(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



OP THB 



University of California, 



RECEIVED BY EXCHANGE 



Class 



u 



\ 






B I J D R A G E N 



TOT DE , 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIË. 



Ol NCO BOIK-fN SICCNORUKKiniJ «/•• H. L. KMITB. ••ONAVKNHAOC 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL-, UND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIE , 



UITGEGEVEN DOOR HBT 



KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DE TAAL-, LAND- EN 
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIÊ. 



ZEVENDE VOLGREEKS. — VIJFDE DEEL. 

(DEEL LIX DER GEHEELE REEKS.) 



•> •• 



•V^>3&0-^~i 



•S-GEAVENHAGE , 

MARTINUS NIJH0Ï'1<\ 
1906. 



jjsi^n 




<u. S^ 



• • •■ • 






k fc * • , 



• . W •, 

• • • 






• •• 



• _ • 



INHOUD. 



Bladzijde. 

In Memoriam. Dr. J. L. A. Brandes (Met portret), door Prof. 
Dr. H. Kern 1 

In Memoriam. Prof. Dr. George Karel Nibmann, door Prof. 
C. Poensbn , 7 

De Toetoer Moujèh op Lombok, door J. C. van £erde . . 17 

Praboe Dewa Soekma of Petroek als vorst (uit de Wajang oraug). 
Javaausche tekst met Hollandsche vertaling , door W. Meijer 
Ranneft (met 12 platen) 111 

De Chiueesche naam Ts'e-ts'un voor Grësik, door G. P. Eüuffaer 178 

De koopman, die tegen zijn moeder misdreef. Een op den 
Boro Boedoer afgebeeld Jataka, door Prof. Dr. J. P. Speijer 181 

Bijdrage tot de kennis van den Godsdienst der Dajaks van Landak 
en Tajau, door M. C. Schadéb, Controleur bij het Binnen- 
landsch Bestuur. (Vervolg van deel LVIIl, blz. 513). . 207, 616 

Bijdragen tot de Spraakkunst van het Oudjavaansch, door 
Prof. Dr. H. Kern . 229 

Over de eind-medeklinkers in het Rottineesch en Timoreesch, 
door Mr. Dr. J. C. G. Jonker 263 

Sanskrit Kirti, door Dr. J. Ph. Vogel 344 

De Hindostansche oorsprong van het //Negenvoudig'/ Sultans- 
zegel van Atjeh, aangetoond o. a. door een merkwaardig 
Hiudostansch schilderijtje van ca. .1700. Tevens onder her- 
kenning eener teekening van Rembrandt. (Met 4 platen) door 
G. P. ROUFFAER 349 

'T Lëmës in 't Soendaasch (met voorwoord en woordenlijst) 
door R. A. Kern 385 



» « \J' K J M -}■ 



VI 



Karo^sche Taalstudiën, door M. Joustra, zeudeling van het 
Nederlandsch Zendelinggenootschap 562 

Toekang Sadap , Eeue bijdrage tot het leerstuk dat planten be- 
zielde wezens zijn, door C. M. Plbijte 591 

Het landschap Laikang door J. Tideman, Controleur B.B. . . 648 

Woordenlijst van het Sentauisch (Sentani-meer) naar de blanco 
lijst van Holle, door P. E. Moolenbukgh, Controleur B.H. 658 



INHOUD vn 



NOTULEN VAN DE AL.OEMEENE EN 
BE8TUUESVERGADBKINQEN. 

Bladzijde. 

Bestuursvergaderiug van 17 Jani 1905 ni 

Besta arsvergadering van 16 September 1905 v 

Bestuursvergadering van 21 October 1905 vm 

Bestuursvergadering vau 18 November 1905 xi 

Bestuursvergadering van 16 December 1905 xin 

Bestuursvergadering van £0 Januari 1906 xv 

Jaarverslag over 1905 xvin 

Algemeene Vergadering van 17 Februari 1906 xxi 

Bestuursvergaderiug van 17 Februari 1906 xxin 

Bestuursvergadering van 17 Maart 1906 xxv 

Bestuursvergadering van 21 April 1906 xxviii 

Bestuursvergaderiug van 19 Mei 1906 xxx 



• • • 

• • • 
• • • 






• • 



• •• 












• • 



• • • I 



••• 



• • • 



i 


^H^)» 


^ f^] 


1 




p 






• « 



IN MEMORIAM 



D"^ J. L. A. BRANDES. 



In de volle kracht van den mannelijken leeftijd is de groote 
geleerde, aan wiens nagedachtenis de volgende regels gewijd zijn, 
ontrukt aan de wetenschap, welke zooveel aan hem verplicht was 
•en nog zooveel te verwachten had van zijn veelomvattende kennis, 
mstelooze Werkzaamheid en fijnen speurzin. Het is waarlijk^ geen 
ovejfdrijving, wanneer men zegt dat voor de taal- en oudheidkunde 
ram den Indischen Archipel iu H algemeen en van Java in ^t bijzonder, 
•de dood van Bu/lndes een onherstelbaar verlies is, in dien zin, dat 
et jaren zullen voofbijgttan vódrdat jongere krachten waardig in 
2ijne voetstappen zullen kunnen treden. 

Jah LAüffiBifd Ast/KtRS BsjLUftfBS Werd IS Januari 1857 geboren te 
Botletvlain , waar zijn vader Lirthersch predikant was. Met het voor-» 
itteitten dfe loopbaan zijns vadei^ te volgen , begon hij zijne academische 
^rtndiën te Amsterdam als* student in de godgeleerdheid en legde hij 
•de vefTeischte etamens tnet goed gevolg af, zoodat hij den graad van 
•doctoi^ndus in de theologie verwierf. Doch toen kwam er omkeer in 
«i}n levensplan, omdat hij voor zich het uitzicht geopend zag op 
•een werkkring, waarin hij zich geheel wijden kon aan linguistiek 
«n letterkunde, vakken die hem altoos meer aangetrokken hadden 
dan de zuiver theologische. Door de nieuwe wet op H Höoger 
Onderwijs werd namelijk , gelijk men weet , een Doctoraat in de taai- 
en letterkunde van den Indischen Archipel ingesteld. Zonder aarzelen 
besloot B&ANtXES zich voor dat doctoraat te bekwamen en begaf hij 
zich naar Leiden , Want alleen daar werden alle vakkeu , die de Wet 
Voor de studenten in de taal- en letterkunde van den Indischen 
Archipel voorschreef, onderwezen. 

7* Volgr. V. 1 



I- i 
• • • • • • • t>fc 



• • •• ••• •••••• • 



.•••.:2^ 2.- : ••• • ' •••jsc'^itÊUoRiAu de. j. l. a. beandks. 

In 1884 verwierf Bkandis den Doctorgraad na verdediging van 
. zijn proefschrift, getiteld » Bijdrage tot de vergelykende klankleer der 
Westersehe Af deeling van de MaleUch-Poh/nesiache taalfamilie». Het 
hoofdonderwerp , of wil men : \ middelpunt van de dissertatie , is 
de behandeling van een door van dek Tuuk ontdekte klankwet^ 
die door B&andes met overvloed van bewijzen uit schier alle talen 
van de Westersche Afdeeling der Maleisch-Polynesische taalfamilie 
wordt gestaafd. Wat hij ons geeft, is om zoo te zeggen de geschie- 
denis van één enkele letter, een geschiedenis zonder welke het taal- 
vergelijkend onderzoek op menig punt in ^t onzekere zou rondtasten. 
Behalve hetgeen rechtstreeks betrekking heeft op de bedoelde klank- 
wet, bevat het proefschrift de aanduiding van de belangrijke ont- 
dekking dat er een kenmerkend onderscheid is tusschen de Westelijke 
en de Oostelijke groep der talen van den Indischen Archipel ten 
opzichte van de genitiefconstructie. Uit het geheele geschrift is het 
duidelijk in welke richting zich de studiën van den jongen geleerde 
bewogen , en tevens kan men er uit zien hoe hij , in zijn loffelijk 
streven naar volledigheid, met zeldzamen speurzin allerlei materiaal 
had weten op te sporen en te pas te brengen. 

Niet lang na zijne promotie vertrok B&andes naar Indië en werd 
hij benoemd tot ambtenaar voor de beoefening der Indische talen» 
Dat hij voor deze taak ten volle berekend was, kon reeds blijken 
uit zijn proefschrift en is door hetgeen hij voor de vergelijkende 
taaistudie tot zijn dood gedaan heeft, ook verder gebleken. Maar 
de kriug zijner kundigheden reikte verder. Beeds te Leiden had hij 
zich met de borst toegelegd op de studie van *t Oudjavaansch, dat 
toen nog in de windselen lag, en van de Indische epigrafie. De 
rijke verzameling van inscripties op koper en steen, alsook van 
Oudjavaansche HSS. in ^t Bataviaasch Museum, die bij gebreke van 
een deskundige ongebruikt bleef, wachtte slechts op een bekwaam 
onderzoeker, toegerust met de noodige kennis, om uut te stichten. 
Terecht begreep de Begeering dat Bkandbs de man was om dat 
materiaal te onderzoeken, en zoo kreeg hij de opdracht daartoe. De 
uitkomsten van 't door hem ingestelde lastige, tijdroovend onderzoek 
verschenen in 1887 als n Aanteekeningen omtrent de op verschillende 
voorwerpen voorkomende inscripties en een voorloopige inventaris der 
beschreven steetien v, als bijvoegsel tot den ff Catalogus der Archeologische 



IN MXMOSIAM DS. J. L. A. BBANDS8. O 

Verzameling van het Bataviaaeeh GenootscAap van Kunsten en Wetenr 
eehappen^ door W. P. Gtoeneveldtff . 

De Aanteekeningen over beschreven steeneu leverden het bewijs 
dat Bbandxs met zijn gewone grondigheid oudheidkundige vraag- 
stukken wist te behandelen. Nu kan men de Javaansche oudheid- 
kunde niet met vrucht beoefenen , t-euzij men ook de geschiedkundige 
gegevens raadpleegt, en die gegevens moet men niet alleen uit 
volkomen betrouwbare, authentieke oorkonden putten, maar ook 
uit tal van Javaansche kronieken, waarvan met de uiterste behoed- 
zaamheid en de noodige kritiek gebruik moet gemaakt worden. 
Bbandes deed nooit iets ten halve, en was daarbij een meester 
in ^t opsporen, verzamelen en schiften van studiemateriaal. Door 
jaren lang voortgezette nasporingen verwierf hij zich zoo^n ruime en 
diepgaande kennis van de Javaansche, vooral oudere, geschiedenis 
en hare bronnen als niemand vóór hem. Als de kroon op zijn 
werkzaamheid in deze richting kan men beschouwen zijn uitgave 
van de ffPararatan (Ken Aroh) of het Boek der Koningen van TumapU 
en van Madjojaahitf» , waarvan Dr. van Bonksl ' terecht zegt, dat 
het is /s^een meesterstuk van tekstuitgave en commeutatie; in de 
Aanteekeningen is een schat van geleerdheid nedergelegd, die eiken 
beoefenaar vau de Javaansche zoowel als van de Maleische litte- 
ratuur van het grootste nut is.// 

Ook litterair-historische stoffen wist Bbandbs met talent te behan- 
delen. Vooral de Dwerghert-verhalen uit den Archipel, zoowel de 
Javaansche als de Maleische en dezelfde verhalen buiten den Archipel, 
hebben hem aanleiding gegeven tot het schrijven van verschillende 
opstellen. Van groote belezenheid getuigt het artikel fflets over het 
Papegaai-boek y zooals het bij de Maleiera voorkomt» ^ alsook n Nadere 
opmerkingen over de Maleische bewerkingen van de geschiedenis der 
tien Vizieren ff ; een proeve van kritische behandeling levert het 
opstel over nHet Damar JVulan verhaal in Zakonvorm,/f 

Alhoewel de taalkundige en zakelijke verklaring van Oud-, 
Middel- en Nieuw-javaansche teksten hoe langer zoo meer deu tijd 
van Bkandss in beslag nam — een gansche reeks van grootere en 
kleinere opstellen legt daaromtrent getuigenis af — heeft hij nooit 



ï Tijdschrift Bat. Oen. XLVm, 2. 



4 IN MBMOMAM DB. J. L. A. BBANDES. 

zijü vergelijkend'taalkandige studiën verwaarloosd. De ffinleidvng 
van de Maleisch-Kissersche Woordenlijst door N, Binnooyff ; de 
» Toelichting tot de seAetstaalkaart van Celebes ^ samengesteld door den 
Heer K. F, Holle» ; voorts ff üne forme particuliere du Toumbuluff , 
en ff Het infix is niet een infix om passieve vormen te maken ^ maar 
een tijdaantoijzer om aan een vorm de waarde te geven van eên 
gedecideerd afgeloopen handeling ff , — dit laatste stuk dagteekenende 
van 1903 — toonen dat zijne belangstelling in de minder algemeen 
beoefende talen van den Archipel nooit verflauwd is. 

Het lag in den aard der zaak, dat bij elke nieuwe vondst van 
oudheden, hetzij opschriften, beelden of andere voorwerpen, de 
hulp van Bbandxs werd ingeroepen. Zoo was hij de eerste ont- 
cijferaar en vertaler van ff Een Ndgari-opsckrift^ gevonden tussehen 
Kalasan en Prambananff , welk in H Sanskrit opgesteld stuk, 
dagteekenende van den jare 700 Qaka (778 A. D.) de oprichting 
vermeldt van een MahaySnistisch, aan TarS gewijd heiligdom. Een 
andere vondst, waarvan de belangrijkheid door hem in H licht 
werd gesteld , was die van trBen Jayopaüra of acte vam eens rtok^ 
Eerlijke uitspraak van Qaka 849fr, Het gelukte hem ook eene in 
hoofdzaak juiste verklaring te geven van een moeielijk te lezen 
Ujschrift van. een op Sumatra ontdekt Loke^wara-beeld , waardoor 
bewezen werd dat ook op genoemd eiland bet Mah&jSnisme veel 
aanhangers telde. Met doordringenden blik wist Bbaitbks de betee- 
kenis van tot onherkenbaar wordens toe gewijzigde letterteekens en 
figuren te ontraadselen; o. a. de kmlvonnige teekens op gouden 
ringen van ^t Hindoetijdperk , waarin hij ^t Sanslbitwoord Qri her- 
kende; zoo ook de misvormde figuren op de van het Tënggër- 
gebate afkomstige zodiakbekers. 

In 1897 kwam B&andis met verlof in Nederland. Het verblijf 
in H vaderland maakte hij zich ten nutte o. a. door ^t bestudeeren 
der nieuwe methode van katalogiseering in de Leidsche Universiteits- 
bibliotheek , die hij later aan de Bibliotheek van 't Bataviaasch 
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, waarvan hij gedurende 
eenige jaren bibliothecaris was, invoerde. Aan zijne bemoeienissen 
is het te danken dat de boekenschat te Batavia zoodanig is aan- 
gevuld, dat hij aan alle billijke eischen voldoet. 

Na zijn terugkeer naar Indië in 1898 richtte Bbakdss zijn hoofd- 



TH MEMOBIAH, D%, J, L. A. BBANDX9. 5 

oogmerk in toenemende mate op de studie van de oude bouwkunst 
en H decoratief. Bij menige gelegenheid gaf hij blijk van een ver- 
rassend juist inzicht in H karakter, de leidende beginselen en de 
ontwikkeling der Hindoe-Ja vaansche bouw- en beeldhouwkunst, en 
toen de Kegeering besloten had tot de instelling van eene Commissie 
van Oudheidkundig Onderzoek op Java en Madoera, sprak het als 
het ware van zelf dat Bbandes tot Voorzitter gekozen werd. Van 
1901 tot aan zijn dood heeit hij als leider van dat onderzoek, 
gesteund door zijn medeleden Knibel en Lstdie Mblvills, deels 
ter plaatse de oude bouwwerken in Oost- en Midden-Java opge- 
nomen, deels te Batavia het verzamelde materiaal verwerkt en met 
soortgelijke overblijfselen in Voor- en Achter-Indië vergeleken. Hij 
heeft in de ' spanne tijds die hem beschoren is geweest de hem 
opgedragen taak te vervullen, gewoekerd met zijn tijd en zijne 
gaven , zoodat Dr. van Bonksl naar ' waarheid daaromtrent het 
volgende kan verklaren : //Even rusteloos arbeider te velde als ijverig 
geleerde ip de studeerkamer heeft hij ons tallooze geheimen der 
oude bouwkunst, der ornamentiek, der iconographie ontsluierd.// 
Niet minder juist is wat Dr. Hazbu in zijn In Memoriam * op- 
merkt : fflËn daar leerden wij Bbandes van een geheel nieuwe zijde 
kennen; niet alleen kwam juist bij het bestudeeren van den bouw 
dier monumenten zijn scherp opmerkingsvermogen hem uitstekend 
te stade, maar bovendien toonde hij een architectonisch talent, een 
inzicht in de constructie dier oude bouwwerken , welke men in hem, 
den /^kamergeleerde//, niet zou hebben vermoed.// 

Deze uitspraken zal men ten volle bevestigd vinden wanneer men 
kennis maakt met het prachtwerk ffBeschryving van de ruine bij de 
desa Toempang^ genaamd TJandi Djago in de residentie Paeoeroeann^ 
waarvan de tekst is samengesteld door Bbandbs naar de gegevens 
verstrekt door zijn medeleden in de Commissie. 

Beeds had Bbandbs een tweede monografie over de Tjandi Singasari 
in bewerking en bijna voltooid, toen de dood den 26 Juni 1905 
een einde maakte aan zijn voor de wetenschap zoo vruchtbaar leven. 

Treurende staren allen hem na , die zijn gaven van geest en hart 
wisten te waardeeren en nog zooveel in de toekomst van hem ver- 



1 Weekblad voor Indië, N\ 23 (1905). 



6 IN MEMOKIAM DB. J. L. A. BBANDES. 

wachtten. Zijn verlies wordt diep gevoeld, niet enkel in den kring 
zijner Nederlandsche vakgenooten, maar ook daarbuiten en ik kan 
mij niet weerhouden de hartelijke woorden aan te halen, waarmee 
een Fransch geleerde, de heer Ed. Hübeb zijner gedenkt: ^ 

//UEcole fran^aise d^Extréme-Orient, don til était Ie correspondant, 
n^oubliera pas Ie souvenir de ce savant laborieux et estimé qui plus 
d^une fois avait accueilli et guidé ses membres en mission ^ Java 
et qui représentait auprès dVlle, au congres de Hanoi, la Société 
de Batavia: elle Ie pleure ^ Tégal d^un de ses membres. // 

H. Kekn. 



1 In Bulletin de PEcóle fran^aise d'Extrême-Orient , Y, 250. 



IN MEMORIAM 



Prof. D"^ GEORGE KAREL NIEMANN. 



DOOR C. POENSEN. 



Zaterdag den 18«" November 1905 stonden wij, zeer weinigen 
in aantal,' op Delft^s begraafplaats Jaffa, aan het graf, bestemd 
tot laatste rustplaats van Prof. Dr. G. K. Niemann, Ridder in de 
orde van den Nederl. Leeuw, Eerelid van het Kon. Inst. voor de 
Taal-, Land- en Volkenkunde v. Ned. Indië. In stillen, ernstigen, 
maar daardoor juist indrukwekkenden eenvoud daalde het stoffelijk 
overschot van den man, wiens geheele optreden in de samenleving 
daarmee ip volkomen overeenstemming was , ter eeuwige ruste. Een- 
voudig in geheel zijn leven, wars van wereldsche vormen, praal 
en ijdel vertoon, stil voor en in zich zelf gekeerd levende, vaak 
schuchter en als verlegen te midden van velen optredende, gelijk 
hij zich zelfs als kind reeds onttrok aan het onschuldig spel en de ver- 
maken van zijn jeugdige familieleden en bekenden, in een betrekkelijk 
zwak lichaam waarvoor hij altijd de uiterste zorg koesterde, en dus 
ook matig in geheel zijne levenswijze , doorleefde hij kalm en onge- 
stoord de 82 jaren zijns levens op aarde. 

En toch bleek het maar al te duidelijk aan hen die hem meer 
van nabij leerden kennen, dat hij een man van ernstig zedelijke 
beginselen en diep-gevoelend gemoedsleven was ; trouw aan allen — 
maar uit den aard der zaak niet velen — die hem- hunne toegenegen- 
heid en vriendschap toonden, en waardeerend met hem wisten om 
te gaan, wat, door zijn eigenaardig gevormd innerlijk bestaan, niet 
altijd even gemakkelijk was; prikkelbaar, soms overgevoelig voor 
wezenlijke of schijnbare, vermeende minachting en beleediging, 
grootendeels een gevolg van zijn gebrek aan verkeer met vele en 
velerlei menschen , was hij hoogst-bescheiden , waardeerend tegenover 
wie hem als zijn hooger-geplaatsten of meerderen voorkwamen, 
inzonderheid geleerden van grooten naam, ook al wist hij dat zij 



8 IN MSMOEIAM FBOF. DB. G. K. NISMANN. 

wel eens dingeu liaddea Qeerge9cbireyan « die hij , hoogst Fooreichtig eD 
zijn woorden wikkend en wegend, in het vertrouwelijk gesprek r 
als minder juist of bewezen meende te mogen noemen, of niet voor 
zijne rekening zou willen nemen. In zijne vacftntiën ging hij gaarne 
op rei3, bezocht dan alle mogelijke bibliotheken, musea, som» 
tentoonstellingen, maar den meesten tijd bracht hij eenzaam in de 
natuur door, precies bekend met de schoonste plekjes en natuur- 
gezichten in een groot deel van Europa, — van welke reizen het 
zijnen vrienden het meest verbaasde dat hij weer zoo behouden thuis 
kwam. Ook congressen bezocht hij dan wel, als hij meende daar iet» 
van zijne gading te zullen hooren; hij ontmoette dan menschen van 
allerlei taal en sprake, en leerde ook geleerden persoonlijk kennen^ 
met welke hij gaarne verkeerde. Want — ongeacht alles — stelde 
hij belang in de menschenwereld ; diep geroerd en soms* tot tranen 
bewogen, hoorde hij gaarne iets nobels of deugdzaams van menschen ver* 
halen, maar van het onedele kon hij zich dan of uit de hoogte, 
kortaf, soms vrij onbeholpen, of met afkeurende gebaren afwenden. 
Door zijn verbazend veel lezen wist hij , geholpen door een nimmer 
falend geheugen, meer van de menschenwereld dan een ander, maar 
zijne menschen kennis baatte hem niet veel in de praktijk des levens, 
waar het wel scheen, alsof hij alles slechts bij vogelvlucht, altijd 
van een hoogen bergtop of toren , of misschien wel door de vensters 
van de studeerkamer had waargenomen. Hij leefde te veel met zijn 
gedachten alleen, als buiten de wezenlijke levende menschenwereld^ 
en buiten de realiteit der bonte mengeling van aardsche personen 
en hunne handelingen. 

Edoch — in dien veelszins zonderlingen man, vooral voor hen 
die hem slechts oppervlakkig en als in het voorbijgaan hadden 
leeren kennen , en die , als zij iets naders over hem hadden gehoord ^ 
hem goedwillig //de type van een groot geleerde// noemden, woonde 
een buitengewoon werkzamen en hoogbegaafden geest. Uitnemende 
talenten waren hem geschonken; een stalen geheugen, dat alles 
wat hem interesseerde in zich opnam en bewaarde ; een buitengewone 
aanleg voor het aauleeren en beoefenen van verschillende talen, en 
fijn gevoel voor de verschillende vormen, syntaxis en het eigen 
karakter dier zoo van elkander onderscheiden talen waarmee hij 
zich bij voorkeur bezig hield ; een onleschbare dorst naar kennis op 
velerlei, in latere jaren vooral ethnographisch , physiologisch of psy- 
chologisch gebied; kortom — een geest die zich rusteloos bezig 
hield, ook met classieke grieksche of latijnsche, maar ook bij voorkeur 



IN M£MOBIAM FBOF. DB. 6. K. NIBMANK, 9 

engelsche poëzie ; zelfs nog slechts weinige dagen vóór zijnen dood ; 
een geest , die alles , ook het meest ingewikkelde en abstracte trachtte 
te omvatten, en juist daardoor ook altijd onvoldaan met al zijn 
kennen en weten was, en uiterst voorzichtig en behoedzaam op 
wetenschappelijk gebied, want //er ontbreekt nog zooveel aan ons 
kennen en weten \/f Uiterst bescheiden trad hij in de wetenschappelijke 
wereld op, ook dan als hij in diezelfde oogenblikkeu blijken liet 
dat hij er alles van wist wat anderen over eenig onderwerp in 
quaestie reeds hadden gezegd, — soms als onbewust het nog beter 
zeggende , — en het kaf van het koren zeer goed wist te onder- 
scheiden; gedurig een vraagteeken plaatsende waar hij meende 
^voorzichtig// te moeten zijn. In alles bleek het doorgaande dat zijn 
geest meer receptief dan productief was aangelegd; ware het laatste 
meer het geval geweest, had hij meer behoefte aan produceeren 
gevoeld, had er meer drang tot spreken in hem gewoond, en //een 
durven// optreden in de wereld , dan af te wachten of anderen nog het 
een of ander zouden aan het licht brengen dat hij wist noodig te 
zijn om het geheel van eenig onderwerp goed en geheel machtig 
te worden en te kennen , dan zonden wij nog vrij wat meer vruchten 
van zijn buitengewoon veel en cpnscientieus onderzoeken en werken 
ontvangen hebben. 

De gave, als //spreker// voor het publiek op te treden was hem 
niet geschonken, en de neiging of drang daartoe ontbraken hem 
geheel. Maar wat hij als //schrijver// het licht deed zien was superieur 
werk; het resultaat van veel lezen, onderzoeken, nadenken, wikken 
en wegen , ook gekenmerkt door die voorzichtigheid en behoedzaam* 
heid van den waarlijk wetenschappelijken man ; en dat in een mannelijke 
taal en stijl, benijdenswaardig fraai, helder en zuiver, geacheveerd; 
alles gestaafd en gedocumenteerd door aanhalingen van andere schrijvers 
in Noten en Aanteekeningen. Hij gaf immer het laatste wat er door 
erkend wetenschappelijke mannen over eenig onderwerp was gezegd , 
doch altijd ruim voorzien van eigen gedachten en gevolgtrekkingen, 
steeds het kenmerk dragende van den zelfstandigen denker en grondig 
wetenschappelijk gevormden man. Hij is geen baanbreker op weten- 
schappelijk gebied geworden ; dat bracht zijne geheele persoonlijkheid 
niet mede; hooge en breede opvatting der dingen was hem niet 
eigen; hij reproduceerde, maar zelfstandig, maar met vaste hand, 
altijd blijk gevende een beslist wetenschappelijk gevormd man te zijn. 

En tot die vorming kwam hij reeds op jeugdigen leeftijd. Wie 
hij was en wat er in hem stak bleek reeds toen hij nog aan het 



10 IN MEMOILIAM PKOF. DR. 6. K. NIEMAKN. 

Atheneum ülnstre te Amsterdam, of het Lnthersch Seminarie studeerde, 
en daarna te Leiden het candidaats-examen in de theologie aflegde. 
Eigenlijk waren daarmee zijne theologische studiën ten einde. En dat 
de theologie — waarmee men , vooral als //prediker//, tot het publiek 
komen, en in het publiek optreden moet, waarmee altijd //eenig 
kleur bekennen// noodwendig gepaard gaat , iets waarvan hij tot zijnen 
dood toe allerminst hield — dat de theologie eigenlijk nooit de liefde 
van zijn hart had gewonnen, bleek wel reeds in diezelfde studiejaren, 
toen hij zich niet alleen met Latijn en Grieksch, Hebreen wsch en 
Arabisch bezig hield, maar zich ook aangetrokken gevoelde tot de 
Lidologische studiën, en met name tot het Maleisch, onder leiding 
van Prof. P. J. Yeth. Maar eenmaal alzoo gevormd, was het 
voornamelijk zijn zelfstandig studeeren dat hem t.ot den man van 
zooveel kennis en geleerdheid vormde. Beeds op jeugdigen leeftijd 
had hij een bijzondere voorliefde voor het Latijn, welke hem tot 
zijnen dood bijbleef; daarbij kwam later de studie van Engelands 
grootste schrijvers en dichters ; het proza voor zijne latere Ethnologische 
studiën, de poëzie tot zijne ontspanning, hem uitstekend te pas. 
Zoo werd dan ook door dit zijn studeeren zijn naam reeds eenigszins 
bekend, ten gevolge waarvan de Theoloog verdween, en hij in 1848 
als Sub-Director van het Nederl. Zendel. Genootschap optrad als 
opvolger van zijn vriend Dr. B. F. Matthes bij diens vertrek naar 
Indië. Duidelijker werd echter zijne werkzaamheid in den dienst van 
het Zendel. Genootsch. aangeduid door de verandering van zijnen 
titel Sub-Director in dien van Lector. Hij gaf onderwijs in de 
Maleische en Javaansche talen , en in den godsdienstigen toestand 
der bevolking van Ned.-Indië in verband met de godsdiensten van 
Arabië, het vaste land van Oost- Azië en Japan. Over //Zending// 
gaf hij geen college, maar zij werd hem wel een onderwerp van 
bepaalde studie, zoodat hij door zijne adviezen bijzonder bij het 
Bestuur des Genootschaps gewaardeerd was. Hij bleef der zending in 
het algemeen en die van het Ned. Zendeling Genootschap in het 
bijzonder een trouw vriend tot zijnen dood toe, al maakten ook 
zijn levensomstandigheden dat hij sedert 1873 noch aan de werk- 
zaamheden des Genootschaps als Bestuurder deelnam, noch in het 
openbaar zich over onderwerpen in betrekking tot de zending schriftelijk 
liet hooren. Uit zijne zendingsperiode — 1848 — 1878 — dateeren 
vooral zijne bijdragen tot de kennis der Zending. Zoo schreef hij een 
paar kleinere geschriften ter verdediging van het goed recht der 
zending en der toenmalige zendingsmethode; geschriften naar aan- 



IN MSMOKIAM PKOF. DB. G. K. NIEMANN. 11 

leiding van toenmalige zendingsquaestiën geschreven, thans van 
weinig meer dan historische beteekenis. Van meer blijvende waarde 
waren zijne kortere of meer uitgebreide bijdragen in het Tijdschrift 
^Mededeelingen van het Ned. Zend. Genootschap//, waarvan de laatste 
uit 1890 gedagteekend is. 

Maar een hoogst belangrijk boek uit deze //Zendingsperiode/y was 
zijn /s" Inleiding tot de kennis van den Islam// in 1861 verschenen; 
een uitnemend gestileerd boek, geheel op de hoogte van den toen- 
maligen stand der wetenschap, waarin met nauwkeurigheid en juist 
inzicht de toestand en de beginselen van den Islam en zijne belijders 
geteekend worden. Al sedert jaren is dit boek geheel uitverkocht , 
en hoewel met emstigen aandrang door zijne vrienden later herhaal- 
delijk gepoogd werd hem tot eene nieuwe uitgave daarvan te bewegen , 
mochten deze pogingen toch nimmer gelukken. Hij zag er blijkbaar 
tegen op. Daar waren sedert de verschijning van dat boek zoovele 
hoogst-belangrijke bijdragen tot de kennis van den Islam en het 
leven en streven van de belijders van dien godsdienst openbaar 
gemaakt, van welke hij met de meeste belangstelling kennis had 
genomen, doch die hem hoogst- waarschijnlijk terug hielden tot een 
nieuwe, geheel omgewerkte uitgave van dit voor zijnen tijd hoogst 
verdienstelijk boek te besluiten; daarbij kwam misschien ook wel, 
dat hij zich nu meer met Ethnographische en Linguistische studiën 
bezig hield. 

Uit de in de >yMededeelingen// geleverde bijdragen blijkt intusschen 
dat zijn geest zich hoe langer zoo meer tot Ethnographische onder- 
zoekingen en de studie van Indonesische talen aangetrokken 
gevoelde. Zoo gaf hij in 1866 nog eene reproductie van de bouw- 
stoffen, door den verdienstelijken Zendeling-Leeraar N. P. Wilken 
omtrent het Toumbulusch, eene der in de Minahasa gesproken 
dialecten bijeengebracht , onder den titel : ^Bijdragen tot de kennis 
der Alfoersche taal in de Minahasa, 1^ stuk 1866//. Bij Niemank 
bestond het voornemen een 2>^ stuk, dat in hoofdzaak een glos- 
sarium zou worden, te leveren, doch door omstandigheden kwam 
daar niet van. 

Intusschen had zijn naam als 'goed ïndoloog reeds zulk eene alge- 
meene bekendheid verworven, dat hij tot Hoogleeraar aan de toen- 
malige Delftsche Instelling tot opleiding van Indische ambtenaren 
benoemd werd, welke betrekking hij in 1873 aanvaardde; eene in 
1878 gevolgde benoeming tot Hoogleeraar aan de Amsterdamsche 
Universiteit meende hij echter te moeten afwijzen. Gelijktijdig met 



12 IN MSM0BXA31 FBOF. DB. G. K. NIXMANN. 

zijn professoraat te Delft gaf hij eenigen tijd les aan de Indische 
Officieren , gedetacheerd aan de Hoogere Kiijgsschool te ^s Gravenhage. 

De jaren 1878 — 1898 van zijn professoraat te Delft, hetwelk hij 
getrouw en met de hem eigen nauwgezetheid en wetenschappelijken 
zin waarnam, worden gekenmerkt door zijne Ethnologische en Lin- 
guistische studiën. De //Bijdragen// van het Koninklijk'. Instituut 
bevatten van zijn hand tal van langere of kortere mededeelingen op 
dit gebied. Men kan uit de hier achter volgende lijst zien , met welk 
een tal van talen en dialecten hij zich bezig hield, evenals met 
de Ethnographie der volken die deze talen en dialecten spreken. 

Een werk van piëteit jegens zijnen vriend H. C. Milldbs was 
zijne uitgave in 1871, bezorgd door het Kon. Instituut, van diens 
//Recherches etc.>/, waarvan hij in de //Préface// rekenschap van 
zijne uitgave geeft. 

In de //Encyclopaedie van v. N.-Indië schreef Nibmann de arti- 
kelen nAlfoeren en Batak'^ê,» 

Vooral het Boegineesch (en daarnevens het Makasaarsch) had zeer 
zijne liefde gewonnen. Getuige daarvan is ook zijne //Geschiedenis 
van Tanette>y, in het Boegineesch met aanteekeningen , uitgegeven 
door het Konink. Inst. als feestgave ter gelegenheid van het Zesde 
Internationaal Congres der Oriëntalisten te Leiden, in 1888. 

Doch boven dit alles zouden wij willen stellen zijne //Bloem- 
lezing uit Maleische geschriften, in % stukken, 1870 — 1871 
mede voor rekening van het Instituut uitgegeven. De herhaalde 
herdrukken van deze Uitgave hebben bewezen , hoezeer dit werk 
gewaardeerd en gebruikt werd en nog wordt. Wie hem bij de 
bewerking van iedere nieuwe uitgave op zijn studeerkamer heeft 
kunnen gadeslaan , kan getuigen met hoeveel zorg en nauwgezetheid 
hij, met opoffering van veel, zeer veel tijd, dan daaraan werkzaam 
was. Onafgebroken was zijn geest daarmee bezig, gedurig had hij 
wat te veranderen en te verbeteren, zooals de sobere en toch 
waardevolle inhoud der Aanteekeningen eenigszins kan getuigen. 
Alles wat hem maar eenigszins van waarde toescheen en hem kon 
dienen — en dat was buitengewoon veel , meer dan uij; de Aanteeke- 
ningen kan blijken — had hij gelezen, overdacht, gewikt en 
gewogen; kortom — zijne Bloemlezing is eene model-uitgave ge- 
worden. Zijn receptieve geest, maar in deze materie ook helder 
oordeel en verstand, wist de gevonden stof te verwerken, en in 
keurigen vorm en taal weer te geven, wat vaste en gegronde 
overtuiging bij hem was geworden. 



IN MEMOBIAM PEOF. DR. G. K. NISMANN. 13 

In den kring van Bestuurders des Instituats zal zijn naam 
blijven voortleven, gelijk zij hem bij zijn leven reeds met den titel 
ü^EerelidiT , ook in zijn eigen schatting hoog vereerdea en gelukkig 
maakten; een titel en eere, evenals zijne benoeming honoris causa 
tot Doctor in de Taal- en Letterkunde van den Indischen Archipel 
door de Leidsche Universiteit in 1895, door hem misschien nog 
hooger gewaardeerd dan de koninklijke onderscheiding, die hem te 
beurt viel, toen hij bij de herdenkiog van zijn vijf en twintig 
jarige ambtsvervulling den IS®'* Juni 1898 tot ridder in de orde 
van den Nederl. Leeuw werd benoemd. 

Rust in Vrede! Hooggeachte Leermeester en Vriend van hem, 
die met dankbare herinnering een bloemenkrans op üw laatste 
rustplaats neerlegdel 



LIJST DER GESCHEIPTEN 

van Prof. Dr. G. K. Niemann. 



Afzonderlijke werken: 

Bloemlezing uit Maleische geschriften 2 Stukken 1870 — 1871, 
1872—1878, 1878—1892, 4« druk 1« stuk 1892. 

H, C. Millies. Becherches sur les monnaies des indigènes de 
rArchipel indien et de la péninsule malaie. Ouvrage posthume , 
publiek par G. K. Niemann. La Haye, Nijhoff 1871. 

Geeehiedeniê van Tanette, Boegineesche tekst met aanteekeningen 1883. 

Inleiding tot de kennis van den Islam ^ ook met betrekking tot den 
Indischen Archipel. 186L 

Bijdragen : 

a. In de Mededeelingen van wege het NederL Zend. Genootschap. 

Zending, Islam, Nederland VI, 1. 

Iets over de wereldtentoonstelling van 1867. XII, 72. 

Gedachten over evangelisatie in Nederl. Indië. XV, 11. 

Het maandblad voor de Minahassa in 1870. XV, 158; in 1871. 
XVII, 82. 

De kabesarau iu de Minahassa. XV, 200. 

Varia. XVT, 41. 

Boekaankondiging : Allgcmeiner Missionsatlas von Dr. B. Grundemann. 
XVI, 228. 

Ontdekkingstochten op Nieuw -Guinea. XVII, 165. 

Het Koloniaal museum der Ned. Maatschappij tot bevordering van 
nijverheid, te Haarlem. XVII. 

Hoe men buitenslands onzen arbeid ignoreert. XVII, 224. 

Alfoersche vertelsels en raadsels. XXX, 291. 

Nog iets over het eiland Rotti of Rote. XXXIV, 43. 



LIJST DEB 6ESCHBIFT£N VAN PBOF. DB. O. K. NIBMANN. 15 



b. In de » Bijdragen tot de Taal-^ Zand- en Volkenkunde van 
NederL Indié', Uitgegeven door het Kon, Instit, voor de 
T.y L. en V. kunde van Ned.-Indië. 

Mededeelingeu over Makassaarsche taal- en letterkunde 2, VI, 58 — 88. 

Overzigt der taal- en letterkunde van Ned. O.-Indië. 8, I, 113 — 416. 

Mededeelingeu omtrent de letterkunde der Bataks. 3,1, 245 — 303. 

Mededeelingeu omtrent de AJfoersche taal van Noord-Oost Celebes. 
3, IV, 205—251, 400—446, 3, V, 69—120. 

Over het geloof aan gelukkige en ongelukkige tijden bij verschillende 
volken van Ned. Indië. 3, V, 133—141. 

De Maleische handschriften in het Britsch-Museum. 3, VI, 96 — 101. 

Mededeelingeu omtrent de Linguistiek van Ned. Indië. 3, VI, 
124—126. 

(Bespreking van) K. Semper's //Die Palan Insaln im Stillen Ocean//. 
Leipzig 1873. 3, VII, 375—376. 

(Bespreking van) Garcin de Tassy's //La laogue et la littérature 
Hindoustanies en 1872/.. Parijs 1873. 3, VII, 377—381. 

(Bespreking van) deel XXXVI der Verhandelingen v. h. Batav. 
Genootschap. Batavia 1872. 3, VII, 381—385. 

Een nieuw tijdschrift vóór den Indischen Archipel [oaml. het 
//Journal of the Straits Banch E. A. S.] 4, III, 232—235. 

Mengelingen [naml. over Djaja Langkara, Infixen in het Makas- 
saarsch, Dewi Sri, en Doode Vogels], 4, III, 236 — 240. 

Bibliographische bijdragen [naml. over //The Antanarivo Annual and 
Madagascar magazine, ed. J. Sibree Jr.// en over //Een Boegi- 
neesch Handschrift.//] 4, V, 328—331. 

De Latowa. 4, VHI, 198—228. 

De Boegineezen en Makassaren. Linguistische en ethnologische studiën. 
I, 5, IV, 74—88, II, Ibid., 266—286. 

Bijdragen tot de kennis der verhouding van het Tjam tot de talen 
van Indonesië. 3, VI, 27 — 44. 

Bibliographische bijdragen (naml. over het Bahnar, het Tjam, het 
Silong'sch en het Boegineesch). 5, VI, 339 — 346. 

Ethnographische mededeelingeu omtrent de Tjam^s en eenige andere 
volkstammen van Achter-Indië. 6, I, 329 — 353. 



16 LUST DER aSSCHSIPTBN VAN PBOF. DB. O. K. KtBMANN. 

Voorts : Verhaal eener pelgrimsreize van Singapoera naar Mekah , in 
1854, vertaald door H. A. Klinkert. 3, II, 304—408, Met 
aanteekeningeu vf^n G. K, Niemann; ibid. 409 — 410. 

Bottineesche spraakkunst van J. Fanggidaej , omgewerkt door 
G. K. Niemann. 5, VH, 554—571. 

Mededeelingen omtrent de Alfoersche taal van Noord-Oost 
Celebes. II. Spreekwoorden en eigenaardige spreekwijzen in het 
Toumbulusch, medegedeeld door G. K. Niemann. 3, V, 195 — 209. 



DE TOETOER MONJEH OP LOMBOK, 

DOOR 

J. C. VAN EERDE, s 



Onder de vele lontargeschriften van belietristischeu aard, die op 

mbok voorkomen , is er geen , waarvan de inhoud zoo populair is , 
Is de Toetoer Monjèh d. i. Het verhaal van den aap. 

Dit verhaal is van waarde, omdat het een product is van het 
eiland zelf, niet ingevoerd van elders, maar geschreven door een 
Sassak voor Sassaks; het is, voor zoover na te gaan, niet een in 
'Sassaksch gewaad gestoken uitheemsche roman, maar oorspronkelijk, 
al blijkt ook uit den inhoud, dat de auteur bekend is geweest met 
andere,^ van elders geimporteerde romanhelden en heldinnen, o. a. 
Pandji, Tjilinaja enz. Dit verhaal is in eenvoudig en zuiver Sassaksch 
gesteld en kan ro. i. voor hen die beginnen deze taal te bestudeeren 
van veel nut zijn , omdat Balineesche en Kawiwoorden daarin weinig 
voorkomen. Alleen spreken vreemdelingen, die met hun schip aan- 
komen in het land, waar deze roman speelt, Maleisch, zoodat 
^leze uitheemsche kooplieden en zeevaarders volmaakt in hun rol 
blijven. Ook in den titel heeft men het woord Monjèh gebruikt voor 
aap, dat doet denken aan het Maleische monjèt, ofschoon in de 
op Lombok inheemsche talen dat woord niet gebruikelijk is. 
{Sas-godèg. Bal. bod jog). 

De auteur is Djëro Michram, Desahoofd vau Pantjor (Oost-Lombok) 

later een zeer vroom man geworden, die zich schaamde ooit de schoone 

letteren te hebben beoefend en zich te hebben ingespannen, om 

^ijne landgenooten te vermaken door de lezing van zijn verhaal. 

^^als bekend, bloeide aan het hof der Lomboksche vorsten de 

beoefening van theologie , wijsbegeerte en litteratuur meer dan elders 

iuin de Balische hoven en hield de vorst er een zeer uitgebreide 

verzameling lontargeschriften, over onderwerpen van allerlei aard 

handelende, op na. Voor zoover bekend waren deze schrifturen, 

met uitzondering van de Lomboksche wetten en verordeningen alle 

Van uitheemschen oorsprong en voornamelijk via Bali ingevoerd, 

^oms ook uit andere deelen van den Archipel. 

?• Volgr. V. 2 



18 DE TOBTOSB MONXÈH OF LOMBOK. 

Met de Toeteer Monjeh is zulks niet het geval ; onder de Sassaks 
was die het eerst in zwang en kwam eerst in het laatste decennium 
ook naar de westkust over, waar zij zich bij de Balische ge- 
meente een plaats wist te veroveren. Ernstige hoofden en priesters 
beschouwen een dergelijkeu roman, als dienende alleen tot vermaak, 
met minachting; doch de kleine man denkt daar anders over en 
naast de verhalen van Keugganis (Amir Hamzah) de den Toetoer 
Lawé (Bangga Lawé) bekleedt de Toetoer Monjèh thans een zeer 
voorname of de voornaamste plaats. 

De dansmeisjes ontleenen er hare pantoens aan, de mannen zingen 
de strofen, als ze des nachts de wacht houden bij het rijstgewas, 
de meisjes neuriën de liedjes onder het weven en des avonds be- 
kostigt menig eenvoudig Sassak eenen voorlezer, om het reciet van 
dezen roman te genieten. De geschiedenis van prins Witarasari, die, als 
een aap vermomd, om zijne schoone prinses werft , is uiterst populair. 

Deze prinses, door hare zusters geminacht en mishandeld, wordt door 
bovennatuurlijke machten in de gelegenheid gesteld , een feest ten 
paleize bij te wonen en huwt tot ergernis van hare zusters eindelijk 
den schoonen prins. Zij herinnert aan de Asschepoester der Euro- 
peesche verhalen. 

Wanneer mijne veronderstelling juist is, dat Djëro Michram deze 
Asschepoesterfiguur niet aan een letterkundig product van elders- 
heeft kunnen ontleenen , dan is hier in zake de Asschepoesterroman 
een merkwaardig bewijs geleverd voor de juistheid van de uitspraak 
van Prof. H. J. Polak in de Gids van Oct. 1903 naar aanleiding^ 
van fabels: 

'/Men handelt verkeerd door naar den oorsprong der fabels met 
min of meer didactische strekking langs ethnografischen weg te 
zoeken. Ik acht haar bij vele, misschien bij alle cultuurvolken 

autochthoiMy een product van eigen bodem Hetgeen niet ver^ 

hindert, dat in veel later tijden, tijden van druk internationaal 
verkeer, toen het genre allerwegen vasten vorm verkregen had, 
over en weer ontleeningeu plaats gehad kunnen hebben.// (Over 
Grieksche en Indische fabels bl. 58). En dat de auteur van de Toetoer 
Monjeh oorspronkelijk werk geleverd heeft , is des te waarschijnlijker , 
omdat met letterkunde zeer bekende inlandsche hoofden mij ver- 
klaarden , ook op Bali nimmer van een verhaal , als door de Toetoer 
Monjeh geleverd, te hebben gehoord. 

Wel wordt door Dr Suouck Hurgronje van een dergelijk apen- 
verhaal melding gemaakt in zijn werk De Atjehers Dl. Il.bl. 151 ,. 



DS TOSTOSK MONJiH OP LOMBOK. 19 

doch dat overigens Asschepoester daarin een rol speelt, blijkt niet. 

De auteur heeft zijn eigene omgeving gedacht als het land, 
waar de roman speelt, de bijzonderheden zijn gelocaliseerd op de 
Oostkust van Lombok, die men daarin herkent en de ligging van 
de Oostelijke poeri komt vrij wel overeen met die van het huis van 
Djëro Michram. Ook overigens spreken en handelen de personen in 
de roman geheel als Lombokkers en ook als zoodanig heeft dit 
letterkundig product waarde. 

Men waant zich op de Oostkust, als daar een prauw van den 
overwal aankomt met vreemde handelaren, die zich bij de inlandsche 
hoofden aanmelden enz. 

Hieronder moge een zeer verkorte inhoudsopgave volgen van 
dezen roman, naar het exemplaar, dat zich in het Botterdamsche 
museum '/Prins Hendrik/^' bevindt onder n'* 6971, gevolgd door de 
transcriptie met Latijnsche karakters, zooals die door een Wésija 
op Lombok is gemaakt. 

Inhoud van den Toeteer Monjèh. 

Metrum: Sinom. 

De auteur brengt den lezer zijn* groete en zegt, dat dit 
verhaal uit tijdverdrijf is opgesteld, //daar de rijst nog niet 
gaar is,// en dat het tot vermaak moge dienen. Hij tracht 
geleerde menschen na te bootsen en vraagt vergeving voor 
zijn slechte voordracht, de ontbrekende woorden, de letters 
//Kippekrabbels'/ en de taal ver warring , want het is Sassaksch, 
Balineesch en Javaansch door elkaar. Hij verhaalt nu van 
drie broeders, alle vorsten over rijken, die door de zee van 
elkaar gescheiden zijn. 

1®. De vorst van LajSing Sari had twee zonen : de oudste 
Kitap Moentjar uit een bij wijf , de jongste Witarasari uit een 
voorname moeder. 

2®. De vorst van Indra sekar had een zoon Djajeug sekar 
en eene dochter Dinda Mas Windoe Sari. 

8®. De vorst van Indra Pandita had 9 dochters, waarvan 
hij acht zeer beminde, doch de jongste, de schoonste, werd 
niet door haar ouders bemind. Zij heette Dinda Mas Widaradin 
en wordt als zeer bekoorlijk beschreven. Zij had echter een 
ellendig lot, ging slecht gekleed, want hare ouders en zusters 
gaven niets om haar ; dikwijls wenschte zij dood te zijn. Nooit 



20 DX TOETOSB MOKXÈH OP LOMBOK. 

gaven hare ouders haar iets, want hare zusters kregen alles en 
zij weende nacht en dag. Slechts haar dienstmaagd was met 
haar lot begaan en weende met haar en haar klaagde zij haar 
verdriet : ffmen zou niet zeggen , dat ik eene prinses ben , want 
ik heb slechts één kleedje, dat ik nacht en dag moet gebrniken, 
wat moet ik doen?^ 
Metrum : Maskoemanbang. 

De baboe gaf haar eigen kleed en nam zelf het gescheurde van 
de prinses; sleudang, buikband, die had zij niet; die sarong 
diende haar des nachts als deken. De baboe weeklaagde bij 
het zien der ellende van de prinses. 

Volgen acht zeer dichterlijke pautoens over het ellendig 
lot van die Koningsdochter. 
Metrum : Asmarandada. 

De prinses vraagt aan de baboe 25 kepengs, om papier 
te koopen. Deze weet een weinig geld te krijgen, want zelf 
had zij het ook niet en koopt op de pasar twee velletjes papier. 
De prinses teekende met inkt zich zelf uit met het gescheurde 
kleedje aan, ook haar hutje met de vergane stijlen stond er 
bij geteekeud. Zij schreef haar naam en woonplaats aan den kant 
en de namen van haar familie, die haar zoo slecht behandelde. 
De baboe schreide, toen zij de prent zag. 
Metrum : Maskoemambang. 

De prinses zeide: ^dit blijft ter herinnering, als ik morgen 
wellicht dood ga, aan mij, de prinses, van wie niemand hield, 
die geen voedsel kreeg. Ware ik maar niet in dit paleis ge- 
boren, waar ik zoo^n ellendig lot heb, ware ik maar in een 
dorp geboren, dan kon ik gaan waar ik wilde, om voedsel te 
zoeken.// De baboe wil haar troosten, de vrouwen klagen hare 
elleude in 7 pautoens. 

Terwijl de prinses de teekeniug oprolde, slak de Westewind 
op en voerde het papier mee, hoog in de lucht over de zee 
naar ludrakila, zoo heette het lustverblijf van Baden Mas 
Witara Sari, den prins van Lajang Sari. 
Metrum : Dangdang goela manis. 

Deze prins nam juist een bad met zijn' broeder, prins Kitap- 
moentjar. Bij de pantjoran zag hij de prent liggen en toen 
hij daarop de prinses zag afgebeeld, viel hij in onmacht. 
Zijn broeder schrikte hevig. Hij dacht, dat de onmachtige zou 
sterven, omdat hij geweldig zweette. De volgelingen trokken 



DS TOSTOEB MONXÈH OP LOMBOK. 21 

m 

reeds hunne krissen, om elkaar te dooden, ten einde hunnen 
Heer in den dood te volgen. Doch prins Kitapmoentjar weet 
hen tot bedaren te brengen en zegt, dat hij allen wel zal 
doorsteken, als zijn broeder werkelijk mocht overlijden. 
Men bracht den onmachtige weer bij door massage, blazen^ 
hem oprichten enz. Hij vertelde nu van de prent en toen 
Kitapmoentjar de afbeelding zag, weende hij ook en rolde 
snel het papier weer op. De broeders beraadslaagden er over, 
hoe dit portret van de prinses daar zou zijn gekomen. //Dat 
moet wel een djin gedaan hebben, want een meusch zou dat 
niet kunnen doen: een traject van verscheiden maanden 
zeilen. /i' 
Metrum : Maskoemambang. 

De prins Witarasari uit nu zijn liefde voor het schoone 
meisje in 11 zeer schoone en dichterlijke verzen. 

Hij doet een gelofte , haar te zoeken en, mocht hij haar vinden, 
dan zal hij een wajang vertooning geven. //Als ik U niet 
levend aantref, moge Allah dan mijn leven verkorten, doch, 
indien gij nu nog leeft , moge Allah dan mijn leven verlengen , 
opdat ik U vinde.v 
Metrum : Pangkoer. 

De broeders overleggen, hoe een schip te maken als /rSingam- 
bara^' (^^ Wolkenleeuw//) met vleugels, ooren, oogen. Prins Kitap- 
moentjar, die met bovenaardsche macht bedeeld is, maakt 
een gouden schip met edelgesteenten bezet. Het maakte den 
indruk van een vliegéüden leeuw, ieder die het zag, werd 
angstig. Het had drie masten en een vlag van zijde met de 
kleuren: wit, rood, zwart met goud omzoomd. Die vlag heette 
//vlag van de kompeni.// De zeilen waren van Engelsch maaksel, 
dik en toch fijn. Er waren 18 //klasina// (wellicht wordt bedoeld 1* 
klas bootslieden of stuurlieden) op , die er uitzagen als konings- 
zonen , met broeken en buizen aan. Ter zijde hingen drie witge- 
verfde sloepen en nog een sloep , genaamd //tongkang// bestemd 
voor den prins, geheel bont geschild ert met wit, rood, zwart en 
geel, ten teeken, dat deze sloep voor een vorst bestemd was. 
Het bootje liep zoo snel als een pijl en het zag er uit als een 
gevleugelde kleine leeuw. Het geheele land liep uit om dat schip te 
zien: het was zoo^n toeloop, dat sommigen hunne kinderen kwijt 
raakten. Bij deze gelegenheid veranderde Kitapmoentjar van 
naam en noemde zich voortaan Kitapsëkar. 



22 DB TOXTOXB MONJÊH OP LOMBOK. 

Metrum : Dangdang. 

Het schip wordt van leeftocht en kleeren voorzien en 
vele heerendienstplichtigen worden gelast, mede te gaan. Deze 
waren daarover zoo verheugd, dat zij reeds een dag te 
vroeg op het schip kwamen, doch de Badens verbleven den 
laatsten nacht in de poeri. Yele zijden gewaden nam men mee 
als geschenken voor de overzeesche verwanten. Acht kisten 
met kleedjes en een met bijzonder schooue gewaden voor de 
ongelukkige prinses. De prinsen nemen afscheid van hunnen 
vader en Witarasari bestijgt het schip en gaat in de /s'Ejtmar/r 
Kitapsekar slaat met een rotanstok op den grond en er ontstaat 
op de pasar voor de poeri te Lajangsari, waar het schip was 
gebouwd, een groote plas, waaruit het door een verbindings- 
kanaal in de groote zee vaart. 
Metrum : Sinom. 

Als een vliegende leeuw verdween het schip: een dag later 
stond het volk nog aan het strand. Als men de reis zou be- 
schrijven, die maanden duurde, zoude de hand pijn gaan doen 
(van het vasthouden van het schrijfmes) en zouden de lendenen 
stijf worden. Eindelijk kwam men op de ree aan en daar stond 
het aan den wal vol van menschen , die den vreeselijken leeuw 
zagen komen. Ook de hoofden stonden eerst te kijken, maar 
allen liepen uit angst hard weg. 

Een sloep werd gestreken, waarin Kitapsekar naar den wal 
ging, om de menschen gerust te stellen. Toen men daar zag, 
dat er een mensch in zat, bleef men staan. Kitapsekar stapte 
aan wal en vroeg aan zekeren Lo Loekap: /rWie is hier 
havenmeester (bandar) en noetaris?// Lo Loekap liep naar het 
hoofd van de havenplaats (Fêpatih Djaja Samoedra) en zeide, 
dat geen zeemonster, maar een handelsschip was aangekomen 
en dat de gezagvoerder reeds geland was. De Fëpatih kleedde 
zich netjes aan en ging naar het strand, waar hij den kapitein 
zag. Beiden groetten elkaar en gingen daar zitten , doch zeidden 
eerst niets. 

Nu volgt een zeer aardig, naar het leven gegrepen gesprek 
in \ Maleisch tusschen kapitein en havenautoriteit. 

'/Ik ben een vreemdeling (djawa), duid het mij dus niet 
ten kwade, zoo ik mocht handelen in strijd met Uwe zeden, 
die ik niet ken.// 

De Fëpatih antwoordde: >/baik Kapten^ apa djoega ^ndak 



ï 



DB TOBTOE& MONJÈH OP LOUBOEL. 23 

di bilang, bolehlah Kapten membilang/sr (goed, kapitein, zeg 
maar wat gij wilt.) 

Volgt een gesprek in ^t Maleisch , waarbij men kennis maakt 
en de kapitein de menschen gerust stelt omtrent zijn schip en 
den vorst laat uitnoodigen, om het vaartuig en zijne handels- 
waren te komen zien. 

Metrum : Fangkoer. 

De kapitein vraagt (in 't Maleisch) vergunning, een //raaligé/i' 
aan het strand te mogen oprichten, om den vorst te kunnen 
ontvangen, zoo deze daarheen komt. Hij maakt zich bekend 
als te zijn Fenghoeloe Djamal van Samarkaton, gelegen in 
Zuid- Java. De Pëpatih stijgt te paard en rijdt naar de poeri, 
om z'n opwachting bij den vorst 'te maken. Hij brengt daar 
rapport uit, wat uitvoerig wordt beschreven. 

De vorst laat zijne dochters komen aan wie hij vertelt, wat 
de Pëpatih heeft medegedeeld omtrent het schip en den Kapitein. 
Hij gelast den Pëpatih terug te keeren en den Kapitein te 
zeggen, op den volgenden dag zijn koopwaren op het strand 
uit te stallen, daar hij met zijne vrouwen en dochters inkoopen 
wil doen en het schip wil zien. 

Metrum : Doerma. 

Eaden Kitapsekar vertelt een en ander aan zijnen broeder en 
men komt overeen, den volgenden dag 11 stoelen gereed te 
zetten aan het strand, twee voor het vortsenpaar en 9 voor de 
prinsessen. ^Blijft er één ledig, dan is er een ongelukkige 
achtergebleven.// Men richt een tent op aan het strand, vol 
lofwerk en gele zijde en schoone kleeden. In de poeri maakt 
men zich gereed naar het strand te gaan. De vorst gelast zijn 
oudste dochter ook aan Winangsija (zoo noemt men de ongelukkige 
prinses voortaan) te vragen, of zij mee wil gaan. De oudste prinses 
draagt dit weder op aan hare zuster Dinda Gouda wangi en deze 
weer aan eene kleine bediende, die Winangsija weenende vindt. 

Metrum : Sinom. 

De prinses zat daar zeer bedroefd , van alles verstoken. Daar 
kwam het meisje, dat de boodschap overbracht. De prinses 
zweeg maar altijd door en het meisje, dat ziende, ging schrei- 
ende heen , zonder te groeten. Zij berichtte , dat de prinses ziek 
was en niet mee kon gaan. 

De zusters zouden nu met veel geld naar het strand gaan, 
terwijl Winangsija ellendig en bedroefd achterbleef» 



24 DS TOETOEB MONJÊH OF LOMBOK. 

Metrum : Maskoemambang. 

Zij zeide aan haar baboe : //ik kan immers niet mee gaan ^ 
want voor mij is er geen draagstoel en al was die er, voor 
mij zonder slendans^ en buikband zou het toch niet staan, 
daarop plaats te nemen. Ik bezit bovendien geen kepeng, om iets 
te koopen , terwijl zij zooveel hebben ; dat nu maakt mij zoo 
bedroefd.// Zij gelastte de baboe, om te gaan met ISkepengs, 
om iets te koopen, al was het een aap of een vogeltje. 

In pantoens troost de baboe hare meesteres. 
Metrum : Pangkoer. 

Een groote stoet, met muziek voorop en de vorstelijke 
familie op draagstoelen, komt de poeri uit. Ieder loopt mee 
en Dinda Winangsija 'blijft alleen achter, weenende op haar 
legerstede. De baboe loopt achter in den stoet mede. Vóór de 
tent aan het strand stonden de stoelen op een rij en in de 
verte kondigen de trommels de komst van den optocht aan. 
Sad^n Witarasari werd gewaarschuwd en zag met een verre- 
kijker van af het schip naar het strand , waar hij den geheelen 
stoet zag aankomen. 
Metrum : Doerma. 

Hij laat servies naar den wal brengen, om het gebak en 
andere lekkernijen op aan te bieden ; ook zendt hij 30 bedienden 
met van edelsteenen voorziene ringen aan de vingers, allen 
uniform gekleed, zoo schoon, //als waren het geen menschen, 
doch poetri djim//. Kitapsekar laat de stoelen zoo op een rij 
plaatsen, dat zijn broeder alles duidelijk kan zien door den 
kijker. 

De vorst met zijn gevolg was verbluft bij het zien van de 
teut en het schip. 
Metrum : Sinom. 

Penghoeloe Djamal verzoekt de vorstelijke familie op de 
stoelen plaats te nemen; 15 saluutschoten worden uit een 
geweer gelost. Baden Witarasari zag door den kijker en vergeleek 
het portret met de aanwezigen , doch geen der prinsessen geleek 
daarop. Hij dacht toen aan de ongelukkige prinses , die hij 
vermoedde, thans alleen op hare legerstede, zeer bedroefd, te 
zijn achtergebleven en hij weende. Intusschen werd de vorste- 
lijke familie onthaald op allerlei lekkers: arak, brandi, sam- 
ping (Champagne), anggoer, santeroep, limonade, anggoer- 
masem (Rijnwijn), anggoermanis (likeur), kofBie en prachtig 



DB TOSTOBB MONJÈH OF LOBfBOK. 2& 

gebak. Na allerlei plichtsplegingen eet men van de uitheemsche 
koek, die allen verstomd doet zijn, want al de spijzen zijn 
met witte suiker bestrooid. De adel en de waardigheidsbeklee- 
ders stonden verbaasd over al die weelde. //De kopjes werden 
met zijden doeken schoon gemaakt.// Na de vorsteufamilie 
kregen ook de volgelingen te eten. Daarna gaat men in de 
tent al de schoone handelswaren zien, elk der vrouwen kocht 
voor eenige honderden guldens. Penghoeloe Djamal gaf aan 
ieder nog een geschenk. 

Daar kwam ook de oude baboe, doch zij was geheel de 
kluts kwijt, want zij kon niet met den kapitein spreken, zij 
toch verstond geen . der talen: boegis, melajoe, tjina, arab, 
olanda. Hoe zou zij dus iets koopen ? Bij al die pracht was 
niets, dat 13 kepengs (d: 2 et.) kostte en toch wilde zij iets 
medenemen voor hare prinses. Toen ging zij naar den kapitein 
en vroeg, of hij ook iets verkocht, dat 25 kepengs of 13 kepengs 
kostte. Deze zeide : //wel zeker, ik heb ook goedkoope waren, 
b.v. naainaalden.// En toen vertelde de oude meid aan den 
kapitein van hare prinses, die in ellende alleen was thuis ge- 
bleven, 'die verwaarloosd werd door hare geheele familie en 
die haar opgedragen had voor deze weinige kepengs iets te 
koopen, al was het een aap of een vogeltje. De kapitein zeide : 
//er is een aap op het schip, geef mij het geld maar.// Batap- 
sekar ging vluks naar het schip en vertelde zijnen broeder, 
dat alles waar was, zooals bij het portret stond geschreven en 
dat de ongelukkige prinses 13 kepengs zond ; op het gezicht 
van dat geld schreide Witarasari. Men besluit, dat deze zich 
in een aap zal veranderen, wat geschiedde door het aantrekken 
van een tooverjas. Kitapsekar bracht de aap aan de baboe 
en zeide, dat dit een zeer slimme aap was, verstandig als een 
mensch, die men goed moest oppassen en waarvan de prinses 
zeker wel zou gaan houden. Hij heette //Lo Monjèh<' (lett. Jan 
aap). De baboe nam den aap op den arm en liep achter den 
stoet aan, want niemand wilde naast haar loopen, zoo met 
een aap. 
Metrum : Asmarandana. 

De prinses lag op haar legerstede ^ schreien; de baboe 
deed haar opstaan en liet haar den aap zien , die in den voor- 
galerij zat. Lo Monjèh sprak: //prinses, heb geen verdriet 
meer, schik XJ in Uw lot, want, als gij aan Uwe droefheid 



26 DE TOXTOSB MONJÈH OP LOMBOK. 

toegeeft, breekt Uw hart.^ De prinses schrok er van, dat de 
aap sprak als een mensch. Zij vroeg : /s^Hoe kan jij zoo praten , 
was je wellicht vroeger een meosch en werd je vervloekt, of 
wat is er met je gebenrd ?^ De aap zeide, dat hij een gewone 
aap is, alleen kan hij praten. De geheele poen hoorde van 
den pratenden aap en de zusters wilden hem hebben. De oudste 
Dinda Wingit stuurde iemand, om den aap te halen, doch 
Dinda Winangsija liet antwoorden : //het eenige wat ik bezit, 
is een aap van 13 kepengs, dien wil ik niet afstaan. /s^ De 
zusters werden toen boos en klaagden haar aan bij den vorst, 
dien ze wisten te bewegen om te gelasten, dat Winangsija zou 
moeten verhuizen naar een verafgelegen tuin (taman). De vader 
zei : //probeer het eerst nog eens met goede woorden , luistert 
zij daarnaar niet, laat zij dan heengaan, waarheen dan ook.>r 
Dinda Wingit zeide: /j'wij hebben het al geprobeerd met goede 
woorden, doch zij weigert.// Haar werd toen gelast op den 
volgenden dag de poen te verlaten. De aap ondertusschen zong 
allerlei liedjes en diende de boodschappers aan, die het ver- 
banningsbevel kwamen brengen. Zij schreide met haar dienst- 
maagd. De aap, dien zij niet wilde afstaan, werd de oorzaak 
van hare verbanning. 
Metrum : Sinom. 

De aap troostte haar, zeggende, dat het onheil door Allah 
was gezonden. ^Ga maar slapen, ik zal wel bij U blijven en 
U wat voorzingen.// (Volgen 3 pantoens vol troost.) De prinses 
dankte hem daarvoor en zei : //zoo lang gij hier zijt, vermin- 
dert mijn verdriet al, laten wij immer samenblijven.// 

Toen de prinses sliep, beschouwde de aap haar eens goed 
en zag, dat zij geheel op het portret geleek. Zijne gedachten 
werden hem de baas en hij betastte hare borsten. De prinses 
schrok wakker en vroeg : //wat voer je uit, ik wil slapen en 
je doet mij schrikken.// //Ik sliep en droomde, dat ik met de 
bloemknoppen van een boom speelde en zoo vergreep ik mij 
aan U,// zeide de aap. Zij vergaf hem en toen gingen zij 
slapen, met een kussen tusschen beide. 

Den volgenden morgen moest zij de poeri verlaten en 7 oude 
mannen werden haar medegegeven als arbeiders. 
Metrum : Maskoemambang. 

Zij leende een slendang van de baboe ter bedekking van 
haar hoofd en weenende nam zij afscheid van haar hutje (in 



DE TOITOB& MONJÈH OP LOMBOK. 27 

pantoens), zeggende, dat zij nimmer weder zou keeren op deze 
plaats des onheils. De aap troostte haar en het poeripersoneel 
weende , want allen hielden veel van haar en zouden wel allen 
willen medegaan met de onschuldig yerbannene. Onderweg 
zond zij de baboe terug , om hare groeten aan ouders en zusters 
over te brengen. 
Metrum : Dangdang. 

De baboe maakte hare opwachting bij het vorstenpaar en 
bracht de groeten over. De vorst beval, dat de prinses in 
leven en dood in dien afgelegen tuin moest verblijven. Onder- 
weg bleef ieder verbaasd staan bij het zien van die schoone 
prinses, /s^als de volle maan// zoo schoon. Zij weende den 
geheel en weg langs, haar slendang was doorweekt van 
tranen. 
Metrum : Maskoemambang. 

De aap troost haar met gedichtjes en betuigt zijne trouw, 
//al ging zij ook tot aan Mekkah//. 
Metrum : Dangdang. 

De aap zegt : //Uwe oogen zijn gezwollen , zij zullen breken. 
Zooals het vleesch van twee karbouwen, goed gekookt en 
bereid, geheel bederft, als er een klein beetje bedorven trasi 
bij gedaan wordt.// Hij troostte haar. Zij kwamen bij het huisje 
aan, waar zij moest verblijven. Men veegde het aan en maakte 
het met primitieve materialen wat op orde ; ook het verblijf 
voor de oude mannen. De aap maakt grappen, zegt tot de 
oude vrouw //ga hier eens onder den pisangstruik zitten, dan 
zal ik die oude heeren voor je laten dansen//. Toen werd de 
baboe boos op den aap en dreigt hem te zullen slaan. Toen 
zong de aap een liedje en krabde zich. 
Metrum : Maskoemambang. 

Pantoens, waarin de aap de oude meid weer tot bedaren 
tracht te brengen. Des avonds maakte men vuur, kookte en 
at. De aap plaagt de oude vrouw : //jij moet langzamer eten , 
anders krijg je buikpijn.// Hij weet de menschen vroolijk te 
stemmen door zijn plagende liedjes op de oude vrouw : //ik 
zal met je trouwen.// 
Metrum : Dangdang. 

De baboe scheldt de aap uit voor //boschluis,// //die nooit 
met een meisje zal trouwen.// Doch deze zegt: /i^dat is Allah^s 
macht en daarover heb jij niets te zeggen.// 



28 DS TOETOKB MONJÈH OP LOMBOK. 

Metrum: Maskoemambang, 

De aap zingt de prinses in slaap, bezingt hare borsten, hals, 
het genot bij haar te slapen, zijne liefde. Terwijl zij slaapt, 
zoent hij haar op wangen en lippen; zij slaapt vast door de 
vermoeidheid van den tocht. De aap zat naast haar, betastte 
haar en beschouwde de schooue slaapster, hij besluit echter, 
om nog niet van gedaante te verwisselen, doch eerst later, 
als de prinses in betere levensomstandigheden verkeert. 
Metrum : Sinom. 

Hare borsten geleken >/moestika^s// , zij had schoone, gele 
wangen, lange wimpers, dunne, fijne lippen. De aap beschouwde 
haar : //geen ander was schoouer op deze aarde.// Zijne gedachten 
werden hem de baas en hij zoende haar: Toen schrok zij 
wakker, doch de aap deed net, of hij sliep. Zij stootte hem 
met den voet aan, waarop hij deed, alsof hij wakker schrikte. 
Hij vroeg: //Wat is er?// Zij verweet hem, dat hij net deed 
als een mensch. //Zijt gij misschien een mensch./^ Hij vraagt 
vergeving en zegt, dat, als zij hem niet vergeeft, hij maar 
liever weg zal gaan naar het schip. Zij gelast hem te blijven 
en te gaan slapen bij de oude baboe. Daar zat hij in zich zelf 
te spreken over zijn heer op het schip, die gezegd had, dat 
hij maar terug moest keeren, als het hem aan wal niet beviel 
en hij zou nu maar weggaan, omdat men hem zoo slecht 
behandelde. 

De prinses hoorde dat en dacht dat de aap heen zou gaan. 
Zij riep; //als je het daar zoo slecht hebt, kom dan maar weer 
hier slapen.// ,Nu beloofde de aap, niet weg te zullen loopen. 

In de hoofdstad werd de vorst zeer ziek en de prinsessen 
doen een gelofte: als de Vorst weer geneest, zullen wij een 
feest geven en als dansmeisjes op het voorplein gaan dansen. >/ 
De vorst herstelde en eene bediende werd naar dien tuin ge- 
zonden om Winaugsija daarmee in kennis te stellen en aan te 
zeggen, dat zij ook mee moest doen aan de voorbereidselen 
voor het feest en ook met hare zuster moest dansen. De be- 
diende trof haar aan, terwijl zij met den aap speelde. 
Metrum : Asmarandana. 

//Hoe kan ik meedansen ? Ik ben veel te arm , mijn kleed is 
gescheurd en vuil,// //zeg dat aan de prinsessen,// De aap schold 
de meisjes, die uit de poeri waren gezonden, om de boodschap 
over te brengen. //Maak, dat jelui wegkomt, jelui stinkt als 



DE TOBBOS& MONJÊH OP LOMBOK. 29 

een doode leguaan, het is niet uit te houden.^/ Zij zeiden: 
ff jij bent een onbeschofte aap, jij zelf stinkt en zegt nu, dat 
een ander stinkt.// De aap zei: //doe eens wat spuw in je hand 
en sla er met de vingers op, degene in wiens richting het 
spat, die stinkt.// De prinses zeide: //luistert toch niet naar 
dien dollen aap.// 

De zusters waren boos, dat Winangsija niet mee wilde doen 
aan het vervullen der gelofte; zij stuurden nog eens een 
boodschap; doch Winangsija laat weten, dnt zij geen passende 
kleederen bezit, om op het feest te komen. 

Metrum : Pangkoer. 

De zusters schelden haar voor; //teef// en geven haar de 
schuld dat de vorst ziek werd. Men besluit haar te verderven. 
Wil zij niet op het feest komen, of wel, is zij daar minder 
mooi gekleed dan hare zusters, dan zal zij gedood worden. 
Op den dag vóór het feest worden drie Goestis gezonden: 
Patih Oandala Sêmita, Patih Matj&u Koening en Patih Matjan 
Wilis: //Haal haar hier!// //Wil zij niet, of is zij minder 
mooi gekleed dan wij, maak haar dan maar dood en begraaf 
haar ouder een pisangstam.// Zoo gelast de oudste zuster. 
Patih Gandala Sëmita brengt de boodschap over. //Hoe kan zij 
nu gelasten , dat ik mij netjes moet aankleeden. Ze weet toch 
wel, dat ik arm ben, laat zij mij dan kleereu leenen.// Ze 
moet echter met eigen prachtige kleeren komen, anders wordt 
zij gedood. Zoo luidt het vonnis. Als gunst vraagt zij, dat 
haar doodvonnis bij den vijver mag worden voltrokken. 

Metrum : Maskoemambang. 

De prinses bereidt zich voor tot den dood. De baboe en de 
oude mannen weenen en nemen afscheid in roerende woorden, 
want de prinses zou doodgestoken worden, daar aan den 
vijverrand. De patih^s trokken hunne krissen en gingen voor 
haar staan. 

Metrum: Dangdang. 

De aap was gaan baden en kwam thuis. Hij vond de hut 
ledig en toen ging hij overal zoeken en zag eindelijk, dat er 
krissen flikkerden. Toen vloog hij daarheen onder luid geschreeuw. 
De prinses sprak tot hare beulen : //Wacht nog even , daar 
komt de aap; dien had ik vergeten.// Deze verzocht de Goestis 
hunne krissen weer in de schede te steken. //Wat heeft zij 
misdaan ?ff De prinses zei tot den aap : //als ik dood ben , 



80 DS TOSBOXB MONJÈH OP LOMBOK. 

moet je terugkeeren naar je heer op Java en vraag, dat men 
daar voor mij bidt.// «rMaar wat hebt U dan toch misdreven ?>9r 
Zij vertelt hem het vonnis en zegt, dat haar tot morgen tijd 
is gegeven, om fraai gekleed ten hove te komen en dat zij 
anders moet gedood worden. ^ Wacht dan nog eerst, als er 
morgen geen uitkomst is , stel U dan in handen van de beulen, 
om gedood te worden. >/ Dat zal de prinses doen. /^^Patih^s gaat 
eerst naar huis, ik zal trachten, morgen aanwezig te zijn.// 
De Goesti's gaan heen en brengen verslag uit aan de oudste 
zuster, die gelast: //als Winangsija morgen niet zoo schoon 
gekleed is als wij, wordt ze morgen gedood.'/ 

Prinses Winangsija ging des avonds haar hutje binnen en 
de aap bleef buiten. De prinses riep hem, doch hij wilde niet 
komen. Baden Watarasari (de aap) deed allen in vasten slaap 
vallen. 
Metrum : Sinom. 

Toen trok hij zijn tooverjas uit en werd weer een mensch. 
Hij liep vlug naar bet strand, waar men hem van af het 
schip zag staan. Hij werd dadelijk aan boord gehaald , waar 
hij aan zijnen broeder Kitapsekar vertelde, wat er met de 
ongelukkige prinses gebeuren zou. Eenige kisten met prachtige 
gewaden worden naar den wal gebracht en drie honderd men- 
sehen dragen die den prins achterna naar de hut in den tuin. 
In alle stilte worden de kisten daar neergezet en de dragers 
verdwijnen daarna weer naar boord. De prins trok zijn tooverjas 
weer aan en werd weer Lo Monjèh. Toen maakte hij de 
slapenden wakker eu zeide : //ik heb vannacht gebeden om 
uitkomst voor U.// Daar stonden bij de deur die kisten. //Wie 
heeft die hier gebracht?// //Zoo vergeldt Allah uw ongeluk.// 
Lo Monjèh raadt de prinses aan, zich spoedig te baden en zich 
te kleeden. Vlug worden klappers geplukt, om heur haar met 
het vocht daarvan te wasschen, de prinses baadde zich en 
maakte toilet. 

Dit alles wordt zeer uitvoerig beschreven. 

De aap zat daarnaar te kijken en bezag de prinses vau 
onder tot boven zeer aandachtig. Hij wordt daarover berispt, 
doch hij antwoordt: //het gaat daarmede, als met een nieuwe 
krisschede, telkens moet men er naar kijken en men draait 
en wendt die, om ze goed te kunnen bezien.// De baboe be- 
. knort hem over zijne vele praatjes en hij zegt dan : //ik kijk 



DS TOSTOEB MONJÈH OP LOMBOK. 81 

niet naar jon met je karbouwelippeu en je gezicht als een 
pollepel.^ 

Toen de prinses toilet gemaakt had, zag zij er betooverend 
uit als een hemelnimf , als een //bloem van het paleis,// er was 
geen schoonere op deze wereld , geen der prinsessen in de poeri 
was zoo schoon. Haar costaum wordt uitvoerig beschreven, 
schitterend van goud en edelsteeneo. Toen zij zoo schoon uit 
de hut te voorschijn kwam, sprong Lo Monjèh op van schrik, 
want hij was geheel ontsteld, hij viel bijna in onmacht. Hij 
dankte Allah, dat hij de prinses van het portret had ontmoet. 
Hi] gaf haar daarna den raad, naar het paleis te gaan en 
daar mee te dansen, doch dan niet links en rechts blikken te 
werpen, want daar zou allerlei soort van volk naar haar kijken. 
>/Uw raad zal ik opvolgen, want aan U heb ik mijn leven te 
danken. Uit dankbaarheid wil ik U op den arm dragen naar 
het feest." Doch de aap wilde niet, hij zeide op de hut te 
zullen passen en liet de oude mannen als volgelingen met haar 
meegaan. 

Metrum : Maskoemambang. 

Daar gingen zij heen , de prinses , hare dienstmaagden , de 
zeven ouden mannen , waarvan één haar sirihdoos droeg en een 
ander, grootvader Tjoengklik , haar een roodzijden parasol 
boven het hoofd hield. Ieder, die men tegenkwam, bleef ver- 
bijsterd staan bij het aanschouwen van deze schitterend schoone 
prinses. Oud en jong, groot en klein liep uit, om haar te 
zien en volgde haar, door haren glans als medegesleurd. De 
een vroeg aan den ander: //wie is dat toch?// De ander ant- 
woordde: //ik ken haar niet, maar die parasoldrager is een 
achtemeef van me, hij heet Grootvader Tjoengklik en is een 
broer van Grootvader Tjoering : hij is tuinwachter.// //Dan zal 
zij zeker de verbannen prinses zijn.// Zoo sprak men. //Zij ziet 
er uit als een hemelnimf, regelrecht nedergedaald op aarde. 
Zoo oud ik ben met mijn grijze haren, zoo een zag ik nim- 
mer.// Er waren er, die in onmacht vielen, anderen verloren 
de spraak, doch men herkende de prinses niet. Ieder stond 
met opengespalkten mond, zooals een doode leguaan. 

Metrum : Sinom. 

Zij kwamen in de hoofdstad aan en er ontstond een ware 
volksoploop ; in de verwarring tilden de ouders andermans 
kinderen op, om haar te kunnen aanschouwen. Het was een 



ift DE TOSTOSB MONXÈH OP LOMBOK. 

gegons van stemmen als van een bijenzwenn; in het gedrang 
werden de meisjes bij de borsten gegrepen. Op het voorplein 
van het paleis zaten de acht prinsessen, ieder op een kassen, 
doch hare schoonheid verschilde met die van Dinda Widaradin 
als hemel en aarde. 

Dansende met twee waaiers kwam zij nader, rechts noch 
links ziende, zooals de aap haar had gezegd. De muzikanten 
konden van ontroering niet meer spelen, zij. weenden op het 
gezicht van het dansende meisje, dat passen maakte als een 
pauw, die zal gaan vliegen. Toen Dinda Widaradin ophield 
met dansen, ging zij ter zijde zitten bij hare volgelingen. 
De baboe nam een sirihpruim eu mopperde erg over de acht 
zusters, die zich verbeten van woede. De oude mannen waren 
zoo vrolijk, dat ze met hunne stokjes rondhuppelden. De vorst 
liet van uit het paleis onderzoeken, waarom het zoo stil was 
op den voorhof, doch de zendelingen kwamen niet terug, om 
de oorzaak te berichten, want zij bleven daarbuiten, gekluisterd 
door de schoonheid van Dinda Widaradin. Toen ging de vorst 
zelf met groot gevolg naar den voorhof en zag daar de 
schoonheid van zijne verbannen dochter, als een prinses uit 
den hemel, waar ieder wel dol op moest worden. 
Metrum: Maskoemambang. 

De aap in den tuin veranderde zich in een mensch, maakte 
toilet, kleedde zich prachtig aan en ging naar de hoofdplaats. 
Metrum : Sinom. 

De vorst zag een schijnsel aan den hemel en liet onderzoeken , 
van waar dat kwam. De zendeling vond den prins aan den 
weg zitten, uitrustende, en verzocht hem namens den vorst 
de stad binnen te gaan. De prins kwam op den voorhof, waar 
de vorst hem ontving en onthaalde; hij zeide echter, niet te 
willen eten, daar hij een bovennatuurlijk wezen was, Siloeman 
Mertadi geheeten, dat in de steppen leeft. Hij was zulk een 
prachtige verschijning, dat alle acht prinsessen het paleis 
binnengingen, toen zij hem zagen, allen dol verliefd, doch 
hij verdween weer naar den tuin, waar hij zich in aap ver- 
anderde. De prinses kwam daar terug en riep den aap, die 
informeerde naar hare wederwaardigheden en zij vertelde toen 
zijn raad te hebben opgevolgd en rechts noch links blikken 
geworpen te hebben. Zij had dan ook slechts van hooren zeggen, 
^at er een jongeling op het feest was geweest, zoo schoon als 



DE TOETOES MOXJÈH OP LOMBOK. 38 

Pandji. De baboe deelt nadere bijzonderheden mede, waarna 
zij door den aap wordt geplaagd. 

Den volgenden dag, toen de prinses weer met haar gevolg 
naar het feest ging, veranderde de aap zich weder in een 
prins en verscheen ook ten hove. De acht prinsessen gingen 
ving weer het paleis binnen en vielen in onmacht op haar bed 
neder; zij weenden in de knssens, want zij ;Rraren dol op 
den prins. 
Metrum : Maskoemambang. 

Dinda Widaradin ( = Winangsija) kwam in den tuin terug 
en vond den aap niet, waar men hem ook zocht. Zij uit in 
pantoens het leed over zijn verlies. De hut binnengaande , 
vond zij de tooverjas en wikkelde die in eene mat, want men 
dacht, dat deze het lijk van den aap was. Later bemerkte 
men, toen men dit lijk wilde begraven, dat het een ledige 
huid was, die niet stonk. 
Metrum : Sinom. 

Daarna verborg de prinses de tooverjas. 

De prins zat zoo druk met den vorst te praten , dat hij niet 
bemerkte, dat het voorplein ledig was geworden. Hij keerde 
terug naar den tuin en wist niet , hoe zijn apenkostuum machtig 
te worden. De oude mannen zagen een schijnsel aan den hemel , 
net als dat van een schoonen jongeling in de hoofdstad. Bij 
de prinses gekomen, vroeg hij naar zijn jas, doch zij zeide 
daar niets van te weten. Toen maakte hij zich bekend als den 
prins van Lajangsekar, die haar portret had gevonden en 
haar was gaan opsporen. Hij vertelde nu van zijn schip en 
van zijnen broeder. Hij noemde haar zijne jongere zuster (d. i. 
nichtje of ook bruid) en zij weende van geluk. 
Metrum : Maskoemambang. 

Hij wilde haar verlaten om zijnen broeder te halen. 
Metrum : Dangdang. 

//Verlaat mij niet te lang, want dan wordt het duister in 
mijn leven.// Hij ging naar ^t strand, waar hij zich in een 
boot naar ^t schip liet roeien en in de //Kamar// alles aan zijn 
broeder vertelde. 
Metrum : Pangkoer. 

Zij gingen te zamen naar den tuin van zijne verloofde. 
Daar zitten de oudjes te redeneeren over het heil, dat nu 
voor hun meesteres zal zijn weggelegd en maken woord- 

?• Volgr. V. 3 



34 os 'fOXTOSB HONJÈH OP LOMBOK. 

spelingen op het huwelijk van de maagd, die hier niet nader 
medegedeeld zullen worden. 

De broeders kwamen daar aan en Kitapmoentjar weende , 
toen hij dat primitieve verblijf zag. De prinses stond de toover- 
jas af en toen men deze verbrandde , ontstond daar een prachtig 
paleis met poorten, pleinen, gebouwen en Kitapmoentjar 
noodigde het jonge paar uit, daar binnen te gaan en het 
slaapvertrek te betreden. Het volk krijgt vergunning tot het 
houden van hanengevechten en maakte allerlei toespellingen op 
het huwelijk, die men niet zal vertalen, doch voor inlaudsche 
lezers veel bekoring hebben. 
Metrum : Sinom. 

De jonggehuwden in het slaapvertrek, zij voeren een discours 
overvloeiende de beleefdheidsbetuigingen en complimentjes. Zij 
valt in onmacht. 
Metrum : Maskoemanbang. 

De prins zingt zeer verliefde pantoens bij het flauwgevallen 
meisje. 
Metrum : Sinom. 

Zij komt tot zich zelve en samen voeren ze weer een discours 
en gaan slapen iu elkanders armen. 

De arbeiders in den tuin maken allerlei toespelingen op het 
huwelijk den volgenden morgen. Het paar ontwaakt en Kitap- 
moentjar slaat met zijn stok op den grond, een gouden 
leeuw verrijst, die zal dienen om het bruidspaar te dragen 
naar de hoofdstad. Zij rijden daarop naar het paleis en 
de prins stelt den voorgewenden Siloeman voor als den 
prins van Lajangsekar. De vorst schrikt bij het zien van 
zijn neef. 
Metrum : Fangkoer. 

//Waarom, //Eadeu Pandji^, hebt gij U voorgedaan als het 
bovennatuurlijk wezen Siloeman ?'/ Hij vraagt vergeving en 
deelt mede, hoe zijn broeder zich als scheepskapitein heeft 
voorgedaan. De bruiloft zal worden gevierd : meer dan 100 
geestelijken werden ontboden , een groot feest zal worden gevierd. 
Gelden en kleedereu worden onder het volk uitgedeeld; de 
geestelijkheid wordt goed bedacht. De prins laat een kist met 
gewaden halen en deelt ook prachtige geschenken uit, vooral 
de geestelijken worden rijkelijk voorzien. Daarna kqerde het 
jonge paar naar het eigen paleis in den tuin terug. 



DS TOITOn MONJÈH OP LOMBOK. 35 

Metrnm : Sinom. 

Op Donderdag den 7^~ van die maand zal het huwelijk 
gesloten worden. Al de prinsessen weeklagen , dat de prins haar 
niet genomen heeft en wel die >/teef \ Het maakt haar gek 
van jaloerschheid. //Hij zal haar eerst wel zwanger gemaakt 
hebben, dat hij haar neemt." Zij zouden wel uit alle dorpen 
de heksen en giftmengsters bij elkaar willen halen, om haar 
te verderven en zij schelden haar uit voor al, wat leelijk is. 
Zij weenen om den prins en zeggen des nachts te droomen, 
als werden zij door hem omhelsd. 
Metrum Asmaraudana. 

Kitapmoentjar maakt zijne opwachting bij den vorst en stelt 
zich voor als diens neef uit Lajangsekar. 
Metrum : Doerma. 

Hij laat de tent van het strand naar de hoofdplaats overbrengen 
voor het feest. Geweren en kanonnen worden afgeschoten. Het 
was zulk een schitterende tent dat men des avonds de lampen 
niet meer aanstak in de hoofdplaats. 

Alle hoogwaardigheids-bekleeders werden op het feest ge- 
noodigd. Zeer veel karbouwen, geiten , schapen , kippen , eenden 
werden geslacht. Allerlei spelen werden opgericht. Duizenden 
geweerdragers met trommen en trompetten marcheerden op. 
Metrum : Pangkoer. 

Den volgenden dag werd met een grooten stoet het bruids- 
paar afgehaald uit hun prachtig paleis , dat nog uitvoerig wordt 
beschreven. 
Metrum : Maskoesmambang. 

De bruid was kostelijk aangekleed en wordt uitvoerig be- 
schreven met al hare kleinoodiën en schitterende edelsteenen. 
De bruidegom zag er uit als //Pandji". 
Metrum : Sinom. 

Onder het gebulder van 150 kanonnen en met 4000 strijder» 
aan het hoofd gaat men op weg naar het paleis van den vorst. 
De zusters hooren den stoet met ergernis komen. 
Metrum : Maskoemambang. 

De trouwe knecht van den prins, Lo Njamboeloeng loopt aan 
het hoofd van den optocht en zingt een loflied op het bruidspaar. 
Metrum : Sinom. 

De zusters konden niet eten : Ze braakten , als waren ze 
zwanger van vuur, toen het bruidspaar het paleis binnenkwam* 



86 DV TOITOIB KONJÈH OP LOMBOK. 

Metrnm : Asmarandana. 

Het huwelijk van den prins, die er uitzag als een heerscher, 
als ^s'Pandji Bagoes^\ wordt door de geestelijkheid ingezegend. 
Metrum : Sinom. 

De muziek valt in, geweerschoten knallen en zoo wordt het 
huwelijksfeest besloten. 

De zusters verteren van nijd, dat Winangsija haren Pandji 
heeft gekr^en. 



TOETOER MONJÉH. 



Sin om. 

Tabé^ pada warga sanak, wajah anom bini laki , tetjoba^ bëradjah 
ngaiang, panjalimoer ngantih nasi, poro^ sang ini^ djari, isi atè 
liwat* bingoeng, sok ngadoe kasëmolan, ngadok diri^ djënëng ririh 
moelë tëtoe sok ngakoe lalakon dowang. 

Djarin^üo ëndi^në kroewan, poepoeh pasang lawan gënding, 
manawa sang ara^ koerang, sidë patoetang sih gënding, si^ sara^ 
toena loewih, sastra mara^ tjokor manoek, basanë rarampoetan basa 
sasak djawa bali, kotjap ara^ datoe teloe basanakan. 

Sopo^ lè* Indra pandita, sisopo^ lè* Lajang sari, sisopo^ lé* Indra 
sëkar, sino kotjap paling tradi, tatëloe^ ne moetër boemi, nanging 
pada lalang lawoet , tateloe^ne badoewéang bidja , datoe si le^ Lajang 
sari, ndèjang bidja laki laki ara^ doewa. 

Si sangaka Kitap Moentjar, si tradi Witarësari, sino pangarëp 
bidjana, Eatap Moentjar bawoen samping, lë^ Indra Sekar malik, 
ndéjang bidja doewa bagoes, si sangaka-no lalang, si taradi no je 
bini no silanang djadjoeloekna Djajeng Sëkar. 

Sitradi dakoe^ te paran, në^ [denda Mas Windoesari, malik lè^ 
Indra Pandita, ndèjang bidjë binibini , siwa^ salapoe^ bini, site sajang 
ara^ baloe^, no si sangaka ngaka, si taradi djari sari, si no lagoe^ 
ndé* troengoe si^ iboe bapa. 

Sisino dakoe^ te paran , në^ [dende mas Widaradin , djëgèg rembang 
piawak saka^, toeroen da ween sade wangking , ranggat ima nanglaring, 
bëtis mara^ mas te sëpoe^ lampaknahèna rata , toemet mara^ kroewan 
kamoening, moenë leka^ adjong mara^ antap oda^. 

Mowana mboelan poemama, sangkëpna gading kalimis, giginë 
mara^ moetijara, alisnë loentjip njaririt, moen tjëmor sambil moeni. 



88 TOETOXR KONJ£H. 

manis mara^ empat madoe, biwih ne manggis të bëla^, lalampan pajoeng 
kagingsir, bëlong mara^ embas gadoeng masi^ oda^. 

Anging pakakasnë dèndë, kèrèng lëmpot sapendait, samawoe^ 
talin koemba^ne, mapan dè^ne teroengoe pasti, si^ mami bini laki, 
ampo^ kaka^ne salapoek, taria* pada ndé* girang, lé^ nè^ déndë 
Widaradin, pamoedjinne djoeroe mati^ ne wah boedal. 

Lamoen ara^ pahitjana, mami^ne si bini laki , ndè^ ne wah mawoe^ 
babagijan, sino sipaling taradi, sibaloe^ bahé tank, te bagijang 
pada maoe^ sangka^ déndê Winangsija , ndë^ne pegat sëdih kingking, 
djëlomalem je nangis basasambatan. 

Moenina^ talin oemba^ne tangketne saling tangisin, asih lè^panëmoen 
awak , si sang sara sala^ djari , sasambat ngasih' asih , ina^ akoe salah 
toedoeh, salahé^ te lè* doenija, ndè* te wah ènak sakèdi*, djëlo 
malem, ndè^ ne wah bësoer tijanta. 

Moen te mawoe^ singëlèma^, pasti momöt sila laèk, bajë wah 
panemoes awak, nene pasti te sandangin, pisan nda^ tê angkënin, 
akoe bidja isi^ datoe, ager sëmël maméta, soegoelbadéjanggalining, 
nanè ngoembe gen sarangkoe nengkahina^. 

Mëné kèrèng sisa denda ndè^ne bawoe si^koe djahit, lëbihlëboeng 
si* lahè* në, nané apa si^koe gënti*, pan kèrèng moelë sai*, djari 
kërèng djari simboet, bandjoer nangis na* rangda, sambil ngapong 
nènè^ bini, doeh mas mirah ratoe denda panëmbahan. 

Maskoemambang. 

Sila* niki lempot kadji ara* sai*, gadang baroe lajoewan, waK 
kadji koenjitin roebin, de kadji mija* ijë wastra. 

Noenas kadji siletoe* anaké goesti, kadji mina* tongka*, hitjanin 
ne bandjoer gëlis, peloeng sino* si letoean. 

Bandjoer gëlis nènèk bini wah basalin, kèrèng tjaradasan, noen- 
tang djoeloe ngèkès moedi, aran dja* kèrèng sabidang. 

Tan palempot tan pasaloek nènè bini, moe gadang sabidang, lawan 
meren nènè* bini, si sapolong simboetangna. 

Ina* rangdé noendoek sambilna si nangis; nangis basasambatan ^ 
iro* gita* nene bini, nangis sambilna badjamdjam. 

Soebahnala talet boengë lè* Kakêri, segara balen krita*, moela 
bina si paling bri*, sangsara isi* te gita*. 



TOiETOSB HQNJÉH. 39 

Doehmas mirah gèdèng djroeti rara^ tAri^, gèdèng tjampaka djila / 
lajang, sitradi paling te mëri^, si sangaka no tësajang. 

Lamoen rita^ baranding dit lolon boni, timbabakongpamandijan, 
moen te gita^ nènè^bini, mara^ atjong bandarijan. 

Doeh mas mirah pao^ amplem masak manis, talet boedjak sedin 
langan, djëlo malém kadji nangis, soesah si nde^ mawoe mangan. 

Soebahnala loewë kapal lë^ pasisi akah pao^ djitalijan, ngoembè 
takal kadji goesti, lapah lalo^ idap tijan. 

Soebahnala dinding belah bis kasahit, petoeng ampel djigapi tan, 
kèrèng bëdah ndè^ boendjahit, impoeng tongkei bis panggita^n. 

Doeh mas mirah antap ttwo^ sadjadjahi, bangkèn bèbèk lè^ pang- 
goengan, ana^ iwo^ sala^ djSri, kèrèng robèk sasamboengan. 

Soebahnala moen te hero^ këtan manis, timba remis brisi lentk, 
ero gita^ nënè bini, sangka^ te nangis gagita^. 

Asmarandana. 

Nè^ bini bandjoer bamanik, ina^ arakkè kèpèng da, koe ngèn- 
dèng ara^ sëlahé, gen kadoe nkoe mbëli djëloewang, sang maoe 
doewa koras, ina^ rangde bandjoer matoer, adoeh dëwa ratoemas. 

Meran boewè^ ngoné^ goesti, kadoen kadji babalandja, mbëlijang 
pëng kadji nènè^, adjengan ngone^ ngalèma^, kadji bapamit dènda , 
kadji lalo njingga^ djoeloe^, lè^batoer kadji sang nara^. 

Nènè bini nimbal gëlis , lalo ina^ sang na ara^ , asè* lè* ita si 
dèré^, bandjoer bapamit na^ rangdê, lalo mèta batoema, barötang 
jê bandjoer mawoe^, bateroes lalo meken gautjang. 

Kotjap wah ne mawoe mbëli, djëloewang ara^ doewa bidang, 
poknë bèntèk gëlis oelë^, atoerang na lè^ nè dèndë, né mawoe 
kadji mêrah nè^ dëndë gantjang badjepoet, djëloewang ne kentat. 

Djepoet mangsi bandjoer noelis, mina^ gambar nempadi^ na, 
talëpèknë lan panganggo , pëloeng boeroek djadjahitan , dahit anak 
pondokna, teken ampel pëtoeng lëboeng, salapoe^ taè^ lè^ gambar. 

Kotjap wah ne pade djSri, bandjoer mara^ije si njoerat, bilang 
tëpin gambarna no, si moenggoeh ito, lè^soerat, dahit aran désanë, 
ampo^ sanakna salapoe^, si ndè^ dëmën lè^uè dënda. 



40 TOBTOES MONXEH. 

Mami^ ue sibini laki, si miloe pada ndè^ girang, noeroet pisoe- 
nan si loewè^ , lé* kaka^ne salapoe^ , pada moeuggoeh lè' soerat , ina^ 
sajoman badjoeloe, si gita^ iu roewan gambar. 

Git^^ gambar bandjoer uangis, ring gitó^ gambarnè^ denda , nangis 
sambilna ngangapang, adoeh dëwa ratoe mas , ngoembè si pakajoenan , 
sangka peng kadji no bandjoer, sing gambarang ragan raka. 

Maskoemambang. 

Bandjoer nimbal nènê^ bini sambil nangis, doeh ina^ sajoman, 
aloer dji pangèling-eling* , sang koe mató' lawoen djema^. 

Adè^ ara^ tatemoe si^ kanak moedi, datoe ndèjang bidja, bidja, 
ndè^ në troengoe sai^, sêdih hingking kalaparan. 

Po* na tao* oeripkoe nandang prijatin, njatë jèn dè* sida, asé* 
toeloes akoe gering, ndè* koe ndahit impan pangan. 

Enda* gama* koe tiwo* lè* dalem poeri, kadi jën lè* dasan , adè^ 
tesëmel gëlining, simètë djari kakênan. 

Bandjoer nengkrak ina* sajoman si nangis, sambil nëngan- 
gapongang doeh mas mirah goesti kadji, pëng kadji mënëng ga- 
ma* na. 

Empët lalo* sëdo* kadji no mas goesti, dëngër manik denda, 
sabar sabar gama* goesti, nènè* bini bandjoer nimbal. 

Adoeh ina* ka-sabaran koe lëwih lëwih, uengke tan kawasa,ma- 
pan wah pira balit, laè* koe ngënè sangsara. 

Nènè^ bini sajan sanget si* ne nangis, tokol bas langgah, ngéra 
does momot ndonga* langit, sambilno nangis (badjamd jam. 

Doeh mas merah moen parèsa* Batoedjai , bawoe prija tak&^ penaroh, 
itè mesa* sala* djari, baje ndè* ne tao prijok. 

Soebahnale bator kla* engsot ai*, pedis isi* bagè* dowang, ngêlor 
kelema* dé lalai*, pade sëdih asè* dowang. 

Moen badéje njonto* pëmpang kembang koening këntjili toeroen 
lè^ tana* moen te badejaug galiniug, te sili* si* ind ama*. 

Soebahnale bawoe pakoe lë* pasisi, udait godè* timpal blija*, 
lamoen akoe taoe mi&kin, kèrèng robèk djipasija*. 

Soebahnale këmë* doewa mamboe sëngit koerintji kembang tjëm- 
pakë djëngè* roewan koe si* nangis, bagriti* ai* mate*. 



TOSTOIS MONJÉH. 41 

Doeh mas mirah rintjik bilë lé* Padjanggi^, langan pêno* si* 
lalajang, mirib ita si tëbautjii langan kaka* koe sa sajang. 

Soebahnale boewa* kakara sadjadjahi, moen bebantè bikan prija 
nêrakankoe sadjari djari, koe mate pisanan lasija. 

Bandjoer mali* djepoet na gambar no mali*, gênnë tëgoeloe- 
ngang, baroe* ne goeloeng sakedi*, bandjoer dateng angin baret. 

Li wat këras gambama pade kapasi^ kèlèpang ne krêtas , ngawang 
ngawang liuat ai*, tri' tip&* Indrëkilë. 

Lé^ pantjoran manggong lë* sëdin parigi, pamandijan den noenë , 
Baden mas Witarësari, bidjan datoe Lajangsëkar. 

Dangdang goelë manis. 

Kotjap Baden Mas Witarësari, pakajoenan, gen lalo* masiram, 
tiring si* parekan kodé*, kantjan bidjan prëratoe dahit kaka*na 
miloe ngiring, Bahaden Kitap Moentjar, pade lèka* miloe aning 
taman Indrë-kilë , apon ito , pasiraman Baden Mantri , ndë'ne kotjap 
lé^ne langan. 

Wahna dateng ito Baden Mantri, bateroesodj o*, lè'sëdin pantjoran 
gita* ne gambar no njam'pe*, lè*prigi po*ne djëpoet, pedas gambar 
pinda poetri mali* tjingakne soerat, po'ne patja bandjoer, tan antara 
Dèn Taroena, loepa' di* na, kitap Moentjar gëlisbrari, tindjot noe- 
loeng DeniNoena. 

Adoeh Den Noena koembè^ de kadji , ndé antara, peng kadji seloen 
rëba* , Den Noena ndé* . ngasa bahé , dawoerne loewé* soegoel, Kitap 
Moentjar bandjoemë nangis, tëparan ije wah sedë, parëkan salapoe*, 
pade nangis basasambat, Adoeh Baden, antih gama* kadji goesti, 
moen pèng kadji wal sedë. 

Kadji sine goesti boewé* ngiring, sambil njëret kêris ne Den 
Troena, mélënë gen saling maté*, Kitap Moentjar ngërêboet, sam- 
bilangna si maringëtin, sabar dja* djoeloe* sabar, mahè' krisne 
saroeng, barès moen wal pedas sedë. Baden Noena, akoe mèsa*, 
barerantjè*, ngilangang gen te pada. 

Mapan mëné emboh Baden Mantri, masih aloes, mara* mërëm 
djama*, balih mëné ante pësèt tjokor Dën Noena djoeloe*, sambil 
antoe* antoe* djaridji, ne akoe njandar ijë, sambilkoe ne nijoep 



42 TOETOBB MONJÉH. 

semangetne Baden Noena, ara^ ngantèp, adé^ne èlèn sakëdi^, 
bandjoernë pada mara. 

Si mamësèt sambil ngantoe^ djaridji, ara^ ngantep, lèkan kiri 
kanan, bandjoeran ndè^ne ara^ soewè, ngingat Den Noena band j oer, 
Kitap Moentjar bandjoeran gëlis, matoer sambil njanjaudar, doeh 
Uen Noena bagoes, apa kè sëbap panjoengkan, ratoe Agoeng, sang- 
kan datoe loepa^ diri, ndè^ ingët lè^ batangan. 

Bandjoer ngingat Den Noena bamanik, nindjo gambar, Kitap 
Moentjar ngingat, gita^ne bandjoer gambame, bateroes negantjaug 
djëpoet, sambilaug nê mamsÈtjë toelis, wah toetoe^ si^ne patja, 
ampo^ne gëlis goeloeng, bandjoer, ne nangis badjamdjam, Baden 
Noena, ba manik sambilna nangis, doeh kaka^ Kitap Moentjar. 

Dè* koe tao^ ara^ pisak pasti, bidjan datoe lè* Indre Pandita 
toetoeran nde ara^ baé^, sai ke si djadjawoe^ gambar siné lè^ Taman 
Sari, Den Kitap Moentjar nimbal kadji miudah datoe, pilih djim 
djaoe^ ija jen manoesë ngoembè^ ke koewasane goesti, lajaran pira 
boelan. 

Bandjoer Baden Mas Witarësari, djëpoet gambar, sambil basasam- 
batan doeh mas mirah kadji nënè^, ndè^ koe tao^ dèndë ajoe sisang- 
sare ndè*" troengoe pasti, ndê^ badoewé kërèng slendang, si* ndè^ 
troengoe, si mami* de bini lanang, lawan ampo*, tegedèkang side 
goesti si' sana' de slapoe* na, 

Maskoemambang. 

Moge ara* kasoekan Allah sëloewih, sabar djoeloe* dënda, ndè' 
kadji gen boeroeng adi*, sigen lalo métë si da. 

Soebahnale lampen sidë sangka* tri*, bëli toewa* taka* belabar, 
angen sidë' sangka* njëri, isi* te wah gita* gambar. 

Doeh mas mirah boewa* bilë masa* pait, bëli goeie lè* parèsa*, 
sidë djalaran panj&kit, sangka* kadji gilë mèsa*. 

Soebahnale lè' gageroeng panimpoh ai*, timpoh boka* lè* sampara 
dé' koe boeroeng gen badait daka* boe tëmah sangsara. 

Soebahnale timpoh kamboet lë* pasisi, kemalo djari bëlidë, ndë^ 
koe takoet gama* goesti, sigen lalo métë sidë. 

Soebahnale moen babele sêdin ai*, lèmpot plangi djari lêjang, 
moende mélé dja* ne adi*, sasangankoe tanggap wajang. 



TOSTOSB MONJÉH. 48 

Doeh mas mirah poenti* lilin, poenti^ ai^, poenti^ djawa pënoe^ 
léndangy nda^ de bilin akoe adi^, èra^ njawan te barèndang. 

Soebahnale koe këntorante kasait, koe pandi^ djadjahi lolat, 
ape mëdo atè^ sakit, inoele mërari^ djari o wat. 

Moele side lantaran kadji prijatin angan bageringsang, moge soeka^ 
Allah lëwih, ne pandjang oemoer de mirah. 

Ade^ bawoe dèndëra mas të badait, lamoen dë wahsédë, nekontè^ 
oemoer kadji, adè kadji barëng moesna. 

Doeh mas mirah lamoen sidë masih oerip, moge gama^ dénda, 
te bélowang oemoer kadji, adè^ te kadait mirah. 

Pangkoer. 

Dën Noena bandjoer ngandika, lè^sana^ na kaka^ Moentjar ngka 
gëlis , mëné si koe sanget bingoeng , lè^ sanakta sangsara , ngoembé^ 
akal arëpan te gëlis batëmoe , ëngkê pijaang itë kapal , adè^ na bagoes 
gëlis djari. 

Papindajan Singambara, bakalètèk ampo bakento^ pasti, bamata 
komaleoeloeng , Dèn Kitap Moentjar nimbal, lamoen mëno nëngkê 
pakajoenan datoe, sila^ mënëng baé dèwa pasti njidajang djoewa^ 
goesti. 

Pakajoenan batang déwa, toer katekan pèng kadji gen badait, lè^ 
sanak pèngkadji ratoe, bandjoer Dèn Kitap Moentjar, gautjang jë 
njoegoelang kasaktijanne bandjoer kapal mas mata komala , sërëtë 
pakakasna pasti. 

Baklètèk masotja mirah djari djaloe gigi salaka wilis, bënar 
tjahijanna no tandoer, sing gita^ pada bënga^, moelë pasti mara^ 
roewan singë idoep, sing gagita^ takoet pada, si^ roewa gala^ toer 
simbit. 

Tijang tëloe bretjat warna, kabëlè^ na sawawa djoeroemoedi, 
padjënënganna no pahoet, tapasangang bandera, bandèranna soetra 
poeté^ abang oeloeng, salapoe^ pada maprada, aran bandera 
koempëni. 

Pakakasna wah srëgepan, bidar bagoes, boewatan tanah inggris, 
hwat tëbal ampo^ aloes, kelasina baloe olas, ampo^ soroh kantjan 
bidjan parëratoe, salapoe^na bapakakas, badjalèr lan bakoelambi. 



44 TOETOKR MONJÉH. 

Batatapong tjara tjina, sakoetjino salapoe^ pada sandi, wahtarik 
pada tëgantoengy ito lè^ lempeng kapal, ara^ tëloe bepoelas, tjat 
poeté^ patoeh, sisopo^ tongkang arana, palinggihan raden mantri, 

Bapoelas isi^ tjat warna poeté^ abang bideng matimpal koening, 
tjirin tatoenggangan datoe, përari^na mara^ pana^, moen tëdajoeng 
sipan tëtjolèk wah këtjoer, mëno angkoen dadajoengan , masih piudan 
singa bëri^. 

Loewé dëügan maoè^ horta, isi^ datoe ngawangoen kapal api, 
kahoele si nao^ lapoek, udê^ rarah pada gi war , man to kapal wawan- 
goenan lëbih bagoes, ndè^ na ngone^ sabol pada, lë^ pangorong 
bëli^ bëri\ 

Pada manto kapal mas, bënga^ nganga^ sing gita^ bëli^ bëri^ 
ninë mama pada bijoer, ëndè^ bawa^ bantjingah, pade momotgita^ 
tjahija tenang tandoer, ara^ si tèlangana^na, ndè^taoaningna njëdi\ 

Katoengkoel bënga^ gagita^, si^ roewan tjahijan kapal bagoes 
badjêlimdjim , ndé^na asa anak papoe, sësëk lè parempatan, ndé^na 
kroewan nina mama je bagawoer, saling sorong saling tindjal, dawoer 
na no pada niris. 

Den Noena bandjoer ngandika, kaka^ Moeutjar aila^ bëkëtè^aning, 
awo^ kaka^ nëngkë pajoe, koesalinang aranda, nanè akoe gënti aran 
sida bandjoer, sida aran Kjtap Sêkar, akoe dja^Witarasari. 

Den Noena mali^ngandika, adoeh kaka^ akoe bëkëtoewan mali\ 
ngoembé^ akal de si lawoen, djawoe^ aning sagara, mapan itë siné 
ndè^boeroeng , gen pada lalo balajar, apan itë wah bapamit. 

Lè^mami^ të bini lanang, bandjoer nimbal Den Kitap Sëkar gëlis , 
sila^ da^ pèng kadji kéwoeh, gampang si^ kadji déwa, nëngke sila^ 
dabdabang je raden galoeh bandjoer manikang tahèkang, prabot 
aning kapal gëlis. 

Dangdang. 

Sila^ manikang tahèkang mangkin , saprabotan , adè^na bis nëngkë 
sangoe ai^kèrèng kahèng\ raden manik bandjoer , lè'parëkan salapoe^ 
tari^ lalo srëkang ja pada, pangajahna slapoe^, si gen miloe lalo 
bUajar, ampo^ oendjal, barang barang sangoe ai^, nëngkë bisang tahèkang 

Dë^na soewé ëndëh rarah tarik, ngadjang do wè, tahè^aning kapal, 
dit pangajahno wah tahè^ loewé girang gen miloe, tëkotjapang dj ëlo 



TOITOSR MONJÉH. 45 

wah lai^. pade nindo^ lè^kapal ,anging Baden Bagoes, Barëng Baden 
Kitap Sëkar, pada boedal, tama aning dalem poeri, ndè^namërëm 
lè^kapal. 

Kotjap bakëlëm Bahaden Mantri, ngandikajang, nimpëslalêmësan, 
patale soetia lan songkèt, balëngkër taka^ kêmpoe, wah karoewan, 
sisai^ sai^, gen katoer lè^mami^ na bini laki koempoel, te djarijang 
sopo^wadah, baloe^wadah, lè^sana^ na pada sai^ angingjê sisangsara. 

Wah karoewan bagina na te pëlain, éndah roewa, soetra sasong- 
kètan , mi wah batik soetra poeti^, balëngkër na sahempoe , wah sarëgëp 
ija pada tarik, ndè^kotjap pëtëng desa tëkontè^ang toetoer, bënër 
desa madabdaban, tae^kapal, kantjan pangajah singiring, kotjap 
ija Den Taroena. 

Barëng Baden Kitap Sëkar gëlis, tama djëro, parëk lè^mami^na, 
wah datang baletoer adêng, kadji baletoer datoe, kadji pajoenengka 
bapamit, lè^linggih bataug déwa, datoe nimbal bandjoer, doeh 
anakoe Den Taroena, aio lèka^ Den Noena bandjoer bapamit 
batëroesna padë lèka^. 

Babrijoekan soegoel Baden Mantri, Kitap Sëkar, batëroes pada 
lèka^ wah datang to lé^kapal no, Baden bamanik bandjoer, adoeh 
kaka^ sila^ nengkanè, të pade taè^kapal te bareng batëroes, Kitap 
Sekar bandjoer nimbal, sila^ Baden, pèng kadji djoeloewan goesti, 
lawoen kadji pija^ langan. 

Bandjoer gëlis taè^ Baden Mantri, dit parëkan, batëroes to lè^ 
kamar, Kitap Sëkar ndè^ né soewé, djëpoet pandjalin bandjoer, 
teroes na pantok goemino gëlis, lè^ pëkën Lajang Sëkar, djari 
sëgara bandjoer, batëmoe dit lawoet goewar, liwat bagoes, pala- 
boewan Lajang Sari, pan lè^ pëkèn tao^na. 

Sinom. 

Bandjoer tahè^ Kitap Sëkar, lè^ kapalna lèkan moedi, sambilna 
simanto kapal, hi^ tjêmëti pandjalin, njonta kapalna gëlis, aning 
moewarano bandjoer, kapalno teroes balajar, palajarna mara^ angin, 
taoe d^sa pada bënga* sing gagita*. 

Wah datëng lè^lawoet goewar, masih ndè*na salip salip, dëngan 
si pada gagita^, apan tjahijana njaririt, mara^ roewan tjahyan api, 
di* ai^ no miloe tandoer, wah sadjëlo balajar, masih ngabordateng 
sédi, jan te gita^ mara^ singa ngawang ngawang. 



46 TOITOKR MOKJEH. 

Pêtëng bënar tan koijapaDg, adè^ na kontè^ sakëdi^, palajaran 
pira boelan, dè^kotjap lè^langan gëlis, sakit iman tauoelis, ëhing ta 
no boewè^ siloe, wah laè^ ija balajar, ndè^na ngingat ngingat 
moedi, tekotjapang wah rapat, lè'palaboewan. 

Fëdas dëngan si lèMarat, gita^ kapalno basëdi, ëndëh rarahpada 
gèwar, pade metë anak djari, loewé^ raroet barari, nina mama pada 
bijoer, gen oeli^ aning desa, towa* badjang bëli^ bri^ pan badè^na 
singa galak gën mangangsa. 

Goesti Patih miloe gèwar, prekanggo silè^ pasisi kipatih Djaja 
Samoedra. kotjap silè^ kapal malik , 'Kitap Sekar njorongin , gita^na 
lè^darat bijoer tadah nakoetang kapal, Kitap Sêkar bandjoer gëlis 
jë uoeroenang sakoetji babasë gantjang. 

Sambilangno browap owap, ngëlè' dëngan si barari, bares nda'^ 
barari pada, bandjoer dëngan si barari, tarik ija ngingat moedi, 
gita^ na sakoetji toeroen toenggangno si^ manoesa, basëdi aning 
pasisi, bandjoer mandëg sibarari salapoe^ no. 

Pada ngandjëng lè^ tamparan nganti^ sampanno basëdi, bandjoer 
Baden Kitap Sëkar, wah datang sédin pasisi, batëroesno toeroen 
gëlis, tëpët no dëngan sibijoer, bandjoerna bakatoewan, barës pada 
ama^ rari, ënda^ gèwar ita gën të bakatoewan. 

Sai kanggo lè^ palaboewan, djari bandar lan noetaris, silS^ ga» 
ma^ dê pasila^ saia mélé gënbadait, Lo Loekap bandjoer gëlis, 
méta Ooesti Patih bandjoer wah datang je Lo Loekap, lé balénë 
Ooesti Patih, rëgas rëgas Goesti Patih bakatoewan. 

Apa hanta benggas enggas ngëndol èla^ mè^ barari, wah taè^lè^ 
siugambara, sangkS ndè^ mè^ lijoe moedi, Lo Loekap matoer gëlis, 
mêran goesti kadji balatoer, ndè^ P^ j^ singambara, kapal dagang^ 
sino goesti , mapan ara^ ito toeroen , anakoda. 

Sino njoerai kadji lèka\ ngatoerin peng kadji goesti , gën soegoel 
ara semenda^, ito lè^ sëdin pasisi, kipatih bandjoer gëlis, djawat 
këris, djawat saboek, bandjoerna lèka^ gantjang, nëpet lè* sëdin 
pasisi, wah na datang ito lè^ sëdin tamparan. 

Badahit lè^ anakoda, bandjoer na saliüg arëpin, batëroes pada 
basëlamat, barëug tokol lè^ pasisi, soewe pada saling antih, ndè^ 
nara^ njapa badjoeloe, bandjoeran anakoda, bakatoewan lingna 
manis, pasang tabé hamba ini tanja toewau. 

Dari bodo hamba toewan , tida tioë adat ratip , hamba ini orang 
djawa, besar besar hamba kliling, djikalo salah ini , bolè goesti kasi 



TOSTOKR MONJEH. 47 

ampoen, djangan terlaloe marah, bandjoer nimbal Goesti Patih, 
baik kapten apa djoega ^ndak dibilang. 

Bolélah kapten membilang, anakoda nimbal malik, jang hamba 
tanja sakarang, sijapa jang koewasa disini, nama bahitoe lagi, 
Goesti Patih nimbal bandjoer, jang koesawa sini saia dan beranama 
saia ini, dinamakan kipatih Djaja Samoedra. 

Anakoda bandjoer nimbal, djikalo bagitoe, hamba minta ampoen 
toewan, sebab bodo hamba ini baik sakarang goesti djangan kasi 
orang gadoeh, dji kalo ada orang, melijat sama kapal ini, dikata- 
kan ini kapal Singambara. 

Sabetoelnja ini kapal, tapi pakradjaan lain, dibëri roepa simgam- 
bara, tandanja kapal Koempëni, tida koerangan lagi, apa djoega 
jang di seboet, boeli goesti manjembah, kapada Radja disini, barang 
barang banjak hamba moewat dikapal. 

Barangkali ini Badja dan anaknja bini bini, soeka maoe beli 
barang, jang hamba bawa^ kêmari, bolehlah lekas goesti kalo radja 
maoe toeroen, melijatkan barang barang, jang soeda sampe disini 
bole radja djoega sendiri mameriJ^sa. 

Pangkoer. 

Dan lagi sëmbahkan toewan maka ada hamba mamoehoen lagi, 
soepaia sëmbahkan ten toe, kapada sri padoeka, djikalo, radja mën- 
gasi hamba toeroen, mëmbikin roemah didarat, dan maligé sa toe 
bidji. 

Mëudjadi tempatnja radja doedoek tempo maoe toeroen ka- 
mari, maningokken barang itoe, Kipatih bandjoer nimbal, j)asal 
itoe nakoda saia sanggoep, dan lagi saija brëtanja sama anakoda 

Sijapa namanja nakoda ^ dan nëgêrinja prêboemijan mana lagi, 
soepaja sëmbahkën teutoe kapada sri padoeka anakoda bandjoer 
nimbal lingna aloes, djikalo bagitoe toe wan, baiklah bagitoe goesti. 

Hamba nama Pangoeloe Djamal, dan namanja hamba ampoenja 
negêri, Tanah Djawa sabëlah kidoel, Samarkaton namanja, goesti 
patih njanjoeroe^ parekan bandjoer bahit djaran palinggihan, Lo 
Brengkik jë gëlis bërari. 



48 TOSTOSR MONXÉH. 

Bahit djaran palinggihan, ndè' ne ngone^ Lo Brêngkik da- 
tang gëlisj Dgatoerang djaranno bandjoer, kipatihmadabdaban, lèkan 
tampano batëroes, njingsët oeboek, njaprèk djaran palinggihan 
patirata loewé^ ngiring. 

Ndë ne kotjap silè^ langan, ëndêh rarah nahen djarano brari, 
Goesti Patih datëng baudjoer, batroes taè^ bantjingah, kabenderan 
soewoeng ndè^ batangkil datoe, gebagan bahè dahitna, nging ara^ 
parekan bëri^. 

Parekan sino soeroe^na, aio tamë atoerang akoe gëlis, akoe gen 
parëk lëMatoe, parëkan band j oer tama, aning djro daitna datoe no 
bandjoer, lè^bale oekiran mandjak, parëkan no matoer gëlis. 

Mëran kadji balatoer pëmban, lè^peng kadji ngokasang goesti 
patih, Djaja Samoedra njanjoe^, gen parek batang déwa, lé'ban- 
tjingah badjaranan datèng baroe, datoeno bandjoer ngandika, aio 
këlek ija gëlis. 

Parëkanno brari gantjang, djo^ bantjingah métë je goesti patih , 
parëkan badait bandjoer, kipatih lè^ bantjingah, parëkanno matoer 
sila^ goesti batëroes , tamë lè^balé oekiran , datoe no ito , malinggih. 

Goesti Patih bandjoer tama , parëkanno sisöpo^sino ngiring, goesti 
patih datang bandjoer, daitno datoe mandjak, sêdêk batangkil pre- 
bini salapoe^, goesti patih tókol gantjang, ito tokol lè^ bawa^ tataring. 

Datoe pëdas njërëminang, goesti patih noesas loegrêhë gëlis , tokol 
je lé^bawaMatoe, bandjoeran ija ngatoerang, saprihokas anakoda to 
lè lawoet, datoe no bëngah mirêngang, bandjoeran gantjang bamanik. 

Manikang parëkan nina, ngëlek kantjan prëbidjan sêlapoe^ tarik, 
parëkan wah lèka^ bandjoer, tama aning dalëman, wah badait 
pare]^an lé^ratoe ajoe , sëdëk barëng pada mandjak, to lé^bale pantja rësi. 

Parëkanno matoer sëmbah, meran ratoe kadji kahoetoes goesti, 
ngatoerin pèng kadji soegoel, si'mami^ batang déwa,dènda Wingit 
bandjoer nimbal paling djoeloe, sai ke no te manikang, parëkanno 
matoer malik. 

Salapoe^ de kadji déwa, tëmanikang isi^ mami* pêng kadji, 
nènè bini gantjang soegoel, bandjoer babrijoek lèkd^, wah na datang 
lé^bale oekiran bandjoer, batëroes parëk lé^mami'na, mami^na 
bandjoer bamanik. 

Ne Patih Djaja Samoedra, bada^ akoe si^ kapal datang ité, kotjap 



TOETOEB MONJEH. 49 

onè^pada bijoer, lé^loewar bangsal, gita^ kapal si datang nengke 
lèlaoety papindajan singambara ngawang lë^kan ai^. 

Sino kotjap tökoetangua, saloewè^ne tawoe silè^ pasisi, lagoe 
üia^ gêlis toeroen, nakoda lekan kapal, andëkangDo tawoeno si 
pada bijoer, po^ badaang aran kapal, arana kapal koempëni. 

Apa djë méléntë ara^, éndah roewa si nde^ wah té dait, ara^ 
baé sing teseboet, wah noeroet roe wan kapal , djari nëngkë mélènko- 
gen djêmak toeroen, prëbidja balatoer sëmbah, salapoe^ • babrijoek 
pasti. 

Lamoen mëno mami^ sila^ kadji ngiring djëmak aning pasisi, 
•datoeno bamanik bandjoer, Anta Djaja Samoedra, bada^ ija anakoda 
•djema^ akoe pada toeroen gën bablandja, barëng dit anakno tarik. 

Pada mëlé manto kapal, bandjoer gêlis Goesti Fatih bapamit kadji 
noenas pamit datoe , oeli^ nêngkë njërëgëpang , gen babada^, lè^ana- 
koda lè^lawoet, adé^na oendjal dagangan, toeroen lè^ sëdin pasisi. 

Datoeno malik ngandika, aio oeli^ ante aning pasisi, kipatih 
Samoedra bandjoer, boedal lè^ panangkilan, gaganijangan , ëntanno 
isilèka soegoel batëroes gantjang njapèrè djaran, nanepes band- 
joer barari. 

Tehiring si patirata, ndèna ngonè^ lè^langan goesti patih, 
pan djaran tarik mamëroeng wah datang lè'tamparan , batëroes gan 
tjang mèta anakoda bandjoer, badait sëdin tamparan, nakoda baka- 
toewan gëlis. 

Goesti bagimana habar, goesti soedah jang poelang itoe tadi, soedah 
mengadap mangatoer, kipatih bandjoer nimbal, soedah abis saia 
sëmbah samoewa itoe, sapreti sëmbah nakoda, radja kasi jang 
prèmèsi. 

Bësok pagi anakoda, sri padoeka hëndak toeroen kamari, mamë, 
rèksakan barang itoe, dan manengokën kapal, sëbab tijada kapal 
datang jang dahoeloe saperti kapal nakoda , brënama kapal koempëni. 

Badja hëndak maoe lijat dan sakalijan anaknja bini, anakoda 
nimbal bandjoer, kalo bagitoe toewan, hamba moehoen poelang 
kakapal dahoeloe, hamba priksa itoe barang, jang bawa toeroen 
kamari. 

Fatih nimbal baik poelang, anakoda taè^ lè sampan malik, babasë 

batênga^ bandjoer, wah datang to lè^ kapal, batëroes taè^ lè^kamar, 

bandjoer balatoer, lè^ deside Baden Noena, Eaden Mas Witarasari. 
V Volgr. V. 4 



50 TOXTOEB MONJEH. 

Doerma. 

Bandjoer matoer gëlis Baden Kitap Sëkar, doeh goesti Baden 
mantri, idëp moele ara, mara^ gambar lè^ taman, pan djati mami^ 
pêngkadje, badoewé bidja, banjak nging bini-bini. 

Kotjap djëma^ mami^ peng|f:adji gen loembar, toeroen aning pa- 
sisi, gen njërëminang kapal, sambilne gen babelandja, barëng dit 
sanak pèngkadji, lapoe^ sasanakan gen boewè^ toeroen ngiring. 

Nêngkë kadji gen mija^ang pasanggrahan , ito sëdin pasisi. 
Baden Mantri nimbal, lamoen samêno ka^ djêma tjoba de tënongin, 
koersi djawoe^ang, ara^ solas de êuti^. 

No si doewa toa^ mami^te bini laki, koersino siwa^ malik, tao^ 
sanakta, moen ara^ sopo mogang, pasti ara^ moeladjati, ara^ sang- 
sara, ndé^ troengoe isi^ mami^. 

Bandjoer nimbal gëlis raden Kitap Sëkar, sandikan dëwa goesti,. 
batëroes ija boengkar, gen djari pasanggrahan, mapan ija moele 
djari, lèkan desanë, tèkang na lè^ sakoetji. 

Po^na oeudjal basëdi aning tamparan, wah datang lé^ pasisi,. 
bandjoer Kitap Sëkar, dabdabang pasanggrahan , dait maligeno 
sai^ wah pada pragat pondok lè^ sëdin ai^. 

Maligeno batëkën mas toer matatah, riring soetra koening, atap 
soetra abang, matoeroet soetra këmbang, abang idjo dadoe tangi^ 
moe wah soetra djingga, sangkèt djari lalangit. 

Mapan oewah pada djari salapoe^na, tandoer tjahija njaririt,. 
bënar lè^ tamparan, pilih mëno rowan sorga, bënga^ dëngan iè^ 
pasisi, sipada gita^, kotjap wah djëlo lai^. 

Kitap Sëkar bandjoer taè^ aning kapal, parek lè^ raden mantri, 
Den Noena bakatoewan, kaka^ ngoembe dabdaban, wangoen pondok 
lè^ pasisi, den Kitap Sëkar matoer mëran wah djari. 

Ndè^ në kotjap tingkahna silè^ sagara, kotjap lè^ desa malik, 
datoe lan prebidja, pada gêgër sëlapoê^na, gën toeroen aning 
pasisi, njërëminang kapal, djoeroe mati^ bënar gëlis. 

Sakëlëm këlëm ja pada nimpas balandjana, datoe bandjoer bamanik» 
nané lè^ prebidja, hè kamoe pada kanak, tjoba^ këlek dja^ adi^ 
bi, ja La Winangsija, sang ne mélé masisi. 

Bandjoer nimbal bidja sipaling sangaka lè^ dênda Gbndëwangi, 



TOSTOSR MONJEH. 51 

adi^ soeroe^ tjoba^ bada^ ija Winaogsija, sang ne mélé miloe 
ngiring, La Wangi ngengat adi^na Oondasari. 

Saling èngat sitesoeroë^ bada^ ija, ara^ parëkan bëri^, aran La 
Soemëkar, sino bandjoer soeroe^na, lalo parëk nènè^ bini, dajtna 
mandjak, noendoek sambilna nangis. 

Si^ na dënger samëtonna salapoe^ na , gen boewé^ toeroen ngiring, 
lalo manto kapal, sambilna gên babiand ja, lan saloewé^ isin poeri 
gen baboewësan, ngiring aning pasisi. 

Sinom. 

Sino kotjap sëdinina, sangka^ na nangis né^ bini. sêdihna ka- 
liwat, djëlo malëm ija si nangis, si asi^ gita^ diri^ , tan palempottan 
pasaboek, goja ara^ balandja, sakèpèng dé^na ara^ lagi, mëno sang 
ka* dénda lëbih si* na ila*. 

Bandjoer datang La Soemëkar, tokol bawa* nènè bini, liwatasi* 
La Soemëkar, sèpan matoer soegoel tangis, atoema boen pasakit, 
pëgat si*na soegoel, doeh déwa panembahan, kadji tëmanikang 
goesti, si^ desidë rakan pêngkadji no denda. 

Matoer lè^ pèng kadji mirah, sang ara*^ bajoen dë kadji loembar 
ngiring djëma^ ngêlema^, pan mami peng kadji goesti, gen loembar 
bini laki, manto kapal aning laoet, mapinda singambara, kapal 
sidatang masgoesti, mëno sangka^ rakan peng kadji genloembar. 

Nene^ bini nde^no nimbal, sajan batoengkëm si nangis, nde^na 
soegoel pangandika. La Soemëkar miloe nangis, boedal nde^na ba- 
pamit, parëk le^ denda si baloe^, denda Wingit bakatoewan, gënë 
miloe kê no ngiring, sibada* bi ija baroe^ La Winjangsija. 

Bandjoer matoer La Soemëkar, mëran sanak peng kadji goesti, 
nde^na kawangi ring djema*, rahin pêngkadji je sakit baroe* meren 
dait kadji, kaka*^ na penang salapoe^, pada ngitoeng blandjana ja 
djawoe^ pada doewa këti', ampo^ ringgit tatimpas lè* patjanangan. 

Kotjap nè^ denda Winangsija, babangsël si^ tangis, sambil go- 
rap tijan, ngredoes momot donga^ langit, ngengat bakanan kiri, 
sinjaroe njaroewang kajoen, ndë^ na ara* gene dëmak, sajana éro^ 
sinangis po* ne këlek bandjoer na* Bangda Sajoeman. 



62 TOXTOIR MONJXH. 

Mas koemam bang. 

Adoeh ina^ këte djoeloe gama^ ttning, têpêt akoe samëndak , ina^ 
rangdë bandjoer gëlis, parek le^ dénda Winanangsija. 

Bandjoer matoer apëke kajoen peug kadji, dêkadji gen loembar, 
gen ngiring mami^ peng kadji, ne bini bandjoeran nimbal. 

Adoeh ina^ angen koe dja^ mélé gati , miloe manto kapal , lagoe^ 
dengan noenggang djoeli, srëta ara^ gen bëlandjSna. 

Lamoen akoe gojoké gen noenggang djoeli, nde^ koe sëmël ina^ 
jadin gën koe noenggang djoeli, ngoembë gen roewan koe ina^. 

Tan palêmpotan pasaboek noenggang djoeli, tapi dja^ ina^, bapa- 
kakas noenggang djoeli pasti ndé^ koe ila^ ina^. 

Ndè^ koe ila^ ngalentong lè^ moedin djoeli, lawoen lè^ datëng 
të ito lè^ sëdin pasisi, dengan tarik pada belandja. 

Sang koe .sëdih ndè^ nara^ kadoen koe bêli, sakèpéng ndè^ nara^, 
dateng ito gen koe nangis, sino ilaang koe ina^. 

Gën të gita^ si^ dengan loewé sakëdi^, noendoek ngolas mata, 
bagoes sidë ina^ ngiring, de lèka^ bahé si djëma^. 

Dë pëdasang mara^ toetoeran siroebin, roewan kapal dagang, 
moen dengan sang ndé^ na ini^, batoetoeran lè^ koe ina^. 

Ampo^ siné kèpèng sisa dinda roebin, masih tëloe olas, sinè 
djawoe^ djëma^ ngiring, apa djë sidë bëlijang. 

Apa apa djë ina^ djëma^ bëlijang, adji teloe olas mana godèg 
mana këdit, masê ndè^ ara^ ina^. 

Bandjoer matoer ina^ rangde sambil nangis, doeh dënda ratoe 
mas ndè^ kadji kawa^ mas goesti, gita^ pèng kadji masmirah. 

Mapan ngonè^ së^ peng kadji masih nangis, sangka^ kadji rëng 
gang, njalimoeran até sëdih, na^ rangde nangis badjamdjam. 

Soebahnale sai rengge djeroek manis, boewa^ paham bagalèmpar 
sila^ denda ënda^ nangis, tao^ tao^ gama^ sabar. 

Soebahnale koepësël gëdêng balimbing, timpal gèdèng pëlas, 
ndë^ koe sëmël djêma*^ ngiring, djoe^ képèng tëloe olas. 

Doeh mas mirah romot gro sambel gili^ loewé brisi sëbija, 
momot mêro kangen diri^, isi^ te ndè^ badoewe blandja. 



TOETOEB MONJEH. 5S 

Sajan sangët ina^ rangde sedih nangis, tokol baslanggah, lè^ 
moêdiné nènè^ bini, ndè^ne kotjap pëtëng desa. 

Pangkoer. 

Tëkotjapang benar desa, ëndêh rarah ongkat tahoe singiring, 
lè^ pëkën pada bakoewoer, ngantih datoeno kodal, lamoen tamboer 
mara^ bëdah bagaloedoeg, mapan djoeli wah badjadjar, lè^ bawa 
bantjingah pasti. 

Ndé^ nè ngonèk baudjoer kodal lè^ bantjingah datoe no bini 
laki, prëbidja ngiring salapoe^, tjëndët wah ngambiar, datoe moenggah 
lè^ djoeli bandjoer salapoe^, baroe^ soegoel lèkan desa , ëndëh ongkat 
tahoe si ngiring. 

Kotjap nè^ dènda Winangsija, lè^ pam^reman bakaloemboeng si 
nangis, mirëngang dëngan si soegoel, lêkan djro babowèan, bandjoer 
gëlis ina^ Sajoman balatoer, sambilna batatangisan , doeh masmirah 
goestin kadji. 

Pajoe ke kadji ratoe mas, nëngkë müoe ngiring mami'^ pèng 
kadji , nènè^ bini nimbal bandjoer . lèkan dalem bëloemboengna , ao^ 
ina^ alo^ leka^ sidë miloe, srëkan djao^ dateng dëngan, na^rangda 
bandjoer bapamit. 

Bateroes gagatjangan lèka^, rëba^ oerës, mamalè^ lèkan moedi, 
ndè^na sanahe kadantoe^, dawoer na mara^ oedjan, kadëngaran ongkat 
tamboer bagaloedoeg, Pangoeloe Djamal ijë gèwar, basoeroe^ djadja 
rang koersi. 

Lè^ djoeloen mëligè badjadjar, bandjoer gantjang njoeroe^ parë- 
kanna bërari, matoer lè^ den Noena Bagoes, si ngantéh lè^ kapal, 
bandjoer gëlis lo^ Njamboeloeng noenggaug djoekoeng, babasé taè^ 
lè^ kapal, wah datang lè^ kapal gëlis. 

Bateroes matoer lè^ den Noena , tolè^ kamar Baden sëdëk basisir, 
Lo^ Njamboeloeng bandjoer matoer, doeh dewa panëmbahan , mëran 
datoe kadji temanikang matoer, si^rakan pèngkadji dëwa, matoer 
lè^ pëngkadji goesti. 

Ongkat tamboerno wah pëdas, lèkan sëdin pasisi goesti, sëdëk 
matoer Lo^ Njamboeloeng , tamboerno kadëngëran , lèkan kapal pëdas 
laden Noena bandjoer, gantjang jadonga^ mëdaeang, djawoe^ tjatjo- 
rongno gëlis. 



54 TOETOEB MONJTEH. 

Doerma. 

Baden Noena njanjorongin lèkan kapal, pedas tahoe ngarëpin, 
pada djawoe^ mamas, si paling djoeloe lèka^, wah rapët sëdin pasisi, 
band j oer dèn Noena ngandjeng sambil bamanik. 

Lè^pangajah aio kamoe toeroen pada , Njamboeloeng je barëngin, 
djawoe paprabotan, gen wadah sasanganan, narè^ babintangan tjang- 
kir, bobor moewah krëdap lawoen kamoe ngajahin. 

Badabdaban pangajahni teloeng dasa, ja bapakakas pasti, pan- 
ganggo masmasan, bakëmbang mpakmpak mas, tank pada braliali, 
bamata mirah maièmpot soetra plangi. 

Jë bakérêng srèbèt soetra sasawoedan, salapoe^ patoeh tarik, 
roe wan pakakasna, kênanta ndè^manoesa , mara^ roe wan poetri djim, 
silalo ngajap aning goenoeng galining. 

Wahna djari pakakasna salapoe^ na, bandjoema toeroen tarik^, 
lë^ sakoetjin kapal, barëng isi^ prabotan, salapoe^ na mas tësang- 
gêling tjahijana bënar, babintangan lan tjangkir. 

Lo Njamboeloeng babose dëngana êmpat, wah datang lè^pasisi, 
toeroen salapoe^, lèkan sëdin tamparan dèn Kitap Sëkar bamanik, 
koewih pandjakna, engke aloe^ ya gëlis. 

Babandarano si toeroen lèkan kapal, kawoelë bandjoer gëlis, 
ngoendjar babandaran, pangajah pada lëka^, ngoengsi maligë no 
gëlis, den Kitap Sëkar tjëmor angënë njérëmin. 

Bakatoewan apa gawen kamoe pada, baboewaan toeroen tarik Lo 
Gadoeng jë nimbal, mëran kadji tëmanikang, si^sanak peng kadji 
goesti, toeroen lè^darat tëmanikang ngajahin. 

Malik ara lé^kadji manik de sidë, balatoer lè^pèng kadji, adë^na 
gantaran tao^ koersi badjadjar, ade^ bawoe katjorongin, lêkan lè^kapal, 
isi^ sanak pëng kadji. 

Bandjoer gëlis Kitap Sëkar ngandikajang, pada djadjarang koersi 
nêngkë malik kotjap, datoe miwah prëbidja, wah datang sëdin pasisi, 
lèHoewar bangsal, ndëh rarah ramè tarik. 

Pangiringna pada bëng^^ sing gagita"^, pada saling toetoerin, 
daka^'na gagita^, maligè dait kapal, timbang panggita^na malik laoet 
dit darat, lèka^ ndé^ kroewan aning. 

Loewë^ pada saling goeloeng lé^ tamparan pasti ndë^na sanisi^, 
ndé^na kroewan tinda^, ara^ rëba* si^ombak, ara* kampilin si* gësik 
datoeno kotjap, wah datang lé^pasisi. 



TOSTOKB MONXÉH. 55 

Sin om. 

Bandjoei jë pangoeloe djamal ngatoerin datoe malinggih, lè^ 
korsino makembaran , tao^ datoe bini laki, sila^ p^ng kadji mé- 
linggih, lè^ koersi si doewa datoe, niki tao^ prëbidja, datoe ban- 
djoeran malinggih salapoe^ na. 

Korsino sisopo mogang, den Kitap Sëkar bawangsit, ara^ djong- 
os oerês gantjang, dëmak oeti^ njëdoet bëdil, ara^ limolas moeni, 
Baden Noena ngèngat bandjoer, mirëng bëdil lè^ darat, djëpoetno 
tjatjorong gëlis, pu^na pëntang le^kan ^kapal no wah pëdas. 

Bandjoerna nangis dèn Noena, sambil ngëntat gambar gêlis, 
ndë nara^ pada si^ gambar, poetrö, si pada malinggih, pikima 
Baden Mantri, tëtoe moele ndè^ tëroengoe, ngoembé djagë angënë, 
ito lè*^ balé tebilin, ndë^ne boeroeng je baboedjoeng lè*^ pamërëman. 

Mëno pikir Baden Noena sangka^-na si gati nangis, pangajah 
silè^ lëmpèngna, pada momot bahè tarik, pada balatoer bakti, 
ndè^nê nimbal Baden Bagoes nêngkê kotjap W darat, saloewé^ 
kantjan pangiring, sok na bënga^ gita^ maligë kit bapal. 

Bawangsit ja Kitap Sëkar, soegoel pangajahno tarik, pada napak 
sasanganan, ta^ lagin isin tjangkir, inoem inoeman malik, arak 
brandi samping anggoer, santëroep limonada, anggoer masëm ang- 
goer manis, pada napak sasanganan salapoe^o. 

Bandjoer Baden Kitap Sëkar balatoer lè^ datoe gëlis, sila^ pëng- 
kadji ngadjëngang, sasanganan timpal koepi , datoe bandjoer bamanik, 
anakoda dja^ njêrang bandjoer barëbing sasanganan, tëmowè je 
batëmowè malik, jene patoet moela saia ke nakoda. 

Sigën nëmoewè anakoda, anakoda matoer malik, sila^ mênëng 
datoe wajah, kadoeng ara^ sinë goesti, djari pandjanggël ai^, mara^ 
ling sasenggah datoe, moen kadji no wah pëdas ndè^ kadji gën 
boeroeng goesti^ sigën noenas lè^ pèngkadji lawoen djëma^. 

Mapan kadji tawoe rara, datoena bandjoer bamanik, saja nërima 
krana^ Allah, anakoda matoer malik, sila^ adjengang goesti, dj&djè 
manis siné ratoe, pada bênga^ selapoe^na, si^ manis kalëbih lëbih 
indah roewa soroh mamanisan djawa. 

Katjang djawa bëligo gëdang, lèngkeng boeloeng dipang roeti, 
salak nangka bêloeloek nanas, salapoe^ te goeie pasir, lan djadë 
koelang kaling, klëpon bater lan bahoeloe, apem djongkong sang 



56 TOETOEU MONJEH. 

rëmpang, bantal tjrorot gagas pais, tepoeng përoes gogodah lan 
pisang rëndang. 

Awoer si^ bengaang wadah, salapoe^ ne mas tesenanggeliug , ma- 
tatah masotjë mirah, bënga^ ija si pada ngiring, sakantjan mama 
nangkil, mautja mantri lan toemënggoeug Baden mènak prëwangsa, 
momot gita^ si ngajahin, anoet tëmoe mara^ djogèt lè^ kalangan* 

Ampo^ lamoen tëpëdasang,. mara^ wajang dalem këlir, ngènggok 
njarèrè nokolang, pada djawoe^ soetra koening, kadoenë ngasè^ 
tjangkir, sitajahin loewé^ ginggoeh, njaroe gita^ sanganan, adè^na 
pëdas njarëmin, tatangkëpan pangajah lè^ Lajang Sekar. 

Sinokolang apaapa, pasti ndé^na djoeloe moedi, barëng dowang 
si^ tinda^na jen soeroet barëng sëtali, ndè^ sara lijo moedi, soeroet 
mara^ tandang gandroeng, tokol mara^ te sipat, loewésakantjan 
parëmantri, saling godét, kapèsëd dèngan batoema. 

Wahna djëra^ basasanganan , datoe lan prëbidja tarik, loengsoe- 
rano tetjatjarang, lè^ toemenggoeng pare mantri « Lo^Njamboeloeng 
ngajahin , dëngan batoerna salapoe^, tandangna padë mëntja^, ëndëh 
lé^ sëdin pasisi, simanto Lo Njamboeloeng badè dèngklang. 

Datoe bandjoeran ngandika, lè^ pangoeloe djamal malik, sila^ ke 
pangoeloe djamal, soegoelang dagangan gêlis nè kanakno gen bëli, 
anakoda bandjoer matoer, sila^ peng kadji moenggah, lè^ maligé 
nengke goesti mapan itoe dagangano salapoe^na. 

Apa kajoen ara^ dowang, datoe lan prëbidjana tarik, bandjoer tèk 
sabarëngan, mareboet milêang diri^, pasti ndè^na sadiri^, sing të 
gita^ bis teringkoes, bandjoeran teitoengang, pada adji doewa këti, 
sopo^ sopo* nène*^ bini babëlandja. 

Malik ija pangoeloe djamal, mamboeka^ bëndalasahi, njoegoelang 
djari atoeran, lë^ datoeno bini laki, prëbidja pada sai^, balëngkër 
mawadah këmpoe tandoer tjahijana bënar, malik kota^ pada sai^, 
bërisi kèrèng soetra pada sapranggonan. 

Kotjapna rangde Sajoman, ngalidoeng ndè^ kroewan aning, bapikir 
dalem pangërasa, ngoembè akalkoe nëngkanë, ndë^ nao^ basëboegis, 
gojoke basa malajoe, tjina arab olanda, ndé^te tao^ loma^ gënit, 
ngoembè ëntan koe nanè gën bakatoewan. 

Mënè roewan dagangan, ndë^ nara^ kasoran adji, si gën adji teloe 
olas, mëné kèpèng nènè^ bini, ara^ teloe olas pasti, sëmël kèakoe 



TOETOEB MONJÉH. 57 

badjoeloe, jen ndè^ tebakatoewan , lawoen ndè^ dateng koepasti, 
ndé^ne boeroeng nènè^ bini bakatoewan. 

Apë kë gën^ ling koe nimbal , nané koe pasëmèl diri^, bakatoewan 
lè^ anakoda bandjoeran na^ rangde moeni, ongkatna asih asih, ila^ 
te denger si^ ba toer, bakatoewan lè^ nakoda, ara^ daganganpangadji, 
sabëlP na pangadji tëloe olas. 

Tjëmor anakoda nimbal, ara^ baé^ sidë bêli, dadagangan endah 
roewa, ara^ baé moeda adji, soroh djaoem pandjahit, ina^ rangde 
nimbal band j oer, koemambang po nakoda, pan siné kèpèng sëmpait 
goestin saia to lè^ djëro kasangsara. 

Nènè denda mas Winangsija, ndè^ na troengoe isi^ mami^, lan 
sana^na salapoëna, ndèna ara^ girang sai^, satata sëdih kingking, 
mëno sangka^ ndé^ na miloe, né saia temanikang, djawoe^ këpèng 
siné ngiring, sang na ara^ këdit godèg gen têdjoewal. 

Mèno manikna nè^ dënda, temanikang saia bëli, pëdas ija 
pangoeloe Djamal, dëngër orta nenè^ bini, ngëmbëng ai^ sarëmin, 
anakoda nimbal bandjoer, ara^ godeg lè^ kapal, makeh kèpèng de 
koe ënti^, bandjoer lèka^ Kitap Sëkar gagantjangan. 

Noenggoeng sampan taè^ kapal, wah dateng lè^ kapal gëlis, 
bandjoer matoer lè^ Den Noena, mëran goesti moelë djati, mara^ 
oetjapan toelis, soerat pêngkadji no ratoe, tëtoe ndè^ tëdëmënang, 
sangka^ mëné ie njëmpahit, gen bablandja kèpèng ara^ tëloe olas. 

Dèn Noena tindjot mirëngang, bamanik sambil na nangis, gita^ 
kèpèng têloe olas, bandjoema bakatoewan gëlis, sai to^ na njëm- 
pahit, Kitap Sëkar nimbal matoer, to lè^ talin oemba^na, kotjap 
mélé na gën bëli« sang na ara^ këdit godèg, sa^ moedaan. 

Eaden Noena bandjoer nimbal, bamanik sambelna nangis lamoen 
mëno nëngkë kaka^, akoe bahé gën basalin, sigën njaloekkoelambi, 
adè^koe badait lawoen, gantjang jê Baden Noena, bandjoema njaloek 
koelambi, salin roewa pëdas mara^ godeg gawah. 

Bandjoer malik Kitap Sëkar toeroen lèkan kapal gëlis, djawoe^ 
godègna kadarat, Kitap S|kar wah badait, lè^ ina^ rangde ngan- 
tih, bandjoer na tësodè batëroes, sambil bada^ na^ rangda, siné 
godègna wah djari ampo^ tao^ bararasan mara^ ita. 

Siné aio de djaoeang, pëdas dëmën nëné^ bini, lo^ monjéh sinê 
arana, ina^ rangde bandjoer gëlis, gen lalo méta tali, anakoda 
ihoeni aloes, sëmanta^ nali^ ija, ndè^ ne saragën barari, sok ba- 
goesang mapan ija nao^ basa. 



58 TOBTOXB MONJEH. 

Ina^ rangdë bandjoer leka^, ngoemba^ ija lo mónjèh gëlis, wah 
boedal lëkan tamparan, ndëh rarah si pada ngiring ina^ rangdë 
lè^moedi, sitakrijah isi^ batoer, nda^ rapet ina^ rangdë, godègoem- 
bakna ngiring, noendoek bahé ina^ Sajoman si lêka^. 

Ndè'na kotjap silè^langan, wah dateng lèMésë gëlis, datoe band- 
joer batëroes tama, prëbidja salapoe^ ngiring, gantjang jë sing 
arëpin, mijakang dëngan simikoel, kotjap dinda Winangsija, mërëm 
bakaloemboeng nangis, bandjoema datang ina^ rangdë Sajoman. 

Asmarandana. 

Tokol bawa^ nènè^bini, bandjoer matoer adoeh déwa, sila^ oerës 
djoeloe^ nënè^, tjingakin kadji mas mirah, maoe^ kadji bablandja, 
nè^ dende Winangsija bandjoer oerës mandjak lè^ pamërëman. 

Në^ bini bandjoer bamanik, doeh ina^ apa maoe^da, ara^ ke 
no anak godèg, gëlis matoer ina^ rangdë, ne maoe^ kadji dênda, 
sambil na tokolang bandjoer, godèg no lè^ sasangko^a. 

Nênè bini bandjoer nangis, sambilna basasambatan , dengan maoe^ 
doewë loewè^, kèrèng lempot lan masmasan, itë godeg maoe^ te 
mëno sasambat dendajoe, lo^ monjêh jê bandjoer nimbal, 

Doeh dèwa sarining poeri, nda^ bingoeng ratoe mas mirah, mapan 
wah kasoeka^ nènè*, lè^ ragan pèng kadji dênda, moen dekadji 
toeroetang, sajfin sédë kajoen ratoe, tindjot në^ déndë mirëngang. 

Bënga^ sambilna bamanik, kënang koe ndë^ nao^ basa, sëloen 
tëteh jë bakrantè, mara^ pitoetoer manoesa, na^ rangdë bandjoer 
nimbal, moela tao kotjap ratoe, mangëraos mara^ manoesa. 

Lo' monjèh arana goesti, tëadjah tjara manoesa, nënè^ bini 
bandjoer tjëmor, lëbih soeka pakajoenan li^ godèg nao^ basa, nè^ 
bini bakatoewan bandjoer, hè monjèh akoe bakatoewan. 

Ngoembë^ langan mè^ sakëni, sangka* mè^ si nao^ basa, angsal 
manoesa kè laè^, sala^ dabdaban mè^ tapa, atawa kênë sëmpata, 
sangka mè^ sala^ patëmoe, djari godèg basangsara. 

Lo^ Monjèh balatoer bakti, adoeh dêwa ratoe mas, kadji sinê 
moelë godèg, bêlè^ bëlè^ to lè^ desa, saking kasoeka^ Allah tao 
kadji ngotjap bandjoer, mangëraos mara^ manoesa. 

Bandjoer loembrah dalem poeri, godèg tétèh bararasan, ka toer 
lè^ denda si loewé^, si^ godèg tètèh ngoetjap, tarik pada salapoe^na, 
mëléne gen bait bandjoer, në" dënda Wingit ngandika. 



TOSTOES MONJÉH. 59 

Oadoeng aio lèka^ gëlis, bait godèg la Winangsija , bandjoer 
djSoe'^ ijë këtè, la Gadoeng bandjoeran lëka^, parêk dênda Winang- 
sija, kotjap wah datang la Gadoeng, daitna nè^ deuda mandjak. 

Lè^ sasangko^ dënda mëlinggih, godèg tokol lè^ lëmpëna, ting- 
kahna tokol ndarëpè^, bënga^ la Gadoeng gagita^, tratip godèg 
marëkan, la Gadoeng bandjoer balatoer, adoeh dewa ratoe mas. 

Kadji tëmanikang goesti, si^ rakan pèng kadji dënda, gen bait 
anak godègno, dènda Winangsija ngandika, Gadoeng mëno atoer, 
koepindahang gen bi djaoe^, maman kaka^koe sëlapoe^na. 

Tarik pada soeba soegih, kèrèng lèmpot lan masmasan, moen 
akoe ga^na si siné godèg adji tëloe olas, nëngkë akoe pindahang, 
nda^ .gama^ bi bait Gbdoeng, gën koe kadoe pakëdihan. 

La Gadoeng bandjoer bapamit , batëroes lèka^ gagantjangan , wahna 
datang bandjoer tokol, batëroes matoer adoeh dewa, ëndëh kadji 
kahitjan, si^ sana^ pèng kadji, ratoe, girang lalo^ lè^ godègna. 

Salapoe^na nènè^ bini, mirëng la Gadoeng ngatoerang , tarik pada 
sala^ até, lè^ nènè^ denda Winangsija, kotjap wah pëtëng desa, 
bandjoer nè^ bini salapoe^, éntjong parëk lé^ mami^na. 

Mami^na tindjot njarëmin, si^ tingkah dateng bidjana, ban- 
djoema bakatoewan éntjong, apake ara^ bi pada, datëng sebêng- 
gagatijan, dèndë Wingit nimbal matoer, kadji parek nëngkë mëmban. 

Mëran mami^ ga wen kadji, parëk lè^ peng kadji nëngkë, si^ 
tingkah, adi^ kadjino, ndè^na ini^ pisan pisan, noeroetang kadji 
pada, si paladjar ndè^ taroengoe, je nganggo sawënang wënang. 

Djari kadji nëngkë mami^, salapoe^ ndë^ kadji kawa, si gën 
barëng lè^ja ité; nëngkë moen peng kadji itja, bagoes alih tao^na, 
lè^taman adé^na noenggoe, ampo^ija la Winangsija. 

Ngingon godèg ara^ sai^ , patoet di panoenggoen taman , mami^na 
bamanik adèng, sarëkè angën bi pada, lagoe^ling koe moen këna^ 
adè^ bi adjar je djoeloe^, moen tëtël baè sarana. 

Sino po^ bi pada sëdi^, ëmbé dja^ tao^ bi bowang, lëndang gawah 
tana^ kebon, sorë kë angen bi pada, në^ dënda Wingit nimbal 
moen paladjar dja* wah toetoe,* masi baé ndè* na ngrasa. 

Nè* denda sëlapoë bapamit, lèka* sambilna brarasan, ara* pa- 
kkan kodè*, arana la Sëntoel gawah, sino bandjoer soeroe* na, aio 
lèka* kamoe Sëntoel, bada^ ija la Winangsija. 



60 TÓXTOEK MONJEH. 

Djëma* adè* na njëdi, adé^ na djawoe^ godègna, lè' kebon to' 
na babalé, nda^ na ité dalem desa bandjoer la Sëntoel lèka^ parek 
lè^ nè^ dénda batëroes, daitna denda bagèla^. 

Lo Monjèh sëdëk manjanji, lagoe^ lingna rarampoetan, la Sën- 
toel ija datëng bakërëm, lo^ monjèh taget gagita,^ gantjang matoer 
lè^ dênda, sai djagë siné ratoe, datang kanak kodè^ nina. 

Nènè^ bini oerës gêlis, Ia Sëntoel noenas loegrëhë, bandjoer je 
lé^ bawa^ tokol, batëroes matoer adoeh déwa ne kadji tëmanikang, 
sV rakan peng kadji ratoe matoer lè^ pêng kadji dènda. 

Ngatoerin peng kadji njëdi, lèkan djro aning taman, nè^ dënda 
Winangsija tagét, apa dja^ sala^ koe nengke lè^ kaka^ koe salapoe^- 
na sangka^ koe nané tatoendoeng, gen tëboewang aning taman. 

Lo Sëntoel balatoer malik doeh mas mirah kadji mindah , sakewalë 
kadji nëné, tëmanikang matoer déwa, ndè^ kadji tao dënda, sala^ 
peng kadjina ratoe, ndè^ kadji bani noenasang. 

Si^ rakan pèng kadji goesti, gati lalo si^na mënggab, nè^ denda 
Winangsija diri^, awo^ piran gen koe lèka^ gen ngalih aning taman, 
la Sëntoel gawah balatoer, djëma^ nja lèma^ no loembar. 

Né^ bini bandjoer bamanik, sandika aio atoerang, lè^ kaka^ koe 
pada ito, kaling ké ito lè^ taman, jaden lè^ lëndang gawah, lè^ 
goenoeng rèdjèng sisoewoeng, ndö^ pisan gen akoe pi wal. 

La Sëntoel gawah bapamit, batëroes lèka^ gaganijangan wah no 
datang bandjoer tokol, batëroes matoer adoeh déwa, wah kadji 
parëk dënda, lè^^ sanak pengkadji ratoe, ngatoerin boedal si dj ëma^. 

Sanak pengkadji sahiring, dènda Wingit lebih soeka, neng ting- 
kahnë si ngëraos, kotjap nè^ dënda Winangsija, angënnë lëbih 
soesah, djëlo malem ija baboedjoeng, nangis sambilna badj&mdjam. 

Ndè^ ne batelah sinangis, barëng dait ina^ rangda, ngis basa- 
sambat bahé, doeh ina^ rangdë Sajoman, apa dakoe sala^ tê, san- 
gka^ koe nané tëtoeudoeng, gên têbowang aning taman. 

Ina^ rangde matoer nangis, adoeh déwa ratoe mas, jen pambaden 
kadji nènè^, si^ pengkadji ndé^ugatoeraug, lo^monjèh tèharsajang, 
nènè^ biui nimbal bandjoer, sino sang djari sala^të. 

S i n o m. 
Lo monjèh balatoer sëmbah, sabar sabar gama^ goesti, mapan 



TOXTOXR MONJEH. 61 

wah kasoeka^ Allah, lë^ragan peng kadji goesti, toedoeh wah dalem 
toelis, tetoelis lè^ lai^ ma^poel, nêngkê tatemoe tëmah , mëno toetoer 
dëngan alim, nêngkë sandangin koe ratoe mas mirah. 

Nènè dënda mas Winangsija, bandjoeran batëlah nangis, bapikir 
dalem pangrasa, si^ lo^monjèh bëladjar pasti, mëné jè godèg djati, 
mara^ manoesa batoetoer, nao^ sipat pangêran, nëngkê akoe tjoba 
pati^, si^ ndèWra^ sala^ isi^na si bëladjar. 

Nènè^ bini bandjoer nimbal, djati mara^ling mè^moeni, monjêh 
moelë djati gama^, ling mé^ nde^ sala^ sakëdi^, lo monjèh matoer 
malik, adoeh dewa ratoe ajoe, sila^ bagèla^ gela^, bagoes bagoessi^ 
bapikir, lawoen kadji poro^ poro^ baramban. 

Embe pao^ ëmbè goelë kajoe soerèn djari koeri, embe tao^ të- 
ngawoela, moele toelen si sëngari, oepaman sidë goesti, këmbang 
toendjoeng tënga^ lawoet, kaloejoe lomba lomba, pada galak ija 
bakëmit, daka^ meno ndë^na boeroeng kadji tjoba. 

Daka^ loewé^ pao^ tinggang, bilë dëngana baranding, daka^ 
loewé^ tahoe girang, sigën koe bantël njoering, kadoeng limo 
papëdis, kadoeng simo sëdih ratoe, klawoe boeloen kalijang, lamoen 
na boerik pinasti, moele pasti koengalaloe sakalijang. 

Dëkadji gen sirik mirah, tjëmor nëMénda bamanik, si^mirëngang 
larambangan, si^ rotjèt godègna ngawi, nènè^ bini nimbal malik, 
monjëh ante moelë tëtoe, tao më^ njalèmorang soesahkoe kalëbih- 
Itbih satipak mè^ ité akoe ngêrasa ènak. 

Koe ngèndèng asè^ lë^ ante, da^ mè^ bilin akoe njëdi, adë^të 
barëng sangsara, lo monjeh balatoer malik, sandikan déwa goesti, 
lamoen pèngkadji gen taoe, asè^ lè^ kadji mirah, ndé^ po kadji 
mélé njëdi, sila^ mërëm baé djoeloe^ ratoe mas. 

Fan djëmak goesti gen boedal, bandjoer sirëp néné bini, dilë 
balëbih bënar, ina^ rangdë tindo^ ngoering, lo monjèh masih ngërin- 
ging, sëdi kanan to^na mërëgoe, sambil mëdas mëdasang, lè^awakna 
nènè*^ bini, djari tiwo^ pikir monjèh lè*" atèna. 

Tëtoe mara^ silè^ gambar, roewana pasti nè^ bini, ngoembé si 
sangka^ mami^na, ndé^na soeka bini laki, lo^ monjèh bandjoer 
nangis, gita^ tjahja tënang tandoer, sambil basasambatan , doeh 
dénda sarining poeri, toenah gama^ roewan dë nandang sangsara. 

Lo^ monjèh bandjoer badjawat, ndè^na kawa ngandëg pikir, 
soesoe nè*" dënda Winangsija, dëdoewa^na podil na pasti, bandjoer 



62 TOKTOn MONJÉH. 

tindjot nè^ bini, gantjang jë bamanik bandjoer, hè moDJèh ngoembé 
ante, salapoe^ mè^ bala^ bali^, akoe pêdëm, ngasangkoe tagèt 
si^ ante. 

Lo^ monjèh je matoer gantjang, sila^ ampoen kadji goesti, 
si^njanto kadji kali wat, bandjoer noendoek kadji goesti, tindjot 
kadji kalëbih, no sangka^ kadji badjëpoet boeti^ kajoe^ no pëdas^ 
ëno prèsa^ kadji goesti, djari nëngkê sêloen panjoengsoengan djagat. 

Nëngkë ampoen kadji dênda, ndè^po sadijah kadji goesti, dënda 
Winaugsija ngandika, koe ampoen ante nëngkani ning da^ mè^ 
malik malik ngalih ante tindo^ djoeloe^, akoe tindo^ samênda^, 
lo^monjèh jê bandjoer njëdi, batëroes tindo^ lalang langsé galêng 
bëdah. 

Ndé^na kotjap pëtëng desa, bënar te kotjapang malik, kalèma^ 
datang oetoesan, njerekang jê nënè^ bini, njëdi lë^dalem poeri, 
nè^ dënda bamanik bandjoer, barCs adë^na bënar, ndè^koe boeroeng 
gama^ njëdi, lagoe^ tjoba^ bilalo malik atoet. 

Sang na ara^ dengan towa^, gen ngatong akoe tësëdi^ la Sandat 
bandjoer matoelak, balatoer lé^ dënda Wingit, dënda Wingit bamanik 
lé^ adi^ la Wangi bandjoer, adi^ aio bi léka^, parëk lè^ mami^ te 
gëlis, aio noenas pandjak siwa^ towa^ towa^ 

Gën barëngin la Winangsija, dénda Wangi lèka^ gëlis, bstëroes 
matoer lè^ mami^na mami^na bandjoer bamanik, jë pajoeké adè^ bi 
sigën pada lalo soegoel , gën ngalih aning taman , adi^bi la Wida- 
ladin, lamoen mëno ara^ baê so dëngana. 

Fatoettë jë mèsa^ mèsa^, mapan je taoe bini, bandjoer datoe 
ngandikajang, bada^ patih mangkoe boemi, adé^na nëngkë gëlis, 
métë batoer ara^ pi toe, mama sitowa^ towa^, parëkan wah lèka^ 
gëlis, wah badait lë^ patih Mangkoe Nagara. 

Goesti Patih bandjoer nimbal, apa sala^ néné*^ bini, sangka^na 
tëboewang lé^ taman, parëkanno matoer malik, kadji mamindah 
goesti, kadji tëmanikang matoer, adë^peng kadji déwa, métë batoer 
si gen ngiring, ara pitoe si wah towa^ towa^. 

Adè^ pengkadji manikang, ito lè' pëkën no ngantih, dénda Wiugit 
nëngkë kotjap, njoeroe' la Mënoeh Gambir, aio bi lèka^ gëlis, 
bada^ adè^ na gëlis soegoel, sètan siuo Winangsija, la Mënoeh 
Gambir bapamit, batëroes lèka^ daitna nè^ dënda mandjak. 



TOSTOXB MONJÉH. 63 

Iia Mënoeh balatoer sëmbah, kadji têmanikang goesti, si^rakan 
peng kadji dêuda, sila^ loembar nëngkê goesti, sigën ngiring wah 
ngantih, lè* pëkën tao^ na nganggoer, ara^ pitoe towa*" towa^, 
sino gen ngiring dëkadji, gën babalé ngiring pèng kadji lè^ taman. 

Maskoemambang. 

Bandjoer nimbal nènè^ bini sambil nangis , awo^ Menoeh nëngkë» 
ndé^ koe boeroeng gama^ njêdi, aio malik bi atoerang. 

Lè^ kaka^ koe salapoe^ akoe bapamit, La Mënoeh matoela^, ban- 
djoer malik nènè^ bini, bamauik lè^ talin oemba^. 

Adoeh ina^ hëntèh baé nëngkë njëdi, jen tebarès ina^, ara^ baé 
datang malik, bëkëtè^ njamboro ita. 

Ndè^ koe kawa gën tëpoera^ malik malik, babasa da ina^, akoe 
singga^ gën koe kawih, koepija^ têdoeng lè^ langan. 

Adé^ saroe sang ara^ samëton djari, gita^ koe sangsara, ina^ 
langdë bandjoer gëlis, je ngatoerang babasa^ na. 

Bandjoer gëlis batatëdoeng nènè^ bini, si^ lèmpot sabidang, ma-^ 
lik ngengat uènè^ bini, gita^ na anak pondokna. 

Tëkën ampel kapongna sambilne nangis, nangis basasambat, nëngkë: 
akoe gën koe njëdi, sai kë gën noenggoe ija 

Soebahnala dilë matè^ minjak tehis, tetoetoeng si^dëngan, gilë- 
atè^ sangka nangis, gën tatoendoeng aning taman. 

Doeh mas mirah goelë matëng lè^^ Madjëti, krita^ lè^ sagara, 
moelë atè^ dëngan dëngki, lè^ itë ngënë sangsara. 

Soebahnala balè^ bala^ lè^ Fadjanggi^, pasangsongorsëdin langan,, 
apa sala^ koe tësëdi, gën kapongor aning taman. 

Moen pênarah kadoe taka^ nasi^ ban , tëpor kléndé sëdin la wang,, 
moga ara^ dëngan nari, gën koe mëlé sakali dowang. 

Bandjoer matoer ina^ rangdë sambil nangis, sila^ kë ratoe mas, 
nda^ katoengkoel gama^ goesti, nènè^ bini bandjoer nimbal. 

Awo' ina^ ndè'koe boeroeng gama^ njëdi, sang na ini^ ina^, nanè 
langsor si^koe nangis, nda^ lawoen ito lèUangan. 

Ampo^ ina^ ndè^ të gën matoelak malik, këtëlè^ pondoktë, mapan, 
nané gën tëbilin, onos tawo^ tësangsara. 



64 TOITOn MONJÉH. 

Bandjoer mara^ lo^ monjèh balatoer gëlis, sila^ ke ratoe mas, 
nasé loembar kadji Dgiring, apa sangka^ goesti rèmbat. 

Awo^ monjèh mara^ ling mè^ moelë djati, apa to'tërèmbat, kèrèng 
lèmpot sangoe ai^, tao^ mè^ moela ndè^ nara^. 

Lagoe^ nêngkë akoe nangis asè^ diri^, jen nêngkë koe lèka^, lè^ 
langan tao^ koe nangis, gita^ na pada si dëngan. 

Bandjoer loembar nè^ denda mas Widaradin , tiring si^ na^ rangda, 
lo^ monjèh oemba^ na gëlis, wah soegoel lèkan paboewan. 

Sing gagita^ tingkah denda Widaradin, të bowang lè^ taman, 
salapoe^ na sëdih nangis, asi^ na kali wat liwat. 

Salapoe^ na pada mélé miloe ngiring, pada saling katoewan, apa 
sala^ nènè^ bini, si tetoendoeng aning taman. 

Fan ndè^ nara^ nao^ sala^ nènè^ bini , tëtoe ndé^ na ara^ kasala^ 
na nëné^ bini, pada sëdih sing gagita^. 

Betetedong nènè^ bini sambil nangis, nangis basasambat, sambil 
ngasap ai^ sërémin, badjamdjam sabélon langan. 

Ndè^na kotjap lö^ langan jë nènö^ bini, wah datang loewah koeta, 
bandjoer batëlah nènè^ bini, tokol njengkoeng sëdin langan. 

Adoeh ina^ loepa^ koe kalëbih lêbih, bagoes de matoela^, atoeiang 
akoe bapamit, lè^ mami^ koe bini lanang. 

Fo^ atoerang salam sëmbah akoe malik, lè^ mami^ koe pada dit 
atoerang akoe malik, lè^ kaka^koe salapoe^ na. 

Bandjoer bapamit na^ rangdë lè^ gëlis, ndë^ kotjap lè^ langan, 
daitna datoe malinggih, barëng dait sabini^ na. 

Dangdang. 

Bandjoer matoer ina^ rangdë gëlis, mëran datoe, kadji matoer 
pëmban, lè^ batang pèng kadji nènè^, kadji kahoetoes datoe, isi^ 
bidjan pèng kadji goesti, ngatoerang salam sëmbah, lö^pengkadji 
ratoe, malik ara^ manik dénda, bapanoenas ampoen bëriboe riboe 
malik, lè^ linggih batang dèwa. 

Bandjoer nimbal datoe bini laki, nêngkë ëmbè^ anak koe Winang 
sija, ua^ rangda balatoer adèng, wah loewah koeta datoe, bandjoer 
nimbal datoe bamanik, moen mëno aio lèka^ ané^ bagoes bagoes, 



TOBTOES MONJEH. 65 

idoep maté^ to W taman, bandjoer nimbal ina^ Sajoman bapamit, 
ndè^na koijap lè^ langan. 

Wah datëng lè^tao^ denda ngantih, loewah koeta, toko basëlang- 
gab lè*" bawa^ kajoe^ sirèmpè*, lo*^ monjèh miloe mërëgoe, nging 
badèkèt lè^ nèné* bini, barëng papoe*" sitowa*^, pada tokol uoendoek, 
ndè^ kawa siug gatita^, bandjoer datang, na^ rangda balatoer gëlis, 
doeh déwa ratoe mas. 

Sila^ loembar dénda kadji ugiring, mapan. oewah, kadji matoer 
dënda lè^ mami^ pèngkadji nèüè% nè^ bini loembar bandjoer, lo^ 
monjèh jë të oemba^ g^lis, si^na^ rangde Sajoman, loewè^ pada 
bijoer, nina mama to lè^ langan pada bënga^, gita^ tjahija nèné^ 
bini, tënang boelan poernama. 

Anging nènè^ bini noendoek sakali, sokna ingat, langan sitoe- 
roetna , ndé^ na sara^ lijo lahé, tëgoe^ djawoe^ tetëdoeng, pan sabélon 
langan jë nangis, moen tanggoen tatëdongna, bis basa^ balamoet, 
si^ ai^ srëmina dënda pan kadoena, ngasap asap ai^ srëmin, lo^ 
znonjèh bandjoer ngërambang. 

Maskoemambang. 

Soebahnala soesoe koedang balang sangit, bilo^ maté^ siwa^, 
noendoeg noentang ngandëg tangis, èro^ atènkoe gagita^. 

Soebahnala toempah balang lë^ gagapit, bila tri^ masak oda^, 
Boesah badjang moelë sakit, bina si^ soesah toetowa^. 

Doeh mas mirah bëla^ manggis panggitan isi^, te ngèndèng si^ 
dëngan, nda^ nangis gama^ mas goesti, sila^ tjingaklêntèng langan. 

Ampas goela toeroes po arana pasti, limo pedis sakakisa, moen 
te toeroetang je goesti, simo sëdih pono ita. 

Moelë pasti kisan këdit kaken sampi , ampas tëlo^ kata^, sisakëdi^ 
na badjari, sëkat lalo^ ija gen ponta^. 

Soebahnala pina^ soenggar galih blimbing, talét waroe sëdin 
langan, sila^ loembar kadji ngiring, adè^ aroe dateng taman. 

Moelë pasti djoerang langan ga wah djoering, bênë si^ kakara, 
iidè^ koerang angenkoe ngiring daka^ koe têmah naraka. 

Soebahnala tëpo^ tëpa^ lè^ djalindjing, timoen gantoeug dèkèt 
timba^, adjak Mtkah kadji ngiring, lamoen tëbaroentoeng pisa'. 

?• Volgr. V. 5 



66 TOSTOSE MONJSH. 

Dangdang. 

Bandjoer tjemor në^ dënda bamanik, awo^ monjèh, tétoe inoel& 
anta, kalëbih isi^ mè^ rotjêt, lo^ monjèh nimbal matoer, meran 
djati kadji mas goesti* si' toena^ kadji liwat, si* gita* dendajoe^ 
gen bako-bako panjingak, sërëmin manis, gen tè sèda* isi* tangis, 
mara* andèn hèbatan. 

Kawo* doewa wah tëhébat pasti , sërëgëp gënëp , ragi sëloen séda^ 
isi^ trisi adji sëkèpeng mëno oepama ratoe, nënè* bini bandjoer ba- 
manik, ngouè^ sauget koe soesah, nané bawoe limoer si* rotjet 
anta njarambang; dè'na kotjap lè* laugan nènè'bini wah na datang 
lè* taman. 

Bak&toewan bandjoer nënè* bini, ina* rangda, siné kê no ija, sigën 
tao* ta babalé, rangda Sajoman matoer, mëran ijë sisiué goesti, 
batëroesna pada tama, lê' pondokna bandjoer, si batëkën kajoe' boewa*, 
atapnano gèdèug njijoer si tegapit, nè dènda bandjoer mandjak. 

Lè^ galampar kajoe* boro tjanging bagagawon sambilna ngan« 
dika ina*^ tokolang lo monjèh, sapoehang ito djoeloe*, adè* bawoe 
èlah sak di*, nè pada papoe* towa*, pijaang di* de djoeloe*, mana 
mana si* kararas, papondokan, tao* da tindoang diri* bandjoer 
matoer papoe* towa*. 

Sila* mënnëg bahé nènè* kadji, tiwas kadji, jadin bawa* djarak 
tao* kadji pada mêkèh tao* kadji soesah ratoe, mapan kadji toe 
kasoh sakit, tindo* lè* lêndang ga wah, sok ping kadji ratoe, adè* 
no bawoe gantaran, bandjoer mara ngaler ja pada tarik, nënangis 
ngnsah ngasah. 

Sambil mager pondok nènè* bini, wahna djari, te bidël si* këlang- 
sah, bandjoer moeni jë lo monjèh, kalëbih bënga^ akoe mapan 
akoe udè^ oewah dait sauggrahan dengan mènak, mara' toebë 
gadoeug, tëbidël isi^ kalangsah, bandjoer nangis në'' denda mas 
Widaradin, monjèh tedoe' gama'-na. 

Ante ngoerësang angenkoe sëdih, monjèh nimbal, adja* kadji 
dènda, têgës mëno dja'na-ngoembé^, mara pondok nakagoeng, lagoe^ 
lamoen Ie' ga wah pasti, sëdëkanna si njëran, rangda nimbal ban- 
djoer, godèg têtèh lalo* antë^ monjèh nimbal, sroro lalo^ sidë moeni, 
patoet ke tëdoe* dowang. 

Ndé' koe kawa mara* sidé ngëné, sokdë merëgoe, mara* djang- 
kihpangan njangkasangkok ngèlè^'èlè* , . maka* maka* bogoetoe kadi 



TOETOXS MONJÈH. 67 

lasa nda^ gama^ sêdih , balik dasa lèmorang, pètang dè^da keloekoe^, 
da balmgér po^ de mojas, bakakembang , pëtang di^ de kembang 
koembi tjoba^ ilên panoedja^. 

Baudjoer ,njandar to lé^ aua poenti*, mëné lawoen, papoe^koe 
sëlapoe^na, koesoeroe' pada bagëro^, nè' bini loembar bandjoer, 
papoe^ towa* salapoe^ tarik, pad genter salapoe^na, na^ rangde 
djarêngoet, gëdèkna kaliwat liwat, lè^ lo^ moDJèh, katoewan mè* 
këman si^goesti, tjoba^ godèg ambaran. 

Moen ndè^ rëmoek lengkarak mé^ lëti^, jadin këman tjoba^na 
renggangan , moen dë^na katekan pëlot, koe ngatoerang dit kajoe^, 
adè^ enda^ akoe ngasilik, mêno pikir ina^ rangda, jë lo monjèh 
bandjoer gita^ sëbëng ina^ rangdë, ngarambang batëmbang sahir, 
sambilna ugerahèkêngna. 

Maskoemambang. 

Soebahnala sjsi koe lësih boewë^ njedi, ngara^ maté bagalëmpar, 
sala"" sakêdi^ te sili, mara^ ate boegis mandar. 

Doeh mas mirah baprawoehan liwat gili , poelang manggar ba won 
tana^, ndê^ na kroewan to^de nli, pan itë ngegarang manah. 

Soebahnala këmangi te sambel gili^ lé^ sëmpara timpah djoman, 
ndè' koe bani gëntësili* si^ ina*^ rangda Sajoman. 

Soebahnala moen kantjili lè^ bariri, nasi^ bari taka tëpa^, nda^ 
dé sili ina^ rari, aio tari papo"^ bokah. 

Sajan ëndëh rarah rèrè^ raraé tarik néné^ bini itja, papoe^to 
pada nggegih, na^rangda batoengkem kaka^. 

Pau wah pëtëng lo monjèh je bandjar moeni, èngkë ina^ rangdë, 
soeroe^ papoe*" moesoet gëlts, baudjoer mara noetoeng dila. 

Wahna galang baudjoer more mangan mai^, nè^ bini madjangan, 
papoe^ towa^ pada nangkil, barëug pada bak^loran. 

Nëngkë kotjap lomonjèh malik ija moeni, adèng si^ de basoewap, 
lawoen sakit tijan de bibi^, ina^ rangde bandjoer nimbal. 

Awo* monjèh tetèh lalo^ ante moeni, nde^ koe mara^ anta, 
bësoeh isi^ g^dèng djroeti, dëmën ngaken goetoe mesa^. 

Ante monjèh poro* poro^ ng'rambang malik, apa dja^ mè^ rara- 
bang, adè' ramèjan sakëdi^, kalëbih sëpi përasaHa. 



68 TOXTOB& MONJiH. 

Balang këbon bëongkatna lamé moeni, lain lo^ idapta, sila^ de 
bagèla bibi, bandjoer na^ rangda bagèla^. 

Doeh mas miiah njijoer gading tènga^ gili^ tarik pada baboewa^, 
tiudoe^ ngoering batatili, maran roewan dadara towa^. 

Soebahnala moen sempara dja^ tatali^, koesapaang gèdèng gëdang, 
moen na^ rangda ja^ marari^, koe tampaang anak bëgang. 

Moen kasoeka^ ngemboen batoe djiwanggili, dajan pantjor sekar 
tëdja, lamoen akoe ja^ mërari^, akoe njongkol langan kréta. 

Dangdang. 

Endéh rarah loewah dalem tarik , ina^ rangdë moeni sambil njem- 
prak, pasten lalo^ ante godëg, sahingë-méle^ kamoe, dadara no si 
gën koekawin, pan antc^ goetoen gawah, monjèh nimbal bandjoer, 
endak mëno ina^ rangde, nde^ té tao% kasoekan Allah si loewih, 
side ké si kowasa. 

Maskoemambang. 

Soebahnala bawa^ arë to^ koe ngandik, koelawar boewa^ patje^ 
do wang, ina^ rangde moele rantjik, gen koe palar krantê do wang. 

Doeh mas mirah embè^ kao^ telang tali, dila gantoeng lè^ sem- 
para, bè^ tao^ koe balang pati, bidjan datoe si sangsara. 

Soebahnala émbè pao^ sibe soele , pëlëng oepé^ djari tapan , ëmbe 
tao^ koe bagoesti, paling kodè^ silé^ taman. 

Soebahnale bërëm séda^ ai^ manis, kêla^ limo djari djangan, 
sila^ mêrëm nènè^ biui, enda^ simo pakajoenan. 

Bandjoer sirëp nè^ dende mas Widaradin, ndé^na ngasa ngasa, 
lo monjèh jë sajan gati, ngauggit, tëmbang maskoemambang. 

Soebahnala lamoen tekërët pemkang boeni, talêt kléndë timpal 
komak, lamoen sirep nenè^ bini, mélënkoe tipa^ bademak. 

Petoe'^ koekoe njonto^ bareng dit kantjili, lé' sédin kakoewang, 
djëpoet soesoe sai^ njüi» mapan soesoe wah tüboewang. 

Soebahnala apa kando^ mangan mai^, temoen gantoeng sambél 
bawang, pira djao lalang ai^, lamoen oentoeng datang dowang. 



TOSTO£S MOKJÈH. 69 

Doeh mas mirah toenoe^ goeie lè^ pasisi, mala^ doewa bagalam- 
pang, tetoe gila kadji goesti, mara^ roewan de si lè^ gambar. 

Lamoen prija talawarang oema^ sampi, anak pèkat bagarèran, 
moen sidè djalaran kadji, daka^ pëkad lè^ pangeran. 

Moen tengërawoe bëlambah si^ pempang boeni, reba^ lëkong 
siwa*, lamoen bawoe nènê^ bini, koe kapong lè^ baon iwa^. 

Soebahnala lè^ emboeug baléu kantjili, djelati kelela bareng 
doewa, kèrèng peloeng no tesalin, lempot batik salam doa. 

Soebahnala lèngkong menèng pëno^ai^, timoen sapondongan tindo^ 
melëng ndè^koe mai^, lamoen ndè^koe bakapongan. 

Soebahnala djaran babak sangka^ ngoendjit, timpah kamboet lé* 
sêmpara, angen tabah sangka^ ngoentik, ndè^koe takoet genkatara. 

Soebahnala sèlëp andan baté^awis, këdoek lindoeng lè^talabah, 
sirëp rënggang sajan manis, sidoek iroengdë samëndak. 

Moele idjoek talin sangkèt kajoe boeni, tetomat lidi bela^, sidoek 
sangkep nènè^ bini, emat biwih dait èla^. 

Dangdang. 

Sajan sirëp bahé nènè^ bini, ndè^ na ngasa, mërëm bagalèmpar, 
lëlëh si^ mamargi ngonè* lo monjèh tjëmor bandjoer, gita^ tjahyana 
nèné^ bini, brangsok sambil bagorap, adoeh ratoe ajoe, tinghah dë 
mara^ kawoela, mapan moela miskin lalo^ sidê goesti, kasakitan 
sangsara. 

Dé^ na kawa gita^ nènè^ bini, si^ tjahijana tënang mara^ boelan, 
bandjoer bapikir lo^ monjèh, tëtoe moele na aloes, moelê ndè^ara^ 
satanding, mara^ roewan dèndara, widijadari toemoeroen, lekan 
801^ tipa^ doenija, lagoe nëngkê, jen koe salin roewan koemalik, 
apë ling ongkat dêngan. 

Nengke koe sabarang bahé pasti, lawoen éra^, koe basalin roewa, 
akoe ndè^ koe boeroeng baë, batemoe lè^ dèndajoe, awor daki lè^ 
nênè^ bini , jên nengke salin roewa , loewé sengkalankoe , lè^ 
awakna ratoe mas, si nëngka né, isi^na ndè^ tedemenin si^ mami^ 
bini lanang. 

S i n o m. 

Sajan hempët baè sëdo^na, lo^ monjèh gita^ nè^ bini, soesoena 



70 TOSTOER MONJÈH. 

mara^ mastika, sangkèpna gading kalimis, alis tiroes njaririt, biwih 
ramping ampo^ moeloek, lo^ monjèh tjemor gita^, pasirepanna nênè^ 
bini, bandjoer mirih ima kiri dji galëngna. 

Ngêsok lo^inonjèh medasang, lèkau moedi nènè^bini, lè^ bawa^ 
datang atas, si^a gita^ nènè^ bini, lo^ monjèh momot mikir, 
tetoe dênda moele ratoe, sagoemi ndè'^na pada, toewo^ si^na sala^ 
djari, gojo pedas madoeloer isi^ pakakas. 

Tetoe na gen njèda^ manah, nè^ dénda mas Widaradiu, lo^ 
monjèh medas medasang, ndé^na kawa ngandeg pikir, ndè^na tao' 
gen pirik, angennë mélé badjepoet, soesoen dènda Winangsija , lolat 
mara^ tehaponin, bandjoer mara^ imana si kiri ka wan. 

Eemesna dagangan dëngan , nënë^ bini ndë^na ngoewit , si' lêleh 
na bas kaliwat, lo^ monjèh bagregas malik, njidoe^ sangkep nè^ 
bini, sambilna nged kang soesoe, bandjoer tokol batëlah, ngerang 
sok ija badjawat malik, bandjoer reba*" njoesoer idoeng tipa^ dada. 

Bëgém soesoe ima doewa, angëng soesoena sikiri, emotna tapi 
djangkana, ngèsok ija badjawat malik, gorap betis nè^ bini , roeroes 
mara^ mas tësëpoe^, bas sangèt si^na gorap, bandjoer tindjot nènë^ 
bini, bateroes oerës lo^ monjèh rebaang dè^ na. 

Në^ bini bandjoer ngandika, lo*" monjèh je ndè'na ngoewit, né*^ 
dènda malek ngandika gantjang je lo^ monjèh ngoewit, po^na 
tindjal ja malik, tindjot ja lo^ monjèh bandjoer, tokol sambil 
bakatoewan, napi ara^ nènè^ bini, ratoe ajoe bamanik sa wang 
banggeias. 

Monjèh ngoembe kèno ante, satingkah palah mè^ pasti, mara^ 
lalakon manoesa, soesoe betiskoe mè^djemit, mè^ bada^ akoe djati 
sang ante manoesa tetoe, nda^mè^ basasiliban, nêngkê djedjeh akoe 
pasti, bandjoer matoer lo^ monjèh adoeh adoeh mas mirah. 

Apa kadji pasadjajang, mapan kadji godèg djati , nengke ampoen 
kadji dënda, ndè^po sadijah kadji goesti, gen ndè^ ratoe bamanik, 
ndè^ kadji tao^ déndajoe, diri' kadji badjawat, tapi ara^ impin 
kadji, prasa*^ kadji diri^ kadji to lè^ djawa. 

Ara^ lolon njamboe rakta, dèkèt balen goestin kadji, njamboe^no 
bapèmpang doewa, taèk kadji ito goesti, lè^ pempangna si sai^, 
sambil djomèt babak njamboe^, gen tao^ kadji njandar, malik lè^ 
atasna goesti, boeti^ kajoe^ te balé^ isi*" soemangah. 

Sino gorap kadji dënda, parap lalo^ kadji goesti, gen te kroem- 



TOETOXB MONJÈH. 71 

poen ai^ soemangah, meno dënda impin kadji, bandjöer denda 
bamanik, maran kadji dèma^ impoeng, nengke kadji dawegang 
riboe beriboe ampoeu goesti, si^ ndê^ sadijah kadji geu moela 
badjawat. 

Lamoen ndè^ pèng badji itj&, ngampoen sala^ kadji goesti, kadji 
pamit nengke dënda, lalo mèta goestin kadji, sang masih lè^ 
pasisi, nèné^ bini nimbal bandjöer, monjèh koe ngampoen ante nde^ 
mè^ bilin akoe njëdi, aio tindo*^ ito bareng ina^ rangda. 

Nda^ mè* badèkèt si nengke, lo"" monjèh je bandjöer njedi, 
tindo^ bareng ditna^ rangda, sambil na ngaringing ringing, sasam bat 
ngasih asih, njeboet goestin na lè^ lawoet, goesti pangoeloe Dj amal 
masih kèpèng kadjï goesti, lè^ tamparan, ndé^ peng kadji man balajar. 

Pan manik peng kadji ara^ lè' kadji piranan goesti, lamoen mè^ 
ndé^ tedemenang, lé^ tao^ mè^ si bagoesti, adé^ mè^ oelè^ malik, 
daka^ lebijan si^ koe teboes, pan liwat si^ koe toenah, lè' ante 
monjèh kalëbih lagoe^ nengke asi^ koe kaliwat liwat. 

Dengër toetoer ina^ rangda, noetoerang goestina miskin, djawoe*^ 
këpèng tëloe olas, meno dja^ manik pèng kadji, sipiranau lè"^ kadji, 
djari nengke tetoe tetoe, ndé'^ nara^ begirang na, djelo malem 
mélé sili, ndé^ na pada lè^ tingkah peng kadji dewa. 

Nè^ bini bandjoei mirengang, pëdas lo^ monjèh gen njedi, meno 
pikirna nè^ bini, mapan langan koe tesedi langan lo' monjèh 
siné, isi^ kaka^ koe salapoe,^ tetoendoeng aning taman, lantaran 
lo^ monjèh pasti djari nengke lo^ monjèh gen babilinang. 

Pedas sanget si^ koe soesah, mapan ja lo^ monjèh pasti, tao 
njalimoerang soesah, djari nengke gennenjedi, bandjöer na kelèk 
malik, monjèh ante bandjöer ngamboel, melen mè^ njëdi dowang 
nde^ bawoe sala^ sakëdi,^ engke tindo^ mè lè^ tao^ mè^ si'bengan. 

Apa lingkoe si lè^ 'anta, sëdëktë lè' dalam poeri, koe ngèndéng 
asé' lé^ anta nda' mè^ 'bilin akoe njëdi, mëuo dja^ ling koe moeni , 
lo^ monjèh je nimbal matoer, mëran nde man kadji loepa,"^ jadin 
kadji siné goesti, ngata ara^ atoer kadji sipiranan. 

Ndé^ kadji njedi ratoe mas, sok dénda asi,^ lè^ kadji, mëno atoer 
kadji denda, peng kadji sanggoep mas goesti, isi'' kadji si ngimpi, 
sala^ ëntan goesti bëndoe, nengke peng kadji itja, ndè^ po kadji 
pajoe njëdi, ndè^ na kotjap pëtëng desa bandjöer bênar. 



72 TOITOEK MONJÈH. 

Tekotjapang si lè^ desa, datoe kene bahla sakit, lambihan gënë 
malèkat, prëbidja soesah tarik, bandjoerna basasangi, piran dja^ na 
këna^ datoe, koe ngigël lè^ bantjingak meiio sosot nènè^ bini, si^ 
kasoeka^ ndè^ na ngoné^ bandjoer kènak. 

Nè^ denda Wingit ngandika, lè^ adi^ na Gondawangf, adi^ neng 
kê saregepang, ita gen njawoer sasangf, mapan lingte wah tarik 
gen pada ngigel salapoe,^ nanè mami^ wah kènak denda Wangi 
bandjoer gëlis, ngandikajang matjawisan padagingan. 

Djari padagingan kaïja, bandjoeran wah nëgëp tarik, bërasrëkêt 
njijoer poentik goela, nè^ denda Wingit bamanik , karing lima djèlo 
adi*^, ingetang lé^ djelo saptoe, tao' te nembé kaïja, djëma^ soeroe* 
kanak adi^, aning taman, bada^ ija la Winangsija. 

Pëteng bënër tekotjapang, bandjoer denda Gondawangi , basoeroe^ 
lè^ parekana, la Menoeh dait la Oambir, aio bi lèka^ g^üs, lalo 
aning taman santoen, bada^ ja Winangsija, si^ koe gen njawoer 
sasangi, pada ngigel bareng itë lè^ bantjingah. 

Adè^na seken pakakas , na patoeh patoeh dit kami , ndè^na bawoe 
lebih koerang, adè^na sëkën isi^bi, bada^ la Widaradin, adè^na 
seregepang djoeloe^, soroh djari pajasan, la Ménoeh Oambir bapamit 
bateroes soegoel daitna Basok batjiwa. 

Sino lo^ Basok këtë dja kënë, bandjoer pada lèka^ gëlis, ndé^na 
kotjap silè^ langan, wah datang la Menoeh Gambir, taèk lè^ tëté 
gelis, sadatangna pada bateroes, odjok pondok, nè^ dènda, nè^ 
denda sedèk malinggih je badjora^ bareng dit anak godègna. 

Asmarandana. 

La Menoeh balatoer bakti , ratoe kadji têmanikang, si^ rakan peng 
kadji nènè^, ngatoerin peng kadji dènda, gen oeli^anèng desa, 
ingetang lè^ djèlo saptoe, ito tao^ nëmbé kaïja. 

Sasangen rakan pêng kadji, si^ mami^ de kadji soengkan, gen 
nga wangoen karja belé^, malik ngigel lè^bantjingah, rakan peng 
kadji pada, mëno sasangino ratoe, dait peng kadji no endah. 

Adè^na peng kadji si ngiring, lëkan ité bapakakas, adè^na sipa- 
toeh baé pakakas dekadji dénda , lè^ sasanakan pada , mëno manikna 
sibaroe^, isi^ kadoeng tri^ manikna. 



TODTOEB MOKJÈH. 73 

. Bandjoer nimbal nènè*^ bini, awo* Mënoeh ndè^koe piwal, mara^ 
ling bi si sésenë, jadin ngigel lè^ bantjiugah, nging sapo koe sang- 
kèjang, mapan miskin lalo^ akoe masa ndè^bi nanao^. 

Sino bi atoerang malik, lè^ kaka^ koe salapoe^na, lamoen si^ 
ngÏDgël sësëné, jadin ito lè^ bantjingah, pasti ndé^koe gen ila^^ 
ngadoe kèrèng peloeng boeroe^, meno isi^ bi atoerang. 

La Mënoeh Gambir bapamit, sambarengan pada oeras, bandjoer 
moeni je lo^ monjèh , daka^ njêrek gama^ oeras, ndé^ tekawa 
berijak, si^ bas keras, mamboen en toet, mara^ amboen bangken 
djawak. 

Ngengat la Mënoeh la Gambir, sambilna si pada nimbal, litjek 
lalo^ ante godëg, pilih tempolok mè^ anta, paran mè^ en toet dên- 
gan, lo^ monjèh je nimbal bandjoer, oeli sai gen koe paran. 

Sidë oeras bandjoer bais, tjoba^ toesin lampak ima, bandjoer 
tjoba^ je tepek, lamoen ndé^ sida pesikna, nènè^ bini ngandika, 
aio lèka^ baé Mënoeh , nda^ bi roengoe godèg djogang. 

Bandjoer pada lèka^ g^lis, wah soegoel lèkan lè^ taman, la Më- 
noeh la Gambir Basok, ndè^ na kotjap si lè^ langan, wah datang 
jë lè* desa, parëk lè* dénda si baloe*, ngatoerang denda Winangsija. 

Tatas pada nènè^ bini, bandjoer pada bararasan, dinda Wangi 
soegoel rawos, ngoembé kë gen roewa rasanta, gen ngigel lë^ ban- 
tjingah, ngadoe kèrèng peloeng boeroek, gen ngora ngorajang ita. 

Bandjoer nimbal dënda Wingit, tëtoe adè^ ndë^ ne sala^, mapan 
sosot te ndè^ ngenë, sasangi adè^ te pada, nané malik bada^ ija, 
sitowa^ ampo^ soeroe^, bada^ ija la Winangsija. 

Te kontè^ang be sakëdi^, manik dinda si lè^ taman , mapan tetel 
koe mëné, isi^ na bas miskin pisan, gojogen bapakakas, moelë 
pasti ndé^ satoeroet, gënëping teloe oetoesan. 

Pangkoer. 

Nè^ denda Wingit ngandika , nêngkë toetoe^ lalampan ta no adi,^ 
moele tetoe ndè^ satoeroet, asoe^ sino Winangsija, pilih po ija ma- 
sangang mami^ ta banggeroe^, sangka na soengkan mami^ oa , balik 
pètang akoe gelis. 



74 TOITOEB MONJÈH. 

Patih Gonda Lasmita, Patih Matjan Koening lan Matjan Wilis, 
parêka do léka^ bandjoer, barari gagatjangan , wah badait parekan 
bandjoer balatoer, goesti kadji tëmanikang , masila^ p^ng kadji 
goesti. ' 

Sila^ gelis goesti tama, sV peug kadji temanikaug gelis gelis, 
goestih patih gantjang bandjoer, makatatêloe Ièka% ndë* na kotjap 
lè^ langan wah datang bandjoer, bat roes taèk lè^ bantjingah, pa- 
rekan tama gelis; 

Ngatoerang patih lè^ loewar, denda Wingit bandjoer gantjang 
bamanik, soeroe^ ija këtè batëroes, ade^ na pada tama, parekana 
gantjang ja barari soegoel, matoer sila^ goesti tama, nènè bini ito 
nganteh. 

Goesti patih bandjoer tama, wahna datang lè^ arep, nènè^ Bini 
bandjoer na njembah balatoer, kadji noenas loegrèhe nenè bini 
bamanik masawang bëndoe, këté aning ama^ pada, gawén de t« 
kelèk gelis. 

Gen de lalo aning taman, bada' ja tjitjing no Widaradin, nêng 
kê de leka^ batëroes, nda' sara sara ama^, ampo'^ soeroe' ija oelè djëma^ 
bandjoer, adè^na têroes mapajas, patoeh patoeh dait kami. 

Lamoena dè^ bawoe ama^, bapakakas patoeh si mara^ kami, nda^ 
de sara ama^ lawoen, sëmatè^ tengkarakna, mapau ja moele pasti 
ndè^ satoeroet batëroes talet tjara loma^, bangkéna lé'^ toen^a^ 
poenté'. 

Goesti patih matoer sembah, makateloe^na bapamit lèka^ g^lis, 
sambil ngerawos kantjan batoer, apa sala^ goestin ta, sangka nëngkë 
gen teséda^ ratoe ajoe, lamoen kanti ita lèka^, ara^ baé sala^ lain. 

Ndê^na kotjap silè^ langan, wahna datang lè' taman goesti 
patih taèk lè^ tétë no bandjoer, bateroesna pada tama, bandjoer 
ngèngat papoe^ si towa^ salapoe^, gita^ patih benggas ènggas, 
nènè^ bini ngèngat gelis. 

Fateh Gonda Lasmita, bandoer matoer sambil pada ngabakti, 
kadji noenas loegre ratoe, në^ bini bandjoer nimbal, awo^ ama^ 
baketé sida batëroes, goesti patih tokol gantjang, lé^ arêpan nènè^ bini. 

Ne^ bini bandjoer ngandika, apa ara^ ga wan de ama^ rari, 
goesti patih nimbal matoer, kadji kaoetoes déwa, si^ dë side rakan 
pèng kadji, no ratoe, masila^ peng kadji dënda, oelë^ gen bapajas 
goesti. 



TOETO£B MONJÈH. 75 

Malik ngigel lè^ bautjingah, adè^ patoeh papajasau peng kadji, 
le^rakan peng kadji ratoe, nènè^ bini bandjoer nimbal, awo^ mëno 
baé isi^Da basoeroe/ njoeroe^ akoe bapakakas ndë^ua tao^ kè koe 
miskin. 

Toenasang akoe gen njingga,^ lé^kaka^koe sang na soeka béng 
kami, goesti patih nimbal matoer, arah ndè^ kanggo njingga^, 
ndé^ na kanggo ngadoe pëloeng boeroe^, nèuè' bini ndè^na nimbal, 
sajan êro^ dalem pikir. 

Na^ rangdë badjoeloe gautjang, batëroes tokol lé' arep nènè' 
bini, ngoembë ke no ratoe ajoe, de kadji temanikang samar saroe 
isi^ kadji dënger baroe', mara^ mara^ gen teséda*", batang peng 
kadji no goesti. 

Maskoeraambang. 

Bandjoer nimbal nênè^ bini sambil nangis, doeh ina^ Sajoman, 
nèngké sidè gen koe bilin; tao tao sida ina^. 

NgentiMiri*" ngendeng lè^ sameton djari, lamoen koe wah inggas , 
sërë tanda mei sakëdi^, dé èndèngang akoe ina'. 

De rowahang akoe lè'^ toewan kjahi, mana isi^ mama^, ina' 
langda bandjoer nangis, sambil kapong nènè^ dinda. 

Doeh mas mirah ngoembé ke roewan kadji, tebilin si^ dènda, 
ndé'^ kadji kawa mas goesti, ina' rangde bandjoer rêba^. 

Bandjoer éndeh papoe^ towa^ miloe nangis, tarik ngangapongang, 
saling goeloeng pada nangis, sedih pada basasambat. 

Doeh mas mirah ngoembé ke roewan kadji, tebilin si^ denda, 
nde' kadji bawa mas goesti, gita^ p^ng kadji mas mirah. 

Nènè' bini bamanik sambilna nangis, adoeh papoe^ towa^, nda^ 
gama^ de miloe nangis, lawoen sang da djari sala'. 

Papoe^ towa^ salapoe^na matoer nangis, moge de ratoe mas, 
kadji siné boewé' ngiring, ngiring peng kadji mas mirah. 

Nènè' bini bamanik lè' goesti patih, ama^ patih pada, barès 
djoeloe ama' rari, adè^na ngara na^ rangda. 

Adé'na tao^na diri^na gen koe bilin, adé'na nda^ tempoewas 
bandjoer nimbal goesti patih, sandikan peng kadji dénda. 

Papoe^ towa^ salapoe'na leleh nangis, sambilna njanjandar, pada 
batoengkem si nangis, ina^ rangde bandjoer ngasa. 



76 TOETOIB MONJÈH. 

Nènè^ bini bamanik sambilna nangis, këtë djoeloe ina^, na^ 
rangde ndè^ kawa moeni, moeng ngëngkoes kasekoe^ dowang. 

Nènè^ bini bamanik lè^ goesti patih, enteh lèka^ ama^, soew^ 
lalo sidë ngantih, sampoeng në ngasa ua^ rangda. 

Ampo^ nèngke pangendengkoe ama^ rari, tao^ koe teséda^, ito 
lè^ panaman ai^ goesti patih bandjoer nimbal. 

Mëran goesti sakènak kajoen pèng kadji, kadji ngiring dênda, 
goesti patih miloe nangis, asë^ na kali wat liwat. 

Papoe* towa^ koepesen sidë sakëdi^, lamoen koe wah inggas» 
bandjoer oele^ sida malik, adë^ de si malih molah. 

Bandjoer lèka^ adeng adeng uènè^ bini, sambil basasambat, odjo 
lè^ panama'ai^, bandjoer datang lè' panama^. 

Bandjoer tokol nènè^ bini sambil nangis, doeh ina^ Sajoman, 
kètè djoeloe ina^ rari, de sandar akoe samendak. 

Bandjoer entjong ina^ rangda sambil nangis, njanjandar nè dênda, 
nènè^ bini bandjoer gelis, ngapong bèlong ina^ rangda. 

Soebahnale petoeng tinggang djongkolangit boewa^ dawo lè pan- 
ginang moen koe ilang de tandangin, da tawo saranda ina^. 

Doeh mas mirah balé bala^ lè^ pasisi, ngaloeng sëdin langan, 
apa sala^ kadji goesti, sangka^ kadji gen kilangang. 

Soebahnale djoekoeng bali boewat masin , timpal matèh troiig ta- 
wah, oentoeng kadji gen ngemasin lantaran si godèg ga wah. 

Soebahnale patje oengkah lantoer sampi , koeromat kembang 
tjëmpaka, mate koe wah latjoer kadji, momot timbang ai^ mata. 

Doeh mas mirah boen bagé^ lè^ Barabali, koetimpas to lè^ sam- 
para, ndè^ na asi' braja djari, sinepet ita saugsara. 

Ima sikiri tepanggong lè^ rarai, sambil basasambat, doeh ina^ 
djandjingkoe gati, ité sida nengke ina^. 

Ama^ rari^ engke serët kerisdë gelis, bandjoer pada oeras, sam- 
bilna sinjerèt këris, Patih Gonda Lasmita. 

Bandjoer ngandjeng lè^ arepan uènè^ bini, ngandjeng makatëloe^ 
na sambilna nedjongdjong keris, sokna pada djongdjong dowang. 



TOSTOEE MONJÈH. 77 



Dangdang. 



Kotjap lo^ monjèh silalo mandi, wah na djëra^, silalo barodja, 
lo^ monjèh je bandjoer, oelè^ gita na pondok soehoeng, bandjoer 
tama lo^ monjèh gëlis , lè^ dalem pondok dénda ndè^ na dait lapoe\ 
lo^ monjèh je brari gantjang, batëroes soegoel, lèkan pondok mon- 
jèh gelis, ngengat kakiri kawan. 

Po^na gita^ dengan djondjong këris, belé* ganggas, lè' arëp né*^ 
dénda, lo^ monjèh je gantjang baé mara^ djaran mamëroeng, reba^ 
oeras lo^ monjèh brari, sambil bakoeweh bagowap, denda ngingat 
bandjoer, gita* na lo' monjèh gantjang, nènè^ bini, bamanik lé' 
goesti patih, bares djoeloe^ de ama^, 

Kadoeng ne lo^ monjèh datang brari, sabar djoeloe, side ama^ 
pada loepa^ lalo akoe ngoné", lo^ monjèh datang bandjoer, gantjang 
matoer lè^ nenè^ bini, ngoembé ke ratoe mas sangka* denda ratoe, 
têbarimpoen isi^ dëngan, ama^ pada, sila^ saroeng djoeloe^ kèris, 
ne angker kêroewan da. 

Mapan këris djadjëroekan bali, saroeng gama% lamoena wah pedas; 
pirê si ngonè^ teserët, adé*^ na kroewan djoeloe% djari sala^ ara nènè^ 
bini, nè^ denda bandjoer nimbal, ante monjèh bandjoer njeranta- 
jang lalampan dëngan, monjèh nimbal, doeh déwa ratoe mas goesti , 
ndè^ te sala^ bakatoewan. 

Néné^ bini bandjoeran bamanik , awo' monjèh liwat si' koe 
loepa,^ lè^ ante monjèh si ngonè^ nané pangendengankoe , si la^ 
anta lo' monjèh pasti, lamoen akoe wah inggas, oelé^ anta bandjoer, 
pëtë goestin mè lè' djawa, ampo' éra* moen ara mei mè^ sakëdi,* 
akoe ngèndèng lè^ anta. 

Lekan djawa akoe ngèndèng tahlil, lè^ batoer mè,^ si tao' sem- 
bajang, moen ara^ soeka' mè"^ monjèh, lo' monjèh nimbal matoer 
apa kê no sala* pèng kadji, sangka^ dènda teséda^, ndè' kadji 
pëdas ratoe, nènè^ bini bandjoer nimbal, awo^ monjèh sala^ rarin 
koe si miskin, tësoeroe' gen bapajas. 

Pan ndè'nara^ akalkoe gen ngiring, gojo kè na, siaran pakakas, 
anang mè^ ndè nao'' monjèh, poepoet besoch si^ pakoe, nëngke 
djandjinkoe moele pasti koep'lombo^ angën nëngka, daka^ koe gen 
idoep , sangsara satata tata , saoemoerkoe , lè' doenija naudang 
prijatin, soesah djari manoesa. 



78 TOETOSE MONJÊH. 

Monjèh nimbal piran kë no goesti, to^ peng kadji, sigen te 
manikang, si ^rakan peDg kadji uënëk piran sêngkerno ratoe , nênök 
bini bandjoer bamanik, monjèh djema^ ngalèmak sengkerkoe gen 
pajoe, lo^ monjèh jë bandjoer nimbal, doeh mas mirah gampang 
si* kadji mas goesti, sabar djoeloe^ ratoe mas. 

Sëngkër bélo dakoe^ goestin kadji ngoembé sangka^ pêng kadji 
ngalahang, sanggoepang ke djoeloe nènè^, djema^ lamoen wah 
toetoe^, sasengkeran pèng kadji goesti, ngoembé dja^ pakajoenan^ 
jadin masih idoep dijastoen matemahan roesak nèuè^ bini, noendoek 
saml^ilna bapikir tjoba^ akoe toeroetang. 

Nènê^ bini bandjooran bamanik adoeh ama^ Gouda I^smita,. 
aio side uëngkë oelè^, atoeraug akoe sauggoep, bapakakas ama^ 
uêngkani, lè^ kaka^koe selapoe* na, lamoen koe ndé^ pajoe, si 
djema^ gen bapakakas, sara ama^, goesti patih bandjoer pamit, wah 
soegoel lèkan taman; 

Ndé^ kotjap lè^ langan goesti patih wahna datang taèk lè^ ban- 
tjingah, bateroes tama lè^ pasaren, gagautjangan salapoe^, wah na 
datang lè^ dalam poeri, daitna dènda mandjak, sasanakan lapoe^, 
malinggih lè^ balé djadjar, goesti patih bandjoerna balatoer bakti, 
kadji noenas loegrëhe. 

Dënda Wingit bandjoerau bamanik, ama'rari, ngoembé sida ama* 
tingkahna si lalo^ ngonè^ aning taman soeroe^ koe, bada^ ija la 
Widaradin kipatih matoer sêmbah, meran ratoe ajoe, sanak pèng 
kadji no denda, wah njanggoepin, gen bapajas dj ëma^ goesti, denda 
Wiugit ngandika. 

Awo^ adi^ djema^ pada autih, lamoen patoeh patoeh bapakakas, 
lamoena ndè^ bawoe baé, pakakasna gen patoeh, mara^ ita si gen 
basalin, ama^ pada si djéma^, sëmatè^ ija bandjoer, bateroes de 
poeiiggal otakna, ndê*ua kotjap, nè^denda lêMalëm poeri, nëngkë 
kotjap lë'tamau. 

Nènè^ bini bandjoer oelè' gëlis, odjok pondok, barëng papoe^ 
towa , na^ rangda ngoemba^ lo^ monjèh, pada lèka^ bateroes, wah 
datang lë'bawa^ tataring, tokol djoeloen pondokua, ina^ raugda 
bandjoer lo' monjèh dit papoe^ towa^, pada tokol, lè^ arêpan nènè^ 
bini, kotjap wah pëtëug desa. 

Nénè^ bini bandjoer tama gëlis, ina^ rangda ngiring miloe tama, 
lo'monjèh lè* loewar tokol, denda bamanik bandjoer, adoeh monjèh 
bekëté gëlis, lo^ monjèh bandjoer nimbal, adoeh ratoe ajoe, aloer 



TOETOEB MONJÈH. 79 

kadji télè^ loewar, bèngès èngès, oeseng lalo^ kadji goesti, sila^ 
merem ratoe mas. 

Lamoen kadji moedijan tama goesti, bandjoer sirêp, nè^ denda 
Winangsija pasti ndé^na ngasa baé, papoe*^ sitowa* salapoe* pada 
miloe ja tiudo tarih, tindoeh ngoeriug bagelimpar, je lo^monjèh 
bandjoer, bapikir lèMalem basang, bandjoer tipa^ Raden Maswitara 
sari, masangang sasirepno. 

Sinom. 

Nengke kotjap Baden Noena, djera^ ija njaloek koelambi, malik 
ija bëroewa manoesa, soegoel lèkan taman sari, angênna Baden 
Mantri, genne loembar auing lawoet, bateroesua lèka^ gantjaug, 
nëpën lè^ sediu pasisi, bandjoer tandoerroewautjahjan Baden Noena. 

Lèkan kapalno wah pedas, dèn Kitap Sekar bamauik gelis toeroen 
pada kanak, pëndakin Baden Mantri, pau tjahja tandoer meui, lè^ 
tamparan to^na tandoer, parekan bandjoer gantjang, toeroen lèkan 
kapal gêlis, noenggang sakoetji babasé toeroen darat. 

^ah datang sedin tamparan, badait lè^ Baden Mantri, Baden 
Mantri bandjoer moenggah, lè^ sakoetji bandjoer gelis, sakoetjino 
babalik, pada njarepeng badajoeng gantjang na mara^ pana^, wah 
datêng lè^ kapal gëlis. Baden Mantri batëroes taèk to lè^kamar. 

Badait lè' Kitap Sekar, Kitap Sekar bandjoer gelis, balatoer lè^ 
Baden Noena, napi ara Baden Mantri, sangka^ pëng kadji goesti,. 
paragajan këté ratoe, pëting datang lè^ kapal Baden Mantri nimbal 
gelis, awo^ kaka^ akoe datang sinë nengke. 

Nanè akoe batoetoeran, noetoerang tingkahkoe pasti, si sang- 
sara to lè^ taman, Kitap Sekar bandjoer uaugis, sambilna ma toer 
malik, pajo lalo gama^ datoe, terënjoe* bae sëbëngna, wah boewë^ 
toetoer Baden Mantri, lè^ satingkah palahna ito lè^ taman. 

Dèn Noena malik ngandika, sila^ kaka^ uëngkê gëlis, soegoe- 
langke pëti kotak akoe gen matoelak malik, dit kanak miloe tarik, 
Kitap Sekar gantjang bandjoer, njoegoelang peti kotak, bat roes 
sambilna bamanik, lè^ parekan aio anta toeroen pada. 

Anta ngiring Baden Noena, j^rekano bandjoer gëlis, ngadjang 
doewe pëti kotak, toèkangna lè^ sakoetji, baring dit Baden Mantri, 
taèk lë^ sakoetji noempoek, doewè banda peti kotak, tepasangang 
pëlèmbah tarik, sa watara ara^ karobelah lèmbah. 



80 TOSTOIS MONJÈH. 

Wah lèka^ lèkan tamparan, Eaden Maswitarasari, tehiring si^ 
kantjan roban, dën Noena bandjoer bamanik, hê kanak selapoe^ 
seni, lamoen te wah datang lawoen, ito lè^ dalam taman, nda^ 
mè^sara-sara moeni, sok tokolang petino lè^ sasangkono^. 

Bandjoer mè^ batoelak, mè^ oelé^ aning pasini , parekanno matoer 
sembah, sandikan pengkadji goesti, ndè^ kadji piwal goesti, lè^ 
manik péng kadji ratoe, ndè^ua kotjap lè^ langan Baden Maswita- 
rasari, wahua datang ito lè^ djoeloen pondokna. 

Tokolangna peti kotak, Den Noena bandjoer bamanik, aio oelé^ 
ante pada, parekan bandjoer bapamit, oelè^ aning pasisi, ndë^na 
kotjap si lè^ lawoet, nengke kotjap Dën Noena, malik ija njaloek 
koelambi salin roewa pedas mara^ godég gawah. 

Têkotjapang benar desa lo^monjèh ja tama gelis, sambilna nga- 
xempak kelasah , sila^ oeresuènè^ bini oeras gantjang, bamanik sambêl 
malinggih, awo'monjèh bënga^ akoe gita^ anta. 

Anta baé si njerantajang, iingkah mè^ si ngagëtin, daka^ koe 
dja^ sërëk oeras, èmbé tao^ koe gen dait, sangka^ nëngkê koe 
antih, lo^ monjèh ja nimbal matoer, sila^ soegoel mas mirah, sang 
kasoeka^ Allah loewih, pan bamalam kadji badoa soelêman. 

Malem kadji keras tapa, sangna tekaboelna goesti, në^ bini 
pëdas mirengang, atoerno lo^monjèh pasti, bandjoer soegoel nè^bini, 
nido^ lèkan lawang bandjoer, soegoel ija lekan la wang, srëminangna 
mara^ gili, lé^ sasangkok noempoek soroh peti kotak. 

Nè^ bini bandjoer ngandika, ngëlék ija lo^ monjeh gëlis, monjèh 
ëmbé ke no anta, lo' monjèh ja nimbal gëlis, matoer sambil makê- 
djit, napi sino ratoe ajoe, në^ bini bandjoer nimbal, sahi si datêngang 
sine, mara^ gili panoempoekan , peti kotak. 

Lo' monjèh matoer meran dëwa si né wah roewana goesti, pam- 
balas Allah kowasa, lè^ ragan pëng kadji goesti, daka^ loewë^ den- 
gan meri^, si mijaang pëng kadji ratoe, kasalahan lè' doenija, si 
sanak pëng kadji goesti, ma pan moela ragan pengkadji no kêna^. 

Sinê wah goesti timbangna, ndë' na tiwas Allah loewih, njipat 
pandjakna si këna^, pan ragan pengkadji goesti, kèua taparan pe- 
lih, si^ sanak pêng kadji ratoe, sila^ ne goesti tjingak tatimbangan 
Allah loewih, daka^ mëno sërët baé goesti kodal. 

Sila^ peng kadji manikang ina' rangde nengke gtlis, mina' sisig 
lau koeramas, bandjoer masiram mas goesti néné^ bini bamanik, 



•TOBTOEE kONJÊH. 81 

ina' rangde kêtó djoeloe^, de soeroe^ papoe*^ Bokah, ngempokang to 
njijoer gelis, papoe^ Bokah ngempak njijoer gantjang. 

Nènè^ bini bandjoer mara, mal moeroeu nëngkê gelis lo^ mon- 
jèh tokol njcDJandar, lè^ bataran pondok si bëri^, sambilang iia 
bapikir, têtoe denda moela ajoe, mara^ silè^ gambarna, roewauna 
ndé^ salip salip, moela njandang tao te ujeraang awak. 

Lo^ monjèh bandjoer bakatoewau, bakerèm sambilna makedjit, 
kanggo ke tê ina^ rangda, miloe ngosog nënè^ bini mana lè^ betis 
tao^ te barosok akoe, adè^na gelis djëra^, isi^ djëlo wah tenga^ ari, 
lawoen srêkan ija datang sasëngkëran. 

Ina^ rangda bandjoer nimbal monjèh apa ling mè^ moeni,bënga^ 
akoe gita^ anta, si' rotjët mè^ bas kalêbih ara^ hé ling mè^ moeni, 
pënang pènang anta banggoe^, lo monjèh bandjoer nimbal, sangna 
baoe ina^ rari, no sangka^ koe matarih ngëtoewanin sida. 

Nê bini bandjoer ngandika, têtoe anta monjèh lebih, sok mè^ 
gêndjo baé ita, mara^ mê^ gita^ kanak beri\ lo^ monjèh matoer 
malik, ndè po^na sak^no ratoe si' baktiu kadji liwat, isi^ djëlo 
wah tëngari, lawoen datang oemboel-oemboel ita Allah. 

Sila^ pèng kadji masiram, lawoen gèlisan tengari, nènè^ bini ban- 
djoer loembar, na^ rangda lo' monjèh ngiring, lè^ ana^ timba bëri^ 
sela^ bakong bawa^ koeloer, bandjoerna makoeramas, .ampo^na ba- 
teroes masisig, wah masisig bandjoer mara tëmbasa^. 

Tëmbasa^ soetra djingga, bandjoer ngandjêng sëdin ai^ sambilna 

ngaket koekoe^na na^ rangda njendokang ai^, bandjoer mara nt bini , 

naka^ ai^ bakamoemoeh , makiri noengkam dada , tidjot kanan 

ngasok gigi, mirik tadah nè^ dênda lëmpar boeloena. 

f 

Oarangan ngëras lè^ tana^, bandjoer mare nënè^ bini ngawèh 
tembasa^ baratas, gëpitna si^ ima kiri, lèka^ lè^ sëdin ai^, sambilna 
singerem boeloe, malik brosok si^ odak doepa ratoe ganda koenjit, 
kotjap sino djari panggawoer aèsna. 

Monjèh sëkat soegoel ijak, kedjep mêling bawa^ poenti^, medas 
medasang nè^ dënda, bawa^ atas djoeloe moeli, nènè^ bini bamanik, 
hè monjèh lain prasa^ koe, mirih mè^ andaug daja, mara^ mè^ 
ndé^ wah sakali, saling gita^ tingka^ mè^ medas medasang. 

Lo monjèh matoer mëran déwa, djati mara manik goesti, lagoe^ 
kadji ngibaratang, oepaman oerangkan këris, daka* te ngëné goesti, 

?• Volgr. V. 6 



Si TOITOSE MONjrÈH. 

lamoen bawoe^ djia^ tesoetsoet malik baë tè^ta^, tèdjondjong fö 
bolak balik, mêuo ratoe isi^ kadji ngoepamajang. 

Si^ pengkadji masiram, sang ara^ gita^ lè^ moedig masa tegeu 
goesti njingak, sino pedasang kadji, na^ rangda bandjoer moeni\ 
ara^ baé ling mè^ loetoeng, ndè'^ mè^ koeiang rarasan, monjèh 
nimbal awo^ djati, ara^ baë mapan akoe moele l&ntjar. 

Mapan akoe ina^ rangda èla^ lëmês biwih tipis , patoet koe 
ngërawosin djagat; ndè^ koe mara sidê ngëné, sidè ndè^ tao^ moeni,. 
biwih kao^ moewa sëndoek, pantes dë lè^ ampaian djoeroe ngêda^ 
kang trasi, ina^ rangda lêpas ai^, bandjoer mara 

Ngèsak njontak dadoekepang, lo^ monjèh gelis makèlid, lè^ 
rëinpoeng poenti^ baterla^ bakèrè^ sambilna moeni, nda^ mëno ina^ 
rari, aio njedo^ ai^ djoeloe^, sa^ meno djégedekang, téngerangkap 
tingkah si roebin, roebin soesah nengké ina^ té badjora^. 

Në^ bini bandjoer ngandika , nda^ sara nè wah tengari , mapan 
djao^ tao^ desa, ina* rangda bandjoer gelis, njédokang nèuè^ bini 
ai^ irambilna djarengoet, nènè^ bini roasiram bakamoemoeh malik 
malik oeres tokol simeroetë ra^ awakna. 

Lo* monjèh pêdas gagita^, lè tingkah denda si mandik, tandoer 
jadin batembasa^, ngerèdep mara^ mas tësanggeliug , lo^ monjèh 
momot mikir, tetoe denda moela ratoe, tjahjana tandoer tenang^ 
raga mara* mas tes&uggling. jen tegita^ mara^ ndë^ na batembasa^^ 

Wahna djera^ dénda masiram , bandjoer ngandjeng sedin ai» 
meres boeloe ngasap mokê isi^ sapoe^ soetra koening , kadoe pangisep 
ai^, malik nè^ bini badjepoet, njalinang tembasa^na soetra djin^a 
mateloeki bandjoer boedal nè^ denda lèkan timbana. 



Sambilna monggo* boeloena, na^ rangdè ngiringlè* moedi, djawoe^ 
tembasa^ nèMènda , lo* monjèh ja barëng ngiring wahna datang nènè^ 
bini, ito lè^ pondok dëndajoe, papoe^ towa^ pada benga^, gita^ 
tjahja nènè^ bini, pido sangka goestinte si tegedèkang. 

Si' sanakna salapoe'ua, anoe^ mara^ Widijadari, tetoe mara'ling 
toetoeran , sëdekna lè' dalam poeri , ëugga' na moelè sai^, djari sarin 
bidjau datoe, nè sipaling kodé^na, njandang djari kembang poeri» 
mëno baè ling kanak kanak sininé. 

Tètoe mara ling de kaka^, daka' te wah lotjok ai^, ndè^ koe wah 
dait gagita^ mara tjahja nènè^ bini, daka^ bidjan premantri, pare 



TOSTOIS MONXÈH. 88 

ratoe lan toemenggoeng, ndö^ nara^ pada, bandjoer nimbal papoe^ 
Tjoengkelik, anoe^ sidè si djaoe^ djaoe^ sambatda. 

NjaDdang ndè^na mahiroetan, auoe^ pedas moelë lain, amboelau 
isi^ sanakna, ndë^ kë oeloeng selem poeri, pan sidjoeloe akoe sering 
tama mamarêk lè^ datoe, masan kanak singajah, djangkè nindo^ 
dalem poeri, no sangka^ koe pëdas ito salapoe^na. 

Lagoe^ siné dja goestinte, ndè^ koewah sakali kali, ndé^ nëngke 
itë lè^ taman , tao^koe na nao^ pasti tetoe ndè^ mirib mirib, saloewé 
bidjana datoe, siné djari kapala, nimbal papoe^ Bokah malik, pido 
sangka na gëdek kantjan la Djonggar. 

Talo ate menang prasa^, si^ inges goestintè siné, lemoeh aloes 
batang prana, ita sitowa^ no gandjih, gojo badjang ndè' goedji, 
sai ke gen aget maoe^ , batemoe lè^ goestintè , gen maoe^ ëra^ baka- 
win, ngoembé djagë lëgana sibakapongan. 

Meno liugna papoe^ towa^, lo^ monjèh balatoer malik, sila^ ke 
ratoe mapajas, toetoeang kajoen pengkadji, nè sida ina^ rari, boe- 
ka^ kota^na bateroes, bandjoer ina^ Sajoman, ngatoerin nè^ déuda 
sisir sambil boeka^ kotakna wah tedjadjarang, 

Në^ bini bandjoer bamëke, basisir milpilang sëmi, mara^ boelan 
bawoe^ tanggal, wah na djera dënda basisir, siso^ kondje makatik, 
sotjê winten patjek poesoeng balëngkema masotja bandjoer nè^ bini 
basalin kërëng dalem soetra abang maparada. 

Kèrèng soetra sasongkètan, papijaan lè^ Lajangsari, lèmpot ba- 
tik maparada, saboekna tjiroepan bali, basengkang mas t^oekir, 
batrété si^ mirah tandoer, bapangkah tjoekeli belajar, kakembang 
péno^ mapilpil, matetèrèk poepoerna boelan poernama. 

Tjatjitakan padjaroepan, alisna loentjip njaririt, mara^ roewan 
daoen mimba, sapolah tëke mantesin, batjingtjing tjara bali, betisna 
ngaléjap aloes, njelengna mara^ kisap, gigina galinongujeli% moewa 
boentër mara^ boelan si poernama. 

Apoes koening maja maja, sêngir mara^ ambar sari, parawakan 
djëgèg rêmbang, tetoe mara' widijadari, panjèrep sremin manis, 
tjengèl bina madoe djoeroeh, biwihna manggis tebelak, ranggit ima 
na ngelaring, sangkêp aloes mara^ doeren sisa bantar. 

Siloewar soetra dëwangga, songkètan banjoemas keling, malambè 
êmas matatah, djari ontjèr soetra koening, bélo ëmpat dêpê lëbih. 



84 'TOITOEK MONJTEH. 

malik djari koedoeng soesoe, antêng malambe èmas, gagawejau 
Lajangsari, taèk bapang madoeloeran gêlangkana. 

Salapoe^ na mas têrêka, tatjele-pokin mirah adi, winten widoeré 
komala, bandjoer mara nênè^ bini naèkang balengkér malik, ma 
hoenda masoesoen teloe, ngobor tjahjan sasotjan, mara^ bintang 
Sidi ngari, silè^ djoeloen& kotjap mastikan boelan. 

Silè^ bènder s^mangetna, matimpal lè' bawa^ sai^, sotjan bapang 
silè^ dada no kotjap mastikan ai^, sotjan bapang lè^ moedi, komala 
garoeda moengkoer gëlangkano masotja , bandjoeran ija bali ali 
koenang-koenang sakebon mastikan boelan. 

Së lè^ kiri sino tao^na , silè^ kawan kotjap malik, bamata si mira^ 
moelija, abang tjahjana njaririt, sajan baé nênè^ bini dasar aloes 
bapang ngimboeh, ingësna nëné^ dénda' nè denda Maswidaradin , 
moele pasti gama^ gêne njeda^ manah. 

Gen ngadowang pagawèjan, moele pasti dji panjakit, obahatenta 
si këna^, bandjoer soegoel nènè^ bini, babèntè^ soetra koening, 
kadoene pangosè^ dawoer, ngandjeng lè^ sasangko^na, tindjot ija 
lo' monjèh brari, ndé^ na ngasa diri^ na mëlé ngarëmpak. 

Ngelog nënè^ bini lèka^, lo^ monjèh ja inget gelis, bandjoenia 
rébaang di^ na, sambilna bapikir pikir ja Allahoe jarabi, pèngkadji 
silebih agoeng, moge moge batekan, tëkaboel pandan kadji, gën 
badait lè^ dënda saling asiang. 

Nda^ kerantë papoe' si towa^, sabolto no këna^ si' rëngit, ndé^ 
na ngasa ngotjap ija, na^ rangde lè^ dalem masih, prasa^ na nênè^ 
bini, masih ngandjeng dè'man soegoel, pedas ke lè^ djoeloena, né^ 
bini bandjoer bamanik, adoeh monjèh ante koembé na si nèngke. 

Rëba*^ ndé' mè*" malik oeras, lo' monjèh je bandjoer nangis, ndè' 
na sara sara nimbal, ingët si djëlo roebin, das gen kelangan goesti, 
das dasan latjoer bagoeloeng, sino si ingetangna, nè^bini malik 
bamanik, adoeh monjèh sang te ante sakit tijan. 

Anèh bada' akoe nèngke, lo' monjèh je nimbal gelis, doeh dewa 
ratoe mas mirah, ndé'po rarin kadji sakit, lagoe' sitaget kadji, 
dasdasan gen séda^ baroe'', pakakas batang dewa , anoe^ pedas roewan 
api, gita*" kadji sino si gen kadji pëda^. 

Nèngke sila^ goesti loembar, anging ara^ atoer kadji pëng kadji 
ingetang pisan, atoer kadji siné goesti, dateng to lawoen goesti, lè^ 



TOITOEK MONJÈH. 85 

bantjingah ratoe ajoe, nda^ goesti ngèngat èngat, noeudoek ngigel 
baé goesti, mapan loewé dengan ito nina mama. 

Lêngë onja^ ara^ dowang, aran dja*^ karja bëlé^ goesti, loewé 
baé babégalan, lawoen séda kajoen goesti, dateng to lawoen goesti^ 
gati ngigel baé ratoe, nda^ ngengat kiri kawan, nènè^ bini nimbal 
gelis, awo' monjèh mara'ling mè^ ndé'koe piwal. 

Pan ante monjèh saratna, sangka koe simasih oerip, lè^ doenija 
nandang sangsara, saling mè' moelê koepati^, laoen ling akoe malik« 
êntèh koe oemba^ ante miloe, ênda^ mè^ ngenteng anta, ndè^ koe 
ila^ monjèh pasti, oemba^ anta jadin ngigel lè^ bantjingah. 

m 

Miloe anta baé nêngke, lo' monjèh je matoer malik, adoehdéwa 
ratoe mas, ndé'na kena^ meno goesti, ngoembé kè rowan kadji, 
ta oemba^ isi^ dèndajoe, tekrijah isi^ dengan, sila^ loembar baé 
goesti, adé^ boewé*^ pada ngiring papoe^ towa^. 

Adè^na bawoe tebengan nè^ bini malik bamanik , sahi ke noenggoe 
pondokta, lo^ monjèh jë matoer malik, sila^ loembar bé goesti , nda^ 
ngéwehang sino ratoe, lawoen kadji noenggoe ija, sahi ke goesti 
gen bani tamë keté lawoen kadji parah njandar. 

Maskoemambang. 

Bandjoer loembar nènëMëndaMas Widaradin, tiringsi^na^rangda, 
papoe' towa^ boewé^ ngiring, wah soegoel lèkan lé^ taman. 

Bateroesan pamargina nènè^ bini , papoe^ Monggo^ kêmbal patja- 
nangan nénè^ bini, léka^ lè^ moedin nè^ denda. 

Papoe*" Tjo^^g^i^'^ j^ majoengin nènè^ bini , pajoeng soetra abang, 
masoelam banjoemas inggris, papijaan Lajangsekar. 

Loewé^ dengan badait nènè^ bini, selapoe^ pada benga^, gita^ 
tjahija nênè^ bini, kasor tjahijan djlo boelan. 

Pada bijoer towa* badjang belé* beri^, gojo toe lè' dasan, silè* 
desa masih ngiring, kadoedoet si^ tjahjan dénda. 

Bandjoer ara^ taoe towa^ sopo moeni, ngetoewanin batoerna, 
lèkan êmbé^ dengan siné, si taketoewan bandjoer nimbal. 

Mindah Warang ndè^ koe tao^ dengan sëné, djati ndè^ koepëdas, 
lamoen sino si pajoengin, pisa^ sampoenkoe lè^ dasan. 



86 TOSTOEB MONJÈH. 

Si^no ija si tëparan papoe^ Tjoengklik, pisa^ si^ poen Kadjar, 
adi^na si^ papoe^ Tjoering, je djari panoen^oen taman. 

Filih sinë bidjan datoe si tesodi^, té bowang lè^ taman sangka^ 
papoe^ Tjoengklik nering, mëno pambadè' koe warang. 

Lagoe^ uêngkë pambadè^ koe Warang malih, sang sinë teparan 
toelen mara^ Widijadari, aroe^ toeroen lèkan sorga. 

Djangkoe baloe* pêmpang rambok akoe adi^, ndè* koe wah ga- 
gita^, ireges dengan mara^ sëni, tetoe mara^ ling de kaka^. 

Pada benga^ sing gita^ nènë^ bini, ara djangkë rëba^, momot 
ndê^na tao moeui, batoengkoel bënga^ gagita^, 

Sing têbabas isi^ denda Widaradin selapoe^ tokol napak sambil 
na saling ketoewanin, loewé pada katandroebau. 

Pan wab djao^ pamargina nënè' bini, loewé dengan benga^, 
nganga^ sambil matja sikir ngingi^ mara^ bangken djawak. 

Sin om. 

Wah datang lè^ dalem desa ëndeh rarah ramé tarik, pada bijoer 
dalem dës^, towa^ badjang belè^ beri^ pada bekenakdjari, lë^pëken 
pada bakoewoer, ara^ ngoemba^ na^ dengan, parana anakna pasti, 
po'na djepoet oemba^uanging ngandang ba^a\ 

Lé' rangkong tao'na broemba*^ idèpnë lê tongkèl pasti lo' Bre- 
ngkèh ja nangis, neng kes&h, soegoel tetina bakëtjerit si^ benga 
na kalëbih, saling tindjal dait batoer, sësëk lè^ parampatan, mara^ 
ongkat inan lani ina Prongong djoeroe ngomèh pagawèjen. 

Pamaoe^ dengan si badjang, njëroendoepoeng diri^na pasti, po- 
delna be soesoen dengan, njaroewang lè^ kana^ beri\ samèlè no 
gen djemit sakèrèng kèrèng badjepoet, katoengkoel bënga nganga^, 
nié* na asa djoeloe moedi, ina^ Prongong èloran baë gagita^. 

Poetrine sibaloe^ mandjak, lé^ kakapa pada sai^ tanding apit po 
ndë^ nara\ lë^ nè^ dënda Widaradin, djao^ goemi lanlangit, ampo* 
tesilak lè^ goenoeng , poetri si baloe^ pada , lènè^ dënda Widaradin, 
bandjoema moeni ina^ rangda Sajoman. 

Mijakang dengan si banjak, mirik djoeloe^ ama'rari, koe tama 
djoeloe^ samenda^, kelet lalo ama^rari, bandjoema pada mirik, ina* 
rangda tama batëroes, tokol sedin kalangan, bandjoer mara nènè' 
bini, batëroes ngigel lè* djoeloen ina* Sajoman. 



TOETOSR MONJÈH. Sf 

Sambil dj&woè^ kepet doewa, ndë^ na ngéngat kAnan kiri, pan 
ingat Ie pamesenan, ina^ rangda bandjoer gêlis, baregem soetra 
koening, kadoene pangosè^ dawoer, rambil na ngiwa kembal, papoe^ 
towa pada- tarik, pada ngandjeng lê^ dèket dengan si banjak. 

Tataboehan gagar maugsa, singaredep moele apik, madoeloer soeling 
kakawijan, si bagendang pada bangkit, anging batêlah moeni , tangis 
dowang sitaroengoe , ndë ingat lë^ gëndingna , nênê^ bini ngigelgati, 
mara^ merak si gen lalo ngawang ngawang. 

Djoeroe gamel pada benga^, sokua momot ngapong soeling, si 
bagendang sokna iwa, salapoe^ na pada sêpi , pada momot be tarik , 
pragat si^ ngapong djadjengkoe, poetrisi^baloe kotj&p, lè^kakapano 
malinggih, sokna momot gedekna kaliwat liwat. 

Lè^ Foetri si lèkan taman, dinda Winangsija malinggih, badékèt 
lé^ ina^ rangdê, papoe^ towa^ pada ngalih, salapoe^ tokol tarik, 
lë^ sedin kalangan bandjoer, na^ rangde bandjoer mama^, basoe- 
soetan mako mai^, basindiran sambiina singortap. 

Salêga^ diri^ de nêngke, angende si mèlé dëngki, prasakkoe 
gën sere sala^, angènde simélé djail, sajan mètijanang api, papoe^ 
Bokah oerès bandjoer, sambil djongdjong tatoendjang, ngangkat 
nahë bakaketik, siné akoe empat djëlo ndè^ koe reba^. 

Salapoe^ na pada oeras, kantjan papoe^ towa^ tarik, pada djondjong 
tatoendjangna basalekep babaketik, bandjoer tjëmor në^ bini, sam- 
biina si ngosép dawoer, na^ rangde ngangantëpang , isi^ kepet mas 
tesangling, nengkë botjap datoena lè^ dalem poeri. 

Datoeno bandjoer ngandika, lé^ kantjan parekan si^ beri^, kanak 
aio soegoel gantjang , ngoembé sangka^ na si sepi , ndè^ ara^ apa 
moeni, parekano brari soegoel, mija^ dêngan si banjak, bandjoe 
lan ja tama gelis, lo^ oetoesan entjep ndè^ na malik toelak. 

Ndè^na inget pangandika, ndè^na bawoe toelak malik, so^na 
katoengkoelan benga^, git^^ tjahja nènè'^ bini , datoe malih bamanik, 
tanak aio malih soegoel , mè^ lëk&^ dèngan doewa , adé^ mé^pédasang 
gati, asing soegoel éntjep ndè^na malik toelak. 

Datoena bandjoeran kodal lèkan djero laki bini, toer tehiringisi^ 
mamas, bandêrana soetra koening, ngapit datoe mamargi, barèng 
isi^ pajoeng agoeng, soroh mapontang ëmas, tjendek mamasna 
ngarepin, bandjoer datang datoe ito lè^ bantjingah. 



1 



88 TOITOKE MONJÈH. 

Lè^ dëkët dengan si bajijak , soroh kantjau si ngarepin , mijakang 
deugan si banjak, gojo njongko^ gene ini^, mamas ndè^na prëdoeli, 
nina mama pada bijoer, lagoe^ si djawoe^ mamas batoengkoelan , 
bênga^ pasti, sokno momot gita^ )iênè^ dènda Wiuangsija. 

Datoeno bandjoeian mandjak, lè^bonkor si sibini laki , dèkët pêkên 
balë djadjar, banjak mama pada naugkil, papatih mangkoe boemi, 
mantja mautri lan toemênggoeng , Baden mènak prewangsa, sësêk 
djedjël pada nangkil, nina mama sabol ito lè^ bantjingah. 

Datoena bandjoer njereminang, bidjana sipaling beri^ sitetoendoeng 
aning taman beng^^ datoeno njaremin, pan tjahja nènè^ bini , mara^ 
boelan bawoe^ soegoel, ampo^ tjahijan sasotjan maia^ bintang sidi 
ngari, anoet tetoe poetri lekan sorga. 

Ampo^ lamoen tepëdasang, mara^ roewan poetri djin, sing 
bikasna ini^ do wang, terombo^ si^ srémin manis, kire-kire ke poetri, 
dasar parawakan bagoes, ngoembè tanta udé^ girang, tetoe towa^ 
pada gandjih, gojo badjang pëdas gènr pada gindjal. 

Ndè^na kotjap silë^ desa, nêngkë kotjap Baden Mantri, si tabilin 
to lè^ taman bandjoema djraang koelambi, bateroes Baden Mantri 
djawat keris djawat saboek, bandjoema basalinan, bakèrèng gagoe- 
loeng tangi, sasongketan po to idjo maparada. 

Keris mawarangka danta , malandéjan mas gërantim mawiwir krisna 
matatah, bandjoer soegoel Baden Mantri, èntjong je lalo mandi^, 
odjo timbana bateroes, masisig makoeramas, bandjoema bateroes 
mandi^, Baden Mantri wah na djera^ masiram. 

Maskoemambang. 

Wah ne djêra^ mapajas Baden Mantri, soegoel lèkan taman, 
angenè Baden Mantri, gêne lalo aning desa. 

Fan wah djao^ pamargino Baden Mantri , batëlah lè^ langan, ndè* 
nara^ dengan te dait, sambil bapikir dën ISfoene. 

Baje ëmbë to nda gënë nènè* bini, bandjoeran je lêka^, ban- 
djoeran koko^ tëdait, den Noena malik batélah. 

Fan angënnê den Noena nginem ai^, wah na nginëm djëra^, 
sambilno bapikir pikir, bandjoer datang taoe towa^ 

Bandjoer Baden Noena bakëtoewan gelis, adoeh papoe^ towa^ akoe 
baketoewan sakèdi^, ëmbé keno tao^ desa. 



TOETOXK MONJÈH. 89' 

Bandjoer nimhal papoe^ towa^ matoer bakti , meran Baden Noena, 
wah rapat tao^ desa goesti, Baden Noena bandjoer lèka^. 

Sinom. 

Wah datëng lè sédin desa, Baden Mas Witarasari, den Noena 
bandjoer batëlah, lè^ sëdin langan malinggih, tjahjano Baden Man- 
tri, dit désana miloe tandoer, datoe bênga^ njëriminang, bandjoeran 
gantjang bamanik lè* parëkan, kanak aio soegoel gantjang. 

Métë sino tjahjan apa, parêkanno bandjoer brari, wah datang 
lé^ loewar koeta, meta tjahja Baden Mantri, den .Noena sëdék ma- 
linggih, parëkan bandjoer matjoendoek benga^ kali wat-li wat, gita* 
tjahjan Baden Mantri, bateroes matoer kadji nanikang dëwa. 

Ngatoerin peng kadji tama, aning desa nengkë gêlis. Baden 
Mantri bandjoer leka^, parëkan si sopo ngiring, wah datang Baden 
Mantri, taék lè^ bantjingah bandjoer, datoe bamanik gantjang, 
rapëtang tao^ da ité, Baden Mantri bandjoeran noenas loegrehe. 

Datoe ke bandjoer ngandika, lè^ kantjan pangajah tarik, njoegoe- 
lang soroh sanganan, warah bokor mas tesangling, wah napak batoer 
gelis, datoe ke bamanik bandjoer, sila^ laloe ngadjêngang, sasangana 
timpal koepi. Baden Mantri bandjoeran balatoer sëmbah. 

Mëran datoe kadji mindah, si^ kadji ndë^ ngaken nasi^, pan siné 
kadji siloeman, aran Siloeman Mertadi lëndang goewar to^ kadji, 
datoeno bamanik bandjoer, derës mauis ngandika, kênangkoe tao 
lè^ nasi^, lamoen meno sila^ laloe sida njédah. 

Si mamanto pada bënga^, gita^ tjahjan Baden Mantri, si^ngigël 
ndè^ ta roengoewang, towa^ badjang belè^ bëri^, sing gita' Baden 
Mantri, nina mama pada bijoer, poetri sibaloe^ pada, boedal aning 
dalem poeri, salapoe^na pada gila^ lè^ siloeman. 

Baden Mas Tilar Nagara, bandjoema sida bapamit, kadji pamit 
datoe Wajah, datoeno nimbal bamanik, èntjong lalo' de adi^, sila^ 
njëdah djoeloe laloe, den noena matoer sëmbah, isi^ djëlono wah 
lai^, mapan kadji babalé lè^ lëndang goewar. 

Datoeno malik ngandika, lamoen meno dj& adi^, sila^ de loembar 
sëloeman, djëma^ këté sidé malik sandikan datoe goesti. Baden 
Mantri loembar bandjoer, soegoel lèkan bantjingah, wah datang 
loewah koeta gëlis bateroes lèka^ ndè^na kotjap si lè^ langan. 



90 TOKTOSK MONJÈH. 

Wah datéiig ito lè^ taman, malik ja njaloek koelambi, pëdas 
mara^ godèg ga wah, nèngke kotjap nènè^ bini si lè^ desa tabilin, 
isi* kaka^no salapoe^ tama lë^ dalem poera, bandjoer loembar nènè^ 
bini, pangiringno ara*^ pitoe^ towa^ towa^. ' 

Wah dsteng lè^ loewar koeta , na^ rangdê lêk& lè^ moedi, mongko 
këmbaluo nè^ dènda, wah datang lè^taman sari, taêk lê* tétégëlis, 
pada bateroes salapoe^, tama lè^ dalam taman lo^ monjèh bandjoer 
tekoewih, adoeh monjèh boje embé keno anta. 

Lo^ monjèh balatoer gantjang, mêran kadji nènë^ bini, ngoembé 
keno ratoe mas, tingkah pengkadjino goesti, singigel ngonè^ goesti 
nënê^bini nimbal bandjoer, si ling mè^ koe toeroetang, ndë koe 
ngingat kanan kiri, sadatangkoe noeudoek ngigêl lë kalangan. 

Tapi ara^ ongkat dengan, pada bijoer bélè^ beri^ kotjap ara^ sopo 
dëngan, badjang bagoes mara^ Pandji, mëno ling dëngan tarik, 
si mamanto pada bijoer, si lë^ dalem bantjingah , lè^ kalangan boewè^ 
sêpi, daka^ mëno moele ndë koe ngèngat. 

Lo' monjèh balatoer sëmbah, sangka ingët gama' goesti loewé^ 
baé babègalan mapan karja bëli^ g&ti, ara^ bé to^ tepelih, ina^ 
rangde nimbal bandjoer, mara^ ling mè^ ndè^sala^ sangka^ sédek 
datang kami, bandjoer mara nènè^ bini ngigel dowang. 

Akoe tokol djari tènga*, ngiwa kembal nëné* bini, bakaloeng si' 
sapoe^ tangan, rëgëm sapoe' soetra koening, kadoe koengosè^ biwih, 
sambilang koe basamparoe, mirikoe andang daja, boeka kembal 
nènè^ bini, po'koe mama^ soesoetan koe mara*" bila. 

Tjatjoendoekoe kembang poedak , lè^ poendjoengkoe ngantjik- 
ngantjik lêgë aténgkoe ndè^ djamaë, poetri si pada malinggih, pada 
njibëng hé tarik, eudè* krante la Sentoel, sëpit ba^ sibëngna, sSirè 
baé akoe gati, ngapè^ tandang ngèmot roko lè* kalangan. 

Ndè* na ngonè^ bandjoer gèwar lè' -kalangan boewé' sëpi, si^ 
ngigil ndè tëroengoewang pada bëké anak djari, towa' badjang 
bini laki, lê^ bantjingah pada koempoel, pada manto siloeman, 
ndè^ koe wah nanemoe dait, anoe^ tëtoe mara^ roewan tjahjan 
boelan , 

Tetoe ugempet bè ëlorta , ita si towa*^ no gandjih , gojo si badjang 
ndë*" gindjal, lo' monjèh je nimbal gelis, ndè' ke de tjoba tari, 
polah sang na ini^ sanggoep, na' rangda bandjoer nimbal, djéma^ 
akoe tjoba tari, sang na sanggoep lè ita gën bakasihan. 



TO£TOEB MONJÈH. 91 

Lo^ monjèh jè bandjoer nimbal, tjêmor sambilno makëdjit, moele 
sèdcng ina^ rangda, si badjang ja djari gait, nging sida ina^ rari, 
isi* tombongde wah kisoet, so^ angêu bae badjang ini^ rangde 
nimbal sili, pantës lalo anta moeni godeg ga wah. 

Lo' monjèh bandjoer nenggakak, ina^ rangde sêrë sili, oere» 
méLé ngarëmpakaug , lo^ monjèh sajan nëngkihik, njarèrè ngisek 
sakedi^, gen ngëmbé mowa sêndoek, pantës dë lè^ tamparan , bilang 
djèlo ngitoeng trasi, ina^ rang da sërë gêdèk ngapak ngapak. 

Ngileng mflé mamatèang, lo' monjëh bandjoer bërari, lè' rëm- 
poeng poenti^ batèrla^, bakërëm sambil makëdjit, nahina bakaketëk, 
na^ rangda sêrë njêrengoet, sambil gati matêang, bandjoer ara^ 
longka^ poeuti^ ina^ rangda kalêgong ngaloengkoer reba^. 

Lo^ monjèh pëdas gagita^, bandjoerna gantjang brari, kampak 
kina ina^ rangda lo^ monjèh je malik brari parëk lè^ nènè^ bini, 
ina^ rangda^ oerës bandjoer, kèng na baé ëndjekna, njanjandar lè^ 
toengga^ poenti^, ina^ rangda ngangkat mëlarja barijak. 

Nè^ bini bandjoer ngandika ngelek ina^ rangda gelis, ina^ rangda 
bandjoer oeras, parëk ja lè^ nènè^ bini lo' monjèh bandjoer moenik, 
na^ rangda koe ngèndèng ampoen nda^ da pijak kasilijan, ita 
malèsang si roebin, roebin soesah nengkë te badjora^ djora\ 

Ndé^ na kotjap peteng desa bënar tëkotjapaug malik, kalëm^^ 
jamadabdaban , papoe^ towa^ sigen ngiring , lè' loewar taman ngantih, 
nënë^ bini loembar bandjoer, gen oelih aning desa, na^ rangda 
Sajoman ngiring, djari ngidjëng ja lo^ monjèh mèsa^-mèsa^. 

Ndé^ kotjap silè^ langan, wah datang lè' desa gëlis, endèh rarah 
dalem desa, taèk lè^ bantjingah tarik, si manto bëlé^ bëri^, lè' 
pêken pada bakoewoer, towa^ badjang nina mama, pada ngoemba^ 
anak bai, sêsëk djëdjël lè' pangorong baglijoeran. 

Ndé^ na kotjap si lè^ desa, nengkë kotjap Raden Mantri, sita- 
bilin ito lè' taman, wahna djraang koelambi, bateroes Baden Mantri, 
loembar aning desa bandjoer tjahjana fiaden Noena, benartoening 
tasning lëwih, datoe bandjoeran bamanik lè' parëkan. 

Eanak aio soegoel gantjang, këlèk siloeman si roebin, Tedjan ija 
bakëtoeang, badait lè' akoe malik, parekan bandjoer gelis, lèka^ ija 
barari soegoel, lalo meta siloeman, pasila^na bandjoer gelis, Baden 
Mantri bateroes tadk lè^ bantjingah. 



9£ TOBTOEB MONJÈH. 

Badjoema noenas loegrèhë, datoena gantjang bamanik, sila^laloe 
sida njedah, Baden Noena matoer gelis , saudikan dëwa goesti , Baden 
Noena mama^ bandjoer, singigel je batelah, salapoe^ na nènë^ bini, 
band j oer boedal tehiring si tali^ oemba. 

Sambil njarèrê dêndoena, sadatangna dalem poeri, tama bale 
bandjoer rëba^ ngapong galeng sambil nangis , adoeh siloeman goesti, 
djawoe^ gama^ kadji datoe patoeh makabaloe^na , si gila lè^ Baden 
Mantri, makabaloe^ pada nangis basambat. 

Kotjap nè^ denda Winangsija, tjingakina pada sepi , poetri sibaloe^ 
ja boedal, tama aning dalem poeri, nê^ bini loembar gelis, oeli^ 
aning taman santoen, wah datang je lè^ taman lo^ monjèh bandjoer 
makoewih, adoeh monjèh këté anta djoeloe gantjang. 

Lo^ monjèh ndé^ ara' nimbal, nè*^ bini malik bamanik, bojê 
embé si aningna, nèngkë po ja pajoe njëdi, papoe^ sitowa^ galining, 
pada nan^ah bilang boetjoe , sëpi ndé^ nara^ nimbal nè^ bini malik 
bamanik, adoeh monjèh nëngkü mè^ sipajoe ilang. 

Maskoemambang. 

Bandjoer tokol nênè^ bini sambil nangis, nangis basasambat, 
ngoembë sangka mè^ si njëdi, bilin koe ngënè sangsara. 

Soebahnala boedjah maté lé^ pasisi, kapoenè^ lè^ lendang, soesah 
aten kadji goesti, si lo' monjèh nêngkë ilang. 

Doeh mas mirah bilo^ maté djari soeling, timpoh lê^ sëmpara, 
èra^ atènkoe te binin, djandjinkoe dait sangsara. 

Soebahnala ara^ mate ta sampèntih, ngoemben entan taowat, 
sala^ atènta sakêdi^, isi^ tenge tampowas. 

Soebahnala romot gro sambêl gili^, teseda^ si pelalah, momot 
mêro kangen diri, si^ kangen ita siri sala^. 

Bandjoer lèka^ uênè^ bini sambil nangis, tama lè^ pondokna, 
bandjoer daitna koelambi, njêbo^ lè^ goeloengan tipah. 

Fo^na djepoet iwana sambil nangis, sai njèmatë^ ija, na^rangdé 
bandjoer tèkoewih, barèng dait papoe^ Bokah. 

Ina^ rangdê në bangken lo^ monjèh oeri ina^ rangda gantjang, 
tama gitaiu koelambi, na^ rangde tindjot gagita^. 



TOITOEB MONJÈH. 98 

Noenas kadji djawoe^ ija nënè^ bini, bangken monjèh dénda, 
itjanina bandjoer gelis, na^ rangda èntjong badjawat. 

Po^na pesèt koelam bi ndé* nao^ isi, ina^ rangda nimbal, jen 
bangkëna mené goesti, tekan lëndong masih tflah. 

Mapan mené mara^ patadah koelambi, nè^ bini badjawat, amboena 
ndé nara^ bais, bandjoer bapikir nè^ dënda. 

Sin om. 

Bagoes koe sèboe^ ija nëngkê, bandjoerna te seboe^ gelis, lè^ 
pakèmba na nè^ dënda, nêngkë kotjap Baden Mantri, silè^ desa tè 
bilin, sedekan ja nangkil datoe, katoengkoel bararasan, kadjoeloe 
wan Baden Mantri,. ndè^ na tao^ si ngigel wah pada boedal. 

Baden Noena bandjoer ngèngat, tjingakna wah boewë^ sëpi, si 
ngigel wah pada boedal, tama aning dalem poeri, pikima Baden 
Mantri, je gen bapamit lè^ datoe, kadji bapamit déwa, isi djelona 
wah lai^, datoe bandjoer bamanik sila^ de boedal. 

Sila^ de loembar Siloeman , djema^ këté sida malik , sandika atoer 
Dènnoena, bandjoerna oeres bapamit, soegoel ija lèka^ gelis, oeli^ 
aning taman santoen, bapikir sambil lèka^, ngoembè akalkoe nëng 
kani, sigen tama lè^ taman mara^ si nengke. 

Pan nané akoe katara , koelambinboe wah tègisi , meno pikir Baden 
Noena, bagoes koe pasëmel diri^, wah datang Baden Mantri, tolè^ 
loewar taman bandjoer, bapikir sambil lèka^, nidd^lè^ bawa^ tataring, 
baparimboen papoe^ toewa^ bagoes deman. 

Malik bapikir dën Noena, bagoes koe pasemël diri^, koe mate^ 
ila^ koe nëngkë, batëroes tama Baden Mantri, taèk lè^ tété gëlis, 
papoe sitoewa^ salapoe^, tarik ija pada ngèngat, gita^ tjahjan Baden 
Mantri, pada tindjot salapoe^ na pada ngèngat. 

Bandjoer moeni papoe^ Bokah, ija si ngonè^ sësëni, si tapantoisi 
dëngan, pilih lo^ monjèh je séni, sangka ndè^ na badait. Baden 
Noena lèka^ batëroes, nëpët lè^ sasangko^na, bandjoer ngèngat nènè^ 
bini, batëroes noendoek, nènè' bini semoe ila^. 

Den Noena bandjoer ngandika noenas koelambino adi^, nènè^ bini 
bandjoer nimbal, nié* koe nanao^ koelambi, sai kè sidë siné isi^ 
koe ndè^ wah batëmoe, Den Noena bandjoer nimbal, lamoen de 
ndè' nënao^ adi*, kadji bidjan mami* si lè' Lajangsëkar. 



94 TOETOSK MONJiH. 

Sangka^ kadji dateng mirah, mapan ara^ gambar goesti, tri 
tipa^ ito lè^ taman manggong lè^ sedin parigi, sino si gita^ kadji, 
no sangka^ kadji dëndajoe, balajar noenggaDg kapal, si mèta sida 
mas goesti, lagoe' ara^ sanak té masih lè^ kapal. 

Aran Eaden Kitap Moentjar, tësalin arana pasti, pind^ di^ na 
anakoda, sino sameton te adi^, nëngkê nenoenas goesti , koelambi 
noratoe ajoe, nè^ bini noendoegpènang, bandjoersoegoel ai^ s^remin, 
ngoembé sangka peng kadji nandroehin laga. 

Maskoemambang. 

Enda^ gama^ sidé malik bakoelambi, pajo lalo sida, njangsaran 
ragan pèng kadji, mara^ roe wan godeg gawah. 

Baden Mantri bamanik sambilna nangis, kadji pamit dênda, gen 
lalo aning pasisi, méta kaka^ Kitap Moentjar. 

Kadji lalo ara^ samendak mas goesti, nènè^ bini nimbal, nda' 
de ngonè^ loembar goesti, lamoen peng kadji gen balajar. 

Dangdang. 

Këlëm siné oemoer kadji goesti , moen pèng kadji bat^roes loembar 
balajar, sangka^ nda' de ngonè^ raden, den Noena nimbal band j oer, 
ndè^ po kadji gen ngonèk goesti, kadji lalo samënda^, oeli^ aning 
laoet, meta kaka^. 

Kitap Moentjar bandjoer lèka^, soegoel lèkan taman gëlis, wah 
datang lè^ tamparan. 

Kitap Moentjar bandjoeran bamanik, lè^ parëkan, aio toeroen 
kanak, mapan ara' tempo mené, tjahjana Baden Bagoes, parëkano 
badjoeran gëlis noenggang sakoetji balajar, njarëpëk badajoeng, 
wah datang lè' tamparan, wah badait, parëkan lè^ Baden Mantri, 
Den Noena bandjoer moenggah. 

Gagantjangan pëlajar Baden Mantri, dit parëkan, wah datang 
lè^ kapal. Baden Noena bateroes taèk, den Kitap Moentjar bandjoer, 
gantjang mëndakin Baden Mantri taèk lè' kamar, wah na tokol 
bandjoer, Kitap Moentjar matoer gantjang, adoeh raden, ngoembè 
si sangka\ pèngkadji, pëtêng datang lè' kapal. 



TOBTOSB MONJÈH. 95 

Pangkoer. 

Den Noena bandjoer ngandika, Kaka* Moentjar dabdabang 
neugke gelis, éntèh kaka^ miloe toeroen ta barang aning taman» 
adé^ sida nao^ djari gagebo^ koe, mapan nané wah katara, koe* 
lambin koe wah tëgisi, 

Kitap Moentjar bandjoer nimbal, sila^ Raden kadji liwat ngiring 
bandjoeran ija barêng toeroen uié* na kotjap lè^ langan , kantjan 
roban pada ngiring Eaden Bagoes, pada lèka^ gagatjangan, kenëug 
tjritan Baden Mantri. 

Tékotjapang silè' taman, papoe^ towa^ tokol bawa^ tataring^ 
bagoendem ngrawos dit batoer, sambil noengkêr tatoendjang ndè^ 
sala^ ling koe sipiranan batoer, pilih lo^ monjèh siné ija, mëné 
dja^ ling koe si roebin. 

Bandjoer moeni ina^^ rangda, basindiran hè sida ama^ rari, de 
sregepang baé djoeloe, kandik pengkali^ tambah, mapan nengke 
pedas ai^ no gen blaboer, bandjoer moeni papoe^ Bokah, awo^ 
moelè ndè*^ na pelih. 

Mara' ling bi ina^ rangda, ndê na boeroeng poenika sigen djari^ 
padas ija gen djari emboeng, takali^ isi^ lènta^ nengke dja^ napira 
lindoeng gen tekedoek, mapan ai^ pangempokan, piran ija gen 
ingsat malik. 

Papoe^ Krapoe bandjoer oeras, basalekep nahènë bak&tik,ngiD^è^ 
mowa ngaoggoe^, sambil djongdjong tatoendjang basindiran sangka^ 
ing&t bahé batoer, énda^ pada simo benga^, moelë gëunê êntoer 
goemi. 

Panjakapnja wah basadang, mapan nané djandjina tama^ ai,^ 
uènè^ bini tjemor bandjoer, mirengang sasindiran, bandjoer oeraa 
kantjan papoe^ toewa^ salapoe^, pada djongdjong tatoendjangna, 
mentja^ lè' bawa^ tataring. 

Ndé^ na kotjap si lè^ taman, nengke kotjap malik ija Baden 
Mautri, wah datang lè^ taman bandjoer, balatoer Kitap Moentjar, 
siné këno si tao^ pèng kadji ratoe. Baden Mantri bandjoer nimbal, 
awo^ siné tao^ kami. 

Bandjoer nangis Kitap Moentjar, sambil ndonga^ ngandèk ai^ 
saremin, datang lè^ pondok na bandjoer, bateroes pada tama , Baden 
Noena bamanik basana aloes, bareng Baden Kitap Moentjar, bamanik 
lè^ uèné* bini. 



96 TOSTOSB MOKJÈH. 

Noenas koelambino dèwa, nènè^ bini bandjoer njoegoelang klambi, 
lèkan pakèmbokau bandjoer, tesadé Kitap Moentjar, bandjoer gelis 
Kitap Moentjar badjëpoet, Jbateroesna toenoe^ ija gantjang, tan 
antara bandjoer djari. 

Djari djero to lé' taman, liwat bagoes mapan ija baroe^ djari, 
koen agoeng no manjoekoer, taoekir ëndah roewa, tambë dara 
masengkang merak makak&pi, bantjingah batjrangtjang ka wat, balé 
salapoe^ mahoekir. 

Djaba tengah patandakan, lan pamengkang salapoe^na baoekir, 
tadampal si^ prada moeroeb, atap doere salapoe^na, lè^ pasaren 
goenoeng rata balé moedjoer balé malang balé djadjar, peno^ isi^ 
gambar inggris. 

Den Noena bandjoer ngandika, E^aka^ Moentjar baketé side gelis, 
Kitap Moentjar nimbal matoer, sila^ tama bé déwa, lawoen kadji 
té lè^ loewah ngantih datoe, Baden Man tri bandjoer tama, bareng 
dait nènè^ bini. 

Bateroes tama lé^ pamereman, Baden Kitap Moentjar bandjoer 
bamanik, lé^ kantjan roban salapoe^ hé kamoe pada kanak, ade^ 
më^ bisang pakakas mé^ salapoe^ mapan siné moelë njandang tao' 
te naroang diri^ 

Lo^ Njamboeloeng matoer sembah, meran datoe kadji liwat sahi- 
ring, bateroes gantjang bada^ batoer, hé batoer nêngkë bisang, 
kèrèng dodot pondjol kemè^ tepa^ lisoeng, akoe sapo^ to koewada, 
si^ manoek tebadjang gati. 

Mëno sangka^ koe sëparap, sigen ladjor bataro^ bisang din^, 
si^ tadah manoek tëbatoer, masih djenenggaroenjam, manoek badjang 
tadah koerangan gageboeg, tjêmor dèn Noena mirëngang, sindiran 
Njamboeloeng pasti. 

Sinom. 

Den Noena bandjoer ngandika, sila' denda taèk gelis, nènè* bini 
ndè' na nimbal, semoe ila'' dalem pikir, inget sidjelo roebin, mang- 
gong ima lè^ bon kasoer, sambil ngakit koekoena, tokol sambilna 
sinangis, Baden Mantri ngapong sambil ngandika. 

Doeh déwa mas mirah , pitoeroening Widijadari , toeloes soekanda 
mas mirah, asi' gen prijak lè* kadji, tawoe doraka lèbih, sabalit 



TOSTOJSB MONJÈH. 97 

satawoen, nemoe papa sangsara, djari tao^ sala^ djari, dalem oedjoet 
tawoen sida djari kembang mata. 

Lantarau kadji si djogang, gila ngerèmon liloes poesing, ndè^ta 
soekajang si dêngan lagoe' kadji sëmel goesti, ngêntëDg lè^ dalem 
poeri, tapi njandang si^ dendajoe, ndè^ de soeka pangéran, ngem- 
boen tawoe sala^ djari, mapan kadji tawoe da doro sasawah. 

Sangka^ ndè^ na ara^ girang, to lè^ dasan kadji goesti, sangka' 
kadji dateng mirah, si meta sidê mas goesti, djari wah datang 
kadji lè' balen dendajoe, sidë bandjoer ndè^ soeka, ngemboen kadji 
tawoe miskin, sangka nëngkê kadji pamit ratoe mas. 

Oelè^ aning Lajangsekar, nêpet dësan kadji goesti, ndè^ kadji 
semel mas mirah, ngenteng ité dalem poeri, ndè^ kadji semel goesti, 
noenggoe balen deng^n bagoes, ni bini bandjoer nimbal, adjoem 
lalo^ sidë goesti si bamanik njatë goesti lebih wikan. 

Lè^ kamiskiuan kadji déwa njata jën ndè^ ndè^ goesti, asé lè' 
kadji pangeran pilih po wah laè^ kadji kalaparan bagrinting , ngoembé 
sangka^ nèngkê datoe, ngakoe' diri^ da rara, anging kadji tetoe 
miskin, ugoembé sangka^ peng kadji nandroehin raga. 

Sangka^ pëng kadji gen boedal, ndè kè siné balen goesti, ndë^ 
po kadji ngépéjang, kadji sinê patoet njedi, mapan ndë^ pantas 
kadji, djarin isin djëro bagoes, pan kadji tawo^ nista, gëmet lalo^ 
gama^ goesti oepamanjo ngemboen tangkoelak bagelèmpar. 

Sambilna nangis nè^ dênda, bandjoeran ija toeroen gelis, toeroen 
lèkan baon tipah, sambilna batoengkêm nangis, bandjoer toeroen uè^ 
laki, djawat tangan ratoe ajoe sa wal bandjoerna oemba^, tëkang no 
lè^ kasoer sari, tan antara nênè^ bini bandjoer reba^. 

Dèn Noena tindjot njereminag sambil ngapong uènè' bini bandjoer 
na nangis badjamdam doeh denda sarining poeri, tjingakin kadji 
goesti, nda^ gama^ de loepa^ bandjoer, uënè^ denda ndè^na nimbal, 
paleug ndè- na tawo^ moeni. Baden Mantri djëdjeh, nangis basa- 
sambat. 

Maskoemambang. 

Soebahnala kahwa tiwo^ tëngft gili, tarik pada baboewa^, ndè^ 
koe kawa gen tëbilin, sakit angen koe tampowas. 

Doeh ma9 mirah dila koerëm silè^ dinding, minjak padauoempah 

trila^ oeres nènè^ bini, ênda^ gama^ bandjoer loepa/ 

?• Volgr. V. 7 



98 TOKTOSE MONJrÈH. 

Soebahnala hémbé^ paleng sëdin ai,^ tësebo^ lè^ kakoewang, 
ngoembè angen side adi^, sangka^ sida tedo^ do wang. 

Soebahnala moen te keret pempang boeni, bêlindjo lè^ Sowéta^ 
sila' oeres nènè* bini, daka^ lijoe gama^ ita. 

Doeh mas mirah djoekoeng bali gen basedi, peno^ isi^ sebija, 
oentoeng djandjin kadji goesti, sigen nimpSh djari satija. 

Soebahnala pempang boeni polak tarik, kasampah lè^ mita/ 
nënè^ bini loepa diri^, nengke soesah po no ita. 

Soebahnala lamoen koening boewa^ djroeti, takeret taka^ nge- 
randjang, apa oenin kadji goesti, daka^ serek oerès gantjang. 

Doeh mas mirah kelem sine djandjin kadji, baréng ninggal 
doenija, nènè^ bini bandjoer ngoewit, Baden Noena ngangapong^ng. 

Sambil nangis doeh denda mas ajoe lewih, tjingak kadji mirah, 
Sinomoele ia prijatin, nènè^ bini bandjoer ngasa. 

Sinom. 

Nènè^ bini bandjoer nimbal , pèng kadji baskalëbih , djaran baroe^ 
teoeroekang, pantes babandar sakedi^, gemes peng kadji lebih, 
ngeodet isi^ lima karoeng, den Noena bandjoer nimbal, sila pinang 
gama^ goesti, mapan kadji baroe^ seger kamaroeh pisan. 

Sangka^ kadji datang mirah, ndè po kadji likat moedi, sing- 
angën peng kadji dènda ndé' téhitoeng temah pati, pan larangan 
dê goesti, lè^ aten kadji kaleboe, djëlo malem bag^ringsang, singa- 
ngen pèng kadji goesti, mapan djao^ aran desa Lajangsekar. 

Enda^ ke lalang sagara, daka^ meno datang kadji, nènè' bini 
bandjoer nimbal, sila^ merem baè goesti, bandjoeran Raden Mantri, 
manggong ima lé^ bon kasoer, aloes soegoel manikna, sila^ kareng 
mërem adi^, bandjoer mara saling kapong bareng reba^. 

Dila gedah makembaran, benar tandoer dalem poeri, bandjoer 
raërëm nènè* dénda, bareng dait. 

Baden Mantri, pada ngidap bëmai^, saling djomët saling sidoek^ 
ndé^ kotjap petèng desa, bënar tekotjapang malik Baden Mantri 
masih sirep ndé'man ngasa. 

Baroe^na sigalang menah, djelono wah soegoel ngantjik, bandjoeran 
soroh pangajah ,• silé^ loewar pada ngantih , la Goelasih Kamoening^ 



TOSTOEB MONJEH. 99 

la Saudat dait la Gadoeng, Mènoeh Gambir Tjindaga, Poedak Saroeni 
Djampuriug, la Frijana Nagêsari la Tjempaka. 

Salapoe^na basindiran, antap tinggang sëdin ai^, lamoen te si 
moela girang, njeri^ angidep kamai^, palëng pao^mas goesti, si^ 
balida djari tèloe sèdeng tao^ koe mirah, ugawala t&toe mas goesti , 
band j oer ngakak la Poedak ija bateroes uimbal. 

Nde^ ta tao^ toena malang, tagodit bandjoer malitik, ndé^ te 
tao^ troena badjang, tao djari godèg pasti, la Sandat nimbal moeni 
tetoe Poedak, la Poedak bandjoer nèngkikik, pada ngakah la Tjëm- 
paka bandjoer nimbal. 

Babi lè^ tenga^ segara kapoenë^ no W Koerandji, sangka na 
mélé déndara, si^ monjèh wah djari Pandji, la Soelaseh je moeni, 
lé^ batoerna salapoe^, poesoe^ djaka tegita^, katoengkoelan ita pasti 
si^ mamatja ndè^ na tao^ desa bënar. 

Baden Noena bandjoer ngasa, tjemoma kalebihlebih , mireng 
sindiran pangajah, bandjoeran ija oerès gelis, barèng dit nènè^ bini, 
po na barëng soegoel, badait Kitap Moentjar, Dèn Noena bandjoer 
bamanik, nanè ugoembé gen saran dë nêngkê kaka^. 

Nanè apè gen koe toenggang , koelalo parèk lè^ mami^, koebareng 
dait ipar da, Kitap Moentjar nimbal gelis, sila^ meneng bé goesti, 
gampang isi^ kadji ratoe, bandjoer den Kitap Moentjar, gantjang 
je djepoet pandjalin, mantok kajoe.^ bandjoer djari singa mas. 

Sino bandjoeran toenggangna, nènè^ bini taèk gelis, malinggih 
lë' bongkor singa, na^ rangda miloe nongkèlin, sambilangna nga- 
tèmin Baden Noena taék bandjoer, Singano bateroes lèka% lalo 
aning desa gelis, tèkotjapaug wah rapèt, lè^ sedin desa. 

Endèh rarah pada gèwar, pada bëké^ ana^ djari, nina mama 
bagelijoeran, towa^ badjang betó^ beri^, tama lé' dalem poeri, lè* 
bantjingah pada koempoel, pada njêbo^ diri^na, parek lé^ datoeno 
gelis, si^na takoet gita^ singa boengga^ oengga^. 

Wah datang lè^ parempatan, Baden Man tri bandjoer gelis, toe- 
roen lêkan bongkor singa, Nènè bini toeroen gelis, tama lè^ dalem 
poeri, parek lè^ datoe no bandjoer, datoe taget njereminang, sërê- 
minang na nènè^ bini, si^na datang baréng dit Siloeman. 

Datoeno bandjoer ngandika, lè* denda Widaradin, adoeh anakkoe 
Winangsija, sai siné si tè djak bi, ampo^ arana malik, nènè^ bini 
njembah matoer meran kadji matoer pemban, lè' batang pêng kadji 
mami^, siné bidjan mami^ siló^ Lajang Sekar. 



100 TOSTOEE MONJKH. 

Datoeno taget mirengang, bandjoer na gantjang bamanik, doeh 
anakkoe den Taroena, ndë^ koe tao^ sida goesti, sai aran de goesti 
'isi^ tembé sida laloe, ama^ moelê ndé^ pedas, nêngkê tindjot ama^ 
lebih isi^ laloe ngakoe^ di^ djari siloeman. 

Fangkoer. 

Datoeno malik ngandika , doeh mas mirah Baden Taroena Pandji, 
ngoembè sangka sida laloe, ngakoe^ diri siloeman, Baden Mantri 
bandjoerna njëmbah balatoer, kadji noenas goeng sampoera, pan 
noengkoelang tadah kadji. 

Datoena malik ngandika, nëngkë kembé tao^ kaka^ da goesti, 
Baden Kitap Moentjar laloe. Baden Noena matoer sembah meran 
ita lè^ pasisi nëngkë datoe, pina^ di^ na anakoda, datoeno malik 
bamanik. 

Jen toeloes asé^ de anak, sigen brama^ lè^ ama nëngkë goesti, 
pan ngèndeng koe nanë laloe, koe tikah laloe neugkê, adè* bébas 
to lè^ taman saling djao^, sandika atoer den Noena, datoeno malik 
bamanik. 

Manikang mas sila^ toe wan, moewah pangoeloe lebé dit kijaji 
moerid, tjatjakana lebih satoes, datoe malik ngandika, hé Teng- 
kowah aio kamoe lèka^ djoeloe^, bada^ sedahanno gantjang, adë'na 
sregep matjawis. 

Djari padagingan karja beras reket njijoer boesoeng lan poentik, 
akoe gen mënikah mënantoe, soroh djari sidekah, moewah sela wat, 
adè^ na serëgepang djoeloe^, kèpëng silè^ gedong bisang, djari 
selawat baloe^ keti. 

Fada sijoe salapoe^na, sopo^ sopo^ toewan dit kijahi moerid, 
srëgep kèrèng tangkong badjoe koepijah kasoet lentèrang, minjak 
pènder sapoe^ tangan kepet pajoeng, den Noena bandjoer ngandika, 
lè^ parekan roban gelis. 

Lo^ Njamboeloeng krari gantjang, aning taman bait petino sai^, 
ndè^ na soewé datang bandjoer, pèti wah teatoerang. Baden Mantri 
ngandikajang boeka^ bandjoer, berisi soroh lalëmesan, ara^ satoes 
solas kodi. 

Malik ija njoegoelang selaka, jen tjatjakan watara teloeng tali, 
nané te kontèang toer, wah na inggas batekah, bandjoer mara 



« .1 



TOETOSB MONJÈH. 101 

toewan lebé kijahi pangoeloe, pada tatjatjarin sèlawat, pada sijoe 
sar sai. 

Malik lo^ Njamboeloeng oeras jen tjatjarang selawat Baden Mantri 
sopo^ kijahi pada baloe,^ bagyana ringgit mas, kèrèng belèkat 
sapoe^ tangan badjoe kasoet, wah na inggas pada boedal , den Noena 
bandjoer bapamit. 

Bandjoer taèk noenggang singa , nènè^ bini na^rangda miloe ngi- 
ring, singano jë lèka^ bandjoer, gen oeli^ aning taman, ndè'ne 
kotjap lè^ langan wah datang bandjoer, bateroes tama dalem poera 
Kitap Moentjar wah badait. 

Kitap Moentjar ma toer gantjang, doeh den Noena ngoembe bè 
nengkë goesti, si*^ peng kadji toe lè^ datoe, wah parèk lë^ mami 
ta , Eaden Noena bamanik basana aloes , owo^ kaka^ Kitap Moentjar, 
djema^ sida oeli^ malik. 

Djëma^ ngalèma^ de lèka^ adé^ sida ito noeloeng noeloengin, 
mam^^ ta no kaka^ bandjoer, sigen dabdabang kaïja, bandjoer gelis 
Kitap Moentjar matoer, piran ke no mami' dëwa, sigen nèmbé 
karjoe goesti. 

Sin om. 

Né^ bini bandjoer ngandika, sila^ kaka, de toeloengin, mami^ 
ta gen ngangkat karja, Kitap Moentjar nimbal malik, sandikan 
dèwa goesti, piran si karjano ratoe, sila^ de pa^itjajang nènè^bini 
nimbal gelis, awo^ kaka^ lé* smino tanggal lima. 

Kitap Moentja bandjoer nimbal, mapan moele sino goesti, djelo 
keras ajat sengkala, jen kapatoet atoer kadji, datang lé^ djelo kemis 
sedekan tanggal ping pitoe^, ndë^ na kotjap \é* taman, batjrita lè 
desa malik, bidjan datoe salapoe^ na pada gila. 

Salapoe* nangis badjamdjam, adoeh Raden Noena Pand ji, djawoe^ 
gama^ kadji mirah, aning desan de mas goesti, ngoembé sangka' 
pèngkadji, betah lalo sida laloe, ngangkat tao gila djogang, ndé 
sopo^ timpal peng kadji, doeh mas mirah sarin desa Lajang Sëkar. 

Ndè*" ké pèng kadji wah wikan lè kadji siné goesti, moele djari 
isin poera, ngoembè sangka^ sida goesti, djari makendeng diri^, lè' 
tjitjing sino la Kantjoet, djadah sino Winangsija, sino si emboen 
peng kadji, sangka nengke kadji temah gila djogang. 



4 *■ . « 



• • • •> »• f 



102 T08T0XR MONJÉH. 

Singangen peng kadji déwa nengke moela djandjin kadji, meno 
ling tangis badjamdjam poetri selaboe^ no tarik, denda Wingit 
bamanik, tipa^ denda Wangi bandjoer, dënda Wangi je ngèngat 
lë^ adë na Gondasari, saling engat, gedëk na baliwit liwat. 

IA dènda mas Winangsija, nè^ denda Wingit bamanik, pilih po 
ija wah batijan sangka mélé Aaden Mantri pëdas ija ngoenggahin 
lè^ kamalem aning laoet, sangka^ na mawoe koeskas, tjitjing sino 
Widaradin ngoembë sangka^ ja tèmelè^ si den Noena. 

Tanding apit po ndé^ nara^, roewan te pada seseni, lè^ djadah 
sino Winangsija, goetoen tana^ sala^ djari, hé kanak nengkë gêlis, 
aio pada leka^ bandjoer galining bilang dasan, petang akoe bang 
groe' begik, sang bi mawoe^ ratjoen oepas broewang. 

Lamoen bi wah maoe^ pada ampo^ bi pada tjetekin, adë^ na si 
pelot modar, basong sibilangno djenggit, angen ne Baden - Mantri , 
gen madik ita si baloe^, serekan si basong boewang, la kantjoet 
no Widaradin, genit belang ja ngoengahin aning kapal. 

Meno lingna pada ngoetjap, ndè^no djera^ gila nangis, djawoe^ 
gama^ kadji mirah, ndë kadji kawa mas goesti, ngenteng ló^ dalem 
poeri , lamoen d&ndè^ asi^ datoe gen ngemboen kadji mirah , lamoen 
kamalem kadji ngimpi, prasa kadji diri^ kadji bakapongan. 

Asmarandana. 

Kfttjrita lè' taman malik Kitap Moentjar bandjoer léka^, gen 
mamarek datoe nènè^, ndè na kotjap si lè^ langan wah datang dalem 
desa taëk lè' bantjingah bandjoer, parek lé^ datoe mami^ na. 

Datoeno bandjoer bawangsit Kitap Moentjar noenas loegrahe 
bandjoer je lè^ ba wah tokol, datoeno bënga^ njërëminang, si tindak 
lan tritipno datoeno bamanik bandjoer, laloe ama^ bakatoewan. 

Lekan embè f laloe sini, ampo^ sai ké aranda, Kitap Moentjar 
matoer adeng, meran kadji balatoer pemban, kadji lë^ Lajang Sekar 
Kitap Moentjar kadji datoe, datoeno taget mirëngang. 

Bandjoeran gantjang bamanik, doeh anakoe Kitap Moentjar, 
nengkë adé^ laloe bahë, itè gen merentah gawente, Den Kitap 
Moentjar nimbal, meran kadji ngiring datoe, samanik pèng kadji dèwa. 

Do er ma. 

Kitap Moentjar bandjoeran bamanik 'gantjang, njoeroe' perekan 



TOSTOSS MONJÉH. 103 

gëlis , aio ante lèka% lalo aning tamparau , mè^ geroegah melige no 
gelis, parekan gantjang lalo aning pasisi. 

Ndè^ na kotjap silé langan saloepoe^na, wah datang W pasisi, 
bateroes ija boengkar pragat bandjoema ngoendjil, sangka odjok 
desa gelis, ara^ wat&ra rembatan satoes lebih. 

Wahna datang lé^ desa pada batroesan, bandjoer tandjengang 
gelis, lé^ téng^^ prampatan, djari balè pahasan, baratap si^ soetra 
koening soetra dewangga, songket djari lalangit. 

Balalingsir bakalamboe soetra kembang toenggoel petjoet nongapit 
lé^ djoeloen pahasan, wah djari salapoe^na, bëdil merijam tarik 
moeni, mara^ gen kijamat, si^ramen ongkat bedil. 

Mapan moela tjirin wah djari pahasan, ndeh rarah ramè tarik, 
simanto pahasan, belè^ beri' nina mama, pada ngoemba^ anak bai, 
manto pahasan, toe dasan tèpi siring. 

Salapoe^na pada benga^ gagita^, ng'rèdèp tjahija njaririt, benar 
dalem desa, dila pada nispala, datoeno banga njaremin, roewan 
pakakas, ndé^ bawoe soegoel manik. 

Teken bale isi^ mas toer matatah, salapoe^ha te sangling, goewar 
papadjangan , watara lima dépa , takaloang kasoer gembi , rampeng 
masoelam, bareng dit galeng goeling. 

Silè^ tenga^ tadiuding si^ pager gedah, gen tao^ Baden Mantri, 
wah djari selapoe na, poetri si baloe^ pada, barerempak bakakètik\ 
isi gedekna, talo-atèna lebih. 

Mapan oewah pada djari salapoe^ na, den Kitap Moentjar gelis, 
matoer le^ mami^na, pajoe te djelon karja, tanggal pitoe djëlo 
kemis, datoeno nimbal, awo' ama' noeroetin. 

Datoe bandjoer ngandikajang kantjan roban, ngalim kantjan 
kijaji, goeroe santri toe wan, dèmaug toemenggoeng pada, preraden 
mi wah preboeling, mantri poen^awa, salapoe^ bini laki. 

Datang djelon karja gorok sampi kibas, kao^ lan biri biri, ma- 
noek bebèk angsa, djelo malem basoekan, linggih lè^ bantjingah 
tindih, si mendèt pada, gajoeng lan ngatjor pasti. 

Bamè ongkat gamelan ndè^ na pegat , tandah gro^ . pada gati , 
rèdjang legong ardja djoged barong lan wajang. Bad^n Kitap Moe- 
ntjar gëlis, ngigélang djogedna, bènga^ datoeno njërêmin. 

Katjanta wah datang lè^ djelon karja, lè' djelon karja gati selapoe^ 



104 TOETOIB MONJÉH. 

dateng pada, djoeroe bedil lë' dasan tjatjakanateloengtali, sibabarisaa 
gODg prèret tamboer tank. 

F a n g k o e r. 

Kalèma^ ija madabdaban, tawoe desa gen ngaloe^ Baden Mantri, 
kantjau prebinin prêratoe, pr^mautri lan poenggawa, pada tedoen 
gen mendakin Baden Galoeh, lo^ Njamboeloeng bandjoer lèfci^ ba- 
reng B. Soeija Tangi, bareng Baden Soemar Nasa, patirata nëm- 
bangsit pada ugiring, wah na boewè^ pada soegoel, lèkan desa 
sëlapoe^ na, sitamowe^ no sinina pada miloe, ndé^ na kotjap lè^ 
langau wah datang lé^ taman gelis. 

Batëroes taék lè^ bantjingah, Soemar Nasa bareng dit Soerja 
Tangi, singiring lè bawa^ brimboen, moeng mantri lan poenggawa, 
moewah preradèn preboeling miwah prêlaloe, pada taèk lê* ban- 
tjingah, ugiring Baden Soerja Tangi. 

Pada benga^ salapoe^ na , gita^ djëro bagoes kalebih-lebih prëbini 
ja pada koempoel, batelah lè^ pamëngkang, pada momot gita^ pinda 
naga bagoes pada djedjeh salapoe^ na mara pan naga idoep pastoe. 

Si^ tingkah koerin pamereman, kakarangan tahoekir pada pasti, 
bamata komala oeloeng, ila^ na isi^ mas, badjadjawan si^ mirah 
djomanten oengóe, tekelèjatin si^ talaga, pameremana Baden Mantri. 

Bandjoer soegoel la Soemekar, lèkan la wang bar&ng dit la Soela- 
sih, masila^ prebini batëroes, tama aning daleman, la Soemekar 
Soelasih bandjoer lalatoer, goestin kadji temanikang, masilè^ pèng 
kadji goesti. 

Sila^ goesti batëroes tama, lë^ daleman peng kadji mandjak goesti, 
dë kadji gen hitjan djoeloe^, njampah si^ sasanganan, bandjoer tama 
binin prepoenggawa selapoe^, lè balen sedin talaga, bandjoer mara 
mandjak tarik. 

Balê djadjar doewa olas, si bakelining lë^ telaga ja belalangit, 
malangsi permas gagoeloeng, mahoelap soetra kembang, bakakebat 
isi pramidami aloes, ito sabol salapoe^na, isi^ kantjan temoewè^ bini. 

Wah napak ija pada mandjak, bandjoer soegoel sasanganan lan 
kopi, hèr ma war santeroep anggoer, ginèwer limonada, anggoer 
masèm anggoer manis goela batoe, bandjoer mara ta pasila^, isi^ si 
ngajah ngahin. 



TOITOBB MONJSH. 105 

Te kontè^ ang betjarita, wah na djera^ basangauan si bini,jadin 
\é bantjingah soeroet , wah inggas salapoe^na , tekotjapang den 
Noena dait né^ ajoe, bapajes lë balé gëdah, saprëtingkahna wah 
djari. 

Bandjoer datang Kitap Moentjar, djëpoet isim bandjoema batéroes 
ngadji, W djoeloen den Noena bagoes, ngoedjoetang mërak mas, 
djari djolin pangantèno istri kakoeng, bandjoer datang mërak mas, 
sërtë pakakasna pasti. 

Malik Baden Kitap Moentjar jë ngoedjoetang pajoeng agoeng si 
koening, datang pajoeng belidah sijoe, toer tao bagëndingan , mara^ 
ongkat gagamelan ramè naboeh, malik Eaden Kitap Moentjar, 
ngoedjoetang djèm sibini. 

Bandjoer dateng djino si ëmpat, patoeh roewa ingesna lebihlebih, 
ja djawoe^ kepét mas tatoer sing gita^ pada bëuga^, si* bangkitna 
Kitap Moentjar, bagoes, sing oedjoetangna katëkan, mapan ija 
kasih dit djim. 

Maskoemambang. 

Ina* rangde tokol djoeloen nènë bini, kereng sonket djawa, 
djawoe^ kepet ima kawan. 

Tekotjapang papajasan nenë^ bini èndah roewan ëmas [massan, 
bakèrèng songket matjawi, matëpi si^ ka wat mas. 

Kéréng dalem tjiudè prada patrësari, kamben geringsing wajang, 
malambé emas tehoekir batèkén masotja mirah. 

Anting soetra malambè mas tehoekir, bèlo lima depa, ikat ping- 
gang mas tasangling, batrètès isi^ sasotjan. 

Sëngkang ëmas mamata si^ manik ai^, poeti^ mara^ danta, ali 
ali peno^ gerigi^, sasimping masotja mirah. 

Balengkerna bapapoetjoek, sëkar tadji, tandoer roewan sasotjan, 
sile* atas kotjap, malik gëloeng agoeng gëroeda moedina. 

Tekotjapang papajasan Baden Mantri, panganggo masmasan, tetoe 
roewa mara^ Pandji, mawastra tangi tjindé mas. 

Baden Mantri basaboek soetra koening, moe wang soetra dewangga, 
melandëjan mas garantim, oerangka pélét Bëlangbangan, 

Basasoemping si^ tjempaka mas tehoekir, bëlëngkëma mahoenda, 
sasawoer kembang saroeni, jen gagita^ mara^ boelan. 



\ 



106 TOBTOSB MONJÉH. 

Fangajagna si ëmpat miloe taek ugiring, doewa ngiwa kembal, 
sidoewano pada sai^, djawoe^ kepet ngangatèpang. 

Silahinan pangajahna pada tarik, selapoe^ noeggang siuga, ampo^ 
bapakakas pasti, mara^ kakembang sataman. 

Sinom. 

Wah sregep si pada lèka^, parëkano soegoel brari, njedoet meri- 
jam si lê^ loewar ara^ karo belah moeni, lo' Njamboeloeng jagëlis, 
nginter barisna badjoeloe, pambatek baris satak, tjatjakau baris 
pëtaug tali, wah badjadjar salapoe^na pada léka^. 

Prérét tamboer tawa*-tawa^ soerak mara^ entoer goemi, soerak 
baris batimbalam bagarèp^s ongkat bëdil, nde^na batelah moeni, 
tawoe desa pada bijoer, toewa^ badjang nina mama, pada girang, 
manto baris, sèsèk djedjel pangorong pada ngambijar. 

Lè^ djëro samene djoewa^ pada breboet nepet koeri, ngèndong 
mara^ sèrang mama, dait si mongka^ boewë^ sepi, boewé^ ija soegoel 
tarik, pada manto saling djoeloe, ager mawoe^ gagita^, roewan 
tjahijan Baden Mantri, ina^ Taker moele ngentik be ngadjongna 

Mijakang dengan si banjak, mirik djoeloe ama^ rari, isi^ koe 
sitoemben ama^ mèlè gita^ Baden Mantri, si^ongkat dengan tarik, 
noetoerang den Noena bagoes, jen tetoe meno ama^, lawoen akoe 
tjoba* tari , sangna sanggoep sasanginkoe gen balawas. 

Kotjap silè^ dalem poera, dènda sibaloe^ u& tarik, babangsël 
sambil ngandika, nè^ denda Wingit bamanik, sëmël be ita adi, si- 
gen lalo manto soegoel, sètan sino Winangsija, sangka ta si pada 
ngëni, si mela^ na oema^ dengan tagêtikna. 

Mëno lingna pada ngoetjap, baris tekotjapang malik, wah da- 
tang lè^dalem desa, komala sari mendakin, lè^ peken to^ na ngan- 
tih loewén dengan pada bijoer, takotjapang lè taman si^ loewè^ 
barisno masih, ndè^man lèka^ barisno kari teloeng atak. 

Sino baris bèdil dowang, malik baris toembak lain, poenggawa 
djari batekna, njoendoel baris Lajangsari ja bapakakas pasti djaler 
koening tangkong dadoe, ^tetapang tjara tjina, ngoendoel malik 
djaran baris, djari batek Soerja Tangi Soemar Nasa. 



TOETOKB MONJSH. 107 

Sino ja noenggang kareta bandjoer soegoel bini laki, soroh si 
badjoeli dowang, tjatjakana satak lebih marijam lèla moeni, merakna 
bandjoeraü soegoel, élongna ngentapentap , mara^na singa ngiber 
pasti , njeling tandoer lè^ moedina singa mas. 

Tedèdè isi rebana, toewa-toewa kjahi goeroe basikir, ongkatua 
maia^ kanjeroehan, si^ lagoeua pada tarik, tebarengin si^ moerid, 
toeroen taek soewara bagoes, asè* ita dëngëhang, soewara gang- 
aoeng manis djangih, mara^ongkat soendari si parek bënar. 

Njoendoel malik si nanoenggang , limang atoes biii-biri pasti 
lamoen tëpedasang mara^ taman goenoeng sari, si bakakëmbang 
tarik, niadoeloer pakakasan bagoes kotjap si djoeloewan löka^: wah 
ito lè^ desa ngantih, pada njamping lè^ roeroengna si badaja. 

Wahna këlet lè desa pangorong peno^, si' baris, ina^ rangda, 
bandjoer ngéngat, ngelé^ lo^ Njamboeloeng gëlis, Njëmboeloeng 
keté aning itè mè^ lèka^ lè djoeloe sambil mè^ barambangan , té lè^ 
djoeloen Baden Mantri bandjoer mare lo Njamboeloeng barembangan. 

Maskoemambang. 

Soebahnale goela mateng lè^ Madjëti, taka^ si penarak lege aten 
kadji goesti, si lèka^ djoeloen mërak. 

Doeh mas mirah gèdeng balantak moela pait, tesedek palalah, 
parasa^ koe sere sakit, angen de si mélé sala^. 

Moela pasti lolon gedang itja sampi, dedolë taka^ tapa^ ondong 
dengan mara^ Fandji, pajoe ita melet gagita^. < 

Soebahnala gedeng djroeti babar angin« lolon tjëmpaka boewe^ 

reba^, si taradi je bakawin, sisangaka bararëmpak. 

^ '^ 

Soebahnala boeroeng basa^ pajoe mandik, moen kanjamen timpal 
goela, boeroeng kaka^ pajoe adi^, rasan angen lebih soeka. 

Sin om. 

Bandjoer ara^ déngan nina, lè^ sëdin pangorong moeni, batoer 
tjoba^ tepikirang , ongkat rarambangan sini , batoerna nimbal moeni ^ 
tjoba' sida badé^ djoeloe* tapi mara sindiran, ndé' na doega tipa* 
lain, sabebelta ara^ bahe Iff atènta. 



108 TOBTOn MONXÉH. 

Ampo^ lobè si^ rotjetna, tawoe si ngarambang sini, ndé^ ara* 
sigoeg sigoegna , sing agolna tëkë ini^« oeli^ aning nê* bini, ngoembè 
daka^ meno batoer, salapoe^ pada nimbal, djati gama^ ina^ rari 
lagoe^ nëngkë adé^ ita ita dowang. 

Nda'na katoer lé^ né' dènda, tetoe na metjijanang api, né^bini 
sibaloe^ pada, gen ngandjenang ndè^ na ini^, gojo gen toelak malik 
sajan tegeng mara^ batoe, mëno lingna si nimbal, Eaden Mantri 
kotjap malik, wah na daiang ito lè^ tenga^ prampatan. 

Nèné^ bini tekotjapang, taèk W bantjingah gelis, nimpah lekan 
bongkor merak, dit pangajah toeroen tarik, merakno band j oer te 
bilin, nènè^ bini tama bateroes, aning balé oekiran mami^na sibini 
laki, lan sanakna pada ito salapoe^ na. 

Asmarandana. 

Nènè^ bini wah njarëmin, mami 'bini laki sanak, salapoe'na 
sëmoe ila^, ingët lê* tingkah silaè^, simijaang eban-eban ade^ nasi 
teboewang dêdë Wingit moeni noendoek, adï' aio bateroes tama. 

Nèué^ bini leka^ gelis, bateroes tama lé' pamereman takotjapang 
datoe nènè^ bini laki pada bënga^, sinjereninang bidjana, nengke 
kotjap Baden Bagoes, tahiring isi^ rëbana. 

Njempang taèk lë' masigit, rëbana ngantih lè^ bawa^ dait saloewé^ 
temoewè, bënga' gita^ Baden Noena, njandang gen. moeter djagat, 
mara' Fandji Bagoes noeloes, temoewe nina loewë' gita^* 

Datoeno bandjoer bamanik, si gen nikah Baden Noena, lé* toe wan 
kijaji moerid lebé bandjoer mara den Noena bateroes tetobat tikah 
tekontèang bahe toetoer, wah inggas batobat tikah. 

Sinom. 

Bandjoer moeni gong gamelan, bedil soerak ramè tarik, pasti 
mara' entoer desa, koeri agoeng no bakantjing lè^ dalem Soerja 
Tangi barëng dit den Noena Dempoeng, gen djawab tjatjang kriman 
Baden Mantri loewar koeri, lé bantjingah pada napak salapoe^ na. 

Kitap Moentjar taek oendag, lo' Njamboeloeng bandjoer ngiring, 
b&têroes pada batjang keriman, agal aloes manis djkngih, mara^ 
ongkat soendari mapan ija dadoewa^ na bagoes, sing dènger pada 
gita^ pangajah lè' dalem poeri^ bënga^ penoe^ klekit lè' tadahna. 



TOSTOEE MONJEH. 109 

Katjrita W dalem poera, dènda sibaloe^a tarik bapikir dalëm 
pangerasa, ngelidoeng ndè keroewan aning angenna njebo^ diri lè^ 
dalem balè sisoehoeng denda Wingit ngandika, lë^ adi^ na Gonda- 
wangi, adi^ nèngke ngoembé sang lëgan angenna. 

Basong sino da Winangsija isi^ na wah maoe^ Fandji, entèh 
pada adi' nengkë, ita pada njebo^ diri pan ndè^ tësëmël adi^, 
sigen pada lalo soegoel, manto aning bantjiugah, ila takalebih 
«en te gita' isP tëmoewèno si banjak. 



PKABOE DEWa SOEKMa 



113 



osn 



nomtji aJinKmaxiantuiatkii] 



O' ac> / 

10 a(KJ| o ^ KI o KI 0(kJI(iailUI)(M Tl 0X1 (KI \ 
dfJO ü 



Q 
silKl\ 

SU 



o 

<1JIK1\ 






/ 

3 



i Q 

inn 0X1 Ki| OnA lEA \ 



/ Q 



(LCl(K10tM(lSV1\ 



I 
(LD (KB) ^Qum (lé; \ 



(Cl 




XKSii MO KI ^nn ojui 



\ 



^•5 



Ki\ oJi m 



CKiioKinaj)oasYi\ uu £JI ki ti ojiii omn fM 
nKi\ oKioinKio)C|(M(o\(}JiKi)iKiaj| 

OO /Q Q 

Ki)iooK)j|n(LJUiKiiEJiiKi|^as)nKiKn\ inia 

a 
Kidsn Ki^unnKYi^Ki m \ 



IOJIKMO 



1 



a / Q Q 

rnni) (kjiKnuoiis¥ic|iao(iË; \ (kjiojiinnn 




a 

KI 



(lJI0 9M(mKin\ K1El|fl|(LAJ) KI UI Tl OAJI n 

ii]Km3(U|| Kn niaaojfM^ on KY) ^ 
o\ aaxi3(k]|^KiKiiKD(icinnnn\ okioji 
(isviagiiJi(kji^viAKi|| o on CiKV) (g^ 
(isn\ 



KI Tl KI 



on 
o 




Q o Q 

(Cl ojiikji ^m im kh (uioj KI N 

Q cv 



Q a 

(blCUKUn 
/ Q 



(Kl\ 



nm ? (kil O KI KH \ Kn<iaji£nnKi^nn(M08sn 



a Q 

osn (B cum (VYi dOJi cJin (cm (Kin Km ki n oji 

o. / 

unorkJKKi (Km en o 

ex Q o 

(Uin\ na>QC|Tin(Km(n(ui(LiiiKi(VYi [(Cijii 



8 



114 



FKABOE DEWa SOEKMa. 



^Knt^^^n 
CJ 




401 «; Kn (M nn "ïi u r (un -m (u en en CU o u 



Q oo / Q 



( 



dJü 



1 



(0C11Cl(kJI(K)\ 



(ocncnflojin 



o\ 



^^ J asi. 



/ o 

Oil) KI (Kil Ikl KJ \ 



«Ut 



K|Wa^(B5N 



/ Q 
(Lin «XI Kil OJ O \ 



ffcnjy KiiKii(o«niTio?iJnTi\ nmcwioi 

O/ a / o / 

ia(oa5viKii(ui \ LflO£jifX)]|U(kiKian\ 

/ Q CL Q o 

|oc|iuj)3annMTi(üncaKi\ cxiinnenojiM 
Q /Q / ^ I 

cEJi(Efl\ (o KI OsHKii en n (UI Kil «sn \ 



Q / O Q a 

uji uji ( o en HU o ocui \ o cGm Kn KI o Qj ^ 

tui'tw iio((vnLnn<uK)(iji8?iiciKiuiTia 



OsiKnojnKiikiKnibiicnKii tkh^kiti 

iniKinfxiuKM*^^ 



Kn\ 

O Q /Q 

ojnKnKnojifN (ojkio 
n(Lnnina»iKiuqajiaË:inKnni omKeOsiyfl^ 
oasncxix (aiin(M.^(EAKi9cxiisiiK)aNii&in 

Q o Q Q 

n^3 Knaj|OKiKn\ lui u asn 9 (un ti en 

ex a o 0'Cs> Q / iCl 

as]nKn\ (MKX)||on(iJi<uJi&AJi(ajoi(^Knc]| 

(TUn 



J 



laT 



^noAj^ar 



Q Q 



o 
aAJ) KI Kn ftsn KI 

Ki(LniniKiiKi^inac:nn(isn|| o i&i ki .^Kn ki 

o o o 

iinK)Kn(ait5nriinoiLC)||KnfU(nji9\ Knm 



^ 



PBABOE DEWa SOEKMa. 



115 



K1^ ü 



03(¥T1\ 



1 



m 2 (iTii i \ 



CJ 



) o 



1 



oaann\ 



runioox 



1 



(uii(fcji\ ia(K](ui] 



(fcji\ ca 

dSVlUII 



o o 



OKii(Kinnnn((uii\ anjiKiKYioc|(Ui9cninnn 



(X Q Q^ Q O (X 

o\ osvi asii osvi osTi Osi o (lO) im n Tl en lUJi 0^ 



ici 




(IJI«U\ 



o)(U)(riJi(ikono3nmajiirinriuvi(Ki(Ki«un 




Q o QO / Q 

M 2 901 (U) ^ im o IKI (Kin ^^? (EJI o OnI Hl) (M n 

K13£J| 



n 



»j: 



axKKiJkJioUsm \ 



(ri[in Kiiiailocnn(uu)(Ki^£jiia\ <kii 



^ J \ CO 

Q Q 



1 



Ion 1 tkji ^KD Kin lui) « 
ifU(C)(K)||(iJiasTiKi(nnnaxiTioas¥i \ kdoioii 



iJ|Cbiiin\ iknaJi(m||(oasinoisii\ 



Q Q 
Q Q/ Q 



/ / 

O !kji (KI «q om (Km 



J 



(kHx (i[ijianri(Kinoin(KJi(Hl(ci()sin(U)(KiiiD\ 



cD)cvinn\ 

CJ 



(uniu\ 



Q Q / 

cnoffuo(Ki(^cnKnn(aii«axi(Uiflru(Ki^an 
dciOftsvionoiamx (njniË^CKKniOvioji^ 



no3am\ (tuuë; n (kh 3 

(-^(CIlOijKl 



o o 

(i5in?(iJ)()nmicD(üi]\ (on (ki l^ om o 



cm 



116 



PRABOB DEWa SOERM&. 



/ Q 



n M 3001 OJI^ KI 0(M KYIOJ «1 KI a (bJII \ 



Q O 

(UI osn f UI oTïin otd 
> CJ 



*5^ 



(o(cnnoc| oq 



CYl 



Ul\ 



1iKiiaamn\ 
CJ 



noaojosnON 



(EJIOOI 



1 



O a (u Qsm £JI N 



1 



CJ 



ca(m»J«xnn \ 



in(KJ(kB(00\ 



(ij)(aii\ 



Chïi 



(Kil 



CX1(Ul(^ 



ca 



ie 



»3»j-| 



cvma (KI 
ion 0X1(01 



/ Q 



(ui)ann(cnKiio\ ajiKiuoimnnntcKMKiN 



(tfiki|o\ o 
(1) I 



o 

KI (KV)\ 



O O 

KI nm T 



. Q 

KinO(K1 



(Kin KI Jk(cn 0^ \ «oxinmoji ' 



<|nmaj)oi| 
«(MKi^OsHv niaKicnn(aiii|iao(o(ci|> 



(OJionKi jn(MOKiKn\ (ajotuDonnuci 

oo Q a CV /ü 

(UI KI om osvi \ nTi?Kio(K)(ui(Ui»flxianC« 



(KIOTI KI m 



1 




Kï)\ 



(nji(ik8ri)(Uinj| (EincQKlKiakikiaji \ (EIHj 



UI dSnCJIKKKli 



9(EJi qajiii in o aoji osiKEJi \ 
cn Jl I 



rnrijii (m xi (uii ki] orn asri (un (tn \ cu (EJI cn dEi 

..OQOQ Q Q CL 

TiKianmn\ arm onn «u (m o (ki ki m \ titni 

CL I Q Q» O O 

(Kï) iM Kil (Lm (m uvin \ oj (k« ini sq nn (KI Kil ^\ 

ajii8n(njiaNi(njioTiji(U\ 
«5 ^ 



(KA asn (üv] (ic: Cl KI osi) \ ciKruniuioiKiui 

Q o Q Q Q 

(KI Tl \ o (kji oni) kh (dl Qsn (UU (Kil Kil (iq q (U 1 

^ CO Ki,;i ;j;) I 

ICI 



^« 



(UI 401 



((uc|{iJia(Kiasii(H(&i(ki\ (ru ok (ei ok (ki di tf: 

/ Q o Q 

ui(a^asii(Kii«njiuj)KiKiO(aiami7N U(m 

i^w«ui(y(ï| 



(UI(K11\ 



PBABOE DEWa SOEKMa. 



117 



;uo(Ǥasn\ 



tu 



(0€| 



mkh 



I CJ 



(5 



^uui{(tf:(isv) \ 



cnontq 



«m 



fUUI\ 



cv Q 

(bi (1511 itf: Uil \ 



in OM 



T\ 



(Ui(Oi\ 



cv Q 

nji osY) O ik; uji \ 



ia(Ki(ki|||Ajaji\ 



Q Q o 

nrnjiil ajinKiioi(isvioiiKijiarniiiTnKi|| n uui 

/ c^ o Q 

01 aiu) «I Com 3 (Kno Tl \ nmnointkJi^oJKKin 

a o o Q 

o Tidsn II (fcji om ssYi (ki Tim (M Hm .Jk\ oruicji 

fKlK1|(K|Oa!iL\ m(MI{in(KSU(rSin^OCEA\ 



Q 

(M 



n(in2ajin(KiQanoiKi«{i 



ex o 

Ti\ <inn at; im ofYin UI (KD -A tiii asm 

CJ 



dSIKUID [(Cl 



CEJI KD (Kïn n u 






isn 



a 




(o kh aan (u «I 



aoiiKiniaino2(KiiKiUTiisvi 

I ^^ 
I o- / 

o (M oru (Ein^ \ iisi| en iKi cq \^ (O) o c| sqoi 



iAJ)\ asn 



e)n«iRnaJU|axi\ 



im 



(kAaJiaxiifininnno(ajim Kig u lo onri 
oc> Q O . a 

(ULiiin\ asi]ag:c|Ki(Kin(isvinarin3iEi»iN ojio 

O' o Q CV O Q.. Q^ » 

(Lnri(m«]jiO(icuf\(U¥)irn(KiiKm(inj)asi](tA 



^^ 



U«1IUJ12U0(K]|«IK12O1\ O 



1 



1 



1^ 



Cl) uut 



Tio^iKUOfN dsnunosviasiianjiJinnnnnncG 



[Ujio^N asnun 

KlMTICIOsJLfa 
KI, 



nnnni| 




^ffa)^^n^n^ 
CJ 



(LJ1VU\ 



<nj|iikoTïaË;(LAJi(a^(isinKn i|02Ki||(ocan 

asji(i^cj(La«uoajif()j|fLno 
»^ , ü > "^ 

Q / * Q 

(ïViri 01 (Uiq fU KI ^ 9S11 ^OJYl AJUI (kJ| KI) KI \ 



onft^muj)(^ 



CJ J 



T3 



118 



FEABOE DEWa SOEKMa. 



8S11f(Mta|IK1\ 



/ Q 
C0(KlO(UIIS1lN 



1 



4JI 3 (M u J KI u OOI H1I lui (imri (in onrai iM 
O CJ CJ 



iü 



Q O 

(UI osvi f (U) nmn O) 
^ CJ 



U1J\ 






> CJ 



M dsn f o oTYin 



cnuiiiN 



(o(oiij)f|(iq 



«m 



ajui\ 



CG(K]|30CGT1\ 



/ Q 

CG(moaj|iisvi\ 



ajC)(KiiisiiaTi\ 



CJd 



«|,^(0M. 



^(ia)2nnnn \ 
CJ 



(unorui^ 




/ . Q Q 

/ . o 

ftOi|iunimKia^«Ki)(M<sninniKiin\iniaaii| 

/Q o /O 

<jcio(kiciiicnnisfi)\ isn ( «ii kd o «; ii 

I O ^ 



■1 



(iJI«0fl(K11(kl«|(U¥)(ka\ 



C2> o o 

O 

^aju)^f|ft02TiKYi<nianiann\ cjcitoitaiio 



isip|(Lncnnaxiy\ o 



«ü 



90onji&i¥iiaTifSJi4njif\ 

a o 
(UI) cinn 9 (KI o (KI ,^i| o a nm 



im 



/ CX O Q 

(}s«ci[(U)caniLnnanji({ji^f(UlKiiKii\ 



/ C5V 



S') 



cv 



(iSTi(Ki^iiii(LAJieuviin(i£;iKi(iJiJ||a£i\ (ic;ajira 



anininoTi«)(u:\ tsY)LtOKii«|(nj9iiTis 



/O o 
f|inoTin(u:\ tsY)CKitonn(nj3i| 



1 



(KI, J cJl I «J^ 

n o 3 «I KI (D ao(M (UI «o «{11 \ i{i)(U| (njl^n^ki 

inf\ (nj)(K)flX)||t|Ti)(isvicjn(Kio\ o^cik) 

/ o 
ton o(M ^>^(^ (C^Kin M asm \ 



Cl o c*^ o 

(um om f (UI iisin (M (KI Kn 



im 



C?v , . Q O ^ 

anjia^(uv)«|{kji2 0C|9Ji2 8n)(uimji|i (KimiQ 



.|«U3.|(^aanrj«i|| 



FSABOG DEWa SOEKMa. 



119 



OCV Q 

Qi; (k; 1X1 Tl O HST) \ 



1 

iKiiadifjci4nji| 


uniiaiin on 10 3 (ki n 


Q QC>^ / Q Q 

n (tn KMioj) ^ KI (UI iKi o(M «oi (bi dc; oruig 


Q 

icncxiTioisYi 

1 CO 

O Q 
11119x1(61)1 KUN 


/ Q 

; ikR lu) o u; uji \ 
/ o 

10 (KI KV ISn IK1I \ 

((UirYnnS^iisvKtt; \ 

^ 


a / 
Idnnn (Kiiniiii(Lii^3£ii(LnTiKi jnoo 

o o » « a 

dSYlN OIKYITHMKHniSliaN (UVl£llK)iniai 

o / * O^ / Q * . 

üsm doi KI (^ om il u) \ oisiii;iiKi|CEfln(ki3 

.. Q Q . ' Q 

Ki)« 2(K]i(nji(KD| «Knnmi ouakhkiji 

» o 
(kfl K) in M asij un \ 

faiij Ti(EJi(ocana](LiiJi(Ki^(E]kinnf(Bui\a[ 
<|iaainKiiaj)onisii3(kji| nuuKKiciKji-n 
lun (oj arn «1 (Lnn (M i| KI \ 0|(kiJnUTi()jii| 

Q Q CL Q/ 

n(kia«|«ru)KY)'nKiiN «jiKi(Ln(ki«ui(k«\ 
(U{EJi(KiJini5iiiJinmKii\ 

• / Q o Q 
((mn K1IK1l(0(010KlK11(MlJU^ Ij 

( uA«|KiaTiKiiot|(isfia(kjij| ci(uiikJiJinn 
nanniqiii ki ^a (FKUHi oii i KnxooiKinfo 
(cnn ojvi cFi KI Tl uu oS \ »|{innf(ovAKD(ki(Mf \ 
(in osvi oii (O (M (EA (ru II uc\ 


c HU 3 irm \ 

1 


1 

oariJi ^ 


ijïi o ö nnn f ojïi KI j KiiONnn(oDnin)«ui 

o o » o 
i|ino\ iaaj)(isfini|oannn()ji(EiTi(Uf N 



120 



P&ABOB D£Wa SOEKMa. 



(m arn 10 TH O isn 



(oanio)Qnii| 



ON 



/ O 

fM HAJ} O (1^ aju N 



i(mr| miKD ^ic3|(kji£n 
o ^(cnmmi c| Tl a n (^ 3 (Kin 

1 



o Q Q 

(Ki-nnfïnsïiN 71 



«UKltJUKEftOJIO 
UI Cl ] 

oamnovaticGQKiN arnifuOAci(o(uiKi 



t|CGn 



«U 



Tiojuiu/i Msn iKi^ ooji ftn TKMflQCMaaicus 



Q o 

(un KI o dsvi o 



^ 



1 



osnnn \ 



10 



(Kl(MlJl(lS11 



/ 
iuin(fj\ iG(Ki(Uin 



isnujiN 



ncMaoji 



(KneAuiiKii 



(cnfll) ojuioiij 




Q / Q 

( o CU M OOJI «IC13 



Q 
CEI £11 -J 



^^ «jci3 om 

Q O / Q / Q 

«Ulll OISVl.JkCllS11\^^IUTin(ISYl9)JII H\[m 

a 
inn«uiKi(ijicii(isvi^/ïiTiniie;\ ncjnoa4*<v 



(kiosnonciKinciN (MKiKi.jiiKiiritiiK)n| 

0^ O Cl (ki aciJi (El l UI kh 



Cl (ki aciJi (El UJ kh I 

(O^Cl ^ ^ Ji 



(Pin KiiionlajicnKiioarufkiaiviannx un 




o 

Cl 



1^ en Kn o oru (ki livi 

(En Kil o l|ll5Y))!kl|| nCjQOOJKVI O lAJI KI 



7 



^O dj 10 Xl o (tSïl 



7 Q 

ikiujioa^ui\ 



«mwiiriijmTriN nxif i<i(MCUKinuviinci3 

o ^ o Q Q o CL 

cji(Kio\ aj|(KiTifiuncicii\ oji n tii kh ; 



.1 



O 



1 



Cl 



^5 



Q 

in 



(mjl I) au) iKi ton Bsn t| Kï 3 en Ajui (KI 

T 

o Q Q 

•0.jA.ISf||(Kn()JITI«n^VVl\ «UtOUIllOO 

Q . C> . /' 



a5n||(uncici)(isin-int|a5n)(Kii|n(ki3iEi<niui 
cJI ^> «l. I cj| I Ol 



i|(Ln3<|0||20ioiMiiüi\ iKiniKisjinisïiKn 
o 

(UI \ 



1^1 



FBABOE DEWa SO£KMa. 




co 

Q 



?j 



icnAaTioasin 



cntruncxi 



jcncntruij 
o o 

V uci o Kil Cl 



1 



/ o 
<jci (KI ikh osn «oi \ 

/ Q 

IKIdJUIOO^OJLn X 



Qoa 



ann\ 



<jO 



5 



(kio(Kin \ 
(UinMN 



(M 



(KI <Kii O Kil grui (KI il 



iH 3 lïYl (tn KD OSD 8S11 o 



cncii«|(M(Lnacu i|ann)(Kii (Ljiiinj|(Ki 



Q 

(nji\ 

0511 O 



nnmo(M(E)niai\ 



flCUIX 



.|««v «j^^o^Q^tjaj^tj 



i| (M (u dm (n ^ 



en 



{Ell\ (Lfl o UUI a OAJl OAJI om (UI ^ 




cixDaonnnN 
I CJ 



IJI«U 



I (cii en mji c| UC1 



o o 



■I 



1 
1 



oanm^ 



lGIKl(kJIO[(E11\ 



(UIIIBIN ICKKldiin 



BS11(IAJI\ 



C5^ Q / cs^o 

aciii(i£;oi(uiaruniKii(MO(c:iiN «u^CiAiainji 

ەMf\ (0(01(bAK)T|\ OJH UCKUiaSll 821 n O 3 

/o o 
cm\ Tin(uii|(Ki.jA.2fii\ (Lnn(Uji(kiisip|Kii X 

Q 
(LAdSnflUllllQON 




o Q o 

(mnn (KnojudJiTKKiaJiaji^TiaAiiiJUix osn 

ex 
tei^f iuiiajiinjinrinna(Ki| m ikd (O (ki osn .jA. 

1CI1 o (u nm i| (un \ 



(ummn 

o I 



kuioi 



o 
iociiQaji»i9<i^(iiJiani(iJi\ nsnsoo 

Miuiirui 



(o (M oniQJi IIQSS (M (UI irui (a 



J^' 



"j'^im 



CJ 



(LJ)inji\ 



(knKiiQCiJiini(ui(nji|| nm ci xi (o os: n kh ju 

Q o 
don isn ebi Tl nm j¥i 

KI) 



ö 



1 00 



PRABOE DGWa SOEKMa. 



I JO 




(yTOJKTnilK \ 



1 



CJ 



oinamiojn > 




(P[in(Mci|^cii«aiO|4ruisiiijinKi\ 



Q / . o 






C1I 



a 



(KiO(u;t|'¥i\ nmn «090)0 ocuKMtFJi^ Kil 



CJOSY) 



O. o 



fOix)|iKn«|iKiKimiiiisn « ajwiokiu| 

o ' Q Q ' o 

o dC] KI) en (m o \ oji an xi ucij] o ki 

o Q 



amn en 

CJ 

om KI en 



(Cl 




Q Q / 

iKi«niim<u»tnn'n(ocanc|iao(kiKii\ ui 

Q Q o / 

£J|(M<nJT|iLnCliqK11MS11»{l^KD(MlK11Tl 
C<"^ Gv ^ o 

(loi «o II <nji ak o XI in lu: 2ÜI co orun (ocii Cl CXI 

Q o Q 

o(kiiKiiis;viiKii^94nji<|aoiaKi|| (KJicnoru 

Q o . o ü 

o Hl II o Tfi on (Uil sj Aü onii .^M a A osin oji 1511 

KiiaaiKittcinitf: \ 

Tl 



1 



Q OO / 

aj)2»OlO^(K10K10 9Jlli1IOUWl(MinCXlKlv 

öJü O 



Q O 

mjUI iuO|fcno<i-«t|iaKi^Kiif \ miw 

Ck . o Q QO » 

Kin (uvi (Kin 8S11 (bJi (UI Hin 11 iisii aji KI JKYi 10 KI KI d 
>> JU ^«l. «uqI 

(5K Q Q O 

^K1I^ itf^Cn(K19i11(üllC11TI9JI.^\ noiKi 



PKABOE DEWa SOEKMa. 



123 



JI>S11faj|fl511(M 

o 



/ Q 

l}J (UU) o (tf^ IJU \ 



^•ala^nnn\ 
CJ 



(U|(VUI\ 



Q O ' / O 



3 

cdkh \ 



ca 



/ Q 
tX1(K]Kll(ISVll{D\ 



JI«5119(LI)CT)(kJI 
O 

isnKii\ 



1 



Kii3annn ^ 

'CJ 



djioruix 



o o 

I t£l OJI IKYI o 



«j j oJKiflüiv axKKjfljin 



1 



Q a Q 



Q o 






Q Q 

oiianj2TifocTnKi).jLHi9ai\ m 




Q o Q 

KVl 9 OJI 0511 (M flSn (Km N <|(kJI30\ 



((mj ojnn (o (ifv Yi 

o Q 

UMKifxjiijqTn \ 



CXO Q 

flsn .JT) oiKi \ oni KI ^nn 



Q Q ^ Cl 

(}ji(m^nniKY)(uii(KnnaË;Tino^ ^ cumcciTio 

J O I 

Q / Q O 



ca 



l OOd 



Q Q O 

inin(Minoa^o^(U|f\oameYiiio^BSin 
o Q 

(MQSVKKI) \ m 




ISI) CEA IKI I 






axiajiasDonosanniBo^N 



■1 



oïom \ 



oinnaiJiN 



o o 

cYif oa5in(»ji 

üsdkun 



/ Q 

(KA uji O (u; mui \ 



(ann OTinoiirui 




ö 



noiiruiKinrM 



o Q 

9<i ^m (Km \ o o 



1 



Q \0 



1 



ii|aq(M»a|aaj|i|0^2o \ (uioosviinooa 

ex. .. Q f ^^ o Q 

nnnai¥iti(na\ d cmn f (M ti ajiitsu (m osn Km v 



tl Qzi a \ n cum \m ti u itsm ( 
9C|(umc|axi0 9sAiKm 
mm (irn vui (KI I) 



0(ismfC)(umoaxio(MiKm\ iKmtrm»iiin(Ki 

ttsu 

anmdr 



(uviujic|(&i3asj'Kiiia^oKi(Ki|| (^ll 



124 



P&iLBOE DËWa SOEKMa. 



(iKTiiannnx 
CJ 


aji«ii\ 


(a^-nntjasmnaq) ^«o «nn «oi kh n (m a ti 
KiBataiKTi arni^ 30010^ Kin 


Q Q 

CUV) 10 M asm O i 
« oaormx 

o Q 
(U QSS\(kM OSY) Kil N 

(ai|09(ni \ 


/ 
imo — «o (KI «JIJ 

a5inuji\ 

• 

/ Q 
(M (LAJI O itf: OJLfl \ 

/ 

iuin|(i-ii\ 


a Q 
Vx^U ojm «1 oi 3 K¥i -A mn Ml o OÉv in kubw 

Q O Q O Q O 

uasmtoiisiifMBSiiKDN flsn ofv o KioJD kh ttv 

iisii (kiisvi kh \ 

iEnc|UJi3ajiiisinyMiU)(n(in\ (Mtiincncn 
ap Tl 1 Kn flon ra n 


1 
nKii3onm\ 
CJ 


oonjiv 


flruiu;(flj(kA(iciiiaiiKij| m iiiJii mriKn «|09 

oo a o c?v , 
(Ki(Kifii^7nin«)(Ki\ flsi)£J|KiKi(i£;(M(ua 

tuf\ oimii iciofUKi^afiniKi(}j|in\ 


Q 

MannKi(kflTn\ 
on (njun 0X1 o \ 


«UI (KI wïj do m \ 

in(Ki(Kjiajj(KïiN 

1 


o Q 

iitnjlJ] «|ajQC|(Kii}jiin»iiKiin(i{;\ oojo 

Q o o o 
aiRiM fu (El ^ isvi iKifi asm KD ia ia kh (ni Eii) 

J KL cJ| co 1 

o«w\ £i(Ki8smi;ma^(kiaa/iiuji\ (kiKiJii 
om t| (Km ( (M anrm ssm n 

ofM^nnaiCKm <|tiii)itJ)mo(}jin (eii|irii31| 
•j axi «1 oj» Tl o lUi f (mjl 


ii9iii3cvinn \ 
CJ 


0«UN 


(fij(&iio(MieQJ|»iin Kil \ oioriJiniaoKi) 



FBABOE DEWa SOERMa. 



125 



„ ao 
o 

QSn (M ISn (KD \ 



OJI 



n (KI tl ojq iKi aji dsvi r oj 



QO / Q 
II|<Lliaa0|(U^(KlO(MIKV1(M«|(K)a(EJj|\ 



ï' 



Q ! / Q 



VTIKIOJTIN 



(uifKi(uinioTn\ 



CJ 



OOOJN 



O Q 

UKklISIpIKIlN 



CV Q O a 

rnzHlJl iiKOioïf'n(MKTntwiTn\Ki)'¥iOs»ajn 

(i5vmKi(u\ (Einuji) i|iuji(K)^&j)(aj o 

Q <X Q 

in\ isiiciAJUiaj¥)(kiiKiJ)nn8<i(Ki\ i|(K)3ti 

a o o » 

Iojui (KI nm oru ifcii \ onj cea lo ki tn osn 



(Kl^~ 



O 

(Kl^ 



35^ 

CL Q 

(kA(Ki^7n\ (kiim^iniaioanTiN (moo 
(Lnafno»iiKi(rm> o c| ojin ) (un n om 



Q • ex 

iüuiaxiisiic|anni90 jii(niuu|iQ\ (ozi 



im 



ikliKHqnO) 



•o (^ en CD mji flicG o \ YiJi 



ii|O9(Kio«0^cncnninjiiiji 
ftf^inanaxi(mJiniuji(M(i5i)|iiii£iiiu;(Ki(isvi9(un 

miKlJ11UJSqiKl||\ 



1 



QO / 
O l(M U ^ Hl OiM (Kil (Un (kl in CG IKl \ 

o o 



o o 

M(kiiai(EJi(iji\ 



f(Pj]j| t|iiwifi8Jiii|ajuiaM(kiK]n 

(X „ I 

(cii 9 inninn «I arm n 



(kiKi 

ex . / 

inninn «1 ^vvi II (ki) £« N ocui Ki £i oji ik) ti 

Cn KI, 

o Q • » . . 

I ^ I 




OK11(M(klTlN 



O i(X 

ajin(MTi(^Ki«| 



"a 



TnlKlKlON 



OKY) OOI 



Kil 



126 



PRABOE DEWa SOEKMa. 



1 



iKinannnn\ 

CJ 



Q 
lUKCYI 



n 



a£io\ 




• O Q C^ CL Q a 

oiMiisinniiiKKiniue^ifüi^TiiEjmjfncciiiiu 



dl 



Q o o O 

osiifOosiifMasYiiKnxiMinujioaJiniMCJKii 



fOQSjnf 



\1 



(Lfl annn asm 4ru \ «iJittf;aji(isiifajiiiao(Ei«;N 



raqjiji (uinofMnnqna<i^)aajifiEicj\i]AJiM 



o 
(MQftoncu 



i|(uuiaionajviKi]<bA»KY9n(uui«ii 



O/ / 

vxMin \ «n 



onrm 



Q o- Q 



CJ 



(ojaiQOikiiKin\ aaAajiyciiQOiKn^o 



1 



ojviaiM^cnnnKii 






(WIN (on 

a 




1 



CJ 



AJionix 



<3^ Q 



;QLJin(mo(EJiiKi(ia)|) isn£ii «i 



o 

•il KI 
Jl 



Q O O 

iisiiroii5]n(Kiiiisiiia)f|(Maota(-Jciiiijaxi o 
/o o 



o ü 

o 0511 (kB dSY) IKm N 



/ o 

(KA OAJI o If; OAJI \ 



Q /cl 

ariiakjKiiO(niiflsn(uin|HiN o 



") 



fn[][) arii(M»aiO(niiflsn(uin|HiN uitiiooi 

o Q 

im itu on in O \ (K¥i (m ii|(kJi 3 (El (M isni (Kil on KI X 

O (M .^ (^ II ftiHQOI 

»in(EJiami\ c|(uiaiKi<Hin(6¥)anno(kJiKi| jni| 
o a / 

amiCEAlf1IKD(l!JLMKllKD\ ((P 



iKiio-Jinlo\ (fMïjKnn 




I CJ 



flunociji 



flcu oé; M in osfi (nJi iqn KI fi Kil oJi asn » M osvir o 



c^ o 

(KI ifcll «U (KI o (KI Ü \ 



PEABOE DEW^ SOEKMa. 



127 



oev Q 

(tf: <tf; (un on (LAJi fkJi > 



naimajiN 



o 



UJI> 






o 



aAji\ 



n9annn\ 
CJ 



/ o 



6^^fCJia5Yi|\ 



(UI icj ikh osn KH \ 



6 



Ji.?((jie¥) 



rTJ 



otnjiN 



(| O lOOI O ^ IK1 OaJI(KD(kJI (| (KI a Oji \ 



HKMsoci-naaJKUiN 



KI oji (UI aJi KD o N 



■i 



/ 

om 



O/a Q o 

p } I 

/ a / Q Q / 

aji7niKi^Ofii(M9(U¥i(isii(Ki|| asn asi] Tl Hl 

ii|oa^jinmiiSYi||in(uianiuft3 7nann(i]Ooi(n n 



ö> I J J 9 

/ Q . / 

aaiin > (iji(Ki(»aio»<i^(Kinnnnna»i(20i(Ui 

(kICJN 

Q / Q Q Q 

mnn (UYituijioiam(M^(U(isin YIN oxkkkuii 

o o o o (X 

(Kiiajviiu;9Uii'vi(iji|| «|7nfKii|iaonnnt|o 

Q o Q Q 

1(rU3lKinN o (EA (kfl <K1 (UUI IKH (KI til \ (M(UY1 
o Q o 

iKiicj(mTi(u;\ (mannTii|(Ki(Kii(oi(isv)(kAr\ 
ii|a£i<|KioM(U(i5nin\ &JiinmoiKmanKia 

(KDl (KI !En o ^ \ 



o o Q 

1(UU1(KIIKY)aSI1(Kl(nJIOTIf(M(UIIKI»iin\ 



Q _ * Q 

icQoaruiqin niKiJin)(Kmo(i^(LJinann(niisii 
Tl I I 3iiKi, 



(u 'O co «u 



(FJOmiKlil 

Cnnnn Jj 



128 



PBABOE DEWa SOEKhS. 



(inn (Cl flsn (Kn \ 


/ 

ijn(Ki9J oannn\ 

6^fiB)aS11|| 


— y - 

« (U)a{ioi(U)^Ki(Ui(MiiiiiJ)c¥Yinnnnannnsji\ 

CJ CJ J 


o 
< uin oen o (k; 

UJI\ 


Q O Q 
((mjl «UflS11ftü)(EJI(k|iKDUT)Uniai\I|K13 

iniKi)OKm(EiKY)oincv)iKi| (kiKi»iaj)am 
J ^ J «^J>>CJ «" 

Kiin)i|<uT)N uj)<|aji)aT)uoou \ aüu 
o Q a 

OJU) «1 KlOOI dJ) (KI) .JA.TI (LJ) \ 

Cl 1 a 

IKH (EI(M o (KI .^ I » 2 om (U)n (ki KI) IkJtHlU 

(Kl|C)(LJ)(IJ(U)Of(U|KlKl)\ niUU)K1^9Jr 
C*^ Q*' Ck o » 

(UT)isii(EJ)f(ü)nKi(&i<iiyiKii(U)N (kJiqcbiïini 

^l|(M2(ÜlOK)|| 


n (Km 3 aTin \ 
1 CJ 


(LJ)<rij! \ 


/ • 

(ni();n«sii(K])f|(unS^(Eiidn\ nAmniKDUK 
aRi)(Ki)M(n<KinKio\ 

3^ 


(KIKTU (oj « (10) 

KUN 


•nf|iwf \ 


QO / Q 

n o 100) M^ iKioa^iKDdJic) KI 2 ebug N 

1 




((Cl n Tn« aJn•^(m•Ë;(^a^l(KD-AW^€ fciiK 
« iKi«|0 2(üiioi)i KiiKn-:JL\ ai)nci)'vii:n 

d Ck ^ o C^ / Ck o Q 

KI oj) n tfi 2 Kil N (Kj) KI ix] 1 m (bJL «üD cn KI \ CU 

^ o o ^ ^ 

KI ji.uiKino(U)Ci\ (tón (KI O) KnaciJ) Ji) wn 

o Q Q o Cl 

KI (Kj «11 II « (Kiu) twnn iU) iKD KI 1 K) cwïi -min 
dninoiKD^ (Lnn(i^aj)Cj(KiiKi^(6D7(KD<u 

(qj<|QO)KY)\ 



PRABOE DEWa SOEKMa. 



IM 



tJD^KIIOil^ 



tJUI\ 



^9a12^^^n^ 



irro«5W(wi \ 



CJ 



6-A)(Ejienii \ 



r*^ 



fPDi (nji9(üiiitt;Kiianm<ian.jA.KiiTi\(ciiisii 




\ 



CJ J 

o » o o CL 

(Min(aiTi£i(B\ n ax) n Kioji Tl isn iKiji (un 
o\ (ki\(Kiniüuioi|«U3Kno(i5Y)N i|inn2 

Q Q Q C> 

(KH o (!£; Uil CJI «Jl \ (nJlEB|Kl^dL'n(kll^n(Kl(Kl 

O O O Q ^ 

Qsn II (oi 0511 OAJi (Kil IE11 im (m \ n 110 ) -n ikA <jci 

' / Q o. cv OO 

naXlC|QÓ3T1\ (kll(U(KY1TiniUU|80lUIKl^ 




(UKnjiN 



(iy«| 



OOIIKTI lO KD 



f| oa (Kin 



T3 



(nji Of; (UI a<i acui 
(K^(icu(Mnrii(Kiii5vif£i(inj9(uin(irviiKini|oa 

(KiB\ (nj)ac;(KJinnnnin(Uiii5)naË;iKiniui)iKi nojo 

(X o o 

(KI nnntn osYi (KH N ici (ki o (ui o^ 

Q 

anfiimaji(Ki(|\ 



9 M f| dJ) 9 dsïn 



/ 
«xifKi iM o onnii N 



3"^ 



I (mjl aj|(iJ)f&iniKi^«|iuji{K)^(iJ)iLm\ (oi 
iism (M Tl onji o (KI (bJi \ ()ji(^oi«q(u«i(Kji(kfl(isvi 

o Q • O Q 

(T^ Q O O 

(EJiTianr)(Kix(Mftiii(attni(Liim(Eii(u^\ ojinnnn 

IQ/ / ' O Q 

(EA3(kjio *ino \ (kil onm o oTYin (UU on (El (ki \ 

Q . o Q 

axiaxi(cii(i^7n(£i^t(D^ «|(ioia(isnmjiiKiTi\ 



im 



iu)(nji\ 



iiaRi^ajiiisinf (iJiannncD(Lnn(Ej|(u: \ iKnasvuhA 



(Ol (kJI (CTïSïl 901 \ 



CJ J 

ii|(Ui)(k]iaji^(Kin N 



n 



?• Volgr. V. 



130 



FRABOE DEWa SOEKMa. 



dj) omn O) Uil \ 

CJ J 



wn on tsn OOI \ 

^ KI, 



(UI nnnn en ijm \ 



CJ 



5 



lui amn en inn \ 
CJ J 

(ini (n en UI \ 

3i(Kl, 



1 



(KTn)rvinn\ 

CJ 



(inniniisn(K)i\ 



1 



mm 3 (Kin O (tf; 



UJIN 



CG 



(Kl(kfia£1Tl \ 



(U) 



(KI (ki X3) nnnn \ 



10 



(KjfMunnx 



/ 



aocciiKjoannn\ 



ojo 



(LQ 



(KlOsICXITlN 

/ 

iKi(kioannn\ 



(uiruN 



(La(KiasJ|(U)annnN 



6^f {J|!KD|\ 



^ 



o o 




r'5 «^ 

asm Kiji (un CD 0^1 \ 



o 



Q 

Qs: nn (ism| (KiOsA «u(ki Hl jm i| KI im \ 



cmnoDinniaioonnnBniiiin \ nnn o tsm ooi 

o o 

£i onn y om Cl imii iKi ^ o en OOI «onji 



1511 n nr¥i 9 ofi n (un (um O OJI IjCi \ [^M 



CI>0 • Q o 

mji lu; O -vi (UI flsm y O onnn icn (uvi kii ci o ) toi 

ooji (u: Tl n 10 «(KijmiKiioitt^iJui oji fiiann 
Q o / 

(UAIK1||»i11«U(UU|IKlC|(l^1(KY100|\ (kKUKnUl 

Q o 

C|in(M(bJICl(LJ|(Ln||\ qCLA9(K]|(UI^KIj N 



^^1 



•a 



/o / o o 

dji (Ei(kji dj f (un (u; \ o 






5^5^ 



TIKH 



(UYiiKin\ (U|(MOfiismazifiAJi(LAJi(aj\ unio 
o Q * Q a o 

THdJIIKin^X (KlOmTlKliaJI (Cl Tl 



(KI) 



uisjn 



o (UT) Km 



Km||\ (ui(KT[(«N (K)aEJjTnf(um(ULi||\ 

CL o Cl g^ » Ck » 

(umannf(kflKmaj)eEJ|(tf; \ oc^qnumujisLnnKiiKii 

/o • 

IK1K1(U1\ üRJIf (kllCI(Eil2nmK1IKl|(QI(k|.Ji<BI 

(Ki|)(Km(uuiiismKi|i \ 



FILABOE BEWa SOEKMa. 



181 



Kii3nnrïi\ 



CJ 



dJlClJlN 



( Q 



iKfiOsJiimiaincxici 



KI ^nnsiaioo^ajuicuKi 

n 

^/ •«. 

om 3^ Kt 
o. a 

dST) KD Ikl kh \ 



1 



j 



a 
caoisfi \ 



)Kioeii\ 



CJ 



oev o Q Q 



1 



/ 



KlOKYll \ 



KDSannn \ 



CJ 



(U)aru\ 



QO /o Q 

^(u a(u tui ^ KI o(M Kn kh KI (VTin \ 



(Cl 




/ Q 

ajiiriKi aniciDKiKkJLKiajiKiiinwi ki 
inji(kiKDasiiKi(bJi\ iimn(U)(MiLC)||(isfi<u(&j 

Q . / <X Q 

(tf;\ o n dSYin Km QTUi OsJiKi n (k; \ osYiqKia 



a 



/K)(ISinK1l)fK1«|Tl[KlN flSYIKl^OJlyKlOISIl 



(o asu 



nmn/asJiv 



o o 



rtqjlJl (MflOinrKiiuiikiKmflJicjanniifiiaqnKi 

o o 

(MKi^(i|(Eii«|Ki)(Lnnann\ 0(k*Ki(isnfi| 

CL / O Q 

cifMOJicnN icjKinin Kil 
(KjiiKi^fLnKi£iï(ünKi(U¥)\KDcnannfln(i^<L^ 

J ^) |ku 

OKTIftül 01) 

O 



1 



n 




cv • Q 

(kJi O om ^ Tl II inn a(M -iA.Ki|| f| inn 9KD O (k; 

djui «u (ü; £4 Tl mn (M 

om 



ejTjinn^igj^x 



QO / O Q 

^o 3001 ^ KI o(M Km £11 (k; mjiii 



V. 



132 



PEABOE DKWa SOEKMa. 



nrmnaiiooflSYi \ 



1 



(Uïl 2 (KI) o 0^ 



UJI N 



O Q 



ILJU1\ 



KIO IST1{)\ 



otsnii 



6^f£/IIIS¥ll| \ 



1 



/ 



6^?ieKïi|]\ 



QO 



OJI 



mOsifto KI n 0X1 iHi ^ (KI (Kil (Kil I oji cm \ u 

(KI (o (kl fi «1 3 im jl 



v^^ 



ri 



o / 

KiaJU)ftiDfM(M<UK1|fiK1\ müUQ 

Q O Q 

i|(KlJ112iaiO'l£;(UII(K11liD(M»\ dOJITlKl 



(Oj Tl asn (EA iKKki KI toi en asn \ iUKii 
n 



cncxinKij 



(UJiaju)\ (^ca(»jf(Kininj|(LJiasD| 

Q Q < 

a^KiiKic]icnaiKi| oiviJkf(iJiiufcnncjnn 
c]oc|(Lnf|o\ «siiiof|(Bi3(M(i|oao«in 

Q (CL 

üi|Ki|(mfiCjnKiinnKiY\ l^inisn 



O o 

(MfMOJI 



O 



a 
1%) 



» » CL ex o. ac^ 

mfin (kJi^(i]Kii(iiiJ)KiflLnnnnnniKioo\»u 

c]iai2C|(m2iuc|ina ^ «uaxiKDCbJKnfmso 

Q O O ü 

Qnn(Mcai|(Ki\ niKiamKiiKKkioasiiTisj 

Q / o a 

(KodJiacncnnniuiKKiiKDiKiN isnKi^oiiiun 

J ^ /^ a 



o eva/ o_ P ^ 

r (cijj n (iüicaTn\^asmïiiin(niïiiAJïCïjfcixo 

q/ a ^. 

(UU) I|(KI2inASTI|I|{EJI2Kl|| OtlUKIIIEJI OOR UU Ël 

Q » O * C> «^ 

iKlTl(K11C](UU)\ £llC](UVl(kllC|i8JI(K11»£fi|T 

/ Q O O 

(KUCjON (lJK14CUlCn£JI(M.^\ fjOJUIKjiniM 



"^•^"yim 



FBABOE DËWa SOEKMa. 



133 



I CJ 



iiKiuasn \ 



^ 



HX3annn \ 



CJ 









dJICUN 



axio«5vi 



«j«y 



lUiinjiN 



niuio^j cun (lé;: \ 



6^7(Ejica|| 



^jia£;<uajicn«sT)^(kii|Ti(un(Kiiasi|£jiiKi 



(m 



Q o 



Q> 



^ol ijirïï3«)oKïitJiiG(nj)(minj|iisïï ^^ 
1 JO ^ I 



U^(K1 



n 



1 



osaoio^KiotKJiiHTnaJiidn \ 



a a 



/ o d o 

iHi(Ki.di.Hisii(LiLncnn(Ki(vin(Mj| oim niüna loi 

o o o o 

od^oAJiN u/iaJuiff|axioaJiff|Ki3q(ic|<uaQ^ 

Q / 

(» (En in I1SY1 II 1K11 ocu iM O ^ im (H lic; \ im 

Q Q Q 

nnninnKi3ax)0(M\ ca 



"3 



•^ü 




oru (ik (o ani ff| M o(M KI) {EA in irn OOI M (¥11 f 

ninn 3 (lO) o ik; (LJU) \ (HM a(K]i M ^ im o Ki|^ 

o o o o 

oic|&GO(M*^i)cnn3 asm Ki o axi o ki .ïfl^ 

I o 
(Kn m Kn KI n 



a oo 

(kjiO(Uïiin«icB(nji(CTann(m\ «|iKin3(Ki(Ki 

O J I ^^^ 
asu «Jl } J 



(]flllO'K}|| 0(K10(KlinJl£ll(01(IJV1(IS1f1(EJIIKl.^ 



Q 

in\ 



fcnni] (ki 







(UlO 



CU o 

(Km \ QsmiKmfajm 



in 



(k)i(Km 
iinjiibi)Km(M(K]C]in(Ki\ c|ax)C|Kiff|(uu)Ki 



184 



FJELABOE DEWa SO£KMa. 



I CJ 



CjQLÜni 






UJI\ 



CJ 



dJiomiN 



(U)(]aji\ 



uji\ axiKiiK;ujicE«ao0a)Tiin»ium<u}ia| 

Q Q I 

<J 1 



a 

OJD 



o 






V 




<uak(UTi\ n(Ü¥i30a)UiiK;(uuiKi|OCUf 

o o o 

ILJ11(K1||0SY1K1.J|.9<|CaKl(I|ClltJG\ (OHITIom 

(KI (KI aai o Cl (ki .Jk \ 
«SU Cf 




((mjl (iriJiffl5vi((U(oii|cjnoaj«ai\ (uhk; 



osYi(Ki.^f(tJ(Eji'¥i»iin(&i(fj\ (bimiai cioji 

* o o o 

ff|(La«^of\ 9iiiaaiaruiOKiaji(ER\ (kiua 

ikiiK)(M^Kicb4\;inc|Cjcionnn\ sdjoifitt^Mn 

o ex. o 

(U10aX10\ lQiaC|85D3I|(Kll ^Kl 0^ iOJ \ 






C=v 



/ 



o 



((mjl il^ Tl o KYl(rU (KV) o 85YI \ «UtEttKIJIl 

ex Q o 

acij|»ii^(nji.(kiaii)(na^in(isYii dj|(ukiuii 
toi (on oiVKCii \ (Lnn(isv]iK;(Kiin«(njKi\ oa 

,<^ j o I 

/ a/ * CL / 

Q 



3^im 



Vjgn (M (^ (UU Tiin cicjCKniii^nnKKiioisaju 
(|aiii(M(Kiic|oa(Kii(nj|(ik(o(ojc]fljnoasi 



PKABOE DEWa SO£KMa. 



135 



om in dsvi OOI \ 



■1 



ta)annnn\ 



o Q / Q Q Q 

ü ^^ cJn I 

g 1 I 






(UI TIN 



«u 



I 

cn(K]ikAO0(Yin> 



nJidfuiN 



o/ 
rpnn oruif asYioniLnncinnqaiTiiKiisTix aji^^-^ 




f asYici 



cv / a Ck ^ oo 



im IKin (U: o (M fj M 3 Tl KI Tl IISII I OiriOSflCEJI 
(X 

lil cinn KI 'M Hl n 4m£jiKiijnoaxio\ kiio 



Tl 
Tl 

(UI 



>» 



■^ 



>^ 



o 

(Kjjl (öl Tl OJI Tf 1 (Uïl KI aajl -Jj (UJ f \ (ïTKndSïl 
/ Q o. 

kh «I (kA 3 (ULn 0X1 \ nKiaTiOKienarYitru 



o 

OSÏIN ((Cl 




C5V 

aruid^nrïi 



(n iisin (M n iinn (M osvi inji iioi II (o (C11 n 



dci o (M KimmAJi on j 



IdClOOJIKII 
(UI «1 KI .J¥) 3 IJU» O 



O / 

IJflN (kl|(Edl\ (VYlffl 



O 
TllCl 



Ki.j¥)3uu»QKin^nn3ojuiKin 



^s- 



I 

j «rn en CEJ osn \ 



00/ 

0^ (tf; o onnn o \ 



CJ 



/ Q 
flXKKltMKlTldiUI \ 



O O Q O / . 

nU3(K}|(LJI^(K1(U1KlK11.^^i{JI O (M (Kil (LR 



"5 



/ 

anni) KYi(Lnn(isinTi(Ki^(Ki 




osin 



ijci(0(KinKii(aj(cii(Ki(iJiKn\ 



(kiqiljin noxidi 



136 



PEABOE DEWa SOEKMa. 



ca 'vi O C5V1 \ 



cv 
okiicjottin 



UI Tl u asvi \ 



oé^iKTicnx 



iaxio«5ïi\ 



OXIOn 



■5 

1 



1 



<jnTioiisii\ 



(o (oi ü (timsin \ 



/ o 

Ikl UU) o «^ OJI \ 



£«OK1^CjnTI\ 



/ Q 

OklUUIOd^UJlN 



6 



^ f cEJi n asvi -JT) 



(Mfil||\ 



/ Q 

(M UJ) O (U; ULD \ 



cJ I 
osiYfinn N (EJiann 



IK1\ 



/ Q 

ikAuuio(u:uji\ 



I 

Cjn(K](klllKl(UU)\ 



a o 



o 7 aj¥i (ïYY 9 liui (ULQ OOI (kn o KI II Mn «Ol (M 

o KI KI) N 



Q /a 



^(s 



* QC?v O^ 

(ui)ionninncuLf)KDKnfté;^ucsYiKi)i&|\ 



o o ex o 

OJn UJI OJD dJI lUn (KA /KI C4 \ 

Q 

KI) .Jin C] KD (EN £1 ^ 



/ 



(M Tl cun iM « mn 




te 



nri|i|i KVKLnnasTiiTiKi^ k)( Km o \ kd kd 



m (bi flSY) KI Umn \ 



(ofCïlTlOf 



Kiic|ocnnff|annc|KV)OTiiknK)ft 



o 

tSIlTlfclTl 



KDOm \ 



KH (UV) dSV) Tl KI ^ KI ( KY1 (EA KI) ton (o O) \ 71 



dsin 






o f Kimn Tl o nnnn o \ 
j\ CJ 



o o o 

(IJU)(lJllEJI(Miri«IIEJIfJ^ 






o / * / Q a 

(nnit (LJUiaJuloa3i<qcri3i5inoKY)Kifl(uvi»i 







(MKHO (klKlOKig 



Cl) isv) .JU as \ ntxiu 
oajicniN 



KI TIlKm C| 0S¥1 a (Kil) KD 

(KIB (MKDKllKII) 
"^ ) J 

(Ei| o KI Km «Jl'ï Kïï (UI KI^OJI KI cm KI \ 



(KmioaruKi 
o ex 

(ïU|(fclTI> 



'fy\ 



iBiainn\ 



(M Km (yi.iKm Qdi 



PUABOE DEWa SOEKMa. 



137 



I CJ 



II «1)9^11 &GO 



U €3)0X1X1 O 

Q 
9SÏÏ\\ 



I 



ik; oq iky) \ 



o !K1] 0X1 Tl \ 



lUKTUX 



CX » Q 

inn oji O cni f (un §q (M Tl M en f (un 0X1 0X1 c| 



■j(s 



CJ 



0X1 



(KIN 



(n\% 



I Q 

ojoiJioac^ajuiN 



/ Q 
OXKKlfkflKlintAJlN 



6^f(&iciQSin jvi 



(KAOn 



til 011 KI ^.0X1 Tl \ 



^K,^. 



/ a 



I (mjl M 9 onn (M iJii 0^ (Uil «iï o \ TiiKinoxi 

o » (K) Tl (o (Kil 



•il 



Q Q Q 

^0£;aO^^ TIIKlKIIVUfCU 

Q / 

(M(K1\ (Ullll[nK11I|rMaTlK10Xl\ 



0(M^oxioafUfoJi(Ki«aiojuiojut(ajan|\ hji 

(EJionrïii<uiik(Ci)OJiarijiftqioJi(isvi(EJi(KiTitii 
CO I Cl ïu J ^ 

o 
cinnTi % 



lli!35*":J1 



(bi)nnn(Kin(Ui<iru\ 



5 



Q . / CL / Q 

(fj rvR O (LH Qvji (Km I o (C11 ojh kti (bJi\ onji :b| ki 

Q o / 



1 



«il ^m fvri tm iKi oci \ 

ca «^ 



«aioxinoaooxui (ki 



(yi\ 



QO 



aiiiojiioLnnc]aAJiaiaitai(i^o^(inioJi(Kuaji9\ 
ff|oxiooj|iKii\ noxinKioxitxi 



(KnojuionioJiffioxiooJiHii \ 

o o 

(Kii(K(Ki(Ki\ (Cinn 



1 



taiannnn\ 

CJ 



0JIÏU\ 



C5V o C?*' Q 

afijioé;flniojiarui <nji of; oji (eji 



y 



5^ 



Q a 
arm ojn (ki 



Q o^ • Q 

crïlTl(OIKlT|\ Tl «j 0X1 KlIKl HU \ iKmOJKïïl 



^ 



\ 



(oamiffloxioiMiHin \ (uii(iJLii(iq(iAj|(Ki«ii 



138 



PPABOE DEWa SOEKMa. 



(I^{K1(K11 \ 



9 






1 



•KYisanm \ 
CJ 



1^(K1K1I\ 



s 



«10X10001901 \ 



6^f a tl dSïi, nn 

(KJIfJII|\ 



/ 

UJIfMCUVl^ \ 



1 



QO / 

Ma(MU^Kio(kjiaai(U¥i(kjiincjciKi\ 

o ü 



Q O O .. / O O. * 

( fm n cjcicjciff|Ki(unftiiiiiiTno anm n ojh ün 
(Lnnint|KiO()J|iai \c|inn«qisiis-iHiiiuui| 

o / Q o 

c]<Knaff|iKia\Ki]OiKi(KiiirYi(nji(rn4nji\ ijq 

Q Q cv * . / 

(mKiiorMKiin\ iié;cQin(Kii(isvioarin2u 



')\ 




QO / 



M (ca O ^ N 

fiajuiaaiflLiii*inMiciaxi(KiiKi(Kii\ innisvio 

I -^ I ö>d' 



(Miif)»aia«)0(uviciii^Kii(^\ ojnocus 







qqi 



dJioru V 






(on tiaxiiKi iKiKiiiLnn (fj«ïi-A«io 



■C9 



^ 






6jI^OC]IISY1 J¥) 



/ 

(UU) OxJI (U¥1 (1^ \ 



[aqnii «maJicjflSYiiKiiKK&JKeN ojh 4é; mn lo 




o 



oxiooTiN (u(oiinixi(iJ)(ki9aian>a)2ii|U\ 

0{M(EJic]>ait|02cnaJU|ixi\ 'Kiinaji2i5ni| 

o. Q 

«iiKUirui/rkJix iLnnnnn(nji.di.Tinnn<|Utfu 



1 



'^"tü 






o^(M||iK)qaj) os¥i (KI o m o m ^ 

IKl, 






o -A (EJl IIS¥1 .Jl. OËN (KI (KH \ C|K1ia 

co ^ 

c]OiiCx(inji«ai(Kii^f|isviiKi\ niEJDfM&atai 

«1 dsvi (KI (KI > fj uu ie f| (Kijm £1 K) onn (ki ^'j 



PEABOE DEWa SOEKMa. 



139 



"1 



CJ 






1 






1 



KIDCÏITYl \ 

CJ 



(UioruN 



(til (C11 «1 r^U\ Tl N 



/ 



AJionnN 



s 



SOI 



LasTiio^(Ki(u;f(uniKij|aajia^(M(inn| 

o o o 

^CJClua^JlKYllLJn(Kl»lClJi|lXlo «nrnsKio 

Q C> o O 

flSYiN asi|£j|(Ki§qc|iaKi iki soi n aoi oji na oji 

j )^^ I G^di ^ 

iKi iiJi <nji CO I (M orn (UI aan O (KI (lé; Tl (i)ca (K] KI) 
cjciTiasTiisi|«ü(ün(Ujncjn\ 



( ö J 



o o 
•oi cvYi CU (vm «u 



o o 
mn oji (uv) (KI) 



\ icn 



o Tl 



\ (Majci(cij||(mi|in(iJicu<| 
ncinn3Ki||oixiC|KiCd|CFjc]aai3 c]iki1(Mti\ 

^3 I I 



«sTiKKUfiajiDYmosKiN iQQS)ni|0aiaim 

OO 

annujinnnaiJ|\ (bii(ki(njit|ciiaff|oaxiiKiiaJi 



^ 



Q 



•turn 



Q Q Q Q> 

(iaitaiciKi(M(iJVi»ai«|(ciii)Qaji3(K|\ ofonn 



1 



m(ci(n«nji3(Ki\ of( 



OO / 

c](Ui(isvi(bA(Ki||i6i|annnrYY9l^c|0ai3(M^ nrm 

o Q 

n (U) liii loi II (ur (un KI] (un uui UI KI \ (Lnnn 

tuuiaojiTi^ ) 



1 



|OOK1|tJGTlK1inO)(Kl||(IST1<lJIK1l(LnriT1 

(LnjYioi4rui\aaji(i^(ocii{a(ecsvi(nji 

o> o- o 
njirMt|axiui(Eii(i^\ dJ'Ho^iisiKKUitKD.^axi 

(UJ)\ 



9*5 



/ '! / Q 

uicnno£i(isD\ i fX)(Kl(kJl>^'VlllUl^ 



(UI Ki(U) ooii «I (Lci o (tf; \ (OvA ^oe; o (EA 



^«|.J«1^(Ü|»U<| 



140 



PRABOE DEWa SOEKMa. 



1 






I 

ujiiMiuniie \ 



^ 



Kin2amn \ 

CJ 



MflTUN 



CL I 

^oaJlaJllJn^ (un m (bnoji kiikd -vi ci o^ \ ui 

o . o . o a 

ijcncjox aj)iu;9<inniKicn7nKiiciniai||ii;ii 



/^ojiKUJKLnnajLnN niaia<|oasïmjntaiKi^ 

Q 



£11 \ o((ki(Ki(uinQLJ¥i«iBiaiKin«|iri)i{ii 



o 

OSf) 



arvn £i| osf) «CU ftO) lil I \ 



O) in 9 (oj (en C| co o (M IKYI N CU UI ITU JliKIt 

(uionnnf (iiviK)|| oruiokioaniixiinoisiiQJi 

. a O' / 

oannf(uiiKiK).^(bi\ (Kiruirwiciin^ 



1 



aX)TlO<ISY1\ 



(klCEJI\ 



o 
a5in\ 



/ o 

iki uji o (ie; ojui \ 



<|<Kin3C|U(iaii|| \ 



/ Q 



lai 



• O / Q o/ O O 

IK11(K11(kJliEJIOTIIO^(KD\ (kJUnCJI 



QO / 

(UI) (ui(tn arYVi O \ ojidjiiiii c]oji3tikiixic) 



CJ 



^ I 



«|M1\ 



Q Q 

f|ixi3(kJi^(Kiiiii]<uajiKiiai\ t|xiKinin 
KI ism (m cvrjji \ (Lnne^ianuiiiajLflKinjnann 



^^ 



0(KJiia)(Lmiiaiia)C](oHi)\ i<PJ|J| 



i CJ 



dJïanJiN 



(TUI df; (kA cËJi rvn n iri <Km o ijci iru (Km ki .jn o 



FRABOE DEWa SOEKMa. 



141 



l O «nj oxnn O 
o 



ijiui£]n'KDfl 



1 



KvaamnN 

CJ 



o o o o 

«SU J^ 



Q / . 

(lO) no 3 tan co ocxi 3 novA ^(^<Ki) (on f \ (oj 

(kh andJi cmnn o ffu (k; (MO <u¥i CA in arm n <u 
CJ } J^ \ 

o 



I Q 



/ 
uu (KA oun Qc; \ 



(unoniN 



{ 0C>00 / Q 

((cnnj] fjM\^»aiËJifliiaji(KifX) \ 



aaio 

CJ KL KI, 

a . a 

iKio Tl Km cjo \ ojnauiaaicinnnninimaJiKn 



!3 



co I jy 

IKifN cmnoÉïflbJimnfïin * * 
^ I CJ 

o Q 

aiDKlTflKlTlx düOaËsCUIKIKLflTI 



KI f \ ojvi Qg; dbJi n nmn a kh (ej kh ki \ oim 



o Q 

Kin azD Kj Tl KI 



«LR KHO Tl £fl| \ 



(EiiKiooiuiKTi)(Lnasv)Ki\ ricq 



KTltO 

«3^ 



isi. 




Q. Q / Q 

(njinoT)Kiicicnf\i(cnKYi(ki! 



Q 



/(LJiniinfKij(njinoT)Kiic]cnf \ ^ 

o cv 

fj<}JI3MrDKlinOKI|aX1T10 

Km onj) tui UI en (Eli Km I (Mci 
(K;f !um\) 



4njiKmanj)iLii(iJicn(ei|Kmi (mciim^ oaii ki ^ 

Q 



cjv a Ck 



T 



^^.^ 



aa»a£;!}Ji(tJimo(nJic|(M3\ cjiiMOKmTi 

o o ex 

Odsmx OTiannajmKïnT)KmlMO)0)iinji 

coo\ 



OTiannajmKmT)Km|aj(cmo)iinjin 



i 



142 



PRABOE DEWa SOEKMa. 



fi^fi^(oiiniimvuic|cao\ 




1 



Q OO / 

(Lfl 1 OOKtn ^ (KI O im O 'M ftiY) £1 (kl £1 £11 > 






\m-)\rs') 



(Kif \ 0Ti(iJiTic|ci)(innn(LinKiiM9iiJTic|cxi 

Q / ex 

ocui09\ ffu o (ki KUdivi Kil on Tl 



J 



J ^ 



Q Q / » / o 

aAJiOAJi \ (Ui(MKif|(bJinaxio\ (ajoogccni 
fli)0{EB(M.di.\ óimAJTionnrYYaaioaruv 



(Cl 




iKin 3 aiin \ 
CJ 



<3>/ Q 

4ajii£x(aj(oifX)TioiiS¥Y']n 



3\ 



IZUKHKllOn 



Tfl 



^1 



OlOOKLfl^imilN 



a 



cncuoixiON 



1 



((tn O] mnn o 
o 

(ISYl \ 



I01 oaji fi 0X1 o \ 



1 



(UlfK1^J(U|(Kf1\ 



/ Q 

(U (UU) O 1^ OJU) \ 



<ia 



(KJIkJ|o(Kin \ 



QO / . / 

^eUI )(UI M ^ IKl 0(M lOI o Kn \ 
o J_ 

([cini] liii o 9 ojui ojui (Kil oii (Lm o \ 

o (KI (tn (KlAO) (KI nm 0X1 ^ (ÏT1 f \ 



OSVIKI 



^ 



rKi(8Ji^ (Kisoi (ua:ii(Ki(^^l(Kiii floncwiqai 



it 



ao. 



:^'a 



o/ 



\ 



(Kil (Kin (O KI osv) |] Il 1X1 o (KI loi (tn m (ki -!«. onm 
(bi (vm oru uui > (Oixji(Kin£iicinnTiKi(&i^ 

Q 

(KI II (hl a om ff| on 3(nfin O (| O (KI ^ 



PRABOE DEWa SOEKMa. 



143 



iai3onnr)\ 

CJ 



AJIoaJIN 



(01 (UI (CU .^ kh lO) cm m ^ oru a^ nof; o om 
o * .o 

CDaJU)\ CEJI 



*5 ^ 

IK1(MTI\ aX1(M0(KY1TI\0 



•j 



3' 



19 



oo 

Icm Kfl on Tl 'M (UI (KI I) 



0X1 (Tu .^lui Kin t) cni Kil on TifM (UI (Kin \ 



miqaj| Ti\ 



KI O) tJlQ \ 



13 



cniK)<kiTi\ 



ia 



5*5 



«jmn\ 



ca(Ki(M(^o \ 



ia iKj (UBi icnn \ 



nKinsnmn 
1 CJ 



uimjiv 



(mjl HT(Kin|ajcii(Kii(is¥io(M.di.Ki||oi(nj) 
iaorM(innia.J¥ifFji(Kmc|ii)n3Ti\ ojinoi 
in(Kinimj|(M(ajicii\ (^ oni (kkkh aoi 



1 



U|(nji\ 



•\ 



(ui(isvio(K)oinann^nnTi\ 



(Kin(U|(njin(uiff|']n(KnLj«j 



ajui3ann\ m 



im 



(cn O nji (ik (cn Tl O (m ik (M (UI (oicnn oin(Ki 

(Cll UUI uu (UU| (KI dM IKl KI II 



n iKn CU aui \ 



ia(Ki?ïJ|(o(m\ 



UTIOW 



n 



I Q 
ia (KI Is* IKl Tl OJUI \ 



H¥i2nnnn\ 



CJ 



(UioriiN 



Q Q » • / 

onfin (uii(uiikiTi(M(KianniKi\ (kh (m cba onn 




a Q 



(man]iKi\ (KiKkR 

i|iac|K)(ii;(ini(0| 



(feitcniruciiaoiina^N 

o 
(M £1 arïm (M n (SJi (KI «sn (un Qé: d] cm 3 om \ (M<ki 

n 10 n (Kin « in c] 10 o (M loi (u (cn \ 



n(IOI30l(»OI<Kn(r[J|(Kl.J¥1TlO(Kll| fflUUl 






/ a Q 



o o 

103K1(UI(K1 



(0(0(010 in (KI 01 lAJI (KH «I o 3 KI (UI (KI (B 

Ti\ (Eiiik(M(ui(e(njif \ (jLj oni nm an/i n ia 

o 
ON <uiKi^nmaii(kiTi\ 



144 



PBABOE DEWa SOEKKa. 



MfinniKKknTi \ 



cncunaxio\ 



1 



Q 



1 



CJ 



(Cfl VUI fl CjO o N 



1 



lu fmn «) »j Tl V 



CJ 



UI 



5*5 



OXIlflN 



(mi 



ajn(Ki(Mo(iisvi\ 



y 



in 



*3"3 



fljcnnx 



CS' OQ oo 

i}a)asii!kjiaaiia)innino(M\ cji im <i ki ki 
ofmnnflEJ|N 



iün»^iJin(ié:irTiomiii||(Liic|UJian(ia) nio 



nqasntiarfiaJiaJiflnsdi^aKi 



jj I 



cmn ^ ^ 



1 



:i':J\^ 



o- a 

cncjiioincixcuqixiiui'v (kKkinntbiiKiiHi 



UICU\ 



(y 



I 



iKi-di.raji»i(M(K)}-J\ 



C 



CL Q 



m on O onn KI n d/m Lc^ HD ^1 ftii) (I.JI \ cd 



CQ 



O 



ajn(Ki(M(Ln(iKV)\ 



(tn «1 (Uin oxnn \ 



dJiorux 



o Q Q 




nonn 



nriY iKn 3JI on kh Ki(Eji \ tsmcuu 



Q ~ o o 



f|tJUKi^iLn(ic;a5n(ki|| asnuncDAJifKiann 

Q 

(EAdiKi^nnainQSVKaasviK) *vi(ki 

ex Q Q 

ih\ KnocnTiii)ninTia(Lfi(»JKii| 



TflN (TU 



o 

•OJI 



o / Q 

(u; (ii; mji (KI ^ (UI ( o du: -yiisin 



nm 



'M ojin (M KI] flsn (^ 8Z1 Tl \ (ooioormKisj 



Ti\ <U(u;qaxi(Ki(ei£;(Bi^TiiiininKi8q. 
<Kn\ anjOËNflXKMCiiKviTiasin 






a' 



1 <S,c 
en kil UI ir) \ 



(niKHKIKIIN 






PILABOE DEWa SOEKMa. 



145 






o 

KCKliKD N 



/ O 



6^ 



f£jian 



9SV\ JV\ 

(kJICEJII 



^ 



Q Q CL 

I (in n n .inc f cun KmcjiuiiaanniKiN Kmoii 

Q o o 



«15 



3j| (KI (KI icn £JI flniisv) om m (KI (KA 99 \ »iii 01 

•a)(I]IKD3T1(K1|OnTl \ anj^Ij'KViqQHlIKJKKYI 
o Q 

oruKiui ^ 



nKiiionnn \ 



o<rui\ 



LQOJiciKninv 



/ o 



i| «XI to (m kh \ 



6^ 



a(iJioKiiin\ 



f£ii«|«sviJin 

0J(E1|I\ 



9 



/ o 



K11(kl(EJI\ 



1 



CJ 



uaru\ 



o 34 «im (UI «I o 1KI tfu n (o 01 (ui q>a ö (kii in 
(Cl (ki (irm 10 \ 

9SL 



ex * ex. i ^ 

f (m I (ünonirDa9Sii.^t|(KM(innaL/vicn|^\ 

o / ocv o o o 

KVi(B(KiniiJ(iK(Ki(ia»a:J(i£;Ki(K)\ (uneuiim 
aru (10, ^ d 

J\ o df 



Q Q Q 

(iqfiqocsvi(KTnKi(Kii(Lji(ki(KinafU 

Q O 

iEiian(Ki.^3'K]n(iJi(M»nnK)j| 



iii]\ (Mofin 



I 



w. 



UI 
^ 



O o 



^^'^^')^T ^ 



^(L^n(kl 
as5 



o 
(Lfl KJi oru f \ fljci(Kiö(Kiiin(KDflno3 

O CL 00 

Ki^HicEJi^Ti\ 'vi'ic:ttsii(isYicvin(0(Lnn(i]oi2 

(ISV1C|(K)2(KlCOJYI(KinO(l£;fN flCCKKICJI^ 

iri en \ KI (Ei (M (bR loi dJi o r (UU kd (ml onn (ki 



(uiKi^()miKin^|)(»«ai|)\ 



?• Volgr. V. 



10 



146 



PKABOE DEWa SOEKMa. 



oji Tl on &jn \ 



o o 
o en oj asn kh \ 



^la13a1nn^ 



aajicinHii(^<| 



1 



}ai3(ki \ 



o 



(Kip|(Kin\ 



OCV Q O O 

dé: ik; oji 8SI1 ^oji asin 'M asm kh 



Q 
TIISïlx 



iM ftAA o lè; aj» \ 



djurtn 



cv o 

ibi osf) o (tt; OU) \ 



(onnnn6. 



QO / Q 



im-ai 



(KiaJia5f)9ii]cn3iisi|Ota)Kig9JCi 

CIt (ISYl( HU I) 85Y1 1 Kl^ 11 % iKn O CU KYl KI 
o Q Q Q 

-¥19911 Hl) \ HnKi)<uf(ki£j||cu(KiiJif\ un 
onlxol^HinjiKYiN Kil «svi « 9 ojTi (KI asn <u 

Q Q/ o 

{EB>^0sJll|(K1]OKlHlTI9Jinnin\ flSD^fOOIIO 

o Q 
301 1 H11 (O! 3JI \ 



o / 

o f (YIl (M (KI] OSfl (Kljl Hl (O n lil M «u ,aj\ 



Ig 



et 



o 
cniuitvu 



cr»^ Q Q 



(^ o itf; "vi liJi UJ1 Hl II 



oru cYi) HU ( J| 



«K1ia(»J|\ (kl4Sf)|IHI)\ 



ISYlil^ 



o 



n 



un 



a a 

rClJII] (kl(LniEJI9slflUf1ir)lLILJ|flXl\aS1)K11 
o Q» ex C^ 

iKtinifJi) ijHDiriN (aiii£iKiiiKAa{]C|flAiiKi 

o o Q Q o 

Hl \ Cl m (UU (Kil uu Hii oru) -ïi o II hi ix^i hi 

Q o o . CL 

«UQSnOCM \ OSYIH; T1(1JICEJ|C|H11H1UH1I 



(ÜY1 OC; H11 n H11 lAJ) Hl ^(KX OJI II (U¥l n Uil 2 n CT» 

Hl Miri Cl Q!JL^ (ciin uj) :ki anji Hl .^(cin Uil tl 



ClOJKl^Tflv ftp 



ICIOJHI^ 




PSABOE DEwd SOEKMa. 



147 



1 



Kii9nnm\ 



onjiN 



(aj(kjiit5Y)BiK)ntUi»ii\ (ifui itf; \^ lEJi mjt f \ am 

Q Q . O Q 

ilXl O (I5Y1 O «I O 3 Onn Kïl nj) IIA.1 Hl ^ OSIl ? CUI 

as|n 9JI flsn loi X 



I cn (M em (Kn \ |; 3J| luii o «; aiui \ 



LR kh en o o a 
cvn\ 



1 



/ 
njin »i =(Ui (K] (Uil) 

osviaJuiN 



1 



CJ 



€IO(UV)(klKl 




Q Q O Q 

a o a o 

.e«|Ki9(Lanma^iiflSY)|| iisii on ki ^m aan (m m 

a o / <> o o * 
J CJ ^^ 

o C>0 Q Q 

I > «^ I CJ 

a > 



inn «; Cl «I (vn 1 CU oiKiKig un «| uu i <] lo ki 



/ o 



I 



( ^U 



iLA Tl m M.\ iLniKirLnnTiTinKi£iimio)en 



\ 



ttJIiHIKKlv ((Cl 



l^ 



inK|9l 




(nji3é^(0\ a^asiri(MiKiiKiniKi)noa(Ki]((Ji<| 

Q CV 

ixn Km Tl m ox» aq (Kin HO Tl X 



1 



ÖJ 



1 



(ÖIN 



iE5Kïjcno(«TnN 



lUKniXITlX 



«o IK) ^4,1X1 Tl \ 



O Q Q .Cv 

mjn (Uil <Ln (um (Km CM KI nm iKi \ ikh lUi a^ uji 

o Q o o V 

om (M (fcff tfcii \ iiaJiio urm.icirwoiLCi \ (M 
J"^ 1 J \ M 

Q Q - / Q 

Uil (Kfi) (Km asf) on n/n a it£v >i dsm ij «b «i (un oji (K1 

Q 

9on\ dsmin(jKm(KiTjo|«smiKAf \ 



flniKmrun c|(Kin? 



cv Q 

iun te 9 (U¥i (ii; (fcjKkn Tl > o/m 

Q cv c^ a Q 

OTiitJiidix oKïj(UiTio(Oinii*na(Ki(n(io 



148 



FBABOE DEW& SOERHa. 



CJ 



o. o (X 
(ïin cnm (M nn \ 



1 



CJ 



om o osfi oa M 

IfcJiN 

CXI 



OdfU \ 



(ui^ ncüin(M(Ki 



1 



|ldn KD «03 <K13 



lEJI OS (El 



«u f 01 riJ)(kJi isD arm cvRB \ 



\ 



isnormcvRB 



im(jfj(Ki|i \ 



UAJiiKin ((ua;^aiina^*)iiflsin|| fun oji «sm kii o 

Ti(Ki!iisvi<)inn)£Ji(bi\ cnncii nnai ooi inn ifi 

Q o Q o 

7 oa, asi^ Jloo, 1 I \ 



0| «I Km Cj £1 9 (KI UVI 



Km £) 9 (KI UVI iri OJI ^ ^ 



im 



OQCUn 



CD^ Q/ a 



/ 
ixi(K]'uoaYin\ 



o 00/ 

o o 



ojTia 



Km^n£a(Km||(umaé:(EJia£xisitaicMtt;\ ieiqs; 

CL Q 

ijm 13) aj» o nnn KI ü Kin (Kïi ^ 



iMibi^Kifii Ji(kicjciajin\ iKiia5)n(vifinc}KiiK)Kmafi(inntsn||\ 
\in<|axiiKi»j||iU(Kii](umcEi(isuui\ 



"55 



O 

cmiKii 



PRABOE DEWA SOEKMA 

OF 

PETROEK ALS VORST. 

(Uit de Wajang orang.) 

DOOR 

W. MEIJER RAXXEFT. 



Er is misschien geen volk dat zooveel van lectuur houdt als het 
Javaansche. Zelfs in eenzame streken, waar geene scholen zijn, 
kunnen de eenvoudige desa-bewoners gewoonlijk toch wel een weinig 
lezen en schrijven ; de kinderen leeren dat dan van oudere familie- 
leden. Met deze liefde voor hun taal houdt nauw verband hun groote 
belangstelling in het Javnansch tooneel. Over het geheele eiland , het 
meest in Midden-Java, kan men dit opmerken. 

De Javanen noemen hunne tooneelstukken , of liever wajang- 
stukkeu , 1 a k o n ' s ; zij bestaan meest in handschrift. Vele Javaansche 
familie's bezitten zulke documenten en bewaren ze , met andere ver- 
halen uit den ouden tijd, als zaken van waarde. In de rijke ver- 
zameling Javaansche Handschriften van het Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen bevinden zich de afschriften van 
al het belangrijke wat op dit gebied bekend is. Verscheidene waj ang- 
stukken zijn reeds door dit Genootschap in Javaanschen tekst uit- 
gegeven, doch de meeste bestaan alleen in manuscript. 

Bij elke wajangvoorstelling is de gamelan (een stel bij elkander 
behoorende inlandsche slag-, strijk- en blaasinstrumenten) onmisbaar. 
Er zijn drie soorten van deze vertooningen met poppen : de waj ang 
poerwa waarbij de gamelan salendro gebruikt wordt, de 
wajang gëdog met de gamelan pelog, en de wajang 
karoetjil met de gamelan laras rairing. De eerste is de 
oudste en behandelt de Hindoesche heldensage ; de beide andere 
hebben betrekking op de Javaansche geschiedenis vóór en tijdens 
de oude rijken Padjadjaran en Madjapahit. 



150 PRABOE DEWa SOEKMa. 

Verder moet uog genoemd worden de topeug, een voorstelling 
met gemaskerde personen, doch hier zoowel als bij de wajang is de 
da lang de persoon, die de geschiedenis voordraagt. Daar het 
echter niet mogelijk is dat één persoon voortdurend aan 't woord 
blijft, treden nu en dan grappenmakers op, die de toeschouwers 
geruimen tijd bezig houden met hunne snaaksche zetten en kwinkslagen. 

In de Inlaudsche maatschappij is de dalang een nog al ge- 
wichtig persoon, die gewoonlijk vrij goed op de hoogte is van de 
Javaansche literatuur. Zijn pakëm (de bundel die zijn répertoire 
bevat) bestaat uit verscheidene lakon's. Hij kent den geheelen inhoud 
uit zijn hoofd en als hij eens hapert, weet hij er zich wel uit te 
redden. Ook grijpt hij gaarne de gelegenheid aan om er een toe- 
passelijke aardigheid, die pakt, tusschen te voegen. Er kan van 
hem nog al eens gezegd worden, dat hij er geen doekjesom windt; 
hij kent zijn publiek. 

Boven de genoemde tooneelvoorstellingen staat de ringgit tijang, 
de Javaansche wajang orang, omdat de voorstelling door spre- 
kende en tevens acteereude personen plaats heeft. Toch krijgt ook 
hier uog — zooals beneden zal blijken — de dalang het leeuwen- 
deel. Deze wijze van uitvoering maakt het den toeschouwers uiterst 
gemakkelijk om op de hoogte te blijven van hetgeen aan de orde 
is; de dalang is het levende tekstboekje. Vóór elke verandering 
van tooueel deelt hij mede, wat de vertrekkenden gaan doen en 
welke personen uu zullen optreden. Na elke djëdjër (opzet of 
afdeeliug) — wij zouden zeggen na elk bedrijf — houdt hij het 
publiek bezig met grappen, die meestal niet bij het stuk behooreu 
en alleen dienen om den spelers tijd te geven om uit te rusten. 
Die intermezzo's vallen zeer in den smaak van de toeschouwers en 
duren soms nog al lang. Dat is dan ook de reden, dat men voor 
de opvoering van één stuk gewoonlijk meer dan één avond of nacht 
uoodig heeft. 

Het moet ons niet bevreemden dat de voorstelling met sprekende 
personen niet spoediger opgang maakt in de Javaansche maatschappij, 
want de Javaan is zeer gehecht aan zijn traditioneele wajangpoppen; 
hij is iu dat opzicht erg conservatief. De wajang vertooningen met 
scherm en poppen behooreu als het ware bij de talrijke Javaansche 
feesten, houden verband met het doel waarvoor die feesten gegeven 
worden en een afwijking van den gewonen regel zou , volgens de 
eenvoudige desa-bewoners, allicht ougewenschte gevolgen kunnen 
hebben voor de hoofdpersonen van het feest. 



FBABOE DEWa SOEKMa. 151 

Toch worden nu en dan door Javaansche Hoofden pogingen aan- 
gewend om het nationaal tooneel op te heffen. Zoo was schrijver 
dezes eens in de gelegenheid eeuige voorstellingen uit deWajang 
orang in de kaboepaten (regentswoning) te Magëlang bij te 
wonen. De opvoering duurde eenige dagen van 's avonds 7 uur 
tot diep in den nacht. Het buitenpubliek bestond uit honderden 
Javaansche toeschouwers. Daar de pa^dapa (open ontvangzaal), 
waar de voorstelling plaats had , eenige voeten boven den beganen 
grond ligt, konden de omstanders de spelers nauwkeurig opnemen 
en het geheele spel volgen. Aardig was het te zien, hoe die toe- 
schouwers geheel opgingen in het spel en eiken avond tot het einde 
toe aandachtig bleven luisteren. Als er een aardigheid gedebiteerd 
werd, hoorde men van alle zijden de bijvalsbetuigingen en bij ern- 
stige momenten heerschte een ademlooze stilte. De versierde en 
schitterend verlichte pa^dapa, omgeven door een dicht opeenge- 
pakte menigte, met een groot aantal door kleine lampjes verlichte 
snoep tafeltjes op den achtergrond, maakte een eigenaardigen feeste- 
lijken indruk, dien men niet licht vergeet. 

Er werd opgevoerd : //Praboe Dewa Soekma of Petroek als Vorst." 
Het stuk was in de kaboepaten ingestudeerd en de spelers 
waren familieleden en kennissen van den Regent van Magëlang. 
Omdat deze uitvoering in alle opzichten naar wensch slaagde, 
werden de voornaamste momenten in het stuk in 12 photo's vastgelegd. 

Het onderwerp van deze 1 a k o n is aldus : 

De Pa^dawa's en inzonderheid hun bloedverwant de Vorst van 
Madoera schijnen den toorn der machtige Goden opgewekt te hebben. 
Een diepe vernedering zal de straf zijn. Petroek, een panakawan 
(mannelijke bediende van een aanzienlijk persoon) der Pa^dawa's 
werd met bovennatuurlijke macht begiftigd en ontving den last 
om zich aan het hoofd van het leger der reuzen van Moesa Kam- 
bangan te stellen en het rijk Madoera te vermeesteren. De gewezen 
dienaar steekt zich in vorstelijke kleederen, neemt den naam aan 
van Praboe Dewa Soekma, en overal verspreidt zich de mare, dat 
een vreemde Vorst met een weergalooze macht naar Madoera oprukt. 
Niemand herkent den panakawan; alles zwicht voor hem. De 
Vorst van Madoera neemt na een beslissende nederlaag de vlucht 
en Praboe Dewa Soekml beklimt den troon. 

De verjaagde vorst gaat eerst naar Ngastina en Ngawongga en 
later naar Darawati om hulp te vragen , die gaarne verleend wordt. 



15^ F&ABOE DEWa SO£K3ia. 

Maar Krësria , het Hoofd van laatstgenoemdeu staat , ziet spoedig iu , 
dat hij eu de Vorsten van Ngastina en Ngawongga niet tegen den 
vreemden indringer bestand zullen zijn. Nadat de Vorst van Madoera 
eu verscheidene van zijne bondgenooten gevangen genomen zijn, 
grijpt hij het laatste redmiddel aan en roept de hulp in der Pa^^awa's, 
de machtige vijf gebroeders. Deze beroemde strijders zijn eveneens 
bereid om te helpen, doch ook zij zijn niet tegen den alles ver- 
mogenden Praboe Dewa Soekma opgewassen en worden ook onder- 
worpen. 

Thans schijnt aan de wraak der Goden te zijn voldaan ; misschien 
heeft Krës^a , die het vermogen bezit om iu de lucht op te stijgen , 
voor zijne ongelukkige familieleden genade afgesmeekt. Hij is er 
althans achter gekomeu op welke wijze aan Dewa Soekma de s e k t i 
(bovennatuurlijke macht) ontuomen kan wordeu. Daarna volgt de 
ontkuooping. 

Petroek, alias Praboe Dewa Soekma, is dus de hoofdpersoon in 
het stuk. Hij en Nala Grareng waren zonen van Sëmar, den in de 
wajaugverhalen zoo bekenden koddigen panakawan van de Pag- 
dawa's die wegens zijn getrouwe diensten Dewa werd. 

Petroek, die den bijnaam Ka^^tong (Geldzak) had, wordt hier 
voorgesteld als panakawan van Ongka Widjaja (kleinzoon van 
den kluizenaar Abiasa). De hem van hooger hand toegekende macht 
bestond hierin, dat hij slechts zijn wapen behoefde op te heffen en 
de verwenschiug lempoh (//word lam//) uit te spreken, om zijn 
tegenstander machteloos tegenover hem te doen staan. Maar in zijn 
hoogen staat heeft hij toch het type van zijn vader behouden, hij 
is grappenmaker gebleven. Hij heeft den naam aangenomen van 
Praboe Dewa Soekma eu draagt vorstelijke kleederen, doch zijn 
aangeboren lust om komiek te zijn verloochent zich niet, ook wan- 
neer hij als Vorst is opgetredeu. (Zie plaat 5). 

Op ongegeneerde wijze zit hij daar grappen te maken en zijn 
omgeving zit terwijl te lachen en te rooken. Telkens laat hij schotels 
met lekker eten brengen, neemt er met de hand stukken af en 
deelt ze uit aan zijn gevolg. Wat een contrast met de deftige 
vormen aan een gedistingeerd Javaansch hof. Men had het stuk 
ook wel //Een parvenu op den troon// kunnen betitelen en het is 
te begrijpen, dat zulk een onderwerp voor het van nature beleefde 
Javaansche volk een groote attractie bezit. Als Petroek in zijn 
hooge positie telkens tegen de étiquette zondigt, allerlei onhandig- 
hedeu begaat eu toch maar steeds aardigheden debiteert, staan de 



PUABOE DEWa SOEKMa. 153 

toeschouwers te schudden van het lachen. Dan zijn ze een en al 
aandacht en gaan op in het met zorg bestudeerde spel van de hoofd- 
personen. Zelfs een Europeesch toeschouwer geraakt onwillekeurig 
onder de bekoring van dit schouwspel, ook al begrijpt hij niet 
alles wat er gezongen en gesproken wordt. 

Wat Petroek zegt is niet op zang, hetgeen de auteur opzettelijk 
gedaan heeft om hem gemakkelijker in zijn rol van koddige pa na- 
ka wan te houden. 

Verder moet nog worden opgemerkt dat dit wajangverhaal afkom- 
stig is van het Sultanshof te Jogjakarta, doch het was niet in 
tëmbang (dichtmaat, die gezongen wordt) gezet. Op verzoek van 
den Regent van Magëlaug werd het in tëmbang opgesteld door 
Baden Mas Mangkoe Amidjaja, goeroe bëksa (leermeester in 
alle zaken betreffende het Javaansch tooneel), onder wiens leiding 
ook de opvoering plaats had. Welwillend werd mij een afschrift 
van dit Javaansche manuscript afgestaan, waarvoor ik nogmaals 
mijn dank betuig. Hier volgt de vertaling er van. De intermezzo's 
komen natuurlijk niet in den tekst voor. 

PRABOE DEWl SOEK»! 

OP 

PETROEK ALS VORST. 

L Ngastin*! 

Volgens de Javanen heeft dit rijk oudtijds bestaan in Pëkalongan. 
Personen: de Vorst van Ngastind, 

Arja Srëngkoeni (Patih van Ngastina, tevens oom van den Vorst) , 
Pa^dita Doerna (Goeroe van den Vorst). 

(zangwijze : asmara dauS). 

De Vorst van NgastiuS : 

Wel, Pa man ^ Arja Srëngkoeni! kunt gij mij ook nauwkeurig 
inlichten omtrent het gerucht, dat Madoera verwoest zou zijn door 
het volk van Noesa Kambangan? Als het werkelijk zoo is, waarom 
heb ik er dan geen bericht van gekregen ? 

Arja Srëngkoeni : 
Als van de loopende geruchten slechts iets waar was, zou men 

' Paman = oom. 



154 PBABOE DEWa SOEKME. 

U wel bericht gezonden hebben. Wat zegt gij er van, Kakang ' 
DoernS, heb ik niet naar waarheid gesproken tot den Vorst? 

Pandita Doerna : 

Gij hebt gelijk, Di Soeni (verkorting van Adi Srëngkoeni), als 
het gerucht waar was, zou men van Madoera ongetwijfeld dadelijk 
bericht gezonden hebben en het zou ook volstrekt niet ongepast 
zijn om hulp in den strijd te vragen. Daaruit reeds mag men be- 
sluiten, dat men er nog geen geloof aan moet hechten. 

De da lang vertelt: 

Zij worden gestoord door de komst van Praboe ^ Bal& Dewa (Vorst 
van Madoera) en Praboe Krëna (Karna) Vorst van Ngawongga (ge- 
woonlijk Adipati of Dipati Ngawangga genoemd). 

(zangwijze : S i u o m) 

De Vorst van Ngastina tot den Vorst van Madoera: Kakang 
Praboe 2 ! Uw komst lijkt dringend, het schijnt dat gij iets ge- 
wichtigs hebt. Gij moet mij alles van het begin tot het einde vertellen. 
Ik ben zeer verlangend te hooren, wat gij mij te zeggen hebt. 

De Vorst van Madoera: 

Jaji ■' Praboe! ik geef u kennis van mijn ongeluk; de vijanden 
uit Noesa Kambangan zijn in mijn land gevallen. Hun vorst draagt 
den naam van Dewi Soekma. Ik was zeer verwonderd toen ik met 
hem vocht ; het was alsof mijn tegenstander een machtige God was. 
De angst van mijn hart was eindeloos. Nu zit zijn Patih mij op 
de hielen om mij gevangen te nemen. 

De Vorst van Ngastina 

Als het er zoo mee gesteld is, zal het 't beste zijn, uw vijand 
met een leger te gemoet te gaan. 

Paman Srëngkoeni! gij moet de soldaten uitkiezen en de koerSwa's 
(leden van het geslacht Koeroe), die het bevel zullen voeren. En 
gij , Kakang Ngawongga , haast u ! 

' Kakang (oudere broeder of zuster), 

A4i (jongere broeder of zuster; 

Beide, soms verkort tot kang en di, zijn beleefdheidstitels geworden 
waarmede Javanen elkander, bekend of onbekend en naar gelang van het 
verschil in jaren, aanspreken. 

' Praboe is een titel, uit den Hindoetijd, voor regeerende vorsten. 

* Jaji = A(Ji. 



FBABOE DEWa SOEKMa. 135 

Arja Srëngkoeni eu Adipati Ngawongga: 
Goed, wij zullen alles voor den oorlog gereed maken. 

De d a 1 a n g vertelt : 

Zij vertrekken. Vervolgens heeft een samenkomst plaats van 
Adipati Ngawongga en Praboe Bala Dewa. 

(zaïigwijze : S i n o m) 

Adipati Ngawongga: 

Kakang Praboe, het komt mij beter voor hulp te vragen aan 
het rijk Darawati (het gebied van Krësna). Als u het goedvindt, 
zal ik u begeleiden, om uw verzoek krachtig te ondersteunen. 

Praboe Bala Dewa: 

Gaarna zal ik uw raad volgen, want ik weet zelf niet, wat ik 
doen moet; het is alsof iemand mij zoo gemaakt heeft (Hij doelt 
hier op den bovennatuurlijken invloed van Dewa Soekma). 

De dalang vertelt: 

Praboe Bala Dewa en Adipati Ngawongga vertrekken. Vervolgens 
komen op: Patih Dc^ida Baoe en Praboe Waneng Baja, twee leger- 
hoofden van Praboe Dewa SoekmS, die het leger der reuzen 
(Dënawa Bala) aanvoeren. 

(zangwijze : S i n o m) 

Patih Dënda Baoe: 

Sang* Praboe, welk groot land is dit ? Zou het werkelijk Ngastina 
zijn, dat onze Vorst genoemd heeft en dat ongetwijfeld als toe- 
vluchtsoord gebruikt wordt door den Vorst van Madoera? 

Praboe Waneng Baja : 

Als het werkelijk zoo is, moeten we het maar binnengaan, want 
onze Vorst heeft er sterk op aangedrongen. 

De dalang vertelt: 

Zij vertrekken. Vervolgens treden tegelijk op: Woug Satama,een 
krijgsman van Ngastina, en Matjanambal, een strijder van het leger 
der reuzen. 

Wong Satama: 

Gij, die dit land binnentreedt, wat zijt gij voor een reus? gij 



* Zooals men Si wel eens vt'>ór namen van gewone mensclien plaatst, wordt 
Sang soms gebruikt vóór nauien van godon eu vorstelijke personen. 



156 PRABOE DEWa SOEKMa. 

ziet er afschuwelijk uit. Verwijder u uit dit land! de plaats waar 
de reuzen hun voedsel zoeken is in de groote eenzame wouden. 

Matjanambal : 
Hou je mond ! ik zoek Bala Dewa. 

Wong Satama: 

(zacht) Deze reus loopt als een bedwelmde rond en verlangt zeker te 
sterven. 

De d a 1 a n g vertelt : 

Zij vechten en Wong Satama wint het. Daarna komen op : Djaja 
Djrata, een strijder van Ngastina, en Kala Pratjeka, een reus. 

Djaja Djrata: 

(zacht) Deze reus stroopt binnen onze grenzen en bemoeit zich 
overal mee; de schelm veroorzaakt ongeregeldhedeu, (luid) Ga weg 
reus I als gij koppig zijt , zult gij ervaren , dat gij niet lang zult leven. 

Kala Pratjeka : 

(zacht) Sidrohoen! (scheldnaam voor iemand, dien men veracht, 
dwaas, gek) De kerel is maar een gemeen soldaat en toch is hij 
trotsch en doet zich voor als iemand , die geëerd wordt, (luid) Wijk 
niet! ik zal je bespringen en je hals afbijten. ^ 

De da la ng vertelt : 

Het gevecht heeft plaats en de reus verliest het; hij sterft niet, 
maar neemt de vlucht. Daarop komt Praboe Waneng Baja hem in 
den strijd te hulp. 

Djaja Djrata : 

Wie staat daar zoo deftig op het slagveld ? Gij hebt een welge- 
maakte gestalte ; men kan wel zien , dat gij een geducht krijgsman 
zijt. Gelukkig dat gij mij , den Toemënggoeng van Bana Këling 
ontmoet, die ook een uitgelezen strijder is. 

Praboe Waneng Baja: 

Laten wij het probeeren. Ik ben een machtig vorst ; daar zijn 
voorbeelden van. Treed dadelijk vooruit! 

De d a 1 a n g vertelt : 

Zij vechten en Djaja Djrata verliest het, waarop Praboe Waneng 
Baja zijn weg vervolgt. 



' De lezer gelieve in aanmerking te nemen, dat het stuk ons verplaatst 
in een tijd van lang vervlogen eeuwen. 



FBABOE DEWa SOEKMa. 157 

Daarna komen tegelijk op : Patih Arja Srëngkoeui en Patih 
Dé^da Baoe. 

(zangwijze: da^daug goela) 

Patih Arja Srëngkoeni : 

Wacht vriend, wacht eerst! ik zal u de waarheid zeggen. De 
vorst Bala Dewa (van Madoera) is niet hierheen gevlucht, maar 
wel naar het rijk Darawati. 

Patih Dë^ida Baoe : 

Geeft gij de juiste aanwijzing? Als gij geen onwaarheid spreekt, 
dan geloof ik u. Vaarwel! Ik zal hem verder opzoeken. 

Patih Arja Srëngkoeni; 
Dank u, ga uw gang. 

De dalang vertelt: 

Zij vertrekken. Daarop heeft nog een samenkomst plaats van de 
beide legerhoofdeu van Praboe Dewa Soekma: Patih Dë^ida Baoe 
en Praboe Waneng Baja. 

Patih Dë^da Baoe: 

Sang Praboe, het zal nutteloos zijn, als wij in Ngastina den 
oorlog voortzetten, want de Vorst van Madoera is niet meer hier; 
hij is naar het rijk Darawati gevlucht. Nu zal ik, met het leger 
der reuzen hem daar opzoeken. Gij moet terugkeeren om het aan 
onzen Vorst te zeggen, 

Praboe Waneng Baja: 
Goed. 

De dalang vertelt: 

Ieder hunner gaat zijn weg. 

Het tooneel wordt afgewisseld met allerlei grappen , die niet bij 
het stuk behooren. 



II. Darawati. 



Darawati of Dwirawati was het rijksgebied van ICrës^^a, een 
jongeren broeder van Praboe Bala Dewa, vorst van Madoera. 
üLrësnoLi bezat het vermogen om in de lucht op te stijgen. 



138 FKABOE DEWa SOSKMa. 

Personen : Praboe Darawati (Krës^ia) , 
Baden Somba, zijn zoon, 
Arja Sëtjaki, oom van Somba. 

(zang wijze: mi dj il) 

Praboe Darawati (tot Somba) : 

Mijn zooni wat is er aan van het gerucht, dat uw oom, de 

Vorst van Madoera, door een groote legermacht is overvallen? Dat 

nieuws komt van //den kleinen man// (het geringe volk), doch ik 

geloof niet dat het waar is. 

Raden Somba : 

Vader, naar mijn inzien, is dat bericht onwaar. Als het geen 
leugen was, zou de Vorst U reeds een brief gezonden hebben, 
(tot Arj& Sëtjaki) Zou hetgeen ik gezegd heb, mis zijn, oom? 

Arja Sëtjaki tot Krës^iia : 
Kakang Praboe! het is wel zeker, dat het bericht onjuist is. 
Wat Somba gezegd heeft, is waar. Indien de Vorst van Madoera 
in groote moeilijkheden verkeerde , zou zijn gezant wel komen opdagen. 

De d a 1 a n g vertelt : 

Terwijl zij nog bij elkaar zitten, worden zij gestoord door de 
komst van Praboe Bala Dewa en Adipati Ngawongga. 

Praboe Darawati (tot Praboe Bala Dewa) : 
Kakang Praboe ! het schijnt dat er iets gewichtigs is , dat gij te 
zameu met Dipati Ngawongga hier kemt. En het is vreemd, dat 
gijliedeu niet vooraf een brief hebt gezonden. 

Praboe Bala Dewa : 
Jaji Praboe! dat ik zoo ongemanierd gehandeld heb, vindt zijn 
oorzaak in mijn ongerustheid. Mijn land is veroverd door een Vorst 
Dewa Soekma, die buitengewoon machtig is. De persoon, op wien 
hij vertoornd is, wordt moedeloos en zakt ineen. 

Adipati Ngawongga (tot Praboe Darawati) : 

Kakang Praboe! ik maak er mij ook bezorgd over, dat Dewa 
Soekma voortdurend zoo machtig blijft; want mijn rijk ligt er dicht 
bij. Als hij mij onderwierp, wat zou ik moeten aanvangen? 

Praboe Darawati : 

(tot Praboe Bala Dewa) Als Het er zoo mee gesteld is, zal ik u 
bijstaan in den oorlog om uw rijk te heroveren. 

(tot de anderen) Somba, Sëtjaki en Oedawa (Patih van DarSwati) 
haast u ! Maakt u strijdvaardig ! 



FBJLBOE DEWa SOEKJia. 159 

Somba eu Sêtjaki : 
Goed. 

Praboe Darawati : 

(tot Praboe Bala Dewa en Adipati Ngawongga) Vertrekt dadelijk I 
verdelgt uwe vijanden in den strijd. Ik ga terstond naar de Pai.i- 
dawa's om hulp te vragen en zal mij daarna met u veréenigen. 

Praboe Bala Dewa en Adipati Ngawongga: 
Wij zijn uitermate verblijd. 

Praboe Bala Dewa : 
(tot Adipati Ngawongga) Kom broeder, laten wij ons haasten. 

De da lang vertelt : 

Zij^ vertrekken. Kjës](^a stijgt op in de lucht. Daarna verschijnen 
weer Praboe Bala Dewa, Adipati Ngawongga, Raden Somba, Arja 
Sëtjaki en Patih Oediwa. 

Praboe Bala Dewa : 

(tot de anderen) Hoe zijn uwe plannen omtrent den aanval? Ik 
zal doen wat u behaagt. 

Adipati Ngawongga : 

Kakang Praboe ! mijn raad is om den vijand niet verraderlijk aan 
te vallen, maar hem openlijk in' het front aan te tasten. 

De dalaug vertelt : 

Zij vertrekken terstond, gevolgd door gewone soldaten, die in 
menigte voor den dag komen. Het is een schoon gezicht. 



III. Praboe Dewa Soekma. 

Deze gunsteling der goden heeft het rijk Madoera veroverd en 
aldaar den troon beklommen. 

Personen : Praboe Dewa Soekma en eenige aan hem onderge- 
schikte vorsten. 

(zangwijze : daijdang goela) 

Een der ondergeschikte vorsten : 

Sang Praboe! wij geven U kennis, dat BSla Dewa in den strijd 
ontsnapt en in het bosch gevlucht is. Reeds hebben wij last gegeven 



160 PEABOE DEWa SOEKMa. 

hem op te sporen. Wij feten hem opzoeken door Uwe wadja dënawa 
(reuzensoldaten) onder bevel van Patih Dë^^di Baoe. Dat is het, 
wat wij U te zeggen hebben. 

De d a 1 a n g' vertelt : 

Dewa Soekma is zeer verheugd. (Zijn antwoord is niet op zang). 

De ondergeschikte vorsten gaan heen. 

Dewa Soekma blijft grappen maken (zie plaat 5). 

Na zijn vertrek verschijnen eenige hofdames (thans dienaressen 
van Praboe Dewa Soekma) benevens Patih R-etni Sëtika eu de 
ondergeschikte vorsten. 

(zangwijze : asmara dana). 

Een der hofdames : 

(tot Patih Eëtna Sëtika) Raden Patih, de Vorst heeft dit bevel 
gegeven : Gij moet van daag nog vertrekken. Gij moet buiten de 
stad de legers opstellen en daar Patih Dëijda Baoe afwachten. 

Patih Bêtna Sëtika : 
Njaï Loerah *, zeg aan den Vorst, dat het goed is. 

De da lang vertelt: 

Zij vertrekken in verschillende richtingen. 

Vervolgens komen Patih Rëtna Sëtika en Raden Somba op het 
tooneel. 

Patih Rëtni Sëtika : 

Pradjoerit (krijgsman) I van waar komt gij en wat zij t gij van plan ? 

Raden Somba : 

Ik ben de zoon van den Vorst van Darawati ; ik heet Somba. 
Mij is gelast het rijk Madoera op te eischen. 

Patih RëtnS Sëtika: 
Dus zijt gij van plan oorlog te voeren. Welnu val mij maar aan. 

De d a 1 a n g vertelt : 

Zij beginnen te vechten en Somba verliest het. 
Nu komt Adipati Ngawongga op. 

Adipati Ngawongga (tot Rëtna Sëtika) : 
Kom, breng mij ook ten onder ; ik ben de Adipati van Ngawongga, 

^ Titel van de eerste hofdame. 



FBABOE DEWa SOEKMa. 161 

(de oom van Saden Somb&. Bëtn& Sêtika , Fatih van Dew& Soekma , 
gij treft het, dat gij mij als tegenstander krijgt. 

Fatih Bëtn& Sëtik& : 
Nu, gij zult niet in uwe verwachting teleurgesteld worden. 

De dalang vertelt: 

De strijd is hevig ; geen van beiden is de verliezende partij. Zij 
Tusten dan uit en spreken met elkaar. 

Adipati Ngawonggi : 

Fatih Betna Sëtika is een geduchte strijder ; gelukkig dat hij mij 
•ontmoet heeft. 

Fatih fiétna Sêtika : 

Houd den strijd met mij vol. 

Adipati Ngawongga : 
Kom Fatih, laten wij met krissen vechten. 

De dalang vertelt : 

Dadelijk begint het gevecht met de steekwapens. Adipati Nga- 
wonggl verliest het en wordt door een kettingpijl ^ getroffen. 

Daarop verschijnen tegelijk Fraboe B&la Dew& (Vorst van Madoera) 
-en Bénggaui Soer& (een der legerhoofden van Fraboe Dew& Soekm&). 

Bënggani Soera : 

Gij, Vorst van Madoera, waart reeds gevlucht en hadt u ver- 
scholen ; waarom komt gij weer terug ? Onderwerp u en stribbel 
niet tegen. Ik wil u wel bij den Vorst brengen. 

Fraboe Bala Dewi : 
Spreek niet te veel; kom nader bij. 

De dalang vertelt : 
Na uitdaging van elkander, begint de strijd. De Vorst van 
Madoera wordt van ter zijde getroffen door een kettingpijl van 
Fatih Bétn& Sëtika. 

(zangwijze : s i n o m) 
Fatih EëtnS SëtikS (tot Fraboe Bal4 Dewa) : 
Daar ligt gij nu uitgestrekt. Nu zult gij mijne handen voelen. 



* In de oude wajangverhalen wordt herhaaldelijk van dit wapen gewag 
gemaakt. Het is een pijl in den vorm van een ketting (djémparing 
rante); «de getroffene wordt er niet door gekwetst, maar zijne handen 
worden er door vastgebonden. 

7* Vol^. V. 11 



162 P&ABOS BSWl aOXKMi. 

Kom , sta op , als gij een bnitengewoDe macht hebt. Ik sta nog op 
je te wachten ; ik zal niet voor je op de vlucht gaan. Als je niet 
opstaat , zal ik je vast en zeker de ooren afsnijden , als een afschrik- 
wekkend voorbeeld voor het land. Kom, spoedig I 

Eënggani Soera (tot Fraboe B&1& Dew&) : 
Ja, houd den strijd maar vol. 

De (Jalang vertelt : 

Nadat Praboe B&1& Dew& overwonnen is, verschijnt Arj& Sëtjaki 
(van D&r&wati) en laat zich afkeurend uit. 

(zangwijze : asm&ra dln&) 

Aija Sëtjaki (tot Fatih Bëtn& Sëtik& en Bënggani Soera) : 

Kom, breng mij ook ten onder. Ik wil hetzelfde lot als Saden 
Somba, de Vorst van Madoera en Adipati Ngawonggi, die allea 
ongelukkig zijn. 

Toch zult gij ongetwijfeld door mijn Vorst (Krëf^i) overwonnen 
worden. 

De 4 a 1 a n g vertelt : 

De strijd begint. Ook Arja Sëtjaki wordt door een pijl van Fatih 
Bëtn& Sëtik& getroffen. Al de overwonnenen worden gedwongen dienst 
te nemen in het leger van Fraboe Dewa Soekmi. 

Daarna komt Fatih Oedaw& (van Dar&wati) op het tooneel. 

Fatih Oediwa : 

(alleenspraak) Ach, wat moet ik doen. Als ik mee ga vechten,, 
sterf ik vast en zeker. Hoe zou ik in staat zijn , mij met den Vorst 
Dew& Soekma te meten. Het is beter dat ik van dit alles kennis 
geef aan mijn Vorst (Krës^^a van Darawati). 

De d a 1 a n g vertelt : 

Fatih Oed&w& gaat heen. Vervolgens maakt Fatih Eëtn& Sëtika 
zijn opwachting bij Fraboe Dewa Soekma om hem de overwonnenen 
voor te stellen. 

Fatih Bëtni Sëtik& (tot Fraboe Dew& Soekm&) : 

Goesti I 1 ik deel U mede, dat dezen zijn: Fraboe B&la Dew&, 
Krën& (Adipati NgawoDgg&), Baden Somba en Arj& Sëtjaki. Zij 



> Goesti is een eeretitel, waarmee vroeger regeerende vor&ten werden 
aangesproken en die thans nog gebruikt wordt voor den Kroonprins en 
andere vorstelijke personen. 



F&ABOE DSW& SOXKlii. 168 

allen zijn in den strijd overwonnen. De YoTst van Madoera onder- 
werpt sdch niet, maar de drie andereu znllen doen wat U behaagt. 

De d a I a n g vertelt : 

Daarop worden den krijgsgevangenen hunne werkzaamheden aan- 
gewezen. 



IV. Abiisi. 

Abia8& leeft eenzaam op een berg als kluizenaar. 

Het geheim , dat aan Fetroek, den pan&kawan van Ongk& Widj&ja, 
een goddelijke macht is geschonken om den Vorst van Madoera ten 
onder te brengen, is hem alleen bekend. 

Personen ; Abiasa en zijne beide kleinzonen Ongk& WidjSja en 
Oatoet E&tja. Laatstgenoemde, die het vermogen heeft om te kunnen 
vliegen, is een neef van Ongka Widjiji. 

(zangwijze : s i n o m) 

Abias& : 

Mijne kleinzonen I gij zijt reeds lang hier ; het schijnt dat gij 
beiden verdrietig zijt ; wat is de oorzaak van uw leed ? Zeg het 
mij toch, ik weet niet wat ik er van denken moet. 

Ongka Widjaja: 

Grootvader, ik maak mij ongerust over mijn panakawan Ka^jitong 
(bijnaam van Petroek), die sedert lang verdwenen is. 

Abiasa : 

Ja, Bagoes ^, uw pan&kawan is op dit oogenblik nog in leven. 
Vermits de Dewa wonderen wil doen, durf ik het echter niet open- 
baren. Thans is het rijk van den Vorst van Madoera door de vijanden 
veroverd en uw pauakawan bevindt zich daar ook, doch gemaskerd. 

Ongka WidjijS : 
Als dat zoo is, zal ik hem dadelijk opzoeken» 

De 4 A 1 ft II g vertelt : 
Zij vertrekken eerst, doch daarna verschijnen Ongk& Widjija en 
Ga^oet Kitj& weer op het tooneel. 

* Bagoes, letterlijk „iiiooi", is een titel voor een fatsoenlijken Javaan en 
wordt dikwijls gebruikt voor jongere familieleden. 



164 FBABOE DEW& SOEKMa. 

(zangwijze : da^dang goela) 

Gratoet K&tja : 

Wel , Adi Mas ! ik ben niet sterk genoeg om over land te gaan 
en zal maar door de lucht vliegen. Ik zal echter niet hoog stijgen, 
opdat ik dicht bij je kan blijven. 

Ongka Widjaja : 

Eang Mas, daar heb ik niet op tegen. Wat gij zegt, is juist. 
Als wij scheiden, zonden wij niet eendrachtig kunnen optreden. 

De d a 1 a n g vertelt : 

Getoet K&tja vliegt nu door de lucht. 
Ongka Widj&ji ontmoet de reuzen. 

(zangwijze : s i n o m) 

K&1& Fratjek& (een reus) : 

(tot Ongka Widjaja) Gij zijt iemand , dien ik vroeger nooit gezien 
heb. Waar komt gij van daan, waar wilt gij heengaan en hoe is 
uw naam ? Vertel het mij , ik wil met u meegaan. Misschien weet 
gij waar het land D&r&wati is. Yrees niet voor (mij), Fatih E&la 
Pratjek&. 

Ongki Widj&ja : 

Eens I doe mij geen kwaad. Gij vraagt , wie ik ben P Ik ben een 
satriji (edelman) van Pêlongkawati en ik heet Ongka Widj&ja. 
Als gij van plan zijt met mij mee te gaan, dat kan niet, niemand 
wil met een reus omgaan. Ga weg I als gij wilt , dat uw leven lang 
zal duren. 

De d a 1 a n g vertelt : 

K&la Fratjeka begint te vechten en verliest het. Daarna komt de 
reus Kala Srënggi en verliest het ook. Vervolgens treedt de reus 
Sindoeng Riwoet vooruit, wiens nek wordi omgedraaid door Gatoet 
K&tj&, zoodat zijn hoofd van den romp wordt gescheiden. 

Gatoet Katja : 

Beuzen, gij kunt niet op één lijn met mij staan. Als gij maar 
een weinig beteekende, zou ik je als gelijken beschouwen. Waar 
zijn uwe makkers ? Treed niet een voor een op ; al kwaamt gij bij 
honderdduizend tegelijk, dan zoudt gij toch sterven. Gij zoudt uwe 
hoofden verliezen en lijken worden. 



FSABOE BEWS SOEKM&. 165 

De dalang vertelt: 

Nu treedt Fatih Dë^jida Baoe op. Hij wordt geslagen door Gatoet 
Katja. Daarop sprekeu zij elkander aan. 

Patih Dë9(}a Baoe : 

Wie zweeft daar in de lucht en slaat mij met de vuist, zonder 
te vragen wie ik ben ? 

Gatoet Katj& : 

Ik ben Gatoet KStjS. Wie zijt gij krijgsman? Volg mij in de 
lucht, ik wacht op je. 

Patih Dë^da Baoe : 

Ik ben Dë^^a Baoe. Kom naar beneden, Gatoet Katja I 

Gatoet Katja : 
Stijg op in de lucht, als gij even machtig zijt als ik. 

Fatih Dë^da Baoe : 
Kom naar beneden I 

Gatoet Katja : 
Ontwijk den strijd niet. 

De 4&lang vertelt: 
Zij beginnen te vechten en Fatih Dë^jida Baoe verliest het. 
Yervolgens ontmoeten Ongka Widjaja en Gatoet K&tja elkander weer. 
Sëmar en N&1& Gareng (vader en broer van Petrock) verschijnen 
als hunne volgelingen. 

Gatoet Kitja (tot Ongka Widjaja): 

Ik ben blij , dat gij niet meer in gevaar zijt ; ik merkte het eerst , 
toen gij midden in den strijd waart. Yan onze vijanden is de aan- 
voerder de eenige, die geen reus is en die is toevallig ontsnapt. 

Ongka WidjSji. 

Ja, dat (het gevaar voorloopig geweken is) komt door de gebeden 
van onzen grootvader (Abiasa), die op den berg is achtergebleven. 
Kom, laten wij rechtstreeks op ons doel afgaan. 

De dalang vertelt: 

Ongki Widj&ja en Gatoet Kltj& zetten de reis voort. Sëmar en 
Nüi Gareng volgen hen verheugd. 



16Q FBABOX DSW4 SOXKHa, 

V. Gond&-wati en Widi-wati, 

Deze beide yorstinnen van het Madoereesche hof wandelen in den 
bloementuin van hèt prinsessenverblijf. Zij schijnen niet bijzonder 
ingenomen te zijn met den nieuwen gebieden 

(zangwijze : k i n a n t i) 

Wid&wati (tot Gond&wati): 

Wat zult gij doen, als het voortdurend zoo blijft? Ik wil het 
land verlaten , want ik ben ontevreden over de bedoelingen van den 
vorst. Het lijkt er niet naar, dat hij als een vorst handelt. Hij 
draagt in het geheel geen zorg voor de vrouwen* 

Gond&wati : 

Heb eerst geduld; wij zullen er over praten. Wat mij betreft, 
ik ben ook van dat gevoelen. Ik houd het niet langer vol te dienen 
bij een gevloekten vorst. Ik wou, dat er iemand was, die ons 
heimelijk wegvoerde. 

De (|alang vertelt: 

Terwijl zjj nog praten, gaat Ongk& WidjSj& naar hen toe. 

(zangwijze: midjil) 

Gond&wati : 

Wie zijt gij Baden Fadoeki ^ , die hier komt in het prinsessen- 
verblijf? 

Ongki Widjiji: 

Ik ben hier verdwaald. Ik heet Baden Ongka WidjijS. Vergeef 
het mij, dat ik mij vergist heb. Het spijt mij zeer, met ontevreden- 
heid aangezien te worden. 

(zacht, tot zich zelf) Hoe het ook zij, het is je eigen schuld. 
Besef je niet, dat je een zwerver bent? Het is verkeerd de liefde 
te winnen van de koningin der schoenen. 

Wid&wati : 

Wat zijt gij toch trotsch op uw flinke lichaamsgestalte, dat gij 
u zoo iets aantrekt '. Ik had niet gedacht, dat een schoone man 
zoo hoogmoedig was. 

(zacht) Hij wil niet hebben, dat iemand iets verkeerd doet; dan 
maakt hij zich boos en wil geen vergiffenis geven. 

^ Padoek& en Bënd&r& zQn eeretitels voor aanzienlijke personen. 
* Te denken dat hij met ontevredenheid wordt aangezien. 



FKABOS DXWa SOSKlii. 167 

Ongk& Widjija: 

Al reisde men de geheele wereld rond, het zou niet mogelijk 
zijn schoener vronw te zien dan deze van Madoera. Alleen haar 
glimlach doet iemand het werk staken. Ik verkies den dood, als ik 
mij niet met haar kan vereenigen. 

De dalang vertelt: 

Daarop gaan Ongka WidjSji en Wid&wati naar de slaapplaats. 
Vervolgens gaat Gond&wati naar bniten om het te verklikken aan 
Praboe Dew& Soekm&; hare dienaressen volgen haar. 

Zij en de vorst spreken met elkander. 

(zangwijze: pangkoer) 

Gond&wati : 

Goesti I ik deel U mede , dat in den bloementuin van het prinsessen- 
verblijf een schoone edelman is, genaamd Ongk& WidjSj&. Hij heeft 
Jaji Déwi (Wid&-wati) geliefkoosd , zonder dat zij er zich tegen ver- 
zette. Had ik niet de vlucht genomen , dan zou hij mij ook gepakt 
hebben *. 

De jalang vertelt: 

Dadelijk begeeft Praboe Dew& Soekma zich derwaarts en ontmoet 
Ongka Widj&jtt, 

Praboe DewS Soekm& : 

Wie zijt gij, slimmert! dat gij zoo vermetel zijt en het waagt 
om den bloementuin binnen te treden ? 

Ongki WidjSj& : 

Praboe Dew& Soekma I gij maakt een beweging, alsof gij mij 
bang wilt maken. Daar gij het mij vraagt, ik heet Ougk& Widj&j& 
en mijn vader is Danang Djaja (Djanaka) van Madoekar&. 

Ik heb met opzet uw toorn opgewekt ; ik heb uw echtgenoote 
geliefkoosd. 

De dalang vertelt: 

Zij vechten. Ongka Widj&ja is niet tegen Dew& Soekm& bestand 
en wordt voortdurend door hem gesard; hij steekt met de kris, 
maar Dew& Soekm& is onkwetsbaar. Ongk& Widjaj& daagt hem uit 
om terug te steken. 

Ongk& Widjaji : 

Wel Praboe Dewi Soekmi, gij moet mij niet voortdurend belee- 

1 Déwi is een titel voor vorstinnen. 



168 FBABOE DEWS SOEKMa. 

digen; kom, steek mij spoedig terug met uw bëd&m& ^. Indiei? 
(mijn dood) reeds door den almachtigen God is besloten, maak mij 
dan niet te lang het schouwspel van de meuschen. (Hij roept zijn 
eigen vader aan) Vader ! verneem dat ik zal sterven in den strijde 
(Tot zijn moeder) Moeder I Gij moet er van droomen ; üw zoon> 
sterft ; hij is machteloos in den strijd met Praboé Dewa Soekma in 
het land Madoera ; en mijne bloedverwanten weten er niets van. 

De (JaiaAg vertelt: 

De strijd wordt voortgezet en OugkS Widjaja verliest het werkelijk. 

Daarop laat Praboe Dewi Soekma de vorstin Widawati roepen 
en gelast haar geneeskundige hulp te verleenen aan Ongka Widjaja. 
Terwijl hij dat zegt maakt hij grappen. 

Vervolgens komt Gatoet Kltj& om Ongka Widjaj& te helpen. Hij 
wil Praboe Dew& Soekm& het hoofd van den romp trekken, maar 
valt (een oogenblik) bewusteloos neer (wegens de bovennatuurlijke- 
macht van Dew& Soekm&), 

Gatoet K&tj& : 

Wel Vorst I vernietig mij terstond , want ik heb den strijd reeds 
verloren. Ik zou beleedigd zijn , als het bericht zich verspreidde tot 
mijne dapperen, dat Gatoet K&tja overwonnen en bang was om testerveu^ 

De dalang vertelt: 
Daarop wordt Gatoet K&tja onderworpen. 
Praboe Dew& Soekmi vertrekt. 
Sëmar en N&la Gareng worden nagezet ^. 



VI. Pa^diwa. 

Pa^dawa is de geslachtsnaam van de 5 zonen van Pandoe. De 
Pa^diwa's worden hier genoemd : Praboe Ngamart&, Wërkoedira, 
Djan&k& en de tweelingen Nakoela en Sadewa. 

^ Een soort kris uit den ouden tijd. 

* Op de vraag aan een javaanschen toeschouwer, waarom Ongk& Widj&j& 
zijn p&n&kawan Petroek niet herkende , was het antwoord : Petroek is onher- 
kenbaar door zijne vorstelijke kleederen en wie zou ook op de gedachte 
komen , dat zijn volgeling een machtige gebieder is geworden. Maar Petroek 
herkende Ongk& Widjd.j& wel ; dat is ook de reden , waarom hij hem niet 
doodde. Zijn vader Sémar en zijn broeder N&1& Gareng zijn nog in dienst 
bij de Pa];L(J.awa's. Hij zal zijn vroegere meesters wel onderwerpen, maar 
nooit dooden. 



PEABOE DSWa SOEKMa. 169 

Krë^a, de Vorst van Dar&wati, komt hulp vragen voor den 
Vorst van Madoera. 

(zangwijze : pangkoer) 
Praboe Ngamarti : 



Ik groet u I 



Dank n. 



Praboe Darawati : 



Wërkoedira : 

Wees welkom, zwarte broeder! (een bijnaam van Krës^a wegens 
zijn zwarte huidskleur). 

Praboe D&rawati : 

Ik dank n voor uwen welkomstgroet. 

Djanaka : 
Ik groet u bij uwe komst in Ngamarta. 

Praboe Darawati : 
Zwager, ik dank u voor uwen welkomstgroet. 

Nakoel& en Sadewa : 
Wij groeten u bij uwe komst in het land der vijf gebroeders. 

Praboe D&r&wati : 
Ik dank u. 

Jaji Praboe (tot de oudste van de 5), ik geef u kennis dat 
Madoera veroverd is door een Vorst, genaamd Dew& Soekm&, die 
zeer machtig is. Alleen op u is onze hoop gevestigd (aan U wordt 
hulp gevraagd). 

Praboe NgamartJ: 

Wij zullen aan Uw verlangen voldoen. 

De 4ftlftög vertelt: 
Terwijl zij nog beraadslagen, worden zij gestoord door de onver- 
wachte komst van Oed&wa (Patih van Darawati). 

Patih Oedaw& (tot Kié^i): 
O Vorst, ik geef ü kennis dat Uw oudere broeder de Vorst van 
Madoera in den oorlog is overwonnen. Uwe beide jongere broeders 
en Uw zoon hebben het ook in den strijd verloren. 

Praboe Dar&wati: 
Het is genoeg, Oed&wa. 

(tot Praboe Ngamarti) Dit is mijn raad : wij moeten dadelijk naar 
Madoera vertrekken. 

?• Volgr. V. 11* 



170 FBABOE DEW& SOSKM&. 

Praboe Ngamart&: 

Laten wij gaan. 

Djan&k& : 

De Vorst heeft gelijk; als wij niet spoedig hulp verleenen, zal 
(de Yorst van Madoera) te lang lijden. 

Wërkoed&r& (tot Kié^i): 

Kom , zwarte broeder, laten wij terstond vertrekken. Hoe zou die 
Dew& Soekm& er toch uitzien, dat hij ons zoo minacht. 

De dalang vertelt: 

Zij vertrekken en komen in Madoera. 

Baden Djanak& ontmoet Dew& Soekm& van aangezicht tot aangezicht. 

(zangwijze: asmar& d&n&) 

Djan&ka : 

(zacht) Is dit nu Dew& Soekm&P Wat ziet hij er leelijk ^ uit en 
hij is toch zoo beroemd ; ja hij is tot alles in staat, (luid) Dat komt 
omdat hij nog niet in de gelegenheid is geweest om te strijden met 
mij, den edelman van Madoek&r& *. 

Praboe Dew& Soekm&: 

O, dat is de man, die Baden Djan&k& heet. Je bent werkelijk 
knap. Je uoodigt mij uit om te vechten? Kom, je zult het toch 
niet winnen. 

De (Jalang vertelt: 

Zij vechten. Baden Djan&kl zakt ineen, doordat Dew& Soekma 
zijn machtspreuk lempohl (//word lam//) uitspreekt. 

Djan&ka : 

Kom, dood mij, laat de schande niet lang duren. Praboe Dew& 
Soekm& I H is de gewoonte bij het oorlogvoeren , dat de overwinnende 
partij den verliezer doodt. Doodt mij spoedig, dan zullen anderen 
(mijn lijden) niet vernemen. 

Praboe Dewi Soekm&: 

Nu ben je genoodzaakt te klagen. Gij vraagt mij u te dooden? 
Ik zal je nooit dooden, het zou jammer zijn, zoo^n knappe man. 



^ Petroek had een leelijk uiterlijk : lange armen , een gezwollen buik en 
een spitse kin. 
* Het land waar Djon&k& regeert. 



PBABOE DXW& SOEKM&. 171 

De daling vertelt: 

Baden Djanak& wordt niet gedood. Praboe Dew& Soekm& laat de 
vorstin Dewi Gond&wati roepen (om den gekwetste bij te staan). 
Vervolgens worden Eaden DjanSk& zijne werkzaamheden aangewezen. 

Na zijn vertrek komt Baden WërkoedSril om zijn broeder in den 
strijd te helpen. 

Baden Wërkoed&r&: 

Zijt gij Dew& Soekmi? Uw bekwaamheid in den oorlog is overal 
bekend. Je ziet er toch maar zoo zoo uit, je bent leelijk van voor- 
komen en lichaamsbouw. Ik vraag je iets en je lacht voortdurend. 
Als ik je een schop geef, tuimel je omver. 

Praboe Dewa Soekmi : 
De oudere broeder komt nu te hulp. Wel, wat ben je groot en 
sterk ; maar al is dat zoo , toch durf ik wel. Kom , laten we strijden. 

De da lang vertelt: 

Zij vechten en WërkoedJr& verliest het. Hij onderwerpt zich en 
wordt door soldaten weggeleid. 

Vervolgens komen de drie andere broeders, Praboe Ngamarta (de 
oudste) , Nakoel& en Sadewa (de tweelingen) op. Allen zijn van plan 
zich te onderwerpen. 

Praboe Ngamart&: 

Vorst I ik onderwerp mij , om bij u als ondergeschikte te worden 
aangenomen ; deze mijne twee broeders insgelijks. Hun dood en hun 
leven worden den machtigen gebieder aangeboden. 

Praboe Dewa Soekma : 
^t Is maar goed, dat gij en uwe beide broeders u onderwerpt. 
Ga d^ heen (hij wijst hun een plaats aan) en voegt u bij uwe 
onderworpen makkers. 

De dalang vertelt: 

Praboe Dewa SoekmS was zeer blij (over dezen afloop). Hij staat 
op van zijn zetel ^. 

Vervolgens heeft er een samenkomst plaats van Praboe D&r&wati 
(Krë9^&) met Sëmar en Nal& Gareng. 

Praboe Dar&wati : 

Kakang Sëmar, wat raad? Mijne broeders, de Pa^d&wa^s, zijn 
allen overwonnen in den strijd. 

^ Dew& Soekmfi. heeft hier het toppunt van zyn maoht bereikt. Hij heeft 
aan zijn opdracht voldaan; de ontknooping is aanstaande. 



172 FBABOE DBW& SOEKM&. 

Sëmar : 

Wat moet ik doen? ik wil wel helpen, maar ik kan niet. Het 
is, of men mij voortdarend met een knuppel achtervolgt. 

Praboe Dar&wati : 
Nu kakang, ik zal wel iets uitdenken. 

De dalang vertelt: 

Praboe Dar&wati laat Samar en Nal& Gareng door een overdekte 
waterleiding kruipen ; zij komen op het erf van den kraton. 

Zij vechten met Dewa Soekma ^ . In dezen strijd verliest Dewa 
Soekmi zijn bovennatuurlijke macht ; de prachtige kleederen worden 
hem van het lijf getrokken en hij neemt weer de gedaante van 
Petroek aan (zie plaat 12). De Pa^dawa^s komen dadelijk bij hem. 
Krës9& neemt het woord. 

Praboe D&rawati : 

Petroek, je houdt er van verdriet te veroorzaken aan de gebroe- 
ders. Hé, KaïiDLtong, je moet dat niet meer doen. Daar zijn uwe 
meesters; zij vragen je om vergiffenis, als zij je iets misdaan hebben. 

Petroek : 

Ja, ik schenk u allen vergiffenis. Ga daar maar heen (hij wijst 
de plaats aan) om uit te rusten. 

(tot Wërkoed&ra alleen) BêndarS Wërkoedar& I daar maken mijne 
soldaten amoek; gij moet ze dooden. 

De dalang vertelt: 

Daarop gaan ze heen om uit te rusten. Alleen Praboe DarSwati 
gaat naar zijn ouderen broeder Praboe Bali Dewa. 



VIL Praboe Bali Dewa. 

In de gevangenis, 
(zangwijze: mas koemambang) 

Praboe Bila Dewa (tot ArjS Sëtjaki): 

O, jongere broeder, ween niet zoo meelijdend. Mogelijk schenkt 
de hooge God ons later de gunst , om ons uit de gevangenis te ver- 

^ Deze had zijn vader en broeder wel herkend, maar zij hem eerst niet. 



FBABOE DEWa SOEKM&. 173 

lossen. En als gij en ik door Gods wil moeten sterven , wat kunnen 
wij onderdanen er dan aan doen. 

De dalang vertelt: 

Daarop verschijnt Praboe D&rawati en opent de gevangenis. Zij 
spreken met elkander. 

(zangwijze: pangkoer) 

Praboe Bali Dewa: 

O mijn broeder, ik heb niet gedroomd, dat ik U zou kunnen 
ontmoeten. 

Praboe Darawati : 

Broeder , denk niet aan hetgeen gebeurd is. Dewa Soekm& is reeds 
verdwenen; hij is gevlucht. Laten wij zijne soldaten onderwerpen. 

Praboe Bala DewS: 

Ik stem met U in. 

De dalang vertelt: 

Zij verhiten de gevangenis. 

Vervolgens komen de vorsten Rënggani Soera, Praboe Waneng 
BajH en Praboe D&sa Lëngk&r& (alle drie in dienst van Dewa Soekma) 
op. Zij zijn verschrikt de gevangenis ledig te vinden. 

Bënggani Soeril (tot Waneng B&j&): 

Kakang Praboe , wat een ongeluk ! Bala Dew& heeft de deur kunnen 
openen. Hoe boos zal Sang Praboe (Dew& Soekmi) zijn op U en mij. 

Praboe Waneng Baja: 
Als dat het geval is, laten wij hem (den Vorst) dan opzoeken. 

Bénggani Soer&: 
Ooed, ik ga met U mee. 

De dalang vertelt: 

Zij vertrekken. Vervolgens komen Irawan (een zoon van Djan&k&) 
en Praboe Waneng Baja tegelijk op en staan tegenover elkaar. 

Praboe Waneng Baji: 
Zijt gij de slimmert, die den vorst B&1& Dewa heeft laten ont- 
snappen? Gij zijt nog een kind en toch al zoo verwaand. Volg mij 
en stribbel niet tegen; ik zal je bij Praboe Dewk Soekmi brengen. 

Irawan : 
Probeer mij te vatten, als gij werkelijk een uitstekend strijder zijt. 



174 P&ABOE DEW& SOXKM&. 

De 4AlAiig vertelt: 
Zij vechten. Praboe Waneng B8ji verliest het en wordt door een 
pijl getroffen. 

Daarna treden weer tegelijk op Praboe B&la Dew& en Bënggani Soera. 

Bënggani Soeril: 
Het verwondert mij ! dat gij uit de ijzeren gevangenis zijt ontsnapt. 
Hebt gij lust Uw lijden nog te vermeerderen? 

Praboe Bal& Dewa: 
Hou je mond! spreek niet tegen mij. Kom hier, laten wij het 
gevecht op leven en dood voortzetten. 

Bënggani Soeril: 
Het schijnt dat gij gewend zijt te lijden ; gij zult een ellendigen 
dood sterven. 

De da lang vertelt: 
Zij vechten hevig ; beurtelings smakken zij teg^ den grond en voort- 
durend dagen zij elkander uit. 

Praboe Bila Dewi: 

Daar ligt gij nu uitgestrekt op den grond. Hoe zoudt gij ook in 
staat zijn, mij te wederstaan. Sta op, als gij even machtig zijt als 
ik, die wel landen heb veroverd. Als je niet opstaat, zal ik je de 
ooren afsnijden. 

Bënggani Soeril : 

Probeer het, als gij een held zijt. 

De dalang vertelt: 

Zij vechten nog heviger. Bënggani Soera wordt van ter zijde door 
een pijl van Djan&k& getroffen. 

D&S& Lëngk&r& komt Bënggani Soer& te hulp in den strijd en 
loopt op Djan&ki toe. 

D&sd LëngkSril : 
Ha I deze is de machtige dief, die het door ons bewaakte (de 
gevangenis) heeft vernield. Noem je naam aan mij , DSsa Lëng&k&rii. 

Djan&k& : 
Ik ben Djan&k&. Hls zoo, ik behoor tot hen, die de gevangenis- 
deuren geopend hebben. Kom hier en grijp mij (als gij kunt). 

De 4&l&iig vertelt: 
Zij vechten een oogenblik. 
D&8& Lëngk&rS heeft een knots in de hand. 



P&ABOB DKW& aOKKM&, 175 

Uasi LéngkÉlrë : 

In den strijd zijt gij moeielijk te wederstaan. Ik heb je te min 
geacht ; maar welk wapen gij ook hebt , sla er mij mee. 

Djan&ka : 

Het is mijn gewoonte niet om het eerst te beginnen. In een 
gevecht met wapens word ik wel eens het eerst geslagen. 

D&sa Lëngkar&: 
Gij zult nwe beenderen breken, als ik met mijn knots sla. 

De dala^g vertelt: 

Werkelijk beginnen ze weer te vechten en D&s& Lëngk&r& verliest het. 

Hoewel door pijlen getroffen , sterft geen der drie genoemde leger- 
hoofden van Dewa Soekma. Zij worden slechts zoo met pijlen 
beschoten, dat elk in zijn eigen land terecht komt. 



VIII. Patih Eëtna Sëtiki: 

Personen : De hofdames en Patih Rëtni Sëtika. 

« 

(zangwijze : sin om) 

PSrJ Njaï (de hofdames) : 

Kjaï Patih! wij geven u keunis, dat in den kraton twee machtige 
dieven zijn binnengeslopen, die den Vorst verraderlijk gedood hebben. 
Zijn lijk is verdwenen ; wij weten niet of het in stukken gehakt 
of verbrand is. 

Patih Bëtn& Sëtika. 
O mijn Vorst, ik heb niet gedacht, dat gij zoudt sterven. 

De 4al&i^g vertelt: 
Hij (de Patih) trekt ten strijde. 

Vervolgens komen het eerst op : Landjak Prakosi (een der strijders 
van Patih BëtnS Sëtika) en Arja Sëtjaki (van D&rawati). 

Landjak Prakosa : 

Wie rukt daar ten strijde op? Om mij bang te maken, doet hij 
net als iemand, die gevreesd wordt. Hij denkt, dat ik den moed 
verlies. Al heeft hij een huid van ijzer, vast en zeker zal ik hem 
in stukken hakken. 



176 F&ABOE DEWS SOEKH&, 

Arj& Sètjaki : 

Spreek niet te veel. Kom , treed vooruit om te strijden met mij , 
den edelman van Lésan Foera (Sëtjaki was de zoon van den Yorst 
van Lésan Foera). 

De 4&l&ng vertelt: 

Zij vechten en Arja Sëtjaki wint het. 

Vervolgens treden op : Fatih Rëtna SëtikS en Adipati Ngawongga. 

Fatih Bëtna Sëtika : 

Daar is de Adipati Ngawongga ! hij verschijnt weer op het slag- 
veld. Herinnert gij u niet meer, dat gij vroeger ongelukkig zijt 
geweest, bij het meten van onze krachten en dat gij door mijn 
pijl werd geboeid? Behaagt het u, om ten tweeden male te worden 
gekneveld ? 

Adipati Ngawonggi : *' 

Spreek niet tegen mij. Treed vooruit en schiet uw kettingpijl 
weer af. 

De dalang vertelt: 

Zij strijden ; Fatih Ketna Sëtiki verliest het. 

Maesa Nabrang (ook een der aanvoerders van Dewi Soekma) 
komt hem in den strijd te hulp^ Dit wordt gezien door Baden 
Wërkoed&rS. 

Maesi Nabrang (tot Wërkoedara) : 

Zijt gij de slimme dief, die mijn Vorst heeft omgebracht? Grij 
hebt een groote en welgemaakte gestalte, maar nu stuit gij op 
Maes& Nabrang, die dikwijls tegen meer dan één persoon ge- 
vochten heeft. 

WërkoedarS : 

Hou je mond I spreek niet zooveel tegen mij. Wërkoed&r& is 
onverwinlijk in den strijd. 

De dalang vertelt : 
Zij vechten ; Maes& Nabrang verliest het. 
Er komt weer een andere strijder (van Dew& Soekma) op. 

Goendjing Miring * : 
Al mijne makkers zijn vernietigd ; zij zijn in den strijd over- 

^ Groendjing Miring is een grappenmaker, die ook in andere wajangrerhalon 
voorkomt. Gewoonlijk heeft hij een haarstaart. Petroek komt dan te voor- 
schijn en trekt hem den hoofddoek af, zoodat zijn haarstaart zich ontrolt. 
Hij loopt dan besohaamd weg en het publiek laoht (het is nl. belachelijk als 
een Javaan een haarstaart heeft). 




n 




•f 

li 

I 8 

II 









r« 


'i 




J^' 


• 




-'"-^If?^ 


■ 


M 


l 


■ ■ ' % ''■ 


is. 


m, 


1 


'^ ^:^ 


■*.-■. 


'm 


'vJ 


^ "'■^'Zjr^'É 


*,'^ 


<' 


.-Al^ 


%ir-m^ 


w 


■.:w 


'-ft^ieiPi 


^% 


^^\^W> 


K. 'J^ 


■■'"■i?^ "•w*^ 




i 
dg. 



II 



\ 







V^^^^^^^^^H^^9^Q^ i j M 


^i^müi 




zirmjm i 




.^«ft..^r*L. •' --m^i 









BS 

i 



P&ABOE DBW& SOEKMa. 177 

vonBen. Zijn de Fa^dawS^s dan zoo machtig? Maar zij hebben nog 
niet met mij , het Hoofd van de helden , gevochten * . Ik wilde wel , 
dat ik de vijanden , die zoo machtig zijn , eens zag. Ik zou hen den 
baik opensnijden, dan zouden ze zeker niet meer leven. 

De dalang vertelt: 
Spoedig wordt hem door Gratoet Katj& den nek omgedraaid. 

Gatoet Katj& (daagt zijne vijanden uit ; 
wat hij zegt , is niet op zang) : 

Komt niet een voor een, maar allen tegelijk op! 
Dat zal mijn hart voldoening schenken. 



1 Het publiek staat te schudden , bij die taal van zulk een onbeduidend 
persoontje. 



EINDE. 



. *■ ! 



DE CHINEESCHE NAAM TS'E-TS'UN 

VOOR GRÈSIK. 

DOOB G. P. ROUFFABE. 



Zooals Ma Hoean in zijn Ying-jai Shêng-lan van 1416 — zie 
Groeneveldt's //Notes on the Malay Archipelago and Malacca//, Verh. 
Bat. Gen. XXXIX, !• Stuk, 1878 — duidelijk zegt, was de Chi- 
neesche naam Ts'e-ts'un = het Jav. Oërsik, Orësik, Grissee. 
Hij deelt toch mede : 

//Ooing eastward from Tuban for about half a day, one comes to 
Ts'e-ts'un, of which the native name is Oersik [Kë-r-sih]//. L. c. p. 47. 

Zooals Groeneveldt in de bijbehoorende noot S opmerkte : >/The 
former name is Chinese, meaning the Dung-village^. Of, zooals hij mij 
mondeling nader mededeelde , beteekent Ts^e-ts^un in rond-HoUandsch 
letterlijk : Kakhuis-dorp; van U^e = kakhuis , U^oeti = dorp. 

Vanwaar deze allerwonderlijkste naam? 

In mijn ^/Oudste Ontdekkings-tochten tot 1497// (Encycl. v. N. I., 
IV, 1904, p. 385, 2® kol. noot 1) waagde ik tot verklaring de 
onderstelling: //dat oud-Grësik in den aanvang een visschersdorp^ 
op palen gebouwd, was//. Wie zich zoo'n Maleisch-Javaansch 
zeedorp op palen voorstelt , zou zich kunnen voorstellen dat de Chi- 
neezen bij hun eerste komen aldaar , en bij het zien wat ze daar al 
zoo in het water zagen vallen, een dergelijken schimpnaam uitdachten! 

De zaak is echter veel eenvoudiger, veel interessanter tevens. 

De bekende Kr&ma-naam voor GrësikisTa94ës. Dit is zeer be- 
grijpelijk. Jav. garUiky gèrhik beteekent //fijn grint, krakend 
zand//, zooals blijkt uit het Mal. karaik = //grint, grof zand/i^. 
Mal. gèrhik = >/ knetteren, kraken//, eu Mal. gèrhak = /i^ knarsen//. 
Maar Jav. tand^ — zie het Jav.-Ned. Wdb. Roorda-Vreede , 4" 
druk, 1901, I, p. 617 — beteekent //vaste bodem, harde 
grond/s^. Naar zuivere Kr&m&4oepassing was dus de eene Jav. naam 
een aequivalent voor den anderen. 

Maar ... het Maleische tandaa beteekent Sekreet, DrekputL 

Wat was dus de zaak? 



OX CHINEE8CHB NAAM TsVts^UN YOOB GBësIK. 179 

Bij het komen der Chineezen te Qrësik, vóór 1400 A^. D. in elk 
geval, hoorden zij ook reeds den Jav. Ej&m&-vorm Ta^4Ss daar- 
voor bezigen. Zij echter, die de beteekenis van dit woord wel leerden 
kennen in het Maleisch, maar den Jav. zin niet begrepen, hielden 
na dezen tweeden naam vast en vertaalden hem letterlijk 
in het Chineesch, tot ^V = Kakhnis. 

Vandaar dan hun Kë-r-sih = Tandas := Ts'e-ts'oen =.// Kakhuis- 
dorp^ in 1416 bij Ma HoeanI 

Dat Jav. iandês en Mal. tandas met elkaar in rechtstreeksch 
verband staan , blijkt uit de verdere beteekenissén van Jav. tandës , 
o.a. ^monding of uitwatering van een rivier// , en nandës = »ix)t 
den bodem to^ uitputten, doorgronden//. Het zou dus best kunnen 
wezen dat Tandës daarom als andere, figuratieve naam voor Grësik 
dienst deed vóór 1400 A«. D., omdat toen de Solo-rivier — verg» 
het in het Jav. Wdb. 1. e. door Rhemrev reeds opgemerkte — daar 
nitwaterde in zee. Jav. Tandës zou dan ten rechte beteekenen : 
/rCloaca maxima^' van de BëngawanI Men. ziet, hoe dit begrip 
in het Maleische dan weer onmerkbaar ove^aat. 

Maar óók blijkt hieruit, dat de Krama-vorm Ta^^ës voor Grësik 
reeds Madjapahit-Javaansch is, van vóór 1400 A^ D. dateerend; 
men verg. hierbij Van der Tuuk's Kawi-Baliueesch-Nederl. Wdb., 
n, 1899, p. 574, i. v., waar Middeljavaansch tandês voorkomt 
in den zin van ^^A , dus : 6 p ; Afgedaan; uiterst. Evenzeer blijkt^ 
dat de voorstelling van Ma Hoean omtrent de stichting dezer stad r 
^Originally this place was a barren seashore, but Chinese who 
carae to this country established themselves there// (Groeneveldt ,, 
op. cit. p. 47 — 48) wel een beetje geflatteerd moet heeten. 

Het is toch niet aannemelijk dat een plaats die de Monding , het 
/^Muiden//, heette van de Bëngawan (//dèn Stroom//) in 1400 A«. D. , 
en welke reeds daardoor in dien tijd er twee namen op na hield, 
Grësik en Tandës, pas //gesticht// zou zijn geworden door vreem- 
delingen, door Chineezen; te minder, nu dezen blijkens hun ver- 
taling Ts^e-ts^oen dien naam Tandës zoozeer hebben misverstaan. 



DE KOOPMAN , DIE TEGEN ZIJNE MOEDER 

MISDREEF. 

Een op den Boro Boedoer afig^ebeeld Jataka. 

DOOB 

X S. SPEYER. 



In een van de vroegere jaa^angen van deze Bijdragen (Zesde 
Volgr., UI, 1, 49 — 56) heeft Prof. Ksbn mededeeling gedaan 
▼an de ontdekking van den Fetersbnrgschen hoogleeraar Sekgsi 
Oldxnbuilg dat de verhalen van de JstakamSlS in dezelfde volgorde , 
waarin zij in dat heilige boek voorkomen, op het beeldhouwwerk 
Tan den Boro Boedoer zijn voorgesteld. ^ Behalve deze samenhan- 
gende serie heeft dezelfde geleerde nog eenige andere Buddhistische 
vertellingen op de reliëfs aan den tempel aangetroffen. Ik wensch 
bier stil te staan bij een van die losse avadSnas, en wel bij de 
nrs. CXXIII— CXXVII , 216, 218, 220 , 222 , 224 , die de geschie- 
denis van Maitrakanyaka behelzen (zie Ejbbn^s opstel t. a. p., bldz. 55). 

De aanwezigheid van dat avadana onder de afgebeelde verhaaltjes 
kan niet bevreemden. Het geniet eene groote mate van populariteit 
bij de Buddhisten. In het Psli Jatakaboek komen verschillende 
verzen voor, die er op zinspelen, en de uitvoerige commentaar 
{Atthakaths) geeft er dan ook een omstandig relaas van. lu de 
geschriften der zoogenaamde Noordelijke Buddhisten staat het in 
vrij wat bundels van heilige verhalen. Bij de laatstgenoemden is 
het ook een merkwaardig geval dat daar behandeld wordt, eene 
zondige daad van den Bodhisattva, die later in zijne existentie 
als Qakya-prins , het Buddhaschap zou deelachtig worden. Qakyamuni 
zon ze aan de schare zijner geloovigen verteld hebben, om door aan 
eigen ervaring ontleend voorbeeld op des te indrukwekkender wijze 
t« doen zien de wrange vruchten van oneerbiedigheid tegenover 

1 In het Jowmal of the American OrientcU Society y XVIII, 184 vgg., heeft 
de heer Wisksr van het geheele , in het Bussisoh gestelde artikel van Oldbn- 
BüRo eene Engelsohe vertaling gepubliceerd. 

?• Volgr. V. 12 



182 DE KOOPMAN, DIB TEGEN ZUNB MOEDEB MISDKEEF. 

zijne moeder, en met te meer klem in te scherpen het gebod r 
Eert uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga. 

Ondanks eenig verschil tusschen de Pali en de Sanskrit redacties- 
van ons verhaal, een verschil waarop wij later zullen terugkomen,, 
bestaat er alleszins grond om aan te nemen dat het tot de oudste 
en aan alle secten gemeenschappelijke herinneringen van de Buddhis- 
tische Kerk behoort, even goed b.v. als dat van het zelfopofferende 
haasje dat tot belooning van zijn heldenmoed en vroomheid eene 
plaats in de maan kreeg. 

Tot nadere opheldering van de reliëfs van den Boro Boedoer die 
op de Maitrakanyaka-geschiedenis betrekking hebben, moeten wij 
natuurlijk uitgaan van de voorstelling, zooals die in de geschriften» 
in het Sanskrit opgesteld, van dat verhaal gegeven wordt. Het zal 
blijken dat die teksten met de afgebeelde tafereelen in volkomea 
overeenstemming zijn. Met de redactie, zooals die ons door den* 
commentaar op Jataka wordt verteld, is dat niet het geval; iets^ 
wat a priori te verwachten was. 

In de litteratuur van het Buddhistische Sanskrit zijn mij vier 
teksten bekend, die de Maitrakanyaka-legende bevatten, misschien 
bestaan er nog meer. Van deze zijn er twee uitgegeven , Divya- 
vadSna, ed. Cowell and Neil, nr. 38 (bldz. 586 — 609) en 
AvadSuagataka, nr. 36 (l, 193 — 205 mijner uitgave). De twee 
andere zijn slechts in handschrift voorhanden, nl. KsemendraV 
AvadanakalpalatS, nr. 92 en het Bhad rakalpavSdana, 
nr. 28. Op de Universiteitsbibliotheek te Cambridge, waar hdss^ 
van beide werken zijn, heb ik die teksten leereu kennen, zij zijn 
te vinden MSS Add. 1306, f. 343a— 347a (Avadanakapalata) 
en Add. 1411, f. 225b — 234 b (Bhadrak.) Van deze bronnen is 
het relaas in AvadSnagataka ongetwijfeld de oudste. In ver- 
taling is zij reeds lang bekend, zie Feeb, Ann. du Musée Guimet^ 
XVIII, //Avadana-gataka, cent légendes (bouddhiques) traduites du 
sanskrit//. Paris, p. 131 — 137. 

In dezen oudsten ons bereikbaren vorm luidt dit Buddhistisck 
verhaal als volgt: 

Lang, heel lang geleden ^ woonde er in de stad Benares een 
opperkoopman en karavanenleider, die overzeeschen handel dreef. 
Zijn naam was Mitra. Hoewel gelukkig gehuwd en rijk, had hij 



' In de Pali teksten wordt de gesohiedenis gesteld in de dagen van den 
Buddha Kassapa (= Ka^yapa). 



DJB KOOPlt^, DIE TBOEN ZIJNE MOEOEK MISDBEET* 183 

kommer. Niet omdat zija huwelijk kinderloos bleef, zelfs bracht 
zijne vrouw hem steeds zonen ter wereld; maar zoo was er een 
geboren, zoo stierf hij weder, telkens en telkens '. Die regelmatig 
temgkeerende tegenspoed drukte hem neer, de hoop op mannelijk 
nakroost scheen voor goed verloren. En, zooals in soortgelijke ge- 
vallen van kinderloosheid met stereotiepe gelijkluidendheid in de 
Baddhistische avadana-bnndels vermeld staat, op raad van bloed* 
verwanten en vrienden wendde hij zich met gebed en ofifer tot 
allerlei godheden en hoogere wezens om ze gunstig voor zich te 
stammen. Hij bad tot Qiva, tot Yarn^a, Knbera, Qakra, BrahmS 
enz., tot de beschermgoden van tuinen, bosschen, wegen, pleinen, 
tot de godheden die dagelijks hun aandeel van zijne maaltijden 
genoten, tot zijne persoonlijke genii. Natuurlijk was dit alles 
vmchteloos. Want, zoo heet het, in de vaste bewoordingen van 
dezen rationalistisch getinten locus classicus, de menschen maken 
elkander wel wijs dat het krijgen van zonen en dochters van 
gebeden afhankelijk is, maar in de werkelijkheid is het niet zoo. 
Volgt de aanwijzing van de natuurlijke oorzaken van de procreatie, 
ten getale van drie: hartstocht van man en vroaw; rtu der vrouw; 
gereedstaan van den gandharva [vrijwel gelijk aan //de ongeboren 
menschenziel// , of, omdat de Buddhisteu van eene //ziel// (at man) 
niet weten willen, //den op een nieuwe existentie wachtenden 
pudgala (individu)//] *. Een beteren raad ontving onzen Mitra 
van een vriend. //Geef aan den eersten zoon die u geboren 
wordt een meisjesnaam. Doet gij dit, dan zal hij lang leven. ^ 
Mitra deed aldus, en noemde den knaap, die hem weldra geboren 
werd, Maitrakanyaka; als zoon van Mitra moest hij 'Maitra' en als 
meisje kanjaka heeten. ^ Het middel bleek probaat, want deze 
zoon bleef in leven. 

Al wordt in ons avad&na de beweegreden van die schijnbare ge- 
slachtsverandering niet vermeld, de bedoeling er van is duidelijk. 
Zoodoende moesten de booze demonen, die pasgeboren kinderen 
roeven, en die in ons geval het blijkbaar op zuigelingen van het 



* Doordat de handschriftelijke overlevering hier corrupt is, geeft Feer's 
vertaling hier den zin niet juist weer. Hij heeft: y,i\ ne lui naissait pas 
d' enfants". In mijne uitgave heb ik betoogd dat in plaats van het overge- 
leverde pntra jayante oa te lezen is putra jayante mriyante ca. 

* Vgl. VersL en Meded. der Kon, Akad,, Afd. Lett,, Vierde Beeks, UI, 379. 

* Bij K^emendra heet hij soms met femininumuitgang Maitrakanyaka. In 
Avadana^. en Divyav. is de naam een masculinum. 



184 2>1 KOOFICAK» DIS TXOIK ZUKI MOXDSE lOSDBEXf. 

tnannelijk geslacht voorzien hadden, op een dwaalspoor geliracht 
worden. De gevaarlijkste dag is de zesde levensdag, waarop het 
huiselijke ritueel der Hindoes dan ook de ceremonie genaamd 
Sa^thipüjS verricht wil hehben. * Doch hoe dit zij, het behoud 
van den knaap was te gelukkiger, omdat uit de lichamelijke ken- 
teekenen, die Maitrakanyaka bij zijne geboorte medebracht, mocht 
afgeleid worden dat in hem een bijzonder begaafde persoonlijkheid, 
een hooger wezen ter wereld was gekomen. ^ 

Maitrakanyaka was nog een klein kind, toen zijn vader op een 
overzeesche reis het leven liet. Toen hij zelf volwassen was, vroeg 
hij zijne moeder: ^Moeder, waarmede verdiende vader zijn geld, 
dan zal ik datzelfde beroep gaan uitoefenen.^ Maarzij, die bij zich 
zelve bedacht dat, wanneer zij de waarheid sprak, ook haar zoon 
groot overzeesch koopman zou worden en zij ook hem op dezelfde 
wijze zou verliezen, zeide, dat hij in leven tokohouder geweest was. 
£n zoo zette Maitrakanyaka een winkel op , en verdiende den eersten 
dag vier kSr^pa^as. Hij bracht dat geld aan zijne moeder, zeggende: 
//Doe dat geld, moeder, ten goede komen aan grama^as, brahmanen, 
behoeftigen, bedelaars.// Maar zie, nu zeide hem iemand dat zijn 
vader geen tokohouder geweest was, hij had in parfumerieën gehan- 
deld. Aanstonds sloot Maitrakanyaka den toko, en opende een 
parfumerieënwinkel. Op den eersten dag verdiende hij acht karsSpa^as. 
Ook die som gaf hij aan zijne moeder , om evenals het vorige bedrag 
aan aalmoezen te besteden. Maar nu kwam al weder iemand hem 
vertellen: //uw vader handelde niet in parfumerieën, hij handelde 
in goud. /f Zoo gaf hij ook zijn parfumerieënwinkel op, en begon 
een goudhandel met dit voorspoedig gevolg , dat hij den eersten dag 
zestien , den tweeden twee-en-dertig karsapa^as maakte. Ook dat geld 
bracht hij zijne moeder om er monniken, brahmanen, behoeftigen 
mede te ondersteunen. 

De goede zaken die hij maakte hadden intusschen bij het koop- 
mansgilde naijver en wangunst doen ontstaan. £r waren er die wisten 
dat de oude Mitra overzeeschen handel gedreven had. Dezen, be- 



^ 8a§thi is de naam van de kinderroovende godheid. In een verhaal van 
den Kathasaritsagara (55, 186 vgg.) wordt op den zesden levensdag door eene 
vervaarlijke Bak^asi het kindje uit het kraambed weggehaald. 

7 Die kenteekenen worden opgenoemd in Avadana^. I, bldz. 197, 10. 
In Bhadrakalpavadana wordt uitdrukkelijk vermeld dat de oonoeptie 
van onzen held gepaard ging met de nederdaling van een« de va in den 
moederschoot van Mitra^s vrouw. 



Dl KOOFICAN9 DIS TSGSK ZIJNl MOSDXS MI8DKESF. 185 

grijpende dat door hem dat te vertellen zij een gevaarlijken concurrent 
konden kwijt raken, zeiden hem dat hij een verkeerd en hem niet 
passend beroep uitoefende; >s^uw vader is geen gewone winkelier 
geweest, maar een opperkoopman, een kara vanenleider (s&rthavSha) 
die handel dreef over zee.»^ Maitrakanyaka ging hierop tot zijne 
moeder en vroeg haar of dat waar was. Zij kon het niet ontkennen, 
maar smeekte haar zoon om zijns vaders beroep niet te willen uit- 
oefenen, ff Je bent mijn eenigst kind, zeide zij, och verlaat me niet, 
ga niet naar zee.// Maar de jonge man had zich nu eenmaal voor- 
genomen te worden wat zijn vader geweest was, iets wat op zich 
zelf, en zeer zeker van een Indisch standpunt, niet anders dan 
loffelijk moest geacht worden. Dan , slechte vrienden stijfden hem in 
het verzet tegen zijne moeder. En zoo gebeurde het dat hij na eenigen 
tijd in Benares, op de gewone wijze met de schel ^, liet omroepen : 
/f Aan de heeren kooplieden van Benares wordt het volgende bekend 
gemaakt. De sarthavaha Maitrakanyaka zal eene overzeesche han- 
delsreis ondernemen. Wie van ulieden gezamenlijk met den s&rtha- 
vaha Maitrakanyaka in zee wil steken, vrij van tollen, heffingen 
en vrachtgelden *, die moet zo^en de waren voor dien handelstocht 
bestemd [te bekwamer tijd] gereed te hebben.// Aan die oproeping 
gaven vijfhonderd kooplieden gehoor. £n zoo ging de lange stoet 
van vrachtwagens, kameelen, runderen, ezels, beladen met kisten, 
manden, balen of hoe overigens de koopwaar vervoerd werd, op weg. Op 
dat oogenblik stortte zich Maitrakanyaka^s moeder, met tranen op het 
gelaat en teederheid in het hart, voor haren zoon ter aarde, en 
smeekte: /^ verlaat mij niet, mijn kind, ga niet naar zee ff. Maar 
hij, vast besloten om te gaan, werd driftig over die door snikken 
.onderbroken uiting van smart en liefde, schopte zijne moeder uit 
den weg en ging heen. En zij sprak: //Kind, moogt gij nooit de 
vrucht van die daad ervaren I^ 

Het verhaal gaat voort met de beschrijving van den tocht der 
karavaan tot zij aan de zeehaven komt van waaruit de zeereis 
zal ondernomen worden. Maitrakanyaka huurt een schip, werft 



* Zie KxBir, Oeseh. v. h, Buddhiame in Indië, I, 38 noot 1: „Alle publieke 
bekendmakingen geschieden bij de N. Buddhisten bij klinkende schel, bij 
de Zuidelijke met trommelslag." 

* Ik vat dit zoo op, dat de bijdrage door elk der medevarende kooplieden 
aan den sarthavaha te betalen, alle tollen enz. insloot, zoodat zij zich 
ieder afzonderlijk daarmede niet te bemoeien hadden en als vrijgesteld 
konden beaohouwen. 



186 DE KOOPMAN, DIE TEGEN ZUNE MOEDEB HISDBEEF. 

scheepsvolk aan, en aauvaardt de zeereis. Een zeemonster doet het 
schip omslaan. Bij de schipbreuk weet Maitrakanyaka een plank te 
bemachtigen, waarop hij aan land drijft. Op den vasten wal ge- 
komen , gaat hij landinwaarts en komt aan eene stad , die den naam 
draagt van de //Bekoorlijke// (Rama^aka). En zie, vier Apsarasen 
(hemelnimfen) , welgevormd, schoon en lieftallig, treden hem aan 
de poort van die stad te gemoet en spreken hem aldus toe : //Kom , 
Maitrakanyaka, gij zijt hier welkom, hier vindt gij ons eetvertrek, 
ons drinkvertrek , onze kleedkamer, onze slaapsalet, alles is er vol 
van zilver, goud en alle soorten van edelsteenen, kom mede, laat 
ons genieten.// Eu hij bleef een aantal jaren bij haar, genot met 
haar smakend als een vrome [in den hemel] tot loon van deugd 
en goede werken. Zij willen hem altijd bij zich houden en hem 
niet verder zuidwaarts laten trekken. Als hij verhinderd wordt zuid- 
waarts te trekken, wordt hij hoe langer hoe meer verlangend daar- 
naar. Eindelijk weet hij zich los te maken en zet zijn tocht 
naar het Zuiden voort. Zoo komt hij aan een tweede st^id, //Altijd 
dronken// (Sadamatta) geheeten. En zie, als hij voor de poort 
staat, treden hem acht Apsarasen tegemoet, nog schooner en lieftal- 
liger dan de eersten; ook zij spreken hem op gelijke wijze toe: 
//Kom, Maitrakanyaka enz.// Ook aan hare uitnoodiging, die in juist 
dezelfde bewoordingen vervat is als bij de vorige stad, geeft hij 
gehoor; ook bij haar verwijlt hij vele jaren; ook zij beletten hem 
verder zuidwaarts te trekken; ook hier wordt hem de begeerte om 
toch verder te gaan te machtig. En zoo gaat hij dan in dezelfde 
richting voort. Hij komt nu aan eene derde stad. Zij heet //Vreugde/? 
(Nandana). Daar herhaalt zich hetzelfde spel. Nu zijn hetzestien 
Apsarasen, die hem meetroonen, ook deze nog mooier, nog liever* 
dan de vier en de acht van vroeger. En als hij ook hier jaren 
achtereen gewoond heeft, drijft hem op dezelfde wijze als de vorige 
keeren een onbedwingbaar verlangen van haar weg, altijd verder in 
zuidelijke richting. Thans komt hij aan een paleis, dat den naam 
draagt van Brahmottara. Daar stellen zich twee-en-dertig hemel- 
nimfen , nog mooier, nog liever dan de vorige, te zijner beschikking. 
Ook met dezen geniet hij vele lange jaren hemelsch genot, maar 
zijne zucht om verder te trekken komt boven, wordt hem te machtig, 
en hij gaat. 

Hoe verder hij zuidwaarts komt, des te sterker wordt zijne begeerte. 
Daar ziet hij , voortgaande, de //IJzeren Stad// (Ay omay a). Hij treedt 
er binnen, maar nauwelijks binnen gekomen, valt de poort achter 



DE KOOPMAiK, DDB TEGSN ZIJTOS MOSDEB MISDKEBF. 187 

iiem dicht. Hij gaat voort, komt in het midden van de stad, al weder valt 
eene poort achter hem dicht. En daar in het hart der //IJzeren Stad/i^ 
ziet hij een persoon, groot van gestalte, die een draaiend ijzeren 
wiel op het hoofd torst. Het wiel straalt licht af, vlamt, is een 
en al vlam. Onder het draaien snijdt het wiel het hoofd open, en 
het bloed en de etter, die er uit druipt, strekt dien persoon tot 
voedsel. Toen nu Maitrakanyaka hem zag, vroeg hij: //Wie zijt 
gij, man?// En de ander antwoordde: //iemand die zijne moeder 
mishandeld heeft.// Nauwelijks had hij dit gezegd , of Maitrakanyaka 
stond de daad die hij tegen zijiie moeder bedreven had voor den 
geest. //Ook ik//, dacht hij, //heb slecht gehandeld tegenover moeder, 
voorwaar door dat karma ben ik hier gebracht.// 

Op dat oogenblik weerklonk eene stem uit de ruimte roepende : 
/'Die gebonden zijn, zijn vrij, en die vrij zijn, gebonden.// Onmid- 
deUijk na die woorden verdween het wiel op het hoofd van den man 
en vertoonde zich op het hoofd van Maitrakanyaka, die geweldig 
pijn begon te lijden. Toen de man Maitrakanyaka in dien staat zag, 
^rak hij hem met deze strofe aan : 

1. Zeg, gaaft gij op Bama^aka, Sadamatta en Nandana, 

En ook ^t paleis Brahmottara ? waarom zijt gij hierheen gegaan? 
Maitrakanyaka sprak : 

2. Ja, ik gaf op Bama^aka, Sadamatta en Nandana, 

En ook 't paleis Brahmottara. Begeerte dreef mij voort hierheen. 
8. Ver weg sleept ons het Karma voort, van verre werkend altijd door, 
En daarheen sleept het Karma ons , waar ^s Karmaas vrucht ge- 
worden zal. 

4. De rijpheid van mijn Karma maakt dat op mijn hoofd het 

gloeiend wiel 
Met vlammentongen lichtend draait, tot helsche pijn voor 't 

levend lijf. 
De man zeide: 

5. Haar die 't onmogelijke deed voor u, hebt gij in euvelmoed 
Gehoond, uw moeder weggeschopt; van deze daad ziehier de vrucht. 

Maitrakanyaka sprak: 

6. Zeg, hoeveel jarenduizenden zal op mijn hoofd het gloeiend wiel, 
Zijn vlammentongen draaiend, staan, tot helsche pijn voor 't 

levend lijf? 
De man sprak: 

7. Wel zestig jarenduizenden en zestig honderden daarbij 

Zal 't vlammentongend gloeiend wiel ronddraaien blijven op uw hoofd. 



188 Dl KOOPHAK, DDE TIGIN TOJVM MOSDX& lOSDKIEF. 

Maitrakanyaka sprak: «Zeg, man, zal dan nog iemand anden 
hier komen ?>s^ 

De man zeide: /^Die hetzelfde gedaan zal hebben als gij.itr 

Toen , hoe ook door felle pijn overmand , koesterde Maitrakanyaka 
een gevoel van medelijden voor de schepselen en sprak tot den man : «Ik 
wensch dit wiel ten behoeve van de schepselen altijd door op mijn 
hoofd te blijven dragen; moge niemand anders, die zoo iets gedaan 
heeft, hier komen I>i^ Nauwelijks waren die woorden gesproken, of het 
wiel ging ter hoogte van zeven tSlas omhoog en bleef in de lucht 
staan. En de bodhisattva Maitrakanyaka stierf en werd opgenomen 
in den hemel der Tusita-goden. 

Hier eindigt ons verhaal. Ook zonder dat de verhaler aan het slot 
zijn held met den term «bodhisattva^ had bestempeld, zou de aan- 
dachtige lezer dat wel begrepen hebben. Wie anders dan de tot de 
grootst mogelijke zelfopoffering en zelfverloochening steeds bereide 
strever naar de tot het Buddhaschap voorbereidende Yolkomenheden 
van deugd (p S r a m i t S s) , zou zulk eene verklaring hebben kunnen uit- 
spreken? Ten overvloede doet, in onze bron, de Buddha, na zelf 
het verhaal van Maitrakanyaka aan de luisterende schare van zijn 
monniken en aanhangers ten beste gegeven te hebben , deze identificatie 
volgen: «Wat denkt gij wel, monniken? Degeen die in dien tijd, 
onder die omstandigheden, Maitrakanyaka was, die beu ik. Dat ik 
aan mijne moeder het geld dat ik met koophandel verdiend had ter 
hand stelde, door de uitwerking van dat karma heb ik in de vier 
groote steden groot geluk gesmaakt; maar omdat ik mij aan mijne 
moeder, al was het ook nog zoo weinig, vergreep, heb ik, ten 
gevolge van het rijp worden van de vrucht van die handeling, zulk 
een ongeluk ondervonden.« Volgt eene predicatie over den plicht om 
vader en moeder te eeren, opdat het iemand welga, waaruit ik 
alleen het karakteristieke slot zal aanhalen. vWie zijn vader op den 
eeneu arm, zijne moeder op den anderen honderd jaar lang zou 
koesteren of ze in het bezit stellen van wat er aan zilver, goud 
en edelsteenen op aarde gevonden wordt, zou daarmede aan zijne 
ouders nog niet behoorlijk dank vergolden hebben; maar wie zijne 
ongeloovige ouders in het heerlijke Geloof invoert, onderwijst, inwijdt, 
bevestigt, hen, zoo zij in zedelijk gedrag te kort schieten, in de 
heerlijke Zedelijkheid, zoo zij van goed of geld niet scheiden kunnen, 
in de heerlijke deugd der Mildheid, zoo zij door waan verblind zijn, in 
de heerlijke deugd der Wijsheid invoert, onderwijst, inwijdt, bevestigt, 
2ulk een zoon zou daarmee aan zijne ouders behoorlijk dank vergelden.^ 



DB KOOPKAN, DU Tl&lK ZUKS MOSDXR HISD&BIP. 189 

Wat de drie andere Sanskrit redacties betreft, die. van het 
DiyyavadSna leert ons niets nieuws. Dat spreekt van zelf, wanneer 
men weet dat zij niets anders is dan eene rhetorische paraphrase van 
AvadSnag. nr. 36. Legt men de beide teksten naast elkander ^ 
dan wordt die verhouding van beide evident. Men ziet , hoe de be- 
werker van Divy. nr. 88 den ouderen tekst op den voet volgt en 
er eene recensio elegantior et omatior van bereidt, door hetgeen in 
de overlevering eenvoudig weg verteld was klaar te maken met een 
dikke saus van naar de regelen der kunst plichtmatig toebereide 
finesses van alankara. Dit pronkstuk van professioneele dicht- en 
stelkunst , of om het modewoord van de hedendaagsche Nederlandsche 
geestverwanten van onzen stilist te gebruiken, van ^smans /^^woordkunst/i^, 
is in de uitgave van Cowell en Neil niet geheel tot zijn recht gekomen. 
Hoezeer de handschriftelijke overlevering van dit avadSna vrij slecht 
is en het daarom meermalen niet mogelijk was den juisten tekst te 
herstellen, toch hadden er meer fouten der overlevering verbeterd 
kunnen worden. Om die reden voeg ik een Aanhangsel aan dit 
opstel toe met eenige proeven van tekstverbetering. 

Is deze stijlproeve gemengd uit poëtisch proza en metrische gedeel- 
ten, de relazen van Maitrakanyaka die in het BhadrakalpSva- 
dSna en bij Ksemendra voorkomen zijn geheel in dichtmaat. 
De beide laatstgenoemde redacties zijn onafhankelijk zoowel van 
elkander als van AvadSnagataka. Toch verhalen zij de gebeurte- 
nissen , zooals die boven zijn medegedeeld , met zoo weinig verschil , 
zelfs in bijzonderheden, dat wij gerustelijk mogen verklaren dat zij 
heizelfde verhaal inhouden als boven is naverteld. Hunne zelfstan- 
digheid blijkt 1^ hieruit, dat wat bij den een uitvoerig is behandeld 
bij den ander soms in weinig woorden wordt afgemaakt en omge- 
keerd , 2*. uit hun stijl en wijze van uitdrukking. Wat de dateering 
der werken betreft, Kfemendra is betrekkelijk laat; hij leefde in 
de 11** eeuw, maar hij heeft ongetwijfeld geput uit werken en 
overleveringen, die ons verloren zijn gegaan. Hij moet iemand van 
groote belezenheid geweest zijn , en heeft zich op heel wat gebieden 
bewogen. Daarom is zijne getuigenis, ondanks zijn laten leeftijd, 
van gewicht. ^^ Wanneer het Bhadrakalpavadana opgesteld is, 

1* Sabat Cahdba Da8, die in de Bibliotheoa Indioa eene uitgave 
Tan deAvadanakalpalata begonnen is, heeft die niet voortgezet. Nadat tien 
afleveringen verschenen waren, schijnt zij gestaakt te z\jn. Dat is wel onge- 
lukkig. Voor de voortzetting van de uitgave van dit belangwekkend en , naar 
zijn vorm, schoone product van de klassieke Sanskrit litteratuur mocht wel 
eens gezorgd worden. 



190 DK KÖOPMAK, DIS TEGEN ZIJNS MOEDE&' MXSBKESF. 

weten wij niet. Het zou mij om de volgende reden niet verwon- 
deren, zoo die bundel nog jonger zou blijken te zijn. Ik vond nl. 
de volgende verzen, waarin de Bodhisattva verklaart ter wille van 
alle schepselen, nu en later, het rad t* willen blijven torsen, in 
beide teksten volmaakt gelijkluidend: 

adhuna ye samesyanti nar&b patakakari^ab 
tesam arthe mamevedan cakram tisthatu mastake || 
katham sahante te tïvram dïrgham evamvidham vyatham 
ekasya ca vyath-a me 'stu sarve tisthantu nirvyathsb || 
parSrthe dhSrayisyami cakram bhuktva nijam phalam 
paravyatham ca janati na janab svavyatham vina || 
//Moge dan dit wiel op mijn hoofd blijven tot boete (ook) van 
degenen die van nu af, na eene hoofdzonde te hebben bedreven, 
hier zullen komen! Hoe zouden zij zulk eene lange en felle pijn 
doorstaan? Laat ik het alleen wezen die pijn lijd en alle anderen 
vrij van smart zijn! Ter wille van anderen zal ik het wiel blijven 
dragen, (ook) nadat ik mijn eigen kwaad geboet heb. Niemand 
kent eens anders leed, die niet zelf geleden heeft.// ^* Het komt 
mij uiterst onwaarschijnlijk voor dat een dichter als Ksemendra deze 
nobele taal en die niet deel kan uitgemaakt hebben van den over- 
geleverden vorm van het avadSna, van een ander zou hebben 
overgenomen. Een dergelijk gebruik van vreemd eigendom laat zich 
veel beter verklaren voor den samensteller van een zoo middelmatig 
werk als het Bhadrakalpavadana. 

Het beeldhouwwerk op den Boro Boedoer vertoont op de eerste 
vier van de door Oldenbukg gedetermineerde bas-reliefs de schip- 
breuk en Maitrakanyaka^s aankomst en onthaal achtereenvolgens 
bij de vier, bij de acht, bij de zestien en de twee-en-dertig nimfen, 
al zijn om praktische redenen er van de 16 maar elf en van de 8£ 
niet meer dan dertien afgebeeld. Het laatste nummer bevat in drie 
tafereelen de ontknooping, die eindigt met het overspringen van 
het rad. Maar als ik goed zie, moet men ook het aan die vijf 
voorafgaande nummer CXXII, 214 bij de Maitrakanyakageschiedenis 
betrekken. Wij vinden daar in het rechtsche vak een manspersoon, 
met allerlei figuren om hem heen, die bezig is waren met de 
weegschaal af te wegen. Het is Maitrakanyaka in den winkel, zijn 
klanten bedienende. Maar ook de linksche scène moet er bij behooren. 



" Vgl. wat Dido bij Virgilius zegt (Aeneis, 1, 630) 

non ignara mali miseris succurrere disco. 



Dl KOOPMAN, DIS TEGEN ZUTNE HOEDEB MISDREEF. 191 

Twee personen, rijzig van gestalte, een aanzienlijk man met zijn 
begeleider zijn in staande, vóór hen eene figuur in liggende houding 
afgebeeld. Hier mag men onderstellen dat Maitrakanyaka bedoeld is, 
op het punt te vertrekken, maar weerhouden door zijne moeder. 
Evenwel, de liggende figuur blijkt door den teekenaar bij Leemans 
als een manspersoon te zijn opgevat. Hadden wij eene fotografie 
van dit nummer, dan zou deze wel geen snorbaard dragen! Dat 
hier inderdaad eene voorstelling te zien is van de moeder, als zij 
haar zoon te voet valt, blijkt uit de haarvlecht, de ekave^iï, 
die haar duidelijk genoeg als weduwe aanwijst. Beide tafereelen 
zijn gescheiden door de afbeelding van een hoog, groot gebouw. 
Kan daarmee soms een stadspoort bedoeld zijn, ter aanduiding dat 
het tafereel links buiten en dat rechts binnen de stad geplaatst 
wordt? Misschien ging aan de afbeelding van den winkel nog een 
relief vooraf, waarop de zoon was voorgesteld, als hij zijne moeder 
vraagt naar het vak van zijn vader. Maar CXXI, 21^ is grooten- 
deels verloren gegaan, en de onmiddellijk daaraan voorafgaande 
CXX, 210 en CXIX, 208 zijn bij Leemans leege vakken. Deze 
omstandigheid is mede ongunstig voor een eventueel onderzoek 
naar het werk, dat de kunstenaar hier kan hebben geïllustreerd. Dat 
dit het Avadana^ataka niet is, blijkt voldoende. 

Daar wij al de hoofdmomenten van ons verhaal in beeld nauw- 
keurig terugvinden , is het vreemd dat de kwijtschelding van de straf 
ten gevolge van de zelfopofferende gedachte van den Bodhisattva 
ontbreekt. Misschien ontbrak dit pakkende slot in het verhaal, dat 
de beeldhouwer geïllustreerd heeft. In eene ons alleen uit de Chineesche 
vertaling bekende redactie van ons avadana blijft Maitrakanyaka zijne 
straf tot het einde toe ondergaan. Be al, die het hoogstbelangrijke 
werk, waarin deze voorkomt, het Mahabhiniskrama^asütra (Fo-pan- 
hhin-tsi-^n bij Bunyixj Nanjio, Caialogue^ nr. 680)** vertaald 
heeft onder den titel : The Bomaniic Legend of Sahya Buddha , geeft 
aldus het einde van de geschiedenis weer (p. 345 in //the Story of 
the Merchant who Struck His Mother//) : 

//Then a certain Yaksha, who kept guard over that city, whose 
name was Viruka '^, suddenly came to the spot, and remo ving the 

>' Zie hierover Wassiljew, p. 123 van de Duitsche uitgave van zijn werk: 
Der Buddhiamua. 

»' Of Yirücjlhaka (het hoofd der Kumbhaj^^as, regent van het Zuiden) of 
Virüpak^ (het hoofd der Nagas en regent van het Westen) zal wel bedoeld 
zijn. In Buddhifltische vertelselboeken worden de termen yaksa, raksasa, 
naga en derg. wel eens dooreen gebruikt; al dezen zijn gelijkelijk amanusa^. 



192 BB KOOPILIN, DIS TBGIK ZUNS MOSIUDL mSDBIBF. 

fiery wheel from off the head of Govinda [zoo heette de man, dien 
M. aantrof] , he placed it on the head of M&itri. Then the wretched 
man cried out in his agony and said, 'Oh, what have I done to 
merit this torment?^ ^* to which the Yaksha replied, 'YonI wretched 
man, dare to strike (kick) jour mother on the head as she lay on 
the gronnd ; now , therefore , on yonr head you shall wear this fiery 
wheel , throngh 60.000 years your punishment shall last ; be assnred 
of this, throngh all these years yon shall wear this wheel.^ 

//Now, Bhikshnsl I was that wicked M&itri, and for 60.000 years 
I wore that wheel for disobedience to my mother ; so be ye assured that 
disobedience to yonr religions superiors will be pnnished in the same way 1/9^ 

Behoudens dat aanmerkelijke verschil aan het slot valt deze redactie, 
voorzooverre het uit Beal^s onvolledige vertaling is na te gaan , met 
de andere Sanskrit teksten samen. Of het begin van de geschiedenis 
door Beal is uitgelaten, dan wel in het Chineesch niet voorkomt, 
blijkt niet; het verhaal, zooals hij het geeft, begint eerst met het 
plan van den koopman (die bij hem steeds M&itri heet) om over- 
zeeschen handel te drijven. Het is tamelijk omstandig, en enkele 
van de namen der verblijven, waar de held zich na de schipbreuk op- 
houdt, zijn onder het Chineesch-Eugelsche omkleedsel te herkennen. 
Het is wel jamhier, dat wij den Sanskrit tekst niet bezitten; die 
zou waarschijnlijk ook ouder zijn dan het AvadSlnagataka. 

De overleveringen in de Psli litteratuur wijken hier van de door 
ons behandelde in sommige opzichten nog al sterk af. Het is de 
moeite waard hierbij even stil te staan. Tot vijf maal toe komt de 
persoon van Mittavindaka — zoo heet Maitrakanyaka in de Pali- 
teksten — in jatakas voor, en wel nr. 41, 82, 104, 869 en 489. 
Maar wij hebben hier te onderscheiden. Het door Fausböll uitgegeven 
Jstaka-boek bestaat uit verzen en proza. De verzen (met uitzondering 
natuurlijk van die in het proza geciteerd worden) zijn de oude, 
heilige tekst, het proza is de commentaar daarop, en een commen- 
taar, die vele eeuwen later is opgesteld. Die afstand tusschen beide, 
die zich duidelijk in het verschil van taal uitspreekt, komt somwijlen 
hierin uit , dat de prozavertelling van den commentaar ^ ^ met het 



1^ In het Chineesoh volgen hier gathas, die Beal oversloeg, zooals hij te 
kennen geeft. 

IS Over dit punt wordt wel wat heengegleden in het overigens goed ge- 
schreven hoofdstuk over de Jatakas in Bhts Davids' Buddhiat India (Chapter 
XI). Om er enkele te noemen ) in de jatakas nr. 11, 29, 47, 57, 72, 164, 466, 
475 heeft het prozaverhaal met de verzen, die het heet te oommenteeren, 
eigenlijk niet veel uit te staan. 



Dl KOOPMAN, BH TIGIN ZUKB KOKDIE UISDS1XF. 19S 

gecommenteerde jataka-veis of verzen uiet te best klopt. Ik ga 
hier op dit punt niet nader in , en heb het alleen opgemerkt om te 
motiveeren , waarom ik de twee verschillende klassen van getuigenissen 
uit elkander houd. 

Yan de gathas dan , d. i. het metrische gedeelte , hebben op den 
man met het rad betrekking : 1^ de ééne ^ths van nr. 82 (= dl. I , 
£09 van de Engelsche vertaling), 2^ de ééne gSthS van nr. 104 
(ibid. I, 246), 3' de vijf gilthas van nr. 869 (Eug. vert. UI, 186) 
4\ de tien gathss van nr. 439 (Eng. vertaling lY, 3). Onder die 
zeventien zijn enkele doubletten. De gSthS van nr. 82 komt ook 
voor onder de vijf van nr. 369, die van nr. 104 staat ook onder 
nr. 369 én nr. 439 ; en van de vijf van nr. 369 zijn er slechts twee 
die alleen daar te vinden zijn. Bekent men de herhalingen niet mede, 
dan heeft men 13 stanza^s in het Jataka-boek, die met ons verhaal 
hebben uit te staan. Daar de enkele gathSs van de nummers 82 en 
104 in 369 en 439 herhaald worden , kunnen wij die ter zijde laten, 

Nrs. 369 en 439 bestaan elk uit wisselzangen van twee personen. 
In eerstgenoemd jStaka is de verdeeling over de twee als volgt: 
A zegt ééne gatha, dan B ééne, dan A ééne, dan B twee. In 439 
is het schema: A2,B6,A1,B1. Dr. Bouss heeft ter aange- 
haalde plaatse van de laastgenoemde tien de volgende, hier en daar 
wel wat vrije, maar fraaie en vloeiende vertaling gegeven, die ik 
hier, als beste en kortste middel tot kennismaking met den inhoud , 
Jifsehrijf : 

(A) Four gates this iron city hath, where I am trapt and caught: 
A rampart girds me round about: what e vil have I wrougbt? 

Now fast are olosed the city gates: this wheel destroyeth me: 
Why like a caged bird am I caught? why, Goblin, should it be? 

(B) An hundred thousand thou, good Sir, didst own, and twenty eke: 
Yet to a friend thou wouldst not lend thine ear , when he would speak. ^^ 

Swift didst thou flee aoross the sea, a perilous thing, I ween; 
The four, the eight, didst visit straight, and with the eight, sizteen, 
And with sixt^en the thirty-two; and lust didst ever feel: 
See now, the meed of utter greed upon thy head, this wheel. 

Who tread the highway of desire, that spacious thoroughfare , 
That highway great, insatiate — 't is theirs this wheei to bear. 

Who will not sacrifice their wealth, nor to the Path repair, 

Who do not know this should be so , — *t is theirs this wheel to bear. 



^* Letterlijk staat er: gij hebt het woord van uwe verwanten niet opgevolgd 
^üatinazn vacanaih nftkari). 



194 DS KOOPMAN, DDI TEGEN ZUNE MOEDER MISDBEXF. 

' Ponder the isaue of thj deeds, and see 
How great thy wealth, and do not orave to be 

Master of ill-got gains; what friends advise. 
Do, — and the wheel shall never come nigh thee. 

(A) How long, O Gh>blin , shall this wheel upon my head remain? 
How many thousand years? reveal, nor let me ask in vain. 

(B) The wheel shall roll, and on shall roll, no savioor shall appear,i^ 
'Fixt OB thj head till thou be dead — O Mittavinda, hear. 

Het is vooreerst duidelijk dat wij hier te doen hebben met eene 
samenspraak tusschen iemand , die Mittavinda heet, en een demon. 
Wat EoüsE door //Goblin// weergeeft, luidt in het origineel yakkha. 
Dan is evident dat wij te doen hebben met den man met het wiel, 
die in de IJzeren Stad gevangen zijn straf ondergaat. De oorzaak 
van zijn lijden is blijkbaar wat anders dan in het boven door ons 
uitvoerig medegedeelde verhaal. Maitrakanyaka boet eene daad van 
oneerbiedigheid tegenover zijne moeder, Mittavinda draagt het wiel 
als straf voor zijne onverzadelijke hebzucht. De drie stanzas in echt 
Buddhistischen preektoon (6 — 8), die dit uitdrukkelijk uitspreken, 
en die eigenlijk niet gericht zijn tot den gefolterden man, maar tot 
den lezer, die gesticht moet worden, hadden best kunnen ontbre- 
ken, zooals zij wel oorspronkelijk zullen ontbroken hebben. Ik heb 
zelfs een sterk vermoeden dat met de vier, de acht, de zestien en 
de twee-en-dertig geldswaarde , en niet hemelnimfen bedoeld worden j 
Roüse's vertaling is misschien een weinig onder den invloed van het 
prozaverhaal , zie beneden; en de meest natuurlijke opvatting van de 
betreffende gatha is deze, dat M. met 4 niet tevreden, daarmede 
8 verkreeg enzoovoorts. Doch hoe dat zij , dat wij hier eene andere 
motiveering voor de straf hebben , staat vast. Ook dat de uitweiding 
in 6 — 8 het allegorisch-ethische karakter van het verhaaltje wil doen 
uitkomen. Opmerking verdient ook dat Mittavinda op zijne vraagt 
hoelang hij het rad zal moeten dragen , (vs. 9) geen behoorlijk antwoord 
krijgt. 

Ter verklaring van deze gathas vertelt de commentaar een ver- 
haal, dat, als gewoonlijk, allerlei bevat dat uit de verzen alleen 
niet geweten kan worden. Zoo dat Mittavindaka zijn vader vroeg 
verloren had en aan zijne moeder van jongs af ongehoorzaam was, 
ook dat hij ze op de onbeschaamdste wijze bedroog. Dat hij geldgierig 

^7 Eene zeer vrije vertaling van een versregel, waarvan het begin duister 
is, en ook door den commentator niet begrepen. Er zal wel iets dergelijks 
staan, als in de Engelsche vertaling gezet is, maar de woorden «no savioor 
shall appear" zijn er door Dr. Bouse bij gedicht. 



PE S.QOPMAN1 DIE TBGEN ZIJN£ MOSDSB MISDBE|:F. 19 & 

was, wordt in bijzonderheden aangetoond; eerst voor 1000 geldr 
stukken wil hij naar het klooster gaan om de preek te hooren, eu 
pp stuk van zaken alaapt hij , in plaats van naar het stichtelijk 
woord te luisteren I Hoewel hij schatrijk is, wil hij toch hf^udel 
drijven over zee, om al meer te hebben, en als zijne moeder hem 
smeekt om niet te gaan, slaat hij haar en werpt haar ter aarde. '? 
Niet een schipbreuk doet hem bij de nimfen belanden, maar hetgeea 
volgt. Op den zevenden dag, nadat het schip zee gekozen heeft,, 
blijft het plotseling stil liggen. Nu wordt hetzelfde gedaan, als ia 
een soortgelijk geval gebeurde op het schip, waarop de profeet Jona 
voer ; het lot wordt geworpen om uit te maken wie van de opvarenden 
de schuld is dat men niet vooruit kan. Het lot wijst M. aan, die 
wordt in zee geworpen, redt zich op voorbij drijvend hout ei^ 
komt zoo aan wal, van waar hij naar het paleis van de eerste vier 
komt, enzoovoorts. Tot hier toe is er niets in dit aanvullende proza- 
verhaal dat in strijd mag heeten met de gathas. Ook niet, waar 
aan het slot uitdrukkelijk gezegd wordt, dat hij zijne straf lijdt 
in de Hel. Maar wel is dit zonderling, dat de commentaar het ge- 
sprek laat voeren niet met een demon, maar met den Bodhisattva 
zelf, bij gelegenheid dat die met een groot gevolg in dien uithoek 
van de hel de ronde doet (mahantena parivareua ussadacarikam 
ca ra man o). Hier legt de commentator zijn metrischen tekst 
averechts uit, dat is onmiskenbaar. 

Opmerking verdient ook dit. De gestrafte man is niet de Bodhi- 
sattva in eene vroegere existentie, zooals in de overlevering der 
Noordelijken, maar een geheel ander individu, lu alle vier de 
nummers identifiëert de commentaar hem met een ongenoemdea 
monnik in des Buddhas dagen, en wel een monnik behept niet met 
geldzucht^ zooals men misschien denken zou, maar.... ongezeggelijk- 
heid (dubbacabhikkhu ahosi). Eindelijk, de geschiedenis van 
Mittavindaka wordt overal geplaatst in de dagen van den voor- 
laatsten Buddha, KSgyapa (Kassapasammasambuddhakslikam). 

Het verhaal, zooals het uit den versvorm te reconstrueeren is, 
vertoont hier geen tegenstrijdigheid. Die komt er eerst iu, wanneer 
de 4, de 8 enz. als hemelnimfen worden opgevat, wat de com- 
mentaar doet. Want elke aanleiding of verklaring van de hemel- 
vreugde, tot vier malen toe bij de jonkvrouwen gesmaakt, ontbreekt 
hier ten eenenmale. Dat Maitrakanyaka , die tot viermaal toe al d& 

" IV, 2, 19 van het origineel: Matara hatthe gahito hatthaxi>^ 
Tiasajjapetva mataram paharitva patetva etc. 



196 DB KOOPMAK, DU TIGIN ZIXNK MOSDKB mSDBIBF, 

gemaakte wiust Toor liefdadig doel aan zijne moeder afstond, soo 
beloond wordt , verstaan wij ; maar de gemeene en in-sleohte Mitta- 
Tindaka heeft hoegenaamd niets verricht, wat belooning verdiende, 
l^och moet de ontmoeting met de nimfen in de overlevering van 
de Pali boeken van óuds te huis behooren. Van de gSthSs in 
nr. 869 wijzen vs. 2 en 3 er op. In 1 vraagt de man met het wiel : 
ffWskt heb ik tegen de goden misdreven . wat voor kwaad gedaan , 
dat het vlijmend wiel op mijn hoofd ronddraait?/^ — Met 2 volgt 
de wedervraag, die nagenoeg gelijk is aan het boven (bldz. 187) 
nit AvadSna^ataka geciteerde vers 1. De namen der nimfenverblijven 
Rama^aka en SadSmatta zijn dezelfde , in plaats van Nandana heet 
bet derde verblijf hier Dubhaka, en het vierde brahmattaran ca 
pSsSdam zal wel eéne fontieve lezing zijn voor brahmottaran 
enz. *•. — G&tha 8 luidt in vertaling: /fik meende, hier zouden 
nog meer genietingen te vinden zijn. Zie, door die meening ben 
ik in mijn ongeluk gekomen.// GsthSl 4 en 5 vallen dan weer samen 
met 4 — 6 van nr. 489. 

Ten slotte nog een kort woord over het proza verhaal in nr. 41. 
Dit staat niet in verband met het daarbij behoorende vers-jStaka , en 
maakt slechts een deel uit van het geheele verhaal (Losakajfitaka). 
Allerlei trekken uit het verhaal van Mittavindaka zijn daar met 
trekken uit andere vertelsels dooreengemengd. Dit verhaal, het meest 
onoorspronkelijke van al de ons bekende redacties, kunnen wij veilig 
ter zijde laten. 

Ter bepaling van den oudsten bereikbaren vorm van de sage is 
het — het zal uit het bovenstaande voldoende gebleken zijn — 
noodig de oude gath&s van de Psli teksten te leggen naast een 
soortgelijk gegeven in de litteratuur der Noordelijken. Welnu , dat is 
niet moeielijk. De oudste Sanskrit tekst, die ons verhaal bevat, die van 
bet Avadanagataka, dien wij boven (bldz. 182 — 188) naverteld 
hebben, bestaat ook uit proza en gathas. Deze laatsten vormen ook 
hier een dialoog tusschen den man met het rad en een ander. Ook 
hier moeten de verzen ouder zijn dan het proza verhaal , dat ze in 
^ich opneemt ; alleen is dat prozaverhaal beslist eenige eeuwen ouder 
dan de Jataka-commentaar. Vergelijken wij nu de uitvoerigste en 
meest homogene redactie in het Jataka-boek, die van nr. 489 met 
•de zeven gathSs in Avadana^ataka, dan zien wij het volgende: 

1. In den Pali dialoog zien wij Mittavinda gestraft om zijne 



10 De gatha. van nr. 82 heefb een geheel andere lezing in de tweede vershelft. 



DS KOOPICAN, DIE TSOSN ZIJNS MOEDEB MISDKSSF. 197 

onveizadelijke hebzucht, in dien van Avad. om oneerbiedigheid 
t^enover zijne moeder. 

2. Hier hebben wij een opzettelijk Baddhistischen tint , d^r ont- 
breekt alles wat men specifiek Buddhistisch kan noemen. 

3. Hier vraagt de man naar den duur van zijne straf, en krijgt 
daarop een ontwijkend antwoord; dddr vraagt hij insgelijks en ver- 
neemt den duur precies. 

4. Hier blijkt alleen van straf; déJii is er duidelijk sprake van 
«traf, die volgt na het verbruikte genot van vroegere belooning. 

Laten wij voorloopig aannemen, dat het niet uit te maken is, welke 
van die twee voorstellingen de oudste is. Maar dat de overlevering 
der Noordelijken hare voorstelling der legende zuiverder bewaard 
heeft dan die van het Pali Jstaka de hare, zal wel duidelijk zijn. 
Denzelfden indruk krijgen wij bij eene vergelijking van de proza- 
verhalen aan beide kanten, die natuurlijk óók oude traditie (alleen 
zooveel later vastgelegd) veriegenwoordigen. In de Sanskrit teksten is de 
figuur van den hoofdpersoon konsekwent volgehouden. In de Pali boeken 
vindt men nu en dan tegenstrijdigheid, eene tegenstrijdigheid die 
in nr. 369 zelfs in de gSthSs zich vertoont. Het schijnt dat daar 
de figuur van den booswicht en geld wolf, die ten slotte om zijne 
onverzadelijke hebzucht het wiel op het hoofd krijgt, niet zuiver 
volgehouden is, maar trekken heeft overgenomen van de andere 
voorstelling, waarin alleen het verblijf bij de nimfen en de daar 
gesmaakte zaligheid behoorlijk passen. 

Nu is het merkwaardig dat beide variëteiten van de legende van 
den Man met het Wiel ook buiten de Buddhistische wereld in de 
Sanskrit litteratuur worden aangetroffen. Als straf voor geldgierigheid 
vinden wij ons verhaal in het vijfde boek van Faucatantra, als straf 
voor ongehoorzaamheid aan ouders in den Kathasaritsagara. 

Het Pancatantraverhaal is welbekend. Yier arme brahmanenzonen 
gaan op weg om fortuin te zoeken. Een beroemd toovenaar, dien zij 
aantreffen, Bhairavananda ^", maakt vier tooverlatnpen voor hen, en 
2egt dat zij daarmede naar den HimSlaya hebben te gaan; daar 
gekomen moeten zij, wanneer zoo eene lamp valt, maar graven gaan, 
want op die plaats ligt een schat. //Neemt die , zeide hij , en keert 
dan terug./s' De eerste lamp, die valt, stelt hen in het bezit van 
een schat aan koper. Een van de vier is er tevreden mede, de drie 
snderen gaan verder. Nummer twee blijft achter, als het vallen van 

^ Bhairayanaada ia ook de naam van den grooteu toovenaar in het tooneel- 
4tak Karpiïramafijarï. Hij is natuuriyk een Qaiva. 

?• Volgr. V. 13 



198 DK KOOPMAN, DU TIOIN ZUNS MOKDIE MISD&ISF. 

een tweede lamp een schat aan zilver ontsluit. De twee overigen , die 
daarmede* niet tevreden zijn , vinden verder op den schat van goud. 
Het goud bevredigt den een , de ander verlangt naar meer , ^verder 
op zal ik zeker juweelen vinden, en van deze is een enkele al 
genoeg om van armoe te bevrijden./)^ Zoo sprekend, trekt hij nog^ 
verder en vindt in plaats van edelsteenen den man met het vlammend 
rad en onmiddellijk daarop zijne straf. In Van dxr Waals^ vertaling^ 
vindt men deze geschiedenis, dl. UI, bldz. 70 vgg. 

In den Kathasaritsagara komt de Man met het Wiel voor in tar. 
56, VS. 140 — 168. De gang van zaken is in dit korte verhaal geheel 
anders. In de Witte Stad (Dhavalakhye . . . . pure) woont een 
koopman. Wiel (Cakra) geheeten. Deze gaat , tegen het verbod van 
zijne ouders, handel drijven over zee in Goudland. Na vijf jaar lang^ 
daar rijkdommen te hebben verzameld gaat hij naar zijn land terug, 
maar lijdt schipbreuk. Van alles beroofd wordt hij levend door de 
golven op het strand geworpen, waar een man met een net hem> 
vangt en naar een zaal brengt , alwaar een man op den rechterstoel 
gezeten ^ * , zijn vonnis wijst. Nu wordt Wiel naar een ijzeren kerker 
gebracht. Daar ziet hij een man met een gloeiend ijzeren wiel , dat 
in onophoudelijke beweging is, op het hoofd. Hij vraagt hem naar 
zijn naam en wat hij gedaan heeft , waarom hij zoo gefolterd wordt» 
//Zwaard (K had ga) is mijn naam, ik ben gestraft wegens onge- 
hoorzaamheid aan mijne ouders. Hun vloek treedt in vervulling. 
Eene maand lang zou ik dit rad te dragen hebben , zoo verwenschten 
zij mij.// //Ook ik, herneemt Wiel, heb tegen het verbod van mijne 
ouders gehandeld ; zij vervloekten mij dat ik alles verliezen zou wat 
ik met overzeeschen handel verdiend had. Ook dit is in vervuUing^ 
getreden/', en hij biedt grootmoedig aan het wiel van hem over te 
nemen : //geef mij het wiel op het hoofd , o Zwaard , uw vloek zij 
geëindigd!// Nauwelijks had hij zoo gesproken, of een stem uit den 
hemel weerklonk : //Zwaard , gij zijt verlost. Draag uw wiel over op 
het hoofd van Wiel.>/ Zoo geschiedde, en onzichtbare handen tilden 
Zwaard op en brachten hem naar het ouderlijke huis. Wiel intusschen ^ 
toen hij het wiel gekregen had , riep uit : //o , mogen ook alle andere 
zondaars op de aarde van hunne zonden verlost worden ! laat dit rad 
op mijn hoofd ronddraaien tot aan de verdelging der Zonde I^ Op 
deze taal volgt nu een bloemenregen uit den hooge. De devas zijn 
verrukt over zulk een heilig voornemen. Het ijzeren wiel verheft 
zicht en gaat de lucht in, en een YidySdhara komt hem van wege 

*^ Blijkbaar Yama zelf. 



DS KOOPMAN, DIE TE6SN ZUNS MOIDBB MISD&EBF. 199 

India zelven een aantal edelsteenen brengen. In Tawney^s uitmun- 
tende vertaling ^ ^ staat dit verhaal 1 , 554 — 556. 

Volledigheidshalve vermeld ik dat elk van de beide behandelde 
vertellingen, die in Pancatantra en die van Somadeva, kunnen be- 
hooren tot latere toevoegsels bij de oorspronkelijke verzameling « 
waarin zij zijn opgenomen. Yan het Pancatantra-verhaal van de vier 
schatgravers is dit vrij wel zeker; zie de tabellen in het opstel van 
Dr. J. Ukbtel in Zeitsehr. d. Deutseh, Morg. Oes.^ LYIU, 65, 
en het is mogelijk dat het vertelsel van Cakra (Wiel) niet stond 
in Gu;^s4hya^s BrhatkathS, want ik heb het in Ksemendra^s 
uittreksel uit laatstgenoemd werk, de BrhatkathSlmanjarï, niet 
aangetroffen. Yoor de beoordeeling van den inhoud is die betrekkelijke 
laatheid vau opneming in eene reeds bestaande collectie somtijds van 
weinig verschil. De vertelsels kunnen toevoegsels wezen en toch op zichzelf 
oude overlevering bevatten. In ons geval is dit zelfs zeer waarschijnlijk. 

Zonderen wij van de verschillende vertellingen, waarin de man 
met het wiel voorkomt, alles af wat de zucht om v/la morale de 
la fable»^ te doen zien er bij gevoegd zal hebben, dus de diverse 
en uiteenloopende trekken van zedekundigen aard of sectarische 
strekking, dan houden wij over een kern van het verhaal, die 
overal en onveranderlijk terugkeert: den man met . het vlammend 
wiel op het hoofd. Dit is zonder twijfel het meest wezenlijke en 
oorspronkelijke bestanddeel. Hoe zonderlinger en absurder een legen- 
darische voorstelling is, des te grooter kans is er dat men met een 
mythe te doen heeft. Zoo ook hier. Het vlammend rad dat zich steeds 
beWeegt, wijst op een zonnesymbool. De enkele rad vorm zou op zich 
zelf reeds zoodanige opvatting toelaten (zie Oldenbekg, Religion 
ies Vedüy 88; Magdonnsll, Fedic Mythology ^ 155), hoeveel te 
meer klemt de interpretatie vau het rad als de zonneschijf, wanneer 
het vlammen schiet en onophoudelijk zich voortbeweegt. Dat de 
ethische tint van het verhaal niet fundamenteel is, maar dat wij in 
den grond der zaak met eene natuurmythe te doen hebben, volgt 
hieruit, dat er steeds iemand wezen moet, die het Ylammend Wiel 
draagt. De een lost den ander af. Buddhistische vervorming heeft 
den Bodhisattva als drager van het wiel natuurlijk in zijn rol van 
Verlosser ook hier laten uitkomen ; hij verlost , zooals dat meer door 
hem gedaan wordt, tegelijk met de schepselen, zichzelven. 

** The EaÜia 8arit Sagara or Ooean of the Streams of Story transl. from 
the original Sanskrit bj C. A. Tawney, M. A. Galoutta, 1880 (voL I), 1884 
(▼oL II). Zij maakt deel uit van de Bihlioiheca Indica. 



200 DK KOOPMAN, DDE TBGSX ZIJNE MOSDSK MISDRBBF. 

De voorstelling van de Noordelijke Buddhisten, zooals het Ava- 
datia9ataka ze ons bewaard heeft, houd ik voor het dichtst staande 
bij den oorspronkelijksten vorm van de mythe. ^ * De drager van het 
wiel is niet de eerste de beste. Wat is hij anders dan een cakra vartin? 
Hij maakt dat het rad rond wentelt : cakram vartayati. Met andere 
woorden : wij hebben hier alweder een staaltje van mythologische 
voorstelling , die niets is dan eene grove , materieele opvatting van een 
term die eigenlijk alleen symbolisch bedoeld is. De cakravartin, 
het hoogste ideaal van Koning en Wijze beide (zie Ke&n, Gesch, 
van het Buddhisme^ I, 268. 177. 22) is in dezen lageren vorm 
van uitbeelding even onmiskenbaar, als in den discus zwaaienden 
Yis^u, in den Grooten Meester en Al wetenden Buddha, in de 
fabelachtige tooverkoningen van het grijs verleden, een Mandhair, 
Haripcandra, Supriya, Nabhaga, Bharata enz. 

De cakra var tin-figuur heeft, zooals men weet, zijne plaats in 
den kring van denkbeelden en begrippen eigen aan het Buddhisme, 
maar zij is niet door het Buddhisme geschapen. Ook in de gedaante , 
waarin wij haar hier vinden, de Man met het Bad, zal zij wel 
buiten het Buddhisme om bestaan hebben, voordat zij dienstbaar 
werd gemaakt aan Buddhistische stichtelijke leering. Ook in dezen 
gedachteugang moet men aan den vorm, waarin het verhaal bij de 
Noordelijke Buddhisten is overgeleverd , de prioriteit toekennen boven 
dien van de Zuidelijken. In het Jsitakaboek toch heeft de Man met 
het. Bad het verband met den cakravartin, waaruit hij is voort- 
gekomen, geheel verloren; hij is een simpele booswicht geworden, 
die banale slechtigheden doet en daarvoor welverdiende straf krijgt 
met eene preek van den Bodhisattva op den koop toe. 

Deze conclusie stemt overeen' met den indruk dien de vergelijking 
van den versdialoog in het Avadanagataka met de gathas in 
het Pali Jataka te weeg brengt. Naar vorm en naar inhoud beide 
moet de overlevering der Noordelijken , dezelfde die op het beeldhouw- 
werk van den Boro Boedoer haar aanschouwelijke voorstelling ge- 
kregen heeft, voor de meest oorspronkelijke gelden. 

Gaan wij nu nog eenige bijzonderheden na in dat oorspronkelijke 
verhaal. Wij zullen er eene bevestiging in vinden van ons resul- 
taat: l^'. Maitrakanyaka verdient als koopman eerst 4, dan 8, dan 



'' Het boven vermelde verhaal van de heeren Zwaard en Wiel aal wel niet 
buiten den invloed van de Buddhistisohe atmosfeer gebleven z\jn. Daarentegea 
valt er in het Pafioatantra-verhaal hoegenaamd niets Buddhistisch te ont- 
dekken. Zooals het daar staat, is het (^ivaïetisch gekleurd. 



DS KOOPMAN, DIE TBOSN ZUNI MOSDXE lasDSEEF. 201 

16 9 dan 32 kSrsSpa^as, die hij achtereenvolgens aan zijn moeder 
geeft om aan ^ramai^^as, brahmanen, behoeftigen weg te scheuken. 
Als belooning hiervoor smaakt hij later, na zijne schipbreuk, hemel- 
Yreagde bij juist evenzoovele nimfen, als hij geldstukken heeft weg- 
geschonken. Die 4, 8, 16, 82 jonkvrouwen zijn niets anders dan 
de verpersoonlijkte hemelstreken, de di^as en vidigas, die als 
woorden een grammaticaal vrouwelijk geslacht hebben en daarom in 
de Indische rhetorica regelmatig als vrouwen worden vooi^esteld. ^* 
£®. De naam Mitra of (Maitra) ^^ van des Bodhisattva^s vader 
wekt op zich zelf reeds het vermoeden , geeft althans eene aanwijzing 
in die richting, dat de zoon een zonueheros zal zijn , een //Maitreya//, 
een kind van den daghemel , en dan moet men verwachten dat zijne 
moeder ^Aarde// zal heeten. Nu wordt de moedersnaam niet ver- 
meld in het AvadanaQataka, evenmin in de Chineesche bron, 
die Beal toegankelijk heeft gemaakt, maar hij staat in de A vad aua- 
kalpalatg. Toen ik de betreffende plaats in het Cambridge hds. 
er op nalas, vond ik mijne verwachting inderdaad bevestigd. 
De moeder van Maitrakanyaka heette ^ Aarde//. Yara^asyam 
grhapatir MaitronSmapurabhavat/patnïYasundharS 
nama tasySbhüd ativallabhs ^^. Mocht men hiertegen aan- 
voeren dat K^mendra^s getuigenis zoo laat is, immers uit de elfde 
eeuw, en dus weinig waarde kan hebben om het stilzwijgen der 
andere en oudere bronnen aan te vullen, bij nader inzien zou men 
bemerken dat die tegenwerping niet veel afdoet. Ksemendra heeft 
dien naam er niet zelf bij gefantaseerd , maar eene oude overleve- 
ring gevolgd die wij niet meer bezitten. Evenmin als hij den vorm 
Milindra, den Milinda der Psliteksten, den Grieksch-Baktrischen 
koning Menander, een vorm, die alleen bij hem is aangetroffen, 
zelf verzonnen heeft. ^' In dergelijke heilige overleveringen houdt 
ook eene jongere bewerking de essentieele trekken niet alleen, maar 
ook de namen angstvallig vast. — Dat de kinderen van Hemel 
en Aarde als ééndags schepselen kunnen worden voorgesteld, als 
wezens die zoo geboren zoo sterven , is niet moeielijk te begrijpen. De 
hemellichten , uit beider vereeniging te voorschijn gekomen , gaan in 
minder tijd dan een etmaal, voor een goed deel veel spoediger, al 
weder onder de kim. 



*^ Vgl. liAJXUAX^a aAnt. 4, p. 272 zijner vertaling van Karpüramafijarï (far- 
vard Orienial Series^ IV). 
*^ 2k>o in Avadanakalpalata, zie volgende noot. 
M Gambr. Sanskrit M8S. Add. 1306, f. 344a. 
^ VgL Kebv, Manual of Indian Buddhismj p. 9 noot 5. 



202 DE KOOPMAN, DIS TEGEN ZIJNS KOSDSS MISDSESF. 

S^'. De schop, dien Maitrakanyaka zijne moeder geeft, als hij 
zijn tocht over de groote zee gaat beginnen, heeft mythologische 
beteekenis. Hetzelfde woord pSda beteekent ^voet^ en /i^straal/f, 
en het ontbreekt in de Indische mythologie niet aan soortgelijke ge- 
vallen, waar eene gewilde woordspeling het substraat is van mythe 
of legende. De Zonneheros bestraalt de Aarde, zijne moeder, met zijne 
pada^s, die hij op haar neer doet dalen , wanneer hij op marsch gaat. ^ ^ 

4^. De drang, die Maitrakanyaka telkens en telkens van de 
nimfen en het heerlijke leven in hare paleizen voortdrijft, is een 
onbedwingbaar verlangen om in zuidelijke richting te trekken. 
Steeds trachten de jonkvrouwen hem bij zich te houden, maar 
eene onweerstaanbare begeerte ^® jaagt hem voort naar het Zuiden: 
daksi^agamanac cainam varayanti. sa yato dak^i^^aya^ 
paddhater nivaryate tatab susthutaram utka^^thito 
gantum. '*" De zonnegod in zijn jaarloop moet, of hij wil of niet, 
van zijn hoogsten stand in zuidelijke richting wegtrekken. Zijn 
laagste stand, het winterzonnesolstitium , de tijd van zijne onmacht 
en waarin hij het langst onder den horizont vertoeft, is het 
rechtstreeksche gevolg van zijn trekken in zuidelijke richting, zijn 
dak^i^ayana. Ook BSma^s vermaarde tocht, waarbij hem SïtS 
geroofd werd en hij zooveel leed en ontberingen had te doorstaan, 
het Bamaya^a is een echt dak^i^ayana. In het Indische ritueel 
en in allerlei daarmee samenhangend bijgeloof wordt het dak§i- 
]|;^ayana van de zon als een ongunstige, het ut-taraya^a (de 
tijd van het lengen der dagen, als de zon Noordwaarts tijgt) als 
een gunstige factor aangemerkt. 

5^. In Bears Chineesche bron heet de man met het wiel , dien onze 
held aflost, Govinda. Gelijk men weet, is Govinda een naam van 
Krs^a-Vi^u. De eene zonneheros lost den anderen af altijd maar door. 

Op zich zelf en ieder afzonderlijk beschouwd zijn die aanwijzingen 
niet sterk , dat geef ik grif toe. Bij 2^. zou men b.v. kunnen in het 
midden brengen, dat een naam als Yasundhara (Aarde) als 
heusche vrouwenaam niets ongewoons is, en dat in het tooneelstuk 
Malavikagnimitra b.v. de koningin den synoniemen naam DhSri^ï 



" Eene parallel vindt men in mijn opstel over Nahu^, Aetes du FT^"** 
Oongrèa des OrientaUatea (1884) II, 24. 

*' Bij de Noordelijken wordt dat verlangen (utka^t^^ of ie c ha) met het 
Karma geïdentifieerd. In het Pali Jataka is het de uiting van Mittavindaka's 
hebzucht. 

so Avadana^. I, bldz. 202. 



DS KOOPMAN, DU TBGEN ZIJNB MOSDSK MISDSXKF. 203 

"draagt. Maar in de opeenhooping van zulke trekken, die alle in ééne 
Tichting wijzen, ligt wel degelijk bewijskracht. Hnnne onderlinge 
incongruentie levert geen tegenbewijs'. Een groot deel, zoo niet het 
meeste, van de zonderlingheden en onzinnigheden, waarvan mytho- 
logische verhalen overvloeien, komt hiervandaan dat onderling ver- 
schillende vergelijkingen, beelden, symbolen, raadselmystiek, die 
-elk op zich zelf als product van de fantasie allicht herkenbaar zijn 
en verklaring «toelaten , aaneengeschakeld zijn en in ruimte en tijd 
geprojecteerd. Eerst hun onderling verband schept de absurditeit. 

Volledigheidshalve behoort hier nog melding gemaakt te worden 
van den tegenhanger van den Man met het Wiel in de Grieksche 
mythologie, eu wel hierom omdat bij mijn weten door hen die over 
de Indische sage geschreven hebben van Ixion niet gerept wordt en 
ik bij BoscHEB geen enkele aanwijzing heb gevonden , waaruit men zou 
kunnen zien dat door iemand bij de verklaring van de Ixion-figuur 
rekening is gehouden met hare Indische parallel. Omtrent Ixion, 
den door Zeus om zijne ondankbaarheid gestraften man, die met 
slangen aan de spaken van een wiel is vastgeketend, dat in gesta- 
dige beweging verkeert, is de algemeene overtuiging van de beoefe- 
naars van Grieksche mythologie deze, dat zijn wentelend wiel het 
zonnerad voorstelt. Inderdaad, in de oudere phase van het verhaal 
boet hij zijne straf in de lucht, waar hij, zooals het bij Pindarus 
heet (Pyth. 2, 40 — 42) //op het gevleugeld wiel [gebonden] steeds 
rond wentelt,// eene eeuwigdurende straf (Diodorus IV, 69). Dat hij 
zijne straf in de onderwereld ondergaat, eene uit betrekkelijk jonge 
bronnen bekende en later heerschend geworden voorstelling, schijnt 
een gewijzigde vorm van het oorspronkelijke verhaal te wezen. 

De vraag mag rijzen , of de Ixion-mythe en die van den Indi- 
schen Man met het Wiel gemeenschappelijken oorsprong hebben, 
die in jit geval tot in overoude tijden is terug te plaatsen ; alsdan 
zou op Indischen bodem de invloed van het zuiver Indische gakra- 
y ar tin-begrip ze in eene bepaalde richting vervormd hebben. Zulk 
eene vraag kan gemakkelijker gesteld dan beantwoord worden. Wij 
hebben geene feitelijke gegevens voor de oplossing, en evenmin 
een waarschijnlijkheidsgrond a priori. Het is zeer goed mogelijk 
dat de voorstelling van de eeuwigrollende zonneschijf en die van 
den steeds ronddraaieuden hemelbol bij Hellenen en Hindoes , onaf- 
hankelijk van elkander, aan verwante mythologische verhalen het 
aanzijn heeft gegeven. 



AANHANGSEL. 

CBITISCHE AANTBSKENINGSN OP DIVYSVADSNA XXXVin 
(ed. Cowell and Neil, p. 586 vgg.) 



Bldz. 586 l*' strophe is anabhre, de lezing der hdss. , ten 
onrechte door de uitgevers in ara t re veranderd. De over- 
levering is ongeschonden tot ons gekomen ; er is sprake van 
maneschijn ^ablh wolkeloozen hemel. «^ 

ibid. 2® strophe pada 1: lees trshQanalaih, er is sprake van 
vuur en vlammen, niet van wind; de trsh^a is zelf het 
verterende vuur, niet de wind die het vuur aanwakkert. 

ibid. 3® strophe pSda 2 is lokaklega^ verknoeid. Lees lobha- 
klega^; de menschen, zoo staat er, zag hij in de macht van 
dien duivelschen klega, dien men 'hebzucht^ noemt. 

587, r. 3, de eerste pada van eene vrij bombastische sragdharfi, is 
onverstaanbaar doordat vyasajyacets, een onmogelijke vorm, 
en labdhs de constructie bederven. Lees: vyasajya ceto 
en labdhva. Het verbum gahante heeft een algemeen 
subject. Er staat: //Dien rijkdom, op welken hun hart zet- 
tend (vyasajya ceta^) wanneer zij hem verkregen hebben 
(de menschen) helle waarts gaan, dien gaf hij prijs. >/ 

587, 9 Lees: tasy&putradhanatv&t. 

588, 5 M8S samkle^a^, uitgevers: samkle9ain, lees: sam- 

kle^S. 

13 Lees: vi(}ambyase. 

27 , in de passage waar de heerlijke verschijning van den pas- 
geboren Maitrakanyaka in overladen en bombastische verzen 
geprezen wordt, zal wel in plaats van caru^ikharad dhemam 
yatha bhücyutam gelezen moeten worden Merugi- 
kharüd enz. 

589, 4 zal er wel moeten aaneengeschreven worden tan ayamud i- 
taceta; de maat verbiedt tanayaip mudita^' te lezen, wat 
naar den zin het best zou passen. 



AANHANOSEL. 205 

6 vrddhikaraib te lezeu, niet vrddhakaraib, wat hier 
zinledig is. 

590, 17 De eerste regel van den anustubh heeft eene lettergreep 
te veel. Eene kleine verandering op twee plaatsen verbetert die 
fout en den stijl. Men leze: 

gandhikapa^ikab 9resthin pitSl te ^smin pure pura. 

591 , 25 — 28. In den derden pada van dezen QSrdülavikridita hebben 
de uitgevers juist vermoed dat te t i r t v S moet gelezen worden 
voor het overleverde ye nïtva. Maar ook in pSda 1 zijn een 
paar verbeteringen aan te brengen, waardoor eerst de zin van 
het geheel vertaalbaar wordt. Ik lees de strophe als volgt: 

je mrtyum ga^ayanti naiva vipadi grSmam bhajantenaye 
gehe bandhusu snnusu vyapagatasnehstmanodyoginab | 
te tirtvS jaladhin agadhasalilgn SlvartabhimSln bndhab 
prapyarthan gajadantabhangasitayacinvanta klrtyS jagat || 
ff^^ijs zijn die, den dood niet tellend, in tegenspoed .niet in hun 
dorp blijven hangen, maar zonder zich te laten weerhouden door 
gehechtheid aan huis, zonen of verwanten, met ondememenden 
geest zich zelf inspannend , de zeeën bevaren diep van water en te 
dachten om hunne kolken. Dezulken hebben zich schatten vergaard 
en met hunne glorie, blank als een sieraad van elpenbeen, de 
wereld vervuld.// 

592, 12. Voor evam moet natuurlijk e kam gelezen worden. Tegen- 
over ySvad ekam staat dvitiyam in regel 14. 

598, 8 — 11 zegt Maitrakanyaka tot zijne moeder dat hijinditééne 
opzicht haar ongehoorzaam wil wezen, omdat hij door op zee te 
gaan wel levensgevaar loopt , maar , slaagt hij , der armen leed kan 
stelpen. De twee eerste padas van dit indravajra-vers zijn aldus te 
verbeteren : 

tasmad vilanghySmba vacas tad ekam 
yasySmi te tvam prajahihi gokam. 
15 vg. zijn aldus te lezen: 

asyam eva purS Puraipdarapurivispardhipuryam va^ik 
Mitro nSma babhüva yas suranaraprakhy&takïrtidhvajah. 
595, 10 vg. in de beschrijving van de verschrikkingen van de zee 
in eené dodhaka-strophe valt er te corrigeeren ^mahabha- 
yaraudram (waardoor tevens het metrum hersteld wordt) 
raudramahSlmakarahata vakram, niet ^cakram, zooals 
in den uitgegeven tekst staat. Eene soortgelijke verandering is 
noodig 598, 27 °vandana° lees °candana°. 



206 AANHANGSEL. 

597, 7 zal wel khadiravata^ moeten gelezen worden. 
// , 21 tato . . . . dadarga is een stok proza tusschen metrische 
brokken in geplaatst. 
601, 21 lees: yaths nivSryate en gamanSyotsnkamana^ 

604, 20, vg. zal wel dns moeten gelezen worden: 

kim vakari bhavantaresn bhavata 

karmStiraudram svayam 
yasySsti vyasanam durnttaram idam 

bhnjyam phalam krandayat. 

605, 5 — 8. De zin van deze ^ardnlavikridita-stanza is duister door 
het onverstaanbare complex in pSda b daivSvegSdakSryagu- 
rnkas. Men leze de beide eerste padas als volgt: 

ySm loke pravadanti sSdhumatayab ksetram param 

[prS^in&m 
daivavegava^&d akSryagurutas tasySjananyS mahat enz. 
De . strophe houdt in, dat M. beseft dat hij het wezen dat 
door elk schepsel het hoogst behoort te worden geëerbiedigd, 
namelijk zijne moeder, met den voet geschopt heeft, zeker ten 
gevolge van de macht van het noodlot, dien leermesêter van 
ongeoorloofde handelingen. 

18 dosagUQesu . . . . lees: dosaga^esu. 

606, 8 vgg. ksa^St sa reje enz. is verkeerdelijk als proza 
gedrukt. Wij hebben hier een regelrechte u p a j S t i-strofe , 
waar alleen cyutais snata^' i. pi. v. cyutasnSta te ver- 
anderen valt. 

ibid. 8 — 10 De corrupte derde pSda van deze indravajrfi komt 

terecht, wanneer men de strofe verbetert als volgt: 
divyanganagitamanoharSlQi cittapramododayas&dhanSni 
samtyajya kasmSn nu purapi tSni prSlptas tv idam sthsnam 

[ana^ntadu^kham. 



BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODS- 
DIENST DER DAJAKS VAN LANDAK EN 

TAJAN. 

DOOB M. C. SCHADEE. 
Controleur b^ het Binnenlattdsch Bestuur. 

(Vervolg van deel LVm, blz. 513). 



b. Het babalian. 

§ 73. Mannen en vrouwen als balian. 

Het babalian is meer een specifiek Dajaksche instelling. Alleen 
Dajaks treden als medium op. Ook vrouwen, echter zeer oude. De 
tijd, dat jonge schoone vrouwen, als Dara Hitam, de bruid 
van Aria Sinir in Landak als medium dienst deden, schijnt 
voorbij te zijn. 

Balians moeten niet verward worden met toekang pamang 
(gebeden-kundigen). Dit laatste is geen beroep; iedereen kan als 
zoodanig fungeeren, indien hij slechts welbespraakt genoeg is, en 
de noodige pamang^s van buiten kent. Elke balian ^ is echter 
op zijn tijd wel eens toekang pamang. 

De balian fungeert in de eerste plaats als geneesheer. Als 
zoodanig opgeroepen, wordt hij bij aankomst oumiddelijk toegelaten 
tot een onderzoek van den kranke. 

§ 74. Medium-steentjes. 

Dit geschiedt met behulp van kleine kristalheldere steentjes 
(batoe paniloe) — gewoonlijk stukjes bergkristal — waarmede 
wij ook den lënggang gewapend zagen. Deze steentjes worden eerst 
in olie gewasschen, waarna de balian er zevenmaal mede over 
het voorhoofd en daarna zevenmaal over de borst van den patiënt 
van boven naar beneden strijkt. 

Daarna houdt hij ze naar het licht ; de helderheid van het door- 



1 Zie over de vermoedelijke afleiding van het woord Wilken's Shamanisme 
Bgdr. T. L. en V. V. 2. pag. 471. 



2,08 BUDBAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

vallende licht levert de maatstaf tot beoordeeling van de hevigheid 
der ziekte. 

Soms komt hij daarbij tot de slotsom, dat alle moeite, om den 
levensgeest terug te roepen, te vergeefs zon zijn, en hij, de 
balian, ook geen verdere hulp kan bieden. 

Een andermaal verklaart hij, dat genezing nog wel mogelijk is, 
maar dat daartoe groote offers gebracht moeten worden ; het is toch 
de geweldige Trio, welke de ziekte veroorzaakt heeft, en nu 
moet deze door bijzondere gaven gedwongen worden, zijn slachtoffer 
weder de vrijheid te hergeven. 

Wij veronderstellen echter voorloopig, dat de ziekte aan een 
minder gevreesden geest geweten wordt en gaan na, welke toebe- 
reidselen voor de plechtigheid gemaakt worden. Voordat daartoe 
overgegaan wordt, moet echter de patiënt, het huis en zijne verdere 
bewoners voor booze invloeden gevrijwaard worden. 

Dit geschiedt door het bestrijken met den vleugel van een hoen, 
waarbij rijkelijk gele rijst rondgestrooid wordt. 

§ 75. Offermaal. 

Verder worden gereed gemaakt dezelfde zaken als voor een groot 
barimah; voorloopig dus barang roba — onrijpe ongekookte 
spijzen , waaronder een varken. Dit laatste wordt buiten vast gelegd , 
de andere zaken in de soerambi neergelegd. 

Verder voegt men daaraan nog toe: 

een zilveren geldstuk of zilveren ringetje, dat op de rijst gelegd wordt, 

een tampajan //sandong/'^ genaamd, 

een stuk ijzer, meestal een kapmes, in de tampajan geplaatst, en 

een hoen «rmano^ tanong// geheeten , dicht bij de tam- 
pajan vastgebonden. 

Aan den onderkant van een der stijlen van het huis bindt men 
een bosje randjoe wang-bladeren ^. 

Het stuk ij[zer neemt de balian na afloop der werkzaamheden 
mede naar huis als //pangkaras^f voor zijn levensgeest. ^ 

^ De boom yan den balian, welke de taman van den lénggang ver- 
vangt, heet — wij noteerden het bij de Sarito'-Dajaks — „ba war," komt 
eohter zelden voor. 

' Ook bij het tiwah of doodenfeest der Olo-ngadjoes krggt de balian voor 
het overvoeren van de ziel van den overledene naar het doodenr\jk de vol- 
gende geschenken: twee gulden, een mat, een bijl, een mes, een aarden 
kopje en een bord. Zie Grabowsky's beschrijving van het tiwah, Int. Aroh. 
Bd. n., p. 198. 



DVR DAJAKS YAK LANBAK BN TAJAN. 209 

Het doel der andere voorwerpen zal later verklaard worden. 

Yerder wordt de gamelan gereed gemaakt, bestaande uit een 
daoe (kromong), vier gongs en een katoembah ^. Vier per- 
sonen zijn noodig tot het bespelen dezer instrumenten, twee aan 
de daoe's, een aan de gongs en een aan de katoembah. ^ 

De balian neemt intusschen plaats op een schommel, welke 
in het midden van de soerambi is opgehangen. 

Aau den rechterpols draagt hij een koperen kettinkje als teeken 
van zijn beroep. 

§ 76. Helper (panjampang). 

In zijne bezigheden wordt hij verder bijgestaan door een helper 
isrpanjampang/r (eigenlijk pagaaier op den voorsteven, gelijk 
djoeroe batoe), welke voor den geregelden gang der zaken zorgt. 

Vaak is het eene oude vrouw. ' Wanneer toch de gamelan 
zich doet hooren, en de balian door den panjampang heen 
en weer geschommeld wordt, zijn hoofd gedekt door een slendang, 
geraakt deze, evenals de lënggang, in een soort van ecstase, 
waarbij het heet, dat hij zich niets van zijne omgeving bewust is. 

In dezen toestand is het hem niet mogelijk , zelf voor de regeling 
der plechtigheden te zorgen; dit doet de panjampang. 
' Het verschil tusschen den lënggang en den balian merkten 
wij reeds op. 

In den eersten toch wordt verondersteld , dat verschillende geesten 
achtereenvolgens nederdalen of opstijgen, niet alzoo in den balian. 
Deze zendt zijne soemangat uit op reis in de geestenwereld, die 
dan verschillende ontmoetingen en allerlei avonturen heeft. De mond 
van den balian uit slechts wat de soemangat spreekt en 
ondervindt, en soms ook de woorden, welke anderen tot hem 
richten. 

Is de ecstase ingetreden en heeft de balian als teeken hiervan 
de slendang weggeworpen, dan begint zijn eentonig gezang op 
de maat der door de gamelan aangegeven melodie. 



1 De katoembah mag aUeen tijdens het babalian bespeeld worden, 
op andere tijden is dit pan tang. Zie over het slaan op een trom tot op- 
roeping van geesten: Wilken, Shamanisme, Bij dr. Y. 2, p. 479. 

* In kampong Moeja (Batang Tarang-Dajaks) zag ik tijdens het babalian 
een man aan de kromong's (ssdaoe), een man aan een kleine t o tong en 
•eene vroaw, welke twee t j a n a n g's , een gong en een t a w a-^-t a w a-^ bediende. 

' In Tajan treden vrouwen nimmer als balian of lënggang op. 



210 BUDEAGS TOT DE KSIflOS VAN DEK GODSDIENST 

§ 77. Balian-taal. 

De taal ervan is de bahasa boekit. Echter wordt niet de 
gewone spreektaal gebezigd, maar de /rbahasa balian/s^ i, welke 
gemengd is met tal van hooge woorden, en gekruid met talrijke 
omschrijvingen. 

Menschen en dieren dragen er weidschklinkende namen in. 

Zoo heet het varken . niet kort weg >i^d j a 1 o e^ maar B a b o e t 
sangkomang barsoengap badil laba limaoeng batit^ 
lébar. [baboet = varken, sangkomang = met witte haren 
in de zijde als het wilde varken, barsoengap badil =:= met een 
snuit als de mond van een léla^, laba = wild varken, lima- 
oen g = blazend , t i t é = vet.] 

De kip wordt betiteld: Mansio kompong, batata^ tégat 
[mansio = kip * , kompong = bosch, tata^ = snijden, hakken,, 
tégat = kleine teen, die naar achter staat, bartata^ tégat = 
met den afgesneden teen, d. i. zonder nagel] ; de haan als /srBalang- 
king balo, bartadji bini>y [balangkiug = vogel met zwart 
en witte veeren, balo = zonder veeren,* bartadji = de sporen 
geven]. 

Intusschen is het hoen, dat zooeven tot het pipissen diende, 
geslacht en heeft de panjampang een weinig bloed ervan opge- 
vangen, dit gemengd onder gekookte rijst, waaraan nog zout toe- 
gevoegd wordt. Een kopje met deze rijst wordt den balian 
aangereikt, welke met de rechterhand den inhoud beetje voor beetje 
voor zich uit in de hoogte werpt als een offer aan de goden en 
geesten, welke hij nu achtereenvolgens bezoekt. 

In de eerste plaats de Dewata^s. De balian heeft hun hulp- 
op het oogenblik wel niet noodig, maar het zou toch niet aangaan> 

1 De uitdrukking „basa sangiang" is in Landak niet bekend. 

' Dit doet denken, dat men het varken met een olifant vergelijkt. Ook. 
het woord limaoeng, dat „blazend" zou beteekenen, doet zulks vermoeden. 
Vergelijk lila (een soort kanon) met bêlalé in singa bëlalé = de ^- 
slurf de singa. Int. Arch. für £thn. Bd. IX, p. 88 en met tëlalé = fluit 
o. o. p. 67, ook tromp van een olifant. — Etymologisch hebben de Mal. 
woorden lila (kanon) enboelalai (snuit) niets met elkaar te maken. {Bedactie). 

* Mansio = kip, hoen. Vergelyk de vertaling van het Maleische ajam 
= hoen in de Dajaksche woordenlijsten, soms manö*^, soms sio-^ of een. 
nevenvorm daarvan. Mansio niet te verwarren met mênsia = manoesia. 
= mensch. 

* Vergelijk het woordenboek van Hardeland; balo = weduwe. De wedawe^ 
moet zioh het haar tot de schouders laten afsnijden. 



DE& BAJAELS VAN LANDAK IN TAJAN. 211 

hen, de hoogere machten , te passeeren en zich direkt tot de mindere- 
geesten te wenden. 

Zij worden dns in het algemeen om hulp en zegen , voordeel en geluk 
aangezocht en verder in kennis gesteld met het voornemen der menschen^ 
om de gereedstaande barang roba hun als maaltijd te bereiden. 

Na de Dewata^s zoekt de balian de Ippé^s en de Kamang's 
op. De laatste leerden wij reeds kennen, de Ippé^s ^ echter nog niet.. 

§ 78. Ippé's. 

Het zijn de geesten der afgestorven balian^s van het begin 
der tijden tot den huidigen dag , in het bijzonder de oudsten onder- 
hen, diegene welke leefden voor Aria Sinir. 

Het waren vrouwen. * Zij heeten : 

1^. Ooram indoe Boro Bartikar Langkéh. 

2°. Apé indoe Gomé Bartj onding Banta. 

3^ Naboer indoe Doekoel Balian Sidi. 

4^ Toedjoeh indoe Njampoet Mandiri Maja. 

5°. Dending indoe Angan Mantjagit Bangkei. 

6^ Boewan indoe Apo^ Balian Sansap. 

7®. Gili^ indoe Sari, Bartoekar Maja. 

8^ Tjoepoe indoe Balalang Barsamé Ajo. 



^ Dit Ippé is identisoh met een algemeen in den Indisohen Archipel 
voorkomend woord, bij de Alfoeren van Boeroe, Geram en Halmahera als 
opo, opoe of oepoe, bij de Alfoeren van de Minahasa als op o en ëm« 
poeng, bij de Atjèhers als eumpèë, bij de Makassaren als poen, poem, 
of poeng voor eigennamen, bij de Bataks als émpoe (Daïrisch dialect) 
of ompoe (Tobasch di'aleot) of naar den uitsprsiak op po e, bij de Lam« 
pongers als ampoe, bij de oude Javanen als mpoe. AI deze woorden 
hebben de beteekenis van grootvader of grootmoeder en van heer, baas. 

Vergelijk verder het woord apé in apé mantoe Hari (zie§ 118), oepo, 
de naam van den hoofdbalian bij de Olo-ngadjoes , apo Leggan, het 
zielenland der Bedjang-Dajaks (Ling Roth, Natives of Sara wak, vol. I. pag. 
149). Apoe kajan, Apoe késio en Apoe Lagan (D*" A. W. Nieuwen- 
huis, In Centraal Borneo, blz. I van den Bladwijzer). 

Ook de èmpoeng's der Alfoeren in de Minahasa zijn de geesten, welke 
de balian 's bezielen. Tot hen behooren ook de zielen der afgestorvenen. 

Ook op Loewang-Sermata zijn het de oepoe maté (= gestorven o e po e), 
welke in de mediums nederdalen. 

Zie Wilken. Animisme, Ind. Gids 1884, DL II, p. 97. Shamanisme, Bijdr. 
T. L. en V.-kunde, V, 2 p. 457, 468. D' C. Snouck Hurgronje, De Atjèhers, 
DL II, p. 812, noot 1. 

* Ook de manang's van Sarawak roepen de geesten der gestorven 
manang's op. Ze worden aangesproken als ini= grootmoeder. Ook daar 
zijn het dus vrouwen. Ling Both, Natives of Sarawak, I p. 282. 



212 BUDEAOB TOT DE KSNNIS VAN DEN GODSDIENST 

en ten slotte Aria Sinir^s bruid zelve, de bekoorlijke Dar^ Hitam 
(= de zwarte maagd). * 

De laatste twee woorden van eiken naam vermelden eene goede 
eigenschap of eene bijzonderheid van de betreffende persoon, de 
/^nama poedjian^/ (poedji = prijzen). 

ba rt ik ar langkéh = met de met schelpjes versierde matten; 

bartjondong banta = met het fieschje met medicijn (banta 
= geneesmiddel) ; 

balian sidi = de onfeilbare b a 1 i a n ^ ; 

mandiri maja = die de dooden doet opstaan; 

mantjagit bangkei = die de lijken doet herleven; 

balian sansap = de balian, die zich niet meer van de 
wereld bewust was. Dit ging zoover, dat Boewan indoe Apo* vergat 
hare schaamdeelen te bedekken. 

Bartoekar maja en Barsamé Ajo = die de zielen ver- 
wisselde. Beide vrouwen genazen vaak kranke personen, door hun 
de zielen van gezonde menschen te geven. Dezen, van hun soe- 
mangat beroofd, stierven dan. Het was daarom gevaarlijk, deze 
balians tot vijand te hebben. 

De balian richt zich dus tot de Ippé^s en de Kamang^s 
met het bericht, dat de gereed liggende barang roba hun tot 
een maaltijd bereid zullen worden , en met het verzoek, hem bij de 
genezing van den patiënt behulpzaam te zijn. 

§ 79. Diagnose. 

Zij geven hem dan ook de verlangde inlichtingen en noemen den 
naam van den Kamang of Hantoe, die de ziekte veroorzaakt 
heeft. De balian komt dan met zijne diagnose voor den dag, 
welke bijvoorbeeld neerkomt op een der volgende gevallen: 

Takana di pauta^, di ladang, di tanggorèng, di 
ajer, di kajoe ara, d. i. door ziekte overvallen bij den panta^ 
(afgodsbeeld tot vereering der voorouders) inde ladang (rijstveld), 
in den hollen weg, aan het riviertje, of bij den ara-boom, waar- 
mede bedoeld wordt de in den panta^ zetelende geest of de geest 
van de ladang, van den hollen weg, van het riviertje, van den 



^) Veth spreekt abusievelijk over Darah Hitam = Zwart Bloed. Bomeo's 
Wester Afd. Dl. I, blz. 194. 

' Sidi is ontstaan uit Sanskrt siddhi (volkomenheid). Prof. Kern. 



DKR DAJAKS VAN LANDAK BK TAJAN. 213 

ara-boom heeft den zieke /^geraakt,// is in hem gevaren, is dns 
oorzaak van de ziekte, op de wijze aangewezen in § 54. 

Het moge verwondering wekken, dat de ziekte aan een Kamang 
toegeschreven kan worden, terwijl gelijktijdig de Kamang^s in- 
lichtingen omtrent of hulp tegen de ziekte verschaffen. Dit is te 
verklaren uit hnn dualistisch karakter ; zij zijn zoowel tot het goede 
als tot het kwade iu staat. 

Ten slotte wordt ook de ziektedaemon, de Kamang of Hantoe 
opgeroepen, ook hem wordt een aandeel der spijzen toegezegd, 
waarna de balian alle Uewata^s, Ippé^s, Kam ang^s en andere 
geesten aanmaant om voorloopig huiswaarts te keeren (dewata 
poelang ka dewata, ippé ka ippé = dewata, keert weder 
tot de dewata^s, ippé tot de ippé^s), en richt ook zulk eene 
aanmaning tot zichzelven (talino poelang ka talino = mensch 
keer weder tot de menschen) en ontwaakt voor een oogenblik uit 
zijne ecstase. 

Nu wordt in allerijl tot het slachten der levende have en het 
bereiden der offerspijzen overgegaan. 

§ 80. Het oog van den balian. 

Wij hebben dus even den tijd, om kortelijk de beteekenis van 
het zilveren geldstukje of ringetje en de mano^tanong te verklaren. 

Het eerste noemt de balian zijn oog; nl. het oog, waarmede f 
zijne rondwarende soemangat ziet. 

Ontbreekt het, dan is het hem onmogelijk, aan den arbeid te 
gaan. Na afloop der werkzaamheden vervalt het aan hem voor zijne 
moeite. Verder krijgt hij nog $ 1 per avond. 

Eens woonden wij het bij, dat het medium maar niet in den 
toestand van verrukking scheen te kunnen komen. Driemaal wendde 
hij eene poging daartoe aan, maar telkens mislukte het. Eindelijk 
ontdekte men, waaraan het haperde: het zilveren oog ontbrak I 

§ 81. Mano^ tanong. 

Wat de mauo^ tanong betreft het volgende: 

Dit hoen dient, om wanneer voor den balian de tijd daar is, 
om uit zijne ecstase of hypnotischen slaap te geraken , hem te doen 
ontwaken. De panjampang, de hypnotiseur neemt dan het dier 
en wuift het boven het hoofd van den balian heen en weer. 
Bovendien legt hij dan bras banjoe op diens hoofd. 

De arbeid van den balian is echter uitermate vermoeiend. 

?• Volgr. V. 14 



214 BUD&A.GS TOT DS KSNNIS VAN DIK GODSDISNST 

Wanneer wij zijne lotgevallen hieronder nader beschrijven, zal dit 
duidelijk blijken. Niet zelden gebeart het dos, dat hij in de war 
raakt in zijn eigen werk, ja vaak valt hij uitgeput bewusteloos op 
den grond. In dat geval neemt de panjampang fluks den mano^ 
tanong den kop af (di poe las) en brengt den bloedenden hals 
van de kip aan de lippen van den balian, opdat deze uit het 
warme vocht nieuwe krachten opzuige. 

Het nut van de tampajan ffshndougf genaamd zal direkt blijken.^ 

Gaan wij thans met ons verhaal verder. De spijzen zijn gereed 
en weder dezelfde als bij het barimah. (Zie § 10). 

De barang rimah worden niet op den grond gezet, maar op 
een groote platte mand (njiroe), die ook tot rijstwanneu gebruikt 
wordt, geplaatst, welke voor den schommel opgehangen wordt. 

De barangrimah wordt in vieren gedeeld; elke spijs wordt 
over vier kopjes of borden verspreid. 

§ 82. Vier soorten offerspijzen. 

De vier deelen heeten: rimah badoedoe\ rimah panjolor,' 
rimah bataboes en rimah badjampi. 

De balian zet zich weder op den schommel (ajoen), de gamelan 
weerklinkt, en al schommelend komt hij weder in ecstase. 

De Dewata^s, Ippe^s, Kamang^s en verdere geesten worden 
weer opgeroepen. Bij aankomst zijn zij vermoeid van de reis, het is dus 
zaak, hen eerst in eene goede stemming te brengen, waartoe men 
hun zoo spoedig mogelijk de rimah badoedoe^ — de rimah bij 
het nederzetten -r- aanbiedt. 

Zijn zij wat tot rust gekomen, dan komt pas het eigenlijke maal; 
de rimah panjolor (solor =: aanbieden) worden dan genuttigd. 

De rimah bataboes alsmede de tampajan «^sandong^^ 
(zie § 75), dienen bepaaldelijk tot het afkoopen van de ziekte van 
den kwelgeest, die haar veroorzaakt heeft (taboes = tëboes 
Mal. =^ inlossen). 

De kwelgeest is verplicht, het zoenoffer aan te nemen, want de 
pan tang-instelling, dat het verboden is, aangeboden spijzen te 
weigeren, geldt zoowel voor geesten als menschen. Hij zou schuldig 



1 Vergelgk dit met hetgeen Wilken en Sohwarz mededeelen omtrent een 
medium-séanoe bij de bewoners van het landschap Bola&ng Mongondotu 
Bijdr. V, 2, p. 469. 

' Het offeren door de mediums bij de Alfoeren der Minahasa heet mang- 
elloer. Zie Bgdr. V, 2, p. 458. 



DIS DAJAKS VAN LANDAK BN TAJAN. 215 

zijn aan adats-overtreding, indien hij iemand inden toestand bracht, 
dien wij boven als kampoenan leerden kennen (§ 3). 

Hem niet willende oproepen naar de woning der menschen, brengt 
men hem de rimah bataboes in zijn eigen verblijfplaats. 

Het barbalian begint in den namiddag en dnurt den geheelen 
nacht. Het brengen van de rimah bataboes wordt daarom tot 
den volgenden morgen uitgesteld. Is men dus takana di tang- 
gorèng, dan wordt de rimah bataboes, waaraan men nog 
een levend hoen toevoegt, naar den hollen weg* gebracht , alles te 
samen aan den daar verblijvenden Ha n toe aangeboden. 

Soms is de woning van den kwelgeest ver verwijderd. 

Eens vroeg een mijner politie-oppossers (nog wel een Maleier en 
Mohamedaan) eenige dagen verlof, om naar de Béhé-streek te gaan. 
Toen wij onderzochten met welk doel, bleek ons, dat hij geloofde 
aan het verhaal van een balian, die hem verteld had , dat de ziekte , 
waaraan, hij lijdende was, toegeschreven moest worden aan den 
Hantoe van een bangaram-boom, welke zich bevond op een 
vroeger door hem bij zijn kampong in de Bëhé-streek aangelegde 
ladang. Den boom had hij, toen hij bezig was het veld schoon 
te maken, verbrand, maar niet geheel, zoodat de geest hem ook 
niet verlaten had , maar zeer verbolgen was over de schending zijner 
woning. De oppasser wilde dus een offer aan den geest brengen en 
moest verder op last van den balian dezen uitnoodigen, vandaar 
te verhuizen, vervolgens den boom geheel verbranden, de asch 
mengen met fijngemaakten wortel van de aroes-struik, bespuwen 
met sirih-spog en zich met dit mengsel op zeven deelen van zijn 
lichaam besmeren, waarna hij totaal genezen zou zijn. 

Keeren wij intusschen tot den balian terug, die met zijne ma- 
nipulaties verder gaat, en thans overgaat tot de geneeskundige be- 
handeling van den patiënt. 

Deze bevindt zich in het woonvertrek, terwijl de panjampang 
hem de rimah padjampi benevens een van een dekseltje voor- 
zien bakje — kroewam Daj. — nadraagt. 

De inhoud van dit laatste zal hieronder blijken. 

De balian wendt zich wederom tot de Dewata^s, Tppé^s 
en de Kamang^s — want deze (vooral de Ippé^s en de Kamang^s) 
zullen hem bij het behandelen van den kranke behulpzaam zijn. De 
rimah badjampi wordt hun als loon voor hunne diensten aangeboden. 

De middelen, welke de balian nu aanwendt tot herstel vanden 
kranke zijn velerlei. In de eerste plaats melden wij het //badjampi./r 



£16 BUTBRAGS TOT DS KXNNIS VAK D«K GOD8DIKNST 

§ 83. Badjampi = bestrijken met een randjoewang- 

blad of steentjes. 

De balian zet zich naast den kranke op den grond neder en 
de panjampang reikt hem een blad van een randjoe wang- 
boom over, waarop wat bloed van de geslachte offerdieren gesmeerd 
is. Met dit blad in de hand masseert de balian thans den kranke. ^ 
Telkens schijnt daarbij een klein steentje of pluisje uit diens lichaam 
te komen, dat de balian dan tusschen duim en wijsvinger grijpt 
en van zich afwerpt. 

Die kleine voorwerpen veroorzaken de ziekte; deze wordt dus in 
letterlijken zin uitgeworpen. 

Het masseeren geschiedt niet alleen met een randjoewang- 
blad, maar ook met steentjes, welke de balian, evenals de ba toe 
paniloe, van de Ippé^s ten geschenke bekwam. Zij worden met 
deze laatste bewaard in het bovengenoemde bakje — kroewam 
genaamd — dat half met olie gevuld is. 

De steentjes, bij het masseeren gebruikelijk, worden nog onder- 
scheiden in batoe padjampi en batoe panawar. De eerste 
hebben den vorm van een vleermuis, de laatste zijn klein, lang- 
werpig rond. 

Waar de balian met den vogel vormigen steen over het kranke 
lichaam strijkt, blijft er telkens weer een ziektestofje aan den steen 
hangen, dat dan zorgvuldig verwijderd wordt. 

De batoe panawar wordt alleen gebezigd in geval van een 
vergiftigden beet , hetzij van slang , schorpioen of duizendpoot. Door 
er mede over de wond te wrijven, wordt het gift van zijn kracht 
beroofd, [t a w a r = krachteloos , flauw ; panawar = wat krachteloos 
maakt]. 

§ 84. Famoelang. 

Een ander expediënt van den Dajakschen geneesheer is het volgende : 

Hij neemt fijngemaakt tras [lor os Daj. Ajoeh = tras Mal.] 

d. i. de harde kern van het hout van den kalimantan en den 

tên gang-boom (boom bekend om de sterke vezel, welke de bast 



^ Ook elders verricht het medium zijne werkzaamheden met bladeren in 
de hand. 

Wilken deelt het mede van de O rang Bënoewa en de Mohammedaansohe 
Maleiers van het Schiereiland Malakka. Bijdr. V , 2 , p. 452 , de Alfoeren van 
de Minahasa (p. 457), en de Oio Ngadjoe (p. 485). Zie verder het woord irek 
bij Hardeland. 



DSK DAJAKS YAN hANDAlS. IN TAJAK. 217 

levert) en wat afschrapsel van den tand van een kasoewil 
(tijgerkat), mengt deze stoffen goed door elkaar en strooit het 
mengsel nit over wat kalk op een sirihblad. Daarna kanwt hij dit 
ait met een pruimpje tabak, gambir en een paar stukjes pinang, 
en bespuwt er onder het tellen van een tot zeven verschillende 
plaatsen van het lichaam mede [voorhoofd, wangen, borst en rug, 
tusschen de schouderbladen.] 

Dit geneesmiddel heet pamoelang. Soms wordt het op andere 
manier toegediend nl. gemengd met olie, met den vinger op de 
genoemde plaatsen aangebracht. 

§ 85. Mangaroes. 

Een ander bekend middel uit de Dajaksche therapie is fijnge-* 
maakte wortel van twee heestergewassen , den ar o es- en den 
tangkrap o es-struik. Men smeert den stof in si rih-spuw gemengd 
onder het tellen tot zeven op de evengenoemde lichaamsdeelen. Dit 
heet //manga roes// en het doel ervan is het wegnemen der kwade 
invloeden, welke mochten voortspruiten uit het niet nauwkeurig 
opvolgen van pan tang- voorschriften, welke gedurende het barba- 
lian van kracht zijn, nl. het verbod om dan paddestoel (koel at), 
varen (pa koe), bamboespruitjes (rabong) en slakken (ik an tang- 
koe jong) te eten. 

Hiermede is het eerste gedeelte van de genezing naar Dajaksche 
opvatting , de bestrijding der physieke krankheid voorloopig geëin- 
digd. Thans rest voor den balian een andere taak, het opsporen 
en terugbrengen van de voortvluchtige soemangat van den patiënt. 
Het medium moet daarvoor eene lange reis ondernemen naar het 
Zielenland — Sibajang, de Dajaksche Elyseïsche velden, waar 
de zielen der afgestorvenen hun verblijf hebben. ^ 

§ 86. De Trio als ziekte-daemon. 

Voor wij hem op dezen tocht volgen, moeten wij nog het geval 
behandelen, dat de ziekte geweten wordt aan den meest geduchten 
aller geesten, den Trio, den patroon der koppensnellers. 

1 Soms weet de balian de soemangat meer in de nabijheid op te sporen. 

In kampong Moeja (Tajan) woonden wij het bij, dat de balian uit het 
langs het dorp stroomende riviertje wat water haalde en dit gedurende eenigen 
tijd omroerde, totdat het plotseling rood werd. Toen ving hij eensklaps de 
soemangat (ziel) van den zieke met de hand uit het water op en bracht 
haar door wrijven weer in diens lichaam. Hij beweerde een soemangat 
ontworsteld te hebben aan den Hantoe Aje-^ (Water- Geest). 



218 BIJDBAOE TOT DB KENNIS YAN DEN GODSDIENST 

Wij leerden hem boven reeds kennen, bij de behandeling der 
Kamang^s (§ 38) en voegen daaraan nog het volgende toe. 

Yan den Trio zegt men, dat hij vervuld is met pad jong 
(barisi padjong), d. i. dat padjong van hem uitgaat. Padjong 
is een geweldige kracht, waarvoor de mensch zich moet in acht 
nemen, en staat dus tegenover kram at, heilzame kracht, welke 
bijv. van den radja, van heilige bergen, rotsen of heilige kanonnen 
uitvloeit. Is de ziekte nu door den Trio veroorzaakt, dan noemt 
men dit //kana padjong, >y d. i. door padjong getroffen. De 
wijze, waarop de Trio daarbij te werk gaat is zeer eigenaardig. De 
ziektestof deponeert hij op een boom of een rotsblok en maakt ze 
besmettelijk door er op te spuwen (di samboer) met speeksel, 
gemengd met fijngemaakte tras kalimantan en gestampte wortel 
vanden aroes-struik. De ziektestof heet pangkala; in de duisternis 
is ze zichtbaar en vertoont zich als kleine vlammetjes. Door aan- 
raking neemt de mensch de ziekte in zich op, die voornamelijk 
in de beenen trekt en spoedig het loopen verhindert. 
'De balian gaat tot genezing als volgt te werk. 

Eerst heeft het //pi pissen/)^ van den patiënt met een hoen plaats 
en het strooien van taboer njawa. 

Daarna laat hij een hond met roode haren en een haan met 
roode veeren zoeken. Hij kleedt zich ^ als een koppensneller in feest- 
gewaad met rood en witten hoofdring (bangkong), zwart en wit 
katoenen lendegordel en wapent zich met een houwer nl. met dien, 
bij de Boekit-Dajaks in gebruik, de /rtangking.>/ Aldus uitgedost 
begeeft hij zich op het bordes voor het Dajaksche woonhuis, om 
den Trio het offer te brengen (manongkbh). Niemand zou het 
toch wagen, den Trio in huis te noodigen; voorzichtigheidshalve 
roept men hem dus maar daar buiten aan (aanroepen van den 
Trio = manjaro^ Trio). 



* G-edarende het eerste gedeelte van de séanoe was hij gekleed in een 
sarong, met behoud eohter van zijn gewoon baadje. Bij de ba Hans van 
Landak komt het vroawelijk karakter, dat bijvoorbeeld den manang der 
Zee-Dajaks eigen is, slechts in zeer geringe mate uit. Aldaar trouwen zij 
soms met mannen. Zie Sarawak by Hugh Low, pag. 176 en Ling Both , The 
Natives of Sarawak and British North Borneo, I, blz. 270. 

Zie over dit onderwerp : Wilken , Shamanisme, Bijdr. Y, 2, pag. 477. Niemann, 
Linguïstische en Ethnologische Studiën. Bijdr. V, 4, pag. 273 en Kern, Een 
Spaansch schrijver over den Godsdienst der heidensohe BikoUers, Bydr. VI. 
8, pag. 229. De Landak Dajaks komen dus in dit opzicht overeen met de 
Land'Dajaks van Sèrawak. Hugh Low o. c. p. 262. 



BS& DAJAKS TAK LAXBAK EN TAJAN. 219 

Dit geschiedt door drie ruwe scherpe gillen ; tegelijkertijd worden 
den rooden haan en den rooden hond elk in één slag met den 
houwer de kop afgeslagen. 

De Trio eet bij voorkeur hersenen en bloed, en baadt zich 
slechts in bloedwater. Het bloed der geslachte dieren wordt dus ten 
deele opgevangen in een gereedstaanden aarden bak met water en 
voor de rest gemengd met gekookte rijst, waaraan nog wat zout 
«n het hart en de hersenen van hond en haan worden toegevoegd. 
De balian werpt nu tot driemaal toe wat bloedwater in de hoogte, 
om den Trio een- bad te geven, en biedt hem daarna zijn maal 
«an , hem de bloed-rijst toewerpende. 

Gedurende deze bezigheden houdt hij op dreunenden toon een 
toespraak tot den Trio, dezen smeekende, het oifer te willen aan- 
nemen, maar af te laten van zijne booze plannen ten opzichte van 
den kranke. 

Is de Trio ten slotte uitgenoodigd , weder huiswaarts te keeren, 
dan begeeft de balian zich naar den patiënt, om ook hem met het 
bloedwater te baden. Dit geschiedt door hem met rëndjoewang- 
blad te bestrijken, in dit water gedompeld. 

§ 87. Homoeopathische geneeswijze. 

Bovendien bespuwt hij den kranke met dezelfde stoffen als de 
Trio bezigde, om de ziektestof besmettelijk te maken; deze ge- 
neeswijze is dus homoeopathisch ; ook de Dajaksche dokter huldigt 
dus den stelregel : similia similibus curantur. 

Het offeren aan den Trio moet steeds tegen het vallen van den 
dag geschieden. 

§ 88. Beis naar het Zielenland. Kleeding en 
uitrusting van den balian. 

Volgen wij thans den balian op zijne reis naar het Zielenland. ^ 

De gamelan doet eene andere melodie hooren. 

De schommel wordt verwijderd, want de balian gaat thans te 



^ Ook de manang's in Sarawak ondernemen reizen naar het zielenland. 
Onder de „pëlian'* of „manang performances", beschreven door 
Perham — zie Ling Both, The natives of Sarawak, I, blz. 279 -^ komt 
voor het ^Memuai ka 6 a ba jan" == Making a joumej to Hades.'' 

Vergelijk ook de reis naar de kampong der dj ih in 's door den doekoen 
b^ de Minangkabauers in „Het Animisme bij den Minangbabauer der Pa- 
dangsche Bovenlanden." Bij dr. Taal, Land en Volkenkunde, volgreeks V, 
dL 5, blz. 52. 



220 DUDBAGE TOT DE KENNIS TAN DEN GODSDIENST 

voet. Hij kleedt zich in een lang, tot de voeten reikend kleedingstak 
zouder mouwen, van achteren gedeeltelijk van rood , gedeeltelijk van 
wit katoen (badjoe gojam). 

Soms ook is het geheel van blauw katoen. 

Het bestaat uit een stuk doek, in het midden waarvan een rond 
gat is uitgesneden voor het hoofd, zoodat bij gebruik het eene 
eind de borst, het andere den rug bedekt. 

Om het middel draagt hij een saroeng, welke door een daar- 
onder zich bevindende hoepel (gata) van een in kronkelingen ge- 
draaiden rotanband, welke bij wijze van crinoline om het midden 
gedragen wordt, breed uitstaande wordt gehouden (basindjang). 

Aan zijne voeten bindt hij belletjes (Mal. krontjong, Daj. 
karong (Sêpatah-Dajaks). 

Den hoofddoek slaat hij los om het hoofd, de uiteinden worden 
niet ingestoken, maar hangen naar voren links en rechts van het 
gezicht ter neer. 

Hij voorziet zich van eene goede hoeveelheid gele rijst en andere 
taboer ujawa, want de bezwaren, die hij onderweg ondervinden 
zal, zijn vele, maar met gele rijst komt hij ze alle te boven. 

De Ippé's en de Kamang^s worden verondersteld hem te volgen. 

§ 89. Titi badjowa. 

De balian vangt aldus zijne reis aan. De ecstase ingetreden 
zijnde, begint hij te menariën ^, daarbij op de maat der muziek 
op eentonige wijze voortdurend zingend. ' Zijne eerste ontmoeting 



^ Dit menariën is een langzaam in een kring rondloopenj al draaiende, 
waarbij de voeten niet van den grond komen, maar bij kleine rokjes of 
schokjes langzaam worden omgesohoven, terwijl de armen onbeweeglijk 
uitgestoken worden in horizontale richting. Alleen in de handen is daarbij 
eene kleine op en neergaande beweging merkbaar. 

De dans, op deze wijze uitgevoerd, heeft alleen plaats onder het aanroepen, 
van den Kamang, en is dus alleen geoorloofd b\j het babalian en bij 
snelfeesten. Dit betreft vooral de Dajaks van West- en Noord-Landak. 

De Europeaan, de kampong's dier streken bezoekende, zal daarom steeds 
vergeefs het verzoek doen „eens even te menariën," want dit is voor den 
Dajak verboden. 

De bewegingen van den toekang lènggangbij het menariën zijn veel 
sneller, vrijer en losser, ook de armen worden door hem meer bewogen.. 

' Deze gezangen zullen waarschijnlijk veel overeenkomst hebben met de 
„Augh oio balian" reeds boven genoemd (§ 59.) Ook bij het tiwah 
worden op de reis naar het zielenland alle hindernissen door „taboer" d. i. 
„het gestrooide" overwonnen. De eerste gezangen zijn dan ook aan de 
taboer gewijd. 



DKE BAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 221 

18 een bmg, de titi badjowa [titi = brug, badjowa=niet 
raken, ontmoeten], een bmg, die uit twee deelen bestaat, welke 
elkaar niet raken, maar zich voortdurend naar elkaar toe en van 
elkaar af bewegen, en zich toch nimmer aaneensluiten, daar de 
einden elkaar voorbij schuiven. 

Dit wordt aanschouwelijk voorgesteld door twee kuapen, welke 
ieder een rijststamper in de baud houden en deze op dezelfde wijze 
heen en weer bewegeu. De bal ia n roept de hulp der Dew^ta^s, 
der Ippé^s en Kamang's in, om het hem mogelijk te maken, 
de brug te passeeren. Heeft hij dit zeven maal gedaan, rijkelijk 
gele rijst om zich heen strooiende, dan sluiten de beide rijst- 
stampers — de beide deelen der brug — aaneen , en kan de b a 1 i a n 
er zonder gevaar overgaan. Hij besmeert haar met //bêras banjoe// 
en gaat verder. 

Zijn tweede, derde, vierde en vijfde avontuur zijn alle bruggen 
▼an dergelijk mechanisme. Achtereenvolgens passeert hij , steeds na 
zevenmaal om hulp gesmeekt te hebben en steeds rijst opwerpende: 

§ 90. Andere hindernissen. 

de titi bagintoer [bagintoer = zich bewegen]: twee naast 
elkaar gehouden rijststampers worden eerst tweemaal op en neer 
bewogen en dan naar elkaar toe; 

de muziek geeft de maat der beweging aan; 

de titi bagora [bagora = om elkaar heendraaien] ; 

twee rijststampers worden om elkaar heen gedraaid; 

de titi sawa. Sawa== slang. ^ Twee reepen wit en rood 
katoen, om elkaar gewoeld, stellen die slang voor, welke zich 
kronkelend heen en weer beweegt. Op het zevenmaal herhaald 
verzoek van den balian aan de De wata's wordt de slang eensklaps 
strak getrokken; 

de titi mangoenang: een op den vloer uitgespreid stuk zwart 
katoen wordt langzaam vooruit bewogen en eensklaps met een ruk 
teruggetrokken , hetgeen een beweegbare brug voorstelt , welke bijna 
tot den overkant reikte, maar eensklaps weder ingetrokken wordt. 
Het hulpgeroep van den balian en de gele rijst sluit echter ook 
deze brug. Haar gepasseerd hebbende komt hij op de 

tanah bagaboeH, d. i. golvende grond, een zwart op den 



^ Sawa = eigenlijk sa war == slang, vergelijk S. W. Tromp, Uit de Sala 
sila van Koetei , Bijdragen tot de T. L. en V. v. N. I. vyfde reeks , derde deel. 



£22 BIJDUAGS TOT DX KENNIS YAN DEN GODSDIENST 

yloer uitgespreid kleed wordt in golving gebracht. De golvende 
grond komt tot bedaren, en de balian betreedt nu de 

tanah balida ^ d. i. het land met de voetangels. 

De scherpe pennen van een stekelvarken (landa^) worden in 
schuine richting in eene op den vloer liggenden biezen mat gestoken , 
op dezelfde wijze als randjau^s — inlandsche voetangels, pennen 
van bamboe — opgesteld. 

Op het zevenmaal herhaald verzoek van den balian worden 
door de kracht van de gele rijst de randjau^s alle eensklaps 
verwijderd — de pennen van het stekelvarken uit de mat getrokken. 

Steeds worden de hindernissen op den weg naar het Zielenland 
moeielijker. De balian stuit thans op de saka bariboe d. i. de 
duizendsprong, een kruispunt van duizend wegen. 

Zevenmaal slaat de balian een verkeerden weg in, maarten 
slotte wordt hem het goede pad aangewezen. Het geval wordt aan- 
schouwelijk gemaakt door een ontelbaar aantal nerven van palm- 
bladeren in een kring te leggen, in een punt samenkomend. Het 
geval wordt opgelost, doordat alle bladnerven op een na, welke 
den hoofdweg voorstelt, door den panjampang weggenomen worden. 

§ 91. Vuurrotsen. 

Daarna komt de balian aan de batoe barapi of de vuur- 
rotsen. De panjampang stookt een vuurtje op een paar groote 
steenen en blaast het met een rijstwan (een platte mand, njiroe) 
aan. Het einde is ook weer, dat het vuur uitgedoofd wordt en de 
balian ongehinderd verder trekt. Nog een hindernis heeft hij te 
overwinnen: de tabang hantoe [tabang Daj., tëbang Mal. 
= omkappen van boomen], d. i. de wegversperring der geesten, 
eene opeenstapeling van omgevallen boomen, — duidelijk gemaakt 
door een stapel langsat en si ba u-takken (beide vruchtboomen). 

De versperring wordt op haar beurt verwijderd en eindelijk komt 
de balian in het Doodenrijk, nagri orang mati. 

§ 92. Borari, poortwachter van het Doodenrijk. 

De poortwachter Si Borari is op zijn post. De balian spreekt 
hem aan: A'Waar is de soemangat van N, N.Pa' 

Si Borari wijst hem de plaats, waar de ziel van N. N. zich op- 
houdt en geeft den balian op diens verzoek vergunning, haar 



^ Ikan bélida (ohirooentrus dorab) een smakelijk visohje, maarmet 
zeer veel graat. Be graten vergelijken de Bajaks met randjaus. 



DSE DAJAKS YAN LANDAK BN TAJAN. 223 

mede te nemen , zeggende : //Het zij U vergund , de ziel van N. N. 
weder huiswaarts te voeren; niet geroepen toch was zij, maar uit 
zich zelve is zij tot ons gekomen.// 

Langs denzelfden weg keert de balian thans met de soemangat 

(ziel) — welke hij in een kopje heeft opgeborgen, met een doekje 

toegedekt — naar de menschen terug , begeeft zich naar den kranke , 

brengt het kopje aan diens oor, blaast even, en de patiënt 

heelt zijne soemangat terug. 

Soms echter gebeurt het, dat Si Borari, de poortwachter, den 
balian geen gunstig antwoord kan geven, omdat de soemangat 
zich niet bij hem bevindt. Het zielenland toch schijnt uit twee 
afdeelingen te bestaan , die onderling niet met elkaar in verband 
staan. Twee geheel verschillende wegen van de wereld der menschen 
uit leiden naar de beide gebieden. De balian is dus verplicht, 
onverrichter zake naar het rijk der menschen terug te keeren en 
vandaar uit langs den tweeden weg eene nieuwe reis naar het 
zielenland te ondernemen. 

Thuis komende is hij echter te vermoeid , om direkt weer op reis 
te gaan; hij pauzeert dus een oogenblik, na weder tot bewustzijn, 
ait de geestenwereld op aarde wedergekeerd te zijn. 

§ 98. Tweede reis naar het zielenland. 

Na zich versterkt, betel gekauwd, of een strootje gerookt te 
hebben, is de balian weer reis vaardig. Volgen wij hem ook op 
dezen tocht, nieuwe lotgevallen zijn toch wederom te wachten. 

Een eerste moeielijkheid wordt gevormd door een groot rietveld 
rangka^ taboe [ran g ka* = kruipen, taboe Daj. = tëboeMal. 
suikerriet]. 

De panjampang stelt het voor door tien stokken en zeven 
soeman^s (zie § 10 sub 3) overeind te houden. Na een zevenmaal 
herhaald gebed aan de dewata^s en het opwerpen van gele rijst, 
wordt het riet plat over den grond gestreken en is de balian in 
staat, het al kruipende te passeeren. 

De balian komt nu reeds direkt aan de grenzen van het Zielen- 
rijk, maar moet nog verschillende kampong^s passeeren, voordat hij 
de hoofdstad bereikt. 

§ 94. Verschillende kampongs, die gepasseerd worden. 

Het eerst ligt aan den weg de kampong van Rango (naam van 
het hoofd). Biango en zijne minderen (ana* boe w ah) hebben geen 
ander werk dan brandhout te kappen. 



224 BUD&AGI TOT DX KXNNI8 VAN DXN GODSDIBKST 

Groote stapels liggen nabij de woning opééngehoopt. 

De balian vraagt, na de bij eene ontmoeting gebruikelijke in- 
leiding en de aanname van een betelpruimpje aan Si Rango: 

//Hebt gij Si Anoe (den patiënt) niet gezien ?'r — Si Bango denkt 
een oogenblik na en antwoordt: 

//Jal een twintigtal dagen geleden was hij hier, maar hij ging 
in de richting van Si Bada's kampong//. 

De balian gaat verder; eerst moet hij nog over stapels gekapt 
hout heen, maar deze openen zich door de macht der gele rijst en 
laten hem door. 

De kampong van Si Bada is alleen bewoond door mannelijke 
personen. Zij voeren niets uit dan muziek maken; sommigen bespelen 
de soeling (fluit), anderen de den a ring (soort mondtrom), weer 
anderen de talalé (soort klarinet). 

Op de vragen van den balian naar den kranke aan het kam- 
ponghoofd Si Bada zwijgt deze. Pas wanneer de vraag zevenmaal 
herhaald is en de balian een regen van gele rijst op hem heeft doen 
nederdalen , vraagt hij : ^ Wat zegt de vreemdeling (tamoewé)?/^ — 
Deze herhaalt nogmaals de vraag, waarop het hoofd hem bescheid geeft 
en verwijst naar een volgende kampong, welke staat onder een 
vrouwelijk hoofd, Si Oh genaamd. Dus wederom op weg naar Si 
Oh's woning. .Si Oh is reeds oud en ook hare ana^ boewah zijn 
allen oude vrouwen. Grijs zijn hare haren en gerimpeld haar voor- 
hoofd. Haar eenige werk is boreh (een geel smeersel) te bereiden 
en zich daarmede het lichaam in te wrijven. 

§ 95. Panara, de maagden van het Zielenland. 

Ook hier weder dezelfde moeite. Si Oh aan het spreken te 
krijgen. Maar ook dit gelukt en de balian begeeft zich, thans 
met zoo groot mogelijken spoed, want de oude grommige vrouw 
heeft hem verder gezonden naar Si iPoetih's kampong, uit- 
sluitend bewoond door de Panara [dara, huwbaar meisje] Si 
bajang, dat zijn de maagden van het Zielenland. Wat zien zij er 
bekoorlijk uit in hare naaktheid, het bovenlijf geheel ontbloot, 
slechts de heupen omgeven door een nauwsluitend rokje ! Maar 
juist hare naaktheid is haar schoonste costuum. Haar eenige arbeid 
is zich het haar te kammen en met welriekende oliën te overgieten. 

Na zevenmaal vergeefs gesproken te hebben, doet Si Poetih eindelijk 
een bedeesd maar vriendelijk //Wat wenscht gij vreemdeling ?// hooren, 
waarop hij zijn vraag verhaalt en zij hem mededeelt, dat het reeds 



DIB DAJAKS VA.V LANDAK. EN TAJAN. 225 

twintig dagen geleden is, dat Si Anoe hare woning voorbij ging 
en in de richting van Si Anteng^s woning is verder gegaan. 

Wederom dns op reis naar Si Anteng^s kampong. Anteng is 
wat ouder dan Si Poetih; zij ziet er echter nog goed nit. Hare 
ftna^ boewah, de dara bagambang [Daj. == bêrkëmbang 
Mal. = die bloemen bezit] honden zich bezig met het kweeken van 
bloemen. Evenmin als in Si Oh^s en Si Poetih^s kampong zijn 
bij haar mannen te vinden. 

§ 96. Dajang Ètor, vorstin van het Zielenland. 

Ook Si Anteng wijst den balian den weg, welken Si Anoe inge- 
slagen heeft, twintig dagen geleden. Thans voert deze onmiddelijk 
naar de hoofdplaats van het Doodenrijk. De ingang is echter af- 
gesloten door een op en ueergaanden balk (batang manoentong). 
Door de kracht der gele rijst blijft hij echter op den grond liggen , 
en de balian stapt over den balk de stad binnen. Hij begeeft 
zich onmiddelijk naar het paleis van de vorstin, Dajang Ètor 
genaamd en maakt bij haar zijne opwachting. 

Weder zevenmaal eischt hij de ziel van Si Anoe, maar zij zwijgt. 
De gele rijst ontsluit echter ook haar mond en even als Si Borari 
antwoordt zij //Neem Si Anoe's ziel (d. i. de ziel van N. N.) mede , 
niet ik heb hem geroepen, maar uit eigen beweging kwam hij in 
mijn gebied. /y 

Is de balian weer langs denzelfden weg naar huis gegaan en 
heeft hij den patiënt zijn soemangat weer in het oor geblazen, 
dan is hiermede de genezing tot stand gekomen. 

Voor het geval, dat echter nog iets van de ziekte mocht zijn 
achtergebleven, en om een terugkomen te verhinderen, neemt hij 
nog de volgende voorzorgen. 

§ 97. Vloek van den ziekte-daemon. 

Hij zoekt een stuk bamboe van eene geleding (boeloeh sa- 
roe was) en omwikkelt het met een boomblad, dat vastgelegd wordt 
met een band van jonge tëmbêran (geklopte boomschors vanden 
të ra p-boom). Daarna splitst hij de bamboe in de lengte, ook het 
blad en de reep tëmbêran doorsnijdende. 

Een der helften laat hij ter plaatse liggen, de andere werpt hij 
naar buiten. De beteekenis dezer handeling is deze. De eene helft 
van de bamboe stelt den kranken mensch voor, de andere den hem 
vijandigen geest. Zooals nu de deelen van de bamboe, het touw en 



226 BUTD&AOX TOT DX KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

het blad gescheiden zijn, onherroepelijk gescheiden, want hare 
samenvoeging tot een geheel is eene onmogelijkheid, zoo moeten 
ook de mensch en de geest van elkaar afhouden. 

In zijn toespraak tijdens deze handeling zegt de balian tot den 
geest: /i^ Indien gij U nog mengt in der menschen zaken, zoo wees 
vervloekt (toelah)!^ en eveneens tot den mensch //ook indien gij 
u mengt in der geesten zaken ,^ zoo zijt ook gij vervloekt.4r 

Ten slotte onderwerpt hij den patiënt nog even aan het ba d j a m p i , 
bespuwt hem nog even met sirihspog, met kalimantan tras ge- 
mengd en bestrooit hem al heengaande rijkelijk met taboer njawa. 

Deze slothandelingen heeten sëngkodo (Daj.) = kasoedahan 
(Mal.) = het einde. 

§ 98. Vergelijking met het tiwah. 

Wederom is overeenkomst op te merken tusschen de reis naar 
het zielenland van den Landakschen balian, om een ziel te zoeken 
en de reis van Tempon Telon bij de Olo-ngadjoe^s om de zielen 
der afgestorvenen naar het zielenland of doodenrijk te brengen. 

Zie wat over deze reis verhaald wordt door den oudsten bericht- 
gever Halewijn in het jaar 1832. (Grabowsky, Der Tod. etc. Intern. 
Archiv. f. Ethn. Bd. 2 blz. 183). 

Punten van overeenkomst met de reis van den balian naar het 
zielenland zijn het vragen naar den weg, en de hindernissen van 
het vuurveld en de vuurrotsen. 

Volgens de Augh oio balian (zie § 59 en § 89) geschiedt de 
reis met het vaartuig van Tempon Telon en moet de vuurwaterval 
of vuurmaalstroom wel degelijk gepasseerd worden. (Orabowsky o. c. 
blz. 197). 

Aan de talrijke bruggen van den Landakschen balian (titi 
badjowa, titi bagintoer etc.) herinneren ook deze woorden 
van den Augh oio balian v'Es klappern die armringe der krokodille 
(i. e manner) welche niederlassen die Brücke. ^ Es sagt ein Sangiang : 
Geh vorauf, o Brücke , strecke dich abschüssig aus durch das 
nebelmeer (blz. 225). 

§ 99. Medium-seauces van korten duur. 

Naast het barbalian bestaan nog twee, ook specifiek Dajaksche 

wijzen van genezen, welke bij onbeduidende ziekten worden toegepast. 

De eerste methode heet barkangkoen; de persoon , die daarbij 



1 Auf weloher die Sangiang naoh der Unterwelt absteigen wollen. 



DIK DAJAKS YAN LANDAK. EN TAJAN. 227 

het woord voert, heet boeras of toekang boeras, de tweede 
methode bartili\ 

Het barkangkoen neemt een halven nacht in beslag, het 
bartili^ slechts een paar uren. 

Bij het barkangkoen wordt geen ander offer aan de Déwata^s 
en verdere geesten bereid dan een groot of klein hoen, bij het 
bartili^ slechts eenige eieren en wat rijst. 

Gedurende de séance staat het medium niet van zijn plaats op; 
schommelen noch menariën behoort tot diens verrichtingen. Slechts 
hoort men eene eentonige langgerekte redevoering, en ten slotte 
haalt hij de soemangat van den zieke uit een deurstijl of iets 
anders en brengt die weer in den patiënt over. 



INHOUDSOPGAVE. 



b. Het babalian. 

78. Mannen en vrouwen alö balian. 

74. Medium-steentjes. 

75. OffermaaL 

76. Helper (panjampang). 

77. Baliau-taal. 

78. Ippé^s, geesten der gestorven balians. 

79. Diagnose. 

80. Het oog van den balian. 

81. Mano^ tanong. 

82. Vier soorten offerspijzen. 

83. Badjampi = bestrijken met een randjoe wang-blad of met steentjes. 

84. Pamoelang, een Dajaksch geneesmiddel. 

85. Mangaroes, een Dajaksch geneesmiddel. 

86. De Trio als ziekte-daemon. 

87. Homoeopathische geneeswijze. 

88. Reis naar het zielenland. Kleeding en uitrusting van den balian. 

89. Titi badjowa, eerste hindernis. 

90. Andere hindernissen. 

91. Vuurrotsen. 

92. Borari, poortwachter van het Doodenrijk. 
98. Tweede reis naar het zielenland. 

94. Verschillende kampongs, die gepasseerd worden. 

95. Fanara, de maagden van het zielenland, ^ 

96. Dajang Ètor, vorstin van het zielenland. 

97. Vloek van den ziekte-daemon. 

98. Vergelijking met het tiwah. 

99. Medium -seances van korten duur. 



BIJDRAGEN TOT DE SPRAAKKUNST VAN 

HET OUDJAVAANSCH. 



DOOB 

H. KEBN. 



Over ^t gebruik van n en an als bestanddeelen 

van een volzin. 

In 't Kawi-Balineesch Woordenboek drukt v. d. Tuuk zich omtrent 
de functie van «, N® 2, aldus uit: //v66r e. stamw. of de in 't 
passief optredende vorm, een substantief en 't vaakst v66r een 
actief-verbaal substantief, in pi. v. d. neusklank, die 't actief ken- 
schetste. De hier gegeven omschrijving is juist, voor zoover ze gaat, 
maar niet volledig , in zooverre geen gewag wordt gemaakt van een 
onderscheid dat het spraakgebruik maakt tusschen de constructies 
met of zonder n. 

Als voorbeeld geeft het Wdb. o.a.: (hana ta) rare nëmang 
siki n-pangidërakën cakra. Dit is toch niet eenvoudig //zes 
knapen draaien een rad//, of /i^zes raddraaiende (zonder klem) knapen//, 
maar, naar ons spraakgebruik: daar waren //zés knapen, die een 
rad draaiden/', waarbij 't voorzindeel met stemverheffing, klem en 
een korte rust na //knapen// wordt uitgesproken, en het volgende 
iets lager, maar toch met zekeren nadruk. 

Ditzelfde is ook van toepassing op gevallen waarin n niet gevolgd 
wordt door een stam woord, een substantief, enz., als in 't Wdb. 
vermeld, maar door afgeleide actief vormen. Bijv. hana' n angi- 
dung, hana' n amet jamur, sommigen zongen een lied , som- 
migen (anderen) zochten kampemoeljes; B. K. 35. Hana-n is eig. 
//er waren die//. Doch men vindt ook: hana'n gaganamargga, 
hana'n padsti, er waren er, die door de lucht, er waren er, 
die te voet gingen, A. W. 21, 9; aangehaald in K. B. Wdb. 1, 19, 
waar men voorbeelden vindt van hana'n-hana'n, nu eens — dan 
weer (anders gezegd : soms-soms) ; bijv. hana'n awas, hana*n 
samar, nu eens zichtbaar, dan weer onmerkbaar, Sum. 1, 13; 

hana'n herhaald is: //nu hier, dan daar//, vertaling van Skr. 
?• Volgr. V. 15 



230 BIJD&AGEN TOT DS SPKAAKKÜNST VAK HST OÜDJAYAANSCH. 

tatra tatra. Oüachoou n oorspronkelijk niet bij hana behoort^ 
maar bij ^t volgende woord , is aan te nemen dat door H veelvoldige 
van de constructie, n enclitisch bij hana is getrokken. 

Een voorbeeld dat n gevolgd wordt door een stam vorm, of wat 
op hetzelfde neerkomt, door den vorm die ook in H passief optreedt,, 
levert: samangkana lawasa-nja^n hidëpa lara ghitaka, 
zoo lang moge het duren dat hij doodspijn ondervinde; KO.L 
Lawasnja kan opgevat worden als ^de duur er van^, maar ook 
als //de duur van hem//. Dat n ook v66r een vorm met infix um 
kan staan, blijkt uit: kepwan ri de-nja^n tumama mareng 
dalem, verlegen hoe zij H moesten aanleggen om in \ paleis 
binnen te komen, BK. 51. De-nya leeft in *t Njav. voort als^ 
nrf(U}^=s»Sfrf<rn<q»n\ doch Verkeerdelijk opgevat als bestaande uit 
den en den gen. van 't vnw. 

Waarom in een der voorgaande voorbeelden anglajang, in 
een ander tumama gebruikt is, laat zich gereedelijk verklaren, 
daar in 't eerste geval een imperfectief , in het tweede een perfectief 
op zijn plaats is. Doch waarom hidep, en niet anghidëp? 
Zoover ik heb kunnen nagaan , vordert het spraakgebruik den 
stamvorm, die tevens als passiefvorm optreedt, wanneer een als 
bepaald gedacht object genoemd of bedoeld wordt. Zeer gewoon zijn 
de uitdrukkingen nton, ^dëngö, bij 't zien, bij 't hooren (of: 
bij 't gezien, bij 't gehoord worden), als vertaling van Skr. drstwa, 
9rutwa, doch met een bepaald object, uitgedrukt of gedacht; 
nton dus z. v. a. //het, hem, haar, enz. ziende^. 

Tot de in 't KBWdb. aangehaalde voorbeelden behoort: mang* 
kana ta Iwir ni panafa bhagawan Bhisma an tumanêm 
ing lêmah ri têlasnya-n alap hurip nikang dyah Qweta, 
op zulk een wijze plantte zich (drong) de schicht van Bhisma in 
den grond, na 't leven van jonker Qweta genomen te hebben, 
Bhi^map. Bi têlasnya, na afloop er van, daarna; ri tëlasuya-u, 
nadat. Hier wordt dus door n de overgang bewerkt van een demon- 
stratief begrip in een relatief. Evenzoo is bijv. apa, wat? waarom? 
apan, omdat, dewijl, want (oorspronkelijk een relatief, gelijk ook 
in 't Eransch car). Door 't veelvuldig voorkomen van deze verbind ing^ 
is apan tot één woord geworden. Dat evenwel de n oorspronkelijk 
niet bij apa, maar bij 't volgende zinbestanddeel behoort, blijkt 
bijv. uit apa tan, omdat niet. Hetzelfde is op te merken bij on 
/s'indien//, dat uit o -}- n is samengegroeid , want //indieu niXff ia 
op wan. Natuurlijk behoort de n evenmin oorspronkelijk bij taa 



BUBBAGSN TOT D£ SPRAAKKUNST VAN HST OUBJAYAANSOH. 231 

en pwan als bij apa. Tan is geheel en al één woord geworden; 
toch bestaat het uit de eenvoudige ontkenningspartikel ta, wei 
bekend ook uit de verwante talen, en n ^. Waarom nu is n regel- 
matig met dit ta om zoo te zeggen samengegroeid P Naar het mij 
toeschijnt, om reden er op het bij de ontkenning behoorende woord 
eenige nadruk valt. Bijv. tanyogja, ongepast; tatan hëmas, 
pinakadon mami jan parangke, geen goud, is het doel van 
mijne komst hierheen (= dat ik hier kom), £am. 2, 37. In tapwan, 
niet nu, nog niet, e. dgl. verbindingen, staat n na het tweede 
woordje, niet na ta. 

Al kan men in ^t algemeen zeggen dat n dient om ook nadruk op 
H volgende woord of zindeel te leggen, omtrent den oorsprong er 
van is daarmede niets gezegd. 

Het bovenaangehaalde voorbeeld uit Bhi§map. geeft aanleiding tot 
een andere opmerking. Wij vonden daar ri tëlasnja-n alap 
hurip nikang, dus het gezegde van den bijzin, waarvan ^t logisch, 
ofschoon niet grammatisch onderwerp in den hoofdzin panah bh. 
Bh. is, in stamvorm. Daarentegen leest men elders : ri huwusnja-n 
amangan anginum jathasuka, nadat hij naar hartelust ge- 
geten en gedronken had, Hariw. Vermits ri tëlasnya-n en ri 
huwusnja-n synoniem zijn, kan men vragen, waarom opdeééne 
plaats de stam , op de andere de imperfectieve actiefvorm voorkomt. 
M. i. doet zich hier bij alap hetzelfde geval voor als bij hi^épa 
van zooeven; het heeft een bepaald object bij zich, terwijl dit bij 
amangan anginum ontbreekt. Of nu hidëpa, alap hier als 
passief en ^t in elk geval logisch object als grammatisch subject van 
den bijzin moet opgevat worden, is moeielijk uit te maken, al is 
het niet twijfelachtig dat alap op zich zelf een passieve beteekenis 
kan hebben. 

In 't Njav. zal men voor ri huwusnyan, ri sampunyan, 
zeggen »^M^T/a^-&*\ MM<vi^oo^a<i^\ en dit met een volgend gezegde, 

bijv. «*:»»2| verbinden zonder eenig element, dat aan» beantwoordt. 
Daarentegen zal een door n ingeleid zinsdeel vervangen worden door 
een substantief-constructie, wanneer een feit, in onze taal vervat in 
een werkwoordelij k gezegde in verband met een nadere bepaling, 
waarop nadruk valt, wordt gekleed in den vorm van eeo substantief 
(of de omschrijving hiervan), hetwelk dan als onderwerp optreedt, 



1 Daar n ook een Terkort ynw. 3 ps. enk. is, laat zich niet altoos onder- 
scheiden welke n bedoeld is. 



I 



282 BUDKA^aiN TOT Dl SPBAAKKUKST TAN HIT OÜDJATULITSGH. 

terwijl de nadere bepaling gesegde wordt y. De vraag of wij niet 
tweeërlei n moeten aannemen , zal later een voorwerp van onderzoek 
nitmaken. 

Uit Iwir ni panah Bh. an tnmanëm ing lëmah blijkt, 
dat liet feitelijke onderwerp van tnmanëm ovei^ebracht is naar 
^t voorzindeel, en verbonden als genitief met Iwir, Evenzoo in 
kara^a uira nahömhöm mwang D., de reden, dat hij (eig. 
de reden van hem dat hij) met D. raadpleegde, BY. 4, 5; na- 
han hetn nira n-wijil prihatin, dat (eig. zoo) was de oor- 
zaak, dat zij bedroefd naar buiten kwam. Smar.; kara^a nira 
n-wijil oker, dat was de reden, dat zij ontroerd naar buiten 
kwam, ald.; nahan hetu nireki 9ighra n-umijil, dat was 
de reden (van haar in deze omstandigheden), dat zij weldra naar 
buiten kwam, Sutas. Enjing ksla nira n-lumampah sa- 
dulur, de ochteud was de tijd, dat zij met haar gezellen op weg 
toog; wij zouden zeggen: ^s morgens vr6eg, toog zij op weg, Smar. 
Waarom wordt hier de afgeleide vorm lumampah, gelijk in H 
voorgaande voorbeeld umi j il gebezigd, terwijl op de twee vorige 
plaatsen de stam vorm wij il staat, alsook in an tnmanëm? Voor 
zoover ik heb kunnen nagaan, is de regel deze, dat de stam vorm 
gebruikt wordt wanneer een bepaling volgt waarop nadruk valt; 
doch een afgeleide vorm, als een bepaling (die bij omzetting in 
een naamwoordelijke constructie , gezegde zou worden) waarop nadruk 
valt voorafgaat. Een duidelijk voorbeeld is:matang yan kita 
^n-tëka usën, opdat gij gduw zoudt komen, Adip; hier valt 
nadruk op usën; evenzoo zal het de bedoeling zijn van den schrijver 
om op prihatin en oker hierboven nadruk te leggen. 

In overeenkomstige gevallen wordt een !■*• of 2** pers., wanneer 
die het feitelijk onderwerp is, natuurlijk ook als genitief met h e t u , 
kara^a, e. dgl. verbonden. Dus hetu ningwang mapangguh, 
de reden dat ik een samenkomst (met U) heb, ESm. 19, 30. AI 
ontbreekt hier n, de plaatsing van 't eigenlijke onderwerp is dezelfde ; 
kara^autat anëmu suke mëne, (het) zal de oorzaak zijn dat 
gij hier (op aarde) geluk deelachtig wordt; ald. Doch ook nShan 
hetunya k-amwit, dat is de reden er van dat ik afscheid neem, 
31. In ikana matangnja tan katëmu denta, dat is de reden 
dat hij niet door u aangetroffen is geworden, £am. 5, 84, blijkt 
niet of met matangnya ta'n bedoeld is //de reden er van dat hij 



» Vgl. Eoorda, Jav. Gr. §§ 221, vg. 474; 505; 517. 



BIJDBAGIN TOT DE SPKiAKKCNST VAN HBT OUDJAYAANBCH. 238 

Biet«' of ff ie reden van hem dat niet^; zonder ontkenning zou het 
heeten: matangnja^n katëmn. Duidelijk //er van// is nja 
wederom in ja matangnja k-ojar hita, dit is de reden dat ik 
goeden raad geef, 24, 87; en matangnja ta g-langghana, de 
reden dat ik niet weerstreef (of: overtreed), 8, 12. K (g) en l zijn 
verkorte voornaam woordsvormen , die in een afhankelijk zinsdeel op 
zich zelf reeds //dat ik// en >/dat gij// beteekenen kunnen of althans 
zoo te vertalen zijn. In overeenkomstige gevallen zal dus ^, waar 
het met //dat hij (zij, het)// te vertalen is, ook een verkort voor- 
naamwoord wezen. Uitvoeriger zal dit punt behandeld worden in 
een afzonderlijk hoofdstuk over de verkorte voomaamwoordsvormen 
en hun gebruik. Hier moet alleen de aandacht gevestigd worden op 
het feit dat in kara^antat anëmu hierboven at vervangen zou 
knnnen worden door l. De verhouding van dit a t tot ^ is dezelfde, 
althans oogenschijnlijk, als die van an tot n, In ^t voorbeeld Iwir 
ni panah Bhi^ma an tumanëm is an blijkbaar gelijkwaardig 
met ». Hoe is nu de a in at en an te verklaren? 

Wat an betreft is op te merken, dat an de beteekenissen in 
zich vereeuigt van //dat , terwijl , wat aangaat// ; het is synoniem 
met yan en Njav. 'r^*Ma<^\ Bijv. byaktan, blijkbaar dat, zeker 
dat. De verbinding van byakta en anis zóó innig, dat men 
het vertalen kan met //zekerlijk//. Naast byaktan komt in dezelfde 
beteekenis meermalen voor byaktan, uit byakta -|- n. Is in dit 
geval n slechts een zwakkere vorm van an, gelijk bijv. ook H lid- 
. woord ng van ang, of is in an f» vervat? Dat n duidelijk de 
beteekenis van //dat^f als voegwoord van een declaratieven bijzin 
heeft, is onloochenbaar, wegens een voorbeeld als: pajarnya^n 
bubar ing kuta,hij berichtte dat de veste verwoest was, BY. 
50, 10; een ander voorbeeld in KBW. I, 511: riy AyodhyS 
tan warah n-alah musuh; van een verkort voornaamwoord 
8' p6. kan hier kwalijk sprake zijn. Evenmin in: ika sopaua- 
ngku n-lëpasa muliheng Budrabha wana, dat is de trap 
voor mij om verlost te worden (van mijn verlossing uit het onder- 
maansche) en te komen in Budra^s verblijf, BY. 36, 17; n kan 
geen vnw. zijn van denzelfden persoon, van l***"^ ps, ku *. Een 
ander voorbeeld is tija bhSgya ko^n kapanggih, het treft 
gelukkig dat ik u ontmoet heb, 15, 88. Het onderwerp van H 



1 Wel zon men het kunnen opvatten als betrekk. vnw. „die". Booh die 
en dat vallen in een taal, die geen geslachtBondersoheid kent, samen. 



234 BUD&AGSN TOT DS SP&AAOLUNST TAN HET OÜDJA.YAANSCH. 

passief kapanggih is hier naar ^t voorzindeel overgebracht, maar 
staat niet in den genitief, omdat het niet afhangt van tija bhagya. 

An wordt meermalen gebruikt voor een woord om dit meer 
nadruk te geven; bijv. mangkana, zoo; anmangkana, z66, dós; 
vgl. r]tAi^rf»nitTfiKii\ In dezc functie laat het zich gevoegelijk ver- 
gelijken met Sundaneesch nja; bijv. radjana sugih, nja adil, 
de koning was rijk, (en) rechtv^dig; di sanggut kuoraj 
nu gëde, nja matih, zij worden gebeten door slangen die groot, 
viirig zijn; di kubur teh nja poek, nja njëri, in H graf is 
het duister, (en) pijnlijk. Ook in gevallen wanneer nja volgens 
Coolsma ^ geplaatst wordt //vóór het werkwoord of gezegde, dat 
een bepaling bij zich heeft// is het met Oudj. an, » te vergelijken; 
bijv. ti mana nja asup, van w^? zijt gij binnengekomen; 
gös tudjuh taun lilana kakang nja ninggalkön ka 
njai, het is reeds zeven jaren geleden, dat ik (man) u (vrouw) 
verlaten heb ; bantu-bantu, nja nënêda ka Gusti nu ma- 
hasuci, help mij bidden (== terwijl ik bid; of: bij mijn bidden) 
tot den hoogheiligen Heer. In al deze voorbeelden en nog andere, 
die Coolsma aanhaalt, wordt hetgeen de Sundanees aanduidt door 
voorvoeging van nja door ons uitgedrukt met behulp van den 
klemtoon ; vóór nja hoort men in de Sundaneesche manier van 
spreken een korte pauze, evenals in onze eigene. Ook komt nja 
ffte staan vóór aanwijzingswoorden , als iyö, eta, kiyö en kitu, 
zoo het namelijk noodig is daarop klem te leggen//; vgl. anma- 
ngkana boven vermeld, hoewel vóór voornaamwoorden *t Oudj. 
dan ya bezigt; dat dit ya ook gebruikt wordt in gevallen waar H 
Sund. nja heeft, zal later ter sprake komen. 

Nj a is niet hetzelfde woord als an, n, maar gelijkwaardig daarmee 
en heeft dezelfde syntactische beteekenis. De volgende voorbeelden 
zullen dit duidelijk maken. Y e kan (of yeks^n, dit is niet te zien 
dewijl yeka op een langen klinker uitgaat) krodha ^n tëdun 
ring lëmah, toen, daalde hij, toornig, af op den grond, BY. 
17, l. [Op hetzelfde zou neerkomen: ff in zijn toorn//; in elk geval 
valt hier nadruk op krodha, evenzeer als op //daalde b,Uj terwijl 
//toen// met stemverheffing en met een pauze er achter wordt uit- 
gesproken. Yeka walësku ri lëkasmu 'n amancanSsring, 
dit is het waarmede ik betaald zet de handelwijze van u die her- 
haaldelijk bedrog pleegdet (of : uwe veelvuldige bedriegelijke handel- 



» Sund. Wdb. p. 230. 



BUBEAGEN TOT DS SFRAAKKTJITST TAN HET OUDJAYAAKSCR. 235 

wijze) 48, 61. Het spreekt van zelf dat n hier geen verkorte vorm 
van den 8^" ps. kan wezen. Evenmin in:patyangkwa (dat ik 
zou omkomen) sadhyamu ^n aweh lëpaseng alas gong, 
was uw oogmerk met mij in 't groote woud te doen verdwalen (of : 
terwijl gij mij deedt (of: die mij deed t) verdwalen); ald. Wëkasmu 
'n ahurip, 't einde van uw leven (letterlijk: 't einde van u dat 
gij (of: die) leeft), BY. st. 208; volgens den regel staat het feitelijk 
onderwerp van ahurip als gen. in 't voorzindeel. Ndi 'n ngwang 
tan guywa denta 'n pangucap, hóé zou ik niet lachen over 
hetgeen gij zegt, 28, S. Evenmin als hier kan n terugslaan opeen 
3^*" ps. in dhira 'n lëkas ira, moedig was hun gedrag (moedig 
gedroegen zij zich), 29, 7. Hier schijnt n overbodig, dewijl lëkas 
ira in plaats kan treden van n lëkas; want de substantiefcon- 
structie, in 't Nieuwjav. de eenig gebruikelijke in overeenkomstige 
gevallen, is niet onbekend in de oudere taal. Door 't gebruik van 
n wordt echter de nadruk verhoogd en tevens bewerkt dat na dhira 
een pauze volgt. Evenzoo in ndan wyartha 'n kadi tèmpuh 
ing banu tibeng wungkal, doch vruchteloos (zonder uitwer- 
king), als het neerkomen van water vallende op een steen, 19,25. 
An zoo gebruikt in: kunang yathanya 'n saphalan patingkw 
ari, taman samangke ya dëlaha ring jêmah, en dewijl 
het voegzaam is, dat ik sterf, zusje, moet het nu maar niet tot 
later uitgesteld worden, Eam. 21, 47. De substantief vorm wordt 
hier vereischt, omdat het in 't nazindeel geplaatste onderwerp van 
't gezegde saphala niet is ^ik//, maar patingku; an kan hier 
kwalijk een andere bedoeling hebben dan n in de twee voorgaande 
voorbeelden. Yatha in den zin van //dewijl, daar// is niet vreemd 
aan 't Skr. Het is van zelf reeds een betrekkelijk voegwoord, en 
zoo desniettegenstaande het in 't Oudjav. noodig wordt geacht, het 
door n te laten volgen , dan is het m. i. omdat in onze taal en 't 
Skr. het gezegde in een relatiefzin den klemtoon krijgt, en 't Oudjav. 
dit middel niet bezittende, den nadruk op andere wijze aanduidt. 
Daarom wordt het ontleende yadi, indien, ook met n geconstrueerd, 
zoodat het yadin wordt; zoo ook yatanya'n //opdat//, terwijl 
Skr. yatah, waaraan yata ontleend is, op zich zelf reeds met den 
optatief //opdat// beteekent. Bijv. yatanyan kami muliheng 
mareng pitrloka, opdat wij in de wereld der voorvaderen mogen 
komen, Adip.; yatanyan a wëlasambëknya, opdat hij mede- 
lijden hebbe in zijn gemoed; yatanyan hilanga nikang 9&pa, 
opdat de vloek eindige, 8. Ofschoon hilang hier een substantief 



1 



236 BUDKA.GXK TOT Dl SPRAAKKUNST VAN HIT OUDJTATAAlfSCH. 

is, neemt het toch het conjanctiefsuffix aan; kunëng yatanyan 
npa^ama ta tangguhi, vermaan hem dan (waarschuw hem) 
opdat hij bedare (d. i. aflate van zijn gewelddadigheden), B&m. 13, 8. 

Yadi-*n en jady-an, indien , als, zijn volkomen gelijkwaardig, 
en worden dus door elkander gebezigd. Bijv. syapa masiha len 
yadin taya dyah, wie anders zal mij genegen zijn inden gij, 
vrouwe, er niet meer zijt; lUlm. 21, 12; aparan gu^a ning 
ratu, yadinpamuhara wirodha, wat zal de verdienste eens 
konings zijn, indien hij strijd gaat verwekken, 3, 29; yadyan 
kitamêjahaneng KurunStha bhangga, indien gij den weer- 
barstigen Kuruvorst zult dooden, BY. 8, 6. De ontkenning is 
yadi ta^n: gu^anta aparan gu^anya yadi tan gu^a ning 
ratu, waartoe zouden uwe deugden dienen, indien ze niet de deugden 
zijn eens konings? RSm. 3, 46; zoo ook 72. Niet verschillend van 
yadin en yadyan is yadiyan; bijv. yadiyan tuhu matya 
lingta mangke, indien het werkelijk uwe bedoeling is uu te 
sterven, 21, 13. Hieruit volgt dat an en n in beteekenis = y an 
zijn. Y a d y a p i n is /^ofschoon , al ook// ; zie voorbeelden in Juynboll's 
Glossarium op ^t Bam.; niet verschillend van yadyapin is yadyapi 
yan; bijv. yadyapi yan tëks ng musuh, al moge de vijand 
komen, Bam. 4, 44. De ontkennende vorm van yan is ya tan, 
niet te verwarren met het bovenbehandelde yata^u. 

Boven hadden wij een voorbeeld hetu nireki 9ighra^n umijil; 
zonder merkbaar verschil: nShan marmma niran ulih, dat 
was de reden, dat hij terugkeerde (anders uitgedrukt: van zijn 
terugkeer; of: om die reden keerde hij terug); BY. 13, 11, ^IghrSn 
tumë^un, flóks (of: dra) daalde hij lif, st. 198; 9igh.rin sahur, 
fliiks antwoordde hij, st. 79; ^Ighran lumampah, fldks toog 
hij op weg; st. 74. 

Meermalen is het uiterlijk niet te zien of n dan wel an gebruikt 
is; bijv. ngkin (of ngka^n) tinghal sira ri nghulun, toen 
wierp hij een blik op mij, BY. st. 104. Hier is tinghal, ofschoon 
het een stam vorm is, toch als werkwoord te beschouwen omdat het 
gevolgd wordt door den nominatief sira; en tevens als bedrijvend, 
dewijl het een intransitief begrip is, dat; alleen in verbinding met 
volgend i transitieve beteekenis krijgt. 2iOO ook in: ngka ling 
nirSntinghali Daruka, zoo sprak hij bij *t zien van DSrnka, 
BY. st. 74. 

Een volzin als deze: hënëngakëna bhatari Qailaputri 
'n kaworan (Smar.), kunnen wij vertalen met: blaten wij niet 



BUDXAaiK TOT Dl SPIiAAKKUNBT VAN HST OTTDJAYAANSOH. 287 

verder spreken over de godin Q. , die zwanger geworden was/s^, of 
'('Over de zwangerschap der godin Q.» 

Alupa siran tiba, hij verloor ^t bewtistzijn (bezwijmde) en 
viel, BK. 79. Hier laat zich*an niet wel met /y terwijl, wanneer// 
weergeven, het dient slechts, gelijk Sund. nja, om zekeren nadruk 
te leggen op het volgende woord. Evenzoo kan men vertalen mürc- 
chan tiba ring lëmah, BY. 11, 9. In'twas ira ^n tënuh, 
zijn hart was kapot, BK. 48, wordt door n aangeduid dat op het 
gezegde zekere nadruk valt. Kunang sang Bhrgu ^n winehan 
P u 1 o m 1 , en Bhrgu , kreeg Pulómi (tot vrouw) ; Adip. Men spreke 
dezen zin in 't HoUandsch uit met stemverheffing van 't eerste 
gedeelte, 't onderwerp (Bhrgu), en op lager toon maar met klem 
ir kreeg Pulomi^. Stond er Bhrgu vtin. P. zonder «, dan zouden 
wij onderwerp en gezegde op gelijke toonhoogte uitspreken. 

Eenige moeielijkheid baren constructies als de volgende: ni liug 
nirang Kurupati 'n pangucap ri Krs^a, BY. 3, 5. Des 
noods zou men kunnen vertalen : //zoo waren de woorden van den 
Kurnvorst (zoo zeide de K.), terwijl hij tot Kjf^a sprak/^, maar 
natuurlijker zou klinken: »^zoo waren de woorden die de Kuruvorst 
tot Krs^a sprak//. Misschien is de volgende verklaring aannemelijk: 
n pangucap is logisch = pangucap nira, waarbij in gedachte 
ling als object behoort. Stellen wij eens, dat pangucap nira 
vervangen wordt door een omschrijving, en vergelijken wij in 't 
Nieuwjav. bijv. een zin als •ya^.T^^^^.si^^P^ met ^^»^^^^ 
1^«ynf4^4^ff^c|»1|•n|«Jrc:l 1 , dau begrijpen wij, dat een verbaalsubstantief 
in een bepaald geval in plaats kan treden van een passief substantief 
op an (Boorda's objectief denominatief). Zulk een geval doet zich 
voor, wanneer het logisch object der handeling als grammatisch 
onderwerp voorafgaat; 'ruêoi'r^io in 't Nieuwj. voorbeeld, ling nira 
in BY. Meermalen , het is niet te ontkennen , vindt men een andere 
constructie; bijv. Nahan mangkana ling sang Sahasrapa- 
dmawarah i sang Buru, zoo waren de woorden van Sahasra- 
padma, ^ een vermaning richtende tot Buru, Adip. 23; na liug 
mahSrsi mojar, zoo sprak de groote B$i zeggende, Bam. 1,51. 
Hier kan men nooit vertalen : ^de woorden die (hij) sprak// ; men 



1 Boorda Jav. Gr. § 474. 

* Yermoedel^jk moet er gelezen worden sahasrapad mawarah, want 
er is wel een eigennacun Sahasrapad bekend , maar niet Sahasrapadma. Dooh 
dit doet hier niets ter zake, want mawarah en awarah zijn van gelijke 
beteekenis. 



288 BUDEAGEN TOT DE SFBAAKKUNST YAN HET OÜDXAYAANSGH. 

moet aannemen dat het hier niet de bedoeling is van den spreker 
om eenigen nadruk op de bijstelling te laten vallen. 

Op dezelfde wijze als boven bij ^n pangucap zou ik willen 
verklaren dezen volzin : Kadi wingsit ing anginte strirat- 
nan hanangakëna, als ware het \ signaal voor iemand die op 
de loer ligt om een schoone vrouw te schaken, BY. 4, 14. Het 
feitelijk onderwerp is als genitief, ing anginte, naar 't voor- 
zindeel overgebracht, gelijk gewoonlijk; striratna is het object 
van anginte; an hanangakën is feitelijk = bij 't geschaakt 
worden; het conjunctief-suflSx duidt aan het doel; het behoort 
onmiddellijk bij striratna, evenals boven npangucap bij Kuru- 
pati. Wel is waar is vormelijk hanangakëna een passief, dus 
letterlijk //wijl, of die, geschaakt zal worden//, doch logisch blijft 
striratna het object van schaking, en tevens grammatisch object 
van anginte; de agens anginte is 't logisch onderwerp van de 
voorgenomen handeling des schakers. 

Volgt op » of an een conjunctief, dan krijgt het natuurlijk de 
beteekenis van ons //dat// = //opdat//, of van onzen infinitief met 
//om te//. Bijv. angënëbënëb raras-hati niran kamen a- 
ngangucapa, hij trachtte zijn aandoening te bedwingen, om te 
kunnen spreken, BK. 69. 

Na verschillende gevallen waarin de constructie met » en an 
gebruikelijk is, behandeld en naar beste weten verklaard te hebben, 
laat ik nog een reeks van andere voorbeelden volgen , waarbij ge- 
legenheid zal bestaan voor opmerkingen van verschillende aard. 

Luh ni stri ning ari n-pëjah, de tranen van de vrouwen 
der vijanden die gesneuveld waren, Smar. Iti mangkana de 
nira 'n pa9abda, zoo zeide hij, Hariw. De nira is zoowel 
//zijn doen// als //zijn werk, zijn daad//. In de eerste opvatting is 
de nira 'n p. z. v. a. //zijn zeggen//; in de tweede z. v. a. ^hetgeen 
hij zeide//. Ook hieruit blijkt hoe de omschrijving van een verbaal 
substantief die van 't zgn. passief denominatief raakt. 

Naast elkaar vindt men voorbeelden als de volgende: Ngka 
Qwetan umasö masënghit i pëjah ni 9üra kalih, toen 
rukte Qweta voorwaarts , vertoornd over den dood der beide helden ; 
9ighran tandang amah-gunung, snel viel hij aan als een 
bergstroom, BY. 11, 1. In den eersten zin valt in onze taal na 
Qweta een korte rust en een hoogere toon; in 9! ghr Sn tandang 
zou 9ighra (gezegde worden, wanneer an tandang door een 
substantief werd vervangen. Tusschen ngkSn mangsö Kuru- 



BIJDBA.GEN TOT DE SP&AAKKUNST VAN HET OUDJAVAANSCH. 289 

natha, toen was het, dat de Kuruvorst voorwaarts rukte, 11, 5; 
vekan angsö sang J., en yekangsö nira sang Jaya- 
dratha, BY. 13, 26, vermag ik geen wezenlijk onderscheid te 
ontdekken, al is het laatste een substantief-constructie, de voor- 
laatste niet. QighraV datëng nrpati Krs^a rikang ka- 
datwan, weldra, kwam K. aan in 't paleis, 3, 19. Don ira'n 
lari mare nrpa Hastina, het doel van zijn gang naar den 
vorst van Hastina, 2, 3. 

NgkSu panggih a^rama nira, daar was het dat zij zijn 
kluizenarij vond, Smar. Dewijl zijn kluizenarij een bepaald iets is, 
staat panggih in den vorm die in 't passief optreedt, en vermits 
geen agens genoemd of door een vnw. aangeduid wordt, zal men 
het woord ook als grammatisch passief moeten beschouwen, zoödat 
de letterlijke vertaling is: //daar was het dat zijn kluizenarij ge- 
vonden werd.// 

Rumuhun kawës girigirin têkap i halis nira'n sëdêng 
ca la, eerst bedeesd en eeuigszins bang doordat haar wenkbrauw 
zich juist bewoog, Smar. Ook hier is halis 't onderwerp van 't 
bewegen overgebracht naar 't voorafgaande zinsdeel eu verbonden 
met têkap; letterlijk is têkap i halis nira, door (voor) haar 
wenkbrauw, n — cala, zich bewegende, die zich bewoog.// 

Hana sira wiku sangkeng swargga, wéngi'n para- 
ngke, er is een priester uit den hemel, die van nacht hierheen 
gekomen is, Hariw. Wij zouden eenvoudiger zeggen : //van nacht 
is er een priester uit den hemel hierheen gekomen// ; door de 
plaatsing van de bepaling //van nacht// voorop valt genoeg nadruk 
op de omstandigheid dat de komst van nacht heeft plaats gehad. 

Apan mamukti wisa rakwa'n asiddhakarj ja, want 
men (of: hij) nuttigt vergif, heet het (z. v. a. het is welbekend), 
wanneer men (of: die) zijn taak niet volbracht heeft (en toch van de 
gastvrijheid gebruik maakt), BY. 3, 5. Tucapa haji Wirat&n 
karyy aganangisi wëka, laten wij spreken over vorst Wirata, 
die (of: terwijl hij) achterbleef, treurig, zijn zoon beweenende, 
12, 1. Baribin manah nira'n inambulan nikang kala 
raksasi, in verwarring was haar geest, als zij door de reuzinnen 
overstelpt werd, Bam. 8, 108. 

Tan wandhya'n mati karwa, het miste niet dat beiden 
sneuvelden, BY. 19, 24. Tandwa'n (vl. tandwan) mati, 
onmiddellijk sneuvelde hij , 28. Meestal staat na een nominatief of 
accusatief an, na een genitief », na bijwoorden an, doch een 



\ 



j 



240 BUDEAGIN TOT DB SFEAAKKUNST VAN HST OÜDJAVAANSCH. 

volstrekt doorgaande regel is dit niet. Së^ëng ira^n amulih 
mareng kata, op het pas dat hij naar de veste terugkeerde, 
21, 1. Wuwus niki^n amalaka toya, de woorden van hen 
die om water vroegen, 23, 3. Wëtisira'n gilap kadi kilat, 
haar bëéu schittert als de bliksem, 37, 3. Ya nimittangku^n 
wulat ring langit, dat is de reden, datik naar ^t luchtruim 
kijk, 19, 1. Kala Dro^a^n inastwakën, ten tijde dat Dro^^a 
ingezegend werd, 13, 12. Dro^a is als genitief bedoeld ; bij eigen- 
namen en titels blijft het voorzetsel van den genitief dikwijls achter- 
wege. Guha padanya^n umangang, dat waarmede het te 
vergelijken is terwijl het den mond opent, is een spelonk; anders 
gezegd : bij ^t openen van den mond lijkt het een spelonk , BK. 
222, LSghawa^n pa4a silih-tujah, met behendigheid staken 
zij naar malkander, BY. 31, 10. Wëdi'n kant una, uit vrees 
van achter te zullen blijven. Saka wëJi nirSn kahibëkana 
toya ikang pari, uit vrees dat de rijst overstroomd zou 
worden, Adip. 

Aharëp tuminghala ri sang narendraQ datëng, be- 
geerig om den vorst te zien wanneer hij kwam (of: bij zijn komst), 
BY. 2, 7. Sang Qwet&n dinunung nira^n pamanah ing 
diwyastra, op Qweta richtte hij zijn doel, terwijl hij op hem 
schoot met het hemelsche wapen; anders gezegd: Q. was het mik- 
punt van zijn schieten, 11, 4. Ya kara^a nirSn pa^abda ri 
narSryya K. , dat was de reden, dat (waarom) hij tot K. sprak. 
Bika sang Kr^^an tinghal ing awangawang n-ton 
r^iga^a, toen was het dat Kr^a naar ^t luchtruim blikte, en 
de Bsischare zag. Byatita^n mangkat, nadat zij vertrokken 
waren, 36, 2. Ndi^n Qalya tan tulusa sihnya ri H., hóé 
zou Qalya niet bestendig zijn in zijn genegenheid jegens H. P 35 , 9. 
Vgl. met ndi^n de constructie bij vragende bijwoorden als ma na, 
na iraha gevolgd door nja in ^t Suudaneesch. NistSnya^n 
patëngah, tikang rawi sirëm, ofschoon ze reeds in ^t zenith 
stond, lichtte de zon niet, 42, 9. Akweh manggala sang 
kirtartha^n umulih ring amarabhawana, veel waren de 
gunstige voorteekens, dat de zalig overledene ten hemel gevaren 
was, ald. Bing apjlku^n tanlëgS ring hurip, met welk doel 
zou ik, vreugdeloos, in \ leven blijven? 50, 19. Hier staat de 
nominatief aku, want het woord is niet afhankelijk van ring 
apa. Bi këdö nira^n lumihate gawa nrpati, bij haar 
vasten wil om H lijk des vorsten te zien, 44, 7. Finanah ring 



BUD&AdlK TOT Dl eFtLA.LJX.W9T VAK HST OTTBJAYAANSGH. 241 

gulü'n kalënggah, hij werd in den nek geschoten, dat hij 
achterover zeeg (of: /ren zeeg achterover//, met nadrnk, 81, 25. 

NgkSn pojar Kar^a, toen sprak Kar^a, 28, 4. BikSu 
Inmpat mahSrfing lëmah, tóén sprong de groote fisi op den 
grond, 11, 7. Lampat kan opgevat worden als substantief, want 
met m ah ar si kan evengoed een genitief als een nominatief bedoeld 
wezen. Duidelijk den genitief van den agens vindt men in: r&mySn 
pangdyus ira kuda, genoegelijk (rustig) liet hij de paarden 
baden, 15, 28. Daarentegen den nominatief in: ndahyekfin 
pangucap sirang Drupadaputri sang Hidimbi, dochtoen 
«eide Drupada's dochter tot Hidimbi, 19, 17. In een zin als yekfin 
pada tumë4nn sakeng ratha, alsdan stegen beiden af van 
hun wagen, 15, 89, kan er van een genitief geen sprake wezen. 
Staat het feitelijk onderwerp, hetzij van een passief of van een 
intransitief in 't nazindeel , dan is licht te verklaren waarom bedoeld 
onderwerp door den genitief wordt uitgedrukt. Bijv. pajarnya'n 
bnbar ing kuta, hij berichtte, dat de veste verwoest was; tut 
marggSu (v. 1. margga'n) larap ing kunang-kunang, 
langs den geheelen weg, flikkerden de vuurvliegen, BY. 50, 2. 
Waarom echter pangdyus ira zoo even, naast pangucap sira? 
M. i. omdat r 5 m y a het gezegde is , waarbij als onderwerp de han- 
deling pangdyus, niet de persoon , behoort. Het verbaalsubstantief, 
anders genoemd onafhankelijke infinitief, is een tweeslachtig rededeel, 
deels van werkwoordelij ken , deels van naamwoordelijken aard. Met 
het werkwoord heeft het gemeen dat het 't voorwerp der handeling 
in den accusatief regeert; met het naamwoord, dat de agens , degene 
van wien de handeling uitgaat, in den genitief (genitivussubjectivus) 
staat. In pangdyus ira duidt ira als gen. subj. wel is waarden 
agens, 't onderwerp van de handeling pangdyus aan, maar niet 
't onderwerp van 't gezegde ramya. Daarentegen is in yekan 
pangucap sirang Drupadaputri deze niet enkel de agens, 
maar ook 't onderwerp van 't in 'n pangucap vervatte gezegde 
van den volzin. 

In een zin als yekan pamawan Suputri, dat was de plaats 
waar de Prinses heengebracht werd, BK. 74, spreekt het van zelf 
dat Suputri als genitief bedoeld is. 

In dina ng Bukmarathan pëjah magulingan, Bukma- 
ratha sneuvelde jammerlijk, neerrollende, BY. 11, 3, is dina 
bijwoord , ' n pëjah, gezegde ; het heet niet pëjah zonder n , 
omdat het in de bedoeling ligt te doen uitkomen , hoe hij sneuvelde. 



242 BUDEAGEN TOT DE SP&AAKKUNST VAN HET OUDXAYAANSOH. 

Wij drukken zulks uit door den klemtoon. Yekan kadangmitrft 
ngaranya, dat heet een verwante, een vriend, BK. 116. YekSn 
umundang, die was het, die riep, 74. Wruh ring ce^ta 
Tilottaman mijil, TilottamS merkte (of : begreep) de beweging , 
en kwam naar buiten (met klemtoon), 58. Wuwus nikang sakht 
^n kapühan, de vriendinnen, in hun droefheid, zeiden, 61. 
Lingnya ^n prasama tumandang, zij zeiden, terwijl zij ge* 
zameulijk aanvielen, 60. Hetu nira^n amet langö, de reden, 
dat hij vermaak zoekt. 

Een eigenaardige wijze van uitdrukking is mëne ^n winëtë- 
ngakën, mëne ^n wijil, dadelijk nadat (het kind) in den moeder- 
schoot werd opgenomen, werd het geboren, Adip. 21. In onze taal 
zou men den zin kunnen weergeven met: //z66 ontvangen, zóó ge- 
boren// ; vgl. een uitdrukking als //zoo gewonnen , zoo geronnen/^. 
Doch er blijft nog een verklaring te zoeken van 't feit dat in den 
voorzin op n volgt een werkwoordsvorm, terwijl in den nazin de 
stam vorm wijil gebezigd wordt. Als ik het wel begrijp is mëne 
'n winëtëngakën eig. //zoodra als het in den moederschoot opge- 
nomen werd// ; men stelt zich dus een handeling voor die verricht 
wordt; wijil duidt op een plotselinge verschijning. In ons ^/zoa 
gewonnen, zoo geronnen// worden beide deelwoorden met nadruk 
uitgesproken, maar 't eerste met slepend accent, het tweede kortaf 
met stootaccent. 

Tëkwaii caturbhuja siran tri^irah trinetra, hij werd 
vierarmig, en driehoofdig, drieoogig, BY. 8 , 2. Dit stemt volkomen 
overeen met Sund. volzinnen als: wadahgëdenjaalus, een 
vat groot en sierlijk ; radjana sugih nja adil, de koning was 
rijk, en rechtvaardig; oraj nu gëde nja matih, slangen die 
groot, en giftig waren. 

'Irikan siralabuh apuy, toen, stortte zij zich in 't vuur^ 
BK. 43. Lungha sang wanarendrar- w wat irung, irang- 
irang Kumbhakar^^au wirüpa, de apeuvorst verwijderde 
zich , den neus medeuemende , tot groote schaamte van Kumbhakar^^a, 
dat hij misvormd was, Ram. 22,89. Merang mür an wirüpa, 
beschaamd ijlde hij weg, misvormd zijnde; ald. Nijatan katëm wa 
sira dewi Janaki, zekerlijk zou hij Janaki aantreffen; eig. het 
was zeker, dat J. zou aangetroffen (gevonden) worden, 8, 99.^ 
Aparan ta prayojana maharaja Janamejaya an magawe 
yajna sarppaP wat is dan het doel van Koning Janamejaya, dat 
hij een slangenoffer aanricht? Adip. Samantara têkeng tëgaL 



BUBSAGEX TOT Dl SPBAAKKX7NST YAN HET OUDJAYAAKBCH. 24S 

Kuru narSryya Krs^an laku, inmiddels kwam K. op zijn 
tocht in Kuruksetra, BY. 2, 1. In Nieuwj. zou men zeggen «ru»nj«y»o 
in plaats van an laku. 

Gumësöng ikang raksasa an waraharüpa, de reus, die 
de gedaante van een ever had aangenomen (of: in évergedaante) 
verbrandde, Adip. 20. An warSharüpa zou men in onze taal 
ook kunnen weergeven met //als ever//. Meermalen is an vóór een 
substantief met //als/y te vertalen; bijv. an panggorawa, als 
eereblijk, BK. 282. 

Dharmman paritra^a rikang daridra, het is een plicht: 
de armen te beschermen, BK. 117. In ^t Skr. zou men zich aldua 
uitdrukken: dharmo, yad daridraparitra](]iam. Bikang^ 
vervangt hier, gelijk zoo dikwijls, den accusatief. Er is reeds vroeger 
opgemerkt dat het verbaalsubstantief het object in den accusatief 
bij zich heeft, en in zoover werkwoord is; maar 't subject in den 
genitief, als zijnde een substantief; wordt an paritrapa, gelijk 
ook Skr. jatparitrSpam in onze taal overgebracht, dan kan 't 
relatief behouden blijven in den vorm van 't voegwoord '/dat// , 
doch 't substantief moet vervangen worden door een werkwoord ; dus 
/rdat men beschermt//. 

Si rang prabhu Suyodhanan muruda sep, het was te 
laat voor vorst S. om te wijken, BY. 48, 1. Lënglëng twas 
ir&n paninghal i layar dhwaja kumëlab, zij was verrukt 
in haar hart, terwijl zij de wapperende vlaggen voor zeilen aanzag, 44, 1. 

Tan wyartha 'n pangëne, niet te vergeefs, daar het rddkte 
(wij zouden zeggen: raakte niet mis), BK. 221. Cëb ngör twas 
ira narapati 'p dêngö sapawarah, geheel vermurwd was 't 
gemoed van den vorst bij 't hooren van wat gemeld werd, 79. 
SSmpunya'n panginum nikang bala, nadat de troepen ge- 
dronken hadden (of, beter: na afloop van 't drinkgelag der troepen), 
163. Sampunya is //na afloop er van//; nya slaat dus niet op 
bala. Panginum is substantief, met het feitelijk onderwerp der 
handeling in den genit. subj. achter zich. Logisch zou sampun 
ni panginum nikang bala op hetzelfde neerkomen, doch dan 
zou op //'t drinkgelag der troepen// niet genoeg nadruk vallen. 

IrikSn pada wrg ikanang w wang, toen kwamen de menschen 
alle evenzeer in beroering, BK. 155. Hier staat het onderwerp in 
den nominatief voorafgegaan door awrg. Het verbaalsubstantief zou 
hier in geen geval kunnen staan, omdat het niet met pada ge- 
construeerd kan worden. 



£44 BUDBAGIN TOT Dl SFEAAKKTTNST VAK HST OUBJAVAAKSOH. 

YekSn (of yekS^n) tikan (of tik&^n) sangakënanta, dat 
is hetgene, dat door u moet geschonken worden, Satas. Zoowel op 
tika als op süngakëna rust nadruk. 

Apet bhfiwSn pojar, hij spr&k innemend, BY. 48, 8; in 
de hedendaagsche taal zou men kunnen zeggen *>?i/arnny»o«y«t^\ 
SukhSmbëk i sang rounindra an pangrëngö ri kama- 
hSrddhika sang suputri, verheugd was de groote Wijze in 
^ijn geest, bij ^t hooren van de hoogedelheid der Prinses, Sutas. 
Ygl. in een boven aangehaalde plaats: twas ira narapati^iji 4ëngö 
flapawarah. Het verschil tusschen 4êngö ^ en. pangrëngö zal wel 
hierin bestaan dat het eerste perfectief , \ laatste imperfectief is. 
Duidelijk perfectief is an ton hierin: ambëk Qri-Parame^- 
wari paramatust&n ton narendratmaja, de Oppervorstin 
was uiterst verheugd in haar geest bij ^t zien van den koningszoon 
{d. i. toen zij hem in 't oog kreeg), ald. In 't Skr. overgezet is 
{a)nton drs^wa. SaphalSn anak nira ta sang Wibhisa^a, 
«ij was waardig het kind (de dochter) te zijn van W., Item. 8, 140. 
Kara](]ia nika kita'n adidewats, de oorzaak er van zijt gij, 
^ie de eerste der godheden zijt (of: als eerste der g.), BK. 225. 
Wiphala'n kasangga, vruchteloos, daar het opgevangen werd, 
223. Ngaran iran ulih i paramayajna de haji, (zoo) 
heette zij als zijnde verkregen door (of: daar zij een product was 
van) allervoortreffelijkste offers door den vorst, 46. Huwus ka ton 
sang AsurSdhipan lumurug, men zag reeds den vorst der 
Asura's ten strijde uitrukken (anders uitgedrukt: den v. der A. dat 
hij (of: die) t. s. uitrukte) AW. 18, 2. Merang minggêka, 
kociwambëk ira van kalanya'n unggw ing wuri, zij 
(de twee in voorgaande strofe genoemde goden) schaamden zich om 
't hoofd om te wenden, (en) meenden te derven, zoolang zij (de 
nimten) zich achter hen bevonden, 1, 8. Yan kalanya'n* is 
eigenlijk: //wanneer het de tijd was dat//. Naast yan kala vindt 
men yan i kala; bijv. kadi wintang yan i kala ning 
tilëm, gelijk sterren bij ndchttijd (eig. wanneer het de nachttijd 
is), BK. 213. 

An garbbhegwara natha ring Kahuripau, wihaga 
nir^'n amSnusadbhuta, terwijl onze Heer en Vorst (Hayam 



1 Dëngö is de oude vorm van rengö; de oorspronkelijke i heeft zioh 

o 

dikwijls gehandhaafd na een nasaal; vgl. (i^rjyfni\ ©. dgl. 

* In den gedrukten tekst is yad een drukfout. 



BUD&AGSN TOT DE SFBAAKILÜNST VAN HBT OÜDJAVAANSCH. 245 

Woruk) nog ongeboren (eig. nog foetus) was te Kahuripan, waren 
er Toorteekens dat hij een wonderbaar bovenmenschelijk wezen was, 
Nsgarakrtagama 1, 4. An garbbha zou men ook kunnen ver- 
talen met //als fóétus^ , indien ^t onderwerp van den nazin hetzelfde 
ware. Wihaga nira is letterlijk natuurlijk ^voorteekens van hem//, 
ook hier is naar den gewonen regel het eigenlijke onderwerp van 
''t gezegde uit het nazindeel naar voren gebracht. 

£r komen , zoowel in dichtmaat als in proza , niet zelden plaatsen 
voor, waar de constructie met «, an niet wordt aangetroffen, terwijl 
men die misschien verwachten zou. Bijv. Bam. 2, 51: Sita, së- 
dëngnja mêtu ngüni, laras dulurnya, Sita was, indertijd 
toen zij geboren werd , vergezeld van een boog. Een sterk sprekend 
voorbeeld is in KO. II: mangkaua lawasnj&mukti sang- 
^ara, zoo lang duurt het dat hij wereldsch leed smaakt, terwijl 
in KO. I, gelijk te verwachten, staat: mangkana lawasa- 
nva'*n tmuakan sangsSra, zoo lang moge (of: zal) het duren, 
dat hij wereldsch leed ondervinde. Regelmatig heeft deze Oorkonde 
ook: samangkana lawasa-nja'n hidëpa lara ghstaka, 
welk voorbeeld reeds boven werd aangehaald. Wat den volzin Sits, 
sëdëngnja mëtu enz. betreft, zou men kunnen zeggen dat n 
hier achterwege blijft, omdat er geen bijzondere nadruk op mëtu 
▼alt. Inderdaad zal men bij ^t lezen van den tusschenzin achter 
/^Sita had^ bespeuren, dat //geboren werd// zonder eenigen klem 
wordt uitgesproken. Dezelfde verklaring is toepasselijk op deze ver- 
binding van twee zinnen: kala nira^n mahas mamet stri, 
sëdêng maharSja (genitief) Janamejaya hanar mastri, 
de tijd dat hij rondzwierf een vrouw zoekende, was toen Koning 
Janamejaya pas getrouwd was, Adip. Men behoeft deze zinnen slechts 
achter elkaar te lezen om te gevoelen dat op den eersten wel nadruk 
valt, op den tweeden niet. Ook zal men wel niet kunnen ontkennen, 
dat het in menig geval van de willekeur des sprekers afhangt, of 
hij al dan niet iets met nadruk wil doen uitkomen. 

In dezelfde functie als an, n is ook yan gebruikelijk. Om dit 
nader aan te toonen laat ik een aantal voorbeelden volgen. 

Voorbeelden van 't gebruik van yan als 
gelijkwaardig met a», n. 

Kasukan yan ton gum nira, hij werd met vreugde vervuld 
bij 't zien van zijn leermeester (of: was verheugd zijn meester te 

!• Volgr. V. 16 



246 BUD&AGEN TOT DE SP&AAKKUNSt VAN HBT OUDJAVAANSGH. 

zien), BY. 46, 9. Het is duidelijk dat jan ton noch in constructie, 
noch in beteekenis verschilt van an ton, nton. I tëlas nira 
yan panëmbah, nadat hij zijn sëmbah gemaakt had, 3, 6. 
Dit is hetzelfde als nira^n panëmbah. Mangigël jan ton 
Wiratatmaja, hij danste bij 't zien (Skr. drstwa) van WirSta's 
zoon, 11, 9; vgl. W. mapnlih nton bhrasta ning swat- 
maja, W. keerde ten strijde terug bij 't zien van 't neerstorten 
zijns zoons, 11, 10. NgkSneng waijidira jan kinarjjakën 
isang Kurupati, bij den vijgboom was het dat hij door den 
Kuru- vorst achtergelaten werd, 13, 1. Irika jan katon gu^a 
Janarddana, toen was het dat de kracht van JanSrdana bleek 
(tóén, bleek de k. v. J.). Hier staat de afgeleide passiefvorm katon, 
niet de stam ton, omdat geen agens genoemd of anderszins uit het 
voorgaande op te maken is. Dat de dichter evengoed irikan katon 
had kunnen zeggen, zoo de versmaat het toeliet, behoeft geen betoog. 
Bi rës nika kasepa jan lumihate halintang nira, uit 
vrees van te laat te komen om hem te zien voorbijkomen, 2, 10. 
K^a^a jan paratra, hij was d^elijk döbd, 45, 9. Nahan 
ling nira jan panahanaha, zoo sprak hij, daar hij bange 
vermoedens koesterde, BK. 101. Hjang Bawi manda jan 
kênar, de zon scheen flauw (de zon was flauw bij 't schijnen), 108» 
Nahan hetu nghulun jan pataugguh, dat is de reden dat 
ik afraad (de reden van mijn verbod). Agjagjagja jan tumurun, 
zeer haastig daalde hij neder, 171; vgl. Sang Kar^^a ^ighrgn 
tumëdun sakeng ratha. Kara^anja jan patanghi, de 
oorzaak dat hij wakker werd, 61; deazelfden zin zou hebben: 
KSra^anja 'n patanghi. Tulung aku jan kakingkiugan, 
help mij, die in droefenis verkeer (of: terwijl ik i. d. v.), BY. 71. 
Ngka ta ranak-haji jan papanggih, daar dan was het, dat 
de prins met haar samenkwam, 74. Sampun irSn mararjjan, 
arahup ta jan laku muwah, nadat zij een poos rust gehouden 
hadden, wieschen zij zich, en begaven zich weder op wég, BK. -90. 
Ya hetu nira jan patakwan i narendra ri sahana nikang 
sakendrijan, dat was de reden, dat zij den vorst vroeg naar 
alles wat er io den ganschen Indrahemel was, Sutas. Samajanta 
jan wijila teki, het is tijd, dat gij nu uitgaat, Hariw. Yan 
tinghal kadi polah ing kumuda, op het gezicht, zag het 
er uit als een witte lotus, Sutas. Instede van de constructie jan 
tinghal zou men in hedendaagsch Javaansch zeggen '7*"^*j;g,*^^' 
of ook £ii^iq«n\ Bik&u kagjat jan prSpta Nakula, toen 



BIJDKAOXN TOT Dl SFBAAKKUNST VAN HBT OÜDJAVAANSCH. 247 

werd hij verrast, dat Nakula gekomen was (of: door de komst van 
Nakala), BY. 36, 10. Bhat&ra Guru tufta harsaja tumon 
ng auak yan jaja, BhatSra Garu was verheugd eu blij , ziende 
dat zijn zoon overwinnaar was, Smar. Hier is ^t onderwerp van 
jaya overgebracht naar 't voorzindeel als accusatief afhangende van 
tumou. 

Nshan ling nika yan pamar^^ana ri rüpa nira, zoo 
waren zijn woorden (zoo sprak hij), terwijl hij Diens voorkomen 
beschreef (of: ter beschrijving van Diens voorkomen), Sutas. fii 
ra pa, eigenlijk een datief, staat hier, gelijk zoo dikwijls^ als 
accusatief, zoodat pamar^^ana hier volgens een on veranderlijken 
regel, ten opzichte van 't object, als werkwoord optreedt. Wërëh 
ning watsa mëtu sake tutuknya yan panusu, het schuim 
van de kalveren dat uit hun bek vloeit bij 't zuigen (of: terwijl 
zij zuigen), Adip. Yan p a n u s u beantwoordt aan 't Skr. pi ban tas, 
zuigende, doch met nadruk op //zuigende^/ naar onze uitspraak. Den 
geheelen volzin zouden wij intusschen anders uitdrukken , en wel op 
deze wijze: ^het schuim dat de kalveren bij 't zuigen uit hun bek 
laten vallens. Dewijl 't onderwerp van dit //laten vallen (uitkomen) 
naar voren is gebracht en verbonden met //het schuim^, en het 
taalgebruik niet toelaat te zeggen: wërëh winëtwakëning 
watsa in een relatieven bijzin, moet de frase zulk een vorm aan- 
nemen , dat het causatief vervangen wordt door 't eenvoudige werk- 
woord. Mëtu, hoewel in onze taal onberispelijk te vertalen met 
/rdat (uit hun bek) vloeit// neemt geen n, an of yan vóór zich, 
omdat er niet de minste nadruk op valt. 

Niyata yan pëjah kabeh, het is bepaald zeker, dat allen 
gesneuveld zijn, Bam. 8, 134; vgl. niyatan katëmwa sira 
dewt Janaki, 8, 99. Enggal yan têka ring Basatala, 
spoedig kwam hij aan in de onderwereld, BK. 224. Sadara pra- 
^ata yan panganjali, eerbiedig gebogen, hief hij de gevouwen 
handen op, Bam. 21, 7. Nimitangku yan layat, de reden 
dat ik wegga, Wrtta-S. 103. 

Dat yan in plaats van n kan gebezigd worden zonder eenig 
verschil in beteekenis, daarvan kan men zich overtuigen door de 
twee volgende plaatsen met elkaar te vergelijken : suku sang 
JauakatmajS mapës, mapa yan mogha makas wataug 
j u g a , de voeten van Janaka's dochter werden machteloos , daar ze op 
eens zoo stijf werden als een stok, Bam. 21, 6; de ui drës ing 
ratha, mapeki n-amoghasiddhi, door den snelheid van 



248 BUDRAGEN TOT DE SPRAAKKUNST YAN HET OUDJAYAANSCH. 

den wagen, daar deze niet falende tooYerkiacht bezat, Hariw. Mapa 
jan, mapan = apa jan, apan. 

Yan-ton beteekent volmaakt hetzelfde als nton. Bijv. sang 
Da99asana mangigël yauton Wir&tStmaja, Du99&sana 
danst (van vreugde) bij ^t zien van Wirata^s zoon (die gesneuveld 
was), BY. 11, 9, en onmiddellijk daarop: Qri uStha WirSta 
9ighra mapulih nton bhrasta ning swatmaja. 

Hana jan verschilt niet van hanan. Bijv. aneka tëkap 
ing wibhaga; hana jan sasenüdulur, hana saka sa- 
patti, len saprtana, verschillend was de formatie der leger- 
afdeelingen : sommige bestonden uit compleete compagnieën, andere 
uit bataljons, weer andere uit brigades, BY. 10, 18. 

In plaats van matangnja -}- n vindt men ook het kortere 
matang jan; bijv. matang j^lijl datêng ring Kuruksetra 
Sara ma, de reden dat Sarama in K. kwam, Adip. Doch na 
matang jan is n niet ongebruikelijk; zoo in een reeds boven 
aangehaald voorbeeld: matang jan kita n-tëka usën; hier 
valt nadruk op kita, terwijl zulks niet het geval is bij Sarama. 

In KO. II leest men: irika diwa^a uj Sjna Qri Maha- 
raja, janpanuksuk dharmmasima; d. i. letterlijk: >jrtoen 
(naar ons spraakgebruik: dat) was de datum van H bevel van 
Z. Maj. den Koning, afbakenende een vrij gebied/!'. Wij zouden ons 
anders uitdrukken en zeggen : op dien datum beval de Koning een 
vrijgebied af te bakenen; of: de afbakening van een vrijgebied. In 
KO. I heet het eenvoudiger: irika diwasa Qri MahSraja 
sumusuk ikana alas i Lintakan, op dien datum bakende 
Z. Maj. de Koning H bosch Lintakan af. Hier kon de constructie 
reeds daarom eenvoudiger zijn, dat een woord voor bevel ontbreekt ; 
voorts ook omdat de opsteller der oorkonde het onnoodig Yond 
nadruk te leggen op den datum der handeling. 

Na jan, evenzeer als na an en m, treedt een intransitief nu 
eens als stam, dan wéér in werkwoordsiu)rm op, en wel zonder 
merkbaar verschil in beteekenis. Sterk sprekende voorbeelden levert 
KO. II, waar onmiddellijk na elkander voorkomen: jan mara 
ring tëgal en jan para ring tëgal, wanneer hij zich naar 
't veld begeeft. KO. VII heeft: jan aparaparan umaliwat 
ing tëgal, wanneer hij ergens heengaande het veld passeert; 
jan angher ing umah, wanneer hij in zijn huis verwijlt ; naast 
jan hawan, wanneer hij op weg is ; ofschoon dit laatste Yertaald 
zou kunnen worden met //op weg//. 



BUD&AGSN TOT Dl SPRAAKKUNST VAN HIT OUDJAVAANSCH. 249 

Een wezenlijk onderscheid tusschen a n , n en y a n is het mij 
niet gelakt te ontdekken. Evenwel schijnt het mij toe, dat bij 
voorkeur n gebruikt wordt in de volgende gevallen. Ten eerste, 
wanneer onmiddellijk voorafgaat het grammatisch onderwerp, bijv. 
rare nêmang siki^n pangidërakën; of 't feitelijk onderwerp in 
den vorm van een pronominaal aanhechtsel of genitief, bijv. kala 
nira'n lumampuh, en kala Dro](]ia'n inastwakên, en lë- 
kasrou'n amancana. Yoorts na verbindingen als ri tëlasnja, 
en dgl., wanneer nya beteekent //er van//, en in 't algemeen waar 
door toevoeging van n een partikel relatieve beteekenis krijgt, als 
in apan, on, maran; ook waar n dient om met zekeren nadruk 
het volgende te doen uitkomen, bijv. ndi'n. An en yan worden 
bij voorkeur gebezigd wanneer de beteekenis van //dat, wanneer, 
terwijl// nog duidelijker gevoeld wordt; verder in een bepaling van 
omstandigheid, als aharëp tuminghala ri sang narendra^ 
daten g; ook na een tijds- of plaatsbepaling van de in 't nazindeel 
genoemde handeling, bijv. 9ighran wij il of umijil. Ook vóór 
substantieven, wanneer de verbinding als een verkorte of elliptische 
bijzin kan opgevat worden; bijv. an panggorawa, als eereblijk; 
an garbbha, dat in 't boven aangehaalde voorbeeld in gedachte 
als nadere bepaling bij wihaga nira behoort. Wijders als an 
dient om een volgende partikel te versterken, bijv. an mangkana. 
Eindelijk vindt men an gebruikt, wanneer het feitelijke onderwerp 
voorafgaat, maar niet onmiddellijk; bijv. Iwir ni pan ah Bh. an 
tumanëm; hier is niet Bhisma het onderwerp van tumanëm, 
^maar zijn pan ah. 

Als algemeene opmerking aangaande de behandelde constructies 
met n, an, yan, zij hieraan toegevoegd, dat ze in 't hedendaagsch 
Javaansch veelal, niet altoos echter, vervangen kunnen wordendoor 
een substantief, gevolgd van een genitivus subjectivus. Ook in rfe 
oudere taal komt zulks meermalen voor; bijv. Bam. 5, 34: niyata 
pëjah ni BSwa^a rikang ksa](]ia; dit, letterlijk overgezet is: 
/rbepaald zeker is de dood van B>awa](]ia op dat oogeublik//, doch 
de bedoeling is: /s^het is bepaald zeker, dat Bawa^a dan oogen- 
blikkelijk zal gedood worden (of: sneven). 

Verkorte vormen van persoonlijke voornaamwoorden 

en hun gebruik. 

De oude taal bezit eenige verkorte voornaam woordsvormen , waarvan 
H gebruik tot bijzondere gevallen beperkt blijft. Ze zijn: 1 ps. enk. 



250 BUD&A.GIN TOT DS SPRAAKKUNST VAK HKT OUDJAYAAKSCH. 

k (vóór w^ ly hh en d: g)\ mv. excl. kam; mv. incl. i\ 2ps. enk. 
m, mM ; mv. (en beleefd enk.) i (vóór zachte medeklinkers ^2) ; 3 ps. enk. 
n\ mv. (en hoog enk.) r. Deze vormen worden, op zeldzame en 
daarenboven twijfelachtige uitzonderingen na, alleen gebraikt in 
afhankelijke zinnen; of anders in verbinding met partikels, bijv. 
met de ontkenning ta, waardoor ontstaan vormen als tak, tat, 
tar; of met apa, bijv. apak, apat. 

Behalve k^ t^ r vin^t men zonder eenig verschil in beteekenis: 
ak en yak, at en yat, ar en yar, zoodaf bijv. k-hi4êp, 
ak-hi4ëp en jak-hidêp alle drie gelijkelijk beteekeneu: /^naar 
ik meen, naar mijn gevoel, mijns inziens/r. De hieronder volgende 
voorbeelden moeten strekken tot staving van ^t bovenstaande. 

Eerste ps. enk. Lëhéng aku k-matya linguyaupamüka, 
ik wil liever sneven (eig. dat ik sneve), zeide hij, terwijl hij een 
woedenden aanval wilde doen, B£m. 22, 89. Nahan hetnnya 
k-amwit ri kita, dat is de reden, dat ik afscheid van a neem, 
19, 31. Sangke dosangku k-anglês, alah tlbra mahyun 
tak-amwit, tengevolge van mijn schuld dat ik tot u weggeloopen 
ben (d. i. daar ik mij bezondigd heb door mijn ouders te verlaten 
om U te volgen), verlang ik ten zeerste geen afscheid van U te 
nemen, 19, 24. Merang aku g-la wa na ko, ik schaam mij om 
jou te bestrijden, 2, 48. Bahuntalyus, lobha hatingku 
g-wulatiya, Uwe slanke armen, mijn hart voelt begeert-e, wanneer 
ik ze aanschouw, 12, 44; iya is hier de als accusatief dienst doende 
datief van ya, waaruit volgt dat wulati hier als actief bedoeld 
is. Sahananta haywa malarakparakang alas, gij allen 
weest niet bedroefd, dat ik naar de wilderuis ga, 8, 11. Aparan 
ike prayojana matangnya aku g-winungu, waartoe moet 
dit dienen , dat (eig. waarom) ik wakker gemaakt word ? 22 , 9 ; 
de relatieve beteekenis krijgt matangnya doordat g-winungu 
z. v. is als (dat ik w. g. w.) ; hetzelfde zou uitgedrukt worden door 
deze constructie: matangku g-winungu, en matangku n 
winungu. Nahan prastawanyak kadi malupa ring mitra- 
samaya, dat was de aanleiding dat het leek alsof ik (eig. dat ik 
als ^t ware) de bondgenootschappelijke afspraak verzuimde, 6, 170. 
Ngke k-tona asihtat-makaka, yan ^ir^^^a musuhtslilanga, 
d&n zal ik zien dat gij liefde hebt voor Uw ouderen broeder, wanneer 
onze (of: Uwe) vijanden verdelgd zijn als we^evaagd, 22, 17. 
Byakta mStya rasikft si kasyasih, nton aku k-pati 
mürcchita, zeker zal zij gestorven zijn toen zij zag dat ik in 



BUDBAGSN TOT DE SFKjIAKKUNST VAN HKT OUDJTAYAANSOH. 251 

zwijm lag, 21, 76. Kadi tag- wal ajSpulih k-hijëp, irikang 
Dax^dakakSnanak-hana, het was naar mijn gevoel alsof ik 
niet weder zou terugkomen , terwijl ik in ^t Da^dakawoud was , 24 , 
211. Nahan ikana ta donku we' k-para ngke, dat was 
mijn doel waarom ik hier kwam, 21, 61. Aku tak-angënuangên 
laki waneh sira tunggal atah, ik, ik denk aan geen anderen 
man dan aan hem alleen, 5, 58. Saparanta atah ja tüta- 
nangkwa, tak-adohaku saka sukunta, overal waar Gij 
heen gaat zal ik U volgen, en zal ik niet ver van Uwe voeten 
wezen, 17, 36. Tag-wruh ryy ajarangkwa ri kita, ik weet 
niet wat ik U zal zeggen, 22, 19. Matangnja tag-langghana, 
dddrom ben ik niet weerspannig (ongehoorzaam), 3, 12. Tathapi 
tak-tüt mati, niettemin ben ik niet mede gestorven, 21, 19. 
Sahana nikang watëk Baghu kabeh tak-anon alajü, 
geen van alle uit Eaghu^s geslacht zag ik ooit vluchten, 5, 50. Apan 
ta mitra kasih, aku tamatak-akadang, want er zijn geen 
geliefde vrienden, ik heb in 't geheel geen verwanten. A pa k-pa n ah 
paradarabuddhi, omdat ik op een overspelige schoot, 6, 188. 
Apatak-perung, irangku tansipi, omdat ik geen neus meer 
heb, schaam ik mij niet weinig, 4, 62. Tumutura taku ring 
priya, tamag- wigilata ri ko, ik zou toch den geliefde volgen 
en niet tot jou mijn toevlucht nemen, 5, 59. Tamak-anêmu 
pada bhatara B&ma, ik vind niemand die met B. zou kunnen 
vei^eleken worden, 21, 68. Yak-matya, wanneer ik dood zal 
zijn, AW. 314. Musuhta mapës kadi lumbu yak-hidëp. 
Uwe vijanden zijn krank als gras, naar ik meen, Bam. 13, 30. 
Aparan ta gu](]iangku yak-hana, wat nut het mij dan nog 
dat ik er zal zijn? Sangke laranyak-hidëp, tengevolge van 't 
leed dat ik gevoel, 11, 34. 

Eerste ps. mv. excl. Kami, kam huwus warëg amukti 
ring jagat, mari yan-prayatua ring ulah salah këna, 
en wij, die* reeds verzadigd zijn van wereldsche genoegens, houden 
op met te trachten naar averechtsche gedragingen, 8, 119. Nahan 



^ We 18 een synoniem van de, werk; bijw. ^ doordat-', enz. Op zioh zelf 
uit de taal verdwenen, is het bewaard in gawe; de zwakkere vorm wi is 
vervat in Day awi, door, wegens; awi-e is volkomen in bet. en gebruik 
= wo-nya = de-nya; gawi = Jav. gawe. Bulusch we-n= Ojav. we-n 

'In *t Dnitsch zou men zeggen: nwir, die wir". In kam ligt inderdaad 
hetzelfde begrip van nWij" + voorafgaand reflexief. 



252 BUD&AQEN TOT DE SPRAAKKUNST YAN HET OUDJAYAANSOH. 

Iwir mami kam-panangguhi, dat was de wijze, waarop wij 
(voor: ik) wilden tegenhoaden (vermanen), 14, 66. Kapwa ya 
kam-bal^.s, hilangakën laranta, al wat wij daarvoor ter 
vergelding kunnen doen, is aan Uw leed een einde te maken, 20, 
64 : de é is , volgens een klankwet , die o. a. ook in 't Tonmbulusch 
bestaat, de klank waarin een w na een m overgaat. Nihan tang 
Aditya yadin ya patyana, nda kam-rêmuk hyang Prthi wi, 
zie , al ware het de Zon , ze zal uitgebluscht worden , en de Aarde , 
wij verbrijzelen ze, 18, 32. 

Tweede ps. enk. Matang ika ko m-pujiriya, gu^angku 
tamar-puji ya, dat is de reden, dat gij hem prijst, terwijl mijn 
deugden niet geprezen worden, (of: en mijn deugden, ze worden 
n. g.). Ram. 5, 35. Wij zien hier dat het eerste puji als actief 
behandeld is, want het heeft als voorwerp iriya (datief voor accu- 
satief ) bij zich , het tweede puji is passief. 

Eerste ps. mv. kalanta d-winarang, ten tijde van ons 
huwelijk, 11, 27. 

Tweede ps. mv. (en beleefd enk.). Dayanta t-pati ya, 
moge hij door u (o goden) gedood worden, KO. VII; eig. ffmog 
het uw werk (toedoen) zijn dat gij hem doodt (of: dat hij door 
gedood wordt)//, want dai is de oudere vorm van de, werk; bijw 
door toedoen. Lat. per; dezelfde gedachte wordt anders uitgedru 
met deyanyu i pati ya, KO. I. Yan magya, sakarëngt 
weh kitat-pararyyan, al hebt Gij haast, rust dan toch eer 
óógenblik uit. Ram. 8, 11. Ring pargwat-aturuturu yath 
suka ngke, slaap een weinig naar hartelust hier aan den kdn 
ald. Hier heeft at met het volgende gezegde den zin van een b( 
leefden imperatief, of, wil men, verzoek. Zoo ook in: at rêng 
ta wuwusmami, hoort gij onze (mijne) woorden! Bh. 70; v 
den Franschen conjunctief vorm: //que vous écoutiez//, enonsmind 
gewoon: //dat gij hoort!// At-tugël tê^das ikang Daity 
moogt Gij den kop afslaan van den Daitya ! Ud. At rëngyëkë 
(voor rëngökën, rëngwakën) teka sapatha-samay 
moogt gij (o goden) luisteren naar dezen mijn eed! KO. VII. Ze 
gewoon zijn vormen als t-ulih, keer terug! als beleefde imper^»- 
tieven ^. Laku ta t-ruhun tumama ring tilam, ga nu oirxi 
't eerst het slaapsalet binnen te treden, AW. 298. Ari Laksm»- 





1 In tuoap en tucapën, laten wij spreken; wij zuUen spreken; is ^ zeker 
geen 2* ps.; men kan t opvatten als verkorting van kita, 1* ps. mv. inclusief. 



BUDBAGIN TOT D£ SPBAAKKUNST TAN HET OUDJAVAANSCH. 253 

9ad-walati taku, broer Laksmana, let toch op mij, B&m. 24, 
162. Sira rama sang nrpa, nihan sira we d-wulati, 
's Vorsten Vader is het dien Gij hier aanschouwt, 24, 198; men 
zou evengoed kunnen zeggen: denta n-wulati. He natha, 
wyartha denta t-haruhara, o vorst, voor niets maakt Gij U 
ongerust, 15, 37. Ndah wëkangku, ya matangnya we t-ulih, 
nu, mijn kind, daarom is het zaak dat Gij terugkeert, 21, 70. 
Ngke katona asihtSt-makaka, yan ^ir^^a musuhta, 
dan zal ik zien dat Gij liefde koestert jegens Uw ouderen broeder, 
wanneer onze vijanden verdelgd zijn ,22,17. Adëg ta t-amrih, 
sta dus op en doe Uw best, 7, 99. Ndya kitata we t-para, 
waar zal het dan zijn dat Gij heengaat? (d. i. wddr zult Gij dan 
heengaan) 21, 39. Mara t-atutur tatad-waluya sanggaya, 
opdat Gij tot bezinning komt en niet wederom ongerust zult worden, 
24, 197. Nya (1. ndya) t-atak watakwana kitari, ta 
rêngö tat-anon rikang bhuwana tibra duhkita uma- 
da^a teki kalarangku tansipi, waar Gij ook mocht navraag 
doen, zusje. Gij zult niet hooren noch zien iemand zoo diep be- 
droefd als mij in mijn groot leed (eig. een diep bedroefde die zou 
evenaren mijn groot leed), 8, 147. Sakrodha pwa hatinta 
yatt-inuj aran, tad-wruh ri don ing wuwus. Gij wordt 
echter toornig in Uw gemoed, wanneer Gij toegesproken wordt, 
zonder de bedoeling van den gegeven raad te begrijpen (of: te 
erkennen), 14, 67. Yadi y at-hënëngata ring musuh, tat- 
asënghit hana sahasenghulun, als Gij den vijand maar stil 
laat begaan, zonder vergramd te zijn over de jegens mij gepleegde 
gewelddadigheid, 4, 62. Qasana ya gëgën, tang gastra 
d-wulati lana, volg de geboden, en bestudeer steeds de leer- 
boeken (of: terwijl Gij steeds de 1. bestudeert), 3, 53. Ei dada- 
ngku t-unggu t-aturü samenaka, slaap aan mijne borst 
(terwijl Gij aan mijne borst zijt) genoegelijk, 8, 121. Apa ta 
guiQLa nikst-hënëng, waartoe zou het dienen, dat Gij U stil 
houdt? Ike ^atrunta d-don sahana pakëna mwang kira- 
kira. Uwe vijanden, die Gij wilt beoorlogen, tracht allen meester 
te worden met beleid, 3, 81. M^itang yat-laku t-ulih, opdat 
Gij terugkeeret, BY. 36, 18. Tan jayS rikanang musuh 
adoh, apatt-alah de ni musuhta yaparö. Gij zult Uwe 
verwijderde vijanden niet overwinnen, omdat Gij zwicht voor Uwe 
nabijzijnde vijanden (d. i. in Uzelven), 13, 78. Ujarkw ahayu 
ugüni tat-pituhu ring sabhapad- wihang, mijn goeden 



254 BIJDKAQEN TOT DE SFBAAKKüNST YAK HIT OUDJAVAANSOH. 

raad hebt Oij vroeger^ in de vergadering niet opgevolgd, omdat Gij 
koppig waart, 24, 34. Nyaku matya, apa tad-wulati 
ngwaug, zie ik zal sterven, omdat Oij niet op mij let (d. i. U niet 
om mij bekommert), 17, 67. Tat-apituhu alah müda. Gij 
geeft geen gehoor daaraan omdat Gij verdwaasd zijt, 10, 55. 
Prabhu ta turung tamad-wulat i gëlis nira yan-pa- 
manah, nog nooit. Heer, hebt Gij de snelheid gezien van hem 
(Bama) bij 't schieten (d. i. de snelheid waarmede hij schiet) 5, 25. 
Matangnya tanghera tamat-harohara; pahenak Sm- 
bëkta tamat-roakingkinga, daarom heb gednld zonder ont- 
steltenis te voelen; stel U gerust, zonder bekommerd te zijn, 21, 52. 
Uerde ps« onk. Het aanwijzen van plaatsen waar n (ook in de 
verbindingen an, yan, tan enz.) beslist als pers. vnw. moet op- 
gevat worden, is aan bezwaren onderhevig, dewijl het gelijkluidend 
is met het relatief n. Het is gemakkelijker te zeggen waar n geen 
pers. vnw. is, dan waar het wel als zoodanig bedoeld is. Het is 
duidelijk, dat n in voorbeelden als sopanangkn n-lêpasa en 
wêkasmu n-ahurip niet anders wezen kan dan H relatief, wegens 
het verschil van persoon; zoo ook in hetu mami n-pëgat 
sakeng pitrloka, de oorzaak dat wij van de wereld der Voor- 
vaderen uitgesloten zijn. Voorts in gevallen als hetu nira n-wijil, 
of na ling nirang Kurupati n-pangu^cap, en dalihan 
iran tinggalakëna sira stri, het was zijn plan de vrouw te 
verlaten, en gëlis nira yan pamanah, want n beantwoordt 
niet aan 't deftige sira en niets verhinderde den schrijver r, ar, 
yar te bezigen indien hij een pers. vnw. had bedoeld; bijv. mojar 
sira yarpamöh tat^esa ning lëmbu nusu, hij zeide: door 
't overblijfsel van de zuigende kalveren uit te melken; of kadi 
megha maughudanakën pada nira yarwehakënn ikang 
da na, hij geleek een zegen uitstortende wolk, wanneer hij zijn 
liefdegaven uitdeelde. Ram. 1, 5. Hier is r een verkorte vorm van 
't pers. vnw. en heeft ya op zich zelf reeds de beteekenis van een 
relatief*. Voorbeelden dat r pers. vnw. mv. is, zijn: mahyekang 
wira yarton ri sira pada-snka, de helden juichten bij *t zien 
van hen die allen evenzeer gelukkig waren, Sutas.; en 9ighra 
hrü nira yar lëpas pada parëng, snel gingen hun pijlen, 
alle te gelijk af, BK. 206. In een voorbeeld als nahau ikana. 



^ Voorbeelden van 't gebri^ik van ya als relatief zullen in een volgend 
hoofdstuk gegeven worden. 



BUDKAGSN TOT DE SPKAAKKUN9T VAN HBT OUDJAVAANSCH. 255 

wnwQsnya we npanëmbah, dat waren hare woorden daar zij 
haar sëmbah maakte (== denya manëmbah), Bam. 21, 62, 
zou men geneigd zijn n als pers. vnw. te netnen, naar analogie 
van we-k, we-t, waarvan we hierboven voorbeelden gezien hebben. 
Doch men vindt ook: awü sirakusasn, wnlati sirang 
Baghupatra we n-kapa^a, zij schreeuwden bedroefd, huilende, 
ziende dat B. gestrikt was geworden ; sloeg n hier op B. , dan zou 
men r verwachten. Er is trouwens geen reden om de n van we'n, 
althans in dit laatste voorbeeld, voor iets anders te houden dan 
het relatief, te minder omdat het volmaakt identische wen van 
het Toumbulusch bestaan moet uit we -[- J'®J*^i^f« Bijv* Niitu 
mahapa^arpa^ar si ina wo si amana, we^n si okki nera 
wiyamo, woan sera n-tuma^ar sumiwo um posan, toen 
waren zijn vader en moeder zeer verheugd, dat (eig. doordat, omdat) 
hun zoon (terug) gekomen was, en zij deden een gelofte om een 
offerfeest aan te richten. Niitu siwoën nera kariya um 
pa^ar, we^n nimakauntiing witi si tou^ng kaseke nera, 
toen werd door hen een offerfeest aangericht uit blijdschap dat zij 
hun vijanden overwonnen hadden. Niitu wo an siya mange 
witi wanna, wo an siy a n-tumalinga se ton mêriyoriyo 
witu^m bale ësa, we^u mahasiwo um posan, en als hij 
zich naar dit dorp begaf, toen hoorde hij de menschen in een huis 
rumoerig, daar zij een offerfeest aanrichtten. Uit deze plaatsen, die 
met een menigte andere kunnen worden vermeerderd uit de ver- 
halen uitgeg. door 't Nederl. Zendelinggenootschap , ziet men tevens 
dat het Toumbulusch spraakgebruik ten opzichte van 't relatief n 
met het Oudjav. overeenstemt. Later komen we hierop terug. 

Bij de ontkenningsvormen tan, taman, tapwan is, ingeval 

't onderwerp een enkelvoudig en niet voornaam • 3^' persoon is , 

moeielijk uit te maken, welk n bedoeld is. Hetzelfde geldt van 

yan, yapwan, wanneer, dat (hij, zij, het) en maran, mara- 

pwan, narapwan, opdat. Bij schrijvers die zich regelmatig van 

i, ^, r bedienen, zal waarschijnlijk 't pers. vnw. bedoeld zijn. In 

Zeker opzicht is het een onverschillige zaak, daar beide constructies 

logisch hetzelfde uitdrukken en bij vertaling in 't Nederlandsch 

denzelfden toon vereischen. Bijv. een zin als deze: kadyangga 

nikanang parartha manulung wySdhi n-paweh osadha, 

gelijk de onbaatzuchtige menschen vriend een zieke redt door hem 



1 Bijdragen tot de kennis der Alfoersohe taal in de Minahasa. 



256 BIJDRAGEN TOT DE SPSAAKKUKST VAN HIT OUDJAVAANSCH. 

■s. 

geneesmiddelen te geven, £am. 14, 66, laat beide verklaringen toe. 
Eenigszins dubbelzinnig is: wêkasan pnpak ta ikanang gunung 
n-ibërakëuya saksa^a datêng, eindelijk werd de berg afge- 
brokkeld, waarmee hij wegvloog (en) in een oogenblik terug was, 
23 , 33 ; in KBW. wordt n hier opgegeven als verkorting van 't 
passief voorvoegsel in, doch om ^t passief uit te drukken zou ibër- 
aken voldoende zijn; ik zou eerder denken dat n hier \ relatief 
is, dienende om den hoofdnadruk te leggen op H voorgaande, en 
den bijtoon op 't nazindeel, of wel //hij vloog er mee wèg (of: 
het werd door hem in de vlucht meegenomen)/-'. Voor de opvattiug 
van KBW. schijnt echter te pleiten. Ram. 15, 57. 

Zeer dikwijls wisselt het deftige r (ar, yar) af met «, hoewel 
het denzelfden persoon geldt; bijv. pijër sang Ramarton ta 
sira (hen), en onmiddellijk daarop tanwruh en tatanwruh 
(hij, Rama), 16, 166. Zelfs van een mv. : apatanpasahaya 
tunggal tunggal, dewijl zij (Rama en Laksma^a) geen enkelen 
gezel hebben, 4, 66. Toch zegt dezelfde schrijver elders bijv. apa- 
tak-ton kita, dewijl ik U niet zie, 11, 23. 

Derde ps. my. en hoog enk. Waling nira musuh datëng 
r-adëgakën langkap nira, in de meening dat een vijan( 
aankwam, richtte hij zijn boog op (of: naar zijn meening kwarry 2 
een vijand aan, zoodat hij z. b. oprichtte). Ram. 3, 42. Na lini 
nirar-adëgakën ta laras nirUgöng, zoo sprak hij, terwij 
hij zijn grooten boog oprichtte, 2, 43. Salawas nira r-ungg« 
ringng alas, zoolang als zij in 't woud zich bevonden, (Rama ce 
Laksma^a) 4, 23. Ati^ighra mangkin aruhur ta sira. 
rikanang Udaya r-unggu katon, zeer snel steeg hij (de Z01 
al hooger en hooger, terwijl hij zichtbaar zich op den Opgangsberr 
bevond, 8, 42, doch onmiddellijk daarop ya ma tangnya n-ungg 
rikanang Ldaya, dat was de reden, dat hij zich op den 0\^ 
gangsberg bevond. Lawan sëdëngnyan niyata'n sirar-pëjal 
en toen het beslist zeker was dat hij gesneuveld was, 21, 54; hi( 
kunnen an en » niet anders dan relatieven zijn; logisch onverklaarba^ -^ 
is het dat door de toevoeging van ar het relatief begrip tweemas-^^^ 
wordt uitgedrukt. Hana satwa 9S9a kanak&r-pinahat, m t 
waren dieren, hazen van [goud, uitgebeiteld, 8, 44. Bharata /- 
parö ri sirang tinamuy, r-adëg ang ^ bala wHnara ya^ r- 
pana4ah manginum, mèt dat Bharata de gastvrij onthaald^^a 



^ De HSS. en gedrukte tekst heeft ing, dooh dit is foutief. 



BIJDRAGEN TOT Dï SPBAAIUSLTINST VAN HET OUDJAVAANSOH. 257 

naderde, stonden de apen op van ^t eten en drinken, 26, £5; op 
te merken valt dat op //eten// in dezen zin ook in onze taal een 
nadruk valt, terwijl bij //drinken// de toon daalt. Hati nira hewa 
denya tamatan kawënang sinikêp, r-ayat ikanang laras, 
r-araharah ya rikang warayang, hij was inwendig wrevelig 
doordat (het wild) niet kon gepakt worden ; hij legde zijn boog aan, 
mikte met de pijl, 5, 44; in dit voorbeeld en 't voorafgaande duidt 
de eigenaardige herhaling de gelijktijdigheid van twee handelingen 
aan ^. Tatan salah r-araharah ya ring arddhacandra, 
zonder falen, mikte hij op hem met de halvemaanpijl , 2, 34; 
hier heeft r geheel dezelfde functie als 't relatieve «, namelijk om 
te doen uitkomen dat de handeling tan salah was. Kaptndra 
Sugriwa wëruh ring inggita, ratagg ikang wre saha- 
nanya mangkata, de apen vorst S. begreep den wenk, zoodat 
hij de apen alle opriep om te vertrekken, 11, 49. Kala nirar- 
tiba, op het oogenblik dat hij viel, 20; 63. Sadatëng nirar- 
ujari dewi Janaki, zoodra hij gekomen was, sprak hij (Ba wa^a) 
tot J., 8, 113. Malarar- wulat ri sira dewi JSnaki, (de 
boomen) waren bedroefd bij het zien van J. (of: terwijl zij zagen), 
8, 96; kadi luhnya yar-wulati dewi Janaki, het (de 
afgevallen bloemen) waren als het ware hun tranen, terwijl zij J. 
aanschouwden, 95. Kadi duhka sang Baghusutar-haneng, 
gelijk het leed van B. terwijl (of: toen) hij in 't woud was, 8, 
107. Ng ling nirang Da^awadanar-puji ng anak, zoo 
sprak D., zijnen zoon prijzende, 20, 76. Mari r-pawëdihan 
malit, hij (de koning) hield op met fijue kleederen te dragen, 
3, 21. Malih ta sira, tüt hawan r-angënangën ta sang 
Haghawa, hij ging dan, den geheelen weg over steeds denkende 
aan Bama, 3, 18. Malawas sirar-papangguh masneha 
lawan mah&dewi, langen tijd (reeds), was hij in huwelijksmin 
Vereenigd met de koninginnen, 1, 20. Ling nikanang waneh 
ï-amanuman awaknya, zoo spraken anderen, op zich zelven 
gommende, 20, 69; u manu man is hier bedrijvend, doch een 
stam voorafgegaan door r kan evenzeer passief bedoeld zijn; bijv. 
matang ika ko m-pujiriya, gu^angku tamar-puji ya, 
dat is de reden, dat gij hem prijst, terwijl mijn deugden niet ge- 
prezen worden, 5, 35. Bedrijvend echter in: tamak-akadang 
tar-wulat rSma-re^a, ik heb geen verwanten, daar mijn ouders 



' In 't Skr. geschiedt sulks door oa-ca, dus op geheel andere w^jze. 



258 BIJDRAGEN TOT DE SPRAAKKUNST VAN HET OUDJAVAANSCH. 

niet naar mij omzien (niet om mij geven, Skr. anapeksa), 19, 24. 
Hana düta yekana tëka mëne, r-hidêp, er zullen aanstonds 
boden komen, begreep hij (Hanuman), 8, 100. Satêka nirar- 
warah ta si Marica, zoodra hij gekomen was, gaf hij instructie 
aan M. ; ar-warah duidt aan dat de hoofd nadruk valt op satêka; 
in ^t Skr. bezigt men in een overeenkomstig geval ewa; bijv. 
drstwS is >ybij H zien, gezien hebbende^/; drstwaiwa, zoodra 
hij zag; onze taal heeft tot haar dienst het rhetorisch accent; ^t 
Oudjav. bedient zich van de constructies die wij hier behandelen. 

Lumaku sang mamet tar-mangel, de zoekende ging op 
weg, onvermoeid, 3, 32. Kepwan sira tar-wênang sumahur, 
hij werd verlegen en kon geen antwoord geven, of: zonder een ant- 
woord te kunnen geven. Sumahur ta siranumods tarpami- 
hang, antwoordde hij toestemmend zonder te weerstreven, 1, 56. 
Paradara kewala manahmu tar-waneh. slechts echtbreuk 
heb je in den zin, geeu' andere dingen, 8, 130. Malawas tar- 
panak, daar hij langen tijd geen kinderen had, 1, 21. Tatar- 
pangguh Maithili, ^ighra lungha, toen (of: daar) hij M. 
in 't geheel niet vond, verwijderde hij zich spoedig, 8, 68. Ndya 
matauguya tarpapagakêu sireng alas, om welke reden is 
hem (Rama) niet tegemoet gegaan in 't woud? 8, 129. Yekasa^jing 
tar-madoh nityakala, die naast hen zaten, steeds nabij, 8, 67. 
Anghing wwil kweh, tarparowang sira wwang, slechte 
een menigte demonen, zonder menscheu tot gezellen te hebben, 8, 
91. Apa tar-warêg asangga, daar zij niet verzadigd waren 
van 't paren, 12, 24. Matang yar-intar sira, de reden dat 
zij heengingen, Adip. ; hier is 't pers. vnw. dubbel uitgedrukt. 
Munggw ing syandana, ^ighra yar-putêrakën ta san- 
jat a nira, hij nam plaats in zijn karos, spoedig zijn wapen rond- 
draaiende, BK. 219, 7. Sira tapwa yar-wruh irikang ma- 
hosadhi, gêlana kepwan angadég, daar (of: toen) hij 't 
wonderkruid nog niet zag, stond hij moedeloos en verlegen. Ram, 23, 33. 
Yarton, bij 't zien, terwijl zij zagen; ook: terwijl hij (een voor- 
naam persoon) ziet ; in 't gebruik is y a r niet anders dan een deftig 
yan, doch alleen wanneer 't onderwerp een 3'*'' pers. is. 

Aanmerking I. Het relatief ;^, in 't Nieuwjav. te loor gegaan, 
leeft in eenige van de verwante talen nog krachtig voort. In 't 
Sangireesch worden de vragende voornaamwoorden isai en apa 
door toevoeging van n relatieven. Dus daringihë, isai'n pia 
tuli ipakipêdêdaringihê, hoore, die ooren heeft om er mee 



J 



BUD&AOSN TOT DE SPBAASJLUNST VAN HST OÜDJAVAANSGH. f259 

te hooren; isai^n pi^, sarang onggotang, diDgangu 
isai^n tala, relain pangalakeng u apa^n si sie, die heeft, 
(dien) zal gegeven worden, maar die niet heeft, (dien) zal nog 
worden afgenomen wat hij heeft * . Men vergelijke een verbinding 
als apa^n, eig. wat dat, met het Fransche qu^est ce que; 
isai^n is eigenlijk //wie die^/. In het Toumbalusch hebben wij n 
reeds aangetroffen als bestanddeel van we^n, doordat, omdat, dat. 
Ook vóór werkwoordsvormen komt het gebruik van n met dat in 't 
Oadjavaansch overeen. Bijv. ja niitu sija'u snmalu u lalan 
i t i i , toen volgde hij dezen weg. Niitu siya'ng^ kumua wiya 
si ina wo si ama ni okki, tóén zeide hij tot de moeder enden 
vader van dit kind. Niet minder gebruikelijk is an, gelijk in 't 
Ondj. Bijv. rei kampe rou u linampangan, an siya milek 
um banna êsa, hij was nog niet ver daar (op dien weg) gegaan, 
toeu hij een dorp zag. Niitu wo an siya mange witi wanua 
itii, en toon begaf hij zich naar dit dorp. Wo an siya'n su- 
malu u lalan itii, ikaayo mo ma witi atas katoroan 
am banua Pasambangko, óu hij volgde dezen weg, totdat 
hij zich vlak boven 't dorp P. bevond. Wo an siya ' mawuri 
witi tu'ur um punti itii, en hij ging terug naar dezen pisang- 
stam. Het gedurig voorkomende wo an-wo an duidt eene quasi- 
gelijktijdigheid van twee handelingen aan; bijv. Wo an siya'n 
tnmouton un opas, wo an nitu sokëppën ni pongkor, 
nauwelijks liet hij den hengel dalen, of het werd opgeslokt door 
een visch ; eig. èn hij liet deu hengel dalen, èn het werd opgeslokt door 
een visch: Dit is te vergelijken met het Skr. gebruik van ca- ca, 
terwijl au de functie heeft van onzen klemtooa. Dit verklaart ook 
het gebruik van an vóór partikels ter versterking; bijv. ambiya'm 
bale, In 't huis; antare, dddelijk; vgl. Oudj. anmangkana, 
zóó. Verder is m. i. met an identisch het Makassaarsche ang, dat 
zoo. dikwijls voorkomt in de uitdrukking ang kana, zéggende. 
Het Toumbulusch verkiest in een overeenkomstig geval kuanna, 
zijn zeggen, en 't Maleisch katana; zeer verklaarbaar, dewijl de 
substantiefconstructie de relatieve vervangen kan. Vraagt men zich 
af in welke verhouding an ea i» tot elkaar staan, dan komt men. 



^ Zie Adriani, Sangir. Spr. bl. 248, vg. 
' Be n gaat voor gutturalen in ng over. 

* Eigenlijk sija'm; de n gaat vóór lipletters over in m, en valt dan vóór 
m uit (zoo de spelling juist is). 



£60 BIJD&AGSN TOT DS SP&AAKKUN8T YAN HST OUDJAVAANSCH. 

gelet op het feit dat in ^t Ibanag a als relatief dienst kan doen, 
tot het besluit dat an in elk geval n bevat. Het is mogelijk, zelCs 
hoogstwaarschijnlijk dat a in de eerste plaats een demonstratief is, 
en als artikel in \ Makassaarsch optreedt , maar er is een nanw ver- 
band tusschen betrekkelijk vnw. en lidwoord, en het is niet nood- 
zakelijk aan te nemen dat a in an niet reeds als relatief gevoeld 
werd, want een verbinding van twee relatieven tot één woord is 
niet ongewoon. Een tegenhanger is yadin, yadyan, bestaande 
ait het relatief yadi, en », an; het onderscheid zou alleen daarin 
bestaan dat yadi Skr. is, en a inheemsch. Ak is dus a, dat, -f- 
k : dat ^k ; a t = a -f- t : dat ge ; enz. Y a n is op dezelfde wijze 
te verklaren: ya is in ^t Oudj., Ibanag, enz. /^hij, zij, het; de- 
zelfde, at en ook //degene die, hetgeen ;>!' in 't Ojav. ook nAsX/r = 
y a n. Zie hier eenige bewijsplaatsen. De ni mnsuhta yaparö, 
door Uwe vijanden die nabij zijn, Ram. 13, 73. Matus sang 
bala Daitya ya pëjah, bij hónderden sneuvelden de Demonen- 
mauschappen (eig. bij h. waren de D. die sneuvelden), Sutas. Ni- 
yata juga yahurip mnwah, het is geheel zeker, dat hij weder 
levend wordt, AW. 141. Mungöng tanwruh yawaknya 
wuta tëkap ing raga wisaya, hij verdwaast, niet merkende 
•dat zijn persoon zelf verblind is door zinnelust, 58. Niyata ya 
mapasah mwang tiba ring Aweci, zeker is het, dat hij te 
gronde gaat en ter Helle daalt. Ram. 19, 30. Het veelvuldig voor- 
komende awas ya beteekent hetzelfde als byaktan; bijv. Awas 
ya kita kewala kahyunanya, zekerlijk zult Gij alleen door 
haar begeerd worden, 2, 52. Fêjahaw§s ya kasam*bya, hij 
zal omkomen, zekerlijk verschalkt worden, 1, 53; vgl. de Grieksche 
uitdrukking SrjXovozt. Opmerkelijk is ook dat y a , waar het tusschen 
twee adjectieven staat, geheel overeenkomt met Sund. nja. Bijv. 
hana ta prasada maruhur ya magöng, er waren torens 
hoog en groot: hana ma^dapSdbhuta ya ratnamaya,. er 
waren wonderschoone , uit edelsteenen bestaande voorhallen, 8, 54. 
Zelfs in 't Nieuwjav. ofschoon in een ouderwets gekleurde taal, 
ontmoet men soms *^ als relatief; bijv. »^<Lt'LM«^i*^^'r)\ HS. Babad; 
dit vergelijke men met Sangir. isai'n. Of Sund. nja soms een- 
voudig een bijvorm van ya is, is een vraag die we hier laten 
rusten. Hoe licht een demonstratief overgaat in een relatief, blijkt 
o. a. uit ons eigen die, dat, Duitsch der, die, das, Engelsch 
that, en niet minder uit het Bugiu. iya; bijv. Na iya ro 
arunge, ëngka-ni seuwa anana, iya riyasënge Mn- 



BUDKAGSN TOT DE SPBAAKKUNST VAN HET OüDJAVAANSGH. 261 

ham ma, en die vorst had een zoon, die M. genaamd was i; doch 
men zon ook kannen zeggen : ^/hij was genaamd M.^/ , en dit is 
zelfs verkieselijk , omdat ^t Bug. gelijk ook H Makassaarsch een 
betrekkelijken bijzin uitdrukt op dezelfde wijze als ^t Oudj. door 
de verbinding der verkorte voornaamwoorden met het gezegde. Het 
Maleische yang dankt zijn relatief beteekenis aan ng, dat een ver- 
korte vorm is van Ibanag nga; ook in ^t Ondj. komt ng op zich 
zelf een enkele maal als relatiefpartikel voor, o. a. BY. 1,7. 

AannKTking II. In H Makassaarsch en Bugineesch dienen 
verkorte voomaamwoordsvormen om uit te drukken wat in 't Oudj. 
geschiedt door «, an, en anders door genoemde verkorte vormen. 
De meest gewone vormen zijn : 1 ps. enk. Mak. en Bug. k u ; 2 ps. 
«nk. Mak. nu, Bug. mu; 3 ps. na« Bijv. Mak. ugapa nu-lampa, 
waarom (met klem) gaat gij? Vgl. Oudj. bijv. ndi'n hana, of 
Snnd. ti mana nja asup? Fransch //pourquoi est-ce que vous 
allez?// Mate na-lollong djing, hij stierf door een geest weg- 
gevoerd wordende , dewijl hij door een geest werd weggevoerd ^ ; 
Bili na-katinro wi, een kamer, door hem beslapen; e. k.^ waarin 
hij slaapt. Leyang na-pamantangi, een hol, dat hij bewoont. 
Sura leba ki ku-djandji, een geschrift, dat ik u beloofd heb. 
Pon na ta nuw-asènga, zoo gij dat niet weet. Ta na-papi- 
s a b i y a n g i , hij geeft er geen kennis van. Bugineesche voorbeelden : 
lya-mi ku-ëngka, ddórom slechts , ben ik er. W a n u w a n a- 
onrowi, 't land, dat hij bewoont. U- papada ko tau na-tikëng 
«etang, ik vergelijk u met iemand die door een duivel bezeten is. 
Engka-ni duwa ana na-d j adj iang, er waren twéé kinderen, 
die hij teelde. Ei lino te kumatj ënning, in deze wereld, 
ondervind ik geen geluk. Muw-angauiwi ro iko na-surowi 
anu, gij erkent, dat gij het zijt, die iets bevolen hebt (eig. 
die bevolen heeft, of: door wien bevolen is). Gangka iko na- 
ritaro djënnang, sedert gij tot Dj. aangesteld zijt. In deze twee 
laatste voorbeelden nadert de constructie die van de Oudjavaansche 
met «, want wil men in deze taal 't pers. vnw. bezigen, dan zou 
na ko een vorm met m moeten volgen, ofschoon ik nooit iets anders 
aangetroffen heb dan bijv. hetu nya ko 'n-laku, e. dgl. 

Aanmerking UI. Het gebruik van de verkorte voomaamwoords- 
vormen is zeer ontwikkeld in de zgn. Melanesische talen, die hoezeer 



1 Voor andere voorbeelden zie Matthes, Boeg. Spr. § 245. 
* Jonker, Biman. Spr. 8, noot 1. 

?• Volgr. V. 17 



262 BUDRAGIN TOT DE SP&AAKKITNST YAN HIT OUDJAYAANSCH. 

ze phonetisch veel geleden hebben, in andere opzichten Yeel oads 
bewaard hebben. Terwijl ik in ^t algemeen Yerwijs naar ^t inhoad- 
rijke werk Yan £. H. Codrington, getiteld ffThe Melanesian Lan- 
guagesvr, Yestig ik hier in ^t bijzonder de aandacht op H gebruik 
dier Yortnen in de taal van Norbarbar (Ureparapara) en Yau Maewo 
(Aurora). 

H Norbarbanch heeft in den Onbepaalden Tijd des werkwoord» 
o. a. deze Yormen: enk. Ips. nokaYan (Yoor ko, door klinker- 
assimilatie) , gewestelijk no k-Yan, ik ga; 2 ps. niek wu Yan; 
8 ps. kie ni Yan (gewest, ke n-ran); mY. 1 ps. kemem (gewest, 
kamam) Yan (excl.); ren (gew. gen) Yan (incL); 2 ps. kimi 
Yan; 8 ps. ker Yan. No, ino, in^tMota nau, inau isdcYolle 
Yorm Yan den 1 ps., = Aneityum ainyak, nyak, Toumbulusch 
niyaku *; niek uit nikau, Tag. ikau Yan den 2 ps.; kie» 
ke van den 3 ps., eigenlijk een aanwijz. yuw. = Oj. iki, ike» 
of ikihën en Nj. kiye; kemem (kamam), wij (excl.) bestaat 
eigenlijk uit den YoUen vorm keme (kama) = Oj. kami -f- mami; 
ren (gen), wij (incl.); kimi, gijlieden, = Oj. kamu; kier (ker) 
bestaande uit kie (ke) en meervoud r = Oj. ra. No k-van, enz. 
komt geheel overeen met Oj. aku k-para; ko m-para of ko 
mu-p; iki (ya) n-para; kami kam-para; kita t-para; 
kamu para; ya r-para (iki r-para). 

In ^t Maewo staan de volle vormen gewoonlijk in hoofdzinnen, 
de korte in bijzinnen. Bijv. nau u toga ne revereve, ik zit 
en schrijf; beter gezegd: ik zit te schrijven; niko n t. go r., gij 
zit te schrijven; ia u t. ti r., hij zit te s.; gida u t. te r., wij 
(incl.) zitten te s.; gami u t. ge r., gijlieden zit te s. ' De over- 
eenkomst met het Oudj., Bug., Mak. is onmiskenbaar. 



^ Ten onrechte ziet Codrington, o. o. p. 387 in no een verbaalpartikel. 
> Ook hier ziet Codrington o. c. p. 414 in ne go, enz. verbaalpartikols. 



OVER DE EIND-MEDEKLINKERS IN HET 
ROTTINEESCH EN TIMOREESCH. 



DOOR 

J. C. G. JONKER. 



Iq het volgende zal beproefd worden eene verklaring te geven 
van de herkomst en waarde der slot-medeklinkers in het Bottineesch 
en Timoreesch. £r was daartoe eene te uitvoerige vergelijking met 
de naast verwante talen noodig, dan dat die bespreking in de 
spraakkunst der genoemde talen had kunnen geschieden. Met de 
naast verwante talen worden bedoeld, de talen der Oostelijke af- 
deeling der Maleisch — Polynesische taalfamilie, die zich, gelijk het 
Bottineesch en Timoreesch , door de genitief-constructie van de 
Westelijke verwanten onderscheiden, voor zooverre zij voldoende 
bekend zijn, nam. het Kupangsch, het Tettumsch, de Ambonsche 
tongvallen , het Burusch , het Sikkaneesch met het Soloreesch, terwijl 
voor de volledigheid ook iets van de overige, tot deze afdeeling 
behoorende talen, als die der Zuid- Wester-eilanden , zal gezegd 
worden. ' Alleen met het Bott. , Tim. en Kup. ben ik nader bekend, 
van de overige put ik mijne gegevens uit de algemeen toegankelijke 
bronnen. De voorbeelden zijn in *t algemeen zóo gekozen, dat zij 
ook zonder eene uitvoerige behandeling der klankverschijnselen in 
de verschillende talen duidelijk zullen zijn, zoo noodig, is er eene 
korte toelichting bijgevoegd. 

In het Bottineesch van Pada of Termanu kan een woord, behalve 
op een klinker, uitgaan op eene ky s o{ n. Het aantal woorden, 
welke met eene k gesloten zijn, is zeer aanzienlijk, veel minder 
talrijk zijn die, welke op eene ê uitgaan, terwijl slechts een zeer 
gering getal op n eindigt. Vatt de woorden, welke eene slot-^ ver- 
toonen , eindigen enkele oolr in de verwante talen op dienzelfden 



^ De geheel «fakende talen van Temaie, ens., bijven buiten beaohonwing. 



264 OVEK DB EIKD-MXDEKLINKERS IN HET 

medeklinker, (al of niet duidelijk uitgesproken), bijv. fufak, molm, 
(Mal. bubuk, enz.); maf uk, dronken, (Mal. mabok); tasak, 
gaar, (Bat. dial. idem, Mal. masak). Meestal vertoonen zij evenwel 
bf andere sluiters, als : A d b k , blad , (Mal. d a u n , enz.) ; At e u k, 
jaar, (M. P. taun); tauk, indigo, (Mal. tarum, enz.); nes uk, 
stampblok, (Mal. lësung); uak, ulak, ader, pees, (Mal. urat, 
enz.); belak, zwaar, (Mal. bërat, enz.); Au lek, worm, (Mal. 
ulat, Jav. ulër), 6f wel eindigen zij niet op een medeklinker, 
als'.Jtamak, vader, (M. P. ama);i\ limak, hand, arm, (M. P. 
lima);j(bunak, bloem, (Mal. bunga); fulak, wit, (Bis. pulau, 
Ibn. furau); matak, rauw, (Mal. mëntah. Mak. mata), enz. 
Waartegenover staat dat een aantal woorden evenmin een slot- 
medeklinker vertoonen als de verwante talen, als: af u, asch, (M.P. 
awu); ata, slaaf, (M. P. idem);^bafi, varken, (M. P. wawi),> 
of wel een slot-cousonant verloren hebben, bijv. <iqa a n u , hoêff: 
(M. P. manuk); tua, dial. echter tua, palmsap, lontarpalm^ 
(M. P. tuak); ndala, paard, (Jav. djaran); bisu, zweer, (Mal. 
bisul); laö, dial. raö, kookplaats, (Mal. dapur. End. rapu), enz. 

Eveneens kan de slot-# beantwoorden aan eene 9 in de verwante 
talen, bijv. hanas, warmte, warm, (M. P. panas); teas, H hart 
van hout, (Mal. tëras, enz.); niïs, dun, (M. P. nipis). Maar 
ook de s kan staan, waar de verwante talen bf een andereu sluiter 
vertoonen, als in taüs, vrees, (M. P. takut); petas, gezwel, 
(Kup. petang, gezwollen), bf geen medeklinker aan het eind van 
het woord hebben, als in teis, drek, (M. P. tai); mamates, 
de dood, een doode, van mate, sterven, (M. P. matay). Vgl. 
voorts de uitvoerige behandeling van de 9 als sluiter, hier beneden. 

Tot de weinige zuiver Rottineesche woorden, (voor zooverre mij be- 
kend), die op eene n uitgaan, behooren : anin, wind, (M. P. angin); 
udan, regen, (Mal. h ud jan, enz.); Hun (denkelijk Bug. lij ung) 
en sa in, welke beide //de diepte der zee// beteekenen, waarbij nog 
gevoegd kan worden/| f u 1 a n , dial. =/\bulak, maan, maand, (M.P. 
wulaii), benevens met eene stellig anorganische slot-f»: natun, 
honderdtal, (Mal. ratus, enz); lifun, duizendtal, (Mal. ribu, 
enz.), waarbij ook wel lain, bovenste deel, boven, (zie verderop). 

Al de hierboven opgesomde woorden zijn nomina, hetzij sub- 
stautiva, hetzij adjectiva. En dit is geen toeval. Komen bij dergelijke 
naamwoorden afleidingen voor met verbale beteekenis, dan ontbreekt, 
(als regel, het nadere zie hierachter bij de werkwoorden), de slot- 
consonant, onverschillig of de woorden in de verwante talen een 



SOTTINESSGH SN TDiOAIXSCH. 265 

slot-medeklinker vertoouen of niet, bijv. namatasa, ^ gaar worden^ 
naast tasak; nadb, bladeren hebben of krijgen, naast dök; 
namabela, zwaar worden, naast belak; n a b u n a , bloeien, naast 
banak; namahana, warm worden, nahana, warm maken, 
naast hanas; nakatataü, bang maken , naast t a ü s. Ook wanneer 
het stam woord, zonder prefix en zonder voorhechting van het pers. 
voorn w., als werkwoord optreedt, verliest het den slot-medeklinker, 
als: fufn, (bijv. pelak-ala fufn sb, de maïsplanten zijn door 
de boeboek aangetast), naast fufak; f ula, (bijv. mata-na fnla, 
zijn aangezicht = hij, is of wordt bleek), naast fulak, (wit, als 
blijvende eigenschap); tei, groote behoefte doen, naast teis; ana 
uda, H regent, naast udan. Hier mogen nog eenige voorbeelden 
volgen: kabaö, laag, ondiep worden, kababaö, laag, ondiep 
maken, bij kabaök, laag, ondiep; mangalèdo, het wordt licht, 
de dag breekt aan, bij mangalèdok, licht, helder, schitterend, 
(van nangalèdo, schitteren, van^lèdo, zon); kaill, (kaman), 
wild, schuw, (tam) worden, kailili, (kamamau), wild, schuw, 
(tam) maken, bij kailis, (kamaus), wild, schuw, (tam). Zoo van 
maneJc, vorst, koning, kèsen, keizer, (met n voor /, de titel 
wordt, gelijk bekend, door den vorst van Sonnebait gedragen) : 
inane, (kèse), vorst, koning, (keizer) zijn of worden, bijv. in de 
vertaling door Panggidaej van Luc. III: 1. Denen Tiberius kèse 
teuk sanahulu lima, laë — — — Herodis mane neme 
Nggalilia, enz. 

In de bovenstaande voorbeelden, met uitzondering van eenige 
der op eene ê eindigende, is blijkbaar het nomen H oorspronkelijke, 
en is daarvan de verbale beteekenis afgeleid. Omgekeerd staat naast 
elk werkwoord een vorm door k gesloten, die de beteekenis van 
het verbale substantief heeft, bijv. mamaik, het komen, komst, 
yan mai, (M. P. idem); aanek, het vlechten, van ane, (Kup. 
aneng. Mal. anjam); welk subst., afgeleid van een verbum, wat 
zoo innig met het verkorte pers. voornw. verbonden wordt, dat men 
voor het gemak van vervoeging spreken kan , den volgenden vorm heeft : 
natanek, vraag, van natane, (Mal. tanja); zoo ook nabunak, 
het bloeien, van nabuna, enz. Dezelfde vorm kan ook als adjectief 
optreden, bijv. ai (hout) lelepak, draagbaar, van Ie pa, (Mak. 
lémbara); hade (rijst) pap ank, stamp-rijst, rijst bestemd om 



1 Eigenlijk derde pers. enkel v.: het wordt gaar, voor het gemak zal steeds 
als vertaling de infinitief gebezigd worden. 



266 OYSB DE KIND-IOEDXKLIXKIKS W HST 

gestampt te worden, soms ook wel voor: gestampte rijst, van pau, 
(Tag. bayo); nea (mat) babusuk, mat,, waarop de kapas met 
den boog bewerkt wordt, van busu, (Mal. busur, enz.); dedea 
natanek, eene zaak, waaromtrent navraag gedaan wordt. Voorts 
kannen deze subst. ook eene meer concrete beteekenis hebben, als: 
aanek, vlechtwerk; lelepak, draagstok; babusuk, boog om 
de kapas mee te bewerken; aasok, plaats, waar men water schept, 
van aso, (Ceram asu, Jav. ngangsu); nininuk, drank, van 
ninu, hij drinkt, (M. P. minum); in dit geval soms zonder redu- 
plicatie, als: biak, naast bibiak, stuk, brok, van bia, splijten, 
houwen, (End. mbia, gespleten, vgl. Mal. bil ah); salak, schuld, 
van sa la, (Mal. salah), enz. Eene enkele maal is het substantief in 
de meer concrete beteekenis niet door eene i gesloten, bijv. si silo, 
geweer, van silo, schieten. ^ De vorm vertoont dus alle schakeeringen 
van beteekenis, welke een verbaal substantief kan hebben, met uit- 
zondering van die ter aanduiding van den agens. Hiertoe bezigt het 
£ott. een prefix mana, soms ook ma, welk laatste ook bij adjec- 
tieven in gebruik is. Zij worden door het prefix genoeg als naam- 
woorden gekenmerkt en missen de slot-^ meermalen, bijv. manafè, 
die geeft, gever, van fè, (Jav. weh. Mal. bëri, enz.); mabela = 
belak, zwaar. Evenwel wordt ook een groot aantal van de met 
deze prefixen afgeleide woorden, door eene k gesloten; als regel 
geschiedt dit, als een woord met ma van een substantief is afgeleid, 
(als mabafik, die een varken heeft, van bafi); als van een adj. 
naast dien met m a geen eenvoudiger vorm in gebruik is ; als een met 
mana van een werkw. afgeleid woord, meer het karakter van een 
adjectief heeft, (als mauamatek, gestorven, van mate), en gewoon- 
lijk ook wanneer ma de plaats van mana vervult, (bijv. mama- 
nènek, die hoort, vam^namanène, hooren, Mal. dëngar, enz.). 
Steeds op eene k eindigen vormen als: nanatunuk, gebraden, of 
wat gebraden kan worden, van tunu, (M. P. idem). De stam woorde- 
lijke adjectieven , uitgenomen die op « uitgaan, hebben als regel eene i 
aan het slot. Is van zulk een adjectief geen afleiding in gebruik, dan 
komt daarnaast de vorm zonder slot-^ in meer verbale beteekenis voor, 
gelijk boven fula naast fulak, of bijv. m ad a,^droog worden, uit- 
drogen, naast madak, droog, (Tag. mala, enz.). Door toevoeging 



1 Het is niet de bedoeling hier eene nauwkeurige beschrijving van dever^ 
schillende afleidingen te geven, maar alleen om het beginsel aan te duiden; 
bijzonderheden, uitzonderingen, enz. worden dan ook in 't algemeen met 
stilzwijgen voorbijgegaan. 



BOTTINE£SGH EN TIMOBIESCH. 267 

van i kunnen ook adjectieven van subsi, afgeleid worden, bijv. 
ba tak, hard, van/batu, steen, (M. P. watu). Voorts wordt 
eene i aangetroffen achter als adjectief gebezigde samenstellingen, 
alsA^hataholi (mensch) tène-besik, iemand met ijzeren ribben, 
d. w. z. een dapper man, van besi, Mal. bësi; hataholi ala- 
nalak, iemand, die door arak bevangen is, van nala, hij neemt; 
ook dient de k om van eene uitdrukking een substantief te maken, 
bijv. ana usik-a ta hapu-n bbek, wat hij najaagt, verkrijgt 
hij niet, (van ana usi, hij jaagt na -j- ^ cii bet lidwoord a); 
bua au lepak, goederen, welke ik draag, (van au lepa, ik 
draag). Ten laatste komt k aan het slot van met een prefix ka 
afgeleide naamwoorden, als: kabafik = mabafik, die een varken 
heeft; kafepak (meer dial. dan Termanusch) = m ana f e pa (k), die 
slaat; kaduak, tweede, alle twee, van^dua, (Mal. idem). Hier 
komt echter ook meermalen eene s voor, bijv. kabulus of kabu- 
ba lus, behaard, naastübuluk, haar, veeren, (M. P. wulu). 

Yoorts staat naast sommige verba een op 9 uitgaand subst. in 
dezelfde functie als overigens de met i gesloten verbale subst. in 
meer concreten zin, als het bovengenoemde mamates, de dood, 
(niet: het sterven), ook: een doode, (d. i. ma -f- ^^^^^^9 ^^^ 
/^dood/sr beteekent, de vorm is dus eigenlijk onregelmatig); petas, 
gezwel; verder: tataos, daad, werk, van tao, doen, werken, 
(vormelijk Mal. taruh, enz.); tatatis, hak, bij tati, hakken, enz. 

De overige tongvallen van het Eottineesch leveren , wat de sluit^ 
letters aangaat, over het algemeen geen andere bijzonderheden op, 
dan dat bij de meeste, in plaats van de slot-^, de ingeslikte mede- 
klinker staat , bekend uit het Makassaarsch , Bugineesch , Sangireesch , 
terwijl in het eene dialect, bijv. voor het lidwoord a, de ingeslikte 
medeklinker verandert in ^, in het andere een hiaat blijft bestaan. 
In enkele dialecten staat deze ingeslikte medeklinker, {i voor het 
lidwoord), ook voor eene Termanusche slot-*, terwijl ook de n van 
udan, anin, in enkele verdwenen is. Nu en dan komt het voor, 
dat een woord in een dial. eene k vertoont of den ingeslikten mede- 
klinker , waar het Termanusche woord geen sluiter heeft , (als in het 
boven opgenoemde t u ^ = t u a , palmsap) , of omgekeerd. 

Eene uitzondering maken echter de tongvallen van Dengka en 
Oenale; d^r toch is, behalve de ingeslikte medeklinker, de « en ^, 
ook eene t als sluiter bekend , (zie ook beneden bij de werkwoorden). 
Deze t kan aan eene oorspronkelijke t beantwoorden, bijv. D. belat, 
Oen. berat= belak, (Mal. bërat, enz.), in de beteekenis van: 



£68 OVEB DE SIND-MEDEKLINKEBS IN HET 

zwaar werk , heerendienst ; mbuiiat=panuk, vezelhulsel van de 
kokosnoot, (Tag. bun ut, enz.); 6e-f&t = be-f^k, regentijd, west- 
moesson, (vanlbe, water en fat, fak =:= Mal. barat, enz.). Niet 
zelden hebben echter ook deze dial. den ingeslikten medeklinker voor 
eene oorsptonkelijke ^, bijv. bel?i, ber^ = belak, in de betee- 
kenis van: zwaar; ua, ula, ura = uak, ulak, pees, ader, (Mal. 
urat, enz.). Eene anorganische ^ = Term. ^ vertoonen zij gewoonlijk 
in het verbale substantief, als: lelembat = lelepak, het dragen 
met een stok, draagstok; bubu8ut = bubusuk, het bewerken 
van de kapas met den boog en de boog daarvoor; zoo ook ndan- 
daut = ndandauk, naald, (Mal. djarum, enz.); nafadet = 
nafadak, gezegde, van nafada, nafade, zeggen; ook in de 
vormen met mana, welke in het Term. eene k vertoonen, als; 
manadadit = manadadik, wat geschiedt, gebeurtenis, van 
dadi, (Mal. djadi). Evenwel wordt ook hier dikwijls de ingeslikte 
medeklinker in plaats van de t aangetroffen, welke, voor zooverre 
mij bekend is, ook regelmatig staat in een vorm als nanatunu = 
nanatunuk. Vooral in Dengka dreigt daarenboven de t meer en 
meer door den ingeslikten medeklinker verdrongen te zullen worden. 
Uit het bovenstaande blijkt voldoende, dat het Bottineesch er 
naar streeft om de nominale en verbale f unctiën van eenzelfde woord , 
dat voor den tegen woordigen toestand als grondwoord te beschouwen 
is, vormelijk van elkander te onderscheiden, en dat in het algemeen 
het eindigen op een der slotmedeklinkers , welke in het Bottineesch 
mogelijk zijn, het teeken van een nomen is, ofschoon er ook, gelijk 
later blijken zal, bij de verba slot-consonanten voorkomen, en, bij 
uitzondering, ook wel het nomen tegenover het verbum niet onder- 
scheiden wordt, bijv. sèfe (== Bug. wise, Sund. boseh, enz., met 
omzetting), dat zoowel //pagaai// als //pagaaien «/ beteekent. Toch kan 
men zulk een Bottineeschen slot-medeklinker , niet gelijkstellen bijv. 
met een dergelijken in het Maleisch. Het woord van //kind// in be- 
trekking tot de ouders, luidt zoowel in het Mal. als in het Bott. 
Aanak, (de bijzondere uitspraak van de slot-^ in het Mal. kan in 
algemeen vergelijkende studies verwaarloosd worden). Maar terwijl 
die^ in het Mal. een vast, essentieel gedeelte van het woord uit- 
maakt, is dit in het Bott. niet het geval; daar verdwijnt die k toch 
niet alleen in samenstellingen, enz., maar wordt ook als een pers. 
voornw. aan het subst. gehecht, bijv. met 't pronomen v. d. S*®" 
persoon n\ ana-n; zoo ook tatao-n van tataos; dial. bela-n van 
hela t. 



\ 



BOTTINEESGH EN TIMOBEESGH. £69 

Het Timoree8ch is zeer naaw verwant aan het Bottiueesch. Ook 
hierin wordt hetzelfde onderscheid gemaakt tusschen nomen en verbum , 
bijv. namtds, gaar worden, naast mtasa, gaar, (Bat. dial. tasak); 
na til, regenen, naast ulan, regen, (Mal. hudjan, enz.); abtai, 
kleeden, naast tais, sarong, kleedingstuk , (Tag. tap is); su\ 
meten, naast suüt, suat, maat, (Mal. sakat), enz. 

Een Tim. woord kan, behalve op een klinker, uitgaan op eene 
h^ f^ h^ h^ m^ n^ 8^ i^ alsmede op den ingeslikten medeklinker, 
(buiten beschouwing blijven, ook voor hetgeen in het vervolg zal 
gezegd worden, de woordvormen, welke ontstaan door wegwerping 
van de a, wanneer deze anders de vocaal zoude zijn waarop het 
woord uitging, gelijk in het bovcDgenoemde namt&s naast mtasa, 
dus wordt de /?, bijv. in lep, indompelen, niet als sluiter be- 
schouwd). Bij de behandeling der verschillende slot-coQsonanten zal 
het raadzaam zijn van de bovengegeven alphabetische volgorde af te 
wijken. 

De h komt alleen voor bij afgeleide werkwoorden, als nalukib, 
schade doen lijden, van het ontleende luki = Mal. rugi, zie 
voorts de werkwoorden. 

De slot-/, in andere dialecten r, (ook vooraan en in het woord 
bezigt de eene tongval alleen /, de andere r), komt eveneens, met 
enkele uitzonderingen, alleen bij de werkwoorden voor, (zie aldaar). 
In de (of althans in sommige) ^dialecten komt de /, welke dus 
niet tegenover eene r staat, nog op andere wijze als sluiter voor, 
namelijk na naamwoorden, welke zonder' dien sluiter op eene e 
zouden eindigen, als: umel, in het r-dial. van Amarassi ume, huis, 
(Mal. rumah, enz.); anel, rijst, (Tag. palay, enz.); lèhel, 
naast lahi, (Amar. rèhe, rahi), huidvuil, (Mal. daki); inatel, 
groen, (Mal. ment ah, vgl. bijv. Ibn. ata), doch atef, hart, 
lever = (Mal. hati), vgl. beneden, terwijl elk verbaal woord, als 
bijv. mate, sterven, (M. P. matay), die slot-/ mist. De verklaring 
van dit verschijnsel, dat zuiver Timoreesch is en reeds hier volgen 
kan, is wel de volgende. De Timorees is gewoon de eind-vocaal 
van een naamwoord, hetzij afzonderlijk, hetzij in zinsverband, zeer 
duidelijk uit te spreken , zoo zelfs dat het einde van de vocaal meer- 
malen consonantisch klinkt. Het sterkst komt dit uit bij de woorden , 
welke op eene d eindigen, waar meermalen aan het slot duidelijk 
eene g gehoord wordt, niet alleen als eene vocaal voorafgaat, als 
bijv. in ao, aog, kalk, (Mal. kapur, Jav. apu, enz.), maar ook 
als een consonant voorafgaat, als bijv. nèno, nènog, dag, (B. lèdo, 



270 OVIB DS KIND-MEDSKUNXEBS IN HST 

Sumb. lo4u, dial. l&dn, zon), vgl. voor die ^,/^s(u)gwaiii, deze 
hond, nèn(o)gwaiii, deze dag, ait asu, nèno en atn. Daaren- 
tegen is de uitspraak van de eindvocaal van een werkwoord zeer 
onduidelijk, zoodanig, dat een Europeesch oor mat voor mate, 
sterven, nin voor ninu, hij drinkt, meent te hooren. Ook dit 
verschil in uitspraak kan als een verschil tusschen nomen en verbum 
beschouwd worden, het is evenwel, voor zooverre mij bekend is, 
zuiver Timoreesch, in het Bottineesch bestaat dit verschil niet. Nu 
zal de consonantische uitspraak aan het slot van de è bij nomina 
wel even sterk geweest zijn, als bij de d, en deze consonant moet 
tot / geworden zijn, gelijk bijv. in het Sangireesch eene l voor y 
kan staan, als in kabala = kabaya. Als bewijs dat deze /zuiver 
phonatisch is, kan het volgende dienen. Volgt op een werkwoord 
het partikel en tot aanduiding van den verleden tijd , dan herkrijgt 
de eindvocaal de volle waarde, maar verandert tevens in den ver- 
wanten medeklinker, bijv. nin(u)gweu, hij heeft gedronken, (vgl. 
boven as(u)gwain), van ninu, fan(i)djen, teruggekeerd zijn, 
van fani, (M. P. wali). Yan mate, enz. nu kan deze vorm, in 
de dial., welke umel, enz., bezigen, ma telen luiden. 

Een oorspronkelijke neusklank als sluiter is beter bewaard geble- 
ven dan in het Bottineesch, ook.de m en ti^ zijn tot n geworden, 
bijv. behalve anin, wind, (B. idem), ulan, regen, (B. udan), 
'[funan, maan, maand: (B. bulak, fulan); ook lalan, ranan, 
weg, (B. dial. dalak, Mal. djalan, enz.);^ton, jaar, (B. teuk, 
M. P. taun); metan, zwart, (Mal. hitam); luin, de zeekoe, 
(B. luik, Kup. du ing. Mal. duyung). Toch is een oorspronkelijke 
neusklank meermalen vervangen door eene ^, den ingeslikten mede- 
klinker , of eene ƒ (zie aldaar) , of wel geheel afgeworpen , behalve 
bij verba bijv. in oka-timu, komkommer, (^t laatste gedeelte bij 
Mal. hantimun), lui naast luin, de zeekoe. 

Eene anorganische n komt zeker voor, evenals in het Bottineesch , 
in natun, (B. idem), honderdtal; nifun, (B. lifun), duizendtal; 
voorts in naten, graf, (Sikk. rateug, Sumb. reti, dial. rati), 
en denkelijk in meerdere woorden. 

De m is als sluitletter een nevenvorm van de n en komt alleen 
in naamwoorden voor, bijv. taum, indigo, (B. tauk. Mal. tarum, 
enz.); hukim, omzetting van kunik, kurkema, (B. kunik. Mal. 
kunjit, enz.); ekam, de pandanus, (B. henak, dial. hendak, 
enda, Kup. edan, Sik. peddang, naast Jav. pa]|;|L4ftn, eene 
igid en nd uit nt worden in het Tim. als regel tot ^), heum, mangga, 



BOTTINESSCH EN TIMOBEESOH. 271 

(Ceram. hau-r, Mal. pauh, dus met anorganischen sluiter). Over 
deze m zie voorts beneden. 

Eene oorspronkelijke t als sluiter is zelden gespaard, voorbeelden 
zijn : ut, zemelen , (B. u k , dial. u t , Sund. h u ü t) ; voorts wel in 
het bovengenoemde suüt, suat, maat, naast su^, meten, en in 
puat, sleepnet, (Mal. puk at), naast pu\ daarmede visschen. Ge- 
woonlijk echter is de t verdwenen, bijv. kaï, haak, (B. ka ka ik, 
Mal. kait), naast kai, haken; of wel de t is door den ingeslikten 
medeklinker of eene ƒ vervangen ; zie beneden. 

Daarentegen kan van elk werkwoord , dat op een klinker uitgaat, 
(en hierbij rekent ook de overigens verdwenen a aan het einde 
mede), een vorm afgeleid worden, als: asanat, die verkeerd doet, 
misdrijft, van san, (Mal. salah); afanit, die terugkeert, van 
fani, (M. P. wali); alblot, ar^rot, die slacht, doodt, van 
lölo, r6ro, (E. d6do, Sumb. rbre), enz. 

Meermalen staat daarnaast een vorm zonder voorgevoegde a met 
de beteekenis van het verbale subst. in meer concreten zin, als van 
san: sanat, schuld, misdrijf, (B. salak); mnahat, voedsel, 
(B>. nanaak), van nah, (B. naa, M. F. stam kan), eten; mni- 
nut, drank, (B. nininuk), van ninu, (M. P. minum); pupat 
en sfut, blaasroer, van pup, nasfü, met een blaasroer schieten , 
(vgl. B. fupuk, dial. fufupi^, pupupij, blaasroer, van fupu, 
met het blaasroer schieten, naast pu, blazen); vandaar een vorm 
als: salat, sarat, werpnet, van sal, sar, (van het het Mal. Skr. 
djala), daarmede visschen; voorts nèn(o)-saet, of nèon-saet, 
plaats waar de zon opstijgt, het oosten, van nèno, zon en sa e, 
stijgen, (B. saë, Tag. sakay), enz. 

Eene oorspronkelijke slot-« is bewaard^ bijv. in man as, zon, 
(Tettum manas, warm, M. P. panas); tes, teas, hart van 't 
hout, (B. teas. Mal. tëras, enz.); mainihas, dun, (B. niïs, 
M. P. nipis); mnes, mneas, gebolsterde rijst, (Mal. bëras, 
enz.). Verdwenen is de oorspronkelijke *, behalve in een aantal 
werkwoorden, bijv. in natun, honderdtal. 

Eene anorganische slot-« komt voor in dezelfde waarde als een 
anorganische slot-^, bijv. amnitas, die ziet, van nita, (M. P. 
kita); amates, die sterft, gestorven is, dood, van mate, (M. P. 
matay); tbuüs, knoop, bij natbti', een knoop leggen, (grond- 
woord M. P. wuku); taos, daad (= B. tataos), van tao, 
(vormelijk Mal. taruh, enz.); zoo ook batis, deel, van bati, 
deelen; tutas, verlengstuk, van tut, verlengen, aanlasschen; 



272 



OVIE DE EIND-MEDEKLINKERS IN HBf 



tnbes, rij, bij natnbe, op eene rij zijn; enz. De s staat dus 
blijkbaar voor de t wanneer het woord-zelf (hetzij in 't stamwoord, 
hetzij in 't voorhechtsel) reeds eene i bevat. Op deze wijze ook 
amtaus, die vreest, bangelijk, mtaus, vrees, (R. taüs) nevens 
namtau, (M. F. tak ut), hetzij hier de 9 uit de oorspronkelijke 
t is ontstaan, hetzij zij de anorganische Tim. sluiter is, (in het 
Xupangsch Mal. zegt men: takus, voor takut). 

Voorts vertoont het Tim. eene anorganische slot-« in volksnamen, 
als: Lbtes, Bbtes, Eottineesch, een Bottinees; Sinas, Chineesch, 
een Chinees; Nai-lasis ( — ras is), iemand van Amarassi, enz. 

Ook bij eenige overgenomen woorden, als: solnanus, Port. 
soldado, ba kus (in Amar.), Port. banco. En voorts in een aantal 
woorden, welke oorspronkelijk geen of een anderen sluiter vertoonen, 
als: ben as, hakmes, (B. fel as, Sumb. kabèla); takas, (in 
Amar), teeken, (Kup. tadau, M. P. tanda, zie boven ekam); 
mnahas, honger, (B. laas. Mal. lapar, enz.); honis, levend, 
(B. dial. horis), bij moni, (B. mori, Sumb. mirip, Mal. 
hidup, enz.); nenas, de schaduwboom, (B. delas, dial. lelas. 
Mal. dëdap). 

De k en de ingeslikte medeklinker zijn niet uit elkander te houden, 
beide komen in alle tongvallen voor, maar in de eene komt de k 
veelvuldiger voor dan in de andere; zoo hebben bijv. alle dial. 
elak, erak, trap, ladder, maar voor Amar. es uk, stampblok, 
bezigt Tabenu en andere es 9. Zulk eene k of ingeslikte sluitletter 
kan staan: 

a. waar een woord in de verwante talen eveneens op eene k 
eindigt, bijv. fufi^, molm, (B. fufuk. Mal. bubuk); lèlg, 
rèuQ, Mal. djëruk, (B. dèlo, dèro, dial. ook dèlp); mtas^, 
gaar, (B. tasak, enz.). Misschien sbnok, sbnp, lepel, naast- 
s6no, opscheppen, vgl. Mal. s en dok, doch waarschijnlijker be — 
hoort dit bij Mal. sudu, Jav. suru. Dikwijls is evenwel een^ 
oorspronkelijke slot-^ verdwenen, als in manu, hoen, (M. P^ 
manuk); tasi, zee, (M. P. tasik); mafu, dronken, (Mal. ma — 
bok), enz.; 

b. waar het woord oorspronkelijk door een neusklank gesloten 
was, bijv. elak, erak, trap, ladder, (B. edak, heda-(hdk) , 
Kup. elan, Day. heyan, enz.); ika, visch, (B. iak, dial. ik^, 
M. P. ikan); Tab. akfi^, elders ^ akfun, (a)fktin, ster, (B. 
nduk, Kup. dun, bdun, uit een *wantün, voor winttin = 
wituën, vgl. Mal. bintang, en zie boven ekam); voortsAmar. 



^*< <• • . 






EOTTINrESSCH SN TIMOAEESCH. £73 

bahak, sahak, iitak = Tab. bahan, pagger, sahan, slijp- 
steen, utan, groente; ametak = ametau, die zwart is, (Mal. 
hitam); esuk, esi}, stampblok, (B. nesak, Mal. lësung); 

c. waar het woord oorspronkelijk op een klinker uitging, (eene 

slot-^ in 't Jav. of Mal. maakt geen verschil), bijv. ane-bek, 

anöek, sawah, uit anel, rijst en^bel, water, (B. hade-óek); 

telg, tèno, tèkp, (vgl. Jav. ë^idog en boven ekam), ei, (O. 

Jav. hantëlti, als regel verdwijnt de r van Mal. tëlor in het 

Tim.);^haa (boom) — fua, vracht, (B. boak, ai-boak, M. P. 

wuah); Amar. hanuk, elders hana, stamper, (B. al uk, M. P. 

halu, alu); ki, tros, (B. nggik, Samb. nggei); bak'uli^, 

bak'ur^ = B. manukudu = Mal. mëngkudu, bëngkudu. 

Op deze wijze veelvuldig bij adjectieven, als: mate, rauw, (B. 

matak. Mal. mêntah), naast matei, groen; mèë, me, rood, 

(^Mal. merah); mut], wit, naast mutik, bleek, (Mal. putih); 

neny, bitter, (B. meluk, mer^, vurig, mamelu, sterk, van 

ciranken, dial. melu, meru, bitter, Saw. p&du, bitter, sterk 

"Tan drank, Mal. ampëdu, gal, enz.); mainini^, zuur, (Saw. 

menjilu, Sumb. mayilu, vgl. Mal. ngilu, njilu); enz.; 

d. waar het woord oorspronkelijk op eene t uitging of naast een 
sinorganisch Timoreesche t (een voorbeeld met volledig uitgesproken 

k is mij hier niet bekend): mafena, zwaar, (B. belak, berak. 
Mal. bërat, enz.); paha, beitel, (B. pak, dial. pat, Mal. pa- 
hat) kan echter ook beschouwd worden als afgeleid van pah, vgl. 
sub g)\ abi, naast abit, tang, (vgl. Mal. sëpit, enz., mogelijk 
ook beide van het verbum abi afgeleid); sapa, emmer, (B. dial. 
sambak, sambat, Sumb. samba, Tettum. knaban); be mnini^, 
drinkwater, naast mninut, drank; 

e. naast eene Timoreesche slot-^: Tab. baki^ = Amar. ba kus, 
bank; Tab. taka = Amar. tak as, teeken; afuti]L, buikband, 
naast futus, (B. idem), het opgehouden garen, van futu, Kup. 
hutu, Kiss. w u k u , binden , (deze woorden behooren tevens sub c) ; 
de volledig uitgesproken k is mij ook hier niet bekend; 

/. soms naast eene Timoreesche slot- ƒ , als mnasi, (B. las ik), 
oud = mnasif, vgl. sub c\ n^, blad, naast nbf, (B. dbk, Mal. 
daun), vgl. sub h\ 

g, als afgeleid nomen naast een werkwoord, dat op een klinker 
uitgaat. Het is natuurlijk dikwijls moeielijk bepaaldelijk uit te maken 
of het nomen eene Timoreesche afleiding is van het verbum, dan 
wel of in het nomen een oorspronkelijke sluiter is bewaard gebleven. 



£74 OVSK DS EDfD-MEDEKUNKSBS IN HST 

zoowel het een als het ander is mogelijk, bijv. in mtaus, Trees, 
naast namtau, suat, suüt, maat, naast su\ terwijl soms het 
verbum stellig uit het nomen is ontstaan, als nini, met was be- 
strijken, van ninik, nini, (B. lilik, M. F. lilin). Stellig is 
echter tal^, in bale tal^, in pand gegeven goederen, eene 
afleiding van talu, het aan H Mal. ontleende taruh; zoo ook wel 
han^, in urne han^, kook-huis, keuken, van nahdn, (zoo ook 
B. uma dodbdek, van dbde); sek^, in ik-seka, gebraden 
visch, van sek, braden, (B. i& sesenak, braad-visch, ia nanase- 
senak, gebraden visch, beide uitdrukkingen loopen echter dikwijls 
dooreen); teni^ in hau (hout) — teniji, weefgetouw, (B. tete- 
nuk), van tenu, weven, (B. idem. Mal. tënun); mnèsp, 't 
slaan, slaag, (bijv. hapu mnesg, slaag krijgen, \ Bott. met een 
ander woord hapu fefepak) van nèso, slaan; 6te, hak, van 
óte, hakken, (B. oti, vgl. B. tatatis, hak, van tati); sapi^, 
bezem, (B. sasapuk), van sapu, vegen, (B. én M. F. idem). 

De k wordt op deze wijze aangetroffen , daargelaten het genoemde 
sbnok, sbng, lepel, naast sbno, opscheppen, bijv. in 6e 
(water) — sbek, schep- water, water om op te scheppen, van s6e» 
(B. sbë, Kup. sóke, scheppen); boek, gecastreerd, van bbe; 

A. ten slotte geeft de ingeslikte medeklinker achter een telwoord 
daaraan de beteekeuis van den Bott. vorm met prefix ka, gesloten 
door ^, bijv. nua, alle twee = B. kaduak. 

Eene h komt als sluiter alleen voor bij enkele substantieven^ 
;( anah, kind, (M. F. anak); lilah, rinah = B. dilak, naam 
van een boom; nunuh = B. dial. nunuk, waringin; puah» 
pinang, B. pua, doch Kup. pua-(ka), vgl. beneden, Tett. bua» 
Bur. fua = M. F. wua(h), vrucht, de vrucht bij uitnemendheid^ 
evenals Mak. rappo, //vrucht^/ in ^t algemeen, en //pinang /ir. De 
A in anah, is stellig uit k ontstaan, blijkbaar is dit ook bij de 
andere opgenoemde woorden het geval , al was de k niet altijd organisch. 

Eene slot-/ komt alleen voor bij nomina en wel voornamelijk bij 
substantiva, welke, naar hunne beteekenis, tot bepaalde catagoriën 
kunnen gebracht worden, als: de verwantschapsbenamingen, bijv. 
famaf, vader, (M.F. ama);^ainaf, moeder, (M.F. iua); (olif» 
^rif, jongere broeder of zuster, (elders/\ari,Awari, enz.); waarbij 
ook woorden als: usif, heer, tuaf, idem, (Mal. tuan). Voorts al 
wat deel uitmaakt van het menschelijk of dierlijk lichaam of van 
eene plant; bijv. atef, lever (M. F. atay);y(nimaf, hand, arm, 
(M. F. lima);/\mataf, oog, (M. F. mata), (waartoe ook gebracht 



BOmNXBSCH XN TIMO&SXSCH. 275 

moet worden een woord als kan af, naam); ik of, staart, (Mal. 
ekor, enz.): uf, boomstam, (B. hnk, Bur. pun, Mal. pohon); 
nöf naast, nb, blad; taef, tak; ook wanneer deze woQrden in 
overdrachtelijken zin gebrnikt worden, als nimaf, baai;Ahaefy 
Toet (Daj. pai, enz.) en afgezant; ook nf, ook: stam = geslacht: 
YOTst. Bij andere naamwoorden als bijv. mnnif, roer, (vgl. Mal. 
kamadi, Bnl. muri, achter, enz.); snaf, dakspar, kan, in ver- 
band met het vooi^aande, de oorzaak van H gebruik der slot-^^ 
geen andere zijn, dan dat zulk een woord steeds beschouwd wordt 
in verband met iets anders, als deel van iets anders, in casu: roer 
van ^t vaartuig; spar van het huis. Het best komt dit uit in het 
verschil, dat bestaat tusschen bef en bel; bef is water, dat tot 
iets behoort, bijv. bij vleesch, als vleeschnat, bij eene vrucht, als 
vruchtensap, terwijl bel, water in het algemeen is. Bij de verwant- 
schapsnamen staat het woord met f ook waar de derde persoon 
de bezitter is, bijv. amaf, vader, in \ algemeen, in amaf, zijn 
vader, tegenover au ama (zónder ƒ), mijn vader; daarentegen, bijv. 
van mataf: in mat a-n , zijn oog. Uit de voorbeelden blijkt dat de ƒ , 
behalve aan \ einde van een woord, dat oorspronkelijk op een klinker 
aitging, ook voorkomt bij woorden, welke oorspronkelijk uitgingen op 
eene n als: uf, nbf, tuaf, waartoe ook behoort kauaf = O. Jav. 
ngaran, (voor de ^, vgl. Bott. bunga, dial. bungga, inBengkou 
buka = Mal. bunga, bloem; nalenga, dial. nalengga,. 
naleka, achterover. Mak. lengang, enz.; Tim. mainiki, koud 
= dingin; voor de « vei^elijk bijv. anel = Mal. padi); op eene ^^ 
als:/|aof, lichaam, (Kup. apa, Jav. awak, vgl. Kup. sipa, negen, ^ 
M. P. siwa); op eene ^, als: uaf, lot, bestemming, (B. uak,lot 
en ader, pees. Mal. urat, enz.); punuf, omhulsel van de kokos- 
noot, (B. punuk, dial. mbunut, Tag. bunut). Voorbeelden van 
adjectieven met f zijn, bijv./ymunif, jong, (B. mulik, Kup. 
hmudin, de jongste, van mudi, volgen = Jav. muri, enz.); 
Xmnasif, oud, (B. lasik), enz. 

De aard der Timoreesche sluitletters is even onwezenlijk als die der 
Bottineesche , zooals reeds blijkt uit hun verdwijnen, als regel, in 
de woorden met verbale beteekenis; zoo ook in samenstellingen^ 
bijv. an-mbnel, zoon, van anah en mbnel, toch zijn zij iets 
meer blijvend dan in het Bottineesch, dewijl het pers. voomw. niet 
achter elk naamwoord gevoegd kan worden, zoodat bijv. B. au ana-ng,. 
mijn kind; ndia ana-n zijn kind, in het Tim. luidt: au anah,. 
in anah. 



£76 



OVEA DE SIND-MEDEKUNKEBS IN hIT 



Het Kupangsch keut niet het onderscheid tasschen verbum 
nomen door het afwerpen van een slot-medeklinker. Bezigt bijv. h 
Tim. 9u\ meten, naast suat, saiit, maat; tal, tar, verbiede 
naast talas, taras, verbod, in het Kup. beteekent sukat, mete 
tal as, verbieden. Een oorspronkelijke slot-medeklinker kan d 
evengoed gespaard zijn bij een verbum als bij een nomen. 

Naamwoordelijke afleidingen maakt deze taal : a. door een voc»^ 
gevoegde «, bijv. skait, haak, van kait, haken; snikan, sto 
van tikan, op een stok leanen, welke vormen ook als adjecti 
kunnen optreden, bijv. ktudi (mes) slimit, vouwmes, van limi 
vouwen; b, door een (schijnbaar) infix n als: snukat, maat, r 
sukat, meten; c. door eene voorgevoegde ky als: ksapat = 
dial. sambat, emmer; dit prefix behoort evenwel niet meer tot 
levende formatieve elementen, (de s wordt dikwijls, de Jk steeds 
A voor een neusklauk, bijv. hnikan = snikan, stok; hniki 
Sumb. kan in ik, soort muskiet); d. door een voorvoegsel in, bij 
in-kai t, het haken, ook die, dat haakt of gehaakt wordt; i n-ma t 
het sterven , dood ; i n-1 b n e , jager , van 1 b n o , jagen ; i k a n i 
nengan, gebakken visch, van nengan, bakken; ktudi in-kiki 
scheermes, van kikin, scheren; e, door achtervoeging van eene 
vgl. beneden. 

Een Kup. woord kan uitgaan, behalve op een klinker, op =r 

Eene sIot-« kan beantwoorden aan eene oorspronkelijke », 
bijv. angin = B. Tim. anin, wind; ulan, Tim. idem = 
udan, regen, bulan = Tim.^f nnan, B. dial. fulan, maa 
maand; lalan, Tim. idem, weg; voorts ikan = Tim. ik^, 
iak, visch; elan = Tim. elak, B. edak, trap; tikan, op ee: 
stok leunen, (Mal. tëkan), enz. Ook kan de n staan voor een 
oorspronkelijke /, r, bijv. ton, grens, Tim. tol, tor; en zoo w 
ook in katen, jeuken, (Jav. gatël); mumun, den mond spoele 
(Mak. kalimpmorc^. Mal. këmur, Jav. këmu, vgl. balu 
Mal. baharu), ofschoon de n aan het slot van een verbum oo'! 
eene andere verklariog toelaat, vgl. beneden bij de werkwoorden. 

Menigmaal komt eene anorganische slot-» voor, als in: bilin^ 
koopprijs eener vrouw, (M. P. wëli); dakin, huidvuil, (Mal. daki); 
khalin, halin, zijde, (Bug. wali); kbukun, gewricht, (M.F. 
wuku); tadan, teeken. (Mal. tan da), enz. (In woorden als 
ikon, staart. Mal. ekor, enz.; tilun, ei. Mal. têlor, enz., is 
het onzeker of de n anorganisch is, dan wel staat voor eeoe 





)t 



Y. 

•e, 
n- 



9 



BOTTIKXISCH SN TIM0KK£8CH. £77 

/ of* f, vgl. boven mumun, het eerste is het meest waarschijnlijk). 

V^oorts bij een aantal adjectieven, als: taan, groot, (R. inatua, 

idem, Sanib. matua, volwassen, Mal. taa); mamateu, groen, 

(IbTi. ata, groen, rauw, Mal. me utah); waarbij ook te brengen 

is eene n als in blaiu, eeu Maleier, vnn blai = B. malai = 

Mal. malaju. 

Ook bij sommige der boveugenoemde uaamwoordelijke afleidingeu, 
&ls snilin = in-sili, wat geruild wordt, te ruilen is, vausili, 
{Ja^v, silih); hmudiu, wat volgt, vau mudi, (Jav. muri, enz.); 
l^Ki uuan, wat voorafgaat, (Tag. muna); ofschoon dezelfde vorm 
«ven goed zonder sluiter voorkomt, als spupu, blaasroer = R. 
^Q I> u k , van pupu = fupu. 

X>e slot-fi^ kan beantwoorden aan eene oorspronkelijke ng^ als 
^D duiug, de zeekoe «= Tim. luin, R. luik; voorts: isung, 
*tanapblok = Tim. esuk, esij, R. nesuk; aleng, houtskool, 
'v^- kadek, Jav, aréng); enz. 

koorts aan eene oorspronkelijke slot-m, bijv. talung, indigo = 
^Oi3. taum, R. tauk; mitaug, zwart = Tim. mètan; èneng, 
^^^ ^ (R. Tim. nè, M. P. nëm, ënëm);aneng. vlechten, (R. 
**Oq. ane. Mal. anjam, enz.). 

-Als zeldzaam voorkomende auorganische letter berust de ng wel 
^t^ eene verwisseling der neusklanken, bijv. sdating, hak, van 
^^ ti, hakken, (R. tatatis, van tati). vgl. boven snilin; 
^^ Xiang, een Chinees, Ghineesch, vgl. boven blain, en zie ook 
"^^eden bij de werkwoorden. 

^lEeue slot-« beantwoordt aan eene oorspronkelijke «, bijv. beas, 

^^^ïrel = Tim. mneas, mnes, Mal. bëras; nihis, dun = Tim. 

^*^ «inihas, R, niïs; ktelas, hart van 't hout = Tim. tès, 

^^ ==R. teas; voorts: ngatus, honderdtal, (Tim. R. natun); 

^ Bnas, warm makeu, (R. n aha na, naast hauas, warm). Voorts 

'^^D eene Jav. r = Mal. ^, als kunis, geel, (Jav. kunjir, Mal. 

^unjit, kurkema); lales, vlieg, (Jav. lalër. Mal. lalat). 

Eene anorganische slot-« komt zelden voor, voorbeelden zijn 
^mates, dood, (meestal van een dier, enz. gebezigd,. tegenover 
in -mate, dat van een mensch gezegd wordt) = Tim. amates, R. 
mates, mamates; kbatus, schelpdier, bij batu, steen, (in het 
"Tim. beteekent fatu, M. P. watu, zoowel /i'steen^y als //schelp- 
dier*'); tuas = R. dial. tuas (vormelijk en in beteekenis = kë- 
iupat). Bij deze woorden staat blijkbaar de b op dezelfde wijze 
aIs in het Tim. voor eene ^, als het woord reeds eene t bevat. 
?• Volgr. V. 18 



£78 OVIB DE EIND-MEDEKLINKSSS IN HIT 

Derhalve is hier ook bij te brengen een woord als hnais, weeg- 
schaal, van tai, wegen. Zonder t in het woord staat de s in 
makas, (B. dial. idem) uit mangga; pingas, schotel, (B. 
pingak, Tim. pika = Mal. pinggan). 

Eene slot-^ kan beantwoorden aan eene oorspronkelijke é als in 
sukat, meten, vgl. Tim. suat, maat; ulat, ader, zenuw = B. 
uak, ulak: kait, haken, (M. F. idem, Tim. B. kai); kabat, 
omwikkelen, (Bal. kap ut, Tim. amu); at, vier, (Tim. B. ha, 
M. F. pat, ampat); enz. 

£eue anorganische l komt voor in de betrekkelijk niet talrijke 
naamwoordelijke afleidingen op Timoreesche wijze , als : k a k d t , 
voedsel, eetwaren, van ka, (M. F. kan), eten; mninut, Tim. 
idem, drank; slingat, spruit, bij uaslinga, ontspruiten. 

Meermalen bij de bovengenoemde echt Kup. afleidingen als het 
stam woord op eene vocaal uitgaat, als: hmukit, (Tim. muït),^ 
dier, van muki, (Tim. muï), aanwezig zijn, hebben; rijk zijn, 
(tegenover hmuki, zaak van waarde, rijkdom); snap ut, doek 
af te vegen , van s a p u , M. F. idem ; s n b d e t , scheplepel , (] 
s o s 6 d e k , wel bij Jav. s u r u , Mal. s u d u) * , enz. 

Eene oorspronkelijke slot->fe schijnt geheel verloren te zijn gegaai 
mocht er aan het slot van een woord, als bijv. hupu = Tii 
fufu, B. fufuk= Mal. bubuk, nog een ingeslikte medeklinki 
worden uitgesproken, dan is die klank zoo goed als ouhoorbi 
Toch is, althans bij naamwoorden, nog een duidelijk spoor van 
oorspronkelijke slot-^ overgebleven, namelijk wanneer het lidwoo 
er achtergevoegd wordt. Het lidwoord toch luidt, na een woon 
dat op een klinker eindigt, la, bijv. ahu-la. de asch, van ah tl 
M. F. awu, terwijl, zoo het woord op een medeklinker eindigt , 
de aanvangs-consonant van het lidwoord zich richt naar die slot^ — 




^ Eene t voor eene oorspronkelijke k vertoont overigens smalat, merki ^^ 
bij ma lat, als verbum; Tim. malak, marak, stellig van het Port. marca^ — 
Voorts is op te merken, dat ook een werkwoord wel een anorganischen sluiter — 
vertoonen kan; een zeker voorbeeld is bijv. bul at, schuim (B. fufudek^.^ 
dial. fufuret.; Tim. fulit, furit, Sund. budah, enz.), wat in het Kup. 
eohter ook „schuimen*^ beteekent. Hier is stellig de ^, die oorspronkelijk de 
nominale afleiding vormde, bij het geringe verschil, dat thans in 't Kup. 
tusschen nomen en verbum bestaat, uit het nm woord in het werkwoord ge- 
drongen. Op dezelfde wijze kan ook de n, bijv. in lèten, over iet» smals, 
over eene brug gaan, (naast sleten, brug) tegenover Bug. Ie te, Mak. 
te te, Mal. titi, verklaard worden, ofschoon ook eene andere verklaring 
mogelijk is, zie beneden bij de werkwoorden. 



BOTTINISSCH SN TIMOBSKSGH. 279 

eonsonant als : lalan-ua,aleDg-nga, beas-sa,ulat-ta. Hupu 
eclit^ï, met het lidwoord, luidt hupu-ka, (uiet hup uk-ka); 
zoo ook manu- ka, vau manu, kip, M. P. mauuk; tasi-ka, 
rail tasi, zee, M. P. tasik. 

V^oor het tegenwoordige Kupangsch moet men dus zeggen, dat 
iez^ woorden ka als lidwoord vereischen, feitelijk is de ^ een over- 
blijfsel van den ouden sluiter. 

tJL^t woord voor //voet, been", dus een der woorden, welke in het 
TincMoreesch als algemeene regel eene /* aan het slot hebben, luidt 
in l:M.et Kup. in, (Tim. haef, R. eik, Daj. pai, enz.). Evenwel 
is -«'xnijn voet^^ au ing (i-ng) of met het lidwoord au i-ng-nga; 
uw voet, k6 i-m of i-m-ma; zijn voet, un i-n of i-n-na, 
zoodat n in de eerste plaats en oorspronkelijk het aangehechte pers. 
Yoomw. V. d. 3**" pers. is. Op deze wijze worden nog eenige andere 
dergelijke woorden behandeld, als tain, buik, (B. teik, Tim. teif, 
tai. :C, bij M. P. ta(); ilun, gal, galblaas, (B. heduk, Tim. enuf, 
Ma.1. hampëdu, enz.); pipin, wang, (M. pipi); dalen, ^t hart, 
in cverdrachtelijken zin, (£. dale(k) = Mal. dalam, enz.). Het 
woord voor //hand// luidt echter: ima = R. limak, Tim. nimaf, 
waar?an weer au ima-ng of ima-ng-uga, kh ima-m of ima- 
m-m a, doch in den 3*" persoon un ima of met het lidwoord 
^^ ima-ka; zoo ook un mata-ka, van mata, (Tim. mataf), 
^Sj un ilu-ka, van ilu, neus, (Mal. hidung) en zoo van de 
JDeeste van deze woorden. Zoo ook bij de verwantschapsnamen: un 
ama-ka, van ama, (Tim. amaf), vader; un ina-ka, van 
^^*> (Tim. ainaf), moeder; un ana-ka, (naast au ana-ng, 
*n a - ng-nga), van ana, (M. P. a na k), kind, enz. Hierbij sluiten 
^^^^ aan: ikan natu-ka, vischkuit = Tim. ika in natun, 
("onog natu ei); ktudi uu diku-ka, rug van een mes, (Daj. 
^ ^ U t, enz.); enz. 
^oor het gebruik vau ka als lidwoord, blijken voorts vroeger 
^^*^e anorganische k vertoond te hebben, woorden als: kduli(-ka), 
^^tH, (Mal. duri, enz.); nusa(-ka), eiland, (Tim. nusa, R. uusak, 
^^- nusa); balu(-ka)5 weduwe, weduwnaar, (Tim. banij, R. 
[^lu, M. P. walu); ata(-ka), slaaf, (R. ata, Tim. atel); 
^^^u(-ka), bêngkudu, (Tim. bak'uli^); pua(-ka), piuaug, 
^**^. puah), In plaats van een oorspronkelijkeu neusklank ver- 
. ^*^en ngala(-ka), naam, (O. Jav. ngaran, Tim. kanaf); 
^^ (-ka), neus, (Mal. hidung); kikili(-ka) = Mal. giring- 
^ ^ ing nu het lidwoord ka; tegenover eene Rott.-Tim. s staat ka 



280 



OVXB DK KIND-MEDEKLINKSBS IN HET 



bijv. in khela(-ka), hela(-ka), hakmes = E. felas, Tim. be- 
nas; kdela(-ka), de schaduwboom = B. delas, Tim. nenas. 

Vele adjectieven vereischen voorts als lidwoord ka, bijv. mea- 
(-ka), rood = Tim. mè; muti(-ka), wit = Tim. mutj; balu- 
(-ka), nieuw, (R. beuk. Mal. baharu); ngilu(-ka), zuur = 
Tim. ma in in u; enz. 

Meermalen vereischen ook de, in den aanvang genoemde nominale 
afleidingen ka als lidwoord, bijv. skiti(-ka), strik, van kiti, 
strikken , waarbij ook hmate(-ka) = hmates, dood. 

De met in afgeleide vormen van woorden, welke op eene vocaal 
eindigen, vereischen ka, hetzij als lidwoord, hetzij bij den derden 
pers. enkelvoud, dus: in-mate, het sterven, van mate, (M. P. 
matay), bijv. in: in-m at e-ka e 1-1^ Ib, het sterven is niet aldus, 
zoo is het niet als men sterft ; i n-t a n a , van t a n a , kennen , weten , 
(Tettum. tada; behoort bij tadan, teeken), un i n-t a na-ka, zijn 
kennen, weten, zijne kunde. 

Ofschoon in het Kupangsch meer slot-consonanten zijn gespaard 
gebleven dan in het Tim. of Bott., is toch het afwerpen van eeu 
oorspronkelijken sluiter volstrekt niet zeldzaam, bijv. tinu, weven, 
(B. Tim. tenu, Mal. tënun); ninu, hij drinkt, (R. Tim. idem, 
M. P. m i n u m) ; d a 1 e , binnen , (B. idem , Jav. d a I ë m) ; d i u , 
baden, (B. nadiu, Mal. dirus, enz.); pulu, kleefrijst, (B. idem, 
Mal. pul ut), enz. 

In samenstelling verdwijnt eeu Kup. slot-medckliuker even als iiEi 
het Bott. en Tim., ook al is hij oorspronkelijk, bijv. ul-ai, vuur— 
regen, van ulan en ai; laelpenga, soort vlieg, van lal es e 
pen ga. Dewijl echter de sluiter bij verbale woorden niet verlore 
gaat, de achter voeging der pers. voorn w. even beperkt is, als i 
het Tim. , en vele , vooral verbale woorden , zelden of nooit in same 
stelling voorkomen, maken de eindmedeklinkers den indruk va 
blijvender te zijn. 




Het Tettumsch of Tetun , dat gesproken wordt in het grootste g 
deelte van de afdeeling Belu van Nederlandsch-Timor, alsmede i 
een groot deel van Portugeesch-Timor , sluit zich nader bij het K 
pangsch, dan bij het Bottiueesch of Timoreesch aan. Ook hier i 
het onderscheid tusschen verbum en nomen door het afwerpen va 
den slot-medeklinker onbekend, terwijl er over het algemeen mind 
naamwoordelijke afleid ings vormen bestaan. Van werkwoorden, wel 





1 

i 



E0TTIKEE80H IN TIMOBESSGH. £81 

niet vervoegd worden , bestaan geen afleidingen met abstracte betee- 

kenis; dus beteekent bijv, mate, (R., Tim., Kup. idem), niet alleen: 

sterven, maar ook: de dood, (B. mamates, Tim. mates, Kup. 

in-mate), en: dood, als adjectief, bijv. èma (mensch) mate, een 

doode, (£. mates, manamatek, Tim. amates, Kup. hmates, 

in-mate). Evenzoo beteekeut moras zoowel: ziek zijn, als: ziek, 

ziekte, waarvoor het Tim. de vormen namen, amenat, menas, 

^et Ilott. namahedi, kamahedis of kamahedik, hedis, 

Wft, (moras = Tim. meuas = hedis = Mal. pëdas, Daj. 

peres, vgl. Mak. p^rjsi, evenals Jav. lara. Bug. lasa, bij 

Sund. lada, bijtend. Mal. lada). Van werkwoorden, welke Vervoegd 

borden, bestaat een uominale vorm met een prefix ha, bijv. surat 

iamulak, gebedenboek, (namulak, bidden), Ita kan hakara 

d&di^ uw wil geschiede, (nakara, willen, kan, z. v. a. Mal. punja). ^ 



' Vgl. Surat hamalak, uitgegeven te Samarang, bij G. C. T. van Dorp 

^^ Co. 1898. Van een werkwoord, dat oorspronkelijk met eene vocaal begon 

^^z nodi, hg brengt, (B. neni, dial. nendi, Sikk. netti, hij brengt, hij 

uoud.t vast, Bumbawar. ènti, vasthouden), luidt die nominale vorm hodi; 

^^ hodi is ook als onveranderlijk woord in gebruik als voorzetsel in den 

^^A van ons ^met", waarvoor het Sott. nenik, een variant van neni, als 

^^rlcwoord vervoegd, bezigt. De nominale vorm van een causatief werkwoord, 

^va.t eveneens een prefix ha, bijv. hasaë, doen stijgen, van saë,(B. idem, 

"^^g. sakaj). Dewijl eene p in het Tettumsch, evenals in het Bott., Tim., 

Als regel tot h wordt, is het duidelijk dat men hier met het uit tal van talen 

bekende causatief-prefix p a te doen heeft, waarvan ook in het Tim. nog 

sporen over zijn, als bijv. haputun, warm doen zijn, doen aanbranden. 

(Dewijl een causatief werkwoord natuurlijk dikwijls door een werkwoord, dat 

<)doen, maken" beteekent, kan omschreven worden, beschouwt Sebastifto da 

SU va in de „Kegras grammaticaes sobre tetum", welke voorafgaan aan zijn 

«Diccionario de Portuguez — Tetum" Macao, Typ. do Seminarie, J889, ha in 

^^^ gQval, als eene verkorting van halo, hala, maken. Het behoeft wel 

?^Q nader betoog dat deze opvatting onjuist is). Bij de vervoeging van zulk 

^^ Werkwoord is de h vervaUen en zijn de beide vocalen ineengesmolten, 

'^^ ^asaë, masaë, nasaë, ik doe, (gij, hij, doet), stijgen, voor *ka hasaë, 

enz. ^Q^ Q^ betreft de vormen met ha, als bijv. hahii naast nahd, hij 

Z^^^t, (van hun = Mal. pohon, vgl. Bott. dial. natahii, Bim. tampuü); 

^^^i naast nalai, hij vlucht, (B. idem, Mal. lar'i, vgl. Sumbaw. barari, 

*J' hadari); hafuan = Mal. bérbuah, van (ai-) fuan, vrucht, ha- 

*^*ii = Mal. bërbunga, van (ai-) funan, bloem, enz., (en waartoe ook 

^^H>Ten de genoemde vormen hamulak, namulak; hakara, nakara)? 

^ is duidelijk, dat deze oorspronkelijk een prefix bevatten, evenals bijv. 

^^- naboa, hij draagt vrucht. Men zou het Daj. ha kunnen vergelijken, 

7^^^ , daargelaten of de h daarin niet uit een anderen medeklinker ontstaan 

^^) 2oa het zeer onwaarschijnlijk zijn, dat zulk eene A gespaard was gebleven. 

^^ukelijk is ha ook hier uit pa ontstaan, vgl. Amb. patelu, pateru = 



282 OVSB DE EIMD-MEDBKLINKISS IN HST 

Voorts worden namen van werktuigen van werkwoorden afgeleid 

door redaplicatie , als: sasakat, maat, van sakat, meten; 

/ kakoir, rasp, van koir, raspen. Althans in het Tettumsch, 

zooals het in Port. Timor gesproken wordt, is voor de geredupli- 

ceerde lettergreep nog dikwijls eene k gevoegd. 

Een Tettumsch woord kan, behalve op eene vocaal, uitgaan op 
eene ^-, ^ of r, «, *, ^. In het Dillisch wordt tot behoud van den 
sluiter dikwijls een korte klinker achter het woord gevoegd, als 
bijv. in het Mak., bijv. sdkate, voor sukat; fdko, voor fuk, 
enz. , (bij het Bott. geschiedt dit ook dikwijls in het dial. van Oenale). 

Eene slot-^ kan staan waar 't woord ook oorspronkelijk op eene 
k uitging; bijv. fuk, haar, (Bul. wuük, enz.); fblok, corromper 
se 1 , (R. puluk. Mal. buruk, enz.); fuhuk, buruk? wel eene 

R. n atol o, Mal. batëlor, eieren leggen. Naar analogie daarvan zal de 
nominale vorm van andere werkwoorden , welke eveneens „vervoegd" worden, 
als: hataük naast nataük, in het Dillische nog hametaük = B. dial. 
namatau, vreezen; hodi naast n o d i = B. n e n i , brengen, ontstaan zijn. B*^ 
de vervoeging van een Tettumsch werkwoord doet zioh nog de omstandi^^ 
heid voor, dat de vormen voor den eerst-en en tweeden persoon meervovv^ 
verloren zijn gegaan en vervangen door het verbale substantief, dus ita ^x: 
ami hamulak, (hodi), wij bidden, (brengen); emi hamulak, (hod. x^ 
gijl. bidt, (brengt), 'voor *ita tamulak, (todi); ami mamulak, (mod. i^ 
emi mamulak, (modi). Ook in het Galoli, eene taal welke eveneens i.: 
Port. Timor gesproken wordt, is de vervoeging in dezelfde personen in. <3 
war geraakt, wel zegt men daar nog: gita tablihuk = Tettum ita 11 & & 
diük, wij (inclusief) spelen; maar tevens ook: gami tablihuk, wij (j^-^ 
clusief) spelen; terwijl in: mi rablihuk, gijl. speelt, het verbum denzelfd^^ 
vorm heeft als in: sia rablihuk, zij spelen, welke vorm tevens, alt2ia.^B=] 
eenigszins de waarde van het verbale subst. heeft gekregen, althans hij wor< 
ook gebezigd in eene bastaard-samenstelling met den Portugeeschen uitgai 
„do r", als: rablihuoo-dór = brincador ; ( vgl. No9Öes da Gramm. Galo 
pelo missionario Padre Manuel da Silva, Macau, Typ. d. Seminarie, 19(X)). 
het Tettumsch, zooals het ter hoofdplaats Dilli gesproken wordt, heeft zul 
een werkwoord alle vervoeging verloren en bezigt men in aUe personen bij^ 
hamulak, hodL In de Tettumsch-Mal. Wdl., in het Tijdschrift Ind. T. 
en Vlk., deel XXX Vu, Afl. 5 (en uit den aard der zaak ook in het Port 
Tettumsch Wdb.) worden al deze werkwoorden in den vorm met h(a) opg^^* 
geven, hier bestaat volstrekt geen bezwaar tegen; deze vorm kan, voor d^^ 
tegenwoordige taal als de stam vorm gelden, derhalve zullen de werkwoorde -^^ 
hier beneden in denzelfden vorm opgegeven worden. 

^ Hier en daar verschilt de taal in Port. Timor van die in het Belusch--^ 
gelijk wel te begrijpen is. Ofschoon het eigenlijk hier van weinig belang i^^ 
geef ik daarom van de woorden, welke ik slechts in eene der in de vori^ 
noot genoemde bronnen gevonden heb, de vertaling óf in het Maleisch, 
in het Portugeesch ; komen zij in beide bronnen voor, dan volgt gewoon 
Nederlandsche vertaling. 




BOTTINEESCH EN TIMOKEESCH. 283 

fout voor //bubuk//, vgl. in D. f ah uk, bicho; tasak, gaar, (R. 
idem); enz. Gewoonlijk is eene oorspronkelijke slot-^ evenwel afge- 
vallen, als: manu, hoen, (B. idem); mina, olie, (B. idem en 
minak, Mal. minjak); tasi, zee, (B. idem, M. P. tasik); 
tna, vinho, (B. idem); hatudo, mostrar, (B. nat u du, vgl. Mal. 
tundj uk, enz.). 

Somtijds, doch niet zeer dikwijls, staat eene slot-^ voor een 

ooTspronkelijken neusklank, bijv. motuk, verbrand, aangebrand, 

(Mak. mutung, enz.); had ak, rust bank, bale-bale, (Tim. ha rak, 

tiala, Kup. khadang); in Dilli : fatik, naast fatin, plaats, 

(hier is denkelijk de n evenwel anorganisch). Meermalen ook in 

^erba, als: nonbk, hamenbk, zwijgen, (B. uè-nè, Jav. mê- 

Qêiig); hisik, siram, (Kup. hising); enz. 

Eene anorganische i wordt aangetroffen : 

a. Rchter substantieven, zeldzaam als zij stamwoordelijk zijn en 

op zich-zelf staan; een voorbeeld levert faluk = Kup. balu(-ka), 

weduwe , weduwnaar ; vreemd is f a t u k , steen , (B. b a t u , Tim. 

^atu, M. F. watu). Meerdere malen als het subst. aan het slot 

^&n eene samenstelling staat en dan dikwijls naast eene n, bijv. 

*i (toom) — ndanak, ramo, (B. ndanak, ai-ndanak, Sumb. 

iasanga, Ponos. sanga); timir-rahuk, in Dilli asan-rahun, 

«nhaar, baard; ai-tarak, (in Dilli) naast taran, doorn, (Sumb. 

*a 11 (Ja ra. Bug. tara, spoor); 

^- meermalen na afgeleide subst., bijv. hahük, zarabatana, van hu, 

(*'oa. sfut van nasfd); lalenok, klalenok, spiegel, (Sumb. 

* ^ n i n u , Sikk. 1 i n o n g , enz.) ; kbabaruk, espeto , van b a r u , 

^f®^!* em espeto ; knananuk, cantiga , van hananu, hananun, 

^^Hg-en; kfuluk, pello, naast fulun, (M. P. wulu), klaletek, 

^^ntanha, naast leten, boven, (Kup. lèten, Tim. néten, B. 

® ** ^ k , berg). Soms staat een vorm met en zonder slot-^ naast 

^^-lader als: sasuko naast sasukuk, garfo, van suko, prikken; 

*^* dikwijls na adjectieven, hetzij in stamvorm, hetzij van een 

P'^^^ voorzien, meermalen naast eene n, bijv. kabuk, zwanger, 

^ ^^^t ka bun, buik, Sumb. kambu); oak, pequenno, (naast 

^ ^, kind); matek, paralytico, van mate, (M. P. matay); 

ik, kudis, van koi, krabben; matak, rauw, (B. idem); lanuk. 



ko 



*^^t lanu, borracho, (Pak. malangu, enz.); moruk, bitter, 

^ ^tn. meny, B. hednk, gal. enz.); me sak, alleen, (B. me sa, 

•^*^en, mesan, mesa-n, slechts, bij esa. Mal. Ssa);rautik = 

^^tin, wit, (Tim. muti); nehanasuk, dentes caninos, van 



£84 OYXS DE EIND-HEDSKLINKSSS IN HET 

asQ, hond; baruik, magro, naast ruin, (Mal. duri, enz.), been, 
gebeente; kadbk, in D. dok, ver, (£. d5k-a. Mal. djaab 
enz.); kmodok of modok, geel, naast modo, k m o d o , groente, 
samodo, cobra verde, (£. mombdok, geel , groen , Sumb. m u r u, 
groen, enz.); kwaïk, waïk, (in üilli)=waïn, veel; matenek, 
wijs, knap, bij haten e, weten; enz. 

Eene l o{ r aan het slot kan aan den gelijkluidende klank be- 
antwoorden, als in fisul, kfisul, tumor, (M. P. wis ui); kat al, 
katar, comichao, (Mal. gatal); ook husar, lalar = Jav. pusêr, 
lalér, Mal. pusat, lalat, is echter voor het hier bedoelde onder- 
werp van geen belang. Na sommige, meer verbale woorden is de 
klank stellig meermalen anorganisch, bijv. susar == Mal. sus ah, 

Eene slot-» kan beantwoorden aan een oorspron keiijken neusklank 
«, m of np^ als in: anin, wind, (R. Tim. idem); udan, regen, 
(R. idem) ; f u 1 a n , maand , (Tim. f u na n) , i k a n , visch, (Kup. idem) ; 
hedan, paudan, (Kup. elan); hun, boom, stam, (Mal. pohon); 
lulun, oprollen, (Bat. Tag, enz. idem); tolan, inslikken, (Mal. 
têlan); laun, naald, (Kup. laung. Mal. dj arum); metan, 
zwart, (Tim. idem); nesun, stampblok, (R. nesuk, Kap. isung); 
au betun = bambu bëtung, enz. Afgeworpen is een oorspron- 
kelijke neusklank , bij v. in h a m o t u , queimar , naast motu; ha, 
iu Delli ook han = Kup. ka, eten, terwijl de neusklank soms tot 
k geworden is, vgl. boven. 

Eene anorganische slot-» komt voor: 

a. bij die subst. , welke oorspronkelijk op eene vocaal eindigen, 
en door hunne beteekenis behooren tot die, welke in het Tim. eene 
/aan het slot vertoonen, of kunnen vertoonen, als: aman = 
Tim. amaf, vader; inan = Tim. alnaf, moeder; liman =^ Tim. 
nimaf, hand; matan = Tim. mataf, oog fulun, penna,pluma 
== Tim. f u nu f , (M. P. w u 1 u) ; enz. enz., waarbij ook bij te brengen 
zijn zulke woorden, als: folin, prijs, (vgl. Kup. bilin, koopsom 
eener vrouw); re sin, overschot, meer, (Tim. nesif, Sumb. risi), 
enz. Somtijds is zoowel de vorm met als zonder n in gebruik, bijv. 
ran en ra, bloed (Tim. na, Kup. dala-(ka). Mal. darah enz.), 
of ontbreekt de », als in : susu = Tim. susuf = Mal. sus ah. 
Hierbij behoort ook de n na een subst., dat het laatste lid eener 
samenstelling uitmaakt, als: ai-fuan, boom vrucht, vrucht, (R. 
boak, ai-boak, M. P. wuah); ai-funan, bloem, (R. bunak, 
M. P. wunga); manu-tolun, hoender-ei, vogel-ei, ei, (R. 
tolok, O. Jv. hantêlü, enz.); lun uen, lagrima; susu-uen. 



BOTTINEESOH EN TIMOBEESCH. 285- 

melk, van ue, water, (R. 6e, Mal. ayër, Amb. waello, enz.)» 
Men houde in het oog, dat het aangehecht pers. voornw. in het 
Tettumsch niet meer bestaat, maar vervangen is door eene con* 
structie als: nia kan uma, (in Dilli : uinia uma, nia uma), 
zijn huis, enz. Eene anorganische n bevat voorts: rihun = R. 
lifun, duizendtal; lor on, dag, naast lor o, zon, (Sumb. lodu); 

b. na sommige afgeleide subst., waarvan het grondwoord op eene 
vocaal eindigt, als: babakun, kuods, van bak u, slaan; knaban,. 
emmer = Kup. ksapat, R. dial. sa m bak, Sumb. samba; 

c, na een aantal adjectieven, als: mean = Tim mè, Kup. mea 
(-k a) , rood ; mutin = mutik, wit ; f o n , f o u n , nieuw , (Pidji 
vou. Mal. baharu, enz.); tuan, oud, (Kup. tuau, groot. Mal. 
taa); enz. Hierbij ook da wan, Timorecsch, eigenlijk djawa, 
Javaausch, dus: vreemd. 

Eene slot-^ kan beantwoorden aan eene oorspronkelijke «, als in: 
f os = Tim. mnes, mneas, bëras; niïs, dun ^^ R. niïs, tos, 
hard = R. teas, H hart van hout; ma nas, heet r= R. ha nas; 
moras, ziek, ziek zijn, vgl. boven; atus, honderdtal = Kup, 
ngatus; haris, badefi, (R. nadiu. Mal. dirus, enz.); tanis^ 
weenen, (M. P. taugis). 

Eene anorganische slot-« wordt aangetroffen in de afgeleide adjec- 
tieven, kat aas, oud, (naast tuan, ook tuak, bijv. aman 
tuak, avu); kmetis, gespannen, vast, in Dilli metin, metik, 
hetik; kamutis, macilento, naast mutin, mutik, wit. Deze 
drie woorden bevatten reeds eene ^, verkeeren dus in hetzelfde geval 
als de woorden, waarin het Tim. eene * voor t bezigt. Wel is waar 
kent het Tim. deze vorm bij eigenlijke adjectieven niet , maar alleen 
een woord als Tim. amtaus, die vreest, maar ook: bangelijk, is 
voldoende om te bewijzen, hoe gemakkelijk dezelfde vorm voor 
beide categoriën van beteekenis, in gebruik kan zijn gekomen, en 
zie voorts onder de t. Een vorm geheel gelijk aan het Tim. is 
fntus, dat in het Tettum met verwarring van verbum en subst., 
verbale beteekenis heeft verkregen: futus tais, tingir pannos, 
tais futus, pauno tingido, terwijl futus in het Tim. en Rott. 
beteekent: het voor het kleuren opgebonden garen, van Tim., ook 
Tettum, futu, Kup. butu, Kisser wuku, binden. Andere voor- 
beelden van de anorganische s zijn: piatus, orfao, (van Mal. 
piatu); liman fuan fu-klaras = liman fuan la-klaran, 
dedo maximo, (fu, verkorting van fuan, vrucht, klaran, midden, 
vgl. laran = Mal. dalam, binnen, Kup. tlala(-ka). R. tala- 



286 OVEB DE EIND-MEDEKLINKEBS IN HET 

dak); lalais, lais, suel, vlag, (h al ai = Mal. lari, vgl. Amb. 
malari, snel); moris, leven, (ook verbaal), levend = Tim. 
lionis, levend. 

Eene slot-^ kan beantwoorden aan eene oorspronkelijke t als in 
amut, abut, wortel, (Bis. gamut); kulit vel, (Kup. kluit, 
M.P. kulit); duüt, herva, (Jav. dak ut); uat, zenuw, ader, = 
Kup. ulat; sukat, meten, (Kup. idem); daët, ap^ar se, nio- 
lestia coutagiosa, (Mal. djangkit), enz. Weggeworpen is eene 
oorspronkelijke ^ in: kawa = Mal. kawat; kaï naast kaït, 
dependurar, (vgl. Tag. ka wit, naast Mal. kait). 

Eene anorganische t is in het Tettumsch zeldzaam, voorbeelden 
zijn: ba dut, damar, fakkel = Kup. pa dut, bad ut, K. ba- 
nuk, dial. band uk, doch Tim paku, (vgl. het Tim. sub e kam); 
Kisser, waku, (het woord staat trouwens overal op zichzelf, heeft 
geen levende afleiding); sasuit, kam, van sui, kammen, (Tim. 
soït van soï, Jav. suri, enz.); naast kokorat, zaag, in het 
Belusche, heeft het Dillische kokorak van kora, zagen, (Kup heeft 
solat, zaag, naast holat, zagen, de t is wel weder uit het 
subst. in liet werkwoord gekomen). 

Één adjectief tenminste vertoont stellig eene anorganische ty 
nam. mukit, arm, vgl. Kup in-muki, rijk; makmukit, arm; 
Tim. amuït, rijk; ma'muit, arm, bij muki, muï, rijk zijn. 

Zeer talrijk zijn in het Tettumsch de anorganische slot-conso- 
nanten welke ook in de verbale vormen gedrongen zijn, behalve 
de boven reeds genoemde woorden futus, moris, bijv. hafurin, 
escumar, bij furin. escuma, (R. fudek, fufudek, Sund. bu- 
dah, enz.); hafuan, fructificar naast ai -f uan, vrucht; haf unan, 
florescer , naast a i - f u n a n , bloem ; hakfunin, sembunji diri, (M. P. 
wuni); haturuk = turu, derramar , (R. tu t u 1 u , Jav. t u r n h) ; 
hamenaük, en bij verkorting naük, in het Belusche hauaö, 
stelen, (B. na man ak o, Daj. enz. takau); hakat, palmo en: 
medir a palmos, (B. dial. hangga, Sumba pangga, vgl. Jav. 
langkah, e*.z.); soms zelfs met verwisseling van sluitletters, als: 
hataük, hametaük, vreezen, (Mal. tak ut, enz.); dikwijls schijnt 
er in dat opzicht verschil te bestaan tusschen het Belusch en Dillisch, 
bijv. in Belu: hananu, zingen, haneha, drukken, ha ka ra, 
willen, in het Dillisch : hananun, ha n eha n, hakarak. Gedeel- 
telijk zijn deze consonanten wel uit het subst. (of een vroeger tegen- 
over een verbum gebezigd subst.), in het verbum gedrongen, gedeeltelijk 
is het verschijnsel dejikelijk op eene andere wijze te verklaren. 



SOTTINEESCH EN TIMOBESSCH. 287 

Het Tettumsch kent geen aangehechte pers. voorn w. , ook in 
samenstelling blijven de slot-medeklinkers, ook de anorganische, 
zij maken dus meer een iutegreerend deel uit van het woord dan, 
in het algemeen genomen, bij de drie boven besproken talen het 
geval is. Ditzelfde geldt van de nu nog te bespreken talen. 



In de Ambonsche tongvallen kunnen door toevoeging van een 
klinker, als bijv. in Mak. tdlisi voor tulis, Tettum sukate 
voor SU kat, van de oorspronkelijke sluitletters , eene l (r), een 
neusklank, in den vorm van «, benevens eene ^, gespaard blijven. 
X, r. bijv. hahillo, ahillo, dhiro, dhil(e), angel, (Tag. 
kawil, Mal. kail), kamallo, kdmalo, k^male, hars, (Mal. 
damar); ook de Maleische r in woorden, als: leallo, Idilo, 
lale d. i. lal + <?, zeil, (Mal. layar, enz.); waello, waeljo, 
waelo, wdele, water, (Mal. ayër, enz.). 

Neusklank, bijv. urano, iirane = R. udan, regen; aninno, 
anino, dnine = R. anin, wind; hulanno, hiilano, hd- 
lane, = Tim. funan, maan: launno, launjo, Iduüe, blad. 
(Mal. daun, B. dbk); lalonno, lalonjo, 't binnenste. (Mal. 
dalam, Jav. dalem); metenno, zwarte lucht, (vgl. Tim. metan. 
Mal. hitam, zwart); esunno, esunjo, ésuno, ésune, stamp- 
blok, (Kup. isung, Mal. lésung); lianno, rianjo, riano, 
Ifane spelonk. (Mal. liang, B. leak). 

T, bijv. ulatol, tirato, pees = Kup. ui at; uritil, tinto, 
huid, dop = Tettum. kulit; halatol, hdlato, hdlate, 't 
westen, (R. dial. fat. Mal. barat, enz.); lanitol, Idnito, 
lanite, hemel, (M. P. langit). 

De overige sluiters zijn deels spoorloos verdwenen, als bijv. in 
huhul, huhu, puhu, houtmolm , (Mal. bubuk); manul, 
manu, vogel, (M. P. manuk); ahal, aha, garen, (R. abas, 
idem en = Mal. ka pas), deels hebben zij nog een spoor achterge- 
laten, doordien de nageslagen vocaal, welke oorspronkelijk diende 
tot bescherming van den sluiter, ook na diens verdwijnen gebleven 
is, als in : tuwdo, tuwaol, tiiwao, palmwijn, sagoeweer, (M. 
P. tuak); tasiol, tdsie, s<4sie (= M. P. tas ik); ook dteo, 
dteë, (elders echter at oio), atap, dekriet, (Jav. atëp). Door 
den vocalischen naslag onderscheiden zich ook die woorden, waarin 
dialectisch een der eerstgenoemde sluiters is uitgevallen, als laniol = 
lanitol; hataele == hatanno, stam, (Mal. batang, vgl. 



_^ 



£88 OTER DE EIND-MEBSKLINKEES IN HST 

ainele, boom, elders ainno, hatanele, honderdtal, elders 
utunno). Met zeldzame uitzonderingen zijn alle woorden, welke 
eene slot-coiisonaut vcrtoonen en voor een deel ook, die nog de 
sporen van een vroegeren sluiter vertoonen, (zie evenwel beneden 
bij de werkwoorden), naamwoorden. Komt eenzelfde grondwoord, 
dat oorspronkelijk op een medeklinker uitgaat, welke in het klank- 
stelsel der taal gespaard blijft, zoowel in verbale als in nominale 
functie voor, dan is in het eerste geval de slot-consonant als regel 
verdweneu, als: puru, apulu, ahapulu, kleven, naast p urn- 
tol, papdrutc, tilute, gom, (vgl. Mal. pul ut). In dit opzicht 
vertoonen de Ambonsche tongvallen groote overeenkomst met het 
Rottiueesch en Timoreesch. Gelijk bekend is *, worden in de dialecten 
van Saparna en Nasulaut nog een grooter aantal subst. onderschei- 
den door achtervoeging van /, lo, (welke l na eene «, de verte- 
gen woordiarster van eiken oorspronkelijken sluiter, geassimileerd wordt, 
terwijl het dus ontstane nno, alsmede 11 o, de oorspronkelijke slot-/ 
of r -f- lo, in Nusa-laut, gewoonlijk tot njo. Ij o wordt), welk 
aanhechtsel wel terecht door Prof. Kern als het overblijfsel van een 
lidwoord is verklaard. Ook in de overige dial. , vooral in Haruku, 
worden sporen daarvan gevonden, als l(e), bijv. in het boven aan- 
gehaalde hataele. Daarentegen schijnen naamwoordelijke afleidingen 
van werkwoorden niet voor te komen. Wel bestaan er enkele afge- 
leide subst., in meer concreten zin, (waarover hieronder nader), maar 
althans éen daarvan vertoont den oorspronkelijken sluiter, namelijk: 
teteullo, elders teu-teu, schepvat, van ten, (Bur. kakoil, 
idem, B. ndui, Tim. kui, wel hetzelfde woord als Ibn. kuid, 
scheplepel , waarvan k u i r a n , Bic. k u h i t , lepel) ^ , is dus geen 
eigenlijke afleiding uit het Ambonsch , zooals het thans is, maar een 
overblijfsel uit een vroegeren toestand. Eveneens als doode vormen voor 
de tegenwoordige taal schijnen formaties, als: panaatu, palajatu, 
het gezondene, naast atu, (Mak. pikatu, enz.); sandmalo, sa- 
namano,sandmane, deel, bij sama, deelen ; tinamaol, tina- 
mao, plantsoen, bij tan o, planten, beschouwd te moeten worden. 
Eene anorganische slot-^t komt voor in een aantal substantieven, 
bijv. ririnno, ririnjo, been, doorn, in de eerste beteekenis - 
elders: ruri, luli, in de tweede: rurine, Idline, (R. duik, 



* Vgl. G. W. W. C. baron van Hoëvell, Iets over de vijf voornaamste dialectei 
der Ambonsche landstaal, Bijdr. T. L. en Vlk. v. Ned. Indie^ IVVolgr., deel L 

< Voor den eindmedeklinker, vgl. s u k a t , meten, Mal., Bal. Tag., enz., ookKup — 
Tett., idem, dus eene gewone slot t, doch Pamp., Pakew. sukad, Solor. hukèr^ ~— 



KOTTINESSOH SN TIMO&SESCH. 289 

n. nuif, been, bot, Mal, duri); iiériiie, elders^ neri, 
li, slagtand, (B. nolik, Samb. uli); hurunno, hurunjo, 

ruele, hurui *, veder, (R. buluk, Tim. fuiiuf, M. P.. 
ilu); sananno, sduaele, sdnae,sdnane, tak, (B. nda- 
k , Pouos. sanga); lesinno, lesinjo, overschot , naast 
si, overschrijden, (Tim. ncsif, Sumb. risi); huanno, hu- 
ujo, huaele, huai, haaru ^ vrucht, (Tett. fuan, M. P. 
1 a h). Voorts staat die n meermalen na een subst. aan het slot 
a eene samenstelling, als: lea-matanno, ria-matanjo, ria- 
itai, elders lea-mata, zon; wael-matanno; wael-matflnjo 
Iers wael-mata, bron, bij mata, (M. P. idem), oog; susu- 
sieni, elders susu-waello, melk, bij wae, wuello, water. 
Lal. ajër, enz.); wala-wala tainno, lawa-taini, elders 
wa-tai, spinrag, bij tai(-o), (M. P. tai); ai-uünuo, ai- 
Hnnjo, nagel, (M. P. kuku). Bovengenoemde woorden (voor 
overre zij niet aan het einde eener samenstelling staan), behooreu 
Ie tot die, welke in het Tim. op ƒ nitgaan of zouden kunnen 
tgaan , volgens hunne beteekenis. Evenwel ontbreekt in de Ambon- 
ihe tongvallen een anorganische sluiter, juist meestal bij de meest 
irakteristieke woorden, welke hiertoe behooren, als: ama, vader; 
ia, moeder; lima, rima, hand; mata, maa, oog; lusul, 
qsqI, lusu, rusu, rib, enz., en ook daar, waar hij in enkele 
ial. wel voorkomt, ontbreekt hij meermalen in andere, gelijk blijkt 
it de boven opgesomde woorden. Ddt zij echter voorkomen, bewijst, 
at zij vroeger algemeen geweest, en dus later weer afgeworpen zijn. 

Evenals B. lifun, duizendtal, bevat ook Amb. lihunno, 
i h n n j o , eene toegevoegde n , (vgl. utunno, utunjo,utunele, 
itune, honderdtal). Voorts: papaenno, papdino, elders pa pa e, 
lapaja; marassano, elders marisa = Mal. maritja. 

Afleidingen als: hahalanno, hahalanjo, hahdlano, ha- 
idlane, juk, draagstok, van hala, met een draagstok dragen; 

i Voor huraele, sanaele, sanae, huaele, vgl. het bovengenoemde 
ataele = hatanno = Mal. batang. Ook voor de t, al8 in hurui, huai 
loet eene consonant uitgevallen zijn, denkelijk de n, vgl. bij v. s u s u = w ae n i , 
lelk. Ni is de genitiefvorm van het bezittelijk voomw. v. d. derden persoon 
ikelv., thans alleen voor personen; ru, als in: huaru, dat van hetmeerv. 
d. derd. pers., voor isaken. Duidelijk staat % voor ni, bijv. in Haruku : 
irato lau-i ha, tegenover Asilulu: — lau-ru hata, vier brieven. (Verg. 
silulu : karbau ina-ra siwa, tegenover Saparua — ina-ni siwa, negen 
offeLs). Hoewel 't nu het meest waarschijnlijk is, dat de weggevallen medè- 
Linker eene n was, mogelijk is 't ook, dat althans hier of daar een andere 
ledeklinker verdwenen is, vgL bij de anorganische slot t. 



290 OVEB DE EIND-MEDEKLINKEKS IN HET 

talehanno talehanjo, taléhane^ deksel, van taleha, 
dekken; tatapunno, tntnpunjo, pak, bundel, naast tapuë, 
pakken, eindigen alle op », de verwante vormen dezer woorden 
zijn mij in de Westelijke talen niet bekend, toch hala is gelijk 
Bur. wada. Kap. hala, op den schouder dragen, (vgl. Kisser. 
nauwara, pikol), heeft dus waarschijnlijk geen sluiter gehad, 
waaruit , in verband met het voorkomen van n in al deze woorden . 
(vgl. ook het Burusch), wel afgeleid mag worden, dat de n ooi 
hier anorganisch is. 

Enkele malen komt ook eene anorganische slot-^ voor. Zekere 
voorbeelden, (bepaaldelijk uit de dial. van Asilulu, Hila en Haruku] 
zijn: mdtate, mdtatele, dood, (elders eenvoudig mata, maa 
= M. P. matay); maninuto = Tim. mninut, drank, van 
n i n u , drinken , M. P. m i n u m , (ook in het Ceramsch : n a u i n u t, 
ainut); sasiruto, sasilute, lepel = B. sosbdek, Kup. 
snbdet. Voorts in: ai-huüti, ai-huütil, (elders ai-tapuku, 
ail-matanno), knoest, M, P. wuku, waar dus de t de plaats 
inueemt, welke gewoonlijk door de n vervult wordt, evenals in 
ai-tüuete = ai-tunenno, hiel; ai-waati = ai-waka. (Fidji 
waka, Mal. akar), medicijn, eigenlijk: boom wortel. 

Vele adjectieven eindigen op i 1 , vooral in de dial. vau Saparna 
en Nusa-lant: putiïl, puil, elders puti, wit, (Mal. putih); 
me teil, naast mite, mete, zwart, (Mal. hitam); huluil, 
huruil, horoile, elders helu, nieuw, (Mal. baharu, Fidji 
vou, enz.); mamatail, naast mamata, amatae, rauw, (Mal. 
mêntah), enz. Eene vergelijking met zulke vormen, als: hu ai, 
(vrucht), maakt het reeds waarschijnlijk, dat nier een medeklinker 
uitgevallen is. 



Het Burusch *, ofschoon het in den woordenschat vele punten 
van overeenkomst met de Ambonsche tongvallen vertoont, verschilt 
daarvan echter in andere opzichten veel, o. a. ook daarin, dat het 
medeklinkers als sluiters, zonder vocalischen naslag duldt. Daar- 
gelaten eeuige woorden, welke uitgaan op l, (waaronder kakoil — 
Amb. teteullo, kawil, (Tag. idem), benevens eenige werkwoorden), 

^ Vgl. „Het Biirusch van Misarèté" door H. Hendriks, uitgegoven door 
het Kon. Inst. v. d. T. L. en Vlk, v. Ned. Ind., 's Gravenhage, Martinuë 
Nijhoff, 1897 en E. J. Jellesma (Burusch van Kageli) Tijds. v. Ind. T. L. en 
Vlk. XXIII. Hier zal meer in 't bijzonder over het Masaretisoh gesprokea wordeia 



BOrnNEESCH EN TIMOBEBSCH. 291 

en zeer weinige, welke met eene * of r sluiten, eindigt een Burusch 
wocprd steeds op een klinker of op eene i^ n oï t. Over de slot-^ 
zie liieronder. 

I>e slot-» vertegenwoordigt in de eerste plaats een oorspronkelijk 
nasalen sluiter, hetzij eene n, m of n^, bijv. in fulan, maau^ 
(1£- P. wulan); ngaan, naam, (O. Jav. ugaran, enz.); pun, 
booBU, (Mal. pohon); miten, zwart, (Mal. hitam); uran, gar- 
na&L, (Jav. urang, enz.); tian, stijl, (Jav. tiang, enz.). 

X>e slot-^ staat in de eerste plaats voor eene oorspronkelijke t als 
ia fahat, westen, (Mal. barat, enz.); po lot, plantengom, (vgl. 
M.al. pulnt): empait, bitter, (Mal. pait), enz. 
Sene anorganische slot-^i staat: 

tf . achter de meeste namen van lichaamsdeelen , enz., welke anders 

iu het Burusch op een klinker zouden eindigen, dus van die woorden^ 

welke in het Tim. op eene / uitgaan of zouden kunnen uitgaan > 

'^ijv- ulun, hoofd, (M. P. ulu); folou, haar, (Tim. funuf, 

^eder, M. P. wulu); roheu, been, bot, (Tim. nuif. Mal. duri, 

enz.); fifin, lip, (Mal. bibir ^, enz.): pusan, navel, (Jav. 

pus er. Mal. pusat)^; ikor, staart, (Tim. ik of, Mal. ekor, 

enz.); fokou, knoest, (M. P. wuku); fuan, vrucht, (Tett. idem, 

^- 1?. wuah); telun, ei, (Mal. tëlor, enz.); isiu, inhoud, 

(-Kup, idem, M. P. isi); filin, prijs, (Tett. folin, M. P. wëli) 

enz. Daarentegen vertooneu de verwantschapsnamen, als: ama, 

^ '^ ö' , enz. de slot-^i niet , uitgezonderd o p o n , kleinzoon , (Bis. 

* P ^i , enz.); ook niet de subst. , welke anders de ?i missen, aan het 

slot van eene samenstelling, als in 't Amb. , dus: raman-wai, 

*^^g-vater, traan. Een voorbeeld van achtervoeging van n als in het 

-^'^l>. papaenno, papaja, levert pawén, mangga, (Mal. pauh);^ 

^- achter sommige adjectieven; een zeker voorbeeld levert ematan, 

Cwel v^QQj. emmatan, en dit voor mematan, gelijk empait, 

oitter, voor me pait), rauw, (Mal. mëntah); 

^- achter een aantal subst., welke afgeleid zijn van werkwoorden, 

elJce op eene vocaal uitgaan en de beteekeuis van een werktuig, 

^^' hebben, bijv. sodin, (zóo in de Sprkl. , in de beide woord en - 



"■^^ze Maleische r moet in het Bur. tot h worden, bijv. hu ma = Mal. 
^*^^.h; ahat = Mal. urat; tóho = Mal. turun, enz., en verdwijnt dus 
**^ H^t aiot. 

^^k deze klank, Jav. r = Mal. d, (of t als sluiter), verdwijnt als regel ; bijv. 
^^^n = 0. Jav. ngaran, Tag. ngalan; peon = MaI. hampëdu = Jav.. 
Peru; ul^ = Mal. ulat, Jav. ulër. 



£92 0V££ DE SIND-MEDEKLINKXBS IN HET 

lijsten: sodeii), naast sodi, met de hoorns stooten; sèkan, 
steekspoel, van sèka, steken; sahin, (in de beide woordealijsteu : 
sa hen), van sahi, pagaaien, enz. Hoewel mij de verwante vormea 
van geen dezer woorden in de Westelijke talen met voldoende zeker- 
heid bekend zijn, is hun aantal te groot, dan dat er sprake vau 
kan zijn, dat de n oorspronkelijk bij het woord kan behooren; 

d. aan het slot van de subst., welke met de voorvoegsels en, 
(em), ep, vau verba of adjectiva, welke op eene vocaal uitgaan, 
zijn afgeleid, als: enmatan, de dood, banit enmatan, doods- 
zweet) vau mata, (M. P. mataj); emnipen, het droomen , 
droom, van nipe, droomen, (Bug. nipi. Mal. mimpi); epré- 
man, lengte, van réma, lang, (R. demak, Sikk. lêmmang, 
Saw. me ril ma, diep): epemgean, schaamte, van emgea, be- 
schaamd, (vgl. Bareë, eya, Suod., era en R. mae; Saw. mekae, 
iSumb. makea, alsook Mal. merah, elders mea, B. kea, rood.) 

Eindigt evenwel het verbum, als grondwoord van de sub c en d 
genoemde subst., op eene ^, dan heeft het subst. aan het slot eene 
t, bijv. eiilait, het geven, gave, van la ik, geven; embusut, 
iianklacht; gé ba (mensch) embusut, aanklager, van busuk, 
iianklagen; soöt, strik, van soök, strikken; bid ut, werpuet, 
naast b i d u k , met eeu werpuet visschen. Wanneer men den woor- 
-denschat van het Burusch nagaat, dan blijkt, dat met betrekkelijk 
weinig uitzonderingen ' de woorden, welke op n of t eindigen, 
naamwoorden, welke op i eiudigen, werkwoorden zijn, Substan. 
tieven, welke de oorspronkelijke slot-^ niet verloren hebben, als 
lioson, rib, (Mal. rusuk, enz.), veranderen die in /, als: anat, 
kind, (M.P. anak); fofot, molm, (Mal. bubuk); manut, vogel, 
{M. P. manuk); barut, zwam, (Mal. rabuk), ook atet, dak, 
(Jav. atep), ofschoon overigens eene slot-/? nooit gespaard schijnt 
te zijn. Daarentegen is, zelfs in uit het Maleisch overgenomen 
woorden van verbale beteekenis, als: dapat, pat ut, ook ha rap, 
de slotletter in i veranderd, dus: dapak, pa tuk, ha rak. Der- 
halve maakt ook het Burusch, op eene andere wijze, hetzelfde! 
onderscheid tusschen nomen en verbum als het Bolt., Tim e 
Amb. Wat nu die k bij de werkwoorden betreft: eene k vooi 
^ene oorspronkelijke l staat bijv. in dikek, plakken, (vgl. Kup 



^ Eene/ regelmatige uitzondering vormen de van naamwoorden afgeleide 
werkwoorden, als: epfokon, knoopen, van fokon, knoop; epturen,koi 
maken, van turen, kort; epngihat, snuiten, van ngihat, snot; wel mee 
•door de attractie van het subst. embanat, baren, naast anat, kind. 



BOTTIKXESOH EN "mfOmESSOH. 203 

Idilatj Mal. lëkat, enz.); lalik, omwinden, (vgL Bug. lili, 
«aarvan kaliliri, MaL bëlit, enz.); voor een neusklonk: in 
ternk, het hoofd dekken, naast ternn, hoofddeksel, (Mal. tu- 
iioDg); voor eene /, r, in sobak, zeilen, (Letti sopal, Kisser 
loplo. Mak. sómbaln); sapak, aanhaken, naast sapal,haak; 
safuk, strooien, (Jav. sawur), terwijl bijv. ma mak, kauwen. 
(H. P. mamah, mama); katuk, zenden, (Mak. pikatu, Bng. 
deatn); kalik, graven. (Mal. gali, Daj. kali), eene slot-^ 
TertcK>nen, waar het woord oorspronkelijk niet door eene medeklinker 
gesloten werd. Eene ij welke beantwoordt aan eene oorspronkelijke 
Aoi-'i is mij, misschien toevallig, niet bekend. Uit de taai-zelf 
blijkt, dat de i bij een werkwoord eigenlijk tegenover eene f^ o{ n 
staat, de i voor /, r is dns wel eene analogische uitbreiding; over 
de ^ in: kalik, enz., zie hieronder bij de werkwoorden. Daaren- 
tegen is bij andere verba de oorspronkelijke sluiter weggevallen, 
als bijv in: api, in den klem zitten; kèmi, knijpen, (stam pit 
vgl. Jav. apit, ook Sikk. kemmit, knijpen, enz.); emtako, vreezen. 
(M. P, takut); ka, eten, (M. P. stam kan); ino, drinken, (M. P. 
minum); tbho, dalen, (Mal. turun, enz.); waarschijnlijk was 
VI deze woorden de sluiter reeds verloren voordat de verauderiug 
in k plaatsgreep. De vorm koi, scheppen, naast het genoemde 
kakoil, Amb. teteullo, zou kunnen berusten op verscheiden- 
heid in klankverloop. 

^Eene toegevoegde t wordt aangetroffen, (behalve in een aantal 
«oorden, waarvan mij de verwante vormen niet met zekerheid be- 
kend zijn, als kahat, roeiriem, naast ka ha, roeien = Amb. 
^hato, &hate, naast aha; esnafet, verloving bij de geboorte, 
^■*fbij men voorschot op den koopprijs neemt, naast safe, koopen, 
(Welk woord evenals esnikun, rechthoek, elleboog. Mal. siku, 
*®'^ voorbeeld oplevert van een infix) * , in kalebat, draagstok, 
^*a»t eleban, vracht, van leba, dragen. Mal. lembara*, (het 
P'efi^ ook in katarit, bezem, naast tari, vegen; karusal, stok 
_^ vruchten af te stooten); e na n git, geween, van tangi, (M. 

^ Xn de beknopte sprk. wordt nog opgegeven empunat, daad, bij puna^ 
/^^i^oor staat evenwel in de beide woordenlijsten pampuna; eskohot, 



^¥^9 bij eskoho, doch in de woordenlijsten eskohon, of dus het aldaar 
^^eena opgegeven epfonet van foni, (M. P. wuni), te vertrouwen is, 

^^ ik niet. 
^ De slot r welke het Mal. woord vertoont, ontbreekt niet alleen in het 
/^«, Sott. en Knp. lepa, maar ook in Sikk. leba, is Jav. rémbat (met 
^^^ MaL if als Mal. ulat, naast Jav. uier, vgl. Jav. 4angê^ = ^&1* 
^xigar) hetzelfde woord? 

7- Volgr. V. 19 



204 OVSIL DS XINDii-MBDIKLINILEBS IN. HET 

F. tangis). Eigenaardig is filit, uaast filih, prijs, (M. F. 
wëli), voor de. beteekenifl wordt 's^verkoopen»' opgegeven, doch de 
Holl. Mal. Wdl. geeft voor //verkoopen/^ : penilik, >verkooper>i' : geba 
penilik, welk woord wederom in de Mal. Holl. Wdl. ontbreekt,, 
(ook snb. 8 i 1 i , ruilen) , eenigszins eigenaardig voor zulk eeu gewoon 
woord. Jellesma geeft voor H Kajelisch: filik; zoo filit werkelijk 
de beteekenis van een werkwoord heeft , dan zal het wel van nomen 
tot werkwoord ^ geworden zijn, bijv. uit eene verbinding als het in 
de Wdl. opgegeven huma filit, verkoophuis, (vgl. banit en- 
ma tan, doodszweet), huis om te verkoopeu, toko. 

Voorts wordt eene anorganische t aangetroffen, stellig in één 
adjectief, namel. fehut, nieuw, (Mal. baharu, enz., vgl. boveu 
fifin). Voor het Kajelisch wordt voorts opgegeven: buhnt, in *t 
Masar. bbhb, slecht, leelijk, stellig = Mal. burnk, enz. Uit deze 
voorbeelden, benevens uit die, welke eene anorganische «» vertoonen , 
blijkt dat het Burusch, evenals het Bott. enz., vroeger ook de ad- 
jectieven als naamwoorden vormelijk van de werkwoorden trachtte 
te onderscheiden. Dit verschil schijnt later verloopen te zijn, zoodat 
nu zelfs beha, zwaar, (Mal. bërat, enz.), de slot-^ verloren heeft 

Eene 7 in plaats van eene anorganische slot-f» wordt aangetroffen 
in: nahat, broeders, (R. nak, Tett. nan, Sikk. Lett. nara, de 
A staat dus als gewoonlijk voor een Mal. r als in baharu). Eigen- 
aardig is ook de t in: ngaat, ambt, rang, naast ngaan, naam, 
dewijl Tim. kan af, zoowel //naam// als ^rang/y beteekent, staat de 
l hier blijkbaar voor de n om eene bijzondere schakeering van be- 
teekenis te kennen te geven. Op dezelfde wijze is de verhouding van 
fuan, vrucht, fua, pinang, f nat, pisang, te verklaren; fua« 
(B. pua, mpua, Tim. puah, Tett. bua, Kup. pua-ka), is het- 
zelfde woord als M. F. wuah, evenals Mak. ra pp o, zoowel 
z)' vrucht'/ in ^t algemeen, als >/pinang// beduidt, dus z. v. a. de 
vrucht bij uitnemendheid; ditzelfde geldt van fuat, pisang = Kup. 
bua, met lidwoord bua-la, dus zonder slot-medeklinker. 



Het Sikka'sch van Midden-Flores kent als slot-medeklinkers eene 
ij eeu neusklauk, eene r, ê en L Omtrent den neusklank dient 
opgemerkt te worden, dat deze in hetgeen door den heer L. F. 

1 Niettegenstaande de pogingen tot onderscheiding van nomen en verbiuu 
.is toch soms weder een subst. tot verbum geworden, een zeker voorbeeld 
levert epnakan, stelen, (Daj. takau, ems.)* 



SOTTINEESOH IN TIMOBSBaOH. 295 

Galon , over deze taal gepubliceerd is ^ , gewoonlijk ng geschreven 
wordt , ook aan het slot van die woorden, welke zeker oorspronkelijk op 
eene n uitgaan, als: iyang, visch^ soms wordt evenwel een woord 
met eene slot-« géschreven, soms op beide wijzen, als: djaran(g) 
paard; mntun(g), aanbranden, tarun(g), indigo. Blijkbaar is 
steeds dezelfde klank bedoeld, waarvan de uitspraak denkelijk hier 
en daar weifelend is, hier zal de Deusklank steeds met ng worden 
weergegeven. Verschil tusschen verbum en nomen, door wegwerping 
van den sluiter, als in het Bott. , kent de taal niet. 

Eene slot-^ kan beantwoorden aan eene oorspronkelijke ^, als in 
a u a k , kind , klein (M. P. idem) ; o t e k , hersenen , (Jav. u t ë k) ; 
gorak, krabben, (Mal. garuk); pitek, met de vingers knippen, 
(vgl. Mal. petik, djëntik). 

£ene slot-fi^ kan beantwoorden aan een oorspronkelijken neus- 
klank, hetzij eene «, m of ng^ als: aning, wind, (M. P. angin); 
lalaug, weg, (Mal. djalan, enz.); mitang, zwart, (Mal. 
hitam); tarung, indigo, (Mal. tarum, enz.); Hang, grot, 
(Mal. idem); nuhung, rijstblok, (Mal. lësung). 

Eene slot-r kan beantwoorden aan eene r, als in kiïr, gierig, 
(Mal. kikir); ook aan de Mal. r, als in bibir, lip, (Mal. idem); 
voorts aan eene /, als in gattar, jeuken, (Mal. gatal). 

Of eene overigens zeldzame s als sluiter ooit aan eene oorspron- 
kelijke 9 beantwoordt, is twijfelachtig. De a wordt in het Sikk. als 
regel tot h en valt dus aan ^t slot van een woord af, als in: 
dani, weenen, (M. P. tangis); kappa =» kapas, enz. Dikwijls 
staat de 9 aan het slot voor eene ^, bijv. bais, naast bait, bitter, 
(Mal. pait); gois = goit, slecht; buras, bespuwen, (vgl. Jav. 
samburat); bewas, rieken, vertoont eene anorganische a tegen- 
over Daj. bewau. 

De slot-^ kan beantwoorden aan eene oorspronkelijke ^, als: urat, 
atreep, (^ Mal. urat); warat, westen, (Mal. barat, enz.); 
ram at, wortel, (Bis. gamut); kaet, haak, vasthaken, (Mal. 
kait); apet, tegen elkander drukken, këmmit, knijpen, (vgl. 
Jav. apit, enz.). 

Behalve de a kunnen ook de overige slot-consonauten afgeworpen 



1 WoordenliJBtje van het dialeot van Sikka, HoU. Sikkan.; idem, Sikkan. 
Holl.; Eenige opmerkingen over het dialect van Sikka, eenige spreekwijzen, 
enz. in het Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vlk., respect. Deel XXUI, XXIV, XXV; 
Bijdrage tot de kennis van het dialect van Sikka. Verh. van het Bat. Oen. 
V. K en W. Dl. L, !«*• stuk. 



£96 OVKK DB BIND-KEDKKLINKEB8 IN HET 

worden , wat vooral zeer veelvuldig met eene oorspronkelijke k plaats 
heefty bijv, daha, gaar, (Bat. dial. tasak); mann, hoen, (M. F. 
manuk); tahi, zee, (M. P. tasik); sepa, schoppen, (Mal. 
sepak); enna, zes, (M. P. ënëm); ninu, hij drinkt, (M. P. 
minum); uta, wild, Mal. hntan; lulu, oprollen, (Bat. lulnn); 
gnti, knippen, (Mal. gunt ing); regelmatig de Mal. t -^^ Jav. r 
lale, vlieg, (Mal. lalat, Jav. lalër); puhe, navel (Mal. pusat, 
Jav. pusër); enz. 

Eene anoi^anische slot-^ wordt aangetroffen achter meerdere adjec- 
tieven, als: merak, rood, (Mal. merah); nurak, jong, (Sand. 
ngora, Bal. nguda. Mal. muda); niluk, zuur, (Tim. mai- 
uiny, vgl. Mal. ngilu, njilu); linok, helder, (Tag. mali- 
nau), naast linong, spiegel, zoo ook mi tak, vuil, naast 
mi tang, zwart. Ook bij verba komt menigmaal eene anorganische 
slot-y^ voor, als bijv. in helluk, hikken, (Mal. sëdn); helak, 
rukken, (Mal. hela); tubuk, (Mal. tumbuh); ook in plaats 
van een neusklank, als: passak, schieten, uit Mal. pa sang; 
w&uk, stinken, naast waung, rieken. 

Eene anoi^anische n^ staat: 

a. aan het slot van subst. , welke in het Sikk» anders op eene 
vocaal zouden uitgaan en behooren tot die woorden, welke in het 
Tim. eene ƒ vertoonen of zouden kunnen vertoonen, als: limang 
= Tim. nimaf, arm, hand; matang = Tim. mataf, oog; wa- 
teng = Tim. atef, lever, hart; luring = Tim: nuif, been, bot, 
(Mal. d uri, enz.); wulung = Tim. f unuf, veder; wuang = Tett. 
ai-fuan, vrucht; tellong = Tett. man u-tol on, Bur. telun, ei; 
tadang=^Kup. tadan, teeken, Tett. tadau, macula, ook in Ier- 
rong, dag, naast lerro, zon = Tettum loron. naast loro. Op 
te merken zijn nog, marang, het droge, naast mara(k), (Tag. 
ma Ia, enz.), droog; temmang, een heel stuk, naast tem mak, (B. 
katemak), heel, gaaf; linong, spiegel, naast linok, zie boven. 
Evenals R. lifun, vertoont ook riwung, (doch ook riwu), dui- 
zendtal , de anorganische slot-^i^. De verwantschapsnamen missen haar 
in den regel, (tenzij in een woord als pulameng, oom), alleen 
komt zij voor bij inang, in de beteekenis van /r wijfje/)^, van een 
dier, als: djarang inang, merrie. Bij een woord als kusing, 
(Mal. kuntji), slot, maar ook: sluiten, is de slot-n^ denkelijk uit 
het subst. in het werkwoord gedrongen; het omgekeerde schijnt 
eerder het geval te zijn bij miping, (Mal. mimpi), droom, 
droomen. Over de werkwoorden zie voorts beneden; 



B0TTINXI80H "SSf TIM0BXX80H. 297 

&• enkele malen na een adjectif, als: daang = Tett. taan, Mal. 
tna, ond; blarang, ziek, naast blara, (Jav. l&rS); ook wa- 
dung, hard, van wadu, steen, (M. P. watu); 

e. na een telwoord, bijv. an ora Mitang rnang, (van rua, 
twee. Mal. dua, enz.), ik en M. met ons beiden; 

d. na werkwoorden, welke op eene vocaal eindigen tot vorming 
van nominale afleidingen , bijv. wayer tinung, (ook wel tinu), 
drinkwater, (= B. he nininuk), van tinu, vrij drinken; ken- 
naha (iets) ea(ng), iets eetbaars, van ea, wij eten; adja, (mais) 
pepping, fijn gestampte mais; van beppi, (ita peppi), stam- 
pen, (vgl. R. pela papank, stamp-mais, mais om te stampen); 
wayer t&nng, draag-water, d. i. pat-water, van d&u (ita t&n), 
waterdragen, (Snmb. takn) = Tim. he sbek; adja hennang, 
geroosterde mais, van henna, (onveranderlijk), roosteren = Tim. 
pen-seka; ai lebang, draaghont, draagstok, van Ie ba, (onver- 
anderlijk) , dragen aan een stok = B. lelepak; ata (mensch) m a- 
teng, een doode, van mate, (onveranderlijk), sterven = B. 
ma mat es. 

Ten slotte kan eene np ook na substantieven, welke op een 
klinker uitgaan, optreden in de waarde van het aangehechte pers. 
voorn, van den derden pers. , hoewel het Sikka^sch overigens de aan- 
gehechte pers. voorn w. verloren heeft, als: moang ratu leppo- 
ng = moang (heer) ratu (vorst) leppo (huis) nimung (zijn), 
de vorst zijn huis, het huis van den vorst; metti belli aha 
ara-ng = metti (gij brengt) belli (gij geeft) ahu (hond) ara 
(rijst) rimung (hun), brengt den honden hunne rijst! 

Op blz. 141 (of 13 V. d. overdruk) staat in de //Opmerkingen//, 
dat eene l in dit geval de plaats van eene np kan innemen, als 
voorbeeld wordt gegeven: Lucas win e-t, (wue-t, war i-t), = 
Lucas wine (wue, wari) nimung, de zuster, (oudere, jongere 
broeder, zuster) van Lucas; hai me-t, wiens kind? Zoo ook in de 
^Spreekwijzen^/ : Noriku nora win e-t eppai, waar is N. met zijn 
zusje? Solo ina nimung wue-t, de oudere zuster van Soloos 
moeder. In de /^Bijdrage tot de kennis van het dial. van Sikka//, 
blz. 10, leest men voorts: ^Later hoorde ik nog pulamet voor 
pal a meng, (oom); puat voor puang, (boom, begin); tuat 
voor tuang, (schoonvader der vrouw); al at voor alang, (hoofd); 
pat voor pung, (eigen, onderdaan); tebbot voor tebboug, 
lichaam. Hier staat dus de t als vast aanhechtsel in gelijke waarde 
als de ng. Behalve de genoemde subst. wordt ook opgegeven: lèët 



298 OVBH Dl SIND^HIDXKLINKXBB IN HST 

s= 1 è ë n g , waaromtrent ik alleen, (in de vervolglijst iu de ^rBijdragp*"), 
lèëng, puntig, dus een adjectief, vind opgegeven. Op desse wijze 
is dan ook te verklaren de t in ka wit, huwen, uit het ontleende 
kawin; moret, leven, Solor. morin, (=s MaL hidup, enz., 
de slot-jt7, als nog in Sumb. mirip, moet in het Sikk, en Solor. 
afvallen, bijv. ata = Mal. atap, rao, Kup. daku, Saw. daü, 
Daj. d a k u p ; over de n in het Solor., zie beneden bij de werkwoorden). 

Het Soloreesch ^ is vrij nauw verwant aan het Sikka^sch. De 
neusklank wordt hier gewoonlijk door eene n voorgesteld, ook in 
mitën, zwart, (Mal. hitam); irun, neus, (Mal. hidung); 
ba wan, ui, (Mal. ba wang), eene enkele maal echter door eene 
fi^, als in: lulong, oprollen, (Bat. lulun); narang, naam, 
(O. Jav. ngaran), de uitspraak schijnt dus evenals in het Sikka^sch 
eenigszins weifelend te zijn. Als slotconsonanten kunnen voorkomen 
eene k; /, (bijv. in ka wil, Tag. idem, vischlijn; tapël, op- 
plakken, opleven, Mal. tampal); », (waarbij gerekend wordt de 
«^); r, (althans in woorden als hukër, Pamp. sukad, meten, 
lottor, knie. Mal. lutut); ^, (in waarde = eene oorspronkelijke 
^, als: amut, wortel, Bis. gamut, baat, zwaar = Sikk. Mal. 
bërat, soms voor eene oorspronkelijke «, als in: kumit, baard, 
Mal. kumis; eene anorganische l komt voor bijv, in ërêt -= 
ë r ë n t , zie hieronder). Over het algemeen worden de oorspronkelijke 
slot-consonanten hier meer weggeworpen dan in het Sikk. De #, 
die evenals in het Sikk. gewoonlijk tot k wordt, is aan het slot 
spoorloos verdwenen. Datzelfde geldt bijna van eene oorspronkelijke 
slot-/(; (bijv. ana = Sikk. anak, kind, tahi, zee, Sikk. idem, 
manu, hoen, Sikk. idem; daarentegen tasak, gaar, tegenover 
Sikk. daha). Eene anorganische slot->t komt voor in: inak, bijv. 
djaran inak (ook wel iua) = Sikk. djarang inang, merrie; 
telluk, eieren leggen, en soms voor tellun, ei, bijv. telluk 
buran, ei-wit, ook: de kuiten. Hiertoe behoort ook de ^ in kapëk, 
garen, draad, Sikk. kappa, (£. abas, bij Mal. kapas). 

Meermalen staat eene i voor een oorspronkelijken neusklank bij 
verbale woorden, als: pas sak, schieten, (Sikk. idem), van MaL 
pasang; putuk, afbranden, (Mak. mutung, enz.); rosuk, 
wrijven, (Sumb. rusung), enz. Eene i in woorden als: gatëk, 
jeuken, (Sikk. gattar. Mal. gatal); kahawuk, mengen, (vgl. 



1 Vgl. H. H. O. Leemker, Woordenl. v. d. Soloreesohe Taal, Tijdsohr. v. 
Ind. T. L. en Vlk., dl. XXXVL 



BOTTINISSCH SN TIUOBSSSOH. 299 

Sikk. g e w u D g , vgU Jav. n g ë w o r , enz.) , is wel zoo te verklaren, 
Ast de oorspronkelijke sluiter afviel, en de k staat als in pas* 
aak, doch voor een anorganischen neusklank; zie bij de werk- 
woorden en hier beneden. 

De anorganische n komt voor bij vele adjectieven, als: bnran, 
wit, (Bis. pulau); maran, droog, (Tag. mala); mean, rood, 
en: beschaamd, (Mal. merah, enz.); ook in maten, bijv. in ata 
maten = Sikk. ata mateng, een doode; voorts na werkwoorden, 
als: galin, graven, (Mal. gali); morin, leven = Sikk. moret; 
enz.; voorts bij die snbst., welke in het Sikk. de anorganische np 
hebben, als: liman, hand; matan, oog, enz., waarbij ook arin, 
jongere broeder. Van die sabst., welke volgens hunne beteekenis 
hierbij behooren, vertoonen enkele een merkwaardigen vorm, nam. 
érênt naast ërêt, aangezicht, voorzijde, voor, (denkelijk bij Mal. 
hadap, Jav. arëp, eene slot-p verdwijnt steeds, evenals in het 
Sikk., enz., vgl. morin); ihink, been, gebeente? (wel: vleesch, 
lichaam, als Tett. isin, Sumb. isi, enz.); riunk, been, bot, 
(Sikk. luring, Mal. duri, enz.); matan rawunk, oogharen. 



Voor de volledigheid zij nog iets gezegd over eenige talen, die 
met de voorgaande tot dezelfde afdeeling behooren. In de Ceramsche ^ 
dialecten is eene anorganische n zeldzaam, evenals in de Amb, 
tongvallen, (trouwens ook een organische nensklank als sluiter valt 
meestal af, bijv. nala=0. Jav. ngaran, naam), bijv. ama, 
vader, rima, lima, hand. Toch zijn er enkele voorbeelden, als: 
maun, schaduw, Tett. ai-mahon, Sumb. m&u; matuan, 
oud = Tett. tuan. Mal. tua. Een voorbeeld van eene anorganische 
l is, behalve het reeds onder het Amb. genoemde naninut, 
ainut, drank: at upa t, zitplaats, naast tupa, zitten; van eene 
/ als in het Amb. , daar, waar gewoonlijk eene anorganische n staat : 
rima siuti, elders lima-sikun, elleboog, (Mal. siku); rima- 
tariiti, (ook Amb. van Hila tariïte), nagel, naast rima tariini, 
(Amb, V. Sapar. tariinno); enz. 

Yan de iets meer bekende talen der Zuid-Wester-eilanden, schijnt 
het Lettineesch ^, dat de aangehechte pers. voorn w. bezigt na alle 

> YgL A. van Ekris, WdL van eenige dial. der landstaal op de Ambonsohe 
eilanden, Mededeel. Ned. Zend. Gen., 8'^* en 9^* jaargang. 

> Vgl. G. Heymering. Bijdrage tot de kennis van de taal der Z.W.eiianden, 
Tijdsohr. v. Ned* Ind. 8«** jaarg. HL 



SOO ovta DS und-mxbxkltnksbs in hit 

snbst., een anorganischeu neusklank slechts bij uitzond ering te kennen. 
Dat zij echter voorkomen, blijkt reeds uit de woorden van den 
heer Heijmeriug, die spreekt van /j^zelfstandige naan»woorden, welke 
uit eigen aard bezittelijk zijn en daarom nooit anders dan zoodanig 
voorkomens , (dat is met het aanhechtsel van het pers. voorn w. van 
den derden pers.); bedoeld is wel een woord als: ikaruu = MaL 
e kor, staart, tevens: zijn staart. Toch ook meer onafscheidelijk 
aan het woord verbonden komen zij voor, als bijv. ay une, boom = 
Amb. ainno, (M. P. kaju; appun, buik, waarvan appan-mu, 
uw buik, (Tett. kabun. Sumb. kambu). Het Kissersch ^, dat de 
aangehechte pers. voornw. slechts bij weinige woorden kent, is 
daarentegen rijk aan woorden, welke een auorganischen neusklank 
bevatten, niet alleen in woorden als: m a kan, oog, en: zijn oog, (M. 
P. mata); w o i n i = Lettin. woe = Bur. fuan, vrucht; enz., maar 
zelfs na woorden, welke op eene consonant eindigen, als: aarne^ 
wortel, (Mal. akar). In plaats van de anorganische slot-consonan ten» 
bezigt zoowel het Lett. als het Kissersch bij adjectieven, reduplicatie 
of herhaling» als Lett. warwuaru, Kiss. woru-woru, nieuw» 
(Mal, baharu, enz.); Lett. memetme, Kiss. memekkem, zwart, 
(Mal. hitam), ook tot afleiding van subst. als matm iati, maki- 
maki, de dood, (M. P. mataj). Eene anorganische ^ zou trouwens 
toch weer moeten verdwijnen, terwijl de Anorganische t toch over 
het algemeen zeldzaam is. Een voorbeeld van de laatste geeft echter 
Kiss. sachke, tjedok, scheplepel, de chi wordt o. a. aangetroffen in : 
WO- (verkorting van M. P. wuah) -achka, vier, en staat daar, 
dus voor eene «ijo, vgl. hierbij Tim. k = nt^ maar ook = »rf, 
(vgl. aldaar sub ekam), dan blijkt, dat sachke hetzelfde woord is 
als B. dial. sambak, sambat, Kup. ksapat, Tett. knaban» 
Sumb. samba, schepemmer, (de s is in het Kissersche woord 
denkelijk gespaard gebleven doordien het oorspronkelijk nog een 
voorvoegsel bevatte, als Kup. ksapat). Een voorbeeld van eene 
anorganische s levert wais, garnaal, zie hierover beneden bij de 
bespreking van de slot-j. Het verbale subst., dat tevens in concrete 
beteekenis voorkomt, wordt gevormd in het Lettiueesch door een 
pre- of infix in, als: niari, kleed, van ari, zich kleeden: 
kuiarri, het werken, werk, van karri (uit Mal. Skr. kêrdja» 
werken); tniutu, het ondersteunen, ondersteuning, stut, schoor» 
van tutu, ondersteunen; wüiatutu, het leeren, onderwijs, van 

^ Vgl. N. Binnooy, MaL Kiss. Woordenlijst, Tijdsohr. v. Ind. T. L. en 
Vlk., dl. XXXI. 



BOTTINES8GH SN TmOBXiSCH. SOI 

watutn, leeien; in het Kissersch dooreen pre- en infix an: wana* 
kuka = Lett. wniatatu, van wakukn = Lett. watatu; sa- 
napa, bezem, van sapn, (M. P. idem); anlepe, draagstok, van 
lepe, (Mak. lémbara, enz.), soms nog te zamen met een nens-- 
klank, als henernn, pei^ntian, (Sumb. sila, vervangen); wa- 
nalhene, pembalas, van walhe = Mal. balas. 

Hoe de toestand in de talen der Aroe- en Key-eilanden eigenlijk 
is, laten de tot nn toe bekende gegevens niet toe , om met zekerheid 
te bepalen. 

Over het Mafoorsch, zie beneden. 



Het is noodig nog even te blijven stilstaan bij een verschijnsel, 
dat zich voordoet in eenige, met de boven besprokene weliswaar 
verwante, doch niet nauw verwante talen, namelijk met die der 
Banks^ Islands en verwanten. In zijn //Short Grammar// voor zijn 
^Dictionarj of the langnage of Mota^/ zegt K. H. Codrington: >/the 
terminations i, iu or ui, and in a few cases e, shew the nouns 
to which they are snfBxed to be without depeudence, in thought 
or grammar, upon things or persons, or upon the names, to which 
they maj otherwise beloug or stand in relations/. Zulke naamwoorden 
uoemt hij dan ^independent nouns// en geeft voorts als voorbeelden : 
^thus in namatana, his eye, (na artide, na sufBxed pronoun)^ 
m-ata, eye, as thought and spoken of in relation to a person; 
but an eye, independent of such relation, is matai, mata-i; so 
na-pane-na, his hand, pan ei; a pigs head, qat qoe; a head 
generally, qatui.^ 

Uit deze voorbeelden blijkt reeds dat deze woorden tot eene be- 
paalde catagorie behooren. Duidelijker komt dit nog uit in de 
/rShort comparative Grammars ; in ffThe Melanesian Languages/i^ 
van deuzelfden schrijver. Aldaar leest men otntrent de «^independent 
nonns// : //there is only one class of words, which receive this 
generalizing termination : Nouns which signify parts of a whole , 
member of a body and such like, things which can stand in a 
certain relation to some inclusive whole.// Het zijn dus dezelfde 
woorden , welke in het Timoreesch op eene ƒ plegen te eindigen. 
(0(^ de verwantschapsbenamingen kunnen er toe behooren, bijv. 
Mota. tam ai, vader). In het voorbijgaan zij gezegd, dat er in de 
taal van Mota eigenlijk slechts één aanhechtsel is voor deze woorden. 



302 OVXE DE EINB-MXDSKLINKXSS IK HIT 

namelijk i; ui komt voor bijv. in susni, de vrouwelijke borsten 
(M. F. susuh, snsu); ulni, wului, haar. (M« P. wulu), 
en met omzetting susiu, uliu, wuliu^welke omzetting soms 
de gewone vorm is geworden, bijv. toliu, ei, (O. Jav. hantélü 
enz.); vandaar ook suriu, been, bot, (Mal. duri, enz.). Codringtou 
spreekt van ui, iu, omdat de woorden zouder dezen uitgang in 
de taal van Mota sus, ui, enz. luiden, feitelijk komt evenwel de 
oorspronkelijke eindvocaal voor de i weer te voorschijn. Het eenige 
voorbeeld met e, mij bekend, is tae, drek, (M. P. t'ai), naast 
ta, denkelijk was de i hier reeds in e overgegaan. In de verwante 
talen wordt voor i in Mota, gi of ge, aangetroffen, als: wulugi, 
vulugi, viligi, iligi, ilige=ului, wului, haar; doch ook 
wel eene n, als: tolin, tien = toligi = toliu, ei; hirin = 
sirigi = surgi, huigi = surin, been, bot. In de genoemde 
>/short coroparative Orammar/>' kan men lezen, dat, zij, die bijv. 
den vorm tien voor vei» bezigen, zich volkomen bewust zijn, 
daarmede iets gelijkwaardigs te geven, als bij andere woorden door 
de aanhechting van ge of gi;3=Mota i, dus: ei, in het algemeen. 



Bij het maken der gevolgtrekkingen uit de hier boven opgesomde 
gegevens zal begonnen worden met die woorden, welke Codrington 
met den naam /i^independent nouns// bestempelt. 

Met een woord als: hirin, been, bot, st^mt overeen Tett. ruin, 
Amb. ririn(no), Bur. rohen, Sikk. luring, (met «y, voor «), 
en zoo ook met tien, ei, Solor. tellun. 

Wel bestaat er eenig verschil, hirin, (tien) toch is /i'been, bot, (ei)/r 
in het algemeen, maar ook, (als ni-rihin): /i^zijn, haar, been of bot^, 
doch bijv. /^mijn been/j' luidt: (ni-)hirik, doch in 't Tett., enz., 
die alle het aangehechte voorn w. verloren hebben, (met uitzondering 
van het Amb., dat het echter, o. a. bij zulke woorden, voor het 
subst. plaatst), luidt dit resp. : haü kan of haü-n (in Dilli haü 
nia) ruin; jako nau rohen; luring aung; (tellun gben), 
zoodat daar dus de neusklank een vast bestanddeel van het woord 
geworden is. Dit doet echter tot de zaak niets af, de oorzaak dat 
deze en de tot dezelfde soort van woorden behoorende subst. den 
neusklank als sluiter vertoonen, kan oorspronkelijk geen andere zijn 
dan die, welke hirin, in waarde = suriu, sirigi = Tim. nuif 
deed onstaan. Qeheel in waarde komen overeen Kupangsche woorden 



KOmNEBSOH SN T1M0SIE80H. 308 

als: in, voet, un in, (i-n), of met het lidw. in-na, zijn haar, 
zijn voet. Het kan nu niet twijfelachtig zijn, dat de n in een hirin, 
been, bot, in H algemeen, (Kap. in, voet), dezelfde waarde heeft 
als de n in: (ni-) hirin, zijn, haar been, bot, (Knp. nn in of 
in-na, zijn haar, voet). 

Het ia van algemeene bekendheid, dat het aangehechte voomw. 
van den 3^^ persoon in de Mal. Pol. talen, dikwijls eenvoudig de 
waarde van het lidwoord heeft. Een woord, als Kup. in, beteeken t 
das eigenlijk: de voet als generieke beoaming, v, d. voet in het 
algemeen, terwijl de differentiatie met /^zijn voet^ in de taal be- 
werkt wordt door het voornw. un, (of een subst.), voor in te 
plaatsen, (of gelijk bij ni-hirin, door voorvoeging van een soort 
lidwoord). Ongetwijfeld is das ook in Tett. ruin, enz. de anorga- 
nische neasklank oorspronkelijk het aangehechte pronomen geweest; 
daarop wijzen met stelligheid ook vormen als Lettin. ikarnu, 
staart, Kisser. aarne, wortel, enz.; voorts zulke als Tett. susu- 
uen, melk, Amb. wael-matan(no), bron, enz., daargelaten nog, 
dat in het Sikk. nog de ng (voor oorspronkelijke n) nog soms als 
aangehecht voornw. kan optreden. En wat betreft den vorm n voor 
na, dergelijke verkortingen der aangehechte voornw. komen niet 
alleen voor bij de zoogenaamde Melanesische talen, en het fiott., 
Tim., Kap., maar ook in het Bim., Sumban. , en voorts in het Bat., 
de Philipp. talen, zij het ook niet overal bij hetzelfde woord. 

Die woorden nu, welke in het Tettumsch enz. de anorganische 
«, oorspronkelijk het aangehechte voomw. v. d. 3^*° pers. hebben, 
dns de verwantschapsbenamiugeu , lichaamsdeelen, enz., vertoonen 
nu in het Bottin. eene anorganische k ^ of dial. den ingeslikten 
medeklinker , met uitzondering van natun, lifun, waarvan trouwens 
ook door eene k gesloten afleidingen bestaan). De enkele in het 
begin gegeven voorbeelden kunnen naar willekeur vermeerderd worden, 
onder de verschillende boven besproken talen zijn er meerdere op- 
gesomd. Alleen zij hier nog gewezen op lèdok, dag, naast lèdo, 
zon, gelijk Tett. lor on naast loro; nusak, land, eiland = Sikk, 
nahang = Jav. nusa; voorts op woorden als: hade-bek, sawah, 
eigenlijk: water (hé) van of voor de rijst, te vergelijken met vormen 
als Amb. wael-matan(no), bron, (dit B, be-mata, doch diaU 
ook be-matak). 

Het Tim. vertoont als regel eene / in deze woorden, maar ane- 

1 Nataiirlijk in het algemeen, uitzonderingen kunnen hier buiten be« 
schouwing blijven. 



804 OYEB DS XIND-iaDEKLIKKEBS IN HST 

bek =3 E. hadé-öek, sawah; tèl^, tèkp = Bnr. telun, TetL 
manu — tolun, ei; hau-f u^ = Bar. fnan, Tett. ai-fuan, zijn 
duidelijke voorbeelden, dat ook deze taal bij deze woorden eene k of 
ingeslikteii medeklinker vertoonen kan, terwijl ook de slot-^, welke 
uit k ontstaan moet zijn , bij deze woorden voorkomt. De n vertoont 
niet alleen natun, nifun, maar ook naten, naast (niut)-nata 
= Sikk. rateng = Sumb. rati, dial. rati, ook Tettum rate. 

In het Kup. behooren, behalve de woorden als: in, voet, mata 
(un mata-ka), oog, kduli-(ka), doorn, enz. hiertoe ook die 
woorden , waar de n een vast bestanddeel van het woord geworden is ; 
duidelijk zijn: dakin, huidvuil, kbukun, gewricht; bij bilin, 
koopprijs eener vrouw, vgl. Bur. filin, Amb. helin(no), prijs, 
tadan, teeken == Sikk. tadang; bij khalin, zijde, vgl. Tim. biaf. 

In het Tettumsch behooren hiertoe, behalve die welke op n uit- 
gaan , ook die eene k aan het slot van eene samenstelling hebben , 
als: ai-sanak, tak = Amb. sanan(no), enz. Hierbij ook wel 
fa tik naast fatin, plaats. Zie voorts hieronder. 

Ten slotte wordt iu het Solor., als in inak, eene enkele maal 
eene k voor de n aangetroffen. 

Daarentegen vertoonen soms de Ambonsche (en ook de Ceramsche) 
tongvallen, eene enkele maal het Burusch (in nahat) en meer- 
malen het Sikkaueesch eene i in plaats van de n. 

Het spreekt vanzelf, dat de verschillende talen, wanneer men 
in bijzonderheden nagaat welke woorden als /i^independent noans'>' 
aangeduid zijn, meermalen van elkander verschillen. Boven zijn 
natuurlijk slechts enkele woorden, welke hiertoe behooren, opge- 
somd; daaruit kan echter voldoende blijken, dat zij, wat betreft de 
namen van lichaamsdeelen van mensch of dier (uitgezonderd ge- 
woonlijk het Amb.), de deelen van eene plant, gewoonlijk overeen- 
stemmen, (tenzij de vorm van het woord het niet toelaat; een 
aauhechtsel na een medeklinker, als bijv. in het Kissersch, is uit- 
zondering). Yeel meerdere afwijkingen vertoonen reeds de verwant- 
schapsbenamingen. Hierbij is denkelijk te brengen Tett. falak = 
Tim. bam3i = Kup. balu(-ka), weduwe, weduwnaar, (R. echter 
falu), alsmede Kup. (ata(-ka) slaaf, doch B. enz. ata, Tim. 
at el. Evenwel is de vorm onregelmatig, ook in het Kup., dewijl 
men bijv. niet zegt: ko ata-ma, voor: uw slaaf, maar ko ata- 
ka, zoodat de ^, of wat er voor in de plaats treedt, een vast 
bestanddeel van het woord geworden is. 

De grootste verscheidenheid wordt uit den aard. der zaak bij die 



B0TXDÖBK8GH SN TIMOUBDSCH. 803 

woorden gevonden, waarvan de grond van het gebruik van het 
aanhechtsel alleen daarin kan zijn gelegen , dat zij steeds als bepaald 
bij iets behoorends of als deel van een geheel worden beschouwd. 
De een zal bijv. een roer van een vaartuig, bepaaldelijk zoo onder- 
scheiden, gelijk de Timorees met mnnif, de andere niet, terwijl 
wederom een ander den stamper, als bepaaldelijk bij het stampblok 
behoorende, zal beschouwen, gelijk in £. aluk, Tim. v. Amar. 
haiiuk, tegenover elders alu; enz. 

Er blijven evenwel enkele woorden over, welke naar den vorm 
hierbij behooren, maar moeielijk als deel van een geheel of be- 
paaldelijk bij iets behoorends kunnen beschouwd worden. Hiertoe 
behooren bijv. Sikk. nuhang, Tim. nus^, Kup. nusa(ka), £. 
n u 8 a k , laud , eiland : tegenover Tett. Amb. Bur. = Jav. n u s a ; 
Sikk. rat eng, Tim. na ten, (A. lates), graf, tegenover Tett. 
rat e SS Sumb. reti, rati. Natuurlijk heeft de ng voor n in het 
Sikk. (waarvoor, gelijk wij reeds gezien hebbeu, bijv. in het Tim. 
de ingeslikte medeklinker staat in gelijke waarde, daai^elaten nu 
hoe dit te verklaren is) , hier dezelfde waarde als overal , en be- 
teekent nuhang oorspronkelijk: zijn eiland, rateng, zijn graf, 
en is later de ueusklank vast aan het woord gegroeid. Hier schuilt 
uu echter eene moeielijkheid. Hoe vroeger de regels voor de aan- 
hechting der pers. voomw. in het Sikk. zijn geweest, is nu niet 
meer na te gaan, (het gebruik, dat thans soms nog van de ng 
gemaakt wordt, bewijst natuurlijk niets). Maar in het Tim. en 
Kup. (en denkelijk was het voorheen ook zoo in de verwante talen), 
kannen de pronominale aanhechtsels niet vrijelijk achter elk subst. 
gevoed worden ; men kan bij v. niet zeggen : kö uma-m, hb 
ume-m, voor: uw huis, maar alleen: kö uma, hö umel, en dat 
dit vroeger anders geweest is, althans zoolang het Tim. en Kup. 
a&onderlijke talen zijn, zou eerst te bewijzen zijn. Wanneer wij nu 
echter wederom het Mota vergelijken, dan geldt daar, (gelijk in de 
overige zoogenaamde Melauesische talen), als regel, wat Codrington 
iii de genoemde Short Grammar aldus uitdrukt : //One class of nouns 
takes the pronoun of the posessor in the suffixed form; being the 
iiames of parts, members, equipments, possessions, which staud in 
close and constant relation to the posessor^ ' . Hiertoe behooren dus 



' Hieraan yoegt hij toe: ^It is not always easy to perceive the gronnd of 
the distinction" ; na-usu-na, his bow, non o wose, his paddie. Het is 
opmerkelijk dat Bott. 8èfe = Mota. wose juist eene der uitzonderingen is 
op den regel, dat subst. en verbum vormelijk onderscheiden worden. 



306 OVXB Dl 1ÏIND-USDBKLINKBB8 IN HST 

nog behalve de ^/independent nouns^ meerdere substantieven, en 
daaronder ook die^ woorden, welke in die taal: /rland, eilander en 
//graf/l' uitdrukken, niet echter ima (= Mal. rum ah, enz.) huis ^. 
Blijkbaar zijn de vormen nuhang, rateng, enz. op deze wijze te 
verklaren. Enkele woorden hebben de n, of wat er voor in de plaats 
treedt, wel gekregen toen de eigenlijke waarde niet meer gevoeld 
werd, alleen nog als iets dat meer bepaaldelijk bij een snbst. kon 
voorkomen, zonder invloed op de beteekenis te hebben, en daar- 
door geschikt om verschillende schakeeringen van beteekenis te onder- 
scheiden, zoowel in Tett. loron, dag, naast loron, zon, (vgl. 
bijv. Bur. ngaat, rang, naast ngaan, naam); Amb. ainno, 
aiujo, &inele, boom, naast ai, hout. Eeue beteekenis kan natuur- 
lijk de n, of wat er voor in de plaats treedt, niet hebben in: Amb. 
papaenno, papaja, Bur. pawën, mangga; Tim. bak^ul^, Kap. 
kudu (-ka), bengkudu, enz. Aangezien een gedeelte der Timoreezen 
bakijL, anderen ba kus bezigen voor het ontleende Port. banco, 
schijnt de n, enz., hier hetzelfde aan te duiden als soms de slot^, zie 
aldaar. Kup. pua(-ka), Tim. puah, pinang, heeft den sluiter 
wel van 't woord voor //vrucht/»' behouden, waarmede het oor- 
spronkelijk één was. De n in het woord voor ^duizendtal^ , B. 
lifuu, enz., ook Lett. riwnu, Kisser. riunu, en naar analogie 
daarvan in sommige talen ook in ^s^houderdtal//), duidt wel eveneens 
een genitief aan , mogelijk ware het echter ook , dat het woord 
oorspronkelijk adjectief was, gelijk het nog in het Sikk. /i'zeer veeU 
kan beteekenen. Hoe of Tett. fatuk, steen, aan de slot-^ komt, 
begrijp ik niet; R. heeft batuk = Sikk. wadung, hard; is deze 
afleiding in de plaats van het subst. getreden , of is het een overblijfsel 
van eene afleiding als: kfuluk = fülun, pello? 

Een oorspronkelijke neusklauk aan het slot is, voorzooverre hij 
niet afgevallen is, in het Bott., behoudens de reeds genoemde uit- 
zonderingen, regelmatig tot k geworden; eeiiige andere voorbeelden 
zijn nog: fupuk, kruin, (Bug. buwung. Mal. bubung, nok); 
edak, trap, (Daj. ejan, enz.); henak, dial. heudak, de pan- 
danus, (Sikk. peddang, Jav. pa^dan); huk, boom, stam, (Bur. 
pun, Tett. hun, Mal. pohon), iak, visch, (M. P. ikan)^ 
hutak, schuld, boete, (Mal. hutang); kadek, houtskool, (Kup. 



1 Dewijl bijv. het .woord voor nberg" in de taal van Mota eveneens het 
gesuffigeerde pronomen aanneemt, staat bijv. de n van Kup. lèten, Tim. 
neten, \BL, lètek) berg, vgl. daarenboven Tett. leten, hoog, naast kla* 
letek, berg, in . verdenking van anorganisch te zijn. 



SOmNEXSCH XX TIM0BBS8CH. S07 

aleng, Jav. arëng, enz.); ndandauk, naald, (Mal. dj^arum,. 
enz.), enz. Enkele woorden, als bijv. dbk, blad, (Mal. dann),. 
enz. kunnen ook gebruikt worden tot de eerst besproken subst.,. 
eene scherpe grenslijn is niet overal te trekken. Hoe de toestand 
in de overige talen is, is boven, bij de bespreking der afzonderlijke 
talen, gebleken. Alleen in het Tim. is een oorspronkelijke slotmede- 
klinker eveneens meermalen veranderd, hoewel lang zoo regelmatig niet 
als in het Rott. ; elders echter, ook al rekent men in de talen, waar het 
verschil tns.schen verbum en subst. geringer is dan in het Bott., de 
werkwoorden mede, is de verandering van een oorspronkelijken 
nasalen sluiter zeldzaam , daargelaten het Burusch, waar de verandering 
de beteekenis heeft, welke boven bij de beschrijving der taal vermeld is. 

De verandering van eene oorspronkelijke t in i komt, behalve 
in het Bott., alleen meermalen in het Tim. voor, alsmede in het 
Burusch, met de beteekenis, welke boven vermeld is. 

Voor het overzicht zullen de verschillende gegevens thans zooveel 
mogelijk in tabel gebracht worden. Tabel I stelt voor de slotmede* 
klinkers bij die subst. , welke in het Tim. op eene ƒ plegen te ein- 
digen, en waarbij de «, voorzooverre zij die vertoonen, gelijk reeds^ 
gebleken is, oorspronkelijk de waarde van het pronominale aau- 
hechtsel van den derden persoon heeft, het ontbreken van den anor- 
ganischen slot-medeklinker blijft hier buiten beschouwing. Tabel II 
stelt voor de behandeling van den oorspronkelijken nasalen sluiter. 
Tabel III geeft de anorganische slot-medeklinkers bij de adjectieven ,. 
voorafgegaan door een overzicht van een vijftal dier woorden in de 
verschillende hier besproken talen , voor zooverre zij hetzelfde woord 
bezigen; (van de woorden, welke onder de eerste tabel behooren,. 
was h/et noodeloos, van die, welke ouder de tweede behooren, on- 
mogelijk zulk een overzicht te geven). Tabel lY stelt voor de sluit- 
letters bij het verbale subst., eveneens voorafgegaan door een over- 
zicht er van in de verschillende talen , voor zooverre dit anorganische 
sluiters vertoont; waar dit niet het geval is of een eigenlijk verbaal 
subst. in een of andere functie uiet gebruikelijk is, is de plaata 
oningevuld gelaten. Het was hier onmogelijk hetzelfde woord voor 
verschillende talen als voorbeeld te nemen. De zeldzamer voorkomende 
sluiters staan tusschen haakjes. De ingeslikte medeklinker zal hier voorge- 
steld worden door eene q en om een tabellarisch overzicht gemakkelijker 
te maken, zal de q ook staan voor die woorden, welke in het Kup., 
hetzij steeds, hetzij in een bepaald geval als lidwoord ka aannemen» 
Yoor het Amb. stelt de n de uitgangen nno, njo, no, ne, voor» 



308 



oTxs Dl nan><-HKi»ujirKSB8 m hit 











■ 











• 
O 

1 


ö 






•k 




es 

a 




• 

• 
O 


co 

5"* 




g;cs 




50 





• 

O 

1 







Pi4 

es 




— 




.A4 

es 




— 


1^ 




• iü^" 


























pfi 





























9 




3 






a 




r^ 






es 




'eT 






a 


"s 










«•-1 




o 






C6 

a 










PQ • 


•« 




>• 


























s 


;t 






















^^^ 






- . 






^é) 










^ 












*- __ - .— . ■ 




• 




• 




• 

.O 




O 








08 

es 

a 


es 
es 

a 




•» 4 

eS 





"eT 



eS 


• 


B 




a 






"3 











08 

a 


es 




s 


a 


a «>- 


< ^ 




-< 






pC3 




P4 










*■ 




<! 


<S" 



























. 






^- _ ^ 


































• eo 












•k 






•^ 




• 










"^ 












M 






« 


• 

a 


«^ 


• 

I— < 
1^ 


• 







Sa 

kT 




• 


M 

c8 

es 





es 
09 


es 




es 


eo 
es 



es 




• 


• 

O 

o 


^ ^ 

«'H^ 


1-3 




• 1 




O 

«•-1 




Sis 






a 




a 


0' 


^ 


o 


^ 


H --i. 


^ 




















^^,,^ 




H S 






3^ 


ï 1 


• 

Pu 
















es 






^ 












C^ 


w 


0- 











a 

es 




es* 

03 


0k 

es 






> 




• 






^ 




P4 






a 




a 









el 









































• 

M 
















• 

Pu 
9 


W ^fl 




^ e: 










• ^^ 










:v* 






M 






1^ 




• 






s 






0). 




a 






• 


^'O 




« 




H 












es 




»> 
/©• 






^H 






■ 

<s 

B ^ 












a 






a 




a 






^ 










• 


? 




• 




• 


es 




-«j 




a ö 


's 




•> 




• 
O 


•> 




0? 

0- 


• 


eS 

3 





eS 
es 


a 

es* 

es 

a 




es 



es 










• 






^^ 






«4-i 


^^^^ 


a 










• 




2 




























2 

























• 


> •> 




• *■ 












eS 














•■ 


J-s 




^3 




■ 




es 




»r^ 




• 




eS 




es 








ns 

•• 








^H 


*0 

es 


k 




P4 








B 




a 


es 

0' 









BorriNBiaoH bm tihobkicsch. 



809 






ö A 
to ö 






o 
zo 



=3 ö rt fl .. >^ bo «r 

** '• * Ö 5^;3 ►» 



08 08 



«a M ^4 ^ (^ 



2 ^ « 08 yflS 08 
O os ^ ^ ^ ^ 






08 
O? 



M O 



r 






•• -«d I I I 

•"4 d 08 r^ d «i^è 

«: d o e 1? «> 

= 5 2 S ^ "" o.. 

s Bt 5: t 

:c» © 2 Sb g 5 ï 



d 

08 

§ a 

tdD d 

O) 



I 1 1 



08 

08 



22 S d 5 
« ► « d 

>* d o ^ 

> — « . 0) 
r' bO te t3 

• ^< •»■■» ^ • ^* 

- «art IK ^_< 



u 

3 



^^ 



« 



a 



08 

a 



d 
d 

08 



I 

d 

08 A 



O) 



09 

08 
(O 



co 
08 

(O 









^ s ^ 

«> 08 ^ 
•fi .^ e8 



Jt4 

O 

d 
Jt4 



08 O? 

d a 

-^ a 

.O 08 



« 



<D 08 



M 



08 
-** © 

d * He 

3^3 d I 

d-= jg 

IS a 



d 

08 

£ 
« bo 

1 ö 

08 
^ d 

d OQ 

08 

OQ 



08 
I 

os ^ 

• -** 

eo o8 
o; 



S ^ fl 9 

o _Q II M 

2 fl ^ P 

3 ^ * 



a 



a ■=" 






Ö "5 



Ö m 05'-' 



d 
d 

d 

a 






d 

08 

d 

OQ 



8 



bO 



d 

d 







O 


08 


d 


'O 


co 


09 



O ^ d 

a 



d 



08 

d 

08 



9i flS' 

os ■** a> 

V 08 09 

a " S. 



- T d 



09 



« g d 



a 



08 23 o 



O 






•4^ • d ,^— s 

a ^ ^ 
^ SP §8^* 

08 O) d ^ 



^ jd «> 



gAd-^ 
^ 'm -^ © 



Volgr. 



A« o8 ö " 

© rt P5 rt 

d oo 

- V. 



03 

© 

08 a 
a © 

© 03 

3^ 

03 o 
a 'ö 

08 — ' 



09 d 

O © 
O -** 

<^ o 

M o 

08 09 
S3 08 

© a 

09 ö 



co 



co 



a £3 



03 08 

'qj a 

P^ 



d 
d 

d 
• «-• 

d 

• 

la 

d 

d 

d 

d 



08 

-O 

a 
© 

© 



d 



© 

•O 
co 

O 

.09 
d © 

o8 • oé •' 



d- 



a 
© 



'Ts ^ .« 2 13 



. tÜD " d* « CL, 

d * 08 ,j»« CL J; © 

g CL, g 3 S^^ -d 

S'.Z 2^ ^ CL, « *£^ 
©do 

F-< «-H co 



2 

00 



08 2 






'O 



20 



SlO OTXS DE HMD-KBDIKLINKXBS IN HBT 

TABEL V. 

Rott. van Term. • Bott. van Dengka , : m- ^ 

enz. I Oenale. j ' , 

k,(»). t, q, (s). i>(^)- : 't, voor < in verba. 



De Timoreesche slot-^ voorloopig buiteu beschouwing latende, 
blijkt ait de bovenstaande tabellen, dat in deze talen, eene k^ (of 
wat er voor in de plaats treedt) , alsook eene i , (waarvoor in sommige 
talen de 9 in de plaats treedt als het woord reeds eene t bevat, en 
reeds nu kan geconstateerd worden, dat ook de Bott. woorden: 
mamates, tatatis, in dit geval verkeeren) , naast eene n in vol- 
komen gelijke waarde als anorganische slot-consonant optreden. Dewijl 
zich deze gelijkstelling en daardoor ontstane verwisseling in veel 
mindere mate, in sommige talen nagenoeg in 't geheel niet, voor- 
doet bij eeue oorspronkelijke slot-«, wat in deze talen, (het Eott. 
even buiten beschouwing gelaten), zeggen wil: een oorspronkelijke 
nasale sluiter, dewijl ook de m en ^ tot n (of omgekeerd in het 
Sikk. de « en »i tot ng)^ zijn geworden, nog zeldzamer bij de oor- 
spronkelijke slot-/ of ^, ligt reeds terstond de gevolgtrekking voor 
de hand, dat de veranderingen, welke de oorspronkelijke sluiters 
soms hebben ondergaan, het gevolg zijn van de verwisseling der 
anorganische sluiters. Tevens kan er uit opgemaakt worden, dat 
het verschijnsel niet van phonetischeu aard is, anders zou er toch 
wel geen reden zijn, waarom een oorspronkelijke sluiter niet geheel 
en al op dezelfde wijze werd behandeld als de anorganische. De 
omstandigheid, dat in een Kup. un mata-ka, (zijn oog), de oor- 
spronkelijke k in de plaats treedt van het pronominaal aauhechtsel 
van den derden pers., en in het Sikk. eene t thans nog met d& 
waarde van dat aauhechtsel optreedt, wijst in welke richting de ver- 
klaring van het verschijnsel te zoeken is. 

In de eerste plaats kan geconstateerd worden, dat, dewijl aldus^ 
eene k of t in de waarde van n als pronom. suffix kan staan, de 
^ en / derhalve die waarde ook moeten hebben in de subst. van de 
eerste tabel, dewijl, gelijk wij reeds gezien hebben, de n daar de 
waarde van het aangehechte pronomen heeft, en tevens, dat die gelijk- 
heid in waarde van de k en t met het pronom. aauhechtsel reeds- 
voorkwam in de taal , die de grondtaal der hier besproken talen was. 

Thans mogen in herinnering gebracht worden de merkwaardige 
Soloreesche vormen: ihink, (wel: lichaam), riunk, been, bot,. 



BOTTINSBSOH EN TIMOUEESOH. 311 

matan-ra wank, ooghaar, vgl. Tett. timir-rahuk, asan-rahun, 
kinhaar, baard; ërënt, naast ërêt, aangezicht, voorzijde. Zonder 
eenigen twijfel behooren deze woorden tot de subst. der eerste tabel; 
hierin staan dus nt, nk, (of ngk, het doet tot de zaak niets af), 
Tolkomen in dezelfde waarde als elders n, k, of t; deze woorden 
moeten das in aanmerking genomen worden bij de vraag, wat de oor- 
zaak der gelijkstelling is geweest. Hoe zijn deze vormen nu te ver- 
klaren? De ^ of Xr als phonetisch paragogische toevoegsels te verklaren, 
is wel niet mogelijk, want, daargelaten of het klankstelsel der Mal. 
Poljn. talen zulk een paragoge waarschijnlijk maakt en daargelaten, 
dat men zou moeten aannemen, dat de n nu eens dentaal, dan als 
eene np uitgesproken werd, wat nu misschien, gezien het Sikk. en 
Solor. en de algemeene verwisseling of gelijkmaking der ueusklanken 
zulk een groot bezwaar niet zou zijn, er zou toch wel geen enkele 
reden kunnen zijn, waarom juist en alleen de », in de beteekenis van 
het aangehechte pronomen, zulk een phonetisch toevoegsel had ge- 
kregen. Een vorm als riunk, zou oorspronkelijk de beteekenis 
kunnen hebben van ^/mijn been, bot//, (dus voor riungku), een als 
ërënt, van //ons aangezicht.// Maar indien deze vormen, met de 
beteekenis, welke zij thans hebben, werkelijk zoo te verklaren 
waren, dan zou moeten worden aangenomen, dat er reeds in de 
taal, waaruit de hier besproken talen zijn voortgekomen, eene 
algemeene verwarring was ontstaan ten opzichte van de kracht en 
beteekenis der aangehechte voorn w., althans tusschen dat van den 
eersten pers. enkelv. en meerv. (inclusief) en van den derden pers. En 
nu doet zich het feit voor, dat juist in de talen, die het verst 
zijn gegaan in de vervanging van de n door eene ^, althans het 
aangehechte pronomen v. d. 1"^^ pers. enkelv. volkomen in orde 
is: bijv. Bott. au lima-ng, met lidwoord au lima-nga, dial. 
lima-ngg-a, dus ngg regelmatig voor ngk(u); zoo ook Kup. 
au ima-ng, Tim. au nima-k (k regelmatig voor ngg, ngk). 
Zelfs gesteld, dat bij eenige subst. de juiste vormen in zwang 
waren gebleven, (als bijv. in het Kup. het pronominale aanhechtsel 
V. d. S**'* pers., in een woord als: in), dan is het toch niet 
waarschijnlijk, dat deze overblijfsels bij zulk eene groote verwarring 
in staat zouden geweest zijn het geheel te reconstrueeren. Ontkend 
kan overigens niet worden, dat, hoe ook het ontstaan der vormen 
te verklaren is, zij in eene taal met pronominale aanhechtsels aan- 
leiding tot verwarring moesten geven, dewijl bijv. het aanhechtsel 
van den 3^^^ pers. gelijk kon zijn aan dat van den eersten pers., 



SI 2 OYSB DE EIND-HE DEKUNKSRS IN HET 

en onmogelijk is het niet, dat deze omstandigheid althans een der 
oorzaken is, van het verloren gaan der pronominale aanhechtsek 
in enkele van deze talen , maar daarbij kon , in den aanvang althans, 
het gevoel nog levendig zijn gebleven, dat als aanhechtsel van den 
eersten pers. enkel v. alleen ngk, ngg kon dienen, (wat dus iets 
anders is, dan wanneer een vorm als riunk, oorspronkelijk f mijn 
been'/ later ook ^i^zijn been^ zou hebben kunnen beteekenen), terwijl 
door dat k, t, hetzij nevens, hetzij in plaats van ng (ngk), nt 
gebezigd werd, althans in een aantal talen, het gevaar voor ver- 
warring week. ^ De ^ en ^ van de vormen als: riunk, ërênt, 
behoeven echter niet juist overblijfsels te zijn van de perèoanlijke 
voornaam woordelijke aanhechtsels ; k en t met volgende vocaal, 
stellen wij voor het gemak ka, ta, zijn ook algemeen Mal. Polyn. 
aanwijzende voornaamwoorden, en als zoodanig, kunnen zij óf ter 
versterking van een ander voornw., (vgl. hieronder mana; Bat. 
ham u-na, enz.), dienen, bf wel het pers. voornw. van den derden 
pers. eenvoudig vervangen, (als bijv. in het Ibn.). In beide gevallen 
kon uit een riu-na-ka, ërë-na-ta, (of uit een riu-n(ng)-ka, 
ërë-n-ta, n als genitiefsteeken) , met behoud van het oorspronkelijke 
accent, (vgl. bijv. Amb. dinele, enz.), riunk, (riungk), ërënt, 
ontstaan , evenals bijv. Bott. au tima-ug(g), uit au tima-ng-ku, 
daargelaten dat de g uit ku, nu afgeworpen is). Het meest waar- 
schijnlijke, dunkt mij wel, dat de pronominale woordjes k(a), t(a), 
eenvoudig in de plaats van het aangehechte voornw. v. d. Ö*** 
pers. zijn getreden, in alle gevallen zijn vormen, als inak, ërët, 
wel niet langs phonetischen weg uit inank, (inangk), ërênt, 
ontstaan, maar door den eenvoudigeren vorm k(a), t(a), in de 
plaats te stellen voor nk(a), ngk(a), nt(a), wat om verschillende 
redenen kan geschied zijn, evenals thans vele talen ku voor ngku 
bezigen. Ook als men een vorm als riunk, als een meng- vorm wil 
beschouwen, blijft de zaak hetzelfde. Met zekerheid, voor zooverre 
die althans in dergelijke zaken te bereiken is, mag men zeggen, 
dat dit de oorzaak is van de gelijkstelling en vandaar van de ver- 
wisselbaarheid van de k, t en n, in de oorspronkelijke waarde van 
het aangehechte voornw. van den derden persoon. Waarom in het 
eene geval k(a), in het andere t(a) is gebezigd, zal thans wel 
moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn om uit te maken, even moeielijk 
of onmogelijk als de oorzaak aan te geven, waarom bijv. het Fidji 



1 Vgl. ook hierbeneden de noot over het Mafoorsch. 



BOTTINIESCH EN TIMOEESSOH. 313 

in kabola, het prefix ka, in tadola, het prefix ta bezigt. ^ 
De Timoreesche f moet op gelijksoortige wijze verklaard worden , 
stellig blijkt dit uit een vorm als in ama-f, zijn vader, waar de 
ƒ , op dezelfde wijze het pronominale aanhechtsel vervangt als elders 
de ir en de t dit doen. Eene f beantwoordt in het Tim. aan eene 
oorspronkelijke w. Als adverbium komt fa (= Sumb. wa),nog voor 
in het Tim. en Rott., als prefix komt wa nog in het Balin. voor, 
bijv. waumah, huisgenoot, dus op dezelfde wijze als ka, prefix, 
oorspronkelijk pronomen, in de Philippijnsche talen, voorts in het 
O. Jav., vgl. voor Daj., Sumbaw. ba, Mal. bar. Blijkbaar is dus 
w a ook van oorsprong een pronomen , en naar alle waarschijnlijkheid 
de oorsprong der Timoreesche slot-/*. * Of hiermede nog in verband 
staat de neiging , die het Tim. soms vertoont, tot eene w, (voor m}>) , 
aan het einde in plaats van de ^, waartoe oorspronkelijk blijkbaar 
alle neusklanken , als in het Tett. , Amb. , enz. geworden waren ? * 

' Het is mijn voornemen niet om het meer beperkte terrein der hier be- 
sproken talen te verlaten, toch moet ik opmerken, dat bijv. een woord als 
Bis., Ibn. ulin tegenover Tag, huli (vgl. Mal. kamudi) eene zelfde anor- 
ganische slotletter vertoont, als bijv. Kup ulin = Tim. munif, tegenover 
B. uli. £n vertonen Ibn. agi-t (vgl. ook afii-t, kleinzoon, zelfs baliga-t 
= MaL balera), benevens Mal. ad ik, elders ari, enz., niet dezelfde anor- 
ganische toegevoegde t en Ar. En is Jav. si kut tegenover siku; Mal. burit 
tegenover Jav. buri, wuri, mogelijk ook eene differentiatie als Mal. gigi 
en gigit, niet 'op dezelfde wijze te verklaren? 

< Met het klankstelsel der talen van de Banks' Islands ben ik te weinig 
bekend om te kunnen bepalen of i in het Mota als in : m a t a - i , oog , ontstaan 
is uit gi, ge, elders, dan wel of gi, ge bestaat uit g (althans in het Mota 
dikwijls voor k) en i. In elk geval zal de verklaring der vormen wel dezelfde zijn. 

> Gemakkelijker dan bij de beschrijving der afzonderlijke talen kan hier 
even aangestipt worden hoe de toestand is in het Mafoorsch, (vgl. Beknopte 
Sprk. der Noefoorsche taal en Noefoorsoh-Hollandsch Wdb., door J. L. van 
Hasselt, Sprk. d. Nufoorsche taal door F. J. F. van Hasselt, benevens : Kern, 
Over de verhouding van het Mafoorsch tot de Maleisoh-Polynesische talen, 
in de Actes du ^^ congres des Orientalistes, 4ine partie). In bon, ai-bon 
=3 Bur. fuan, Tett. ai-fuan, heeft de taal een merkwaardig overblijfsel 
oit vroegeren tijd bewaard, waaruit tevens blijkt, dat ook hier de n als aan- 
gehecht voomw. V. d. 3<^*° pers. in gebruik is geweest. Op dezelfde wijze 
schijnt de anorganische slot-neusklank voor te komen in: bemurim, ten 
oosten =Sikk. baimuring, achter. Bul. muri, idem, (B. muli,muri 
west, vgl. ki, links en noord, kona, rechts en zuid), de m staat in het Ma- 
foorsch meermalen voor eene n; in ufen, ubi, (vgl. Amb. papaen(no), 
papaja) ; mogelijk in meerdere woorden. Bij de meeste woorden welke in het Tim. 
bepaaldelijk op eene f plegen uit te gaan, de verwantschapsnamen en de namen 
der liohaamsdeelen, heeft het Maf. een ander aanhechtsel, namelijk r i , als km a- 
ri, kama-ri, vader, (Fidji tama, M. P. ama); s na -ri, moeder, (Fidji tin a, 
M. P. ina); swa-ri, echtgenoot, (Baj. saw&, B. saok);sne-ri, buik» 



314 OYEB DE £IND-M£DEKLINKEKS IK HET 

Thans volgen nog eenige opmerkingen naar aanleiding en in 
volgorde der tabellen. 

Bij Tabel I. Naar al hetgeen boven omtrent deze subst. gezegd 



(Api sine, Eromanga tini, Bis. tinaj, darmen^ Saw. tani-ae, groot-baikig 
= zwanger)) enz. Aangezien ri, ^i, di eveneens een welbekend woordje is, 
dat als voomw., voorz. en bijw. kan optreden, zal de verklaring dezer vormen 
wel geen andere zijn, dan de boven gegevene. Dit ri is een vast aanbechtsel 
geworden, zoodat het ook blijft na het bewaard gebleven aangehechte pers. 
voornw. v. d. tweeden pers. enkel v. dus s n e - m -(b)- r i , uw buik ; s w a - m -(b)-r i , 
uw echtgenoot, (bij de verwantschapsnamen overigens gewoonlijk min of meer 
verloopen als sma-m-i, uwe moeder, enz.) Hiermede is eenigszins te ver- 
gelijken een vorm als Tettum ó ama-n (met vaste n), uw vader, of nog 
beter, vormen als in het Kissersch jau akinune, mijn hart, o akimne, 
uw hart, ai akinne, zijn hatrt, waarin blijkbaar de anorganische slot n te 
zamen met de pronominale aanhechtsels voorkomt. Merkwaardigerwijze komt 
de oudere n in den vorm na als nieuwvorming, (na pers. voorn, voor zaken) 
wederom in het meervoud, (althans regelmatig bij de namen der lichaams 
deelen), te voorschijn, als in: mgo sne-m-na, uwe buiken; si sne-s-na 
hunne buiken; ook: mgo swa-m-na, uwe echtgenooten ; si swa-s-na 
hunne echtgenooten. In den laatsten vorm staat de s voor si in de beteekenis 
van het pers. voorn. v. d. 3*'" pers. meerv., dus in de waarde van ons woord 
„hun", welke waarde si ook bijv. in het Amb. hebben kan, vgL si kma-s-ri, 
hun vader, tegenover si kma-s-èr-si, (er wel uit r i) , hunne vaders, waarin 
het tweede si het meervoud te kennen geeft; in den grond zijn beide overigen 
éen, evenals B. 1 a, (r a) in 1 a b o a, (r a b o a), zij dragen vrucht, enmanu-ia(-ra), 
de kippen. Nu beteekent sne-ri ook: zijn buik, swa-ri, zijn echtgenoot, 
het is mogelijk dat de vorm deze beteekenis ook reeds terstond gehad heeft, 
hoewel dan de poging tot differentiatie, bijv. tussohen „buik'' in 't algemeen 
en n^iji^ buik", die toch ook hier wel de aanleiding zal zijn geweest tot de 
algemeene verandering, reeds van den beginne af aan mislukt zou zijn. 
Mogelijk is echter ook, dat later de behoefte aan differentiatie niet meer 
gevoeld werd en toen de vorm met ri geheel en al in de plaats van dien 
met het aangehechte voornw. van den 3*^*" pers. is getreden, het laatste dunkt 
mij waarschijnlijker, in elk geval wordt de waarde van ri niet meer gevoeld, 
gelijk ook aanstonds blijken zal. Of nu de beteekenis: ^^i^ buik", welke 
une-ri eveneens kan hebben, eenvoudig aan het verlies van het aangehechte 
voornw. v. d. 1"**° pers. enkelv. moet worden toegeschreven, dan wel of ten 
tijde der vervanging beide vormen niet goed te onderscheiden waren, (vgl. 
hetgeen hierboven bij de verklaring gezegd is), kan ik niet beslissen. Ook de 
vormen als: ko sne-s-na, onze buiken, en si sne-s-na, hunne buiken 
zijn, (afgerekend het voorgeplaatste volledige voornw.), volkomen gelijk. Dit 
is trouwens ook het geval in het Rott., Tim. en Kup., bijv. R. ita mata-n, 
onze oogen (of met lidwoord mata-n-ala, terwijl in geen dial. na de n 
eene d te voorschijn komt), en sila mata-n, hunne oogen, Kup. kit 
mata-n-s (s teeken van het meerv.) en oen mata-n-s, waarin dus in 
plaats van het aangehechte voornw. v. d. 1'^*° pers. meerv. inclusief ook bij 
voorplaatsing van ita, kit dat v. d. 3**" pers. (meerv.) wordt gebezigd, terwijl 
daarentegen het Tim. de vormen hit mat -k-en, sin mat -k-en vertoont, 



BOTTINSESOH EN TIMOBEESOH. 815 

is, valt niet veel meer mede te deelen. Het Bott. heeft vau de 
gelijkwaardigheid van de ^ en » als slaitletters gebruik gemaakt 
om bijv. limak, hand, in het algemeen , volkomen te onderscheiden 
van lima-n, zijn, haar hand. (Veel zeldzamer heeft de taal het 
eenvoudiger middel te baat genomen van afwerping der anorganische 
dot-consonant.). Alleen in lifun, natun is de n gebleven, dewijl 
er geen onderscheiding noodig was. Het Tim. staat met het gebruik 
<ler slot-/* op hetzelfde punt als het Rott. ; dewijl de slot-/ gelijk- 
waardig werd aan de slot-% en daarmede ook aan eeue slot-^ of t 
behoeft daar, waar eene f in plaats van die sluiters voorkomt, niet 
aan voorafgaande afwerping daarvan gedacht te worden, maar kan 
ook eenvoudige vervanging hebbeu plaats gehad. In het Kup. is 
de differentiatie eigenlijk op niets uitgeloopen, dewijl ook het aan- 
gehechte voornw. v. d. 3**^" pers. enkelv. (oorspronkelijk) tot k ge- 
worden is, zoodat mata, (wat eerst wel ma tak zal geweest zijn), 
oog, van un mata(ka), zijn oog, alleen door voorvoeging van het 
voornw. onderscheiden is, evenals, in, voet, van un in(-ua), zijn 
voet. Dit zal ook wel de reden zijn waardoor in deze taal de n^ 
hetzij tot vast-bestanddeel van het woord geworden, hetzij als in 
in, voet, zoo dikwijls onveranderd is gebleven. Waarom in het 
Tim. soms in plaats van de f eene k of ingeslikte medeklinker staat, 

waarin en teeken van het meervoud is en k als zoo dikwijls, (vgl. bij de be- 
schrijving der eind-medeklinkers van bet Tim.)) wel voor eene nt staat, zoodat 
ook in de beteekenis „hun" het aangehechte voornw. v. d. 1'**° pers. meerv. 
incluBief gebruikt wordt. Deze verwarringen zijn toch denkelijk aan den invloed 
van vormen als Solor. er ent te wijten. Wanneer een lichaamsdeel dubbel 
voorkomt, bezigt het Maf. in plaats van ri: si, dus mga-si, oog (M. P. 
mata), we- si, been (Daj. pai, B. eik), enz. Dit si is wel stellig hetzelfde 
si, dat dient als partikel om het meervoud te vormen, bijv. in km a-s- ér- si, 
onze vaders. Aangezien si oorspronkelijk evengoed een pronominaal woordje 
is als ri, kan het op zich zelf eveneens het pronominale aanhechtsel n ver- 
vangen. Evenwel beteekent bijv. mga-si ook: zijn oog, en dat de vorm 
deze beteekenis oorspronkelijk niet kan hebben, volgt daaruit, dat si in het 
Maf. steeds een meerv. aanduidt. Toch kan deze omstandigheid wel niets 
bewijzen omtrent de oorspronkelijke waarde van ri, de bijzondere aanduiding 
<der dubbel voorkomende lichaamsdeelen komt alleen in het Maf. en de daar- 
mede nauwer verwante talen voor, en is stellig van lateren datum en gevormd 
naar het voorbeeld van de woorden met ri. Alleen bewijzen deze woorden, 
4lat tbans ook in ri niets meer gevoeld wcrrdt van de waarde van een pro- 
nominaal aanhechtsel, (wat trouwens reeds blijkt uit het voorkomen van ri 
na de m, het aangehechte voornw. van den 2***"* pers.), evenmin als iets van 
de eigenlijke kracht van na in de meervoudsvormen overgebleven is. Een 
mengvorm met n en ri is wel: urendi, stuit, achterdeel, achtersteven, (vgl. 
Sng. u r i = Jav. wuri, buri), mogelijk ook meerdere op n d i eindigende subst. 



816 OVEB DE EIND-HEDSKLINKSKS IN HST 

(eene n is behalve in nifuu, natun, ook wel in na ten, tijdens 
de vervanging niet meer als de anorganische n gevoeld), behoort tot 
die zaken, welke wel niet meer uit te maken zijn. Ook de vervanging 
der n in de overige talen zal wel aan de zelfde oorzaak toe te schrijven 
zijn, zoo zal er denkelijk eens bijv. tusschen Sikk. tebbong en 
t e b b o t , lichaam , wel eenig verschil geweest zijn, thans, nu de aaoge- 
hechte pers. voornw. , verloren zijn gegaan, zijn het alleen overblijfsels 
zonder beteekeuis. Het Ambonsch, dat ook de pronominale aan- 
hechtsels behouden heeft, zij het ook op bijzondere wijze, schijnt 
later de afwerping der anorganische slot-medeklinker tot middel van 
differentiatie gekozen te hebben, maar vertoont toch nog enkele 
overblijfselen van de vroeger gevolgde wijze. Dewijl niet alleen in 
de dial. van Dengka en Oenale, maar ook in het Tim., Kup. en 
Tett. in geen dezer subst. eene t de plaats der n inneemt, mag 
hieruit wel opgemaakt worden , dat ook in de overige dial. van 
het Bott. , en dus in 't algemeen in de talen van Timor, de ^ hier 
niet in gebruik is geweest, tegenover het Amb. , Bur. , Sikk., Solor., 
ofschoon de laatstgenoemde taal ook de k vertoont. 

Bij Tabel II. Ook bij deze subst. is de sluiter in het Rott. met enkele 
uitzonderingen regelmatig veranderd in ky dial. den ingeslikten mede- 
klinker. Hieruit is op te maken, dat, dewijl de n de oorzaak der ver- 
andering is, ook de m en nff in het Bott. eerst tot n waren geworden, 
gelijk in het Tett. enz. De oorzaak dezer verandering is wel na te gaan. 

Het Bott. bezigt de aangehechte pronomina vrijelijk achter elk 
sübst. , evenals de talen der Westelijke afdeeling dit doen , (het doet 
er hier niet toe of dit gebruik in het Bott. van lateren datum is, 
dus de taal overeenkwam met het Tim. en Kup., die in dat opzicht 
meer met eene taal als het Mota overeenstemmen, dan wel of het 
steeds zoo geweest is). Eene gespaard gebleven n = oorspronkelijke 
neusklank , werd nu naar analogie van een vorm als : 1 i m a - n 
naast limak, voor het pronom. aanhechtsel aangezien, en naar 
analogie daaroaast een vorm met sluitende k gevormd, bijv. nesun 
kreeg de beteekeuis van: zijn stampblok, en vandaar nesak,, 
stampblok. De woorden , waar eene n is gespaard gebleven , als : 
udan, regen, nemen ten gevolge van hunne beteekeuis de pro- 
nomin. aauhechtsels niet aan, toch is ook in menig woord, dat 
in hetzelfde geval verkeert, naar analogie de n in ^ veranderd. In 
het Tim., waar het gebruik der pronominale aauhechtsels veel be- 
perkter is, is ook de verandering van den oorspronkelijken sluiter 
in /, (meerdere malen in ky q)^ zeldzamer, ofschoon ook hier de 



BOTTINESSOH SN TIMOBEESOH. 317 

analogie wel meermalen eene verauderiug te weeg zal gebracht 
hebben, mogelijk is ook hier en daar, waar men geen k toch slechts 
den ingeslikten medeklinker voor een oorspronkelijken neusklauk 
aantreft, als bijv. akfi^ naast akfnn, afkun, ster, aan klank- 
verzwakking te denkeu. Dat de verandering in het Kup. bijna niet 
voorkomt, is te begrijpen, als men bedenkt, dat ook vele subst. , 
welke tot de eerste tabel behooren, op n eindigen, daargelaten dat 
de taal zoowel eene n en ng als sluiter kent. Dat op omgekeerd 
in eene taal , als bijv. het Tettum , ook eene enkele maal eene n = 
oorspronkelijke neusklank, dezelfde verandering heeft ondergaan als 
plaats kon grijpen bij de slot-» der tot de eerste tabel behooreude 
snbst. , is eveneens te begrijpen ; de reden , waarom die verandering 
nn juist bij dit of dat woord plaats greep, ligt in het duister. 

Bij Tabel III. De Ambonsche vormen op /, vooral in de dial. 
van Saparua en Nusalaut, (vgl. ook Haruku. man iel e, dun, bijv. 
met hataele== Mal. ba tang, stam), bewijzen, dat men het adjec- 
tief bepaaldelijk vormelijk als nomen heeft willen onderscheiden. Een 
vorm als bijv. Tettum mutin beduidt dus letterlijk, (de m = ma 
vooraan, was blijkbaar reeds krachteloos geworden), met de gewone 
beteekenis van het aanhechtsel als lidwoord: het wit-zijn, witheid, 
en om te zien hoe zulk een subst. tevens als adjectief dienst kan 
doen, behoeft men niet verder te gaan dan zulke Kup. vormen als: 
in -mate, het sterven, en: dood; in-muki, het rijk zijn, en: 
rijk, trouwens een Eott. fulak, Tim. rauti, Kup. puti, betee- 
kenen zoowel: witheid als: wit. Eene afleiding als E. batuk, Sikk. 
w a d u n g , hard , van batu, wadu, steen , is op dezelfde wijze te 
verklaren: het (als) een steen zijn, hardheid, enz.; het komt eigen- 
lijk op hetzelfde neer als de afleidingen van adjectieven met ma, 
welke toch beteekeuen : die (dat) is wat (of gelijk als wat) het 
grondwoord uitdrukt. In de Rottineesche dial. van Dengka en Oenale 
komen enkele adjectieven voor, welke op eene t eindigen, bijv. 
daut = daük, licht, niet zwaar; Ibfot, rófot = ndófok, ge- 
makkelijk; makèt •= makèk, zoet; ik kan echter niet met zeker- 
heid zeggen of de t hier anorganisch of oorspronkelijk is, dit 
laatste is wel 't geval in een Tim. makliat, kleverig, (vgl. Mal. 
lëkat), enz. Welke consonant in het Amb. is uitgevallen, is niet 
met zekerheid te zeggen. Het Tim. bezigt ook soms eene /' voor de 
n bij adjectieven. Denkelijk werd zulk een adjectief met ƒ oorspron- 
kelijk alleen gebezigd bij de subst. , welke op /' eindigen , en is 
later algemeen geworden, gelijk bijv. in het Saw. wo- (uit M. P. 



318 OVER D£ EIKD-MIDEKLINKX2S IN HST 

wuah) -apa, loos, en v. d. slecht, oorspronkelijk van eene vrucht, 
later van al wat den vorm van eene vrucht had, gezegd werd, en 
ten slotte als het algemeene woord voor //slecht, leelijk// in gebruik 
kwam. 

Bij Tabel IV. Het gemakkelijkste zal zijn bij de bespreking der 
verbale subst. met het Tettumsch te beginnen. Deze taal heeft blijk- 
baar de oude vorming van werktuigsnameu , gelijk die in het Bul., 
Sangir. geschiedt, behouden, bijv. kakoir, rasp, van koir, raspen. 
Gaat echter het groudwoord van zulk een werktuigsnaam op een klinker 
uit, dan wordt het woord dikwijls, toch niet altijd, gesloten door eene 
«, of de varianten ^, L Men zou nu in de « een overblijfsel van een 
oud affix kunnen zien, bijv. ëu in de waarde van an elders. Of 
het nu bepaaldelijk te bewijzen zal zijn , dat meu hier niet met zulk 
een affix te doen heeft, weet ik niet, maar, daargelaten, dat er 
geen spoor van zulk een affix gevonden wordt bij de woorden, waar- 
van het grondwoord op een medeklinker uitgaat, de voortdurende 
afwisseling van n met ^ en ^, zoowel in het Tettumsch als in de 
overige hier besprokene talen, wijst er duidelijk op, dat men hier weder 
met n in de beteekenis van het pronominale aanhechtsel te doen 
heeft, üe toevoeging van de «, (met de varianten A, ^), heeft dan 
weder geen ander doel dan om, evenals bij de adjectieven van tabel 
III, het woord bepaaldelijk als een nomen te doen uitkomen. Een 
woord als : b a b a k u n , knods , tegenover b a k u , slaan , wordt dus 
door den vorm bepaaldelijk als een subst. aangeduid, men kan het 
desnoods weergeven met //het slaan '^ , want dat zulk een verbaal 
subst. ook, of liever, uit kracht van zijne beteekenis, geschikt is om 
een werktuig te kennen te geven, blijkt, om bij de reduplicatie te 
blijven, uit vormen als Sangir. sasangi, in de beteekenis van: 
geween; kak ia, het schreeuwen, bawirahi, begeerte, tegenover 
sasile, schepnet, bawulu, lokmiddel, enz. Over het prefix k(a) 
bij de Tettumsche werktuigsnamen, zie aanstonds. 

Over de werktuigsnamen in het Ambonsch behoeft verder niets 
gezegd te worden, ook niet over die in het Bur. , alleen is op te 
merken, dat de laatstgenoemde taal evenals het Tim., de reduplicatie 
verloren heeft; over het prefix ka zie aanstonds. 

Het Rott. heeft, evenals het Tett. , de afleiding van werktuigsnamen 
behouden, in het bijzonder lette men op: ndandauk, ndandaut, 
naald, overeenkomende met Sangir. darahung. In het Bott. heeft 
zich evenwel de beteekenis regelmatig uitgebreid tot die van een 
Sangir. sasangi, (geween), dus tot die van het verbale subst. in het 



BOTTINEBSCH EN TIMO&EESCH. 319 

algemeen, met nagenoeg alle schakeeringen van beteekenis, die 
zulk een subst. hebben kan. In de meeste dial. wordt dit subst. , 
(enkele uitzonderingen daargelaten, waaraan geen slot-medeklinker 
toegevoegd is, deze uitzonderingen komen, evenals het ontbreken der 
reduplicatie nagenoeg alleen voor bij de meer concrete beteekenis vau het 
subst., daarnaast staat gewoonlijk de regelmatige vorm in de meer 
abstracte beteekenis, bijv. si silo, geweer, sisilok, het schieten, 
enz.), door eene h of den daaruit ontstanen ingeslikten medeklinker 
gesloten, in de dial. van Dengka en Oenale als regel door eene t; 
dat die i ook vroeger in de andere dial. als regel heeft moeten 
voorkomen, bewijzen de vormen met 8 als: mamates, talatis, 
tataos, waarin de s blijkbaar om dezelfde reden staat, als waarom 
zij in het Tim. enz. eene i vervangt, namelijk, dat er zich reeds 
eene t in het woord t bevindt; wanneer het subst. in het Term., 
eny. ook oorspronkelijk eene h aan het slot had gehad, bestond er 
absoluut geen reden, waarom deze letters na eene ^ in * zou ver- 
anderd zijn. Overigens komen nu ook in de dial. van Dengka en 
Oenale vele subst. voor, welke door den ingeslikten medeklinker 
gesloten worden, daaronder zijn er ongetwijfeld, welke vroeger op 
eene t uitgingen, want, denkelijk ook door den invloed der andere 
dial., begint de t te verdwijnen, zoodat men bijv. in Dengka 
dedea, naast dedeat = dedeak, (het zeggen, woord, zaak), 
bezigt, maar aan den anderen kant is het volstrekt niet zeker, dat 
al de hiertoe behoorende woorden, welke thans in die dialecten 
door den ingeslikten medeklinker gesloten worden, vroeger op eene 
^ uitgingen. Vormen als : na fa dak, nafadet, het zeggen, gezegde, 
zijn meer speciaal Bottineesche formaties van nafada, na fa de, 
(hij zegt), met toevoeging van h(t) ^ naar analogie der andere, als 
teeken , dat het een subst. is. 

Ook in het Tim. zal men van den werktuigsnaam moeten uitgaan ; 
deze heeft echter, evenals in het Bur. de reduplicatie verloren. 
Daaruit heeft zich ook , evenals in het Rott. , doch minder regelmatig , 
de beteekenis van het verbale subst. in het algemeen ontwikkeld. Als 
sluiter komt gewoonlijk de t voor, dikwijls ook de ingeslikte mede- 
klinker, dewijl, ook daarnaast de volkomen uitgesproken i voorkomt, 
vooral daar, waar de vorm meer de functie van een adjectief vervult, 
kan de ingeslikte medeklinker, althans als regel, niet uit de i ont- 
staan zijn, dus zijn van den beginne af èn ^ èn ^ de vervangers 
van de n geweest. Een vorm als Tim. mninut, (Kup. idem, Amb. 
m a n i n u t) , drank ; m n è s q , slaag , enz. , beteekeut eigenlijk oor- 



320 OVEB DE EIKD-MEDEKLINKIBS IN HST 

spronkelijk niets anders dan: wie drinkt, wie slaat; dewijl echter 
een verbaal-snbst. ook de agens kan aanduiden , kan omgekeerd een 
woord, dat den agens aanduidt, een der andere schakeeringen van 
beteekenis van het verbale subst. aanduiden, zie voorts hieronder. 
Het Kup. voorvoegsel s is wel hetzelfde woord, als het ook in 
die taal als vragend voornw. gebezigde sa, gelijk Heymering wel 
terecht het Lettineesche samormiori, (dier), verklaart, dus: al 
wat leeft, (zoo ook bijv. in het Tett. samean, cobra, eigenlijk 
wat rood is, roode = bruine slang, tegenover sa modo, cobra 
verde, bij kmódok, geel, B. mombdok, geel, groen), in 
vorming dus gelijk een Saw. do lila, vogel, eigenl. wat vliegt, 
van do, betrekkelijk voornw. en lila, vliegen. Een Kup. skait 
beteekent dus : wat haakt , en v. d. ook : waarmede men haakt ; das 
s p u p u , waarmede men blaast , blaasroer ; kaibant snilin, 
goederen, waarmede men ruilt of kan ruilen, ruilgoedereu. Eigen- 
aardig is het bij de vorming dezer woorden, dat eeue t van het 
grondwoord steeds in eene n verandert, dus snikau, hnikau, 
stok, van tikan, op een stok leunen. De s wordt denkelijk aan 
eene l gelijk gesteld, vandaar bijv. snap ut, veger van sa pa; 
mij schijnt deze verklaring waarschijnlijker toe, dan dat men de n 
hier als een infix beschouwt, welk infix dan alleen na eene s zou 
voorkomen. In elk geval heeft men ook hier, door analogie, eene 
verwisseling en dus gelijkstelling van eene «, ^ (en denkelijk #). 
In plaats van eene prefix s (a) komt nu in het Tett. meermalen een 
prefix k(a) voor, toch zoodanig, dat ook eene aanvangs s van het 
grondwoord in eene n veranderd is, bijv. Tett. knedok = Kup. 
snbdet = Br. sosbdek, scheplepel, (ook Tett. k na ban, emmer, 
ofschoon Kup. hier ksapat heeft). Eigenaardig is Tett. kmalar, 
ziel, levensgeest, in Oaloli manar, dus stellig hetzelfde als Mal. 
sumangat= Kup. smangin = B. samanek *. Derhalve is de 
k voor werktuigsnamen in waarde eveneens =^ Kup. s (a) , zoodat een 
woord als kbabaruk, spit, (nog daargelaten de eindconsonant), 
èn door de reduplicatie èn door het voorvoegsel als subst. is aan- 
geduid. Ook het Bur. vertoont in sommige werktuigsnamen een 
prefix ka, als: kalèbat, draagstok, ka ta rit, bezem, enz. (trouweas 
ook sporadisch komt ka elders in dezelfde functie voor, als bijv. 
in Tag. karajom=^B. ndaudauk, naald). Daaraan sluit zich het 



^ De r aan het slot, bewijst dat de Mal. slot-^ hier in waarde gelijk is aan 
die van lalat, Tett. lalar. 



BOTTINEESCH EN TDCOBEBSGH. 821 

gebruik van ka aan iu het Bott. in die woorden, welke dezelfde 
beteekeuis hebben als de afleidingen met mana, als: kadbdok, 
die slacht, die doodt; ka f e pak, die slaat enz. Hiermede stemmen 
overeen de Tim. vormen, als: albrot, arbrot = het zoo even 
vermelde £. kadbdok; amates = Kup. h mat es, die sterft, die 
dood is, denkelijk heeft het Tim. eene h aan het begin van deze 
woorden verloren. In elk geval blijkt , dat de oorzaak der toevoeging 
en waarde van de ^, ^ aan het slot dezer woorden dezelfde is als 
bij de in de tabel opgesomde naamwoorden. Met de functie van 
ka = ma na, hangt natuurlijk samen die van ka = ma, in het 
Rott., bijv. kabafik:= mafafik, een varken hebbende, en van- 
daar is het gebruik van ka bij adjectieven in het Tett. , als in 
kmodok, geel, kat u as, oud, te begrijpen ^. 

De Sikkaneesche vormen als: lebang in ai-lebang, draag- 
stok; mateng, Solor. maten, in ata mateng, (maten), doode, 
zijn eenvoudig zoo te verklaren, dat de aangevoegde ng = n het 
verbum tot een subst. maakt, vgl. sub tabel III. Vormen als ti- 
nung in: wayer tinung, driukwater, zijn te vergelijken met 
zulke Bottineesche vormen als nafadak, gezegde (of als adjectief 
io d e dea nafadak, eene zaak, die gezegd wordt, waarover men 
spreekt), met dit onderscheid, dat het Sikk. om het algemeene uit 
te drukken, het subst. van het verbum in den 1"**™ pers. meerv. 
inclusief afleidt; het Rott. daarentegen van het verbum in den 3*"* 
pers. enkelv. 

Thans blijven nog over te bespreken de Kup. vormen als: in- 
mate (-ka), de dood, dood (als adjectief); klaarblijkelijk stemt 

1 Hierbij kan nog gevoegd worden Ceram atupat, zitplaats, (vgl. atuat 
^= Mal. katupat). Het gebraik van ka als prefix, gelijk het hier vermeld 
is, gevoegd bij het gebruik van ka, (met varianten), als prefix tot vorming 
van passieve verbaal-adjeotieven, causatieve werkwoorden (Mak., Bim., Saw. 
voorts in ma ka), levert, dus een volkomen paraUel op met het gebruik van 
p a als prefix, hetzij afzonderlijk, hetzij vereenigd met andere vorm-elementen. 
Bitzelfde geldt van sa, (verbaal-adjectieven bijv. in het Bim., Bug. als tja; 
causatieven in het Sumbawareesoh). Een werkelijk verschil tusschen de daar- 
mede gevormde woorden bestaat er dus niet, alleen is de eene functie, die 
een vorm met zulk een prefix, oorspronkelijk pronomen, vervult, algemeener 
en in meerdere talen verspreid dan de andere. Niet zoo volkomen is de 
parallel met ta, (en varianten), dat daarenboven zelden zonder andere vorm- 
elementen optreedt; wel vormt het verbaal-adjectieven, substantieven, doch 
zoover mij bekend is geen causatieven, alleen réciproque werkwoorden (gelijk 
pa, in het Bat., Sumb., Saw., si in het Mak. Bug.) of reflexieve werkwoorden, 
aU in Daj. ta -f- i^eusklank, (Bat. marta, Sangir. meti -[- i^eusklank), en 
verbaai- woord. 



322 OVER Di: EIND-KEDSKLIKKSKS IN HET 

hiermede overeen een Bur. enmatan, (en soms, als in es na f et, als 
infix behandeld), terwijl men deze en nagenoeg al de overige fanc- 
tien, die een verbaal subst. vervullen kan, wedervindt in de Letti- 
neesche vormen met pre- of infix in, ui, als: i n - a r i , het kleeden, 
kleed; tuiutu, het ondersteunen, stut, alsmede in de Kissersche 
vormen met pre- of infix an, als wanakuku, leer, anlepe, 
draagstok, soms ook met de anorganische slot-» (of ne) als h ene- 
run, vervanger, vgl. Amb. san a man o, sanamane, naast san a- 
m a 1 o. Hetzij men nu aanneemt , dat de a van het pre- en infix in 
het Kissersch en Amb., phonetisch voor i staat, wat wel het waar- 
schijnlijkste is, hetzij men an als een variant van in beschouwt, 
met zekerheid, voor zooverre die in deze zaken te bereiken is, kan 
wel gezegd worden , dat men hier met het algemeen gebezigde M. P. 
pre- en infix in, ui te doen heeft *. 



1 Als dit juist is, en er is, dfunkt mij, moeielijk iets t^egezi in t-e brengen, 
(ook het naverwante prefix i komt voor, bijv. Kiss. jodi(-e), vrachtje, bij 
nodi, hij brengt, (Tett. idem, E. neni, dial. nendi, Sikk. netti, hij brengt 
en hij houdt vast, Sumbaw. ënti, vasthouden), zoo ook Bur. el éban = Kiss. 
jodi(-e) van léba, dragen), dan is hier wel de oudste beteekenis van den 
vorm bewaard. In, ni zijn oorspronkelijk pronominale woordjes evenals de 
variant na, in het Amb., Lett. bijv. is ni nog als aangehecht pronomen in 
gebruik. Komt nu zulk een pronominaal woord voor een verbaal woord, dan 
ontstaat een vorm, die men het best met verbaal subst. kan bestempelen, of 
men nu de beteekenis van een Kup. i n - 1 ó n o , als : die jaagt, jager, of van een 
Kissersch sanapu, wat veegt, veger, dan wel in-lóno als: het jagen, de 
eerste moet stellen, wie zal het zeggen; denkelijk komen alle schakeeringen 
van beteekenis, die een verbaal subst. hebben kan te gelijk te voorschijn, 
(gelijk bekend is kan zulk een pronomen- woord ook als voorzetsel optreden 
vóór een verbaal woord, tot woordvorming staat het echter wel nimmer in 
die functie, wel vormen zij in die waarde de affixen, gelijk het Bim. o. a. 
nog duidelijk aantoont). Feitelijk bestaat er dus geen werkelijk verschil 
tusschen dezen vorm en die, welke gemaakt zijn door voorvoeging van 
ka, pa, enz. Wel zullen de pronominale woordjes op zichzelf waarschijnlijk 
schakeeringen van beteekenis vertoond hebben, maar voor hunne beteekenis 
als vorm-elementen is dit van geen waarde geweest, anders konden zij 
moeielijk vormen van geheel en al dezelfde beteekenis formeeren en meer- 
malen in verschillende talen in elkanders plaats treden. 

Het is dan ook niet de oorspronkelijke beteekenis van een vorm, maar 
wel het gebruik, dat eene taal er van gemaakt heeft, in verband met de 
andere vorm-elementen, die haar ten dienste stonden, de differentieering der 
middelen dus, wat de waarde, welke een vorm heeft, in de eene of andere 
taal bepaalt. In zooverre kan men met het oog op eene bepaalde taal wel 
spreken van de waarde, welke een of ander vorm-element aan een woord 
geeft, of van de beteekenis van een prefix, enz. Er wordt wel eens te veel 
waarde aan de vorm-elementen gehecht, feitelijk dienen zij alleen tot meerdere 



BOTTINEBSGH EN TIMOSEISCH. 328 

Hierbij kunnen nog in 't kort besproken worden de overige Rotti- 
neesche naamwoorden, welke door eene k gesloten worden. Een 
vorm als k a d u a k , beiden , alle twee , tweede , behoeft geen nadere 



verduidelijking van eene beteekenis of grammaticale functie, (als hier bijv. de 
Yorm met i n als subst. tegenover de M'erbale functie) welke een stam woord op zich- 
zelf ook al hebben kan en ook werkelijk heeft in die talen, waar vorm-elementen 
ontbreken. Om een voorbeeld te noemen: het Mal. bértjukur kan o. a. 
beteekenen: zich laten scheren, en bij het gebruik, dat het Mal. van bèr 
maakt, was dit het aangewezen prefix om die beteekenis aan te duiden; het 
Sumb. bezit zulk een prefix niet, maar bezigt eenvoudig het grondwoord 
kikir ook in den zin van: zich laten scheren, (ik kies hier het Sumb., omdat 
mij in die taal bet woord in die beteekenis is voorgekomen). De verklaring 
is natuurlijk eenvoudig dat kikir zoowel; iemand scheren, als: zich scheren 
beduidt, terwijl uit de laatste mediale beteekenis die van „zich laten scheren" 
is voortgekomen. 

Om nu terug te komen op den vorm met in, ni: het spreekt vanzelf, dat 
de waarde, welke de vorm, (met de talrijke variatiën door vervanging van de 
i n door andere pronominale woordjes), in de meeste Westersche talen heeft 
(vgl. o. a. het Battakscli), eigenlijk overeenkomt met de oorspronkelijke; een 
verbaal subst. kan toch evengoed passieve als actieve waarde hebben, vgl. bijv. 
een Kup. ikan in-uengan, gebakken visch. Daarentegen is de functie, 
welke de vorm heeft in de Philippijnsche talen, enz., namelijk om tijd verschil 
aan te duiden, verder afstaand en eene latere differentieering. Hoe zulk een 
beteekenis of differentieering zou kunnen ontstaan, zou wel aan een vorm 
als het Hott. nanatunuk (gebraden), aangetoond kunnen worden. Deze 
vormen zijn blijkbaar gevormd naar analogie van de vormen met mana, 
als manatunu(k), die braadt. Het duidelijkst komt dit uit in die woorden, 
welke in plaats van mana: manama bezigen (zie verder) als mana- 
manea, die waakt, van nanea; manamakapipili(k), die aren leest, van 
nakapipili, hiervan luiden de met nanatunuk overeenstemmende vormen : 
iianananeak, nananakapipilik. Nu kan een woord als nanatunuk, 
ook gerundieve beteekenis hebben: wat te braden is; welke beteekenis in 
vergelijking van de andere echter zelden voorkomt, maar gesteld, daarvoor 
kwam een andere vorm in gebruik, zoodat nanatunuk alleen de beteekenis 
van het verleden deelwoord had, dan was er, zoo men er behoefte aan voelde, 
een vorm voor een verleden tijd gevonden. Nu heeft de vorm in het Rott. 
passieve beteekenis, op zichzelf behoefde het die echter niet te hebben, bet 
is eveneens een soort verbaal subst., ontstaan door vervanging van m a 
door na, tot differentieering ; vele Rottineezen zijn niet vast in het onderscheid 
tassohen de twee vormen en bezigen ook den vorm met mana, maar dan 
steeds door eene k gesloten, in passieven zin. Als voorbeeld kon men even- 
goed nemen de Jav. afleidingen met k é , of de Mal. met ter, ik koos echter 
een vorm als nanatunuk, omdat de Philipp. talen, enz. juist dit middel 
te baat nemen, nam. de vervanging van ma door na, enz., om een (actief) per- 
fectum te onderscheiden. Op zichzelf heeft na natuurlijk niets, dat bepaaldelijk 
een perfectum aanduidt, (evenmin als bijv. een Tag. susulat op zichzelf 
beschouwd, bepaaldelijk een werkwoord, nog minder een futurum is), dit blijkt 
wel duidelijk uit het gebruik van na, enz. in sommige talen, in andere 



324 OYEB Dl EIND-HSDEKLINKEKS IN HST 

verklaring; hij is gelijk een Mal. kadua of om ook den slot-mede> 
klinker in aanmerking te nemen, gelijk een Sangir. karua-ne. 
Het Sikk. bezigt eenvoudig ruang, waarin de ng weer de gewone 
waarde van ^t pronomin. aanhechtsel heeft, zoodat de eigenlijke be- 
teekenis is: de twee. Hieruit is op de gewone wijze i*en Tim. vorm 
als nua ontstaan. 

üe slotconsonant, voor zooverre die in het Rott. voorkomt na woorden 
voorafgegaan door m a , (uitgezonderd de enkele gevallen, waar hij een 
oorspronkelijken sluiter vertegenwoordigt) en ma na, zijn eenvoudig 
te verklaren naar analogie van de overige nominale vormen. Over 
ma na, ook in het Kissersch gebruikelijk , dient nog een enkel woord 
gezegd te worden. Schijnbaar is een vorm als man ad an ga, jager, 
te splitsen in ma-^na-{-danga, waarin n a dan het voorgeheehte 
pers. voorn w. v. d. 3*"" pers. zou zijn. Dat voor een woord als 
danga, nu het pronomen niet gebruikelijk is, zou geen bezwaar 
behoeven te zijn, dit zou vroeger anders geweest kunnen zijn, (en 
is ook waarschijnlijk anders geweest). Maar wanneer een werkwoord 
wel het voorgeheehte pronomen aanneemt, is de vorm een andere, 
bijv. van u a - n e a ^ hij waakt, niet m a n a n e a, maar manamanea, 
d. i. dus mana -{- manea, (dat ook op zich-zelf reeds: waker, kan 
beteekenen). Mana moet dus als eeue eenheid beschouwd worden. 
Bedenkt men, dat het Lett. maka, in plaats van mana bezigt, zoo 
ook Amb. maka, maa, wat ook in het Tett. als afzonderlijk woord 
voorkomt, bijv. in sè mak(a) sala, wie is het, die schuld heeft, 
wie heeft schuld? dan blijkt dat in deze woorden weer eene om- 
ruiling van na en ka heeft plaats gehad, zoodat na hier niet staat 
in de waarde van het pers. voorn w., maar als een aanwijzend voomw. 
of uadrukwijzer ter versterking van ma *. 



tijdsvormen, het is eenvoudig eene diiferentiatie. Deze verklaring schijnt mij 
wel zoo waarschijnlijk toe, dan dat de vormen met na enz. afgeknotte vormen 
zouden zijn, integendeel zijn, naar wat van den vorm met in gebleken is, 
vormen als Bul. minahuturu, als naar analogie van het passief gevormd, 
te beschouwen. 

^ Gelijk bekend is, komt ma ook in het Bim., Sumb. nog voor aU een 
nagenoeg zelfstandig pronominaal woordje, het is wel hetzelfde element dat 
in de actieve verbale vormen van het Mal., Batt., Daj., de Philipp. talen, enz. 
voorkomt, hetzij alleen, hetzij, ais gewoonlijk, met andere vorm-elementen 
vereenigd. De beteekenis welke het in het Bim. en Sumb. heeft voor een 
verbaal woord, enz., is die van een betrekkei. voomw. of, hij, die, (dat, wat) 
en wat het woord verder beduidt. Derhalve zijn niet alleen de passieve, maar 
ook de actieve vormen in genoemde talen, oorspronkelijk naamwoorden en 
kunnen zij dan ook, zij het ook met eene kleine differentiatie in den vorm, 
als zoodanig optreden, vgL bijv. Adriani, Sangir. Sprk., pag. 91. 



BOTTINEESCH SN TIliOSEESOH. 325 

Bij tabel V. Over deze woorden valt niet veel te zeggen. De 
oorzaak der verwisseling is natuurlijk dat, toen k en ^, beide in 
waarde gelijk n als sluiter geworden waren, k en t ook onderling 
gelijkwaardig werden. De geheele vervanging (ook bij de verbale 
sobst.) in de meeste dial., zal wel op eene bepaalde voorkeur voor 
de k als sluiter berusten. De ^, in een woord als ulek, (Mal. ulat), 
behoort hierbij, dewijl blijkens hade = Mal. padi, deze klank ald 
sluiter ook in het Eott. oorspronkelijk t moest luiden. 

De gelijkstelling van de », ^, i als sluiters had natuurlijk ook 
ten gevolge dat zij niet meer als een wezenlijk, essentieel gedeelte 
van het woord werden beschouwd, daardoor kon het Sikk. bijv. van 
de verwisseling van k ein ng = n gebruik maken om bijv. marang, 
het droge van marak, droog, linong, spiegel, van linak, helder, 
t« onderscheiden, evenals het Bur. door verwisseling van « en ^, 
ngaan, naam van ngaat, rang, onderscheidt, ^ en op groote schaal 
de subst. door den uitgang n^ ^, de werkwoorden door k. Dewijl 
nu de slot-^ in het Bott. eenvoudig als een soort vorm-element 
geworden was, dat bepaaldelijk bij naamwoorden kwam, kon zij ook 
dienen om geheele uitdrukkingen tot een nomen te maken, vandaar 
de k aan het slot van samenstellingen als: tène-besik, met ijzeren 
ribben; ala-nalak, de arak neemt, bevangt, door de arak be- 
vangen ; bua au lepak, goederen ik draag = de goederen , welke 
ik draag; dedea lanoli b-k, de zaken, zij onderrichten u, de 
zaken, waarin zij u onderrichten. In het Rott. , Tim. en Kup. , de 
talen, die de aangehechte pronomina behouden hebben, had de gelijk- 
stelliog der », k (met den ingeslikten medeklinker), t (en Tim. /) aan 
het einde van een woord, nog een ander gevolg. Als algemeene regel 
voor 't gebruik der pronominale aauhechtsels in het Tim. en Kup. kan 
men stellen , dat zij ddar mogen gebezigd worden , waar de ^, k (enz.) 
benevens de s als vervangster van de ^, als anorganische sluiters 
staan, (en in het Tim. in 't algemeen ook, wanneer het woord op eene 
/ eindigt); de herinnering aan de oorspronkelijke slot-« bleef be- 
houden , en onverschillig of het woord anders wellicht , in de termen 
zou gevallen zijn om met een pronomin. aanhechtsel verbonden te 
worden, werd die n opgevat in de beteekenis van het pronomin. aan- 
hechtsel; (dus als: zijn, haar), de oorzaak der t voor ^, bijv. in een 
Tim. pupat, blaasroer, is dan ook geen andere dan die, waarom in 
het Bott. de k staat, bijv. in limak, in het Tim. de /in nimaf, 
(hand). Dewijl nu een vorm als limak, nimaf, juist uit oorzaak, 

waarom hij gemaakt was, alleen voorkomt, waar het woord als 
?• Volgr. V. 21 



326 OVEB DE IIND-MEDEKLTNKS&S IN HET 

'/indepeudent noun// optreedt, en dus zonder i, ./', voor een aan- 
gehecht voornaamw. of in samenstelling, verdwenen ook de anor- 
ganische ^, ky (enz.) en s in dezelfde gevallen. Vandaar breidde 
zich dit uit tot de oorspronkelijke ^, ^, «, (voor het Tim. en Kap. 
alleen in samenstelling) en naar analogie tot wat er van de overige 
slot-medeklinkers over was. Dit is dus de verklaring, want wat van 
het Tim. en Kup. geldt, geldt a fortiori van het Bott. , van het 
bijzondere, onwezenlijke karakter, dat de slot-consonanteu in deze 
talen vertoonen. Toen eenmaal de slot-consonant niet meer als een 
wezenlijk bestanddeel van het woord werd gevoeld, kon het Bott. 
en Tim. er toe komen, niet alleen om onderscheidingen te maken 
als B. man e, mannelijk, en manek, de man bij uitnemendheid := 
de vorst, maar ook in het groot, door nomen en verbum te onder- 
scheiden door het aanwezig of niet aanwezig zijn van eene slot- 
consonant. De bij de nomina voorkomende afwisseling der sluiters 
(^» /** ^> *i tegenover n en de overige pronom. aanhechtsels, waar- 
door de sluiters van zelf meer met het nomen in verband werden 
gebracht, gevoegd aan een zekere neiging tot afwerping van dea 
slotmedeklinker , moet de oorzaak van het verschijnsel zijn. 



De anorganische slot-* bij naamwoorden komt alleen voor in het 
Bott. , Tim. , Kup. en Tett. ; slechts in het Kiss. is er mij buitendien 
nog een spoor van bekend. Gelijk reeds gezegd is, missen verscheidene 
dialecten van het Bottineesch de slot-*, ook waar die oorspronkelijk 
is. Dewijl nu ook het Term. niïk naast niïs, (M. P. nip is), 
heeft, zoo ook teak, hard, naast te as, H hart van hout, (MaL 
tëras, enz.), is de ingeslikte medeklinker in de dialecten wel niet 
phonetisch uit eene s ontstaan, maar uit de iy die voor de s inde 
plaats gesteld was. De oorzaak dezer verwisseling, ten gevolge van 
gelijkstelling, berust daarop, dat de s voor de ^ in de plaats treedt , 
dus daaraan gelijk is, in woorden, welke reeds eene 6 bevatten, 
gelijk dit reeds in de beschrijving der eindconsonanten van het 
Tim. , Kup. en Tett. aangetoond is. Boven is reeds gezegd , dat ook 
in het B. uit dezelfde oorzaak, deze vormen ontstaan moeten zijn, 
en dat dus ook hier de t in het verbale subst. en alle dial. heeft 
moeten voorkomen. Voorbeelden in het B. zijn nog, behalve de 
boven reeds genoemde woorden: mamates, de dood; tataos,. 
daad, werk; tatatis, hak; taüs, vrees, (hetzij de * hier eene- 



BOTTINEESOH EN TDIOSEBSGH. 327 

oorspronkelijke t vertegenwoordigt of niet); petas, gezwel, (van 
het Bottin. peta, opwellen, ofschoon het woord oorspronkelijk op 
eene consonant nitging, blijkens Kup. p e tang), nog: futus, het 
opgehouden garen, (Tim. futu. Kop. hutu, binden); mntas, 
braaksel, van muta, (Mal. muntah); taba-eis, schoeisel, uit 
tabu, den voet ergens op zetten en eik, voet; enz. In navolging 
hiervan is wel lates, graf, (Sikk. raten g, Tim. na ten, Sumb. 
reti, rati), gevormd hoewel dit woord geen afleiding van een werk- 
woord is, en dus de s niet uit eene t is ontstaan; eveneens Tim. v. 
Amar. takas, teeken, (Kup. tadan. Mal. tanda) en K. teis, 
drek , ter onderscheiding van t e i k , buik. Waar de s iu plaats van t 
staat, kan men die beschouwen als door klank-dissimilatie uit t 
ontstaan. Maar de s komt ook voor, zoowel in het Rott. als in de 
overige genoemde talen, zonder dat eene l voorafgaat. Over het 
algemeen is de oorzaak , waarom een aantal woorden de s vertoonen, 
vrij duister. Iets van de reden blijkt echter wel uit het gebruik in 
R. belis(=Kup. bil in), koopsom eener vrouw, tegenover belik 
(of beli, dewijl het gewoonlijk in samenstelling of met aangehecht 
voornw. voorkomt), waarde, prijs; langas, een afgehouwen, ge- 
sneld hoofd , tegenover 1 a n g a (k) , hoofd ; h u s, soort paal bij het oogst- 
feest, waaraan jonge kokosnoten gestoken worden, naast huk, boom, 
stam, (M. P. puhun); dales, geduld, overleg, naast dal e(k), hart, 
in figuurlijken zin ; Tett. i k u s , (Galoli i ü k) , fim, tegenover i k u n, 
staart, (vgl. oan ikun, filho ultimo). Blijkbaar staat hier de sIot-« 
waar het woord eene afwijkende, meer bijzondere beteekenis heeft. 
Men moet wel aannemen , dat het bijzondere, meer zeldzame gebruik 
van de slot-«, in plaats van de ^, hiervan de oorzaak is, dewijl de 
slot-« op deze wijze alleen voorkomt in de talen , waar de overgang 
van de slot-^ in s na eene voorafgaande l plaats heeft; of daarbij 
nog eenig gevoel levendig was voor de waarde van s(a) als een 
pronominaal woordje, moet iu het midden gelaten worden. Op deze 
wijze moet de s wel verklaard worden in B. dinis, dauw, denkelijk 
bij Mal. dingin, vgl. Saw. ^i (water) peringi, dauw, en 
meringi, koud; £. nes, Tim. mnes of gewoonlijk mues-a- 
mues, eenzaam, bij B. nè-nè, Tim. namnè, zwijgen, denkelijk 
Jav. mënêng, vgl. Tett. nonók, hamnók; voorts in B. dial. 
móne-feus = mane-feuk, schoonzoon, waardoor in de eerste 
plaats feus van feiJL = beuk, nieuw, inden eigenlijken zin, wordt 
onderscheiden en tevens de samenstelling iets meer onkenbaars 
krijgt, iets meer een geheel wordt; dit laatste schijnt wel de reden 



828 OVEU DE EIND-MEDEKLINKSBS IN HET 

te zijn van ^t gebruik van de s in de Bott. samenstellingen ani- 
mulis, (-kis, -kon as), westen-, (noorden-, zQiden-)wind , van 
muli, west = Bul. muri, achter; ki, (= Mal. kir i, enz.), linksen 
noord; kona, (= Sumb. kawana), rechts en zuid; zoo ook in een 
Tett. liman-fuan fu-klaras, midden vinger, (vgl. de beschrijving 
der Tett. slot-medeklinkers). Eveneens is de s in Tett. lalais, 
snel, wel te verklaren, wegens de bijzondere beteekenis tegenover 
halai = Mal. lari, (vgl. Amb. malari, snel; B. heeft eenvoudig 
lai-lai). Hierbij sluit zich ook aan het gebruik van « aan het slot van 
overgenomen, vreemde subst., welke anders door hunne beteekenis 
van-zelf wel //independent nouns^y zouden zijn, en dus geen aan- 
hechtsel zouden aannemen, als Tim. bakus, naast baki^. Port. 
bauco; solnanus. Fort. soldado; Kup. , (ook dial. B.), ma kas, 
mangga; pingas = Mal. pinggan; Tett. h&s = Mal. pauh, 
maugga; piatus, orfao, uit Mal. piatu, en zoo ook B. penis, 
naast pen ik = Mal. pending, evenwel de n en wat er voor in 
de plaats treedt, kan dezelfde functie verrichten, niet alleen in het 
Amb. als in papaenno, papaja, het Bur. als in pawèn, (d. i. 
pawên, uit paun), mangga, maar bijv. ook in het Tim. als in 
den boven aangehaalden vorm baki^, in heum, mangga, enz. De 
overeenkomst met de 9 is, in dit geval, dat de n voorkomt bij woor- 
den, welke anders geen aanhechtsel zouden vertoonen, en dus 
vreemd, bijzonder is. Denkelijk hangt met H laatstgenoemd gebruik 
van s wel samen, dat wat het Tim. maakt tot vorming van volks- 
namen, als: Sinas, Chineesch, enz. , dat toch grootendeels vreemde 
woorden zijn. De uitgang is oorspronkelijk eene n^ vgl. Sikk. Goang, 
van Goa, Goareesch, te verklaren als Sikk. wadung, B. batuk, 
hard , van wadu, batu, steen ; in het B. is mij slechts één der- 
gelijk adjectief bekend: Baak, van Baa, overigens bezigt het den 
naam van het land ook als adjectief. Kup. heeft vormen als Sinang, 
Chineesch, dus met eene (gewilde?) verwisseling van neusklank, 
doch ook b 1 a i u , dat echter de bepaalde beteekenis van Maleier heeft , 
tegenover blai, Maleisch. Stellig behoort hierbij in het B. het ge- 
bruik van eene s aan het slot van vreemde woorden, welke op eene r 
eindigen, terwijl de r om een of andere reden niet als gewoonlijk 
afgeworpen wordt, bijv. kumudós, ku mulos, resident, uit Port. 
commendador; kokomus, (naast kokomuk), Holl. komkommer, 
sokus, met omzetting = Kup. Mal. kontjur = Jav. këntjur, 
(evenals in den nevenvorm kokomuk, vertoont pasak uit pasar 
evenwel eene k). Staat de s aan het slot wel eens voor de Mal. r, 



BOTTIKEESCH EN TIMOREISCH. 329 

die in het Jav. verdwijnt? Ak regel verdwijnt anders deze klank in 
het Bott, en Tim. Zulk eene s aan het slot vertoont laas, Tim. 
m n a h a s , honger , hongersnood = Mal. 1 a p a r , enz. , (doch Tett. 
V. Dilli hamelaha; Kup. heeft blahu(-ka), vgl. Amb. maluhu, 
Bug. luppiji, dewijl eene Mal. r, als in la par, in het Kup. / wordt, 
(als regel), en eene l aan het slot tot ^, kan de vorm in het Kup. 
regelmatig zijn). Hierbij zou kunnen gebracht worden B. moes, 
pis, van móe, stellig verwant met 6e, water, vgl. Jav. uyuh, 
Bat. dial. iyêh, die ook in de h aan het slot eene afwijking van 
den gewonen regel vertoonen. Evenwel komt in het B. ook ndóes, 
vgl. Amb. parue, stellig = Jav. lue, in dezelfde beteekenis voor 
als laas, en heeft ook dit woord oorspronkelijk een sluiter gehad of is 
hier de slot-* weder aan andere dan phonetische redenen toe te schrij- 
ven? (vgl. aanstonds bij b eis). De « in moes zou naar analogie 
van teis, (en mutas), aangevoegd kunnen zijn. Eene oorspronke- 
lijke t schijnt soms door eene * vertegenwoordigd te worden, bijv. 
n del as, bliksem, dial. lela, relas, stellig hetzelfde woord als 
Kup. lelat, schietgeweer ; vgl. Tett. kil at, Tim. ken at, donder, 
(ook B. tatas beteekent dial. donder, en : bliksem) en : schietgeweer, 
dus wel te brengen bij M. P. kilat; buas, uitrusting, kleeren, 
goederen, Tett. buat, (van nabubua, uitrusten, een nevenvorm 
van f ua = Mal. wuat, laden, dragen); lalais, hemelsch, bij 
lal ai, hemel, dial. bestaat ook lani = M. P. langit, denkelijk 
hetzelfde woord, (eene n valt meermalen uit). Evenwel is het zeer 
goed mogelijk, dat wederom geheel andere dan phonetische redenen, 
de oorzaak van de slot-* zijn. 

Eene bijzondere reden moet er ook geweest zijn, waarom het 
woord voor //kaaiman// in sommige dial. van het Bott. door eene s 
gesloten wordt, een dierennaam is toch wel een //independant noun//. 
Dit woord luidt in de verschillende dial. beis, bei, bai, baï, 
baïs; de vorm bai, waaruit bei ontstond, beantwoordt aan een 
Jav. bay&, Mad. bhadja, uit M. P. wuaya, (vgl. Amb. 
hnwae(l); B. mei = medja, enz.). De uitspraak met hiaat in 
de dial., die de a bewaard hebben, is stellig geschied om het woord 
in overeenstemming te brengen met baï, grootvader. De^Timorees 
zegt nai-besi, uit nai, vorst en besi, omzetting van B. beis, 
de Kupanger spreekt van upu-lahi, uit upu, grootvader en lahi 
vorst; in 't Tett. heet het dier lafack, (fae = bai), waarin la 
blijkbaar een soort voorvoegsel is, (M. P. da, ra?), terwijl het 
woord eveneens op een anorganischen sluiter eindigt. Nu beteekent 



880 OVER DE BIND-MEDEELLINKB&S IN HET 

waihe, iu het Kissersch: garnaal, en vonnelijk is dit woord gelijk 
aan B. bais, (vgl. Kiss. kereji wel kerei = K. nggalei, uit 
gredja; ook Lett. karri, uit kêrdja). Op zichzelf beteekentdat 
natuurlijk niets, maar het Bott. woord voor: garnaal, kreeft, is pöek, 
dial. mbbek, ook Tettum póek, doch Tim. pbes, en dewijl 
eene jd, dial. md, meermalen aan eene oorspronkelijke w beant- 
woordt, (vgl. bijv. pua, mbua, pinang = Bur. fua = M. P. 
w u ah), moet men, ook in verband met de overeenstemming van B. bais 
en Kiss. waihe, aannemen, dat dit woord hetzelfde is als het dial. Bott. 
fóe, kaaiman = Saw. wbe, wat teruggaat op een vorm als Sumb. 
wuja uit M. P. wuaya, (vgl. voorts Bul. sawurang, Sea 
saudang, kaaiman en Mal. hudaug, enz.). Derhalve bezit ook 
het Kiss., althans in waihe, een overblijfsel van 't gebruik van 
eene anorganische s. Hoe nu die beteekenissen van //kaaiman </ en 
//garnaal//, alsmede hoe de toegevoegde medeklinker te verklaren is, 
weet ik niet; er schijnt evenwel in dat alles iets te wezen, dat 
veroorzaakt is door dezelfde reden, als waarom de Kupanger upu 
lahi, grootvader vorst, zegt. Behoort hier wellicht bij de * in 
B. laas, Tim. mnahas, honger, hongersnood? Ook de s in B. 
meïs, droom, (Sikk. miping, doch Tett. mehi, mihi, dus bij 
Bug. nipi, Mal. mimpi, enz.)? Moet uit de s van B. felas, 
Tim. ben as, (naast Kup. khela-ka), hakmes == Sumb. kabel a, 
opgemaakt worden, dat het woord ontleend is? Zoo ook uit de «van 
delas, dial. deras, lelas, Tim. nenas, (Kup. kdela-ka) = Mal. 
dëdap, Jav. 4&4&P9 Mak. rara? Stellig is het woord niet aan 
het Mal. enz. ontleend , gelijk de voorgevoegde i in het Kup. bewijst). 
Onmogelijk echter is ^t, dat de s hier de plaats van de verdwenen 
j9, zou innemen. Evenmin kan in B. dial. horis, Tim. honis, 
levend, Tett., (met de meer voorkomende indringing van den 
sluiter ook iu het werkwoord), moris, (terwijl het verbum in het 
B. moli, Tim. moni luidt = Sumb. mirip. Mal. hidup, enz.), 
de 9 uit de p ontstaan zijn. De vorm staat denkelijk naar analogie 
van m a t e s , enz. , welke vorm nu wel in het Tett. ontbreekt , maar 
blijkens Amb. matet(e), algemeen moet geweest zijn ^. Het Kup. 

^ Zonder sluiter komt het adjectief „levend" voor in B. hataholi, ata- 
holi, hatahori, atahori, Tim. atoni, Kup. atuli, mensch, (vgL Kup. 
nuli, hij leeft = E. moli = Tim. moni, vgl. Lett. rimormiori, Fate, Sesake 
tamoli, mensch, (vgl. ook Codrington: The Melan. languages, bij de vergel. 
wdl. sub voce: man). De Tim. zegt gewoonlijk voor „mensoh*' als soortnaam, 
pleonastisch atoni honis. Het eerste gedeelte is wel ata, dat in vele talen 
„mensch" beteekent, de eerste h in hataholi is wel aan vooruitname van 
de tweede toe te schrijven. 



&0'mN£8SCH EN TIMO&EESCH. 331 

schijnt in dergelijke woorden, voorzooverre zij geen i bevatten, de 
s ht niet gekend te hebben ht (oorspronkelijk) door eeue k te hebben 
vervangen, dus kdela (-ka) = dela8; bkuli-(ka) = horis. 

Eenige Bottiueesche dialecten, welke eene s als sluiter kennen, 
plegen de s als sluiter ook te bezigen na sommige met het prefix 
ka afgeleide adjectieven. Als regel niet waar dit ka in waarde 
gelijkstaat met ma, als kabólok=-mab61ok, een gat of opening 
hebbende; maar bijv. in een woord als: kanen is, gezegd van 
een paard , dat op hol pleegt te gaan , dat zijn berijder pleegt mede 
te slepen, van neni, hij brengt, (Sikk. netti, Sumbaw. ëuti); 
kapalus, gezegd van een paard, dat met de voorpooten pleegt 
te slaan; (hataholi) kalais, vluchteling van n al ai, (Mal. lari, 
enz.). Hierbij dient dus weer de s om iets bijzonders aan te duiden , 
gelijk ook duidelijk blijkt, uit ka 6 es, van 6e, water, in mata 
ka 6 es, traauoog, (soort ziekte), tegenover ka bek, bijv. in be- 
mata kabek, eene bron, welke water bevat. Men zegt evenwel 
ook mata-kabek = kabes, katblok naast kat blos, eier-leggend, 
(bij nat blo, eieren leggen, tblok, ei). Omgekeerd zijn er echter 
ook woorden, welke eene * vertooneu, ofschoon het bijzondere in 
de beteekenis niet duidelijk is, bijv. kapbs, eene holte, opening 
hebbende, naast pbk, holte, opening; kabulus of kabubulus, 
behaard, (overigens meer bepaaldelijk van een soort worm gebezigd), 
naast bul uk, (M. P. wulu). Aangezien eene taal nooit volkomen 
logisch te werk gaat, leveren dergelijke uitzonderingen geen eigenlijke 
moeielijkheden op. Op dezelfde wijze is de slot-« te verklaren bij 
de, met behulp van een samengesteld prefix ka la, afgeleide adjec- 
tieven, als kalaluüs, broedsch, bij luü, broeden (Pakew. lu* 
mukut); kalapaas, doch in dial. van Ti, dat ook de slot-« kent, 
kalapaak, (Dengka manapaa, Oenale nanapaa), gezegd van 
een paard , dat men pleegt vast te binden, (p a a) ; k a 1 a p o ï s , in Ti 
kalamboïk. (Dengka, Oenale manamborit), gezegd van een 
paard, dat men los pleegt te laten rondloopen, (van poï, loslaten). Er 
zijn onder deze woorden ook eenige, welke niet naast een verbum 
of subst. staan of er van zijn afgeleid, bijv. kalis, k ai lis, (ook 
in Ti met *), schuw, (wel = Mal. liar); kalaf nis = f ui, fuik, 
vrild, (in Ti barafuis, Oenale marafuit), waarvoor Tim. fui, 
Kup. fuin, buin, huin, Tett. fuik en buis, Kiss. marawni, 
heeft, (de verwanten in de Westelijke talen zijn mij niet bekend, 
maar het verschil in de sluitconsonanten bewijst voldoende, dat zij 
anorganisch zijn, terwijl de vormen in het Tett. aantoonen, dat 



332 OYEU DE EIND-MEDEKLINKE&S IN HET 

niet juist de vorm met ka, kala, de oorzaak vaa de s als sluiter 
is); kamaus, (in Ti ka ma uk, doch Dengka, Oenale mamaus), 
tam , waarvoor Tim. , Telt. m a u s heeft , Amb. mamalu, mamaru, 
Bur. mahu, (vgl. de A in toho = Mal. turun), Mota mamaru, 
(vgl. de f in nara = Mal. darah). De verwante vormen in de 
Westelijke telen van dit laatste woord zijn mij eveneens onbekend, 
wellicht wijst het dial. mamaus, dewijl na een ma, zelden of 
nooit een anorganische sluiter optreedt, op eene oorspronkelijke 
slot-*, (de vormen in het Amb. enz. bewijzen niets voor of tegen), 
de 8 in kailis, kalafnis, vooral van Tett. buis, zou dan op 
dezelfde wijze als die van hor is, honis, tegenover mates, 
kunnen verklaard worden. Hoe de verklaring van de slot-* bij elk 
woord afzonderlijk ook moge zijn , het algemeene beginsel, waarnaar 
deze sluiter, zoo hij anorganisch is, gebezigd wordt, is duidelijk. 



Er blijft nu nog over iets over de slot-medeklinkers te zeggen, 
welke in het Rott. en Tim. bij werkwoorden worden aangetroffen. 
Wanneer eene taal steeds logisch te werk ging, zoude er eigenlijk 
in deze talen van geen slot-medeklinker bij een werkwoord sprake 
kunnen zijn, dewijl beide talen er naar streven, om in het alge- 
meen, juist door het hebben of niet hebben van eene slot-consonant 
het nomen van het verbum te onderscheiden. Evenwel , geheel logisch 
en consequent gaat eene taal nooit te werk. Wel is waar heeft een 
verbaal woord, ook al staat het niet naast een nomen, dat voor 
deze talen als stamwoordelijk moet beschouwd worden , in de meeste 
gevallen een oorspronkelijken sluiter weggeworpen, maar er komen 
toch werkwoorden voor, die op een medeklinker eindigen. Feitelijk 
is hun aantal , wat de stam woorden betreft , niet groot , kleiner dan 
dat der naamwoorden, die op een klinker uitgaan, maar door het bij- 
zondere gebruik , dat vooral het Eott. , ook bij verba , van een slot- 
medeklinker maakt, is toch het aantal verbale woorden, welke door eene 
consonant gesloten wórden, niet onaanzienlijk, daarenboven komt ook 
in afgeleide vormen zulk een sluiter voor. In het Rott. treedt als 
gewone sluiter bij verba wederom de ^, dial. de ingeslikte medeklinker, 
op, welke ook in het Tim. meermalen in die functie voorkomen. 
Van de stam woordelijke werkwoorden, (waarbij voor het gemak nu 
ook die gerekend worden, welke schijnbaar zonder prefix het pers. 
voornw. als voor-hechtsel aannemen, alsmede die, welke alleen in 



&OTTINEESCH EN TIMOREESGH. S3S 

gered upliceerden vorm voorkomen), behouden sommige steeds de 
slot-^, (namelijk als stamwoord, want bijv. bij verdubbeling vervalt 
de sluiter weer), bijv. E. suik, dial. sulik, duiken, (vgl. Jav. 
silêm, enz.); namedak, wakker zijn, (Kup. melang); andere, 
verreweg de meeste, worden, althans in het Eott. , nu eens met^ 
dan zonder sluiter gebezigd, zonder verschil van beteekenis, bijv. 
\>epa en bepak, stampen, (vgl. Jav. bëbak), waarbij gerekend 
kuQncn worden die woorden, welke in het eene dialect een sluiter 
vertoonen, in een ander niet. In het algemeen zal men wel met 
zekerheid kunnen zeggen, dat eene slot-^ bij deze woorden, voor 
zooverre het geen nieuw gevormde klanknabootsingen zijn, beant- 
woordt aan een oorspronkelijkeu sluiter, (behoudens het aanstonds 
te melden gebruik der slot-^), ofschoon het in de meeste gevallen 
ffloeielijk uit te maken is aan welken sluiter, dewijl men zich hier 
Datuurlijt op onzekerder terrein bevindt dan bij de subst. , en dik- 
^yls de verwante vormen in de andere talen niet met de noodige 
zekerheid aangewezen kunnen worden, terwijl daarenboven, waar 
^^t Wel het geval is, het bestaan van meerdere vormen, juist bij 
"^''gelijke woorden, als bijv. bukak, bukas naast buka^, 
(openen), toch weer onzekerheid veroorzaken. Bovendien behoeft 
^^ slot-consonant , waaruit de h ontstaan is, niet altijd organisch 
^ ^jn. Bij de beschrijving der slot-medeklinkers in de verschillende 
***en , troffen wij reeds een Bur. kalik, graven, aan, met anor- 
ganisch slot-^ en hetzelfde woord in het Solor. als gal in, met 
^Qoi^anische slot-». Nu komt in het Eott. en Kup. n niet alleen 
voor als genitief van het pers. voorn w. maar ook na verba als 
accusatief of nominatief, (bijv. bij intransitieven) ; in de laatste 
^^Uctie ook nog in het Tim. In het Eott. bijv. zou ana kali-n, 
'^^j graaft het// beteekenen; een Kupanger noemt een werkwoord 
* s ^feonderlijk woord, nooit zonder die toegevoegde «, bijv. bèlen, 
K^veHj eigenlijk bèle-u, hem geven. In de talen, welke geen 
Prenominale aanhechtsels meer kennen , komt de n natuurlijk in die 
^arde niet meer voor, maar naar alle waarschijnlijkheid hebben 
^ ^ïoeger dezelfde constructie gehad, en is bijv. de « van galin, 
voornw. , dat tot een deel van het woord geworden is, wat 
^^^1 bij zulke woorden kon plaats vinden, die wegens hunne 

-^aar alle waarschijnlijkheid heeft men bij dergelijke toevoegselen in de 
^^te gevallen niet met een zuiver phonetisch verschijnsel te doen, maar 
^en zij, gelijk bijv. in het Bott., oorspronkelijk wel beteekenis gehad; 
^e echter, zal misschien zeer moeiehjk zijn om uit te maken. 



834 OVEU DB EIKD-MXDEKLIKKXBfi IN HST 

beteekeiiis eene zaak als object hadden, waarvoor bij verkorting 
het prouomen dikwijls optrad. Zoo zijn dan wel sommige anorganische 
slot-i's in het Eott. , alsmede die in het Bur. , Solor , Sikk. te verklaren , 
in de beide laatste talen naast vormen met n^ n;^ als Solor. galin; 
Sikk. selung, ruilen, (B. seluk, Sumb. silu), enz. Ook in de 
Amb. dial. komen dergelijke vormen voor, bijv. tdrune tanda, 
afbakenen, eigenlijk: een teeken zetten, tarQne = Mal. taruh), 
ook met ^ , als 1 u 1 u k e , naast luluë, ruruë, oprollen , (Bat. 
lulun), hitike naast hitië, hiïë, opheffen; pahiiuike naast 
h u n i ë , verbergen, (M. P. w u n i) ; denkelijk zijn wel alle niet ontleende 
verba, welke in deze taal eeue toegevoegde e vertoonen, zoo te verklaren. 
In het Eott. komt er nu nog een bijzonder gebruik van de slot-^ bij. 
Het bezigt dien sluiter, ook bij een verbum, naast een vorm zonder i 
om eenig verschil in beteekeuis of gebruik, (of wat als zoodanig 
beschouwd wordt, soms is het wel juist de meer oorspronkelijke 
beteekeuis), van het woord te onderscheiden, en dat geschiedt, 
zoowel bij woorden, welke oorspronkelijk door een medeklinker ge- 
sloten werden, als bij die, waar dit niet het geval was. Bijv. fiï, 
b i ï , beteekent : knijpen , doch f i ï k , met de vingertoppen knijpende 
vasthouden, bijv. de sarong onder het loopen, (het ïett. heeft in 
denzelfden zin fiït, biït, dus behoort H woord stellig bij Mal. 
tjubit, bibit, Sund. tjiwit, enz.); lok, uitstrekken, bijv. den 
arm, 16, iets overreiken, (Kup. dong, vgL Jav. ulung); laö, 
vertrekken; laök, gaan, loopen, (Jav. laku, enz.); nita, zien; 
nitak, zien = beproeven, (M. P. kita); nalai, vluchten, nalaik, 
hard loopen, (Mal. lari, enz.); naama, tot vader hebben, naa- 
maky iemand met //vader// aanspreken, enz. De verklaring is natuur- 
lijk wederom dezelfde als bij de subst. , dat de slot-medeklinker niet 
meer gevoeld werd als iets wezenlijks , bij het woord behoorende en 
dus geschikt om vrij gebezigd te worden tot differentiatie. Ook het 
Tim., hoewel voor zooverre mij bekend is zeldzamer, levert voor- 
beelden van een dergelijk gebruik van den sluiter, bijv. pet, ver- 
zadigd worden of zijn, petak, opzwellen, opgezwollen, (B>. peta, 
Kup. petang, opzwellen, B. nakabète, dial. nakabeta, ge- 
spannen zijn, verzadigd zijn; vgl. Mal. kënjang naast këntjang). 
En op dezelfde wijze maakt soms het Sikk. een onderscheid door 
achtervoeging van ng^ als naing, inzetten, bij het spel, naast nai, 
zetten , (= B. p e d a k naast p e d a , idem) , zoodat ten slotte eigen- 
lijk de n weer de eigenlijke oorzaak van het verschijnsel schijnt te 
zijn. Het wordt er natuurlijk door deze behandeling der slot-^ in 



ROTTINSXSGH EN TIMOKEESGH. 385 

het Bott. Tim. , niet gemakkelijker op , om uit te maken , aan welk 
woord in de verwante talen een verbaal woord beantwoordt. Ook 
niet of men in de taai-zelf met een zelfde woord te doen heeft of 
niet; is bijv. bèngo, voorwenden, een voorwendsel bezigen, oor- 
spronkelijk één met bèngok = pèngo, wenden? het is wel waar- 
schijnlijk, maar geenszins zeker.. 

Men kan wel met zekerheid aannemen, dat, ware de juiste over- 
gang van beteekenis bekend , het grootste gedeelte der verbale 
woorden, welke thaus steeds met eene slot-^ voorkomen, zouden 
blijken gedifferentieerd te zijn van zulke, die den sluiter niet ver- 
toonen, daargelaten nog, dat mogelijk de vorm zonder sluiter, later 
uit het gebruik is geraakt. 

Nu en dan komt een verbaal woord, dat oorspronkelijk op een 
klinker uitging, zoowel met of zonder sluiter voor, zonder dat er 
eenig onderscheid tusscheu beide vormen schijnt te bestaan. Dit kan 
eenvoudig verklaard worden door aan te nemen, dat het woord, 
misschien in verschillende streken , op verschillende wijze is bewaard 
gebleven; namelijk met en zonder de uit de anorganische n ontstane 
A, voor zooverre ik weet, zijn het ook .steeds werkwoorden, welke 
met een rechtstreeksch object kunnen verbonden worden. Overigens 
moet men voorzichtig zijn met geen onderscheid in beteekenis te 
erkennen ; eene uitdrukking als: ana pauk dbpe-a ueu, kunnen 
wij wel niet anders weergeven dan met: hij stak het mes er in, 
evenals ana pau d6pe-a neu. De Bottinees verklaart echter 
pauk door: (het mes) er in steken en er in laten steken; terwijl 
pau, eenvoudig //insteken/^ beduidt, onverschillig of men het er 
daarna weder uithaalt. Nog heeft de k de plaats van de n inge- 
nomen waar, gelijk bij sommige verba geschiedt, het volledige voor- 
naamw. nog eens na het verbum herhaald wordt. Men zegt bijv. 
au-amanau-ngau, (dial. nggau, kan), ik verwouder mij; h 
mamanau-ngó, (dial. nggó, kö), gij verwondert u (waarbij dus 
eigenlijk weer een genitief-vorm na het verbum als nominatief op- 
treedt, gelijk bijv. de n in baë-n, het breekt); in den derden pers. 
echter zegt men ana of ndia namanau-k ana, waarin de k 
blijkbaar voor n staat, waarachter het nieuwgevormde, onverander- 
lijke ana tot versterking gevoegd wordt; zoo ook au mesa-ngau, 
ik alleen, doch ndia mesa-k ana, sila mesa-k asa, hij, (zij, 
meerv.) alleen, (in het Eott. van Dengka en Oenale luidt de uit- 
drukking mesa-ne; in het Tim.: mèse-n, of met eene bijzondere 
toevoeging: mèse ku-n). Hierbij kan, ofschoon het niet bij de 



336 OVSB DE EIND-MEDEKLINKEBS IN HET 

werkwoorden behoort , op eene nog levende verwisseling van n euk 
gewezen worden, die vooral in het Rott. van Termanu voorkomt. 
Dit dialect pleegt na eene ontkenning achter de bijwoorden böe 
z. V. a. ook, geheel en al, s6, reeds, eene n te plaatsen, welke 
daar de waarde heeft van het ook in andere constructies meermalen 
voorkomende bijwoord ter versterking of nadrukwijzer na, (in den 
grond natuurlijk hetzelfde woord als na, het aanwijzend en pers. 
voornw.). Ook deze n kan naar willekeur door eene i vervangen 
worden, men zegt dus: ta hata esa bóe-n of b5ek, volstrekt 
niets; ana ta kae s6-n of s6k, hij gaat niet meer naar boven. 

Wat nu de afgeleide vormen betreft, in de eerste plaats wordt 
somtijds eene k aangetroffen aan het einde van gerednpliceerde 
vormen, waar het verbum in eeuvoudigen vorm op een klinker 
uitgaat, naast een vorm zonder den sluiter. Er bestaat bij deze 
woorden veel verschil in spraakgebruik ; bij de meeste verba 
schijnen zij nooit voor te komen, en waar zij wel voorkomen, 
bezigt de een regelmatig, of althans gewoonlijk, den vorm zonder, 
de ander dien met een sluiter, (er zijn er ook, die nooit zonder 
sluiter voorkomen, bijv. sasaok, getrouwd zijn, van sa o, huwen; 
hohoük, bij zich hebben = hoük van hoü, vatten, hier is 't 
gebruik van den sluiter weer meer te vergelijken met dat, bijv. van 
laök naast laö enz.). 

Onder die verba , welke in geredupliceerden vorm soms eene i ver- 
toonen, zijn er die stellig oorspronkelijk niet op eene consonant 
eindigden, bijv. ifa, op den schoot hebbeu, (Mal. riba), waarvan 
iïfak naast iifa; natane, vragen, (Mal. t a n j a), waarvan nata- 
tanek naast natatane. Van dit verschijnsel, dat meer dan het 
voorkomen van de k bij stam woordelijke werkwoorden, welke niet 
tegenover een stamwoordelijk subst. staan , waar wegens de beteekenis 
van het woord , welke toch steeds verbaal is , weinig verwarring kan 
gesticht worden, het onderscheid tusschen subst. en verbum weder 
dreigt te verstoren, (iifak, kan eveneens: het op den schoot houden, 
beteekenen), schijnt geen andere verklaring gegeven te kunnen 
worden, dan eene zekere neiging van den Bottinees om eene i aan 
't slot van een woord te plaatsen. Zoo toch is denkelijk ook de iè te 
verklaren in bóök, b6sok = b6ö, bóso, (= Mal. djangan), 
wanneer dit aan het slot van een zin staat; in lèo-ndiak=lèo- 
n d i a , als dat , zoo ; lèo-bèk = lèo-bè, als wat , hoe ? Of moet 
bij deze woorden weer gedacht worden aan een oorsproukelijken 
nadrukwijzer als boven in boek naast boe-n? Berust wellicht de 



&OTTINXXSCH XN TIHOBJBSSOH, 337 

toevoeging van k aan den geredupliceerden vorm op een duister 
gevoel , dat de reduplicatie bij het werkwoord en het verbale subst. 
oorspronkelijk, in den grond ééu zijn, zoodat daardoor de k van 
het subst. ook in den verbalen vorm is gedrongen? (zie oök hier- 
onder). Mogelijk blijft ook, dat de sluiter, althans oorspronkelijk, 
eenig verschil in beteekenis moest aanduiden. Het Tim. kent de 
reduplicatie evenmin bij het werkwoord als bij het verbale subst. 

De meest gewone vorm van een causatief werkwoord in het Tim. 
is, bijv. van het ontleende luki, uit Mal. rugi : nalukib, schade 
doen lijden; zoo van ma e, beschaamd zijn, (Solor. mea-n, rood, 
en: beschaamd, enz.), namaeb, beschamen, schande aandoen; 
daarnaast komen meermalen vormen voor , welke door eene t gesloten 
worden, als: nam of ut, doen vallen, van mofu, vallen, terwijl 
naast de i ook de ingeslikte medeklinker voorkomt, bijv. namofi^ 
= namofut. Men houde bij deze vormen in het oog, dat de be- 
teekenis eene zuiver causatieve is, niet gelijk bijv. bij de Mal. 
vormen met kan, van eene andere afgeleid ; er kan dus geen sprake 
van zijn , dat in de h bijv. een overblijfsel van een voorzetsel schuilt. 
Hoe komt nu het Tim. aan deze, voor het klankstelsel, niet alleen 
van het Tim., maar ook van al de naast verwante talen, zoo zon- 
derlinge slot-i? Yanzelf wordt men er nu to6 genoopt verband te 
zoeken tusschen deze h en de ook alleen in het Tim. voorkomende 
/ aan het slot van een woord. 

Een in vele talen gebezigd causatief-prefix is bijv. pa, doch gelijk 
bekend, vormt het eveneens verbale substantieven, welke ook, en 
mogelijk in de eerste plaats, beteekenen: hij, die, (dat, wat) doet, 
wat het woord aanduidt. Het kan wel niet anders of er bestaat 
verband tusschen beide functiën van het prefix of liever tusschen 
beide functiën, die de vorm met pa hebben kan, (dat pa bij subst. 
gewoonlijk met een ander vorm-element vereeuigd, optreedt, doet 
niets ter zake, trouwens in het Mak. en Bug. bijv. wordt het ook 
bij subst. dikwijls genoeg aan den zuiveren stam gehecht). Iets van 
dat verband blijkt wel uit dergelijke vormen als Mak. pamangei, 
wat Dr. Matthes weergeeft met : het ergens heengaan doen plaats 
hebben, v. d. ergens heengaan. Nu kan men wel, en waarschijnlijk 
beter, pamangei beschouwen als eene afleiding van een secundair 
st^mwoord pamange, de zaak verandert er niet door. Het ligt 
trouwens wederom niet aan het prefix, maar aan het wezen van het 
werkwoord, men denke slechts aan het gebruik in het Duitsch van 
/rthun^", tot omschrijving van een werkwoord, of aan het gebruik in be- 



888 OVEB Dl SINB-MEDXKLINKEBS IN HET 

paalde gevallen van bet Engelsche Ho iov vergeleken met de causatieve 
beteekenis, die wij bechten aan //doener door een werkwoord gevolgd. 
Maar het is duidelijk, dat eene taal twee zulke begrippen, als het 
eenvoudige werkwoord en het causatieve , gewoonlijk zal trachten te 
onderscheiden. De talen, welke nu pa, (ka, enz.) bij het cansativum 
bezigen , onderscheiden dit dus daardoor van het gewone werkwoord* 
door het af te leiden van het verbale substantief; het is dus een 
denominatief. Vandaar kunnen bij deze werkwoorden, bijv. in het 
Bur. ook als regel de n en t van de naamwoorden als sluiters 
voorkomen. Het Tim. heeft nu den ouden causatief-vorm verloren; 
(slechts in enkele overgebleven vormen leeft hij voort, bijv. ha- 
putun, verwarmen); er schuilt dus op zich-zelf niets verwonderlijks 
in, als de taal tot het vormen van een nieuw causativum weer 
greep naar het oude middel : de afleiding van het verbale subst. 
Nu wordt het verbale subst. in het Tim. gesloten door eene t of 
ingeslikten medeklinker, beide zijn ook in het causativum vertegen- 
woordigd, maar de t en de ingeslikte medeklinker zijn beide uit 
eene n ontstaan , waaruit ook de ƒ ontstond ; is het nu niet waar- 
schijnlijk, dat men bij den overigen, den eenigszius gediif eren ti eerden 
vorm van de ƒ uit w, namelijk de b tot vervanging der n heeft 
gekozen ? 

Voor eene dergelijke differentiatie is het niet noodig helderder, 
klaarder bewustzijn aan te nemen , dan bijv. voor het onderscheid 
maken tusschen verbum en subst., door wegwerping van den sluiter 
of voor de differentiatie, die eene bepaalde beteekenis aan een of 
anderen vorm toekent. Op dezelfde wijze kunnen de weinige en 
denkelijk wel verminkte causatieve vormen, die het Kup. bewaard 
heeft , verklaard worden , bijv. s a k e n g , doen stijgen , van sake, 
(Tag. sakay), vgl. ook de //^ in sdating, hak, van dati, 
hakken. Het Rott. heeft eigenlijk een causatieven vorm met het 
preflx ka, en deze komt ook enkele malen zuiver voor, meestal 
echter wordt deze vorm tevens in verbinding gebracht raet het 
verbale subst., en vertoont dus reduplicatie en slot-i, dus van 
dadi, Mal. djadi, nakadadadik, doen ontstaan; daarnaast 
komen enkele meug-vormen voor bij sommige woorden , namelijk 
met de k als sluiter, zonder reduplicatie, of met reduplicatie zonder 
sluiter. 

Willicht is de vorm van het réciproque werkwoord als langgatik, 
zij vervangen elkander, van het ontleende nggati = Mal. ganti, 
op dezelfde wijze te verklaren, vgl. het gebruik van het prefix pa 



ROTTINEESCH IK TIMOBEBSCH, 339 

bij réciproque werkwoorden in het Bat. , Sumb. , Saw. Ook het Rott. 
kent enkele verba van die beteekenis, geheel en al gelijk in vorm 
aan causatieven , als : 1 a k a s u s u d i k , zij wedij veren met elkander. 
Mogelijk dient hier de slot-^ echter wederom alleen om den vorm 
te onderscheiden van andere werkwoonlen met de voorgevoegde 
voorn w. De eigenlijke vorm, welke zelden anders dan met ao (van 
aok, lichaam) verbonden, gebezigd wordt, luidt: bijv. langgati 
(ao), waarbij het verkorte pers. voorn w. schijnbaar onmiddellijk aan 
den stam wordt gevoegd , maar waar het werkwoord eigenlijk, gelijk 
Eanggidaej reeds opgemerkt heeft, nog een prefix bevat, wat duidelijk 
blijkt bijv. uit een woord als na boa, hij, het, draagt vrucht, 
blijkbaar het pronomen na -f- prefix -f- boa, welk prefix, gelijk 
boven bij de bespreking van het Tettumsche prefix ha reeds op- 
gemerkt is, ook in het Bott. naar alle waarschijnlijkheid ha (voor 
pa) heeft geluid; het gebruik van het prefix in zulk een woord als 
na boa en bij de réciproque werkwoorden is dus te vergelijken met 
dat van het Mal. bSr. Het Tim. vormt deze woorden eenvoudig 
met het verwante prefix ma, (soms man), bijv. mait, elkander 
zien, bij uit, hij ziet; m ah in e, elkander kennen, bij iiahine, 
hij kent; gewoonlijk worden de verkorte pers. voornw. hierbij aan 
het einde van het woord gevoegd, als: sin maita-n, zij zien 
elkander, hit maita-t, wij zien elkander, enz% 



In de Rottineesche dial. van Dengka en Oenale komen ook enkele 
verba voor, welke op eene t eindigen, zoo ook in het Tim., (afge- 
scheiden van de causatieven). Van de meeste woorden, als Dengk., 
Oen. ööt, fijnwrijven, Tim. f on at, wijken, weet ik niets naders 
te zeggen; Dengk. uüit, een houd aanhitsen, naast Oen. sikiüis, 
idem, bevat we) eene klanknabootsing, (Term. bezigt nakahu- 
huïk, het geluid huï maken, Tim. huït^i), maar geeft geen 
nadere aanwijzing omtrent den sluiter. Dengk., Oen. molut, ont- 
glippen, losschieten, Dengk. olut, losglippen, uitglijden, Oen. 
sambi-orut, uitglijden , (waarnaast voorkomen k o k o 1 u , afglijden ; 
kolu, koru, oru = Tim. nonu, Kup. nulu, afstroopen, vgl. 
Mal. lurut, afstroopen ,• Jav. mlorod, afglijden), bevattten 
misschien eene oorspronkelijke slot-consonant. Zoo ook Tim. peut^ 
afstrijken, als een lucifer, naast pen, uitkrabben, keu, afkrabben, 
scheren, B. nggeu idem, kao, dial. nggau, Sumba kiiu,. 



d40 0T1S& DE SINDMSDBKLINSJS&S IN HET 

« 

krabben, vgl. Jav. ga ra naast ga rut. Daarentegen is de t stellig 
anorganisch en voor eene eveneens anorganische n in de plaats ge- 
komen in Dengk., Oen. selut, ruilen = Term. se luk = Tim. 
senij = Tett. selu, (in Dilli se luk, naast selu, betalen) = 
Sikk. selung = Sumb. silu, vgl. Jav. sulih, silih. 



In het Rott. zijn mij slechts twee werkwoorden bekend, welke 
op een neusklank, dat is dus de n eindigen, namelijk in ^t dial. 
van Oenale nalamein, droomen, waarvan Dengka met omzetting 
nalameni gemaakt heeft ; elders echter luidt het woord : n a 1 a m e ï , 
wat vergeleken met Tett. mehi, mihi, (A, als gewoonlijk, gelijk 
eene oorspronkelijke ƒ?), duidelijk blijkt tot stamwoord te hebben, 
lietzelfde woord als Bug. nipi, Mal. mimpi, de n is dus anor- 
ganisch. Hetzelfde is denkelijk ook 't geval in Dengka hean = 
lieka, op iets vertrouwen. 

In het Tim. zijn de door n gesloten verba talrijker, mogelijk is 
bijv. in haputun, verwarmen, den sluiter bewaard gebleven, die 
in putu, heet, verbrand zijn, (vgl. Daj. t o tong, enz.), verloren 
is; maar het is evengoed mogelijk, dat haputun ook weder eene 
later aangevoegde' n vertoont. Die n zal dan de waarde hebben, 
welke boven aangegeven is; wel bezigen zoowel de dial. van Dengka 
«n Oenale als het Tim. thans als accusatief van het pronomen è, 
maar gelijk reeds gezegd is, het is wel als zeker aan te nemen, 
«n uit een nalameen blijkt 't duidelijk, dat vroeger, mogelijk 
voor dat zij als afzonderlijke dial. of talen bestonden , de n ook als 
«Iders gebezigd werd ; juist het verlies van de n in die waarde is 
de oorzaak, dat zij niet geregeld, als in het Term., tot [k of den 
ingeslikteu medeklinker) is geworden. 



Zoowel in de dialecten van het Rottineesch , welke eene slot-* ken- 
nen , als in het Tim. komen ook enkele verba voor , welke op eene s 
eindigen; zij zijn niet talrijk, de meeste komen wederom voor in 
de dial. van Dengka en Oenale. Daaronder zijn er, als Dengka 
pbdes, draaien, bijv. touw, uüles = Term. kukulek, samen- 
'draaien, (vgl. ui e, wringen, Kup. nul as, draaiend knijpen, Tett. 



BOTTINXISCH IN TIMOBSBSCH. 341 

V. Dilli dalas, wringen, en Jav. pules), die wel stellig eeue 
oorspronkelijke slot-« vertoonen. Een oorspronkelijken sluiter in elk 
^evaly schijnt ook Dengka mbulas, Oen. puras (= nasapula, 
nasapura, Tim. naspiil) bespuiten, vgl. Sikk. buras, idem, 
doch Jav. samburat, te vertoonen. Toch schijnt soms ook hier de 
dot-s bepaaldelijk anorganisch te zijn, men vergelijke Dengk. dóös 
= Oen. d 6 ö r = Term. d ó ö k , elders d 6 k p , eene kniebuiging 
maken; Denk. kaus en kakaus = Oen. kaur = Term. kauk, 
het hoofd buigen, uakakau, ja schudden; Dengk. kakales = 
On. kakaler =s Term. nakakale, neen-schudden, (en zie het 
Yolgende). 



In de Bottineesche dial. van Dengka en Oenale , een enkele maal 
ook in die van Ti en Sengkou, benevens in het Tim, kan ook 
eene r of /, (naar het dialect), aan het slot van een verbum voorkomen. 

Deze sluiter is al van te voren verdacht, daar eene oorspronkelijke 
r of l overigens nooit gespaard blijft *. Hier volgen eenige voor- 
beelden: D. naaduül (naast duü) = Term. duku, toevallig be- 
wegen; D. nggonggal, naast nggonggongga. Oen. nggo- 
Jïggö^?g*r, iets schudden; D. naanonböl = Term. nakano- 
nbko, schudden; D. fafael = Term. fafae(k), wakker schudden ; 
«On. naafafaür, schudden; D. nd6öl^=Term. ndbko, uit- 



^ In het dialect van Oenale zijn mij ook drie substantieven bekend, welke 
op r eindigen, in dat van Dengka één (met l, gelijk steeds, voor r). Ook in 
het Tim. z^n mij twee op 2, r uitstaande subst. bekend, (behalve die op l 
eindigen na eene e, welke reeds besproken zijn, by de beschrijving der Tim. 
«ind-medeklinkers). Die in het Tim. zijn tól, tór = Kup. tón = £. tó, 
grens, grenspaal, denkelijk het Holl. tol, tolboom, in elk geval een ontleend 
vreemd woord; ditzelfde van si kil, elders si kar, ivoor (eigenlijk een plaats- 
naam?) De subst. in de Bott. dial. zijn evenwel niet ontleend, zij z^n Oen. 
ekar = Dengka heka = elders eë&, de Bottineesche rondedans of de kring 
daarvoor gevormd, finir = Dengk. fini = Term. bini, gedicht, (Kup. heeft 
dani, vgl. Bul. rani. Mal. njanji); si nor, maden in eene wond = elders 
^inok, sino Kup. sinun, en Dengka lul, traan naast In = luk = Tim. 
nuf, Tett. lun; stellig het Jav. luh. Het laatste woord wijst met zekerheid 
aan, dat de 2, r onecht is. Bij de twee laatste woorden schijnt wel het aan- 
hechtsel of lidwoord van het meervoud, ra, la, tot een deel van het woord 
geworden te zijn, en mogelijk is dat bij de twee eerste woorden ook 't geval. 
Is dit juist, dan moet die aanhechting reeds geschiedt zijn, voor de n tot k 
«nz., geworden was, (gel^k nu nog in het Tettumsch van Dilli de r in het 
meerv. de plaats van eene anorganische n inneemt), blijkens Dengk. lul, 
volgens de tegenwoordig geldende regels kon het slechts lu&la worden. 
7- Volgr. V. 22 



84£ OYXS DB BIND«<HEDEKLnnLSm8 IN HET 

schudden, uitkloppen; Oen. kaur, ja schudden, Ti. te-kaura:= 
Term . t e - k a u k , knikkebolleu ; Oei^ . k a k a 1 e r , neen-schudden ; On . 
kokobar s= Term. koba-koba, nakoba, in beroering zijn; D. 
naahahatel = Term. hate, nakahahatek, knipoogen; On. ngga- 
nggafur = Term. nggafu, Tim. kafun, uitschudden; Tim. tetal, 
tetar, wapperen; D. kapel. Oen. kaper, Tim. van Amarassi naper 
= Term. nggapek, Tim. v. Tabenu ainapen, Kup. lahen, wen- 
ken; D. dodoül, Term. doü, opgooien; Tim. okal, idem. Voorts D. 
nggal := Term. ngga, los, open; D. lenggal = Term. lenga, 
zich openen; D. lof al, losschieten. On. pular (= Term. po la, 
polak) en molur, (naast mol ut), idem, Bengkou fekar, ont- 
glippen, in overdrachtelij ken zin, zich wegpakken. Gelijk men ziet^ 
hebben de woorden in beide reeksen iets met elkander gemeen en 
zijn blijkbaar naar éen model gevormd: daarenboven is kaper, 
kapel, toch stellig = Mak. kape, Daj. kipai, vgl. Mal. kapaj, 
en dus de slot-medeklinker stellig onecht. En dat men ook in 't 
geheel niet met een eigenlijken slot-medeklinker te doen heeft, be- 
wijzen overtuigend : Ti femba neu daer, tegen den grond 
slaan; tè-daer, neerdalen, van een vogel, waar de r achter het 
naamwoord da e, grond, komt te staan; voorts Dengka fea f al 
ia, zoo even, uit fea, nog, fa, weinig, ia, dit, nu. In werkelijk- 
heid is de r, /, hier dan ook 't overblijfsel van een nadrukwijzer 
of bijwoord , dat in hel Termanusch nog gebruikelijk is. Het kan 
door ons meestal moeielijk op andere wijze, dan door het accent 
weergegeven worden; voorbeelden van het gebruik zijn, bijv. na- 
laö-la d6 ana saë ndjara, gaat hij (maar) te voet of rijdt hij 
paard? na-lepa-la, hij draagt (maar) met een draagstok, niet op 
andere wijze. Het bewijs, dat men hier met hetzelfde woordje te 
doen heeft, levert Oen., Ti nggèngger = Term. ugènge, 
opschrikken, schrikken, waarvoor men evenwel in het Term. ook 
zegt, zonder merkbaar verschil van beteekenis: nggènge-la. In 
de dialecten van Dengka en Oenale althans is dit woordje niet 
meer in gebruik , maar, evenals in het Tim. door a of ak vervangen,, 
vandaar dat het, toen het onverstaanbaar werd, eenigszins als een 
vast deel van een aantal woorden werd, (althans in zooverre men 
van de Bottineesche en Timoreesche slot-consonanten als vaste be- 
standdeelen van een woord kan spreken), waarbij denkelijk ook 
werking der analogie plaats had. In 't Tim. vindt men de /, r, 
ook wel na een adjectief; een voorbeeld is: nak-upal, nak- 
upar, kroesharig, van nak = nakaf, hoofd en (upa), dat behoort 



S0TTIKES8CH VS TDiOBSXSGH. 848 

bij R. naoöpa, dial. naoömba, golven van het water, van rijst- 
aren, en vandaar van het haar: golvend, dus wel bij Jav. ombak 
of umbak behoorende; voor de vorming, vgl. met het thans ge- 
bruikelijke a, ah: masdja(h), zilt, zout, bij masik, zout, na- 
ma si, zouten. In een paar Tim, woorden schijnt de Tim. /, r 
werkelijk eene oorspronkelijke consonant, (doch geen sluiter), te ver- 
tegenwoordigen, bijv. seül, snikken, (stellig bij Mal. sêdu), waarbij 
wel memeül, klagen, behoort; peul, dik, van eene vloeistof, 
naast pèök, Amar. pèrp, Kup. pèlo(-ka), pap, de slot-/ is hier, 
dus ontstaan uit omzetting, tenzij men moet aannemen, dat de 
medeklinker al eerder uitgevallen was en de l ook hier de gewone 
waarde heeft. Waar het Tim., Kup. eene «, het Rott. van Term. 
eene i tegenover zulk eene /, r vertoont, is wel eerder aan het 
toegevoegde pronomen, (dus k uit n)^ dan aan eene vervanging 
van de /, r door i te denken. 

Dewijl de * in de boven opgesomde woorden , als : d 6 ö s , enz. 
tegenover eene anorganische r staat, en de woorden blijkbaar even- 
eens naar hetzelfde model gevormd zijn, is wel aan te nemen dat 
de i aldaar eveneens anorganisch is. Zij zijn echter te weinig in 
getal om iets met zekerheid omtrent den sluiter te kunnen bepalen. 



I 



SANSKRIT KiRTI. 



DOOB 

j. ph. vogel. 



Naar aanleiding van Prof. Kern^s opmerking in dit tijdschrift ' 
betreffende de eigenaardige begripswijziging van Skr. kirti in bet 
oud-Javaansch , zij het mij vergund er op te wijzen, dat ook in 
Vóór-Indië genoemd woord in den zin van ff een verdienstelijk, 
vooral vroom werk^/ voorkomt. Niet, voor zoover mij bekendis, in 
de litteratuur , maar wel in inschriften , zooals blijkt uit de volgende 
noot van Dr. J. F. Pleet ^. 

//Mr. K. L. Telang (Ind. Ant. Vol. IX, p. 86, note 13) first 
brought to notice, on the authority of Dr. Bhagvanlal Indraji that 
in certain connections kirtana bas the meaning of ffSL temple/^ 
e. g. in line 18 of the Kharêpata^ grant of Anantadeva, dated 
l^aka-Samvat 1016 (id. p. 84) which he was then editing. This was 
supported by Dr. R. G. Bhandarkar (id. Vol. XII, p. 228 f.); 
who, in pointing out the error into which, from not being aware 
of this meaning of the word , I had fallen in translating the passage 
in lines 14 f. of the Baroda grant of Kakka II, dated Saka-sam vat 
734 (id. Vol. XII p. 159), was able to quote three passages from 
the Agni-Pura^ia (in the Bibl. Ind. Vol. I p. 111) Ba^^a's 
Kadambari and Somesvara's Kirtikaumudi, in which the 
word evidently bas the same meaning. And to these instances I have 
since been able to add the Dudahi inscriptions of Devalabdhi (id. 
Vol. XII, p. 289) and the Udayagiri inscription, dated Vikrama- 
sauivat 1093 (id. Vol. XIII p. 185). 

On the analogy of these authorities, there is every reason for 
allotting the same neaning, when required, to kirti, which is a 
derivative from the same root. Dr. Bhandarkar bas , ho wever , receutlj 



1 Bijdragen, volgr. Vn, deel IV (1905), blz. 662. 

s Corpus Inscr. Indic. deel UI (Galcutta 1888), blz. 212. 



SAKSUUT KIBTI. 845 

SQ^ested io me that kirti and kirtana are hardly tobeactaally 
translatêd by the word //temple//, or by any other specific term; 
bnt denote generally vhuj work, of public utility, calcalated to 
Tender famous the name of the constructor of it.^ This is in accord- 
ance with the etymology of the words, from the root krit //to 
mention, commemorate, praise.>/ And the particular work referred to 
may be a temple, as in the instance qaoted above; or a tank, as 
in the present inscriptions ; or anyting else of a saitable nature.^ 

Wat de afleiding van het woord kirti betreft, is het onge- 
twijfeld meer overeenkomstig de uitkomsten der taalvergelijking een 
wortel kar, kr aan te nemen, wel te onderscheiden van den gelijk- 
Inidenden wortel, die //maken// beteekent. Yan den laatsten is het 
substantief krti /^maaksel, gewrocht// a^eleid, dat mogelijk op de 
begripswijziging van kirti invloed heeft gehad. 

Aan de door Dr. Pleet aangehaalde voorbeelden kan ik nog toe- 
voegen een onuitgegeven inscriptie ^ van koning Bhoja, waarvan 
het origineel zich in het Staats Museum te Gwalior (Centraal Indië) 
bevindt. Dit inschrift is niet gedateerd, maar kan met zekerheid in 
de 9^" eeuw onzer jaartelling worden geplaatst, niet slechts om 
palaeographische redenen , maar op grond van gedateerde inscripties, 
van dienzelfden koning Bhoja. Zijn naam wordt bovendien genoemd 
in de Kasmierschen koningschroniek Bajatarangini in verband met 
de regeeringsdaden van Sankaravarman, die van 888 tot 901 over 
Elasmir zou hebben geheerscht. 

Aan het einde (vers 26) nu van genoemd inschrift leest men het 
volgende : 

ySvan nabhal^ surasaritprasarottariyam 
ySvat sudu^taratapal^prabhavab prabhavab | 
satyanca yavad uparistham avaty asesam 
tavat pun&tu jagatim iyam asya kirttib || 

^Zoolang het uitspansel is bekleed met den vloed des godenstrooms 
(de Ghtnges) , zoolang macht ontstaat uit moeilijk te volbrengen zelf- 
kastijding en zoolang waarheid wat omhoog is volkomen steunt, 
zóó lang loutere dit zijn (Bhoja's) roemrijk werk de wereld.// 

Het roemrijk werk (kirti) waarvan hier sprake is , is een vrouwen- 



^ YgL ühlenbeok. Korzgefasstes etymologisches Wörterbuoh der alt- 
indiflchen Sprache i. v. oarkarti en kpi^oti. 

> £en uitgave ervan wordt voorbereid door mijn Asflistent Pa^^i^ Hira- 
nanda. Zij zal verschijnen in het Annual Beport of the Archaeological 
Survey of India for 1903— '04. 



846 SANSKBIT KIBTI. 

timmer (antabpnrapura). Hieruit blijkt wederom, dat, zooals 
Fleet terecht opmerkt « het woord op allerlei gewrochten kan worden 
toegepast. Hoofdzaak blijft, dat het den stichter roem bezorgt. 

Voorbeelden van het gebruik van jas as in een dergelijken zin 
zijn mij uit V66r-Indische inschriften niet bekend. Wel heb ik een 
soortgelijken beteekenisovergang aangenomen voor de woorden 
ar ca (= vereering) en dharma (= vrome plicht) » in inscripties 
van omstreeks 700 n. Chr. , gegraveerd op bronzen godenbeelden, 
welke thans nog in het tusschen Eismir en Trigarta (Kangra) ge- 
legen bergstaatje Chamba worden vereerd ^. Is mijn verklaring juist 
(het Sauskrit dezer inschriften is verre van zuiver), dan zou dus 
ook in deze gevallen aan een woord met abstracte beteekenis, een 
concreet begrip zijn toegekend. Evenals kirti ^roem«^ wordt ge- 
bruikt voor //een voorwerp van roem^, zou arc5 /srvereering^ op 
//een voorwerp van vereeringv en dharma (vrome plicht) op //een 
voorwerp van vroomheid// zijn toegepast. Terloops zij oj^emerkt, 
dat in één dezer Chamba inschriften het woord kirti in den ge- 
noemden concreten zin voorkomt, waar wij lezen: Sri-Meruvar- 
mmacaturo (lees u)dadhikirttir esa //Dit is van Sri-Meruvar- 
man het roemrijk werk [befaamd] over de vier oceanen.// 

Noemde ik daareven dharma als een twijfelachtig voorbeeld , het 
lijdt geen twijfel, dat het zoo geregeld in wij-inschriften voor- 
komende dejadharma denzelfden eigenaardigen beteekenisover- 
gang vertoont. In de Buddhistische geschriften en inscripties wordt 
het, evenals in Pali dejyadhamma, geregeld toegepast op het 
geschonken voorwerp, zooals duidelijk blijkt uit de vaste formule 
Dejadharmo yam Devadattasja //Dit [is] de gift van N.N.' 
Nog duidelijker komt de concrete beteekenis uit, als wij vinden: 
Deyadharmo yam krto (of pratis^hito voor prati§thapito) 
Devadattena //Deze vrome gift [is] gemaakt (of opgericht] 
door N. N.// Maar dat de oorspronkelijk abstracte beteekenis van het 
woord nog werd gevoeld, zien we uit een inscriptie als die op het 
beroemde beeld van den stervenden Buddha te Kasia voorkomt: 
Deyadharmmo yam mahaviharasvamino Haribalasja 
pratima ceyam ghatita Dinê . . m&(?)svare;^a. //Dit is de 
gift van den groot-kloostervoogd Haribala en dit beeld is vervaar- 
digd door ....// Des makers naam is slechts gedeeltelijk bewaaid. 

^ Een Yolkomen gelijkwaardig woord bestaat in het Nederlandsch niet 
* Zie Annual Beport of the Arohaeologioal Sur vey of Indi» 
for 1902—03; bk. 240. 



SANBKBIT Kbfn. 847 

Voor verdere voorbeelden raadplege men Fleet's i^Oupta Inscrip- 
tions./r Genoemde schrijver verklaart het woord vrij omslachtig als 
»{h gift of) religion, which is proper to be given./i^ Zooals wij 
zagen, behoeft men slechts den ook bij kirti vastgestelden over- 
gang van abstract tot concreet aan te nemen, en, gegeven de ge- 
wone beteekenis «'vrijgevigheid*' het te vertalen door ^een voorwerp 
van vrijgevigheid// m. a. w. //een gift.// Het komt mij voor, dat de 
door Fleet aangehaalde vertolkingen van Dowson /s^votive oSenngf 
en van Bühler /i^meritorious gift// , het begrip ffgitU ounoodig beperken. 

Boven merkte ik op, dat van het gebruik van het woord d har ma 
ter aanduiding van het gegeven voorwerp mij geen zeker voorbeeld 
bekend is. Wel vond ik het daarvan afgeleide Nieuw-Indische 
dharm in die eigenaardige beteekenis gebruikt in op koperen platen 
gegraveerde schenkingsoorkonden uit het reeds genoemde bergstaatje 
Chambs. Het in de landstaal opgestelde gedeelte van dergelijke 
documenten besluit gemeenlijk met een soortgelijke formule: '/Eh 
dharm Sri-Bae tatha Bae ke putre potre pal^a. Syahu 
Jindu tatha Jindu de putre potre bhognS.// //Deze gift 
moeten mijn heer de Badja en des Badja^s zoon en kleinzoon be- 
schermen, Syahu Jindu (de begiftigde) en desgelijks Jindu^s zoon 
en kleinzoon genieten. /i' Dat hier bepaaldelijk de gift, in casu 
uit landerijen bestaande, bedoeld wordt, blijkt ten overvloede uit 
de overeenkomstige zinsnede in een andere oorkonde: Eh bh umi 
Sri-DivS^e bac^a //Dit land moet door het Hof (i. e. den 
Badja) worden afgezonderde (nl. ten behoeve van den begiftigde).// 

Ten slotte zij nog gewezen op de beteekenis-ontwikkeling van 
Sanskrit sasana. In de Oud-Indische litteratuur geeft het als 
nomen actionis de handeling weer, die door het werkwoord 
s&sti wordt uitgedrukt, nl. straffen, regeeren, bevelen. Maar in 
de inschriften beteekent het vaak //een bevelschrift, een acte// of 
nog concreter //de koperen plaat waarop een schenkingsacte is ge- 
graveerd ^.^ Men vindt dan ook de samenstelling tSmra-sasana 
ff een oorkonde op koper.// Al deze beteekenissen heeft ook het 
lïieu w-Indische sa san. Maar in Chamba (en mogelijk ook elders) 
heeft de beteekenis zich nog verder gewijzigd: Want daar wordt 
het woord sa sa 9 (de lingualiseering van de n is een eigenaardig- 



^ sasana „a charter, a teohnioal term for a deed of oonveyance on oopper- 
plates". Fleet, Gupta Inscriptions, Index. 



348 

heid Tsn dat dialect; t^« boTen pal^a en bac^i) thans nj 
sluitend gebmikt ter aanduiding Tan het land zeWe, dat door d< 
Badja aan Brahmanen en tempels geschonken is. Op die wijze wor 
het een synoniem van dharm. Yeigelijk b.v. met de boren aa 
gehaalde plaats de Tolgeude: £h s&san Sri-DiTi^e Bai 
Damodare re putre potre jog pal^a. Deze schenking mo 
het Hof ten behoeve van Barn Damodar's zoon en kleinzoon han 
haven./!' 



DE HINDOSTANSCHE OORSPRONG 

VAN HET 

,Ï^E3<}ENV0UDIG" SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH, 

aangetoond o.a. 
KT een merkwaardig Hindostansch schilderijtje van oa. 1700. 
Vens onder herkenning eener teekening van Rembrandt. 

DOOB G. P. ROÜFFAER. 



Het eigenaardige Atjeh'sche Sultans-zegel, het //negenvoudige//, 
^S^P t^ikoereuëfig^ in het Maleisch evenzoo ijap sémbilan genoemd ', 
^^» meer oflRcieel, /^donderzegel// {Ijap halilintar)\ is welbekend; 
ook door afbeeldingen. 

Krixyt in zijn //Atjeh en de Atjehers// (Leiden 1877) gaf op 

P- öS een eerste schets, het zegel van Sultan Alaoeddin Mansjoer 

Sjali (1857 — 70). Van Langen in zijn //Inrichting van het Atjehsche 

Staatsbestuur onder het Sultanaat^/ (Bijdr. Kon. Inst. 5, 111,1888) 

publiceerde als Bijlage (p. 436—442; vertaald p. 448—456) de 

^^^ Sultan Iskaudar Moeda, alias Meukoeta Alam (1607—1636) 

^g^eschreven — maar inderdaad uit circa 1723 dateerende ^ — 

J<^*hsche Bestuursregeling, de zgn. Adat Makota Alam^ waar in de offi- 

de Alaleische versie in art. 6 — 7 van de (/o^ A^ï/ï7mtór gesproken 

^'"**^ (p. 437, 449). Snouck Hurgronje in dl. I van zijn //Atjèhers// 

^. "^3 > gaf op een bijbehoorende plaat een volledige litho van 

, * iii 1879 vervaardigde zegel van den Pretendent-Sultan, 

^^'^^ïnad Daoed (1879 — 1903), met verwijzing naar zijn tekst 

•jj , ^ S3 . tHkoereuëng (sikoer eng) beteekent toch „één ontbreekt" (si-koer tng = 

^ ^^^ -koerang) j n.1. aan de Tien [Vingers], dus = Tien min Eén =r Negen; 

de '"¥^ - ^ ^s hetzelfde beteekent het Mal. s^mbüan = sa-ambil-an = „één [van 

teelc- ^^"*i Vingers] afgenomen". En nogmaals precies hetzelfde be- 

(Jav- ^^ ^ ^®*' ^*^* ^^^^P^'"^ = Soend. salapan = sa-lapa-an = „één ontbrekend" 

jjj^^ ~ ^«j?a = Mal. topar = gebrek, honger). Verg. immers met dit laatste weer 

jj "_ ^^^lapan =■ dodapan = Oud- Ja v. dwalapan (Van der Tuuk, Kawi-Bal. Wdb., 

A ^1 ^^^9 , p. 475) = „t w é é ontbrekend" [aan de Tien Vingers] = Acht. — 

^ *^ getuigend voor het oude Mal.-Polyn. Tientallig Vingerstelsel! 

• ^^ ver den ouderdom van dezen door Van Langen gopubliceerden tekst 

■^'^^eQ het slot van dit opstel, blz. 3vS0, noot 2. 

?• Volgr. V. 23 



350 DS HINDOSTANSCHI OOBSFSONG VAK HST 

p. 136, en 199 — 202. Eene zincografie geeft dat laatste zegel 
nogmaals weer op onze Plaat I, bovenaan. 

Steeds plaatst in dit Grootzegel des Atjeh'schen Rijks de regeerende 
Sultan zijn eigen naam middenin; terwijl daaromheen 8 
vroegere Sultans genoemd worden, hetzij om hnn beroemd- 
heid nooit daarbij vergeten, hetzij door den regeerenden Sultan 
speciaal daartoe uitgekozen. De namen van Sultan Alaoeddtn al- 
Qahh&r = Sidi Moekamal (1530 — 57), //den Geweldige// ; van Sultan 
Meukoeta Alam = Iskandar Moeda (1607 — 1636), den /^^Alexander 
[den Groote] Jr.// van Atjeh; van Sultane Tadjoe'l-'alam (1641— 
1675), de éérste Atjeh'sche //Vorstin//; en van Sultan Ahmad Sjah 
(1723 — 35), den Stichter der laatste, thans voorgoed verdwenen, 
Wadjo'sch-Atjeh'sche vorstendynastie , //komen// — aldus Snouck 
1. c. p. 200 — vof de meeste negenvoudige zegels der soeltaos 
terug; zij zijn die der vorsten, aan wie men Atjèhs bloei eu de 
adat-instellingen pleegt toe te schrijven. De overige wisselen af naai^ 
de keuze der soeltans, die zelve hun zegel vaststellen.// 

Ieder nieuw optredend Sultan van Atjeh begon dus met een nieu)«? 
Grootzegel des Bijks te laten graveeren; met hemzelven in h 
Midden , en 8 beroemde voorgangers om hem heen. 

Het doel van het nu volgend opstel zal wezen aan te toonen, de^^ 
men den oorsprong van dit Atjeh'sche Negen-Zegel niet in öl^ 
eerste plaats moet zoeken in het vooral ook bij de Javanen sterk levendL^ 
begrip 1 -|- ^ = ^^ Heilige Negen, niet dus in een getallex^— 
symboliek, die oud-Hindoe-Javaansch en Hindoe-Sumatraansch ffio^*fc 
heeten; maar, dat het een jongere en rechtstreekse 
nadoenerij is geweest van het voorbeeld door de eers 
Groot-Mogols in Hindostan gegeven, hoogstwa» 
schijnlijk zelfs onmiddellijke Atjeh'sche navolgi i 
van hetgeen Akbar (1556 — 1605) het eerst er 
daan had. 



Om dit aan t« toonen, zal eerst een allerinteressantst Hind 
tausch schilderijtje beschreven worden, dat tijdens den Groot- 
Aurangzeb (1660 — 1707) gemaakt werd, blijkbaar voor den to 
maligeu Opperkoopman van het een of andere HoUandsche kanto 
te Suratte waarschijnlijk, óf Ahmadabad , óf anders Agra; en t* 
geen iu zincografie — zonder de kleuren dus — hierachter w^^ 
gegeven wordt, aan voor- en tegenzijde. Plaat II-III. Den oudere! 



//NEGENVOUDIG'/ SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 851 

van dit merkwaardige stuk mogen we op ca. 1700 aanslaan; vóór 
17 07 in elk geval. 

Het origineele schilderijtje is, buiten de lijst, 24* X ^OJ cM. 
groot; met het daarbij in den laatsten tijd gemaakte mahoniehouten 
lijstje 30 J X 86J cM:, en behoort sinds eind 1902 aan den Gezant 
den Sjah van Perzië, Z. Exc. MntzA Samad Khan, Momtaz 
j-Saltaneh, van 1902 — 1905 geaccrediteerd bij het Nederlandsche 
'<, sinds midden 1905 verplaatst naar Parijs, 
^e eerste maal, dat ik dit curieus schilderijtje mocht zien, was 
op de Perzische Tentoonstelling in Mei — Juli 1903 door den Grootcn 
Koninklijken Bazar (firma voorheen D. Boer & Zonen), Zeestraat 82, 
J^iei" in Den Haag gehouden. Het trof mij dadelijk, èn om de 
fijnheid van lijn en kleur der 11 geaquarelleerde miniatuur-portretten; 
ön Wegens de merkwaardige schikking: 10 in een kring om éën in 't 
Duidden heen; èn om de bijschriften in 17*'-eeuwsch HoUandsch 
aan <3en achterkant, op het ouderwetsche behangsel-papier, met bege- 
leidende Hindust&nt-namen in N^ari-karakters van een inlandsche 
hancl , waardoor ineens de herkomst vaststond als echt-inlandsch en 
tevexAs als teruggaande tot den een of anderen Hollandschen Opper- 
kooj>inan in Noordelijk Voor-Indië, vóór 1707, Aurangzeb's dood, 
den ffOTüTigseehv in 't midden, met het volgcijfer 11. 

Toen ik echter, later pas, het verband begreep, dat hier te vinden 
^as met het Atjeh'sche Negenvoudige Zegel, vroeg en verkreeg ik 
v^erlof van den Perzischen Gezant, door vriendelijke bemiddeling van 
den Heer A. P. H. Hotz alhier, om het stuk tijdelijk onder mijn be- 
rustiijg te hebben en het te laten reproduceeren voor een historische 
studie. 

^^t schilderijtje , vroeger in het bezit van een deftige Hollandsche 

*cnili^^ was dd. 20 Nov. 1902 te 's-Gravenhage verkocht op een 

ücti^ van den autiquaar J. Schulman, in wiens verkoopcatalogus 

^•Is volgt beschreven stond op p. 49 onder n**. 669 , en met een 

''^^^ zincografie daarachter was geïllustreerd: 

'' ^ ^9. Planche avec les portraits des onze Grand-Mogols d'Indoustau, 

P^^^^^rellés. Sur Ie revers les noms en vieux hollandais et en pehlvi 

, ^^'^^ ^ hindoust&n!]. 1. Aemoerlengh [sic! fe^* ; Temoerlengh] (Tamer- 

-^ ^ 2. Sultan Mahmoud ; du u. 6 commencent les Empereurs 

. ^^^118. 6. Baber. 7. Horaajüu. 8. Akbar. 9. Sjehangir. 10. Shah 

^^^. 11. Aureng zeb, 

^^— '^tte planche, avec les portraits d'une exécution remarquable, 
du plus haut intërêt historique. Foir fa reproductmiy 



352 DK HINDOSTANSCHÏ OOBSFKOKG VAN HET 

Deze reproductie iu gezegden auctie-catalogus was eeu zinco ri 
8,8 X 11»3 cM., waaronder stoud //No. 669//. 

Wat evenwel in deze beschrijving niet staat en ook op onze Plaat 
hierachter niet duidelijk te zien is, is dit: de 11 miniatuv 
portretten, in waterverf op papier geschilderd, zijn alle inde 
tijd eerst uitgeknipt geworden, en toen opgeplakt, 
de volgorde, die zij nu hebben, op eeu stuk ouderwetse 
stevig behaugselpapier, lood blauw van fond , met gouden bloemi 
en ornamenten versierd — zie Plaat II — ; terwijl de oud-HoUandscl 
hand, die later aan de gelig-grauwpapieren keerzijde van het ald 
samengestelde schilderijtje de volgcijfers en namen der 11 Torst 
bijschreef nevens de inlaudsche namen — zie Plaat III — , diezelf 
volgcijfers 1 — 11 nogmaals op de juiste plaatsen bij de miniatui 
portretten bijschreef aan den voorkant van dat behaugselpapier *, zooi 
op Plaat n duidelijk waar te nemen valt. Kijkt men echter sche 
toe, dan kan men tóch nog wel zien, dat de 11 niet heel zuivc 
ovalen der portretjes het vroegere uitknippen verraden, terw 
het toen gevolgde opplakken op het gebloemde papier als foi 
door het verschil in donkerte dier ovale scheidingslijnen toch o- 
nog wel te voelen valt. Indertijd heeft men toen nog als afsluitin 
als //lijstje'/ om het aldus verkregen schilderijtje, een band gepla 
van gebloemd veelkleurig weefsel, op Plaat II goed te zien. - 

Dat wil dus zeggen: dit schilderijtje is aldus indertijd! 
mekaar gezet uit 11 geaquarelleerde miniatuur-portretjes, die 
de geweuschte volgorde werden opgeplakt op een blad mooi gebloen 
papier. Maar dit ineenzetten is niet in lateren tijd geschied, doe 
in den eigen tijd van Aurangzeb door een inlandscl; 
hand, die ook op den achterkant het allereerst de namen der ] 
Vorsten en hun volgcijfers in Nagari-karakters bijschreef; terwijl daan 



* Men moet niet denken dat de volgorde der cijfei*s 1 — 11 op den voorka 
(Plaat II), die linksdraaiend is, strijdt met de volgorde op den aclit4 
kant (Plaat III), die rechtsdraaiend is. Men behoeft maar in gedacht 
dien achterkant om te draaien en tegen den voorkant aan te leggen, om 
weten dat het rechtsdraaiende , evenals een spiegelbeeld, precies met \ 
liuksdraaieude samenvalt. — Alleen het volgcijfer 7 is op den voorkant z( 
onduidelijk bijgeschreven, weinig meer dan een haaltje. 

2 Onze Platen II en III zijn natuurlijk vervaardigd, nadat het papi* 
schilderijtje uit zijn moderne mahoniehouten lijst genomen was; waarin l 
aan den voorkant nog door glas was afgedekt, en van achteren door e 
tweede stuk glas, dat er tegen was aangeplakt, met bovenaan een scharni 
en los been, zoodat men het als een grooten portret-stander schuin overzij 
kou zetten. 



i 



//NEGENVOUDIG'/ SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 353 

degeen , voor wien dit geschenk bestemd was , eeu Hollandsch Opper- 
koopman blijkbaar, in oud-HoUandsche letter- en cijfer-typen nogmaals 
de namen dier Vorsten trauscri beerde op zijne wijze, en zekerheids- 
halve diezelfde cijfers ook aan den voorkant nog eens met de pen 
bijvoegde, om dadelijk weer door den achterkant te kunnen weten, 
hoe de een of ander der afgebeelde Groot-Mogols heette. 

Het was noodig dit duidelijk te zeggen, om het mogelijk ver- 
moeden buiten te sluiten, dat men hier te doen zou hebben met 
een in lateren tijd aldus gearrangeerd schilderijtje. Integendeel; dit 
stukje is g e 1 ij k t ij d i g met Auraugzeb , is van inlandsche 
zijde in dezen staat aan een Hollander gegeven, en 
vormt — indien men juist het feit, dat het portretten van Groot- 
llog-ols zijn, in aanmerking neemt — hoogstwaarschijnlijk hl een 
nalde-geschenk 6f een herinnerings-geschenk van Aurangzeb-zelven 
aaii een, hetzij nieuw optredenden hetzij voorgoed aftredeuden Opper- 
toopnaau der Compagnie indertijd. De NA,gari-karakters zijn daarbij 
pnfn€M^ir\ de oud-HoUandsche secundair^ immers n^ de schenking door 
den begiftigde-zelven bijgevoegd tot zijn eigen meerder gemak. ' 

I^eze schikking der portretten van 10 vro'egere Sultans als een 
krans om den éénen Regeerenden Groot-Mogol in het Midden heen, 
^s d erhalve Hindostansche arbeid op last (?) van Aurang- 
ze b ^ vóór 1707, in dezen trant vervaardigd. Het is 
ec h t-inlandsche, Voor-Indische schikking! 

^p die vaststelling komt het hier toch aan. Aan vreemden 
ii^vloed mag niet gedacht. Het is een inlandsch document 
^^^ ca. 1700. 

-^^^'ouwens : uit tal van andere gedocumenteerde feiten kan bewezen 

^^cieii^ dat, ongeveer sedert ca, i560, de Groot-MogoIs gewoon 

^^en in hun zegels hun eigen naam als van den 

^8'^erenden Vorst in het midden te zetten, met in 

^^ cirkel de namen van 7(?) ^ 8, later van 9^10 

of -j^ ^ V / ' 

*^ og meer vroegere Vorsten er omheen. 
, '^t; aantooning daarvan, zal het goed zijn de bewijzen in 
— ._._^^no logische volgorde te schikken. Vanzelf komt dan de 

dj^ ^-* itstekend is dit vooral ook te constateeren bij den naam van Aurangzeb, 

ia ^^^ «t zijn inlandsche schrift-typen precies in *t midden staat , zxiiver-coneentrisch 
^'i — 



^^ ^^ ^gebracht; terwijl de Holl. schrift-typen excentrisch daar boven staan,. 
Q^ Vjüjkbaar later door een vreemde hand werden bijgeschreven, die van dat 
1^^^^ ^^«ntrische bij een Regeerenden Groot-Mogol ook geen gewetenszaak be- 
^^e te maken; zooals een Hindostansch onderdaan natuurlijk wel. 



354 DS HINDOSTANSCHE OOBSFRONG VAN HST 

nadere bespreking van ons schilderijtje wjeer te pas op zijn histo- 
rische plaats; en zal tevens blijken, dat het Atjeh'sche Bijkszegel 
mimiddellijk ofdlsetid is aan den oudsten vorm dien we, iu 
1619, reeds van het Hindostan'sche Grootzegel, het Farmdn- of 
's Vorsten /'Order^z-zegel, met een af beelding kunnen document«eren. 

1619. Uien oudsten vorm, van dat jaartal uitdrukkelijk voorzien, 
vinden wij op een kaart in het Britsch Museum — K. 115(22) — 
in facsimile verkleind teruggegeven achter p. 546 van dl. II der 
Hakluy t-Society-uitgave , 2^ Series, II: '/The Embassy of Sir Thomas 
Roe to the Court of the Great Mogul, 1615 — 1619, as uarrated 
in his Journal and Correspondence. Edited from contemporarj 
records by W. Foster", London 1899; en op p. 542 — 546 1. c. 
nader beschreven. 

Deze kaart draagt links het onderschrift //Indolstani Imperij 
Totius Asiae ditissimi descriptio : Ex indagatione Ilust : Dom : 
Tho : Roe Equitis Aurati in Regia Mogollanica Legatum agentis 
Illustrata: Anno Sal:[utis] 1619"; en middenin onderaan het bijschrift: 
//William Baffin deliniauit et excudebat", alsmede /i^Renold Elstrack 
sculp." 

Hoe William Baffin, die reeds in 1615 de naar hem ge- 
noemde Baffin's Baai ontdekt had, hier de kaart-maker kon wezen, 
die het eerst de geographische uitkomsten der beroemde Gezant- 
schapsreis van Sir Thomas Roe naar .het hof van den Groot- 
Mogol Djah&ngir (Jehdugir; 1605 — 1627) op koper bracht, 
wordt in Foster's genoemde uitgave 1. c. verklaard: Baffiu was als 
bootmaüsmaat (//master's mate^/) aan boord geweest van de Anne, 
die Roe in 1619 van Hindostan via Suratte terugvoerde uaar Enge- 
land. Daar aan boord had Baffin, zeevaarder en kaartenmaker van 
goeden naam reeds. Roe, den Gezant, natuurlijk leeren kennen, 
en aan hem de gegevens ontleend, die hijzelve in zijn kaart van 
1619 dan ook noemt als herkomstig van Thomas Roe. 

Welnu, rechts bovenaan op deze kaart, staat eerst het welbekende 
Grootmogols- (thans nog Perzische) Wapen : een liggende Leeuw op 
den voorgrond en daarachter de Rijzende Zon. En beneden dit staat 
het Grootzegel van Djah&ngir afgebeeld, met zijn eigen naam 
in het midden, en met 8 namen van zijne Voor- 
vaderen, te beginnen met Timoerlang = Tamerlau, om zijn 
naam heen. Het Negenvoudige Vorstenzegel dus van Djah&ngir, 
den 4*^ Groot-Mogol ; van welke dynastie immers Bftbar (1483 — 1530), 
d. i. de //Leeuw/r, sinds zijn verovering in 1526 van Hindostan de 



//NEGENVOUDIG// SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 355 

stichter geweest was, ' nadat Tamerlan alreeds eens in Deo. 1398 
Delhi had veroverd gehad. 

1625. Toch mist dit eerste gegeven op Baffin*s Kaart van Hindostan 
afdoende bewijskracht , omdat de Perzische namen van het origineel 
hier alle getranscribeerd werden, en dat wel met verscheiden 
duidelijke fouten, waarvan Poster 1. c. p. 568 er een nader aangeeft. 

Maar in 1625 komt het eerste authentieke bewijs^ 'met vrij ver- 
trouwbare afbeelding van Djah&ngir^s Negenvoudig Zegel. In dl. I, 
liondon 1625, fol. 585 — 592 van Purchas' beroemd verzamel- 
werk van allerlei reisbeschrijvingen — //Haklvytus Posthumvs or 
Pvrchas his Pilgrimes^/ — treft men voor het eerst Roe's Reisver- 
haal in verkorten afdruk aan; ^ en besluit Purchas die beschrijving 
met de volgende woorden van zichzelven : 

"I haue heard that Sir Thomas Roe at his Retume [in 1619], 
desiring the Great Mogor or Mogoll [Djah&ngir], his Letters of 
Ck)mmendation to his Maiestie [Koning Jakobus I van Engeland], 
easily obtayned that request, but found him very scrupulous where 
to set his seale; lest, if vnder [versta: ^onderaan'/ dezen brief], he 
should disparage himselfe; if ourr [versta: // bovenaan // dezen brief] , 
it raight cause distast to the King; his resolution and preuention 
therefore was this, to send the Letter vusealed, and the great 
Seale it selfe [versta: apart; los], that so His Maiestie might 
according to his owne. pleasure affixe it. The Seale is Silver; the 
type and forme whereof, contayning only the Mogols Genealogie 



* Ziehier de lijst der Groot-Mogols , tot 1761, het jaar van geheele ver- 
dwijning dezer Dynastie: 1. B4bar, „de Leeuw", 1526 — f1580; 2. Humajün, 
1580—42, onttroond, en opnieuw 1555—11556; 3. Akbar, 1566— f 1605; 4. 
Djahangir, 1605—11627; 5. SjahDjahftn, 1627— onttroond 1658; 6. Aorangzeb 
= Alamgir I, 1658— f 1707; 7. Sjah Alam I = Bahadur Sjah, 1707—11712; 
8. Djahandar Sjah, 1712— onthalsd 1713; 9. Farochsir, 1713— onthalsd 1718; 
10. Mohamad Sjah, 1719— tl748; 11. Ahmad Sjah, 1748— onttroond 1754; 
12. Alamgir II, 1754 — vermoord 1759. De hierop volgende Sjah Alam II , 
oudste zoon van Alamgir II, kwam nooit tot wezenlijk regeeren, ook zelfs 
niet na den slag van Panipat, beN. Delhi, waarin zijn vijanden, de 
Mahratten, door een coalitie van Moh. Prinsen Verslagen werden; hetzelfde 
P&nipat, nota bene, waar in 1526 Bê,bar den Moh. Vorst van Delhi ver- 
slagen en daarmee de Grootmogol-djnastie in Hindostan gevestigd had ; terw\jl 
Akbar, als 13-jarige, op diezelfde plek in 1556 een gevaarlijk vijand had 
zien verslaan, waardoor z\jn eigen opvolging op den troon verzekerd was. 

* De verkorting van Boe's Journaal bij Purchas blijkt duidelijk uit den 
titel, dien Purchas aan die uitgave gaf: „Obseruations collected out of the 
loumall of Sir Thomas Boe . . . etc.'' (fol. 535). — Op blz. 384 hierachter 
vindt men, als Naschrift, de oud-HoU. vertaling van Purchas' woorden. 



356 DE HINDOSTANSGHS OOESP&ONG VAN HET 

froin Tamerlane^ in seuerall Circles, with the English TranslatioLm. 
I haue heere added.v (fol. 591.) 

En dan volgt inderdaad bij Purchas, onderaan die folio-bladzijde 59 
de afbeelding, welke op onze Plaat I, middenin links, gereproducee:K-<3. 
wordt als de oudste, vrij authentieke, afbeelding van een Groo-t:— 
mogols Zegel uit 1619. Men ziet, dat de schikking ^ xx 
opvatting van dat Grootzegel van Djah&ngir vo 1_- 
maakt gelijk is aan die bij het Atjeh^sche SultanB. ^~ 
zegel! Op de andere folio-bladzijde, 592, geeft Purchas dan n 
een oud-Engelsche transcriptie, al even onzuiver als die op Bafii 
kaart van 1619. In Foster's uitgave van Roe's Journaal, 1899, 
p. 567, wordt deze zelfde >yDescription of the Great Mogols Seal 
uit Purchas van 1625 almede gereproduceerd; waaruit wel lo: 
worden opgemaakt, dat het oorspronkelijke zilveren ste 
pel van Djah&ngir, hetwelk in 1619 naar Engeland kwam, »^^^ 
meer onder de schatten van de Engelsche Kroon wordt aangetroffeu • 

Wegens de volstrekte analogie tusschen dit Negenvoudig Zegel v««.ïi 
Djah&ngir uit 1619, en het tot in ca. 1900 gebruikelijke Atjeti — 
sche Rijkszegel, beide met 8 namen van vroegere Vorsten om d 
Eénen in 't Midden van den Regeerenden Vorst heen, is het 
wenscht, een oogeublik nader bij Dj ah^ngir's Grootzegel stil t<; st^a.»* - 
Daar onze afbeelding, middenin Plaat I, Purchas' afbeelding v. 
1625 teruggeeft, en ook Eoster in zijn editie van Roe's Jouru; 
diezelfde reproduceerde, slaan Foster's opmerkingen, hieronder ve* 
meld, evenzeer op onze Plaat. 

Eoster haalt o. a., over het type der Perzische letters in Purchj 
afbeelding , het volgende oordeel aan van Prof. Deuison Ross : //Thouj 
Purchas's drawing is obviously not the work of a native, vet, beiii 
presumably a first copy of the original , the form of the letters h? 
in most cases been accurately preserved/y (1. c. II, p. 566). 

Dan maakt Foster-zelve een andere opmerking over de autheuti 
citeit der afbeelding: //In the drawing giveu by Purchas the nam»^ 
and titles of Jahdngir stand alone in the innermost circle, whiW 
the word ibn (//sou'/) is introduced into each of the other circles ii ^ 
such a way that Jahangir is showu as the //son// of each of hi^ -"^ . 
ancestors, and at the same time, reading the names in the righ^ ^^^ . 
order [versta diM: tegengesteld aan de wijzers van een uurwerk 
linksdraaiend dus], each emperor is shown as the son of hiss? 
predecessor. This is in conceit quite in Oriental style". *^ 

^ L. c. p. 566 — 567. De spatieering is van mijzelven. 





//NBGENVOUDIÖ// SULTANS-ZEGSL VAN ATJEH. 357 

eitlaad, de 9 namen op Djah&ngir's Grootzegel van 1619 zijn 
uscriptie de volgende; telkens van den ondersten regel naar 
g toe gelezen • : 

geheel bovenaan] //ibn Amïr Timür S&tib Qir&u// ; d. i. 
Timoer = Timoer lang = //de Lamme Timoer, de Lamme 
IJzeren// = Tamerlau, 1379 [toen hij meester werd van Herat] 
— 1405. Geb. 1335. Doet in 1398 zijn groote invazie in 
Sindostau, waarbij hij Delhi verovert, met een van zijn klein- 
zonen, Pir Mutamad (verg. hieronder) als zijn rechterhand, 
schuin links bovenaan] //ibn Mir4n Sj&h'/; d. i. de weinig 
bekende zoon van Timoer, f 1407. 

geheel links] //ibn Sult&n Mubamad MirzA// ; d. i. een even- 
eens weinig bekende kleinzoon van Timoer, tevens B&bar's 
Overgrootvader, f 14 . . .; deze Mutamad wel te onderscheideti 
van den bovengenoemden strijdlustigen en bekenden onderen 
kleinzoon van Timoer, Plr Mutamad, die in 1406 stierf, en 
die — zooals nierachter zal blijken — nog te voorschijn 
komt op Aurangzeb's Grootzegel. 

schuin links onderaan] //ibn SultAn Abii Sa'ld//; d. i. B&bar's 
Grootvader, f 1468. 

geheel onderaan] '/ibn 'Omar Sjaich Mirzd//; d. i. B^bar's 
Vader, t 1493. 

schuin rechts onderaan] //ibn Bdbar B&dsj^h// = B&bar, de 
>^ Leeuw//, de 1« Groot-Mogol, 1526 — 1530. 
geheel rechts] //ibn HamujAn BUdsj^hv = HümajAn , de 
2« Groot-Mogol, 1530—1556. 

schuins rechts bovenaan] //ibn Akbar B^dsj&h// = Akbar, 
de 3« Groot-Mogol, 1556—1605. 

in 't Midden] //Abüal-Mutafar [sic] Nftr-ad-dïn Djah&ngir Bad- 

sj^h Gh^zï// = de 4® en Eegeerende Groot-Mogol Djah&ngir. 

5t merkwaardigste in deze lijst is misschien wel de afwezig- 

l van volkomen symmetrie, vergeleken met het Atjeh'sche 

6 Arabist Dr. T. J. de Boer was zoo vriendelijk mijn transcriptie met 
as' afbeelding te collationeeren , en hier en daar te verbeteren. Foster 
baar niet. De lezing der regels van de legenda gaat steeds 
>nder naar boven. — Als een sterk bewijs , hoe slordig de transcripties 
•ffio en Purchas zijn, diene dat n**. 3 resp. bij hen heet: f,Aben Mirza 
Mahomed", en n^hn Mirza Soltan Mohamed". — De sterfjaren van 
-5 dank ik aan de welwillende voorlichting van den heer A. M. H. J. 
^is, den samensteller van den „Manuel d'histoire, de généalogie et de 
►logie etc", Leide 1889-91, 3 dln. 



I 



358 



DS HINDOSTANSCHX OOBSPEONG VAN HET 





Rijkszegel. In Djah&iigir^s tjap — om dit familiaar-Oostiudiscb»^^ 
woord te bezigen — zijn de volgnummers 1 — 5 aan Voorvaderei» 
géén Groot-Mogols nog , gewijd ; 6 — 8 aan 's Vorsten onmiddellijl^- 
voorgangers op deu Troon; 9 aan hemzelven. De verhoudin 
i s d u s 5:3:1; zeer busymmetrisch derhalve. En we zullen hie 
onder zien, dat ook tot middenin de 18^ eeuw bij het fiijkszegi 
der Groot-Mogols op mooie symmetrie nooit gelet werd. 

In dat opzicht staat het Atjeh'sche Sultans-zegel bepaald hoog 
door zijn volkomen symmetrie; uitgedrukt in de fo 
mul e 4:4:1. Het mag als //eene technische verbetering* o;^ ^ï 
Djah&ngir's eerste ontwerp van zoo'n Negenvoudig Zegel beschouw»- 
worden. Om dit nader aan te toonen, is het goed ook de tran 
criptie hier te geven van de 9 legenda op de tjap t'^ikaereuëng 
naar de afbeelding bij Dr. Snoack Hurgronje, gereproduceerd bove 
aan op onze Plaat I. Men vindt daar (vei^. Snouck, op. cit., I 
1898, p. 200): 

[1. schuin links onderaan] //Sult&n Sajjidi al-Mukamal/s^ = AI 

oeddin al-Oahh^r, 1530—1557 = Sultan IIE. 
[2. geheel links] >/Sultan Makutd 'Alam^^ = Iskandar Moeda 

1607—1636 = Sultan XI. 
[3. schuin links bovenaan] //Sult&n Tftdju-'l-'alam// = de émti^ 

Sultane, 1641—1675 = Sultan Xni. 
[4. geheel bovenaan] //Sultan A];Lmat Sj&h// = de tórste Vors: 
der laatste, Boegineesch-Atjeh'sche dynastie, 1723 — 1735 
Sultan XX, vóór 1723 geheeten Maharadja Lela [Mëlajoe^ 
[5. schuin rechts bovenaan] //Sultftn DjAhan Sj&h>y = de zoo 
desvorigen, 1735 — 1760 = Sultan XXI, alias Eadja Moedj 
[6. geheel rechts] «^Sultfln Mabmüd Sjfth/i^ = Mohammad 
Mahmoed Sjah I, de kleinzoon van Ahmat Sjah, 1760 — 176 
en opnieuw — na een 2-tal jaar door zijn Rijksbestierder 
den troon te zijn gevolgd — 17B5— 1781 = Sultan XXII^ 
[7. schuin rechts onderaan] //Sultan Djauhar 'Alam Sj&h/y = 



d 



11- 
1, 



A' 



Ja, 



}U 



^ Dr. Snouck Hurgronje ziet in den „Ma]^müd Sj&h" van dit Pretendent^ 
Zegel echter Sultan Alaoedin Mahmoed Sjah Dj ohan, die van 1781 
1795 als Sultan XXTY regeerde (zie zijn Atjèhers, I, p. 200). Dooh uit d-> 
tekst van het bij hem, Lep. 201—204 volgende dooument van 28 Oct. 
volgt, dat de daar voluit genoemde Sultan „Alaédin Mahmoed Tj ah" (p. 
toch wel Sultan XXn is geweest; terwijl de in dat document nogmaals 
noemde n^Ü^e^ 2^* M. Alaédin Moehamat Tjah" was de Alaoedin Mohans^^ 
(of Mahmoed) Sjah H, die van 1824—1838 als Sultan XXVI regeerde (very. 
Snouck's noot 1 op p. 202, 1. c). 



's- 



"^n 



V 



/ï'NEöENVOUDIG// SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 359 

achter-achterkleinzoon van Ahmat Sjah, 1795 — 1824 = 

Sultan XXV. 

^8. geheel onderaan] //Sult&u Matdlür [sici; lees^ met 2 punten 

minder: MansAr] SjAh/' = des Pretendents Grootvader = 

Sultan XXVlil. 

[9. in 't Midden] ^WafFaqa-Allah P&düka Srï SultAu 'Al&^-ud- 

din Mubammad ^ Daüd Sj&h Djflhan bërdaulat zill- Allah H-'l 

'Alam 1296^^ [= A^ D. 1879] ^ = de Pretendent-Sultan 

Moehamad Daoed, 1879—1903 = Sultan XXX en Laatst. 

In dit AtjehVche Sultans-zegel zijn dus 3 plaatsen verzegd aan 

^t^ote Voorgangers uit* vroegere Dynastieën, 5 aan Voorvaderen 

^it het eigen Geslacht; terwijl de eerste dezer 5, als Stichter der 

^jnastiq, Mtijd pleegt voor te komen op de zegels, zoodat de ver- 

li onding wordt: 4 (êteedê voorkomende namen der ouderen) : 4 (der 

^igen dynastie, ncuir keuze) : 1 (den Regeerenden Vorst). 

Maar behalve door deze meerdere symmetrie, wint ook in drie 
ci^ndere opzichten het jongste Atjeh-fiijkszegel het verre in makelij 
^v-aii Djah&Dgir's voorbeeld uit 1619: 

1**. Het Hindostau'sche Bijkszegel is, zonderling genoeg, links- 

cSraaiend', d. w. z. tegeti de wijzers van een uurwerk in; het 

-Atj eh'sche echter is rechtsdraaiend, zoodat bij dit laatste — véél 

:xneer overeenkomstig de Oostersche begrippen van welvoeglijkheidi — 

^e diverse Vorsten die geacht, worden door hun achtereenvolgende 

:iiamen /i^heen te leiden// naar den Aegeerenden Potentaat iu het 

Ididden, allen hun rechterzijde, de rechterhand laten aan 

dien Levenden Potentaat ; geheel dus zooals ook een Hindoe of een 

Hindoe- Ja vaan met zijn pradakêkina of V/rechts-draaieu'/ een tempel 

placht om te gaan, de rechter- //hoogerhand// steeds latende aan dien 

tempel die dan het centrum was van a ommegang//. Derhalve is het 



^ Deze idfde inscriptie staat ook op het ^Enkelvoudig zegel van den 
Pretendent-soeltan", op dezelfde plaat achteraan Snouck's „Atjèhers", dl. I, 
te vinden. Alleen wordt daar de aanhef geschreven, „Waffaq&- Allah", w aarb ij 
het «Allah*' geheel bovenaan het zegel alléén staat — met be- 
paalde symbolische beteekenis , zie volgende noot ! — , op dezelfde wijze zooals 
op de ijap shnbikm de n van het woord „Sul^ftn'' in de 8 rondschriften steeds 
apart boven de letters „Sulta" staat. Op het Enkelvoudig zegel staan echter als 
rondschrift de volgende 4 Arab. woorden, onmiddellijk slaande op het „Allah*' 
dat bovenaan staat, en resp. N.0. , N.W., Z.0. en Z.W. om het centrum 
geplaatst — 'naai* vriendelijke lezing van Dr. de Boer — : nq.auluhu al-l;Laqqu 
walahu al-mulk", d. i. (verg. Snouck, I, p. 201): „Zijn Woord is de Waarheid , 
en Zijner is het Koninkrijk". 



360 DE HINDOSTANSGHE OOBSPBONG VAN HET 

Atjeh-Zegel hier wèl zoo streng van etikette als het Hindostansche ; 
want we zullen zien dat het Grootmogol-zegel linksdraaiende 
blijft tot op het laatst. 

2®. In Djah&ngir's Parm&n-zegel van 1619 heeft men op een 
zeker zeer eigenaardige wijze vermeden dat b.v. Timoer, die als 
Stamvader bovenaan staat, zijn voorvaderlijken //derrière^' , bij het 
lezen van zijn naam, zou toedraaien aan zijn nazaat, den regee- 
renden Djah&ngir. Had men op de gewone wijze den naam geschreven, 
wel van rechts naar links, maar overigens met eiken volgeuilen 
regel ónder een vorigen, dan ware dit onvermijdelijk het geval 
geweest; het zou dan den indruk hebben gemaakt, of het //eiudc's' 
van Timoer stond op het //begint vau' Djah&ugir. Met een zekeren 
Oosterscheu tact heeft men alles nu omgedraaid en geschiedt , zooals 
daareven in noot 1 op blz. 357 al opgemerkt werd , de lezing van 
de regels der legenda van onder naar boven. Djah&ngir 
is aldus symbolisch tot het Begin , tevens het Einde , van het Zegel 
gemaakt; uit zijn naam emaneert de naam van Timoer, en in zijn 
naam concefilreerl zich weer het geheel. Tbch hadden, iudien 
alles symbolisch dóórgecompoueerd ware geweest, 
èn de naam van Djah&ngir-zelven, èn de namen van n*" 4 — 6 (de 
3 onderste) , op de gewmie wijze ingegrift moeten zijn , niet de 
regels van boven naar onderen te lezen. Maar op véél vernuftiger 
en hoofscher wijze is men te werk gegaan bij het Atjeh'sche Negen- 
voudig Zegel '.daar draaien de legenda, 66\ in hun stand, 
om het Centrum heen, zoodanig, dat telkens het /i'SuMu'' , dus 
de 8 Hoofden der 8 vroegere Sultans alle naar den ééuen Sultan 
in het Midden gericht zijn! 

3^ In het Zegel van Djah^ngir is Timoer als Stamvader boven- 
aan, en blijft dat in alle latere Grootmogol-zegels ; ware het 
niet dat hij tot de 8 behoorde die in een kring om het grootere 
Centrum heenstaan, dan zou men haast kunnen denken dat hij dus, 
Timoer, //van de bovenste plank//, en daarmee van het meeste ge- 
wicht was; niet Djah&ngir. Doch in het Atjeh-Grootzegel is ook dit 
schikken der 8 namen om den éénen centralen heeu op veel Byzan- 
tijnsch- volmaak ter wijze opgelost; schuinslinks onderaan 
begint de reeks der namen , de verdere draaien alle om het Midden 
heen , zoodat de bovenste op zijn kop staat en daarmee 
duidelijker wijs alle schijnbare hóégere plaatsing boven den jegeereuden 
Sultan verloor ; doch de beste positie van alle 8 blijft over voor den 
ondersten naam, d. i. den naam van den onmiddellijk aau den 



/i'NEGBNVOüDIG'/ STJLTANS-ZEGSL VAN ATJEH. 861 

Eegeerenden Vorst vóórgeganen Sultan I Wat een fijnheid van 
Oostersche symboliek! * 

Men ziet het: in niet minder dan 4 eigenaardigheden staat het 
Atjeh*sche Grootzegel van 1879 technisch-symbolisch boven het 
Grootmogol-zegel van 1619! Dj ah&ngir's (/ap blijkt een eerste proeve 
op dat gebied, is primair, is nog wat rauw en ruig; de tjap van 
den thans onderworpen Atjeh'schen Pretendent-Sultan is een model 
van volmaakte hovelings-kunst , een meesterstukje van Atjeh^sch 
Byzantinisroe , dat dd^rdoor alleen reeds het bewijs inhoudt voor 
een lange periode van eigen, Atjeh'sche ontwikkeling. 



Nu hiermee het typische verschil lusschen het oude Grootmogols- 
en het moderne Atjeh'sche Sultans-zegel zoo duidelijk mogelijk aan- 
gegeven is, komt het er op aan ook de jongere voorbeelden van 
het Grootmogols-zegel na te gaan. 

1655. In dit jaar gaf een vroegere reisgenoot van Roe, Edward 
Terry, een beschrijving van Hindostan in het licht, voornamelijk 
gebaseerd op de door hem verzamelde gegevens gedurende Roe's 
Gezanten-reis naar den Groot-Mogol Djah^ngir, in 1615 — 1619. 
Dit boekje heeft tot titel: //A Voyage to East-India. TVherein some 
things are taken notice of in our passage thither, but many more 
in our abode there, within that rich and most spacious Empire of 
the Great Mogol .... Observed by Edward Terry (then Chaplain 
to the Right Honorable Sr. Thomas Row Knight, Lord Ambassadour 
to the great Mogol) uow Rector of the Church at Greenford. London, 
J. Martin and J. Allstrye, 1655'/ (Ex. Kou. Bibl.). 

Zooals men uit den titel ziet, zijn het goeddeels de Reisherinne- 



' Men meene vooral niet, dat hier spitsvondigheid aan het woord is bij het 
vergelijken van 't karakter der beide soort van zogels! Wie weet met welk 
een angstvalligheid speciaal aan een Oostersoh hof — ik denk hier onwille- 
keurig aan de beide Hoven der Jav. Vorstenlanden — de etikette in acht 
wordt genomen, en hoezeer een Oosterling geneigd is symbolische opvattingen 
dóór \e drijven (zooals trouwens ook zeer sterk bij den ritus en de liturgie 
der £oomsche Kerk, of bij het Boeddliisme, valt waar te nemen), die begrijpt 
dat schijnbai'e kleinigheden hier allemaal voor goede verstaanders gióóte 
beteekenis hebbefl. — Maar er is bovendien een b e w ij s , dat liet sub 3 hier 
opgemerkte waar is: op het Enkelvoudig Zegel van den Pretendent- Sultan, 
bij Snouck op dezelfde plaat afgebeeld, staat het „Allah" van het „watfaqa- 
Allah" — zie vorige noot — geheel bovenaan, en op de gewone wijze, 
geschreven; d. w. z. dus: Allah-alléén staat geheel bovenaan op dit zegel 
des Sultans; Allah is de akhar ^ de „Groote", zelfs boven den Sultan staande. 



162 



DE HIND0STAN80HE OOBSPEONG VAN HET 




ingen van eeD veldprediker-in-ruste. 06k hij geeft tegenover p. 36 
en afbeelding van //The fioyall Signet of y* great Mogol/y, i 
'erz.-Arab. karakters; die echter veel slechter en onvertrouwbaard 
s dan Purchas^ afbeelding van 1625. ' Maar hij voegt er de volgende 
eker merkwaardige en nieuwe beschrijving aan toe op p. 864 — 365 

//.... I have caused his [scil. the great MogoFê] Imperial Signet 
ir great Seal to be laid down before my Readers eyes, wherei 
leeê: where in] nine rounds, or Circles, are the Names and Titl 
if Tamberlane , and his lineal successors in Persian words , . . . . 

This Seal (as it is here made in Persian words) the great Mogo 
ither in a large, or lesser figure causeth to be put unto all Fi\ 
fuiuneSy or Letters Patents, the present Kings Title put in t 
aiddle, and larger Circle that is sarrounded with the rest, t 
mpression whereof is not made in any kinde of Wax, but Ink , 1 
)eal put in the middle of the Paper and the writiug about 
^hich Paper there is made very large .... And the words on t 
Mogolê Seal being imbosêH [= in hoogsel gegraveerd ; öpgegrif 
iiè put upon both sides of his Silver and Oold Coin, (for th 
s no image upon any of it.)// 

Hier wordt voor het eerst door Terry iets nieuws gecoustate 
^iet alleen op zijn Documenten, maar óók op een deel van 
ilunten plaatste soms een Groot-Mogol zijn Meervoudig — in 'tg 
ran Djah&ngir dus : zijn Negenvoudig — Stempel. Terry zegt welis 
'upon both sides of his Silver and Oold Coin^/ , dus op hüe G 
nogols-muuten van goud of zilver ; maar dit is larie ; evenals T^e 
n de onmiddellijk volgende, hier onder in de noot overgenom 
liusnede een grove onjuistheid vertelt. ^ Maar een stukje interessais. te 
naarheid is er wel degelijk in Terry's mededeeling. 





1 Verg. daarbij wat Foster op .p. 566 — 568 van zijn deel II der uitgave v 
loe's Gezantenreis (Hakluyt-ed.) 2* Ser. , II, 1899) zegt over de veel geringd 
authenticiteit van Terry's afbeelding — welke hij tegenover p. 560 evenee 
«produceert — , in vergelijk met Purchas' de zijne. Hij komt tot de oondus 
p. 568), dat Terry waarschijnlijk zijn namen in Perz.-Arab. karakt«i^^ 
ranscribeerde, hier en daar verbeterd, naar de legenda op Baffin*s kaa: 
ran 1619. 

* Terry gaat toch in één adem door: „And the like little Signets, 
5eals are used by the great men of that Countrey, and so by others 
nferiour rank, having their Names at length engraven on them, . . . . ; whic 
•ound Circle is their hand and Seal to.'' (p. 365). Zoodat volgens Terry 
lindostansche grootwaardigheids-bekleeders „dergelijke" („the like"), d. w. 
néérvoudige cirkel-zegels, zouden hebben gehad! 




«LI 



^T I 

^ider 

% 



.*♦? 



^"^'v^r:,^ 







A^NXGENYOÜDIG// SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 863 

1676. Dit stokje interessante waarheid — dat aan Foster in zijn 
uitgskve van Eoe (1899) blijkbaar ontsnapte ^ — leeren wij kennen 
uit Tavernier, die van 1640 — 42, opnieuw van 1645 — 48, van 

1652 54, van 1659—61, en ten slotte van 1665—67, dus vijf 

mackl telkens meer dan twee jaar, voor zaken in juweelen vooral, 
Voor-Indië bereisde en in bovengenoemd jaar de eerste uitgave bezorgde 
van zijn bekende Reizen : //Les six voyages de Jean Baptiste Ta vernier, 
Ecuyer Baron d'Aubonne, qu'il a fait en Turquie,* en Perse, et 
*ï*x Indes, pendant Tespace de quarante ans, &... etc. Paris, 
167 6 /ar. Deze éérste uitgaaf staat echter niet tot mijn beschikking; 
hieronder wordt de Amsterdamsche herdruk van 1678 gebruikt, 
^Suivant la Copie, imprimëe h, Paris.// 

Op p. 234 — 235 van dl. II dier Reizen geeft hij eerst de opvolging 
vau lïmoer tot Aurangzeb, geheel volgens den regel; 1. Timoer; 2. 
Mir^u Sjah; 3. Sultan Mohamad; 4. Sultan Aboe Said; 4. ffHameth- 
Sch^sA:» = Ahmad Sjah, doch lees: Omar Sjaich; 6. B^bar (1526— 
1530>, 7. Homajoen (1530—1556); 8. Akbar (1556—1605); 9. 
I>jaHêngir (1605—1627); 10. Sj^h Djah&u (1627—1658); 11. 
A.ura.ngzeb (sinds 1658). Gemakshalve voegde ik hier de regeerings- 
jareix der Groot-Mogols toe. 

M!aar Tavernier geeft op diezelfde pagina's eene authentieke af- 
beelding van het Tienvoudig Zegel van Sjah Djah&n, 
S^nomen naar een munt; zooals uit den parelrand om de 
afbeelding — die ook op onze Plaat 1, middenin rechts, gerepro- 
duceerd is — dadelijk duidelijk is. Ook voegt Tavernier in 9 cirkel- 
^riugen de transcriptie nog toe der 9 namen rondom Sjah Djah&n's 
ïiaatu^ .... in precieê verkeerde volgorde! Want de volgorde op deze 
^^^otmogols-munt is wel degelijk weer linksdraaiend; terwijl 
^vernier's ouderwetsche transcriptie verkeerdelijk rechtsdraaiend 
• Tavernier's muut-illustratie is dus echt, genomen naar een 
^Usehe munt die hij naar Praukrijk had meegebracht en daar in 
I^^^gravure liet afbeelden ; maar zijn eigen er om heen gegraveerde 
*^^oriptie is maakwerk van een onkundige. De eerste 8 legenda om 



k 



j^ ^*^8ter toch, die in zijn uitgave van Boe, II, p. 564 — 565 het bovenstaand 

^ ^^^enia van Terry óók aanhaalt, voegt op p. 565 als noot 1 alleen deze 

^- ^^^xking toe: „These statements [of Terry] can only be accepted with 

^^^ ^^^tions. The emperor's name and titles appear on the coinage, but not 

r^^'^lier with those of hls anoestors, as on the seal; and there were coins 

-t» ^ images on them , though apparently they were not in general circulation". 

^ zeer gewichtige gegeven bij Tavernier bleef dus aan Foster onbekend. 



364 DE HINDOSTANSCHE OO&SPRONO VAN HET 

het midden heen zijn dezelfde als van Djah&ngir's Zegel bij Purchas; 
als 9^ in den kring (dus schuins rechts bovenaan) is er bij gekomen 
de naam //ibn Djahllngtr Bddsjdh// ; terwijl in het Midden van 
Tavernier^s munt, naar de vriendelijke mededeeling aan mij van 
Dr. T. J. de Boer, te lezen staat (van onderen naar boven weer) : 

//Abü-1-Mu9affar Sjih&b ad-dtn Mu^amad S&bib Qiran tsaut Sj4h 
Djahan P&disjah Gh&sf./ = Sjah Djahan. 

Doch interessant is weer Tavernier^s opheldering bij deze munt 
van Sjah Djah&n , welke — zooals dadelijk zal blijken — uit 1627 
moet jaarteekenen. Tavernier toch vertelt er bij — en. men vergete 
hier vooral niet dat hij, als handelsman en juwelier, deskundige 
was in Indische munten I — : 

//La figure suivant[e] montre quelle est la ferme des 
pieces que les Boys font jetter au peuple quand ils 
parvienneut au tröne. EUes contiennent les armes ou cachets 
des Roys que je vieus de nommer. Le plus grand Cachet qui est 
celuy du milieu est celuy de Cha-gehan qui est le dixiéme Boy; 
car depuis que Aureng-zeb est Roy il n^a pas fait 
batre de ces pieces de liberalitez quant il est venu au 
trone; ces pieces sont presque toute[s] d'argent nV en ayant 
qu'un tres-petit nombre d'or.// * 

Dit is het stukje waarheid in Terry's zeer overdreven beweren! 

Tavernier vertelt het ons: zulke Munten met meervoudig stempel 
waren I n h u 1 d i g i n g s - m u n t e n , die bij den eersten blijden omme- 
gang van een nieuwen Groot-Mogol werden rondgestrooid 
onder het volk, als ^/geschenken'/; als //pieces de liberalitez*' 
gelijk Tavernier ze noemt ^. Eu zoo een had Tavernier er van 

* Op. cit. , 1678, II, p. 235. De spatieering is van mijzelven. Oiirieus 
zijn de 2 drukfouten in den Amsterdamschen nadruk: „suivant" en „toute''. 

* Men vergelijke met deze Hindostansche Yorstenzede het Mal. hamboer- 
hamboer= „naar alle richtingen penningen rondstrooien" (Kliukert); of, zooals 
V. d. Wall in zijn groot Mal.-Ned. Wdb. , I, 1877, p. 90 verklaart: „amboer-2: 
„voorwerpen, b.v. geld, die men bij feestelijke gelegenheden onder het volk 
te grabbel gooit". — Als prachtige bevestiging van zulke numismatische 
liefhebberijen toenmaals in Hindostan, moet vooral ook herinnerd aan de 
merkwaardige gril van Noer Mahal , de teeder geliefde Sultane van Djahangir 
— vereeuwigd door dezen in haar graftombe te Agra, het beroemde Tadj 
Mahal — , aan wie de Grootmogol één Etmaal Begeerens als oppergebiederes 
had toegestaan in ca. 16*20. Zij maakte daarvan gebruik om in dat ééne etmaal 
met 24 nieuwe stempels 12 gouden en 12 zilveren Zodiak-ropijen te laten 
slaan voor 20 ton (lakh) aan waarde, ia de verschillende steden van het rijk 
die muntslag hadden. Sjah Djahan heeft deze merkwaardige Fantas ie-rop ij en 



^NXGSNYOÜDIG// SÜLTANS-ZEGSL VAN ATHBH. 365 

Sjah Djahftu^s Blye Incomste, düs van 1697 dateerend, in 
handen gekregen; terwijl Aurangzeb er later te schriel voor was 
om óók zulke ïeestmunten te laten slaan bij zijn komst op den 
Troon in 1658, voegt Tavernier toe. Het waren meestal zilveren 
mnnten, zegt^ hij voorts; in goud werden er maar heel weinig ge- 
slagen. Wij mogen met goed recht vermoeden , dat de zilveren feest- 
mnnten inderdaad onder het volk werden rondgestrooid, 
bij wijze van Oostersch-vorstelijke /^^bekendmaking// van de nieuwe 
troonsbestijging ; maar dat de schaarsche gouden als legpenningen g e- 
schonken werden aan hoog waardigheids-bekleeders 
ten Hove. 

Doch het zeer gewichtige van de bij Tavenüer afgebeelde munt 
is: 1^ óók dit stuk van Sjah Djah&n is li nks draai en d; ^^^ reeds 
dadelijk in 1627, bij de komst van dezen Sjah Djah&n op 
den Grootmogols- troon , wordt Djah&ugir's Negenvoudig Zegel 
{1 -|- 8) veranderd in een nieuw ontworpen Tienvoudig Zegel 
(1 -\- 9) van den nieuwen vorst. De Groot-Mogols telden dóór met 
hun nummering, en bleven niely zooals de Atjeh^sche Sultau3 tot 
fceden toe wèl, staan bij een sacramenteel Negen-getal. 

C* 1700. Wat Tavernier ons niet kon vertoonen , omdat Aurangzeb 
te schriel was geweest voor het laten maken van zulke inhuldigings- 
munten, dat nu vertoont het merkwaardige .Hindostansch schilde- 
rijtje van onze Platen II en III. 

Hiervóór werd reeds de herkomst en de samenstelling van dit 
stuk opgehelderd. Thans komt het er op aan na te gaan wat de 
bijschriften zijn, die zich op den achterkant bevinden; zie Plaat III. 



sinds den aanvang zijner regeering (1627) op zware straf echter geboden te 
-versmelten; vandaar dat ze reeds in Tavernier's tijd zeldzaam waren. Zie 
over deze Zodiak-ropijen o.a. het verhaal van Tavernier , Les six vojages eto. 
(Amsterdam), 1678, II, p. 652 — 657, met plaat; en daarnaar voornamelijk 
-weer gevolgd Valenten, IV, 2 (1726), fol. 226—228. Valentijn constateert, 
dat hij in 1705 de volledige 24 stuks dezer „dier-krings-Bopijen" als hooge 
zeldzaamheid in een muntverzameling te Amsterdam gezien had (fol. 228). 
De Inhuldigings-munt van Sjah Djah&n van 1627 is, mijns inziens, zelfs een 
onmiddellijk antwoord, een contra-stuk geweest, waarmee Sjah Djahan de 
fant^ie-munt van zijn vader Djahangir èn van diens geliefde Noer Mahal 
— die Sjah Djahan innig haatte, over en weer! — als 't ware wilde dood- 
maken, en aan allen wilde verkondigen: Ik ben nu Baas! Immers, die 
Zodiak-ropijen droegen èn den naam van Djahélngir èn den naam van Noer 
Mahal, de Eéndags- Vorstin; en óók had Noer Mahal die munten , gedurende 
den éénen dag harer Regeering, laten „jetter au peuple", zooals Tavernier 
aitdrukkelijk zegt (U, p. 666)1 

7* Volgr. V. 24 



366 DE HINDOSTANSOHE OOBSFEONG VAN HET 

Prof. Kern was zoozeer vriendelijk voor mij de HindustAnt- 
legenda te lezen, en daaraan dd. 3 Pebr. jl. de volgende toelich- 
ting te verbinden : 

'/De namen zijn in N&garl , d. i. het schrift dat zoowel voor 't 
Hindustdat als voor 't Hiudi en Mahratsch dient. Natuurlijk is de 
taal Hindust&ui, zooals uit het gebruik van Perzische en Arabische 
titels blijkt. Met dj heb ik weergegeven den Engelschen /-klank, 
ofschoon ik zelf de internationale spelling met j gebruik voor Indi- 
sche namen. Met n heb ik weergegeven den Pranschén nensklank 
in hmi; internationaal m oi m; u is onze oe. Bijzondere opmerkingen 
zijn: men heeft de u vergeten in 1, Timurlang; er staat beslist 
foutief Timarlang (spr. = Fransch hngue^ doch zonder den eigen- 
aardigen nasaalklank). Met s duid ik aan den Engelschen M-klank^ 
Fransch ch. Er staat evenzeer foutief Mistlsed, niet Mfr&sed, verg. 
toch de karakters r en « vlak achter elkaar in 5. De laatste letter 
in 10 is onduidelijk; het lijkt meer op zdn dan op han. Ook is 
de eerste letter onduidelijk in 11 ; zij moet aangevuld wordeo 
met een schuin streepje er boven, ^ . De ^' in cijeh zal wel de 
Perzische uitspraak z bedoelen, j; de Hindu kan die letter niet uit- 
spreken, en vervangt die door dj, Mehemad voor Mahmud in % 
is een Turksche uitspraak; zoo in Mehemed Ali.// 

De 2 soort bijschriften zijn dan als volgt, de eerste oud- 
Hollandsch, de tweede en gespatieerde volgens Prof. Kern's 
lezing van 't Hindustfini : 

ff\\ temoerlengh 1. Tïmar lang//. 

//2: Sulthaau mamoed 2. sult&n Mehemad //. J/oe*^ «® 3 2jy«/ 

"3: aboeseed, 3. Abused//. Mosêt n^ 4 zijn! 

f/it: miera Seed, 4. Mls&sed//. Moest n^ 2 zijn! 

//5: ommer Sja 5. Omar s&h&//. 

//6 : baaber, 6. BA bar'/ = Grootmogol I. 

"7: hamaiion 7. Ham&on// = Grootmogol II. 

//8: akber, 8. Akbar/' = Grootmogol III. 

//9: SjaugicE 9. Dj&h&nglr// = Grootmogol IV. 
'/lO: Sjageaan 10. s&he üjdh&n// =^ Grootmogol V. 
//Il: orangseeb 11. Orangdjeb// = Grootmogol VI. 
Op een eigenaardige fout in de volgorde werd in dit lijstje reeds 
gewezen. N® 2 is verkeerdelijk ingevoegd als N® 4; waardoor n** S 
en 4 ten onrechte ook de nummers 2 en 3 tot volgorde kregen. 
Men behoeft maar even het hiervóór (blz. 357) gegeven authentieke 
lijstje van Djahdngir's Grootzegel bij Purchas te vergelijken, om de 



"NEGENVOÜDIOv SULTANS-ZEGIL VAN ATJEH. 867 

font die gemaakt werd te kunnen verbeteren. De zaak is natuurlijk deze 

geweest, dat de Voor-Indiër die indertijd de 1 1 miniatuur-portretjes 

aan den voorkant (Plaat II) opplakte, zich met u^ 2 vergiste , en dat 

diezelfde fout dus op den achterkant in. zijn bijschriften terugkeerde. 

Overigens constateeren we hier alweer: 1®. óók dit schilderijtje 

van 11 miniaturen is linksdraaiend (Plaat U), waardoor onze 

afbeelding van den achterkant op Plaat III onvermijdelijk rechts- 

draaiend moest worden (verg. noot 1 op blz. 352 hiervóór); 2®. Aurang- 

zeb gebruikte — ten minste in de tweede periode zijner lange regee- 

rinp / zie toch blz. 372 — 374 hierachter — een Elfvoudig 

Grootzegel; evenals zijn vader Sjah Djah&n een Tienvoudig, 

en zijn grootvader Djah&ngir een Negenvoudig gebruikt had. 

Het is ook wel van belang hier de voornaamste kleuren van 
deze 11 mooie miniatuur-portretjes, met eenige andere bizonder- 
heden van het origineel, aan te geven '. Mijne aanteekeningen 
dienomtrent waren in Juni 1905 de volgende: 



' £i' ia een oogenblik over gedacht Plaat II in kleurendruk te geven; maar 
de kosten daarvan waren veel te hoog. Onvermijdelijk zijn diverse kleine 
trekjes op onze zinoografie verloren gegaan; dooh de prachtig geslaagde foto 
die eexst van het origineele schilderijtje gemaakt werd om daarnaar weer 
den zinco te vervaardigen, is in één afdruk in H bezit van óns Kon. Instituut , 
opgen.c>men in de collectie foto's der Koloniale Bibliotheek, en kan daar door 
belangstellenden geraadpleegd worden; deze foto, 19X24,5 c.M. groot, ver- 
toont nog verscheidene bizonderheden , die op de zinco van Plaat II zoo 
goed. «.is onzichtbaar werden. — Dat er in de 2* helft der 17* — !• helft der 
°* eeuw verscheiden geaquarelleerde miniatuur-portretten vnn vroegere en 
atere Gpoot-Mogols in de wandeling waren, óók bij Eu topeesche kooplieden, 
^^ o-a. blijken uit de „beeltenissen" die Valentijn in zijn lV« Deel, 2* Stuk 
^y Van hen geeft in zijn „Levens der Groote Mogols, of der Keizeren 
^^ ^Öindoestan'». Fol. 173 geeft Timoer; fol. 175 Miran Sjah; fol. 176 
^yt^^tnad Mirza(=„MirzahSeyed");fol.l87 Aboe S ai d (/b«<*e/' genoemd 
fol^^^^ Omar"); fol. 185 Omar Sjaich (foutief genoemd „Aboe Said"); 
^^' ^^^ BAbar; fol. 202Hoemajoen; fol. 217 Akbar; fol. 229 Djahangir 
^^ .^^J^bSehm"); fol. 260 Sjah Djahan; fol. 275 Aurangzeb. Voorts nog 
f^l ^^x*oot- Mogols nè. Aurangzeb; en wel ^eeft fol. 290 te zien Sjah Alara; 



^^^ ^, a, Djahandar Sjah (= „Mosoddieu"); en ten slotte fol. 304, 6, 

^^ tf-:^**** Farochsir. Wat soort van portretten het waren, die toenmaals van 
Y 1 '^^^ot-Mogols in handen kwamen der Europeanen, blijkt het beate uit 
jj j **Vin'8 zeggen op fol. 303 — 304: „De beeltenissen dezer twee Keizers" — 

p- ''^*> „Mosoddien" = Djahandar Sjah, zie fol. 289, 2" kol.; en van 
dezc^ ^^ hsir — «• • ■ wierden, ter groote van een schelling ontrent 
pj.g^. zelven tyd [n.1. 1713] op Batavia gebragt." Dit waren dus blijkbaar 

Qj.^^^^^ zulke miniatuur-portretjes als waarvan er 11 tezamen ons Hindostansch 
}£j^ *^^ogols-8childerijtje vormen. — In den Catalogus n» 322 der firma Karl W. 

"^ ïuann te Leipzig, 1906, kan men ondor no 416 voor 2400 Mark aange- 



S68 DS HIKD0STAN80HS OOBSFEONG VAN HIT 

l.Timoerlaug. Lucht loodgrijs ; wapenrusting geheel ver- 
guld ; hemd wit ; helm verguld , met roode opgaande strepen , 
groene puntjes, en witte veer. Baard zwart. Houdt een speer 
in de rechterhand , en voor de borst een klein rond schild (?). 

2,{yerêta: 3], Mohamad. Lucht groen; kleed kers- wijnrood 
met gouden bloemetjes ; tulband geel , met wat goud , en boven- 
aan wijnrooden knop. Baard wit. Houdt pijl en boog. 

S.[verêta: 4]. Aboe Said. Lucht grauw-zwartig; overkleed 
krachtig steenrood, waaronder (bij wijze van vest) een groen 
kleed ; tulband wit , geruit , met donkerpaarsen knop. Baard 
zwart. Heeft een zwakke glorie om het hoofd. 

4!. [versta: £]. Miran Sjah. Lucht loodgrijs; overkleed goud, 
waaronder groen vest en groene mouwen, met parelsnoer ; tul- 
band wit, met gouden dwarsche lijnen, en donkerrooden knop. 
Baard donker. Houdt rozenkrans. 

5. Omar Sjaich. Lucht groen: overkleed wijnrood met gouden 
bloemen , waaronder wit vest met gouden bloemen en gouden 
omboording; tulband wit. Baard bruin. Houdt rozenkrans. 

6. B&bar. Lucht lichtgroen ; kleed zachtgeel, met gouden bloemen 
en boorden, en parelsnoer; tulband bruinrood, met donker- 
wij nrooden hoefiuh en gouden franje. Baard zwart. 

7.Hocmajoen. Lucht zeeblauw; overkleed oranje-ach tig steen- 
rood , waaronder zachtgroen vest, terwijl hij schijnt te rusten 
in een gele sofa ; tulband wit met goud , en wijnrooden knop. 
Kin baard donker. Houdt rozenkrans. 



boden vinden eene coUeotie Hindostansche aquarellen, aldus omschre- 
ven: „Porsische [?] Origiual-Malereien. Umfangreiche Sammlung von 
Bildnissen indischer Moghul-Kaiser , sowie von Ofüzieren und Beamten der- 
selben, baupts&chlich aus der Zeit der Kaiser Jihangir (1605 — 1627), Shah 
Jihan (1628—1658) und Aurangzeb (1658—1707). Es eind 38 ziemlich gleich grosse 
Portraits, ganze Figuren, stehend oder sitzend, aucb einzelne Beiterfi^oren, 
in feiner AquarelUMalerei ausgefübrt. Die einzelnen Bilder sind auf Pappen 
aufgeklebt [Format 34 : 23 cm.] , und der frei bleibende Band ist mit Blumen- 
mustern, Guirlanden usw., ebenfalls mit Aquarell-pflanzen geschmaokvoll 
verziert. Die Bilder tragen s&mtlich Untersohriften in persisohen Buohstaben 
in ziemlioh flüchtiger Shik&stft- Schrift, den Namen der betreffenden dar- 
gestellten Person, teilweise auch den Namen des KünsMers angebend. Letc- 
teres ist von besonderem Werte, da die Nennungen von Malern auf den 
indischeu Bildern nicht h&nfig sind." En dan volgt de nadere oatalogiseering 
dezer Hindostansche miniatuur-aquarellen. — Ook in de auctie-Sohulman, 
waar ons schilderijtje verkocht werd (verg. blz. 351 hiervóór), kwamen als 
n»» 670 — 674 andere Hindostansch- Perzische aquarelletjes, deels portretten, 
onder den hamer. Zie dezen auctie-catalogus in onze Kolon. Bibliotheek. 



//NEOiENYOÜDie// SULTANS-ZEOBL VAN ATJEH. 869 

8. Akbar. Lucht blaawgrijs; kleed zachtgroen met gouden 
bloempjes, en parelsnoer; tulband van dezelfde stof, met dwars- 
band van goud. Houdt een valk. Heeft een sprekende glorie 
om het hoofd, waarbinnen de kleur donkerder blauw is. 

9. Djah&ngir. Lucht vuil-loodgrauw ; kleed zeer zacht kers- 
rood; tulband bruin steen-rood, met wit-en-zwarte veer, waar- 
omheen een snoer van kralen, zooals hij er ook een over de 
borst draagt. 

1.0. Sjah Djah&n. Lucht vuil-donkergroen; kleed paars, wat don- 
kerder dan bij 2, en parelsnoer; tulband steenrood, met d wars- 
band van goud en groen, parelsnoer, en zwarte pluim. Baard grijs. 
Heeft een zwakke glorie om het hoofd. Houdt een anjelier (?). 
ll.Aurangzeb. Lucht groen; kleed ivoorkleurig , met goud 
versierd, en parelsnoer; tulband wit, met gouden stippen, 
groene strepen , en zwarte pluim. Baard wit ^ . Heeft een sterk 
aangegeven zachtblauwe glorie om het hoofd , die nog sterker 
spreekt dan bij Akbar I 
Als kunstwerkjes beschouwd, voelt men dadelijk dat de n°* 1 — 6 
geen, de n°* 6 — 11 wèl portretten zijn. De eerste vijf toch zijn 
blijkbaar geheel volgens één recept, zooals men zich den een of 
anderen Indischeu Vorst //zou>/ gaan uitbeelden, zonder hem te 
kennen. Ze zijn blijkbaar alle gefantaseerd na dato. Maar 
de miniaturen, die met B&bar beginnen, zijn alle wezenlijke 
portretten; men lette alleen maar eens op het verschil in baard I 
Yan deze laatste 6 vertoonen B&bar, Akbar, Djah&ngir en Aurangzeb 
het merkwaardigste type, zijn als portret het meest ad vivum 
gedaan, het minst conventioneel. Als kunstwerk staat n^ 9, 
Bjah&ngir, van alle het hoogst. Dit is een zeldzaam levend, haast 
sprekend portretje; grooter ook, meer verzorgd dan alle andere, 
zelfs Aurangzeb inbegrepen. 

Maar tevens wilde ik hier plaats geven aan twee treffende opmer- 
kingen van Prof. Kern, toen hij onze afbeelding der Groot-Mogols 
had bekeken. De eerste luidde ongeveer als volgt: //Aardig is het 
te zien hoe, blijkens deze miniatuur-portretteu, het Indische kostuum 
nu eens sterk afwisselde, dan weer gelijk bleef in de 16* — 17® 
eeuw. B&bar (6) en Hoemajoen (7) zijn in sterk-Moslimschen trant 



1 Het feit dat Aurangzeb's baard geheel wit hier wordt voorgesteld, geeft 
niets om den ouderdom van ons schilderijtje nader te bepalen. Want 
Aurangzeb was in Oct. 1618 geboren. Het stuk kan dus evengoed van 
ca. 1690, als van ca. 1700 zijn. 



870 DE HIKDOSTANSCHE OORSPRONG VAN HET 

gekleed; Hoemajoeu zelfs heelendal, het lijkt wel een Sjaich. Akbar 

(8) is echter totaal auders uitgedost, vrijwel als een Hindoe. Na 
Akbar blijft de Vorstelijke mode in hoofdzaak constant; Djah&ngir 

(9) is bijna als Akbar gekleed ; tnsschen Sjah Djah&n (10) en Aurangzeb 
(11) is zelfs absoluut geen verschil te zien; van ca. 1630 — 1700 
heeft de mode aan het Hindostansche hof stilgestaan, gevormd als 
ze was naar Akbar's kleedij.^/ 

De tweede was ougeveer deze: //Die domme anthropologen ! Dit 
zijn nu Mo(n)golen van de bovenste plank; immers Groot-Mogols. 
Waar blijft nu echter het //Mougoolsche type//, dat, nota bene, 
de Chineezen heeten te bezitten , die met de Mongolen in oorsprong 
niets te maken hebben ? Onzin ! De Mongolen hebben , om zoo te 
zeggen , echt-Europeesche typen gehad. Kleedt deze Groot-Mogols , van 
B&bar , tot Aurangzeb , in Europeesche kleedij , en er is absoluut geen 
onderscheid te zien met Europeanen van wat donkerder tint. Er ia 
veel meer onderscheid tusschen ons en b. v. de Bussen — die in 
hun type aan de Aino's doen denken — , dan tusschen ons en de 
Mongolen. Wanneer zal die nonsens omtrent het //Mongoolsche type» 
der Chineezen eens uit de Europeesche litteratuur verdwijnen?// 

Doch óók nog wilde ik attent maken op iets anders, dat thans, 
in dit Rembraiidt-herdenkingsjaar, bizonderlijk van pas komt! 

Er bestaat — zie de afbeelding (fig. 6) door Fr. Sarre gegeven 
op p. 150 van zijn opstel //Bembrandts Zeichnuugen nach indisch- 
islaraischen Miniaturen//, Jahrbuch der Kön. Preuszischeu Kunst- 
sammlungen, XXV, Berlin 1904, p. 143 — 158 — een O.-I.-inkt- 
teekening van Rembrandt in het Britsch Museum te Londen (F. 
Lippmann, continued by C. Hofstede de Groot: Original dmwings 
by Bembrandt Hsz. van Rijn, reproduced in phototype, 2* Series, I, 
London 1900, n® 4+), door Sarre t. a. p. gekwalificeerd als /^Kaiser 
Akbar auf dem Thron//; tot versterking waarvan hij op de 
volgende p. 151 als fig. 7 een portret laat zien van Keizer Akbar, 
ontleend aan een Hindostansch-Perzische miniatuur, afgedrukt als 
titelplaat in Graf F. A. von Noer's //Kaiser Akbar//, II, Leiden 1865. 

Welnu, deze teekening vao Bembrandt stelt niel voor den 
Groot-Mogol Akbar op den Troon, zooals Sarre 'beslistelijk zegt * ; 

1 r,I>eT Nimbus, das Zeichen fürstlicher Würde und Majest&t, verbunden 
xnit den portr&t-&hnliohen Gesichtszügen des Herrschers , lassen keinen 
Zweifel [sio!] darüber, dasz auf der indisohen Miniator» die Bembrandt vor- 
gelegen hat, dor indische Mogulkaiser Akbar (1585 — 1685) [sic! lees: 1556— 
1605] dargestellt war." L. c. p. 152. Terecht' heeft Sarre echter Timoer her- 



vNEGENVOÜDIQ// SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 371 

maar stelt Toor den Groot-Hogol Djah&ngir op zyti troon- 
schabel. Het heele gelaat, de kruUok om het oor, de mismoedig 
neervallende snor, de glorie om het hoofd, zeggen alles. Onze 
Plaat IV moge ook dit feit voorgoed nu eens vaststellen. 



kend op de andere teekening met O.I. inkt van Rembrandt in 't Louvre te 
Parijs (F. Lippmann, „Original drawings by Kembrandt Hsz. van Bijn, 
reproduced in phototype", [1" Series], IV, London etc. 1892, n» 159), die hij 
ook reproduceert op zijn plaat tegenover p. 146, en nader documenteert door 
de afbeelding van een Perz.-lndische miniatuur uit het K. Museum für 
Tölkerkunde te Berlijn op p. 144. Bij een ander tweetal afbeeldingen die 
Sarre geeft, kan ik zijn mededeelingen weer aanvullen; tegenover p. 156 
geeft hij een O.I.-inkt-teekening van Rembraiidt in het Britsch Museum te 
Londen (Lippmann, III, 1890, 116), en drukt op p. 156, ter vergelijking, een 
Perz.-lndische aquarel af uit het 'K. Museum für Yölkerkunde , door Sarre 
enkel gekwalificeerd als „Fürstlicher Beiter", terwijl hij in de noot 2 op p. 154 
aangeeft dat dit wel niet eene „Esquisse d'Aurangzeb è. cheval" kan zijn, 
zooals een latere hand onder deze Berlijnsche aquarel geschreven had. Neen , 
dit is waar; maar.... die Berlijnsche aquarel stelt zeer zeker Aurang- 
zeb's voorganger, Sjah Djahdn, te paard voor; en indien werkelijk 
— wat m. i. volstrekt nog niet zeker mag heeten — Bembrandt een diergelijk 
Indisch origineel gevolgd heeft voor zijn genoemde teekening in het Britsch 
Museum, dan stelt deze eveneens Sjah Djahan te paard voor. Datzoueener- 
zijds weer mooi uitkomen met Sarre's eigen meening (1. c. p. 154 , noot 2) „die 
Miniatur entstammt unserer Ansicht nach einem früheren Datum [n.l. dan 
Aurangzeb*s tijd]", anderzijds met Sarre's hóógst aannemelijk vermoeden 
(1- c. p. 158) dat Bembrandt in 1666 — toen op 25 — 26 Juli zijn boedel werd 
geïnventariseerd, wegens failliet- verklaring ; zie dezen inventaris o. a. bij 
Vosma^r , „Bembrandt , sa rie et ses oeuvres", 2*" éd. , Leide 1877 , p. 432 — 445 — 
alreeds z\jne naar Perz.-lndische voorbeelden gevolgde teekeningen gemaakt 
had. Immers: Sjah Djahan regeerde van 1627 — 1658; en een van de 
bijbelsche etsen van Bembrandt (Bartsch 29: „Abraham, qui re^oit les trois 
anges", waarin Sarre, op Hofstede de Groot's voetspoor, Indischen invloed 
meent te herkennen (p. 158; en zie de reproductie bij hem p. 149) is inderdaad 
gedateerd: 1656. Sarre gelooft dan ook, en zeer waarschijnlijk ten rechte, 
dat onder het in dien Inventaris van 1656 óók opgesomde „een (boeck) vol 
cnrieuse miniatuur teeckeningen , nevens verscheyde hout en copere printen 
van alderhande dragt" (Yosmaer, 1. c. p. 438), „ein in'disohes Album zu ver- 
stehen ist, dass ja hftufig [dit „h&ufig" is een beetje bloemrijke stijl I], wie 
wir oben erw&hnten, europ&ische Holzschnitte und Kupferstiche enthielt" 
(p. 158). — Sarre maakte even daarvóór ook nog deze opmerking : „Yielleicht 
kamen indi^he Miniaturen zuerst in seine [scil. Bembrandt's] H&nde, als er 
im Jahre 1642 den Direktor der [Ostindischen] Kompagnie , Abraham Wilmer- 
donks und seine Gattin portr&tierte (Bovinski , [L'oeuvre gravé de Bembrandt , 
Saint-Pétersboorg , 1890] p. LX) und dadurch in nfthere Beziehungen zu dem 
Hanpt [sic ! er waren er XVII] der Ostindienfahrer trat , die in ihrem Palast 
[versta: het Oostindisoh Huis] sogar eine ethnographische Sammlung 
jener femen Lftnder angelegt hatten (G. 'Neumann , [Bembrandt , Berlin — 
Stuttgart, 1902] S. 78)." L.c, p. 158. Dr. C. Hofstede de Groot had in zijn opstel 



872 DE HINDOSTANSOHE OOBSPBON0 YAN HET 

1726. In dit jaar ontmoeten we een moeilijk geval, waarvan ik 
tot mijn spijt de besliste oplossing niet kan meedeelen. Yalentijn 
gaf toch in dl. IV, 2« Stuk (1726) van zijn ^OuA en Nieuw 
Oost-Indiën//, op fol. 165 de vertooning van een Twaalfvoudig 
— in plaats van Elfvoudig — Grootzegel van Aurangzeb; /^zoo als 
wy dat met onzen gezant, de heer Adrichem^ waar van wj hier 
na breeder spreken, bekomen hebben//, voegt Yalentijn toe. En 
inderdaad, over dezen Dirk van Adrichem wordt door Yalentijn in 
datzelfde deel ^^breeder// gesproken, fol. 260 — 262, 803 en 811. 
In 1662 was die toch, als Directeur der O. I. C. te Soratte, op 
gezantschap geweest naar Aurangzeb te Delhi (^Dilly>y), en had van 
dezen nieuw-opgetreden Groot-Mogol een Farm&n (^Mandaat-schrift^) 
ontvangen, dat Yalentijn fol. 261 — 262 in translaat afdrukt, met 
onderaan dit officieele slot: 

//In 't vyfde jaar onzer Monarchie, den 15**° des maands 
Eebbiul Awal [scil. 1073 Hidjra =r 28, niet 29 Oct. 1662]. — Was 
in 't Hoofd gezegeld met 'sByks groot Zegel zyner Majesteit^ 
(pag. 165 te zien) in welkers omkring in 't rond stonden de 
elf voorgaande groote Mogols als — Mier Timoer (zynde de 
groote Tamerlaan) [,] Miroen Sjah, Mirzah Seyed, 
Pier HohhAmmed [sici de vette letter is van mijzelven], 
Aboesaid, Sjeich Omar, Sjah Baboer, Homajom, 
Ekbar, Djehaan Gier, Sjah Djihaan; en in het 



nEntlehnungen Bembrandts", in Jahrbuch d. Kön. Preasz. Kunstsammiangen , 
XV, Berlin 1894, op p. 177 — 178 reeds meer in het algemeen opmerksaam 
gemaakt op de ytorientaliathe Vorbilder'* yan Bembrandt, en noemt nog als 
bewijzen daarvoor „&hnliche Blfttter .... bei J. P. Heseltine , G. Salting and 
Fairfax Murray in London , bei L. Bonnat in Paris", 1. e. , waarvan echter 
Sarre in zijn opstel van 1904 nog moet getuigen, dat ze f,mir [Sarre] nic^t 
bekannte Zeichnungen von Bembrandt" z^n ; 1. o. p. 155. Het argament van 
Sarre omtrent Abraham Wilmerdonx an^dt echter (MermiiMt houi , daar ait de 
oorspronkelijke akte — 't eerst medegedeeld in het opstel van A. Bredias en 
Mr. N. de Boever „Bembrandt. Nieuwe bijdragen tot zijne levensgesohiedenis*', 
Oud-Hoiland, III, Amsterdam 1885, pag. 98 — 94 — blijkt: dat deze was 
^Bewindthebber van de Geoctroy eerde Westindische Compi® hier ter stede 
[Amsterdam]"! Ook overigens hapert er wel wat aan de strengheid van, 
redeneering bij Sarre. — Ik mag niet nalaten, dankbeuu: aan te teekeaen, 
dat de Heer A. P. H. Hotz mij op de studie van Sarre opmerkzaam maakte; 
en dat Dr. C. Hofstede de Groot, dien ik met mijn vondst in kennis steldo, 
na vergelijking der teekening van Bembrandt (Plaat lY) met de portretten 
op het Hindostansch schilderijtje (Plaat H), mijne oplossing volkomen 
juist achtte. 



//NKChXNYOUDIG// SULTANS-ZSGSL VAN ATJIH. 373 

midden was iii H groot als de twaalfde gedrukt £uraQgzeeb, 
Koning, ouoverwinnelyk , omringer der wereld, Gods Stad- 
houder, en Beschermer des Mohhamedaanschen Geloofs.// (fol. 262). 
Dit alles is zóó pertinent, en zóó ofBcieel, dat er geen redelijke 
twijfel kan bestaan, of: Aurangzeb heeft in de eerste 
tijden zij ner Regeering nt^^ een Elfvoudig, maar een Twaalf- 
voudig Grootzegel gehad; en wel verkregen door den hiervóór 
(blz. 357) reeds even genoemden Ftr Muhamad , Ti moeras beroemden 
en krijgshaftigen kleinzoon, hoewel niet behoorende in de stamlijn 
der Vorsten, in te schuiven bij die lijn. 

Want de feitelijke maagschap tusschen Timoer en Muhamad 
eeuerzijds, tusschen Timoer en Pir Muhamad anderzijds, was als 
Tolgt, naar vriendelijke voorlichting van den heer Stokvis: 

Timoer (f 1405) 



J T 1 

DJahangir Omar Sjaich Miran Sjah 

1 1376 t 1Ö94 t 1407 

I I I 

PUr Muhamad Pir Mahamad van Sultan Muhamad 

lan^alikft; de befaamde. Fara en lapahan. f 14 . . 

t 1406. t 1409- I 

Qroot-Mogol-lijn (zie hiervóór blz. 857) 

Het was dus vrijwel een genealogische gril van Aurangzeb, dezen 
Pir Muhamad, vollen neef van zijn voorvader Sultan Muhamad, 
op te nemen in zijn Grootzegel. Maar, blijkens ons schilderijtje van 
ca. 1700^ is deze Pir Muhamad nog vóór Aurangzeb's dood weder 
van zijn stempel verdwenen. Zoo gaarne had ik dit laatste nader 
gedocumenteerd, en met de afbeelding vau een of ander Farmftn- 
zegel van Aurangzeb beslister willen uitmaken. Maar de hoop, die 
ik had om een foto te kunnen krijgen van het Grootzegel dat 
Poster in zijn meergenoemde uitgaaf van Boe even vermeldde als 
door hemzelf gezien in 1899, is op niets uitgeloopen. ^ £n in ons 



1 Foster toch (The Embass^ of Sir Thomas Boe etc, II, 1899, p. 568) had 
als allerlaatste aanteekening tot dat boek toegevoegd: „P. S. — Since the 
above was put into type , the editor has had an opportunity of examining an 
imperial farmdn hearing the seal of Aurangzib. This confirms the correctness 
of tfae arrangement shown in Purohas^a drawing, and proves that (as was 
suspected) Terry's yersion is entirely wrong". Ongelukkig gaf hij 1. o. geen 
nadere besohrgving van dit Grootzegel van Aurangzeb. En op mijn navrage 
bij hem — de Heer W. Foster is thans verbonden aan het India Offioe — , 
antwoordde hij m\j dd. 20 Maart j.1.: „The farman hearing Aurangzib's seal, 



374 DE HINDOSTANSCHE OOBSPBONG VAN HET 

Eijks-Archief — naar mededeeling van Dr. H. T. Colenbrander — 
is niets bekend over de aanwezigheid van eenig Grootzegel van een 
Groot-Mogol op de daar aanwezige bescheiden. Wjinneer dus precies 
Aurangzeb van zijn onregelmatig Twaalfvoudig Farm&n-zegel ait 
1662, terug is gekeerd tot een regelmatig Elfvoudig Grootzegel, 
zónder interpolatie, moet onbeslist blijven. ^ 

1758. Ditzelfde Twaalfvoudige Grootzegel van Aurangzeb, blijk- 
baar overgenomen ht van Valentijn óf rechtstreeks uit de bron van 
den heere Adrichem, die 't aan Valentijn weer verschafte, vindt 
men dan nbg eens afgebeeld op fol. 33 van een merkwaardig, in 
Batavia uitgegeven boekwerk, getiteld: //Beknopte Historie van het 
Mogolsche Keyzerryk, en de Zuydelyke aangrensende Rykeu. Te 
Batavia, gedrukt in de Gasteels Druckery, door C: C: Benhaid, 
Anno 1758// (Ex. Kolon. Bibl.) 

Aangezien dit boek in zijn //Voor-berigt// zich zelf aanmeldt als 
//getrokken uyt waare Berigten van de successive geschiedenissen '^, 
en wel bepaaldelijk //met redres van zeer veele grove misslagen en 
zaken/' door //D^^ Valentyn in zyn werken van Oost-Indien'/ be- 
gaan, zoo is het vasthouden aan dit Twaalfvoudig Grootzegel van 
Aurangzeb in deze Bataviasche Begeeringsuitgaaf m. i. een aanduiding, 
dat Aurangzeb in elk geval dat onregelmatige Twaalfvoudige Zegel 
geruimeu tijd gebruikt heeft. ^ 

Maar het belangrijke in dit boek is, dat op fol. 36 het Twaalf- 



mentioned in my book, was one which in 1899 was in the possession of 
Gen. G. G. Pearse, G. B. He died last December, and I fear it would be 
difficult to tracé the farman, as at the time I saw it he was endeavouring 
to seli it". 

^ Dat Pir Mul^amad, de op het Grootzegel van Aurangzeb ingeschovene, 
zoon was van Djah&ngir, den oudsten^ zoon van Timoer, wist Valentijn maar 
al te wel; zie l. c. fol. 174, !• kol., en 177, 2* kol. En op die fol. 177—178, 
constateert Valentijn ook, dat er in de toenmalige bronnen tegenstrijdigheid 
was omtrent de opvolging tussohen Miran Sjah (hij schrijft, evenals „Baboer*', 
ook „Miroen") en Omar Sjaich („Sjeioh Omar"); terwijl hij op fol. 18ö — 186 
met een zekere medelijdende hooghartigheid de veel juistere mededeelingen 
omtrent de stamlijn der Grootmogols van den Jezuïeten-pater Fran^ois Catroa 
CS. verwerpt, als komende van lieden die „geen kennis van de Mog^lsohe 
zaaken hebben" (fol. 186, 1* kol.). 

> Deze Batavia-druk wist echter maar al te goed, dat de naam van Pir 
Mul^amad op Aurangzeb's Grootzegel een insohuifsel was, want hij merkt 
fol. 12 zeer terecht op: n^**^ Mahomed^ (de zoon van Djikaan Oier, den 
oudsten zoon van Mier Timoer) .... Deze staat bekent in 't ze^ul van 
Eurangaeéb, maar niet in dat van Sjah Alem en andere." Hiermee is de onregel- 
matigheid duidelijk genoeg uitgesproken! 



//NEGENVOUDIG'/ SULTANS-ZEGEL VAN ATJSH. 375 

voudig Grootzegel van deu 7*** Grootmogol, Sjah Alam [I], den 
zoon van Aurnugzeb wordt afgebeeld, waardoor tevens implicite het 
Grootzegel van Aurangzeb wordt teruggebracht tot de ware elf- 
voudigheid; èn, dat op fol. 39 nog voorkomt het Veertien voudig 
Grootzegel van den 10*''* Grootmogol, Mohamad Sjah. 

Van waar nu weer deze laatste abnormaliteit? Waarom was dit 
laatste niei Vijftien voudig? 

Men behoeft maar even het hiervóór in noot 1 van blz. 355 ge- 
gevene lijstje van ^Ue Grootmogols te vergelijken met de volgorde 
der 14 — niei 15! — namen op de afbeelding van fol. 39 der 
Bataviasche uitgave, om te weten w^^r de schoen aan Mohamad 
Sjah gewrongen heeft; om u. 1. te weten, waarom hij één van zijn 
voorgangers met opzet //verwaarloosde// op zijn Grootzegel. 

Bij de afbeelding van 't Zegel van Sjah Alam [I] op fol. 36 in 
dezen Bataviaschen druk, vindt men, naar behooren, als volgende 
op Sjah Djah&n (//X. Ubn Sjah Jehaan Patsjah//), eerst Aurangzeb 
genoemd onder zijn tweeden naam Alamgir [I] (//XL Ubn Alamgier 
Patsjah//); en dan den Eegeerenden Vorst Sjah Alam in 't midden, 
met zijn volle titulatuur, hier luidende op z'n oud -Holland sch : 
//Xn. Aboe Nasarroe Zaid-doe Gotbdin Mahomed Mohasjam Sja-e- 
alem badur Patsjah Ga-je Sanua Jeek Hi-jeri Sanna Jeek Azar Jeek 
Sau Nausda//. Men ziet — dit terloops — óók hier alweer het 
gewone vorstelijk-menschelijke verschijnsel : hoe minder groot als 
dynast, hoe langer liefst de naam! 

De afbeelding van Mohamed Sjah 's Grootzegel op fol. 89 
vertoont echter verkorte legenda; mist b.v. allen aanhef van //Ubn// = 
«6», dien we, uit de authentieke weergave van Djah&ngir's Kijks- 
stempel bij Purchas en op Sjah Djahftn's luhuldigingsmunt bij 
Ta vernier, wel degelijk als het vaste toevoegsel bij eiken Vorstennaam 
in het rond- en randschrift leerden kennen ; en welke aanhef in de 
meeste transcripties (Baffin; Purchas; Ta vernier; en op fol. 36 in 
dezen Batavia-druk) respectievelijk als //Aben//, //Ebn/^, en //Ubn// 
bewaard bleef. Droogweg vindt men hier de volgende opsomming, want 
van //transcriptie// mi^ men hier niet meer spreken: a, in rond- 
en randschrift als 13 kleine cirkels: ff\, Teimoer Padsjah. U. 
Mieraansja Padsjah. lil. Sulthan Mahomed. Padsjah. IV. Aboesaid 
Padsjah. V. Omar Seyg. Padsjah. * VI. Baber Padsjah. VII. Hom- 

1 Men ziet, dat deze volgorde van n<** 1 — 5 volkomen goed is, en dat de 
genealogische willekeur der inschuiving van Pir Mohamad, hier niet meer 
voorkomt; zooals wel op de afbeelding van Anrangzeb's Grootzegel bij Valentijn, 
en op fol. 33 van dezen zelfden Batavia-druk van 1758 het geval is. 



876 DS HINDOSTANSCHE OOBSPKONG YAN HET 

majoen. Fadsjah. YIII. Akber Fadsjah. IX. Jehaangier. Fadsjsi.Yi. 
X. Sja Djehaan Fadsjah. XI. Alemgier [= Aurangzeb] Fadsjah. XtX, 

Sja Alem Fadsjah XIII. [lees: XIV I] Parogsjeer ; en ö. :i^ ^^ 

H Midden ais groote cirkel: //Mahomed Sjah Fadsjah Gasie^. 

Eilacie, de heusche n^ XIII, Groot-Mogol n®. 8, DjahéLnd ^j. 
Sjah, wordt door zijn vriendelijken troousopvolger MohamadSj^h 
genegeerd; — blijkbaar omdat die slechte van 1712 — 1713 Vorsf 
was geweest, en door zijn eigen voorganger Farochsir van den trooc 
gestooten en onthalsd was. Dit klein-MogoFsche individu rekcDd^ 
dus Mohamad Sjah op zijn Giootzegel niet mede! 



Het zegel van Mohamad Sjah (regeert 1719 — tl748) is het laatsU---*-^ 
dat van de Groot-Mogols in afbeelding schijnt te vinden te zijn. 

Nu rijst echter de gewichtige vraag: is de éérste oorsprong vai^- '^^ 
dit Firm&n-Zegel der Mongoolsche, alioê Mogolsche, overweldigersr 
van Hindostan na te gaan? Was Djah&ngir met zijn Negenvoudige 
cirkel-Z/op de éérste in dezen? 

Gelukkig kan die vraag in bepaalden zin beantwoord worden .^^^^' 
Neen; Akbar in ca. 1560 had het voorbeeld gegeven! 

Dit lezen we uit die prachtige biografie van Akbar, in ca. 160^ ^^ 
door Sjaich Abu'1-fazl, Akbar's Minister en vriend, samengesteld^ J-'" 
onder den naam van '/Akbar's Regeerwijzev; de ^*Aïn i Akbari*'. Im'^B-'-" 
de vertaling van de eerste 2> boeken door Blochmaun * geeft Abul-fazlX'^^'» 
in I, cap. 20 een hoofdstuk over /'The Royal Seals'/, waarin himr^^^^] 
o. a. vertelt : 

^/In the beginning of the present reign [Akbar's Regeering begor^^=^*o^ 
in 1556] Manldnd Maq^tid, the seal-engra ver, ent in . ^ 

circular form upon a surface of steel, in the rfj^ charactei^: ^^^^i 
the name of his Majesty and those of his illustriou -^^^^^ 
ancestors up to Timiirlang; and afterwards he cut anothe^^-^®' 
similar seal, in the nasta^Uq character, only with his Majesty *s nam^^^^^*"^* 
For judicial transactions a second kind of seal was made, mihta^'^^^ 
in form [d.w.z. laugwerpig-zeshoekig; zie deze figuur bij Blochmann^i-^ -•^ » 
p. 30 noot 2 ; als een verdubbelde Moh. gebeds-nis of miArdb'] . 



^ „"^^ '^^^ ^ Akbari by Abul Fazl 'AUami, translated from the origi 
Persian, bj H. Bloobmann." I, Galoutta, 1B78. De verdere Boeken der 
zijn door H. S. Jarrett later vertaald, Galcutta , 1891 , 94, 2 dln. (£x. Kolon. Bi 




/s'NEGENVOUDIQ// SULTANS-ZEGBL VAN ATJXH. 377 

Tamkin [een andere , Kaboersche graveur , uit Akbar^s tijd] made 
a new seal of the second kind ; and afterwards Mauldnd "AU Ahmad 
of T)ihl( [vuusurpassed as steel -engra ver// noemt AbuU Fazl hem 
even verder, p. 58, alsmede discipel van den eersten graveur, 
!Bfanlana Maq^iid] improved both. The round small seal goes by the 
(chagatéi) name of Uzuk^ and is used lor farman iaahUë [= Vorstelijke 
benoemingen; blijkens II, cap. 11; 1. c. p. 260 — 261], and 
"t^he large one, into which he cut the names of the 
^ncestors of his Majesty, was at first only used for 
Xetters to foreign kiugs, but now-a-days for both//. 
(1. c. p. 52). 

Hier hebben we alles bijeen: onder Akbar, in ca. 1560, maakte de 

Serat^sche staalsnijder Maulana Maq^üd , die al vroeger voor Humajun 

gewerkt had (Abu'1 Fazl, 1. c), het éérste.... Achtvoudige(?) 

Crrootzegel van cirkel- vorm, dat oorspronkelijk alleen gebruikt werd 

"voor afdrukken, welke, bij wijze van Vorstelijk Visite-kaartje, van 

den Groot-Mogoï naar andere Vorsten gingen. Het eenige wat spijtig 

T>lijft, is, dat Abu^l Fazl niet even het aantal namen op dit Groot* 

SEegel van Akbar constateert; maar het moeten er wel acht geweest 

sijn, die van Akbar inbegrepen, dus 7 in een kring om Akbar heen; 

omdat èn Akbar's Stamboom aldus aangaf, èn zijn zoon Djah&ngir 

liet Negenvoudige gebruikte, èn ieder volgende Grogt-Mogol er één 

naam telkens aan toevoegde, zooals wij zagen. 

Kan er dus eenige de minste twijfel bestaan, of de Sultans van 
Atjeh hebben hun Negenvoudig Zegel aan de Groot-Mogols van 
Hindostan ontleend ? Neen ; want , indien dat niet zoo ware , dan 
moest Manlana Maq^^Ld, de Heratsche graveur, in ca. 1560 zijn 
eerste plan in die richting ontleend hebben aan een reeds toen be- 
staand Atjeh'sch prototype I Tertium non datur. 

De historische onmogelijkheid van deze laatste mogelijkheid is 

reeds dadelijk voor ieder duidelijk. Om echter volstrekte zekerheid 

te geven , dat hiervan geen kwestie kJLn zijn .... behoeven wij ons maar 

te herinneren , dat op een Nederlandsch document van hooge histo- 

Hsche beteekenis een Grootzegel staat afgedrukt van den Atjeh^schen 

8iillan Alaoe'd-dln Bi'&jat Sj&h (1588—1603), daar op getjapt 

itx Aag. 1601 , en thans nog berustende in 's Rijks-Archief te 

s-Graveuhage ! 

Op Plant I onderaan , is ook dit Grootzegel weergegeven , aan dat 
Origineel ontleend. Het bevindt zich op den vermaarden Spaanschen 



378 DE HINDOSTANSCHE OOBSPBONG VAN HBT 

brief vau Prins Maurits, dd. den Haag, 11 Dec. 1600 (^De la H« 
en Holauda a XI" de Decembre de Mil v seiscieutos anos^) aan A 
Sultan gericht, meegegeven aan de Zeeuwen die onder Capita 
Cornelis Bastiaensz. op 2 Jan. 1601 van Middelburg met 4 schej: 
zeil gingen, en op 24 Aug. van dat jaar het eerst voet aan \ 
zett'eu "by den Coninck van Achiu" (De Jonge II, p. 484 — 48^ 
om op £9 Nov. vandaar terug te keeren naar Zeeland, met aj 
boord een // ambassadeur '^ (ibid. p. 487) van dien Sultan aan Prin 
Mouringh, mitsgaders hoog gevolg, die den 6®' Juli 1602 Midde 
burg bereikten (ib. p. 490). Dit is het eerste èn tevens laatsi 
//Gezantschap van den Sultan van Achin — A® 1602 — aan Prii 
Maurits van Nassau en de Oud-Nederlandsche Bepubliek>s^ geweesl 
waaraan Dr. Wap in 1862, ter herdenking van dit 250-jarig feil 
een werkje onder dien naam heeft gewijd (Rotterdam, Nijgh), e 
dat in 't zelfde jaar (1862) door een Gekost u meerden Optocht d^ 
Delftsche Studenten den volke zelfs weer voor oogen werd gevoerc 
dank zij Dr. Wap's aanstichting. 

Deze Atjeh'sche ambassadeur, Abdoel Samad (//Abdul Zamat^^ 
werd op 4 Sept. 1602 door Prins Maurits voor Grave, dat Ib 
belegerde , ontvangen , en — naar E. van Meteren (t 8 April 1615 
in zijne //Historie der Neder-landscher ender haerder Na-bure 
oorlogen ende geschiedenissen, tot den iare 1612//, VGraven-Hagï 
1614, fol. 480 r<», 2" kol. vertelt — deed zich bij deze audieitf 
ook het volgende voor: //Eyutlijck / presenterende uyt den nf 
van zijnen Coningh alle vriendschappe ende dienst / waer itt 
conde / int teecken van 't welcke [versta: ten tceken waarvan? 
leverde wederomme de eygeu brieven / die den Prince Mauriti 
zijnen Coningh by die vier Zeelantsche schepen gesouden haf 
ende met sijns Coninghs' ScAappa ofte Zeghel gheteeckent / / 
bewijsen dat de Brieven wel ontfangen / hem weert ende aengl^ 
gheweest waren : versoeckende mede dat hem de Prince di«^ 
wederomme oock met sijnen Zeghel mereken wilde tot de^ 
eyude.// ^ 

Gewis, deze Ijap van 1601 was wel het meest o fff 
Grootzegel, waarover Sultan Alaoe'd-diu Ri'Ajat Sj&h 1 
beschikte ! Precies als Akbar reeds vroeger had gedaan metf 
voudig cirkelzegel, was het 't Vorstelijk visite-kaartje des Èi 
Sultans, afgegeven bij een Vreemden Vorst, en, naar ^ 
woorden van Van Meteren , gehecht op diens oorspronkelijk 
dat hij aldus //gewaarmerkt", zoo te zeggen voor //gezienf 



//NEGENVOUDIG// SÜLTANS-ZEGBL VAN ATJEH. 379 

ien Vreemden Vorst terug-aanbood. ^ Van die ^yap gaf Ur. Wap 
genoemd wlerkje van 1862 op p. 86 een afbeelding , verschuldigd 
de meesterlijke schrijfhand van den Heer J. H. Hingraan, 
>te bij 's Rijks Archief//, maar met de niet heel vriendelijke 
ging: ^Wel jammer, dat het ons, na in 't oneindige [sic] 
e aangewende pogingen, niet is mogen gelukken, eene ver- 
^ er van op te doen [sic] bij Hoogleeraren, die zich in ons 
land afgeven [sici] met de studie der Arabische taal.// Een 
looier , en vertrouwbaarder afbeelding gaf daarna Mr. J. E. fianck 
n //Atchin's verheffing en val// (Rotterdam, 1873), waar men 
aan immers een groot en zorgvuldig facsimile vindt van Frince 
ngh's Spaanschen brief ^, met links onderaan de tjap van den 
schen Sultan Qit einde 1601. Een fotografische opname naar 
3rspronkelijke stuk , vervolgens gezincografeerd , geeft nu onze 
I; volkomen vertrouwbaar dus. 

Inu, dit Grootzegel uit 1601 van Sultan Alaoe'd-d!n Ri'êjat 
is enkelvoadig, niet veelvoudig! Het belangrijkste van de 
Ie in 't midden had Prof. Millies (f 26 Nov. 1868) indertijd 
ontcijferd , en in verband gebracht met een munt van dienzelfden 
in de coUectie-Soret te Genève , dragende deze laatste de legende 
'oed-dtn ïbn Krmftn Sjfth//. In zijn, na zijn dood door Prof. 
inn uitgegevene //Recherches sur les monnaies des indigènes de 
ipel indien et de la péninsule malaie// (La Haye , 1871), wordt 
76 — 77 de legende in 't midden van ons Grootzegel desgelijks 
!n: //as-Soltdn 'Al&'oed-din bin Firm&n Sjê.h//; terwijl Millies 
iet rondschrift zegt: //L'original même n'est plus distiuct dans 



»genover de zeer duidelijke woorden van Van Meteren — Ik haalde den 
ijken tekst aan; de aanhaling in Dr. Wap's werkje, p. 26 — 27 is niet 
Ijk, noch volledig — , vervalt het bezwaar van Millies in zijn „Becher- 
mr les monnaies etc", La Haye 1871, p. 77: „mais je doute que la 
latie de 1'Inde , aussi peu que celle de 1'Europe , connaisse un tel usage", 
ens , het twijfelen van Millies is zelfs in ander opzicht geheel misplaatst, 
r toch b.v. wat Tavemier schrijft over de gewoonte aan *t Hof van 
ida in Oct. 1652: „parce que tout ce que se presentoit au Roy devoit 
machete du cachet du marchand, & quand Ie Boy l'avoit vu il y faisoit 
I Ie sion, afin qu'il n*y eust aucune fraude" (Les six voyages etc, 
erdam), 1678, n, p. 220). 

m het Spaansch van dezen brief hapert nog al heel wat ; de kalligraaf 
m schreef, verstond zeer zeker géén Spaansch. Zie b.v. „recibimento", 
>imiento; „prisones", l. prisiones; „ban sido", l. han sido; „es^as Beynos", 
Beynos; f,Portugeses", l. Poriugueses; „no tengo", l. no tenga; „contre", 
;ra; „esto effeto", l. este efecto. 



380 DB HINDOSTANSOHX OOBSFBONG YAN HST 

une partie de la légende marginale , qui ne semble contenir que des 
formules votives ordinaires^ (p. 76, noot 1). Op Plaat XVII gaf hij 
onder A ook een lithografie naar dit Grootzegel, en op Plaat XVI 
als n^ 135 een afbeelding der bedoelde munt van dienselfden Saltan. 

Dus : het denkbeeld der Atjehsche ijap sëmbilan is aan Uindostan 
ontleend, nk 1803; nk Snitan Alaoe'd-dln's ^ dood! 

Maar wanneer dan precies? — Helaas, d&t weten we niet! Het 
meest aannemelijke is, dat de ontleening tijdens Djah&ngir en 
onmiddellijk naar diens Negenvoudig Grootzegel gebeurd is;d.i. dus, 
tusschen 1605 en 1627. En dit zou dan prachtig samenvallen 
met de regeering van Sultan Iskandar Moeda, alias Makoe- 
ta Alam, over Atjeh, 1607 — 1636; den man, die de Atjehsche 
Bestuursregeling of Grondwet, in den aanhef* van dit opstel reeds 
genoemd, de zgn. Adat Makoia Alatn^ zou samengesteld hebben — 
maar in den vorm, zooals wij dien thans kennen, gewis niet samen- 
gesteld heeft ^ — , waar in art. 6 — 7 tot driemaal toe de tjap kalilintar^ 



^ Het ^ibn Firm&n Sj&h'' op Alaoe'd-din's munt en Grootzegel is wel niet 
op te helderen, tenzij men Firm&n = Priaman stelle; aangezien de 4* 
voorganger van 8. Alaoe'd-din de zgn. ^Radja Priaman" (1565 — 1566) was, 
alias Badja Sri Alam — zie m\jn lijstje der Atjeh^sohe Sultans tot 1603 in 
*t art. Sumatra, EncycL v. N. I. , IV, p. 208—209 — ; en verg. over een 
analoge gelijkstelling van Firm&n met Priaman door Dulaurier, de noot in 
Millies' nKecherohes eto.", p. 75. In het grafschrift van zijn Ambassadeur, 
Abdoel Samad, te Middelburg in de 2* helft van 1602 overleden en daar in 
de Oude Kerk begraven (zie Van Meteren 1. c, en Wap, p. 19), heet deze 
Sultan van Atjeh: „Solt&n Al&oe'd-din Bi'&jat Sjah zill-AUah fi-'l*4lam (bij 
Van Meteren geschreven: „Soltan Alciden Raietza Lillo Lahe Felalam"); 
zoodat de Atjeh'sche Sultans toen reeds datzelfde „Schaduw G-ods op 
aarde" in hun titel voerden, wat nu nog op hun Grootzegel staat! 

' De offioieele Maleisohe tekst toch, door Van Langen detarvan gepubliceerd 
in Byiage A (Bijdr. Kon. Inst. 5, in, 1888, p. 436—442; en Holl. vertaling 
p. 448 — 456), in 46 artt. — op p. 456 staat door een drukfout „56" — , kan 
onmogelijk uit Makota Alam's tijd wezen, maar moet zijn uit oa. 1728, uit 
den tyd van denzelfden Sultan Sjamsoe'1-alam = DjamaloeU-alam = 
D j eu m alöè (1704 — 1723) , van wien Van Langen als B^lage B — 1. c. p. 468 — 
466; en Holl. vertaling p. 467—471 — een Koninklijk Besluit (aU-kaia , t^kirakaia) 
omtrent Atjehsche rechtspraak heeft gepubliceerd; beide teksten afgedrukt 
naar twee origineelen die in 1879 in de mésdjid te Indrapoeri werden ver- 
meesterd, maar ongelukkig in 1886 bij de groote handjir der Atjeh-rivier 
te loor gingen, en alleen in afschrift nog behouden werden (Van Langen, 
p. 381). Van Langen betwijfelde zelve al, of de Adat Makota Alam in den 
vorm zooals hij haar publiceerde, wel' van Makota Alam konde zijn; en 
voegde reeds 1. c. p. 393 toe: „ Stellig is een gedeefte van dat zoogenaamde 
wetboek eerst onder de opvolgers van Iskander Moeda samengesteld ; inzonder- 
heid die afdeelingen er van, waarin van oèléebalan'r^ en panglima's sagi 



//NEGENVOUDIG'/ SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 381 

Atjeh^s /s^DoDder-Zegel//, inderdaad als rijksstempei vermeld staat. 

Of dit laatste echter wezeulijk waar is, zal pas aan het licht 
kunnen komen wanneer authentieke Atjeh^sche bescheiden mèt des 
Sultans Grootzegel teruggevonden zijn uit de eerste helft der 17* 
eeuw, hetzij van Sultan Iskandar [I] Moeda (1607 — 1636), hetzij 
van Sultan Iskandar [II] Tsani (1686 — 1641). Tot zoolang moeten 
wij ons vergenoegen met een zeer groote waarschijnlijkheid. 

Te dien aanzien moet hier nog aangeteekend worden, dat, naar 
pas ontvangen vriendelijke inlichting van Dr. F. de Haante 
Batavia dd. 17 April, in het Landsarchief aldaar //geene origineele 
contracten met Atjeh^ berustende zijn ; alsmede dat de Brief van 
Sultan Iskandar [II] Tsani aan Prins Frederik Hendrik, afgedrukt 
door Banck op p. 76 — 78 van zijn hiervóór (blz. 379) genoemd 
werkje, volgens welwillende mededeeling van den adjunct-commies 
J. K. Bondam dd. 5 Mei: //alleen als translaat aanwezig is in 



sprake is, welke waardigheden... eerst in lateren tijd ontstaan zijn onder 
de regeering van sultane Noeroe'l Alam (1675 — 1677)". — Doch er kan be- 
slister nog gesproken worden. In art. 3, 5, 9, 16 en 42 van dien tekst bij 
Van Langen der Adat Makota Alam wordt telkens gesproken van eenen 
yt<>Tang kaja Sri Maharadja Lda^\ en wel als Groot- Jus ticier van den Vorst, 
die in Naam des Konings de rechtszaken persoonlijk moest gaan onderzoeken 
waarin pangUma's soffi of oeléebalang^s gemoeid waren (art. 9, 16, 42), dus 
de Hoogste Atjeh'sche Oomes; en aan wien dan ook door art. 3 en 5 
onmiddellijk rang wordt verleend, en zelfs gelijkwaardigen rang, na de 
Panglima*8 aagi, als een soort „ultimus inter pares^'. Welnu; wie was deze 
wrang kaja Sri Maharadja Lela? Niemand ander? als de Mahradja Lela 
Meulajoe, die in 1723 door Sultan Sjamsoe'1-alam = Djamaloe^l-alam 
(Djeumalöè), bij zijn uitwijken naar Pedir, tot Heg ent van Groot- Atjeh 
werd benoemd — het Mal. meradja .Ula beteekent inderdaad „den Maharadja 
spelen, den Baas spelen", van lela=^ n^pelj speelsch" — , maar kort daarna 
zelve ten troon zich verhief als Sultan Alaoe'd-din Ahmad Sjah 
(1723 — 1785), tevens grondvester daarmede werd van de Wadjo'sche (dus 
Boegineesche) dynastie over Atjeh; verg. Veth's „Atchin", 1873, p. 84 — 85; 
Van Langen, 1. o., p. 395; en Snouck's „Atjèhers", II, 1894, p. 94. Dus: 
tijdens dat deze persoon nog slechts Maharadja Lela, d. w. z. f,Begent, 
Ra waard" was, werd de tekst vastgesteld, dien Van Langen publiceerde; 
d. w. 2. in ca. 1723. De „Radja Oedah na Leld*^ in art. 5 van Van Langen's 
tekst genoemd, is waarschijnlijk ook de Had ja Mo-eda, d. i. de „Kroonprins", 
die zelve in 1785 weer de opvolger werd van zijn vader (Snouck 1. c.) , onder 
den naam van 8. Alaoe*d-din Djohan Sjah, en van 1735 — 1760 regeerde. De 
naam van „Tengkoe Endjoeng" = Teungkoe Andjöng in het tweede door 
Van Langen geptibliceerde Atjeh'sche document (1. c. p. 442—443; vertaald 
p. 456 — 457), is eöKter eene latere interpolatie j n.1. na 1782^ zooals Snouck 
reeds opmerkte (iS^^hers, I, 1893, p. 5 noot). 

V Volgr. y. 25 



382 DE HINDOSTANSCHK OOBSPEONO VAN HET 

het Bijksarchief, iugekomeu stukken van het jaar 1639, Koloniaal 
Archief, portefeuille 1029//. Hoop in die richting is dus ijdel. 

Derhalve heeft dan in ca. 1625 (?) Akbar's eerste voorbeeld in 
Atjeh het Negenvoudig Sultanszegel doen ontstaan; heeft iu 1625 
en vooral in 1633, alweder Akbar's eerste voorbeeld in Mataram 
de reorganisatie teweeg gebracht van den Javaanschen Kalender '; 
en heeft in ....? Akbar's eerste voorbeeld eveneens in Bantam 
èn (?) in Bandjarmasin het wegen van een nieuw optredenden 
Vorst tot hofzede gemaakt I 

Doch over dit laatste moge een afzonderlijk klein opstel later 
gegeven worden. 

Alleen een enkel woord moet nog toegevoegd worden over den offi- 
cieelen Maleisch-Atjeh'schen naam van het Negenvoudig Zegel, de ijap 
haliliniary d. i. het ff Bliksffmzegel , Donderzegehf . W&ut Mul, /mliiinUtr 
beteekent: //bliksemstraal, bliksemflits. Komt ook voor in de betee- 
kenis van donderslag, dondersteeu// (Kliukert, Nieuw Mal.-Ned. 
Zakwdb. 1892, i. v.). Waarbij ^ Kliukert nog aarzelend wijst op 
Maxwell's verklaring van dit woord. 

Maxwell toch, in zijn //Manual of the Malay lauguage. With an 
introductory sketch of the Saiiskrit element in Malay /r (London, 
1882), had als volgt beweerd: ff Hart, day, is clearly ideutical with 
the Sanskrit hariy /'the sun,// which isalso used as a name of Vishnu 
or Krishua. Maia-hariy the sun (Malay), is thus //the eye of Hari,/^ 
and is a compound formed of the native word mata and the Sauskrit 
hart, Haliliniar, a thuuderbolt, seems to be compounded similarly 
of hart and lontar (to hurl) , ^hurled by Hari.'/ Here the r has 
been softened into hf, (p. 11 — 12). 

Wegens het belang om de wezenlijke afleiding van het Mal. 
woord halilintar te kennen, vroeg ik in dezen het oordeel van 
Prof. Kern, die zoo vriendelijk was dd. 28 Maart j.1. het vol- 
gende mij te antwoorden: 

//De zoogenaamde verklaring van Maxwell is een opeenstapeling 
vam domheden. Mal. ïiari^ dag, heeft niets te maken met het 
Sanskr. Hari. Wat lialiliniar betreft, hiervan is ten minste volkomen 
duidelijk dat het gevormd is met het intensief en tevens pejoratief 
prefix kali of ali, bekend uit Jav., Bisaya, enz. Bijv. Oudjav. 
halisyus (thans verloopen tot lesui), orkaan, van syiin^ blazen, suizen: 
halisyns is dus zooveel als geweldige, kwaadaardige wind. Evenzoo 

* Zio daarover Ene. v. N. I. , IV, p. 458 , !•— 2* kol. , in mijn art. « Tijdrekening". 



//NEGENVOUDIG// SULTANS-ZEGEL VAN ATJEH. 383 

gevormd is Ojav. kaliwawar, wervelwind. Kwade diereu hebben ook 
^t prefix: (h)alip(m^ duizendpoot, halimatahy bloedzuiger, enz. De 
beteekeuis van lintar is niet bekend ; het woord is uit de taal 
verdwenen, en ook in de verwante talen ken ik het niet, behalve 
Sundan. lintar^ uitwerpen. Mogelijk zou dus halilintar eigenlijk 
zijn: geweldige of leelijke worp. Aan de in de Wdbk. opgegeven 
beteekeuis behoeft niet getwijfeld te worden.// 

Tjap halilintar beteekent dus inderdaad : Bonder-zegeh 
Maar vertelt die naam dan ook niet nog méér? Bewijst hij niet, 
dat de Atjeh'sche Sultans voor dit Negenvoudig Grootzegel een 
mystieken naam hebben bedacht, alsof dit Zegel uit den Hooge op 
de aarde was neergeworpen. Worden we niet sterk hierbij herinnerd 
b. V. aan het hadjoe aniakoesoema der Javanen , dat immers als hoog- 
gewijd prae-Islamitisch kleedingstuk óók uit de lucht kwam neder- 
dalen? Worden we — naar den trant van bnze //donderkeilen// en 
/rdondersteeneu'/ — tevens niet sterk herinnerd aan de verhalen op 
Bali en andere Kleine Soenda-eilanden omtrent de Bronzeu Ketel- 
trommen, die daar evenzeer uit de lucht kwamen vallen? 

Zeker! Wat allerhóógst-ge wijd is, komt óók in onzen 
Archipel.... bovennatuurlijk uit de lucht vallen! 
En almede d^rover moet nog eens nader gesproken worden, naar 
aanleiding van een allerinteressantst , tot nog toe steeds onopgemerkt 
gebleven bericht van Kumphius uit 1687 over eene bronzen Tifa 
goentoer of vDonder-trom//, weleer aanwezig.... op Sëroewa, 
dat vulkaan-eilandje in de Banda-zee! 



NASCH.RIÏ'T. 



De oud-HolL vertaling vau de hiervóór op blz. 355 — 356 ge- 
geven ziusuedeu bij Purchas luidt als volgt in het vrij zeldzame 
boekje //Journael / van de Reysen ghedaen door den E*** Heer en 
Ridder Sf .Thom^. Roe, Ambassadeur . . . enz. Uyt het Engels ver- 
taalt. t'Amsterdam, J. Benjamjn, 1656// (verg. Tiele's Ned. Biblio- 
graphie van Land- en .Volkenkunde, 1884, i. v.); aan 't slot van 
dat boekje: 

//lek [scil. Purchas] hebb' verstaen dat Sir, Tham. Boe op zijn 
vertreck / verdoekende van den groeten Mogar ofte Mogol brieven 
van Recommandatie aan sijne Majesteyt / de selvighe lichtelijck 
bekomen heeft / maer vond dat hy groote swaricheyt maeckte 
waer hy sijn segel sonde setten; indien onder / dat het light tot 
sijne dis-reputatie mochte strecken : indien om hoogh / dat den 
Coningh sich light daer aen mochte stoten; sijn resolutie was dan 
dese / den brief on-gesegelt te senden / dat sijne Majesteyt na sijn 
welgevallen die mochte aen setten. Het Zegel is silver / welckers 
figure en gedaente des Mogols geslachte alleen van Tamerlaan af is 
behelsende in se ven [sic!] Circulen / met de Engelse oversettinge/i^. 
(p. 126). 

1)1 dit boekje volgen dan echter niet de twee afbeeldingen, die 
Purchas geeft. — De vertaling van 't Eng. //seuerall// met HoU. 
//se ven// is zeker allervermakelijkst ! 



Legenda by Plaat I: 

1. (6opcuaan). (^roofjegef pan ben faatsten èvSian x>axx Ütjc^, uit 1879; 

naar énoucft ^èurgronje's Htjè^ers , I (1895) , achteraan. 

2. (mibbenin, finfts). (érootjegef pan ben érootmogof ©ja^angir, uit 1605; 

naar ^urc^as, I (1625), fof. 591. 

3. (mibbenin, rechte), éfrooimunf Pij &e Sn^utbiging pan ben (èrootmogot 

éjo^ 3)ja^an, uit 1627; naar tSapernier, 1678, n, p. 234. 

4. (onberaan). Hfbruft x>an 't jegef pan SuKan Hfaoe'b-bin Xi'ajat SyaSf pan 

Htje^, uit 1601; naar Bet origineefe bocumenf in *s 3tijfe5 
Hri^ief. 




IIoor>ij^c miii Bel Jöin6o>;faii«Ii ■?cl'il>oviitjc !iil c«. \7*M, cp 20 ÏÏlT. 1002 

fi' '5-*r(ii'eii[)a(jc pcrfiorfit ; roovstenenÉic be 10 ïlocrmCicrcii luiii ben 

tórootmoijol Jfliiriuig;.K-fi imi. 16"iS— 17U7) iii ecu firiiti} om lijii 

euicv porirct in f>(i mibbm Been. 

ïibdn* in 6cf Bcjif mm 3. tfsc. lïiirja Èaiiiatt ikban 3ïïomtii! cs-Saffanc^, 

procger têejant pan ben £>ja^ pan ïcrjic te &cn ^aatj, nu te ïurijs. 



/; ^e^2jH:^-rittj> 






1'^^ 












.^ 






•S(h3' 



/ 4 




>y>^" 



L 



ij&c pan ^eljcr^c Ainbosfanscf; st^iRterijfje iiif <.a. 1700; mef ^c 11 twiHcn 
tf^c^eelbe lïorëfen bijdiesc^reiien Öoor een infanb'^c^e ^anl) in ^i^^u$tdni 
f Tldgatt-fedrafifcrs. ïeriuijt een oub-tóctflimbsc^c ^an& ongenecr in 
&ien^eCf&en tij& i>e II namen in transcriptie nog toeroc^fte. 




3ïcm6ran&f. 

Scpia-feeftcniKQ pan DÓór H>rï6 in ^et ^rifscfi ïffitscnin te Xon&eii, Doorsfeffenbe : 

ben (éroofmogof 3>ja^aiiQir (rcg. 1(>05— 1027) op jijn troon-sc^aftcf, 

'Sker^eqgven naar ^ippmanii-^ofslebe be (Ëroot's ,.iï>ri4inar braroin^s 6p 

KcmBranbl &s}. van Jtijii, reproï>iice& in p^ofol^pc", 2* Series, 

I, S,onbon 1900, «" 44 (tóï. 3ïijft* Trcntc«fia6incf). 



'T LEMES IN 'T SOENDAASCH. 



I. 

H Is bekend , dat in *t Soendaasch voor vele begrippen twee of 
meer woorden bestaan, waaraan dezelfde beteekenis wordt gehecht, 
doch die niet willekeurig door elkaar gebruikt kannen worden. Welk 
dier woorden men. in een bepaald geval moet gebruiken, is als 
regel zeer beslist aan te geven. Gebruikt men dat woord niet , maar 
een der andere van dezelfde beteekenis , dan is men wel niet onver- 
staanbaar, maar drukt zich toch verkeerd uit en zondigt tegen de 
wellevendheid, een ernstig vergrijp, ^ 

De reden van 't feit, dat men voor één begrip meerdere woorden 
gebruikt, is hierin gelegen dat meu min of meer beleefd, min of 
meer eerbiedig spreken wil. In H Soendaasch onderscheidt men 
lëmës — wat //fijn'/ beteekent, van kas ar — grof. Wat fijn en 
wat grof is , is zeer betrekkelijk en tusschen die beide is in H alge- 
meen geen scherpe grens te trekken. Als een landbouwer tegen den 
Regent gekuischter t-aal spreekt dan tegen zijn kinderen, is hij 
tegen de laatste daarom nog niet grof. Zou hij tegen den Begent 
grof — kasar zijn, als hij woorden gebruikte die hij pleegt te 
zeggen tot zijn kinderen, jegens deze zou hij pas grof (kasar) wezen, 
als hij ze platte, gemeene woorden toevoegde of ze uitschold. Wan- 
neer men dus, in 't algemeen, afkeurend zegt, dat iemand zich 
ffkhseLTff gedraagt, //kasar// spreekt enz. beteekent zulks dat men 
grovere, minder beleefde woorden bezigt dan in dat geval gepast 
ware, dus een tekortkoming, een ongemanierdheid. 't Kan b.v. ook 
kasar zijn om zich een weinig lëmës uit te drukken waar zéér 
lémës op zijn plaats was. 

Bij 't onderscheiden der verschillende voor één begrip bestaande 
woorden heeft men ter aanduiding der onderlinge verhouding ook 
de woorden kasar en lëmës in gebruik genomen, met toevoegingen 
ter nadere bepaling (lëmës pisan, kasar pisan enz.) en in dezen zin 
zijn de begrippen kasar en lëmës scherper omlijnd en hebben zij 
ook een vastere beteekenis. De lëmëswoorden zijn dan die 

7* Volgr. V. 25 



386 't LëMës TS 't S0£NDAASGH. 

woorden welke men bezigt, sprekende in beleefde termen tegen 
iemand dien men daardoor eeren wil of boven zich zelf stellen. 
Bestaat er geen aanleiding zijn beste beentje voor te zetten, dan 
spreekt men kasar, wat dns niet volstrekt meebrengt dat men 
grof wil zijn, maar in veel gevallen de eenig jniste wijze van zich 
uitdrukken is. Ten naastenbij kan men dus zeggen , dat 't kasar de 
alledaagsche manier van zich uit te drukken is, zonder plichtple- 
gingen, zooals bv. een vader tot zijn kinderen. In den vervolge 
zal aan 't woord kasar deze engere zin worden gehecht, 't Lemës is 
dan de niet-gemeenzame taal. Hierbij zullen nog onderverdeelingen 
worden gemaakt. 

De vraag, hoe 't gebruik van meer dan één woord voor eenzelfde 
begrip in de wereld is gekomen, ligt buiten mijn bestek, ook hoe 
daaruit de tegenwoordige toestand is ontstaan. 

Hoe uit men thans zijn bedoeling, lëmës te willen spreken? 

In de eerste plaats ligt 't voor de hand dat men beleefd of eer- 
biedig sprekende, zijn woordenkeus beter zal overwegen , zijn zinnen 
beter zal vormen , kortom , zorgvuldiger spreken zal dan in 't kasar, 
doch veelal ook stijver, minder levendig, meer gemaniereerd. Naar 
Soendasche begrippen klinkt 't ook lëmës, met meer omhaal te 
spreken , langere woorden en zinnen te maken , wat vanzelf overgaat 
in 't geven van een exotisch tintje aan den woordenstroom. 

Doch in de tweede plaats onderscheidt *t lëmës spreken zich door 
't gebruik van woorden die voor de kasarwoorden met dezelfde of 
nagenoeg gelijke beteekenis worden in de plaats gesteld, 't Aantal 
woorden waarvan wissel woorden bestaan, is betrekkelijk gering; 
voor de groote meerderheid van begrippeü bestaat slechts één woord . 
dat steeds gebruikt wordt. Met voorbehoud van 't in de eerste plaats 
genoemde is dus een lëmëszin gelijk aan een kasarzin, waarin eenige 
woorden door andere, niet in 't kasar gebruikelijke zijn vervangen. 
Hieruit volgt dat 't verschil tusschen al of niet lëmës spreken zeer 
duidelijk is waar te nemen ; 't verkeerd gebruiken van een woord 
is een fout, de indruk dien lëmës spreken te "weeg brengen moet, 
zou worden weggenomen door er kasarwoorden in te mengen. Dat 
noopt den spreker tot behoedzaamheid. Alvorens den mond te 
openen, maakt men zich, haast onbewust, een voorstelling van de 
verhouding die tusschen zichzelf en den aangesprokene of derden 
bestaat. Men neemt stelling als 't ware en eerst dan vangt men aan. 

Nu zijn die woorden, welke bij 't lëmës spreken in de plaats 



't LêMës IN 't soendaasgu. 887 

Tan (sommige) kasarwoorden worden gesteld, in tweeërlei soort te 
verdeelen, dezg. lêmës en de lëmê spisan woorden. Pisau is 
ü^zeer,/^ de namen beteekenen dus lêmës en zeer lêmës. Men zou 
echter dwalen door uit deze benamingen op te maken dat er tusschen 
beiden alleen een verschil bestaat van graad, 't Is met deze namen 
als met kr&ma en krama inggil in 't Javaansch; bij gebrek 
aan een vaste, algemeen aangenomen benoeming in 't Soendaasch 
zijn ze naar analogie van 't Javaansch genomen. 

Wanneer men lëmës spreekt, dus beleefd, geeft men tevens te 
kennen dat men den aangesprokene eeren wil. Dit kan plaats hebben 
tusschen gelijken die niet op vertrouwelijken voet met elkaar ver- 
keeren, maar gewoonlijk tot iemand dien men boven zich stelt. 
En aangezien de beleefdheid meebrengt zelf bescheiden te zijn en 
den aangesprokene te verheffen, kan men ook in 't eerste geval zeggen 
dat er tusschen spreker en dengene tot wien (of van wien) men 
lêmës spreekt, de verhouding is van lagere tot hoogere. Men wil 
den aangesprokene eeren , hem onderscheiden van de groote massa 
en doet dit door bv. zijn hoofd niet hoeloe te noemen, maar 
mastaka; vraagt men hem of hij ergens zal komen, dan zegt men 
niet datang, wat Jan en alleman doet die komt, maar soemping. 
De woorden hoeloe en mastaka, datang en soemping vertegen- 
woordigen 't zelfde begrip, maar door mastaka en soemping te 
bezigen, maakt men een schifting en zondert degenen van wie deze 
woorden gebruikt worden, af van de overige menschheid, ze daarboven 
stellende. Zulke voorname woorden heeteu lëmës pisan (vrg. Jav. 
K. L). Gaat men de beteekenis na der woorden van welke l.p. (lëmës 
pisan) woorden bestaan, dan blijkt 't dat zij met den mensch in verband 
kunnen worden gebracht, bv. lichaamsdeelen, familiebetrekkingen, 
handelingen die de mensch kan verrichten zoowel de hooggestelde 
zelf als anderen ten opzichte van hem, bezittingen, ook woorden 
die de plaats ten opzichte van een persoon aanduiden als: vóór, 
achter, links, rechts enz. Daarentegen heeft men voor de benaming 
▼an dieren , planten , de doode natuur als regel geen 1. p. woorden , 
alleen wel van enkele kleine dieren die op 't lichaam leven. 

't Laat zich denken dat men lêmës sprekende, zich beperkt tot 
't vervangen van alle kasarwoorden , den aangesprokene betreffende, 
door 1. p. woorden, voor zoover deze ter beschikking zijn. Men 
plaatst hem daarmee buiten en boven de groote massa, geeft hem 
alle eere, is beleefd. 



388 't LêMës IN 't soendaasch. 

Maar dit niet voldoeude vindeude, is men zijn taal nog meer gaau 
kuischen en opsieren en is ook woorden die niet slaan op den persoon 
van den aangesprokene door andere gaan vervangen. Men kan zich 
dat zoo voorstellen dat de gewone kasarwoorden te alledaags 
klonken, dat men 't voegzamer vond daarvoor andere woorden te 
gebruiken, die dan voor znlke meer plechtige gelegenheden werden 
gereserveerd, dat men dus de eigenlijke bedoeling (eeren van den 
aangesprokene) ietwat vervagend, ging meenen dat lémés spreken 
meebracht mooi spreken. 

Zulke woorden worden hier verder kortweg lëmës (1.) genoemd 
(vrg. Jav. Kr.). Zij dienen dus om aan de taal een zekere distinktie 
te geven, vooral netjes te spreken. Men zegt bv. voor reeds niet 
geus, maar parantos. 

Een tweede kategorie van lëmës- woorden zijn die welke men van 
zichzelve gebruikt, sprekende tot hoogere; ze zijn als 't ware 
negatieve Lp. woorden, uitingen van nederigheid, van zich zeer 
bescheiden voordoen. Zoo bv. om zijn knechts (boedjang) te 
noemen ba toer — eigenlijk makker, alsof men zich te veel op een 
voetstuk stellen zou door van zijn knechts te spreken. Dit is nu 
een teekenend voorbeeld. Maar gewoonlijk zal men aan een 1. ver- 
vangwoord van een begrip , waarvan een 1. p. bestaat (of denkbaar is), 
niet kunnen zien of 't gebruik alleen zijn ontstaan te danken heeft 
aan een behoefte om mooi te praten, anders dan alledaags, dan 
wel om zich nederig voor te doen. Enkele woorden drukken de 
laatste bedoeling wat duidelijker uit; een scherpe scheiding valt 
echter niet te maken, beide beweegredenen dragen bij tot 't in 
zwang komen van zoon 1. vervangwoord. Bv. Door dongkap te 
bezigen in plaats van da tang maakt men geen afscheiding zooals 
met soemping; men zegt volkomen 't zelfde, alleen sierlijker dan 
met da tang. Vandaar dat men ook van een paard zal zeggen: 
Koeda parantos dongkap. • 

De lëmës en de lëmëspisan-woorden hebben dus een geheel ver- 
schillend karakter. Spreekt men geen lëmës , dan komt 't woord batoer 
of dongkap niet te pas« De benaming lëmës (1.) van deze woorden 
geeft dus aan, dat zij slechts lëmës sprekende, worden gebruikt. 
Uit 't karakter der 1. p. woorden daarentegen volgt dat zij niet 
aan 't lëmêsspreken gebonden zijn. Acht men 't voegzaam jegens 
iemand te kennen te geven dat men hem zeer hoog stelt door zijn 
hoofd of zijn komen met 1. p. woorden uit te drukken, dan is 't 



't LëMës IN 't soendaasch. 389 

begrijpelijk dat men ook in gesprek met anderen, bv. zijns gelijke 
of mindere, van die waardeering doet blijken en dus , kasar sprekende , 
van 't hoofd en 't komen van die hooggestelde personen blijft 
zeggen mastaka en soemping. De lëmëspisan woorden worden dus 
met die benaming alleen juist gekarakterizeerd als men 't woord 
lëmës hier in zijn ruimeren zin opvat, nl. wellevend , niet ongemanierd. 

't Aantal woorden waarvan lëmëswoorden bestaan , is in verhouding 
tot de lêmëspisanwoorden klein en in 't algemeen gering. Bv. 
Ho el o e met lp. mastaka heeft geen 1. Boven werd de voor- 
stelling gegeven , alsof 't gebruik van 1. woorden lA dat van lp. 
woorden in zwang is gekomen, Men zou daartegenover de voorstelling 
kunnen plaatsen dat zich met de ontwikkeling van 't lëmës-spreken 
de 1. p. woorden hebben afgescheiden van de overige 1. woorden , 
waartoe zij eerst behoorden. Daartegen pleit dat 't gebruik der 
1. woorden lang niet zoo vast en algemeen is als van 1. p. woorden 
en zij veel minder talrijk zijn. Echte Soendasche vervangwoorden 
vindt men vooral onder de 1. p. woorden. De overgang van 1. woord 
waarvan 't gebruik op konventie berust tot 1. p. woord dat 't objekt 
waarop 't slaat, afscheidt van den grooten hoop, zou ongerijmd 
wezen, 't Zou trouwens in strijd zijn met 't karakter dat 't lëmës 
spreken nog heden ten dage heeft. Men kan dagelijks waarnemen 
dat de 1. p. woorden veel meer spreken tot 't volk dan de 1. woorden. 
't Is voor een Soendanees heel natuurlijk zich van een hoog per- 
sonnage alles anders en mooier voor te stellen dan van zichzelve. 
Er is werkelijk een drang om Lp. woorden te gebruiken. Nederig 
is hij , vreesachtig maar ook boersch , zonder etiquette. L. woorden 
leert hij gebruiken door oefening, 't L. spreken is 't meest ontwikkeld 
in de hoogere standen. Merk op bv. hoe iemand in een afgelegen 
uithoek, die zelden met de buitenwereld in aanraking komt, zoo 
^oed als geen 1. woorden gebruikt, wel l.p. woorden, hoewel weinig 
omdat zijn woordenschat natuurlijk zeer beperkt is; hij heeft zelden 
aanleiding 1. p. woorden te gebruiken. Dit alles verklaart ook waarom 
er in 't gebruik der 1. woorden plaatselijk zooveel verschil is. 

Een bevestiging van 't bovenstaande kan men zien in 't feit dat 
er naast l.p. ook nog de zg. sëdëng woorden bestaan. Sëdëng 
beteekent middelmatig. Deze sëdëngwoorden zou men l.p. woorden 
kunnen noemen van lageren rang. Ze hebben 't zelfde doel , ui. te 
onderscheiden , te stellen boven 't geen waarmee wordt vergeleken , 
maar op minder hoog voetstuk dan 't met l.p. woorden genoemde. 



fS90 't LëMës IS 't soendaasch. 

Zij kunnen dus ook in 't kasar worden gebruikt, 't Aantal echt« 
sëdëng woorden is zeer gering. Bv. Van datang bestaat er geen, 
wel van hoeloe, nl. sirah. Er heeft een soort wisselwerking plaat» 
gehad tusscheu l.p. en 1. Kan men 't nog dagelijks toenemend 
gebruik van 1. woorden beschouwen als middellijk door 't l.p. te 
zijn veroorzaakt, deze ontwikkeling van 't lëmës spreken leidde er 
toe dat men meer wilde gaan nuanceeren, 't welk niet doeltreffender 
kon worden uitgedrukt dan door een schifting van de l.p. woorden 
in hooge en lage. Men schoof als 't ware tusscheu 't onderscheidende 
l.p. en niet-onderscheidende ks. een woord in dat zwakjes onder- 
scheidde. De woorden tot die tusschenkategorie behoorende, noemt 
men wel panëngah — in 't midden, 't midden houdende. Feitelijk 
vervullen zij dezelfde fuuktie en zijn zij slechts een aanvulling van 
de sëdëng (s) woorden. Ook deze panëngah woorden zijn weinig 
talrijk (seuweu enz.), 't Juiste gebruik dezer s. woorden (om ze 
onder één hoofd samen te vatten) is voor den vreemdeling zeer 
moeilijk te vatten en lijkt daarom soms willekeurig, 't Is onder- 
scheidend ; éénmaal op dien weg, moet men voorzichtig zijn niet 
te weinig eer te geven. 

Deze aanduidingen van k. (kasar), /. (lëmës). Lp. (lêmês pisan) 
en *. (sëdëng) woorden , waren noodig om 't onderscheid in de ver- 
vangwoorden in 't licht te stellen, 't Zijn echter benamingen die 
niet algemeen gangbaar zijn en waaraan verschillende beteekenis 
wordt gehecht. Ik geef ze gaarne voor beter. De Soendanees noemt 
vaak lëmës alle woorden welke hij niet-kasar sprekende moet 
gebruiken en onderscheidt dan de 1. van de l.p. woorden door ze 
te noemen a d a b — nederig, beleefd. Panëngah heeten dikwijls de 
boven als 1. gekenschetste woorden. Doch niet deze houden 't midden 
tusschen k. en l.p., dat zijn de s. woorden. 

De Lp., s. en 1. woorden duiden alle op een meer dan gewoon 
beleefd spreken. Omgekeerd kan men ook zeer grof zijn, bv. als 
men boos is, iemand uitscheldt of zijn minachting wil toonen. De 
dan gebezigde, aan dien toon eigen woorden heeten kasar pisan 
(k.p.) en beoogen dus 't tegenovergestelde der l.p., s. en 1. woorden. 
De meeste dezer k.p. woorden zijn bepaald scheldwoorden. De 
woordenlijst is in dit opzicht zeer onvolledig. 



't LëMës IN 't soendaasch. 391 



n. 



De schat aan vervangwoorden (d. z. alle die woorden welke voor 
kasarwoorden van gelijke beteekeiiis in de plaats knoneu worden 
gesteld , dus Lp. , 1. , s. en k.p. bij elkaar) is niet groot en 't aantal 
vervangwoorden van verschillende kasarwoorden zeer ongelijk. Weinig 
begrippen hebben de gansche serie k.p. — k. — 1. — s. — l.p. Er 
zijn woorden waarvan een k. en een 1. bestaan; anderen hebben 
daarnaasit nog een l.p. enz. Allerlei kombinaties zijn mogelijk. Maar 
in verband met wat boven gezegd werd over 't meestsprekende van 
l.p. woorden en hun betrekkelijke talrijkheid, is 't duidelijk dat 
't meest voorkomt een woord dat in kasar en lëmês wordt gebezigd 
— en naar Javaansch voorbeeld k.L (kasar-lëmës) kan worden ge- 
noemd — met een l.p. ernevens. 

Evenals in 't Javaansch waaraan de meeste zijn ontleend , kunnen 
de vervangwoorden 1® geheel andere woorden zijn dan 't k. 
woord of 2® vervormingen, zoodat men van een lëmës vorm 
van een woord kan spreken. Op 't eerste gezicht lijkt 't of men bij 
dat ontleenen aan *t Javaansch ter voorziening in de behoefte aan 
vervangwoorden (vormen) zeer willekeurig is te werk gegaan. Echter 
ligt 't tijdperk waarin 't Javaansch grooten invloed kon uitoefenen 
op 't Soendaasch, reeds geruimen tijd achter ons. De waardeering 
van woorden wordt in verloop van tijd lager, de begeerte steeds 
fraaier te spreken , drukt de woorden omlaag, bv. van KN tot Ng. 
In 't algemeen kan men dus wel zeggen dat in den tijd toen 't meest 
Javaansche woorden in 't Soendaasch werden overgenomen om den 
schat aan vervangwoorden te verrijken, deze tot een gelijke of 
hoogere taaisoort behoorden dan in 't hedendaagsch Javaansch. Er 
zijn echter enkele woorden die in 't Javaansch tot een hoogere 
taaisoort behooren dan in 't Soendaasch. 

Tegenwoordig is de invloed door 't Javaansch op 't Soendaasch 
uitgeoefend zeer gering, zelfs hernemen echt-Soendasche woorden 
en afleidingen hun rechten op de door een vroeger geslacht ge- 
bruikte Javaansche. De verder-ontwikkeling van 't lëmës steunt uu 
niet langer op die der taaisoorten in 't Javaansch, zij is eigen 
banen ingeslagen. 

't Blijve aan bevoegden overgelaten na te gaan hoe vroeger 
't overnemen van vervangwoorden uit 't Javaansch is geschied. Ook 
ligt 't buiten mijn vermogen uit te maken in hoeverre van over- 
nemen mag gesproken worden. In 't onderstaande wordt alleen naast 



392 ^T LëMës IN 't sobndaascu. 

elkaar gesteld de plaats die een woord inneemt in H hedendaagsch 
Javaansch en H hedendaagsch Soendaasch. 

Javaansche KB&iia woorden of vormen vindt men in H Soendaasch 

Kr. » 1. terug gewoonlijk als l, maar ook als l.p. Zoo komen de jav. kx. 

woorden Iepen of lëlepen, istëri, sëpoeh, tilar, goe- 

moedjëng, sadereq, rasoeqqan, alle zonder K.L, kalpika 

Kr. = Lp. voor ring daargelaten, overeen met de soeno. l.p. woorden lel epen 

'^ — ring, istëri of estëri — vrouwelijk,^ vronw, sëpoeh — 

oud (van jaren) , tilar — achterblijven , goemoedjëng — lachen 

(ook geluidloos), saderek — broer of zuster,' verwante, rak- 

80 e kan — baadje, jas. — Jav. Kr. sërat — brief (zonder K.I.) 

is in Soend. l.p. maar ook 1., sindjang is met gewijzigde betee- 

kenis l.p. v. samping — saroeng, man ah is in 't Soendaasch zeer 

hoog l.p. — hart, gemoed, hooger dan galih; oeninga dat in 

sommige streken 1. is, wordt gewoonlijk als l.p. — weten, kennen 

Kr. = k. gebruikt. — jav. kk. e n g ë t is daarentegen in soend. k. i n g ë t 

— in herinnering hebben, indachtig zijn. jav. kb. woelan is 
soEND. K. boelan — maand; ook toempak koeda — te paard 

Kr. = 8. is in sosND. K. — JAV. KE. sirah is in soend. s. sirah — hoofd. 

De JAV. K.I. woorden die ook in 't soendaasch gebruikt worden, 
K.L = Lp. zijn gewoonlijk l.p., ook wel s. , wat te begrijpen is. Voorbeelden 
K.I. = 8. van dit laatste zijn: Sare — Soend. sar e, s. van slapen, da har 

— Soend. dahar, s. van eten. — jav. k.i. mij os is echter in 't 
K.I. = L soendaasch slechts l. — uitgaan, vertrekken, op weg gaan. Pri- 
K.L = k.L b a d i is K.L. , in 1. dikwijls door pribados vervangen (zelf) , ook 

K.I. pi^dah — verhuizen is in soend. k.l. 
Lp. =Kr.jj'g Als L.P. doen dienst, behalve woorden die in 't Javaansch K.L 
Lp!=Kn!" ^^ ^* ^y^» 2®®' vele K.N. woorden : njandak (tjandak) — grijpen, 
opnemen; ngawajoeh (wajoeh) — meer dan één vrouw hebben, 
een &^", 3^®, 4^® vrouw nemen; koreng — zweer, uitslag; 
langse — Soend. lalangse, gordijn, draperie; wëlas — mede- 
lijdend, deernis hebben; kiwa — links; tëngën — rechts; 
kawalon — stief (kind bv.); pilëg — verkouden; pangkon — 
schoot; ngalamar (lamar) — aanzoek doen om de hand van een 
meisje; asih — liefhebben; ampëg — asthma, aamborstig; 
sëdëp — behagen hebben in, lusten, behagen wekkend ; soegih 

— rijk; woedël — Soend. oedël, navel; kaloeron — een 
miskraam hebben; ngadëg — recht overeind staan (gezegd van 
de lichaamshouding; in algemeenen zin k.1.); loengsoer — 



^T LëMëS IN ^T S0XNDAA80H. 803 

afdalen, afstijgen; soesoer — tabakspruim (ook 1.); ngalih — 
verhuizen, van plaats veranderen; lat ar — voor- en zij-erf; 
go e ga h — opstaan, ontwaken. 

Veelal is \ jav. k.n. gelijk aan ^t sosndaschi l.p., ofschoon er een 
K.I. woord bestaat. Bv. Poe toe — kleinkind; tëkën — Soend. 
t ë t é k ë n , wandelstok ; ngamboeng — kussen, ruiken, opsnuiven ; 
nangis — weenen ; karingët — zweet, zweeten ; oembël — 
snot; lambe -^ lip; ra mbo et — hoofdhaar; afleidingen van 
tangan , op zichzelf in H Soendaasch niet gebruikelijk, nanganan — 
slaan en panangan — hand ; b a n t a 1 (Tjiandjoer) — hoofdkussen. 

De vertalingen betreffen de Soendasche woorden. Ook k. n. in H 
JAVAANSCH en L.P. in 't Sokndaasch, maar met afwijkende beteekenis 
zijn: Jav. Tangkëpau of Tangkëban, wat op elkaar sluit — 
Soend . Tangkëpan, (speciaal) kopj e en schoteltj e ; Java k ë m b ê u, 
borstdoek — Soend. këkëmbeu, slendang; Jav. lëmar, offer 
waarin sirih is — Soend. ngalëmar, sirih kauwen; Jav. mëpër, 
stomp maken. — Soend. ''^mëpër, tanden vijlen; Jav. sa oer, mon* 
deling antwoord — Soend. njaoer, spreken, zeggen en roepen, 
ontbieden; Jav. tandang, in de weer komen (om te helpen) — 
Soend. pitandang, hulp; Jav. Këtjër, vocht dat men door per- 
sing uit laat druppelen — Soend. Këtjër, oogdruppel; Jav. toe- 
doeng, soort zonnehoed en oogklep — Soend. toedoeng, zonnehoed. 

Zelfs zijn er woorden, in 't javaansoh ngoko, in 't soindaasoh l. p., l.p. = Ng. 
bv. e 1 i u g — in herinnering hebben , indachtig zijn ; w a r ë g — ver- 
zadigd, zad; lali — vergeten ; m o e 1 i h — naar huis gaan ; an om — 
jong (van jaren), ook 1; nganggo — zich kleeden, gekleed, ook 1. 

Gelijk gezegd, zijn de soendasohx l. woorden voor 't grootste deel 1. = Kr. j?» 
in 't JAVAANSCH KB. , een enkel k. i. ; men vindt er ook k. n. woorden { 'Z. ^n * ' 
onder: Koeping — oor; sosi — sleutel; nanging — maar, doch; 
enggal, — snel, spoedig; njimpën — plaatsen, bergen; sanggëm 

— op zich nemen; wangkid — grens; wangi — geurige welrie- 
kend; Jav. nonton — Soend. nongton, toeschouwen; bodjo — 
echtgenoote (in 't Soend. uitsluitend van de vrouw gezegd) ; parëk 

— dichtbij; nëmbe — pas, eerst; sangoe — leeftocht; nalika 

— tijdens (verleden tijd) ; t a b o e h — klokke. . . . 

Soend. doengkap of dongkap is 1. van datang — gekomen; 
srangenge wordt wel eens als 1. van panonpowe — zon(licht) 
gebruikt; voor njaho — weten, kennen zegt men in 1. têraug; 
in Tj^^^^j^®' is noeroet 1. v. ngiring — volgen. 



394 ^T LëMës IN 't soendaasch. 

1. = Ng. Ook komen wel jav. ng. woorden met soend. l. woorden overeen: 

Woewoeh — vermeerderen; poeugkoer — achter; sëpi — ledig; 
w ê n g i — nacht ; Jav. leren — Soend. li r en, ophouden, uitscheiden ; 
abot — zwaar; liron in werkwoordsvormen als ngaliron (keun) 

— ruilen en verwisselen; Jav. sa si — Soend. sasih, maand; in 
Tjiandjoer wëroeh — weten, kennen; een enkel maal mar ga in 
plaats van margi met gewijzigde beteekenis, beide in Soend. 1. van 
s a w a b — reden , om reden dat. Toenggang koeda — te paard 
is in Soend. ook L 

Jav. K.N. koentji is in sosnb. slechts k. — sleutel. 

8. = Kr. jsH SëDëNG woorden, welke in 'tJavaausch kb. of k.i. zijn, werden 

g* 3 ^j^ reeds vermeld. Jav. k.n. saoer — mondeling antwoord, is in 
Soend. s. als zelfst. nw. gebruikt: zeggen (saoema). k.n. sënëng 
is in Soend. s. van beuki-lusten (ook van rësëp — behagen vinden 

8. = Ng. iïi?) — Jav. NG. ngroengoe is soend. s. ngaroengoe — hooren. 

Ook zijn er woorden in 't javaansch k. d. , die in 't soendaasch 

KD. = 1. algemeen gangbaar zijn als 1. of 1. p. ; l, zijn : fio e p i — (verschijn ings) 
vorm; këmpël — bijeen, vergaderd; na mi — naam; wantoeu — 
durven ; bentën — verschil, verschillen ; midangët — hooren; taros 

— gw. van vragen, informeereu; paos — lang in sapapaosna 1. van 
sapapandjangna — al den tijd; 't gebruik van paos alleen is zeldzamer; 
Soend. përtjados = Jav. pratjados of prëtjados — gelooven, zou 
men lëmës doesoen kunnen noemen, evenals man anten — Jav. 
K.D. minaniën — misschien, wellicht, welke beide vormen men plaat- 
selijk hoort (resp. Soekapoera en Tjiandjoer), doch vooralsnog afgekeurd 

KD. = lp. worden. Als l. p. wordt gebruikt Jav. k, d. pad j ëng — zonnescherm, 
KD. = 8. oedëng — hoofddoek, waos — tand; als sêDëNG, sëpah — oud 
van jaren. 

Ontleening aan 't Javaansch van vervangwoorden kan ook door 
den leek worden vastgesteld waar samentrekking van klinkers heeft 
plaats gehad, bv. wanneer 't suffix an met den eindklinker van 't 
stamwoord is samengetrokken, wat in 't Soendaasch niet geschiedt. 
Woorden als kaloeron, kawalon, mangkon, liron, ngimpen 
enz. zijn Javaansch, al hebben zij weder als stam gediend om 
werkwoordsvormen van te maken : ngalironkeun enz. — Zoo is ook 
karëp Javaansch; 't Soend. zou luiden ka-arëp. Een overeenkomst 
van een Kr. met een l.(l.p.)woord , terwijl 't 1® een vervorming is 
van een Ng. woord en in 't Soendaasch 't kasar een geheel ander 
woord, maakt een ontleend zijn waarschijnlijk. En zoo is er meer. 
Uoch dat alles is hier minder op zijn plaats. Alleen zij nog de 



't LëMés IN 't sosndaasch. 895 

aandacht gevestigd op die woorden die in 't Soendaasch tot een 
verkeerden stam worden teruggebracht, bv. mijos tot pijos, 
mëdal tot pëdal, moelih tot poelih, namboet tot tamboet 
en die das zeker ovei^enomeu zijn. 

Wat betreft de 1. woorden die een vervorming zijn van 
k. woorden, hierbij valt tweeërlei te onderscheiden: 1. verandering 
van klinker en 2. verandering van nitgang. De op de 
eerste wijze gevormde woorden kunnen in een aantal kategoriëen 
worden verdeeld : 

a. Verandering van a in de laatste lettergreep in iy wanneer 't 
woord op a(ah) uitgaat: oepama, oepami — indien; atawa, 
oetawi (= 't meer gebruikelijke atanapi) — of; oetama. oetami, 
— voortreffelijk; tjoba, tjobi — gw. van beproeven; roepa, 
roepi — (verschijnings) vorm; djaga, djagi — gw. van waken; 
tampa, tampi — gw. van ontvangen; moega, moegi — moge; 
(ka) djaba, (ka)djawi — uitgezonderd; prajoga, prajogi — 
passend; warna, warni — kleur (wami is ook 1. v. roepa); 
djêlëma of djalma, djalmi (zelden) — mensch. 

Verscheidene zulke Ki. vormen worden in 't Soendaasch in 1. 
gebruikt, terwijl 't k. een geheel ander woord is, bv. lami 1. van 
lila — lang, tijdsduur; margi 1. van (koe) sawab — reden, om 
reden dat; sami 1. van saroewa — gelijk en van pada — ge- 
lijkelijk, allen; nami 1. van ngaran — naam; manawi 1. van 
soegan en palangsijang — misschien, wellicht; noe mawi is 
1. van uoe ma tak — de reden dat, dat is de reden. 

Voor zoover mij bekend , komen niet voor in 't Javaansch : 
mani 1. van mana — een tusschenwerpsel , nadruk leggende op 't 
volgende woord, als nja, doch met verbazing; tambih 1. van 
tambah — toegenomen, vermeerderd; bawi 1. van bawa in 
bawiraos 1. van bawarasa — gevoelen, meening, oordeel ; sajagi 
1. van sajaga — zonder dat er iets aan hapert; wargi 1. p. I van 
warga (koelawarga) — verwante. Haksami is 1. vergiffenis ; 't 
Jav. wb. noemt een K. W. haksama, in Soend. onbekend. 

b. Verandering van oe in de laatste lettergreep in a , wanneer de 
voorlaatste lettergreep een ë heeft : tëpoeng, tëpang — te samen 
getroffen , elkaar ontmoeten ; sëboet, sëbat — gw. van uitspreken, 
vermelden. Niet in 't Jav.: tëroes, tëras — doorgaande, door- 
gaan; rëmpoeg, rëmpag — eens van zin, "t eens zijn. 



896 't LëMës IN 't soendaasgh. 

Vau sëpoeh Lp. — oud van jaren wordteen së p ah s. gemaakt. 
Als in 't Jav, is etang 1. van itoeng — gw. van rekenen. 

e. Verandering van oe in de voorlaatste lettergreep in ^, wanneer 
de laatste lettei^reep een a heeft, bv. soerat, sërat (1. enlp.) — 
brief; roeksak, rësak — bedorven, vernield; sësah 1. van soesah 
is, meen ik, in 't Jav. een onbekende vorm. 

d. Verandering van oe in de laatste en voorlaatste lettergreep 
beide in ^: koempoel, këmpël — vergaderd, bijeen; soe- 
woeng, sëwëng — ledig; poengkoer, pëngkër — achter, 
kan hier ook toe gerekend worden, daar pëngkër als sierlijker dan 
poengkoer beschouwd wordt. 

e, Veranderiog van oe in de laatste lettergreep, wanneer ook de 
voorlaatste een oe heeft, in a, terwijl de 0« der voorlaatste lettergreep 
in l verandert: loepoet, lëpat — mis; tjoekoep, tjëkap — 
ruim voldoende, welgesteld ; koedoe, këdah — moeten; moenggoeh 
(zelden, gewoonlijk ari), mënggah — wat betreft. 

Ook lënggah is op dezelfde wijze gevormd van loenggoeh. 
In 't Soend. wijken de beteekenissen echter uiteen. 

ƒ. Verandering van o e in de voorlaatste lettergreep in i , wanneer 
de laatste lettergreep een a heeft: loembrah, limbrah — ge- 
woon, algemeen; moerah, mirah — goedkoop; boengah, 
bingah — blijde, verheugd; koerang, kirang — te min zijn, 
afgenomen , ontbreken ; koewat, kijat — sterk , krachtig , met 
weerstandsvermogen; toelad, til ad — gw. van een voorbeeld , dat 
men zich gesteld heeft, navolgen. 

Miwah wordt in {brieven wel gebruikt, moewah is in Soend. 
onbekend. 

Andere klinkerverandering kent men in 't Soendaasch niet. De 
hiervermelde 1. vormingen komen overeen met Jav. (Kj. + ^l' 
Zelfs de meeste zoo gevormde 1. woorden bestaan ook in 't Jav.; 
alleen onder a, b en c komen speci^ek-Soend. woorden voor, ^ 
aantal is slechts bij a van eenige beteekenis. Moge dus de 1. vorming 
door klinkerverandering al niet oorspronkelijk Soendaasch zijn, die 
weinige door den Soendanees zelfstandig gemaakte 1. woorden toonen 
toch dat 'tgeen den Javaan als verfraaiing in de ooren klinkt, ook 



't liëMës IN 't soendaasoh. 397 

op den Soendanees dien indruk maakt. Mede uit andere verschijnselen 
is de waardeering der klinkers te benaderen. Open o en e klinken 
'*t grofst, eu en oe minder, ë en i 't fijnst. Ten aanzien van ê zou 
men dat opmaken uit woorden als sësah, in 't Jav. onbekend, këm pël 
en sëwëng, in 't Jav. slechts KD. ; dat i als fijne klank geliefd is, 
blijkt nog hieruit, dat men de 1. woorden dongkap en tjëkap 
nog mooier tracht te maken door te zeggen dongkip en tjëkip. 
Oorspronkelijk eigen aan Tjiandjoer, de groote fabriek van nieuwe 
maaksels, verbreiden deze woorden zich meer en meer. Misschien 
kunnen er nog wel eenige aan worden toegevoegd. Van sëmoe 
wordt wel een sëmi gemaakt. 

Later zal nader besproken worden, hoe men met 't gebruik van 
vervangwoorden zeer vrij te werk gaat en ook in 1. vaak k. woorden 
bezigt waarvan 1." woorden bestaan. Tot de woorden die men echter 
't gereedelijkst vervangt, lémës sprekende, behooren die met open 
o tn e als: boga, njaho, hese, hees. Dit is evenwel geen wet van 
Meden en Perzen, hojong is l.p. v. hajang. 

De 2* wijze van lëmësvorming geschiedt door verande- 
ring van den uitgang: 

a. Verandering van den uitgang in 'ntën: kira, kintên — naar 
gissing ; hampoera , hampoe^/^ — vergiffenis ; 

sor^ , sontën — avond ; 

karaf^a , karan^^ — want (zelden gebruikt) : 

htda , be^^ — verschil , verschillen ; 

m&Ji&ntên wordt plaatselijk gezegd (Tjiandjoer) in plaats van 
mtLUhwi 1. V. soegan, palangsijang = 't weinig gebruikte md^ua,toa 
— misschien, wellicht. 

Speciaal Soendaasch zijn : njawa, nja«^ (plaatselijk) — vermoeden; 
soemawonna, soemawo»^ — hoeveel te meer; 

saniskara , saniska»^^ — al , alles , wat bij elkaar hoort. 

sinaW, sinhntën in sisinarieun, sisinantëneun — hoogst zelden, 
met lange tusschenpoozen ; 

soepa/a , soepa»^ (naast soepados) — opdat ; 

a^a, 2Mtèn (plaatselijk) — er is, er zijn, (aanwezig) zijn; 

përtja^a, përtjaw^^ — gelooven; 

oepama , oepa»^^ (naast oepami) — indien ; 

badam, badan/^ — beraadslagen. 

De Kr. vormen dintënen kantënan worden gebruikt als 1. 
van powe — dag en poegoeh — zeker, gewis. 



398 't LëMës IN 't sobndaasch. 

b. Verandering van den uitgang in os, dos en jos: hart», har^ 
— beteekeois, zin , begrip ; at^-ati , ato^-atos — wakker, op zijn hoede 
zijn; pati, pat(?«, zeer, bizonder; gant»', gênt^« of gantos — 't geen 
voor iets anders in de plaats komt. 

dangda», dangdo« — gereed, uitgerust; 

prihatm , prihato^ — leed ; bat»» , hditoê (zelden) — 't inwendige ; 

kawatff (hawatir), hawat^f (ka watos) — beducht, beduchtheid wekkend ; 

wa(;a (batja), waö* — gw. van lezen; 

waspa^, waspaof — helder, helder uitzicht hebbende; 

tjari^, tjATios — verhaal; 

ra*a, tüos — smaak, gevoel (ook l.p.)i gevoelen (subst) ; 

arf;», BLM — gw. van den Koran lezen (l.p.); 

soepa/a, soepado^ (naast soepantén) — opdat; 

përtja/a, përtjaé/ia^ (Soekapoera), dit heeft echter geen burgerrecht. 

Bakt^^ komt een enkel maal voor als 1. van bakt» — huldeblijk; 
boepat^ als 1. van bopat» (of boepati), ook zelden gebruikt — 
Regent; jaktö* is 1. van jakt»='t veel meer gebruikelijke ënja — 
waar, werkelijk; wart^?^, Kr. in de 2® macht van wart»-warta, is 
1. van bed ja — bericht, terwijl warta weinig gebruikt wordt ;ant^ 
(Kr. van ant») is 1. gw. van dago , gw. van wachten , anti is onbe- 
kend ; panga^ (Kr. van panga^'») is overgegaan als 1. van harga — 
waarde , prijs ; ka^ (Kr. van ka/a is 1. van tjara — zooals , op de 
manier van (in vragende zinnen); s.rtos is 1. van doewit — geld, 
waarvoor wel eens arta gezegd wordt, artos wordt door 't Jav. 
wb. en Walbehm-Taalsoorten in 't Jav. niet opgegeven ; wao* is l.p. 
van hoentoe — tand, w&dfa is onbekend. 

tarö* (KD. van tar») is 1. gw. van tanja — gw. van vragen, 
informeeren, tar» is onbekend. 

't Soendaasch kent bovendien nog: 

sapërt», sapërtö* — zooals, bijvoorbeeld; pribad», pribado^ — zelf; 

kawflw, kao* — 't schijnt wel alsof; 

tangt^^, tangto^ — zeker, bepaald; 

permis», përmi^o* — vergunning ; 

pariA*a, pari/ö* — gw. van onderzoeken; 

c. Verandering van den uitgang in 'ntoen: 
wa^» , wAnioen — durven ; 

kirm, Isintoen — gw. van zenden; 

kar» == 't meer gebruikelijke tinggal, k^ntoen — achterblijven, 
overblijven. 



't LëMës IN 't soenbaasoh. 899 

baie^a, hsnioen — gw. van brengen; dit laatste is in 't Javaansch 
onbekend. 

d, Yerandering van den uitgang in él of il: oeni, oeng^l — 
geluid, luid (v.e. brief); 

tsnggoen^y ianggël — gw. van instaan voor; 
roeg^/, 1. V. roeg» is specifiek-Soendaasch. Gampa«^, gampiY — 
gemakkelijk. 

e. Verandering van den uitgang in wis: 

antara, antatt^i^ — tusschenruimte ; (sa) watara, (sa) watatt?» — 
ongeveer; pêrkara (prakara, palakara), përkau?» (prakawis) — zaak; 
katara, katait^M — zichtbaar, te zien, merkbaar. 

Tiktois is I. en lp. van tanda — teeken (tara onbekend), SAois is 
1. van tjaran^ — zelden, zeldzaam. 

ƒ. Verandering van den uitgang in djëng: 

hoeroe ^ hoed;ënff — gw. van najagen, nastreven; 

ar^, iidjéng in ngarëp-ngarëp , ngadjëng-ngadjëng — al maar 
hopen ; 

^9djoe^ fSidfêfiff — gw. van voorwaarts gaan; 

pa;o«, -psid/ënff — gewild, goed van de hand gaande; 

^joeng , ^ddjhig Lp. — zonnescherm ; 

waloe;a, -w'ilotdjéng — welvarend; dit laatste is echter gewoonlijk 
l.p. van salamët of tjageur. 

\Adjéng is 1. van toeloej — vervolgens, zijn weg vervolgen; 
Isdjoe is zeldzaam ; goemoe^'^^ is l.p. van seuri — lachen, goemoe;^^ 
of goejoe zijn onbekend. 

ff. Verandering van den uitgang in 'm b ë n g : 
Y^kmg^ ^hmbëng — gw. van over dwars liggen (staan). 

A. Verandering van den uitgang in bën en ën : aA?^, Abën — gw. 
van zich of iets met elkaar meten, wedden, dobbelen; skoe^ angk^ 
— gw. van erkennen, bekennen. 

Be hier gegeven 1. vormen staan niet altijd precies gelijk met de 
k. grondvormen. Zij worden dikwijls ook gebruikt als 1. bij andere 
woorden. Zie de Woordenlijst. 

Ik heb me in 't bovenstaande beperkt tot de vermelding van 



400 "'t LëMëS JX \ S0ENDAA8CH. 

die Kr. vormingen waarvan ook ^t Soendaasch representanten heeft, 
terwijl daar tevens de grondvormen in gebruik zijn als k. \ Javaansch 
kent er echter nog verscheidene meer. Vele zulke Kir. vormen hebben 
hun weg gevonden naar ^t Soendaasch als 1. (of Lp.) bij geheel 
andere k. woorden. Voor den Soeudanees staan zulke Kr. vormen 
gelijk met 1. woorden, die geen vervormingen van k. origineelen 
zijn; zij zijn daarom bij de lëmësvormingen niet opgenomen. 

^t Aantal specifiek-Soendasche 1. vormen is bij deze £^® wijze van 
lêmës vorming betrekkelijk groot. Zij schijnt meer in den smaak te 
vallen dan de 1. vorming door verandering van klinker ; in "'t bizonder 
de uitgang ^ntën is geliefd. 

Als een 3^^ wijze van 1. vorming zou nog genoemd kunnen 
worden, verandering van den aanvangs-aksara ba in sa: baréng — 
^orëng ' — tegelijkertijd; iangët — sangét — zeer, beide ook Jav. 
en H voorvoegsel ra, waarmee l.p. woorden gevormd zijn : raka, rai. 

Zonderling is de l.p. vorm angkeng van tjangkeng — len- 
denen. Afkapping is anders de gewone wijze van sneller te spreken, 
daar samentrekken ab in ^t Javaansch niet plaats heeft. 

Een ander geval dat, zoover mij bekend, op zichzelf staat, is dat 
ngimpen l.p. is van ngimpi — droomenl 

Opmerking verdienen nog de volgende woorden : 
Tamparaos k, tampiraos 1 — niet aangenaam aangedaan, waarbij 
^t k. woord half k. half 1. is. Daarentegen zegt men bawarasa, 
bawiraos — meening, gevoelen. 

Nikah en kawin zijn beide vreemde woorden, ^t eerste is 
l.p. (soms 1.) van 't tweede. 

Ningal en ningali worden in dezelfde beteekenis gebruikt, 
"'t eerste als 1, 't tweede als l.p. van nendjo — zien. 

Ninggal — achterlaten is k.1. ; in de overdrachtelijke beteekenis 
//sterven" s. ; hier verandert dus met de beteekenis de waarde van 
't woord. 

Salse is 't eenige, mij bekende 1. woord, aan 't Maleisch ontleend. 

Ngawitan is 1. van mimiti — beginnen. 

Yan eigennamen bestaan in 't Soendaasch geen 1. vormen of woorden. 

Ten aanzien van de vervangwoorden, die geheel zelfstandige woorden 
zijn, kan men in de Woordenlijst zien dat de meeste ook in 't 
Javaansch voorkomen. De speciaal aan 't Soendaasch eigene vormen 
een minderheid en zijn hoofdzakelijk l.p. woorden 



't LëMës IN 't soendaasch. 401 

« 

De oeinpak basa zijn ui de Woordenlijst niet opgenomen, 
"'t Ib mogelijk dat er eeuige zijn die bij Lp. woorden behooren, ze 
zijn me niet bekend. Wil men, lêmês sprekende, een oempak basa 
vervangen, dan zegt men ladjëng of iets dergelijks, doch noodig 
is dat ui et. 

Een oempak basa dient om den overgang tot een nieuwen toestand 
aan te duiden en komt dus meer te pas in verbalenden trant — 
waar de tyrannie van 't lëmës weinig gevoeld wordt — dan in 
gesprekken. 

Wil men den overgang tot zekeren toestand aangeven, dan wordt 
de oempak basa geplaatst v6or 't werkwoord dat dien toestand 
aanduidt; en in zoo'n geval lijkt 't in de vertaling alsof 't werk- 
woord de beweging aangaf: njëkël, vasthouden, këk njëkêl, 
vast gaan houden, vastgrijpen. Men kan volstaan met de oempak 
basa zonder meer. In den imperatief is zij niet noodig. Secundair 
wordt 't toestand aangevend werkwoord ook wel gebruikt om den 
overgang aan te duiden, als de bedoeling uit 't zinsverband 
duidelijk blijkt : datang — gekomen , maar staat men bv. naar iemand 
uit te kijken en hij komt in 't gezicht , dan kan men roepen : 

//Datang!" — Hij komt!" 

Geplaatst vóór een werkwoord dat een beweging weergeeft, als 
njokot, indit verandert de oembak basa aan de beteekenis niets, 
maar accentueert die alleen sterker. Ook hier kan de oempak basa 
alleen worden gebruikt. 

III. 

Bij de vaststelling der beteekenis van de termen kasar, lëmës, 
lëmës pisan , sëdëug en kasar pisan werd 't eenvoudigste geval ge- 
nomen dat er alleen sprake was van spreker en aangesprokene. In 
een gesprek kunnen echter drie personen gemoeid zijn: spreker, 
aangesprokene en derde persoon. Er zijn allerlei kombinaties mogelijk 
van de plaats die deze drie personen ten opzichte van elkaar innemen 
en daarmee van de woorden welke men gebruiken moet. 

Voor een enkel woord moge dat hier nader worden toegelicht. 
Slapen is molor k. p. , hees k, mondok 1, sare s, koelëm 
Lp. In de schematische voorstelling hieronder is door schuine lijnen 
aangeduid de stelling die de aan de uiteinden geplaatste personen 
ten opzichte van elkaar innemen , de aan 't boveneind geplaatste 
staat hooger, die aan 't benedeneind lager. Hoe schuiner de lijn, 

?• Volgr. V. 26 



402 



't LëMês IN 't soendaasch. 



hoe grooter de afstand. De appreciatie gaat natuurlijk uit van den 
spreker. 

S. = spreker; A. = aangesprokene; D. == derde persoon. 

I. Er wordt gesproken over H slapen van den spreker. 

A mondok 




A 


sare 


A 


hees 


A 


koelëm 



II. Er wordt gesproken van H slapen van den aangesprokene. 



j 




A koelëm 



A sare 



A 



hees 



A hees of molor (gewild grof) 



lU. Er wordt gesproken van 't slapen van den derden persoon. 

A koelëm (of sare) 

A koelëm 





A 


koelëm 


A 


koelëm 


A 


koelëm 


A 


moudol 


A 


koelëm 


A 


koelëm 


A 


koelëm 


A 


koelëm 



't LëMës IN 't soendaasch. 



403 




A mondok 



A 


saie 


A 


koelëm 


A 


koelëm 




A mondok 



A 



lieës 



A koelëm (of sare) 
A koelëm 




mondok 



A 
A 



hees 

hees 
hees 



Is er geen 1. , dan wordt 't k. woord ook voor 1. gebruikt (k.1.) ; 
is er geen s. , dan kan men wat omlaag gaan en 't k. gebruiken of 
wat omhoog naar 't Lp. , naar omstandigheden. 

De verhoudingen kunnen nog weer wat anders zijn, maar met 
behulp van 't bovenstaande zal men voor nog subtieler onderscheiden 
't juiste woord wel kunnen bepalen. In twijfelachtige gevallen neemt 
de Soendanees wel zijn toevlucht tot neutrale woorden. Weifelt men 
bv. tusschen //djoeragan anoe tatjan datang// en // — tatjan soem- 
ping//, dan kan men zeggen //tatjan aja//. 

Uit de schema's is ook op te maken dat wanneer bv. een magang 
spreekt over slapen van den distriktsschrijver tegen den Wadana 
als mondok, hij tot dien schrijver zelf dat slapen koelëm zal 
noemen. Zoo kan de taal die spreker tot den aangesprokene bezigt , 
verandering ondergaan door de komst van een derde, omdat spreker 



404 't LëMës IN 't soexdaasgh. 

tusscheii beide onderscheiden moet. Is er bv. tusschen spreker en 
aangesprokene (A.) een verhouding als a k a n g tot r a i. Nu komt 
een derde (6.) op 't tooneel, die onder den rai staat iu rang of 
leeftijd. Den spreker staan nu 2 wegen open : Tot den nieuweling 
ook rai te zeggen (zichzelf dus akang te noemen), maar dan moet 
hij A promoveeren tot bv. gamparan en daarmee in verband 
zichzelf tegeu A. niet langer akang, maar bv. koer ing, of hij 
kan voor A. de oude betiteling behouden , maar dan B. een mindere 
geven en dien bv. noemen po et ra, zichzelf dus m a m a n g (rama). 
Welk van beide wegen hij inslaat , hangt af van den afstand tusschen 
hem, A. en vooral B. Is die laatste groot, dan kan hij poetra 
zeggen; acht hij dat te aanmatigend, dan kiest hij den eersten 
weg. Door de nieuwe verhouding welke tusschen hen drieën is 
geschapen, wordt ook de woordenkeus anders. Noemt spreker B. 
rai' en dus A. bv. gamparan en gaat B. een oogenblik later 
heen, dan kan spreker A. weer als rai betitelen en zijn woorden- 
keus daarnaar wijzigen. 

De bedoeling met s. woorden is altijd fijne nuanceeringen te 
maken. In de volkstaal worden ze dan ook weinig gebruikt. Zeziju 
vrijwel beperkt tot 't verkeer onder de hoogere klassen, die altijd 
gekuischter spreken en dan worden ze vooral gebruikt tegen en van 
minderen, tusschen welke en den spreker de afstand niet groot is. 
Tot of van boven ons staanden zijn ze minder gepast. Ze wijzen op 
een vriendelijke, welwillende houding. Een Regent bv. tot zijn Patih 
zegt : '/Eugkang Patih I dek sare didijeu bae." Hij had ook hees of 
koelëm kunnen gebruiken; 't eerste zou getuigen van te groote on- 
geneerdheid, dus weinig achting voor den Patih, met 't laatste zon 
hij den Patih veel te ver beneden zich stellen. 

De in de Woordenlijst als k.p. opgegeven woorden zijn dat teu 
opzichte van den meusch. Vele ervan zijn gewoon k. of k.1., wan- 
neer zij betrekking hebben op dieren. In dat geval is de regel dat 
er geen vervangwoorden van zijn. Toch hoort men wel bv. van 't 
eten van een paard in lëmës nëda zeggen, al wordt daardoor de 
taal geweld aangedaan. Velen keuren dit af; niettemin is te ver- 
wachten dat woorden als nëda en m a o t van dieren gebruikt meer 
en meer zich zullen indringeu. Dat men van dierlijke handelingen 
Lp. woorden zou gebruiken, laat zich moeilijk denken. Want zelfs 
wie zich tot zulke byzantinismen wilde laten vervoeren , zou in 
strijd komen met zichzelve en den verheven eigenaar van zoon dier 
feitelijk te kort doen. Wel bestaan erl.p. woorden van dier namen, 



't LëMës IN 't soendaasgh. 405 

doch dat is iets anders. Men eert daarmee niet 't dier, doch slechts 
den eigenaar op dezelfde wijze als men bv. voor zijn kleedingstuk- 
ken Lp. woorden gebruikt. Poentang is Lp. van koe toe — luis, 
iiL een luis op 't lichaam van een Lp. persoon ( = een persoon die 
voor Lp. in aanmerking komt). Titihan is Lp. van koeda — paard, 
eig. rijdier. De benaming titihan is juist, zoolang 't dier rijdier van 
den Lp. persoon is. Een knol is dus ook t i t i h a n indien en zoolang 
hij door een Lp. persoon wordt bereden, net als bv. een spons, die 
't gelaat van een aanzienlijke bestrijkt, kasaj is om 't volgend 
oogenblik over 't gelaat van zijn knecht gaande roeroe te heeten. 
Als in de Woordenlijst plaats aanduidende woorden als 
Lp. zijn vermeld, wil dat zeggen dat men ze gebruiken moet om 
de plaats ten opzichte van een Lp. persoon aan te geven. Bv. Zijde 
van 't lichaam van een aanzienlijke is ge d eng. Loopt men ter zijde 
van hem, dan is dat gedengeun, vóór hem, pa j oen e un, voor- 
aan in een stoet gevolgd door den Lp. persoon, tipajoen; wijst 
men hem op 't landschap, zeggende bv. //links is de rivier," dan 
is dat beulah kiwa, ti kiwa (dus links van U) enz. 

De 1. vorm heeft dezelfde beteekenis als de k. grondvorm. Bij 
de vefvangwoorden — niet vervormingen is dat niet altijd 't geval. 
Ook de 1. vormen zoodra ze bij andere dan de eigen k. woorden 
worden gebruikt — wat nogal eens voorkomt — kunnen hiertoe 
gerekend worden. Dikwijls heeft 't Lp. of 1. woord slechts ongeveer 
dezelfde beteekenis als 't k. woord, bv. ningali Lp. (zien) van 
laladjo — toeschouwen; moendoet Lp. (eig. eischen) van menta — 
verzoeken. Soms zijn 't woorden met andere beteekenis waaraan , 
als vervangwoord gebruikt, een engere of gewijzigde beteekenis 
wordt gegeven , ongeveer gelijk aan 't k. woord dat ze t. z. t. 
vervangen. Bv. ngeser k.1. is op zijde gaan, ook: op zijde doen 
gaan; ngeser Lp. is bepaaldelijk: verstooten van een vrouw. 
Emban is kindermeid van een aanzienlijke. Ngëmban feitelijk: 
als kindermeid fungeeren , is Lp. van n g a i s — op de heup dragen 
(en dan 't kind van een aanzienlijke). Ngarendengankeun — 
eig. een naast elkaar zittend paar doen zijn, is Lp. van nga w in- 
keu n — in den echt verbinden, uithuwelijken. M on dok (van 
pondok kl. — tijdelijke woning, nachtverblijf) is 1. van hees — slapen. 
Ook is wel een afleiding, samenstelling of grammatikale vorm van 
een k. woord in gebruik als Lp. of 1. van een ander k. woord 
waarvan 't de beteekenis omschrijft of euphemistisch uitdrukt. Bv. 



406 't LêMës IN 't soendaasch. 

Kahampangan (van hampaiig k. — licht) eu kabeuratan (v. 
beurat k. — zwaar) Lp. van kiih en ugising, eig. ontlicbt en 
outzwaard. Ngadoewit (van doéwit k. — geld) is 1. van m e u I i. 
Uit 't bovenstaande verklaart zich ook, dat eenzelfde woord l.p. 
of 1. van verschillende kasarwoordeu kan zijn. Bv. Njandak l.p. 
van njokot — grijpen is ook in gebruik als l.p. van mawa — 
raedenemen, van njëkël — vasthouden, van njabak — aanvatten, 
betasten. Dawoeh en timbalan kan naar omstandigheden een- 
voudig een gezegde, een bericht, een mededeeling, een bevel of een 
oordeel zijn, altijd van een aanzienlijke. Een zelfde woord kan zelfs 
soms I., soms l.p. zijn, bv. lëbët 1. van djëro — binnen; in de 
speciale beteekenis van Regents woning, eig. binnen de omheining 
daarvan, is 't l.p. 

't Komt voor dat er voor één begrip twee l.p. woorden zijn 
waarvan bf 't eene als sierlijker , mooier wordt beschouwd dan 't 
andere M hooger is, dus alleen van zeer aanzienlijken gezegd wordt. 
Hoe aanzienlijker de persoon tot wien men spreekt, hoe sierlijker 
ook de taal wordt gemaakt; 't is soms moeilijk te beslissen wel fee 
gedachte bij 't gebruik van zoo'n bijzonder l.p. woord voorz-W'. 
sierlijkheid of meerdere verheffing. Bv. Ngadahoepkeuu \s 
stad huis woord voor nikahkeun, maparin is zeker hooger c^5au 
masih, maar rawoeh en soempiug, oeninga en ting ^=aU 
zijn niet zoo gemakkelijk in te^deelen, enz. Denkbaar isookeei^^t 
eu 1. vorm (woord) van een l.p. woord; dit is 't geval met n^^ga- 
deuheus — doemeuheus resp. k. en 1. van '/zijn opwachtuz^ing 
maken/', op zichzelf een l.p. woord. — Van een k. en 1. sëdëng wc^^ord 
is misschien een voorbeeld: ngareungeu s. k. — ngaroen^^oe 
s. 1. — hooren. Ik hoorde nl. eens een adellijken magang vragen ^lafl 
een bejaarden, welgestelden , burgerlijken hadji: Hebt Ge 't gehoc^jrf.^ 
Mang, kareungeu?, waarop de hadji antwoordde: "Ngaro «fl- 
goei" (Ja), 't Was van den magivng zeer gepast, den ouden msn 
met eenige onderscheiding te bejegenen en deze, zich te hoogachtecrfe 
om //ngoeping// te zeggen , was ook van zijn kant beleefd door ï 
sëdëngwoord in zijn lëmës vorm te bezigen. Misschien is ookpëtjil 
1. van se uwen k, beide sëdëng. 

Evenals bij l.p. woorden , komt 't hij 1. woorden voor dat er twee 
zijn met geen ander verschil dan dat 't eene voor sierlijker door- 
gaat dan 't andere, b.v. midangët mooier dan ngoeping, beide 
1. van hooren. 



'ï LëMës IN 't soendaasgh. 407 

Naast bestaande k.1. woorden komt soms een nieuwe 1. vorm of 
woord in gebruik waarvan dan 't te verwachten einde is dat 't k.1. 
woord tot k. zal worden gedegradeerd. £en ander gevolg van de 
verfijning bij 't lëmës spreken is dat een Lp. woord ook als 1. wordt 
gebruikt, als er geen ander vervangwoord bij de hand is. B.v. 
san go e is Lp. van kedjo — bereide rijst. Maar ook zal men 
hooren: //Abdi teu gadoeh sangoe di rorompokl// ; evenzoo pa j oen 
Lp. en 1. van hareup — v6or, njërat Lp. en 1. van n o el is — 
schrijven, na wis Lp. en 1. van nanda — teekenen e. a. 't Schijnt 
me toe dat dit gebruik zich uitbreidt. 

Beleefdheid wordt met beleefdheid beantwoord. Stel dat spreker 
tot den aangesprokene spreekt op een wijze alsof deze iets boven 
hem staat. De aangesprokene zal dan niet antwoorden alsof de 
eerste spreker even veel beneden hem staat, maar hij zal van zich- 
zelf iets nederiger zijn en den thans-aangesprokene iets hooger 
stellen, en men kan dus uit 't antwoord van iemand, vooral van 
een hoogere, opmaken of hij vindt dat jegens hem de juiste toon 
werd aangeslagen. Voor den lagere brengt de beleefdheid mede, 
liever in zijn nederigen toon te volharden en niet te toon en dat 
de hoogere hem c.q. kwetst , doch ook hier geldt : Een goed ver- 
staander heeft maar een half woord noodig, en de taal is buigzaam 
genoeg om dit zeer kiesch te verstaan te geven. 

Men gaat — er werd boven reeds op gewezen — bij 't gebruik 
van vervangwoorden zeer vrij te werk. Allen . — van den hoogste 
tot den laagste — maken zich telkens en telkens , in woord en geschrift , 
schuldig aan 't verkeerd gebruiken van vervangwoorden. Men hoort 
iemand tegen een zelfden persoon in een zelfde gesprek dan eens 
't k. woord, dan eens 't 1. woord gebruiken, van woorden op 
personen betrekking hebbende even goed als bij onzijdige, zelfs 
in plaats van een Lp. een k. (k.l.) en toch geeft 't geheel een zeer 
bepaalden indruk. De Soendanees weet bij intuitie den juisten toon 
aan te slaan en de hoorder gevoelt wel of de spreker die nu en 
dan /s^boga</ zegt in plaats van //gadoeh/', met opzet dat doet of 
uit onnauwkeurigheid. Geringe lieden hoort men zelfs wel tegen 
hoofden Lp. woorden van zichzelf gebruiken. Een koeli die op een 
vraag van den Wadana of hij een mes bezit, antwoordt; '/Soe- 
moehoen hënteu, abdi teu kagoengani// begaat een groote blunder 
en spreekt kasar (in uitgebreiden zin), wat men echter in zoo'n 
geval liever vergoelijkend doesoen — dorpsch , onwetend , noemt of 



408 't LCMës IN 't soendaascu. 

tjohag — ougemanierd , wat niet wegueemt dat men hem op 
zijn fout zal wijzen. 

Men kan in *t algemeen zeggen dat ^t gebruik van samengestelde 
of afgeleide vervangwoorden nog minder vast is dan van enkel- 
voudige. Hoe minder alledaagsch een samengesteld woord of afleiding 
is , hoe zeldzamer 't daarbij behoorende vervangwoord wordt gebruikt. 
Dat is de conclusie die men geneigd is uit ^tgeen men hoort te 
trekken, met dit voorbehoud dat ze slechts benaderend is. 

In de Woordenlijst zijn slechts vermeld de grondwoorden of een 
enkele grammatikale vorm. Waar echter van een kasarwoord en zijn 
vervangwoorden afleidingen of samenstellingen zijn gevormd op 
verschillende wijze of wanneer van zeker k. woord één afleiding 
k. is , een andere l.p. enz. , kortom als er afwijkingen zijn , zijn ook 
wel afleidingen en samenstellingen opgenomen. Volledig is 't echter 
zeker niet. Bv. Ouder itoeng zal men behalve ngitoeng k. 
ngetang 1. nog vinden itoengan k. = pa etangau 1., omdat 
de afleidingen niet dezelfde zijn. Yan gw. goeling is goegoeling 
k.1. — rolkussen (l.p. pëpëdëk), pagoelingan daarentegen l.p. — 
slaapvertrek (k.1. ënggon), beide zijn daarom vermeld. Doel oer 
is k.1., doeloer ipe echter 1. enz. 

Op bladzijde 387 is gezegd , dat l.p. woorden o. a. kunnen weergeven 
ten 1" handelingen door een l.p. persoon verricht, maar ook 
ten 2* handelingen door anderen ten opzichte van hem. Vaneen 
zelfde werkwoord kan dus zoon 1® en 2' l.p. bestaan. Bij 't 1« l.p. 
is dan 't subjekt de aanzienlijke, bij 't 2* l.p. 't objekt. 

In 't algemeen is, in de Woordenlijst, bij de indeeling van 
woorden , uitgegaan van 't subjekt. Waar dit bij l.p. woorden niet 
't geval is, is vóór 't woord een kruisje geplaatst. Bij intransitieve 
werkwoord'ïn is 't l.p. bf 't een ht 't ander, b.v. I*' l.p. geubis — 
vallen, 2*^ l.p. ^ngadeuheus — zijn opwachting maken. In ^t laatste 
geval bestaat uitteraard geen k. 

Maar bij transitieve werkwoorden wordt een betrekking geboren 
tusschen dengene die de handeling verricht en een ander persoen, 
hier zijn dus 2 l.p. woorden mogelijk Br. van geven is 't 1" Lp. 
ma pari n (De Begent geeft aan zijn bediende), 't S* * ha toer of 
■^ngahatoeran (De ondergeschikte geeft aan den Begent). Vaak 
kan men dit verschil tusschen 1* en 2® l.p. ook in de vertaling weer- 
geven, bv. van geven: verleenen en aanbieden. Ook is soms uit de 
beteekenis van eén grondwoord reeds op te maken of men met een 



't LëMës IN 't soendaasch. 409 

1* of 2* Lp. te doen heeft, bv. bij afleidingen van hatoer,sangga 
en soehoen. Niet altijd is er van een transitief werkwoord waar- 
van een 2* Lp. bestaat, ook een 1% bv. *maras — scheren, * m e u- 
senl — masseeren, ^ngaloewat — begraven. 'tLijdend voor- 
werp is hier de hoofdzaak; degene die de handeling verricht, treedt 
op den achtergrond. 

Tengevolge van de beteekenis van den grammatikalen vorm, kan 
de onderlinge waardij van op een zelfde wijze gevormde afleidin- 
gen een andere zijn dan die der grondwoorden. Dat gelieve men 
bij raadpleging der Woordenlijst waar zooveel mogelijk alleen grond- 
woorden zijn vermeld , in aanmerking te nemen. Bv. Geneesmiddel is 
o eb ar k.1. land on g Lp. Landong gebruikt een aanzienlijke. Wie 
hem dat toedient, een bediende bv. , verricht dus de handeling 
*ngalandongan. Geeft die bediende bv. olie, dan isdat^nga- 
landongkeun minjak. Omgekeerd zal de aanzienlijke , zijn bediende 
medicijn gevende , ngoebaran, even goed als een mede bediende. 
— Kam is sis ir k.l. pameres Lp. De bediende gebruikt voor zich 
een s i s i r, de meester een pameres. Iemand (be) kammen is njisiran 
k.l. '^meresan Lp. ''^Meresan doet de aanzienlijke alleen , als hij 
zichzelf kamt; stel dat hij een ander kamde, dan zou dat zijn 
njisiran. Doch de bediende, zijn meester kammende : ^meresan, 
zichzelf : njisiran. Kenn als causatief suffix bewerkt een zelfde om- 
draaiing: Kangdjëng Dalem oen in ga (weet), maar ''higoeningakeun 
ka kd. Dalem — (aan den Begent doen weten). Bij de plaats aan- 
wijzende Lp. woorden is 't juist omgekeerd: Tani aja gedengeun 
radja, maar radja ngagedengkeun tani — de vorst doet den land- 
man naast zich zitten. 

Toeroepen als: Welkom, als 't U belieft, 't is goed! e. d. kan men 
natuurlijk niet van zichzelf bezigen. Worden zulke woorden of 
uitdrukkingen in de Woordenlijst opgegeven als k., s., of Lp., dan 
wil dat dus zeggen dat men ze bezigt, als men iemand in kasar 
toespreekt of lëmës, in welk laatste geval de toeroepen als slaande 
op den aangesprokene 6f s. 6f Lp. zullen zijn. 

Wat de voornaamwoorden betreft, maken de aan wijzende, 
betrekkelijke, vragende en onbepaalde geen onderscheid 
tusschen kasar en lëmês pisan. 

De bezittelijke zijn gelijk aan de persoonlijke , achter 't bepaalde 
woord geplaatst, bovendien voor de 3" persoon nog na. Ditzelfde 



410 'ï LCMës IN 't soenbaasch. 

na komt te pas om van sommige persoonlijke voornaamwoorden der 
2^ persoon , persoonlijke voornaamwoorden van de 3® persoon te maken. 

Zooals te verwachten was is bij de p e r s o o n 1 ij k e voornaam- 
woorden de verscheidenheid zeer groot. Met deze toch worden de 
verhoudingen tusschen verschillende personen zeer scherp gepreciseerd. 
Men zou haast zeggen, voor 't gevoel van den Soendanees te scherp, 
want zeer dikwijls worden pers. vrnw.u. vermeden en omschrijvingen 
ervoor in de plaats gesteld. Dit alles, ook 't gebruik van elk vmw. 
in 't bizonder, uitvoerig uit een te zetten, blijve overgelaten aan 
de wetenschap. 

Hier wordt slechts, volledigheidshalve, een korte opsomming gegeven: 

Enkelvoud. 

1® Persoon: Aing — tot zichzelf sprekende, tot anderen zeer 
uit de hoogte. 

Kami — deftig , uit de hoogte. 

De wek — ruw, naar omstandigheden gemeenzaam of grof. 

O er au g — welwillend, uit de hoogte. 

Koela, kaoela, djasadkaoela — stijf, tot gelijken of iets 
minderen. 

Koer ing, dj i sim koe ring — bescheiden. 

Abdi, djisimabdi — zeer nederig , nog onderdaniger te maken 
met andere woorden en verlengstukkeu (abdi gamparan, abdi dampal 
gamparan, abdi dalem enz.). 

2" Persoon: Si ja — zeer uit de hoogte, maar iu 't gebruik 
minder beperkt dan //aing//. 

S i 1 a i n g — welwillend , uit de hoogte. 

Ilaiug — 't zelfde , maar vriendelijker. 

Maneh — vormelijk, uit de hoogte. 

A n d i k a — met eenige onderscheiding. 

Sampejan — beleefd. 

Adjëngan — eerbiedig, op niet te grooten afstand. 

Andjeun — zeer eerbiedig, maar koud. 

Djoeragan — tot meerderen , gemoedelijk. 

Oamparan — zeer eerbiedig, veronderstelt milde gevoelens. 
Onderdaniger te maken door verlenging (dampal, dalem enz.) op 
de manier als abdi. 

3° Persoon : 't Minst gebruikt. 

Maneh na — vormelijk, uit de hoogte. 

Manehannana — vormelijk, uit de hoogte. 

Andjeunna — zeer eerbiedig, algemeen van l.p. personen. 



't LëMës IN 't soendaasch. 411 

Meervoud. 

1" Persoon: Oerang sluit deu aangesprokene in, niet gepast tot 
meerderen. Verder: koela, koering, abdi en samenstellingen. 

2® Persoon : Als in 't enkelvoud. Bij sommige is meervoudsvor- 
ming mogelijk, doch niet noodzakelijk door invoeging van al of 
ar: Silalaing, ilalaing, maraneh, arandjeun (arandika?) 

3* Persoon : 't Gebruik van den meervoudsvorm is hier regel : 
maranehannana , arandjeunna. 

't Reflexief voornaamwoord is maneh, voor Lp. personen 
audjeun en kan alleen voor de 2® en 3° persoon gebruikt worden. 
In alle personen kan men zeggen awak of gewoonlijk en minder 
^of diri, van l.p. personen sa lira, al of niet gevolgd door 
"'t bezitt^lijk voornaamwoord (in de 3* persoon na). Awak k.1. , salira 
l.p. zijn de dagelijksche woorden voor lichaam. 

In gesprekken worden de voornaamwoorden zeer dikwijls ver- 
vangen door woorden die familiebetrekkingen aanduiden. Onder 
verwanten is dit regel, maar ook onder niet-verwanten bestaat 
"'t gebruik ; 't maakt 't gesprek minder stijf. 

Wat familie-leden betreft, zullen gewoonlijk de woorden worden 
gebruikt die de werkelijke familie-verhouding aangeven. Is de ver- 
wantschap minder nauw, dan wordt vaak een algemeener woord 
bv. doeloer k.1. s a d e r e k l.p. gebruikt of een woord dat een minder 
verwijderden graad van bloedverwantschap aangeeft (kakang). 

Onder niet-verwanten spreekt men elkaar als familie-leden aan, 
indien men elkaar reeds kent en in dezelfde maatschappelijke sfeer 
leeft, dus menaks tegen menaks, santana's tegen santana's enz. De 
leeftijd en de positie beslissen dan, welke ideëele bloedverwantschap 
men schept. De meest voorkomende verhoudingen zijn, in dit geval: 
vader tot zoon (voor grooten afstand), oudere tot jongere broer 
(voor kleineren afstand). Loopen de leeftijden veel uiteen en is de 
verhouding vader tot zoon te veel uit de hoogte, dan heet de 
oudste ook wel ëmang in plaats van akang. 

Hoe hooger men gesteld is, hoe vrijmoediger men vreemden als 
familie-leden kan aanspreken. Lieden uit 't volk kan men zoo aan- 
spreken als : Paman of Bibi , Aki of Nini, Bapa of Indoeng. 't Is 
vriendelijk, maar altijd uit de hoogte. Aki (Nini) zegt men tegen 
zeer oude menschen, Bapa (Indoeng) tegen jongere, Paman (Bibi) 
is meer onderscheidend. 



WOORDENLIJST. 



414 



't LëMës IN 't sobndaasch. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan 
k. p. 


Kasar 
k. 


A. 










Abdi 

Abdi-abdi 

Abën 

Aboes 

Abot 

Adëgi 

Adi 


! 
1. 

g. w. 

k. 
1. 

g. w. 
LI. 


Pers. en biz. vnw. 1* pers., zie Inleiding 
Zie Djëlëma lentik 
Zie Adoe 
Zie Asoep 
Zie Beurat 
Zie Tangtoeng 
Zie aanteekening bij Padjik 






Adibeuteung 


k.1. 




• 




Adjal 

Adjang 

Adjëng 

Adjëngan 

Adji 


s. en 1. 
k. 
g. w. 

g. w. 


Zie Paeh en aanteekening 
Zelden gebruikt. Zie Eukeur 
Zie Arëp 
Pers. en biz. vnw. £* pers., zie Inleiding 


1 




Adji 
Adjrih 


k. 
k.1. 


Zelden gebruikt. Zie Harga 
Zie ook Sijeun, aanteekening 






Adoe 


g. w. 




i 


Adoe 


• 








Ngadoe 


Adol 

Agëm 

Agëm 

Agëng 

Aing 

Ais 

Aja 


g. w. 
1. p. 
g. w. 
l.eul. p. 

g.w. 

k.1. 


Zie Ewe 

Zie Sëgoet 

Zelden gebruikt. Zie Pake 
Zie Gëde en aanteekening 
Pers. en biz. vnw. 1* pers., zie Inleiding 
Pangais patoewangan, zie Adi- 
beuteung 
Teu aja 1., zie Euweuh 




! 

1 

1 

1 

1 

1 


Aki 


k.1. 




ft 


1 
1 


Akoe 


g.w. 


Ngangkën vooral in den zin van 
bekennen 






Akoean 
Ali 


k.1. 
k.1. 









^ Adég beteekent staan, opgericht zijn en is, evenals de afleidingen k.1. Sleohts in de s 



't LëMës IN 't SOENDAASCH. 



415 



iD 



KasarLëméa 
k. 1. 



Lémés 
L 



Sëdêng 

8. 



Lêmês pisan 
1. p. 



Vertaling. 



bdi 



Adi 



teuDg Adibenteung 



r 

r 

ran 



Ngadji 



Ngais 

Aja 

Aki 

Aki-aki 

Ngakoe 



Akoean 
Ali 



Doeloer 
ipe 



Abën 
Ngabën 



Anten 
(Buiienzorg) 

Ngangkën 



Bai, ookBaji 

en Jaji 

Pangais pa- 

toewangan 



Ngaos 



^Ngëmban 



Ejang 



Sareseh 
Leiepen of 
Tjingtjin 



Dienaar 
Kleine luiden 

In — , Binnengaan 
Zwaar 

Jongere broer of zuster 

Ten opzichte v. d. man de 
adi zijner vrouw, t. o. v. d. 
vrouw de adi haars mans 

Dood, gestorven 

Voor, om te, ten behoeve van 



Den Koran lezen , ook wel : 
— leereu lezen 

Waarde, prijs 

Beschroomd , met ontzag 
vervuld 

Kamp- Wed- (in samen- 
stellingen) 

Zich of iets met elkaar 
meten , wedden , dobbelen 

Kranig v. voorkomen 

Groot, omvangrijk 

In een doek op de heup 
dragen 

Er is, er zijn, aanwezig 
zijn 

Grootvader 

Grootvader zijn, zeer oud zijn 

Erkennen (als). Bekennen, 
Bechten laten gelden op. 
Hartelijk zijn. Zich gast- 
vrij betoonen 

Gastvrij, voorkomend 

Vingerring 



is: recht overeind staan (lichaamshouding) is ngadég Lp. 



416 



't LëMës IN 't soendaasgh. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Alim 
Alih 
Aloes 
Ambëk 



Ambeu 
Amboeng 

Ambrih 

Ainëng(aii) 

Ampëg 

Ampih 
Anak 

Andika 



Andjang 
Andjeun(na) 



Au dj eau 
Angën 



Anggël 



Anggeus 

Aiiggo 

Angkat 

Angkat 

Aogkat 

Augkat 

Angkat 

Angkën 

Angkeng 

Angkeut 

Angloeh 



1. 

g. w. 
k. (k. 1.) 
k.1. 



g. w. 
g. w. 

g. w. 
1. p. 
1. p. 

g. w. 

k.1. 



g. w. 



1. p. 
k.1. 



k.1. 



k. 

g. w. 
1. p. 
1. p. 
1. p. 
1. p. 



Zie Teu daek onder Daek 
Zie Findah 

Rëdjag manah wordt alleen ge- 
zegd vtfu een opkomenden toorn 
en sprekende v. d. derde persoon 

Zie Ambeu en Tjijoem. Pa- 

ugamboeng, zie Iroeng 
Zie Arah 
Zie Oelin 
Zie Mëngi 



Sa-anak-rabi , zie sarerea, onder 

rea 
Pers. en biz. vnw. 2* persoon. 

Zie luleiding. Pangandika , zie 

Heueuh II 
Tjalik is ook wel 1. p., maar dan 

miuder hoog dan Linggih 
Pers. en biz. vnw. 2* (3*) persoon, 

zie luleiding 

Reflexief vnw., zie Maneh en Inleiding 



1. 


p- 


g' 


w. 


1. 


p- 


1. 


p- • 


1 g' 


w. 



Zie Geus 

Zie Daugdau, Pake en Rësëp 

Zie Andjang 

Zie Ijang 

Zie ludit 

Zie Saba 

Zie Leumpang 

Zie Akoe 

Zie Tj angkeng 

Zie Gado 

Zie Gering en Rasa 



Aloes 



Ngampih 



't LëHës IN 't sokndaasch. 



417 



ORD 


Kasar Lëmês 
k. 1. 


Lemes 

1. 


Sëdéng 

8. 


Lèraés pisan 
1. p. 


Vertaling. 


i 










Niet willen 


s 




Sae 






Mooi, fraai 


^ëk 


Ambëk 






Bëndoe of 
Be'djag 
manah 


Boos, vertoornd; toorn 


leu 


Ngambeu 






Ngamboeng 


Euiken (transitief) 


oeng 












irih 












ng(an) 










Spelen (zich vermaken) 


)ég 










Aamborstigheid , aambor- 
stig zijn 


)ïh 




Njimpën 






Bergen, bewaren 


i 


Anak 




Seuweu of 
Pëtjil 


Poetra 


Kind (familiebetrekking) 


ika 












jang 


Ngandjang' 




Tjalik 


Angkat(ka), 
Linggih 


Even aangaan, een kort 
bezoek brengen 


ean(na) 






• 




Zelf. 


eun 












in 


Angën 






Manah 


Onderborst, beneden dada 
ter plaatse der onderste 
ribben 


fêl 


Anggël 






Kadjang 
mastaka 
Bantal 


Hoofdkussen 






# 




(Tjiandjoer) 


^eas 








• 


Gereed, klaar, voleindigd 


:at 










Even aangaan 


^t 










Op weg gaan 


Lat 










Vertrekken 


Lat 


• 








Er op uit gaan of zijn, 
ronddolen 


siat 










Loopen 


cën 












ceng 








Lendenen , Heup 


ceat 










Kin 


oeh I 


, 




r 






Volgr. V 


• 








27 



418 



't LêHéS IN 't sobndaasoh. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar piBan 

k.p. 


Kasar 


Anom 


1. en 1. p. 


Zie Ngora 






Autara 


k. 


Zelden gebruikt. Zie Heulent 




Antara 


Autara 


k. 


't K. zelden gebruikt. Zie Kira 




Antara 


Antawis 


1. 


Zie Heulent en Antara 






Antawis 


1. 


Zie Kira en Antara 






Anten 


l.(Boit6inorg 


Zie Aja \ 




Anteur 


g. w. 








Antos 


g. w. 


Zie Toenggoe en Dago 






Aos 


g. w. 


Zie Batja, Harga en Adji 






Arah 


g. w. 






Ngarah 
Ngarah 


Arek 


k. 


Zie Bek 






Arëp 


g. w. 


• 




Ngarëp-ni 


Ari 


k. 


- 




Ari 


Ari 


k. 


Vooral //ari'/ .vaak zinledig ge- 
bruikt aan H begin van een zin 
en dan ook wel in lêmës, onge- 
veer ons //Nou// of Fransch 
//or//. In de beteekenis //zoo- 
dra//, //toen// is ari k. 1. 




Ari, Dém 
Moenggo 
(zelden) 


Arot 


g. w. 


Zie Inoem 






Arta 


k. 


Zelden gebruikt. Zie Doewit 






Arti 


g. w. 


Zie ook Harti 




Ngarti 


Artos 


1. 


Zie Doewit 






Asal (Mal.) 


k. 


Zie Soepaja 






Asal 


k. 






Asal 


Asih 


Lp. 


Zie Njaah. Kakasih 1. p., zie^ 
Ngaran 






Asoeh 


g. w. 








Asoep 


k. 


» 

• 




Asoep of i 
Ka-asoep 



't LëMës IN 't SOENDAASCH. 



419 



BD 



Kasar Lemës 
k. 1. 



Lémês 
L 




Vertaling. 



I 

ris 
ris 



Nganteur 
Ngantearan 



Ngambrili 
Pambrih 



Karëp 



»fal.) 



Ngasoeh 



Antawis 
Antawis 



Ngadjëng- 
Dgadjëng 
(Kahajang) 

Oepami of 
Oepantën 

DoepijDopi, 
Mënggah 



Ngartos 



Awit of 
Poerwa 



Lëbët 
Ka-lëbët 



*Ngadjadjap 
^Moepoen- 
doetan 



Kërsa 



Jong (van jaren) 
Tnsschenruimte , met tus- 

schenruimte van 
Ongeveer 
Tusschenrnimte , met tns- 

schenruimte van 
Ongeveer 

Er is, er zijn, aanwezig zijn 
Begeleiden 
Spijzen brengen of zenden 

aan 



Beoogen 

Beoogende, met 't doel, 

opdat 
Willen, van plan zijn 

(zelfstandig gebruikt) 
Al wachtende hopen 

Wensch, verlangen 
Wanneer (voegwoord) Bij- 
aldien 
Wat betreft 





Geld 




Begrijpen 
Geld 




Als .... maar 




Oorsprong, oorsprong heb- 
ben, oorspronkelijk 
Liefhebben, gehecht zijn 




aan 


Ngatik 

Kagaleuh 
Ka-manah 


Verzorgen, zijn zorg (aan 

iets) wijden 
In- Binnengaan 
Aanvaard (verl. deelw.) 
Behagen aan , aanstaan , 


(hooger) 


bevallen aan 



420 



't LëMëS IN 't 80SNDAASGH. 



WOORD 

1 


Aan- 
duiding. ' 


Verwijzing of toelichting. 

• 


Kasar pisan Kan 
k. p. t 


Astaua 


k.1. 


Astaua meer in Oost-, Koeboeran 
meer in West-Prijangan 


Atauapi 


1- 


Zie Atawa 




Atawa 


k. 




Atawa 

1 


Ati 


k.1. 


Zie ook Hate 


1 


Ati-Ati 


g.w. 




' Ati-ati 


Atoh 


k. 




Atoh of B 


Atos-atos 


1. 


Zie Ati-ati 




Awak 


k.1. 


Zie ook Diri 


1 


Awërat 


1. 


Zie Beurat 


1 
1 


Awewe 


k.1. 


Zie Ewe 


i 


Awis 


1. 


Zie Tjarang 


1 


Awit 


1. 


Zie Asal 


1 


Awit 


g.w. 


Zie Mimiti en afleidingen 




Awitna 


1. 


Zie Mimiti en afleidingen 




Awon 


1. 


Zie Goreng 






H 




• 


i 


Babar 


1. p. 


Zie Bidjil 




Babar 


g.w. 


Zie Djoeroe 




Badami 


k.1. 


Badautën 1. is Tjiandjoersch, doch 
wordt ook elders gehoord. 


1 


Badau 


k.1. 


— Awak, zie aldaar 


r 


Badantên 


1. 


Zie Badami 


1 


Badarat 


k.1. 


Zie Darat 


' 


Bade 


1. 


Zie Eukeur 




Bade 


1. 


Zie B^k 


1 


Badega 


Lp. 


Zie Boedjaug 


1 

t 


Baderek 


1. p. 


Zie Eendeug 


1 


Badi 


g.w. 


Zie Pribadi 




Badjoe 


k.1. 








Bados 


g. w. 


Zie Pribadi 


1 


Bageja 


k. 






Bageja! 


Baham 


1. p. 


Zie Soengoet 






Bakal 


k. 


Zie Bek 







* Bageja is niet alleen een toeroep van gastheer tot gast, doch ook omgekeerd. Wann 
opening van *t gesprek, te vertalen met : „Gegroet!"of iets dergelijks. Men kan , Bageja" ook < 



't liëMës IN 't soendaasch. 



421 




Astana of 
Koeboeran 



Ati 



Awak of 
Badan 



Badami 



Badjoe 



Atanapi of 
Oetawi 



Atos-Atos 
Bingah 



Padjaratan Begraafplaats 



Of 
Of 



Salira 



Badantën 



Hart (van diereu); anders: 

gemoed, binnenste 
Oppassen voor , op zijn 

hoede zijn 
Blijde , verheugd 
I Oppassen voor, op zijn 
i hoede zijn 
Lichaam 

' Zwaar 

I Vrouw , vrouwelijk 

I Zelden , zeldzaam 

I Oorsprong, oorsprong heb- 

; ben, oorspronkelijk 

' 't Begin (er van) 
Leelijk, slecht 



Geboren worden 

Beraadslagen 

Lichaam 

Beraadslagen 

Te voet gaan 

Voor, ten behoeve van 

Futurum vormer; willen 

Bediende, dienaar 

Zij aan zij zijn 



B^ksoekan Baadje, jas 

^Hatoeran ! Welkom ! ' Wees gegroet ! 

Mond 

Futurum vormer: willen. 
— Ook v(5(5r substantieven 
(= pi — eun) 

liten komende bij zijn aankomst roept: „Bageja! (Hatoeran)", is de beteekenis zoowat een 
voorden rangschikken, daar 't gebruik altijd een zekere mate van onderscheiding te kennen geeft. 



422 



't LëMëS IN 'ï SOENDAASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pi san 
k. p. 



EasK 



Bakti 

Baktos (z«lden) 
Balës 

Balësan 



Balik 



Baudjat 

Bangët 
Bautal 

(Tjiandjoer) 
Bantoen 
Bapa 
Ba ra ja 



Barëng 
Bareto 



Baris 



Basa 



Basasontën 
Batin 

Ba tja 

Batjot 

Batoek 

Batoer 

Batos 



k.1. 
1. 
g. w. 

k. 



k. 



k. 
k. 

1. p. 
g. w. 
k.1. 
k.1. 



k. 
k. 



k. 



k. 



/ 



1. 
k.1. 

g. w. 

k. p. 

k.1. 

1. 

1. 



Zie Bakti 



Vrg. Poelang 

Zie Handjat 

Zie Auggél 
Zie Bawa 



Zie Eukeur 

Basa bareto — nalika kapoengkoer 
Basa iraha ? (v. h. verleden spre- 
kende), nooit Basa ajeuna enz. 
Faribasa, zie aldaar. 

Zie Sore 



't Lêmës //maos// luidt in \ passief 

di-(ka-)aos. 
Zie Soengoet 

Zie Boedjang. — In de beteekenis 

V. //makker, kameraad /j^ k.1. 
Weinig gebruikt. Zie Batin 



^ Ngabalés 
Balësan 

Balik 



Bangët 



Barëng 
Bareto 



Basa 



Matja 



^ In de algemeene beteekenis „gekeerd, gewend'' is balik k. L Evenzoo malik-- 



't Lëiiés IN 't soendaasch. 



423 



)OBD 

1 


Kasar Lëmes 
k. 1. 


Lëmès 
l. 


Sëdëng 

8. 


Lêmés pisan 
l. p. 

1 


Vertaling. 


• 

tl 


Bakti 


Baktos(MM«D) 


1 


Eerbiedige hulde 


tos(iiMii) 











Eerbiedige hulde 


s 




Ngawang- 
soel 




Ngawalon 


Antwoorden, beantwoorden 
(een brief) 


san 




Wangsoelan 

• 




Walonan , 
Walëran 
(zeer hoog) 


Antwoord 


t 




Wangsoel 


• 


Moelih 


Teruggegaan, naar huis ge- 
gaan, naar huis gaan, 
terugkeeren 


Ijat 










Overgaan (v. lager naar 
hooger), aan land gaan 


5«t 




Sangët 






Zeer 


Uu Tjr 






1 


Hoofdkussen 


toen 












ft 


Bapa 






Barna 


Vader 


ija 


Baiaja, war- 






Wargi of 


Verwante, familielid; ver- 




ga en koela- 






(zelden) 


wante of familielid zijn 




warga (beide 






Koelawargi 






laatste zel- 




• 


^ 






den) 


• 




, 


5ng 




Sarëng 






Tegelijkertijd 


3tO 




Kapoeng- 
koer of 






Vroeger 




. 


kapëngkër 


1 








(mooier) 






is 










Voor, ten behoeve van, 
om te 


ft 


1 

1 


Nalika 






Tijdens (v. d. verleden tijd 
sprekende) 


Montén 










's Avonds 


in 


Batin 


Batos (on- 






Inwendig 






gewoon) 


1 

1 




j» 




Maos 




Ngaos 


Lezen 


jot 










Mond, smoel 


oek 


Batoek 






Gohgoj ' Hoesten , hoest 


oer 










Bediende 


os 










Inwendig 



1 (intr.) en malikkeun of ngabalikkeun — wenden, keeren, omdraaien (tr.)- 



424 



't LëMës IN ^T SOSNDAASOH. 



WOORD 




Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Bawa 

Bawarasa 

Bawiraos 

Beak 

Bebedja 

Bëbël 

Beda 

Bêdag 

Bed ja 



Bëkèl 



Bëndoe 

Bënër 

Bentën 

Bëntet 

Bere 



Beres 



Bërkah 

Bërkah 

Bërsih 
Beuheung 



g. w. 

k. 
1. 
k. 
k. 

k. p. 
k. 

g. w. 
k. 



k. 



1. p. 
k. 
1. 

k. p. 
g. w. 



k.1. 



k.1. 



k. 



g. w. 
k.1. 



Zie Rasa 
Zie Rasa 

Zie Bedja 
Zie Sirit 

Zie Oedag 



Zie Ambëk 

Zie Beda 

Zie Seubeuh 

Hoewel //masih, masihau^ feitelijk 
beteekent //geven van hoogere 
tot lagere// (waarbij de afstand 
niet groot is in tegenstelling met 
//maparin// waarbij de gever veel 
hooger staat), wordt ^t ook als 1. 
van Mere gebruikt. 

■'^'Oendjoek kan alleen gezegd wor- 
den van 't aanbieden eener mede- 
deeling, beleefd keunis geven. 

■'^'Meresan 1. p. eu Pameres 1. p., 
zie Sisir 



Zie Soenat 

't L. p. woord alleen van menschen 
in gebruik. 



Mawa 



Beak 

Beda 

Bedja 

Bebedja 

Ngabêdja 

Ngabedjaan 



Ngabedjaken: 
Bêkêl 



Bënër 



Bërkah I of £ 



^ Bërkah — zegen, voorspoed, doa — gebed, pangestoe — toegenegenheid, hibar — gunst, cegen J 
Lp. uitdrukkingen worden natuurlijk 't langst uitgerekt: pangestoe (hibar) gamparan , — kaiig<ij€ 
sèdéng-uitdrukking is aangemerkt, (hoewel 't daar naar de eigenlijke betéekenis behoort) omdai 
(bv. zijn bedienden) gebruikt wordt. Vrg. de noot bij Bageja! 



't LëMëS IN 't soendaasgh. 



425 



ID 


Kasar Lèmès 
k.1. 


Lémës 
1. 


Sëdéng 
s. 


Lëmë8 pisan i Vertalins. 

1. p. 






Ngabantoen 


1 

Njaudak Bij zich hebbeu , raede- 






! brengen, medenemen 


isa 




: 


Oordeel, gevoelen, meening 


os 








Oordeel, gevoelen, meening 






Seëp of seët 


Op, verbruikt 


a 






Ëenig bericht geveu, zenden 










Penis 




• 


Bentëu 




Verschillen, verschil 




Tjarijos of 




1 
1 

' Bericht 




Wartos 




1 
j 






Njarijos 


£euig bericht geven, zenden 






Njarijos 


1 Berichten 






Ngawartos- 


Berichten aan 






an, Nja- 








rijosan (nldei) 


I 






Njarijoskeuni 


Iets mededeelen 






Sangoe 




Sangoe Leeftocht 


e 


Mëkëlan 


Lërës 




■'^Njaosan of Van leeftocht voorzien 
■'^Njangoean 

; Vertoornd , boos ; toom 
Juist (niet verkeerd) 


i 




* 


• 


Verschillen, verschil 


f 






1 1 Zat, verzadigd 




Mere 


Masih, 

gewoonlijk 

masihan 




Masih , ; Geven , (verleenen , aan- 
gewoonlijk bieden) 
masihan 
Maparin 
(zeer hoog) ' 
■'^Hatoer of j 
■'^Oendjoek j 




Pamere 

1 






Pasihan , Gift 
Paparin 




- 






(hooger) 




Beres 






'In orde, geregeld, opge- 
ruimd 


k 


Bèrkah of 




1 Zegen 


h 


Hibar(Bioier) 






1 

■ 

■'^Pangestoe! Eeu dankbetuiging ' 

of ■'^Hibar ! 

1 


lung 


Benheung 






Tënggëk 


Hals 



9 oitdrokkingen van zinnen, die te vertalen zijn met: „Door Uw gunst, voorbede enz.!" De 
'en zoo iB Bërkah djoeragan, -rai enz. beleefder dan „Bèrkah" zonder meer, dat niet als 
igelijksch leven zeer ïb verzwakt en zelfs tegen lieden, tegen welke men kasar spreekt 



426 



't LëMëS IN ^T SOKNDAASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 




Kasar 
k. 



Beuki 
Beuli 

Beulitan 
Beunang 



Beungeut 



Beunghar 
Beurang 



Beurat 



Beuteung 



Bidjil 
Bidjü 

Bijang 
Bijasa 



Bikeuu 



Bilih 



k.L 
g. w. 

1. p. 
'k. 



k.1. 



k.1. 
k. 



k. 



k.1. 



k.1. 
k. 

1. 
1. 



g. w. 



1. 



Zie Saboek 



/srGeus beuraug// kan beteekenen: 
't Is al dagl en 't Is al laat 
op den dag. Parantos sijang ook, 
doch in de laatste beteekenis, 
zegt men dan gewoonlijk //Pa- 
rantos sijang teuing/sf. 

Kabeuratan 1. p. , zie Ising 



Zie Indoeng 

Plaatselijk. Zie Bisa — ^Bijasa k. 1. 

beteekent: gewoon, gewoonte, 

de gewoonte zijn. 
Omtrent //Masihkeun// 1. en 1. p. , 

zie noot bij Bere. 



Zie Bisi 



Meuli 

Beunang 
Meunang 



Beurang 



Beurat 



BidjU 



^T IiêMës IN ^T SOENDAASCH. 



427 



ORD 



Kasar Lémës 
k. I. 




Lémès pisan 
1. p. 



Vertaling. 



« , 



Cl 
1 

itaa 
lang 



ighar 
■ang 



rat 



teang 



lil 
ing 

\SSL 



eun 



Beuki 



Lgeut ' Beungeut 



Sibeungeut 



Beunghar 



Beuteung 



Bidjil 



Mikenn 



Meser of 
Ngadoewit 

KengiDg 

Kenging 



Sëuëng 



Kaja 
Sijang 



Abot of 
Awërat 



Kaloewar 
Mëdal (ook 
wel : 1. p.) 



Masihkeun 



Sëdëp 
Ngagaleuh 



Baraj of 
Fameuiiteu 
(Tjiandjoer) 
Ditamas of 
Ditjipeuuteu 
(Tjiandjoer) ' 
Soegih 



Padaha- 
rau 



Lusten 
Koopeu 

Gordel, buikband 

Verkregen, gekregen, ge- 
lukken 

Verkrijgen , winnen , ge- 
oorloofd zijn, durende 

Gelaat 



Zich H gelaat wasschen 



Eijk 

Dag zijn (in tegenstelling 

met nacht zijn) Laat op 

den dag 



Patoewa- 

ngan of 

Lamboet 

(Tjiandjoer) 

Babar 



Zwaar 
Buik 



Masihkeun 

of Maparin- 

keuu(hooger) 

■'^Ngahatoer-i 

keun of | 

^Njangga- i 

keun I 



Naar buiten 
Geboren worden 

Moeder 
Kunnen 



Geven , overgeven , over- 
dragen , (schenken, aan- 
bieden) 



Voor geval , 't mocht eens 
dat. . . . (gebeurde wat men 
hoopt van niet) 



428 



't LëMës IN 't soendaascu. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichtiilg. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Bingah 
Bingoeng 



Birit 
Bisa 

Bisi 



Bisoel 

Bitis 

Biwir 

Bobos 

Bobot 

Bobot 

Bodjo 

Boeboedjëng 

Boeboewang j 1. 



Boedak 



Boedjal 
Boedjang 



Boedjëng 



1. 
LI. 



k.1. 
k. 



k. 



k.1. 
k.1. 
k.1. 

g. w. 
1. p. 
g. w. 
1. 
1. p. 



k.1. 



k.1. 
k. 



g. w. 



Zie Atoh 

Ewëd (ewoeh) verschilt eeuigszins 
in beteekenis met Bingoeng. 
't Eerste slaat op de persoon : 
in de nesten zitten, 't tweede 
op de gedachten , 't denken. 

't K. 1. ook gebezigd v. naden in 
't algemeen. 



Kabobosan 1. p., zie Hitoet 

Zie Beunenh 

Zie Timbang 

Zie Pamadjikan (onder Padjik) 

Zie Moro onder Boro 

Zie Ising 



De vertaling wijzigt zich met den 
persoon, wiens //dienaar^/ be- 
doeld is. Zeer teekenend is dat 
in 't 1. men zijn dienaar //batoer// 
(eig. medgezel) noemt, een klein- 
making van zichzelve tegenover 
den aa:Dgesprokene. Iemand aan- 
sprekende wordt van de 1. p. 
woorden alleen //Rentjang// ge- 
bruikt : >/ Rentjang gamparan aja 
sabaraha?// maar /rGandekna of 
Badegana kdj. Dalem aja sa- 
anoe/y. 

Zie Boeroe, Boro, Djoegdjoeg, 
Soesoel. 



Bisa 



Bisi 



Boedjang 



^T liëMês IN *T S0SNDAA9CH. 



429 



)ORD 



Kasar Lëmës 
k. 1. 



Lèmës 
1. 




Lèmés pisaD 
1. p. 



Vertaling. 



joeng 



Biugoeag 



Birit 



>el 

IS 

rvr 



>os 

K>t 



Bisoel 

Bitis 

Biwir 



Ijo 

boedjëüg 
^boewang 
sdak 



sdjal 
sdjang 



Boedak 

Boedak 
keneh 
Boedjal 



djêDg 



Ewcd of 
Ewoeh 



Tijasa, Ijasa, 

Jasa, Bijasa 

(Djampang) 

Büih, bok- 

bilih 



Batoer 



Imbit 



Blijde, verheugd 

In de war, geen uitweg 

weten 
i 



Bilnaad 



Kunnen 



Gamboeh 
Wëntis 
Lambe of 
Lambëj 



Voor geval, 't mocht eens 
dat .... (gebeurde wat 
men hoopt van niet) 

Zweer, puist e. d. 

Kuit (lichaamsdeel) 

Lip, lippen 



Zwanger 

Echtgenoote, huisvrouw 
Jagen, op de jacht zijn 
Een groote boodschap doen 
Knaap, meisje 



Moerang- 

kalih 
Moerang- | Nog kind zijn 



kalih keneh 
Oedël 

Badega , 

Gandek, 
Beutjaug, 
Pangiring, 

Landjang 

(Oost Prija- 

ngan voor 

vrouwelijke 

gandek's) 



Navel 

Dienaar, bediende, volge- 
ling , knecht , boerenar- 
beider enz. 



1 



480 



't LëMëS IN ^T SOENDAASCH. 



WOOBD 




Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Boedoeg 
Boelan 
Boemi 
Boengah 



Boeoek 
Boepati 
Boepatos 
Boerat 
(Tjiandjoer) 
Boerëj 

Boeroe 



Boeroewaü 

Boewaug . 
Boewat Mal. 

Boga 



Bokbilih 



Bolon 



Bongsor 



Bopati 



k.1. 
k. 

1. p. 
k. 



k.1. 
k.1. 
1. 
Lp. 

1. p. 

g. w. 



k.1. 

g.w. 
k. 

k. 



1. 



k. 



k. 



k.1. 



Zie Imah 

= Atoh (zie aldaar). Boengah- 

boengah k. 1. = schennen met 

stokken (spel) 

Zelden gebruikt. Zie Bopati 
Zelden gebruikt. Zie Bopati 
Zie Oebar 

Zie Ngora 

Zie ook Boro. ^t Kasar //Boeroe- 
boeroe!// Snel, gezwind! moet 
in 't lëmës (pisan) worden om- 
schreven (bv. këdah enggal e. d.) 



Zie Ising 

Plaatselijk, zie Eukeur. 



Voor //boga ewe// k., zie Ewe k. 
Voor //boga gawe// k. , zie Gawe 
Zie Bisi. 



Om de schadelijke gevolgen wordt 
//koeris// vermeden ; men zegt 
dan //panjakit aloesv. 

Zelden gebruikt voor Dalem. 



Boelan 



Ngaboeroe 
Moro of Mo( 



Kaboeroe (ze 
Kaboro) 



Oablëg of 

gadoer 

(minder grof) 



Boga 



Bolon of Pais 



Bongsor 



V LëuëS IN V SOXIIDAASOH. 



481 



DRD 


KasarLémès 
k. L 


Lëmës 
1. 


Sëdèng 
s. 


Lemés pisan 
1. p. 


Vertaling. 


0^ 


Boedoeg 






Koreng 


Schurft, kleine uitslag 


in 




Sasih 






Maand 


• 

11 










üuis 


gah 










Blijde, verheugd 


ek 


fioeoek 






Eamboet 


Hoofdhaar 


ftti 










B.egent 


fttOS 










Begent 


it 










Geneesmiddel 


idjoer) 














. 








Jong van leeftijd (van 
kinderen) 


« 




Ngaboe- 




Ngaboe- 


Zich spoeden , haasten , om 






djëng 




djëng 


zeker doel te bereiken, 
najagen, ergens op aan- 
streven . 






Kaboedjëug 






Bereikt, achterhaald, over- 
vallen, geklaard, 't klaar 




- 








kunnen spelen, volbren- 
gen, 't kunnen halen enz. 


»ewan 


Boeroe wan 






Latar 


Ërfgedeelte, ruimte naast 
't huis en ervoor 


ang 












at Mal. 










Voor, ten behoeve van, 
om te 






Gadoeh 




Kagoengan 


Bezitten, hebben 

Een vrouw hebben 

Een feest te geven hebben 


ilih 










Voor geval, 't mocht eens 
dat .... (gebeurde wat 
men hoopt van niet) 


1 


;Oedoer sasih, 




Karësëban 


Stonden 




\ 


(Gadoeh) 










1 


kotor, kapa- 












maliau 








Bor 




Koeris 


• 




Pokken, de pokken hebben 


ti 


Bopati of 
Boepati 


Boepatos 
(zeer zelden) 






Regent 



432 



't LëMës IN 't soendaasch. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasai 

k. 



Bopeng 



Boro 



D 



Dago 



Dahar 

Dahar 
Dahoep 
Daja 
Damang 

Damêl 
Damël 
Dampal 



k.1. 



g. w. 



Dadoet ' I. p. 

(Tjiaudjoer) , 
Uaek Ik.]. 



g. w. 



s. 

g. w. 
g. w. 
g. w. 
1. p. 

1. 

g. w. 
1. p. 



't K. p. is vooral spottend. 



Zie ook Boeroe 



Garok 



Zie Isiag 

Dek, zie bij fiek 



In 't kasar zegt men meer //Ngada- 
goan// dan //Ngadago//, in 't lëmës 
meer //Ngan tos// dan //Ngantosan/r 



g. w. 

k. 

k.1. 
1. 

g. w. 
g. w. 

1. 



Zie Njatoe Padaharan s. zie Beu- 
teung 

Zie Hakan 

Zie Ka win 

Zie Kabeh 

Zie Tjageur 

Ten damang 1. p. , zie Oëring 

Zie Ga we, ook voor //Gadoeh damël/i' 

Zie Djijeun en Gawe. 

Alleen in de uitdrukkingen /)" Dampal 
gamparan !//, //dampal dalem I// enz. 
om den aangesprokene nog hoo- 
ger te verheffen dan door dezelfde 
betitelingen zonder //dampal//. 
In de eigenlijke beteekeuis k. 1. 

Zie Tintjak 

Dangdos niet algemeen gebruikelijk 

In kasar ook Make (zie Pake) 
Zie Dangdan 

Zie Ome 

Zie Denge 

Zie Mangsa (ajeuna) 



Emboeng 
of Sangeuk ^ 



Teu daek 

Ngadag( 
Noenggoe 

Noenggoe- 

goe H 

Ngadagoa 



Dangdan 



Dampal 
Dangdan 

Dangdan 
Dangdos 

Dangdos 
Dangët 
Dangët 
ajeuna (ijeu) 

1 Hierbij kunnen nog genoemd worden de woorden „Nampik" en ,*Narah", afwiJEen, > 

2 Sangeuk drukt bepaald een weerzin uit. 

• 't Komt me voor dat „noenggoe" in de beteekenis ^wachten" (op antwoord, brieve 
jf*, als hoedanig 't ook gebruikt wordt. „Noenggoean" wordt niet in de plaats van „Nga^i' 



't LëUëS IN 't 90ENDAA8CH. 



433 



1 


Kasar Lêmês 
k. L 


Lêmès 
1. 


Sèdêng 
s. 


Lèmés pisan 
1. p. 


Vertaling. 


3 


Bopeng of 

Korod 

(platter) 

Moro 


• 


• 


Boeboedjëng 


Van de pokken geschonden, 
pokdalig 

Jagen, jacht maken op, 
op jacht zijn 


et 
idjoer) 


Daek 
Daekeuu 


Alim 
Ngantos 


* 


i Kërsaeun 
Teu kërsaeun 


Een groote boodschap doen 

W illen , wenschen 
Willig zijn 
Niet willen 

• 

Wachten 


r 


^ 


Ngantos- 

ugantos 
Ngantosan 




^ 


Al maar , aanhoudend 

wachten 
Wachten op 
Eten (intr.) 


r 
ep 






V 




( 


mg 










Gezond 


fl 
il 










Werk, nut 


»! 


• 




. 




Eigenlijk : zool (v. d. voet), 
palm (v. d. hand) 


>al 
dan 

dan 
dos 

dos 

ët 

ét 

a (ijeu), 


Dangdan 


Daugdos 




• 
Ngauggo 


Gereed , opgemaakt , uit- 
gerust 
Gekleed, zich kleeden 
Gereed , opgemaakt , uit- 
gerust 

Tegenwoordig 



tgaat van een gelijke of mindere resp. meerdere. 

genomen uit 't Maleisoh en de eigenlijke Soendasche beteekenis „^'^l^en, de wacht houden'^ 
4, doch beteekent alleen ^Be waken, Wacht houden bij'\ Zie ook nDjaga'\ 

olgr. V. 28 



434 



*T LëMës IN 't soendaasch. 



WOOED 




Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 

k. 



Dangoe 
Dapaag 



Dapoer 

Darat 

Datang 



Dawoeh 
Dawoeh 



Uawoehau 



Dawoehaa 

Dawoehan 

Deang 

Dek 

Dëkoe 

Dëleh 

Demi 



Demi 



Denge 



Dengdang 

Dëugkoel 

Derek 

Deuheus 



g. w. 
g. w. 



k.1. 
g. w. 
k. 



g. w. 
1. p. 



1. p. 



1. p. 
1. p. 
g. w, 

k. 

1. p. 
g. w, 

k. 



k.1. 



g. w. 



g. w. 

: i.p. 

g. w. 
g. w. 



Zie Denge 

Zie Teiidjo 

/s^Ngalauggir^/ bezigt mQii alleen 
tegen kinderen. Nangkoeban is 
onderste boven (op den buik) 
liggen. 



Zie Omoug 

Soms als mooier dan Timbalan 
beschouwd. Beide woorden wor- 
den echter dooreen gebruikt. 

De gewone vorm. Dawoeh alleen 
in uitdrukkingen als: Soemoe- 
hoen dawoeh I dawoeh dalem I 
enz. z. V. a. Zooals U zegt, 
zooals U verkiest enz. 

Zie Tjék(na) met aanteekening 

Zie Rasa 

Zie Doeroe 

Zie Bek 

Zie Toeoer 

Zie Tendjo 

= Ari (zie aldaar) doch nadruk- 
kelijker. 



Zie voor de sëdëngwoorden , de 
Inleiding blz. 406. 



Zie Dongdang 
= Dëkoe. Zie Toeoer 
Zie Adibeuteung, Doeloer enRen- 
deng. 



Ngalanggi 



Pa wou 
Datang 



Ngadenge 



't LëHëS IN 't SOENDAASCH. 



435 



3BD 

1 


Kasar Lëmes 
k. 1. 


Lémés 
1. 


Sédéng 
s. 


Lémés pisan 
l. p. 


Vertaling. 


W 








« 




ng 


Ngadap ang 








Languit op den buik 
liggen 


sr 


Dapoer 








Keukeu 




Badarat 






Njatjat 


Te voet gaan 


g 




Dongkap, of 




Soemping 


Gekomen , aangekomen , 






Doengkap 




of Bawoeh 


arri veeren 






DoDgkip 




(mooier) 








(Tjiandjoer) 








eh 




- 






« 


eh 










't Geen door een hoogere 
tot zijn ondergeschikte of 
lagere gezegd wordt, bevel 


ehan 










idem 


ehau 










Zeggen (subst.) 


ehan 

rm 










Gevoelen, meening 


s 










Willen (hulpwerkwoord) 


e 




< 






Knie, knieën 


i 


Demi 


• 






Wat betreft, aangaande. — 
In de beteekenis //toen//, 
//zoodra// is demi k. 1. 

Bij, in aanroepingen van 
God enz. 


1 


\ 


Ngoepiiig 

of Midangët 

(mooier) 


Ngareu- 
Dgeu kasar 

Ngaroe- 
ngoelëmês 


Ngadangoe 


Hooren 


dang 












koel 1 










Knie, knieën 


j 
eas 








• 

^ Ngadeu- 

heus (kasar) 

^ Doemeu- 

heus (lëmës) 


Zijn opwachting mHken 



436 



^T Lëliês IN 't SOENDAASCH. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. ^^^ P^° ' ^'^ 


Deokeut 


k. 




Deukeut 


Deuleu 


g.w. 


Zie Tendjo 






Dewek 




Pers. en bez. vrnw. 1' peTs., zieluleidiug' 




Di-angloeh 


1. p. 


Zie Basa 




Uintën 


1. 


Zie Powe 


t 


Dioek 


k.1. 


//Tjalik// is ook wel 1. p., maar dan 


1 
1 






minder hoog dan //Linggih/t^ ' 


Dirasa 


k.1. 


Zie Easa 


i 


Diri 


k.1. 


Reflexief vrnw. Zie Inleiding blz. 


i 






411. 

1 1 


Ditamas 


1. p. 


Zie Beungeut 




Ditjipeunteu 


1. p. 


Zie Beungeut 




(Tjiandjoer) 




- 


1 


(i^j) 










Djaba 


k. 




, Djaba 










Kadjaba ol 


üjadi 


k. 


— Toeloes. Djadi in den zin van 
worden , slagen , uitkomen (van 


1 






planten) is k. 1. 






Dj ad j ah 


1. p. 


Zie Bonda. Djalan djadjahan — 






ronda of 




kleine weg , pad is k. 1. 


-Dgaronda 








Djadjap 


g.w. 


Zie Auteur. 






Djaga 


g.w. 


//Noenggoe// beteekent // waken /i' 




Ngadjaga 






in den zin van ^/de wacht 








houden//, //'t oog op houden//. 


! 






In andere afleidingen en samen- 










stellingen is //djagi// weinig ge- 








bruikelijk. 






Djaga 


k.1. 


— Engke , doch verder reikend : 






• 




//in de verwijderde toekomst// 


Kjagi 


g.w. 


Zie Djaga 


, 


Dj alma 


k.1. 


Zie Djëlëma 




Dj al mi 


1. 


Zeldzaam. Zie Djëlëma 






Djangdji 


k.1. 


' 




Soebaja 


1 
Djanggot 


k.1. 








Djaoeli 


k. 


■ 


1 

1 


Djaoeh 



't LëMës IN 't soekdaasch. 



437 



»RD 



Kasar Lëmës 
k. 1. 



I Lemês 

1 1. 

1 



Sédéng 
s. 



Lémês pisan 
1. p. 



Vertaling. 



^ut 



u 



gloeh 



Dioek 



% 



Diri , ook 

Awak 
(Djampaug) 



eunteu 
ld j oer) 

^3) 



jah 

da of 
aronda 

jap 



Da 
dI 

Egot 
Bh 



Djangdji 
Djanggot 



Tjakët of 
Parëk 



Tjalik 



Djawi 
Kadjawi 



Ngadjagi 



Tëbih 



Dichtbij 



Linggih of 
Lënggah 



Salira 



Broembah 



Hebbeu , gevoelen (van een 

een ziekte) 
Dag, ook: etmaal minus 

de nacht 
Zitten 

Hebben , gevoelen (van een 
ziekte) 



Zich 't gelaat wasschen 
idem 



Buiten en behalve 
Uitgezonderd 
Doorgang hebben 



De ronde doen, een toernee 
maken 



Waken , waakzaam zijn , 
bewaken 



Mensch 
Mensch 
Belofte , afspraak , 

bintenis 
Baard, sik 
Ver 



ver- 



438 



't LêMës IN 't soendaasch. 



WOORD 



Aan- 
duiding- 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 






Ujarat 
Djawi 
Djawi 
Djëiëma 

Djëlëma 

leutik 

Djënëng 



Djêuêugan 
Djëngkar 



Djëro 
Djëro 
Djeueung 

Djeuug 



Djiga 

Djijeun 
Djoegdjoeg 



g. w. 
1. 

g. w. 
k.1. 



k.1. 
k. 
g. w. 

k. 



k.1. 

g. w. 
g. w. 



Djoeinënëng 1. p. 
Djoeroe i g. w. 



Djoeroesëratj 1. p. 

Djoeroe ' k. 1. 

simpën : 



Djoeroetoelis 
Djoewal 



Deal 



k.1. 
g. w, 



k. 



k. 


! 
1. p. 


1. p. 
1. p. 



Zie Astaua 
Zie Djaba 
Zie Djaba 



Zie Hiroep 



Zie Ngarati 

Hoog lëmës pisau. Zie Ijang, Indit 
en Njaba (onder Saba) 

Lêbët alleen gebruikt van Begen- 

ten verblijven 
In de beteekenis /s^diep/' is ffijéro» 

k.1. 



Zie Ka was, noot. 



Zie Hiroep 



Zie Toelis met aanteekening 
Zie Simpën, aanteekening 



Zie Toelis 



Djëlëma 1 



Djëro 

Ngadjeue 
Njeneang 
Ngilikan 
Djeung 



Njijeun 
Ngadjoej 



Zie Bërkah 



't Lëuës IN 't sobndaasch. 



439 



)ED 1 KaaarLémès 


Lêmês 
1. 


Sèdèng 
s. 


Lèmès pi san 1 
1. p. 


Vertaling. 


t 1 

• 

1 

• 


t 
• 1 




1 

1 


Buiten en behalve 


l 1 

ma Djëléma of 

Djalma 
ma 
;ik 


Djalmi (i^ldea) 
Abdi-abdi 




Mensch, menschen 

De geringe lieden, de 
kleine man 


ing 1 








Levend , in leven. In alge- 


^ngan 
^kar 


Djëro 


Lëbët 


^ 


Lëbët 


meenen zin: een rang, 
waardigheid bekleeden 

Naam 

Besp. Op weg gaan, ver- 
trekken en erop uitgaan 
of zijn 

Verblijf, woning van een 
aanzienlijke 

Binnen 


1 
3ung 

1 


Ningalan 




Ningalian 


Aanzien, bekijken 

* 


"g 

1 


Sarëng, sina- 
rëng (mooier) 
miwah (in brie- 






En, met 


1 


lei), rawoeh 


1 




i 




i 
1 


Schijnen, den schijn hebben 










van 


an 
jdjoeg 

Dënëng 

roe ; Ngadjoeroe 
Ngadjoeroe- 
keun 


Ngadamël 
Ngaboe- 
djëng 

Mëdalkeun 
(ook wel 1. p.) 




Ngowo 
Ngowokeun 
of Ngaba- 
barkeun 


Maken 

Rechtstreeks op afgaan 

In leven . 
Bevallen 
Baren (tr.) 

ê 


'oesërat 

roe i 








Schrijver 

Vertrouwd bediende, belast 


impën ] 








met 't opbewaren van 


^etoelis 
val 


Ngadjoewal 


Ngaging- 
sirkeun 






goederen enz. 
Schrijver 
Verkoopen 

m 

Een dankbetuiging 



440 



't liëMës IS 't sosndaasgh. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 




Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 



Doega 

Doegi 

Doeh 

Doehoeng 

Doeka 

Doekoej 

Doeloer 
Doeloer ipe 



Doemeh 



*Doemeu- 

heus 
D^eraoegi 
Doengkap 
Doepi 
Doeroe 
Doewa 

Doewit 

Dompet 
Doügdang 

Dongkap 



Dongkip 
(ïjiaüdjoer) 



E 



Ebog 



Ejaug 
Eleh 



g. w. 

1. 

g. w. 
1. p. 
1. 
g. w. 

k.1. 
s. 



k. 



1. 
1. 
1. 

g. w. 
g. w, 

k. 
k.1. 

g.w. 

1. 



1. 



1. p. 



1. p. 

k. 



Zie Tëpi 
Zie Tjidoeh 
Zie Këris 
Zie Njaho 



Kadoega 



Zie Adibeuteuug 



1. p. (1.) Zie Deuheus 



Zie Nëpi 

= Dongkap, zie Datang 

Zie Aii II 

Overigens is doewa k. 1. 

Ngadoewit 1., zie Beoli 



Zie Datang, Tëpi en Nëpi (onder 
Tëpi) 

Zie Datang 



Zie Këdëng 
Zie Gelehe 

Zie Aki en Nini 



Doemeh 
Pedah (gi 



Doewa per 

kadoewa pi 

Doewit of 

(zeldei 



Eleh of K 
(Mal.) 



't liëMëS IN 't soendaasoh. 



441 



30RD 


Kasar Lemës 
k. 1. 


Lëmëa Sèdèng 
1. s. 


Lémés pisan 
I. p. 


Vertaling. 


ga 
«i 


■ 
1 


Wërat 






i 

Vermogen (fyziek kunnen, 

moreel durven) 
Tot aan 


(hoeng 

(ka 

(koej 

loer 
loer ipe 


1 

Doedoekoej 
Doeloer 


- 




Toedoeng of 

Tianggoekan 

Saderek 


Kris 

//Ik weet niet!'/ 

Zonnehoed 

Broeder of zuster, verwante 
T. 0. V. d. man, de adi 


meh 

)emeu- 
heus 


■ 


Beh(na), Sa- 

reh(na), Wi- 

reh, Sarehing 

Sarehniug 

1 




• 


zijner vrouw 
T. 0. V. d. vrouw , de adi 

haars mans 
Naardien , aangezien , 

nademaal 

* 
Zijn opwachting maken 


.moegi 

ingkap 

)pi 

iroe 

iwa 

iwit 


t 

; 
1 

Sidoeroe 


Kalih për- 

kawis 
Artos 




Sideang 


Tot aan 

Gekomen, aangekomen 
Wat betreft 

Zich warmen bij 't vuur 
In opsommingen : ten twee- 
de, in de tweede plaats 
Geld 


npet 
i^ang 

«tap 

«tip 
andjoer) 


Dompet 
Sidongdang 






Tampekan 
Sidengdang 


Sigarenkoker 

Zitten met de beenen van 
den grond 

Besp. gekomen of aange- 
komen , gereikt tot en 
tot aan (toe), reikende tot 

Gekomen, aangekomen (ko- 
men, aankomen) 


r*j 












g 

ttg 

11. 




Xawon 


1 
1 

1 




Liggen 

Liggen in den toestand, 

v66r men inslaapt 
Grootvader, grootmoeder 
't Verliezen , 't afleggen. 

Verliezen bij 't spel 



442 



't LëMës m 't sosndaasoh. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



1 Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Eling 

Emban 

Emboeng 
Emoet 



Endjiug 

Eugab 

Enggal 

Enggeus 

Enggou 



En ja 

En ja 
Euta 
Enteng 
Era 

Erek 
Estoe 
Etang 
Eukeur 



EukeuT 



Eunteung 
Eureun 



Euweuh 



I. p. 

g. w. 

k. p. 

1. 



1. 

1. p. 
1. 

k. 

k.1. 



k. 



s. 

g. w; 
1. 

k.1. 

k. 

k.1. 
g. w! 
k. 



k.1. 



k. 
k. 



k. 



Zie Ingët 

Zie Ais 

Zie Teu daek onder Daek 

Zie Ingët. Emoetan 1., zie Pikir, 

aanteekening. Ngemoetkeun 1., 

zie Pikir. 
Zie Isoek 
Zie Heuaj 
Zie Oautjang en Tereh 

= Geus, zie aldaar 



Zie Heueuhl 
Zie Penta 
Zie Hainpang 
Vrg. Isin 

= fiek, zie aldaar 
Pangestoe l.p., zie Bërkah 
Zie Itoeng 



Ni^t altijd kan men in ^t lëmës 
//noedjoe// gebruiken. Dit woord 
beteekent eigenlijk //gevallen// 
(Engelsch : to happen) 

Zie Katja 



Enja of J 

(zelden) 



Eukeuiofk 
baris, pikea 
keun, adj 
(zelden), b( 
(Maleisch, 
selijk) 



Eurenn 



Euweuh 



^T LëMës IN 't soendaasch. 



443 



Kasar Lèmès 
k. 1. 



Lêmès 
1. 



Sêdèng 

8. 




Vertaling. 



Ëuggon 



Era 



Estoe 



Jaktos 



Bade 



Zich herinneren , indachtig 
zijn 

Niet willen , 't verdommen 
Zich herinneren , indachtig 
zijn 



Morgen (dag van morgen) 

Geeuwen 

Snel — Spoedig 

I Beeds 

Pakoelêman Slaapplaats , slaapvertrek 
ofPagoeli- 
ngan (Tjian- 



djoer) 



Lingsëm 



Waar, werkelijk 

Beaming van 't gesprokene 

Licht (niet zwaar) 
Beschaamd (gemaakt door 

een mindere) 
Tuturum vormer, willen 
Werkelijk 

Voor, ten behoeve van, 
om te 



Eukeur of 
Keur 



(Noedjoe) 



Liren 



Teu aja of 
Sëwëug (ooki 
Soewëng?) of| 
LëpatofSëpi; 



Bezig zijn met 



Spiegel 

Ophouden, met zijn ambt, 

beroep enz. uitscheiden, 

dat neerleggen 
Er is niet, er zijn niet, 

niet (aanwezig) zijn 



444 



^T LëMês IN ^T SOENDAASOH. 



WOORD 




Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kattar 
k. 



Ewe 
Ewe 

Ewe 



k.1. 
k. 



g. w. 



Ewean 
Eweau 

Ewëd 

Ewoeh 

a 

Gado 
Gadoeh 

Gadoeh 
damël 
Gadoeh kotor 
Galeuh 
Galih 

Gamboeh 

Gampang 

Gampil 

Gandek 

Ganti 



GantjaDg 
Gantos 

Garok 

Garwa 

Gawe 



k.1. 
k. p. 

1. 

1. 



k.1. 
1. 

1. 

1. 

g. w. 
1. p. 

1. p. 
k. 
1. 

1. p. 
k. 



k. 

1. 

k. p. 
1. p. 
k. 



Vrg. Pamadjikan (onder Padjik) 



Zie Boga — Gadoeh kakandoengan 

1., zie Bei^neuh 
Zie Gawe 

Zie Bolon 

Zie Asoep, Beuli, Pikir 

Zie Hate 

Zie Bisoel 

Zie Gampang 

Zie Boedjang en toelichting aldaar. 



Zie Ganti 



Zie Bopeng 



Zie Pamadjikan (onder Padjik) en 
zie ook B/ea 



Ewean 



Niet kasar sprekende, gebruikt men Ngadol 
de aktieve en passieve vormen 
van woorden, die //beslapen v 
beteekenen. 

Zie Ewe k. 

Zie Bingoeng (en aanteekening 

aldaar) 
Zie Bingoeng (en aanteekening 

aldaar) 



Boga ewe 
(minder plat) I 
pami 

Ngewe 



Gampang 



Ganti 



Grantjang 



Gawe 
Boga gawe 



't LêMës IN 't soendaasgh. 



445 



»BD 



Kasar Lëmês 
k. 1. 



Lémês 
1. 



Sèdéng Lêmés pisan^ 



8. 



1. p. 



Vertaling. 



Ewe 
Awewe 



Q 
Q 



Ewean 



h 



eh 

eh 
nel 
ihkotor 
ih 



joeh 
lang 
nl 
ek 



lang 
os 

a 



Ghido 



: Gadoeh 
bodjo 



Gampil 



Gëntos • of 
Gantos 

EDggal 



Damël 
Gadoeh da- 
mël 



Istëri 
Istëri 

KagoeDgau 
istëri 



Augkeut 



Huisvrouw 
Vrouw, vrouwelijk 
Een huisvrouw hebben , ge- 
trouwd zijn 

Paren 



Pareu (van dieren) 

Een huisvrouw hebben , 

getrouwd zijn 
lu moeilijkheden , iu de 

nesten, ongerust 
In moeilijkheden , in de 

nesten, ongerust 



Kin 

Bezitten, hebben 

Een partij te geven hebben 

Stonden 

Gemoed , hart (niet in ma- 
terieelen zin) 

Zweer, puist 

Gemakkelijk 

Gemakkelijk 

Dienaar, knecht 

't Geen voor iets anders in de 
plaats komt; veranderen 
van (meening, lucht enz.) 

Snel, gezwind 

't Geen voor iets anders iu 
plaats komt 

Spotnaam voor van de pok- 
ken geschonden 

Echtgenoote, gemalin 

Werk, arbeid, nut 

Een feest te geven hebben 



446 



^T LëMës IN 't 90SNDAASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Gëde 

Gedeng 
Gegelehean 



Gelehe 



GëlüCDg 
Gëntos 



Gëütra 
GëriDg 

Geubis 

Geulaug 

Geureuha 

Geus 



Gigir 

Gingsir 

Gobang 

Gobrag 

Goedjëng 

Goegah 

Goegoeling 

Goegoerah 

Goeling 
Goemoe- 

djëDg 
Goerah 



k. 

I. p. 
k.1. 



g. w. 



g. w. 
1. p. 
LI. 
1. p. 

g. w. 
1. p. 

g. w. 



't L. p. bepaaldelijk v. 't lichaam 

gezegd. 
Zie Gigir 
Zie Gelehe 



k.1. 
1. 


1. p. 
k. 


1. p. 


k.1. 


l.p. 
k. 


k.1. 


g. w. 
k,l. 



Zie Ganti 



Zie Sora 

//Oedoerv beteekent in 't algemeen 
'/verhindering, verhindering heb- 
beu// (pambëngan) 

Zie Laboeh en Eagrag. 



Zie Pamadjikan (onder Padjik) 
' 't Gebruik der woorden //Geus//, 
//Enggeus// en //Anggeus'/ is niet 
scherp gescheiden. 



Zie Djoewal 

Zie Imah 

Zie Seuri 

Zie Hoedang 

Zie Goeling 

Zie Këmoe 

Pagoeliugan l.p., zie Enggon 

Zie Seuri 

Zie Këmoe 



Migawe of 
gawe (Djamj 
Gëde 



Gering 



Geusof Enj 



Anggeus 



^T LëMëS IN ^T SOENDAASOH. 



447 



ORD 



Kasar Lëmés 
k. 1. 



eng 
elehean 



he 



bis 

lang 
reuha 



ftng 

rag 
ïjëng 

Koeling 
^oerah 

ling 
moe- 

djëng 
mh 



Lëmês 
1. 




Vertaling. 



Ngagelehe 
Oegelehëau 



»eng Gëloeng 

tos 



tra 
°g 



Oeulaug 



Gigir 



Gobang 



Goegoeling 



Midamël 
Agëug 



Oedoer 



Parautos 



Parantos of 
Salse (Mal.) 



■ Vervaardigen , maken 

Agëng Groot (van omvang) 

I Zijde van 't lichaam ' 
Verkeeren in den toestand , 
dat men is gaan liggen 
om te slapen en nog niet 
ingeslapen is 
^Ebog ; Gelegen zijn om in te slapen 

£bog Verkeeren in den toestand, 

dat men is gaan liggen 
om te slapen en nog niet 
ingeslapen is 
Haarwrong 

't Geen voor iets anders in 
de plaats komt, verande- 
j ren van . . . 
Stem , geluid 
Ten damaug Ziek, ongesteld 
ofNgangloeh 



Sanggoel 



Pinggël 



Gedeng 



Omvallen — - neervallen 

(van een hoogte) 
Armband 

Echtgenoote, gemalin 
Reeds, Perfectum vormer 



Gereed, afgedaan (zelfstan- 
dig gebruikt) 

Zijde, 't 1. p. woord alleen 
V. zijde van 't lichaam 



Soengkëlang Houwer, zwaard 



Pëpëdëk 



Opstaan, ontwaken 

Eolkussen 

Den mond spoelen 

Bolkussen 
Glimlachen, lachen 



448 



^T LêMës IN ^T SOENDAASOH. 



WOORD 



Goesar 
Gogobrag 
Gohgoj 
Goreng 



H 



Hade 
Hade 



Hah 
Hajang 



Hakan 
Haksami 
Halabhab 
Halaug 



Halaugau 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



g.W. 

k. p. 
1. p. 
k. 



k. 
k. 



k. p. 
k.1. 



' g.W. 

I 1. 
k. 

g.W, 



k. 



Hampang . k. 
Hampoentëu I. 
Hainpoera ; k. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 



Zie Imah 
Zie Batoek 



't Verzoek van een zeer hoog gesteld 
persoon is zoo goed als een bevel. 
Op beide zal 't antwoord zijn : (Soe) 
mangga I eig. /i^op de handen dra- 
gen. /«^ Beleefd iets aanbiedende, 
zegt men ook /i^Mangga^ of //Sa- 
wa wi!" (ouderwetsch) z. v. a. ^A\s 
't U belieft.// Een kasar-equi- 
valent bestaat daarvan natuurlijk 
niet. Geeft men iets zonder plicht- 

j plegingen , dan kan men bv. 

I zeggen : //Ijeu// — //Hier!// 

I Zie Naou 



Zie Hampoera 

Zie Hauaang 

Halang komt voor in plaatsnamen, 

te vertalen met? hind er- 
Zie voorts Falang 



Kahampangan 1. p. , zie Kiïh 
Zie Hampoera 



//Poen ten!// — //Vraag excuus!// 
geeft op zichzelf reeds een lëmës 
spreken te kennen, wordt alleen 
dan gebruikt en is dus niet als 
een vervaus^woord aan te merken. 



Goreng 



Heugl 
Bampes! 
(zeer plat) 



Hade 
Hade! 



Ngalëbok(?) Ngahakan 



Kahalangau 

Halangan 

Hampaug 

Hampoera 

Panghampocraf 
Pangapoeni 



't LëMës IN 't sobndaasch. 



449 



3BD 



Kasar Lémês 
k. 1. 




Vertaling. 



ir 
brag 



a 



Ngagoesar 



ng 


Hajang 
Kahajang 




m 


« 


Nëda 


«mi 






bhab 






ng 


Ngahalang 


(Mambëng- 
an) . 

Kapambëng 


Dgan 




Pambëngan 


1 

1 


of Wagëlan 


pang 




Enteug 


ooentén 






poera 


Hampoentën 




of Haksami 


i 

1 


Paugham- 


1 


poentën, ge- 




woonlijk : 


1 


Paugapoen- 


1 


tën, Pang- 


1 
1 


haksami of 




Pangaksami 


7* Vc 


)lgr. V. 





Awon of 

Ka won 

(Djampang) 



Sae 



Sae! 



*Mëpër 



Mangga ! 
Soemangga ! 
Oendjoek 
soemangga 



Ngadahar 



enz. 



Hojong of 

Palaj 
Kahojong 
Noewang 



De tanden vijlen 

Huis 

Hoest, hoesten 

Slecht, leelijk 



Goed 

't Is goed ! Ga Uw gang ! 
Zooals U verkiest! enz., 
als antwoord op een ge- 
daan verzoek of voorstel 



Wat? 
Begeeren, verlangen hebben 

Begeerte, verlangen 

Eten (transitief) 

Vergiffenis 

Dorst hebben 

Een hindernis vormen, in 

den weg staan, hinderen 

(tr.), dwarsboomen 
Verhinderd, Behinderd ('t 1. 

is eig. //gedwarsboomd//) 
Hindernis , verhindering , 

bezwaar, hinderpaal 
Licht (v. gewicht) 
Vergiffenis 
Vergiffenis 

Vergiffenis 



29 



450 



't LëMëS IN 't sosndaasoh. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasai 
k. 



Hanaang 
Handjajb 

Hareup 



Harga 

Harti 

Hartos 

Hate 



Hatoer 

Hatoer 

Hatoer 

*Hatoer 

*Hatoeran I 

*Hatoeran 

Hatoeran 

Hawatir 



Hawatos 

Hees 

Hese 

Heuaj 
Heubeul 

Heueuh 



Heug! 



k.1. 
k.1. 

k. 



k. 

k. 
I. 
k.1. 



g. w. 
g. w, 
g. w. 
1. p. 
I. p. 
I. p. 
g. w. 
k. 



1. 

k. 

k. 

k.1. 
k. 

k. 



k. p. 



Heula is k. 1., eu beteekeut eerst, 
voor (iu volgorde) 



Zie ook Arti 

Zie Harti 

Van planten alleen //Hate*'. Van 
dieren »k.\,\ff. Galih beteekent 
nooit //harti' in roaterieelen zin, 
eveuzoo Ati. 

Zie Bikeun 

Zie Seuri 

Zie Tjëk 

Zie Bere 

Zie Bageja! en noot aldaar 

Zie Omong 

Zie Ondaug en Tjarek 



Zie Hawatir 

Hees — slapen van dieren en be- 
vroren of gestoken zijn is k. 1. 



//Soemoehoen !v wordt tot langere 
frasen uitgedijd, naarmate men 
den spreker, wiens woorden men 
beaamt , hooger boven zich stelt. 
//Soemoehoen// zonder meer is 
reeds 1. p. , wordt dus alleen 
gebruikt jegens personen, van 
wie men met 1. p. woorden 
spreekt. 

Zie Hade II 



Molor 



Halabhab 
Bandjat 

Hareup 
Tihareup 
heola 
Harga of I 
adjienp 
Harti 



Hawatir o 
Kawati 



Hees 
I Hese 



Heubeul, 
Lawas 

Heueuh of 
grof: I 



't LëMës IN 't S0ENBAA8GH. 



451 



>ORD 


Kasar Léméd 
k. 1. 


Lemea 

I. 


Sèdéng 
s. 


Lémé.s pisan 
1. p. 


Vertaling. 


aang 
dj at 

;up 


Hanaang 
Hand jat 


Pajoen 
(Tipajoen ?) 




Palaj 

Pajoen 
Tipajoen 


Dorst hebben 

Overgaan (van lager naar 

hooger), aan land gaan 
Vóór (plaats) 
Vóór, vóóraan 


5» 




Pangaos 




Waarde, prijs 


• 

tl 

k)S 

> 


Ha te of Ati 


Hartos 


Galih of 
(hooger) Ma- 
nah 


Beteekenis, kort begrip 
Beteekenis, kort begrip 
Hart, gemoed 


)er 








)er 




1 

1 




>er 
toer 
toeran ! 
toeran 




1 
i 


Aanbieden 
Gegroet 1 Welkom 1 
Beleefd spreken tot 


>eran 
^atir 

atos 




Hawatos 
(zelden) Ka- 
watos 

Mondok 


• 
Sare Koelëm 


Beducht, beduchtheid wek- 
kend 

Beducht, beduchtheid wek- 
kend 
Slapen 


y 

)€Ul 

1 


Heaaj 


Roegël of 
Sêsah 

Tiami 

Lërës 


En ja 


Eugab 

Soemoehoen 
Pangaudika 


Moeielijk 

Geeuwen 

Lang van duur (verleden), 
oud, vroeger, gewezen 

Ja ! (Bevestiging of onder- 
streeping van 't door een 



(Tjiandjoer) ander gesprokene) 



rf 



't Is goed ! 



452 



't LëMëS IN 't soendaasch. 



WOOBD 




Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Heula 



Heuleut 



Heuütjeut 

*Hibar 

Hidji 

Hilaug 

Hilap 

Hili 



Hiroep 
Hitoet 
Hoedang 



Hoeloe 

Hoen toe 
Hoetaug 

Hojong 

HoDêng 



Ibiug 

Iboe 

Idiii 

Igël 
Ijaiig 



Ijasa 
Ikët 



k.1. 



k. 



k.1. 
I. p. 
g. w. 

s. 

1. 

g. w. 



k.1. 
k.1. 
k.1. 



k.1. 

k.1. 
k. 

1. p. 

1. p. 



Tiheula k. , zie ook Hareup 



Zie Bërkah eu noot daarbij 
Overigens is //hidji// k. 1. 

Zie Paeh en aauteekening 
Zie Poho 



Hoedang is: opgericht, omhoog 

staan , vandaar : zich oprichten , 

opstaan enz. 
't S. en 1. p. woord alleen van 

menschen. Kop (v. dieren). — 

Hoeloe 



Zie Hajang 
Zie Sono 



g- 


w. 


; 1. 


P- 


k. 


1. 


g- 


w. 


k. 




1. 


» 


k. 


1. 



Zie Igël 
Zie Indoeng 



Zie Bisa 

= Totopong, doch wat fijner. Zie 
aldaar. 



Tiheula 
Heulent 
of Autara (z( 



Salahsahidj 
Salasahic 



Ngahilikea 



Tangkoerak 



floetang 



Ijangof Mi 



Ngijangkeu 



't LëMës IN 't SOENDAASCH. 



453 



I 

ORD 


Kasar Lémës 
k. 1. 


Lémës 
1. 

1 


Sëdèng 
s. 


Lémës pisan 
1. p. 


Vertaling. 


a 


Heula 

i 

i 


Tipajoen 






Eerst, voor (in volgonle) 
Vooruit, van tevoren 


ent 


1 


Antawis 




1 


Tusschenruimte , tnsscheu- 
tijd , ook — hebbend , 
met — van 


lij ent 


Heuntjent 






Momok 


Vrouwelijk schaamdeel 


)ar 










Een dankbetuiging 


• 

1 




Salahsawijos 
of Salasawijos 






Een van beide of meerdere 


ng 


• 


• 






Dood, sterven 


P 




Ngaliron- 
keuu 






Vergeten 
Verwisselen 




Pahili 


Lëpat 






Verwisseld, verward 


ep 


Hiroep 






Djënëng 


Levend, in leven 


et 


Hitoet 






Kabobosan 


Wind, een wind laten 


lang 


Hoedang 


Tanghi of Goegah 


Zich oprichten uit een 








Tangi(Tji- 


liggende houding, opstaan. 








sndjoer) 




wakker worden 


oe 


Hoeloe 




Sirah 


Mastaka 


Hoofd 


itoe 


Uoentoe 






Waos 


Tand 


-aug 




Sambëtan 


l 

1 

1 


Schuld (iets dat men ver- 
schuldigd is) 


>ng 






1 
1 


Begeeren , verlangen , wen- 
schen 


5ng 




. 


Een sterk verlangen hebben 










naar, liefhebben 


I 










• 

Moeder 




Idin 


1 
1 


Widi 


Vergund, vergunning 




Ngigël 


1 
1 


Ngibing 


Dansen (de Inlandsche wijze 












van dansen) 


l 




Mij os 




Angkat of 
(hooger) 


Op weg gaan 








Djëngkar 








Mijoskenn 


1 

1 


Wegzenden, verzenden 












Kunnen 












Hoofddoek 



454 



'ï lcmJ^s in 't soendaascu. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan ' 
k. p. 


Kasar 

k. 


Ilaiug 




i 
1 

Pers. eu bez. vruw. 2" pers., zie 


1 




Ilari 


g. W. 


Inleiding. 
Zie Teang 






Ilat i 


Lp. 


Zie Letah 






Hik 
Hoe 


g. w. 
g. w. 


Zie Djeueuug 
Zie Piloe 


\ 




Imah 
Imbit 


k. 
1. p. 


Zie Birit 


Gogobrag 


Imah 


Imoet 


k.1. 

1 




1 




Impas 


k.1. 


— Loenas, zie aldaar 


1 
1 


• 


Impeu 

Impi 

luaug 


1. p. 
k.1. 
1. p. 


Zie Impi 

Zelden gebruikt (Soekapoera) , zie 
Soesoe 






ludit 


k. 




Mantog 


Indit 


Indjeum 
Indoeng 
lügët 


g. w. 

k. 
k. 






Ngindjeum 
ludoeng ^ 
Ingët 


Iiioem 


g. w. 








Iiitjoe 
Ipe 


k.1. 

s. 


m 

— Doeloer ipe, zie Adibeuteung 






Iring 


g. w. 


• 

Pangiring 1. p. , zie Boedjang 


i 




IroeDg 


k.1. 








• 

Tsin 


k.1. 


Vrg. Era 






Isiug 


g. w. 




Modol 


Ngising 


Isoek 


' k. 


1 




Isoek 


Istéri 


1. p. 


Zie Ewe 


1 
i 
i 


! 
1 
1 



^ In één geval gebruikt men „indoeng^' ook in 't lëmès, nl. „indóeng abdi (koering etix. 



't Lëüës m 't soendaascu. 



455 



^TkTk Kasar Lëmës 
^^^ ■ k. 1. 


Lëmës- Sëdêng 

1. 8. 


Lëmës pisan 
1. p. 


Vertaling. 


? 


1 

1 






1 

1 


Tong 


t 


1 


Borompok 


> 
Boemi 


Huis, woning 
Bilnaad, bil 


t • Imoet 




1 Mesëm 

1 


Fijntjes glimlachen, grim- 








1 


lachen, meesmuilen 


8 








Afgedaan, afbetaald 


TL 










Droom 




Impi 






Impen 


Droom 


5 








Borst, borsten (v. e. vrouw) 






Mijos 




Angkat of 
(mooier) 


Vertrekken, heengaan 


1 

i 






Djêiigkar 




ium 




Namboet 






Leenen (in leen nemeu) 


eng 




Bijaug 




Iboe 


Moeder 


1 

■ 

r 

1 


Emoet 




Eliug 


Zich herinneren , indachtig 












zijn 


n 


Nginoem 




Ngarot 


Ngaleueut 


Drinken 


e . Intjoe 






Poetoe Kleinkind 










; Ten opzichte v. d. man, de 










adi zijner vrouw 


1 

1 






Ten opzichte v. d. vrouw, 


1 






de adi haars mans 


i NgiriDg 


Noeroet 




1 Volgen 






(Tjiandjoer) 




! 


« 


Iroeng 






Pangam- Neus 










boeng 






Isin 






Lingsém 


Beschaamd, verlegen, be- 


1 








dremmeld (voor een meer- 




• 






dere) 


t 


Ka tjai of 


Mitjeun 


Kabeuratan 


Schijten , een groote bood- 






Boeboe wang 




of Dadoet 


schap doen 


1 




of Kalaha- 




(Tjiandjoer) 






djat (Arab., 


f 








kyai-taal) 










Endjing 






Morgen (de dag van mor- 
gen) 












Vrouwelijk, vrouw, huis- 












vrouw 



loeder en niet byang abdi, daarentegen, met dezelfde beteekenis, npoen bijang^'. 



456 



^T LêMës IN ^T SOENDAASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. : 



Verwijzing of toelichting 



Kasar pisan 
k. p. 



Iteuk 

[toeng 

Itoengan 

J 



k.1. 

g.w. 

k. 



Ngi toeng 
Itoengan 



Jaji 


1. p. 


Zie Adi 


1 




Jakti 


k. 


— Euja , doch zelden gebruikt 


, 


Jaktos 


1. 


Zie Enja 


1 


Jasa 


1. 


Zie Bisa 




Jasa 


k.1. 


Jasa in tanah jasa, sawah jasa enz. 
k. 1. : door eigen inspanning ont- 


1 
( 

1 






gonnen grond, erfelijk indi- 


• 

! 
1 






vidueel bezeten grond 


1 


Joeswa 


1. p. 


Zie Oemoer 


1 


K 






. 


Ka-asoep 


k. 


• 

Zie Asoep 






Kabeh 


k. 




Kaheh 


\ 








Kabeh-ki 


Kabeuratan 


1. p. 


Zie Ising 






Kabobosan 


1. p. 


Zie Hitoet 






Kaboedjëng 


1. 


Zie Boeroe 






Kaboeroe 


k. 


Zie Boeroe 






Kaboro 


k. 


— meer gebruikelijk Kaboeroe, 
zie Boeroe 






Kadjaba 


k. 


Zie Djaba 






Kadjang 


1. p. 


Zie Anggël • 






mastaka 










(Tjiandjoer) 










Kadjawi 


1. 


Zie Djaba 






Kadoega 


k. 


Zie Doega 






Kadoewa 


k. 


Zie Doewa 






pêrkara 






l 





't LéHëS IM 't 80ENDAA8GH. 



457 



.OBD KasMrLëmës 

K. 1. 


Lëmès 
1. 


Sêdéng 

8. 


Lèmés pisan 
1. p. 


Vertaling. 


k. 


Itenk 






Tëtëkën 


Wandelstok 


»g 


• 


Ngetang 






Bekenen 


igan 




Paetangan 






Bekening 


J 






< 












i 


Jongere broer of zuster 


• 

1 






i 
1 


Waar, werkelijk 


OS 






■ 


Waar, werkelijk 








• 




Kunnen 


«ra 






• 




Leeftijd • 


K 


• 










aocp 






« 




Aanvaard 


:h 




Sadaja 


1 


Alle, alles 


• 




8adaja-daja 1 






£en uitroep, waarmee men 
zich geheel voegt naarden 










vorigen spreker 


soiatan 








1 Een groote behoefte doen 


>bosan 










Een wind laten 


>edjëng 








Bereikt, achterhaald, over- 


m %J 










vallen, geklaard, ^t klaar 






. 






kunnen spelen, volbren- 












gen , ^t kunnen halen enz. 


)eroe 










Idem 


ITO 










Idem 


aba 










Uitgezonderd 


ang 






1 


Hoofdkussen 


staka 










ndjoer) 






1 
1 
1 




awi 










Uitgezonderd 


>ega 




1 

f 




Vermogen (fyziek: kunnen, 
moreel: durven) 


>ewa 










Opsommend: Ten tweede. 


rkara 










in de tweede plaats 



458 



't LëMës IN 't sosndaasch. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan 
k.p. 


Kasar 
k. 


Kados 


1. 


Zie Tjara 






Kaeraoet 


1. 


Zie Pikir 






Kagaieuh 
Kagaleuh 

Kagalih 

Kagoeugau 

Kahajaug 

Kahalaugau 

Kahampaug- 

Q tl 


i.p. 
1. p. 

i.p. 
i.p. 

k.1. 

k. 

Lp. 


Zie Asoep 
Zie Pikir 

Kagaleuh, passief vau Ngagaleuh, 
koopen, biedt uiets bizondeis] 
Zie Pikir 
Zie Boga 
Zie Hajang 
Zie Halaug 
Zie Kiïh 


' 
i 




ttli 

Kahntoerau 


l.p. 


Zie Seuri 


■ 


Kahojoug 

Kaja 

Kaka 


Lp. 

L 

k.L 


Zie Hajaug 
Zie Beunghar 
Vrg. Tiantjeuk 






Kakan- 


k.L 


Gadoeh kakaudoengau l.,zie Beaneuh 






doeugau 
Kakang 


k.L 


=r. Kaka, zie aldaar 


■ 
i 


Kakara 


k. 


Zie Kara 




Kakarek 


k. 


Zie Kara 




Kakasih 
Kalah (Mal.) 


L p. 
k. 


Zie Ngarau 
Zie Eleh 






Kalahadjat 
Kalaugëuau 
Kalëbët 
Kalêpatau 
Kalih përka- 


L 

Lp. 

L 

L 

L 


Kyaitaal. Zie Isiug 

Zie Oelin 

Zie Ka-asoep ouder Asoep 

Zie Kaliroe 

Zie Doewa 




1 

* 

1 


wis 






i 


Kaliroe 


k.L 






Kaloerou 


1. p. 


Zie Oedoel 






Kaloewar 


L 


Zie Bid j il 






Kaloewat 


g. w. 


Zie Koeboer 






Kamanah 


1. p. 


Zie Pikir 






Kamaudaug 
Kami 


l.p. 


Zie Toeloeug 

Pers. eu bez. vmw. 1' persoou, 
zie luleidiug 







"t liëHëS IN ^T SOENDAASCH. 



459 



OED 1 K»aarLëmë8 


Lèmës 
1. 


Sédëng 

8. 


Lëmës piaan j Vertaling. 

1. p. 1 


1 








Zooals, op de manier van 
(vragend) 


noet 






Overdacht 


ileuh 






Aanvaard 


üeuh 




i Overdacht 

i ■ 1 


ilih 

• 


1 




Overdacht 


oeugan 






Bezitten, hebben 


ftjaug 


1 


Begeerte, verlangen 


aiangan 






! Verhinderd , behinderd 


am- 




1 

1 »- 


Wateren 


ngau 1 








atoeran ^ 


■ 




Tincheu, glimlachen 


ojong 


1 

1 




Begeerte, verlangen 


i 








Rijk 


a ! Kaka of 






Baka 


Oudere broer 


Kakang 


1 




an- ! Kakandoe- 




I 1 Iets , dat bij zich gedragen 


engan ngan 




! , wordt 


aiig 


1 ' Oudere broer 


ara 


1 (Nu — of toen — of dan — ) 




' eerst, pas 


arek 


1 : Idem 


asih 


Naam 


th{MaL) 


j 't Verliezen , 't afleggen , 


k 


' verliezen bij 't spel 


ihadjat 


1 

1 


Een groote boodschap doen 


ngênan 






Vermaak, //spielerei// 


'bët 






! Aanvaard 


pa tan 






Zich vergist hebben 


i perka- 






Opsommend : Ten tweede , 


3 , 


! iu de tweede plaats 


roe 


Kaliroe of 


Kalêpatan 


Zich vergist hebben 




Saliroe j " ! 


' 


€ron 






Miskraam , een miskraam 
hebben 


«war 


1 




Naar buiten (gaan, treden 








1 




enz.) 


«wat 










tanah 




1 


Overdacht 


laudang 




' Hulp , uitreddiüg 


]i 






1 


i 
1 





460 



't LëMës IN 't S0ENDAA8CH. 



1 
WOORD 


Aan- 1 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan 
k. p. 


k. 


Kampoeh 


Lp. 


Zie Simboet 




• 


Kandoeug 


g.w. 


Zie Beuneah 






Kautënan 


1. 


Zie Poegoeh 




Kantënau 


1. 


Zie Tangtoe 




Kanto^i 


1. 


Zie Tinggal 


. 


Kautos 


1. 


Zie Koengsi 




Kaoela 




Pers. en bez. vmw. 1* persoon, 








zie Inleiding 


■ 
• 


Kaoelinan 


k.1. 


Zie Oelin 


1 
1 


Kaoeninga 


1. p. 


Zie Tendjo 


1 
1 


Kaos 


L 


Zie Kawas 


1 


Kapaehan 


k.1. 


Zie Paeh II 






Kapamalian 


1. 


Zie Bolou 






Kapambëng 


1. 


Zie Halang 


1 
1 


Kapëngkër 


1. 


Zie Bareto 


1 
1 


Kapijoehan 


1. p. 


Zie Paeh II 




Kapikir 


k. 


Zie Pikir 




Kapoeng- 


1. 


Zie Bareto 




koer 








Kara 


g.w. 




Kakaraof 
of Kakj 


Karana 


k. 




Karana 


Karang 


g.w. 






Karanten 


1. 


Zie Karana 


1 


Karek 


k. 


Zie Kara 




Karembong 


k.1. 




1 


Karëp 


k. 


Zie Arëp 


1 


Karësëban 


1. p. 


Zie Bolon 


j 


Kari 


k. 


= 't Meer gebruikelijke Tinggal 


1 
1 


Karingët 


l.p. 


Zie Kesang 


i 


Karoenja * 


k.1. 


Karoenja wordt ook gezegd van 
't objekt : medelijden-opwekkend, 
deerniswaardig 


1 
1 


Kasaj 


1. p. 


Zie Roeroe 


1 

1 


Kasakit 


k.1. 


Zie Sakit 


1 * 


Kasawat 


1. p. 


Zie Sakit 


1 
1 


Katara 


k. 




i Katara 


Katawis 


1. 


Zie Katara 






Katembong 


k. 


Zie Tendjo 






Katendjo 


k. 


Zie Tendjo 







* Uitgesproken : „Karoenya". 



't LëMës IN 't soendaasgh. 



461 



HD 



Easar Lëmës 
k. 1. 




Lèmés pisan 
1. p. 



Vertaling. 



oeh 

)eng 

nan 

nan 

•en 

•s 

a 

inan 
linga 

ïhan 

nalian 

sbëug 

igkër 

oehan 

ir 

sng- 

r 



ia 
»g 

itën 
aboDg 

ëban 

gët 
nja 



it 

rat 
i 

ris 



ibong 
idjo 



Pakarangan 



Karembong 



Karoenja 



Nëmbe 



Karanten 



Katawis 



Deken 

Zeker, gewis (bevestigend) 
Zeker/ vaststaande 
Achterblijven, overblijven 
Tot aan toe 



Vermaak, //spielerei >/ 

Zichtbaar, te zien 

't Lijkt alsof, 't schijnt wel 

In zwijm vallen 

Stonden 

Gedwarsboomd, gehinderd 

Vroeger 

In zwijm vallen 

Overdacht 

Vroeger 

Eerst, pas 



Wegens 
Pakoewon ! Erf 
(zelden) 



Këkëmbën 



Wëlas 



Wegens 

Eerst, pas 

Slendang(vrouwenkleeding- 
stuk) 

Wensch, verlangen 

Stonden 
j Achterblijven, overblijven 

Zweet 

Medelijden, deernis hebben 



Voorwerp waarmee men 
boent bv. een spons, zeep 
enz. 

Ziekte (onbepaald) 

Ziekte (onbepaald) 

Zichtbaar, waar te nemen 

Zichtbaar, waar te nemen 

Gezien , zichtbaar , te zien 

Zichtbaar, te zien 



462 



't LëMës IN 't SOIin)AASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toeliohting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Katik 

Katiugal 

Katingali 

Katja 

Katjida 



Katoehoe 

KawaloQ 
Kawas 

Kawatir 

Kawatos 
Kawiu 



g.w. 
1. 

1. p. 
k.1. 
k. 



k.1. 

1. p. 
k. 

k. 

1. 
k.L 



Zie Asoeh 
Zie Tendjo 
Zie Teudjo 

lu eeu absolute superlatief staat 
//katjida// na H bepaalde adjec- 
tief, //sakalangkoeng// kan alleen 
zelfstandig gebruikt worden 
(Gëde katjida , sakalangkoeng 
agëng(na)) 

Men kan in 't 1. ook //pisan// 
zeggen , dat k. 1. is 

't L. p. alleen ten opzichte van 
personen 

Zie Tere 



= Hawatir, zie aldaar 

Zie Hawatir 

//Nikah// wordt beschouwd te zijn 
van den stam //Tikah//. 't Wordt 
nog al eens als 1. gebruikt. 



In verband met planten is natuurlijk 
alleen 't k. 1. in gebruik. 



Kawinan 






Kawou 


1. 


Zie Eleh 


Ka won 

Këbak 

Këdah 

Kêdap 

Kede 

KëdëDg 


1. 

g.w. 

1. 

g.w. 

k. 

g.w. 


Zeldzaam. Zie Goreug 

Zie Mandi en aanteekening aldaar 

Zie Koedoe 

Zie Keudeung 

— Kentja, zie aldaar 









Eunteuug 
Katjida 



Kawas 



^ d. w. z. 't Schijnt wel zoo te zijn, in tegenstelling met «Siga'* of „Djiga" k. 1., dat bet( 
,Geuning, Karta! kawas kadijeu'' — Kijk, daar heb je Karta! 't Lijkt wel alsof hij hierheen 



't LëMës IN 't soendaasch. 



463 




Lémès pisan 
1. p. 



Vertaling. 



Katja 



Katoehoe 



Ka win 

Ngawin 
Ngawinkeun 



Kawiuan 



Ngëdëng 



Sakalaug- 
koeng 



Kaos 



(Nikah) 



Tëngën 



Nikah 



Nikah 

Nikahheuu 
Ngarendeng- 

ankeun of 
Ngadahoep- 

keun (in 
brieven, stad - 

huiswoord) 

Kendengan 



Zichtbaar, te zien 

Idem 

Spiegel 

Zeer 



Ebog 



Rechts 

Stief — 

't Lijkt alsof, 't schijnt 

wel * 
Beduchtheid wekkend en 

bedacht 
Idem 
Huwen, trouwen (intr.) 



Huwen (tr.) , ten huwelijk, 
tot vrouw nemen 

Uithuwelijken , in den echt 
verbinden. Van planten : 
de mannelijke met de 
vrouwelijke in aanraking 
brengen , z. a. bij kunst- 
matige bevruchting 

Trouwerij , huwelijk , ook : 

bruidspaar 
't Verliezen, 't afleggen. 

Verliezen bij 't spel 
Slecht, leelijk 

Moeten 

Links 

Liggen (in liggende hou- 
ding) 



ijüen, den schijn hebben" zonder *t te zijn. Bv. Iemands gelaat glanst „si ga boelan''. 



464 



^T LëMës IN 't soxndaasoh. 



WOORD 



Kedjo 



Aan- 
duiding. 



Kehed 

Këkëdëngan 

Këkëmbën 

Këkëmoe 

Këmbën 

Këmoe 

Këmpël 

Këndi 

Kenging 



Kentja 

Këris 
Kërsa 



Kërsaeun 



Kërsaeun 

Kesaug 

Keser 

Këtjër 

Keudeang 

Keur 

Keur 
Kiïh 

Kijat 



Kintën 



k. 



k. p. 
k.1. 
1. p. 

k.1. 
g. w. 
g. w. 
1. 
k.1. 

1. 



k.1. 

k.1. 
1. p. 



1. p. 



J. p. 
k.1. 
g. w. 
1. p. 
g. w, 
k. 

k.1. 
k.1. 

1. 



1. 



Verwijzing of toelichting. 



Is de rijst niet op de gewone 
wijze gaar gestoomd, dan 
duidt men dat door een toe- 
voeging aan (sangraj , liwët) 

Zie Sirit 

Zie Këdëng 

Zie Karembong 

Zie Këmoe 
Zie Karembong 

Zie Koempoel 

Zie Beunang en Meunang, aldaar 

't L. p. wordt alleen gebruikt ten 
opzichte van personen 

Zie Arëp 

Zie Eek (Dek) 

Zie Daek 

Teu kërsaeun, zie Daek 
Zie onder Bek. 

Zie Sërah 
Zie Peureuh 

= Eukeur I, zie aldaar 

= Eukeur II, zie aldaar 

Zie Koewat 

Zie Kira 



Kasar pisaa 
k. p. 



Kedjo 



Kede 



SakeadeuDg 



't LëMës IN ^T SOENDAASCH. 



465 



DBD 



Kasar Lèmës 
k. 1. 



Lëmès 
L 




Vertaling. 



Këkëdëngan 



d ■ 

fdëngan 

imbën 

tmoe 
beu 
oe 
pël 

li 



1» 



teuu 



teun 

r 
ieung 



en 



Sangoe 



Këkëmoe 
Këndi 



Kentja 
Këris 



Kesang 



Kiïh 



Sakëdap 



Ebog 
Sangoe 



Goegoerah 

Tj aratan 
(T^iandjoer) 



Kiwa 



Doehoeng 



Karingët 



Kaham- 
pangan 



Volgr. V. 



Këdëug-erig zijn, liggerig 

zijn . 
Rijst gereed om genuttigd 

te worden 



Penis 

Liggerig zijn 

Slendang(vrouwenkleediug- 
stuk) 
Den mond spoelen 

Den mond spoelen 

Bijeen, vergaderd 

Aarden kruik van bepaald 
model 

Verkregen, gekregen 

Verkrij gen , win nen , ge- 
oorloofd zijn, durende 

Links 

Kris (wapen) 
Wensch, verlangen 
Willen (hulpwerkw.) , van 

plan zijn, wenschen 
I. Willen wenschen — 

IL willig zijn 
Niet willen 
Willen, van plan zijn 
Zweet 

Oogdruppel 
Een oogenblik 
Voor, ten behoeve van, 
om te 

Bezig zijn met 
Wateren 

Sterk, krachtig, met weer- 
standsvermogen (ook van 
menschen) enz. 

Naar (iemand) denkt, naar 
gissing 



30 



466 



^T Lëlfês IN ^T SOBNDAASGH. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan 
k. p. 


Kasar 
k. 




1 

1 


Teu kintên en Pangintën, zie 








■ 


Kira en Meurenn 




• 






Sakintën, zie Meuensan 






Kiutën- 


1. 


Zie Kira 




kintën 








Kiutoeu 


g. w. 


Zie Kirim 




' 


Kira 


k. 






Kira (ook ! 










Kira-kiia 


V 




//Teu kinten'/ wordt meer gebruikt 
dan //Ten kira//, vaak als ver- 




Teu kira 




• 


vang woord van //katjida//, '/na- 


; 






kerm/ enz. 


■ 


Kirang 


1. 


Zie Koerang 




Kirim 


g-w. 






Ngirim 


Kiwa 


1. p. 


Zie Kentja 






Kodjor 


k. p. 


Zie Paeh 




Koe andjeun 


1. p. 


Zie Pribadi 






Koeboer 


g. w. 


De 1. p. woorden alleen vap 










menschenlijken 




Koeboeran 


k.1. 


= Astana, zie aldaar 


1 
! 

1 


Koeda 


k.1. 


//Titihan// kan alleen van een rij- 
paard worden gezegd 


i 

i 


Koedoe 


k. 




Koedoe of M 

1 


Koekoe 


k.1. 








Koela 




Pers. en bez. vnw. 1* pers., zielnleiding 






Koelawarga 


k.1. 


Zelden gebruikt. Baraja, zie 
aldaar 


1 

1 

1 


Koelawargi 


I. p. 


Zelden gebruikt, zie Baraj& 






Koelëm 


1. p. 


Zie Hees 

Pakoelëman 1. p. , zie Enggon 




Koe raaneh 


k. 


Zie Pribadi j 


Koempoel 


k. 


Koempoel 


Koeijgsi 


k.1. 


1 


Koeutji 


k. 


■ Koentji 


Koepiug 


1. 


Zie Tjeuli 


Koeping 


g. w. 


Zie Denge 


Koeraboe 


k.1. 









't LëMës IN 't soendaasch. 



467 



►RD 



Kasar Lèmés 
k. 1. 




Lémës pisan i 
1. p. 



Vertaling. 



ü- 

tëu 

en 



Kintëü of 
PaDgintëu 
Kintën- 
kintën of 
Autawis . 
Teu kintëu 



g 



r 

idjeun 

►er 



eran 



Ngoeboer 
Mëudëm 
Ngaroewang 

Koeda 



Koekoe 



e 
e 

irarga 

nrargi 
n 

laneh ' 
poel I 
:si Koengsi 



ng 
boe 



Koeraboe 
of Soewëng 



Ngintoeii 



Këdah 



Këmpël 

Kantos 

Sosi 



Ongeveer 



Naar deiik(t) , naar 

gissing 
Gegist en nog eens gegist, 

ongeveer, bij benadering 

Naar men niet zou denken, 
d. w. z. in sterkere mate 
dan men zou denken, zeer 



Ontbreken, te kort zijn, 

minder zijn, minus 
Zenden 
Links 

Dood, dood gaan 
Zelf 
*Ngaloewat| Begraven 
of *Ngoe- 
rëbkeun 

Titihan 



Tanggaj 



Begraafplaats 
Paard 

Moeten 
Nagel 

Verwante, familielid 

Verwante, familielid 
Slapen 

Zelf 

Bijeen, vergaderd 

Tot aan toe 

Sleutel, slot 

Oor 



Soembër ef ^ Oorknop 
Tjëtjëpan 
(Tjiandjoer) 



468 



't LëMës IN 't SOINDAASCH. 




Koerang 

Koerëb 
Koeriüg 



Koeris 

Koeris 

Koeroe 

Koetoe 

Koewat 



Kokod 
Kolot 

Koreng 



Korod 
Kotor 



Laboeh 

Ladjëug 

Ladjo 

Ladjoe 
Lahir 
Lahirau 
(iiaiia) 
Lahoen 

Laiu 

Lajad 
Laki 

Laladjo 
Lalaki 



1. 

g. w, 
k.1. 
k.1. 
k. 



k. p. 
k.l. 

1. p. 



k.l 
k.l. 



k.l. 
1. 
g. w, 

k. 

g. w. 
l. p. 

g. w. 

k. 

g. w. 
g. w. 

k.1. 
k.l. 



Zie Koeboer 

Pers. en bez. vrnw. 1® persoon ^ 

zie Inleiding. Als substantief k. 1. 

— kleine man 
Zie Bongsor en aanteekening aldaar 
Zie Tjatjar 



Zie Leungeuu 

De s. en 1. p. woorden slechts 

van menschen 
Zie Boedoeg 
Zie Badang 
Ook 1. p. van Bodek — uitslag 

op 't hoofd? 
= Bopeng, zie aldaar 

Gradoeh kotor I. , zie Bolon 



Zie Toeloej II met aanteekening 



Zeer zelden gebruikt = Toeloej II 

Zie Omong 

Zie Tjëk(na) met aanteekening 



Zie Panggih 



Zie Ladjo 
Zie Laki 



Koerang 



Koewat 



Laiu 



I 



't LëMës IN *T SOENDAASCH. 



460 



>ORD 

j 


Kasar Lémès 
k. 1. 


Lemes 
1. 


Sédèng 
s. 


Lèmës pisan 
1. ^'. 


■ V-' ■ ■- -■ ■ 

Vertaling. 


rang 
réb 




Kiraug 






Ontbreken, te kort zijn, 
minder zijn, minus 


nng 












ris 

ris 








■ 


Fokken, de pokken hebbeu 



Koeroe 
Koetoe 



Kolot 



Laboeh 



Laladjo 



Ngalahoen 



Lalaki 
Salaki 



Kijat 



Sépah 



Nongton of 
Ningal 



Sanes of 
Se nes 



Laugsip 
Poentaug 



Sëpoeh 



Geubis 
Ningali 



Maugkon 



Pamëgët 
Tj^roge 



Mager, schraal 
Luis (geen bladluis) 
Sterk , krachtig, met weer- 
standsvermogen (ook van 
menschen) enz. 
Hand 
Oud , ook : ouders 

Schurft, kleine uitslag 
Groote uitslag 



Van de pokken geschonden. 

Pokdalig 
Vuil 



Omvallen 

Vervolgens, daarop 
Toeschouwen 

Vervolgens, daarop 

(Iemands) zeggen , 't (Door 

iemand) geuite 
Op schoot hebben , in den 

schoot dragen 
Niet (aldus) zijn 



Mannelijk, man 
Echtgenoot 
Toeschouwen 
Mannelijk, man 



470 



't LëMës IN 't soendaascu. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasai 
k. 



Lalangse 
Lali 
Ijarnar 
Lambe 
Lambêj 
Lamboet 
(Tjiandjoer) 
Lami 



1. 


p- 


1. 


p- 


g' 


, w. 


1. 


p- 


l. 


p- 


1. 


p- 


1. 





Lamoeu 



Laudjaug 



Laudoug 

Langêu 

Lauggir 

Lauggoekan 

Langkoeng 

Langkoeng 

Langse 

Laugsip 

Lantjeuk 

Lantjiugan 

Lapar (Ma- 

leisch) 
Latar 

La was 



Lêbah 



Lébët 
Lëbët 
Lëbët 



Lëbok 
Leho 



k. 



1. p. 



1. p. 
g. w. 
g. w. 
1. p. 
1. 

g. w. 
g. w. 
1. p. 

k.1. 

1. p. 

k.1. 

1. p. 

k. 



k. 



1. 
1. 
1. p. 



g. w. 

k.1. 



Zie Eeregan 
Zie Poho 
Zie Tanja 
Zie Biwir 
Zie Biwir 
Zie Beuteung 

Zie Heubeul 



Zie Lila 



Zie Boedjaug 



Zie Oebar 

Zie Oeliu 

Zie Dapang 

Zie Doedoekoej (ouder Doekoej) 

Zie Leuwih 

Zie Liwat 

Sakalangkoeng 1., zie Katjida 

Zie Beregan 

Zie Koeroe 

Vrg. Kakang 

Zie Tjalana 

= Ponjo , zie aldaar 

Zie Boeroewan 

= Heubeul , zie aldaar 



Lamoeu 



LebahofB 



Zie Asoep 
Zie Djëro U 
Zie Djëro I 



Zie Njatoe eu Hakau 



't Lëiiës IN 't soendaasoh. 



471 



ORD 



Kasar Lëmès 
k. 1. 



iigse 

IT 

be 
bêj 
boet 
ad j oer) 



3en 



Ijang 



long 
fën 

fgoekau 
^koeng 

^koeug 

jse 

pip 

jeuk 

jingan 

ir(Ma- 

leisch) 



as 



it 
It 
ft 



)k 



I 



Lëmés 
1. 



Sèdèng 
s. 



Lémès pisan 
1. p. 



Vertaling. 



Lantjeuk 



Leho 



Oepami of 
Oepantëu 



Lérësan 



lUka 



Oembël 



Voorhang, gordijn 
Vergeten 

Lippen, lip 
Lippen, lip 
Buik 

Lang van duur (nl. tot 
nu toe), oud, vroeger, 
; gewezen 
I Lang (van tijd) 
{ Indien 

; Vrouwelijke bediende van 
een aanzienlijke (Oost- 
Prijaug^n) 
Geneesmiddel 



Zonnehoed 

Meer 

Voorbij en Zeer 



Mager, schraal 

Oudere broer of zuster 

Broek 

Honger hebben 

Zij en voorerf, ruimte bij 

't huis 
Lang van duur (nl. tot 

nu toe), oud, vroeger, 

gewezen 
Ter plaatse, ter hoogte 

van, omtrent, omstreeks 

(plaatsaanduidend) 
In- Binnengaan 
Binnen 
Woning , residentie van 

een aanzienlijke, speciaal 

een Eegent 

Snot 



I 



472 



^T Lêlfës IN ^T SOBNDAASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Leiepen 

Lëlët 

Lêmar 

Lemek 

Lëuggah 

Lëpat 



Lepeu 

Lërës 

Leres 

Lërësaii 



Letah 

Leueut 

Leumpang 



Leuugeun 



Leutik 

Leuwih 

Leweh 

Lijau 

Lila 

Limbrah 

Linggih 



Liugsëm 



1. 


P- 


g- 


w. 


g- 


w. 


k. 


P- 


1. 


P- 


1. 





g. w, 

1. 
1. 

1. 



k.1. 

g. w, 
k.1. 



k.1. 



k. 

k. 

k. p. 

k. 

k. 

1. 

1. p. 



I. p. 



Zie AH 

Zie Oedoed 

Zie Seupah 

Zie Omoüg 

Zie Dioek 

Zie Loepoet 

Zie Euweuh 

Zie Teu njaho (onder Njahö) 

Zie Pahili (onder Hili) 

Zie Poho 

Zie Salah 

Zie Ali 

Zie Bënër 

Zie Heueuh! met aanteekening aldaar 

Zie Lëbah 



Zie Inoem 



't K. 1. is ook //mouw// van een 
kleedingstuk en //steel// van een 
arenbloemtros , waar 't sap uit 
verzameld wordt 



Zie Tjeurik 

= Sedjen, zie aldaar 

Zie Loembrah 

Zie Dioek 
Zie Audjang 
Zie Sindang 
Zie Era 

Zie Isin 



Kokod 



Leutik 
Leuwih 



LUa 



't LëHës IN 't sobndaasoh. 



473 



3RD 

1 


ILasarLémës 
k. l. 


Lèmés 
1. 


Sêdèng 
s. 


Lèmés pisnn 
1. p. 


Vertaling. 


>en 

1 










Vingerring 


ir 
^k 




• 




• 


Zeggen , spreken , praten 


'gah 






1 




Zitten, zetelen 


t 










Mis 








£r is niet, er zijn niet 








j 1 //Ik weet 't niet!// 


n 


1 


1 


r 
1 

! 

1 

1 


Verwisseld, verward 

Vergeten 

Fout, verkeerd 




• 








Juist (niet verkeerd) 








1 


Ja! (bevestigende 't door 












een ander gesprokene) 


an 




1 i 


Ter plaatse of ter hoogte 
van, omtrent, omstreeks 






1 




(plaatsaanduidend) 


it 


Letah 






Hat 


Tong 


1 w 

pang 


Leumpang 






Angkat 


Loopen, ook: op reis zijn 


\ 


* 








ter uitoefening van zijn 
bedrijf (nl. van lieden die 










! dat loopende plegen te 






1 doeu, zooals marskramers, 










# 


koelies) 


^un 


Leungeun 






Panangan 


Hand, arm 


c 




Alit 




■ 


Klein 


ih 




Langkoeug 




Meer 

1 


> 








Schreien, grienen 










1 Ander , anders 






Tjami 




t Tiang (van tijd), tijdsduur 


-ah 






1 


i Gewoon , algemeen voor- 










komend 


ih 






1 


Zitten, zetelen 












Even aangaan 










Toeven 


§m 




i 




Beschaamd (voor een 








mindere) 










Beschaamd , verlegen (voor 


1 




1 






een meerdere) 



474 



't LCMës IN 't SOENDAASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasu 



Lintar 

Liren 

Lipoe 

Lirou 

Lisa 

Lisah 

Lisan 

Li wat 

Loba 



Loedah 

Loega 
Loembrah 

Loenas 

Loengsoer 

Loepoet 

Loewar 



M 

Madjik 

Madjoe 

Madjëng 

Magawe 

Mahi 

Make 

Make 

MalaDg 

Malik 

Malikkeun 

Mainas 
Mambëng 



g. w, 
1. 
g. w. 



g. w. 

k.1. 

1. 

g. w, 

k. 

k. 



1. p. 

1. p. 
k.1. 

k.1. 

1. p. 
k. 
g. w. 



k.1. 

k. 

I. 

k. 

k. 

k. 

k. 

k. 

k.1. 

k.1. 

1. p. 
1. 



Zie Eureun 

Alleen in den vorm //Kaliroe/i^ mij 

bekend, zie aldaar 
Zie Hili en Toekeur 

Zie Minjak 
Zie Sêrah 

Boa is niet algemeen in gebruik. 
Wordt door velen afgekeurd als 
nieuw maaksel, naar 't schijnt 
van Tjiandjoer afkomstig. Seueur 
is overal 1., van bras gezegd; 
in Soemëdang algemeen 1. van 
loba 

Zie Tjidoeh. — Pangloedahan 1. p., 
zie Tampolong 

Zie Oetah 



Zie Toeroeu 
Zie Bidjil 



Zie Padjik 

Zie Padjoe 

Zie Padjoe 

Plaatselijk, zie Gawe 

= Tjoekoep, zie aldaar 

Zie Pake 

Zie Pake 

Zie Palang en aanteekeuing 

Zie Poelang, aanteekening 

Zie Poelang, aanteekening 

Zie Sirit 
Zie Palang 



Li wat 
Loba 



Loépoet 



^T Lëlfës IN ^T SOBNDAASCH. 



475 



Kasar Lêmès 
k. 1. 




Lëmès pi san 
1. p. 



Vertaling. 



k 



keun 
)ëug 



Ngalintar 



Lisa 



>rah Loembrah 



Loeuas, of 
impas 



Langkoeng 
Boa of 
Seueur 



Limbrah 
Foenah 



Lëpat 



Moepoeh Visschen met een werpnet 
Ophouden, uitscheideu 



Faseuk 



Neet 
Olie 

Voorbij , ook : zéér 
Veel 



Speeksel 

Braken, braaksel (?) 
Gewoon, algemeen voor- . 

komend 
Afgedaan, afbetaald 

Afdalen, afstijgen 
Mis 



Bij iemand inwonen 
Vooruitgaan 
Vooruitgaan 
Vervaardigen, maken 
Toereikend, voldoende 
Zich kleeden 
Met, voorzien van 
Dwars in den weg liggen 
Wenden, keeren (iutr.) 
Doen wenden, keeren, om- 
draaien (tr.) 
Penis 
Dwars in den weg liggen 



476 



't Lëllës IN ^T SOENDAASCH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 

k.p. 



Kasar 



Mambëngan 



Mana 



Manah 
Manak 

Manah 
Manah 

Mauantëu 
(Tjiandjoer) 

Manawi 
Mandi 



Maneh(na) 
(Manehan- 
nana) 
Maneh 
Mangga ! 
Mangga ! 
Manggih 
Manggihan 

Mangkon 

Mangsa 



1. p. 
1. p. 

. 1. p. 



1. 



k. 



Zie Halang 



1. 



k.l 



Zie Angën 
Zie Hate 

Zie Fikir en aanteekening 
Zie Asoep en Pikir 
Rëdjag — , zie Ambëk 
Zie Soegan 



Maui 



Mantog 
Maos 



k.l. 
1. p. 
1. p. en s. 
k. 
k. 

1. p. 
k.1. 



1. 



k. p. 
1. 



Zie Soegan 

Zie Palangsijang 

De eigenlijke beteekenis van //Ngë- 

bak/r k. 1. is /)^baden in een 

groote bak// 
Pers. en bez. voornaamwoord 2* (3*) 

persoon , zie Inleiding 

Reflexief vrnw. , zie Inleiding 

Zie Hade 

Zie Hade, aanteekening 

Zie Panggih 

Zie Panggih 

Zie Lahoen 



Zie Mana 



Zie Indit . 

Zie Batja en aanteekening 



Mana 



Mangsa aj< 
(ijen) 



V LëHëS m 't aOENDAASCH. 



477 



)ORD 1 


Kasar Lémès 
k. 1. 


Lêmès 

1. 


Sëdèng 

8. 


Lémès pisan 
l. p. 


Vertaling. 


1 
abêngau 




- 






Dwarsboomeu , een hinder- 
nis vormen, hinderen (tr.), 
in den weg staan 


ia 




Mani 




Tusschenwerpsel van ver- 
bazing dat nadruk legt 












op 't yolgende woord: 








1 


Zie, kijk, neen maarl 


lah 








Onderborst 


lah 








Hart, gemoed (van den 






1 




mensch) 


lah 










Plaats van 't denken 



lah 

anten 
mdjoer) 



awi 



ili Mandi 



eh(na} i 

uehau- 

aiia) 

eh I Maneh 

gga! 
gga! 

ggih 
^ihan 

gkon 

gsa Mangsa 



Ngëbak, ook 
Siram 



Misschien, wellicht (waarbij 
men denkt, dat 't ver- 
onderstelde juist zal blij- 
ken te zijn) 

idem 

Wellicht 

Zich baden 



Andjeun 



11 



itog 



)S 



Dangêt a- 
jèuna (ijeu) 



't Is goed ! 
Als 't U belieft! 
Vinden, aantreffen 
Opzoeken , bezoeken , een 

bezoek brengen aan 
Op den schoot dragen, in 

den schoot hebben 
Tijdstip, ook zonder meer 

Tijdstip van sterven , (een 

korte) tijdsduur 
Tegenwoordig 

Tusschenwerpsel van ver- 
bazing dat nadruk legt op 
't volgende woord 

Heengaan, vertrekken 

Lezen 



478 



^T Lëllës IN ^T SOENDAASGH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Maot 

Mapariu 

Maparin- 

keun 
Marak 



*Maras 
Mareutah 

Marga 
Margi 

Marijos 
Marijos 
Mariksa 
Mariksa- 



1. 

1. p. 
1. p. 

k.l. 



Zie Paeh en aanteekening 
Zeer hoog. Zie Bere 
Zeer hoog. Zie Bikeun 

Zie Parak 



1. p. 
k.l. 

1. 
1. 

1. 
1. 
k. 
1. p. 



(keun) 
Masih of Ma-'l. en 1. p. 

sihan I 
Masihkeun X eu 1. p.i Zie Bikeun 



Zie Tjoekoer 
Zie Titah 

Zelden gebruikt, zie Sawab 
Zie Sawab 

Zie Pariksa 
Zie Tanja 
Zie Pariksa 
Zie Tanja 



Zie Bere en aanteekening 



Mastaka 
Mata 



I. p. 
k.1. 



Zie Hoeloe 



Matak 



g. w, 



Mawa 

Mawi 
Mëdal 



k. 

k. 

g. w. 

1. 
(soms : 

i.p.) 



Pauonpowe doelt meer op 't zonne- 
licht, srangenge op H zonne- ; 
lichaam i 

Matak i<: reden, oorzaak, aan- | 
leiding, reden — , aanleiding zijn, 
veroorzaken. Noe matak dus : 't 
geen de reden, oorzaak, aan- 
leiding is 

Zie Ba tja 

Zie Bawa 

Zie Matak 
Zie Bidjil II 



Tjimata 



Noe matak 



^T LëMës m ^T SOBNDAASCH. 



479 



^T>T\ Kasar Lëmëa 

1 


LSmês 
1. 


Sëdêng 

8. 


Lémès pisan 
Lp. 


Vertaling. 


1 
1 








Dood, sterven 


rin 








Geven, verleeneu 


rin- 










Geven , overgeven , over- 


tn 










dragen, schenken 


i 






1 
1 


't Water in een rivier af- 
leiden waardoor een ge- 










deeltekomtdroogteliggen, 












met 't doel er de visch te 










vangen 


IS 


. 




1 


Scheren 


liah 


" 




1 


Last geven , orders geven. 












kommandeeren 


i ^ 










Om reden, omdat, dewijl 
Beden , oorzaak , om reden, 
omdat, dewijl 


tö 








Onderzoeken 


^s 






1 


Vragen, informeeren 


sa 






1 
1 


Onderzoeken 


sa- 








Vragen, informeeren 


teun) 










of 








Geven 


han 








■ 


kean 






1 


Geven , overgeven , over- 
dragen, schenken 


ka 








Hoofd 


Mata- 




Panon 


Sotja 


Oog 






Tjisëer 


Tjipanon 


Tjisotja of 


Traan , tranen 








Tjikaseër 


1 


► Panonpowe 


Srangenge of 
Sarangenge 


1 




Zon 


te 




Noe mawi 




1 


De reden , aanleiding dat ; 
dat (is) de reden of aan- 


1 

• 
1 






1 


leiding , daarom , vandaar 

1 






■ 


1 '■ 
1 1 


Lezen 




1 


1 




Bij zich hebben , mede- 


1 






brengen, medeuemen 


l 


« 




■ 


1 


Geboren worden 

1 



480 



't Lëiiës IN 't soendaasch. 



WOORD 


Ann- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pi san Kasa 
k. p. k. 


Mëdalkeun 


1. 

(soms : 


Zie Djoeroe 




• 


Mëkëlau 


Lp.) 
k.1. 


Zie Bëkël 






Mëndak 

Mëudakaii 

Mëudêm 


1. 
1. 
k.1. 


Zie Pauggih 
Zie Pauggih 
Zie Koeboer 






Mënggah 
Mëngi 


1. 
k.1. 


Zie Ari 






Menta 


k. 


Zie Penta 




Mëutjet 
*Mëpër 
Mere 


k.1. 
i.p. 
k. 


Zie Pëutjet' 
Zie Goesar 
Zie Bere 


1 


*Meresau 


Lp. 


Zie Sisir 




M ertoe wa 


Lp. 


Zie Mitoha 




Mesëm 


Lp. 


Zie Imoet 


1 
! 

1 


Mêsën 


Lp. 


Zie Talatah 






Meser 


1. 


Zie Beuli 




/ 


Meueusau 


k. 






Meneusan 


Meuli 


k. 


Zie Beuli 


1 


Meunang 


k. 


Zie Beuuaug 


1 

• 


Meureuu 


k. 






Meuieaii 


*Meuseul 
Midamël 


1. p. 
1. 


Zie Pëutjet 
Zie Gawe 


: 


Midaugët 
Migawe 


1. 
k. 


Zie Deuge 
Zie Gawe 


( 


Mihape 


k.L 


Zie Pihape met aauteekeuing 


1 

1 

1 


Mijaug 
Mijos 


k. 

1. 


Zie Ijaug 
Zie Ijaug 
Zie Indit 




Mijoskeuu 
Mikarësëp 


1. 
k.L 


Zie Ijaug 
Zie Résëp 


* 
1 

1 
1 


Mikir 


k. 


Zie Pikir i 


Miloe 


k. 


Zie Piloe 






Mimiti 


k. 






Mimiti 



't LëlCëS IN ^T 80XNDAAS0H. 



481 




Kasar LSmés 
k. L 



Lëmëa pisan 
1. p. 



Mëngi 



- ■* 



Sakintën 



Fangintën 



Ampëg 



Ngawitan 



Vertaling. 



'olgr. V. 



Baren 



Van leeftocht voorzien 
(iemand) 

Vinden, aantreffen 

Bezoeken, opzoeken 

Begraven 

Wat betreft 

Aamborstigheid, aamborstig 
zijn 

Vragen, verzoeken 

Masseeren 

De tanden vijlen 

Geven 

(^t Haar) Kammen 

Schoonvader ,, -moeder , 
-ouders 

Fijntjes glimlachen, grim- 
lachen, meesmuilen 

Opdragen., bestellen 

Koopeu 

Nogal, iets of wat 

Koopen 

Verkrijgen, winnen, geoor- 
loofd zijn, durende 

't Zal wel 

Masseeren 

Vervaardigen, maken 

Hooren 

Vervaardigen, maken 

Toevertrouwen , in bewa- 
ring geven 

Op weg gaan 

Op weg gaan 

Vertrekken, heengaan 

Wegzenden, verzenden 

Tot voorwerp van behagen 
nemen ^ doen zijn 

Denken , over- of bedenken 

Medegaan, mede- (een be- 
paalde handeling ver- 
richten) 

Beginnen 

81 



482 



*T LëHës IN V SOENDAABOH. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toeliohting. 


Kasar pisan 
k. p. 












MimitinA 










Ngamimil 


Minareup 


1. p. 


Zie Soesoe 






Miudëug 


k. 






Mindëu{ 
Bém< 


Miujak 
Mirah 


k. 

1. 


Zie Moerah 




Minjak 


Mitjeun 


1. 


Zie Sërah 


1 


MitjeuQ 
Mitoha 


s. 

k.1. 


Zie Ising 






Miwah 
Miwarang 
Modar 
Modol 


1. 

Lp. 
k. p. 
k. p. 


Zie Djeung 

Zie Titah 

Zie Paeh en aauteekening 

Zie Ising 






Moedoe 


k. 


Zie Koedoe 






Moega 


k. 


Zeer vaak: ^Moega-moega// — 




Moega 


Moegi 

Moelang 

Moelang 


1. 
k. 
k. 

■ 


>rmoegi-moegi/r 
Zie Moega 
Zie Poelang 
Zie Poelang 






Moelang- 
keun 


1. 


Zie Poelang 




■ 


Moelih 


Lp. 


Zie Balik 






Moelih 
Moendaj 


1. p. 
1. p. 


Zie Poelang 
Zie Boengkoep? 


• 




Moendaj 


1. p. 


Zie Marak 




1 


*Moendajan 
Moenggoeh 
Moepakat 
Moepoeh 
^Moepoeu- 
doetan 


1. p. 

k. 

k. 

1. p. 
1. p. 


Zie Sijar 

Zelden gebruikt, zie Ari II 

Zelden gebruikt, zie Bëmpoeg 

Zie Lintar 

Zie Anteur 


i 


1 
■ 



't L^M^S in V SOBNDAASCH. 



483 



aD 



Kasar Lémès 
k.1. 




Sêdèng 

8. 



Lêmés pisan 
I. p. 



Vertaling. 



Awitna of 
Ngawitan- 

nana 
Nêmbeau 



;up 



Sering 
Lisah 



II 
n 



Mitoha 



Mërtoewa 



nog 



ïg 

3g- 
keun 

i 

i 



aj 



Moegi 



idajan 

•goeh 

kat 

«h 

)oen- 

»etan 



't Begin (ervan), in de eerste 
plaats, om te. beginnen 

Met iets. beginnen, voorde 
eerste maal iets doen 

Zuigen (van een kind aan 
de borst) 

Dikwijls 

Olie 

Goedkoop 

(Zijn vrouw) verstooten 

Een groote boodschap doen 

Schoonvader, -moeder, 

-ouders 
En (in brieven) 
Gelasten, bevelen 
Dood zijn, -gaan 
Schijten 
Moeten 
Moge 't zijn (conjunctief) 

Idem 

Teruggaan, naar huis gaan 
Op iets iets anders terug- 
zenden, beantwoorden met 
Terugzenden 

Terugkeeren, naar huis gaan 
Teruggaan^ naar huis gaan 
Vangen door over 't te 
vangen dier een net, mand 
enz. heen te werpen 
't Water in een rivier af- 
leiden, waardoor een ge- 
deelte komt droog te 
liggen , met 't doel er de 
visch weg te vangon 
Luizen 
Wat betreft 

't Eens zijn, instemmen met 
Visscheu met een werpnet 
Spijzen brengen of zenden 
aan 



484 



^r LëHêS IN ^T S0ENDAA90H. 



WOORD 



Moerah 
Moeraugka- 
lih 
Moerijang 
Moeroe 



Molor 

Momok 

Mondok 



Moro 



Moro 



N 

Nalak 
Nalika 

Nainboet 

Nami 

Namoeug 

Nampa 

Nampi 

Nampik 

Nampiling 

NangaDan 



Nauggël 
Nanggoeng 

Naugiug 

Naugis 

Nangtoeng 



Aan- 
duiding. 



k. 
1. p. 

k.L 
k. 



k. p. 
Lp. 

1. 



k. 



k.1. 



k. 
1. 

1. 

1. 

1. 

k. 

1. 

k.1. 

k.1. 

1. p. 



1. 
k. 

1. 

1. p. 
k.1. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kac 

k. 



Moerah 



Zie Boedak 



Zie Boeroe 



Zie Hees 

Zie Heuntjeut 

Zie Hees 

In de eigenlijke beteekenis: //zijn 
tijdelijk verblijf hebben, over- 
nachten// is H k. 1. 

Zie Boeroe 



Zie Boro 



Zie Sêrah 

Zie Basa 

Zie Indjeum 

Zie Ngaran 

Zie Ngan 

Zie Tampa 

Zie Tampa 

Zie onder Daek, noot 

Zie Tampiling 

Zie Tampiling 

Zie Teunggeul 

Zie Tjabok 

Zie l^nggoeng. 

Zie Tanggoeng en aanteekening 

aldaai: 

Zie Tapi 

Zie Tjeurik 

Zie Tangtoeng 



't LëMëS m \ SOENDAASOH. 



485 



»RD 



Kasar Lémës 
k. 1. 



Lémës 
1. 



Sëdéng 
s. 



Lëmès pisan 
1. p. 



Vertaling. 



ingka- 

lih 

Mg 



>k 
ok 



i 
:a 

M)et 



)eng 

3a 

)i 

)ik 

nÜDg 

anan 



g«l 
gocng 

ing 

is 

Itoeng 



Moerijang 



Mirah 



Njënjëpan 



Goedkoop 
Knaap, meisje 

Koorts, koorts hebbeu 

Zich spoeden , haasten (om 
zeker doel te bereiken), 
najagen, ergens op aan- 
streven 

Slapen 

Vrouwelijk schaamdcel 

Slapeu 



Zich spoeden , haasten (om 
zeker doel te bereiken), 
itajagen , ergens op aan- 
streven 

Jagen , jacht maken op , 
op de jacht zijn 



Verstooten (zijn vtouw) 
Tijdens (van den verleden 

tijd sprekende) 
Leenen (^ngelsch : tö 

borrow) 
Naam 

Slechts, alleenlijk 
Ontvangen 
Idem 

Afwijzen, afslaan 
Om de ooiren slaan 
Om de ooren slaan 
Slaan (bv. met een stok) 
Met de vlakke hand slaan 
Er voor, instaan 
Idem 

Maar (voegwoord) 

Weenen 

Recht overeind staan 



486 



't LëMës IN 't SOBNDAASCH. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pfaan ' Kasar 
k. p. k. 


Naiija 


k. 


Zie Tanja 






Naujaau 


k.1. 


Zie Tauja 






Naou 


k.1. 


In 't 1. heeft kitoe-kijeu de voor- 
keur. 


Hah? 








Er zijn vele dergelijke uitdrukkin- 








geu, bv. teu matak naou-naon, teu 








djadi naon-naon, tea kitoekijeu 










(k. 1.), teu djadi koemaha enz. 




*Narah 


1. p. 


Zie ouder Daek, noot 


« 


Narima 




Zie Tampa 


; 


Narima 


k. 


Zie Rasa 


i 




*Naro8 


l.p. 


Zie Tauja 






Neaug 


k. 


Zie Panggih 






Neaug of iie- 


k. 


Zie Teang 






augan 










Nëda 


1. 


Zie Njatoe 






Nëda 


1. 


Zie Hakau 






*Nëda 


1. p. en 8. 


Zie Penta 






Nëmbe 


1. 


Zie Kara 






Nëmbean 


1. 


Zie Mimiti 






Neudjo 


k. 


Zie Teudjo 






Nëpi 


k. 


Zie Tëpi 




- 


Nëtëpan 


l.p. 


Zie Salat 






•Neuleu 


k. 


Van Deuleu, zie Teudjo 






Neundeun 


k. 


Zie Teundeun 


m 




(Ng) 


• 








Ngababar- 


l.p. 


Zie Djoeroe 






keun 










Ngabalës 


k. 


Zie Balës 






Ngabalik- 


k.1. 


Zie Poelang, aanteekeuing 






keuD 










Ngabantoen 


1. 


Zie Bawa 






Ngabëdag 


1. 


Zie Oedag 






Ngabedja 


k. 


Zie Bedja 







'X liëMës IN ^T SOENDAASCH. 



487 



►OKD 


Kasar Lemés 
k. L 


ijemes 
1. 


Sèdêng 
s. 


Lêmés pisan 
1. p. 


Vertaling. 


i» 










Vragen, iuformeeren 


jaan 










Ten huwelijk vragen, een 
huwelijksaanzoek doen 


1 


Naon? 
Naonnaonof 
Kitoe-kijeu 








Wat? 

't Een of ander 




Ten naon- 






Teu sa wij os 


't Maakt niets uit, er is 




naon 






of Teuajasa- 


niets tegen , geen bezwaar 


- 








wijos(wijo8) 


enz. 


rah 










Beleefd afwijzen, afslaan 


ima 










Ontvangen 


ma 










Aannemen , op zich nemen , 
erkennen, bekennen 
(schuld) 


,ros 










Vragen, informeeren 


ng 










Opzoeken (iemand) , be- 
zoeken 


ng of 










Zoeken 


iDgan 












a 










Eten 


ift 










Eten 


ida 










Beleefd vragen, verzoeken 


(ibe 


t 








Eerst, pas 


dbean 










Voor de eerste maal iets 
doen, met iets beginnen 


idjo 










Zien 


• 

11 










Tot aan 


gpan 










't Gebed doen 


leu 










Zien . . 


iDdeuu 






« 


' 


Plaatsen, neerzetten 


STg) 










« 


ibabar- 










Baren 


sun 










« *■ 


ibalës 










Antwoorden, beantwoorden 
(een brief) 


^balik- 










Omdraaien, wenden (tr.) 


kbantoen 










Bij zich hebben, mede- 
brengen, medenemen 


ibëdag 










Nazetten 


ibedja 










Berichten 



488 



^T Lëlfës IN ^T SOENDAABGH. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan 

k.p. 


Kasar 
k. 


Ngabedjadn 


k. 


Zie Bed ja 


4 




Ngabedja- 


k. 


Zie Bedja 






keun 








• 


Ngabëu 


1. 


Zie Adoe 






Ngabërsih- 


1. 


Zie Soenat 






au 

Ngabobot 


1. 


Zie Timbang 






Ngaboeroe 


k. 


Zie Boeroe 






Ngaboe- 


1. p. en 1. 


Zie Boeroe 


^ 




djëng 




^ 






Ngaboe- 


1. 


Zie Djoegdjoeg 






djëng 


• 








Ngaboe- 


1. 


Zie Soesoel 






djëng 










Ngadago 


k. 


Zie Dago 






Ngadagoan 


k. 


Zie Dago 






Ngadahar 


s. 


Zie Hakan 






Ngadahoep- 


1. p. 


Deftig en officieel, zie Ka win 






keun * 




- 






Ngadamël 


1. 


Zie Djijeun 






Ngadampal 


l.p. 


Zie Tintjak 






Ngadang- 


1. 


Zie Ome 






dosan 










Ngadangoe 


1. p. 


Zie Denge 






Ngadangoe 


l.p. 


Oost Prijangan. Zie Tendjo 






Ngadapang 


k.1. 


Zie Dapang 






Ngadawoeh 


l.p. 


Zie Omong 






Ngadëg 


Lp. 


Zie Tangtoeng. In algemeenen zin 
is //ngadëg// k. 1. 






Ngadëleh 


k. p. 


Zie Tendjo 






Ngadenge 


k. 


Zie Denge 




- 


*Ngadeu- 


1. p. (k.) 


Zie Deuheus 






heus 










Ngadeuleu 


k. 


Zie Tendjo 






*Ngadja- 


l.p. 


Zie Anteur 






djap . 


/ 









't LëMës IN *T BOZNDAASOH. 



489 



)BO 


KasarLëmés 
k.L 


Lémes 
1. 


Sëdëng 

8. 


Lëmës pisan 
Lp. 


, Vertaling. 

• 


ediaan 










Berichten aan 


edja- 










Iets mededeelen 


1 
ën V 










Zich of iets met elEaar 
meten, wedden, dobbelen 


ërsih- 










Besnijden . 


obot 










Wegen 


oeroe 


• 








Zich spoeden, haasten om 
zeker doel te bereiken, 
najagen, ergens op aan- 
streven 


067 










Idem 


g 












oe- 




- 






Bechtstreeks op afgaan 


oe- 










• 

Gaan ophalen (opsporen). 


g 










gaan achterhalen (na- 
sporen) 


ago 




• 






Wachten 


agoan 










Wachten op 


ahar 










Eten (transitief) 


ahoep- 










Uithuwelijken, in den echt 


1 


« 








verbanden 


amël 










Vervaardigen, maken 


ampal 








• 


Treden, (ergens op rond) 
stappen, 


ang- 










Herstellen, verbeteren 


n 
angoe 










Hooren 


angoe 










Zien 


apang 


• 








Languit, op den buik 
liggen 


iwoeh 










Zeggen (tot een mindere), 
bevelen 


5g 










Eecht overeind staan (hou- 
ding van 't lichaam) 


Sleh 










Zien . . 


snge 






- 




Hooren 


deu- 








^ 


Zijn opwachting maken 


euleu 










Zien . . 


dja- 










Begeleiden, tot gevolg zijn 

• 



490 



't JJèuia HH 't S0EKDAA80H. 



WOORD 


Aan- j 
duiding- , 


Verwijzing of toelichting. 


Kaaar pisan 
k. p. . 


k. 


Ngadjaga 


k. 


Zie. Djaga 


1 
1 




Ngadjagi 
Ngadjeu- 


1. 
k. 


Zie Djaga 
Zie Djeueung 






euug 
Ngadjoeg- 

djoeg 
Ngadjoeroe 
Ngadjoeroe- 

keun 


k. 

k.l. 
LI. 


Zie Djoegdjoeg 

Zie Djoeroe 
Zie Djoeroe 






Ngadoe 


k. 


Zie Adoe 






Ngadoewit 
Ngadol 
Ngagaleuh 
Ngagalih 


1. 

k. p. 

Lp. 

l.p. 


Zie Beuli 
Zie Ewe TT 
Zie Beuli 
Zie Pikir 






Ngagelehe 


k.L 


Zie Gelehe 






Ngagêm 

Ngahakan 

Ngahalang 


Lp. 

k. 

k.L 


Zeer zelden, zie Pake 
Zie Hakan 
Zie Halang 






''^■Ngaliatoe- 


Lp. 


Zie Ondang 


• 




ranan 










''^■Ngahatoe- 


Lp. 


Zie Tjarek 






ranan 










*Ngahatoer- 
keun 


Lp. 


Zie Bikeuu 






Ngahilikeun 
Ngais 


k. 
k.L 


Zie Hili 
Zie Ais 






Ngakoe 


k. 


Zie Akoe 






Ngalahir 
Ngalahoen 


1. p. 

k.L 


Zie Omong 
Zie Lahoen 






Ngalajad 
Ngalamar 


1. p. 
1. p. 


Zie Panggih 
Zie Tanja 







V LélfëS IN 't soinbaasch. 



491 



)RD 


Kasar Lëm&s 
k. 1. 


Lêmès 
1. 


Sëdéng 

8. 


Lemespisan -Verteling. 


jaga 










Waken , waakzaam zijn , 










bewaken 


jagi 1 








Idem 


jeu- 

np 










Aanzien, bekijken 


5 

Ijoeg. 1 








Rechtstreeks op afgaan 


« 






t 

r 


joeroe 








BevalleD 


Ijoeroe- 








Baren 


1 
oe 










Zich of iets met elkaar 
meten, wedden, dobbelen 


oewit 










Koopen 


ol 








Paren 


aleuh 








Koopen . 


alih ' 








Denken,, bedenken, over- 








denken 


elehe 


• 




Gelegen zijn om in te 










slapen 


ém 










Gekleed, zich kleedeu 


akan 








Eten (transitief) 


ftlaug 








Een hindernis vormen, in 










' den weg staan, hinderen 








(tr.), beletten 


hatoe- 








Uitnoodigen tot een feest 

1 


11 
hatoe- 








Onder H oog brengen aan, 


n 






verbieden aan 


hatoer- 








Geven, aanbieden 


ilikeun 








Verwisselen 


t 








1 In een doek op de heup 










; dragen 


oe 










Erkennen (als), bekennen. 


1 




• 




rechten laten gedden op. 












hartelijk 2ijn, zich gast- 












vrij betoonen 


ihir 










Zeggen, uiten 


ihoen 








Op schoot hebben , in den 












schoot dragen 


ijad 










Bezoeken 


iinar 










Aanzoek doen om de hand 










van een meisje, ten hu- 












welijk vragen 



492 



't Lëlfës IN 't S0ENBAA80H. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan 
k. p. 


Kasar 
k. 


Ngalauggir 


k. 


Tegen kinderen. Zie Dapang 






Ngalëbok 


k. p. 


Zie Njatoe 






Ngaiëbok 


k. p. 


Zie Hakau 




• 


Ngalëlët 


8. 


Zie Oedoed 






Ngaiëraar 


l.p. 


Zie Seupah 






Ngaleueut 


Lp. 


Zie Inoem 






Ngalih 


Lp. 


Zie Pindah 






Ngalintar 


k.L 


Zie Lintar 






Ngaliron 


Xm 


Zie Toekeur 






Ngaliron- 


i • 


Zie Hili 




^ 


keun 










Ngalisanan 


X* 


Zie Sërah 






*Ngaloewat 


Lp. 


Zie Koeboer 






Ngamanah 


Lp. 


Zie Pikir 






Ngambea 


k.L 


Zie Ambeu 






Ngamboeng 


Lp. 


Zie Ambeu 

4 

Zie Tjijoem 






Ngampih 


k. 


Zie Ampih 






Ngau 


k. 






Ngan 


Ngandjang 


k.L 


Zie Andjang 






Nganggo 


L 


Zie Pake 






Nganggo 


L en L p. 


Zie Pake 






Nganggo ka- 


Lp. 


Zie Eësëp 


« 




rësëp 




— 






Ngangkën 


L 


Zie Akoe 






Ngaugloeh 


Lp. 


Zie Gering 






Nganteur 


k.L 


Zie Anteur 






Nganteuran 


k.L 


Zie Anteur 






NgaDtos 


L 


Zie Dago 






Ngautosan 


L 


Zie Dago 






Ngantos- 


L 


Zie Toenggoe 






Qgantos 










Ngaragap 


k.L 


Zie Tjabak 






Ngarau 


k. 






Ngaran 


Ngaraos 


Lp. 


Zie Basa 






Ngaraosan 


L p. 


• 

Zie BAsa 






Ngarasa 


k. 


Zie Basa 






Ngarasaan 


k. L 


Zie Rasa 







't LëHës IK *T SOINDAASOH. 



493 



OBD 


Kasar Lëmës 
k.L 


Lëmës 
1. 


Sêdëng 

8. 


Lëmës pisan 
1. p. 


Vertaling. 


langgir 
lëbok 










Languit op den buik 

liggen 
Eten 


iëbok 










Eten 


lëlët 

lëmar 

leueut 










Rooken (van tabak) 
Sirih kauwen 
Drinken 


iih 










Verhuizen 


lintar 
liron 






# 




Visschen met een werpnet 
Ruilen, verruilen 


liron- 

1 v% 










Verwisselen 


lisanan 










(Zijn vrouw) verstooten 


aioewat 






É 




Begraven 


manah 






1 




Bedenken, over iets denken 


mbeu 
mboeng 


^ 









Ruiken (transitief) 
Ruiken (transitief) 
Kussen 


mpih 

n 

ndjang 

uggo 
nggo 




Namoeng 






Bewaren, bergen 

Slechts, alleenlijk 

Even aangaan, een kort 

bezoek brengen 
Met 
Gekleed, zich kleeden 


Mggo 

•ësëp 

ngkën 










Tot voorwerp van behagen 

nemen, doen zijn 
Bekennen, erkennen 


ngloeh 

nteur 

nteuran 








- 


Ziek zijn 
Begeleiden 

Spijzen brengen of zenden 
aan 


.utos 










Wachten 


intosan 










Wachten op 


kUtos- 










Al maar, aanhoudend 


antos 










wachten 


iragap 
iran 




Wasta of 
Nami 




Djënêngan 
of Kakasih 


Betasten, aanvatten 
Naam 


iraos 










Gevoelen , smaken (tr.) , 


iraosan 










genieten 
Proeven 


irasa 








\ G&voelen , smaken (tr.) , 


^rasaan 










genieten 
Proeven 



494 



't LëH(s in 't 80ENDAA80H. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toeliohiing. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Ngarëmpoeg 

Ngarendeng 
Ngarendeng- 

aukeuD 
Ngareungeu 
Ngaroeng- 
koep 

Ngaroengoe 
Ngaroewang 
Ngaronda 

Ngarot 
Ngarti 
Ngartos 
Ngasoeh 

Ngatik 
Ngawajoeh 

Ngawalon 

Ngawang- 

soel 
? Ngawang- 

soel 
Ngawang- 

soelkeun 
Ngawartosan 
*Ngawërat 
*Ngawëra- 

taii 
''^■Ngawëwë- 

ratan 

Ngawitan 

Ngawitan- 

naua 

Ngëbak 
Ngëdéng 



k.1. 

k.1. 
I. p. 

s. k. 
k.L 



8. 1. 

k.1. 
k.1. 

s. 

k. 
1. 

k.1. 



P' 



1. p. 
k.1. 



Zie Rëmpoeg 

Zie Beudeng 
Zie Kawiu 

Zie Deuge 
Zie Boengkoep 



Zie Denge 
Zie Koeboer 
Zie Bx)nda 

Zie laoem 

Zie Arti 

Zie Arti * 

Zie Asoeh 

Zie Asoeh 
Zie Tjandoeng 

Zie Balës 

Zie Balës 

Zie Poelang 

Zie Poelang 

Zie Bedja 

Zie Talatah 

Zie Talatah, aanteekening 

Zie Talatah, aanteekening 



Zie Mimiti 
Zie Mimitina 



Zie Mandi en aanteekening 
Zie Këdëug 



't LëHëS IN 't soxnüaasgh. 



495 





Lëmès 
1. 


Sédéng 

8. 


Lémes pisan 
lp. 


Vertaling. 


i 

émpoegj 




^ 


Bij afspraak iets gezamen- 






lijk doen 


«ndeng : 






Zij aan zij zijn 


endeug-; 






Uithuwelijken, in den ecljt 


ean 








verbinden , 


reuDgeu 










Hooren 


roeug- 










Vangen , door over 't te 


P 










vangen dier een mand, 
net enz. te werpen 


roengoe 










Hooren 


roe wang 










Begraven 


roiida 










De ronde doen, een toernee 
maken 


rot 


« 








Drinken 


rti 










Begrijpen 


rtos 










Begrijpen 


soeh 










Verzorgen, zijn zorgen (aan 




t 




V 




iets) wijden 


tik 










Idem 


wajoeh | 








Een tweede vrouw hebben 












of nemen 


walon 










Antwoorden, (een brief) 
beantwoorden 


wang- 










Idem 


el 




1 
t 

1 






wang- 










Op iets iets anders terug- 


1 










zenden, beantwoorden met 


wang- 








. 


Terugzenden 


Ikeun 












fartosan 


• 








Berichten aan 


awërat 










Opdragen 


awéra- 










Opdragen, aan 


awëwë- 










Een opdracht geven aan. 


in 




■ 




iemand van een opdracht 
voorzien 


iritan 










Beginnen 


vritau- 










't Begin (ervan), in de 


a 










eerste plaats, om te be- 












ginnen. 


)ak 








Zich baden 


leng 










Liggen (in liggende hou- 




« 








ding zijn) 



496 



1t Lëicës IN 't sosndaasoh. 



WOOKD 


Aan- 
duiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Easar pisan 


Kasai 


*Ngëmbau 


Lp. 


Zie Ais 






Ngemoet- 


1. 


Zie Pikir 






keuü 










Ngenta 


k.1. 


Zie Penta 


i 


Ngeser of 


Lp. 


Zie Sërah 


• 




Ngeserkeun 










Ngetang 


L 


Zie Itoeng 






Ngeunah 


k. 






Ngeunah 


Ngewe 


k. 


Zie Ewe U 






Ngibing 


L p. 


Zie Igël 




• 


Ngigël 


k.L 


Zie Igël 






Ngijaugkeun 


k. 


Zie Ijang 






Ngilari 


L 


Zie Teang 






Ngilikan 


k. 


Zie Djeaeung 






Ngiloe 


k. 


Zie Piloe 






Nginang 


L p. 


Zelden gebruikt (Soekapoera) , zie 
Soesoe 






Ngindjeuiu 


k. 


Zie Indjeam 


■ 


Nginoem 


k. 


Zie luoem 




Ngintoeu 


L 


Zie Kirim 




Ngirim 


k. 


Zie Kirim 




Ngiring 


k.L 


Zie Iring 




1 


*Ngiriug 


L p. 


Zie Piloe 






Ngising 


k. 


Zie Ising 




1 


Ngitoeng 


k. 


Zie Itoeng 






Ngoeboer 


k.L 


Zie Koeboer 






Ngoedag 


k. 


Zie Üedag 






''^■Ngoeniuga- 


L p. 


Zie Tendjo, aanteeJceniug 






keun 










Ngoeping 


L 


Zie Denge 






^Ngoerëb- 


1. p. 


Zie Koeboer 






keun 








Ngoerisau 


1. 


Zie Tjatjar 


( 


Ngogan 


k.1. 


Zie Ondang 


K 


Ngome 


k.1. 


Zie Ome 


1 
1 


Ngomeau 


k. 


Zie Ome 


1 


Ngomong 


k. 


Zie Oraong 







't Lëiiës IN 't soendaasch. 



497 



ORD 



Kasar Lémès 
k. 1. 



Lemes 
1. 



§inban 

noet- j 

n 

ita 

«r of I 

serkenu 

ang I 

luah 



we 

)iDg 

fëi 

ingkeun 
ari 
ikau 
oe 
lang . 

idjeam 

loem 

itoeu 

im 

ing 

iring 

ing 

oeng 

eboer 

?dag 

leninga- 

n 

sping 

aerëb- 

n 

srisan 

^n 

ne 

I 

mean 
naong 

Volgr V. 




Baos 



Lëmës pisan 
1. p. 



Vertaling. 



In een doek op de heup 

dragen 
Iets bedenken, over iets 

denken 
Vragen, verzoeken 
(Zijn vrouw) verstooten 

Bekenen ^ 

Aangenaam, lekker, be- 
hagelijk enz., ook: aan- 
genaam enz. gestemd zijn; 
smaken (intr.) 
' Paren 

(Op Inlandsche wijze) 
dansen 

Idem 

Wegzenden, verzenden 

Zoeken 

Bekijken, aanzien 

Medegaan 

Zuigen (van eeïi kind aan 
de borst) 

Leenen (Engelsch : to 
borrow) 

Drinken 

Zenden 

Idem 

Volgen 

Medegaan 

Een groote boodschap doen 

Bekenen 

Begraven 

Nazetteu 

Laten zien — Doen weten 

Hooren 
Begraven 

Inenten 

Uitnoodigien tot een feest 
Verzorgen, zorg dragen (dat 
iets in goeden staat blijft) 
Herstellen, verbeteren 
Spreken, praten, zeggen 

32 



498 



't LëMCS IN 't SOENDAASCU. 



WOOBD 


Aan- 
duiding. 


1 Verwijzing of toelichting. 

1 


1 

Kasar pisaa Rasa 
k. p. k. 


Ngoudaug 


, k.1. 


Zie Ondaug 


i 


Xgora 


k.1. 


//Anom>/ alleen in den zin van 

^/joug in leeftijd// 
//Boeréj// van jonge kinderen ' j 

! 1 


Ngowo 


1. p. 


Zie Djoeroe 


) 


Ngowokeun 


I. p. 
1. p. 


Zie Djoeroe 






Nikah 


Soms als 1. gebezigd, zie Kawin 


1 


Nilad 


1. 


Zie Toelad 


1 
1 

1 


Nilar 


1. p. 


Zie Tinggal 




Nilar 


I. p. 


Zie Paeh 




Nimbalan 


1. p. 


Zie Omong 


1 

1 
1 
1 


Ni m bang 


k. 


Zie Timbang 


! 


Nimoe 


k. 


Zie Ti moe 




Ningal 


1. 


Zie Tjadjo 


i 


Ningal 


1. 


Zie Tendjo 


1 


Niiigalaii 


1. 


Zie Djeueung 




Niugali 


1. p. 


Zie T<adjo 


i 


Ningali 


I. p. 


Zie Tendjo 


1 


Ningaliau 


1. p. 


Zie Djeueung 




NiugalikeuD 


I. p. 


Zie Tendjo, aanteekening 




Kinggal 


k. 


Zie Tinggal j 


Niuggal 


s. 


Zie Paeh ; 


Nintjak 


k.1. 


Zie IHntjak ! 


Nitah 


k.1. 


Zie Titah , 


Nitih I 


1. p. i 


Zie Toempak 




Nitip 


1. p. 


Zie Pihape 







(Nj) 



Njaah 

Njaba 

Njabak 
Njabok 



k.1. 

k.1. 

k.1. 
k.1. 



Zie Saba 

Zie Tjabak 
Zie Tjabok 



't LëMës IN 't soendaasch. 



499 



ORD ' KasarLëmëa 

k. 1. 


Lèmès 

1. 

1 


Sédêng 
s. 


Lëmés pisan 
1. p. 


Vertaling. 


idaug 






i 


TJituoodigen tot een feest 


-a 


Ngora 


Anom 


Anom of 


JoDg 










Boerëj 




- 


Ngorakeneh 






Nonoman 


Nog jong zijn, in zijn 
jonge jaren zijn 


WO 








Bevallen 


irokean 

t 








Baren 


ih 






1 

1 


Huwen, trouwen (intr.) 












Huwen, een vrouw ten 












huwelijk nemen 


d 






. 


Zich een voorbeeld stellen 
en dat navolgen 


r 




1 


c 


Achterlaten 


r 




1 




Verscheiden, sterven 


balan 










Zeggen (tot een mindere), 
bevelen 


bang 


i 




Wegeu 


oe 






Vinden 


^1 








Toeschouwen 


jal 




' 


Zien 


^alan 




• 


Bekijken, aanzien 


jali , 


1 


Toeschouwen 


^li 






■ 




Zien 


^lian 






1 
1 


Bekijken, aanzien 


[alikean 








Iets zien 


ïg»l 






Achterlaten 


JkJ 




1 


Sterven, verscheiden 


jak 




Treden, (rond) stappen (op) 


h 








Bevelen, gelasten 


1 


t 




Berijden 


) 




1 


Toevertrouwen , in bewa- 








1 
i 


ring geven 


^J) 






1 




h 


Njaah 




! Asih 


Liefhebben, (aan iets) ge- 
hecht zijn 


a 


1 


Er op uit zijn of gaan, 
ronddolen 


lak 


, 1 


Aanvatten, betasten 


>ok 










Met de vlakke hand slaan 



500 



't LëMës IX 't soendaasch. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



k. 



Njaho 



Njalira 

Njaloekau 

Njampak 



Njaua 

Njandak 

Njandak 

Njandak 
Njandak 
Njandoeng 

*Njangga- 
keuu 
*Njangoean 
Nj anten 
Njaoer 
Njaoer 
Njaoeran 
*Njaosan 
Njarek 
Njarekan 
Njarijos 
Njirijosan 

Njarijoskeun 
Njatjaran 
Njatjat 
Njatoe 



k. 



1. p. 
k.1. 
k. 



k.1. 
p. 

P- 

P- 
.p. 

.1. 
,p. 

P- 

P- 
.p. 

p. 

.p. 

.1. 

.1. 



k. 



k. 



Zie Salira 
Zie Tjaloek 
Zie Sampak 



Njaho 



Teu njab 



Zie ïjokot 
Zie Bawa 

Zie Tjabak 
Zie Tjëkël 
Zie Tjaudoeug 

Zie Bikeun 

Zie Bêkël 

Zie Njana 

Zie Oniong 

Zie Tjaloek 

Zie ïjarek 

Zie Bëkêl 

Zie Tjarek 

Zie Tjarek 

Zie Bed ja 

(Zelden in deze beteekenis) 

zie Bed ja 
Zie Bed ja 
Zie Tjatjar 
Zie Darat 
Zie ook Hakan. In 't 1. behelpt men 

zich met 't transitieve //«eda//. 

Ook in 't k. p. gebruikt men 

steeds den transitieven vorm 

''ngalëbok'/ 



Ngalëbok 



Njatoe of (i 
grof) Ha 



't LëMës IN 't SOBNDAASCH. 



501 



ORD 



Kasar Lèmès 
k. l. 



Lëmês 
1. 



Sèdèng Lémés pisan 
8. 1. p. 



Vertaling. 



LO 



ira 



lOekan 
mpak 



Qa 

ddak 

ndak 

ddak 
[idak 
idoeng j 

ingga- I 

keuD 1 

ingoean' 

itên I 

ter 

•eran 

losan 

ek 

skan 

jos 

josan 

oskean 

aran 

at 



Njana 



Tërang 
Wëroeh 
(Tjiandjoer) 
Oeninga 
(Tjiandjoer) 
Soemërëp 
(Tjiandjoer) 
Doeka, Lë- 
pat, teu të- 
raDg enz. 



Njantën 



Nëda 



Oeninga of ' Weten , kennen 
Tingali 



Teu oeninga Niet weten , niet kennen 



enz. 



Dahar 



Toewang 



I Alleen 

Aanroepen (om te komen) 
; Aantreffen , vinden (al of 
; niet aanwezig bv. njampak 
euweuh) 

Vermoeden 

Grijpen, wegnemen, oprapen 
I Bij zich hebben , mede- 
brengen, medenemen 
I Aanvatten , betasten 

Vasthouden, beetpakkeu 

Een tweede vrouw hebbeu 
I of nemen 

Geven , aanbieden 

Van leeftocht voorzien 

Vermoeden 

Spreken, zeggen 

Roepen, opontbiedeu 

Berispen 

Van leeftocht voorzien 

Verbieden 

Berispen 

Berichten 

Berichten aan 

Iets mededeelen 

Inenten 

Te voet gaan 

Eten (intransitief) 



502 



't LëMës IN 't S0ENDAA9CH. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasai 
k. 



Njëbat 


1. 


Zie 


Sëboet 


Njëboét 


k. 


Zie 


Sëboet 


Njëkël 


k. 


Zie 


Tjëkël 


Njënjëpau 


1. p. 


Zie 


Moerijang 


Njëpëng 


I. 


Zie 


Tjëkël 


*Njëpitan 


1. p. 


Zie 


Soenat 


Njërahkeun 


k.1. 


Zie 


Sërah 


Njërat 


1. en l.p. 


Zie 


Toelis 


Njësëp 


1. p. . 


Zie 


Oedoed 


Njësëp 


I. p. 


Zie 


Soesoe 


Njeueuug 


k. 


Zie 


Djeueung 


Njeupah 


k.1. 


Zie 


Seupah 


Njeuseul 


l.p. 


Zie 


Tjarek 


Njijar 


k. 


Zie 


Teang 


Njijaran 


i.p. 


Zie 


Sijar 


Njijeun 


k. 


. Zie 


Djijeuu 


Njijoem 


k.1. 


Zie 


Tjijoem 


Njimpën 


1. 


Zie 


Ampih 


Njimpën 


1. 


Zie 


Teuudeun 


Njisirau 


k.1. 


Zie 


Sisir 


Njoba 


k. 


Zie 


Tjoba 


Njobi 


1. 


Zie 


Tjoba 


Njoekoer 


k.1. 


Zie 


Tjoekoer 


Njoeuatan 


k. 


Zie 


Soenat 


Njoeugkë- 


1. p. 


Zie 


Soren 


lang 




' 




Njoesoe 


k.1. 


Zie Soesoe 


Njoesoel 


k.1. 


Zie Soesoel 


Njoesoelan 


k.1. 


Zie 


Soesoel 



Njokot 



k.1. Zie Tjokot 







T LëMës IN T SOENDAASCH. 


503 


^DT\ Kasar Lèmès 

-^^^ k. 1. 

1 


Lèmès 
1. 


Sèdèng 

8. 


Lèmès pisan ,r , t. 
• J^ V ertahng. 


1 
at 




■ 


Vermelden 


oet 






Idem 


el 






Vasthouden , beetpakken 


jêpan 






Koorts hebben, koorts 


eng 




1 , Vasthouden , beetpakken 


pitan 


1 

1 


Besnijden 


&hkeun 








Verstooten (zijn vrouw) 


M 






Schrijven 


^P 


1 
1 


Rooken 


5p 




! 

1 
1 


Zuigen (kinderen aan de 










borst) 


eung 








Aanzien , bekijken 


pah 








Sirih kauwen 


seul 




! 
1 




Berispen, ook verbieden 


r 






Zoeken 


ran 








Luizen 


an 








» 


Maken 


em 


• 








Kussen 


pen 










Bergen, bewaren 


pen ' 








Plaatsen, zetten 


•an 




! 




('t Haar) Kammen 


1 










Beproeven 
idem 


:oer 










_ • 

Scheren 


latan 










Besnijden 


igkë. 




• 






Op zijde hebben , aan- 
gorden (bv. van een zwaard, 


^ 










niet een bëdog) 


oe 










Zuigen (van een kind aan 
de borst) 


oei 










Gaan ophalen , opsporen 
ook : gaaTi achterhalen , 
nasporen 


oelan 




« 






Voorzien van iets , dat 
moet opsporen, bv. als 
men een brief verwacht, 
die zich laat wachten , 
schrijven^ om erop aan 
te dringen , dien brief te 
mogen ontvangen. — Aan 
een brief een tweede 


t 










achterna zenden enz. 


>t 










Grijpen, van zijn plaat» 
nemen, oprapen 



1 



504 



'ï LC'Mës IN 't SOENDAASCH. 



WOORD 


Aan- 
daiding. 


Verwijzing of toelichting. 


Kasar pisan 

k.p. 


Kasar 
k. 


Njoiidong 


I. enl.p. 


Zie Sampak 




Njoreu 


k.1. 


Zie Soren 


■ 


Noedjoe 


1. 


Zie Parëng 

Zie Eukeur II eu aanteekeuing. 




Noekeur 


k. 


Zie Toekeur 




Noelad 


k. 


Zie Toelad 




Noelis 


k. 


Zie Toelis 




Noelis 


k.1. 


Zie Toelis 


Noe matak 


k. 


Zie Matak 


1 


Noe mawi 


1. 


Zie Matak 


1 

1 


Noemoet- 


1. 


Zie Toetoer 




keun 






! 


Noemoet- 


1. 


Zie Toeroet 






keun 






' 


Noeuggoe 


k.1. 


Zie Djaga 


1 


Noenggoe 


k. 


Zie Dago 






(Maleisch) 








Noenggoe- 


k. 


Zie Dago 


1 

1 


noenggoe 








(Maleisch) 






1 


Noeroet 


1. 


Zie Iriug 




(Tjiandjoer) 






• 


Noeroetan 


k.1. 


Zie Toeroet 






Noeroetkeun 


k. 


Zie Toeroet 






Noetoerkeun 


k. 


Zie Toetoer 






Noe wang 


1. p. 


Zie Hakan 




Nongton 


1. 


Zie Ladjo 




Nonoman 


1. p. 


Zie Ngora 






O 


^ 








Oebar 


k.1. 








Oedag 


g. W. 






Ngoedag 


Oedël 


1. p. 


Zie Boedjal 






Oedëng 


1. p; 


Zie Totopong 







't LëMès IN 't soendaasch. 



505 



. y^ Kasar Lêmés 
*^ , k. 1. 

1 


Lëmëa Sëdëng ! Lëmës pisan VftH^oiino- 
1. 8. 1. p. ertanng. 


)llg 




1 ' : 

, Aantreffen , vinden 


1 




( 


\ 


Op zijde hebben, aangorden 


1 


1 


(van een wapen) 


>e , \ '. Gevallen, bij geval 


1 1 


\ Bezig zijn met 


ir 


Ruilen, verruilen 


Zich een voorbeeld stellen 


; en dat navolgen 




i . ; Schrijven 




! Batikken 


latak , 1 'De reden dat, dat (is) de 






reden, daarom 


• 1 
lawi 




idem 


.et- ' 


Opvolgen (een vermaning, 


' 


; raad enz.) 


€t- i 

1 


1 [ (Een persoon) Volgen , 








achternagaau 


;oe 




Waken , de wacht houden 


;oe 




; Wachten 

1 


isch) 


1 


'oe- ; Al maar , aanhoudend 


}oe 


1 wachten 


sch) 








t 


! 




' Volgen 


Ijoer) 1 




■ 


tan 






Navolgen, nadoen 


;keun' 




Opvolgen (een vermaning, 






1 raad enz.) 


'kenn 


1 


(Een persoon) Volgen , 








achternagaau 


ag ; 




Eten (transitief) 


»n 








Toeschouwen 


an 


1 

1 




Nog jong zijn, in zijn jonge 


> 


1 


4 

\ 


jaren zijn 


Oebar 




1 
Landongen Geneesmiddel 










Boerat 










(Tjiandjoer) 






Ngabëdag 




Nazetten 










Navel 


1 

I ; 










Hoofddoek 



506 



't LëMës IN 't soendaasch. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



k. 



Oedoed 



k.1. 



Oedoed 



k.1. 



Oedoed is intransitief, transitief 
(iets rooken) is ngoedoed. In 
s. en 1. p. gebruikt men steeds 



Oedoel 


k.1. 


de transitieve vormen 




Oedoer 

Oedoer sasih 
Oelin 


1. 

I. • 
k.1. 


Zie Gering en aanteekening 
Zie Sakit 
Zie Bolon 


Oembël 
Oemoer 
*Oendjoek 


1. p. 

k.l. 
l.p. 


Zie Leho 

Zie Bere ^ 


Oendjoek 
''^'Oendjoe- 

kan 
Oengël 


g. w. 
l.p. 

1. 


Zie Tjëk 
Zie Omong 

Zie Oeni 


Oenggal 
Oeni 


• 

k.1. 
k. 


Saban is niet overal bekend 




Oeninga 
Oeninga 

Oepama 


g. w. 
1. p. 
(I.TjiudJNr) 
k. 


Zie Tendjo 
Zie Njaho 


1 

1 


Oepami 
Oepami 


1. 
1. 


Zie Oepama 
Zie Ari I 




• 

Oepami 

Oepantën 

Oerang 

Oetah 


1. 
I. 

k.1. 


Zie ÏAmoen 
Als Oepami 

Pers. en bez. vnw. !• pers. meer- 
voud en enkelvoud, zie Inleiding 


1 


Oetama 
Oetami 
Oetawi 


k. 
1. 
1. 


Zie Oetama 
Zie Atawa 





Oeni 



Oepama 



Oetama 



't LeMës IN 't soendaasch. 



507 



ORD 



Kasar Lêmës 
k. 1. 



Lémès 
1. 



Sëdèng Lémés pisan 

1. p. 



8. 



Vertaling. 



►ed 



►ed 



Oedoed 
Oedoed 



►el 



•er 



Oedoel 



ersasih 



joek 
djoe- 
kan 
el 

gal 



Qga 
Qga 

ma 

.mi 
mi 

imi 
intën 



ma 
mi 
wi 



Oelin 
Kaoelinan 



>ël 

)er Oeraoer 

djoek 



Oenggal 



Oetah of 
Ongkek 



Lëlët Sësëpau 
Ngalëlët Njësëp 



Eooktuig (strootjes óf 

anderszins) 
Rooken 



Saban 
Oengël 



Oepami of 
Oepantên 



Oetami 



Kaloerou i Miskraam , een miskraam 
i hebben 
< Ziek , ongesteld 
. Ziekte 
i Stonden 
Amëng(an) Spelen , zich vermaken 
Kalangënan Vermaak , //spielerei// 

jSnot 
Joeswa Leeftijd , ouderdom 

Zeer onderdanig geven, 
aanbieden , alleen van 

mededeelingen , dus: 
kennis geven 

Zeggen, spreken 

't Luiden , inhoud (van een 

brief) 
Elk, ieder 
't Luiden, inhoud (van een 

brief) 



Weten, kennen 

Voor geval, in geval 

Voor geval, in geval 
Wanneer (voegwoord) , bij- 
aldien 
Indien 



Loega 



Braken, braaksel 

Voortreffelijk , zeer van pas 

idem 

Of 



508 



't LëMës IN 't soendaasch. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
. k. p. 



Kasar 
k. 



Oewa 


1. p. 


Zie Towa 


Ogau 


g. w. 


Zie 


Oudang 


Ojot (Soeka- 


k.1. 


Zie 


Towa 


poera) 








Ome 


g. w. 


1 





Omoug 



g. w. Vrg. Tjëk met aanteekening 



Ngomean 



Lemek 



Ondaug 



g. w. *Ngahatoerauan beteekent in 't alge- 
meen : eeu beleefde mededeeling 
of aanbod (hatoerau) doen aan 



Lelemekan 



Ougkek 
Owo 


k.1. 
g. w. 


Zie Oetah 
Zie Djoeroe 


JP 






Pada 


k. 




Padaharan 
Padjëng 


8. 
1. 


Zie Beuteuug 
Zie Pajoe 


Padjëng 
Padjëng 
Padjik 


I.P. 

g. w. 

g. w. 


Zie Pajoeng 

Zie Padjoe 

Vrg. Ewe TT. Een man spreekt 
vau zijn echtgenoote wel als zijn , 
adi, auderen tot den man als 
diens rai 


Fadjoe 


g. w. 





Pada 



PamadjikaD 
Ewe 



Madjoe 



't LëMëS IN 't soendaasch. 



509 



)ORD 



Kasar Lëmés 
k. 1. 



Lëmès 

1. 



Sèdëng 

8. 



Lèiiiès pisan 
1. p. 



Vertaling. 



a 



n 

[ (Soeka- 

»ra) 



Mg 



mg 



Lek 



R 



iharan 
jëng 

jéng 
jëng 
jik 



Ijoe 



Ngome 



Ngomong 



Ngomong 
(zelden : 
Omong- 
omongan) 

Ngondang 
of Ngogan 



Ngadang- 
dosan 



Sami 



Bodjo 



Madjëiig 



Njaoer 



Oom of tante , oudere broer 
of, zuster van vader of 
moeder 

idem 

Verzorgen, zorg dragen (dat 
iets in goeden staat blijft) 
Herstellen, verbeteren 



Ngalahir Ze^en , spreken (uiten) 

Nimbalau 

Ngadawoeh 

*HatQeran 
of (nederiger) 
*Oendjoekan 

Sasaoeran Praten 



*Ngahatoe- 
ranan 



Uitnoodigen tot een feest 



Braken, braaksel 



(Naam van Geuheura 
den echt- of Garwa 
genootmet 

bijvoe- I 
ging: //is-l 

tëriua^/) 



Gelijkelijk, beide of (van 

meerderen) alle 
Buik 
Gewild , in trek , vlug Van 

de hand gaan 
Zonnescherm 

Echtgenoote 



Vooruitgaan 



510 



't LëMës IN 't süendaasch. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



I Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Paeh 



Paeh 

Pagoelingau 
(Tjiaudjoer) 
Pajah 

Pajoe 

Pajoen 



Pake 



Pakeun 

Pakoelëman 

Pakoewon 

Palaj 

Palaj 

Palaj 

Palaj 

Palakara 

Palang 



k. 



g. w. 
1. p. 

k.1. 

k. 

1. en 1. p. 



Pajoeng j k. 
PakaraDgan | k. 1. 



g. w. 



k. 

P- 

P- 

P- 

P- 

P- 

P- 
k. 

g. w. 



Palangan ' k. 

Palaugan k. 

Palaiigsijang k. 



Modar, Ninggal en Nilar betee- 
kenen in de eerste plaats: sterven, 
de overige woorden : dood , in 
de be teekenis // sterven '/ plaatst 
men er gewoonlijk efdek (bade)// 
voor. 

^/Adjal'' wordt soms gebezigd ge- 
lijkwaardig met //maot// , soms 
met '/hilang'/, dus s. 



Zie Enggon 



Zie Hareup. //Tipajoen'^ Lp. (en 1.?), 
zie Hareup en Heula 

Zie Ka rang 

Vrg. Dangdan 



= Eukeur 1, zie aldaar 

Zie Eiiggon 

Zcldeij gebruikt, zie Karang 

Zie Hajang 

Zie Hanaiiug 

Zie Poiijo 

Zie Tjape 

Zie Përkara 

Vrg. Halaug. 

Palang — dwarslat en malang — 
een dwarslat aanbrengen, sluiten 
met een dwarslat zijn k. 1. 

In 't k. wordt gewoonlijk //Halang- 
an// gebruikt 

Zie Bolon 



Modar of 
Kodjor 



Paeh 



Pajoe 



Make 
Make 



Malang 



Palangan 



Palangsijang 



't LCMéS IN 't SOENDAASCH. 



511 



RD 



Kasar Lèmës 
k. 1. 



Lémès 
1. 



Sèdéng ' Lèmës pisan 
s. 1. p. 



Vertaling. 



uiganl 
dj oer) 



Paeh 



Kapaehau 



Pajah 



g Pajoeng 

.ngaii 



Papakeau 



Q 

leman 
won 



ira 
? 



jan 
laijang 



Maot 
Adjal 



Hilang Wapat of Dood, dood zijn, sterven 
Ninggal (hooger)Poe- 
(doenja) ' poes 

Nilar 

(doenja) 



Maot 
(somtijds) 



Padjëug 



Nganggo 
Nganggo 



Mambêng 



Pambêngan 



Manawi 



't Zelfde, van dieren 

Kapijoehan Iq zwijm vallen 

Slaapplaats 

Wales In bedenkelijke mate uit- 

geput door ziekte 
Gewild, in trek, vlug van 

de hand gaan 
Vóór (plaats) 

Padjëug \ Zonnescherm 
lErf 

Met 
Nganggo Zich kleeden, gekleed 
of Ngagëm 
(zeer zelden) 
Panganggo 1 Kleedij 

Voor , ten behoeve van , 
om te 

Slaapplaats 

Erf 

Begeeren, verlangen 

Dorst hebben 

Honger hebben 

Vermoeid 

Zaak 

Dwars in den weg liggen 



Hinderpaal, belemmering, 

hindernis 
Stonden 
Wellicht 



512 



't LëMës IN 't soexdaasch. 



WOORD 


Aan- 
duiding. 


1 1 

,r .. . r i. 1- Li.' Kasar pisan Kasar 
verwijzing of toelichting. . *| . 

1 1 


Paiëbah 


k. 


1 

— Lëbah, zie aldaar 


Palih 


g. w. 


Zie Paro en Wareh 


Pamali 


g. w. 


Zie Bolon | 


Pambcng 


g. w. 


Zie Palang en Halang 




Pambëngau 


L 


Zie Palangan | ' 

1 






Zie Halaugan 




Pamëgët 


1. p. 


Zie Laki 






Pamere 


k. 


Zie Bere 


1 


Pameres 


I. p. 


Zie Sisir 


I 

1 


Pameunteu 


1. p. 


Zie Beuugeut 


1 


(Tjiandjoer) 




• 


Panaugau 


1. p. 


Zie Leungeun 


Pandeuri 


k. 


• 




Pandeuri 
Pandeuii 


Paudjang 


k.1. 












1 

! Sapapandja 


Paugadji 


k. 


Zelden gebruikt , zie Harga 


Pangais 


1. p. 


Zie Adibeuteung 




patoewaugau 




1 

) 


Paugaksami 


1. 


Zie Hampoera 




Pangam- 


1. p. 


Zie Iroeiig 




boeng 






« 




Pangaos 


1. 


Zie Harga 






Pangapoen- 


1. 


Zie Hampoera 






tën 




^ 1 


PaDga- 


k. 


Zie Hampoera 


l 


poera (?) 








Panggih 


g. w. 


Papanggih k.= Tëpoeng, zie aldaar, i Manggih 

Manggihan 
Neang 


Panghak- 


1. 


Zie Hampoera , ' 


sami 






Pangham- 


1. 


Zie Hampoera 


poeutëu 











't Lêsiës IN 't soendaasch. 



513 



BD 



KasaxLêmès 
k. l. 




Vertaling. 



1 
Sngan 



re 

•es • 

mteu 

djoer) 

gan 

ori 



mg ' Pandjang 



aji 

is 
angan 

ksami 

m- 

oeng 

os 

poen- 



»(?) 
rih 



lak- , 

li 

lam- I 
enten 

'olgr V. 



Dipoengkoer 
of (mooier) 
Dipêngkër 
Tipoengkoer 
(of mooier) 
Dipêngkër 
Paos (som- 
tijds) 
Sapapaosna 



Mëndak 
Mëndakan 



Ter plaatse van 



Dipêngkër , 
ook Dipoeng- 
koer 
Tipëngkër, 
ook Tipoeng- 
koer 



Ngalajad 



Hinderpaal , belemmering 

hindernis 
Hindernis , verhindering , 

bezwaar 
(Van 't) mannelijk (geslacht), 

man « 

Gift 
Kam 
Gelaat 

Hand, arm 

(Op zekeren afstand) achter 
(iets) zijn , ^achteraan 

Achterna (bijwoord) 



Lang 

Voortdurend, al den tijd 

Waarde, prijs 

Ten opzichte van den man : 
de adi zijner vrouw, ten 
opzichte van de vrouw : 
de adi haars mans. 

Vergiffenis 

Neus 

Waarde, prijs 
Vergiffenis 

Vergiffenis 

Vinden, aantreffen 
Bezoeken , opzoeken , een 

bezoek brengen aan 
Vergiffenis 

Vergiffenis 

33 



514 



't LëMës IN 't soendaasch. 



WOORD 



Aan- 
duiding. 



Verwijzing of toelichting. 



Kasar pisan 
k. p. 



Kasar 
k. 



Fangham- 

poera 
Fangiütën 

Fangintën 
Fangira 

Fangiring 

Fangkon 

Pangloe- 

dahan 
Fanjakit 
Fanjawat 
Fanon 
Fanonpowe 
Faos 

Fapakean 
Fapanggih 
Faparin 
Farak 



Farantos 

Faratitos 

Faras 

Farawan 

Fareareasa- 

oer 
Farëk 
Farëng 
Fareiitah 
Faribasa 
Farijos 
Farijos 
Fariksa 
Farin 
Faripaos 
Farg 
Faseja 



k. 

1. 

1. 
k. 

1. p. 
g. w, 
1. p. 

k.1. 
1. p. 
s. 

k.1. 
1. 

k.1. 
k. 

1. p. 
g. w. 



1. 
1. 

g. w. 
1. en 1. p. 
1. p. 

1. 

k.1. 
k.1. 
k. 

g. w. 
g. w. 
g. w. 
g. w. 
1. 

g. w. 
k.1. 



Zie Hampoera 

Zie Kira 

Zie Meureua ^ 

Zie Kira 

Zie Boedjang 
Zie Lahoen 
Zie Tampolong 

Zie Sakit 
Zie Sakit 
Zie Mata 
Zie Mata 
Zelden gebruikt, zie Fandjang 

Faripaos, zie Faribasa 
Zie Fake 
Zie Tëpoeng 
Zie Bere 



Fasëndatan , 1. 



Zie Geus 
Zie Sadija 
Zie Tjoekoer 
Zie Tjawene 
Zie Seja 

Zie Deukeut 

Zie Titah, aanteekening 

Zie Fariksa 

Zie Tanja 

Mariksa(keun) 1. p. , zie Tanja 

Zie Bere en Bikeun 

Zie Faribasa 

Zie Seja 

Zie Seja 



Faribasa 



Mariksa 



Saparo 



't LëMês IN 't sobndaasch. 



515 



3RD 



Kasar Lémës 
k. L 



Lémès 
1. 



Sëdéng 

8. 



Lèmès pisan 
1. p. 



Vertaling. 



hain- 
poera 
in ten 



intën 
ira 

iring 

;kon 

:loe- 

dahan 

ükit 

nwat 

u 

npowe 



kean 

aggih 

in 



tos 
tos 

ran 
reasa- 



Marak 



Moendaj 



8 

tah 

sisa 

>s - 

sa 

aos 

a 
idatan | 



Parëng 



Noedjoe 
Paripaos 

Marijos 

Sapalih 



Ver