lumüiw, moliliw 


motaip 
molilit 


eerste plaats ver- 
in o e ij en. 


nwo 


chatija 


nolawu 


nolabu 


• Bolasu .^= arm- 
band van been; pate- 
da = armband van 
zilver; lingkit = 
armband van koralen. 


ISkêp 


chawun tawojSn 


mokolapas 


aidai pokodaid 




bwe 


maderi], pirowen 


lawotaj 


moimalo 


4 TSktSk betee- 
kent ook een paal, 


gage 


keleabocho 


nanijon 


naoyon 


waaraan een beest wordt 
gebonden, de palen 
van eene hegge (in het 


Bpona 


kinachamunan 


muna 


muna 


TonmpakSwasch p a- 


ekelan 


kachSlijan 


kalekeran 


komintan 


8 6k); ook bet«ekent 


;uvan 


pachasa 


kominsan 


komintan , bajon- 
gan 


tSktëk eene zekere 
hoeveelheid lands van 


handjoh&n , 


duparupa 


ruparupa 


ruparupa, posi- 


1200 Q vadem op- 


RTiulake 






posi 


pervlakte (ook in het 


lpanU>,nganto 


kele 


unaa 


nabataogan 


ToumpakSwasch t6k- 


auloi 


mSndodo 


pinomuloi 


pomuloi makou 


tëk). 


tis moDgondo 


pinang 


nanassi 


nanassi 




gka 


balina 








tgansa sampa- 


Sssa bobea 


sawatu WO sono- 


tobatu bo tongo 




larua 




wotak 


botak of botok 




ögar 


soseched 


sosohar 


togodija 




gkap 


sosawatan 


tuwag 


tubag 




uingkap 


sumowat, mikot 


tumuwag 


motubag 




luatëa 


papatawojën 


oajiran 


oaidan 




iaginaaten. 


tumawoi 


magajar 


mogaid 




[heiligt beter: 










n&ngQat) 










lagalima 


mogimano 


momija 


mogaid 




l&in 


loas 


kokal 


kokal, poguling- 

kitan 
boga 




igei 


lëngei 


langon 




kluw 


Sla 


pateda 


bolusu, < pateda, 
lingkit 




lijak 


kechelek 


bubuijok 


ijok 




ro 


sSba 


awu ^ 


ligatu 




tWQlaa 


benge 


wawa in singkai 


lolabung 




Bbuleleng 




inalano 


inalanu 


1 


■Dg, kasam 


kasam 


kasam 


losing kigat 




ija 
mping 


siimak 


siimag 


toraponuot 
tamping 


DigitizedbyGOOQle 


3" Volgr. IV. 








16' 



214 



VERGBI.UKÊKDE WOOKOENMjSt. 



Nederduitsch. 


TOUMBÜLÜSCH. 


TOÜKPAKëWASCH 


* 

TONSEASCH. 


TONDANOSCH. 


Baard (kin en snor) 


kurai 


kumi 


kumi 


kumi 


Baarmoeder 


wale ne anakna 


wale in nanana 


wabi anak 


uurangan 


Baas 


tukang 


tounaas 


tounaas 


tonaas, pakiita 


Babbelen 


mSrak, maha- 
përak 


mërak, mapërak 


kolila (babbel. 

ach tig) 
mSnarënarëndëm 




Baden 


lumële 


lumSle 


lumële 


lumële 


BRk 


lontang, tambu- 
lelen 


purengkei 


dontang 


lontang 


Bakken (vgl. droog) 


mëra , mapëra 


m5ra, map5ra 


mSra, mapSra 


mëra, mapëra 


Balk 


balak 


balak 


balak 


balak 


Bamboes (buluh pa- 


teling 


tambelang 


tStoodSn 


tambelang ëmut 


gar) 










» (buluh ajer) 


teling lana, teling 
batu 


pakaju 


tëtoodSn dana 


tambelang kooja 
papusungan 


» (buluh loh) 


tambelang 


tambelang 


tambelang 


tam belang karer 
gan 


» (buluh kuning) 


tambelang riri 


tambelang kuni 


tambelang riri 


tambelang ken 


» (buluh djawa) 


tahaki 


taaki 


tëtoodgn taki 


tambelang kahal 


» (buluh tui) 


wulu 


wulu 


wulu 


wulu 


Bang 


mainde 


mainde 


mainde 


mainde 


Bannen 


tumija, sianu 
itya(N.N. wordt 
verbannen) 


tumija 


dumombo, idom- 
bo (pass.) 


rumou, tumea 


Barbier 


kumikiskis 


kumukuris 


kumikiskis, ma- 
pangiskis 


kumikikis 


Baren 


mahokki 


makaanak 


malawil 


maurang, makai 
rang 


Barmhartig 


rumaraate 


maupus 


rumendem 


maupus 


Bast 


kulit 


kuli 


kudit 


kuli 


Bebloeden 


kumamu un daha 
(besmeren met 
bloed) pahatl- 
hissan un daha 
(wordt bedro- 
pen met bloei) 


kumSmu in ënda 




kumamu dahaj 


Beboeten 


mengogot, mon- 
tol sala 


maogot 


montol sala 


mee sala 


Bed (slaapplaats) 


tëtëkkSUan, ko- 


tetëkkëllan 


tetëkkëUan, ko- 


tëtëkkëllan,pa. 




koloan 




koloan 


tëkkëllan 


Bedenken 


mahagSgënang 


matatanei 


maagëgënang 


magëgënang 


Bederven 


lumewo, gumo- 
gar 


lumewo, rumom- 
ba , mSga 


lumewo, gumogar 


lumewo, gumoga 


Bedriegen 


numuwu un 
towo * 


numuwu un towo 


numuwu un towo 


numuwu towo 


Bedroeven 


sumasusa.mapa- 
susa, mara un 
ate 




mapakenit un ate 


mërara nate» 
mëpërara nat 


Bedroefd 


masusa 


mawëndu 


masusa 


masusa 


Beduiden 


tumuru (toonen) 


sumusui 


tUfflöidi^GoOg 


tumuru 



TEROEI.UKENDE WOOSDENI.UST. 



215 









BOLAANG- 




Bentënangsch 


TONSAWANGSOH. 


PONOSAKANSCH. 


MONGONDOUSCU. 




kumi 






kumi 


' Motiiba= roos- 


vvaiianu anak 


balena 


/ 


bobolu adijan 


teren; mogoriDg = 
braden, bakken. 


Lukan 


tukang 


tukang 


pandoi, kipu (ver- 
ouderd) 


^ Numawn un 


iiinbeweg 


takodaiten, (wel 
ligt : tumako- 
dait, ofmona- 
kodait) 


mosolantai 


mosante 


1 w =r spreken len- 
gen, vgl. liegen en 
leugen. 


[iinndeno 


dumano , mSdano 


moigu 


lAoinggu 


* VergL liegen en 


nilang 


piiidan dalSm . 


dulang 


dulan 


lengen. 


ni^nggoreng 


gumoreng of ma- 
goreng 


mogoreng 


motuba ' of mo- 
nuba, mogo- 
ring 




taha k^u 


balach 


tojo kajuw 


pigit 




kojen 






patung 




iilu 






augtoling.tandai 
aug-bulawan. 
patung bulawan. 




ojen teling 




tahaki 


aug taraki. 




l'lllu 


bulu iin bahu 


bulu 


bulu 




lataku 


fnatalo 


mogaan 


moondok 




>iiipu SU wanua 


bewambang an 
doong 


populuaik om ba- 
nua 


poluwai 






machuwajoiig 


moxgukur 


momomangku- 
luk 




uuhaiiak , ma- 


machachedong 


monongari 


monongadi 




iiganak. 










:urnilir 


chumales , ma- 
chales 


matawi 


motabi 




>isi 


luab ing kajuw 


kulit in gangai 


kuli 






kinararahaan (is 


dumuhu 


mongolit in dugu 






bebloed gewor- 










den) 








nainota sala 


rnSnotolan sala 


inoposala 


mopotala 




iuggopo, patati- 


pahoan 


totijugan 


tos\)ugan 




kilan 


kandera 








larercken' 


marereken 


kihakiha, moki- 

ha 
mopohaat, mo- 


mopotanotanob 




tundalai), raa- 


tumapija 


moguraat 




nuDdalai 




humbun. 






nangonsuw 


wutar 


monguwol * 


mongubol • 




aanalinsu 


ngeleden susa 


moposakit kon 
gina 


moposusaingina, 
noraat in gina. 




lanusa, mata- 


masusa 


mosusa 


mosusa 




linsu. 






/ 






bSwangarti 


popomëngartl 


momangald qj^ 


itizedby Google 



216 



VERGELIJKENDE WOOBDENLUST. 



Nederduitsch. 



TOUMBULUSCH. 



ToumpakSwasgh 



TONSEASGH. 



TONDANOSCH. 



Beek (vgl. rivier) 

Beeld 

Been, beenderen 

Beest 



^ Beet (mondvol) 

Begeeren 
Begeleiden 

Begieten 

Beginnen 

Begluren 

Begraven 

Begrijpen 

Behalve 

Behoeden 



Bekennen 
Beklimmen (een 

boom) 

» (een trap) 

> (een berg) 

» (een paard) 

> (een schip) 

» (tafel, steen, 
enz.) 
Bekruipen 

Beladen (iets of iem.) 
Beleed igen 
Belemmeren 
Beloonen vgl. betalen 

Beloven 

Beluisteren 

Beminnen * 

Liefkozen 

Verlangen 

Medelijden 

Bemorsen 
Beneden (in het 
algem.) 



soosoan koki 

totou 
ruhi 
tatamun ^ 



woko 

mewe, maewe 
makawali 



mahawahu 

tumottolftumuur, 

mapuuna 
mato, mahapato 

lumëwSng 

sumilig,maka- 

silig 
sanapa 

sumuut, kumë- 
lung ' mëngS- 
lung 

mSngaku 

lumawa 

mënek, mahapë 
nek 



sumake 

mahatijëttip * 

sumake 
mapairairang 
mape, mahape 
maijër, maha- 

waijër 
timiaar 
mahatatalinga 

rumStuk 

lumëlo 

rumaraate 

kumamu , rumaki 
witi wawa 



rojongan tojaan 

toitou 

rui 

tatamun, bina- 
tang (in het 
algemeen) 

wukSr, woko 

mewe, maewe 
makawali 



numaam 

tumottol, rumijor 

rumanda 

lumowëng 

makasigil 

sangaapa 

rumindir 

mSngaku 
lumaput 

sumosor 

sumosor 

sumake 

maatijSttip * 

sumake 

mapalawilawi 

sumeped 

tumaar 
mapapaan 

rumStuk 

lumëlo 

maupus 

kumamu 
amijona 



doud koki 

tinotou 

rui 

rëringatën 



weke 

mewe, maewe 
maawadi 



maawau, sumoso, 

maasoso 
tumottol . tumuur, 

mapuuna 
tumengteng 

dumëwëng 

mangasilig 

sanapa, lewodai 

dumukad 

mëngaku 
dumawa 

menek ,maapenek 

sumosod 

sumake 

maatijëttip ^ 

sumake 
mapaidaidang 
mape, maape 
maijSr, maa- 

waijër 
tumaad 
maatatalinga 

rumStuk 
rumëndSm 



sosoan okki 

tStou 

rui 

tSkapen 



dumaki 
aki wawa 

[ )igitized by V^jOOQ 



woko 



mewe, maewe 
mêwali 



kumais 

tumotol, ruinijc 

tumuus, tuiuoii 

teng 
kumijar 

makasilig 

sangarijan , sa- 

ngari 
mërung,. raëuë 

rung 

mSngaku 
kumawok 

lumongkot 

sumosor 

sumake 

kumantang 

sumondak ' 

sumeret 
mapairairang 

maer, mSwaer 

tumaar 
mëlëlinga 

rumëtuk 

lumëlo 

maupus 

rumaki 
waki wawa 



VEUGEUJKBNDB WüORDBNT.UST 



217 



Bkmtenangsgu. 



TONSAWANOSCH. 



PONOSAKANSCH. 



BOLAANG- 
MONOONDOUSOH. 



jhijo 
riihi 
Lowawiai 



masiwik 

tuiniir of matur 



mënambuw 

tuinotol 

luinalingai 

(tainbuo), ma- 

natnbun 
mansilig 



(Hrung), mandi- 
rung 

mc^ngaku 
mahawi 

rumangen 

I 
musaka 

rumasog 

» 

mamirisak, * inu< 

laja 
mundasag 
rnanombak 
rnulawe 



londolo (of londo- 
lan?) chiding 

duchi 
bejagen 



sangaba 

mewe, maewe 
mali, maali 



uinala mohintSk 

tuladan 

tulan 

binatang 



pusok 

moiwog 
mator, moator 



tumambuw 

tumud 

sumelat 

lumSbëng of lu- 

mSwSng 
mëngarti 

bohoche, mohoch 

lumolong 



mongee 
kumapSt 

kumapSt 

mStung, maha- 

tung 
sumake 



suiuakera 

mowajamat 

madiril 



suwan, manuwan tumunduk 



morandi 
mansiluw 

mantyaQ 
masiwik 
gumilir 

(kamu) mongamu 
wawe 



rumandi 
matatalinga 

lumopei 

machatenem 

machalas 

mawasameen 
dalëm 



mowusakai 

momulai 

tumongtong 

lumowong 

motaau 

mojujung 

mongakau 
moponik 

moponik 

motukar 

dumasog . 

mosahap ' 

morasog 
mopoposilaka 

monuli 

rumandi 
mosahap 

sumali 

mokotuwos 

motawi 

'mopopokojongo 
monagija 



tapa 

tuladan 

tulan 

binatang (huis- 
dier), setang 
(dieren in het 
wild) 

monguwal, mo- 
putok. 

moibog 

moatod, (gelei- 
den) dumüdui 
(volgen, verge- 
zellen) 

mobutak 

modungkul, mu- 

na 
motarap. 

molobong 

motau 



mongampai 

mongaku 
moponik 

moponik 

motakod 

tumakoi 

momuntuk 

mogapa ' 

modatog 
mopobubutno 
mogimalou 
motuli 

mokokojoan 
mokidongo 



mokotanob 
motabi 

moporomuromu 
ko limonag 



1 Tatamnn =; 
kiuBdier of een beest, 
dat men opkweekt; 
voor de overige dieren 
in het Tonmbalusch 
geen algemeene naam, 
elke soort wordt afiton- 
deriyk genoemd. Elier 
en daar z^ men wel 
binatang, doeh dit 
wordt niet algemeen 
verstaan. 

* Knmëlnng komt 
van këlnngzr schild. 

' Bekruipen, d. i. 
zach^es loopen wegens 
een zieke, of om iets 
te grypen. 

* Voor beminnen 
bestaat er geen bepaald 
woord; men zegt lief- 
kozen, verlangen, 
medeleden. 



Digi1 zed by 



Google 



218 



VERGELIJKENDE WUOBDENl.IJST. 



Nederdüitsch. 


TOÜMBÜLUSCH. 


Toüiipak5wasch 


TONSEASCH. 


TONDANOSCH. 


Beneden (aan den 


witi patar, ' ka- 


amijona ing kun- 


aki patar > 




berg) 


tSkenan 


tung, wawa» a 
lopana * 






» (aan een boom) 


nihalaung ung 
kai, witi wawa 
ung kai 


amijona in tuur 


ki tuutna ung ka- 
ju, aki wawa 
ung kaju 




» (het huis) 


nihalaung um 


an tana ; amijona 


aki tana, aki wa- 






bale ; witi tana; 


im bale 


wa um bale 




, 


witi wawa um 










bale 








i (iemand in aan 


wawa ni anu 


ambawa im pren- 


wawa nianu 




zien staan, maar 




ta in tou ëssa ; 






ook: beneden, of 




am bawa in tou 






lager staan of 




gssa 






zitten) 




' 






Beneden de waarde 


tojo un tSlesna 


pira beenna, 
mura 






Benevens 


karija 


karapi 


karija 


ampit 


Benoemen 


ngumarau 


ngumaran 


ngumaran 


ngumaran 


Beoorlogen 


sumeke, sumuwu 


sumeke, sumuwu 


sumeke, sumuwu 


sumeke, mawu- 
kuan 


Beplanten 


tumanSm 


mus5wi, mausëw 


tumanëm 


tumanëm 


Berg 


kSntur 


kuntung 


kSntur, toka 


toka 


Bergen 


lumeos, tumutul 


mema, maema 


lumeos, mema 


lumeos, tumutu 


Berigten 


makatau, mapa- 
tau 


makatau 


makatau, mapa- 
tau 


makatau 


Berispen 


sumero 


mero, mapero 


sumero 


mero, mapero 


Berooven 


kumahat 


mandet, maandet 


kumaat 


kumaat 


Berooken 


tumapa 


tumëmbur 


dumëngkang 


tumapa, mëtapa 


Berouw 


mSnSsSl 


mënësSl 


manësSl 


manësSl, niSu5- 

sël 
mairang 


Beschaamd 


mairang 


malawi 


maidang 


Beschamen 


mirang, mahi- 
rang 


sumero 


midang, madi- 
dang 


mirang, mairan 


Beschimmeld 


rimuruwun 


rimuwua 


rimuwun 


timaruwun 


Beschuldigen 


kumSlak, tu- 


kumelak , tumo- 


kumSlak, tumo- 


kumSlak, tumani 




moke * 


ke, tumëndul 


ke 


pat 


Besmeren 


kumamu, misu, 
mahisu 


misu, maisu, 
kumusu 


kumisu 


misu, maisu 


Besneden 


kumawiri, (ha- 
nen) m51a, ma- 
hapSla (varkens, 
honden enz.) 


kumawin, su- 
muup 


sumëdSp 


kumawiri 


Besnijden 


sumisi 


tumetek 




tumewal 


Bespieden 


sumondak 


rumanda 


sumondak 


sumondï^k 






males , mapales 


dumungkud 


sumindii' 


Bespotten 


lumungkur 






\ 


Bespringen 


mikpik , mahapik 


papëntëk 


mikpik, maapik- 


mipik \ 




pik 




pik 


\ 


Best (vgl. beter) 


tahalous leos, 
tahaleos 


talous sama 


taalous leos , ta- 
leosso 


kasaleos < 

\ 


Bestelen 


rumëmu 


rumombit 


mangudu 


rumongkiti 
mgrenta, lAapS- 


Besturen 


mSrenta, mahap- 


marenta, maa- 


marenta, maapa- 




renta 


prenta 


renta /^^ 

Digitizedby VjOOQ 


[^renta 





VBRGBt.UKEïIOE WOOkOKKI.MSt 



219 



Bentenangsch. 


TONSiLWANOSCH. 


PONOSAKANSCH. 


BOLAANO- 
MONGONDOUSCH. 




Latikinan 


tudlndungusan 


kon tijolan 
bulur 


im 


ko limonag im 
bulud 


1 Witi patar, 
aki patar, a lopa- 
na = op de vlakte. 


apun kajuw 


lulongan ing kaju 


kon sijun in 
ngai 


ga- 


kon sijungon ing 
kaju 


doch ook wel beneden 
aan den berg, wanneer 
het daar ylak is. 


ulalunganen 
wale 


lulongan im bale 


kon sijup im 


baloi 


sijup im baloi, 
kon sijup kom 
buta 


-* Tnmoke = on- 
rcgtraardig beschaldi- 
gen, hetwelk de he 


»uwawam pa- 
renta 


bawa im paren ta 


am bawa im pa- 
henta 


ko limonagan in 


schuldiger zelf weet. 


andei 


karua 


inoponag im bo- 

linja 
takin 


ko limonagan im 

bolinja 
takin 




mëngaren 
Qoarongan 


momengal 
maseche 


moporait 
maseke 




monangoi 
moropatoi 




musuan 

vukir 

reso, mnndeso 

suinangintaton 


mëmaju 
dungusan 
mipa , maipa 
machataun 


mombula 
bulur 
motaua 
mopotaau 




momuia 
bulud 
motagu 
mopotau 




nanungkul 


merow, maperow 


maloan 




mogotod, mogi- 
malou 




naharapaa, ma- 
ngahuw 
mangusuw 
tumape 


mandet,maandet, 

dumapas * 
mohobol 
manësSi 


mogago 

mogowol 
mononsoi 




mongagou, mo- 

ijampat 
motaboi 
monontol 




irang 


monok\ja 


mooja 




mooja 




kiimalak 
mutu , mawutu 


dumapot 
kumusu 


inoojowun 

mopokalak, 

malak 

mogijog 


ku- 


sinaiyota 
mopotau , mopo- 

kalak , mopo- 

ngado 
moninit 








kumawihi 




monginggojau, 
mongabiri 




iQamutu 




sunat 




motoid 




inulaja 
sihi) manihi 


mirisa, mapirisa 
tumombak , mu- 
nombak 


mosahap 
mpsihi 




monahidi 
moniri 




humintik 


mepes, mawepes 


wusakai, musakai 


mobutak 




mapigolus 


maphamauleng 


mohopiha 




totuu motompija 




manakau' 


tumachau, mana- 
chau 


monakau 




monakon 




'nginarenta 


mapreta 

1 


momaheuta 




momarenta 

Di( 


itizedby Google 



iid 



VEllÖEMJltESDB WOOttDEJfl.WS*. 



Nederdüitsch. 


TOUMBULUSCH. 


ToUMPAKgWASCH 


TONSEASCH. 


TONDANOSCII. 


Betalen 


maijSr, ii[iaha- 
waij5r 


maer, mawaer 


maijër, maa- 
waijSr 


maer, mSwaer 


Beteekenis 


arti 


kasigitan, arti 


arti 


arti 


Betel (de vrucht) 


wawali 


lalai 


wawadi, dauna 


lalai 


» (de plant) 


ranina 


lalai 


danina 


ranina 


» (het blad) 




lalaina 


karokkas 




» (sin Iele) 


ranina kurambSr 






ranina kurambëi 


Beteldoos 


lelemaan 


tetëngaan 


tStëngaan 


tStëngaan 


Betelnoot 


wua 


tënga 


wua 


tënga 


Beter 


tahalous leos 


taloys sama 


taalous leos 


taleos 


Betrekken (een huis) 


mSnek witum 
bale 


sumosor am bale 


mënek witum 
bale 


lumongkot wale 


» (de wacht 


tumgon u lukar, 
lumukar 


tumimboi lukar 


dumukar 


lumukar 


Betreuren 


masusa 


masusa, mawSn- 

du 
marSnder 


mamej 


masusa, maarip 


Betwisten 


kumoro ^ 


kumoro, makoro 


tumokol, matoko 


Bevallen (zie baren) 










Bevel . 


tita, patuhun 


tita, taar 


tita, patuhun 


patuhun 


Bevelen 


tumuhun, < ma- 
tuhun; kumua 


tumaar, maataar; 
mee tita 


mee tita 


tumuhun 


Beven 


gumoogo, gumSr- 
gSr (de tweede 
in gumoogo 
slechts ten 
halve uit te 
spreken) 


gumoogo, gumë- 
gSr (de g's in dit 
laatste woord 
als de g jn het 
Hollandsch uit 
te spreken) 


gumSrëgSr 


gumogo 


Bevlijtigen (zich) 


sumigasiga, ma- 
hateetees 


morapora, ru- 
m5ndSr6ndSm 


rumairai 


sumigasiga 


Bevoelen 


mëndan, maha- 


mëndam, maa- 


mëndam, ma- 


mëndam, ma- 




pëndan 


pëndam 


apëndam 


apëndam 


Bevrijden 


milot,^ mahapi- 
lot; mondol, 
mahondol 


mSkkar,maaw6k- 
kar 


mido, maapido 


rumëta 


Bewaren (zie bergen) 










Bewierooken 


muwuk, maha- 


muwuk, maawu- 


muwuk, maawu- 


muwuk. maawu 




wuwuk ^ 


wuk 


wuk 


wuk 


Bezaaien (metpadi) 


kumSror 


kumëlor 


sumimboi 


sumimboi 


» (met andere 


mëspSs, maha- 


mëspSs, mapSs- 


sumimboi 




zaden) 


pëspSs 


p5s 






Bezem 


tetSpi 


kakais 


sosapu 


sësapu 


Bezoedelen (zie be- 










morsen) 










Bezweren 


tumiwa 


tumiwa 


tumiwa 


tumiwa 


Bidden (vgl. aanroep.) 


malei, mahalei 


mëngil^k 


makuwehe 


makiwehe 


BUlen 


pSnar, rurumSr 


pSnar 


P^'fz'^byGOOg 


pSnar, rSrumbc 



VB&GEIJjKfiNDfi WOOllOKKMJSY. 



iil 





, 




BOLAANO- 




Bentenangsoh. 


TONSAWANOSCH. 


PONOSAKANSCH. 


MONOONDOUSCH. 




mamajer 


mahir, mawahir 


mohuwoli 


moguboli 


' Tumuhiin = 
bevelen, wordt slechts 


silug 


bangarti 


mongalinija 


mangale 


in de derde persoon 


raunge 


balas 




obuju 


gebrnikt, b. v. si ma- 


raunge 


tuna 


puuu im balas 


sinsinge obuju 
daudaun 


jor tamnhun ni 
itu: de migoor beveelt 
dit. Doch niet a k n t u- 






Iele 


kondama 


mahun niitii, wel: 


pumamaman 


pëngangaan 


wanua balas 


pomamaan 


akn kumaa niitu 


maman 


ngangan 


mamaan 




= ik zeg dit. 


mapaempo, ru- 


kumapët am bali 


mopolitu 


mogutun 


> Milot wordt 


mangen suwa- 








meer gebruikt voor 


lei 








beesten.mondol voor 


mulukar 


kumarois 


lumukar, molu- 
kar 


moponik i lukad 
of molukad 


menschen. 


manungkawi 


mSkai 


m\jar 


mosusa 




kumual) mangual 


mëpate 


mogoginting 


morogenggeng 




lita 


tita 


pahenta, tita 


tita 




natuhun 


chomojow 


mopokojow, ma- 
ngojow 


mopotita 




umiki 


chumelech 


tumurun 


gumugur, (hui- 
veren van angst) 
iumokokog, 
(by koorts) mo- 
tonou (van 
koude) 




nakatees , ma- 


mawarëdSm 


pokotees 


mokorog 




tees 










aangelo 


kumokam 


(sonsan), monon- 
san 


monontan, mo- 
kokap 




aamule, mawule 


makad, mawakad 


(buiig), mopowu- 


mogukat 




nutapa 


sumusub 


munutun kama- 
nija 


raotuba kong ka- 
manya 




nusuan 


mSpSs, marut 


sumawor 


mowuwud, 
raolalin 




.akai 


kochahas, kaka- 
san 


kokuhich 


kokaid (bezem 
waarmede op 
het erf geveegd 
wordt) j tosim- 
pad (bezem 
waarmede in 
huis geveegd 
wordt; ^ 




nomuajo 


beanai 


mongiwot 


mongibot 




nakinawi 


sumobajang 


mochali doa 


moigum] doa 


itizedby Google 


atikenan 




kuiwuwut 


pogi ' Die 


3« volgr. IV. 









222 



VEROBtUKENbe WOOItDBMtUsT. 



Nederduitsch. 


TOUMBULUSCH. 


ToümpakSwasch 


TONSEASCH. 


TONDANOSCH. 


Binnen 


witi lalSm 


an darSm 


aki lalëm 


witung gorëm 


Bij (voorzetsel.) 


wija, witi, witu 


di, an 'aki, witu 


wija, waki, witu 


Bij (zelfst. nvv ) 


tampanrher jlamperan tampaneher 


tampaneher 


Bijeenkomen 


marewok , rume- maumung 


maremong, ma- 


marur, mërur, 




wok, mahare- 




rur 


maërur 




wok 








Bijten 


kumiki 


kumaret 


kumiki 


kumiki 


Bijvoegen 


mawës, mahawSs 


mawës, maawSs mawSs, niaawSs 


mawës, maawS< 


Blaar 


limonis 




limonis, mina- 
donis 


kimelembong 


Blaas 


IglSmpottën 


tuwung 


lëlëmpottën 


lëlëtupën 


Blaasbalg 


uuntappan 


uunta ^pan 


uuntappan 


uuntappan 


Blaaspijp 


sëput 


sgngo 


tëtek 


sëput 


Blaasstampers of 


uuntap 


uuntap 


uuntap 


uuntap 


zuigers 










Blaauw 


wiru 


olei 


wiru 


wiru 


Blad 


ranina 


lalaina 


danina 


lalaina 


Blaffen 


muang, mahuang 


min tuk, maintuk 


muang, |mauang 


muang, mëngu- 
ang, mintuk 
maintuk 


Blank 


kulo 


kulo (de ten hal- 
ve uit te spreken) 


puti 


puti 


Blazen 


sumSngo 


sumëngo 


sumëngo 


sumëngo 


Bleek 


kilo 


wagei 


sëdau 


dim ara 


Bleeken 


mSlar * , mahawS- 
lar, mapakulo 


mëlar ', mawSlar 


mëlar, mawëlar 




Blijven 


mënto , mahSnto 


mSna, mënto 


mënto 


mëna 


Bliksem 


sangelap 


kilat 


langelap 


ngerap 


Bliksemen 


sumangelap, raa- 
hapitpit 


kumilat 


malangelap 


mëngerap 


Blind 


IStok , rara « 


wola, këraoka 


pëdeng, rara 


përeng rara 


Bloed 


raha 


ënda 


daha 


raha 


Bloeden 


rumaha 


mënda, maenda 


dumaha 


rumaha 


Bloedzuiger 


linta 


linta 


dinU 


linta 


Bloeijen 


murak , mahawu- 
rak, sumSput 


sumëput 


sumëput 


masëputo 


Bloem 


wunga 


wunga, sëputa 


wunga , sëputna 


wunga, sëputn 


Bloesem 


wurakna, sëputna 


sëputa 


sëputna 


sëputna 


Bloot 


ronai 


tumangkol 


dantoi 


potai 


Bhisschen 


sumSwu 


lumësëm 


sumëwu 


sumëwu 


Bode 


aatu, raruruan 


rurunduran 


aakërën 


rërëoan 


Boei 


sosolongan 


sosondoUan 


sosolongan 


sësolongan 


Boeijen (de voeten) 


sumolong 


sumondol 


sumolong 


sumolong 


» (de handen) 


sumëki 


sumëki 


sumëki 




f (de handen 


raalur, mahawa- 


makës, mawakes 


wakëssën (pass.) 




kruiselings binden) 


lur 








Boete 


pin5ngogot, * 


sala 


sala 


rogot 




nyogotf sala 




Digitizedby VjOOQ 


[e 



VERGELIJKENDE WOORDEN Uii'ST. 



223 



Dentknanüsch. 



TONSAWANOSCU. 



PONOSAKANSCH. 



BOLAANO- 
MONGONDOUSCH. 



uhahon 
i 

•atjukan 
ausoma, mai- 
mun 

nangiki 
onden) mang- 
oaden 
aalisu 

)oju 
luntappaii 

iupu 
mntap 

nalunan 
uwun 

lumuwu of mu- 
huwu 

nawuro 

tjup), manjup 

nakula 

iiainuro 

nunto 

vila 
nungkila 

MTUta 

nnalunsa 
naanialunsa 

lamatik 
rnuwurak 

bungan 

wurak 

tintalang 

muno, mawuno 
aingka 

pananiki 

(siki), moniki 
luoniki 
jpipangke 
sala 



asuwang 
besi 

lapechedan 
sumSsën, masS- 
sën 

kumiki. kumeket 
dumohang 

molotu 

titijan 
utawan 



raatak 
cunanaf 
malod, maalod 



budo 

sumeput 

tina 

mawawudo 

mulo, sumondo 

kUat 
kumilat 

wiita 
daha 
mararahaw , du- 

maha 
lita 
mSsich, mamë- 

sich 
bungan 
pesiga 
kumdaaj 

mate, mapate 
doruduan 



mobatung 
mobatung 

marocho 



kon suang 
kon 

pot^ukan 
nopunsu , mo- 
punsu 



kom bonu 
ko, kon 
pasijukaii 
nojosipun, mojo- 
sipun 



kumahat mongalut 

dumuhang, mo- modugang 

ruhang 
noralis 



bunuatoi 
ountappun 

soput 
ountap 

molunaw 

daun 

morongap 



(yup), mSnyup 

raowilai 

mopowuro 

salaai 

kilat 
kumilat 

bilog 
duhu 
dumuhu 

linta 
momujak 

bungan 

wiyak 

bolas 

muno, mawuno 
suruan 

papingku 



mosowat 
mosowat 

salu 



mopusi, mobudo 

mogirup 

mobilai 

momusi 

motala 

kilat 
dumokodokot 



binotuan, noto- 

nana 
totoyan 
ountappan 

totoput 
ountap 

mobidu 

daun 

mogau,modongap 



1 MSlar beteekent 
jin de eerste plaats 
droogen; ipapa- 
kalo un simbël 
het wokablad wordt 
droog gemaakt (door 
bet nl. in den zonne- 
schijn te leggen). 

* LStok, wola, 
pSdeng, pêreng, 
blind , zoodat men niets 
meer zien kan, rara, 
këraoka, zóó dat 
meu nog een weinig 
kan zien. 

* Mojoboi is van 
bojoboi = bloesem 
van den papaja, de 
mais, pinang, kokos; 
mojoboi bet. dus het 
bloegen van die planten. 

4 Pingngogot = 
boete of: is beboet ge- 
worden (nl. wat betreft 
goederen.) Dit passief 
wordt dikwerf ook als 
zelfst. nw. gebezigd. 



nobilog 

dugu 

dumugu 

linta 
momujok, mojo- 
boi» 
bigak 

bujak, bojoboi ^ 
mongimbolat 

momatoi kon tulu 
pinotaba 

imantun (voet- 
boei), papSng- 
kun (handboei) 

lutudun ko iman- 
tun 

lutudun kom pa- 
pSngkun 

punguon ko lima 
(Pass.?) 

bobogoi 



Digitzed by 



Google 



224 



VERGELIJKENDE WOORDENLIJST. 



Nederduitsch. 



TOUMBULOSCH. 



TouhpakSwasgh 



TONSEiLSGII. 



TONDANOSCH. 



Boeten (beboet wor- 
den) 

Beboeten (iemand) 

Bogchei (bult) 
» (kromme rug) 

Bok 

Bont (gevlekt) 



» (veelkleurig) 
» (gestreept, ge- 
lijk jonge wilde 
varkens, of 
hout) 
Boodschap 
Boog 
Boom 
Boon 

Boor 

Boord 

Boos (toornig) 

Borduren 

Borgen 



mSroko , ^ pontol 
lan sala, pë- 
ngogottan 

mSngogot 

wogko 
wSngkur 

bembe manda- 

ngan ' 
kolongan 



wSreng, këretan 
warotan 



Borst 
Bosch 
Bouwen 

Boven 

» (op een* berg) 



» (op een* boom) 

» (op zolder) 
» (op het huis) 



» (op de nok van 
het huis) 
» (iemand in be- 
trekking) 



» (de waarde) vgl. 
duui' 



awar, n 

pitik 

kai , tuur ung kai 

sarupapa 

gogori 

tëmbir, wiwina 

maupi 

sumusuk, sumuit 

sumawël *, suma- 

kuta,. sawSl- 

lan , sakutaan 

w5rw5r 

talun 

lumeos 

wawo , atas 

kuwuna ung k8n- 
tur, * witi ra wis 
ung kSntur , wa- 
wo ung këntur. 

witi rawis ung kai 



mëroko 



wookko, luntung 
wookko 

membe monda- 
ngan 

kolongan , wa- 
langan , kolom- 
bang 

kSretan 

warotan, warojan 



abar 
vvintir 
tuur kaju 
sarupapang 

bor 

tSmbir 

maambou 

sumusuk 

miram, mairam 



randak 

talun 

mema, maema 



mSroko 



woko 
wëngkur 

membe tuama 

kolongan 



wëreng 
warotan 



abar 

pitik 

tuur ung kai, kaju 

sarupapa 

gogori 

tSmbir, 

maambou 

sumusuk 

sumakuta 



wSdwëd 

tadun 

lumeos 



an atas, am bawo wawo , atas 
am bawo ing kun- aki atas un toka 

tung, an tSm- 

pok ing kun- 

tung, puruk ing 

kuntung. 
am bawo of aman 
gena in tuur ing 

ksgu 



mëroko 



mërogot 
woko 



membe maiida- 

ngan 
kolongan 

këretan 
warotan 



ambar 

pitik 

tuur, akaiia kaj 

sarupapa 

gggori 

tëmbir, wiwina 
maupi 
sumuit 
sumakuta 



w5rw5r 

talun 

lumeos 

atas 



witi paha, wawo 

um paha 
wawo of atas un 

aatëppan 

wawo ung ku- 
wuna 

si anu si rakek 
taan si J = 
N. N. is hoo- 
ger dan A. 

lakkër untSlesna 



am bawa in soldor 

of: in soUmai 
ambawoinaatSp- 

pan, am bawo 

im bale 
am bawo im bu- 

wungan 
si anu un dangka 

e si J 



kSUi um beenna 



aki atas ung kaju 

aki atas aatSppan 

aki atas wuwu- 

ngan 
si anupe si pang- 

kat si A 

dakkëd un tSles 

)igitized by V^jOOQ 



TfiROELIJKfiXOE WOOBDBNtUST 



?25 









BOLAANG- 




Bentenangsou. 


TONSAWANGSCH. 


PONOSAKANSCH. 


MONGONDOUSCH. 




tiiiarupan sala 


imarocho 


dinopotan in sala 


motala 


» Mëroko:= boe- 
ten , doch zwaarder dan 
pëngogottan. 


non d upa sala 


mSrocho 


modopot sala 


mopotale 


* P5ngogottan = 


vangkuk 


kStud 


bangku 


bungkut 


die beboet wordt. 
' Mandangan 


noudangan 


bembe tuama 


mandungan 


bombe kolakijan 


wordt gebezigd om het 
mannelijk geslacht aau 


simpalan, sSm- 


sëpalan 


sëmpalan 


tampalan 


te duiden yan schapen 


palan 








en geiten; voor dat van 
andere viervoetige die- 


nuwuinting 


morowatich 




binalang 


ren bezigt men bijna 


lowolaki 


baretan 


landokkan 


bali 


altijd tuama. 

* SumawSl, su- 
maknta = ter leen 


ihabar 


abar 


hawar 


habar 


vragen. Sawëllan, 


)apitik 


bStir 




pijot 


sakutaan znaan ie- 


>iin 


tud 


punu 


pangkoi 


mand ter leen geven. 


K)ntjis 


bontjis 


kasang 


buooi 


* Kuwuna ung 


akuwi 


bor 


bor 


bor, bobuan 


këntur = top van 


urune 


silina 


biwig 


bibigija 


den berg. 


Lumual 


moboro 


hanas 


turaoru 




Luminëk 




sumudji 


mosugi 




namulas 


miram , mairam 


iumuan, maluan 


moluwan, mopo- 
luwan 




•ak 


dadach 


darow 


dodob 




iagurangSn 


talun 


gogujangan 


kajuon 




naapainto 


mogimano 


momija 


mogaid 




rame, suwawo 


am bao 


manita 


limonik 




rame suwuki 


am bao in du- 
ngusan 


kon turu im bulur 


kon tudu im bu- 
lud; koalessa 
im bulud 




rame sukotonge 


aniwus kajuw 


ko uruk ingangai 


ko Inntung ing 
kiyu; ko limo- 
nik im pang- 
koiivja 




rame supanulung 


am bao soldSr 




ko luntung 




ramesulikurwale 


am bao isupan 


monikya atop 


ko luwa i atop 


. 


rame saliwungan 




kom binuwungan 


kom binubnngan 




ninto msrange; 


matatang 


masolar im pang- 






kinore karange 




kat 






kimure, nakure 




naponik im bo- 


modamal im bo- 








linija 


linja; ko limo- 
nik im bolinja 


zedby Google 



226 



VERGELIJKENDE WOORDENLIJST. 



Neukrduitsch. 



TorMBULÜSCH. i Toi mpakSwasch 



TONSEASCH. 



TONDANÜSCH. 



Braaf 

Braden (vgl. bakken) 

Braken 

Branden (in br. raken 

of staan) 

» (aansteken een 

lamp, kanokano 

enz.) 

» (vuur aanmaken 
in keuken of elders) 
» (een huis) 

» (vlammen) 
Brandhout 
Breed 
Brein 
Breken * 

» 



Breken * 

Brengen 

Broeder 

Broeijen (vgl. zitten) 
Bron 

Brug 
Bruid 

Bruidegom 
Bruin 



fiuffel 

Buigen (iets of zich 

achterover buigen) 

1 (zich voorover 

buigen) 
1 (de knie bui- 
gen) 
Buik 

Buiten (het huis, op 

het erf) 

1 (het erf, aan de 

andere zijde) 
1 (het dorp, aan 
den kant der 
negeri) 

Buskruid 



leos 

mSra, mahapëra 

lumua 

malaung 

tumutung 



rumiket 

lumaung 

lumsgas 

lungu, 1 pinyas 

ISmpar 

utëk 

mm&pu, maha- 

rffpu 
sumSmpo , maha 

sëmpo 
tumarar, maha- 

tarar 
rumepes, maha- 

repes 
mar&pu, mas6m< 

po, matarar 

marëpSs 

mali, mahali 

katuari tuama 

maharum&r 
këmbuan un dano 

tete 
kaleos 
kaleos 
prangdaugan 

kSrwou 
rumeru 

mongkot, ma- 

hongkot 
kumurur 

poot 

witi lessar 

witi lewet 

witi tSmbir um 
banua 



sama 

mSra, mapSra 

lumua 

malaung 

mengkSt, rumi- 
Ijet 

mengkSt, rumi- 

tjet 
lumaung 



uwa 



maëmbung 



kaju 



pinijas 



wSlar, iSmpar 

ngaas 

lumentu 

sumëmpo 

mSte, mapéte 

rëmbus, rumSm< 
bus, marSmbus 

malSntu, masëm 

po, mapSte 

marëmbus 

mali, maali 

poow tuama 

lumukut 
Icmbojan in dano 

tetc 

paromaan 
maroma 
praindangan 

kSrwou 
lumea, mëiitir 

kumuru 

kumundu 

poot, tinai 
ang kintal 



luwar ing kin- 
tal 
luwar inroong 



leos 

roSra, mapëra 

dumua 

malaung 

tumutung 



rumiket 

lumaung 

rumambun 

dungu ^ pinyas 

dSmpad 

utgk 

rumSpu, maarëpu 

sumëmpo, ma- 

asëmpo 
mëpor, maapSpor 

rumangkut, ma- 
arangkut 

marëpu, masSm- 
po, mapgpor 
marangkut 

mawa, maawa 

katuari tuama 

tumSkur 
pakëmbuan un 

dood 
tete 
si endona 

parundangan 



karbou 
rumSko 

mongkot, ma- 

hongkot 
kumuru 

tijan 

aki kalassan 



aki pinggir um 
banua 



uwa ^ tiwa 

Digitized by VjOOQ IC 



leos 

mSra, mapSra 

kumSro 

marengis 

tumutung 

tumou api 
rumSngis 

lungu 
pënar 
utëk 
rumSpu 

sumSmpo 

m&te, mapSte 

rumangkut 

marSpu 
masSmpo 
mapSte 
marangkut 

mali, maali 

patuari tuama 

mërumun 
gagaran, kern- 

buan dano 
lelembetan 
kaleos 
kaleos 
meatuwa 



kSrwou 
rumSko 

monghot, maon^ 

kot 
kumurur 



tijan 



VBKGErjjfcBllDK WOÖRDENtlJSt. 



til 









BOLAANG- 




Bentenangsch. 


TONSAWANGSCH. 


PONOSAKANSCH. 


MONGONDOUSCH. 




napigo • 




mapiha 


mopija 


> Lungu, kaju, 




gumoreng 


magoreng 




dungu: brandhout in 


urn uk a 


lumua , malua 


mososuka 


mototuka 


het algemeen ; p i n ij a s: 


aapiis 


masengit 


tutungan 


noturub, nopokag 


wat reeds aau stukken 
gekapt is. 


nundiki 


tumutun 


majongkit 


mointam, mona- 
rab, moijongkit 


2 Breken (met 
opzet ieta breken). 


naharoro 


momowaha 


rumumpul 


momijag in tulu 
ko abu 


' Breken nl. in 


sohow), raano- 


tumutun 


mohotutun 


noturub 


trans.; deze verba wor- 


how 








den meestal in het p e r- 


lumembang 


melab 


lumingas 


tuin dumokot 


f e e t u m gebruikt , als : 


linanSn 


nitoka 


poruru gangai 


kaju podunguan 


nimarSpu rz is ge- 


nawuna 


belada 


moolar 


moolad 


broken, nimasSmpo, 


nuw 




utok 


onggu 


nimatatar, nima- 


nawure 


lumeku 


mowahi 


moputol 


rëpes. 


nusak , mapusak, 

inapoga 
fiutus, mawutus 


(beta),meta 


mohumog 


morumog 




dumudut 


mobontou 


mobontou 




lawure, napu- 


bechaleku, be- 


nowahi, nohumog 


noputol^norumog, 




sak, napoga, 


chaeta, becha- 


nobontou 


nobontou , 




nawiitus 


rudut 








egom). maegom 


meang, mapeang 


(dea), morea 


modija 




ingkatuwang 


pog tuama 


utas lolaki 


utat lolaki; ki 




mohonej 






lolaki 




aak 


mamasok 


mohongow 


mogoob 




vukaka 


beleng inache 


bukaka 


bokaka, limbuong 




etej 


tete 


totoi 


totoi 




apuhan 


makoroangan 




kantang 




apiihan 


makoroangan 




kantang 




nawijas 










akarnbou 


karwau 


kahambou 


karombou 




Qulêkom 


lumead, malead 




mobelung 




umurung 


kumuchu 


mosnmba 


kuraudung 

dumulud, modu- 
lud 




jijan 


tijan 


tijan 


sijan 




ulij uw im bale 


sili im bale 


kong kintal 


ko likud im baloi 




uiijuw i linsar 


sili ing kintal 


kon silii intondok 


ko likud in dolaag 




ulijuw im banoa 


sili in doong 


kon sihi im bonua 


ko likud i lipu 




iwa 


nha wrtlutam 


ko lawai 


uba Dig 


tizedby Google 



UB 



VeaÖELtJlCENDB WdORbBKLtlSt. 



Nederduitsch. 



TOUMBULDSCH. 



ToUMPAEëWASCH 



TONSEASCH. 



TONDANOSCH. 



Cijferen 

Cirkel 

Citroen 

Daad 



Daar (in het alge- 
meen) 
Daar (te A) 

Daar (uaar boven) 

Daar (in het O.) 

Daar (in het W.) 

Daar (in het N.) 
Daar (in liet Z.) 
Daar (beneden) 



Daarna 
Daarom 

Dadelijk 

Dag 
Dagelijks 

Dageraad 

Dak 

Dal 

Dalen (zie afbrengen) 

Damp 

» (mist) 

» (rook) 

I (wasem van 

spijs) 
Dapper 
Darm 

Dat (zie deze) 

Dauw 

Deel 

Deelen 



Deernis 

Degen 

Deining 
Deinzen 

Deken 



rumeken, mijap 
mahijap 

wulelen * 

lemon nipis 

papaajangan, le- 
leossën », pina- 
ajang, lineos 

witi , kSnuma 

witi A; wauama, 
wituma ■ 



witi sSndangan 

witi talikuran 

witi amijan 
witi timu 



muri 

pahapaan, niitu 
WO, nijanawo 
tarekan 

Sndo 

susur i mSndondo 

sasur in Sndo 
sarag * 
aatSppan 
pasong 

susuw 
sëmu 
awun 
susuw 

wusga, waranei 
tinai 



ninSllu 

weteng, wowa 

meteng, maha 
weteng; mowa, 
mahawowa 

rumaraate 

santi; pisou lom- 
bot 
sSmpa 
sumoisoi 

uulSs 



tumembe 

purengkei 
munte inta 
tatawoijën 



tumikSm 

wulelen 
munte inta 
papaajangën, 
wawai 



am bitu, a mange 
an A 
a-mange 
a-mitjo 
a-mako 



a-monge 
a-meko 



a-mijo 



somoi 
ana itu 

tarepe 

Sndo 

susur in ëndo 

wena 

aatëppan 

koso 

susuw 
laleindSng 
tSmbur 
susuw 



wua)a 
tinai rintSk 



ngSllu 
weteng 

meteng, ma we- 
teng 

maupus 

pisou lambot 

walolong 
mareng, mawa- 

reng 
patawunSn 



aki itu 



aki sSndangan 

aki tadikudan 

aki amijan 
aki timu 



tumikëm 

tambulelen 
munte inta 
papaajangën 



witi ila, menai- 
mae 



I 



mun 
pahapaan 

kawait 

ëndo 

susud in Sndo 

wena 

aatSppan 

pasong 

sengor 
engur 
awun 
sengor 

ivuaja 
tinai 



dangSddu 
weteng 

meteng, mawe- 
teng 

rumSndSm , taa- 

didi 
santi 

sSmpa 
snmorompot 

uulSs r^^^^ 

Digitizedby VjOOQ 



mun 
paapaan 

tarekan ijai 

Sndo 

susur nSndo 

behana 
atëp, atSpan 
pasong 

sengor 
ISleindSm 
awun 
sengor 

wuaja 
tinai 



sao 

weteng, wowa 

meteng, ma we 

teng, mowa, 

mawowa 
maupus 

pisou lambot 



sumurompot 
uulSs 



k 


VfekQELUkBNÖE WÖORt)ENLtiSt. 


&2d 


f 
Brntcnanosch. 


TONSAW.^NQSCH. 


PONOSAKANSGH. 


BOLAANO- 
MONGONDOUSCH. 




(tjap) manjap 


tumebe 


moheken 


mogijap 


" Wulelenrrplat- 


malimbiing 


karot berlimbung molimbung 


molimbung 


rond. Ook wel: een 
kring, cirkel 


inla 


lemo nipis 


muntoi onta 


limu unta 




kaliniuan 


patawojan 


oajei*an 


oaidan 


* Papaajangan 
en leleossSn wor- 
den gebezigd waaneer 


sene 


bibocho 


konijon 


kon tua 


het werk nog niet ge- 
reed 18; pinaajang 
en 1 i n e 8 wanneer het 


SU A 


an A 


kon A 


kon A 


werk reeds gereed is. 


<5one ram 


bibocho ambai 


ko monita 


omonik (berg- 
waarts) 


* Wanama, wi- 
tnma dient als ant- 


serie paj, suwan- 


bibache 


musata 


omuik (?) 


woord op de vraag: 


gan 








is A te AP Witu- 


sene wawa, sura- 


bibonge 


makota 




ma of wanama = 


p5n 








is daar. 


sene raja,sawuna 


bibuli 


muita 


monag 




sene lar, timu , 


bibijow 


monatën 


monik 


4 De g in sarag 
moet slechts een wei- 


seiie wawa 


bibocho an dalam 


ko monata 


omonag (neder- 








waarts), omun- 


nig worden geboord. 








tag (strand- 










waarts) 


* Tinae ^ darm; 


jamuri 


amahachad 


kou somui 


kon tumi 


tiwocho =z pens; 
esalach == groote 


jahapa nuSntu 


apaapa ibocho 


sëbab, mijan 


sSbab, malun. 








malunan 


darm; riseh = kleine 


^ahirën 


talewe 


sokojumai 


tongopimai 


darm. 


conuan, iwi 


5ndo 


singkai 


singgai 




>ingkonuan 


susud in Sndo 


pinomuloi singkai 


pomuloiinsinggai 




awaken 


chunuangen 


lawakanan 


bunanang 




Uup, liwungan 


kukun 


atop 


atop 




kolemak 


lepahan 




lobakja 




sangu 


sapunga 


hagut 


gabussa 




fiawun 


tuwuot 


hagut im buta 


topuot 




5UW 


obol 


owol 


pojok 




bvahanej 


waranej 


morogi 


morogi, buaja 




lusur, tincj 


esalach, tinae ^ 


kompong 


kompong 




lamu 


saho 


olu 


olu 




kvowa 


weteng 


sukat 


silai 




nuwowa 


metengf, mawe- 
teng 


sumukat 


mosilai 




gilir) gumilir 


machales 


motawi 


motabi 




towi 


simala 


pupul 


sumala 




olong 


lendi 


bokol 


tolog 




mmimbu 


sumojot 


umundok 


mundog 




cakura 
3e volgr. IV. 


kokob 


tatawon 


pongangkub 

Dig 


tizedby Gootje 



SlJJö 



Vergelijkende WooiibG^^i.fJsf. 



Nederouitsch. 


TOUHBULUSGB. 


ToUMPAKëWASCH 


TONSEASCU. 


toNDANOSCH. 


Dekken 


mul&s, mahulës 


tumawun 


mulës, mahulSs 


mulës, maules 


Deksel 


kgkglgw 


këkëlSw 


kSkmgw, toto- 
ngew 


këkëlëw 


Denken 


gumSnang 


rumeken 


gumënang 


j^umënang 


Derde 


katgllu, kuroa- 


kumatSllu 


katëllu, kuma- 


Latëllu , kuma 




tSlln 




m\u 


tëllu 


Deur 


pSpënët, 


papalSn 


pëpënët 


pëpalën 


Dewijl 


pahapaan , niitu 
WO, nyana WO, 
ja niitu 


paapaan, anai, 
ana itu 


pahapaan, ni itu 


paapaan, janii 


Deze 


kSnfi^itu^itii», 


anijojitu, nijo, 


niai,,itu,itii, niija, 


itu, itii, ija, ai 




ija * , ana 


siijaiy siitu. 


ana 




Öez^fiie (al^ dje van 


kënukan, nisija- 


si)ana 
anijoka. isijaka. 


kënukan, nisija- 


nisijakah, niitu 


vroeger, maar pok: 


kan, niitukan. 


siituka,n\jasaka 


kan, niitukan. 


kan, niijaka 


die of dat verhoren 


niijakan 




niyakan , nya- 


nijanakan. 


was en wederge- 






nakan 




vonden is) , 










Dezelfde, (juist dit en 


nis^?» niitu, niija. 


isija,.^ütu,niya» 


nis\|a, pütu, niija. 


nisija, niitu, niij 


geen ander) 


nijana 


si^ana 


nyana 


nijana 


Dezelfde (ditslephts; 
niet meer, dan dit. 


kënu uinan, sija 


anijokë, sijakS, 


kSnu uman, sya 


sya ite, itu ite. 


uman,ituuman, 


itukg, sijanakë. 


' uman, itu uman. 


ite, ana ite 


ofdanhij,zij[sija]) 


via uman, ana 
uman 




ya uman, ana 
uman 




Dezelfde (dit is. nog 


kenumokan , 


si anijooko^ isyao 


kenumokan, ni^i- 


nisya mokan , i 


slechts overgeble- 


uisijamokan. 


ka, siituoka, 


jamokan, nija- 


itumokan , i 


ven, het ander is op; 


niitumokan , 


siijaoka. sijana- 


namokan 


ijamokan, nr 


of: hij , zij is over- 


niyajoaokan,. 


oka 




namokan 


gebleven, de ande- 


nijanamokan 








ren zyn vertrokken) 










Dichtstuk 


raranih 


nanain ..^ 


tatambakën 


tëtambakën 


Dief 


tou margmu, ^si 


tou rumombit,si 


tampangudu 


rongkit, rumon 




marSmu , tare- 


marombit 




kit 




muSn * 








Diefstal 


rinëmu • 


rinombit 


pinangudu 


rinongkit 


Dienaar 


maopo 


matuang 


au 


- 
maopo 


1 (slaaf) 


aU 


ata 




ata 


Dienen 


maopo 


matuang maopo 


maopo 


maopo 


Dienstig 


makaleos ^, bër- 
guna 


katoroan 


makaleos , bër- 
guria 


kalooran 


Diep 


rarSm 


rarëm 


rarëm 


rarëm, urëp 


Dieplood 




patonton 


patonton 


watu tëtoro 


Dier (zie beest) 










Digt (van lijnwaad) 


imSk 


rimat, imSk 


rimat, indët 


rimat 


Digt (van rijst op het 


indSt, kimSr 


rimat 






veld) 










Digt (van ander 


kimër 


rimat 






plantsoen) 










Digt (van planken, 


rinSp 


këtëp 






welke naauwslui- 










tend aan elkander 










zyn geschikt) 










Digt (van aarde, 


rimat 


rimat, imSk 






hout) 
Digtby 


leler, tawi 


tawi ^ 


tö^H^tfr^S' 


êiwi 



VBBGEI.IJKENDK WOOKDENI.UST 



?31 









BOLAANG- 




Bentenanosch. 


TONSAWANOSCU. 


PONOSAKANSGH. 


MONOONDODSOH. 




kumura of kuma- 


kumokob 


monawon 


moponangkub 


1 Kënn wordt zoo- 


kura 








wel zonder als bij 


atongkop 


nakolob 


totingkop 


talobja 


een voorw. gebruikt, 
en zoowel voor leven- 


nanahandum 


rumeken 


mokiha 


morai 


looze ftU levende TOOt- 


katulung 


kumatellu 


kotoiu 


nogintolu 


werpen. 


ftapuna 


tatakew 


lolus^an 


lolingkop 
sSbab, malun, 
malunan 


* Itn staatalleen, 
in de plaats van leven- 
looze voorwerpen. 


.ui, itui, itue 


jai, ijai, ibocho 


tain, naa, nijon 


naa, nijon 


s Itii staatalleen 
voor levende en levsn- 
looze voorwerpen. 


tue 


ijana 


sitan\jon 


naaka, isija, 
isyaka,kiinta- 
nijon 


* Ija en ana staan 
alleen, in plaativan 
doode voorwerpen ; ko- 
men zij vóór eenTOor- 


oe, toi 


wai 






werp, dan zegt men 
ijai en anai. Voorts 
zQ nog Bangcmwkt, 
dat ija op een vooi^ 
werp doidt, dat digt 
by den spreker is« en 
ana op een, dat dlgt 
is by den aange- 
sprokene. 

^ TaremnSn = 
dief, of door wien dik- 
werf gestolen word*. 


lajang 


ngaran 


toliwog 


lolibag 




akou 


tachou 


mononakau 


mononakou 


• Ringmu = is 
gestolen geWordeA ; d(t 


)inanakoun 


tiiiachou 


pononakau, pino- 
nakaii 


sinakou 


dikwerf als zelfst. n. W. 
gebezigd, enbeteekettt: 


omaa empo 


pomijagen 


oupilon 


ata 
ata 


het gestolene. Ook 
de woorden voor dief- 


(umempo 


matuang 


mokuepil 


mëkijompu 


stal in de overige dial. 


iatoron 


katoruan 


bahaguna 


mopija ' 


ign eigenlijk passive 
vormen' van verba. 


naralum 


dalem 


moralSm 


raodalom 


• 


tapu 






ladnng 


1 Makaleos wordt 
vooral van mediefn 


punas 


rimat 


morimol 


mobunod 


gebruikt. 


sësSk 


pisSg 


motoros 


motodod 


' 1 


sSsSk, kupal 


pisSg 


motoros 


motodod 






mëtau 


Qohokompit pija- 
pija 


raokunsip in dopi 




mapunas 


rimat 




moalus 




maegei 


susut 


morijug 


modijug ^. 


tizedby Google 



232 



VERGEr.IJKENDE WOORDENLIJST. 



Nederduitsgh. 



TOUMBDLUSCH. 



ToümpakSwasch 



TONSEASCH. 



TONDANOSCH. 



Dijk 
Dik 
Distel gl. doorn 

Dit, zie deze 
Dobbelen 

Doch 



Dochter * 



Doen (zie arbeiden) 
Dojer 

Dolen 



Dom vgl. dwaas 
Dompelen 

Donder 
Donderen 

Dondersteen 

Donker 

Donkerrood 

Dood 

Doodstraf 

Doof 

Door 

Doorbrengen 

Doorgang (gemaakt 

in een' berg) 
Doorgang (door de na 

tuur gevormd tus- 

schen twee bergen) 

Doorgang (tusschen 

twee kamers, poort, 

deur) 
Doorn vgl. distel 

Dorst 
Draad 

Draagstoel , of draag- 
baar 

Draaien 

Draayen v. e. tol, 
wiel enz. 



paa 
litir 

kurambSr 
susula, pupu- 
lantei 

lumeong un top, 

mauntungan 
taan 



okki wewene * 

ririgna 
sumala 



longon 
rumirip ' , mun- 

tëp, mahuntSp 
grut 
mêrut, mahërut 

kilapong 

rimbgngbSng , 
wëwgng\jan 
rangdaiig tua 

mate 

ran tongen 
luntSng 
witi, wija 
kumaapu 

tinSngkol , kine- 
tor 
loloangan 



loloangan 

susula 

reo , mareo 
wiwilit 

wuwulengan 

murikit, mahapu 

rikit 
lumojan 



paa 
lisid 

kurainbër 
tutune, pupulut 



mSra, mawëra in 

top 
taan 



anak wewene 

kunina 
sumea 



longon 
numinim ', tu- 

minSp. 
Srut 
mërut, maërut 

kilapong, watu 

ing kilat 
rimbeingbSng 

raindaug matua 

mate 

rantongan 

wSngël 

asi 

kumaapu 

pinou, pinosok 

kosso 



panapa 



tutune 

mareom 
wiwimbilSn , 

tinitjoi 
wuwulengan 



kumendong, ma- 

reng 
rumingin, ma- 

ringin 



paa 
litid 

kurambgr 
susuda, pgpujut 



lumeong un top, 

mauntungan 
taan 



rinte wewene 

riri un atSdu 
sumala 



longon 
duiuidip 

tangkSr 
matangkër, maa- 

tangkSr 
kilapong 

wêwëngijan 

undang tua 

mate 

ran tongen 

duntSng 

wija, aki 

maapu 

pinosarupit 



pinasarupit 



susuda 



reo, mareo 
wëwilit 

wuwulengan 



murikit, maapu 
rikit 



paa 
litir 

kurambër 
têtune, pupu- 
lantei 

maanjang top 

taan 

urang wewene 

meaburenga 
sumelok 



lengei, wengol 
lumilip 

tangkër, leuter 
niëtangkSr, ma 

lenter. 
kilapong 

bSwengijan 

uicutua 

mate 

rautongëu 
luntëng 
wija, waki 
maapu 

sinoroapit 



lumojai^ 

igitized by V^J' 



oog 



sumësula, iëiw 

reo , mai'eo 
wëwilit 

wëwulengan 



murikit, maril 
masui 



VEEGEMJKKNDE WOORDENIJJST. 



283 



Dentenanoscu. 



TüNSAWANOSCH. 



PONOSAKANSCH. 



BOLAANO- 
MoNGONDOUSCH. 



pajang 

raleii 

makupal 

tuiiai 



taan 



torarijo wewene 



paa 
serang 
kunambël 
pa toch 



metean karuwan 

jondej 
sumata 



kedong bene 



wuhenga tutunach in atë- 

I I luch 

timpang nasala, ;bcureng, niësea 

nasala tinatum- 

pang 
likag 
mudum 



ruluk 
iiiuruluk 

watu ruliik 

iriuli 

mcngitu nitum 

matei 
pupatei 
,\vüngül 
iii 
ikurnantang, ku- 

tintang 
'pinontol 

Lula 



:sula 



tuiiai 



rou 
vviniling 

wawolengan 



iriutambulUing 

i 
putali 



longon 

inened, mahened 

koruchud 
machoruchud 

batuna ing kilat; 
batu koruchud 
dëndëm, bëiigi 

rneha matua 

mate 

dinatoug pinatei 

bëngël 

i 

belelong, kuma- 

wu 
dungusan, pino- 

rok 
patutudan 



patutudan 

patoch 

tinikoi 
totambalan 

tumali 



paha 
litir 

mawunor 
dugi 



dongka 
ari bowai 

mologijur 



paluwa 
dumolop 

gotup 
mugotup 

batu kilat 

morolom 

mopuho motogu- 

hang 
matoi 

hukuman matoi 
bongai 

mokorais 

buiui- pinusu 



paa 

ambongon 
mobunod 
dugi 



motop, mogogi- 
to^ in top 



adi bobai 



dajag in natu 
moitala 



* Er is nog ecu woord 
wikko. Dit beteokent 
eigenlijk het puden- 
dammnliebre, doch 
het wordt ook gebezigd 
van of t o t eeue doch- 
ter sprekende. 

* Okki wewene 
beteekent ook schoon- 
dochter. 

' R u Dl i r i p en 
naminim beteekenen 
ook onder het water 
duiken. 

* Mopura mo- 
gnod = lichtrood. 



dugi 

mohohang 
tiningkoi 

tambuligan , 
duhisi 

kumendong 



mobodok 
mogagnm, sumi- 

rup 
gotup 
niogotup 

rossi 

mosindip 

mopura mogu- 

rang * 
minatoi 

hukumon pateon 
bongol 
i 
mokodait 

piuongko 

bobak, ojuk 

totuottan 



dugi 

mojogang 
siningkoi 

pobuligan (buli- 
ngan =z dood- 
baar 

momurou 



Digiti^( d by 



y Google 



es4 



VERGEI.UKENDE WOORDENLIJST. 



Nederdujtscu. 


TOUMBULUSCU. 


ToumpakSwasch 


TONSEASCH. 


TONDANOSCH. 


Draaijen (hoofd i 
Draaijen (touw) 


lumenge 


sumeleng 


dumingin 




kumandong 


kumendong, ma- 

reng 
muleng, mawu- 


kumendong 




Dragen (door twee 


muleng, maha- 


muleng, mawu- 


muleng, mawu 


of meer personen 


wuleng,m5mu- 


leng, rumakut 


leng 


leng 


met draagstokken) 


leng 








Dragen (op den rug 


rumakut, maha- 


marakut, n4Jo 


rumakut, maha- 


sumangkolei 


in een sangkolé) 


rakut, mërakut 




rakut 




Dragen (een pèrspon 


lumikur, mahali- 


mijo, maw\io, m5- 


dumikud 


rumuur 


op den rug) 


kur, mëlikur 


mijo 






Dragen (op den 


roasaan, mahapa- 


muleng, mawn- 


masaan. maapa- 


mSsaan 


schouder) 


saan, m5ma- 
saan 


leng 


saah, mama- 
saaa 




Dragen (op den 


mëti, mahapSti, 


muleng, maviru- 


mSti, mapSti 


mSti, mapSti, m5 


schouder, de vracht 


mSxnëti 


leng 




mëti 


aan het einde van 










een stok hangende 










Dragen (in de hand , 


kumeneng , ma- 


meiwei 


kenengSn (pass.) 


gumege. magege 


de vracht aan een 


hakeneng, men- 




maakeneng 


mggege 


touw hangende^ 


geneng 








Dragen (in de hand , 


kumulu, mahaku- 


kumulu (dit be- 


kumudu , maaku- 


kumulu, makulu 


of in den arm, als 


lu, mSngulu 


teekent ook : 


du 


mëngulu 


1^1, houweel, mes; 




aanvatten, 
vasthouden) 






Dragen (op den arm. 


rumawak , maha- 


kumSkëp 


rumawak, mara- 


rumawak, mara- 


of op de armen. 


rawak, m5ra- 




wak 


wak, mSrawak 


als: een kind) 


wak 








Dragen (onder den 


mingki, mahing- 


kumipit 


mimpit 


kumalo, makalo, 


krom naar beneden 


ki, mëngingki 






mSngalo 


hangenden arm) 










Dragen (op de hand 


mopo , mahopo , 


mopo 


mopo, maapopo 


mopo, mapopo, 


of handen) 


mSmopo 






mëmopo 


Dragen (onder den 


mimpit, mahim- 


kumipit 


mimpit, maimpit 


mimpit, mahirn- 


oksel, met den arm 


pit,mSngimpit 






pit, mëngimpit 


regt naar beneden) 










Dragen (met een doek 


maror, mahawa- 


mawarat 


maror, (zelden 


mawei, maawci, 


of touw schuins 


ror , mSmaror 




slechts in ge- 


mSogawei 


over den schouder. 






bruik) sumam 




zoodat de vracht 










op de andere zijde 
hangt) 
Dragen (met een 










mawei, mahawei. 


kumawit 


mawei, maahawei 


mawei, maawei. 


touw of doek over 


mSngawci 






mSngawei 


den schouder, zoo- 










dat de vracht op 










dezelfde zijde hangt) 










Dragen (goederen op 


sumungsung, ma- 


tumeiiiteng 


sumuun, maa- 


sumuun, masuunt 


het hoofd) 


hasungfeung, 
mSnungsung 




suun 


mSuuun 


Dragen (een kind op 


sumungsung, ma- 


tumeinteng 


malelei 


lumele, malelc, 


beide schouders 


hasungsung. 






mëlele 


met de beenen 


mënungsung 








langs den hals) 










Dragen (de geplukte 


muwit, mahnwit. 


muwit, tumein- 


muwit 


muwit, mahuwit, 


padi in een korf 


mënguwit 


teng, mSngkei 




mSnguwit 


naar het tuinhuisje) 






Digitizedby VjOO^ 


jle 



VEttÖEt.ijkEKbE WooiiUBNJ.iiSf. 



as5 



Bentenanoscii 


TONSAWANOSCIJ. 


PONOSAKANSGH. 


BOLAANG- 
MONOONDOUSCH. 




kuraendong 




knmendong 


momitoi 




mumbolcng 


tambuleng 


buligan (pass.) 


momulig 




walukinën (pass.) 


lichudSn (pass.) 


bawaan (pass.) 


mogakut 




1 
jwalukinSn 


lichudSn 


bawaan 


mobaba 




,pasan5n (pass.) 

i 


paluchan (pass.) 


pasaan (pass.) 


momulig 




pasanën 

1 


paluchan 


pasaan 


mopotaan 




wewehan (pass.) 


binibit (pass. per- 
fect.) 


biniwit (pass. per- 
fect) , 






toml»ikowan(pas- 
siefj 




tumongol 


mojangkom 


4 


munsapopu 


tuchowar. (pass.) 


sumongkiki 


mokakap 




sepean (pass.) 


sokichin (pass.) 


sumongkiki 






rnutendën 


sumambat 


kinompol (pass. 
perfect) 






sepean (pass.) 


siwitën (pass.) 


sumtpit i lima 
pinosarang (pass. 
perfect) 


mopotadang 




musagengkel 


sadang^n (pass.) 


mosarang 


mopoiadang 




musun 


tetengan (pass.) 


mahuntu 


moguntu 




paparas og 


tumbehën (pass.) 


nosonkiki 


moguntu 




rumusa 

i 


panetenffën(pass.^ 


huntuën (pass.) 


mogakut 

Digit 


zedby Google 



U6 



VGROKI.UKENDe VVOOitDGKT.tJdT. 



Nedërduitsch. 


ToUMBULUSCIf. 


ToUMPAKëWASCH 


TONSEASCH. 


TONDANOSCH. 


Dragen (de geplukte mahesu 


muwit, tumein- 




meror, mahoror 


padi naar huis) 




teng, mSngkei 






Dreigen 


tumaar 


tumaar 


tumaar 


tumaar 


Drek 


tai 


tai 


tai 


tahi 


Drie 


t51Iu 


tSUu 


tSddu 


tëliu 


Driftig 


raranguan 


karanguan 


raranguan 


rëranguan, to- 
roupi 


Drinken 


mglSp, mahSlSp 


mgl?p, maSlëp 


mSIëp , maëlSp 


kumoho 


Drinknap 


SSlSppan, soke 


ëSlSppan 


ëëlëppan, soke 


kokohoan 


Droes 


mahasSpun 


masëpun 


maSsëpun 


masëpun 


Droevig 


masusa 


masusa 


masusa 


masusa, maarip 


Dronken 


tëwSlën 


malangu 


tëwSlSn 


tëwëlen 


Droog 


pSra 


pSra 


përa 


përa 


Dl oogen vgl. afdroo- 


mSra, mahapëra 


mSra, mapëra 


mëra, maapSra 


mëra , mapëra ^ 


gen 










Droogte 


raarën 


kasëndangën 


raarën 


raar 


Droom 


ipi 


ipi 


ipi 


ipi 


Droomen 


mahipi, mahipiipi 


maipi 


maipiipi 


maipiipi 


Droppel 


tihis 


tiis 


tiis 


tiis 


Droppelen 


tumihis 


tumiis 


tumiis 


tumiis 


Duidelijk 


trang 


trang 


trang 


rendai, trang 


Duif 


bombo 


mombo 


mombo 


mombo 


Duiken zie dompelen 










Duim 


wawangko 


wawangko 


wawangko 


wëwangko 


Duister zie donker 










Duivel (booze geest) 


si sakit 


si sakit 


si sakit 


sakit 


Duizelen 


ririmbSngbSngën 


pSngarimbeim- 


marimbëngbën- 


pëmareimbënge 




tatarabulelenSn 


bëngSn (pass.) 


gan ; matam- 
bulelengan 




Duizelig 


ririmbgngbSnggn 


pëngarimbeim- 


marimbënbën 


mëmareirabëng 




tatambulelenën 


bSngSn 


gan ; matambu- 
lelengan 




Duizend 


riwu, mariwu 


riwu 


riwu 


riwu , mariwu 


Duizendpoot 


kama, karamkam. 


këli keitjei 


kama, këramkam. 


kama, lakkër ra 




makawale un 




kutu un atSp 


kutu natëp 




atSp, kutu un 










atSp 








Dulden % 


SrSn, mahërSn 


lumës&n 


rësën, tahan 


ërën , mërëërt 


Dun 


nipis 


nimpis 


nipis 


nipis 


Dunnen 


nnmipis,nipiss8n 


numimpis , nim- 


numipis, nipissën 


ipissën (pass.) 




(pass,) 


pissSn (pass.) 


(pass.) 




Durven 


wuaja 


wuaja 


wuaja 


wuaja 


Dus, zie aldus 










Duur 


lakkër un tniSsna, 
reken 


kSli in tëlSsna 


dakkëd tëlës 


wangko tëlës, 
lakkër tëlës 


Dwaas (vgl. dom) 


longon 


longon 


longon 


wengel 


Dwalen , zie dolen 










Dwarrelwind 


walintukan 


selendu 


walintukan 




Dweil 


wuwura 


paseka 


paseka 


sëseka, sësamu 


Dwingen 


sumijasa 


lumSse 


sumijasan 


sumijasa 


Ebben 


tumagas 


tumagas 


tumagas 


tumagas 


Echo 


lontok 


lontok 


pasawattën 


singÜbmën 


Echtbreken 


maharuarua . 


maruarua 


paalewoan 


utang 




utang 




Digitizedby VjOOQ 


Ie 



VÉÊSEU/kBN»« WOüfefeBN't.ljSl' 



i^l 



nKNTKNANGSCH. 


TUNSAWANOSCH. 


PONOSAKANSCH. 


BOLAANO- 

Mongondousch'. 










mogakut 


! 


m.tiiiataku 

tai 

t?!Iu 

malosnjatej 


ma wataio 

tai 

tëllu 

mosopuroch 


mopogaam 
tai 
tolu 
hanasan 


mongojong 
tai 
tolu 
morogi 


1 


munjrinum 

puii^'aiiginumnn 

nasupuM 


lumuku, maluku 

lëppan 

ngusSn 


monginum 
sakit ojaran 


monginum 

pongiuuman 

moongang 


1 
1 


nawoho 
viikan 
in^ka 

Tiupakangum 
iiiapatingka 
mdoan 

P» 
naipi 


mafiusa 
malolangu 
wela of wawela 
mamawela 

imendo 

iwi 

miwi, mangiwi 


mosusa 
mololangu 
hangu 
mokohangtt 

moningkai 
tochoinop 


mosusa 
mololangu 
moingkag 
moingkagdon* 

poninggai 

tumongoidop 

mongoidop 


1 


uro 


tis 


titik 


tiiyuan 
moisit 




[atompulangSn 
noinbo 


londolai 
bombo 


mopatas 
bombo 


noitugat 
bombo, bonija 




iima lima 


tundu bako 


ina i lima 


ki ina i lima 




natambuliling 


kijnng 
matambuleleng 


iblis 
moindop 


takit 




ambuliling 


katambulelengSn 


indop 


alimpurou 




inwu 
ipan 


moribu 
mononiwit 


hiwu 
olipan 


riwu 
olipan 




nakaran 


tachëlëssën 


taang 


raokotahan 




naiiipis 
munipis 


nipis 

nipissSn (pass.) 


manipis 
pokonipis (pass.) 


monipit 
pokonipi ton (pass.) 




wahanei 


baranei 


mohogi 


morogi 




*akel wiline 
ikag 


tadoon baera 
longon 


mumahal 
paluwa 


mobarong im bo- 
boga 




impurus 
towohak panga- 

ngirou 
sijasa, manijasa 
makola 
sinsjong 
mukear 

S^ Volgr. IV. 


orowijos 
kochusu 

fumSse 
jdumelot 
patanaan 
muchiderak 

1 


botu in sompot 
tarapu 

sumijasa 
motagas 

'Kondal 


alimpurou . 
rand uk 

mopaksa, mosijasa 

moratakdon 

moondok 

Digit 

17 


zedby Google 



iès 



VeaÖBLtjkGNbE W0URDKKI.1ÏS¥. 



Nederdüitsch. 


TOUMBULUSCH. 


TOUMPAKëWASClI 


TONSEASCII. 


TONDANOSCH. 


Echtgenoot 


kaawu-tuama 


penanaan-tuama kaawu-tuama 


kaawu-tuama 




(man) , kaawu 


pënanaan we- 


kaawu wewene 


kaawu wewene 




wewene (vrouw) 


wene 






Edel , zie adel 










Eed 


tiwa 


tiwa 


tiwa 


tiwa 


Eelt 


lintup 


walulang 


dintup 


lintup 


Een 


ëssa 


ëssa 


ëssa 


ëssa 


Eend 


^ewek 


wewek 


wewok 


wewek 


Eenerlei, gelijkend, 


makagijo, masuat 


mëpute, ma- 


makagijo, masuat 


makagijo, man- 


gelijken (op iets) 




kagijo 




suat, tuanaka 


Eenmaal 


makassa 


makassa 


makassa 


makassa 


Eenparig 


mahawali • , ina- 


mëwaliwali ', 


maawadi \ maa- 


mëwali * , marë- 




harëngan *, ma- 


marSngarS- 


rëngan ^ 


ngaii * 




hawali gSnang, 


ngan * , mSwali 








of: ëssa gë- 


reken, of: ëssa 








nang • 


reken " 






Eer (bijw.) (vgl. aleer) 


puuna 


rijor 


puuna 


rijor 


Eer (zelfst. n.w.) 


sigi 


siri 


sigi 


sigi 


Eeren 


sumigi 


sumiri 


sumigi 


sumigi 


Eergisteren 


sitondong 


kaawii makassa 


kaawii ëssa 


kaawi ëssa 


Eerstgeboren 


okki katare 


luluna 


udu nu anak, 
rinte katare 


urang katare 


Eetlust 


raaharSm 


maarëm 


maarëm 


maarëm 


Eeuwig 


rei si kaapuan 


raitja kaapuan, 


kaureure, dai si 


kaureure, rai si 






kaureure 


kasampetan 


kaapuan 


Eflfen (vlak) 


patar 


lopana 


patar 


patar 


Ei 


ateilu 


wulinja 


atëddu 


wurenga 


Eiland 


pulo 


punten 


punten 


punten 


hinde (boveneinde) 


rawis 


tëmpok 


tëmpok 




Einde (benedeneinde 


tuur 


tuur 


tuud 




of basis) 










Einde (der vingers) 


rawis of pSnpen 


tëmpok of pein- 
pën 


tëmpok 




Einde (top van een 


rawis 


tëmpok in tjaju. 






boom, berg) 




ing kuntung 






Einde (viin eene tafel) 


pSnpën of pondol 
umeja 


peinpen of kaaka- 
ran-i-meja 


tëmpok umeja 




Einde (van eene n5- 


pondol of pondol 


tëm[Jokofpeiupën 


pondol um lianua 




geri) 


nm" banua 


in doong 






Einde (slot van een 


ISkgp 


lëkëp 


kalëkëppan, ka- 




zaak of twist) 






sa mx)ëttan 




Einde (slot van een 


kaapuan 


kakapuan 


kasampëttnn ki- 




boek, rede) 






nasampëltan 




Einde (van een 


kaapuan ni lolo- 


kakapuan in Ikadaijnn iy4olpën 


^le 


maand j 


hoSn 


san^asërap 


jzedby VjOO 



VKEGETilJKEHDE WOOBDENr-MST. 



239 











BOLAANG- 






Bëntenangscu. 


TONSAWANQSCH. 


POKOSAKANSCH. 


MONGONDOUSCH. 




► 


rapuhanmuhang, 


karowang, asebu'buloi, buloi 


buloi lolaki, buloi 


' Mahawali enz. 


1 rupahan wawi- 






bobai(uta = ge- 


:= te zamen gaan. 




nei 






malin V. een voi'st) 


vertrekken enz. 




muwawatës 


masupa 


iwot 


nogogodijan, no- 


> MaharSngan 


1 






gogodyan, no- 


enz. = te zamen of 








dolop 


gelijktijdig lezen. 


jinuwalulang 


molulangëm 


botu 


botu 


zingen, schreven enz. 


isangunsa 


Sssa 


isa 


tobatu, tong 




wowok 


lewe. dairi 


bewek 


wewek 


' Mahawaliwali 


miisuka , ngonto 


kohelina, kele 


naawaUugan , 


raotongkai 


gSnang enz. zzeen- 


i ItHu 


gijo 


mosongsongkai 




dragtig, een van zin. 


'pakusa 


machasa 


kominsan 


komintan 




luurin^aringaii 

1 


mêdüioro 


mohororai 


mojododal 




{»ona 

1 






muna, pomuna, 
komuna 




Isigi 


siri 


ormat 


ising, bangkal 




1 
in:isigi 


sumiri 


muhormat 


mobogoi ising, 
mobogoi bang- 
kal 




|inapakanehaw 


kaisa 


kowoloslja, ma- 

kaw 
dungkul 


kolipod 




jakang 


kedong niatuwa 


adi gujagujan 




1 

hu tuin 


rnaleo 


gohojon 


gogojon 




iiriiai iiiakakawus 


kalokoloko, etc 




dija modaid, ka- 
kal 




kalcmuk 


kalobachan 


lüwakljën 


lopanja, mogilopa 




iiuhii 


atShich 


natu 


natu 




liwuton 


libuton 


liwuton 


libuton 




poiitlnl 


iwus 


urukija 


luntungnija 




pondol , punej 


tud 


pununija 


pangkoi ing kaju 
(van een boom); 
pangkoi im bu- 
lud (van een 
berg) 




pur.dol u wur. 


töpoch in tundu 


uruk 


luntungnija 




1 lima 






luntung ing kaju; 
tudu im bulud 




pondol u-moja 


tSpoch 


uruk i-medja 


luntung imedja 




kasaran baiioa 


tcpoch in doong 


ko urok im bonua 


popod i lipu 




kinalij usan për- 


kinaiekSwan 


kinolapasan 


tompod 




kara 












kakawusan 


kachawuan 


koraisan 


kinouputan 






kakawusan wu- 


kachawuan wn- 


koraisan im bo- 


kouputan im bu- 


by Google 




lan 


lau 


ngit 


lan Digitizec 



240 



iVER6ELlJ.KEN4)E WOORÜENIJJST. 



Neoerdiutsch. 



TOUMBULUSCH. 



TOCUU^AKëWASCU 



TONSEA&GU. 



TONDANOSCH. 



Einde 'der wereld I 
Eindetoos 



kaapuan ang 

kafqahadD 
rei. si akarran,jrei 

si kaapuan 



£k)ip8 (zie hierover si 
db Aant.,>dieinade 
woordenlijst «uUep 
volgen) 

61. Hier^voor 'hebben 
al de bier voorko- 
mende dialecten 
ons HoUandsch 
woord. In het voor- 



I geven wij 
de lengtematen by 
de inlanders in 
gebruik. 



lolohoSn ti- 
nongko<ni pong- 
kor (maane- 
klipsO 
sanalumSngSni, 
sumangsang^, 
tnmija si tou 'j 
sumiku *, san 
rSpa * , ,poko- 
lan *, sana ra- 



kakapuan ing ka< 

jombaan 
raitja akarran, 

raitja kaapuan 

tinongko i pong- 
kor. 



dai si kaakadan; 

dai si kasam- 

pSttan 
tinongko niru 

raau 



ngan 
ngan 



pito- 
toor- 



Elf 

En 

Enkel (zelfst. n. w.) 

Enkelring 

Erf 

Erfenis 

Erfgenaam 

Erg (ziek) 

Erkennen 

Erlangen 

Erven 

Eten 

Eten (rijst, maïs, 
vruchten enz.) 

Eten (gekookte of 
geroosterde maïs 
aan de steel) 

Eten (verschillende 

toespijzen) 
Eten (groenten) 



ran • , sëpeSn 
i 4ima * * , s5- 
peSninSppat^V 
s^pe^^n in tSl 
lu > * , sSpeën 
in duwa *', 
sSpefin im ba- 
wangko > ♦, s6- 
peSn in Sssa '*, 
sSpeSn ing ko- 
koki ' • , gji- 
gaan '' 



mapulu woësisa 

WO , woan 

wuku un-ae 

wëntël 

lessar 

tulau 

tulauan 

raraan rëpSt 

ms^kanivu 

makailëk 

makailëk un 

tulau 
tuinikobo 
kuman 

rumuum 



sumSra 
sumende 



tumumbSl * , su 
maasa ^ (de 
tweede a ten 
halve uitspre- 
ken) tumija 
tou ' , sitjum *, 
sanga rëpa ^ , 

sanga rangan ^ 
pitongën ®, pa- 
kon *, sëpeën 
im palar ' ^, s5 

peSn in S ^pat ' ' 
sëpeSn in tël- 
lu i«, 8$pe6n 
in duwa * ', s8- 



, sa 



im ba- 
wangko ' *, s5- 
peën in Sss^ ^ ^, 
sëpeSn ing.ka- 



sanadumëngan 
sumnngsang 

tumea tou *, s 
miku *, san] 
dëpa ^ , tawi 
sanadëpa^, s. 

na raat ^, pito 

ngan 8, sSpeSn n 
dima ^ ^ , s5pe5n 
un ëppat 1 ^ sS 

peënuntëddu^* 
sëpeSn un du- 
wa > ', sSpeSn 
um bawang- 
ko '*, sSpeëi 
un Sssa > *, ke 
akaan ^^ 



un 



lumëngSu 1 , su 
.masa *, sumi- 
ku ^, sanga tI 
pa *, sanga 
rangan ^, pito- 
ngan ®, sëpeSn 
lima *®, s6pe5 
in Sppat * ' , sï 
peSn tëllu 1^ 
sSpeën duwa > ^ 
s5pe5n bSwan^: 
ko •*, sëpee 
5ssa **, se pet» 
no oki *•, gf 
gaan '^ 



Eten (vleesch- 
vischnat) 



of 



sumer^p 



sangapulu wo 

ëssa 
WO, wona 
wungkele 
wSntëi 
lessar 
tSlauSn 
tSlauan 
sumakit rëpët 
makatuus 
makaere 

makaere in 

tSlauën 
tumitjoho 
kuman 



snmëra 

sumende 

rumunduk 



mapudu wossa 

WO 

wuku ung kuku 
wSutël 
kalassan 
tudau, sapud 
tuduuan , sapudan 
taalous susa 
makanau 
makaclek 

raakaelek un tu- 
dau of un sapud 

kuman 

dumuum 



sumeda 

sumende 

sumerop 

Digitized by 



Goo^ 



rai si kaapuan 



tinongko ni 
ramau 



mapulo won oss 

won 

wungkele nae 

kulalii 

kalassan 

tulaun 

tulaunan 

kasararaan rëp£ 

masinau 

makaato 

makaato tuhiun 

tumikoho 
kuman 



sumëra 

sumëra rararaau 
sumende sawo 



VBKGELUKKNDK WOOKDENLUST. 



241 



Bbntknaj^osoh. 



TON^AWANOSCU. 



POKOSAKANSCH. 



BOLAANG- 
MONOONDOUSCH. 



[akawusan taoa 



awungan 



lumpolain ^, ma- 
mukarak >, sum 

biku *, sun 
dupa * , sanda- 
ngan ^ , rangun 
kasuau ^, puku 
an * , rupatën 
palSr * ^, rupa 
teDpaumbua*^ 
rupatSn tSlIu 
urn bua '*, ru- 
pa tSnrambua''» 
rupatën juma 
liina >*, rupa- 
t5n sumbua * *, 
rupatën kakin- 
disai *•, ga- 
hanggangSn ^ 



inapulo sa 

wu 

A'akulali 

ivotas, singka 

tintal, bedeng 

:ii)gkuwa 

:opitingkuwaën 

iiauwa 

nakatjaja 

inmumpak 

iiutingkuwra 

{uman 
iumankan 

nanguku 

(umiuas 

nangussap 

nangijup 



kachawuun ing 
kauchaan 



lameda ', sichu *, 
sanga rSpa ^, 
sanga rango "*, 
sanga rango 
itundu biako ^, 
pachon *, sëpe< 
fin i lima '®, 
sfipefin in 8p< 
pat 1*. sfipefinin 
tfillu * *, sfipefin 
in duwa ' ' s5 
peSn tnndu 
bako 1 ^, sëpefin 
tundu fi3sa *' 
sfipeën in tono 
nijuw *•, kara- 
kangan '^ 



sanguwalu basa 

bo 

bakujung 

alak , ela 

lisad 

tfilaun 

touraachatëiaun 

dfipfit 

inahilala 

kumita , kumu- 

nita 
machatfilaun 

kuman 
kuman 

kuman 



kyaraet 



tinuka^ i horoa 



pomotak *, sumi- 
gu *, sono jopa •' 
sonojangou ', 
sono jangou in 
tundu ^, pako' 
on •, dopot im 
palar > ^, dopot 
in opat 1^ dopot 
in tfillu «^ do- 
pot in duwa ' ', 
dopot ina i 
lima **, dopot 
in tundu * *, do- 
pot in tundu 
isikan * •, sang- 
kangon *^ 



mopulo WO sa 
watu 

WO 

ninatai tyol 

uioai tijol 

ongowan 

sundur 

kosundur 

paja 

tumuos 

mokoruQgkul 



mongaan 
mongaan 

mongoko kiaola 



monuduk 
monudak 
maluku . 



moseha 

moseha in suwap 

monginom ti- 
wigija 



kouputan ing ko- 

bajangan, 
d\ja kodaitau 



ilijom in naga 



tongo simpal i 
lima ' , pomo- 
tak ' , kopota- 
anan ', sumiku ^ 
tongo jopa ^, 
tongo jangou ^ 
dija tuga tongo 
jangou^, pa- 
kon *, dojos im 
palad i<^, dojos 
in opat no bu 
Dga 1 1 , dojos in 
tolu no bunga * ^ 
.dojos in dea no 
bunga *^, dojos 
ing ki ina i li 
ma **, dojos 
io tonoigu *^ 
dojos in tondo i 
sikan K, dojos 
im palad mo« 
lungkag 1^ 
mopulo bo mita 

bo 
bokulali 

dolaag 
pusaka 

motakit pigadon 

mokodungkul 

mokodungkul 
kompusaka 
mokaan 
mongaan 

mokokob (eten 
oude mais) mo- 
ranut (eten 
jonge mais. 

mokaan, monoja 
(eten visck) 

mokaan koog 
kujad 

monginum kom 
binojubud 



1 Van het einde van 
den middelvinger tot 
het schouderblad. 

< Van bet einde van 
den middelvinger tot 
midden op de borst. 

* Van het einde van 
den m. vin^r tot aan 
den andercu schouder. 

* Van het einde van 
den m. vinger tot aan 
den olleboog. 

* Een vadem. 

^ Een vadem min 
eenc hand. 

^ Een span : d. i. van 
het uiterste des duims 
tot aan het uiterste van 
den middelvinger. 

® Een span : d. i. van 
het uiterste des duims 
tot aan het luterste van 
den wjysvinger. 

* De .vuist met den 
duim in de hoogte, circa 
^ voet. 

«o V^jf vingers breed, 
over bet midden van 
den duim gemeten. Sfi- 
p e g n beteekent : wordt 
geklapt met de vlakke 
hand. 

> I Vier vingers breed, 
over het midden der 
vingers gemeten. 

>* Drie vingers breed, 
over het midden der 
vingers gemeten. 

1 5 Twee vingers 
breed, over het midden 
enz. 

14 ^Q duimbreed. 

' * Een vinger (wijs- 
vinger) broed. 

1' Een pinkbrced. 

1^ Breedte der v(jf 
vingers, doch geopend. 



UZ 



VEEGELfJKKNDE WOOBDKNLIJST. 



Nederduitsch. 



TOUMBULUSCU. 



ToUMPAKëWASCH 



TONSEASCU. 



TONDANOSCH. 



sumiiit 



Eten (rijst met nats 

met een lepel) 
Ettelijk vgl. hoeveel 
Etter 
Etteren 

Evpn (zoo even, pas)|tarekan 
Eveneens, zie eenerlei I 
Evenmensch ikasuat tou 



pira 
nana 
numana 



tumongka 

pira 
nana 
numana 
jtarepe 

kakele tou 



Fabel 
Fakkel 



Falen 



aasai'5n, sisisillën bisisiilëu 
|sulu, tutung saraw, Sllab 



Fatso(»n (gedaante) 

Feest 

Feestdag 



Feil 
Fielt 

Fijn 

Firmament 
Flaauw (smakeloos) 



Flaauw (krachteloos) 
Flaauw (bewusteloos) 

Fladderen 
Flansen (lappen) 

Flarden 
Flets (dor) 
Flets (bleek) 

Flikkeren 



Flits 

Floers 

Fluim 

Fluisteren 

Fluit 

Fluiten 

Fluks vgl. gaauw 

Foei 

Fokken 

Folteren 



suraala 

pesta, plësir 
giidowangko(eig. 

groote dag, vgl. 

't Mal. hari raja 
sala 
towo, tou towo 

rojor ^ , alus , 

rintëk 
langit 
tëwang 



rawoi , marawoi 
mawulëng 



tumahar 
mapen, mahapa- 

pen 
kese * 

wëlës, mawëlës 
kilo, riri 

mahapëtopStot 
inahasangesa- 
ngelap 

tingkana 

pangasi 

kërar 

kumëwit 

susulingSn 

sumuling 

rorot 
ta 

tumamu 
rumereha 



gUO 

plSsir 

endo wangko 



Ie 



tou towo 
alus, rintSk 



pira 
nana 
numana 
kawait 

kasuat tou 

aasarëii 

serei 



sumala 

plësir 
5ndo sela 



sala 
tou Ie WO 

rojor, alus, 

rintSk 
dangit 



langit 

taape (de tweede tëwang 
a ten halve uit- 
spreken) te wang 
malale, mak&pe 



mulaimUf maula- 

pau 
kese 
wëlSs 
wagei, kuni 

maselaselap, 



wintir 

pangasi 

kSIar 

kumëwit 

susulingSn 

sumuling 



Fondament (van een totolan 
gebouw) 



kuman winau 

pira 
nana 

numana, m?ina 
ijai tarekangka 

kasuat tou 

slsil 

tutung 



sumëlok 

peta, plësir 
Sndo wangko 



sëlok 

tou lewo, towogi 

rasa, rintSk 

langit 
tSwang 



rawoi, marawoi 
mawulSng 

sumakar 
mapen, maapapen 

kisi 

wëlSs 

riri, kuni, sëdau 

malangelangelap 



tingkana 

pangasi 

kSrar 

kumSwit 

sësulingën 

sumuling 



lëme, rai ketto 

rën 
mawulëng 



tumSlêw 
kumumbar 

kisi 

wSlSs, mawSlê- 

rara 

mSpatepatc 



tingkana 

pgngasi 

kërar 

kumëwit 

sësulingSn 

sumuling 



rijorijor 
'ta! ineng 



porak rSwSk 

tja ita 

lumamu Vumingat 'tumSkap 

niëndis, mapendis. mëndis, maapgn-|mëadis,raapetui 

dis j 

tuhran .totolan 'totolan 

Dlgitized by VjOOQIC 



VfekGfeUjkRNOK WOORUKvtÜsf. 



243 









BOLAANO- 


KNTENAMGSCH. 


TONSAWANOSCH. 


PONOSAKANSCH. 


1 








MONGONDOUSCH. 1 

i 


mijun 


maniluch 


moniluk 


molepcr 


' Rojor — slank, 
wordt gebezigd van 


);:^apa 


tachuta 


songonu 
bowog 


tongonu mensebeu, beesten. 


n:i 


nana 


bobog planten; rintgk = 


jnana 


nurnana 


monombowog 


raotombobog ^jn, klein, tenger. 


guliiien 


jaiwe tahcwe 


nainta 


koina 


' Keae r= ge- 


igan tomata 


kachele ton 


sompala in tau 


tompala in tau 


scheurd; sana kese 


saien 


kukua, sirita 


OU man 


onman 


=: een gescheurd stuk. 


11 


kocherow 




bom bain (van 
hout) toga (van 
bamboe55 of hars) 




mala, manga- 


sumala, towamoi 




moitala 




liinii sala 


in sala 








(1 


gijo, tokijo 


batangan 


batangan 




vo, moniwo 




mapilisir 


ramejan 




mian low<m 


5ndo bako 


singkai mosolag 






la 


sea, sala 


sala 


tala 




mata sangka 


tou tapija 


in tau mohaat 


in tau laosala 




arintak 


dise 


mnalus 


mointok, moalus 




ngit 


langit 


langit 


langit 




wang 


tSwang 


motawang 


motabang 




ralen, kina- 


kawël 


luwoi 


moongot, sinogo- 




ralen 






pulong 




aliim 




burukon 






mulak, sumair 


lumepad 


lumaju 






raine 


mopon, mapopon 


(dulampong), mo- 

wulampong 
pusu 


mod ulampon 




ihe 


wowat 


kisi 




nis 


lataj, lumataj 




molaut of molaot 




ila 


tina 


wilai , mowilai 


mobilai , moba- 
roidon 




ungkerab 


(sulona), sumu- 
lona 


mohingka 


mopokilakiiap 




nggasa 


taQggasa 




tongadi 




ingasi 






nogilutu 




iihake 


korai 




kojak 




owawuning 


bnjubujung 


moornboombong 


mojogumbung 




ling 


floit 


bansi 


bansi 




luloling, manjup 


s5pnt floit, sumS- 


momansi 


momansi 




loling 


put floit 








rikasohong 

1 


matato 
clie I 


mosonu 
kesl 


pokurigai 




vija) , mamija 


niejaran 


(bija), mowija 


momijag 




lanunsara 


mawasosara 


inoposansara 


mojoiga 




ototol 


alyan 


polituan 


oigi 


r^ A^ 



Digitized by 



Google 



Ui 



V ÉkCi KI JJKE N* OÊ WOOilDKT^ r.ÜSf . 



Nederduitscu. 



TOUMBULUSCH. 



ToumpakSwascu 



TONSEAsCU. 



ÏONDANOSCH. 



Fontein 

Foppen 
Forsch (sterk) 

» (gespierd) 
Fort 
Fortuin 

Fout (zie feil) 
Fraai 

Franje 

Fret (zie boor) 
Jrisch (vgl. goed) 

Frons 

Fronsen 

Fruit 

Fuik 

Gaaf (vgl. goed) 

Gaan 

Gaar (vgl. koken) 

Gaard 

Gaarne 

Gaauw (vgl. fluks) 



Gal 
Galerij 
Galg 
Galopperen 



Gang (van menschen) 
Gansch 



Gapen 

Garen (zie draad) 

Garnaal 

Garstig 

Gast 

Gastvrij 

Gebed 

Gebeente 

Gebergte (zie berg)' 

Gebeuren 



kgnibuanundanolpalSmbojan in 
I datio 

:muwak, mauwak 
'këttSr, kSttërSn 



muwak, mauwak 
k5tt5r5n,kSttërJ 

en te 
siga 
kota 
jkamang leos, 

untung 

wangun, gijo leos 
djaladjala 
rate leos 
kulSn 
kumulen 

kakannën, wua 

ung kai 
kalasei / wüwu , 

tingkSp 
leos 

mange, himako 
lutu 
rereben, tatang- 

m5n 
mahapaapaar 

rumëwërëwëk 



apëru 
kandaryan 
rarantongan 
kumara, kumom- 
po 

kSkeang 

peleng, timomor 

ngumanga 



sapun 

nanaman 

sakei 

sumakei ' maka- 

sakei 
aalei 
ruhi 



takte 
kota 
kamang, untung 

loor 
pranji 
uting snma 
iinsSn 
luminsSn 

kakanën, wua in 

tjaju 
kalasei, wuwu, 

kotombuan 
sama 
mapge 
roro 
patinanëman 

masalesale 

moraporak 



apëru 
seip 

rarantongan 
kaloppeer , repet 

tumintjas, tu- 

meron 
rumambun 

waja, timomor 



ngumanga 

ulang 

lumiitj 

sakei 

sumakei, raaka- 

sakei 
pSngangilëk 



niuali, mamuali muali, mamuali 



pakëmbuan in 

doud 
m II wak, mauwak 
kStlëd, kSttëd- 

dSn 
siga 
kota 
kamang leos, 

untung 

wangun 
djaladjala 
date leos 
kundël, dinsën 

kumundël, du- 

minsën 
këkannën, wua 

ing kaju 
kalasei, tëtingkëp 

leos 
mange 
dutu 
tatënëmën 

maapaadpaad 

rumëwërëwëk , 
rae 



apëdu 
këndarija 
rarantongan 
kumompo, tu- 
meitei 

këkelang 

waja, timomor 

ngumanga 



sapun 

nanaman 

sakei 

Sumakei maka- 

sakei 
mak uwe 
dui 



këmbuan dano : 

gagaran 
muwak, mauwa 
ketteren, ente 



kota 

kamang, untun; 

wangun, gijolco 

geger leos 

1(ulën, linsën 

kumulën 

kekaanën, wua 

ung kai 
këiasei 

leos 
mac 
lutu 
tinanëm, tëta> 

nëmën 
mëpaapaar 

siga, marijoriJG 



përu 

rërantongan 
tumingkas 



kapakalang 
waja, timomor 

ngumanga 



sapun 
liik 
sakei 
mësakei 

makiwehe 



Ef^flfebJi@l9ÖQ'""^^»' mamuali 



VERGET.UltENM WOOftDfiNT.tJST. 



U6 



Bentenangsch 



TONSAWANGSCH. 



PONOSAKANSCH. 



BOLAANG- 
MONOONDOUSCH. 



nulawijor 
agas 

[ota 
[amang 



:ohor 

nungohor 

voawa 

vongoan, wuwu 

Qapigo 

laloga 
inasuon 

ndei su kaka- 

wean 
aatuna 



uru 

angawali 

amaraitinan 



Uengka 
akasan,tiinoinor 



:umanga, ma- 
ngojaw 

apun 
anaman 
akei 
(lanachun sakei 

ombigang 
uhi 

nuali 
3e Volgr. IV. 



mowojud 
ugat 



kota 
kamang 

loor 



lisen 

lumisen 

buwa 

kalasei pukat, 

dolen 
mauleng 
mocha 
malutu 
tinanam 

karua kachaibo- 

gen ate 
motiro 



awSdu 
logos 

darantongan 
masowakoi 



kawalapang 
waja , bachasa 

ngumanga 



sekan 
belich 
sachei 
snmachei 

sombajang 
dubi 

mamuali 



(isog), moisog 
mohopot 



kota 
untung 



mapiha 



kojor 
mokojor 



tambok, buwu, 

pole 
mopiha 
(bea), momea 
nolutu 
pomombulaan 

iwo in gina 

mosonusonu 



opoju 
logos 
pongi gantongan 
mohopot mohi 
watu 



bohogan\)a, ko- 
munsan 

ngumanga 



ujang 
monaman 
sakoi 
monohusakoi 

sombajang 
tulan 

mowali 



bokaka 

mongakal 
dopot, modopot 

motore, moropot 

kota 

untung 



mopija, mopira, 

mopiha 
bungan^a 

motono motom- 

pira 
kinumojon , ^ 

numolot 
kumojon, moku- 

mojon 



' KinamojoD = 
frons in kleedereu; ki- 
numolot :z:firon8iD 
bet voorhoofd. 

* LnmansiUn- 
8 i k = apringen , o?er- 
springen. 

* Snmakei =; 
gasten ontvangen of 
hun eten geven; ma^ 
kas akei = gastheer; 
mahasakei = g^- 
ten ontvangende. 



ki. 



tambo, pole 

mop\ja 
maja 
nolutu 
pomomulaan , 

goba ing kujat 
moibog 

koligai 



opoju 
gSndirija 

lumansilansik, * 
molansilansik , 
mopokalapeer 



btyonganya, ko- 
tompotompon ; 
kopij apija 

gu manga 



gale 

mobondot 

takoi 



sombajang 
tulan 



mobali 



Dig tized by 



Google 



17' 



U6 



VBUGETJJICIJNBK WOORÜÜXT.UST. 



Nederduitsch. 



TOÜMBÜLÜSCH. 



TOUMPAKëWASGH 



TONSEASCH. 



TONDANOSCH. 



Gebied 
Gebieden 



Gebieder 

Gebit 
Geblaf 

Gebloemd (vaa hout 
enz^ zie Bont) 
» (vaneen zwaard) 
» (van lijnwaad» 

borden, slangen, 

matten) 

Gebloemte, zie bloem 
Geboorteplaats 



Gedaan 



Gedaante 
Gedarmte (zie darm) 
Gedicht (zie dicht- 

stuk) 
Gedienstig 



Gedonder (zie don- 
der) 
Gedreig 

Geduld 
Geduldig 

Gedurende 
Gedurig 



Geen 

Gene 

Geenszins (stellig 

niet) 
Geesel 
Geeselen 



pahaprentan 
mërenta, maha- 

prenta» maha- 

lukar. 
mahaprenta, ma- 

halukar 
waang 
uang 



paprentan 
mërenta, ma- 
prenta, malukar 

maprenta, si 

malukar 
waang 
intuk 



paprentaan 
mërenta 



makaprenta 



wSreng 
wSreng, kSretan 



kinatouan ', ki- 
namuaiyan * 



patitjan 
këretan 



kinamual^an ^ 



reimo, pinaka* 
paajango , line- 
osso 



paar sumawang 



taar (ook: belofte) 

ërSn 

mërSn, mahSrSn 

kasuattan, takkar 
rei maoton 



rei si Sssa , maan 

Sssa in dei 
itu 

tSrus rei, totor 
rei, ulit rei 

papatër 

mater, mahapa 
tSr 



rayo, pinakata- 
wojo 

gïjo 



Geest (ziel) 

Geeuwen 

Gegons 



nimukur 
mëngoai 
nSngnSiig 



masale sumem- 
bong; masale 
tumawang 



taar 

talésën 
lumësSn 

karoroan , akkar 
raitja mapeugliot 



raitjawana ëssa 

siitu 

uliulit raitja 

luluat 
lumuat 



imuknr 

mSngoajSm 

ëmbëng 



waang 



wSreng 
kSretan 



kinatouan 



daimo, pinaka- 
paajango, ni- 
maapumo 

gijo 



paad sumawang 



taad 

rësSn 
rumësSn 

kasuattan 
dai maoton, susud 
un ëndo 



kaprentaan 
mSrenta 



makaparenta 

waang 
intuk 



w5reng 
këretan 



kinatouan, kina 
mualijan 



raimou, linëkep 
po 



paar sumawang 



taar 

Srën 
mgrên,mëngere 

kasuattan 
susurnëndo, ën 
do WO wSngi ra 
mSna 



dai si ëssa 

itu 

udit dai 

aantar 

mantar, maant ar 

imukud 
man 



rai SI Sssa, maai 

ëssa rai 
itu 

kasa rai 

aantar 
mantar, maanta 



mangoai 
nëngnSilgjOOg 



nimukur 
mengoai 



TERaELIJKENOi: WOOKDUNIJ/ST 



247 









BOLAANG- 




Bentenangsch. 


TONSAWANGSCH. 


PONOSAKANSCH. 


MONGONDOUSCH. 




aren tan 


pamprenta 


pahentan 


oaidan * 


i Oaidan im Bo- 


nulalukar 


maparenta 


momahentan 


moguman, mo- 
marenta 


laang Mongoudoa 

het koningryk of 

het gebied van B. M. 


omulukar 


tou maparenta 


molukaran 




* Ngipon =r ge- 


si 


baang 


ngljupon 


ngipon * 


bit; bagang=ikie»; 


uwuan 


alod 


rongap 


auoii, ogan, 
ongap 


koktfnnt = auQ- 
tand. 

3 Kinatonan r= 




, 


landokkan 


ugat 


waar is mensch ge- 


vointing of wuin- 




batik 


bunga (V. lijn- 


worden. 


ting 






waad), binalang 
(v. matten), 
iiyuk 


4 Kinamualijan 
= waar is geworden. 


inamuhalijan 


tampa kinatonan 


kinowalijan 


pinoponongga- 
dijan, pino- 
nonggad^an 






imahawum 


moraison 


aindon nodait 




ijo 


tokija 


batangan 


batangan 




QakëweikSwei 


maibog lumibut 


moibog modulu 






tumulimg 










lematakaan 


naticho 


bachonijon 


modandi, mogo- 
jong 




abar 


sabar 

machailach, ma- 
sabar 


sabar 






ulaen 










louiulomujojan 


susud iu ëndo 


pinumuloi 






imai si apa 


achii awaawa 


dea kon onn 


tobatu indija 




oe 


ibocho 


nijan 


tanijon, tanaa, 
tatua 




cuunda timai 


uUuüt achü 


dea bilalas 


dija lalat 




;ambok 


doradach 


popakSl 


lolotup 




lulili sambok 


dumadach 


mopakSl 


molotup 




(slaan met een 










zweep) 










limukur 


kanalu 


dimukur 


dimbuio 




nagojau 


mangojab 


mongonguwau 


mogonat kon ugat 


zedby Google 


riwusi 


gonggor 


kohukur 


goroiigong 



248 



V£RGEI.UKENOE WOÜRDEM.UST. 



Nederduitscu. 


TOUMBULUSCH. 


ToumpakSwasch 


TONSEASOH. 


TONDANOSCU. 


Geharnast 


kinara\jan um 
baruti of um 
bateng *i wi- 
narutijan, wi- 
natengan 


kinarai im bateng 


winatengan 




Geheel, zie Gansch 










Gehemelte 


langit 


langit 


langit 


langit 


1 (van een 


aatgppan ung ko- 


atëppantStSkkSl- 




atSppankëkoloan 


bed) 


koloan 


lan 






Gehoorzaam 


mahakiikiit, ma* 
hatalitalinga 


maemaeman 


malelelele 


malingalinga 


Gehuil (v. menschen) 


kerSt, ame 


mangko 


ame 


ame 


1 (van honden) 


lolon 


uwang 


uwang 


uwang 


Geit 


bembe merel 


membe siwei 


membe wewene 


membe wewene 


Gek 


pahalelaen 


palelaen 


lëleaan 


palelaan 


Gekerm 


ame, aro 


ame 


ame 


ame 


Gekijf 


koro 


Smbow,pSrende- 

ran 
kukuk 


koro 


ising 


Gekraai 


kukuk 


kukuk 


kukuk 


Gekroesd 


kuriti 


kurltitj 


kuriitir, kureng- 
keng 


kuritik 


Gelaat 


g\io 


amo 


gijo 


kere 


Gelach 


keSke 


keSke 


keëke 


keSke 


Geld 


roit 


roit 


doit 


roit, loit 


Geleiden 


makawali 


makawali 


makawadi 


maakit 


Geleider 


si raakawali 


si makawali 


si makawadi 


si maakit 


Gelijk 


masuat, maka- 
hagijo 


pute 


masuat 


masuat 


Gelijkenis 


andeandean 


andeandean 


andeandean 


andeandean 


Gelofte 


taar 


taar 


taad 


taar 


Geloof 


maeman 


eman, paemanan 


eman 


eman 


Gelooven 


maeman 


maeman 


maeman 


maeman 


Geluid 


rani, lengdeng, 
nSnëng 


tenge 




lenggu 


Geluk (zie fortuin) 










Gemaal (zie echt- 










genoot) 










Gemalin (zie ibid) 










Gember 


lija 


kSriit 


sëdSp 


lya 


Genade 


raraatean 


upus 


rendem 


upus 


Genaken 


lumëlSr, turoawi, 
sumusut 


sumusut, tumaar 


tumawi, sumusut, 
lumSmi 


tumawi 


Generaal 


tStSrussan 


lalaussan ; si 


tetSrussan, tun- 


si tunduan, maa 






mawaliwali se 


duan 


kiakit 






sumuwu 






Genezen (beter ma- 
ken) 
» (beter worden) 


makaleos 






lumuas 


maleos 




maleos 


imaleos 


Geneesheer 


mSngundam 


mSngundam 


mëngundam 


mëngSlot 


Geneesmiddel 


undam 


undam 


undam 

Digitizedby VjOO^ 


paelotan 








- 



VERGELIJKENDE W00RDENLTJ8Ï. 



U9 



Bentenanosgu. 



TONSAWANOSCH. 



PONOSAKAKSCU. 



BOLAANO- 
MONGONDOUSCH. 



ingit 
edjel 



[iinararingi 



wan 

lembe wawinei 

Lupuja 

nangisan 

lusasuautingi 



anggolong 



ihup 
ighai 

iipang 
Londe, ma- 
ngonde 
tnangonde 

^usuka 

ideandean 

indijan 

nan 

iSngeman 
Lruntung 



ja 

igilir 

langege 

^wahani 



lapigo 
langangundam 

adam 



langit 



maklichit 

angor 
uang 
bembe bene 

palelaan 

kaei 

pëweroan 

kijohoch 
kalu , makalu 



amo 
keSke 

doit 
mali 

pachlalasan, ina< 

chawali 
mokele 

andeandean 
rand^an 
eman, pahema- 

nan 
maeman 
tengech 



lija 

chakes 

sumosut 

pachalalasën 



xnawamauleDg 

mëmauleng 
macliawachun- 

dam 
undam 



laogit 
prihemel 



mokokirongon 

ooka 
uang 
bembe bowai 



namangau 

ijar 

mohowintjing 

kuku 
wowulongkoDg 



pogos 
kosing 

doit 
motakin 

mototakin 



andeandean 

randijan 

iman 

moiman 
sahingsing 



mojuman 

kotawi 

mokoryuw 

moghowi 



mokopiha 
nokopihaan 

undam 



mogibateng > , 
mogibolulang 



langit 
langilangit 



moindongo 

ojau 
uang 
bembe kobakja 

lolongonan 

ojau 

morobibig 

kokuu 

buok nobulong- 

kong (gekroesd 

baar) 
pogot 
kosing 



doit 
mogatod 

motongkai 
mangale^ja 



mongiman 
korengkeng >, go* 
rongong 



luja 
mokotanob 



monompga 
nopija 



woiyan * 
undam 



> Kinarafjan am 
barnti = is aange- 
trokken geworden een 
koperen harnas, of is 
gekleed met een kope- 
ren harnas; wat eng 
=:r harnas van vel ?an 
de antilope of ?an tonw. 
Be w van wateng en 
warnti is wegens de 
voorgaande m in b ver- 
anderd. 

9 Bateng =: har- 
nas van gevlochten 
touw; bolnlang ^ 
harnas van het vel 
der antilope. 

^ Korengkeng =: 
geluid, i^n geluid; 
gorongong = dof 
geluid. 

* Wolijan, pries- 
ter, duivelbezweerder. 



Di(jitizecl by 



Google 



250 



?£BQEmjKENDE WOOHDENUMT. 



• Nederdüitsch. 


TOÜMBULÜSCH. 


ToOHPAKgWASCU 


TONSEASCH. 


TONDANOSCH. 


Oeneesmiddel tbe- 


kSlung in awak 


somar in owak 


paSlgpan, kSdung 




hoed middel) 






in awak 




Genoeg 


awSs 


awSs 


aw5s 


awgs 


Genoegen 


mahapaapaar 


sale , masalesale 


raaapaapaad 


mapaapaar 


Geoorloofd 


toro 


roona 


toro 


toro 


Gereed 


timSgam 3, wu- 


makatutuUo 2, 


tumëgam ', wu- 


tumggam * 




tullo ' , nima- 


wutullo ', ma- 


tullo ', minakaa- 






kaalJrro * , ni- 


kasiwoo ■ 


duddo ^, mina- 






makalutumo * 




kadutumo ^ 




Gereedschap 


leleos, papaajang, 
sisiwo, wg- 
wSndu 


tatawoi, sisiwo 


papaajangjSSsiwo 


sgsiwo 


Geregt 


k&n ^, kakan&n, 
tikohon 


kakanSn 


k&n, kakanSn, 
wSweke 


kgkangn 


Gering (veracht) 


roros 


roros 


ISngei 


mëngoki 


p (klein) 


koki 


tëkek , tojaan 


koki 


ongking 


» (gemakkelijk) 


rorak 


porak , gampang 


dodak 


wure 


» (arm) 


lëngei 


ISngei 


lëngei 


Igngei 


» (weinig) 


tojo 


pira 


tojo 


tojo 


Gerucht 


awar, rëggSs 


awar 


habar, rSggSs 


ambar, rgggës 


Gerust 


pgnn5s,leo9p6gg- 
nagSnangSn, Sna 


mSnnës, sama 
përekerekenën 


pënnes, ëna 


pgnnSs 


Geschenk 


tatambSr 


tatambër 


tatambgr, taadidi 


tatambgr 


Geschieden (zie ge- 










beuren 










Geschut 


lutam, supera 


lutaw, supera, 
lantakS 


lutam, supera 


lutam, supera 


Gespikkeld 


tondijan 


tarotoan , tor^an 


tondijan 


torijan 


Gesprek 


nuwu 


nuwu 


tarSndgm 


nuwu 


Gest of gist 


taina 


taina 


taina 




Gesternte 


tototijen 


sumSndot 


setoti 


sumgsgna 


Getuige 


sahiri 


sairi 


saidi 


sairi 


Getuigen 


sumahiri 


sumairi 


sumaidi 


sumairi 


Geur 


mahawou 


mawou 


mawou 


wou, mawou 


Ge . angen 


aressSn (pass.) 


aressSn, tino- 
rungku 


aressgn 


aressgn 


Geven 


mehe, oaahawehe 


mee, mawee 


mee, mawee 


mee 


Gevlekt 


kawangan ^, 


kawangan », ta- 


kawangan •, ta- 


kawangan ?. 




talata <o 


lata 10 


lata 10 




» (bont) 


kolongan 


walangan , kolo- 
ngan 


kolongan 


kolongan 


Gevoelloos 


rei mëndam 


raitja mSndam 


dai mgndam 


rei mgndam 


Gevogelte 


tnmetewel 


lumelempar 


se kooko, mate- 

letelew 
matundutundu 


se koko 


Gevolg 


se mahakiikiit 


se kumiit 


makiikiit 


Gewaad 


pakeijan 


pakeijan 


pakijan 


anggor 


Gewagen 


tumotor, kumua 


tumuul 


dumakut 


tumotor 


GewaH 


sesendeSn (groen- 


se matou; sesen- 


sesendeSn, dukut 


timou, matou. 




te) >», rukttt 


deën; rukut; 




dukut 




(gras) . kai (ge- 


ka\ju 








boomte) 








Geweer 


lutam, sinafang 


lutaw 


)!g^t^fe'3V, «Snapung 


lutam 



VERGELTJKEKDE TTOORDENtlJSt. 



251 









BOLAANG- 




ENTENANGSGH. 


TONSAWANOSCH. 


PONOSAKANSOH. 


MONGONDOUSCH. 




duk nu awok 


ete um batangan 




adjimat » 


^ De adjimat 
wordt zoowel om den 


wan e 


doro 


suwaton 


nodapat 


hals, de armen alfl ook 


kewean 


kachaibogen 


koiwogen 


koginaan 


op de hoogte der maag 




tumona , doona 


mowali 


pomija 


en lendenen gedragen 


madija * 


tengam « 


toulus » 


t<>olut « 


het Ar. Mal. 4jiniat = 
amulet.) 


nganginuatSn 


tatawoi 


powogajil 


pogogait 


' Gereed voor de 
reis, voor de ontvangst 


Tl 


kananSn 


kakaanan 


kaanön 


van gasten, enz. 


ikakalomban 




raojomu 


mointok 


s Gereed met het 


)k 


kiding 


hintik 


mointok 


werk. 


ingoanei 


achii warëd 


kowalijampa 


mokobali 




njei 


ISngei 


longon 


boga, kasvjan 


4 Gereed met het 


tji 


tojo 


sopoju 


roojakak, tongo 

puik 
habar 


offer ramatta. 


bar 


abar 


abar 


* Gereed met koken. 


tanak . munde- 


mëiene , mauleng 


jumonoch 


luraona 




k endeken ma- 


parekerekenan 


mowcan 




• Kin z= gekookte 


pigo 








r^jst, maar het wordt 


iwehe 


wehe 


bohoi 


inogoi 


ook gebezigd voor het 
padiplantsoen, als ook 
voor den voorraad padi 


era 


sipera 


spera 


lutam, supera 


dien men te hnis heeft ; 
ka k a n Sn =: het eten. 




morotitich 


tundutundo 


mopand pandok 


spQs, ookbeteekenthet 




kodait 


tuntul 


dingog 


vruchten. 


i in tipas 


tai in tuwa 


tai in tuwa 


tai losing 


^ Nokoontong = 


mbuleleng 


buwa i langit 


tundi 


tondi 


heeft gezien. 


hiri 


sairi 


sahiri 


nokoontong ^ 


^Mopija im boo- 


anahiri 


sumairi 


monahiri 


mokoontong 




cimamou 


momou 


umbawu 


boonja ^ 




heppo (pass.) 


beares 


oaressan (pass.) 


inares, inoman- 
tongan 


* Kawangan =r 
met witte vlekken aan 


ohe, mawelie 


(jehe) mehe 


loobohoi 


mobogoi 


handen, voeten en poo- 


imamukarau 


kumotor 


dalundalunon 


olaab 


tcn. In het Tonmpakg- 
wasch beteekent k a- 


mpalan 


sëpalan 


sSmpalan 


pobalangbalang 


wangan gevlekt in 
het fdgemeen; gevlekt 


mai kagilir 


achii mac^achS- 
lam 


dea mutawi 


dija kopodaman 


aan handen en voeten, 
kulatan. 


anokmanok 


lumelepad 


manukmanuk 


lagappan 


i<) Talata = ge- 


muhu 


machlalas 


tumunaun 


dumudui 


vlekt over het ligchaam. 


wohak 


pakejan 


imbit 


pakejan 


ȕ Voor gewas be- 


anuwa 


tumoto 


mondait 


moguman 


staat in het Toumb. 


nasoan 


yajuw 


pomumbolaan 


kigat (groente) 
bonog( onkruid) 
pangkoi ing 


geen algemeene naam; 
elke soort wordt afzon- 
derlek genoemd. 


itam 


lutam 

1 


liitam 

i 


kaju (geboomte) 

D 

1 


gitizedby Google 



Deze Woordenlijst wordt in volgende afleveringen 
voortgezet. 



Digitized by 



Google 



IETS UIT DE NALATENSCHAP 

VAN 

Mb. D. KOOBDEES. 



Nog was de tijding van het overlijden van Dr. W. H. 
Ëngelmann niet in Nederland aangekomen , of de tweede beoefe- 
naar van de Soeudaneesche taal, mr. D. Koorders, was reeds 
door den dood aan de wetenschap ontrukt , voordat hij de taak , 
die hij op zich had genomen, ten einde had kunnen brengen. 
Zoo is misschien dan nu weer voor langen tijd onze verwachting 
van weldra grondige wetenschappelijke werken betreffende het 
Soendane^ch te ontvangen, teleurgsteld. Van harte hopen wij 
dat een andere krachtige hand dit zal kunnen opvatten. 

Mr. D. Koorders, in het begin van 1867 in Nederland terug- 
gekeerd, had in het voorjaar van 1868 bij het overlijden van 
mr. S. Keyzer op zich genomen de lessen in de staatsinstellingen 
van Ned. Tndie aan de Inrichting voor Indisch Onderwijs te 
Delft te geven. Hierdoor werd onze vroegere kennismaking 
hernieuwd, en het deed mij innig leed den genialen man zoo 
spoedig reeds te zien vallen. Recht aangenaam was het me 
daarom door Mevr. de Wed. Koorders in de gelegenheid gesteld 
te worden nog eenige van zijne nagelaten papieren door te zien, 
en verlof te krijgen, daaruit eenige stukken, die mij geschikt 
voorkwamen , in het licht te geven. Vooraf geef ik een korte 
schets van Koorders verrichtingen gedurende zijn verblijf in Indië. 

Onder de korrespondentie vond ik een aantal rapporten over 
de Soeudaneesche volks- en leesboekjes, die mij zoo belangrijk 
voorkwamen , dat ik besloot aan het Bestuur van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land en Volkenkunde van Ned. Indië 
de uitgave daarvan voor te stellen na bekomen verlof van de 
bevoegde macht. Dit verlof door Zijne Excellentie den Minister van 
Koloniën welwillend verleend zijnde, volgen die rapporten als 
eerste stuk hierna. Ook waren er vele aanteekeningen , dikwijls 
met potlood of op losse stukjes geschreven, die hij op zijne p 
3« Volgr. IV. ^'^'''"^ 18 - 



254 IETS ÜIT DE NALATENSCHAP 

verschiUeiide uitstapjes door het gebied van de Soendaneesclie 
taal alleen voor eigen gebruik of van zijn naaste familie maakte. 
Onder veel, dat niet voor 't publiek geschikt is, kwamen me 
de naauwkeurige beschrijvingen van den afgelegden weg, de 
dikwijk geABstige opmetkiügen omttent land en volk zoo belangrijk 
voor, dat ik niet heb geaarzeld ook fragmenten daaruit hier 
bij te voegen. Jammer dat van het zoo interessant bezoek bij 
de Badoewi's een groot deel wordt gemist; ik heb getracht uit 
blijkbaar onder weg of bij het aanhooren gemaakte notities nog 
j enkele bijzonderheden mede te deelen, doch dit kan natuurlijk 
het ontbrekende niet vergoeden. 

Na te utrecht tot doctor in de theologie, en later in de 
rechten te zijn gepromoveerd , bezocht mr. Daniel Koorders van 
September 1860 tok Julij 1861 de voormalige Delftsche Aka- 
demie, om den rang van Oost-Indisch Ambtenaar van de 1ste klasse 
te vertrljgen ; hij deed het gevorderd examen met het beste suc- 
ces , werd tot ambtenaar benoemd en vertrok den 26sten November 
1861 naar Batavia^ waar hij den IS^en Maart 1862 aankwam. 
Hem was medegegeven een aanbeveling voor de Indische regee- 
ring om zijn gebleken kunde dienstbaar te maken aan de 
beoefening van eenig vak van wetenschap in Nederl. Indië. 

Bij besluit van 17 April 1862 werd mr. Koorders // belast 
met de voortzetting van het onderzoek naar de waarde der in 
graan- en ijzerpakhuizen te Batavia aanwezige boeken en 
papieren//; daarna, den SOsten April //toegevoegd aan Jhr. Mr. 
H. C. * van der Wijck , ten einde dat raadslid ten dienste 
te staan bij het opmaken der verslagen omtrent hetgeen zoo 
door partikuliörén , als van regeeriiigswege is veirigt tot her- 
stel of leniging Van de rampen ontstaan door watersnood in 
Midden- Javia.// 

Omstreeks dien tijd was de kwestie van het oprichten van een 
kweekschool voor onderwijzers in de Soendalanden bij het Gou- 
vernement aanhangig, en werd met Koorders onderhandeld om 
isian het hoofd van die kweekschool geplaatst te worden. 

Inmiddels werd het onderzoek van de wormstekige en half- 
verteerde papieren in de graanpakhuizen voortgezet, totdat 
Koorders bij besluit van 5 Augustus 1862 daarvan Werd ont- 
heven en verlof kreeg zich te Bandoeng te vestigen in afwachting 
van nadere bestemming. Hij bleef evenwel wegens huiselijke 
omstandigheden die maand nog te Batavia, en werd bij besluit 
van 27 Augustus gelast zich naar Bandoeng te begeven om 



Van lilt. ü. KoouDCftd. 255 

daar onder de leiding van den heer K. F. Holle zich de kennis 
der Soendaneesche taal eigen te maken en Yoor zooveel noodig 
dezen belinlpzaam te zijn in het beramen van hetgeen tot het 
onderwijs in de Soendalanden dienstig zou zijn. De beoefening 
van het Soendaneesch had toen nog weinig door Europeanen 
plaats. De bovengenoemde heer K. F. Holle en de heer J. Rigg 
waren de eenigen, die daarvan nog bewijzen hadden gegeven. 
De eerste stond Koorders overeenkomstig genoemd besluit bij 
in zijne studiën. Doch slechts voor korten tijd. Koorders was 
een wetenschappelijk , Holle een praktisch gevormd man ; boven- 
dien waren zij ook in alle andere opzichten antipoden; hunne 
zienswijze over Indië en zijne bewoners verschilde hemelsbreed ; 
er kwamen allerlei botsingen en geheele oneenigheid volgde, 
toen Koorders zich in zijn onverholen oprechtheid met de hem 
eigen kracht van taal in 't algemeen en bepaaldelijk bij het Gou- 
vernement op ongunstige wijze uitliet over de volgens advies van 
den heer Holle uitgegeven Soendaneesche volks- en leesboekjes. 

Tegen den heer Eigg trad Koorders ook weldra op door 
eenige artikelen in de Javabode te plaatsen, waarin het Woor- 
denboek voor het Soendaneesch van dien heer werd beoordeeld, 
Febmarij 1863. Achtereenvolgens werden bezwaren geuit tegen 
H geen in de inleiding van dat werk over de uitspraak is gezegd ; 
tegen de woordafleiding; tegen het niet onderscheiden van de 
taaisoorten, en hetgeen over //idiomatic expressions^ wordt 
gezegd; terwijl verder, naar Koorders meening, veel verkeerds 
over de beteekenis van woorden en afgeleidde vormen kon worden 
opgemerkt. Hij velt hierom een ongunstig oordeel over dat werk, 
een oordeel, dat hij later bij verschillende gelegenheden heeft 
bevestigd. 

De heer G. J. Grashuis, die zich in de Soendalanden bevond om 
werkzaam te zijn voor de Bijbelvertaling namens de Nederland- 
sche Zendingvereeniging , plaatste in hetzelfde blad eenige opmer- 
kingen omtrent Koorders beoordeeling. Hij trachtte deze eenigzins 
te verzachten, en bestreed Koorders gevoelens op enkele punten. 
De Javabode van 14 Maart 1863 bevatte het antwoord, waarin 
ook de stellingen van den heer Grashuis werden weersproken. 

Na de oneenigheid met den heer Holle schijnt er een oogen- 
blik kwestie van te zijn geweest, dat Koorders in 'slands gewone 
dienst zou overgaan. Hij is echter in zijn betrekking gebleven 
en heefb zich zelfstandig op het Soendaneesch , en vooral op de 
verschillende dialekten daarvan toegelegd. oigitizedbyGoOQlc 



266 IETS UIT t)E NAtATÏNSCHAP 

In het laatst van dit jaar werd door de Regering zijn gevoelen 
gevraagd over de door haar nitgegeven Soendaneesche lees- en 
volksboekjea. In een reeks van allerbelangrijkste rapporten werd 
hieraan door hem voldaan , en zijne meening onbeschroomd uit- 
gesproken ; deze rapporten zijn hierachter gedeeltelijk opgenomen. 
Wij leeren hem daarin wederom kennen als scherpzinnig op- 
merker, logisch denker en keurig stylist, en moeten ons ver- 
bazen over de uitgebreidde kennis, die hij in betrekkelijk korten 
tijd van het Soendaneesch had verworven. 

Den Sisten Mei 1864 werd het laatste rapport verzouden , en den 
volgenden dag aanvaardde Koorders de reis door Zuid-Bantam , 
voornamelijk met het doel om zich met de aldaar gesproken 
dialekten van het Soendaneesch bekend te maken. Van een 
journaal, op die reis gehouden, volgen hierachter als tweede 
stuk van zijn hand , de voor de uitgave geschikt geachte ge- 
deelten. Men kan hem daar bijna van dag tot dag volgen; de 
weg en de bezochte plaatsen worden naauwkeurig beschreven, 
en de fijne waarnemer vertoont zich ook hier van alle kanten. 
Dit zoo weinig bezocht gedeelte van Java leeren wij hieruit vrij 
goed kennen en velerlei bijzonderheden treffen ons, die tot nu 
toe onbekench waren. 

Eenigen tijd te voren had Koorders nog in de Javabode ge- 
plaatst twee artikelen ter bestrijding van de brochure van Bar- 
tholo : //het Indisch Schoolwezen en de Evangelisatie in Nederl. 
Indië //, waarin verlangd werden invoering van de Nederlandsche 
taal op alle inlandsche scholen, en oprichting van een kweek- 
school voor de vorming van inlandsche onderwijzers in Nederland. 

Aan het einde van dit jaar kwam Koorders met andere Indi- 
sche taalkundigen op tegen het bekende werkje //Taco Eoorda's 
beoefening van het Javaansch bekeken door H. N. van der Tuuk.*' 
Later is hierover nog een afzonderlijk boekje van Koorders versche- 
nen onder den titel : // Over den heer H. N. van der Tuuk en zijne 
jongste geschriften ^ waarin hij verscheiden gevoelens van dien 
geleerde bestreed, ook met voorbeelden uit het Soendaneesch. 

Zooals wij boven zagen, was Koorders bestemd om aan het 
hoofd te staan van de op te richten kweekschool voor onder- 
derwijzers in de Soendalanden. Vooral de breuk met den heer 
Holle en waarschijnlijk andere omstandigheden hebben er aan- 
leiding toe gegeven, dat deze bestemming niet is vervuld. Den 
Uden Februarij 1865 werd een besluit genomen, waarin gezegd 
werd, dat //men hem voor die betrekking minder geschikt ^chtte, 



VAN MK. D. KOORDEBS. 257 

en men zijn talenten en bekwaamheden liever Mrilde gebruiken 
voor de studie van het Soendaneesch , om daarvan een woor- 
denboek en grammatica te maken.'/ Dit was zeker een zeer 
verstandig besluit. De loop, dien de zaken genomen hadden, 
was niet geschikt om hem sympathie voor het onderwijs in te 
boezemen; ook was hij te veel geleerde, die, niet met weinig 
tevreden, altijd naar H volmaakte streefde; en wat zijn karakter 
betreft te openhartig om als hij onrecht of iets verkeerds zag, 
te 55wijgen; de dagelijksche routine van zulk een school kwam 
al heel weinig daarmede overeen. 

Met hetzelfde doel als de reis doo.r Zuid-Bantam werden in 
dit en 't volgende jaar (1865 — 1866) nog verschillende tochtjes 
ondernomen ; het eerste door de afdeeling Soeka}X)era, latqr door 
Tjeribon tot Tagal en Brebes ; in Mei van 1 866 door Soemedang en 
in Junij door de zuidelijke en westelijke districten van Tjiandjoer. 
Enkele aanteekeningen, doch lang niet zoo geregeld en uitvoerig 
als de vroegere, zijn gevonden en laten wij ook hierachter 
gedeeltelijk volgen. 

In die jaren schijnt Koorders ook reeds met zijn gezondheid 
te hebben gesukkeld ; toch beijverde hij zich steeds zijn woorden- 
kennis te vermeerderen door afluistering van gesprekken met 
verschillende personen, het aanhooren en opteekenen «van ver- 
schillende verhalen , waartoe hij de toekang-pantoen en tembang- 
zangers bij zich liet komen ; hierin dus een andere methode 
volgende dan op zijn Bantamsche reis. 

Gedurig vinden we in zijn korrespondentie bewijzen van de 
moeijelijkheden , waarin ook de verhouding tot den heer Holle 
hem wikkelden. Niet kunnende zwijgen waar hij meende in zijn 
recht te zijn, hield hij ook steeds vol met de Soendaneesche 
leesboekjes te veroordeelen, en ook met het Goevemement kwam 
hij in minder goede betrekking. In Maart 1866 werd hij verzocht 
binnen den tijd van 3 maanden een schets van een grammatica voor 
de Soendaneesche taal in te zenden. Van deze kommissie verzocht 
hij evenwel verschoond te blijven, doch beloofde aan het einde van 
het jaar voorstellen te doen tot uitgave van een Soendaneesch- 
HoUandsch Woordenboek met de schets van een grammatica; 
voor het eerste was hij steeds bezig bouwstoffen te verzamelen. 

In October deed hij nog een reis door het Buitenzorgsche , 
bepaaldelijk met het oog op het Woordenboek van Rigg, en 
•verder door het Bantamsche tot naauwkeuriger bestudeering vw 
bet daar gesproken dialect, oigitizedbyGoOgk 



258 IETS UIT DE NAT^ATENSCHAP 

Inmiddels verbeterde zijn gezondheid niet. Het klimaat scheen 
daarvoor ook niet gunstig te zijn. Weken lang was hem soms 
alle inspannend werk verboden. Toch werkte hij zooveel mogelijk 
aan zijn taak voort, daarin bijgestaan door zijn inlandscheu 
schrijver, Masroen, een neef van den Pangoeloe van Bandoeng, 
en een zeer ontwikkeld man, die hem op zijne reisjes steeds 
vergezelde. Zijn ongesteldheid verergerde evenwel in het laatst 
van dat jaar zoozeer , dat hem door zijn geneesheer gelast werd 
onmiddelijk naar Europa te vertrekken. Hij vroeg en verkreeg 
verlof voor twee jaren, doch wenschte dien tijd toch dienstbaar 
te maken aan de bewerking van het Soendaneesche Woordenboek. 
De voorstellen , die hij daartoe deed , o. a. ook tot het mede- 
nemen van zijn ïnlandschen helper, op wien hij bijzonder veel 
vertrouwen stelde, werden echter door den Goevemeur-Generaal 
aan den Minister van Koloniën ter beslissing overgelaten. Terwijl 
Koorders , reeds op het punt zijnde van te vertrekken , zich nog 
te Bandoeng bevond , ontving hij de in Nederland uitgegeven ver- 
taling van het Evangelie van Lukas door den heer G. J. Grashuis. 
Terstond schreef hij hier over een korte afkeurende vermelding in de 
Javabode van & Januarij 1867, die onlangs nog in het Tijdschrft 
van Ned. Indie is opgenomen. De 28e Januarij was de laatste dag, 
dien hij op Java doorbracht, en met de fransche mail vertrok hij naar 
Europa. De reis werkte gunstig op zijn gestel, doch zich eenigen tijd 
in Duitschland ophoudende , gaf hij te Salzburg bloed op , zoodat hij 
eerst in Mei in Nederland aankwam , waar evenwel een langdurige 
zware ziekte hem aan den rand van 't graf bracht, en werkzaamheid 
onmogelijk maakte. Hij vestigde zich met zijn gezin te Benne- 
broek bij Haarlem , en nam daar het Soendaneesche Woordenboek 
weder onder handen, waarvan aau het eind van het jaar een groot 
aantal woorden waren afgewerkt. Hij drong evenwel herhaal- 
delijk aan op de overkomst van zijn inlandschen schrijver. 
Inmiddels had hij ook zijn oordeel over het Evangelie van Lukas 
in het Soendaneesch , waarvan boven is gesproken, uitvoeriger 
gegeven en nader gemotiveerd in een brochure , getiteld : t Taai- 
en Bijbelmishandeling. Aan het Bestuur van de Nederlandsche 
2endingvereeniging » , uitgegeven bij Kemink en Zoon te Utrecht. 
Dit werkje was tevens een antwoord öp het boekje van den heer 
Grashuis: >yWaan en dunk// en werden met meer nadruk de 
gronden aangegeven, waarom Koorders het door bovengenoemd 
bestuur aangenomen rapport bestreed en de verspreiding van 
dit Evangelie ontried. Met scherpzinnighei^. len^ iuist gevoel van 



V4N KB. B. KOOEDEK9. 259 

de taal wordeu veel uitdrukkingen in dit boek afgekeurd, de 
verdediging van Grashuis ontzenuwd, en Koorders oordeel 
gehandhaafd nevens dat van Dr. Engelmann (Vrg. Tijdschrift 
V. N. I. April 1869). 

Eindelijk kwam er tijding, dat ^an zijn ver^soek gevolg zou 
worden gegeven, en dat Masrpen aich reeds te Patavia bevond 
op weg uaar Holland, toen Koorders tot lid van de Tweede 
Kamer voor Haarlem werd gekozen , en hij , zich met zijn bekenden 
ijver en geestdrift aan de nieuwe werkzaamheden wijdende, de 
taaistudie op zij zette, den djoeroe-toelis afschreef, zoodat deze 
dan ook niet in Holland is aangekomen. 

Niettegenstaande hij het zich als kamerlid tamelijk druk 
maakte, bleef hij voortgaan met het geven van de kollegies over 
het publiek en administratief recht van Ned. Indie aan de 
Instelling^ te Delft, waar zij op hoogen prijs werden gesteld. 
Hoe kort mogt dit evenwel slechts duren! Heeft hij zich te 
veel met deze werkzaamheden overspannen? Was zijn reeds 
geschokte gezondheid daartegen niet bestand ? Zeker is het , dat 
hij zich niet gunde rust te nemen , die hem zoo dringend werd 
aanbevolen, en eerst de lessen staakte, toen het spreken hem 
te moeijelijk viel ; doch de zittingen van de Kamer bleef hij steeds 
bijwonen, tot dat hij in haar kerstreces tijd had om ziek te zijn, 
zooals hij zich uitdrukte. Het was toen evenwel te ver gekomen ; 
zijne ziekte had een te hoogen graad bereikt , zoodat geneeskun- 
dige hulp niet meer baatte, en na een martelend lijden over- 
leed hij den 26sten Januarij 1869 , 38 jaren oud. 

£en veelzijdig ontwikkeld man was in hem wederom aan het 
vaderland , een verdienstelijk geleerde aan de wetenschap ontvallen ! 

Mochten de hier volgende stukken van Koorders hand zoo- 
veel leering en genoegen verschaffen aan anderen, als ze mij 
deden , dan zal het voorname doel van hunne plaatsing , Koorders 
werkzaamheid in Indie te doen kennen , des te beter worden bereikt. 

Ik heb getracht, zooveel mijn geringe kennis van het Soen- 
daneesch en mijne weinige hulpmiddelen toelieten, opheldering 
te geven , waar die noodig schenen. De aanteekeningen onder 
den tekst geplaatst zijn van mij. 

Delft, October 1869. J. J. Mkinsma. 



Digitized by 



Google 



260 IETS ÖIT DE NALATENSCHAP 



RAPPORTEN OVER SOENDANEESCHE 
LEES- EN VOLKSBOEKJES. » 



Bandoenffy 14 December 1868. 

In aanvankelijke voldoening aan den last, op mij verstrekt 
bij UwEdGestr. missive van 7 November jl. n". 2517'*, zal ik 
de eer hebben, bij deze der Redering mijn gevoelen kenbaar 

te maken over de oo(ioiiKi|jin(iE;(loi(bil, het Soendnsch gedicAt 

(gelijk het op de keerzijde van den titel genoemd wordt) 
//Radja Darma//, 

Binnen een paar maanden tijds van al de Soendaneesche 
werkjens, waarover de Regeering mijn oordeel gevraagd heeft, 
een behoorlijk af- en uitgewerkte kritiek te leveren, is on- 
doenlijk ; ik zal daarom , van de mij verleende vrijheid gebruik 
makend, mijn verslag bij-gedeelten indienen. 

Zoo de beoordeeling van de Radja Darma langer is uitge- 
bleven dan ik gewenscht had , zoo met de voorbereiding daarvan 
nagenoech een maand is verloopen; het is, omdat ik het mijn 
plicht achtte, bij deze gelegenheid in eenige algemeene be- 
schouwingen te treden omtrent den vorm der boekjens (dat 
woord genomen in zijn ruimsten zin). Het is mijn vaste over- 
tuiging, dat daaraan groote gebreken kleven; gebreken, zdo- 
groot, dat ze de ofiers, die de Regeering zich sints een paar 
jaren ter ontwikkeling van de Soendalanden getroost, voor de 
bevolking nutteloos en voor de taal schadelijk dreigen te maken. 

Mijn eerste grieve tegen den vorm der door de Regeering 
uitgegeven Soendaneesche volksboeken is, dat het met uitzon- 
dering der boekjens van den heer Holle, allen iembangs zijn. 

Ik zeg met opzet: tembangê. Het is onuaauwkeurig , dat woord 
door gedicht te vertalen. Ze hebben met onze gedichten niet- 
h e t-m i n s t e gemeen. Veeleer zou men ze dan noch met den naam 
van zangêiukken kunnen bestempelen. Maar het is enkel bij 



1 Al deze rapporten zijn gericht aan den In Gouvernementssekretaris, 

Digitized by VjOOQIC 



VAN MR. D. KOORDERS. 



'261 



gebrek aan een eigen HoUandsch woord, dat we plegen te 
7.eggen : de tembangs worden gezongen , niet gelezen. Alleen het 
Eugelsche chanting geeft , voor zoover mij bekend is , het begrip 
juist en volkomen weer. Ik zou het daarom verkieslijk achten, 
den Soendaneeschen tembang zijn Soendaneeschen naam te laten 
behouden; woorden als melodrama en opera b. v. laten we even- 
zoo wijselijk onvertaald. 

Tegen de verspreiding nu van zulke tembangs heb ik drie 
[zeer geMrigtige bedenkingen. 

Vooreerst: ze bederven in den grond de zuiverheid 
ïr taal. De reden ligt voor-de-hand. Elke jvo^jdc^^A of zangwijs 
Btt tembang is altijd afgedeeld in poepoeh's) bestaat uit pada's 
koepletten , van welke elke regel in zijn eindlettergreep een on- 
branderlijk-vaststaanden klank moet hebben. Zoo (om de zaak 
[)r een voorbeeld op-te-helderen) heeft de zangwijs , die pafig- 
heet, in elk koepiet (bestaande uit zeven regels) als eind- 
lank van den eersten regel altijd een a , van den tweeden een 
van den derden een oe^ van den vierden een a, van den 
(fden een oe^ van den zesden een a en van den zevenden 
i '. Wat doet nu de tembangmaker? Aan zijn eindklanken 
Ibonden , gebruikt hij een hoog woord , waar eigenlijk een laag 
moeten staan (b. v. sirah , als hij een a noodig heeft , in- 
ats van Aoeloe [hoofd]); en wat erger is, in-plaats- van een 
endaneesch woord Maleisch, Javaansch, ja Arabiesch en Eawi 
b. V. paiij wapaiy ja palaêira in-plaats-van paèk [dood], 
har in-p]aat8-van nangtang [P], = ten strijde uitdagen; 
ïdal in-plaats-van bidjil , uitkomen ; en honderd anderen). Dit 
geen uitzondering; het is vaste, doorgaande, volstrekt-alge- 
aeene regel. Schrikwekkeud-lange lijsten zou ik, ten bewijze 
^an, der Begeering kunnen voorleggen. Trouwens, de tem- 
agmaker houdt het voor een onschadelijk iets; eti of hij 
[daardoor onverstaanbaar wordt, deert hem niet; hij weet wel, 
dat het zijn zoogenaamde lezers om den klank , meer dan om 
den zin der woorden te doen is. En het is toch waarlijk alles- 
behalve een onschadelijk iets. Het is een moedwillige en stelsel- 
matige vervreemding der landzaten van hun moedertaal, gelijk 
ons vaderland onder de Graven uit het Bourgondiesche huis er 
een beleefd heeft. Een moedwillige en stelselmatige vernieling, 



^ Ik- wil er met een enkel woord op w\jzen, dat alles, wat hier van 
de Soendaneesche tembangs gezegd wordt, ook van de Javaansche geldt , 
waarvan zij hoogst waarschijnlijk zijn overgenomen, oigitized bv j|j, -C 



&6i IETS UIT DB NALATENSCHAP 

van hetgeen het eigenaardigst kenmerk en de onmisbaarste 
levensvoorwaarde eener nationaliteit is. Een streven om de 
levende deelen van het taalorgauisme te doen versterven en te 
vervangen door niet-geassimileerde , mechaniesch-aangevoegde be- 
standdeelen van uitheemschen oorsprong : om het Soendaneesch , 
die zelfstandige loot van den Polynezieschen taaistam , vol leven 
en vormkracht, die in zoo-hooge mate van vatbaarheid voor 
ontwikkeling getuigt, en als voertuig van ontwikkeling zulke 
nituemende diensten kan doen, van zijn eenheid, zijn leven 
naar eigen wetten, volgens welke het verstorvene wordt uitge- 
stooten , en het nieuwe , vreemde , organiesch opgenomen , te 
berooven; met andere woorden: om het te doen ophouden een 
taal te zijn , en tot het peil van het laag Maleisch , het Neger- 
engelsch en de Lingua Tranca te doen wechzinken. 

In de tweede plaats: de tembangs doen zelfs den 
uitwendigen vorm der woorden en de regelen van 
zinbouw op alle mogelijke wijzen geweld aan. De 
tembangmaker is niet-enkel aan bepaalde eindklanken, hij 
is in eiken regel van elke zangwijs ook aan een bepaald getal 
lettergrepen gebonden. Dit zou hem natuurlijk wel eens in 
verlegenheid kunnen brengen. Maar hij heeft een zeer eenvoudig 
redmiddel bij- de-hand. Gelijk hij zich, waar hij een a als eind- 
klank noodig heeft, niet ontziet, Bopati tot Bopatja^ ja P€Uih 
tot Patja te vervormen , zoo doet hij , al-naar-gelang hij anders 
een lettergreep te-veel of te-weinig zou krijgen , de woorden een 
inkrimpings- of uitrekkings-proces ondergaan. Van djero b. v. 
maakt hij , desgevorderd , het voor den Polyneziër méer-nog dan 
voor den Hollander onuitspreekbare djro; van het kollektief voor- 
voegsel para een vorm pra^ alsof het van het voorvoegsel pra niet in 
vorm gelijk in zin ten-eenenmale verschilde; van dalapan^ met 
volkomen hetzelfde recht als wij kanalen zouden samentrekken tot 
knalen , dlapan , van montong het geheel onverstaanbare tong ; en 
omgekeerd saperói tot aapereti^ mangarti tot mangareti^ perloe 
tot pereloe^ prakara tot palakara, kersa tot keresa. Daarmee 
noch-niet te vreden, vervangt hij b. v. het persoonlijk voor- 
naamwoord van den tweeden persoon manèh door dat van den 
derden manèhna\ gebruikt in-plaats- van rèja-rèjaua = op zijn 
meest, rèjana = de hoeveelheid er van; laat prepozities wech , 
waar het Soendaneesche taaieigen ze gebiedend vordert; verzwijgt 
het subjekt van een zin of zinsnede, ook waar die verzwijging 
de bitterste verwarring veroorzaakt; en berooft den obiektieveii' 

Digitized b'. 



VAN MR. D. KOORDBES. 263 

of passiefvonn der zeg- en werkwoorden van het voorvoegsel dat 
hem tot passiefvorm stempelt. Dit is te betreuren, niemand, 
geloof ik, zal het betwisten. En het is in de gegeven omstan- 
digheden allergevaarlijkst tevens. ^Wat we in Nederland brod- 
delaars als Schenkman en konzorten zonder nadeel dan alleen 
voor hun eigen reputatie zien doen , omdat taal en volk er beide 
ontwikkeld zijn, mag in de allereerste gedrukte stukken, die 
de IJegeering onder de oogen van de bevolking der Soen- 
dalanden brengt, mijns-inziens niet geduld worden, omdat hier 
de schrijftaal zoo-te-zeggen noch geschapen moet worden , en ze 
gevaar zou loopen een afdruk, niet van de levende j maar van 
de lembangtsiBl te worden. De toch-al-zoo-algemeene dwaling, 
dat wat gebruikt wordt, ook goed is, zou worden bestendigd. 
De taaibedervers zouden de kroon op het hoofd krijgen, en hun 
onzinnige schrijfwijze, als de bij-uitstek fatsoenlijke, als de door 
het Gouvernement goedgekeurde, meer-en-meer worden nagevolgd. 
In de derde en laatste plaats: de tembang is uit zijn 
aard ongeschikt om aan ontwikkeling en bescha- 
ving een krachtigen stoot te geven. Reeds uit het 
boven-gezegde laat zich dat afleiden. Het onophoudelijk gebruik 
van allerlei vreemde woorden, van allerlei onverstaanbare zin- 
wendingen, van allerlei bepaalde ongerijmdheden, waartoe de 
tembangmake.r ter wille van voetmaat en eindklank wel gedwongen 
is , heeft natuurlijk voor den lezer dit dubbel nadeel : dat veel van 
den inhoud hem onbegrijpelijk blijft, en hij uit den vorm niet 
leeren kan , hoe men zich met juistheid moet uitdrukken. Beeds 
om dit-laatste alleen zou ik dan ook hun invoering als leer- 
boeken allerbedenkelijkst achten ; in die besmette atmosfeer mog- 
ten de kinderen ook eens beginnen te spreken van opium, die 
aan wal gaat {handjai) , of van een kris die vrijgelaten 
[oetjoel) is. Doch, ook geheel-onafhankelijk van dit een-en- 
ander , acht ik ontwikkeling van den Soendanees door verspreiding 
van tembangs een ondoenlijk iets; en wel om de eenvoudige 
reden, dat de tembangs zangstukken zijn. Het eigenaardige 
van den zang is, dat hij bij-voorkeur tot 's menschen gemoed 
en verbeelding spreekt, weinig-of-niet tot zijn verstand en rede. 
Hij vordert geen werksaamheid , laat-staan: zelfwerksaamheid 
van den geest; enkel ontfankelijkheid van 'gemoed. Hij speelt 
zijn hoofdrol in den kinderleeftijd der volken, wanneer het 
sluimerend denkvermogen noch-niet is ontwaakt. Wie een volk 
beschaven wil, zal wel moeten beginnen met het aan onderzoek 



264 IETS UIT DE NALATENSCHAP 

en nadenken te wennen; heeft hij kans van slagen, wanneer 
hij het hulpmiddel van den zang te-baat neemt, die aan zijn 
hoofddoel, het weergeven van toonen en klanken al het andere 
ondergeschikt maakt, en medebrengt, ja vordert, dat men aan 
die toonen en klanken werktuigelijk hangen blijft? Is er kans, 
dat men al zingende leereu zal, gelijk het kind, wanneer de 
periode voorbij is waarin het door wiegezangen in-slaap-gesust 
werd, al-spelende leert? Mij schijnt het een contradjj^io in 
terminis. En hoe men beweeren kan , dat verspreiding van tem- 
bangs ouder de bevolking althans dit-éene voordeel zou hebben , 
dat ze het middel , en wel ^ het eenigste middel * zouden zijn 
//om den inlander spoedig aan het lezen te krijgen// is meteen 
raadsel. Mij schijnt die redeneering even-logiesch , alsof ouders 
zeiden: we moeten ons kind maar druk laten rijden, om het 
spoedig aan het loopen te krijgen. Een weinig kennis van de 
geschiedenis der beschaving, een oppervlakkige waarneming van 
de lagere standen der maatschappij, een oogenblik uadenkens 
over het essentieel verschil tusschen zingen en lezen, is, dunkt 
me, voldoende, om, de keuze van een middel te ontraden, dat 
nooit tot het doel leiden kan. 

Op grond van al het hierboven-ontwikkelde meen ik der 
Regeering met aandrang te moeten voorstellen, om in het ver- 
volg geen tembangs meer aan te nemen, maar enkel-proza- 
werken, en wel enkel zuiver-Soendaneesche. Moge de samen- 
stelling aan den inlander, aan dien arbeid ongewoon, in den 
beginne eenige moeite kosten; het zeer aanzienlijke honorarium 
zal een voldoende spoorslag voor hem blijken te zijn om op 
het geregeld en ordelijk schikken zijner denkbeelden, het schrijven 
van een dragelijken prozastijl, zich te gaan toeleggen. De ont- 
wikkeling van taal en volk zullen hand-aan-hand gaan, en 
allerweldadigst op elkftar teruchwerken. En het geld der Regee- 
ring zal niet-langer worden uitgegeven voor hetgeen , ik ben er 
zeker van, in weerwil van alle schoonschijnende rezultaten een- 
maal zal blijken geen brood te zijn geweest. 

Ik heb een tweede grieve tegen den vorm der door de 
Regeering uitgegeven Soendaneesche volksboeken, die ik niet 
mag verzwijgen; zij betreft het spelsysteem, dat, ik geloof het 
in weinige woorden te kunnen aantoonen, aan zeer tastbare 
gebreken lijdt en alles behalve navolging verdient. 

Wat vooreerst de spelling van het Soendaneesch , ik bedoel: 
de schrijfwijze van de wporden met hun eigen, Javaausch- 



Vak mil. d. kooide tis. 265 

Soendaueesche , karakters betreft, die is omslachtig, onlogiesch, 
inkouzekwent, en in strijd met het wezen der taal. Op den 
voorgrond sta, dat van het Soendaneesch in dubbele mate geldt, 
wat Boorda van het Javaausch zegt : // de verdubbeling van een 
letter in de spelling kan voor de uitspraak geen beteekenis 
hebben, en daarom is zij ook in het algemeen af te keuren, 
uitgezonderd alleeu bij de laatste letter van een woord, als het 
een a^nhechtsel ontvangt , dat met een (un begint.// In twee 
zeer kardinale punten wordt van deze wijze les afweken. Terwijl 
men de verdubbeling van de ik) (onze n) in het midden van 
een woord , en terecht , als onnoodig wechwerpt , zoodat men b. v. 

i£j|(Kl9\ {mana/ij niet tnan-naX) en (EJ|(Kiiu\ (ntanam^ niet 

tnan-nawi) schrijft , gaat men daarentegen de verdubbeling van de 
o (onze ng) in het midden der woorden bestendigen en tot 

doorgaanden regel verheflen, zoodat men schrijft: oï(ciflSii|j\ 
{bang-nget) , en m OJi o \ (ngadang-ngoe) , niet bedenkende welk- 
een schreeuende inkonzekwentie men daardoor begaat, en hoe 
zeer men door die noodelooze verdubbeling het wezen van de 
nga miskent. En om de tónge pepet (waarvoor het Soenda- 
neesch geen eigen klankteeken heeft) van de korte te onder- 
scheiden, ontziet men zich niet, na de korte pepet eiken vol- 
genden medeklinker te gaan verdubbelen, dat is met andere 
woorden: de afkeurenswaardige verdubbeling der medeklinkers 
systematiesch te drijven. Vooral dit laatste, het verdubbelen 
van den volgenden medeklinker, om aan-te- duiden , dat de 
voorafgaande pepet kort moet worden uitgesproken , is het toppunt 
van ongerijmdheid. Vooreerst is het een geheel-noodelooze 
nieuwigheid. De Soendanees zal, op het gevoel af, de beide 
klanken even-wiskunstig-zeker weten te onderscheiden, als de 
Engelschman zich zal wachten voor de vergissingen in de uit- 
spraak van great en read^ ofschoon daarin de /- en de i-klank 
op volkomen dezelfde wijze voor het gezicht worden afgebeeld. 
Ten tweede is in een groote menichte gevallen het fraaije ver- 
duidelijkingssysteem niet-eens uitvoerlijk ; wanneer de pepet voor- 
komt bf in de laatste lettergreep van een woord (zooals b. v. 
in naier, pinggeê^ antep en honderd anderen), bf in een gesloten 
lettergreep, wier sluitkonzonant onmiddelijk gevolgd 
wordt door een dnderen konzouant, (zooals b. v. in 



(MaJuiKj(Kij|\ {siinnan) ajmn U ^ Ki j| \ {har^Sp-pan) in lijn- 



è6ë tÊTS UIT DÉ NAlATÊïiSÖrtAP 

wevgkè, ê&rta^ berkat) is aan verdubbeling van den op den 
pepet volgenden konzonant natuurlijk geen denken. Ten-derde 
ontstaat de schrikbarendste verwarring, doordien men in a%e- 
leide woordvormen, om den vorm en de samenstelling van het 
woord aan te duiden, gewoon is, ook na een langen pepet, 
wanneer die in een gesloten eindlettergreep voorkomt, en het 
woord krijgt een aanhechtsel dat met een on begint, den vol- 
genden medeklinker te verdubbelen, zoodat men b. v. schrijft: 

oo 

II 

d 

rechten strijd met de eigen manier van onderscheiding der beide 
pepets. En ten-vierde worden uit deze nieuwigheid barbaarsch- 
heden als b. v. de verdubbeling van de dja^ waarvoor ieder 
inlander van eenige ontwikkeling zich wachten zal , wetende dat 
nooit ee)i woord of lettergreep op een dja uitgaat, en de spel- 
liuff vanS^jcucima ™®^ ^° *^' ^^ paièn^ en wederom een 

ia, met een pasangan la^ ((tf:ttmj|Oïann|| \) geboren. Ik moet 

dan ook verklaren , dat naar mijne overtuiging de Regeering niet 
te spoedig met zoodanige ondoordachte, verwarde en verwarring 
veroorzakende spellings-theorieën breken kan , en dat men wijs zal 
doen met in hoofdzaak teruch-te-keeren tot het spelsysteem 
van Roorda voor het naauwverwante Javaansch. Eerst-dan zal 
de willekeur en ongelijkmatigheid, die in de spelling van het 
Soendaneesch noch heerscht, voor orde en regel plaats maken. 
Eerst-d^n zal men een spelmethode hebben, die, terwijl ze vol- 
doet aan den eisch van eenheid , eenvoudigheid en duidelijkheid , 
in harmonie is met het wezen der taal. 

In de transcriptie van het Soendaneesch met 
Latijnsche letter schijnt men, zoo mogelijk, noch-onge- 
lukkiger geslaagd te zijn. Om de ièlèng (een e , die nagenoech den 
klank van de eerste e in het Fransche mère heeft) weer te geven , 
gebruikt men een e met een accent aigu^ en schrijft b. v. héjak\ en 
toen ik op het verkeerde hiervan opmerksaam maakte , toen ik ried 
om , op het voorbeeld van Roorda , den accent grave te gebruiken , 
die nu eenmaal (en om zijn half-liggende houding , niet oneigen- 
aardig) in ons letterschrift den klank van de tèlèng afbeeldt, 
werd mij geantwoord , dat de accent aigu veel-meer overeenkomst 
heeft met de figuur van tèlèng dan de accent grave , en dat de 
Soendanees er daardoor veel spoediger aan wennen zcm.^Dit utili- 

' " Digitizedby Vji^ 



VAX Mtl. Ö. KOOtlDEllS. 267 

teits-argumeut (op welks gegrondheid ten overvloede noch zeer 
veel zou zijn aan te merken) , was voldoende , naar het schijnt , 
om bij de transcriptie van de tèlèng het klankteeken te kiezen , 
dat in het Latijnsche letterschrift den klank van de tèlèng niet 
weergeeft. Om de korte pepet van de lange te onderscheiden, 
bedient men zich van hetzelfde oneigenaardige en alleronvol- 
komenste hulpmiddel, waarvan hierboven, zoo ik meen, reeds 
genoech is gezegd. Met dit éene onderscheid echter, dat men 
in de transcriptie den verdubbelden medeklinker niet tweemaal 
schrijft, maar de verdubbeling enkel door-middel van een Dop- 
pelstreichen aanduidt. Een uiterst-willekeurig gebruik van dat 
ktterteeken , den Duitschers , aan wie het ontleend is , ten-eenemale 
onbekend, en waarvoor zijn goede smaak den schrijver moest 
bewaard hebben. Een woord als bèbekeUan bv. geschreven , zooals 
men het schrijft {VéblékMan) ^ is letterlijk niet aan te zien. En 
het dubbele voordeel, dat er aan de overneming en algemeen- 
making van het teeken zou verbonden zijn, bevordering van 
duidelijkheid en vermijding van omslag, bestaat louter in de 
verbeelding. Het is tastbaar, dat het woord goddelijk bv., op 
de gewone wijs met twee ^s geschreven, het in duidelijkheid 
verre wint van godelijk met een Doppelstreichen in plaats van 
de tweede rf, want de schrijfwijze met den Doppelstreichen vergt 
van den gee^t de moeite om zich een tweede d voor te stellen , 
die er eigenlijk niet staat. En vermijding van omslag mag het 
voorzeker niet heeten, wanneer men zonder de minste noodzaak 
een nieuw letterteeken invoert, en noch -wel een letterteeken , 
dat het schrijven in zoo hooge mate vertraagt, doordien het 
de pen dwingt , telkens midden in een woord even op te houden 
en van rigting te veranderen. Ik zoek dan-ook de eigenlijke 
reden, waarom de Doppelstreichen bij de transcriptie van het 
Soendaneesch opgenomen is, in iets anders; ik beschouw het 
als een onwillekeurig onvermijdelijk uitvloeisel van het systeem 
om de korte pepet door verdubbeling van den volgenden mede- 
klinker te onderscheiden van de Idnge. Men begreep, dat het 
systeem zich zelf gevonnisd zou hebben, wanneer men (gelijk 
er in ons Hollandêch letterschrift toch eigenlijk staan moet) ge- 
schreven had: bebbekkellan en soemedjdja. Men begreep niet 
(ofschoon reeds de woordenlijst van de Wilde het had kunnen 
leeren) dat we de verdubbeling door-middel-van den Doppel- 
streichen volstrekt- niet uoodig-hebben om, en dan nog op een 
tegelijk onooglijke en uiterst-onvolkomene wijs^^igi^ij-^l^-duideuje 



^68 IETS TTtT Ö15 NAT.ATENSCHAl* 

dat er een korte pepet voorafgaat; dat de heele zaak gevonden 
is, wanneer we de korte pepet afbeelden door onze gewone e 
en de lange door een ? (de e met een kapjen) ; dat we dan 
een allereenvoudigst onderscheidingsteeken hebben, dat zich 
laat aanwenden , ook-d^r waar het gekompliceerde hulpmiddel van 
verdubbeling en üoppelstreichen ons zou begeven. Het doet me 
leed ook in dit opzicht een ongunstig oordeel te moeten vellen. 
Maar wanneer men zelfe de kleine moeite niet neemt van in de 
transscriptie, waar het tembangs geldt, ons stelsel van inter- 
punktie toe-te-passen; wanneer men daarin geeu*andere teekens 
gebruikt dan aan het eind van iederen regel een komma , en aan 
het eind van ieder koepiet een punt, zonder om hetgeen de zin 
zou vorderen , zich in het minst te bekommeren ; zou ik dan mijn 
plicht als ambtenaar, mijn roeping als wetenschappelijk man, 
niet met voeten treden, indien ik dit taalbederven vergoelijkend 
door de vingers zag? 

Misschien van minder aanbelang, maar toch, naar ik meen, 
niet geheel van gewicht ontbloot, is een derde en laatste be- 
denking, die ik tegen den vorm van sommige Soendaneesche 
volksboeken heb; de bedenking namelijk, dat het tegen-over- 
elk^r drukken van den tekst met Javaansch-Soendaneesche en 
Tiatijnsche karakters nuttelooze , ja schadelijke geldverspilling is. 

Het gros der bevolking kan niet lezen. Het is bedroevend , maar 
het is een feit; een feit waaraan niet valt te twijfelen, en dat 
ik me sterk maak , statistiesch te bewijzen. Onder degenen , die 
lezen kunnen, zijn maar zeer weinigen, die het zoo- ver gebracht 
hebbeu dat ze, buiten het Arabiesche en Javaansch-Soendaneesche 
ook-noch het Latijnsche letterschrift lezen kunnen. Ook dit is 
een feit, waarvan ik me door navraag en proefneming verge- 
wist heb. Is dan-wel de tijd reeds gekomen, om volksboeken 
(waarvan immers zeer aanzienlijke getallen worden opgelegd) in 
Latijnsch letterschrift te verspreiden? Kan de uitgave op dezen 
oogenblik voor de ontwikkeling der Soendalanden nut van eenige 
beteekeuis doen ? Moet niet de oprichting en werking van goede 
distriktsscholen , waar ons alfabet geleerd wordt, voorafgaan? En 
zou het in-elk-geval niet verkieslijker zijn, de transscriptie af- 
zonderlijk te laten drukken? Zooals de zaak nd geregeld is, 
moet de kooper tweemaal hetzelfde betalen; de boek}ens zijn 
zoo- veel-duurder , hetgeen natuurlijk nadeelig teruchwerkt op hun 
verspreiding, en de regeering kan uit het debiet niet opmaken, 
of werkelijk voor boekjens in ons letterschrift reeds^een lezend 

Digitized by VjOOQ- 



Vak Mil. D. ïtootLt)Ëuö. ê6Ö 

publiek van eenigen omvang aanwezig is. Welk voötdeel tegen 
die groote en onmiskenbare nadeelen overstaat , laat staan : er 
tegen opweegt, is me niet duidelijk. 

Ik zou aan de Regeering wenschen voor-te-stellen, om voor- 
loopig geen Soendaneesche volksboeken te laten drukken 
dan met JaYaansch-Soendaneesche karakters, maar om ten 
behoeve der scholen van enkele, nader aan-te-wijzen , werk- 
jens (in beperkter oplage) afzonderlijke transscripties in 
Latijnsch letterschrift verkrijgbaar-te-stellen. Dit zou, geloof ik, 
een vrij-aanzienlijke geldbesparing ten-gevolge hebben, zonder 
de minste schade voor de goede zaak. Bij de bestaande regeling 
schijnt me niet genoechzaam gelet op het eigenaardig verschil 
tusschen school- en volksboeken. Men heeft denzelfden mis- 
greep begaan, waaraan b. v. ik me zou schuldig maken , indien ik 
voorstelde om op-staanden-voet in alle Soendaneesche volksboeken 
met Javaansch-Soendaneesch karakter de woorden van elkaar 
af-te-scheiden en onze interpunktie in-te-voeren, omdat ik» proef- 
neming met dat systeem op de kweekschool allerwenschelijkst 
acht. Het plaatsen der transscriptie tegenover den Javaansch- 
Soendaneeschen tekst schijnt me afkeurenswaardig, omdat het 
de gemakzucht van den leerling in-de-hand-werkt , en de kon- 
trole voor den onderwijzer verzwaart. 

Na deze inleidende opmerkingen van algemeenen aard (die ik 
niet beknopter heb weten saam-te-dringen) , ga ik thans over tot 
de mededeeling van mijn gevoelen omtrent taal en inhoud van 

de Radja iJarma (o O ooi (KI || Tl ii£; (UI (EJ n). — Ik begin met 

den inhoud. 

Moest ik mijn oordeel daarover in éen enkele zinsnede uit- 
spreken, ik zou het niet beter weten te zeggen dan met de 
woorden van Horatius: ffdeêinü in piseem muiier fofmona 
nwperne^n (/'eene van boven schoone vrouw loopt uit in een visch//). 

Het eerste gedeelte : de beschrijving van dien Patih , die zelfs 
tegenover 'sKonings zoon zijn wettig gezach heeft doen gelden; 
van dien Prins , die zijn misstap erkent , en zonder morren zich 
op 's Patih's last naar de gevangenis laat brengen; van dien 
Vorst, die in-het-openbaar de handeling van zijn Patih goedkeurt 
en prijst; is ontegenzeggelijk goed en leerrijk. 

Maar reeds de lessen , die de Vorst vervolgens aan zijn zoon 
geeft omtrent de plichten van een Regeerder (va. 73) , worden 
3e Volgr. IV. °'^ '^"^ '19 



i9Q IKTÖ ÜtT 1>È NALATENSCHAP 

ontsierd door een stelling, die me toeschijnt een allerverderfe- 
lljksteu geest te ademen, en in schrille weerspraak te zijn met 
hetgeen men verwachten zou in een boek, bestemd om den 
zedelijken zin der bevolking op-te-scherpen. Zorg toch, zegt 
(vs. 74 — 76) de vader tot zijn zoon, dat ge altijd de hand houdt 
aan uw onderhoorigen , om in hun levensonderhoud en middelen 
van be^taai^ te voorzien ; vwaul de kleine man bezü zoo verbazend 
weinioh nadenken en hij is zoo-buüengemeen ounoozely geheel 
anders dan de aanzienlijken , hei verschil is geweldig groot ; " — 
zorg er itoch voor, w^nt doet ge dat niet, /^dan is het eind, 
dat v^i^n naar andere landen uitwijken, v Ik vraag: kan de min- 
achting voor den kleinen man als een soort van lager wezen in 
de schepping, die onbetwistbaar in het hart van de meeste aan- 
zienlijken leefl , zich ruwer, onverholener, uitspreken ? /^ Ik vraag : 
laai; onzedelijker leer zich denken dan de hier gepredikte : doe het 
goede, want uw eigenbelang brengt dat mee P/^ Onzedelijker 
in-zich-zelf, en ondoeltreffender tevens? Komen er dan niet ge- 
durig momenten in het leven, waarin andere hartstochten de 
stem van het eigenbelang overschreeuwen? Geen momenten, 
waarin het eigenbelang meebrengt öm het kwade te doen en niet 
het goede? 

Zoo echter de berispelijkheid van de Radja Darma zich tot 
deze enkele vlek bepaalde, het ware noch minder, die zou ge- 
makkelijk wech-te-nemen zijn. Maar de verdere loop van het 
verhaal is van dien aard, dat het een doorgaande en stelsel- 
matige bewierooking van de ondeugd wordt. Te-weten : als koning 
Parmat Madja zi^h ^QQf l^perasekti, dei^ koning van Barat 
Madja, besprongen ziet, eindigt de Patih (die aan 'skouings 
stervenden vader beloofd had , zijn troonopvolger te zullen trouw 
blijven) na moedig maar vruchteloos den vijand weerstand te 
hebben geboden , met zich een ellendigen lafaard te tooneu ; ge- 
vangen voor den overwinnaar gebracht, zegt hij (vs. 211) : //ik 
bid Uw Majesteit, heb medelijden, laat me niet dooden, nacht 
en dag wil ik uwe Majesteit dienen./^ Hij laat het zich dan-ook 
aanstonds welgevallen, om zijn ambt uit 's overweldigers harid 
teruch-te-ontfangen (vs. 212). Hij verraadt de verblij plaats van 
zijn wettigen meester (vs. 213) , en is daardoor oorzaak van 
diens gevangenneming. Hij ziet naar dien meester, die, opge- 
sloten in een ijzeren kooi, een rampzalig leven leidt, niet om. 
Eerst- wanneer de willekeur van den nieuwen koning z<$o-ondragelijk 
wordt, dat geen van de Rijksgrooten zijn leven peerj^er is 

y y /v 



Vak kB. D. itooitBARa. 271 

(va. 257) ; wanneer zij , uit beduchtheid voor hun leven , «er toe 
komen om den dwingeland te onttroonen; herinnert de Fatih 
zich zijn vroegeren Heer, wien hij trouw gezworen hiad. Maar 
geen spoor van berouw over zijn laaghartige handelwijs als hij 
in de gevangenis komt, en koning Darmat Madja zijn her- 
stelling op den troon aankondigt. O neen! de schrijver schijnt 
het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat hij zich voor het 
fait accompli heeft gebogen, of (om het in rond HoUandsch te 
zeggen) de huik naar den wind heeft gehangen. Hij is en blijft 
dan-ook de gevierde man. Alsof de zaak zoo vanuelf spreekt, 
behoudt hij zijn ambt; en een zoo-edelaardig man, zegt de 
schrijver, werd in-het-vervolg door koning Darmat Madja />^noch 
inniger geliefd dan door zijn vader// (vs. 299). 

(k laat nu geheel in-het-midden of zulke uitgewerkte be- 
sclirij vingen van oorlogen ^i onttrooningen der vcMrsten door liun 
onderdanen (bijna twee-derde van het verhaal is er mee gevuld) 
voor de ontwikkeling der Soendalanden nuttig en uit een politiek 
oogpunt bizonder-raadsaam zijn. Maar ik verg ten minste, dat 
de voorstelling der feiten niet gelijk in de Radja Danna het 

geval is , ^s menschen grondbesefTen kwetse Volksboeken die 

zulk een geest ademen, die het onderscheid tusschen goed en 
kwaad opheffen, bevatten een kiem, niet van volksontwikkeling, 
maar van volksbederf. 

Wat, in de tweede plaats , taal en stijl van de Radja Darma 
betreft, ook daartegen heb ik gewichtige bedenkingen. 

De taal is alles behalve zuiver-Soendaneesch. De maker ge- 
bruikt, deels ter-wille van voetmaat en eindklank, deels, naar 
het schijnt , uit bloote liefhebberij , allerlei uitheemsche woorden 
en vormen, zooals b. v. bitahi^ weweioê^ kebky noedjoe^ toe- 
mengga, koemambang ^ ngèsiikén^ rarahiy digdjaja^ linêwih^ 
kondoefj anarima, pragat^ oeloessan^ gerebeg ^ inggity koe- 
medap^ sebak, enz. ja poenggawa en boept^ti gedurig in plaats 
van ponggawa en bopali. 

De stijl gaat in matheid , waterigheid en onbeholpenheid alle 
denkbeeld te boven. Zoo zegt b. v. de maker in vs. 9 : ^ 's Ko- 
nings zoon was geweldig en geweldig, vervaarlijk en vervaarlijk, 
boos^ (poeira radfa liwal-liwal saking bendoena kabina-bina). 
Zoo in VS. 159 : //Daar Vorst Radja Darma overleden is, treedt 
nu voor hem in de plaats, treedt voor den Vorst in de plaats, 
Zijn Hoogheid Raden Darmat Madja, die hem vervangt als 
Vorst van Nagri Hindoe"' {sabaö kang djeng Radja Djarnia^ 



Ui Iets üIt t>t NAi^AtENScüAt 

enggïs poepoes^ ajéna anoe ngaganti^ ngagentos rama prahoe^ 
Kangfljeng Raden Darmat Madja uoe goemanii djadi radja 
nagri Hindoe). 

En, wat erger is, het boekjen is vol van baren en barren 
onzin. Om zijn bepaalden eindklank en zijn afgepast getal let- 
tergrepen te krijgen, heeft de maker zich niet ontzien, gedurig 
dingen neer te-schrijven die geen taal zijn. Zoo spreekt hij van 
Prabangaa patik (evenalsof wij zeiden Willem Koning); van 
lampah (in plaats van lampahna) noe djadi radja (zoodat hi) 
zegt: //de gedragslijn die Vorst is/y); van marinkén^ dat niet 
bestaat (énkel maparinKén)\ van koedoe péntjit, voor toedoe 
dipéntjii (d. w. z. hij moet dooden, hij moet gedood wor- 
den), en meer van die dwaasheden, die de taal en het gezond 
verstand beiden op de gruwelijkste wijze geweld aandoen. 

Ware de Radja Darma proza, het kwaad zou misschien te 
verhelpen zijn. Ik zou dan aan de Regeering hebben voorge- 
steld om den tekst aan een algeheele herziening te onderwerpen ; 
om in de lessen van den Vorst aan den zoon de noodige wijzi- 
ging te brengen; en om met den dood van Kadja Darma het 
boek te doen eindigen (iets waardoor het tegelijkertijd beter aan 
zijn titel zou beantwoorden). Maar nu de Radja Darma tembang 
is, waarin men gebonden is aan maat en eindklank, houd ik 
me overtuigd dat afdoende verbetering van taal en stijl tot de 
onmogelijkheden behoort; het zal lijm- en lapwerk blijven. 



RAPPORT No. IL 

Bandoeng, 31 December 1863. 

Ten vervolge van mijn schrijven van 14 December jl. no. 12 
zal ik de eer hebben alsnu der Regeering mijn gevoelen mede 
te deden over taal en inhoud van de Dongèng-dongèng Toeladan 

(o o(ui Kiji oji ) f| n (u s f| ia osn «IJ O (Kiji V* 

Wat vooreerst den inhoud aangaat, valt het volgende op te 
merken. Het eerste verhaaltjen (dat echter maar-elf pada's 
of koepletten groot is), hoewel zonder de minste diepte, en geen 
spoor van talent verradend, heeft een nuttige strekking; het 
kan veilig gelezen worden door groot en klein. 

Van het tweede verhaal, de ffeschiedenis van Kertasana (zeven- 

^ Digitizedb, ^ 



VSS MR. D. KOORDEKS. 273 

en-tachtig pada's groot) zou ik dat niet zoo onbepaald durven 
verzekeren. De beschrijving van Kertasana's zwak voor de vrouwen, 
en vooral de toon waarop, de geest waarin dat onderwerp 
behandeld wordt (pada 20, en 41 — 43), schijnt me weinich 
geschikt om voor dat kwaad de oogen te openen, en in een 
schoolboek al zeer misplaatst. Daarbij de heele moraal van het 
stuk stuit me tegen de borst, het is een aanbeveling van de 
deugd , enkel omdat men anders (zooals de maker in vs. 12 zegt) 
allicht maatsch appel ij k-ongelukkig, >/van rijk arm wordt.// 
Karakteristiek is het dan-ook, dat Kertasana, als hij gereed 
staat zichzelf van het leven te berooven, geen berouw toont 
over de gruwelen, die zijn geweten bezwaren, maar enkel met 
spijt teruch denkt aan de dagen toen hij , als aankomende 
knaap, het bij zijn ouders zoo goed had, — toen hij //op alle 

mogelijke wijzen vertroeteld werd , geld en kleederen hem 

in overvloed toevloeiden , en zijn woning een mooi planken huis 
was , prijkende met een begrind voorplein , terwijl op het achtererf 
aan rijk gevulde rijstschuren geen gebrek was.// (vs. 89 en 90). 
V»n wezenlijk schuldbesef geen spoor; hij gevoelt enkel, dat hij 
'/door eigen schuld zich buiten de gelegenheid heeft gesteld van 
zijn vaders rijkdommen te profiteeren. //Ik geloof niet, dat zulke 
voorstellingen kunnen bijdragen tot hervorming van het zedelijk 
leven, de onmisbare voorwaarde van maatschappelijke herschepping. 
Maar gedachtig, dat de maker een inlander is (tegenover wien 
we onze eischen niet te hoog mogen stellen), en dat het stuk 
in elk geval een afmaning van het kwade behelst, wil ik op 
mijn bezwaren niet te zeer drukken. De //morale de la fable//, 
dat men het rijsken moet buigen, terwijl het jong is, is 
onbetwistbaar goed; al betreur ik het, dat dat den ouders niet 
als zedelijke verplichting op het hart wordt gedrukt, maar 
met de drangreden, dat anders hun kinderen //hun geld zullen 
opmaken, ja hen vermoorden// (vs. 68). 

Wat eindelijk het derde en grootste verhaal , de geschiedenis 
van Maratroena (honderd-een-en-zestig koepletten beslaande) be- 
treft, het ademt een geest, dien ik allerverderfelijkst acht. Het 
predikt de leer (die de maker dan-ook in den aanhef, vs. 99, 
met ronde woorden uitspreekt) : doe het goede , want //dan wordt 
ge van arm rijk, van gering aanzienlijk. v Een leer, volkomen 
onwaar, en wier prediking reeds- ddarom allei^vaarlijkst is; 
liefde voor de deugd, gekweekt door het openen van een be- 
driegelijk uitzicht op stoffelijk loon, heeft geeu-enkekn waar* 



274 IBTS UIT DR NAI^ATENSCHAP 

borg van bestendigheid. Maar een leer, dubbel-gevaarlijk omdat 
ae voor de edel^ aller deugden , voor zelfverloochening en zelf- 
opoffering, het gemoed onvatbaar maakt; en omdat ze over- 
matige zucht naar rijkdom en standsverlieffing , die bron van 
onheil voor individuen en volkeren niet intoomt, maar opwekt. 
Ze predikt den menschen zedelijkheid uit eigenbelang; daarmee 
vernietigt ze in- den-grond alle begrip van plicht, met andere 
woorden : het wezen der zedelijkheid , en verheft ze , de piramide 
op haar top stellende , de laagste , dierlijkste drijfkracht van den 
mensch tot beslisaenden toongever zijner handelingen. 

En, alsof dit noch-niet genoech ware, komt er in het ver- 
haal een epizode voor, waarin de laaghartigste verraderij wordt 
voorgesteld al» een lofwaardige daad, die den dader rijke vrachten 
afweipt Te weten: Maratroena, die bekend-staat dat hij altijd 
op een voordeeltjen uit is (vs. 181), wordt door een Chinees aan- 
gezocht om , tegen een zeer aanzienlijke belooning , opium voor 
hem binnen te smokkelen. Hij neemt zich onmiddelijk voor , hem 
een strik te spannen [»niatna ngadodja^ff vs. 187); zegt daarom 
van-ja ; en weet zoodoende den Chinees , (die aanvankelijk noph- 
maar in-het-algemeen van f een plannetje '/ had gesproken) zijn 
heele geheim te ontlokken. In-stilte verraadt hij nu alles aan den 
Wadana , en beraamt met dezen middelen om den smokkelaar te 
vangen. Maar tegenover den Chinees blijft hij , met een verwonder- 
lijk talent , zijn dubbelhartige rol spelen , z6o-zelfs , dat hij dezen 
(die zich eerst wijselijk buiten schot had willen houden) beleest 
om. mê« de opium van-boord te gaan halen. Het gevolg is 
natuurlijk, dat de Chinees gevangen wordt genomen. En de ver- 
rader? Niet alleen, dat hij >/hooge]ijk geprezen werd om zijn 
knapheid in het vatten van de smokkelaars^ (vs. 224): maar hij 
werd door het Gouvernement ook-noch //beloond met een prachtige 
kris., in het goud gevat, en omzet met edelgesteenten.// (vs. 225;. 

Ik zal hier geen woord bijvoegen dan alleen de vraag: wat 
moet er. van een volk worden , wanneer men het gaat inprenten 
dait het< doel de middelen wettigt? 

Wat de taal aangaat, konstateer ik met genoegen, dat die 
veel onb€trispel\jker is dan in de Radja Darma, Er komen in 
dit'boedi minder uitbeemsche woorden voor, de zinbouw is minder 
gebrekkig, en de taal is meer die van het dagelijksche leven, 
hetgeen in een volksboek natuurlijk een groote verdienste is. 

Dit neemt echter niet wech, dat ik noch vrij-wat heb aan 
te merken , gelijk uit onderstaande opgave [Jjl^ljs^» (SöOqIc 



VAN MR. D. KOOBDEBS. 275 

[Ik acht het niet wenschelijk de lange lijst Verbeteringen, 
in dit en volgende rapporten en die voor een groot deel het 
gevolg zijn van het opstellen in tembang-vorm, hier op te nemen. 
Alleen enkele opmerkingen, die meer de taal zelve betreffen, 
voorzoover ik er over oordeélen kan , laat ik hier volgen. M.] 

Reeds de titel : Dongèng-danginy tóeladan is geen Soendanieesch: 
Het moet zijn: Dongèng-dongèng ijonto, 

Vs. 2 katiroe^ niroè^ moet zijn: katoeroettan^ noeroêUan. 
» 6 Ngaringkel^ moet zijn ngaringkoek. 
V 17 Poetra lalaki, moet zijn anai lalaii of poetra pamegel. 
f hl 'DUalikoeng kan van de voeten niet gezegd worden. 
Diringioes of dibarogod zou goed zijn. 
Vs. 72 koelina^ moet zijn boeboeroehna. 
// 202 moendoer^ ff n balik. 
ff 218 iêirifnaftj ft ft djoeroe-moedi. 
ff 229 oetoesau, ff ff piwarangan» 
ff 256 diangkaó ff ff didjenengkïn. 



RAPPORT No. III. 

Jiandoengy 4 Januari 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 31 December 1863 ii*>. 
13 heb ik bij -deze de eer, der Regeering mijn gevoelen medë- 

te-deeleu omtrent de Dongèng-dongèng (oO()0iiKl||Ó9f|OO) 

ij lö \) een verzameling van negen-en-twintig (niet //Soendaschë 

gedichten en fabelen^' , gelijk op de keerzijde van defn titel staat 
maar) Europeesche fabelen , door den hoofdpangoeloe van Garoet 
naar een Maleische bewerking in het Soendaneesch overgebracht. 

Het is me zeer aangenaam , den herdruk van dit fabelboek 
om zijn gezonde moraal en zijn echten volkstoon, onvoorwiaar- 
delijk te mogen aanbevelen. Ik zou op den inhoud niet-éene 
aanmerking weten te maken. Naar mijne schatting staat het in 
de rij der Soendaneesche volksboeken, die de regeering heeft 
aangegeven, bovenaan. 

Ook de taal en stijl zijn, over-het-geheel genomen, onbe- 
risplijk : bij die van de Radja Darma en de Dongèng-d-ongèug 



276 IETS UIT DB NALATENSCHAP 

toeladan steken ze allergunstigst af. De overgeblevene fouten 
zijn blijkbaar geen gevolg van onkunde; hoofdzakelijk hebben 
ze hun grond in de taalbedervende eischen van den tembangvorm , 
waarin ook dit boek tot mijn leedwezen wederom gegoten is. 
Om de hooge waarde, die ik met het oog op de ontwikkeling* der 
Soendalanden aan het boek hecht, komt me het allerwenschelijkst 
voor , dat er een afzonderlijke uitgaaf met Latijnsche letter van 
bezorgd worde, ten behoeve van de scholen. In proza overge- 
gebracht, zal het een voortreffelijk leesboek zijn. 



RAPPORT NO. TV. 

Bandoeng^ 15 Januari 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 4 dezer n». 14 heb ik 
de eer, bij deze der Regeering mijn oordeel meê-te-deelen over 

de Radja Soedibja (oOQOi Kljl Tl d^OJ aAnQZi)[| \) • het boek, zoo 

ik me niet bedrieg, voor welks vervaardiging de hoofdpangoeloe 
van Garoet met een gouden medalje is beloond. 

Van den inhoud heb ik gelukkig wederom weinich of niets 
te zeggen, daar die me over het geheel genomen, allezius 
lofwaardig toeschijnt. Het boek vloeit over van nuttige lessen 
voor de Regenten en andere inlandsche Hoofden; en tegelijk heeft 
het ook noch een meer-al ge me en e strekking, door namelijk, 
zonder ondermijning van godsdienstzin het bijgeloof, het hechten 
aan djampé's en andere bedriegerijen van dien aard, krachtig 
te bestrijden Onbetwistbaar is dit laatste een groote verdienste; 
ofechoon (dit moet ik er bijvoegen) van den Mohammedaanschen 
schrijver minder te verwonderen dan men oppervlakkig meeuen 
zou , daar de bestrijding van zulke bijgeloovigheden in de richting 
ook van den Islam ligt 

Bij den herdruk (die me , het spreekt wel vanzelf, wenschelijk 
voorkomt) zullen echter twee pada's moeten worden M'echgelaten. 
Het zijn de verzen 505 en 506, die, letterlijk vertaald , luiden 
als volgt: 

'/Ook moet de Vorst niet-te-veel bijzitten hebben; het is te 
^'Vreezen dat hij er de hand niet aan zal kunnen houden, dat 
ffze liefdesbetrekkiugen zullen gaan aanknoopeu met diidere 



VAN MR. D. KOORDBKS. 277 

/^mannen, en ten gevolge daarvan hem in drift doen ontsteken, 
//Een tal van voorbeelden heeft dit bewezen. Tn Hindostan was 
//eens een vorst, die bijzitten bij honderden had. Doordien er 
//zooveel waren, kwam het er toe, dat ze niet-ieder haar beurt 
>/of nacht kregen. Op het einde gingen de overgeslagenen over- 
//spel bedrijven. De Vorst, dit ontdekkende, verdelgde ze; een 
irgroote meuichte meiischen werden door hem gedood, zóo-zelfs 
ffi&t de stad bijna ontvolkt raakte. Tn de hitte zijner drift ver- 
//gat hij, dat hij zelf van de heele zaak schuld was; dat hij 
^volstrekt niet voor de bevrediging van de natuurdrift zijner 
iy vrouwen gezorgd had en dat de natuur van den meiisch sexueele 
//gemeenschap van vrouw en man gebiedend eischt, evenals 
//zelfs in de dierwereld «^ (de heerschende wet is). 

De goede bedoeling dezer regelen zal ik volstrekt niet ont- 
kennen. Maar, hoewel in gewijzigden zin, ook-hier, dunkt me, 
geldt het spreekwoord: //Ie cherain de Tenfer est pavé de bonnes 
intentions.// De ontucht wordt hier voorgesteld als een zeer ver- 
geeflijk iets, als voldoening aan een onwederstaanbare behoefte 
van de menschelijke natuur; en de veelwij verij, die vloek der 
Oostersche maatschappijen , onbewimpeld gewettigd , mits ze maar 
binnen zekere grenzen blijve, daar anders uit een maatschap- 
pelijk ^gpunt nadeelige gevolgen te vreezen zijn. Zulk een 
leer moet, zoo-mogelijk, den zedelijken zin noch-verder helpen 
verstompen. Op naam van het Goevemement mag ze niet worden 
verkondigd. Oneindig beter, het kwaad onaangeroerd te laten, 
dan het zóo te bestrijden. 

Wat de taal van de Radja Soetübja betreft, die zal nood- 
zakelijk eeu herziening moeten ondergaan. Ik ben zeer geneigd , 
om in dezen tem bang , waarvan ik begrijp dat hij tembang b 1 ij v e n 
moet, veel door de vingers te zien. Maar woorden als de, ieder 
oogenblik gebruikte, Javaansche Kawi woorden: pramèswari^ 
(radja atas) maroeêa, roekmij poera en poeriy sri maha (radja) 
sangkaton^ s^ri nalefidra, wikoe en mahatoikoey (mantri) panèwoe ^ 
djoerióy jan ff pertang gapatiy rasrni^ (djoeroe) <tf&'i , tepismris ^ 
wadja balay pandji, ngarnpU en ampilan^ mirong , praVüira^ 
tamtamaj sarageni^ maharesi^ raspatiy satooeng galing y saoer 
pakH, maligè retna^ wilis, kanljana en dergelijke zullen toch 
door andere , Soendaneesche , vervangen dienen te worden ; zelfs 
voor velen van de aanzienlijken zijn ze volkomen-onverstaanbaar, 
gelijk trouwens de paiigoeloe zelf veleu er van niet zon kennen j 
indien hij niet veel kennis van het Javaansch had. o 



278 lEïS UIT DB NALATENSCHAP 

Ik w-il UU met eens spreken van 's pangoeloes hebbelijkheid 
om onophoudelijk èndak^ ngandika^ prikatin (in den zin van 
kasoesahan) ^ gagaman, moeni^ gamelan^ srengèngè^ kalah\ 
woewoeh , en meer andere Javaansche woorden van dien stempel 
te gebruiken , alsof ze in het Soendaneesch het burgerrecht hadden 
gekregen. Ik zal me maar troosten met de gedachte, dat die 
woorden ten minste voor de lezers van het boek verstaanbaar 
zijn; dat ze waarschijnlijk ter wille van den dongding of eind- 
klank vereischt werden , en dat uitheerasche w o o r d e n het wezen 
eener taal in veel mindere mate geweld aandoen dan uitheemsche 
woord- vormen. Ons hedendaagsch HoUandsch heeft minder 
geleden van den invloed dergenen die hun lezers plegen te 
vergasten op uitdrukkingen als b. v. //een sneer om de lippens 
en //een Ahnung van ongeluk//, dan door de taaibedervers die 
ffonweéfzwangefe wolken// en vmeeuwbeladen bergen// hebben 
binnengesmokkeld. 

Ik meen , met deze vingerwijzingen te kunnen en te moeten 
volstaan. Wilde ik koepiet voor koepiet alles opgeven, wat mijns 
inziens verbetering behoeft, ik zou der Regeering weder een zeer 
lange lijst met veranderingen kunnen voorleggen; maar om den 
tembangvorm van liet boek zou de pangoeloe er zich todi niet 
aan kunnen houden. Ik wacht met de samenstelling van* die lijst , 
tot ze mij uitdrukkelijk gelast wordt. 

Ten slotte noch twee opmerkingen. 

Vooreerst wensch ik aan het Goevemement in overweging te 
geven , om het barbaarsch-hybridiesche Aoeppangoeloe, dat op den 
titel van dit en andere boekjens prijkt, te vervangen door het 
oud- en zuiver Soendaneesche pangoeloe gedè. 

Ten tweede wensch ik te konstateeren , dat de Radja Soedibja 
door de groote menichte Javanismen (die onmogelijk allen kunnen 
wechgenomen worden) voor höt eigenlijk-gezegde volk onverstaan- 
baar is, en ook wel blijven zal; hetgeen wellicht een beperkter 
oplajig dan b. v. van de Doiigèng-dongèng verkieslijk maakt. 



RAPPORT No. V. 

Bandoeng 31 Januari 1864. 
Ten vervolge op mijn schrijven van 15 dezer n" 16 zal ik 



i" lö zal 

Googk 



Digitized by VjOOQ IC 



VAN M-R. D. KOOKDERS. 279 

alsnu de eer hebbeu te rapporteeren omtrent de Woelang Tani 
of Landhouwlesse7i /O O OOI Ml Ij O <ni asm wi \) van den Garoet- 

sehen hoofdpangoeloe. 

Tegen den herdruk van dit boekjen kan wel geen bedeuking 
bestaan, wat de algeoieene strekking van den inhoud betreft. 
Het handelt .over den aanplant van nuttige boomsoorten en 
gewassen ; onder veel overtoUigs , dat iederen kampoeng-bewoner 
minstens even goed bekend zal zijn als den schrijver , bevat het 
ook nuttige wenken en opmerkingen; en als zoodanig verdient 
deze eerste poging van den pangoeloe om de positieve kennia 
zijner volksgenooten uit te breiden, naar mijn bescheiden oordeel 
wezenlijken lof, al mis ik met leedwezen èn in den aanleg èn 
in de uitwerking de leiding van een Europeaan. 

Onder het overtollige rangschik ik bovenal de, geregeld teruch- 
komende , opgaaf van hetgeen de vruchten en andere gewassen , 
waarover het boekjen handelt, op den pasar te Garoet plegen 
op te brengen. Wechlating daarvan zou ik zeer wenachelijk 
geacht hebben, vooral ook omdat het boekjen er een speciaal 
Garoetsche tint door gekregen heefE, alsof het uitsluitend voor 
de bevolking daar ter plaatse geschreven ware; iete wat, te 
oordeelen naar hetge^i ik hier te Bandoeng opmerkte , plaatselijke 
antipathiën schijnt op te wekken. 

Zeer bevreemd heeft het me, noch van de pisang noch van 
de djagong of Turksche terwe in het boekjen met een woord 
gerept te vinden. Twee gewassen , die onder de voedingsmiddelen 
der bevolking zulk een hoofdrol spelen , hadden hier , dunkt 
me, niet gemist mogen worden. 

Een zonderlinge miskenning van de eerste beginselen der staat- 
huishoudkunde is de raad om ijangioedoe* a (boomen, uit wier 
wortels roode verfetof bereid wordt) bij geheele bouws, en 
djeroeks bij honderden te planten , met voorspiegeliug van behoud 
der tegenwoordige prijzen. Vooraeker zou bittere teleurstelling 
gevolg zijn , indien de bevolking in massa aan dien raad gehoor 
gaf. Gelukkig echter zullen, deels gemis aan energie, deels 
aangeboren gezond verstand, haar wel van dergelijke spekulaties 
teruchhouden. 

Verdere aanmerkingen op den inhoud van de Woeling Tani 
heb ik niet. Alleen moet ik noch, last not least, in bedenking 
geven , of de wechlating niet raadsaam is van hetgeen in, vs. 8 en 
9 over de verkieslijkheid van den landbouw boven den handel 



280 IETS UIT J>E NAT.ATBNSCHAP 

gezegd wordt, en luidt als volgt: //De handelaar is niet gelijk 
de landbouwer, vergenoegd van hart en vreemd aan logentaal. 
De handelaar kan in den regel niet nalaten te liegen; dingen 
die 8j cent waard zijn, beweert hij dat een waarde hebben 
van een gulden. Daarom is het veel-beter, landbouwer te zijn.// 
Me dunkt, onder een volk als de Soendaneezen , welks ont- 
wikkeling vertraagd wordt juist doordien het noch bijna uitsluitend 
een landbouwend volk is, moeten dergelijke scheeve voorstellingen 
worden bestreden, niet gevoed en bestendigd. 

Wat de taal betreft, begroet ik in de Woelang Tanl met 
blijdschap wederom een zuiver Soendaneesch boek; ontdaan van 
al die Javaansche en Maleische inmengsels, waardoor zoovelen 
van de door het Goevemement uitgegeven volksboeken ontsierd 
en onverstaanbaar worden. 

Jammer maar, dat ook hier de zin noch zoo-dikwerf aan de 
eischen van den tembangvorm is opgeoflerd. 

[Van de lange lijst verbeteringen laten wij maar een paar 
meer in 't oogspringende volgen. M.] 

Ys. 110 moet worden: Diala papaganana , ngarah pakang 
aloes Jcér tali oes^p, djeng ngarah loengloemna. Tapt lamoen 
kawoeng ngora kènèh, tatjan poegoer^ oelah diala pagagana ; 
maiak gorèng kawoengna, malak të rea laAangna, enz. Altlians, 
indien mijne bij verschillende landbouwers genomen, en door 
mijn inlandschen schrijver met een proef gestaafde , informaties 
juist zijn zou dit voorsclirift van den pangoeloe veel overeenkomst 
hebben met de aanschrijving der Kamer van Zeventien om meer 
muskaatnoten, maar minder foelie te planten. 

Vs. 129 mandalika bibit siki moet zijn: melak mafidalika; 
koedoe aikina, — Zoo de mandalika ^ gelijk me van onder- 
scheiden kant verzekerd is, de zuurzak ia^ zouden de woorden : 
tara lébït boeahna; ngan oekoer poeloehan siki^ als volkomen 
onjuist moeten wechvallen. 

Vs. 212 zal k^ér elatmoesim, daar men volgens getuigenis van 
den Bandoengschen hoofdpaugoeloe en anderen die uitdrukking 
niet bezigt, en ik dit gebruik van elat met de gewone beteekenis 
van het woord ook niet weet te rijmen, wel een stoplap zijn, 
die moet, en kan, wechvallen. 

Het kan, dunkt me, der Regeering niet verwonderen, dat 
ik ten slotte wederom aankom met mijn n ceternm censeo 
Carthagiuem esse delendum»^ vrij vertaald: '/Voorts ben ik 
van oordeel, dat dit boek van zijn terabangvorni moet ontdaan 



VA?J Mft. D. ^OOtlDRtlS. 08 1 

worden.// Waar (gelijk in de Woelang Tani het geval is) het 
opofferen van de zakeu aan de eischen van den eindklank zoo 
ver gaat, dat bij de beschrijving der ananassoorten de zoogenaamde 
Hollandsche ananas wordt opgegeven als //afkomstig uit Oostindië'/ 
(asal ti India wètan)y in plaats van Weêtindiê^ alleen omdat de 
schrijver in de eindlettergreep een a moet hebben, en dus het 
woord Koeion niet gebruiken kon; kan daar de noodzakelijkheid 
van overbrenging in proza noch aan twijfel onderhevig zijnp 



RAPPORT No. VI. 

Bandoeng^ 11 Februari 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 31 Januari jl. no. 18 
heb ik de eer, alsnu aan te bieden mijn rapport betrekkelijk 

de Woelatfff poetra (oowiiKij|oróaJ|(«Sïi \), omtrent welk 

boek ik reeds vroeger (bij nota van 29 Augustus 1863 ') de 
vrijheid nam , zijner Excellentie den Goevemeur-Generaal eenige 
opmerkingen mede-te-deelen. Wanneer er geen andere keuze was 
dan tusschen onveranderden herdruk of ui et-herdrukking van 
de Woelang poeira ik zou, reeds om de in genoemde nota 
ontwikkelde redenen, niet-herdrukking met den meesten ernst 
moeten aanraden. Want Mohammedaansche geloofsijver te helpen 
voortplanten, is naar mijne overtuiging niet de roeping eener 
regeering die een christelijk volk vertegenwoordigt en Nederlands 
heerschappij over zijn Indiesche bezittingen wenscht te handhaven. 

Doch gelukkig zie ik kans om, zonder-dat de eenheid van 
het boek daardoor verbroken wordt, het te zuiveren, van al 
hetgeen me toeschijnt niet met de goedkeuring en medewerking 
van het Goevemement onder de bevolking te mogen verspreid 
worden. 

De veranderingen , die ik wensch aangebracht te zien (en die 
natuurlijk een samenhangend geheel vormen) , zijn de volgenden : 

lo. moet in den aanhef van vs. 50 het woord ngadji ver- 
vangen worden door dagang zoodat een ambtelijke loop1)aan, 
de landbouw, en de handel (niet-meer de bestudeering der 
theologie van den koran) daar genoemd worden als de drie 
hoofdberoepen, wuartusschen de aankomende knaap kiezen kan. 



Deze Dota is niet onder de koppen gevonden. M. 



Digitized by 



Google 



^82 Iets oit de NALA^tnvscjiA? 

2 o. Moeten wechvalleu vs. 51 tot en met 54 gedeeltelijk 
luidende als volgt: 

//Wanneer ge aan de bestudeering der theologie van den 
>y Koran// (wij zouden zeggen : aan de studie der theologie) ^de 
//voorkeur geeft, word dan leerling van de oelama's. Zoolang 
//ge als sautri onder hun leiding zijt , moet ge uw uiterste best 
//doen om hun hart te winnen. Volg den wil van uw leermeester 
//met volkomen overgegevenheid des harten op. Die leermeester 
//is, zoo-te-zeggen, uw heer en meester; en het is uw pligt, 
//liem lief- te-hebben , want dat ge het zoo-ver brengt van den 
//Koran behoorlijk te leeren lezen en zijn theologie te leeren 
//verstaan, hebt ge te danken aan het onderwijs van dien leer- 
// meester. Leg u met de borst op uw studie toe, ten einde u 
//te bekwamen; laat u door de moeijelijkheden niet halverwege 
//afschrikken ; wanneer ge u eenmaal al de lessen van uw onder- 
//wijzer hebt eigengemaakt, zult ge, van de pasantrèn teruch- 
//gekeejd, zekerlijk den zegen daarvan ondervinden. De pangoeloe 
//erkent u , en neemt u om , in verbinding met hem , geschillen 
//over eigendomsrecht te berechten en uit-te- 
//maken;// Ven daarvan trekt ge zekerlijk vracht. Hoe-langs 
//hoe- meer wordt uw bekwaamheid opgemerkt door de Grooten; 
//zekerlijk wordt ge tot pangoeloe verheven ; ge oefent gezach uit 
//over Ketibs en Modins*' (priesters van minderen rang); ge 
//verzorgt en regelt den godsdienst; ge zit op een hooge plaats , 
//ge klimt in rang. Dat is de zegen van degeen die devotelijk 
//in den Koran studeert; hij zit te samen met de aanzienlijken. ^ 

3o. moet, dunkt me, vs. 57 wechvallen, gewijd aan wat ik 
zou wenschen te noemen een onzinnige rijstvergoding : 

//Alle menschen zeggen , ten blijk hoeveel ze er van houden : 
//de rijst is de koningin der wereld, het voedsel van al wat 
//leeft. Haar wedergade zult ge niet-licht vinden. Onfeilbaar 
^bezorgt ze u rijkdom en levensgenot.// 

De Regeering, vermoed ik, verlangt dezen schadelijken volks- 
waan niet opzettelijk te voeden. 

4°. moet om dezelfde reden, en bovendien om de ondubbel- 
zinnige afmaning van den handel , die het bevat, het verhaal vs. 
70 tot en met 84 wechvallen , waarvan de toepassing aldus luidt : 



1 Ik heb deze woorden onderschrapt om er do aandacht op te vestigen met 
het oog op de kwestie van de toepassing van het MohamiucJaansch recht op Java. M. 



Digitized by 



Google 



VaiI Miu i>. Kpotü)Eftd. 28 d 

//Wie den landbouw beoefent, wordt ontwijfelbaar rijk; de 
irlaudbouw is een bron van rijkdom en levensgenot. Versta wèl 
//de leering, die er in het verhaal van den handelaar en den 
//landbouwer ligt opgesloten. De handelaar bezat veel schatten, 
//de Wndbouwer veel rijst; en het eind was, dat de handelaar 
//voor den landbouwer het onderspit moest delven. Al bezit men 
>vmenichte schitterende kostbaarheden, een groote hoeveelheid 
//paarden en koeijen en buffels, en men bezit geen rijst, men 
//zal zich op-den-duur zijn levensgenot niet gewaarborgd zien. 
//Rijst geeft kracht Kijst behoudt duurzaam haar glans.// 

50. Komt het me voor, dat de volgende beschrijving van de 
voordeden, die het schoolgaan afwerpt, niet boven bedenking 
verheven is (vs. 100 en 101): 

//Buiten eenigen twijfel krijgen de Grooten u lief, roepen ze 
//u tot zich, en worden u voordeelige betrekkingen gegeven, 
//door de gunst van uw Heer , ingevolge de voorbeschikking van 
//God den Allerhoogste. Wie zich met hart en ziel op het leeren 
//toelegt, wordt ten-langen-laatste door-middel- van zijn bekwaam- 
ü'heid een welgesteld man, ja, een aanzienlijke (een mènak). 
//Dat is de vrucht van het vlijtig leeren. Men is altijd te ge- 
/ybruiken. Men is rijk door de giften van zijn Heer; men oefent 
>rgezach uit over de onderdanen; men wordt zelfs beleend met 
i^dorpen ; men heeft macht om te bevelen ; men helpt de in- 
//komsten van zijn heer regelen ; vele zijn de belooningen , groot 
//het levensgenot, die men er op aarde van ondervindt.// 

Uit dat ^men wordt zelfs beleend met dorpen// blijkt onweder- 
legbaar, wat ik in mijn nota van 29 Augustus 1863 reeds met 
een enkel woord zeide : dat namelijk al wat voor de zaak van 
het inlandsche schoolwezen gedaau is en wordt, door den schrijver 
wordt beschouwd en voorgesteld als het werk, niet van het 
Nederlandsche Goevernement , maar van zijn Heer, den inland- 
schen Regent. Het behoeft, dunkt me, geen betoog, dat deze grove 
onjuistheid, ook uit een politiek oogpunt allezins bedenkelijk, 
dient te worden wechgenomen. 

Doch ook met die eenzijdige voorstelling der materieele voor- 
deelen van het schoolgaan kan de Regeering, dunkt me, geen 
vrede hebben. Ze kwam wellicht te pas, zoolang het onderwijs 
als middel gebruikt werd om voor 'sLauds dienst te vormen; 
ze moet ophouden, nu het onderwijs dienstbaar zal gemaakt 
worden aan volkso ntwikkeling. Dat men deze kindennenschen 
wijzen moet op het tastbaar voordeel, is ook mijne oveHuiging , p 



284 IfcTS DlT DÉ NALATËNSÖHA^ 

op liet schoolgaan als de weg om vooruit te komen in de wereld. 
Maar laat men niet het ambtsbejach, een van de verderfelijkste 
volksziekten, die hier reeds véel-te-eudcJmiesch is, moedwillig 
aanwakkeren ; het streven van den inlander er heen richten , om 
werktuig ja eenmaal lid te worden van de aristokratie; en 
verwachtingen opwekken , die zoodra het schoolgaan wal-algemeeuer 
wordt, voor de meesten zouden uitloopen op de bitterste teleur- 
stelling. 

[60 en 70 zijn veranderingen voorgesteld bij wechlating van 
enkele stukken.] 

80 acht ik niet-herdrukking van het volgende noodzakelijk 
(vs. 150 tot en met 162). 

vDe zangwijs Midjilv (bevat onderrichting) //voor wie wenscht 
//te trouwen , opdat hij het doe met keunis van zaken. Ge moet 
//een vrouw hebben; maar ge moet tusschen vijf dingen kiezen, 
//aan welk daarvan ge de voorkeur geeft. Vooreerst een vrouw 
//van adel; een kind van iemand die een waanligheid bekleedt. 
//Ten tweede een vrouw, die een priesterdochter is. Ten-derde 
/yeen dochter van een rijk man. Ten-vierde een vrouw die mooi 
//is. Of ten-vijfde een die ree en knap is. 

Hierna worden de voordeden opgenoemd, die eene vrouw 
uit eene van de vijf genoemde kategoriën zal aanbrengen. 
Opvolging in een ambt; //veelheid van wetenschappen//; rijkdom 
en een rustig, zorgeloos leven; in een schoone vrouw ff zal uw 
hart zich verheugen// ; een //die ree is , zal uw leven veraange- 
namen//. Zijn dat lessen voor het opkomend geslacht? Is dergelijk 
onderwerp geschikt om den inlander uit den staat van onzedelijke 
verdieriijking , waarin hij verzonken ligt, op te heffen? Mag 
onder de vlag van het Nederlandsche Goevemement een leer 
worden verkondigd, die het huwelijk tot een laaghartige spe- 
kulatie op stoffelijk voordeel verlaagt? Ik wil aannemen, dat 
deze stuitende epizode getrouw den geest weergeeft, die in de 
inlandsche maatschappij leefb. Keden te meer, dunkt me, om, 
nu de Nederlandsche natie haar lang verwaarloosde roeping 
tegenover de volken van den Indieschen archipel eindelijk ter- 
hand neemt, dien wangeest niet opzettelijk te gaan voeden. 
Maatschappelijke hervorming zonder zedelijke herschepping is 
bouwen op een zandgrond. En zedelijke herschepping wordt 
onmogelijk, indien de allerlaagste zelfzucht de drijfkracht is, 
die men in bewe^ng tracht te brengen. Het is alsof men een 
zieke een gifdrank gaf. DigitizedbyGoogle 



VAN MR. D. KOOItDEES. i86 

Ik heb me verplicht geacht, bij den inlioud van de Woelang 
poetra zoo-uitvoerig stil-te-staan, en van zoovele plaatsen een 
nageuoech-letterlijke vertaling in mijn verslag op-te-nemen, 
opdat het Goevemement met kennis van de zaak over de waarde 
mijner bedenkingen zou kunnen oordeelen. 

In mijne aanmerkingen op de taal zal ik kort zijn. 

Ys. 3 wordt loeaa hier op fiandoeng niet verstaan; althans 
niet in den zin, dien het woord hier hebben moet. 

Vs. 7 moet Pagoesièn, ons Godheid, ééngeheel-ongebruike- 
lijke vorm, Goesti of AllcJi Toekan Allah worden. 
Vs. 80 moet kipaa worden sapoean, 

Ys. 38 is nüi soerti wellicht Garoetsch dialekt. Hier zegt 
men titi êoerii, 

Ys. 56 moet oepama het Javaansche minangka vervangen. 

Ys. 67 moet masing ^ een schrijf- of drukfout, naar ik ver- 
moed, worden: masiA. 

Ys. 106 is voor omong zeer verkieslijk bohang. 

Ys. 112 is Kènanay schijnt het, Garoetsch dialekt. Yer- 

kiedlijk ware: rasa manèhy rèanoe mertjaja^ dunkt me. 



RAPPORT No. YII. 

Bandoenffy 4 Maart 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 11 Februari jl. no. 19 
heb ik de eer, bij deze aan-te-bieden mijn rapport omtrent de 

Woelang Krama (ooiMlW[|0(rii(KP(BI\\ 

Wat den inhoud betreft, (die weinich heeft van hetgeen we 
gewoon zijn in het Hollandsch een //zededicht// te noemen), 
de langwijligheid daarvan heeft me bizonder getroffen. De pang- 
oeloe ontziet zich niet , twee- , drie- , viermaal , nagenoech woor- 
delijk, hetzelfde te zeggen; geheel in den trant Van dien Rot- 
terdamschen prediker, wiens /rEn Eli stierf, en hij brak zijn 
nek, en hij blies den laatsten adem uit, en hij was niet meer" 
noch m veler herinnering voortleeft. Het boek verschilt in dat. 
3« Volgr. IV. 20 ' 



i86 lETÖ uit DE NALATENSCHAP 

opzicht hemelsbreed van den //korten inhoud// indertijd der 
Kegeering aangeboden , en ook aan mij in afschrift (ter inzage) 
meegedeeld. Een paar proeven ten bewijze. 

«'Vierde kwestie. — Men behoort er zijn zinnen op te zetten , 
//om zijn zorgen wech-te-nemen als men zorgen heeft. Er zal 
«'denkelijk wel een geneesmiddel voor zijn om dien drukkenden 
//last van zich wech-te-nemen. Welaan, neem ze wech, opdat 
^ze verdwijnen (vs. 6). 

//Zesde kwestie. — De mensch behoort op zijn hoede te zijn. 
//Een onheil is wel eens-te-zien , dat noch-niet .gekomen is. Even 
//als een betrokken lucht een teeken is , dat er regen zal komen ; 
//evenzoo is een onheil wel-eens/' (vooruit-) //te zien. Zooveel in 
//UW vermogen is , moet ge op afwending van zulk een dreigend 
//onheil zinnen, opdat ge de moeijelijkheid moogt ontgaan, en 
vhet dreigend onheil niet over u komoj' (vs 9 en 10). 

Lessen van levenswijsheid dienden , dunkt me , in genietbaarder 
vorm te worden gegeven. Vooral, wanneer de modellen die men 
(zonder ze te noemen) volgt , in een korten en zaakrijken stijl zijn 
gesteld. En bedrieg ik me niet, dan is dat hier het geval, — 
dan is de Woelang Krama een navolging van Winter's Javaansche 
Darma Wasita, Ik werd onlangs in de gelegenheid gesteld , een 
Soendaneesche vertaling in proza van dat boek, afkomstig uit 
het Cheribonsche , met de W^oelang Krama te vergelijken; en 
ik kon geen onderscheid opmerken, behalve dat het werk van 
den pangoeloe hier-en-daar een Mohammedaansche tint heeft 
gekregen, een meer-inlandsche moraal (gebazeerd op eigenbelang 
en gemakzucht) ademt, in tembangvorm is gegoten, en bij 
grooter omvang veel-armer van inhoud is. 

Ik acht me verplicht, ook-daarom de aandacht der Eegeering 
op die neiging van den pangoeloe tot omslachtigheid te vestigen , 
omdat het een, voor den Lande zeer kostbare liefhebberij is. 
Me dunkt, een honorarium van honderd gulden voor zestien 
bladzijden klein 8© Soendaneesch letterschrift; een honorarium, 
minstens vijf malen overtreifende wat aan mannen als van 
Oosterzee en Opzoomer in ons Vaderland wordt toegekend, 
en als men de gewone behoeften en inkomsten van een inlander 
in aanmerking neemt , een waarlijk verbazingwekkende som ; zulk 
een honorarium is te hoog, om een dergelijke omslachtigheid 
te kunnen dulden 

Het spreekt overigens van zelf, dat het gezegde enkel een 
wenk voor de toekomst is, en niet om, nu het^iouorarium 

Digitizedby Vji^ 



eenmaal betaald is, den herdruk van de Woelang-krama te 
ontraden. Ik voor-mij zou , om verschillende redenen , den voor- 
keur gegeven hebben aan .de Cheribonsche prozabewerking. Maar 
ook die van den pangoeloe bevat menig voorschrift, dat be- 
hartiging verdient. Een nieuwe uitgave kan zelfs in tembaug- 
vorm misschien veel nut doen. Maar ik durf die niet aanraden 
zonder dat de inhoud enkele wijzigingen onderga. 

Vooreerst moet vs. 23 worden omgewerkt, dat nu den ouders 
op het hart drukt om hun kinderen naar de priesterscholen te 
zenden. Ten tweede schijnt de inhoud van vs. 17 en 18 me 
allerberispelijkst. ff Als er iemand is, die u het een of ander 

"Vraagt, laat hem dan niet met geheel-ledige handen henengaan; 

//De toekomst is voor u verborgen; het zou kunnen gebeuren, 
//dat ge gedwongen waart om ook te vragen. En dan zoudt ge 

>y schande inoogsten men zou u stellig uitlachen, enz, ff — 

Ik verg geen zuivere moraal, geen aanprijzing van de deugd 
om haar zelfs wil, die op den inlander geen vat heeffc. Maar 
mag haar beoefening verlaagd worden tot een zelfzuchtige kans- 
rekening? Is er dan geen middenweg? Kan men niet zeggen. 
Stel u in de plaats van den vrager: verbeeld u dat ge z^f in 
nood zat, en dat men u hulp weigerde; hoe zoudt gij te 
moede zijn? 

Ten derde mag de ergerlijke leer niet blijven , verkondigd in 
vs. 84 — 86: //Hls beter een beleediging te vergeven, dan er 
zich warm over te maken, en alzoo zelf nadeel te lijden; althans 
als men geen doeltreffend middel kan vinden om de schande te 
vergelden. " 

Eindelijk moet uit vs. 177 het beroep op een uitspraak van 
nabi Isa (//den profeet Jezus") worden wechgenomen. Het is 
onvereenigbaar met het neutrale standpunt der Regeering door 
het Eegeeringsreglement en de billijkheid voorgeschreven. 

Iii de taal van de Woelang krama schijnen me de volgende 
verbeteringen absoluut-noodig. 

Vs. 9 en elders acht ik voor prajatna^ hier te Bandoeng 
ongebruikelijk, ialna te verkiezen. 

Vs. 15 voor méntctSi om diezelfde reden tas of bïiéng, 

Vs. 22 stel ik, ter vervanging van het niet-Soendaneesche 
mahè adjèn voor: aja rasrasan, 

Vs. 51 zou ik \ooT jaiin^ een woord, dat ik ook in een ^ 



a88 1ÊT3 Ült DR NALAtENSCHAl^ 

Bantamschen tembang veelmalen gebruikt vond, maar hier weinich 
verstaan wordt, èsloe verkiezen. 

Vs. 92 moet kabangUt , wellicht Garoetsch en stellig Baii- 
tamsch dialekt, zijn: kabisa, 

Vs. 110 moet njela zijn ngahina. Te Bandoeng wordt ^^lï/a , 
njela niet verstaan. 

Vs. 117 .... zuiverder Soendaneesch dan diwiraos is : dipiraos. 

Vs. 171 stel ik wechlating van bingbang voor, dat,althaus 
hier te Bandoeng, zelden verstaan wordt. 

Vs. 196 Papa (in het Javaansch een synoniem van 

hina) wordt hier niet verstaan. 

Vs. 205 — Ngaroeroeh , het Javaausche angloeroeh , 

verstaat men hier niet. 

Vs. 235 zou ik voor sotja-soija, hier ongebruikelijk, verkieslijk 
achten: mata-mata. 

Vs. 236 is voor ialoenta-loenta, geen Soendaneesch maar 
een Javanisme, naar men me verzekert, wellicht verkieslijk: 
ioetoeloejan, 

Vs. 300 is voor paion, een Javaansch woord dat hier niet 
verstaan wordt, wellicht papagon verkieslijk. 



RAPPORT No. VTII. 

Bandoeng, 20 Maart 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 4 Maart 1864 n». 23 
heb ik de eer, bij deze aan te bieden mijn rapport omtrent de 

(Q Q ^ 

O O 00|(K1 1 (IS «T (fcll (M (KI jj \;. 

De inhoud van dit alleronbeduidendst boekjen laat zich in 
weinige woorden samentrekken. Een arm man, oiets anders 
bezittende , legateert bij zijn sterven aan zijn zoon een djampè , 
dat //loopen beter is dan stilzitten en opstaan beter dan slapen// ; 
met aanmaning om die djampè enkel tegen vooruitbetaling van 
honderd rijksdaalders, te verkoopen. De zoon is zoo gelukkig, 
in een rijk Vorst een kooper te vinden. De Vorst is aanvankelijk 
van oordeel, dat hij een slechten koop gedaan heeft. Maar, op 
een nacht door slapeloosheid gekweld, staat hij op, verkleedt 
zich, en onderneemt een zwerftocht door zijn hoofdstad. Hij 
ontmoet een man, die bij den Patih wil inbreken; stelt hem 



VA^ MR. D. KOOHDEKS. 289 

voor om geineene zaak te makeu ; wint daardoor zijn vertrouwen 
en komfc zoodoende op het spoor van een samenzwering, door 
den Patih beraamd tegen zijn gezach. Met behulp van een 
scheermes, dat ze in het huis van den Patih vinden, weten ze 
dezen laatste in zijn slaap (zonder dat hij er iets van merkt!) 
de ünkerwenkbraauw en de rechter helft van den knevel af-te- 
scheren. En het eind van de geschiedenis is, dat de Vorst den 
volgenden dag den Patih laat onthoofden , den verkooper van de 
djampè, die hij thans weet te waarderen, tot Patih verheft; 
en den dief, die hem op het spoor van de samenzwering had 
gebracht, met een aanzienlijke waardigheid beschenkt. Een 
opwekking om tevreden te zijn met de betrekking, hoe klein 
ook , die men bekleedt , en om te gehoorzamen aan zijn Goesti 
of Heer besluit het stuk. 

Zeer gaarne zou ik tot herdrukking adviseeren; al ware het 
enkel-maar, omdat de Djaka miskin het éenige van de Soen- 
daneesche volksboeken is, dat geen inwoner van Qaroet tot 
maker heeft. Want mij is van verschillende zijden verzekerd, 
dat liet bij velen misnoegen verwekt, de aanzienlijke sommen, 
die het Goevemement bi] voortduring voor de vervaardiging van 
Soendaneesche volksboeken uitbetaalt , naar Garoet te zien vloeijen. 

Maar na de bekrooning van den 

Garoetschen hoofdpangoeloe, omdat hij in zijn Radja Soedibja 
het geloof aan djampè's bestreden had; na de uitgave, nu 
onlangs weer, van de Geschiedenis van Abdoerahman en 
Abdoerahim^ waarin op hetzelfde aanbeeld geslagen wordt; 
mag er^ dunkt me, niet meer gedacht worden aan her- 
drukking van een boek als d^ ^aka miskin^ dat allezins 
bestemd is om den handel in djampè's weer in eere te brengen. 
Of hier al sprake is van een onschadelijke, ja nuttige, 
djampè, doet niets ter zake. De inlandsche bevolking zal 
onfeilbaar in haar voorliefde voor het ingeworteld kwaad bevestigd 
worden, als ze leest van een djampè, die voor verkooper en 
kooper beide zoo-uiterst-voordeelig was. Ze zal, op haar onont- 
wikkeld standpunt, het met de soortelijke onderscheiding zoo 
naauw niet nemen. En het eind zal zijn, dat de bedriegerijen, 
die thans dag-aan-dag met die djampè's gepleegd worden, 
blijven voortduren; dat de heilzame invloed, dien de Radja 
Soedibja en de Geschiedenis van Abdoerahman en Abdoerahim 
tot bestrijding van schadelijk bijgeloof wellicht kunnen uit- 
oefenen, bij het gros der lezers geheel wordt uitgewischt- Oglc 



290 IETS UIT DB NALATENSCffAP 

Met dubbelen ernst moet ik daarom de Eegeeriug in-over- 
weging geven, om de Djaka mukin^ als in lijnrechten strijd 
met hetgeen zij door de verspreiding van Soendaneesche volks- 
boeken beoogt , NIET te herdrukken 

Omtrent de taal van de Djaka miêkin zal ik, in de hoop 
van onnoodig werk te verrichten, me tot enkele hoofdaanmer- 
kingen bepalen. 

Vs. 2 moet kalangkoeng zijn: kaliwat, 

Ys. 4 moet wewaling zijn: woewoeroek, 

Vs. 6 moet paijoean zijn: papcUjoean. 

Vs. 12 moet prihatin zijn: ngenes of soeker. 

Vs. 16 moet iepis. wiring zijn: paslsian. 

Vs. 20 moet papanggih zijn : kadïe, 

Vs. 22 en elders moet voor emhan; althans om een in 
Bandoeng gangbaar en verstaanbaar woord te bezigen, staan: 
oerang dalem, 

Vs. 64 Voor perlatnpah^ geen Soendaueesch, is lampakua 

verkieslijker. 



RAPPORT No. IX. 

Ba7idoeng^ 2 April 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 20 Maart jl. n». 25 
heb ik de eer, bij-deze aan-te-bieden mijn rapport omtrent de 
Tjaritana (lees: ijarita) Ibrahim, 

De titel van dit boek zal, bij eventueelen herdruk, noodza- 
kelijk moeten gewijzigd worden. Hij is noch-véel-onjuister dan 
de titel : Tjaritra orang pamales (Gedicht over de luiheid) van 
de onvergelijkelijk-slechte Maleische rijmelarij , onlangs ter Lands- 
drukkerij verkrijgbaar gesteld, en waarvan ik de uitgave, voor 
de eer van het Goeveriiement , diep betreur. 

Be geschiedenis van Ibrahim beslaat maar vijfentwintig van 
de honderdtwaalf bladzijden, en dus noch-geen vierde gedeelte 
van het boek. Het moest heeten: Verhalen, fabelen en 
anekdoten, of iets dergelijks. 

Tegen den inhoud heb ik geen bepaalde bedenking. Dat 
wil zeggen: ik acht het boek een volkoraeu-ouscbadelijke 



VAX MR. D. KOORDEKS. 291 

lektuur maar ook dat er voor de ontwikkeling van taal 

en volk hoegenaamd-geen heil van te wachten is, 
alleen voor tijdkorting bruikbaar. Het staat natuurlijk niet aan 
mij, te beoordeelen, of het geld, dat de herdruk zal kosten, 
niet nuttiger zou kunnen besteed worden , b. v. voor de oprichting 
van een paar distriktsscholen. Hernieuwde verspreiding van dit 
boekje zal geen kwaad doen; zoo geen gewichtiger belangen 
ouder deze soort uitgaven lijden , kan de Kegeering zich troosten 
met de gedachte: baat het niet, het schaadt niet. 

Een paar geestigheden op bladzijde 110 f ^ Welk haar heeft 
het paard van den sultan van Madoera ? Paardehaar/r ; — en : 
//Waarom ziet een hond, op wien men schieten wil, om? 
Omdat hij geen oogen in zijn achterste heeft//) zouden, dunkt me, 
gemist kunnen worden. Ze schijnen me niet zeer geschikt, om 
den inlander een hoogen dunk te geven van Hollandschen spirit. 

Ten slotte moet ik zeer ernstig adviseeren tot wechlating van 
den saïr, voorkomende op bladzijde 105 — 107. De inlandsche 
lezer zal er niets bij verliezen; want de zwevende, nevelachtige 
zin van het vers (zoo ik me niet vergis, een vertaling uit een 
der Duitsche dichters van de romantische Schüle), //als een 
galmend gerucht, rolt ledig zijn ziele voorbij.// Een overplanting 
van den saïr der Maleijers op Soendaneeschen bodem is een 
zaak, waartoe mijns-inziens de Regeering de hand niet mag leenen. 

Het invoeren van den saïr der Maleijers zou 

niets-anders zijn dan het openen eener nieuwe, mild-vloeijende, 
bron van taalbederf en zinledigen kliukklank. De taal, waarin 
de Tjarüa Ibrahim geschreven is, komt me voor, beneden 
kritiek te zijn en gebiedend een algeheele omwerking te ver- 
eischen. Het boek maakt den indruk van opgesteld te zijn door 

een Europeaan Het wemelt van Hollandismen ; van 

zinwendingen , waarin de uitdrukking van den zin der gedachte 
voor den inlander volkomen-onverstaanbaar is, ofechoon de 
gebezigde woorden allen zuiver-Soendaneesch zijn. De konstruktie 
is op vele plaatsen uiterst-stijf; en evenzoo vindt men op 
bijna-elke bladzijde fouten tegen de grammatika, waaronder 
zeer zinstorende 

In een uitgewerkte opgaaf van hetgeen me foutief schijnt 
en van hetgeen ik daarvoor in de plaats zou wenschen te 
stellen, zal ik niet treden. Zulk-een opgaaf, zeer omvangrijk 
en tijdroovend, zou tdch maar een zeer betrekkelijke waarde 
hebben, doordien geheele omwerking vereischt wordt, en loutere^ 



292 IETS UIT DE NAT.ATEXSCHAP 

wij/iging vau op-zichzelf-staande woorden en volzinnen niets zou 
zijn dan een palliatief. 

Ik zal me daarom vergenoegen met het meédeelen van een 
drietal proeven, ten bewijze hoe weiuich de vervaardiger vau 
de Tjarita Ibrahim voor zijn taak berekend is geweest. 

Vooreerst de titel : Tjaritana Ibrahim, Dit beteekent , in 
het oor van den inlander, Een verhaal van Ibrahim, iu 
den zin waarin wij Hollanders van //Vertellingen van Vader 
Jakob// spreken. Doch dit bedoelde de vervaardiger niet; dit 
kon hij niet bedoelen. Ibrahim is niet de verhaler, maar de 
persoon over wien het verhaal handelt. Het is niet een ver- 
haal, maar de geschiedenis van Ibrahim, waarmee de lezer 
kennis maakt 

Tweede voorbeeld: het gebruik van boedak voor ons slaaf 
in het derde verhaal, waardoor dat heele verhaal onverstaanbaar 
is geworden. Het is de geschiedenis van een Perziesch nangkoda , 
die door een fijnen vond van den rechter, wiens hulp hij inroept,, 

tegen de bedriegerij van een schurk gevrijwaard wordt 

Alles komt hier aan op de juiste vertaling van het woord 
slaaf. De Polyneziesche talen, waarschijnlijk omdat de instelling 
niet inheemsch is, hebben daarvoor geen eigen woord. De 
Soendanees behelpt zich met de omschrijving: djelma b^naug 
méli (d. w. z. een mensch, door koop verkregen). In plaats 
hiervan gebruikt de vervaardiger boedak ; een woord dat zooveel 
als ons jongen, knaap beteekent: en maakt daardoor dat 
de gewone lezer van de geschiedenis niet-het-minste begrijpt. 

Derde voorbeeld: de vertaling van ons afgetrokken begrip 
tijd door het basterdwoord : tempo. De Polyneziesche volkeu 
kennen dat begrip niet, gelijk ze trouwens bijna-geen-énkel 
afgetrokken, en zelfs van vele dingen uit de zinnelijke wereld, 
zooals b. V. van dragen, geen algemeen of verzamelingsbegrip 
hebben. Ze hebben er dan ook in hun talen geen woord voor. 
Wie een zuiver-W es ter sch e gedachte als: //verspil den tijd 
niet; tijd is geld// in een van die talen wil weergeven, kan 
derhalve niet slaafs vertalen; hij moet zich verplaatsen op het 
standpunt van den Polyneziër en de gedachte uitdrukken in 
den vorm, waarin deze haar met zijn voorstellingsvermogen 
bevatten kan. De vervaardiger van de Tjarita Ibrahim gebruikt 
voor ons tijd het Portügeesche tempo ^ dat in het Soendaneesch 
konstant de beteekenis van een ergens voor gestelde tijd 
of termijn, en van uitstel heett. Zoo is hij er toe gekomen , 

Digitized by VjOOQ IC 



VAN MR. D. KOOKDF.BS. 298 

om den onzin neer te schrijven: //Werp den gestelden 
termijn niet wech; een termijn is geld.'/ Wie op zulk- 
een wijs den inlander tracht te ontwikkelen, komt me voor, 
met de beste bedoelingen van de wereld, niet-veel-verstandiger 
te handelen dan de beer, die, toen hij de vlieg op het voorhoofd 
van zijn vriend wou doodeii, dezen met zijn klaauw het hoofd 
verbrijselde. 

Ik weet niet, of de Tjarita Ihrahim als leesboek op de 
Goevemementsscholen in de Soendalanden gebruikt wordt. Zoo 
ja, ik durf der Regeering de verzekeriiig geven, dat het in 
zijn tegenwoordigen vorm enkel dient, om den inlander te 
versterken in zijn gedachteloos opdreunen van woorden én klanken , 
zonder om den zin en samenhang zich te bekommeren. 



RAPPORT No. X. 

Bandoeng, 17 Mei 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 2 April 1864 no. 26 heb 
ik de eer, bij deze der Regeering aan-te-bieden mijn rapport 
over het SoendaTieesche rekenboek, kitab èlmoe itoengan (of, 
zooals de titel , foutief luidt : Htab èlmoe hitoengan). Over de 
waarde of onwaarde der in dat rekenboek gevolgde methode, 
met andere woorden: over het gehalte als leer- of schoolboek, 
kan ik geen oordeel uitspreken. Ik bezit den moed niet, om, 
op goed geluk af, over zaken waarvan ik geen kennis heb, 
mijn gevoelen te zeggen ; en dat bestudeering van de moeijelijke 
kwestie , in welken vorm en in welke opklimming men kinderen 
het best de eerste beginselen van lager onderwijs kan inprenten 
(een kwestie trouwens, wier oplossing naar mijne overtuiging 
niet uit boeken, enkel uit de praktijk te leeren is), nooit op 
nujn weg heeft gelegen, zal ik wel naauwelijks behoeven t« zeggen. 

De taal, waarin het boekjen geschreven is, heeft veel overeen- 
komst met het Pransch der vertaling van de Camera obscura, 
waarin men b. v. onzen volksuitroep //Heere mijn tijd'^ door 
'/Seigneur mon temps// vertaald vindt. Ik weet niet, waarover 
me meer t^. verbazen : over de aanmatiging of over de 
onkunde van den man, die zich aan de samenstelling van 
dit rekenboek gewaagd heeft. Van het begin tot het einde is^ 



294 TETS UIT DK NALATENSCHAP 

het klinkklare ouzin; een aaneenschakeling van Soendaneesche 
woorden tot volkomen-o nsoendaneesche volzinnen, voor den in- 
lander even-onverstaanbaar als Chineesch of Japansch. Het zij me 
vergund, met eenige weinige proeven, dit mijn, oogenschijnlijk 
wellicht eenzijdig en overdreven, oordeel te staven. 

Niet eens de Soendaneesche benamingen van de vijf hoofd- 
regels heeft de schrijver geweten. Voor aftrekken gebruikt 
hij ngalaan , in-plaats- van vjokot ; voor vermenigvuldigen, 
in-plaats-van ngalarah^ viktl (dat vouwen beteekent!) en, 
terwijl hij, voor deel en nevens ngabagi niet opgeeft het even- 
zeer gebruikelijke ngaïnkUar^ zou hij ons willen diets maken, 
dat voor ons optellen, nevens ngadjoemlah , ook ngoempoel 
gebruikt wordt, en is met deze zijn dwaasheid zoo-ingenomen, 
dat hij op bladzijde 14 de regels van het optellen maar kort- 
wech tot atoeran ngoempoelMn verdoopt. 

Ons met, waar het dient ter aanwijzing van het middel 
waarmee of waardoor iets gedaan wordt , dus in zijn o o r- 
zakelijke beteekenis, vertaalt de man geregeld door dj eng ^ 
hetgeen ons met in een geheel-anderen zin, namelijk in dien 
van in vereeniging met, in gezelschap van, be- 
teekent. Dit geeft natuurlijk aanleiding tot den belachelijksten 
onzin. Zoo lezen we b. v. op bladzijde 1 : //In gezelschap van 
deze regels zijn de menschen in staat, allerlei berekeningen 
te maken" {édjéng atoeran ïé djelma bisa ménangkén saniakara 
iloengan); en op bladzijde 6: //De eigenwaarde van dat cijfer 
wordt vermeerderd in gezelschap van zijn plaats {harga dirina 
angka tèa diiamba , onzin die moet luiden : Aargana angka 
aorangan tèa ditamba/i, Mjeng harga tfwgrjföwwa). Van de prepo- 
sitie koe schijnt de schrijver nooit gehoord te hebben. 

Voor ons eenheden, tientallen, honderdtallen enz. 
worden hier benamingen gebruikt, deels bestaande uit nieuw 
gesmeede woorden, deels uit woorden waaraan de Soendanees 
gewoon is een geheel andereu zin te hechten, zoodat hij zich 
b. V. (ik heb er onderscheiden malen de proef van genomen) 
maar niet kan voorstellen , hoe tien {sapoeloeA) tot de poeloehan 
of tientallen kan behooren. Dat de Soendaneezen voor de rang- 
schikking der cijfers, althans tot acht toe, eigen benamingen 
hebben, waaraan hij zijn terminologie had kunnen en moeten 
vastknoopen , om verstaanbaar te schrijven, wist onze schrijver weer 
niet. Trouwens zijn onkunde is zóo-verregaand , dat hij (terwijl 
laksa tienduizend eu keii honderdduizend beteekeut) 



VA.X WR. D. KOÜRDERS. 295 

de Soendaneesche schooljeugd wil leeren (op bladzijde 9), om 
iu-het-vervolg de tienduizenden ieliafi en. de honderd- 
duizenden laksaan te benoemen. 

Van dwaasheden als bv. aioeran in den zin van lijn, ry, 
regel; ündên 6 dihandaphi enggon noe mimitV (= zet de 
6 onder de eerste plaats^/) in plaats van: noe ^ tëndén dihan- 
dapén èka; sagala angia anoe saiidji rhquaq dina enggon noe 
mimüi" (= al de eënen vallen van boven naar beneden 
op de eerste plaats»') in-stede-van : èka kabèh tëndën dina enggon 
noe panghelana sabelah li kaloelwe\ mangka noe O èia gawèna 
paragi ngadjangkepk^n enggon baè» (= //wat de nul be- 
treft, deze dient om de plaatsen tot een even getal 
tebrengen), in-plaats- van: Ari nol tèa gawèna paragi nambahan 
karga baè ; van deze , en duizend soortgelijke dwaasheden wemelt 
het boek. Ik durf beweren, dat er niet eene zinsnede dragelijk 
Soendaneesch in voorkomt. Het is wartaal van begin tot einde. 

En niettemin wordt het kitab èbnoe itoengan , zoo ik me niet 
bedrieg, sints jaren op de inlandsche scholen in een deel der 
Soendalanden gebruikt, zonder-dat over de volslagen onbruik- 
baarheid zich ooit een klacht heeft doen hooren. Ligt in die — 
hoe zal ik het noemen ? onverschiUigheid of overbescheidenheid? — 
van den inlander niet een ernstige waarschuwing opgesloten om 
de samenstellers van lees- en leerboeken scherp op de vingers 
te zien? 



RAPPORT No. XT. 

Bandoeng, £8 Mei 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 17 Mei jl. no. 82 heb 
ik de eer, bij deze aan-te-bieden mijn rapport omtrent het 
küab Tj at j arakan soenda vfi, 1 (Soendasch spel en leesboekje 
met latijusche letter door K. F. Holle 1© deel). 

Over de meerdere of mindere bruikbaarheid van dit boekjeu 
als spel- en leesboek voor eerstbeginnenden heb ik, op grond 
van mijn volslagen onbevoegdheid om dei^lijke zaken te be- 
oordeelen, me wederom tot den heer G. J. Grashuis gewend, 
wiens beschouwingen ik ook-ditmaal van genoegsaam gewicht 



296 IETS UIT DE NALATENSCHAP 

acht, om ze als bijlage van mijn rapport ouder de aandacht 
der Regeering te brengen. 

Ik veroorloof me, die beschouwingen (die zich tot algemeene 
omtrekken bepalen), met de meest mogelijke bescheidenheid, 
naar de mate mijner kennis , op enkele punten aan te- vullen en 
uit-te-werken 

Zoo schijnt me b. v. wech lating der op bladz. 5 voorkomende 
modellen van pijpletters en Gothiesche letters allerwen- 
schelijkst. Ze zijn niet in ons hedendaagsch Hollandsch letter- 
schrift gebruikelijk, ook in Indiesche dienstbrieven worden ze 
nooit gebruikt , en Soendaneesche boeken zullen er , naar ik ver- 
trouw , wel nooit mêe gedrukt worden. Waarom dan de hersentjes 
der jonge Soeudaneezen met dien ballast bezwaard en den leer- 
tijd er mêe verspild. 

In no. 8 en 4 (op bladz. 6 en 7) zullen hra^ tjra, Ira^ 
djra, jftty njra, ngra, aio, èw^ èj\ ij, iw, ow en ö^m? dienen, 
geschrapt te worden, lu een '/Soendasch spel- en leesboekje/i' 
behooren toch geen letterkombinaties te worden opgenomen , die 
men in geen enkel Soendaueesch woord aantreft, en waarvan 
een gedeelte voor den Soendanees zelfs niet uit-te-spreken is. 

No. 5 (op bladz. 6), een opgave behelzende van tweeklanken , 
schijnt me toe , wederom geheel te moeten wechvallen. Ik dring 
hier op aan, omdat de hier gevolgde theorie op onbekendheid 
met het wezen van den tweeklank berust. Het Soendaueesch 
heeft, evenals het Javaansch, geen tweeklanken; niet-enkel de 
allerongelukkigste benaming sora dirangkep y hetgeen NB. ver- 
dubbelde klank beteekent), maar de zaak zelf is een splinter- 
nieuwe uitvinding. Een tweeklank ontstaat gelijk een kind weet , 
als twee klinkers tot een klank samensmelten (b. v. in ons uil 
en leugen); van dergelijke samensmeltingen is in het Soen- 
daueesch geen sprake. O] (niet oi dat in strijd is met de uit- 
spraak en schrijfwijze der Soeudaneezen, die b. v. <ö»^^ö; zeggen 

en iiSTnaannaiLiü)|| \ schrijven) en oej zijn, (even als het niet ver- 
melde aj en 'éj) samenstellingen van een vokaal met een mede- 
klinker; en in aè^ a», aoe^ ^ï, a^, aö, oeïj i?, t(?a, oea^ èa 
en ia, behoudt ieder van de beide vokalen haar eigen klank. 

Het onderricht voor den onderwijzer {ffodjién goe- 
roeff) op bladzijde 14 vlgg. is, dunkt me, eigenlijk misplaatst 
in een leerboekjen voor de schoolkinderen^. J^iJb^G^?'^*'^^ louter 



Van Mfe. D. KOORDE tis. 297 

een kwestie van vorm. Doch daar komt bij, dat op de waarde 
of bruikbaarheid van den inhoud zeer veel valt af-te-dingen. 
De nieuwgesmede benamingen voor onze zin- , lees- , en scheid- 
teekens, gedeeltelijk uiterst-gebrekkig (zooals b. v. panggoegal^ 
d. w. z. aanklager, voor ons aanhalingsteeken, en 
koma rélii, d. w. z. kleine komma, voor ons komma), 
en allen bij den eersten oogopslag voor den inlander onverstaan- 
baar, worden door geen enkel voorbeeld opgehelderd. De om- 
schrijving van den zin dier teekens is in vele opzichten beneden 
kritiek; zoo wordt b. v. van het afbrekingsteeken enkel maar 
gezegd , dat het //dient om aaneen-te- hechten (zonder eenige nadere 
bepaling van het w&i) , en van de dubbele punt , dat het de pada 

is, die ^de rede tot staan brengt.'/ ; terwijl geleerd 

wordt, dat men '/na een punt en een dubbele punt// (?) //een 
groote letter moet gebruiken,// zwijgt men er van, dat men b. 
V, na een vraagteeken hetzelfde moet doen. Ja, de zaken zijn 
in deze afdeeling met zoo-onverantwoordelijk-weinich zore; be- 
handeld , dat de opgaaf van den inhoud der voorgaande afdeelingen 
bijna geheel-foutief is , zoodat ze alleen dienen kan om den on- 
derwijzer in een doolhof van verwarring te brengen. 

Het //!•*« AeeU op den Hollandschen titel van dit Abcboekjen 
(want d&t| niet /rspel- en leesboekje// is de Hoüandsche vertaling 
van tüab ijaij arakan) en het vno, \,f op den Soendaneeschen 
titel, schijnt me een lapsus calami, alleen verklaarbaar doordien 
de vervaardiger te veel aan ons Holiandsch woord fewboekjen 
heeft gedacht Een tweede stukjen van dit , en van elk A b c b o e k 
schijnt me een ondenkbaar iets. 

Ik neem deze gelegenheid waar, om (éens-voordl) te protes- 
teeren tegen den woordvorm: //Soeadasch.// Indien men, in strijd 
met alle analogie het adjectief niet verkiest af-te-leiden van den 
volksnaam (gelijk b. v. Javaansch van Javaan, Ameri- 
kaansch van Amerikaan, Chineesch van Chinees) 
en te schrijven: Soendaneesch , behoort men ten minste overeen- 
komstig den aard ven het HoUandsch taaieigen Soendaasch 
of Soeuda'sch te schrijven. Tn Soendasch laat de a zich 
niet-anders uitspreken dan b. v. in wasch. 

Uit vrees van in te-groote uitvoerigheid te vervallen zal ik 
de taalfouten, die ik in het boekje meen te hebben opgemerkt, 
maar niet cen-voor-éen nagaan en opsommen. Ik vergenoeg me^C 



èÖÖ lÉTÖ UIT tt NAl.ATl5NBCrtA* 

met de algemeene opmerking, dat het, ook uit dit oogpunt, 
uiet beantwoordt aan hetgeen ik gemeend had te mogen ver- 
wachten. Zoo wordt b. v. in n^. 12 voor ons getuige in den 
zin van toevallig toeschouwer van iets zijn het woord 
My^^^tafi gebruikt , dat e e n z a a k als getuige bevestigen, 
geroepen getuige bij iets zijji, beteekent ; een fout , niet- 
miuder-erg dan die van Boudewijn , toen hij TAe Lord*s Supper 
door Mylord's soupé^ in-plaats- van door Hei Nachimaal 
des Heer en, vertaalde. Zoo lezen we in no. 15, niet (gelijk 
de zin vordert) daL de Vader tot zijn zoon Sarman , maar dat 
hij tot den zoon van Sarman {via anakna Si Sarman,» 
een onbestaanbaar wezen) zeide. Zooinno. 12: sillh tienggelan ^ 
in-plaats-van dlih tenggelan , hoewel de neusklank van het werk- 
woord na êilik^ altijd wordt weggeworpen. 



RAPPORT No. XII. 

Bandoeng, 30 Mei 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 28 Mei jl. vfi. 38 heb 
ik de eer, bij-deze aan-te-bieden mijn rapport omtrent het ;bVa& 
pikén moerangkalih anoe mimiti diadjar matja Soenda (Soen- 
dasch spel- en leesboek met Soendasche letter, door K. F. Holle) 

Het verheugt me zeer , dezen arbeid gunstig te 

mogen beoordeelen. Geleidelijke opklimming, het hoofdvereischte 
en de hoofddeugd van een spel- en leesboekjen voor eerstbegin- 
nenden, wordt hier niet, gelijk in het >/spel- en leesboekje met 
latijnsche letter// gemist. De inhoud der leesoefeuiugen in aan- 
eengeschakelde rede is met blijkbare zorg gekozen; geheel be- 
rekend naar de vatbaarheid van kindereu, en tegelijk er op 
ingericht om hun nuttige kennis in- te-prenten. Die leesoefeningen 
vallen niet, gelijk in het leesboekjen met Latijosche letter het 
geval is , met de deur in huis .... Ik zou op de hier gevolgde 
methode geen aanmerking weten te maken; ik geloof, dat ze 
bij eventuëelen herdruk van het boekjen onveranderd kan worden 
behouden. 

Ik haast me echter hier bij -te- voegen, dat mijn ingenomen- 
heid met het boekjen haar grenzen heeft ; dat mijn gunstig oordeel 
niet gejicht moet worden , zich to*t al de onderdeelen uit-te-strekken. 
Integendeel; ik heb, speciaal wat de taal betreft , zeer gewich- 



Vai^ Uk. t). KOofeDÈtiö. i9d 

tige bedenkingeu, die ik me verplicht acht met eenige uitvoerig- 
heid te ontvouwen. 

Vooreerst zijn hier (op bladzijde 5 tot 8) weer allerlei 
letterkombinaties opgenomen, die geen Soendaneesch , die ge- 
deeltelijk voor een Soendanees niet uit-te-spreken zijn : Upt\ {kra) , 

«J5| C4;'«)» ftj| i^m)^ Tn (rar), Tn| (rja), Osj)| (*»,0| 
{loja), (nj)| {IJa), Mjjj {njra), inj| {bja), ojj {ngja), (UI (r^r), 

Tl (rir),mTi (r^r), -yi (rö<?r), na (r^r); wellicht noch-anderen, 

die ik over het hoofd heb gezien, zijn o n soendaneesche letter- 
verbindingen, die in een Soendaneesch spelboekjen niet mogen 
geduld worden. 

Onder de pada's of scheidteekens zijn (op bladzijde 3) zeer 
ten- onrechte ons vraagteeken en ui troepteeken opgenomen. Even- 
goed zou men een of twee van onze HoUandsche letters in het 
Javaansch-Soendaneesche alfabet kunnen overbrengen. Zoo iets 
gaat natuurlijk niet aan. Het is een geheel-dndere kwestie (gelijk 
ik de eer had, reeds in mijn rapport van 14 December 1863 
no. 12 op-te-merken), of het niet mogelijk en wenschelijk zou 
zijn, ons heele systeem van zin-, lees- en scheidteekens der 
Soendaneezen , ook bij het gebruik van hun-eigen letterschrift, 
te leereu. Maar het verraadt verregaande onbekendheid met het 
wezen der pada's in de Polynéziesche talen, daaraan een paar 
van onze zinteekens te gaan toevoegen, die, juist omdat ze 
zinteekens zijn, in het systeem dier pada's, bloote scheid- 
teekens, volstrekt niet passen. 

De aksara gedè of hoofdletters , waarvan op bladzijde 3 opgave 
geschiedt, en van wier gebruik op bladzijde 14 eenige voor- 
beelden worden gegeven, zijn, volgens hetgeen me van ver- 
schillende zijden verzekerd is, en ik ook uit handschriften heb 
meenen op-te-merken, met uitzondering van de ga ditjoerek 
(die dan echter, ook in dien vorm, de fiinktie niet vervult 
van aksara gedè) in de Soendalanden ten eenenmale ongebruikelijk. 
Wil men ze den kinderen leeren, omdat ze in Javaansche 
stukken zoo dikwerf voorkomen, uitmuntend; maar men voege 
er bij, dat het zuiver-Ja va ansche lettervormen zijn. 

De benaming sandangan (op bladzijde 3) is een Javanisme. 
Het Soendaneesch daarvoor is rarangkèn, ^. ^^^^ ^ GoOqIc 



^00 IfctS Dit DÈ NAI.ATENSCrtA^ 

Ouder de pasangans of aanvoegletters mis ik met groote be* 
vreemding de x en de •^ , beiden algemeen ia zwang : en de 

laatste zelfs (met uitsluiting van de vorm .ist,) in de hand- 
schriften, die ik bezit, de éenig-gebruikte. 

De beteekenis van de, op bladzijde 3 voorkomende, benaming 
aksara panambak is mij duister; even als verschillende inlan- 
ders , wien ik haar voorlegde. Het zal , dunkt me , goed zijn ; 
een klassifikatie te laten varen, die tot een onverstaanbare 
terminologie aanleiding geeft. 

In de taal der leeroefeningen, eindelijk, vallen een reeks 
van grootere en kleinere onnaauwkeurighedeu te verbeteren. Zoo 
moet b. V. op bladzijde 15 wechvallen: nsagara dèèt batan 
laoet , laoet djero batan sagara » ; het is onzin , even-groot , 
als of een Hollander zeide : //de zee is ondieper dan de oceaan , 
de oceaan is dieper dan de zee.// Zoo is op bladzijde 17 toarna^ 
in den zin van ons begrip kleur, voor den inlander volkomen 
onverstaanbaar. Zoo is op bladzijde 27, en elders, voor sato-gcUo 
verkieslijk: BOêotoan. Zoo klinkt de rangschikking, op diezelfde 
bladzijde 27, van de visschen onder de sato Cétdéng of wilde 
dieren wel eenigzins-zonderling. Zoo is de spelling van tadla 
met een pangwisad volkomen-foutief, en alleen uit onbekendheid 
met het Arabiesch te verklaren. Zoo zijn uitdrukkingen als 
Goesti noe léwik oeninga (pag. 28) en Goedti noe iawasa 
Hollandismen; de inlander zegt enkel Goesti Allah of Allah 
tadla. Zoo is een zinwending als nadjan koemaha Umboeina 
èta baè , voor : hoe klein dat ook zijn moge, een stijve , 
slaafeche navolging van een Hollandsch model; de Soendanees 

zou zeggen : sakoemaka baè lemboeina. Zoo doch waar 

zou ik ophouden, indien ik een gespecificeerde lijst van al de 
vergrijpen tegen het taaieigen woA geven? Het meegedeelde 
zal wel voldoende zijn, om te doen zien, dat de lof, dien ik aan 
de in het boekjen gevolgde methode heb toegezwaaid, op de 
taal niet van-toepassing is ; dat deze-laatsté noch op vele plaatsen 
verbetering behoeft, zal het boekjen wezenlijk bruikbaar worden. 



Digitized by 



Google 



Van uu, ö. KooUDEtts. 301 

RAPPOET No. Xlll. 

Handoeng, SI Mei 1864. 

Ten vervolge op mijn schrijven van 30 Mei jl. n». 35 heb 
ik de eer, bij deze aan-te-bieden mijn rapport omtrent het 
Kitab tjonto-fjonto soerat (of gelijk het twee bladzijden verder 
heet : Kitab soerat-soerat (jonlo) pikén moerangkalih anoe iskola 
djisid no. 1 (Soendasche modellen van verschillende brieven, 
door Holle,) 

Dit brievenboek is, naar het me voorkomt, met weinich oordeel 
samengesteld, en zal bij eventuëelen herdruk geheel dienen 
omgewerkt te worden. 

Vooreerst passen no. 50 en 51, zijnde een vertaling van de 
/i'Voorloopige bepalingen omtrent het beleid van de justitie en 
politie in de afdeeling Sindjai// op Celebes (St. 1860 n®. 44) 
en van de //Instructie voor de districtshoofden op Java en 
Madura/r (St. 1859 no. 102) zeer zeker niet in een boek met 
brievenmodellen. Ik laat daar; of het gelukt is, onzen 
ingewikkelden , omslachtigen wetstijl overal even-trouw en even- 
verstaanbaar in het Soendaneesch weêr-te-geven. Ik wil aannemen , 
dat in de lektuur van die i^Voorloopige bepalingen omtrent het 
beleid van de justitie en politie in de afdeeling Sindjai/y een , 
mij tot-heden raadselachtig nut schnilt. Ik ontken niet, dat 
vroegtijdige bekendmaking der aanstsiande distriktshoofden met 
hun Instruktie wellicht haar nut kan hebben. Maar ik beweer, 
dat dergelijke stukken niet in een Brievenboek behooren te 
worden binnengesmokkeld. Laat alle dingen eerlijk en met orde 
geschieden. 

Ten tweede is het de voorliefde voor tembangs toch wat- 
vér drijven , dat de inleiding (bladzijde 8 tot 5) in tembaugvorm 

is opgesteld Dat een inleiding in proza oneindig-meer 

in harmonie zou zijn met den uiterst proznïschen inhoud van 
een Brievenboek, zal wel geen betoog behoeven. Dat zulk-een 
proza-inleiding, die niet gedachteloos kan worden opgedreuud, 
maar tot nadenken noodzaakt , ook daarom de voorkeur verdient , 
is, dunkt me, middagklaar. 

Ten-derde is de taal, waarin de brieven vervat zijn, een 

bont mengelmoes van Javaansch en Soendaneesch De 

dwaze, taalbedervende, gewoonte der Soendaneesche aanzienlijken, 
om hun brieven met Javaansche woorden te doorspekken; hun 
voor de toekomst van het Soendaneesch allerschadelijkst, voor-.C 
3c Volgr. IV. 21 



802 Tets ttit diï XAt.ATEtfsOnAt» 

oordeel, dat een Javaansch woord veel fatsoenlijker klinkt, 
dat het onvermengd gebruik van hun moedertaal alleen den 
kleinen man past; wordt er door bestendigd. Dit kan de 
bedoeling van het Goeveniement niet zijn; veelmeer zou ik 
durven beweren , dat het er raeê in lijnrechten strijd is. Ik vlei 
me dan-ook, dat de Regeering tot herdrukking van het boek 
niet zal overgaan , voordat het door herziening tot een modelboek 
van zuiver-Soendaneesche brieven vervormd is 

Ten-vierde en laatste schijnt het me zeer wenschelijk, dat 
aan de brieven in Javaan sch-8oendaneesch letterschrift een 
evenredig getal worde toegevoegd, met latijnsche letter gedrukt. 
Dat we, indien het ons ernst is om de Soendaneezen met ons 
Hollandsch alfabet gemeenzaam te maken , hun speciaal het 
gebruik daarvan in hun brieven moeten leeren, is duidelijk. 
Maar waarom dan in dezen brievenbundel niet opgenomen, wat 
er eigenaardig in thuis behoort; wat een van de krachtigst- 
werkende middelen tot algemeenmaking van ons letterschrift 
zou blijken te zijn? 

En hiermede is de taak , mij door de Regeering opgedragen , 
ten-einde. 

Ik heb getracht, liaar zoo-goed en zoo-spoedig als me, bij 
mijn noch zeer beperkte kennis van het Soendaneesch, mogelijk 
was, af te werken. 

Niemand kan minder voldaan zijn over mijn arbeid dan ik-zelf. 

Maar éew ding ben ik me bewust: dat het namelijk mijn 
streven geweest is, de waarheid, de volle waarheid, en niets 
dan de waarheid te zeggen. 



Digitized by 



Google 



VAN ME. D. KOOROKllS. 803 



AANTEEKENINGEN OP EEN REIS DOOR 
ZUID-BANTAM. 

81 Mei. Vertrek van Bandoeng. 

1 Juni Weer prachtig weer; kwart over zevenen vertrek ik 

naar Soekaboemi. Een schilderachtig mooije weg over het zadel 
van den G. Gedè, rechts voortdurend, bijna tot Soekaboemi 
toe, diens in wolken gehulde kruin en welig beplante voetglooijing , 
links steeds het Kendang-gebergte in-het-verschiet. Tusschen 
Tjiandjoer en den eersten post (Waroe, of WaroengP Kondang) 
het voorstuk van mijn wagen in groot gevaar, doordien een 
van de paarden met zijn achterpoot over den boom springt 
(vgalangkah ham) en, met dien poot den grond niet rakende , 
met zijn heele zwaarte op den boom komt te liggen, dien hij 
door zijn trappen en slaan stellig zou verbrijzeld hebben, zoo 
alle- man niet geholpen had om ventre-Ji-terre de paarden uit te 
spannen. Toch avarij, die we echter eerst te Soekaboemi 

ontdekken Tusschen Tji Roempoet (den derden post) en 

Soekaboemi, aan de brug over den Tji Moentjang, vernieling 
van de tSasak * waarmee mijn wagen overdekt is , doordien het 
dak van de brug aan den Oostkant te-laag is, en de sasak, in 
de volle vaart van het rijden, tegen zoo'n karambole niet 
bestand is. Aankomst te elf uur bij d'A — Afbranding der 
werkplaats van een ijzersmid ; kennismaking bij dien brand met 

den wadana, een flink man Wandeling door de distrikt 

hoofdplaats {pakïmüan), ... De erven en wegen in de kampoêngs 
uitmuntend in orde; kuilen hier-en-daar aanwezig ter verzameling 
van mest. Overal welvaart en tevredenheid uit voorkomen en 
kleeding blijkbaar (zooals trouwens den héelen weg van Tjandjoer 
af, langs). 

2 Juni De wadana deelt me mede , dat er te Soekaboemi 

geen-andere terabangs onder de bevolking in-omloop-zijn dan 
twee of drie Javaansche, die weinigen verstaan, maar om te 
nmenjanjift altijd goed zijn. Tegen schemeravond vertrek naar 
Karang Tëngah (9 paal). De nieuwe militaire weg alles behalve 
vrij van up and downs. We passeeren drie redelijke rivieren , geen- 



' Sasak wordt meest in de beteekenis van bmg gebrnikt. Hier zal het een 
kap van gevlochten bamboe z\jn. Digitizedd5?C}iOOQlC 



van-allen noch met steenen bruggen voorzien, den Tji^Goenoeng, 
den Tji Pèlang en den Tji Koekoeloe. . . . Het wordt onderweg 
stikkedonker , zoodat ik reeds van de pakëinitan Tjimahi, waar 
we doorrijden , niets meer zien kan , en ter uaauwernood het 
hooge gebergte kan onderscheiden, dat links van den weg 
gedurende het laatste gedeelte van den weg me dreigend tegen- 
grijnst. De wadana van Tji Hëlang vraagt, nieuwsgierig met welk 
doel ik naar Bantam ga en verzekert me, dat buiten Junghuhn, 
noch-nooit iemand langs dezen weg Bantam is ingedrongen. 
Trouwens v. K. zeide me gisteren al, dat, volgens hetgeen hem 
was meegedeeld, van de Bantamsche grens af tot Madoer geen- 
andere weg is dan een smal en onbegaanbaar voetpad. Nu, 
dit zal de tijd leeren; bovendien, mij prikkelen zulke moeijelijk- 
heden, ze verhoogen mijn genot en energie. 

3 Juni. Om half vijf op weg naar Palaboean Ratoe op een 
magnifieken Makassaar , maar ongelukkig wat zwak op de })ooteTi , 
lëlës 9oehoe, Prachtig weer, prachtig berggezicht, links op 
den boomloozen Goenoeng Walad, rechts op den G. Panend- 
joan, vooruit op den Batoe Toeri. De zeer slingerende weg is 
m den beginne (3, 4 palen ver) zeer mooi, vlak en gemjik- 
kelijk, maar reeds door onbewoonde streken, vol kaso en "éri ' 
loopende. Na het passeeren van den Kampoeng Tji Mèntèug 
komen we aan den G. Batoe Toeri, (links van den weg, die 
over zijn zadel henenloopt) , welks uiteinde de grens is der dis- 
tricten Tjihëlanjg (waar ik uitkom) en Tjimahi (dat ik nu binnen- 
rijd); drie distrikten voorzien er zich uit van kalksteen. De 
vrij-breede, met donderend gebruis voortstroomende Tji Tjatji, 
wiens bronnen [sirahna) op den G. Ki Salak ontspringen , ver- 
toont zich ^n eindjen v6ór den G. Batoe Toeri uit , rechts van 
den weg. Daarachter de G. Kasoer. We passeeren sukcessievelijk , 
door de zoo-goed-als-onbewoonde streek voortrijdende, mi steil 
op, dan steil af, den Tji Mèutèng, den Kampoeng Tji Ang- 
sana (uit één huis bestaande) daarna het riviertjen van dien naam, 
vervolgens den Tji Djambè waar zich rechts de pa9ir * Djambi 
vertoont, twee waroengs, en komen zoo eindelijk aan den Tji 
Tjatji, een 4 dëpa diepe rivier (mijn schrijver zegt: hij heet 
Tji Tjatjik), die men op een mnah kambang ' (in deze streken 
handoengan genaamd) oversteekt. Een eenzame waroeng staat 

1 Ka9o Sdnsch. z^ glagah; èri zijn doornstruiken. (M.) 

* Sdn. heuvel, kleine berg. 

• Snd. vlot of pont, op twee schuiten. (M.) DigitizedbyLjOOQlC 



VAN MR. D. KOOEDERS. 306 

aan de Tjimahische zijde der rivier (want aau de overzijde be- 
gint Palaboean Ratoe). Men is nu Limapal (5 paal) van Karï^jig 
Tèngah. Het boomlooze landschap wordt hier voor een oogenblik 
afgebroken, doordien links de, overigens slechts met gras be- 
dekte en heuvelachtig-oploopende glooiwandeu der rivier, die 
het gezicht begrenzen, met een lachend groepjen welig-groenende 
boomen begroeid zijn. We komen door den Kampoeng Tji 
Noetoeng en krijgen de rivier van dien naam in het oog. Van 
het Kendenggebergte is nu niets te zien, doordien de pasirTji 
Noetoeng liem onderscliept. Prachtig is, als men den Kampoeng 
Tji Noetoeng een eindtjen voorbij is , rechts het gezicht op den 
lang-uitgestrekten Pasir Pinang Gading, en daarachter, in een 
ver verschiet, op den hoogen G. Oenoet. Links van den lem- 
boer ' Tji Gombong vertoonen zich weer, als een oazeindeze 
woestenij , enkele boomgroepen , waar het vermoeide oog met 
welgevallen op rust ; rechts houdt men den Oenoet altijd in het 
ge? cht; vooruit en links wordt de horizon , zoover het oog reikt, 
j^ygrensd door het trotsche Kendeng- gebergte. We passeeren ver- 
\olgens Tji Langkap en den waroeng Kiara. Daarna begint de , 
ougelooflijk-steenige , weg over den naakten Pasir Baëd te loopen , 
(waarna hij, tot-aan de brug over den TjiTjarÖh, Tanjakan * 
Baëd heet.) Voor de brug ligt de kampoeng Gèntong; de weg 
daarheen, over de heuvelhelling naar omlaag, glooit langzaam 
{njangsaja^ in tegenoverstelling van pontèng^ montèng^ steil- 
omlaag loopen). In deze. streken (waar men slechts enkele tipars 
en hoema's ^ ziet) kost de tjaèfig * padi gemeenlijk , op zijn goed- 
koopst ƒ15, op zijn duurst ƒ^0; hier en daar was nog al 
soeoek ^ geplant, die veel beloofde. Als men de Tji Tarëh is 
overgegaan, rijst, steil maar trotsch , rechts van den weg, de 
pasir Tji Djambè omhoog, prachtig met boomgewas begroeid, 
van den top tot-aan den voet links, de weinich-hoogere , G. 
Boetak ; de Tji Tjarëh-zelf heeft zijn stroombedding in een breed 
en diep ravijn waar de vegitatie recht-tropiesch is. Na de rivier 
Tji Djambé aan gene zijde van den pasir Tji Djambè 
(over wiens heuvelhelling de weg loopt, die tot-aan de brug 
over die rivier tanjakan Tji Kembang heet) te zijn overgegaan , 



' Rigg: lumèur, Holl. dorp. 

' Rigg: an ascent, a hiU on a road etc. 

' Jav. tegal en gaga. Ml. ladang. 

* Een gewigt van 1000 katis. 

^ Sdn, voor MI. katjang ianah^ Holl aardnoot. (M.) 



Digitized by 



Google 



306 IKTS UIT DE NALATENSCHAP 

ziet meu te midden vau een eindeloos getal dudere bergen en 
heuvels, voor zich uit den, enkel met gras bedekten, pasir 
Moentjaug. Even-voor Bantar Gadoeng bracht de weg ons door 
den kleinen kampoeng Pasapèn (welki tegalvelJen Karang Sapèn 
heeten). Zoo bereikten we eindelijk het, 13 paal van Karang 
tèngah liggende, Bantar Gadoeng, waar ik me haastte aan 
den pasanggrahan af- te-stappen. Ik was tamelijk- vermoeid ; het 
was bij twaalven, de reis was dus niet voorspoedig geweest, 
deels door de groote bezwaren van den weg, deels door de 
brandende zonnehitte in deze kale onherbergzame landstreek, 
die reeds om zeven uur hinderlijk begon te worden. Bantar 

Gadoeng ligt in een kleinen dalkom, het is er warm. — 

Het dorpjen, vol vruchtboomen en te midden van een kleine 
uitgestrektheid sawahs gelegen, maakt een gezelligen, aangena- 
men indruk. Hier ontdekte ik voor-het-eerst (wat me later, ook 
in Palaboean het geval bleek ie zijn) dat men het inlandsche 
hoofd , hetwelk in rang op den patinggi (die ónder den Ijam -l , 
sakandapên ijamat^ staat) volgt, en op zijn beurt den joan^/a^^d- 
onder zich heeft, niet loer ah of roerah^ maar koewoe noeiiil'. 

Den Tji Bantar Gadoeng (waarvan de brug reeds-tweemaal 
in weinige jaren is wechgeslagen) moesten we doorwaden 

{njoeitjroeK) ; Aan de overzijde der rivier slingert aanstonds 

de weg zich weer, even-steenig als vroeger, omhoog; tusscheu 
den pasir Pogor (rechts) en den pasir Malang (links). We 
passeeren den kampoeng Tji Sësëpan, daarop den kampoeng 
Pangaïran, den waroeng Bodjong galing, den Tji Djarian en 
aan diens overzijde den kamp)eng van dien naam , van-waar-uit 
de weg weer dadelijk klimt, over den met eenig houtgewas 
begroeiden pasir Soerèn zich henenslingerend. Op een terrein- 
verhefBng, waar we links van ons den pasir Kiwara zagen 
liggen , werd me voor-het-eerst , in de verre verte vooruit , over 
den G. Djajanti (recht v<5or ons) en (iets-meer-rechts) den G. Rëma 
henen , door mijn geleide de zee gewezen. Ze vertoonde zich als 
een vaalblaauwe, bijna loodkleurige streep aan de kim, eeu 
scherp kontrast vormende met de donkergroene Urwalder van 

den Djajanti en den Bëma Na den Tji Kawini gepasseerd 

te zijn, en bij den Tji Gombong (dien we links zich door een 
diep en rijk begroeid ravijn zagen heenslingeren) op nieuw de 
zee in het oog gekregen te hebben , veranderden de woeste weg 
en de wilde natuur eensklaps van voorkomen. We> rcdenj over 

Digitized by VjOOQ IC 



VAN MB. D. KOOBDERS. 307 

zwarten, mollen grond, aan weerskanten inet boomen beplant, 
en van het hooge punt, waar we links den Tji Gombong aan 

onze voeten zagen liggen, vertoonde zich (rechts van den 

weg), voor-het-eerst na ons vertrek uit Karang tèngah, weer 
een echt-Oostersche kaïnpoeng aan ons oog, omringd door 
sawahs en half-verscholen tusschen wuivende kokospalmen. Het 
was de kampoeng gobang ' Tji Loa. lets-verderop (links) lieten 
we den kampoeng Tji Koièd liggen, gingen de rivier van 
dien naam met een brug over, en kwamen zoo-eindelijk aan 
de bedding der breede en snelstroomende Tji Tank, die we 
met een siisah kambang overstaken. Aan den overkant dier 
rivier ligt de kleine kampoeng Tji Boeaja, dien we door 
moesten; vervolgeus leidde onze weg ons sukcessievelijk door 
den kampoeng Tji Kadoe, over de kleine riviertjens Tji Bolang 
en Tji Lengsi, (welke laatste, rechts van den weg komende, 
zich in den ter linkerzijde voortbruisenden Tji Tarik uitstort) 
en door den kampoeng Tji Lëngse. Even-voorbij dien kampoeng 
kwamen we den G. Geplak (links) en een met boomen mooi- 
begroeide streek (rechts) langs. De mooije kampoengs Tji 
Pitjoeng (links), daarachter (méér links noch) Tonjoug, een 
eiudtjen verder (eveneens links) Nagrog omzoomden en ver- 
vrolijkten een verder gedeelte van ons pad. Bruggen brachten 
ons vervolgens over de, zich in de Tji Tarik uitstortende 
Tji Logawa en Tji Gadog. Over deze-laatste gekomen, dwong 
ik onwillekeurig mijn paard tot stilstaan, getroffen door het 
gezicht (rechts van den weg) op den G. Dj aj anti , die zich , 
van deze zijde gezien , voordeed , als uit drie stukken bestaande , 
alle drie van boven tot ouderen met ondoordringbare bosschen 
bedekt. Als men den kampoeng Tji Saad (rechts van den weg) 
voorbij en de rivier van dien naam over is, krijgt de weg, 
weer stijgende over den pasir Tji Saad, en weer met rokteenen 
bezaaid , tot-aan het uiteinde van den kampoeng Tji Barèngkok 
den naam van Tanjakan Tji Saiid. Naauw is men dien kampoeng 
door of links van den weg ziet men den breeden Tji Maniri 
(die hier den Tji Tarik reeds in zich heeft opgenomen) zijn 
zilverkleurige wateren tusschen boorden, begroeid met trotsch 
geboomte, naar zee stuiven, hier met donderend geweld, ginds 
rustig-kabbelend als een beek. Men moet zoo-lang door dor en 
waterloos hoogland gereden hebben, als ik toen gedaan had, 



De beteekenJB door R. gegeven past hier niet, oigitized by vjOOQ IC 



308 IBTS IHT DB NAliATEN'SCHAP 

oin het welddadig verkwikkende en verfrisscheude , dat in het 
aanschouwen van dien zich door lage boorden voortkroukelenden 
stroom gelegen was, te kunnen bevroeden. Tegelijk. met den 
Tji Maniri vertoonde zich, rechts van den weg, de Tji Boeria, 
een klein winterstroompjen , welks wateren (s^il y en a) zich 
in den grooten slokop, den Tji Maniri (de eeuige van al die 
rivieren, die tot zee doorloopt), uitstorten. Al verder gaande, 
den grooten kampoeug Tji Djajanti door, komt men vervolgens 
weer in een bij-uitstek woeste streek , waar de weg zich tusschen 
den hoogen G. Djajanti (rechts) en den niet minder hoogen 
G. Tangkoeban Parahoe (links), die geheel den vorm van onzen 
Bandoengschen Tangkoeban Parahoe heeft , al dalende met naauw 
merkbare glooijing, henenslingert. Op een kleine paal afstands 
van de plaats onzer bestemming passeerden we den kampoeng 
Tji Tjangngègar, en naderden we (tegen vijf uur 's middags) 
Palaboean. De gezichteinder was aan alle kanten door bergen 
begrensd; van Palaboean en van de zee was geen spoor te 
ontdekken, zoodat mijn schrijver en ik gedurig teleureresteld 
aan onze geleiders vroegen, of ze zich in den afstand niet 
vergisten. Ik had me, op gezach van A. , den heelen warmen 
en vermoeijenden dag lang, getroost met de gedachte aan het 
prachtige gezicht, dat men op drie kwartier afstands van 
Palaboean, na het neerdrukkende van uren lang bergen en 
niets dan bergen, hoogland en niets dan hoogland aanschouwd 
te hebben, heette te wachten. Maar helaas! van dat vreedsame 
gezicht, voordat men in drie kwartier tijds een vijftien-honderd 
voet daalt, op het in een dalkom aan zee liggende Palaboean 
en de stille wateren van de Wijnkoopsbaai genoot ik niet; en 
wel om de eenvoudige reden , dat ik den gewonen weg en niet 
van Soekaboemi af door Djampang koeion gegaan was. 

Plotseling, bij het omdraaijen van een hoek, bevond ik me 
in Palaboean , een lange , rechte rij van huizen , met een breeden 
weg er tusschen door ; weldadig was het gezicht op de wuiveude 
palmen en de, voor de woningen neêrhurkende , menschen- 
groepen; maar mijn illuzie was vervlogen, mijn hooggespannen 
verwachting verijdeld, van de zee (waarvan ik later vernam, 
dat ik noch 13 minuten verwijderd was, en waarvan ik enkel 
het dof geklots tegen het strand kon onderscheiden) was, hoewel 
ik de rechte straat, die ik doorreed, ten einde tuurde, geen 
zweem te ontdekken; en met een wrevelig gemoed stapte ik 
aan den pasanggrahan af. Deze ligt, zooals ik zeide, 13 minuten 



VAN MR. D. KOORDERS. 309 

van zee, als men de bovengenoemde straat omstreeks-halfweg 
is , aan den aloeu-aloen recht^ tegenover de , onder lachend groen 
bevallig verscholen, en tegelijk, door de witte muren, schilder- 
achtig uitkomende woning van den Europeschen pakhuismeester. 
Het is een vrij-slecht en bouwvallig gebouwtjen. 

Daar mijn paardrijden , bijna 12 uur lang, in de brandende 
zou, up and down, door een woest berglandschap me tot mijn 
verbazing niet had vermoeid, wandelde ik tegen schemeravond 
met deu pakhuismeester en zijn vrouw naar het strand, ten 
einde naar het visschen te kijken , dat door zijn menschen daar 
met een soort van zegen geschiedde. Glooijend als te Katwijk 
en Sclieveningen loopt de oever van duinzand hier af; en als 
ik recht voor me uitstaarde, den onmetelijken Stillen Oceaan 
in, was het me te-moede alsof ik weer thuis was, en de 
Noordzee zich aan mijn voeten uitspreidde; maar zoodra ik 
het oog ter zijde wendde, links naar de hooge bergen van 
Ujampang Koeion, rechts naar de niet-minder hooge Bantamsche 
bergen, die de inspringende Wijnkoopsbaai begrenzen, en naar 
de naakte klippunten rechts, waarover onophoudelijk witte 
stuifzeeën heen rolden , voelde ik weer , dat ik me niet in Holland 
bevond , hoewel dit besef me waarlijk niet minder vatbaar maakte 
voor den indruk van het goddelij k-schoon panorama, dat me 
te zien werd gegeven. 

Van 5 tot 10 Junij ontbreken de aanteekeningen. 

Den 11 Junij bevond K. zich te Bajah (?) aan de Preangerzijde 
van de Tji Barènoh. Eenige beschrijvingen van den weg door 
Zuid-Bantam mogen hier wederom volgen. 

11 Junij De koewoe verklaart, dat hier nooit Europeanen 

geweest zijn, met uitzondering van (in 1855) een njonja, 
reizende van Soekaboemi naar Bantam. Aan den overkant, in 
het Bantamsche, wordt de rivier, bijna zoover het oog reikt, 
begrensd door den hoogen, langen, met ondoordringbare bosscheu 
(maar met voetpaden tot boven toe) bedekten pasir Mangga. 
Tusschen de rivier en dien G. ligt het Bantamsche Tji Barènoh 
(welvarend). Tusschen den, van het Prcanger Tji Barènoh uit 
gerekend, linker uiteinde van den pasir Mangga en het, als 
men zich omkeert met het gezicht naar achteren, naar den 
G. Bodas, rechter uiteinde van den G, Bodas, stroomt de 
Tji Barènoh in zee, oigitizedbyGooglc 



310 lEÏS UIT DB NALATENSCHAP 

's Avouds vaart op eeu bafuioengan (zoo geheeteu , omdat er 
geen taU hoè ' is, waar langs de pont wordt overgetrokkeu , 
anders èrèlan) de Tji Madoer, breed en kriötalhelder , met 
lage groene boorden als eeu HoUandsciie rivier (maar hier-eu-daar 
snelstroomend met steenbanken) af naar zee, meestal tusschen 
de prachtigste boomgroepen, zich welvend over het water, een 
enkele maal afgewisseld door een troep vreedzaam grazende 
buffels. De tocht duurt meer dan een half uur, eer we aan zee 
komen , maar verveelt geen oogenblik door de goddelijk-schoone 
gezichten, vooral aan den linkerkant op den G. Madoer, zich 
met zijn groene beklceding uitstrekkende tot in de rivier. Aan 
zee vlak-strand en daarvoor woeste branding, wel een kwartier 
ver, met (links, vlak bij ons) den scherp in zee vooruitstekenden , 
maar ook- hier even- welig begroeiden uithoek van den G. Madoer 
{antjol Madoer) en (rechts) een bij het vallen van de avond- 
schemering zich fluauw, maar toch blaauw tegen den horizon 
afteekenenden , lang- uil gestrek ten, ver in zee vooruitspringendeu 
(van hier te zien), G. ïjihara. Ddar noch- wéér vooruit hemel- 
hooge branding te zien. Teruch vaart. De bocht, waar de Tji 
Madoer zich van de G. Madoer afwendt om door de smalle 
dalstrook te stroomen, waarin Bajah ligt, vertoont zich op 
korten afetand noch, door de hier bij uitzondering als stroom- 
zand oprijzende rotsblokken, wier omtrekken door het over- 
welvende loofdak niet scherp te onderkennen zijn, als de ingang 
van een grot. 

12 Junij N. van Bajah ligt de K. Babakan aan den hoog- 

oprijzenden oever, tegenover een eilandtjen, door de rivier 
(Tji Madoer) gevormd, schilderachtig, met bamboe begroeid. 
Bajah ligt in een kom, begrensd ten O. N. W. door bergen, 
O. door G. Madoer (N. N. O. naar Z. Z. W.) ; N. door pasir 
Loa en pasir Lewih Malang (N. N. O. naar Z. Z. W.) en 
pasir Tji Karatjak (O. naar W.). Daarna taaionderzoekingen 
met den Demang 

13 Junij. Door slagregens en donderslagen gewekt De Tji 
Dikit gisteren noch laag, helder en vrij kalm, nu zijn bruin- 
geel-gekleurde wateren met woedende vaart naar zee stuivende; 
vlak tegenover ons valt eeu zware boom van den oever in de 
rivier, met een vreeselijk geweld, tegen half zeven. Spoedig 
daarna vertrekken we. De Madoer met een sasak over. Daarop 



1 hoè, Ki^: hoih^ roian^ du9 touw vau rotan. VglgitiUdt^S ood^raao. (M.) 



VAN M». D. KOÜRDERS. 81 I 

misschien IJ paal rijzen en dalen binnen door. Vervolgens 
langs eentoonig strand, overal met pandau en bakoeng ' om- 
zoomd. 3 paal van Bajah de Tji Koenipaj, 3 gardoehuisjens ; 
5 minuten verder de ondiepe Tji Moenggoel Asepan (breed) , 
5 minuten verder spitse rotspunten op strand en in zee. Altijd 
door pandan. Een eiudtjen verder de Tji Mangj}ang. Merkwaardig, 
de bedding dier beide laatste rivieren ligt lager dan liet duin- 
zand; 6 paal ver gekomen, komen M^e aan den vrij breeden, 
10 u 12 voet diepen Tji Mantjak, die op zijde van ons tusschen 
groen geboomte door komt stroomea , zich na een eindtjen met 
een bocht gestroomd te hebbeu met den Tji Siih, die van den 
anderen kant, parallel met het strand, komt aanloopen, ver- 
eenigt en dan zamen met verbazende snelheid in zee stroomen , 
het strand doorbrekende, zoodat we overgezet moesten woiden, 
en om den snellen stroom een lieel omwegje moesten maken, 
(we knunen niet recht door de uitwatering, maar moeten het 
staarijen van den Tji Mantjak omvaren, en zoo met een bocht 
door de Tji Siih, weer op strand komen). Bij het overvaren 
zien we den G. Batoe Poetri (laag, begroeid) voor ons over 
den Tji Siih heen. Menschen van den K. Pangarangan (4 paal 
van den post) zetten ons over; 6 man moesten, tot aan den 
hals door het water wadende, de schuit, die gebuaèhd * werd, 
halverwege te gemoet komen om haar door den stroom heen , 
aan wal te b reugen. Na 5 minuten verder een baloefigbang (zelf 
gevormde zijtak) van den Tji Siih , nu Tji Talantja geheeten , 
doorwaad te hebben (1 (?) voet water), waar vroeger de weg, 
recht langs strand, tot aan G. Batoe Poetri voortliep (die uu 
verlegd is moeten worden en binnen doorloopt) kwamen we aan 
den eersten post van Bajah, behoorende onder Pangarangan, 
aan de overzijde van den Tji Siih. Op ongeveer een paal 
afstands doorwaadt men den Tji Mandiri, breed maar ondiep; 
vervolgens den Tji Poenaga Rokoj , Tji Pabèasan, Tji Borètè, 
Tji Soerèn (tusschen welke laatsten woestmooije rotspartijen 
zijn) ; de overigens duinzandige weg loopt hier over rots, tusschen- 
welke door de Tji Borètè zich met een naauwe sleuf den weg 
naar zee baant. Een schilderachtig gezicht was bij den doortocht 
van de bedding der Tji Poenaga Rokoj de zee links vlak-bij , 
schuimende over de klippen , en over den stroom niet hangende 
maar liggende, een reeks van donkere njamploengs^ hun takken 

1 Bekende , aan zee groeijende planten. (M.) j 

* Ngaboièh, zooveel uls het Mal. gajoeh, menggajoeh (roeijen). o 



31 a IETS ÜIT DE NALATENSCHAP 

in het water en rotsblokken daaronder en tusschen door. De 
Tji Kiraj had meer water, en werd doorwaad, evenzxx) de 
Tji Naranas, de (drooge) Tji Tahi-kebo, de Tji Dahoe, met 
een breede maar drooge kalk- en schelpbedding; de TjiPangen- 
dogan ; we gingen Tandjoeng Tjariang voorbij ; daarop Tji 
Panjawoengan , Tji Tjang Kangkrang, Tji Kësal en Tji Bobos 
(vlak langs zee, met stoute, woeste klippartijen) ; eindelijk , vlak 
bij den post, Tji Bedil, daarop steil klimmen op een helling van 
den G. Tji Hiara, even steil dalen, na van boven-af een prachtig 
gezicht op den, zich 100 voet dieper, voortzettenden weg ge- 
had te hebben , met een rakit of gèlèk (aan elkajlr bevestigde 
bamboes, met een sasak er over heen) den Tji Ilara, (Hiara? M.) 
25 ü 30 voet hier diep, en toch onbevaarbaar, overstaken, 
(prachtig gezicht, de breede, heldere stroom rechte zich voort- 
zettend tusschen donker groen, waaronder ook klappers, over- 
blijfselen van een oude desa, nu verlaten). Aankomst te post 
Tji Hara. Eten djodjovgkong ' en visch. Vervolgen onzen weg. 
IE paal. We blijven onzen weg vervolgen, op kleinen afstand 
van de zee, door een meestal met laag kreupelhout, soms ook 
met hooge boomen, overschaduwd duinpad, zoo-te-zeggen eflen 
en vlak. We doortrekken sukcessievelijk weer een reeks van 
winterstroomen , meestal droog , soms-ook met 1 , 2 voet water ; — 
den Tji Tjatang, Tji Tjantigi, Tji Moendoe, Tji Tjankroewaug, 
Tji Djompong (wiens water, in de naauwelijks 3 voet breede 
bedding, schilderachtig over kolossale,- met mos begroeide 
rotsteenen, onder d(mker loof half verborgen, van den noord- 
kant komt aanbruisen , op kleinen afstand een schuimend , zilveren , 
liefelijk water valletj en vormend , en liuks van den weg zich weer 
schuimend en bruisend verliest in het witte duinzand, en op 1 
minuut afstands opgenomen wordt door den Oceaan). Tji Poe- 
naga, Tji Soeoeb, Tji Sedekan (waar-vlak-voorbij duin en duin- 
pad en strand ons eensklaps verlaten, en we een halven cirkel 
van eenige oogenblikken moeten beschrijven over rotsbrokken en 
klippunten , nu droog , maar bij hooge zee stellig niet te passeren , 
zoodat b. V. de patih van Lebak er eens heeft moeten over- 
nachten, en tegen wier wilde voortzetting in zee de woeste 
branding onophoudelijk maar machteloos kampt), Tji Poenaga 
Rojom, Tji Kanjèrè, Tji Karang hidëng, Tji Saweg, Tji Kadjar 
Kadjar en Tji Panghèotan, 5 paal ruim van Tji Langkahau, 



Dit woord is mij onopfreheldwd gebleven, r^^^^T/i^-) 

Digitized by VjOOv Ic 



VA^ MH. t). Kootibtstta. 313 

van waar af onze toch al doodsche en vrij eentoonige weg nu , 
tot-op 1 J paal afstands van Tji Langkahau , nu-weêr onophoudelijk 
langs het, hier harde vaste zandstrand, begrensd door pandan 
loopt, altijd rechtuit. Na den Tji Pager betrekkelijk een heel 
poosjen vlak langs ons strandpad gehad te hebben, steken we 
hem over (hij is vrij breed , doch we liebben maar door een half 
voet water te waden) en verlaten kort-daarna het strand, om, 
ons landwaarts in buigende op een vlot den breedeu, visch rijken 
en 25 i 30 voet diepen Tji Langkahan over te varen. We rijden een 
eindtjen tusschen groene alang-alang-velden , die een baar voor 
jonge tRTwe zou aanzien, door, doch komen welhaast langs 
wuivende klappers met vruchten beladen, en waaronder vreed- 
zame woningen verscholen liggen ; trekken met overdekte houten 
bruggetjens de kleine , nu bijna- waterlooze Tji Rantja Toeudjoeng 
(iets meer dan een J) en Tji Kangkang hoè f veel-minder dan 
\ paal van de hoofdplaats) , en komen zoo , een hoek omslaande 
in de kom der gemeente, klein, maar lachend en vriendelijk, 
waar een recht, breed pad, aan weerskanten belommerd met 
klapperboomen (van vorm ngarandakah (?)) , wier takken onzen 
weg overschaduwen, ons, over den aloen-aloen, omplant met 
jonge , frissche tamarinde's , naar den , na den tot 5 uur geduurd 
hebbenden tocht, zeer weikomen pasanggrahan leidt. 

14 Junij. Om 7 uur weer te paard om B. gezelschap te 
houden op een 4 paal verren tocht ter opneming en opmeting 
van een door het inlandsch bestuur ontworpen waterleiding, 
waarvan 100 baoe's nieuwe sawahs de schoone vrucht zouden 
zijn. De Demang zegt me onderweg , dat hier enkel aan menschen , 
volstrekt niet aan goeden grond voor het aanleggen van sawahs , 
gebrek is. 

Op den terugweg van het Soesoekan ' opnemen had ik van 
een legok^ * rechts van den weg, het eilandtjen Tindjel zien 
liggen, met klappers beteeld, die aan inwoners van Tji Lang- 
kahan toebehooren en door hen geëxploiteerd worden. B. bv. 
kocht van menschen hier zijn olie. In den laatsten tijd schijnt 
er echter een ziekte of zoo onder de boomen te heerschen, die 
de heele teelt met vernietiging bedreigt. B. beijvert zich nu om 
den nieuwen demang de noodzakelijkheid te beloogen, dat de 

• Rigg: a canal, an artifidal water-course. C^ r\ncs\c> 

* Rigg: hollow,.. . A deep narrow vaUey. '^ "^^ ^ o 



Sli IRTS TTIT Ül? NA1.AT1C.VSCM AP 

uitgostrekte , frissche alang-alang vlakte , die van-nit den pasaug- 
grahan te zien is , met klappers en vruchthoomen beplant worde ; 
dit zal waarschijnlijk het volgende jaar gebeuren. Dan zal deze 
oude zetel van het Regentschap wel weer wat van zijn vroegere 
bevolking en welvaart teruchkrijgen (over den breeden Tji 
Langkahan was, waar wij overvoeren, toen een brug). — Om 
5 uur ben ik, al schrijvende aan dit journaal, getuige van de 
verkiezing van 2 djaros of dorpshoofden, waarbij ik de vrij- 
moedigheid van den kleinen man bewonder, waarmee hij uit 
volle borst tot zijn hoofden spreekt; met verbazing opmerk , hoe 
een kampong haar rechten bij deze gelegenheid wil doen gelden 
op een stuk onontgonnen boschgrond, vóór meer dan 25 jaren 
door een naburig dorp, zonder weerspraak van die kampoeng, 
geokkupeerd en ontgonnen; en de kiezers van het eene dorp 
(de verkiezing van het andere dorpshoofd was niet doorgegaan, 
omdat de verkozene bepaaldelijk weigerde djaro te worden , zoo- 
lang de bovengenoemde kwestie over den, zijn kampoeng oor- 
spronkelijk toebehoorenden, boschgrond niet was uitgemaakt) 
op de gewone plechtige wijs (nl. op de knieën liggende, met 
het lichaam vooruitgestrekt , en , na het maken van een serabah , 
de tot dat einde vooruitgestrekte handen van hun nieuw hoofd 
even tusschen de hunne drukkende) één-voor-één de gebruikelijke 
hulde aan hun nieuw Hoofd zag brengen. 

15 Junij. Vertrek van Tji Langkahan. Schaduwrijke weg, 
met hooge waroe's aan weerskanten. Zachte up and down's , maar 
altijd toch rijzende; mooi, breed en zacht, enkel in het laatste 
gedeelte een paar minuten steenbrokken. Vlak- vóór den eersten 
post (Kandang Sapi) passeeren we met een overdekte brug de 
Tji Sangiang. Vlak- voorbij den post passeeren we tweemaal den 
Tji Giri Laja, noch een andere rivier Tji Boeroeloek, tweemaal; 
daarop in langen tijd geen. Sterkere golvingen van den weg. 
De Tji Pataap , breeder dan de beide vorigen , vlak-bij de 
Tji Boeroeloek noch eens. — 3 paal van den 2"» post de Tji 
Péndej , die we per overdekte brug overgaan , en waar ik rechts 
den Tji Kadoe zich door de diepte zie slingeren en verder niets 
dan eindeloos woud. Bij de Tji Pëndëj eenige sawahs , 5 minuten 
verder de Tji Kadoe over , met een brug ; aan weerszijde eenige 
sawahs. Oeroet kebon pedes, ' Vervolgens gaan we den Tji 
Rantja (daarbij overblijfselen van een kampoeng), vrij breed en 



0?erbiyfseleQ van pepcrtuinen ? (M). 

Digitized by VjOOQ IC 



Van lift. D. koouoths. 315 

waterrijk, over; den Tji Palaboe, beide met sasaks, en komen 
aan post Wasaiig Krama. Tets-minder dan 2 paal voorbij dien 
post neemt onze demang afscheid en begint het demaugschap 
Parong KoetjaDg. De weg wordt nu een aaneenschakeling van 
steile, steenige up and downs. We gaan verscheiden riviertjes 
over, o. a. de Tji Liman, 2J paal van den post, breed (redelijk) 
met een overdekte brug ; met (links) op korten afstand den Pasir 
Kopo Kopo , begroeid met hooge boomen. Gedurig prachtig bosch 
en ber^ezichten , diepe dalen en glooijende berghelliugen , welig 
begroeid , vooral rechts. Komen welhaast aan post Kadoe Batara , 
vervolgen na eenig oponthoud onze reis, bedreigd door regen, 
die weldra losbarst, en ons drie palen lang op 't lijf valt, zoo- 
dat we druipnat te Goenoeng Kentjana aankomen. De weg is 
nu vol tjadas * en rotsstukken, met vrij -steile hellingen, en 
zeer glibberig. 

We gaan onderscheiden riviertjens over. Op de laatste hoogte 
of rug zouden we een prachtig vergezicht over het noorder 
landschap gehad hebben, dat zich hier met zijn bergen en 
vlakten en dalen aan onze voeten ontvouwde; maar de regenlucht 
omnevelde en bedierf het. Aankomst, na 21 paal rijdens. 

Ik maak met kompagnies- en andere duiten kennis. 

16 Juni. De weg nu een aanhoudende opeenvolging van lange 
hellingen, vreesselijk uitgespoeld en gedurig vol ijaHoB. Op ifc 
2 paal afstands van de pasanggrahan gekomen, verrijst (links 
van ons) de Poelo Sari , daar nevens de Karang , en voorts het 
eindelooze, vlakke eentoonig- dofgroene, halfgrijze noorderland- 
schap. Op bijna 3 paal afstands gekomen ^ passeeren we , rechts 
van ons den kampoeng Bodoer, bevallig op een groene heuvel- 
helling gelegen en geheel verscholen ouder zijn klapperboomen 
ep ander opgaand hout; tusschen de heuvelhelling en ons ont- 
moeten we weer (o merkwaardigheid!) een lOtal baoes sawah, 
besproeid door water uit de Tji Kolè , die we daarop passeeren 
en welhaast te post Bodoer (enkel-post) komen. We vervolgen 
nu onzen weg een tijdlang over een zachten, zwarten, holklin- 
kenden aardweg, meestal door waroe's beschaduwd, na alvorens 
vlak-na ons vertrek van den post eenmaal steil te zijn geklommen , 



1 Tjada9 is volgens een gevonden aanteekening tufHeen en er Worden toe ge- 
rekend alle conglomerata, van den f^jnsten zandtiteen tot den grofsten paddingsteen, 
in het algemeen alle nit water afgezette steensoorten. b|jgevolg kleilagen. (M.).C 



en op den legoh den Karang , den Poelosari en het geheele noor- 
derlandschap aan onze voeten gezien te hebben. Tets meer dan 
een paal van den volgenden post (pos Polèng) begint het tanjakan 
Bodo, uit tjadas paèA * bestaande, en de bezwaarlijkste daling 
verrewech , die ik noch gezien had. We moeten van onze paarden ' 
en langs tjadas-trappen die zeer steil zijn, een lang eind dalen. 
Eerst- vlak voor de Tji Lajang, waar het tanjakan Bodo eindigt 
en tanjakan Polo begint, stijgen we weer te paard. We door- 
waden den Tji Lajang (\ voet water), komen 2 minuten later 
aan den Tji Oedjoeng, dien we mei een Jtaêak paraAoe {een S3sak 
op praauwen, door menschen voortgeduwd) ovei^aan, om te 
ankeren op Post Polèng. We krijgen nu, na aanvankelijk een 
paar vrij-steile tjadashellingen te zijn overgegaan , een eind wegs 
zeer redelijken en belommerden weg, waarop, door het gedurig 
kronkelen de Poelosan en de Karang, die zich verscheiden malen 
over het eindelooze bosch- en glagalüandschap henen, met de 
noorderkuststreek aan ons oog vertoonen, nu-eeus rechts, dan 
eens links van ons, dan- weer achter ons liggen. Het laatste 
gedeelte van den weg, waar hij over den Pasir-Angin loopt, is 
verschrikkelijk: Het gaat al dalende, eerst over blaauwe steen- 
klompen, later langs glibberigen, brokkeligen tjadas^ langs een 
zeker 100 voet diep ravijn naar-omlaag, naar den Tji Simet. 
B. gaat in een tandoe; allen stijgen van hun paarden ; alleen-ik, 
gesteund door mijn uitmuntend paard en bemerkende, dat ook 
de twee voorrijdende dorpshoofden niet afstijgen, blijf te-paard 
tot-aan de laatste helling , al-te steil en glibberig om zonder ge- 
vaar, (hoewel het mijns inziens kan) te-paard te blijven; een 
helling die men in eene minuut afgaat, doorwaad daarop , wederom 
te-paard, de hier breede en vrij -diepe (soms was het achterste 
gedeelte van mijn paard geheel onder water) Tji Simët, dien 
ik dwars moest doorgaan om den sterken stroom te ontwijken, 
en kom in de ruime woning van den demang van Lebak .... 
Na het diné heb ik een voorloopige ontmoeting met vier hoofden 
van de Badoewis ; den Girang poAon , den kokolot , en den Oirang 
êerai^ benevens den djaro van hun dorp Kanèkès. Het zijn 
forschgebouwde mensclien , met geheel-andere gelaatstrekken dan 
de Soendaneezen ; veel geelbleeker ook van kleur; zeer bescheiden 
maar zonder in het-minst verlegen te zijn. Op onze vragen gaf 
altijd de Girang pohon het antwoord. Hij zeide, dat ze drie 



Taik by R. , dead; hief onVrüclitbaar ? (M). 

Digitized by VjOOQ IC 



VAtt MU. D. ^OOTtDEftS. 317 

dorpen bewonen, Kanèkès, Tjibéo en Rawajau; dat in een dorp 
niet-meer dan 40 koerènan (een man met zijn vrouw , een gezin) 
mogen wouen ; dat ze besneden worden [diaoenatan) ; dat ze een 
eigen letterschrift hebben, waarmee ze op bamboe griflelen (hij 
gaf daarvan een proeve door met onverklaarbare streepjes zijn 
naam Jasma te schrijven), dat het leeren van Arabisch letter- 
schrift hoejoei (door de godsdienst verboden) is ; evenzoo het aan- 
leggen van sawahs (ze hebben enkel hoema's), het dragen van 
goloks, het planten van andere gewassen dan dangder ^ > rijst 
en pisang Na het vertrek van de Badoeï's worden we ver- 
gast op een muziekgezelschap uit Karang, bestaande uit twee 
zingende jongens, geakkompanjeerd van een tarawangsa en een 
soeling, wel melodieus en het meest Europeesch klinkende, dat 
ik noch van inlandsche muziek gehoord heb. Wandeling door 
Lëbak of liever Kësang, waar de Demangswoning ligt. Lëbak is 
aan de overzijde der rivier, (op een kleinen afstand). Lëbak 
(om hier het woord in den ruimsten zin te nemen, dat het èn 
Lëbak èn Kësang omvat), draagt zijn naam met eere, want 
het is in een diepe, kleine dalkom (men zou hem, dunkt me, 
in een half uur kunnen rondloopen), eingeklammert tnsschen 
den pasir Angin , pasir Salem (links , als men van G. Kentjana 
komt), pasir Ipis, (rechts, idem), en pasir Lamè , waar morgen 
onze weg naar Rangkas BetoeDg over leidt. Reeds bij het afdalen 
der laatste hoogte van den pasir Angin was het gezicht op die 
sterk bewoonde dalkom, bijna van alle kanten door de breede 
wateren van de Tji Simët , die zich hier als een slang heen en 
we^r kronkelt, en zelfs een paar eilandtjens vormt, en meteen 
grasrijke weide, vol grazende buffels, een verrukkelijk gezicht, 
en bij onze rondwandeling werd de eerste indruk bevestigd, 
hoewel we ons verbaasden over de massa noch onbenutten grond , 
waar men althans, dunkt me, klappers zou kunnen planten. 

Ik vergat noch-twee dingen: 1. Het kostuum der Badocï's. 
Efleu-donkerblaauw , indigokleur. De girang pohon had een 
doek van grof wit, de girang serat een van grof-geel katoen om 
't hoofd geknoopt, de beide anderen een donkerblaauwe. Enkel 
de djaro had een kris. — 2. Tk vond hier een gedrukt exemplaar 
van 's pangoeloe's Tjarüa Ibrahim , maar vernam , dat ook-hier 
buiten den demang niemand het Jav. letterschrift kent. 



» Rigg: Janipha Manihot Kassave. Digitized by vjOOQ IC 

8e Volgr. IV. Ö^ 



17 Juni. Vroeg op reis, passecren, na niim een paal steil 
klimmen en dalen, met een sa«ik de Tji Simët. Aan weerskanten een 
K. Lëwih Damar. Passeeren een reeks van vruchtbare dalen, door 
de Tji Simët bespeeld, met prachtige bufFelkudden en vrij-wat sawahs. 
Vooral de dalvlakte, waar de welvarende dessa Tjilaki in ligt, 
uitgestrekt en lachend. De Tji Simët slingert zich met een 
oneindig getal kronkelingen rechts van onzen weg voort, een 
aantal eilandtjens vormende en door zijn afgescheurde kanten 
zijn kwaadaardig karakter toonende. — Al verliezen we hem 
nn en dan een poosjen uit het oog, de uitstekende kruinen 
der kokospalmen in de verte wijzeti van zelf aan, waar hij 
langs loopt. De weg-zelf loopt meestal tusschen glagah en 
kreupelhout door, en tot de afdeeling Wait)eng Goenoeng toe 
(3 paal van de hoofdplaats) komen we maar zelden door dorpen 
(ik herinner me enkel Dago , daar-vlak-bij Wanti , en een derde , 
waarvan de naam me ontschoten is.) De weg-zelf, hoewel beter 
en gemakkelijker dan we sints Tjilangkahan er een gehad 
hebben , loopt toch tot aan de grens van het Bangkas-Betoengsche 
over zeer geakcidenteerd terrein , van tijd tot tijd uit gemeenen 
tjadas bestaande. Het aanleggen van dien breeden weg, die 
NB. toch voor geen rijtuig begaanbaar is, door de up and 
downs , moet ontzettend veel arbeid gekost hebben ; we kwamen 
o. a. door een uitgraving (water om te /s^spoeleu'/ is hier niet), 
waar men zeker vijf voet tjadas heeft moeten wegwerken. De 
namen van allerlei winterstroompjens die we overtrokken, ben 
ik gelukkig vei^ten. Aan de grens der afdeeling Waroeng 
Goenoeng, 3J paal van de hoofdplaats, wachtte ons de demang, 
een flink, aangenaam man. Allerwege op onzen verderen weg 
ontmoetten we nu teekenen van toenemende welvaart en bevolking. 
Na de Tji Simët, hier breed en diep, aan het veer met een 
èrUan te zijn overgezet, bevonden we ons onmiddelijk in de 
hoofdplaats, een lange reeks van onder het groen verscholen, wijd 
uiteengebouwde woningen , links van den weg (rechts noch tegal , 
en hier en daar uitgestrekten aanplant van oneetbare pisang.) Na 
een klein kwartier rijdens kwamen we op den keurig-onderhouden, 
frisch groenen aloen-aloen, dien we schuins opdraaiden, ten-einde 
zoo, langs den weg die van den dalem naar het, recht daar- 
tegenover liggende en van hier iichtbare fort voert, aan de 
verwelooze, maar ruime en smaakvol gemeubeleerde woning van 
B. te komen, waar we kwartier voor twaalven afstappen. 

• Digitized'byGiOOQlC* • 



VAN MK. D. KüORDKRS. * 31 & 

23 Juni. 's Morgens vergadering, ten huize van B., met 
inlandsche hoofden, ten-einde hen te konzulteeren over het 
Waroenggoenoengsche dialekt. Een demang , die een erge prate- 
v^r is, maar wiens antwoorden ongelukkig nooit slaan op de 
hem gedane vragen; de eenvoudigste dingen op dit gebied 
(anders is hij niet dom) moest men hem driemaal herhalen, cér 
hij de portee van de vraag begrijpt. Een gepensioneerd ouder- 
koUekteur, die geen mond opendoet. Een ^/panghoeloe landraad'/ 
met een energiek, maar fanatiek gezicht, die eveneens stammetje* 
speelt. Een //panghoeloe distrikt" eindelijk, wiens bewegelijke oogen 
tintelen van intelligentie, en die zich van-tijdrtot-tijd permitteert 
(Ie verkeerde opgaven van den demang te verbeteren. Het resultaat 
van de zitting is luttel, het werken met zulke menschen een 
wanhopig iets. Ik ben dankbaar, dat de aankomst van de post 
me om elf uur aanleiding geeft tot het wechsturen van de 
stoethaspels. Ik verbaas en erger me op nieuw over de minachting , 
waarmee deze Soendaneezen over huji taal en hun letterschrift 
spreken (welk laatste hier niemand, zelfs de demang niet kent). 
Van Soendaneesche tembangs geen spoor te ontdekken. De 
Tjarila Ibrahim van den Garoetschen-hoofdpangoeloe (om dit 
feit hier pro memorie te noteren) vond ik te Lebak in handen 
van den djoeroe-toelis en de djaro's, maar toen ik vroeg of 
er iemand was die hem lezen kon , waa h^t antwoord : //niemand, 
dan de afwezige demang.^/ De Muzelman;9che vroomheid hier 
overigens, evenals overal waar ik tot-nu-toe kwam in het 
Bantamsche, zeer groot. Het wemelt van hadji's, van kleine 
bidplaatsen in de kampoengs en de mesigit (die men in elke 
kalodiaran, wij zouden zeggen: in elke gemeente, aantreft) 
wordt druk bezocht. Bonggèngs, die pest voor de bevolking, 
worden hier niet geduld; enkel om de noord, in het Sèrangsche, 
heeft Javaansche invloed ze gebracht. 

het fortjen, dat, hoewel vóór vijfjaar nieuw opgebouwd, 

in beginsel een antikwiteit is. Andere tijden , andei'e zeden,. Wat 
misschien noodig was, toen de kommunikatiemiddelen zooveel- 
gebrekkiger waren , en het Europeesch gezach zich in deze streken 
oneindig-minder rechtstreeks gelden deed , zoowel ter handhaving 
van de rust, als ten voordeele van de door hare hoofden 
geknevelde bevolking, schijnt me nu tamelijk overbodig. Maar 
het gaat Bantam (de éénige residentie op Java, waar men op 
de hoofdplaats van elke afdeeling zoo'n fortjen vindt), gelijk 
het spreekwoord zegt: "Wee den wolf, die in een kwaad geruclöole 



3^0 *1ÈT9 ÜIT Ót KALATlïVSfiHAt» 

staat.*' Ten overvloede is het fortjen door geen gracht, maar 
enkel door een aanplant van aloé (waaromtrent geregeld gerap- 
porteerd en geïnspecteerd wordt!) gedekt, zijn de blindeeriugen 
der ramen door hun zwaarte bij na-niet tilbaar; en is geen enkel 
stuk geschut in het fort aanwezig. De bouw kost / 100,000. 
Maar voor waterleidingen , ten-einde de bevolking nieuwe sawahs 
zou kunnen aanleggen, heeft de Regeering Lëbak noch nooit 
één cent te goed- gedaan , in weerwil zij er jaarlijks aan landrente 
/ 80,000 uittrekt, en die uitgaaf spoedig een zeer produktieve 
zou blijken te zijn. 

24 Junij.... 'k Vind op B's kantoor een stapel Soendaneesche 
boeken, waaromtrent B. me meedeelt dat ze hier onverkoopbaar 
zijn. Datzelfde had ook de heer H. me reeds meegedeeld, met 
bijvoeging dat er in het zoutpakhuis stapels lagen. 

27 Juni. Om half zeven ga ik met mijn gewoon eergeleide 
op weg. De weg is, tot een eind vóór post Gentèng, mooi, 
vlak en effen , zoodat we bijna altijd in gestrekten draf rijden , 
maar leidt door een waterlooze en bijna onbevolkte streek , waar 
niets groeit dan wat houtige struiken , kreupelhout en een enkel 
groepjen opgaande boomen hier-en-daar. We komen hier niets 
voorbij dan (IJ paal van Rangkas Bitoeng) den Tji Djoro paèh 
(dien we per brug overgaan) ; den kampong Tji Dadap , een 
eindtjen ter zijde van den weg; de Gardoe Tji Kapas (3 paal) 
en de Gardoe Tjampaka (6 paal). Even als tusscheu Tjilang- 
kahan en Rangkas Bitoeng, ook hier-weêr op last van den 
Rezident, aanplant van vruchtboomen langs den weg, die totaal 
mislukt is , omdat na het planten er niemand meer naar omgezien 
heeft. Dicht bij post Gentèng, misschien 1| paal er van daan, 
zien we , op een verheffing van den weg , eensklaps een prachtig 
panorama zich voor onze oogen ontrollen. Ver-links, bijna op 
zijde van ons, de Goenoeng Doelang; eveneens links van ons, 
maar een eind rechts van den Doelang, de G. Djasinga; vlak 
vóór ons uit de G. Endoed met zijne twee toppen en de G. 
Boetak; vèr rechts de, schijnbaar althans, lage heuvelenrijen, 
waar tusschen Lëbak besloten ligt. Lachend en vriendelijk is 
het gezicht van de kampoeng Gentèng, rechts vóór ons uit, 
in een vallei liggende, aan den Tji Bèrang, omringd door 
groene heuvels. Nadat we deze wech verheffing zijn afgedaald, 
wordt de weg, hier over den G. Gentèng loehoer loopende, 
ongelijk en moeijelijk; heele einden bestaan uit tjadas, de up 
ftnd downs zijn vele en steil: en zoo blijft het, tot we na den 



VAN MB. D. KOORDËRS. 321 

Tji Bilioek, een riviertjen dat in den Tji Bèraug uitwatert, te 
zijn overgegaan, den post Gentèng bereiken, die een half uur 
van den kampoeng Gentèng verwijderd ligt. 

De we^ blijft van hier tot Sadjera toe onophoudelijk over 
een, nu meer dan minder, golvend terrein loopen, maar de 
landbtreek wordt vriendelijker en volkrijker. Even-nadat we van 
den post vertrokken zijn, passeeren we den links van ons, een 
paar minuten van den weg liggenden, kampoeng Tji Loewak, 
behoorende tot het distrikt Sepang; er woont een mantri tjaijar, > 
Na een groote paal te hebbeu afgelegd, dalen we ongemerkt- 
glooijend af naar de breede , maar wederom ondiepe Tji Bèrang , 
wier wateren ons verkwikkend tegenruischen , terwijl aan de 
overzijde , een weinich rechts van het punt waar we ons bevinden , 
de huizen en klapperboomen van den kampoeng Bolang het 
landschap alleraangenaamst stofieeren. Met een kleine kromming 
van den weg links-om, komen we, na vijf minuten langs de 
rivier te zijn voortgereden , aan het punt waar we haar met een 
èrUan (een vlot, dat met een touw wordt overgetrokken) over- 
steken moeten. Vlak- bij dat punt kronkelt zich , links langs den 
weg, de smalle, bijna- waterlooze, maar onder het hoog geboomte, 
waarmee de pasir Djanggot begroeid is , schilderachtig verscholen 
Tji Djanggot. Aan den overkant van de Tji Bèrang wordt het 
landschap steeds waterrijker en bevolkter. Vlak-bij deii stroom 
noch," passeeren we, links van ons, den kampoeng Soesoekan; 
gaan daarop de kleine Tji Djadjawaj over ; en komen vervolgens 
den , door den Tji Mèntèng in twee deelen gescheiden , grooten 
en welvareuden kampoeng Karian door , van-waar-uit het gezellig 
geluid van het rijststampen ons tegenklinkt. %\ paal van Sadjera 
gekomen, gaan we de kleine, vlak bij elka&r liggende, Tji 
Tjahoer en Bajoe-poetih over. Op IJ paal van Sadjera leidt 
onze weg ons door prachtige sawahs, toebehoorende aan de 
kampoeng's Bondol (links van ons, aan den zoom van die 
sawahs tusschen zijn klapperboomen zichtbaar) en Somang. We 
passeeren de gardoe Tjarèktjèk; dalen, even voorbij diegardoe, 
naar de Tji Lèwoh af; en komen, na het stroompjen te 
zijn overgegaan, op nieuw langs prachtige sawahs, behoo- 
rende bij den kampoeng Sawah (dien we welhaast, in het 
voorbijgaan, links van ons, aan den zoom van den weg, zien 
liggen.) 



Vacdnateoi'. (M.) oigitized by vjOOQ IC 



322 IETS UIT DE NAI^ATENtSCHAV 

Doch revenous & nos moatons , of liever : laat ons den 

tocht üaar Sadjera voortzetten. We hebben niets meer te dowi 
dan de Tji Bitoeng over- te-gaan, en een weinich rijzende, bevinden 
we ons eeusklaps biün«n de kadeinaugan (distrikfcshoofdplaat»), eeue 
kleine , landelijke plaats , aan den westkant van de Tji Bèrang. 

30 Juni. Nieuwe konferentie met de inlandsche hoofden, 
van achten tot elven. Tk begin, met groot succes voor hcfc 
doel mijner reis, hun de Woelang Poeira voor-te-lezeu , en 
daaraan allerlei vragen vast-te-kuoopen , ze luisteren als vinken. 
Om elf uur moet ik uitscheiden, daar het kiezersvolk van 
onderscheidene dor|)en reeds-lang zit te wachten , om (behoudens 
goedkeuring van den kontroleur) in onze pandopo zich nieuwe 
djaro's of dorpshoofden te kiezen. Het is een kurieus iets, zoo'n 
verkiezing. De aftredende djaro zit voor het kiezersvolk, eu 
op de éërste rij van dit laatste zit, door zijne nettere kleeding 
ouderscheiden , degene die de kandidaat van het kiezersvolk 
is. De demang speelt voor tolk , staat uit naam van den kontroleur 
het verzoek van den ouden djaro om ontslach toe , en noodigl 
de heeren kiezers , //jongen en ouden//, uit om zelfstandig en 
ieder naar eigen, vrije overtuiging een nieuw hoofd te kiezen. 
Daarop neemt een van die heeren, gewoonlijk de buurman van 
den kandidaat, het woord, om (vingerwijzend op het individu) 
diens naam te noemen. Vraag van den demang, of iemand een an- 
dere kandidaat heeft. Algemeen, en onveranderlijk-een pari g ge- 
mompel van: //Met uw verlof, geen ander.// {soemoeAaen, ie aja 
dêt) , onder even-eenparig brengen van de saamgevouwen handen 
naar het voorhoofd. Soms moet nu de kandidaat op een apart 
plekjen, meer vooruit of op zijde, gaan zitten (soms laat mfeu 
die formaliteit na), en worden de heeren, die zijn kandidatuur 
ondersteunen, uit^noodigd om queue achter hem te vormen. 
Algemeene ovetlooperij natuurlijk; het kiezersvolk is hier een 
even zelfstandig ras als in Nederland. Daarop poklamatie van 
den nieuw verkozene , door intermediair wederom van den demang. 
Vervolgens een stereotype (men zou zeggen ernstig-gemeende, 
als we niet wisten dat bij voorkeur de Pecksniffs met een 
ernstig gezicht hun infame leugens zeggen) aanmaning aan de 
kiezers om de bevelen van den nieuwen chef gehoorzaam op te 
volgen, en aan deze laatste, om bij de uitoefening van «ijn 
gezach recht en billijkheid tegenover zijn ouderhoorigen stipt 
te betrachten. En nu hiermee is de vertooning afgeloopeti. ïs 
het een doode vorm, geheel zonder wezen? Ik weet 'het Aiet. 

Digitized by VjOOQ IC 



VAN MB. J). KOOBDE&S. 323 

^8 Middags van vieren tot zessen zette ik mijn lektuur van 
de Woelang Poeira met de hoofden voort. . 

1 Juli. 's Ochtends van achten tot twaalven voortzetting der 
lezing met de hoofden vao de Woelang Poeira. 's Middags 
van vieren tot zessen op nieuw. Daarna een wandeling door 
de, alle blijken van welvaart dragende kampoeng (die volgens 
opgaaf van den demaug 115 heereudienst-plichtigen , Orany 
Koewai^ 900 zielen, telt.).... 

a Julij. 's Ochtends breng ik van zevenen tot twaalven 
wederom met de inlandsche hoofden door, en voleindig met hen de 
lezing van de Woelang Poetra Om half drie gaan we geza- 
menlijk naar de rivier (de Tji Bèrang) om naar een bizondere manier 
van visch vangen te kijken. In het midden van de rivier liggen, tot 
een lijn aaneengebonden , drie praauwtjens , waarboven vischnetten 
ter hoogte van drie voet uitsteken. Yan de beide uiteinden der 
praauweurij naar de beide oevers loopen schakels , die het voorbij- 
zwemmen van de visschen beletten. Nu wordt de visch door 
meuschen, die op zekeren a&tand de rivier ingaan, en zich 
langsaam in de richting der praauwen voortbewegen , met groote 
steenen opgejaagd; aan de praauwenrij gekomen, en niet verder 
voortkunnende , springt hij in zijn doodsangst boven het water 
uit , stuit tegen de uitstekende netten , en valt in de praauwen. 
Gelijktijdig zijn sommige van de opjagers bezig , om vlak-nabij de 
praauwen naar den visch te duiken, ten einde dien met de 
hand te grijpen. Ter onzer eer leenden zich , zooals ik naderhand 
hoorde (aan de nakende lichamen, zooals de demang terecht 
opmerkte, was het niet te zien) voor dat opjagen en duiken 
ditmaal bij-uitsluiting hoofden. 

3 Juli. Om half-zeven op de gewone wijs van Sadjera naar 
Lëbak. Het landschap en de weg verschillen weinich-of-niet van 
hetgeen ik tot heden zag. Het terrein heuvelachtig, vol upand 
downs; bij na-uitsluitend begroeid met galagah en laag kreupel- 
hout; weinich-bevolkt ; en bezaaid met lichtgeelen toadoë^ ' die 
aan den (weer zeer dom aangelegden) weg gedurig een zeer 
unlieimisches aanzien en in den regentijd, dunkt me, een aller- 
onpleizierig karakter geeft. Na bijna-drie paal gereden te hebben , 
gingen we de Tji Latoek over, die in de Tji Laki uitwatert; 
passeerden, een paal verder, den zijweg (rechts Vjan ons), die 



1 Ml. 



<;«<^' Digitized by GoOglC 



324! IBTS UIT D8 NAIJLTEXSCHAP 

naar den kampoeng Maraja leidt; giugen vervolgeus de, vlak 
bij elkaAr liggende, Tji Tjangkohkor en Tji Malèger over, 
beide zeer klein; passeerden sawah iculah^ ^ aan de bevolking 
van Maraja behooreude; gingen, na ongeveer 4J paal gereden 
te hebben, de Tji Tjangkor over; passeerden, even verder, den 
K Tjoemenggèr (rechts van ons), en kwamen welhaast (na, 
meen ik , noch een K. Tji Bërih met mooije satoak tculah te 
zijn voorbijgereden) aan den eersten post, Tji Laki geheeten, 
en 5 paal van Sadjera liggende. Vlak- voorbij dien post wacliUe 
ons het overgaan van de smalle Tji Waroe, het passeeren vau 
den K. Tji Laki, en de doorwading van den, vrij- waterrijken 
en redelijk-breeden Tji Laki, de grensscheiding van de afdeelingeu 
Sadjera en Lëbak. Even-voorbij paal 50 (van Sërang wel-te- 
verstaan) gingen we de kleine Tji Djamboek over, passeerden 
den gardoe en pasar van Tji Minjak (de kampoeng zelf van 
dien naam was op een kleinen afstand , links van ons in liet 
verscliiet zichtbaar) en doorwaadden, eerst den lang-niet-oube- 
duidenden Tji Minjak, onmiddelijk daarna den kleinen Tji 
Nambo, waarna ons pad een eind aan weerskanten omzoomd 
werd door sawah Iculdh, De demang van Sadjera en zijn gevolg 
had ons tot aan de grens van zijn afdeeling uitgeleide gedaan, 
hoewel die van Lëbak ons reeds onder den post Tji Laki, 
dus op Sadjeraasch terrein, had opgewacht, ten-einde niet in de 
barre zon te moeten wachten. Al voortrijdende, passeerden we, 
even- voor paal 51, K. Moentjang (rechts van ons) en kwamen 
welhaast in een uitgestrekt en lommerrijk bosch met prachtig 
opgaand geboomte, waaruit nu-eu-dan het liefelijk gefluit van 
een zangvogel ons tegeuklonk. liet is naauwelijks te gelooven, 
hoe'n weldadigen , verkwikkeuden en verfrisschenden indruk zoo n 
Urwald, met zijn aangename koelte, zijn tooverachtige licht- 
eflecten, zijn krachtige vegetatie, zijn zachtsuizend gebladerte, 
op het, door de woestheid en naaktheid van het eenvormige 
landschap neergedrukt, gemoed van den reiziger maakt. Jammer 
maar, dat ons genot niet-langer • dan hoogstens een paal duurde. 
Na de gardoe Lewëng podol gepasseerd te zijn, mochten we 
op nieuw tusschen eindelooze galagah doorrijden , hetgeen voort- 
duurde tot-aan den tweeden post, Hantap geheeten, toe. We 



1 Sawah tadoA, Jav. CflSYlOf inn (Kin \ iadaAa*!\ zijn die Sawahs, 
welke huil water alleen vau den regen , niet uit een stroom , ontvangen. (M.) 



VAN MR. D. KOOBDEILS. 823 

haddeu nu 10 paal, twee derde van het traject afgelegd. Het 
derde en laatste gedeelte van den tocht liep door een totaal 
onbevolkte streek. We passeerden enkel de gardoe Hantap (een 
heel eind verder dan de post van dien naam), de gardoe Tji 
Lësoeng, gingen, even vóór paal 58, den kleinen Tji Dëngdöng 
en den noch-kleineren Tji Tawa over, en kwamen spoedig daarop 
in de ruime, koele pasanggrahan te Lëbak of liever te Kësang 
(Lëbak ligt aan de overzijde van den Tji Simët; de woning 
van den demang en de pasanggrahan zijn te Kësang) , waar 
de gastvrijheid en goede smaak van den demang ons een 
uitmuntende ontfangst bereid had. 

4 Juli. Den heelen ochtend, van zevenen tot twaalven besteed 
ik met mijn schrijver en eenige inlanders, aan het nagaan en 
noteeren van de hier gebruikelijke benamingen voor de verschil- 
lende ouderdeelen van een inlandsche woning, 's Avonds na den 
eten komen de demang en al de inlandsche hoofden uit deze 
afdeeling, met wie ik, bij gebrek van iets beters (mijn Soen- 
daneesche volksboeken waren bij vergissing te Rangkas Bitoeng 
achtergebleven) het eerste gedeelte van den vuilen Si MUkin lees. 

5 Juli. Aanvang van den tocht naar de Badoeï's. We gaan de 
Tji Simët over, in wier bedding, ten onze behoeve, tot aan 
het punt, waar eenige meerdere diepte begint, een geregeld 
voetpad van keijen is aangelegd, opdat we onze voeten niet 
zouden nat-te-maken hebben. Aan den overkant van de rivier 
gekomen , zie ik bevestigd , wat ik reeds van- verre gemeend had 
op-te-merken, dat de bijna loodrechte af helling van den weg 
naar de rivier, die het zelfs mij, toen we indertijd van Goenoeng 
Kentjana naar Lëbak kwamen, onmogelijk maakte, om op mijn 
paard te blijven zitten, nu uitgekapt (het terrein bestaat uit 
weekeTi Ijadas) en glooijend gemaakt is. We verbazen ons wel , 
dat niet veel liever een zigzag is aangelegd , hetgeen een oneindig- ' 
radikaler verbetering zou geweest zijn; maar zijn al blijde, dat 
we onmiddelijk te paard kunnen stijgen, en vervolgen langs 
dit allerfataalste tjadaspad, steeds klimmende en dalende, hotsende 
en glidserend, twee palen ver, tot aan de gardoe Tji Boengoer 
onzen weg. Daar gekomen, verlaten we den grooten weg van 
Lëbak over Goenoeng Kentjana naar Tjilangkahan, en slaan 
een links, dus oostelijk, liggend voetpad in, dat naar Bodjong 
Mèntèng leidt. We doorwaden tweemaal de smalle Tji Manoek; 
ëene maal op een punt, waar ze, vlak-bij ons, aan onze 
rechterhand, een klein, maar liefelijk, aangenaam-ruischend.C 



326 IETS Ulï DE NALATENSCHAP 

watervalletjen volgt. We passeeren de, rechts van ous, vlak 
aan den weg liggende, maar door de hooge alang-alang onzicht- 
bare, grot Karang pangautèu, volgeus de legende zoo-genoeind 
naar een jong getrouwd paar , waarvan de man bij eene afdaling 
in deze grot om naar vogelnesteu te zoeken zijn dood gevonden , 
en de vrouw toen uit verdriet zijn treurig voorbeeld opzettelijk 
nagevolgd zou hebben. Geen wonder , dat nooit een inlander noch 
den moed gehad heeft (gelijk de demang er bij vertelde), om 
zich in de diepte nêer-te-laten. We doorwaden den smallen TJi 
Dangdër, nadat we vooraf het voetpad, dat naar Bodjoug 
Mèntèng leidt, verlaten, en op nieuw een, rechts, dus ongeveer- 
zuidelijk , liggend zijpad zijn ingeslagen ; doorrijden een prachtig , 
boschrijk, met een dikke laag plantaarde bedekt, en (zoo er 
maar menschen woonden) voor de koffikultuur onbetwistbaar 
uitstekend-geschikt^ landschap, waar een groep graven, scbiL 
derachtig onder hoog geboomte half-verborgen, het vroegere 
aanwezen van een dessa noch verraadt; en komen nu zoo aam 
de Tji Boeniang, de grensscheiding van de afdeelingen Lebak 
en Paroeng Koedjang, dien we doorwaden , ten-einde over Paroeng- 
Koedjangsch grondgebied een eindweegs onze reis te vervolgen- 
Met steile dalingen, maar altijd over zwarten humusgrond, 
bereiken we welhaast de kleine, maar lachende, hoogvlakte van 
Parakan Bësi, op welks prachtige rijstvelden en ruime, nette 
woningen, die beide sprekende bewijzen der nabijheid wederom 
van menschen, we reeds onder het dalen geheel-onverwacht, 
en daardoor met dubbel genot ons oog mochten laten rusten. 
Parakan Bësi, dat geheel-afgezonderd ligt (want de gewone 
weg naar de woonplaatsen der Badoeï's loopt over Bodjong 
Mèntèng), is een groot, welvarend dorp. Met uitzondering van 
den rezident Buyn, was er noch-nooit een Europeaan geweest. 
Voor een landschapschilder zou, dunkt me, een bezoek van dit 
liefelijke plekjen goud waard zijn. Aan de boording van den 
zacht kabbelenden , waterrijken , Tji Oedjoeug komt het , met zyn 
fraaije rijstvelden en wuivende kokospalmen en levendig gejoel 
van menschen en huisdieren , tegen de beklemmende eenzaamheid 
der wouden, die de omringende bergruggen bedekken, zoo 
ongeloofelijk-vreedsaam en bevredigend uit. Althans dit was de 
indruk dien wij ontfingen. We waagden ons niet aan het overgaan 
van het smalle bamboezen brugjen, dat, hoog boven de rivier 
uit, blijkbaar ten dienste der bewoners, over het water gespannen, 
en met zijn beide uiteinden (zeer praktiesch!) op twee, over 



VAN MR. D. KOOBDERS. 327 

den ötroom horizontaal zich welvende, waroeboomen bevestigd 
is; we maakten gebruik van het, blijkens zijn groene kleur 
nieuwe, voor de hooge gasten opzettelijk- vervaardigde, bamboe- 
vlot, dat gereed lag om ons den Tji Oedjong over, en in 

Parakan Bösi te brengen 

De weg liep voortdurend door een prachtige bosch-strcek , 
berg-op berg- af. Eenmaal zagen we, rechts van ons, aan den 
onmiddelijken zoom van ons pad, een steil en diep ravijn, 
waardoor meneer de Bordes stellig, zoodra hij het maar zag, eeii 
spoorweg zou aanleggen , want het was geen //woeste wildernis^', 
maar met gras en geboomte weelderig-begroeid. Een-andermaal 
kwamen we op een punt, waar zich (links) een trotsch berggezicht 
voor ons opende , doordien we heuvel aan heuvel en bergtop aan 
bergtoj) met schcrp-uitkomende grenslijnen of omtrekken zich aan 
elkaar zagen schakelen, in de grilligste vormen, tot in een 
eindeloos-vèr verschiet. Na lange en sterke dalingen, langs het, 
door gevallen regen slibberig kleipad , en het doorwaden van de 
kleine Tji Sèkè , kwamen we aan het kleine plateau van Tji Awi , 
waar een deputatie van de Badoéï's ons wachtte. Het waren de 
door het Goevernement aangestelde Djaro, een echte Badoeï, 
Tarpi geheeten en wonende te Tjibéo, benevens diens eigen gekozen 
plaatsvervanger , den kokolot Tajoen , een van de uitgestootenen, 
wonende te Tji Barani, een ampihcm of onderhoorigheid van 
Tji Samodor. De ongemeen-kloeke, breed- en forschgebouwde 
gestalte der beide mannen, hun blanke huid, hun edel, fraai- 
besneden gelaatstype , hun open , rustig oog frappeerde ons-beiden 
zeer. De djaro, een oud man met sneeuwwitte haren stak ons 
dadelijk trouwhartig, maar zonder de minste aanmatiging, zijn 
groote hand toe. In een opgeslagen loodsje dronk ik een klapper, 
terwijl B. eenige inwoners van den naburigen kampoeng Kebon 
tjaoe in het verhoor nam over de onwettige handhaving van een 
afgezet dorpshoofd door den demang van Paroeng-koedjang. We 
moesten uu , na een rid van 20 paal , afscheid nemen van onze 
paarden; want zoodra we den kampoeng Tji Awi verlaten en 
het tamelijk breede en waterrijke riviertjen van dien naam 
doorwaad zouden hebben , zouden we ons bevindeA op het grond- 
gebied der Badod's, en daar worden door de godsdienstige over- 
levering, in treflende overeenstemming met de terreingesteldheid, 
geen paarden geduld. Weldra stelde de optocht zich in beweging. 
Ik zeg: de optocht, want de tegenwoordigheid van al de djaro's 
of dorpshoofden (door den demang, minder voor hun pleizier^ 



328 IETS UIT DB XAT.ATENSCHAP 

dan te zijner-eigener eere meegenomen, geloof ik) en de sleep 
koeli's die onvermijdelijk-noodig was om bultzakken en duizend 
andere dingen te kunnen overbrengen, maakte van zelf ons 
gezelschap tot een zeer lange trein. Aan de overzijde van de 
Tji Awi kwamen we tegelijk weer van Paroeng-koedjangsch op 
Lebaksch grondgebied. Ik had mijn kousen en schoenen uitge- 
trokken, en me met een stok gewapend; daardoor viel het 
loopen over het voortdurend-rijzend terrein, en het doorwaden, 
eerst van de Tji Awi, daarna van de Tji Barani, vervolgens 
(driemaal) van de zich in allerlei bochten heêu-en-weêr kronke- 
lende Tji Bogoh, en eindelijk van de breede, kristalheldere Tji 
Oedjoeng, me zeer gemakkelijk. Het smalle pad was op vele 
plaatsen uiterst-steil en niterst-glibberig; maar we hadden bijna 
voortdurend schaduw hetzij van hooge galagah of hoog geboomte, 
en daarbij, door de hooge bergstreek waar we ons bevonden, 
een koele, verkwikkelijke temperatuur. Dit hielp. Daarbij de 
wandeling duurde niet lang. Na hoogstens-drie paal te hebben 
afgelegd, waren we aan den Tji Oedjoeng, en dezen doorwaad 
hebbende, in den op een heuvelrug aan diens oever liggende K. 
Tji Samodor, het doelwit onzer reize. 

Bij de beschrijving van dezen karapoeng vallen sommige din- 
gen op te-merken, die tegelijk van de beide andere kam}K)eug8 
der Badoef s, Kartawana en Tjibéo gelden. Zoo zijn de huizen 
allen even-groot en moeten dat zijn. Ze zijn gedekt met //ao^» 
kiraj ^ * een zeer stevige dakdekking die het minstens-drie 
jaar uithoudt (zeven jaar na den aanplant kan men de bladen 
voor-het-eerst oogsten; op vruchten moet men poeloehan^ 
welasauy * ja soms tot 20 jaar, wachten; de vruchten anoe 
b^énér^ diala tjangkokna^ ' en worden eveneens behandeld als 
kitri djambé\ * de tjangkok ^ en de boom beiden worden bij 
voorkeur in ranljas , d. w. z. in drassigen grond geplant); alle 
endere dakbedekking is boejoet, d. w. z. door de godsdien- 
stige overlevering verboden, atap van alang-alarig ^ atap van 
sèèly • ja zelfs (behalve voor dekking van den nok) atap van 
iujoek , den hier in-het-wild-groeijenden arènpalm. Het huis van 

* Bladen van de MgopeUm (M.) 

' Tien of elf en daarboven. (M.) 

* Die goed zijn , daar worden de poters van genomen. (M.) 

* Pinangboomen? 

» Afleggers of poters. Zie Rigg. 

* Een soort rotan. oigitizedby vjOOQ Ic 



VA^ MK. D. KoönbEiis. sas 

den girang poeöen (het, voor zijn leven uit een bepaalde 
familie door de dorpelingen gekozen plaatselijk hoofd, tenzij 
zija vrouw sterft, als wanneer liij onmiddel ijk voor een ander 
moet plaats maken, omdat hij niet voor de tweede maal trouwen 
mag, en een ongetrouwd man geen girang poeöen mag zijn) staat 
aan het zuidelijk uiteinde van den kampoeng, met de deur- 
opening naar het noorden gekeerd. Daar- tegenover , met zijn 
front naar dat van 's giraug-poeöen's woning, dus naar 
het zuiden, gekeerd, staat de zoogenaamde halè, een gebouw, 
bestemd om hun oogstfeest , de kawaloe (waarover later) , in te 
vieren en gasten in te ontfangen (waar B. en ik dan-ook , zoo 
wel te Tji Samodor als te Tjibèo, met onze jongens werden 
ingekwartierd). De overige woningen (waarvan er te Tji Samodor 
enkelen ook-uoch benoorden de balè stonden) zijn allen volgens 
een zelfde model, op houten stijlen hoog boven den grond, en 
dicht aan elka&r gebouwd , zonder iets er tusschen in wat naar 
een boom of plant zou kunnen zweemen. Men vindt bij de wonin- 
gen geen lisoengs of rijstblokken , er is één gemeenschappelijke, 
met aiap kiraj gedekte, loods, staande benoorden de balè, 
voor dat doel afgezonderd, waar al de vrouwen gezamenlijk in 
ëén prachtig-mooije , zeker meer dan 12 voet lange, lisoeng de 
rijst stampen. Het front van de woningen is onveranderlijk hi 
naar het noorden of naar het zuiden gekeerd. De rijstschuren 
of têïCi staan niet in de onmiddelijke nabijheid van de verschil- 
lende huizen, maar een eindtjeu buiten de kom van het dorp, 
in de buurt van de lisoengloods , op een hoopjen bij elkaèr. 
Ze zijn, even als de huizen-zelf, met veel zorg bewerkt, en op 
houten stijlen, ettelijke voeten boven den grond uitgebouwd, 
aan wier bovenste gedeelte , een klein eindjeu beneden den vloer 
van de rijstschuur-zelf, noch een vrij-grooté, ovaalronde, plank 
horizontaal is aangebracht, om de muizen af-te-weeren. Jaarlijks 
éénmaal (wanneer de padi in de schuur geborgen is) wordt in 
een kleinen klapperdop, die onder de schuur is opgehangen, 
en die wij er ook noch vonden, een mengsel van menjan , garoe 
en djamaka ' gebrand , en steekt men tusschen latwerk , tegen 
de zijwanden der schuren van-buiten bevestigd , drie soorten van 
kemhang kadaka ^ , namelijk kakadelan , terïp en ilat , die 
men soegoemping l^U (d. w. z. verbergsel van de rijstschuur) 

< Benzoë» aloêhout; en *t laatste zal waarschgnlyk djamhaka zijn, vol 
geus Rigg, een plant wier wortols als wierook worden gebmnd. ^^ , 

« KadakaAAoüxXï, DigitizedbyCjOOglC 



330 IETS int DK KAtATKNsCflAP 

noemt, en die eveneens bij onze komst op de meeste plaatsen, 
hoewel in verdroogden staat, aanwezig waren. 

Doch voor ik met deze soort opmerkingen van algemeeneu 
aard verder ga^ een enkel woord over onze ontfangst en ons 
verblijf te Tji Samodor. 

We vonden een zeer eigenaardig onthaal gereed staan, be- 
staande uit gekookte taSêsy ' in de asch gebakken pisang die 
een raadselachtig-groene kleur had , en een bamboezen kokertjen 
voor ieder van ons-beiden met pêém^ ook- wel voajae of toeivai 
geheeten, en van den la hang of eigenlijken toewak ondec^ 
scheiden, doordien er een boemboe, zekere boomschors , in wordt 
afgetrokken. Een eigenaardige bizonderheid met betrekking tot 
die jXém is, dat dagelijks om twaalf uur al de mannen, oud 
en jong, bijeenkomen, om in een bamboezen koker of lodong, 
batjok geheeten , die pêém onder zich te laten rondgaan , en hun 
zoogenaamd papaïran te vieren. Na afloop van ons diué weid 
ons als thee een kopjen aftreksel van daoen Kras toelang^eeii 
soort boschblaeren , gepresenteerd, een hondenkostjen , waarbij 
het aftreksel van dao^n Manglèt^ dat me een c^aro onderwech 
tusschen Tjilangkahan en Lebak te drinken gaf, noch godendrank 
is te noemen , maar dat ik naar ^s Lands wijs , zouder een 
gezicht te vertrekken, opdronk. Saïdan had, o jammer I mijn 
onsterfelijke pantoffels te Lebak gelaten, zoodat ik genoodzaakt 
was, den heelen avond in het kleine tentjen, dat men vóór ons 
nachtverblijf ten onze behoeve had opgeslagen, en dat juist 
groot-genoech was om de tafel en de twee stoelen te kunnen 
bevatten, die de demang voor ons had meegesleept, metbloote 
voeten te zitten. Het was in deze hooge bergstreek na zonson- 
dergang vervaarlijk-koud. De vooravond ging voorbij, onder 
vragen in het Soendaneesch gedeeltelijk door mij, gedeeltelijk 
door den demang, naar allerlei zaken. We hoorden allerlei, 
oud en nieuw. De kampoeng Tji Samodor, zeide men ons, 
was zes jaren geleden aangelegd, toen de vroegere bevolking 
van den, op Melvill's kaart van Bantam voorkomenden, maar 
nu lang-verlaten K. Jlawajan, die eerst naar het nu eveneens 
verlaten Tji Kësik verhuisd was, zich metterwoon hier gevestigd 
had. De kampoeng telt 15 huizen en hoeren of gezinnen; de 
imah-randa, d. w. z. de gezinnen van weduwen, worden niet 
meegeteld. Van muziekinstrumenten zijn de tjaloeng en 



1 Een bekende aardvrucht op J&va. (M.; 

Digitized by VjOOQ IC 



Van u%. t>. KoonnBUs. 331 

aoeling ^ boejoet; daarontegen de an^kloeng (die ik dan-ook 
later, te Tjibeo, in de balè waar we sliepen, boven mijn 
hoofdeinde op een balk zag liggen) zeer-geliefd ; de tarawangèa^ 
o&clioon in den kampoeug niet aanwezig , niet verboden , 
en de kaijapè dagelijks bespeeld. Wat de kleeding betreft, 
het dragen van tjelanas en aapoeiaugau' s is boejoet; de 
samping of saroeng's en de badjo^a moeten eigen maaksel 
uit den kampoeng zijn, de hoofddoek mag ook-gekocht, maar 
moet blaaaw, wit of zwart zijn; de mannen dragen saroeng's 
van polèng-aroê (donkerblaauw met een witte streep) , de vrouwen 
daarnevens ook eflen-blaanwzwarte saroeng's; het badjoe moet 
wit of zwart of ook blaauwzwart zijn Lezen en schrijven 
is onbekend en boejoet, zooals trouwens zelfs daloetoang (een 
soort inlandsch papier) is. Het sirihpruimen is niet boejoet, maar 
wel de tabak en het rooken , zoodat dan ook de sirihpruim van 
den Badoeï enkel uit sirih, gambir, pinang en kapoen (zonder 
bijraenging van tabak) bestaat. Het is boejoet den vuurhaard, 
waarop men de rijst kookt, buitenshuis te maken, men moet 
de rijst in huis koken. De kinderen mogen niet worden ingeënt 
{düotol , gelijk ze ons dikoeriê noemen) alleen voor de kinderen 
van de uitgestooteneB is de inenting niet boejoet. Daarentegen 
worden de kinderen wel besneden [disoenaiaai) door eigen 
hèngkofiê of «'bonsnyder V' , waarvan er «fen hier op Tji Samodor, 
éen te Kartawana en éen op Tjibèo is. Houten kammen zijn 
niet, hoornen, wèl boejoet; evenzoo bedog'ê wel en gobang^è 
(wat elders golok t^engkoel genoemd wordt) niet, — eijereu, 
tales, pisang, visch, kippen en gevogelte, vleesch van sapi 
bantèng (wilde koeijen) en buUels en kidang's (mientjek's) 
geoorloofd, daarentegen vleesch van herten, geiten, 8cha|)en en 
ossen , kassave (hier dangdér genoemd) , en ook (in weerwil van al 
wat de Mohammedanen ze^en) apenvleesch ongeoorloofd voedsel. 
Oor- en vingerringen {tpngijlng en soeweng) zijn niet boejoet, 
hetgeen ik dan ook bevestigd vond door het feit , dat bijna-alle 
vrouwen en kinderen zich de luxe permitteeren van houten 
cylindertjens , iets dikker dan een dik potlood, in de ooren te 
dragen. Het aanleggen van sawak'g of natte rijstvelden, eu 
evenzeer van tipar's (zoogenaamde drooge rijstvelden; maar 



1 Rigg: tjaloeng a musical instrument beinghalf a dozen slips of bambu 
fastened to a string, like the steps of a ladder and, when hungup tapped 
with a bat of wood; solang is fluit. (Verg. over deze muziekinstrumenten 
DOg de Hollander, Land- en Volkenkunde van Ned. Indie. I p. 382.) OQ Ic 



332 Iets üit du NAi^AüÉNscitA^ 

die geploegd of omgespit worden), is streng verboden, 
in weerwil het terrein volgens de verzekering van den demang 
zich op vele plaatsen voor het aanleggen van sawah's zoo-nitmuutend 
leenen zou; de rijst mag niet anders worden geteeld dan op 
hoema's , d. w. z. bosch- of glagahgrond die eenvoudig afgebrand 
wordt. Goudgeld is boejoet, evenals het nieuwe kopergeld; 
toen een van de Gouverneur-Generaals (ze noemen hem van 
der Capellen, maar het moet een latere geweest zijn) aan de 
hoofden der Badoeï's, die hij te Paroeng Koedjang bij zich 
had laten komen, een goud tientje prezent woü geven, weigerden 
ze doodbedaard > en hij was genoodzaakt rijksdaalders te nemen , 
die noch altijd door den djaro als poesaka bewaard worden. 
Zilver is overigens, behalve als muntspecie, boejoet; daaren- 
tegen salaka niet, en evenmin de iris (ofschoon ik dezen-laatste 
door niemand zag dragen). Van schapen, koeijen, buffels (?), 
paarden en geiten mag men zelfs den naam niet uitspreken, 
laat staan, dat men ze er op na zou mogen houden, ujoö; 
men duidt ze enkel aan onder de algemeene benaming van 
ijoójoöwan, d. w. z. tamme dieren. Apen mag men , ofschoon 
niet eten, toch houden. Alle geneesmiddelen zijn verboden, 
met uitzondering van eigengemaakte van siriAy die didfampè^ 
en in welke djampe's of bezweringsformules de eigenlijke genees- 
kracht geacht wordt gelegen te zijn. Er is, voor al de drie 
kampoengs gezamenlijk, maar éen djaro \ die djaro is de mid- 
denpersoon, door wien deze kleine wereld haar zaken met het 
gouvernement regelt en de bevelen van het gouvernement ontfangt. 
Gewoonlijk kiest men er een orang dikaloearan^ d. w. z. een 
uitgestootene, voor; maar degeen die nu sints onheuchlijke 
jaren, meer dan 25 zeker, die betrekking bekleedt, onze vriend 
Tarpi, is een Badoeï van het echte soort, wien men om zijn 
geschiktheid indertijd boven ieder-ander gekozen heeft. Zijn 
regterhand en, bij ontstentenis, zijn plaatsvervanger is de ifce^^öfo^, 
die eveneens bij keuze benoemd wordt; deze kokolot beslist 
tevens, zonder dat hooger beroep op iemand mogelijk is, alle^ 
mogelijke geschillen, die oprijzen. — Na den girang poeöen 
(van wien ik reeds sprak) is in eiken kampoeng de tweede in 
rang van degenen die geroepen zijn om in deze kleine maat- 
schappij de eigen zaken te regelen, de girang sèral; de derde 
de pangaêoek kokolot (wèl te onderscheidene van den kokolot^ 
den pangiwa van de Mohammedaansche kampoengs ; hij is altijd , 
niet enkel in naam, mdar werkelijk de oudste). Men verzekerde 

Digitized by VjOOQ lC~ 



VAl^ lik. D. KOORbEHd. d3d 

ons, dat de kokolot^ de girang êèrat en de pangasoeh iokoloi 
alle-drie gekozen worden door de geheele mannelijke bevolking, 
nadat de girang poeöen vooraf een kandidaat heeft aangewezen; 
welke mogelijkheid er in dat geval bestaat, dat de pangasoeh 
kokolot dan werkelijk altijd de oudste in jaren is, bleef me 
een raadsel. De kleeding van die «^groote meneer^n»' onderscheidt 
zich door niets van die der overige kampoengbewoners, gelijk 
deze-laatsten ook nooit tot den girang poeöen van zich zelf met 
het slaafsche koering of kaoela (= /-'ons uw dienaar^"), hier geheel- 
onbekende woorden, maar met het onafhankelijke uing (ons itïkff) 
spreken; gelijkheid, absolute gelijkheid, schijnt onbetwistbaar 
(het blijkt uit alles) de hoofdwet die hier heerscht. Wanneer 
het sakramenteele getal van veertig gezinnen, dat de drie 
karapoengs gezamenlijk niet mogen overschrijden, voltaUig is, be- 
slist de girang poeöen (dien men bij deze gelegenheid, de Mo- 
hammedanen navolgend ? den ndjoeraganv noemde) geheel-eigen- 
machtig, wie den kampoeng verlaten moet, om orang diloearan 
te worden. Ik verzuimde te vragen, of de drie girang poeöen 
gezamenlijk die beslissing nemen (gelijk ik vermoed, omdat 
de drie kampoengs gezamenlijk maar-veertig gezinnen tellen.) 
Men zeide me, dat, wanneer er over het een of ander tusschen de 
verschillende girang poeöen gedelibereerd moet worden , de beide 
andereu hier naar Tji Samodor moeten komen , omdat de girang 
poeöen hier-ter-plaatse thans de oudste in jaren is; hangt dit 
echter niet veeleer samen met het feit, dat Arija Domos ^ de 
heilige graven, (waarover straks) onder Tji Samodor ressorteereu 
(zoodat dan ook de mannelijke bevolking van Tjibèo en Kartawana 
bij den jaarlijkschen schoonmaaktocht daarheen, deels hierom, 
deels ook omdat er geen-andere weg is, over Tji Samodor moeten 
gaan)? Met historiesche tradities bleek het me treurig gesteld 
te zijn. Men verklaarde, de namen der girang poeöen van Tji 
Samodor's bevolking volstrekt-niet van het begin af te kennen. 
Al hakkelend en stootend brachten een paar van de aanwezigen 
er eindelijk de volgende namen uit (die ik noteerde, om ze 
met de opgaaf van v. Hoëvell te kunnen vergelijken, niet 
omdat ik aan de juistheid of waarheid der opgaaf eenige waarde 
hechtte) Sanèkan^ ManAjari^ Mandjarè^ Soedfi, Djanggot^ 
Raji^ Waksify Tarsi^ Tarsan^ en den tegenwoordigen girang 
poeöen, dien men (zonderling en wantrouwen- wekkend , niet 
waar?) eerst Njarnan^ later Djarma noemde. 

Omtrent de afkomst der Badoea's ontfing ik j|Y^nj-jyerwarde 
« Volgr. IV, 23 



^34 tËTS Ürt DE NAlATÉNSÖHAf 

en onvolledige mededeelingen , die ik echter evenzeer, pour 
acquit de conscieuce, opschreef. Stamvader: liatara Toenggal, 
die een zoon had , Batara Paiang Bjala geheeten. Deze-laatste 
liet drie kinderen na: éen zoon {Dalem Lagondi) en twee 
dochters {Dalem poelik en Dalem Djanggala), Dalam poeiik 
(notabene! een vrouw) werd poeöen te Kanèkès, onder den 
naam (of titel?) van Sanèia (een oogenblik vroeger was het 
Sanèkan.) Door den Sultan van Bantam , wien het ter oore was 
gekomen, dat er daar een poeöen was, opgeroepen, werd hij 
aangesteld tot poeöen te Serang. Zijn zoon^ Mandjari, wordt poeöen 
te Baros ; diens opvolger Soedji (waar of Mandjarè gebleven is ?) 
te Païideglang. Djanggot verhuist naar Lantjar. Raji achtereen- 
volgens naar Batoé Karoet, naar Tji Larangan, naar Sampang 
pëndöj, ndar Bodjong Köpo (in Lëbak.) Waksir, evenzeer met 
de verhuismanie behebt, sukcessievelijk naar Tjatang, naar 
Tji Tangtoe (onder K. Tji Boengoer), naar Kadoe hëlang, naar 
Babakan (onder K. Bodjong Mèntèng), naar Badoei, naar Tji 
Sèrè (beiden in de buurt van Bodjong Mèntèng). Tarsi op 
zijn beurt, eerst naar Tji Palèr, daarna naar Tji Bokor, van 
daar naar Rawajan^ en van Bawajan naar Tji Bëëng. Tarsan 
eerst naar Tji Kësik (men zeide eigenlijk: moeara Tji Eësik), 
van daar naar Bantar Waroe (vlak-bij Tji Samodor), en vervolgens 
naar Tji Samodor. 

We besloten den toekaiig pantoen te laten komen. Het was 
een jongen van hoogstens 20 jaar, met een allerinnemendst 
uiterlijk en een prachtige stem; niets van dat gillende, 
krijschende, waarmee de inlandsche zangers in-den-regel mijn 
ooren verscheuren. In den b^nne was hij blijkbaar verlegen, 
en kuchtte en hemde gedurig , evenals een burgerman-nutredenaar 
in ons dierbaar vaderland. Maar dat ging langsamerhand over, 
en toen zong hij uit volle borst , onder begeleiding zijner katjapè 
(een soort van inlandsche gitaar, waaraan hij zeer melodieuze 
toonen wist te ontlokken) een van die diep-weemoedige liefdesge- 
schiedenissen van een vorsten-zoon en vorsten-dochter, die allen 
in de dagen van lang vervlogen grootheid en zel&tandigheid 
spelen. Wanneer hij, bij het uitbrengen van hooge toonen, het 
geluid moest dempen door de hand aan den mond te brengen, 
hield hij (dit frappeerde me zeer) zijn hand nooit, gelijk ik 
zou verwacht hebben, aan onzen kant, maar aan den tegen- 
overgestelden, waar het huis van den girang poeöen stond; 
een aardig blijk, dat hij geen hooger gezach kende of erkende 



dan dat van zijn girang poeöen. We bleven lang, misgchien 
wel twee uur, zitten luisteren; maar het zou een hopeloos iets 
zijn geweest, op het eind te willen wachten, daar de geschiedenis 
(gelijk de demang me zeide) wel tot den volgenden ochtend 
zou duren, nu i'de kraan ééns los was.^^ We gingen dus ten 
laatste maar naar bed, ten einde ons daar door zijn ge^ng 
op eene aangename wijze in slaan te laten wiegen. — Ik zeg: 
naar bed, maar dit is voor hetgpti we vonden een zeer oneigen- 
lijk woord. Verbeeld u, twee bultzakken van den demang, op 
den grond neergelegd; gescheiden door een grof, doorzichtig, 
eigengemaakt stuk ongebleekt katoen (spreijen of iets van dien 
aard, dat naar gekleurd katoen leek, mogt niet door den 
dema]ig worden meegebracht, dat was boejoet); overdekt met 
een mat van gevlochten bamboe (rotanmatten zyn boejoet); 
en voorts op ieder van die bultzakken , drie kleine rolkussentjes 
(gr 00 te) zijn boejoet, evenals de bultzakken b^ de Badoeï's 
zijn van kapoek randoe, vuil en Zonder eenig overtrek. 

LOSSE AANTEEKSNINGEN TIJDENS HET BEZOEK BIJ DE BADOEÏS. 

De uitgestootenen mogen met Mohammedaansche vrouwen 
trouwen. 

Een kwartier lang zeker door de bedding van de Tji Sa- 
modor heen. Daarna weer glagahpad , maar nu enkel doorkruising 
van de Tji Samodor. 

We dalen langs een steil en glibberig pad in de Tji Sadjèra 
af, en moeten die, op een punt waar ze zeker 100 voet verval 
heeft, langs steile glibberige rotsblokken naar beueden kleuteren, 
om haar overlangs een heel eind te doorwaden. Aan het eind 
van dit doorwadingsproces , prachtige, breede, kom. 

Oneindig klimmen door prachtig bosch; diepe, begroeide 
ravijnen flauw zichtbaar. 

Spookachtig; maar vriendelijk een zonnestraal hier en daar. 

Geweldige daling naar de Tji Oedjoeng, de grens waar de 
Badoef s aan hun natuurlijke behoeften kunnen voldoen. Talakab > 
aan de overzijde. Kristalhelder bruischt het water over breede 
rotsblokken. Prachtig wild bamboebosch. Groen bemoste steenen. 
Lianen, zich van de takken van het hoog geboomte welvende 
over het bruisend water. 



■ Rigg: a roofing, made of split bambu; daa eon soort loodt? ^ t 

Digitized by VjOOQIC 



336 lËTS UiT DB NALATENSCHAP 

Noch een groot kwartier verschrikkelijk-moeilijke tocht, door 
de bedding van den Tji Oedjoeng naar Artja domas. 9 mannen 
eenmaals 'sjaars, boelan kalima, 17^®. Blijven 2 nachten schoon- 
maken (onder den girang poeöen met de handen, anders mag niet.) 
Maar den tweeden dag blijven ze in de talahab^ om te sidekah. 

Pèlai'ê ' , met door menschenhanden aangelegde steenhoopen, 
begroeid met loetoek^ en de jj^tak's beplant? met dféngkir. 

Pètak no. van boven 1 gr" 

Fètak vP, 2 smal, niets. 

Pètak Tfi. 3 groot, 5 grafhoopen. Vierkant. Een schuin 
uitstekende steen met mos begroeid. 

Pètak no. 4 en 5 smal, klein, niets. 

Pètak no. 6 sasaia pakoembahan ié daèkïn êaaij een rond 
postjen, djadi koe manèk, met mos begroeid, % graven met 
opstaande steenen. 

Pètak no. 7, 8, 9, klein, niets. Evenzoo 10, 11, 12, 13. 
Prachtig bamboe rondom. Zoomt Tji Oedjoeng, aan de zuid- 
grens diep ravijn , en weer de Tji Oedjoeng. 

De pètaks loopen van noord naar zuid op. 

Op den teruchweg komen we langs lanëA poetih teruch aan 
de talahab. 

Doodmoede 's middags om 4 uur weer thuis , — 's avonds vizite 
van den girang poeöen, die door den demang belet laat vragen. 
Hij zegt , dat de Badoeï maar-éen vrouw mogen hebben , waar- 
van ze echter scheiden mogen, en die dan op nieuw trouwen 
mogen; dat echter echtscheiding onder hen een groote zeldzaam- 
heid is. Dat ze zich zelf oerang Para Hiang, de buitenwereld 
oerang are » noemen. Dat ze hier zes jaar wonen. Dat er door 
girang poeöen beslist wordt, of men verhuizen moet; en dat 
alsdan de paradji, hier doekoen genaamd (een man, de eenige 
die er zijn mag; en wonende te Tji Samodor) de keuze heeft 
en de aanwijzing doet van de nieuwe woonplaats. Dat de 
huwelijken door den poeöen (dien hij met den pangoeloe der 
oerang êlam (Mohammedanen) vergeleek) gesloten worden, die 
ook echtscheiding regelt. Dat ze niet gelooven aan een leven 
na dit leven; dat volgens hen de mensch troee paèh baè », 



< Rigg: t garben bed, a bed of anything plaoted. 

' Rigg : the people living in open country. 

* O^r «, door aood. (M.) ^^^ ,,^^^ ^^ GoOgle 



VAX MR. D. KOOEDEKS. 887 

maar dat de goede dooden naar Artja Domas, de slechte (eerst 
zeiden ze : we weten niet waarheen) , later naar de kawahs gaan. 
T)at de huizen volgens éen model gebouwd moeten worden. Dat 
de girangpoeöen geen geschenken hoegenaamd mogen aannemen, 
wel de anderen. Dat ze een maanjaar hebben. Dat ze menijek 
(kidang) wel mogen eten; all^ herten (die ze menjangan 
niet oentjal noemen; evenals de djambè pinang ^ de paradji 
doeioen) niet. Dat hun maanjaar van oogst tot oogst schijnt te 
loopen; althans hnn oogstfeest, dat ze koewahe noemen, begint 
met den eersten dag van de maand Kasa, de eerste van hnn 
jaar; en duurt drie maanden lang (?) Vrouwen en mannen 
vieren het gesamenlijk en in de kampoengs. 

Groote zindelijkheid in de huizen merkte ik op ; en vóór dat 
men van de golodog > in huis stapt , wasschen of liever afspoe- 
len van de voeten met het water uit de lodongs * , die altijd 
bij de deur staan. 

Ik zag bij den girang poeöen een vrouw op de balè-balè met 
de mannen zitten praten. 

Na de êirah ' Tji Kësik te zijn doorgewaad, zien we op een 
hoog punt voor ons de hoema sèrang liggen (waar al de 40 
man óen dag njatjar^ noewaran^ bakar^ ngadoeroeky ngasek^ 
ngorèty diboeat, motjong ^ ngangkoeL * De girang sërat o^o^^t 
de bewerking van deze hoema sèrang. 

Er zijn drie hoema sèrang op de drie plaatsen. 

Het toemboeken óok óen dag, maar alleen door de vrouwen 
van de plaats; eveneens het koken éen dag, eveneens het eten 
(dat echter later hervat kan worden, als men het niet op kan). 

Het padizaad mag niet verwisseld worden; koedoe pagon 
baè. * Behalve als ze koopen. De Tji Samodorders b. v. altijd 
zaad van daar. 



1 ? 

* Bamboezen vaten. (M.) 
' Oorsprong, bron. 

* Verschillende bewerkingen bj het ontginnen van pfonclen,Djg|^|2edbyGoOQlc 



338 IETS ÜIT DE NALATENSCHAP 

Na de sirah Tji Kësik, gaan we hem noch-tweemaal door. 
Daarna ongelooflijk-lange en vrij steile klimming. Doorwading 
van de kleine Tji Doelang, en de breede, vreedzame kristal- 
heldere Tji Bëëng, de grens van het Tji Saraodorsche. 

Aankomst langs een zijpac^te Tji Kartawana. 

Maar 5 koeren^ de imah randüy huizen van weduwen, niet 



Het wegen van padi door een kommissie noemen ze boejoet, 
en gebeurt ook niet. 

Van Garoegoeg hierheen veriiuisd voor 8 jaar. 

De Tjibèoërs daarheen verhuisd van Kanèkès. 

Van Tji Kartawana naar Tjibèo. — Een klein eindtjen. — 
De redelijk-smalle Tji Parahiang over en we zijn er. 

Ik zag hier badjoe^s [djamangs) gemaakt van draden van de 
tangkol pèlah ' (waarvan echter de mouwen altijd van wezenlijk 
garen moeten gemaakt zijn); evenzoo zag ik samping * pèlah. 
Gewasschen kan het niet; dan wordt het boboh. 

Te Tji Lèngger en te Lengis worden die dingen ook gedra- 
gen, te Tji Samodor vooral, meer dan te Tjibéo. 

Er zijn noch acht poeöen's van de oerang dikaloearan ; nl. te 
Sangkan Wangi of Kamandjing of Tji Handam, Tji Lènggor, 
Noengkoelan, Tji Patik, Padawaras, Garoenggag, Inggoeug, 
Tjaroengën of Marèngo. Allen zijn ze onderworpen aan den 
girang poeöen hier te Tjibèo. Bij elke koewaloe (zie boven), 
dus driemaal 's j aars, den 17den van de maand Kasa, en den 
18den van Karo, den 17*ei van Katiga moeten die negen (acht) ? 
poeöen's, ieder met twee van hun tëmën's naar Tjibèo opkomen. 
Drie er van (Padawaras , Tji Patik , en Kadoekoedjang = Ing- 
goeng) moeten meebrengen oejah (zout) Cü irad; niets meer. 

Volgorde der maanden. Sapar^ Kalima^ Kanefn^ Kapitoe^ 



* Naam van een rotansoort (?) Digitized by vjOOQ IC 

2 Ml, Saroeng. 



VAN MB. D. KOOBDERS. 339 

KafkJapafiy Kasalapan^ KaaapoelueAj TJapü kemat^ Hapit 
Kajoe^ Kasa^ Karo^ Kaiiga, — '/Tanggal tahoen boetan 
saparff (Nieuwjaar is in Sapar). 

De hoema sèrang wordt gesneden in de maand Hapit ICajoe 
de andere in de drie volgende maanden. In de maand Sawal 
{Sapar) is het padisnijden afgeloopen. 

In de maanden kaêa en katiga maakt men een lakêa , in de 
maand karo niet. 

Ook de 9 buitendorpen hebben ieder hun koewaloe, en wel 
op den 21 en dag van de boelan Katiga de poeöeu's van Oaroeggag 
en Sangkan Wangi (ieder afzonderlijk) ; — op den 22n die van 
Kasoe hëlang (= Padawaras) en van Inggoeng; opden23ndie 
van Tji Patik , Marèngo , en Tji Lènggor ; — op den 84» die 
van Noengkoelan , op den 27^ die van Kamantjing (een ampiAan 
van Sangkan Wangi). 

De methode van viering dezeKde als in de binnenwereld. 
2 anak-anakan dari lepoeng (2 poppen nevens elkander?) 
1 man, 1 vrouw. 

1 langgiTy boeat toenggangnja (schorpioen als rg dier) van het 
mannenbeeld, (Ml. kaladjengking) levend.. 

1 lanijah (adder) , boeat toenggangnja van het vrouwenbeeld, 
levend. 

wajoeh , (p^^m) als drinken voor man en vrouw ; saboengboeng. 
Saboengboeng water, voor heteelfde doel. 
1 hintjïh (groote djangkrik's heeten in het Sdn. ka9ir\ deze 
zijn bèwok) als eten. (Bigg. eggplant). 

1 ijokrom (tèrong) ^ solanum melongena als eten. 
1 sanhhi binang ngoeloeb, idem. Sauhën is panicom pal- 
maefolium. (Rigg.) 

1 ièong (een harige vrucht) samata baè, 
1 sëpan pakoe {aaiaroeh) (stoofsel van varens?) 
1 karoendoeng bènang njïpan (een vrucht), 
idem J i badjah asak b'énang ngoeloeb. 

1 soesoeh (Mal. karatja) idem. (een vischsoort , Me- 

lania, Bigg.) 
1 hoerang (garnaal) idem. 

1 kifép (Jv. joejoey landkrab) als eten, gekookt. 
Op de laatste kawaloe (in Katiga) worden die dingen n^^r het 
boscli gebracht, als een diner voor de pa amoenggoe (geea^ 



voor eten.J 



340 IETS UIT DjC NALATENSCHAP 

sètan's, maar batara batara, noe aja dl goeuoeng goenoettg ; 
ffbarla dewa dtwa)ft na afloop van de koempoelan (vergadering). 

De laksa wordt eveneens op de laatste kawaloe door al de 
vrouwen gemaakt , van meel met hasem honjè • ; toeloej dirën- 
tfét, toeloej düandèan koe pan'oek di handapen djambangiin 
(=r tjitakan laksa); sangghisa djadi laksa^ bidjil tina-djam- 
hangan lèa toeloej dibawa kaljai , dikoembah {dibererikan)^ toelofj 
duoadahaUy dibawa kaimahy dirioeng ^ en wordt opgegeten. 

Njèrè kawoeng (lidi aren , HoU. nerf der palmbladeren) wordt 
rondom de 2 beelden in het bosch gezet. Djoemblahna noeroet 
koemaha lobana djelma noe aja di lemboer ïé (nl. in het 
dorp dat feest viert , de van-buiteu-komenden worden niet mee- 
geteld). 

De njèrè kawoeng worden diiafiljehkhi (rechtop in den grond 
gestoken) van onderen, maar zijn , hoewel speeren reprezenteerende , 
van-boven niet gepunt, niet tjara toembak. 

De Heeren Tobias (Resident van Banten) en een adsistent- 
resident van Lebak, dien ze Sepanol noemden, de ëenigen die 
voor mij te Artja Domas geweest zijn. 

De pasir, waarop de Artja liggen, heet pasir Domas. 

De girang eèrat precies een gezicht van een Hindoesche 
pagode. Ontmoeting met den girang poeöen en de heel e manne- 
lijke gemeente, vergaderd om een nieuwen djaro te kiezen. 

Bezoek in een inlandsche woning , waar de vrouw des huizes 
minzaam met ons praat. 

De girang poeöen verbiedt , om oogstpadi hooger te verkoopeii , 
hetzij aan orang slam, hetzij in de kampoengs, dan 14 duiten 
de gèdèng ; uit vrees , dat ze , die duurder verkoopende , zullen 
koerang redjeki » (zeker , dat ze ook den verkoopsprijs in tijd van 
nood, voor zich zelf hooger zouden maken). 

14 duiten de prijs van een gèdèng padi , dagang beraê boejoet 3. 

> Een soort Tamarinde. 

* Gebrek aan levensmiddelen Inrijgen. (M.) 

» In r^st te handelen is boejoet. (M.) DigitizedbyGoOglc 



VAN MR. D. KOOUDERS. 841 

Buiten de buiteudorpen waar girang poeöeirs zijn, zijn er 
noch onderscheiden (Tji Palër, Tji Kadoe, Tji Hoeloe), waar 
er geen zijn, doch waarvan de menschen bij gelegenheid van 
de koewaloe eveneens hierheen komen. 

De hoemagronden van Tji Kertawana en Tjibèo zijn gemeen- 
schappelijk en door geen grens gescheiden. 

VóoT het vijftiende jaar mag jongen noch meisje trouwen. 
V. Hoëvell werd genoemd toean pangoeloe. 



VERVOLG VAN HBT JOURNAAL. 

£0 Juli... In en nabij de hoofdplaats hadden we gelegenheid, 
op nieuw de verregaande onbeschoftheid van den Noordban- 
tammer op-te-merken. In weerwil van den zilveren band om 
B's pet, hielden de mannen geregeld hun soedoeng * op het 
hoofd , en bleven degenen , die op een paard ons voorbijkwamen, 
er doodbedaard op zitten. We ergerden ons om-het-zeerst. Geluk- 
kig , dat het vriendelijke landschap ons van zelf langsamerhand 
in een aangename stemming bracht. Hier geen spoor van wil- 
dernissen^ van kale of met dorrena rietgras begroeide heuvels, 
van sombere bosschen of diepe, steile ravijnen; maar overal, 
waar men het oog liet weiden, elk plekjen benut door noeste 
menschenvlijt. De zachtgolvende landstreek, waar de weg zich 
door heen slingert, een aaneenschakeling van de prachtigste 
sawahs, waarvan het, in rijken overvloed voorhandene, water 
hier naauw-hoorbaar afzijpelt, ginds in schuimende vaart om- 
laag stort. En die sawahs overal gestoffeerd met manggahs, wier 
prachtige kroonen en donker loof, vooral waar het lichtgroen 
van de pas-ontkiemende zaaipadi er tegen uitkwam, aan het 
geheel een allerbetooverendst voorkomen gaf, zoodat men zich 
gedurig in de nabijheid van een Engelsch lustpark verplaatst 
waande. En daarbij telkens in deze rijkbevolkte streek kleinere 
of grootere kampoengs , waaruit het gezellig geluid van den rijst- 
stamper zich hooren deed; en onder de schaduw van het ge- 



Digitized by VjOOQIC 

Groote ronde strooijen hoed (?) elders toedoeng (M.) 



sa IBTS UIT DE NALATENSCHAP 

boomte hier-eii daar een paar vreedzaam-grazende buffels met huB 
kleine geleiders; en op de velden de nijvere landbouwer ovei»l 
bezig, in het zweet van zijn aanschijn raet vrouw en kinderen 
te arbeiden; waarlijk^ men zou een Barend Oviuk moeten zijn 
(wiens eerste indruk van het Haagsche bosch zich in deze woorden 
lucht gaf; //he, als dat eens werd omgehakt ! Ik wed ^ dat men er 
meer dan ƒ100,000 voor krijgen zou"), om te midden van zulk 
een liefelijke natuur , aan de weligste en vriendelijkste landouwen 
van ons dierbaar Europa herinnerend, ongevoelig te blijven. 

In de ruime, koele, met glasruiten en chineesche windjaloa> 
zien voorziene, passanggrahan te Petir op luijaardstoelen uitge- 
strekt, raakten we met den demang aan het praten over de 
kaneelkultuur. Hij ijverde zeer voor haar behoud, omdat de 
grond hier (volgeus hem) voor alle andere kultures te slecht 
is (de koffi , zeide hij , na eerst magnifiek te zijn aangeslagen 
sterft gereild in het derde of vierde jaar) , en omdat de kleine 
man aan de kaneel nu tenminste noch-iets verdient. Ik ver- 
nam van hem , dat de kaneelschillers een vast corps vrouwen 
zijn, wier loon / 2.50 ^smaands bedraagt (dus evenveel als bij 
de vrije theekultuur) ; dat de aanplant noch onlangs is uitge- 
breid, en nu in zijn distrikt, ik meen 150 bouws bedraagt; 
dat er onder de kaneeltuinen zijn, die dertig jaar, en noch 
altijd uitmuntend, staan (afdoende wederlegging van de mode- 
beweering, dat de kaneelkultuur moet worden ingetrokken, 
omdat ze den grond zoo uitput) ; dat de inspekteur der Kul- 
tures W..., die hier onlangs in commissie geweest was, hem 
de intrekking als aanstaande had voorgesteld, maar dat hij 
dringend verzocht had om haar (zonder Europeesch personeel 
desnoods, ter besparing van kosten) in-stand-te-laten. 

Onder dat Europeesch personeel moet ook een //assistent bij 
de kaneelkultuur//, die bij hooge feesten een mooijen rok draagt 
(gelijk ik gelegenheid had te Serang op-te-merken) , en ƒ 800 
's maands heeft, gerekend worden. 

Na eene voortreffelijke rijsttafel vervolgden we, nu onder 
de hoede van een paar dorpshoofden, onzen tocht. Het was 
gloeijend en broeijend heet; het //keerkrings-middaguur ^ en de 
zon met haar verzengende stralen veroorzaakten me een ondra- 
gelijke hoofdpijn. Ik had naauwelijks oog meer voor de schoon- 
heden van het, ook-hier-noch , rijke en vruchtbare lands^iap. Aan 
de gardoe Tji Sorok wachtte een mantri van Waroenggoeuoeng 

Digitized b> 



VAN ME. D. KOORDEBS. 348 

met een talrijk gevolg ons op. Het eerste, wat men er ons 
aanbood , was toewak , waarschijnlijk ter eere van den plaatsnaam 
[soTok heet de buis, waarin de toewak wordt verzameld); ook 
was er een heel diné voor ons heengesleept, waarvoor we echter 
(daar we geen kameelen waren , die over vier magen te beschikken 
hadden) vriendelijk bedankten. Tot dicht-bij Waroenggoenoeng 
behield het landschap zijn vruchtbaar en vriendelijk voorkomen , 
althans gedeeltelijk; maar van-nu-af, en steeds-sterker naarmate 
we Bangkas Bitoeng naderbij kwamen, kreeg het terrein den 
eigenaardigen stempel van Zuidbantam's dorre, waterlooze en 
onbevolkte wildernissen. 

21 Juli. Om zeven uur op, en rijd met den reiswagen, 
eerst , denzelfden weg langs als gisteren , tot Waroenggoenoeng , 
en van daar (in-plaats-van rechts af te slaan , naar Petir) recht 
door, den weg naar Pandeglang af, noch twee palen ver, 
tot-aan de gardoe Sampaj. We slaan nu links-af, en rijden, 
over een modderigen weg, maar door een allerweligste sawah- 
streek, tot-bijna aan de gardoe Moentjang, 4 paal ver, toe. 
We passeeren sukcessievelijk den kampoeng Sampaj, een 
ampihan van dien kampoeng, Tji Boeah geheeten, den k. Tji 
Sono, den k. Tji Bangkoer, aan weêrzijde van de, misschien 
twaalf voet breede en één voet diepe Tji Kondang gelegen, 
die we doorwaden, den k. Kontjang koeion en Kontjang 
wètan, de Tji Koepa, die we door-middel- van een brug 
overgaan, en den k. Tji Loetoeng; totdat we eindelijk aan de 
gardoe Moentjang Kopong, ressorteerende onder den k. Tji 
Koeloer, aankomen. Even-v6or de Tji Koepa verandert het 
waterrijke van sawahlandschap in een golvende , heuvelige tipar- 
streek, gelijk ik ze in Bantam, waar de hoogvelden veelal, 
hetzij met harèndong * en hooge alang-alaug, hetzij met 
hoog geboomte bedekt zijn , noch-niet gezien had , maar waarin 
de wadasformatie , die in de Zuid van Bantam zoo-volstrekt- 
algemeen is , zich loch niet verloochende. Van gardoe Moentjang 
Kopong reden we, door tipars en glagah, zonder bijna een 
dorp op onzen weg te ontmoeten, zes paal verder tot-aan gardoe 
Goemoeroeh. We passeerden den Tji Panas; den k. Anggalan 
aan déze, den k. Tji BogoK aan gêne zijde van den Tji Lantjar; 
den k. Woeloekoe, en den Tji Woeloekoe, na alvorens zuid- 



^ Een soort laag gewas op open vlak terrein groeiend. Ml. SiXadoedoelc.C 
(Melatma Malaba thrioam). Rigg. 



344j ieïs uit dk nalatenschap 

waarts loopende binnenwegen van Sampaj , alsmede van Pandeglang 
naar Lëbak gekruist te hebben; den Tji Marikoe; de grens 
van het Paroeng-koedjangsche ; de Tji Tjanggong, en komen 
z(5ó eindelijk aan de gardoe Goeinoeroeh, waar mijn eergeleide 
verwisselt, en vanwaar het noch een heel eind is tot de kampoeng 
Goemoeroeh, dien we, langs een, expresselijk voor deze gele- 
genheid vervaardigden, fantazieweg, midden door velden en 
plantsoenen heen, bereiken. 

21 Julij. (vervolg.) Van Goemoeroeh vervolgde ik mijn 
weg naar het, noch acht paal verwijderde, Koempaj. Ons 
pad liep voortdurend over bebouwde hoogvelden (tipars) of 
braakliggend hoogland , nu met frischgroene alang-alang begroeid , 
en rijk beplant met heele bosschen van vruchtboomen , vooral 
doerians en katjapi's », die daar in den loop des tijds door 
de, gedurig tot verhuizen gedwongene (een tipar kan eerst in 
het vijfde jaar na zijn bebouwing hier op nieuw bebouwd 
worden) bebouwers dezer hoogvelden geplant zijn, en die nu, 
terwijl ze een alleraangenaamsten indruk op het oog maken, 
tegelijk een milden schat van vruchten afwerpen. We passeerden 
sukcessievelijk den k. Tjoeroeglajang, de Tji Dokdok; de Tji 
Tjanglaj ; den k. Gjintoengan ; de Tji Silad ; de Tji Kawoehën ; 
de Tji Sanintën; de Tji Moenoen; de Tji Tjèrèn; en de Tji 
Tërëp (allen kleine spruitjens, waarvan dan ook enkel de twee 
voorlaatsten en de Tji Rawoehën met een brug voorzien zijn) 
en kwamen eindelijk tegen zeven uur, in stikdonker, te Koempaj 
in de pasanggrahan aan. 

22 Juli 's Middags lees ik de Woelang-iani noch-eens, 

en doe daarna een wandeling door Koempaj , een allerliefst 
dorp, welks huizen tegen een woud van klappers en andere 
vruchtboomen , waartusscheu ze inliggen , allerbevalligst uitkomen. 
De pasanggrahan ligt op een soort van hoogte of heuvel; een 
zeer mooi punt, vanwaar men uit de voorgalerij een zeer mooi 

•gezicht op de, er tegenover in een diepte liggende, kampoeng 
heeft, 's Avonds heb ik , van zevenen tot twaalven , konferentie 
met de hoofden en dorpspriesters uit de kaloerahan Koempaj, 
met wie ik het eerste gedeelte van de Woelang-tani bespreek. 

23 Juli Daarna, van half-acht tot twaalven voortzetting 

en ten-einde-brenging der lektuur van de Woelang-tani 

Om vier uur op weg naar Bodjong. Nadat we op een èrètan 



* Etgg. Sandoricmn Nervosum. Digitizedby VjOOQ IC 



VA14 MR. D. K00tLD£US. 345 

de, ook- hier noch waterrijke Tji Lèmèr zijn overgestoken, zijn 
we welhaast aan de grensscheiding van Menès en Paroeng- 
koedjang. Noch een klein eindtjen loopt onze weg door vlak 
hoogland; maar zoodra we aan den pasar van Bodjong, ressor- 
teerende onder den k. Tji Djakan, zijn gekomen (noch een 
paar paal van Bodjong bijna), verandert het toneel, en rijden 
we door een breed, eflen, door vruchtboomen aan weerskanten 
dicht belommerdy pad verder. Het is een allerliefelijkste natuur, 
en het spijt me, te-meer omdat het op dit uur zoo- verkwikkend 
koel is, dat we zoo-spoedig aan de plaats onzer bestemming zijn. 
24 Juli. Aanvaarding van den tocht naar Moendjoel. Over 
het geheele omliggende landschap hangt een geweldige nevel; 
de demang zegt, dat dit eiken morgen tot acht, negen uur 
het geval is. We moeten tot-aan den pasar van Bodjong (dus 
bijna twee paal) denzelfden weg teruch rijden, dien ik gisteren 
gekomen ben. Had S. me de door mij gevolgde reisroute niet 
opgegeven, ik zou hoogst waarschijnlijk van Koempaj recht- 
door naar Moendjoel gegaan zijn. Maar dat zou me van een 
groot genot beroofd hebben. Niet-alleen had ik dan dezen 
prachtigen weg gemist ; maar bovendien het liefelijk gekweel van 
de tallooze zangvogels, dat zich dezen ochtend van uit het 
geboomte langs ons pad hooren deed. Ik woft, dat de voortplanters 
van den traditioneelen leugen: //Java heeft mooije vogels, maar 
ze zingen niet//, bij me geweest waren, ze zouden voor-altijd 
ophouden die infame leugen te debiteren. Zoodra we den pasar 
van Bodjong voorbij waren, sloegen we rechtsaf; en zie, 
eensklaps was het gedaan, en voor-goed gedaan, met de schoone 
natuur, waarin ik me zoo verlustigde. Van nu-af tot Moendjoel 
toe liep onze weg (eigenlijk niet-anders dan een voetpad, met 
alang-alang begroeid) bijna uitsluitend door manshooge, ondoor- 
dringbare glagah (alang-alang, kaso-kaso, en wat struikgewas), een 
veilige verblijfplaats voor tijgers. Gloeijend brandde de zon op ons 
schaduwloos pad, waar geen tochtjen kon doordringen , en welks 
vermoeijende eentoonigheid nergens door een voorbijganger, zelden- 
of-nooit door een dorp of gehucht werd afgebroken. Het ont- 
raoedigendst van alles was noch het bewustzijn, dat van deze 
waterlooze landstreek, die zich uitstrekt, zoover het oog reikt, 
niets , letterlijk niets te maken is ; dai ze in de statistieken van 
het Gouvernement altijd onder de at woeste gronden// zal blijven 
figureeren. Gedurende de eerste vier paal van onzen tocht pas- 
seerden we oen kleinen kampoeng, Goenoeng tjangri gehee 



846 , lEtS ülT 0É NAt.ATENSCHA? 

Na die vier paal rijdens staken we op een èrUan wederom den 
zich hierlangs kronkelenden, T^i Lèmèr over (het veer heet 
meujabrangan Kadoe pandak). £en paar minuten lang slingerde 
onze weg zich, even voor den vijfden paal, door mooi bosch, 
allen geplante vrachtboomen. Even- voorbij den vijfden paal ver- 
kwikten we ons met een klapper in de gardoe Pasar Pëtjoeng (te 
Bandoeng zegt men: pitjoeng). We kwamen in die buurt twee, 
noch naamlooze, kleine nederzettingen van overloopers uit het 
Paroengkoedjansche voorbij, waarop de demang me met kenne- 
iijken trots wees. Na een kleine bocht beschreven te hebben, 
rechts af, kwamen we aan een kruisweg, vanwaar rechtdoor 
naar k. Madoe malati, i'echtsaf naar Kadoe paudak (den kam- 
poeng van dien naam), door vruchtboomen liefelijk-belommerde 
paden voerden, terwijl wij linksaf sloegen door een eeuwig- 
onveranderd glagahlaudschap , waarin geen verandering zichtbaar 
was dan deze: dat de glagah hier lager was, zoodat we zien 
konden , hoe-eindeloos-ver ze zich uitstrekten. Aan den zevenden 
paal (het leek me wel twintig door de verveling), te Kolèlèt, 
een ampihan van den k. Kadoe pandak , hielden we halt , daar 
hier de grensscheiding van Menès en Panimbang was. We pas- 
seerden nu (over bruggen) den Tji Poerang, en den Tji Mojan; 
aan gêne zijde van deze laatste rivier den k. Soepakalang. Daarop 
reden we een pooslang door onmenschelijk , ik wil zeggen : boven- 
cnenschelijk-hooge alang-alang (een waar tijgemest, gelijk men 
me zeide) ; een heel klein eindtjen , misschien vijf minuten lang, 
door mooi, hoog bosch, maar waar de weg uit een aaneenschake- 
ling van modderkuilen bestond, zóo-week en drassig, dat hij 
bijna-overal belegd was met houten staken , door twee zijdelingsche 
staken tot zoogenaamde ramen verbonden (voor de paarden een 
ininder-pleizierig experiment); en vervolgens natuurlijk weer door 
alang-alang, tot-aan de gardoe Djajrah (behoorende onder den, 
links van den weg vlakbij zichtbaren, k. Pasir Tèndjo) toe. 
We hadden nu weer vier paal afgelegd , en noch acht paal voor 
de boeg. Gedurende de eerste vier paal niets opmerkenswaardigs , 
dan-dat we vier spruitjens , kleiner dan een HoUandsche kikker- 
sloot, overtrokken, den Tji Sempóerën, den Tji Hèrang, den 
Tji Soeloek, en den Tji Tepoesën, die de absolute waterloos- 
heid dezer landstreek noch sterksprekender deden uitkomen. Ge- 
dui'ende de vier laatste palen een noch -dorder landstreek, waar- 
van het eenig-opmerkelijke was, dat we een paar treurig mis- 
lukte .Gocvemements-kolïiaaiiplantingeu voorbijkwamen, die me 

Digitized by VjOOQ IC 



VAK MR. D. KOORDEfeS. 347 

herinnerden aan het woord van den demang van Menès, dat de 
koffi in dezen slechten streek niet groeijen wil; dat hij , gedurende 
de negentien jaar van zijn demangschap , misschien wel honderd 
duizend boomen geplant had, maar altijd vruchteloos; dat ge- 
regeld in het derde, vierde jaar, als de dunne humuslaag is 
uitgeput, de koffiheester sterft. Nu noch den kleinen Tji Salap 
over, en we zijn aan den kalmen, maar frisch-kabbelenden , 
en zeker achttien voet breeden Tji Liman, en na dien met 
een èrèian te zijn overgestoken, te Moendjoel. — Aan den oever 
wachtte me een goed deel van de mannelijke bevolking op, 
dat (voor het eerst op mijn reis ondervond ik dat eerbewijs) 
ten teeken van hulde mijn rechterhand even tusscheu zijn twee 
saamgevouwen handen nam , en daarop die saamgevouwen handen 
naar het voorhoofd bracht. De pasanggrahan is een vuil, oud, 
vervallen krot, waarbij vergeleken de toren van Pisa noch 
récht staat. Een half uur n& mij , aankomst van den demang , 
natuurlijk rechtstreeks van Panimbang. 

26 Juli Van zevenen tot twaalven voorlezing en be- 

spteking van de Vongèng-IhngèiÊg Van half-acht tot 

half-twaalf breng ik voor een half-slapend gehoor (gelukkig 
bleven enkelen wakker) de lectuur van de Dongèng-Vongèng 
ten-einde. 

26 Juli. Van Moendjoel naar Kësik. Het heeft den heelen 
nacht geslagregend, zoodat het eerste gedeelte van ons smalle 
Toetpad een ware modderpoel is. We grasduinen onmiddelijk 
weer in de glagah, en de allervervelendsfce weg onderscheidt 
s^ich in niets van dien tusschen den Pasar van Bodjong en 
Mendjoel, behalve dat hij door een, zooveel-mogelijk noch- 
onbevolkter, streek loopt, en tegelijk (een teeken dat we, 
hoe-langs hoe-meer, zuidwaarts komen) door een veel-heuvel- 
achtiger landschap, vol up and downs. Op sommige van die 
heuveihellingen kreeg ik weer van die eigenaardige vergezichten 
die me in Lebak zoo^likwijls moé en suf gemaakt hebben : een 
vaalgraauw landschap , uit een aaneenschakeling van bosschen en 
bergen bestaande, zonder kleur of tint of leven, zonder iets 
waar het oog op rusten (ik zeg niet-eens: met welgevallen) 
blijft. Wij gingen, even-nadat we Moendjoel verlaten hadden 
tweemaal met een vonder den Tji BSlah over, redeu daarop 
een eind langs den (steilen) oever van den Tji Liman (dien we 
links van ons hadden) voort; passeerden het kleine Tji Dilem, 
een ampihaii van den k. Doekoek; doorwaadden den an^en j 



348 IBTÖ UIT DE JlALATtlNSCHAf 

en hijua waterloozen Tji Dilem; trokken de lorah Soedimara, 
de lorah Soeroeg langgeng, de lorah Tji Boengkaug (verzamel- 
kommen van wechzakkend regenwater) over; ontmoetten noch 
het kleine Tjoeroeb langgeng, een ampihan van Soedimara; 
beklommen daarop een vrij-steile heuvelhelling, die we, dwars 
over beploegde tipars heen, overtrokken; en kwamen zoo (na 
noch de smalle Tji Soekawali en de plek waar vroeger de na 
verplaatste dessa van dien naam gestaan heeft, nu in tipars 
herschapen,, gepasseerd te zijn) aan de grens van het Tji 
Balioengsche. We waren nu acht paal ver. We gaan den 
kleinen Tji Karonjo over. Van den k. Panjatjaran (die, o 
wonder! links van ons pad tusschen een liefelijke groep 
vruchtboomen verscholen ligt) zit de heele mannelijke be- 
volking aan den weg en neemt eerbiedig mijn linkervoet (!) 
tusschen de saamge vouwen handen. We doorwaden den oudiepen 
Tji Panjatjaran, gaan de Tji Bërëm over, het gehucht yan 
dien naam (ampihan van Pasir Eri) door; eten in den k. Tji 
Paas (vier paal voorbij de grens) wat limoe's en katjapi's ; ont- 
moetten op onzen, noch vier paal langen, weg, noch de Tji 
Idjëw, de Tji Kolèlèt, de Tji Berëm, de Tji Kaloedan lëtik 
en gedè, het gehucht Kaloedan (ampihan van den k. Tjoero^ 
Tjioeng) den Tji Hajer , den k. Tjoeroeg Tjioeng (dien de demang 
pas , met vaderlijke zorg , maar tegelijk een aardig staaltjen van 
den kinderlijken toestand der maatschappij, een eindtjen heeft 
laten verplaatsen , omdat de menschen op de vroegere plaats altijd 
ziek waren), den Tji Balangbang, en den Tji Bënter; rivier- 
tjens of spruitjens, allen veel kleiner dan hun namen, die 
u zeker wanhopig zullen maken , en die ik hier toch , from een 
reden," moet opnemen, gaan met een bamboezen brug (een 
houten, zeide de demang, zou een dwaasheid zijn, omdat hij 
met baudjirs toch geregeld zou wechspoelen) de, Idgerop water- 
en vischrijker, maar hier ondiepe, en hoofdzakelijk metsteenen 
en modder gevulde Tji Kësik over, en bevinden ons in den 
kampoeng van dien naam, waar ik in de kleine, maar nette 
pasanggrahan afstap (die echter een groot inkonvenient heeft, 
dat er geen enkele deur aan is). 

27 Juü.... De lucht ziet overal even-dik, en daarom wacht 
ik het opklaren van het wéér maar niet af. Ik wapen metegen 
modder en nat, door blootvoets te gaan, en met niets dan een 
kabaai en een nachtbroek aan. Het is vinnig-koud, en ik zit 
te bibberen op mijn paard. We zijn allen welhaa^ ridders van 

Digitized by VjOOQ IC 



Van ür. d. üooilDÈttö. 349 

de droevige figuur, zoo verwaaid en verregend zien we er uit; 
ook de heeren van mijn geleide, allen gekleed in hun mooije 
dienstpak. De weg ia natuurlijk slibberig en glibberig, maar 
loopt tot aan de gardoe Tji Soeakan (ressorteerende onder den, 
van den weg niet zichtbaren, k. Tji Bingbin), negen paal ver, 
over nagenoech-eflen terrein. Hot landschap verschilt niet veel 
van lietgeen ik gisteren en eergisteren te-zien-kreeg. Weinich-of- 
geen bevolking; een enkele saoeng hoema * hier-en-daar uitge- 
zonderd, tusschen Tji Kesik en Soedimanik geen-andere kam- 
poengs te zien dan Këndal op twee, Bënjiug hidëng op vier, 
paal afstands van Tji Kësik, benevens de bovengenoemde k. 
Tji Bingbin, waarvan enkel de gardoe, Tji Soeakan geheeten, 
zichtbaar is. Tusschen Kendal en Tji Kësik enkel kleine riviert- 
jens, de Tji Kajang, de Tji Ririgi, de Tji Katilëug, en eeu 
uienichte anderen, waarvan ik het der moeite niet waard aclit, 
de namen op-te-schrijven. Uitzicht volstrekt-uiet ; men rijdt on- 
ophoudelijk tusschen glagah en kreupelhout door; en waar een 
enkele maal een open plekjen is , vertoont zich , ook in het ver- 
schiet, aan weerskanten niets dan bosch en nochmaals bosch 
met zijn vale, dofle, neerdrukkende, eenvormige kleur. Maar 
toch is er verschil. We ontmoeten veel-minder glagah, veel-meer 
kreupelbosch; en met name overal een rijken overvloed van in 
het wild groeijende bamboe , die zich op sommige plaatsen aller- 
sierlijkst over den weg welft, en op een minder-regenachtigen 
dag, als ze minder zwaarmoedig neerhing, stellig een alleraan- 
genaamsten indruk zou maken. Ik schijn hier in het land van 
de bamboe; ook even- voor Tji Kësik zag ik gisteren , op kleinen 
afetand van ons pad , een allerprachtigst bamboe-bosch. Jammer, 
dat zooveel kapitaal onbenut moet blijven; want voor de behoef- 
ten der dungezaaide bevolking groeit er oneindig- veel-t«- veel , 
en aau afvoer naar elders is , bij de enorme afstanden en het 
volslagen gemis van waterwegen , geen denken. Tusschen Kendal 
en Bënjing hidëng gingen we twee, vrij-waterrijke , rivieren 
over, de Tji Garoepak en de Tji Teras, tusschen Bënjing 
hidëng en gardoe Tji Soeakan twee soortgelijke , de Tji Ijëngsir 
en de Tji Soeakan (welke laatste we doorwaden moeten, daar 
de brug op het instorten stond.) Tusschen gardoe Tji Soeakan 
en Soedimanik wederom twee soortgelijke, de Tji Djoedjoeng 
en (op twee paal van de hoofdplaats) de Tji Balioeng. Al die 

* Een klein gebouwtje voor tijtlolijk gebruik in de hoema opgeslagen. M.o 
3e Volgr. IV. 24 



850 Iets uit de nalatenschaI* 

rivieren wateren, volgens hetgeen me gezegd M^erd, in de Tji 
Binoeagaii uit. Ze zijn allen met stevige, hooge, houten brug- 
gen voorzien; hetgeen niet wechneemt, zet me de demang, dat 
gedurig in de regenmouson die bruggen wechspoelen. Ik kan 
me dat begrijpen, als ik naga, met hoeveel onstuimigheid 
ze ook-nu-reeds , na een regen van éen nacht, hun troe- 
bele wateren voortstuwden. Tusschen gardoe Tji Soeakan 
en Soedimanik (een afstand van noch ruim vier paal) werd 
de weg veel breeder, maar de grond weer veel-golvendep en 
vol wadas, welk-laatste trouwens wel te zien was aan de 
dwergachtige gedaante en de geele bladen van de pinangs 
en andere vruchtboomen , die men gepoogd had, langs den weg 
te planten. Hier stonden ook weer een eind lang djatiboomen 
(althans, kromhouten die ze reprezenteeren moesten.) Dit herinnert 
me aan een gouvernements-kofïiaanplant , dien ik tusschen Këndal 
en Bënjing Hidëng zag, en waarvan de dadaps of schaduwboomen 
uitmuntend stonden; jammer maar, dat de koflSheesters, zoo-te- 
zeggen allen, dood waren. Doch laat ik niet afdwalen. Links 
van ons was hier weer veel glagah, waaruit we eenmaal, vlak 
bij ons , vier boschhoenders of kadnloe's tegelijk zagen opvliegen. 
Op een zonnigen dag moet het hier brandend-heet zijn; nu 
hadden we echter niet bepaald overlast van de hitte, en waren 
in zooverre blijde , dat we wat minder in den lommer reden , 
dan op het éérste gedeelte van onzen tocht. Rechts was niets 
te zien als onafgebroken bosch , waarmee ook de lang-uitgestrekte , 
in de verte zichtbare, bergrug van den Goenoeng Kendeng, in 
de richting van het (volgens den demang uu opgebrokene) 
Djoengkoelan , bedekt is. Sporen van bebouwing waren bijna-niet 
te ontdekken; hier-en-daar een stuk afgebrand kreupelhout, een 
enkele hoema, nu met djagong en katèla beplant, twee, drie 
aaoenga^ — een op bevel door den demang aangelegde proef 
of modèltuin (waarin ik echter, op een bouw uitgestrektheid, 
niets dan djagong opmerkte) , — verder zag ik niets. De hoeraa's 
van Soedimanik (sawahs en ook tipars heeft men daar niet) 
liggen zeker in een andere richting. 

Gedurende de twee laatste palen van onzen tocht klaarde 
het gelukkig een beetjen op, zoodat we niet druipnat, maar 
alleen in een vergevorderden staat van klamheid Soedimanik 
naderden. Ik zag hier veel katoenboomen (randoe^s) ; evenals ik 
die, reeds even-door Tji Kësik, gezien had. Ik vroeg aan den 
demang of er hier veel- katoen geplant wordt. Het antwoord 



Van mr. d. koordèhs. SSl 

was, dat er hier veel werk gemaakt wordt, zoowel van de 
kapas (de éeujarige katoenheester) als van de randoe; en dat 
in het saizoen de menschen van het noorden in groote menichte 
liierheen komen om het artikel op-te-koopeii. Het is zeer te 
wenschen, dat de verdere ontwikkeling van deze bron van 
welvaart door niets worde tegengewerkt. Voor het huis van den 
demang zag ik een gomelastiek-boom met zijn groot, prachtig, 
glanzig, zacht-donkergroen. blad. Hij verzekerde, dat ze zich 
niet laten voortteeleu. Hij had, op last natuurlijk (welk 
inlander doet zoo-iets uit eigen beweging?) duizende stekken 
geplant; ze waren in den beginne perfect aangeslagen; maar, 
nadat ze op zekere hoogte gekomen waren , sukcessievelijk 
gestorven. Kan het niet aan den grond liggen? of heeft men 
ze ook overgeplant, en dat zonder de noodige zorg? Ik 
zou , als ik hier kontroleur was , de proef onder mijn eigen oog 
laten herhalen 

Alleen moet ik noch-even (al kan je het niet apprecieeren) 
een klein proefjen geven, hoe uiterst-omzichtig ik zijn moet 
in het aannemen van de inlichtingen die men me omtrent de 
taal geeft of geven wil. Ik vro^ onderweg aan den demang, 
of glagah ook-hier glagak heette. vTfada^ toean^ téwing êadjan 
Mijn vraag was een strikvraag, zijn antwoord een grove 
onwaarheid. Ik zeg: f/kaloe begüoe^ demang f glagah di êini 
dikata barattgkali léivéng , dan léwéng glagah ? fi En wat 
antwoordt me de kerel met een impertubabel gezicht? nSaja^ 
ioean.n Gelukkig, dat ik wantrouwend ben uitgevallen; daardoor 
beu ik, malgré moi, niet in de mogelijkheid om me zoo te 
laten beet nemen als de Wilde met zijn baloe sempoer en 
öengóèrèlèja. 

28 Juli. De ondergeteekende heeft gisteren-avond het spreek- 
woord te schande gemaakt^ dat de natuur sterker dan de leer 
is; zijn natuur dwong om slaap, maar zijn leer is om hier, 
waar ik naar alle menschelijke berekening nooit teruchkom, 
elke minuut te benuttigen, en die leer heeft getriomfeerd. 
Onwillekeurig ben ik, op de kanapé liggende, met de talrijke 
bedienden over het Soendaneesch gaan praten; welhaast kwam 
de demang (naijverig om zelf de noodige inlichtingen te geven) 
opdagen; ik riep mijn schrijver; en zie! tot over twaalven 
was ik met het meeste genoegen, en zonder eenig spoor van 
vormoeijeuis meer te voelen, bezig om met de vergaderde 



352 Iets uit dé nalatenschap 

gemeente een gedeelte van den letter s uit Bigg's woordenboek 

te behandelen Dat doorloopen van Rigg is in-zoo- ver 

doeltreflender dan het voorlezen van een tembang , daar zooals de 
schrandere Masroen terecht en met groote verontwaardiging op- 
merkte, die djaro^s bijna zonder uitzondering /floetoeroet moending 
baèff (de buffels navolgen), en op zoo'n verhaaltjen dat men hun 
voorleest, maar altijd ja en amen zeggen 

Van morgen van achten tot twaalven voortzetting der behan- 
deling van Rigg met een vrij-talrijk personeel, waaronder een 
volbloed Buitenzorger , hier echter door een vijfentwintig-jarig 
verblijf ^eingebürgert // , Mas Nata Joeda (wiens zuster met den 
overleden regent van Tjiriugin getrouwd is geweest, en die 
thans de rol van onderwijzer vervult in de, sints een jaar op 
bevel uit de nagri gestichte, /j" kostscIiooK voor zonen van 
hoofden, waar het Arabiesche en Hollandsche letterschrift benevens 
het rekenen geleerd wordt; waar oorspronkelijk acht leerlingen 
waren, ud noch vijf; en die zoo-goed verzorgd wordt, dat 
éenemaal papier en inkt hem is toegezonden , en nu niet meer.) 
Met de scholen gaat het hier als met de vruchtboomen van 
langs den weg, die geplant worden om aan het ontfangen 
bevel te voldoen, en waar men vei-der niet-meer naar omkijkt. 
Wat is hier veel heil te wachten van die Europische //natuurlijke 
toestanden//, waarbij alles aankomt en ook alles gebazeerd is, 
op de zelfwerksaamheid van het individu 

De kampoeng, klein maar op het oog niet onwelvarend, vol 
oude en ook jonge klapperboomen, is meest langs den weg naar 
Patoedja gebouwd, in de nabijheid van de Tji Soedimanik en 
de Tji Kalong, wier wadasbedding nu bijna droog lag, maar 
wier, zeker twintig voet hooge bruggen in den regenmoeson 
toch gedurig worden wechge^lagen. Ik zag op kleinen afstand 
de balè (om haar geringheid en onooglijkheid niet mesigit 
genoemd) , die ook-hier , waar maar twintig orang koewat ' zijn , 
natuurlijk niet ontbrak. Ik was in de gelegenheid, om op-te 
merken, hoe ongelooflijk-slecht de grond hier is; niets dan 
wadas , bedekt met een uiterst-dunne humuslaag. Verwonderlijk , 
dat er allerlei vruclithout , randoe als anderzins , noch zoo-welig 
groeijen wil. In den tuin van den demang stonden twee kakao- 
boompjens , gekweekt van pitten , die hij uit de nagri gekregen 
had, zeer tierig en vol vruchten. Zoo men de bereiding 



ileerendienstpligtigei). 



Digitized by VjOOQ IC 



VAX MB. D. K00BDF.R8. 853 

verstond, zou de kakaokultuur hier misschien noch een winst- 
gevend iets kunnen worden. Peper en sirih, hier-en-daar ook 
een enkele koffiheester (waarschijnlijk het droevig overschot 
van aanplant van pagerkofiS in de kampoengs ^op hoog bevel// , 
zooals men op de komedie-affiches leest, ook- wanneer er een 
treurspel wordt opgevoerd), troffen onder het voortloopen mijn 
oog. In den pasanggrahau teruchkomende , vroeg Ik naar de reden , 
dat de bangbaras > noch uiet bezig waren om de balken van 
het gebouw (dat toch al twee maanden staat) te vernielen; ik 
vernam , dat hij enkel kihiang-hout , een uitmuntende houtsoort , 
had gebruikt. Een navolgenswaardig voorbeeld; een handelwijs 
waardoor veel nuttelooze arbeid bespaard wordt. Straks om half 
acht voortzetting der behandeling van Aigg. Tk was, toen bij 
twaalven de sessie was afgeloopen, van het visschen en vragen 
en luisteren te- vermoeid om gisteren avond hier noch bij -te-voegen, 
dat het me gelukt was , de letters * en a met mijn //inlandsche 
helpers// (waarvan de meesten, ook de demang, wel zeer rustig 
zaten te slapen, maar enkelen, vooral de pangoeloe en de meester , 
me zeer '^ uitgeslapen 'i' bleken te zijn), af- te-handelen. 

29 Juli. Om acht uur vertrekken we van Soedimanik naar 
Patoedja. De zon schijnt helder aan een onbewolkten hemel, 
iets wat we, niet-alléén zien, maar op ons veelal-schaduwloos 
pad ook voelen. De weg loopt, tout comme i Tordinaire , ge- 
deeltelijk tusschen glagah, gedeeltelijk tusschen kreupelhout , met 
opgaande boomen er tusschen, door. Op een paal of drie af- 
stands van Soedimanik is wat Gouvernements-koffi- en djati- 
aanplant, die om het treurigst staan, de djati misschien door 
verwaarloozing en te- wijd uiteenplanten , want de kleur van den 
stam is goed en het voorkomen van de bladen gezond; dekoffi 
waarschijnlijk doordien de grond niet deugt, want een afge- 
schreven tuin en een vóór drie jaar nieuw aangelegde (van 
6000 boomen) zagen er even ellendig uit. Menschen ontmoetten 
we er, dicht-bij Soedimanik, twee; verder niemand. Kampoengs 
geen-enkele, tot-aan zee toe; alleen de twee gardoe's Tji Njoe- 
roep, 4 paal, en Toengtoeroenan , 8 paal van des demaugs 
zetel, die door de bevolking van den (niet zichtbaren, maar op 
een paal of vijf afstand van Soedimanik liggenden) k. Tji Njoeroep 
bezet worden. Weer een rijke overvloed van bamboe langs den 



* Een soort zwarte bij of tor, die gaten in hout boort. Ml. ^?^******?*^T^ 

tv. Idem?) M. DigitizedbyVnOCrgle 



(Jav. Idem?) M. 



854 ÏEX8 Clï DB NALATENSCHAP 

weg. Evenzoo weer een oimoemelijk aantal, bijna niet noemens- 
waardige riviertjena, die we, na den Tji Soedimauik en den 
Tji Kalong deels-o ver deels-doorgaan; de Tji Mahpar, de Tji 
Kasak, de Tji Djempog, de Tji Haoer, de Tji Bërern {tus- 
8chen paal 1 en 4); de Tji Boeloe, de Tji Boentoe, de Tji 
Moentjang, de Tji Hoerang, de Tji Katoelampa, de Tji Gadok, 
de Tji Toèk en de Tji Aèrdoea, tusschen paal 4 en 8; alleen 
de Tjekèkan (tusschen de Katoelampa en de Gadok) was een 
rivier van een fatsoenlijke bi^edte, die moet dan ook in di^ 
westmoeson vreesselijk kunnen spoken. De wadasbeddingeii 
dezer riviertjens liggen geen van allen in diepe terrein-inzin- 
kingen; vandaar dan- ook, dat de weg voor een weg in een 

bergland vlak mag genoemd worden 

Aan de gardoe Toengtoeroenan hielden we stil. De j)oudok 
(waar ook twee slaaphokjens , met de gi-ondstoflen voor slaap- 
steden , waren) is op een verrukkelijk punt gebouwd ; lioog , zoo- 
dat men een prachtig gezicht op zee heeft, en de zeewind (die* 
b« V. hier te Pathoedja, geheel door de pandan , de zoogenaamde 
wilde ananas, een hooge heester met sierlijke, purperen, maar 
helaas ! oneetbare vruchten , van welks bladen uitmuntende matten 
gevlochten worden, en waarvan het nut hetzelfde is als bij ons 
van de duinhelm , dat er namelijk de zandverstuiving door belet 
wordt, die, //zeg ik^/ zou een nutverhandelaar , na, zoo'n langen 
tuBschenzin zeggen , b. v. hier te Patoedja geheel door de paudan 
wordt opgevangen en tegengehouden) u verkwikkend tegen- 
waait. Als ik ziek werd , zou ik hier wel een paar maanden voor 
herstel van gezondheid willen henengaan. De demaug vroeg me 
hier naar Holland , of het niet een groot land was , (waamp ik 
natuurlijk, met een leugentjen om bestwil, ja antwoordde), eu 
of er enkel-H ollanders woonden , niet vermengd met Javanen 
(iet» wat ik met een geruster geweten bevestigen kon). Ik hoor, 
dat er geen denken aan is, om tot Djoengkoelan (of liever tot 
de plek waar het gelegen heeft , want de bevolking is sints-laug 
verhuisd naar Póelo Panaïtan) te komen; dat hij het dan wel 
een maand vooruit had moeten weten, om een weg door de 
bosschen te laten kappen als andersins, dat hij -zelf, ofschoon 
hier twintig jaar demang, er noch-nooit geweest is. Ik had toch 
al van het voornemen , om er heen te gaan , afgezien ; de moeite 
zou door het nut van den tocht stellig niet beloond worden. 
Na een kort oponthoud vervolgden we langs het strand onze 
reis naar Patoedja. Wc leggen de drie paal meestal in gcstrekteu 

Digitized by VjOOQ IC 



VAN AIR. D. KÓORDERS. 855 

draf af. Het smalle strand bestaat meestal uit fijn , geelwit , rul 
schelpzand, waarin de hoeven van de paarden diep M^echzinken. 
De weerkaatsing van hert zonlicht op de witte branding en het 
witte oeverzand doet de oogen pijnlijk aan. Het oor wordt moede 
van //'t eeuwig branden van 't wijd atlantisch meer , dat dondert 
aan onzen voet,// en welks hooge golven nimmer moede schijnen 
te worden , op de gevaarlijke kustklippen zich te-pletter- te-spatt«n. 
Ontmoedigend is het gezicht op dien oneindigen groenen water- 
plas , welks eentoonigheid door geen enkel zeil verbroken wordt ; 
alleen het, onder Tjilaugkahan ressorteerende , eilandjen Teudjil 
vertoont nevelachtig zijn grenslijn aan de kim. Bij het door- 
waden van de monding der Tji Teloeg was ik bijna van mijn 
paard getuimeld; het was vloed, en er kwam eensklaps zoo'n 
vervaarlijke golf opzetten, dat ik in-eens tot aan mijn knieën 
doornat was, en door de kracht, waarmee dit onverwachte voet- 
bad aankwam, haast het voorbeeld gevolgd had van een der 
Inlandsche hoofden , die (maar h ij , ik beken het eerlijk ; omdat 
zijn paard bang werd), zoo- lang als hij was , in het water terecht- 
kwam. We passeerden Tandjoeng Tjariang, en sloegen welhaast 
een binnenpad in (de strandweg houdt hier op) , dat ons in weinige 
minuten te Patoedja bracht, een klein, vreedsaam, zeedorpjeu. 
Ik stapte af aan de balè, (de bidplaats in de vastemaaud, op 
plaatsen waar geen mesigit is) een klein huisjen, bestaande uit 
één vertrek , waar mijn tafel , mijn (inderhaast van bamboe op- 
geslagen) ledikant, en mijn koffer de beschikbare ruimte nage- 
uoech-geheel vullen. Het is goed dat ik geen //jonge maagd// 
ben , want de balè (die , bijna aan het eind van de dubbele rij 
huizen in een overdwarsche richting daartusschen-in gebouwd is) 
heeft van voren niets, wat naar een afsluiting zweemt, zelfs geen 
gordijn; ze is geheel-open, zoodat men zich aan- en uitkleedt 
ten aanschouwe van het gansche Patoedja'sche publiek. De demang 
vertelde me, dat dit Patoedja eigenlijk maar een tijdelijke ver- 
blijfplaats van de bewoners is; dat tegen den tijd van de be- 
werking der hoema's de mannen allen naar de bergen verhuizen , 
waar ze hun hoema's gaan aanleggen en een tweeden kampoeng 
hebben; dat ze tegen den snijtijd door al wat leeft gevolgd 
worden, en dat d i t Patoedja dan leeg blijft staan.... Daarna een wan- 
deling naar de een halve minuut bewesten mijn verblijf gelegen, 
monding van de Tji Patoedja, wier kalm en kristalhelder water, 
tot dicht bij zee door donker loof overschaduwd, me aan de 
Tji Madoer herinnert, en zeer tot een vaartochtjen uitlokt, dat 



856 IETS UIT DE NALA.TRNSCHAP 

echter tot de onmogelijk heden behoort , om de eenvoudige reden 
dat de meusclien zich hier de luxe van praauwtjens niet perniit- 
teeren (die ze trouwens op de rivier niet noodig hebben, en op 
zee, om de woedende, onophoudelijke branding, niet gebruiken 
kunnen). Vlak-bij is een overvaart (door middel van een èrèfatt)^ 
waarmee men op een binnenpad komt, dat naar de k. Toegoe voert. 

31 Juli. Zeer vroeg op, om dat ik me van den-af-te-leggeii 
afstand, onder den invloed van de onjuiste inlichtingen der 
inlanders overdreven voorstellingen lieb gevormd. Voor zessen 
zijn we reeds op weg. Na de Patoedja vlak-aan haar monding 
doorwaad te hebben (het is vloed, ti oeroen pasang\ en we 
moeten daartoe den oogenblik van den terugslach der branding 
afwachten), rijden we voort over een breed, zandig strand, 
aan delandzijde wederom omzoomd door hooge, dichte pandan. 
We passeeren onderscheiden rivieren; de Tji Hanojan, de Tji 
Daon, de Tji Rantjutjèt, maar wier bedding lager ligt dan 
het strand, zoodat ze, althans in den droogen moeson, niet 
in zee uitwateren. Langsamerhand, wordt de strandweg al- 
smaller en smaller, zoodat het kokende schuim van de golven 
gedurig de lioeven onzer paarden bespat. Verscheiden, in zeo 
vooruitstekende landpunten snijden we af, door binnendoor te 
gaan; Tandjoeng Rantjètjèt, T. Kakoerantjak , T. Tji Pinang, 
en noch een paar anderen; maar aan T. Gepokan gekomen, waar 
het maken van een voetpad onmogelijk was omdat de geheele 
landpunt uit hooge , steile rots bestaat , en waar tegelijk van 
strand geen spoor meer te bekennen is, moeten we van onze 
paarden klimmen, en over scherpe rotspunten, soms tot aan de 
knieën door de zee waden. Hïiar water was, stellig door den 
heftigen golfslag, laauw om te voelen; mijne bloote voeten 
genoten er van, meer dan van den klipgroud. Ik vernam bij 
deze gelegenheid (wat zicli trouwens van zelf laat begrijpen), 
dat in de westmoeson er geen denken aan is, om hier door-te- 
komen; dat men dan, om (van Soedimanik uit) Tji Kawoeng 
te bereiken, binnendoor, den weg naar Tji Manggoe opmoet, 
tot aan Tji Tangkil. — Na de moeijelijke passage van T. 
Gepokan en de, onmiddelijk daarop volgende, doorwading van 
den breeden , waterrijken , Tji Aèr djeroeh , gaan we een eind 
binnendoor ; maar komen welhaast weer op het strand uit , waar 
we in de Tji Soerianën, de Tji Aèr Tjegog, en de Tji Boeha, 
de eerste rivieren passeeren (na de Tji Patoedja altijd) die een 

Digitized by VjOOQ IC 



VAN Mtt. D. KOORDEES. 357 

behoorlijke uitwateriiig in zee hebben. Onze paarden hebben het 
een poos zeer zwaar te verantwoorden op een, door de zee-zelf 
gevormde, zeewering, bestaande uit een laag blaauwe keijen, 
uit de beddingen der rivieren bij bandjirs losgewoeld, en later 
door de branding weer op strand geworpen. Vervolgens maken 
we een geweldigen doorsteek binnendoor, over een terrein dat, 
begroeid, deels met kort gras, deels met laag kreupelhout, 
wonder wel gelijkt op een Hollandsch duinpad; en verlaten, als 
we eindelijk weer op het, in den regel hier zeer smalle, pad 
uitkomen, dat niet weer, voordat we, na doorwading van den 
Tji Kalèdjètan, in de gardoe van dien naam zijn aangekomen 
(18 paal, gelijk men beweert, maar ik niet gelooven kan, van 
Patoedja). Op dit laatste gedeelte van onzen weg langs het 
zuiderstrand hadden we, eerst een poos lang lioog bosch in- 
plaats- van pan dan aan onze rechterhand (het was, waar de Tji 
Mokah parallel met den hier weer breeden , zeeoever voortloopt) , 
daarna echte duinen; hooge zandverheflingen , van boven tot 
onderen met pandan begi-oeid , en die een bij na-on weêrstaanbaren 
hang naar andere duinen bij me opwekten. 

De pondok te gardoe Tji Kalèdjètan (ressorteerende onder 
den kampoeng Tji Boenar) ligt in den oostmoeson even-aange- 
naam als die te gardoe Toengtoeroenan (aan den weg van Soe- 
dimanik naar Patoedja); in den wéstmoeson echter , wanneer het 
zeewater, door den westewind voortgezweept , er binnenspat, 
moet het er minder aangenaam zijn. Na in die pondok haastig 
gegeten te hebben , sloegen we landwaart-s in , ten einde in een 
noordwestelijke richting onzen tocht naar Tji Kawoeng voort-te- 
zetten. Het grootste gedeelte van den tijd werd besteed aan het 
overtrekken van het, in laagte met zijn lengte wedijverende 
Kendeng-gebergte , waarop echter tot mijn verbazing geen spoor 
van zwaar geboomte meer te bekennen was; de bekleeding be- 
staat uitsluitend uit galagah en jong opgaand hout. Het schijnt 
wel, dat men de bosschen totaal vernield heeft voor het aan- 
leggen van hoema's (van welke laatsten ik, tusschen twee haak- 
jens, in het voorbijrijden hoorde, dat hier geen blijvend eigen- 
domsrecht bestaat, ook al ompaggert men ze). Nadat we letter- 
lijk ongemerkt (zoo-onmerkbaar is zijn glooijing) den G. Ken- 
deng waren afgedaald, kwamen we in een water-en boschrijke 
streek, waar de grond (zooals de demang zeide, hier niet met 
wadas bezwangerd, maar met zand vermengd) kennelijk hoe 
langer hoe beter werd. Ik kwam langs een aanplant van goe- -C 



358 IETS UIT DE XAT.ATKN'SCHA? 

vememeuts-loffi, dichtbij Tji Kawoeng, die (voor Zuidbantam 
altijd) heel redelijk stond, ofschoon ze noch geheel volgens het 
oude systeem voor het zonlicht was afgesloten. Ook- hier groeit 
ïu het wild een schat van bamboe en rotan , welk-laatste echter 
doof de bevolking geëxploiteerd schijnt te worden ; althans , een 
hadji uit het noorden (ik meen van Tji Loerah) is bezig, hier 
drie eigen praauwen met rotan te beladen, die hij van haar 
heeft opgekocht. We doorwaadden achtereenvolgens de Tji Ka- 
woeng, de Tji Pinaugboeloe , en de Tji Tamandjaja (om van 
allerlei kleine waterlooze of bijua-waterlooze , spruitjens niet te 
spreken), en waren nu in eeu oogeublik te Tji Kawoeng, waar 
ik aan de pondok afstapte. 

Deze pondok , bestaande uit een lange , aan alle kanten opeue, 
pendopo of galerij . met een slaaphokjen zonder licht of lucht 
aan weerskanten van haar zuidelijk gedeelte, staat met haar 
front naar het noorden, op hoogstens vijf-en-twintig passen 
afstands van straat Soenda. 

Het gezicht, dat men uit haar heeft, op de plek waar ik 
zit te schrijven, is zeer schoon. Zuidwestelijk het lang- uitgerekte 
en tegelijk hooge Pajong-gebergte , geheel geïzoleerd boven den 
veel-lager liggenden omtrek uitstekende, en daardoor te sterker 
, uitkomende. Vlak voor zich het eiland Handëlëm en het eiland 
Boboko (eigenlijk twee Handëlëms, een Handëlëm pinggir eu 
een Ilandëlëm tengah.) Ver rechts vóór die eilandjes vooruit- 
springende , de vaste wal van Bantam , een landpuut vormende , 
die Tandjoeng Alang alang heet. Daardchter een hooge berg- 
rug zichtbaar, die men me zegt dat op het Prinseneiland 
t'huis behoort (welk Prinseneiland, naar een djaro, die niet 
dom schijnt, en die er meer-dau-eens geweest is, me verze 
kerde, zoet water in overvloed bevat). Rechts is in de verte, 
op kleinen afstand van de kust, het eilandtjen Badoel zicht- 
baar, dat zich als een bolronde groene massa hoog boven de 
oppervlakte der zee verheft. En nevelig vertoonen zich in 
een verwijderd verschiet de omtrekken van het spitstoeloopende 
Krakatoea (of, zooals het hier heet, Rakata) , waar Gronovius 
rust in zijn eenzaam, onbekend graf. Op de kalme, spiegelgladde 
wateren van straat Soenda, wier zacht gekabbel aangenaam is 
om te hooren , hier-en-daar een van die ranke bootjens (men zou 
ze best met onze gieken kunnen vergelijken) , waarmee de inlander 
zich zoo-st(mt durft wagen, tot ver in zee, en aan de kim een 
paar zwarte stippen , gelijk ik /.e vuu het Scheveniugsche strand 



VAN MR. J. KOORDEUS. 859 

af, zoo-dikwijls gezien heb; zeilen, wier gezicht opdien wijden 
waterplas, iemand goed aan het hart doet. Ten- over vloede vlak- 
bezuiden mijn pendopo de monding van de Tji Tamandjaja, 
gezellig gestoffeerd met de drie praauwen, waarin de boven- 
genoemde hadji zijn rotan kwam laden. Het liefelijk, vreedsaam 
en schilderachtig geheel, deed me waarlijk voor een oogerblik 
mijn dolle kiespijn vergeten 

1 Augustus Mijn hart was goed , om een uitstapjen naar 

Handëlëm te maken, waar men van hier in een roeibootjen 
gemakkelijk en spoedig (uiterlijk twee uur; ik-voor-mij geloof: 
eerder) komen kan. Maar er een heelen dag aanknoopen, in het 
belang van mijn taaistudies, wil ik niet; ik moet mezelf grenzen 
stellen, en voor loutere pleiziertochtjens heb ik hier om de 
zuid geen tijd meer beschikbaar; ik ga dus maar weer aan mijn 
plichtwerk, en zet van half-acht tot twaalven de behandeling 
van Rigg voort. We vorderen tot Gergadji. Daarna noch een 
poosjen napraten met den demang , die me onder-anderen vertelt , 
dat er in het heele demangschap Tji fialioeng maar drie 
hadji's zijn 

2 Augustus. Daar onze weg, om naar Soemoer te komen 
gedeeltelijk over het strand loopt, moeten we de ebbe aftvachten ; 
het is-uit-dien-hoofde eerst om acht uur , dat onze kavalkade (be- . 
staande uit veertien personen te paard, en negentien, met bagaadje 
en andere benoodigdheden , te voet) zich in beweging stelt. Als al 
die menschen betaald moeten worden; met andere woorden : als 
men de heerendienstèn afschaft; is aan reizen in het eigenlijk- 
gezegde binnenland geen denken meer. We gaan met prachtige u 
zonneschijn van Tji Kawoeng, die echter wel-eens hinderlijk 
had kunnen worden, als we niet meestal in den lommer van 
hooge boomen of vlak-langs zee gereden hadden. Ik durf een 
tochtjen van Tji Kawoeng naar Soemoer aan iederen toerist 
aanbevelen. De weg is een donker-beschaduwd , schilderachtig 
boschpad, dat zich telkens langs den zeekant heenslingert , en 
zich in een smal, door de vreedsaam-kabbelende wateren van 
straat Soenda bespoeld , door de zware stammen en het prachtige 
loof van reusachtige njamploengs (die zich neerbuigen , als wilden 
ze de golven kussen) overwelfd strandpad verandert, van waar 
men op de omliggende eilanden en Sumatra's hooge bergen een 
vermkkelijk-schoon gezicht heeft. Hoeveel moeite de bevolking 
ook gedaan heeft om , iGn. behoeve van haar hoema's (een soort 
van drooge rijstvelden) de bo3schen te vernielen; hoe-dikwijla 



860 IETS UIT DE NALATENSCHAP 

men dan-ook, dien -ten-gevolge, aan weerskanten van den w^ 
niets dan alang-alang of jong kreupelhout ziet; op vele plaatsen 
met de halfverbrande tronken van reusachtige boomen, als een 
aandoenlijk gedenkteeken van vernield natuurschoon ; — verreweg 
het grootste gedeelte van den tocht gaat men door maagdelijke 
bosschen met hun sierlijke lianen en hun vorstelijke kiapa'*s en 
hun tooverachtige lichtspelingen , om zich bij tusschenpoozen 
weer te verkwikken aan de koele zeelucht en de liefelijkste 
zeegezichten. We begonnen met een grooten doorsteek binnen 
door te maken, terwijl we achtereenvolgens de Tji Boentoe, de 
Tji Pinang ading , de Tji Binoea en de Tji Saat doorwaadden ; 
gingen daarop een eind, deels langs het strand, deels (waar 
de neerhangende njamploeugs het eigenlijk-gezegde strand ver- 
sperden) door het water heen; daarop weer landwaarts in, de 
Tji Boeroeloe, de Tji Goroudong, de Tji Pining door; en 
hielden stil te Tji Pining, een kleine ampihan van den kampoeng 
Tji Taugkil. Rechts van ons hadden we , op dit eerste gedeelte 
van onzen tocht, den hoogen Goenoeng Honjè met zijn ondoor- 
dringbare bosschen ; gelijk we tóter het gezicht kregen op de , 
kennelijk soortgelijke, bergen van Tjamara. Het schijnt hier een 
waar tijgerland; althans een eenzaam huisjen^ dat we tusschen 
de Tji Gorondong en de Tji Piuing voorbijkwamen , rustte op 
palen, die stellig tien voet boven den grond uitstaken. Ik had 
hier-ergens noch gelegenheid, om de ellendige onverschilligheid 
van den inlander op-te - merken ; een eindtjen weg, waar jonge 
klappers langs geplant waren, en dat men (ongetwijfeld te mijner 
eer) van onkruid had moeten zuiveren, had men gemakslialve , 
met jonge klappers en al, maar afgebrand, enkel om zich 
de moeite te besparen , van vijf minuten lang zijn arit te moeten 
gebruiken." — Van Tji Pining (vijf paal ongeveer van Tji 
Kawoeng) tot Soemoer ontmoetten we (met uitzondering van 
een kleine ampihan van k. Tji Manggoe, een paal bezuiden 
Soemoer) geen spoor van bewoning meer. In de natuur, die 
ons omringde , geen verschil , behalve dat we hier van-tijd-tot-tijd 
rijzen en dalen moesten (op de wegen in het Tji Balioengsche 
wezenlijk een zeldzaamheid) — dat we noch-meer eigenlij k-gezegd 
//oorspronkelijk bosch'/ ontmoetten, — en dat, betrekkelijk, 
het aantal rivieren minder werd (we doorwaadden enkel-noch 
de Tji Poenaga, de Tji Haoer, de Tji Honjè, de Tji Awi lëtik 
en gedè, en driemaal den, blijkbaar geweldig-kronkelenden, 
Tji Soemoer, of liever tweemaal, want de derde maal lag er 

Digitized by VjOOQIC 



VAM Mk. D. KOOllDRBd. Söl 

een brug.) £ven-v6or den bovengenoemdeii ampihan van Tji 
Manggoe liep met ons pad de eigenlijke weg van Soedimanik 
naai Soemoer samen , die er ook zeer uitlokkend uitzag , althans 
voor iemand die, zooals ik, van zulke donkere boschpaden 
houdt. Bij dien ampihan zag ik voor-het-eerst een Goevernements- 
peperaanplant , als het er overal zoo-ellendig meê geschapen 
staat, zal men verstandig doen met de peperkultuur ook-hier 

maar zoo-spoedig-mogelijk in-te-trekken Om éen uur zoowat 

kwamen we aan de plaats onzer besteraming De pondok 

is geheel volgens het systeem van die te Tji Kawoeng, en 
even-dicht aan de zeeoever gebouwd, maar met het front naar 
het westen, en met sierlijke klapperboomen er voor. Op drie 
minuten afstands ligt het eilandjen Soemoer, van den vasten 
wal door een zandplaat afgescheiden, die alleen tijdens den 
vloed onderloopt; bij onze aankomst lag ze geheel-droog. In 
een zelfde lijn met Poeloe Soemoer, en daarvan niet-meer dan 
een steenworp verwijderd , liggen , rechts het eilandjen Demang , 
links het eilandjen Oar (van-uit mijn pondok gerekend) 

's Avonds aan Rigg , we avanceren tot jogjog. 

3 Augustus. Alweer den heelen morgen lang, van hetzelfde 
laken een pak. We vorderen tot katnnehar (lees: kaioenljar). 
Als het zoo- voortgaat, krijg ik Rigg misschien noch uit in het 

Tjiringinsche Ik maak van de eb gebruik , om met mijn 

onderhoorigen en eenige geleiders een wandeling naar en over 
het eilandjen Soemoer te doen. Ik zie daar voor-het-eerst het 
beroemde Marabou-hout , dat hier, evenals op Si de naburige 
eilandjens groeit; kolossale stammen met reusachtige wortels, 
reusachtig-dik en reusachtig-Ung. Ik verneem dat er geen twintig 
boomen meer overig zijn, want dat siuts jaren van heinde en 
ver men er is komen kappen, en dat er geen jonge stek- 
ken uit den grond opslaan. Yan den westelijken zoom van 
het eilandtjen zien we negen groote driemasters door straat 
Soenda zeilen. Yan diar zie ik ook dat aan den vasten 
wal mijn oog me bedrogen heeft; dat wel Oemang, maar niet 
Oar, in éeue lijn met Soemoer ligt; dat Oar een heel eind 
in een westelijke richting vooruitspringt. De Tjiringinsche praauw , 
die gisteren bezig was rotan te laden (ook-hier groeit in de 
naburige bosschen een schat van bamboe en rotan in het wild; 
gisteren passeerden we onder-anderen een terrein dat er geheel 
meê bedekt was; en er wordt dan-ook, vooral in rotan, vrij- 
wat handel gedreven) is noch niet verzeild. Bij eeu ander schuitjen ^ ^ 



S62 IETS ülï DE NALAl'EKSCHAl^ 

//vaii de plaats'/ zooals men het noemt, zie ik van die tjangkok 
te droogeu liggen, waar de oppasser van den demang gisteren 
in een half uur tijds vier kraujaugs vol van ving, en die men 
?.e^ dat bij de rijst zoo-lekker smaakt. Het is een klein, fijn 
vischjen , niet grooter dan de sardines ; ik ben overtuigd dat ze 
d&e-laatsten in Indië zouden vervangen , als men ze maar wist 
te bereiden. We hebben op den temchtocht te kampen met ver- 
vaarlijke val-of rukwinden, die den heelen middag al heerschen ; 
ze komen natuurlijk uit het Oosten, maar al kwamen ze uit 
het Westen, met andere worden ook in den Westmoeson , zou 
Soemoer, geloof ik, geen last hebben van het opstuwende zee- 
water. Het ligt geheel in een baai, gevormd door Tandjoeng 
Soemoer (zuidelijk) en Tandjoeng Lësoeng (noordelijk); 
en die, zeer ondiepe, geheel doorwaadbare en dikwijls droog- 
loopende baai is aan den* westkant volkomen gedekt door de 
eilandjens Oar, Soemoer en Oemang. Als een merkwaardige zeld- 
zaamheid teeken ik hier noch aan, dat hier te Soemoer een vijf- 
tal Talèmbangers wonen, die landbouwers zijn. Aan zee, in de 
nabyheid van mijn pondok , staat een gomelastiek-stek , die schijnt 
te groeijen ; maar als men overal zulke kromme en oude stukken 
tak geplant heeft , verwondert het me niet , dat er van den heelen 
aanplant niets terecht gekomen is. 

Na den eten, tot laat in den nacht, voortzetting der behan- 
deling van Aigg. We vorderen tot Lakoe. Ik moet me schor 
schreeuwen , om me boven het geloei van den wind uit verstaan- 
baar te maken. 

4 Augustus. Aanvaarding van den temchtocht uit het Tji 
Balioengsche. We gaan een eind tj en weer, eerst langs zoo'n 
schilderachtig boschpad , daarna over een door njamploeugs over- 
welfden strandweg, tot-aan de Tji Siïh. Na dien doorwaad te 
hebben, krijgen we vast, glad en breed, maar zonder boom- 
bekleeding van eenige beteekenis , en daardoor eentoonig strand , 
slechts een enkele maal (benoorden de grensscheiding) afgewisseld 
door liefelijk en lommerrijk boschaadje, waar ons pad zich door- 
heen kronkelt om welhaast weer aan strand uit-te-komeu, tot 
den, op vijf minuten afstands van de zee liggenden kampoeng 
Tjamara toe. De heftige wind van gisteren duurt noch-altijd voort; 
voor mijn breedgeranden en bandeloozen hoed is hij zeer lastig , 
maar voor het af brandingsproces , dat de hoema^s dezer dagen 
ondergaan moeten, allergewenschtst ; hij heet dan ook in de 
wandeling de «' afgebeden wind// {angin salalan). Ons pad ^ dat, 



Van Mtt. D. KootiDEtts. 363 

de richting van het staud volgende, van Soemoer tot-aan de Tji 
Siïh bijna-pal-oostelijk geloopen had, buigt zich vandaar-af tot 
Tjamara toe in een noordelijke richting om. Aan de grensscheiding 
van het Tji Balioengs^he en Panimbangsche , de monding van 
de breede, diepe, zich in twee armen splitsende , Tji Djaralang, 
die we met een èrètan overgaan, vervaardigd opdat we niet 
tot aan de borst toe door het water zouden behoeven te waden , 
verwelkomt me de mantri van Panimbang met gevolg , door ge- 
hurkt de saamgevouwen handen in aanraking met mijn been te 
brengen 

' Van Tjamara gaan we in een zuidoostelijke richting landwaarts 
in. Voor ons uit niets dan bosch en bergen. We rijden tusschen 
nieuw-aangelegde sawah door (de eerste die ik weer zag sints 
onze a§mkomst te Moendjoel), waarvoor de bevolking van het 
naburige Tjamara bezig is , zonder eenige hulp eene waterleiding , 
die we eveneens langs komen , van uit de Tji Tjamara te graven ; 
doorwaden tweemaal deze laatste rivier , wier bijna-drooge bedding • 
me, met den mantri, voor het welslagen dezer energieke onder- 
neming vreezen doet; en krijgen nu weer zoo'n echt, onophoude- 
lijk rijzend en dalend bergpad, als men in Lebak aantreft. 

Op een hooge helling, even-nadat we de Tji Tjamara waren 
doorgegaan, zagen we aan onze rechterhand, in een rechte 
lijn met het punt waar we ons bevonden (zóo sterk buigt hier 
de weg zich zuidoostwaarts). Soeraoer met zijn eilandjens, be- 
spoeld door de wateren van Straat Soenda, waarin het zonlicht 
zich vrolijk weerspiegelde. Steeds rijzende en dalende, soms 
langs vervaarlijk-lange en vrij-steile hellingen, passeerden we 
achtereenvolgens allerlei kleine spruitjens, lorah Mareng, lorah 
Poetak, lorah Waroe, lorah Kadoe, en de Tji Gëlis; even-v(5or 
lorah Moreng, is een kleine , maar steile , moeijelijke daling langs 
afgebrokkeldeu en door welwater glibberigen wadas,waar mijn 
paard niet afdurft , zoodat ik moet afstijgen , ten-einde me voor 
een mogelijk ongeluk te vrijwaren. We rijden, gedeeltelijk tus- 
schen dicht ineeugegrqeid kreupelhout , soms-ook tusschen alang- 
alang , maar meestal tusschen hoog bosch door. Geen kampoeng 
is aan den gezichteinder te bespeuren in dit woeste , vale kleur- 
looze bergland, waar het dan-ook wemelt, zoo als men zegt, 
van tijgers en rhinocerossen. Aan de oostzijde van de Tji Gëlis 
gekomen, verlaten we, de tot-dusver gevolgde, zuidoostelijke, 
richting, en slaan links, dat wil zeggen, oostwaarts, af; opeeu-C 



é6t iBfS UtT DÉ NALAtÊKSOrtAP 

punt, waar de weg een gaffel vormt, en rechtdoor, zooals 
men me zegt , naar zekere kami^oeug Karang Bolong voert Wel- 
haast wenden we ons noordoostelijk, en komen op een plek, waar 
we links, op eenigen afstand. Straat Soenda wederom , dit maal 
met het eilandjen Haliwoengön, aan onze voeten zien liggen. 
We doorwaden de smalle lorah Kèkèha en Tji Lëtik , benevens 
tweemaal de, daar vlak-bij zijnde, breedere Tji Pipisan, en 
passeeren die rivier vervolgens op een punt , waar ze allerschil- 
derachtigst, ongeveer in den vorm van een halve cirkel, een 
sooii van schiereilaudjen besproeit, welks welig-groenend geboomte 
zijn zachte schaduwen wer})t op haar kristalheldere wateren , die 
in hun steenbedding liefelijk voortruischen. We reden den kam- 
poeng Sitoe door, en vervolgens de lorah Tegal, die haar naam 
niet ten-onrechte draagt, want van-nu-af slingert de weg zich 
meestal , voorzoover hij niet tusschen gewezen hoema's heenloopt, 
door groene hier-en-daar met geboomte beplante, tegalvelden. 
Aan een punt gekomen, waar rechtuit een weg naar den kam- 
poeng Tji Sërëhën loopt, sloegen wij rechts (zuidelijk) af, om 
onzen weg naar Tji Sëkët te vervolgen. We komen door Katoembiri, 
een ampihan van den k. Sitoe (wel te onderscheiden van den, 
in de nabijheid gelegen, k. Katoembiri) ; doorwaden de, aan dien 
ampihan zoomende , Tji Sëkët , en wenden ons nu in een oost- 
noordoostelijke richting; welhaast arri veeren we nu te Tji Sëkët. 
De k. Tji Sëkët maakt weer , door het kolossale en soliede zijner 
huizen , zijn rijken aanplant van klappers en andere vruchtboomen, 
en het welgekleede en tevreden uitzicht zijner bewoners, den 
indruk op me, dien (zonder eenige uitzondering) al de dorpen 
in het Tjiringinsche op me gemaakt hebben, dat hier, zoo-al 
geen rijkdom, dan toch wezenlijke welvaart heerscht; dat hier 
geen overmatige knevelarij van Hoofden moet gevoeld worden. Het 
dorp ligt nagenoech op een eiland , gevormd door de (in den oost- 
moeson bijna-waterlooze) Tji Sëkët en Tji Pëtëj , die zich benotirden 
de plaats vereenigen; de eerste van het westen, de ander van het 
oosten daarhenen samenvloeijend. Er is geen balè, maar een 
vormelijke masigit, waarhenen gisteren-avond, en heden-morgen 
(ik schrijf dit op Vrijdag) na afloop onzer samenkomst, veel 
toeloop was; zooals hier ook een pangoeloe is, die huwelijken 
mag sluiten. De huizen zijn hoog uit den grond gebouwd en 
zeer ruim; het geraamte bestaat geheel uit hout. Als men bij 
ons in de Preanger in de distrikten komt, ziet men dat 
bijna-uergeus; hoewel men volgeus Masroen zeer verkeerd zou 



Vak Jiti. ö. KooiiüEftjJ. 365 

doeji, daaruit tot mindere welvaart te konkludeereil. De kampoeng- 
bewoner ziet er daar, zegt hij, meer voordeel in, om het hout 
op de hoofdplaatsen tegen duren prijs te verkoopen, dan om 
het zelf te gebruiken; en dat is zeer aannemelijk. Hier in 
Zuidbantam is voor het artikel natuurlijk geen debouché te vinden.... 

5 Augustus. Met geweldige hoofdpijn begin ik om zeven uur 
onze samenkomst. Het werken valt me zeer zwaar; verlangde 
ik niet onweerstaanbaar naar my dear home, ik zou een dag 
rust nemen. Gelukkig kan ik toch met sukcès tot klokslag van 
twaalven mijn bespreking van Rigg vervolgen; we avanceeren 
tot ngamboel. Ik kom meer en meer tot de overtuiging , dat — 
indien ik tot het bewerken eener uitvoerige kritiek van 
Rigg, die me wel aanlacht, mocht overgaan — ik zal moeten 
beginnen met vergeving te vragen voor het veel-te-zoetbloemige 
van mijn vróeger-nitgesproken oordeel. Het is zeker wel voor- 
het-eerst van mijn leven, dat ik niet-scherp-genoe^ geweest ben 

's Avonds , ouder gewoonte , van zevenen tot twaalven weer 
koempoeïan , we vorderen tot het woord palè. 

6 Augustus, Om vijf uur op en vóór zessen te paard, ten- 
einde van Tji Sëkët naar Perdana, de hoofdplaats van het distrikt 
Panimbang, te vertrekken. Gelukkig eindelijk eens een weg, 
waar zich niets anders van zeggen laat dan- dat hij iets zeer 

langs, zeer vervelends en zeer Zuidbantamsch was Een en 

twee paal van Tji Sëkët passeerden we noch kampoengs, deu 
k. Sërëhën met zijn ampihan Moehara Tji Sërëhën, en den 
k. Tji Gabig; gedurende dien tijd reden we ook-noch tusschen , 
met geboomte beplante, tegalvelden door (terwijl we de Tji 
Sëkët ééns, vlak-bij den kampoeng van dien naam, doorwaadden, 
en ééns met een brug overgingen); maar daarna bleven we, 
altijd voortrijdende in een nagenoech-pal-oostelijke richting, 
tot-aan den grooten weg van Tjiringin naar Soedimanik toe, 
tusschen hoog kreupelbosch , een enkele maal (dit was de eenige 
variatie) afgewisseld door wat galagah. Bevolking en bebouwing 
hielden nagenoech op, toen we. den k. Kalapa Satangkal aan den 
Tji Mandahan (dien we, even als een poos vroeger, den Tji 
Bodas op hooge, leuninglooze bamboebruggen overgingen) uit 
waren. Het beste bewijs daarvan was, dat de dragers van mijn 
goed, die gedurende de eerste acht paal driemaal verwisseld 
waren, van Kalapa Satangkal tot k. Tjorodog, zijnde een dis- 
tantie van tusschen de zes en zeven paal, door geen andere 
vervangen werden. Het terrein mag niet geakcidenteerd genoemde 

3o Volgr. IV. 25 



3öfl tUTS UtT W5 KA.t.AtBVSCltAt 

worden; de gol vingen vau den grond zijn wel vele, maar van 
weinich beteeke^is. Daarentegen werd, van de Tji Latak af 
(eeu eind aan déze zijde van Kalapa Satangkal) tot Tjorodog 
toe, de weg buitengemeen-modderig; ik neem dan-ook gaarne 
de verzekering van den mantri vau Perdana voor waarheid aan, 
dat men er in den regentijd te paard niet door kan komen, 
en met een praauwtjen den waterweg langs de Tji Latak moet 
volgen. Na (op vijf paal afstands van Kalapa Satangkal) den 
k. Longkrang, en vervolgens Tji Medang en Tjimara, twee 
onderhoorigheden van Tjorodog, te zijn doorgetrokken, hielden 

we in laatstgenoemden kampoeng halt 

Welhaast kwamen we uit op den grooten weg van Tjiringin 
naar Soedimanik, een breede, kale, sterkgolvende weg zonder 
de minste besdiaduwing, maar reeds door een minder-unheimi- 
sche meer-bebouwde en bewoonde streek loopende. We sloegen 
links af, ten-einde in een noord-noordwestelijke richting onzen 
koers naar Perdana te richten ; passeerden achtereenvolgens de 
gardoe Angsana, den k. Kalapa doea, de (overbrugde) Tji 
Taradjoe, den k. Pasir Moeroel; en stapten tegen éen uur in 
de ruime, nette, aan den waterrijken, met praauwen van zijn 
monding af tot-hier toe bevaarbaren , Tji Liman zeer frisch ge- 
legen pasanggrahan af. 

Indien het waar is fwat de patih me van morgen verzekerde) 
dat ook noch in het distrikt» Tjiringin en zelfe in het Pande- 
glangsche tot Baros toe Soendaneesch wordt gesproken (welk-laatste 
wonder wel overeenstemt met het door mij opgemerkte feit, dat 
ook te Petir, op nagenoech denzelfden afstand van de noordkust 
liggende ak Baros , het Soendaneesch noch de volkstaal is), dan 
zal het wel //keine Ruhl bei Tag noch Nacht" voor me blij ven 
vooreerst. Maar enfin! ik troost me met de gedachte, dat het 
ffjXA gedanen arbeid zoet rusten is.'' 

Voor den eten eene kleine wandeling; na den eten val weer 
van voren af aan," aan Rigg. We vorderen tot. peled. 

7 Augustus. Vervolg van het voorgaande. We avanceeren tot 
rebon. 



Digitized by 



Google 



VAN k». D. KOORDEÏIS. 867 

REIS DOOK SOEKAPOERA. 

KOI^TE BEISAANTEEKBNIVGEN. 

13 Mei. Om 7 uur 's ochtends, onder een stek^de zon , van 
Randoeng vertrokken. Tandjoeng Sari. Het lange pad , zich slin- 
gerend langs steile, kale wadashellingen aan den éenen, langs 

het diepe ravijn van de Tji aan den anderen kant , door 

een woest landschap , wekt op nieuw mijn bewondering. Evenzoo 
treft het me op nieuw, dat zelfe het kleinste plekjen, waar 
water gebracht kan worden, door de nijvere bevolking tot sawah 
benut wordt. Langsamerhand dalen we, en komen weer in een 
vriendelijke , door kampoengs vervrolijkte natuur. Aankomst te 
Soemedang Ik hoor sommige dingen , die me belang in- 
boezemen: b. V. dat in 7 jaar tijds het getal buffels, die ge- 
slacht worden in de Preanger , van 7000 tot 15000 is geklommen ; 
dat verleden jaar het zoutverbruik maar-13 kojangs minder is 
geweest, in weerwil van een middelmatigen kofiBoogst, en dat 
de bevolking, in-plaats-van ruim een miUioen, slechts ƒ 180,000 
voor kofiS heeft gekregen; en dat de Javasuiker het nooit k«n 
of zal uithouden tegen de beetwortel. Ik vergat bijna te noteeren , 
dat de Regent me onderweg meedeelde, hoe oudtijds de groote 
weg niet lan^ het slangepad liep, maar dwars over de belen- 
dende bergen , en hoe Baendels daar in een kadèra ' was langs 
gekomen. 

14 Mei. Om 7 uur op reis naar Malangbong langs den, wel 
rijzenden en dalenden, maar overigens uitmuutend-onderhouden 
rijweg, die in 1839 — 40 (Rezidenten konden toen zulke nuttige 
ondernemingen noch op eigen gezach aanpakken) is aangelegd. 
De landstreek is alleraanvalligst , een aaneenschakeling van kam- 
poengs en sawahs, overal doorsneden met grootere en kleinere 
rivieren. Het wemelt op den w^ van voetgangers. Tusschen 
Soemedang en den eersten post (Ganèas) passeeren we o. a. de 
Tji Pèlès , en (even-voorbij de k. Tji Konèng) het riviertjen van 
dien naam. Vervolgens de Tji Soedadjaja, endenk. Tjanoekoer, 
de Tji Tjapar, zóó komen we aan den 2^ post (Tji Kadoe). 
Sukcessievelijk passeeren we nu denk. Doestan, de Tji Bajawak, 



» Kadéra is Pozt. en bet. stoel. (?) DigitizedbyGoOglC 



{i68 Iet mt t)v. nai^atèjnscha^ 

de Tji Honjè en allerlei aodereu; zoo bereiken we den derden 
post (Dermaradja). Daarna o. a. de Tji Moedja, de Tji Manoek(dien 
we eerst links van ons in witbeschuimde golven zijn troebele 
wateren zien voortstuwen over de ondiepe bedding, en daarna 
tweemaal overgaan, eens op een punt waamtwee van zijn armen 
gaffelvormig samenvloeijen ; kort-daarop noclimaals) , den k. Wado, 
enz. Waar de vierde post (Tji Lèngkrang) ligt, pretendeer ik 
niet precies te weten; alleen weet ik, dat het landschap hoe- 
langer hoe-bergachtiger werd ; niets dan bergen , zoover het oog 
reikte, in de grilligste vormen zich de een boven den ander 
stapelend , meest-allen zonder boorabedekking , maar (waarschijn- 
lijk onder den invloed van de westmoeson) met frisch groen 
bekleed. Na den Tji Karèo te zijn overgegaan, komen we aan 
den woesten, eenzamen, langen, pasir Tji Karèo, waar detau- 
djakan Tjaè ons o verleidt, uiterst-I angsaam en landziekig , want 
ptüen-ver moeten drie span buflels ons voorttrekken. Ik amuzeer 
me met Soendaneesch van koetsier en loopers op-te-vangen en te 
bespreken. Gelukkig verliest, nadat we eenmaal den top van den 
heuvel bereikt hebben, de natuur haar woest, verlaten, onher- 
bergzaam uitzicht weer. Trotsch en stout blijven ook-hier van 
alle kanten de, in wolken gehulde, bergtoppen, b. v. van den 
Goentoer vèr aan den gezichtcinder rechts , van den woudrijken 
Simpaj vlak-vooruit (om er een pdar te noemen), den toeschouwer 
aangrijnzen ; maar aan de hellingen van het gebergte hangen 
half verscholen tusschen de geliefkoosde bamboeboschjens en klap- 
perboomen , gezellige kamjwengs , afgewisseld door sawafis waarop 
de padi haar goudgeele airen heen-en- weer golft of ook- wel noch 
prijkt met den onvergelijkelijk-schoonen gloed van haar prachtig 
groen. In snellen draf dalende, bereiken we welhaast den vierden 
post (k. Tji Soemawana), en bereiken tegen een uur behouden 
de nette pasanggralian te Malangbong (31 paal van Soema- 

dang ruim) De avond (het gietregent , zoodat ik niet uitkau 

om de pakemüan ' te bezien) vliegt om onder het in-orde- 
brengen van mijn Soendanee^che aanteekeningen , al pratende 
en konzulteerende met Masroen ^ en de pasanggrahan-menschen — 
15 Mei. Om half zes uit de veeren, om half zeven in den 
wagen. Naauwelijks zijn we de brug over de Tji Malengbong 
gepasseerd, of we krijgen waarachtig weer buffels en houden 
die palen ver, den heelen Pasir Tji Sèlang over (welke laatste 

* Zie vroeger. 

' Pe schryver, dien K. by zyn stadiën in dienst had. ^ j 

Digitized by VjOOQ IC 



VAN MR. ü. KüÜRDERS. 369 

rivier links van de heuvelhelling, waarlangs de weg zich heen- 
slingert , zich in de diepte voortkronkelt , aan den voet van 
welig-groenende sawahs). Dungezaaid zijn hier de kampoengs 
die we passeeren (ik herinner me enkel k. Tji PëndÖj), en aan 
weerskanten stuit het oog weer overal op bergen , maar toch is 
het laudscliap niet onvriendelijk , want aan de hellingen van die 
bergen hangen overal sawahs. Bij paal 35 snijden we den ouden 
weg naar Manondjaja, die door voetgangers, als de naaste, noch 
vaak gebruikt wordt. Dicht-bij den eersten post (Tji Panas) ver- 
andert het uitzicht en vertoont zich in zuidelijke richting niets 
dan flaauw golvend, bijna vlak, land. Tusschen den eersten en 
den tweeden post (Tji Kolè) ligt de groote , blijkbaar welvarende , 
kampoeng Tji Awi, waar het me frappeert in deze houtarme 
streek weer enkele houten huizen te zien, en waar (dat wil zeggen 
in den k. Panjoesoekan , die er onder ressorteert) een koffipak- 
huis is.. Tusschen den tweeden en den derden post (Tji Bodas) 
wordt de landstreek weer hoe-langer hoe- volkrijker; de grond, 
tot-noch-toe hoogrood , wordt wéér zwart van kleur ; en een keten 
van sawahs, deels prijkende met padi, deels beplant met tal van 
tweede gewassen , omzoomt den weg. Rechts zijn nu geen bergen 
meer te zien; links daarentegen teekent de G Tjeremaj en de 
vooral niet-minder hooge , G. Bongkok , die daarbij lang- uitgerekt 
is en zich veel-dichterbij bevindt, zich scherp aan den gezicht- 
einder af. We komen o. a. door den grooten k. Redjapolah. Tus- 
schen den derden en den vierden post (Tasik Malaja) ligt de 
rijke pakemitan Indihiang, door de Tji Patés (waarover een 
steenen brug ligt) in twee deelen gescheiden, maar stellig twee 
paal lang. De menschen langs den weg en in de kampoengs zijn 
over-het-algemeen goed gekleed en ook het enorme vertier op 
de pasar te Tasik Malaja getuigt dat in deze streken geen ge- 
brek heerscht. Ik rijd rechtdoor naar Manondjaja (waar ik 

echter , daar ik hier een armhartig stel paarden krijg) niet 

al-te-vroeg aankom. Het landschap blijft voortdurend vriendelijk , 
vlak, bebouwd en volkrijk; de weg, belommerd door i-edelijk- 
groeijende djatiboomen (gelijk trouwens van Soemadangaf, maar 
minder-geregeld , en noch dikwerf afgewisseld door waroe's) , 
maakt een zeer vreedzamen, Europeeschen indruk. 

Ik stap af aan een nieuwgebouwd, zeer goed ingericht, ge- 
bouwtjen voor gasten {bale) voor het huis van den patih. Deze 
komt me bezoeken, spoedig daarop ook de Regent; beiden zoo- 
gaauw, dat ik geen tijd heb om mijn bemodderde broek met - 



370 IETS ITIT DK NALATENSCHAP 

een schoone te verwisselen. T)e regent is een man in de kracht 
Yftn het leven , met heldere oogen in het hoofd ; de patili een 
ond man; beiden komen bij na- zonder gevolg. Ze eten met me. 
Tegen vijf eut (want het gietregent) zendt de Regent zijn rijtn.^ , 
om we te brengen naar zijn, 11 maanden oud, buitenverblijf, 
^ paal van de nagri gelegen en den stempel van een zeer goeden 
bouwsmaak dragende. Ik maak kennis met de Raden-ajoe (eeii 
zacht, vriendelijk aristokratiesch vrouwtjen) en hun oudste kiiul , 
een mei^jie van 6^7 jaar 

16 Mei Wie zijn kleêren liefheeft en weinig geduld te ver- 
liezi^, durf ik niet aanraden om, als er den vorigen avond 
regen gevallen is, in een laag open wagentjen van Manondjaja 
naar Bandjar te rijden. Vooreerst is het eigenlijk geen weg voor 
rijtuigen, hij heeft zulke enorm-sterke golvingen en hellingen, 
dat men ieder oogeublik met macht van menschen en touwen 
üaar boven getrokken moet worden 

Ten tweede maakt de begrinding , waarmee men bezig is ... . 
hoe prachtig het kiezelzaud uit de Tji Tandoej ook wexen 
moge, dat de paarden bijna- niet voort kunnen, en het begsuiii 
van de scherpe kiezels, voor hén een soort van Kévelaarsche 
bedevaart, voor den reiziger een geduldproef en gehoorbederf 
is. En eindelijk, waar de weg noch-niet begrind is, stoof ons 
de geele, taaye, kleverige modder in zulke vervaarlijke klonten 
en zoo'n enorme hoeveelheid om de ooren, dat ik voor mij dk» 
in em stortregen veiliger zou geacht hebben. Het landschap, 
waar we doorrijden, is heuvelachtig; doch alleen in de richting 
van het zuiden vertoouen de heuveltoppen hier-en-daar sporen 
van boechbedekking. Kampoengs passeeren of zien we weinig 
of niet; — van sawahs zoo-te-zeggen hier geen spoor; — 
maar de nadagen van den westmoeson, gepaard met de vlijt 
vau. den landman (die hier sterk doet aan het planten van tweede- 
gewassen) , houdt noch-altijd de tallooze tegals , die zich tot-aan 
den verren gezichteinder uitstrekken, getooid met een frisch 
groen gewaad. Geïzoleerd vertoont zich, vóór ons uit, in het 
' verschiet de bolvormige G. Tampa-Omas in het Tjiaraissche. — 
Na den 4^'^ paal verdwijnen meer-en-meer de sporen van be- 
bouwing; het landschap krijgt een woest en verlaten voorkomen 

Op den 1***^ post (Kebo bolong) voorzien we het rechter voor- 
wiel, dat wrak begint te worden, en sukkelen voort naar den 
2*" post (Panaèkan), in den kampoeng van dien naam. Dicht- 
voorbij dien Z***^" post zien we voor-het-eerst de Tji Tandoej , 



VAN MR. D. KOOROEBS. 371 

hier noch smal, zich link» op korten afstand van ons pad in 
zijn diepe bedding voortkronkelen. Het is een uiterst-smalle 
dalkom, waar zij zich baan door breekt; maar liefelijk is haar 
aanblik, want de landman heeft haar water aanstonds wéér 
geutiliseerd om sawahs aan-te- leggen , en daarait zijn natuurlijk 
overal kampoengs ontstaan. Om de noord omzoomen hoc^e bergen , 
waaronder de boven allen uitstekende G. Tjeremaj, den horizon, 
We posseeren, zonder iets van belang te ontmoeten, den 
3^*° post (Tji Maragas), en naderen nu allengs de kleine, maar 
liefelijke , welig met geboomte en sawahs prijkende , vallei , waar 
Bandjar in ligt. Met gezwinde pas dalen we daarin af, ook omdat 
de weg hier, reeds voor lang begrind, steenhard iö geworden. 
Ik stap aan den pasanggrahan af. 

17 Mei. Om zeven uur den Tji Tandoej naar Sapoe-angin. Aan 
boord scherp toeluisteren, en allerlei nieuwe woorden opvangen.... 
We stappen om 3 uur aan wal. Den avond besteed ik met 
bespreking van het afgeluisterde, en met de rezultaten. daarvan 
aanvankelijk te noteeren. 

18 Mei. Om vijf uur doodmoe uit de veeren, en om half zes 
weer aan boord. De Tji Tandoej , met zijn genoechsaam-onbe- 
woonde oevers , meerendeelp begroeid met niets dan vaalklenrige 
kaso ' , en slechts op zeer enkele plaatsen prekend met opgaand 
geboomte (dat dan noch , althans aan den Soekapoeraschen kant , 
slechts een zeer smalle streep of zoom vormt, waarachter zich, 
volgens de mededeelingen die ik ontfang, enorme moerassen 
uitstrekken), blijft een treurigen indruk maken; het meegegane 
kampoenghoofd zegt, dat de grond zeer vruchtbaar is, maar 
dat niemand lust heeft zich zoover van de bewoonde wereld af- 
te-zonderen. — Gelukkig heb ik tot over tweeën werk om mijn 

Soendaneesche aanteekeningen bij-te-werken ; tegen haif 

vijf slaan onzo booten de smalle, ondiepe, maar tusschen 
bebouwde akkers (een oaze in deze woestenij) zich voortölingerende 
Kali Foetjang in , die ons in de nabijheid van den pasanggrahan 
brengt. Ik maak geen gebruik van de zeer antieke tandoe, 
die aan de aaulegplaats gereed staat en wandel (ik gis, een 
halvepaal ver) door de welvarende^ met de prachtigste vruchtboomen 
prijkende pakemitan naar de pasanggrahan, die op dé aloen- 
aloen staat, op den weg van Kawasèn naar Tjikemboelan. Ik 
stuur (daar ik zoo graag wat van het kasar — eig. ruW , grof, 



' Volgens Rigg Soendaneesoh voor 't bekende gla^. (M.J^igi^i^edbyCjOOglC 



372 IETS UIT DE NALATENSCHAP 

dus gemeen — Javaansch zou weteu, dat de bevolking hier 
spreekt , als ze onder zich is ; en daar er voor mij geen denken 
aan is, om iets te weten te komen van deze menschen, zoo- 
verlegen voor vreemdelingen, dat ze, zelfs als mijn schrijver 
hun naar de beteekenis van een of andfer woord, dat hij hen 
hoort gebruiken , vraagt , niets dan '/tó ujaho t ' mompelen , 
en wechlooi)en, zoodra ze hem een potlood in de hand zien 
nemen om het op-te sclirijveji) in 's hemels naam, Masroeii 
noch-maar-eens op een ontdekkingstocht uit. 

19 Mei. In den voorochtend noch-altijd slagregen, 7X)odat 
we eerst tegen tien uur kunnen opbreken. De weg, die zich 
met sterke golvingen langs een heuvelrug slingert, die men me 
als den pasir Panerèkèan noemt , is onbeschrijfelijk modderig en 
glibberig. De sterke inzinkingen van het terrein zijn, waar 
achtereenvolgens de kleine spruitjens Tji Tjoela Mega, Tji 
Empak, Tji Kadoe, en Tji Tanga Wedan zich baan breken. 
Het terrein is als in Zuid-Bantam, eenzame wildernis, niet 
laag hout begroeid; we passeeren maareen kampoeng, Tji Ern- 
pak. — Dicht-bij het eind van dit golvend terrein gekomen, 
zien we ons eensklaps verplaatst in een geheel ander tooneel; 
we rijden nu door prachtig opgaand geboomte; rakelings langs 
onze voeten, rechts, opent zich een diep, welig begroeid ravijn: 
de onmetelijke oceaan wordt op kleinen afstand zichtbaar; we 
doorwaden de, in vergelijking met de kleine spruitjens die we 
doorwaadden, breede en kristalheldere Tji Panerèkèan, die met 
oorverdoovend gebruis over haar rotsbedding voortschuimt , be- 
schaduwd door een liefelijk-groenend loofdak; en eensklaps be- 
vinden we ons op genoegsaam-vlakken grond , in een sawahstreek, 
in den k. Poetra-pinggan, We varen met een sasak kattihang * 
de breede, enkel in den droogen moeson te doorwaden, Tji 
Poetra-pinggan over ; passeeren welhaast den k. Kamoerang ; en 
rijden nu een enorm eind, langs een mooijen weg met grasbe- 
kleeding, door een afgeschreven koffituin van 1857 , treurig om 
aan te zien, zonder een enkele vrucht. We passeeren ^r s(uak 
(een vaste bamboebrug) de Tji Karang bedah; varen met een 
8a9ak kambang de weer breede Tji Kidang over , aan welks over- 
zijde de k. Parapat ligt; komen vervolgens (altijd natuurlijk om de 
noord het Kendeng- gebergte zich langs den horizon ziende uit- 

* Dit zal wel »ik weet niet" betcckenen. Rigg geeft daarvoor Ho nfaAo" (M.) 
' Zie vroeger. ^ y 

Digitized by VjOOQ IC 



VAX MU. D. KüORDERS. 373 

strekken) in een hoe-langs hoe meer bewoonde streek , de kaïn- 
poengs Karang Salam , Karang Soeka en Karaug Simpang door; 
en bereiken tegen twee uur, warm eu wel, de grens van het 
distrikt Tjikemboelan , tegelijk de grens van de, blijkbaar wel- 
varende pakemitan Tjikemboelan Daarna onmiddelijk weer 

te paard, om de 10 paal, die me ua de afgelegde 12 noch 
wachten, voor den donker tot een eind te brengen. Het is 
gloeijeud-heet; de gedekte lucht heeft de atmosfeer zwaar en 
drukkend gemaakt, en door die bewolkte lucht steekt nu de 
middagzon, als woft ze haar schade inhalen, henen, We varen de 
breede Tji Kemboelan over, op het punt waar de, eveneens 
waterrijke, Tji Tondjong zich in haar uitstort: zien weer de 
zee van zeer nabij , en hooren van haar klotsen meer dan ons 
lief is; passeerèn (links van ons) de Tji Kelewoeng (die zich op 
een voor ons onzichtbaar punt met de twee pasgenoemde rivieren 
vereenigt); en rijden nu, tot Parigi toe door een smalle maar 
grasrijke kuststrook , waar me kudden met honderde van de prach- 
tigste buffels frappeeren, volgens den wadana het eigendom van 
de uitgestrekte Kampoengs Tji Bendah en Karang Bendah (de 
eerste onmiddel ijk aan den westkant van de Tji Kidang , beiden 
deels langs ons pad, deels verder op naar den voet van het 
Kendeng-gebergte liggende); worden aan de grens van Parigi 
opgewacht door den tjamat eu bereiken nu, eerst den k. Asta- 

maja , en onmiddelijk daarna de daaraan grenzende pakemitan 

Tk wou de Europeanen , die van de zegeningen door Europeesch 
bestuur en partikuliere ondernemingen over Java uitgestort, 
altijd den mond vol hebben, wel eens in deze, van Europee- 
schen invloed vrij gebleven, plaats brengen, om hun te doen 
zien, hoe gelukkig en welvarend en bloeijend de Javaansche 
Maatschappij is, als men haar aan zich zelf overlaat. Van de 
katja-katja ' tot de pasanggrahan bedroeg de afstand meer dan 
een paal; dien afstand legden we af langs een breeden, keurig 
onderhouden, weg, aan weerskanten door goede woningen en 

nette , ompaggerde , tuinen omzoomd Ik ben in ekstaze 

over het goddelijk plekjen; ik zou er graag, ver van alle Euro- 
peanen, wonen. De pasanggrahan is zeer net, en ligt allerliefst 
aan de nette aloen-aloen. — Na een halfuur slapens een lange visite 
van den tjamat, die me vertelt, dat in de eigenlijke pakemitan 
Soendaneesch , maar aan het zeestrand Javaansch wordt gesproken. 



» Rigg: An arched gateway, usuaUy constructed of bambu. DigitizedbyL^OOglC 



874 IETS UIT DE NALATENSCHAP 

Hevige aardschudding, van hetzuiden naar het noorden (?) terwijl 
we zitten te praten. Ik vergat noch te noteeren, dat men <ms 
tusschen Manondjaja en Bandjar aan bijna-alle posten bij het 
afrijden ffbiêmillahr (z. v. a. ons //ga met God") toewenschte. 
20 Mei. Tegen lialf acht op weg naar Tji Bening. Even-buitefn 
de pakemitan passeeren we per overdekte, op balken rustende, 
sasak de breede Tji Djaloe, en komen nu terstond op Tji 
Bjoelangah's grondgebied. Even-verder de Tji Teroesan, Knkfl 
naast ons, min-of-meer glooijend, pad. Na drie paal te hebben 
afgelegd, bereiken we de pakemitan Tji Djoelang, weer een 
blijkbaar welvarende plaats; poozen even in den pasanggrahan , 
terwijl de paarden gereed gemaakt worden ; en gaan daarop 
onmiddelijk verder naar het, noch 10 paal verwijderde, Tji 
Bening. We passeereu, op dezelfde wijs als de Tji Djidoe, de 
even-buiten de grens van de pakemitan gelegen Tji Waroe(de 
kampoeng van dien naam, als-het-ware de voorstad van de 
pakemitan oostelijk, hebben we reeds achter den rug); komen 
door den k. Barèngkok; varen per bandoengan ' de frissche, 
breede, nooit doorwaadbare Tji Djoelang over (vischiijk, maar 
door den tjadasbodem, die alle netwerk vernielt, wéinig-exploitabel 
voor de visscherij) , over wier kronkelende wateren zich bevallig 
de bamboeboschjens van den , aan den overkant gelegen , k. 
Pasoeketan wiegelen. We trekken dien kampoeng door; passeereu 
(wederom met een overdekte sasak) de Tji Pasoeketan; eu 
bevinden ons van-nu-af in een volslagen wildernis. De grond is 
infaam-slecht; tjadas en anders niet; op vele plaatsen, zegt me 
de tjamat , is geen drie duim humus (plantaarde). Onze weg door 
deze eenzame streek (waarvan geen Europeesch bestuur en geen 
Europeesche partikulieren ooit iets zullen weten te maken) is 
een aaneenschakeling van up and down's. Elk benutbaar plekjen 
is reeds benut door den viijtigen inlander ; getuige de menichte 
hoekjens (soms van weinige voeten in het vierkant), met tabak 
(die men hier behoorlijk weet te toppen) of met djagong beplant ; 
getuige ook de enkele kampoengs, die men vindt overal waar 
gelegenheid was om (van den regen afhankelijke) sawahs aan- 
te-leggen. Eerst passeeren we, links op kleinen afstand van 
ons pad, den k. Nagrog, wiens kokospalmen in dit onherbergsaam 
oord ons vriendelijk en uitlokkend schijnen toe-te-wuiven. Daarna 
komen we op een soort van heuvelrug (ik zeg: //op een soort 



1 bandoengan =z iOiak kambang, een vlot op twee schuitJM^Zie Yreogier. 

Digitized by V^jOOQ 



VAN MR. D. KOOttDEKS. 875 

van '" want eigenlijk is de terrein verheffing te smal om den naam 
van henvel te dragen), een prachtig punt; een drietal statige 
boomen, een hampelas en twee doerians, werpen hun breede 
schaduwen over den zonnigen weg; links en rechts openen zich 
aan onze voeten diepe, uitgestrekte ravijnen of dalkommen 
welig begroeid; overal in het rond, wdarhenen men het oog 
ook wendt, niets dan bosoh en bergen, zich als eindeloos aan 
elkander schakelend, en om de noord de horizon weer begrensd 
door het Kendeng-gebergte. Onwillekeurig houdt de reiziger zijn 
paard even in, om deze wilde natuur, die een, zij het ook 
neórdnikkenden, toch trotscheu indruk maakt, met volle teugen 
in-te-zwelgen. — En nu weer en roftte, geblakerd door de 
tropische zon, door de eenvormige, armelijke, eenzame kuststreek. 
De k. Tji Dadap met zijn sawahs , dien we langs komen , 
maakt den indruk van eeu oaze in een woestenij. Evenzoo reeds 
(nadat we den smalle» Tji Bantar Faudjang doorwaad hebben) 
het gezicht van het zijpad (links) naar den k. Gadog en den 
daaraangieiizenden k. Masawah; omdat, al zijn de kampoengs- 
zélf niet te zien, het bestaan van zoo'n zijpad de nabijheid 
van menschen bewijst. Een poos later passeeren we den k. Tji 
Walini met zijn net-ompaggerde tuinen, vrij uitgestrekte sawahs 
en ouder klapperboomen en bamboestruiken verscholen woningen ; 
trekken per sasak of bamboe-bruggetjen de smalle, bijna water- 
looze Lëwi Bali over, waar (voor-het-eerst na anderhalven dag) 
het geloei van de branding weer als een verre donder in onze 
ooren dreunt; bestijgen de steile , moeijelijke tjadashelling, tand- 
jakan Löwi Bali geheeten ; zien van haar top een oogenblik , op 
korten alstand, den oumetelijken oceaan, dien we al nader en 
nader komen , trekken haastig den iaatsten kampoeng (Tji Totok) 
voorbij ; en stappen weldra aan de pasanggrahan te Tji Bening af. 
Die pasanggrahan ligt, op geen tien ellen afstand van de 
zee , aan de oostzijde der monding van de vrij-breede Tji Bening. 
De kampoeng-zelf ligt meer binnenslands; de pasanggrahan, 
klein maar van al het noodige voorzien, staat eenzaam en 
verlaten. Maar koelte en kracht waait u tegen van de oppervlakte 
der wateren, die hier met woedend geweld hun schuimende 
golven tegen het smalle, maar door zijn ondergrond van tjadas 
en zijn bekleediug met een sierlijk-groen, roodbloeijend zeewier 
stevige, strand te-pletter-stooten. De monding van de Tji Bening 
stort tusschen twee steile tjadasklippen, die echter (zóo-onweêr- 
staaubaar is in d^ze tropen-landen de vrnchtbaarmakende eu-C 



376 IETS UIT DE NALATENSCHAP 

levenscheppende kracht der natuur) noch met allerlei struikgewas 
en met stakerige pandan begroeid zijn. — Letterlijk een kolonie 
van menschen is hier, terwille van den geëerden gast verzameld. 
Het eene oogenblik kan me dat hinderen; maar het andere , 
als* ik de gezichten zie en het schaterlachen hoor, dringt zich 
de overtuiging aan me op, dat dit geen drukkende diensten 
zijn, dat het waarlijk, bij al zijn ongerief, toch-noch, evenals 
voor kinderen, een soort van pretjen voor hen is. Als ik al 
die pondoks , groot en klein , voor menschen en beesten aanzie , 
zou ik geneigd zijn om mijn komst als een vloek voor deze 
goede menschen te beschouwen; maar als ik bedenk, dat men 
van middag noch , eenvoudig door in de onmiddelijke nabijheid 
wat sèèl ' en eenige boomtakken te kappen, binnen een paar 
uur een keurige stalling voor zes paarden maakte , zie ik in dat 
men zulke zaken niet te hoog moet opnemen 

27 Mei. Gisteren-avond wachtten me noch twee verrassingen ; 
vooreerst een verrukkelijk gezicht op de branding in westelijke 
richting, rozeurood gekleurd door de weerkaatsing der laatste 
tinten van het wechstervend avondrood: ten-tweede na den 
eten een treurig, heesch gehuil van rouggèngs uit Tji Dadap, 
waaraan de kampoengman, om met haar te mogen tandakken, 
zijn halve of heele cent oflerde. — In den loop van den 
avond vernam ik meteen, dat er geen k. Tji Bening is, en 
dat de patrol ^ , waar onze pasanggrahan staat , in orde moet 
gehouden worden door de bewoners van een naburig, niet meer 
dan vijf huizen groot, kampoengkjen, Pagadoengan geheeten. 

Van-ochtend om zeven uur weer op ons paard; wel-te-ver- 
staan: na de Tji Bening te zijn overgestoken per bandoengan. * 
Ons pad is een eenzame strandweg , nu-en-dan , waar de rotsen den 
doorgang versperren , een kleine bocht binnenwaarts beschrijvend : 
nadat we den, vlak aan den westkant van de Tji Bening 
gelegen, k.. Tji Rëma gepasseerd zijn, ontmoeten we tot-aan 
den , vijf paal verwijderden , patrol geen andereu kampoeng meer ; 
de eenige afwisseling is hier het doorwaden van de monding 
der Tji Gatar bij den djodjongor * van dien naam geweest. 
Na den patrol gepasseerd te zijn, komen we aan steile en 



1 Een rotansoort. 

3 Wachthuis (zie later.) 

3 Verg. p. 374. 

■* lien uitspriiigende Ijock land, een voorgebcrchte. Zie Rigg iu voce jongor, 

Digitized by VjOOQ IC 



Van mr b. tooRDEtts. S)? 

glibberige rotshelliugeu (lees: tjadashellingen), en vervolgens 
den k. Tji Manoek voorbij (wiens bewoners voor het onderhoud 
van den patrol te zorgen hebben) ; we doorwaden de monding van 
de Tji Manoek, en naderen langsaam, altijd noch over het strand 
gaande (dat hier zwartkleurig zand is, in den zonneschijn schit- 
terend als diamanten) den trotschen djodjongor Batoe noeuggoel 
die terecht zijn naam draagt, want ver in zee vooruit, door de 
witte branding bespat, liggen reusachtige rotsbrokken. Nadat 
we dit voorgeberchte zijn omgetrokken, ontmoet ons eindelijk 
de wadana van Mandala. We passeeren den djodjongor Kawoe- 
lan; trekken de monding van de Tji Padaboemi door; bestijgen 
een steile helling, vanwaar we een onmetelijk vergezicht hebben , 
links op den oceaan , rechts op een onmetelijke reeks van wouden 
en bergen , waarboven de geïzoleerde G. Tji Goeraj , zich onder- 
scheidende door zijn half-bolronden vorm , zich in de verte ver- 
heft; en slaan nu, van die helling afdalend , landwaarts in , den 
k. Pamëngpëk voorbij, den cirka 2| paal langen weg naar den 
k. Kalapa Genep, een groote, welvarende plaats, tot 1850 de 
pakemitan van het distrikt (die echter alstoen naar Tji Kalong 
verplaatst werd, omdat ddar koffituinen, die weldra zouden uit- 
sterven , te bestieren waren !) De pasanggrahan staat aan de nette 
aloen-aloen ; we zijn hier weer in een zuiver-Soendaueesche streek. 
Na hier gerijsttafeld te hebben , varen we de breede Tji Medang 
over (waar Kalapa Genep aan ligt) , passeeren daarop den kleinen 
maar vriendelijken lemboer Tjantigi met zijn sawahs , en krijgen 
nu alras het dof geklots van de branding weer te hooren , gelijk 
we spoedig, van een heuvelrug, de zee weer te zien krijgen, 
en ons daarnaar weer langsamerhand toe buigen. Van nu af 
(en we zijn zeker noch naauwelijks een paal van Kalapa Genep , 
dus noch 10^- van de pakemitan verwijderd) laat zich van onze 
reis niets-anders zeggen, dan dat ze, hoewel niet rechtstreeks 
over het strand loopende , maar over een , daarvan door pandan- 
toong als anderzins afgescheiden , paadjeu , dat half gras-, half 
zandpad was, door de onherbergsaamste , of liever eentoonigste , 
afmattendste streek liep, die zich denken laat. Het zand, 
waar den heelen dag de zon op gebrand had, was zóo- gloei- 
end, dat de koelies, om hun voeten er niet mee in aan- 
raking te brengen , heele einden omliepen. Van dit heele eind 
laat zich niets anders opteekenen, dan-dat we den k. Tji 
Totak met zijn sawahs (Eden in deze wildernis) passeerden , de 
Tji Rodjch (vlak aan haar monding) overvoeren, en na deö ^ 



378 UIT I»T8 DE NAtATKN'SCHAP 

k. l^ongas gepasseerd te zijn, eeu tijdlang den Tji Djoelang 
ngadeg, met meuscheu uit dien karapoeng op stellaadjes er in 
zittende om te njirib (met kruisnetten te visscfaen) , naast ons 
pad zagen voortloopen, dien we twee maal (zóo kronkelt hij 
hier) achter elkHar moesten doorwaden, om landwaarts-in te 
kunnen gaan naar het noch £ paal verwijderde Tjikalong. Op 
dat binnenpad trekken we tusscheu een, in 1850 aangelegden 
koffituin heen, die in orde moet gehouden worden door de be- 
woners van het naburige, frisch en koel aan de breede, kron- 
kelende Tji Oelan gelegene, Lèwi gedè, dat we welhaast voor- 
bijtrekken. Kort-daarop naderen we , na een diepe dalkom (door 
die rivier gevormd?) gepasseerd te zijn, de aan den uitersten 
zoom daarvan op ongeveer 150 pas van de rivier liggende 
pakemitan. 

24 Mei. Om half-vijf wakker van den slagregen, die echter 
weldra ophoudt. Om half-zes gekleed en gereed , maar (ten-einde 
de koelies, die het goed dragen, gelegenheid te geven om een 
eindweegs vooruit-te-komen) eerst om half zeven op het pad. We 
slaan den weg naar het zeestrand weer in, dien we Zondag ge- 
komen zijn , maar slaan spoedig westwaarts af, en varen de breede 
Tji Oelan over, die ons op Paroengsch grondgebied brengt, en 
aan wiens oevey de wadana van Mandala ons vaarwel-zegt. We 
trekken (altijd noch langs een landweg) de smalle Tji Dadap 
over, den daaraan liggenden k. Tjidadap voorbij, den er aan 
grenzenden k. Tjibërëm door (ongeveer een paal van Tjikalong). 
Anderhalf paal verder komen we den k. Tjilangla door, aan 
den mond van de breede Tji Langla die we overvaren , en vau 
wier oever we , op vijf minuten afstands , over een kale , naakte 
zandvlakte heen, het witte schuim der branding (noch-niet de 
zee^zelf, daarvoor staan we op een te-laag punt) weer kunnen 
ontwaren. Na die overvaart van de Tji Langla blijven we noch 
een groot kwartier op een soort van binnenpad voortrijden, door 
de Tji Langla (die zich links langs ons pad heenkronkelt , en 
op dezen korten afstand uoch-drie rivieren, ongeveer zoo breed 
als de Vecht in Maarsseu, in zich opneemt, waarvan we er 
twee, de Tji Kawoeng ading en de Tji Tjankoewang, doorwaden; 
de laatste, de Tji Kawoeng ading gedè, om haar diepte, over- 
varen) van het eigenlijke strand , en de Tji Langla door die smalle , 
kale streep oeverzand van de zee , gescheiden. Eens de Tji Ka- 
woeng ading gedè over , bevinden we ons dadelijk op het strand , 
dat we dan ook 9 paal ver, totdat we aan de pasanggrahan Tji 



VAN MR. t). ttWttDEnS. 379 

paioedja afstappen, niet-meer verlaten. Alle denkbeeld van een 
eigenlijk-gezegden weg gaat hier verloren; even-goed zou men 
het Scheveningsche strand //een weg// kunnen noemen. De straud- 
formatie bestaat gedurende het eerste gedeelte uit zwart, ge- 
durende het tweede uit wit kalk- en schelpzand [kirisik , noemen 
het de Soendanezen) , beide zeer rul , en daardoor voor de paarden 
moegelijk te begaan; gedurende het derde en laatste gedeelte 
daarentegen uit geel, vast en hard, zand, zoo glad als een kolf- 
baan. Het strand was daar ook zeer breed, en de branding, 
betrekkelijk altijd , niet zeer fel ; gelijk trouwens heele einden 
het geval was , waar men over den tjadasbodem die het kristal- 
heldere water overspoelde blijkbaar ver-in-zee kon loopen. Geheel- 
anders was het tooneel in den beginne van onzen tocht langs 
het strand. Daar was het maar- weinige voeten breed, en woest 
huilde aan onze voeten de branding, als dol van woede dat ze 
ons nie4^ in haar feilen temchslag kon meevoeren naar de peil* 
looze diepte, die reeds zoo^tallooze menschenlevens verslonden 
heeft Dat we geen kampoengs passeerden , spreekt wel van- 
zelf', we zijn hier in een zóo-eenzame streek, datdemenschen, 
die morgen mijn goed naar Pamëngpëk moeten brengen, elf 
paal te loopen hebbeu , poor fellows I eer ze hier aan de pasang- 
grahan, dat wil zeggen: aan het uitgangspunt van hun wande- 
ling zijn. Twee wachthuizen of patrols , en aan de monding der 
smalle Tji Saat , even-voor de Tji Patireman haar monding (beide 
geen paal van de pasanggrahan) de kleine kampoeng Tjisaat, 
ziedaar het eenige spoor van. menschelijke wezens dat ik ont- 
dekte. De pasanggrahan is gebouwd op 25 passen van het eigen- 
lijke strand, in een soort van zandkom of vallei, waarschijnlijk 
om haar te beschutten voor de felle winden; maar het treurig 
gevolg daarvan, in verband met het feit dat de pasanggrahan 
niet op //neuten// maar op den vlakken grond is gebouwd, 
is, dat men uit de pasanggrahan volstrekt-geen gezicht op 
de zee heeft; en dat men eerst een heel eind tot-aan de enkels 
door het rulle zand moet waden, eer men de koelte, die uit 
zee u tegenwaait, kan inademen. Ik deed het van middag, en 
zag toen, noch-altijd in een ver verschiet, westelijk den als een 
smalle , met bosch begroeiden landtong in zee vooruitspringende 
^odjougor (kaap) Tji Kaèngan teruch, dien ik, reeds van het 
eerste oogenblik dat we Van daag aan het strand kwamen , in * 
het oog kreeg (gelijktijdig met den veel kleineren , nu reeds- 
lang gepasseerden , djodjongor Pasèrèhan) oigitizedbyGooglc 



3S0 lÈTS UtT BÊ KA!.ATJEïJSCHA^ 

25 Mei. Voor zessen op weg naar Painëagpek. De isoti 
schuilt noch achter de bergen. Ons pad loopt weêr langs 
het eenzaam strand. We vinden aan de Tji Pangoekoesan een 
baudoengan om ons over-te-brengen , en komen, na een zijbed- 
diugjen, dat (nu althans) geen uitwateriug in zee heeft, door- 
waad te hebben, aan een trotsch, indrukwekkend zee- en 
strandgezicht. Wilder en onstuimiger dan ik het noch ergens 
hoorde, huilt en schuimt hier de branding langs en op het 
smalle strookjen zand, waarop we ons langsaam voortbewegen. 
Niets wat naar duin of strandhelling zweemt, is hier te vinden. 
Maar de natuur, als ware ze dat gemis zich bewust, en als 
woü ze toch den laudbewoner beveiligen tegen het geweld der 
woedende baren, heeft hier reusachtige steenklompen , steile 
tjadas- en steenheuvels opgeworpen , die het zwalpend nat stuiten 
in zijn vaart; onder zoo'n, half neerhangenden, steenklomp 
rijden we rakelings door. Ons pad blijft altijd onmiddelijk 
langs den zeeoever voortloopen, met den onmetelijken oceaan 
aan onze linker, een 'onmetelijke, even onherbergsaine wildernis 
aan onze rechterhand. Eveu-vóor het steile voorgebergte Tji 
Kaèhan zijn we genoodzaakt (daar dat voorgebergte steil in 
zee vooruitsteekt), landwaarts-in te slaan, ten einde zoodoende 
het te kunnen doortrekken. We nemen aan de monding van de 
breede Tji Kaèhan , 7 paal van Tji Patoedjah , afscheid van den 
wadana van Nagara (hier is de grensscheiding), en varen de 
rivier over met een bandoengan, gemaakt door de bewoners 
van het, even-tevoren gepasseerde, uit 4 huizen bestaande, 
kampoengkjen Tji Kaboejoetan (natuurlijk bij heeredienst, in het 
belang van de overvaart, gesticht en instandgehoijden.) We 
gaan al verder-en- verder landwaarts in, beklimmen den zeer 
steilen, uit tjadasklompen bestaanden, tandjakan Tji Kaèhan 
(waar verscheidene inlanders van hun paard gaan), dalen en 
rijzen wéér, nu-eens door niets dan alang-alang , dan weer onder 
schaduwrijk geboomte voorttrekkende ; zien eindelijk na een vrij 
lang en vermoeijend rondtrekken eensklaps van den top vau 
tandjakan Pangnjisihan de zee zich , op misschien honderd voet 
beneden ons, baden in de stralen van het zonlicht, — ziju 
genoodzaakt, bij het afdalen van dien, in steilte aan deu 
tandjakan niet ongelijken , tjadasheuvel (of liever klip) van onze 
paarden te stijgen , — doorwaden de Tji Pangnjisihan ; — moeten 
noch een klipbrug over; en ontdekken, als we dan eindelijk 
veer aan zee uitkomen, dat we hemelsbreed misschien geen 



VAl^ MR. D. KOORÜÉRS. S8l 

vijf minuien gaans in dit half uur hebben afgelegd. Maar 
vruchteloos, zegt de tjamat, heeft men naar een dnderen dan 
dezen langen en moeijelijken weg gezocht , om het voorgebergte 
Tji Kaèhan om te trekken. Een ding hebben we overigens nu 
gewonnen; de natuur, hoewel even eenzaam als vroeger, krijgt 
plotseling een veel vriendelijker voorkomen. De branding blijft, 
ja zichtbaar en hoorbaar, maar op vrij-verren afstand; verkwikkend 
kabbelt aan onze voeten , langs het smalle (stellig geen zes voet 
breede), uit goudgeel zand bestaande, strand het blaauwe, 
kristalheldere water over den tjadasbodem. Groen geboomte, 
gedeeltelijk met bloemen getooid , welft zich boven onze hoofden 
en buigt zich liefdevol en sehnsuchtig naar de zilte baren over. 
De weg slingert zich, met bevallige afwisseling, nu-eens langs 
dit vreedsaam gj;rand, dan-weer door het prachtigste woud dat 
men zich denken kan , het is met éen woord , alsof ik me weer 
in de nabijheid van Soemoer bevind. Reusachtige njamploeugs 
met liun gebogen kruinen, hun glanziggroen gebladerte, hun 
eigenaardig-donkere melancholiesch-stemmende schaduwen, maak- 
ten de overeenkomst noch-treffender. Het was voor-hel^éerst , dat 
ik ze aan Soekapoera's zuiderstand aantrof. 

E ven- voor den pasanggrahan Tjibabaloekan , (16 paal van 
Tji Patoedjah) komen we weer voor-goed op het strand uit, 
dat hier weer zeer breed en hard is. Het is i^ halftwee , tegen 
dat we in die kleine bamboeloods (onderhouden door den eenigen 
nabij-zijnden kampoeng Rantja hèraug) afstappen. We eten er 
haastig; en gaan nu — daar we bevreesd zijn voor regen , in ge- 
strekten galop — altijd het strand langs en altijd met de, ver in 
zee vooruitspringende , landpunt (djodjongor) Tji Laoet èrèn in 
het gezicht, verder naar het noch tien paal verwijderde Pameng- 
pek. De smalle, maar (voor een //toewan" althans) te-diepe 
monding van de, daar-vlak-bij saamgevloeide Tji Sanggiriug 
en Tji Merak varen we over; en voort gaat het weer in snellen 
galop, hetgeen op het steenharde zand ver en luid en vrolijk 
weerklinkt. Naar gissing 2J paal van Pamëngpëk slaan weeën 
landweg in, die ons welhaast in de bewoonde wereld brengt. 
Pamëngpëk (vroeger de hoofdplaats van het distrikt , die echter 
in 1853 verlegd is naar Tjikadjang; óok-alweêr om de koffi- 
kultuur) ligt namelijk in een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, 
die zoover het oog reikt, met sawahs, afgewisseld door kam- 
poengs, gevuld is. Het terrein golft hier niet noemenswaardig 
meer ; alom heeft de vlijt van den landman op het landschap^ 
3e Volgr. IV. 20 



882 IET TTTT DE KAT.ATENSCttAl» 

zijn stempel gedrukt; men waant zieh waarlijk verplaatst in de 
vlakte van Bandoeng. Die vlakte van Pamengpëk , waar de padi 
in 4i h 4*1 maand rijp is, is dan-ook de voorraadschuur voor het 
37 paal verwijderde Tjikadjang, (waar ze, volgens den tjamat, 
12 maanden noodig heeft om te rijpen.) Tusschen sawahs 
doorrijdende, passeeren we k. Tjiawi, doorwaden de smalle Tji 
Kaso en Tji Paleboe (die echter waterrijk genoech zijn om voor 
de besproeijing der sawahs benuttigd te worden) , passeeren ver- 
volgens k. Paiis, en stappen welhaast aan de pasanggrahan te 
Pamëngpek (gelegen aan den , met een weelderig-groenen tjarin- 
gin prijkenden aloen-aloen) af. 

26 Mei.... 

27 Mei Om zes uur door een even- vriendelijke landstreek 

als gisteren in gestrekten draf naar Tjiërih^ De kampoengs 
Tjidahan, Mantja gahar, Pamalajan en Tegal gedè liggen beval- 
lig tusschen de sawahs verspreid, die, daar het midden in den 
oogsttijd is, met menschen en saoengs ' overal schilderachtig 

gestoffeerd zijn Dicht bij k. Tjiërih verminderen de sawahs 

(waarschijnlijk omdat we hier vl^ aan zee komen) , en vertoont 
zich de streek als een vlak, eenvormig grasland. De kampoeng 
(waar we vóór achten aankomen) is klein, en maakt een treu- 
rigen indruk, omdat geen-eukele boom of struik de bamboewo- 
ningen overschaduwt. Dé pasanggrahan is weer een klein, op 
den vlakken grond gebouwd, bamboeloodsjen, vanwaar men een 
frisch en ruim uitzicht op de nabij zijnde zee heeft.... 

28 Mei .... De reis naar Boengboelan aangenomen. Acht paai 
ver in westelijke richting, op korten afstand van het strand 
(waarop we nu-en-dan uitkomen) een eentoonigen, eenzamen 
zandweg langs, altijd met het voorgebergte Haoer Tjengkoek 
in het gezicht, rechts groene, met gras begroeide heuvelruggen, 
begroeid met dungezaaide, wijduiteenstaande iangkal gehang. * 
We doorwaden Tji Paserangan, Tji Pasèrèhan, Tji Mangkè, 
Tji Tjadas; steken de Tji Mari met een bamboevlot over; en 
vervolgens op dezelfde wijs de ongeloofelijk-snelstroomende mon- 
ding van de Tji Kandang, die we door macht van mannen, 
die tot-aan den hals door het water waden , en van een èrètan 
(een verbindingslijn van rotan tusschen de twee oevers, geheel 
volgens hetzelfde systeem werkend als het touw bij onze ponten) 



* Hutten in de hoema's; zie vroeger. 



t 



Gëbangpalm. 



Digitized by 



Google 



VAK MR. t). KOOKDEUS. 383 

gelukkig overkomen, omdat er geen hoog water is; wanneer 
het ongeluk wil dat er bandjir is, zoodat de breede bedding, 
die nu voor twee-derden droog ligt, volïbopt, kan men soms 
twee, drie dagen wachten //dum defluat amnis.// 

Even- voorbij den patrol aan géue (de westelijke) zijde van 
de Tji Kandang slaan we landwaarts in, ten einde ons in 
noord-noordwestelijke richting naar het, noch negen paal ver- 
wijderde, Boengboelan te wenden. Ik kan van dien weg niet- 
veel-anders zeggen , dan dat hij enorm kronkelt , en een aaneen- 
schakeling van steile up-and-downs is ; dat het gedeelte dicht-bij 
de kust door niets dan alang-alang loopt, terwijl verder-op 
prachtige bosschen (waaronder reusachtig-groote en hooge bam- 
boebosschen) den weg omzooitien ; dat de formatie van het terrein 
zeer bergachtig is , heuvels en bergen , de een grooter de ander 
kleiner , zoover het oog reikt , natuurlijk met huiveringwekkend- 
diepe ravijnen er tusschen; dat water en kampoengs er tot de 
zeldzaamheden behooren (den heelen weg langs niet- anders dan 
k. Kadoe poegoer ; eerst in de nabijheid van Boengboelan werd 
het in dit opzicht weer beter , en passeerden we den Tji Saroewa 
met den k. Tji Boelakan , daarna noch k. Lioeng goenoeng en 
k. Handjoewang) 

29 Mei. Elke toerist zou ik een tocht van Boengboelan naar 

Tjimanoek durven aanraden De weg is misschien (hoewel 

maar 16 paal lang) de moeijelijkste van heel Java; maar de 
trotsche gezichten, waarop liet oog met verrukking staart, loonen 
die moeite dubbel. — Boengboelan uitgaande, heeft men den 
min-of-meer boogvormige G. Sang Hiang lawan in het. front; 
rijdt door een , reeds golvende , maar zeer sawahrijke en bebouwde 
streek, (de Tji Baloeboer doorwadende, den k. Baroebjoer voor- 
bij , alsmede de kampoengs Badjong en Kipoetat, de Tji Rorapang 
vervolgens liefelij k-ruischend links van zich, daarop de Tji 
Hikë doorwadende, even- vóór haar uitwatering in de Tji Rompang, 
die zich hier kronkelt, zoodat men ook-haar vervolgens moet 
doonvaden) ; doorwaadt de Tji Boeni nagara en de Tji Talaga ; 
en bevindt zich alsdan op het zadel van den Sang Hiang lawan , 
de reeks van steile, moeijelijke klimmingen en dalingen be- 
ginnend, die niet weer ophouden, voordat men een paar paal 
van Tjimanoek is gekomen. De overtrekking van den hoogen 
Sang Hiang lawan duurt lang , maar valt niet lang , omdat men 
voortdurend door maagdelijk woud rijdt, welks donker loof de i 
gloed der zonnestralen afweert. De Tji Awi tali , aan den noor( 



rtP 



884 IETS riT DE NAt.ATENSOHAP 

oostelijken voet van den Sang Hiang lawan , doorwaad hebbende , 
passeert men achtereenvolgens den k. Nangka roeka , (na den 
Tji Sariiiiön doorwaad te hebben) k. Poespa, doorwaadt den 
Tji Tondjong bërëm , passeert den k. Tji Linggar en den , aan 
de Tji Pëndëj liggenden, kampoeng van dien naam, alsmede 
k. Daroen (deze-laatsten allen dicht-bij elkilar). — Men bevindt 
zich hier in het land van de aren palmen; de bosschen zijn er 
vol van. Ik verneem van den wadana, dat zelfs op die, in 
het wild-groeijende, boomen eigendomsrecht bestaat. Door de 
wadana's krijgt ieder gezin zijn bepaald aantal boomen in wet- 
tigen eigendom en wee den indringer, die zich daaraan mocht 
willen vergrijpen ; hij wordt verklaagd en gestraft. De voordeelen, 
die de arènsniker afwerpt , zijn groot ; tot twintig janr kan een 
boom getapt worden , maar de schaduwzijde , zei de wadana, is, 
dat de bevolkiner de padikultnur verwaarloost en zich met dit, 
makkelijker verkregen, voordeel vergenoegt. Het gezicht op de 
Tji Panangen , onstuimig voortbruischend over reusachtige rots- 
blokken in zijn, tusschen steile tandjakans ingezonken rotsbed- 
ding, is zeer schoon: de afdaling er naar toe, en de beklim- 
ming van zijn waterscheiding aan de oostzijde daarentegen zeer 
bezwaarlijk. — Hetzelfde is toepasselijk op de Tji Ketjemban 
(die men bereikt na k. Limoes gepasseerd te liebben) — Ook 
van den Tji-Bitoeng geldt het, hoewel in mindere mate. — 
We komen nu in een dorre alang-alang- streek, den k. Pasir 
Garoe voorbij , en dalen , dalen , alsof er geen eind aan zou 
komen, en zoo-steil dat verscheiden personen van hun paard 
stijgen, den Pasir Garoe af naar den Tji liCgak njènang. — 
En nu duurde het maar weinige oogenblikken meer, of we be- 
reikten het treffendste, indrukwekkendste natuurtooneel dat ik noch 
ooit aanschouwde. Verbeeld u, aan onze voeten de breede, 
schuimende en kokende , Tji Boeta roewa , stellig vijf-en twintig 
voet beneden de vaste houten brug die we gereed stonden over 
te trekken; en onmiddelijk aan haar overzijde een hooge, ge- 
noechzaam-loodrecht omhoogrijzende bergrug, bedekt met ondoor- 
dringbaar-dicht Urwald, waaronder b. v. Rasamala's van meer 
dan honderd voet lengte, en (tusschen het geboomte door, 
naauwelijks zichtbaar) in die helling, die eigenlijk geen helling 
heeten mag, slangvormige uitkappingen , waarlangs de reiziger 
zich naar boven moet werken. Ik begrijp nog niet , hoe ik den 
moed gehad heb om op mijn paard te blijven , want aan de 
eene zijde van het bergpad niets dan de loodrecht-orahoogrijzende 

Digitized by VjOOQ IC 



VAN MR. D. KOOBDEESt 385 

bergrug, aan de audere zijde, eveneens rakelings naast dat pad, 
de diepe, even-steil afdalende, afgrond, niet minder gevaarlijk 
al is hij met vriendelijk groen en allerlei geboomte bedekt. 
Maar ^/audaces fortuna juvat>/ ; ik bracht het van den , meer dan 
tien minuten vereischenden , tocht er behouden af. 

Ik heb geen lust om van den verderen tocht meer te zeggen 
dan-dat we, aan den oostelijken voet van den tandjakan Tji 
Boeta roewa, den Tji Tjadas doorwaadden; vervolgens den Tji 
Halang ; in den k. Panèndjèng (ten huize van den maniri tjaijar * ), 
haastig, wat aten (we waren daar noch -t 9J paal van Tjimanoek , 
ruim een paal voorbij de Tji Boeta roewa) ; de, aan dien kampoeng 
zoomende, Tji Pakèndjèng doorwaadden; vervolgens de frissche, 
ouder het geboomte dat hem overwelft, , met ooverdoovend geweld 
te-voorschijn-koraende Tji Papandajan ; den k. Sandaan passeer- 
den ; en na de Tji Djotang doorwaad te hebben en voortdurend 
noch enorm te zijn geklommen (altijd rijdende door een bij 
uitnemendheid boschrijke streek), op twee-en-een-half paal 
afstands van Tjimanoek in afgeschreven koffituinen kwamen, en 
vervolgens in nieuw aangelegde, die zich uitstrekken tot aan 
de grens van de pakemitan. — Als ik bedenk, dat de wadana 
me zei, ditmaal weer een zeer slecht jaar te maken met de 
koffi , uitgezonderd een in 1857 omgekapte oude tuin, waarvan de 
uitloopsels , nu weer prachtige boomen, vol vruchten zitten, verbaast 
het me dat men dat systeem niet veel-meer op oude tuinen 

toepast Tjimanoek , ee)i schepping van het kultuurstelsel 

en enkel ten behoeve van de koflBkultuur gesticht (evenals b. v. 
Pëngalèngan) , ligt, naar ik gis, op 5000 voet hoogte, een 
kwartier gaans beoosten den G. Papandajan 

30 Mei De wadana vertelt me allerlei , voor mij nieuwe 

dingen, o. a. het volgende. Het is te Tjimanoek zóo-koud, dat 
noch padi noch klappers er groeijen willen. — Onder palawidja 
verstaat men: 1) tèrong ^ ^) roepa-roepa-kaijdug ^ 3) roepa- 
roepa hoem , 4) djagong , 5) bako. * De naam palawidja wordt 
ook-ddn er aan gegeven, wanneer ze (zooals b. v. hier) 
niet als //tweede gewas// gepJant worden, m. a. w. ook-ddn, 
wanneer ze geplant worden op grond waar niet eerst padi op 
verbouwd is. — Tjoekè wordt enkel geheven van padi en van 
kapas (welke-laatste men hier-en-daar , hoewel op zeer kleine 



' Vaccinateur. 

' Tèronff. Rigg: the eggplant, Solanum Mclongena. - bako 



386 IETS UIÏ DE NA1.ATEXSCUAP 

schaal, hoogsteus 3 pikols éeu man, verbouwt). Van arèusuiter 
wordt belasting geheven, als men ze ter-markt-breugt ; niet 
wanneer men ze uit- of doorvoert naar elders (gelijk in Gamet 
en Tarogong, waar van elk doorgevoerd of uitgevoerd pikoelau 
5 cents wordt geheven, en tot-aan de betaling de suiker iu 
beslag wordt genomen). Het vroegere regentschap Parakan 
moentjang bestond uit de distrikten Kandang wesi, Batoe- 
wangi, Sèlatjaoe, Taradjoe, Tasik Malaja, Singaparna, Indi- 
hiang, Tjiamis, Tandjoeng-sari , en Madjalaja. Voorts was er 
een regentschap Limbaugan. Die twee regentschappen heeft de 
kompagnie tot éen gemaakt, en (met afscheuring van al de 
opgenoemde stukken, en vervallen- verklaring van het Limban- 
gansche regentenhuis) aan de vroegere regenten van Parakau 
moentjang gegeven, die ze naar Garoet deed verhuizen. 

31 Mei. Het is z6o-koud, en er waait een zoo-kille, schrale 
noordoostenwind, dat mijn handen "s ochtends letterlijk verkleumd 
zijn, ik de deuren moet sluiten, en het schrijven me moeite 
kost 

1 Juni. Van daag is het tegen zes uur te Tjimanoek ver- 
rukkelijk weer, niets koud; kompleet een koele, frissche, 
HoUandsche zomermorgen. Van den, 16 paal langen , weg naar 
Bandjarwangi (ik ging niet over Tjikadjang, maar recht-toe, 
rechtaan, door de koffituinen) laat zich niets-anders zeggen, 
dan dat hij eerst door een eindeloos-lange reeks van koffituinen, 
oude, jonge en afgeschreven, loopt; vervolgens door prachtig 
bosch; ^n het laatste gedeelte door tegal- velden ; al dalende, 
sterk dalende, naar het in een kleine dalkom liggende, maar 
door de Tji Kaèhan noch-al redelijk-koele, Bandjarwangi. — 
Bergen en niets dan bergen, waartusschen echter nu-en-dau 
lachende valleijen , begrenzen aan alle kanten deze gezichteinder. 
Noemenswaardige kampoengs of rivieren passeerden we niet; 
enkel k. Tjhidëng, den smallen Tji Haroes, en den k. 
Waroeng tjagah aan de twee kleine, maar toch overbrugde 
spruitjens of riviertjens Tji Barèngkok en Tji Kembar. Voorts 
hier-eu-daar parataks (bereidingsplaatsen van de koffi in het 
gebergte) , alsmede waroengs (waaronder waroeng Kiara rambaj , 

zoo geheeten naar een prachtigen kiara) De pasanggrahan 

is hier, evenals te Tjimanoek, zeer net. Het voorpleintjen 
smaakvol aangelegd als Engelsch werk , met een fraai rozenperk 
in het midden. Het gezicht, boven van den weg, op de 
pakemitan en de Tji Kaèngan , zich als egPi^i jjlb^@5)^öt kron- 



ITAN M£. D. KOO£DEllS. 88 7 

kelend door de kleine dalkom, was aller vriendelijkst. Vrolijk 
wapperde de HoUandsche vlag in den top van een waringin 
op den aloen-aloen. 

2 Juni. Als een merkwaardige bizonderlieid , en een treffend 
bewijs hoe-voorzichtig men met zoogenaamd-onschnldige regelin- 
gen in Holland wezen moet , vermeld ik noch , dat gisteren- 
avond, hier in het hartjen van de wildernis, deze onuoozele 
wadana me vroeg, of het waar was, wat men vertelde, dat 
nu ook Maleijers , Soendaneezen , Javanen en Amboneezen //kon- 
tolioer// konden worden. — Ook van den Samarangschen spoorweg 
wist de man af. De Soendaneesche volksboeken kende hij, en 
ze werden , zei hij , wèl gekocht — namelijk door degenen die 
vbUa narembang.n * Door de somahs, d. w. z. door de niet- 
hoofden of mènaks echter noch weinich of niet , omdat daaronder 
zeer weinigen zijn, die lezen kunnen. De wadana betreurde 
het overigens zeer, dat die volksboeken allen //meer Javaansch dan 
Soendaneesch bevatten.// Alleen de Woelang poetra, zet hij, 
is echt Soendaneesch, maar — hasar hasana. De wadana van 
Tjimanoek, een zeer schrander man, kwam er rond voor uit 
dat in zijn distrikt (Kandang Wesi) hij de éenige was, die 
de boekjens kocht. 

En nu een woord over mijn tocht van Bandjar-wangi naar hier 
(Dëdöl, hoofdplaats van het distrikt Taradjoe). Een woord; 
want als ik zeg dat de weg van Baudjarwangi naar Dëdël 
loopt door eenzame , uit allerslechtsten grond , vol roode tjadas , 
bestaande galagahstreek , en een aaneenschakeling van vermoei- 
jende up-and-down's is, totdat men eindelijk met een vrij- 
geleidelijke , maar zeer sterke , en meer dan een paal lange daling 
in de ongeloofelijk-enge dalkom (ze is stellig in omtrek niet meer 
dan vijf minuten groot) neerdaalt, waarin het kleine Dëdël ligt ; 
dan heb ik er alles van gezegd , wat er van te zeggen valt. — 
Het landschap heeft een doodsch , eenvormig , voorkomen. Schaars 
rust het oog op kampoengs en sawahs, hoewel er aan water 
geen gebrek schijnt te zijn, te oordeelen, deels naar het 
betrekkelijk-groot aantal rivieren en riviertjens, dat we op den 
14 paal langen tocht kruisten (de Tji Hoeni, 2 paal, de Tji 
Jjèmo, 4 paal van Bandjarwaugi , doorwaadden we; verderop 
passeerden we, per bamboebrug, achtereenvolgens de Tji Dja- 
loepang, de Tji Pongpok, de» Tji Djaloe — even-voorbij het 



ï Pe tembangs kunnen lezen. (M.) r-^ t 

Digitized by VjOOQ IC 



388 IETS UIT DB NALATENSCHAP 

binneDlandsdie koffipakhuis Tji dj aloë — den Tji Palasari , en den 
Tji Teroes), deels naar de enorme watermassa, die een paar 
solokans langs onzen weg bleken te bevatten. Ik schrijf dat toe 
aan drie oorzaken : den iufamen grond , de menschenschaarsclite 
iu-het-algemeen in het Soekapoerasche , en de nabijheid vau 
bosschen met arènboomen (in wier nabijheid de bevolking zich 
bij-voorkeur vestigt , omdat ze dan met weinich moeite f 1 tot 
f% daags kan verdienen). We passeerden of doortrokken geen- 
andere kampoengs dan ïjihoeni (aan de Tji Loemboeng), Tji- 
randjang (aan de Tji Lèmo), Nanggerang (door een koffituin, 
die, hoewel pas 6 of 7 jareij oud, op sterven stond, voor ons 
oog verborgen), Nagasari en Indoerarang. — Om twaalf uur 
aankomst te Dödël. .... Ik verneem tot mijn groote teleurstelling, 
dat de pantoens , van wie men me zooveel had voorgespiegeld , hier 
uiet-meer zijn ; alleen éen noch , dien ik weer moet wechsturen , 
omdat hij niets kent dan een stuk vau de Pangoeug-karatoii. 
Dit is me een dubbele teleurstelling, omdat te Bandjarwangi 
de pantoen óok-al niet bruikbaar was , en omdat van konferenties 
met hoofden (de ondervinding in Bantam heeft het me geleerd) 
weinich of geen heil te wachten is. Men moet afluisteren; 
gaat men aan het navragen of een of ander woord ook hier 
gebruikt wordt, dan is het '/ja-en-amen// het onveranderlijk 
antwoord 

5 Juni. Om zes uur weer op mijn paard naar het, 17 paal 
verre, Tji Balong. De weg weer tout comme h. 1'ordinaii-e, 
een aaneenschakeling van up-and-down's. De landstreek weer 
kaal en boomloos; roodkleurige grond, sterk bezwangerd met 
tjadas en vol reusachtige steenbrokken (op éen punt hing zoo'u 
liefelijk steenbrok over ons, niet-meer dan vier voet breed, en 
aan den anderen kant door een formeelen rotswand begrensd, 
pad); kreupelhout, harèndong en alang-alang de eenige terrein- 
bekleeding. Het uitzicht weer even doodsch en eenvormig, oj) 
een eindelooze reeks van onbewoonde en onbebouwde heuvel- 
en bergruggen, die zich van daag, bij de dikbewolkte lucht, 
noch-valer dan anders voordoen. Kampoengs en menschen weer 
dun-gezaaid. Heilig, heilig vergeleken bij zoo'n bergland, ons 
vlakke Holland! 

We doorwaden den Tji Windoe (d. w. z. per sasak overgaan); 
passeeren den Tji Awi en den daaraanliggenden k. Giri pati; 
komen door den k. Djati aan den Tji Teiws, ^^^q^^*^^P 



VAX >rR. D. KOORDERS. 3S9 

doorwaden ; paaseeren k. Pari ; doorwaden den Tji Baganding , 
passeeren den Tji baros, en daarop den kampoeug van dien naam ; 
daarop den Tji Pende en den karapoeng van dien naam (de grens 
van het distrikt Taradjoe); vier of vijf maal den kronkelenden 
Tji Gorowong; den Tji üadap en denkampoeng van dien naam; 
daarna den Tji PaïngÖn en den Tji Tjandoekoer , met den daar- 
tusschen liggenden k. Tjirëndöh, den Tji Bërëm; den Tji Panas; 
doorwaden de Tji Kandawö, passeeren de Tji Goenoeug, den 
kampoeng van dien naam , en de , vldk aan den weg liggende , 
blijkens de saoengs of badkamertjens gebruikt wordende , warm- 
water-bron (vijf paal van Salatjaoe), den k. Sangkoer, den Tji 
Honjè , na den kampoeug van dien naam gepasseerd te zijn ; 
komen daarop, 5 of 10 minuten voor Salatjaoe, het pad voorbij 
dat ons straks naar Tjibalang moet leiden; den k. Parong pon- 
tèng doorgegaan zijnde, bevinden we ons nu iu de pakemitaTi 

Salatjaoe , met zijn uitgestrekte sawahvlakte Ik vervolg daarop 

de reis naar het noch een kleine 4 paal verwijderde , Tji Balong. 
Dit gedeelte van den weg is veel vriendelijker; het loopt door 
een bebouwde en bewoonde landstreek. We passeeren den Tji 
Liwat, den k. Tjidas ngampar (de vroegere pakemitan) en 
doorwaden den Tji Panengah, passeeren, een eind verder-op, 
den k. Tjoekang autjad , den Tji Sëër, den Tji Moentjaug, en 
den k. Sawah hilir; doorwaden den Tji Limbangan (grens van 
Salatjaoe) ; den Tji Lilitan ; krijgen den Tji Longgan (waaraan ook 
Tji Balong ligt) in-het-oog; en stappen tegen éen uur aan de 
pasanggrahan af. Met-uitzondering van de Tji Teroes en de Tji 
L