(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde"

Google 



This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 

to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing tliis resource, we liave taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrain fivm automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for in forming people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at |http: //books .google .com/I 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generatics lang op bibliothcckplankcn hccft gcstaan, maar nu zorgvuldig is gcscand door Google. Dat 

docn wc omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willcn makcn. 

Dit bock is ua oud dat hct autcursrecht erop is verlopen, zodat hct bock nu deel uitmaakt van hct publickc domcin. Ecn bock dat tot hct publickc 

domcin bchoort, is ccn bock dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijkc autcursrcchttcrmijn is verlopen. Hct kan per land 

vcrschillcn of ccn bock tot hct publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn ccn stem uit hct verlcden. Zc vormen ccn bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand. als herinnering aan de 

lange reis die hct boek hccft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliothekcn om materiaal uit het publieke domein te digitaliseien, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publickc domcin behoicn toe aan hct publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
levercn, hebben we maatrcgelcn genomen om misbruik door commercicle partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zocken. 
Verder vragen we u hct volgende: 

+ Gebruik de besianden alleen voor niei-commerci^le doeleinden We hebben Zocken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor pcrsoonlijkc en nict -commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doct naar computcrvertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. Wc raden u aan hicrvoor materiaal uit hct publickc domcin te gebruiken, en kunnen u misschien 
hicrmee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watcrmerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zocken naar boeken met Google. Verwijder dit watcrmerk nict. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd cr rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doct Icgaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zocken naar boeken met Google staat. De wettelijkc aansprakelijkheid voor auteursrechten is bchoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het docl van Google is om alle informade wcrcldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezcrs boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de voUedige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDEHLANDSCH-TNDTK. 



D* N«d. Po«k. rn SlMndrvkhtrij Wh H. L. SMIT9 



BIJDRAGEN 



'n>T DE 



TAAL-, UND- EN VOLKENKUNDE 



^ « 



VAN • • •'. • 



NEDERLANDSCH-INDIE, 



UTTGEGEVEN DOOR HET 



KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DK TAAL-. LAND- KN 
VOLKENKUNDE VAN NEDEKLANDSCH-INDlE. 



ZEVENDE VOLGREEKS. — ZESDE DEEL. 

(DEEL LX DER GEHEELE REEKS ) 



S-GRAVENHAGE, 

MAKTINUS NIJHOFF, 

1908. 



0* Ned. Ho«k- »n Stccndrukkerij Wh H. L. SMIT5 
Wettcindv 135 't-Grav«nhfte«. 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



4 • 



VAN . • ••. ' 



NEDERLANDSCH-INDIE , 



UITGEGEVEN DOOR HET 



KONINKLTJK TNSTITUUT VOOR DE TAAL-, LAND- EN 
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDlfi. 



ZEVENDE VOLGREEKS. — ZESDE DEEL. 

(DEEL LX DER GEHEELE REEKS.) 



•^-e>»s<3^- 



'S-GRAVENHAGE, 

MARTINUS NIJHOFF, 

1908. 



I N H U D. 

Bladz. 

Mr. Johan vau Dam en zijue tuchtigiiig van Makassar in 1660, 
door W. E. VAN Dam van Isselt 1 

Een Oudjavaansche oorkonde gevonden op de helling vau den 
Kawi, door Prof. Dr. H. Kebn 45 

Aanteekeningen op G. P. Eouffaer's opstel over Atjehsche 
Soeltanzegels, door Prof. Dr. C. Snouck Huiu^konje . . 52 

Nieuwe bijdrage tot de kennis vau het Mah&j&nisme op Java , 
door Dr. H. H. Jutnboll 56 

Eenige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. Kekn. . 62 

De Batoe KSmang, nabij Medan, door E. J. van den Bekq 
en J. H. Neumann, Zeudelingen van het Ned. Zendeling- 
genootschap (met 2 afbeeldingen en plattegrond) .... 89 

Het '/spinneweb'/-motief op Timor, door J. A. Loeb^.b Jr. 
(Met afbeeldiiig) 93 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Pu. S. vanRonkel. 
(Met plaat) 97 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Schadee, Controlenr bij het 
Binnenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, biz. 647) 101 

De godenbeelden aau den buitenmuur van den Qiwatempel te 
Tja^di Prambauan en de vermoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door Martine Tonnbt 128 

Breukink^s bijdrage tot eene Gorontalo^sche spraakkunst, be- 
sproken door N. Adbiani 150 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kern. . 166 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 
Prof. Dr. H. Kern 173 

Mededeeliugen betreffende Sidenreug, Rappang en Soepa, door 
H. DE Vogel Hzn., Contr. B. B 175 

Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- 
Indie, door Dr. Ph. S. van Ronkel 181 

Notulen van de Bestuurs- en Algemeene Vergaderingen : 

Bestuursvergadering van 16 Juni 1906 iii 

Bestuursvergadering van 15 September 1906 v 

Bestuurs vergadertug van 20 October 1906 vii 

Bestuursvergadering van 17 November 1906 ix 

Bestuursvergadering van 15 December 1906 xii 

Bestuursvergadering van 19 Januari 1907 xiii 

Jaarverslag over 1906 xvn 

Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907 xix 

Bestuursvergadering van 16 Februari 1907 xxi 

Bestuursvergadering van 16 Maart 1907 xxiii 

Bestuursvergadering van 20 April 1907 xxv 

Bestuursvergadering van 18 Mei 1907 xxvi 



INHOUD. 



Mr. Johau van Dam en zijuc tuchtiging van Makassar in 1(>60, 
door W. E. VAN Dam van Isselt 1 

Een Oudjavaansche oorkoude gevonden op dc helling van den 

Kawi, door Prof. Dr. H. Ks&n 45 

Aanteekeningen op G. P. Rouffaer's opstel over Atj^hsche 
Soeltanzegels , door Prof. Dr. C. Snouck Hurgronjk . . 52 

Nieuwe bijdrage tot de keunis van het Mahi\v&nisme op Java, 
door Dr. H. H. Juynboll b6 

Eenige Soendasche fabels en vortelsels, door R. A. Keun . . iMt 

De Batoe Kemang, nabij Medan , door E. J. van den Beeg 
en J. H. Neumann, Zendelingen van het Ned. Zendeling- 
genootschap (Met 2 tekst-il lustra ties, plaat en plattegrond). 89 

Het /yspinueweb'/-motief op Timor, door J. A. Loeu^r Jr. 
(Met plaat) 98 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Pu. S. van Ronkel. 
(Met facsimile) 97 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Schadee, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, biz. 647) 101 

De godenbeelden aau den buitenmuur van den Qiwatempel te 
Tja^4i Prambanan en de verraoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door Martine Tonnet 128 

Breakink's bijdrage tot eene Gorontalo'sche spraakkunst, be- 
sproken door N. Adriani 150 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kern . . 166 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch , door 
Prof. Dr. H. Kern 173 



367253 



I N H U D. 

Bladz. 

Mr. Johan van Dam en zijue tuchtiging van Makassar in 1660, 
door W. E. VAN Dam van Isselt 1 

Een Oudjavaansche oorkonde gevonden op de helling van den 
Kawi, door Prof. Dr. H. Keen 45 

Aanteekeningen op G. P. Eouffaer's opstel over AtjJhsche 
Soeltanzegels , door Prof. Dr. C. Snouck HimaKONJE . . 5^ 

Nieuwe bijdrage tot de kennis van het Mah&y&nisme op Java , 
door Dr. H. H. Jutnboll 56 

Eenige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. Kekn. . 62 

De Batoe KSmang, nabij Medan, door E. J. van den Bebg 
en J. H. Neumann, Zeudelingeu van het Ned. Zendeling- 
geuootschap (met 2 afbeeldingen en plattegrond) .... 89 

Het ^/spinneweb//-motief op Timor, door J. A. Loeb^b Jr. 
(Met afbeeldiiig) 93 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Ph. S. vanRonkel. 
(Met plaat) 97 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan , door M. C. Schadee , Controlenr bij het 
BiBuenlaudsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, biz. 647) 101 

De godenbeelden aau den buitenmuur van den Qiwatempel te 
Tja^di Prambanau en de vermoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door Maktine Tonnet 128 

Breukink's bijdrage tot eene Gorontalo'sche spraakkunst, be- 
sproken door N. Adkiani 150 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kern . . 166 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 
Prof. Dr. H. Keen 173 

Mededeeliugen betreffende Sidenreng, Rappang en Soepa, door 
H. DE VoGEL HzN. , Gontr. B. B 175 

Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- 
Indie, door Dr. Ph. S. van Ronkel 181 

Notulen van de Bestuurs- en Algemeene Vergaderingen : 

Bestuursvergadering van 16 Juni 1906 in 

Bestuursvergadering van 15 September 1906 v 

Bestuursvergadertng van 20 October 1906 vii 

Bestuursvergadering van 17 November 1906 ix 

Bestuursvergadering van 15 December 1906 xii 

Bestuursvergadering van 19 Jauuari 1907 xiii 

Jaarverslag over 1906 xvii 

Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907 xix 

Bestuursvergadering van 16 Februari 1907 xxi 

Bestuursvergadering van 16 Maart 1907 xxin 

Bestuursvergadering van 20 April 1907 xxv 

Bestuursvergadering van 18 Mei 1907 xxvi 



INHOUD. 



lilad/.ijdo. 

Mr. Johau van Dam en zijuc tuchtiging van Makassar in 1660, 
door W. E. VAN Dam van Issblt 1 

Een Oudjavaansche oorkoude gevonden op de helling van den 
Kawi, door Prof. Dr. H. Keen 45 

Aanteekeningen op G. P. Rouffaer's opstel over Atjehsehe 
Soeltanzegels , door Prof. Dr. C. Snouck Hurgronjk . . 52 

Nieuwe bijdrage tot de keunis van het Mahdy&uisme op Java, 
door Dr. H. H. Juynboll 56 

Eenige Soendasche fabels en vortelsels , door R. A. Keen . . 62 

De Batoe Kemang, nabij Medan , door E. J. van den Beeg 
en J. H. Neumann, Zendelingeu van het Ned. Zendeling- 
genootschap (Met 2 tekst-illustraties, plaat en plattegrond). 89 

Het //spiuneweb'/-motief op Timor, door J. A. Loeb^r Jr. 
(Met plaat) 98 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Ph. S. van Ronkel. 
(Met facsimile) 97 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Schadee, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, biz. 647) 101 

De godenbeelden aau den buitenmuur van den Qiwatempel te 
Tja^di Prambanan en de verraoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door Martine Tonnet 128 

Breukiuk's bijdrage tot eene Gorontalo'sche spraakkunst, be- 
sproken door N. Adriani 150 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kern . . 166 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch , door 
Prof. Dr. H. Kern . . . , US 



367253 



VI lNm>UD. 

Bladzijdo. 

Medefle(dingeii betretfende Sideiireng, Rappaiig eu Soepa, door 
H. DE VoGEL HzN. , Coutr. B. B 175 

Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
lustituut voor de Taal-, Laud- en Volkenkaude van Ned.- 
Indie, door Dr. Ph. S. van Ronkel 181 

Eene Engelsche lezing omtrent de verovering van Banda en 
Ambon in 1796 en omtrent den toestand dier eilanden- 
groepen op het eind der achttiende eeuw. Uitgegeven en 
toegelicht door Mr. J. E. Heeres 249 

lets over de '/Teruataansch-Halmaherasche// taalgroep, door 
A. HiTKTiNG (Met schetskaartje). . 369 

Bijdrage tot de kennis der vereering van Wisiju op Java, 
door Dr. H. H. Juynboll 412 

Eene bijdrage tot de geschiedenis der Regeerings-reglementen 

van Ned. -Indie, door P. H. van der Kemp 421 

Bijdrage tot de volksgeneeskunde bij de Maleiers der Padangsche 
Benedenlanden, door J. J. KrebxMer, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur 438 

l)e Toe Badjeng en de legende omtrent hun oorsproug, door 
J. TiDEMAN, Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur. . 488 

Beschrijving der Maleische handschriften van de Bibliotheque 
Royale te Brussel, door Dr. Ph. S. van Ronkel. . . . 501 



.\ O T U L E N VAN DE A L G p: M E E N E EN 
BESTUUliSVERGADERINGEN: 

Bestuursvergadering van 16 Juni 1906 iii 

Bestuursvergadering van 15 September 1906 v 

Bestuursvergadering van 20 October 1906 vii 

Bestuursvergadering van 17 November 1906 ix 

Bestuursvergadering van 15 December 1906 xii 

Bestuursvergadering van 19 Jauuari 1907 xiii 

Jaarverslag over 1906 xvii 

Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907 .... xix 



INIIOUD. \T[I 

Bladzijdo. 

Bestuursvergadering van 16 Februari 1907 xxi 

Bestuursvergadering van 16 Maart 1907 xxni 

Bestuursvergadering van 20 April 1907 xxv 

Bestuursvergadering van 18 Mei 1907 xxvi 

Bestuursvergadering van 15 Juni 1907 xxix 

Bestuursvergadering van 21 September 1907 xxxi 

Bestuursvergadering van 19 October 1907 xxxv 

Bestuursvergadering van 16 November 1907 xxxviii 

Bestuursvergadering van 21 December 1907 xl 

Bestuursvergadering van 18 Januari 1908 xui 

Jaarverslag over 1907 xltv 



Mr. JOHAN van DAM EN ZIJNE TUCHTI&ING 

VAN MAKASSAR IN 1660. 



DOOR 

W. E. VAN DAM VAN ISSELT. 



Ongetwijfeld zijn er velen, die de geschiedenis van de vestiging 
van ons gezag in onze overzeesche bezittingen uiet z66 in hare bij- 
zouderheden kennen als Onno Zwier van Haren, die in het 8* couplet 
van den Negenden Zang van de Geuzen (1776) eenige oude vloot- 
voogden aldus herdacht : 

Maar als de weg, in 't Zuiden open 

Aan Zeeuw en Amstel is bekend, 
ZaI vloot na vloten derwaarts loopen, 

Die 't Oost aan onze wet gewent. 
Let op hoe deze koninkrijken , 

Hoe al de Indien bezwijken, 
Hoe klein Batavia begon I 

Hier straft van Dam de Maccassaren, 
Daar temt van Goens de Mallabaren, 

Hier sneuvelt Hulst, en wint Cevlon ! 

Daarom willen wij in de herinnering van het nageslacht een der 
vele tochten temgroppen , die bijgedragen hebben tot de vestiging 
van ons gezag in den Oost-Indischen archipel. Te meer aanleiding 
bestaat daartoe, waar ook de man, die bedoelden tocht heeft geleid , 
vrijwel aan de vergetelheid is prijsgegeven. 

Ter bereiking van het bovenstnande doel zou met een eenvoudige 

beschrijving van de tuchtiging van Makassar in 1660 kunnen wor- 

den volstaan. Wenschelijk is het echter aan die beschrijving een 

kleine uitbreiding te geveii , waardoor de persoon en de loopbaan 

van Mr. Johan van Dam eenigszins meer op den voorgrond treden. 

Duidelijk blijkt dan, welk een moeite de Oost-Indische Compagnie 

in de eerste tientallen jaren van haar bestaan had om de verschil- 

lende fuuctien van haar bewind door zaakkundige personen te doen 

vervulleu. Een goed geordend ambtenaarswezen ontbrak; een vak- 
7* Volgr. VI. I 



2 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

opleidiug voor de verschillende functien kende men niet. Z66 was 
men menigmaal gedwongen de zelfde personen nu eens in deze, 
dan in gene betrekking te gebruikeu, onverschillig of zij al dan 
niet daarvoor waren opgeleid. Dat het er toen evenals thans 
meer op aankwam //the right man on the right place// te brengen ; 
dat de vraag, welke vakopleiding men gehad heeft en hoe lang 
men wel in verschillende ondergeschikte betrekkingen heeft door- 
gebracht, hierbij geheel op den achtergrond treedt, dit kan een 
uitvoerige leveusbeschrijving van van Dam toonen. Het zou echter 
te ver voeren dit hier te willen bewijzen. Waar wij ons derhalve 
beperken zuUen tot een korte opsomming der achtereenvolgende 
betrekkingen, door Mr. Johan van Dam in Indie bekleed, moge 
een beschrijving van de expeditie, in 1660 door hem geleid , be- 
wijzen , hoe van Dam , voor de balie opgeleid , tevens een kundig 
vlootvoogd en krijgsman, een energiek aanvoerder was. 

Mr. Johan van Dam, het tweede kind van Doctor Peter en van 
diehs eerste vrouw Catharina Poeyt, moet in het laatst van 1617 
te Amersfoort geboreu zijn. * Pcrwerda vermeldt noch het jaar noch 
de plaats zijner geboorte. Daar van Dam's ouders den 16*° Januari 
1616 te Amersfoort trouwden, ^ hun derde kind, Mr. Jacob, daar 
reeds den 27®° October 1618 gedoopt werd, '' staat de tijd zijner 
geboorte vrijwel vast, terwijl Amersfoort met groote zekerheid als 
zijn geboorteplaats mag beschouwd worden , daar zijn vader, behalve 
doctor, hier in 1616 raad, in 1617 en 1618 schepen was* en ook 
diens derde kind hier geboren werd. ^ Is het bovenstaande juist, 
dan blijkt, dat Valentijn zich vergist, waar hij vermeldt, dat Johan 
van Dam van Utrecht geboortig was en omstreeks 40 jaar oud, 
toen hij in 1664 als gouverneur op Amboina kwam. ^ Vermoedelijk 



' Zie de genealogie van het Geslagte vaa Dam bij Ferwerda, Adelijk on 
Aanzienelijk Wapen-Boek, enz. Tweede Stuk, 1763, alsmede het op biz. 3 
en 4 dezer verhandeling vermelde landtransport. 

' Troiiwboek Amersfoort: 1616. 6 Januari (aangifte) Petras van Dam , doctor 
in der Medicine ende Juffrou Catharina Puyt, beyde van Amersfoort. Alhier 
getrout den 16 Januari 1616. 

* Doopboek Amersfoort: „27 October 1618. Jacob, kind van doctor Dam". 

* Abraham van Bemmel. Beschrijving van Amersfoort, enz. biz. 626 en 627. 
^ De inschrijving van den doop van Mr. Johan van Dam is te Amersfoort 

niet gevonden. 

« Francois Valentijn. Oud en Nieuw Oost-Indien. Deel II, 2* stuk biz. 220. 
Vermoedelijk heeft van dor Aa (Biographisc.h Woordenboek) uit hemgeput, 
waar hij vermeldt, dat Johan van Dam omstreeks 1624 te Utrecht geboren werd. 



tUCHTIGlNG VAN MAKASSAB IN 1660. 3 

heeft Valentijn Utrecht genoemd, omdat van Dam's vader later 
daarheen verhuisde en er bij vroedschapsresolutie van 25 September 
1687 opgenomeu werd onder de //Ordinary Medici deser Stadt.^^ 

Waar Mr. Johan van Dam gestudeerd heeft, valt uiet tezeggen. 
Noch in het Album Studiosorum van Leiden noch in dat van' 
Utrecht komt hij voor. 

Het eerst vindt men hem vermeld den 4*^" Februari 1647, als 
getuige bij den doop van het oudste kind van zijn breeder, Mr. 
Jacob. ' Hij heet hier : //Johan van Dam, Advocaet voor de Ed. Hove 
van HoUant// ^ Het schijnt, dat hij deze betrekking niet zeer lang 
bekleed heeft, want //Den vijffden Oct. 1647 heeft Mr. Johan van 
Dam als adv* In den Hove Proviuciael van Utrecht eedt gedaen. ' 

Den 7"* April 1649 was de //E. hoochgeleerde Mr. Johan van 
Dam, advocaat 'shoffs van Utrecht" getuige bij het passeeren eener 
acte, waarbij namens Willem Toll een zekere Abraham van Hoochbruch 
gemachtigd werd om v66r stadhouder en leenmannen van Holland 
te vcrschijnen tot het ontvangen van het HoUandsch leen Isselt. * 

Den 16*^* Januari 1650 0. S. w«zen //Wilhelm van Dam eude 
Anna Maria Scheffer echteluyden", in hun testament. v66r notaris 
G. Houtman te Utrecht gepasseerd, //Mr. Johan van Dam , Advocaet 
ende Willem Scheffer Vendrich haerl. broeders// eventueel tot //mom- 
bers ende voochden/^ over hunne kinderen aan. Dienzelfden dag 
werd Mr. Johannes van Dam, Advocaet in den Hove van Utrecht, 
bij acte v66r denzelfden notaris gepasseerd , gemachtigd door Mr. 
Jacobus van Dam , Willem van Dam en Jo®. Dina van Dam , 
mede uit naam van hun andere broeders en zusters, om als hun 
vertegenwoordiger op te treden tot het ontvangen van ieders aandeel 
in den boedel van wijlen hun oom, den heer Isaac Peit (sic). ^ 

Den 16" November 1650 kwamen v66r schout en schepenen van 
Bunnik en Vechten ^de Heere doctor Peter van Dam en Joffr* 
/srHenrica Ploos van Amstell (zijn tweede vrouw) echtelieden, gaven 
/I'over aen handen en ten behoeve van Mr" Johan en Jacobus van 



' Doopboek Utrechfe, Domkerk. 

* In het Register van den Hove van Holland, waarin de Naamen der 
Advocaaten en Procureurs, voor den Hove geadmitteerd, enz. (Rijksarchief 
'» Gravenhage) is zijn naam niet te vinden. 

• Register voor eedsafleggingen en admissies enz. van advocaten enz. voor 
het Hof van Utrecht. Rijksarchief Utrecht. 

* Register ^Libertas patriae ab anno 1649 ei,d annum 1653^' van de leen- on 
registerkamer der Grafelijkheid van Holland. Oapitulo Sticht. folio 6 e. v. 

• Lees Pent of Poeyt. 



4 ME. JOHAN VAN DAM EN ZIJNS , 

//dam, Advocaeten voor den Hove van Utrecht, Joffrs dina, Elisa- 
//beth, ende Mechtelt van dam en Jacob van dam, de jonckste * 
//der Comprnten soonen en dochteren en schoonsoonen en schoon- 
//dochteren ^ sekere tien morgen lands , synde vry eigen , allodiaal 
/'goed//, gelegen op Wiltenborch onder den Gerechte van Vechten, 
zijnde 't land, dat de Comp*'* indertijd hadden gekocht met alle 
gerechtigheden en toebehooren. ^ 

Mr. Johan van Dam droeg zijn ^ part in bovengenoemd stuk 
land den 24®" Pebruari 1652 O. S. over aan zijn germain-neef, 
den heer en Mr. Pieter van Dam, Advocaet voor den hove van 
Hollant (den lateren advocaat der Oost-Indische Compagnie). * 
Tevoren, den 26®° Pebruari 1652. N. S. had eerstgenoemde daartoe 
bij acte, te Enkhuizen gepasseerd, N. N. als zijn gemachtigde 
aangewezen, die daarna bij acte van substitutie Mr. Jacob van Dam, 
Advocaet voor den Hove van Utrecht, in de plaats stelde. ^ 

Uit het bovenstaande blijkt, dat Mr. Johan van Dam eenige 
jareu achtereen advocaat voor het Hof van Utrecht bleef, ver- 
moedelijk tot aan zijn vertrek naar Indie. Of zijn verblijf te Enk- 
huizen slechts toevallig was, dan wel of hij toen aldaar reeds in 
betrekking tot de Oost-Indische Compagnie stond , vermochteu wij 
niet te ontdekken. 

Zijn eerste benoemiug in Indie vond den 17®° Juli 1655 plaats. 
Dien dag werd tot lid van den Eaad van Justitie te Batavia aan- 
gesteld //den advocaet Joan van Damme, Jongst hier te lande ge- 
comen met de //Maecht van Euckhuysen// als passagier, die wij in 
dienst van de Comp® bij desen met een Tractement van vyftich 
guld. aennemen omdat tot die bedieningebequaem geoordeelt wert.'/ *^ 
Zooals later blijken zal, was van Dam eerst kort te voren, den 17®° 
Juni, te Batavia aangekomen. ^ 

1 Hier doet zioh het merkwaardiggeval voor, dat in een gezin twee kinderen 
Jacob heeten. Ferwerda noemt hen Jacob Major en Jacob Minor. 

* Hier gebruikt in de beteekenis van stiefzonen en -dochters ? 

* Register van transporten en pleohten van Bunnik en Vechten 1686 — 16-')6. 
Bijksarchief Utrecht. 

* Zie zijn levensbericht van mijne hand in de Bijdragen voor vaderlandsche 
geschiedenis en oudheidkunde. Vierde Reeks. Vijfde deel. Derde aflevering. 1906. 

* Register van Bunnik en Vechten. 1636—1656. 

* Resolutieboeken G. G. en R. v. I. op genoemden datum. Valentijn , Deel III, 
2e stuk, biz. 91 vermeldt, dat Johan van Dam „als vrij Doctor uitgekomen was." 
Vermoedelijk bedoolt hij doctor in de weleer gebruikelijke beteekenis van 
doctor of meester in de rechten. 

7 Zie biz. 31. 



TUCHTIOING VAN MAKASSAK IN 1660. 5 

Uit het werk van Mr. Pieter van Dam over de Oost-Indische 
Compagnie blijkt, ' dat alle zaken, zoowel civiele als crimineele, 
de Compagniesdienaren rakeude, in eerste instantie voor dien BAad 
kwamen. Hij besloud uit eeu president, die altijd Baad van Indie 
moest zijn, later ook uit een vice-president, terwijl het geheele 
college 9 (soms 7) ledeu telde, '/en dat van de capabelste en meest 
bejaarde, die goet van leven svn, en de Justitie liefhebben; en 't 
welck den Generaal en Baden was aanbevolen te besorgen//. De 
gewone ledeu van den Raad genoten f 100 per maand. 

Verder werd //den advocaet Joan van Dam, wesende lidt-maet in 
den Raed van Justitie alhier// bij res. van G. G. en R. v. I. dd. 
28 December 1655 benoemd tot //opziender van 'sCompagnies 
hospitaal//. ^ Hiermede aanvaardde hij derhalve een tweede burger- 
betrekking. Het zou echter niet lang duren, of de advocaat, die 
hoogstwaarschijnlijk geen militaire opleiding genoten had , werd 
tevens tot een aanzienlijk militair ambt benoemd. In de resolution 
van den 29*^* December 1656 leest men : //Het maioors-ampt over 
//Batavias guarnisoenen sedert 30* November laestleden, wanneer de 
//Heer Willem van der Beeck Cunip* dieust plotselyck gequiteert, 
//en syn burgerlycke vrijdom g'impetreert heeft , gevaceert hebbende*, 
//soo is onderwylen meer als eens bij ons in bedenken genomen , 
//wiens persoon men in dat emportante ampt best ende dienstichst 
//soude connen gebruicken, synde (ouses erachteus) alsoo seer van 
//noode, dat daertoe een man vercoren werd e, die ons hierterplaetse 
//met goeden raedt en daedt in militaire saken continued by-woond , 
//als die in voorvallende occasien herwaerts of derwaerts op cryghs- 
//expeditien uyttrecke, waertoe het ons evenwel aen geen bequame 
//officieren , immers onder hooger gesach (gelyck de desseinen en 
>/tochten van groote emportantie doch doorgaens vereysschen) soo 
//wij achten , oyt gebrecken sal , Ende is ons onder andere persoonen- 
//van apparentie, en soodanigen calibre, nevens den Gapitein Jan 
//van der Laen, jongst van Colombo weder-gekeert , alsnu voor- 
//gecomen den E. Mr. Johan van Dam , lidt in den achtbaren Raad 
//van Justitie alhier, die synen dienst tot geroerde functie aangeboden 
//heeft, waer op dan aendachtelyck gelet, en verstaen wesende dat 
//gemelten J. van Dam van soodanige qualiteiten, als wij oordeelen 
//tot dat ampt gerequireert te werden, genoegsaem voorsien, en tot 

' Derde boek, folio 79 e. v. 

* In den personalia-klapper op de res. van G. G. en R. v. I. 1610 — 1710 
(m. 8. Bijksarohief 's Gravenhage) wordt ten onreohte vermeld: 28 iSSep^emder 1655. 



6 MU. JOHAN VAN DAM IN ZIJNE 

//deu militaireu dieust seer'geaddoneert sy, waer in hij oock, ge- 
//durende dese Bautamse oorloge, syuen goedeu yver en courage 
//doorgaens wel heeft laten blycken, en daer door reeds propere 
//experientie van de ludische, immers deser Javaensche manierojrau 
//crygh-voereu , becomen , soo is derhalven by meerder getal van 
//stemmen, besloten en gearresteert, geseyden H. Johan van Dam 
tfioi boven-gemelte chargie te verkiesen , ende te gebruicken , met 
//den Tytell van sergeant major over de guarnisoenen ofte soldatesque 
//van Batavias Casteel, Stadt, ende circum-jacente forteressen, wil- 
//lende wij niet dubiteren of de I. Comp® staet daer by niet anders 
'/dan goede dienst te gewerden. Ende sal voorsz. J. van Dam 
//niettemin syne vorige ampten van Baadt van Justitie en Regenge 
'/over Corap* Hospitael gevoegelyck blyven waernemen//, enz.* 

Hiermede aanvaardde van Dam een voorname betrekking. Valentijn, 
die lijsten geeft van de personen, die verschillende belangrijke 
functien hebben bekleed, doet de lijst der sergeanten-majoor van 
Batavia volgen op die der ordinaris- en extra-ordinaris Eaden van 
Indie, die der Geheimschrijvers der Hooge Regeering van N. I., 
der ontvangers-generaal van N. I. en der opperkooplieden des kasteels , 
terwijl zij die der boekhouders-generaal , dor visitateurs-generaal , 
equipagemeesters , advocateu-fiscael enz. voorafgaat. ^ AJs zoodanig 
trok hij //honderd tien gulden 'smaands, en tien ryxdaalders aan 
//kostgeld ; ook heeft hij een vrije wooning , in 't kasteel , of op 
//de werf en geniet hij van wijn, kaarssen enz. 't zelve als een 
//Raad van Justitie.// •** 

De sterkte van het garnizoeu van Batavia was destijds op 1200 
man vastgesteld, doch bedroeg in den regel meer, //omdat Batavia 
//de recrutes en verlossers alom moet ontfangen en uytgeven en 
//daardoor ordinaris met vele kreupele en gebreckelycke meuschen 
//blijft beseth.// •* van Dam deelde hier — zooals uit de Dagh-ttegisters 
van 't Casteel Batavia blijkt — de nieuw aangekomen soldaten in 
over de verschillende deelen der bezetting, stelde de officieren aan den 



> Conform het Dagh -regis t'er , gehouden int Casteel Batavia. 1 Nov. 1656 — 1 
Nov. 1657. De reeds genoemde klapper noemt ten onrechte 29 December 1655 
als den datum zijner benoeming. 

« Valentijn. Deel IV, !■*• stuk, biz. 376. 

' T. a. p. Deel IV. 1'** stuk, bldz. 247. De Baden van Justitie genoten voor 
een waarde van 28 rijksdaalders 'smaands aan boter, wijn, kaarsen, olie, 
brandhout, enz. 

♦ Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie, in m. s. berustende 
op het Bijksarchief te 's Gravenhage. 



TUCHTIOINO VAN MAKASSBE IN 1660. 7 

G. G. voor en wees h^n aan, die op expeditie of naar de buiten- 
bezittingen gezoudeu werden. Zijn taak was echter uiet uitsluiteud van 
dieu vredelievenden aard ; meermalen leidde hij kleine ondernemingen 
te land of te water in de omgeving van Batavia. 

Den 16'" Januari 1657 //tegens den middach is den E. Johan 
van Dam door haer Ed. (het woort bij den Ed. heere den Gouverneur 
Generael Joan Maetsuyker gevoert werdende) als sergant-maijoor over 
Batavia^s guarnisoenen in debita forma voorgestelt endegeauthoriseert, 
staende de Compagnieen van 't Casteel, het Vierkaut, de hooftpunt 
2ieelandia ende de Nieuwe poorte onder haere respective capiteynen 
en verdere oflicieren in de wapenen, alsmede Comp" Amboineezeu.// 
Er werden salvo's afgegeven, waarna men voor den nieuwen com- 
mandant defileerde. *. 

In zijn nieuwe betrekking zag van Dam zich al dadelijk belast 
met de leiding eener expeditie tegen Bantam. Met dit Rijk was de 
Compagnie reeds geruimen tijd op gespannen voet, totdat het be- 
rooven, bestelen en vermoorden onzer bevolkiug in 1656 van dien 
aard werd , dat de Compagnie zich genoodzaakt zag in te grijpen , mede 
omdat voortdurend brand werd gesticht in onze Bantamsche be- 
zittingen. De oorlog brak in Januari 1657 uit; men blokkeerde 
voornamelijk de haven om de bevolking tot rede te brengen en 
tevens den Engelschen handel te fnuiken. 900 Javanen steunden 
ons te land en deden aldaar goede diensten ; zij werden in afdeelingen 
verdeeld , over elke waarvan 2 Hollanders werden gesteld ; ook 
hadden wij 80 ruiters in dienst genom'en. De oorlog duurde slechts 
kort, daar de Bantammers weldra het hoofd in den schoot legden. 
Toch werd de definitieve vrede eerst in Juli 1659 gesloten. ^ 

van Dam's verblijf te Batavia kenmerkte zich tot 1660 verder 
niet door vele wederwaardigheden. Slechts zij nog vermeld, hoe 
hem bij res. van 12 November 1658 //als sergeant-major deses guar- 
nisoens// f 150 per maand werd toegekend, omdat hij sedert zijn 
benoeming op 29 December 1656 nog verscheidene andere neven- 
functien had bekleed zonder daarvoor eenige verbetering van gagie 
genot^n te hebbeu. Deze verhooging werd hem verleend onder de 
verplichtiug de Compagnie na expiratie van zijn eerste vijfjarig 
verband nog 3 jareu te zuUen dienen. 

Het //Dagh-Register, gehouden iut Casteel Batavia , vant passerende 



1 Dagh-Begister. 

* Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. Zie ook de 
Jonge; Opkomst enz. , VI, biz. LVIII vgg. 



5 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

daer ter plaet«e als over geheel Nederlandts-India// over 1660 ont- 
breekt. Niettemiu staari voor de kenuis van de expeditie, iu dit 
jaar door van Dam tegeu de Makassaren geleid, tal van bronnen 
ter beschikking. In de eerste plaats de //Dagelycke aenleykeninge 
aengehouden op de voyagie van Batavia naer Amboina, ende 
wyders vandaer nae Macassar ende Bima , door den Heer Commandeur 
ende Majoor Jan van Dam, en den E. Johan Truytman, gestelde 
conducteuren , over de navale ende crygsmacht naer de respective 
Oirten uytgeset// , enz. Van dit reis-journaal komt een afschrift voor 
in de Ovorgekomen brieven van G. G. en R. v. I. * Voorts heeft 
men den //Reistogt naar en door Oostindien'/ , enz. door Wouter 
Schouten ^ , die den tocht tot tuchtiging der Makassaren heeft mede- 
gemaakt. Verder het reeds genoemde werk van Mr. Pieter van 
Dam, ^ die grootendeels uit het officieele verslag geput heeft en 
Francois Valentijn * , die zijne gegevens hoofdzakelijk aan Schouten 
ontleende. 

Makassar had de Gompagnie reeds in vroegere tijden veel moeite 
gegeven, vooral in Banda en Amboina, waar genoemd Rijk de 
//rebellen// (dat waren zij, die zich tegeu het monopoliestelsel der 
Gompagnie en de daarmede gepaard gaande onderdrukkiug ^er 
bevolking durfden te verzetten) uit eigenbelang steeds gesteund had. 
In 1656 sloot men vrede, doch nog in het zelfde jaar kwamen wel 
40 Makassaarsche scliepen op verschilleude oorden van Amboina om 
ons daar in den handel te onderkruipen en de inwoners tegeu ons 
op te ruien. Voorts toonde Makasser groot misnoegen, dat wij 
garnizoen op Menado gelegd hadden , hoewel dit aan den Koning 
van Ternate behoorde. De Gompagnie bleef inschikkelijk, totdat de 
Makassaren in 1659 onzen commissaris Bastingh zeer overdreven 
eischen stelden. 

De voornaamste daarvan was, dat wij niets zouden ondernemen 
tegen Geram, Boeroe en Amblau, ofschoon deze tegeu de onzen 
grootelijks misdreven hadden en onderdanen waren van den Koning 
van Ternate, die echter de bescherming van Makassar ingeroepeu 
had. Verder wilden zij , dat wij ons garnizoen uit Menado zouden 
terugtrekken. Om den vijand te v66rkomen, opdat hij ons niet in 



> Overgekomen in 1661. Eerste boek, biz. 261 — 383. Rijksarchief 's Hage. 

* Vierde dnik. Eerste deel, biz. 73—101. 

« 2* Boek, 1* Deel, Capittel 5, biz. 117 — 129. 

* Oud en Nieuw Oost-Indien. Deel II. Tweede stuk, biz. 216— 216. Deel III. 
Tweede stuk, biz. 147—152. 



TUCHTIQINQ VAN MAKASSAK IN 1660. 9 

onze verwijderde buiteiibezittingen kou aautasteD , besloot men in 
Jauuari en Februari 1660 een voldoeud aautal schepen en 700 man van 
Rata via bij kleine gedeelten — ten einde geen aandacht te trekken — 
naar Amboiua over te brengen om van daaruit de expeditie tijdens 
den Oost-mousson te ondernemen ; uit de garnizoenen van de 
Molukken , Amboina en Banda moest voorts zooveel volk genomen 
worden , zoowel Nederlanders als inboorliugen , als men daar missen 
kon. Het oppergezag over deze expeditie, zoo te water als te land, 
werd opgedragen aan den majoor van Batavia, Mr. Johan van Dam , 
aan wien de koopman Johau Truytraan als //tweede^/ werd toegevoegd. 
Een uitvoerige iustructie werd hun medegegeven. Aan beide bevel- 
hebbers werd gelast om naar Makassar te vertrekken , zoodra de 
vloot zich te Amboina zou vereenigd hebben. Eerst moest men 
Serbite *, een van de Solorsche eilandan, aandoen om zich daar van 
nieuw drinkwater te voorzien en vervolgens naar den hoek van 
Saleycr over te steken. Van hier moest de bevelhebber zich met een 
jacht en een sloep naar Makassar begeven om 3 Hollanders, die 
zich aldaar bevouden , in veiligheid te brengen ; de vloot zou zoolang 
aan het eiland Tanakeke blijven liggen. Waren de 8 Hollanders 
gered , dan kon de eigenlijke aanval op de werken van Makassar 
beginnen ; in het bijzonder moest het kasteel Panakoke aangetast 
wordeu. Uitvoerig stond de iustructie stil bij de wijze, waarop dit 
geschieden zou. Men moest van Z. naar N. langs de kust varen en 
hierbij de versterkingen krachtig ouder vuur nemen , eindigende met 
het N. deel. Z66doende zou men den vijaud misleiden en het grootste 
gedeelte van zijn volk naar het N. lokken. Het Engelsche logies, 
kenbaar aan een //opgeregte standaard//, moest bij de bedoelde 
kanonnade zooveel mogelijk gespaard worden. Gelukte de krijgslist, 
dan zouden alle booten , sloepen en prauwen met soldaten en oorlogs- 
gereedschap aan boord, die door een kleine achterhoede gedekt, 
achteraan moesteu komen, ter hoogte van het kasteel Panakoke, 
dat aan het zuidelijk deel der versterkingen gelegen was, plotseling 
den Steven naar land wenden ; de soldaten zouden verrassend landeu 
en het kasteel stormenderhand vermeesteren. ^ 

Daalde deze iustructie naar onze tegenwoordige opvattingen te veel 
in bijzonderheden af en ging zij rijkelijk ver , zij getuigde in elk geval 
van een goede plaatselijke bekendheid omtrent het landingspunt , wat 

1 Adanara of Sarbite, een eiland in den Molukschen archipel ten N. O. 
van Flores, ten O. en ten Z. van Solor. 
* Werk van Mr. Pieter van Dam. 



10 MB. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

bij latere expedities wel eens gemist werd. ' Ook was het plan goad 
opgezet; zooals later blijken zal, slaagde de uitvoering, bij welke 
men zich strikt aan het vastgestelde hield, volkomeu. 

Zundag 22 Februari 1660 begaf van Dam zich te Batavia aan 
boord van het oorlogsschip de Mars en verliet de reede, na alvorens 
in 't kasteel van Batavia afscheid genomen te hebben van G. G. 
en R. V. I. Zooals in dien tijd gebruikelijk was, werd de bevel- 
hebber der expeditie aan boord als zoodanig geinstalleerd ; //de 
authorisatie werd gedaan// door den E. fleer Arnold de Vlaming 
van Outshoorn , ordinaris-Raad van Indie. 

Ter reede van Japara kwam het opperhoofd onzer factorij , koopman 
Evert Michiels, aan boord en deelde mede, hoe men aldaar overtuigd 
was, dat de tocht Makassar gold. Reeds 28 schepen, zoo groote 
als kleine, waren achtereenvolgens van Batavia langs &:ekomen. 
Den 3"° Maart klaagde de bemanning van 3 der 4 aanwezige sloepen 
over de //sobere gestalte// barer vaartuigen; o. a. waren de roeren 
defect. Men voorzag de sloepen van eenig touw en hout en regelde 
de vaart naar hen. Blijkbaar was de zeewaardigheid dezer scheepjes 
niet groot; men vindt trouwens in dezen tijd vele klachten over 
den gebrekkigen toestand der schepen , ook van die , waarmede men 
uit het vaderland naar Indie en naar de Levant voer. In dezen 
bedroog de zuinigheid de wijsheid ; jaarlijks vergingen vele schepen. 

Den 9*° Maart outmoette men eenige Gompagnies-schepen , 
waarop o. m. 2 brieven van ^s Gompagnies dienaren te Makassar, 
^^n aan G. G. en R. v. I., ^^n aan den gouverneur van Am- 
boina. Na eenig beraad werd eerstbedoelde gelezen; men zag daaruit, 
dat te Makassar door de bevolking vele oorlogstoerustingen werdeu 
gemaakt, de kasteelen hersteld, het strand versterkt, enz. Men 
achtte de komst van een expeditie aanstaande, doch veinsde tegen 
de Hollanders een goede vriendschap en gaf voor, slechts een 
oprechteu vrede te wenschen. 

Den 15" Maart tusschen de eilanden Boeroe en Amblau d. i. in 
de nabijheid van Amboina gekomen, ontving van Dam een briefje 
van den gouverueur Hustaert met verzoek naar het eilaud Manipa 
te gaan, alwaar hij kruiste. Werkelijk praaide men in den volgenden 
nacht het schip Louise, waarop zich de gouverneur bevond. Den 
16" meldden van Dam en Truytraan zich onder overgave hunner 
commissie bij Hustaert, door wien men zeer verwelkomd werd. AUe 

1 O. a. bij de 3* Boni-expeditie in 1905. 



TUCHTIQING VAN MAKASSAR IN 1660. 11 

kraisende sloepen werden verzameld eu vervolgens werd koers gezet 
naar het Gat van Amboiua. Den 17®" ging men aan land; van 
Dam en Truytman werden op het stadhuis gelogeerd, de troep in 
het kasteel. Dagelijks kwamen nu schepen aan ; alle soldaten werden 
aan land gezet en in compagnieen van 55 man ingedeeld. Beide 
bevelhebbers maakten zich huu verblijf te Ambon ten nutte om van 
daaruit in gezelschap van den gouverneur Hustaert de eilanden 
Oma en Honimoa ^ te bezoeken. van Dam bracht hier de dagen 
van 1 tot en met 9 April door. 

Den 29®" April vond een groote vast- en bededag plaats in 
geheel de provincie Amboina, //opdat de Heere God de aanzienlijke 
vloot van schepen en volk, nu gereed liggende om eerdaags te 
vertrekken, voor alle tegenspoeden en ongelukken mocht bewaren.// 
Den £®" Mei was de 20® compagnie soldaten gevormd. Dien dag 
zond men een brief aan G. G. en R. v. I. ; alle schepen waren 
aangekomen, behalve de Boterhloem (met van Dam van Batavia 
vertrokken), waarvan men het spoor bijster was. De bevelhebbers 
klaagden zeer over den toestand der galjooten, waarvan er 2, na 
hersteld te zijn, zich bij de expeditie hadden aange^loten, 6^n 
echter niet van Boeroe vertrekken dorst. Het jachtje Cleen Batavia 
was onderweg omgewaaid en verongelukt; ook de 4 van Batavia 
medegekomen sloepen vond men verre van fameus. Uit Banda had 
men 53 militaire koppen van het garnizoen ontvangen en voorts 
'/tot contributie van den trein^/ 40 vaten spek, 30 met vleesch en 
voorts 6000 ponden //bospoeder// (kruit). Uit Ambon kreeg men 
400 duytse militaireu (Hollanders) mede en even zoovele Amboineesche 
koppen; 80 vaten half vleesch, half spek en 70 last rijst. Men 
wachtte nu nog slechts de Moluksche bezending; onmiddellijk na 
aankomst daarvan wilde men vertrekken. Men rekende te zullen 
beschikken over //1200 koppen brave Buropeische in goede postuur, 
1000 matrozen en 400 Amboineesche ingezet^nen ; totaal 2600 
koppen.'/ Ook indien de versterking van de Molukken uitbleef , zou 
men den 10®° Mei vertrekken ; men was alles te zamen matig 
voorzien van levensmiddelen voor 5 maanden, uitgezonderd arak, 
waarvan men te kort kwam. De vloot, versterkt met schepen nil 
Amboina en Ternate, zou groot en klein 32 zeilen tellen. Hoewel 
men de 3 bovenbedoelde scheepjes miste, bestond'geen gebrek aan 
scheepsruimte. Het schrijven eindigde met de verklaring, dat men 

' Hier worden de eilanden Haroekoe en Saparoea bedoeld (zie van Hoe veil, 
Ambon en de Oeliasers, enz. 1875. biz. 11 — 12). 



12 MK. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

//ouder de aeuroepiuge eude hulp Godes het werck met vreuchdeu 
eude couragie bij der haiit zal vatten'/ en zich ^/volgens de opgeleyde 
offitien oock sodauich daer in evertuereii, als het de schuldigen 
plicht uaer meoschelyck vermogen sal requireren.// 

Den 7^'° Mei werden 2 schepen met 2 compagnieen soldateu 
onder den opperkoopman Hendrick Terhorst vooruitgezonden naar 
het eiland Serbite, om het laudvolk aldaar, onze goede geburen , 
van onze komst te verwittigen ; men hoopte daar //verfrischmiddelen/y 
te krijgen. Terhorst moest trachten tegen ruiling of tegen billijke 
betaling zooveel schapen , bokken , buffels en pluimgedierte als 
mogelijk op te doen, alsmede aardvruchten ; daartoe kreeg hij 100 
rijksdaalders in dubbele stuivers mede en een pak Guineesch lijwaad. 
De levensmiddelen moesten v66r aankomst der vloot bijeengebracht 
zijn, de vaarwaters opgelood, terwijl een van de schepen de vloot 
tegemoet gaan moest om den uitslag van een en ander te berichten. 
Men dacht de voorhoede binneu 6^7 dagen te volgen. 

Den 5*° en den 7" Mei kreeg men nog versterking uitTernate; 
drie schepen, die bij de expeditionaire macht gevoegd werden, 
bmchten o. a. 105 soldaten en 50 Tidoreezen aan. Den 8*" Mei 
werd de 21® compagnie Hollandsche soldaten gevormd, terwijl men 
er nog 47 in reserve had. Het kasteel Victoria en de straten en 
waudelwegen van Amboina '/grimmelden'/ nu van volk, zooals 
Schouten het uitdrukt. Dit deed de levensmiddelen tot een buiten- 
gewoon hoogen prijs stijgen. Dien dag liet Hustaert de commissie 
der bevelhebbers voorlezen, salueerde hen met eenige schoten van 
het kasteel Victoria, waarua de troepen in goede orde scheep gin- 
gen; men telde thans 21 compagnieen Europeanen, 5 Amboineesche 
en 1 compagnie van Ternate. Storm en hevige winden, welke den 
9*^ en den 10*" aauhielden , maakten het ongeradeu onder zeil te gaan. 

Den IP* nam de gouverneur met gevolg afscheid van alle scheeps- 
bevelhebbers, die daartoe aan boord van het admiraalsschip "de 
Mars// vereenigd werden. Door van Dam en Truytman werd nu 
aan alle overheden op de //respective schepen, jachten, boots, gal- 
joots ende chaloupen// een //seylaes ordre ende seynbrief// uitgegeveu. 
In dit door beiden geteekeud stuk werd de reisroute tot Serbite 
vermeld, daar hier nieuwe be*releu gegeven zouden worden. Het 
admiraalsschip zou voorop gaan en zijn lichten achteraau voeren. 
Voorts werden regelen vastgesteld voor het verzamelen, iudien 
schepen afdwalen mochten, werden seinen vastgesteld, de politic 
geregeld , enz. Elf personen werden aangewezen als //secrete en ons 



TUCHTIGING VAN MAKASSAE IN 1660. 13 

geadjuiigeerde Kaetspersonen'/. Ook een ontraoeting met den vijand 
werd behandeld : '/Eeuige vyantsschepen ofte vaertuygen gemoetende , 
of begaeu kuimende , sal men die met couragie aantasten en sien te 
vermeestereu , daer toe een yder syn schuldige plicht wort ver- 
maent.// Merkwaardig is ook nog, dat aan de botteliers ofte uyt- 
deelders van de arack expresselijk werd bevolen niet toe te laten, 
dat de een het rantsoen van een ander dronk, veel minder het 
aan iemand uit te reiken, die het niet dadelijk, staande voor de 
balie, gebruikte. Uitdrukkelijk werd ten slotte aan de overheden 
van de schepen, waarop Amboineesche of Ternatesche zwarte soldaten 
waren, bevolen, //dat die volken niets anders dan neffens ende 
gelyck de onse sullen getracteert worden, ende voor al beschermt 
van alle overlasten ende injuren.// 

Den 12*" Mei verliet men de reede met 29 schepen , behalve de 2 
vooruitgezondene. De geheele expeditie telde de hiervoren aaugegeven 
sterkte. * Negen dagen later ontmoette men het door Terhorst terug- 
gezonden scheepje. Op aanwijzing van dit vaartuig kwam men bij 
Serbite ten anker. Terhorst, die onder Solor's wal lag, kwam dien dag 
verslag uitbreugen; hij had 30 schapen, 9 buffels en een partij pluim- 
gedierte bemachtigd ; voorts ongeveer 3 last boontjes en katjang; naar 
goed drinkwater was te vergeefs gezocht. Daarom lichtte men in den 
nacht van 24 op 25 Mei het anker en kwam met de vloot in 
Lammahalesengte, tusschen Solor en Serbite, te liggen. Met eenige 
moeite vcmd men op laatstgenoemd eiland een rivier met helder en 
zuiver water, hetwelk van het hooge gebergte zeewaarts rolde. 

Den 25*^ zond de Koningin van Solor hare gecommitteerden met 
5 vaartuigen om hun opwachtiug bij den vlootvoogd te maken; 
het waren vele zwarte orankaaien , edellieden en een groot gevolg. ^ 

Den volgenden dag werd de //secrete raad// bijeengeroepen ; eerst 
nu werd opening gedaan van het ware doel van den tocht en order 
gesteld op de verdere uitvoering der expeditie. De koopman Jan 
Barra werd aangewezen als visitateur van de militaire scheeps- en 
legerboeken ; voorts werd een commissnris aangewezen over de //trains- 
behoeften// en een visitateur van de scheepsconsumptie ; ten slotte 
ook een gezaghebber over alle kleine vaartuigen. Uit het scheeps- 
volk werden nog 3 compagnieen h 50 man gevorrad ; twee hiervan 



' Schouten, biz. 77, Valentijn, deel U, 2* stuk en deel III, 2* stuk g^ven 
eeu eenigszins andere samenstelling der vloot op. 

* Sohouten, biz. 79 vermeldt, dat de Koningin hierbij persoonlijk tegen- 
woordig was. 



14 MK. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

werden met pieken en zijdgeweer bewapend, de derde alleeu met 
bijlen eu grauaatzakken. 

In deze bijeenkomst werd ook de geconcipieerde '/seylaes ordre 
en reglement/r voor de verdere reis langs Tanakeke tot Makassar 
voorgelezen. Daar de //dagelycke aenteykeninge^/ vermeldt, dat zij 
in alien deele geapprobeerd werd, blijkt hieruit, dat de secrete 
raad een soort van scheeps- of krijgsraad was, dien de opperbevel- 
hebber hooren moest omtrent alle zaken van gewicht. In die be- 
scheiden werd reeds vastgesteld , dat Johan van Dam enTruytraan, 
nabij Saleyer gekomen, met het schip de Mars en de sloepen de 
Kreeft en Jacatra met //H zamen alle die van haren geadj ungeerden 
secreten rade^/ zich bij provisie naar Makassar zouden begeveu om , 
alvorens eenige daad van vijandschap te verrichten, te zien om 
onder minnelijk voorwendsel de 3 compagniesdienaren aldaar aan boord 
te krijgen, de stad van buiten te verkennen en vooral op het zuider- 
kasteel te letten. ^n mid dels zouden de andere schepen onder den 
opperkoopman Frederik Eeders langzaam volgen en beoosten het 
eiland Tanakeke ten anker komeu. Wanneer de vloot vandaar opge- 
roepen werd , zouden de groote schepen en de galjoots voorop zeileu , 
z66 dicht langs de kust , dat men de voile laag aan het kasteel kon 
geven. Aldus de geheele kust en de kasteeleu met hun geschut 
//troevende// , zouden de 13 groote schepen , wier volgorde in het 
zeilen vastgesteld werd , steeds noord waarts gaan , om de Makassaren 
omtrent het landingspunt te misleiden. Opgedragen werd, goed op 
te letten, dat het Engelsche logics niet beschoten werd; het was 
een groot musketschot benoorden 's Konings kasteel gelegen en ken- 
baar aan een //opgerechten standaard//. De booten en galjoots, ge- 
volgd door de sloepen en kleine vaartuigen, moesten nabij het 
zuiderkasteel ophouden. De bemanning van deze schepen zou , onder 
het spelen van het geschut, aan weerszijden van het zuiderkasteel 
landen en dit onmiddellijk aantasten. Ten slotte werd bevoleu alle 
palissaden aan te spitsen en tot inzetten gereed te houden, voorts 
zeer voorzichtig te zijn met het buskruit. 

De aldus goedgekeurde //seylaes ordre en reglement'/ werden nog 
den zelfden dag op de vloot uitgedeeld. Schouten verhaalt, dat men 
in tweeerlei opzicht verbaasd was. In de eerste plaats had men het 
doel van den tocht zorgvuldig geheim gehouden. Wei waren te 
Amboina alle schepen voorzien van stormpalen , palissaden , enz. en 
ten oorlog toegerust, zoodat bekend was, dat men op expeditie 
giug, doch verder wist men niets. De algemeene gedachte was, dat 



TUCHTIGING VAN MAKKAS9EB IN 1660. 15 

men een aanslag op» de eilanden Solor en Timor voorhad , om de 
Portugeezen aldaar uit hun versterkiugen te verdrijven; in dit 
vermoeden werd men versterkt, toen het schip Aniemuiden daarheen 
vooruit gezouden werd, om de inwoners, die onze vrienden waren, 
van onze komst te verwittigen eu hun te verzekeren, dat zij niets 
van ons zouden te vreezen hebben , daar wij slechts kwamen om ons van 
ververschiugeu te voorzien en dan de Portugeezen dachten te verjagen. 
In de tweede plaats gold de verbazing de stoutmoedigheid van het be- 
wind der Compagnie te Batavia, dat met een betrekkelijk geriuge macht 
een machtig koninkrijk vol strijdbare mannen durfde aan te tasten. * 

Den 27*^ Mei werd de //breede ende crygsraet beroepen.// Aan 
alle schippers werd gevraagd of zij hunne schepen van versch drink- 
water en verder van al het noodige hadden voorzien ; de te volgen 
weg werd vastgesteld en bepaald, dat men zich nu reeds voor den 
strijd gereed maken moest. In den krijgsraad werd aan alle luitenants 
geiast hun troepen behoorlijk te monstereu en vooral de onbruikbare 
geweren uit te zoeken; deze konden op het admiraalsschip tegen 
goede worden ingeruild. Bij Tanakeke gekomen, zou men den troep 
van kruit en lood voorzien. Voorts werdeu alle officieren aangemaand 
/I'ind' occasie hun manhafticheyt te presteren." Dien dag zond de 
Koningin van Solor als tegengeschenk 4 buffels, 11 zak boontjes 
en katjang, en voorts eenig lijwaad. 

Gedurende het verblijf tusschen de eilanden Serbiette en Solor 
trad het scheepsvolk ook in verbinding met de bevolking. Die van 
eerstgenoemd eiland was blijkbaar zeer weinig beschaafd ; de menschen 
liepen bijna geheel naakt en ruilden allerlei vruchten en levens- 
middelen tegen oud ijzer, messen, lepels en koralen. Deze menschen, 
zegt Schouten, '^ waren z66 onnoozel, dat zij tinuen lepels voor 
zilveren kozen. Zij droegen hun wapens, welke grootstendeels in boogen 
en pijlen bestonden, overal bij zig. De Soloreezen waren vrijpostiger; 
zij kwamen dagelijks met hun kano^s om allerlei voorraad en gewassen 
te koop aan te bieden tegen lijwaad; geld was niet van hun gading//. - 

Den 28"* Mei 's ochtends vroeg lichtte men gezamenlijk het anker, 
thans met bestemming voor Makassar. Deu b^^ Juni bleek , dat men 
in de nabijheid van Saleyer was. De secrete raad werd opnieuw aan 
boord van de Mars beroepen ; ^ egens de slechtbezeildheid van de 
2 genoemde kleine vaartuigen werd besloten in plaats daarvan het 



' De Makassaren werden de ^Haentjon.s van 't Oosteu" ^cnoomd. 
« W. Schouten, biz. 80. 



16 MB. JOHAN VAN DAM UN ZIJNil 

fluitje Breukelen met het admiraalsschip mede te geven. Siervan, 
als van alle andere besluiten van een der raden. werden resolutien 
opgemaakt, die in haar geheel in de //dagelycke aeuteykeniuge// 
opgenomen en door den raad onderteekend werden. Nadat op alles 
de vereischte orde gesteld was, namen van Dam en Truytman 
afscheid van de vloot en gingen vooruit. * 

Den 6*° 's morgens zag men het land van Celebes , 's avonds was 
men de engte van Tanakeke door en den 7®° Juni kwam men te 
Makassar, recht tegenover 's Compagnies woningen, voor anker. 
Dadelijk kwamen 's Compagnies assistent en Mr. Pieter met een 
compagnies-schepprauw aan boord van de Mars, doch de derde 
Hollander, Jan de Matroos, was nog in het logies. Daarom zond 
men de schepprauw met de Makassaarsche huurliugen uaar land 
terug, met den last voor Jan de Matroos om een partij hoenders 
te brengen. Dit was natuurlijk een list om ook hem behouden aan 
boord te krijgen. Ten einde geen argwaan te wekken, zeide men 
aan de huurlingen, dat zij zich haasten zouden , daar de 2 andere 
Hollanders nog 's avonds naar land terug wilden om den Koning 
bericht te brengen van de aankomst der Hollandsche ambassadeurs. 
De 2 Hollanders had den weinig nieuws mede te deelen ; sedert het 
verzenden hunner missiven was nu ook het Portugeesche kwartier 
versterkt , wat men van uit het schip reeds gezien had. De Makassaren 
hadden geen kennis van de nadering onzer vloot. Voor genoemd 
kwartier lagen 6 Portugeesche schepen en een fregatsgewijze ingericht 
jonkje, waarvan 4 diep geladen schenen. Bijna d^n geheelen nacht 
werd er beraadslaagd , wat men doen zou met de Portugeesche 
schepen, die den onzen //niet weinig in de oogen flikkerden//. Viel 
men eerst Makassar aan , dan was er veel kans , dat de Portugeesche 
buit ontsnapte, daar deze gereed was tot vertrekken. Men besloot 
daarom af te wijken van de instructie en eerst de Portugeesche 
schepen aan te vallen, waarvan wederom een resolutie opgemaakt 
werd. Vastgesteld werd, dat men den volgenden morgen , ook ingeval 
Jan de Matroos nog niet aangekomen zou zijn , bij het aanbreken 
van den dag de Portugeezen aantasten en voorloopig Makassar 
ongemoeid laten zou. Daarom kon de rest der vloot niet te hulp 
komen en zou de aanval met 2 schepen tegen 6^7 geschieden. 



r 



' Valentijn, Deel III, Tweede stuk, vermeldt t^xv onrechto, dat de aan- 
voerders vooniitgingen om te trachten nog tot een minnelijke schikking te 
komen. Hun eenig doel was om zonder opzien te baren de 3 Hollanders van 
Makassar in veiligheid te brengen en de kust te verkennen. 



TDCHTTQING VAN MAKASSAtt IN 1660. 17 

Men vermoedde, dat deze aanval //op onze vijanden , de Portugeeze// 
den Koniug van Makassar wel schrik inboezemen zou. 

Tot groote vreugde der onzen kwain Jan de Matroos nog in den 
vroegen raorgen van den 8®° aan boord. De aanval begon kort 
daarna. De heeren van Dam en Truytman gingen met hun beide 
welbezeilde schepen kloekmoedig op den vijand los en gaven hem 
tot een morgengroet de voile laag van het met schroot en kogels 
geladen donderend kanon. De Portugeezen toonden echter, dat zij 
ook reeds wakter waren en boden in het eerst een krachtigen 
tegenstand, zoodat de kogels van weerskanten in menigte door 
de schepen vlogen en men overal- niets dan vuur en rook zag. * 
De kansen stondeu aanvankelijk gelijk, totdat een gelukkig toeval 
die ten gunste der onzen deed overhellen; het Portugeesche 
admiraalsschip vloog op eenmaal met al zijn volk in de lucht. 
Kort daarna geraakten 2 audere hunner schepen in brand, die tot 
op de waterlijn afbrandden en eenigen tijd later ook in de lucht 
vlogen; de bemanning van deze schepen had zich intijds, ten deele 
zwemmende , ten deele met kleine vaariuigen gered. Toen werdeji 
2 andere Portugeesche schepen op het strand gejaagd, terwijl het 
zesde^ de Nostra Signora de Remedia, door het fluitschip Breukelen 
geenterd en vervolgens genomen werd. De gevangen Portugeezen 
werden vrijgelateu en met een klein vaartuig naar land gezonden, 
opdat zij hunne landgenooten verhalen konden, hoe hun het bezoek 
der Nederlanders bekomen was. 

De onzen kregen in dit gevecht slechts 5 dooden en 5gewonden, 
terwijl de vijand vele gesneuvelden en gekwetsten had. 0ns admiraals- 
schip, de Mars, was in groot gevaar geweest; men was in de 
onmiddellijke nabijheid van het vijandelijk admiraalsschip en voor- 
nemens dit te enteren, toen het in de lucht vloog; zelf had men 
13 duizend pond buskruit aan boord. 

Zoodra de strijd begon, had de Koning van Makassar, die 
met zijn edelen getuige van dit schouwspel was, overal de bloed- 
vlaggen doen hijschen. Weldra werden hunnc gongs en krijgs- 
trompetten langs het geheele strand en landwaarts in menigte 
gehoord , terwijl het zware geschut onze schepen onder vuur nam. 
Daar ons hiermede de vrede opgezegd werd, beschouwde rnen onzer- 
zijds verder onderhandelen overbodig. Men bleef derhalve, toen de 
Portugeesche schepen vernield of genomen waren, doorvuren, totdat 



1 W. Schouten, biz. 82. Zie ook Plaat XIII. 
7* Volgr. VI. 



18 MB. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

des avonds de land wind de onzen in staat stelde zichzelf en het 
genomen schip in veiligheid te brengeu. Het Engelsche logies was 
volkomen gespaard, evenals een Engelsch schip, dat ter reede lag. 

Alvorens ie vertrekken, zond men den Koning van Makassar een 
in het Maleisch vertaalden brief, welke overgebracht werd door de 
2 Makassaren, die des morgens met Jan de Matroos aan boord ge- 
komen waren. Om den Koning verder zoo weinig mogelijk tijd tot 
tegenweer te schenken, ging men nog 's avonds de vloot tegemoet, 
//na den Almachtigen Behoeder in ons hart gedankt te hebben voor 
het zonderbare genadebewijs van zijn Goddelijke hulp.// 

Den 9^®" Jnni 's morgens gingen Truytmau en Terhorst op in- 
spectie bij den genomen Portugees. Het schip bleek aan de Geeste- 
lijke Compagnie te Macao * te behooren en was propvol met sandel- 
hout, een partij peper, nagelen, noot, buffelhorens, rottang, enz. 
Het was z66 reddeloos geschoteu, dat het onmogelijk volgen kon; 
daarom werd het den 10®" tusschen Makassar en Tanakeke onder de 
hoede van de Breukelen achtergelaten. 

Den 11**^ Juni bereikte de Mars onze vloot op de vastgestelde 
plaats. Hier had men zich intusschen tot den strijd gereed gemaakt. 
//Men bespenrde in de gantsche vloot eenen wakkeren moed onder 
>/al het volk, tonende elk zijne begeerte , om met de trotze Makassers 
//aan den gang te komen. Alleen onze zwarte Amboineezen, die 
//dappere krijgshelden , welken, toen zij van Amboina vertrokkeii, 
//zulke manhaftige gebaerden aanrighten, omdat zij geen andere 
//gedagten had den , dan slegts een togtje naar de eilanden van Solor 
//en Tijmor te doen, en daar eenen weerloosen hoop zwarten te ver- 
//jagen , stonden thans geheel verbaasd en door schrik bevangen , nu 
//zij hoorden, dat men op Makasser losging, om het zelve met eenen 
//mannenmoed aantetasten. 

//Op ons schip hadden wij ^^ne kompagnie van deze krijgshelden. 
//De kapitein van dezelve, die met ons bij de schipsbevelhebbers 
//in de kajuit de tafel had , had te voren menigmaal gezwetst op 
//zijne dapperheid, en gezegd, dat hij besloten had, op desen togt 
//geen gezouten vleesch meer te eten voor dathij van zijner vijanden 
//herssenen gebraden en genuttigd zou hebben. Maar nu bezweek deze 
//kloekmoedige en onvertzaagde krijgsman schier van schrik, als 
//hij slegts Makasser hoorde noeipen, zig niet anders voorstellende , 
//dan dat hij met zijn volk hier ter slagtbank werd geleid//. - 

^ Letterlijk overgenomen nit van Dam's verslag. 
' W. Sohouten. 



TUCHTIGING VAN MAKASSAB. IN 1660. .19 

Op weg naar Makassar kwam men eerst een Makassaarsch vaar- 
tuig tegen met een vredevaautje en een partij goud en lijnwaad, 
door den Koning aangeboden als schadeloosstelling voor hetgeen van 
de onzen te Bima geroofd was ; men nam een en ander aan en zond 
het schip terug. Vervolgeus ontmoette men de Breukelen met het 
veroverde vaartuig, dat inmiddels hersteld en in //De HoUandsche 
Bemedia// omgedoopt was; beide sloten zich bij de vloot aan. 

Den 12*" Juui, nabij Makassar gekomen, stapten van Dam en 
Truytman over op het suelzeileud jacht de Kat. Insgelijks ging al 
het krijgsvolk van de elf kloekste schepen in alle stilte over op de 
jachten, fluiten en galjooteu, terwijl men zich van alles voorzag, 
wat bij de uitvoering van de landing noodig kon zijn. Op die wijze 
misleidde men den vijand ; het schip met de admiraalsvlag zeilde 
met de andere groote schepen door naar het N. , terwijl de opper- 
bevelhebbers bij de voor de landing bestemde hoofdmacht achterbleven. 
Overeenkomstig de vroeger vastgestelde plannen begou het zware 
geschnt der elf hierbedoelde schepen de kust, iuzonderheid de 
kasteelen, dapper te //troeven//, terwijl men N.waarts voer. ^ Eerst werd 
het strand nabij het Zuiderkasteel van vijanden schoongeveegd, terwijl 
daarna het kasteel zelf flink onder vuur genoraen werd. De Makassaren 
beantwoordden ons geschutvuur krachtig, doch hunne schoten gingen 
aanvankelijk te ver, zoodat zij onze schepen weinig beschadigden. 

Voortgaande koos men daarna de tempels en gebouwen van 
Makassar ten doel, totdat men bij het Kouinklijk kasteel Samboepo 
gekomen was, dat door een concentratie van vuur zeer veel te 
lijden had. Een van 's Kouings schoonste vrouweu werd aan zijne 
zijde gedood. Doch ook het geschutvuur des vijands nam thans in 
hevigheid en juistheid toe. Bijgestaan door ter hulp gesnelde Portu- 
geezen slaagde hij er meermalen in onze schepen te raken, waarvan 
er verscheidene beschadigd werden. Men kreeg schoten op en onder 
de waterlijn, doch door de vaardigheid der timmerlieden werden de 
gaten weldra gedicht. 

In de overtuiging, dat de aanval het kasteel Samboepo gold, 
kwamen de gewapeudc Makassaren van alle kanten opdagen om hun 
• vorst tegen onze landing te beschermen. Te dien einde trokken ook 
4000 man uit het kasteel Panakoke en omgeving naar het N., in 
de hoop ons voor het vorstelijk slot het hoMd te doen stooten. 
Intusschen waren onze overige vaartuigen met de zeilen bij den 

* Een afbeelding van dezen aanval vindt men bij Schonten. Plaat XIV. 



20 ME. JOHAN VAN DAM KN ZIJNB 

mast in de nabijheid van het Zuiderkasteel blijven liggen, waar zij . 
den schijn aannamen uiet in staat te zijn iets te ondernemen. Hier 
lagen echter de 2 opperbevelhebbers met vele vendels soldaten ver- 
borgen onder verdekken, tenten ea overloopen, //verlangende, gelijk 
//weleer die in het turfschip van Breda, naar eene ruimere lugt 
//en bekwaamen tijd om een aanslag uittevoeren, die vrij aan- 
//merkelijk was.// * 

Zoodra de krijgslist gelakt bleek, werd het sein gegeven om te 

' landen. Zonder veel te vuren ging men aan land en viel het 

Zuiderkasteel aan, waarvan de bezettiug te zwak was om weerstand 

te bieden. Zij trachtte nog langs de landpoort te ontsuappen , doch 

reeds was een compagnie piekeuiers haar aan die zijde voor. Allen 

werden in het kasteel teruggedreven en gedood ; ook sprougen 

vele Makassaren, door schrik bevangen, van de rouren neder eu 

werden afgemaakt; in het kasteel telde men 59 dooden, bovendien 

velen daarbuiten. Slechts weinigen ontkwamen en verspreidden een 

algemeeue ontsteltenis onder den vijand. Zoodra de onzen meester waren 

van het kasteel, werden de Prinsenvlag en verscheidene vaandels 

op de veroverde vesting geplaatst. De wallen van het kasteel hadden 

dermate van ons geschutvuur geleden, dat men er op verschillende 

plaatsen zonder stormladders binnendringen kon. Daarom werden 

zij voorloopig zoo goed mogelijk herst^ld, de stukkeu weder be- 

hoorlijk op de affuiten geplaatst eu het geheele kasteel in staat 

van tegenweer gebracht. Weldra bleek, dat dit geeu overbodige 

voorzorg was. Zoodra de Makassaren tot de overtuiging kwamen , 

dat zij misleid waren en het Zuiderkasteel hun ontnomen was, 

keerden zij zich met groote drommen tegen dit laatste, in de 

hoop het te hernemen eu de onzen in zee te drijven. Duizendeu 

pijlen en vergiftige assagaaien snorden door de lucht eu vielen in 

de vesting. Auderen deden hun best met musketteu, vuurballeu en 

klein geschut of trachtten met hun onbekwaam stormgereedschap 

de steile wallen te beklimmen. De onzen ontvingen hen echter z66 

wel met de metalen stukkeu , met het geweer en met handgrauaten, 

dat de tegenaanval mislukte en de vijand met bebloede koppen 

afdeinzeu moest. van Dam en Truytman verrichtten daarop een 

uitval, die werd voortgezet tot aan de rivier, die tusschen het 

Zuiderkasteel en Saraboepo door Makassar strqomt. Door dieu uitval 

geraakte de vijand geheel in verwarriug; velen trachtten zich zwem- 

mende te redden. 

« Zie W. Schouteu, biz. 86—90. • 



TUCHTIGING VAN MAKASSAE IN 1660. 21 

Tijdens den terugkeer der onzen naar het kasteel werd het geheele 
terrein tusschen dit laatste en de rivier afgebrand orn rondom het 
kasteel vrij schootsveld te hebben. Een groote negorij , tempels , 
huizen en scheepstimmerwerven der Makassaren gingen hierbij verloren. 
Y66t het vallen van den avond werd het terrein ook ten Z. van het 
kasteel een eindweegs afgebrand. Men nam hierbij nog een paar 
jonken met sandelhout. 

Intusschen waren de groote schepen , na het kasteel Samboepo 
geteisterd te hebben, nog N.waarts gegaan. Het kautoor der Engelsche 
Compagnie, waarv66r een schip ten anker lag, werd ongemoeid 
gelaten. Verder komende kanonneerde men de stad opnieuw en 
kwam ten slotte aan het kwartier der Portugeezen, waar prachtige 
gebouwen naast sterke batterijen en verschansingen lagen. Zij schenen 
zich te willen wreken voor het verlies hunner handelsschepen en 
begonnen dus wakker op onze schepen los te branden. De onzen 
iieten zich niet onbetuigd en beantwoordden , dicht langs de batterijen 
voorbijvarende , het vuur met alle kracht. Ten slotte kanonneerde 
men het aan de N.zijde van Makassar gelegen kasteel Djoempandang, 
waarna men den steven wendde en in omgekeerde orde de geheele 
kust nogmaals de voile, laag gaf. V66r het Portugeesche kwartier 
geraakte ^^n schip, te dicht langs den wal varende, met zijn roer 
verward in het ankertouw van het gezonken Portugeesche admiraals- 
schip. Alle pogingen om los te komen bleveii vruchteloos. De Portu- 
geezen , dit bemerkende , verdubbelden hun vuur in de hoop bedoeld 
schip in den grond te boren. Vermoedelijk trof een hunner kogels 
het hinderlijke ankertouw; althans het schip geraakte eensklaps los 
en kon, zich van den wal verwijderende , bij de audere schepen 
aansluiten. 

Hoewel het vuur des vijands meer en meer begon te verflauwen, 
hidden de onzen hun kanonnade vol tot het vallen van de duisternis. 
Toen kwam de geheele vloot aan weerszijden van het Zuider-kasteel 
ten anker. 

De onzen hadden in het geheel 9 dooden en 14 gekwetsten. Aan 
de landing hadden 25 compaguieen deel genomeu ; de vijf Amboineesche 
compagnieen waren aan boord gebleven om het gevecht ter zee bij 
te wonen en eerst wat //courageuser^/ te worden; zij gingen den 
volgenden dag aan land. 

Den 13®** Juni, een Zondag, vond eerst een dankzegging plaats 
tot God voor zijn bewezen genade. Daarna ging ieder aan het 
werk om de geleden schade te herstellen ; de dooden werden begraven 



22 MR. JOHAM VAN DAM EN ZIJNE 

en de gekwetsteii onder toezicht van den chirurgiju behandeld. Het 
strand lag allerwege bezaaid met gesneuvelden des vijands, doch 
het begraven dezer dooden liet men aan de Makassaren over. Dien 
dag ontving men 4 gezanten des Konings, die om den vrede 
kwamen vragen. Onze opperbevelhebbers gaven den Koning alle 
schuld, daar hij, ondanks //onze vredige, vriendelycke en revereute 
verscheyninge// had iugegrepeu in ons gevecht met de Portugeezen 
door het hijschen van de bloedvlag en het bevuren onzer schepen 
zonder eenige waarschuwiug. Men behandelde de gezanten op vrij 
hoogen toon en gaf hun te kennen, dat eerlaug een veel machtiger 
vloot van Batavia zou uitzeilen om met het rijk van Makassar af 
te rekenen. Daar men de gezanten des Konings niet voornaam 
genoeg oordeelde, zond men hen met de bovenstaande mededeeling 
terug en met den last om met een persoon van meer gezag terug 
te keeren. Des middags keerden zij, nu vijf personen sterk, weer 
en werd hun na eenig onderhandelen een wapenstilstand toegestaan. 

Zonder voorkennis van het bewind der Compaguie te Batavia 
wilden de opperbevelhebbers geen vrede sluiten, daar men zich 
hiertoe niet bevoegd verklaarde. Men gaf den Koning den raad zoo 
spoedig mogelijk zijue gezanten , zoo van staat als van verstand , 
naar Batavia te zenden, om daar te onderhandelen. Dien dag kwam 
ook de Engelsche onderkoopman aan boord met een geschrift van 
zijn opperhoofd, waarin dankbaar de goede orde erkend werd, op 
onze vloot gesteld en dank betuigd voor het sparen van de Engelsche 
factorij. 

Den 14®° kwamen de 5 gezanten terug. De Koning had 4 ge- 
zanten aangewezen, die namens hem naar Batavia zouden gaan. 
Daar het 4 Moorsche schriftgeleerden waren, werd geantwoord, dat 
er nog eenige hooge personages bijgevoegd moesten worden. De 
Koning wees er daarop nog twee aan , doch daar deze volgens de inlich- 
tingen van de te Makassar gevestigde Hollanders niet //gequalificeerd// 
genoeg waren , stelde men den Koning 4 van de grootsten des lands 
voor, waaruit hij er een kiezen moest. Nadat hij nog een poging 
gewaagd had om alle onderhandelingen te Makassar af te handelen 
en nadat hem gezegd was, dat hij een prompt bescheid moest geven , 
wees hij den 15^*" een bejaarden prins, Karaeng Popo, als hoofd 
van het gezantschap aan. 

Den Koning werd aangezegd, dat het gezantschap een schriftelijke 
volmacht hebben moest om in zijn naam met den Gouverneur- 
Geueraal en den Baad van Indie te onderhandelen; tot na afloop 



TUCHTIGING VAN MAKASSAE IN 1660. 23 

der onderhandelingen zou het veroverde kasteel als onderpand in 
onze handen en zouden eenige schepen op de reede blijven. Intus- 
scheo werd dit kasteel geducht versterkt; een nieuwe gracht werd 
gegraven , de berm van sterke palissaden voorzien eu aan de zeezijde 
laogs den muur een dubbele rij van Friesche ruiters gelegd. Dien 
dag ontving men bericht, dat de //Botterbloem// in de bocht van Tauette 
vergaan was en de opvarenden, 21 man, door 'sKonings onder- 
danen aldaar gevangen gehouden werden. Men eischte , dat de Koning 
onmiddellijk naar Tanette , dat niet ver van Makassar gelegen was , 
den last zou zeuden om de bemanning in vrijheid te stellen. Weinige 
dagen later werd hieraau voldaan; 2 jongmaats, die Moorsch ge- 
worden waren, keerden niet terug. 

Den 16*° kwam van de Engelsche kolonie een schrijven in met 
de mededeeling,^ dat men voor bepaalde bedragen en voor bepaalde 
wareu betrokken was in de genomen Portugeesche schepen eu een 
genomen Makassaarsche jonk ; men vroeg daarom zijne waren terug. 
Hierop werd //aen de Residenten van de Honorabile Engelse C'® 
tot Macassar/!^ geantwoord, dat men de Engelsche kolonie ten alien 
tijde sparen zou, indien de vlaggen duidelijk vau de gebouwen 
waaiden, doch dat men verdere verzoeken niet kon toestaan. De 
Engelschen had den gehandeld met vijanden van de Compagnie eu 
moesten de gevolgen dus zelf dragen. Men achtte zich tot inwilliging 
vau het verzoek niet gequalificeerd en verwees hen naar den 
Gouverneur-Generaal. 

Den 18*° werd de secrete raad in het kasteel bijeengeroepen. 
Besloten werd de fluit de Vinek vol te laden met genomen goederen 
als peper , nagelen , lood , buffelhorens , enz. ; de Portugees was ook 
volgeladen ; diens luiken werden dichtgespijkerd en het ruim ver- 
zegeld. Beide schepen zorden uu zoo spoedig mogelijk naar Batavia 
vertrekken om den goeden afloop van de expeditie te melden. In 
overeenstemming met de medegekregen instructie werd in plaats van 
Johannes Hartmau , die deu 1®° Juni aan eeu harde koorts bezweken 
was, tot bevelhebber vau het kasteel aaugewezeu kapiteiu Harman 
van Outhoorn. Hij en Koopmau Sr. Jan Barra werden tot regeerders 
of hoofdeu van het kasteel aangesteld ; tot //opsicht en waerneming 
van de artillerie-vuurwerckeu// bleef de constapel-majoor achter; 
voorts bleveu iu het kasteel 2 chirurgijus en 1 cranckbesoeker. 

Den 19*° Juni zond de Koning 2 magere buffels en een dito 
koebeest, benevens eenige zakken witte rijst, klappers en suikerriet. 
Den dag daama outving hij ons ontwerp voor den wapenstilstand. 



24 MR. JOHAN VAN DAM KN ZIJNE 

Den 22®" werd het terreiu rondom Panakoke afgebakend, dat wij 
tot den vrede aan ons behielden. Den 25®" begon men de over- 
gebleven munitie te telleu en te verdeelen tusschen de vloot, die 
weldra naar Timor en verder naar Amboina zou gaan en tusschen 
het kasteel. Ook de aanwezige voorraden werden verdeeld. Daar het 
kasteel voor 5 maanden van alles voorzien moest worden , bleef er 
voor bedoeld deel der vloot ter nauwernood voor 4 maanden over. 

Den 26®" kreeg men het ontwerp voor den wapenstilstand terug; 
het was den Koning in alle opzichten naar den zin , zoodat hij het 
met zijn zegel bekrachtigd had. In dit verdrag werd bepaald, dat 
het in ieder geval van kracht zou blijven tot na den terugkeer der 
gezanten uit Batavia. Het Hollaudsche gebied , dat niet verder dan 
6en kanonschot buiten het Zuiderkasteel en naar het N. tot aan de 
rivier reikte, mocht gedureude den wapenstilstand niet doordebevolking 
van Makassar betreden worden. Zoolang mocht ook geen Portugeesch 
vaartuig in zee steken ; evenmin mochten vreemde handelareu dien 
tijd de haven in of uit zonder een Hollandschen vrijgeleidebrief. 
Overigens zouden de Hollanders de Makassaren als vrienden beschou- 

■ 

wen en mochten eenige van deze laatsten wel ter reede van het 
kasteel komen om hunne waren te verkoopen. 

Den 29®" vernam men van de Engelschen, dat de Portugeesche 
kolonie door ons optreden tot groote armoede vervalleu was. Vele 
blauke Portugeezen waren gedood. Van hunne vaartuigeu was ^^n 
ontkomen naar Macao ; twee andere zaten nog v66r ""s Konings kasteel 
aan den grond. Ook de Makassaren hadden gevoelige verliezen geledeu. 
Den volgenden dag werd de secrete raad bijeen geroepen, die, op 
het '/voorbrengen// van den fiscaal, vele rechtszaken afdeed; ook 
over het gebrek aan rijst op de vloot werd gesproken. Uit het verder 
verhandelde blijkt, dat 15 schepen, zoo groot als klein, bestemd 
waren voor Timor en Amboina, om de //Oostersche volken//, die 
aan de expeditie deelgenomen hadden , terug te brengen. Men besloot 
deze vloot onder de vlag van Truytman eerst de negorij van Bima 
te laten aandoen, die niet ver uit het bestek lag. Truytman was 
reeds blijkens de instructie van G. G. en R. v. I. bestemd om als 
//expres commissarisv naar Timor te gaan. Men moest trachten te 
Bima, dat onder protectoraat van den Koning van Makassar stond, 
op minnelijke wijze en tegen betaling zooveel koren op te doen als 
noodig was. Ten respecte van den Koning van Makassar moest men 
de bevolking van Bima minzaam behandelen ; was zij echter onwillig 
of tergde zij ons , dan vertrouwde men , dat Truytman een voldoende 



TUCHTIGTNG VAN MAKASSAR IN 16H0. 25 

macht bij zich had om de onoutbeerlijke //nootdruftighedeu// zelfs 
met geweld te zoeken. Ten slotte werd besloten, dat de //Heer 
Commandeur ende Majoor Johan van Dam zelfs in persoon eerdaags 
met de Makassaarsche gezanten naar Batavia vertrecken sonde//. 

Den P*^ Juli werden 3 Spanjaarden, tot ons garnizoen behoorende, 
doch naar de Portugeezen overgeloopen , door den Koning van 
Makassar overgeleverd. Er was voor hen geen pardon te krijgen. 
Zij werden, anderen ten voorbeeld, den 5*"^ d. a. v. bij elkaar aan 
een boom nabij den zeekaiit opgehangen. * Den 2®" Juli gingen 
eenigen der onzen, waaronder Mr. Pieter, die er goed bekend was, 
te Makassar ter markt. Men kon er ongehinderd verkeeren, doch 
er was nog bijna niets te koop. Mr. Pieter rapporteerde , dat de 
straten verwoest. waren, de meeste huizen afgebroken of gedeeltelijk 
verbrand. //De grooten gingen druipoorend en schenen zoo vol moeds 
en grootschheid niet meer te zijn.// De ougetemde berglieden, 
//Boegis// genaamd, zwierven bij troepen in de stad en werden ook 
door de Engelschen zeer gevreesd. De vaartuigen, waarmede de 
Makassaarsche gezanten naar Batavia zouden gaan, waren gereed en 
lagen v66r 's Konings kasteel. 

Den 4i^^ Juli werd een generale bededag gehouden in 't kasteel 
en op de gansche vloot. //Den almachtigen grooten en victorieusen 
God werd uit de grond van ons hart gedankt en geprezen voor al 
zijn bewezen genade en weldaden, gedurende deze krijgs-expeditie 
zoo rijkelijk bewezen en ondervonden , en werd zijn zegen afge- 
smeekt over 's Compagnies verdere affaires naar Bima , Timor en 
zoo verder.// 

Den 5*" zag men tot zijn groote verbazing, dat een der Portu- 
geesche schepen van het strand af en aanmerkelijk N.waarts ver- 
plaatst was. Kennelijk had men hier te doen met een poging tot 
ontsnappen, die door het uitblijven van den land wind mislukt was. 
Eenige onzer schepen werden op den Portugees^ afgezonden om hem 
vast te houdeu en aan te snoeren of hem anders te verdelgen. 
Ondertusschen kwamen 5 Makassaarsche schepen met de afgezanten 
en zeer veel volk nabij onze vloot. In het voorbijgaan riep men ons 
toe , dat de gezanten aan boord waren ; daarna roeiden zij voort 
om de Zuid. Men sprak hierover zijn ongenoegen aan den Koning 
uit ; wij waren nog niet tot vertrek gereed , er was geen gelegenheid 
de gezanten te verkennen en hun vertrek streed regelrecht met ou7.e 



» W. Sohoaten, biz. 96. 



26 BIB. JOHAN VAN DAM EN ZIJNB 

overeenkomst , die bepaalde, dat het gezantschap te gelijk met de 
ouzen uaar Batavia zou gaau. Kort daarop kwam het antwoord van 
den Koning. Van het wegloopen van den Portugees was hem niets 
bekeud ; daarom had hij dat schip in den grond doen boren. 
De gezauten waren slechts tot Galesoug gezeild, waar zij onzen 
admiraal zouden inwachten. Voorts zoud de Koning als geschenk 
voor den G. G. een last witte rijst en voor den heer de Vlamingh 
van Oulshoorn, Raad van Indie, een buitengewoon schoon en zeld- 
zaam stuk //sandalenhout// , wel 36 voet lang. 

Den 6®^ kwam de secretaris van Karaeng Popo met het verzoek 
te mogen vernemen, wanneer de admiraal dacht te vertrekken. De 
Makassaarsche schepen waren diep geladen, zoodat men niet recht 
door zee op Batavia durfde gaan, doch langs de kust van Madura 
wenschte te varen. Nu was de vraag, of men alien te zamen gaan, 
dan wel of men elkaar te Japara inwachten zou om daarna ge- 
zamenlijk de reis naar Batavia voort te zetten. van Dam liet ant- 
woorden, dat hij den 8**^ dacht te vertrekken en dat hij de reis 
over Japara nemen zou. Hij liet het verder aan de gezanten over 
of zij met hem wilden gaan dan wel of men elkaar dddr vinden 
zou. Den 7®° Juli werd Harman van Outhoorn in het kasteel 
Panakoke geauthoriseerd en den volke voorgesteld, terwijl de 
koopman Jan Barra tot zijn tweede of secunde aangewezen werd. 
Hun werd een instructie ter hand gesteld, waaruit bleek, dat 495 
man, 16 //bosschutters tot het geschut// en 16 stukken * in het 
kasteel achtergelaten werden; voorts zouden 4 weerbare kloeke 
jachtea en 2 sloepen ter reede blijven. Deze laatste moesten vooral 
letten op de 2 Portugeesche schepen onder 's Konings kasteel. Te 
rekenen van den l*** Juli was ons kasteel door de vloot voor 5 
maanden van levensmiddelen voorzien ; alleen kwam men 10 last 
rijst te kort, welke de Arnemuiden te Bima zou trachten tekrijgen. 
Aan geld werden 400 Makassaarsche Masen of 800 gulden in gouden 
gangbare munt achtergelaten ; dit was een deel der 1595 Masen, reeds den 
11®^ Juni door den Koning van Makassar betaald als schadeloosstelling 
voor den indc.rtijd door de Makassaren te Bima van de Compagnie 
geroofde goederen. Omtrent de verpleging werd bepaald , dat de 
uitdeeling van levensmiddelen regelmatig plaats vinden moest als 
aan boord ; per dag en per hoofd zou ougeveer 1 pond rijst gegeven 
worden; voorts 3 pond vleesch en 3 pond spek per hoofd en per 

^ 7 metalen en 9 ijzeren stakken. 



TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 27 

. maand; alleeii de hoofdofficieren zouden het dubbele van deze 
toespijs genieten. Bovendien kreeg ieder man per dag ^ maatje 
arak, terwijl booneu en katjang tweemaal per week geschaft 
konden word en. 

Voorts bepaalde de instructie, hoe men wel indachtig zijn 
moest, dat de Makassareu vgemeenelijk zeer trouwlooze en desperate 
stoute menschen zijn in het bespringen van auderen.// Men zou goed 
doen zich te gedragen alsof er geen gezantschap uaar Batavia was. 
Ten slotte werd in de instructie de samenstelliug vau den secreteu raad 
des kasteels geregeld. Hij zou bestaau uit 9 personen , te weten de 
2 hoofdlieden van het kasteel, 3 schippers en 4 luitenants. 

Den 8®° Juli nam men afscheid van alle vrieuden in het kasteel. 
Dieu dag verliet de vloot onder het gedonder vau het geschut de 
reede van Makassar en koos het ruime sop. Volgens Schouteu ^ zou 
Karaeng Popo te voren nog een pogiug gewaagd hebben om zonder 
volmacht te vertrekken. Toen men hem vroeg naar //zijn blijk en 
zijne geloofsbrieven,// die hij den Gouverneur-Generaal te Batavia 
zou moeten toonen , antwoordde de Moorsche prins : //Ik heb mijn 
//geloofsbrief in het biunenste van mijnen boezem , eu heb genoegzaame 
//volmagt en volkomen bevel van zijne majesteit ontvangen, hoe ik 
'/mij in alle gelegenheden te gedragen heb.// Natuurlijk nam men 
met deze verklaring geen genoegen en werd een behoorlijke, schrif- 
telijke volmacht geeischt. De //dagelycke aenteykeninge// vermeldt 
deze uitvlucht niet; toch komt dit voorval ons uiet onwaarschijnlijk 
voor, daar de sluwheid en de trouweloosheid der Makassareu telkens 
vermeld worden. 

De terugreis naar Batavia viudt men verder , als verVolg van het 
bovenstaande , beschreven als //Continuatie van't vorenstaende dagh- 
register, vervolgt by de E. Hr. majoor Joh^u van Dam//. Nabij 
Tanakeke gekomen, nam Truytman afscheid van van Dam om zijn 
reis als commissaris uaar Timor te vervolgeu en stapte over op de 
Kouckerken. Hij had onder zijn vlag 15 groote en kleiue schepen, 
waarop tusscheu de 4 en 500 man. ^ 

//Wij zetten het met de overige schepen onder de vlag van den 
dapperen admiraal Johan van Dam uaar Batavia//. ^ van Dam had 



» T. a. p. biz. 94. 

' Truytman overleed te Batavia 2 Februari 1661. Zijn lijk werd den 3*" 
'savonds met veel statie in tegenwoordigheid van G. 6. en B. v. I. teraarde 
besteld ^ende daer werden dry ohargen over zijn grafgedaen". Dagh-Register 
1661. 

• W. Schouten, biz. 97. 



28 MB,. JOHAN VAN DAM BN ZIJNE 

ongeveer 100 soldaten bij zich, waarvau 90 zieken en irapotenteu, 
bestemd voor Batavia. Deu 9^®^ Juli bleek, dat de veroverde jonk 
niet volgeu kon; daarom werd er 66t\ schip bij achtergelaten. Was 
het scheepje niet te helpeu, dan moest men terugkeeren naarPana- 
koke , daar opkalefatereu om vervolgens in gezelschap van de Zoute- 
lande, die ter reede van Makassar door de Arnemuiden zou afgelost 
worden, naar Batavia terug te keeren. 

Deu 13" Juli kwam men v66r Japara ten anker; dadelijk ging 
een sloep naar laud om aan ^sCompagnies resident de aankomst 
van van Dam te melden en hem te gelasten de vloot van verver- 
schingeu te voorzieu. Men kwam echter terug met het bericht, dat 
de resident al v66r 10 weken met ^/heele compagnies ommeslagh^^ 
naar Batavia vertrokkeu was; de haven was thans toegepaggerd. De 
reden hiervau was, dat de Nederlanders kort te voren Palembang 
veroverd en geheel verdelgd hadden, uit wedervergelding , omdat 
de inwoners 2 Nederlandsche schepen verraderlijk overrompeld en 
het volk neergesabeld hadden. De Soenan van Mattaram op Java, 
die zich als beschermheer van Palembang aanmerkte, had daarop 
een scherp bevel uitgevaardigd geen Hollanders meer in de haven 
toe te laten noch huu ververschingen te verschaffen. ^ 

Den 14®° riep van Dam de schippers aan boord om gezamenlijk 
te besluiten //wat nu voor ons best diende aan de hand geslagen 
te worden// , gezieu de ongelegenheden te Japara. Men had gehoopt 
daar eenige ververschingen te kuunen krijgen voor de zieken, 
waarmede men opgepropt zat. Ingevolge van Dam's voorstel werd 
besloten zonder toeven verder te gaau. Het jacht de Kat werd achter- 
gelaten om de Makassaarsche gezanten af te wachten en te geleiden ; 
dit jacht moest ziju zieken overgeven aan and ere schepen en tot 
30 Juli blijven liggen; waren de gezanten dan nog niet aange- 
komeu, dan kon men vertrekken. 

Zaterdag, den 17®° Juli 1660, liet men het anker vallen ter reede 
van Batavia nabij het Vader Smitseiland. //Allen dankten God , 
die ons zoo geuadiglijk den gauscheu tijd van de reis heeft gelieven 
te zegenen en bij te wonen.// Ter reede lagen wel 50 schepen, 
doch den volgeaden nacht vertrok een vloot van 12 kloeke schepen 
onder de vlag van den heer van der Laan naar het Noorden om 
te trachteu de stad Macao den Portugeezen te ontwringen. 

Men vernam nu, dat de tijding van de overwiuning, op de 



» W. Sohouten, biz. 98. 



TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 29 

Makassaren bevochten, te Batavia gevierd was met eeu daukdag, 
bet lossen van al bet gescbut, bet aaDstekeu vau papieren laiitaarus 
laugs de wallen eu straten, bet afsteken van Cbineescb vuurwerk, 
bet braudeu van piktonnen enz. Ook aan alle Id Azie gelegeu 
Nederlandscbe steden, kasteelen, vastigbeden eu kautoren was bevel 
gegeven over deze langgewenscbte overwinning eeu dergelijke opeubare 
vreugde te bedrijven. * 

//De verstandigste, kennende de gelegentbeyt vau Macassar baddeu 
/f\ selve voor eeu gantscb ondoenelycke saecke gebouden , de Moore u 
//eu Heydenen alomme gelooffdeu , dat de werelt eer soude vergaau , 
//dan dat de Hollanders de Macassareu soudeu overwiuueu, als 
//syude altyt gebouden eu gereputeert geweest voor de stoutste, 
//onvertsaegste eu strytbaerste Natie van gantscb India, Eeu volck 
'/dat gewoon is met de alleruyterste desperatie te vegten, eu dat 
//eenige bonderd duysendeu op de been konde brengeu , gebruyckeude , 
//bebalve canon en Musquetten voor baer ordinaris geweer, vergiftige 
'/pyltgens, daer mede sy seer correct tot dertig scbreden verre op 
//een stuyver weten te scbieten.// ^ 

Korteu tijd later kwamen de Makassaarscbe gezanten met bun 
gevolg ter reede van Batavia aan. Zij werden door Joban vau Dam 
en andere gecommitteerdeu dadelijk verwelkomd en iu pracbtige 
vaartuigen der Maatscbappij naar land geroeid , waar bun even buiten 
de stad een //vermaaklijke boffstede met scboone vertrekken, aau- 
gename tuinen en plantaadjen vercierd// tot verblijf werd aangewezeu. 
In bun bagage bevond zicb eeu kistje met goud en eeu partij 
Spaauscbe realen, ter waarde vau ongeveer 23.000 gulden, om daar- 
mede bet kasteel Panakoke weer van de Compagnie terug te koopeu. ' 

Verscbillende plecbtigbeden badden ver vol gens plaats, waarbij de 
gezanten tegeuwoordig waren , o. a. een groote parade ter gelegeu- 
beid van de jaarlijkscbe verkiezing vau nieuwe oflRciereu over de 
burgerij van Batavia. De onderbandelingen stouden intusscben niet 
stil en werden bekroond met eeu voor ons zeer voordeeligeu vrede. 
Daarbij werd o. a. bepaald, dat de Koning van Makassar nocb zijn 
volk zicb voortaan zouden bemoeien met de laudeu van Boeton en 
met Menado; dat de Koning zicb niet meer zou iulaten met de 
Ambonscbe zaken; dat de Makassaren voortaan nocb Bauda nocb 
Amboina zouden bevaren ; dat men niet zou toestaan , dat uageleu , 



1 T. a. p. biz. 98. 

« Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. Zie bij Makassar. 

' Werk van Mr. Pieter van Dam. 



30 MU. JOHAN VAN DAM EN ZUNH 

iioten of foelie zouden worden verkocht aan anderen dan aan de 
Compagnie; dat de Koniug de Portugeezen '/met hare creaturen en 
aanhang// voor altijd zijne landen zou ontzeggen ; dat hij alles aan 
de Compagnie zou uitkeeren, wat hij wederrechtelijk in 1652 van 
haar genomen had (2 schepen); dat de Compagnie zich voortaan 
weer te Makassar zou mogen neerzetten om daar handel te drijven ; 
dat de Koning alle kosten der plaatsgevonden expeditie zou betalen , 
het bedrag vast te stellen door gemachtigden van weerszijden , die 
te Makassar zouden komen, waarbij de belaalde f 23000 in mindering 
kwamen; dat het kasteel Panakoke bezet zou blijven, totdat 
Makassar de geheele som had voldaan ^, enz. Nadere onderhandelingen 
met den Koning zelve waren niettemin noodig, want reeds den 6®" 
Augustus 1660 werd overwogen, wie als Commissaris naar het 
Makassaarsche hof gezonden moest worden om van den vorst genoegzame 
satisfactie tot een vasten, verzekerden vrede te bekomen, waartoe 
het scheen , dat de aanwezige gezant Karaeng Popo geen macht noch 
last genoeg heeft, en //is besloten, den heer Majoor van Dam, die 
//de expeditie op Makassar verricht heeft en de onderhandelingen 
//met den Makassaarschen gezant als onzen gecommitteerde mede 
//bijgewoond heeft , als eersten Commissaris der Compagnie naar het 
//hof van Makassar te zenden, om van den vorst genoegzame satisfactie 
//tot een hechten vrede te verkrijgen ; nevens Z.Ed, werd als 2'^® 
//Commissaris gesteld de heer Zacharias Wagenaer.// ^ 

Het schijnt, dat van Dam, die zich reeds te voren een goeden 
naam in het burgerlijk bestuur verworven had, die nu ook als 
krijgsman en diplomaat voor de rechten der Compagnie opgekomen 
was en daarbij uitgeblonken had, ongenegen was met een tweeden 
persoon of secunde naar Makassar tegaan. Althans den 19®** Augustus 
1660 //droeg de Gouverneur-Generael de vergaderingh voor, hoe de 
//heer Majoor Johan van Dam zich bij syn E. hadde comen ex- 
//cusereu van dat niet wel als onse eerste commissaris neven den koopman 
//Zacharias Wagenaer naer 't Macassarsche hof kan vertrekken alsoo 
//'t enenmaal geresolveert hebbe om zich voortaan alhier buiten dienst 
//der I. comp® in vrijdom te erneren, bij welke resolutiehij , van Dam, 
//onaangesien wat vermaningen hem zijn Ed. totcontinuatie van 'sComp^ 
//dienst hadde tegemoet gevoert, onafscheydelyck bleef persisteren, ende 
//om syn vrydom was aenhoudende, ende versoeckende, op welck instau- 
//tich versoeck by ons omstandelyck gelet synde, soo hebben wij goet- 

» T. a. p. 

' Resolutieboeken G-. G. en R. v. I. op dato. 



TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 31 

^'gevonden gemelten heer Johan van Dam van de voors. commissie te 
//excuseren ende van des Comp" dienst te ontslaen , ende in burgerlycke 
^vrydom te stellen^/. ' Dit laatste had reeds den vorigen dag plaats 
gevonden, want in de //Notitie van de vrijgeworden persoonen in 
»\ jaer a° 1660" leest men: ^ //Joan Maetsuycker, gouv. generael 
/fen. de raden van india over den Staet der Vcreenigde Nederlanden 
ff'm Orienten, alle degenen, die desen sullen sieu ofte hooren lesen , 
//saluyt doen te weten, alsoo den E. Joan van Dam, majoor deses 
/yguarnisoens in't land gekomen met 't schip de maegt van Enc- 
/fhuysen a° 1655 den 17®° Juny , op ons instantie versocht heeft 
//van des Comp" dienst ontslagen te werden, soo ist' dat// enz. 

//In't Casteel Batavia den 18« Aug«. 1660//. 

Zooals hierv66r Week , '' had van Dam zich ten slotte voor 8 jaar 
verbonden, zoodat zijn verband eerst in 1663 eindigen zou; het 
schijnt echter, dat hierop niet te streng werd gelet. 

In plaats van van Dam ging nu Wagenaer als eerste en Jacob 
Cauw, lid van den achtbaren raad van justitie, als tweede naar 
Makassar. * Met het sluiten van den definitieven vrede werd aldaar 
nog tot den 2*° December 1660 getalmd. De Kouing keurde het 
verdrag, door zijn gezanten gesloten, eindelijk goed en beloofde 
onder cede het te zullen nakomen ; de Portugeezen zouden binnen 
66ti jaar worden uitgezet. ^ Deze vrede was echter niet bestendig 
van duur. De te Makassar wonende Portugeezen werden niet uit- 
gezet, die van Macao zelfs weldra weer ter reede toegelaten. 
/rNiettemiu//, zegt Schouten, ® //hebben de trouwelooze Makassers 
//sedert hunne bedriegerij^u , meineedige schelmstukkeu , en gruwzaame 
//moorden tegen de onzen weer begonnen, en den vrede schandelijk 
//verbroken.// 

De formeele oorlog begon opnieuw, toen de Makassaren in 1665 
de Nederlandsche versterkingeu op het eiland Boetou aantastten. 
Cornelis Speelman , met een vloot van Batavia gezouden , slaagde er in 
den vijand ten onder te brengen, waarop de vrede in 1667 gesloten werd. 
Ook deze was van korten duur en eerst in 1669 gelukte het ge- 
noemden vlootvoogd , na Makassar met zijn versterkingeu en naburige , 

^ Als voren. 

' Overgekomen brieven van G. G. en R. v. I. in 1661. 
» Zie biz. 7. 

« Resolutie G. G. en R. v. I. dd. 19 Augustus 1660. 

' Werk van Mr. Piefcer van Dam. Valentijn, Deel III, 2* stuk, noemt 16 
November als den datum van den vrede. 
• Blss. 99—100. 



32 MR. JOHAN VAN DAM EN ZTJNE 

verwante kouinkrijken ten onder gebracht te hebben, eeii blijvenden 
vrede te verzekeren. 

Waarmede van Dam zich onledig gehouden heeft, nadat hij den 
dienst der Compaguie verlaten had , vermochten wij niet te out- 
dekken. Blijkbaar bleef hij te Batavia en , ondauks de reden , 
waarop hij in vrijheid werd gesteld, iji nauwe voeling met den 
Raad van Indie. Men vindt althans vermeld, hoe de tweelingeu 
van den heer de Vlaming van Outshoorn den 16^^ Juni 1661 des 
morgens na de predicatie in de stadskerk te Batavia gedoopt werden , 
waarbij o. a. getuigen waren //d'E. Willem van der Heeck, althans 
sergeant-majoor deses guarnisoens [derhalve de opvolger van van 
Dam], Mr. Joan van Dam, gewesen major// enz. * Verder werd 
den 28®° Juni d. a. v. //verstaau aan den Commandeur, Caeuw te 
defereren de qualiteyt van vice-president van den achtbaren raed 
van justitie, die sedert de vrijwerding van den gewesen majoor, 
Mr. Joan van Dam, vacant geweest is, met 150 gulden ter maand.// ^ 
Hieruit volgt, dat van Dam niet alleen lid van den raad van 
justitie te Batavia geweest is, doch ten slotte daarvan ook vice- 
president was. Wanneer hij dit laatste werd , vonden wij echter 
nergens aangeteekend. 

Het schijnt, dat Mr. Johan van Dam niet lang vrede had met 
een ambteloos bestaan. Althans den 1"^®° October 1661 namen G. G. 
en R. V. I. de volgeude resolutie : Overwegende , dat het gouveruement 
van Banda eenigen tijd vacant was en dit vervuld moest worden, 
had men daartoe speciaal //gelet op de besondere bewuste qualiteyten 
//dewelcke gevonden worden in den persoon van d'H. Joan van 
//Dam, die voor desen als sergeant-maioor in dienst der Ed. Comp'" , 
//eude in verscheydene aensienelycke bedieningen, ende nu jongst 
//het gewichtige desseyn van de Compio met de verovering van de 
//forteresse panakoke op maccassar voorleden jaer onder godes ge- 
//nadigen zegen als veltoverste seer geluckig heeft uytgevoert, ende 
//is over sulcx na voorgaende deliberatie eeustemmig goed gevonden 
//ende verstaen op zijn versoeck het voorsz. emportante gouveruement 
//van handa aan zijn Ed. te defereren.// Den 21®" d. a. v. werd hem 
onder een 5-jarig verband, //f 200 ter maend toegevoegt. // 

Den 18'° November 1661 kreeg hij ten huize van den Gou- 
verneur Generaal zijn afscheidsmaal , terwijl hij den volgenden 

^ Dagh-Register van 1661. van der Beeok was tavens de voorganger van 
van Dam. Zie biz. 5. 



TUCHTTGING VAN MAKASSAR IN 1660. 38 

morgen met het jacht de Meyboom , begeleid door eenige andere 
vaartuigen, naar Banda vertrok. De heeren Carel Hartsinck, direc- 
teur generaal , Arnold de Vlatning van Outshoorn en Nicolaas 
Verburg , raden-ordinaris van Indie , deden Z.Ed, uitgeleide tot 
aan boord en //hebben hem voor het volk int opeubaer geautho- 
riseert.^/ * 

Den 16*^ December 1661 kwam van Dam behouden te Banda 
aan; den daarop volgenden dag werd hij in het openbaar met de 
plechtigheden , bij zulke gelegenheden gebruikelijk , voorgesteld aan 
de plaatselijke au tori tei ten. * 

Wij zullen van Dam niet volgen in ziju bewind, hoewel zijne 
rapporten en de dagh-registers van Batavia daafrtoe ruimschoots in 
staat zouden stellen. Slechts zij vermeld , dat bij resolutie van 
H. H. l?"*" ' d.d. 19 December 1662 werd geresolveerd //dat met 
ffAie sitae (n.l. van Raad-Extraordinaris van Indie) sal worden ge- 
"honoreert de E. Mr. Jan van Dam, gouverneur op Banda, onder 
//het solve tractement van 200 gl" ter maent, dat hij althans is 
//genietende.// Het bericht van die benoeming kwam eerst den 14 
Juni 1663 te Hatavia aan met het fregat de Joncker, dat den 22 
Januari t. v. voor rekeniug en van wege de Kamer Zeeland der 
O. I. Compagnie zeil gegaan was. ■* 

Het schijnt, dat het leven te Banda weinig afleiding aanbood en 
dat ook de huwbare vrouwen van goeden huize er schaarsch waren; 
althans Johan van Dam gaf in het laatst van 1663 bij een par- 
ticulier schrijven aan den G. G. te kennen, //dat vermits de een- 
//saemheyd van de selve plaats wel genegeutheyt sonde beginnen te 
//cry gen hem in den huwelijkeu staet te bcgeven , ingevallen hem 
//tot dien eynde licentie mochte worden vergunt mettet eerste schip 
//een sprongtocht na l^atavia te doen.// ^ //Waerop gelet synde en. 
aengemerkt, dat syn E. in September aenstaende uyt Banda 
scheydende, daer by behouden varen wederom sal connen wesen 't 



en 
en 



' Dagh-Register van 1661 op de genoemde data. 

' Zie onder „Banda" in de Generate Missive [jaarverslag , thans koloniaal 
verslag] van G. G. en R. v. I. in dato den 26 December 1662 aan de ver- 
gadering van Heeren 17"*" geschreven. Het dagh-register \"an Batavia over 
1662 ontbreekt; daarin vindt men anders uittreksels uit de ingekoraen brieven 
van de buitenbezittingen. 

' De H.H. ]?"•" vormden het centraal bewind der O. I. Comp. hier te lande. 

* Dagh-register van Batavia. 

^' Een „sprongtocht" of „springtocht" noemde men ieder iiitstapje. 
?• Volgr. VI. 3 



34 V MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

uytgaen van de maent December daeraenvolgende,// besloten G. G. 
en B. V. I. den 19'" Januari 1664 hem onder bovenstaande voor- 
waarden het verlof toe te staan , mits v66r zijn vertrek geen 
Engelschen aaugekomeu zouden zijn om bezit te uemen van het 
eiland Run, "want alsdan syn E* presentie om alles wel en. nae de 
//intentie en. meyninge van de E. Comp*' te dirigeren daer niet 
//gemist sal connen werden.'/ ^ Over dit eiland bestond reeds een 
langdarige en netelige questie tusschen de Eugelsche en ouze 
Oost-Indische Compagnie. 

Uit het vorenstaande blijkt, dat men van Dam naar onze be- 
grippen niet te veel tijd toestond voor het kiezen eener vrouw, 
den verlovingstijd 'en de huwelijksplechtighedeu. De geheele reis 
zou hoogstens 4 maanden duren ; voor het traject I^anda-Batavia 
gebruikte men destijds rainstens een kleine maand , onder ongunstiger 
omstandigheden meermalen 6 weken, zoodat van Dara''s verblijf te 
Batavia hoogstens 2 maanden duren kon. 

Door bijzondere omstandigheden kwam even wel niets van dit 
sprongtochtje. Simon Cos, gouverneur van Amboina, die boven van 
Dam geplaatst was, daar hij af en toe te Banda inspecteereu kwam, 
overleed tc Amboina den 21'" Februari 1664. ^ van Dam, den 
meest nabijzijnden gouverneur, werd hiervan onmiddellijk bericht 
gezonden, waarop hij den 11'" Maart met het jacht '/der Veer// 
uit TJanda vertrok, den 17**'" d. a. v. in 't kasteel Victoria op 
Amboina aankwam , hier op onderscheidene zaken orde stelde en den 
koopman Maximiliaen de Joug voorloopig met het gezag over dit 
eiland belasttc. Den 9^'" April vertrok van Dam weer met het zelfde 
jacht naar Banda. In zijne missive, dd. 1 Mei 1664, waarin hij 
een en ander aan G. G. en R. v. I. rapporteerde , verzocht van Dam 
om met het vacante gouvernement van Amboina te worden belast 
//ende dat een chaloup tegen mousson nae Handa mogte gesonden 
worden , met licentie om herwaerts te comen een wyf soeken ofte 
daer te blijven, na haer Ed* welgevallen.// "' 

Valentijn beweert, dat Johan van Dam niet alleen dong naar 



1 Zie ook het Dagh-Kegister van Batavia op den genoemden datum. 

* Valentijn. D6el II. Tweede sink. biz. 220, geeft op , dat hij den 4*" Februari 
1664 overleed tengevolge van een toeval aan zijn been. 

In den reeds genoemden personalia-klapper vindt men: Cos (Simon) word 
president naar Ambon 24 Oct. 1653, word gouverneur in ternaten f 200 per 
maand toegelegd 10 Nov. 1656. 

• Dagh-register van Batavia. 3 en 8 Juni 1664. 



*rUCHtlGlNG VAN MAKASSAR IN 1660. 35 

het gouvernemeut van wijleii Simon Cos, doch ook uaar dieus 
weduwe, Elisabeth Abbeina. * Hij knoopt hieraan een geheelen 
roman vast door mede te deelen, dat van Dam zijn tijd te Ambon 
z66 wel waarnam, dat hij de ^/wakkere en rijke weduwe'/ bewoog 
hem toezeggiug tot een huwelijk te geven. Zij verloofden zich, doch 
vonden goed dit stil te houden. Elisabeth Abbema zou v66ruit gaan 
naar Batavia, terwijl van Dam haar zoo spoedig mogelijk volgen 
zou om haar te trouwen. Hij schreef daarover aan den Gouverneur 
Generaal Maetsuyker, zijn bijzonderen vriend, bevelende hem zijn 
bruid met alien ernst aan, en met verzoek haar alle hulp en be- 
leefdheid te willen bewijzen. Deze deed het ook, want hij nam ze 
in zijn huis en, hoewel hij al vrij oud was, zoo beviel zij, '/jong, 
schoon en fraai zijnde// , hem z66 wel, dat hij haar in Augustus 
1664, zoodra zij op Batavia gekomen was, tot zijn vrouw nam. 

Tot z66ver Valentijn. Uit welke bronnen hij voor het samen- 
stellen van dit verhaal geput heeft, is mij niet bekend. Wij vonden 
het nergens bevestigd ^ , terwijl Schouten , die overigens zeer uit- 
voerig is, bij het tweede huwelijk van Johan Maetsuyker niets 
omtrent deze liefdeshistorie vermeldt. Het huwelijk werd in alien 
eenvoud voltrokken. ' 

Wij trekken daarom voorloopig deze geheele geschiedenis in twijfel. 
In ieder geval is Valentijn's conclusie, getrokken onder de //Ambon- 
sche /Zaakeu'/ , onjuist, als zou //dit geval oorzaak zijn geweest, 
dat de Heer van Dam, die dit in't laatst van dit zelve jaar met 
de chaloepen der borgers al te weten quam, geen lust had 1 anger 
hier, [d. i. op Ambon] of in Indien te blijven// "* en als zou hij, 
bij zijn komst te Batavia in 1665, zijn verloofde al getrouwd vin- 
dende met een ander, nog dat zelfde jaar naar 't vadcrland ver- 
trokken zijn, schrijvende van de Kaap de Goede Hoop schrikkelijke 



• Oud en Nieuw Oost-Indien. Deel I, 2* atuk, biz. 199/200, XL 2« stuk, 
biz. 220/1, IV. 1* stuk, biz. 302/3. Zij was de docHter van Fredericus Abbema , 
die eerat predtkant te Vianen was en later op Ternate. Ook is hij predikant 
op Ambon geweest (zie res. G. G. en R. v. I. d.d. 13 Februari 1656), waar 
Cos zrjn doohter vermoedelijk heeft leeren kennen. Volgens Valentijn. Deel I, 
2* stuk, biz. 391 kwam Abbema in September 1656 van Ambon op Ternate. 

* Zie alleen: „Een kwart eeuw Indische landvoogdij" door S. Kalff. Neder- 
land 1903, waar op de biz. 191/2 de geschiedenis van Maetsuyker en zijn 
2* vrouw met Johan van Dam wordt aangestipt. Hier is echter geput uit 
Valentijn. 

» Schouten. Deel II. biz. 118. 

♦ Valentijn. Deel II. 2« stuk, biz. 220/1. 



36 MU. JOHAN Van dam en zunis 

scheldbrieven aan Maetsuyker. * Toeu Maetsuyker reeds getrouwd 
was, moest van Dam uog naar Amboina vertrekken om daardefini- 
tief het bestuur te aanvaardeu, terwijl hij na het vaarwel zeggen 
van dit goavernemeiit nog gernimen tijd te Batavia in de onmid- 
dellijke omgeving van dien gouverneur-generaal werkzaam is geweest. 

Den 7^**^ October 1664 droegeu G. G. en R. v. I. het gouverne- 
ment van Amboina op aan den gouvernenr van Dam en dat van 
Banda aan den Heer Jacob Cops, Baad-extraordinaris van Indie. 
Deze laatste vertrok den 3**^ December d. a. v. naar Randa. Hij 
kreeg brieven mede, o. a. de benoeming van van Dam als gouver- 
nenr van Amboina iuhoudende, terwijl tevens aan laatstgenoemde 
toegestaan werd een keer naar Batavia te mogeu doen. ^ Cops kwam den 
4^"*^ Januari 1665 met het jacht Tholen te Bauda aan en nam hier 
het bewind over, waarop va^u Dam den 25®" met het zelfde vaar- 
tuig voortfceilde naar Amboina, waar hij den 2®" Februari voet aan 
wal zette. Het gouvernemeut had derhalve bijna ^en jaar opengestaan. '' 

van Dam bieef hier niet lang, want //den 6*° September (1665) 
arriveert hier fer reede [te Batavia] van Amboina over Makassar en 
Japara het fluitje Hoogcarspel. Met hetselve is hier siekelyck aeii- 
gecomen d'heer Joan van Dam, Raet extra-ordinaris van India en 
gouvernenr der provincie Amboyna, zynde zyn E. ter reede Japara 
gecomen met d'fluyt Nieuwpoort , ende aldaer op Hoogcarspel over- ^ 
gegaen//. van Dam was den 7^®" Augustus te Amboina scheep gegaan. •* 
Uit tal van bijzonderhedeu eu getroffen maatregelen blijkt, dat hij 
aanvankelijk voornemens was naar Amboina terug te keeren. 

Zijn ongesteldheid was niet van ernstigen aard , want den S^^ 
September //presteerde de heer Joan van Dam, Raet extra-ordinaris 
//van India, den 6"" deser uyt zyn gouvcrnement van Amboyna hier 
//aangecomen , in haer Ed" vergaderinge den eet, by d'heeren 17°®" 
//voor de Raaden van India geconcipieert'/. ^ 

Eerst eenige maandeu later viel de beslissing, dat hij niet na^r 
Amboina terugkeeren, doch te Batavia werkzaam blijven zou. Den 
Ijtn November 1665 besloten G. G. en R. v. I. aan van Dam //te 
laeten vraegen nae zijn E. dispositie en inclinatie om weder nae 
Amboyna te vertrecken ofte niet.// Blijkbaar luidde het aniwoord 



' Valentijn. Deel IV. !• stiik, biz. 303. 

' Zie het Dagh-register van Batavia 1664 op de genoemde data. 

» Als boven, 1665, d.d. 31 Mei en 8 Juli. 

* Als voren, d.d. 6 September 1665. 

* Dagh-register, d.d. 8 Sept^imber 1665. 



TUCHTIQINQ VAN MAKASSAR IN 1660. 37 

ontkenuend, want den 20®" d. a. v. werd de E. Pieter Marville, 
secietahs van haer £d. benoemd tot gouverneur van Amboina, 
/ralsoo de heer Joan van Dam verclaert heeft, dat hij mits zyn 
/rindispositie onvermogens zoude zyn om weder nae zyn gouvernemeut 
te keeren.^ * 

van Dam nam nu als extra-ordinaris Baad zitting in den Baad 
van Indie. Als zoodaaig had hij /i^maar een raadgevende en geen 
besluitende stem.// Hij genoot hiervoor f200 per maand en verder 
al, waarop een gewoon Baad aan levensmiddelen aanspraak kon 
doeu gelden; dit bestond uit een groote hoeveelheid wijn, rijst, 
visch , boter , brandhout en allerlei audere huishoudelijke artikelen , die 
men gratis uit de pakhuizen der Maatschappij ontving. Bij het steryeu 
of het vertrek van een ordinaris Baad kreeg de oudste buitengewone 
Baad een besluitende stem , totdat er een ander gekomen was. ^ 
Weldra schijnt van Dam in het hier bedoelde geval gekomen te 
zijn , want hij medeonderteekende de res. van G. G. en B. v. I. voor 
het eerst den 9"*^ April 1666 en sedert dien vrij geregeld tot en 
met de res. van den 2b^^ Januari 1667 , waarbij het jaarverslag 
aan H.H. Zeventienen over 1666 werd vastgesteld, een verslag, 
dat van Dam als commandant der retourvloot mede naar het 
vaderland nam. 

Na zijn terugkeer te Batavia werden Mr. Johan van Dam, behalve 
zijn werkzaamheden als buitengewoon Baad van Indie, tal van 
functien opgedragen. Zoo werd hij den b^^ Maart 1666 op eigen 
aanbieding gekozen tot commandant eener vioot van 11 schepen, 
die in straat Sunda vooruitgeschoven werd om aldaar de wacht te 
houden. Deze maatregel hield verband met het bekend worden yan 
het uitbreken van den 2®*^ Engelschen oorlog. Den 2*° April d. a. v. 
keerde hij op last van G. G. en B. v. I. terug , na het bevel over 
de kruisende vloot aan den oudsten schipper overgegeven te hebben.' 

Voorts vinden wij hem vermeld als schepen van Batavia, excuseerde 
hij zich met het oog op zijn voorgenomen reis naar het vaderland 
voor een ambassade naar China, waarheen men hem zenden wilde 
en werd hij benoemd in tal van commission , het plaatselijk bestuur 
van Batavia betrefifende. '' 

Den b^^ October 1666 werd door deu B. v. I. besloten , in verband 
met de vijandige bonding van . Makassar , een commissaris te zenden 



* Ala voren, d.d. 20 November 1665. 

3 Valentijn. Oud en Nieuw Oostlndien. IV, 1* stuk, biz. 244, 246, 256. 

* Zie het Dagh-register van 1666. 



38 MU. JOHAN VAN DAM EN ZIJNK 

naar de Oostersche quartiereu ouder den titel vaa //superintendent//. 
Johan van Dam werd voor dit commissarisschap aangezocht //vermits 
desselfs volcomen ervarentheyt ende kenuisse, uiet alleen vande 
quartiereu meergemelt, inaar oock vande natuyr der voorgedachte 
Makassaren.'/ De superintendent zou het bevel op zich nemen van 
de krijgs- en scheepsmacht , aldaar bijeengebracht om een appareute 
invasie der Makassaren , meest naar Teruate en vaudaar wellicht 
naar Amboina tegen te gaan , doch zou tevens //de respective gouverne- 
//menten eude comraauderyen als tot Banda iucluys visiteren, ende 
//alle noodige eude vervallen saecken redresseren , -ende weder op een 
//goeden vasteu voet herstelleu//. van Dam bedankte evenwel in 
verbaud met zijn //vastgestelde eude laugh voorgeuomen 't huysreyse//.^ 
Daarop werd Cornelis Speelman hiervoor aaugewezen , die de be- 
noeming aannam. ^ 

Den 10*" December 1666 werd door den R. v. I. het verzoek 
van van Dam toegestaan om met de //aengelegde retourvloot// naar 
het vaderland te mogen terugkeeren, over welke hem later het bevel 
werd opgedragen. 

Den 26®" Jauuari 1667 des morgeus //vertrecken uyt dese reede 
//naer het lieve vaderlandt de schepen Zuy tpolsbroek , 'tWapen van 
//Amsterdam, Amersfoort cti Esperance (voor de earner Amsterdam); 
//Middelburg en Walcheren (voor de camer Zeelandt); Hasenbergh 
//(voor de camer Delft), den Eleudragt (voor de camer Rotterdam) 
//en 't cast eel van Medemblik (voor Enckhuyseu), alle onder de vlag 
//en het commando van den heer Joan van Dam , raed extra-ordinaris 
//van India, zyude geladen met verscheideu Oost-Indische coopman- 
//schappeu en waeren, costende incoops volgens de factuuren 
//f 2.656.207 : 5 : 9//. Behalve deze schepen waren 18 en 26 
Augustus t. V. over Bengalen en Ceylon de schepen Cicilia, Spa- 
rendam en Opperdoes naar het vaderland vertrokken ; de lading, 
die deze zoudeu medenemen, werd op 4 ton geraamd, zoodat het 
geheele retour van dat jaar een waarde van omtrent.30 tonnen 
gouds bezat. ' 

Het bevel over een retourvloot was steeds een commando van 



» Resolutie G. G. en R. v. I. d.d. 5 October 1666. 

« Vergelijk biz. 31. 

> Dagh-register 1666 en 1667. Valentijn I. 1* stuk, die alle retourvloten 
en hare waarde opgeeft, vermeldt op biz. 238, dat de waarde der geheele 
retourvloot van 1667 f 3,119,060 : 7 : 8 bedroeg. De drie laatstgenoemde 
schepen waren achtereen volgens van de Kamers Uoorn, Amsterdam en Zeeland. 



TUCHTIGING VAN MAKASSAE IN 1660. 39 

gewicht, vooral, wauneer zulk eeu vloot eeu z66 groote waarde 
iuhield als dit met die van 1667 het geval was. Ditmaal was hat 
comraaDdo echter van uog meer beteekenis eu eischte het een bij- 
zouder beleid als gevolg van den 2"° Engelschen oorlog. Oiider het 
hoofd //retourvloten// leest men in het werk van Mr. Pieter van 
Dam, hoe in verband met dien oorlog aan Mr. Johan van Dam 
naar de Kaap de Goede Hoop geschreven werd om zooveel mogelijk 
de eilandeu Cuervo en Plores * te mijden en den koers z66veel W. 
te nemen, dat men de eilanden van Fero (de Faroer) bereikte. 
Hier moest men achter het eiland Mulso of liever in Forshaven 
voor anker komen ; men zou daar overvloed van schapen , groenten 
en andere ververschiugen viuden en er mogelijk nadere kondschap 
krijgen. De aangegeven koers ging derhalve W. om Groot-Brittannie 
en lerland heeu. Kreeg men binnen 6^8 dagen na aankomst op 
de Faroer geen nadere berichten uit het vaderland , dan moest men 
afvareu en de eerste de beste haven van ous land, af hankelijk van 
weer en wind, binnenloopen , desnoods de Eems. Men vermoedde 
n.l., dat de vijand zich voor Tessel of het Vlie zou ophouden. 
Mocht men, aan de eilanden van Fero gekomen, onraad vememen, 
dan zou men volgens ingekomen berichten aldaar veilig in 
Koniucxhaven kunnen liggen, beschermd tegen alle geweld des vij- 
ands, mits aan den iugang eenig geschut aan land brengeude om 
dien te bestrijkeu. 

De aanvang der reis van van Dam was niet voorspoedig. Den 
17®" Februari 1667 kwam te Batavia het jacht de Joncker terug, dat 
de retourvloot tot buiten straat Suuda geconvoyeerd had. De resident 
te Hautam, Ockerse, meldde bij die gelegenheid, dat de vloot door 
tegen wind en stroom wel eeii week onder het eiland Gracatoa had 
geankerd gelegen, zoodat zij eerst den 14®° Februari in zee was 
geraakt. ^ 

Den 5" en den 30*° Augustus d. a. v. ontving men te Batavia brieven 
dd. 17 en 18 Mei , 30 Mei en 6 Juni van den admiraal van de 
retourvloot Johan van Dam , geschreven aan de Kaap de Goede 
Hoop. Toen was uog weinig bijzonders voorgevallen. - Ook ge- 
durende het verdere deel van de reis werd men niet door den 
vijand veroutrust. De vloot deed werkelijk de Faroer aan. Het 
ongeluk wilde, dat aldaar het schip Walchereu, ter waarde van 

^ Twee der Azorische eilanden. Laatstgenoemd het meest W. van alle. 
* Dagh-register 1666 en 1667. 



40 MU. JOUAN VAN DAM EN ZIJNS 

f 363.373 : 2 : 9 vergiug : het wrak dreef 's uachts zeewaarts , 
zoodat slechts weiuig werd gered. De audere schepeu kwameii eerst 
deu 9^*° October 1667 hier te lande aau. ^ 

De eerste tijding omtreut de retourvloot outviug men dieii dag 
bij de Kamer Amsterdam der O. I. Compagnie. Een scheepskapiteiii, 
die om de Noord was geweest , had 's Compaguies retourvloot , ^^u 
schip uitgezouderd , bij de eilanden van l^ero zieu liggeu. Genoemde 
Kamer besloot dieu zelfdeu dag om 2 galjoots met vivres, die de 
retourvloot tevergeefs tegemoet gegaan waren, met hare ingebleven 
ladiug iiu uaar Doggersbank te zenden, om die vivres aan de vloot 
over te geven en haar te begeleiden. Tevens werden eenige heeren 
gecommitteerd om zich den volgenden avond onderscheidenlijk njiar 
Tessel en het Vlie te begeven , met zich nemende de lichters voor 
de ontlossing, ten eiude op het lossen de vereischte orde te stellen. ^ 

Den 10*° October kwam bij genoemde Kamer een brief in van 
den E. Jan van Dam, als commandeur van de retourvloot, den 
9'° t. V. geschreven aan boord van het schip Zuy tpolsbroeck , geankerd 
ter reede van Texel, voornamelijk zijn aankomst mededeelende. De 
brief bezat vele bijlagen , waaronder de carga's van alle schepen , 
tot zijn vlag behoord hebbende. Besloten werd die carga's aanstonds 
te doen drukken en de heeren, die op het punt stonden uaar het 
Vlie te vertrekken , te verzoeken de schepen , die zich aldaar zouden 
opdoen, te gelasten, weer en wind dienende, het Texel binnen te 
loopen. •' 

Den 20*° October werden de heeren Hulst en Mr. Pieter van Dam 
(advocaat der Compagnie) gecommitteerd //om den Commandeur 
//Jan van Dam ter vergadering soo van Haer Ho : Mo : * als van 
//Haer Ed : Gr : Mog : '* te presenteren , en dat ter tine om rapport 
//van den toestant van saecken in India te doen, soo' als by die op 
//zyn vertrek .van daer heeft gelaten//. "* 

De introductie bij de Staten Generaal vond den 26*" October 1667 
plaats in tegenwoordigheid van de beide hierboven genoemde ge- 



* Werk van Mi*. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. 
' Besolutieboeken Kamer Amsberdam der O. I. Compagnie. 

■ Resolutieboeken Kamer Amsterdam der O. I. Cpmpagnie. Den 26~ October 
1667 kwam bericht in, dat bet retoursohip Sparendam bescbadigd op de 
Wester-Eems was binnengevallen. 

* De Staten Generaal. 

' De Staten van Holland en West-Friesland. 



TUCHTIGING VAN MAKASSAB IN 1660. 41 

committeerden. Het door hem iugediende rapport omtreut de thuisreis 
werd ter grifiBe gedepoueerd. ^ 

Van" het aanbieden van een goudeu keten aau den commandant 
der retourvloot, wat geruimen tijd een gebruik geweest is, vindt 
men niets vermeld. 

Hier eindigde, voor zoover bekend, het openbare leven van 
Mr. Johan van Dam. Of hij zich hier te lande aan de rust heeft 
gewijd dan wei nog eenige bezigheid heeft gehad, wordt nergens 
vermeld. Zelfs de piaats en den datum van zijn overlijden was niet 
bekend, zoodat daaromtrent door mij voor eenigen tijd een vraag 
in den Navorscher werd geplaatst, die echter onbeantwoord bieef. '^ 
In een oude manuscript-genealogie onzer familie vond ik achter zijn 
uaam ingevuld //stierf ongetrouwd 17 Augustus 1677 tot Constanti- 
nopoie/y. Later waren deze woorden doorgeslagen en zonder vermelding 
van de piaats van overlijden ingevuld achter Mr. Johan van Dam's 
jongeren broeder Pieter, die volgens Ferwerda kapitein en kolonel 
in Spaanschen dienst was. Ferwerda schrijft laatstgenoemden dan ook 
een sterfdatum als boven toe. 

In de overtuiging, dat althans een der van Dam's in 1677 te 
Constantinopel overleden was, temeer, omdat onze familie nog een 
grafbord bezit, waarop het wapen en waaronder de woorden : 
Ob. 17 Augustus 1677, ving ik een onderzoek aan, doch langen 
tijd zonder uitkomst. Grafboeken van onze kolonie aldaar, zoo zij 
al ooit bestaan hebben, zijn er niet meer. De correspondentie uit 
Constantinopel van genoemd jaar bevat niets omtrent het overlijden 
van een van Dam. Een daarop gevolgd onderzoek van de correspon- 
dentie van dat jaar uit Smirua, waar van Dam's jongste broeder 
Jacob destijds consul was, ** schouk eenige aanwijzingen. 

Jacob van Dam, die al zijn brieven aan de Directeuren van den 
Levantschen handel te Amsterdam met rood lak zegelde, waarop 
zijn wapen, deed dit den 20*^° September 1677 voor het eerst met 
rouwlak, waaruit althans bleek, dat een zijner naaste verwanten 
overleden was. Dd. 29 December 1677 schreef hij uit Smirna aan 
Ha. Ho. Mo., dat het bevolen uitstel zijner voorgenomen reis naar 
het vaderland nadeelig was voor zijn prestige, //mitsgaders seer 



^ Besolutieboeken Staten Generaal, dd. 26 October 1667. 
« Jaargang 1904, biz. 450/1. 

> Zie de laatste aflevering der Bijdragen voor Vaderlandsohe Geschiedenis 
en Oudheidkunde. 



42 MK. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

//schadelijk, teu aansien vau myue particuliere goedereu, die door 
//den irival der Frauscheu al vry eeuige verauderingeu ouderworpen 
''syu geweest, en vooruamelyk mede rakende sekere erflFenisse iut 
//Vaderlant aau te vaarden, die mij te beurt is gevalleu, wegeu 
veenefc mijner Hroederen, die mij alhier voor eenigen tijt was 
/•/comen besoecken, en drie maenden geleden te Constantinopole is 
ouerledeu.// ^ 

Hieruit Week nog immer niet, welke breeder te Constantinopel 
overleden was. Eindelijk werd ook hieromtrent zekerheid verkregen. 
Het allerlaatste briefje, in de correspoiidentie van 1677 uit Smirna opge- 
legd, is een schrijven dd. 22 September van Lorenzo Rigo, kanselier 
van Jacob vau Dam, aau Johannes van Grol, secretaris der Directie 
van den Levautscheu handel euz. te Amsterdam. Daarin leest men : 
^/Den heer Johan van Dam, Broeder vau den heer Consul van D^^m , 
is den 27 passato tot Constantinopolen In den heere ontslapen , alsoo 
per die via syn reyse hadde voorgenomen over lant te repatrieereu.// 
Hieruit bleek, dat Mr. Johau van Dam den 27*° Augustus 1677 
te Constantinopel overleed ; het hierv66r genoemde graf bord is 
blijkbaar te zijner nagedachtenis vervaardigd en wellicht in cen der 
kerken te Utrecht opgehangen; de daiir vermelde datum, 17 Augustus 
1677 , is oude stiji. 

Later werd van welwillende zijde mijne aandacht noggevestigd op 
N® 5 van den XXIP'* jaargang vau het Maandblad van het Geuea- 
logisch-heraldiek genootschap //De Nederlandsche Leeuw.// Daar 
vindt meu, hoe de Nederlandsche graven te Constantinopel in 1864 
zijn opgeruimd en op een zuil op het nieuwe kerkhof de uamen 
vermeld zijn vau alien, die op de vroegere begraafplaats ter aarde 
besteld werden , voor zoover die uamen nog leesbaar waren. Op die 
zuil vindt men o. a. vermeld : Jacob van Dan (in een noot staat : 
lees //van Dam//) Consul 1677. Vermoedelijk heeft op de origineele 
steen gestaan : Johan van Dam. 

In het boveugenoemde artikel wordt er nl. de aandacht op ge- 
vestigd, hoe de grafschriften kennelijk door een nict-deskundige 
gecopieerd zijn, aangezien vele uamen onjuist gespeld zijn en er 
ook andere onuauwkeurigheden voorkomen. In ieder geval is de 
toevoeging //Consul// onjuist, want de consul Jacob van Dam 
overleed den 22*° Maart 1709 te Utrecht. Heeft er dus op de 
oorspronkelijke steen het woord //Consul'/ gestaan, dan werd daar 

* Archief Levautschen Handel. Bijksarchief 's Gravenhage. 



TUCHTIGING VAN MAKASSAU IN 1660. 48 

waarschijulijk vermeld, dat Johaii van Dam eeu broeder was van 
deu consul Jacob van Dam te Smirua. 

Mr. Johau van Dam had geruimeu tijd te Smirna bij ziju broeder 
vertoefd , toeu hij naar Constantinopel vertrok. Laatstbedoelde schreef 
den 14'" September 1675 aau de Directeuren van den Levantschen 
handel over een verzoeuing, die had plaats gevoudeu met eenige 
ontevredenen onzer kolonie aldaar, //alle 't welcke is gepasseert ten 
bijwesen van myneu outsten Broeder Mr. Johan van Dam, die met 
ons convoy van Livorno mede hier is gecomen om my te besoecken.// 
Blijkens zijn schrijven van den 13'° t. v. , mede aau D. L. H. gericht, 
was het bedoelde convooi ten deele deu 2P", voor het overige den 
29'" Augustus ter reede van Smirna aangekomen. Mr. Johan van Dam 
had dus vermoedelijk een kleine 2 jaar aldaar vertoefd , toen hij , 
met het voornemen naar het vaderland terug te keeren, naar Con- 
stantinopel vertrok. 

Valentijn, die van vele Indische autoriteiten een korte karakter- 
schets geeft , zegt omtrent van Dam het volgende : ^/Johan van Dam 
'/was een lang en schraal Heer.// ^ //Hij was een korzelig man , wiert 
vgemeenelijk Jan met de lange Broek , omdat hij veel met eeu langen 
^Misquitenbroek giug, of ook wel de Lange Jan genaamt. Met zijn 
//tweeden [d. i. de Tweede Persoon van Banda, tevens opperkoopman] 
^'den Heer Antoui Hurdt, die anders een braaf man was, kon hij 
//ganschelijk uiet overeenkomen , waarom die ook in 't jaar 1664 
//na Batavia vertrekkeu moest , en door den Heer Almonde vervangen 
>/ wiert. 

'/Hij was anders eeu dapper man voor deu vijand , waarvau hij 
verscheide deftige blijkeu gegeven heeft.// ^ 

De juistheid van dit laatste werd in de hierv66r gaande be- 
schrijving van de tuchtigiug van Makassar bewezeu. De beweriug, 
dat vau Dam het op Banda met zijn tweeden, den heer Antoui 
Hurdt, niet vinden kon, is vermoedelijk minder juist. In zijne 
uitvoerige brieven aau G. G. en R. v. I. klaagt van Dam 
nergens over Hurdt. AUeen wees hij er op, o. a. in een missive 
d.d. 14 September 1663, dat in den raad van Banda de eerste 3 
raadspersonen onder elkaar vermaagschapt wareu. Hij achtte dit be- 
deukelijk en doelde op scheiding. Dit schrijven kwam den 8'" 



* Oud en Nieuw Oost-Indien. Deel II. 2* sink, biz. 220. 
» T. a. p. Deel III. 2* stuk, biz. 91. 



44 ME. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE TUCUTIGING BNZ. 

October 1663 te Batavia aan en den 26®" d. a. v. werd ter vergadering 
van den Baad van Indie goedgevonden //dat de koopman, Anthoni 
Hurt, althans tweede persoon in Banda, sal herwaerts komen, 
latende de andere twee swaegers daer blijven//. ^ Het terugroepcn 
van Antoni Hurdt had dus vermoedelijk uitsluitend ten doel een 
einde te maken aan een minder gewenschte familieregeering van 
ondergeschikten . 

Dat van Dam korzelig van aard was, zooals Yalentijn beweert, 
vonden wij verder nergeus vermeld en nog minder bewezen. Een 
uitvoeriger beschrijving van zijn bestuur op Banda en Amboina 
welke wij ons tot Jater voorbehouden, zou kuunen toonen, dat hij streug 
en rechtvaardig was, een open oog had voor de belangen der Com- 
pagnie en voor die belangen optrad , waar hij ze door vreemden 
invloed of door onrechtmatig optredeu van 'sCompagnies dienaren 
bedreigd achtte. 



^ Zie het Dagh-register van 1663 op de genoemde data. 



EEN OUDJAVAANSCH.E OORKONDE GEVONDEN 
OP DE HELLING VAN DEN KAWI 



DOOR 

H. KERN. 



In den loop van 'tjaar 1905 werd op de helling van den Kawi 
een koperplaat gevouden met Oudjavaanscheu tekst. De plaat werd 
in 1906 aangekocht door den Heer J. Bienfait te Soerabaja en ua 
door hem gefotografeerd te zijn geschonken aan 't Bataviaasch Ge- 
uootschap. Teveus zond hij een foto van voor- en achterzijde der 
plaat aan den Heer Rouffaer, die zoo vriendelijk was mij die stukken 
toe te zendeu. 

De plaat vertoont het cijfer 6, en is dus de zesde van een stel, 
waarvan de vijf eerste bladen — de koperplaten worden op dezelfde 
wijze genommerd als de bladen van Hss. — zoek zijn. Te oordeelen 
naar den inhoud kan na blad 6 slechts weinig ontbreken. Nagenoeg 
de geheele ruimte van de twee zijden der plaat wordt uamelijk in- 
genomen door 't eedformulier, 9a pat ha, beter gezegd de vervloe- 
king die wordt uitgesproken tegen dengene die zich aan onrecht- 
roatige handelingen tegen de door den vorst geschonken privilegien 
schuldig maakt. Dit gedeclte nu van soortgelijke edicten staat dicht 
bij 't einde der oorkonden ; zoo o a. in Kawi Oorkonden N®" I , II , VII. 

Bij inzage van den tekst die hieronder in transcriptie wordt mede- 
gedeeld, zal men ontwaren dat het forraulier weinig van de reeds 
bekeude overeenkomstige gedeelteu in andere stukken verschilt. * 
Toch is het geen overbodig werk dat men verricht met den inhoud 
der beschreven koperplaat bekend te maken, al was het maar omdat 
het kan bijdragen tot de opsporing of terechtbrenging van 't ont- 
brekende gedeelte. Het zou niet voor de eerste maal wezen dat de 
disjecta membra van een inscriptie op geheel onverwachte wijze 
teru^evonden worden. 



^ Vgl. het opstcl ^Oudjavaanaoho cedformnlioron op Bali fcebniikolijk", 
Bijdragon 8, VIII, 211 -228; IX, 197-207. 



46 «EN OUDJAVAANSCHE OOEKONDE GEVONDEN 

Omtreut den vermoedelijken datum van de oorkonden is het al 
te gewaagd op beslissenden toon te spreken. AUeen zooveel tnag men 
op palaeografische gronden beweren dat het stuk jonger is dan N®. I 
en VII der Kawi Oorkonden. Naar gissing valt de datum tusschen 
1000 en 1100 na Chr. 

In trauscriptie , waarbij onze wijze van woordscheiding is toege- 
past , luidt de tekst als volgt : 

Voorzijde 

gi, makaprajojana ri kapratisuboddban ika sak sima dharmma i Air 
Kali tan hana ning amungkilmungkila, - - * marawa^a mariksir^akna 
hSiem, yadyapin ri dl^ha ning dlaha. Nihan ling nira, O (i. Ong) 
mindah ta kita kamu hyaug Haricaudanagastja maharsi. purwwa- 
daksi^a, pa^cima, mottarorddhadha}^ ^ , rawi ^i (I.^a^i) k^ity apa)^ 
teja bayw aka9a dharmmahorStra sandhyatraya , yaksa, rak^asa, 
pi^aca pretasura garuda gandharwa kinnara mahorSga , Yama Baru^a , 
Kuwera BSgawa putra dewata, panca Ku^ika, Gargga, Metri, Kuru^ya, 
Pataujala, Nandi^wara Mahskala, sad Winaya, NagarajS, Durgga 
dewi, Catura^ra, anak ta hyang Ksla, Mrtyu Bhataga^a, saha- 
nanta rumaksa saka (1. sakala) numima^dala (1. bhumi), kitakala 
sa-sangganing prthiwimapdala, kita tumon prawrtti ning sarwwapra^i 
ring rahineng kulSm, kita manarira umasuki sarwwabhutha. at 
rengwakSn ikang sapatha samaya mamangmSng (1. pama^) mami 
iri kita kamu hyaug kabel^, ikang sapatha samaya sampuu sinrahakn 
ing hulun iri kita. yawat ikang wwang kabe}^ mageng admit sa- 
Iwiranya, yadyapin caturE^rami, brahmapa, cari (1. brahmacari), 
grhastha, wanaprastha, bhiksu ta, athaca, catuwanina, brahma^a, 
ksatriya, we^ya, ^udra, mwang pinghay akurug anatani ', yawat 
amulahulab sarasanya nugraha cri Mah&raja, irikang suk sima iug 
Air-Kali, yadyapin prabhu, sira ruda- 

Keerzijde 

ha sapatha ^ri Marahaja (I. Maharaja) Rake Sumba Dyab Wawa , 
mne hlem ring dlaha ning dlaha, tasmat karmma byet karmraa kna- 



' Twee letters onduidelijk. 

' L. pa^cimott". 

• Vermoedelijk bodoeld anapathani; z. KBWdb. onder kurug. 



OP DE HELLING VAN DEN KAWI. , 47 

nya, parikalanen ta ya wehen saugsaraha, tau wurunga ta patya- 
naiita ya kamu hyang, dayaiitatpatiya , yan aparan humaliutang 
ring tgal sahuten de niug ula mandi, yan para ring halas dmakcn 
de ning wyaghra , manglangkahaua miugmang , sariku ing ba^aspati , 
mogakn ing wilantih , ring wwe sahuten de ning wuhaya, mumul, 
tawiran, timinggila, van s^ngka ring hawan mewel^ kapaguteug 
luncip ning paras, tumurun kaduhunga, kajungkela pepSsa tikela 
renipwa, ring rata, kawulangun halingongena , ring hudan sam- 
beren de niug glap, yan pangher ingngumab katibana bujra gni 
taupawarsa, limuten gsengana de sang hyang Agni, wehSn bhas- 
mabhutha saha drwyanya, tan panoliha ri wuntat, taruug ring panga- 
degan, tampyal ri kiwan, uwahiri tngeuan , tutuh tu^dunauya, blah 
kapalanya, dadati wtaugnya tke dadanya, wtwake^i dalemanya, pa- 
ngau dagingnya, iuum rahuya, ateher pepedaken wehen prauantika, 
byengakgu ring Maharorawa. astu, astu, astu. ring tias niug ma- 
mamang mauapatani lumpas ta sang wiku sahopakara ' , kunnuliling 
i paryauta nikang suk sima dharmma ikang Air-kali, umarpauaken 
^iwambha ri saug hyaugug i 

V e r t a 1 i u g. 

. . . ten doel hebbende de bevestigiug van de afbakening (stichting) 
van de perdikan-dessa ^ Air-Kali ; niemaud raoge (de stichting) op 
ecu of audere wijze opheffen , verstoren, te niet doen '', ooit, tot 
in de verste toekoinst. Hij (de uitspreker van 't formulier) zegge het 
volgende : 

vOvnl ik bid u, gij heilige Haricandana, groote Ziener Agastya, 
godeu van Oost, Zuid , Westen, Noord, Zenith, Nadir, Zon, Maan, 
Aarde, de Wateren, Vuur, Wind, Aether, de Wet , Dag en Nacht , 
de drie Tijdperkeii van den Dag (d. i. Zonsopgang, Middag en Zous- 
ondergang), Yaksa's, Raksasa's, Boschduivels, Spoken, Asura's, 
Garuda, Gandharwa's, Kinnara's, Groote slangen, Yama, Waru^ia, 
Kuwera, Wasawa, Godenzonen , de Vijf Ku<?ika's, Garga, Maitri, 
Kurusya, Pataujala, Nandigwara, Mahakala, de zes Winayaka's, 
Nagavorst (of: -vorsteu), Godin Durga, Catura9ra's, kinderen van 



1 Onduidelijk; misschien car a. 

' Dit schijnt met sima dharmma bedoeld te zijn. 

' Marikslrijna is natuurlijk wanspcUing voor mari^Irnna, waaruit 
blijkt dat ks als <;, werd uitgesproken. 



48 EKN OUDJAVAANSCHE OORKONDE GEVONDKN 

den Tijdgod ', God des Doods, de schare van Bhuta's, gij alle 
die de gansche aarde beschermt, gij zijt alle de dragers van 't aard- 
rond, gij ziet het bedrijf van alle levende wezens over dag en des 
nachts, gij belichaamt u in alle wezens (al 't geschapene) ; hoort den 
eed dien wij biddend tot u afleggen, gij goden al-te-gader, den eed 
dien ik u opdraag : alle menschen , groot of klein , van welken aard 
ook , hetzij iemand in een der vier stadien van godsdienstig leven : 
brahmacarin (brahmaan in studietijd), huisvader, heremiet, monnik 
(Yati) ; of wel iemand van een der vier kasten : Brahmaan , 
Ksatriya , Wai^ya of Qudra , alsook een beambte die beeedigt ; 
wanneer iemand iets strijdigs doet ^ tegen den inhoud van den 
giftbrief van Z. Maj. den Koning in zake der stichting van de 
perdikandessa Air-Kali, al is het een vorst, die in strijd ' mocht 
handelen met den eed van Z. Maj. den Koning Rake Sumba 
Dyah Wawa, nu of later, tot in de verste toekomst, moge zoo 
iemand daarvoor ten zeerste de gevolgen ondervinden van zijne 
handeling "* , moge hij vervolgd (gestraft) worden , onderworpen aan 
't rampzalige der wedergeboorten, onafwendbaar door u, goden, ge- 
dood worden, door uw toedoen gedood worden; wanneer hij op het 
veld voorbij gaat, worde hij gebeteu door eeii giftige slang; in het 
bosch gaande, worde hij besprongen door een tijger, stappe hij over 
verbijsterende boomwortels, worde hij door een boschgeest geplaagd , 
worde hij 't spoor bijster door valstrikken ; in 't water worde hij gesnapt 
door een krokodil, mnmul, tuwiran, walvisch; wanneer hij met 
moeite bergopwaarts stijgt, stuite hij op spitse rotspunten ; bij 't dalen 
moge hij zich bezeeren , voorover vallen , gekneusd , gebroken , ver- 
pletterd worden ; op den vlakken grond rake hij verbijsterd , rade- 
loos ; bij regen worde hij door den bliksem getroffen ; wanneer hij 
in huis verwijlt valle op hem bliksemflitsvuur zonder dat het regent, 
worde hij omhuld , verzengd door Agni , worde hij tot asch met 
zijne have; zonder dat hij kan ommezien naar achteren, worde hem 

^ De Qatura^ra's (vierhoekigen) heeten zekefe kometen of meteorische ver- 
schijnselen. 

3 De overgang van beteekenis in umulahulah, Nj. angulahulah, 
aanroereu, aanrakeu, tot die van aantasten, gewold plegen tegen, is te ver- 
gelijkcn met die in Skr. paramy<?a ti , aan iets raken , aantasten , onfeeren , 
gewelddadig behandelen, misbruiken. 

* Ruda, waarvan rudaha de conjunotief is, zal hier wel genomen 
moeten worden in den zin van wiruddha. 

* Karmma byet is m. i. een font, hoe dan ook ontstaan, voor kabyet, 
d. i. kab wat. 



bt DE HKLLING VAN DEN KAWI. 4^ 

rijn plaats betwist; hij worde geslagen links, daarna weSr rechts; 
zijn kruin worde afgeslagen, zijn schedel gekloofd, zijn buik worde 
opengereten ^ tot aan de borst; zijn ingewand worde uitgehaald, 
zijn vleesch gegeten, zijn bloed gedronken, daama worde hij ge- 
stompt totdat de dood volgt, in de Maharorawa-hel geworpen. 
Amen! amen! amen! Nadat de ambtenaar het eedformulier heeft 
uitgesproken , begint de geestelijke zijn werk met de noodige plech- 
tigheden , gaat de ronde doen langs de grenzen van 't gebied van 
de pefdikan-dessa Air-Kali, biedt wij water aan den god van 

Bij vergelijking van 't bovenstaande met de reeds van elders be- 
kende eedformulieren , ziet men dat ze ondferling weinig verschillen. 
Bijna woordelijk hetzelfde is, te beginnen met Ong mind ah, 
hetgeen men leest in K. 0. VII, 5, b. lets uitvoeriger is de for- 
mule in K. 0. II, 8, a, van ong raindah tot samangkana 
11, a. Merkwaardig is in deze laatste oorkonde de aanroeping der 
voomaamste bergen op Java. De straffen welke den overtreder wprden 
toegewenscht komen grootendeels ook voor in K. 0. I, 3, 19 vgg. 

Nadat de burgerlijke ambtenaar — als zoodanig zullen wij wel 
den akurug mogen beschouwen — de formule heeft uitgesproken, 
treedt de priester op om zijn taak bij de wij ding van 't grondge- 
bied der stichting te vervullen. Dit gedeelte der plechtigheid komt 
in de andere bovenvermelde oorkonden niet voor, misschien omdat 
de sima dharmma van anderen aard is dan de stichtiugen be- 
doeld in K. O. I, II en VII. 

Uit den geheelen inhoud van de beschreven koperplaat, boven 
medegedeeld , blijkt opnieuw dat de Javaansche maatschappij een 
beslist brahmanistisch Indisch karakter droeg, gelijk trouwens nog 
heden ten dage in hoofdzaak op Bali het geval is. Het is dus een 
zaak die van zelf spreekt, dat allerlei wezens uit de Indische my- 
thologie bij den eed wordeu aangeroepen. 

Daarenboven komen echter woorden voor die men in Indische 
bronnen als persoonsnamen of benamingen van geesten , enz. niet 
terug vindt. Zoo is ha ri can dan a wel bekend als '/geel sandelhout'/ 
en als //een der boomen in Indra's hemel^/, maar niet als persoonlijk 
gedacht wezen , en het is moeielijk te raden , welke voorstelling men 
op Java aan dien naam verbond. Patanjala is een welbekend 



* Wtang voor wteng ook in K. O. I, 3, 19. Da^at, blijkbaar in den 
zin van 4^4^^ ^^ Njav. <J.o4et heb ik elders nog niet aangetroffen. 
7* Volgr. VI. 4 



50 EJ5N OUDJAVaaNsCHE 00U^0ND£ GUVONDKN 

woord, in deu zin van //'t door Patanjali opgestelde leerboek over 
Yoga// , en //een aanhanger der Yogaleer//. Dit kan in 't eedsformu- 
lier niet bedoeld zijn. Een verbasterde vorm van Patanjala is 
Pratanjala, dat in de Oudjavaansche Kosmegonie voorkomt; nog 
meer verbasterd is Pretanjala, dat in de Manik-Maya als naam 
van een der 9 Dewata's gevouden wordt. Dit PrStanjali herinner 
ik mij ook meermalen aangetroffen te hebben in tooverboekjes, zoo- 
dat ik vermoed dat men daaronder verstond den meester of god van 
den Yoga, en wel verkeerdelijk van yoga in den zin van //tooverij, 
goochelarij/y. Misschien is Patanjala bedoeld, die in Skr. geschriften 
genoemd wordt, doch van wien men, behalve den naam, niets 
vermeld vindt. 

Al is de aanroeping van eene menigte namen uit de Indische 
mythologie een bewijs voor den invloed door 't Hinduisme op 
't oude Java uitgeoefend , er volgt nog niet uit dat de oudere 
inheemsche denkbeelden geheel verdrongen zouden geweest zijn. 
Vooral het gedeelte van 't formulier waar den overtreder allerlei 
straffen in zijn aardsch bestaan worden toegewenscht , is zeer eigen- 
aardig en kan niet uit InSische voorbeelden verklaard worden. Ook 
de symbolische handeling nadat de eed is uitgesproken, bestaande 
in 't wegwerpen van een ei en 'tslachten van een kip, welke han- 
deling o. a. in K. 0. I voorgeschreven wordt, is buiten kijf oor- 
spionkelijk een symbool van 't inheemsche Javaansche recht, mis- 
schien zelfs een overoud Indonesisch gebruik. 

De taal van de beschreven koperplaat geeft geen aanleiding tot 
bijzondere opmerkingen. Omtrent de ligging van de dessa Air-Kali, 
— naar de hedendaagsche uitspraak : Er-Kali , — is niets bekend. 
Of er in de nabijheid van de plaats waar de plaat gevonden is, 
nog sporen van zoo^n dessa te vinden zijn, kan alleen door een 
plaatselijk onderzoek worden uitgemaakt. Het Kawi-gebergte is rijk 
aan overblijfselen uit den voortijd, zooals men vinden kan in Ver- 
BSEK^s Oudheden van Java, maar geen der vindplaatsen draagt 
een naam die met Er-Kali in verband kan gebracht worden. De 
weinige beelden in die streek gevonden behooreu tot het brahma- 
nistische Pantheon, en ook de boven medegedeelde inscriptie ver- 
toont geen spoor van Buddhisme. Toch zal het op eu bij het Kawi- 
gebergte aan Buddhistische werken niet outbroken hebben. * Ben 
koperplaat uit Malang, in 't bezit van Dr. Wiederhold, waarvau ik 
door de welwillendbeid van den Heer J. A. van Eeden (Kediri) een 
lichtdruk ontvangen heb, bevat een schenking van land door een 



OP DB HELLING VAN DEN KAWT. 5l 

Boddhistisch vorst, waarschijnlijk den opvolger van Mpu Si^dok, 
van wien K. O. XXII afkomstig is. De datum van het stuk is 
888 Qaka, dus 27 jaar later dan van gezegde oorkonde ; de persoon 
te wiens gunste de schenking geschiedt wordt betiteld als Mpu-ku 
i Neranjana, juist als in den giftbrief van Mpu Si^dok. Van deze 
koperplaat uit .Malang hoop ik later den tekst met vertaling mede 
te deelen in de hoop dat de opsporing van ^t ontbrekende gedeelte 
daardoor bevorderd moge worden. 



AANTEES:ENINGEN op G. p. ROUFFAER'S 
OPSTEL OVER ATJEHSCHE SOELTANSZEGELS 



DOOR 

C. SNOUCK HURGRONJE. 



Het belangrijke artikel van den Heer G. P. Rouffaer over het 
negenvoudig soeltanszegel van Atjeh (Bijdragen, Deel LIX, biz. 
349 — 384) , geeft mij aanleiding tot een paar mededeelingen die ter 
aanvuUing der daarin verwerkte gegevens kunnen strekken. 

Bij meer dan eene gelegenheid wees ik er op , dat de overlevering 
betreffende de oudere soeltans van Atj^h veelszins verward is. Er 
heeft nog nooit eene gezette, nauwkeurige vergelijking der frag- 
mentarische Europeesche met de vaak legendarische en voor het 
latere door rekeu- en schrijffouten bedorven Inlandsche gegevens, 
plaats gehad. Eerst met behulp van zulk eene vergelijking zal men 
kunnen vaststellen hetgeen nog vast te stellen is, en ongetwijfeld 
zal ook daarna nog menig punt onopgehelderd blijven. Er zijn 
echter reeds nu een aantal vaststaaude punten, en in verband 
daarmede vereischen sommige details in Rouffaer's opstel verbetering. 

Zoo is de Soeltan Sjamaoe^l-alam (Eouffaer, bl. 380, noot 2) 
geenszins dezelfde als Djamaloe'Ualam of Djeumaloj (zoo te lezen in 
plaats van Djeumaloj). De eerste regeerde slechts gedurende dertig 
dagen, die volgens de inlandsche opgaven in December 1726 en 
Januari 1727 vielen; maar om het even, welke waarde aan deze 
chronologische opgave toe te kennen zij , deze Sjamsoe'1-alam , die 
v66r zijne troonsbestijging Wandi Teubieng heette, is een ander 
dan zijn tweede voorganger Djamaloe'1-alam Badroe'l moenir, die 
van 1703 — 1726 geregeerd heeft, in 1785, na den dood van 
Soeltan Aladdin Ahmat Tjah gedurende vier maauden tegen diens 
zoon Pbtjoet Oee^ (later Aladdin Djoehan Tjah) oorlog voerde en 
toen van het wereldsche tooneel verdween om later, althans na 
zijnen dood, als heilige vereerd te worden. 



AANTEEKENINGEN OVBR ATJEHSCHE SOBLTANSZEGELS. 53 

Naar aanleiding van hetgeen voorkomt bij Bouffaer, bl. 358, 
uoot 1 , zij opgemerkt , dat er in de hier besproken periode * slechts 
66n Soeltan Mahmoet geweest is, die wel eens door Europeesche 
schrijvers, maar nooit door Atjdhers met Moehamat is verward. 
Bij inlanders is zulk eene verwarring even onmogelijk als de door 
Prof. Kern (bij Rouffaer, bl. 366) den Turken ioegedichte uitspraak 
//Mehemad voor Mahmud^/, waarvan genoemde geleerde een tweede 
voorbeeld meent gevonden te hebben in //Mehemed AJi//. Mehdmdt 
of Mehmet Ali is de Turksclie uitspraak van Moel^ammad Ali; z66, 
en niet Matmoed Ali, heette de bekende onderkoning van Egypte 
en tal van andere bekende personen dragen dien naam. Nooit spreekt 
een Turk of inlander Matmoed op die of soortgelijke wijze uit. 

De Atjehsche soeltan Mahmoet, ten voile Aladdin Mahmoet Tjah 
Djoehan, v66r zijne troonsbestijging Toeankoe Badja genoemd , was een 
zoon van Aladdin Djoehan Tjah (= Pbtjoet Oee^), kleinzoon dus van 
Aladdin Ahmat Tjah, den stichter der laatste Atjehsche dynastie. 
Hij regeerde van 1760 — 1781, in welk tijdvak hij echter tweemaal 
door concurrenten tijdelijk van zijne waardigheid beroofd werd, 
eens gedurende ruim twee jaren, eens gedurende bijna twee maanden. 

Zijn zoon Moehamat Tjah, v66r zijne troonsbestijging ook Toeankoe 
Radja genaand , volgde hem op. Deze is door Europeesche schrijvers 
ua en dan met den naam zijns vaders genoemd, en zoo is het ge- 
komen, dat in mijn werk //De Atj^hers// de regeerjaren van den 
zoon (1781 — 1795) aan den vader zijn toegekend. De zoon heet 
Aladdin Moehamat Tjah en nooit Mahmoet; hij werd door zijuen 
zoon, den uit Raffles' tijd bekenden Djauhar Alam Tjah, opgevolgd. 

Noch bij Mahmoet noch bij Moehamat komt de aanduiding II 
te pas. 

Hetgeen ik verder nog aan te teekenen heb, heeft betrekking 
op het enkelvoudige zegel van Soeltan Alaedin Riajat Tjahy waarover 
handelt Rouffaer, bl. 377 en vv. en dat op Plaat I, onderaan, 
afgebeeld staat. 

Mijn eerste opmerking betreft de lezing van den soeltansnaam , 
die op dit zegel voorkomt; zij werd door Rouffaer van goede 
autoriteiten overgenomeu, maar behoeft toch eene kleine correctie, 
Wijlen Prof. Millies heeft blijkbaar over het hoofd gezien, dat het 



' De laatste Soeltan van Atjeh heette ook Mahmoet (1870 — 74): een andere 
Mahmoet wordt genoemd als Soeltan in eenen tijd, waarover wij geene 
betroawbare gegevens bezitten. 



54 AANTEEKENINGEN OP G. P. ROUFFAER's OPSTEL 

het woord sjdh tweemaal voorkomt, eens ua deu iiaara van Soeltan 
Alaediu zelf, eens ua dieii zijns vaders. De eersie maal is wegetis 
gebrek aan ruimte de s weggelaten ; er staat dus : 

aS'Soeltd/n ^AUVoed-din sjdh bin Firmd/n sjdh* 

De tweede opmerkiiig betreft de gelijkstelliug van Firmdn met 
Pfiaman (RoufFaer, bl. 380, noot 1). Deze is bepaald ouaannemelijk. 
Vooreerst ware verwisseling dier beide woorden taalkundig nauwelijks 
deiikbaar; verder zou dan toch Radja Priaman nog iets anders zijn 
dan Priama/nsjdh ^ en eindelijk is de overlevering betreffende dien 
naam Firm&n even constant als die van de betiteling Radja Priaman 
voor andere personen. Firman komt in verschillende Inlandsche talen 
als eigennaam voor, en, al weten wij nb verder voor 't oogenblik 
niets bijzouders betreffende de genealogie van Soeltan Aladdin, dat 
zijn vader Firman geheeten heeft, leert ons zijn zegel, leert ons 
meuige Atjehsche soeltanslijst , en het heeft ook niets bevreemdends. 

Ten derde kom ik tot de zonderlinge verzuchting van Dr. Wap, 
welke RoufFaer, bl. 379, citeert en waarbij die uitgever van een 
werkje over het gezantschap van Atj^hs Soeltan aan Prins Maurits 
verklaart /'in 't oneindige// vergeefsche pogingen te hebbeu aangewend 
om van vaderlandsche Arabisten eene verklaring te erlangen van 
het opschrift van Soeltan Ala^dins zegel. Prof. Millies logenstrafte 
deze klacht gedeeltelijk door althans den soeltansuaam , behoudens 
het overzien van een woord, juist te lezen, maar verklaarde toch 
ook: vroriginal n'est meme plus distinct dans une partie de la 
legende margiuale//. 

Nu is bedoeld Arabisch randschrift, ook op de door Rouffaer 
gepubliceerde afbeelding, volkomen duidelijk te lezen. Weliswaar is 
hier en daar een woord defectief gespeld of een diacritisch punt 
weggelaten ; ook is de woordenkeuze , de redactie der //Mgende mar- 
giuale// niet zuiver Arabisch. Maar die afwijkingen zijn niet grooter 
dan men ze op lulaudsche zegels, munten enz. pleegt te vinden, en 
ik geloof, dat althans van'de tegenwoordige Arabisten in Nederland 
wel niemand vergeefs zou pogen, de lezing vast te stellen. Er staat: 

Met een paar kleine, van zelf sprekende verbeteringen is dit als 
volgt te lezen : 



OVER atjI^hsohe sokltanszegels. 55 

De vertaliDg van dezen zin, die als appositie van as-Soelt&n 
®Al&'oed-dIn op te vatten is, luidt aldus: 

die verirouwt op den Heerscher [= God] ; Hij [= God] heeft hem 
uitverkaren om de koninkrijkmi in hezit U hehhen en heeft in hem 
welbehagen, Allah doe zijnen roem voorlduren en schenie zijnen volgers 
averwinning, 

Het behoeft nauwelijks vermelding, dat geene mijner opmerkingen 
of aanvullingen iets afdoet tot Boufiaer^s helder betoog aangaande 
tijd en wijze van ontstaan van het negenvoudige zegel der latere 
Atjdhsche Soeltans. 



NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN 
HET MAHAYANISME OP JAVA. 



DOOR 

Dr. H. H. JUYNBOLL. 



Het is bekend, dat op Java naast het Qiwaisme het Noordelijke 
Buddhisme of Mah^y^nisme gebloeid heeft. Tastbare bewijzen hiervau 
zijn o, a. de beroemde Boro Budur, de vele op Java gevondene , 
te Batavia eu te Leiden bewaarde Buddha- en Bodhisatwa- 
beelden enz. 

In de Oudjavaausche literatuur vindt men echter slechts weinig 
sporen van dezen godsdienst. Van Buddhistische strekking is bijv. 
het door Prof. Kern uitgegeven verhaal van Kunjarakar^ia, 
terwijl het epische gedicht (kakawin) Sutasoma half Qiwaietisch 
en half Buddhistisch is. Dut de schrijver van dit gedicht, Mpu 
Tantular genaamd, een Buddhist was, blijkt ook uit het door 
hem vervaardigde epos Arjunawijaya. Verder was ook de 
schrijver van de kakawin Wighuotsawa een Buddhist. 

Bij het beschrijven der collectie Oudjavaausche haudschriften , 
die in 1895 bij de bestorming van de puri van Cakrauegara 
buitgemaakt en na den dood van Dr. Brandes in het legatum 
Warnerianum te Leiden ingelijfd is, vond ik eenige hand schrif ten , 
waaruit beter blijkt, wat de oude Javanen van het Mah&j&nisme 
gekend hebben. 

Vooreerst bevindt zich in denzelfden bundel ^ , die het door Dr. 
Brandes uitgegeven lofdicht op Hayam Wuruk, Nagarakrt^- 
gama, en bovendien de kakawin Lubdhaka eu eene be- 
werking in groote versmaten van den Kunjarakar^ia bevat , 
welke tot nu toe onbekend was, ook een klein Buddhistisch zede- 
kundig gedichtje, getiteld: Jindrthiprakrti, met de toevoeging 
pralambang kamah&y&nin (mah&y^nistisch geschrift). Dit is 
echter slechts een fragment van 4 palmbladen. 



^ Dese lempiran draagt thans het nummer 5023 leg. Warn. 



NIEUWE BIJD&AOE TOT DE KXNNIS ENZ. 57 

Ouder de handschriften van het legaat van der Tuuk is ook een 
Buddhaweda (cod. 4165 leg. Warn.), waarvan dr. Brandes eenige 
staaltjes mededeelt in zijne Beschrijving der Jav. Bal. en Sasaksche 
handschriften van dr. van der Tuuk, I, pag. 204 — 206. Hieruit 
ziet men, dat het mantraps of formulieren bevat, zooals die bij 
de Buddhisten in gebruik zijn. Op biz. 5 van dit HS. vindt men de 
uamen der vijf Dhy&nibuddha's *: Aksobhya, Ratnasambhawa, 
Amit&bha, Amoghasiddhaen Wairocana. Op pag. 18 staan 
de Sanskrtwoorden : Namo ratnatray&ya, namaJiii ^ry kw a- 
lokiteQwar^ya, die beteekenen : Hulde aan de drie kleinooden 
en aan den edelen (eerwaarden) Awalokitegwara. Onder de drie 
kleinooden verstaat men, zooals bekend is, Buddha, Dharma 
en Sanggha, terwijl Awalokitegwara de'naam van een der 
Bodhisatwa^s of toekomstige Buddha's is. In dit HS. worden 
de lijkplechtigheden , die hier tiw& heeten (verwant met het Ngadju- 
Dajaksche tiwah, doodenfeest, en het Sangir. tiwa, goede na- 
gedachtenis van dooden), zeer uitvoerig beschreveu. De taal van dit 
prozaschrift is echter zeer nieuw en vol Balineesch. 

Van meer belang is een ander prozageschrift. In de collectie hand- 
schriften van van der Tuuk vond ik een fragment van 5 bladzijden , 
getiteld Sang hyang pamutus (cod. 3963, n® 4 leg. Warn.), 
dat mijn aandacht trok door den Buddhistischen aanhef: Namo 
Buddh&ya, hulde aan Buddha. Een voUedig handschrift van 
hetzelfde Oudjavaansche prozageschrift trof ik aan in de Lombok- 
coUectie (cod. 5068 leg. Warn.). Dit is een cake pan van 65 palm- 
bladen, die ieder 47 cM. lang zijn. Hiervan luidt de titel echter: 
Sang hyang Kamah&y&nikan of //het heilige Mah&y&nisme// 
(bijv. op fol. a. 25, a. 52, a. 59 en a. 62). De taal van dit geschrift 
doet sterk denken aan die van het Oudjav. Adiparwa en evenals 
daar worden ook hier telkens Sanskrtverzen geciteerd , die door eene 
Oudjav. vertaling gevolgd worden, b.v. (fol. 8): 

Ehi watsa mah&y&nam mantr^w&rya nay am widham, 

degayisy&mi te samyak, bh^janas twam mah&naye. 

De O. J. vertaling luidt : Sang hyang mah&y&na iki wara- 
hakna mami iri kita, sang hyang mautr^naya, sira 
mah^y&na mah^m&rga ngaran ira, sira teki de9an&kna 
mami, warahakna mami ri kita, ri kadadinyan kita 

^ Zie over deze Buddha 's o. a.: Waddell, Lamaism , p. 130 , 336 en 
349. — Griinwedel, Buddhistische Kunst , p. 169 — 172. — Kern, Buddhisme, 
I, 323 vlg. 



58 NIEUWE BIJDRAGE TOT DB RKNNIS 

pdtrabhiita, yogya warahen ri saug hyaag dhanna, 
d. i, : /'Dit heilige (eerbiedwaardige) Mah^y^na zal door ons aan 
u ondefwezeu worden, de Mantrduaya, de Mah&y&iia (letterlijk: 
groot voertuig) heet de '/groote weg//. Deze uu zal door ons gewezen 
worden , onderwezen worden aan u , omdat gij p&trabhiita 
(letterlijk : tot een vat gewordeu) geworden zijt , verdienende cm 
onderwezen te worden in den heiligen D harm a.// 

Een ander voorbeeld is (fol. 34): 

YS>wanti sarwa wastiini da^adiksamsthit^ni ca, 

t^ni pfinyaswabh^w^ni prajn^p^ramit^ smrtdJilL. 

Vertaald door : Sakweh nikang sinangguh hana ring 
loka, ikang umunggu ri dega sapuluh, yatika kawru- 
hana an makatatwa giinyat^ enz. , d. i. : ''Zooveel als beweerd 
wordt te zijn in de wereld , wat zich bevindt in de tien hemelstreken , 
weet dat dit tot wezen heeft de gflnyata.// Het laatste gedeelte 
van het Sanskrtvers, waarin de prajii^p^ramitft voorkomt, 
wordt niet vertaald. 

Omtrent den inhoud valt het volgende op te merken: 

De Buddha's worden verdeeld (fol. a. 9) in an&gatabuddha's 
(toekomstige) : Maitreya en Samantabhadra, atttabuddha's 
(van het verledene) : Wipa^yJ, Wi9wabh<i,Krakucchanda, 
Kanakamuni en K&9yapa en eindelijk den wartam&na- 
buddha (van het tegenwoordige) : Q&kyamuni. Deze heeft de 
kam&rawijayan (fol. a. 1 0) bereikt , d . i. letterlijk het abstractum 
van het //M&ra overwonnen hebben//. 

Hierbij valt op te merken, dat Wipagyi en Wigwabhfl 
gewoonlijk ontbreken, waar de M&nusibudijha's opgenoemd 
worden (b.v. bij Griinwedel, Buddhistische Kunst, pag. 
169)*, doch wel voorkoraen onder de zeven Buddha's van het 
verledene (b.v. bij Waddell, Lamaism, pag. 346 en Griin- 
wedel, Mythologie des Buddhismus, pag. 111). Van de 
toekomstige Buddha's wordt Maitreya gewoonlijk genoemd 
onder de M&nusibuddha's en Samantabhadra onder de 
Dhy&nibodhisatwa's. 

Op fol. 27 wordt gesproken over de zes p&ramit&'s: d&na, 
glla, k?^nti, wlrya, dhy^na en prajn^ (zie Kern, Bud- 
dhisme, I, 415), op fol. a. 36 over de vier p&ramit&'s: metri, 



* Ook bij Waddell, Lamaism, p. 350 en Griinwedel, Mythologie 
des Buddhismus, p. 95. Daarentegen noemt Groeneveldt hen (Aroh. 
Gatal. pag. 82). 



VAN HKT MAH&YaNISME OP JAVA. 59 

kara^a, raudita en upeks&. De eerste heet het tatwa (het 
wezeii) van Locan&, de tweede van M&maki, de derde van 
P&94t^]^t^ w&si^t en de vierde van T&r&. 

Daze vier zijn bekeud als de gemalinnen van de Bodhisatwa's 
Wajrap&^i, Ratnapd^i, Padmap&^i of A waloki te9 wara 
en Wi^wap&^ii (Waddell, Lamaism, p. 351 en Kern, Bud- 
dhisme, II, 173). Gewooulijk wordt ook Waj rad h&t wJgwarl, 
de vrouw van Samautabhadra hierbij geuoemd. Ook is de 
eigennaam P^^cjaraw&sint eigeuaardig , daar deze naam gewooulijk 
P&^dar^ (Waddell, Kern, 1. c. en Groeneveldt, Arch. Catal. 
pag. 81) of P&^^dura (Kern, I.e.) of Stta (Waddell, I.e.) luidt. 

Dit gedeelte over de da^ap^ramitft eindigt op fol. a. 40. 
Daarop volgen de vier yoga's: miilayoga, madhyajoga, 
was&nayoga en antayoga. Dan de vier bh^wau^'s (zie 
Kern, Buddhisme, I, 369) en de vier heilige waarheden 
(&ryasaty a). 

Oewichtig uit een iconographisch oogpunt is de plaats (fol. 52 
en vlg.)waar over de mudr&'s gesproken wordt (zie Brandes ^Eeu 
Buddhistisch monniksbeeld , en naar aanleiding daarvan het een en 
ander over eenige der voornaamste mudr&'s// in Tijdschr. Ind. T. , 
L. Vk. XLVm pag. 37 vlg. en Waddell, 336—337). ' De kleur 
van Q&kyamuni heet wit en zijn mudrd de dhwajamudr&. 
Uit zijn rechterzijde ontstaat .Loke9wara, wiens kleur rood en 
wiens inudr^ de dhyduamudr^ is. Uit Q^kyamuui's linker- 
zijde ontstaat Bajrap&^i, wiens kleur blauw en wiens mudr^ 
de bhtlbspftrgamudr^ is. Deze drie Buddha's worden vergeleken 
met het ratnatraya (drie kleinooden) Buddha, Dharma en 
Sanggha (fol. a. 53). 

Op fol. 54 worden de vijf skandha's (Kern, Buddhisme, 
I, pag. 341 — 353) besproken en in verband gebracht met de vijf . 
Dhy&nibuddha's of Tathdgata's, zooals zij hier heeten. 
Ook de trikhala (rdga, dwesa en moha^) worden in verband 
gebracht , resp. met Amit&bha, Aksobhya en Wairocana 
(fol. 55). De vijf elementen (prthiwi, ilpab, teja, bdyu en 
&k&9a) worden eveneens met de vijf Tathslgata's vergeleken 
(fol. 57). 



» Zie ook Grunwedel, Buddhistische Kanst, 157, 163, 171 en 192. — 
Mjthologie des Buddhismus, 19, 20, 33, 86 en 109. 

' Zie hierover: Waddell, Lamaism, p. 109. Hij noemt ze: nT^he three 
vices or delusions". 



60 NIBUWE BUDBAGS TOT DS KENNIS 

Op fol. a, 60 worden de gemalinnen der Dhy&nibuddha's 
geuoemd, alien met het praedicaat bhar^li. Ditmaal wordt ook 
Dh&twigwari niet vergeten. (Zie Brandes, Tjandi Djago, pag. 
94—95 en Not. Bat. Gen. XXXIX, pag. XXVIII). 

Het slot (fol. 63 — 65) haudelt over het gawawidh&na (lijk- 
bezorging) bij de Buddhisten. 

Een ander, minder omvaugrijk loutarhandschrift (cod. 5083 leg. 
Warn.) draagt ook den titel dang hyang Kamah^y&nikan, 
doch het wijkt van cod. 5068 af. De inkleeding van dit HS. doet 
sterk aan die van het Oudjav. Adiparwa denkeu : evenals daar 
bijna iedere afdeeling begint met een vraag van Qonaka aan 
Ugragrawft of van Janamejaya aan Wai^amp&yana om 
een nieuw verhaal of om voortzetting van een reeds begonnen ge- 
schiedenis, zoo geschiedt dit hier met een leerling, die vragen doet 
nan zijn leeraar, bv. reeds dadelijk in het begin (na awighnam 
astu): S&jn& mah^mpu, tulusakna sih grt mah^mpungku ri 
pinakanghulun! enz. , d. i. : //Met uw verlof, groote Heer, 
voltooi het gunstbewijs van u, mijn groote Heer, jegens mij !// enz., 
waarop de leeraar antwoordt: Aum, enak denta rumengo 
kita Tath&gatakulajinaputral enz., d. i.: //Om! Luister 
rustig toe, o gij Buddha^zoon uit Tath^gata^s geslacht ont- 
sproten!// enz. 

De inhoud van dit handschrift komt in vele opzichten overeen 
met die van cod. 5068. Ook hier (fol. a. 2) wordt van de 4 
^rya^satya en de 10 p^ramit^ gesproken. Merkwaardig is eene 
plaats (fol. a, 3), waar van het adwayajn^na gezegd wordt, dat 
dit is bhar&lt Frajn^p&ramit&, de moeder van bhat&ra 
hyang Buddha. 

Voor zoover mij bekencj is , is dit de eenige plaats in de geheele 
Oudjavaansche literatnur, waar sprake is van deze godin, die bij 
ons eene zekere vermaardheid gekregen heeft door het prachtige 
steeuen beeld , dat vroeger in 's Bijks Museum van Oudheden (n® 33 
van Leemaus^ Catalogus, die haar Laksmt noemt!) en thans in 
's Rijks Ethuographisch Museum bewaard wordt en dat reeds meer- 
malen afgebeeld is , o. a. in deze Bijdragen (6® volgr. VIII , pag. 
372, fig. I) door den heer C. M. Pleyte, in Von Saber's 
Versierende Kunsten, pi. XX, in het werk //De Batikkunst// door 
Rouffaer en schrijver dezes op de platen 39 en 40 en in Pley te's 
Indonesian Art, pi. XI. 

Op fol. 5 worden de zeven sam^dhi's geuoemd, dat vertaald 



VA*f HET MAh4y&NIS1£E OP JAVA. 6l 

Wordt door pggeng ikang b^yu of //inhouden van den aflem// 
(eig. den wind). Hierbij valt op te merken, dat Prof. Kern in 
zijn werk (Buddhisme, I, pag. 379) zegt: //Er worden soms 3, 
soms 6, of ook wel 4 Sam^dhi's genoemd.// 

Op fol. a. 8 is sprake van vijf mudr&'s: dhwaja, bhiibsparga 
(het HS. heeft nuspar^a), warada, dhj&na en abhaja. 
Daarop worden de kleuren en mudr&'s van Q&kjamuni, Lokegwara 
en Bajrap^^i opgesomd, evenals in cod. 5068. Uit deze drie 
Tath^gata^s outstaan de anderen, nl. uit Q&kyamuni^s gelaat: 
Wairocana, uit Lokegwara: Aksobhya en Batnasam- 
bhawa, terwijl Bajrap&^i zich verdeelt in Amit&bha en 
Amoghasiddha. Yolgens deze voorstelling zouden dus Tath&- 
gata^s ofDhj^nibuddha^s ontstaan uit Uh j^nibodhisat wa^s. 
Waarschijnlijk ligt hierin eene aanwijzing, dat naast Q&kyamuni 
vooral Lokegwara (A walokite^wara) enBajrap&^i vereerd 
werden op Java. 

Behalve de 5 skandha's, 5 dh&tu's, 3 khala^s en 3 ratna^s 
worden hier met de 5 Tath&gata's in verband gebracht de vijf 
klanken : a, hum, tram, hrt en a, die Waddell (Lamaism, 
351): //Essential or //Germ// Spell (bija)// noemt; de 3 mala^s (fol. 11), 
de 3 k&ya's (Waddell, Lamaism, 347 en Hodgson, 
Essays, 27, 58, 64)*, de 3 param^rtha's (fol. a. 13) en de 
5 deha's (fol. a. 14). 

Dit gedeelte van de Kamah&ysinikan heet Fancatath^- 
gatajn&na, d. i. kennis der' 5 Tath Ogata's (tot fol. 15). Het ge- 
deelte, waarin de 5 gemalinnen der Tath&gata^s in verband gebracht 
worden met de 4 P&ramit&'s heet hier ad way as&dhana (tot 
fol. 18). Het slot handelt over deze vier en over de zes P&ramit&'s, 
waarom aan het slot staat: Iti satp^ramit^ sam^pta. Op fol. 
22 treft men de interessante zinsnede aan : Buddha tunggal 
lawan Qiwa of: //Buddha is ^^n met Qiwa//. 

Hiermede neraen wij afscheid van deze beide merkwaardige gfe- 
schriften. Misschien zal ecu Sanskritist in staat zijn, hun bron op 
te sporen. Aan Europeanen zuUen zij weinig nieuws omtrent het 
Buddhisme leeren , doch als bronnen van hetgeen de Javanen eenmaal 
van dezen godsdienst geweten hebbeu, schenen zij mij belangrijk 
genoeg toe, om er de aandacht op te vestigeu. 



^ Zie ook Kdppen, Die Religion des Baddha, 11, 25 en Griinwedel, 
Mythologie des Buddhismus, pag. 109. Zij heeten: Nirma^a — , sam- 
bhoga — en dharmakaya. 



EENIGE SOENDASCHE PABELS EN 

VERTELSELS. 



DOOR 

R. A. KERN. 



Een vijftal jaren geleden zijn in 't Tijdschrift van 't Bataviaasch 
Genootschap ' eenige Soendasche dwerghert verbal en raedegedeeld. Er 
werd toeu reeds gezegd dat in die dongengs variaties voorkomeu. 
Ik heb er na dien tijd nog meermalen geboord. Waar de boofdinhoud 
dezelfde was, beboeveu die uieuwe lezingen bier niet te wordeu 
vermeld en wil ik volstaan met 66n voorbeeld boe eenige episodes 
op verscbilleude wijze kunnen worden aaneengescbakeld en de dieren 
die erin optreden, andere namen kunnen krijgen. In bovenbedoelde 
raededeeling dan was de loop van 't laatste verbaal als volgt : 

De reebok komt op H terrein van den tijger, vraagt later 
bulp bij 't dwergbert, 't dwergbert verscbrikt den tijger. De 
aap legt den tijger uit dat bij voor den gek gebouden is; samen 
gaan zij weer naar den reebok, maar deze wordt weer gered door 
't dwergbert, door wiens list de tijger zijn medgezel , den aap doodt. 
Die dood maakt op den boorder den indruk van een vergelding, 
want v66r de reebok naar 't dwergbert ging, bad bij vergeefs bij 
den aap aangeklopt om bulp. 

Later boorde ik H verbaal anders, de rollen wareu verwisseld en 
een nieuwe episode was er doorbeen gewerkt; overigens waren de 
gebeurtenissen dezelfde. In dit verbaal komt een buff el op \ 
terrein van den tijger, bij wien H dwergbert zooveel als Patib 
is. 'i Uitstel om vet te worden is net als boven. De bufFel gaat 
bulp vragen bij een geit, de geit verscbrikt den tijger. Dan volgt 
't verbaal dat de geit aan den tijger zijn spiegelbeeld laat zien, 
bier om te bewijzen dat zij tijgers in voorraad beeft om op te eten. 
(Deze episode komt in allerlei vormen voor, steeds met H doel te 

» Deol 42. 



EBNIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 63 

bedotten of schade te doeii). 't Dwerghert legt aan den tijger de 
foppage uit; sameu gaaii zij terug iiaar de geit, deze doetalsboveu 
't dwerghert en H einde is dat de tijger 't dwerghert doodt, gelijk 
boven den aap. 

Dit is een voorbeeld uit velen. 

Thans mogen eenige andere dongengs hier een plaats vinden. Zij 
worden medegedeeld in Soendaschen tekst met, bij elk, een korten 
inhoud in 't HoUandsch. Aan een vertaling heb ik me niet gewaagd. 
Een woordelijke vertaling zou 't frissche, en levendige, 't echt- 
natuurlijke dezer volksverhalen doen verloren gaan; om dat weerte 
geven, zou de vertaling zeer vrij moeten zijn; ik betwijfel of H me 
zou gelukken; voor degeneu die den origineelen tekst lezen, ware 
ze onnoodig en niet-beoefeuaars van 't Soendasch zuUeu, hoop ik, 
een iuhoudsopgave voldoende achten. 

De dongengs zooals ze hier gegeven worden, zijn gehoord in 
Bandoeng en Soekapoera. Verscheidene er van heb ik ook op andere 
plaatsen hooreu vertellen. 

I. De kat en de tortelduif. 

De kat komt in de buurt van een tortelduif. Ze laat H voorkomen 
alsof ze niets kwaads in den zin heeft, door te zeggen dat ze tapa 
houdt. De duif antwoordt om die goede bedoelingen toe tejuichen. 
//Kom wat dichter bij, ik kan je niet hooren,// zegt de kat. Argeloos 
komt de duif dichterbij , wordt gegrepen en opgegeten. Volgt een 
vermaning niet te doen als de duif. 

Tekst: Oetjing djeung manoek titiran. 

Titiran njajang dina roejoek kaso; kapanggih koe oetjing, tapi 
oetjing henteu daek ganggoe kana titiran. Ngomoug ka oetjing: 
vTeu woedoe bae sampejanmah loenggoeh ! mending teuing sasa- 
rinamah: kakara tembong oge, geift diintip, rek dirontok!'/ — 
Djawab oetjing: '/Kaoela keur tapa, napaan doewa perkara, hidji, 
teu rek ganggoe kana karep batoer, kadoewa, ten rek ngarah pati 
hiitoer.v — //Bener lamoen kitoe karep sampejau , kaoelage tjotog 
kana karep andika; poegoehuja koedoe, hajang waloeja dirimah.'/ — 
Tjek oetjing: //Ten kadenge, koeraug deukeut!// 



64} EEJaGE SOtSNDASOHE FIBELS EN VSttT^LSEtd. 

Titiran ujampeurkeun ka oetjing. Bareng * geus deukeut, gabroeg 
bae dirontok teroes dihakau koe oetjing. 

IngSt, djalma! oeloh sapgrti oetjing djeung titiran; kitoe kadja- 
diannana. Saperti teu terang eta djalma bangsat ti toekau-toekangna 
tapi dipertjaja bae, kitoe kadjadiannana. 

n. De valk en de schildpad. 

Een valk en een schildpad waren vrienden. De schildpad gefeft 
aan den valk den raad, als hij ver vliegen moet, langzaam te 
vliegen. De valk meent juist 't omgekeerde en wijst de schildpad 
terecht dat ze praat over dingen waar ze geen verstand van heeft. 

De valk gaat nu een zee overstekeu en vliegt zeer snel, met H 
gevolg dat hij uitgeput neerstrijkt op een schip, gegrepeu wordt 
(door een Chinees) en geslacht. 

De ekster die dat zag, moraliseert over 't geval met zijn makkers 
en tot slot volgt dan nog de moraal voor de menschen : Wees niet 
eigenzinnig ; volg goeden raad , al komt die van minderen. 

Tekst : Tjarita alap-alap djeung koeja. 

Katjarita din a hidji waloeugan aja sahidji koeja. Eta koeja waktoe 
harita keur sosobatan dalit pisan, njaeta djeung hidji manoek 
alap-alap. 

Dina hidji mangsa keur waktoe alap-alap njijar kahakanan, 
katembong koe koeja tea ti handap sarta, bari digeroan, pokna 
koeja : //Adi ! moen tjalik heula sakedap kadijeu , sarehna poen 
kakang gadoeh soewal saeutik.// — Toeloej eta alap-alap teh toeroen 
kahandap njampeurkeuu ka koeja tea, sarta bari ngomong pokna : 
//Aja pibedjaeuu uaon, kakang?'/ — Walon koeja: //Kijeu geura, 
adil sarehna adi ajeuna bisa ngapoeng di awang-awang, njaeta koe 
sabab boga djangdjang, koe perkara eta koemaha pamikir adi, 
oepama adi ngaliwat laoetan tegSsna hibgr di laoet , koemaha hibSrna ? 
eta koedoe gantjang atawa koedoe alon?// — Wangsoelna alap-alap: 
//Memang koedoe gantjang, koe sabab oepama dialon-alon, tangtoe 
kesSl tina sakitoe leukleukna.// — Waugsoel koeja: //Hih! salah lamoen 
pamikir adi kitoe ; tangtoe lamoen gantjang manggih balai, lamoen alon 
tangtoe salamet.// — Walon alap-alap : //Teu sing kitoe ! sababna koela 



1 Bareng voor Barang. 



^ENlGte SOUND ASCHE F ABELS EN VEETELSELS. 65 

anoe geus ngalampahkeun ; ari kakangmah, iraha teuing bisahiber, 
iraha teuing ngalampahkeun kana eta atoeran; tjatjakan di waloengan 
oge bisa ngodjajteh kabawa koe tjai.// — Tidinja koejateh eraeun 
sarta roemasa salah mapatahan ka uoe tatjan dilampahkeuu; toeloej 
manehna menta pSrtobat ka alap-alap, pokua: //Adi! ajeuua kakaug 
menta dih^mpoera koe adi sarehua kakang ugoenghak tjampSlak 
make mapatahan ka salira adi sakitoe.// — Wangsoel alap-alap 
barina bSngis sarta bari hibSr, pokna: //Hade!^ sarta toeloej eta 
alap-alap hibSma njorang laoetan sarta kSras katjida. Tina sabab 
hibSma gantjang teuing, manehna tjapeeun sarta kesgleun djang- 
djangna, djadi hiberna beuki dasar bae. Kab^ueran waktoe harita 
aja hidji kapal anoe keur lajar; geuwat manehna notogkeun maneh 
kana eta kapal tina sabab geus ten katahan koe tjape. Baraug 
gSproek kana kapal, kapanggih koe hidji tjina, sarta toeloej koe 
eta tjina ditewak throes dipeuntjit. 

Keur waktoe alap-alap dipeuntjit, katembong koe hidji manoek 
tjijoeng sarta ngomong ka batoerua , pokna : //Euj , batoer ! geura 
itoe tendjo manoek alap-alap; tina tjape hiberna datang ka notog- 
keun maneh ka djSro kapal, toeroeg toeroeg barang datang kana 
kapal, manggih balai; kapanggih koe oerang manoesa sarta toeloej 
dipeuntjit.// — Tjek batoerua : '/Enja ! tah kitoe noe ten uoeroet 
kana papatahteh.^/ 

Harti ijeu dongeng: Saha djalma anoe moeroegoel, anoe teu 
toeroet kana papatah, sanadjan koe sahandapeuu oge, ori kana 
piben€reun eta koedoe toeroet. Lamoen moeroegoel, taugtoe matak 
tjilaka saperti manoek alap-alap teu toeroet kana papatah koeja. 

III. Ue rijke eekhoorn en de arme aap. 

Een hongerige aap komt met haar kindereu bij eeu eekhoorn die 
een nangkaboom vol vruchten bezit. Zij vraagt ^^u nangka, maar 
de eekhoorn scheepte haar af. Nauwelijks zijn de apeu weg of de 
eekhoorn begint van onderen aan e^n nangka te knabbelen. Daardoor 
valt deze van den boom af , de eekhoorn in haar vaart meenemende 
en verpletterende. 

Allerlei dieren die veel van uangka's houden komeu nu aanloopen 
en doen zich te goed en ook de aap en haar jongeu schransen naar 
hartelust. 

Volgt de moraal. 

H Zelfde verhaal heb ik ook zoo hooren vertellen dat weer de 
ekster de moraal trekt. 

V Volgr. VI^ 5 



66 EENIGE SOENDASOHE FABELS EN VEETELSEtSi 

Tekst: Badjing beunghar djeung monjet malarat. 

Dioa sahidji leuweung aja sahidji badjing kaja, njaeta boga 
sahidji taugkal nangka. Eta tangkal naugka loba pisan boewahna 
tSpi ka ratoesan. Dina sahidji mangsa datang monjet mawa anak tiloe ; 
eta monjet geus tiloe powe hen ten manggih kahakanau datang ka 
boetjing, pok ngomong: //Poenten, noen!// — Wangsoel badjing: 
//Aeh, sakadang monjet — kadijeu tjalik.// — Toeloej monjetteh 
dioek dirijoeng koe auakna. Ditanja koe badjing: //Aja pigaleuheun 
naon?// — Wangsoel monjet sarta bari loengas-leungis ^ sangkan 
dipikaroenja : //Noen, djoeragan! koeringteh noe mawi ngadeuheus, 
njaeta dek namboet naugka sahoeloe, sarehna koering sarSng poen 
anak parantos tiloe dintgn henteu barangteda; koe perkara eta 
moegi dipaparin sahoeloemah, henteu sahoeloege atoeh sabeulah, 
hgnteu sabeulah atoeh satjamploengmah ^ kedah bae dipaparin, 
noen!// — Diwalon koe badjing sarta karoenjaeun ngadenge omong- 
annana sakitoe: //Adoeh! karoenja teuing, paingan teuing eta iga 
mani ragas tjari gambang.// — '- Kadenge koe monjet, ngomong di 
djero atina : //Tah ! aing bakal hasil balangsijarteh.// — Tapi barangna 
[ngomong ka monjet] badjing ngomong di djero atina, pokna: 
//Beu! koemaha, dibere sahoeloe, gede teuing, dibere sabeulah, 
koemaha eta noe sabeulah deui P lamoen ten beak meureun boeroek ; 
njokot tina hoeloean noe aloes satjamploeng, meureun boesik 
nangkana.// — 

Tidinja toeloej ngomong ka monjet, pokna: //Beu I gagal, sakadang 
monjet! ajeunamah, sarehna keur koering oge moal tjoekoep pikeun 
bekfil, gngke deui bae taoen hareup kadijeu deui.// — Walon monjet 
bari doemareuda : //Atoeh, poenten bae, noen!// //Hajoe, baroedak! 
oerang balik.// — Eta anakna henteu beunang dibawa balik , anggoer 
tjeurik gogoleran; beunang soteh dibawa balik, satengah digoesoer 
koe indoengna. Barang nepi ka djalan ngomong ka anakna: //Keun 
bae, oedjang! oerang njijar deui bae ka noe sedjen, da badjingmah 
mana hgnteu merege, ngopet meureun.// 

HSnteu katjarita monjet, kotjapkeun badjing tea, sanggeusna 
monjet balik, toeloej manehua milihan nangka noe asak. Barang 
geus manggih, toeloej koe manehna disigitan ti handapna. Tina 
sabab nangka asak teuing, toeloej eta nangka teh ragrag sarta eta 
badjing kabawa ka handap katindihan koe nangka throes paeh. 

* 'tZelfde als lengas-lengis. 

' In dezelfde beteekenis wordt ook n j a m p 1 o e n g gezegd. 



J^ElaGE SOENDASCHE FABELS EN VEUTELSEtS. 67 

Eatjaritakeun sanggeusDa badjing paeh, roepa sasatoan didinja 
sapgrti tjotjodot, kalong, loetocng, owa (of oa?), sakabehna sasatoan 
pada ngarajah kaua eta nangka sarta eta moujet anoe tadi tea balik 
deui Dgahakanan naugka balaketjrakaii sarawoeh anak-anakna. 

Hartina ijeu dongeng: Saha djalma anoe tjetjeremed atawa tj^dik, 
tara noeloeng ka noe boetoeh , toengtoengna matak heuteu djamoega 
ti pada kawoela, sapSrti badjing h^nteu noeloeng ka monjet datang 
ka paeh koe bandana pribadi. 

IV. De slang en de kraai. 

Deze fabel is zeer merkwaardig maar lijkt me bedorven. Ik heb 
ze helaas slechts eens gehoord, zoodat ik niet vergelijken kon met 
andere lezingen. 

In den ouden tijd was de santja * de giftigste van alle slangen. 
De andere slangen wilden dat niet gelooven. De sautja zal 't nu 
bewijzen door een bruidspaar, in optocht rondgereden te bespuiten. 

[Men stelt zich voor dat een gifslang zoowel bijt als zijn gif 
nit zijn bek naar buiten spuiten kan.] 

Dit werd gehoord door de kraai, die in dien tijd nog wit was. 
Deze blijft nu boven H bruidspaar vliegen , ziet dan hoe de santja 
de menschen bespuit zoodat ze op slag sterven en bij de dadelijk 
volgende begrafenis blijft zij boven de begraafplaats en wordt met 
aarde bestoven tot zij zwart ziet. 

De thans zwarte kraai gaat naar de santja. Zie, zegt ze, uw gif 
is niet werkdadig, ik ben wel zwart geworden, maar dat komt 
omdat ik mezelf besmeerd heb met zwartsel, ^ waarop de santja 
antwoordt, dat H nergens goed voor is een onwerkdadige giftigheid 
te hebben. En de daad bij 't woord voegende werpt ze haar gif 
weg dat opgeraapt wordt door ander gedierte, nl. de steekdieren 
(wespeu , muggen e. d.) 

Dat is tot heden zoo gebleven. 



1 Deze slang komt in 't Zuiden van Prijangan vrij veel voor. Giftig is ze 
niet en voor den mensch niet gevaarlijk. Haar prooi bemachtigt ze door er 
zich om heen te kronkelen en dan dood te drukken. Door haar groote lengte 
en kracht — in Djampang zag ik een huid van een pas gedood exemplaar, 
die 5^ M. lang was en plat uitgespreid een grootste breedte van ruim een 
halve meter had — kan zij zelfs paarden en buffels dooden. Ze wordt 
geidentifioeerd met de python. De Jav. vorm is s a w a. 

' Nl. wat zich afzet aan den onderkant van ketels en pannen. 



68 EENIGE SOENDASGHS FABELS ^N VEtLTELdEL^. 



Tekst: Oraj djeung gagak. 

Djamau baheula noe pangmatihna . oraj , ujaeta oraj santja. Dina 
hidji kampoeng aja hidji oraj santja; eta oraj koe sakabeh batoerna 
hSuteu dipertjaja jen matih. Hidji mangsa oraj teh koempoelan 
sarta oraj noe rea ngomong ka oraj santja , pokua : //Djoeragan ! 
abdimah hSnteu pertjantSn jen gamparan matih.// — Djawab oraj 
santja: //Ari maueh ten pgrtjajamah, tjingi koe aing dek digegel 
atawa ditijoep.// — Djawab oraj noe rea: //Ah, oelah ! bilih jaktos 
jen matih.// — 

Ari waktoe harita aja noe keur karijaan atawa panganteuan djeung 
pangantenna ngarendeng dina kareta. Katembongeun koe oraj santja 
sarta ngomong, pokna: //Toeh! tarendjokeun panganten, koe aing 
dek ditijoep. Oepama paroeh, sidik matih.// — Ari di loehoer aja 
noe ngadeugekeun omongan oraj santjateh , njaeta gagak. Dina 
waktoe harita gagak teh roepana bodas. Eta gagak ngomong ka oraj 
santja; pokna: //Na enja?// — Oraj santja ngomong deui, pokna: 
//Enja I geura pek tendjokenn koe maneh, tapi maneh tangtoe 
tjatjad.// — Toeloej gagakteh hiber tjitjing diloehoereun panganten. 
Barang ditijoep koe oraj eta panganten, harita keneh misan. Atoeh 
gehgerl enggalua throes boe dikaloewat djeung eta gagak tjitjing 
diloehoereun astana, eta gagak kapetjlengan * taueuh tSpi ka djadi 
hideung. 

Tah! ti harita noe matak gagak roepana hideung, sabab baheu- 
lamah roepana bodas. 

Barang eta gagak gens djadi hideung, njampeurkeun ka oraj 

santja bari ngomong, pokna: //Djoeragan! ah, geuning, ten matih! 

abdimah djadi* hideung soteh ngabaloer maneh koe mehong.// — 

Oraj santjateh ngomong, pokna: //Ah! lamoen kitoemah hSnteu 

pgrloe boga kamatihan tjambal.// — Toeloej koe oraj santjateh 

dipitjeun sarta pada moeloengan ^ koe sasatoan noe sedjen tepi ka 

pargboet. 

Tah I ti harita noe matak oraj santja ajeuua djadi hent^ju matih. 

Eta sasatoan noe maroeloengan kamatihan, noe kabageau, nja 

tepi ka ajeuna matih. Noe ten kabageanmah djadi teu matih sarta 

oeroetna diparoeloengan koe bangsa sato seungseureudan. 



1 Zie noot biz. 80. 

' Wanneer 't werkwoord wordt voorafgegaan door pada, staat soms 't 
aktief , waar men 't passief zou verwaohten. 



SENIGE SOENDASCHE FABELS EN VEBTELSELS. 69 

V. De hengelaar. 

£r was eens eeu oude hengelaar, op wieii een tijger en een 
krokodil belust wareu. Vijfmaal ontgaat ban de visscher na gevischt 
te hebbeu bij de volgende vijf diepe plaatsen in de rivier: Sareng- 
seng (roepeu?), Kitedja (tedja is luister), BoendSr (rond), 
Pandjang (laug) en Sanggareug (gw. van //de tanden laten 
zien^r). Bij de zesde maal, bij de kolk Boengoer (een boom) 
komt hij tasschen 2 vuren : de tijger van boven , de krokodil van 
benedeu. Beide bespringen hem , maar schieten hun doel voorbij , 
komen in de lianen terecht en beginnen nu samen een gevecht op 
leven en dood , waarbij zij ten slotte beide omkomen. Nu komen 
honderden krokodillen en tijgers opdagen de la^tste met hun koning. 
De visscher klimt in eeu boom. De krokodillen en tijgers trefifen 
een minnelijke schikking: De oorzaak van den dood van een uit 
beide scharen was hun slechte begeerte naar den hengelaar. Van 
beide zijden wordt nu bepaald dat 't zeven geslachten ver verboden 
zal zijn hengelaars aan te vallen. 

De krokodillen en tijgers gaan uit elkaar, de hengelaar gaat met 
een gerust hart, de gevaugen visch aan de hand naar huis. 

Tekst : Toekang ngoeseup. 

Djaman baheula aja hidji toekang ngoeseup aki-aki. Eta toekang 
ngoeseup pada dipake kahajang koe hidji maoeng djeung koe hidji 
boehaja, malah geus lima kali ngoeseup kaujahoan bae koe maoeng 
djeung boehaja tea. Sakali ngoeseup di k^doeng ' Sarengseng, 
doewa kali ngoeseup di kSdoeng Kitedja, tiloe kali ngoeseup di 
kSdoeng Boendgr, opat kali ngoeseup di kgdoeug Pandjang, 
lima kali ngoeseup di k^doeug Sanggereng. 

Tapi eta toekang ngoeseup, saban-saban didongdon koe maoeng 
djeung koe boehaja dina tSmpat ngoeseup tea , geus ten aja ten aja 
bae , kaboeroe balik. Tidinja maoeng djeung boehaja pada ngomoug 
di dj^ro kalboe, pokna: //Keun bae, sija! engke-engke deuimah, 
ana ngoeseup rek ditoeloerkeun bae; mana keuheul-keuheul teuingi// 

Dina hidji mangsa eta toekang ugoeseup indit deui bae ngoeseup ; 
ana djig, nja ka kedoeng Boengoer. Barang datang ka kSdoeng 



1 Kedoeng ^ Jav. Kedoeng, 't zelfde als Leuwi — kolk, diepe plaats in 
een rivier. 



70 EENIQB SOENDASCHE FABKLS EN VEETELSELS. 

Boeugoer, manggih bae tempat diua gawir saperti goeha, sarta di 
loehoereuDnana rea pisan areuj wani pabeulit djeung gal^de. Toeloej 
sabijasa ngoeseup sarta beubeuuangannana alah batau noe enggeus- 
enggeus. Koe bakating ^ paleng (?) maoeng djeung boehaja pada 
hajang iigamaiigsa ^ , satiutjak-tiutjakna toekang ngoeseup kanjahoau 
bae ; sarta ugoeseupna di kedoeng Boeugoer kaitoeng lila koe sabab 
gawok -'* beubeuuangannana rea. 

Katoenda toekaug ngoeseup, katjarita maoeng djeung boehaja 
geus datang ka toekang ngoeseup tea. Ari maoeng datangna ti 
tonggoh tapi henteu njahoeun ka toekang ngoeseup sabab boeni ; 
toekang ngoeseup ujakitoe deui henteu njahoeun jen aja maoeng, 
ngan katendjo bae kalangkangna. Ari koe boehajamah geus kanjahoau 
sarta nembongan sama sakali , koe toekang ngoeseup , ngajar ti hilir 
ka girang. Barang datang ka tempat toekang ngoeseup, eta boehaja 
silem deui. Toekang ngoeseup ngomong sa djeroningkalboe, pokna: 
//Bo! nja ajeuua aing paeh dimangsa maoeng atawa koe boehaja, 
tapi moal dikoemaha ari geus ngpi kana titis toelis aing koedoe 
dimangsa koe maoeng djeung koe boehajamah. '/ Sanggeus ngomong 
kitoe, toeloej bae djongdjon ** ngoeseup deui malah tambah gawok. 
Lila-lila eta toekang ngoeseup katendjo koe maoengteh sarta bari 
ngomong dina djero kalboe, pokna: //Dalah! nja ijeu manoesana 
noe didongdon koe aing sababaraha kali; kakara ajeuna bisa katimoe.^s^ 
Sanggeus ngomong kitoe, eta maoeng geus teu koewat nahan 
aiuarah, nja kitoe deui boehaja; pada geus teu koewat nahan 
amarah. 

Gantjangna tjarita, toeloej bae maoeng djeung boehajateh masing- 
masing pada ngarontok eta toekang ngoeseup. Ana gabroegteh , ngaro- 
utokna masing-masing kaliwat koe ba waning roesoeh ana njangsang 
masing-masing kana areuj saloehoereun toekang ngoeseup tea. Tidinja 
toekang ngoeseupteh kasima ^ , ngan tiba koetjap-kitjeup ^ bae nendjo 
ka loehoer. Maoeng djeung boehaja goegoerawilan dina areuj. 

Katoenda toekang ngoeseup, katjarita maoeng ambSkna beuki 



^ Koe bakat-ing z. v. a. Koe bawaning — doordat. 

* Njamangsa — 't iemands stervensuur doen zijn, naar do andere wereld 
helpen, verdelgen. 

> Gawok z. V. a. resepeun — met lust, met behagen, behagen hebben in. 

* Djongdjon — in denzelfden toestand, onveranderd blijven. 

* Kasima — gebiologeerd. 

* Koetjap — kitjeap = freqaentatief van kitjeu)> — lonken , met half toe. 
geknepen oogleden even een blik werpen. 



EBNIGE SOENDASCHE FABELS EN VEETELSELS. 71 

katjida. Barang ret nendjo dina areuj aja hidji boehaja, throes koe 
maoeng eta boehaja diroDtok, boehaja toeloej bae malik ngegel ka 
eta maoeug sarta toeloej dibawa toetoeroeboen kana leuwi Kedoeng 
Boengoer tea. Eta leuwi henteu kira-kira djerona. Tidinja maoeng 
ambek, boehaja dSregdeg tina djero leuwi dibawa loempat kadarat, 
silibeubeut, silibauting, silikoroet sarta siligegal. Tidarat toeloej koe 
boehaja dSregdeg deui dibawa silem ka djSro tjai. Kitoe djeuug 
kitoe bae nepi ka djam-djam-an. 

Katoeuda maoeng djeung boehaja noe keur galoengan ^ , katjarita 
toekang ngoeseup, kasimana geus leungit nendjo galoengan maoeng 
djeung boehaja sakitoe ramena. Datang bae tidinja gede hate; 
toengtoengua toekang ugoeseupteh ngeprokan sarta bari ngomoug 
kijeu, pokna: //Hajol sakadang maoeng djeung sakadang boehaja I 
oelah nepi ka eleh, wedoek pada wedoek, gagah pada gagah.// — 
Sanggeus toekang ngoeseup ngomong kitoe, katjarita deui maoeng 
djeung boehaja masing-masing- beuki katjida ambekna papanas-panas. 
Tidinja der deui bae galoengan tambah rame. Lila lila boehaja 
rada teter koe sabab rada koerang pakakas n^pi ka poteng boen- 
toetna , tapi masih keueh bae ngalawan ; toengtoengua nepi ka 
paeh patoendjang-toendjang ; diadoe soengoet pada soengoet , sihoeng 
pada ' sihoeng wani patjorok. Ari noe mimiti paehmah boehaja 
heula ; noe matak maoeng miloe paeh , koe sabab heuteu bisa ngoe- 
daran bae. Sauggeusna paeh patoendjang-toendjang, hSnteu lila 
djSboel bae boehaja maratoes-ratoes , njakitoe deui maoeng saroewa 
bae lobana, masing-masing pada ngalajad. 

Toekang ngoeseup, barang nendjo balad boehaja djeung balad 
maoeng maratoes-ratoes , toeloej bae naek ka loehoer kai. Qeus kitoe 
ratoe maoeng ngomong ka balad-balad boehaja, pokna: //Koemaha 
ajeuna, sakadang boehaja! arek pikarepeun, pedah balad oerang 
geus paeh hidji, balad sakadang boehaja hidji I Naha ajeuna baris 
ditoeloej keun peperangan atawa koemaha?// — Sakadang boehaja 
ngawalon: //Bo! perkara eta kaoela teu rek ngadjak moemoesoehan, 
tjoewang ^ beberes bae soepaja djadi loeloes ka hareupna, sabab 
ijeu perkara pasalna kijeu. Sakadang maoeng djeung balad ^ kaoela 
pada boga tekad goreng ka hidji toekang ngoeseup; barang dina 
tempona ngarontok djadi bareng nja ana njangsang ka hidji areuj ; 



* Galoengan — worstelstrijd , worstelen. 
' Tjoewang z. v. a. Soegan. 

• Balad hier en verder op van e^n enkel individu gebruikt. 



72 EENIGB SOENDASCHE FABBLS EN VEETELSBLS. 

koe sabab sakadang maoeng geus teu koewat nahau amarah, ret 
bae iieudjo balad kaoela; toeloej bae sakadang maoengteh ngarontok; 
tidinja balad kaoela malik deui ngegel. Kitoe katSrangaDDana// — 
Ratoe maoeng ugadjawab : //Koemaha atoeh ajeuna oerang, sangkana 
bisa poetoes oelah nepi ka kadjadian deui sapgrti tadi?// — Sakadang 
boehaja ugawalon : //Ajeuna kijeu, sakadang maoeng I pangatoeran 
kaoela. Kitoe oge soegau rempoeg djeung sakabeh balad-balad. 
Tipemet powe ijeu kahareup, ajeuna oerang tjadoe toedjoeh patoe- 
roenau arek boga tekad goreng ka noe toekang ngoeseup.// — Ka- 
denge koe ratoe maoeng djeung sabalad -balad na omongannana sakadang 
boehaja kitoe. Gantjangna ratoe maoeng djeung balad-baladna nga- 
djawab, pokna: //Sakadang boehaja! pakeun oerang, nja kitoe deui 
tjadoe toedjoeh patoeroenan arek boga lekad goreng ka noe toekang 
ngoeseup.// — 

Barang geus barempoeg , toeloej bae baroedal katSmpatna masing- 
masing. 

Katjarita deui toekang ngoeseup, sanggeusma boedal balad maoeng 
djeung balad boehaja, toeloej bae toeroen tina loehoer kai sarta 
bari ngomong : //Tah ! koedoe nepi ka kitoena , sakadang maoeng 
djeung sakadang boehaja teh ; kakara oerang ajeuna bisa senang ati 
pakeun ka hareupna". — 

Tidinja toeloej bae toekang ngoeseupteh balik ka imahna bari 
ngadjingdjing laoek beubeunangan ngoeseup tea. 

VI. De jager en de aap. 

Een jager is op de jacht. Plotseling komt hij voor eeu tijger te 
staan en redt zich door in een boom te klimmen. Maar de tijger 
blijft aan den voet de wacht houden en d^ jager is te zeer onder 
den indruk om iets uit te richten. 

[Vreemd is dat uitdrukkelijk gezegd wordt dat "*t een gevlekte 
tijger is, want zulke tijgers kunnen in Jboomen klimmen.] 

Daar komt een aap aan met voedsel voor zijn jongen. De jager 
beweegt den aap hem dat eten af te staan. Nu kan hij 't weer een 
tijd in den boom volhouden. De tijger, dien 't wachten verveelt, 
trekt weg. Dadelijk komt de jager naar beneden , hij had reeds zoo 
lang gejaagd zonder iets te schieten dat hij gemakshalve den aap 
maar doodschiet. De tijger hoort 't schot en H gillen van den aap, 
komt weer naderbij, ziet den jager en verslindt hem. 

Moraal : Den bedriegers wacht 't verderf. 



ESI^IGE SOSNDASCEE FABELS EN VEBTELSSLS. 73 

Tekst : Pauinggaran djeung monjet. 

Katjarita aja hidji paninggaran geus katjeloek kamana-mana tiua 
bisana, datang ka oenggal bebedil tara tea meunang oentjal atawa 
mSntjSk. 

Dina hidji powe eta paninggaran bebSdil ka hidji leuweung anoe 
loba oentjalna. Barang datang ka leuweung, pareng bae eta paning- 
garan papanggih djeung hidji maoeng toetoel. Barang gokteh djeung 
eta maoeng paninggaran ngSdj^it sarta toeloej naek kana tangkal kai 
anoe loehoer. Maoeng ngarontok ka eta paninggaran tapi ngarontokna 
teu beunang tina gantjangna naek eta paninggaran. Eta maoeng, 
sanggeus ngarontok teu beunang, teu iugkah deui noenggoean 
toeroenna paninggaran. Eta paninggaran teu bisa ngabedil tina kasima 
koe eta maoeng , datang ka leuleus teu bisa ngobahkeun bSdil. Geus 
sababaraha lilana eta maoeng noenggoeau bae toeroenna pauinggaran , 
tapi paninggaran taja petana toeroen tina sijeun koe eta maoeng. 
Paninggaranteh geus katjida lapama * hajang barangdahar datang 
ka meh ragrag tina taja tanaga. 

Teu lila djol monjet goegoerajangan bari mawa kahakanan keur 
ngirim ^ anakna. Barang katendjo koe paninggaran ka monjet mawa 
kahakanan, toeloej bae ngomong eta paninggaran ka monjet tea, 
pokna: //Monjet, doeloer oeranganoe bageur! tjik, oerang toeloengan I 
keur oerang bae eta kahakananteh ; soegan bae oerang bisa moelang 
tarima ka maneh , tina ajeuna oerang ditoenggoean koe hidji maroeng. 
Geus sababaraha lilana oerang nja ditoenggoean, djadi oerang teu 
bisa Wik ka lemboer.^^ 

Tidinja eta monjet karoenjaeun, toeloej bae kahakanan dibikeun 
sarta toeloej didahar koe paningaran datang ka sggerna. Eta maoeng 
k^sel ngadagoannana paninggaran, toeloej bae nj iugkah asoep ka 
leuweung. Eta paninggaran, barang nendjo maoeng geus njingkah, 
toeloej bae toeroen tina eta tangkal kai. Barang datang ka handap 
eta paninggaran, djol njampeurkeun monjetteh bari ngomong, pokna: 
//Sobat ! mana pamoelaug tarimana ka koering?'' — Walon paning- 
garan : //Engke , (ana) balik ti imah ; ari moro deui rangtoe moelang 
tarima'\ — 

Sanggeus ngomong kitoe, paninggaran soesah tiua moro sakijeu 



1 Lapar Mai. = Soend. Ponjo — honger, honger hebben, dooh ook in 
Soenda€i8ch dikwijls gebmikt. 

' Ngirim is zenden, maar ook zelf gaan brengen, voorzien, ong. = Eng. 
to provide. 



74 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VEBTELSSLS. 

lilana teu meunaug naou-naon. (Ngomoug didjero atina:) Ajeuuamah 
ijeu bae monjet rek dibgdil. Toeloej bae diw^ugkaog bedilna, 
dibenerkeuu ' kana monjet. Monjet beunang sarta toeloej dipeantjit. 

Tidinja kadenge koe maoeng jen aja sora bedil djeung monjet 
ngarotjeak ; toeloej bae balik deui ka oeroet ngadagoan paninggaran 
tea sarta kasampak paninggaran keur meuntjit monjet. Toeloej bae 
eta paninggaran didodoho koe eta maoeng, gabroeg dirontok teroes 
dibawa ka djero leuweung sarta dihakan koe eta maoeng. 

Hartina: Saha-saha djelSma anoe tjidra, toengtoengna sok tjilaka. 

VII. De arme man. 

In overouden tijd was er eens een straatarme man, een wees die 
niets bezat dan een hem door ziju ouders uagelaten huis. Eindelijk 
verkocht hij ook dat voor een gulden. (NB. Een huis van slechts 
enkele guldens waarde is in de Soendalandeu geeu zeldzaamheid). 
Na vijf dagen was er van dat geld nog dertig cent over. De man 
besluit de wijde wereld in te trekken en richt zich uaar H Noorden. 
Aau de grensstreken gekomen ziet hij hoe een waterslang vervolgd 
wordt door menschen en koopt de slang voor een dubbeltje, die 
naar hem toekomt, Miskin steekt ze in zijn zak. Achtereenvolgens 
redt hij nu een kat en een bond door ze van de lieden die ze 
nazaten elk voor een dubbeltje te koopen en gaat met ziju 3 
plegelingen verder. In dien tijd kouden de diereu sprekeu. 

Miskin komt aan de Noordzee en gaat naar 't huis van een 
rijken koopman. Deze neemt hem aau als mandor van een schip. 
't Schip zal vertrekken, Miskin gaat \ eerst aan boord, maar 't 
schip kan hem niet dragen en zinkt. De koopman werpt hem in 
zee; hij zwemt aan wal gevolgd door de 3 dieren. 

Thans vraagt Miskin aan deze, waarmee zij hem zuUen vergelden. 
De slang noodigt hem uit sainen te gaan naar den vader van de 
slang en aan dien een ring te vragen welken hij in zijn huig heeft. 
Die ring heeft de eigenschap alles goud of edelgesteenten te doeu 
worden waar hij langs gestrekeu wordt. Zoo geschiedt, de vaderslang 
blijkt de Naga te zijn. Miskin krijgt den riyg, maar de jonge 
slang moot bij zijn vader blijven. 

Daarom steekt thans de waterslang haar tong uit, als zij met 
menschen samenkomt ten teekeu van onderwerping. 



^ Ngabenerkean of Menerkeun hier = richten. 



BENIGE SOSNDASCHS FABELS EN VEBTELSELS. 75 

Miskiu wordt rijk door ziju ring. AIs de ring vuil is gewordeu, 
breugt Miskiu hem naar een goudsmid om opgepoetst te worden. 
Hij krijgt een waardeloozen ring terug en de goudsmid, die de 
merkwaardige eigeuschap van den echten ring bemerkt had, bergt 
dezen op in een houten kist. Miskin valt in zwijm als hij de ver- 
wisseling merkt, maar in zijn slaap droomt hij dat de Naga bij 
hem komt en die vertelt hem waar de echte ring is. Na ontvaakt 
te zijn baadt Miskin zich ter dege en zegt dan aan den bond en 
de kat hem den ring terug te bezorgen, op die wijze hun redding' 
vergeldende. 

De kat vangt muizen op zolder bij den goudsmid, laat de muizen 
een gat knagen in de houten kist en den ring wegnemen. Met den 
ring verlaat hij 't huis en geeft dien buiten te dragen aan den 
bond welke daarom verzocht had. 

Onderweg passeeren zij een sloot. Midden in laat de bond den 
ring uit zijn bek vallen om in een stukje koeroepoek (toespijs bij 
de rijst) te happen dat van bovenstrooms aan komt drijven, waar 
^t zoontje van een rijken man H bij ongeluk in de sloot had laten 
vallen. 

De bond in zak en asch gaat naar den otter om hulp. De otter 
vangt een visch , die den ring had opgehapt en op H droge gebracht 
den ring weer afgeeft. Oorsprong van den naam goudvisch. — De 
bond heeft nu den ring weer terug en bindt hem aan zijn staart. 
De kat had hem eerst voorgedaan hoe hij dat doen moest. Dat is 
de reden dat er honden en katten zijn die een krul in hun staart 
hebben. (Wat de kat betreft zal dit wel bedoeld zijn als verklaring 
van den knobbel die , zooals bekend , Indische katten in haar 
staart hebben.) 

Hond en kat gaan nu samen huiswaarts naar hun meester. Miskin 
geeft den hond een uitbrander en dat is de reden dat hond en kat 
thaus vijanden zijn. 

Tekst : D j e 1 e m a miskin. 

Djaman baheula pisan aja hidji djalma teuing koe miskin , dahar 
sore henteu isoek. Katambah-tambah gens katinggal koe indoeng 
bapana; ari bobogaannana ngan hidji imah titinggal bapana, kitoe 
ge geus boetoet; sarena ge ngagoledag bae da teu boga samak 
saheulaj-heulaj atjan, soemawonna angg^lmah. Noe matak teu boga 
pisan banda, sabab geus didjoewalan dipake dahar; ari koeli, 



76 £ENI6£ SOBNDASGUS FABELS EN VERTELSELS. 

henteu daek. Baiaug geus beak banda ngan tioggal imah tea, 
manehna soesah pikeun dahar; toengtoeugna imahnateh koe tina 
boetoet didjoewal saroepija. Tapi eta doewitua barang geus lima powe 
ngan tiuggal tiloe poeloeh sen. Atoeh ! manehnateh soesah deui. — 
Toeloej manehna mikir; bSt boga pikiran hajang njaba, tapi teu aja 
noe didjoegdjoeg. Isoekna throes indit leumpang ngaler mgkSl doewit 
noe tiloe ketip tea, tapi eta doewitna teu dipake djadi teu baraug- 
hakan, dioepamakeun tapa. 

Barang geus tepi ka pasisian, mauggih oraj tjai keur dioedag- 
oedag koe djgl^ma kargpna dek dipaehau; kapanggih koe Si Miskin 
sarta ngomong, pokna: //Eh! eta orajteh oelah dek dipaehan, ka- 
roenjal dibeuli bae koe koering saketip!// — Djawab noe ngoedag- 
ugoedag; //Kop bae!// sarta toeloej didoewitan. Si Miskin doewitna 
tinggal doewa kStip djeuug eta noe ngoedag-ngoedag baralik deui 
sa-imah-imahna. 

Eta oraj bet toeloej ujampeurkeun ka Si Miskin ; ari koe Si Miskin 
ditjokot sarta diasoepkeuo^ kana sakoena. Teroes Si Miskin indit deui. 
Teu lila manggih deui oetjing keur diteunggeulan koe noe bogana. 
Si Miskinteh ujampeurkeun bari ngomong, pokna: //Lah karoenja 
eta oetjing! bet diteunggeulan! anggoer dibeuli bae koe koering 
sapitjis.// — Djawab noe boga: //Kop bae! aja didijeu ge sok 
tjilimit eta oetjingteh.// — 

Ari geus dibeuli eta oetjingteh, harita teroes indit deui, doewitna 
tinggal saketip. Ari teu lila, manggih deui bae andjing keur dibale- 
dogan koe noe bogana. Si Miskin ujampeurkeun bari ngomong, 
pokna: //Oelah dibaledogan eta andjiugteh, karoenja! ari moal 
dipiaramah dibeuli bae koe koering, sak6tip!// — Djawab noe boga : 
//Kop bae!// — Toeloej koe Si Miskin didoewitan sarta sanggeusna 
dibeuli, teroes indit deui; djadi ajeuna Si Miskin teu pisan boga 
doewit djeung oepama harajangeun barangdahar eta ingon-ingonanteh , 
toeloej dikgntjarkeun sarta diomonganan, didagoan didijeu. Noe 
matak beunang diomonganan, sabab waktoe harita sasatoan barisa 
ngomong. 

Katjaritakeun, Si Miskin koe tina geus lila leumpaugna, tepi ka 
laoetan kaler sarta ngandjang ka imah soedagar noe pangbeuughama, 
djeung koe soedagarteh disoegoehan ; kakaran harita ti saindit ti 
Igmboerna ngarasa barangdahar sarta soedagar ngomong ka Si 
Miskin , pokna : //Eh , Miskin ! maneh tgtep bae didijeu ; koe aing 
dek didjijeum mandor kapal.// — Ari tjeuk Si Miskin : //Soemangga!// 
— Barang tepi kawaktoena lajar, toeloej Si Miskin ditaekeun tiheula 



lEEKlOE SOENDASCHE FABELS EH YE&TELsELS. 77 

ka kapal tapi , barang tjlak toempak kana eta kapal , kapalna hentea 
koewatenn samalahan harita ge tilelgp. Atoehl Si Miskiu ditewak koe 
soedagar sarta dialoengkean ka laoetan; hadena bae bisa ugodjaj. Atoehl 
pek bae ngodjaj; ari iugon-ingouaunaua naloetoerkeun miloe ngodjaj. 

Katjaritakeuo , Si Miskin geus tepi ka basisir, uja kitoe deui 
oraj, oetjiug djeung andjiug. Ari oetjing, uoe matak bisa meantas ^ 
diakod ' koe andjing. 

Barang geas tjenghar , Si Miskin ngomong ka eta ingon-iugonan , 
pokna: //Tjing! naou ajeuna pamoelang tarima maneh.// — Orajteh 
ngomong, pokna: //Abdi ajeuna bade moelang tarima, tapi oetjing 
andjing montong miloe, sina dagoan bae didijeu. Ari djoeragan 
sarSng abdi , oerang ngadeuheusan ka poen bapa ; gngke gamparan , 
ari parantos tSpang sarSng poen bapa, kSdah moendoet ali noe 
dina Slak-Slakan. Eta ali aja kasijatna : oepama dioesapkeun ' kana 
naon bae, gens tangtoe djadi Smas atawa intSn.// — Djawab Si 
Miskin: /-/Hade, atoeh!// — Toeloej bae arindit. 

Katjaritakeun Si Miskin geus tSpi ka t^mpat bapana eta oraj 
sarta reuwasenn koe tina saoemoer kakara nendjo noe kitoe roepana , 
sabab eta oraj Naga. Tidinja Naga ngomong ka Si Miskin, pokna: 
>r Miskin! soekoer pisan maneh noeloengau anak aing; ajeuna aing 
dek moelang tarima. naon bae sapamenta maneh, tapi koedoe 
tinggal anak aingmah.// — Djawab Si Miskin : '/OepantSn koe 
goesti kaidinanmah, abdi bade njoehoenkeun ali noe dina Slak- 
Slakan gamparan. '/ — Atoeh! koe Nagateh dibidjilkeun sarta dibikeun 
bari ngomong, pokna: '/He, ijeu tampanan!// — Toeloej koe Si 
Miskin ditampanau bari njSmbah sarta toeloej oendjoekan balik, 
pokna: ^Qoesti! atoeh abdi ten lami , bade wangsoel.^/ — Djawab 
Naga: ^Hade! pek, geura djig! koe aing didoengakeun.'/ — T6roes 
Si Miskin indit. 

Tah I tiharita noe matak oraj tjai , oepama panggih djeung djSlSma, 
sok ngSlelan ; hartina kitoeteh tobat (taloek). 

Eta Si Miskin boga pikiran hajang metjak eta ali, sarta throes 
dioesapkeun kana batoe ; eta batoe b^t djadi gmas. Koe tina waktoe 
harita Si Miskinteh teu boga doewit, atoeh! gawenateh ngoesap- 
ngoesapkeun ali bae sarta beubeunangannana tgroes didjoewalan , 
lila-lila Si Miskin djadi beunghar sarta meuli imah noe hade. 



' Meantas is hier eigenlijk niet jiiist. 't Beteekent „oversteken" en hier is 
bedoeld n^An uit zee aan den wal komen^' 

* Ngakod — op den rug dragen. 

* Ngoesapkeun is causatief: doen strijken, laten strijkon. 



t8 EENIOS SOEXDASCHE F ABELS EN TEKTBLSEtS. 

Ari eta alinateh koe tina gens henbenl tea dibSmhan , djadi 
kotor; toeloej koe manehna dikakamasankeon soepaja dibersihan; 
djeung manehDa, sanggeus mikeun eta ali ka kamasan, throes baUk 
deui, djadi di aliteh ditiDggalkenn. Katjaritakean , kamasanteh 
ngabSrsihan eta ali koe kapoer, ari eta kapoerteh b€t djadi ^mas. 
Atoeh! kamasanteh hookenn sadjongdjonganmah ; ari ingSt, geawat 
eta ali diteandenn dina pgti kai djeung bari njokot ali noe sedjin 
noe saroepa djeung ali wasijat ^ tea djeung teuing koe bSrsih. Tea 
lila Si Miskin datang deui ka kamasan bari ngomong, pokna: 
>9rAbdi bade ngabantoen ali ietL,^ — Toeloej koe kamasan dibikeun 
ali titironteh, djeung Si Miskin balik deui hSnteu njahoeuu jen 
eta ali ali titiron. Barang t^pi ka imahna , dioesapkeun kana batoe , 
eta batoe djongdjon bae teu djadi naon-naon. Si Miskin heraneun 
sarta kalSngSr tSpi ka toeloej sare; djeung keur waktoe sare, ngimpi 
datang naga tea bari ngomong ka Si Miskin , pokna : /i^Eh , Miskin I 
montong soesah ! koe maneh geura akal-akal bae ; p^rkara ali manehteh , 
disoempoetkeun koe kamasan, di teundeunna dina pSti kai. — Ba- 
rang Si Miskin geus ngimpi kitoe, njaring deui sarta throes mandi 
bgbSrSsih. Sanggeus mandi, toeloej dioek dina bangkoe bari nja- 
loekan oetjing djeung andjing. Sanggeus datang oetjing djeung 
andjing, toeloej Si Miskin ngomong, pokna: //Eh, oetjing, andjing! 
tjing, ajeuna aing koedoe poelang tariroa koe maneh; kijeu pamenta 
aing: pangakalankeun ali noe ti Naga tea; ajana di kamasan dina 
pSti kdki.fr — Ari oetjingteh ngomong, pokna: //Djoeragan ! abdi 
wautoen ngakalan.^ — Tjek Si Miskin: ^^Soekoer atoeh! ari bisamah! 
ajeuna bae geura indit.// — Oetjingteh toeloej bae indit. Ari andjing 
keukeuh dek miloe, tapi koe oetjing djeung koe Si Miskin teu 
kaidinan; koe tina keukeuh toeloej bae diidinan sarta tjek oetjing, 
koedoe ngadagoan di lawang kamasan. 

Barang kira poekoel toedjoeh sore, toeloej oetjing ka para kamasan, 
gawena newakan beurit. Koe tina di kamasanteh rea beuritna, eta 
oetjing t^pi ka poekoel dalapan kira meunang opat poeloeh, tapi 
eta beurit hgnteu dipaehan ngan dipgrih pati bae njaeta dipinang- 
'saraja soepaja bisa njokot ali wasijat noe dina pSti tea. Atoeh ! 
pgtiteh pada ngaggret ^ koe benrit noe opat poeloeh ; ari oetjing 



1 Wasijat is feitelijk iets dat men vrSrSr zijn sterven vermaakt. Er is eohter 
boven niet gezegd dat de Naga na 't geven van den ring sterft en dat is 
ook wel niet bedoeld. Wasijat is hier dus f,een schenking". 

< Vgl. noot bladzijde 68. 



ElBinGE SOENDASCHE FABSLS EK VEETELSIBLS. 7d 

ngadagoau dipara. Koe tiua beuritna rea, petiteh molongo sarta 
alina geus ditjokot koe beurit djeuug toeloej diasongkeun ka oetjing. 
Oetjingteh koe tiua aioh, toeloej aliteh ditampauan sarta throes 
dibawa balik bari ujampeur audjiug di lawang. Eta ali koe oetjing 
ditembongkeuu ka andjiug, ari audjingteh keukeuh hajaugeun mawa. 
Atoeh! toengtoengnamah dibikeun bae sarta dibawana digegel. Ari 
diua djalauteh aja soesoekan rada gede meueusan , kira doewa toembak 
roebakna. 

Ajeuna njaritakeun digiraugeun eta soesoekan. 

Aja hidji djSl^ma teuing koe beuughar sarta boga anak hidji keur 
meudjeuhua loemSnger sarta lalaki. Ari eta boedakteh toeloej dahar 
deangeunna djeung koeroepoek; ari geus dahar, toeloej oeliu bari 
ngambeng ^ koeroepoek sarta ugaliwat kaua soesoekan tea; ari koe- 
roepoekteh ragrag sahidji ka soesoekan. 

Katjaritakeun oetjing geus meuntas, ari andjing pandeurieun 
oetjing. Barang andjing meuntas kira geus t^ngah-tSngahna , koe- 
roepoekteh dataug. Eta koeroepoek koe andjing disantok sarta teroes 
didahar; ari ali wasijat tea ragrag sarta throes harita didahar koe 
laoek. Barang geus beak koeroepoekna , eta andjing ngahoelSng koe 
tina reuwas sabab ali ragrag kana eta soesoekan, toeloej ngomong 
ka oetjing, pokna: f/Doeh. euj , tjilaka! aliteh ragrag kau^ soesoe- 
kan.'/ — Atoeh! oetjingteh ngambSk bari ngomong, pokna : //PSrkara 
eta ali lapoer deui, dewekmah teu njaho di euweuh, njaho di aja 
bae, da bongan silaing keukeuh najang mawa ; pendekna ajeunamah 
eta ali beunang teu beunang oge, bakal dioendjoekkeun lalampahan 
silaingteh ka djoeragan.'/ — Andjingteh awahing koe sijeun, toeloej 
ngomong ka oetjing, pokna: //Dagoan koe silaing didijeu, dewek 
dek ngakalan ali tea.// — Toeloej koe oetjingteh didagoan di sisi 
soesoekan; ari andjing loempat ka noe bala, karSpna neangan sero. 
Eta andjingteh kabSneran bae, ari datang ka noe bala, meunang 
sero; djeung eta andjing barang kSk, toeloej ngomong, pokna: 
//Eh , sero ! oepama maneh hajang keneh hiroep , aing pangnjokotkeun 
ali di soesoekan. Koemaha? sanggoep?// — Djawab sero: //SanggSm.// 
— Toeloej arindit ka soesoekan tea. Barang tSpi , toeloej ngomong , 
pokna: //Tah! didijeu; pek guna beunangkeun.'/ — Tidinja seroteh 
teuleum, tapi ali henteu aja, ngan aja laoek. Toeloej eta laoek 
ditewak sarta throes dibawa kadarat; tapi di sisi soesoekan, barang 



^ In yerband met 't volgende : 't oversteken van de sloot is niet dnidelijk , 
wat hier met ngambeng bedoeld wordt. 



80 CEKIG£ S0ENDASCH£ ISABELS EN VEUTfiLSieLS. 

eta laoek kekerepesan ^ , alina metjlSng ^ sarta laoekna ragrag deui 
ka soesoekau. 

Tah I ti harita noe matak ajeuna aja ngaran laoek Smas. 

QautjaDgna toeloej koe andjing ditjokot deni sarta katembongean 
koe oetjing dibawaua ditalikeun kana boentoetna , sabab dipapatahau 
koe oetjing samalah dipStakeuu heala koe boentoet oetjing; noe 
matak tepi ka ajeuna aja oetjing djeung andjing anoe tjantel. 

Tidinja toeloej baralik deui ; sarta barang tepi ka doenoengannana, 
eta ali diasongkeun sarta oetjing throes njaritakeun lampah ti 
wiwitan tSpi ka wSkasan. Atoeb ! andjingteh ditjarekan koe doe- 
noengannana sarta diomonganan , teu meunaug asoep ka imah. 

Tah tiharita noe matak andjing djeung oetjing satroe. 

VIII. De dorper. 

Een dorper , voor *t eerst op de hoofdplaats , koopt van een dalang 
een wajaug golekpop (Ardjoena) die, maakt men hem wijs , sakti (met 
bovennatuurlijke kracht begaafd) is. Thuis gekomen zet hij de pop 
op een hoop padi op 't stoppelveld met wapens erbij en zegt tot 
de pop, zijn padi te be waken. 'sNachts komt een dief op 't veld 
padi stelen, maar pop en wapens ziende, besluit hij liever deze mee 
te nemen. De eigenaar die even buiten komt om een kleine bood- 
schap te doen , ziet dat de pop met wapens verdwenen is. Ardjoena 
gaat zeker ^t veld eeus langs of alles in orde is, denkt de man, 
maar voetsporen van een mensch ziende, schreeuwt hij Ardjoena 
toe, den dief neer te slaau. De dief springt in een greppel, valt 
in de kris (een der wapens door den dorper naast Ardjoena gelegd) 
en sterft. De dorper dit ziende, is overtuigd dat zijn Ardjoena sakti 
is. Hij vertelt *t aan de lieden in de buurt , die nu gaarne Ardjoena 
huren als wachter bij ^t gewas. 

De gelukkige bezitter van Ardjoena vermeerderde in luister ende 
hij waszeer geeerd. 

Tekst: Dongeng djama doesoen. 

Djaman baheula aja hidji djalma oerang pagoenoengau , gawena 
tani. Eta djalma liwat-langkoeng doesoen. Hidji waktoe manehannana 



^ Kekerepesan — spartelen, zooals een visch op *t droge. 

' Metjleng — een springbeweging maken, op- uitspringen , neerspatten by. 
van water dat gesprenkeld wordt of neervallen van opgeworpen aarde. Tjleng 
is oempak basa van loontjak — springen. 



EENIOE SOEKDASCHE FABELS EN VEKTELSELS. 81 

hajaDg DJahoeuii di dajeuh sarta bari hajang barangbeuli. Barang 
datang ka dajeuh, aja noe keur nauggap wajaiig golek. Maue- 
hanuaDa hajang njahoeun di roepaua wajang, sabab saoemoer atjan 
njaho wajang. Baraug gok, maiiehaunana liwat laugkoeng kagetna 
uendjo kai bisa ugigel sarta garagah. Nanjakeuu ka djalma noe 
keur laladjo, pokna : /'Noe panggagahua ari wajang, naon?// — 
Djawab uoe ditauja: ^/Ari iioe pauggagahnateh sarta sakti ugau 
Ardjoeua hidji.// — Nauja deui : /'Lamoea dibeuli, beuuaug saba- 
raha?'/ — Walouua: //Kira-kira piregaeunnaua ^ eta Ardjoena saratoes 
roepija." — "Tjing ! koemaha lamoen dibeuli koe kaoela? dibikeun ?// — 
Djawab uoe ditauja: //Tjoba bae, taujakeuu ka dalaug.// — Toeloej 
eta djalma uanja ka dalaug: //Tjiug! eta kagoeugau sampejau wajaug 
uoe ugarau Ardjoeua dibeuli bae lima poeloeh roepija.'/ — Walou 
dalaug : //Moal kahatoerkeuu , sabab Ardjoeuateh ugau aja hidji.// — 
Keukeuh eta wajaug diririhan bae. Walou dalaug: "Hade ari waui 
saratoes (roepija) mah, taugtoe didjoewal.'/ — Walou uoe hajaug 
meuli : //Keuu bae! koe kaoela dibeuli saratoesmah.^/ — Toeloej 
dibajar koutau. Mauehauuana, sauggeus raeuli wajaug, toeloej bae 
balik. Ari dataug ka lemboerua , eta wajaug dikoekoesau , pokua : 
//Ardjoeua! raaueh ajeuua geus aja di aing; koedoe gagah sapSrti 
keur didajeuh, sabab aiug loba pisau toeuggoeaueuu ; koedoe noeroet. 
Ajeuua maueh rek dipetakeun di sawah , koedoe uoeuggoeau tocra- 
poekau pare sabab sok loba pisau baugsat; taugtoe sija dibahauau 
koe aing pakakas bedil, toembak, keris; koe maueh koedoe dipeta- 
keun, aiug hajaug djougdjou sasareau.'/ — Geus kitoe toeloej 
dibawa ka sawah sarta toeloej ditantjebkeuu diiia toempoekau uoe 
tengah. //Tab! didijeu pieuggoueuii sijateh.'^ Waktoe harita geus 
boerit; toembak, bedil, keris geus diteuudeuu deukeut Ardjoeua. 
Kira-kira poekoel doewabelas peuteug dataug baugsat uoe rek maling 
pare, barang ret uendjo kana toempoekau teugah loba pakakas- pakakas 
sarta wajaug, mikir si baugsatteh : vNaha, mending maua, ujokot 
pare djeung ujokot barang?'/ — Geus kapikir mending ujokot 
barang-barang djeung wajaug, gede hargaua, top bae dibawa eta 
barang-barangteh djeung wajang. Kabencran uoe bogana hoedang 
hajang kiih ; uendjo ka Ardjoeua geus euweuh , tjeuk uoe bogana : 
//Eta Ardjoena keur ngalanglang sisiau, da parabot kabeh euweuh.// — 
Ditendjo aja tapak djalma anjar toeloej gegeroau bari soesoerakau, 
pokna: //Hajoh! soesoe! koe maueh, Ardjoena! tewek bae, tSwek 



' Rega — Oost-Prijangansch voor Harga. 
7* Volgr. VI. 



82 EENIQE SOENDASCHE FABELS EN VEKTELSELS. 

masiug paeh.// — Bangsat loempat ugadenge noe gSgeroau; sama- 
roekna ^ aja noe njoesoel. Bakating reuwas, loeutjat bae kana 
parigi ; bres katiroed koe keris n^pi ka paeh ; dilongok koe doe- 
noengannana kapauggih bangsatteh geus paeh. Ngomong bari igSl- 
ig^lan sarta toetoeudjoek : ^/Toeh ! kita taudana Ardjoena saktiteh , 
bisa maehau bangsat!// bari Ardjoena dioesapan : //Na, koe uaon 
maneh tjitjing bae, lain geuwat balik di noe bala!? Qeuning! 
deudeuleuau aing, awak maneh dj^blog pinoeh koe leutak. Hajoe, 
oerang koekoembah.// 

Toeloej eta Ardjoena dimaudian. Sanggeusna, toeloej dibawa ka 
saoeng sawah deui ; bebedja ka batoer-batoerna , didinja: //Ajeuna 
kaoela geus gSnah ati boga toekang toenggoe pakaja. Lamoen kajaug 
salamSt, batoer-batoer koedoe njcwa ka koela, sapeutiugua lima- 
poeloeh sen.// Dj alma -dj alma aratoheun pad a hajang make. 

Eta noe boga tambah-tambah moeljana, dipikolot pisau koe 
djalma-djalma. 

IX. De blinde en de bultenaar. 

De blinde en de bultenaar komen sameu in een waroeng. De 
blinde geeft den bultenaar vijf cent ora wat van te koopen. De 
gebochelde koopt rijst en vleesch dat verschrikkelijk taai is. De 
blinde zit er op te bijten en te bijten tot hij weer ziende wordt. 
Verheugd springt hij roud en geeft den bultenaar van plezier een 
slag op zijn bult. En zie, de bult is weg. Ze huppelen in 't rond 
en springen overmoedig, elkaar omstrengelend een sloot in, die ze 
over moesten, met 't gevolg dat de een valt en zijn bult terug 
krijgt en den ander een scherp .stuk bamboe in zijn oog dringt 
zoodat hij weer blind wordt. 

Hierop is 't spreekwoord van toepassing : de buffel keert t^rug 
naar de plaats zijner kraal , de kemirinoot valt aan den voet van 
den boom. D. w. z. terugkeereu tot zijn oorsprong. 

Tekst: Anoe lolong njobat djeung noe bongkok. 

Dina hidji mangsa anoe lolong ugadjak ujaba ka noe bongkok. 
Tidinja brSug doewaan njaraba ka saparan-parau ; barang datang 
ka hidji waroeng, maranehna harajang baraiigdahar. Tidinja noe 
lolong ngomong ka noe bongkok , pokna : //Adi ! ajeuna akang 



* Maroek — Waau. 



EENIGE SOENDASOHE FABELS EN VEETBUSELS. 83 

hajang baraughakan; ijeu beulikeuu, boga cloewit lima seu; meuli 
naon bae anoe ngeunah.// — Tidinja toeloej uoe bongkok meuli 
k^tau djeang laoek tapi laoekna estoe lijat kabinabiua dataug ka 
tea beunang digegelan titia lijatna. Geus kiioe toeloej dibikeun ka 
noe lolong, toeloej pada iigadahar; uoe loloug amb^k, beuki tank 
ngegelaunaua dataug ka beuuta. Noe lolougteh atoh katjida sarta 
bari abrag-abragau ^ koe tiua atohna- ajeuua geus beuuta. Auoe 
bongkokteh hookeun ueudjo uoe loloug geus beuuta, toeloej bae 
noe bongkok uauja ka uoe geus waras: //Akaug bet dipaparinan 
waras deui henteu tampadaksa!// — Waugsoel uoe lolong bari 
QgStig kaua touggong uoe bongkok: //Lah! oeraug geus djagdjag; 
ajeunamah^eu sijeuu leumpaug ka uoe loba boeraug atawa baloeng- 
htLUg.ff — Auoe bongkok , sauggeus dik^tig , djol tjageur bongkokua 
sarta katjida pisau atohna. Toeloej bae doewaan pada adjroeg- 
adjroegan , igSl-igSlan koe tiua atohna. Geus kitoe mauggih soesoekau ; 
eta soesoekau rada roebak sarta euweuh tjoekaugan. Tina rasa 
maneh djagdjag toeloej bae loeutjat baring pa-ajang-ajang; auoe 
tadina bongkok deui ; noe loloug katjolok koe regaug sarta djadi 
lolong deui. Djadi asoep kaua paribasa : K^bo moelih pakandangan , ^ 
moentjang laboeh kapoehoe. "^ Tegesua : poelang ka asal. 

X. De l^gen-tapper die luchtkasteeleu bouwde. 

Een tapper van legen ('t sap dat uit de bloerasteeleu van den 
arenpalm wordt getapt) klom in zijn areubooro om den bamboekoker, 
waarin H sap wordt opgevangen te halen. De koker is al vol en nu 
bepeinst de man wat al voordeel hij van die l%en hebben zal. 
Van H geld dat hij voor de Iggen krijgt , zal hij een kip koopen ; 
later zal hij de kuikens verkoopen en een huis koopen. Maar onder 
dat sufTen valt hij in slaap, valt naar beueden en is dood. 

Moraal: Bouw niet te veel luehtkasteeleu , dat loppt mis. 

Tekst: Toekang njadap lalamoenan. 

Djamau baheula aja hidji djelema toekaug ujadap. Baraug dina 
hidji poroe kira wantji poekoel lima sore, eta toekaeg njadap indit 

* Abrag-abragan — rondspringen. 

s Is dit een Javaansoh spreekwoord? Kebo is geen Soendaasch; moelih is 
overgegaan als 't hoogste woord voor terugkeeren en kao niet van een bnfifel 
worden gezegd. 

* Zoo Inidt algemeen 't spreekwoord. Laboeh is echter omvallen, terwijl 
bedoeld is ragrag — neervaUen (van een hoogte). 



84 EENIGE SOENDASCU£ FABELS EN V££T£LS£LS. 

ti iinahim, sedjana rek neang lahang. Baraiig dataug ka haudapeun 
kawoeng, toeloej bae uaek kana kawoeiig auoe diteuiideuiiaii lodong 
tea ; ari ditempo lodougiia geus piaoeh koe lahaug. 

Gcus kitoe eta toekang njadap ngomong di djSro pikirua, pokua : 
'/Ijeu lahang sakijeu lobana, lodoug gede datang ka piiioeh, taiigtoe 
isoekanmah aing oentoeiig koe doewit ladaug lahang. Oepama eta 
doewit ladang lahang geud katampa, koe aing rek dipake meuli 
hajam bikaug soepaja endogau sarta throes djadi anak ; taugtoe 
dina sawatara ^ boelau geus loba, rek didjoewal; ladang dipake 
meuli iinah djeung korsi gojang anoe aloes; tangtoe aing aja noe 
ujeboet beunghar sabab boga imah aloes djeung dioek dina korsi 
gojaug; geus moal aja anoe njaroewaan kabeungharannaua aing. 

Eta toekang njadap rarasaannana geus asa enja bae boga imah 
aloes djeung dioek dina korsi gojang. Toengtoengna teu asa dina 
loehoer kawoeng, toeloej bae noendoetan sarta leungeuuna lepot 
geus teu njekelan, kasewad bae ragrag datang ka paeh misan. 

Hartina ijeu dongeng: 

Djelema oelah sok ngagedekeun teuing lalamoenan, sok tjilaka 
ten poegoeh-poegoeh saperti dongeng ijeu toekang njadap. 

XI. 't Verhaal van Bapa Poetjoeng. 

Bapa Poetjoeng is een oude vos, die allerlei streken uithaalt. 
Vele ervan heb ik hooren vertellen op rekening van Kabajan. De 
Kabajan-verhalen ziju zeer talrijk, dikwijls lachwekkend maar bijna 
altijd zeer plat. H Verhaal van Bapa Poetjoeng is een kleinc proeve 
van oolijke Kabajan-strekeu , die niet plat zijn. 

Bapa Poetjoeng verkoopt den kop van een buflfel alsof 't een 
gansche buflFel was door platte visschen met sprieten in de ooren 
te stoppen, zoodat 't schijnt of die bewegen, en den buflfelkop in 
't wed te leggen. (Bij badende buflFels — een modderbad — komt 
alleen de kop boven 't water en den modder nit). 

Hij verkoopt een heiligen wonderboom, die vruchten draagt met 
geld erin , dat echter eerst door hemzelf in de vruchten was gestopt. 

Hij baadt zich in legen (kleverig), rolt zich dan in de kapok en 
kruipt in een kooi. De bedrogenen : kooper van den buflfelkop en 
koopers van den wonderboom komen aanzetteu, Bapa Poetjoeng 



• Sawatara — eenige. 



SENIGE SOENDASGUE FABELS EN VERTELSELS. 85 

loopt uit zijn kooi, baadt zich achter 't huis en komt gewoon 
gekleed te voorschiju , hoogst verstoord dat de bedrogeuen den vogel 
uit de kooi hebben laten ontsnappen, waut die vogel was van den 
Kouing. Qrootmoedig neemt Bapa Poetjoeng de schuld der ont- 
stelde bedrogeuen op zich jegens den Kouing, in mil waarvoor 
Bapa Poetjoeng 't geld en de lijuwaden raag houdeu die hij huu 
outfutseld had. Dat was 't begin van Bapa Poetjoengs rijkdom. 

Tekst: Dongeng Bapa Poetjoeng. 

Djaman baheula aja hidji djalma lalaki ugaran Bapa Poetjoeng. 
Uiua hidji powe eta Bapa Poetjoeng balangsijar, ngadjoegdjoeg ka 
lemboer pangdjagalan. Baraug uepi ka eta lemboer menerau toekang 
djagal keur meuntjit moendiug; toeloej disampeurkeun barina ngo- 
mong, pokna : //Kang ! eta hoeloe moendiug dek dibeuli koe kaoela.// — 
Walou toekang djagal: //Pek bae, daek sariuggitmah.// — Toeloej 
eta hoeloe moendiug dibajar sapameutana toekang djagal, heuteu 
ditawar deui. Tidinja eta hoeloe moending koe bapa Poetjoeng 
dibawa ka pauggoejangau ; baraug uepi kadiuja, eta tjeuli hoeloe 
moendingteh diasoepan lele kentja katoehoe , ari omongua : //Tah ! 
ajeuna ijeu hoeloe moending koe aing dek diantjlomkeun kana tjai.// — 
Toeloej diantjlomkeun; ari ngantjlomkeuunaua eta hoeloe moending 
sina daugah ^ saroepa moending keur goejang. Ari eta lele anoe 
aja dina tjeuli kekepret bae, djadi saroepa tjeuli moending hiroep. 
Toeloej Bapa Poetjoeng dioek disiri panggoejaugan bari njekelan 
kaloeha]). 

Heuteu lila, djol hidji djalma sedja neangau moendiug beulieuu ; 
nendjo Bapa Poetjoeng keur ugagoejangkeun , toeloej di tauja, 
pokna: A^Keur naon, Bapa Poetjoeng?// — Walou Pa Poetjoenh : 
//Keur ugagoejangkeun moeuding, euj?// — Eta djalma ngomoug 
deui : //Koemaha , Pa Poetjoeng 1 lamoeu dibeuli bae koe dewek 
moendingteh?// — Walou Pa Poetjoeng: //Moal, da beuuang uga- 
hadja meuli; kitoe oge, ari daek dalapan poeloeh roepijamah, pek 
bae!// — Walou djalma noe rek meuli: //Heug! tapi dewek hajaug 
ujaho gedeua; tjik! hoedaugkeuu.// — Djawab Bapa Poetjoeng: 
//Oelahl karoenja, hareudaugeun , keun bae, sina maudi.'/ — Gan- 
tjangna eta moendiug toeloej dibajar dalapan poeloeh roepija. Tjarek 
Bapa Poetjoeng: //Tapi ijeu moendiug oelah waka dihoedaugkeun 



* Dangah — opgehevea. 



86 EENIGE SOENDASCUE F ABELS £N VE&TELSELS. 

lamoen dewek atjau djaoeh.'/ — Toeloej Bapa Poetjoeng leumpaug 
gagantjaugau. Tidinja fiapa Poetjoeug manggih taagkal koudang 
di sisi djalan pisau sarta keur meudjeuhna boewahari, leubeut ka- 
tjida. Toeloej disampeurkeuu koe Bapa Poetjoeng sarta ditaekau. 
Ari eta boewah koudaugteh diasoepan doewit, hidji boewah aja anoe 
saperak aja anoe limapoeloeh sen, datang ka beak doewit dalapan 
poeloeh ladang hoeloe moending tea. 

Sanggeus kitoe Bapa Poetjoeug toeloej balik gagautjangan ujokot 
medja, korsi, sapoe djeung roepa-roepa kadaharan. Toeloej handa- 
peun tangkal kondangteh disapoean ber^sih katjida sarta diteuudeunau 
paroekoejan djeung sasadjeu saroepa tangkal karamat. Bapa Poetjoeng 
pek dioek dina korsi njanghareupau medja djeung sagala kadaharan. 
Ari gawe Bapa Poetjoeng teh, moeloengan boewah koudang anoe 
ragrag, ditjokot, dipesek, toeloej di tjokot doewit anoe dina djero 
boewah tea sarta diteundeun dina bokor loehoer medja ; harita geus 
meunang doewapoeloehlima roepija. 

Katjaritakcun deui, aja tiloe djalma toekang baraug ngaliwat, 
neudjo ka Bapa Poetjoeng. Toeloej disampeurkeuu bariua ditanja : 
//Mang! Tangkal naon ijeu, anoe matak dihade-hade teuing?// — 
Walon Pa Poetjoeng: //Hih ! ari hajang terang, ijeuteh tangkal 
karamat, boewahna oge doewit; bisi koerang p^rtjaja, maugga eta 
ala hidji anoe rada kolot, meureun aja saperakmah.// — Toeloej 
eta djalma toekang barangteh ngala hidji; baraug dipesek, didje- 
rona euja aja doewitua saroepija. Ari tjarek toekang barangteh : 
//Ijeuteh boewahannana sataoen sabaraha kali?^/ — Walon Pa Poe- 
tjoeng: //Ari eta boewahannana geus tangtoe dina satahoen doewa 
kali.// — Toekang baraug ngomong deui: //Lamoeu kitoemah, 
oerang toekeur bae djeung dagangan kaoela roepa barang-barang 
lobana teloe tanggoengan.// — Walon Pa Poetjoeng: //Moal, karana 
roegi katjida.// — Toekang barangteh keukeuh bae ugadjakan toekeur. 
Tjarek Pa Poetjoeng : //Maugga atoeh ! ari sampejan keukeuhmah.// — 
Harita oge Pa Poetjoeng amitau ka eta tiloe djalma sarta narima 
barang-barang djeung njelehkeuu eta tangkal koudang. Toeloej 
balik gagautjangan bari nanggoeng barang-barang tea. 

Baraug nSpi ka imahna pamadjikannana kaget neudjo Pa Poe- 
tjoeng nanggoeng baraug sakitoe lobana. Toeloej ditanja : //Pa 
Poetjoeng! Etateh baraug saha?// — Tjarek Pa Poetjoeng: //Baraug 
kami, tapi ajeuna kami rek maudi koe tjai lahang; maneh njadija- 
keun kapoek karana engke, lamoen kami geus mandi koe lahang, 



BENIGE SOENDASCHE FABELS EN VEB.TELSELS. 87 

karai rek goegoeliugau dina kapoek rljeung meuweung tjabe beureum ; 
ari geus pek, kami koeroeugaii di sisi imah. Maugke, lamoeu 
toekang baraug djeung djalma aiioe raeuli moending dataug uanja- 
keun kami, bedjakeun, karai disaoer koe Radja; djeung laraoen 
eta djalma rek ugadeukeutan kang. koeroeng, tjarek koe maueh : 
oelah deukeut-deukeut kana eta koeroeng sabab aja manoekua ka- 
goeugan Radja.'/ — 

H^uteu lila djol tiloe djalma toekang baraug djeung anoe meuli 
hoeloe moendiug tea ka imahna Bapa Poetjoeng, pokna : //Bapa 
Poetjoeng teh aja?// — Walou pamadjikan Pa Poetjoeng: '-Teu 
aja! keur disaoer koe Radja.// — Toeloej eta djalma tjing alider 
ka sisi imah. Pamadjikan Pa Poetjoeng ngomong: //Hih ! oelah 
ngadareukeutan kana eta koeroeng, karana aja manoekna kagoengan 
Radja, ari ngaranna manoek Prokongkoug. ^^ — Eta djalma teu 
beunang ditjarek, toeloej ugadeukeutan eta koeroeng. Barang Bapa 
Poetjoeng ueudjo eta djalma ngadareukeutan kana koeroeng, maneh- 
annana toeloej ujeundak eta koeroeng, bidjil toeloej loempat bari 
disada: //Prokongkong! prokongkong!// ngadjoegdjoeg ka tjai. 
Pamadjikan Pa Poetjoeng, barang njaho Pa Poetjoeng kaloewar 
tina koeroeng, toeloej bae njokot pakean Pa Poetjoeng bari api-api 
ngoedag, teroes ka tjai neundeun eta pakean Pa Poetjoeng, toeloej 
balik ka imahna. Baraug nepi ka imahna, toeloej ngomong ka eta 
tiloe djalma semoe reuwaseun katjida: //Koemaha? nah a eta manoek 
koe sampejan dileupaskeun ! dioedag koe koering oge henteu ka- 
soesoel. Lah! tada teuing bSndoena Radja! anoe matak Pa Poetjoeng 
disaoer, njaeta Radja rek raariksakeun manoek tea; kari-kari ajeuna 
dileupaskeun. Tada teuing Pa Poetjoeng ngambekna !'' — Ari walon 
toekang barang: //Da henteu dileupaskeun.// 

Katjaritakeun Pa Poetjoeng, sanggeus mandi toeloej pakean sarta 
balik ngagidig. Barang nepi ka imah, toeloej nanja ka pamadji- 
kannana: //Nini! kamana manoekteh? ajeuna dipoendoet koe Radja.// — 
Walon pamadjikan : //Manoekteh leupas da didareukeutan koe eta 
semah: dioedag oge henteu kaoedag.// — Pa Poetjoeng barang 
ngadenge omongan pamadjikanuana, api-api ngambek bari ngomong 
ka toekang barang djeung anoe meuli hoeloe moending tea : //Naha 
sampejanteh wani-wani ngaleupaskeun eta manoek? ajeuna sampejan 
kabeh rek dioendjoekan ka Radja ; geus tangtoe sampejan mareunang 
hoekoeman gede katjida.// — Eta djalma ngawalon bari reuwaseun 
katjida : //Ajeuuamah kijeu bae : perkara eta baraug anoe tiloe tang- 
goengan, pek bae keur Bapa Poetjoeng, djeung eta doewit dalapan 



88 EENI6E SOSNDASCHK FABELS EN VEETELSELS. 

poeloeh roepija pameuli hoeloe moeuding tea; tapi ijeu pSrkara 
kaoela hajaiig salamet.// — Walou Pa Poetjoeug: //Lamoen kitoemah, 
keun bae koe kaoela ditauggoeug dosa stimpejan , tatapi sampejau 
koedoe boeroe-boeroe iiigkah tidijeu.// — 

Gantjaiigna eta djalraa toeloej baralik. Ajeuua Bapa Poetjoeng 
katjida soeka boengahua, rehua eta doewit djeuug baraug-barang 
geus kapimilik. Toeloej Pa Poetjoeng djadi toekaiig barang; koe 
tina bisaua djeung wekel lila-lila djadi beuughar. 

XII. 't Stekelvarken en de berg. 

Tot slot een verhaal , waarvan ik geen fraaie lezing bessit en 
daarom alleen de korte inhoud wordt raedegedeeld. 

Op de vlakte stond een berg. Elken dag werd in dien berg ge- 
graven door een stekelvarken. Dat verdroot den berg en hij wilde 
een stekelvarken zijn. Maar 't stekelvarken werd nagezeten door 
houden en hij vroeg een bond te worden. Als de bond uiet mee 
wilde op de jacht, sloeg zijn raeester hem en smeet naar hem. Hij 
vroeg mensch te worden. Toen hij mensch was belastte 't kampong- 
hoofd hem met transportdiensten en hij won kamponghoofd zijn. 
't Kamponghoofd kreeg bevel van 't dorpshoofd de lieden uit te 
laten komen naar den weg en zich voorbeeldig te gedragen. Hij 
vroeg loerah te worden. Maar 't dorpshoofd kreeg bevelen van den 
tjamat (onder-distriktshoofd) en werd beticht als er geen klaarheid 
kwam in politiezaken. Een tjamat wilde Iiij zijn. De tjamat kreeg 
ook bevelen, van den Wadana, en dikwijls had hij gasten. Hij 
verzocht Wadana te wezen. Maar nog ontving hij bevelen, nu van 
den Patih. Toen dacht hij : als ik Patih word , krijg ik nog bevelen 
van den Regent; word ik Regent, dan van den Assistent-Resident 
en den Resident. Hij verlangde ten slotte weer berg te worden 
"Want dan is er niemand die me bevelen geeft.'/ 



DE BATOE KEMANG, NABIJ MEDAN. 

DOOK 

E. J. VAX DEN BERG en J. H. NEUMANN. 
Zenddingen van het Ned. Zendelinggefiootschap. 



Nadat reeds door verschillende personen, en ook door ons her- 
haaldelijk een bezoek was gebracht aan de Roemah Oemafig ^ of ook 
wel Batoe Khnang geheeten, gingen wij den XT'**" en 18^*° Mei 1906 
daar weer heeu ten einde door opmetingeu dezen steen in kaart te 
brengen, en zoodoende er de aandacht van meer bevoegden op te 
vestigen. 

Wauneer men den straatweg van Medan uaar Bandar Baroe volgt, 
heeft men even voorbij het dorp Simbahe een voetpad , dat ons naar 
de kampong Doerian Tani brengt, een klein dorp aan gene zijde 
van de BStimoe^ivier gelegen. Ongeveer 10 minuten van dit dorp treft 
men een grooten steen aan die — zie fig. a op Plaat I — een 
zeer regelmatige gedaante vertoont. Volgens de legende is deze steen 
de woonplaats geweest van een kabouter. hier oemang of k^mang 
geheeten ; vandaar dat de steen den naara draagt van Roemah Oemang = 
Huis van den Kabouter, of Baioe Khiumg = Kaboutersteen. 

Reeds de Heer Westenbkrg gaf in zijne vAanteekeningen^' enz. 
een kleine beschrijving van deze plaats, * en wijst er op, dat de 
inlichtingen aan Dr. Hagen verstrekt, niet geheel juist waren. 
Vandaar dat het ons niet overbodig voorkwam, nadere opmetingen 
te doen en deze in kaart te brengen ten einde aan onderzoekers 
een juiste voorstelling van deze plaats te verschaffen. 

Nadat het terrein rondora den steen opengekapt en de steen zelf 
van allerlei woekerplanten gereinigd was, vertoonde hij eene zeer 
regelmatige gedaante. Wat ons op het eerste gezicht een ruwe steen 

1 Zie Bijdragen Kon. Inst. 5 , VII , 1892, biz. 233-34. De eerste beschrijving en 
afbeelding door Dr. Hagen ver.scheen in het Tijdschr. v. Ind. T. L en V.- 
kunde XXVUI, 1883; zie daar den tekst p. 534-586 ; den ruwen platteg^ond , met 
aanzicht, en twee doorsneden op Tafel II; on de verklaring daar van op pag. 
543. (Noot van M. Joustra.) 

7- Volgr. Vn. 6» 



90 DE BATOE KCMANG, NABIJ MEDAN, 

leek, zonder bepaaldeu vorm, werd nu een zeer zuiver eu regelmatig 
bewerkt stuk. Het grondvlak vertoont een langwerpig vierkant, 
laog 6.70 M., breed 3.35 M. , zoodat wij dus eene lengte hebben 
van tweemaal de breedte. De hoogte is van voren 3.40 M; terwijl 
de hoogte der achterzijde, door gedurige aanspoeling van aarde, 
slechts 2.40 M. bedraagt. V66r- en achterzijde zijn loodrecht, terwijl 
de zijvlakken schuin staan , en dus het geheel vrijwel den vorm van een 
pyramide heeft , met twee schuiue en twee loodrechte vlakkeu ; 
waarbij echter de top niet in een punt eindigt, maar een klein 
langwerpig vierkant vlak vertoont, dat gedeeltelijk bewerkt scheen 
en door de lieden aldaar een schaakbord genoemd werd. De achter- 
wand — zie fig. b op de bijgaande Plaat I — is van relief-versieriugen 
voorzien, die thans niet meer geheel duidelijk zijn; men ziet daar 
de overblijfselen van eene menschenfiguur in haut relief, benevens 
twee bochtige dingen, die door de lieden aldaar hagedis genoemd 
worden. De linkerzijwand is zeer beschadigd , deels afgebroken, maar 
vertoont toch nog eene tweede vrij duidelijke menschengedaante , ook 
in haut relief. Aan de voorzijde (verg. fig. a op Plaat I) ziet men eene 
opening zuiver vierkant in den steen gehouwen (weer omgeven door 
eene schuins daarop geconstrueerde ruit), welke toegang geeft tot 
een kleine jruimte. De opening-zelve is omgeven door versieringen 
waarvan de lijnen nog gedeeltelijk te volgen zijn , en waarin zich de 
omtrekken van twee menschen(?)-figuren bevinden, welke nog on- 
duidelijk te zien zijn; de rechtsche figuur is stellig een menschen- 
gedaante in zittende bonding, rusteiide op de schuine lijn der eene 
bovenzijde van de ruit, terwijl de linkerfiguur aan de fantasie vrij 
spel geeft, maar toch zeer veel gelijkt op eene pendant van de and ere. 
De opening is stellig vroeger door een deur gesloten geweest, * die 
er hi juist in paste, hi door eene klevende massa iugemetseld was; 
althans het is nog duidelijk te zien, dat de opening later er in gehakt 
is en men zich met geweld toegang heeft verschaft. Ook werd bij 
het graven in de nabijheid een platte steen gevonden, die wel een 
deel van de deur geweest kan zijn. 

In den onderdorpel is een rond gat te zien van 9 c. M. middellijn, 
dat echter wel door hatak^sche handen gemaakt kan zijn. Kruipt 
men door het gat naar binnen, dan bevindt men zich in eene vier- 
kante rui'mte of kamer, in welker midden (zie den op Plaat 11 gegeven 
schets-plattegroud) men rechtop zitten kan* In de vier hoeken vin<U 

^ Ook Dr. Hagen brengt dit vermoeden over van zijn eigen beriohtge ver , 
den Heer G. Meijer. 1. c. p. 544. (M. Jocstra.) 



D£ BATOE kSMANG, NABIJ MID AN. 



91 



men halve pilaren (d) van + ^ c- ^' middellijn , tegen den wand 
in den steen nitgehonweu ; terwijl men aan de voorzijde rechts en 
links van de deuropening nog twee van zulke pilaren ziet. Die 
pilaren zijn van boven verbonden door een gelijkmatige halfronde 
lijst, die langs alle zijden doorloopende op de pilaren schijnt te 
rusten en de grens van wand en plafond vormt. Het plafond is 
eenigszins gebogen en loopt schain naar boven waar het precies 
boven het midden van de kamer samenkomt, eenigszins den indruk 
gevend van een spitsboog. In den achterwand boven de lijst (zie den 
bijgaanden opstand , x) ziet men eene nis , niet precies vierkant maar 




AcKterufaruoU. 
SchcLoZ 1:30 

eenigszins den vorm van het dak volgend ; zoodat de opening aan 
de eene zijde hooger is. Aan den rechterzijwand (zie den opstand , 0) 







ziet men eene dergelijke nis , weer omgeven door een lijst ; eene nis , 
veel grooter dan die van den achterwand en 00k veel dieper. Keert 
men zich naar de opening, dan ziet men boven deze eenige 
schoine lijnen die echter niet goed meer te zien zijn ; en tevens is 
dan waar te nemen, hoe de toegang met raw geweld isopengehakt 
en dns de kamer steeds goed is afgesloten geweest. 

De vloer is in drieen verdeeld (zie den plattegrond op Plaat 11) ; 



92 DE BA'1X)E KCMAMG, NABIJ MEDAN. 

rechts en links (a, a) is eene verhoogiug van eukele centimeters, 
terwijl het diepere middengedeelte fbj van achtereu van eene 11 c.M. 
breede goot is voorzien ("cj, en van voren van eene Hh 5 c. M. breede 
goot fcj, 

Naar buiten tredende bleek ons bij het omwoelen van den grond, 
dat er aau de voorzijde eenige rechte steenen stonden , die een soort 
van goot vormden ; de steenen zelf leverden niets bijzonders op, alleen 
werdeu eenige scherven van een rood aarden pot gevonden. Door 
gebrek aan krachten moest het graven opgegeven worden. 

Wat ons trof bij het beschouwen van den steen en de kamer 
waren de zuivere afmetingen en evenredigheden , zoodat wij moeteii 
aannemen dat ontwikkelde en kundige menschen steen en kamer 
bewerkt hebben ; maar welk volk dit gedaan zal hebbeu is ons nog 
een raadsel. Batak's deden het stellig niet. Misschien dat verdere 
opgravingen in den omtrek eenig licht zuUen verspreideu. De 
richtiug van de kamer is zuiver Z.O. — N.W., met de opening op 
■ het Zuidoosten. 

Verder bezochten wij nog twee kolossale steenen aan de BStimoes- 
rivier gelegen , bekend als de Batoe phidjhnoerhi (//Droog-steen//) 
en de Baioe phthioenhi (^Weef-steen/^), maar deze leverden niets 
bijzonders op. Het waren kolossale keisteenen , in tegenstelling met 
de Batoe Khnang ^ die nit zachten zandsteen bestaat. Tevergeefs 
zochten wij in de B. KSmang naar voegen , die ons zouden kannen 
wijzen op het gebruik van gehouwen steenen , maar alles leek even 
massief. Een Batak opperde de meening, die niet maar zoo te ver- 
werpen is, dat die steen gemaaht zou zijn door zand, kiezelsteeuen 
en klei dooreen te mengen. 

Dit laatste lijkt ons niet zoo onmogelijk , omdat verder onderzoek 
ons nog meer dergelijke steenen aldaar doet vermoeden. 

Sibolangii^ Juni 1906. 




b. dohterzijde vaa dea B&toe KJemaag.- 



• *. 



HIT SPINNEWEB-MOTIEF OP TIMOR. 95 

zien. Het bevindt zich in het Museum voor Volkenkuude te Berlijn 
(I C. 18526 — 32). De sameustelling is zeer eeuvoudig ; een drietal 
bamboe-latjes is cm eeu vertikaal stokje gebonden en deze latjes 
ziju met bruiue eu blauwe katoendraadjes verboudeu, zoodat een 
spinneweb-vorm ontstaat. De bijgevoegde beschrijving zegt : //Schirme 
fur die »Ula/r Nagaft^ eine siebeukopfige Schlange, welche Seelen 
frisst. Sie lebt iu einem grosseu Loch, das man mit einem Stein, 
dem ffBaUi Naga» bedeckt hat. Stirbt Jemand , »pajeng Naga/f , so 
schreibt man das der Schlange zu und sofort wird auf dem Steine 
geopfert ; ausser den Schirmen wird auch Eeis geopfert.^/ 

Deze beschrijving van het doel dezer schermeu wijkt dus af van 
de eerstvermelde , door Jacobsen gegeveu, hoewel ook dit voorwerp 
door dezen reiziger verzameld is. 

Intusschen ligt het niet op mijn weg de juistheid van een dezer 
beschrijvingeu aau te wijzen. Hoofdzaak is voor mij , dat D' ten Kate 
dit samenstel van latjes in een Midden-Tim oreesch huis gevonden 
heeft, al wijkt de toepassing, met die op Mores vergeleken, be- 
langrijk af. Het is evenzeer zonder twijfel, dat dit zonderling 
voorwerp met de behoeften van het dagelijksch leveu niets te maken 
heeft, doch iu nauw verband staat met de geestelijke denkwijze 
der Timoreezen. Het daaruit afgeleide ornament is dus, wat ik reeds 
aan de toepassing op bamboe-kokers meende op te merken (op. cit. , 
biz. 43), e&fi gewijd' motief ^ dat daardoor in het ornament op den 
voorgroud treedt, een allesbeheerschende plaats daarbij inueemt. 

Echter handelt mijn studie hoofdzakelijk over het ornament van 
Z.-W. -Timor en gaarne zou ik daarom geconstateerd hebben, dat 
deze offerschermpjes ook in dit deel van Timor voorkwamen. 
Exemplaren van mijn werk heb ik naar Timor gezonden, brieven, 
enz. , met het resultaat, dat ik slechts van een ambtenaar antwoord 
mocht ontvangen, die over de oflerschermpjes niets wist mee te deelen. 

Zoo is het mij dan niet mogelijk over andere besproken voorwerpen 
nieuws te berichteu, iets, dat mij zeer leed doet. Ik had gehoopt, 
dat mijn studie een inleiding zou zijn tot de kennis der Timoreesche 
sierkuust, zou aanmoedigeu tot uader, lokaal onderzoek en dat op 
deze wijze van ^^n eiland in den grooten Archipel de kunst- 
uijverheid zou zijn beschreven en vastgelegd. Zien wij, hoe bijv. 
het Dresdener Museum voor ziju ouderzoekingen op Celebes van 
veler medewerking heeft mogen partij trekken, dan was deze hoop 
niet ongegrond. 

Wellicht, dat van andere zijde deze Timor-studie zal worden 



96 HET SPINNEWEB-MOTIEF OP TIMOE. 

voortgezet. De Geheimraad Fe. Hegee, de Direkteur van het Weeuer 
Museum , heeft op eeu reis door Timor een groot aantal voorwerpen 
verzameld eu naar ik nu hoop, is het hem gelukt voor vele 
duistere puuten een oplossing te vinden, die alleeu door plaatselijk 
onderzoek verkregen kan worden. * Op dit zeer belangwekkend eiland 
is, wat snij-, vlecht-, weef- eu kralenwerk betreft, een rijke oogst 
te vinden, die ook in ander dan wetenschappelijk opzicht aller 
belangstelliug verdient. 

Elberfeld, Juli 1906. 



* Naar het Reisbericht van Geheimraad Hegbr vermeldt (zie Annalen 
d. k. k. Naturhist. Hofmuseums. Wiea. XXI, 1906), hebben malariakoortsen 
zijn verblijf op Timor tot Koepang beperkt en kon geen nader, plaatselijk 
onderzoek ingesteld worden. (Juli 1907). 




Tiinoreesclie spinneweVtnoti 



/ 



98 BEN MALEISCH CONTRACT VAN 1600. 

boulan lammajna pymatjna lada Jaug de bayaer Itou seribou delapau 
ratos pijmatjua, Derham hargaeujna samas ampat rybou ampat ratos 
daeii harga pijrack pada sebijjij lijma mas daen ousour derj padoenjna 
pad a saratos lyma sapertij adat ouchoar eselam dij ambil derj pa- 
daenjna Itou sermoiila Apabyla masock lada dehouloii debayeraken 
Cappitein queduojna Itou daen Comediau aken ourang Jan lain 
Dalamjna seilatau Jajat tyada 

tattkala Itou hadepan pougolo korkon (mavalir mirdeu) daen syrajar- 
gaen (daen) Joumaat alhijer sakaljienjna (walla lamma bakhabir) 
kabenoch mengaljr mechgamat. 

Uit deze blijkbaar zeer gebrekkige copie , welker maker het origineel 
waarschijnlijk niet heeft begrepen, zien wij dat den SO Djoem&dt II 
1009 H. d. i. 28 December 1600 * door de HoUaudsche kapiteins 
Van Caerden en Vlaminck met eenen sjahbandar een contract is 
gesloten aangaande een zeker bedrag peper voor eene bepaalde, ook 
in inlandsche waarde uitgedrukte , som , over een termijn van vier 
maanden. 

Eene vertaling van het contract naar deze van onverstaanbare 
woorden en zonderlinge spellingen wemelende copie te maken is 
bijkans onmogelijk; eerst dient de juiste lezing van den tekst van 
het copie-contract , naar het document zelf of naar de door den heer 
Bouffaer daarvan gemaakte photographic, vastgesteld te worden. 

Dien tekst dan lezen wij als volgt: 

Hidjrat sariboe sembilan tahoen pada jawm al arba^ doeapoeloeh 
hari boelan Djoemadt al achir diwasa itoe bahoea sjahbandar Toen 
Djawa berpoetoes harga lada dengan kapitan Wolanda b^rnama 
Paulus Van Caerden dan kapitan Adam Vlaminck adapoen harga 
lada dibelinja itoe pada sahari {lees\ sabehara) harganja do4^alapan 
tahil dirham djandji marekaitoe memajar masoek lada daripada 
boelan Radjab datang kapada boelan Sjaww&l kira kira ampat boelan 
lamanja pimat {lees: kimat) lada jang dibSlinja itoe sariboe doealapan 
ratoes pimat {lees: pasemat) dirham harganja salaksa ampat riboe 
ampat ratoes dan harga perak pada sabidji lima mas dan ('oesjoer 
daripadanja pada saratoes lima saperti ('adat ('oesjoer isl&m diambil 
daripadanja itoe sab^rmoela apabila masoek lada dehoeloe dibajar 
akan kapitan kadoeanja itoe dan kamoedian akan orang jang lain 

dalamnja soeatoe ki^A^ {lees: hoedjdjat) tiada tatkala itoe hadapan 

pgnghoeloe karkoen Moe^'allim Mard&n dan Seri Badja Ch&u(?) dan 



^ De weekdagen in beide tijdrekeningen komen niet overeen. 



EEN MALEISCH CONTRACT VAN 1600. 99 

djain&<^t al chajr sakaliannja wassal^m bilchajr katib > Moe<^lIim 
Moehamroad. 

Naar dezeu tekst zoudc eene vertaling gemaakt kunnen worden, 
doch ter nadere toelichtiug der feiten en fcer verklaring van de 
zinsnede aan het slot mogen eerst enkele getuigenissen uit geschied- 
verhalen bijgebracht worden. 

In De Opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indie van 
M'. J. K. J. de Jonge, deel II, worden in § 4 de drie ui trust ingen 
naar Indie van het jaar 1599 behandeld. Op de bladzijden 229 — 235 
least men de lotgevallen der eerste vloot welke de Nieuwe Brabantsche 
compagnie nitzond; Van Caerden en Adam Flaming waren den 21^ 
November in Atsjin aangekomcn ; eerstgenoemde bood den soeltan 
geschenken aan , werd door hem voor het vaststellen van den peper- 
prijs naar den Sjahbandar en den Penghoeloe verwezen, en wist 
eindelijk den 28*" December eene overeenkomst te treffen '/waarbij 
de sultan zich verbond om binnen 4 maanden 1800 Bahar peper 
te leveren, welke bij de levering zouden worden betaald//. 

Is deze medcdeeling voor het goed verstaan van ons document 
reeds van waardc, meer licht gewordt ons uit de uitvoerigere ver- 
melding in het Begin ende Voortgangh van de Vereenigde Neder- 
lantsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie, deel I, waar ver- 
haald wordt (bl. 6 en 7 van het Kort Verhael ofte Journael van 
de reyse gedaeu naer de Oost-Indien met 4 schepen .... gehonden 
bij capiteyn Paulns van Caerden) dat na voorkoop met de, ook in 
het copie-contract genoemde, Sabandaer, Ponugolo ende Corcon, 
en na ontdekking van contract vervalsching ^, door Van Caerden 
^naer -veel gaen ende loopen eyndelijckc'/ is bewerkt //dat wij den 
Bhaar Peper tegens acht Theyl sullen betalen, midts hy gehonden 
sal zijn de Bealen van achten te ontfanghen tegens vijf Mas, midts 
soo veel Peper ontfanghende , soo veel geldts te betalen, sondertot 
avancement van penningen gehouden te zijn ; ende beloovende in 
de tijt van vier maanden ten langhsten te verschafTen 1800 Bhaar; 
des dat wij ghehonden snllen zijn te betalen vijf ten honderd voor 
uitgaende Tol; soo sullen gheen Koop-luyden, ofte Schippers, 't zij 
van wat Natie die souden wezen, vermoogeji eenige Peper te 



* Waanscbijiil^k is de achrijfwijzfi in het manu.H'^ript ontiitaan uit eene 

verwamng vao C^oJ met ^Laj>* 

« Vgl. Heeres, Corp. DipL, I, h\dz, 2f). 



100 EEN MALEISCH CONTEACT VAN 1600. 

koopen ofte te ladeu, voor onse lasten bekomen hebbeude, als 
blijckt bij de coutracten, ende obligatie daervan zijnde//. 

De hierboveu vermelde punten en clausule van het pepercon tract, 
welke men terusr vindt in contract IX van Prof. Heeres' Corpus 
Diplomaticura Neerlando-Indicum , Bijdragen tot de T. , L. en V.k. 
van N. I. uitg. door het Kon. Instituut, deel LVII, bl. 20, kunnen 
bijna dienen als vertaling van de in het Rijksarchief aanwezige copie, 
welker bewoordingen , zonder dezeu historischen commentaar, inder- 
daad veel aan duidelijkheid zouden te wenschen laten. 

Zoo komen wij tot de volgende vertaling: 

Op Woensdag den twintigsten Djoera&dl II heeft de sjahbandar 
Toen Djawa een contract van peperleverantie gesloten met de 
Hollandsche kapiteins Paulus Van Caerden en Adam Vlaminck, dat 
zij nl. peper zullen koopen voor acht lahil-dirhara den behara , terwijl 
zij op zich nemeu den peper te betaleu bij het inleveren , van de 
maand Radjab tot de raaand SjawwS.1 , d. i. omstreeks vier maanden; 
1800 ^ in Spaansche-matten-dirhams, en den dirham gesteld op vijf 
mas 2, met van die somma te nemen heffing "' van vijf ten hoiiderd, 
gelijk bij moslims gebruikelijk is. Wanneer peper wordt aaugebracht 
zai het v66r anderen aan de beide kapiteins wordeu geleverd, eerst 
daarna aan de anderen , met uitsluiting van alle daarop in te brengen 
aanspraken. Op genoemden dag voor den penghoeloe.karkoen Moe^allim 
Mard&n en SSri Badja Ch&n (?) en alle ter plaatse bescheidenen. ** 
Vrede met heil ^. Geschreven door Moe^allim Moehammad. 

Hoezeer het een feit is dat de publicatie van het pepercoutract van 
1600 niets uieuws levert ten aanzieu van de Maleische taal of een 
bijzonder gebruik van enkele barer woordeii , scheen zij mij toch 
niet geheel van belangrijkheid outbloot wegeus het zeer zeldzame 
van Maleische schrifturen van z66 hoogeu ouderdom. 



* De 1800 eenhedea zijn nat\iurlijk behara's. Het hier voorkomende 

heb ik als pasemat = Spaanscbe mat opgevat, het voorafgaande c^v«J al^ 

kimat, welk woord eohter overbodig is. 

^ Over de vcrhouding van mas tot Spaansche mat en dollar en den tahii 
zie J. E. Heeres o. c. bl. 20 noot 2, en vooral: D\ C. Snouck Hurgronje, De 
Atjebers, deel I bl. 346 en 370 en Het Gajoland, bl. 274 noot 2 en bl. 362. 

* iyi»x: Arabisch ^oesjtj eigenlijk = tiende, doch ook voor andere soorten 
van heffingen in gebruik. 

* JksJ) icU.^- eigenlijk = voortrefFelijk gezelschap. 



J •• 



* fJ^^^ eigenlijk = met het beste. 




U>^ X5^^-b s-y j;^' >3/-' .^TcV-i'^l'.pV 

^ ^^-,^. <c.^^li.J^ ^^'^^ -'';^^ ; 




102 BIJDEAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

den omtrek zichtbaar is. De Dajaks weten te verhalen, dat de 
Tiong kandang vroeger een eiland was , het eerste van Tanah Kali- 
mantan (Borneo), toen al het overige land nog door zee bedekt^ 
was, evenals de Dajaks van Bandjermassin dit vertellen van de 
toppen dcr bergeu Pararawan en Boendang, en de Songkong-Dajaks^ 
van den Soenjang (Veth, Borneo Westerafdeeling, Dl. I pag^ 
12, 175 en 176.) 

Bedevaarten naar den top van den Tiong kandang worden zoowel 
door Dajaks als door Maleiers gedaan. Van uit Landak is de berg^ 
het gemakkelijkst te bestijgen van uit kampong Sangkoe^ , de bewonera 
van Tajan beginnen de beklimming te kampong Mangkit. 

De eerste pleisterplaats is gelegen bij de Pedagei (ofiferplaats) op 
den overgangsweg van het grensgebergte , het verbindingspad tusschen 
Sangkoe^ en Mangkit. 

Men is daar reeds vrij dicht bij den top. De pgdagei worden 
hier gevormd door een paar steenen. Ten alien tijde vindt men 
daar talrijke toempangs (mandjes met offerspijzen) aan de boomen 
hangen, offergaven van aldaar gepasseerde bedevaartgangers. 

Van af de Pedagei is het ten strengste verboden (pan tang) ijzer 
of staal verder naar boven te brengen. Geweren, kapmessen, lansen 
en speren, soms sleutels, als men die bij zich mocht hebben, 
worden hier achfergelateu, voor men de beklimming verder 
voortzet. 

Een ieder onderzoeke hier zijn geweten, of men het wel wagen 
zal nog verder aan den tocht deel te nemen, want straks- 
moet men de Batoe Balawang (b a t o e = steen , balawaug = 
berpintoe = die een dear of poort vormen) passeeren, twee steile 
en dicht naast elkaar staande rotsblokken , waarvan de legende 
vertelt, dat zoodra een onrein of zondig mensch zich in die 
nataurlijke poort waagt, de rotswanden zich naar elkaar toebuigen. 
om den onreine te verpletteren. 

Toen wij den berg beklommen, konden wij dan ook bemerkeu,^ 
dat cHize volgelingen niet zonder angst tusscheu de Batoe Balawang^ 
doorliepen en weer vrij ademhaalden, toen zij zonder letsel te 
bekoraen, de poort achter den rug hadden. 

Op den top, vanwaar men bij helder weder een heerlijk vergezicht 
geniet, vindt men een vlak gedeelte van slechts een tieutal meters- 
in het vierkaut, dat Panindjau, d. i. //om uit te zien, kijkplaats// 
hect. Dit is de eigenlijke plaats, waar men de ^niat// uitspreekt^ 
en waar men later terugkomt om te //bajar niat//. 



DBE DAJAKS VAN LANDAK EN TAJ AN. 103 

De niat hoadt bijv. de gelofte in, dat zoodra de reeds lang 
lijdende echtgenoote hersteld zal zijn, men weder zal komen, om 
de aanwezige rotsblokken met fijne olien te begieten, of wel dat 
men eenige geheel witte hoenders — soms nog voorzien van gouden 
sporen — alhier zal loslaten. * 

Het is gewoonte bij de Panindjan eenige talismans mede te 
nemen. Gewoonlijk zoekt men daartoe stukjes wortel van aldaar 
groeiende aroesstruiken ; een kostbaar stuk verkrijgt men echter, 
wanneer men met de hand over een pas gezalfd rotsblok heenwrijft 
en bij die gelegenheid een stukje steen loslaat. 

Controleur Westenenk, mijn toenmalige kollega in Tajan, welke 
den Tiong kandang ook beklom , deelt in een rapport aan den 
Resident nog mede, dat zich op den top van den berg een steen 
bevindt welke '^kasih// genoemd wordt, hetgeen aid us verklaard 
wordt : '^ Allah gee ft aan hen, die vragen'/. 

Verder spreekt de Controleur van het rusteloos zoeken der mSlati 
Tiong kandang, die aan den bezitter een verbazend groot geluk 
zou moeten aanbrengen. 

Zoowel aan de Batoe Balawang als op de Paniudjau vonden wij 
weer talrijke toempangs opgehangen. 

§ 137. Andere heilige bergen. 

In mindere mate dan de Tiong Kandang staan in Landak nog 
in de reuk van heiligheid : 

de Goenoeng Ampiras, op den linkeroever der Landak-rivier 
gelegen, tegenover Ngabang, juist tegenover de plek, waar in 
1895 de bandongs (Ohineesche handelsvaartuigeu) gemeerd lagen , 
de Goenoeng Angging nabij Boenoet , ten noorden van Ngabang 
ook op den linkeroever der Landak-rivier, 



* Het loslaten van hoenders op heilige plaatsen is ook in Zuid-Celebes 
gebniikelijk. Men laat daar hanen los , na hun eerst een kleine insnede in de 
kam gegeven te hebben. Zulk een haan wordt liefst niet gegeten. Volgens 
sommigen zou hij , die zich verstoutte dit te doen , groot gevaar loopen , dat 
men hem den nek omdraaide. Zulke hanen heeten in het Boegineesch 
manoe-^-maraddka, in bet Makassaarsch djangang maradSkad.i. 
vrije hoenders. 

Zie Matthes, Bijdragen tot de Ethnologie van Zuid-Celebes, p. 12U 
Ik herinner mij niet, of voor de op den Tiong kandang losgelaten witte 
hoenders ook bet verbod bestaat, hen te dooden en op te eten. 



104 BIJDBAOE TOT DE KBNNIS VAN DEN GODSDIENST. 

de Goeuoeng BSdjepa nabij de Biam Mglanggar in het 
noorden vau Landak, 

en de Am par Djawa op de Goeuoeng Satap. 

Op al deze plaatsen is het bauiat gebruikelijk en zijn het weer 
zoowcl Maleiers als Dajaks, die er ter bedevaart trekken. Ook 
Chiueezen in het land geboren komen er vaak ten offer , niet zelden 
vindt men aldaar broederlijk bijeen Chineesche ofiferstokjes en vlag- 
getjes, naast door Maleiers gezalfde steenen en varkenspooten , door 
den Dajak aan zijne D e w a t a s geofferd. Zoo ergens verdraagzaamheid 
op het punt van godsdienst bestaat, zoo is dit zekerlijk in het 
laudschap Landak der Wester afdeeling van Borneo. 

§ 138. De kanonnen van Monggoh. 

Bijzondere vermelding wegens de hooge vereering, die zij genieten, 
verdienen ten slotte de kauounen van Monggoh (Mariam Monggoh) , 
eeu plaatsje gelegeu aan de samenvloeiug der Laudak en Manjoek^- 
rivier, vroegere residentie vau de vorsten vau Landak. 

Deze kauonueu werden door den Sultau van Bantam aan den 
vorst van Landak geschonkeu ten teekeu, dat de cijnsbaarheid 
van Laudak aan Soekadaua had opgehouden te bestaan, en zijn 
dezelfde stukkeu, waarvau de heer Palm bij Radermacher (Be- 
sckrijviug van het eiland Borneo, voorzoover het tot nu toe bekeud 
is. Geplaatst in Verhandeliugeu van het Bat. Geuootschap Dl. II 
biz. 124) spreekt. Zie Veth, Borneo's Westerafdeeliug, Deel I 
pag. 236. 

In November 1894 deed de toeumalige waaruemeud Panambahan 
van Landak, Pangeran Maugkoe Boemi eeu bedevaart naar deze 
kauounen en uoodigde den Coutroleur J. vau Weert en mij nit 
hem op dieu tocht te vergezelleu. Geuoemde Coutroleur logeerde 
ten mijneut, door den Resident aaugewezeu, om mij als Coutroleur 
van Landak te vervaugeu. 

De tocht van Ngabaug tot Monggoh geschiedde per roei- 
vaartuig, de Pangeran gezeten in zijn groote staatsie-bidar , ge- 
heel in het geel, door ougeveer 50 roeiers met behulp vau 
korte pagaaien voortbewogeu , de Coutroleurs in eeu Gouvernements- 
vaartuig, eeu net wit geschilderd vaartuig, met zes man op de 
lauge riemeu. 

Bij de Batoe Sarawa* (eeu halve paal beuedeu Mouggoh) gekomeu , 
hield de Pangeran eeu oogeublik op, aaugezieii de ad at voorschrijft , 



DEK DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 105 

dat de bezoeker der Mariam Monggoh eerst van zijn voornemen 
kennis geve aau deze rotsblokken. ^ 

Te Monggoh bezichtigden wij eerst de beide kanonuen. Het eene 
is een oud Compagnie's stuk en vertoont de letters V. 0. C. 
(Vereenigde Oost-Indische Compagnie), het andere vertoont een 
wapen, dat reeds half uitgewischt is. 

Zij liggeu op den grbnd zonder affuiten op een steil heuveltje 
tussohen de samenvloeii'ng van de -Landak- en de Manjoek^-rivier 
onder een groote kajoe-ara boom (soort waringin). 

Ook Pangeran Mangkoe Boemi deelde ons mede, dat deze 
kanonnen een geschenk waren van den Sultan van Bantam aan den 
vorst van Landak ua afloop van een oorlog met Soekadana, lang 
voordat de Hollanders zich op Borneo vertoond hadden. 

Van oudsher staan zij onder beheer van eene te Monggoh 
wonende familie, alleen deze heeft het recht de kanonnen af te 
schieten. 

Het bgrniat (Mai.) gesehiedt hier toch onder het lossen van 
een los schot uit een ,der beide vuurmondeu. De Pangeran kwam 
hier ook met eene bep^lde bedoeling, zijne vrouwen hadden hem 
reeds een drietal dochters geschonken, maar nog geen eukelen zoon» 
en nu kwam hij het kanon beloven, dat hij het naderhaud nog 
eens zou doen afschieten, indien het slechts zorgen wilde, dat hij 
na ook een zoon kreeg. 

De bewaker van de kanonnen was reeds aan het werk geweest, 
om hen op het bezoek van den Pangeran voor te bereiden. 

De beide stukken — het een is volgens de inlanders van het 
mannelijk, het ander van het vrouwelijk geslacht, evenals de op 
Java aanwezige heilige kanonnen Kjai Satomo en Njai Satomi — 
zie Wilken, Animisme, Hoofdstuk IV, Ind. Gids 1884, dl. II, p. 60 
— het eerste te Batavia, het tweede te Soerakarta — te Monggoh 
liggen man en vrouw behoorlijk bijeen — waren den dag te voren 
schoongemaakt en voorzien van rijstgebak en betel, voor hen gereed 
gezet op koperen schotels, met gele kleedjes bedekt. 

Onder het laugzaam inschuiven van een kardoes — een linnen 
zakje, 3 J K.G. kruit bevattende, prevelde de Pangeran zijn gelofte, 
boven vermeld. 



1 Vergelijk hetgeen Gontroleur H. Bis mededeelt in zijne monographie 
over de ^ Onder- Afdeeling Klein-Mandailing-Oeloe Pahantan en hare bevolking 
met uitzondering van de Oeloe's (Bijdragen tot de Taal- , Land- en Volkenkunde , 
Yolgreeks 6, deel 2, pag. 531.) 



106 BIJDEAGE TOT DB KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

Daarop viel een zwaar schot, oorverdovend , 30 K.M. iu den 
omtrek werd de trilling gevoeld. De Paugeran plantte daarna links 
en rechts van de druif takjes van een boom; groeien daze voor- 
spoedig op , dan is dit een teeken , dat de offerbede zal verhoord 
worden. 

Of het kanon van Monggoh aan het verzoek van den vorst 
voldaan heeft? 

Een paar jaar later is hij zelf overleden, het is mij niet bekend 
of hij mannelijke nakomelingen heeft nagelaten. ^ 

Veel geheimzinnigs wordt er nog van de Mariam Monggoh 
medegedeeld. In tijden vau oorlog springen zij in de rivier, en 
duiken eerst weer op, wauneer de vrede gesloten is. Waarlijk geen 
prijzeuswaardige eigenschap van oorlogsmateriaal I 

Kort voordat een groot ougeluk gebeurt, waarschuwt een der 
kanounen , door geheel uit zich zelf een schot te losseii , de bewoners 
van Monggoh echter niet. 

In den tijd, dat ik Controleur te Ngabang was, werd een der 
prinsessen van den bloede door een krokodil aangegrepen en hevig 
verwond. 

Verscheidene personen hadden kort te voren een zwaar schot 
gehoord. Dit moest wel het kanon te Monggoh geweest zijn. 

§139. Wonderkanon te Tebang (Tajan). 

Niet alleen Landak is wonderkanonnen rijk, ook in Tajan treft 
men er een aan. Het is gelegen in de buurt van kampoug Tebang. 

Ziehier wat Controleur Westenenk , welke het gezien heeft , ervan 
mededeelt in een zijner reisrapp9rten : 

//Hoogst eigenaardig is er een oud groenbemost kanon, langl.50 
Meter, mond 0.5 d.M. met gebroken mond, dat op Hh 1 Meter 
boven den grond half ligt, half hangt op de wortels van eenen 
reusachtigen boom, vroeger boengoer (Lagerstroemia regiuae) 
geweest, samen opgegroeid met waring in en later omslingerd en 
verstikt door een doodenden vijgenboom (kajoe ara). 

Men mag dat kanon volstrekt niet aanraken. 

Wanneer er een vreeselijk onheil zal geschieden of een oorlog 

* Volgen8 vriendelijke mededeeling van den tegenwoordigen (Juni 1901) 
Controleur A. H. N. Kruysboom heeft Pangeran Mangkoe Boemi geene 
mannelijke telgen nagelaten. 



DEB. DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 107 

zal uitbreken, lost het kanon (geheel uit zich zelf) schoteu zonder 
te worden geladeu. De Tebangers zwoereu mij, dat zij tijdens de 
uitbarstiug ' vau Krakatau alien hadden gehoord, dat bet kanon drie 
malen achtereeu vuurde, waarna boven den woudreus een reusachtige 
rookkolom opsteeg , die tot verre in den omtrek was gezien , en het 
water der kleine soengai in heftige golfslag kwam. Wanueer een 
tak van den boom (die met het kanon vereerd wordt) valt, dan 
is er spoedig een doodel Een doode tak wijst op een oud man^ 
een jong takje op een kind. 

Blijft de regeu te lang weg, dan baadt men het kanon, dat wil 
zeggen, men begiet het met water uit de soengai, en niet lang 
duurt het, of een weldadige regen doet alles wat kwijnde herleven. 

Dat wonderkanon is volgens de legende herkomstig van Java en 
werd in een oorlog tegen Palembang gebruikt. Toen echter de 
vijand hem den mond met een kogel verbrijzelde , begon het kanon 
te spreken en smeekte, uaar Tebang te worden overgebracht, zooals 
dan ook geschiedde tot zegen dier kampong//. 

§140. Oeloften aan den Sultan van Pontianak. 

Verder dient nog vermelding, dat in het zuidelijke dee) van 
Landak en Taj an en Meliau geloften worden gedaau aan den Sultan 
van Pontianak. Groot is de roep, die van zijne kramat uitgaat. 
Men brengt hem als offers geiten en kippen, ook Landaksche 
vorstentelgen gingen naar Zijne Hoogheid ter bedevaart op en 
schonken hem kostbare diamanten in voldoeuing eener gelofte. 

§141. Heilige tambawangs. 

Naast heuvels, rotsen , kanonnen en menschen staan in Landak 
nog in de reuk van heiligheid eeuige tambawangs. De voornaamste 
daarvan is de Tambawang Bagoet , gelegen tusschen Djering en Darit 
op den linkeroever der Manjoek^-rivier. Toen wij eens genoemde 
Tambawang passeerden, vergezeld door een vrijwillig gevolg van 
wel 200 Dajaks, werd het eerst zoo luidruchtige gezelschap , zoodra 
wij dit heilige bosch binnengingeu , zoo stil als een muis; eerst 
toen we weer in het open veld waren, herkreeg het gezelschap 
zijne vorige stemming. 



108 BIJDUAGB TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIBNST 

Het gcbruik van beelden. 

§ 142. De Pantaks. 

Wij zulleu later zien, dat het bij verschillpnde Landaksche 
stammen gewoonte is , vau gestorven hoofden en voorvechters beelden 
te maken. Deze beelden heeten p a n t a ^. 

Aanvankelijk worden zij — althans in Manjoek^ — ergens aan 
den weg geplaatst, doch niet op het graf. 

Wil het geluk, dat een der nakomelingen van den overledene 
voor wien een panta^ is gemaakt, een kop snclt, dan heeft deze 
persoou het recht de panta^ van zijn voorvader uit den grond te 
trekken en over te brengen naar de padagei. 

§ 143. De Padagei. 

De padagei is een offerplaats voor den Kemang Trio ergens in 
het bosch. Op elke padagei is een aan plant te vinden van ren- 
djoewang en p e 1 e i-boomen , benevens bamboe-stoelen van een 
bijzonder soort (boeloehbala met gelen stam, waarvan de punt 
niet in een dun sprietje uitloopt, maar als het ware afgeknot is). 

§ 144. Lotsboomen. 

Oorspronkelijk zijn dit lotsboomen, geplant door de offeraars, 
wier leven met dat der laatste samenhangt. Groeit de eene gunstig 
op, dan de andere ook, lijdt de eene een kwijnend bestaan, dan 
verkeert ook het leven van den ander in voortdurend gevaar. 

De pantaks op de padagei zien alien dezelfde rich ting uit. 
Zij zijn dikwijls reeds zeer vervallen; van het oorspronkelijk krijgs- 
kostuum is gewoonlijk niets meer te zien, zelfs armen ontbreken 
dikwijls. 

Offers worden op de padagei gebracht, wanneer een nieuwe 
panta^ bijgeplaatst wordt. 

§ 145. Panjoegoe. 

Verder vindt men op de padagei groote stukken steen (panj oegoe) 
of groote blokken ijzerhout (djongkb). Deze worden er neergelegd 
bij het afieggen van den eed aan den Kemang Trio , waarbij tusschen 



DEE DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 109* 

meusch en geest de verbinteuis wordt aangegaan, dat beideu zicb 
aan de oude laudsadat zuUen houden. 

Ook wanneer vijandige stammen na de verzoening deu grooten 
eed afleggen , plaatsen zij zulk eeu steen (paujoegoe) iu deiv 
grond. Echter niet op de pad age i. 

In kampoug Darit kan men ook dergelijke panjoegoe vinden ^ 
dateereude van een verbond , aangegaan tusschen de Manjoek^-Dajaks 
en bun radja. De laatste had van de Dajaks de vergunning gekregen 
een nieuwe h a q i 1 te mogen vorderen. Beide partijen deden daarop 
den grooten eed op de panjoegoe. De radja beloofde , dat dit 
nu de laatste verandering in bet belasting-stelsel , die ooit zoa 
plaats bebben, zijn zou. Nimmer zou hij of een zijner afstamme- 
lingen andere hommages dan de bestaande mogen vorderen. De 
Dajaks van hunne zijde beloofden de belasting dan ook werkelijk 
te zullen opbrengen. '/Zoo vast (t a t a p) , onwrikbaar en onveranderlijk 
de steen (paujoegoe) is, zoo onveranderlijk zal ook de verbintenis 
zijn.'/ Daarbij had eeu groot ba ri m ah plaats om de Dewatas hiervan 
getnige te doen zijn, en bun zegen erover af te smeeken. 

Men vatte evengenoemd gezegde, dat onder bet plaatsen van. 
den steeu uitgesproken wordt, niet op als symboliek, maar als 
eene uiting van het vast vertrouwen in de kracht van sympa- 
thetische werking. De vastheid vau den steen zal op het verbond, 
overgaan. ^ 

§ 146. Afwenden van gevaar bij besmettelijkeziekte^ 

Behalve bij het plaatsen van een nieuwe p a u t a* wordt op de 
padagei geofferd in tijden van groot gevaar, bij het heerschen 
van besmettelijke ziekten (a war of angin-augin = verderf- 
aanbrengende wind). Volgens het volksgeloof zijn deze rampen 
toe te schrijven aan verstoring der wereldorde , en is men bij- 
zonder beducht voor de kwade rasis, die men daarom tracht af te 
wenden. 

I Bij de Bataks is bij het sluiten vao een verbond eedzweringgebniikeiijk, 
waarbij ieder der deelnemers zijn rechtervoet op een grooten steen plaatst^ 
daarbij zeggende : ^Indien ik mijne gelofte niet nakom , dan zullen ik en 
mijne nakomelingen in steenen veranderd worden". Zie Koning Salomo en 
Radja Grading door Gr. van Asselt p. 12. 

Het is de vraag of de oorspronkelijke beteekenis van den steen bij d& 
eedzwering bij de Bataks niet dezelfde is als bij de Dajaks. 



110 BIJDBAGE TOT DE KKNNIS VAN DEN G0D9DIENST 

§ 147. Tampajan als altaar. 

Meu steekt dan door de latten van bet liooge hordes (ginggang) 
voor het Dajaksche huis drie baroboe-stokken in een driehoek in 
<len grond, biudt deze vorksgewijze samen, en plaatst tusschen de 
nitstaaude armen van dexe stellage een tampajan si ton. Deze si ton 
wordt gedekt door een bord, waarop meu deopdepadagei gedoode 
houden en kippeu neerlegt. Een tampajan aldus gebruikt beet 
//panoela^/y = iets dat afweert. Is het offer volhracht, dau wordt 
•een pan tang ingesteld van drie tot zeven dagen (balala of 
balala a war). Gedurende dien tijd is het verboden het kampong- 
fauis binnen te gaan. Wie dit voorschrift overschrijdt , betaalt een 
boete van een tampajan siton, een hoen, wat gewone en wat 
kleefrijst. Wie weigert te betalen loopt gevaar in de t o n g k a 1-boete 
(zie § 20) te vervalleu. Verder is het verboden, hout te hakken, 
rijst te stampen , dieren te dooden , groenten als toespijs te zoeken. 
Ten teeken van het pan tang st«ekt meu aau den ingaug van de 
kampong een stok in den grond, welks boveneinde gedeeltelijk 
tot houtfranjes is versneden (pabajoe). 

Na afloop van de pantang wordt de tampajan van het hordes 
naar beneden gebracht en geplaatst aan den ingaug van het kampong- 
€rf, als weermiddel van kwade invloeden. 

Yolgens onze aanteekeniugen heeft het bestrijden van algemeene 
ziekten aldus plaats in TSmilah. 

Waarschijnlijk gaat men in Manjoek^ op dezelfde wijze te werk. 

Bij die stammeu , waar het Snellen niet meer voorkomt, verdwijnen 
<loorden tand des tijds ook de pantaks op de padageis (Karangan- 
Dajaks). 

Het schijut echter, dat men in dit gebrek weer wil voorzien. 
Althans bij de Sangkoe^ Dajaks (kampong Pelai) vonden wij in de 
padagei twee beelden, welke zeer ruw gevormd wareu. Men 
verzekerde ous dan ook, dat het geene beelden wareu van overleden 
voorouders, eveumin van bepaalde levende personeu. 

§ 148. Ampago. 

Zij wareu gemaakt van pel ei -hout, een lompoug-soort, dat 
spoedig vergaat. Het eeue was van het mannelijk, het audere van 
het vrouwelijk geslacht, de genitalia wareu duidelijk uitgedrukt. 



DEB DAJAKS VAN LAN DAK EN TAJ AN. Ill 

Baaromheeu zag ik pelei- eu r^udj oe wang-boompjes (aldaar 
sabang geheeteu) alsmede c r o t o n-planten en s a b a-boomeu. Deze 
beelden heeten //am pa go//. Ook iu TSmilah voud ik beelden langs den 
weg , die men a m p a g o noerode eu welke geen voUedige nabootsing 
der menschelijke gedaaute vormdeu , daar armen en beenen ontbraken. 

Vennoedelijk waren het effigie-offers, evenals de Smpatoug der 
Dajaksche stammen langs de Kajan- en Mfilawi-rivieren (zie Kuhr's 
Schetsen uit de Westerafdeeling van Borneo, Bijdragen tot de T. L. 
eu V. kuude , volgreeks VI , deel 3 , pag. 62 sqq.) , welk vermoeden 
nog versterkt wordt door eene mededeeling van Coutroleur Barth, 
dat bij de Toelak-Dajaks van Soekadana ook beeldjes voorkomen, 
amp ago geuaamd, die werkelijk effigie-offers zijn. Zie zijn 
Overzicht der afdeeliug Soekadana, p. 137. 

Ook in Manjoek^ viudt men beelden van pelei-hout van ruwe, 
dikwijls wanstaltige gedaante, soms met vrij groote genitalien, welke 
«chter slechts bij nieuwe beelden te zien zijn, daar het zachte bout, 
vooral in uitstekende deelen spoedig vergaat. 

Deze zijn daar echter nimmer op de padagei geplaatst. In 
kampong Bajan (Bemajah) vond ik eene heele verzameling dier beelden. 

§ 149. Panoela\ 

Zij heeten daar panoela^. Bij een enkel dezer beelden zijn de 
genitalien te zien. Voor de geheele groep is een bank aangebracht 
tot het plaatsen van offerspijzen. Verder ziet men er ook stukken 
«teen (panjoegoe) en eenvoudige klangkangs van bamboe 
gemaakt. 

Vroeger maakten wij reeds kennis met de groote klangkangs 
(offertafels) in de nabijheid der kampong opgericht. Op het veld 
€n in het boscli gebruikt men echter kleinere offertoestellen. Het is 
•een in den groud gestoken bamboe-stok, waarvan het boveneind iu 
verschillende deelen gesplitst is , welker uiteinden naar buiten zijn 
omgebogeu. Tusschen deze uiteinden wordt rotan gevlochtcn , zoodat 
het geheel gelijkt op een trechtervormige mand op hoogen voet. 
In deze mand worden de offersprijzen neergelegd. 

Een p a n o e 1 a* , waarnaast een panjoegoe, vondeu wij nabij 
Papoeng aan de Relentian-rivier. 

Door de weelderige tropische vegetatie is het hoofd van het 
beeld geheel begroeid. Dit is eene toevallige omstandigheid , die 
niet mag leiden tot het denkbeeld, dat de koppen d&er beelden 



112 BIJDRAGE TOT DB KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

steeds van zulk eeu vederbos voorzien zijn. lets meer op de» 
achtergrond ziet men de overblijfselen van een ofifertafel. 

Ook ziet men een panoela^ aan den kant der Manjoek^- 
rivier aan den voet van een boom. Ook hier heelt Flora zich weten 
te vestigen op het hoofd van het beeld. Aan den anderen kant van 
den boom bevinden zich panjoegoe-steenen, en daarbij een stok 
met een wit vlaggetje, een offer van een Chinees aan het Dajaksch 
afgodsbeeld ! lets verder ziet men de overblijfselen van een ofifer- 
tafel. 

§ 150. Panjambahan. 

Ruwe beelden van pelei-hout zagen wij ook in Manjoek^-Bandong. 
Men noerode ze daar zoowel panoela^ als panjambahan, en 
men voegde er bij , dat men ze maakte bij het heerschen van 
epidemische ziekte. Men plantte er ook weer pelei- en randjoe- 
waiig-boompjes omheen en boeloeh-bala. Elk jaar bracht men 
er ofiFers (barimah). 

In kampong SStoIo noteerden wij , dat men ofifers bracht aan de 
panoela^ bij groote droogte. De panoela^ zou de zetel zijn 
van een geest (h an toe), dien men te eten geven moest, om regen 
te krijgen. 

Het is onduidelijk, wai met de panoela^s en de panjambahans 
bedoeld wordt. Misschien is er verschil in beteekenis der beide 
beelden, ofschoon de vorm ongeveer gelijk is. 

Het woord //panjambahan// = hetgeen eerbiedig wordt aan- 
geboden, doet denken, dat deze beelden werkelijk effigie-oflTers zijn,^ 
vooral ook, omdat zij bij het heerschen van besmettelijke ziekten 
gemaakt worden (vergelijk de tembado^s der Meliau-Dajaks, Int. 
Arch. f. Ethn. Bd. IX, 1896, biz. 80). 

De beteekenis van het woord panoela^ = hetgeen dat of degeen 
die afweert, doet denken, dat men het beeld ithyphallische onheil- 
afwerende kracht toekent (zie Wilken. lets over de beteekenis van 
ithypallische beelden bij de volken van den Indischen Archipel in 
de Bijdr. t. d. T. L. en V.kunde, 5*® volgreeks, 1® deel en Serrurier, 
Phallisme, Tijdspiegel, 1896). 

Niet onmogelijk is, dat deze beelden van peleihout tot beide 
doeleinden tegelijk hebben gediend. Een efiSgie-offer dus, dat tevens^ 
door den phallus kwade invloeden paralyseert. 



DEB DAJAKS VAN LANDAK EN TAJ AN. 113 

§ 151. Beelden bij de Tajan-Dajaks. 

Ook bij de ParSngoewan-Dajaks van Tajau zagen wij beelden van 
pelei-hout. 

Tusscheu de beelden in waren stukken ho at geplaatst. Het geheel 
noemde men //padagei//. Men deelde ous nog mede, dat men bij 
«ielfeesten (totong) de oude koppen naar die padagei bracht, en 
er dan een barimah plaats had. Wat de beteekenis der beelden 
is, blijkt uit ouze aanteekeningen uiet. 

Bij de Broewa-Dajaks (Batang Tarang-Tajan) verstond men onder 
^'padagei/y een paar groote wouderlijk gevormde stukken hout, 
die versteeud waren. 

Elk jaar bracht men deze //padagei// offers, men noemde dit 
^ampara padagei//, waarbij kromong, tawak-tawak, gong 
en gSndang bespeeld werden. Nabij deze steenen stond een klang- 
kang en een houten beeld, dat ampago genoemd werd. 

Het //am para padagei// bevat, naar wij uit de beschrijving 
opmaakten, geen enkele ceremonie, die aan een snelfeest heriunert. 
De Dewata's worden opgeroepen om een offer aan te bieden. 

Men kent ook het //oempang padagei//. Oempang is ge- 
scheuk, en onder //oempang padagei// verstaat men het geven 
van een voorloopig geschenk aan de Dewata's, indien men nog niet 
in staat is, door gebrek aan rijst, offerdiereu en toewak, het 
feest, waartoe men eene gelofte heeft afgelegd, aan te rich ten. 
Oempang padagei is dus uitstel vrageu — miuta tauggo — 
voor een bajar niat, feest in voldoening eener gelofte. 



lets over het gebruik van tainpajans in de afdecling Landak. 

Veth. Borneo's Westerafdeeling, dl. II, p. 262 sqq., C. Kater. 
lets over de bij de Dajaks der Westerafdeeling van Borneo 
zoo gezochte tampajans of tadjau's. Tijdschrift voor Ind. 
T. L. en V. kuude, dl. XVI, p. 445. F. S. Grabowsky, Ueber 
die //Djawets// oder heiligen Topfe der Oloh Ngadju (Dajnken) 
von Siid-Ost Borneo. Zeitschrift fiir Ethnologic 1885, pag. 121. 

Wilken. Aanteekening over de door de Dajaks als heilig 
beschouwde en vereerde potten, tampajans, djawet's of balaugas. 
Bijdr. tot de T. L. en Volkenkunde v. Ned. ludie, vijfde 
volgreeks, vierde deel, pag. 122. 



114 BIJDBA6E TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

Schmeltz. Ueber einen heiligeu Krug von Borneo. Int. 
Archiv fiir Ethuographie, 111, 1890, S. 29. 

Westenenk. De Maolang en Sekadou-Dajaks. Tijdschrift 
voor Ind. T. L. en V. kunde, dl. XXXIX, pag. 12 van 
den overdruk. 

Barth. Overzicht der afdeeling Soekadana, pag. 114. Ling- 
Roth, Natives of Sarawak, Vol I, p. 150 en II, p. 284. 

§ 152. Verklaring van Wilken van de vereering 

der tampajans. 

In bovengenoemde aanteekening geeft Wilken eene verklaring van 
de vereering van tampajans door de Dajaks. Aan het einde ervau 
den inhoud resumeereude , zegt Wilken //Wij zien dus, dat het 
gebruik van potten tot opberging van relieken vrij algemeen verbreid 
is bij de Dajaks. In enkele gevallen blijken die potten werkelijk 
tampajans te zijn. Behalve dat dit van de Olo-Lowangan uitdrukkelijk 
gezegd wordt, is zulks ook op te roaken nit de zooeven geciteerde 
mededeelingen betreffende de Dajaks van Noord-Borneo en de 
bewoners van Bandjermasin. Aanvankelijk — dit is dus de conclusie 
waartoe wij komen — reliekbergers , werden Tampajans later, als 
verblijfplaatsen van de zielen der afgestorvenen , heilig gehouden en 
misschien wel als mediums gebruikt, totdat eindelijk ook dit begrip 
verloren ging, en men tot de vereering kwam van het voorwerp 
om zich zelf , als een machtig wezen, gelijk dit nu nog het geval is.'/ 

§ 153. Bevestiging dezer theorie. 

Door verschillende schrijvers is deze stelliug later bevestigd geworden^ 
Zoo door Controleur Westenenk. 

Merkwaardig is ook het bericht van Controleur Barth. 

Het korat ons waarschijnlijk voor, dat deze Tgmpajan de 
bergplaat^ is geweest van de lijkasch of andere stofTelijke over- 
blijfselen van den starovader der Djelai- Dajaks eu men langzamerhand 
de bergplaats met de relieken zelf heeft vereenzelvigd. 

Bij de Meliau-Dajaks is het gebruikelijk bij de begrafenis van 
afgestorvenen een bosje haar in een tarapajante deponeeren , velke 
tampajau op een ijzerhouten paal vlak bij het graf opgericht 
wordt. Wanneer echter de lijken verbraud worden, wordt een 
half verkoold stuk been van den overledene op dezelfde wijze. 
opgeborgen. 



DEE DAJAKS VAN LANDAK EN TAJ AN. 115- 

§ 154. Vetisistische vereeriiig iu La u dak. 

Ook in Landak komt nog hedeu fetisistische vereeiiog van de 
tampajau voor, welke er op wijst, dat zij vroeger diende tothet 
bewareu van stoffelijke overblijfselen der afgestorvenen. 

Wauneer wij in eeu der volgende hoofdstukkeu eene beschrijviug^ 
geveu van een snelfeest in T^milah, waarop de panta^ van een 
gestorven hoofd door den nakomeling, die een kop is machtig^ 
geworden, naar de padagei, de offerplaats van den karoang Trio 
overgebracht wordt, zullen wij zien, dat het gebruik is dan ophet 
hooge bordes (giuggang) voor de Dajaksche woning een zeer 
code tampajan, eeu tadjau, gedekt door een grooten aarden 
schotel op een zelfde stellage van vorksge^ijze samengebonden 
bamboe-stakeu te plaatsen als waarmede wij reeds boven kennis^ 
maakten (§ 147). 

Om deze tampajan wordt dan met den gesnelden kop in de 
hand gedanst (menari) en zij zelve wordt gebruikt als oifertafel 
(klangkang), daar de offersprijzen voor de Dewatas op den tot 
dekking dienenden schotel neergelegd worden. Vergelijk Veth o. c. 
pag. 268, regel 15 van onderen. 

De tampajan op die manier gebruikt , wordt S a n d o n g ge- 
noemd, een woord waarvan de Temilah-Dajaks zelve de beteekenia 
niet meer weten, maar dat wij kennen uit andere d^elen van 
Borneo. 

§ 155. Sandong. 

Zoo heet namelijk de rijk.met snijwerk versierde doodkist der 
Olo Ngadjoe, een soort familie-graf, waarheen op het tiwah of 
doodenfeest de overgebleven beenderen uit de raoeng gebrachj; 
werden. (Zie het Dajaksch woordenboek van Hard eland). 

In Ceutraal-Iiorneo ontmoeten wij het woord bij de Ot-Danoms^ 
als lijknsch-urnhuisje (zie Kiihr in de Bijdragen tot de T. L. en- 
Volkenkunde van N. I. volgreeks VI, deel 2, p. 219), terwijl 
het volgens Barth, o. c. pag. 137 voorkomt als naam van een 
tampajan, dienende tot opberging van de overblijfselen der lijken 
van de Toelak-Dajaks in de afdeeling Soekadana. 

Hoogst waarschijnlijk is bovengeiioemd snelfeest der Temilah- 
Dajaks oorspronkelijk een doodenfeest geweest, waarop de overge- 



116 BUDBAGE TOT DE KENNI8 VAN DEN GODSDIENST 

Weven beenderen in die Tampajan s a n d o n g neergelegd werden, 
•en gelijktijdig de panta^ van den overledene overgebracht werd 
uaar de ofiferplaats van den karaang Trio. ^ 

Men herinnere zich verder, dat ook de Tampajan, welke de 
ball an op zijne stances gebruikt, sandong lieet. AVellicht diende 
•die in vroeger tijd tot bergplaats der relieken van gestorven balians. 
<Zie § 75.) 



§ 156. Begraven van lijken in Tamp a j an s. 

Aan de juistheid van Wilkeu's theorie wordt ten slotte alle twijfel 
ontnomen door de uiterst belangrijke inededeelingen , welke in 
Ling Roth voorkomen omtrent het begraven van lijken in tampajans 
-door de Doesoens en andere volkeu van Noord- West-Borneo. 

Wij zien daaruit, dat Wilken zijne hypothese nog verder had 
kunnen uitstrekken. De tampajans wareu niet slechts aanvankelijk 
reliekbergers , maar de bcgraafplaatsen van de stoffelijke overblijf- 
selen in hun geheel. Vergelijk ook Ling Roth, Vol. II, p. 286 
noot 4 , regel 6. 

Opmerkelijk is het dan ook, dat de tampajans, welke in 
Landak meer dan undere voor heilig gehouden worden, n.l. de 
<ljampa lama (oude djampa), de tadjau en de si am 
lama, alle zoo groot zijn, dat zij wel het lijk van een mensch 
kunnen bevatten. 

Veel komen er in Landak niet voor. De tampajans, die gebruikt 
worden om boeten te betalen , zijn alle van nieuw maaksel. 

Een paar zeer oude si am bezat in 1893 Soedjan, hoofd van 
Ampadiug nabij Betoeng. Hij noemde deze s i a m t a m a n (t a m a n 
= het land der Ddwas, lusthof, zie § 57) en siam p^goh. 

Soeradjaja hoofd van Ringau-Setonjeug bezat een oude djampa 
van het maunelijk geslacht. 



* Ook in een ander opziclit ia nog een treffende overeenkomst tusschen 
de sandong op het feest der Temilah-Dajaks en de voorloopige doodki.st 
4er Olo-Ngadjoe^s en ook met het schip van Tempon Telon, waarmede de 
zielen der afgestorvenen uaar het zielenland overgebracht worden, dat alien 
-de versiering van de buoeros of rhinoceros- vogel dragen. Deze is o.a. te zien 
in Grabowsky's „Der Tod, das Begrabnis, das Tiwah oder Todtenfest." Int. 
Archiv. B. 11, s. 182 de afbeelding van de I'aoeng en de beschrijving van de 
banama tingang biz. 184. 



DEE DAJAKS VAN LANDAK EN TAJ AN. 117 

§ 157. Mannelijke en vrouwelijke tampajans. 

DeLandak-Dajaks noemen een tampajau mannelijk, als er een naga 
(draak) en relief op voorkomt. Die dit niet hebben zijn vrouwelijk. 

De onde tampajans zijii in Landak opgekocht door Saribas-Dajaks 
uit Sarawak, die nog vaak voor dit do^l in Landak ten handel 
komen. Eenige aankoopen, door hen gedaan, kwamen ons ter oore. Bij 
geen enkel werd meer dan honderd dollars voor een tampajan gegeven. 

§ 158. Vereering van tampajans. 

De oude tampajans — vooral dedjampa's worden met zeer veel 
eerbied behandeld. Op het breken ervan staat een zeer hooge boete. 
Slechts op groote feesten worden zij voor den dag gehaald, hetgeen 
echter niet geschiedt dan onder het offeren van een hoen aan de 
Dewata^s. Het bloed smeert men dan op den tampajan. Aan 
afschrapsel van een djampa kent men heil aanbrengende kracht 
toe, ook aan water, dat zich eenigen tijd in een djampa lama 
bevonden heeft. Men drinkt dit als geneesmiddel. Vergelijk Veth, 
o. c. pag. 263 en Ling Both, o. c. Vol. 11, p. 286. 

Omtrent de vereering der djawets in de Zuid-Ooster afdeeling 
van Borneo vergelijke men Grabowsky, o. c. pag. 127. 

Verder deelt Grabowsky mede , dat de djawets ook gebruikt worden 
om //k r o h a U bamboekokertjes gevuld met d j i m a t s (stukjes hout , 
steen, wortel) te bewaren. 

Kater deelt in zijne verhandeling over de tampajans mede, dat de 
tampajan sSbankang ooreu heeft met zulke wijde openingen , 
dat er een linkerhand doorgestoken kan worden. Ook onder aan 
het oor kan men een rSntaka (zeer kleine lilla) of een parang 
(kapmes, houwer) ophangen. 

Hieruit valt wel af te leiden , dat het ook gewoonte is , om aan 
het oor dier tampajan een ijzer te hangen. Dit herinnert aan de 
gewoonte van den balian, om in de sandong gedurende het 
babalian een stuk ijzer te plaatsen (zie § 75). 

§ 159. Tampajan beschutting tegen kwade invloeden. 

Toen wij op het snelfeest bij de Sepatah Dajaks de Dajaksche 
hoofden vroegen naar de beteekenis van het woord sandong, 
antwoordden zij ons, dat dit gelijk was aan het Maleische woord 
?• Volgr. VI. * 9 



118 BIJDRAGE TOT DR KENNIS VAN DEN G0D8DIENST 

pajoeng = scherm. De tampajan sandong diende toch, 
naar zij zeideu, als schermbeschutting tegen de kwade rasis. 

Dit is ook in bet algemeen de beteekenis, welke de Dajak van 
Landak in den tegenwoordigeu tijd aan de bovenuatuurlijke werking 
van de wonderkracbt van de tampajan hecht. 

Een voorbeeld zagen wij reeds boven (§ 147), hoe eeu tampajan 
siton als panoela^ gebezigd werd van de kwade rasis bij het 
heerschen van algemeene ziekt«n. 

Andere voorbeelden laten wij hieronder volgen : 

In Sangkroe (B^h^) zagen wij in de nabijheid der kampong 
ergens aan den kaul van het voetpad een tampajan alang 
staan, ^ omgeven door een aantal tampajan siton. 

De tampajan siton was gedekl door een aarden bord. 

Men had deze tampajan gebruikt bij een barimah na het 
uitzaaien van de padi, aan de Dewata^s belovende een groot 
hoen te zuUen slachten, wanneer de oogst goed uitviel. 

Het offerhoen had bij het barimah op het aarden bord gelegen. 

Na afloop van den oogst zou men daar weer barimah, om dit 
groote hoen te slachten (bajar niat). Na deze ceremonie zou men 
de sitons wegnemen, maar de tampajan voorloopig nog laten staan. 

In kampong Toho (Ajoeh-gebied) vonden wij eeu 
kleine tampajan (een siton) ergens aan den weg 
staan onder drie vorksgewijze samengebonden bamboe 
staken, die een soort klangklang vormden. Ook 
dit toestel deed dienst bij het barimah. De tampajan 
diende volgeiis de Dajaks als pantoela^ (= iets dat 
afweert) van de kwade rasis. 

Bij kampong Moroo (MSranti B6\i€) zagen wij buiten op het erf 
twee tampajan siton staan , waarvan een met een aarden bord 
(m a n g k o^) gedekt was. De tampajan diende volgens het kampong- 
hoofd als /'pagar// = muur, natuurlijk tegen de kwade rasis. Men 
was gewoon ze als klangkang (offertafel) te gebruiken bij het 
barimah, waarbij men aan de Dewata^s vroeg , ziekte en ongeluk 
af te wenden. 




1 Kater spreekt in zijn verhandeling, o.c. pag. 448 abusievelijk vanalang^ 
alang soorten. Alang = (DajO kiekendief, = elang (Mai.) alang-alang 
(Jav.) = hoog gras, in Landak altijd lalang genoemd. Alang (Mai.) = dwars^ 
vergelijk palang en malang. Do beteekeni:} van het woord alang in. 
tampajan alan^ is ons onbekend. 



DIB DAJAKS VAN LANDAK EN TAJ AN. 119 

De deksel op de eene tampajan diende volgens het hoofd^om 
aan de vraag meerdere kracht bij te zetten. 

Nabij kampong Djandjang (Pareugoewan-Dajaks , Tajau) vonden 
wij een tampajan siton op de bekeude wijze tusschen drie staken 
opgesteld. Deze was daar vroeger door Biboen-Dajaks geplaatst bij 
gelegenheid van een verzoeningsfeest na een sneltocht. Die tampajan 
werd, zooals men ons mededeelde, nog steeds gebruikt als altaar 
om te '/b a r i m a h// . Ook deze tampajan was met een bord gedekt. 

§ 160. Tampajan als grensteekeu. 

Tampajans wordeu vaak geplaatst op de grens van het kampong- 
gebied , om de kwade invloeden daar buiten te bond en. Dit herinnert 
aan het gebruik van ithyphallische beeldeu als grenspalen in Japan 
en Korea (Zie Serrnrier, Phallisme, Tijdspiegel, 1896, biz. 447). 
Een tampajan, aldus gebezigd, noemt men tampajan s a pat of 
panjapar d.i. grenstampajau. Ik trof er een aan op den weg 
van Toho naar Sangkroe (grens Ajoeh en Behe) ; deze is daar door 
de bewoners van beide kampongs geplaatst onder het offereu van 
een varken (barimah), waarbij zij zich verbouden de tampajan als 
grens van elkaars gebied te beschouweu en te eerbiedigen. Wanneer 
na de bewoners van een dezer kampongs rijstvelden aanleggen of 
boschprodukten zoeken biunen het greusgebied der andere kampong , 
zonder daartoe vergunniug te hebben gevraagd, dan wordt geacht, 
dat door die handeling de kwade rasis opgewekt zijn ten opzichte 
van de benadeelde kampong. De kampong, welke de tampaj an 
sapat niet geeerbiedigd heeft, wordt daarom door de andere 
beboet tot het betalen van een varken, dat dan bij die tampajan 
aan de Dewata's geofiferd wordt, om de wereldorde weder te her 
stellen. Het bloed van het offerdier wordt natuurlijk op de tampajan 
gesmeerd. 

§ 161. Tampajan dienende om vrede te vragen. 

De tampajan als grensteeken heeft tevens de beteekenis van 
het vragen om vrede aan den vijand, die de grens zou willen 
overtrekken. ^ 



* Deze beteekenis komt ook goed uit bij het gebruik van een tampajan 
aU poengoet basi. 



120 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GOD9DIENST 

Is een vijandige stam in de nabuurschap zwervende met de 
bedoeliug koppen te snelleD, dau plaatst men aan den kant der 
grenswegen witte aardeu kopjes boven op bamboestaken , waarvan 
de boveneinden als trechters gesplitst zijn, op zoodanige wijze, dat 
ze duidelijk in het oog vallen. 

Zulke kopjes uoemen de Dajaks der Manjoeke-streek mangko^ 
p a n a b a r (= panjawar Maleisch , van s a w a r = beletsel) ; 
de vijand toch is door dit wit aarden kopje tot terugtocht ge- 
dwongen. 

Door het witte kopje erkeut men den twist op andere wijze dan 
door strijd n. 1. door betaling van wergeld te willen bijleggen , 
en het is hoogst pan tang zulk een teekeu te willen veronacht- 
zamen. 

§ 162. Als teeken van onschuld. 

Is bij een naburigen stam gesneld en de dader nog onbekend, 
dan is het gewoonte, dat de omliggende stammen, welke geen 
schuld aan het misdrijf hebben, ten bewijze hiervan een wit kopje 
aan den gelaedeerden stam zenden. Dergelijk k;opje heet mang- 
ko^ panoela^ basi d. i. kopje tot afwering van het 
staal (d. i. hetzwaard). 

§ 163. Als kennisgave van vredesherstel. 

Is de dader gevonden en de zaak door betaling van het wergeld 
in der minne geschikt, dan worden de omwonende kampongs hier- 
van in kennisgesteld door de toezending van een tampaj an, welke 
door een kom of schotel gedekt is(mando^toetoep bajar). 

§ 164. Tot uitnoodiging samen te Snellen. 

Wil men bevriende stammen uitnoodigen, om te samen ten strijde 
te trekken of op koppenjacht te gaan, zoo geschiedt dit door de 
toezending van een wit kopje, waarop aan den binnenkant els 
teeken van bloed een roode vlek met djarnang (drakenbloed) is 
aangebracht. Dit kopje heet dama^ panggagar. Dama^= blaas- 
roerpijl, maar heeft ook de beteekenis van tjap, stempel, middel 
om een bevel kracht bij te zetten, gagar = schudden, dama^ 



DEB DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 121 

panggagar = bevel om alien zonder uitzondering aan den strijd te 
doen deelnemen. (Maujoek^-Dajaks.) ^ 

§ 165. Tampajan, middel om kracht bij te zetten 

aan bevel, bericht. 

In het algemeen worden verder witte kopjes en tampajausnog 
gebezigd , om aan een bericht meerdere geloof waardigheid , aan eene 
lastgeving meerder gezag te verleenen. 

Wil een Dajaksch hoofd zijne onderhoorigen (ana^boewah) er 
toe dwingen, weder in een kamponggebouw te gaan samenwonen ^ 
(baradang noemt men dit), dan doethij zijn last daartoe vergezeld 
gaan van een tampajan m and o^ tot het keereu van te gen- 
stand en ongehoorzaamheid. 

Deze tampajan wordt dan het eigendom der onderhoorigen; 
voldoen zij echter uiet aan het bevel, dan vervallen zij in een 
hooge boete. 

§ 166. Als teeken van onderwerping. 

Ook als een teeken, dat men zich aan iemaud wil onderwerpen, 
gebruikt men tampajan s. 

Tijdens de Chineesche onlusten vluchtten de Pajoen-Bangan Dajaks 
(afdeeling Lara en Loemar) naar Landak, opgejaagd door de 
Kongsie Taikong. Zij wilden zich in Landak vestigen en zonden 
toen aan het stamhoofd der Manjoek^-Dajaks Patih, vader van 
Raksagati , hoofd van Setolo , een tampajan mando^ en aan 
Singa Demang, hoofd van Setonah, in wiens rechtstreeksch gebied 
zij zich wenschten neder te zetten, een tampajan si am en een 



' Inplaats van de dama^ panggagar zendt men ook de veder van een 
alau (soort baceros of jaarvogel), waaraan een stuk rood katoen en 
een pabajoe (stok met ingekerfde franjes. Zie boven § 147) gebonden is 
of ook een sampoetoet. Dit is een toorts van opgerolde harde boomsohors 
met een koord omwonden , brandende met een flaaw gloeicnd licht , dat door 
den wind tot eene vlam opflikkert. De sampoetoet wordt gebezigd door 
hen , die nachts op pad moeten , en het rondzenden er van houdt den last in 
zoo spoedig mogelijk op te komen , om desnoods nacht en dag door te loopen. 

* Tot het verspreid wonen gaan de Dajaks — als de veilighoid zulks toelaat — 
vaak over na mislukte rijstoogsten, omdat het dan gemakkelijker is door het 
zoeken van boschvrachten en boschprodukten aan den kost te komen. Dit is 
zeer ten ongerieve van de geregelde kamponghuishouding , waardoor de 
hoofden zich steeds daartegen verzetten, dikwijls helaas tevergeefs. 



122 BIJDBAOE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

varken. De bedoeling van deze geschenken was het vragen om leven 
(njawa) en om onderhoud (palihara). Ook aau de Chineezeu van 
Frigi zonden zij daartoe een varken en dertig g an tang rijst. 

§ 167. Tot betaling van boete. 

Yeelvuldig is het gebruik van tampajans als betaalmiddel tot 
voldoening van opgelegde boete. Soms bestaat zulk een boete slechts 
uit een enkel aarden kopje. Het zal den lezer echter wel duidelijk 
zijn geworden, dat het dan niet zoozeer de reeele waarde van het 
kopje is, die in aanmerking wordt genomen, dan wel de geheime 
kracht, die van het kopje uitgaat n. 1. van ongeluk af te wenden, 
en dat dan de boete van een kopje op gelijke lijn dient gesteld 
te worden met de boete van een stuk ijzer of van wat bras 
ban joe (geoliede rijst). Zij dieneu dus alleen, om de wereldorde 
te herstellen, de kwade rasis, die den verongelijkte bedreigen , 
weg te nemen. 



Bouw offer. 

§ 168. In Europa. 

Het bouwoffer wordt door Richard Andree behandeld in zijne 
//Ethnographische Parallelen und Vergleiche^ onder den titel Ein- 
mauern (p. 18.) 

Ook bij de volken van den Indischen Archipel komt het bouw- 
otfer voor, en is in de meeste streken eveneens voor hetmenschen- 
offer een zachter vorm in de plaats gekomen, namelijk het offer 
van dieren en levenlooze voorwerpen. 

§ 169. Menschenoffer in Borneo. 

Bij de Milanaus in het uoord-westen van Borneo , bij de Timor laut- 
eilanders en bij de Alfoeren van de Minahassa kwam het menschenoffer 
tot voor korten tijd voor. (Wilken). Nu nog op de Meutawei-eilanden. 

In het bijzonder 9chijnt het bouwoffer bij de volken van den 
Indischen Archipel een offer te zijn aan den geest der aarde. 






tot de T. L. rL Vi-arie nn X. L Trfvie T.V.crwi?. vi^-ya^ .5^1^ 

het opnditcn rms wee sicawe ^v^niug S!«v>5eivi ^.>riu i^ift b«^"^hc^> 
mine ea afvendiiig \%n nmpen te er;*::g^n is* of de »aivV wNy* 

villend, of de een of asdep? locate geesi.'^ 

Dexe stelliiig giat ook op roor de ljindjik-l>»jjik$ : ;M'agejien 
dcic cdilcr de Dewaia's als de hoc^e gvxlen vew^r^iu welke f.\j 
nimmer roorbij gsan, geldi hei offer in de eer?te pl^it^ dete 
geesten en daarna pas andere, in het bijionder de juirxlgee^len « om 
deze te renoenen wegens de inbreuk « die men op hunue ir^^hlen ma^kt* 

Eerst gaau de Dajaks over tot het bepalen der plaat9« waar de 
nienwe woning opgericht zal worden. Dit gesohiedt met behulp van 
TogeU en andere orakeb als van herten en insecten. 

Daarna wordt een gnnstig tijdstip afgewacht, om met het bouweu 
een aanvang te maken. 

Dit geldt Yoor geheel Landak; het bouwoffer self venehilt naar 
den stam, bij welken men het aantreft. 



Manjoek^. 

§ 171. Bouwoffer in Manjoeki^. 

Wanneer de gaten voor de hoofdstijlen gegravon zijn, ofTort men 
aan de Dewata's een bond en een hoen. Het bloed laat men in do 
kuilen uitvloeien, de kippen worden erin neergelegd. 

Wanneer het geraamte van het huis gerced is, olfort men wnnr 
een hoen en wanneer het huis reeds drie dagen bcwoond in ceu 
hoen, een bond en een varken. Bij het barimnh worden na dn 
Dewata's, de hoofdstijlen, de grond onder het huis en de bewoneni 
gepipist, met rijst bestrooid en met bloed besmeord, zooalH gebrui- 
kelijk is. Dit geldt alleen voor het eerste huis van een radang, 
voor de tweede en derde lawang is dit niet m(ier noodig. 



124 BIJDBAGE 'rOT DE KBNNIS VAN DEN GODSDIENST 

Dait 

§ 172. In Dait. 

Voor het opstellen der hoofdstijlen offert men aan de Dewala's 
een hoen, een bond en een varken. 

Ook aan de Qoembalangs, een soort geesten , die in de aarde 
wonen, wordt een offer gebracht. 

Bloed van de offerdieren worJt ook in de gaten voor de hoofd- 
stijlen gesprenkeld, waarin men bovendien nog deponeert de koppen 
der offerdieren en een schaaltje of pakje met allerlei verschillende 
offerspijzen, van elke schotel eene kleine hoeveelheid (toe rap of 
paloeboer). 



Ujamboe. 

§ 178. In Djamboe. 

Heeft men het materiaal voor het nieuwe huis bijeeu gebracht 
en de gaten voor de hoofdstijlen gegraven, dan gaat men over tot 
een barimah, waarbij aan de Dewata's een hoen, een bond en 
een varken geofferd worden. In de gaten voor de hoofdstijlen legt 
men een stuk ijzer, een stuk lieswortel (djarangau) en de koppen 
van de geslachte offerdieren. AJs het huis gereed is, zijn geene 
verdere ceremonien noodig. 



Bautawan. 



§ 174. In Bantawan. 

In de kuilen voor de hoofdstijlen werpt men een koendoer- 
vrucht (kalebas) daarin, beuevens wat rijst en padi. 

Is het huis eenmaal gereed, dan offert men aan de Dewata^s een 
kip, een bond, of een varken, naar den rijkdom van den bezitter. 
De stijlen ondergaan daarbij de ceremonien van het barimah. 



DEB OAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 125 

Batang^-Tarang-Dajaks in Tajan. 

§ 175. In Batang-Taraug. 

Is het gat voor de hoofdstijl gegraven, dan plaatst men daarin 
een levend hoen, wat zwavel, wat uien, wat slakken van gesroeed 
ijzer en wat gSranggo^ of acorns terrestris (lieswortel). Dan 
laat men den stijl met kracht in den knil neer, zoodat het hoen 
verpletterd wordt. 

Is de woning klaar, dan ondergaat het eerst de ceremonie met 
het hoen (k6ho ajam) en slacht men het beneveus een varken; met 
het bloed dezer dieren besmeert men stijien, spanribben en dwanbalken. 



Semia. 

§ 176. In Semia. 

In de gaten voor de hoofdstijlen 1^ men den kop van een kip, 
welke men eerst aan de Dewata^s heeft geofferd, verder wat kleef- 
rijst, wat tompi (= Mai. tjoetjoer) en wat hettL 



Soeli en Tengon. 

§ 177. In Noord-Landak. 

Bij deze Dajaks is het geen gewoonte iets in de gaten v<>or de 
stijien neer te le^en. Bij het bonwen van een gew</ou hnis hebben 
geene bijzondere ceremonien plaats, bij bet bouwen van een pantja 
daarentegen weL Bij den aanvang heeft een barimah pLuitc: icbet 
gereed, dan wordeu eenige hondeu g«*la«ht eu geofferd en de koppen 
bovendetotongopgehangen. Hetij^Urreni gewo^intedaarbijl^menarien. 



S<ni|MitoB^ 



Dexe Dajaks leg^^rL, wn^i^t^r zij e>eu pantja ix/uven, in ejk tpd 
voor de stijien e^L :*:T#fsd h'j^^i . dit 'jy^r 4tL luijj rtrfl^vni w<ifdt. 



INHOUDSOPGAVE. 

F. Het //baniat// het doen van geloften op heilige plaatsen 

§ 185. Het /-/baniat'/. 

§ 136. Tiong kaudaDg. 

§ 187. Andere heilige bergen. 

§ 188. Kanonnen van Monggoh. 

§ 139. Wonder kanon te Tebang (Tajan) 

§ 140. Geloften aan den Sultan van Pontianak. 

§ 141. Heilige Tambawangs. 

6. Het gebruik van beelden. 

§ 142. De Pantaks. 

§ 148. De Padagei. 

§ 144. Lotsboomen. 

§ 145. Panjoegoe-steenen , geplaatst bij het doen van een eed. 

§ 146. Afwenden van gevaar bij besmettelijke ziekten. 

§ 147. Tampajan als altaar. 

§ 148. Ampago-efBgie-ofiFers. 

§ 149. Panoela^ 

§ 150. Panjambahan. 

§ 151. Beelden bij de Tajan-Dajaks. 

H. IeTS over het GEBBUIK van tamp a JANS IN DE 

AFDEELING LaNDAK. 

§ 152. Verklaring van Wilken van de vereering der tampajans. 

§ 158. Bevestiging dezer theorie. 

§ 154. Fetisistische vereering in Landak. 

§ 155. Sandong. 

§ 156. Begraven van lijken in tampajans. 

§157. Mannelijke en vroawelijke tampajans. 

§ 158. Vereering van tampajans. 

§ 159. Tampajan beschutting tegen kwade invloeden. 

§ 160. Tampajan als grensteeken. 

§ 161. Tampajan dienende om vrede te vragen. 

§ 162. Als teeken van onschuld. 



INHOUDSOPGA VE. 1 27 

§ 163. Als keunisgave van vredesherstel. 

§ 164«. Tot uitnoodiging samen te Snellen. 

§ 165. Tampajan middel om kracht bij te zetten aan bevel, bericht. 

§ 166. Als teeken van onderwerping. 

§ 167. Tot betaling van boete. 

I. Het bouwoffer. 

§ 168. In Europa. 

§ 169. MeuschenoflFer in Borneo. 

§ 170. Verklariug van Wilken der beteekenis van het bouwoffer. 

§ 171. Bouwoffer in Manjoek^. 

§ 172. In Dait. 

§ 178. In Djamboe. 

§ 174. In Rantawan. 

§ 175. In Batang Tarang. 

§ 176. In Semia. 

§ 177. In Noord-Landak. 



DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR 

VAN DEN giWATEMPEL TE I'JANDI PRAM- 

BANAN EN DE VERMOEDELIJKE LEEF- 

TIJD VAN DIE TEMPELGROEP. 

DOOR 

MARTINE TONNET. 



Op voorstel van Dr. J. Groneman , eere-voorzitter der archaeologische 
vereeniging te Jogjakarta werd in 1885 een begin gemaakt met 
de ontgraving der Prambanantempels , welke arbeid in 1890 werd 
voltooid. Alhoewel de zoogenaamde Lara-Djonggrang-groep alreeds 
langen tijd bekeud was, kwamen bij de ontgraving vele verrassende 
bijzonderheden aan het licht, waarin Dr. G. aanleidiug vond, tot 
eene beschrijving ervan over te gaan. Die beschrijving, opgeluisterd 
met eene rijke verzameling afbeeldingen van de tempels en huune 
details, verscheen in 1»93 onder den titel: Dr. J. Groneman. Tjai[^di 
Frambanan na de ontgraving met 62 lichtdrukkeu van Cephas. 

Daar de verklaring der bas-reliefs aan de tempelmuren tot heden 
toe nog steeds op gissingen berust, durven ook wij de vrijheid 
nemen , de uitkomsten onzer studie , die met die van dr. Groneman 
hier en daar in strijd zijn, en die zich evenmin buiten het gebied 
der gissingen bewegen , onder de oogen onzer lezers te brengeu. 

Om de Qiwa-, Wis^u- en Brahmatempels nu, die deel uitmaken 
van deze groep , zijn reeksen van beeldgroepen gebeiteld , die aan 
deze tempels een dubbelslachtig karakter geven , daar die beelden 
van Bu^jdhistische opvatting getuigen , terwijl de hoofdbeelden boven 
de tempelputten blijkbaar Brahmaansch zijn. 

Daar wij in eenige dezer godenbeelden wereldhoeders (lokapala's) 
of beheerschers der windstreken meenen te herkennen, willen 
we die groepen eens wat nader beschouwen. We kiezen daartoe die 
van den Qiwatempel, die in het werk van Dr. Groneman fraai en 
duidelijk zijn afgebeeld. 



DS GODXNBEELDEN AAN DCN BUTTENMUUR ENZ. 129 

Maar we zollen vooraf de eigenschappen en attribaten der ver- 
schillende wereldhoeders nagaan. ' 

De lokapSla^s in het Baddhistisch geloof zijn vier in getal. 

Voor het Oosten : Dhrtara^ra , beheerscher der Gandharwa's ; 
attribunt: de mandoline. 

Yoor het Zoiden: Wiradhaka, koi\jng der Kambha^da^s (demonen). 

Hij draagt als helm een olifantskop en als attribunt een lang 
z w a a r d. 

Voor het Westen Wirupaksa ^, koniug der NSga's. Zijn attribunt 
is een caitya of een juweel in den vorm van een caitya in de 
rechterhand en eene slang in de linker. 

Voor het Noorden Kubera of Waigrawa^a, koning der 
YaksaV Zijn attributen zijn eene vaan of eene lans met vaan 
in de rechter en een rat die juweelen spuwt in de linkerhand. 

De laatstgenoemde God, die tevens God van den Bijkdom is, is 
de gewichtigste der vier groote koningen (CaturmahSrSja^s) of wereld- 
hoeders, die volgens Buddhistische opvatting den berg Mem 'of 
Sumeru, het centrum van het wereldsjsteem , bewaken. 

Het Brahmanisme kent er vier of acht en wel vier voor het 
Noorden, Oosten, Zuiden en Westen en acht, wanneer het Z.Oosten, 
Z.Westen, N.Ooeten en N.Westen daaraan worden toegevoegd. 

Daar de opgaven huuner namen volgens de ons toegankelijke 
bronnen niet overal gelijkluidend zijn, zuUen we de betreffende 
passage uit het werk van Coleman in haar geheel overnemen. (bl. 253). 

//Meru. 

The mythological mountain Meru, the Mienmo of the Burmese, 
and the Sineru of the Siamese , is termed by the Hindus the navel 
of the world, and is their Olympus, the fabled residence of their 
deities. It is described by them to be placed at the north pole and 
formed like a lotos , the petals of which are the abodes of the gods , 
attended by the Bishees, the Gundharvas, the Apsaras, and the 
Naga Bajah or great Snake King. On the summit is the heaven of 
Brahma; in the east is Swerga, the paradise of Indra, resplendent 



1 Geraadpleegd zijn voor de Brahmaansche lokapala's het werk van Colexax 
The Mythology of the Hindus. 1832 en Wilkiws, Hinda Mythology, 2« edit. , 
1900; voor de Buddhistische Gbunwkdel, Mythologie des Buddhismus in 
Tibet und der Mongolei, 1900. 

' Wirupaksa beteekent volgens Prof. Kern hij, wiens oog misvormd 
is, symbool van den zonsondergang. 



130 DE GODENBBELDEN AAN DEN BUITENMUUtt VAN DBN 

as a thousand suns ; in the south-east is the heaven of Agni ; in the 
south is Yama's; in the south-west Virupacsha's ; in the west, Varuna's ; 
in the north-west, Vayu's; in the north is Kuvera's, whose seat is 
formed of lapus-lazuli ; and in the north-east is the heaven of Siva , 
//of fervid gold.// Siva would thus appear to be doubly provided for, 
Virupacsha being also one of his names. According to some, Surja 
occupies the south-west. The heaven of Vishnu is variously placed: 
by some in the Frozen Ocean, and by others in a subterraneous 
sea of milk.// 

Op plaat 28 geeft C. ons een teekening te zien van dien Godenberg. 
Het centrum van de teekening is een plattegrond van den berg 
Meru. Daarboven zijn in vak B de godenverblijven geteekend. Nog 
hooger bevonden zich de hoogste hemelen met in den top het verblijf 
van het opperwezen. De vakken C en D moet men zich onder den 
berg denkeu. Het zijn de woningen der groote Naga's en de ver- 
schillende deelen van de hel. 

Wij hebben voorloopig alleen met het vak B te maken, dat 
Coleman als volgt beschrijft. 

//B. describes the heavenly mansions on the plane as they are 
placed above Meru, the sixteen, that are marked from 24 to 
39 being those of Indra and other deities." 

Het is zeer te bejammeren , dat hij die andere vijftien goden niet 
noemt. Verder vinden we deze opgave omtrent den Z.Westelijken 
wereldhoeder verdacht. Nergens elders toch troffen we Wirupaksa 
aan in het Brahmaansche godensysteem. Hij was voor de N. Bud- 
dhisten de beheerscher van het Westen. 

Elders op bl. 126 — 127 (noot) noemt hij de acht, als volgt: 

//Indra, the regent of showers and of the east wind. 

Vahui (== Agni) of the south-east. 

Yam a of the south. 

Nairit of the south-west. 

Varu^ia, regent of the west. 

Marut (=Wayu) of the north-west. 

Kuvera of the north [//south'/ is een vergissing]. 

1 9a (== Qiwa) of the north-east.// * 

Verder zegt hij nog : //This account will be found to vary slightly 
from other descriptions of the regents of the winds or eight points 



^ Deze opgave is betrouwbaar, want zij is, zooals Prof. Speyer mij mede- 
deelt, ontleend aan het woordenboek van Amarasiipha , den Amarako^a 
(zie aldaar I, 3, 2). 



9IWATEMPEL TE TJANDI P&AMBANAN ENZ. 131 

of the earth ; but the several accounts differ in a very trifling degree , 
introducing Agni instead of Vahni ' ; Surya instead of Nairit : 
Chandra for Kuwera; and Chandra also, or Prithivi , for Isa.// 

Waar er van 10 lokapSla's sprake is, zijn de beheerschers^ van 
het 2ienith en het Nadir er bij gerekend. 

Gaan wij nu de plaatsing der Brahmaansche wereldhoeders nog 
eeumaal na, dan zit diis: 

In het Oosten: Indra, Ood van den Hemel. Attribuut de 
wajra (bliksembundel) ; soms de lans. 

In het Zuiden Yam a, God van het Doodenrijk, ook van den 
Tijd en dan genaamd Ksla. Attributen: de pa^a (strik) en de da^da 
(de knods of roede). 

In het Westen Waru^a, God van de Wateren (in Wedischen tijd 
van den Nachthemel). Attribuut de pa 9a (strik). Dowsou noemt 
dien naga-pa^a of slangeustrik. 

In het Noorden Kuwera, God van den Rijkdom en Koning der 
Yaksa^s, ook wel Waigrawa^a geheeten. Attributen: de geldzak, 
de hamer en de lotos. Hij wordt gewoonlijk vergezeld door vier 
YaksaV Naast Kuwera wordt Soma of Candra genoemd , die 
door sommigen echter in het N.O. wordt geplaatst. Hij is de God 
van de Maan, oorspronkelijk de geest, die in de somaplant huist, 
een geneeskrachtige plant, waarnit een bedwelmende drank bereid 
werd. Voorts worden genoemd : 

Voor het Z. Oosten Agni, God van het Vuur. Attribuut: de 
to mar a (speer), de lotos, de banier en het bidsnoer. 

Voor het Z. Westen Surya, God van de Zon. Attribuut: de 
lotosbloem. 

Naast Surya vinden we bij Coleman voor het Z.W. genoemd : 
Wirupaksha, die bij de Buddhisteu het Westen beheerscht. Ook 
Nairit of Nirut noemt hij als zoodanig. In het Sanskrit luidt 
zijn naam Nairrta, een afleiding van Nirrti, de godin des verderfs. 

In het N. West en zit Wayu. Attribuut de witte vlag: soms 
ook de olifantshaak ea de speer of pijl. 

In het N. o s t e n zit Q i w a. Attributen de trisula (drietand) en 
de muT[^da (doodskop); soms nog enkele andere, die van zijn ver- 
delgeude kracht getuigen. Naast Qiwa wordt ook Soma genoemd 
als beheerscher van het N.O. en in de derde plaats Prthiwi 
(Godin der aarde). 

' Dit verschil is denkbeeldig ; want vahni is een synoniem van agni. 



13£ DK (lODENBEELDEK A AN DEN BUTTENMUUE VAN DIN 

Wanueer wij nu de BrahmaaDsche met de Baddhistische wereld- 
hoeders vergelijken, dao zien we, dat Indra met zijn wajra bij 
de Buddhisten heeft plaats gemaakt voor den Gkindharwakoning 
Uhrtarfiftra, dat Yama heeft plaats gemaakt voor den Demonenkoning 
Wiru(jhaka, wiens attribuut is eon lang zwaard. Die demonen 
heeteu Kumbh&^dft's. Nu beteekeut kumbha ff^oi/f of ^iini'>' 
(doodenurn). De gelaatskleur van dien god is blauw, wat wijst op 
een schrikwekkend karakter. Het is dns aannemelijk, dat in hem de 
oude Hellekoning Yaron voortleeft. De oude wedische God Wani^a 
heeft plaats gemaakt voor den Nl[gakoning WirnpSk^a. Die NSga^s 
spelcn in het Bnddhistische geloof een groote rol. Niet alleen, dat 
zij ill de Buddhalegendeu herhaaldelijk optreden als vereerders van 
Buddha en zijne leer, maar zij zijn in het volksgeloof de bewaarders 
vaTi schatten, voomamelijk van edelgesteenten. Zij brengen gelak 
aaii wie ze ziet en regen in tijden van droogte. Het is begrijpelijk , 
dat zij ill het regenbreugende Westeu wonen (ten Westen van den 
berg Meru) en met juweelen zijn gekroond. 

Alleen Kuwera (of Kubera) is wat uaam en fanctie betreft, 
dexelfde gebleven. Maar zijne attributen zijn veranderd. 

Bezieii wij uq de betreffende platen en beginnen we met Dr. Groneman 
aan de Oostzijde ten Zuiden van de trap. (Zie plaat XXXV). Daar 
zieu wij Iiidra als Wajra-pS^i met zijn wajra (bliksembnndel) als 
h\.»eder van het Oosten. Van eene mandoline is geen spoor te bekennen. 
We bebbeu hier dus deu Brahmaanschen wereldhoeder Toor ons. 
Aau weerszijdeii zitten drie vrouwelijke volgelingen. Dat slemt ook 
overmen met de gewone voorstelling , dat deze God ran apsanaen 
vhemelnjmfen) is vergezeld. Aan de rechterzijde van den God nen 
we boven den troon een seut^blad afgebeeld en nog iels hooger een 
lotosbloem met afbaugende meeldraden (zie origineele photo). Het 
seuteblad is *t svmbool van het koniugschap. Het komt op bijna al 
deze reliefs voor. Waar het ontbreekt, zallen wij er op Yijaen. 
ludra was de koninsr der Goden ' en is hier afeebeeld, nttende in 
zijn Swarga, een verblijf van de oppente zaligfaeid, dat gebonwd 
wtrrd door Wicwakarman , den bonwmeester der Goden. IX? stad had 
vv.>lsrer:$ het Mah&bhinta een omtrek ran SOO miiFen en was 40 
mi;Ien hvx>g. Hare pilaren w^ren srevonnd nit diaotancea: liare 
paleizer;, :rvaeii en meabelen uit het zaiverste gocd. 

• V-.-x =>^>r^ £::iir» ^'"^^ ■- '^'^ wi;Aaj:» ii* w*r'X* rvvr^mitvM ais 



giWATEMPEL TE TJANDl PBAMBANAN BNZ. 133 

Zij is de woonplaats der Gandharwa's (hemelsche zangers) en 
van de liefelijke apsarasen (hemelnymfen) , die de minnaressen 
waren van Goden en Gandharwa's en ook de belooning voor de in 
den strijd gevallene helden. 

Aan den Qiwatempel zien we ze in groote verscheidcnheid om 
den buitenmuur in bevallige standen afgebeeld, afgewisseld door 
groepen van gandharwa's. 

Voortgaande, nemen we nu eerst de middenfiguren nl. die, welke 
naast de trappen zijn geplaatst, omdat wij daarbij in de eerste 
plaats de wereldhoeders meenen te herkennen. 

Westelijk van de Zuidertrap zieii wij op relief N® XLI Yam a, 
den beheerscher van het Z u i d e n , tevens God van het D o o d e n- 
rijk en Eechter der Dooden. * Als zoodanig heet hij Dharmaraja 
en voert hij den pa? a (strik), waarmede hij zijne slachtoffers bindt. 

Op dit relief staat op de lotosbloem een roede. Hij is hier 
afgebeeld als Kala (= Tijdgod en Dooder). Zijn voornaamste volgeling 
is Citragupta, wiens taak het is, de daden en levensgebeurtenissen 
der dooden op te teekenen in het register Agra-San d ha n T. ^ Hij 
heeft een nagenoeg even schrikwekkend uiterlijk als zijn meester 
(uitpuilende oogen, groote tanden enz.) 

Yama is hier afgebeeld , zittende op den troon des oordeels. Aan 
zijne rechterzijde zitten zijne beide helpers of wachters en aan de 
uiterste rechterzijde zit Citragupta, kenbaar aan zijn schrikwekkend 
uiterlijk. Links zit de poortwachter Waidhyata, kenbaar aan zijn 
knods. In den uitersten linkervolgeling zien wij een der Yamadutas , 
wier plicht het was, de dooden binnen te brengen. 

Na de uitspraak van het vonnis werd de doode hetzij naar het 
verblijf der Pitaras (voorvaderen) in den hemel gebracht, hetzij naar 
een der 21 hellen gezonden of wel teruggezonden naar de aarde, 
om daar eene wedergeboorte te ondergaau. 

Verder wordt ons verteld , dat Yama twee onverzadigbare bond en 
bezat met vier oogen en wijde neusgaten, die men zich dacht, 
rondwandelende onder de menschen , om de slachtoffers op te »poren 
en die den ingang naar zijn verblijf bewaakten. 

De beide wapens der volgelingen houden we voor in scheeden 



* Verg. Bat&rS,, J&m&dipati of JS.m& (^t/>«/l) in de wajahg, ook Bat&r§, KS.1& 

of K§,mS,malah genaamd. 

' Vorg. BatS.r& Panjarikkan (^^"Wl'**'^'^) o^ schrijver in het Goden- 

verblijf als wajangfiguur. 

?• Volgr. VI. 10 



134 DE GODENBXeLDEN AAN DEN BUITENMUUB VAN DEN 

gestoken knodsen. ' Op de scheede van Citragupta meenden wt eeu 
jaartal te zien. 

Dr. JuYNBOLL had de goedheid , het voor ons te willen vergelijken 
met Oad-Javaansche inscripties en las eruit 996 Qaka, wat gelijk 
staat met 1074 van onze jaartelling. 

Later werd het door Prof. Kern gelezen als 886 Qaka = 964 n. C* 

Deze tempelgroep zou dan aanmerkelijk jonger zijn dan men tot 
nog toe heeft gemeend. 

Dat Yama, als Ksla (= Tijdgod), de drager zou zijn van het 
jaartal, is zeer goed aan te neroen. 

Daar het Citragupta^s taak was, de daden en levensbijzonderheden 
der gestorveneu op te teekenen, vatten wij het jaartal op als het 
sterfjaar van den in den tempel begraven vorst. ^ 

Denzelfden volgeling zien we op het pendant van dit relief N® XL 
meer op den achtergrond gezeten. Wij zien in de hoofdfiguur van 
dit relief den goedigen vorm van Yama als dharmarSja. 

Op de bloem staat de pli^a (strik). Citragupta draagt dan den 
naam van Karmala. 

Bij de beschouwiug der Bamaya^areliefs aan denzelfden tempet 
(zie pi. XI, XVIII, XXIV en XXXI) merkten we nog op, dat 
de kapsels van het volk en van de volgelingen der vorstelijke en 
hooge personen dezelfde zijn als die der Wajang-G^dog-poppen , 
wier geschiedenis speelt in den tijd van Fandji om en bij Djajab&j&^s 
regeering 1130—1160 n. C. 

Daar de kapsels in vroegere eeu wen op Java een groote rol 
hebbeu gespeeld, (ze waren meer nog dan kleederen of juweelen het 
kenmerk van den rang der dragers) is het begrijpelijk , dat dit 
karaktervoUe kenmerk zich in de wajang heeft gehandhaafd. 

Niet alleen dus, dat door de vaststelling van dit jaartal de 
legendaire figuren der Pandji-romaus op historischeu bodem worden 
geplaatst, maar wij meenen, dat, ook in verband met de boven- 
bedoelde overeeukomst in kapsels, men in de reliefs aan Tja^di 
Frambanan het aankuoopingspunt zal moeten zoeken voor het historisch 
verband tusscheu Midden- en Oost-Java. 



^ De Soesoehoenan van Solo bezit cr een waarvan de scheede nauwkearig^ 
denzelfden vorm vertoont als de hier afgebeelde. Dat wapen is met gouden 
franjes versierd, die aantoonen, dat het, evenals hier, met de punt naarboven 
wordt gedragen. 

' In 1885 is uit den tempelput een steenen urn te voorschijn gebracht^ 
gevuld met lijkasch en kostbaarhedeu. 



giWATBMPEL TE TJANDI PBAMBANAN ENZ. 185 

Wij gaan nu den tempel om naar de Westzijde. Daar zit aau 
weerszijden van de trap een Godheid, die eene, met een juweel 
gekrooude slang in de hand hondt. 

De overeenkomst tasschen de meeste reliefs, die de hoeken en 
trappen flankeeren, bracht ons op de gedachte, dat de 8 wereld- 
hoeders dabbel zijn afgebeeld. In de 24 muurvakken hebben we dan 
16 Goden te verwachten. Dat stemt overeen met de opgave van 
Coleman, die 16 Goden verblijven noemt. 

In de op deze beide reliefs afgebeelde Goden herkennen wij 
Waru^a, den beheerscher van het Westen, tevens God van den 
Oceaan, hier voorgesteld als pa^a-bhrt = strikdrager. * 

In de PurS^as wordt hij hoofdzakelijk als Watergod beschouwd. 
Zijn strik wordt daarin o.a. geuoemd nagapaga (Naga-strik). ^ 

Waru^ia bezit ook een scherm, genaamd abhoga, dat gemaakt 
is nit de bril (kophuid) van de brilslang en dat oudoordringbaar is 
voor water. De God draagt hier een bloemtros achter het linkeroor. 
De slang in zijn hand is in een strik gekronkeld. De voorste linker- 
volgeling houdt den abhoga omhoog. 

De middelste rechter-volgeliug omklemt met de rechterhaud eene 
lotosbloem. Het pendant van dit relief is nagenoeg identisch. 

Deze beide reliefs zijn hoogst merkwaardig. Wat het Naga- 
attribuut betreft, noch bij Coleman, noch bij Wilkins zageu we 
dit slang-attribuut afgebeeld of- genoemd. Altijd wordt daar gesproken 
van een strik of koord , ook van een knods in de andere hand. 
Alleen bij Dowson vonden wij den naga-pa9a vermeld. Men vergelijke 
GbIInwedel's Myth, des Buddh. in Tibet und der Mongolei, bldz. 51, 
waar bij de behandeling van Padmasambhava's levensbeschrijviug 
vermeld wordt, dat die heilige in het Westen in het land 
Nagapotadvipa komt, waar "die Macht hatte der Naga^/. Deze over- 
eenkomst met de voorstelling op Prambauan wijst er op, ilat ook 
naar Tibetaansche opvatting het attribuut van den Brahmaanschen 
hoeder van het Westen een naga was; onze reliefs wijzen uit, dat 
die dat ook voor Java is geweest. 

Wij wijzen er hier nog op, dat we Waru^a in het Buddhisme 
vermeld vinden, nl. als 9^®° Slangenkoning (Griinwedel bl. 191) en 



* Verg. BatS.r& BarunS. {rnt-npi) bij Gerioke en Roorda. 

' Verg. N&g&p&8& {tnnmaji^i) bij G. en R. de naara van een raythologisoh 
wapentuig. 



136 DE aODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUE VAN DEN 

dat de Naga's in het volksgeloof der Javaneii steeds een groote rol 
hebben gespeeld. 

Nog altijd ziju deze dieren voor hen de geluk- hu regeuaanbrengende, 
schattenbewarende wezens, die als reincarnaties van menschen op 
aarde wonderen verrichten. De naam van den 4^®° Buddhistischen 
slaugenkoning Wasuki leeft nog voort in den naam der Oostelijke 
residentie op Java: Basoeki en in de wajangverhalen. Ook Antabaga 
en Naga-Gini zijn voor de lezers der Javaansche legenden welbekende 
namen. De geleidelijke overgang van den Brahmaanschen naar den 
N. Buddhistischon beheerscher van het Westen, die een Naga- 
koning wordt genoemd, is door deze reliefs aangetoond. 

Wij gaan nu om naar de Noordzijde en zien op het relief 
Westelijk van de trap (pi. LII) eene zwaarlijvige figuur met vier 
Yaksa's als volgelingen. Beide kenmerken wijzen op Kuwera ^, den 
aan lepra lijdenden God van den Eijkdom, die, zoowel in het Brahmaansch 
als in het Buddhistisch geloof de beheerscher was van het Noorden. 
Maar vreemd : hij mist de hem voor beide kenmerkende attributeu. 
Wi8i[^u's gevleugelde schelp : de gankha , doet aan een watergod denken. 

Daarbij draagt hij eene zeer zonderlinge upawita, die wel uit 
menschenwervels lijkt te zijn samengesteld. Dit schrikwekkend karakter 
bez/it Kuwera niet in het land der Hindoe's. Zijn verblijf wordt daar 
voorgesteld als een gelukzalig oord, waar ellende, vrees, noch dood 
gekend wordt, waar geen verdriet bestaat, honger of ziekte. Wij 
meenen deze afwijkende voorstelliug als volgt te kunnen verklaren. 
Ook de Javaansche mythologie kent een God van den Rijkdom, 
die volgens sommigen eene Godin is: Kjahi of Njahi Blorong, 
die als onderdaau (rijksbestuurder?) van Ratoe Lara Kidoel op den 
bodem der Zuidzee woont: een watergod aldus en wel een schrik- 
wekkende , want voor goud vraagt hij menschenzielen in mil en zijn 
paleis is gebouwd van menschenbeenderen. Wij meenen in dit beeld 
het karakter van den Oud-Javaanschen Rijkdomsgod met dat van 
Kuwera vereenigd te zien. 

Kuwera is hier voorgesteld, gezeten in zijn iusthof Caitraratha 
of Mandara, die op den berg Meru gelegen is. Hij is het opper- 
hoofd van de Yak§a's ^ en de Guhyaka's. Ook worden de 
Kinnara's als zijne volgelingen genoemd. 



* Verg. Bat.&r& Kuwera (•nji^om) bij G. en R. of Dani3wS,r& In de Wa- 
jang konden wij hem niet ontdekken. 
' Verg. Jaksa (ivuun^) bij G. en R. 



giWATEMPEL TE TJANDI PEAMBANAN ENZ. 137 

In het feit, dat Wis^iu's hemel ten N. van den Mem gelegen 
was, ligt mogelijk ook nog een aanwijzing voor het afwijkend 
attribuut van den N. wereldhoeder. In de rechterhand draagt hij hier 
nog een onduidelijk symbool (geldzak?). 

Op relief N® LIII, het pendant van het vorige, zien we eene 
Godenfignur, omgeven door twee Yaksa's en twee Yaksa-vrouwen 
of Yak§i's, die wijzen op Kuwera. Maar daar de hoofdfiguur naar 
het niterlijk te oordeeleu moeilijk met Kuwera is te vereenzelvigen 
en daar we meermalen Soma als beheerscher van het N. genoemd 
vinden, houden we dezen God voor Soma of Candra , deu Maangod , 
die dan met Kuwera tezamen het N. beheerscht. * 

Op de bloem staat de candrakanta of ma^icaka, het maan- 
jnweel 2, dat gezegd werd nit maanstralen te zijn gevormd en een 
verkoelenden invloed uit te oefenen. 

De voorste YaksT draagt twee bloemtrossen , die naar het mij 
voorkomt, met de beschrijving der so ma plant overeenkoraen. De 
tweede draagt in de handen een klein fleschje^ met spitsen bodem. 
Met de rechterhand drnkt de vrouw op de stop en met de linker 
steunt zij den bodem , die niet op een voet rust. Om dien puntigen 
bodem en om het halsje zien we lofwerk. Degelijke fteschjes zien we 
in Griinwedel's //Handbuch der Buddhistischeu Kunst in Indien// 
meermalen afgebeeld in de handen van Bodhisattwa's, voomamelijk 
van Maitreja. Zie aldaar pi. 90, 92, 93 en 97. Op pi. 93 naar 
een bronsfiguurtje in Nepalschen stijl heeft het nauwkeurig 
denzelfdeu vorm als hier. Op pi. 90 naar een Gandhara-sculptuur 
is de bodem eenigszins afgeplat. Griinwedel noemt het daar het 
Grieksche zalffleschje. Op bl. 168 zegt hij, dat in de Gandhara- 
school het antieke fleschje met spitsen bodem kala9a in 
de plaats treedt van de ronde Indische lota. We hebben hier alzoo 
te doen met de overneming van een Buddhistisch attribuut door 
Brahmanen. Maar ook Padmapa^ii (zie Griinwedel's Mythologie von 
Tibet enz. bl. 126) wordt met zoo'n fleschje in de hand afgebeeld. 

Wat nog die overname van Buddhistische attributen betreft, wij 
wezen er in den aanvang al op, dat deze reliefs van Buddhistische 
opvatting getuigen. De bonding der beelden , de tronen met makara- 
koppen en de daarnaast hangeude bidschellen herinneren aan de 



* Verg. Soma (r^ojinfji) Eawi = maan en Tj&ndr& (Tywii^J^) K. N. 

' Verg. Tjllndr&k&nt& {rf^t(»p9^i^) Kw = njaanjuweel of Sasikllnt&. 

• Zie origineele photo. 



138 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 

Buddha's en Bodhisattwa's van Boroboedoer. Dezelfde iuvloed, die 
in Voor-Iiidie beslissend is geweest , heeft ook hier gewerkt. Griinwedel 
heeft aangetoond , dat de kanst dev OSndhara-periode , die zuiver 
N. Buddhistisch was, op de geheele latere kunstperiode, ook op 
de Brahmaansche sterken invloed heeft uitgeoefend. ^ 

Oudanks de overheersching van het Qiwai'sme bleef de grootsche, 
Buddhistische monumentale kanst van Midden-Java krachtig nawerken 
en de bouwmeesters van deze tempels, die de vertolkers moesten zijn 
van het godsdienstig gevoel hunner tijdgenooten , gaven aau de be- 
schermende Ooden der buitenmaren de kalme, zittende Buddha- 
houding en omringden ze met Qaudharwa's, bidschellen en lotos- 
bloemen, wat, alles tezamen genomen , aan Buddhistische bouwwerken 
het rustige, lieflijke karakter geeft , dat met het wreed en strijdvaardig 
aauzien van Qoden als Qiwa, DurgS en Qa^e^a in het geheel niet 
strookt. We zouden deze tempels willen noemen : Brahmaansch 
gedacht, maar Buddhistisch gevoeld. ^ 

We gaan nu den tempel om naar den Z. O. hoek en nemen eerst 
relief N® XXXVIII. Daar zien we Agni ', den God vanhetvuur, 
als beheerscher van het Z. Oosten. Hij is hier voorgesteld als 
tomaradhara (speerdrager) en als s a p t a j i h w a (zeventongige). 
Op de lotosbloem links van den God staat een speer met zeven 
tongen : de zeven vurige tongen van Agni. 



^ „Mag men op de aan den dag gekomen opscbriften afgaan, dan zonder 
twijfel, is reeds op Midden-Java de Hindoe-Javaansohe maatschappij vooral 
Qiwaitisoh geweest, want de Boeddhistische opschriften zijn zeer schaarsch 
en de (^iwaltische zeer talrijk. Aan een eigenlijk gezegden strijd valt ook 
hier niet te denken, een in goede en groote werken zioh uitende rivaliteit, 
waarbij het Boeddhisme in zijn eigen trant ook hier in de eerste plaats 
bouwde, gaf om beurten aan beiden de bovenhand; eendrachtig leefden 
beide kerkgenootschappen naast elkander (op een opsohrift wordt de Boeddha 
naast (^iwa aangeroepen). Wat de reden was, dat, niettegenstaande de 
stichtingen der Boeddhisten over 't algemeen zooveel grootsoher zijn, het 
Qiwa'isme toch het veld bchield, is onduidelijk, maar dit deed het zonder 
twijfel, evenals in Engelsoh-Indie." (Eno. N. I. artikel: „Oudheden".) 

3 In het opstel van Dr. Brandes: f,de Makara als haartressieraad'' lezen 
we in de volgende bewoordingen de meening van den schrijver: ^Ook Tjandi 
Prambanan laat het zien bij de Dewarsi's aan den Mahd.dewatempel , de 
Wisnwar§i's aan dien van Wif];Loe en de Brahmarfi's aan dien van Brama, 
die alien geheel ten onreohte voor Bodhisatwa's zijn nitgemaakt." 

' Verg. Geni = vuur en -cn^oo (=bahni). Op Java werd Agni van de plaats 

gedrongen door Batd,r& Brahm& (cn^t&i), die voor de Javanen als Vuurgod 
geldt. Vgl. bramastra „vuurpijl." 



QIWATEMPEL TB TJANDI PBAMBANAN INZ. 189 

De zes yolgelingen van Agui dragen hier een lichtschijf , die van 
een rand is voorzien. Op pi. XX van de B^maya^a-serie aan 
denzelfden tempel zien we diezelfde gerande glorie om de hoofden 
der Goden , die op aarde neergedaald zijn , om het gevecht tasschen 
Bama en de demonen bij te wonen. Terwijl op alle andere reliefs 
de glories van Kama en Laksma^a glad zijn, vertoonen deze een 
rand. Ook Bama draagt er een op dit relief, daar hij dan optreedt 
in zijn gedaante als Wi§^iu, waarvan hij de incamatie is. We noemen 
deze glories in het vervolg Godenglories. 

Agni is de leider van het verbrandingsproces en de Goden zijn 
op aarde neergedaald, om de plechtigheid bij te wonen. Zij dragen 
offerlepels, bloemen en ander oflFer-gereedschap. De voorste linker- 
volgeling draagt een steenen urn , waarboven een hondekop zichtbaar 
is. Hij heeft een hoofdtooi, die afwijkt van dien van den naast hem 
zitteuden. Het is Yama, de Doodengod, die gekomen is, om de 
asch van den overledene in ontvangst te uemen, begeleid door de 
beide hellehonden. 

Yama draagt in deze functie geen krooii, maar zijn haar isgetooid 
met bloemen. De middelste volgelingen dragen een voorwerp, dat 
we bij Wilkins in handen van Agni zien. 

Hij geeft daarvan geene nadere beschrijving. Wij houden het voor 
een lont. Het beeld van Agni zelf is buitengemeen fraai. Het is 
door een groot kunstenaar gebeeldhouwd. 

In N® XXXVII, het pendant van dit relief zien we Agni als 
Abjahasta (= hij die de lotos in de hand draagt). Hij zit in 
zijn verblijf en is hier, meen ik, voorgesteld als koning van de Pitaras. 

Zijne volgelingen zijn de hemelingen, die in hun aardsch leven 
het haardvuur getrouw onderhielden. Twee van hen dragen een 
offerlepel. De voorste rechtervolgeling draagt onder den linkerarm 
het dienstmes. 

De Zuid-Westelijke hoek van het gebou w biedt aan ons 
onderzoek de meeste moeielijkheden. Eerstens zijn de opgaven omtrent 
den beheerscher van die windstreek zeer verscheiden. Ten tweede 
zijn de hier afgebeelde attributen weinig kenmerkend. In de eerste 
plaats zoeken we hier naar S u r y a ^ , dien we meenen te herkennen 
in de hoofdfiguur op N® XLIV. De fronsing in het voorhoofd houden 
we voor eene aesthetische voorstelling van zijn derde oog. Absurditeiten 
werden door de beeldhouwers van Prambanan steeds zooveel mogelijk 



* Verg. Bat&r§. SurjS, (m «>«>») in de T7ajang. 



140 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUE VAN DEN 

vermeden. Huuue opvatting is over het algemeen hoogst artistiek 
te noemen. 

Surya was de ZonDegod en heet als zoodanig Bhaskara (== lichtmaker). 
Ziju attribuut is de lotosbloem , die we ook zien in handen der 
volgelingen. Op de bloem van den God ligt het zonnejuweel : 
suryakanta ^, een kristal, dat gedacht werd uit zonnestralen te ziju 
samengesteld en in het zonlicht warmte af te geven. 

In XLV zien wij een nevenvorm van Surya. De attributen van 
den God en van de volgelingen ziju nagenoeg identisch. 

Het meest raadselachtige van alle reliefs is wel N® XLIII, dat 
met XLIV den Z.W. hoek omsluit. De lotosbloem met het daarop 
liggend juweel doen aan Surya denken, maar we vinden ook aan- 
leidiug, om dezen God voor Nairrta te houdeu , die mede als de 
beheerscher van het Z.W. wordt genoemd en als een booze geest, 
een Raksasa, wordt voorgesteld. 

De Godheid is hier afgebeeld met een zeer bijzondere kroon, die 
aan die van Rawai;^a in andere reliefs doet denken. Hij toont even 
als zijne volgelingen eene boosaardige uitdrukking. Hij houdt in de 
linkerhand een gesloten lotosbloem, waarnaast we een aar meeneu 
te herkennen. De aan zijne linkerzijde gezetene volgelingen dragen 
glories. Wie ze voorstellen , konden we niet nagaan. De voorste houdt 
eene driedeelige bloem in de hand. Eene lotosbloem is het niet. Het 
is waarschijnlijk een bloemsymbool , dat we niet keunen. We zagen 
dit syrabool ook in de hand van Awalokite^wara (zie Griinwedel 
Myth, von Tibet bl. 65). 

De middelste houdt een lotosbloem omhoog, waarop een onherkenbaar 
voorwerp ligt. De laatste houdt de rechterhand naar voren geopend. 
Zoolang we geene bewijzen voor het tegendeel hebben, houden we 
dezen God voor Nairrta , den Satyaghna (= vermoorder der waarheid) 
van het Tibetaansche boek (zie Griinwedel, a. w. bldz. 52); die dan 
met Surya tezamen de Z.W. windstreek beheerscht. ^ 

Op relief N® XLIX zien we Wayu ^, den Windgod, tevens 
beheerscher van het N.W. Hij is hier afgebeeld als gandhawaha 



* Verg. Surj&-K&nt& (^o^ui^aoifOTn) = zonnejuweel of brandglas. 

' Verg. Bat&rS. Sambu (fw»g») in de wajang, een zoon van B. Guru, ook 
een Rudra gcnaamd. 

* Verg. Bat&r& Baju (trMa,t/i) in de wajang, ook genaamd MarutS. = Skt. 
maruta, marut. 



giWATEMPEL TB TJANDI PRAMBANAN ENZ. 141 

{= geurendrager). Op de bloemen der volgelingen ligt wierook, op 
de bloem van den God brandende wierook. Zijn attribuut : de vaan 
missen we echter. 

Op het pendant van dit relief N® L zien we Wayu als heer der 
Maruts (= Stormgoden). Op de bloem van den God staat eene 
driepantige vlam. De voorste liukervolgeling houdt eene bloeiende 
lotosplant in de hand. Daarnaast zitten twee personen met God en- 
glories. Het ziju de Maruts, keubaar aan hunne rijkbeweFkte 
goaden kronen. De gouden wapens, die zij in de Weda's gezegd 
worden te voeren, ontbreken hier echter. De voorste schijnt een 
bloemruiker te dragen en de volgende een lotosbloem (fakkel in den 
vorm eener lotosbloem?). 

In de beide reliefs, die den N.O. hoek van den tempel omsluiten 
(LV en LVI) herkennen we onmiddellijk Qiwa^, den beheerscher 
van het N. O. Hij voert op beide reliefs de m u i;^ d a (doodskop) en 
de tri^ula (drietand), en is hier voorgesteld als Mahaksla 
(== de groote verwoester of de dood) en als l9ana (= heerscher). 
De hoofdfiguren in deze beide reliefs zijn onmiskenbaar Qiwa en 
leveren, in verband met onze bronnen, den besten toetesteen voor 
de juistheid van onze geheele redeneering. De volgelingen leveren 
echter meer zwarigheid. De buiteuste rechtervolgeling op LV voert 
een tri^ula, de naast hem zittende een speer met weerhaken en de 
baitenste linkervolgeliug een veelpuntige speer. De beide laatste 
attributen begrijpen we niet. 

Het pendant van dit relief LVI is wat de volgelingen betreft nog 
duisterder. Die aan de rechterzijde zitten, missen het kastenkoord 
en zijn dus blijkbaar Qtidra's. De voorste draagt een bloemtros en 
de naast hem zittende omklemt met beide handen een klein fleschje, 
gedekt met een stop. Het is anders van vorm dan dat op het Soma- 
relief. Het schijnt smaller en rust op een voetje. Verder draagt de 
middelste liukervolgeling een platten over elkaar gekruisten halsband 
en de laatste een halsketen van tijgernagels , een echt Javaansch 
sieraad. Dit relief is zeer zonderliug. 

Daar we voor de meeste windstreken de dubbele plaatsing der 
wereldhoeders hebben aangetoond, kan N® LVIII geen anderen God 
voorstellen dan I n d ra , want geen andere wordt voor het 0. genoemd. 

^ In dc Manik-m&j& genaamd Bat&r& Emprit Andj&lS, (= «>?«^J«w^7i 



142 DE GODKNBSELDEN AAN DEN BUITSKMT7UB VAN DEN 

Het hoofdbeeld is helaas zwaar beschadigd. Aan zijne rechterzijde 
zitten drie Goden, waarschijulijk GandharwakoniDgen , waarvan hij 
beer was. ^ Die aau zijn linkerzijde zitten, missen de glorie. De 
Gandharwa^s hadden groote vermaardheid als medicijnwrijvers, in 
welke fuuctie zij bier zijn afgebeeld. De middelste recbtervolgeling 
is bezig medicijn te wrijven. De voorste links gezetene boudt iets 
als zalf in de baud en in derecbterband een (geneeskracbtige?) bloem. 

We bebben nu de reliefs, waarin we de wereldboeders meeuen te ber- 
kennen , besproken en gaan over tot de daartusscben geplaatste Goden. 

In K® XXXVI berkennen we Brbaspati of Guru, den leeraar 
der Goden , ook bun purobita (buispri ester). Hij wordt vereenzelvigd 
met den plaueet Jupiter en gold in den Kg Weda als een equivalent 
voor Brabmanaspati en dus ook voor Agni. In later tijd scbijnen de 
eigenscbappen dezer nevenvormen uit elkaar te zijn geweken, want 
de Brabmauaspati , die Wilkins ons bescbrijft, gelijkt maar weinig op 
den Purobita, dien we bier voor ons bebben. Links van den God staat 
zijn meest kenmerkend attribuut: de lota of waterkruik. De drietand, 
vliegenwaaier, de bedeluap en bet bidsnoer kenmerken bem alleen als 
priester, in dit systcem natuurlijk als Qiwapriester. Zijne volgeliugen 
voeren ook de laatste attributen. De voorste recbtervolgeling draagt als 
upawita een snoer van bidkoralen. De Godbeid draagt onder bet 
kastenkoord een breeden platteu band , die met een strik over den linker- 
scbouder ligt precies als bij bet Manj u^ribeeld van Oost-Java dat 
gedateerd is 1348 n. C. Vier van zijne volgeliugen dragen zoo'n band. 

Het komt ons voor, dat tusscben Qiwa als Mab^yogin (= groote 
asceet) en dezen Guru der Goden op Java eene vermenging heeft 
plaats gebad. Den voorvorm van den Javaanscben Batara Guru 
begrijpen we nog niet. Zoolang we geene bewijzen bebben voor bet 
tegendeel, bouden we den bier afgebeelden God voor Brbaspati. In 
elk geval komt bet ons gewaagd voor , in iedere , met een drietand 
afgebeelde Godbeid een Qiwa te zien. * 

^ De Gandharwa's {nm^tut) die men ook in de versieringen der muren als 
mythische wezens met vogellijven ziet afgebeeld, zai men in de wajangfiguren 
Bat&r& Patuk (i>t4>n»n9|) = vogelbek en Bat&r& Tumburu (T. is de eigennaam 

van een Gandharwa) moeten zoeken. 
* Verg. Wrahaspati {intun^ji^ain) Kw. = de daggod (?) en Araning 

Resi (cTi-njo (l.»:k.») = hij , die genaamd is: Kishi ook Respati {<u i^i ^ *^n) 'Kvt . 
= Donderdag. 

Yevg. Jogiavfkrk {rj tut in iy^ni)=z de groote asceet. 



qjIWATEMPEL TE TJANDI PBAMBANAN ENZ. 143 

Nu Yolgt een zeer merkwaardig relief (pi. XXXIX). We zien in 
de hoofdfiguur Hauumau inde gedaante van een Ood, wat hij 
naar de geboorte is. Hij is de zoon van Wsyu, den Windgod en 
van eene hemelnymf Anjana, die in de gedaante van een aap uit 
den hemel verbannen werd. Zij zit links van Hanuman naast de 
Oandharwa^s, waarbij zij behoort. Ze is dadelijk te herkennen aan 
haar apengezicht. Ook de staart is duidelijk zichtbaar. 

Op de bloem, die Hanuman ^ in de linkerhand draagt, staat de 
knods, liet gewone apenwapen. Aan die knodszien we drie wimpels 
(of vlammen?) 

Bechts van den Ood zien we den berg Oandhamadana, waar de 
Oandharwa's wonen onder hunne koniugen Haha en Huhu,diehier 
naast den berg zijn afgebeeld. Aan de andere zijde, op hetzelfde 
Yoetstnk, waarop de berg is geplaatst, zien we het geneeskrachtig 
kruid, dat daar groeide, en dat door Hanuman gehaald werd in den 
strijd tegen Bawai;^a, cm de gesueuveldeu te doen herleveu. Dit 
relief zit aan de Zuidzijde van den tempel tusschen Yama en Agni. 
Deze plaatsing van Hanuman schijnt eene beteekenis te hebben. 

In het werk van Ooleman is op pi. 27 eene afbeelding te zien 
van het Zuiderfront van den Kama tempel te Bamnaghur. Bij den 
bouw van dezen tempel schijnt dezelfde hoofdgedachte te hebben 
vooi^ezeten. In het midden der bovenste verdieping zien we Durga , 
staande op den stier; lager rechts en links van de poort Yama, 
daamaast Hanuman en in het Z. 0. Agni. Deze overeenkomst 
kan o. i. geen toevalligheid zijn (Hanuman zit ook hier tusschen 
Yama en Agni). We wijzen er nog op, hoe boven de godenreeks 
aan tempel Prambanan aan alle zijden van den tempel in kleine 
nisjes apen schijnen te zijn afgebeeld. Die stellen dan natuurlijk 
Hanuman voor. In het Bamgja^a wordt verteld, dat Hanuman de 
Zuidelijke apenlegers aanvoerde. Mogelijk is dit de red en zijner 
plaatsing aan den Zuidkant. 

Aan den Bama-tempel staat in het Z.W. //Munggala// [= Maugala, 
Mars] een ongeluksplaneet. Naast Hanuman ontbreekt op ons 
relief het Sent^bladl — Hanuman was geen vorst. 

Op relief N® XLII meenen we Brahma^aspati te zien (= heer 
van gebed 6f tooverspreuk) een nevenvorm van Agni. Hij is evenals 
Agni en Soma geboren op het altaar en stijgt vandaar naar de 



* Verg. Bagawan Hanuman (tnont,?^) of Baju Sut& (zoon van Baju) of 
B&ni& D&j&pati. 



144 DE GODENBBELDEN A AN DEN BUITENMUUB. VAN DEN 

Goden omhoog. Hij is de personificatie van het priestergebed. Op de 
bloem zieii we de offervlam. Hij wordt vereerd door hemelsche rsis 
en aardsche Brahmanen. Twee van hen dragen fakkels, twee offerlepels 
en twee anderen maken een eerbiedig handgebaar. Ze zitten met 
geopenden mond en worden hier dus zingende voorgesteld. 

We hebben bij dit relief ook aan Hanuman gedacht, daar we 
dien op bovenbedoelde plaat aan weerszijden van Yama zien afgebeeld , 
links met priestermuts en priesterselendang. Deze omstandigheid 
vereischt een nader onderzoek. 

Op relief N® XLVIII zien we Karttikeya ^ of Skanda den Oorlogsgod, 
hier in zijn hoedanigheid als Senfipati, aanvoerder der Godenlegers. 
Zijne drie attributen zijn aanwezig. Aan zijne rechterzijde staat de 
drietand, links de boog en daarnaast de pijl met de punt naar 
beneden (zie or. photo). Zijne volgelingen dragen hier lotosbloemeu. 

Op N® LI zien we Kama ^ den Minnegod hier afgebeeld als 
Puspa9ara (d. i. wiens pijlen bloem en zijn). 

Zijn attributen zijn: een boog van suikerriet, waarvan het koord 
uit bij en bestaat en pijlen, die in bloemen eindigen. De God 
draagt hier boog en bloemenpijl in de linkerhand. Zijn gevolg 
bestaat uit apsarasen, wat ook geheel in overeenstemming is met de 
voorstelling in de Brahmaansche mythologie. Eene der nymfen draagt 
daar wel een banier, waarop een makara of een visch is afgebeeld. 

De voorste linkernymf ligt geknield voor een lotosplant, die op 
een voetstuk schijnt te staan en waarboven een vlam brandt. 

Op relief N® LIV is misschien Wi^wakarman te zien , (dezelfde 
als de Wedische Tvastr) in zijn hoedanigheid van bouwmeester der 
Goden. ' 

Hij was niet alleen de bouwmeester der godenpaleizen , en de 
vervaardiger der uit zichzelf bewegende godenwagens maar smeedde 
behalve de wapens der Goden ook hunne gouden sieraden. De lotos- 
bloem in de hand van den God is afgebroken, maar daarboven 
zien we links van den God het beroemde vuurwapen, dat door 
hemzelf werd gesmeed. 



1 Van den naam Brahmanaspati ontdekten we in het Javaansoh geen 
equivalent, ook niet van Karttikeija, alhoewel de laatste naam nog voortleeft 
in prijaji kartik&, naam van een bepaald soort inlandsohe soldaten. 

' Verg. Bat&rS. K&m&dj&j& (<tni iem lu^ oaji) of Manobawa Kw. 

* Verg. Bagawan Manik&r& i'^pi^'^) = de goddelijke juwelier, eene 
Godheid, die in de zesde verdieping der aarde woont (G. en R.). 



qjIWATBMPEL TB TJANDI PRAMBANAN ENZ. 145 

Volgens Coleman en Dowson voert hij in de rechterhand een kuods 
of boog (die hier ontbrekeu). Zijue vrouw was een WauarT (apiu). 
Die is dus niet afgebeeld, wel waarschijulijk zijne moeder, de 
beminnelijke Yogasiddha, die we zien in de naast hem zittende vrouw. 
Zijne helpers en leerliugen waren de drie Rbhu's, die om hunne 
bekwaamheid als handwerkers onsterfelijkheid en goddelijke eer ver- 
worven hebbeu. 

Links van den God zit vooraan een hunner, wiens uiterlijk aan 
dat van een Eaksasa doet denken. Eveuwel, wij vonden uergens 
vermeld, dat de Ebhu's een Rsksasa-type vertoondeu. Dit relief 
is zeer merkwaardig. De laatste rechtervolgeling houdt een juweel 
in de hand. Wi^wakarman was ook een goudsmid. De middelste der 
Rbhu's houdt een oflferbekertje in de hand. Hun proefstuk is ge- 
weest, uit ^^n offerbeker, door hun meester gesmeed, er vier te raaken. 

En nu relief N« XLVII! 

In ons systeem mag Nsrada de Godenbode niet ontbreken. Hij 
is beslist een van de zestien geweest. Ook in de Wajang leeft hij 
voort. ^ Het eenige relief, waarop wij hem meenen te herkennen, 
is dit. Maar de ons toegankelijke bronuen geven helaas omtrent dien 
God weiuig klaarheid. Het bij Coleman afgebeelde attribuut: de 
wi^a (hindoe-luit) stemt niet met dat, hetwelk hier op de bloem 
is afgebeeld. We zijn dus genoodzaakt, onze verklariug op de gis 
te geven. 

Narada dan wordt gezegd een zoon te zijn van BrahmS en 
Saraswati. Hij was de bode der Goden en stond daarbij bekend als 
een wijs wetgever en astronoom, en als een uitstekend rousicus. 

Hij wordt geuoemd de uitvinder van de wi^iS en behoort als 
zoodanig bij de Gandharwa's. De laatsten zien we hier aan zijne 
rechterzijde gezeteu. Zij bespelen als hemelsche muzikanten verschillende 
instrumenten. De middelste bespeelt de wi^a, waarvan de klankkast 
op den schouder rust. De Godheid zelf voert op de lotosbloem den 
wed a, het attribuut van zijn vader Brahma. Aan zijne rechterzijde 
staat een spijsoffer: een bak met rijst, waarboveu bloemen zijn 
gelegd , zooals we dat meuigmaal aan Boroboedoer vinden afgebeeld. 
Het is hier geen attribuut. Het is niets dan eene aanwijyjng, dat 



* Verg. Bav4r4 Nar&d4 {»nnita) of Kanek&putr& (= zoon van G4ne^V; 

bode van Bsi{krk GuriL Hij wordt ook genaamd Dew&kebajan = de ordonnan« 
der Goden. De gending (= gamelan-melodie) : warn genjdjong of genjdjong 
dojong herinnert aan zijne derde functie (Zie G. en B.) Zijn verbiijf in den 
Suril4j& beet Suduk-udal-udal. (G. en B.)- 



146 DE GODENBEELDEN A AN DEN BUITENMUUE VAN DEN 

de Godheid is voorgesteld, bezig eene heilige handeling te verrichten. 
Die heilige handeliog kan niet anders zijii dan de voordracht vau 
het Ramaya^a, dat iu de reliefs aan dezen tempel zulk eene voorname 
rol speelt. Uit een symbolisch voorwerp (?) in de rechterhand openbaart 
de God het gedicht aan Walmiki, die in luisterende bonding aan 
zijne linkerzijde is gezeten. 

Naast Walmiki zitten twee personen, die attributen dragen, weike 
ons volkomen onverklaarbaar zijn. 

Gaan we nu de geheele reeks nog eenmaal ua en plaatsen we 
daarbij achter de namen, waarvan we niet zeker zijn een ? dan zit 
dus op relief 

N« 58 en 35 Indra. 

36 Brhaspati? 

37—38 Agni. 

39 Hanuman. 

40-41 Yama. 

42 Brahmanaspati P 

43 Nairrta? 
44 — 45 Surya? 
46 — 47 Waru^ia. 
48 Karttikeya. 
4.9—50 Wayu. 

51 Kama. 

52 Kuwera. 

53 Soma. 

54 Wi^wakarman. 
55 — 56 Qiwa. 
57 Narada? 

We krijgeu alzoo 17 Goden in plaats vau 16. Mogelijk, dat 
eene vergelijking met Britsch-Indische monumeuten als den Rama- 
tempel tot een zuivere oplossing voert. Dat in dit stelsel, waarin 
een oppervorst, een huispriester , een bouwmeester en een bode 
aanwezig zijn, de poortwachters niet ontbreken mogen , spreekt 
vanzelf. ^ Ze zijn aan weerszijden van de trappen in rijkversierde 
hoektempeltjes, ook op den omgang aan de binnenzijde der trap- 
leuningen in keurig bewerkte nisjes aan alle zijden afgebeeld. 

Voorts zieu we aan weerszijden van de Zuider-, Wester- en Noorder- 

^ Vergelijk de wajangfiguren: Batd,rll Tjingkllrd.b§>lll en Bat&rS. B&ld. Up&tS, , 
die geaoemd worden de poortwachters van Bat&r& Guru's paleis op den Meru. 



9IWATEMPEL TE TJANDI PBAMBANAN ENZ. 147 

trap, in rechthoekige steenblokken , in zeer laag relief knieleude 
olifanteu gebeiteld. Het zijn de dragers van den bei^; ten getale 
van acht steunen zij den Godenberg en hunne herinnering leeft 
onder de Javauen nog voort. ^ 

Bij Dowsou vinden we de uamen. Ze zijn, van den Oostelijken 
te beginneu: Airawata, Pu^darika, Wamana, Kumuda, Anjana, Push- 
padanta, Sarwabhauma en Supratika. Aan de Oosterpoort zijn ze hier 
blijkbaar weggevallen. Op pi. II zijn ze zeer duidelijk te onderscheideu. 

In de hoogste verdieping troont juist, zooals Coleman ons dat 
beschrijft: //the Supreme Being//, in dit stelsel natuurlijk Qiwa met 
Durga en Ga^iega, dien we hier ook te verwachten hebben: de 
Mahadewa der Javaneu. 

Wij hebben ons den hier begraven vorst alzoo voor te stellen als 
opgenomeu in den Suralaya, waar hij bewaakt en beschermd wordt 
door de hem omringende Qoden. Over derol, die Kuwera, Brhaspati 
en Hanumau in het geloof dier tijden gespeeld hebben , zal het van 
belang zijn, nadere studie te maken. De vele bronzen Kuwera's, 
die op Java gevonden zijn , wijzen erop , dat die Godheid daar eene 
voorname rol heeft gespeeld. Volgens Wilkins zijn de afbeeldingen 
in Engelsch-Iudie van hem zoo schaarsch , dat hij er voor zijn werk 
geen is kunnen raachtig worden. Bij Griinwedel vinden we hem enkele 
malen afgebeeld naar voorstellingen van dien God in Tibet en Japan. 

Ook onder de pijlerfiguren aan den Stupa van Barhut bevindt 
zich eene afbeeldiug van Kuwera. 



NASCHRIFT. 

Na de voltooiiug van dit opstel lazen we in de laatstverscheuen 

aflevering der Bijdragen eene verhandeliug van den heer C. M. Pleyte, 

waarin ons de bezweringsformulieren en legenden , die betrekking 

'hebben op het winnen van den palmwijn (l%6n) in de Soendalanden 

worden meegedeeld. De schrijver vertelt ons, hoe de outdekking en 

^ Het Javaansohe woord gadjah (^nii^/) en de Kawi-woorden dirada (d.* 
linn) en hasti (t^^) die alle olifant beteekenen, zijn Sengkd.l&-woorden 
voor het cijfer 8. Zie ook bij G. en R. het woord kari (•'»»'^»). Vandenamen 
dezer olifanten kennen de Javanen nog Eraw&nll (ry^L/imoiK)) enPusp&dentfi, 
{= i^T^i^taiHi). Volgens G. en R. heet de eerste in het Skt: Air&wai^a. 



148 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 

bekendmaking daarvan wordt toegeschreven aau Bat&ra Guru, die 
volgens die legenden in de gedaante van eeu rijstvogeltje den bewaker 
der rijstvelden : Semar op het denkbeeld bracht, den bloemsteugel 
van deu arenboom stuk te slaan en het sap te drinken. In de 
bezweringsformulieren , die nog steeds bij het tappen gebruikt worden , 
spreekt de tapper den boom aan als een maagd : Omas syang kantjana 
(bl. 605) (de gouden Godin Uraa?); ook als Atji Omas (de heilige 
Uma?) (zie bl. 112). Uma is, als bekend, een andere naam voor 
Durga, Qiwa's gemalin. Op bl. 607 noerat de tapper zichzelven 
Batara (= God) en spreekt den boom aan als Batari (Godin). 

Hier neemt in het bezweringsformulier de tapper blijkbaar de 
gedaante van Uma's gemaal : Qiwa aan. In een Javaansche legende 
wordt Prabu Erjai;iarudra als de ontdekker van het legensap genoemd. 
Rudra is alweer een andere naam voor Qiwa. Voor ons opstel het 
meest van belang is echter de overlevering, die op bl. 600 in een 
noot wordt meegedeeld, aangaande het ontstaan der legSn. 

Daarin wordt het rijstdiefje, dat er aanleiding toe gaf, gezegd 
af te stammen van Iwang of Hewang (hyang = God) Prit Handjolo, 
den heer van het Noordoostelijk deel der heerschappij (zie opstel). ' 
In verband met de andere aangehaalde legenden kan die heer niemand 
anders zijn dan Qiwa of Baflra Guru , zooals zijn vreedzame vorm op 
Java wordt genoemd. Uit het hier door ons aangehaalde maken we op, 
dat de functie van Soma als bezielende geest van den offerdrank, 
voor de Javanen op Qiwa is overgegaan en dat het sap van de 
somaplant, die op Java niet voorkomt, daar vervangen werd door 
dat van den arenboom. 

De attributen in de handen der rechtervolgelingen op relief N® LVI : 
een bloemtros en een fleschje worden volgens deze opvatting 
verklaarbaar. 

Dat juist Qiwa de functie waarneemt, schrijven we daaraan toe, 
dat deze Oppergod der Hindoe's in de Javaansche Mythologie zijn 
voorvorm heeft gehad, die als beschermende (Opper?) God der oude 
Javanen met den Hindoegod is samengesmolten. In zijn nog steeds 
voortleven in legenden, die op deu landbouw betrekking hebben, 
zien we daarvoor het bewijs. Dat Qiwa op Java een veel vreedzamer 
karakter droeg dan in het Hindocland , is o. i. aan het meer vreedzaam 



^ In de Maiiikm&j& worden acht door God Guru gesohapen hoofdgoden 
genoemd, nl. dew& kang m&r&wolu, hetgeen volgens Khemrev beteekent: 
„de goden, die zich verdeelden of verdeeld worden over acht windstreken." 
Zie wolu (G. en R.) 



giWATBMFEL TB TJANDI PKAMBANAN SKZ. 149 

karakter van dien voorvorm toe te schrijveu, die, als beschermende 
geest van landbouw en windstreken , eene rol moet hebben gespeeld. 
Deze samensmelting van lokale of nationale met van buiten aan- 
gebrachte Godheden is volstrekt niets ongewoons. Bij Griinwedel 
zien we daarvan voor Tibet en Mongolie verscheidene voorbeelden. 
(bl. 178 enz.) We zullen deze samensmelting uatuurlijk hoofdzakelijk 
hebben te zoeken onder de beschermende Goden van landboaw en 
windstreken. De Tibetaansche beheerschers der windstreken brengt 
Griinwedel onder de lokaalgodheden. De geboorte van nevenvormen 
is uit die samensmelting verklaarbaar. 



?• Volgr. VI. 11 



BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORON- 
TALO'SCHE SPRAAKKUNST BESPROKEN 



DOOR 

N. ADRIANI. 



De //Bijdrageu tot eeue Gorontalo'sche Spraakkunst// van deu 
Controleur J. Breukink (gedrukt voor rekeuing vau het Kon. Insti- 
tuut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indie, 1906) 
mogen begroet word en als eeu nuttig werk, waaruit een goed 
overzicht is te verkrijgeu over de afBxen waarover het Goroutaleesch 
beschikt tot het vormeu vau woorden uit stammen. Het is de 
oprechte begeerte om voor de Europeesche bestuurs-ambtenaren den 
weg te effenen tot het aanleeren van het Goroutaleesch, die den 
schrijver er toe gebracht heeft zijn vrijen tijd aau de taalstudie te wijden, 
daar hij heeft ingezien dat de ambteuareu iu staat moeten zijn om ook 
zonder bemiddeliug vau tolkeu en hoofden aanraking met het volk 
te hebben, het eenige middel om het volk uit zijn achterlijkeu 
toestaud op te beuren. De Heer Breukink heeft hiermede niet alleeu 
voor het volk van Gorontalo en zijne Europeesche bestuurders een 
nuttig werk verricht, maar ook de beoefenaars der Indonesische 
talen aau zich verplicht. Zijn werk is het beste wat totuogtoe over 
het Goroutaleesch is verscheneu. Het boek vau Joest is iu geleerder 
stijl geschreven en maakt , oppervlakkig bezien , meer den indruk 
vau het werk van een taalkeuuer, maar het is geen eerlijk boek. 
De schrijver heeft zijne lezers niet iugelicht omtreut de wijze waarop 
hij zijn werk heeft samengesteld. Hij heeft niet beleden dat hij zelf 
zeer weiuig vau de taal wist en het grootste deel vau zijn materiaal 
heeft moeten overnemeu van audereu , over wier kenuis hij geen 
oordeel kou hebben. Hij heeft zich daardoor aansprakelijk gesteld 
voor eeu aantal beweriugen , waarvan hij de verautwoordelijkheid 
niet zou kunnen drageu. 

De Heer Breukink is zoo eerlijk geweest ous eeu iuzicht te geven 
iu de wijze waarop zijn boek is outstaan. Hij heeft den naum van 



BBBUUNk's BIJDBAGEN tot SENE GK)U0NTAL0*SCHE sp&aakkunst. 151 

den kundigeii Inlander die hem heeft geholpen, dankbaar vermeld 
en zoodoende meteen verklaard hoe zijn werk is tot stand gekomeu. 
Het is daardoor voor den lezer mogelijk de verdiensten van den 
Heer Breukink en die van zijn Leermeester billijk te beoordeelen. 
Hij zal nn den eerste niet aansprakelijk stellen voor de fouten die 
de laatste noodzakelijk heeft moeten maken, door den beperkten 
blik dien deze op zijne moedertaal had, maar integendeel den In- 
landschen Leermeester dankbaar zijn voor den rijkdom van het 
bijeengebrachte materiaal en den Heer Breukink voor de systematische 
rangschikking en verklaring daarvan. 

Nog ^^ne opmerking moet ik maken, eer ik tot de bespreking 
van de Spraakkunst zelve overga. In de laatste alinea zijner Voorrede 
zegt de Heer Breukink, dat hij aan zijne Haudleiding eene vertaliug 
in het Maleisch heeft toegevoegd. Mij dunkt, hij had verstandiger 
gedaan, indien hij den Hollandschen tekst als vertaling van den 
Maleischen had aangekondigd. De Maleische tekst is n.I. op vele 
plaatsen beter dan de Hollandsche, zooals ik in den loop mijner 
bespreking hier eo daar zal aauwijzen. Wauneer wij den Maleischen 
tekst beschouwen als de, onder dictaat van Goeroe Doenggio, door 
den Heer Breukink gemaakte aanteekeningeii , later door hem ge- 
schift eu geordend, dan kuunen wij niet alleeu hier en daar met 
de gegeven verklaring insteramen, maar ook eerder vrede hebben 
met de in het boek neergelegde taalbeschouwing, die bij een In- 
landschen Onderwijzer volkomen begrijpelijk is, maar die men bij 
een Europeaan niet zonder enkele aanmerkingen er door kan laten. 

Om nu tot het boek zelf te komen, in Hoofdstuk I, Spelling en 
Uitspraak, wordt de font begaan van het schrift tot uitgangspunt 
der bespreking te uemen, zoodat de woorden worden beschouwd als 
te bestaan uit letters in plaats van uit klauken (lettergrepen). Vandaar 
mededeeliugen als (bl. 5): de samenvoegingen van medeklinkers /3?^, 
ndl, mby ngg ^ kan men slechts met moeite in de uitspraak hooreu. 
Hier zegt de Maleische tekst juister, dat die (twee of) drie letters 
moeten beschouwd worden als ^n letterteeken. De ware methode 
is intusschen deze: de voorhanden klanken beschrijven en daarbij 
mededeelen hoe die het best met ons alfabeth worden afgebeeld. 

Vergelijkt men nu Breukink's klankleer met die van Joest, dan 
ziet de laatste er wel meer weteoschappelijk behaudeld uit, maar 
tevens blijkt^het, dat Joest de klanken der taal niet goed heeft 
gehoord en ze dus ook verkeerd heeft weergegeveu. Hoewel de Heer 



152 bbeukink's bijdbaoen tot eene gobontalo'sohs spbaakkunst. 

Breukink een verkeerd uitgangspunt heeft gekozen, zoo heeft hij 
toch de klanken vau het Goiontaleesch goed gehoord en ze in zijne 
spelling z66 afgebeeld , dat men redelijk wel kan begrijpen hoe ze 
klinken. 

Ouk op bl. 6 , waar gezegd wordt dat men in de Gor. spelling de 
r niet aantreft, heeft de Mai. tekst beter: in de Gor, taal komt de 
letter r in het geheel niet voor. Verder heet het, dat de r van de 
vreemde woorden als I wordt uitgesproken. Dit is volkomen juist, 
maar de volgende voorbeelden zijn niet alle overgenomen woorden. 
In de eerste plaats Hoelondtalo {Hoelondalo van den tekst is eene druk- 
fout), dat geen Gorontaleesche uitspraak is van Oorontalo^ want 
het laatste is eene verhaspeling van het eerste. Boengoho (hooren), 
dat niet eens eene r vertoont, is ook bij vergissing onder die voor- 
beelden verzeild geraakt, want nit dit woord blijkt, dat de r van 
de 1* V. d. Tuuksche klankwet (de R-G-H-wet noemt Brandstetter 
ze, op bl. 18 van zijn Prodromus) in het Gt. Overgaat in.A. Andere 
voorbeelden zijn Auhi^ Mai. Awri\ iuluhu^ Mai. tidur\ dulakuy Loin- 
dangsch, Bobongko'sch , dolag //zon, dag". 

Op bl. 7 bovenaan had de Schr. beter gedaan de echt Goronta- 
leesche uitspraak van saja^ sapi^ sahahoe^ sangadja^ enz. weer te 
geven, want als de taal de klanken s^ dj^ tj^ niet heeft, zal de 
Gorontalees ze ook wel niet zuiver kunnen uitspreken. Bij de voor- 
beelden dtoemadti en loeloeti heeft de Schr. dan ook de Gt. uitspraak 
opgegeven. 

Ook de voorbeelden van den op bl. 7 § 4 opgegeven regel , dat 
alle lettergrepen open zijn en de taal dus vocalisch is, zijn niet 
alle geldig, daar loepa^ lalala^ lojoengo, laid' a ^ limohe vreemde 
woorden zijn. 

Op bl. 8 , § 5 wordt medegedeeld , dat het Gt. in overgenomen 
woorden de gesloten lettergrepen opent, door den consonantischen 
sluiter met a, t, o of oe uit te spreken. Op bl. 7 is een voorbeeld 
van e in dezelfde functie gegeven, n.l. limohe^ dat het Mai. limak is, 
terwijl het eenige voorbeeld dat van o wordt gegeven, kondlolo 
(controleur) ongeldig is. Dit woord heeft n, 1. in de Gt. uitspraak 
den oorspronkelijken eindsluiter afgeworpen, immers de lettergreep 
lo correspond eert met - leur van het HoU. woord. Het voorbeeld 
zou geldig zijn, wanneer de uitspraak luidde: kondlololo. Ook de a 
komt in het algemeen in deze functie weinig voor; vormen als 
Iboerahima en Iloemaila (Ismail) kunnen Arabische accusatieven 
zijn. Blijven dus over i en oe, Omtrent het gebruik van deze twee 



BRBUKINK^S BIJDRAGEN TOT EENS GOBONTALO'sGHE SPBAAKKUN8T. 153 

kan waarschijnlijk deze regel worden gesteld : Op grond van de 
Yoorbeeldeu op bl. 83 onderaan en bl. 84 bovenaan, waar de ge- 
sloten lettergrepen van de uamen onzer maanden bijna alle met i 
worden geopend, bv, Apoelili (April), Sepoetembeli (September), kan 
men aannemen dat in Halgemeen i de klank is waarmede een couso- 
nantische sluiter wordt hoorbaar gemaakt , gelijk dit ook in de vocalische 
talen der Tomiuibocht bet geval is. Bij woorden met consonautische 
eindsluiters wordt daardoor eene looze eiudlettergreep gevormd, die 
voor den klemtoon niet medetelt. Labialen worden gaarne met deii 
labia [en klinker oe uitgesproken, bv. maliamoe (kanon), van mihriam 
(Mai.), Adamoe (Adam) ; ook wanneer de te openen sluiter oe 
v66r zich heeft, wordt hij gaarne met oe geopend, bv. Mahamoedoe 
(Mahmoed), koehoeloe (Mai. ioeboer^ gT&f)^ loeloeloe fljoeljoer , sooit \slu 
gebak), hoetgeloe (Mai. hotol^ flesch), enz. Zelfs in echt Gt. woorden, 
die den oorspr. sluiter hebben bewaard, door hem tot eene opene 
lettergreep uit te breiden , komt de oe in dit gev^l voor, bv. 
taloehoe (water), Bis. salog^ Mai. saloerfanj ^ Sang, sah^ \ toeloehoe 
(slapen). Bis. tolog ^ Mai. tidoer ; doelahoe (zon, dag), Loind. dol^ig^ 
Bobongko'sch id. 

Om nog even op de a en de (? als openende klanken terug te komen , 
van de eerste wordt nog een voorbeeld gegeven in Mahamoedoe. 
Hier heeft de tusschenklank zich tot a gevormd na de h en in na- 
volging van de a der eerste lettergreep. In zulke gevallen zal de 
a wel eens meer voorkomen. Van de o zijn op bl. 9 voorbeeld en 
te viuden, bv. waiingo (zout), Mai. enz. a^in; watopo (dak), Jav. 
ai(^ ; toemoewoto (biunengaan) , Bare'e *«a. In de beide laatste ge- 
vallen is de uit assimilatie te verklaren, in het eerste voorbeeld 
zou men *, of om de ng ^ eene a, die (vooral in de eiudlettergreep) 
in het Gt. gemakkelijk tot o wordt, verwacht hebben. 

De beschrijving der lange en korte klinkers in § 6 op bl. 8, is 
blijkens § 7 die van de uitspraak der klinkers van de geklemtoonde 
lettergreep. Tengevolge der verwarring van de begrippen lange, 
geklemtoonde en gerekte lettergreep, is ook dit gedeelte van de 
klankleer niet zeer duidelijk. 

HooFDSTUK II. Wat de Hr. Br. van ma- zegt, toont aan dat 
het niet zoozeer een voorvoegsel is, als wel een proclitisch woordje, 
door hem terecht vertaald met //reeds, al//. Om de beteekenis zuiver 
te doen uitkomen, hadden zooveel mogelijk voorbeelden moeten 
gekozen worden, waarin geen ander voor-, of invoegsel voorkomt. 
Het eenige zoodauig voorbeeld dat de Schr. geeft is matali //reeds 



154 BEEUKINK.'S BIJDEA.GEN TOT EENB OORONTALO'sCHE SPEAAKKUN9T. 

gekocht.// De andere voorbeelden zijn alle gevormd met het infix 
-i^-, dat door den Schr. terloops in eene noot op bl. 13 wordt 
vermeld, waarbij hij tevens zegt dat hij het niet afzonderlijk be- 
handelt. Welke reden kan daarvoor bestaan, waar het den Schr. 
toch duidelijk moet zijn geworden , dat dit infix in het Gt. nog 
zeer druk in gebruik is en ook dat het , evenals in de Minah. talen 
en in het Mongoud., nog niet uitsluitend tot de passieve vormen 
beperkt is, maar nog de meer uitgebreide functie heeft om eene 
verleden handeling aan te duiden. De functie van -t7- is dus in de 
noot te beperkt opgegeven. De bijvoeging van ilo- aldaar is onjuist; 
zulk een infix bestaat niet. Op bl. 32 wordt ilo- als afzonderlijk 
voorvoegsel behandeld. Daar -il- het bekende invoegsel -in- is, zoo 
is dit ilo' niet anders dan de praeteritaal-vorm van het praefix o-, 
dat op bl. 24 is behandeld. Dit o- nu is het M. P. voorvoegsel 
ka- en zoo is dus ilo- id. met Mna-^ dat bv. in de Minah. talen 
nog in voile, kracht fungeert. 

In dezelfde noot wordt ook even vluchtig over -oem- gesproken. 
Behalve de beide voorbeelden aldaar gegeven , komen nog hier en 
daar vormen met -oem- voor, bv. toemoewoto {hinuengB,SLn), doemodoepo 
fs morgens) op bl. 9 en matiloemateo (is reeds weggeloopen) op bl. 13, 
waarin dus -il- met -oem- te zamen staat. 

Uit de van ma- opgegeven functies in de § § 2 , 3 en 4 , blijkt 
verder duidelijk dat het praedicatem vormt van naamwoorden, ma 
Limoetoe oetia^ //dit is reeds L.//, mawau //ik ben het [akoelah),ff 
Door het naamwoord te makeu tot een praedicaat, dus tot een zelf- 
standig onderdeel van den zin, legt men er ook vanzelf nadruk op. 
De gegeven voorbeelden maken dit voldoende duidelijk. 

II (bl. 18). mO' is het voorvoegsel dat aanduidt: de handeling 
staat aan te vangen of is aangevangen ; het vormt dus eene tegen- 
stelliug tot het infix -il- en tot op zekere hoogte eveneens tot ma-. 
Dit komt duidelijk uit in de voorbeelden gegeven op bl. 19, in 
§ 2. Mo- v66r adjectief-stammen drukt niet, zooals ma-^ uit dat 
de toestand dien het adjectief uoemt is bereikt, van worden is ge- 
komen tot zijn, maar eenvoudig dat hij aanwezig is, zonder naar 
het worden te vrageu. Zoo is het op bl. 15 § 4 genoemde voorbeeld 
mapaioe vertaald met //het is warm geworden//, terwijl mopatoe be- 
teekent //warm, warm zijn//, zonder dat er wordt gedacht aan den 
toestand die v66r dit warm zijn bestond. 

III (bl. 20). Dat mai eenvoudig de aansporende partikel is, die 
in het Mai. mari luidt, heeft de Hr. Br. reeds zelf opgemerkt. Bij 



BBBUKINKS BIJDBAGEN TOT BENE GOKONTALO SOHE SPBAAKKUNST. 155 

de oj^egeven voorbeelden zou het beter zijn geweest, indien hij 
niet de conjactief-vormen deloioa, dtoetoewa^ tapila^ waupa^ ioeboewa^ 
tijanga had opgegeven , zonder naar de behandeling van dezen vorm 
op bl. 70 — 72, §3 en 4 te verwijzen; het zou dan spoediger 
duidelijk zijn gewordeu, dat de Imperatief niet in mai zit, maar 
in de -a die achter deze w.w.-stammeu is gevoegd en dat mai dus 
slechts eene aansporiug is, die den Imperatief versterkt. 

Ill (bl. 21). po' moet wordeu samengenomen met mo-^ waarvan 
het de nominale vorm is. Het heeft ook hier de regelmatige be- 
teekenissen van het nomen verbale, n.l. Imperatief, bv. polao //ga 
weg!/y en Infinitief van doel, bv. podeto //om te naaien//. Wat in 
§ 2 wordt gezegd , valt geheel met het in § 1 besprokene samen , 
want pohocnggoeli is het nomen verb, van mohoenggoeli , evenals polapoe 
van molnpoey enz. 

V (bl. 24). Het voorvoegsel o- is het M. P. ka-, Bijna in alle 
voorbeelden die de Hr. Br. geeft, wordt ook het suffix -a aan- 
getroffen , zoodat wij met de bekende vormen ka-an te doen hebben. 
2jO0 staat ohama voor kahama en otd^owa voor kaiakoan //kunnen 
gestolen worden,// kaijwrian (Mai.), otijanga y oot kaiijangan ff\\n\nQXi 
geroepen worden//, kapanggilan (Mai.). 

Bl. 26, § 2. Ook het hier behandelde <?-, 't welk beteekent 
/i'bezittende wat het grondwoord aanduidt, moet als een verzwakte 
vorm van ka- wordeu opgevat. In de meeste Indon. talen beteekent 
ka- v66r een substantief z. v. a. //mede-, -genoot//, Lat. co-, bv. 
Tontemb. karo'ong //stadgenoot//, karapi //metgezel//, Bare'e kasi-y 
bv. kasilipu //dorpsgenoot//, kasitorano //medelid van den stam To 
Ratio, Doch in het Gt. heeft oapula niet de bet. van //medehoud/', 
maar van //gezel v, e. bond, een bond tot gezel hebbende, bezitter 
van een hond^, wat in het Tontemb. met maka-YfoTAt aangeduid, 
dus makaasuy makawale (huisheer) Gt. obele (voor: kahele^ kahale). 
Zoo ook bij adjectieven (§2, bl. 28) opatu, //warmte hebben//. 

VI. (bl. 29). De verklaring van het voorvoegsel popo- isonjuist; 
het prefix po- gevoegd v66r een stam die met po- (N® IV, bl. 21) 
is samengesteld (d.i. v66r het nomen verbale) vormt den causatief. 
Dat dit po- id. is met dat van het n. verb, is niet waarschijnlijk , 
het als eene reduplicatie van po- te beschouwen, dus een n. verb, 
met herhaald prefix te zien in de met popo- gevormde stammen, 
met de bet. van een versterkten Imperatief, is geheel bezijden de 
waarheid. Uit de vertaling der voorbeelden blijkt trouwens duidelijk, 
dat men hier met den causa tieven vorm te maken heeft, bv. popo- 



1 56 BBIUKINK S BUDKAGEN TOT EENE GOBONTALO SCHE SFB.AAKKUNST. 

tetea //laat draven//, popodengeta //laat bijten//, popotoewoia //laat 
binnengaau//. De a- achter deze vorinen is blijkbaar die vau den 
Conjunctief (bl. 70, vlgg.). In § 2 (bl. 30) wordt, althans in den 
Mai. tekst, ook duidelijk gezegd dat popo- causalen vormt van 
adjectief-stammen en de voorbeelden bevestigen dit. 

VII (bl. 32). Ilo' is, gelijk reeds boven is gezegd, het praeteritum van 
0- en staat dus gelijk met M. P. kina-. Men is dus geneigd om 
aan de daarmede samengestelde vormen de bet. //heeft kunnen — 
worden// toe te kennen. Volgens den Hr. Br. geeft het de bet. van 
verl. deelwoord aan de stammen waarv66r het is gehecht. In ieder 
geval is de bet. perfectief ; dit komt ook uit in de voorbeelden van 
§ 2 , in welke het de bet. heeft : verkregen hebben , zooals ook in 
den Mai. tekst wordt gezegd ; de HoUandsche is minder nauwkeurig. 
Iloheh is dus het perf. van ohele //een huis bezitten// (bl. 26, § 2), 
en te vertalen met /-/een huis verkregen hebbende//. Z^^r duidelijk 
is ook de bet. van ilo- v66r adjectief-stammen die eene kleur aan- 
duiden , bv. ilolalahe //in de gele kleur , in de curcuma gezet , eene 
gele kleur hebben kunnen verkrijgen//. 

VIII (bl. 35). De functie van het voorvoegsel lo- is in den Mai. 
tekst juister omschreven dan in den Hollandschen , lotaliy lopataliy 
lopo^ahu^ lomate^ enz. zijn in de gegeven voorbeelden niet te vertalen 
met: kocht, verkocht, gelastte, doodde, enz., maar met: heeft ge- 
kocht, verkocht, gelast, gedood, enz. De vormen met lo- zijn de 
perfectieven van die met ««(?-(II, bl. 13). Zij zijn n.l. afgeknot uit 
vormen met milo^ d. i. mo- met ingevoegd -j7-, op dezelfde wijze 
dus als in het Sang. nangaUi* is ontstaan uit minangaUC en in 
het Parigisch nanggoni uit minanggoni, resp. perfectieve vormen van 
mangala* en manggonu Zoo staat dus ook in het Ot. loiali voor 
milotali^ lolihu voor milolikuy lolao voor milolaoy resp. perfectieve vormen 
van moialiy moliku, molao. En zoo is het ook bij de in § 2 op bl. 37 
genoemde voorbeelden, logulu staat voor milogulu, lomengi voor 
milomengiy lohuni voor miloktmi^ resp. perf. van mogulu^ momefigiy 
mohuni. 

Van geheel anderen aard is het in § 3 (bl. 38) genoemde lo^ 
dat niet op deze plaats had behooren behandeld te worden. Het is 
m. i. niet anders dan een lidwoord en wel de korte vorm van het 
bekende anu^ die bv. in het Barege nu luidt en dient als tusschen- 
zetsel, om twee woorden die elkaar in den genitief regeeren van 
elkaar te scheiden ; het behoort dan als lidwoord bij het geregeerde 
woord. Waar het tusschen een werkwoordsvorm en den agens staat 



B&BUKINK^S BUOBAGEN TOT E£N£ GOBONTALO'sGHE SF&AAKKUN8T. 157 

heeft het (althans voor ons taalgevoel) de waarde van eeii agens- 
aanduider (zooals ons voorzetsel //door//) gekregeu en in die functie 
treedt' ook hier het Gt. lo op, dus lo pito^ Bar. nu lahu //met 
eeu mes^ of eigenlijk: //eeu mes (nadrukkelijk) is hetv; lo tumaUiy 
Bar. nu petiai //met een zwaard//, enz. 

De plaats waar dit lo had moeten behaudeld worden, is bl. 80, 
waar It en lai zijn besproken. In het Gt. staan deze vormen voor 
ni en nai en zijn de genitieveu van ti en iai^ die weder voor si 
en sat staan, het eerste lidwoord v66r vrouwennamen en titels, 
het tweede v66r maunenuamen. Het wordt door den Hr. Br. terecht 
met //door// vertaald. De vormen lai^ li en lo komen alle drie nog 
eens terug op bl. 81, waar voor //met// wordt opgegeven: wolui^ 
woli^ wolo. De bet. //met// zit in wo; lai^ li en lo zijn lidwoorden. 
Voorbeelden zijn alleen van woli gegeven , dat zoowel bij persoons- 
namen als bij dier- , en zaaknamen is gebruikt , terwijl men uit het 
bl, 80 en 85 (M) gezegde zou opmaken dat in het eerste voorbeeld 
wolai en in de beide laatste wolo had moeten gezegd worden. 

IX (bl. 40). Lolo' is, blijkens vorm en beteekeuis, een herhaald 
voorvoegsel. Het moet dus zijn ontstaan toen de vorm milo' reeds 
was afgeknot tot lo- en dit als een voorvoegsel werd beschouwd. 
Herhaling van het voorvoegsel is ontstaan uit stamreduplicatie, die 
weder is ontstaan uit stam herhaling. Bij al deze drie vormen is de 
beteekenis die van herhaling der handeling. Zoo is bv. in den Bar. 
vorm da kupepewoloka //ik zal er over nadenken// (van den stam 
wolo) het voorvoegsel pe- herhaald , omdat de handeling //nadenken// 
herhaling en langdurigheid in zich draagt. Theoretisch zou daarmede 
gelijk staan: da kupewolo-woloka ^ of: da htpewowoloka ^ maar deze 
vormen zijn niet in gebruik. 

De Hr. Br. geeft de stammen waarv66r dit lolo- is gevoegd, op 
in den vorm met de achtervoegsels -a en -<?, waardoor het niet in 
de aandacht valt, dat de stammen, die lolo- voorgevoegd hebben, 
ook steeds het suffix -a aanvoegen. 

De beteekenis der vormen met lolo- moet oorspr. eene praeteritale 
zijn. Ook in de voorbeelden die door den Hr. Br. niet in praeteri- 
talen zin zijn opgevat, is toch duidelijk dat de spreker het oog 
heeft op de talrijke gevallen waarin de handeling te voren is ge- 
pleegd. In den zin bv. die is vertaald //waarom lacht ge altijd in 
het bijzijn van de menschen?// heeft de spreker het oog op de 
talrijke gevallen waarin de aangesprokene in tegenwoordigheid van 
anderen heeft gelachen. 



158 bbbukikk's bijdkaoen tot eene oobontalo^sghe spbaakkunst. 

X (bl. 42). ngo'. Dit voorvoegsel kan worden beschouwd als een 
sterke vorm van ^a-, dat thans in het Gt. den vorm o- heeft (zie 
boven), maar in een vroeger stadium der taal, toen zij de k nog 
niet had verloren , ho- moet hebben geklonken. Ngo- heeft de functie 
om het woord waarvoor het is gevoegd tot een maatwoord te maken , 
zooals nga- in het Toutemb., ha- in het Sang., Tag., en andere 
talen het doen. Zoo beteekent dus ngopotali //^^n koopsel, ^^ne 
kooping, d^n keer koopen// , ngopotoehoe /r^dn kooksel , ddnmaal koken//, 
ngopolihoe //^^nmaal baden, ^en bad//, ngowadala //^^n paardenvracht//, 
ngohoeloioe //^^n schuit vol//, ngotanggalo //een geheele breedte, ^^ne 
breedtezijde , zoo breed als//, ngolihoe //d^h duizendtal//, ngomalionoe 
ffddn millioental>/. 

Thans volgen de samengestelde voorvoegsels , welker beteekenis 
uit de samenstellende deelen kan worden opgemaakt. Evenals v66r 
de stammen met het infix -e^, waarvan op bl. 12 en 13 een aantal 
voorbeelden zijn gegeven, wordt ook v66r de stammen met het 
voorvoegsel mo- proclitisch ma- gevoegd , hetwelk aan de beteekenis 
van mo' die van ma- toevoegt, zooals de voorbeelden op bl. 46, 
§ 1 en 2 duidelijk aanwijzen. 

Mamai' bestaat uit ma- (bl. 12) en mai- (bl. 20). Ook van dit 
samengestelde voorvoegsel is de beteekenis gelijk aan die van de 
som der samenstellende deelen, gelijk de omschrijving en de ver- 
taling der voorbeelden aantoonen. 

Ook bij mapo- (bl. 47) is dit het geval; mapotoeboe beteekent 
woordelijk: // wordt (is geworden) iets om mee te koken//. Bij malo- 
staat ma- min of meer pleonatisch, daar lo- reeds het perfectief 
aangeeft. De Hr. Br. verzuimt ook hier te wijzen op het infix -e7- 
in de voorbeelden. De vorm malotilapi //al reeds verbannen geworden/r 
heeft, behalve de voorvoegsels mar- en fo-, ook nog het invoegsel 
41'. Het is dus waarschijnlijk dat vormen als deze eerst zijn ont- 
staan, toen m-H-o- reeds tot lo- was afgeknot, daar men niet kan 
aannemen dat er v66r een vorm als milotilapi nog eens ma- zou 
zijn gehecht; in zulk een geval zou zeker geen uitwerping van mi 
hebben plaats gehad. 

Belangrijk is ook het voorvoegsel m^a'o (bl. 50, N® 15), dat niet 
anders kan zijn dan het M. P. maka ; van de k is in de uitspraak 
nog een spoor overgebleven. Terecht rekent de Schr. mu'o onder 
de samengestelde prefixen, daar het uit ma en o bestaat. De po- 
tentieele beteekenis (§1) en de possessieve (§ 3) zijn bv. uit de 
Minahassische talen wel bekend. Wat de jussieve beteekenis van 



BBKUKINKS BIJDKAGEN TOT SSNE GOBONTALO SCHE SPBAAKKUNST. 159 

§ 2 betreft , ik verklaar die niet recht te begrijpen. De Hr. Br. 
vermeldt ook dat mcCo- in dit geval korter wordt uitgesproken ; 
wellieht hebben wij hier met een ander voorvoegsel te doen. 

N® 16, mapopo (bl. 51) is niet juist verklaard, daar de Schr. 
begrijpelijkerwijze aan zijne opvatting van popo- (bl. 29) was 
gebonden. De achtervoegsels, die de vormen met mapopo- steeds 
aanhechten, zijn de prouomina suffixa. De vormen met mapopo- 
samengesteld zijn causale vormen, zooals ook uit de vertaling der 
voorbeelden genoegzaam blijkt, waarbij men zich moet te binnen 
brengen, dat het woord voor //verkoopeu^/ (polali) een causatief is 
van het woord voor /-/koopen// {tali), 

Mailo- (No 17, bl. 51) en mango- (N« 18, bl. 52) zijn duidelijk 
genoeg, daar zij uit wa- en ilo- (= M. P. kina) en ngo- zijn 
samengesteld. In het algemeen hadden de met m^- samengestelde 
voorvoegsels , nadat mn- reeds vooraf was behandeld, beter kunnen 
behaudeld worden met elk dier voorvoegsels te zamen, daar dit 
voor het spoedig verstaan der beteekenis gemakkelijker is. 

Groep II (bl. 52) be vat de met m^- samengestelde voorvoegsels, 
waarvan mopo- de verbale vorm is van het bl. 29 behandelde popo-. 
Dit m^po- is dus de aorist-vorm van het causatief, zooals m^^o- (N® 20 , 
bl. 53) het is van de potentieele en possessieve vormen met o- 
(= M. P. ka\ tegenover de perfectieve met ma'o. Ook mololo- 
staat op dezelfde wijze naast lolo- (IX, bl. 40). 

MongO' (N® 22, bl. 54) is zonder twijfel, naar het voorbeeld 
van den Hr. Br., op te vatten als samengesteld uit mx)- en ngo- 
(X, bl. 42). Evenals mxinga in het Sang., Tontemb. en andere talen, 
duidt m^igo- een meervoud aan, of juister gezegd : eene verzameling 
of eenheid van gelijke deelen. Ngo- (voor nga-) is de sterke vorm van 
0- (vroeger ko-^ = M. P. ka'\ dat hier in zijne functie van een- 
heidsaanduider optreedt. De met mmigo- samengestelde woorden zijn 
dan ook het best in 't Ned. weer te geven door samenstellingen 
met -heid en -schap, bv. mongohohoelotawoe //de jongelingschap//, 
Het zijn dan ook alleen de woorden die eene bepaalde categorie of 
zekeren stand van personen aanduiden, die met mongo- worden 
samengesteld ; een algemeene meervoudsaanduider is het niet. 

Ill (N*> 23 — 27). Het op bl. 20 vlgg. behandelde mai- wordt 
gevoegd v66r de vormen samengesteld met de voorvoegsels mo-^ po-^ 
(?-, lo' en lolo' (bl. 55 — 57), met geen andere beteekenis dan die 
van aansporing //kom doen wat het w.w. aanduidt// of van aan- 
wijzing dat het onderwerp komt doen of gaat doen de door het w.w. 



160 BKEUKINK's BIJDBAGEN tot ££N£ ookontalo^sohk spkaakkunst. 

genoemde handeling. Opmerkelijk is de accideoteele beteekenis die 
mai' in sommige dezer vormeu heeft, geheel overeenkomende met 
die waarin ook wij //komen// gebruiken. Zoo heeft het samengestelde 
praefix maio-y behalve de bet. van de vormen met o- samengesteld 
(bl. 24), ook nog die van //komen te// en maakt op die wijze den 
vorm accidenteel. Zoo beteekent dus maiohoelota //komen te kunnen 
geleend worden", maiotalia //komen te kunnen gekocht worden//, 
enz. geheel overeenkomende in formatie met ailjalSlSs, voor ^dmai- 
katUh^ in het Tontemb. De perfecta der maimo- vormen worden 
gemaakt met mailo- (voor mai milo)y wat geheel regelmatig is. 

Maio' v66t substantieven is de accidenteele vorm van de met o- 
samengestelde stammen, die de bet. hebbeu van //bezitter van// 
(bl. 26, §2), bv. mai ohele //een huis komen te bezitten//. 

Mailolo-y de accidenteele vorm der samenstellingen met lolo- , 
beteekent diensvolgens //reeds dikwijls zijn komen te doen wat de 
w.w. vorm aanduidt'/. Zie de voorbeelden op bl. 57 , onder N** 27. 

IV, N** 28 (bl. 58) behandelt het voorvoegsel foV, samengesteld 
uit lo' en o-, dus den verleden tijd van o- aanduidende. Neemt 
men aan dat lo- uit milo- is afgeknot en o- uit ko-^ dan kan men 
lo^O' herstellen tot miloko , praeteritum van moko- (= M. P. maka) , 
dus M. P. minaka, en dan kan de bet. geene andere zijn dan die 
van //heeft kunnen (kon) doen wat het grondwoord aanduidt// , dus 
lo*oiali //heeft kuunen koopen//, Wolihoe //heeft kunnen baden//, 
Wolalahoe //heeft kunnen geel verven// , 16" ohele //heeft een huis 
kunnen bouwen//, Wowadala ^/heelt een paard kunnen houden//. 
Daar echter , volgens §3, lo'ooeda'a beteekent //groot doen worden//, 
moet ter verklaring worden verwezen naar bl. 53 , N® 20 , waar nw^o is 
behandeld. In § 2 staan de samenstellingen van md'o met adjectief-- 
stammen opgegeven, deze hebben de bet. //kunnen brengen in den 
toestand dien het adjectief zegt//. Zoo is dus lo\hata te vertalen 
met //heeft mager kuunen maken//, naar mo'ohaia //mager maken//. 

Van het prefix lololo- (N® 28, bl. 59) valt alleen te zeggeu, 
dat het een versterkte vorm is van het boven besproken lolo-, 

Volgt de V® groep, die de samenstellingen van een aantal reeds 
samengestelde voorvoegsels met het prefix ma- bevat. De beteeke- 
nissen dezer samenstellingen zijn gemakkelijk af te leiden uit die 
der samenstellende deelen. Ma- voegt aan de reeds samengestelde 
voorvoegsels de beteekenis //al, reeds, geworden tot// toe. Wat 
betreft de omschrijving van de beteekenis der voorvoegsels die in 
deze groep zijn vereenigd, daarbij zouden dezelfde opmerkingea 



BBSUEINILS BUDBA6EN TOT EENE GOKONTALO SCHS SPBAAKKUNST. 161 

kunnen gemaakt worden als reeds boven zijn neergeschreven bij 
de behandeling dezer voorvoegsels zonder ma-. Zoo is bv. bij N® 31 
{bl. 59) mamaimopo' en bl. 62, N^ 85 mamaipopo- bij de omschrij- 
ving der beteekenis niet gezegd , dat die causaal is , evenmin als 
dit bij mopo' en popo- is opgemerkt. Het komt mij onnoodig voor 
die reeds boven gemaakte aanteekeningeD te herhalen. 

Thans komen wij tot ta- (bl. 64) en oe- (bl. 65), N*» 38 en 39. 
De Hr. Br. verklaart ta- te zijn eene alBeiding van iawoe //mensch//. 
Het is zeer wel mogelijk dat ta- eepe afkorting is van het bekende 
iau, tOy toe^ doch de wijze waarop in een groot aantal talen van 
Celebes het woord voor //mensch// en dit prefix naast elkaar staan , 
doet vermoeden dat tau^ enz. ook oorsproukelijk een aanwijzend of 
betrekkelijk voornaamwoord was en eerst later in versterkten vorin 
{wellicht door samenstelling met u^^anUy dus toen het de bet. 
//hij die , zij die , dat wat// had gekregen) ook in de beteekenis 
/i^mensch// in gebruik is gekomen. Het zou eene lange uitweiding 
vorderen dit nader toe te lichten; ik hoop elders gelegenheid te 
hebben nog op deze zaak terug te komen. 

Wat 06' betreft, dit is zeer duidelijk een betrekkelijk voornaam- 
woord en wel een korte vorm van het bekende atm. De Hr. Br. 
vertaalt dan ook oeoeda*a terecht met //jang bSsar, de grootste (de 
groote).-'/ Dit oedema en het volgende oekiki [oeliki is een drukfout) 
bevatten reeds het hier besprokene oe en kunnen dus tweemaal oe 
v66t den stam krijgen. Ook aan de woorden oetelo^ oehilango^ 
oebangge en oelai heeft oe zich als een vast bestanddeel gehecht. 

De achtervoegsels, door den Schr. in de rubriek D (bl. 66 — 77) 
behandeld, zijn in de eerste plaats de pron. pers. suffixa , die zoowel 
als bezittelijk voorn.w. als in de functie van agensaanduider bij de 
passieve vormen optreden. De pron. sufiF. zijn : 

1* pers. e.v. oe (N« 1, bl. %^\ mvd. ndio incl. (bl. 76, N« 10, 
bl. 79, B), lami^ of lami watia^ excl. 

2® pers. e.v. moe (N** 2, bl. 69), mvd. limongoli (bl. 79, B), 
ndto (ibid.). 

3* pers. e.v. lijo (bl. 79, B), mvd. limongolio (ibid.). 

Deze vormen moeten vergeleken worden met de voUedige vormen 
der pron. pers. 

1® pers. oe is af komstig van waoey de Gt. vorm van M. P. akoe. 
Gelijk ook in andere M. P. talen, wordt dit woord gebruikt, als 
men tot gelijken of tot minderen spreekt. Nederiger is watia^ ver- 
korting van watotia^ samengesteld uit wato (slaaf) en tia (deze). 



162 BBSUKINK's BIJDBAGEN tot EENS GORONTALO^SCHE SPRAAKKUN8T. 

gewoonlijk oetia //jaDg ini, den deze// ; watia is dus = Mai. kamha 
ini. Nog nederiger is walia walafidlo, woordel. '/ik uw slaaf//. 

2*^ pers. -nwey het bekende pron. suff. dat iu zoovele M. P. taleu 
staat naast het prou. pers. 2* pars, e.v., in het Gt. io [ol jio^ hioy 
dit hangt van deu eiudkliaker van het woord af), staaude \oox iko^ 
waarvan de volledige vorm zou zijii si kau. Een beleefde vorm is 
itOy zie bij den 1* pers. mv. 

3® pers. 'lio ^ de regelmatige Gt. vorm van nia^ genitief van stay 
en o.a. nog in het Mong. in gebruik, doch in de meeste talen tot 
-nja of -na geworden. Het pron. pers, is tioy d. i. sia. 

De meervoudsvormen van deu 1"'*° pers. zijn ndto (iucl.) en lami 
(excl.). Het laatste is samengetrokken uit lo ami^ genitief van amiy 
de regelmatige Gt. vorm van het M. P. kamu Dit fo, een korte 
vorm van anu^ het bekende M.P. onbep. voornaara woord, is het 
gewone lid woord van een woord dat in den genitief staat en kan 
dus het genitief-aanduidend tusschenzetsel heeten. In zijne functie 
van agens-aanduider is het reeds boven besproken. Eenige voor- 
beelden van genitieven zijn: hoengo lo ajoe //boomstam//, tiomboe la 
oloe^oe //grootmoeder der hand (duim)//, tango lo pale //rijsthalm'/, 
pani lo woelawa //goudsmid// , tigango lo doeholo //moud van de borst'/ 
(maag), mato lo doelahoe '/zonneschijf// , pahoe lo heleoe //de zolder 
van mijn huis//, hoengo lo ajoe //boomvrucht//, lipoe lo HoeUyndtalo 
//de stad Gorontalo// , oelea lo wadala //paarderug// , botoe lo lima 
//citroenpit//. 

De geuitief-aanduider vau woordeu die het lid woord ti hebbeu y 
is li (dus: si^ gen. ni^ zooals bv. ook in het Tomboeloe'-sch) ; de 
woorden die het lid woord ^t hebben , gebruiken als genitief-aauduider 
lai {saiy bij vorm van si; in sommige taleu is saiy sei het vrageud 
voorn.w. voor personeu ; geu. na{)» Zie bl. 80 en 85. 

Het pers. v.n.w., 1* pers. mvd. incl. is ilo^ de regelmatige Gt. 
vorm van het M. P. kita. Dit dieut ook als beleefd v.n.w. van 
deu 2^*^ pers., daar men van de* beide partijen die in ito besloten 
zijn (gij en ik , gij en wij) de beteekenis geheel naar den 2*^*° pers. 
overbrengt en er een beleefd v.n.w. van den 2*° pers. van maakt. 
Dit is ook het geval met ndto, dat de Hr. Br. op bl. 76, N® 10 
behandelt. Dit suffix bestaat uit to (M. P. ta\ de kortere vorm van 
ito {kita) en den tusschenklank w, het genitief-aanduidend lidwoord. 
De Gt. uitspraak van dit -nto is door den Schr. met ndto afgebeeld,. 
dat beter dan nto of ndo de uitspraak aanduidt. Zoo is dus wada- 
landto //ons (uw en mijn) paard//, en ook '/uw paard//, (dat ik uit 



BBEUKINK^S BIJDBA6SN TOT EBNE GO&ONTALO'sGHE SPBAAKKUNST. 16S 

eerbied zoo hoog stel, aJsof het ook het inijue ware), apoelandta 
//ouze hond'/ en //uw hond//. t 

De Hr. Br. geeft op bl. 77 nog op als hoog v.n.w. 1« pers. (tot 
mindereu gebruikt), ndtoeja^ H welk niet anders is dan de genitief 
van toeja^ 6t. uitspraak van het Mai. ttuin, Ook het voorn.w. 
2* pers. kan beleefdheidshalve worden vervangeu door iioeja //Mijn- 
heer//. Op bl. 77 worden de voorbeelden gegeven tijamandtoeja y 
tilandtoejay tijalaondtoeja ^ vertaald met: bapa, mama, anak toeau 
hamba, Mijnheers (uw, er staat abusievelijk : mijn) vader, moeder, 
kind. 

Het mvd. van het pron. sufiF. 2* pers. li mongoli is de regelmatige 
genitief van het zelfst. voorn.w. 2* p. mvd. ti mongoli, Hetbestand- 
deel ti is het lidw. «, terwijl mongoli is te vergelijken met het 
Ternat. ngoni, het Mongond. moikou en te beschouwen als een 
meervoudsvorm van ni , vgl. het boven over mongo- gezegde. Mongoli 
is dus te ontleden in mo-ngo-li (= »^), waarin ni de eigenlijke pro- 
nominale stam is, te vergelijken met mij miu^ de stam van het 
pron. suff. 2* pers. mvd. in de Toradja'sche talen, en -mioWy -mio 
in de Minahassische talen. 

Het pron. 8* pers. mvd. is ti numgolioy dat van zijn Goronta- 
leesch uiterlijk ontdaan , den vorm krijgt si tnangafija //de gezamenlijk- 
heid van hen, het geheel van hen//, zooals ti mongoli {si m>anga9ii) 
is weer te geven met //uliedfer geheel, uwe gezamenlijkheid//. De 
genitief van ti mongolio n.l. li mongolioy dient als pron. possess. 
3* p. mvd. 

Hiermede zijn de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden 
besproken en komen wij tot een merkwaardig achtervoegsel , door 
den Hr. Br. op bl, 72 in de N«'« 3 en 4 behandeld. Op bl. 20 is 
reeds van dit achtervoegsel gewag gemaakt, daar het in de daar 
gegeven voorbeelden voorkomt. Dit achtervoegsel is n.l. het nit 
het Oud-Jav. en Bis. bekende conjunctief-suffix -a, ^) Dat zich tusschen 
eeue eind- e of -i en dit achtervoegsel eene j ontwikkelt en na a, 
en ^oe eene w, spreekt vauzelf. N® 3 en 4 behooren dus bijeen- 
genomen te worden. De beteekenis is door de omschrijving van den 
Hr. Br. en de door hem gegeven voorbeelden duidelijk genoeg. 

N® 5 (bl. 72) is de enclitica -lo, naar vorm en beteekenis iden- 



*) De Heer A. Lett, Zendeling-leeraar van het Khijnsche Zendinggenoot- 
schap, deelde mij onlangs mede, dat ook de taal van het eiland Enggana 
dit conjunctief-suffix-a kent , bv. oboea „werk toch !" van den stam oboe (werken). 



164 BBEUKINK's BIJDBAGEN tot EKyS OOBONTALO^SCHS SP&AAKKUNST. 

tisch met het Mai. 4ah. Ook dit is in de vertaling van den Hr. Br. 
duidelijk gemaakt. 

N® 6 (bl. 72), /?(?, is eveneens meer eeue enclitica dau een achter- 
voegsel. Het heeft in 't algemeeu de beteekenis //uog^, bv. dipo^ 
Bar. hepa Tont. ra^ipe" ^ Mai. bi^lompai^ //nog niet". In de voor- 
beelden op bl. 73 is po vertaald met //eerst uog^'. Op bl. 74- en 
75 wordt in N° 2 door de voorbeeldeu aangetoond, dat po aan het 
uaamwoordelijk deel van het gezegde wordt gehecht, wanneer dit 
den nadruk verlangt. Het betr. Tooru.w. oe wordt dan proclitisch 
v66r het w.w. deel van het gezegde gevoegd en lo enclitisch er achter, 
bv. palepo oe talijolo //rijst eerst nog is het die gekocht worde.// 

Thaus komen nog drie richtingswoorden , die eveneens enclitisch 
achter de werkwoordsvormen worden gevoegd. Het zijn mc^o dat 
eene rich ting van den spreker af , maji dat eene richting naar hem been 
en mota^ dat eene richting van spreker en aangesprokene verwijderd 
aanduidt. Van deze woorden is maji duidelijk genoeg, mdko is in 
het Tontemb. een richtiugaanduider voor het Westen, de streek die 
de wijde verte aanduidt, omdat daar de zon verdwijnt. Van mota 
ken ik geen equivalent. 

Hoofdstuk III (bl. 78 en 79) behandelt de tel woorden. Hierbij 
valt in de eerste plaats op te raerken, dat de hoofdtelwoorden 1 — 10 
een geredupliceerden en een niet geredupliceerden vorm hebben. 
Ojindia moet worden opgevat als een geredupliceerde vorm van 
isa , doeloewo van doewo , totoloe van toloe, De overige vormen hebben 
0' voorgevoegd en daarnevens ongeredupliceerde vormeu, zoodat de 
meeniug voor de hand ligt, dat de eerste letter is afgevallen. Zoo 
zou dan olimo staan voor lolimo^ opitoe voor popitoe, Ook is het 
mogelijk dat vormen als opato^ olomo^ owalo zijn nagevolgd, iets 
wat gemakkelijk kan plaats hebben bij de telwoorden, die dikwijls 
achter elkaar worden opgeuoemd, waarbij dan allicht een streven 
ontstaat om ze aan elkaar gelijk te maken in aanvangssyllabe en 
aantal lettergrepen. Op deze wijze zou dan ook opoeloe naast tno- 
poeloe zijn te verklaren. 

toewawoe //d^n// moet wel met een numeratief zijn samengesteld , 
doch ik kan niet zeggen met welk. 

De 10-tallen 20 — 90 hebben lo tusschen de benaming van het 
aautal tieutallen en het tiental. Doelopoeloe //twintig// staat voor 
doeolopoeloe \ towoelopoeloe //dertig// voor ioloelopoeloe, Bij wopatopoeloe 
(40) en wolomopoeloe (60) is geen tusschenzetsel lo ingevoegd, waar- 
schijnlijk om het aantal lettergrepen niet uit te breiden boven de 



beeukink's bijdragen tot bene goeontalo'sche speaakkunst. 165 

5, terwiji daarenboveo ntL to en mo de lettergreep lo zich niet 
handhaaft. 

Moheioeto (100) is te vergelijken met Tontemb. maatoes^ daarhet 
met mo- is gevormd. Van af lihoe (voor riwoe) hechten de duizend- 
tallen hct reeds boven bcsprokene ngo- aan; laMta is overgenomen 
van het Mai. laksa, 

De breuken zijn omschreven met tajadoe //deel//. Ngopalapa is 
overgenomen uit 't Mai. pihrampat, De distributiva zijn gevormd 
met po' bv. pooloewo^ woordelijk //om twee te maken//. Het woord 
voor '/eenmaal//, p^endta is van denzelfden stam isa als waarvan 
ojindta tti^nn is afgeleid. 

De ranggetallen zijn gevormd met het betr. v.n.w. oe^ het prefix 
0' en het suflBx -lio^ dus oeoloewolio //jang kadoeanja, de tweede//. 

Van de vragende en aanw. voorn.w. onder C en I) op bl. 79 
bevat tita //wie?// het lidw. ti (= w"), terwiji ta {= sa) een algemeen 
vr^ag woord is. Tonoe is waarschijnlijk samengesteld met het be- 
kende anoe,^ 

De aanwijzende v.n.w. oetija en oejito bevatten het betr. v.n.w. 
oe ; tia is id, met het pers. v.n.w. 3« pers, enk. tija (= sia) ; een 
andere vorm is teja //hier^. Van oejito is de stam ito^ het Mai. enz. 
itoe^ terwiji teta tot dit ito staatals Jav. ika tot ikoe. De a-klank 
in de laatste lettergreep wijst een grooteren afstand aan dan de oe^ 
waarschijnlijk omdat bij het uitspreken der a de lippen verder 
wordeu uitgestoken en dus een grooteren afstand aanwijzen dan bij oe. 

Ik zal hier mijne bespreking van den taalarbeid van den Heer 
Breukiuk eindigen, die ik alleen heb ondernomeu uit belangstelling 
in zijn leerzaam boek en uit lust om eens te laten zien welk een 
bruikbaar werk de Schrijver ons heeft geleverd. 

Defi Haag, April 1907. 



V Volgr. VI. 12 



AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 



DOOR 

H. KERX. 



Aan de vergelijkeude taalwetenschap, die iu den loop der 19^* eeuw 
zich voortdurend iu breedte eu diepte ontwikkeld heeft, is het te 
dauken dat wij uauwkeurig de grenzen kunneii bepalen van eeu 
aantal grootere en kleinere taalfamilien , en dat de verwantschap die 
tusschen de leden van elke taalfamilie bestaat volgens vaste regelen 
aaugetoond en bewezen wordt. Elke familie heeft hoofdkenmerkeu 
die aan al haar leden gemeen ziju, eu onderscheidt zich, iu haar 
geheel beschouwd, kennelijk van andere familien. Niettemin komt 
het voor, dat men enkele punten van overeenkomst outdekt die niet 
nit ontleening kunnen verklaard worden. Zijn die punten van over- 
eenkomst dan slechts schijnbaar, toevallig? of zouden twee familien , 
hoezeer thans en reeds v66r veel eeuwen duidelijk onderscheiden ^ 
soms tot een hoogere eenheid kunnen herleid worden ? De autwoorden 
hierop zijn niet eensluidend. Het heeft niet outbroken aan pogingen 
om aan te toonen dat er wel degelijk verwantschap, al is het dan 
ook in verderen graad, tusschen sommige verschillende taalfamilien 
bestaat. Een Italiaansch geleerde, Trombetti, heeft zelfs beproefd 
de gemeenschappelijke afkomst van alle talen aan te toonen. Zulk 
een onderneming is ontijdig en moest daarom reeds onvermijdelijk 
mislukken. Men bedenke wel, dat de oudste vorm waartoe wij de 
talen van elke fanjilie kunnen herleiden, wel is waar niet met voU 
komen nauwkeurigheid in alien deele , maar toch met een voldoeuden 
graad van juistheid, volstrekt niet is wat de Duitschers uoemeu 
een //Ursprache// - — een term dien men liever geheel moest ver- 
bannen — maar wel beschouwd eeu tamelijk r/moderne// taal ; dat 
wil zeggen, een taal welke eeuwen en eeuwen van ontwikkeling 
had doorgemaakt voordat ze het standpunt had bereikt dat voor 
onzen blik H oudste, maar op zich zelf laat, jong is. Zou iemand 
nu willen beproeven een paar verschillende taalfamilien, bijv. de 
Indogermaansche en de Ural-alta'ische , tot eeu gemeenschappelijkeii 



AUSTRONESISCH EN AUSTKOASIATISCH. 167 

oorsprong terug te brengeu, dan moet hij trachten de eigenaardig- 
heden die zich iu verloop van tijd in elk der twee vergelekeu 
familien ontwikkeld hebbeu of kunneu ontwikkeld hebben, van de 
bestanddeeleu en vormen welke van den begiune af aan elk der twee 
eigen moeten geweest zijn, te scheiden. Vooralsnog is zulks in veel 
gevallen onmogelijk ; z66ver is de wetenschap nog niet gevorderd. 
Maar aan den anderen kant is bet niet te ontkennen dat er soms 
tusschen twee familien z66veel en z66 treffende punten van overeen- 
komst zijn , dat men onmogelijk aan toeval of ontleening kan denken. 
Zulk een geval doet zich voor bij de Chamitische taalfamilie, waartoe 
o. a. 't Egyptisch behoort , en de Semitische. Dat deze twee taal- 
stammen onderling verwant zijn, en niet eens in ver verwijderden 
graad, is onwedersprekelijk. 

Een hoogst belaugrijke ontdekking — als zoodauig mag men bet 
bestempelen — betreft de verwant^chap tusschen een ander stel van 
taalfamilien, iiamelijk de Maleisch-Polynesische en de Mon-Khmertalen, 
bij welke laatste zich aansluiteu nog eenige andere talen in Achter- 
en Voor-indie. Aan 't betoog van den samenhang van deze twee 
familien is gewijd een onlaugs verschenen werk getiteld //Die Mon- 
Khmer-Volker ein Bindeglied zwischen Volkern Zentralasiens und 
Austronesiens" * door Pater W. Schmidt, wiens verhandeling over 
//Die Sprachen der Sakei und Semang auf Malakka und ihr Ver- 
haltniss zu den Mon-Khmer-Sprachen// in der tijd, zooals men zich 
herinneren zal , verschenen is in deze B ij d r a g e n 6® Volgr., Deel VITI. 
Na deze verhandeling verschenen van zijne hand //Grundziige einer 
Lautlehre der Mon-Khmer-Sprachen// (in Denkschriften der 
Kaiser 1. Akad. d. Wiss. in Wien, phil.-hist. Kl. Bd. III),en 
//Grundziige einer Lautlehre der Khasi-Sprache in ihren Beziehungen 
zu derjenigen der Mon-Khmer-Sprachen// (in Abhandlungen der 
Kou. Bayer. Akad. d. Wiss. (Kl. I, Bd. XXII, Abt. 3). 

In de drie laatstgenoemde verhandelingen werd het bewijs ge- 
leverd dat in Achter-indie een gausche groep van onderling ver- 
wante talen bestaat, geheel verschillend van 't Siameesch en Burmeesch, 
d. i. van de Chineesch-Tibetsche familie. Bedoelde groep omvat Mon, 
Khmer, Palong, Wa, enz. ; voorts Semang en Sakei; Khasi en 
Nicobarisch. 

Reeds geruimen tijd v66rdat Pater Schmidt de Mon-Khmer- talen • 
tot onderwerp zijner studien maakte, had Prof. E. Kuhn belangrijke 

* Herdrukt uit Archiv fur Antropologie, N. F. , V, 1 &2 (Bruns- 
wijk, 1906). 



168 AUSTEONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 

punten van overeenkomst aaugewezeu tusschen genoemde Achter- 
indiscte talen eu een groep in Voor-indie , welke 't Mu^ida en Santali 
omvat. Verder onderzoek heeft de verwautschap tusschen de Mon-Kmer- 
eu Mu^ida-talen bevestigd. 

De taalfamilie gevormd door Mon-Khmer , Mu^ida, Nicobar, Khasi, 
Semang onderscheidt zich , gelijk reeds met een enkel woord gezegd, 
scherp van de Chineesch-Tibetsche-Siameesche-Burmeesche familie. In 
welke verhoudiug staat ze echter tot de Maleisch-Polynesische , of, 
zooals Pater Schmidt ze noemt, Austronesische familie ? De oplossiug 
nu van dit vraagstuk is beproefd, en wel met goed gevolg, wat de 
hoofdzaak betreft, in 't bovenvermelde werk '/Die Mon-Khmer- Volker//. 
Om den lezer een denkbeeld te geven van den inhoud van dit voor 
de beoefenaars der Indonesische talen hoogst belangrijk geschrift, 
moge hier een overzicht volgen van hetgeen de Schrijver tot staving 
van zijn gevoelen aanvoert. 

Na met voldoende uitvoerigheid in 't licht gesteld te hebben in 
welke verhouding de Austroasiatische talen ^ tot elkaar staan, stelt 
hij als uitkomst van ^t onderzoek vast, dat : de innige samenhang 
tusschen de Mu^da-talen met het Nicobarisch, Khasi, Mon-Khmer 
zeker is ; een samenhang die niet louter een hypothese is , maar een 
feit, hetwelk denzelfden graad van zekerheid bezit als bijv. de 
onderlinge verwautschap der ludogermaausche talen (biz. 17). 

In tabellarischen vorm vinden wij bedoelde talen aldus gegroepeerd : 

I. a. Semang. 

h. Senoi (Sakei en Tembe). 

II. a. Khasi. 

b. Nicobar. 

c. Wa, Falong, Biang. 

III. a. Mou-Khmer (met Bahnar, Stieng, enz.). 

b. Mu^da-talen. 

c. Tjam, Rade, enz. Vermengingen met austronesische taleu. 

In een afzonderlijk hoofdstuk wordt uitgeweid over de anthropo- 
logische kenmerken der volken die Austroasiatische talen spreken. 
Op grond van door anthropologen verzamelde gegevens komt Schrijver 
tot de slotsom dat al die volken physiologische kenmerken gemeen 
hebben waardoor zij zich zoowel van de ludogermaausche als van 
de Chineesch-Tibetische volken duidelijk onderscheiden. 



^ Deze naam is door den sohrijver gekozen ter aanduiding der Mon-Khmer- 



AUSTBONESISCH EN AUSTEOASIATISCH, 169 

Het belangrijkste gedeelte, het eigenlijke hoofddoel van 't werk, 
is: 't bewijs te leveren dat de Austroasiatische en de Austronesische 
talen met elkaar in verband staan, een verbaud niet z66 nauw als 
er bestaat tusschen de leden van elk dezer twee familien onderling, maar 
toch een onmiskenbaar, al is het dan ook meer verwijderd verband. 

Om deze stelling te bewijzen wordt de aandacht gevestigd o. a. op 
de overeenkorast in klankstelsel ; in de oorspronkelijke overeenkomst 
in de woordvorming ; in de aanhechting van 't bezittelijk voornaam- 
woord; in de gelijkheid van een groote menigte wortelwoorden. 

Wat het klankstelsel betreft, is op te merken dat de aspiraten 
die thans in de Mon-Khmer- en Mmida-talen voorkomen , zeker niet 
oorspronkelijk zijn. Zoo oordeelt Pater Schmidt, en ik ben het ge- 
heel niet hem eens. Maar hij dwaalt als hij meent dat aspiraten in 
de Austronesische talen geheel ontbreken. 0. a. heeft het Madoereesch 
zeer euergische aspiraten; zoo ook 't Atjehsch. Ook is het duidelijk 
dat de f en V (niet te verwarren met w), welke in zooveel talen 
der familie voorkomen, thans spiranten, eenmaal aspiraten moeten 
geweest zijn. Ook de Toba-Bataksche h (nog steeds door k uitgedrukt) , 
gewestelijk als onze ch klinkende, en de Niasche spirantische g 
(g h , niet c h , zooals de Duitsche zendelingeu spellen) moeten zich 
uit aspiraten ontwikkeld hebben. Dit neemt niet weg, dat oorspronkelijk 
de Austronesische talen geen aspiraten bezaten, en in zoover blijft 
de stelling van Pater Schmidt in kracht. 

In de woordvorming vertoont zich de overeenkomst door H gebruik 
van prefixen, infixen en suffixen. Vooral 't voorkomen van infixen 
is zeer merkwaardig. 

Een derde punt van overeenkomst is het possessiefaanhechtsel. 
Geheel onjuist echter is de bewering (biz. 49) dat de Austronesische 
talen alleen den enkelvoudsvorm der voornaamwoorden aanhechten, 
ook waar de bezitters meervoudig zijn. Willekeurig en in strijd met 
bekende klankwetten is ook de meeniug (biz. 50) dat het enkelvoud 
kau zou ontstaan zijn uit kamu, terwijF dit laatste blijkbaar een 
verouderde meervoudsvorm is van mu, gelijk kapwa van pwa. 
Deze functie van k a is ook te herkennen wanneer het zgn. abstracta 
vormt, want de abstracta zijn oorspronkelijk collectiefbegrippen. 
Yoorts duidt het prefix ka ook gelijkheid aan; natuurlijk, want de 
begrippen //gelijk, tegelijk, samen// raken elkander. 

Een aanzienlijke plaats is ingeruimd aan de vergelijking van den 
woordenschat der twee taalfamilien. Het kan niemand die de lijst 
nagaat ontsnappen dat zooveel eenlettergrepige stamwoorden in de 



170 AUSTBONSSISCH SN AUSTBOASIATISCH. 

Austroasiatische talen teruggevondeu worden in Austronesische twee- 
lettergrepige stammen bestaaude uit m. m. heizelfde bestanddeel 
vooraf gegaan door een ander. Dit is een schittereude bevestiging 
vau de meermalen uitgesproken en met redenen omkleede stelliug 
dat de tweelettergrepigheid der stamwoorden, die 't meerendeel uit- 
maken in de Maleisch-Folynesische talen, een gevolg is soms van 
reduplicatie , meest van samensteliing van een ^^nlettergrepigen 
wortel met een of ander formatief, welks functie slechts hoogst 
zelden te herkennen is, als behoorende tot een voorhistorisch tijd- 
perk der taal. Deze samengestelde vorm der meeste Austronesische 
stamwoorden, ai ontbreken soortgelijke niet in de Austroasiatische, 
is een van de meest kenmerkende verschillen tusschen de twee 
familien die met ^Ikander in een verwijderd , maar onmiskenbaar ver- 
band staan. Met andere woorden, er moet eenmaal in een zeer ver 
verleden , een taal gesproken zijn door een volk dat zich om onbekende 
redenen en op een niet te bepalen tijdstip in twee deelen gesplitst 
heeft; elk deel heeft zich zelfstandig ontwikkeld in verschillende 
richting, zoodat allengs de verschillen z66 groot zijn geworden dat 
de Austroasiatische en de Austronesische talen twee afzonderlijke, al 
is het dan ook verwante familien uitmakeu. 

. Begrijpelijkerwijs zal men in de vrij lange reeks van vergelijkingen 
enkele ontmoeten die twijfelachtig , andere die onjuist zijn, maar 
na aftrek van al zulke gevallen blijft er genoeg en meer dan ge- 
noeg over om onomstootelijk te bewijzen wat de Schrijver betoogen 
wilde. Slechts op ^^n onjuistheid voel ik mij genoopt de aandacht 
te vestigen omdat ik zelf de schuldige ben , niet Pater Schmidt. Het 
betreft N® 139* (biz. 146), waar eenige woorden voor //zou'/ ten 
onrechte in verband gebracht zijn met Fidji rara. Want Sawu lodo, 
Sumba lodu, Rotti ledo, Moa, Letti ler, Timor neno, Kei ler, 
zon, zijn vormen van een wijdverbreid woord dat in ettelijke ver- 
wante talen //dag// , in andere //zon// , in nog andere beide beteekent : 
Dajak andau, dag; pandang andau, zonneschijn; Toumbulu, 
Tonsea, enz. Sndo, dag, si gndo (eig. de Dag, verpersoonlijkt , 
dus z. V. a. Daggod), zon; Bisaya adlao; Bikol, Fampanga, Iloko 
a 1 d a , Tagalog a r a o , zon ; Bentenan 1 a u , Makassaarsch alio, Bug. 
aso, dag, zon;Ibanag aggau, dag; Malagasi maso andro, zon; 
Fate, Sesake, Lo elo, zon;Apimat ni e 1 o , oog van den dag, zon ; 
Lakon, Whitsuntide alo, Lifu dho,Nangone du, VanuaLava lo, 
Botuma astha, Yaturanga aso, Florida, Ysabel a ho, zon ', Samoa 

^ Voor nog andere voorbeelden zij verwezen naar Godrington, Melan. Lang. 51. 



AUSTEONESISCH EN AUSTBOASIATISCH. 171 

a SO, Tonga aho, Maori ao, dag, daglicht; een afleiding is Jay. 
a Q d D , dagelijks. Al deze vormeu laten zich herleiden tot zoo iets 
als a^dau, S^dau. Wegens de verwantschap tusschen de linguale 
9 en 1 werd daaruit in sommige talen aH^u* Dewijl Id een 
ongewone medeklinkerverbinding is, vermeed men deze deels door 
verplaatsing, zoodat adlao ontstond ; deels door omzetting, gelijk 
in iSdo, waaruit door invloed der klinkers in den uitgang, lodo, 
enz. werd. 

Een geheei ander woord is Maori ra, Samoa i&, zon. Uit den 
gerekten klinker biijkt dat het woord oorspronkelijk op een nasaal 
uitging. Derhalve is het etymoiogisch identisch met Eromanga dan. 
Yap, Marshali-eil. ran, Lifu dra, N. Caledonie tan, Florida 
dani, dag. In de Indonesische talen komt, voor zoover ik weet, 
dit niet meer als zelfstandig woord voor, maar des te meer als be- 
standdeel van afgeleide stamvormen; o. a. Jav. pad an g, licht, 
schijnsel (van zon of maan); tcrang, helder; arang, doorschijnend, 
ijl, dun; 1 arang, schaarsch; Dajak pan dang (andau), (zonne) 
schijn; iu de godentaal: dag; man dang, zich warmen; Batak 
torang, 't aanbreken van den dag, 'tdagen; patorang ari, 
bij 't aanbreken van den dag; Alor tar an, Ot Danum brang, 
helder; Toumbulu tSrang, Tagalog madalang, helder, duidelijk; 
Ibanag dalang-arang, helder schijnsel (der maan) ; glans (van 
goud), enz. Tot dehzelfden stam zal wel behooren Fidji rara, zich 
bij 't vuur warmen. 

Het mag nu als vaststaande beschouwd worden dat de stam vaders 
der Austroasiatische en Austronesische volken (althans in linguistisch 
opzicht), welke Pater Schmidt als //Austrisch// bestempelt, van Voor- 
indie uit geleidelijk zich oostwaarts verbreid hebben. Dit is niet in 
strijd met de uitkomst van mijn eigen onderzoek omtrent het stam- 
land der Maleisch-Polynesische (Austronesische) volken. Op grond 
van taalkundige gegevens plaatste ik dat stamland aan de oostkust 
van Achter-indie. Ik verklaarde evenwel uitdrukkelijk dat ik het 
secundaire stamland bedoelde, d. i. de streek waar de voorouders 
der Malaio-Polynesiers \ laatst als een samenhangend geheei woonden 
eer dat afdeelingen er van zich afscheidden om over zee nieuwe 
woonplaatsen op te zoeken. Waar het oudere stamland te zoeken was, 
kon uit de taalkundige gegevens zelfs niet bij benadering vastgesteld 
worden. Thans kunnen wij een stap verder gaan: wij weten nu dat 
er verwijderde verwanten der Austronesiers in Voor-indie te huis 
behooren. Volgens de onderzoekingen van Dr. Sten Konow zijn niet 



172 AU8TR0NESISCH BN AUSTB0A8IATI8CH . 

alleeu de Mu^da-taleu met het Mon-Khmer verwant, doch vindt 
meu ook een reeks vaa taaleigens in ^t lagere Uimalaya-gebied , van 
Kanawar in den Panjab tot aan Darjiling, welke hoezeer Tibeto- 
Burmeesch in karakter, toch overblijfseleii vertoonen van een oude taal , 
die de kenmerken draagt van *t Mui|;^da. Zelfs al laat men deze 
hybridische taaleigens buiten rekeniug, dan moet men toch tot de 
slotsora gerakeu dat de voorouders der Austroasiaten en Austronesiers 
eene oudere laag der bevolking van Voor-indie hebben uitgemaakt, 
en door jongere aaukomelingen , nl. Ariers en Drawida's, naar 
onherbergzame streken zijn teruggedrongen geworden , voor zoover 
zij niet met de Arische en Drawidische bevolking zijn versmolten. 
Doch ook Voor-indie zal wel niet het primaire stamland zijn, en 
als wij bedenken dat Ariers en Drawida's beide nit het Noordwesten 
in Indie zijn doorgedrongen , de eenen in Oostelijke, de anderen in 
Zuidwestelijke en Zuidelijke richting, dan ligt het vermoeden voor 
de hand dat reeds v66r hen de Austriers uit het Noordwesten zijn 
gekomen, dus uit een Midden-Aziatisch gebied. Daarom noemt dan 
ook Pater Schmidt die Mon-Khmer-voIken (met inbegrip natuurlijk 
der Voor-indische verwanten) //ein Bindeglied zwischen Volkem 
Zentralasiens und Austronesiens//. Een duidelijk overzicht van 't 
groote gebied waarover de twee verwante taalfamilien zich uitgebreid 
hebben, geven twee der drie kaarten welke aan 't zoo belangrijke 
werk zijn toegevoegd. 

Alvorens te besluiten nog een paar woorden over de tot nog toe 
niet gangbare, door den Schrijver ^ekozen termen Austronesisch , 
Austroasiatisch en Austrisch. De eerste dient ter vervanging van de 
thans meest gebruikelijke benaming Maleisch-Polynesisch , die volgens 
Schmidt niet recht past. Dat is ook zoo. Indien men de geheele 
reeks wil aanduiden door de uiteinden te noemen , zou men moeten 
zeggen Malagasi-Polynesisch , want de Maleiers wonen niet in 't 
uiterste Westen. Minder bezwaar zou er bestaan tegen den naam 
Oceanisch, die door sommigen gebruikt wordt. ^/Austronesisch/^' heeft 
dit voordeel dat door de wijze van sameustelling 't verband wordt 
uitgedrukt hetwelk tusschen de drie gekozen termen bestaat. Wel is 
waar is het een samenkoppeliug van een Latijnsch met een Grieksch 
woord, doch zulks komt in kunstwoorden meer voor, o.a. in ter- 
mi no logic. Of de nieuwe nam en algemeen bijval zullen vinden, 
zoodat zij allengskens algemeen in zwang zullen komen , is iets waar- 
omtreut het onvoorzichtig ware zich aan voorspellingen te wagen. 



HET WOORD VOOR PAUW IN SANTALI , 

MON EN INDONESISCH. 



DOOR 

H. KERN. 



De pauw heet iu H Santali marak, Mon mrSk. Ditzelfde woord 
vinden we terug in ettelijke Indonesische talen : Javaansch , Sunda- 
neesch m e r a k , Maleisch m ^ r a q , Makassaarsch m a r r ^ , met 
bepalend lid woord ; marrak-a, de pauw; Bugisch mSrr^, Oud- 
javaausch mrSk. In H Ngadju-Dajaksch is marak de benaming 
van den fazant. 

Het behoeft geen betoog dat het Indonesische woord niet ontleend 
kan zijn aan 't Santali. Evenmin kuuuen de Santals het overgenomen 
hebben van de Mons of omgekeerd. Het moet dus gemeengoed 
der taalfamilie wezen die Pater Schmidt als de Austroasiatische be- 
stempelt. Het is denkbaar dat de voorouders der Indonesiers 't woord 
overgenomen hebben van de Mons of een hiermee naverwanten stam, 
maar dan moet die ontleening hebben plaats gehad in een zeer ver 
verleden , toen die voorouders nog in Achter-indie woonden. * Het is 
echter evengoed denkbaar dat het woord, zoo geheel verschillende 
van de Arische en Drawidische benamingen van de pauw, een der 
vele is welke Austroasiaten en Austronesiers van ouds her gem een 
hebben. Wanneer men weet dat het algemeen Maleisch-Polynesische 
woord voor //oog// mat a, enz. , in de Austroasiatische talen terug- 
gevonden wordt als mat, enz., dan zal men erkennen dat voor de 
laatste veronderstelling de waarschijnlijkheid pleit. Doch volstrekte 
zekerheid bestaat hieromtrcint niet, zoolang men de etymologie van ^t 
woord niet heeft opgespoord. 



Linguistic Survey of India. 

Nu 't onderzoek naar de verwantschap der Mu^da-talen , waaronder 
het Santali de voornaamste is, in Voor-indie, met de Mon-Khmer- 
talen in Achter-indie, door de geschriften van Pater Schmidt een 



174 HBT WOORD VOOB. PAUW IN SANTALI, MON EN INDONESISCH. 

schrede voorwaarts heeft gedaan , komt te rechter tijd !de verschijning 
van het 4^® Deel van de Lingui«tical Survey of India. Ouder 
de bekwame leiding van den Heer G. A. Grierson, bevat ook dit 
door D'. Konow te Christiania bewerkte Deel van 't prachtig uit- 
gevoerde werk een schat van bijdragen tot de kennis der Mu^da- 
talen, alsook der Drawidische dialekten. 

Over den rijken inhoud van *t boek zal hier niet uitgeweid worden, 
daar deze regelen enkel bestemd zijn om de aandacht er op te vestigen. 
Een enkele opmerking slechts omtrent de Inleiding moge hier een 
plaats vinden. 

Op biz. 17, waar D' Konow het gevoelen van Prof. V. Thomsen 
ten aanzien van een verwantschap tusschen de talen der inboorlingen 
van Nieuw-Holland en die der Muijda's aan kritiek onderwerpt, 
geeft hij als 't voornaamwoord 1 pers. enk. op nu, n in de Melane- 
sische talen. Dit is onjuist, zooals men zien kan uit Codrington, 
Melanesian Languages, p. 112, vgg. Wei komt voor nu, wat niets 
anders is dan een verschrompeling van nyaku. Het kan nietgenoeg 
herhaald worden dat dergelijke vergelijkingen louter op den tegen- 
woordigen klank af, niet de minste waarde hebben. Wie zich aan 
taalvergelijking waagt moet de historische methode volgen, d. i. 
trachten thans bestaande woorden volgens bekende regelen te her- 
leiden tot den oorspronkelijken , of al thans oudst bereikbaren vorm. 
Doet men dit , dan ziet men dat er tusschen 't n u in zeer afgesleten 
Melanesische talen — om van 't denkbeeldige n u niet te spreken — 
en de vormen in de Nieuw-Hollandsche talen geen overeenkomst 
bestaat. Ook tusschen SantSli ing en inyaku, nyaku is er geen 
verband te bespeuren, tenzij ing afgesleten is uit inyaku, wat 
zonder bewijs niet aangenomen mag worden. Eer zou men ing 
mogen vergelijken met Sundaneesch a ing, ik. 



MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, 

RAPPANG EN SOEPA. 

DOOB 

H. DE VOGEL Hzx., 
Contr. B. B. 

Het landschap Sideureng, zooals het thans, na afscheiding van 
Bappang en Malloese Tasie is ingekrompen , wordt begrensd : 

ten Noorden door Bappang, ten Oosten door Wadjo, ten Zuiden 
door Soppeng en ten Westen door Malloese Tasie, Soepa, Alita en 
Sawitto. Het is , zelfs in den tegenwoordigen toestand , zoo niet het 
grootste landschap van de Westkust van Celebes , dan toch het meest 
bevolkte. 

Behalve het eigenlijke Sidenreng, dat uit de acht banoewa's 
Teteadji, Watang Sidenreng, Masepe, Alakoeang, Lisa, Aratang, 
Goeroe en Li woe woe wordt gevormd, bestaat het landschap uit: 

a, de 5 lili's: Amparita, Tjerewali, Bilokka, Wanio en WataE; 

h. de lilipitoeriassa: Batoe, Botto, Betaoe, Baroekoe, Kalempang, 
Lamerang en Baramase; 

c. de lili pitoeflawa : Bila, Oting, Botto, Boeloetjenrana, Ogi, 
Djampoe en Baroekoe. De sub ^ en c bedoelde lili's zijn neder- 
zettingen van vreemdelingen binnen het gebied van Sidenreng. Zij 
hebben ieder een eigen aroeng en hadat. Zij worden als van minder 
belang voor deze zaak buiten beschouwing gelaten. 

Het landschap Sidenreng wordt bestuurd door een Adatoewang, 
bijgestaan door een hadat. 

Na de militaire actie tegen Sidenreng deed de toenmalige Adatoe- 
wang , La Sadapotto , afstand van het bestuur en werd hij opgevolgd 
door zijn zoon La Tjeboe. * 

' Een onderzoek, of het waar is dat het bestuur van Sidenreng alleen in 
de mannelijke linie erfelijk is, braoht aan het lioht dat vroeger in dat r\jk 
wel eens eene vrouw Adatoewang is geweest terw\jl een man Aroe van 
Rappang was, dat deze bestuurders (zonderling geval) van waardigheid 
hebben verwisseld en dat sedert dien tijd alleen mannen bestuurders van 
Sidenreng zijn geweest. Men deelde tevens mede dat, wanneer alleen eene 
vrouw als ana-patola over zou blijven, men haar tot Adatoewang zou ver- 
kiezen, haar zou laten trouwen, en haar man tot Soeledatoe zou nemen die 
haar dan in het bestuur zou moeten vervangen. 



r 



176 MEDEDEELINGEN BETKEFFENDE SIDENRENG , RAPPANG EN SOEPA. 

De hadat van Sideureng bestaat uit: de Talloe LattaE, de Aroe 
Malolo, vier pabitjara's, 8 matowa's, 8 panghoeloe annang en 5 
aroe lili's. 

De Talloe LattaE, oorspronkelijk rijksbestierder van het landschap , 
kreeg langzamerhand de bevoegdheid van plaatsvervanger van den 
vorst in het leengebied Malloese Tasie. Gedurende een reeks van 
jaren was de vrouw van den Adatoewaug Simanga Koekka, (van zich 
zelf Aroe van Nepo) Talloe LattaE, welke waardigheid zij thans nog 
bekleedt. 

De Talloe LattaE had de bevoegdheid om uit te maken of Sidenreng 
oorlog moest voeren of niet. 

De Aroe Malolo (kroonprins) is hoofd van de hadat. Deze waardigheid, 
die vroeger vervuld werd door Karoeng TinggimaE, is thans vacant. 

Van de vier pabitjara's woont er een bij den adatoewang voor 
ontvangst en overbrenging van beveleu , dienen er twee voor de 
beslissing in kleine zaken en dient er een speciaal voor toezicht over 
de kasoewiangvelden Lasalama, die zeer uitgestrekt zijn. 

De 8 matowa's zijn de hoofden van de 8 banoewa's. 

De panghoeloe annang hebben geen gebied , maar zijn medestemmers 
en medeadviseurs in den hadat. 

De Adatsewang wordt gekozen door den geheelen hadat. 

De Talloe LattaE, de Aroe Malolo en de pabitjara's worden benoemd 
door den Adatoewang en den hadat. 

De Matowa's en de panghoeloe annang woraen door het volk 
gekozen en door den Adatoewang en hadat benoemd. 

De pi toe ri asa en pi toe ri awa, zie boven, hebben een eigen 
Aroeng en hadat. AUeen in zeer moeilijke zaken roepen zij de beslissing 
in van den Adatoewang. 

De inkomsten van de bestuurders van Sidenreng waren in hoofdzaak 
die , genoten uit de opbrengst van : 

a. de kasoewiangvelden , voornamelijk die , bekend onder den naam 
Lasalama, gelegen in de omstreken van Teteadji. 

6. de in- en uitvoerrechten te Par^-Par^, waarvan hij de helft 
afstond aan de Talloe LattaE. 

c. de soesoengpassar , zonder vasten regel geind van passergangers 
die artikelen brachten , benoodigd voor de dagelijksche behoeften van 
den Adatoewang. Deze heflBng werd in natura gevorderd. 

d. de monopolie's van zout , sirih en tabak , welke artikelen alleen 
door den vorst mochten worden verkocht. 

e. het invoerrecht op opium, bedragende 10 pCt. van de waarde. 



MEDEDEKLINGEN BETEEFFENDE SIDENB.BNG, EAPPANG EN SOEPA. 177 

/\ de soesoeng d.w.z. heffingen op alle artikelen , af hangende van 
den willekeur van den vorst. 

De geestelijkheid van het landschap Sidenreng bestaat uit 1 Kadli 
voor het geheel en bovendien voor elke banoewa uit 1 Imam , 
4 chatibs, 4 moengkin's en 4 bilal's. 

Kleiue zaken betreffende huwelijks- en erfrecht beslissen de Imam's ; 
de groote zaken worden behandeld door de sjarat, bestaande uitde 
Kadli en de andere geestelijken. 

Het landschap Rappang wordt begrensd : 

ten Noorden door het landschap Maiwa, ten Oostea en ten 
Zuiden door het landschap Sidenreng, en ten Westen door het 
landschap Sawitto. 

Het is een betrekkelijk klein landschap, dat gevormd wordt door 
de 9 aan elkaar sluitende kampoengs (banoewa's) : Lalang Bata , 
Baranti , Benteng , Manisa , Panreng , Paseno , Simpo , Dea en Koelo. 
Alle bij elkaar vormen een ffoorloopenden klappertuin met sawah's er 
omheen. 

Vroeger werd het landschap bestuurd door een afzonderlijk vorst, 
totdat La Pangorisang, Adatoewang van Sidenreng, huwde met 
Patta Bangki, eene dochter van den toenmaligen Aroe Rappang. De 
zoon uit dit huwelijk geboren , Simanga Boekka was dus erfgenaam 
in de rijken Sidenreng en Rappang en werd dan ook vorst in beide. 

Hij was getrouwd met Talloe LattaE, die kinderloos bleef , waar- 
door bij zijn dood het bestuur van de landschappen Sidenreng en 
Rappang overging op zijn jongeren broeder La Sadapotto. Deze voerde 
het bestuur over de beide landschappen , toen de militaire actie tegen 
Sidenreng begon en het verzet van dat landschap werd gebroken. 

fja Sadapotto deed afstand van het bestuur, en daar in beginsel 
was aangenomen om nimmer een persoon te belasten met het bestuur 
van twee landschappen , volgde de erkenning van La Sadapotto's 
oudere zuster Njilitimo Aroe Baranti, gehuwd geweest met Lamangkona 
van Wadjo, als bestuurster van Rappang en van La Tjeboe, La 
Sadapotto's zoon, als bestuurder van Sidenreng. 

De bestuurster van Rappang wordt bijgestaan door een hadat, 
bestaande uit 1 pabitjara en 9 Soelewatangs. 

De pabitjara van Rappang wordt gekozen door den Aroeng, in 
overeenstemming met de Soelewatangs. Hij is in gewone omstandigheden 
de persoon die de zaken regelt. De 9 Soelewatangs worden aaugesteld 



178 MEDEDEELIN6EN BETREFFENDE SIDENBENG, BAPPANG EN SOEPA. 

door deu Aroeng en deu pabitjam ; zij ziju feitelijk niet anders dau 
de hoofden van de hierboveu vermelde kampoengs. 

De inkomsteii van de bestuurders van Bappang waren voornaraelijk 
die , genoten uit de opbrengst van : 

a, de kasoewiangvelden , die tijdens den vroegeren adatoewaug 
steeds bewerkt werden, maar die tijdens La Sadapotto onbewerkt 
moesten blijven uit gebrek aan water; 

h, de tolgelden, bedragende 10 duiten per doorgaande pafeke 
(pikolpaard); 

c, de soesoengpassar , zonder vasten regel geind van passergangers 
die artikeleu brachten, benoodigd voor de dagelijksche behoeften 
van den Aroeng. Deze heflSng werd in natura gevorderd. 

d, in- en uitvoerrechten van copra, ten bedrage van omstreeks 
5 pCt. van de waarde , van opium ten bedrage van f 2. — per bol ; 

e, de monopolie's van zout, sirih en tabak, welke artikelen alleen 
door den vorst werden verkocht. 

De geestelijkheid in het landschap Bappang bestaat uit 1 Kadli 
(ook optredend voor Imam van Watari^ Bappang) en 8 Imams , voor 
elk der banoewa^s een. In elk banoewa vindt men 4 chatibs. 

Kleine zaken betreflFende huwelijks- en erfrecht worden beslist door 
den Imam van de betrokken banoewa. Groote zaken en zaken waarin 
zij niet kunnen beslissen, worden gebracht voor de Sjarat van het 
landschap. bestaande uit den Kadli en de 8 Imams. 

Het landschap Soepa wordt begrensd : 

ten Noorden door het landschap Sawitto en Alieta, ten Oosten 
door Alieta en Soreang, ten Zuiden door Soreang en de baai van 
Par^-Par^, en ten Westen door de zee. 

Het is een zeer klein landschap geworden nadat , in het begin der 
vorige eeuw, de z.g. Malaese Ta sic daarvan afgescheiden en aan 
Sidenreng in leen werd gegeven. 

V66r de jongste militaire actie werd het landschap bestuurd door 
eene Aroeng met den titel van Datoe, bijgestaau door een hadat. 
Deze hadat bestaat tegenwoordig uit: 1 Kapala bitjara, 2 pabitjara^s 
en 2 matowa's. De Kapala bitjara is eene instelling van ongevecr 
een jaar oud. Deze waardigheidsbekleeder diende als plaatsvervanger 
van den Datoe, die — zoon van den radja van Gowa — steeds 
in Gowa woonde. 

Vroeger was een Soelewatang, hoofd van de hadat, maar sedert 
de laatste 20 jaar is die waardigheid niet vervuld. De pabitjara's 



MEDSDEELIN6EN BETBEFFENDE SIDEN&EN6, IUPPAN6 EN Sd^A. 179 

eu de matowa^s hebbeu geen bepaald gebied , waarover zij het beheer 
voereu, maar dienen om beveleu te geveu eu over te brengen. 

Bij overlijden van den Datoe wordt zijn opvolger door de hadat 
en de menigte gekozen uit diens kinderen, onverschillig of zij van 
het mannelijk of vrouwelijik geslacht, de ondste of jongste zijn. Bij 
ontstentenis van kinderen wordt de opvolger gekozen nit de andere 
erfgenameu [steeds ana patola^s]. 

De hadatsledeu word en aaugewezen door den Datoe en de hadat. 

De laatste Datoe van Soepa, thaus voortvluchtig, is een broeder 
van den voortvluchtigen Aroe van Alieta , La Pangorisang. Zijne tante 
Ma Deloeng, overleden Datoe van Soepa, zuster van de vrouw van 
karaeug Limbangparang , voortvluchtige radja van Oowa, stierf 
kinderloos; vandaar dat haar zusterskind, zoou van den radja van 
Gowa, tot Datoe van Soepa werd aangesteld. 

Ana patola^s van Soepa zijn er niet meer. 

De voortvluchtige Datoe, La Mapanjoeki, is getrbuwd met eene 
dochter van Karaeug TinggimaE, die nu zwanger is. Men koos 
Karaeug TinggimaE tot Datoe van Soepa, om hem in de gelegeu- 
heid te stellen het bestuur van Soepa te bewaren voor zijn nog 
niet geboren kleiuzoon, die de eenige ana patola van Soepa zou 
kunnen worden. 

Daar de Datoe van Soepa steeds in Gowa wooude , moest hij aan 
een der hoofdeu in Soepa zelf eene grootere bevoegdheid geven dan 
in gewoue omstandigheden het geval zou zijn. De nieuw aangestelde 
Kapala bitjara, Mohamad Noeroe, ver familielid vau den voort- 
vluchtigen Datoe, maar door een mardeka-vrouw , kreeg van den 
Datoe de bevoegdheid, zelfstandig in zaken te beslisseu. Kon hij 
geen beslissiug nemeu, dan werd de hadat bijeen geroepen om in 
overeenstemmiug met hem eeu besluit te nemeu. Eerst nadat dergelijke 
beslissingeu wareu genomen werd daarvan aau den Datoe in Gowa 
kenuis gegeveu. De beslissingeu werden genomen tegen betaling : 

a. in civiele zakeu, vau 13 duiteu op de 80 duiten geschilwaarde. 
Dit geld werd uaar Gowa gebracht en door den Datoe als volgt 
verdeeld : ^ voor den Datoe eu de andere helft voor de hadatsledeu. 
Deze helft werd in vieren verdeeld. De kapala bitjara eu de beide 
pabitjara's kregeu ieder 66n deel, de beide matowa's samen ^^u deel. 

b, in diefstalzakeu vau 3 maal de waarde van het gestolene , waarvan 
de bestolene eenmaal eq de hadatsledeu 2 maal de waarde kregeu. 

Eene verdeeliug van het landschap in territoriale ouderdeeleu 
bestoud niet, maar kwam langzamerhaud tot stand toeu men de 



180 MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, RAPPANG EN SOEPA. 

noodzakelijkheid begon in te zien , over woninggroepen hoofden 
aan te stellen. 

Als zoodanig bestaau nu de kampongs, elk onder een kapala kampoDg: 
Oedjoeng Lero, Lero, Minralo, Tanah MailiE, Sabbangparroe , 
Pareugki, Barrakasanda , Tjekowole, Kani, Alakang, Langi, Toboue, 
Geresih, Latemappa, Ladea, Polewali, Belabelawang , Madjenang, 
Labanta, Mangarabombang, WanoewaE, TaE, Karabalo met een 
totaal aautal van 1396 mannen. 

De inkomsten van de bestuurders van Soepa waren, behalve die 
voortvloeiden uit de hierboven besproken heffingen bij de rechtspraak, 
voornamelijk die genoten uit de opbrengst van : 

a. de kasoewiaugvelden , die sedert geruimen tijd niet meer bewerkt 
werden en die vroeger ± 3000 bossen padi opbrachten. 

h, de in- en nitvoerrechten , geind door een sjahbandar, van welke 
de invoergelden later aan Alieta werden afgestaan. De in- en nitvoer- 
rechten brachten gemiddeld f 375 'sjaars op. 

c, de passerrechten , die om de 5 dagen 80 duiten opbrachten. 

d. het zoutmonopolie , dat vroeger bestond. 

e, de dobbelrechten, door La Mapanjoeki afgeschaft, omdat zij 
het aantal diefstallen in de hand werkten. 

f. de palawa tana , d. z. heflBngeu bij huwelijken , uiteenloopend 
uaar rang en stand van 8 duiten tot f 4. 

De hadatsleden kregen inkomsten uit het recht tot het plaatsen 
van vischfuiken [kleine ^ £2.50, groote ^ f 5 'sjaars] en uit de 
kasoewiaugvelden . 

De geestelijkheid van het landschap Soepa bestaat uit een Kadli 
tevens Imam, 4 chatibs en 4 bilals, die, vereenigd als sjarat, 
beslissen in huwelijks- en erfeniszaken. 

Par^-Par6, 23 Januari 1906. 



CATALOGUS 

DER MALEISCHE HANDSCHRIFTEN VAN HET KONINKLIJK 

INSTITUUT VOOR DE TAAL- LAND- EN VOLKEN- 

KUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIE 

DOOR 

Dr. Ph. 8. VAN RONKEL. 



In 1898 is door wijlen Dr. J. Brandes een „voorloopige inven- 
taris van eenige der handschriften'' van het Koninklijk Instituut 
samengesteld. „De tijd ontbrak" — zoo schreef de heer Brandes 
op het schntblad van zijn' inventaris — „dezen inventaris behoor- 
„lijk af te werken. Vandaar dat bij enkele handschriften het aantal 
^ybladzijden niet kon worden opgegeven, bij anderen de aanduiding 
^^algemeen of vaag moest blijven, redacties niet konden worden 
„gepraeciseerd." 

De door Dr. Brandes geinventariseerde handschriften, 128 in 
aantal (de uummers 500 — 628), zijn Battaksche, Lampongsche, 
Javaansche, Maleische en enkele over inlandsche talen handelende 
Hollandsche schrifturen; na de voleinding van den inventaris is 
de verzameling manu^cripten met een zevental Maleische ver- 
meerderd. Doch behalve deze 135 handschriften bezit het Koninklijk 
Instituut nog eenige in Archipel-talen geschrevene manuscripten, 
welke door niet-deskundige hand met eene korte aanduiding van 
den titel zijn ingeschreven in het „Regi6ter van de Handschriften 
van het Koninklijk Instituut*' waarin 426, meerendeels Hollandsche, 
handschriften zijn genoteerd; na onderzoek bleek het aantal der 
onder de vele Nederlandsche verscholene, aan Maleische hand- 
schriften toebehoorende, titels een dertigtal te bedragen, terwijl 
de in Brandes* lijst genoemde Maleische teksten ruim vijftig in 
getal zijn. 

Vanwaar deze handschriften gekomen zijn is moeilijk na te gaan. 
Deze, trouwens weinig ter zake doende, vraag is door Dr. Brandes 
gedeeltelijk beantwoord in eene achter zijn inventaris voorkomende 
aanteekening : „van de voorafgaande hdss. werden met n". 160, 

7e Volgr. VI. 18 



182 CATALOGUB DBR MAL. HANDSCHRI?TBN 

221 en 420 der lidss. van het Instituut, die hier niet voorkomen, 
daar deze lijst met 501 begint, n«. 524, 525, 528, 542, 543, 
551, 604, 605, 606, 607 en 608 gekocht op de auctie van 27 

April 1885 bij Martinns Nijhoff voor de som van / 38.28 

Sommigen der andere hdss. werden ontvangen als geschenk van 
Prof. Dr. P. J. Veth." In de later bij de verzameling gevoegde 
handschriften is de naam van den gever of vermaker vermeld. 

Eene betrekkelijk zoo kleine collectie manuscripten in rubrieken 
te verdeelen zoude onnoodig zijn, indien alle handschriften een 
bepaalden inlandschen titel droegen, of de door die handschriften 
vertegenwoordigde teksten eene vaststaande inlandsche aanduiding 
hadden. In dat geval kan men eenen handschriften-catalogus alpha- 
betisch inrichten, en is de index tevens register, wat het opzoe- 
ken — en daarvoor, niet tot gezette lectuur is toch een catalogus 
bestemd — belangrijk vergemakkelijken kan. Waar echter de 
veelal zeer heterogene Maleische handschriften gewoonlijk niet alle 
met een vaste benaming zijn aan te duiden, zooals b.v. de door 
Dr. Brandes gecatalogiseerde Javaansche, Balineesche en Sasaksche 
handschriften aangetroflfen in de nalatenschap van Dr. H. N. van 
der Tuuk, beveelt eene groepeering naar den inhond zich aan, 
zij het ook dat daaraan enkele bezwaren verbonden zijn. Immers 
meer dan eens bevatten Maleische handschriften brokstukken van 
geheel verschillenden inhoud, zoodat de beschrijving van een der- 
gelijk manuscript onder verschillende afdeelingen van den catalogus 
moet gevonden worden, indien bij de groepeering met den inhoud 
alleen is rekening gehouden. Buitendien is de vermenging van 
twee soorten in een geschrift vaak zoo innig dat men bezwaariijk 
kan vaststellen tot welke der twee vertegenwoordigde afdeelingen 
het werk in quaestie te brengen is; zoo kan men b.v. langdurig 
twijfelen of een werk als de Oendang Oendang M^nangkabau tot 
de rubriek geschiedenis of tot die der Inlandsche Wetten is te 
rekenen. Onderverdeeling in kleinere rubrieken, zooals de verdee- 
ling van geschriften over den islam in die over de plichtenleer, 
de geloofsleer, de mystiek, de hulpwetenschappen, is doorgaans 
ondoenlijk, daar meestal meer dan eene dier afdeelingen der heilige 
wetenschap in een en hetzolfde handschrift behandeld wordt, en 
het al of niet opnemen door den verzamelaar van andere brokken 
dier wetenschap in zijn manuscript afhankelijk kan zijn van geheel 
toevallige factoren, zooals het al of niet kunnen beschikken over 
nog eenige quaternen schrijfpapier e. d. 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUUT. 183 

De verdeeling in rubrieken bij Maleische schrifturen kan dus 
niet anders dan vrij grof en benaderend zijn, en veelheid van 
afdeelingen kan die vaagbeid slechts in zeer geringe mate ver- 
kleinen. Bij elke verdeeling blijven moeilijkheden ; zoo men de 
gedichten als eene afzonderlijke rubriek handhaaft, dus in dit 
geval een louter formeel onderscheid in acht neemt, moet men de 
sjairs van religieusen inboud van de afdeeling des isl&ms, waar 
zij krachtens hunnen inboud thuis behooren, afvoeren en bij de 
afdeeling poesie, waar van alles vereenigd is, onderbrengen, alleen- 
lijk dewijl de vorm, bet berijmd zijn, dat vereischt. Qeen enkele 
verdeeling der Maleiscbe handschriften is in alle opzichten zuiver 
en consequent. Evenwel, voor eene weinig omvangrijke verzame- 
ling als die van bet Eoninklijk Instituut is deze quaestie van 
ondergeschikt belang; bier zoude desnoods eene optelling naar de 
nummers der bandscbriften, gevolgd door een systematisch over- 
zicbt, kunnen volstaan, docb in bet belang der uniformiteit met 
den catalogus der Leidscbe bandscbriften en den nog uit te geven 
catalogus der Maleiscbe bandscbriften te Batavia, bebben wij ook 
deze verzameling naar onderscbeidene afdeelingen gecatalogiseerd. 

Wat den catalogus zelf aangaat, bij elk bandscbrift zijn bet 
uiterlijk en innerlijk beschreven; afmeting, aantal bladzijden en 
regels per bladzijde en scbriftsoort word en verm eld, en inboud of 
redactie aangegeven. Wanneer van een gescbrift meer dan een 
titel bekend is, bebben wij, wederom om der wille der uniformi- 
teit, dien titel behouden welken makers van andere catalogi reeds 
als den meest in zwang zijnden bebben gebezigd. Bij in Latijnscbe 
karakters gescbrevene manuscripten wordt zoo mogelijk de in bet 
gescbrift zelf voorkomende titel, volgens de daar gebruikte scbrijf- 
wijze, in den index vermeld; men zal dus tjarieta vinden nevens 
tjarita, sila-sila naast salisilab, eene scbijnbare onregelmatigbeid 
die bij bet geringe aantal der tot deze soort beboorende band- 
scbriften geen ver warring kan veroorzakeu. Verder is bij elk 
daartoe in aanmerking komend bandscbrift aangegeven in welke 
verzamelingen andere exemplaren zijn aan te treflfen. 

Die verzamelingen zijn: 

De Leidscbe Universiteitsbibliotbeek, gecatalogiseerd door Dr. H. 
H. JuynboU, Leiden, 1899. 

Louden, East India House, gecatalogiseerd door Dr. H. N. van 
der Tuuk, in bet Tijdscbrift van Nederlandsch-Indie, 1849. I, biz. 
385 en volg. 



184 CATALOaUS DER MAL. HANDSCHRIFTBN 

Londen, Royal Asiatic Society, gecatalogiseerd door Dr. H. N. 
van der Tank, in de Bijdragen van het Kbninklijk Instituut, 
3e volgreeks. I, biz. 409—474. 

Londen, Britsch Museum, gecatalogiseerd door Dr. G. K. Nie- 
niann, in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut, 3e volgreeks. 
VI, biz. 96—101. . 

Batavia, coUectie-H. von de Wall, geinventariseerd door Mr. L. 
W. C. van den Berg, Batavia, 1877. 

Van de te Batavia berustende verzamelingen van het Bataviaasch 
Qenootschap van Kunsten en Wetenschappen en van wijlen Dr. Cohen 
Stuart, alsmede van wijlen Dr. Brandes, zijn gedeeltelijke, en slechts 
voorloopjge, inventarissen gepubliceerd ; een beschrijvende catalogus 
dier collecties, tezamen meer dan vierhonderd nummers tellende, 
is door schrijver dezes gereedgemaakt. 

Bij de vernielding van tot laatstgenoemde verzamelingen behoo- 
rende handschriften kon nog niet van het catalogusnummer ge- 
bruik gemaakt worden; daar is dus uitsluitend het handschrifl- 
nummer genoemd. 

Voor de inhoudsopgave van verscheidene manuscripten kon naar 
de in Dr. Juynboll's catalogus voorkomende analyses verwezen 
worden, waardoor eene belangrijke besparing van tijd en moeite 
werd verkregen. 



VAN HBT KONINKLUK INSTITTJUT. 



AFDEELING I. 
Verdichte Verhalen. 



I. 

Hlkajat Ahmad Moehatnmad. (HS. 608). 

I8XI2V2 C.M., 516 bl., 13 r. 

Voorin Btaat: 'jk^ Ju^ u*^^ fj ^^^ ^^^*^ '-^^ ^»L^ ^} 

viibi u^JL^y^ ;3jjcX^ ^yuLTo ^^:i^ u^^r^ ^^ '>^^*-- 

Begin: \^y^ SwIX^ ^jI J^ iJJL clb*;:^ xj^ (Hi5>/ ^/ &Ut j.^ 

Behalve de 516 met duidelijk schrift beschreven bladzijden be- 
vindeu zich in dit in perkament gebonden HS. vele onbeschreven 
bladzijden; het HS. toch eindigt abrupt met de woorden: ju^ e)uo 

J.?U> (^1i ^ L^> ^y ^^1 ajLS s.j^^ ^yi Ij cr^^ 5?!;^ 
vi>u^ 6^ aJj^ c/^^ t-^- ^^'"^ C/^ 0/ ^'^ ^^ '^*^''=' ^^ 

*U4L> crA- s^; v$ o^:;*^ ^j^ ^I^ iiU ^.I w^ l)^ olf yu>f 

De inhoud van een gedeelte van dit rerhaal is medegedeeld in 
den Catalogus van Dr. H. H. Juynboll, bl. 144 — 147. Dat ge- 
deelte vindt men in dit HS. in de bl. 1 — 427, in eene zelfde 
redactie, met dezelfde opeenvolging der gebenrtenissen en nagenoeg 
dezelfde spelling der eigennamen. 

De inhoud van het in het Leidsche Handschrift niet voor- 
koniende gedeelte van dit verhaal zal warden medegedeeld in 
de Beschrijving der Maleische Handschriften te Batavia, bij 
nO. 127. 



186 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIPTBN 

Aodere handschriften : 

Leiden: Catal. bl. 144—147, cod. -3249 en 3314. 

Batavia: CoUectie-Von de Wall, n*^. 131. 

Baiavia: Collectie-Bataviaasch Qenootscliap, nos 127 (geheel 
dezelfde tekst en met dezelfde woorden abrupt eindigende als het 
HS. van het Kon. Institunt), en 185 (fragment). 

Batavia: CoUectie-Cohen Stuart, nos 107 (eenigszins afwijkende 
redactie, eindigt op dezelfde plaats abrupt) en 120 (eindigt abrupt, 
enkele bladzijden vroeger). 

Batavia: Collectie-Brandes, n^. 435 (eindigt ongeveer op dezelfde 
plaats). 

n. 

Hikajat Indra Poetra I. (HS. 542). 
27 X 18 C.M., 174 bl, 23—25 r. 

De eerste twee bladzijden ^even een kort begrip van het ver- 
haal, dat in overeenstemming is met de inhoudsopgave van 
Dr. H. H. Juynboll, in zijnen catalogus, bl. 122 — 124. Het 
eigentLJke begin komt letterlijk overeen met dat van cod. 1933; 
zie Catal. bl. 125. 

Het HS. is getateerd: 29 Radjab 1111. 

De hoofdstukken zijn voorzien van opschriften vermeldende den 
korten inhoud. Hier volgt eene vermelding van den omvang 
dier hoofdstukken, vergeleken met de opgave betrekkelijk cod. 
Leyd. 1690: 



Cod. Leyd. 1690. 


H8. 


Eon. Inst. 542. 


bl. 13 




bl. 8 


25 




16 


41 




27 


72 




42 


87 




51 


115 




65 


130 




74 


174 




101 


198 




116 


229 




136 


260 




157 


282 




170 



VAN HBT KONINKLUK INBTITUUT. 187 

De eigennamen komen overeen, behoudens enkele kleine ver- 
Bchillen van ondergeschikten aard. 

III. 

Hikajat Indra Poetra H, (HS. 525). 

31x20 C.M., 157 bl., 21—27 r. 

De inleiding is als van het vorige handschrift, en het eigenlijke 
begin komt geheel overeen met dat van Cod. Leyd. 1933. 

De capita bovenvermeld vallen in dit HS. op de bladzijden: 8, 
17, 27, 53, 70, 89, 100, 135. Het HS. eindigt met het huwelijk 
van Indrapoetra met Poetri Sri Boelan, d. i. omstreeks het einde van 
het hoofdstuk dat in cod. 1690 bij bl. 198 eindigt. Aan den rand 
staat dan ook bij het slot geschreven: p. 198 MS. 1690. Het HS. 
eindigt abrupt: ^b i^yi^^ J^ q£c> \J^ \J6\ ^b \J. J^ jiU 

vV^ O^ oyf^^ J^^J^ l5^>^ Uh^^ ^ij^ JP;5* vV^ O^ i^-i^ 

.gji ^'b y^j^^ji Kjf'f^ Ni; O^*^ KS^^J ^V h^ o'*^ !>^ "^^ 

De eigennamen wijken zeer weinig af van die in het vorige 

en het Leidsche handschrift. 

IV. 

Hikajat Indra Poetra HI. (HS. 221). 

27 X 21 cM., 347 bl., 23—30 r. Latijnsch schrift. 

De aanhef is : 

Bahowa Ini cadsed tsjeritra hhakajat indra patra jang indah 
perkataannja jang masjehoer pada taanah manusija doer pada tanah 
dijn terlaloe iloc roepahnja sjaliadaan kasactijanja daen terlaloe 
pantas barang lakoeuja daen sikapnja terlaloe baik .... 

De korte inhoud, waaruit de transscriptie van vele eigennamen 
kan gekend worden, is: sabermoela ijalah jang disoroehkan oleh 
radja Sijahijana kapada baramsacti^ daen ijalah jang diterbangken 
marac amas, daen ijalah jang berdjalang dalam hoetan belantara 
saorang dirinra babrapa ija melaloewi goenoeng jang besar besar 
daen bertemoe dengan tasik Samadara, daen ijalah jang bertemoe 
dengan toean poetri Goemala ritna serai, daen ijalah jang baroleh 
goemala Gikmet, daen ijalah jang mengadap baramasacti dengan 
radja diwalila maugoerna, daen ijalak jang diterbangken dijn jang 



188 CATALOGUS DBR MAL. HANDBCHRIJ-TEN 

berna (sic) tamar boeka, daen ijalah jang bertemoe dengan boekit 
amas, daen boekit perac, daen boekit permata, daen ijalah jang 
bertemoe dengan goenong appi^ daen ijalah jang bertemoe dengan 
tasik bamadjoer aladjaib ; daen ijalah jang bertemoe dengan tasik ulh- 
hoesjac nlaisic daen ijalah jang berdjalang jang tiadadidjalangorang 
demikian lah gagah parkas indra patra, daen ijalah ijang berdjalan 
dalam goha saboelan lamanja, daen ijalah jang memboenoeh mama- 
doeda eijah, daen ijalah jang membonoh goeraksja matti dalam 
tangan Indra patra^ daen brapa hhikmat radja tohlila Sija gendock 
memboenoh goeracsja itoe tijada djoega, dapat di boenoh nja, 
makka dapat diboenoh oleh Indrapatra, dengan di prangnja Sija- 
hadaan ijalah jang diboewang kan oleh mantri radja Sijahijana 
kadalam lawat tiga tahon Lamanja, daen ijalah jang beroleh Cian 
Soetra poeti namanja haloes seperati aijer ambon roepahnja, daen 
ijalah jang bertemoe dengan dewi Lackariba didalem lawot, 
daen ijalah jang berdjalang dalam lawoet dijn^ daen ijalah jang 
bertemoe dengan darmagamgga makka diberinja sawatoe panah 
dan babrapa hikmat hoeloebalang diberikannja kapada Indra 
patra. 

Systematisch is de gebezigde transscriptie blijkbaar niet. Het 
eind en begin van eene episode worden aangeduid met Wa Allahoe 
41am baltsawab Alcadsa pri mengatakan .... 

Het verhaal zelf heeft geene bijzondere afwijkingen. 

Het slot is: Tamat Hhikajat Indrapatra pada hadjarat Nabi 
kami Is4 Mesihh ibn6e Mariam rohh ALLAH sariboe toedjoh 
ratus sambilan bias, Likor pada sapoeloh hari boelan dnlahhadja 
pada hari^ pada hari Djoemd,t dan pada wactoe Lohhri. 

Deze dagteekening is verward, doch .schijnt eene copieering te 
zijn van die van HS. 542, welke luidt: tammat hikajat Indra 
Poetra pada hidjrat sariboe saratoes sapoeloeh asa pada sambilan 
likoer hari boelan Radjab pada hari arba^ dan pada waktoe dioehg,. 
Indien werkelijk HS. 542 gecopieerd is door den schrijver van 
HS. 221, dat twintig jaren jonger is, heeft deze copiist vaak het 
origineel verkeerd begrepen, o. a. de termen der dagteekening, 
gelijk blijkt uit het verkeerd gebruik van hidjrah, Lihor en de 
spelling Lohhri (^.^Uto). 

Als oude transscriptie in de spelling dier dagen (1719) heeft 
het HS. in elk geval waarde. 

Andere handschriften : 

Leiden, Catalogus,' bl. 121—125, cod. 1690 en 1933. 



VAN HBT KONINKLUK INBTITUUT. 189 

Louden, Koyal Asiatic Society, n<» 9, 37 en 55. 
Baiavia, CoUectie-Von de Wall, n^ 168. 

Batavia, Collectie-Bataviaasch Qenootschap, n° 125 (voUedig ex., 
met geringe afwijkingen). 

V. 

Hikajat SjftU Mardftn. (HS. 524). 

33VaX21c.M., 75 bl., 23 r. 



Op den omslag staat: irfl s-aj>, ^^H ,^L> jJjJ *jb^ maar 

het begin heeft den jnisten titel:^^^^^ vi>w*l ij ^bU^ -L i^L^ 

v-ajJOs -^^^ AJjt vi>jl33 ^1/ rsiXil c>w«l jj ^y'^ Jj^y Verder 

wordt gezegd dat aan de lectuur een viervoudig nut is verbonden, en 
wel als volgt: jjb ^L> v>A^b j»ly ^^^^Jj kAjIS ^I^^ vi>^^ *Ibi 

r^.!^ J^ cobo^l JuU^ J..^yob yi>C^ 3wXf ^^U J^tf ^Uol *UI 

^^Ua: jij ^ J^^ jj:> AftT J^b ^IS^ 3i^ ^^b ^^U sj^ 

Daarna begint het verhaal welks inhoud in den catalogus van 
Dr. Juynboll is vermeld, op bl. 149 en 150; het verhaal is ook 
bekend als hikajat Indra Djaja en hikajat Bikrama Ditja Djaja of 
Widjaja. 

De eigennamen komen veelal overeen met die van Cod. Leyd. 
1733, maar in stede van -LSi^ ^b* heet het land van Sitti Dewi 

hier *Lii .b, terwijl *LaJI .b* de naam van het rijk van Indra 

^Alam is. J^J^i de vorst van Nederland ait cod. 1733 heet hier 

(bl. 52) Poetra Alam van '^^^y^, JL^^ i^j^ van Noesantara uit 

dien codex heet hier (bl. 65) JbCL*^ van ^^^^ ongeveer zooals 

in cod. 1919 dus, en Adi Moelja van eerstgenoemden, Adam Moelja 
van laatstgenoemden codex heet hier (bl. 68) Daja Moelja. Het 
beloop van het verhaal vertoont geene afwijkingen. 

Uit het slot: c>^^ J^ ^b^o g^ J^ U^ ^ *-j|Js^ ^J^* 
^^- ^ V J(^ ^ iL.*4.> ^^U> Jo ^ j^^ ^^ ^j\^ ^^L 

h oy^ ^ o^^ *^ vi>^l u^'^ Ij^ y^y^ blijkt' dat de datum 
van het MS. is 14 RablT 1249. 



190 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIPTBN 

Andere handschriften : 

leiden, Catalogus, bl. 148—153, cod. 1733, 1919, 2300 (]), 
2192 (3) en 3197 (2). 

London, East India House, n^. 373^. 

Louden, Koyal Asiatic Society, n°. 60. 

Londen, Britsch Museum, n^. 14. 

Batavia, CoUectie-Von de Wall, nos 149, 150 en 151 (n^ 149 
voUedig, enkele afwijkingen, n^s 150 en 151 fragmenten). 

Batavia, Collectie-Bataviaasch Genootschap, n^s 51 (volledig) en 
147 (fragnient, gebrekkige copie). 

Batavia CoUectie- Cohen Stuart, n^. 140 (geringe verschillen). 

Batavia, Collectie-Brandes, n^ 536 (copie van cod. Leyd. 3197 (2)). 

VI. 
Hikajat Soeltan Ibrahim. (HS. 607, 2de gedeelte). 

22 X 14 C.M., 57 bl., 15 r. 

Begin: 2C-jIX> ^^} Jx jJJL ^j^^x^ i^^ j^^o^Jl ^;il aUI ^ 

Slot: ^1*13^^ ^^ ^J^y^ *1^5u> Jo (•-^^jj* qLIJLi vi>alK^ a)Lx^* 
oobC^ l^yj ^JLa^JL^ csU 1824 H^jfv>- cXd j^ o^d^ ya^. ^^Lp 

Den inhoud van dit verhaal vindt men medegedeeld in De 
Hollander's Handleiding tot de beoefening der Maleische taal- en 
letterkunde. (5de dr.) bl. 346. 

Het verhaal is uitgegeven: door Roorda van Eysinga, Batavia 
1822 Lenting, Breda 1846, en Regensburg, ' Batavia 1890. De 
tekst van dit HS. komt met dien der uitgaven overeen. 

Zooals uit de bovenstaande aanhaling blijkt is dit HS. gedateerd: 
22 Ramadan 1824 H. (sic\ en 1239 H., laatstgenoemde datum als 
die van beeindiging van den druk ! Blijkbaar is dit eene navolging 
van het slot van Roorda van Eysinga's twee jaren vroeger ver- 
schenen editie. 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 191 

Andere handschriften : 

Batavia, Collectie-Von de Wall, nos 118, 119 en 120. 

Batavia, Collectie-Bataviaasch Qenootschap, n^. 155 (gelijke 
redactie). 

Batavia. CoUectie-Cohen Stuart, n°. 130 A (met nieuwe bestand- 
deelen vermeerderde redactie). 

Batavia, CoUectie-Brandes, n°. 421 Q (dezelfde redactie als die 
van dit HS.) 

YII. 
Hikajat Sang Bima. (HS. 633). 

35x2172 C.M., 121 (96 + 25) bl., 17 r. 
Begin: iL-)L<:> ^j ^ ^JJiL e;vjuu*J w^ ^,^^\ ^^1 x.111 j%.mo 

Dan wordt verteld dat een Maleier naar Bima kwam in den 
tijd van Soeltan Hoesnoeddin, genaamd Dalang Wisawarta, een 
armoedig man, die om zich te vertroosten het verhaal van Poetri 
Tasik SSri Naga Tjandra Roemala opstelt, daarop volgt: i^t ^ 

e^l-^ ri^ ^t^^ ^ ^ O^^ t^^ t^ ^J^ ^ "^ X^r^ 

Het verhaal vertelt van drie djinn's tusschen den hemel en de 
aarde, genaamd Sangjang (jj|;^«3 (^S)^ Sangjang Wija, en Sang- 

jang Toenggal; van den eersten stammen af alle dewa's en batara's 
en bagawan's en mambangs, van den derden de Pandawa Lima 
en Korawa's. Sangjang Toenggal had twee zonen: Sangjang ji^j 

geheeten. Verder was er Batara Goeroe met zijn zoon Batara Brama, 
deze gewon: Barmani, deze: Bagawan Sandjang, deze: Palisara, 
deze Bagawan Biasa en Bagawan Besoeki, deze: l^^ Santarata, 
blind aan beide oogen, waarom zijn vader Korawa geheeten werd, 
2e Pandawa Dewa Nata en 3® ^^j y; Besoeki gewon: 1« Dewi 

-1^ ^5^> 2® Basoe Dewi ; de 1^ wordt wegens onwettige zwanger- 

Bchap verdreven en door Dastarata aangenomen. Bagawan Biasa 
is van oordeel dat zijn zoon Pandoe Dewa Nata met haar moet 



192 CATALOGUS DBR MAX. HA.ND8CHRIFrBN 

huwen ; aldus geschiedt. Pandoe Dewa Nata wordt vorst in Marta 
Wangsa waar hij voortreffelijk regeert. Dewi Qanti bevalt, onder 
een toeloop van alle dieren des wouds, van een zoon die Darma- 
wangsa genoemd wordt; later baart zij, met een oproer in de ge- 
heele natuur, en wel uit haar oog: Sang Bima. Zijn moordlust 
maakt den vader beducht. Dewa Qanti baart uit den navel Ardjoena 
met een pijl; later worden uit een bijwijf Sang Koela en Sang 
Dewa geboren. Tafereelen uit hunne jeugd volgen nu. Sang- 
jang iij^ incameert zicb als SSmar, en wordt bediende bij de vijf 

pandawa's, die hij onderricht in de krijgskunst. Zij strijden met 
de mambangs (bl. 26) en onderwerpen hen. Bl. 34. In het land 
der raksasa's is Dewi Roembi, Bima onderwerpt het land, huwt 
met haar en gewint J^ co'^^ (= Gatotkatja); hij onderwerpt het 

land der batara's, huwt met Soekarba, overwint 39 landen, daalt 
met de zijnen af naar Padjadjaran, onderwerpt het rijk, noemt zich 
Praboe Djaja LSlana, verkrijgt de prinses o^^ ^V) o^s^ (= Laks- 
miningrat) tot vrouw. Maar eerst meet haar vader naar Djajakgrta 
vertrekken om alles voor het huwelijk in gereedheid te brengen. 
Het HB. eindigt abrupt: jo^W JO^ Juj! j^ ^^ ol^ ^ 

^yh jA-^ Juiol aJ^'wj>^ \a^^ y^^ ^y*^ ij^^j^^ O^*^ 
^ o*^ br" o^ r"^ *!;^ o^^ '^^ o^"^ ^^^ '^^ o^^ C^' 

^JfJL^ vJ|;-j jiJiir ^b 'jLa^ cXi ^JJ^ ^yiS (iL-^ ^J oTJ^ ^^jtU 

.y^ 'jd!^ ^b ^x»j oL5' ^ vi>X^ oUjU 3'^ 

Het vervolg van dit HS. werd gevonden in een bundel Makas- 
saarsche papieren, gerangschikt onder n®. 555; dit vervolg, ook 
abrubt eindigend, telt 25 bladzijden, en vangt aan : ^^^3^ ^^ \^ 

xL^U: Q^ U^wM^, wat onmiddellijk by het slot van het eerste 

fragment aansluit. 

De tocht en aankomst der gezanten met het vorstelijk paar worden 
uitvoerig beschreven. Daarna wordt uitvoerig verhaald van de ge- 
ruchten omtrent eene aanstaande onderneming van den vorst van 
Tjirfibon tegen de roovers die Djajakarta onveilig maakten en de 
prinses wilden rooven, tegen de lieden van Praboe Djaja Lfelana 
dus; de geruchten worden bewaarheid, de beide afgezanten ont- 
wapenen den vorst van Tjirebon en voeren hem en de zijnen ge- 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUOT. 193 

vankelijk mede. De vorst van Tjirfibon wordt begenadigd, en laat 
zijne kinderen Tjanda Batra Wati, Angling Koersi en Baden Eara- 
madjaja naar Djajakarta komen. Daarna is sprake van den strijd 
van Praboe Djaja Lelena tegen den vorst van PoegSr, dien hij en 
zijne vier breeders (^^.-Jajls of j4-JJ ^tvXJL3 genoemd) overwinnen. 

Vervolgens trekken zij naar JJuu^ dicht bij si^Xo. Daar wordt de 

dochter van een naga zwanger doordat haar blik dien van Sang 
Bima had opgevangen, welke oorzaak van zwangerschap hare ouders 
niet willen aannemen. Sang Bima en de zijnen zijn intusschen 
oostwaarts getrokken. 

Het slot van dit handschrift is: (jh?-^ o^ ^Ui* ^yjl ol^ ^ 

JtjU^ ^t -U oLo ^J^;J ^J/ j^ '^^^ »Ss^\ ^^ ^IxS'^ j^ 

jUj vi^ot ^t ju^ ^^^^ uXi ol^y ^^1 ^ yi ^Lo ^yJL ^\JJ^ 

Dit verwarde wajangverhaal is blijkbaareene in Celebes gemaakte 
bewerking van tot den Pandawa-cyclus behoorende vertellingen, 
welker bekende, in vele wajangstnkken voorkomende, eigennamen 
hier zeer verbasterd zijn. Zonderling is de identifieering van den 
naam van den held Bima met dien van het eiland Bima, welke 
op de eerste bladzijde van het HS. voorkomt. 

Hoewel van dergelijke wajangverhalen en andere de pandawa- 
geschiedenis behandelende verhalen vele handschriften in de bekende 
verzamelingen te vinden zijn, is er geen aan te treffen dat met 
dit verhaal verwant, laat staan er aan gelijk is. 



AFDEELING II. 

Mohammedaansche Legenden. 



vm. 

Hik^at Aboe Samah. (HS. 607, le gedeelte). 
22 X 14 C.M., 51 bl., 15 r. 

Op den omslag staat : k\^ c^^^' £^ ^ ^^^ xJc^ ^j ^ 
^^bl 8^5/ jkij' >Jljo ^ ^Uj^ ,jm^,. 



194 CATALOGUE DBR MAL. HANDSCHRIPTBN 

Begin: ^-^p ^t J^y ly}:^ wL>C> ^1 ^> xUL ^^jx*x^ ^^ 
^t ^-1 iL*i- xUI ^s> d^^=>f^ ^-^^ ^^ f^j vi-I^ o^^ r^ 
. iLjlXil v-A>LAd ^b y^ ^^^1 jii^jt ^^ d^^fj^ f^ y cly t*. 

Slot: cXi H^3/ jiU5' >SbJ H;yy ,^^U^^ Ua*^ yjt /CjbC> vi>wi-- 

g^;;ii* r^ ^ r^ ^^-^^ ^jr" '^^' ^^^"^ ^^^ o'-*^^ crl^^ ^^^ " 

•(£0^^' o^ ^ t^-H* W &;/ (:<r^^*-H^ ^^r^ £j!^ 

De ware naam van Aboe Samah is Aboe Sjabmah. 

De inhoud van dit verbaal is medegedeeld in den catalogus van 
Dr. H. H. JuynboU, bl. 200 en 201. 

Het scbrift van dit HS. is duidelijk, de feoer&n-verzen zijn met 
roode inkt geschreven. 

Zooals uit bovenstaande aanhaling blijkt is dit HS. gedateerd: 
Kampoeng Kroekoet, Batavia, 11 Ramadan 1239 H. 

Het tweede gedeelte van dit HS. werd beschreven onder n^. VI; 
bet is de Hikajat Soeltan Ibrahim. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catal. bl. 200—202, cod. 1720 (1), 3201 (2) en 3309. 

Bataviai CoUectie-Von de Wall, no^ 76^ en 97. 

Baiavia: CoUectie-Bataviaasch Qenootschap, n^s 146 (eete ge- 
brekkige copie in Latijnsch scbrift, met denzelfden naam, dezelfde 
plaats en denzelfden datum als vermeld in het HS. van het Eon. 
Instituut), 198 C, 203 B, en 388 A. 

Al deze HSS. vertoonen eene redactie. 

IX. ' 
Hikajat Amir Hamzah. le deel (HS. 420). 
30 X 20 C.M., 282 bl., 25 r. 

Inlandsche lederen band; op een overgebleven reep van een 
schntblad staat aJ^^j »vXot3 ^^ t\S IH! ^^^ v>i *-jbCi> ^^ ^^ 

Dit deel bevat 27 hoofdstukken. Het scbrift is duidelijk; de 
getallen der hoofdstukken, vele eigennamen en de Perzische verzen 
zijn met roode inkt geschreven. Het verbaal is hetzelfde als in 
de Leidsche HSS. n^s 1697 en 1698, over welker karakter en 



VAN HET KONINKLIJK INBTITUOT. 195 

onderlinge verhouding uitvoerig gehandeld wordt in mijn „De 
Roman van Amir Hamza", Leiden 1895, bl. 94 en volg. De ver- 
deeling in hoofdstnkken is nagenoeg gelijk aan die in codex 1698; 
doch wat in de twee Leidsche HSS. tjaritgra 2 en 3 is vormt 
hier de 2© tjaritfira, wat daar tjarit^ra 4 is, vormt hier de 3®, wat 
in cod. 1697 tjarit6ra 5 en 6 en in cod. 1698 5 en 5 is, vormt 
hier de tjaritftra's 4 en 5 (dit laatste zonder opschrift). Ook in 
de spelling der eigennamen en in verschillende aan cod. 1698 
eigene, in hoofdstuk III van genoemd werkje vermelde, bijzonder- 
heden, is dit H8. congruent aan cod. 1698. 

2e deel (H8. 528) 

31 X 20 C.M., 360 bl., 25 r. 

Voorin staat: J^j ^^\ ^^yu! ^. aIIjI jilwo iL-jUC> ^.1 SL-^bL-c 

^^bl ^^^1 jk^ »}jb J\Ju^ ,*-JC5> ^j^^I ^^ ^[i ^^ry^ ge- 

volgd door de gewone waarschuwing om het geschrift onder het 
lezen niet met sirihspeeksel te bezoedelen, noch het te dicht bij 
de lamp te houden waardoor olievlekken zouden kunnen ontstaan, 
evenmin het uit te leenen nadat men het zelf reeds geleend heeft, 
en de mededeeling dat de prijs ervan tien rejalen zilver is, en dat, 
wanneer het in onwaardige handen mocht komen, men het terug 
moet bezorgen bij den commandant Moehammad ^^Abdoellatlf. Daar- 
onder staat het jaartal 1792. 

Het slot van het eigenlijke verhaal is: jL-i j-a^Jj *^^L5CJI c>w^' 

05^' ^T^ (^^^^*^ iL*4^ ^j[^ ^ J|^ ^^ ^^J^ jjjj vi^i^J 

^•l> ^\Ju r^jf^ r^t^- *Kx5L ^ ^U vJL^^^L 3-^ ^b ifc 

•vy- ey ""jy^ /^ 

Daarna echter komt het, ook in codex 1698 voorkomende, 
verhaal over den dood van ^Amr ibn Oemajjah, den trouwen helper 
van Hamzah, en dit besluit met de woorden: ,^.1 8.^ *^Jttl .^-^ 

^Uxiljbo c^jt aUjIj ^^yJJp ij ^xi» Op de laatste bladzijde staat het 

begin — zes regels — van een gedicht. 

Hoewel overigens nagenoeg gelijk aan codex 1698, heeft toch 
dit flS. eene afwijking daarvan en overeenkomst met codex 1697 
en wel in de plaats waar het alleen den Maleischen versies eigene 
stuk over ^Badfoezzam&n is ingevoegd; evenals codex 1697 toch 



196 CATALOGUS DBR MAL. HANDBCHRIFTBN 

vertoont dit HS. die invoeging bij tjaritera 70 en niet, zooals 
cod. 1698, bij tjaritera 66. Maar evenala codex 1698 mist dit 
H8., in tjaritera 81, eene geheele episode, vermeld in mijn ge- 
noemd werkje op bl. 173, en over het algemeen komt het met 
codex 1698 tot in kleine bijzonderheden overeen. 

Andere handschrifben : 

Leiden: Catalogus, bl. 196—198, cod. 1697, 1698, 2020 en 
3308 (1). 
. London: Royal Asiatic Society, n°. 56 (fragment). 

Batavia : collectie-Bataviaascfa Genootschap, n^. 23 A [fragment; 
begint in d^st^n LVIII (= tjar. 60 en 61)]. 

Batavia \ coUectie-Cohen Stuart, n^. 138 (gemengde, deels ge- 
moderniseerde, redactie). 

Batavia: collectie-Brandes, n^. 145 (gewone redactie, met eene 
lacune). 

X. 

Hikjyat Nabi Mrrftdj. (HS. 605). 

2072X17 C.M., 190 bl., 13 r. 

Naar gewoonte begint 00k dit manuscript der legende van de 
hemelvaart des profeets met de verzekering van Moehammad 
aan ^Abb&s dat de zonden vergeven zuUen worden van een ieder 
die dit verhaal leest, hoort of opschrijft; de woorden luiden: 

^ ^yjMji ^IXm l>3 oiC*^ ds^.lj ^^ff^ (J^) ^sv'^ ^( c^ ^^ ^^y^) 

vjL>obC^ ^U£ v^LuMcLL ^Uc I; JkAC &]]t ^^^^ L/'W^ <-^^ ^^^^^ji ^^ 

«;y ^^ h^^ "^^^^ "^^ ^ ^^ ^ ^^ ^j ^> c^-^S'*^ 

Slot: ^y^ ^J-^r^"^ ^A^ "^ o^^ 'ir^ KS^ c>oL>C> r^J^j^ 
"^ ci"^ ^y^ »-iA^ \^ J(>i (•^ vi>35 ^^^t?^ ks}^ ^ ^}y^ 

o^^ ^\ ^^ Air ^b ^ Jy cCj ^\^ ^\> v-o^ ^i* 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUTJT. 197 

De Earopeesche datum is dus 26 Jauuari 1835; als naam van 
den schrijver wordt vermeld: Moehammad Hasan ibn '^Abdoelaztz 
van Batavia. De twee laatste pagina's zijn gevuld met een ge- 
dichtje over het goede gebruik van het geschrift. 

Dit HS. bevat het in vele talen voorkomende verhaal van de 
reis des profeets uaar den hemel, de zeven verdiepingen der aarde 
en die der hel, op het wonderpaard BoerS.^:, begeleid door Gabriel. 
Toen de profeet dit alles in de moskee mededeelde, vond hij geen 
geloof bij een jood^ in sommige HS. sW^, hier J<s> genoemd, 
die echter door zijne vele ervaringen in eenen droom moet erkennen 
dat de profeet in eenen nacht zooveel heeft kunnen doorleven. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catalogus, bl. 203—205, cod. 1713, 3305 en 3306(1). 

Londen: East-India House, n^. 68^. 

Batavia: CoUectie-Von de Wall, n^. 78. 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Qenootschap, n^* 123 (fragment) 
186 (lacuneus) 199, 358, 364 en 389 A. 

Batavia : Collectie-Brandes, n°. 207. 

XL 

Hik^'at Nabi b^rljoekoer. (HS. 569, le gedeelte). 

27x21^2 C.M., 15 bl., 10 r., afwisselend rood en zwart. 

Het bekende verhaal van het scheren van den profeet door 
Gabriel, voorafgegaan door de verzekering des profeets dat aan 
ieder die dit verhaal leest en aanhoort zijne zonden vergeven zuUen 
worden, en gevolgd door waarschuwingen nopens het goed bewaren 
van dit verhaal, waaruit velerlei zegen zal voortvloeien. 

Het schrifb en de spelling van dit niet gedateerde gedeelte van 
HS. 569 zijn gebrekkig. 

Andere handschriften: 

Leiden'. Catalogus, bl. 186—187, cod. 1720 (2), 1953 (5) en 
3345 (2). 

Londen: Royal Asiatic Society, n°. 62, VI. 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootscbap, no* 60, 256 B, 365 C, 
388 E, 405, 406 A en C. 

Batavia: Collectie-Brandes, n^. 192. 

Ditgegeven te Batavia, bij Lange & C°. in 1853. 

7e Volgr. VI. 14 



198 CATALOaUB DBR MAL. HANDSCHRIFTEN 

XII. 

Hik^'at Nabi waf&t. (HS. 569, 2* gedeelte). 
27x21V2 C.M., 68 bl., 10 r., afwisselend rood en zwart. 

Bovenstaande titel is de meest voorkomende yan het verhaal 
over het zalig uiteinde van den profeet; hier is de titel TJarit^ra 
tatkala baginda rasoel Allah akan poelang karahmai Allah tc^dla. 

Het begint met de toezegging van vergeving der zonden voor 
elken lezer en hoorder. 

De afschrijver noemt zich op de laatste pagina: oIj^' w^Ia> 
oLuUt olxvMk^^i Juc; als datum wordt genoemd: van het begin: 
2 Djoemdrda II Maandag, van het beeindigen 3 Radjab, Yrijdag, 
zonder jaar. 

Het schrift is hetzelfde als van het 1^ gedeelte. 

Andere handschriften : 

Leiden\ Catalogus bl. 188, cod. 1767 en 1953 (4). 

Batavia\ CoUectie-Bataviaasch Genootschap, n^s 364 Den 389 B. 

Batavla: Collectie-Brandes, n°. 421 A. 



AFDEELINQ III. 
Geschiedenis. 



XHI. 

Sja^jarah Mal^joe I. (HS. 631). 

31V, X 21 C.M., 285 bl., 23 r. 

Voorin: Sijara, Malayoo Sila Sila Raja Raja. 

Dit HS. bevat de uitgebreide Maleische Eroniek, in dien zin 
dat niet de editie van Klinkert, doch de langere editie van W. G. 
Shellabear met den hier gegeven tekst parallel is. De uitgave van 
Elinkert telt 34 hoofdstukken, die van Shellabear eveneens, echter 
met een toevoegsel van bijna vijftig bladzijden druks. Dat toe- 
voegsel — het is door mij kortelijk weergegeven in het Tijdschrift 
voor Ind. T. L. en Vk. uitg. door het Bat. Gen. deel XLIV bl. 
358 — 373 — komt, evenals in de Leidsche codices 1703, 1716, 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUUT. 



199 



1736 en 3210, ook in dit HS. voor. Hoewel dezelfde feiten ver- 
meldeade als de editie Shellabear heeft dit HS. toch een niet geheel 
gelijken tekst; de niet belangrljke verschillen kunnen blijken uit 
een voorbeeld: het begin van het toevoegsel: 



Ed. Shellabear, bl. 362. 
s'; out xUt j^ ^1, fii^/^ 

Oy^ qLLIam ^y^y** L5^^ i^^-**^ 
Alt cilXo ^^ JkXA (^t If^Km bU^ 

ju^ jLj> Ji\oo iiU ^J:^ xl^t 

(A^ <:S)^i.^ aUfi. J^X^ ^^^^La^jm 

y>l^ »|^A^ ol ^yl^ f^^V ju^ 



HS. Inst. bl. 251. 

vjlil *UI cXac _K U^ ijj ^A*/ 



aIj* t:i)bLc ^^yCi ^j_ijU Joio aU^ 

v^i ^^ r«dL> jo^ ^ w5U 

De zeer talrijke Arabische aanhalingen en vele der eigennamen 
zijn met roode inkt geschreven. De hoofdstukken zijn niet ge- 
nummerd, en het traditioneele slot der capita ontbreekt veelal. 
Telkens zijn episodes die in de uitgaven in een bepaald hoofd- 
stuk voorkomen hier op andere plaatsen te vinden, terwijl menige 
passage van dit HS. in de edities niet voorkomt. Zoo wordt in 
de uitgave Rlinkert, bl. 46 en volg. vermeld dat drie nazaten 
van Alexander den Groote bij twee weduwen op den Boekit Sa- 
goentang kwamen, en dat door hunne komst de te velde staande 
rijst in goud veranderde, ten gevolge waarvan de beide vrouwen 
rijk werden. Zij noemen Nila Pahlawan den woordvoerder : Sang 
Sapoerba. Zijn wit rund braakt schuim, waamit een menschelijk 
wezen ontstaat Bat genaamd, die Sang Sapoerba loofde in vele 
soorten van bewoordingen : adapoen Baf itoelah daripada anah ijoe- 
tjoenja asal orang jang m^mbatja tjaril^ra d^boeloe hala, Nila Pahla- 
wan en Kama Pandita werden door Bat Diet de twee vrouwen 
in het huwelijk verbonden; uit hunne nakomelingen kwamen de 
awang^s en de dara's. Dit alles kwam DSmang Lebar Daoen ter 
oore; hij begaf zich naar die plaats en werd door Sang Sapoerba 
met luister ontvangen. Alom werd het ruchtbaar dat afstammelingen 
van Alexander den Qroote naar den Boekit Sagoentang Maha 



200 CATALOaUS DBR MAL. HANDSCHRIFTEN 

Meroe waren afgedaald, waarop alle vorsten hen kwamen huldigen. 
In de uitgave van Shellabear, bl. 30 en volg. wordt hetzelfde 

verhaald , maar in dit HS. staat het volgende : ^b jsla^ q^ «^ 
vJLii viiOl^A^ O"^ o^' o'^ >'^^ O^^ -H^ 05^*^ r^^ t^*^ '^^ 

^ vi;Ajt ^yii' p ^^A^^ ^j ^5S> vjli' vXs^O jJUii^ ^yy^ ^j 
^<jL^ ^i «5i/o viUj ^1 y.^>A» ^^ ^ v/*** ^ ii)j^'^ o!>^ 

r^^ (£^>^ a^"^ ^r^ ^ ^^ <^>-^^H <^^ ^j-^ (iM^ o^ 

(^ JW ty$>:*. fj^ Ojy*^ c;^w*A^ ,^j*** vi>.4J^ gVj^ b6oLi OJyv 

Jr^? iD^' s'J s;>>^ i^/^ '^9' <^^ ^^ ^ "^f-^'^ '^, 5i 

^^^ t^^^' ^} -^ L5Uio ci^A^^ ^J^b j -^-i^J ^.> aI^I dsX^ 

<^j^ S*^ t^-^^^ ^' (i^)-?^ ^-*^^ "^i^ ^y^' -^ "^j"^ ^fr^ 

05^*^ j-^ t^*^ ->«^ l5j^ ^ '>^ ^ jj^^r** o^*^^ ^ ^"^ 
J^ -^ Ou' <>i^O jJONam o*^]^ I;^*^^ '^^^ ^) ^j' c^ltXJU 

J-**' C^iT^;^ 03^*^ j-^ f-^'^ ^^•■'^^ *^^ ^i^:».^ ^Kii/) j.I!bJ> (>^i<>l;0 

>Jtl^ JU*/ ^^^lo j-jV ^^"^ *!3^ '^ (^^ ^ O^ ^x^ Vr»^ 
qLo ^^yLl'L^-Lo yUiJU. Daarna wordt zijue regeering in Menang- 
kabau verhaald. Op bl. 30 wordt medegedeeld hoe Sang Sapoerba 



VAN HKT KONINKLIJK INBTITUUT. 201 

de zee wilde leeren kennen; in de beide uitgaven staat: b^rapa 
lamanja Sang Sapoerba diam di PalSmbang maka baginda berkira- 
kira h^ndak mfelihat laoet, doch in het H.S. : tfirs^boetlah p6r- 
kata'an Sri Tri Boewana karadja'an di PalSmbang itoe kapada 
soewatoe hari baginda berfikir h6ndak m^ntjari t^mpat nSgari karSna 
n^ari Pal^mbang itoe tiada b6rkSnan lagi poela baginda h^ndak 
mfelihat laoetan. Het voorafgaande hoofdstuk, voor een deel geheel 
andere verhalen bevattende dan het overeenkomstige in de uitgaven, 
eindigt met de woorden vl^' t^;^ lT^^ vI^^wiJIj JLcI aUI^. De 
hoofdstukken der uitgaven vallen in dit HS. op de volgende pagina's, 
IV : 41, V : 44, VI : 46, (zonder eenige afscheiding) VII : 53, VIII : 58, 
IX : 61, X : 65, XI : 67, XII : 77, XIII : 84, XIV : 103, XV : 120, 
XVI : 125, XVn : 134, XVIII : 138, XIX : 140, XX : 142, XXI : 147, 
XXII: 150, XXIII: 155, XXIV : 160, XXV : 163, XXVI : 167, 
XXVII : 186, XXVIII : 196, XXIX : 201, XXX : 215, XXXI : 218, 
XXXII : 221, XXXIII : 228, XXXIV : 243, slot der uitgave-Klinkert: 
bl. 250. Tal van grootere en kleinere verschillen met den tekst 
der edities zijn in dit HS. op te merken; omstreeks bladz. 120 
gaan de teksten meer congrueeren. 

Het slot van dit HS.'ls als dat van de uitgave-Shellabear, echter met 

de toevoeging: cXil' ^^ ^^^ ^Sb y.bU y_t^ S^j^w ^.l-^5> >::/js^ 
(j^jjO J(^ si>55 xjMJ> ^^ Ossi jJuo ^y^ ^^ ^^ O^A^^ 
Ji s^jju:o ij jJii J^l y^A^^o, waaraan dus het jaartal ontbreekt. 

Het handschrift is door Prof. Q. K. Niemann aan het Instituut 
gelegateerd. 

XIV. 

Sjadjarah Mal^*oe II, (HS. 587). 

32 X 2OV2 C.M., 13 bl., 32 r., Latijnsch schrift. 

Begin: Alkiesa Tjerietera ijang ketiega Kata sahiboel hiekaijat 
maka terseboetla perkatoen sang nila aoetama tienggal diebanten. 

Het HS. be vat het 3^ verhaal (tot bl. 4), het 12« verhaal (tot 
bl. 11) en het 13^ verhaal tot aan de woorden: djiekalo soeatoe 
hal negrie inie apa isab pada kamie sekelian sab, wat in de uit- 
gave-Klinkert voorkomt op bl. 137: ^1 i^^-^i JL> o{^ ^>K> 

De tekst is bijna woordelijk gelijk aan dien der uitgaven ; alleen 
staat in het HS. in plaats van j^ steeds hiengga. 



202 CATALOGUS DEK MAL. HANDSCHRIFTBN 

Andere handschriften : 

Leiden, Catalogus, bl. 230—233, codices 1703, 1704, 1716, 1760, 
1736 en 3210. 

Londen, Royal Asiatic Society A n^ 18, 35, 39, 68, 80, B n^. 5. 

Baiavia, Collectie-Von de Wall, u^b 188, 189 en 190. 

Batavia, Collectie-Batay. Qenootschap, n^. 11 (eindigt in het 
13® verhaal). 

XV. 
Oendang-Oendang M^nangkabau I. (HS. 570). 

2OV2 X 17 C.M., 247 bl., 21—23 r., Latijnsch schrift. 

Dit geschrift vermeldt de overleveringen der Padangsche Boven- 
landen, in verband gebracht met vele bestaande adat's en wetten. 
Het is ook bekend onder den naam Soerat Tambo Kadja. 

Na eene Arabische inleiding, door de Maleische vertaling ge- 
volgd, wordt vermeld, op bl. 4 : setalah itoe di nanoiai akan kitab 
inie memoetoesken bagie sekalian kakandak antara sjarak dan adat 
dari pada sakalian oelma marikaitoe dan sakalian hakim marikaitoe 
dan sakalian hakim marikaitoe jang mempoenjai akhal dan bitjara 
marikaitoe adanja. 

En verder: Amabaadoe kemadian daripada itoe maka adalah 
kanjataan dan katantoean jang di batjakan atas bahasa djawi, so- 
paja moerah mahhafadlalkan, dan mengatahoewi dia pada sakalian 
orang jang baharoe berkahandakh kapadanja lagie tiada berbilang 
Patsalnja dan atsalnja dan babanja dan hhadisnja dan moealanja 
dan msailahnja dan oetsoelnja malainkan atas sakira kira paham 
jang patoet mandapat sakalian kitab dan kaadilan bagie sakalian 
menoesia mechaloekbnja Allah taala adanja. 

Daarna wordt gehandeld over Allah en zijne eigenschappen, de 
noSr Moehammad, de nederdaling daarvan op Adam, vele Arabische 
philosophische, mystische e. a. term en en hunne ware beteekenis. 
Op bl. 18 staat de traditioneele verdeeling in negen hoofdstukken, 
als Yolgt: oendang oendang taaloek kapada 1^ Radja radja, 2® ka- 
pala kapala dan panghoeloe panghoeloe; 3^ sakalian alim dan 
aloema jang khadlir lagi hakim marikaitoe; 4^ segala pakipakian 
5e sakalian permanian ; 6^ sakalian boeni boenian ; 7^ rami ramian; 
8^ sakalian hoekoem jang terpakei didalam isi alam ini; 9^ sa- 
kalian kabesaran segala manoesia didalam alam ini. Van deze negen 
„poetjoek's" heeft een deel betrekking op Boem, een op China en 



VAN HET KONINKLIJK INBTITUUT. 203 

een op Menangkabau. Op bl. 25 wordt de schepping van Adam 
verhaald, en hetzelfde verhaal medegedeeld als voorkomt in de 
vertaling van een soortgelijk boek door E. Netscher in zijne „Ver- 
zameling van overleveringen van het Rijk van Manangkabou, Indisch 
Archief, 2^ jaarg. Ill, bl. 39 en volg. Daarua is sprake van den 
oorsprong van Iskandar Dzoe'l Karnain, zijne krijgstochten en zijne 
zonen Simaharadja Alif, Simaharadja Depang en Simaharadja, even- 
als in de vertaling van Netscher, welker inhoud hier getrouw 
vertegenwoordigd is, behoudens enkele verschillen, vooral in eigen- 
namen; zoo heet de bond Malim (o. c. bl. 43) hier Maalam 
(bl. 39), Tjatija Bilang Pande (o. c. bl. 43) hier tjatti bilang pandi 
(bl. 40) e.d. 

Het geheele in genoemde vertaling voorkomende verhaal is in 
dit HS. te volgen tot bl. 104, waar een nieuw gedeelte wordt 
ingeleid met de woorden : hata dangan takhadir Alia taala maka 
babarapalah lamanja antaranja maka moefakatlah Datoek Soeri 
diradja serta Datoek nan batiga i toe jaani Datoek katamanggoengan 
dan Datoek Perpati Sabatang serta Datoek Soeri Maharadja nigo itoe. 
De in het vervolg vermelde wetten worden toegeschreven aan 
„niniek kita katamanggoengan dan Parapatie Sabatang." 

De volgende wetten komen verder ter sprake: 

Oendang-Oendang nan salapan perkara, bl. 122. 

Oendang-oendang nan doelapan, bl. 129. 

Sjarak kitaboelfala en Adat, bl. 136. 

In dit gedeelte zijn de talrijke Arabische woorden en uitdrukkingen 
meerendeels geheel verbasterd en onherkenbaar geworden, en vele 
aanhalingen uit den !l^oer4n, eveneens bijna onherkenbaar, en uit 
de overlevering worden als argumenten geciteerd. Opbl. 151 staat 
als slot: Kerna kitab itoe terlaloe basar sakalie kalie oleh terka- 
talah ia die badannja daripada sakalian adat Nabie ts.m. laloe ka- 
pada sakalian adat jang terpakai adanja. 

Katahoewi olehmoe hei Talib parie manantoean asal kata K. p. r. 

Bl. 152 begint met de woorden: Istiadat Aldoenia namanja 
pada segala orang jang berakhal namanja, eene verhandeling over 
het begrip (akhal) en de daarvan afhankelijke eigenschappen en 
negaties daarvan, in verband gebracht met sjarak, adat, istiadat, 
limbaga. Uitvoerig is het gedeelte over den rang (martabat) van 
den mensch in de schepping, met uitweidingen over zijne voor- 
treffelijkheden en gebreken. Op bl. 192 vangt eene verhandeling 
aan over de term en van den sjarak en hunne beteekenis, voor- 



204 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFPEN 

namelijk ten aanzien van het procesrecht, waarna wordt voortge- 
gaan met de uiteenzetting van „akhal." 

Op bl. 225 komen de „martabat negri" ter sprake, nl. kam- 
poeng doesoen jang die kapala batoeah, koeat negrie jang ada 
kapala jaanie panghoeloe, loehak jang babapithalak lagie ada kapala 
Eadja en soeroeh soeroeh atau masdjid jang ada kapala pagawle 
alam dan oemah dan pakih dan khalie, welke vier rangen uit- 
voerig worden behandeld. Op bl. 229 worden de drie martabat 
perampoean genoemd, gevolgd door de martabat's der orang kaia, 
der alim, der fakhir dan pandito, der orang jang djadie soedagar, 
der mantrie; in de laatste uiteenzetting (der mantri's) eindigt het 
geschrift met de woorden : dan djikalau toean diam pada siasat 
mantrie kamana akan die bawa dan djikalau die katanja kamie 
pada kadoeanja separtie ibarat njatala itoe ialah anak kakie doelat 
sikoer djangan die kok kamie berdoea itoela djangan die palang- 
kan djoea adanja. 

Dit handschrift, dat een voor een Europeaan gereedgemaakten 
tekst Bchijnt te bevatten, is als eene uitgebreide Tambo te be- 
schouwen; of al het op de eigenlijke oendang-oendang M6nang- 
kabau volgende inderdaad tot eene, zij het ook zeer uitvoerige, 
redactie van den Tambo gerekend moet worden is niet zeker. 

XVI. 
Oendang-Oendang M6nangkabau II. (HS. 222(1), 

2IV2XI7 cM., 121 bl., 19 r. Latijnsch schrift. 

Dit handschrift vertegenwoordigt eene andere redactie van den 
Tambo. Vooraf gaat een gedeelte over de waarde der Menang- 
kabausche wetten en het belang van hare toepassing, beginnende 
met: Patsal pada menjatakan beda *daripada sidik dengan midik 
tjardik dan tjandakijo pada arib dengan bidjaksana, pada hal sabab 
toemboeh pada kita persalahan sabab toemboeh kahinaan sabab 
toemboeh katjalaan oleh sagala kita manoesija karana doedoekan 
sidik dengan midik. 

Op bl. 3 is te lezen: Adapoen pitoea Datoe katoemanggoengan 
serta Datoe perpatih Sebatang mangikoet kata adinja Nabi Salala 
oe alayiwasalam dan dalil Allah oe taala, en na eene vermelding 
van de beteekenis der pSnghoeloe's staat op bl. 4 Adapoen anak 
Berpatih Sabatang Djamatang namanja nama iboenja Djoelihata. 
Eerst op bl. 8 opent eene Arabische inleiding, door de Maleische 



VAN HET KONINKLIJK INBTITUUT. 205 

vertaling gevolgd, den eigenlijken tambo, in het begin waarvan 
de negenvoudige yerdeeling aldus wordt opgegeven: 1. taaloek 
kapada Radja, 2. kapada Panghoeloe, 3. kapada alam, 4. kapada 
pakaijan, 5.%kapada permainan, 6. kapada boeni boenijan, 7. ka- 
pada ramiramijan, 8. kapada boekoem jang terpakaj pada Alam, 
9. kapada kabesarau Alam. Daarna volgt de geschiedenis van Adam^ 
van Alexander den Groote en de epigonen, en van Datoek Katoe- 
mfenggoengan, met geringe afwijkingen van HS. 570, ook in de 
eigennamen (b.v. tjatti bilang pandi bier: Tjati bilang panday). 
Eerst op bl. 89 wordt vermeld dat de negen poetjoeks der oendang- 
oendang in drie landen vigeeren: nl. een in Minang Eerbau, een 
in Atjeb en een in Roem, ijalab nan dipakay orang Mokkah dan 
Madinah ; eenige regels verder wordt de oorsprong van de wetten 
der Chineezen, Benggaleezen, Engelscben, Franscben en Hollanders 
bebandeld. Op die bl. 89 tocb valt het einde van het eigenlijke 
geschiedverhaal met de woorden Adapoen Datoe Soeri di radja 
ijalab mamak oleh Datoe nan berdoea itoe. In het laatste gedeelte 
worden allerlei bepalingen medegedeeld, op gezag van Datoe katoe- 
manggoengan en Datoe perpatih sebatang. Het slot is: Adapoen 
adat jang sepoeloeh pertama berdagang berniaga, berhoem, bertanam 
bertaranak kerbau djawi berboewat bertahoen berboewat kebadjikan 
berboeat ibadat pahi mengadjie atau mengadjar berlajer katangah laoet 
berdjinaka pada segala hamba Allah seija menjerja tolong menolong 
pada kerdja kebadjikan atau berniaga itoelah nan sabanar benar 
adat jang patoeb kita pakaij pada segala handaij tolan kita-Tamat. 

Van de verschillende handschriften welke in meer of minder 
afwijkende redactien de Tambo-materie behandelen zijn te vermelden : 

Leiden: Catalogus, bl. 245—248, cod. 1962, 1745, 1772(1), 
1773(1), 1915(2) en 3382. 

Batavia: Collectie-Von de Wall, n^s 202, 203, 204 en 205. 

Batavia : CoUectie-Bataviaasch Qenootschap, n^s 27 en 280 (eenigs- 
zins afwijkende redactien). 

xvn. 

Tjarita Bangka I. (HS. 541). 
24 X 17 C.M., 112 bl., 17 r. 



Begin : r \yJi 'l^^\ ^)^ ^^.yj^ Jt^ ^O^ Jyy ^^ ^ J^ 



206 CATALOaUS DBR MAL. HANDSCHRIFTEN 

In de eerste pasal worden twee legenden omtrent het ontstaan 
van Bangka medegedeeld. Volgens de eerste was een schip uitge- 
zeild nit Djohor onder den kaptein ^^ v.^^; deze had den dood 
gevonden door een prik van den naald zijner vrouw, men dacht 
aan opzet en een oproer ontstond ; het schip dreef voort en werd 
Banka, de masten werden bergen, een sloep werd Biliton; eene 
hut werd Batoe Bali, de keuken werd S^mbawang Dapoer. Volgens 
de tweede is Bangka ontstaan uit een schip dat voer tusschen 
een van Djohor losgeraakt stuk grond en de kust, en werd het ge- 
stuurd door dienzelfden kaptein, die op dezelfde wijze den dood 
vond, waama oproer ontstond. De geulen tusschen het land en 
het losgeraakte deel werden grooter; zoo ontstonden Bangka, 
Billiton en Singkep. 

In de 2o pasal wordt eene legende verhaald gehoord bij de lieden 
van Maras, in de 3o bij die van Blinjoe e. a.; zoo worden vele 
legenden over het ontstaan van Bangka medegedeeld, later worden 
de geschiedenis van Bangka en het ontstaan der voornaamste ambten 
behandeld ; de verschillende oorlogen worden opgenoemd, een vorsten- 
kroniek wordt gegeven en eene wetgeving wordt (in § 26) uit- 
voerig beschreven in 45 artikelen. Het aantal pasal's is 29. 

Het slot is: ^) p^Ljm ij xi^t ^5Cjt^io ^b ^\j>^^:> ^IjlXoc> 

xvin. 

Tjarita Bangka II. (HS. 586). 
34 X 21 C.M., 145 bl., 34 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Soerat karangan olih Toemenggoeng kerta Negara jang 
bertanda'di bawah ini didalam tjerita asal kedjadian Poelo Banka 
dan dari mana orang of manoesia jang ada di dalam itoe Poelo 
serta lain lain hal jang soeda djadi serta soeda dihimpoenkan dengan 
masing ampoenja tjerita serta di ambil sadja sedikit sedikit mak- 
soednja dengan pendik jang bagimana terseboet dibawah ini 
adanja. 

Het slot is: demikianlah diparboewatkan olih jang mangarang, 
ini serta tjerita, soeta harap akan ampoen kepada Toehan jang 



VAN HBT KONINKLUK INSTITUDT. 207 

maha moelia^ apa jang djadi tersalah ^), atau tida betoel^ melainken 
demekianlah adanja, tammat. Olih Toemenggong kerta negara 
jang berboewat itoelah adaoja Telah tarsalin ini tjerita kapada 
tahoen Holanda 2 July 1861 tahoen Melajoe 23 Dzoelhadji 1277. 

Dit handschrift heeft denzelfden tekst als n*^. 541, doch eene 
copie van dat MS. kan het niet zijn; trouwens dit HS. is ouder 
dan n^. 541, gelijk uit de data blijkt. 

De laatste vijf bladzijden zijn gevuld met eene korte beoordeeling 
der legenden en eene vrij uitvoerige inhoudsopgave met verwijzing 
naar de bladzijden waar de „Fatsal'8" beginnen. 

Eene uitvoerige inhoudsopgave van. dit geschrift is gegeven 
door F. S. A. de Clercq in de Bijdragen van het Instituut, deel 
XLV, bl. 113 — 163, waarnaar verwezen worde voor analyse, ge- 
halte van den tekst, eigenaardige uitdrukkingen en derg. 

Een ander handschrift wordt vermeld in den catalogus van Dr. 
Juynboll, bl. 254, cod. 2285. 

XIX. 

Sjadjarah Radja-Ba^ja Biouw. (HS. 630). 

33 X 21 C.M., 181 bl., 31 r., (bl. 1—42), 38 r., (bl. 43—181). 

Voorin staat: „Dit handschrift, een getrouwe copie van een 
dergelijk dat berust in het archief van den Jangdipertoewan woeda 
Eiau, en de geschiedenis van het vorstenhuis beschrijft werd mij 
door Radja Ali Kelana, die zich steeds een trouw en oprecht vriend 
betoonde, als aandenken aangeboden bij mijn aftreden als Resident 
van Riouw en onderhoorigheden. April 1896 v. Hasselt". In Sep- 
tember 1903 werd het HS. door den heer Van Hasselt aan het 
Instituut afgestaan. 

Begin: ^Ua/» IcX-i ^.ti^. Juwas J>^^ jJUJUU S J^5^^ v^-^' 

y 0^>^ ^f ^J^ ^j T^j^' ^'^ y^^ ^) '^fi^ *'-^;'^ c5^**^ 

Daarna wordt rekenschap gegeven van de redenen welke tot 
bekorting geleid hebben in de volgende woorden: maka berpan- 



1) Hierdoor is het zonderlinge v£>y^j^' aan het slot van HS. 451 opgehelderd. 



208 CATALOauS DER MAL. HANDBCHRIFTBN 

djanganlah hikajatnja ini didalam sjadjarah dan sijarah Malajoe akan 
tatapi pada kitab ini boekannja maki^oedkoe akan mSmpSrboeat 
tjit^ra jang pandjang itoe kargna tjitSranja jang pandjang Boedah 
ada b^bSrapa banjak karangan orang jang dShoeloe d^hoeloe dari- 
padakoe dgngan kitab ada jang disoerat dgngan tangan dan ada 
jang ditjitak dSngan soeratan tab^ adapoen jang akoe p<^rboeat ini 
sakadark^n hSndak mSnjatak^n p^ratoeran jang djatoeh pada p^r- 
djalanan antara pi^rdjalanan radja radja Malajoe d^ngan radja radja 
Boegis tatkala pada masa radja radja sabSleh Djohor dengan radja 
sabSlah Djohor dSngan radja radja sabSlah Boegis dan radja radja 
sabfelah poelau PSrtja soepaja mSngatahoei djalan dan sabab b^r- 
tjampoeran nasab satSngah atas satSngahnja d^ngen p<^rkata^an dan 
karangan jang kSmas. 

Op bl. 2 begint de geschiedenis der regeering van Sri Pikra- 
mawira; daarop volgen Iskandar Sjah, Radja BgsarMoeda; voorts: 
de geschiedenis van Djohor, de regeering van Soelaim&n Sj&h, de 
salisilah Lu^ ^J^ ^JUam job ^.^^ M. (bl. 11), de salasilah radja radja 

sabSlah Boegis jang masoek katanah Barat nSgari Djohor (bl 15), 
de salasilah katoeroenan Oepoe Daeng J^Ls , en vele andere oepoe's 
( — bl. 35); de geschiedenis der Boegineesche vorsten van Loewoe, 
de betrekkingen tot Djohor en andere Maleische rijken, de geschie- 
denis van Landak, en andere landen en die der vorsten van Riouw 
in het bijzonder. Uitvoerig worden de aanrakingen met de Hol- 
landers, en later de onderhandelingen met den resident Elout 
behandeld; bet slot vormt de volgende alinea: tammatlah p^kSr- 
dja'an Soeltan Mahmo^d itoe habis t^i§atnja dan tinggallah jang 
dipSrtoean moeda radja Moehammad Joesoef didalam Riouw sSrta 
istSrinja poetra soeltan MahmoM al Marhdem maka tStaplahjang- 
dipSrtoean moeda radja Moehammad Joesoef m^marintahkgnnSgari 
Riouw dengan s^gala dairah ta^alloeknja sabagimana atoeran pa- 
doeka ajahanda Marho^m jang dShoeloe dShoeloe pada pangkatnja 
adapoen jangdipertoean bSsar soeltan Soelaimd,n Badroel^&lam Sjah 
tetap poela didalam n^gari Lingga dan salaloe sabadja soeroeh 
mSnjoeroeh ka Riouw kapada padoeka adinda baginda jang-dipertoean 
moeda radja Moehammad Joesoef dan kapada residen Riouw dari- 
pada pSkSrdja'an nSgari dan lainnja adanja. Aan het einde wordt 
het boek betiteld: IcXSy lt^ b^ y>^ rj^ I^Uj! A-jy;> aunS 

d'^y^ y.^ •^j y^^ "-^^ a^ ^.^';^ r^ t^ y' y^y^ ^-^^ 



VAN HET KONINKLIJK INBTITUDT. 209 

sLoM L^y^ Lf"^ waarop eene waarschuwing volgt nopens het 
wijzigen dezer kroniek, 

Slot: ^JJ^ ^ ^:>y ^ ^^fo ^b ^i ^t «^L^ *Ui> ^ 

Als datum van het overschrijven wordt vermeld 8 Sja^^ban 1313, 
als plaats: PSnjSngat, als copiist: Ali ibn radja hadji Moehammad 
Eiouw. 

Onder verschillende namen is deze Riouwsche kroniek bekend, 
z. a. hihajai n^g^i Riouw, sihilah radja Boegis^ aioeran satija Boegis 
dingan Mala/joe. 

Andere haudschriften : 

Le%den\ Oatalogus, bl. 233—234, cod. 1724 (2) en 1741 (1). 

Batavia\ OoUectie-Von de Wall, n^s 195 en 197. 

XX. 

Hik^jat Salasilah Perak. (HS. 632). 
34x21 cM., 103 bl., 31 r. 



Begin : ^.A^r ^ 5L^L<> ^.1 'i^^a^\ ^^^3 ^z^\ UJi ^^ 

cjJ^v^^ ^yz> ^^\ '»JuL> ^loyijl 3O ^uU^t ^LkL. ^Uj Ij^ 

^^5! ^5! ^ty->o ^} r^t^ ^^\ ^ybl ^UJI ^ ^Ifl JJ, 

' ^^^^ ^yiJI ^0 ^IJU<^I ^1^ B;^ IJo^O ^^^ y^o 1^ ^^1 

^.o(c q'sij^ ^) ^^j^ (^Uai ^b c^NA^y e5;^^^ v3r''^ «3;k^ 
«^W o;^ ^IJ^ ^,^y.'S y, ^y^ ^^ c..,,^^ y^ out ^b 

Slot: »L;i ^ya;L^ ^j^l J^ o'-^^ "^^ O*^ ^^XJlS ^^I ^I 
^>^ ^ loLo ^^U^ ^^ oioL j^>yt iCft.4> b|^ ^juX^t 
*UU^ ^J iuL<> ^x^- ^;^^^ ^oL> ^L> ^^Ur^S ^:?us ^1/ 
^^:i J^ JUm. IcXaT ^3^4^ 3ii^ ^Ut J^> ^^>^ J6^^ cr*-^^ 



210 CATALOGUB DER MAL. HANDBCHRIPTEN 

Dit handschrift bevat eene geschiedenis van Perak. In het 
manuscript ligt eene uitvoerige inhoudsopgave van wijlen den heer 
Q. K. Niemann, uit wiens inleidende opmerkingen het volgende 
tot kenschetsing van het geschrift wordt overgenomen: „Over het 
geheel is het vrij goed geschreven, slechts hier en daar eenigszins 
ondnidelijk. Het is een geschenk van het nu overleden correspon- 
deerend lid Maxwell, die zelf op Malaka woonde, naar ik meen 
te Perak. Hij gaf reeds een kort account of the history of P. in 
het Journal of the Straits Branch of the R. As. Soc. in 1878, 
pag. 187 .. . Het is niet onbelangrijk voor de kennis van gebruiken 
aan de Maleische hoven, en bevat passim enkele in de Wd. boeken 
ontbrekende woorden. Ook wordt een nederzetting der Hollanders 
in Perak voornamelijk voor den aankoop van tin vermeld, p. 65 — 97 
wordt een pleziertocht van een der sultans naar de zeekust ver- 
haald, die in dichtmaat gesteld is en ikatan sjair wordt genoemd; 
op p. 97, reg. 8 v. o. gaat hij weer voort in proza ..." Behalve 
de analyse van het verhaal heeft Prof. Niemann uitvoerige aan- 
teekeningen over den tekst in het in 'tHS. bewaardecahierneerge- 
schreven. Het HS. is slechts aan een kant der 103 bladen be- 
schreven. 

Andere handschriften zijn niet op te geven. 

XXI. 

Tjarittra N^gari Djambi. (HS. 538). 

32\/, X 20 C.M., 10 bl., 31 r. 

Begin : ^^So ^U^ ^»Aa> ^^j Od^j^ j^<o Lx^^ iJbl »iU 

. ^.1 t^^L^ H^y. ^1 Ju^ o^-^- ^^^ O*^ ^^'.^ iJr^ 1^ 'i)^ 
Slot: JUy jjb ^^ o*.;*^ "^ ^"^J^ o^^^^ ^^ o^M^ 

.vi>3b f^J^ <jj^l k6y>' \^^ ^^b 

In een aantal kleine paragrafen wordt in dit HS. de latere ge- 
schiedenis van Djambi, zijn vorsten, hooge ambtenaren, afzonder- 
lijke landschappen medegedeeld, beginnende met ^5;^ qLLL^ 



VAN HBT KONINKLUK INSTITUUT. 211 

«|^lj \j]yA ^^^Jo^ JU* (^5-*-*^> ^i® drie zonen had: Raden Moe- 
hammad !Kasim, Raden Taboen namanja Raden Rangga en de 
tegenwoordige soeltan, genaamd Raden Danting. 

Op het laatst geeft de ongenoemde schrijver eenige data, t.w. 
16 Juni 1832 zijn tocht naar den soeltan als gezant yan den heer 
jj*Oja9, 6 October 1832 idem naar Soeralangoen. 

Daarop volgen twee feiten.in datzelfde jaar zonder datum. 

12 November 1834 zijn zending door den heer ^a^b^y naar soeltan 
Moehammad Fachroeddin. 

1 Januari 1835 zijn6 vestiging met den luitenant q^^^I te Moe- 
wara Kampi. 

19 Maart 1837 zijne aanstelling tgt dSmang van Wikoen. 

23 Jnli 1838 zijn a voorloopige vestiging te PalSmbang. 

Andere handschriften worden niet vermeld. 

XXII. 
Hlkujat Nggari Djambi. (HS. .205). 

33 X 20 C.M., 33 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Iniela soewatoe Tjarieta dariepada Zaman parboe kala 
ada saorang Radja die Dalam Nigrie Djambi nama Toean Talanie 
radja die dalam Nigrie jang Asal, adala satoe Nigrie die Darat 
doessoen Moeara Djambie dan sampie sakarang ada bekas Nigrie ietoe. 

Slot: tiada barapa lamanja maka sultan Machmoed Mohidien 
poen matie maka Pangeran Ratoe djadie Radja Barnama Sultan 
Mohamad Paharoedien dan Pangeran Paraboe djadie Pangeran 
Ratoe. Marta Ningrat jang ada sakarang die Nigrie Djambie Domi- 
kianla adanja. 

Dit HS. bevat eene geschiedenis van Djambi, van soeltan Talanie 
tot Mahmoed Fachroeddin. Talani liet zijnen zoon in een kistje 
in de zee werpen, daar sterrewichelaars hem hadden voorspeld dat 
zijn zoon hem in den strijd zou dooden. De vorst van Siam vond 
den knaap, die later naar Djambi ging en inderdaad zijnen vader, 
die hem niet erkennen wilde, doodde. Later volgt de geschiedenis 
van de aanrakingen met de Hollanders. 

In inhoud komt • dit manuscript overeen met het op bl. 245 
van Dr. JuynboU's catalogus beschrevene handschrifl ; de Mgnang- 
kabausche prinses Pinang Masak, aldaar op bl. 11^ wordt hier 
op bl. 21 genoemd met de vermelding dat zij van een djinn af- 
komstig is. 



212 OATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTBN 

Jaartallen komen in dit geschrift niet Yoor, ook niet aan het 
einde ; het Leidsche HS. echter is gedateerd 27 Rabi^ II 1253 H. 
Ander handschrift: 
Leiden: Codex 2013. 

XXIII. 

Tjarieta sabab ^jatoeh koewasa Saltan Djambi. (HS. 207). 

33 X 20 cM., 8 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Tjarieta sabab ienie Sultan Djambie Barmoela djatoe 
dia poenja koewasa Dan hilang dia Poenja Eoewat Adalah asalnja 
Tatkala bardierie Sultan Macbmoed Mohidien djadie Badja mang- 
gentie Soedaranja Sultan Masoed Badaroedien maka Sultan istrienja 
nama Batoo mas iessa maka Tatkala iotoe kira kira pada tahoen 
1812 katika ietoe Sultan Bagiemana adat Badja Badja mengambil 
anak anak orang Nigrie ada kira kira 30 orang. 

Slot: Kamoedian Pada Tahoen 1842 Sultan Mohamad Paha- 
roedien matie maka Pangeran Batoe Marta Ningrat djadie Badja 
Nama Sultan Abdul Bachman Nassaroedien ijala sekarang Sultan 
die Djambie. 

Dit HS. bevat een kort relaas Tan de oorzaken welke geleid 
hebben tot het verloren gaan van de politieke macht der soeltans 
yan Djambi; op den omslag staat als titel: Yal Tan Djambi. 

XXIV. 

Tjarieta Adipati Wira Tanoe Datar. (HS. 215^), 

32x207^ cM., 38 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Bahoewa iniela Sewatoe Ihayat atas trietanja Toean 
Adbiepatie Wiratanoedatar Bopati Tjieandjoer ijang dahoelloe. 

Adapoen Toean Adipattie Wiratanoedatar itoe terlebieh mashoer 
ampoenja kebaekkanja kebanjakan orang ijang sanget terpoedjie 
kepadanja. 

Slot: Sahadan dieatas inie tjrieta koerang lebienja itoe heudakla 
Toelloeng betoelken dan maloemken barang ijang bersalla dieatas 
dimiekiean inie adanja. 

Onderaan: „GeschreTen te Tjiandjoer Bes. Preanger Begentsch. 
1857." 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUDT. 213 

Dit geschrift is vertaald door 0. M. F. Stockhausen, en die 
vertaling is door S. Keijzer in de Bijdragen van het Instituut, 
nieuwe volgreeks, deel VI, bl. 292—306 gepubliceerd. 

XXV. 

De invoering van den isl&m in de Preanger. (HS. 215). 

32 X 2OV2 C.M., 17 bl., 24—30 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag: Verhaal van de invoering van den Islam in 
de Priangerlanden. Maleisch handschrift van 1857, ingezonden door 
den heer H. W. van Marie. - 

Begin: Adapoen tjrietanja ijang bermoela memasjok kapada 
agama Islam toeroen menoeroen ijang memasjok bilangan die 
Kabopaten Tjieandjoer iaitoe hienga darie Arija Wangsa gopraua 
segara herangkrawang binga dari sietoe dateng sekarang mendjadUa 
baharoe 9 toeroenan ampoenja lama tela masjok kepada agama Islam. 

Slot: Toeroenan hinga darie Praboe Tjioeng Mandara dateng 
Skarang Welohoe alam soeda babrapa lamanja Taonnje ietoe adanja. 

Onderaan: „Goschreven te Tjiandjoer Res. Preanger Regentsch. 
1857''. 

Dit geschrift is vertaald door 0. M. F. Stockhausen, en die 
vertaling is door S. Keijzer in de Bijdragen van het Istituut, 
nieuwe volgreeks, deel VI, biz. 307 — 313 gepubliceerd, 

XXVI. 

Tjarlta Siam. (HS. 534). 

33x20 C.M., 40 bl., 27 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Adala kapada tahoen Nabie Mohamad anak AbduUa 
1238 dan kapada boelan Zulhadjie kapada katika ietoe toean 
Pangeran Said Hassan Bin Oemar bin AbduUa Alhabsie mendapat 
reder dan order darie bawa Doelie Jang die Partoewan Bessar 
Gouverneur Generaal G. A. G. P. Baron van der Kavelan Radja 
jang mamerenta Nigrie Doenja Tana Indie, manjoeroe barlaijar ka 
Nigrie Siam membawa soerat sarta bingkissan kapada Radja maha 
Bessar die Banoewo Siam. 

De schrijver noemt zich AbduUa uit Bassoeki. 

Hij verhaalt hoe hij met den genoemden Pangeran naar Siam 
gezonden werd door den Gouverneur-Generaal Van der Cappelen, 



76 Volgr. VI. 



'15' 



214 OA.TALOGUS DBR MAL. HANDBCHRIPTBN 

hoe hij aldaar den naam kreeg Djeroe Toelis Oetoessan Jang die 
partoean Djiktro, hoe hij zich kweet van de gegeven opdracht bij 
den vorst Pra ongkan, hoe hij in Bezoeki teruggekeerd zich wijdde 
aan een onderzoek naar de geschiedenis van Siam, en in staat werd 
gesteld die geschiedenis te schrijven. 

De inleiding bevat mededeelingen over de afstamming der 
Siameezen, de godsdiensten en bijgeloovige gebruiken in Hindoestan, 
de bevolking van enkele Indische landen e.d. Daarna, op bl. 14, 
begint het eigenlijk geschiedverhaal met de vermelding van Kon 
Loang Kiran en zijn broeder Kon Loeng hut, waarna het optreden 
van den Chinees Sien uit Tak verhaald wordt; zijn regeering 
en die van Pija Tjakrie worden uitvoerig verteld. Zijn opvolger 
is Sum Didit Katjoe Loekto (bij Juynboll, ad cod. 2011 Sum 
Didtu Mtju Lakat). Na het geschiedverhaal — 119 jaren koningschap 
en vele jaren van verbrokkeling onder kleine vorsten — volgt eene 
uitwijding over de minderwaardigheid der Siameezen, de ervaringen 
van de gezanten van den Q-ouverueur-Qeneraal, de bemoejingen 
van Engelschen, e.d. 

Het slot is : Sabarmoela adala hikajat ienie tella di soeroe oUeh 
jang Die Partoean Bessar Qouverneur-Generaal tjitak diedalam 
Nigri Batawie dengan bachsa olanda damikian la Adanja. 

Dit geschrift is, naar het schijnt, identisch met de Hikajat 
Kadja-Radja Siam, zie Oatalogus-JuynboU, bl. 240, ad cod. 2011, 

Andere handschriften zijn niet op te geven. 

xxvn. 

Silasila Ba^a Ra^ja didalam n^gari Pal^mbang. (HS. 414). 

34 X 2OV2 C.M., 37 bl., 33 r. 

Op den omslag staat : ^J^^ J^^ c5;^ >^'^'^ ^9-'; ^^^Lyw^ ^} vi>i.«^c 
Inio Silasila atsal Radja di negrie Palembang. 

Begin: s,:^^^ ^5^ j-^^ ^^ '^^ ^ y^^ ^j «AJ5 1^ 
v:^x5>. v^b. y IS >oJ jjy ^iJb3 ^^ ^y- ^tf ^ jkjjj^ 

H;^ ^XJu3 5^^ l^jS ^xxxLc -^ iL vi>^^ j^\J JLX^ ^,^^ 

^^^AM-U ^-Xfi^'o ^ ^i^ o^;-^ L?*^^^ x-xA«Lo ^J*MJ^^J v3^ j-j-Ji 

In de inleiding wordt verhaald dat een schip verging bij den 
berg Sagoentang; de gezagvoerder vestigde zich daar. Een schip 



• • • • 

• • • • • 

• • • •• 



VAN HBT KONINRLIJK INSTITUUT. 215 

van Java verzeilde daarheen, na een jaar kwam het terug om 
de familieleden vau dien gezagvoerder over tebrengen; zoo bevolkte 
zich PalSmbang. 

In § 1 is sprake van vorst ^^jA\ in Eeda Hindi en zijne zonen 
en kleinzonen, onder wie Eadja ^oeran wiens zoon Soelan naar 
PalSmbang voer, en de verschillende gewesten aldaar onder zijne 
zonen verdeelde. De geheele geschiedenis is in 13 paragrafen ver- 
deeld ; in § 3 is sprake van den Javaanschen vorst Prawidjaja YII, 
wiens dood in § 5 verbaalt wordt, in § 6 van den pan^mbahan 
Pal^mbang, Baden Pasah, die gehuwd was met de dockter van 
den soesoehoenan van Ampil Dgnta, iu § 7 wederom van Radja 
Soeran in Amdan N^gara. In die § wordt het ontstaan van ^ 
verhaald, van wien gezegd wordt: ^^y^t-^ ^^ »;-^ otf;j c^^jj -bj 

In de iaatste § worden vele jaartallen gegeven, beginnende 
met 981, de komst van Kjai c>y^ v^^ ^f<^ uit Soerabaja, en 
eindigende met 2 Radjab 1277: den dood van Ahmad Nadjmoeddin 
in Temate. 

Bl. 31 — 39 zijn gevuld met eene verhandeling ovei de oude 
titels en hofgebroiken in Pal^mbang; de schrijver beslnit zijne 
optelling met de woorden: fJJu^ ^^^ ^£>^.' c^^^^ d^ \j^^ 

AUeen de linkerhelft der bladzijden is beschreven. 

xxvm. 

l^'arita Radja Ra^ja didalam nSgari Pal^mbang (HS. 531). 

34 X 21 C.M., 23 bl., 25 r. 

Begin: j^ ^^ >5bj Pg.^^ c^Hj-^ ^^ J^ *Ulj ^ ^ .o^^j ^lj^ 

^^ ^/^ J^ '^^^^ h^^ ^/^ (^'^ O*^/ "^^ U^^ Jf^*^ 
.i3l^ ^ cXJL^ *b>.l sd^ A3 Jyu aJ>. ^-1^ iO^y v^^ 

Dit handschrift bevat het begin eener geschiedenis van de inwen- 
dige verwikkelingen in Pal^mbang. Het eindigt abrupt met de woor- 



216 CATALOGUS DER MAL. HANDBCnRlPTBK 

vii^ (^La^ U^^ ^y ^i^ ^t^ oO>^ '^^' '^ ^'^ o^^ 

XXIX. 
Oeslachtsregisters der yorsten ?an Pal^mbang. (HS. 527). 

129 X 98, piano. Latijnsch schrift. 

„Bahoewa sedjara ini djatoe riwaijatnja di Timoer en Singapoera 
en Melaka Banian Tandjoenpoera en Menang Eabouw en Kommering 
Oeloe en Bengkoeloe masok toeroen dari riwaijat Soltan Askander 
Zolkarnain. 

Dan Palembang toeroenan riwaijatnja dari Radja Soelan sampe 
watas depattie Karang widara poetoes radjanja diganti ole Prijai 
datang darie djawa toeroen temoeroen hingga sampe sekarang 
ada terseboet didalam sedjara Palembang. Deperboeat salinan ole 
raden Mochtar bin Eaden rangga astra widjaija AbduUa di negrie 
Palembang 22 January tahoen 1869. R. Mochtar." 

127x119 piano; idem. 

„Tertoelis dipalembang Kepada 24 January 1869 disalinken 
ole Baden Mochtar bin Eaden Rangga Astrawidjaja Abdulla. 
R. Mochtar." 

XXX. 

Tjarita Nigrie Palembang. (HS. 196). 

33 X 20 C.M., 36 bl., 27 r. Latijnsch schrift. 

Deze titel komt voor in den aanhef waarin verhaald wordt 
dat een resident van Palembang last gaf de oude geschiedenis 
van dat gewest op te schrijven, aan welk bevel gevolg gegeven 
is „akan tatapie tiada bolleh dapat kapada timpoe mana dan 
soeda barapa lamanja sekadar die atoerken kiesonja djoewa." ' 

Het verhaal vangt aan met Radja Soeran anak darie Radja 
Tarsie Badaras die Nigrie Keling. Uit verschillende bronnen heeft 
de schrijver geput, ook uit de Sjadjarah Malajoe; opmerking ver- 
dient ilat de beide edities ontbrekende aanspraak van Bat (hier 



►• • • 

» » 



VAN EST KONINKLIJK INBTITUUT. 217 

Boeto) ook hier voorkomt, en wel als volgt : (bl. 6) „hoe soewajta 
Padoeka Srie Machradja sariemo srie sapta soerina Boemie ijoedjaija 
Fala Nakaramo Nitkaling Karta makoeta Ran moeka Trie Boe- 
wana parie sang sakaraijta biena Nangka Danno Rana Saran 
Qeto Sengo Sano Ban wikramo wedat Eatta pala waijka saij Daij 
daij wa Da^ij die Paraboe kala moelie malikie Daramo Radja 
Paramaysoerie/' waarop volgt: „maka Radja ietoe die Gelarnja 
olleh Boeto ietoe Sang Saprabo Fram Srie Trie boewana." [Zie 
de aanspraak, bij n^ XIII (HS. 631)]. 

Slot: ^^maka darie dari Toeroenan kijaie Qedeng Soero moeda 
ieniela segala radja radja die Palembang maka habisla Tjarieta 
Pasal jang partama die Nigrie Palembang maka die samboet Tja- 
rieta Pasal jang kadoea soeratnja soeda ada kapada Srie Padoeka 
toean Resident.'* 

Een gedeelte van deze geschiedenis is in het HoUandscli vertaald, 
in Handschr. 201* bewaard in HS. 201. 

XXXI. 

'J^'arieta atoeran Radja Ra^ja diedalam Nigrie 

Palembang. (HS. 201). 

33 X 21 C.M., 17 bl., 31 r. Latijnsch schrifl. 

Samengesteld op last van den resident en militairen comman- 
dant Luit. Kol. De Kock. 

Het HS. begint met de overwinning van Demak door den 
eoeltan van Padjang en de uitstrooming van Demakscbe grooten 
naar Palembang als gevolg dier onderwerping. 

Vijftien vorsten worden opgeteld, als laatste: „Machmoed Bada- 
roedien jang sakarang ada die Tarnatie." Aan het slot worden de 
jaren van nieuwe contracten opgenoemd, n.l. 1662, 1678, 1679, 
1681, 1691, 1722, 1755, 1763, 1791. 

Onderaan staat: De Perboeat oleh P. T. Earta mengala. 

In dit HS. ligt eene gedeeltelijke vertaling van HS. n^ 196. 

XXXH. 

Hikajat Mahmoed Badroeddtn. (HS. 201<'). 
33x20 C.M., 9 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag staat: Het leven van Machmoed Badaroedin. 
Dit handschrift bevat een kort relaas van de regeering van 



218 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 

Mahmoed Badroeddin, die in 1218 H. optrad, zijne verwikkelingen 
met de Engelschen en Hollanders, de expeditie van Gillespie, 
de bemoejingen van Daendels e.d. Het slot is: „niaka Tetapla 
Saltan Achmad Nadjamoedien die Eardia an Sample Timpoe 
Qouvernement Olando pegang India toean Menteng datang djadie 
Kommissaris Palembang adanja." 

XXXIII. 

Contract met Pal6mbang. (ELS. 537). 

31 X 21 C.M., 6 bl., 25 r. 

Begin: sU ^^c> '^yuM ^b idjj 

a^^«^^ t^ \:yt:?^^f '^y*' of ^ er*-' 't^ ^}^' ^^^;^^ *^ 
^)y^ o^-H ^}^ u^i (^ '^ ^^y^ f-:*. er^^?^^> v5l-^ l5;^ 

Juc^ ^£^ ^b\ v:i.H» o^t^'^f hT i£^^ ^^ Ih^ O^ o"^^ 

Slot: i^^ jj-ot^ x^y »,j^.^ ^^^.M^xfi ^ Hj:f\J> ^dUxT ^ Hjy*.^' 
1722 ^Lj ^^0 aJ^i, 
De bladzijden yan dit handschrift zijn in Europeesche yolgorde. 

XXXIV. 

Contract met PaI6mbang. (ELS. 532.) 

31 X 21 C.M., 9 bl., 17 r. 

Begin: ;[;iXw 8>>jj^ «-Ji^ oaf^^^ A-ajlj vf;>.;.^UI s.^ -^ ^ ; 



j.^ Wjolj ^XaT ^:iL»5 ^po. cr^>«i' o^'0> o*5V;r ».X« r^^,^ !/ji 

o'r^ w'/* o^'^ £*^ (3/i c)'^/ «^ c>M* e^ y!; O^-^ 



VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 219 



vi^^li o^^l^^ i!H ol^-^* r'^ '-^H^ ^x-ijb jAji ^j^ jjb qUU^ 
^ o^l^ jJL. ^b Jt^box^ ^^Ju^^ ^L3^b ^ jiH>J' u-5r^^ 

.... l^XJl 

Het goheele contract van den Gouverneur-Generaal Van der 
Parra met den vorst van Paltobang is vordeeld in tien paragrafen, 
de eerste p^rkara, de anderen fa§al genoemd. 

Slot: yi^j ^27^^'*^ •^^'^ O'''^/ ^^^ 1^^^ O^^/ O^"^ 'r'y^f 

|^c> cXi j^ «J^ *>>j* LTJ'I; *->>» VV.;^ g-J^^i' LT**^^ O^'^ t^ 

^)^ l3c> Jo ^^1 Jb ^bf J^ ^^^^M. Jy ^^^5v> ^-ly. c^^ 
.HaI 1775 ^bt <^^IP iJu- yC33 eJNJL^t ^3,^U^ wXs «J^t 3v3 ^^ 
De bladen van dit handschrift zijn in EuropeeBche volgorde. 

XXXV. 
Toeroenan Badja Loewoe dan Radja Soppeng. (HS. 634). 

35 X 21 C.M., 17 bl., 20 r. 

Dit HS. bevat een korte geschiedenis van enkele dynastieen 
van Zuid-Celebes, voornamelijk van Loewoe, Soppeng, Tanette, 
Sidenreng. Het laatste jaartal (op bl. 2) is 1861, toen Soeltan 
^Abdoelkarim van Loewoe den 16®^ September vrede sloot met 
het Gouvernement. 

Het begin is: ^yj j^y^ ^^ ^^b |j3 ^.^ ^3^' ^Ua^ *Uil ^ 

^bl ^^ ^^y e5/-' '^^T^ ^^y^ 

^«L>/ ^^j^AAA^ 3y> f^\ r^M-Lc vi;^J ^^;vJ<^ 18 

Het laatst vermeld is de 21® vorst van Tanette, die zijn ge- 
bied heeft laten opmeten, die wegen heeft doen aanleggen, en die 

Uir-^^^J^ hT* O^^ LT^^ O*"*-^^^ '>^ c^'^>?>^ '^^ LaJ/ *J5*;^ 

Op bl. 2 en 4 zijn randnoten aangebracht, waarschijnlijk van 
Prof. Niemann. 



220 CATALOGUS DER HAL. EANDSOHIUVTEN 

XXXVI. 
Toeroenan Ba^a oJIa» ai^b. [HS. 555(1)]. 
35V,x21V2 C.M., 1 bl., 21 r. 
Over de beheerschers der landstreek ^adjS pjj. Begin: «J^ 

Slot: ^ ,.r*^ (4,^ ^ o-^^' 5^ o^M KSJJf «l^ «>^ u-lji?' 

XXXVII. 

Tjarit^ra Hanggarai. [HS. 555 (2) ]. 

35x21Vj C.M., 2 bl. 



* . A 



Begin: J3I o^\^^ l5^j^^ *ib O^V 'Hr^ 6^^-^ O^^ y^ 

Dit HS. bevat een kort yerhaal yan de onderwerping van Mang- 
garai en Soemba door Dewa Sang Bima, zijn komst op Bima, de 
geboorte van zijn zijn' zoon o^^yoy .^lXJI van wien de vorsten 
van Bima afstammeni de islamiseering van Bima, de ondernemingen 
tegen Manggarai en de verwikkelingen met de Oompagnie. Het 
sink is opgesteld door den kleinzoon van Soeltan ^Abdalkadim, 
zoon van Soeltan ^Abdalhamld, die zich de broeder van den feitor 
van Bima noemt. 

Slot: JCJu« ^>^H ^^ ^^ ^J^ jj! ^^^ s^^ ^J.p\ ^Jj^ ^ 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUUT. 221 

AFDEELING IV. 
Inlandsche Wet en Adat, 



XXXVIII. 

Oendang Oendang Bandar. (HS. 540). 

3472X217, C.M., 22 bl., 34 r. 



Op den omslag staat: JcX-JU ^y-^^ 1^?^ r^y Or*^ yglJeJ^K 

Het eerste hoofdstuk is do Atoeran Marga, verdeeld in 22 ar- 
tikelen, zeer verwant aan die der Oendang Oendang PalSmbang, 
en nu en dan daarmede gelijkluidend. 

Het ' tweede hoofdstuk is de Atoeran doesoen dan bSrladang in 
16 artikelen, en het derde de ^Adat pSrhoekoeman in 103 artikelen, 
wederom zeer gelijkende op het overeenkomstige hoofdstuk der 
Oendang Oendang PalSmbang (Zie n'*. XLII). Vooraf gaat eene 
inhoudsopgaye van alle artikelen, gedateerd: 1862 ^ 4 ^cXs \^y^. 

Slechts de rechterhelft der pagina's is beschreven. 

XXXIX. 

Oendang Oendang I. [HS. 222 (2) ]. 

20 X 15V, C.M., 94 bl., 15 r. 

Na de eulogie roept de auteur Allah's bijstand in bij het 

^J^^^*^ vi:^ (^AAJ ^Lcj v35« leX-S^b ^V* i^olSjS ^^j^^AA^ cXi^^b 

:i^ y^ ^Jb u-^iyciu r.-io ^ j^L> ^L. ^Jji Jt^\^j^:^ ^, 

y/ '^A fJU jjb 

Daama wordt uiteengezet dat de wet tweeledig is : 1". die volgens 
de adat, ontvangen van de nenek Katoem^nggoengan dan Para- 
patih Sabatang, 2°. die volgens de sjar^, welke is de hadith dan 
dalil s^rta idjmS.^ s^gala ^oelam&. De adat nu is zesvoudig: 

V. iVa^' JJ Vji^ 2°. ^>J vJb>=^ 30. K^Uy Ol^ 4^ '»MjA olf 



222 CATALOGUS DBR MAL. HANDSCHRIFTBN 

ding der verschillende bepalingen, voornamelijk van strafrechter- 
lijken aard, vangt de schrijver zouder overgang aan met hel Mo- 
hammedaansch procesrecht ; omstreeks bl. 20 begint eene uitvoerige 
opsomming der vereischten voor de getuigen, met vele fa'idah's, 
het optreden voor den rechter, do bekentenis; daarna volgt het 
Btrafrecht. De bedoeling van den auteur is don indruk to geven 
dat dit gedeelte van het Moslimsche schoolrecht inderdaad in 
M6nangkabau zoude gegolden hebben. 

Het handsclirift is gedateerd 27 Rama#n 1285. 

XL. 

Oendang Oendang II. [HS. 222 (3) ]. 

21 X 17 C.M., 84 bl., 18—22 r. Latijnsch schrift. 

De doxologie ontbreekt. In plaats van y^ kXA ^ Jtv> beeft 
dit handschrift: dalam Poelau Andalas. 

Dit HS. is niet, zooals het voorgaande, telkens onderbroken 
door gedeelten van het Mohammedaansche procesrecht. Terwijl 
in het vorige HS. onmiddelijk na de vermelding der inlandsche 
strafwetbepalingen eene aanwijzing volgt hoe gehandeld moot 
worden wanneer adat en Moslimsche wet met elkander in strijd 
zijn, en daarna de uiteenzetting der artikelon van de theoretische 
Moslimsche wet nopens de manier van procedeeren gegeven wordt, 
volgt in dit HS. onmiddelijk op de inlandsche strafbepalingen — 
welke in de andere bewoordingen gesteld zijn dan die van het 
vorige manuscript — : do Zamoen (artinja mamboenoeh orang 
dengan pengatahwannja) de Sakar (artinja mamboenoeh orang 
dengan tidak pengatahwannja), de sarat barpindah hoetang kapada 
waris nan sapandjang adat, (bl. 63), de Mara Tabat kapala Eotta 
(bl. 67), het mandirikan Imam sambahijang (bl. 69) en het 
mandiriken Imam adat (bl. 77). 

Hoewel dit HS. 00k in spelling vaak gebrekkig is, vertegen- 
woordigt het toch eene meer voUedige, echte en oorspronkelijke 
redactie dan het vorige manuscript, dat slechts voor een gering 
deel — nauwelijks een vijfde — inlandsche wetsbepalingen 
bevat. 

Slechts de rechterhelft der pagina's van dit HS. is beschreven. 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUDT. 223 

XLI. 
Kat^rangan pSrkata'an sSgala oendang oendang. [HS. 236 (3) ]. 

34 X 21 C.M., 2 X 4 bl. 

Verklaring van eenige uitdrukkingen in PalSmbangsche wetten 
voorkomende, gevolgd door eene kleine verhandeling over enkele 
adat'fl voor en na de invoering van het Nederlandsch gezag. 

In Latijnscli en in Arabisch schrift. 

Bovenaan staat: Behoort bij missive van 14 Juni 1870, n*^ 56. 
De stukken zijn beide gedateerd 23 Mei 1870. 

XLII. 

Oendang Oendang PalSmbang I. [HS. 236 (7) ]. 

34x21^/^ C.M., 45 bl., 40 r. Latijnsch schrift. 

Het eerste hoofdstuk is getiteld Adat boedjang Gadies Kawien, 
en verdeeld in 27 „patsars", het tweede (bl. 9) Atoeran Marga 
in 29, het derde (bl. 16) Atoeran doesoen dan berladang in 32, 
het vierde (bl. 25) Adat perhoekoeman in 64, het vijfde (bl. 41) 
Atoeran Padjak in 16. 

Alleen de rechterhelft der pagina's is beschreven. 

XLIII. 

Oendang Oendang PalSmbang II. (HS. 416). 

33V, X 21 C.M., 64 bl., 32 r. 

Op den omslag staat Q^^b h^j^ajvXju c^Ai^l p>^^ ^^ (^^wq^c 

De rechterhelft der bladzijden bevat den tekst in Latijnsch 
schrift, de linker in Arabische karakters. 

De eerste drie hoofdstukken zijn dezelfde als van HS. 236 (7), 
maar het vierde is in dit HS. Atoeran Kaoem verdeeld in 18 
„pasars", het vijfde (bl. 37) is gelijk aan het vijfde en het zesde 
(bl. 43) aan het vierde van het vorige HS. 

De spelling in beide handschriften is verschillend, evenwel niet 
belangrijk, gelijk blijken kan b.v. uit § 4 uit de Adat P^rboekoeman, 
naar HS. 236 (7): Djika orang jang daoewa oetang pioetang 
membaijar tanda srah tiada boleh lagie Pasi Bah perwatien ambil 



224 CATALOGUB DBB MAL. HAKDSCHRIFTBN 

walesan djika oetang terbaijar, en naar de transscriptie in dit 
HS. : Djika orang iang dawa oetang pioetang membaiar Tanda 
srah tiada bole lagie Passirali Proatin ambil Walassan djika 
oetang terbaiar. 

Andero handschrifien : 

Batavia: Collectie Bataviaasch Qenootschap, n^^. 140 (4 hoofd- 
stukken) en 150 (compleet). 

XLIV. 

Atoeran dan Oendang Oendang didalam p^ngan 

Hokko Hokko. (HS. 180). 

32 X 20 Va C.M., 8 bl. 38 r. Latijnsch schrift. 

Na eene inleiding over de boofden en hune beyoegdheden volgt 
een veertiental bepalingen yoornamelijk van strafrechterlijken aard. 
Het slot is: Mokko Mokko den 31« Julj 1855 

De Qezaghebber 

(w. g.) N. Hewetson. 
De Toeankoe Eegent van Mokko Mokko 

(w.g.) Sulthan Takdir Chalipa TuUah Sab. 

XLV. 

Oendang Oendang Bangkahoeloe. (HS. 210). 

33 X 21 C.M., 22 bl.. 18 r. 

Dit HS. is eene copie van het in 1821 in Londen gedrukte 
werk A Code of Laws as established bij the Pangerans Court at 
Fort Marlborough collected bij Henry Robert Lewis Esq. Het 
wetboek is verdeeld in 42 paragrafen. De gedrukte tekst is in 
het bezit van het Ron. Instituut. 

XLVI. 

Atoeran orang orang bSrladang. [HS. 236 (4) ]. 

33 X 21 C.M., 8 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Eene kleine verhandeling over enkele adat's bij den landbouw, 
voorafgegaan door een scheppingsverhaal dat slechts eene pagina 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUUT. 225 

beslaat. Het stuk heeft ongetwijfeld betrekking op PalSmbang. 
De titel is: Inila soerat pesaka ninik poeyang toeroeii ganti 
orang marga adjie die basaken melayoe adanja. 

XLVU. 

Gebruiken in Hoesi Ilir. [HS. 236 (6) ]. 

32 X 20 C.M., 26 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag staat: Over de afkomst van de bevolking der 
Moussie lelier. 

Van 17 marga's worden in dit handschrift in regelmatige 
volgorde medogedeeld : de herkomst der bevolking, der godsdienst, 
de huwelijksgebruiken, de gebruiken bij het sterven, en de middelen 
van bestaan. 

XLVIIL 

Adat orang 4jawa di nSgSri Halang. (HS. 322). 

' 34 X 21 cM., 18 bl., 37 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Die bawak iuie darie adatnja Orang djawa njang soeda 
die pake selamanja die Negrie malang. 

Het geschrift behandelt: de slamStan's, goloften, huwelijks- 
gebruiken, adats gedurende zwangerschap, bij en na de bevalling, 
bij het tandenvijlen, bij sterven en begrafenis en bij het bouwen 
van een huis. 

Het handschrift is slechts aan de rechterhelft der pagina's 
beschreven. 

XLIX. 

Atoeran nggM Pal^mbang. (HS. 536). 
33 X 21 C.M., 9 bl., 30 r. Latijnsch schrift. 

Begin : adapoen atoeran ijang tela terpakie kepada orang Besar 
didalem negrie Palembang. 

Dit handschrift bevat eene beschrijving der gebruiken bij de 
geboorte, de besnijdenis, de uaamgeving, huwelijk, sterven en 
begrafenis, bij de voorname lieden in PalSmbang in zwang. 



226 CATALOaUS dbr mal. handbchriftbn 

L. 
Atoeran nama gfilaran pri|j%ji jang dibawah Soeltan. (HS. 595). 

3IV2 X 20 C.M., 4 bl., Latijnsch schrift. 

De volledige titel is: Iniela atoeran Nama Gelaran pariijaie 
mantrie die dalam Nigrie jang die bawa Sultan. In dit HS. wordt 
aangegeven welke titels aan de bloedverwanten, aanyerwanten 
(jang tjoema parmielie) en hoogste ambteparen des soeltans (van 
Djokjakarta?) kunnen gegeven worden. 

LI. 

PSkfir^ja'an Orang Dqak. (HS. 580, 2de gedeelte). 

32Vj,x20 cM., bl. 12—16, 26 r. 

Dit gedeelte be vat eene korte vermelding van enkele Dajaksche 
gebruiken, gevolgd door eene genealogie van yorsten en toem^ng- 
goengs in Martapoera. 

LII. 

Transscriptie hiervan (HB. 579, 2^® gedeelte). 

32V, X 2OV2 C.M., bl. 10—14. 

Hier achter Tolgt een begin van „Adatnja Daijack Siang dan 
Moeroeng." 



AFDEELINQ V. 
Oedichten. 



LUI. 



Njaigian deri bahasa Hamko tarsalin kapada bahasa 

malaya. (HS. 577). 

33 X 21 C.M., 5 bl., Latijnsch schrift. 

links staat de Haroeko-tekst, rechts de Maleische vertaling; 
onder elk lied wordt in bet Maleisch de bedoeling en de yerklaring 
der toespelingen medegedeeld. Er staan 17 liederen met vertaling, 



VAN HET KONINKLTJK INSTITUUT. 227 

en enkcle noten in het *. HoUandsch, in dit handschrift, dat met 
„n". 18'S zonder het 18^ liedje echter, eindigt. 

LIV. 

Njanjian derij bahasa Oma tersalin kapada bahasa 

malayn. (HS. 575). 

34x21 C.M., 3 bl., Latijnsch schrifl. 

Dit handschrift is op dezelfde wijze ingericht als het voorgaande; 
het bey at 13 liederen. 

LV. 

Pantoens. (HS. 533). 

31 X 20 C.M., 6 bl., 26 r. 

Verschillende pantoens, met zeer veel Mgnangkabausche woorden, 
nl. „pantoen laki-laki*' met „djawab pSrampoe^", 2 x 9 in aantal, 
„pantoen boedjang" en „djawab gadis'', 12 in aantal, en eenige 
„djawab gadis", de laatste met verklaring. 

LVI. 

Sjair Alif Ba Ta. (HS. 635). 

34 X 21 c,M., 10 bl., 32 r. 

Links de tekst in Arabisch schrift, rechts de transscriptie. Een 
kunsteloos rijmelwerk, beginnende met de waarde en de beteekenis 
van den alif, daarna handelende over den resident van Riouw die 
den 28®^ Juni 1893 vertrok, en grootendeels bestaande in ver- 
maningen, en aanwijzingen nopens goede vormen in het spreken. 

Met het gelijknamige gedicht in Cod. Leid. 1735 en HS. Von 
de Wall n°. 236* heeft dit gelegenheidsgedicht geene verwantschap. 

LVU. 

Sjairs. (HS. 629). 

21 X 17 C.M., 41 bl., 22 r. 

Geschenk van den heer A. L. van Hasselt. , 

Het eerste gedicht is aan uitlegging van droomen gewijd; vele 



228 CATALOGUS DBR MAL. HANDBCHBIFTEN 

Arabische woorden, voor het meereadeel zeer slecht gespeld, komea 
in dezen sja^ir ta^bir mimpi voor. De schrijver, „Mohd Cassim" 
heeft dit rijmwerk den 20 Februari 1896 te Riouw voltooid. 

Op bl. 20 begint een sja*^ir over de kenmerken van vrouwen 
en hare fird,sah, welks lezing aanbevolen wordt met de woorden 
^} t^ jjb ^tp- idx^ j^ ^L5^u ^J^ ^^Ux>. 

Op bl. 32 begint een negenvoudige ^^yc^t l^^;^ £';3^ ls^j 
ingeleid met de regels: 

Op biz. 37 staat de vermelding der hoeroef dan angka firasat, 

79 9 8 9 3 672746835421 

als volgt: c ^ Jo {JO {JO u-^(j«»j^3c>^-.-c:^ov^ 

1135654321 81 

De laatste vier bladzijden bevatten een y,sjair slamat Sri Padoeka 
Toean Besar berangkat berlajar'' door „Mohd Cassim" den 30«» 
Maart 1896 te Riouw vervaardigd. 



AFDEELING VI. 
Islam. 



Lvm. 

Mohammedaansche wetten. (HS. 580, 1^ gedeelte). 

32V, X 20 C.M., bl. 1—11. 

Enkele wetsartikelen over strafrecht, voornamelijk over de dijah, 
procesrecht en erfrecht. 

LIX. 

Transscriptie hiervan. (H8. .579, 1^ gedeelte). 

33V, X 20Va C.M., bl. 1—10. 

De artikelen zijn genommerd. Enkele aanteekeningen in het 
Hollandsch zijn aan den rand aangebracht. 



TAN HBT KONINKLUK INBTITUDT. 229 

LX. 

Erfrecht. (H8. 612). 
34x67 C.M., 2 yellen piano. 

Tabellarisch oyerzicht van de yerdeeiing der nalatenschappen 
Yolgens de Mohammedaansche wet, bet eene yel in Arabisch, bet 
andere in Latijnscb scbrift. 

LXI. 
BicUyat almoebtad! bifa^l AU&h almoehd! I. (HS. 625). 

217, X 16V, C.M., 105 bl., 19 r. 

Incompleet exemplaar afkomstig uit Atjeb; zie Notulen yanbet 
Kon. Instituut 16 Febr. 1895 (Bijdragen, 6« yolgreeks I, bl. XXVII). 

Het geschrift is yerdeeld in drie b&b's; bet eerste handeltoyer 
den isl&m, den tmdn, den taubid en de ma^fabi bet tweede oyer 
de 9al4t en wat daarmede samenbangt, en bet derde oyer de 
yasten en wat daarmede samenbangt. Yolgens de inleiding beyat 
dit in de Mobammedaanscbe wereld zeer bekende werk: satSngab 
daripada sSgala i'ti^ad dan sgmbabjang dan poeasa bgrbias d^Dgan 
bSrbagaj-bagaj moetiara dan manikam bSrkarang. De yertaling yan 
den titel is: pgrmoela'an orang jang menoendjoek kami djalan jang 
b^toel. 

Lxn. 

Bidfljat almoebtad! bifadl Allfth almoehdi II. (HS 628). 

2IV2XI7 C.M., 77 bl, 17 r. 

Onyolledig exemplaar, 00k uit Atjeb afkomstig (Zie Notulen. 
Kon. Inst. ibid.). Vooraf gaat eeae do^a welker 16 malige uit- 
spreking in eenen nacbt eene yoortreflijke uitwerking beeft. 

Andere bandscbriften : 

Leiden: Catalogus, bl. 285—286, cod. 3280 en 3281. 

Batavia: CoUectie-Von de Wall, n®. 17. 

Batavia : CoUectie-Batayiaascb Qenootscbap : n^s 102 A, 105, 108, 
282, 298, 318, 324, 325, 345, 376 B, 377 B en 381 A. 

7e Volgr. VI. 16 



230 CATALOGDB DBR MAL. HANDSCHBIFTEN 

LXIII. 

Geloofsleer e. a. (HS. 624). 

Afmetingen van den omslag: 21x15 c.M. 

Bl. 1 — 6. Onsamenhangende aanteekeningen, o.a. oyer geloo&leer. 

Bl. 7 — 69, 17 r. Fragment van een werk over geloofsleer. De 
laatste bladzijde dier verhandeling is Atjehsch. 

Bl. 69 en 70. Gebeden en djimats. 

Bl. 70 — 75. Kleine verhandeling over geloofsleer. 

Bl. 76 — 79, 17 r. De verhandeling over de geloofsbelijdenis 
van Sjaich No^roeddin ibn ^Ali ibn Hasandji ibn Moehammad Hamtd 
getiteld Sjif&%l ^loeldeb. Andere handschriften van dit werkje be- 
vinden zich te Batavia, CoUectie-Bataviaasch Genootschap, n^^ 115 B 
en 339 B. 

Bl. 80. Over de nijjah tot den sSmbahjang. 

Bl. 81 — 87. Arabisch gedeeltelijk met interlineaire Maleische 
vertaling; over den adab. 

Bl. 88 — 96. do^&'s, djimats en berekeningen. 

Bl. 96 — 139, 13 r. Verhandelingen over de vereischten voor 
het im^m zijn bij de ^al&ts, over de beteekenis der s6mbahjangs 
en over de geloofsleer. 

Bl. 140. De nijjah voor de vasten. 

Bl. 141 en 142. Over den sfimbahjang. 

Bl. 142 — 153. Do^'s, djimats, f8,idah*s en iosse notities. 

Bl. 154. Begin der EifSjat al ^ib^dah, waarvan te Batavia een 
ezemplaar aanwezig is, coUectie-Bataviaasch Genootschap n^. 314. 

Bl. 155 — 157. Djimat's en berekeningen. 

Bl. 158—176, 17 r. De Kimjat al 'ibftdah, eene verhandeling 
HykoXi^ 'ilAMj = risalat jang simpan genoemd, over het geloof. 

Daarna volgen nog enkele bladzijden met gebeden en Iosse aan- 
teekeningen van weinig belang, benevens djimats. 

Ook dit handschrift is uit Atjeh afkomstig; zie Notalen-Inst. I.e. 

LXIV. 

Geloofsleer. (HS. 626). 

20V, X 16 C.M., 49 bl. 

Bl. 1 — 33, 19 r. Catechismus over de geloofsleer, in soe'&l's 
en djaw^b's. In den aanhef wordt dit vragenboek genoemd eene 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUUT. 231 

Bl. 34 — 43,19 — 20 r. Verhandeling over de nijjah tot de 9alat, 
aangeduid als m^^^jm ik^jJ JXm q^Uax j3 ^j^ o^r^ ^]yM 

o'^ ij^"^ )^^ ^ ^^^ <3^ O^ '^-/^ t^;^ '^J^ ^^'^ O*^ 

Bl. 43—46, Bene fa'idah ontleend aan de Fa^'il al 'Asjoer4 
over de bijzondere uitwerkingen van sSmbahjangs op den ^asjoera- 
dag, d. i. den IQen Moeharram, 

Bl. 47 — 49. Verhandeling over den oorsprong der tahlll's voor 
de overledenen en voor de levenden. 

Het slot vormt de formule der nijjah tot de vasten. 

Ook dit handschrift is afkomstig uit Atjeh; zie Notulen-Insti- 
tuut, 1. c. 

LXV. 
Mystiek. (HS. 627.) 

22x16 C.M., 44' bl. 

De eerste twintig bladzijden zijn gevuld met allerlei notities, 
hoofdzakelijk van mystieken aard. 

Bl. 20 — 44 be vat ten eene verhandeling over de mystiek volgens 
de sjatarijjah en naksjibendijjah-tarikah's, in welker aanvang na 
eene behandeling van den dzikr, wordt gezegd: >^.^ xlt k\J^ 

'jfjJJiJ^ >ULJLm uijjSo sL^\ f^^y^ ^^^XJu oifijJt^ i^JJa^] BoUJt 
u;/u/ Jj^ ^ ^J^> Jx IxXa^ vi>-^ v3j^ ^ N*."-^ ij^lj [J^ 

g^l «/b^ y> ^^5^.^ «^U;I ^ ,^} ^t^ iba ^3 x^ *1II 

Aan het slot wordt het werk in gebrekkig Arabisch genoemd: 

Ook dit handschrift is afkomstig uit Atjeh; zie Notulen-Insti- 
tuut, 1. c. waar op gezag der hoogleeraren Niemann en Van der 
Lith gezegd wordt dat de handschriften (n^s 624 — 628) „niet de 
minste waarde bezitten/' 



232 CATALOaUB DBR MAL. HANDBCHRIFTBN 

AFDEELINQ VII. 

Varia. 



LXVI. 
Kitab TaT)ir. (HS. 604). 

bl. 1—47, 197^x157, C.M., bl. 48— 137 :20V, X 17 c.M. 

137 bl., 13 r. 

Het handschrift bevat drie ta^bir-boeken, nl. de verklaring van 
droomen (^^ ■AA.y.'Q, van zon- en maansverduistering ^JySiS jjj^ 

,j«M^i^) j4iili) en van aardbevingen (u^AJj ^tvH^')* ^^ droomen 
worSen ingedeeld naar de weekdagen, en naar de beginletter van 
den droom in elken aan den met name genoemden dag vooraf- 
gaanden nacht. De eerste paragraaf handelt over den Yrijdagnacht; 
de letters hebben de volgorde van het Arabische alphabet, en na 
de v kom^n de lam-alif, de ja, de tja (die ook na de djim volgde), 
de nga, de ga en de nja. De tweede paragraaf handelt over den 
Zaterdagnacht en hier staat de tja slechts e6nmaal, op hareplaats 
achteraan. In zeven paragrafen worden de nachten behandeld, tot 
bl. 42 ; aan het slot worden enkele gebeden tegen veel en angstig 
droomen medegedeeld. Op de volgende bladzijde worden de zon- 
en maansverduisteringen behandeld, en wel in acht paragrafen, 
naar de acht jaren van den achtjarigen cyclus, elke paragraaf 
weder afgedeeld naar de twaalf maanden. De paragrafen zijn : alif, 
ha, djim, za, dal, ba, wau en dal-achir. Op dezelfde wijze is de 
nitlegging der aardbevingen verdeeld. (bl. 64 — 86). 

Aan het slot beveelt de schrijver alien die de uitlegging willen 
gebroiken aan eerst toestemming te vragen aan de wetgeleerden, 
en doet de mededeeling dat het werkje is goedgekeurd door Sjaich 
^Abdoerra'oef van Atjeh, benevens Sjaich Badroeddin en Sjaich ^Ab- 
doellah, beiden van Lahore, die den eerstgenoemde in Arable hebben 
leeren kennen, en dat deze drie sjaichs hem wa9ijjat's hebben 
gegeven van moreelen en religieusen inhoud, welke vermaningen 
de auteur aan zijne lezers overbrengt. 

Op bl. 91, na de vermelding van droomen die men uiet mag 
uitleggen (die in dommeling niet in slaap, die v66r de reiniging 
en die van vorsten en rijken behalve de goeden onder hen) volgt 



VAN HBT KONINKLIJK INBTITUUT. 233 

de interpretatie van de droomen naar de onderwerpen, en wel over : 
den hemel, de menschen, de viervoetige dieren, de boomen, enz. 
tot twintig toe, in even zooveel b&b's, de laatste, op bl. 125, over 
droomen van onreinheid. Dit gedeelte is gedateerd 2 Dzoelka'idah 
1248, 16 April 1833. 

Op bl. 127 begint eene verklaring van onwillekeurige bewegingen 
in bet menschelijk lichaam, op bl. 135 eene verbandeling over 
de teekenen van geluk en ongeluk aanbrengende katten. 

Het slot is : c>Lj (^I^'wmmJ ^j ^t AjJl vJL^ i)i ^^ h|^ iJLJt 

De scbrijver noemt zich J.^' ^lip^ vJlit ^j-^^oi iX^ o^\>' 

Andere handschriften : 

Leiden: Catalogns, bl. 304, cod. 1695 en 1966. 
Batavia: CoUectie-Von de Wall, n^. 217. 
Batavia : Collectie-Bataviaasch Genootschap 376 A (slechts de 
droomuitlegging naar de onderwerpen). 

LXVII. 
Cosmogonie. (HS. 535). 
33V, X 2OV2 cM., 2 bl., Latijnsch schrift- 

Eene cosmogonie, naar het schijnt een begin van een radjah. 

Begin: awang lagie oewoeng Beloem ada djadie aras Eorsie 
Beloem ada djadie Boemie Langit beloem ada djadie Boelan 
Bintang beloem ada. 

Lxvm. 

Beis in Pal^mbang. (HB. 600). 
33V2X2I C.M., 3 bl., 32 r. 

Dagregister van eene reis in Pal8mbang in het jaar 1847. 
Begin : ^^l^b J^ ^ ^J^ X<£ly 1847 ^^t 21 ^)J^ 0^ 

De laatste dag waarover gerapporteerd wordt is 31 October. 



234 CATALOGDS DBU MAL. HANDBCHUIFTBN 

LXIX 

Bapporten over Palfimbang. (HS. 563). 
33 X 21 C.M., 70 bl. LatijnBch schrift, 

De eersie acht bladzijden bevatten rapporten yan ToemSnggoeng 
Soera Nendita van Ogan Oeloe in 1847. Overigens bevat het 
HS. Toornamelijk beyolkingsstaten ; een staat van opneming der 
Batang Ari in 1835 is ook in Arabisch schrift aanwezig, afisonder- 
lijk gescbreven. 

LXX. 

Rapport oyer Moesi Oeloe yan 1847. [HS. 236 (5) ]. 

33x21 cM., 19 bl., 35 r. Latijnsch schrift. 

Bovenaan: piyagem N^. I, 1847. Begin: Menjataken hal keadan 
die marga sanga desa pesira Depatie Anga Mengala. 

LXXI. 
. Instructie aan de hoofden yan Palfimbang. [HS. 236 (1)]. 

32 X 21 cM., 10 bl., 20 r. 

Bovenaan staat De Eock. 

Begin: ^«»x> ,^^.> r^UtS ^yCJbOwii ^\jy\ H^y^ »}jj y^ 

De instructie is verdeeld in 19 paragrafen. 
Slot: 1846 ^jyJc> 23 ^ 

LXXII. 
Brieven. (HS. 229). 

Een Bundel brieven, enkele in Latijnsch schrift, van PalSmbang, 
alien van 1848; 20 stuks. 

Lxxm. 

Brieven. [HS. 236 (2)]. 
34x21Vj C.M., In Arab, en HoU. schrift. 

Van Toeankoe Laras nan berampat Danau dan Matoea aan den 
Commandeur van Salapan Eota en Toedjoeh Loerah. 

Bovenaan staat: Behoort bij missive van den Gezaghebber van 
14 Juni 1870, n« 56. 



VAN HBT KONINKLIJK IMSTITUUT. 235 

LXXIV. 

Brief. (HS. 240). 

46x38 c.M. 

Met veel verguldsel vprsierde brief van den soeltan van Bima 
aan den Qouverneur-Qeneraal Van der Capellen, van 1 §afar 1239 H. 

LXXV. 

Brieven. (H8. 241). 

40 X 27 c.M. Latijnsch schrift. 

Kijkelijk versierde brief van den Soeltan van Soem6n6p Pakoe 
Nata Ningrat aan den Resident van Soerabaja P. Vreede Bik, van 
1 Januari 1854. 

44 X 35 c.M, LatijnBcli schrift. 

Idem van den Pan^mbahan van Madoera Tjakra Adi Ningrat 
aan den Resident van Soerabaja, van 1 Januari 1854. 

LXXVI. 

Brief. (HS. 246). 

52 X 41 c.M. 

Rijk versierde brief van Pakoe Nata Ningrat, Soeltan van 
SoemSnSp aan den Qouverneur-Generaal Van der Capellen van 27 
Febraari 1826. 

LXXVII. 
Brieven. (HS. 319). 

Zeventien brieven uit Atjeh, benevens losse papieren met op- 
gaven van goederen en enkele teekeningen. Voorin ligt eene 
lijst der 17 brieven met vermelding van de namen der afzenders 
en geadresseerden. 

LXXVin. 

Brief. (HS. 599). 

27 k 21 o»M. 

Blijkbaar gefingeerde brief van een zich c;^^^ [i^y noemenden 
schrijver aan een verder niet aangeduiden ^(^j ^ifoli, zonder datum. 



236 CATALOGUB DER MAL. HANDBCHRIFTBN 

LXXIX. 
Passen. (HS. 621). 

Yijftien stuks passen en scheepsyerklaringen uit Atjeh, Vele voor 
gezien geteekend door officieren van Z.M. oorlogsschepen in 1874. 

Voorin ligt eene inhoudsopgave met aanteekeningen van wijlen 
Prof. JuynboU van 27 December 1875. 

LXXX. 

Nama sigoer stgoeran dan boeah boeahan. (HS. 594). 

34'/, X 21 C.M., 7 bl., Latijnsch sclirift. 

Door een regent van Bnitenzorg opgemaakte lijsten. 1® Lijst 
darie nama segala roepa boea boea njang orang ketjil biassa makan ; 
links de inlandsche namen, rechts, met eene andere hand, de bo- 
tanische namen; 2® Lijst darie nama Segala roepa saijoeran njang 
orang ketjil biassa makan, links: nama Saijoeran njang oraug 
ketjil biassa makan, recbts: orang ketjil makan pagipaana die 
bikinnja. In de linkerkolom zijn met eene andere band de bota- 
nische namen bijgescbreven. 

LXXXI. 

Erissenboek. (HS. 529). 

33 > 21 C.M., 38 bl., 21 r. Latijnsch schrift. 

Op een etiqnet op den fluweelen band: Baden ArijaTjietroSomo. 

Begin: die Bawah inie Tjarieta iang bertama memboewat Zen- 
djata. Het HS. bevat teekeningen en beschrijvingen van bijzondere 
krissen op last van met name genoemde vorsten en grooten ge- 
maakt in de javaansche jaren 152, 216, 230, 261 enz. tot 1774. 

Op bl. 37: Tamat tanda roepa nja keries, tersoerat die Bondjot 
Kallienjamat 3 arie Veberwarie 1859 pada Baden Arija Tjietro 
Somo Adiepatie dongkol lapara. Daarna volgen nog enkele regels 
over de namen van verschillende soorten ijzer en drie „pammoor" 
(pamor) soorten met kleine figuren., 

Waarschijnlijk is dit geschrift uit het Javaansch vertaald. 



VAN HBT KONINKLUK INBTITDUT. 237 

Lxxxn. 

Nieuwe Testament. (HB. 544). 
27 X 20 C.M., 697 bl., 29 r. Latijnsch schrift. 

Van de HandeliDgen der Apostelen tot het slot der Openbaring 
Tan Johannes. 

Begin : Perbowatan Rasoel Easoel jang Eadoes jang soedah de 
Soerat oleh Lucas. 

Slot: Tamat atawa Easoedahan Katoeronan atawa Eanjataan 
Johhanna daan segala kitaab pardjandjian bharou. 

Het schrift is uit de 17© eeuw. 

Lxxxm. 

Catechismos. (HS. 543). 

26 X 20 C.M., 391 bl., 22 r. Latijnsch schrift. 

Maleische vertaling, naar het schrift te oordeelen uit de 17^ 
eeuw, van een uitvoerigen catechismus der Christelijke leer, ein- 
digende met het Onze Yader en de vragen en antwoorden daarop 
betrekking hebbende, waarbij gewaarschuwd wordt tegen het ijdellijk 
gebruiken van vele woorden,- gelijk de Hindoe's doen. 

LXXXIV. 

Tinioreesche Spraakkunst. (HS. 572). 

21V« X 17 C.M., 19 bl.. Latijnsch schrift. 

In het HoUandsch en in het Maleisch gestelde korte spraak- 
kunst van een dialect van Timor ; de opschriften der paragrafen 
zijn in het HoUandsch, de voorbeelden in het Maleisch. Achteraan 
eene verhandeling over den godsdienst der lieden van Timor Am- 
rassie, groot 6 bladzijden, getiteld Agama deri awrang Timor 
Amrassie. 

LXXXV. 

Daftar Parkata'an. (H.S. 574). 

31 X 16 cM., 30 bl., 26 r. Latijnsch schrift. 

Een „Daftar Perkata^an*' getitelde woordenlijst in twee kolommen; 
links de „Bahasa Negerij", rechts „Malajuw'\ Behalve woorden 
bevat het HS. ook korte zinnen in beide talen. 

7e Volgr. VI. 16* 



238 CATALOOTS DBR MAL. HANDSCHRIITBN 

LXXXVI. 
Ternataansch-Maleische woordenlijst. (HS. 582). 

32 X 21 C.M., 6 bl. 
Bovenaan staat: ,^jJ>-j L5ji^ *^ (^^ {j**^^j 3*^ -r*-:?;^ o^^ ^ 

J>yj^ O^y "^^ "^ "^^ "^ 0*^Vi^ ^^ Lr;S LT^^ (ji^:;^ O^-^*^ 
O^ Ij*^ L^'^ vilj;J U^l^ vi>^ j^.y*:^ ^^^ j*^ O^y "^J^^ ;^ 

. ^^ J^ g.> ^\jp ^Js/u. As ^.^ cj.L^ 

Onderaan: ^^W ,j-L^ Jy (^ u-i'^,^ (^^j<^ *U>. 

LXXXVII. . 
Transscriptie hleryan. (HS. 581). 
32VaX20V2 C.M., 5 bl., Latijnsch schrift. 

Bovenaan staat: Pada tahon 1260 Saharie bulan Sa'aban ha- 
rinja chamis oras poekol 9 atan 14 h: b: Augustus 1844; pada 
kutika itu maka tuwan Gouverneur derie Molokoe Tuwan Besar 
G. de Seriere minta bahasa Ternata kaseh mengartie dengan Ba- 
hasa Malajoe pada Secretaris Ternate Hadjie Abdul Habib. 

Onderaan : Djumlat Samoeanja 15 bahasa adanja Menjalim jang 
benar Djortoelis Malajoe Soleyman. 

LXXXVIII. 
Maleisch-Timoreesche woordenlijst. (HS. 584). 

341/2X21 '/a C.M., 22 bl., Latijnsch schrift. 

Na de woorden volgen enkele korte volzinnen en vervoegingen 
in slecht overgeschreven Nederlandsch, b.v. ik heb bevelen, gij 
heb bevelen, hij heft bevelen. 

De laatste twee bladzijden worden ingenomen door eene Neder- 
landsch-Makassaarsche woordenlijst. 

LXXXIX. 
Woordenlijst. (HS. 588). 

33 X 21 C.M., 47 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Woordenlijst in twee kolommen; links Maleisch, rechts eene 
niet 'aangeduide taal, waarschijnlijk uit bet Zuid-Oosten van den 



VAN HBT KONINKLUK INBTITFUT. 239 

Archipel. De telwoorden 1 — 10 zijn: osser, doei of sarro, kior, 
fiak, napobba of imsoejin, onem, fiek, 8 komt niet voor, sioe 10 
komt niet voor. 

XC. 

Minahasisch-Maleische Woordenlijst. (HS. 590). 

32 X 20 C.M., 17 bl., 22 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag staat: Bahasa Minahasa Tersalin kapada Bahasa 
Malayuw. Nuuwuh Nemahasa Injeera Inwie Nuuwuh Malajuw. 
lang Bowat ini lisrael Petrus Hermanus Sumanpan. Eema pada 
19 h.b. September 1844. 

XCI. 

Maleisch-Kakas-Langoewan Woordenlijst. (HS. 592). 

33'/j, X 21 C.M., 8 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Bovenaan staat: Woordenlijst van eenige woorden en volzinnen 
in de Alfoersche taal en van de verschillende uitspraak en be- 
teekenis tusschen het Sondereesch en Tondaansch. 

Op de eerste twee bladzijden staat het Nederlandsch in de eerste 
kolom, maar verder is de eerste kolom Maleisch, de tweede Eakas 
en de derde Langoewan. 

Onderaan staat: Buatang deri jang bertanda atas mintahan tu- 
wan van Delden Minado pada 9 h.b. October 1844. D. J. S. In 
Miriwang. 

XCII. 
Maleisch-AIfoersche Woordenlijst. (HS. 593). 
33x21 C.M., 8 bl., 37 r. Latijnsch schrift. 

Bovenaan staat: Woordenlijst van eenige woorden en volzinnen 
van het Maleisch in het Alfoersch en de verschillende uitspraak 
en betekenis tusschen de distrikten Sonder, Tondano, Eakas, Lan- 
guwang en Saronsong, alsmede eenige woorden van het Mangin- 
danowo en Balaugingie. 

De le kolom is Maleisch, de 2^ Alfoersch van Eakas, de 3« 



240 CATALOGUB DBR MAL. HANDBCHRIFTBN BNZ. 

Alfoersch van Langowan, de 4« Mangindanowo en de 5© Balangingie. 
Op bl. 5 en 6 zijn slechts de eerste drie kolommen ingevuld. 

XCIII. 

Maleisch-Mtoangkabansche Woordenlyst. (HS. 596). 

33 X 20^8 C.M., 2 bl., Latijnscli schrift. 

Boveuaan staat Menangkabau Selat, met welk laatste woord 
wasrschijnlijk Riouw-Maleisch bedoeld is. Het woord is echter 
niet daidelijk geschreven. 



Nummers der Handschriften met volgnummers 
en bladzijden in den catalogus. 



iS. 


480 


nO. XLIV, 


bl. 


224 


HS. 


534 


nO. XXVI, 


bL 


213 


» 


496 


9 XXX, 


9 


246 


9 


535 


9 LXVII, 


9 


233 


9 


201 


9 XXXI, 


9 


217 


9 


536 


9 XLIX, 


9 


225 


9 


204a 


» XXXII, 


9 


217 


9 


537 


9 XXXIII, 


9 


218 


9 


205 


9 XXII, 


9 


211 


9 


538 


9 XXI, 


9 


210 


9 


207 


9 XXIII, 


9 


212 


9 


540 


9 XXXVIII, 


9 


224 


9 


210 


9 XLV, 


9 


224 


9 


541 - 


9 XVII, 


9 


205 


9 


215 


9 XXV, 


9 


213 


9 


542 


9 II, 


9 


486 


» 


215a 


9 XXIV, 


9 


212 


9 


543 


9 LXXXIII, 


9 


237 


» 


221 


9 IV, 


9 


187 


9 


544 


9 LXXXII, 


9 


237 


» 


222(1) 


9 XVI, 


9 


204 


9 


555(1) 


9 XXXVI, 


9 


220 


9 


» (2) 


9 XXXIX, 


9 


221 


9 


9 (2) 


9 XXXVII, 


9 


220 


9 


» (3) 


» XL, 


9 


222 


9 


563 


9 LXIX, 


9 


234 


9 


229 


9 LXXII, 


9 


234 


9 


569 le ged. 


9 XI, 


9 


497 


» 


236(1) 


» LXXI, 


9 


234 


9 


569 2e 9 


9 xn, 


9 


198 


» 


9 (2) 


9 LXXIII, 


9 


234 


9 


570 


9 XV, 


9 


202 


9 


9 (3) 


9 XLI, 


9 


223 


9 


572 


9 LXXXIV, 


9 


237 


9 


^ (4) 


9 XL VI, 


9 


224 


9 


574 


9 LXXXV, 


P 


237 


9 


9 (5) 


9 LXX, 


9 


234 


9 


575 


9 LIV, 


9 


227 


9 


9 (6) 


9 XLVII, 


9 


225 


» 


577 


9 LIII, 


9 


226 


9 


9 (7) 


9 XLII, 


9 


223 


9 


579 1« ged. 


, 9 LIX, 


9 


228 


9 


240 


9 LXXIV, 


9 


235 


9 


9 2« 9 


9 LII, 


9 


226 


9 


241 


9 LXXV, 


9 


235 


9 


580 le j> 


9 LVIII, 


9 


228 


9 


246 


» LXXVI, 


9 


235 


9 


» 2e 9 


9 LI, 


9 


226 


9 


319 


9 LXXVII, 


9 


235 


9 


581 


9 LXXXVII, 


9 


238 


9 


322 


9 XL VIII, 


9 


225 


» 


582 


9 LXXXVI, 


9 


238 


9 


414 


9 XXVII, 


9 


214 


9 


584 


9 LXXXVIII. 


9 


238 


9 


416 


9 XLIII, 


9 


223 


9 


586 


9 XVIII, 


9 


206 


9 


420 


9 IX, 


9 


194 


9 


587 


9 XIV, 


9 


201 


9 


524 


» V, 


9 


189 


9 


588 


9 LXXXIX, 


9 


238 


9 


525 


9 III, 


9 


187 


9 


590 


9 XC, 


9 


239 


9 


527 


9 XXIX, 


9 


216 


9 


592 


9 XCI, 


» 


239 


9 


528 


9 IX, 


9 


195 


9 


593 


9 XCII, 


9 


239 


9 


529 


9 LXXXl, 


9 


236 


9 


594 


9 LXXX, 


1> 


236 


9 


534 


y> XXVIII, 


9 


215 


» 


595 


9 L, 


9 


226 


9 


532 


9 XXXIV, 


9 


218 


9 


596 


9 XCIII, 


9 


240 


9 


533 


9 LV, 


9 


227 


9 


599 


9 LXXVIII 


9 


235 



242 



NUHHBBS SBR HANSBCEBIFTBN. 



HS. 


600 




n®. LXVni, 


bl. 233 


HS. 


626 


nO. LXIV, 


bl. 230 


» 


604 




» LXVI, 


» 232 


» 


627 


j» LXV, 


» 231 


» 


605 




» X, 


» 196 


» 


628 


» LXII, 


» 229 


» 


607 le 


ged. 


j» vni, 


» 193 


» 


629 


j» Lvn, 


» 227 


» 


» 2o 


» 


» VI, 


» 190 


» 


630 


» XIX, 


» 207 


» 


608 




'^ I, 


» 185 


» 


631 


j» XIII, 


» 198 


9 


612 




» LX, 


D 229 


» 


632 


» XX, 


y> 209 


» 


621 




» LXXIX, 


» 236 


« 


633 


» VII, 


» 191 


» 


624 




» Lxni, 


» 230 


» 


634 


» XXXV, 


» 219 


» 


625 




» T-XI, 


» 229 


» 


635 


» LVI, 


» 227 



INDEX DER HANDSCHRIFTEN. 



HS. 

Adat orang Djawa di n^ari Malang 322 

Atoeran dan oondang oendang didalam pSgangan Mokko Mokko . . . 180 

Atoeran nama gSIaran prijaji jang dibawah Soeltan 595 

Atoeran n^gari PalSmbang 536 

Atoeran orang orang bSrladang 236(4) 

Bid&jat al moebtadi bi fadi All&h al moehdi 625, 628 

Brieven 229, 236(2), 240, 241, 246, 319, 599 

Gatechismus 543 

Cosmogonie 535 

Daftar P6rkata'an 564 

De invoering van den Isl&m in den Preanger . . : 215 

Hikajat NSgati Djambi 205 

Tjarieta sabab djatoeh koewasa Sultan I^ambi 207 

TjaritSra N6gari Djambi 538 

Erfrecht 612 

Gebi-uiken in Moesi Ilir 236 (6) 

Geloofsleer 626 

Geloofsleor e. a 624 

Hikajat Aboe Samah 607, l^ ged. 

Hikajat Ahmad Moehammad 608 

Hikajat Amir Hamzah 420, 528 

Hikajat Indra Poetra 221,525,542 

Hikajat Nabi bgrtjoekoer 569, 1« ged. 

Hikajat Nabi Mi*=r^j 605 

Hikajat Nabi Waf^t 569, 2^ ged. 

Hikajat Salisilah Perak 632 



244 INDBI DBR HANDSOHRirTBN. 

HS. 
Hikajat Sang Bima 633 

Hikajat'Sj&hi Mard&n. . .* 524 

Hikajat Soeltan Ibmhim , 607, 2^ ged. 

Instinictie aan de hoofden van Pal^mbang 236(1) 

KatSrangan pSrkata*an sSgala oendang oendang 236(3) 

Kitab Ta*bir 604 

Krissenboek 529 

Maleisch-Alfoersche Wooixlenlijst 593 

Maleisch-Kakas-Langoewan Woordenlijst 592 

Maleisch-MSnangkabausche Woordenlijst 596 

Maleisch-Timoreesche Woordenlijst 584 

Minahasisch-Maleische Woordenlijst 590 

Mohammedaansche Wetten 579, 1« ged., 580 1^ ged. 

Mystiek 627 

Nama sajoer sajoeran dan boeah boeahan. 594 

Nieuwe Testament 544 

Njanjian deri behasa Haruko ' 577 

Njanjian dery behasa Oma 575 

Oendang Oendang 222 (2), 222 (3) 

Oendang Oendang Bandar , . . . 540 

Oendang Oendang Bangkahoeloe 210 

Oendang Oendang M^nangkabau 222(1), 570 

Oendang Oendang Pal^mbang , 236 (7), 416 

( Gontracten met PalSmbang 532, 537 

Geslachtsregisters der vorsten van PalSmbang 527 

Hikajat MahmoM Badroeddin 201a 

Silasila Radja Radja didalam nSgari PalSmbang. 414 

^ L Tjaiieta atoeran Radja Radja diedalam Nigrie Palembang . . . 201 

Ijarita Nigine Palembang , . 196 

Tjarita Radja Radja didalam nSgari PalSmbang 531 

Pantoens 533 

Passen 621 

PSkSrdja'an Orang Dajak 579, 2« ged., 580 2« ged. 

Rapport over Moesi Oeloe van 1847 236(5) 

Rapporten over Palembang 563 



a 



B 

XD 



INDEX DBR HANDBOHRIFTBN. 245 

HS. 
Reis in PalSmbang , . . . . 600 

Sjadjarah Malajoe 587, 631 

Sjadjarah Radja Radja Riouw 630 

Sjair Alif Ba Ta . . 635 

Sjairs 629 

Ternataansch-Maleische Woordenlijst 581, 582 

Timoreesche Spraakkunst . . . , 572 

Tjarieta Adipati Wira Tanoe Datar 215a 

Tjarita Bangka 541, 586 

Ti&vitSL Siam 534 

Tjaritgra Manggarai 555(2) 

Toeroenan Radja v£>Aa9 y^b 555(1) 

Toeroenan Radja Look dan Sopeng 634 

Woordenlijst. . 588 



INHOUD. 247 

Bladz. 

Tjarita Radja Radja didalam nSgari Palgmbang (XXVIII) . . .215 

Geslachtsregisters der voi-sten van PalSmbang (XXIX) 216 

Tjarita Nigrie Palerabang (XXX) 216 

Ijarieta atoeran Radja Radja diedalam Nigrie Palembang (XXXI) . 217 

Hikajat Mahm6ed Badroeddin (XXXII) 217 

Contracten met Pal6mbang (XXXIII— XXXIV) 218 

Toeroenan Radja Loewoe dan Radja Soppeng (XXXV) . . . .219 

Toeroenan Radja c>JL3 '^Jj (XXXVI) 220 

TjaritSra Manggarai (XXXVII) 220 



AFDEELING IV. 

Inlandsclie TVet en A.dat. 

Oendang Oendang Bandar (XXXVIII) 221 

Oendang Oendang (XXXIX— XL) 221—222 

KatSrangan pSrkata^an segala oendang oendang (XLI) .... 223 

Oendang Oendang PalSmbang (XLII— XLIII) 223 

Atoeran dan Oendang Oendang didalam pggangan Mokko-Mokko. (XLIV) 224 

Oendang Oendang Bangkahoeloe (XLV) 224 

Atoeran orang orang bSrladang (XLVI) 224 

Gebruiken in Moesi Ilir (XLVII) 225 

Adat orang djawa di n&gari Malang (XLVIII) 225 

Atoeran negari PalSmbang (XLIX) 225 

Atoeran nama g^Iaran prijaji jang dibawah Soeltan (L) . . . 226 

P6k§rdja'an Orang Dajak (LI— LII) 226 



AFDEELING V. 

O^dichten. 

Njanjian deri hahasa Haruko tersalin kapada bahasa Malayu (LIII) . 226 

Njanjian dery bahasa Oma tersalin kapada bahasa Malayu (LIV) . . 227 

Pantoens (LV) 227 

Sjair Alif Ba Ta (LVI) 227 

Sjairs (LVII) 227 



AFDEELING VI. 

IslAm. 

Mohammedaansche Wetten (L VIII— LEX) 228 

Erfrecht (LX) 229 

Bid&jat al moebtadi bi fadl All&h al moehdi (LXI— LXII) . .• . 229 

Geloofsleer e.a. (XLIII) 230 

Mystiek. (LXV) 230 



248 INHOUD. 



APDEELING VU. 

Varia. 

Bladz. 

Kitab Tan)ir (LXVI) ^2 

Cosmogonie (LXVII) . .233 

Reis in Palgmbang (LXVIIl) 233 

Rapporten over PalSmbang (LXIX) 234 

Rapport over Moesi Oeloe van 1847 (LXX) 234 

Instructie aan de hoofden van PalSmbang (LXXI). . . . . 234 
Brieven (LXX II— LXX VIII) . . . ^ . . . . 234—235 

Passen (LXXIX) 236 

Nama sajoer sajoeran dan boeah boeahan (LXXX) .... 236 

Krissenboek (LXXXI) 236 

Nieuwe Testament (LXXXII) 237 

Catechismus (LXXXIII) 237 

Timoreesche Spraakkunst (LXXXIV) 237 

Daftar PSikata*an (LXXXV) 237 

Temataansch-Maleische Woordenlijst (LXXXVI— LXXX VII) . . .238 

Maleisch-Tiraoi-eesche Woordenlijst (LXXXVIII) 238 

Woordenlijst (LXXXIX) 238 

Minahasisch-Maleische Woordenlijst (XC) 239 

Maleisch-Kakas-Langoewan- Woordenlijst (XCI) 239/ 

Maleisch-Alfoei-sche Woordenlijst (XCII). ...... 239 

Maleisch-Mgnangkabausche Woordenlijst (XCIII) 240 



BIJDRAGEN 



TOT DT. 



TAAL-,LAND-ENVOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIE, 

UITGEGKVEN DOOR HET 

Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Nederlandsch-Indie. 



zKVENDi!: vulgukkks. - zksdk ih:kl 

(deel lx der geheele reeks). 

derde ex %ieri>e afle%eri!\««. 



SGHAVBNHAOK 

MARTINUS NIJHOKF 
1908. 



1 N H i: 1>. 



Bladz. 



'i'j:\.*: Kj;2«:!-chf:* iezii;g •'.'ratreut de ver-ivering van Bai:da en 
Ail boil ill 179^ *::j ointre!;! deii i'>e5raLJ dier eilaiidea- 
^roeptrn op het eind der achttieiide eeuw. Uitgegeveii ea 
toeg*:lichi door Mr. J. E. IIee&es 

i«:tri over de "Teruataausch-Halmiiherasche' laalgroep. door 
A. HiJETiNO (Met .schetskaartje 



Bijdragf- tot de kenuis der vereerii;g van Wis^u op Java. 

(h)<jT iJr. H. H. JUYNBOLL 

Fi.ne l/ijdrage tot d»: gcK-hiedtnis der Regef-rings-reglementen 
van Ned. Indie, do'»r P. II. van der Kemp . . . . 

Bijdrage tot de v(iik.sgeiieeskunde bij de Maleiei^ der Pa- 
dangsche Henedenlanden , door J.J. Kreemeu, Controleur 
bij het Binnenlandsch liestuur 

J> Toe Hadjeng en de legeude omtrent hun oorsproug, 
door J. TiiiEMAN. Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur 

I5e.s^:hrijving der Maleische handschriften van de Bibliotheque 
Rovale te Brussel , door Dr. Ph. S. van Ronkel . . 

Bestuursvergaderingen en Jaarverslag 

B<'^tuursverg^dering van 15 Juni 1907 . . 

Bestuursvergadering van 21 September 1907 

Bestuursvergadering van 19 October 1907 . 

liestuursvergadering van 16 November 1907 

Bestuursvergadering van 21 December 1907 

liestuursvergadering van 18 Januari 1908 . 

Jaarverslag over 1907 



249 



369 



412 



421 



438 



488 



501 



XXIX 

XXXI 

XXXV 

xxxvni 

XL 

xLn 

XLIV 



DB VEROVERINO VAN BANDA KN AMBON IN 179<). 251 

Engineers 1782, he was promoted Lieutenant 1786, Captain 1793, 
Major 1804, Lieut.-Colonel 1806, and retired Nov. 1810/>'. De 
toevoeging (met eeue audere hand geschreven) bij Leunon's naam 
in den titel dezer kopie ^/Godfather to Walter Caulfield Pratt, 
Oviny House (?), Aylesbury (?)'/ is misschien eene vingerwijzing, dat 
ons afschrift is geweest in particulier bezit van een met Leunon 
bevriende familie. 

Ons afschrift is niet door een en denzelfden kopiist gemaakt. Zooals 
ik in verschilleude noten heb opgemerkt, zijn niet minder dan 
drie afschrijvers aan het werk geweest. Het grootste deel (tot bldz. 
210 van deu tekst) is gckopieerd door iemaud, die met het Engelsch 
op niet te besten voet stoud, en wel door ^/a native//, zooals Lennou 
zelf onder de opdracht aan de directeuren der Oost-Indische Com- 
pagnie zegt. Bij bldz. 210 schijnt mij ven andere hand aan het 
werk te zijn geweest, vermoedelijk die van Lennon zelf : immers het 
schrift gelijkt op dieus ook in onze kopie blijkbaar origiueele hand- 
teekening onder de opdracht aan de 0. I. C. Bij bldz. 227 begint, 
dunkt mij , weer een andere hand. 

Ons afschrift was door Lennon zelf voor iemand anders (wie?) 
bestemd. //The correct copy// had hij moeten zenden aan de Direc- 
teuren en hij maakte verontschuldigingen, dat hij dit dus niet heeft 
kunnen zenden. 

Heeft Raffles ons exemplaar in handen gehad ? Verschillende 
potloodaanteekeningen zijn bij ons haudschrift gemaakt en de hand 
daarvan doet mij telkens denken aan die van Raffles. Maar dit is 
slechts een gissing. 

Wat de wijze van uitgeven aangaat, ik heb enkele gedeelten niet 
opgenomen, die mij geheel en al onbelangrijk voorkwamen *, maar 
overigens geheel het manuscript weergegeven. Er was natuurlijk het 
een en ander in wat van elders bekend is, maar ook dit werd veelal 
bekeken met een andereu blik, dan wij dit gewoon zijn: ik heb 
het daarom niet weggelaten. Natuurlijk laat ik de in het rapport 
vervatte oordeelvellingen geheel voor rekening van den schrijver. 
Soms gevoelde ik mij gedrongen , hierop nog eens uitdrukkelijk in 
een noot te wijzen. Niet altijd deed ik dit echter. Ue noten, door 
mij geplaatst en die wel dieuen te worden onderscheiden van die 
van Lennon , mogen overigens tot opheldering voor den lezer strekken. 
Ik plaatste mij daarbij op het staudpunt, dat ik de verklarende 

1 Ik heb dit door aangeduid. 



252 DE VEHOVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

aanteekeningen schreef voor hen, van wie ik mag veronderstellen , 
dat zij die noodig hebbeu ; uiet voor hen , die dit alles even goed 
of beter weten dan ik. Ik verwijs overigens naar de noten zelf. 

Met verbeteringen van schrijffouten en verkeerde interpunctie heb 
ik mij zelf de vrije hand moeten laten , o. a. omdat , zooals boven 
gezegd, het handschrift grootendeels is overgeschreven door iemand, 
die nog al fouten heeft gemaakt. Bij ook maar den geringsten 
twijfel heb ik daarvan doen blijken. 

Een register van plaats- en persoonsnamen en van verklaarde 
vreemde woorden heb ik achter deze uitgave geplaatst. 



JOURNAL of an expedition to the Molucca 
Islands under the command of admiral Rainier 
with some account of those islands at the 
time of their falling into our hands, and like- 
wise suggestions relative to their future better 
management in case of being retained in our 
permanent possession. By Captain Walter Caul- 
field Lennon. Godfather to Walter Caulfield 
Pratt, Oviny House (?), Aylesbury (?) , Principal 
Engineei' and Secretary to the Expedition. 



To the Honorable the Court of Directors of the 
United East India Company S^'ca ^^ca. 

Iloftorable Sirs, 

In the following pages which I have the honor to lay before 
you, you will find a regular detail of every material occurrence 
during our expedition to the Eastward; interspersed with such 
remarks and reflections, as presented themselves at the time, un warped (?) 
by either system or prejudice. 

I thought it better to represent every circumstance according to • 
the first impression it made, without attempting to dress it into 
form; as the first sketches, tho' rude, of one who faithfully copies 
the object before him, often stamp a stronger idea of resemblance 
than the finished painting of a more perfect artist. Conceiving it 
my duty to propose every thing, that occurred to me, conducive 
to the good of the service or the interest of the State, I have 
done so without reserve to the best of my judgement. In apology 
however for the many faults, which must be noticed throughout, 
I have to plead an almost continual state of ill health and some- 
times of extreme pain. 

Should I be able to convey to your Honorable Court a clear idea 
of all our transactions, with the motives that led to them; of the 
state of the countries we have gained, and their dependencies; and 



254 DE VEROVERING VAN BAN DA EN AMBON IN 1796. 

from the hints I have ventured to throw out of future advantages 
and improvements, should any be found of real utility hereafter, 
my object will be fully attained and in your approbation I shall 
.enjoy my ultimate reward. 

/ have the honor to be^ Honorable Sirs, 

with the highest respects Your most obediefit, 

and most humble servant, 

W. Caulfield Lennon. 

NB. This not being the correct copy, which I have lately been 
obliged to send to the Court of Directors, you will make allowances 
for the writing of a native ^ 

JOURNAL of an expedition to the Molucca Islands 
under the command of Admiral Rainier, 

Madras, October 1795. In consequence of the unforeseen success 
of the French in overturning the Government of Holland , and from 
an apprehension of the Dutch colonies falling under the dominion 
of that power, an expedition was fitted out at Madras, by orders 
from England, for the purpose of securing the Molucca Islands to 
the ancient Government of Holland , if it again should be restored ^ ; 
or in case of their rejecting the offer of our protection, finally to 
reduce them by force. The expedition was formed under the Com- 
mand of Admiral Rainier, and consisted of the Suffolk, 74, Cen- 
turion, 50. Resistance, 44, Orpheus, 36 ^, and Swift and Hobart, 
sloops of war; the Arniston, Indiaman, Surprize and Mary, tran- 
sports, with about 800 troops on board the different ships. We 
embarked on the 15*'^ of October, and sailed about 5: o'clock in 
the evening , in the midst of threatening appearances of the approaching 

1 Wie de persoon is , aan wien onze kopie is gezonden , l>lijkt niet. Misschien 
is het niemand minder geweest dan Raffles, de beroemde en beruchte. 
Immers, aan den kant der bladzijden zijn verschillende aanteekeningen ge- 
maakt met potlood, geschreven door een hand, welke veel gelijkenis vertoont 
met die van dezen lateren luitenant-gouverneur van Java en onderhoorig- 
heden, terwijl de inhoud dier opmerkingen dikwijis overeenkomt met Raffles* 
elders uitgesproken denkbeelden. De aanteekeningen moeten dan zijn ge- 
schreven y66r de verovering van Java, zelfs v66r of zeer spoedig na Raffles' 
komst op poeloe Pinang in 1805. 

* Op deze bewoordingen in verband met Willem V's bekende proclamatie 
van Kew, kom ik beneden in een naschrift terug. 

* De cijfers achter de sohepen geven vermoedelijk het aantal kanonnen 
aan, dat zij aan boord hadden. 



DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 255 

monsoon ; having just before we weighed anchor, received intelli- 
gence of the capture of Malacca by the detachment sent sometime ago, 
under the command of Captain Newcome * of the Orpheus, and 
Major Brown of the Company's troops 

Nov' 13^*^. We made Pulo Pinang 

The population of Pulo Pinang exceeds 20,000 souls, consisting 
of Chuliars , Chinese, Malays, Bengallies, Portuguese, and Europeans ; 
the first bear the greatest proportion in number and are chiefly the 
boatmen and fishers, but some of the richest traders are of this 
cast ; they arc originally all from the Malabar and Coromandel coasts. 
The artificers and most of the shopkeepers are Chinese. The persons 
who are generally employed in clearing the ground and cutting 
down trees for timber are Malays, who work by contract, and with 
their little axes with long handles cut down or sit idle at their 
pleasure. Their manner of cutting differs from what is generally 
practised ; if the lower part of the trunk of a tree be much thicker, 
as it for the most part is , than, at the height of 6 or 8 feet , they 
erect a stage, and cut it at that height where it is least trouble; 
then clearing away the underwood, they take advantage of the 
wind, and cutting nearly through several trees in its direction, 
they fairly fell the first, which in its fall brings down all the others 
to the leeward of it. After the trees are somewhat dry, they are 
set fire to, but seldom were entirely consumed; very large timbers 
are still lying in tlie direction they chanced to fall. This and the 
quantity of ground lost by the stumps still remaining (if left to 
nature to decay as is usually the case) , impedes the cultivation for 
not less than 6 years, and sometime 10. It would seem therefore 
more advantageous to dig the trees at first fairly out of the ground. 
Rice is generally cultivated after the wood is cut down, but from 
the ground not being effectually cleared , there is full a third part 
of it lost for at least 6 years, and the standing stumps give it the 
most barbarous appearance possible. The variety and luxuriance of 
the trees over this island, as over all the Malay islands, is very 
beautifull ; timber very, plenty and good ; but they have no teak, 
which is the best wood in India. Poon grows to an immense size, 
and one tree large enough for the Suftolks main mast, for which 
it was intended, lay upon the beach. 

The soil about the town itself is sandy and very disagreeable, 

1 Vgl. G. Lauts , Oeschiedenis van de Nederlanders in India V , 

(1859), bldz. 257. 



256 DE VBROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

being either quite loose sand, or overgrown with long grass. The 
inland part of the island is very high , covered with wood. The 
pepperplantations here flourish extremely well, and I am told that 
the pepper is of a better quality than at Bencoolen, which has 
diminished in the quantity of its produce considerably for some 
years past. Perhaps this circumstance may be a means of encouraging 
Pulo Pinang, and it is imagined that it would be much more to the 
advantage of the Company to withdraw the establishments of Ben- 
coolen and bestow their attention on this island. This addition 
alone would be sufiicient encouragement and security to Penang. As 
to Bencoolen, since it is only kept up for the purpose of collecting 
the pepper on the Westcoast of Sumatra, and seeing that the quantity 
produced has gradually diminished for some years past, it is a query (?) 
with very little doubt, if the whole of this pepper would not just 
as certainly be brought to the English at Penang, where the Malays 
could sell it at a price, not so much above the contractprice of 
Bencoolen , as to equal the expence of that settlement now. ' 

The harbour of Penang is proved to be safe and capable of 
holding all the ships of our navy in the East, and affording them 
and any other ships every requisite assistance at all times. There 
is now a shipwright established, who builds ships here, and from 
the cheapness of timber, if encouragement was given to artificers, 
ships might be built cheaper here, than any where in India, and 
docks for the largest ships could be formed almost by the simple 
excavation of the rock of Pulo Jeraja, where the Chinese now 
manufacture chunam very cheap and good. It is therefore a good 
situation for establishing a naval arsenal, as the most central to 
all the trade between India and China, and all the islands to the 
Eastward , which , it is hoped , may soon be carried to an extent 
much beyond what it has been hitherto and this in all probability 
could be done without any, or at most a very trifling, expence to 



* Hier is, met potlood, geplaatst de volgende kantteekening : 
„Very just, for pepper is purchaseable at all other parts of Sumatra and 
one half the price it is at Bencoolen. Another advantage of Penang is its 
centrical situation, by which it might be made the entrepot of all the com- 
merce of India with China, but in such case it must be a free port and not 
shackled with duties on import and transhipping. When they were imposed (?) 
to meet(?) the expences of the ^Scottish Invasion", Penang was almost 
deserted by the Malays, who consumed a large quantity of British and 
Indian manufactures, which they paid for(V) in produces (?) disposeable(?) 
to the Chinese." 



DK VEKOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 257 

the Company ; siuce if they would only avow their encouragement 
and support to the settlement, in the manner before mentioned, 
it's being continued a free port would secure it such a resource 
of shipping and trade, as would tempt the speculation of individuals 
to these undertakings. The watering of ships at Peuang at present 
is by no means convenient, but might easily be made so. 

The fort is situated at the N. E. point of the island, which is 
certainly the best; but it is in itself so childish a plan and scale, 
so near the sea, so ill executed, and so crowded on by the town 
and houses adjoining , that I fancy, to aflord a real security to their 
possessions, it will be found necessary to build another in a different 
place ; the best place for the purpose is said to be about 6 : miles 
South , where there is an inner harbour , which might be improved 
for the reception of large ships. The tree or plant which yields that 
curious substance, the elastic gum, grows here in abundance; its 
juice, when cut or broken, resembles milk, which when suffered 
to remain exposed to the air, coagulates into the substance we see 
it, without any chemical process whatever. Bullocks and sheep 
are very scarce and poor here; the beef is generally buffalo, chiefly 
from the opposite shore of Quada \ and sheep are imported from 
Bengal. Poultry are plenty and cheap, the market being supplied 
by Malay prows, besides what are bred on the island. Vegetables 
are cultivated in great plenty by the Chinese, who wherever they 
settle are industrious and orderly. 

24^*^ This morning embarked with the Admiral on board the 
Orpheus , we weighed anchor at JO: o'clock 

30^'^ 

we did not anchor in Malacca road untill 5 o'clock in the evening. 

December P*. The Admiral landed and was received by the 
Governor, M' Couperus 2, Major Brown and all the officers of the 
garrison , and was conducted to the Government house. We dined 
this day with M' Couperus; there was a large company. Madam 
Couperus was dressed in a mixture between the Malay and Portu- 
guese. Her outward garment being made exactly like a shift. She 
looked as if she reversed the order of her dress altogether ; her hair 
was drawn so tight to the crown of her head, and the skin of 
her forehead so stretched, that she could scarce wink her eyelids. 

1 Kedah. 

2 Abraham Couperus, de Nederlandsche gouverneur, die in Augustus 
1795 Malaka aan de Engelschen had overgegeven. 



258 DK VEROVEBTNG VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

She seemed however very affable and well-bred. In the evening 
she played on the harp and was accompanied by some of her slaves 
on violins. She chewed betel incessantly, as did the other ladies 
in company and every chair in the room was furnished with a 
cuspedor to spit in ; for while the ladies chewed and played , the 
Dutchmen smoaked their long pipes and drank klienbeer * , which 
is some of the best malt liquor I ever tasted. We were attended at 
dinner and during the evening by Malay slaves, male and female, 
some of the latter rather pretty, considering the general cast of 
Malay features. 

8^^. This day visited the works of the fort and town, which 
were found in better order and more capable of defence, than could 
be supposed from the facility with which it was gained by so 
small a force, as that sent against it. Had the Dutch been true 
to their trust and assembled the garrisons of Rhio and Perah, 
as they were ordered from Batavia to do , they certainly might have 
occasioned us a deal of trouble. 

16^^. After much inquiry and considerable expence, we obtained 
very satisfactory information relative to the situation , strength 
and disposition of the natives of Amboina, from which there are 
great hopes, the task of reducing it, if necessary, will not prove 
very arduous. 

17*^ By an English ship, arrived from China, we learn that 
there were no French ships at Batavia on the 1'* of November, 
as three Portuguese ships left it on that date and arrived at Macao. 

December 3**. These Portuguese may account for the white flags 
that we have heard [in ?] frequent reports of as Preusch in that quarter. 

19^^. The Suffolk, Centurion and Hobart arrived this morning 
from Pulo Pinang. 

2P*. The Arniston, indiaman, was this day dispatched on her 
voyage to China. 

25*^. Chiefly engaged in compleating the survey of Malacca. The 
prize agents employed in taking account of all the public effects. 
Major Brown having resigned the Government of Malacca, and 
Major Vigors having preferred going on the expedition , Capt" Parr, 
next in seniority, was put in orders for the command of Malacca. 

30^^. As it appeared to the Admiral, that we were scarce in 
tonnage, the Armenia, captain Sands, of 300 tons, was this day 



1 Kluin- of Kluunbier: een Groningsoh brouwsel. 



DK VEEOVBttING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 259 

taken up at four pagodas a ton p' month for six weeks certain. 

31'*. Several of the seamen, being in a very sickly state, were 
sent ashore, as being unfit for immediate service, and as there was 
a great want of wholesome accommodation for them, a temporary 
hospital for the sick of the navy was erected. Notwithstanding 
that this town is surrounded on the landside with impenetrable 
jungles and swamps, from the small proportion of sick in hospital 
it may be rtjckoned healthy for Europeans , tho' since our possession 
of it the rains have been very constant. This is probably owing 
to the effects of putrid vegetation being washed away as soon as 
formed. 

Tho' situated in the most favorable way for uniting all the 
resources of a rich country, with an easy communication by sea 
to foreign markets, Malacca now labors under every inc(m- 
venience that an island does, without its advantages; and tho' it 
has adjoining a soil capable of yielding the richest productions of 
every kind , and tho' under the dominion of an European power 
for about 250 * years, it remains, even to the foot of the lines of 
the town, as wild and uncultivated, and in as perfect a state of 
nature, as if there never had been a settlement formed here; and 
except by the small river that passes between the fort and town , 
you cannot penetrate into the country in any direction above a 
five miles. Nor is even this extent general, being confined to the 
roads which run along the sea-shore, about two miles each way, 
and one that goes inland. M' Couperus has a country-house about 
four miles on this latter road , and there were some time ago 
gambir-gardens about 7 miles in land , to which this road led , 
but it is not at present cleared farther than Mr. Couperus's house. 
There is no cultivation at present round Malacca but the gardens 
of the Chinese and a few of the Malays, who supply the town 
with great abundance of vegetables and fruits, the varieties of 
which are reckoned at upwards oi 100; very few of them are indebted 
however to cultivation, being mostly the spontaneous productions 
of nature. The gardens immediately next the town are so choked 
up with cocoanut-trees, that even from Bocca Cliina ^ you can 
hardly see a house ; they grow indeed so thick as very much to 
obstruct the free circulation of air and almost entirely to keep off 
the land-wind, which at this season is the prevailing one, and very 

* Sedert 1511, dus in 1795 bijna 3 eouwen. 
' Boekit tjiua. 



260 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

cool and pleasant. This extraordinary want of cultivation I am 
informed is the consequence of the restrictive policy of the Dutch 
government of Batavia, who make a point of discourageing it in 
all their settlements , the more eflFectually to render them dependant 
on Java, where alone they promote cultivation and improvement, 
and from where they supply all the other settlements even with 
the common necessaries of life. Sugar might be cultivated here to 
great advantage, the climate being very favorable to its growth, 
but no more is grown than is used as a common vegetable, the 
manufacture of that article having been hitherto prohibited. Salt 
too might with very little attention and care be made in quantity 
on the swamps quite close to the town, as they are subject to 
be overflowed by the tides and have no frish water to communicate 
with them. There was some years ago a very good manufacture of 
gambir here, which exported near 40,000: picul annually , but * in 
the war with the Malays, the gardens were cut down, and the 
manufacture distroyed. Since then there is but a very small quantity 
made here , and Rhio is now the chief place where it is manufactured. 
Gambir is a substance of a waxy consistence, and a light yellowish 
brown colour, formed by the decoction of the leaves of a shrub, 
into which a small quantity of riceflower is thrown, to make it 
more firm and solid. It is of an acrid bitter taste, and is eaten 
with betle by all the Malays; it leaves an agreeable sweetness on 
the palate. This article was the only manufacture of Malacca, that 
I can learn, and with canes, dammer, betel, nuts and gold-dust 
constitute the only natural exports; and it is dependant on foreign 
markets even for the common necessaries of life. The exclusive trade 
which the Dutch carried on , and the breach of which they punished 
with death ^ was in tin, pepper, opium, Japan copper and spices. 



^ Hier staan de woordea „some years ago" in het manuscript , maar 
zij zijn met potlood doorgeschrapt. 

2 Nog den 15 October 1794 waren de verbodsbepalingen tegen particulieren 
haudel in specerijen en oliteiten vernieuwd (zie J. A. van der Chijs, Neder- 
landach-Indiach Plakaatboek, XI, 1893, bldz. 821) „op poene van de poenali- 
teiten, daar tegen gestelt." Deze straf was echter toen niet meer, zooals onze 
tekst heeft, de doodstraf, maar straffe aan lyf o/" leeven" (Plakaatboek , t. a. p., 
bldz. 692), terwijl ook op deze stiafbepaling gaandeweg in de practijk vele 
uitzonderingen waren toegelaten (vgl. bv. Flakaatboekj t. a. p., bldz. 663, 
546, v.). In October 1781 was de „levens-straf * uitdrukkelijk gesteld ge- 
worden op den handel „in de vier fyne speceryen of de daar van gestookte 

olien" en in „amphioen behalven die van de (Amphioen-) societeit te 

Batavia is ingekogt " {Plakaatboek , X , bldz. 300 , v.v. , 561 , 567 , vgl. bldz. 



DE VEBOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 261 

The two first articles they bought from the Malays at their own 
prices, having either established factories for smelting the tiuu and 
collecting the pepper, as at Rhio, Perak, Palambang et^% or forced 
them to sell wherever thev could find them ; the other three articles 
they sold to them. Their open trade consists in salt, piece-goods of 
India , Macassar cloths , tortoise-shell , ivory , wax and gold-dust. 
Some years ago, when the Commissioners from Holland * found 
the trade of Malacca so much on the decline, they reduced the 
civil and military establishments of it considerably. This diminution 
of the trade is in a great degree owing to the vicinity of Penang, 
where the Malays, finding a free sale for all their goods, naturally 
carried them whenever they could scape the vigilance of the Dutch. 
Perhaps the prosperity of Penang is considerably indebted to the 
monopoly of Malacca. How far it may be affected hereafter by this 
monopoly being put an end to, it is hard to say. Certainly Malacca 
is better situated for trade, particularly that carried on by the 
Malays in their prows, and it is the key of the Straits, since no 
ship can pass but in sight of it; and there is little doubt, but it 
will soon recover its former consequence , when the freedom of trade 
shall take effect, and the Dutch influence is known to be at an 
end. 'T is probable that there will be found advantages and trade 
sufficient to support both this and Penang. This settlement it is 
certainly necessary to keep, to prevent any other power establishing 
themselves in it, and it is likely the Americans would avail them- 
selves of the circumstance of its being evacuated in a short time, v 
which might be attended with very inconvenient effects to us here- 
after; and as to Penang, it possesses natural advantages enough to 
insure its prosperity, unless thrown off and disclamed as unworthy 
the protection of the Company ; and amongst its advantages its 
harbour for ships and resources in ship-building are not the least, 
particularly as it is not at all improbable but the chief business 
done in that line may soon find its way from Batavia thither, which 
indeed is sincerely to be wished on the score of humanity, that 



238, 469 V.V.). Dit in overeenstemming mot en in navolging van voor- 
schriften van 1774, 1771, 1770, en vroegere (Piafcaa^feoefc, VUI, bldz. 611, v. v., 
729, v.v. , en vroegere deelen; De Jonge, De Opkomst van het Nederlandach 
gezag in Oost-Indi^, XI, 1883, bldz. 263, enz.). 

Bij deze dus niet geheel juiste voorstelling staat een kruisje in potlood, 
als teeken van bijzondere aandaclit, door een der lezers daaraan gewijd. 

1 Nl. de Comraissarissen-Generaal Nederburgh c. s. , benoemd in 1791, te 
Batavia gekomen in 1793. 



262 DE VEEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 179(). 

baneful climate haviug so often proved fatal to those whom either 
choice or necessity led thither for repairing their ships, it might be 
worth attention to endeavour to establish the artificers in the ship- 
building line at Penang, which I have already remarked is well 
calculated for a naval arsenal. We should then have resources on 
both sides of India, and ships meeting with accidents on one side 
of the Peninsula need not go to the other for repair. The trade in 
ships too is very much increased in these straits within a few 
years back, which is attended with the good eflfect of discouraging 
the propensity to piracy so common among the Malays. 

Abundance and great variety of timber fit for ship-building is 
to be got both here and at Penang. Masts of the largest size are 
got very cheap from the opposite side at Syac, and are sent 
annually to Batavia; it was for the purpose of carrying a cargo 
now ready here, that the Constantia, an old Dutch iudiaraan, was 
sent from thence some time since, and now lays here. A 74-gun 
ships-mast may be bought for 200 Dollars. 

The population of Malacca does not exceed 14.000 or 15.000, 
which is calculated from the quantity of rice imported , and may 
be tolerably exact. They consist of Malays, Chinese, Chuliars * 
and Europeans; and as there is nothing bearing any resemblance 
to a rajah or supreme head among them from the interior part 
of the country,, each cast has its own chief or Captain as he is 
called, who are all subordinate to the Government. 

The disposition of the Malays about Malacca is quite inoffensive, 
nor has there been any act of treachery, that I could learn, com- 
mitted by them for a considerable time ^ past. In their domestic 
habits they are free from the prejudices of the Hindoes and are 
reckoned Mahometans. They are extremely indolent, and if not 
tempted by the hope of gain would never exert themselves, tho' 
very muscular in their make and better formed for strength and 
activity than any of the natives in India. They are passionately 
addicted to gaming and cock-fighting, which are their chief amuse- 
ments. Creese-fighting is the principal public exhibition I could 
observe, in which the combatants pride themselves, not in the 
boldness of attack and manly agility, but in the wily approach of 



^ Mooren van de kust van Malabaar? Vgl. H. Yule and A. C. Burnell, 
Hobson Jobson (London, Murray, 1886), p. 159, sub voce „Choolia. — Vgl. 
hierv66r bldz. 255. 

2 Vgl. hierv66r, bldz. 260. 



DE VEROVKRINQ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 2(i3 

a tiger, where their greatest merit lies in getting unawares behind 
their antagonist and surprizing him by a stab in the back; and 
this circumstance I look upon as strongly indicative of the general 
disposition of the Malays. 

The Chinese are equally addicted to gaming with the Malays, 
and have here and at Penaug licensed houses, where they play 
with dice, a kind of hazard that seems to have a good deal more 
variety than our's. They are also fond of theatrical exhibitions, in 
which their merit is considerable. Their chief performers are car- 
penters and other artificers, and there is no doubt, if people of 
the same rank in life in a distant country-town in England were 
to attempt getting up a play , they could hardly equal the exhibition 
of this sort we saw at Pinang on a stage erected for the purpose 
in the streets. The spectators sat on chairs and benches in the 
open air, and were refreshed with tea and sweetmeats. Their music 
is certainly very disagreable, being composed of gongs and very 
harsh hautboys. They are very industrious, almost all of them keep 
little shops and sell groceries of all sorts. They all hitherto sold 
arrack , and the consequent drunkenness of the place was abominable. 
I am happy to observe now however, that by the new regulations 
with respect to the duties this article is put under limitation 
and taxed as it should be. The Chinese, when they arrive at a 
certain age, always prepare their coffins, as a memorandum of the 
end they must, sooner or later, necessarily arrive at, and as a 
stimulus to the observance of morality during life; and certainly 
they are in general a very orderly well behaved people. At every 
man's door you accordingly see 4 or 5 immensely thick planks, 
of which their coffins are to be made. Their burying-ground they 
always choose on a hill, and that called Bocca China derives it's 
title from being chiefly devoted to that purpose. Their tombs are 
of a particular construction, being surrounded by a considerable 
space, open on one side, and simicircular on the other, some of 
them formed at a great expence. They always enclose with the 
dead body a certain quantity of provision and sometimes money. 
From their industry and ingenuity they are vere useful to new 
settlements, and deserve to be relieved from those oppressive 
impositions which the Admiral has very wisely put an end to. 
They are great breeders of hogs and are generally the persons 
who slaughter them ; but the priveledge of doing so became a 
subject of taxation in the Dutch Government and still continues 



264 DE VKROVKEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

SO, as they have a particular method of increasing the weight of 
the pork by introducing water into the cellular membrane similar 
to the cheat butchers at home sometimes practice of blowing up 
meat to make it look well , but still more effectual. Thev kill beef 
too, which is very coarse and bad, being all buffalo. There are 
bullocks and cows here, but very scarce and poor, and the milk 
and butter, both here and at Penang, are very bad; the cause is 
the same in both places, the soil not being sufficiently cleared, 
the natural grass in the swamps and jungles is too coarse for 
cows, but is the best for buffaloes, which here grow to a great 
size and strength, and when taken, are very fierce. For the same 
reason sheep cannot thrive, there is therefore no mutton but from 
Bengal. 

Almost all the mountains in the Peninsula of Malacca, as well 
as these in Sumatra, are impregnated more or less with gold, and 
many of them go by the name of M* Ophir. That inland from 
this place is about 26 miles; the communication to it being by 
the river that disembogues naer Point Sisa. The Malays who go 
there are under no restraint, nor pay any duty; but enclose with 
stakes a certain extent of ground, where they think convenient, 
work untill they procure the quantity they want and then return to 
dispose of it. The richest gold-mine in the world is said the black 
mountain in Cochin China; the working of which having been in- 
terrupted by civil wars for four years together, some time back; 
the price of gold-dust in China rose 25 percent higher than its 
general rate, and upon its being again opened, gold-dust thro' that 
immense empire fell to its former standard. 

Concerning the works of the fort and town of Malacca, according 
to the plan they are built upon, they are in tolerable good repair, 
and capable of considerable defence ; tho\ should it remain eventually 
in our possession, which is not unlikely, and a garrison be esta- 
blished on it, it would be d-bsolutely necessary to modernize the 
whole river- face of the fort 

The severity, which the Dutch h.ive constantly exercised in this 
Government, has impressed itself so forcibly on the minds of the 
inhabitants of all denominations, that they can hardly conceive the 
English to be now their rulers from the mildness of our admini- 
stration and the politeness we show to the Dutch ; which is attended 
with the ill effect of their influence being still so great, as to keep 
back every kind of information and assistance that we might naturally 



DE VEKOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 265 

expect; it therefore becomes the more necessary to adopt decisive 
measures, aud the Admiral has accordingly resolved to send away 
the late governor and Dutch soldiers, who have been hitherto 
kept , in contradiction to the orders from Madras. However , as there 
has been a sort of interregnum with regard to the administration 
of justice, it was thought necessary, to continue in oflSce the 
members of the former Court of judicature, which some of them 
seemed not over- willing to comply with, untill they were given to 
understand that the ultimative was being sent to Madras; accordingly 
a commission of justice was made out and issued. The Eiscaal is 
the acting member upon all occasions of small import, and in the 
Dutch government his fees always bore proportion to the rigour of 
the punishment. This stimulus to cruelty neither the general dispo- 
sition of the Dutch , nor the particular temper of M^ Ehude required ; 
and it was but a short time before our arrival, that a young woman 
with child was whipped so unmercifully, that she died in a short 
time. They sometimes proportion the punishment to the time of 
smoaking their pipes, and it is not uncommon to say, give him 
one pipe or two pipes, according to the magnitude of the offence, 
meaning that the criminal is to be flogged during the time that the 
pflegmatic Fiscaal smoakes one or two pipes of tobacco. * 

The investigation of the public accounts and revenue has been 
a source of great trouble, and untill the determination to send away 
M' Couperus and the Dutch soldiers was understood , every possible 
diflSculty was thrown in the way. It now appears that several things 
were omitted in the statement of public property first sent. The 
accounts of the salaries and emoluments of the Dutch servants 
seem to be loaded with a great many more charges than is natural 
to conceive would be allowed ; but there seems to have been a great 
deal of peculation in practise, particularly in one article, the share 
of 25 percent on the revenue that was allowed to the civil servants ; 
the consequence of which was, that the Government tempted the 
Chinese farmers of the revenue to bid a vast deal more than they 
were realty worth, from the first fruits of which their shares were 
regularly paid ; but the balance was more than could be collected , 
and they were therefore obliged to write to Batavia for a remission 
of it altogether, which I am informed was never refused. 



1 Natuurlijk dat een dergelijke beschuldiging aan het adres der toen- 
inalige Nederlandsche autoriteiten te Malaka geheel blijft voor rekening van 
den schrijver. 

7* Volgr. VI. 18 



9,66 DB yiBOVEBING VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 

The public sale of the revenue was some days ago advertised 
for this day, on the principle of a trade open to all, upon certain 
fixed duties , which perhaps may be more profitable in the end than 
the mon^oly. 

1796: January 3^. The orders issued some days ago for the 
embarkation of the troops was necessarily changed on the Admiral 
resolving to leave behind the Centurion, for the defence of the 
Straits and settlement of Malacca, as we have lately had frequent 
reports of French and Dutch cruizers being out. From this and the 
great increase of stores and baggage, all the ships are very much 
crowded. 

4^. M'^ Couperus having had orders to prepare himself to go to 
Madras on this day on board the Swallow, as he had a family 
and vessel of his own (which has hitherto passed for a brig, be- 
longing to the king of Cochin , commanded by a French ofiBcer) he 
requested permission to proceed in her , and having reported himself 
ready and obtained his pass-port from the Admiral, he embarked 
accordingly. 

6^. The troops and stores being all on board the respective ships, 
we embarked this morning and being provided with such inter- 
preters and guides, as were necessary, sailed from the road of 
Malacca about 12 oclock 

These Straits are by no means well laid down , as it is impossible 
to know the different islands and head-lands from any chart of 
them yet published. It certainly would be a very desireable circum- 
stance to have a complete regular survey of them, as from the 
number of different islands, channels might be discovered, that 
would favor the passage of ships in either direction and with any 
winds, as I am informed there is deep water and good anchorage 
thro* almost all of them; but from want of a knowledge of them 
ships, being afraid of exploring new passages, lose a vast deal 
of time 

11^. A sail in sight to the Southward, wich proved, as was 
supposed, to be the Transfer, captain Elmore; we stood on with 
the tide, but not being able to weather Pedro Branca, were obliged 
to return, and again anchor under Point Romania. The Transfer 
also joined us. 

12^. This day received intelligence from the mate of the Transfer, 
who was on shore at Rhio , that on the 7^ instant a prow arrived 
there from Banca, the noqueda or Malay commander of which 



DB VBEOVEMNQ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 267 

reported to the sultaun of Rhio, that there were in the Straits of 
Bauca 3 French and 2 Dutch ships of war '(capal prauw * in 
the Malay tongue) and that the Sultaun advised him, not to 
proceed by that passage on that account. The mate, who came on 
board us, thinks the report well founded, as the forfeiture of his 
life, he says, would be the consequence to the noqueda of false 
information. The Admiral on this resolved to return as far as the 
Little Carimons and send into Malacca for the Centurion, and , after 
giving the requisite warning to the settlement of Malacca, to 
proceed by the straits of Durion and Banca, in order if possible 
to intercept this force , which might be an armament (?) destined either 
for the recovery of Malacca or to distress our trade in these Strdits; 
and there is some reason to suspect, M'^. Couperus may have given 
intelligence to Batavia of the exact situation of the garrison of 
Mallacca and likewise of the- probable time of our departure. The 
soldiers on board the Orpheus are reported to be very discontented, 
on account of the difference of the provisions with which they are 
served from that of the sailors. On long voyages like the present, 
when the services of men are to be immediately called for and 
every exertion expected from them, there should certainly be more 
attention and liberality shewn to their provision, on which their 
health so materially depends. They are denied the little gratifications 
of flower, pease, sugar et^* and only served biscuit and salt beef 
1 pound of each p' day to each man. The consequent sickness or 
at least weakness of the men after a voyage of 6 weeks, must 
surely be a much greater loss to the public service than those 
little allowances, which would not only gratify their pride as well 
as palate , but keep up that efiBcient vigor necessary on their arrival 
at their distined scene of action. For supposing only five in a 
hundred to suffer by the saving, exclusive of the idea of humanity , 
that of economy will make it evidently appear, that it is cheaper 
to employ one hundred stout, hearty, well-fed men, than one hundred 
and five, supported on this curtailed allowance, five of whom are 
sure to become unserviceable thereby. 

14^''. Having come to an anchor off the Little Carimon-island , 
the Admiral dispatched the Hobart and Malay prow to Malacca 
with orders for the Centurion and Swift to join us. Wrote to 
captain Parr, commandant of Malacca, an account of the information 

1 Kapal perangV 



268 DE VEBOVEKING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

which caused our return , and the Admirals intention to proceed by 
the Strait of Banca, to clear it of any enemy that may be there. 
16^**. The troops were landed at a very good watering-place on 
the Great Carimon-island , to refresh themselves, while the transports 
were well washed and cleared, which from being so crowded could 
not be done , while they were on board , and was therefore necessary 
for their health and comfort. We also changed our place and 
anchored nearer to the watering-place. 

Ijrth rpjjjg j^y joined us from Malacca the Centurion, Hobart 
and Swift. They inform us of the loss of Shah Muushy of Bombay 
from China on the rocks of Pedro Branca on the 8*^ inst*. The crew 
were all saved in their boats but the ship went to pieces immediately, 
and nothing but their lives saved; the boats passed us, in the night 
of the ninth. The loss of this fine ship is the consequence of the 
want of a proper survey of these straits, with proper remarks on 
the tides and currents. From the Phoenix we this day learn by 
our boats which returned from her, that there are two Spanish 
. frigates at Manilla, both sickly (?), bound shortly to Spain , by the 
way of Cape Horn ; that the forces of Manilla are considerably 
encreased and great pains taken in their discipline ; that the fort 
is put into a very respectable state of defence, the works being 
new modelled and repaired. The present governor is reckoned an 
active, clever man, who encourages cultivation and trade. Some 
specimens of a white rope, made of grass, and some of the material 
itself prepared for twisting were brought us, which seems to be 
very strong; but I understand, decays in fresh water. They make 
a very good sort of canvass of it. I am inclined to think that if 
the long grass, which grows in the beds of all the great rivers on 
the boast, was properly prepared, it is the same or at least would 
be equivalent to it in strength and durability , as it possesses a 
remarkably strong fibre, very fine and silky 

18^. At 6 o'clock this morning weighed anchor with a fine 
breeze from the North and made sail, now a formidable looking 
fleet, consisting of 9 vessels; as we sailed thro' the Straits of 
Durion, the farther we advanced, the more convinced we were of 
the in-accnracy of the charts of it, which are more calculated to 
lead ships astray than to direct them ; so that, had we not on 
board the different ships some good pilots, we should have been 
much at a loss 

20'^ 



DB VBaOVEBINQ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 269 

Wheu being in sight of Mouapin-hill on the island of Banca, 
we came to an anchor. 

21^^ We got under weigh (?) very early this morning ; the Swift, 
being very far ahead , made the signal for a strange sail , which 
we were in hopes was one of the Dutch fleet, but it turned out 
to be a Portuguese ship, which was in the road of Mintone(!), trading. 
We also saw two Malay kitches, which our hopes were for a short 
time flattered by ; such is the effect of refraction in all these straits , 
from the very strong evaporation , that, had we not been acquainted 
with the deception, we might frequently have fancied fleets in 
view from the trees being so extra-ordinarily raised by it ; and once 
the Hobart actually made the signal for a fleet, the appearance of 
the trees being so strikingly like one. The Portuguese captain came 
out to speak to us and told us he has been here since the 28^^ 
ultimo and heard nothing in that time of either French or Dutch ships. 

22^. Last night being remarkably fine with a fair wind, we 
continued under an easy sail, and this morning were a-breast of 
Parmesan-hill on Banca and the Second point of Sumatra. The 
troops and stores were now moved from the Hobart to the Centurion , 
the former being destined to return to Malacca and Madras. The 
water in this strait is quite brown, owing perhaps to the low 
swamps on the Sumatra side , where the trees actually grow in the 
water. The putrid leaves therefore and the mud of these swamps 
may give this colour to the water. A small brig is just now observed 
at anchor off Lucepara-island, to chase which our boats and those 
of the Squadron are sent. Lucepara and the First point of Sumatra 
form the entrance of the Straits of Banca from the South ; it is 
very narrow and only 4^ and 5 fathoms , the ground softest towards 
the Lucepara side , but the mid channel is perfectly safe. About 7 
o'clock, this evening, our boats being nearly up with the chase, 
she fired upon them so briskly, that they could not attempt to 
board her, and as she appeared to make sail towards Batavia and 
a breeze springing up, the Orpheus was sent in chase. We were 
very anxious about the boats this night , as the wind freshened very 
much and it grew very dark. 

23^. This morning early we discovered the Orpheus with her 
prize; they joined us about 10 o^clock with all the boats quite 
safe. The brig proves to be the Harlingeu, captain Pilander, of 
14 guns and 48 men. She was sent from Batavia 5 weeks ago to 
cruise off these straits, to watch the appearance of the English 



270 DE VBEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

fleet. The Admiral made prize of her directly , as she fired at our 
boats first and we learned from the captain the certainty of a 
Dutch war ; we also heard the agreeable news of the taking of the 
Cape of Good Hope. The Hobart parleyd us this night, when we 
proceeded on our voyage Eastward, with a fine breeze. 

27^*^ 

The men on board are growing very sickly ; the Admiral has 
therefore ordered the soldiers to be served the same allowance of 
sugar, rice and pease as the sailors. The sailors are chiefly ill 
of scurvy and fluxes, the soldiers of swelled throats, like an 
exterior sort of quinsy , and I am told it is the same complaint in 
the other ships ; but is not dangerous 

30^*^ 

This night being very fine, saw the high-land of Celebes at 11 
o'clock, upon which we laid to the remainder of the night. 

31**. Saw the island of Tanakeka this morning, which is low- 
laud. Celebes, as you approaclf it, is extremely beautifull, many 
parts of the laud resembling the finest parks in England. As we 
coasted slowly on with a light breeze , a boat with a Dutch soldier 
came on board from Bonthian, where they have a little wooden 
fort of 8 guns and 16 men, under a serjeant, who is subordinate 
to Boelacumba, which is farther on about 20 miles, where as we 
intended to call for water and stock, we kept the Dutch man on 
board to pilot us to the best anchorage. The tide seeming to make 
against us, we anchored for part of the night, while is was calm. 

February 1'*. The wind being very faint this morning, so that 
it was feared the ship could not get in, the Admiral sent a boat 
ashore to the Dutch resident at Boelacumba. After three hours 
rowing in a very hot sun, we landed and found a miserable 
Dutchman, resident, an assistant and a doctor, with about 20 
soldiers, and a little wooden fort with 16 guns, 6 and 3...? 
As it was not the Admirals intention to take advantage of their 
weakness on the present occasion, we only demanded s supply of 
provisions, which he immediately gave the necessary orders to 
provide; but having very little power or influence, as he says, he 
is afraid what he can procure will be very inadequate to our 
wants. We dined with him , as it rained heavily with violent thunder 
and lightning. They are sometimes subject to earthquakes, a shock 
having been felt 5 months ago, when captain Seaton of the Helen 
was here, but they are not frequent nor violent. This, the resi- 



DB VEEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 271 

dent , M' Wist , says is the rainy season here , which begins about 
the latter end of December; he asserts that notwithstanding the 
fruitful! appearance of the country from the sea , it produces nothing 
but a little rice in the valleys and cocoanuts near the coast, and 
from a nearer view of it, what appears to be beautiful plains and 
fine pasture grounds, are nothing but extended savannahs and deep 
morasses. However the soil is naturally extremely rich and only 
requires a sufiBcient cultivation to make it produce every fruit and 
vegetable within the tropics. The rise of the land towards the 
mountain is very grand and might afford every gradation of climate, 
that could be wished for, and if made the use of that might be 
and of which it is capable, would probably be one of the richest 
places in the East. There is a small river here with very good 
soft water, but very inconvenient watering from the distance 
the ships are obliged to lay , near three miles , and the bar 
at the rivermouth being only passable for ships boats at high 
water. 

2^. Early this morning the Admiral went ashore to see the place, 
which from captain Seatons discriptiou was imagined to be very 
plentiful! in all sorts of supplies; but there is a great deal of 
difference between the wants of a single country-ship with about 
10 Europeans on board and a fleet like ours. Indeed in all des- 
criptions of places like this, it were to be wished that those who 
make them, could devest themselves of that sort of rapture, which 
their arrival at a friendly port, where they chance to get their 
immediate wants supplied and the novelty of the scene altogether 
are so apt to excite, particularly after a voyage of any length; 
and that they would confine themselves to a just representation of 
what a place really can produce and the use that it may be of 
to navigators in general. It was with the greatest difficulty and 
exertion that we could get 18 bullocks, 12 buffaloes and 12 
sheep , with a few poultry , and no fruit or vegetables ; the bullocks 
were good but very small, weighing only ft 120 each, at 6 
Sp. dollars, sheep at 3 and buffaloes at 10 each. The Dutch resi- 
dent here seems to possess very little influence, but, as we were 
informed, has several villages under his management, from which 
he collects the tithe of the produce of rice, which about defrays 
the expence of this garrison and Bonthian. In this part of the 
country they manufacture those fine cotton cloths of a tartan 
pattern, so much esteemed amongst the Malays; but the colours 



272 DB VBEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

are not so bright, nor I fancy can they afford them so cheap, as 
the Chay goods on the Coast of Coromandel. 

The Dutch have numerous factories on this island , most of which 
are subordinate to Macassar, the chief seat of Government; and as 
they must be rather a disagreeable check to the natives, it is 
probable, that the removal of the whole of them would be a very 
acceptable price of service to the rajahs of Ghoa or Macassar on 
the S. W. , Bony, up the great gulf of Sewa, and Mandar on the 
N. W. coast of Celebes, where they possess their chief settlements, 
by which we might secure enlarged priviledges of trade and open a 
mart for immense quantities of our manufacture, opium, cloth 
and hardware ; and perhaps an embassy for this purpose , conducted 
in a proper manner, after the removal of all the Dutch posts, would 
be attended with very benificial effects. * For if a proper compact of 
mutual trade was entered into, whereby they would consent to give 
every preference of trade to the English - and hoist the flag of Great 
Britain at all their sea-port toimis^ it might prove a sufficient 
bar to any other nation making a settlement amongst them ; and 
by this means acknowledging the sovreignty of the British nation 
(aided by their natural aversion to all invasion of their naturel 
rights and liberties, which must always in some degree happen by 
the most liberal settlers) , would exclusively ^ secure all the ad- 
vautages, the intercourse with this island could afford, without the 
necessity of establishing garrisons and posts along the coasts, to 
occupy the territory, as the Dutch at present do, to preserve a 
dominion of little or no value. 

The rajahs in the interior of the country are continually at war' 
with each other, which I am told the government of Macassar 
encourages, and they invariably sell as slaves the prisoners they 
make in their expeditions, which are often for no other purpose. 
Some prisoners are lately arrived here, four of whom some of our 



1 Hierbij is geplaatst de volgende kantteekening met potlood: 

„A very important sabjeot of consideration." 

< Uit deze en dergelijke (zie de volgende noot, enz.) opmerkingen blijkt 
opnieuw, dat bij de beschuldigingen , door de Engelschen geuit tegen het 
monopoliestelsel onzer Oost-Indisohe Gompagnie , ook al geldt het spreekwoord 
van pot en ketel. 

* Hierbij is de volgende potlood-aanteekening geplaatst: 

„In addition to this a oonsul , either a Portuguese or halfoast Englishman , 
would be necessary to guard our exclusive privileges (?) of trade in time of 
peace, under the British flag." 



Dl VBKOVEEING VAN BANDA IN AMBON IN 1796. 273 

geiitlemeu bought. The Buggesses * have in general a very good 
character for fidelity and bravery, which qualities would render 
them very fit for Sepoys ^ on the Coast of Coromandel , where 
there is rather a want of inhabitants to supply them, and it might 
not be a bad scheme to get Buggese recruits from Celebes here- 
after for that establislement. ' 

We took a row up the river of this place about a pouple of 
miles, most of wich way it runs westward nearly parallel to the 
sea. Great numbers of houses and inhabitants on its banks and 
prows of all sizes, most of the large ones paduakans * with the 
tripod mast. The Buggesses are Mahometans. There are very few 
beasts of prey ; and a traveller has nothing to apprehend but from 
the inhabitants. The distance over land from hence to Macassar is 
about 40 Dutch or 160 geographical miles, but sometimes diificult 
to travel, as well from the very high land between as its being 
intersected by deep swamps and ravines, which in the rainy season 
are impassable. We returned on board in a burning hot sun, and 
by night had every thing off (?) we expected. The Buggesses are a 
better looking people than the Malays in general and Macassar 
is famed for pretty women and good horses. A few of tl\p latter 
we saw here, the highest price of which was 25 dollars. Women, 
who are equally saleable (being considered as slaves), from 35 to 
500 and even 1000, according to their beauty and accomplishments. 

February 3^. We weighed anchor early this morning with a 
light breeze and sailed thro^ the Straits of Salayer 

IV^ 

We entered the bay of Bouro at 6 o'clock 

W^ 

The Admiral sent on shore to see the Dutch resident here, to 
endeavor to get a pilot for Amboina and also to cultivate a 
friendly connexion if possible with the natives. On approaching 
the shore, we found the surf so high, that the boat could 
not land near the town, and were therefore obliged to row a 



^ Boegies, Boegineezen. 

* Sepoys , sipahi : een inlandsch soldaat in Engelsolien dienst (Hobaon-Jobton, 
p. 612 ff.). 

* Hierbij de volgende potloodaanteekening : 

nThis circumstance might be tried as an experiment, should another 
opportunity occur." 

* Fadoewakang (vgl. Encyelopaedie van Nederlandaeh-IndiH , III, bldz. 484). 



274 DE TBROVEBING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 

coDsiderable distance Eastward, where a reef of rocks affords 
some shelter. The wildness of the place and want of cultiva- 
tion was very conspicuous from the moment of lauding, for all 
was swamp and wilderness, even to the Residents door; and even 
in the streets the grass was grown so high and wild, that it had 
very little the appearance of a town. The Resident was soon made 
acquainted with the views and intention of the expedition, as far 
as was necessary or proper, and prevailed on to assemble the 
chiefs of the natives to communicate with them in the same 
manner. The head-rajah Cayely soon attended with a number of 
his people, before whom the proclamation in Malays wa^ read and 
explained , and he was assured in every possible way of the friendly 
disposition of the English to the natives of these islands, of which 
he seemed convinced. We endeavored to get pilots to Amboina ; 
but tho^ he seemed willing to procure them, the people of the 
village, on the appearance of the ships, were so terrified, that 
they fled into the woods ; and as it would have detained us too 
long to wait their being sent for, he was dismissed ¥rith a small 
present, after recommending the cultivation of a friendly connection 
with the English, which he promised to observe, and also to 
communicate and recommend the subject of our interview to the 
other chiefs of the island, 13 in number, who are all subordinate 
to the Dutch. The Residents house here is tolerably good and 
stands outside the fort, which is a wretched stone building, 
without a ditch; the building inside a heap of ruins and the 
gun-carriages quite rotten and useless. His garrison consists of 
about 36 soldiers, not above 14 of whom are Europeans, tho' all 
dressed and armed alike. While we were in conversation, persons 
were imployed to sound the men of the garrison, and one man 
was found who oflered to pilot us to Amboina, and who as been 
there and about it these 9 years. Him we brought off, tho^ the 
Resident did not consent but from apprehensions of force being 
exerted. The country of Bouro has the wildest appearance possible, 
very mountainous and covered with wood. The bay is very large, 
the entrance 6 miles across and 12 or 15 deep, being by no 
means a safe or eligible place for ships to call at in this monsoon. 
Pound great difficulty in rowing 10 miles to windward across the 
bay , to where the Suffolk had about this time anchored. We learned 
from the Dutch pilot, that the Resident had sent off an express to 
Amboina on our first appearance. The Swift joined us this day. 



Dl YIROYIRINQ VAN BANDA KN AliBON IN 1796. 275 

13^*. Some of the transports beiug short of water, the Admiral 
resolved upou staying to get a supply, and dispatched the Swift 
to cruise off Mauipa , to cutt off the communication with Amboina. 

14*. Our watering was atteuted with great difficulty and delay 
and detained us here all day. The Resident sent us a present of 
bullocks and 3 deer with some fruit. Four natives of Amboina 
came off to us to day , with offers of their service , to procure us 
supplies of provisions and workmen from the country and establish a 
connection and intercourse with the natives, in case of opposition. We 
went on shore this day on the North-side of the bay , and found the 
cayapooty tree which jields an aromatic oil in great estimation, as well 
on account of its beneficial effects in strains and bruises as for its 
perfume, which the ladies of Amboina admire and make use of to 
anoint their hair. This tree grows pretty large with small long leaves 
of a remarkable fine smell when rubbed. The bark has the quality 
of being applicable to the purpose of calking instead of oakum, 
being very soft and pliant like the silky mulberry paper of China, and I 
am told answers very well ; the natives use no other substance in 
calking their canoes and prows. The wood is very hard, of a red 
colour and seems fit for forniture or other household purpose. 
It derives its name, from caye, in the Malay language, a leg and 
pooty : white ; because the bark of the stem of the tree" is of that 
colour (sic!). 

15*. This morning got under weigh (?); it was with great difficulty 
the Suffolk and Centurion could get their anchor's out of the 
ground , which was very tenacious. We brought too off Manipa , 
where the Swift laid at anchor. She had a panchallang ^ as prize, 
with which she came out to us. The Orpheus and Swift were sent 
back to Manipa to bring off the garrison, who did not behave so 
well as was expected ; we stood on about 8 at night and laid to 
untill daylight off the West-end of Amboina. 

16*. Weighed this morning with a fine breeze and stood on 
for the entrance of the bay ; we passed the Three- Brother-islands 
and the little fort of Lariki and saw several very neat towns on 
shore as we passed; the hills looked very wild and covered with 
woods, except some places that appeared to have been cleared. As 
we came off the entrance of the bay, our wind died away and the 
puffs, that at intervals came down the vallies, were rather against 

> Peutjalang (zio Encydopaedie ^ IV, bldz. 485). 



276 DB yjCBOVSBINO VAN BANDA KN AMBOH IN 1796. 

US. A brig appeared stauding iu for the bay, but as soon as she 
saw our colours, hauled off to avoid us, wheu the Swift was 
immediately sent iu chase. About 4 in the afternoon we worked 
up to nearly opposite the fort Victoria, when captain Lambert of 
the Suffolk and myself, having received instructions from the 
Admiral, went off to shore. 

We met with no opposition in our approach but landed at once 
at the jettee-head and were very politely received by several of the 
Dutch officers, who conducted us to the fort to the Governors house. 
He seemed much agitated, being an old man , ^ when we delivered to 
him the letters from his Serene Highness the Stadholder and the 
governor of Madras; and assembled his Council to read and con- 
sider the contents. We were delayed near 2 hours during this 
consultation, which we spent in conversing with the Dutch gentle- 
men, from whom we learned that the place was considered by 
themselves as untenable. The Governor soon after came out and 
informed us, that the Gouocil with himself had agreed to deliver 
up the place , upon the same terms as were dematided by the Dutch 
governor of Malacca. These however being never agreed to, we 
considered as no rule of guidance iu the affair and therefore 
refused to receive the letter, which would only have occasioned 
loss of time, but informed him that if he chose to surrender upon 
the same terms, as were granted at Malacca, they should be fort- 
with complied with. We soon discovered that they gave up every 
idea of resistance , and were therefore more positive in recommending 
them to adopt a course that would secure to each individual the 
enjoyment of his private property and the continuance of their 
present pay, and also such of their officers as might be thought 
necessary to be kept iu employ; referring to the Admiral himself 
such further allowance iu lieu of emoluments and the percentage 
on cloves, as he might deem proper for enabling the civil servants 
to support their rank, as we knew their pay to be inadequate 
thereto; which conditions being put into as simple a form as 
possible, they agreed to surrender the public property and fort 
with all it^s dependencies the next morning. These being the express 
terms and meaning of the capitulation agreed on, we came off 
about 11 o^clock, and acquainted the Admiral with the execution 
of our mission, with which he was extremely well pleased. 



1 Alexander Cornabe (vgl. Lauts, t. a. p. , IV, bldz. 258, v.). 



Dl VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 277 

17^^. This being the anniversary of the English settlement at 
this place having been accused and afterwards tortured and 
executed 173 years ago, * we landed with the Admirals ratification 
of the terms of the treaty of surrender; and quickly after 
2 companies of grenadiers marched into the fort, took pos- 
session of the gates, guards et^^ and hoisted the British flag 
instead of the Dutch. There is an inscription over one of the gates , 
the meaning of which is //Obtained by blood, and so to be defen- 
ded//, which was soon understood by every body; but notwithstan- 
ding that, and the recollection of former cruelties exercised on 
our countrymen, now by the return of the date made fresh in 
every persons mind, there was not shewn the slightest tendency 
towards taking vengeance for that event. The Dutch called them- 
selves our friends and we treated them entirely as such. It took 
np nearly the whole of this day to arrange quarters for the troops 
and to collect the keys of all the public stores and offices. Major 
Vigors landed with the grenadiers and received the fort keys, 
and the whole of the troops shortly after were put ashore and 
occupied the barracks compleatly. 

The Swift returned to day with her prize, which proved to be 
a Dutch brig, the Splinter, from Macassar to Amboina andBanda, 
with a reinforcement of 102 European soldiers and 34 Malays on 
board. It was certainly a very fortunate capture, for had she got 
in safe, there is little doubt, but such an addition would have 
altered the temper of the garrison very much, many of whom 
already seemed desirous of risquing every thing by opposition ; and 
had they arrived at Banda, would no doubt enable them to make 
an obstinate defence. For from a letter, which M' Cornabe, the Dutch 
governor here, gave the Admiral, from the governor and Council 
of Banda and which was left ready to be delivered to the com- 
mander of any expedition that might arrive, of which they had 
information on the 23^ of December last, it is plain, the garrison 
there have made every preperation for resistance and in their letter 
avow it, at the same time dissuading him from any offers of pro- 



^ De zoogenaamde „Amboyna massacre." Doet deze herinnering niet denken 
aan lord Roberts' telegram aan koningin Victoria bij de overgave' van 
generaal Cronje, nl. dat deze plaats vond op Majoeba-dag? — Maar de 
schrijver hier vergist zich in den datum: den 23 Februari 1623 kwam de 
Engelsche samenzwering of zoogenaamde samenzwering pas nit (De Jonge, 
Opkomst, V, bldz. VI). 



278 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

tection, which they were determined to reject. It appears somewhat 
extraordinary, how early the news of our expedition reached Amboina 
and Banda, since they were so minutely informed of the Stad- 
holders letter so soon as the 23^ of December; and from the cir- 
cumstance of the chief reference, in treating for articles of caputi- 
lation here, being made to the terms demanded by Mr. Couperus 
at Malacca, it is supposed to have been thro^ his communication 
in the earliest stage of the summons of that place, that they 
received their information. 

The confusion, that generally attends the first taking possession of 
a place, deprived us of every resource of bazar articles, for the 
inhabitants of the town all fled from their houses. There was 
therefore in spite of every precaution some plundering took place in 
the town, chiefly by the Dutch soldiers, who were sent out of the 
fort to make room for our own troops , which could not be avoided. 
In the fort too, as soon as it became dark, our soldiers, who got 
a quantity of arrack from the Dutch, began to plunder, and broke 
open the spice-stores' Secretarys office and several other places, 
by which, had it not been almost immediately perceived and the 
plunderers detected , we should have suffered considerable loss. As it 
was, there was very little taken away, and the doors immediately 
secured and sealed up. 

18^^ This morning the Admiral landed in state, having rowed 
round the different ships of war, followed by the captains in their 
barges; the yards of the ships manned, mariners drawn out, with 
drums beating and guns firing et^*'^ et^" et^*. He was received in the 
jettee-head by the Dutch governor and Council, who accompanied 
him to the fort, where he received the compliments of the gentlemen 
of the different establishments civil and military. Most of the chief 
rajahs of the island too were presented as well as the captains of 
the Chinese, with all of whom the costum of the place made it 
necessary to shake hands. Most of the rajahs were dressed in full 
suits of black and wore swords. 

The delay of Dutch ceremonys is veiy great and the greatest 
part of the day was spent in it. The seals and stamps of the Dutch 
Company in all the different departments were delivered up in form ; 
and a proclamation was circulated by the Admirals order amongst 
the rajahs who attended, in order to encourage the inhabitants to 
return to their respective habitations and supply the bazar with 
provisions, for which payment should regularly be made. 



DE VBEOVBMNG VAN BANDA IN AMBON IN 1796. 279 

Having gone round the works of the fort with the Dutch engi- 
neer and received from him the plans relative thereto, was*surprized 
to find the state of the place so weak and ill planned and comman- 
ded in such a way as not to be tenable against a regular approach. 
The situation is very beautifull and the town one of the neatest 
and cleanest we observed, indeed every part of this bay abounds 
with beauty ; but as other advantages should likewise be considered, 
much better situations might be chosen. 

19^. Commenced our examination of the Company's treasure, which 
took us up all the day and proved very fatiguing, as well from 
their voluminous accounts and diversity of coins, as from the 
want of good interpreters or translators. Sent circular letters to all 
the rajahs and chiefs of the different districts to call them in, 
to swear allegeance to the English government. A few of the 
inhabitants have returned to their houses and again opened their 
shops, but they were so accustomed to the exclusive intercourse 
of the Dutch and the severity with which they execute their laws, 
particularly those forbidding all communication with other nations, 
that they could not immedeately conquer their fears. 

2Qth )^ith much difiSculty we completed the examinations of the 
treasury, in which we found to the amount of rix-dollars 55,294 
in various coins. The Swift sent the pantchallang William, loaded 
with cloves, from Saparoua. 

Had this day a long conference with the prince of Tidore, whom 
we found here treated with some respect, but in great want. He 
says, that his father was sultaun of that country and in friend- 
ship and alliance with the Dutch, who were however making con- 
stant encroachments on his power and independance, and some years 
ago attempted to deprive him of his country altogether, upon which 
he was obliged to fly and take refuge in the island of Ceram, 
carrying with him his eldest daughter and leaving the case of the 
kingdom to his brother, the present sultaun. There he remained 
for about two years, when the Dutch government here, being 
informed of his retreat, invited him and his daughter to come 
here and under fair promisses induced them to put themselves 
under their protection. They were at first well received and sup- 
ported in a respectable manner for about a year, when the sul- 
taun was sent to Batavia by the orders of the Supreme Government 
there, whence he has not since been permitted to return; but is, 
as report goes, supported in a state, adequate to his rank. His 



280 DE VEBOVKKING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

daughter remained here unnoticed , and some time ago wrote to her 
brother, the Prince now here, that she was in great distress, 
requesting him to come for her and carry her home, which the 
Prince accordingly complying with arrived here about 5 months 
ago. The Governor and Council have constantly promised to send 
them home , but have notwithstanding suffered frequent opportunities 
to escape and still detain them, tho^ they are much distressed 
for the means of subsistance. The Prince is married and his wife 
lives at Tidore; he is in perfect friendship with his uncle, the 
present sultaun, nor does he seem to have an idea of interfering 
in the Governement, which by the regular line of succession 
devolves to him on the death of his uncle. The Princes' sister is 
also married but has parted from her husband, not being happy 
with him. * 

Tidore produces spices of all kinds in abundance naturally, but 
from the vicinity of the Dutch at Ternate and the guard of 24 
soldiers placed about the person of the Sultaun the cultivation of 
the spice-trees is prevented as much as possible, and such as are 
found , rooted up and destroyed. This country also produces amber- 
grease , tortoise-shell and plenty of rice and sago. They want 
cloths of all sorts, opium, iron and cutlery, and if possible to 
procure them , arms and ammunition. The Prince wishes much to 
to return to his country, and if the English will restore him to 
it and relieve Tidore from the oppression of the Dutch, promisses 
to give them the exclusive monopoly of all the trade of this country 
and to acknowledge the sovereignty of the English. This princes 
grandfather and the father of Nockoe, with whom of late years, 
some of our trading-ships from Beughal have had a connection, 
were brothers. His name is Abdul Aleem, his sister Sophia. His 
father who was sent to Batavia bore the name of Melchedien. This 
is literally the story he tells of himself, which is however contra- 
dicted in many particulars by the Dutch and perhaps should be 
received with caution. 

We this day more minutely examined the state of the works of 
the fort, to see what might be indispensably necessary to its 
safety, which the small garrison we can afford to leave, when we 
proceed to Banda , obliges us to be particularly attentive to ; the 



1 Men vergelijke naast dit verhaal bldz. 279, v. van deel VTII der Nieuwe 
volgreeks van deze Bvjdragen (P. A. Leupe, De verdedtging van Ternate onder 
den gouvemeur Johan Ood fried Budaehj 1796—1799). 



DE VEKOVEBING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 281 

more so, as from several reports from the out-stations, latety made, 
a spirit of disorder seems to break out among the lower orders ; 
possibly however much exaggerated by the Dutch, thro' whose 
information we received them. Prom the nature of the works them- 
selves, being slight and perfectly commanded from the adjoining 
heights to the eastward, it was not thought tenable against the 
regular attack of a European enemy, even with a trifling force, and 
it was therefore proposed, as a temporary repair alone could be of 
any use or answer the expense, to complete the platforms on the 
works, where it was most likely an attack might be made, and 
perfect the glacis and covert-way all round the land-side from sea 
to sea and plant a good strong palisading within it, also to deepen 
the ditch as much as it will bear, not being at present above two 
feet in some places ; but from the radical defect in the scrap (?) and 
counterscarp, which have no foundations below the present depth 
of the ditch, it will only admit of being deepened in the middle 
in the manner of a cuvette (?). This improvement being proposed to 
the Admiral was approved of, and ordered to be immediaely executed. 

2P*. The great fatigue and confusion arising from the want of 
knowing the Dutch and Malay languages or good translators and 
interpretors , distresses us very much , as it is with the utmost 
diificulty we can understand the accounts and returns we daily 
receive and are constantly liable to mistake and be imposed on. 
Major Vigors at the Admirals request gave in a statement of the 
force he thinks necessary for the defence of Amboina, and also 
those that he hopes may be adequate to the reduction of Bauda, 
which, from the reports we have , our entire force is not more than 
may be necessary to accomplish. The number of our troops is 
really too trifling even to garrison these places after they are 
taken , and it is certainly owing to the false economy of the Dutch 
in not securing their possessions by proper fortifications that they 
lose them ; for men they have and stores sufiScient to resist the present 
force, if they had only bestowed some of their profits in erecting 
a secure fort, which undoubtedly the present never can be made. 

22^. Administered the oath of fealty and allegiance to most 
of the rajahs, patties and orankaios, which are the three 
distinctions of chiefs among the natives of this island. The 
Chinese and principal Burghers too attended , that they might 
perfectly understand under whose authority and protection they now 
lived; as from the absolute necessity of continuing the Dutch 

?• Volgr. VI. 19 



282 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

gentlemen in the ofiSces of residents at the outstations and 
in the administration of justice, particularly the fiscaal, it was 
a difficult matter to remove the idea of their being still under 
Dutch authority. The desertion of the natives among the Dutch 
troops adds much to the irregularity at present complained of 
thro' the country and prevents the people in a great measure 
from coming in and supplying the bazars as usual. Received 
the different statements of the expense of the garrison, in- 
cluding the whole of their civil and military. Several inhabitants 
having been detected in disposing of cloves to the transports, a 
proclamation was issued forbidding such practice in future under 
pain of the same punishments as usually inflicted by the Dutch 
for such crimes , and orders were sent by the Admiral to the trans- 
ports forbidding it, as their ships should be searched and whatever 
should be found, seized, the whole of it being considered public 
property, and not to be sold upon any account; the civil juris- 
diction and police being ordered to be continued by the first pro- 
clamation, published immediality after taking possession. The 
Orpheus sailed on a course to day. 

23^. From the propensity to desertion among the native Dutch 
troops, many of whom carried off their arms with them and have 
added much to the disorder of the country, hourly represented 
by the Dutch gentlemen, the Admiral ordered such of them as 
were not recommended by the Dutch commandant to be depended 
on and for whom he became responsible, to be disarmed and 
disbanded. The necessity of encreasing our force and leaving some 
artillery for the defence of Amboina , during our absence at Banda , 
induced the Admiral to adopt into our service lieutenant Houss- 
man with 50 of his best men, who offered themselves as volun- 
teers. He is a German and commanded the artillery under the 
Dutch government here. Many applications from the Dutch officers 
upon the score of their monthly allowance of rice and other pro- 
visions for their men, but it appeared, that they already received 
this allowance for the present month and that the chief intoxi- 
cation of our soldiers immediately on our arrival was owing 
to their selling this allowance of arrack to them ; their appli- 
cations therefore were justly rejected. Our troops being near 
two months in arrear and an issue of pay therefore necessary. 
The value of the Spanish dollar being four stivers less than at 
Malacca , the Admiral ordered the rate of exchange to be established 



DE VEEOVEMNG VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 283 

at 15^ Spanish dollar to 10 pagodas, but even this is a great 
disadvantage to the soldiers and Sepoys. Captain Muilh was appointed 
by the Admiral paymaster, and all abstracts were therefore ordered 
to be addressed to him. The intention of the Madras government 
was to dispense with any paymaster upon the present expedition, 
ordering that officers commanding corps and departments should (?) 
money in advance at Malacca , but as they did not choose to become 
responsible for large sums of money on a service so exposed to 
casualties, and as the distance of the service put all possibility of 
a communication with the paymaster of Malacca out of question, 
the Admiral saw the absolute necessity of the appointment. 

24^. This morning the Resistance sailed upon a cruise to Banda, 
to discover if possible the strenght and temper of the place. The 
cargo of the panchallang William was lodged in the spice-stores. 
Took an account of the stores and cloths in the Company's shop 
or winkle , were those articles are sold ^ by auction , occasionally 
as the inhabitants want them. The residents of Hila and Larike 
arrived with returns of the troops and stores under their respective 
charges. Accounts from Saparoua and Haroekoe mention the safe 
arrival there of the Swift and brig and of their intention to embark 
from Saparoua the remaining spices there. 

26*^. This morning attended the Admiral to the top of the har- 
bour; we landed at Baguala-pass and walked across to back-bay 
about one mile over; a small river runs nearly the whole of the 
way, which might with little labour or difficulty be perfected into 
a canal, communicating from one bay to the other, and be very 
usefuU at the different seasons. The back-bay seems a very fine one, 
but there are some sands in it which render it not quite safe for 
large ships. We examined the neck of land with a view of seeing , if it 
would answer for erecting a fort, which from its situation, as it appeared 
on the plan , promised to be the best on the island ; but upon inspecting 
it we found it extremely low and swampy and commanded by 
the adjoining heights. There is however a convenient spot for a 
redoubt, which it requires, as there is always a post established 
here, and the Dutch were preparing to erect one, just as we arrived. 
On our return looking out for the best situation to build a fortress 
on, the hill east of the entrance of the harbour, which overlooks 
and commands it in the most perfect manner, presented itself as 
the finest and healthiest possible , and which it was therefore deter- 
mined to examine the first convenient opportunity. The Dutch 



284 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

gentlemen complained much of the disorder the country people 
were in, having thrown off all subordination whatever; their hatred 
to the Dutch and impatience of the yoke under which they have 
hitherto laboured having broke out in several instances. This was 
justly attributed to the conduct of the Dutch themselves, who upon 
several occasions told the people that they were fried (!) from their 
former obligations and in their own vexation inspired them with 
the notion, that all authority was at an end; not considering the 
confusion likely to result from such insinuations or that they them- 
selves might be the first sufferers. The desertion among the Dutch 
native troops, many of whom carried away their arms, added 
much to this disorder, and in the first instances of it was not 
guarded against with sufiicient attention by the Dutch commandant , 
captain Ostrowski. Tho' these complaints of the turbulent disposition 
of the natives daily gained ground , it seemed as if the Dutoh took 
a pleasure in reporting them and exaggerating the circumstances 
as much as possible. Upon enquiring into the subject of the 
different outposts, the Dutch have for years supported, it was 
conceived that the greatest part of them were unnecessary, except 
merely at those places where spices are collected expressly for the 
Company ; and therefore that they should be removed from Saway, ' 
Bouro and Manipa at least. It was also imagined that at Ternate, 
which is a very extended government, there is a vast expence 
incurred and the object nevertheless not attained, which is to 
prevent the growth of spices; but which being morally impossible 
to accomplish perfectly, it is probable, that by sending a regular 
annual supply of those articles, most in demand at Ternate and 
Tidore and the adjoining islands, not only a lucrative trade might 
be opened, but the purchase of their spices as completely secured 
to the English as by means of an established force kept there. 
However as the inhabitants of all these places are greatly addicted 
to piracy, it would be necessary to keep up a certain number of 
small armed vessels constantly cruising; as well to support the 
British claim to the exclusive trade and dominion over these coun- 
tries, 2 as to preserve peace and good order in the intercouse 
between them. 



1 Aan de Sawai-baai, Noordkust van Geram. 

< De Engelsohe autoriteiten denken er niet aan, het in de Nederlandsche 
Oost-Indisohe Compagnie door haar zoo gesmade monopolie op te geven. 
Trouwens de man, die — niet het minst door Nederlanders — wordt be- 



DE VEBOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 285 

All the chiefs of the different islands adjoining, from every 
information appear to be desirous to derive their authority from 
the English , if settled and established permanently here. The 
most powerfull amongst them is Noekoe, whom the Dutch have 
expelled from Ternate and Tidore for several years past. They call 
him a rebel, but certain it is, that were they not to interfere, 
the people seem universally disposed to obey him and he could 
soon regain his rights. The English ships, which have traded to 
the neighbouring islands for some time past, have found a powerfull 
and sincere friend in him. * He lives chiefly at Warou, ^ on the 
N. E. coast of Ceram , and it has for some time been the intention 
of M' Cornabe, the Dutch governor, if he found a fit opportunity 
of a reconciliation with him, without the indignity of making the 
first advance, to create him rajah of all the N. Coast of Ceram 
and to withdraw the post from Saway. Mr. Cornabe was nine years 
governor of Ternate before he came to Amboina. 

27*^. The Admiral took into our service upon their present rate of 
pay and allowances the company of the Wirtemberg Corps here, comman- 
ded by captain Gaup, consisting of 101 : men, very wel disciplined 
and behaved. This measure was very necessary , and fortunate that they 
seemed to accede to the terms offered them with great readiness. By 
this means and by disarming all the national troops, considerable 
expence will be saved, our force greatly augmented and the place, 
even with the small garrison we can afford to leave, be in a state 
of security, when we go to Banda. 

The rajahs and orankaios of Hila attended , and having taken 
the oath of allegiance had their ofBces continued to them under 
the authority of the English government. 



schouwd als de groote principieele voorstander van eeiie vrijzinnige koloniale 
staatkunde, Kaffles, heeft zich dit niet getoond ten aanzien bv. der Molukken. 
En zijn de pofclood-aanteekeningen bij ons handschrift van hem afkomstig, 
dan blijkt het, dat hij, toen hij ze maakte, dezelfde monopolie-denkbeelden 
huldigde als onze O. I. C. , al hulde hij ze in ietwat onschuldiger kleed. 

Trouwens , de instrucfcie door hem den 5 Mei 1814 aan generaal Nightingall 
gegeven, terwijl deze gereed stond voor eene expeditie naar Celebes' Zuid- 
Westhoek, spreekt duidelijk; n6g duidelijker een schrijven van zijn hand 
aan de bestuurder der Britsche Oost-Indische Compagnie van 12 April 1818 
(Zie M. L. Van De venter, Het Nederlandsch gezag over Java en onderhoorigheden 
sedert 1811 , I, 's Gravenhage , Nijhoff, 1891, bldz. XXXIX, 32). 

* Vgl. deel Vni, Nieuwe Volgreeks, dezer Bydrageriy bldz. 266, v. 

' Waroe. 



286 DB VBEOVERING VAN BANDA EN AMBOM IN 1796. 

29*^. This day the Wirtemberg company took the oath of 
allegiance to his Brittannic Majesty; the ceremony was performed 
with becoming decorum and solemnity. The prisoners taken on 
board the Splinterberg , having expressed a wish to be taken into 
our service, such of them as were not Dutchmen born, or other- 
wise exceptionable were adopted in the different companies. Almost 
the whole of them were entertained, being nearly all Germans, 
Poles and Prusians. The Admiral reviewed the national troops 
today under captain Ostrowski. They were most of them half-cast, 
and unfit to be taken into our service, and as no dependance 
could be placed on them the Admiral ordered them to be discharged. 
Their frequent desertions have already contributed much to the 
confusion complained of in the country, having encouraged the 
inhabitants to quit their habitatious, disclaim all authority and 
retire to the mountains, which are very diflBcult of access. The 
Orpheus returned from a cruise and the Swift brought in a consi- 
derable quantity of cloves from Saparoua. 

The resident of Hila having complained of the ill conduct of 
the corporal in command of the post Hitoelama within his province 
and the desertion of most of his men, both he and the orankaios 
of that province , now here , were ordered to repair to their respective 
posts and superintend carefully their particular duties. Several of 
the Dutch ofiScers from an apprehension, that they were to be sent 
to Madras, desired permission to resign the service and be allowed 
to reside as Burghers and persisting in their request, tho^ reasonable 
assurances were made them, that it was not the intention, unless 
their conduct should render such a measure necessary , three of them 
were accordingly struck off the list. Some people of the niggory or 
district of Wacksieuw * in the province of Larike , having been kept 
here as slaves for some years past on account of a principal woman 
of their family having been sentenced to death for smuggling 
cloves, upon learning that they themselves were innocent, the 
Admiral restored them to their families and homes. 

This day examined more particularly the top of the hill over 
the entrance of the harbour, which is in every respect the most 
eligible place on the island for a fortress, being in a very strong 
position , very healthy , as far as one may j udge from the situation , 
well supplied with fresh water, and convenient for ships to ap- 



* Wakasihoe. 



DB VEROVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 287 

proach, with a perfect command over the entrance of the harbour, 
where ships may be in the greatest security and good anchorage. 

Marche S^ *. The Resistance having returned from Banda, with 
a refusal of any offers of protection or to admit the British forces 
upon any footing whatever, the Admiral issued orders to embark 
all the troops intended for that service to morrow morning. As 
neither the payment of the Dutch establishment nor the clove 
money could possibly take place immediately, proclamation were 
ordered to be made explaining the cause of delay and to assure 
all ranks of the Admirals intention, to issue it upon our return 
from Banda. 

5th^ We embarked and sailed with the squadron out of the bay. 
The winds were very light during our voyage and on the 7^^ in 
the evening we discovered the islands of Banda, particularly the 
Burning Mountain or Gonong Api. 

8*^. This morning being within a few miles of Banda, the ships 
steering purposely in different directions to confuse the enemy 
with regard to our intention, we observed two guns fired from one 
of the batteries on the outside of the nearest island Gonong api; the first 
was shotted (?) and immediately after the £^ the Dutch colours were 
hauled down and a white flag displayed in its room; at the same 
a boat came off from shore with Dutch colours and a white flag. 
The wind and current being both against her coming up , the 
Admiral sent down to meet her, with instructions how to proceed 
in case of a wish on their part to give up the plan in a friendly 
way. Upon joining the boat however, the officer in it was only 
charged with a duplicate of the letter sent by the Resistance to 
Amboina. He was therefore brought on board, but the Admiral 
soon dismissed him with a short letter to the Governor, laying 
the responsibility for all consequences which might ensue at his 
doors, in case of opposition on his(?) part, and sent at the same 
time letters from the Prince of Orange and the governor of Madras 
exhorting him to accept the protection of the English. Approaching 
the land, the Orpheus and Harlingen were sent on to examine 
where the troops might safest land , convenient to the chief fort ; and 



* Lauts , t. a. p. , IV , bldz. 260 , stelt dit alles in Februari en wijkt ook 
ten opzichte der bijzonderheden af van ons handsohrift. De hoofdzaak: 
overgave zonder verdediging van eenige beteekenis , is echter juist door hem 
weergegeven. Van de 300 stukken geschut spreekt ons handsohrift daaren- 
tegen niet. 



£88 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

passing within the small island of Craka * , that covers the channel between 
Gonong Api and Banda-Neira, they were fired upon briskly by the bat- 
teries along shore, which seemed placed every where that might annoy 
an invading enemy. Two of the batteries were soon silenced and the 
gunners run off, having spiked the cannon. About 12 o'c\ being 
off the N.end of Banda Neira, the ships brought to the boats imme- 
diately manned and the grenadiers and marines landed, the rest 
of the troops following , a white flag was soon discovered , j ust 
hoisted on a circular redout within the harbour, to which we 
immediately rowed to enquire the meaning of it and being told 
by the officer commanding, that it was by order of the Gov', 
without knowing farther , we proceeded under the 'same flag of truce 
to the landing plan opposite the town, where the Governor met 
us, who said, he had sent two commissioners on board to the 
Admiral with an offer of surrender on certain terms; on this we 
immediately rowed back to acquaint Major Vigors , the commandant 
of the troops there of, to prevent hostilities while the flags were 
passing, and immediately went on board to know what these terms 
were, but were surprised to find that no such propositions were 
made by the commissioners, but only a translation requested of the 
Adrifiirals letter sent by the boat in the morning, as no person 
ashore understood English, and therefore conceived that they only 
meant to amuse us to gain time; however as the Dutch gentlemen 
seemed by their conduct to wish for farther communication, the 
Admiral authorized me to go ashore with them and according to 
the spirit of former instructions to conclude a treaty for the sur- 
render of the place. 

We landed about 5 o'c^ and were received by the Governor in 
the guardroom of the redout I first called at. He seemed an active- 
minded zealous man, much irritated by passion at the moment, 
the reason of which I did not immediately understand, but discovered 
after some altercation, that his passion was owing to the terms he 
sent having been returned without perusal, and enquiring further, 
found out that the genlemen, by whom the sent them, never deli- 
vered them to the Admiral. Upon this an explanation took place 
and upon his inviting us to a more convenient place to settle the 
terms of capitulation, I accompanied him and after considerable 
time we at last agreed upon the capitulation , which simply guaranted 



^ Poeloe Kraka of Vrouweneiland. 



DB VEBOVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 289 

to all individuals within the settlement the enjoyment of their private 
ejBfects, to the servants of the Company, civil and military, their 
pay and such officers to be continued as might be found necessary 
for the administration of justice and civil policy, and that such 
of the civil servants as wished to resign might be premitted to 
retire to Java or elsewhere, when a convenient oppertunity might 
offer and that the military should not be forced to enter the British 
service contrary to their inclinations. Upon these terms they agreed 
to deliver up the forts with all its dependancies , all accounts, 
stores and treasures, and the troops to deliver up their arms and 
colours next day. We agreed, that in general the same regulations 
of police, the same laws for the administration of justice and the 
same mode of managing the nutmeg-plantations as were hitherto 
in practice, should be continued as nearly as possible. This being 
not* only agreeable to the general instructions of Government, but 
convenient in every respect to us to adopt, from the want of persons 
to fill those offices at present or superintend any charges we might 
otherwise wish to make. Upon finishing a copy of the treaty of sur- 
render in English and another in Dutch and having obtained the 
signatures of the Governor and Council to both , I at last took my 
leave and submitted the whole proceeding to the Admiral which he 
accordingly approved. ^ 

9^*^. Early this morning, went ashore with the ratification of the 
treaty. The grenadiers were immediately put in possession of fort 
Nassau and the castle of Belgica, the Dutch colours hauled down 
and the English hoisted in their room, which were saluted with 21 
guns. The Dutch garrison marched out by the glacis and grounded (?) 
their arms, drums and colours. The Admiral himself landed sometime 
after and received the congratulations of the gentlemen of te settle- 
ment and detatchment." On the occasion amidst all the joy and 
bustle of taking possession to day an unfortunate accident happened 
by the firelock of a Wirtemberg soldier going off accidently, which 
killed Lieut. Lamottu of that corps on the spot. The soldier himself 
was severely wounded and died in a short time. 

10**^. This morning attended the admiral to fort Hollandia on 
Banda Lantoir or Great Banda , also saw the redout of Kyk-in-de-pot 
or Look-out-redout on Gonong Api. The formers consists of 2 
forts, one near the waters-edge particularly called London (?) and the 



* Vgl. hierbij de capitulatie , opgenomen bij Laute , t. a. p. , bldz. 390 , v. v. 



290 DE VEBOVERING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 

other, on the hill above it, Hollandia; they are both very compli- 
cated little works , with scarce auy strength or convenience , tho the 
upper fort appears one of the best situated about these islands for 
general defence, being on a high neck, that commands the entrance; 
from the westward also a bay at the back of the island where 
there is now a separate post called Lackay, not above one mile 
from it, but the ground between is a beautifuU grove of nutmeg 
trees. The situation of Kyk-in-de-pot is at the waters-edge on the 
S. side of Gonong api, and now fairly within the harbour. Tt is 
a circular work and once infiladed (?) the entrance most perfectly , but 
about 14 years ago by an eruption from Gonong Api, the lava 
flowed down in such quantity as to form a projecting point of consi- 
derable height between it and the entrance, which renders its 
present situation of no effect and has made the entrance extremely 
narrow, so that ships can only enter with a leading wind in 
this monsoon. We found confined at Hollandia a prince of Bantam S 
said to be out of his senses, who has been kept there for several 
years past. He breakfasted with us and did not seem in the least 
deranged. 

The different views of the whole bay and surrounding land are 
very curious and beautifull, the volcano of Gonong Api constituting 
the grand feature, which is an exact cone some what truncated at 
the crater, from whence continual smoke is seen to issue, but seldom 
more being covered with melted sulpher ashes, and not the least 
sign of vegetation on the sides above about one third of its height. 

A number of Sepoys from the coasts of Malabar and Coromandel, 
having been from time to time inveigled into the Dutch service, 
now gladly offered thimselves to us; accordingly 50 of the best of 
them were adopted, being much wanted on account of the number 
of outposts necessary to be occupied. 

This day surveyed the fort and hill of Belgica, which if made 
the proper use of, seemed to be the most convenient situation 
among these islands, to secure the possession of them against any 
European enemy whatever, but the present works are incapable of 
answering that purpose. Measured the height of Gonong Api 
geometrically with a base of 1440 feet, the altitude of the crater at 
the two extremes being 18^50 and 15^12, gives the exact height of 

1 Kan dit zijn pangerang radja Mangala, die in 1778, „als een staats- 
gevangene naar Banda verzonden" werd? (Vgl. De Jonge, Opkomstf XI, 
bldz. 354, V.) 



DB VEEOVEBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 291 

1940 feet, allowing 17 feet above the level of the sea for the base 
on which 1 stood. 

20. Employed for some days past informing plans and estimates 
of redouts, as ordered, for the better defence of these islands 
against the departure of the ships, upon which their chief security 
at present depends. Two pantchallangs or sloops were dispatched 
for the S. W. islands for stock et^ . They sailed under the command 
of Luit. Shaw of the Resistance. 

29^*^. The Armenia, transport, arrived from Amboina, with letters 
and intelligence stating the disorder of that island in consequence 
of the Malays taking up arms, and professing their intention to 
cut oflf every Dutchman in country and to make a new contract 
with the English for their spices. They went to a great degree of 
violence and set fire to several houses in different parts of the 
island. Upon the arrival of this disagreeable information , the Admiral 
determined immediately to return to Amboina and endeavour by 
his presence and influence to satisfy the people and regulate the 
affairs of government there. 

80^^. Having given particular instructions to major Vigors for 
the government of the settlement and also left behind the Suffolk 
with cap*". Lambert for its greater security, the Adm^ changed 
his broad pendant into the Orpheus. We embarked about noon 
and got pretty well out, tho there was scarce any wind. This is 
the season for calms between the two monsoons. The Armenia was 
seven days coming from Amboina. The Swift and brig Amboina 
accompanied us. 

8P*. Early this morning met the Resistance on her way from 
Amboina to Banda, with cap*" Macloads company on board, which 
the Admiral ordered from Amboina , before he was acquainted with 
the disturbances there and chiefly for the purpose of relieving the 
Wirtemberg company ; but judging it better to leave those men for 
the present at Banda, he ordered the Resistance to join us and 
return to Amboina, having dispatched the Malay prow to major 
Vigors with intelligence thereof. 

April 3*^. Our winds were so faint these last four days, that we 
could scarce make the entrance of the bay this morning , and when 
about 5 miles off the Admiral , thinking it possible the Orpheus 
might not be able to get up on account of a strong westerly tide 
and no wind, we got into the barge and rowed up to town; upon 
on our arrival we found matters rather in a better state than 



292 DE VEEOVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

expected, but yet far from being settled. Cap*" Calmers's company 
being nearly all employed on the Hitoe-side, are barely sufficient 
to keep in awe the violent temper of the unruly Musselmen there, 
from whose adresses and petitions it is evident nothing keeps them 
within any moderate bounds but the terror of our arms. It appears 
from every account that tho' their aversion to the Dutch might be 
ever so great or just, and tho the delay in paying for the spices 
might have occasioned some apprehensions amongest them , their 
declared hatred to all Christians was one of the leading motives; ' 
and the hope of recovering from the present change of govern- 
ment the exclusive dominion of the peninsula of Hitoe, the memory 
of which they still celebrate in their songs and at their feasts, 
where they are sure to madden themselves with opium and bang ^, 
the chief cause of the present insurrection. 

The ancient family, which once possessed this country, still exists 
amongst the mountains and tho the title of rajah and mahorajah 
is evidently of Hindoo origin, it appears universally adopted by 
the Malays, tho Mahometans. Mahorajah, the rajah of Hitoelama, 
is now the representative of it, who being also the chief casizy ^ 
or priest of the Mohometans, possesses great influence over all the 
people of that province. His ancestors were the persons, who first 
invited the Dutch to their assistance against the Portuguese and 
to whom the Dutch were obliged in the beginning to allow great 
privileges and authority, but they by degrees, conceiving it neces- 
sary to counterballance their power, supported the inferior chiefs 
or orankaios, * until at last they all be came perfectly distinct 
and independent of each other. Hence arises the division of the 
island into several districts, called niggeries. This Hitoe rajah, 
hoping now to recover the dominion so long lost to his family 
and taking advantage of the confusion generally attending the 
change of government, set himself up at the head of all the 
Mohomotans, already possessed with a spirit of revolt from the 



^ Eene merkwaardige verklaring, nu zij hier komt van Engelsche zijde. 
' Bang of hasjisj : een bedwelmend genotmiddel. 

• Vgl. HobsonJobsoHj p. 130, sub voce ^Casis." — Zie ook Van Hoevell, 
Ambon, bldz. 47. 

* Orangkaja. — Vgl. over de wijzigingen door de O. I. C. in het inlandsoh 
bestuur van Hitoe gebracht ongeveer het midden der l?"** eeuw mijn Corpus 
Diplomaticum Neerlando-Indicum (deel LVEE dezer „Bijdragen") , bldz. 31, v., 
258, v., 263, v., 300, 423 en de ddAr aangegeven literatuur. 



DE VEROVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 298 

want of caution and prudence .of the Dutch , who not only in their 
conversation inspired them with the idea that all authority and 
subordination were at an end , but by their dastardly conduct in all 
the outposts, which they were still necessarily left in charge of, 
gave them spirit and confidence in proportion to the apprehension 
and backwardness they shewed. The Hitoe rajah therefore opened 
a correspondence with all the chiefs on the coast of Ceram, in- 
viting them to join and throw oflf the yoke of the Europeans and 
recover their lost liberty and independance , summoned the oran- 
kaios of Bouro, Manipa and all the neighbouring islands, and 
even called in the aid of the Alfores or hill-people on the island of 
Ceram , who are a perfectly savage race, whose religion obliges them to 
acquire the honor of a certain m umber of heads before they can pretend 
to any post of power or command or even be permitted to marry ; and 
they were shortly to have assembled, had not our ships and troops lucky- 
ly arrived from Banda at the time they did. He appointed certain cap- 
tains or leaders under him in the different districts, who headed 
the people and led them away from their villages among the hills, 
where some parties had created fastnesses, in which they lay prepared 
for war and plunder and not only threatened to exterminate all 
those who refused to join them but actually murdered such of the 
Dutch about Hila and Hitoelama, as they could lay hands on, 
cut to pieces and killed the patties of Alang and Lilleboy and 
several others of less note. He nominated orankaios, creatures of 
his own, to all the niggeries to act under his authority, declaring 
himself rajah of all Hitoe with the original power of that title, 
and thus become the chief cause of the insurrection, which 
however, had it not been for the want of discretion and steadiness 
amongst the Dutch, could never have extended to the length it did. 
The scandalous conduct of the Dutch garrison at Hila and of the 
resident of Saway with his men, leaving all the military stores 
at those places to the plunder of the insurgents, contributed not a 
little to encourage and strengthen them. 

5^^. Disturbances at Haroekoe of a similar nature to those in the 
province of Hitoe about this time grew to an alarming pitch, the 
chief author of which was Tolongpatty. Cap*^ Macloads company 
were therefore sent to garrison the islands of Haroekoe, Saparoua 
and Noessalaut. 

6^^. Several reports were this morning made of an attack being 
intended against the rajah of Soely, who is a Christian and 



294 DB VEROVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

possessing the frontierpost towards Ceram and the Mohometan 
niggeries on the N. E. part of the islands, and who being always 
firmly attached to the Europeans, is particularly obnoxious to the 
people of Hitoe. A party of 30 raen were therefore sent under an 
officer to join the Rajah and guard his district. The Pass Baguala 
was also strengthened and an arraed boat stationed there. Soon 
after the party joined the rajah, the Hitoe people began their 
attack, but were beat off with some loss on their side but none 
on ours. 

7^^. The Swift was this day ordered out to cruise on the N. E. 
of the island to clear that coast of the Hitoe and Ceramese prows 
and any other armed prows that might be seen. The Araboina brig 
was sent to Banda with letters to major Vigors. The post of 
Hitoelama, which covers the road of communication to Hila from 
Hoekoenaloe or the Three houses , was ordered to be occupied again , 
as it appears to be a place of consequence and thro which it is 
frequently necessary to send , besides being the chief residence of 
the Hitoe rajah, who is however at present amongst the hills. 

8^^. A proclamation was this day issued, advertising the payment 
of the clove-money on the 12^^ to all the uiggories dependant on 
the chief fort, with on exception against such individuals as 
should be proved to have taken an active part in the late destur- 
bances 

ll^K Every thing tolerably quiet for these some days past, but 
constant reports of the intended invasion of the Ceramese prows 
and the meeting of the Hitoe people in different places to plunder 
and force the other niggeries to join them, and many of the inha* 
bitants of Along, Lilleboy, Hitoe and Laha, * which are all situated 
on the Hitoe side of the bay, but immediately subordinate to the 
chief fort, were obliged to leave their habitations and join the 
insurgents. In consequence of which, tho every part of the country 
is covered with wood, the garrison felt some distress for firing, 
which there are no persons who made a trade to bring into the 
bazar, but is the duty by compact and long established custom of 
the above four niggeries to supply, but which under the present 
situation of affairs they were unable to perform. The patties of the 
two first niggeries were murdered by the Hitoe people and the 
orankaios of the other two were obliged to take refuge here to pre- 



^ Alang, Liliboi, Hatoe, Laha. 



DB VBROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 295 

vent the same fate. The absence therefore of their immediate 
chiefs contributed still to the continuance of the disorders in 
those places. Two parties were accordingly ordered down to Along 
and Laha with directions [to] protect them against the Hitoe people, 
to invite the inhabitants to their doussons or villages, to guard 
the orankaios of Hatoe and Laha, who returned with the parties 
of soldiers, to make the people of Along and Lilleboy point out 
proper persons to fill the vacant appointments of patty in each of 
these niggeries, to supply the regular gusta of firewood and 
finally to attend for the payment of their clove-money on the day 
appointed for that purpose. The Resistance and Swift were employed 
cruising round the island and between Ceram and Saparoua, to 
prevent any danger from asmed (?) prows, and every other measure 
adopted for the preservation of peace and good order, of which 
there were now hopes of a speedy reestablishment. 

New commissions under the British seal were issued to the 
diflferent rajahs, patties and orankaios by the Admirals directions, 
which instead of the Dutch commissions they have hitherto acted 
under. Cash was taken out of the treasury to day to pay the Dutch 
troops and all others under the Government. 

In consequence of the proclamation for the payment of the clove- 
money, several niggeries this days brought in a quantity of cloves, 
which undoubtedly they hitherto reserved from a doubt of being 
paid, and perhaps with a view to smuggle off as they could. 

12^^, Last night arrived the Malay prow from Banda with intel- 
ligence from major Vigors and captain Lambest of the trouble- 
some and improper conduct of the gou', M' Bouckoltz, whose 
restlessness of disposition and chagrin at his lost power prompted 
him to throw every impediment in the way of business there. 

IS**^. This morning The Orpheus was dispatched to Madras, with 
intelligence of our success and to procure a speedy reinforcem* and 
supply of provisions and naval stores, of which we are very much 
in want. Letters from Hila this morning state every thing in that 
province as perfectly quiet, but the inhabitants are not yet come 
to their houses and usual occupations nor the Hitoe raja returned, 
untill which no certainty of peace can be depended on, tho our 
Sepoys and soldiers pass singly unmolested back and forward, their 
enmity and declared vengeance being solely against the Dutch. ^ 



« Vgl echter hierv66r, bldz. 292. 



296 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

Numberless estimates of losses sustined by the distruction of 
houses et^ and pluudering of the insurgents were this day given in, 
which from the exorbitant complexion they were deserve very little 
notice. Every days observations confirms the idea of this disturbances 
being in a great degree occasioned by the insinuations and intrigues 
of the Dutch themselves, ^ many of whom wished to avail them- 
selves of the necessity of dividing our forces in the expedition to 
Banda and take advantage of any confusion that might issue. In 
the midst of the troubles, which they always represented in the 
highest colouring, they were particularly urgent with captain 
Gordon, the officer left in command at Amboina on going to Banda, 
to distribute arms amongest the burghers and former Dutch national 
troops, which he very judiciously refused them. The desertion of 
all the different garrisons at the out-posts, whether they happened 
thro design or carelessness of any consequences that might follow, 
or thro dastardliness at the unusual spirit among the Malays, 
encouraged these disorders to such a pitch, that there is no know- 
ing where ihey might end, had we not succeeded against Banda 
and been again able to exert our force here. Reports too during 
our absence there were constantly circulated and gained considerable 
• credit, of the loss of the Suffolk, Orpheus and Resistance and that 
our troops were cut to pieces; and when the Centurion and two 
transports were coming up the bay , it was the universal report and 
belief among the Dutch that they were the remains of the expedition 
and that all the rest perished. 

15^*^. Five niggeries were paid for their cloves this day and 
more cloves were lodged in store which are supposed to be the 
last for this season. The accounts of each niggery are adjusted, 
when the whole of the spices is lodged in store, and then as soon 
as convenient they are paid for between February and May when 
the season is over and the whole supposed to be collected. 

16^^. The inhabitants of Along and Lillebay, which were the two 
niggeries in which the greatest disturbance raged, came in for the 
payment of their cloves. But as many of them were reported to 
have been concerned in the murder of their patties and somewhere 
observed to have cutt off their hair and put on the turband in 
conformity to the Mahometan custom as adherents of the Hitoe 
rajah, it was thought necessary to secure such of them as were 



* Dit klopt niet met het vorige. 



DE VEBOVEMNG VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 297 

said to have been principally concerned in that business ; for this 
purpose a guard of Sepoys surrounded the whole of them and seven , 
against whom particular information was given , apprehended and 
sent to the fiscaal to be examined previous to their more formal 
trial, in hopes of discovering the persons who actually committed 
the murders. 

The orankaios of Haroekoe came in this day to make their peace 
and acknowledge allegiance to the British government and the Admiral 
received them in the way most likely to assure them of the protec- 
tion, justice and honor of the English. They were informed of the 
intended payment of the clove-money, for which immediate prepa- 
ration was made to send the amount necessary to that residency. 
Having received their new commissions they departed for their 
* province very much pleased and with all the appearance in the 
world of good and faithfuU subjects, which probably they will 
now prove , tho certainly there were many among them , who a few 
days before might have been led to the most extravagant crimes 
without consideration of the consequences. 

17*^. Sent of this morning on board the Splinter brig money for 
the payment of the cloves in the provinces of Haroekoe and Sapa- 
roua, with particular directions to the commanding officer to super- 
intend the payment and prevent stoppages, an ace* of debts pre- 
viously contracted with the Dutch residents, tho fair opportunity 
was given to them to get in their debts from the free will of the 
inhabitants who are generally indebted to their residents, by suffe- 
ring the accounts to pass thro their hands; but as the Admiral in 
the last proclamation had guaranteed the due payment of the clove 
money , he resolved that it should be made bona fide. 

The Amboina brig and Armenia, transport, arrived this day from 
Banda and bring accounts of every thing being in a perfect state 
of tranquillity and good order there. The Dutch soldiers to the 
number of seventy , that were embarked on board the Suffolk, came 
on board these two vessels; they are very fine well behaved 
fellows ' and are willing to enter the English service, provided 
they get the same pay as the English troops ; but the Admiral 
not thinking himself justified in acceding to that demand, they are 
first to be sent to Madras before they can be adopted. The Amboina 
brought 30 baskets of mace and 180 of nutmegs. 

* Een alleszins raerkwaardige opmerking, omdat het oordeel over het 
gehalte van 'a Compagnie's soldaten uit die dagen niet alt.ijd gnnstior Inidt. 
7' Volgr. VI. 20 



298 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

20**\ The two last days chiefly occupied iu paying the different 
niggeries, dependant on the chief fort, for their cloves. The sums 
however which were due to those people, proved to have been 
engaged in the disorders of Alang , Lilleboy and Hitoe, was reserved 
iu a separate fund and is to be applied to reirabourse those who 
Iiave really suffered losses, for which a committee of half English 
and half Dutch is to be appointed to examine the estimates given 
in. Particular orders were sent to Hila and the other outposts to 
use every possible means to apprehend the chief leaders of the 
insurgents, of whom a list of four was sent to capt° Chalmers. 
Notwithstanding constant information from all the outposts of the 
perfect state of tranquillity the whole country was in, for some 
days past, the Dutch gentlemen are continually making reports of 
meetings and intentions amongst the Malays to disturb the public ' 
quiet. Their information may possibly be better than ours irom 
their more intimate knowledge of the language and people, and as 
the inhabitants of the villages on the Hitoe-side are not yet 
resumed, their representations wear the greater appearance of 
probability. A person of confidence was therefore sent, well acquain- 
ted with the country , to examine and report particularly the 
real state of it in every respect and in the mean time such 
parties were detatched and cruisers sent out as were most likely 
to defeat the intentions of the Hitoe people, supposing the reports 
to be just. 

21^^ The prince of Tydore * , having at last fitted out a small 
vessel, applied for permission to return to his own country, which 
the Admiral consented to, having first obliged him to give security 
not to go to any other place and to take his oath on the koran , not 
upon any account to enter into any connection or correspondence 
with the enemies of the English, but to live in friendship with 
them and always to receive their ships into his ports without 
molestation. 

A request was this day made in form by one of the bangsas ^ or 
nobles of niggery Along to be appoined patty in the room of the 
deceased, and produced his tree of genealogy according to the 



1 Vgl. hierv66r. 

^ Dus een anak bangsa, iemand uit ^de bangsa radja, of de familie der 
vroegero en tegenwoordige regenten" {Encyclopaedie , I, bldz. 26)? — Zie ook 
G. W. W. C. van Hoevell , Ambon en meer bepaaldelxjk de Oeliasers (Dordrecht , 
Blusse en Van Braam, 1875), bldz. 46, v.; en vgl. bldz. 21, v. 



DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 299 

established forms. The genealogies of all the chief families in the 
diflferent niggeries are registered in the Secretarys oflBce, from 
whence an authenticated copy must be taken and a request given 
in to the Governor upon a stamped paper, before any appointment 
can regularly take place. 

23'*. Constant reports of alarms throughout the provinces, tho 
all letters from the outpost give very different intelligence; 
particular order were therefore sent to the oflBcers upon detatched 
duty to make use of every endeavour and stratagem to seize the 
ringleaders of the Hitoe faction, which is the more necessary to 
be expeditious in, as the rains, which are said to be very heavy 
here, are soon expected to set in. Two soldiers from Hitoelama 
arrived to day with Tolonghatty, accompanied by about 100 of the 
Caylolo ^ people, one of the persons we were chiefly desirous of 
catch^'. He landed at Hitoelama in a number of prows and 
orembays 2, evidently with an intention of joining the Hitoe rajah; 
but finding the post of Hitoelama occupied and the Rajah abscon- 
ded, he put the best face on the matter and changed his purpose 
altogether and leaving his people at Hoekoenaloe •', where there 
were no boats to transport them across, came with a couple of 
attendants, and with the greatest composure and appeslrance of 
innocence declared he only came to obtain the appointment of 
orankaio agreeably to the promise made him, and that the number 
of people he brought with him was only to shew that he had 
the unanimous voice of the niggery in his favor. As the day was 
nearly short, not being able to send immediately for the Caylolo 
people, it was judged best to treat him with seeming confidence, 
that we might the more effectually secure the whole of his 
party , and he accordingly remained under protection during 
the night. 

24^*^. The whole of the Caylolo people having come in to-day , as 
soon as they were assembled in the fort, a guard of Sepoys 
surrounded them and conducted them to the stadthouse, where 
they were put under charge of the fiscaal, who was ordered to 
examine particularly into the circumstances of their guilt. They 
seemed to acknowledge their guilt ; many of them , just as they 
were going to prison, and prayed for merey. 

1 Kailolo op Haroekoe (Oma). 

2 Orembai: Moluksch vaartuig (Encyclopaedie, IV, bldz. 483). 
8 A an de kust van het sohiereiland Hitoe. 



300 DE VEEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

27th Trifling alarms for some days past, after causing some 
little trouble in making detatchments, proved all to be groundless. 
The person sent into the country to examine into the state of the 
uiggeries to the eastward returned and made a very favourable 
report of the state of those districts adjoining to Soely * , in 
consequence of which the party sent there some time since was no 
longer thought necessary and therefore withdrawn, having 
previously left one Sepoy at each of the niggeries Teal , Tengatenga , 
Tolehoe ^ and Way, which the orankaios of these places requested 
might be left as a sort of protection to them. They made every 
protestation of peace and allegeance to the English, and only 
requested that every thing past should forgotten. 

28^^. The fiscaal having made his report of the prisoners from 
Caylolo, in which it appeared that four of them were principally 
guilty and the rest meerly led on by them. Tolongpatty therefore 
and his four associates were sentenced to work in irons upon the 
works, with some other criminals convicted of similar offences, and 
the rest at the intercession of the orankaio, who was lately reinstated, 
permitted to return to their habitations , their names being registered, 
least a second crime of the same nature, they were engaged in, 
should be in future proved against them , in which case they should 
be considered principally guilty. 

The price of rice being at present very dear in consequence of 
the scarcity of that article, the Admiral ordered that the Burghers 
should be supplied with a quantity, proportioned to their immediate 
wants , at a reasonable rate from the stores. 

29^**. This day had the agreeable intelligence of the capture of the 
Hi toe rajah by captain Chalmers, who represented that the Hitoe 
people were very numerous and all armed and therefore dreaded 
that the party at Hitoelama might be cutt off, the place being in 
ruins. A reinforcement of an officer and 30 men were immediately 
sent off to strengthen captain Chalmers and enable him to escort 
the Hitoe rajah here. The Resistance too was ordered round to 
intercept every endeavour by sea to rescue him, which was said to 
be expected. 

May 1"^ Letter from Hila mention the arrival of the reinforcement 
and every thing safe and quiet. Captain Chalmers writes that 

* Soeli, aan den Zuid-Oosthoek van het schiereiland Hitoe. 
2 Tial , Ten^a Tenga , Toelahoo en Wai , ten Oosten en Noord-Oosten 
van Soeli. 



DE VEROVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 301 

Maharajah * now accuses his chief captains, Oelapahal , Boccara and 
Adams, as the chief promotors of 'all the troubles and that his name 
was made use of without his authority and thinks that, if he is 
suffered to remain at Hila for some days , there are hopes of securing 
the persons of these men , who are by far the most notorious captains 
of the insurgents thro the wole country. Such is the treachery and 
infidelity of the Malay character, that those persons , whom the Hitoe 
rajah now accuses , are the very men to whom he would immediately 
fly, if he should chance to regain his liberty. 

The Admiral , considering the difficulty of ships coming from Madras 
at this season, resolved on sending to China for supplies of provision 
and stores, and being uncertain of the resources of our supercargoes 
there as to the means of procuring them, determined on sending 
the Surprise with a cargo spices under convoy of the Amboina, to 
be consigned by the commissaries for the navy and army to the 
chief supercargo, the net proceeds applied to the demands of the 
Admiral and any overplus to be vested in Companies bills in favor 
of the commissaries. The Surprise was accordingly ordered to be 
immediately filled up for the reception of the spices and otherwise 
to prepare for the voyage. 

4^. Intelligence from the officer commanding at Larique ^ men- 
tions the descent of Oelapahal with a considerable number of 
adherents at Niggery Lima •' for the purpose of restoring the Hitoe 
rajah to his liberty and power and that a large fleet of prows were 
every moment expected to join him; that on Oelapahals arrival he 
had been met by the whole people of that and the adjoining nig- 
geries in the Hila province, who saluted him in a regular manner, 
and that he had sent letters to the orankaios in the province of 
Larique , threatening to extirpate them and their families unless they 
immediately collected their forces and joined him, which however 
the orankaios refused to do, tho some of their people went over 
thro fear. No time was lost therefore in sending notice of this 
circumstances to captain Chalmers to put him upon his guard against 
the intended attack , directing him to embark the Rajah on the first 
ship that called at Hila, to prevent the possibility of this escape. 
The Admiral also sent an express to Saparoua to the Swift, imme- 



^ Dezelfde , die elders in het handschrift „the Hitoe rajah" wordt genoemd. 
2 Larike, aan de Westkust van Hitoe. 
' Aan de Noord- Westkust van Hitoe. 



802 DE VEROVERING VAN BAN DA EN AMBON IN 1796. 

diately to cruise off Hila, and also dispatched a letter to captain 
Packenham of the Resistance to look out for this fleet of prows and 
otherwise to cooperate with captain Chalmers whenever necessary. 

May 5^. The Surprize galley, having taken in the spices intended 
for China, sailed this day under convoy of the Amboina brig direct 
for Canton. They were instructed to proceed by the Balambangan 
passage. ^ 

6^^\ The Resistance entered the bay this evening with the Hitoe 
rajah and one of his partisans, the orankaio of Wackal, ^ who were 
both landed and committed as close prisoners to the care of the 
fiscaal ; and as there is no doubt of their guilt, as soon as an oppor- 
tunity oiBfers, they are to be banished from this country for ever. 

7^^. The patty of Alang was this day invested with his office 
and received his commission , silver-headed stick ' and a copy of 
the instructions always given upon these. Captain Taylor, major of 
brigade and quartermaster to our expedition, this day departed 
this life. 

8^^. This morning came in the orankaios of the province of 
Larique, who made every profession of regularity and obediance. 
They were recommanded by the officer commanding at Larique as 
having behaved very well since his arrival there , and opposed Oela- 
pahal in the late attempt he made at Niggery Lima. The Admiral 
met them with his usual good nature and said every thing possible 
to conform them in their royalty and pacific disposition, promising 
at their tequest to pardon every thing that is past, provided they 
act conformably to their present professions, and also to issue the 
payment of their spices without farther delay, as the inhabitants 
have given proof of their duty in having resisted the threats of 
Oelapahal, who it is this day reported is dead, which is suspected 
not to be true ; but that finding himself disappointed , has absconded 
and circulated this report to escape the pursuit, which he is aware 
there is now after him. 

The Admiral wishing me to proceed as soon as possible to Banda 
to settle certain regulations, which appear necessary for the better 
government of the island, and also to understand perfectly the 



1 Straat Balabak tusschen de eilanden Balambangan en Balabak ten 
Noorden van Borneo. 
' Wakal, aan de Noordkust van Hitoe. 
» Vgl. Van HoeveU, Ambon, bldz. 19. 



DB VKROVEEING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 308 

business of an ambassador said to have arrived there lately from 
prince Noekoe, ordered the Armenia in readiness to sail. 

9*^. This day commenced the sale by auction of the merchandize- 
stores in the winkle ' , from whence this country-people are 
supplied with different kinds of cloth suited to their wants. It is 
generally after the issuing of the clove-money , this sale is held , 
by which means a considerable part of the money again comes 
into the treasury. There is generally a time given for the payment 
of the goods sold, of which the Chinese are the most considerable 
purchasers. 

10***. The captain of the Chinese applied for and obtained a 
renewal of his appointment under the British authority, his cha- 
racter and conduct having been approved of. 

IP^. The niggery of Lillebooy having been for a long time past 
without a patty, the only person who appeared to have an unex- 
eptionable claim and who gave in a request in regular form 
with his genealogy properly authenticated from the Secretarys office , 
was this day appointed. There was a better family in the niggery 
acknowledged to have a prior claim, but having been under an 
interdict by an act of the Dutch government for some years past, 
on account of smuggling spices, the Admiral dit not chuse to 
counteract such an exception, least others might be tempted to 
commit the same crime, seeing that the same punishments were not 
likely to attend it. 

12^. Having received instructions from the Admiral for the aflairs 
of Bandu, embarked on board the Armenia; we sailed immediately 
and arrived at Hila on the 13^. 

14*^. After surveying the fort and environs of Hila and forming a 
plan for its more perfect defence, agreeable to the orders of the 
Admiral, walked round the town with captain Chalmers and could 
not avoid lamenting sincerely the ruin and devastation committed 
by these people in having deserted and partly distroyed one of 
the handsomest towns in this part of the world. The casizies of 
this province have of late been very troublesome, ever since the 
confinement of the Hitoe rajah, who is chief casizy, and endea- 
voured to excite the people to fresh insurrection in his favor, and 
have proceeded so far as to depose some of the regents, who 
refused to adopt their measures, and appoint others in their room. 



* Het Nederlandsch woord: winkel. 



304 DE VEROVERING VAN BANDA EN ABiBON IN 1796. 

Captain Chalmers therefore found it necessary to take up four of 
the most active, and they are now in confinement. As there appeared 
from the representation of the orankaio of Hila, who was one 
of those deposed by these casizies, to be an absolute necessity 
for this measure, in order to restore the peace of the country, 
they were sent in custody to the Admiral by the first safe opportunity. 

15^^. Early this morning the Swift made her appearance from 
Saparoua. Luitenant Hay ward, who landed from her, informed us, 
they had seen on their passage a large fleet of prows and cdrra- 
corras * oS the coast of Ceram , N. of Saparoua , who run ashore 
when the Swift chased them. They had heard several reports of 
the garrison of Hila being cut oS and considered this fleet of 
prows as an armament to reestablish the Hitoe rajah and drive 
all the Europeans ^ from Amboina. 

Having executed every thing at Hila, that the Admiral wished, 
and sent plans for the improvement of the works which I conceived 
essential to the safety of the place, embarked on board the Ar- 
menia and made sail to the N. E. with very little wind. About 
5 o'clock in the afternoon we were surprized at seeing a large corra- 
corra come on board us, with several flags and streamers, and 
drums beating; at the same time observing under the shore up- 
wards of 70 others, sailing along. Little doubting but this was the 
fleet mentioned by lieutenant Hay ward of the Swift, we got up 
our guns and made every preparation for defence ; however as 
only one of them approached, we entertained no apprehensions. 
When they came alongside , the principal person in her immediately 
came on board and seemed to express great satisfaction at seeing 
us English; informing us that the fleet we saw, consisting of 99 
sail, was an equipment accompanying sultaun Ibrahim ul Muckeram, 
the nephew of sultaun Syfool Deen Shaw, commonly called Noekoe, ' 
and bound upon an embassy to the English commander in chief 
at Amboina, having heard that the English had got possession of 
the Spice-islands, in order to form a friendship and alliance with 
them, to whom he has been attatched since his first knowledge of 
them. I received him with the respect due to the character he 



• Koera-koera: Moluksoh vaartaig (Vgl. Enct/clopaedie y IV, bldz. 482). 

' Dit is geheel lets anders, dan dat het verzet op de Ambon-groep alleen 
tegen de Nederlanders gerioht zou zijn, zooals hiervcScSr werd gezegd door 
den sohrijver. 

' Vgl. hierv66r. 



DE VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 305 

represented , but being extremely anxious to know the truth of this 
account, sent my chief Malay interpreter to accompany him to 
sultaun Ibrahim, to request an interview with him, to which he 
readily acquiesced, and as an assurance of their return, as soon as 
possible, left one of his company as an hostage. It grew late how- 
ever, and their prows having all come to an anchor close under 
the laud, the current separated us too far from them and we saw 
no more of them during the night; left me in a state of great 
anxiety , as , should their design be hostile , they were possessed of 
a person who might easily be terrified into the information of our 
weakest side for attack and give them considerable advantage over 
us, particularly as the Hila province was still very unsettled and 
ready to join the first chief of their own sect, who might stand forth. 
16***. At daylight this morning we discovered two corracorras 
coming from the fleet towards us, and lay too untill they came 
up. About 8 o'clock sultaun Ibrahim and the chief persons of 
his expedition came on board. He seemed a very well-bred, handsome 
man , much superior in appearance to any Malays I had yet seen ; 
and all those who had accompanied him of different features and 
manners from any of the inhabitants of Amboina or Banda. He 
informed us, he was come from Warowe * on the NO. coast of 
Ceram, where sultaun Syfoot Deen Shaw had been about 5 weeks 
ago , when he left it ; that upon the information (from ?) captains Bisdale 
and Stuart of two trading-ships from Bengal, that we were in 
possession of the Spice-islands, he came on an embassy from sul- 
taun Syfoot Deen Shaw, who is his uncle, to form a connection 
and friendly intercourse with the English, and seemed much to 
rejoice at the fall of the Dutch, who he said dispossessed his 
uncle of the just sovereignty over Ternate, Tydore and all the 
Spice-islands, to which he asserted his claim to be indisputable in 
every light of justice. He also informed us that three Bengal ships 
had been at Maba, an island close to Gibby ^, whither sultaun 
Syfoot Deen Shaw was to have gone after his departure from 
Warowe. Having enquired, how he came to have the title of sultaun 
as well as his uncle, who is still living, he acknowledged that it 
was only bestowed upon him to add dignity to his embassy ; and 
that all the chief persons, who accompanied him, were rajahs and 



^ Waroe, aan de Noord-Oostkust van Ceram. 
* Maba, Gebi, Oost-Halmaheira. 



806 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

goveruors of . very considerable provinces on Ceram , and most of 
the islands to the Northward of it, over all of whom sultaun 
Syfoot is acknowledged. Being satisfied of their disposition and 
designs, concerning which I was extremely anxious, in order to 
prevent alarm along the coast of Hila, which would add to the 
disturbances of that province, I wrote immediately three letters: 
one to captain Chalmers at Hila, to inform him what they were 
and to send instant notice of it to fort Victoria; another to any 
of the officers of His Majestys ships of war ; and a third to the 
Admiral himself. At the same time instructed sultaun Ibrahim to 
send the letters on before , as he had occasion in one of his smallest 
prows, that to Hila first, to prevent alarm at the approach of the 
fleet or hostilities from the ships on a misconception of their 
designs, as I knew that all the ships had orders immediately to 
destroy all armed prows wherever found on the coast of Amboina. 
I also cautioned him not to suffer his people to land at night, 
which he assured me he had himself particularly forbid, and also 
on his entrance into the bay of Amboina to anchor his corracorras 
ill Portugese bay, a little on the right within the bay of Amboina, 
and proceed up to town with one or two, but no more, where 
upon delivering his letter and explaining his mission, he might 
depend upon a favorable reception; all which he promissed to 
attend to in the most punctual manner. The acquaintance of sultaun 
Ibrahim and his suite, with those captains who we know have 
traded with them for the last 2 or 3 years for dresses of Bengal 
manufacture, and their appearance and manners so different from 
the other Malays of the neighbouring islands, removed every doubt 
I had in my mind and gave me great pleasure. They breakfasted 
with us and seemed well accustomed to our fashions. 

The Sultaun with his suite took their leave about ten and we 
proceeded with a light but farm breeze on our voyage. 

17^*^. Being nearly becalmed and close to the coast of Ceram, 
sent a boat ashore for fowls and vegatables to Couloor, ^ nearly 
opposite to Post Hoorn on the Northside of Haroekoe, where 
they supplied us immediately at a very reasonable rate. 

24^^. After beating against winds and a NWly current, that 
increases in strength as you approach Banda, and working along 
the coast of Ceram, a considerable distance to the Eastward of 



^ Koelor op SaparoeaV 



DB VEB.0VBR1NG VAN BAND A EN AMBON IN1796. 807 

Bauda, which is the only way of effecting the passage at this 
time of the year, we were this evening just able to enter the 
harbour of Banda. Found the English part of the garrison and 
Sepoys in very good health, but the company of Wirtemberg 
quite the reverse, having already lost 8 men, with 40 down in 
fevers, besides both officers. The whole settlement however were 
wretchedly in want of every kind of provision but rice, of which 
there remains still of months store. Delivered the Admirals letters 
to major Vigors and captain Lambert, and sent those to the Dutch 
governor and other gentlemen. Major Vigors represented every 
thing in perfect security, but at the same time the situation of 
the garrison such , that he could not leave the command to any 
officer under him, particularly as the Suffolk is now ordered away; 
he therefore, tho having it in his option to go to Amboina, 
resolved to devote his time to the present care of the settlement 
under all its disadvantages, untill regularly relieved from Madras, 
in doing which he has given strong proof of his zeal for the good 
of the service. Learned from major Vigors that the Wirtemberg 
corps has upon all occasions manifested the strictest discipline and 
most orderly conduct possible, and that, notwithstanding their 
sickly situation, the scarcity and dearness of every kind of pro- 
vision, they never made the smallest complaints; had therefore 
particular pleasure in communicating the Admirals thanks to them 
to be published in orders , and also to empower the Major to make 
them the same allowance in lieu of salt-provisions as our own 
soldiers. 

25***. Agreeable to the Admirals instructions ordered all the nutmegs 
and mace in store on board the SujQTolk as also the cash in the 
treasury , after reserving three monthe pay in advance for the Dutch 
and English belonging to the settlement. 

Had a conference to day with M' Steenberg, M' Spits, M' Vander- 
slays and some more of the most respectable planters on the island , 
relative to the allowance of rice made to the park-slaves, also the 
justness of taking into the possession of the Company the property 
of the parks by the late Dutch government and the real advantage 
arising from it, of which measure there is good reason to doubt; 
also made particular enquiry into the most advantageous way both 
to the Company and planters of managing the slaves, ascertaining 
the property in them and the lands, and deriving (?) the most advantage 
with greatest ease to both. From which it was plainly discovered, 



308 DE VeROVERING van BANDA en AMBON IN 1796. 

that the act of M' Boukholtz iu assuming in the uame of the 
Company the property of the lands and slaves was by no means 
considered as a just one, but which we acquiesced in as an arbitrary 
proceeding, against which no resistance was possible, nor could any 
appeal be made. From their account it appeared that some of the 
planters purchased their parks bona fide from the Company, and 
most of them time immemorial in quiet and undisputed possession 
of them ; that the claims on the score of long arrears of debt for 
rice ef"" were never from the begining intended to have been 
enforced, being meant rather as a benevolence to the planters in 
consequence of several losses by hurricanes and other accidents and 
in consideration of the former very low rate at which they were 
under a necessity of delivering their spices, and without which they 
could not attend at all to the cultivation of them ; it also appeared 
that the park-slaves were in general better fed and taken care of 
than any other, having the priviledge of cultivating all over the 
park, when they found it convenient, plantains', jams ^ , sweet- 
potatoe, kanarynuts '' , et^" for their own use, and tho' the Admiral 
empowered me , to make such addition to their allowance of rice as 
should appear necessary , they did not seem to stand in any need of it. 

A person , who came here some time ago from Maba and stiled 
himself an ambasador from sultaun Syfoot Deen Shaw, paid me a 
visit this morning, whom I discovered to be sent from that prince 
merely to see if the accounts of our being in possession of these 
islands was true; which as soon as he learned, he sent his prow 
back with the intelligence and remained himself; he is not a 
person of any rank, but since he sent oS his vessel, several have 
.come from the coast of Ceram, with supplies of sagoe and sagoe- 
bread, which is a very great relief to the inhabitants; and the 
sailors prefer it far to rice. Accounts however are brought that the 
island of Soram, near the S : E : end of Ceram , is become the 
seat of a nest of pirates, who have refused obedience to sultaun 
Syfoot Deen Shaw and . plunder every thing they can seize , and 
that a Chinese vessel from hence was taken a short time ago. 

27 ^*\ Having found every thing iu Banda in a perfectly quiet 
state with regard to the internal policy of it , that the care and 

> Bananen (pisang). 

2 „Yam of yamswortel. De gekookt als aardappelen gegeten Dioacorea- 
knollen" {Encydopaedie , IV, bldz. 789). Zie ook op „Oebi" (t. a. p. , III, bldz. 50). 
» Vgl. Encyclopaedie , 11, bldz. 190? 



DB VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 309 

cultivation of the place was attended to as much as could be 
expected, and that a very plentifull crop of nutmegs appeared on 
all the trees ; seeing every apprehension of tumult entirely at an 
end and that major Vigors himself was determined to remain 
untill a relief should arrive ; after leaving with him such memo- 
randums and instructions, as I received from the Admiral, and I 
knew were his wish to have executed relative to administration of 
justice, the mustering and proper care of the public slaves et**" 
and encouraging the cultivation of maize , chocolate-trees and 
vegetables of all sorts, I embarked on board the Suffolk and 
about 10: o'clock, as soon as a breeze sprung up, we weighed 
anchor, and sailed out of the harbour 

29^»^ 

This evening we entered Amboina bay and got up to 

the fort about 8 o'clock. 

30^**. Every thing here remained in a tolerable tranquil state 
since the 12*^. The sultaun Ibrahim, who arrived a few days after 
he parled us at sea, observed punctually the instructions given to 
him in his manner of approaching and sending his letter, and he 
was received by the Admiral with all the honor and respect due 
to his rank and the character he represented. The Dutch gentlemen 
were extremely anxious concerning this embassy and never failed 
to represent the ambassador as well as his uncle, sultaun Syfoot 
Deen Shaw, as impostors , tho' it was evident they all dreaded his 
influence among the people of the country and were never easy 
when in his company. Sultaun Ibrahim earnestly wished to establish 
a friendship and intimacy with the English, whom he seemed to 
have the utmost confidence in , and to regard in the sincerest 
manner. In one particular audience with the Admiral he informed 
him , that sultaun Syfoot Deen Shaw was the true sovereign of 
Tydore, Temate and of all the Spice islands; and endeavoured 
by every possible argument to interest the Admiral in his behalf, 
to reinstate him in his rights, from which the Dutch have expelled 
him for upwards of 18 years, and set up a cypher of their own 
making in his room; who, tho' of the proper family, is not justly 
entitled to the sovereignty, and to whom the Dutch are nevertheless 
obliged to pay a tribute for all the different islands that yield 
spice. He asserted in the most positive terms, that if he was 
supported by the English, the present * king of Ternate and 

' Hier onder ataat in het handschrift de volgende noot: „Thi8 distinction 



^ 



810 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

sultaun of Tydore would willingly acknowledge him as their lawful] 
sovereign, and promissed that if the Admiral would assist him to 
expell the Dutch from Ternate, he would ensure them the entire 
monopoly of all the spices and the exclusive privilege of trade 
throughout all the islands and countries belonging to him. In order 
to give a proof of his zeal in support of the English and of his 
influence over the people even in Amboina, he wished much that 
the Admiral would empower him to quell the disturbances that for 
some time past distracted the country ; and assured him , he could 
inform him of all those niggeries that might be now depended on, 
as well as those that would never be at rest as long as the Dutch 
remained in the country or possessed the least influence in it, 
and that if he was confided in, he would answer for apprehending 
in three days every one of the disaffected leaders, and restoring 
the country to perfect peace. He disclaimed any acquaintance or 
connection with the Hitoe rajah or any of his party, whom he 
looked upon as natural tributaries, bound to obey his mandates, 
when issued to them , under the sanction of the English commander. 
However desireable it was to put an end to the disturbances of the 
country and restore it to peace, the Admiral did not think proper 
to call in the aid of sultaun Ibrahim on the present occasion , not 
knowing how far he might be with safety depended on, and at 
any rate unwilling to employ foreign assistance where the English 
arms were sufficient for the purpose. And as to re-instating him in 
the sovereignty he claimed , the Admiral assured him he had 
not authority to do it ; that his orders only extended to take 
possession of these islands and places held by the Dutch 
untill the termination of the war , when alone it could be determined 
whether the English were to remain possessed of them or not, but 
that he could not interfere in overturning the system observed by 
the Dutch to any greater length. However that, if he should have 
an opportunity of going against Ternate, that he should, if not 
attended with particular inconvenience or delay, acquaint sultaun 
Syfoot Deen Shaw with it. Sultaun Ibrahim did not seem to think 
the Admiral quite sincere in saying that he had not authority to 
re-instate his uncle in the sovereingty of Tydore, but rather that 
he made this as a sort of excuse, observing that he could not help 



of title seems to insinuate the supremacy of Tydore." Gelukkig voor deh 
schrijver, dat hij zegt: „seem8." 



DK VEKOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 311 

thinking him invested with unlimited powers. He also seemed to 
imagine that our taking Amboina and Banda was entirely owing to 
the intimacy between sultaun Syfoot Deen Shaw and the captains 
of the country-ships, who have had an intercourse whith him for 
some time past; and who, probably, to gain his support, were 
liberal in their promises on the part of the English, to second his 
views against the Dutch. To set him right in this particular, the 
Admiral endeavoured to explain the difference between the king 
of England and the East India Company, which was a distinction, 
that even with the assistance of a perfect knowledge of the language 
would be very difficult to make him understand. He was received 
and treated with every attention and respect on board the Centurion, 
which he compared to a niggery or district, and after a few days 
stay was dismissed in a friendly manner. The Resistance was however 
ordered to accompany his fleet, untill he had passed the Hitoe coast, 
which as it implied a sort of restriction against his touching there, 
appeared to hurt him a good deal. On his way round he gave an 
instance of his influence by apprehending the chief captain of the 
insurgents, Oelapahal , and delivered him up to the hands of captain 
Chalmers at Hila, which was certainly as convincing a proof of 
of his having no connection with the Hitoe party as could be given , 
tho' the Dutch gentlemen never failed to assert, that he was the 
chief person concerned in it. In most of his interviews he spoke 
more in his own name than in that of his uncle , though he acknow- 
ledged that he derives his authority from him, nor did he even 
pretend to be the immediate successor to sultaun Syfoot Deen Shaw, 
as he wrote down in my pocketbook with his own hand in arabic 
characters the names of his uncle, whom he stiled sultaun of 
Tydoria and a nephew older than himself called rajah moodah, 
which is always the title of the heir apparent of the empire. 
Himself he styled Ibrahim Ulmuckoram of Ternate, which he says 
is his proper right of inheritance. It was not easy to understand , 
whether his claim to the empire of Ternate was independant of 
Tydore, or whether he was to have it as a portion of the empire 
claimed by his uncle, after his death, the rest going to rajah 
moodah, his elder brother; neither could I learn among the inhabi- 
tants themselves, which of the empires of Ternate or Tydore was 
considered the greatest, or whether they were the same, and 
even the Dutch contradicted each other and gave diff*erent accounts, 
either really ignorant or perhaps not wishing to communicate any 



812 DE 7ER0VERING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 

information on the subject. Should the English become permanently 
possessed of these islands, it would probably contribute much to 
the peace of the neighbouring islands, to form a connection with 
a family , whose influence is certainly acknowledged by the majority 
of the inhabitants, even under the disadvantage of being expelled 
as rebels and impostors by the power of the Dutch arms, for 
upwards of 18: years. At any rate it appears to be an object 
well worth inquiring into, and as far as could be observed, they 
are the just lineal heirs of the empire of Tydore (which they always 
pronounce Tydoria), as the regular succession amongst the Malays 
is said to run in the female line. ^ 

The Dutch are the inveterate enemies of this branch of the royal 
family of Tydore and never fail to say every thing to their pro- 
judice, but if, as is reported, the present king of Ternate is ready 
to acknowledge the sovereignty of sultaun Syfoot Deen Shaw , 
provided the Dutch do not interfere, it amounts to some proof of 
the justice of his claim. 

Captain Chalmers , having secured two more of the most notorious 
rebels, one of whom but a very short time ago murdered the 
orankaio of Hila, they were ordered to be executed in chains, 
along with Oelapahal, of whose guilt and atrocious villainy there 
is sufficient proof. 

June 2*^. The Admiral, now finding every probability of a conti- 
nuance of peace and tranquillity , resolved upon despatching me to 
Madras by way of Malacca and Penang , arid ordered the Centurion 
and Mary to get in readiness to proceed as far as the latter place, 
where , if supplies had not already been sent from thence , the Mary 
was to be loaded immediately and to return with the Centurion to 
Amboina. I lost no time therefore in adjusting the accounts with the 
treasury and the public funds of Amboina for the cash taken out 
for the payment of the garrisons and the stores issued on account 
of the government of Madras, upon whom the Admiral granted 
bills to re-imburse the commissaries for managing the public pro- 
perty. 

7^^. Having delivered over charge of the stamps and seals of 
Government to the Admiral, I this day embarked on board the 



1 Vgl. over do troonsopvolging in het sultanaat Ternate Tiele — Heeres, 
Bouwstofjfen voor de geschiedenis der ^ederlanders in den Maleiachen Archxpdj II 
('s-Gravenhage , Nijhoff, 1890), bldz. 121. 



DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN1796. 313 

Centurion, and we sailed with the Mary out of the bay. We had 
on board the Dutch soldiers from Banda and the Hitoe rajah, 
with the four refractory casisies from Hila ; the former to be entered 
into the English service at Madras, and the latter to be eternally 
banished from Amboina. We returned exactly by the same course 
we went, having called at Boelacumba , where , being only one ship 
of war, we found a very suflScient supply and treated them just 
as before; and arrived at Malacca the morning of the 2'^ July and 
were surprized to find, we brought them the first intelligence of our 
successes to the eastward. Just about the same time however, news 
came from Penang that the Victorious had spoke the Orpheus very 
much distressed in the Bay of Bengal, having lost her bowsprit, 
and learned from her the great want of provisions in Amboina 
and Banda, and that every preparation was making at Penang to 
send off two transports with stores of all sorts, which were expected 
to sail from Penang this day. On this account, captain Orborne 
of the Centurion, fearing least he should pass those ships on the 
way, resolved to wait their arrival here, and then to embark what- 
ever supply of troops could be spared from Malacca and return 
without delay to Amboina. After waiting untill the 15^*^ and hea- 
ring no news of the vessels expected from Penang, we sailed from 
Malacca and the 16^^ fell in with the Prince of Wales, store-ship, 
bound to China , and Gloucester , transport , with stores and provisions 
bound for Amboina. As the Centurion was not in a condition to 
return immediately, the Gloucester was suffered to proceed on her 
destination. 

18^^. Fell in with the Fly, cruizer, from Madras, who informed 
us of the reinforcement and supply preparing at Madras for 
Amboina. 

19^^. Arrived at Pulo Penang where we found the Victorious; 
having staid a few days to refit, the Dutch soldiers were put on 
board the Mary, and every thing being ready, I embarked on the 
28*^ and we sailed for Madras. The Victorious accompanied us as 
far as Acheen-head, where she had instructions to cruize for some 
time. We parted from her on the 5^*^ of August and after exper- 
iencing rather rough weather, in which we lost our foretopmast, 
on the 19^*^ anchored in Madras roads. * 



1 Hieronder staat met potlood: „1796. August 19**^." 

7* Volgr. VI. 21 



3 14 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

SOME ACCOUNT of the islands of Amboina and Banda 
at the time they were taken by us , with suggestions towards 
their better management in case of our keeping permanent 
possession of them, 

Fort Victoria is an irregular hexagon with a ditch and covert 

way on the land side, and a horn-work towards the sea and might 
be capable of some defence if the situation was good ; but it is 
unfortunably quite commanded by two ranges of heights within 
from 700 yards to 1100 and 1200 yards distance, 't Is somewhat 
surprizing that when the value of this island was known, the 
first settler should fix upon so disadvantageous a situation for 
their chief fort and town as the present, where there is very 
insecure anchorage for the ships and the fort perfectly commanded, 
in so much, that no moderate expence or exertion could render it 
tenable against the regular approach of an European enemy ; 
whereas, by going up about two miles higher on the same side of 
the bay , there is one of the finest situations possible for a fortress , 
which eJBfectually commands the entrance of the harbour and the 
shore on the opposite side ; affords every convenience to be wished 
for, both for a town and fort; a noble healthy elevation; on one 
side inaccessible from the land and, without comparison, the 
finest situation on the island. The town of Amboina is very neat 
and clean ; the streets at right angles, and houses very tolerably 
built, but none of them above a single story high on account of 
the freequency of eartquakes. There is an esplanade of about 250 
yards from the covert way to the town, which is terminated by a 
very handsome range of houses with a double row of nutmeg- trees 
in front, where the principal gentry live. In the fort, besides the 
public store houses for spices , civil and military stores and merchan- 
dize, and quarters for the garrison, the Governor's house is erected in a 
very spatious good situation , also a house for the Second in Council 
and another for the Civil Secretary. The rest of the gentlemen of the 
settlement live in the town. There are two very good churches in , 
the town ; one for the Europeans , where the minister ofliciates in 
the Dutch language, and another for the Malays, where he reads 
prayers and preaches in their language, and this he generally does 
alternately. The stadthouse, where the Court of judicature meets and 
where there are places of confinement annexed, fronts the esplanade, 
and is the only building of two stories high in all Amboina ; from 
a balcony in the upper-story all public edicts and proclamations 



DK VEKOVERINa VAN BANDA EN AMBON IN1796. 315 

are read to the people, aud in front of it is a large platform rai- 
sed, with places to erect a gallows, for fixing the rack, to inflict 
the torture aud other public executions. There is a very good 
building situated in a very little way E. of the fort, called the 
equipage- wharf , where the Master attendant lives and those] be- 
longing to the marine-establishment under his oflSce; also where 
all the naval stores are kept. Immediately adjoining and close 
to the foot of the glacis at the East angle of the fort are the 
sheds and workhouses in the engineer and artillery departments. 
There ib also a very commodious hospital here, where above a 
hundred men may be well accommodated, situated at the skirts 
of the town, towards the N. E., besides another, which is smaller, 
in the fort. At the S. extremity- of the town, next the sea, stands 
the Burghers waght, a kind of guard house with a battery in front, 
where the Burghers, who are formed into a militia without pay, 
for the preservation of the police, mount guard every night. These 
are all the public buildings in the town. 

The communication into the country by roads has been wonder- 
fully neglected, there being no possibility of driving a carriage of 
any sort half a mile from the town in any direction. On horse- 
back it is possible to go farther, the adjoining country being clear 
of wood and very beautiful to the eye, but every where intersected 
with deep ravines, which from their abruptness look as if they were 
occasioned by earthquakes , tho' no such circumstance is recorded 
even by tradition. ' 

The water of Arnboina town is very tolerable , which the inhabi- 
tants draw from wells, tho' there are two small rivers, one N. aud 
the other S. of the fort, but these are not considered wholesome, 
particularly in the rainy season. The water for shipping is generally 
procured on the N. side of the harbour, where it is conveyed 
directly into boats from a cataract over the rocks within a very 
short distance of the shore, in a constant stream, and is reckoned 
some of the finest in the world. 

For the better management of this government and the more 
convenient collection of the cloves it is divided into residencies, 
all subordinate to the chief fort , of which those , that yield cloves , 
are called provinces of Amboina, aud those which do not, and are 
at greater distances, its dependancies \ under the chief fort and the 
immediate care of government are 7 : great and 24: small districts, 

» Sic! 



316 DE VHaOVERING VAN BANDA UN AMBON IN 1796. 

most of them situated on , and occupying the whole of the Leytimor 
peninsula , the natural boundary of which is the Baguala pass. N : 
of the pass there are three niggeries or districts: viz* Way, Soely 
and Baguala ; and within the bay on the Hitoe peninsula 5 other 
niggeries are included in the above number. Under the province 
of Hila are reckoned the 10: niggeries extending along the N: W: 
coast of Hitoe, from Lien ' to Niggery Lima, both included, 
and reach as far inland as the mountains will allow them , being 
for the most part impassable, except by a difficult road leading 
from Hitoelama to Hoekoe-Naloe ^ at the entrance of the harbour. 
The province of Tiariki contains the four niggeries on the S.W. part 
of the island, viz*: Oering, Assaloeloe, Lariki and Waccassieuw. ' 
The islands of Saparoua, containing 13 niggeries, and Noessalaut, 
divided into 7 niggeries, form one province under the resident of 
Saparoua and yield a great deal of cloves. This residency is reckoned 
the next appointment in value to the governor. The island of 
Haroekoe, containing 12 niggeries with three on that part of the 
Hitoe peninsula next adjoining to it, viz* Toloehoe, Tengatenga, 
and Tial, forms also one province, under the superintendance of the 
resident. All the above places afford abundance of cloves, which 
are absolutely prohibited in every other, whatever. Subordinate to 
the three residencies of Saparoua, Haroekoe and Hila is reckoned 
the whole South-coast of Ceram, divided into 37 : niggeries; 24 
of which from that part of the coast N : of Saparoua to the S : E : 
extremity is under the jurisdiction of the resident of that province ; 
seven on that part of the coast contigious to Haroekoe under that 
resident, and six subordinate to the resident of Hila. The other 
dependancies of the government of Amboina are Bouro, divided 
into 13 niggeries, under a resident who has also charge of Amblaw, 
containing 7 niggeries ; Manipa , containing 8 niggeries , under care 
of a Serjeants party, who has also authority over Bonoe, * containing 
2 niggeries; and on the N: coast of Ceram Saway, divided into 
6 niggeries under the resident of that place , who is generally a 
subaltern commanding about 40 men. 

All these districts or niggeries go by the general term of regen- 
cies and are placed under the authority of certain chiefs, called 



* Liang aan de Noordkast van Hitoe. 
^ Hoekoenaloe. 

* Wakawihoe. 

* Bonoa of Boano. 



DB VEEOVEEINa VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 317 

in general regents, but particularly distinguished by the appella- 
tion of rajahs, patties and orankaios. The three chief rajahs of 
Noessanive , Keelang and Zoya ^ are allowed to inherit the regencies 
in their own families and ^re the immediate descendants of the 
principal Portuguese families, first settled in this island. ^ All the 
others are appointed by Government, which in this respect is 
obliged to conform to old custom and the prejudices of the people, 
who have a high respect for family-connections. For this reason 
the principal families in all the niggeries, particularly those in the 
clove-provinces, keep a regular genealogy of their families, which 
is registered in the Secretary's office, and whenever a vacancy 
happens in the regency, this bangsas or men of registered families, 
who wish to succeed, take out an authenticated copy of their pe- 
digree from the Secretarys office, and with a written request on a 
stamp of a certain value from half to two rix dollars, setting forth 
pretentions to the succession , give it in first to the Governor, for 
his approval , who , if he pleases , lays it before his council ; the 
elders of the niggery are then consulted relative to the ability of 
the candidate , and if he be agreeable to the people ; and upon this 
proof, his commission is regularly made out on a stamped paper 
of from half a rix dollar to ten rix dollars value, according to 
the consequence of the niggery, and signed and sealed by the 
Governor and Secretary. They then receive a code of instructions 
for their guidance, which is hereafter annexed. They are also 
invested with a silver- or gold-headed stick, with the Companys 
chop or seal, as a mark of distinction and authority. ' The first 
three rajahs * inherit other privileges, such as being allowed to 
wear swords, to have large umbrellas and awnings over their 
corra-corras or large boats for war-expeditions ; they are also 
rested to by the guards of the fort when they pass and always sit 
down in presence of the governor. 

Besides the regents in each niggery , the elders are invested 
with certain magisterial authority over the people, according to 
their rank, and are divided into the three degrees of capullasous •'' 



1 Noesaniwe, Kilang, Soja , alle op Lei-Timor. 

' Die radja's van Noesaniwe , enz. stammen niet af van Portugeezen , maar 
hunne voorzaten hebben de Portugeesohe namen aangenomen tegelijk met bet 
Cbristendom (Vgl. F. Valentijn , 11 , Beachrijving van Amboina , a, bldz. 118 , v. v.). 

* Vgl. Van Hoevell, Ambon ^ bldz. 19, v. 

* Noesaniwe, Kilang, Soja (Zie Valentijn, Amboina j a, bldz. 118, v. v.). 

* Kapala soa (Vgl. Van Hoevell, Ambon ^ bldz. 23). 



318 DE VEEOVEEING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 

or alderman, elders of the 2^ and of the 3^ vote or class, who 
are consulted by the regents and called in to determine the 
disputes of the niggery. These also receive a certain proportion 
of percentage on the cloves produced in their niggeries, and from 
their numbers the //marignies// ^ or overseers of the //quartoes// ^ 
or labourers are taken ; likewise the //daty keepers// ' or super- 
iutendants of those particular grounds in which the cloves are 
cultivated ; which appointments , small as they are , can only be made 
by the Governor or residents of the provinces. 

All the regents of the provinces of Amboina, however distinguished, 
are considered vassals of the Company , who are lords of the soil , 
except of some particular lands , that belong to Burghers and private 
persons, who may dispose of and alienate them at pleasure, under 
the absolute restriction agaiust cultivating clovetrees thereon, 't Is 
observed however, that tho' the Company assert the right of the 
soil, they acknowledge, they cannot deprive the inhabitants of the 
different niggeries of any part of their lands without giving them 
an adequate compensation, and particularly if there are any clove- 
trees thereon, which are held to be the regular property and 
inheritance of the planter and his family. 

In all the different niggeries where cloves are ciiltivated, there 
are certain lands apportioned to the inhabitants, called daty-lands, 
whereon the clove-trees are planted , which are absolutely prohibited 
in all other places whatever; a register is kept of these daties, 
and the trees thereon numbered once a year and their qualities 
particularly noted, whether young, half grown, or bearing fruit. 
The entire produce of which the people are bound to deliver into 
the Companys stores, under pain of death, "* at the rate of rix- 
dollars 56 for the bhaar of £ 550. However these daty-lands are 
not distinct portions separately applied to the growth of the clove 

1 Marinjo's (Port, meirinho = gereoht^pbode , gereohtsdienaar). Vgl. over 
deze beambten op de Amboa-eilanden Van Hoe veil, t. a. p. , bldz. 23, 24,25, 
enz. ; Van Hoevell, VocabtUarium van vreemde ivoorden, voorJcomende in het 
Ambonsch — Malei8ch (Dordrecht, Bluss^ en Van Braam, 1876), bldz. 21. 

• Kwartoe: „de onderhoorigen , over wier diensten een Regent kosteloos 
besohikken kan" (Van Hoevell, Vocabularium j bldz. 17). Die diensten zelf 
heeten kwartoe-diensten (Van Hoevell, Ambon ^ bldz. 26). — V^. E. W. A. 
Ludeking, Schets van de residentie Amboina, *s-Gravenhage, Nijhoff, 1868, 
bldz. 122, V. 

• Dati, eigenlijk = belasting, schatting (Van Hoevell, Vocabidarium j bldz. 
10). Zie over het dati-stelsel Van Hoevell, Ambon, bldz. 175, v. v. 

• Vgl. hierv66r, noot 2 op bl. 260. 



DE VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 319 

trees , and nothing else ; on the contrary , any where within the 
daty-limits in each niggery, that the clove trees chance to flourish, 
and are well sheltered by the adjoining trees, they are directly noted 
in the register ; so they are never seen in regular plantations or 
groves, but here and there scattered thro' different parts of the 
niggery; great care is however taken to keep the ground about 
them quite clear of weeds and dirt, and that they are well 
sheltered, which is necessary to the safety of the fruit ; and at any 
time they chance to observe young trees shoot jipon other parts of 
the niggery out of the daty-limits, they immediately transplant 
tbem ; or if their number of trees is already sufficient, and more 
forbid to be cultivated, they are distroyed at once 

Each person brings in the quantity he gathers, which is received 
at the scale and weighed , when the name of the person , wether 
man, woman or child, is registered, with the quantity delivered 
noted down. The whole weight is not always allowed, unless 
the cloves are perfectly well dried, for if there is the smallest 
dampness observed or oil easily expressed between the fingers, the 
allowance for the wastage in consequence is quite arbitrary and set 
down accordingly , but in general pretty near the truth of what they 
afterwards really lose by drying. 

But tho' the nominal rate, at which the cloves are to be delivered, 
be as above stated, viz* 56 rd" for the bhaar of 550 ag, nearly 4 s. 
8 pence per £ ^, the actual sum paid to the inhabitant, who gathers 
them, falls very short of it, from the number of deductions they 
suffer in the valuation of payment thereof. The principal drawback 
is an allowance of 20 per cent on the weight of the cloves for the 
benefit of the Governor and other servants of the Company, as a 
means of better subsistance ; that is for every 100 ag, which they are 
to receive payment for, they deliver in 120^. The next deduction 
is the hassel-gelt, ^ which is 5 rd' from every bhaar, reserved for 
the Eegent and the chief elders of the niggery. The third deduction 
is under the denomination of ^/pitjes-gelt// ^ or betel-money for the 
Rajah, or Orankajo; this is one stiver from every rixdollar paid to 



' Hierbij staat de potlood-aanteekening : 

„If the bahar of 5501b be 56 Bxd', it is nearly 101b for 1 Bxd. , which at par(?) 
or 4 s(?) Sterling is less than 5** pr. lb. as near as can be 4,85 p. lb., the 
rixdollar is(?) at par(?) — At the Cape I have known the exchange 33 J pcent 
adv*(?) or 133 J in Bd. for 100 in bills, which reduces its value to 3(?). — 
The Dutch 921b is equal to 1001b English. 

' Vgl. over deze belastingen Van Hoe veil, Ambon, bldz. 25, v. 



320 DE VBEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

each person ; and besides this, every fraction of a stiver or the odd duyts to 
a stiver remains on the table and becomes the perquisite of the accountants. 

The whole of the cloves are punctually delivered into the Com- 
panys store at the before mentioned rate, and the price of the 
20 percent overplus weight has been established and authorized from 
Batavia as an allowed perquisite on the avarage produce of £ 600.000 
of cloves annually and divided agreeably to the following proportions. 

Twenty percent on 600.000 £ of cloves is 120.000 ^, which at 
56 rd" per bhaar is equal to rd* 12.21 8.8 1 ; this was formerly divided 
into 100 parts, but since the arrival of the Wirtemberg company ^ 
it has been divided into 102 parts, in order to let that company 
have a share of the common benefit. ^ Of these 

shares rd' stiv" 

The Governor receives 40 equal to 4791 21 

The second, M' Smissaert 13 . . . 1557 10^ 

The command* of the troops 4 ... 479 7| 

Eesident of Saparoua 7 ... 830 24^ 

Resident of Hila 7 . . . 830 24| 

The fiscaal 6 ... 718 34^ 

Resident of Haroekoe 3 ... 359 17? 

Resident of Larique 3 . . . 359 17^ 

Military accountant 3 . . . 359 17^ 

Secretary to Government 3 . . . 359 17^ 

Cap" of the Wirtemberg corps 2 ... 239 27 



119 37| 

119 37f 

119 37f 

119 37i 

119 37J 

119 37J 



Uppersurgeon 

Master attendant 

Book-keeper and ace** of merchandize . . 

Resident of Bouro 

Book-keeper and Milit-^ account* .... 

Secretary of Justice 

Bookkeeper and secret^ of the Court of land 

Justice 

L* Comm^* of Artillery 

Divided among seven lieut** and ^signs 

of the troops 2 ... 239 27 

D® among three sub" of the Wirtemberg company 1 . . . 119 37 1^ 

Shares . . . 102 rd» . 12.218 8^ 



119 37f 
119 37| 



1 Het Wurtembergsche regiment werd bij capitulatie van 1 October 1786 
in dienst der Oost-Indisohe Compagnie genomen en kwam in December 
1787 tot September 1788 aan de Kaap de Goede Hoop. Op bevel der 
autoriteiten in het moederland werden zij in 1790 naar Batavia gezonden 
(Heeres in de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, 
gevestigd te Utrecht, XV, bld25. 197, 203, 206, v., 209). 

' Eene soortgelijke, ietwat verschillende, opgave vindt men bv. bij Aiy 
Huysers, Beknopte heschrijving der Ooatindische etablissementen (Utrecht, van 
Paddenburg, 1789), bldz. 320, v.; Tweede druk (Amsteldam, Boos, Vermandel, 
MDCCXCn) , bldz. 321. 



DB VEEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 



321 



The hassel-gelt is divided into ten parts , one of which is stopped 
from all the iiiggeries for the orankaio of Mardika, * a village of 
freemen ^ bound in certain services, who have no ground to culti- 
vate cloves. This orankaio is called the gratudy of Mardika. 
6 thenths go to the rajah or orankaio of the niggery, and remai- 
ning three to the elders and divided among themselves. 

Tho' the average quantity of cloves allowed for is 600.000 i6, 
it varies considerably; the following is the account of the daties 
and entire produce of all the provinces under the government of 
Amboina for 1794/5. 













Total 






Fruit bear- 


half grown 


young 


number 




Daties 


ing trees 


d' 


trees 


of trees. 


Under Amboina 


. . 682 


25.018 


11.702 


2.890 


39.610 


Saparoua . . . 


. . 827 


25.875 


1.595 


653 


28.112 


Noessalaut . . 


. . 381 


10.583 


2.586 


8.872 


16.841 


Haroekoe . . 


. . 816 


20.322 


8.004 


1.725 


25.051 


Hila .... 


. . 507 


15.322 


1.173 


915 


17.410 


Larique . . . 


. . 213 


8.817 


2.161 


1.694 


12.672 



22 


total 


£, 


56.672 


450 




n 


513.600 


144 




ft 


98.594 


325 




ff 


5.825 


506 




» 


15.356 


347 




£ 690.047 



3.421 105.927 22.020 11.749 139.696* 
The produce of all these trees amounted to 

Bh' £ 

At Amboina bhaars 103 

Sapoura and Noessalaut . . . * . . 933 

Haroekoe 179 

Hila 10 

Larique 27 

Bhaars . . . 1.254 

The population of Amboina, both provinces and dependancies, is 
very exactly ascertained, as it is likewise at Banda and perhaps 
in all the other Dutch settlements. In every niggery there are 
certain persons, who in the month of August make regular lustrums •* 
of the natives of all descriptions , which are sent in to the Secretarys 
oflBce and formed into a general return, which is sent to Batavia. 
This is called a //Ziel bescriving" ^, of which the following is an 
abstract for the last four years. 



• De z.g. Kampong Mardika lag in de buurt van bet Kasteel Victoria 
(Vgl. mijn Corpus Diplomaticum ,1 ^h\^z. 179; Van Hoe veil, Atnbon^ bldz. 34, v.v.). 

' Ocang mardaheka of mardika. 

• Deze en volgende optelsommen kloppen niet alle. 

^ Men moet hierbij niet denken aan 5jarige periodes , maar in bet algemeen 
aan een census. 

• Ziels-bescbrij ving. 



lustrum: fob 1792. 


Enropeana. 
M. W. C. 


Meatiea. 
'M. W. C. 


Natives t a 
M. W. 


On the ivhok ]ela.aA of AmboioB .... 
Saparona, inoludg. the coaat of Cerom dep' 

Loehoe and the niggeries on Cerara(HilB)i 
Haroekoe with the coaat of Ceram depend' 


108 
17 
10 

14 
16 

12 
177 


1 


7 
7 


17 
20 

10 
9 

6 


Ul 
9 

n 

7 
4 

7 


207 
U 
10 

37 
18 

7 


3295 

1181 
990 
210 

102 
7M 
345 


3087 
2079 
801 
120 
16M 
379 
91 
751 
811 


1 


















TOT*L 


156 '185 


9539 


9073 


i< 


LUSTBUM FOR 1793. 


Europeans. Meaties. 
M. W. C. M. W. C. 


Natitrea t S 
M. W. 


Amboina 


107 
20 
6 

13 
13 

9 


1 


1 ino 


154 

35 

9 
4 

4 


303 
80 
28 

21 
21 

8 


8122 

1362 

186 
625 
295 
118 
519 
354 


3082 

2035 
782 
123 
585 
285 
94 
552 
311 


1 


SfvparouB and adjoining coast of Ceram . 

Noessalaut and Molana 

Loehoe and adjoining-nlggeriea .... 
HaroekoB and adjoining ooaat of Ceram . 


E 


30 
10 

13 
10 

7 




Amblaw 

Manipa .... 




Bonoa 




Total 


IBS 


1 1 I |il83 


208 


456 


7449 


7876 


!■ 


LUSTRUM FOB I7M. Enropean«. 
M. W. C. 


Mesties. 
M. W. C. 


Natives ♦ ani 
M. W. 


Amboina 

Sapoura and adjoining ooast of Ceram 

"LoehoK and niggerioa adjoining .... 
Haroelcoe and adjoining ooast of Ceram . 


12T 
15 

g 

8 
18 
19 

10 


3 


z 


145 

ai 

2 
2 
10 
10 

6 


38 
8 

10 
5 


475 
53 

12 
2 
32 
25 

5 


8277 
1430 
324 
143 
1635 
303 
191 
407 
329 


8061 
2078 
745 
121 
1538 
289 
140 
439 
297 


1 


Amblaw 


















Total 


100 


8 


-im 


314 


501 


8038 


8698 


1 


LUSTBUM FOB 1795. 




Natives t an 


Amboina 

Sapoura and adjoining toast of Coram . 

JfoBBsalaut and Molana 

Loehoe and niggerieB adjoining .... 
Haioeltoe and adjoining coaat of Ceram . 


125 
17 

7 
17 
IS 

"s 


- 


- 


ISO 
19 

3 

11 
9 

S 


245 

a 

18 
7 

4 


447 
52 

7 
45 
10 

8 


326.^ 
3925 
345 
147 
1688 
263 
132 
386 
296 


3026 
4811 
761 
131 
1471 
276 
87 
873 
274 




Ambiaw 












Total 


196 


- 


— |l74 [aflO 5li4 


10897 


iiara 


1 


These numbers appearing to fluuticate \ 
the average la noted J 


IBS 


- 


- 


h 


267 


432 


8853 


9213 


1 



eilaodje Molana, ten Ziiid- Wcaten van Saparoea (Vgl. over het leproEongMl 
^an Ho^vell, Amhon, bidz. 6, noot ' en Ludeking, Amboina, bidz. 158, t.t.). 
t aiet eeae vergissing? 
VVomeit, Childero. Het liekt de B&nd.e«Vvb, iait. e>i m 1792 en 1798 aleohU 



Mardykera. 


Chiuesa 


AlfoTQB or 
HeathenB. 


Matwaaar 
alaTea. 


Slaves of aU 
jtheroountryi 


Total 


M. W, C. 


M. W. C. 


M. W. C- 


M. W. C. 


M. W. C. 


80DL3. 


66 


45 


8S 


62 


88 


-_ 


142 


112 


122 


211 


196 


126 


856 965 
lOa 187 
67 58 


487 

74 
SO 


16759 
7250 
8056 
832 














42 


'£1 


26 








78 W 


75 


7489 














lOao 


1003 


1666 








19 41 


41 


4851 




























312 


























66 59 Se 


2657 


— 


— 


— 


— 




— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


9 8l- 


1264 


56 45 


». 


62 1 8H 


237 1214 1187 


1813 21l'i09'l25 'll98;i356 697 


46150 


Mardykere. 


Chiaese. 


Alfores. ^""^Z^- 


Slaves of all 
□bberoaimtr^i 


Total 


M. W. C. 


M. W. C. 


M. W. C. M. W. C. 


M. W. C. 


sonia. 


S& 


64 


144 


56 


82 


362 


- 


- 


- 


299 
9 


301 


81 


134 
ftfi 


908, 51 
155 76 
52I 23 


17321 
7695 
2983 


- 


— 


— 


— 


— 


— 


l&l 


140 


189 


- 


— 


— 


14 


??|^" 


960 
5864 


— 


r 


~ 


E 


E 


Z 


1026 


1007 

- 


1996 


E 


\ 


3 


17 
2 

as 

14 


I 


fi2 
S 
S9 


3178 
384 

1714 
967 


55 


64 |l44|{ 65 


82 .'252 1200 


1147 


2129 


SOI 


801 


81 


1228 


1827 


775 


41035 


Hardrkers. 


Chiaese. , Alforea. ^^IT^^' 


Slaves of all 
other places. 


ToTiL 


M. W. 0. 


M, W. C. 


M. W. 


C. 1 M. W. C. 


M. W. C, 


BOOLB. 




1 
50 183 


5.'«. 


5*40 






221 1 198 


43 


888 "977 


686 


17412 




















140 IM 


HI 


6B99 
























84 


2309 












192 152 


152 








161 2C 


n 


1015 


2 




















84 81 


V7 


7609 


" 


- 


- 


zlz 


- 


1188 1 11G6 


2078 


- 


- 


~ 


aSi 49 


67 
S2 


6608- 
488 
1287 


— 


— 


— 


_ _ 1 _ 




- 


- 


- 


- 


A 7 




1300 


66 


SO lita 


52 , 83 ' 240 14>» , laSB 


2270 


221 


198 


42 


1282,1399919 


43807 


Mordykera, '■. Chineae, 


AlfOrtB 


1' M„„.„. 
1, alavBB. 


Slaves of nil 
other plaoea. 


TotiL. 


40 


« 


92 i 66 91 1 STQ 




— 1^830 408 281 


796! 848|461 


17344 














266 a3l|ll9 


17505 














50 66| S7 


3684 


- 








193 , 160 


163 , — , — , — 


23 28 13 


1082 








46 30 ' as 1' — 1 - 




164 lOSi 80 


7474 












82 34 


Ifi 


1012 










- , - 1 - U - 








291 












33 45 


i!8 


1211 


_ 


— 


— 


— — |— |_| — 1 — 1— 1 — 


— 


8j 8 




1124 


' 40 

E 


4a a2 


56 1 94 279' 288 1 190 , IHT 


330 408 


2S1 


1343' 1348 749 


49727 


1 

51 .106 


56 


86 1 252 I02S 968 


1602 
__ 


266 274 


120 


1348 


1358 


785 


46253 



J 1794 sleuhtB drie, in 1796 geen enkele v 
de Amboa-eilauden bevoad. 
* IfahometaDB and ChristianB? 



r Europeesohen bloeds zioh op 



324 DB VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

Of the above tiumber, besides the Wirtemberg company, which 
is not taken into the account at all, the number of protestant 
Christians amounts to about 17.813; the rest are Mahometans, except 
the few Chinese and the Alfores, who are heathens. 

The Christian niggeries are all those immediately under the chief 
fort, ' except two insignificant ones, Rodenberg ^ and Laha ; all on 
Saparoua and Noessalaut , except about 40 or 50 families of Maho- 
metans, who have from time to time been permitted, very impru- 
dently , to settle in the niggery of Sirrisorry on Saparoua , where 
they have occasioned a great deal of trouble; half the niggeries 
on Haroekoe are likewise of the Christian faith, two niggeries on 
Mauipa, two on Bonoa and two at Loehoe. ' 

In most of these niggeries or districts are schools established for 
the instructions of the inhabitants, and in the Christian niggeries 
protestant ministers are appointed to preach the Gospel and pro- 
pagate the Christian faith. The expence attending these institutions 
is very trifling and the benefit considerable, as it is found by 
experience that the Christian niggeries are much more civilized and 
amenable to the laws than those of the Mahometan religion. In 
some few the inhabitants are mixed, but prohibited under severe 
fines and penalties from intermarrying. 

The manners of the Dutch gentry here seem much superior to 
what is to be observed in Banda, and it is said ever to have been 
the case, this setllement being estimated not only as the genteelest 
but the most profitable after Batavia. Banda on the contrary is 
considered as a sort of banishment to persons unworthy of any 
other appointment, the Governor alone enjoying the least hope of 
realizing a fortune. Most of the Dutch gentlemen are married to 
native women of perhaps the tenth generation from Europe blood, 
and seem never to have a wish to quit the "places they are in, to 
return to Europe; perhaps from the reflection, that their wives, 
who are little more than the chief female slaves of their families, 
are unfit to be introduced into society there. The ladies are fond 
of dress and wear a number of jewels, but they pride themselves 
particularly in the dress of their favorite slaves, who attend them 
in company, where they carry their mistresses betel-boxes, which 



* Kasteel Victoria. 

• nMaar een quart myl van 't Kasteel" (Valentijn, Ambon, bldz. 114). 
' Op Klein-Ceram (Uoeamoeal). 



DE VEEOVEEINa VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 325 

are always an article of great fashiou and expence, and sit on the 
floor, at their mistress's feet, unless otherwise employed or ordered. 
They are fond of dancing , if it can be called so , where , to the 
liveliest tunes, they consider it quite improper to go beyond a 
solemn walk to the figure and time. Their minutes ' are always 
danced with more life and spirit than their country-dances. They 
are likewise fond of music, and most of the families have some 
of their slaves taught to play different instruments. 

Of the manners and disposition of the native inhabitants in 
general, little can be said in their recommendation and the fierce 
savage wildness of their looks is a tolerably just type of their tem- 
pers and habits, which differ little from all the other Malays throughout 
these seas. In a climate , where nature so amply provides the means of 
subsistance with scarce any exertion of the inhabitants, it is natural 
to find them lazy in the extreme , tlio at the same time possessed of 
sufficient strength and activity for any pursuits. They are however 
treacherous, cruel and unsteady; by no means brave from principle, 
tho' sometimes capable of actions that appear in the highest degree 
so. Fierce and implacable in thier anger, they are easily hurried on 
by thier chiefs or leaders to the commission of the most extravagant 
crimes, particularly when, under the influence of bang or opium, 
without consideration or reflection. Wild and inconsistent, they are 
at on moment led on to the greatest crimes and the next become 
inoffensive subjects. Insensible at the time of the enormity of their 
guilt and indifferent to the consequences, they are incapable of one 
of the most amiable sensations of the human breast, repentance of 
past vice and remorse for crimes committed. Violent and artful 
they are never to be depended on , but always to be guarded against 
with a watchfull eye. Death they mind not, and even sometimes 
brave, public executions therefore have little effect on these people, 
unless attended with Dutch tortures; they are however strongly 
affected by a since of shame; and banishment from their country 
and families is one of the' most mortifying and exemplary 
punishments, that can be inflicted. These considerations have made 
the Dutch constantly prefer banishment and condemning criminals 
to public work in irons to capital punishment, and it is by a just 
estimation of their inconstant tempers and characters that they can 
best be governed. On this account it has been considered, as one 



* Minuets == menuetten? 



326 DB VEEOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

motive more effectual, to sentence the Hitoe rajah and three casizies, 
his adherents, to perpetual banishment, than to execute them 
in the common way. The former mode is not only considered the 
more dreadful punishment, where they are suffered to live in the 
mortifying reflection of being eternally cut off from their families 
and homes, but in addition, while there remains a doubt of his 
existence, no other branch of his family will stand up as a repre- 
sentative of it; which would not be the case, if he were publicly 
executed, as some of his numerous kindred or children would in- 
stantly supply his place. 

The dress of the inhabitants of all these islands is the same : the 
men wear a kind of loose shirt or frock of blue or black cotton 
cloth, made in India, with loose drawers to the knee; the women 
the same kind of frock, and a cloth folded round their waist that 
reaches tho their ankles. The better sort wear a kind of cloth made 
at Macassar very strong, and in general of a tartan ^ patterie. The 
general dress of the Christian regents is a black coat of broad cloth, 
black satin waistcoat and breeches , and either black worsted or cotton 
stockings, and always hats. The Mahometans wear also Europe fa- 
shioned coats of as great a variety as the oldest shop in Monmouth- 
street could produce, and perhaps many of them came from thence ; 
but they never wear hats, which in every Mahometan country are, 
considered as a reproach in part of dress. They wear tur bands of 
black cloth about their heads in a very unbecoming fashion, and 
sometimes meerly a handkerchief tied in a single knot. It seems 
to have been a study of the Dutch to establish certain sumptuary 
distinctions among the inhabitants, ^ perhaps for the purpose of 
exacting donations for indulgences with regard to them, at least 
they answer that end at present. No person but one of the three 
chief rajahs is allowed by inheritance the priviledge of wearing a 
gold-headed cane, a sword, a great umbrella; or can have the 
honor of a rest from the fort-gate guard, when he passes; and 
when any other person thro' pride or variety aspires to the same 
honors, which many of them do, they are obliged to pay handsomely 



1 Tartan = Sohotsche geruite wollen stof ? 

' Het is bekend, dat in den tijd der O. I. C. dergelijke ^sumptuary distinc- 
tions'' niet alleen voor inlanders, maar ook voor het Europeesohe element 
onder de bevolking waren voorgeschreven (Vgl. o. a. mijn artikel Oost-Indische 
Dames en Heeren uit den tijd der Gompagnie in Tijdschrift voor Nederlandsch- 
Indie, 1902, bldz. 58, v. v.). 



DE VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 827 

for them. The priviledge of wearing a green velvet coat was confi- 
nid to the prince of Tydore. Distinctions of dress and other indul- 
genes they appear to treat with particular respect, which always 
excites the general emulation to obtain them, and no doubt, were 
these priveledges' only bestowed upon merits, a velvet coat, a gold- 
headed cane or a large umbrella would have as good an effect in 
inspiring virtuous exertions, as a title or star; but it unfortunately 
happens that as the indulgences are attended with a perquisite to 
the Governor, the distribution is chiefly made for the purpose of 
obtaining it. 

Tho' the soil and climate of this island is capable of affording 
every thing necessary for the support and even luxury of the in- 
habitants, whether it arises from their natural indolence and aver- 
sion to labour, or any other cause, but there is not a sufficient 
quantity of food, particularly meat, for the maintenance of the 
garrison and inhabitants. There are neither cattle bred among them 
nor rice or any other grain cultivated, nor is there a manufacture 
of any other sort established; but for all their rice and other 
articles of food, except sago and fish, and all their wearing apparel, 
they are entirely dependant on Java , on which account the annual 
ship carries out a great quantity of all these articles, which are 
sold to considerable advantage. 

Sago is the chief food of all the inhabitants, the consumption 
of rice being trifling in comparison with it; and under the re- 
sident of Hila ^ on the coast of Ceram there are several doussons 
of sago-trees, which are very exactly numbered and sold every 
year, to the advantage of the Company. For this purpose, there is 
a Serjeants party kept at Loehoe and another small post at Lockay ^ 
under him. This serjeant takes a regular account of the number 
and state of the trees every year, and gives orders in writing to 
any persons who apply and pay the money for any number of 
trees, they choose to cut; they can not however go indiscriminately 
to any part they like , but to the particularly dousson , whose trees 
are at the time open for sale; not more than two doussons being 
open at the same time. The following is the last return sent in of 
the state of those doussons ' 



^ Is dit niet een vergissing? Vgl. noot 2 op bldz. 322. 
' Loki op Klein-Ceram. 

' Ik vind niet noodig, deze lijst op te nemen. Er waren in het geheel 
13.042 van deze sago-boomen , nl. 2965 van de l'*« soort (6en rijksdaalder) , 



828 DB VEEOVBEING VAN' BAN DA EN AMBON IN 1796. 

One good sago-tree, which is bought for 1 rd", when cut down 
and the pith taken out and prepared, yields about 60 measures, 
of rather better than 2 gull" (?) each of very fine sago-flour, which 
will subsist, with the aid of a little fish, a family of 10 persons 
for an entire month. This flour they will either bake into bread, 
which the sailors preferred to rice, or boil into a jelly, but they 
do uot understand the art of granulating it at Amboina or the 
adjoining islands. Fish is their next article of subsistauce, which 
is in general not so good to a European palate as that to be met 
with in most other countries, being very strong and rank, but 
being plenty, is universally made use of among the natives. The 
water being of a great depth and remarkably transparent , the only 
time for fishing, with certain success, is at night, by the light of 
torches , when the fish are attracted to the surface , and then easily 
caught ; it is the same at Bauda and among all these islands. 
There is no such thing to be got here as ghee, ' but to the poor 
cocoanut-oil supplies the place of it, and the rich make use of the 
canary-oil, in the same way, which when fresh made is as sweet 
as the finest Florence oil. 

In consequence of this dependent state of the island , the residents 
of the provinces and the officers commanding all the outposts 
carry on a very lucrative commerce with the people under their 
authority ; particularly the residents of Saparoua , Hila and 
Haroekoe. They get from the Company's annual supply such 
articles as are most in demand among the natives, particularly the 
cloths, which they sell them, at whatever price they think proper 
to ask ; and also occasionally supply them with small loans of 
money ; for all this , as the payment of the spices comes thro' their 
hands, they are sure to re-emburse themselves. This at diflFerent 
times must fall very heavy on the natives, and from an order of 
government, prohibiting the residents from stopping, on account 
of debts due to them, more than two thirds of the amount of 
their spice-money , it may be fairly presumed , that it has freequently 
been exceeded, and perhaps the whole amount of it engrossed in 
this way. These supplies are nevertheless very necessary to the 
wants and convenience of the inhabitants, for all foreign commerce 



649 van de 2^* (36 stuivers), 472 van de 3^* soort (24 stuivers) en 8875 
jonge boomen. 

* Ghee, een soort boter (Vgl. Hobson-Johaon^ p. 282, f.). 



DB VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 829 

being forbid, without them they must one half of them starve 
and all go naked. But were these supplies under proper manage- 
ment and regulation , they might not only become a great comfort 
to the inhabitants, but a source of profit to the Company, by 
simply establishing factories at the diflFerent residencies and posts 
for the sale of such goods as are in general estimation there, for 
which a regular profit of 50 percent might always be depended on , 
which the inhabitants would gladly pay, provided a positive 
restriction was put on further exaction, by publishing at each 
place the fixed price of each article. 

This trade, as it now stands, is carried on by the resident of 
Saparoua not only to the inhabitants of the two islands under his 
charge, but along a great extent of coast on the South-side of 
Ceram, as likewise by the residents of Haroekoe and Hila, from 
whence their chief returns are in sago and money. 

Among the productions of the island indigo of the finest colour 
possible is produced, it is said, in small quantities, but has been 
discountenanced , it is said , from an apprehension of its interfering 
with that produced in the West Indies ; but I rather imagine 
from a wish to prevent the people growing rich by any manufac- 
ture, which might render them independent. 

Sugar grows here extremely well and very cheap, but no field 
has hitherto opened to encourage the manufacture of it. Coffee is 
found here in great perfection and, if sufficiently attended to, 
might equal the best from Mocha. Upon the beautiful heights in 
the neighbourhood of Amboina town , wheat could be cultivated to 
great advantage, both the soil and climate being extremely well 
adapted to it. Maize already grows in great perfection, and the 
dry or mountain-rice is known here, but little attented to. The 
bread-fruit-tree is quite common, but only made use of by the 
lowest order of the people. The chocolate-cocoa-tree grows very well, 
but the cultivation neglected. There is a great variety of fruit .... 

Nutmeg-trees have been for many years absolutety forbid in 
Amboina, as much as cloves are now in all other places, but Am- 
boina; but about 11 years ago, finding the produce of Banda 
very inadequate to the quantity wanted, and perhaps from a hope 
of establishing the entire cultivation at Amboina (which if effected 
would render thie establishment of Banda unnecessary , and is by no 
means a speculative undertaking, but would answer extremely 

well and might be effected entirely in 15 or &0 : years at the 
?• Volgr. VI. 22 



330 DK VEBOVEltING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 

utmost), they uot only permitted but encouraged them at a price 
much above that paid at Banda, giving a premium of 1 : rd" for 
every hundred, with the mace on. For this reason the chief inhabi- 
tants of the Leytimor side agreed to cultivate at first 10.000 trees, but 
notwithstanding this, there are not above half that number now in 
the island. Of vegetables there might be the greatest variety and the 
finest quality : excellent roots of all sorts thrive astonishingly ; the 
different kinds of yams and sweet potatoes excelling in a great 
degree, and latterly the circulation of more money than usual among 
the people considerably encreased the quantity brought to market. 

Of wild animals the variety is not great, the chief being deer 
and wild hogs , none of a dangerous nature ; but when it is consi- 
dered , that owing to a want of attention and care there are no 
sheep in the island , beyond a few for curiosity , no cattle for 
tilling the ground , nor cows enough to furnish milk and butter 
for even the gentry of the town, the indolence of the Dutch 
appears greater and more extraordinary than that of the Malays ... . 

Tt is said by many that the mountains of this island contain 
gold-mines; whether they do or not, there are none worked. 

The government of Amboiua is managed by a governor and Council, 
and four others, whose salaries are very small, but they have many 
perquisites, of which the principal is that already stated of 20 percent 
on the weight of the cloves. The administration of justitie is carried 
on in matters of small concern by the fiscaal, who cannot extend 
his punishment beyond confinement and whipping and some small 
fines, tho' there is generally conceived such a terror of his executive 
power, that those, who are summoned before him, are glad" to go 
to the full extent of their means ^ , to moderate his severity and 
procure their enlargement. In the different niggeries the regents 
with the assistance of their elders of the first and second class are em- 
powered to settle small disputes amongst the inhabitants; from 
their decision an appeal lies to the Laudcouncil, which is a court 
composed of 6 of the principal persons of the settlement and 14 
regents who sit with them. But in affairs of great importance and 
criminal causes, the Council of justice alone are competent to determine; 
at this the second in Council presides and there [are] seven members 
altogether, besides the secretary. Their proceedings seem to load ex- 



' Ik laat natuurlijk deze en dergelijke beweringen voor rekoning van den 
schrijver van het stuk. 



DE VBROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 831 

pence on the persons who come before them , like all other courts 
of law, tho' they have no lawyers. But the secretary of justice 
answers the same end ; supplying forms of all kinds for both pro- 
secution and defence and stamps, the prices of which are proporti- 
oned to the nature of the proceeding and magnitude of the cause. 
The fines of citations and all other fines are said to be divided 
between the court and charitable purposes ; but in the accounts of 
the orphan-society and church-fund, there is no mention made of 
any sum received from the Court of justice, * so that, if they are 
charitable, they have the additional merit of bestowing their bounty 
in the most private manner. The prices of all stamps are paid 
into the treasury , but the client is obliged to pay in addition a 
fee to the Secretary, which is generally greater than the stamp itself. 
In cases of condemnation no sentence can be put in force without 
the sanction of the Governor, who can always counteract their decrees 
on the side of mercy. 

As well forms of law as all other forms whatever and even 
passes to go from one district to another with any article of trade 
are subject to taxation by stamps and seals. The prices of these are 
always carried to the Company's credit and lodged in the treasury, 
such as for the stamps and seals of commissions to the regents and 
other appointments; but the extra fees in the Secretarys and other 
offices are always the better half ^ of the sum paid. 

The taxes and revenues of this government in the time of the 
Dutch were but few and some of them not very commendable; the 
annual amount as let in September 1795 is as follows. 

The priviledge of selling arrack per ann 5,590 

Import- and export-duties 5,530 

Gaming-tax 1,196 

Bazar do 1,710 

Capitation-tax on the Chinese 512 

For slaughtering pork 250 

Tavern duty 26 

Total . . . 14,814 

Of these perhaps the only taxes of real benifit are the taxes on 
arrack and gaming. 



* Ik laat natuurlijk doze ou dergelijke beweringen voor rekening van den 
schrijver van het stuk. 



332 DE VEEOVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

There is no rent levied from the soil, beyoud the monopoly of 
its most valuable produce at a very low price, but the iuhabitauts 
are bouud in a variety of duties to government, the chief of which 
is attending the Governor in his annual circuit round the provinces 
and their dependancies. This circuit, called the hongy-expedition, is 
performed by the Governor attended by a detatchment of troops and 
such of the gentlemen of the settlement as he wishes. He is attended 
by a great number of orembays, furnished and manned by the different 
regents oi those niggeries, bound to attend him according to the regula- 
tions and instructions given to them at their appointment, and now 
confirmed by the custom and practice of many successive g^erations. 
The Governor issues the hongy-placard in the beginning of October 
and on the 18^'' he embarks, attended by all those of the niggeries 
under the chief fort and proceeds first to Hila, where he is joined 
by all those of that residency and Larique. He then goes on round 
all the provinces and outposts, encreasing his train untill his return. 
The object of this expedition is to impress strongly on the minds 
of the people the power and magnificence of the Dutch nation, 
to enforce the decree of cutting down all the clove-trees that might 
shoot up in any other places but the daties, to receive complaints 
and redress grievances. This expedition was formerly made in large 
corracorras, but as there were attended by a very heavy expence, 
they were about 21 years ago reduced to orembays, which are 
much lighter and more easily managed. But even these are a 
dreadfull tax on the people, and after all it is but a meer parade 
and is of scarce any real utility. From it however the Governor 
draws a considerable perquisite, for it is a regular established fee, 
that such of the regents, as wish to be excused, pay him rd" 100 
for the exemption , and for this the residents at the outstations 
become immediately responsible on the part of such of the regents 
under their jurisdiction, as wish to be excused from atfending. In 
the following code of instructions are set forth the particular du- 
ties, which the inhabitants are bound to fulfill as well with regard 
to the hongy-expedition , as all other services whatsoever. 

Translation of the instructions to regulate the conduct of 
all rajahs, patties and orankaios throughout the provinces 
and dependancies of Amboina. 

Article P*. It is incumbent on all rajahs, patties and orankaios 
under the high authority of government, to rule their subjects 



DE VBEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 333 

with leuity and humanity , abstaining from all exactions and cruelty. 
They must admonish and animate them to the performance of their 
duty, check all irregularity of conduct an4 take care to acquaint 
the Governor with every circumstance of importance, that may 
require his decision or that of the Land -council. 

Article 2^. Those of the regents, who profess Christianity, shall 
take care that the exercise of the Christian religion be strictly ob- 
served and diligently propagated. They themselves and their families, 
the orang tuas and elders of the 2^ and 3 class must for this pur- 
pose shew good example, by frequenting public worship, keeping 
their youth at school and preventing every kind of superstition 
and idolatry. They are likewise obliged to prevent all hatefuU dis- 
putes between their people and those who profess other religions 
different from their own ; and for this purpose at places where 
Christians and Mahometans live together, each of them shall exercise 
his own worship without disturbing the other. 

Article 3^. The Mahometan people are particularly enjoined, not 
to molest the Christians, and the casizies or priests, moreover, 
shall cautiously avoid teaching Mahometan precepts to Christians, 
or building mosques in places inhabited by Christians, on the cus- 
tomary penalties. ^ 

4^. No Mahometan is permitted to marry a Christian woman, 
nor can a Christian take a Mahometan woman to wife. The same 
prohibition extends even to concubinage. 

b^^. The regents are ordered not to exact any other duty from 
their people beyond what they are authorized by custom to do; in 
consequence of which each of the three principal rajahs shall 
dispose of 5 quartoes or servants, more or less from each niggery 
in proportion to its population, and if(?) the quartoes are relieved 
monthly. Those regents, who have more than one niggery under 
their authority, may from each take quartoes, but by no means to 
exceed the regulated proportion without the express permission of 
Governor or Council. 

6^^. To each of the three principal rajahs moroever shall be allowed 
two tyfadores or toddymen, one tanassy or fisherman, and two 
people to carry dammers or torches to attend them to evening- 
prayers. 



^ Hierbij is de volgende noot in het handsohrift geplaatst : 
The usual punishment for this offence is a fine and whipping with the 
gabba-gabba or green branch of the sagoe-tree, which is very severe. 



334 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

7^'\ Every regent is obliged to see that their quartoes are exact 
ill the performance of their several duties, and carefull to prevent 
the least neglect whatever. For this purpose, two or more families 
of their quartoes shall not live together in one house, so as to pass 
for one family, but each quartoe must live with his wife and 
children in his own separate dwellinghouse and each daty must 
perform the duties laid upon it under pain of severe punishment. 

8^*^. To prevent the niggeries being deserted by the quartoes in 
order to free themselves from the performance of their respective 
duties, the regents must be careful that none of their people quit 
their niggeries and pass over the other districts or take service 
with Europeans as morits * or slaves, before they are qualified to 
do so by a writ of permission from the Governor at the chief fort 
or the residents at the provinces to which they belong. 

9^^. No houses shall for the same reasons be tolerated in the 
woods, but at the time of gathering the cloves, when small sheds 
may be erected for the accommodation of the collectors, which are 
to be demolished immediately when that business is finished; larger 
houses, which are found beyond the bounds of the niggeries, must be 
burned down; and those rajahs, patties and orankaios, who shall 
neglect to give due information thereof, shall be deprived of their 
office and banished out of the province for life. 

10^'^ The usual duties imposed on the dififerent niggeries consist from 
time immemorial in repairing the redoubts and doing every thing 
else that concerns the public good ; as, in bringing and keeping in 
readiness the rowing orembays, which are required one from each 
niggery ; in constant attention to the spices ; and in supplying 
persons to transport the residents to and from their stations, when 
necessary business requires their attendance. They must also attend 
upon and execute the orders of the commissioners who inspect the 
cloves ; procure gabbagabba and attap (or thatch), to cover the ships 
and other vessels that are sent hither to take in cloves. They are 
also obliged to procure materials for the daily works, at the taxe 
of 1 : stiver and 1 : pound of rice to each man per day. 

IV^, The inhabitants of Manipa are obliged to contract (February 
17^^^ 1622)2 to build and repair the redoubts and to procure lime , 



* „Morits rather signifies covenanted apprentices, or conditional slaves 
for a limited term". 

* Dit contract van 15 (niet: 17) Februari 1622 is opgenomen in mijn 
Corpus Diplomaticum , I, bldz. 175, v. v. 



DE VEROVEK.ING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 335 

bricks, timber aud workmen, without any allowance whatever being 
made to them for it. 

12^''. The niggeries of this main fort, to the number of 8, must 
furnish in their turn, two at a time, sixty quartoes monthly 
between them: viz* Keelang and Eeraa; Zoya and Lutoehalat; * 
Hatoe and Halang; ^ Noessanive and Murdika. *' They must more- 
over send 5 extra quartoes each, when at any time required for 
ships loading and unloading, from the niggeries of Alang, Lilleboy, 
the Pass, * Soely , Way ^ and Great Hoetoemoery. 

IS^*^. At the dififcrent posts and out-settlements the number of 
quartoes to be furnished is stated in the following proportion, viz*: 

Baguala pass . . . .10 Post Hoorn .... 4 

Namakoly post ... 8 Larique 13 

Hoetoemoery .... 4 Labay 2 

Hila 17 Tapisbay 2 

Loehoe 10 Post of the Ceries . . 2 

Hitoelama 10 Bouro 10 

Niggory Lama ... 2 Amblauw 4 

Saparoua 17 Manipa 10 

Noessalaut 6 Saway 4 

Portoo 10 Keelang ..... 4 * 

Haroekoe 13 

14^^^ The niggeries adjoining this main fort, viz* Hatoe, Lille- 
boy, Alang, Waccassieuw, Larique and Oery, ' must, on the 
arrival of a ship from Batavia, have in readiness good strong 
orembays, manned with 25 or 30 rowers, and at the first signal 
of a gun from Alang giving notice, that such ships are in sight, 
immediately attend the serjeant, who superintends the Companys 



^ Latoehalat. 

' Alang. 

' Mardika. 

* Paso (van Bagoeala). 

» Soeli, Wai. 

^ Deze plaatsnamea zijn voor een deel voldoeade bekend en komon op do 
meeste kaarten voor. De post Namakali ligt bij Alang (Valentijn, Amboina, 
a., bldz. 115); Hoetoemoeri ligt op Lei-Timor (t. a. p. , bldz. 117); Niggory 
Lama moet misschien zijn Lima; Post Hoorn lag op Haroekoe; Labai, op 
BoeroeV??, Tapisbaai, bij Larika? (vgl. Valentijns kaart van De Landvoogdi/ 
van Amboina) ; „Post of the Ceries"? 

7 Oering. 



336 DB VEROVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

slaves, and go in company to tow them in and save thera from 
danger. 

15*^'. The following native regents adjoining this main fort, viz': 



Noessanive. 



. . 



Keelang 
Zoya. . . . 
Great Hative . 
Halong . . . 



Latoehalat 

Ema 

Gnatahoedy of Mardika 
Great Hoetoemoery , and 
Zoely 



must, according to their promise formerly made, continue to 
procure the firewood necessary for the bricks and tyle-kilns, at 
usual price of thirteen rixdoUars the steeple of six fathoms long, 
one fathom broad and ten feet high, which money is to be divided 
amongst those, who cut the wood and delivered the same, without 
the least deduction by the regents. 

16*^ The regents of Alang, Way, Toelehoe, Tengatenga and 
Tial, who at the before mentioned period had agreed to furnish 
nanny piles * for the construction and repair of the peer head, 
are still to be kept to that duty. 

17*^. At any time the Company may want lime for the use of 
the fortifications or buildings, the regents on the first demand 
must without delay or neglect provide and send the same to the 
main fort, viz* from each daty of their districts three measures 
at the old price of 6 d" p'last. 

18^^. Those of Bouro and other places, where timber may be had, 
are bound to furnish it the following rates, viz*: 

One Amboina beam rd". 1. — 

D® of covassa wood — .6 

An oar — .6 

Nanny pili . 1.12 

Hand-spike — .3 

Pole —.2 

Lassy-wood for stocks of guns 1.28 

Iron- wood one foot diameter 1.24 

Anchorstock 3. — 

Swalop or large beam of lassy 1.24 

* „A remarkable strong and durable tinxber and we.l adapted to this 



purpose 



» 



DE VEROVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 337 

19^^. Large timbers are to be paid for in proportion ; they must be 
brought in, whether from a small or great distance, amongst the woods. 

20*^. As the governors of Amboina yearly perform the hongy- 
voyage or expedition with a fleet of corracorras, so the same must 
assemble from every uiggery, and the rajahs, patties and orankaios 
must attend in person at the main fort on the 18**^ of October, 
without making any excuse whatsoever, except in case of sickness, 
when they must send some other person in their stead, after having 
made the Governor acquainted therewith. 

In the year 1781, Sept'. 28*\ an order was issued at Batavia to 
lessen the expence of the hongy -expedition to the natives , which before 
this time was performed in corracorras, which were large boats, requiring 
80 or 90 men and very liable to accidents in gales of wind. The 21^* 
article therefore was at that time altered and now stands as follows. 

21"*. Notwithstanding the High Eegency of India had judged the 
yearly hongy-expedition to be too expensive and heavy for the 
greater part of the so much depopulated districts of Amboina to 
bear , and notwithstanding the General and Council have considered 
the corracorras to be unfit for the purpose in bad weather, whereby 
many of them have foundered, nevertheless it is ordered by the 
said High Regency, that these be kept on foot and maintained by 
Manipa and Bonoa. 

Bonoa: the admiral corracorras of 4 nadjoes ' (or banks of oars), 
manned by at least 60 massanaijoes ^ or rowers, exclusive of 
the natoes (helmsmen or quartermasters). 

Under fort Victoria: 

Gnatahoedie : the fore-sailor or cap*° laut. ' 

Hoetoemorry, \ as a reserve and to be prepared with fishing 
Alang s utensils to supply the Governors table with 

and LiUeboy ] fish. 

All these four corrracorras must be of three nadjoes and man- 
ned by 50 rowers besides the natoes. 

In future instead of the remaining corracorras for the hongy- 
expedition , there must be kept in readiness and entertained good 
strong orembays with sails and rudders to have the lenght of 
50 or 55 feet and from 12 to 13 breadth, viz*: 

Under the main fort : 



* Ngadjoe. 

' Vgl. Van Hoevell, Ambonsch-Maleiach , bldz. 21, sub voce: masnait. 

' Kapitein laoet: zeekapitein , admiraal, vlootvoogd. 



338 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

Noessanive and its subordinates One orembay 

Kelang and . . . . d^ One d^ 

Zoya d^ One d<^ 

Great Hative . . . d® One d® 

Ema d^ One d® 

Latoehalat . . . . d^ One d^ 

Baguala One d® 

Soely One d« 

Way Six d<> 

Under the residency of Hila One d® 

Piroe and Tanoenoe ^ One d*^ 

The residency of Saparoua Ten d** 

On Noessalaut Four d® 

The outward-coast of Ceram Nine d*^ 

The establishment of Haroekoe Four d*^ 

Komony , Cuy- \ are long since excused ; instead of this they yearly 

lolo , Catauw , \ must give two fishing-nets for the use of the 
Pilauw 2 . . ] Governor and hongy. 

The inner-coast of Gei-am . Three orembays 

The residency of Larique Four d** 

Bouro Two d® 

The island of Amblauw Two d® 

Manipa Three d® 

Zaway Two d® 

All which hongy -orembays must be properly provided with sails 
and rudders and manned with not less than 30 rowers, besides 
the natoe, without any allowance, except to the black chiefs of 
the vessels who are present, each of whom is to receive lbs 80 of 
rice, 12 cans of arrack and lbs 12 of salt-beef or pork. The Ma- 
hometan chiefs to receive 1^ rixd" in place of the latter article, 
according to the usual custom. 

22^. Each corracorra of 4 nadjoes must be 90 feet long and 
9 astas or cubits broad (13 J feet) ; those of 3 nadjoes must 
be 84 feet long and of the same breadth as the former, on pain 
of confiscation of the same, if found under the said dementions, 
besides the fine of 50 rd"; and every rower shall be fined one rix- 
dollar. 



* Piroe en Tanoenoe, op West-Ceram. 

' Kailolo , Kabaoe , Pilao op het eiland Haroekoe. Komony is mij onbekend. 



DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 839 

23^. The chief of the Ambinese must conduct themselves accor- 
(liug to the hoiigy-placard , which the people are always made 
acquainted with, before the departure of the fleet, in the Malay 
language. 

24}^^\ The rajahs, patties and orankaios under the main fort, who 
want to build new corracarros, must previously advertise the Governor 
thereof, and also 'those of the. subordinate stations their residents, 
under the penalty of rd" 25, to be paid from their private property, 
for such neglect. 

25^^. Those who dwell at Hoekoenaloe, or the Three houses, being 
for a long while exempted from the hongy- voyage, on condition that 
they should transport the Companys servants from that place to 
Hital.ima and convey light goods and letters back and forward 
by land, are still bound diligently to perform that duty. 

26^*^. The respective regents must be ready and keep their orem- 
bays ready for a cruise, whenever they may be ordered either by 
the Governor alone or with the Council. Each of these orembays 
must be manned with at least 30 massanays besides the 
uatoes ; all must be provided with good victuals, sail and 
rudder, after the old way, and at the expence of the several 
districts. But when on a cruise an orembay should perish either 
by tempest or other accident, the same shall be made good by the 
payment of rd". 50 to the owners, according to the gracious con- 
cession of the High Regency, explained by letter 15*^ December 1777. 

(The next article was altered from the old instructions by an 
act of government, 28^^ September 1781). 

27^^. Particular notice of every thing that may be resolved on 
by the residents of the different provinces, the rajahs, patties and 
orankaios must be taken in writing and sent to the Governor for 
his information. 

28^^. The respective chiefs of the subordinate stations i being 
qualified to hear and determine all small disputes, that may arise 
about limits, doussons, or lands, about pulling down sagoe trees, 
plundering fruit, and such like matters, they must do the same in 
presence of the regents and two or three impartial people of the 
district at which the dispute happened , reserving to the defendant 
the freedom of appeal from the sentence passed to the Land-council 
here. But these decisions may not be extended to causes, which 
appear at all criminal or any that may exceed rd" 50, which must 
be brought before the Bench of justice and decided there. 



340 DE VBROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

29^'\ At the said assemblies uo person shall be promoted to be 
a second or third vote or be a capalla soa or alderman without 
a special licence from the Governor, to whom must be presented 
the most considerable and able persons to fill the vacancy ; without 
which the person so appointed shall be liable to immediate removal. 

30*^. The regents of the inner-coast of Ceram, belonging to the 
residency of Saparoua, are not permitted to hold ^assemblies for the 
above purposes without being duly qualified bij the Governor and 
Council, who may send commissaries to assist at those meetings, if 
necessary for the quiet of the natives on the coast of Ceram , under 
pain of suffering the same punishment, usually inflicted for such 
offences. 

31"'. Whenever the rajahs, patties and orankaios wish to write 
to the High Regency of Batavia, they must send their letters under 
an open cover to the Governor, under pain of being punished as 
the nature of te cirumstances shall require. 

32^. Those among the bangsas or people of rank, who from birth 
or relationschip shall aspire to the succession of a regency, whether 
rajah, patty or orankaios, vacated by death or otherwise, must 
produce a claim to such distinction before the Council of govern- 
ment and prefer their request, having previously shown it to the 
Governor alone, after which the nearest related and the ablest 
shall be nominated to succeed. 

33^. The following regulations must be accurately observed by 
the regents concerning the culture of cloves. 

A. They shall principally take care that the cloves may not be 
sprinkled with salt water or dried over a smoaky fire on any 
pretext whatever. 

B. That each daty if possible shall be kept to the number of 
140 : trees, according to the established order. 

C That at any time the Company shall choose to have the trees 
augmented or diminished from the above number, they shall be 
immediately complied with upon order. 

H. That the cloves being ripe shall be forthwith gathered ere 
they become polongs. * 



1 Polongs or mother-cloves are the fruit in its full growth, which is then 
fit for seed. Since the above orders were first issued, the Dutch Company 
have encouraged the cultivation of nutmegs in Amboina and have agreed 
with the principal regents to cultivate 10,000 : trees and give a reward of 
1 rixdollar for every hundred nutmegs produced with the mace on. 



DE VEKOVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 341 

K. That every nutmeg-tree wherever discovered be torn down and 
the stumps cut across, to distroy the growth of these aromatic trees. 

F. That the clove-trees shall be kept from all wild and dirty 
plants which may surround them, in order first to hinder the trees 
from being too much choaked by them and next to prevent those 
wild plants taking fire and thereby consuming the clove-trees, 
as was experienced some time ago at Alang, Lilleboy and Haloe, 
where a considerable quantity of spice-trees were lost by that 
accident. 

6. To guard against the like accident as much as possible, every 
one is recommended to order in his own niggery , that no body 
at night go round with cumming (torches) or throw them away 
imprudently in the forests, or set fire to the long grass. Any per- 
son so offeudiug shall be punished properly. 

H. When cloves are to be embarked, there must be lamps kept 
burning in the transport- vessels, as long as the delivery thereof 
continues. 

I. The natives of the isle of Noessalaut shall not be permitted 
to transport cloves to Saparoua to be weighed there, but under 
the superintendance and inspection of the regents of the niggery, 
where they have been gathered, and under a pass from the officer 
commanding the redoubt Beverwick (on the island of Noessalaut.) 

K. Nobody during the time the cloves are gathering shall pass 
from one district to another upon any pretence whatever. 

li. From the weight of the cloves must, in consequence of the 
established order, be deducted 20 percent, without any contra- 
diction. 

M. The barrot- or hassel-money shall continue to be 'paid and 
divided in the old established way in favor of the regents, the 
head of the Mardykes and the elders or capalla soas of the 
niggeries. 

34^^. The datties must always be kept at the stated number, 
and at the death of a daty-keeper the Land-council or resident, 
where he happens to die, must be informed thereof, that at the 
first opportunity the vacancy may be instantly filled. 

35^^. It having been hitherto usual that during the gathering 
season the regents have employed their subjects two days a 
week to gather their own cloves, the same custom shall still be 
continued. 

36^^. The island chiefs are every where obliged to repair and 



342 DE VEROVEBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

build up a new the churches and school-houses, as may be found 
necessary in their niggeries, at the expence of their common cash, 
and never at that of the Company. 

37^^. They are likewise obliged to provide houses for themselves 
at the expence of the niggeries and to keep them in a good con- 
dition ; but intending to renew them, the Governor must be acquain- 
ted therewith and applied to for permission, also the residents in 
like manner at the out-settlements. 

SS^*'. The regents are moreover bound by their duty to watch 
and guard against all trade or alienation of spices in order that 
they may not be transported to other places, neither the young trees 
or plants; no trafficking of them for other things wil be tolerated, 
on penalty of death and confiscation of the goods of the person 
guilty of such an offence. 

39^*^ Perpetual banishment, confiscation of goods and incapacity 
of their children or kindred to succeed to any regency, will be the 
punishment of those rajahs, patties and orankaios, who shall admit 
vessels, whether belonging to the natives of Ceram, to Burghers, 
Mardykes, Chinese or to any foreigners whatsoever, into their 
iuhams, * bays, creeks or rivers, without laying an embargo on 
them or bringing them up to the next establishment or post, when not 
provided with a pass from the Governor or chiefs of the provinces. 

4Qth^ Whenever it shall happen that foreigners, English, French, 
Portuguese or Spaniards, shall come and present themselves with 
their ships under these dominions and cast anchor near any district 
of the regents, it shall be the task of these, according to the oath 
of fidelity sworn to the Company, to refuse admittance to those 
strangers and to interdict every supply to, and all commerce or corres- 
pondence with them, not even permitting them on any pretence to land. 

4P*. In consequence of wich the regents are most positivily 
warned not to pass to or from the foreign ships and not to drive 
any trade with them nor permit their subjects to do so. 

42^. But if those foreigners should by force try a landing and 
be repulsed, he that may have most distinguished himself thereby , 
shall be recompensed for his fidelity ; when on the other hand, he, 
who may have shown any complaisance on what reason so ever, 
shall be openly treated as a faithless subject to the Company, and 



' Het Nederlaudsohe woord: inhammen. In een noot staat „ villages naer 
the sea". 



DE VEROVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 343 

be punished ; chiefly those , who may have sold spices even in the 
smallest quaTitity or who may have shown places where plants may 
be got. 

43^. The regents in general are further bound to hinder with all 
their power and take care, that none of their subjects for the sake 
of debts do pawn his body or take money to serve his creditor, 
as is prohibited by placard June 28^^ 1770. 

44^. They must in the same manner observe and cause to be 
observed the placard of x^ugust 3P* 1770, prohibiting the engaging 
or alienating of daty, doussons and plantations called fatanamangs. 

45*^. The rajahs, patties and orankaios must likewise be attentive 
that according to the orders from the general and council of Bata- 
via, their subjects do not travel to Batavia or elsewhere out of the 
neighbourhood of their provinces, tho' they may make use of the 
freedom, formerly granted them of visiting their friends in the neigh- 
bouring districts or the establishments belonging to government to 
transact business, such as buying sagoe, bread, tobacco et^% for a time 
limited by the regents, except at the period the cloves are gathering, 
when navigation to the inner-coast of Ceram alone remains free 
for buying sagoe, and that only on condition that several vessels 
go together under one regents, and under due pass from the Gover- 
nor or their respective residents. 

4f6^^\ No regent or private person is allowed to chase or shoot 
deer, either in Amboina or the provinces, without first having 
obtained permission so to do, either from the Governor or from the 
resident of the province. 

47**^ The regents are likewise bound to report , pursue and appre- 
hend • all deserters, vagabonds and fugitive slaves, who may con- 
ceal themselves within their districts. 

48**\ The regents of the respective niggeries, upon the discovery 
of persons troubled with the leprosy or any other contagious 
disorders, must give immediate information of the same, and by 
no means suffer such wretched persons to remain concealed within 
their districts. 

49^*\ The respective regents must cautiously avoid making im- 
proper requests, and the principal rajahs, of Noessanive, Keelang 
and Zoya, must likewise avoid debauching one another subjects, on 
pain of being considered as disturbers of the public peace and 
being deposed from their regencies. 

50^''. All regents are hereby most seriously ordered and recom- 



344 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

mended to observe punctually the foregoing orders and instructions, 
and cause them to be observed by the people under their commands, 
without any connivance or evasion whatever; but to conduct them- 
selves like obedient and faithfull subjects to the Company, as they 
are bound upon oath to obey all such orders as are issued in their 
name and by their authority without contradiction or delay. 

Actum at Amboina in the castle of New 
Victoria, January IP^ 1771, 
(signed) A. van der Voort. 

Erom a view of the foregoing code of regulations and instructions, 
issued 25 years ago, in which not only reference is had to acts 
and agreements entered into 150 years before, but many of them 
actually continued from that date ; from the constant discourage- 
ment of cultivation, manufacture and improvement of any sort, that 
might enable the people to supply their own wants , by which they 
were kept down in a state of wretched poverty and dependance, 
even for the necessaries of life, which have progressively encreased 
in their value without a proportionate compensation made either 
for their labour or the produce of the soil ; from a consideration of 
a great decrease of wealth and population universally allowed and 
which may be plainly observed to have happened of late years, the 
necessary consequence of such discouraging circumstances ; and 
lastly, from a reflection on the common justice, due to a large 
body of people who are willing to become peaceable and faithfull 
subjects , it appears to be the plain suggestion of humanity as well 
as good policy, in order to promote the proper management and 
internal prosperity of this settlement, to remit considerably from 
the severity of the duties and services, in which the people of 
Amboina have been hithertho bound , and from which their natural 
impatience took advantage of the first change of affairs upon the 
arrival of the English, to break forth in sudden and active endea- 
vours to free themselves. ^ 

The ' following propositions therefore are stated with a view 
towards alleviating the oppressions, under which the natives live 
and, without abandoning the sole right of their spices upon the 
principle of a decided monopoly, ^ to afiford them such indulgences 



* Wat niet klopt met wat het journaal hierv66r vertelt. 

* Waar blijven de vrijzinnige denkbeelden der Engelschen op dit punt? 



DE VEROVEKING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 345 

as may content their minds and make them willingly submit to a 
government, that will amply provide for their wants in the most 
reasonable manner, hold oul every encouragement to promote industry 
and arts among them, protect them from the plunder and invasion 
of pirates &nd establish the general improvements, most likely 
to contribute to the internal police and happiness of these provinces. 

To a people, not only acknowledged to be free, but who have a 
very high idea of liberty, few things are considered more oppressive 
than being obliged to give their labour and the produce of their 
industry at rates unreasonably low. It is therefore evident, that one 
of the first steps towards establishing content in their minds and 
thereby laying the foundation of a peaceable government, would 
be to free them from all exacted labour at the old stipulated rates, 
which, tho' confirmed by the custom of many years, is nevertheless 
borne in complaint and only submitted to from the apprehension 
of force. A liberal hire therefore, bearing a due proportion to the 
prices of provisions and other necessaries of life, should be in all 
cases allowed. But least overturning old established customs might 
hurry a people, liable to be led into extravagancies, into the op- 
posite extreme (an absolute refusal of all labour whatever), the in- 
dulgence of a just hire should be compounded with the precise and 
indispensable obligation to furnish proportionate numbers of work- 
men from the different districts, according to their population, 
whenever the necessity of government might require it. 

From the same reasons the price of the spices should be increased, 
so as to re-imburse the cultivator for his trouble and make the care 
of the trees and the produce thereof an object of willing attention, 
and not, as it is at present, of exacted duty. At the same time the 
obligation to deliver in the whole of the produce * , and the absolute 
prohibition against smuggling should be continued in full force. 
For this purpose it is imagined, that by raising the price from 
what it is at present, while subject to the deduction of 20 procent, ^ 
something below 4 pence, to 6 pence per pound, without that deduction, 
would be sufficient. The barrot- or hassil-money , in favor of the 
rajahs anil elders, might however be continued,- being necessary to 

* Waar bleven de vrijzinnige denkbeelden der Engelschen op dit punt? 

' Hier^staat in het handschrift met potlood aangeteekend : 

„Vide page] 147. As the bahar ot 550 lbs, subject to 20 pCt. allowance and 

deliverable in Dutch w*, is equal to 748 lb. English, it is below S^^ the lb. 

English that the natives deliver their cloves to the C"." • 

7« Volgr. VI. 23 



346 DE VBEOVEBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

their support, an ackuowledgement of their authority and in all 
cases considered as a willing act of the people themselves. 

The mountains and woods, which are impenetrable to a regular 
force, hold out a constant and secure retreat to disorderly and ill 
afifected people; it appears therefore to be a measure most likely to 
strengthen the hands of government and facilitate the execution of 
the laws, to open easy communications by good roads thro' all 
parts of the country , at the same time marking out the true limits 
and boundaries of each district, a measure most unaccountably neglected 
by the Dutch , and therefore now the more laborious and expensive. 
However the direction once traced, each district should be bound 
to complete its own roads and at the same time might be allowed 
a certain sum in proportion to the trouble attending it, which a 
trial might soon reconcile and an agreement be made beforehand. 

The dependent state of these islands at present renders it an 
object of great importance to give every encouragement to cultiva- 
tion ; for this purpose it might be necessary at first to give rewards 
for the growth of mountain-rice and wheat, which the advantage of cul- 
tivating would in a short time become so apparent to the people 
themselves, so as to make a continuance of such rewards unnecessary. 
Small premiums for the best samples of indigo and coffee et^" and 
the greatest quantities produced, with a certain price established for 
the purchase of it, would soon introduce the general culture of it, 
where the climate and soil are particularly favorable, where it is 
now produced , tho' discouraged and , tho' of the finest quality , con- 
sidered as but of trifling value. 

But one of the first steps towards general cultivation being the 
introduction of cattle, of which there is at present almost a total 
want on the island , in order to facilitate labour, as well as to pro- 
vide a store of provisions at all times, it is absolutely necessary to 
import from the most convenient places a good supply of bullocks, 
in the first instance, and cattle of all kinds for domestic purposes; 
but particularly to establish a breed of cows upon the island. This 
might soon be effected by giving to the rajahs of the different 
districts a certain number of males and females of each species, horses, 
sheep and cows, according to the extent of land, not encroaching 
on the breed for 3 or 4 years, and at the and of that time to be 
furnished to Gov* for use when required at fixed prices; the rajahs 
andt people of the different doussons to have not only the advantage 
of their laljour in the -mean time, but the real property in them; 



DE VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 847 

and should the expeuce of this scheme be judged too heavy to admit 
of giving the cattle, they might be considered as a debt without 
interest, untill their multiplication rendered the payment in kind 
easy, or by the produce of their labour, if employed in cultivation. 

Untill the improvement of cultivation shall enable the inhabi- 
tants to furnish themselves with sufficient grain for their own con- 
sumption, it is absolutely necessary to supply them with rice and 
other provisions, and at all times they stand in need of cloths 
of different kinds and various articles of manufacture. 

Of rice therefore particularly and other provisions, likewise 
of piece goods and other articles of merchandize, a supply annually 
sent according to the wants of the people should be continued as 
in the Dutch government, ^ and would, if judiciously ^ laid in, be 
attended with no expence to the Company, as a reasonable profit 
might be expected from the sale, more perhaps than equal to the 
freight and other charges attending it. Besides vessels, employed 
in this way, might carry back such quantities of spices as would 
be sufficient for the consumption of India, to be disposed of there 
on account of the Company in the manner best adopted to the 
wants of the people by public auction in small lots. 

Upon these general principles it appears evident, that a new code 
of regulations might be entered with the inhabitants of the provinces 
of Amboina, which would be perfectly satisfactory to them and 
establish a well regulated government to the advantage of both 
parties. Several other minute circumstances not enumerated here 
would be very necessary also to attend to in forming the perma- 
nent plan of this government, particularly introducing from the 
free schools of India a number of youths, well versed in English, 
to acquire as speedily as possible a regular knowlege of the Malay 
language, to serve as faithfuU interpreters with the natives and 
supercede the necessity of Dutch aid or interference entirely, and 
become a groundwork for continuing schools of English and Ma- 
lays, after the present Dutch plan. 

With respect to the military force necessary to keep these islands 
in a state of good order and general security, the following is sug- 
gested as sufficient, viz*: 



1 Waar bleven de vrijzinnige denkbeelden der Engelschen op dit punt? 
' De nu volgende bladzijden zijn blijkbaar door een andere hand gesohreven 
dan de voorafgaande. 



348 DE VBEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

One commandant of the troops. 

3 companies of European infantry. 
6 d® native infantry. 

I d® artillery. 

1 fort adjutant. 

1 inspector of stores. 

1 engineer (unless a new fort should be built, then 1 capt" 

and 2 lieutenants). 
1 paymaster and commissary of grain and provisions. 
1 Serjeant major. 
1 quartermaster serjeant. 

4 supernumerary Serjeants. 
1 company of pioneers. 

Previous to considering the general relationship of the Spice- 
islands with respect to the adjoining states, it is necessary to give 
some account of the Banda-islands, which though at present a 
separate and distinct government, should perhaps with more pro- 
priety be placed under the authority of Amboina; for exclusive 
oi* its being of inferior consequence in respect to its resources, 
great inconvenience has frequently arisen from compacts of trade 
having been entered into from thence and connections formed with 
several of the districts and provinces, at war with the governments 
of Amboina and Ternate at the same time 

The feature of this government is different from Amboina. The 
whole society consists here of the Companys servants, some Burghers 
or freemen and slaves. The object of their attention being solely 
the care and cultivation of nutmegs , the affairs of government cannot 
be supposed very complicated; nevertheless it is at present a distinct 
gov*, consisting of a governor, Council of three and secretary, with 
a regular Court of justice, furnished with all the forms of stamps, 
seals and fines; but the governor is so much above the check or 
control! of any other persons, that his will may be justly considered 
the only law of the settlement. 

The Company are here absolute proprietors of the soil and the 
slaves who cultivate it; as the culture of nutmegs is the only object 
they have in view, those islands, that produce them, are divided 
into a number of plantations or parks, as they are called, and 
given in charge to certain Burghers or freemen, generally descendants 
of Dutch, who are settled here. There is a number of slaves be- 
longing to the Company allotted to each park , whom the parkkeepera 



DB VEROVEEING VAN BANDA EN AMBON IN1796. 349 

employ in the cultivation and attendance on the nutmeg trees ..... 

The mace is delivered into store every month and the nutmegs 

every three months. They are both *paid for on delivery, the mace 
71 stivers per pound and the nutmegs at 2^ stivers. From this 
price however a deduction is made of 17 percent from the weight of 
the spices; viz* 10 percent in favour of the Company, as anacknow-. 
legment of their right to the soil , and 7 in favour of the Compauys 
servants, in the same manner as the 20 percent on the cloves is 
divided at Amboina. The 7 percent is an old custom , but the addi- 
tional 10 percent has lately been past on, having commenced with 
the present governors authority. The quantity of nutmegs and mace, 
produced for several years past, has been very small, and the want 
of attention to the cultivation very evident; since the arrival of 
mr. Boekholtz the produce was so much increased, that the half 
years collection, which was found in store, amounted to nutmegs 
81,618 pounds and mace 23,385 pounds; which being only the first 
half years crop, which appears to be extremely abundant on the 
trees, may be just supposed to yield at least an equal quantity; 
and in all future years with proper management the quantity may 
be with confidence reckoned upon at the average stated in the 
estimate subjoined to the general considerations concerning these 
islands, which is founded upon the most moderate computations of 
the best informed persons on the subject 

There are persons, called boscwagters, whose business it is to 
superintend the parks, to see that the planters employ the slaves, 
not for their own private purposes; but in attendance on the nutmeg- 
trees, to take care that the mace and nutmegs are properly cared 
and to note the quantity , that none be smuggled off. They have cer- 
tain walks allotted to them , and are to make constant reports to the 
Governor of the state of the different parks and the quantity like- 
wise yielded by them. There are besides these directors of the parks, 
who are in fact the Governor and chief persons of the settlement, 
who visit all the parks every month to see that the trees are pro- 
perly attended to and planted at proper distances; that the bosc- 
wagters are active and carefull ; that the slaves are diligently kept 
at work ; and that the drying-houses and stores are kept in good 
repair. Their regular visits are monthly and their reports transmitted 
to the governor of Batavia. 

From nearly the whole of the soil of these islands being devoted 
to the culture of nutmegs, there is not sufficient left to afford the 



350 DB VEEOVEEING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 

good necessary for the inhabitants. The government of Batavia 
therefore sends out annually, as to Amboina, a considerable store 
of rice and other things for their supply. Of this rice, in order to 
encourage the planters, they are furnished with the quantity neces- 
sary for their park-slaves at the low rate of 25 rixdoUars per last 
of £ 3000 weight ; but that for their private slaves they pay 80 
rixdollars for. All the other inhabitants, who have slave, are under 
the necessity of drawing from the Companys stores the rice they 
want for their food ; and their names being registered with their 
number of slaves noted, they are allowed 30 £ of rice per month 
for each person at the latter price of 30 rd* per last, for which 
they all pay ready money. However as the Company is at consi- 
derable loss in furnishing this supply, the price of this rice is 
intended to be increased gradually at the rate of 5 r^. per last 
annually, untill it gets up to 50 r^*. per last, when it is supposed 
the Company will no longer suffer any loss. 

All these regulations concerning the cultivation of the trees and 
the price paid for the produce have been introduced by the pre- 
sent Dutch governor, ^ who arrived here about 15 months before 
the English gained possession. Before he came, most of the plan- 
ters of the different parks were in great distress, having been char- 
ged with very heavy debts incurred on account of aids at different 
times in rice and money, and being made accountable for the price 
of the slaves furuished for their parks. Besides which, from the 
very heavy loss they sustained in the dreadfull hurricane of 1778 
most of their private fortunes and plantations were entirely ruined. 
They were also bound to deliver their nutmegs at ^ of a stiver 
or 3 farthings per lb., and the mace at somewhat more. Under 
the pressure of this distress many of them, conceiving their right 
to the soil indisputable, of which their families had been from 
time immemorial possessed, proceeded to the sale thereof, which 
however was in some instances opposed by the government. In this 
state of things, from the destruction of the trees and neglect of 
cultivation for want of due encouragement, the distress of the 
planters and their right in the soil disputed , the confusion in con- 
sequence reduced for several years past the quantity of spices from 



* Vgl. hierbij de ^Consideratien over den staat der speceryperken" achter 

hefc Belangrijk Verslag over den staat van Banda door Reini^ de 

Klerk ^ uitgegeven door C. A. M. van Vliet ('s-Gravenhage , Van Stookum, 
1894), bldz. 94, v. v. 



DB YEBOYEBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 351 

ag 600.000 weight, which it was before the hurricane, to less in 
some years than M 50.000. It was judged prudent therefore by the 
regency of Batavia to adopt the plan proposed by mr. Boeckholtz, 
who was appointed governor and authorized in the first instance to 
assert the absolute right in the soil; and accordingly the edict, 
which determined that right, was issued on the first of last February ; 
the old arrear of debt, due from several of the renters to the Com- 
pany and which most of them were unable to pay, was entirely 
remitted; such slaves as were grown too old, to be of use in the plantations, 
were sold of and several others purchased in their room and distributed 
amongst the parks which most required them. The price of the spices too 
was at that time raised from the old low rate to what it now is , and 
the planters were to have their drying-houses and stores built for 
them, which they were afterwards to keep in repair and the slaves 
found them, but they were afterwards to feed and clothe them. 

These alterations were suppossed to afford ample encouragement 
to the planters and enable them to attend the trees better and 
thereby encrease the quantity of the produce. But however specious 
they may seem, upon a close examination of the subject it is 
evident, there is more despotism that justice in the new system 
introduced, and many of the planters, who felt themselves in some 
degree indepeudant, were willing to give up their parks altogether 
and go off, but the diflSculty of removing their effects without consent 
of government and the arguments of others, not equally independant, 
prevailed on them to yield at least to a trial and submit to a 
total alienation of their property, which however they do not allow 
to be consistent with justice. The debt, said to be remitted as an 
act of indulgence and bounty, should not be considered quite in 
that light ; the chief part of it was incurred on account of rice and 
other provisions supplied to themselves and their slaves , without 
which they must have perished and the settlement have been 
altogether annihilated. For this debt certainly the planters never 
expected to be made accountable , having at the time of receiving 
it considered it as a donation, upon which their existence depended. 
And for their other debts on account of loans in money , though 
there were some individuals, who from idleness and inattention were 
in low circumstances and unable to discharge them, without alienating 
their parks, the great part of the planters would much rather have 
continued in possession of their parks and paid the just demands 
upon them, than under colour of a remission of their debts, be 



352 DE VEEOVBEING VAN B-ANDA EN AMBON IN 1796. 

deprived of what, from loug and undisputed possession, they might 
be justified in considering as their actual right. Besides upon enquiry 
it appears that several of the planters had actually purchased their 
lands from the Company and paid, some of them the whole, others 
part of the money ; and therefore to reassume these lands at pleasure 
seems rather a harsh measure. But the manner of accounting with 
such of the planters, as had paid money for their lands, is particularly 
unjust , Government not restoring back the money received , but 
accounting in the rice necessary for their slaves, not at the rate 
supplied to others who pay cash, but in this way they were obliged 
to take it at 50 r^" instead of 25, which is actually cutting off one 
half of a debt that is unquestionable. 

There are altogether in the four islands, which yield nutmegs, 57 
plantations or parks with 1708 slaves , but there is no regularity 
either in the division of the land into parks or the distribution of 
the slaves to them ; and it would be one of the most necessary 
steps to the improvement of the place, if an exact survey of the 
islands was made (wich is now very much wanted), the proportion 
between the parks better regulated and the divisions and boundaries 
better ascertained and now particularly defined. The above mentioned 
number of slaves is by no means sufficient to pay that due atten- 
tion to the trees which they require, and from the best information 
it appears necessary to procure at least 700 or 800 more, to do 
justice to the plantations. 

Besides the above number of slaves allotted to the parks, there 
are 367 more belonging to the quarter, built for them, who are 
divided amongst the different posts, to attend the barracks and 
hospitals, to carry water etc. and are in readiness to be employed 
upon all public works. These slaves of the quarter are all under 
the immediate inspection of a serjeant, who sends them to their 
respective duties and draws provisions and cloths for them from the 
Companys stores. But it is evident from the wretched appearance 
of those slaves and enquiry j ustifies the suspicion , that it has been 
a custom amongst the governors and other servants in authority 
to exchange from time to time their own private slaves, that were 
grown unfit for labour, for the best and youngest amongst those of 
the Company. ' Therefore in future it might be a good means of 
preventing the repetition of this fraud, to distinguish the public 



1 Dit blijve voor rekening van den sohrijver van het handschrift. 



DB VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 353 

slaves, when bought, by some bodily mark such as tattooing their 
arms or breasts in a particular manner. This mode of marking is 
not attented with any cruelty and is frequently done by themselves 
for amusement. There were also a number of convicts kept under 
the care of the serjeant of the slave-quarter, who upon the arrival of 
the English were immediately liberated by the troops, before any 
regular enquiry could be made concerning their crimes or the jus- 
tice of keeping them in irons. They had been sent here at different 
times from Batavia and all the other settlements, as the common 
receptacle for persons of that description. They were kept at constant 
labour and most of them in irons. The want of free inhabitants to 
labour and attend the different trades, makes it necessary to keep 
up the number of public slaves here, through from the expence of 
their maintainance, compared with the very little work they perform, 
they may be considered the most expensive people that could be 
employed. When works of any magnitude are carried on, it is 
necessary to hire at a very dear rate the few artisans, who are 
willing to work and the private slaves of individuals, whose labour 
their masters turn to great advantage at particular times. 

Exclusive of the provisions sent out in ^ the annual ship from 
Batavia, the governor-general there sends out to Amboina a large 
supply of piece goods, cuttery, iron and other articles of merchandize, 
which are sold by auction either quarterly or at such times as the 
Governor knows, the inhabitants can best afford to pay for them, 
upon all which there is a profit regularly charged of 50 percent. 
All these goods and even more than the Company supplies, imported 
by individuals, are bought up by the planters or Burghers and 
some Chinese merchants, who are settled here, either for their own 
or their slaves use or in order to export it to the islands of Aroa, 
New-Guinea, Ceram and the S. W. -Islands, to all which places there 
is ft considerable traffic carried on; and in return they get from 
Ceram sagoe, bread and flour and sometimes salted deer. From the 
Aroose islands'^ they get slaves, pearls, birdsnests, tortoise-shell, 
b^che de mer and birds, chiefly birds of paradise. These islands, 
situated E. S. E. of Banda, are many in number, very low and sur- 
rounded with dangerous rocks and shoals, furnishing no provisions 
but fish. The inhabitants as well as those of New-Guinea are reckoned 

* De nu volgende bladzijden zijn met eene andere hand geschreven dan 
de voorafgaande. 
' Aroe-eilanden. 



354 DB VEEOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

extremely treacherous and savage. The intercourse nevertheless with 
them is frequent, as the trade is very profitable. One Burgher 
alone here, mr. Steemberg, has seven brigs in this trade. For the 
purpose of guarding the trade, there is a party of 40 men under 
the Resident; but the year before last the garrison was cut off; 
however it was shortly after reinstated by the above gent", who 
was wel known to the inhabitants and put an end to hostilities 
with his own slaves, who are very numerous. 

The S. W. Islands consist of 7, the chief of which is Kissur, where 
the Resident lives; his garrison consists of 60 men, a few of whom 
are detached to the adjoining islands. The only advantage drawn 
from these islands is some sandalwood, salted deer and a few slaves 
and the intercourse with it but once a year, when a small vessel 
is sent about the end of March and returns with the next monsoon 
in May. The natives of these islands are also represented as very 
ferocious and savage. They seem to. be a medium between the 
Caffres of Africa and Papoos or natives of New Guinea, their hair 
being neither so short and woolley as the first nor so long and 
bushy as the last and their features bear a resemblance to both. 

In the last account of the population of Banda and the S. W.- 
Islands, which are dependant on this government, the numbers of 
all descriptions stood as follow. The A.uroa * -islands, tho' also reck- 
oned dependant, are not taken any account of. 

In the islands of Banda, consisting of the 10 first enumerated, are: 

Europeans, men, women and children 119 

Mesties or half cast 624 

Black Christians 858 

Chineese 98 

Moors 136 

Heathen freemen 41 

* Maussar ^ slaves .26 

Slaves of all other descriptions 4361 

Total Banda-islands . . . 6768 

In the S. W.-Islands there are: 

Men, women, children, nat. Christians 2322 

Heathens, freemen • 35944 

Total S. W.-Islands . . . 38266 

* Aroe-eilanden. 

* Macassar? 



DE VEEOVEBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 355 

From this it appears, that the extent of nominal dominion among 
the latter islands is very considerable , but what advantage is derived 
from thence is not so evident. Christianity seems to have extended , 
but without the good effect observed at Amboina of softening their 
manners and civilizing them ; and unless possessing and garrisoning 
these islands by the Dutch arises from jealousy of other European 
powers establishing themselves in any situation, that might serve 
even as an avenue of communication with their chief object of 
profit, the Spice-islands, the dispersing their troops and extending 
their possessions to such inconvenient distances and at the same 
time so unprofitable, cannot well be accounted for. 

However as it does not seem agreable to the disposition of the 
English , to form settlements and extend garrisons from such a motive 
and that no other good reason for keeping these islands can be given 
at present, any farther reflection concerning them shall be left out 
in the following suggestions for the management of the Banda 
islands, which are founded upon the opinions of the best informed 
persons upon the spot. 

The circumstance of Banda having hitherto a distinct govern- 
ment has at different times produced very inconvenient effects. The 
distance of Banda makes it difficult to detect and punish those 
faults, that are said to have existed for several years past in the 
administration of that goverment, where the governors, left without 
check or controul, their Council possessing only a nominal participation 
of power , neglecting the cultivation of the nutmegs and attending only 
to the advantages to be derived from trade with the neighbouring islands, 
smuggling of spices grew to a great pitch and there are even some 
instances, when the merchants of Banda supplied some of the natives of 
the neighbouring islands with arms and military stores , who were at 
the same time making war with the government of Amboina ; besides 
the society of their government being so very small, the extremely 
rich produce of the islands committed to the care of so few, points 
it out as a necessary precaution , to put the whole of this settlement 
under the care and authority of the government of Amboina , which 
being so near can at all times take cognizance of every occurrence; 
regulate their intercourse with the adjoining countries; receive at 
convenient opportunities the spices and keep them in store; supply 
their wants upon all occasions or draw resources, when required; 
receive regular returns of the state and produce of the plantations 
and punish immediately every infringement of the established regu- 



356 DE VEllOVBEING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 

« 

lations or neglect iu the person placed in the management of the 
place. It might therefore be best, that the deputy or lieutenant- 
governor of Banda should be subject to the authority of the gover- 
nor of Amboina, to which appointment he might be in immediate 
succession in case of accident. By this means union and consistence 
would direct the affairs of both places. Responsibility under an 
immediate check and the hope of promotion to greater dignity and 
emolument would most probably put an entire stop to the pecu- 
lation, that by all accounts has for several years been pra- 
tised here before the arrival of the present Dutch governor, 
m'. Boeckholtz. 

But tho' the zeal and disinterestedness of m'. Broeckholtz is 
allowed, the justness of his measures with regard to the Burghers, 
who have parks, is not without good reason disputed. The indis- 
criminate seizing on all property in the soil, contrary in almost every 
instance to immemorial usage and in some to absolute stipulations, 
appears tyranical and unjust; and perhaps it wo^. be the best way, 
to form a committee to examine into the justice of this matter 
and to distinguish between those, who have really a right to the 
soil and others, whose debts amount to the value of that right; 
and should it be found, that such cause existed, to adjust them to 
the satisfaction of the people, to restore the property, where it 
should appear to be truly vested and suffer it to be alienable , which 
would always be a means of exciting industry and improvement ; 
and where it appeared, that the right in the soil vested in the 
Company, a distinction in the price of the spices or a certain rent 
might be established on that account. But since it does not seem 
of much consequence, who is the proprietor of the soil, when the 
whole of its produce is monopolized at a certain rate therefore, as 
the want of population to cultivate the plantations to the utmost 
is the greatest check at present to improvement, encouraging the 
planters to multiply their slaves, to realise and transfer their pro- 
perty, appears the most probable way of improving the cultivation 
and eucreasing the produce. 

The Company are at present obliged to supply this settlement 
with rice and other provisions at a rate, by which they are at a 
considerable loss. They are also liable, according to the present 
system, to a vague undefined charge on the score of buildings and 
repairs for houses, stores etc., all which in the general scale of 
expence is to be charged to the spices produced in the islands. Now 



DE VEKOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 357 

• 

as simplifyiug matters of this nature is always an advantage, whereby 
contingent charges may be entirely dispensed with, it might not 
only be a material saving to the Company, but be far more agreable 
to the planters, to increase the price of the spices and make them 
responsible for all expences of buildings and also furnish themselves 
with rice at a fair price, suppose at once 50 rd. per last, which 
however the government must at any rate supply, but in this way 
not lose by so doing. Upon investigating this subject with the most 
impartial and best informed persons at Banda, it appeared evident, 
that this mode would be most agreable ^o the people and likely 
to produce most beneficial effects to the state; and with regard to 
the addition, necessary in this case to the present rate of the spices, 
the price of 7^ pence for the nutmegs and 15 pence for the mace 
per pound would satisfy the planters and perhaps be not more 
expensive than the present mode. 

But as it might sometimes happen, that, where provisions were 
somewhat dearer, there might be found some of the planters, who 
would curtail the allowance of their slaves , strict regulations should 
be instituted to prevent this and see justice done the slaves. One often 
of themselves might be appointed marigny ' or overseer of the others 
with a power to represent all just grievances to the directors in their 
visits to the different parks. Smuggling of quantities of spices has 
grown to a great pitch and the longer it is permitted, the more 
difficult it will be to correct it ; severe rules should be put in force 
against those, who purchase them and the sale of them should be 
punished ^ with forfeiture of all property in the settlement , whether 
of parks, slaves or other goods. Neglect too in the cultivation 
and attendance of the spice-trees should be punished by fines 
in the produce at the judgment of the directors and paid into the 
public stores. 

Considering Amboina as the chief government, as well the dep^. 
or lieu^ gov*^. as the second in command of troops should be stationed 
here and alle returns and reports transmitted as convenient oppor- 
tunities offered. 

The complement to the number of troops already stated as neces- 
sary for the defence of Amboina in the whole military establishment, 
estimated towards the conclusion of the general observations on the 



^ Marinjo. 

2 Du3 ook hier vast te houden aan het monopolie. 



358 DE VEBOYEBING VAN BAND A EN AMBON IN 1796. 

value of these islands, is what I conceive wo^ be proper for the 
immediate defence of the Banda-islands. 

Encouragement should be given to clearing and cultivating with 
corn and breeding cattle on the adjoining islands, particularly Pulo 
Eond ^ , where property might be vested in those, who settled under a 
restriction against the planting of nutmegs; every endeavour should 
likewise be made to transfer the cultivation of nutmegs to Amboina 
and beginning with Pulo Ay, as the number of trees in Amboina 
increased , diminish the number here and perhaps in time the whole 
produce of this valuable spice might be transferred te Amboina ^ 
and then turning these islands to the cultivation of grain and 
breeding of cattle, not only furnish a supply for both places but 
lessen considerable the expense to the state, by rendering only one 
establishment necessary either for the government or the defence of 
the Spice-islands. 

Whatever may be the decision respecting these islands, whether 
it may be judged consistent with the interest of G* Britain, to keep 
permanent possession of them or to restore them back to the Dutch *, 
it is only necessary in the present instance to build upon the former 
supposition and suggest those circumstances most likely to render 
them in the highest degree advantageous to the state, ■* and at the 
same time promote the happiness of the people and to take into 
consideration the dependance and relationship, they bear toward the 
neighbouring states. 

The government of Ternate and Tidore with the numerous islands 
dependant thereon , including all those between it and New-Guinea, 
are those nearest connected and indeed Amboina and Banda both 
are not only said to have been subject to that empire, but the 
Dutch now pay for them a sum of money annually to the king of 
Ternate, •'» who is in all other respects their tributary. The only object 
the Dutch have in view by this government is to prevent the growth 
of spices, and" notwithstanding the quantity of golddust procured 
in some of outposts, the loss sustained in support of this establish- 



* Poeloe Boon. 

* Dat is das nog heel wat anders, dan wat de Oost-Indische Compagnie 
deed, ioen zij de nageloultaur tot de Ambon-eilanden , de notenoultuur tot 
de Bandagroep beperkte. 

* Vgl. hierachter het Naschrift. 

* „ State" hier niet in tegenstelling tot de Engelsche Oost-Indische Compagnie. 
» Sic! 



^ 



DE VEKOYEKING VAN BAN0A EN AMBON IN 1796. 359 

ment amouuts to near 30,000' per ann., besides the number of lives 
sacrificed in the different garrisons. On this account therefore it may 
be presumed, that it wo^ be not only necessary to dispossess the 
Dutch of those islands but to restore them free to the native princes; 
in doing which, the obligation conferred on them would readily 
induce them to enter into such terms, as would secure to the Eng- 
lish the whole advantages of their trade without expence. 

With regard to the claim of sultaun Syfut Deen Shah to the 
sovereignty, it is generally asserted that there is justice on his side 
and that, where the influence of the Dutch was removed, the voice oi 
the people themselves would determine in his favor ; and he himself 
by his ambassador proposed to submit to the decision of an as- 
sembly of the chiefs of the neighbouring islands called in, under 
the authority of the English, to pronounce upon his claim and ulti- 
mately to abide by such limits, as they should lay down for the 
extent of his authority. 

The government of Macassar, though not of any consequence to 
Amboina and Banda, relative to any competition in the cultivation 
of spices, is yet of great consequence with respect to the supplies, 
that might at all times be had from thence and also as it is so 
much in the way of China-ships, both outward and homeward bound. 
It is already well known, that the chief rajahs on Celebes have 
lately shown great dislike and have made some opposition to the 
Dutch * , who have always made a point of encouraging dissention 
among them ; and therefore , to free them from their present yoke , 
would be the most likely way of binding them to the interests of 
the English and besides opening a vast field for general trade with 
our ships in preference to all others, would furnish a certain and 
ample supply both of grain and stock to Amboina and Banda. 

Of the trade, for some years past carried on with the islands to 
the N. E. of Ceram and the attempts made to form a settlement 
by the ships from Bengal, however defensible such a measure might 
be, when the Dutch had possession of the Spice-islands, the evil 
consequences in the event of the English keeping them are very 
evident. The trafficking of arms and military stores among a 
people very little civilized and who are suflBciently prompted 
by the possession of their arms to unprovoked hostilities against 



^ De Engelschen zoudeii spoedig na de inbezitneming door hen van 
Makassar en onderhoorigheden hetzelfde ondervinden! 



360 DE VEEOVEMNG VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

their neighbours is at all times dishonorable and unworthy of 
a great nation to permit ; but when it also appears, that the 
returns for these arms and military stores are expected to be made 
in spices, which can only be procured by means totally subversive of the 
laws and institutions of a government regularly established belonging 
to the same nation , should be prohibited under the severest penal- 
ties. In the course of the insurrection at Amboiua there were taken 
from the natives in more than one instance muskets with the 
English E. I. Company's mark, which, being carried by the ships 
from Bengal to Warouw on the N. E. coast of Ceram, found their 
way from thence and were smuggled for cloves at Haroekoe and 
the coast of Hitoe, according to the confession of the people in 
whose hands they were found. ' It appears from hence that, though 
perhaps both cloves and nutmegs might grow among those islands, 
if cultivated , at present those spices are only to be procured through 
the medium of smuggling, and therefore any quantity purchased 
this way must be by the temptation of advanced prices at the best, 
and in that point of view a disadvantage to the state in general. 

To obviate these ill consequences in future, it appears necessary 
to forbid the intercourse altogether and to permit no trade 
whatsoever in English ships to Ternate or any of the islands subor- 
dinate to that empire to the Eastward , except under the express 
licence and authority of the government of Amboina, ^ where alone 
the emporium of all the spices should be formed and whence the 
wants of all the islands to the N* and East^ might be amply be 
supplied in a very advantageous manner, both to the English and 
the natives, and thus by a just mode of dealing on one side and 
confining the prices of merchandize to moderation , would make it 
their interest to oppose every effort of foreigners to establish any 
connection with them to our disadvantage. 

It may be argued as more generally advantageous to the English, 
to throw open the trade altogether and sufler private adventurers to" 
carry merchandize and provisions there and be at liberty to purchase 
the spices on the spot; but it is only on the principle of an abso- 
lute monopoly of the spices, that it could ever be an object to 
form settlements in so detached a situation and there is little 
doubt, but this monopoly under proper regulations would not 



^ Een van elders bekend feit dushieronomwondenerkenddoorEngelschenzelf ! 
' Hoe [^gelijkt dit alles op de door de Engelschen zoo zeer veroordeelde 
handelspolitiek onzer O. I. C. ! 



De verovehing van banda en ambon in 1796. 361 

only be extremely productive to the state, fent also more bene- 
ficial to the people themselves, than if they were left without controul, 
as their violent tempers and the competition, that would immediately 
take place among the different islands, would inevitably lead them 
into endless wars and anarchy , to which they are already too much 
addicted. Upon this principle therefore it appears essentially necessary 
to prohibit all intercourse, except in cases of extremity, with any 
other ships but those sent under the authority of the Company ; 
and all these should be immediately considered under the absolute 
controul and direction of the governmei^t of these islands, with a 
power to inflict such fines and punishments for any attempts towards 
smuggling, as should be at first stipulated and never omitted in 
any agreement with ships, chartered for these islands; at the same 
time individuals on board such ships should not labor under too severe 
a prohibition, but have their own particular wants always liberally 
supplied by indents on the spice-stores at a very moderate valuation 
for such quantities only as could not come under the idea of trading. 

The propensity to piracy among all the Malay islands has already 
been remarked, but it is nowhere more dangerous than among the 
islands round the Moluccas viz. the Papoos or natives of New- 
Guinea, the people of Magindano and Sooloo and those of Borneo. 
It is therefore necessary to the safety and preservation of the Spice- 
islands to establish a certain number of cruisers effectually to check 
all attempts of that nature, particularly of the Papoos, who frequently 
come in large prows, rowed by 80 or 100 men, plunder the coun- 
tries they find improtected and carry off the inhabitants for slaves. 

The Dutch always kept a marine force for this purpose of several 
sloops, called pantjallangs, of about 16 guns each, but they were of 
a very rude construction and incapable of pursuing the prows to 
windward; one frigate, to appear occasionally in these seas, and five 
armed schooners or brigs of from 80 to 100 tons, carrying 12 or 14 
guns, and a few swivels, with about 30 men each, 10 of whom 
should be Europeans, calculated for swift sailing and occasionally to 
be able to row, would be the proper force to establish and if judi- 
ciously employed under the government of Amboina , would certainly 
be sufficient to put an entire stop in a little time to all piracy. 
They would also prevent any attempt to smuggle or carry on any 
clandestine trade in arms etc. and answer the purpose of collecting 
the spices from Banda and the islands immediately dependant on 
Amboina and lodging the whole in store there to be ready for 
transporting either to Europe or India, as should be ordered. 

Considering the ease, with which the islands of Celebes, Ternate and 
Tedorne etc. could be wrested from the hands of the Dutch , as before 

?• Volgr. VI. 24 



362 DE VEROVKttING V.VN BiiNDA EN AMBON IX 1796. 

stated, a small extension of this marine force would open such a 
field for the most advantageous trade with all those islands iu 
perfect safety, as cannot well be calculated. The whole of the gold- 
dust, now collected by the Dutch, would soon be got in exchange 
for our manufactures of Europe and India, and the entire extensive 
and lucrative trade, now carried on in Chinese pinks to all these 
islands, would undoubtedly fall into the hands of the English, whose 
superior skill iu navigation and boldness of enterprise would give 
them the most decided advantages over the Chinese, provided they 
were enabled to carry it on without danger; ' and thus an im- 
mense trade under a partial and comparatively trifling restriction 
and the supply of several millions of people would entirely fall into 
our hands. Considering Amboina from its situation and natural 
resources the fittest place to establish as the capital of the Spice- 
islands, the seat of government of the whole, and the sole empo- 
rium of spice and all the trade to the Eastward of it, its strength 
and ability to resist a foreign attack should be made one of the 
first objects of attention. Tho' the present state of the fortifications 
may be perfectly sufficient to support the government against every 
effort of the natives, they are quite incapable of resisting an Euro- 
pean enemy, coming regularly before it; if it ever therefore should 
be resolved to retain the future possession of this establishment, 
an entire new fort should be built at Amboina. 

The neglect of this has now made it an easy prey to the first 
attack and should the English continue under the same infatuation 
in this respect as the Dutch, their possession must be acknow- 
ledged extremely insecure. It will therefore well become the wisdom 
of a great nation , to attend to this consideration and the liberality 
of the East India Company , under whose charter and dominion it is 
conceived these islands must necessarily come, cannot be better bestowed 
than devoting to their permanent security a portion of their first profits. 

The redoubts and batteries lately ordered at Banda and now 
nearlv executed are fully sufficient to ensure its safetv with the 
force proposed for garrisoning that settlement, according to the 
system already proposed for it? management 

It is said , that the Dutch destroyed all the produce of these is- 
lands, beyond the quantity already stated, with a view to set their 
own price upon those articles, certain of a consumption to that 
extent annuallv. But this seems to have been not onlv the extreme 
of selfish illibcrality , but very mistaken policy; since it is evident, 
the more general the use of any article becomes, the greater the 
demand for it, until custom in the end makes that necessarv , which 

^ Hiorbij staat do potlood-kanttorikeneninj>:: „Vf»ry just." 



DK VEROVEIUNG VAN BAN DA KN AMBON TN 1796. 363 

was before only used as a matter of luxury; that, thougli the sale 
of greater quantities, might perhaps lower the prices, the additional 
consumptiou would more than equal the profit; aud that in the 
course of a few years the use of spices would probably extend in 
proportion as that of tea or sugar; the quantity necessary to the 
general supply call for every effort of encouragement and exceed the 
profit, computed as above, upon the scale of immediate certainty, 
in a fivefold degree. And upon the whole considering the advan- 
tages likely to be derived from the trade of these islands in other 
valuable articles , they may be estimated without distant speculation to 
bring in a clear annual revenue to the state of half a million sterling. ' 

NASCHRIFr, 

bij bldz. 254, noot 2. 

Mijne lezing, den 29 October 1901 gehoudcn in eene Algemeene 
Vergadering van het Iifdisch Genootschap ^ , getiteld : De overgang 
der Kaap'Kolonie van Nederlands in E^igelanda bezit^ besloot ik met 
eenige stellingen , waariu wafen neergelegd de conclusies, waartoe 
ik toen raeende te moeten komen , o.a. aangaande de bekende aan- 
schrijviugen van Willem V, gedagteekend 7 Februari 1795, waarin 
deze Oranjevorst den gouverneurs of hoofden van bestuur onder 
andere benamingen, welke gezag uitoefenden in Nederlands ver- 
schillende kolonien en bezittiugen in Oost en West, aanschreef, 
Engelsche troepen en schepen dc4dr toe te laten als die van eene 
bevriende mogendheid. Ik maakte natuurlijk een voorbehoud : ik 
bleef aannemen "de mogelijkheid , dat voortgezet onderzoek van mij 
of van anderen mijne opinie (zou doen) wijzigen.'/ 

Zoowel door anderen als door mij zelf is het onderzoek voortgezet. 
Op de resultaten van eigen nadere studie wees ik reeds in N". 26 
van De Nederlandsche Spectator van 1905 ^ ; en ik kon toen vast- 
stellen, dat ik ^/geen woord (behoefde) terug te nemen^/ van wat ik 
vroeger had meenen te mogen concludeereii , dat zelfs ^^mijn geloof 
aan (de) volkom^u juistheid (der conclusies, waartoe ik in 1901 
was gekomen, door raijn nader onderzoek) ten zeerste versterkt was. 
Eenigen tijd later (in 1906) verscheen ^ het tweede deel van de 
door D'. H. T. Colenbrander uitgegeven Gedenkstukken der Algemeene 

' Hieronder staat iji hefc handschrift. de volgeude potlood-aauteekening: 

„To wliicli may be added the advantage to the country in a national point 
of view by the increased consumption of British .... on Indian manufactures 
to the exchision of Dutch and French manufactures now in use." 

2 Bldz. 109 — 142 der Verslagen over dat jaar. 

"^ Overgenoraen o.a. in De Zuid-Afrikaansche Post vau20Juli 1905 , bladz. 279 ; 
Dc Volkaatem van 19 Augustu.s 1905 , enz. — Op verzoek der „Boeken-Commissie" 
van het Algemeen Xederland.^ch Verbond zal ik binnenkort uitgeven een 
boknopte gescliicdkundige verhandeling, waarin ik in populair-wetenscliap- 
pelijkon vorm den overgang der Kaapkolonie aan Engeland behandel. 

^ \s Grave nhage, Martiuus Nijhdfi\ 



364^ DE VIEOVERING VAN BAN DA EN AMBON IN 1796. 

geschiedmis van Nederland vafi 1795 tot 1840. Ook daariii nu wordt 
over de proclamatie van Kew gehandeld. Het spreekt wel vanzelf, 
dat ik met groote belangstelliiig het werk ter baud nam en eveneens, 
dat ik met groote voldocning bij de lezing er van zag, dat de zeer 
weinige nog onbekende documenten , door D'. Colenbrauder over 
deze zaak gepubliceerd ', slechts zoovele nieuwe bewijzeu waren voor 
mijne meening en dat wat hij zelf daaromtrent zegt op bldz. LXXXV, v. 
hetzelfde is als wat ik reeds in 1901 en 1905 schreef, nur mil ein 
Buchen avdrm Worte^i. Slechts op een enkel punt wensch ik even 
terug te komeii , zij het thans zeer terloops. ^ Volkomen terecht zegt 
Colenbrauder, dat Willem V, toen hij de aanschrijving uit Kew 
schreef, daarmede //bleef in de lijn der stadhouderlijke politiek van 
1788: die der alliantie en garantiev. Reeds wees ik daarop iu raijue 
lezing van 1901. ^ Toen had ik nog niet mijn onderzoek uitgest'rekt 
tot het Koninklijk Huisarchief , anders zoude ik dieper zijn ingegaan 
op wat ik toen slechts even aanstipte, ^ nl. op hetgeeu in 1793 plaats 
heeft gegrepeu. Het verwonderde mij eeuigszius, dat D' Cplenbrander, 
die het H. A. wel raadpleegde, (lit niet heeft besproken. Als hij 
daarin had aangetrofien en gelezen ^ den (ouuitgegeveu) brief van den 
gezaghebber van de Kaap, den secunde J. I. Rhenius, van 30 Juli 
1793, aan Willem V, dan zoude hij hebfien gezien,dattengevolge van de 
aanschrijving van de Bewindhebbers der 0. 1. C. van 30 Maart 1793, 
in overleg met de Staten-Generaal en Willem V uitgevaardigd, 
Rhenius alles in orde had gebracht, om de Engelsche schepeu van het 
noodige te voorzien en //voor inquartiering// van de //verwagt wordende 
Hnlp troupeu'/ van St. Helena en Engeland. Ook andere maatregelen 
in die dagen genomen, waarop ik thans niet inga, wijzen er op, 
dat de lijn der stadhouderlijke politiek van 1788 tot Februari 1795 
loopt over het jaar 1793, het oorlogsjaar. 

Het tweede punt, dat ik hier wil bespreken, is dit. Coleubrauder 
schrijft: //Over dien brief van Kew is veel gebazeld.// Zonder twijfel, 
er is veel over geschreven , van den beginne af , toen Voorda en 
Valckenaer cont/ra^ ToUius pro optraden. * Maar is dit te verwon- 

^ No 675 (biz. 820); verder de „iuiste" datum (2 Februari: het was bekend, 
dat het renversaal van Februari dagteekende en wel van v66r 7 Februari) en 
de „onderteekening" (men wist natuurlijk dat die van Grenville was); en 
het brokje brief aan Van Nagell in do noot op bldz. 821. Jammer, dat Dr. 
Colenbrander niet volledig is in het aangeven der werken, waarin documenten 
over deze aangelegenheid reeds zijn gepubliceerd of waarin daarover is ge- 
sproken. Deze onvolledigheid wekt den indruk, dat Dr. Colenbrander's onderzoek 
werkelijk nieuw lioht van beteekenis over deze materie werpt, wat niet het geval is. 

' Ik blijf hier natuurlijk bij de aanschrijving uit Kew, die in Lennon's „ JoMmai'* 
herhaaldelijk wordt genoemd. Wat Dr. Colenbrander elders (d.D. xxv De Belgiathe 
omwenteling, 's-Gravenhage, Nijhoff, 1905) zegt over den afstand der Kaapkolonie, 
enz. roer ik later nog wel aan. Alleen wil iker thans reeds op wijzen, dat wat hij daar 
op bldz. 100 zegt: ^Holland heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de 
goede reden dat het die niet had", onjuist gedaoht, althans onjuist uitgedrukt, is. 

•■* Hldz. 112, 118 v. — Ook deed dit A. J. van der Meulen in zijne Studies 
over het Ministerie van Van de Spiegel (Leiden, Kooyker, 1905), bldz. 98 v.v. 

♦ Bldz. 120. 

* Ik zag hem niet in de Oedenkstukken. Heb ik hem over 't hoofd gezien, 
dan bier een peccavif 

• Vgl. mijne lezing I. G. , biz. 117; Colenbrander, t. a. p. , bldz. 820. 



Dl VEROVEttING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 365 

dereii en mag het woord ^'bazelen// hiervoor wordeu gebruikt? De 
lieer Coleiibrander tracht zich in te denken — zooals ik reeds vroeger 
deed — in de zieuawijze der Stadhouderlijke partij en z66 Willem Vs 
houding te verklareu en te verdedigen, althans te verontschuldigeu. 
Volkomen terecht. Maar — er was nu eeumaal 66keenandereStaatspartij 
en ook deze had hare opiuie en woordvoerders. En 't is, dunktmij, 
zoo natuurlijk mogelijk, dat deze 's Prinsen houding scherp ver- 
oordeelde , ja ! verafschuwde: zij toch giug lijnrecht in tegen wat 
in haar schatting 's Lands belang vorderde. En ook deze meening 
had recht om gehoord te worden, ook door hen, die, zooals D'. C. 
en ik, haar niet deelen. Dat Willem V zelf wel iets voelde in 
die richting, bewijst m.i. de aan D'. Colenbrander blijkbaar niet bekende, 
althans niet door hem uitgegeven/, brief van Willem V aan zijne 
pemalin , gedagteekend uit Londen den 29 Januuri 1801, ^ waarin 
hij bezwaren oppert tegen het denkbeeld , zich naar Nassau te be- 
geven. O.a. wijst hij op het gevaar, dat hij vandaar zoude 
worden gebracht naar Nederland , r/pour rendre compte de son ad- 
ministration et particulierement des ordres donnas ^Kew . . . . , enz.// 
Vergis ik mij , of ligt hierin een erkenning, dat over die //ordres// 
ook andcrs mocht worden gedacht dan er over gedacht werd door 
Willem V en diens omgeving? 

Een derde vraagteeken. De heer C. schrijft : ^ //Het is kortzichtig, 
hierbij aan eenige machiavelistische bedoeling van Engeland te 

denken//. Accoord I Maar tbch! Zou de Engelsche regeering 

niet ook deze bijgedachte kunnen hebben gehad : ^ als W de Neder- 
landsche kolonien en bezittingen onder bewaring krijg op groud van 
Willem V's brieven uit Kew, dan krijg ik ze gemakkelijker 
in bezit dan door wapengeweld; en als dan de Oude Constitutie 
niet wordt hersteld en het renversaal niet kan worden in- 

geroepen // Men leze bv. Lennon's //Journaal// hiervdor op 

bldz,' 253, 261, 262, 264 (men lette op : ffJFhich is not unlikelyt)^ 
272, vooral ook 358, bldz. 359, enz., enz. 't Is waar, Lennon is 
nief de Engelsche regeering, maar hij was ook niet de eerste de 
licste en buitendien , zijn journaal en zijne beschouwingen zijn ge- 
richt tot de directeuren der Britsche Oost-Indische Compagnie, die, 
in geval onze bezittingen door Engeland zouden worden behouden , 
haar rol daarin hoopte te spelen. 

Ten slotte de opmerking, dat de opgave door D'. Colenbrander 
gedaan ^ van de kolonien en bezittingen, die voor ons behouden 
bleven in den oorlog tegen Engeland van 1795 — 1802, zeer on- 
voUedig is. Behouden bleven niet alleen Batavia, maar geheel Java 
en Madoera. En wat de Buitenbezittingen betreft (ik laat hier min 
of meer nominale rechten van Nederland op bv, de Westkust van 
Borneo, enz. rusten), wij behielden ook de Lampongs, onze posten 
in Palembang, op Soembawa, op de Timorgroep. In den oorlog na 
1803 ging 66k niet verloren ons kantoor te Canton. 

— J. E. H. 

1 Vgl. noot 5 op bldz. 364. « M. 8. Huisarchief. » Bldz. LXXXV. 

* Vgl. mijne lezing op bldz. 121. » Bldz. 821, noot 1. 



REGISTER. 



Abdul AhMjiD, bldz. 1^79— 280. 

Adams, bldz. 801. 

Ai (Poelooj, bldz. 858. 

Alan^. bldz. 293, 29J, 295, 296, 29S , 
802, 885, 886, 887, 841. 

Alfoeren, bldz. 298, 823, 824. 

Arablaoe, bldz. 316, 322, 335, 388. 

Ambon, bldz. 249, 250, 258, 278, 274, 
275, 277, 278, 281, 282,291,296,' 
804, 805, 806, 307, 309, 810, 811, 
812, 818, 814— 84H, 849, 850, 858,, 
855 , 856 , 857 . 858 , 859 , 860 , 361 , 862. 

Amerikauen, bldz. 261. 

Aroe-eilanden, bldz. 858, 854. 

Assaloeloe, bldz. 816. 

Atjeh-hoofd, bldz. 818. 

Bagoeala, bldz. 288, 29i, 816, 835, 888. 

Balabak (Straat), bldz. 802. 

Balambangan (Eiland), bldz. 802. 

Banda, bldz. 249, 250, 277, 278, 280, 
281, 282, 288, 285, 287, 290, 291, 293, 

294, 295, 296, 297, 802, 808, 805, 306, 
807, 308, 311, 813, 814, 321, 824, 32K, 
829, 830, 848—359, 861, 862. i 

Banda (Groot-), bldz. 289. 

Banda Xeira, bldz. 250, 288 ' 

Bang, bldz. 292. , 

Bangsa, bldz. 298, 817, 840. 

Banka, bldz. 266, 267, 268, 269. 

Bantam (Prins van), bldz. 290. . 

Batavia, bldz. 258, 260, 261,262,265.' 
267 , 269 , 279 , 820 , 821 , 324 , 385 . i 
337, 340, 343, 350, 851, 853, 865. 

Beche-de-mer (tripang), bldz. 353. 

Belgica (Kasteel), bldz. 289, 290. 

Bengaleezen , bldz. 255 

Bengalen, bldz. 257, 264, 280, 805,; 
806, 859, 860. . 

Benkoelen , bldz. 256. ' 

Beverwijk (Redoute), bldz. 841. ' 

Boccara, bldz. 801. | 

Boeckholtz fGouverneur Van), bldz. 

295, 308, 349, 351, 356. 
Boegineezen, bldz. 278. 
Boekit Tjina, bldz. 259, 268. 
Boeloekoemba, bldz. 270, 818. 
Boeroe, bldz. 273—274, 281, 298,816. 

820 , 822 , 835 , 836 , 838. 
Bombay, bldz. 268. 
Boni , bldz. 272. 

Bonoa, bldz. 816, 822, 824, 887. 
Bonthain (Bantiieng), bldz. 270, 271. 
Borneo, bldz. 302, 861,365. 
Brown (Majoor) , bldz. 255 , 257 , 258. 
Budach (J. G.), bldz. 280. 
Canton, bldz. 302, 365. 
Gasizy, bldz. 292. 

Celebes, bldz. 270 , 272, 278. 285, 859, 862. 
Ceram, bldz. 279, 281, 285, 298, 291, 

295, 304, 805, 306, 80S, 316, 822, 

827 , 829 , 338 , 840 , 342 , 343 , 858 , 

859, 860. 



Ceram (Klein-), zie Hoeamoeal. 
Ceries (Post of the), bldz. 385. 
Chalmers (Kapitein), bldz. 292, 298, 
300, 301, 302,303,304,306,311,312. 
Chay{'f )-good8 , biz. 272. 
China, bldz. 256, 258, 264, 268, 275, 

801, -802, 813, 359. 
Chineezen, bldz. 255, 256, 257,259, 
262, 263, 265, 278, 281, 303, 808, 
828, 824, 331, 842, 853, 3;54, 362. 
Christenen, bldz. 292, 293, 817, 322, 

323, 824, 826, 333, 855. 
Chuliars, bldz. 255, 262. 
Chunam ( Hobsou-Jobson, p. 168), bldz. 256. 
Cochin, bldz. 266. 
Cocliin-China, bldz. 264. 
Cornabe (A.), bldz. 276, 277, 285. 
Couperiis (A.), bldz. 257, 259, 265, 

266, 267, 278. 
Covassa-hout (Goevafi«fl-),bldz. 836 {Encyd.y 

II, bldz. 59). 
Dammer {damar)^ bldz. 888. 
Dati en dati-stelsel y biz. 818, 819, 321, 

884. 340, 341. 
Doerion (Straat), bldz. 267, 268. 
Doesoetij bldz. 327 {EncycLj I, bladz. 467). 
Drie Gebroeders (De), bldz. 275. 
Duitschers, bldz. 282, 286. 
Eerste punt (Sumatra), bldz. 269. 
Elmore (Kapitein), bldz. 266. 
Ema. bldz. 335, 336, 338. 
Engeland, Engelsch en Engelschen, 
bldz. 250, 251, 254, 256, 263, 264, 
269, 272, 278, 274, 277, 279, 280, 
284, 285, 286, 287, 288, 289, 291, 
292, 295, 297, 298, 300, 303, 304, 
305, 307, 809, 810, 811, 312, 313, 
319, 842, 844, 845, 850, 353, 355, 
358, 359, 360, 362, 363, 364, 365. 
Europa, Europeanen en Europeesch, 
bldz. 255, 259, 262, 271, 274, 277, 
281, 290, 293, 294, 304, 314, 322, 
823, 324, 326, 328, 334, 348, 854, 
855, 361, 362. 
Fatanamangs , zie Tatanamangs. 
Franachen, bldz. 254, 258, 266, 267, 

269, 342, 368. 
Gabba-gabba, bldz.834 {Encyel.,1, bldz.532). 
Gaup (Kapitein), bldz. 285. 
Gebi, bldz. 305. 
Ohee, bldz. 828. 
Onatahoedi of Oratudy van Mardika , 

bldz. 321 , 336 , 337. 
Goenoeng Api , bldz. 287 , 288 , 289 , 290. 
Gorara, bldz. 308. 
Gordon (Kapitein), bldz. 296. 
Gowa, bldz. 272. 
Grenville, biz. 364. 
Qusta (?), bldz. 295. 
Halmalieira, bldz. 805. 
Halong, bldz. 886. 
Haroekoe, bldz. 2^i8, 298, 297, 299. 



^ Ik heb meestal de wcorden in het Xederlandsch opgenomen, niet in het Engelsch. 
De persoons- en plaatsnamen zijn met gewone letter, andere woorden cursief gedriikt. 



30<>, 81H, 320, 321, 322, 321, 32S, 

329, 335, 338, 3t50. 
HasH-gOd, bldz. 319, 321, 341, 34'). 
Hative (Groot), bldz. 33f), 338. 
Hatoe, bldz. 29:>, 335, 341. 
Hay ward (Luiteiiant), bldz. 304. 
Heidenen, biz. 323, 324, 354. 
Helena (St.), bldz. 364. 
Hila, bldz. 2S3, 2S5, 2S6, 294, 295, 

298, 300, 301, 302, 303, 304, 305. 

306, 311, 312, 313, 316, 320, 321, 

322, 327, 32S, 329, 332, 335, 338. 
Hindoe.s, bldz. 262, 292. 
Hitoe, bldz. 292, 293, 294, 295, 296, 

298 , 299 , 300 , 301 , 302 , 303 , 3Q4 , 
310, 311, 313, 316, 325, 360. 

Hitoelania, bldz. 286, 292, 293, 294, 

299, 300, 316, 335, 339. 
Hoeamoeal , bldz. b24. 
Hoekoeualoe, bldz. 294, 299, 316, 339. 
Hoetoemoeri (Groot-). bldz. 335, 336, 337. 
Holland, zie Nederland. 

Hollandia (Fort), bldz. 289, 290. 
Hongttocht y bldz. 332. 
Hoorn (Kaap;, bldz. 268. 
Hoorn (Po.st), bldz. 306, 335. 
Hou.ssman 'Luitenant), bldz. 282. 
Ibrahim ul Muckcram (Sultan), bldz. 

304, 305, 306, 309, 810. 
Indie, bldz. 256, 26 1, 262, 326, 347, 362, 363. 
Japan, bldz. 2(>0. 
Java, bldz. 260, 289, 327, 365.. 
Jeraja (Pooloe), bldz. 256. 
Kaap de Goede Hoop , bldz. 270, 319, 320, 

363, 364. 
Kabaoe , bldz. 338. 
KafFers, bldz. 354. 
Kailalo, bldz. 299, 300, 338. 
Kajeli (Radja van), bldz. 274. 
Kapala ftoay bldz. 317, 341. 
Kapitein laoet ^ bldz. 337. 
Karimon-o.ilanden , bldz. 267, 268. 
Kodah , bldz. 257. 
K.;\v, bldz. 254, 364, 365. 
Kilaiip:, bldz. 317, 335, 336, 338, 343. 
Ki;!ser, bldz. 354. 
Kitches (kitji), bldz. 269 ^Encycl. , IV, 

bldz. 487i. 
Klerk (Reinier de;, bldz. 350. 
Koelor, bldz. 306. 

Koerakoera, bldz. 304, 317, 337, 338. 
Komony, bldz. 338. 
Koromandel, bldz. 255, 272, 273, 290. 
Kraka (PoeloeK bldz. 288. 
Kwartoe^ zie Quarto. 
Kijk-in-de-Pot iRedoute), bldz. 289, 290. 
Labai, bldz. 335 
Laha, bldz 294, 295, 324. 
Lambert (Kapitein), bldz. 276, 291, 

295, 307. 
Lamottu (Luitenant), bldz. 289. 
Lampong.s, bldz. 365. 
Larike, bldz. 275, 2^3, 286, 301, 302, 

316, 320, 321, 332, 335, 338. 
Lassyhout^hX^A. 336 <^ncyci ,11, bldz. 59). 
Latoelmlat, bldz. 335, 336, 338. 
Lonnon (W. C'.i, bldz. 250, 251, 253, 

254, 3(>4, 365. 



Ley -Timor, bldz. 316, 317, 330. 

Liang, bidz. 316 

Lilibooi, bldz. 298, 294, 295, 296,298, 

303, 335, 337, 341. 
Lima fNegeri), bldz. 301, 302,316,335. 
Loehoe, bldz. 322, 324, 327, 335. 
Loki, bldz. 290, 327. 
Londen, bldz. 365. 
Lontoor, zie Banda (Groot). 
Lucipara, bldz. 269. 
Maba, bldz. 305, 308. 
Macao, bldz. 258. 

Macload (Kapitein), bldz. 291, 293. 
i Madoera, bldz. 365. 
Madras, bldz. 250, 254, 265, 266,269, 

276, 283, 286, 287, 295. 297,301, 
307, 312, 313. 

Maharadja, bldz. 292. 

Makassar, bldz. 261, 272, 273, 277, 

326, 359. 
Makassaren, bldz. 323, 354. 
Malabaar, bldz. 255, 290. 
Malaka, bldz. 255. 257—266, 267, 268, 

269, 276, 278, 282, 283, 312, 313. 
Maleiers en Maleisch , bldz. 255, 256, 

257, 558, 259. 260, 261, 262, 263, 

264, 266, 269, 271, 273, 274, 275, 

277, 278, 291, 292, '.95, 296. 298, 
301. 305, 306, 312, 314, 325, 380, 
339 347 36 1 

Maleisch Schiereiland , bldz. 262, 264. 

Mandhar, bldz. 272. 

Mangala (Pangerang radja), bldz. 290. 

Manila, bldz. 268. 

Manipa, bldz. 275, 284, 293, 316,322, 
324. 334, 335, 337, 338. 

Mardika (Kamporig). bldz. 321, 335. 
; Mardika of Mardaheka (Orang), bldz. 
321 , 323, 341, 342. 

Afarinjo, bldz. 318, 357. 

Massanaijoe (Masnait) , bladz. 337. 

Melchedien, bldz 280. 

Mestiezen, bldz. 322, 354. 

Mindanao, bldz 3()1. 

Moerid, bldz. 334. 

Mohammedanen, bldz. 262, 273, 292, 
294, 296, 322, 324, 326, 333, 338,354. 

Mokka, bldz. 329. 

Molana, bldz. 322. 

Molukken, bldz. 253, 25 4, 285, 361. 

Monapiu (Heuvel), bldz. 269. 

Mooren , bldz. 354. 

Muilh (Kapitein), 283. 

Muntok, bldz. 269. 

Xamakali, bldz. 335. 

Xagell (Van), bldz. 364. 

Nanny hout, bid/. '&i^(j (Encycl ,11, bldz. 
55 , 59). 

Nas.sau, bldz. 365. 

Nassau (Fort), bldz. 289 

Xatoe, b\dz. 337. 

Nederburgh, bldz. 261. 

Nederland , Xederlanders en Neder- 
landsch , bldz. 254 , 258 , 260 , 261 , 263 , 
264 , 265 , 2(>6 , 267 . 269 , 270 , 27 1 , 272 , 
273 , 274 , 27() , 277 , 278 , 279 , 280 , 281 , 
282 , 2>s3 , 284 , 285 , 286 . 2s7 , 288 , 290 , 
29 1 , 292 , 293 , 295 , 296 , 297 , 298 , 303 , 



lETS OVEE D« TEBNATAANSCH-HALMAHiEASCHE TAALGROIP. 371 

Over het L6da is gehandeld door M. J. v. Baarda in zijn opstel 
//het Lbdasch in vergelijking met het Gal6lasch dialect/)' ,- gevolgd 
door //Lbdasche teksten en Verhalen// (Bijdragen tot de taal-, land- 
en volkenkunde van Nederlandsch-Indie , zevende volgreeks, deel 
II). Over het Ibu, W^ioli en Tabaru vinden we iets in ffYier 
weken onder de Tabaru en W^ioli// door J. Fortgens (Mededeelingen 
vanwege het Nederlandsch Zending-genootschap , 49* deel, 1* 8tuk). 
Omtrent het Isam, Tbloliku, Madole, Kau, Tugutil, heb 
ik mijzelf voor eenige jaren inlichtingen verschaft, van het Tobdlo 
ben ik natuurlijk, als Zendeling der Tobdloreezen , op de hoogte, 
voor het Gal6la zie men: M. J. v. Baarda, //Woordenlijst der 
Galdareesche taal// , uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor 
taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch -Indie, eveneens : 
V. Dijken en v. Baarda, >/6alelareesche Verhalen en Overleveringen/r 
(Bijdragen tot de taal-, laud- en volkenkunde van Nederlandsch- 
Indie, zesde volgreeks, deel I). Voor het Ternataansch is de 
eenige , hoewel niet mild vloeiende bron : F. S. A. de Clerq , 
//Bijdragen tot de kennis der Residentie Ternate>j'. Van het Tidoreesch 
is mij niets anders bekend dan de v Woordenlijst /i' voorkomeude in : 
Bobide v. d. Aa, //Reizen naar Nederlandsch Nieuw-Guinea^i'. Heel 
betrouwbaar ziet die er nu juist niet uit. De Clerq geeft eeue ver- 
betering van eenige door hem als foutief opgemerkte woorden , maar 
ook deze verbeteringen maken de lijst niet betrouwbaar. Het is 
natuurlijk, dat men niet in de Molukken verkeereu kau, zonder 
wel eens Tidoreesch te hooreu spreken, want Tidoreesche smeden 
bv. zwerven overal, maar wat men zoo hier en daar opvangt is 
ook niet betrouwbaar, aangezieu het in den regel gesproken wordt 
door zwervers , die hun moedertaal met allerlei vreemde bestand- 
deeleu vermengen. 

Voor zoover ik weet, is heel Noord-Halmahdra taalkundig bekend, 
uitgezouderd het district Tblofuo op de Noord-Westkust tnsschen 
Ibu en Lolbda gelegen. Fortgens spreekt daarvan niet, evenmin 
V. Baarda. Het zou dus kunnen zijn, dat daar nog een dialect 
gesproken wordt, dat ons tot heden oubekend is gebleven, maar 
waarschijnlijk acht ik dit niet. Volgens de overlevering toch, zijn 
de daar woiiende lieden , kolonisten of vluchtelingen van de Gost- 
kust, van het oude Tblo, vandaar den naam Tblo-fuo '/Tblo 
ma buo" kind, voortbreogsel van T6I0. (Vergelijk Galelareesch 
fuo "bareu'/). Wordt daar dus nog een andere taal gesproken , dan 
zal dit toch wel een Tob^loreesch dialect zijn, misschien Tobdlo D 



372 IKT8 OVER DE TKENATAANSCH-HALMAHERASCHK TAALGEOEP. 

omdat ook de bewouers van Dodinga herkomstig heeteu uit het 
oude T6I0. 

Van de genoemde dialecteu heeft'het Ibu, volgens Fortgens, al 
de minste uitbreidiug. Wij zoudeu zeggen, uit wat door F. mede- 
gedeeld wordt, dat het der verdwijning nabij is, verdrongen door 
Tabaru, W^ioli en Ternataansch. De sprekers schijnen ook niet 
tot een bepaaldeu stam meer te behooreu , tenzij dan tot een stam , 
die reeds lang ziju zelfstandigheid verloren heeft en nog steeds 
voortgaat zich in de Tabaru en W^ioli op te lossen. 

De andere taleu hebben nog zoo spoedig geen nood van ver- 
dwijnen. Wei is ook het taalgebied van het Isam, T61oliku, 
Kau, Tugutil, niet groot, maar het wordt door bepaalde stam- 
men gesproken en die verdwijnen zoo spoedig niet. 

Wat het Ternataans ch betreft, de op Teniate wonende Tematanen 
zijn ook niet vele, maar men bedenke, dat die taal ook gebruikt 
wordt door de Ternataansche kolonisten op Halmah^ra, die nogal 
talrijk zijn. De Westkust van het Noorder-schiereilaud is er mede 
bezaaid. Het is tevens de oflicieele taal, door de Hoofden gebruikt , 
in het geheele Ternataansche gebied. En dan is het de propaganda- 
taal der Mohamedauen, ook de taal der handelareu en zij dient 
gewoonlijk als verkeerstaal , waar lieden van verschillenden stam 
elkaar ontmoeten. Het gebied van het Ternataansch is dus nogal 
uitgebreid , al was dit ook niet op het kaartje aan te duiden. 

Het Tidoreesch heeft niet veel uitbreidiug buiten het eiland 
Tidore. Wei is op Tidoreesch-Halmahera, het Tidoreesch ook de 
oiiicieele taal, maar, wijl aldaar de Hoofden alien kinderen des 
lauds zijn en niet als op Ternataansch gebied, van den stam van 
den Oppervorst, en ook omdat bijna de geheele bevolking den 
Islam heeft aangeiiomeu eii daarbij de eigen taleu heeft behouden , 
waar verder de Tidoreesche kolonisten, als komende in aanrakiug 
met een Moslimsche bevolking, niet die reden hadden zich van de 
bevolking af te zonderen , die men op Ternataansch gebied had , en 
eiudelijk, wijl op Tidoreesch Halmah^ra talen gesproken wordeu, 
met het Tidoreesch niet taalkundig verwant, zoo is het geen wonder, 
dat het Tidoreesch buiten Tidore niet veel gehoord wordt. De 
bewouers vau het eilandje Mare, die ik ontmoet heb, bedieuden 
zich er ook van. Van den Tabaru-stam zwerveu ook lieden in de 
bosschen van Zuid-Halmahera en ze zullen natuurlijk hun taal daar 
behouden. Dit zijn echter niet meer dan zwervers en van uitbreiding 
van het taalgebied door hen, kau natuurlijk geen sprake ziju. De 



IKTS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHB TAALGROEP. 873 

Tabaru uit het landschap Ibu ziju met die uit de districten 
Dj^ilblo en Sid^ugoli van denzelfden stam. Toch schijnt het van 
elkaar afwouen reeds eenig verschil in de taal veroorzaakt te 
hebben , volgens Fortgens , door de wissel- of vervangwoorden 
ontstaan. Natuurlijk zal dat verschil steeds grooter worden. 

Het Tob^loreesch is onderscheideu in: Tob^lo, Tobdlo- 
Boeng en Tobelo Dodinga. Ofschoon al de TobMos ^^ne taal 
spreken, is toch ook bij hen, door het van elkander verwijderd 
wonen, het gebruik van vervangwoorden, en vooral doordien de 
Kausche en Dodingasche Tob^los meer met andere stammen 
in aanraking kwamen, eenig verschil ontstaan, zij het ook niet 
anders dan dialectisch. 

Het Isam heeft al heel weiuig uitbreiding en het Tbloliku nog 
minder. Ik zou dan ook op beiden niet veel acht gestagen hebben, 
ware het niet dat Z. Hooggeleerde, Prof. Kern, mijne aandacht er op 
gevestigd had. Ik meende n.l. van al deze talen in het Gale lade 
meest oorspronkelijke te moeten zieu, omdat die de graramaticale 
vormen het best heeft bewaard. Daar nu hu het Tobelo ^n het 
Lb da, evenals het Tabaru, de meeste woorden ^^n of meer 
lettergrepen langer hebben dan het Gal el a, zocht ik naar den regel, 
waarlangs die verlenging plaats heeft. Echter vruchteloos en dus 
wendde ik mij tot Prof. Kern om hulp. Z. Hooggel. was zoo 
vriendelijk mij wel te willen helpen. Hij zeide mij , dat tusschen 
het Galela met zijn korte woorden en open eind lettergrepen , en 
de andere talen met hun langere woorden en eveneens opene eind- 
lettergrepen , nog een taal moest zijn met gesloten eindlettergrepen, 
aangezien hier gedacht moest worden aan eene ueiging om met 
open eindlettergrepen te spreken, zoowel bij de taal met korte, als 
bij die met langere woorden. De ^^n had daartoe de slot-medeklinker 
weggeworpen, de andere klinkers toegevoegd. Nu viel dadelijk mijn 
aandacht op Isam en Tbloliku, aangezien in beide talen een 
aantal woorden met gesloten eindlettergrepen voorkomen. Ik had ze 
juist daarom als bastaarden en minder waardigen niet der beschouwing 
waardig gekeurd (aangezien ik meende dat deze talen beslist open 
eindlettergrepen moesten hebben) , maar nu bleek mij , hoe verkeerd 
ik in dezen gehandeld had, aangezien nu bepaaldelijk, naar het mij 
voorkomt, deze talen de oudste en meest oorspronkelijke der Hal- 
mahera-talen moeten geacht worden. De //Isam" gewoonlijk Pagu 
genoemd, gelden als zeer dom en achterlijk, men vermengt zich 
niet gauw met hen ; ze wijken ook in zeden en gewoonteu nogal 



374 lETS OVER DE TEUNATAAN SOU- HALM AUEUASCUE TAALGROEP. 

af van de omwoueude stammen. Daardoor ziju ze wat geisoleerd 
geraakt en aan dat isolement is zeker huu taal-oorsproukelijkheid 
wel te danken. 

Met den Tdloliku'Sttim ben ik zeer weinig bekend en ik weet 
dus niet of die in hetzelfde geval verkeert als de Isam-stam, 
maar ik zou het wel denken, aaugezien het een klein stammetje 
is, verscholen in het binneuland, waar men haast nooit iets van hoort. 

Het Tugutil moet ook beschouwd worden als eene variant van 
het Tobelo, De Tu^uiil'SivLin is niet groot meer , zoo hij ooit groot 
is geweest. Het zijn binnenlanders die zich slechts met moeite 
tusschen huu veel krachtiger buren, de Tobdlos en Madoles hand- 
haven. Men treft ze ook aan in de bosschen op het Noord-Oostelijk 
schiereiland , waar ze hier en daar, een eindweegsch van de kust, 
eeuige dorpjes en gehuchtjes hebben. Hun taal onderscheidt zich 
van het TobMoreesch hoofdzakelijk door de uiterst gerekte , slepende 
uitspraak. Tot die uitspraak draagt zeker bij hun flegma, dat 
bewouderenswaardig is, en het heel veel voorkomen in hun taal 
van de *. Overal waar Tobelo A heeft, heeft Tugutil s. De over- 
levering zegt dat de Tugutils, Tob^loreezen zijn, die, toen de 
hoofdstam zich uit het binneuland aan de kust vestigde, na korten 
tijd , door gemakzucht gedreveu , terugkeerden naar het binneuland , 
naar hun sagobosschen. Hun taal is voor het minst met die over- 
levering niet in strijd. Huu s zal wel oorsproukelijker zijn dan de 
Tob^loreesche A, maar hun taal heeft, geisoleerd van de hoofdtaal, 
het proces dat de « tot A maakte, uiet meegemaakt. Het mag 
eeuige verbaziug wekkeu dat in de hierachter gevoegde Woordenlijst 
geen Tugutil-woordeu ziju opgeuomen, daar ik toch wel in de 
gelegenheid geweest ben mij die te verschaffeu, wijl ik heel veel 
met dien stam in aauraking geweest ben. Yoor mijn doel, een 
kijkje te geven op de Halmahera-taleu in huu onderling verband, 
was dat ook heel wenschelijk geweest, maar ik heb, van Tugutils 
uooit andere woorden dan TobMoreesche , met vervanging van de A 
door s hoorende, dat overbodig geacht. Nu spijt mij deze opper- 
vlakkigheid. 

Ook nam ik geen woorden op der K a u-taal ; uiet omdat die 
zich in uitspraak niet geuoeg van de audereu ouderscheideu zou , 
maar omdat ik meeu dat dit geeu eigenlijke taal is, die als voor- 
beeld van taalvorming gelden kan. Hoe toch is het hiermede 
gesteld ? Kau, het district, was vau oudsher, zeker reeds eeuige 
eeuwen lang, de verbauningsplaats vau Teruatcf. De liedeu, daarheen 



lETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASOHE TAALGROEP. 375 

verbaunea, spraken Teruataansch. Laugzamerhand is uit hen eene 
kolonie ontstaan. Ook aiet verbannenen zullen zich daar wel bij- 
gevoegd hebben eu men heeft zich met de oipwonende bevolkiug 
vermengd. Die omwouende bevolkiug sprak : Isam, T61oliku, 
M a d 1 e en T o b e I o , en doordieu al deze talen met Ternataansch 
door elkaar gemeugd zijn, heeft men een wonderlijk allegaartje ge- 
kregen, een mengelmoes van woorden, waarin het Tobeloreesch 
tamelijk sterk domineert, maar dat hoofdzakelijk op Ternataansche 
wijze uitgesproken en uitgedrukt wordt. Men raoet het nu wel 
degelijk kennen om het te kunnen verstaan, maaif het is toch in 
roijn oog geen oorspronkelijke taal. 

Ik zal nu eerst het Woordenlijstje doen volgen. De volgorde is, 
dat het Isam en Tbloliku voorop komeu, omdat ik die twee als 
de meest oorspronkelijke meen te "moeten beschouwen en dan 
Galela, L6da, Tob^lo, Madole, Tabaru, W^joli, Ibu 
Teruate en Tidore. 

Ik geef van elk wat ik heb kunnen vinden, natuurlijk met uit- 
zoudering van Gal6la en Tobelo, maar tot eene vergelijkende 
studie tusschen die twee, is dit artikel niet bestemd. 



370 



IBTS OVER DB TERNATAANSCH-HALMAHKKASCHE TAALOROEP. 



Nederlandsch. 

1 hoofd 

2 iieus 

3 haar (hoofd) 

4 eten 

5 sterveu 

6 oor ^ 

7 twee ^ 

8 drie 

9 vier 

10 vijf 

11 tieii 

12 iwintig 

13 voet 

14 lichaam 

15 kiud 



Isam. 

saeki ^ 

nguhuug 

beleti * 

6jom 

sbneng 

ugauku 

modidi 

wo^nge 

loata 

motba 

mogio 

monalok 

jou 

lbis« 

ngbak 



Tbloliku. 

saSki 

nguiiungu 

utu-beleti 

bjom 

sbueug 

ugauku 

lomodidi 

lomo^uge 

loat 

motba 

mogibk- 

mouala 

jou 

16is 

ugbak 



Galela. 



s^he ^ 
nguuu 
hutu 
bdo 

• 

sbne 

ugau 

siu6to 

sa^Dge 

iha 

motbha 

mogiowo 

monohalo 

dbhu 

rbhe 

ngbpa 



L6da. 

saeki 

nguuungu 

utu 

bdjomo 

sbnenge 

ugauku 

sinbto 

djfinge 

djoata 

motba 

mogibko 

monaloko 

djou 

rbSse 

Dgbaka 



Tobilo. 



I 



hagke 

ngunungu 

utu 

b^omo 

hbnSnge 

ugauku 

hiubto 

hiinge 

lata 

motba 

ugimoi 

monaoko 

Aou 

rbehe 

ugbhaka ^* 



.1 



.■» 



De uitgangeu i eu e ziju wisselend. Het is soms moeilijk uil te maken, of 
men een i dan wel een e hoort, aangezien de i overgaaude is in een e. Men 
zie hiervoor bv. het Galelareesch. In de vroeger uitgegeven werken staat daar 
op veel plaatseu een »', als sa^ngj, tupa^ugj, waar de Heer v. Baarda nu 
schrijft : sa^ng<?, tupa^ng^. Men zai vroeger wel niet foutief gehoord hebben , 
maar het proces der overgang zal zich in den loop der jaren voltrokken hebbeu. 
Dit geheel afwijkende woord, zeker door woordverwisseling ontstaau, weet ik 
niet te verklaren. 

Robide v. der Aa geeft hier op ngun, maar ik ben zoo vrij geweest de eind-« 
er bij te voegen. Het Tidoreesch heeft toch geen gesloten uitgangeu voor zoo- 
ver mij bekeud is. 

Dit is hier te beschouwen als eene afwijking door het gebruik van vervang- 
woorden ontstaan. Zoo hebben Tob. B en D tadauru. Beleti beteekent haar- 
wrong en ho ma tadauru beteekent: het haar opmaken , dus : tadauru = 
haartooi. Van het Ibu: duliwa, weet ik de herkomst niet, maar het zalook 
wel een wissel woord zijn. 

Het is natuurlijk mogelijk dat dit woord een e in de eerste lettergreep heeft, 
evenals dit voorkomt op N** 14, eu men zou dan moeten aannemen dat Wkioli 
de neiging heeft, de o door een e te vervaugeu, maar met de weinige ge- 
gevens is dit niet vast te stellen. Daar Fortgens echter zijn artikel niet zelf 
gecorrigeerd heeft, komt het mij voor dat wij hier met drukfouten te doen 
hebben en een b de plaats der e vervangen moet. 

Analoog aan andere woorden zou Isa m - TM o 1 i k u hier n ga u k moeten hebben, 
en niet ngauku, en ik ben er ook niet geheel verzekerd van dat zij dit 
uiet hebben; bij het onderzoek toch, dat ik naar die talen instelde, heb ik 



IBTS OVER DE TEBNATAANSCII-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 



377 



Madole. 



Tabaru. 



Waioli. 



Ibu. 



Ternate. 



Tidore. 



h^i 


saeke 


sa'e 


sae 


dopblo 2 


dofblo 


iigunu 


ugununu 


Dgunungu 


uununu 


ngunu 


ngunu ■' 


utu 


utu 


utu 


duliwa 


hutu 


hutu 


6domo 


bdouio 


bromo 


blomo 


bko 


bjo 


honenge 


sbngene 


sengene ^ 


sbnene 


sbne 


sbne 


iigau'u 


ngauku 


ngau'u 


nau 


ngau 


ngawu ' 


modidi 


uiodidi 


rouiodidi 


lomodidi 


romdidi 


ma Ibfo 


sa^uge 


sa^uge 


ro^nge 


lane 


ra^nge 


r^nge 


soata 


soata 


rata 


loata 


r^ha 


r^ha 


motba 


uiotba 


romotba 


lomotbala 


romtbha 


romtbha 


iigiuioi 


mogi6ko ' 


nj^imoi 


uj^gimoi 


njilgiinoi 


nj^gimoi 


monao'o 


mouaoko 


nj^gi romdidi 


nj^i-lo modidi 


nj^gi romdidi 


uj^gi ma Ibfo 


dou 


dou 


rou 


lou 


hbhu 


jbhu 


roehe 


rbese 


16se ^ 


IbSse 


badan 


badan 


iigba 


ug6aka 


Dgb'a'a 


nba 


ngbfa 


ngbfa 



niet in de eerste plaats hierop gelet ; aangezien ik toen meende dat alle 
Halmahera-talen alleen woorden met open uitgang kenden, heb ik wellicht die 
uitgang wel eens gemeend te hooren, ook waar duidelijk een geslotene uit- 
gesproken werd. 

' Robide v. d. Aa geeft hier ook op ngaan, maar dat is zeker foutief. 

® Het is merkwaardig dat Gal., Lbd. en Tob. hier een ander woord hebben. Of 
het als een vervangwoord te beschouwen is? Het causative voorvoegsel si, hi 
zou het doen denken, maar ik weet het tot heden toch niet te verklaren, bf 
het zou moeten komen van den stam bto, dbto, = indringen, in tweeen deelen. 
Mogelijk is het, maar ik geef het slechts als een veronderstelling. De andere 
woorden geven wellicht de tweeheid aan door de verdubbeling van den 
wortel di. Het voorgeplaatste Ibmo, mo, ro, rbm, komt heel veel voor de 
telwoorden in deze groep voor. Lbmo zal wel het oorspronkelijke zijn, want 
het beteekent : verzamelen , bij elkaar brengen , bij elkaar komen. Het Tidoreesch 
ma- Ibfo is een wisselwoord; Het beteekent Ternataansch ook: beiden, elk, 
omtrent. De overgang is dus niet moeilijk. De telwoorden van deze groep zijn 
zoo eigenaardig, dat het zich zeker zeer loonen zal, te trachten die alle te 
verzamelen en er dan een aparte beschouwing over te schrijven. 

® Men zie omtrent de bi hier, waar de andere talen be hebben, het reeds onder 
1 opgemerkte, omtrent i en e als uitgangsletters. Hetzelfde geldt ook hier. 
Oorspronkelijk zal het wel overal bi geweest zijn. Bij de Tobelos is het verschil 
tusschen beiden nog zoo gering, dat men het dikwerf alleen opmerkt, wanneer 
men de woorden door inlanders laat opschrijven. 
*" Tobelo B heeft hier ngb/aka, Tob. D zelfs een enkele maal ngb*aka, en ook 
het Tugutil heeft de laatste uitspraak. 



378 



IF/rs OVKE DE TEENATAANSOH-HALMAHERASOHB TAALGROEP. 



Nederlandsch. 

1 

1 


Isam. 
k^o 


' Tbloliku. 

1 

k^o 


Gal6la. 
k^o 


Lbda. 


ToMlo. 


16 bond 


k^so 


k&ho. 


17 water i 


^kel 


^ke 




^ke 


^kere 


^kgre 


18 prauw 

19 visch 


bti 
nauoko 


bti 
nauk 




deru * ^ 
nauo 


deru 
nadko 


ngbtiri 
naudko 


20 huis 


wbla 


w61a 




tahu 1* 


wbla 


tau "* 


21 hout 

22 jongeling ^^ 

23 zitteii 


gbta 

ugale-ngale 

gbggle 


gbta 

ngale- 

kgbok 


ngale 

1 6 


gbta 

gbhiduru 

tami^ 


gbta 

goduru 

gbgere 


gbta 

goduru 

gbggrakn 



1 1 



1 2 
1 3 



14 



Omtrent deze afwijkingen van het zeer algemeen voorkomende ^so wai 
Dr. N. Adriani zoo welwillend mij de volgeude iulichtingen te geven : 

//Het W^ioli en Ibu kauna //hond// is hetzelfde woord als het Gorontalcescli 
//apula. Het Gor. verliest nl. de k en maakt de n tot l. De volledige vonr 
van het woord is kapuna. In de taal van Tawaili (aan de Oostkust del 
Paloe-baai, tegenover Donggala) beteekent het woord //krokodil/y , in hel 
Bentenansch en Siaoesch //hond//. In al deze drie talen is de vorm 
kapuna. Uit het Gorout. zal dus kauna wel niet stammen, eerder nit hel 
Benten. of Siaoesch, want het Tawailisch is natuurlijk geheel uitgesloteii, 
Maar ge ziet, dat het in talen voorkomt, die ver uit elkaar liggen. Bente- 
nansch en Siaoesch zijn nauw verwant, maar hoe komt het Tawailisch er aan, 
en dan in die afwijkende beteekenis van vkrokodil// ? Was dit de oorspronkelijkc 
beteekenis, dan zou ik kapuna willen afleiden van pu (pue, pua, Smpn^ 
empunja, punja) //heer , eigenaar// ; k a p u : //heerschap// , kapuna : ^zijn 
heerschap, zijn Hoogheid//, dus een titel om het gevreesde monster te eeren, 
Maar Gor., Benten., Siaoe, W^ioli en Ibu, hebben alien f/honiff en di 
krokodil is het huisdier (//de hond//) der watergeesten. Men kan dus eerdei 
overgang van beteekenis van //hond// in //krokodil^, dan van ^krokodilii 
in //hond// aannemen. Maar is de boven aangegeven afleiding jnist, dai 
moet //krokodil// de oorspronkelijke beteekenis zijn, want dat de ^hond// ver 
eerd wordt, weet ik van nergens, integendeel, ik heb de inlanders hni 
honden altijd met heel weinig respect zien behandelen.// 
Dit is natuurlijk een vervangwoord , vergel. Javaansch b a n j u //water//. 
Het komt mij voor, dat deze woorden als vervangwoorden te beschouwen zijn, 
afgeleid van t^ru //zitten//, //datgene waarin men op het water zit>y dus. AJlei 
toch hebben het woord //bti, btil, btir//. Het zou kunnen zijn dat dit hetzelfd( 
is als tbtir //op de armen dragen//, zooals men een kind op beide armen voQi 
het lichaam draagt, ngo zou afkorting kunnen zijn van ngoot, ngblot /yzeei 
(zie N** 94) , en men komt dan tot : //datgene waarin men op zee gedragen wordt^r 
Deze woorden zijn natuurlijk als vervangwoorden te beschouwen. Het Otal, hecJ 
nog pbla //rijstschuur// , maar het Tob. heeft het woord heelemaal niet. Hd 
Tob. B en D gebruikt f^la, maar het Tugutil heeft tau. Waarom f^la ver- 
laten werd , is niet meer te zeggen. Vanwaar t^hu, tau? Men heeft d^ha. 
dan, //beneden// en dus zou kunnen //t^hu, t a U'/ //datgene waar men benedeOt 



lETS OVER DE TERNATAANSCII-HALMAHERASCHB TAALGROEP. 



379 



Madole. 


Tabaru. 

i 


Waioli. 

1 


Ibu. 


Ternate. 


Tidore. 


1 

1 k^o 


kauua * ^ 


kauna 


k^o 


j ^ele 


^kere 


[ b^njo 1 2 


b^njo 


^ke 


^ke 


ugobtili 


; Dgobtiri 


bti 


nbtili 


6ti 


6ti 


nau'o 


naoko 


nja'o 


nauo 


ujau 


njau 


; woa 


i woa 


wbla 


w61a 


m& 


fbla 


gbta 


gbta 


hie 


gbtala 


h^te 


h^te 


ugale-ugale 


dugiiuru 


tubaie » 


tubaie 


ngongare 


ngongare 


gbgeldu 


gbgere 


teru 


gbggle 


tego 





1 s 



1 6 



onder is//, maar van dergelijke vorming zijn mij geen andere voorbeelden 
bekend. Het Gal. heeft echter o uku pa t^hu, het Tob. o uku ha tau //het 
vuur opbouwen, aanmaken//, en dus zou beter kunnen : t^hu, tau, //de plaats 
waar men het vuur aanmaakt// , ergo //het huis// , want wel heeft men nu 
aparte keukens, maar men behoeft maar eens bij de boschbewoners op bezoek 
te gaau, om te zien dat dit niet altijd zoo geweest is. 

De woorden ngale-ngale, (L^am , Tolol , Madole) en ngongare. (Tern. 
Tidore) kunnen natuurlijk dezelfde zijn , beide reduplicaties van ngale-ngare, of 
van ale-are. Ook Tob. B. heeft //ngale-ngale//. Het zou kunnen komen van 
ale //ring//, dus //de ringendrager// (jongelingen zijn daar in den regel nogal 
mee versierd) beteekenen, maar ook wel van ngale //reden, oorzaak// , dus 
//die reden geven kan, zich verantwoorden kan, mondig is, geen kind meer is//. 
Gal., Lod. en Tob. hebben go //frisch, Jong, groen, versch// , diiuru //na, 
achter, achteraan, daarna^/ , dus //de leeftijd volgende op de kindschheid//. 
Tab. dugiiuru zal ook wel dat beteekenen. Maar Waioli en Ibu wijken geheel 
af. Omtrent het woord //tubaie// was Dr. N. Adriani zoo vriendelijk mij het 
volgende te schrijven : 

//Het bestanddeel tii kan het honorifieke tu zijn, dat voorkomt in Bare'e 
//tukaba //oudere broer of zuster//. Tontenboansch-Sangir tuari //jongere 
//broer of zuster//, Bare'e tuama //man//. //Baie// kan het bestanddeel wane 
//zijn uit Makassaansch worowane //man//. Sang.: mahuane //id.// Bente- 
//nansch mohanei //id.// alle drie meervoudsvormen. Men moet zich dan als 
//grondvorm bane of wane denken, dit zal wel identifiek zijn met Jav. , Bar. 
//wani, Mai. b^rani, Minah. waranei //dapper//. Dus: wanei, wane, 
//bane, balo (Bar. //vriend//), baie, met het beleefde tu, tubaie, zooveel 
//als : //geeerde dappere//. 

Met dit woord weet ik geen raad. Het past weinig in de rij. Het is echter 
mogelijk, dat het, het eigenlijke woord zitten is, aangezien de andere woorden 
dit alleen als afgeleide beteekenis hebben. GbgSle-gbgere beteekent //verblijven, 
wonen// en men voegt er het achtervoegsel uku, ku, u //benedenwaarts aan 
toe, om er zitten van te maken. Gal. tami^, komt van tami //zetten// en 
wordt gevormd met het achtervoegsel ie //omhoog//, omdat men zich op de 
banken zet ; het Gal. kent ook: gbgeku //zich ueerzetten//. Waioli t^ru is 
gelijk aan Tob. B en D, die dit ook hebben, ook het Tabaru kent dit, want 



380 



lETS OVEE DE TERNATAANSOH-HALMAHEEASOllE TAALGROEP. 



1 

Nederlandsch. 


Isam. 


! 

Tbloliku. 


Qalela. 

1 


Lbda. 


TobMo. 


24 veel 


l^pe 1 7 


Idpe 


dala 


ngoe 


woe 


£5 zwart 


kokbtu 


kokbtu 


taro 


taromo 


daromo 


26 maagd 


mosbles 


mosblis 


djodjaru ^ ^ 


djodjaru 


mohblShe 


27 piuang 


mbkulu 


mbkul 


dena 2 » 


mbkuru 


mbkuru 


28 instappen 


palen 


pale 


pane 


warene 


harSne 2 « 


29 groot 


lamok 


lamok 


lamo 


lamoko 


amoko 


30 kapmes 2 « 


dia 


dia 


taito 


tipu 


dia 


31 mes2 3 


dia ma itji ^* 


dia ma itji 


diha 


dia 


g^kana 


32 huid 


kai 


kai 


k^hi 


kai 


kai 


33 lui 


busulu 


bus^ngi 


bus^ngi 


tuhuduku 


tgbfttgru « « 


34 werkeu 


menalan 


monalan 


manara 


manarama 


manarama 


35 vrouw 


ngeweka 


ngeweka 


ngbpSdeka 


ngowedjeka 


ngoheka ** 


36 echtgenoote 


wekat 


; w^kat 


ped^ka 


w6dj6ka 


hekata * • 


37 man 


uaulu 


nauro 


janau 


nauru 


nauru 


38 echtgenoot 


Ibkat 


Ibkat 


rbka 


rbkata 


rbkata 


39 krokodil 


gosbm^ng 


gosbma 


gosbma 


gosbm^nga 


gohbm^nga 



1 7 

1 8 



1 9 



2 



ik voiid //dederu/^ //bank^/, '/dat waar men op zit^/ dus. Ook dit vi^ruf heeft 
echter de beteekenis //zetten, leggen, ueerkomen^/. Teruat. tego, beteekeut 
Tobel. //het zitten van een vogel op een tak'/ een bepaald soort zitten dus. 
Heel onmogelijk vind ik het dus niet, dat tegenover al deze afgeleide be- 
teekenisseu, het Tbloliku vkebbk//, //zitten// beteekent in eerste instantie. 
Vergelijk Mai. limpah //overvloedig//. 

Men heeft Gal. en Tob. (misschien ook iu de andere talen) tbf u //hoop/y in 
bbro, o gbhi ma tbfu: //eierenhoop// door de boschkip opgeworpen. Ditzal 
wel hetzelfde zijn. De veelheid der eieren der boschkip heeft dan tot de 
beteekenis //veel// gebracht. 

Het komt mij voor, dat dit niet het oorspronkelijke woord is. Het woord wordt 
ook in het Ambonsche gebruikt, maar wellicht door invloed van Ternate. In 
Gal. en Tob. heeft men djaru als beleefde naam, waarmede kinderen hunner 
Moeder jougste zuster aauspreken , en ook wel in het algemeen vrouwen die 
ouder zijn dan zijzelve. Hieruit zou het woord ontstaan kunnen zijn //djodjaruii' 
//degene die altijd als djaru aangesproken of benoemd wordt//, of: de redu- 
plicatie der eerste lettergreep een verkleitiwoord vormende, en dus een lief- 
kozingsuaam: d jaru-djodj ar u //vrouw, vrouwtje^/. Aangezien in het G^l. het 
woord hble //bilnaad, de poort tusschen de beenen// beteekent, zou dit reeds 
de verdwijning van het woord iu zijn beteekenis //maagd*/ genoegzaam 
verklaren. 

d^na-hena is in andere talen //jonge pinang//. Toch is het niet onmogelijk dat 
dit het rechte woord is voor den boom, daar mbkul, mbkur zoowel het 
pinangkauwen aanduidt, als pinang boom en vrucht daarvan. 



lE'Ts ovEK DE tibnataansoh-ha.lmahi:rasgue taaloboip. 



381 



Madole. 


Tabaru. 

gudai 
taromo 


Waioli. 

repe 
kokbtu'u 


Ibu. 

16pe 


Ternate. 

dbfu > « 
kokbtu 


Tidore. 


ISpe 
taromo 


1 


hblghe 
dna'a 


djodjaru 
mbkuru 


raosblSse 
mbadu 


mosblSse 
mb'ulu 


djodjaru 
hdna 


1 


balSne 
amo'o 


parSne 
amoko 


palSne 
lamo^o 


palSne 
kJla 2 2 


fane 
lamo 


ft 


dia 


w^e 


w^ere ' 


^ele 


peda 




wa^a 
'ai 


kai 






dari 
^hi 


tjitji 
ihi 


tuda'a 


tiiuduku 


busuru 




buseng 




dial 2* 

ngSw^'a 

we^ata 


mauarama 

ugewfeka 

wekata 


beujJtoro ^7 
wgr6'a •' « 
w6r6'a •'" 


1 


golaha 2 " 

ngofeka 

foheka 


fofoja 


nauru 








nonau 


nonau 


6'ata 








r^ka 




gohbm^uga 


gos5m^uga 


s^maua ^ ' 




s^ma 


^^F 


2> Het Tob 

i 2 Vnlorpna 


. B eu D heeJ 

llr N . Arlrinn 


t '/farenc'i'. 

1 i.nu {\\t wnnr 


r) }ipt.7.p.lfi1p. km 


nnf^n 7.iin n.1a fi 


^nrnn fa 1 apq/«}i 



2 3 



24 

25 



2 7 

28 
2 9 

.1 I 



ea of eja: //Heer, Vrouwe^/. Dit woord kan staan voor k e a , daar het Goront. 

de k wegwerpt, en keja kan gelijk zijn aan k(^la, daar het Goront. de I 

wegwerpt, en de j uit de I ontstaan kan zijn. 

Het verschii in namen dezer gereedschappen zal wel ontstaan zijn, doordien 

elk het overnam met den naam, van verschillende volken. 

Klein kapmes. 

Tob. B en D hebben diiuru ^He laatste zijn, achteraankomen//. 

Deze woorden beteekenen ^/doen, maken^', en komen natuurlijk ook in de 

andere talen voor. Of manara in het Madole en Ternate bepaaldelijk niet 

gebruikt wordt, weet ik niet. 

Dit woord zou kunnen komen van t^to, tdtdro /^fijn hakken, fijn kappen^/. 

Tob. B en D hebben hier ngofeka. 

Tob. B en D hebben hier fekata. 

Aangezien deze twee begrippen in geen der talen door 'tzelfde woord weer- 

gegeven worden, zou ik hier haast aan een font denken. 

Dit woord en l^et Tern, s^ma zullen wel vervangwoorden zijn. Het Tobel. 

heeft r/h^raana'/, uitlegger van de prauw. De vormovereenkomst tusschen 

krokodil en prauwuitlegger is nogal groot, en het is geen wonder, dat men 

zoo'n gevreesd monster liever niet riep, door het bij zijn eigeiilijken naam 

te noemen. 



382 



lETS OT£K D£ TEKMATAANSCH-HALHAH^KASCHi; TAALOBOEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


Tblol 


40 weigeren 


bluk 


bluk 


41 ingaan 


n6s^in 


wbsam 


42 naam 


Ibmaug 




43 huwen 


ijaka 


ij^k ^ 2 


44 wonden 


nabo 


uabu 


45 zeggen 


temo 


t^mo 


46 verspreiden 


balis 


gis^l 


47 slaapbank 


d^ngil 


d^ugil 


48 binden 


piliku 


piliku 


49 weten 


ii^ko 


ii^ko 


50 wit 


• 




51 traan 






52 dorp •■» » 


son 11 


soaiio 


53 spijze 






54 voorbij 






55 breken 






56 halen 


eje 




57 staart 







Gal6la. 



Lbda. 



TobMo. 



hblu 


hbluku 


bluku 


wbsa 


wbsama 


wbhama 


rbnga 


rom^nga 


rbm^Dga 


modbka 


modjbka 


moAbka 


dabo 


djabo 


^abo 


temo 


t^mo 


^to ^ •' 


biau 


biauru 


barihi '* 


d^ngi 


d^ngiri 


d^Dgiri 


piliku 


pilikuru 


Aikutu 


n^ko 


u^ko 


n^ko " 


are 


arese 


arShe 


kbngo 


kbngo 


kbngo 


soa 


soana 


hoaua 


ino 


inomo 


inomo 


p^a 


p^ala 


p^ha 


polbte 


polbteke 


pobteke 


d^he 


djS 


Xh 


peffo ** ^ 


bikini 


bikini 



32 



3.3 



3 4 



3 5 



3 6 



Hier zijn eigenlijk twee woorden : ijak, ijaka, Gal. ija, Tob. i^aka, 
Tern, kai, dat meer het huwelijk als geslachtsgemeenschap aanduidt, en 
modbka, dat '/schoondochter// beteekent, beleefder is en de zaak meer in het 
familie-verband beschouwt. 

In het Tob. beteekent t^mo: ^/spreken , geluid gevenv, maar niet ^/zeggen^r. 
Of dit ook zoo is in het Waioli en Ternataansch , weet ik niet. Ook heeft het 
Tob. nog ade-ade ^/vertellen, redevoereu'/ , dat dus correspondeert met 
Waioli ^ d j e 1 e , Tern, w ^ d j e. 

Het Tob. //barihi// wordt niet veel in dezen zin gebruikt, men gebruikt 
//per i ngana//. Ik heb het echter gegeven om des woords wille. 

Ik ben niet zeker of dit woord ook //slaapbank// beduidt, wel //bank//. Daar 
echter oorsproukelijk het gebruik van //slaapbank'/ en //bank// hetzelfde was en 
men in Gal. en Tob. voor //bank// //b^ko'/ gebruikt, een verbastering van het 
Hollandsche //bank//, zal Waioli ook wel //slaapbank// en //bank// door H zelfde 
woord aangeduid worden. Natuurlijk komen ded^ru en dego-dego van 
teru en tego //zitten//, vergel. N® 23. 

Dit is zeker een vervaugwoord. Gal. heeft busu, Tobel. buhuku >/iets wat 
men ueerlegt behoorlijk tegen elkaar doen inloopen , zoodat het goed om of 
bij elkaar past'/ , dus //^en geheel vormt//. Deze gedachte zal wel tot het ver- 
vaugwoord voor //binden// gebracht hebben. 



I£TS OVEB DS TEBNATAANSOH-HALMAH£BASOHE TAALGBOEP. 



383 



Madole. 


Tabaru. 
bluku 


Waioli. 


Ibu. 


Ternate. 


Tidore. 


blu'u 


bdu'u 




hbdu 




bhama 


wbsama 






wbsa 






rbnga 


Ibm^nga 


nblama 


rbnga 




modb'a 


modoka 


moloara 




kai 




dabo 


dabo 


ujaboto 




njabo 




tdmo 


temo 


Uj^le 




w^dje 




barisi 


pi^koro 


pi^'olo 


fiaro 






d^ngiri 


ded^ru ^^ 


dego-dego 




likitu 


pusuku •'' " 


piuji'u 




podiku 




ii^'o 


u^ko 


waro 




waro 






arese 


budana ' ^ budo 


budo 




kbDgoro 


bngoro 




bngo 




soano 


soana 






soa 


soa 




inomo 


^to'o ^ " 


ugogu ^ ^ 


. 




p^aka 


p^la 


palisi 






pobteke 


p^poro •* - ! 


polbte 






ese 


bro 1 


bro 






bikini 


di'imi 




biki 


bii 



•'" Het Tob. B eu D heeft nog w^hu voor 't zelfde begrip , het Gal. heeft wisu, 
met een beetje gewijzigde beteekenis. Dit zal dus wel 't zelfde zijn als //walo, 
waro'/. Het woord u^ko kau dan in die talen verloren gegaan of vervaugen 
zijn, aangezieu w^hu, w^su, waro, walo, niet volkomen 't zelfde be- 
teekenen als n^ko. 

^^ Ik denk dat are 't oorspronkelijk woord voor //wit// is en budo meer //blank// 
beduidt. Men zegt het ook Gal., Tob., voor //blank// van een mensch. 

■^* Het woord beteekent //stamdorp// , niet //vestigingsplaats//. Daarvoor heeft men 
Gal. dbku, Tob. ber^ra. Tern, gimu etc. 

**" Dit is een vervangwoord : ketoko, in andere talen //sago, sagobroodje// , een 
soort spijze dus. 

** Dit woord zou kunnen komen van Gal. ogu //snijden// en dan beteekenen 
//het gesnedene, het mondklaar gemaakte, het toebereide//. 

•*2 Dit is weer een vervangwoord, in het Tob^l. beteekenend : kueuzen, brijzelen, 
afbreken van bladeren , etc. 

•** Pego is natuurlijk een vervangwoord, misschien ontstaan uit peko, Gal. //er 
iets omheen slaan, de beenen over elkaar of om een boom, dus, datgene wat 
het dier om zijn lichaam slaat, of wat de buidelrat om den boomtak slaat// ; 
geen dier toch gebruikt zijn lange staart zoo als de buidelrat, om die om 
een tak te slaan. 



384 



lETS OVEK. D£ TEBNATAANSCH-HALMAHJ^BASCHB TAALGROEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 
balou 


Tbloliku. 
baloD 


Qalela. 
baro 


Lbda. 


; Tob&lo. 

i 


58 sarong 


barono 


Dgbere *"* 


59 arenpalm 


daluk 


daluk 


Igb^uo ^''' 


daluku 


hepata * ^ 


60 zoet 


mutit 


mutit 


muti 


mutiti 


mutiti 


61 drek 


ibk 


ibko 


iho 


ihoko 


ibko 


62 komen 


sapom ^^ 


sapoug 


bola 


suwutu 


boa 


63 koopen 


tibok 


tibo 


idja^' 


tugala ■* ® 


idja 


64 verkoopen 


ukunu 


ukun 


siidja ^" 


wukunu 


hukunu * ^ 


65 tuin 


l^di 5 2 


Iddi 


dbro 


dbro 


rddi 


66 rijst 


bila "^ •' 


bila 


tamo 


bira 


pine 


67 tong 


^kili 


^kil 


lade ^ * 




^kiri 


68 vleesch 


l^kime 


l^kim 


ake 


l^keme 


^kSmi 


69 ster 


hgaugama 


iigangama 


ugbma 


iigbma 


murumu * 



■*^ NgbSre is een vervangwoord , gevormd van wbSre ^/iets uithangeu, iets t 
drogen hangen, en vandaar ngbere, //dat wai men uit- of omhangt// 
Hel woord balon, baro, beteekent waarschijnlijk de boomsoort, waarvau mei 
de boombast-bekleeding maakte, eveuals men nu nog bij de Tobdloreezeu di( 
kleeding eenvoudig naar den boom benoemt, waarvan men die krijgt. D( 
Tob^loreezen zouden dan vindingrijker geweest zijn dan de anderen, aaugeziei 
zij aan het nieuwe ook een nieuwen naam gaven. Het Waioli k^i-l^^a, kai 
zijn //kain-l^ha// //goede kain^/, waarmede men dan het katoenen kleed aan- 
duidt, in tegenstelling van dat van boombast. Zoo zegt men ook op Papoei 
//goed zeil// tegen een katoenen of linnen zeil, in tegenoverstelliug van een 
gevlochten zeil , zooals men die ook nog gebruikt. Goed heeft dan dc 
beteekenis //kostbaar//. 

•*^ Dit zijn bepaaldelijk woorden die den boom aanduiden ; daluk-dalu duidl 
het sap aan, de palmwijn ; ook het Gal., Tobel., Tern, heeft daarvoor //dalu 
daluku, dalu. Men gebruikt ook nog hetzelfde woord om //dronken/y aai 
te duiden, dus denk ik, dac die naam wel oorspronkelijk het //sap'/ aangedoic 
zal hebben en vandaar op den door het drinken ontstanen toestand en op der 
boom overgiug. De boom zal wel in elke taal een eigen naam gehad hebben, 
maar die zal door dien van het sap verdrongeu zijn. Het Tern, seho wordl 
ook in de Miuahassa gebruikt, naar ik meeu. 

Ik denk dat dit het oudste woord is. De Tugutils hebben ook s^pbngo, dc 
TobM. kennen ook nog: h^pougo, Gal. heeft s^po, //doordringeu , diepei 
iudringen dan de oppervlakte^/ , 't geen dus ook eenigszins op deze lijn ligi 
Zou het mogelijk zijn dat boa ontstaau is uit poik, poa, overstroomen, 
storten, overvloeien? Of wel uit poak-poaka, schreeuwen, en duiden op 
het geschreeuw dat wellicht aangeheven is bij het aankomen, het terugkomen 
van krijgstochten , toen men eenmaal aan zee woonde ? Het is maar eene ver- 
onderstelling van mij. Met het Lod. suwutu weet ik geen raad. 

"*' Deze woorden beteekenen zoowel koopprijs als kooper en men vraagt zich dua 



4 ft 



lETS OVEE DE TEENATAANSCH-HALMAHEEASCHB TAALGEOEP. 



385 



Madole. 



Tabaru. 



Waioli. 



Ibu. 



Teruate. 



Tidore, 



b^'uno 

dalu'u 

mutili 

ib'o 

boa 

gb'o ^ « 

u'unu 

dumule 

pine 

hi^hiri 

ugangama. 



barono 

daluku 

mutiti 

iko 

boa 

idja 

bairi 

bira 

^i-^iri 

^keme 

ngbma 



kaila^a 
djadu'u 



baro 
seho * ^ 

iho 

idja 
fuku 
gura 
bira 



bira 
^i 

ngbma 



48 
49 



5U 

S 1 
52 



5 3 



!i4 



S S 



af, of niet tibok, tibo, verloreu gegaan is. Het er mee correspondeerende 

woord in het Tobel. tiboko, beteekeut //zwemmen//, dus heeft er niets meer van. 

Vergelijk Mai. tukar. 

Het Tob. heeft een veel gebruikt vervangwoord //gbko//, dat het hoofd woord 

bijna verdrongen heeft. In het Madble schijnt dit reeds heelemaal het geval 

te zijn. 

Het Gal. is hier armer dan de anderen, aangezien het een causative vorm van 

//idja//, //k pen//, gebraikt. 

Tob. B. en D. heeft fukunu. 

Zoowel ledi, r^di, als dumule en bairi, komen van woorden die be- 

teekenen : wieden, schoonmaken , gelijk af hakken ; dbro is: //wat stil is, wat 

vlak is, een straat in zee, een doorgang tusschen de klippen. Ook kan zijn, 

dat gedacht is aan de open plek tusschen de koraalrotsen , die zulk een dbro 

in zee vonnt en de open plek in het bosch die de d6ro-//tuin// in het bosch 

vormt. Het Tern, gura beteekeut: een plek, die zich van het andere onder- 

scheidt : een alleeu staand groepje boomen, een eiland in zee, een open plek 

in het bosch en vandaar dus //tuin/y. 

Bila, bira, zal wel het oorspronkelijke woord zijn. De anderen toch hebbeu 

een bijbeteekenis, het Gal. tamo, beteekeut Tob. //een soort potten waarin 

men de rijst kookt bij feestelijke gelegenheden. Tob., Mad. pine, is gelijk- 

luidend met Tern, fine //zaad'/, vergel. Mai. benih, en ziet dus op het zaad , 

de korrel. Tob. B. en D. heeft ook //bira//. Het is geen wonder dat men rijst, 

die zoo licht schrikt, niet met den eigen naam benoemde. 

Dit lade is hetzelfde als lade //likken//, Tob. aAeme en dus daarvan afgeleid. 

Mad. hi^hiri, Tabar. ^si-^siri komt van Gal. d^si, Tob. A^hi ri //slikken// 

en is dus daarvan afgeleid, zoodat wel ^kil als het oorspronkelijke woord be- 

schouwd kan worden. 

Van dit woord ken ik de afleiding niet. Het is kennelijk een vervangwoord en 

zal wel een of andere ster of sterrenbeeld aangeduid hebben. 

?• Volgr. VI. 26 



386 



tE'ta OVEK DE TKttNATAANSCH-HALMAUiKASCUE TAALOaoSP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


Tbloliku. 

1 


I Oal^la. 


L5da. 


70 kikvorsch 

7 1 slecht ^ « 


pad^k 
tila 


dida 


p^d^ke 
torou 


toroa 


72 zoeken ^' 


salik 


sali 


• 
san 


nbnu 


73 moeder ^^ 


Ma 


eila 


awa 


ina 


74 vader 


eja 


eija 


b^ba 


^a 


75 broek 


tjalana 


tjelana 


tjalana 




76 brakeu 

77 steken 

78 steen 


uguneng 

tbpak 

mamalin 


uguneng 

tbpok 

mamaling 


ngunu 
tbpo 
tSto • " 


tbpoko 
sgleo 


79 droog 

80 bloem 

81 regeu 


dndung 
sajal 
b^k ®" 


dudung 

sajal 

bdsa 


dudu 
IJru • 2 
miiura 


dudungu 
dbpo • » 


82 hand 


giam 


giam 


gia 


giama 



56 



5 8 



!> 9 



6 



Hier zijn kennelijk twee grondwoorden , ira-ila en torou, die ik niet 
tot 66u weet te brengen, ira komt nog voor in het Gal. als ^stijf, vcr- 
stijfd^/ van eeuig lichaamsdeel , dus wel met dezelfde beteekeuis zoowat 
Het zou dus kunneu zijn, dat dit het oorspronkelijk woord is en toroa 
een vervang woord. Men heeft nog rbhu-rbfu, iets snel doeu, haastig 
doen. afroffelen, knoeien, vandaar zou kunnen torbhu, //het a^ge- 
knoeide , het slordig gemaakte , het slechte/r , torbhu-torbfu kon wordeo 
torou, door afslijting. Dit is echt^r niet meer dan een veronderstelliog. 
Tabar., Ibu, heeft ook sariki. Voor dit salik, sari, vergel. Mai. tjari, 
daar deze taleu de neiging hebbeu een tj met een ^-klank uittesprekoL 
Lod. nbnu kan hetzeltde woord zijn als Tobel. nbnu ^/een weg inslaam^ 
en gedacht kan dan zijn aan het aarzelende, zoekende, bij het inalaaa 
van een weg in het bosch. Of misschien Tob. lingiri en Tob. , Tarn. 
tike, 't zelfde woord zou kunnen zijn? 

Het Madol. , Tabar. dsa //moeder^/ beteekeut Gral. '/wijfjesvarken, zeugt 
en Madol. dea ^/vaderv, is Tobel. lea, '/vaders broeder//. 
Merkwaardig is dat Tob. hier haluera (vergel. Mai. saluar) heeft. Ve^ 
klaard wordt het echter doordet tjalana Tob. zou worden tjaana, 
het woord dat het tel woord ^/duizend'/ aanduidt. Het Tob. B. en D. 
heeft ook werkelijk voor broek tjaana, maar voor duizend ribuka, 
vergel. Mai. rib us. 

Dit zal wel een vervangwoord zijn, want het woord beteekeut in hat 
Tob. leem, een overgang tusschen zand en steen, zooals men dat fed 
vindt in rivierbeddingen. Daar nu de grond om het meer van QMm 
daar grootendeels uit bestaat, is het geen wonder, dat men det6to,het 
^/leem// waarop men woonde, als grond ging beschouwen en door fftiilU}' 
een harder substantie aanduidde, dus //steen//. Het Gal. heeft echter voor 
rivier sclera, een woord dat geen der anderen hebben. Allen gebruiken 



ISTS OVKB DE TEENATAANSOH-HALMAH£bASGH£ tAALGROEP. 



387 



i^lo. 



Madole. 



Tabaru. 



Ternate. 



Tidore. 



hke 



S9 



ge 



gu 

ina 



64 



popad6*e 

tika^u 

kali'i 

^a 

dea 

sa^ana 

wuugnge 

tbpo'o 

seleo 

duduugo 

b^ha 
giam 



popad^ke 
dorou 
tike 
^a 

tja^ana 
ngunaua 



ira 

tike 

aja 

b^ba 

tjalana 



t6po 

mare 

btu •! 

saja 

b^ 

gia 



tbfo 

mare 

ringa 

saja 

bbha 

gia 



er, groot water ^i^ en dergeiijke. Nu kan echter s^ldra wel hetzelfde 
rd zijn als '/seleo-heie wo. Steeneu vindt men in het binnenland, 
il in het district Gal^la, alleen iu de rivierbeddiugen. Zou men dus 
indplaats der steeneu, de rivier, den naam gegeven hebben van de 
en, de hglewo, omdat men voor steenen reeds een naam had n.i. 

? Het oorspronkelijke woord voor steen zal wel malin-mare zijn, 
ezien men nog tot heden alie samenstellingen met steen, daarmede 
it, en ook alle steeunamen daarmede noemt. 
zal wel een vervangwoord zijn. Het begrip is //droog, uitgedroogd^ , 
s van grond of rivieren ; tgl^ga gura i 6tu, //het meer Oura 
Iroog liggen/^. Zou dus dit btu niet ^t zelfde zijn als h b t u ^slapen/^P 
luukt, de overgang van begrippen is niet groot. Ook Maleisch zegt 
van iets dat droog geworden, verstijfd is, hard geworden kiapperolie b.v., 
•Id vet, '/het slaapt^r. 

kau een vervangwoord zijn, aangezien het ook beteekeut: een pluim 
^ersiering van het haar. 

rschijniijk van steken (zie N® 77), /^datgene wat men in het haar steeki//. 
icht oorspronkelijk een soort bloem. 
:an zijn p^k e, /'ge&ruik^/, dat wat men gebruikt om het haar te versieren. 

woord komt meer als zoodanig voor. Echter ook wel //versiersel^ , 
3I. p^ke , versiersel , in 't Mai. der Molukken gebruikelijk en ook Bare'e. 
et eigeulijke woord zal dus wel sajal, saja zijn. 
zal wel het oorspronkelijke woord zijn. Het komt ook Gal. en Tob. 
voor in pesa, p^haka ^^nati'. Het Gel. miiura, zou outstaan kunnen 

uit mura, /rzacht, vriendelijk//, en dus: de vriendelijke, zachte, 
len beteekeneu. Tob. awaua, vergelijk Mai. awau ^wolk//. Dat men 

regeu, die men op reis wellicht vreesde, met een vervangwoord 
ide, is heel natuurlijk. 



388 



lETS OVEK DB 'raUNATAANSCH-UALMAHEBASCHE TAALQKOKP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


Tololiku. 


Qalela. 


Lbda. 


83 ei «' 


gbsi 


gbsi 


bbro 


tounu •** 


84 broeden * ' 

85 oog 


p616n 
Mo 


pblbng 
I^ko 


motu 
Mo 


l^ko 


86 mond 


ulo ' " 


ulu 


uru 


uru 


87 hals 

88 buik 

89 rug 

90 licht 


ngbmas ' ^ 
pbkglo 
pbret ' ^ 
kinital 


ngbmas 
pbkel 
pbreti 
kinital 


tblo 
pbko 
dudu 
kinita 


pbkoro 

dudunu 

ginit^ra 


91 schijnen 


siwal 


siwal 


siwa 




92 slang 

93 schildpad 

94 zee 


ngia 
fen" 
g^i '** 


ngia 
1 fen 
; ngblot 


ngihia 

ori 

ngbloto 


tbmo ' ^ 

ori 

ngbloto 



• ' Het komt mij voor dat deze twee begrippen door twee woorden uitgedrukt 
worden, n.l. gbsi, gbhi //ei^/ en pblon, bbro, fbro //broeden>i'. 
Dat de naam voor het //broeden^/ overgenomen wordt voor //wat uitge- 
broed wordt^/ , is zeker niets vreemds, en Gal. bbro //ei^/ , is dan ook zeker 
een vervangwoord , evenals //mbtu^/ broeden, dat eenvoudig beteekent 
//op den buik liggeu//, en dus de houding van het broedende dier aan- 
geeft. Het Gal. kent nu gbsi, als vervangwoord, men heeft toch zeker 
het woord , om een of andere redeu vroeger weggelateu , want a 1 1 e talen 
hebben nog voor eierleggen : gbsi, gbhi, //eiereu// dus. Het Gal. heeft 
echter daarvoor puo //baren'/. Misschien was het woord scheld woord ge- 
worden voor //testes// zooals dat meer voorkomt. Het Tob. mbduku 
beteekent //langdurig, onafgebroken// , en geeft dus een eigenschap van 
het broeden aan. Het woord bbro komt Tob. voor als: knop, bloemknop. 
Het Tabar. gowo^nga beteekent ^/sagovorm//, en dus zal hier wel de 
broedwarmte, en de warmte van den sagovorm bij het sagobakken, de 
leidende gedachte geweest zijn. 
Dit woord weet ik uiet te verklaren. 

Robide v. d. Aa geeft hier op laau als nevenwoord. Hij zal dit echter 
wel verkeerd gehoord hebben en ik twijfel zelfs of l^ho, ook niet iJiko 
moet ziju. 

Het is niet onmogelijk dat Tern. Tidor. mada, mbda het oorsprouke- 
lijke woord is, en dat ulu, uru, 't zelfde woord is als Mai. ud- 
jung //wortel// udju, //suuit// , het vooruitstekende. 
Dit woord komt van wbma //ademhalen// , en is ook in het Tobel. 
ngbmaha //ademhalingswerktuig, strottenhoofd//. Of dus het woord 
//hals// in deze talen weg is, weet ik niet, maar men heeft dit woord 
gegeven als vertaling van het Tobeloreesche to mar a //hals//. 
Het Tob. kent pbkoro in scheld woord en , en als //ouderbuik// meer nog 
als '/liesstreek//. Tob. B en D hebben pbkoro //buik//. Hoe men aan 



Q8 
69 



7U 



7 I 



7 2 



lETS OVER DE TERNA.TAANSClI-HALMAnERASCHE TAALGROEP. 



389 



TobMo. 



Madole. 



Tabaru. 



gbhi 


gbhi 


moduku 


gowo^nga 


Mo 


l^'o 


uru 


aulu 


tbmara 


Qgbmaha 


mam^ta '^ 


pb'o 


pbrSte 


duduDU 


kinatara 


kinatara 


hiwara 


hiwara 


dodiha 


ugia 


hdne 


f^ne 


ngobto 


ngobto 



Ternate. 



Tidore. 



bbro 


gbhi 


fbro 




l^ko 


l^ko « » 


mada 


mbda 


tjama 


8^0 


oru " 


oru 


dudu 


dalu 


nita 


sita 


ngohia 


ega '* 


on 


on 


ngblo 


ngblo 



73 



74 



75 



76 
77 



1 



mam^ta komt begrijp ik niet. In het Gal. beteekent mam^ta //borst, 
borststreek// , waarvoor de Tobelorees gebruikt o ale mangunungu, 
woordelijk //neus van den ring^/, een zeer gezocht woord dus, waarbij 
men zich de borstkas schijut te denken als een neus, staande op den 
ondersten ribbenriug. Aanleiding tot deze kluchtige verwisseling was 
wellicht het reeds genoemde gebruik van pbkSro als scheldwoord. 
In het Bare'e is ^/oru// bodem, een beteekenis .die wellicht met deze 
verwant kan zijn. 

Het is zeker vreemd, een woord dat zoo sterk lijkt op Mai. perut 
//buik'/ , hier voor '/rug^/, achter, gebruikt te zien. Of nu dit oorspronkelijk 
is , dan wel dudun, dulu, weet ik niet. Het Tob. heeft nog : o dudu 
ma hiri vnieren^/ (feitelijk dus rugpijn). Duru, dat hetzelfde kan zijn 
als dulu, dudu, wordt ook gebruikt voor ^/achtereind van een prauw//, 
evenzoo turu, voor '/volgen, achterna komeu'/. Vergelijk ook Mai. //turut//. 
Dit vervangwoord beteekent Gal., Tob. //tegen iets zich opwerken, tegen 
stroom inzwemmen of roeien// , waarbij dus een been en weer gaande, 
wriemelende beweging gemaakt wordt, zooals de slang maakt bij het 
kruipen. 

Dit woord kan ontstaan zijn door omzetting: ngia, gia, iga, ega. 
Dat dit woord e e nlettergrepig is, zou op de gedachte brengen dat het 
een vreemd woord moet zijn, maar het wordt gerekt uitgesproken , haast 
als f^en, zoodat het wel tweelettergrepig zijn kan. Echter is het een veel 
verbreid woord, want Robide v. d. Aa geeft op: Misool fin, Tuburuasa 
feni, kapauer peni, Onin f^ni, vergelijk ook Maleisch pen joe. 
Dit woord beteekent in de andere talen: zout, zeewater, zee dicht langs 
het strand, en het is dus mogelijk dat de Isam, die geen groote zee- 
vaarders waren, het woord voor ^/zee^/ vergaten. Men vergelijke voor dit 
g^si, Bare'e t^si, Sangir. s^si, Minahassa-talen ta^sik. Maleisch 
tJlsik //zee//. 



390 



lE'rS OVER DE TXKNATAANSOU-HALUAHESASOHE TAALGKOEP. 



Nederlandsch, 


Isam. 


TMoliku. 


Galfela. 


Lbda. 


95 vrucht 


sowok 


sowok 


s5po 


sowoko 


96 vuur 


uku 


uku 


uku 


uku 


97 koorts 


gbgam 


gbgam 


g^ga 


gbgoma 


98 slapen 


nisu ® " 


tjolok 


kiblu 


kioloko 


99 opstaan 


momik 


momik 


momi 


momiki 


100 dear 


ugblau- 


ngblaug 


ugbra 


ngbrana 


101 vorst 


kolan 


kolan 


kolano 


kolano 


102 drouken 


Jtol»2 


Jtol 


dalu 


daluku 


103 kom 


sawok 


sauwok 


udo-udo ® •' 


udomo 


104 waterbamboe 


loloang 


kiloan 


kiloha 


kilo&na 


105 rook 


jo wo 


jowong 


dbpo 


djowo 


106 rooken (be) 


wiiuk *•* 


wiiuk 


dbpo 


djowo 


107 afbreken 


t61ak 




tbla 


tbla 


108 hoesten 


tikit 


tikit 


tiiki 


tikiti 


109 uriueereu 


6sis 


bsis 


hbsi 


bsisi 


110 afgaan 


obk 


obk 


hbho 


hbko 


lllgezwolleuziju 


obbs 


obbs 


dobo 




112 weg 1 


tilpak 8 « 1 


iig^kom 


ugeko 


ugdkomo 


113 vreezen 


mbdou'g 


mbdong 


mbdo 


mbdongo 


114 vergeteu 


dikiblang | 


d^iblang 


wbsa 


wbdj^nga 


115 inhoud 


di^ka 


de^ka 


raba 





80 

8 1 
82 



83 



'» Het Tob. D heeft sbfoko. 

Misschien dat dit woord hetzelfde is als idu, in de andere talen //liggen, 
liggen gaan//. 

Tob. B en D hebben kb&na. 

Dit woord komt in geen der andere talen voor. Al de andere beuoemen 
^/palmwiju'/ en de uitwerking daarvan, met hetzelfde woord , (zie N® 59). 
Zou dus dit woord bij de anderen verloren gegaan zijn? 

Het Gal. heeft in afwijking der anderen voor driuken udo (zie N® 136), 
voor //kom// udo-udo is dus daar niet onregelmatig. Het Tob. kent 
naast udo-udomo ook ha%eko //drinknap, kom//. Dit zal wel de 
oudste vorm zijn, en udo-udomo later overgenomen voor //kom// toen 
men die leerde kennen. In het Gal. is sawo //inpakken// , sasawo 
"verpakkjng//, o sbne ma sasawo //omhulsel voor eeu doode/r. Dit 
is wellicht oorzaak, dat men sawo daar niet gebruikt voor //kom//. Het 
Tob. heeft ook wel dit woord: ha no //inpakken'/, maar dit wijkt af 
van h a w e k o. Het Gal. zou echter van sawok niet anders kunnen 
maken dan sawo, wat gelijkluidend zou worden met sawo //inpakken//. 



IKTS OVEU BE TUaNATAANSCH-HALMAHEBASCUE TAALOROEF. 



391 



Tob«o. 


Madole. 
howo'o 


Tabaru. 


Ternate. 


Tidore. 


hohoko 7 » 


sbfo 


sbfo 


uku 


u'u 




uku 


uku 


gbgama 


gb^ama 




g^ 


gobga 


kibku 


uisu^u 




kbtu 


6tu 


momiki 

1 


momi'i 




momi 




' ugbrana 


ngb'ano 




ngara 




koano ® ' 


'oano 




kolauo 




, daluku 


dalu'u 








udo-udomo 


sawo'o 




safo 


1 


kiloana 


^iloana 




k^mu 




nbfo 


dowo 








ibfo 


nbfo 




fufu 




toaka 


toa 




tbla 




tikiti 


ti'iti 




kokehe ^ ^ 




ibhihi 


Ibhihi 




bsi 




, Abko 


Ib'o 








1 Aoboho 


doboho 




hbbu 




ng^komo 


ugS'omo 




ngbko 




mbdongo 


mbdongo 




kblofino ® 7 




wbh^nga 


ambngo 




lupa ® ® 




, dbta 


dodoa 




d&ha 





86 



®* Weer een woord waarvan men zich afvraagt of het in de andere taleu 
verloreu gegaan is. Men zou de slotuitgang uk af kunnen leiden van 
uku //vuur//, maar uku blijft uku, (zie N® 96). We hebben hier dus 
een woord dat de anderen uiet meer keunen en zich dus behelpen met 
//rook// in afleiding. Ook in de Miuahassa-talen is wuwuk //berooken//. 

^^ Me dunkt, dit is niet anders dan het klanknabootsende k^hd, met de 
herhaling aanduidende reduplicatie van de eerste lettergreep. 
Dit is eigenlijk een auder woord. Het komt ook voor Gal., Tob. tip^ki, 
en beduidt //een aangelegde^ gebaande weg//, terwijl //ng^kom slechts 
//een pad// beduidt. 

Dit woord weet ik niet te verklaren. Het past niet bij de anderen die 
het ook geen van alle hebben. Wei komt voor Gal. koloko, Tob. 
kobko, //krom, gebogen, zich oproUen, van insecten//, koloko-ino, 
kolofino, zou dus kunnen duiden op een gebogen, augstige bonding, 
maar dit is slechts een gissing van mij. 

** Niet onmogelijk dat Tern, hier lupa (vergel. Mai. lupa) nam, om niet, 
evenals Gal. voor twee begrippen, //ingaan// en //vergeten//, precies het- 
zelfde woord te hebben, zie N® 41. 



87 



392 



lETS OVEE DE TERNA-TAANSCH-HALMA-HERASCHB TAALGROEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


1 
Tbloliku. 


Galela. 


1 
116 duiken 


tumunu 


tumun 

■ 


tumunu 


117 tellen 


aoim 


biom 


6to «» 


118 leeren 


dbtok 


dbtok 


dbto 


119 hooren 


isen 


isen 


ise 


120 schreeuwen 

121 geven^^ 


po^k 
kula 


poa 
kula 


. ore » " 
hike 


122 broeder 

123 zuster 


ilang 
bila 


ilang 
bilang 


hira 
bira 


124 oudere 


li^k 


li^k 


ria 


125 jongere 

126 opzetten 

127 verboden «« 


dodbt 

tekbs 

boson 


nongblu 

tekos 

bbsoug 


dbdo » •» 
sigbko * ^ 
bobbso 


128 versch 

129 droog 

130 vliegen 

131 schub 


giau 

dodbleug 
s61o 
un^f 


giau 

mbtjom * ^ 
sblo 
\xnM 


kiau 
tolMe 
sbso 
dungi ®® 


132 duizendpoot 

133 schepperi"" 


ail 
salim 


ail 
salim 


hai 
sari 


134 zeil 


sidet 


sidet 


side 


135 roer 


lilim 


lilim 


kamudi ' ** ^ 



89 



9(1 



91 



9 2 



Niet onmogelijk dat dit hetzelfde woord is als feto, heto, hetbngo, 
f e t b n g o vnoemen , zeggen , opzeggeu'/. Vergelijk ook voor liet woord (Mai), 
hitong //tellen^/. Dat //zeggen^/ en //tellen^/ met hetzelfde woord benoemd 
wordt is niets wonders, vergel. Mai. bilang, dat ook die twee be- 
teekenissen heeft. Bij tellen wordt dan eenvoudig gedacht aan wat men 
al" tellende doet : de cijfers //opzeggen^/. Van het Tern, njonjbhi weet 
ik de beteekenis niet. De eerste lettergieep is geredupliceerd , en de be- 
teekenis zal dus zijn : het geregeld herhalen van lets. Of misschien de, 
zelfs voor Gal6lareezen en Tob^oreezen gruwelijk lastige uitspraak van 
aoim, biom, oorzaak was dat het woord in onbruik raakte ? 
Het Gal. schijnt hier een woord te missen voor dit begrip //hard 
schreeuwen//. Dit ore is waarschijnlijk alleen maar een schreeuwklank, 
vergel. Javaansch ore //hoera// ! Het Tob. kent ook wel orehe, maar 
alleen als //hard huilen, huilorig schreeuwen//, niet voor //hard roepen//. 
Nu ik dit woord bekijk, ben ik niet zeker of men mij niet verkeerd 
begrepen heeft, en eenvoudig gezegd heeft no ali: //gij huilt//, 
(zie N« 158). 

Hoe kula en ike tot elkaar te brengen zouden zijn, begrijp ik 
waarlijk niet. Ik dehk dat we hier eejivoudig twee woorden voor dit 
begrip hebben. 



lETS OVER DE TBRNATAANSCH-HALMAH^IRASCHE TAALGROEP. 



398 



L6da. 


TobMo. ! 

] 
i 


Madole. 


Ternate. 


tumuuu 


tumunu 


tumunu 


tum 


etongo 


etongo 


dbiimi 


njonjohi 


dbtoko 


dbtoko 


dbto'o 


dbto 


is6ue 


ihene 


ihene 


ise 


poaka 


poaka 


no ali ' * 


torara 


ike 


ike 


ula 


hiika 


iAnga 


hir^nga 


il^nga 


hira 


bir^uga 


bir^nga ^' 


bil^nga 


fira 


ririaka 


riaka 


lia'a 


njira 


noDgoru 


dbdoto 


dbdoto 


nongoru 




higbko 


obdeu 


sigbko 


bbhouo 


bbhouo 


bbliono 


fbso 




giau 


girau 


kiau 


tolblenge 


doblenge 


doblSnge 


tolble 


s6ro 


hbho 


hbho 


sbro 


dungiri 


uuaha * ® 


unaha 


dungi 


aili 


aili 


aili 


hai 


sari mi 


harimi 


halimi 


sari 


sidete 


hidfite 


hidete 


side 




. . . 
ririmi 


lilim 


ngongudi 


«' Tob. B en D 1 


lebben hier : fir^ni 


5 a- 




9 4 Onlr Hal lippff 


fi rk n cr X r 11 v.plfa ic 


lipf nIcpAmPPii crpKrn 


ilrpliilr fpi*afnl ilr 



9 !» 



9 ft 
9 7 



9 8 



99 
(» 
U 1 



geloof dat dbdot, juist niet zoo heel veel gebruikt wordt. 

Gal., Tob., Tern, hebben hiervoor een causative vorm van bko //overeind 

staan , staan// , dus : /'doen staan^. Ik zou echter zeggen dat Is., Tolol., 

Mad., hier bepaald een ander woord hebben, waarvoor ik in de andere 

talen geen equivalent vinden kan. Uet schijnt, dat hier dus weer een 

woord verloren gegaan is. 

//Verboden*' in den zin van '/heilig, ongeoorloofd ^ . 

Dit woord maakt hier al een heel wonderlijk figuur. Misschien is het 

met de andere woorden overeen te brengen , maar i k weet niet hoe. 

Dungi, dungiri is een klein zoetwaterbaarsje, dat er nogal sterk 

geschubt uitziet, en de verwisseling zal wel hierdoor ontstaan zijn. Ook 

het Tob. heeft het woord dungiri, en gebruikt het haast evenveel als 

unaha. 

Tob. B eu D hebben unafa. 

"Schepper" = roeriera, ^'pengaj oeng/^. 

Het Gal. heeft het woord /^riri^^ wel, v. Baarda geeft op siriri 

(causatief dus) vvoorgaan, een voorbeeld geven^i^. Gedachtelijk is dit dus 

met '/sturen, roer/^ wel verwant. Kamudi houdt zeker verbaad met 



894 



lETS OVER DE TEENATA.ANSCH-HALMAHEBASGHB TAALGBOEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


Tbloliku. 


Oal^la. 


136 drinken 


1 6k6re 


bkili 


udo i«^ 


137 doen i«* 


di^i 


di^i 


^ka 


138 baud • 


ingiri 


ingin 


iugi 


139 scherp i"^ 


1 dbto 


' m^ngou 


dbto 


140|kaap '«*i 


doi 


doi 


dbto 


141 wang '"• 


gotoaka 


goto^ 


ugingiti 


142 aanwijzen 


sim^tok 


sim^to 


simane ' ^ ' 


143 rechts 


i gunila 


gunilaka 


girina 


144 lang 


j kulut 


kulut 


kuru 


145 kort 


tipbko 


tjipbko 


timisi ' « » 


146 hoeveel 


, mulo 


moluo 


moruo 


147 lenden 


golbua 


golbna 


gorbna 


148 lever 


g^til > 1 1 


g^te 


gite 



het woord udi //achter, achterplecht van de prauw// , Gal., Tern. Ver- 
gelijk Mai. kamudi, volgens Klinkert, (Mai. Woordenb.) komende 
van Jav. udi //achter//. Ook het Tern, ngongudi is van dat udi 
gevormd, maar nog meer rechtstreeksch , of beter grammatisch , de 
kamudi. 

10 2 Waarom Glal. , Lod. hier van het algemeen gebruikelijke woord afweken 
is moeilijk te zeggen. In Gal. is bke nog als- vervangwoord in gebruik. 
Ook is geen afleiding van udo te vinden, tenzij dan dat het gewoon 
beteekene : ^/een mondje maken, een snuit zetten^/, zooals men doen 
moet om te drinken. Wanneer men het woord uitspreekt, zet men 
onwillekeurig de lippen wat vooruit, dus is het mogelijk dat hierin de 
beteekenis //drinken >/ zit. 

^*" Het Mad. heeft ook //auerc/. • 

^^* Het komt mij voor dat tusschen deze woorden voor //doen, makeu//, 
en de naam voor het hoofdgereedschap //mes, kapmes//, verband bestaat. 
Voor //kapmes// hebben Isam, Tobol., Tob., Mad. dia (zie N** 30). 
Dit zou dan natuurlijk van diai afgeleid moeten zijn, want men zai 
toch wel eerst wat gemaakt hebben en foen wat uitgevonden om het 
beter of vlugger te doen. Het Gal., Lod., Tern., die andere woorden 
hebben voor //doen//, hebben die ook voor //kapmes//: taito, tipu, 
peda. Echter heeft het Tobeloreesch voor //mes// g^kana, zeker ver- 
band houdende met ^ka, ^kana. Het Gal. heeft ook wel diiihi, 
di^i, ti^i, in den zin van //heel goed doen, netjes doen, etc.//. 

' " ^ Dat tusschen deze twee begrippeu een rechtstreeksch verband bestaat is 
duidelijk, het scherpe van een mes, wapen, en het scherp uitstekende 
van de kaapjes op Halmahera, is gedachtelijk natuurlijk verwant, 
temeer, omdat men ook de snede, de spits van iets, met hetzelfde 
woord benoemt. Men zie nog N® 118 //leereu//, dat ook luidt //dbtok, 



lE'rs OVBB DE TEBNATAANSCH-HAL31AHEBASCUE TAALGBOEP. 



395 



Lbda. 


TobMo. 


Madole. 


Temate. 


udomo 


bkere 


bkele » « •' 


bki 


^kana 


diai 


di^i 


gol^dia 


ingiri 


ingiri 


iling 


ingi 


dbto 


dbto 


dbto 


m^Dgo 


dbto 


dbto 


dbto 


d^he 




gotoaka 


gotoa 


gotbla 




him^toko 


himaiti 


sib^i 


giniraka 


niraka 


giiida 


gonjira 


kurutu 


kurutu 


gauru 


gila 1 « » 


totiawo 


polulu 1 ^ " 


tipb'o 


pbdo 


moruono 


morudno 


muluo 


rau 


gorbna 


gorbna 


gorbna 


gonora 


gkte 


g^te 


gite 


g^te 



dbto. Ook dit is, dunkt mij, hiermede verwant, en het grondbegrip 
is dan '/indringeu// , het scherpe in hout, de kaap in zee, het verstand 
in 't nog niet gewetene. Echter komt het me voor, dat wel, door ge- 
lijkheid van gedachte, de woorden overgegaan zijn, maar toch oor- 
spronkelijk gescheiden waren : m^ngbn, m^ngo //scherp// , dbto, d o i 
//kaap'/. Hoe het Tern, komt aan d^he, begrijp ik niet, of het moest 
zijn dat het een vervangwoord is. Het beteekent Gal., Tob. , etc. 
//halen, bereiken//, en kan dus ook zijn : de punt die men op zee tracht 
te halen of te bereiken, ergo //de kiiap//. Hiervoor is aan te voeren, 
dat Tern, voor d^he //halen//, heeft bro, (zie N<* 56). 

'"• Het woord beteekent ook //kaak//, eveneens //witte papagaai// (aan 
welks bek de wang zoo sterk te voorschijn treedt, eveneens de kaak). 
Voor het laatste heeft ook Gal. gotbla. Gal. ngiugiti, zal 
dunkt me, komen van ingi, //tand//, en zijn //datgene wat de tanden 
bedekt//. 

•"^ Waarom Gal. hier een ander woord heeft, evenals Tern, en Mad. 
begrijp ik niet. Het woord mato komt heelemaal niet voor. Mano, 
bai, beteekent ook /I'vrijen//, maar hoe deze twee begrippen elkaar 
zouden dekken, begrijp ik niet, of het moest zijn, dat bij //vrijen// 
gedacht wordt aan het //toonen// van liefde. 

*®* Dit woord beteekent iu de andere talen //recht uit, recht door// en is 
dus door deze beteekenis wel begripverwant met de andere woorden. 

*"• Dit woord beteekent Tob. //onder, onderaan//. 

' ' " Dit beteekent in andere talen //rond// , en is dus een vervangwoord. 
Tob. B en D hebben tipbk6ro. Dit zal in het Tob. wel verlaten 
zijn , omdat het zooveel gelijkt op tili-pbkoro //bloote onderbuik// , 
een veel gehoord scheld woord. (Zie ook N® 88). 

*«» Vergelijk Mai. hilti. 



396 



lETS OVER DE TERNATAANSOH-HA.LMAHEEASCHE TAALGROEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


Tbioliku. 


Oal6la. 


149 medicijn 


soulu 


SOU 


sou 


150 verzoekeu 


galoko 


galok 


gblo 


151 vragen 


sano 


sano 


sano 


152 ziek-ziJQ 


sisili 


sisili 


siri 


153 tot aan 


adon 


adono 


ado 


154 bloed 


aulu 


aueu 


au 


155 beenderen 


kbboDg 


kbbong 


kbbo 


156 wegloopen. 


leal-leal 


leleal 


Ibda 


157 omvallen 


luba 


luba 


ruba 


158 weenen 


ali 


ali 


ari 


159 langzaam 


memeueos 


memeneos 


mehe-m^he 


160 moeten i>« 


siubfu 


kiani 


bilasu 


161 niet auders kun- 


singbfu 


siugbfu 


malainkan 


nen dan > ^ • 








162 kaDarienoot 


uial 


njial 


nia 


163 kokosuoot 


igouo 


igon 


igo 



^ ' 2 Waarom Tob. hier een geheel ander woord heeft , begrijp ik niet. Het 
Tob. B en D gebruikt gewoonlijk g^hoko, 't zelfde woord dus als 
voor //verzoeken//, ook een vervangwoord , een bewijs dat men daar 
ook sano uitgeworpen heeft. Waarom men het verliet, weet ik niet. 
Het woord h^nongo beteekent vkleinzoonv , maar dit is in het Gal. 
ook het geval, en daarom is het dus niet verlaten, dunkt me. Ik ken 
ook geeu verwant woord voor leha, dat op het spoor zou brengen, 
hoe men er toe kwam, dit woord als vervangwoord te nemen. Het is 
kennelijk hetzelfde woord als Tern, l^hi // verzoekeu '/ , maar dat maakt 
de zaak niet veel duidelijker, want daar schijnen voor beide begrippen 
ook wel vervaugwoordeu gebruikt te worden. 

' * •■* In het Gal. is gbla ^oorsprong, aanleiding//. Tob. goa en gogbla 
kan dus zijn //voortdurende oorzaak der kwaal of ziekte'/ , en zoodoende 
tot vervangwoord geworden. 

' ' •* V. Baarda meent dat de bewouers van^Lolbda dezen vorm zouden 
hebbeu gekozen voor ^/wegloopeu//, en niet loda als de Galelareezen , 
omdat dit woord een minder aangename beteekenis heeft. Ik kan die 
meening niet deelen ; djbdjara is heel regelmatig. alleen Gal. heeft 
Ibda, ook niet onregelmatig , maar ik betwijfel uu toch of de naam 
Lolbda voor het district, en Lb da, zooals de bewoners zich, en 
hun land noemen, wel iets met '/ wegloopen" uit te staan heeft. De 
Tob. vertalen trouwens Lb da met bdara, niet hetzelfde als oara 
'/ wegloopen >/. Verhalen daaromtreut kan men gerust op rekening van 



lETS OVEK DE TERNATAANSCH-HALMAHEEASCHE TAALGEOEP. 



397 



L6da. 


TobMo. 


Madole. 


Ternate. 


souru 


houru 


houlu 


sou 


gbloko 


g^hoko 


g^ho 


J^hi 


sano 


leha > » 2 


sano 


ginado 


siri 


hiri 


sau'u 


gogbla * * ' 


adono 


adouo 


adono 


ado 


auuu 


aueuu 


auSuu 


awo 


kbbougo 


kbboogo 


bbongo 


bbo 


djodjara * ^ "* 


oara 


loa 


laba 


ruba 


ruba 


luba 


ruba 


ari 


ari 


ali 


ari 


m^he 


bole-bole ' « "^ 


menebho 


mfehe-m^he 


bolasu 


kiani 


1* • 
lani 


1 misteer 




halingbhu ' ^ ' 


hiugbfu 


Djalainkan 

i 


njiara 


uiara 


iria 


njia 


igono 


igono 


igono 


igo 



stammen-naijver schrijveu, dunkt me. Was het een scheldnaam, dan 
zouden ze zeker zichzelf daar niet mede benoemen. 

'•^ Dit woord beteekent Tob. ook : ^'zacht van substantie, zwak van 
lichaam, enz.'/, en verder ^^pisang// , of: in de eerste plaats //pisang^, 
want de zachtheid der rijpe pisang zal wel het woord hebben doen 
overgaan voor ''zacht^/, en vandaar op //langzaamv is een kleine 
schrede. 

'** Beide woordeu drukken een //moeteu'/ uit, maar het tweede nog iets 
sterker dan het eerste. Het is zooals malainkan op Ambon gebruikt 
wordt : ^/alleeu slechts moet het zoo , het kan niet anders dan zoo , het 
kan niet, dat het niet gebeurtv. In een bijzonder geval dus het sterkste 
moeten, de sterkste noodzakelijkheid uitdrukkend. Met het eerste vormt 
men meer in het algemeen ^de gebied^nde wijsv. 

Of Isam sinhfu en sing^fu niet hetzelfde is, weet ik niet zeker, 
maar deuk het wel. Ik zal wel een van tweeen verkeerd opgeschreven 
hebben. Gal., Lod., wijken sterk af, bil^su, bolasu is toch zeker 
een ander woord dan kiani; malainkan komt Tob. ook wel voor, maar 
niet heel veel. Voor het eerste begrip kent Tob. nog een tweede woord 
^^marai'/, ook in 't Gal. bekend. 

Voor Tern, misteer, verge). Jav. mesti, p^sti, verbasterd Mai. 
moesti en misschien het in t Ambonsche gebruikelijke m ester, 
verbasterd Holl. meester. 

>'' Dit is de langere vorm, maar ook wordt gebruikt: hingbhu. 



398 



nSTS OVEK DK TEENATAANSCH-HALMAHJlKASOHE TAALGKOEP. 



Nederlaudsch. 



Isam. 



Tbloliku. 



Oal^la 



164 waaierpalm 


wbkal 


wbkal 


w&ka 


165 sago 


etok 


etok 


peda 


166 sagokloppen 


walo 


walo 


halo 


167 bosch 


bbngan 


bbngan 


pbnga 


168 slaaf 


falal5m 


doan « 2 2 


gil^o 


169 wind »23 


gag^ 


gagJil 


paro 


170 warm 


sasau 


sasaak 


Ahu. 


171 dakspar 


litblak 1 2 * 


litblak 


tbra 


172 sagobladsteel 


kbbal 1 2 5 


kbbal 


uto 


173 suikerriet 


ug&k 


ug^k 


uga 


174 olie 


golhl 


gogbl 


gosbso 


175 plank 


iwang 


iwang *27 


ifa 


176 touw 129 


gumin 


gumin 


gumi 



1 1 9 



120 



**** Ik denk haast dat het woord een vergissing is, en moet zijn halimi 
//roeispaau'/ (zie N® 133) en dus een vervangwoord , gegrond op den 
vorm der bladereu. 

Tob. B en D hebben ook k^toko. Het is wel merkwaardig, dat men 
voor zulk een hoofdvoedsel afwijkeude namen heeft. Het woord peda 
schijut anders wel als naam voor //sago// verbreid te zijn. Men denke 
aau het, ook in \ Ambonsche algemeen gebruikelijke , popeda 
'/sagopap//. 

Het Tob. B en D heeft ffil^ta. Overigens is dit een afwijkend woord, 
dat echter wellicht verband houdt met Gal. l^ta //splijten// , en dus 
heenwijst op het vsplijteu'/ van den sagostam, dat, het //kloppen^^ voor- 
afgaat. Voor //splijten// heeft Tob. nu niet meer '/leta^' maar een ver- 
vangwoord wellicht: bel^ka, 't geen deze afleiding staveu zou. 

>2» Tob. B en D hebben fbngana. 

»22 Het is merkwaardig, dat deze woorden dezelfde zijn, als Qal. do a, 
Tob. do&na //schelden//. Is dus '/schelden// geweest : //iemaud /^een 
slaaf// noemen// , als de hoogste beleediging die men hem wist aau te 
doeu, 6f heeft men juist een slaaf aldus benoemd , omdat men vrijelijk 
tegen hem schelden kon ? 

Weinig overeeustemming omtrent zulk een gewichtig natuurverschijnsel. 
Hetzelfde zien we omtrent //regeo^/ (zie N® 81). Te verwonderen is het 
iiatuurlijk niet, dat men zeevarend geworden, voor zulk een gewichtige 
zaak vervaugwoorden giug zoekeu. Het Lod. wuwulu komt van wuwa 
'/blazeu'/. Tob. hidaloko is eeu causatief van taloko, misschien 
'/uitwaaieiw/. Wellicht g^g^l het oudste, maar paro-kore? Met kore 
benoemt men in alle talen de twee hoofdwinden, Noorden en Zuiden- 
wind. 



I 2.1 



lETS OVK& DB TK&NATAANSCH-HALHAHEUASCHK TAALGKOSP. 



899 



L5da. 


ToWlo. 


Madole. 


Teriiate. 


w^ka 


w6ka 


haliwi * • ® 


w6ka 


k^toko 


peda * * ' 


'6tolo 


huda 


weleta 


hgl^ta ^ 2 (» 


alo 


halo 


wbngana 


h&Dgana * * * 


bbngaua 


b&nga 


gilalongo 


gilaoDgo 


doana ^ « ^ 


falalom 


wuwulu 


hidaloko 


tado'o 


kore 


s^u 


hauku 


sau'u 


sahu 


tbraka 


litbraka 

■ 


tbra 


totara 


utbngo 


ut5ngo 


utbngo 


giba 


ugaka 


ugaka 


uga 


uga 


gbdjoro 


gbhaka * ^ * 


go6ro 


gorbho 


iw^nga 


aoto ' * ^ 


aoto 


ifa 


gumiui 


gummi 


gumini 


gumi 



124 



1 2 



12 6 



12 7 
t 2 A 



12 9 



Het voorvoegsel li schijnt iets wederkeerigs aan het woord te geven. 
Ik ken er uiet veel voorbeeldeu vau : litbraka van t&raka ^drageu// 
//dat wat vau de eene balk op de audere balk draagt// en ook litauru 
'/uitstrekken^', dat, ^wat van het eene eind tot het andere zich uit- 
strekt''. 

In het Gal. en Tob. komt ook dit woord voor k&ba, k&bara, echter 
niet als //sagobladsteel'/ maar als //arenpalmbladsteel//. Mogelijk, dat die 
vroeger den dienst deed, die nu de '/sagobladsteel/y doet, en dat men, 
nieuw, beter materieel leereade kennen, dit eeu nieuwe naam gaf. Yer- 
gelijk ook Mai. g^ba-g&ba. 

Dit woord beteekent eenvoudig; /»het gare, het gekookte//, afgeleid van 
bhaka ^/gaar^/ en ziet dus op het bereiden, het koken der klapperolie. 
Het woord voor "olie^' schijnt hier dus weg te zijn. Het klinkt nogal 
komisch nu b.v.b. voor petroleum, te hooren : o tbnaka ma gbhaka, 
letterlijk '/het gare uit den grond^'. 
Tolol. kent ook aot. 

Het Tob. kent ook nog ih&nga als //opzetplanken// in de prauw, die 
op de kiel gezet worden. Het woord aoto komt voor: aoto Tern. 
Gal. a wo //matroos^/ , o ngbtiri ma aoto //opvarende van de 
prauw//. Oorspronkelijk zuUen er dus wel twee woorden geweest zijn : 
iwang, ifa, overlaugsehe planken derprauw,en aot, aoto /^dwarsche 
dito'sA . Bij de meesten heeft zich iwang het burgerrecht veroverd , 
bij Tob. Mad., ik meen ook bij Tabar. is aoto het algemeene woord 
ge worden. Het klinkt nu wel komisch de opvarende de ^planken der 
prauw" te hooren noemen , maar oorspronkelijk zal het wel geweest zijn : 
"degenen die op de dwarsplanken zaten, om te roeien'/. 
Dit woord touw, beteekent ook ^boschtouw, liaan^/ in de meeste talen. 
Het Tob. heeft voor //gedraaid touw/^ nog ligihi, Isam ligis. 



400 



lETS OVER DE TEENATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGEOEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


TMoliku. 


Galela. 


177 opbeureu 

178 alaug-alaug gras 

179 aansteken 


golak 

kusum 

tiiuk 


tidee « » » 

kusum 

tiiuk 


tide 

ngiiusum 

tupu 


180 rijstblok 

181 rijstplukken 

182 wortel 

183 bijM^^ 


luseng ^ * 2 
utuk 
ngutuk 
dam^kono 


lusing 
utu 

ngutuku 
dam^kon 


lusu 
utu 
ngutu 
b^u 


184 groot (omvaugrijk) 

185 blind 

186 staak 


p^ko 1 » * 

piI6k 

b^los 


lal^gom 

pil6k 

bMos 


1^0 

pilo 
b^lo 


187 eilaud 


niiis ' ' ^ 


niiis 


gura ma ng6{ 


188 lang (van Huur) 

» 

189 afgeloopeu 


kil^ng 
bolot 


kilan 
boloto 


teka 
bblo 


190 bevelen 


sulok 




sulo 


191 breed 

192 zuur 

193 palmwiju tappen 

194 zooeven 


ugoata 
kibpik 
pe6to 
kano 


ngoat 
tjaka »■»« 
pe6t 
kano 


ngbha 
kibpi 
tiha > 4 " 
k^ugano 


195 graven pait 

196 groente uga 

197 rijp 6m uk 


pajaki 

uge 

6muk 


puai 

gag^hu 

omu 


' * " Ik vermoed dat d( 

ije //omhoog//. 
J*** Tob. B en D hebl 

1.12 VpTtTpliilr Mftl 1p 


Bze woorden vervan 
)en tufuku. 

s n p 11 cr TTpf. Tp.rn 


igwoorden zijn, afg 

wonrH rl n H 11 f n 1 


;eleid van ide- 

mmf vnn f. n f. n 



1 3 4 



//stampen//, //dat, waar meu in stamptv. 
' ' •** Het verschil tusschen deze woorden is nogal sterk. Daar hier eeu 
ingevoerd voorwerp benoemd wordt, is dit niet vreemd, daar elk dat 
wellicht noemde naar de taal van hen van wie men het kreeg. 
p^ko is ook in 't Gal. en Tob. bekend, maar alleen in de beteekenis 
van //grof, dik// in tegenstelling van fiju, nooit voor //groot, om- 
vaugrijk//. 

Misschieu hetzelfde als Javaausch noesa //eilaud//. Het district Gallia 
heeft geen eilanden, en had er dus ook geen naam voor. Het gebruikt 
dus het Tern, gura ma ngbpa //kind van den tuin//. Dit zal wel 
beteekenen //klein tuintje//, om de kleiuere eilaudjes hier en daar om 
Ternate been, aan te duiden. Het oorspronkelijk woord voor //eilaud^ 
was wellicht gura (zie N® 65), maar met dien naam zal men wel de 
grootere eilanden '/Ternate, Todore, Batjan , benoemd hebben, en 



1 .3 s 



lE'rS OVEE DE TBRNATAANSCH-HALMAHERASCHK TAALGEOEP. 



401 



L5da. 


Tobelo. 
gbraka 


Madole. 


— — _ — _ . . — , . ^ 

Ternate. 


t^de 


gb'a'a 


t^e 


ngusumu 


nguuhumu 


ngiiuhum 


kusu-kusu 


tupuku 


tuhuku ' ■» ' 


tu'u 


tabu 


• 


luhungu 


luhungu 


dodutu 


utuku 


utuku 


utu'u 


utu 


ngutuku 


ngutuku 


ugutu'u 


utu 


b^djiku 


bahuku 


p^tu 


tam&ko 


l&gomo 


^omo 


lal^omo 


g^ku 


piloko 


piloko 


piloko 


pilo 


beloho 


bMoho 


bMoho 


b^lo 




nuhu 


nuhu 


gura ma ngbfa 


tekana 


dekaua 


dft'a'a > » « 


rbro 


bbloto 


bbto 


diw^ugo * •' ' 


marua 




huloko 




sudo 


ugoata 


woata 


ngoata 




bpiki 


gibhiki ^ ' ® 


bpi'i 




pebto 


hebto 


pebto 


tifar 


k&ugauo 


k^UgODO 


'a'ano 




w&iti 


h^iti « ^ « 


pkiti 




gauku 


gauku > * 2 


uge 




bmuku 


bmuku 


bmu'u 





s « 

37 

38 

I 39 

i 40 



-t 2 



langzamerhand het eigen laud niet meer als ^eiland^/ benoeroende, zal 
wel alleen de naam eilandjes, voor de kleintjes overgebleveu ziju. 
Misschieu saamgetrokkeu uit den verledeu tijd /^dekanbka//. Het Tern. 
rhro is kennelijk een geheel ander woord. 
Hier begrijp ik niets van, evenmiu van 't volgende woord. 
Natuurlijk een vervaugwoord , tjuka ^azijn// in het Tobel., ook in 
het Mai. Het Tob. kent het ook in de beteekenis //zuur'y als wissel woord. 
Het Tob. B en D liebben "gibfiki//. 

Het Gal. heeft wel be wo '/heel dun een laagje van de bloemstengel 
afsnijdeu//, zooals men dit geregeld moet doen, om het vioeien niet te 
doen ophouden. Kennelijk is dat hetzelfde woord als peot-peoto. In 
het Tob. beteekent tiha //vallen van kleine voorwerpen, droppels b.v.b.v, 
dus zal het hier Gal., Tern, wel een vervangwoord zijn, waarbij het 
druppelen van de palmwijn in het vat, als naam voor de heele be- 
werking in gebruik is gekomen. 
Het Tob. B en D hebben iaiti. 

Tob. B en D hebben ook uge. fin uge, ^n ga&hu, gauku zijn 
soorten van groenten , die het algemeen begrip weergeven. 
?• Volgr. VI. 27 



402 



lETS OVEH DE TBRNATAANSCH-HALMAHEEASCHE TAALGROEP. 





Nederlandsch. 


Isaui. 


TMoliku. 


198 


gaar 


gblak 


gblak 


199 


touwdraaien 


foriki 1 4 « 


wow^kol 


200 


rijstplanten 


tuduk 


tuduk 


201 


boomvellen 


te^ng 


te^ng 


202 


behakkeu 


p^kol 


p^kol 


203 


splijten 


tewael 


t^a^45 


204 


afvallen 


btak 


tiwa «■»' 


205 


hard 


togowin 


togowiu 


206 


zacht 


meneos 


memenios 


207 


morgen 


kailoa - ^ ' 


dewcla ^ ^2 


208 


borstpiju 


ttLghl 


tag^I 


209 


snijdeu 


luit 


lui 


210 


ademhalen 


wbmasa 


wbmas 


211 


slikken 


^il 


jasi 


**' Dit woord beteekent in 


alle talen //verdraaien// 


y en is dus natuurlijk 



144 



1 45 



1 46 



147 



hier een wissel woord. 
Het woord tuduk, tuduku, tudu beduidt //steken met een lang 
voorwerp, en duidt het steken der gaatjes aan, dat noodzakelijk is voor 
het rijstplanten. Het Lod. is het eenige, dat een ander, mij overigens 
onbekend woord heeft, voor deze handeling. Wei heeft Lod. ook 
tuduku, maar alleen in de beteekenis //steken//, terwijl het voor 
//rijstplanten// niet gebruikt wordt. 

Men vraagt zich af of dit geen wissel woord is, evenals Madole p&ga. 
Het is waarschijnlijk hetzelfde woord als N® 208 tJigal-t^ga //borst- 
pijn//. Madole heeft ook daarvoor een afwijkend woord. Het met 
//borstpijn// vertaalde woord beteekent bepaaldelijk //pleuritische pijn, 
steken in de borst//, dus ligt de overgang van gedachte van //splijten 
in de borst//, tot //werkelijk splijten//, nogal voor de hand. 
Ook dit zal wel een wissel woord zijn. Volgens N® 166 heeft Tob. 
voor //sagokloppen// een wissel woord gevormd van I hi a. //splijten//, en 
het is dus niet on waarschijnlijk dat l^ta daarom voor //splijten// zelf 
niet meer dienen kon. Dit b^laka kan komen van bgleka //balk, 
schouder//, en dan zijn //dat wat gespleten was//, maar meer waar- 
schijnlijk van belelaka //mager//, vanwaar de overgang op iets wat 
gespleten wordt, en dus //dun// wordt, niet ver is. 
Dit woord beduidt //afvallen, valleu van een klein voorwerp, een 
druppel b.v.b. , een vrucht// ; btak beteekent //het vallen van iets 
groots, een mensch, een tak// en dergelijke ; tiwa komt ook in andere 
talen voor. Tob. tiha, Tob. B tifa. Gal. tiha //palmwijn, tappen//, 
vergelijk ook Mai. tiba //plotseling voor den dag komen//, en Jav, 
tiba //vallen//. 



IKTS OVEE DK TERNATAANSCH-HALMAHKBASOHB TAALQEOEF. 



403 



Galfela. 


L5da. 


Tobelo. 


Madole. 


bsa 


bdjaka 


bhaka 


gbha'a 


w^ko 


w^ko 


w^ko 


w^'o 


tudu 


tu^ka ^** 


tuduku 


tudu'u 


tbda 

1 


thdjhwgfi 


tb^^nga 


tbd^iiga 


p^ko 


p^kono 


p^koro 


p^'aro 


leta 


l^ta 


belaka « * « 


p^a 


dbta 


tugre > * « 


btaka 


bta'a 


togoi 1 


gogoini 


togowini 


gbpini 


muudu 


inumudjutu 


bole-bole ' * « 


raamai ' *" 


daginitu asa * ^' 


alimoka * ^* 


iarehe 


dewula 


tAga 


%a 


t^a 


tugatna 


lui •^•'^ 


luiti 


luiti 




wbma 


iigbmasa 


wbmaha 


(!)maha 


d^i 


lola 


A^hiri 


^hili 



48 



1.4 9 
m 1 



e^ 2 



Dit woord is waarschijnlijk hetzelfde als Tob. tuhere,Tob. B. tufere 

//lets laugs iu twee deeleu deeleu, een plauk of balk dooraageu, etc.// 

Daarvan komt echter voor : ma duduhfire //eeu gevallen beslissing, 

een eindoordeel// , (denk Hqll. //den staf brekeu//), en daar zou het van 

afgeleid kannen zijn. 

Men zie hierover N® 159. 

Tob. komt voor: mai //verwelkt, slap geworden// van bloem of blad, 

en dat zal dus wel hetzelfde woord zijn als dit. 

Dit woord begrijp ik niet. Het woord beteekeut : //den volgeuden dag// 

uiet ''het begin van den dag//. Waarschijnlijk staat het in verband met 

loa, 16ha, 6a //goed//, b.v.b ka-i-loa //het is maar goed//. De 

overgang van //goed// op /s^licht// is uiet groot. Dit is echter slechts 

een gissing. 

Dit kan wel komen van welinga, helinga, f^liuga //opendoen//. 

Dit beteekent : vals het weer licht is, het toekomstige licht zijn/j', 

evenals Tob. dat ook wel gezegd wordt : iarehe &ha /rals het weer 

wit, licht, wordt. 

Dit zal wel komen van halimi //roeieu//, evenals Tob. B. heeft 

ngbrumino //'smorgens vroeg, zonsopgang// van hbru //roeien^/, dus, 

als de zon rondgeroeid is, of, boven de kira geroeid is. Dat een hemel- 

lichaam rociende voorgesteld wordt, als een vaartuig, is niets vreemds, 

men vergelijke slechts: //Tontemboansche teksteu'/ door Schwartz. 

/rAanteekeningeu'/ N° 106, bladz. 109. De maan is daar het heraelsche 

vaartuig geweest. 

Het woord beteekent Gal. alleen //vioolstrijkeu// , niet //snijden//, maar 

de idee is toch dezelfde. 



404 



lETS OVER DE TERNATAANSCH-HA.LMAHKRA8CHE TAALGROKP. 



Nederlandsch. 

1 


Isam. 

puo 
w^ngo 


Tbloliku. 


1 

212 hartspier ! 

213 leven 


1 

puo 

w^ngo 

1 


214 iiagel 

215 breken 


gitiwili 
tobik 


gltlWl 

tobik 


216 vlieg ' 

217 uitspansel 

218 staan 


giiul 
liw^ng 
tekbs > « " 


giiul 

diw^ng 

tekbs 


219 mager 

220 overmorgen 

221 pan 


pehM^k 
modidika 

• 

bosbk 


pededilk 
bbsok 


222 roepen 

223 kruipen 


alok 
tale 


1 

; tale 


224 vegen ^ • * 

225 schenken * * ^ 


pal is 
dabas 


' ses^al 
dabaas 


226 stelen 


tblik 


tblik 


227 planten 

228 heet >«* 


diltom 

SllS 


d^tom 
sawko 


229 waringin * •^ 


basal aan 


basalan 


230 uithangeii, drogen 


wbil 


w5iil 



1 SB 



1 !>8 
t 59 
1 ft 



Dit is een vervangwoord , dat in de andere talen alleen beduidt : de 
niet verder opengaande punt van de bloemkolf der bananen. Wellidit 
liet men het woord puo, huo, fuo, varen, omdat Glal. buo, puo 
//baren// beduidt. 

Weer een vervangwoord , dat in andere talen beteekeut : /i^groeien , op 
iets groeien, op iets woekeren, versch, groen zijuv. Het Gal. heeft nog 
//w^ngo'/ als : //opwellen, doorzijpelen//, van water, dus met dezelfde 
gedachte als eleven /y. i 

Tob. B heeft gitifiri. 
Tob. B. heeft gufuru. 

Merkwaardig, dat Isam en Tolol. hier een heel ander woord hebben,* 
men zie ook N° 125 '/opzetteii's waar hetzelfde 't geval is. Het ligt 
dus voor de hand dat tekos een vervangwoord zijn zal. Toch ben ik 
daar niet zoo zeker van. Hetzelfde bko wat //staan ^i^ beduidt, beteekeol 
ook in alle talen //zeewaarts//. Nu zegt men nu nog voor ^liggei 
gaan// idu-isa '4iggen, landwaarts//. Zou het nu ook kunnen ziJDi 
dat het oorspronkelijk was: //staan zeewaarts// tekbs-bko, ^liggei 
landwaarts// idu-isa, maar dat tekbs-bko afgesleten is, zoodat dc 
eene partij alleen het hoofd woord tekbs behouden heeft, en de anderei 
alleen het achtervoegsel-richtingaanduider //oko"? 



\ 



TBI'S OVEK DE TERN ATA ANSCH-HALMAHKRASCHi TAALGROSP. 



405 



Galela. 


Lbda. 

_ __ _ 

fuo 


Tob^lo. 


Madole. 


kusi-kusi * ^^ 


huo 


puo 


bho » ^ 7 


{\llgO 


w^ugo 


W^IlgO 


gitipi 


gitiwiri 


gitihiri > ^^ 


gitihiri 


tepi 


dewi 


tobiki 


tobii 


giiupu 


guwuru 


guliuru ^ ^ * 


giiulu 


dipu 


(liwama 


dih^nga 


diw^iiga 


5ko 


bko 


bko 


b'o 


palela 


pelelaka 


palelaka 


palela'a 


tiRMliri 


inedirimi 


medirihi 


modidio i\ha 


bbso 


bbsoko 


bbhoko 


sepe 


hso 


iisoko 


(llioko 




tj\se 


titdie 


tAhe 


t^he 


s^sa 


sesara. 


heliara 


barihi 


gusc 


guse 


guhe 


dalihi 


t5si 




tbhiki 


tbhi'i 


(Itlto 




d^toino 


tudu'u >«» 


Ibdi 




hihi 


hihi 


warigi 




baharama 


baharama 


wbhe 




wbgre 


wbilc 



2 



i ^ 



fieidc woorden palis, sisal, zijn ook iu audere talen bekeud, maar 
met v^rschilleude beteekenis. Meu heeft Tob. pari hi ^/afvegeii met een 
stoffer" , h^hera '/vegen met eeu bezem//. 

Ik weet deze beide woorden uiet te verklaren. v. Baarda geeft op : 
grondwoord : use, maar dat maakt de zaak uiet duidelijker. Voor 
dabas, vergelijk Bare'e tawa '/inschenken'/. Echter dabas eu use 
ziju twee woordeu duukt me, en zelfs weet ik ze geen van tweeen te 
rijmen met Mad. daliki. Voor dat vergelijk Mai. saliu, dat in de 
Molukkeu ook de beteekenis '/inschenkeu" heeft. 

Mad. heeft hier het woord tudiiu, //steken^ vandaar ''rijstplanteu '/ , 
ook voor "plauteu'' overgenomen (zie N® 200). 

Het woord wil zeggeu /^heet in 't gevoel, brandend, zooals Spaansche 
peper'/; Tolol. heeft een vorm van I'Warm'', maar Gal. heeft eeu auder 
woord. Het "waarom^/ is nog niet bekeud. 

Volgens sommigen zou men onderscheiden tusschen war in gin de aan 
zee groeieude soort , en baharama, '/die iu 't bosch voorkomt^. Ik 
geloof dit echter uiet; warigi is ook Tob, als vervangwoord in gebruik. 
Vergelijk Mai. beriugin. 



406 



lETS OVEE DE TEKNATAANSCH-HALMAHEEASCHE TAALGEOEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


TMoliku. 


231 stroora iu zee. 


baus * ® • 


baus 


232 eb 


goas * ® ' 


goas 


233 vioed 


ael 1 e 8 


aele 


234 voetwond 


biltok 


b^tok 


235 doorschijiieud 


dbdou 


dbdou 


236 hopeu 


Dgaiiou 


berharap 


237 sagovorm 


gblaiig * ' " 


gblang 


238 wriugeu 


teol 


teo 


239 naaien »^« 


diugi 


dini 


240 wasschen 


W(!)kal 


wbkal 


241 beven *'« 


silosak 


silosak 


242 regCDboog 


ugaw^tol 


ugaw^tol 


243 baden 


blik 


blik 


244 waterscheppeu 


sibuo * ' ' 


si&uo 


245 achterkleiukiud 


dbtum 


dbtum 


246 grootvader 


^det 


^de 


247 tabak rookeu 


suju 


suju 


248 muis 


kalawe 


kalawe 


249 springeD 


tebul ^ ' » 


tebul 


250 lekker 


s^ki > » " 


s^ki 


166 Vergelijk Mai. arus //stroom//. 

*•' Deze woorden beteekenen Tob., Gal. ook: //droogloopen , uitdrogen//, 

t«8 Vergelijk Mai. air. 

16 9 'Rofl/xolr) viiTi • nrrknrlan nip na.Ti np xmf^fi.nril tmnrVnman crAnrnnnliilr aitt 



I 7 



1 71 



1 72 



nawonden van de //frambosiav of //Ambonsche pokken^-/. 't Oebruikte 
b^tok-b^toko beteekent ook: voetangel// , dus wellicht: een wond 
zooals die ontstaat, door in een voetangel te trappen, of anders, — want 
de wonden waren wellicht eerder, dan de voetangels — wapeuen om 
zulke wonden te maken. Gal. heeft jajo, een woord dat Tern., Tob. 
//moeder// beteekent, en denkt daarbij wellicht aan de eerste- of 
moederwond, der //frambosia>/. Dat men het //moeder woord// daarvoor 
aan een andere taal ontleende, — Gal. heeft awa /'moeder//, — is 
niet bevreemdend, dunkt me. 

Vergelijk Mai. goreng //bakken, roosteren//. In de golang wordt ook 
de sago gebakken, geroosierd. 

Dit komt van Gal. gunangi //sagobakken//, dat alleen in het Gal. 
voorkomt. Onmogelijk vind ik het niet, dat het toch hetzelfde woord 
is, als wat de anderen hebben. 
Tob. B en D hebben gofo^nga. 



lETS OVBR DE TKRNATAANSCH-HALMAUERASCHB TAALGROEP. 



407 



' Galela. 

! 


Tob^lo. 


Madole. 


r " 

bau 


bauliu 


baus 


oa 


goaha 


oaha 


hade 


acre 


aeli 


jajo *«» 


b^toko 


b^toko 


dodo 


dbdono 


dodbdouo 


ngongauo 


ugationo 


iiganoiio 


gogun^ngi * ' * 


goho^uga ' ' - 


gowo^uga 


teo 


teo 


teo 


uri 


uriti 1 7 4 


uliti 


p5ka 


hbka » 7 * 


pbka 


tirine 


h^hara 


h^hara 


ugaw^ti 


ugaw^tero 


ugaw^t^ro 


bsi 


bhiki 


ohi'i 


siiii 


hibnoko 


sibno" 


dbtu 


dbtumu 


dbtumu 


ete 


ete 


hie 


1 suju 


dudu »'** 


dudu 


lupu 


kar^e 


porbgi 


umo 


ngumo 


tebulu 


' mbngi 


hemdro 


h^mo-hemo. 



^'•^ Hier zijn twee ideeen: dingi komt van tingi //8trak>/ dus is gedacht 
aan het //strak trekken// van den draad ; uri -uriti is //irijgen//, en 
daarbij wordt dus gedacht aan het doorhalen van den draad door het goed. 

>'•» Tob. B heeftook dingi. 

»'s Tob. B heeft fbka. 

*'• Hier zijn weer kennelijk meer dan 66n woord. Ik weet echter g^n te 
verklaren. 

*'' Dit zijn alle causatieve vormen. Het Gal. komt van ui //vloeien>/. De 
anderen misschien van bno, bnoko //een soort kom// waarmede men 
schepte of scheppen kon. 

*'* Tob. B heeft ook huju. Of dit dudu 't zelfde is als dudu-dudungu 
//droog, drogen/y is niet onmogelijk. 

p'* Tob. en Gal. schijnen hier weer een woord te missen, want umo is 
//valleu, werpen// en afgeleid : //springen^. 
**" Het woord s^ki beteekent ook //vet//, ook in Tern. Zou men dus ^/vet// 
lekker gevonden hebben, en vandaar den naam als dien van vieta 
lekkers// voor //lekker// gebruikt hebben. Ditzelfde zou ook met Gal. , 
Tob. plaats kunnen hebben, hoewel mij noggeen >/lekkere zaken'^ bekend 
zijn, onder de namen voor '/lekker// in gebruik. 



SLOT-BESCHOUWING. 



Wij zien uit dii lijstje eerst eenige algemeene neigingen , als van 
het Madole om de ^ uit te werpen. Geen enkele maal komt die 
voor. Hij is vervangen door een hamza. W^ioli en Ibu deelen 
die ueiging, hoewel niet zoo absoluut. Men zie N® 14 W^ioli, 
Ibu, /fea'una, N^ 25 W^ioli /feo/feotu'u, N« 29 Ibu /feJla, 
N° 58 W^ioli ^ail^a. Het Ibu vervangt de ng regelmatig door 
n. Het Isam en Tbloliku hebbeu de meeste gesloteu woorden, 
de anderen, met uitzondering van Ternate en Tidore, waar deze 
beslist Maleische woorden overgenomeu hebben, absoluut niet. Het 
Gal., Tern, en Tidor. komeu tot open woorden door den eind- 
medeklinker weg te laten, de anderen door er een klinker aan toe 
te voegen, natuurlijk behoudens de uitzonderingen. Of oorspronkelijk 
alle woorden gesloten geweest zijn, weet ik natuurlijk niet, ik zou 
het echter niet denken. 

Klankverwisseling is heel veelvuldig. Hierbij zullen wel dezelfde 
wetten gevolgd zijn als bij andere taalgroepen. De overgang van 
« in A is heel veelvuldig. Het Tobeloreesch gebruikt heeleraaal geen 
* meer, maar heeft die voorgoed door h vervangen. Men vindt, 
het lijstje volgende, dezeovergangen : y, rf, rf; , A, d, r, l^ h, b.v.b. 
N° 11 : you, ^6hu, rf^ou, Aon, rfou, rou, ^ou, Aohu, 
N® 4: bjbm, 6do, bdjomo, 6Aomo, bdomo, bromo, 
blomo, oho; verder «?, ;?, A,/', b.v.b. N® 13 : ngow^, ngbpa, 
ngbhaka, ngbfaka, N^ 35: ngeweka, ngbpgdeka, ngo- 
heka, ngofeka. 

De / en r wisselen gestadig af. Het komt mij voor dat I het 
oudste moet wezen, want in het TobWoreesch, waar nu de r 
domineert, leert de moeder haar kind spreken met I en later pas 
neemt het de r over. Zij zegt b.v.b. v66r bk6le, inplaats van 
bkere, A^hili inplaats van A^hiri. Op school geeft dit zelfs 
moeiie, daar de kinderen lezende, nog dikwerf / en r door elkaar 
mengen. Verder komt het mij voor dat heel veel verscheidenheid 
ontstaan is door klankverspringing en omzetting der lettergrepen. 
Dit alles kan ik echter slechts vluchtig aanduiden, omdat ik niet 
genoegzaam bekend ben met wat reeds vastgesteld is omtrent de 
wetten van dit alles voor andere taalgroepen. Ik laat dit dus gaarne 



IET8 OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERA8CHE TAALGROEP. 409 

aan bevoegde beoordeelaars en ervaren opmerkers over. Ik hoop 
alleen, dat, wat ik gaf, aanleidiug kan zijn voor de taalgeleerde 
wereld om deze taalgroep haar aandacht te schenkeu ; ik geloof dat 
zij die overwaard is. 

Ik merk nog op dat, hoewel geschreven heel veel overeen- 
komst is tusschen deze talen, gesproken heel veel verschil bestaat. 
In de eerste plaats draagt daartoe bij het verschillend leggen van 
den klemtoon. Het Gal 6 la b.v.b. verandert den klemtoon nooit door 
toevoeging van achtervoegsels , het Tob^lo brengt den klemtoon 
juist op het achtervoegsel over; het M a d o 1 e spreekt de exponenten 
Oy ma, etc. uit , alsof deze een integrerend deel van het woord 
zijn en geeft die den klemtoon, enz. Op het gehoor is tusschen 
deze talen heel wat verschil, zoodat men elkaar over en weer niet 
verstaat. In de uitspraak is ook de een veel moeilijker dan de 
andere. Het Tobeloreesch spreekt heel moeilijk en hoewel het door 
vele niet-Tobeloreezen verstaan wordt, wordt het toch door lieden 
van andere stammen gesproken, eenvoudig omdat men bang is, het 
niet goed uit te spreken. Daarentegen spreekt de Tobelorees heel 
gemakkelijk andere dialecten, natuurlijk omdat zijn eigen hoogst 
moeielijke tongval, hem bij het spreken van andere talen nooit op 
bezwaren doet stuiten. 

Hoe lang deze talen reeds gescheiden zijn ? Hoogst moeilijk uit 
te maken. Dat ecliter het van elkaar af wonen, geholpen door de 
gewoonte om vervang- of wisselwoorden te gebruiken, spoedig ver- 
schil doet ontstaan , blijkt b.v.b. uit het Tobeloreesch zooals dat n u 
gesproken wordt door de Tobeloreezen uit het district Tob^lo, die 
uit het district Kau en die uit het district Dodinga.' Die drie 
groepeii zijn zeker nog niet meer dan 150 jaar van elkaar gescheiden 
geweest, hebben daarenboven als stamverwanten geregeld verkeer 
met elkaar geoefend, huwelijken over en weer zijn geen zeldzaam- 
heid en toch wordt het verschil reeds aanmerkelijk. Men denke aan 
de Tugutil's, toch zeker ook nog niet langer dan 150 jaar van de 
TobMo's afwonend, en wel wat sterker gescheiden, omdat een 
huwelijk met hen door de Tob^lo's n u als een mesaillance beschouwd 
wordt, maar wier taal nu ook al sterk afwijkt, al is nu ook alles 
nog als e^n taal te beschouwen. 

Dat de talen, op het overige deel van Halmahera gesproken, 
niet meer tot deze groep behooren , is buiten twijfel. Wij zijn er 
niet zoo goed mede bekend tot heden als met die van de besproken 
groep , maar weten toch dat daar nog gesproken wordeu : het B u 1 i , 



410 lETS OVER DE TBRNATAANSOH-HALMAHERASCHE TAALGROBP. 

Maba, Bitjoli, Patani, Saw^i, Weda en Gaue. Het is 
zelfs mogelijk dat er uog meer zijn, maar wij weten dat uu nog 
niet. Aangezien echter de zending begonnen is, ook in dat gedeelte 
te arbeideu, mogen wij spoedig gegevens daaromtreut verwachten. 
Dit echter is wel zeker, dat al die talen geen overeenkomst 
hebben met deze groep, maar wel met de Papoesche. Niet alleen 
dat de woorden geheel andere zijn, maar ze missen ook volkomen 
de eigenaardige vorming van het werkwoord met behulp van het 
tweede gedeelte van het persoonlijk voornaamwoord , dat de Ternat. 
Halmahera-groep onderscheidt. Om het verschil in woorden te be- 
wijzeu, laat ik hier nog volgen een lijstje van woorden der 
B u 1 i - taal , zooals die indertijd door een Ambonsche goeroe voor mij 
opgeschreven zijn , met achtervoeging van het oorspronkelijke woord 
uit de besproken taalgroep, en het verschil zal dan terstond in het 
oog springen. Ik kan uatuurlijk niet voor de juistheid van die 
woorden instaan, maar het is toch voor het doel genoeg ze aldus 
te geveu. Wie dan de moeite nemen wil, deze Buli- woorden te 
vergelijken met de correspondeerende Nufoorsche uit het 
Nufoorsch-HoUaudsch Woordenboek van den Heer v. Hasselt, zal 
mij ook hierin gelijk geven, dat we hier te doen hebben met een 
lid van den Papoeschen taalstam. ^ 



^ Wat in den laatsten tijd , door de onderzoekingen van den Heer Gt. Maan j 
bekend geworden is omtrent de taal der Sawaiers, bevestigd dit vermoeden 
volkomen. 



lETS OVER DE TERNATAANSCH-llALMAHEBASCHK TAALGEOEP. 411 



Hollandsch. 



Buli. 



Tern. Halmah. 



1 hoofd 


bobokor 


2 neus 

3 haar 


guguor 
uta 


4 eteu 


. seli 


7 sterven 


mat 


13 kind 


wawai 


14 houd 


fun 


15 water 
17 prauw 

19 visch 

20 huis 


waja 
p^Iang 
ijau 
ebai 


27 piuaug 
35 vrouw 


paliu 
mafin 


37 man 


man 


42 naam 
48 binden 
65 tuin 


tbnjo 

pitang 

bet 


67 toug 
82 hand 


fableor 
kakamor 


78 steen 
83 ei 


pat 
tblo 


85 oog 

86 mond 


araro 
mor 


88 buik 
96 vuur 
98 slapeu 


njaor 

jaf 

tamtoal 



100 deur 

99 opstaan 

112 weg 

115 ingaan 

119 hooren 

121 geven 

136 drinken 

144 lang 

138 tend 

162 kanarieuoot 
] 65 sago 

163 kelapa 
174 olie 
191 breed 
213 leven 
226 steleu 
243 baden 



bawa 

paling 

lalim 

sum 

melongna 

poi 

dom 

emianga 

smor 

sben 

pupi 

waga 

egat 

sai 

tup 

lois 



sisop 

De voor de woorden geplaatste cijfers, 
de voorafgaande woordenlijst. 

Haarlem, November 1907. 



saek 

ngunung 

utu 

6jom 

sbn^ng 

ngbsak 

kaso 

akel 

otil 

nauk 

wbia 

mbkul 

ngSweka 

naur 

Ibmang 

piliku 

l^di 

^kil 

giam 

maling 

gbsi 

I^ko 

ulu 

pokel 

uku 

tjolok 

ugoran 
I momik 
I ngekom 

wbsaro 

isen 
! ike 
I bkel 

kulut 

njial 
' etok 
! igon 
I golol 

ngoat 

w^ngo 

tosik 
' osik 

correspondeeren met die in 
A. Huiting: 



BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING 

VAN WISNU OP JAVA 



DOOR 

Dr. H. H. JUYNBOLL. 



Men weet thans vau de godsdieustvormen , die v66r den Islam 
op Java geheerscht hebben, geuoeg om te kuunen vaststellen, dat 
het Wis^iuisme naast het Qiwa'isme en het Noordelijke Buddhisme 
of Mahayanisme daar slechts een zeer bescheiden rol gespeeld heeft. 

Dit blijkt 0. a. uit het betrekkelijk geringe aautal Wi^^iu-beeldeu , 
die het Bataviasche en Leidsche Museum bezitten, als men dit 
vergelijkt met de groote menigte Buddha-, Bodhisatwa- en 
y i w a - beeldeu , om vau de Durga- en Ga^ie^a- voorstellingen 
niet eens te sprekeu. De vele Wis^iu- beeldeu, die Leemans iu 
zijne Beschrijving der Indische oudheden vau het Rijks-Museum vau 
Oudheden vermeldt, zijn bij nader onderzoek geblekeu, voor het 
meerendeel Qiwa- of Buddha- resp. Bodhisatwa- beeldeu te zijn. 

In de Oudjavaausche letterkuude treft men nog veel miuder 
sporen vau Wisfliu-dienst dan van Mahayauisme aau. Zelfs het 
Mahabharata, dat oorspronkelijk sterk Wis^Lu'itisch getint was 
en waarin Krs^ia, een van Wis^iu's awatara's naast de 
Pa^idawa's een hoofdrol vervult, is in het Oudjavaansch geheel 
Qiwa'itisch bewerkt. In het begiu van het A^ramawasaparwa 
b.v. wordt Qiwa iu een zeer corrupte aryastrophe aangeroepeu 
en in het begiu van het Adiparw.a treedt Qiwa als schepper op, 
terwijl iu den Sanskrt-tekst Purusa-Brahma als zoodanig ge- 
noemd wordt. 

Toch viudt men iu de ouuitgegeven Oudjavaausche literatuur 
eeuige tooverspreuken , die wijzeu op vereering vau Wis^iu 
o. a. iu zijn awatara als Narasiugha en vau zijn wahana 
Garuda. Daar deze mantra's alleeu iu haudschrift bestaan, 
schijnt het mij van belang toe, deze meer algemeen bekend te 
maken, ook in verbaud met de Narasiugha- en Garuda -beeldeu. 
Beginneu wij met de m a u t r a's ter eere van Narasiugha. Een 



BIJDRAGE TOT DK KENNIS DEE VEREERING VAN WIS\^U OP JAVA. 413 

hiervan oiitleenen wij aaii cod. 5320 leg. Warn, (uit de Lombok- 
collectie), een eiiibat-embatan van 7 folia. Dit palmblad- 
handschrift begint met Ciwaitische spreuken, die men moet uitspreken 
bij (le reinigingen met water (akSkemuh en adyus, d. i. het 
spoelen van den mond en het baden), om de zonden te doeu ver- 
dwijnen, zooals de Oudjavaansche schrijver zich uitdrukt : s&sing 
dosa hilang donya (het verdwijneu van alle zonden is het doel 
ervan). Daarna volgt (op regel 4 van fol. 1 b) een mantra, die 
NarasinghadhySna heet en waarin elk van zijne attributen 
afzonderlijk aangeroepen wordt, zoodat aan het slot staat : Katu- 
duhan ira sang hyang astra iki (dit is de aanwijzing der 
goddelijke wapens). Met het oog op de belangrijkheid voor de 
iconographie geven wij hier dezen mantra in zijn geheel in 
transcriptie weer : 

Om Narasinghaya sarwa^atruwina^aya pat. Narasingha- 
dhyana sahastra nira. 

Um brum khadge^waraya sarwa^atru wina^ay a pat ; pur , ma , 
u in brum Qangkhapancajanyaya sarwa^atru wina^ay a , pat , 
gneng muka, ma, um brum cakrasudarcjanaya sarwa^atruwi- 
na(;liya pat, da, muka, ma, um brum gad ay a sarwa^atruwina^aya 
pat, neng muka, um brum capSya sarwa^atruwina^aya pat, pa, 
muka ma, um brum, 9a ray a sarwa^atruwina^aya pat, ba, muka, 
ma, um brum tangkaya sarwa^atruwina^aya pat, u, muka ma, 
um brum ardhacandraya sarwa^atruwina^aya pat, u, muka, 
ma, sma, katuduhan ira sang hyang astra iki. 

Hieruit ziet men, dat achterecnvolgens aan Narasrngba en al 
zijne attributen hulde bewezen wordt. Achter ieder volgt het epi- 
theton : sarwagatruwina^Sya (aan den verdelger van alle vijauden). 
Als zijne attributen worden genoemd : het zwaard (khadga), de 
schelphoorn (^angkha) Pfincajanya, de discus Sudar^ana, de 
knots (gada >), de boog (cap a), de pijl (^ara), de beitel 
(tangka) en de halve maan (ardbacandra). De tusscbengevoegde 
woorden zijn gedeeltelijk uitroepen, heilige syllaben (um hrum), 
gedeeltelijk aanwijzingen van de richting, waarbeen men zich moet 
wendeu bij het opzeggen van den mantra. 

De volgende wordt verdeeld in den tiks^ia mantra, waarbij 
men zich Narasingha in zijne vreeswekkende gedaante voorstelt 
en den somyamantra (Skr. sa um y aman tra), waarbij bij in 

' De iiimm van deze (Kauinodaki), dio in(»n hior zou vorwacht^n, komt 
in den mantra uiet voor. 



414 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WIS^IU OP JAVA. 

zijne weldadige hoedaiiigheid gedacht werd. Deze mantra's luiden 
als volgt : 

Om Narasinghaya namah. 

Ugra w i s i;^ u mahawiryarp jwalantam sarwatomukham. 

Nrsinghabhlsa^iam mrtyurartyun Damaroy aham. 

TiksiQLamantra iti. 

Om brum ^rimau Nrsingha^arafliam 9ara];^o pramadhye pri- 
mate Nrsinghaya namah. Somyamantra. 

Iti bajra Narasingha kahilangan ing ^atru don ira 
mwang 9ariraraksaka. 

De vertaling der laatste Oudjav. woorden luidt : //Dit is de 
wajra van Narasingha, die de verdelging der vijanden en 
eigen bescherming (of bescherming van het lichaam) ten doel heeft//. 

Ten slotte nog: Om Narasinghaya namab. 

Taptahatakake^agra j walatprSbhakalocanali , 

bajradhikanakhaspar9a dibyasingha namo'stu te. 

Iti Narasinghay udha, ripusanghara don ira, ucc5- 
rai;^akna ri tatkala ning yuddhakrama, haywa luptan. 

Het Oudjavaansche slot beteekent : ^/Dit is de Narasingha- 
yudha, welks doel het is de vijanden te verdelgen. Men moet dit 
uitspreken tijdens den strijd en men moet het niet verzuiraen". 

De naam van den geheelen mantra is dus Narasinghayudha. 

Een anderen Wis^tuitischen mantra vindt men in cod. 5325 (leg. 
Warn.). Deze heet Wis^iustawa (lof van Wis^iu) en begint 
als volgt : 

Oin oin namo Wis^u trimukhanam, trinayana, catnrbhujam, 
ki*sQawani;ia sphatikaQdal;! , sarwabhusa^anllanam , cakrahast^i maha- 
tiks^a, atmaraksa hamprusthanal;! , amrtanjiwano dewa, sarwa- 
Qatruwina^anam. Pat , swILhIL ! 

De Oudjavaansche vertaling (?) luidt : Hidep bhatara Wis^u ri 
tiktanta, matrinayana, caturbhuja, pinak^tra cakra, sahabhusa^a. 

Zooals men ziet geeft dit slechts een gedeelte van de verknoeide 
Sanskrtwoorden weer, want de O. J. woorden beteekenen : '/Weet, 
dat god WisflLU in uw lever is, hij heeft drie oogen en vier 
armen, de cakra strekt hem tot wapen, hij is versierd//. 

Eigenaardig is in dezen mantra, dat Wis^iu hier met drie 
hoofden voorgesteld wordt, dus als Trimurti. Met vier armen 
wordt hij gewoonlijk ook in de steenen en bronzen Oudjavaansche 
beelden afgebeeld en de cakra is in die beelden een zijner vier 
gewone attributen. De samenstelling hamprusthanat is hybri- 



BIJDRAGE TOT DE KKNNIS DEE VKRBEHING VAN WTS^lU OP MVA. 415 

disch, daar zij uit het O.-Jav. hampSrn (vgl. Mai. hampgdu 
enz.) = //gal, lever/y en het Skr. woord sthana (plaats) bestaat. 
Daareutegen zou de O.-Jav. vertaling ri tiktanta ' (letterlijk : in 
uwe bitterheid) zonder het woord hamprusthanab onduidelijk zijn. 

De voorstelling , dat goden in de verschillende lichaamsdeelen 
zetelen, komt bijna in al deze tooverspreuken voor. Na de invoering 
van den Islam zijn de Indische godennameu eenvoudig vervangen 
door die der Moslimsche profeten, van Adam tot Mohammad. 

Het slot van dezen mantra is van minder belang, daar Wis^iu 
er niet meer in genoemd wordt. Het begint met : //Ah siti prallna 
moktab, siddha I6pas, mijil saking tan hana^' enz. 

Het begin van cod. 5332 (leg. Warn.) wordt gevormd door een 
mantra, die ook Wis^iustawa heet, evenals cod. 5325, doch 
daarvan afwijkt. Deze luidt aid us : 

Om namo^stu Purusottaraaya, paramaripu, parapurahara^a , 
parSkramliya 

Mahlibalaya ca, jSgraswapna, supta, tur^a caturbhujSya, 
Ngraya\^a, Narasingha wamanay a, NarajanardhanSya, 
Janagadayudhi Danawgntaka , Ripumadana Pancajanya, Sudar- 
c a n a y u d h a y a, daityadanawa, yaksa, rSksasa, pi9acabhataga9a .... 
gandharwa madhuragita, surawidyadhara, rsiprabhrti .... 

Puruso'nantasamudrfi^rayi, khagawarawarendraQri priyo, dlianapriyo, 
Wai^rawa\^anggako'sman , raksa tasman, gopayantu swaha ! 

Hierbij zijn de al te corrupte plaatsen weggelaten. Men ziet, 
hoe Wiayu hierin aangeroepen wordt, o. a. als vierarmig, ook in 
zijn Narasingha- en wamanSwatara, waarbij drie van zijne 
bekende attributen genoemd worden : de knots (gad a), de ^angkha 
Pancajanya en de cakra Sudar^ana. Hij wordt de opperheer 
van allerlei booze en goede geesten genoemd (daitya, danawa, 
yaksa, raksa s a, pi^aca, gandharwa, widy ad hara enz.). 
Ook G a r u d a , de voortreffelijkste der vogels (khagawara), wordt 
niet vergeten en Wis^iu wordt als belichaming van Wai^rawa^ia 
(Kuwera) beschouwd. De bescherming van al deze wezens wordt 
in dezen mantra aangeroepen. 

Uit de Oudjavaansche woorden aan het slot blijkt het doel, 
waarmede deze tooverspreuk uitgesproken wordt : /'Atmaraksa don 
ira, apan sira mahawi^esa'^ of: ^Eigen bescherming is het doel 
ervan, want hij is zeer uitstekend//. 

' T i k t a is ecu syuoniem van p a h i t. Vandoar de naam W kl w a t i k t a 
voor Majapahit. 



416 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DKR VEREERING VAN WlSfllU OP JAVA. 

Op dezen Wis^uitischen Wis];^ustawa volgt in hetzelfde haud- 
schrift een zuiver Qiwai'tische mantra, die Trilokyawijaya 
heet, doch dien wij hier niet verder bespreken. 

Een vierde Wis^ui'tische mantra is de Wis^iupanjaram, 
die voorkomt in cod. 5319 en 5331 leg. Warn. Deze begint met : 

Om cri Wis^Lupanjaram diwyam, abhedyam dust&wara^am, 
ugratejo mahawiryam, sarwa9atruwina9anam. 

Tripuran dahyamanantu , brahma^am I^warangkrtam. 

In dezen mantra wordeu de verschillende namen en incarnaties 
van WisflLU als bescherraers van de lichaamsdeelen voorgesteld, b.v. : 

Pado raksantu Gowindo, jauggabhyan ca Triwikraraah, 
Urwantaug K e 9 a w o rakset , prsthe raksantu WSmanat 

Bahu dwo Wasudewac? ca, Narasingha hrdisthitat, ka^ithe 
raksantu Warahah, Krs^ag ca mukhama^dalam 

Netre Naraya^io rakset, lalate Garudadhwajat, kapEle 
Wainateya^ ca, Ke^awo 9iral;L8amstita];i 

Ook als in de windstreken te zetelen worden zij voorgesteld, b.v.: 

Purwe^yam Puflidarikaksa, agneye Qridharas tatha , 

Purusottamo warmiyam, wayawyam Pitawasasat. 

Gadadhara^ ca kowiryam, ai9anyam Qaugkham adhisthet. 
Patalang K u r ra a raksantu , akaga^ ca Sudar^aQal;^ 

WisflLupanjaram Wis^o'ham, wicarami raahitale, rajadwSre pate 
gore , sanggrame ripusaugkate 

UakiQibhutapretesu bhayo nasti kadacana, aputre labhate putra^, 
dhanahTno dhanam labhet, mucyate sarwarogesu, Wi§nLulokam sa 
gacchati. 

Uit de laatste woorden blijkt het doel van den mantra: hij 
beschermt tegen allerlei booze geesten (d a k i ^ I's , b h u t a's en 
preta's) en tegen de vijanden in den strijd , geeft kinderen aan 
kinderloozen en geld aan armeu, verlost van alle ziekten en wie 
dezen mantra reciteert , gaat naar Wis^u's hemel. 

Aan het slot staat : //Iti sang hyang Wisijjiu panj aram, 
maliabhara, haywa palepaleh" ; d. i. : //Zoo luidt de Wis^iu- 
pailjaram. Deze is zeer belangrijk en men moet hem niet gering- 
schatten". 

Behalve deze vier mantra's, bestaat er nog een vijfde, die 
bepaaldelijk aan Wisijjiu in ziju awatSra als Narasingha 
gewijd is. Deze heet in cod. 5317 leg. Warn, prayoga sang 
hyftng Narasingha en daarin wordt o. a. zijne overwinning op 
H i r a ri y a k a 9 i p u bezongen. Dezelfde mantra komt voor in cod. 



BIJDRAGE TOT DE KENNlS DER VEREEHlNG VAN WI§1JU OP JAVA. 417 

5318 eii 5319 leg. Warn., doch heet daar (in cod. 5319) Astaka 
Narasingha. Daar echter deze tooverspreuken uitsluiteiid uit 
verknoeide Sanskrtverzen bestaan , zuUen wij die verder iiiet be- 
spreken , te meer omdat de bovengenoemde reeds voldoende aan- 
geveii, hoe dergelijke spreuken er uitzien. 

Van meer belaug isde Garudeyamantra, waarvan verscheidene 
hss. bestaan, o. a. cod. 3890 leg. Warn, (uit het legaat Van der 
Tuuk) en cod. 5155, 5251, 5306 en 5322 leg. Warn, (uit de 
Lombok-collectie). Het begin hiervan gelijkt veel op de dhara^ii's, 
die Foucher in het tweede deel zijner ^tude sur Ticono- 
graphie bouddhique (1905) uitgegeven heeft , voor zoover ook 
hier nauwkeurig wordt aangeduid , hoe de god , dien men wil aan- 
roepen, er uitziet. Voor de icouographie kunnen dergelijke mede- 
deelingen groote waarde hebben. Uit de Sanskrtverzen , die op den 
Oudjavaanscheu tekst volgen, blijkt dat het begin van dezen tekst 
verloren is gegaan. 

De Garudeyamantra * luidt als volgt : 

Nihan tingkah sang hyang Garudeya. Hidep ^arlra nira kuning 
warna ning suku nira, makahingan ing tur, putih vvarna ning 
pupu nira, makahingan ing nabhi, mirah war^ia ning dada nira, 
makahingan ing gulu, hireng warija ning mukn, makahingan ing 
cirah mwang patuk, triuayana, caturbhuja sira, bajrastra. Mangka 
ta hidepa nira. 

De vertaling dezer Oudjavaansche woorden is : //Als volgt is de 
Sang hyang Garudeya. Weet (of : stel u voor) zijn lichaam , 
geel is de kleur zijner voeten, tot de knieen , wit de kleur zijner 
dijen tot zijn navel, rood de kleur van zijn borst tot zijn keel, 
zwart de kleur van zijn gelaat tot zijn hoofd en zijn snavel. Hij 
heeft drie oogeu, vier armen en den wajra als wapen. Zoo moet 
men hem zich voorstellen//. 

Daarop volgen deze Sanskrtverzen : 

Mahabhairawarupan ca sudangstra rakt^locanah , 

mahanaso mahagrlwo bayuwegasama^ritah (1). 

Jiianah kancanawar^iac 9a ^ nabhi? caiwacalakrtib, 

ka^tha? caiwarkasannibhat urdhwabhinnan '' janakrtih (2). 

* De geso.hiedenis van Garu^a was op Java bekond. Zij komt voor in het 
Ondjav. Adiparwa (p. 86 — 45 mijner editie). 

' Misschien te lezen : J ft e y a h a fi j a n a w a r n a 9. o a ( ?) Con jeotiiur van 
Prof. Speyer. 

^ Lofts : mar dhabhi nnafi (?), volgens Prof. Speyor. 

T Volgr. VI. 28 



418 BIJDUAGIS tot Dt KENNIS D^K VEfeEfiRINCl VAN WIS^IU Ol* JavA. 

Mahapitam bhawed wari.iam janwautam padamulakam , 
maha^wetam bhawed war^am nabhyautam tirumulakam (3). 
Maharaktam bhawed warnam hrdmulaiitalukantakam, 

• • • • • 7 

mahakrs^iam bhawed warnam wadanadiQirautakam (4). 

Zooals men ziet, ziju vei-s 1 eu 2 niet in het Oudjavaansch 
vertaald, tcrwijl daareiitegeii de laatste regels van den Oudjav. tekst 
(van t r i n a y a n a c a t u r b h u j a af) in het Sanskrt ontbreken. 

Ten slotte volgeii nog deze Oudjavaansche woorden : 

Tlas pwa kahidepau ira, delo kang piiiangan kiiiasang^ayan. Om 
aksipaya nam ah, ma, wisdpaha. Telas kahidepa tamrta iking 
pinangau temahanya. Nihan mantra: Om, am. Khagarajaya 
n a m a s 8 w a h a. T^las pwa , andelaken ing padma hydaya , wijaksara 
nira. Nihan kasimpenan ira sang hyang Garudeya. Om, hksam, 
om, uigwasa kuta nira. Japa nira muwah, Iweh kunang mantra 
muwah : Om kuku ni kukuni wisahari, wisahariharan, 

• • 7 • 7 

yam, lam, m a in , b h a m , w i s a d a h a m s w a h a. Mantra pangi- 
lang sarwa Iweh wisa huwus kapangau. Om, yam, bayutatwa, 
hiring. Om lam, tejatatwa kuning. Om hksam namaliom 
him, nam ah. Delo wisa, ma, om, iskara cabda bhatari mangha- 
n&ken, iskara bhatara manghelaken. Iti sang hyang Garudeya 
samaptam. Rahasya sira, kayatnakna de sang sadhaka. 

Uit dit slot blijkt, dat men dezen mantra moest opzeggen v66r 
het eten, ten einde beveiligd te zijn tegen vergiftiging. Waarschijn- 
lijk gold Gam da als vijand der slangen tevens als beschermer 
tegen hun vergif. Vandaar de woorden wisapaha, wisahari, 
wi sad aha enz. in de tooverspreuk. 

De laatste woorden beteekenen : '/Hiermede is de Sang hyang 
Garudeya voltooid. Het is ecu geheime spreuk, die de geloovige 
met zorg moet bewaren//. 

Na de behandeling der teksten gaan wij over tot de Oudjavaansche 
beeldon, ten einde te zien , in hoe vcrre deze aan de in de teksten 
genoemde vereischten voldoen, wat de attributen van Wis^u en 
de kleuren enz. van Garuda aangaat. Voor het laatste kunnen wij 
alleen de moderne Balineesche beeldeu vergelijken. 

Wat de attributen in de vier handen der steenen • W i s ^i u - 
beelden betreft, deze bestaan uit den cakra Sudar^ana, den 
gangkha Paiicajanya, den lotus en de gad a. De laatste komt 
zelden bij de steenen beelden voor (bij die van 'sRijks Ethnogr. 
Museum slochts cenmaal), doch wel bij de bronzen beelden. Alleen het 



lilJDilAGE TOT DE KENNIS DEtt VEREERING VAN WIS^U OP JAVA. 4l9 

steeuen beeld, dat Leemans in zijiie Beschrijviug der lud. oudheden 
van het Rijks-Museum van Oudheden (n® 6) Wis^iu noemt, > 
heeft in de achterste recliterhand het boveneinde van een afgebroken 
knots. Naast den god staan twee vrouwcn, die Leemans Laksmi 
en Satiavana noemt. De laatste naam is eene verbastering van 
Satyabhama (in het inveutarisstuk staat : Satiavama). Als dit 
juist is, moet de andere vrouw RukrainI en het hoofdbeeld 
Krsna voorstellen. 

• • • 

Bij de bronzen Wi§u u-beelden wordt deze god gewoonlijk met 
Garuda voor op het voetstuk voorgesteld. Garuda heeft daarbij 
de gedaante van een gevleugelden man met vogelsuavel. 

Behalve deze gewone W i s \^ u - beeldeu (ten getale van vijf, 
waarvan drie met Garuda) bezit 's Rijks Ethnogr. Museum sedert 
November 1907 ook nog drie awatara's van Wis^u, die daar 
tot nu toe ontbrakeu, n.l. den Matsyawatara, waarbij Wia^n 
met menschenlichaam , dat in een vischstaart uitloopt , voorgesteld 
wordt, evenals op plaat 5, fig. 2 van Coleman's Mythology 
of the Hindus; den Warfihawatara, waarbij hij als een man 
met een everzwijnkop, met den ^angkha, lotus, gad a en cakra 
als attributen, op Hira^yaksa's buik staat, evenals plaat 7, 
fig. 1 van Coleman's boven aaugehaald werk en als het stcenen 
beeld n<> 21a in Batavia (Not. Bat. Gen. XXX, bijlage XIX). Ten 
slotte de Narasinghawatara, die met het oog op den boven 
medegedeelden mantra voor ons het meeste belang heeft. 

Dit laatste beeld (Serie 1630/31) is eene voorstelling van een 
zittenden vierarmigen man met leeuwenkop, die bezig is met zijne 
nagels de borst en buik van H i r a 51 y a k a 9 i p u , die op zijn schoot 
ligt, te verscheuren. Ook het Bataviaasch Genootschap bezit van 
dezen vierden awatara van Wisiju een bronzen en twee steenen 
beelden, resp. n<> 491^, 21 en 21a (Not. Bat. Geu. XXVIII, pag. 
LXVIII en XXXI, bijlage XVIII). In deze Javaansche beelden nu, 
zoowel als in eene Indisch , afgebeeld bij Coleman, 1. c. plaat 8, 
figuur 1, wordt Narasingha geheel ongewapend voorgesteld. Op 
eene andere plaats echter, n.l. in de Mil lout's Petit guide 
illnstr^ au musee Guimet (Paris, 1894, pag. 17) wordt 
Narasingha zesarmig afgebeeld, o. a. met den 9angkha als 
attribuut. Aan eene dergelijke voorstelling, doch met meer attributen, 
moet de mantra Narasi ngh 5y udha beantwoorden. Er bestaat 

' Thans is dit boold pfftinvontariseerd als Serie 140:^/1859. 



420 BIJDBAGE TOT DE KENNIS DEE VEREERING VAN WIS^U OP JAVA. 

hier dus tusscheu de teksten en de beelden zeer weinig overeen- 
stemroing. 

Evenzoo is het gesteld met de G a r u d a - voorstelliugen , vergeleken 
met den mantra Garudeva. Van het voorkomen der oude Ja- 
vaansche Garud a- beelden kan men door de raadpleging der platen 
8 — 11 achter de verhandeling van dr. Brandes over //De ver- 
zameling gouden godenbeelden , gevonden in het gehucht Gemoeroeh 
bij Wanasaba'/ (Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vlk. XLVII, pag. 
552 — 577) zich een duidelijk denkbeeld vormen. Daaruit blijkt, dat 
hij nergens met drie oogen of met vier armen voorgesteld wordt^ 
zooals in den Garudeya mantra. 

Wal de kleuren betreft, hierbij moet men zich bepalen tot de 
vergelijking der Balische houteu beelden, die Wis^iu op Garuda 
voorstellen. Bij de nieuwere beelden, die 's Rijks Ethn. Museum 
hiervan bezit, o. a. die welke in September 1907 ten toon gesteld 
waren, ' beantwoordt geen enkele kleur aan die, welke de mantra 
voorschrijft , doch bij een oud beeld, uit het Kabiuet van zeldzaam- 
heden (Serie 360/7224) wordt Garuda werkelijk met een zwart 
gelaat voorgesteld, zooals de mantra zegt: hireng war];^a ning 
muka. Misschien is dit nog een overblijfsel van de oude traditie. 

De conclusie , waartoe wij komen , is deze : de Javaansche Wis- 
^luieten plachten v66r het eteu den mantra Garudeya te 
reciteeren, in de meeniug, dat de aanroeping van den vijand der 
slangen voor hen een talisman zou zijn tegen vergif, zoo dit met 
de bpijzen vermengd was. Voordat zij ten strijde trokkeu, reciteerden 
zij den mantra Narasiughayudha, in de hoop , dat de wapens , 
die daarin genoemd werden , hunne vijanden zoudeu verslaan. 
Tusschen de wijze van voorstelling van Narasingha en Garuda 
in die mantraps en in de steenen, bronzeu en houten beelden, 
voor zoover wij die kenuen, bestaat echter geen overeenkomst. 

* Dr. H. H. Jiijnboll, Gids Tentoonst. v. voorwerpen uit Bali, pag. 28, 
n* 186 en 187. Zie ook de daar aangehaalde werken van Pleyt^ (Indonesian 
Art) , Meyer (Alterthiimer) en de Millone (Cat. Mns. Gnimet). 



EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS 
DER REGEERINGS-REGLEMENl'EN 

VAN NED.-INDIE 



DOOR 

P. H. VAN DER KEMP. 



In 1848 werd te Batavia ter Landsdrukkerij uitgegeven eene 
//Verzameling van lustructien, Ordonnancieu eu Reglemeuten voor 
de Regering van Nederlaudsch Indie, vastgesteld in de jaren 1609, 
1617, 1632, 1650, 1807, 1815, 1818, 1827, 1830 en 1836, 
met de ontwerpen der Staats-Commissie van 1803 en Historische 
aanteekeniugen". Deze voor de geschiedenis van het staatsrecht 
onzer Oost-Indische kolonien hoogst belangrijke stukken waren be- 
zorgd door M'. P. Mijer. Niet het minst verdienstelijk was de 
openbaarmaking van het rapport der Staatscommissie van 1803 met 
de uit die consideration voortvloeiende bijlagen, waaronder het 
ontwerp-Charter, 

Dan echter stuiten wij op eenige hiaten. 

Het stuk van 1803 is niet bij ontwerp gebleven, maar door het 
Staatsbewind vastgesteld den 27*° September 1804, al is het nooit 
in werking ^etreden. 

Vervolgens is d.d. 27 Januari 1806 een Regeerings-Reglemmt 
vastgesteld door den Raad pension aris Schimmelpenninck ; dit stuk , 
dat mede nooit in werking kwam , is eene belangrijke schakel in de 
reeks; niet alleen wegens den naam, maar speciaal omdat het 
Beglement van '15 zich meer aansluit bij dat van ^06 dan bij het 
Charter van '04, zoodat de mededeeling in de Handleiding van 
den hoogleeraar De Louter (5*. druk, 1904), dat het Reglement 
van '15 was //grootendeels geschoeid op het on twerp-charter van 
1804", in tweeerlei opzicht voor tegenspraak vatbaar schijnt. 

In een artikel van dit tijdschrift, Nieuwe volgreeks, 1864, 8*deel, 
is door den heer I). W. Schifif //De koloniale politick onder den Raad- 
pensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck" (bl. 377 v.v.) op zeer ver- 
dienstelijke-wijze kortelijk uiteengezet en dit opstel door hem verrijkt 
met in extenso terug te geven wat aan de verzameling-Mijer ontbrak, 



422 EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS DER 

luimelijk : het Regeeringsregleinent van 1806 met tal van audere 
voor de kenuis van het tijdvak gewichtige stukken. In zekeren zin 
is ook dit Reglement van 1806 belangrijker dan de door M'. Mijer 
openbaar gemaakte stukken van 1807 , zijnde slechts de bij Koninklijk 
Besluit van 9 Februari 1807 vastgestelde Instructie voor den 
Gouverneur-Generaal , zoomede voor den Gouverneur-Generaal en 
de Raden van Indien. Het Reglement van '06 is na de verschijning 
in 1865, — tenminste van dat jaar is SchifTs Bijdrage gedagteekend , 
ofschoon het Bijdragen-deel het jaartal 1864 draagt — opgenomen in 
het nuttige boek van M'. G.J. Grashnis: //De Regeerings-Reglementen 
van Nederlandsch-Indie benevens het Charter van Nederburgh". 

Maar is dan, nadat de stukken van 1806 — 1807 door het verlies 
onzer kolonien in onbruik geraakt waren, het Regeerings-Reglement van 
1815 zonder voorafgaande gezette ^eschouwingen tot stand gekomen? 

De ontkennende beantwoording dier vraag geeft de stof voor 
deze bijdrage, welke alzoo kan beschouwd worden als een vervolg 
op de bijdrage in dit Tijdschrift van 1864 — 1865. 

''s'Gravenkage^ 6 Maart 1908. 

Zeker zijnde van de ten slotte bij het Londensch tractaat van 
13 Augustus 1814 ons gewaarborgde teruggave der kolonien, was 
reeds te voren te 's-Gravenhage door den Souvereinen vorst ge- 
vestigd een Eaad van Koophmidel en Kolonien^ waarvan de provisi- 
oneele instructie ward vastgesteld bij souvereiu besluit van 25 Juni 
1814, N**. ^^^ een stuk dat men afgedrukt kan vinden in het 
Tijdschrift van Ned.-Indie 1854, dl. II, bl. 317. Aan die vast- 
stelling was een besluit van 6 April 1814 voorafgegaan , houdende 
de instelling van den Raad met negen leden. Het traktement was 
£4000 'sjaars; dat van den secretaris werd gesteld op f3000. 

De namen der leden waren : 

J. Goldberg; 
. P. van IJzendoorn; 
J. P. Scholten van Aschat ; 
J. C. van der Kemp; 
W. G. van de Poll ; 
M. J. Macare; 
J. A. de Mist; 
J. Bourcourd; en 
D. F. Schas. 
Secretaris A. N. Mooyaart. 



RK(4EERlN0S-ttKGLEMKNTES VAN NED.-INDIK. 423 

Aaii (lit college iiu werd opgedrageu een Regeerings-Rcglement 
te ontwerpen en wel ten gevolgc van eeu aan den departementschef 
van Koophandel en Kolonien, toen nog geheeten //Secretxiris van 
Staat", gerichte Kabinetsorder van den Souvereinen vorst luideude 
aldus : 

N°. 5. Bij de Raad van Koophandel en Colonifin zal worden 
in overweging genomen: 

1° Welke inrigting van het Coloniaal Bestuur der Oost Indische 
volkplantingen de verkiezelijkste is en door 0ns zoude moeten 
worden gearresteerd. 

2** Welke Provizioneele voorschriften omtrent het stuk van den 
Handel op de volkplantingen aan den Gouvemeur-Generaal zouden 
behooren te worden medegegeven, en hoe dezelver producten 
ten meesten voordeele van den Staat moeten worden ge- 
realiseerd ? 

Wij verlangen dat daarbij worden in het oog gehouden het in 
1803 ontworpene charter, de nadere bepalingen bij gelegenheid 
der zending van den heer Elout gemaakt, en de belang^rijke in- 
stellingen gedurende het Bewind van den heec Daendels tot stand 
gekomen. 

En daar deze malerie sedert lang een voorwerp van de over- 
denkingen, en deze arbeid van vele Leden van gemelde Raad 
geweest is, vertrouwen wij dat deszelfs deliberation spoedig tot 
een vruchtbaar einde zullen kunnen worden gebracht en het 
begeerd advis, nog in den loop dezer maand zal opgemaakt en 
ingediend worden. 

Laken^ den i*" September 18 14. 

WilUm. 

Uit deze opdracht is voortgevloeid 'sRaads advies van 21 October 
1814. Mij dunkt dat dit stuk evenzeer opeubaarmaking verdieut 
als de Consideratien van 1803. Daarom laat ik het hier volgen; 
slechts op eukele plaatsen geef ik in noteu eenige ophelderende 
aanteekeningen. Het bij het advies gevoegde ontwerp werd geenszins 
ongewijzigd aaugenomeu. Opmerkelijk is reeds de afwijking bij den 
aanvang en wel met het oog op hetgeen eerlang te doen zal zijn 
over de verhouding tusschen den verantwoordelijken Minister en den 
Gouverneur-Generaal. Volgens art. 2 van het Ontwerp was namelijk 
de '/Hoge-Regering van Indie'' [Gouv. Gen. en vier Radeu] ^aan 
ouzen Secreiaris van Staat voor de zaketi van Koophandel eft Kolonien 
rekening en verantwoording schuldig van alle hare verrigtiDgeu^' ; 



45i4 BENE BIJDEAGE TOT DE GESCHIBDENIS DER 

was He Laudvoogd //aau gemelden Secretaris van Staat ondergeschikt 
eu veruiitwoordelijk" ; waren de Hooge Regeeriug vau Nederlaudsch- 
Indie en de Landvoogd //gehouden te gehoorzamen, te executereu eu te 
doen executeren alle zoodanige orders, als door voornoemd en Secretaris 
van Staat op onze autorisatie" werden gegeven. — Ware dit alles zoo 
vastgesteld , dan zou eerlang de Gonv. Gen. Van der Capellen niet 
op eene hoogst onverstandige wijze zijn gestruikeld over zijn ou- 
afwijsbaren plicht tot verantwoordelijkheid aan den Minister en zou 
de minister Elout voor de pijnlijke taak zijn bewaard gebleven om 
in een fraai stuk den Koning uiteen te zetten, hoezeer zijn voor- 
malige collega der Commissie-Generaal in d waling verkeerde. Iii- 
tusschen verving art. 2 van het Reglement vau 1815 de hier zoo 
duidelijk gestelde verantwoordelijkheid van den Landvoogd aan deu 
Minister, door dien aan den //Souverein". 

's Baads ad vies werd vastgesteld in eene zitting van 
18 October 1814, waaraan deelnameu de voorzitter Goldberg, 
zoomede Van IJzendoorn , Scholten , Vau der Kemp , Vau de Poll , 
De Mist, Bourcourd en Schas. Daarbij werd echter in de uotulen 
op verzoek van Scholten aanteekening gehouden, //dat ofschoon Hij 
zoo wel in zijne betrekking van Eapporteur, als in die van Lid van 
den Raad, zich in het generaal met het zoo even gearresteerd 
Rapport heeft geconformeerd , Hij echter met opzigt tot het realiseren 
der producteu met de Commissie tot de Indische zaken van den 
jare 1803 en op diezelve gronden van oordeel is, dat even zoo wel 
als omtrent de fijne speceryen wordt geproponeerd , ook de verkoop 
van koffij en peper, hier te Lande, en voor 's Lands rekeniug had 
behoren voorgedragen te worden , met uitzondering alleen van enkele 
gevallen , waarin de hooge nood zulks onmogelijk maakt." 

Het advies van den Baad van Koophandel en Kolonieu, dat 
geleid heeft tot het Begeerings-Reglement van 1815: 



'sHage, den 21 October 1814. 

Iiigevolge de Kabinets order van U. K. H. , gegeven op het Huis 
te Lakeu l**Sept' dezes jaars 1814, hebben wij met al die aandacht, 
welke het gewigt der zake vorclerde, de stukken vergeleken naar 
welke het U. K. H. behaagd heeft onze deliberatien te verwijzeu , 
om in overweging te nemen : 

1** welke inrigtingen van het civiel bestuur der O. I. Bezittingen 
voor de verkieslijkste is te houden ; 



IIEGKERINGS-IIEGLEMENTEN VAN NED.-INDIK. 125 

2® welke provmmiele voorschrifteu nopens het stuk van den 
handel op die bezittiugen aan Commissarissen-Generaal en Gouverneur- 
Geueraal zouden behoren te worden medegegeveu , en hoe hare 
produkten ten meesten voordeele van den Staat moeten worden ge- 
realiseerd. 

En het is in voldoening van Hoogst deszelfs geeerbiedigde bevelen , 
dat wij na gehoudeu conferentieu met den Heer Elout als een der 
door U. K. H. benoemde Commissarissen-Generaal , in overeenkomst 
en instemming zijner opinien, de eer hebben het resultaat onzer 
bevindingen en gevoelens aan U. K. H. aan te bieden : 

A Een Goncept-Reglement, en de daar op gebouwde en voort- 
spruitende Instructien , als : 

B. De Instructie voor Commissarissen-Generaal. 

C. De Instructie voor den Gouv.-Generaal. 

Wij hebben al aanstonds in navolging van het geen bij den 
voormaligen Raadpensionaris Schimmelpenninck is begrepen geworden , 
gemeend de benaming van Reglement boven die van Charier * te 
moeten verkiezen , ten einde, meer dan het denkbeeld van de laatste 
benaming schijnt toe te laten, aan U. K. H. voor te behouden , 
zoodanige veranderingen in de orde van Regering en het geheel 
beheer der Aziatische bezittingen , bij vervolg van tijd daar te 
stellen, als Hoogstdezelve in zijne ^wijsheid zal mogen nodig oor- 
deelen. 

Door het geen de gewezen Gouverneur-Generaal Daendels , bereids , 
in overeenstemming, zoo wel met het Charter als met het vorig 
Reglement ^ , dadelijk heeft in werking en tot stand gebragt , zouden 
wij, gevoeglijk, verscheiden artikelen in de beide gemelde Staats- 
besluiten vervat, hefbben kunnen achterwegen laten, en welligt 
volstaan kunnen met blotelijk Commissarissen-Generaal tot de weder- 
oprigting en instandhouding der bedoelde inrigtingen en verbeteringeu 
te verwijzen, voor zoo verre zulks nog na de occupatie van het 
Engelsch Gouvernement doenlijk en raadzaam mogte voorkomen, 
niettemin eene deur open latende, om naar aanleiding van om- 
standigheden en bevind van zaken, gelijk ook onder de nodige 
precautien, tot andere of betere maatregelen te kunnen overgaan , 
mits daar van doende rapport. 

Dan, bij achterlating van zoodanige artikelen als boven bedoeld, 



1 Gelijk immers het ontwerp van 1803 genoemd was. 
' Het hiervoren vermeld R. B. van 1806. 



426 EENK BIJDKAGE TOT DK GESClllEDENIS DER 

zou de inrigtiug van het Reglement, het welk toch tot (leu grond- 
slag nopens het beleid van de regering enz. zal moeten verstrekkew , 
deszelfs geheel of volledigheid verliezeu, eu wij hebbeu dus beter 
geoordeeld, alles wat daar toe dieueu kau, immers zoo veel de 
hoofdtrekkeu aangaat, op nieuw eeue plaats te geven. 

Wij zullen de aandacht van U. K. H. niet vermoeijen met eeu 
vervelend narr^, wegeus de verschillende artikelen, welke bij der- 
zelver overneraing uit het vorig Charter eu Reglemeut eenige nadere 
redactie, plaats- verschikkiug , aflating of bijvoeging behoefden; ver- 
meenende meest aau de intentie van U. K. H. te zullen voldoen 
met ons bij dit Rapport ten aanzien vau het Civiel eu Justitieel 
Bestunr, den landbouw, den koophandel en de zeevaart slecbts 
tot het hoofdzakelijke te bepalen. 

JFat dat aangaat: Het Civiel Bestuwr. 

Wij hebben tot het formeren van eeu ligchaam uitmakende de 
Hooge Regering (art. 2) voorgedragen , voortaan te zullen besiaan 
in den Gouv. Gener^ en vier Raden. 

Wij hebben gemeend de positie van Raden extraordinair , hoe 
zeer van ouds plaats gehad hebbende, ter besparing van onuodige 
traktementen te kunnen achter wegen laten , kunnende altoos wanneer 
U. K. H. daartoe termeu mogten vinden eenige buiteugewone raden 
door Hoogstdezelve worden benoemd buiten bezwaar van de kas, 
even zoo als zulks bij den Raad van Staten plaats vind. 

Ook hebben wij bij een afzonderlijk artikel (art. 8) bepaald, dat 
niet gelijk al meede bevorens plaats greep, eu tot vele misbruikeu 
leiden konde , eenig lid der Hoge Regering voortaan in eenig ander 
coUegie zal vermogen te presideren of een administrative post of 
comptabel ampt te bekleden. 

Voorts hebben wij ten grondslage gelegd dat er ziju zal : 

1** Eene administratie van Financien en Domeinen (art. 31); 

2** Een afzonderlijk oppertoezigt over de koffij-teelt (art. 33); 

3® Eene admiuistratie van de houtbosschen (ib); 

4® Eene administratie van wegen en posterijen (ib) ; 

5** Eene Generale Rekenkamer (art. 34); 

6® Een Hoog Gerechtshof van Justitie (art. 51) *. 

Ten aanzien van de organisatie dier afzonderlijke administration, 
waren bij den gewezen Gouv. Gen' Daendels de hoofddirectien 
van elk derzelve, in plaatse van aau collegien, gelijk bij vorig 

* Art. 47 stelde in een Hoog Qeregtshof van Nederlandsch- India. 



KEOEERlNas-REGLEAlKNTEN VAN NED-INDIK. Iii7 

Charter en Reglement was bepaald , aaii eiikele personeu met aan 
dezelve ondergeschikte Hoofd- en minder administrateuren, opge- 
dragen ; hoezeer zoodanig eene inrigting ons toeschijiit meest met 
de tegenwoordige eenhoofdige Regeringsvorm over een te komen, 
en zich van den kaut van meerder klem en vaardigheid , gelijk 
tevens ook van minder verdeeling of verzwakkiug in de verant- 
woordelijkheid aanprijst, hebben wij echter gemeend zulks alteruatief 
te moeten stellen , om ook in deze aan C. C. G. G. eenige ruimte , 
naar bevind van zaken over te laten. 

Wij hebben echter geoordeeld , dat de voormalige kostbare en 
weinig meer applicabele post van Directeur-Generaal , welke hoge 
ambtenaar ook tevens, ofschoon ten eenie maal incompatibel , in de 
Hoge Regering pleegt sessie te hebben, behoort te blijven afgeschaft, 
gelijk zulks ook reeds bij het Charter en vorig Reglement was 
verstaan geworden. 

Wat wijders de verdere verdelingen der onderscheide Lands Dis- 
trikten en derzelver afzonderlijke administratien aangaat, hoezeer 
de vernietiging van het voormalig afzonderlijk Gouvernement van 
Javas Noord-Oostkust , en de verdeeling in Landdrostambten , met 
derzelver onderdeelingeu door gem. Gouv. Daendels tot stand ge- 
bragt, ons doelmatig is voorgekomen, zoo hebben wij ten dezen 
aanzieu , naar het voorbeeld van het dikwerf gem. Charter en Re- 
glement, als zijnde blotelijk administratief en voor vele wijzigingen 
ter bereiking van dezelfde doeleindeu vatbaar, vermeend geene vaste 
bepaliugen te dezen aanzien ten grondslage te moeten leggen, maar 
veilig zulks aan de thans benoemde C. C. G. G. naar bevind van 
zaken te kunnen overlaten. 

Er blijft nog overig te remarqueeren , dat hoezeer in het vorig 
Charter en Reglement de koophandel aan de twee onderste klassen 
van ambtenaren even als aan alle andere vrijburgers, werd toe- 
gelaten, dit punt namelijk, of die vrijheid niet behoorde geexteiideerd 
te worden tot alle klassen van ambtenaren, dan wel of het niet 
meer geraden ware alle ambtenaren zonder onderscheid, van zoo- 
danigen handel uit te sluiten, breedvoerig is behandeld geworden, 
en dat na rijp beraad de Raad gemeend heeft tot het laatste alter- 
uatief te moeten verstaan. 

Te meer daar het te voorzien is, dat de commercianten hier te 
Lande zich gedisponeerd vindende op de aziatische bezittingen handel 
te drijven, ook bedacht zuUen zijn, hunne agenten, die zich tot 
dat einde aldaar vestigen zuUen, derwaarts te zenden en dat er 



428 EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS DKE 

derhalven geen vrees ziju kan, dat er een geDoegzaam aantal vrij- 
burgers tot den haudel geschikt zich weldra op Batavia zullen 
bevinden, terwijl. den haudel aau ambtenaren toe te staan, aan te 
veel inconvenieuten en misbruiken onderhevig zoude zijn. 

En uu overgaande tot de Jtisiitie, 

Hoe gewigtig en hoogst belangrijk het point de rechtsoeffening 
in s' Lands Aziatische bezittiugen ook zijn moge , hebben wij ons 
echter minder verlegen gevonden , daar omtrend met eene volkomene 
gerustheid U. K. H. een plan aan te bieden , het welk aan C. C. G. G., 
en verder aan de Hoge Regering in Indie, tot eene gepaste leidraad 
zal kunnen dienen , om in die afgelegene gewesten eene prompte 
en goede wijze van rechtspleging hi in te voeren, hi verder te be- 
schaven en te coiisolideeren. 

De hoofdtrekken doch wareu daar van met de grootste zorg- 
vuldigheid reeds in den jare 1803 ontworpen, door de hier boven 
meermalen genoemde Commissie tot de O. I. Zaken , onder welke 
zich bekwame Staatsmannen en Bechtsgeleerden , en daar onder 
wijlen den Heer Nederburgh, der plaatselijke omstandigheden daar- 
boven ten voUen kundig, bevonden. 

En de leden dezer Commissie, zich, in een zoo teder point noch 
niet genoeg op eigene bekwaamheid en ondervinding verlatende, 
verklaren (pag. 60 van hun rapport) //dat zij daar bij gebruik ge- 
maakt hebben van de doorwrochte kunde van twee voorname 
rechtsgeleerden binnen de Residentieplaats , welke ten hare verzoeke, 
en ter liefde van het Vaderland , aan hun wel hadden willen mede- 
deelen derzelver gevoelens over de ontwerpen der commissie tot 
verbetering van het Justitiewezen in Indie" ^. 

Het Staats Bewiud van dien tijd onder welker Leden zich al 
raede veele bekwame mannen en kundige Rechtsgeleerden bevonden, 
heeft met eenige veranderingen , voornamentlijk met weglatiug van 
het geen door de Commissie ten opzigte der militaire krijgsraden 
was voorgesteld, het Concept dier Commissie meestal woordelijk 
overgenomen, en gevolgd in het Charter voor de Aziatische Be- 



^ Ik heb te vergeefs ini de Verz.-Mijer naar deze woorden in de Conside- 
ratien van 1803 gezocht. Wel lees ik op bl. 202 over de noodzakelijkheid om 
de Justitie „eene wezenlijke en grondige verbetering" te doen ondergaan, 
deze woorden: „Het diep gevoel der hoge noodzakelijkheid van zoodanige 
verbetering noopte ons, na attente overweging, om twee onzer Mede-leden te 
verzoeken , dit stuk opzettelijk te ondercoekcn , en ons derzelver consideration 
daar over mede te deelen ; hier aan voldeeden zij , den 15*° Februari 11. bij 
eene uitgewerkte Memorie . . . ." 



RKGEEHINGS-REGLEMENTEN VAN NED.-INDIK. 429 

zittingeu, gearresteerd bij deszelfs Besluit van deii 27 September 
1804. 

De toenmalige tijdsomstaiidigheden , de iiivoeriug der Regeriiigs- 
vorm in voege dezelve bij opgedagt Charter was voorgesteld , buiten 
executie gehouden hebbende, mankt het voor ons eene zoo veel te 
sterkere geruststelliug, wanneer wij , bij confroutatie van het bij 
den gewezen Eaadpeusionaris Schimmelpenninck op den 27 Januarij 
1806 gearresteerd Regl-ement op het heleid van de Regering en het 
Jusliliewezen in de Azialiscke Beziltingefi e?iz. etiz, met de beide hier 
voren gementioneerde staats-stukken , dezelve, wat het justitieele 
betreft, meest al woordelijk, immers met zeer weinige, en voor de 
hoofdzaak geene belangrijke veranderingeu bij dit Reglement zagen 
overgenomen. 

De artikelen bij het ontwerp der Commissie van 1808 voor- 
komende omtrent de militaire krijgsraden, welke bij het Charter 
van het Staatsbewiud waren weggelaten, zijn bij ons concept 
wederom op derzelver plaats ingebragt • en de genoeg bekeude 
Rechtskunde van den Heer Schimmelpenninck zelve, gevoegd bij die 
van vele Leden van den toenmaligen Aziatischen Raad , tot het redigeren 
van dit Reglement gecommitteerd geweest, en van den Heer Elout, 
die uevens den Heer Grasveld tot de invocring daar van was 
gedesigneerd , en met welkeu deswegens verscheide preparatoire 
besogues gehouden waren, moet, naar ons inzien, alle huivering 
wegnemen , dat dit belangrijk point niet met de meeste bedaardheid , 
en door de kundigste mannen van ons vaderland in het vak van 
Rct'htspleging aan alle kanteu zou zijn bezien , en nu, door eenige 
jaren nadenkeus, als het ware ten volleu begroeid, niet met ge- 
rustheid aan U. K. H, ter aanueming en vaststelling zou mogen 
worden aaugeboden. 

De Gouv*. Gen'. Daeudels, voor een groot gedeelte het Justitie- 
wezen op het eiland Java ook op den voet van dit Reglement ge- 
organiseerd hebbende, terwijl de door den oorlog gestremde com- 
municatie met Europa en de buitenkautoren in Azia , de geheele 
invoeriug daar van, ook door gebrek van genoegzame geschikte 
sujetten, als toen oudoenlijk maakte, blijft het thans alleeu onzeker, 
in hoe verre het Eugelsch Gouvemement, na de in bezit neming 
van s' Lands Aziatische Bezittingen , de reeds ingevoerde gedeelten 
van dit nieuwe systema van Rechtspleging geconserveerd , dan wel 

» Zie do artt. 74 vv. van het. R. R. van IW15. 



430 BENE BUDEAGiJ TOT DE GESCHIE DENIS DEli 

veruietigd, verauderd, of na de Eugelsche wijze van Rechtsbehaii- 
dcling verbogeu hebben. 

Deze ouzekerheid voor oogen houdende, hebben wij met behoud 
van het zaaklijke van de hier boveu gementioneerde stukken, over 
het geheel genomen, echter getragt doorgaans bij het hiernevens 
gevoegd concept zoodanige woorden te bezigen, welke door eene 
miudere bepaalde omschrijving, zoo wel op de couservatie van de 
reeds in working zijnde, als op de invoering van noch uiet in 
werking gebragte, of intusschen weder veranderde gedeelten, van 
het U. K. H. hier bij aangebodeu Concept, gelijklijk van toepassing 
zijn konden en daar door als van zelve eene strekking hebben, om 
voor te komen , dat U. K. H. door te veel bepaalde en eenmaal 
vooruit gegevene orders of instructien zich zoude behoeven lerug 
te houden , om na dat de berigten der uittezenden C. C. G. G. op 
plaatselijke en personeele oudervinding van den tegenwoordigen 
stand van zaken gegrond , U. K. H. zuUen zijn aangeboden , als dan 
zoodanige meer volledige en praecise bevelen en instructien te kunnen 
geven, als U. K. H. in der tijd ten beste van s' Lands Aziatische 
Bezittingen zal oordeelen te behoren. 

Eenige weinige meest al woordelijke vei'anderingen , welke de 
thans aangenome gelukkige constitute van het moederland, onder 
U. K. H. Souvereine Eegering noodzakelijk maakte, gevoegd bij 
eenige verschikkingen van volzinnen, of zamenvoeging van, naar 
ons inzien, bij elkander passende, doch bij de hier boven aan- 
gehaalde Staatsstukken meer verspreidde bepalingen verdienen 
naauwlijks eenige plaatselijke aanwijzing en kunnen alien, zoo wij 
ons niet bedriegen , dienen tot gevoeglijker rangschikking , en beter 
overzigt van het geheel. 

Wij mogen echter U. K. H. uiet verbergeu , dat wij gemeend hebben 
ons de volgende meer zaaklijke veranderingen te mogen veroorloven. 

Het requisit bij art. 59 van het Charter 'van den 27 September 
1804 en bij art. 51 van het Reglement van den 27 Januarij 1806 
gevorderd , dat de Hoge ambtenaren , daar bij genoemd ' , wanneer 
die in eene van s' Lands volkplautingen mogten geboren zijn, als 
dan van Europeesche ouders raoeten geboren zijn, is door ons weg- 
gelaten, daar het onzes inziens eene onbillijke uitsluiting zijn zoude 
van de dcscendenten van Europeesche Familien , die zich vastlijk 



^ Namelijk de President en de 10 leden van het „nieuw Hoog Gcregtsliof 
voor Bataafsoh Indien", volgena de artt. 58 eu 59 van het Cliarter 



tlEGtEERINGS-UKGLEMENTEN VAN NED.-INDIK. 43 1 

meter woou in eene van s' Lands buitenlandsche Bezittingen hebben 
geetablisseerd , dat hunne kleinzoneu en verdere afstammelingen 
aldaar geboreu, tot geene van' de daar bij uitgedrukte ambten 
zoudeu verkiesbaar zijn, wanneer zij auders ook aau alle de overige 
vereischten der wet voldeden , iilleen om dat, na hunnen eersten 
Kuropeeschm stamvader, alle de volgende geueratien dan van Coloniale^ 
en niet meer van Europeesche ouderen afkomstig waren. Dit zou 
eene anders, zoo wenschelijke, vermeerdering van beschaafde en 
vermogende Familien in de volkplantingen eerder ontmoedigeu en 
in den weg staan, dan bevorderen. 

Bij art. 60 en 52 der beide voorschreve stukken hebben wij door 
het weglaten van het woord commission * het slot van dat art. 
zoodanig veranderd, dat het aan den Gouv. Gen', onverlet blijft 
de leden of ministers van het Hoog Gerechtshof soms tot eene zeer 
nuttige temporaire commissie ook van justitieelen aart te kuunen 
gebruiken, en dat dezelve ook bij wege van promotie'of verwisseling 
ten alien tijde tot andere posten zouden kunnen worden bevorderd. 

De bij art. 61 en 53 respective gestelde poenaliteit tegens zoo- 
danige leden, welke binnen de eerstkomende tien jareu van hun 
Lidschap in het Hoog Gerechtshof renuntieeren , en derzelver de- 
missie nit het zelve vragen en obteneren, om dan ook zoodanige 
Colonie dadelijk te moet&n ruimen, en met of tegen hunnen wil te 
moeien repatrieeren , is ons voorgekomen te zijn ongepast, en zonder 
eenig blijkbaar nut. 

Het is toch op zich zelve geen misdaad, van een ambt te re- 
nuntieeren, en het schijnt reeds poenaliteit genoeg te zijn, door 
zoodanige praemature demissie alle uitzigt op pensioen te verliezen, 
zonder daar te boven tot eene gedwongene verhuizing, in effecte 
met een politiek bannissement gelijk staande, te worden genoodzaakt. 

Het is naar onze denkbeelden zelfs schadelijk voor de Colonieu, 
de verhuizingen te zeer te faciliteeren , wanneer geene dringende 
rcdenen van slegt gedrag of vreze van te stigten volksberoerten , 
of diergelijke daartoe volstrektelijk noodzaken. — Om deze bedenkingen 
hebben wij dit gedwongen vertrek uit de Kolonie van een Lid van 
het Gerechtshof, dat deszelfs ambt heeft geresigneerd , weggelaten. 

De bepalingen bij art. 58 van het Reglement van 1806 zijn ons 
toegeschenen aanleiding te geven tot eene vermeuging van magt. 

* Dtat President en Leden van hetHoog gereclitshof geene andere bedieningen 
onz. mochtcn bekleeden, en „tot gecnerlei andere Bedieningen of Commissien 
in Indio'' wordon boiioerad : art 60 Charter. 



432 BENE BIJDEAGE TOT DE GBSCHIE DENIS DEE 

Wij hebbeii daarom eeiie zoodanige bepaling nopens het voorstelleu 
van maatregelen tot verbeteriug der gebrekeu in de Justitie ingelicht^ 
welke de grensscheiding tusschen het Gerechtshof en de Hoge Re- 
gering duidelijk aanwees, gelijk uit het 60 art. van het door ons 
ontworpen Reglement blijkbaar is. ^ 

Het Fiat van den Gouv. Gen', op Doodvonnissen het welk bij 
de meergem. Staatsstukken 73 en 64 respective alleen tot de Recht- 
banken op Java bepaald was, hebben wij gemeend tot alle de 
subalterne Rechtbanken ook op de buiten etablissementen te moeten 
uitstrekken. 

Wij erkenueu wel dat daar door de gevangenhouding der Delin- 
iquanten soms zeer lauge kan worden gerekt, en derzelver straf, 
aid us tegen de letter der wet, en tegen de intentie des Rechters 
kan worden verzwaard, en dat ook in enkelde zeer zeldzame ge- 
vallen van oproer, of publiek geweld, eene prom pte dood straf, zijne 
groote nuttigheid hebben kan. Edoch de weinige bekommering voor 
zulke buitengewone gevallen, in welke doch alle wetten zwijgen, 
cu waar in de tegen woordigheid van Geest van den Hoofdgebieder 
doorgaans alles beslist, gevoegd bij de waarschijnlijkheid dat de 
uitoeffening van het Recht op deze buiten kantoren doorgaans aaii 
minder kundige handen zal moeten worden toevertrouwd, dat ook 
in zulke klijne maatschappijen , [driften, wraaknemingen , of eigeii 
belang eerder te vrezen zijn, dan bij eene grotere massa van In- 
woneren, en dat in alien gevalle de dadelijke executie van een 
doodvonnis, den gecondemneerden , op een der Buitenkantoren den 
weg tot het verzoeken, en soms obtineren van surcheauce, of van 
gratie of pardon, onherroepelijk zoude afsnijdcn, waar door zijn lot 
oneindig boven dat van een Ingezeten van Java zou worden ver- 
ergerd, en dat eindelijk de raogelijke conservatie van eens menscheu 
leven, tegen alle bedenkingen ter contrarie, bij ons het overwigt 
houdt: zoo hebben alle deze redenen te zamen genomen ons over- 
gehaald om ook de executie van Doodvonnissen bij de subalterne 
Rechtbanken buiteii Java uitgesproken , aan het Fiat van den Gouv^. 
Gen^ te onderwerpen. 

Wij hebben verkozen geene plaatsen tot het op dezelve te for- 
meren subalterne Rechtbanken te specificeeren , gelijk zulks bij de 
84 en 74 artik. der dikwerf aaiigehaalde Staatsstukken geschied is; 
daar de tijds omstandigheden meermalen eene verandering in het 

' (jrt; worden art. 5G. 



kegeeuings-heglkmknten van ned.-indik. 433 

bezit derzelve zoudeu kunueii te weeg brengen, of het gering getal 
vau overgebleveue Inwoneren bij zommige, het aan den gang 
houden van eeue afzonderlijke Rechtbank genoegzaam onmogelijk , 
of immers onnuttig zou kunneu maken. 

Algemeene bewoordingen , die de executie van alle gewone ge- 
vallen, het minst belemraeren, schijnen ons toe het eigenaartige van 
eeu Reglement van Regering te raoeten uitmaken , en dan al hf*t 
overige , naar de bijzondere Instructien te verwijzen. 

Bij het art., rakende de advocaten-adviaeura [vLii, 85 en75)hebben 
wij gemeend het voor dezelve zoo bezwaarlijk, en in de gevolgeu 
voor s' lands kasse zoo kostbaar verbod : van het waaniemen van 
andere bedie7n7igefi ofte drijven van handel efiz. te moeten wegnemen. 

Want behalven dat ons vaderland zelve duizenden voorbeelden 
opleverd, dat in de zwaarste gevallen, ook decisoire advysen , zelfs 
over leven en dood, door Rechtsgeleerden , te gelijk aanzienlijke 
ambten bekledende, gegeven worden, schijnt het ons bij na onmogelijk 
toe, dat men eenigzins bekwame sujetten , de pleitbalien alhier reeds 
met succes eeuige jaren hebbendo gefrequenteerd , zal kunnen over- 
halen , om hunne reeds gevestigde praktijk en alle hoop op aan- 
zienlijke eerambten in hrt Vaderland vaarwel te zeggen , en alleen 
op de toczegging van een goed tractement, hun leven op zulke 
afgelegene etablissementen te gaan wagen of in het duister te ver- 
slijien; hoe groot zou zulk eeu tractement wel behooren op te lopen , 
ora eene redelijke schadeloosstelliug voor zoo vele opofferingeu te 
kunnen uitmaken? 

En zouden niet ook deze advocaten-adviseurs, nadat zij door 
eenige jaren verblijf en oeffening der Lands Zaken aldaar zijn 
kundig geworden, met vrugt tot nuttige en winstgevende bedieningen, 
met de Justitie in geene hetrekking ^taande kunnen en mogen worden 
benoerad, behoudens derzelver bevoegdheid en verpligting, om des- 
gevraagd, echter in zaken van belang, de subalterne Rechtbanken 
te dienen van derzelver advyzen? 
De Landhouw, 

Wat deze aanbetreft, hoezeer ten aanzien van eeu liberaalder 
stelsel vau culture dan de verpligte of geforceerde leverancien, de 
argumenten van deu Gouv. Daendels , tegen het geen den gewezen 
Raadpensionaris Schimmelpenninck bij gehcime instructie, slechts 
als middel heeft voorgesteld , onvoldoende voorkomen , om het stelsel 
zelven te bestrijden ; en de begunstigers van een vrijer stelsel nimmer 
bedoeld hebben eene oogcnblikkelijke omwenteling in de verouderde 
7' Vcls,' VI. "29 



484 EENE BIJDRAGE TOT DK GESOUIBDENIS DEK 

gewoouteu der Javaneu aan te raden , maar integeudeel , met lang- 
zame schreden, bij wijze vau proefiieming, in zommige distrikteu, 
ten voorbeelde van anderen, en niet dan met overleg van de meest 
verstandige onder de Inlandsche Regenten, zoodanig stelsel van 
vrijer cultuur voor te bereiden en in te voeren, als meest overeen- 
komt met de aloudste instellingeu, nnmelijk die der coutingenten , 
(bestaande in een gedeelte, bij wijze van tienden aan den Hear te 
leveren) hebben wij geoordeeld, dat het thans ontijdig was, dit 
onderwerp breedvoerig te bediscutieeren , de keuze toch nopens de 
personen door U. K. H. tot de hoge posten van C. C. G. G. benoemd , 
maken het min noodzakelijk , zelfs onraadzaam hier omtrend eenige 
bepalingen te maken ; te meer daar het Engelsch Gouvernement , ge- 
durende deszelfs occupatie, welligt de verdedigers van een liberaalder 
stelsel kunnen zijn voor uit geloopeu , en het des nog onzeker is, 
wat wenschelijk zal zijn , van het geen reeds is geschied te behouden 
of te veranderen. Wij hebben des gemeend te kunnen volstaau met 
ten dezen aanzien ons te bepalen tot het plaatsen der art. 81 , 82 
en 83. * 

KoophandeL 

Zoodra het Land gemeend had de possessien der O. I. Comp. te 
moeten aan zich trekken en het geexpireerde octrooy niet meer van 
den uitsluitenden handel op dezelve te moeten veruieuwen, keerde 
alles weder in den boezem van den algemeenen handel terug, zoo 
lang immers geene daad van oppermagt eene nieuwe beperking op 
de algemeene vrijheid daar stelde. Dit nu konde van eene wijze 
en rechtmatige Regering, zonder overwegende redenen van nood- 
zakelijkheid of van het algemeene goede, niet worden verwagt. 
Inderdaad, werd ook de handel, niet slechts van haven tot haven 
in de Indische vaarwateren , de Moluccos uitgezonderd , maar ook 
van hier op Batavia en terug bij publicatie van 1® Maart 1808, 
vrijgesteld, met uitzondering nogtans van de peper en koffij 
benevens de fijne specerijen , onder welke laatste verstaan worden , 
de nagelen en de muscaatnoten met derzelver schil of foelie. 

Nog gewoon aan de uitsluitende verkopingen van de Comp. met 
derzelver gepaarde gaande aloude periodique tijds bepalingen of 
tusschen vakken van stilstand, scheen men zich, destijds, noch niet 
los te kunnen maken van het deukbeeld als of zulks even zoo 
noodzakelijk voor de peper en koffij , dan wel voor de fijnere spece- 



1 Gewordeji de artt. 7H , 79 en 80 



RKGEERTNGS-REGLEMENTRN VAN NED.-INDIK. 435 

rijen , alzoo behoorde. Meu zag voorbij , dat zoodauige uitsluiteude 
en periodique verkopingen iiuttig of zelfs noodzakelijk kuuneu zijn, 
in zoodanige artikeleu , als weike de Staat uitsluitend van andere 
natien bezit, gelijk als nog, groteiideels, de fijne specerijeu kuunen 
beschouwd worden , en daar bij van een bepaald dcbiet zijn ; maar 
dat de peper, welke ook elders wordt gevonden , en de kolfij , welke 
van veelerlei oorden, in het bijzonder van de W. Indie wordt aan- 
gebragt, en genoegzaam een onbepaald en altijd toenemend debiet 
heeft, deze beide nl. het karaktermatige van artikelen tot monopolie 
geschikt, ten eenemale kwamen te ontbreken. 

Waar bij nog inzonderheid dient aangemerkt, dat de gezegde 
openzetting van den vrijen handel, wanneer daar bij uitgezonderd 
bleef de peper en de koffij , zoodanige eene vrij verklariug van 
handel in dcr daad, niets betekende, maar veel eer de verwachting 
van den algemeenen handel opgebeurd, en op de Aziatische Be- 
zittingen aaugemoedigd te zieu, geheel te leur stelde. Men had hot 
voorname vocdsel van een zoodanigen vrijen handel terug gehoudcn. 

Geene aanmoediging kon cr zijn, om benodigdheden van hier 
naar Batavia enz. uit te voeren, zonder vooruitzigt tevens, van 
met voile ladingen weder te kunnen te huis varen. 

Dit nu konde niet met de Javasche suiker, welke de vracht niet 
verdragen kan, en slechts tot onderlaag, in plaats van ballast wordt 
medegevoerd, en van eenige verdere kleinigheden , geschiedeu. 

Deze en meer andere consideratien , welke men nog daar bij zoude 
kunnen voegen, schijnen dan ook veroorzaakt te hebben, dat bij 
de latere Staats Besluiten van twee elkander opgevolgde Regeringcn, 
blijkens het gearresteerde Charter bij het Staatsbewind , art. 96, en 
het Reglement van den Raadpensionares Schimmelpenninck , art. 89 , 
de peper en koffij niet meer onder de uitsluitiug van den vrijen 
handel zijn begrepen gebleven. 

De laugdurige stremming van de vaart met eigen vlag, is dan 
ook te houden voor de eenige oorzaak, waarom niet openlijk, met 
intrekking of liever uitbreiding van voormelde publicatie, deze 
meerdere vrijheid van handel den volkc is aangekondigd geworden. 
Intusschen is deze vrije vaart, gcdurende den oorlog, door Ameri- 
kaansche vlag, tot op de uitbarsting van de Amerikaansche onlusten 
met Engeland, alzoo onafgebroken uitgeoeffend gebleven, gelijk nu 
door de allezins gezegende ommekeer van zaken, met Hollandsche 
vlag zal kunnen ondernomen en voortgezet worden. 

Wij hebben dan ook gemeend , op het voetspoor der hier gemelde 



43f) EKNK BIJDRAGK TOT DK GKSCHIEUENIS DKE 

Staats Besluiten geeue veraiideriugen of uadere bepaliDgen, ten 
dezeD aauzien te moeteu voordragen. 

Wij hebben, echter, almede volgens rigtsuoer van gezegde Staats- 
stukken eene deur opengelateu (art. 65 *) om zoodanige produkten, 
als welke op de ladische markt oaverkocht mogte overblijveu, te 
kunuen te huis varen, om bet zij door het Gouvernement zelf, of 
in commissie, benevens de specerijen te kunnen worden te gelde 
gemaakt. 

Be Zeevaart, 

Behalve wat reeds boven gezegd is , hebben wij ten dezen aanzien 
nog aan te merken, dat wij gemeend hebben al de artikelen welke 
de ouderscheidene gevalleu derzelver bepalen zouder eenige zakelijke 
veranderingen uit de evengemelde stukken te moeteu overnemen. 

Haast zouden wij niet geschroomd hebben zelfs de vrije vaart 
tot op de Moluceos uit te strekken. 

De tijd uadert en schijnt nabij , van de voorspelling vervuld te 
zieu, welke oudtijds de schrijver die voor den Baad Pensionaris 
Joa7i de Wit de pen voerde, heeft te boek gezet, //dat de Hollan- 
ders niet altijd meester van het monopolie der specerijen blijven 
zouden". 

In der daad, zijn de kruidnagelen reeds lang naar Cayenne, en 
in deze latere dagen in de Engelsche Bezittingen op Sumatra en 
Bengalen overgevoerd ; en ofschoon de qualiteit der bijzoorten minder 
zijn moge, de vermenigvuldigiug van deze, moet ook het vertier 
der echte zoort krachtdadig aandoen en het vruchtbaar Ambon zal 
welhaast aan de uitbreiding der cultuur van nog andere rijke voort- 
breugselen kunnen dienstbaar zijn. 

Het monopolie van de muscaat noot op Banda kau uiettemin 
behouden blijven. Trouwens des zelfs noodlot hoezeer dezelfde vrucht 
op het eiland Diemen in de Botanybay zeer welig wast, schijnt 
nog in een ver verschiet verwijderd. 

Dan wij achten dat de beslissing van dit object geene verhaasting 
nodig heeft, om niet alles gelijk te omvatten. En zoo vertrouweu 
wij dan ook hiermede dezen onzeu taak te hebben voleindigd. 

Ten slotte moeten wij U. K. H. doen opmerken,dat wij doorgaans , 
maar bovenal in de Instructie voor C. C. G. G. getracht hebben , 

^ Ik vermoed , dat bedoeld werd art. 85 , geworden art. 82. Het vermeld 
art. 65, correspondeert met art. 61 van het Reglement van 1815 en handelt 
over „quaestien, rakende buiten en prijzen". 



REGEEBINGS-REGLEMENTEN VAN NED.-INDIK. 437 

zoodanige algemeeiie en voor alle mogelijke gevalleii toepasselijke 
voorschrifteu te breugeu als ons geschikt zijn voorgekomen al die 
zwarighedeij te prevenieren , welke naar ons inzieu onafscheidelijk 
zijn van het geven van al te bepaalde Instructien op zulke on- 
meetelijke afstnnden, waar niet telkens en op alle puuteu, soms 
van dringenden aard s^Vorsten wil kan worden gevraagd of ingewagt, 
en waar vele tusschengekomen omstandighcden de situatie van zaken 
tusschen het moment van het afhier arrestereu van zoodanige In- 
structien , en den ogenblik dat die op de plnats zelve moeteu worden 
in werking gebragt geheel en al hebben knnnen veranderen. 

AUes toch komt aau op de talenten, den goeden wil, en de gepaste 
voorzigtigheid door ernst gerugsteund van hen die in de beuoeming 
tot C. C. G. G. van wegens U. K. H. voor Nederlandsch Indie, met 
Hoogst deszelfs vertrouwen vereerd zijn , en dat zij van overigens 
de nodige ruimte hebben, om U. K. H. vaderlijke en wijze bedoe- 
lingen in het Reglemmt op het beleid der Regering gemanifesteerd^ 
op de beste en zekerste wijze te kuunen realiseeren. 

Al het welk dan ook U. K. H. minder huiverig zal maken , om 
aan de ontwerpen, welke wij hiermede de eer hebben Dezelve aan- 
tebieden, hoogstdeszelfs goedkeuring te geven, en overigens het 
Rapport van Heeren C. C. G. G. uit Indie in te wagten ten einde 
als dan over deze aangelegene zaak finale disposition te kunnen nemen. 

De Road van KoopJiandel en Kolonien, 



BIJDRAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDE 
BLI DE MALEIERS DER PADANGSCHE 

BENEDENLANDEN 

DOOR 

J. J. KREEMER. 
Controleur Binnenlaiidsch Bestuur. 



Der Geist der Medizin ist Icicbt zu fassen. 
Ilir durchstudirt. die grosz- und kleine Wolt, 
Um es am Eade geh'n zu lassen, 
Wio 's Gott gefallt ! 

{Parool van Mephisto). 

4 

De uood inaakt vindingrijk ! 

Waar de raeusch door lichaamssmarten wordt gekweld, schorpt 
zich zijn geest tot het uitdeuken van allerlei niiddeleu om de aau 
zijn welziju als nadeelig vermeende invloedeii te keeren. De volks- 
geneeskuiide viudt hier haar uitgangspuut. Omgekeerd kau de studie 
van deze ons wellicht beter dau die van eenige audere uiting van 
het volksbreiu in staat stellen een bilk in het gedachtenleven van 
een volk te slaan. //De geschiedenis van alle volkeren leert het" — 
z66 schrijft de heer E. W. A. Ludeking * — ^/dat ten alien tijde 
geneeskunde, de schoonste vrucht van bet ons ingeschapen instinkt 
tot zelfbehoud, een vrij juiste maatstaf was voor algemeene ont- 
wikkeling en beschaving//. 

De publicatie van de ondervolgende aanteekeningen — welke in de 
onderafdeeling Ajer-Hadji van de Padangsche Benedenlanden ver- 
zameld zijn — moge dus, naar ik hoop, door het belang van het 
ter sprake gebrachte onderwerp gerechtvaardigd zijn. Was ik thans 
nog in het land der Maleiers werkzaam, dan zou deze //bijdrage^/ 
zeker zijn opgeschort totdat terzake meer volledige inlichtingen 
zouden zijn verkregen, maar waar ik na een kort verblijf in ge- 
noemde onderafdeeling naar een ander gewest overging en toen voor 
de kens stond mijn onvoltooid gebleven aanteekeningen ter zijde te 



» Zie Geneesk. Tijdsohr. voor Ned. Ind. dl. IX bl. 100. 



BIJDRAGE TOT DE YOLKSOENEESRUNDE ENZ. 439 

leggeii of die te geveu zooals ze zijn, heb ik liet laatste gekozeu , 
hopeiide dat auderen ze zullen nauvullen eu waar noodig verbeteren. 
Verder zij nog opgemerkt dat die aaiiteekeningen uitsluitend zijn 
ontleend aan mededeelingen roij door eenige doekoefC^ verstrekt, 
door eeuvoudige dorpslieden dus. 

I. ZIEKTE-OORZAKEN. 

Volgens de tegenwoordige Maleische begrippen zijn de verschillende 
ziekten in twee hoofdgroepen te verdeelen, al naarmate de ziekte- 
oorzaken buiten- of in den mensch gelegen zijn. Tot de eerste groep 
behooren die ziekten , welke door den mensch vijandige geesteu 
worden veroorzaakt en tot de tweede de z.g. Bakii hiring-hiring en 
de 9ah%i galang-galang ^ welke ziekte-oorzaken we thans wat uader 
zullen beschouwen. 

a. Booze geesten als ziekte-oorzaken. 

Zooals bekend, denkt de Maleier zich voortdurend omringd door 
tal van zichtbare en onzichtbare hem vijandige geesten en is zijn 
hart voor hen steeds in duizend vreezen. Hun aantal islegio, want 
voor ieder gevaar, dat zijn verstand en zijn zinnen te boven gaat, 
weet des Maleiers phantasie zich als het ware een kwelgeest te 
scheppen, die er de oorzaak van is. 

Maar niet altijd zijn die geesten de belagers der menschen 
geweest. Oorspronkelijk — zoo vertelde men mij — leefden zij met 
en onder de menschen en waren zij met dezen van 66n geslacht. 
Njeti Piialo Ooeroe was hun gemeenschappelijke stammoeder. Toen 
nu de Daulat ^ den Islam onder hen wilde invoeren, weigerden 
zeven van hen die nieuwe leer aan te nemen. Piialo Ooeroe zond 
die onwilligen daarom de wildernis in. Dezen werden booze geesten 
en nit wraak voor het hun door Piialo Goeroe gedaau onrecht, 
werden zij en hunne afstammelingen sedert de gezworen vijanden 
der menschen en zijn dat tot op den huidigen dag gebleven. Vddr- 
dat zij werden uitgestoten — zoo luidt verder h.et verhaal — ging 
Piialo Goeroe een verbond met hen aan. //Wanneer ge de menschen 
ziek maakt'/ — zoo sprak deze — '/en zij vragen U om genezing 
en voldoen aan de adal en de limbago^ '^ dan moet gc hen ook 
genezen ; doet ge dat niet , dan zult ge getroffen worden door den 

* Zie noot 1 biz. 479 hierachter. 

* Zie over deze beide termen aoot 7 biz. itii hierachter. 



440 BIJDUAGE TOT DB VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

heiligeu vloek vau Allah eii door den Qoran, die iu dertig af- 
deeliugeu is verdecld [angkau dimakan sali kalam Oelah^ dimakan 
Q/oran tiga poeloeh djoez^f. 

Die booze geesten, waarvan er thans, naar men zegt, wel 124.000 
bestaan [sakati doewa lasa ampat riboe]^ zijn hierarchisch aau elkander 
ondergeschikt. Bovenaan iu rang staan de vier RadJ a Soleiman^ door 
bepaalde kleurattributen van elkander onderscheiden , verband 
houdende met de door hen bestuurde ffedeelteu van het heelal. 
Radja Suleiman Poetih heeft zijn verblijf in de witte wolken [di 
awan poetih'] , Radja Soleimafi Koening in de geelkleurige wolken \di 
awan koening] , Radja Soleiman Idjau iu het wolkengebergte [di 
goeno&ng awan-awan] en Radja Soleiman Itam op de bergen op aarde 
[di moe7iggoeh tanah]. De keuze dier kleuren doet onwillekeurig 
deuken aan de suggestieve kleurtafereelen , die de zon ons bij haar 
dagelijksche tocht voor oogen toovert, als zij bij haar opkomst de 
witte wolken voor zich uitdrijft, daarna op den middag haar 
hoogsten stand aan het hlauwe hemelgewelf bereikt, vervolgens bij 
haar ondergang de wolken met haar gele verven kleurt en ten slotte 
achter de bergen wegzinkt, de aarde achterlatend in nachtelijk zwart. 

Om het bestuur over de aau hen ondergeschikte geesten naar be- 
hooren te kunnen voeren, hebben elk der vier Radj(Cs eeu staf vau 
boodschappers [doehalang] onder zich, wier uamen ook vaak aan 
kleuren verbonden zijn. Zoo heeten de vier doebalang'^s van Radja 
Soleiman Poetih : Mamhang Poetih , Manhang Merah , Mambang 
Koe7iing en Mambang Idjau eu die van Radja Soleiman Koening^ 
welke drie in getal zijn : Mambaiig Koening , Mambang Idjau eu 
Mambang Boerahan, Radja Soleiman Idjau heeft de Bewa'Sy Paris 
eu Boelo^a to^ zijne adjudauten en die van Radja Soleiman Itam 
heeten Si-Hantoe Moeno^ Si Oelo-Oelo en Si-Gamboelo, 

Onder hen alien staan de geesten van lagere orde : Hantoe''sy 
Djihin'*8y Setan^s en OebiWs^ waarvan de laatstgenoemden nog het 
miust kwaadaardig zijn: zij stichten geen direct kwaad, raaar 
brengen den mensch door misleidiug van den goedeu weg af. 

Verder gelooft ' de Maleier nog in allerlei plaaglustige en capri- 
cieuse kabouters, zooals de '/orang baliq^n ^ die zich iu de bosschen 
ophouden en z66 worden geuoemd, omdat hun voeten met de 
teeneu naar achteren zijn gekeerd , verder de norang tirau^/ , die 
eveneeus het woud bewonen en wien niets onbekeud is, eindelijk 
de fforang miloekoetn ^ eeu soort dwerggeesten, die hun verblijveu 
in de onder wereld hebben. 



MALEIEBS DEU PADAN6SCUE BENEDENLANDEN. 441 

De Hantoe's ziju* onder al de geuoemden de grootste kwel- 
duivels en het is vooral aau hun miraculeuse gedragiugeii dat de 
Maleische phautasie tal van legenden heeft verbonden. Meu kent 
hun verblijfplaatsen , hun namen en hun voorkomeu, ja men zal U 
zelfs zweren enkelen van hen met eigen oogen te hebben aanschouwd. 
In het vervolg van dit opstel zuUen we velen van hen nog hebben 
te noemen, thans te hunner karakteriseering nog een enkel woord. 

Tot de meest gevreesden en meest populairen onder hen behoort 
zeker Hantoe'Si-Marah-Boeroe, Vroeger — zoo zegt de legende — 
leefde hij als een gewoon mensch op aarde en behoorde toen tot de 
soekoe Djamhaq-Katapang, Toen zijne vrouw eens zwanger was en 
sterkeu lust kreeg in het vleesch van een zwanger hert, decide zij 
dit haren man mede, die er daarop met zijn beide jachthonden Si- 
Alang-Djondjang en Tahoean Tanah op uittrok om zulk een hert op 
te sporen. Maar hoe hij ook zocht, hij vond er geen. Hierover 
teleurgesteld at en dronk hij niet meer, zoodat, toen hij eindelijk 
geheel uitgeput en vermagerd en als met vuil begroeid bij zijne 
vrouw terugkeerde, deze haar man niet meer herkende. //Ge zijt 
mijn man niet^/ — zeide zij — vwant als ge dat wM waart, dan 
zoudt ge mij het hert zeker hebben thuis bezorgd//. Mistroostig 
antwoordde h1j : als ge er z66 over denkt, dan ga ik weer naar de 
wildernis terug en ik zal niet meer huiswaarts keeren, v.66rdat ik 
het dier gevonden heb ; mocht ik niet terugkomen , wees er dan 
zeker van , dat ik een Hantoe geworden ben ; mocht U tijdens 
mijne afwezigheid een zoou worden geboren, geef hem dan dezen 
ring//. Hij begaf zich daarop met zijn honden op weg en keerde 
sedert niet weer terug. Hij werd een woudgeest, door ieder gevreesd, 
on men noemde hem Si-Marah-Boeroe, Intusschen was de vrouw 
van een jongen bevallen en toen deze haar eens vroeg, wie zijn 
vader was, vertelde zij hem met welk doel zijn vader reeds lang 
geleden op reis was gegaan ver weg in het bosch en dat hij zeker 
reeds een Hantoe geworden was. Nadat zij haar zoon bovenbedoelden 
ring had gegeven , besloot de knaap zijn vader te gaan zoeken. 
V66r ziju vertrek vertelde zijn moeder hem nog, dat zijn vader 
iudertijd twee honden had medegenomen , zoodat wauneer hij in de 
wildernis blaffen hoorde, hij in die richting maar moest zoeken, 
daar hij zijn vader dan zeker spoedig op het spoor zou zijn. 
Nadat de jongen eenigen tijd op marsch was geweest, hoorde 
hij werkelijk een bond blaffen en toen hij zich naar die richting 
spoedde, zag hij ook inderdaad een Hantoe met lang behaard 



442 BIJDUAGE TOT DE VOLKSGBNEESKUNDE BIJ DE 

licliaam eu schommeleude aau de luchtwortels vau eeii Bangkoedoe- 
boom. De knaap groette den Hantoe^ deukende dat hij zijn vader 
was, maar deze liet slechts een dof gebrom hooreu. De jongeii 
toonde hem loan den medegebrachten ring, waarna de woudgeest 
hem vertelde, dat hij een menscheneter geworden was. De knaap 
werd toen door vrees bevaugen, maar de geest stelde hem gerust, 
zeggeude : //vrees niet, neem een ngantoeng poeijoeq^ ^ dat is een 
tanda^ waartegen ik machteloos ben. * 

Zeer gevreesde Hantoe's zijn nog: Hantoe-Tinggi \ heeft een reus- 
achtig menschenlichaam met een hondekop. Raakt hij den mensch 
aan, dan is het dezen of hij brandwonden gevoelt. Grijpt hij den 
mensch bij de keel, dan krijgt deze bloedspuwing. 

Hantoe-Kapan doet zich voor als een lijkkleed en waart op de 
kerkhoven rond. Zijn grootste vermaak is de menschen aan het 
schrikken en daardoor ziek te maken. 

Hantoe-Ajik zijn een soort watergeesten. Is iemand aan het 
baden in de rivier en wordt hij door vrees bevaugen, dan houden 
die geesten den badende onder water. Het is deze dan net alsof hij 
bij de voeten vastgehouden werd. Bewaart men in die omstandig- 
heden zijne tegenwoordigheid van geest, dan kan men die geesten 
nog ontvluchten, maar toont men zich vreesachtig, dan is men 
verloren. 

Hantoe-Djahad is de bezorger vau stuipen aau kinderen en heeft 
het ook op kraamvrouwen gemuut. Hij is zwart en behaard als 
eeu beer. 

Hantoe-Papan heeft eeu menscheugedaaute eu loopt naar ver- 
kiezing nu ecus met het hoofd en dan weer met de beenen naar 
boven gekeerd. 

Hantoe-Kajoe heeft de gedaante van een mensch, maar is zwart 
eu behaard als een siamang en spriugt ook als een aap van tak op 
tak. Kapt men eeu kramat-hoom om, dan is hij vertoornd en 
maakt den schuldige ziek. 

In dit laatste geval wordt de ziekte dus beschouwd als eene 



1 De „gantoeng poetjoeq'^ is een bij de Maleiers vaak voorkomende talisman, 
die men v66r zijne woning onder het vooruitstekende dak ophangt, als 
preservatief tegen kwade invloeden. Zij bestaat uit eenige bladeren van 
een jong uitspruitsel van den klapperboom , waaraan een stuk touw hangt , 
loopende door eene halve klapperschaal , terwijl aan het onderste einde van 
dat touw weer hangen 8i-tawar, ai-dingin en kodit lamang [d. i een stuk van 
een gehalveerde bamboe-talang-koening]. 



MALEIEKS DER PADANGSGHE BENEDENLANDEN. 44*3 

straf voor een opzettelijk gepleegd ourecht, maar soms ook straffen 
die booze geesten deu mensch met ziekten, zonder dat deze zich 
schuld bewust is, b.v. doordat deze deu eeu of audereu onzicht- 
baren geest bij toeval heeft aangekeken of aangeraakt of hem 
onwillens is in deu weg getreden. 

Op allerlei wijzeu kuuuen die geesteu deu meusch ziek makeu , 
b.v. door hem aan te sprekeu, zonder dat de toegesprokene het 
merkt [= manjapo = siapo tegen iemaud zeggen] , of door hem 
ongeroerkt beet te vaiten [manauffiap^ , of door hem van eeu merk- 
teeken te voorzieu [manando't] of door hem met eeu of ander 
voorwerp te treffen [marimbaf]. Men wandelt bij v. onder een boom 
en wordt door een vallenden tak getroffeu , zulks is dan geen toeval 
mnar een gril van eeu ouzichtbareu Hantoe en de ziekte, die daar 
het gevolg van is, zal zeker niet uitblijveu. Andere demon^s 
schieteu- met magische pijitjes en makeu den getroffene op die 
wijze ziek. 

AI dat werk van booze geesten noemt men met uitbreiding van 
de eigenlijke beteekenis van het woord ook wel manjapo en de 
persoou, die er door getroffeu wordt, tSrsapo, 

Verscheideue van de namen der Maleische kwelgeesteu , speciaal 
die der hooger geordouneerdeu onder hen, zijn blijkbaar vau uit- 
heemschen oorsprong. Zoo is de naam Radja Soleiman zeker aau deu 
Qorau ontleend eu bestond er ua de invoering van den Islam alle 
aanleiding om de opperste der booze geesteu juist met dien naam 
aau te duiden, omdat ook volgens de qorauische overleveriug de 
profeet Soleiman [Salomo] tot de djinu's werd uitgezoudeu , die 
hij door zijn zegelring [tjintjin'Radja'Soleimanl geheel in zijue 
macht had. * 

Hoe de vier Radja'^s Soleiman oorsproukelijk hebbeu geheeten , 
zal moeilijk meer zijn ua te gaan ; de bij huu namen vermelde 
kleur-attributen geven echter wellicht eenigen groud voor het ver- 
moedeu, dat zij vroeger de uameu van Hindoesche goden hebbeu 

' Vg. b.v. Qoran XXXVUI : 33 en 36 [editie Mr. L. J. A. Tollens]. 
Ook in de formulieren \men%ang]^ die de Lampongsohe arts \doekoen\ bij 
zieku^n enz. uitepreekt , wordt o. a. Radja SUman Koening aangeroepen [zie 
O. L. Uelfrioh in zijne bijdrage tot de kennis der afdeelin^ Kroe, Bijdr. 
Kon. Inat. T. L. en Vk. v. N. I. W R. IV biz. 562]. In de bezweringsformu- 
lieren bij de Maleiers van het schiereiland Malakka in gebruik — waarvan 
Skeat er in zijn Malay Magic een groot aantal heeft verzameld — wordt 
de naam van Radja Soleman^ al of*niet met de genoemde kleorattributen 
verbonden herhaaldelijk aangetrofifen. 



444 BIJDBAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDB BIJ DE 

gedragen. Ook worden zij vaak in e6n adem genoemd met den 
hierboven reeds genoemden Pitalo Goeroe^ welke naam aan Batara 
Goeroe [= Siwa] herinnert. ^ 

b. Zeker gif in het bloed als ziekteoopzaak. 

Naar men meent brengt ieder mensch reeds bij de geboorte een 
soort ziektegif in het bloed mede, hiring-biring genoemd. Zoolaiig 
men gezond is blijft dat ziektegif sluimerend , latent. Komt het door 
uitwendige invloedeu [bij v. door warmte of koude of door lichamelijke 
overspauniug enz.] tot ontwaken, dan wordt men ziek. De uit. 
gebroken ziekte — die van zeer verschillenden aard kan zijn — 
heet dan sakit-birmg-biring. Tot deze ziektengroep behooren b.v. 
Amar [ook : Ameng] Kneuzing. 

Balah-sewa-sewatan Vorming van eelt aan de hand- 

palmen en voetzolen, waarin 

etterende kloven ontstaan. 
Balah-nambi Frambozenuitslag, waarbij ver- 

ettering plaats heeft. 
Batoeq-isaq Aamborstigheid . 

Berboetir Wild vleesch. 

Biring-koeto Lepra. 

Biring-talor Keelontsteking, waarbij de amaii- 

delen [talor] gezwollen zijn. 
Bisoel Steenpuist. 

Boeoq [ook : Boehoeq] Kropgezwel. 

Boetir-balit Wrat. 

Damam kapialoe Typheuse koorts (?) 

Damam panas Aauhoudende koorts. 

^ Het is bekend, dat elk der Hiudoesohe goden Mahaswara, Kala^ 8riy 
Brahma en Wisjnoe , die nu nog bij de Maleiers geacht worden het beheer over 
een der vijf deelen van het etmaal {koetika lima'] te voeren, vaak met eene 
bepaalde kleur wordt aaugeduid. Zoo zegt Skeat op biz. 545 van zijn 
genoemd werk, waar hij de Maleische koetika lima beschrijft, dat „geer* de 
kleur is van Mahaawara^ „zwart" die van KaUiy nwit" die van Sri, ^rood" 
die van Brahma en „groen^' die van Wisjnoe. Ook op de koetika Umay in 
Zuid-Celcbes in gebruik vindt men de naraen der vijf vorengenoemde goden 
met Maleische karakters in vierkante vakjes vermeld en wel in dat met een 
gele helft Mahaswara, in dat met een zwarte helft Kala^ in dat hetwelk 
geheel blank is Sriy in dat met een roode helft Brahma en in dat met een 
groene helft Wisjnoe [Dr. B. F. Matlhes, de Makassaarsohe en Boegineache 
kotika's in het Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vk. dl. XVIII biz. 14 vg.] Zie over 
den Hindoe-invloed op het Maleische geestendom, Skeat o. c. biz. 88 vg. 



MALEIEKS DEll PADANGSOIIE BKNEDKNLANDEN. 



445 



Damam koero 
Da mam sasajan 
Djatoeh paiisan 
Goeam 
Kadal 



Katam 

Katoemboehan-ajer 

Katoemboehan-benar 

njakit poesako] 
Koeroq-ajam 
Koedis 
Panau-basi 

Panau-boengo 



[ook : pa- 



Paimu-boeroeq 



Paiiiug- palling 

Panjakit-gadaiig [ook : p. panah] 

Patah-toelang 

Pitpinau 

Sakit-gigi 

Sakit-loempoeh 

Sakit barah-hati [ook : s. padis- 

liati , ook : s. oeloe-hati] 
Sakit raato [boeto = blind, 

raboen-si.sih = bijziend ; sari- 

awaii = verziend] 
Sakit talingo [pakah = doof, 

bisoe = doofstom] 
Saroq 
Sawau 
Sawau-kambing [ook : sawan- 

bangkai] 



Soorten van tusscheiipoozende 
koorts. X 

Flauwvallen, bewusteloos zijn. 

Diphtheritis, Spruw. 

Ronde etterende huiduitslag, die 
hier en daar afzouderlijke wond- 
jes op het lichaam vormt. 

Klem. 

Waterpokken. 

Ware pokken. 

Ringworm (?) 

Schurft. 

Vlekken op de huid , doukerder 

dan de huidskleur. 
Witte huidsvlekken , die als 

lichaamsschoonheid word en aan- 

gemerkt. 
Vlekkeii op de huid lichter dan 

de huidskleur en die evenals 

de panau'hasi afschilferen [de 

pmau-boengo zijn glad en schilfe- 

ren niet]. 
Duizeligheid. 
Fijt. 

Beenbreuken. 
Negenoog. 
Kiespijn. 
Verlamming. 
Maagkramp. 

Oogziekte . 



Oorpijn. 

Stuipen 

Vallende ziekte. 
Beroerte. 



446 BIJDRAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

Semb^li Zweereii. 

Soembali Verstopping. 

Tapialaug Gewrichtsrheumatiek. 

Tapiaw^h Spierrheuraatiek. 

Tjampaq Mazelen. 

Tjanggoe Frambozia aan de teeiien. 

Terkili Ontwrichting. 

c. Worm en als ziekteoorzaak. 

Behalve de hiring-hiring brengt ieder mensch bij de geboorte nog 
allerlei wormen in het lichaam mede, zooals de hiay een made- 
soort, de galang-galang-panjaii ^ die z66 geheeten zijn orodat zij niet 
dikker zijn dan een naald en de galang-galang-tamhago ^ die wij 
spoelwormen noemeu. Verder bevindt zich in ieder menschelijk 
lichaam nabij den navel nog een lintworra [^gatang-galang-rajd], 
Gaat dit dier dood , dan moet de mensch, die het huisvestte, even- 
eens sterven. Die wormen doen den mensch geen direct kwaad, 
maar eet men slechte of vuile spijzeu, of drinkt men vuil water, 
dan zijn die dieren daar niet van gediend, zoeken daarom een uit- 
weg en maken zoodoende den mensch ziek. Z66 ont^taan de z.g. 
sahiUgalang-ga lang . 

« 

Gaat men na, dat bij verschillende andere volksstammen , zoowel 
binnen als buiten onzen Archipel, ingewandswormen als de per- 
sonificatie's van bepaalde ziekten worden aangemerkt, dan schijnt 
het niet onmogelijk, dat ook de galang-galang bij de Maleiers oor- 
spronkelijk niet anders beschouwd werden dan als ziektegeesten, die 
in die gedaante het menschelijk lichaam binnendrongen , al wordt 
die beschouwing thans niet meer door hen gehuldigd. Heriunereu 
we er terloops aan hoe in de middeleeuwen ook in ons werelddeel 
tal van knagende ziekten [jicht, fijt, kiespijn , enz.] aan wormen 
werden toegeschreven. 

Tot de hier bedoelde ziekteugroep rekent de Maleier o. a. te 
behooren : 
Krajer-krajer [omzetting van Diarrhee. 

kaiijer], ook: botjor 
Krajer darah Dysenteric. 

Langkibang Kramp in den buik. 

Malojo Misselijkheid. 

Madoe manasah [ook : tahocn] Cholera. 

Mandjaloeh liraken. 



MALEIKUS DBR PADANGSCHK BENEDENLANDEN. 447 

II. GENEESMETHODEN. 

Even phantastisch als de ziekteoorzaken zelve zijn ook de middelen 
tot het onderkeiinen der verschillende ziekteu en tot het vaslstellen 
van de voor ieder speciaal ziektegeval geeigende geueesmethode. 
Het spreekt van zelf dat alleen de Aoekoen ex-professo met die 
middelen bekeud is. 

Over het doekomfivs^i ecrst een enkel woord. Meestal gaat dit 
van vader op zoon over, maar soms ook tracht men zich daarvoor 
voor te bereiden door geruimen tijd het onderricht van een anderen 
doekom te volgen. Als regel zijn die bedienaars der geneeskunde 
ook trouwe opvolgers hunner godsdienstplichten en ook bereid om 
uit mandoa en mangadji te gaan , wanneer zij daartoe worden aan- 
gezocht. Hoewel zij zich in hunne uiterlijke levenswijze in het 
algemeen niet van hunne mededorpsgenooten onderscheiden , zoo 
staan ze bij dezen toch vaak in hoog aauzien, daar zij toch geacht 
worden in het bezit te zijn van de noodige alSmoe's [bovennatuurlijke 
krachten] om de practijken der kwaadwillige geesten te bezweren. 
Men vindt zoowel mannelijke als vrouwelijke doekoetis^ alleen de 
z.g. doekoefi bal?a?i [verloskundigen] zijn altijd vrouwen '. 

Wordt de doekoefi bij een zieke ontboden, dan is het een vast 
gebruik, dat voor hem eene *mA-pruim wordt gereed gezet, welke 
pruim noodig is voor het stellen van de diagnose van de ziekte. 
Nadat hij daarop eenigen tijd heeft gekauwd , spuwt hij het kauwsel 
driemaal achtereen in een kommetje en onderzoekt den inhoud met 
critischeu blik. Voclt nu het kommetje, waarin het speeksel werd 
opgevangen, lauw [fiiloe-niloekoekoe] aan, dan is zulks eene zekere 
aanwijaing dat de patient tersapo is en wordt hem al dadelijk met 
dat speeksel een kruis op het voorhoofd gemaakt en worden ook 
zijne gewrichten daarmede ingesmeerd. Daarna wordt deze aan eene 
z.g. limaukwxxr onderworpen. 

Blijkt uit den beschreven kunstgreep van den doekom dat de 
ziekte niet aan booze geesten, maar aan inwendige invloeden te 
wijteu is, dan wordt de ^«?flr-behandeling toegepast. 

V66r we ertoe overgaan deze beide geneneesmethoden wat nader 
te beschouwen, schijnt het weuschelijk eerst nog in het algemeen 
een en ander op te merken nopens den aard van de middelen, 

' Do verlossiug noomt men mandjawat anaq Ifitt. „het kind in ontvanpjst 



nomen". 



448 BIJDRAGE TOT DE VOLKSGKNEESKUNDE BIJ DB 

waarmede meu de ziektegeesteu met goed gevolg meeut te kuiinen 
bestrijden om zoodoende geiiezing te erlangen. 

Hoewel algemeen geducht eu gevreesd ziju die geesteu toch iiiet 
almachtig. Het is allereerst het door deu doekom uitgesprokeu woord, 
waaraau zij te gehoorzameu hebbeii. Hierin schuilt voor een groot 
deel de macht van de hierua te uoemeii bezweringsformulieren. 
Opmerking verdient al dadelijk, dat die formulieren, naar meu 
meent, iiiet van menschelijken oorsprong, maar van jSae^'a iS!ofew//fl», 
den opperste der booze geesteu zelf, afkomstig zijn. Men bestrijdt 
hen dus, om zoo te zeggen , met eeu wapen uit huu eigeu arsenaal. 
Deze oogenschijulijke iuconsequentie staat uiet op zichzef. Waar 
Radja Soleiman met zijn trawauten den mensch ziek makeu, geeft 
hij dezen zelf eenige geueesmiddelen aan de hand. De legende 
verhaalt ous daaromtrent, dat Radja Soleiman eeumaal aan deu 
vogel Fadoeng en ook aan al zijne doebalang'a en ondeihoorigeu 
een ziektegif ffbiso" uitdeelde om daarmede de menschen te be- 
ademen en hen zoodoende ziek te maken. Maar tegelijkertijd gaf 
hij ook aan de menschen te kennen, hoe zij dit ziektegif weer 
krachteloos zouden kuiiuen makeu : //Nabij deu steeu voor de trap 
van mijne wouiug, waar ik gewoon ben mijn voeten te wasscheu,// 
— zoo zeide hij — //groeieu twee planteu , de eeue heet si-tawar 
en de andere heet si-dingin^ de eerste dient om alle ziekte-invloeden 
te neutraliseeren [^panawa/ri sakalian hiso] , de laatste om alle ziekte- 
invloeden te verkoelen \kapandi71gini sakalian biso\ff Met dit ^^ver- 
koelen// bedoelt men ook vrijhoudeu van schadelijke invloeden. 
Een dergelijk dualislisch karakter van den booze konden we hier- 
boven reeds opmerken toen we de z.g. ugomtoeng poetjoeq^f uoemden , 
een talisman door den Hantoe Si-Marah-Boeroe zelf aangewezeu als 
het middel om zijne eigen booze practijken te bestrijden. Heriuueren 
we er in dit verbaud nog even aan, hoe ook in Europa, toen het 
geloof in deu duivel, als een wezeu, dat op aarde roudgiug, 
heerschte, ook hij als de brenger van vergif en tegengif werdbeschouwd. 

Het geloof dat verkoeling genezeud werkt — waarop we hier- 
boven doeldeu — is bij de Maleiers z66 sterk, dat als meu eeu of 
andere mediciju heeft toegedieud, men steeds aan den patient zal 
vragen, of die koud aauvoelt; luidt het autwoord hierop outkeu- 
ueud, dan gaat men direct tot eeu auder geneesmiddel over. 

Vaak is de ziu der gebezigde bezweringsformulieren voor ouiu- 
gewijdeu moeilijk te verstaau door de vele ziunebeeldige omschrij- 
viugeu eu oude in de omgaugstaal weiuig of uiet meer gebruikelijke 



MALKIEUS DtlR PADANGSCHi BKNEDENLANDEN. 449 

woordeu, die men daariu aantreft. Maar ook iu dat onbegrijpelijke 
schuilt een deel van de magisclie kraclit dier woordeu. Soms be- 
vatteu zij, zooals we zien zuUeu, bedreigingen of verweuschiugen 
om de ziektedemons te verjagen, ^oms tracht men ze door bedrog 
om den tuin te leiden , of ze door beloften en gevlei langs een 
zoet lijntje weg te krijgen. Verder geven die formules ons tal van 
voorbeelden aau de hand, dat men die geesten ook onschadelijk 
tracht te maken door hun te toonen, dat men hen kent, dat hun 
naam, hun wezeu, hun oorsproug, hun voorkomen enz. niet meer 
voor ons verborgen zijn. //AUerwege op den aardbodem^/ — 7.66 
schrijft Prof. J. J. M. de Groot ^ — //heeft studie van minbe- 
schaafde volken geleerd , dat zij bezwaarlijk werkelijkheden scherp 
kunnen onderscheiden van hetgeen deze voorstelt, en d us ook steeds 
namen plegen te vereenzelvigen met de personen daardooraangeduid. 
Wie met iemands naam bekend is, heeft derlialve ook het individu 
zelf ouder zijn invloed en kau dit door allerlei hekserij naar wille- 
keur onheil berokkeneu. Vandaar het verschijnsel , ook in onzen 
Archipel inheemsch, dat meu namen van personen, die men heeft 
te ontzien, liefst niet aan vreemden mededeelt. Vandaar ook het 
in China algemeen geldige axioma, dat geen spook, en dus ook 
geeu mensch-tijger, hem kwaad doet, die toont zijn naam te ken- 
nen en dus macht over hem te bezitteu. Opmerking verdient, dat 
ook in Europa het geloof heerscht dat, zoo men een weerwolf bij 
zijn doopnaam aanspreekt, hij de menschelijke gedaante herneemt 
en dus zijn gevaarlijk karakter verliest.// 

Een eigenaardigheid dier formulieren is nog, dat men de kwaad- 
gezinde geesten daarin telkens herinnert aan den een of anderen 
eed. Men houde hierbij in het oog, dat men zich die geesten niet 
alleen met zuiver menschelijke ueigingen toebedeeld denkt, maar 
ook , dat huune aansprakelijkheid voor hun doen eu laten door 
gelijksoortige wetten wordt beheerscht als die der menschen en dat 
dus ook zij evenals dezen er zeker de fatale gevolgen van zullen 
ondervinden, wauueer zij ontrouw worden aan een eenmaal door 
hen afgelegden eed. 

A. MALIMAUI. 

Men vcrstaat hieronder een limau-hehaiydeling , waarvan de hoofd- 
momenten dtulrin bestaan, dat de zieke periodiek wordt overgpten 

» Zie Bijdr. Kon. Inst. T. L. en Vk. v. N. I. VI* R. V biz. 552, Do weer- 
tij^er ill onze koloiiion on op liot Oostaziatische vasteland. 

?• Volgr. VI. 30 



450 BTJDRAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDE BTJ DE 

met ecu of aiider limaU'WSLtQT van bepaalde sameustelling, waarover 
vooraf de daarbij behoorende doa door den doekoen is uitgesproken. 

Deze geneeswijze komt, zooals we reeds zeiden, alleeu te pas 
als de ziekteoorzaak aan geesten wordt toegeschreven. 

Zooals men weet behooren de limau- of citrussoorteu door haar 
zuren smaak tot die zaken , waarvoor de Hanioe's eene heilige 
vrees hebbem ^ . 

De bij het malimau gebruikelijke mengsels zijn vierderlei al naar 
gelaug van de ziekteverschijnselen : 

P Limau hoewahy bestaaude uit drie vruchten van de limau kapas 
[ook wel : lim^u nipia] en een gelijk aantal van de lim^m-loefiggoq, 

2^ Limau daoen, bestaande uit de bladeren van si tawar [groeit 
op moerassigen bodera , is 2 ^ 3 M. lioog en heeft langwerpige 
aan de achterzijde fijn behaarde bladeren. De witte kroonblaadjes 
ziju op eene purperroode bloemkolf ge plant] , si dingin [een ongeveer 
1 M. hooge struik , waarvan de succulente bladeren en stengel koel 
aanvoelen , eene eigenschap waaraan de plant haar naam ontleent. 
De bloemen gelijken op neerhangende groene en lila klokjes], iji 



1 Zeer duidelijk treedt bv. die vrees aan den dag bij dc tinontginning op 
het Maleisohe schiereiland , waarover Skeat op biz. 264 van zijn Malay Magic 
o. a. het volgende mededeeit: „Limes cannot be brought into the mine. This 
superstition is peculiar to the Malay miner , who has a special dread of this 
fruit , which , in pantang language , he calls salah nama (lit. wrong name) 
instead of limau nipis ,^^ en verder op biz. 254 van datzelfde werk: „If limes 
are brought on to a mine , the hantu (spirits) are said to be offended , the 
particular feature of the fruit , which is distateful , appears to be its acidity. 
It is peculiar that Chinese have this superstition concerning limes as well 
as Malays; not very long ago a Chinese towkay of a mine complained that 
the men of a rival kongsi had brought limes and squeezed the juice into his 
head race, and, furthermore, had rubbed their bodies with the juice mixed 
with water out of his head race , and he said they had committed a very 
grave offence, and asked that they might be punished for it. With Malays 
this appears to be one of the most important pantang rules, and to such a 
length is it earned that bdachan (shrimp-paste) is not allowed to be brought 
on to a mine for fear it should induce people to bring limes as well, lime-juice 
being a necessary adjunct to belac?ian when prepared for eating". Ook in 
ons werelddeel namen — om hier nog even op te wijzen — citroenen een 
belangrijke plaats onder de geneesmiddelen in. 

„Ihre medicinische Verwendung durch das Volk erf&hrt die Citrone als 
Zusatz zum Trinkwasser der Kranken und zum Weiszbiere, da ihr Saft 
magenst&rkend sein soil und hefewidrig ist; man schrieb friiher der damals 
seltenen Citrone fast zauberhafte Wirkungen zu und sie gait auch schon 
fnih als Antisepticum etc." [Dr. M. Hofler: Volksmodicin und Aberglanbe 
in Oberbayerns Gegenwart und Vergangenheit]. 



k 



MALtllERS DEn PADANGSCHE BBNKDENLANDEN. 451 

karau^ tji koempai [eeue rietsoort groeiende op moerassige plaatsen]', 
djariangau [= kalmoes, — op Java dringo — eeue sterk riekcude 
op waterrijken bodem zich door wortelstokkeu suel voortplaiitende 
grassoort], homijii holai [ook k, hoenglai^ — op Java hhigle — eeii 
ongeveer IJ M. hooge rietsoort met purperroode bloemeu, die iiaar 
vorm eu grootte op deuappels gelijken. Dfe aromati8che wortelstok 
is op doorsiiede licht geel geklturd] , banto [eene grassoort] , talang 
[eene bamboesoort] , gagcui sahalai^ akar sirah^ koendoer [eene 
slingerplaut met kalabas-vruchten] , akar kait-kait [eeue klimpaut 
die door middel vau hakeu — kail-kail — klimt], baliq avgin 
[een middelmatig hooge boom, waarvan de bladereu aau de eeue 
zijde lichter gekleurd ziju dau aau de audere, zoodat wauueer de 
wiud hierdoor speelt, liet schijut, alsof die bladereu telkeus vau 
kleur veraudereu. Vaudaar de iiaam. De zeer kleine violette bloemeu 
groeien aan trosjes. 

Verder uit de jouge loteu [oemhoef] vau lahoe oedang [eeue roode 
suikerrietsoort] , rasau [eene paudausoort] , loemharau [eene rietsoort] , 
pisang-komhali eu pisang tambaloe. 

3° Limau boeiigo [ook I, sali geuoemd], bestaaude uit e^u vrucht 
vau elk der vijf W/wfl^w-soorteu : L poeroel^ I, kapas^ L koenlji^ 
I. saving en L hetiggoq. 

Voorts uit eenige vau elk der oudervolgeude bloemeu : Ijampago 
[douker geel eu sterk riekend], mora [reukelooze, maar zeer 
sierlijke oraujeroode vliuderbloem], Utndjoeng [geel eu geurig], 
boengo Ijino [kleiue gele bloemhoofdjes] eu pafidam kaki [welriekend 
eu wit]. 

4^ lAmau Ihrsapo^ bestaaude uit drie vruchteu van elk der drie 
/^'wwM-soorteu : I, kambing , L kapas L lo&nggoq, 

Bij elk der vier genoemde limau-m^wg'&th behoort eeu bepaald 
bezweriugsformulier [doa'] eu het ziju juist deze doa'^s^ waaraan het 
malimaui zijue iuuerlijke kraclit outleeut. Men onderscheidt dus ook 
vier soorteu vau doa'^s u.l. 

doa limau boewah^ 

doa limau daoe9i^ 

doa limau boeiigo , 

doa limau lersapo, 

De eerste dier doa's bestaat uit vijf sirophmi [pasal]^ de doa l.d, 
eu de doa l.L belialve uit die vijf elk nog uit twee audere pasal 
eu de d^a Lb. belialve die vijf nog uit eeu pasaL Elk zoo'u strophe 
wordt met het '/Hismillah'/ iugeleid. 



452 BIJDUAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDB BTJ DE 

a, Limau-boewah-behandeliiig. 

Heeft de diagnose uitgewezen , dat een patient het slachtoffer van 
een of anderen hantoe is geworden, dan neemt men in den regel 
eerst tot eene Umau-hoewah kuur zijne toevlucht. Tot het gereed- 
maken \bersia71g'] van het hierbij gebruikelijke ZtV^wiw-mengsel , worden 
de beide vroeger genoemde citrussoorten in stukjes, of schijfjes 
\karata7i of lamhaq] gesneden en deze in een bakje met water gelegd. 
Daarna brand t de doekoen wat benzoe-hars [koemaja7i\ op een bordje 
met kolenvuur en de limau wordt daar even boven gehouden. 
Hierbij roept de doekoen de heiligen \_Aulid] profeten [Ambia] enz. 
aan en spreekt de volgende zegenbede saroean over hen uit: 

//Hai berkat Aulia dan Ambia, berkat tampat Nabi-oelah, berkat 
//Mekah Medina, berkat tijang Kaaba, jang kaampat, berkat 
//Goeroe-goeroe kami jang terdahoeloe, berkat la ilaha illa'llah//. 

Vervolgens steekt de doekoen zijne hand even in het limau-WAieT 
en het gelaat beurteliugs naar rechts en naar links wendend , prevelt 
hij de volgende eerbiedige begroeting [^bari salam] : 

//As-salamoe alaikoem! Hai Djibrail, Mikai'l, Isra'il, Israpil, Aboe 
//Bakar, Oemar, Oesman, Ali, Moekat [waarschijniijk : Malaekat], 
'/Moekarabin, Kiraman Katibin.^/ ^ 

Daarop heefl het z.g. maramaskan limau plaats, hierin bestaande, 
dat de doekoeji met de hand in het /maw- water roert, terwijl hij in 
zeer suel tempo de volgende doa lima pasal opdreunt, waarbij hij 
de oogen gesloten houdt en het bovenlijf afwisselend naar links en 
naar rechts laat wiegen. 

//In uaam des barmhartigen goedertierenen Gods!'/ 

//O , God ! , gezant van God ! Door den zegen van den Profeet 
//van God, de Profeet Mohamad! Staat mij bij, 0, Gabriel, Michael, 
//Azrael, Israfil, 0, Aboe Bakr, Omar, Othman, Ali, o, engelen 
//die den mensch vergezelleu op zijn levenspad ! In den beginne 
//waren er vuur, water, wind en aarde. Des menschen wezen komt 
//van zijn vader en zijne eigenschappen komen van zijne moeder//. 

//Posteert U zich rechts en links van den patient, v66r en achter 
//hem Jahajau, Jadajan en Jahasiu, die in den Qoran zijn genoemd! 
//Zoomin als God ooit eenig ongeval kan overkomen, zoomiu moge 



^ De kiraman-katibin zijn de beide engelen, die den mensch vergezellen 
om aanteekening te houden van zijn levenswandel en die De Genestet de 
stof hebben geleverd tot zijn schoon gedicht: „Tiirksolie Beeldspraak". De 
Moekarabin zijn de dragers van Gods troon. 



MALEIERS DER PADANGSCHE BENEDENLANDEN. 453 

'/ook den patient door zijue ziekte eenig ongeval treffen ; door de 
'/bewilligiug vau God, van Mohamad deii Gezaiit vau God, door 
//den zegen der formule : //er is geen God dan Allah.// 

//In den naam des barmhartigen , goedertierenen Gods! 

//Zoolang het bestaan van Medina en de leeftijd van Mohamad 
//reikeu, ruste de zegen op de heilige bede, die onder de bescher- 
//ming staat van God en Zijn Profeet! 

//Het is toch alles voorbeschikt, zegt het oude Boek van God's 
/rraadsbesluiten K Evenals er in mij uu beweging -^ is op de 
//Batoe Ampar Poetihff ^ , z66 moge er ook beweging komen in 
//het lichaam van den patient en even stellig als er geen beweging 
//is in het middelpunt der aarde, even stellig zij er wel beweging 
'/in het lichaam van den patient//. 

//Moet hij sterveu, brengt hem dan tot de zaligheid Gods, maar 
//moet hij blijven leven, willigt dan mijn verzoek in [en geneest 
//hem dan volkomen.] 

//Azrael sta aau zijne linker en Israfil aan zijne rechterzijde , 
//Michael sta acliter en Gabriel v66r hem met God en Mohamad.// 

//Mocht de patient door een boozen geest //geraakt// zijn aan de 
//fontenel, plaatst U zich dan rondom hem, om z66 hem, het genees- 
//middel en het bezweringsmiddel te beschermen. 

//De genezing trede naar binnen en de ziekte trede naar buiten. 
//De genezing door God en Mohamad den Gezant van God , door 
//den zegen der formule: er is geen God dan Allah.// 

//In den naam des barmhartigen, goedertierenen Gods!// 

//Ali, zijn naam is AH, de steun [eig. penwortel] is Aboe Bakr.// 

/'Bultige uitwassen op de bladeren van de karoehoet-'^iXfixii^ komt 

//hier, ik beveel het U, ik vraag U ora hulp, spreekt geene 

//onwaarheid ! Schertst ge, dan moget ge boven geen wind en 

//beneden geen water hebben.// 

//Mijn limauy de gemengde limau ^ die ik uitknijp in een bord 

//met een rand, doet wijken de ziekte, ontstaan door booze geesten. 

//Slechts de sporen van de ziekte zullen achterblijven , en daarover 

//zult ge weenen ! 

//Als de /«»MPtt-ingredienten maar voltallig zijn [lett. als de ronde 

I Zie Qoran XXVII : 77. 

' De doekoen wiegt hierbij met het bovenlijf heen en weer. 

* Zie aant. 3 biz. 474 hierachter. 



454 BTJDRAGK ToT DE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

//eu de platte wrijfsteen ora de spaansche peper te wrijven bijeen 
//zijn], dan behoeven wij niet meer bevreesd te zijn. 

//Zegt het naar waarheid, dat de ilmoe op den Qorau, op God 
//en op Mohamad rust. Moge Gabriel helpen! 

//Uit de duistemis zijt ge voortgekomen , ge zijt er om mijnentwil, 
//ik ben er oin Gods will 

//Al wat ziek is geneest, al wat scherp is wordt stomp, al wat 
'/hard is wordt week door de machtige doa van Njeq Radja Soleiman! 

//Door de bewilliging van God, van Mohamad, den Gezant van 
//God, door den zegen der formule: er is geen God dan Allah.// 

vhi naam des barmhartigen , goedertierenen Gods! 

//Het werk der booze geesten, dat in Gods macht is, moeten 
//wij kunnen verduren en daaraan kunnen weerstand bieden en al 
//ware het, dat het ijzer in den grond begon te spreken, de kracht 
//om aan dat duivelswerk weerstand te kunnen bieden — welke ook 
//in Gods macht is — moeten wij duizendmaal tot de onze maken , ^ 
//ora weerstand te bieden aan de DjoembaUmg-Ajh' en aan de Bjoem- 
tthalang Tahing ^ aan het werk Agt djihins^ seta7i8^ hantoe's^ oehiWs^ 
»hoeW8^ parVs^ dewcCs en mamhang'^s^ aan het werk van Si-Hantoe- 
ffMoeno^ Si-Kati'Momw ^ aan Si-Madang Kilat die boven en aan 
ffRadja Sikoedarang die beneden is en aan Radja-Itam, 

//Gij honderd en negentig doehalang'' s ^ die U gedeeltelijk ophoudt 
//op zee, gedeeltelijk op het land en gedeeltelijk in het luchtruim , 
//gij kunt mij geen kwaad doen , op aarde zoomin als in den hemel. 
////Hoe// is mijn naam en //Wahab// is Uw naam. Gij zult net 
//zoolang gehouwen worden door het zwaard van Ali, totdat ge 
//dood zijt. 

//Ali verhief tot hunne waardigheid Radja Soleinum Poetih^ die 
//in de witte wolken woont, Radja Soleiman Koefiing ^ die in de gele 
//wolken woont, Radja Soleiman Idjau die in het wolkengebergte 
//woont en Radja Soleiman Itam^ die op de heuvelen op aarde woont. 

//H^, Radja* 8 Soleima7i^ die vier en veertig in getal zijt, die in 
//de vier hemelverdiepingen boven de aarde en in de vier aarde- 
//verdiepingen beneden de aarde woont en bruiden van de zeven 
ffSi-Binloro^ die zich in het bosch ophouden, weest niet valsch en 
//kwelt het menschdom niet. Ik weet welke Uw afkomst is. Uit de 



^ Aldus ongeveer de vertaling van hetgeen op gezag mijner zegslieden 
deze duistere passage in de doa beteekenen moet. 



MALEIEB8 D£U FADANGSCHE BENEDENLANOEN. 455 

//avondschemeriiig ^ zijt go voortgekomen ea tot de avoudschemeriug 
//keert ge weder. Gij verschijut als de zon scliijut bij regeiiweder 
//eii gij keert terug bij regeii-zonueweer. Gij komt uit dikke boomen 
//eu daarheen keert ge weder. Gij komt vau groote steeuen eu 
//daarheen keert ge weder. Gij verschijnt uit eetbare aarde en 
//daarheeu keert ge weder. Gij komt uit het middelpunt der wereldzee 
//eu daarheen keert ge weder. Het is mij bekend hoe ge zijt ont- 
//staan : ter wille van Gabriel zijt ge ontstaan. 

//Door den zegen der formule : er is geen God dan Allah.// 

//In naam des barmhartigen , goedertierenen Gods! 

//Ik spreek met innige bedoeling mijn doa [lett. mijn bescherm- 
//middel] uit. 

//Mohamad staat Jahajan, Jadajan; Jasiu is in den Qoran. 

//Zoomin God ooit eenig ongeval kan overkomeu, zoomin moge 
//ook den patient door zijne ziekte eenig letsel treflen. 

ffSaroe en Baroe als gij menschen ontmoet, gaat dan uit den 
//weg, naar rechts en naar links, voor en achter hen om. 

//Ik bezig een doa tot afwering en tot alieiding. 

//Terwijl de sterke stroom van richting verandert, niet door ons 
//toedoen , maar door den wil van God den Allerhoogste , hoeveel 
//temeer dan is het niet ons werk , maar het werk van God , wanueer 
//de kwellingen der booze geesten wordeu afgewend. 

//Door de bewilliging van God, van Mohamad, den Gezant van 
//God , door den zegen der formule : er is geen God dan Allah//. 

Dit z.g. mandoai heeft steeds door den doekoen bij zich aan huis 
en wel 's avonds plaats ; de patient is daarbij dus niet tegenwoordig. 
Deze laatste moet zelf voor de noodige ^iV»««-iugredienten zorgen 
en die bij den doekoen aan huis bezorgen eh is het limau-Whi^t door 
de daarover uitgesproken