(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



.'/// 






/ I 



\.\ - 



^ ?pe^S£f 



/ 



Sarbarö ColltBr ILibratE 





BOUGHT WITH INCOME 

FKOM TUK aS^pKST OK 

HENRY LILLIE PIERCE 

OF BOSTON 

UnDKR A VOTE of the PlUSlDsm- and FfLLOW!; 

OcrosEA ^, iSgS 



Digitized by 



Google 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANnSCH-INDTÊ. 



Digitized by VjOOQIC 



6* Nad. eock. en SlMiidnikktrij Wh H. \.. SMITS 
Watteind* 135 't-CravMihag*. 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL-, UND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIE , 



UITGEGEVEN DOOR HET 



KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DE TAAL-, LAND- KN 
VOLKENKUNDE VAN NEDEHLANDSCH-INDIË. 



ZEVENDE VOLGREEKS. — ZESDE DEEL. 

(DEEL LX DER GEHEELE REEKS.) 



>'É-e>»5<^- 



'Ö-GRAVENHAGE, 

MAKTINUS NIJHOFF, 

1908. 



Digitized by VjOOQIC 



P 7'UZL v3 ^^. / 




-•• '-l.! 




APR 13 1910 

Ü JUi^^C^ /Sou u— »/_ 






Digitized by VjOOQIC 



INHOUD. 



liljHl/.ijJc. 

Mr. Johaii van Dam en zijne tuchtiging van Makassar in 1660, 
floor W. E. VAN Dam van Issblt 1 

Een Oudjavaausche oorkonde gevonden op de helling van den 
Kawi , door Prof. Dr. H. Kbbn 45 

Aanteekeningen op G. P. Rouffaer's opstel over Atjèhsche 
Soeltanzegels, door Prof. Dr. C. Snouck Hurgronjk . . 52 

Nieuwe bijdrage tot de kennis van het MahAy&uisme op Java, 
door Dr. H. H. Juynboll 56 

Eeuige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. Keen. . 62 

De Batoe Këmang, nabij Medan, door E. J. van den Bebg 
en J- H. Neumann, Zendelingen van het Ned. Zendeling- 
genootschap (Met 2 tekst-illustraties, plaat en plattegrond). 89 

Het /j'spinneweb/z-motief op Timor, door J. A. Lobber Jr. 
(Met plaat) 93 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Ph. S. van Ronkel. 
(Met facsimile) 97 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Schadék, Controleur bij het 
Riuuenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, blz. 647) 101 

De godenbeelden aan den buitenmuur van den Qiwatempel te 
Tja^^di Prambanan en de vermoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door Martine Tonneï 128 

Breukink's bijdrage tot eene Gorontalo'sche spraakkunst, be- 
sproken door N. Adriani 150 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kern . . 166 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 
Prof. Dr. H. Kern . . . , 173 



Digitized by VjOOQIC 



VI INHOUD. 

Bladzijde. 

Mededeelingeu betreffende Sideureng, Rappaiig eu Soepa, door 
H. DE VopEL HzN., Coutr. B.B 175 

Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- 
Indië, door Dr. Ph. S. van Ronkel 181 

Eene Engelsehe lezing omtrent de verovering van Banda en 
Ambon in 1796 en omtrent den toestand dier eilanden- 
groepen op het eind der achttiende eeuw. Uitgegeven en 
toegelicht door Mr. J. E. Heeees 249 

Iets over de //Ternataansch-Halmahèrasche'/ taalgroep, door 
A. HuETiNG (Met schetskaartje) 369 

Bijdrage tot de kennis der vereering van Wis^u op Java, 
door Dr. H. H. Juynboll 412 

Eene bijdrage tot de geschiedenis der Regeerings-reglementen 
van Ned. -Indië, door P. H. van der Kemp 421 

Bijdrage tot de volksgeneeskunde bij de Maleiers der Padangsche 
Benedenlanden , door J. J. Kreemee, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur 438 

De Toe Badjeng en de legende omtrent hun oorsprong, door 
J. TiDEMAN, Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur. . 488 

Beschrijving der Maleische handschriften van de Bibliothèque 
Royale te Brussel, door Dr. Ph. S. van Ronkel. . . . 501 



NOTULEN VAN DE ALGEMEENE EN 
BESTUURSVERGADERINGEN: 

Bestuursvergadering van 16 Juni 1906 iii 

Bestuursvergadering van 15 September 1906 v 

Bestuursvergadering van 20 October 1906 vn 

Bestuursvergadering van 17 November 1906 ix 

Bestuursvergadering van 15 December 1906 ....*. xii 

Bestuursvergadering van 19 Januari 1907 xiii 

Jaarverslag over 1906 xvn 

Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907 .... xix 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUD. VII 

Bladzijde. 

Bestuursvergadering van 16 Februari 1907 xxi 

Bestuursvergadering van 16 Maart 1907 xxni 

Bestuursvergadering van 20 April 1907 .,.•... xxv 

Bestuursvergadering van 18 Mei 1907 xxvi 

Bestuursvergadering van 15 Juni 1907 xxix 

Bestuursvergadering van 21 September 1907 xxxi 

Bestuursvei^adering van 19 October 1907 xxxv 

Bestuursvergadering van 16 November 1907 xxxviii 

Bestuursvergadering van 21 December 1907 xl 

Bestuursvergadering van 18 Januari 1908 xui 

Jaarverslag over 1907 xliv 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDRAGEN 



TOT DB 



TAAL-,LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIË, 

UITGEGEVEN DOOR HET 

Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 
van Nederlandseh-IndiS. 



/KVENhE VüLGUKKKS. - ZESDK DE.'::.. 

(desl lx deb geheels reeks). 



'rf-GKAVENHAGK 

MARTINUS NU H OFF 
190 7. 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUD. 

Bladz. 

Mr. Johan vaü Dam eu zijne tuchtiging van Makassar ia 1660, 
door W. E. VAN Dam van Issblt 1 

Een Oadjavaansche oorkonde gevonden op de helling van den 
Kawi, door Prof. Dr. H. Keen 45 

Aanteekeningen op G. P. Eouffaer^s opstel over Atjèhsche 
Soeltanzegels , door Prof. Dr. C. Snoück HimGRONJE . . 52 

Nieuwe bijdrage tot de kennis van het Mah&j&nisme op Java , 
door Dr. H. H. Jtjynboll 56 

Eenige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. Kekn. . 62 

De Batoe Këmang, nabij Medan, door E. J. van den Bekg 
en J. H. Nbumann, Zendelingen vSjH het Ned. Zendeling- 
genootschap (met 2 afbeeldingen en plattegrond) .... 89 

Het //spinneweb^/ -motief op Timor, door J. A. Loebèb Jr. 
(Met afbeelding) 93 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Ph. S. Van Ronkel. 
(Met plaat) 97 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks vau 
Landak en Tajan, door M. C. Schadée, Controleur bij het 
feinueulaudsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, blz, 647) 101 

De godenbeelden aan den buitenmuur van den Qiwatempel te 
Tja^di Prambanan en de vermoedelijke leeftijd van die 
tempelgrocp, door Maktine Tonnet 128 

Breukink's bijdrage tot eene Gorontalo'sche spraakkunst, be- 
sproken door N. Adkiani 150 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Keen. . 166 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 
Prof. Dr. H. Keen 173 

Mededeelingen betreffende Sidenreng, Rappang en Soepa, door 
H. DB Vogel Hzn., Coutr. B.B 175 

Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- 
Indië, door Dr. Ph. 8. van Ronkel 181 

Notulen van de Bestuurs- en Algemeene Vei^aderingen : 

Bestuursvergadering van 16 Juni 1906. . m 

Bestuursvergadering van 15 September 1906 v 

Bestuursvergadertng van 20 October 1906 vn 

Bestuursvergadering van 17 November 1906 ix 

Bestuursvergadering van 15 December 1906 • - xii 

Bestuursvergadering van 19 Januari 1907 xiii 

Jaarverslag over 1906 xvii 

Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907, xix 

Bestuursvergadering van 16 Februari ]J907 xxi 

Bestuursvergadering vau 16 Maart 1907 xxin 

Bestuursvergadering van 20 April 1907 xxv 

Bestuursvergadering van 18 Mei 1907 . xxvi 



Digitized by VjOOQIC 



Mb. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE TUCHTIGING 
VAN MAKASSAR IN 1660. 



DOOR 

W. E. VAN DAM VAN ISSELT. 



Ongetwijfeld zijn er velen, die de geschiedenis van de vestiging 
▼an ons gezag in onze overzeesche bezittingen niet zóó in hare bij- 
zonderheden kennen als Onno Zwier van Haren, die in het 8* couplet 
van den Negenden Zang van de Geuzen (1776) eenige oude vloot- 
voogden aldus herdacht: 

Maar als de weg, in H Zuiden open 

Aan Zeeuw en Amstel is bekend, 
Zal vloot na vloten derwaarts loopen, 

Die H Oost aan onze wet gewent. 
Let op hoe deze koninkrijken, 
Hoe al de Indien bezwijken, 
Hoe klein Batavia begon I 

Hier straft van Dam de Maccassaren, 
Daar temt van Goens de Mallabaren, 
Hier sneuvelt Hulst, en wint Ceylon I 
Daarom willen wij in de herinnering van het nageslacht een der 
vele tochten terugroepen , die bijgedragen hebben tot de vestiging 
van ons gezag in den Oost-lndischen archipel. Te meer aanleiding 
bestaat daartoe, waar ook de man, die bedoelden tocht heeft geleid , 
vrijwel aan de vergetelheid is prijsgegeven. 

Ter bereiking van het bovenstaande doel zou met een eenvoudige 
beschrijving van de tuchtiging van Makassar in 1660 kunnen wor- 
den volstaan. Wenschelijk is het echter aan die beschrijving een 
kleine uitbreiding te geven , waardoor de persoon en de loopbaan 
van Mr. Johan van Dam eenigszins meer op den voorgrond treden. 
Duidelijk blijkt dan, welk een moeite de Oost-Indische Compagnie 
in de eerste tientallen jaren van haar bestaan had om de verschil- 
lende functiën van haar bewind door zaakkundige personen te doen 
vervullen. Een goed geordend ambtenaars wezen ontbrak; een vak- 
T Volgr. VI. 1 



Digitized by VjOOQIC 



2 MB. JOHAN VAN DAM ÉN ZIJNé 

opleicfing voor de verschillende fuactiën kende men niet. Zóó was 
men menigmaal gedwongen de zelfde personen nu eens in deze, 
dan in gene betrekking te gebruiken, onverschillig of zij al dan 
niet daarvoor waren opgeleid. Dat het er toen evenals thans 
meer op aankwam //the right man on the right place// te brengen ; 
dat de vraag, welke vakopleiding men gehad heeft en hoe lang 
men wel in verschillende ondergeschikte betrekkingen heeft door- 
gebracht, hierbij geheel op den achtergrond treedt, dit kau een 
uitvoerige levensbeschrijving van van Dam tooneu. Het zou echter 
te ver voeren dit hier te willen bewijzen. Waar wij ons derhalve 
beperken zullen tot een korte opsomming der achtereenvolgende 
betrekkingen, door Mr. Johan van Dam in Indië bekleed, moge 
een beschrijving van de expeditie, in 1660 doorhem geleid, be- 
wijzen , hoe van Dam , voor de balie opgeleid , tevens een kundig 
vlootvoogd en krijgsman, een energiek aanvoerder was. 

Mr. Johan van Dam, het tweede kind van Doctor Peter en van 
diens eerste vrouw Catharina Poeyt, moet in het laatst van 1617 
te Amersfoort geboren zijn. ^ Ferwerda vermeldt noch het jaar noch 
de plaats zijner geboorte. Daar van Dam^s ouders den 16*° Januari 
1616 te Amersfoort trouwden, ^ hun derde kind. Mr. Jacob, daar 
reeds den 27"° October 1618 gedoopt werd,^ staat de tijd zijner 
geboorte vrijwel vast, terwijl Amersfoort met groote zekerheid als 
zijn geboorteplaats mag beschouwd worden , daar zijn vader, behalve 
doctor, hier in 1616 raad, in 1617 en 1618 schepen was* en ook 
diens derde kind hier geboren werd. ^ Is het bovenstaande juist, 
dan blijkt, dat Valentijn zich vergist, waar hij vermeldt, dat Johan 
van Dam van Utrecht geboortig was en omstreeks 40 jaar oud, 
toen hij in 1664 als gouverneur op Amboina kwam. ® Vermoedelijk 



* Zie de genealogie van het Geslagte van Dam bij Ferwerda, Adelijk en 
Aanzienelijk Wapen-Boek, enz. Tweede Stuk, 1763, alsmede het op blz. 3 
en 4 dezer verhandeling vermelde landtransport. 

» Trouwboek Amersfoort: 1616. 6 Januari (aangifte) Petrus van Dam, doctor 
•in der Medicine ende Juffrou Catharina Puyt, beyde van Amersfoort. Alhier 
getrout den 16 Januari 1616. 

^ Doopboek Amersfoort: „27 October 1618. Jacob, kind van doctor Dam". 

* Abraham van Bemmel. Beschrijving van Amersfoort , enz. blz. 626 en 627. 

* De inschrijving van den doop van Mr. Johan van Dam is te Amersfoort 
niet gevonden. 

* Fran^ois Valentijn. Oud en Nieuw Oost-Indiën. Deel ü, 2* stuk blz. 220. 
Vermoedelijk heeft van der Aa (Biographisch Woordenboek) uit hem geput, 
waar hij vermeldt, dat Johan van Dam omstreek.^ 1624 te Utrecht geboren werd. 



Digitized by VjOOQIC 



♦l^ÜCH'nGlNG VAN MAKA.SSAB IN 1660. ^ 

heeft Valentijn Utrecht genoemd, omdat van Dam's vader later 
daarheen verhuisde en er bij vroedschapsresolutie van 25 September 
1637 opgenomen werd onder de //Ordinary Medici deser Stadt./;^ 

Waar Mr. Johan van Dam gestudeerd heeft, valt niet te zeggen. 
Noch in het Album Studiosorum van Leiden noch in dat van 
Utrecht komt hij voor. 

Het eerst vindt men hem vermeld den 4^° Februari 1647 , als 
getnige bij den doop van het oudste kind van zijn broeder, Mr. 
Jacob. ' Hij heet hier : >r Johan van Dam, Advocaet voor de Ed. Hove 
van Hollant^" ^ Het schijnt, dat hij deze betrekking niet zeer lang 
bekleed heeft, want ^rDen vijffdefi Oct. 1647 heeft Mr. Johan van 
Dam als adv* In den Hove Provinciael van Utrecht eedt gedaen. ' 

Den 7*" April 1649 was de ^/E. hoochgeleerde Mr. Johan van 
Dam, advocaat 'shoffs van Utrecht// getuige bij het j)asseeren eener 
acte, waarbij namens Willem Toll een zekere Abraham van Hoochbruch 
gemachtigd werd om vóór stadhouder en leenmannen van Holland 
te verschijnen tot het ontvangen van het HoUandsch leen Isselt. * 

Den lö*'* Januari 1650 O. S. wezen «'Wilhelm van Dam ende 
Anna Maria Schefifer echteluyden'\ in hun testament vóór notaris 
6. Houtman te Utrecht gepasseerd, //Mr. Johan van Dam , Advocaet 
ende Willem Scheffer Vendrich haerl. broeders// eventueel tot //mom- 
bers ende voochden^y over hunne kinderen aan. Dienzelfden dag 
werd Mr. Johannes van Dam, Advocaet in den Hove van Utrecht, 
bij acte vóór deuzelfden notaris gepasseerd, gemachtigd door Mr. 
Jacobus van Dam, Willem van Dam en Jo". Dina van Dam, 
mede uit naam van hun andere broeders en zusters, om als hun 
vertegen woordjger op te treden tot het ontvangen van ieders aandeel 
in den boedel van wijlen hun oom, den heer Isaac Peit (sic). ^ 

Den 16"* November 1650 kwamen vóór schout en schepenen van 
Bnnnik en Vechten vde Heere doctor Peter van Dam en Joflfr* 
*Henrica Ploos van Amstell (zijn tweede vrouw) echtelieden, gaven 
^'over aen handen en ten behoeve van Mr" Johan en Jacobus van 



* Doopboek Utrecht, Domkerk. 

^ In het Begister van den Hove van Holland, waarin de Naamen der 
Advocaaten en Procureurs, voor den Hove geadmitteerd , enz. (Rijksarchief 
'd Gravenhage) is zijn naam niet te vinden. 

' Register voor eedsafleggingen en admissies enz. van advocaten enz. voor 
het Hof van Utrecht. Rijksarchief Utrecht. 

* Register ^Libertas patriee ab anno 1649 ad annum 1653" van de leen- en 
registerkamer der Grafelijkheid van Holland. Oapitulo Sticht, folio 6 e. v. 

' Lees Peut of Poeyt. 



Digitized by VjOOQIC 



4 m. JOHAN YAN DAM SN ZUKfi 

//dam, Advocaetea voor den Hove van Utrecht, Joffrs dina, Elisa- 
//beth, eude Mechtelt van dam en Jacob van dam, de jonckste * 
//der Comprnten soonen en dochteren en schoonsoonen en schoon- 
//dochteren' sekere tien morgen lands, synde vry eigen, allodiaal 
/'goed'!', gelegen op Wiltenborch onder den Gerechte van Vechten, 
zijnde ^t land, dat de Cornp^^ indertijd hadden gekocht met alle 
gerechtigheden en toebehooren. ' 

Mr. Johan van Dam droeg zijn \ part in bovengenoemd stak 
land den 24*" Februari 1652 O. S. over aan zijn germain-neef , 
den heer en Mr. Pieter van Dam, Advocaet voor den hove van 
HoUant (den lateren advocaat der Oost-Indische Compagnie). ■* 
Tevoren, den 26^'* Februari 1652. N. S. had eerstgenoemde daartoe 
bij acte, te Enkhuizen gepasseerd, N. N. als zijn gemachtigde 
aangewezen, die daarna bij acte van substitutie Mr. Jacob van Dam, 
Advocaet voor den Hove van Utrecht, in de plaats stelde. * 

Uit het bovenstaande blijkt, dat Mr. Johan van Dam eenige 
jaren achtereen advocaat voor het Hof van Utrecht bleef, ver- 
moedelijk tot aan zijn vertrek naar Indië. Of zijn verblijf te Enk- 
huizen slechts toevallig was, dan wel of hij toen aldaar reeds in 
betrekking tot de Oost-Indische Compagnie stond , vermochten wij 
niet te ontdekken. 

Zijn eerste benoeming in Indië vond den 17*^^ Juli 1655 plaats. 
Dien dag werd tot lid van den Baad van Justitie te Batavia aan- 
gesteld //den advocaet Joan van Damme, Jongst hier te lande ge- 
comen met de /rMaècht van Enckhujsen// als passagier, die wij in 
dienst van de Comp^ bij desen met een Tractement van vyftich 
guld. aennemen omdat totdiebedieninge bequaem geoordeelt wert.// *^ 
Zooals later blijken zal, was van Dam eerst kort te voren, den 17*" 
Juni, te Batavia aangekomen. ^ 

^ Hier doet zioh het merkwaardig geval voor, dat in één gezin twee kinderen 
Jacob heeten. Ferwerda noemt hen Jaoob Major en Jacob Minor. 

* Hier gebruikt in de beteekenis van stiefzonen en -dochters? 

* Register van transporten en plechten van Bunnik en y echten 1636 — 1656. 
Rijksarchief Utrecht. 

* Zie zijn levensbericht van mijne hand in de Bijdragen voor vaderlandsche 
geschiedenis en oudheidkunde. Vierde Reeks. Vijfde deel. Derde aflevering. 1906. 

' Register van Bunnik en Vechten. 1686—1656. 

^ Resolutieboeken G. G. en R. v. I. op genoemden datum. Valentijn, Deel III, 
2e stuk , blz. 91 vermeldt, dat Johan van Dam „als vrij Doctor uitgekomen was." 
Vermoedelijk bedoelt hij doctor in de weleer gebniikelijke beteekenis van 
doctor of meester in de rechten. 

7 Zie blz. 31. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN IfAKASSAK IN 1660. 5 

Uit het werk van Mr. Pieter van Dam over de Oost-Indische 
Compagnie blijkt, * dat alle zaken, zoowel civiele als crimineele, 
de Compagniesdienareu rakende, in eerste instantie voor dien Raad 
kwamen. Hij bestond uit een president, die altijd Baad van Indië 
moest zijn, later ook uit een vice-president, terwijl het geheele 
college 9 (soms 7} leden telde, A^en dat van de capabelste eo meest 
bejaarde, die göet van leven svn, en de Justitie liefhebben; en *t 
welck den Generaal en Baden was aanbevolen te besorgen//. De 
gewone leden van den Baad genoten f 100 per maand. 

Verder werd /^den advocaet Joan van Dam, wesende lidt-maet in 
den Baed vao Justitie alhier// bij res. van 6. G. en R. v. I. dd. 
28 December 1655 benoemd tot ^opziender van *s Compagnies 
hospitaal^. * Hiermede aanvaardde hij derhalve een tweede burger- 
betrekking. Het zou echter niet lang duren, of de advocaat, die 
boogst waarschijnlijk geen militaire opleiding genoten had, werd 
tevens tot een aanzienlijk militair ambt benoemd. In de resolutiën 
van den 29^ December 1656 leest men: //Het maioors-ampt over 
^Batavias guamiaoenen sedert 30* November laestleden, wanneer de 
*Heer Willem van der Beeck Comp' dienst plotselyck gequiteert, 
»eu syn burgerlycke vrijdom g'impetreert heeft , gevaceert hebbende , 
faoo is onderwylen meer als eens bij ons in bedenken genomen , 
üTwiens persoon men in dat emportante ampt best ende dieustichst 
'soude connen gebruicken, synde (ouses erachtens) alsoo seer van 
'TDoode, dat daertoe een man vercoren werde , die ons hier ter plaetse 
«'met goeden raedt en daedt in militaire saken continueel by-woond , 
^als die in voorvallende occasiën herwaerts of derwaerts op ciyghs- 
«expeditien uyttrecke, waertoe het ons evenwel aen geen bequame 
^officieren, immers onder hooger gesach (gelyck de desseinen en 
^tocbten van groote emportantie doch doorgaens vereysschen) soo 
^wij achten , oy t gebrecken sal , Ende is ons onder andere persoonen 
«van apparentie, en soodanigen calibre, nevens den Gapitein Jan 
/rvan der Laen, jongst van Colombo weder-gekeert , alsnu voor- 
^gecomen den £. Mr. Johan van Dam , lidt in den achtbaren Raad 
»van Justitie alhier , die synen dienst tot geroerde functie aangeboden 
''beeft, waer op dan aendachtelyck gelet, en verstaen wesende dat 
'i'gemelten J. van Dam van soodanige qualiteiten, als wij oordeelen 
«'tot dat ampt gerequireert te werden, genoegsaem voorsien, en tot 

1 Derde boek, folio 79 e. v. 

' In den personalia-klapper op de res. van G. G. en R. v. I. 1610 — 1710 
(m. B. Bijksarchief 's Gravenhage) wordt ten onrechte vermeld: 28 September 1655. 



Digitized by VjOOQIC 



6 MU. JOHAN VAN DAM BN ZIJNE 

//den militairen dienst seer geaddoneert sy, waer in hij oock, ge- 
//durende dese Bantamse oorloge, syuen goeden yver en courage 
//doorgaens wel heeft laten blycken, en daer door reeds propere 
//experientie van de Indische, immers deser Javaensche maniere van 
>/crygh-voeren , becomen, soo is derhalven by meerder getal van 
/^stemmen, besloten en g(*Arresteert, geseydeu H. Johan van Dam 
//tot boven-geraelte chargie te verkiesen, ende te gebruicken, met 
//den Tytell van sergeant major over de guarnisoenen ofte soldatesque 
*vaii Batavias Gasteel, Stadt, ende circum-jacente forteressen, wil- 
//lende wij niet dubiteren of de I. Comp® staet daer by niet anders 
//dan goede dienst te gewerden. Ende sal voorsz. J. van Dam 
//niettemin syne vorige ampten van Baadt van Justitie en Begen^e 
'/over Comp' Hospitael gevoegelyck blyven waernemen//, enz.^ 

Hiermede aanvaardde van Dam een voorname betrekking. Valentijn , 
die lijsten geeft van de personen, die verschillende belangrijke 
functiën hebben bekleed, doet de lijst der sergeanten-majoor van 
Batavia volgen op die der ordinaris- en extra-ordinaris Baden van 
Indië, die der Geheimschrijvers der Hooge Begeering van N. I., 
der ontvangers-generaal van N. I. en der opperkooplieden des kasteels , 
terwijl zij die der boekhouders-generaal, dor visitateurs-generaal , 
equipagemeesters, advocateu-fiscael enz. voorafgaat. ^ Als zoodanig 
trok hij //houderd tien gulden ^smaands, en tien ryxdaalders aan 
//kostgeld ; ook heeft hij een vrije woouing , in 't kasteel , of op 
//de werf en geniet hij van wijn, kaarssen enz. 't zelve als een 
//Baad van Justitie.'/ "' 

De sterkte van het garnizoen van Batavia was destijds op 1200 
man vastgesteld, doch bedroeg in den regel meer, //omdat Batavia 
//de recrutes en verlossers alom moet ontfangen en uytgeven en 
//daardoor ordinaris met vele kreupele en gebreckelycke menschen 
//blijft beseth.// * van Dam deelde hier — zooals uit de Dagh-Begisters 
van 't Gasteel Batavia blijkt — de nieuw aangekomen soldaten in 
over de verschillende deelen der bezetting, stelde de officieren aan den 



I Conform het Dagh-register , gehouden int Gasteel Batavia. 1 No v. 1656 — 1 
Nov. 1657. De reeds genoemde klapper noemt ten onreohte 29 December 1655 
als den datum zijner benoeming. 

« Valentijn. Deel IV, l-»« stuk, blz. 376. 

» T. a. p. Deel IV. V^ stuk, bldz. 247. De Baden van Justitie genoten voor 
een waarde van 28 rijksdaalders 'smaands aan boter, wijn, kaarsen, olie, 
brandhout, enz. 

* Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie, in m. s. berustende 
op het Bgksarchief te 's Gravenhage. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MAKASSXS IN 1660. 7 

6. O. voor en wees hén aan , die op expeditie of naar de buitert- 
besittingen gezonden werden. Zijn taak was echter niet uitsluitend van 
dien vredelievenden aard ; meermalen leidde hij kleine ondernemingen 
te land of te water in de omgeving van Batavia. 

Den 16^" Januari 1657 //tegens den middach is den E. Johan 
van Dam door haer Ed. (het woort bij den Ed, heere den Gouverneur 
Generaal Joan Maetsuyker gevoert werdende) als sergant-maijoor over 
Batavia^s guamisoenen in debita forma voorgestelt ende geauthoriseert, 
staende de Compagnieën van *t Gasteel, het Vierkant, de hooftpunt 
Zeelandia ende de Nieuwe poorte onder haere respectivie capiteynen 
en verdere officieren in de wapenen, alsmede Comp* Amboineezen.// 
Er werden salvo's afgegeven, waarna men voor den nieuwen com- 
mandant defileerde. *. 

In zijn nieuwe betrekking zag van Dam zich al dadelijk belast 
met de leiding eener expeditie tegen Bantam. Met dit Rijk was de 
Compagnie reeds geruimen tijd op gespannen voet, totdat het be- 
rooven, bestelen en vermoorden onzer bevolking in 1656 van dien 
aard werd , dat de Compagnie zich genoodzaakt zag in te grijpen , mede 
omdat voortdurend brand werd gesticht in onze Bantamsche be- 
zittingen. De oorlog brak in Januari 1657 uit; men blokkeerde 
voornamelijk de haven om de bevolking tot rede te brengen en 
tevens den Engelschen handel te fnuiken. 900 Javanen steunden 
ons te land en deden aldaar goede diensten ; zij werden in afdeelingen 
verdeeld, over elke waarvan S Hollanders werden gesteld; ook 
hadden wij 80 ruiters in dienst genomen. De oorlog duurde slechts 
kort, daar de Bantammers weldra het hoofd in den schoot legden. 
Toch werd de definitieve vrede eerst in Juli 1659 gesloten. ^ 

van Dam's verblijf te Batavia kenmerkte zich tot 1660 verder 
niet door vele wederwaardigheden. Slechts zij nog vermeld, hoe 
hem bij res. van 12 November 1658 //als sergeant-major deses guar- 
uisoens/ir f150 per maand werd toegekend ,'omdat hij sedert zijn 
benoeming op 29 December 1656 nog verscheidene andere neven- 
fanctiën had bekleed zonder daarvoor eenige verbetering van gagie 
genoten te hebben. Deze verhooging werd hem verleend ouder de 
verplichting de Compagnie na expiratie van zijn eerste vijfjarig 
verband nog 3 jaren te zullen dienen. 

Het «"Dagh-Begister, gehouden int Gasteel Batavia , van t passerende 



* Dagh-Begister. 

* Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. Zie ook de 
Jonge; Opkomst enz., VI, blz. LVIII vgg. 



Digitized by VjOOQIC 



ö MR. JOHAN VAN DAM £N ZIJNE 

daer ter plaetse als over geheel Nederlandts-Iudia// over 1660 ont- 
breekt. Niettemin staaii voor de kennis van de expeditie, in dit 
jaar door van Dam tegen de Makassaren geleid, tal van bronnen 
ter beschikking. In de eerste plaats de //Dageljcke aenleykeninge 
aengehouden op de voyagie van Batavia naer Amboina, ende 
wyders vandaer nae Macassar ende Bima , door den Heer Commandeur 
ende Majoor Jan van Dam, en den £. Johan Truytman, gestelde 
conducteuren , over de navale ende crygsmacht naer de respective 
Oirten uytgeset// , enz. Van dit reis-journaal komt een afschrift voor 
in de Overgekomen brieven van G. G. en R. v. I. ^ Voorts heeft 
men den //Reistogt naar en door Oostindiën^/, enz. door Wouter 
Schouten ^ , die den tocht tot tuchtiging der Makassaren heeft mede- 
gemaakt. Verder het reeds genoemde werk van Mr. Pieter van 
Dam, ' die grootendeeb uit het officiëele verslag geput heeft en 
Fran^ois Valentijn ^ , die zijne gegevens hoofdzakelijk aan Schouten 
ontleende. 

Makassar had de Compagnie reeds in vroegere tijden veel moeite 
gegeven, vooral in Banda en Amboina, waar genoemd Rijk de 
//rebellen^/ (dat waren zij, die zich tegen het monopoliestelsel der 
Compagnie en de daarmede gepaard gaande onderdrukking der 
bevolking durfden te verzetten) uit eigenbelang steeds gesteund had. 
In 1656 sloot men vrede, doch nog in het zelfde jaar kwamen wel 
40 Makassaarsche schepen op verschillende oorden van Amboina om 
ons daar in den handel te onderkruipen en de inwoners tegen ons 
op te ruien. Voorts toonde Makasser groot misnoegen, dat wij 
garnizoen op Menado gelegd hadden, hoewel dit aan den Koning 
van Ternate behoorde. De Compagnie bleef inschikkelijk, totdat de 
Makassaren in 1659 onzen commissaris Bastingh zeer overdreven 
eischen stelden. 

De voornaamste daarvan was, dat wij niets zouden ondernemen 
tegen Ceram, Boeroe en Amblau, ofschoon deze tegen de onzen 
grootelijks misdreven hadden en onderdanen waren van den Koning 
van Ternate, die. echter de bescherming van Makassar ingeroepen 
had. Verder wilden zij , dat wij ons garnizoen uit Menado zouden 
terugtrekken. Om den vijand te vóórkomen, opdat hij ons niet in 



ï Overgekomen in 1661. Eerste boek, biz. 261—333. Rijksarchief »sHage. 

• Vierde driik. Eerste deel, blz. 73—101. 

» 2* Boek, 1* Deel, Capittel 5, blz. 117—129. 

* Oud en Nieuw Oost-Indiën. Qeel II. Tweede stuk, blz. 216— 216. Deel III. 
Tweede stuk, blz. 147—162. 



Digitized by VjOO^lC 



TUCHTIGING VAN MAKASSAS IN 1660. 9 

onze verwijderde bnitenbezittingen kon aantasten, besloot men in 
Jauaaiï en Vebraari 1660 eeu voldoend aantal schepen en 700 man van 
Batavia bij kleine gedeelten — ten einde geen aandacht te trekken — 
naar Amboina over te brengen om van daaruit de expeditie tijdens 
den Oost-mousson te ondernemen ; uit de garnizoenen van de 
Molokken, Amboina en Banda moest voorts zooveel volk genomen 
worden , zoowel Nederlanders als inboorlingen , als men daar missen 
kon. Het oppergezag over deze expeditie, zoo te water als te land, 
werd opgedragen aan den majoor van Batavia, Mr. Johan van Dam , 
aan wien de koopman Johan Truytman als //tweede// werd toegevoegd. 
Eeu uitvoerige instructie werd hun medegegeven. Aan beide bevel- 
hebbers werd gelast om naar Makassar te vertrekken, zoodra de 
vloot zich te Amboina zou vereenigd hebben. Eerst moest men 
Serbite > , eeu van de Solorsche eilanden , aandoen om zich daar van 
nieuw drinkwater te voorzien en vervolgens naar den hoek van 
Saleyer over te steken. Van hier moest de bevelhebber zich met een 
jacht en een sloep naar Makassar begeven om 3 Hollanders, die 
zich aldaar bevonden , in veiligheid te brengen ; de vloot zou zoolang 
aan het eiland Tanakeke blijven liggen. Waren de 8 Hollanders 
gered, dan kon de eigenlijke aanval op de werken van Makassar 
beginnen; in het bijzonder moest het kasteel Panakoke aangetast 
worden. Uitvoerig stond de instructie stil bij de wijze, waarop dit 
geschieden zou. Men moest van Z. naar N. langs de kust varen en 
hierbij de versterkingen krachtig ouder vuur nemen , eindigende met 
het N. deel. Zoodoende zou men den vijand misleiden en het grootste 
gedeelte van zijn volk naar het N. lokken. Het Engelsche logies, 
kenbaar aan een //opgeregte standaard//, moest bij de bedoelde 
kanonnade zooveel mogelijk gespaard worden. Gelukte de krijgslist, 
dan zouden alle booten , sloepen en prauwen met soldaten en oorlogs- 
gereedschap aan boord, die door een kleine achterhoede gedekt, 
achteraan moesten komen, ter hoogte van het kasteel Panakoke, 
dat aan het zuidelijk deel der versterkingen gelegen was, plotseling 
den steven naar land wenden ; de soldaten zouden verrassend landen 
en het kasteel stormenderhand vermeesteren. ' 

Daalde deze instructie naar onze tegenwoordige opvattingen te veel 
in bijzonderheden af en ging zij rijkelijk ver , zij getuigde in elk geval 
van een goede plaatselijke bekendheid omtrent het landingspunt , wat 

1 Adanara of Sarbite, een eiland in den Molakschen arohipel ten N. O. 
▼an Flores, ten O. en ten Z. van Solor. 
• Werk van Mr. Pieter van Dam. 



Digitized by VjOOQIC 



10 MB. JO^AN VAN DAM EN ZIJNE 

bij latere expedities wel eens gemist werd. ^ Ook was het plan goed 
opgezet; zooals later blijken zal, slaagde de uitvoering, bij welke 
men zich strikt aan het vastgestelde hield, volkomen. 

Zondag 22 Februari 1660 begaf van Dam zich te Batavia aan 
boord van het oorlogsschip de Mars en verliet de reede, na alvorens 
in ^t kasteel van Batavia afscheid genomen te hebben van O. 6. 
en R. V. I. Zooals in dien tijd gebruikelijk was, werd de bevel- 
hebber der expeditie aan boord als zoodanig geinstalleerd ; //de 
authorisatie werd gedaan // door den E. fleer Arnold de Vlaming 
van Outshoorn, ordiuaris-Baad van ludië. 

Ter reede van Japara kwam het opperhoofd onzer factorij , koopman 
Evert Michiels, aan boord en deelde mede, hoe men &ldaar overtuigd 
was, dat de tocht Makassar gold. Beeds 28 schepen, zoo groote 
als kleine, waren achtereenvolgens van Batavia langs s^ekomen. 
Den 3^° Maart klaagde de bemanning van 3 der 4 aanwezige sloepen 
over de //sobere gestalte// harer vaartuigen; o. a. waren de roeren 
defect. Men voorzag de sloepen van eenig touw en hout en regelde 
de vaart naar heu. Blijkbaar was de zee waardigheid dezer scheepjes 
niet groot; men vindt trouwens in dezen tijd vele klachten over 
den gebrekkigen toestand der schepen, ook van die, waarmede men 
uit het vaderland naar Indië en naar de Levant voer. In dezen 
bedroog de zuinigheid de wijsheid ; jaarlijks vergingen vele schepen. 

Den 9*^ Maart ontmoette men eenige Compagnies-schepen, 
waarop o. m. 2 brieven van 's Compagnies dienaren te Makassar, 
één aan G. Q. en R. v. I., één aan den gouverneur van Am- 
boina. Na eenig beraad werd eerstbedoelde gelezen; men zag daaruit, 
dat te Makassar door de bevolking vele oorlogstoerustingen werden 
gemaakt, de kasteelen hersteld, het strand versterkt, enz. Men 
achtte de komst van een expeditie aanstaande, doch veinsde tegen 
de Hollanders een goede vriendschap en gaf voor, slechts een 
oprechten vrede te weuschen. 

Den 15**^ Maart tusschen de eilanden Boeroe en Amblau d. i. in 
de nabijheid van Amboina gekomen, ontving van Dam een briefje 
van den gouverneur Hustaert met verzoek naar het eiland Manipa 
te gaan, alwaar hij kruiste. Werkelijk praaide men in den volgenden 
nacht het schip Louise, waarop zich de gouverneur bevond. Den 
16®" meldden van Dam en Truytmau zich onder overgave hunner 
commissie bij Hustaert, door wien men zeer verwelkomd werd. A.lle 



O. a. bij de 3* Boni-expeditie in 1905. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAK MAKAS8AB IN 1660. 11 

kraisende sloepen werden verzameld en vervolgens werd koers gezet 
naar het Gat van Amboina. Den 17*° ging men aan land; van 
Dam en Trnytman werden op het stadhuis gelogeerd, de troep in 
het kasteel. Dagelijks kwamen uu schepen aan; alle soldaten werden 
aan land gezet en in compagnieën van 55 man ingedeeld. Beide 
bevelhebbers maakten zich hun verblijf te Ambon ten nutte om van 
daaruit in gezelschap van den gouverneur Hustaert de eilanden 
Oma en Honimoa ^ te bezoeken, vau Dam bracht hier de dagen 
van 1 tot en met 9 April door. 

Den 29*° April vond een groote vast- en bededag plaats in 
geheel de provincie Amboina, //opdat de Heere God de aanzienlijke 
vloot van scEepen en volk, nu gereed liggende om eerdaags te 
vertrekken, voor alle tegenspoeden en ongelukken mocht bewaren.// 
Den £*° Mei was de 20® compagnie soldaten gevormd. Dien dag 
zond men een brief aan G. G. en R. v. I.; alle schepen waren 
aangekomen, behalve de Boterbloem (met van Dam van Batavia 
vertrokken), waarvan men het spoor bijster was. De bevelhebbers 
klaagden zeer over den toestand der galjooten, waarvan er 2, na 
hersteld te zijn, zich bij de expeditie hadden aangesloten, één 
echter niet van Boeroe vertrekken dorst. Het jachtje Cleen Batavia 
was onderweg omgewaaid en verongelukt; ook de 4 van Batavia 
medegekomeri sloepen vond men verre van fameus. Uit Banda had 
men 58 militaire koppen van het garnizoen ontvangen en voorts 
fl'tot contributie van den trein// 40 vaten spek, 80 met vleesch en 
voorfe 6000 ponden //bospoeder// (kruit). Uit Ambon kreeg men 
400 duytse militairen (Hollanders) mede en even zoovele Amboineesche 
koppen; 80 vaten half vleesch, half spek en 70 last rijst. Men 
wachtte nu nog slechts de Moluksche bezending; onmiddellijk na 
aankomst daarvan wilde men vertrekken. Men rekende te zullen 
beschikken over ^1200 koppen brave Europeische in goede postuur, 
1000 matrozen en 400 Amboineesche ingezetenen ; totaal 2600 
koppen.'/ Ook indien de versterking van de Molukken uitbleef, zou 
men den 10*" Mei vertrekken; men was alles te zamen matig 
voorzien van levensmiddelen voor 5 maanden, uitgezonderd arak, 
waarvan men te kort kwam. De vloot, versterkt met schepen uil 
Amboina en Ternate, zou groot en klein 32 zeilen tellen. Hoewel 
men de 3 bovenbedoelde scheepjes miste, bestond geen gebrek aan 
scheepsruimte. Het schrijven eindigde met de verklaring, dat men 

^ Hier worden de eilanden Haroekoe en Saparoea bedoeld (zie van Hoe veil , 
Ambon en de Oeliasers, enz. 1875. blz. 11 — 12). 



Digitized by VjOOQIC 



12 M&. /OHAN VAN DAM EN ZIJlfE 

//ouder de aeuroepinge eude hulp Oodes het werck met vreuchdeu 
ende couragie bij der haut zal vatteu// en zich //volgeus de opgeleyde 
offitiën oock sodauich daer iu evertuereu, als het de schuldigen 
plicht naer menschelyck vermogen sal requireren.// 

Den 7^^^ Mei werden 2 schepen met 2 compagnieën soldaten 
onder den opperkoopman Heudrick Terhorst vooruitgezondeir naar 
het eiland Serbite, om het landvolk aldaar, onze goede geburen, 
van onze komst te verwittigen ; men hoopte daar //verfrisch middelen// 
te krijgen. Terhorst moest trachten tegen ruiling of tegen billijke 
betaling zooveel schapen , bokken , buffels en pluimgedierte als 
mogelijk op te doen, alsmede aard vruch ten ; daartoe kreeg hij 100 
rijksdaalders in dubbele stuivers mede en een pak Oumeesch lij waad. 
De levensmiddelen moesten vóór aankomst der vloot bijeengebracht 
zijn, de vaarwaters opgelood, terwijl een van de schepen de vloot 
tegemoet gaan moest om den uitslag van een en ander te berichten. 
Men dacht de voorhoede binnen 6^7 dagen te volgen. 

Den- b^^ en den 7*° Mei kreeg men nog versterking uitTemate; 
drie schepen, die bij de expeditionaire macht gevoegd werden, 
brachten o. a. 105 soldaten en 50 Tidoreszen aan. Den 8^ Mei 
werd de 21" compagnie Hollandsche soldaten gevormd, terwijl men 
er nog 47 in reserve had. Het kasteel Victoria en de straten en 
wandel wegen van Amboina //grimmelden// nu van volk, zooals 
Schouten het uitdrukt. Dit deed de levensmiddelen tot een buiten- 
gewoon hoogen prijs stijgen. Dien dag liet Hustaert de commissie 
der bevelhebbers voorlezen, salueerde hen met eenige schoten van 
het kasteel Victoria, waarna de troepen in goede orde scheep gin- 
gen; men telde thans 21 compagnieën Europeanen, 5 Amboineesche 
en 1 compagnie van Ternate. Storm en hevige winden, welke den 
9*'* en den 10*° aanhielden, maakten het ongeraden onder zeil te gaan. 

Den 11^ nam de gouverneur met gevolg afscheid van alle scheeps- 
bevelhebbers , die daartoe aan boord van het admiraalsschip ff de 
Mars// vereenigd werden. Door van Dam en Truytman werd nu 
aan alle overheden op de //respective schepen, jachten, boots, gal- 
joots ende chaloupen// een //seylaes ordre ende seynbrief/y uitgegeven. 
In dit door beiden geteekeud stuk werd de reisroute tot Serbite 
vermeld, daar hier nieuwe be<^elen gegeven zouden worden. Het 
admiraalsschip zou voorop gaan en zijn lichten achteraan voeren. 
Voorts werden regelen vastgesteld voor het verzamelen, indien 
schepen afdwalen mochten, werden seinen vastgesteld, de politie 
geregeld , enz. Elf personen werden aangewezen als //secrete en ons 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING YAN MAKASSAS IN 1660. 13 

geadjmigeerde Baetspersonen'/. Ook een ontmoeting met den vijand 
werd behandeld : //Benige vyantsschepen ofte vaertuygen gemoetende , 
of b^aen kunnende , sal men die met couragie aantasten en sien te 
▼ermeesteren , daer toe een yder syn schuldige plicht wort ver- 
maent./«r Merkwaardig is ook nog, dat aan de botteliers ofte uyt- 
deelden van de arack expresselijk werd bevolen niet toe te laten, 
dat de een het rantsoen van een ander dronk, veel minder het 
aan iemand uit te reiken, die het niet dadelijk, staande voor de 
balie, gebruikte. Uitdrukkelijk werd ten slotte aan de overheden 
van de schepen ^ waarop Amboineesche of Ternatesche zwarte soldaten 
waren, bevolen, ffdvit die volken niets anders dan neiFens ende 
gelyck de onse sullen getracteert worden, ende voor al beschermt 
van alle overlasten ende injuren.^ 

Den 12^^ Mei verliet men de reede met 29 schepen , behalve de 2 
vooruitgezondene. De geheele expeditie telde de hiervoren aangegeven 
sterkte. ^ Negen dagen later ontmoette men het door Terhorst terug- 
gezonden scheepje. Op aanwijzing van dit vaartuig kwam men bij 
Serbite ten anker. Terhorst, die onder Solor's wal lag, kwam dien dag 
verslag uitbrengen; hij had 80 schapen, 9 buffels en een partij pluim- 
gedierte bemachtigd; voorts ongeveer 3 last boontjes en katjang; naar 
goed drinkwater was te vergeefs gezocht. Daarom lichtte men in den 
nacht van 24 op 25 Mei het anker en kwam met de vloot in 
Lammahalesengte, tusschen Solor en Serbite, te liggen. Met eenige 
moeite vond men op laatstgenoemd eiland een rivier met helder en 
zuiver water, hetwelk van het hooge gebergte zeewaarts rolde. 

Den 25*" zond de Koningin van Solor hare gecommitteerden met 
5 vaartuigen om hun opwachting bij den vlootvoogd te maken; 
het waren vele zwarte orankaaien, edellieden en een groot gevolg. ^ 
Den volgenden dag werd de //secrete raad// bijeengeroepen; eerst 
nu werd opening gedaan van het ware doel van den tocht en order 
gesteld op de verdere uitvoering der expeditie. De koopman Jan 
Barra werd aangewezen als visitateur van de militaire scheeps- en 
legerboekeu ; voorts werd een commissaris aangewezen over de //trains- 
behoeften^ en een visitateur van de scheepsconsumptie ; ten slotte 
ook een gezaghebber over alle kleine vaartuigen. Uit het scheeps- 
volk werden nog 3 compagnieën k 50 man gevormd ; twee hiervan 



> Schooien, blz. 77, Valentijn, deel II, 2* stuk en deel III, 2* stuk geven 
een eenigszins andere samenstelling der vloot op. 

* Schouten, blz. 79 vermeldt, dat de Koningin hierbij persoonlijk tegen- 
woordig was. 



Digitized by VjOOQIC 



14 MU. JOHAN Van dam ÊN tïJUft 

werden met pieken en zijdgeweer bewapend, de derde alleen met 
bijlen en granaatzakken. 

In deze bijeenkomst werd ook de geconcipieerde ^/seylaes ordre 
en reglement// voor de verdere reis langs Tanakeke tot Makassar 
voorgelezen. Daar de //dagelycke aenteykeningCA' vermeldt, dat zij 
in allen deele geapprobeerd werd, blijkt hieruit, dat de secrete 
raad een soort van scheeps- of krijgsraad was, dien de opperbevel- 
hebber hooren moest omtrent alle zaken van gewicht. In die be- 
scheiden werd reeds vastgesteld, dat Johan van Dam enTruytman, 
na'bij Saleyer gekomen, met het schip de Mars en de sloepen de 
Kreeft en Jacatra met //'t zamen alle die van haren geadjungeerden 
secreten rade// zich bij provisie naar Makassar zouden begeven om, 
alvorens eenige daad van vijandschap te verrichten, te zien om 
onder minnelijk voorwendsel de 3 compagniesdienaren aldaar aan boord 
te krijgen, de stad van buiten te verkennen en vooral op het zuider- 
kasteel te letten. Inmiddels zouden de andere schepen onder den 
opperkoopman Frederik Eeders langzaam volgen en beoosten het 
eiland Tanakeke ten anker komen. Wanneer de vloot vandaar opge- 
roepen werd , zouden de groote schepen en de galjoots voorop zeilen , 
zóó dicht langs de kust , dat men de volle laag aan het kasteel kon 
geven. Aldus de geheele kust en de kasteelen met hun geschut 
//troevende//, zouden de 13 groote schepen, wier volgorde in het 
zeilen vastgesteld werd, steeds noordwaarts gaan, om de Makassaren 
omtrent het landingspunt te misleiden. Opgedragen werd, goed op 
te letten, dat het Engelsche logies niet beschoten werd; het was 
een groot musketschot benoorden 's Konings kasteel gelegen en ken- 
baar aan een //opgerechten standaard//. De booten en galjoots, ge- 
volgd door de sloepen en kleine vaartuigen, moesten nabij het 
zuiderkasteel ophouden. De bemanning van deze schepen zou, onder 
het spelen van het geschut, aan weerszijden van het zuiderkasteel 
landen en dit onmiddellijk aantasten. Ten slotte werd bevolen alle 
palissaden aan te spitsen en tot inzetten gereed te houden, voorts 
zeer voorzichtig te zijn met het buskruit. 

De aldus goedgekeurde //seylaes ordre en reglement// werden nog 
den zelfden dag op de vloot uitgedeeld. Schouten verhaalt, dat men 
in tweeërlei opzicht verbaasd was. In de eerste plaats had men het 
doel van den tocht zorgvuldig geheim gehouden. Wel waren te 
Amboina alle schepen voorzien van stormpalen, palissaden, enz. en 
ten oorlog toegerust, zoodat bekend was, dat men op expeditie 
ging, doch verder wist men niets. De algemeene gedachte was, dat 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MAKKASSBE IN 1660. 15 

men een aanslag op de eilanden Solor en Timor voorhad, om de 
Portngeezen aldaar uit hun versterkingen te verdrijven; in dit 
vermoeden werd men versterkt, toen het schip Ari)en>uiden daarheen 
vooruit gezonden werd, om de inwoners, die onze vrienden waren, 
van onze komst te verwittigen eu hun te verzekeren, dat zij niets 
van ons zouden te vreezen hebben , daar wij slechts kwamen om ons van 
ververschingen te voorzien en dan de Portugeezen dachten te verjagen. 
In de tweede plaats gold de verbazing de stoutmoedigheid van het be- 
wind der Compagnie te Batavia , dat met een betrekkelijk geringe macht 
een machtig koninkrijk vol strijdbare mannen durfde aan te tasten. ^ 

Den 27*^ Mei werd de //breede ende crygsraet beroepen.// Aan 
alle schippers werd gevraagd of zij hunne schepen van versch drink- 
water en verder van al het noodige hadden voorzien; de te volgen 
weg werd vastgesteld en bepaald, dat men zich nu reeds voor den 
strijd gereed maken moest. In den krijgsraad werd aan alle luitenants 
gelast hun troepen behoorlijk te monsteren en vooral de onbruikbare 
geweren uit te zoeken; deze konden op het admiraalsschip tegen 
goede worden ingeruild. Bij Tanakeke gekomen , zou men den troep 
van kruit en lood voorzien. Voorts werden alle officieren aangemaand 
/'ind' occasie hun manhafticheyt te presteren." Dien dag zond de 
Koningin van Solor als tegengescheuk 4 buffels, 11 zak boontjes 
en katjang, en voorts eenig lij waad. 

Gedurende het verblijf tusschen de eilanden Serbiette en Solor 
trad het scheepsvolk ook in verbinding met de bevolking. Die van 
eerstgenoemd eiland was blijkbaar zeer weinig beschaafd ; de menscheu 
liepen bijna geheel naakt en ruilden allerlei vruchten eu levens- 
middelen tegen oud ijzer, messen, lepels en koralen. Deze menschen, 
zegt Schouten, //waren zóó onnoozel, dat zij tinnen lepels voor 
zilveren kozen. Zij droegen hun wapens, welke grootstendeels in boogen 
en pijlen bestonden , overal bij zig. De Soloreezen waren vrijpostiger ; 
zij kwamen dagelijks met hun kano^s om allerlei voorraad en gewassen 
te koop aan te bieden tegen lijwaad; geld was niet van hun gading//. - 

Den 28*™ Mei 's ochtends vroeg lichtte men gezamenlijk het anker^ 
thans met bestemming voor Makassar. Den b^ Juni bleek , dat men 
iu de nabijheid van Saleyer was. De secrete raad werd opnieuw aan 
boord van de Mars beroepen; wegens de slechtbezeildheid van de 
2 genoemde kleine vaartuigen werd besloten iu plaats daarvan het 



* De *MakassareQ werden de ,Haentjens van *t Oosten" genoemd. 
« W. Schouten, blz. 80. 



Digitized by VjOOQIC 



16 ME. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

fluitje Breukelen met het admiraalsschip mede. te geven. Hiervan ^ 
als van alle andere besluiten van* een der raden, werden resolutiën 
opgemaakt, die in haar geheel in de //dageljcke aentejkeninge// 
opgenomen en door den raad onderteekend werden. Nadat op alles 
de vereischte orde gesteld was, namen van Dam en Truytman 
afscheid van de vloot en gingen vooruit. ^ 

Den 6^*^ 's morgens zag men het land van Celebes , *s avonds was 
men de engte van Tanakeke door en den 7*° Juni kwam men te 
Makassar, recht tegenover 's Compagnies woningen, voor anker. 
Dadelijk kwamen 's Compagnies assistent en Mr. Pieter met een 
Gompagnies-schepprauw aan boord van de Mars, doch de derde 
Hollander, Jan de Matroos, was nog in het logies. Daarom zond 
men de schepprauw met de Makassaarsche huurlingen naar land 
terug, met den last voor Jan de Matroos om een partij hoenders 
te brengen. Dit was natuurlijk een list om ook hem behouden aan 
boord te krijgen. Ten einde geen argwaan te wekken, zeide men 
aan de huurlingen , dat zij zich haasten zouden , daar de 2 andere 
Hollanders nog 's avonds naar land terug wilden om den Koning 
bericht te brengen van de aankomst der Hollandsche ambassadeurs. 
De 2 Hollanders hadden weinig nieuws mede te deelen ; sedert het 
verzenden hunner missiven was nu ook het Portugeesche kwartier 
versterkt, wat men van uit het schip reeds gezien had. De Makassaren 
hadden geen kennis van de nadering onzer vloot. Voor genoemd 
kwartier lagen 6 Portugeesche schepen en een fregatsgewijze ingericht 
jonkje, waarvan 4 diep geladen schenen. Bijna den geheelen nacht 
werd er beraadslaagd, wat men doen zou met de Portugeesche 
schepen,. die den onzen //niet weinig in de oogen flikkerden//. Viel 
men eerst Makassar aan, dan was er veel kans, dat de Portugeesche 
buit ontsnapte, daar deze gereed was tot vertrekken. Men besloot 
daarom af te wijkeu van de instructie en eerst de Portugeesche 
schepen aan te vallen, waarvan wederom een resolutie opgemaakt 
werd. Vastgesteld werd, dat men den volgenden morgen , ook ingeval 
Jan de Matroos nog niet aangekomen zou zijn, bij het aanbreken 
van den dag de Portugeezen aantasten en voorloopig Makassar 
ongemoeid laten zou. Daarom kou de rest der vloot niet te hulp 
komen en zou de aanval met 2 schepen t^gen 6^7 geschieden. 

' Valentijn, Deel III, Tweede stuk, vermeldt ten onrechte, dat de aan- 
voerders vooruitgingen om te trachten nog tot een minnelijke schikking te 
komen. Hun eenig doel was om zonder opzien te baren de 8 HoUandors van 
Makassar in veiligheid te brengen en de kust te verkennen. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MAKASSAE IN 1660. 17 

Men vermoedde , dat deze aanval //op onze vijanden , de Portugeeze// 
den Koning van Makassar wel schrik inboezemen zou. 

Tot groote vreugde der onzen kwam Jan de Matroos nog in den 
vroegen morgen van den 8"J aan boord. De aanval begon kort 
daarna. De heeren van Dam en Truytman gingen met hun beide 
welbezeilde schepen kloekmoedig op den vijand los en gaven hem 
tot een morgengroet de volle laag van het met schroot en kogels 
geladen donderend kanon. De Portugeezen toonden echter, dat zij 
ook reeds "wakker waren en boden in het eerst een krachtigen 
t^enstand , zoodat de kogels van weerskanten in menigte door 
de schepen vlogen en men overal niets dan 'vuur en rook zag. ^ 
De kansen stonden aanvankelijk gelijk, totdat een gelukkig toeval 
die ten gunste der onzen deed overhellen; het Portugeesche 
admiraalsschip vloog op eenmaal met al zijn volk in de lucht. 
Kort daarna geraakten 2 andere hunner schepen in brand, die tot 
op de waterlijn afbrandden en eenigen tijd later ook in de lucht 
vlogen; de bemanning van deze schepen had zich intijds, ten deele 
zwemmende, ten deele met kleine vaartuigen gered. Toen werden 
2 andere Portugeesche schepen op het strand gejaagd, terwijl het 
zesde, de Nostra Signora de Remedia, door het fluitschip Breukelen 
geënterd en vervolgens genomen werd. De gevangen Portugeezen 
werden vrijgelaten en met een klein vaartuig naar land gezonden, 
opdat zij hunne landgenooten verhalen konden, hoe hun het bezoek 
der Nederlanders bekomen was. 

De onzen kregen iu dit gevecht slechts 5 dooden en 5 gewonden, 
terwijl de vijand vele gesneuvelden en gekwetsten had. Ons admiraals- 
schip, de Mars, was in groot gevaar geweest; men was in de 
onmiddellijke nabijheid van het vijandelijk admiraalsschip en voor- 
nemens dit te enteren, toen het in de lucht vloog; zelf had men 
13 duizend pond buskruit aan boord. 

Zoodra de strijd begon, had de Koning van Makassar, die 
met zijn edelen getuige van dit schouwspel was, overal de bloed- 
vlaggen doen hijschen. Weldra werden hunne gongs en krijgs- 
trompetten langs het geheele strand en landwaarts in menigte 
gehoord, terwijl Jiet zware geschut onze schepen onder vuur nam. 
Daar ons hiermede de vrede opgezegd werd, beschouwde men onzer- 
zijds verder onderhandelen overbodig. Men bleef derhalve, toen de 
Portugeesche schepen vernield of genomen waren , doorvuren, totdat 



^ W. Schouten, biz. 82. Zie ook Plaat XIII. 
?• Volgr. VI. 



Digitized by VjOOQIC 



18 MK. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

des avonds de land wind de onzen in staat stelde zichzelf en het 
genomen schip in veiligheid te brengen. Het Engelsche logies was 
volkomen gespaard, evenals een Engelsch schip, dat ter reede lag. 

Alvorens te vertrekken, zond men den Koning van Makassareen 
in het Maleisch vertaalden brief, welke overgebracht werd door de 
2 Makassaren, die des morgens met Jan de Matroos aan boord ge- 
komen waren. Om den Koning verder zoo weinig mogelijk tijd tot 
tegen weer te schenken, ging men nog ^s avonds de vloot tegemoet, 
//na den Almachtigen Behoeder in ons hart gedankt te hebben voor 
het zonderbare genadebewijs van zijn Goddelijke hulp.i/ 

Den 9^*° Juni 's morgens gingen Truytmau en Terhorst op in- 
spectie bij den genomen Portugees. Het schip bleek aan de Geeste- 
lijke Compagnie te Macao * te behooren en was propvol met sandel- 
hout, een partij peper, nagelen, noot, buffelhorens , rottang, enz. 
Het was zóó reddeloos geschoten, dat het onmogelijk volgen kon; 
daarom werd het den 10®° tusschen Makassar en Tanakeke onder de 
hoede van de Breukelen achtergelaten. 

Den 11®° Juni bereikte de Mars onze vloot op de vastgestelde 
plaats. Hier had men zich intusschen tot den strijd gereed gemaakt. 
//Men bespeurde in de gantsche* vloot eenen wakkeren moed onder 
^al het volk, tonende elk zijne begeerte , om met de trotze Makassers 
//aan den gang te komen. Alleen onze zwarte Amboineezen, die 
//dappere krijgshelden, welken, toen zij van Amboina vertrokken, 
//zulke manhaftige gebaerden aanrighten, omdat zij geen andere 
//gedagten hadden , dan slegts een togtje naar de eilanden van Solor 
//en Tijmor te doen , en daar eenen weêrloosen hoop zwarten te ver- 
^ jagen , stonden thans geheel verbaasd en door schrik bevangen , nu 
//zij hoorden, dat men op Makasser losging, om het zelve met eenen 
//mannenmoed aantetasten. 

//Op ons schip hadden wij ééne kompagnie van deze krijgshelden. 
//De kapitein van dezelve, die met ons bij de schipsbevelhebbers 
//in de kajuit de tafel had, had te voren menigmaal gezwetst op 
//zijne dapperheid, en gezegd, dat hij besloten had, op desen togt 
^geen gezouten vleesch meer te eten voor dat hij van zijner vijanden 
//herssenen gebraden en genuttigd zou hebben. Maai^nu bezweek deze 
//kloekmoedige en onvertzaagde krijgsman schier van schrik, als 
//hij slegts Makasser hoorde noemen, zig niet anders voorstellende, 
//dan dat hij met zijn volk hier ter slagtbank werd geleid//. ^ 

^ Letterlijk overgenomen uit van Dam's verslag. 
« W. Schouten. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MAKASSAK IN 1660. 19 

Op weg naar Makassar kwam men eerst een Makassaarsch vaar- 
tuig tegen met een vredevaantje en een partij goud en lijnwaad , 
door den Koning aangeboden als schadeloosstelling voor hetgeen van 
de onzen te Bima geroofd was ; men nam een en ander aan en zond 
het schip terug. Vervolgens ontmoette men de Breukelen met het 
Teroverde vaartuig, dat inmiddels hersteld en in //De Hollandsche 
Eemedia^ omgedoopt was; beide sloten zich bij de vloot aan. 

Den 1£^ Juni, nabij Makassar gekomen, stapten van Dam en 
Truytmau over op het snelzeileud jacht de Kat. Insgelijks ging al 
het krijgsvolk van de elf kloekste schepen in alle stilte over op de 
jachten, fluiten en galjooten, terwijl men zich van alles voorzag, 
vat bij de uitvoering van de landing noodig kon zijn. Op die wijze 
misleidde men den vijand ; het schip met de admiraals vlag zeilde 
met de andere groote schepen door naar het N. , terwijl de opper- 
bevelhebbers bij de voor de landing bestemde hoofdmacht achterbleven. 
Overeenkomstig de vroeger vastgestelde plannen begon het zware 
geschut der elf hierbedoelde schepen de kust, inzonderheid de 
kasteelen, dapper te //troeven//, terwijl men N.waarts voer. * Eerst werd 
het strand nabij het Zuiderkasteel van vijanden schoongeveegd, terwijl 
daarna het kasteel zelf flink onder vuur genomen werd. De Makassaren 
beantwoordden ons geschutvuur krachtig, doch hunne schoten gingen 
aanvankelijk te ver, zoodat Ssij onze schepen weinig beschadigden. 

Voortgaande koos men daarna de tempels en gebouwen van 
Uakassar ten doel, totdat men bij fet Koninklijk kasteel Samboepo 
gekomen was, dat door een concentratie van vuur zeer veel te 
lijden had. Een van 's Konings schoonste vrouwen werd aan zijne 
zijde gedood. Doch ook het geschutvuur des vijands nam thans in 
hevigheid en juistheid toe. Bijgestaan door ter hulp gesnelde Portu- 
geezeu slaagde hij er meermalen in onze schepen te raken, waarvan 
er verscheidene beschadigd werden. Men kreeg schoten op en onder 
de waterlijn, doch door de vaardigheid der timmerlieden werden de 
gaten weldra gedicht. 

lu de overtuiging, dat de aanval het kasteel Samboepo gold, 
kwamen de gewapende Makassaren van alle kanten opdagen om hun 
vorst tegen onze landing te beschermen. Te dien einde trokken ook 
4000 man uit het kasteel Panakoke en omgeving naar het N., in 
de hoop ons voor het vorstelijk slot het hoofd te doen stooten. 
lutusschen waren onze overige vaartuigen met de zeilen bij den 

^ Een afbeelding van dezen aanval vindt men bij Schouten. Plaat XIV. 



Digitized by VjOOQIC 



&Ö MA. JORA.N VAN DAM kIJ ZUKË 

mast in de nabijheid van het Zuiderkasteel blijven liggen, waar zij 
den schijn aannamen niet in staat te zijn iets te ondernemen. Hier 
lagen echter de 2 opperbevelhebbers met vele vendels soldaten ver- 
borgen onder verdekken, tenten en overloopen, //verlangende, gelijk 
//weleer die in het turfschip van Breda, naar eene ruimere lugt 
//en bekwaamen tijd om een aanslag uittevoeren, die vrij aan- 
//merkelijk was.// * 

Zoodra de krijgslist gelukt bleek, werd het sein gegeven om te 
landen. Zonder veel te vuren ging men aan land en viel het 
Zuiderkasteel aan, waarvan de bezetting te zwak was om weerstand 
te bieden. Zij trachtte nog langs de landpoort te ontsnappen, doch 
reeds was een compagnie piekeniers haar aan die zijde voor. Allen 
werden in het kasteel teruggedreven en gedood; ook sprongen 
vele Makassaren, door schrik bevangen, van de muren neder en 
werden afgemaakt; in het kasteel telde men 59 dooden, bovendien 
velen daarbuiten. Slechts weinigen ontkwamen en verspreidden een 
algemeene ontsteltenis onder den vijand. Zoodra de onzen meester waren 
van het kasteel, werden de Prinsenvlag en verscheidene vaandels 
op de veroverde vesting geplaatst. De wallen van het kasteel hadden 
dermate van ons geschutvuur geleden, dat men er op verschillende 
plaatsen zonder stormladders binnendringen kon. Daarom werden 
zij voorloopig zoo goed mogelijk hersteld, de stukken weder be- 
hoorlijk op de affuiten geplaatst en het geheele kasteel in staat 
van tegenweer gebracht. Weldi» bleek, dat dit geen overbodige 
voorzorg was. Zoodra de Makassaren tot de overtuiging kwamen, 
dat zij misleid waren en het Zuiderkasteel hun ontnomen was, 
keerden zij zich met groote drommen tegen dit laatste, in de 
hoop het te hernemen en de onzen in zee te drijven. Duizenden 
pijlen en vergiftige assagaaien snorden door de lucht en vielen in 
de vesting. Anderen deden hun best met musketten, vuurballen en 
klein geschut of trachtten met hun onbekwaam stormgereedschap 
de steile wallen, te beklimmen. De onzen ontvingen hen echter z66 
wel met de metalen stukken , met het geweer en met handgranaten, 
dat de tegenaanval mislukte en de vijand met bebloede koppen 
afdeinzen moest, van Dam en Truytman verrichtten daarop een 
uitval, die werd voortgezet tot aan de rivier, die tusschen het 
Zuiderkasteel en Samboepo door Makassar stroomt. Door dien uitval 
geraakte de vijand geheel in verwarring; velen trachtten zich zwem- 
mende te redden. 

» Zie W. Sohowfcen, blz. 86—90. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MAKA8SAB IN 16d0. 21 

Tijdens den terugkeer der onzen naar het kasteel werd het geheele 
terrein tnsschen dit laatste en de rivier afgebrand om rondom het 
kasteel vrij schootsveld te hebben. Een groote negorij, tempels, 
huizen en scheepstimmerwerven der Makassaren gingen hierbij verloren. 
V66t het vallen van den avond werd het terrein ook ten Z. van het 
kasteel een eindweegs afgebrand. Men nam hierbij nog een paar 
jonken met sandelhout. 

Intnsachen waren de groote schepen, na het kasteel Samboepo 
geteisterd te hebben, nog N.waarts gegaan. Het kantoor der Engelsche 
Compagnie, waarvóór een schip ten anker lag, werd ongemoeid 
gelaten. Verder komende kanonneerde men de stad opnieuw en 
kwam ten slotte aan het kwartier der Portugeezen, waar prachtige 
gebouwen naast sterke batterijen en verschansingen lagen. Zij schenen 
sich te willen wreken voor het verlies hunner handelsschepen en 
begonnen dus wakker op onze schepen los te branden. De onzen 
lieten zich niet onbetuigd en beantwoordden, dicht langs de batterijen 
voorbijvarende, het vuur met alle kracht. Ten slotte kanonneerde 
men het aan de N.zijde van Makassar gelegen kasteel Djoempandang, 
waarna men den steven wendde en in omgekeerde orde de geheele 
kust nogmaals de volle laag gaf. Vóór het Portugeesche kwartier 
geraakte óén schip, te dicht langs den wal varende, met zijn roer 
verward in het ankertouw van het gezonken Portugeesche admiraals- 
schip. Alle pogingen om los te komen bleven vruchteloos. De Portu- 
geezen , dit bemerkende , verdubbelden hun vuur in de hoop bedoeld 
schip in den grond te boren. Vermoedelijk trof een hunner kogels 
het hinderlijke ankertouw; althans het schip geraakte eensklaps los 
en kon, zich van den wal verwijderende, bij de andere schepen 
aansluiten. 

Hoewel het vuur des vijands meer en meer begon te verflauwen, 
hielden de onzen hun kanonnade vol tot het vallen van de duisternis. 
Toen kwam de geheele vloot aan weerszijden van het Zuider-kasteel 
ten anker. 

De onzen hadden in het geheel 9 dooden en 14 gekwetsten. Aan 
de landing hadden 25 compagnieën deel genomen ; de vijf Amboineesche 
compagnieën waren aan boord gebleven om het gevecht ter zee bij 
te wonen en eerst wat //courageuser// te worden; zij gingen den 
volgenden dag aan land. 

Den 18"'* Juni, een Zondag, vond eerst een dankzegging plaats 
tot God voor zijn bewezen genade. Daarna ging ieder aan het 
werk om de geleden schade te herstellen; de dooden werden begraven 



Digitized by VjOOQIC 



22 MK. JOHAM VAN DAB! EN ZIJN£ 

en de gekwetsten onder toezicht van den chirurgijn behandeld. Het 
strand lag allerwege bezaaid met gesueuvelden des vijands, doch 
het begraven dezer dooden liet men aan de Makassaren over. Dien 
dag ontving men 4 gezanten des Konings, die om den vrede 
kwamen vragen. Onze opperbevelhebbers gaven den Koning alle 
schuld, daar hij, ondanks //onze vredige, vriendelycke en reverente 
verscheynioge// had ingegrepen in ons gevecht met de Portugeezen 
door het hijschen van de bloed vlag en het be vuren onzer schepen 
zonder eenige waarschuwing. Men behandelde de gezanten op vrij 
hoogen toon en gaf hun te kennen , dat eerlang een veel machtiger 
vloot van Batavia zou uitzeilen om met het rijk van Makassar af 
te rekenen. Daar men de gezanten des Konings niet voornaam 
genoeg oordeelde, zond men hen met de bovenstaande mededeeling 
terug en roet den last om met een persoon van meer gezag terug 
te keeren. Des middags keerden zij, nu vijf personen sterk, weer 
en werd hun na eenig onderhandelen een wapenstilstand toegestaan. 

Zonder voorkennis van het bewind der Compagnie te Batavia 
wilden de opperbevelhebbers geen vrede sluiten, daar men zich 
hiertoe niet bevoegd verklaarde. Men gaf den Koning den raad zoo 
spoedig mogelijk zijne gezanten, zoo van staat als van verstand, 
naar Batavia te zenden , om daar te onderhandelen. Dien dag kwam 
ook de. Engelsche onderkoopman aan boord met een geschrift van 
zijn opperhoofd, waarin dankbaar de goede orde erkend werd, op 
onze vloot gesteld en dank betuigd voor het sparen van de Engelsche 
factorij. 

Den 14*° kwamen de 5 gezanten terug. De Koning had 4 ge- 
zanten aangewezen, die namens hem naar Batavia zouden gaan. 
Daar het 4 Moorsche schriftgeleerden waren, werd geantwoord, dat 
er nog eenige hooge personages bijgevoegd moesten worden. De 
Koning wees er daarop nog twee aan , doch daar deze volgens de inlich- 
tingen van de te Makassar gevestigde Hollanders niet //gequalificeerd^ 
genoeg waren , stelde men den Koning 4 van de grootsten des lands 
voor, waaruit hij er een kiezen moest. N^dat hij nog een poging 
gewaagd had om alle onderhandelingen te Makassar af te handelen 
en nadat hem gezegd was , dat hij een prompt bescheid moest geven , 
wees hij den 15*®" een bejaarden prins, Karaeng Popo, als hoofd 
van het gezantschap aan. 

Den Koning werd aangezegd, dat het gezantschap een schriftelijke 
volmacht hebben moest om in zijn naam met den Gouverneur- 
Generaal en den Eaad van Indië te onderhandelen; tot na afloop 



Digitized by VjOOQIC 



TUGUTIGIN0 VAN MAKA8SAB IN IddO. 23 

der onderhandelingen zou het veroverde kasteel als onderpand in 
onze handen en zonden eenige schepen op de reede blijven. Intus- 
scheo werd dit kasteel geducht versterkt; een nieuwe gracht werd 
gegraven , de berm van sterke palissaden voorzien en aan de zeezijde 
langs den muur een dubbele rij van Friesche ruiters gelegd. Dien 
dag ontving men bericht, dat de ^Botterbloem^ in de bocht van Tauette 
?eigaan was en de opvarenden, 21 man, door ^sKonings onder- 
danen aldaar gevangen gehouden werden. Men eischte , dat de Koning 
onmiddellijk naar Tanette , dat niet ver van Makassar gelegen was , 
den last zou zenden om de bemanning in vrijheid te stellen. Weinige 
dagen later werd hieraan voldaan; 2 jougmaats, die Moorsch ge- 
worden waren, keerden niet terug. 

Den 16®" kwam van de Engelsche kolonie een schrijven in met 
de mededeeling, dat men voor bepaalde bedragen en voor bepaalde 
waren betrokken was in de genomen Portugeesche schepen en een 
genomen Makassaarsche jonk ; men vroeg daarom zijne waren terug. 
Hierop werd //aen de Residenten van de Honorabile Engelse C*® 
tot Macassar^ geantwoord, dat men de Engelsche kolonie ten allen 
tijde sparen zou, indien de vlaggen duidelijk van de gebouwen 
waaiden, doch dat men verdere verzoeken niet kon toestaan. De 
Eugelschen hadden gehandeld met vijanden van de Compagnie en 
moesten de gevolgen dus zelf dragen. Men achtte zich tot inwilliging 
Tan het verzoek niet gequalificeerd en verwees hen naar den 
Gouverneur-Generaal. 

Den 18«" werd de secrete raad in het kasteel bijeengeroepen. 
Besloten werd de fluit de Vinck vol te laden met genomen goederen 
als peper, nagelen, lood, buffelhorens, enz.; de Portugees was ook 
volgeladen; diens luiken werden dichtgespijkerd en het ruim ver- 
zegeld. Beide schepen zoi^den nu zoo spoedig mogelijk naar Batavia 
vertrekken om den goeden afloop van de expeditie te melden. In 
overeenstemming met de medegekregen instructie werd in plaats van 
Jokannes Hartman , die den 1®° Juni aan een harde koorts bezweken 
was, tot bevelhebber van het kasteel aangewezen kapitein Harman 
van Outhoorn. Hij en Koopman Sr. Jan Barra werden tot regeerders 
of hoofden van het kasteel aangesteld ; tot //opsicht en waerneming 
van de artillerie- v uur wercken// bleef de constapel-majoor achter; 
voorts bleven in het kasteel 2 chirurgijns en 1 cranckbesoeker. 

Den 19*° Juni zond de Koning 2 magere buffels en een dito 
koebeest , benevens eenige zakken witte rijst , klappers en suikerriet. 
Den dag daarna ontving hij ons ontwerp voor den wapenstilstand. 



Digitized by VjOOQIC 



24 MR. JOHAN VAN DAM SK ZUNE 

Den 22*" werd het terrein rondom Panakoke afgebakend, dat wij 
tot den vrede aan ons behielden. Den 25*" begon men de over- 
gebleven munitie te tellen en te verdeelen tusscheu de vloot, die 
weldra naar Timor en verder naar Amboina zou gaan en tusscheu 
het kasteel. Ook de aanwezige voorraden werden verdeeld. Daar het 
kasteel voor 5 maanden van alles voorzien moest worden, bleef er 
voor bedoeld deel der vloot ter nauwernood voor 4 maanden over. 

Den 26*** kreeg men het ontwerp voor den wapenstilstand terug ; 
het was den Koning in alle opzichten naar den zin , zoodat hij het 
met zijn zegel bekrachtigd had. In dit verdrag werd bepaald, dat 
het in. ieder geval van kracht zou blijven tot na den terugkeer der 
gezanten uit Batavia. Het HoUandsche gebied, dat niet verder dan 
één kanonschot buiten het Zuiderkasteel en naar het N. tot aan de 
rivier reikte, mocht gedurende den wapenstilstand niet door de bevolking 
van Makassar betreden worden. Zoolang mocht ook geen Portugeesch 
vaartuig in zee steken ; evenmin mochten vreemde handelaren dien 
tijd de haven in of uit zouder een HoUandschen vrijgeleidebrief. 
Overigens zouden de Hollanders de Makassaren als vrienden beschou- 
wen en mochten eenige van deze laatsten wel ter reede van het 
kasteel komen om hunne waren te verkoopen. 

Den 29*'* vernam men van de Engelscheu, dat de Portugeesche 
kolonie door ons optreden tot groote armoede vervallen was. Vele 
blanke Portugeezen waren gedood. Yan hunne vaartuigen was één 
ontkomen naar Macao ; twee andere zaten nog vóór 's Konings kasteel 
aan den grond. Ook de Makassaren hadden gevoelige verliezen geleden. 
Den volgenden dag werd de secrete raad bijeen geroepen, die, op 
het '/voorbrengen// van den fiscaal, vele rechtszaken afdeed; ook 
over het gebrek aan rijst op de vloot werd gesproken. Uit het verder 
verhandelde blijkt, dat 15 schepen, zoo groot als klein, bestemd 
waren voor Timor en Amboina, om de //Oostersche volken /s', die 
aan de expeditie deelgenomen hadden , terug te brengen. Men besloot 
deze vloot onder de vlag van Truytman eerst de negorij van Bima 
te laten aandoen, die niet ver uit het bestek lag. Truytman was 
reeds blijkens de instructie van G. G. en E. v. I. bestemd om als 
//expres commissaiW'/ naar Timor te gaan. Men moest trachten te 
Bima, dat onder protectoraat van den Koning van Makassar stond, 
op minnelijke wijze en tegen betaling zooveel koren op te doen als 
noodig was. Ten respecte van den Koning van Makassar moest men 
de bevolking van Bima , minzaam behandelen ; was zij echter onwillig 
of tergde zij ons, dan vertrouwde men, dat Truytman een voldoende 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAK MAKAS8AB IK 1660. 25 

macht bij zich had om de ouontbeerlijke ^nootdruftighedeu// zelfs 
met geweld te zoeken. Ten slotte werd besloten, dat de //Heer 
Commandeur ende Majoor Johau van Dam zelfs in persoon eerdaags 
met de Makassaarsche gezanten naar Batavia vertrecken sonde//. 

Den 1^^ Juli werden 3 Spanjaarden , tot ons garnizoen behoorende , 
doch naar de Portugeezen overgeloopen , door den Koning van 
Makassar overgeleverd. Er was voor hen geen pardon te krijgen. 
Zij werden, anderen ten voorbeeld, den 5*" d. a. v. bij elkaar aan 
een boom nabij den zeekant opgehangen. ^ Den 2^^ Juli gingen 
eenigen der onzen , waaronder Mr. Pieter , die er goed bekend was , 
te Makassar ter markt. Men kon er ongehinderd verkeeren, doch 
er was nog bijna niets te koop. Mr. Pieter rapporteerde, dat de 
staten verwoest waren, de meeste huizen afgebroken of gedeeltelijk 
verbrand. ^De grooten gingen druipoorend en schenen zoo vol moeds 
en grootschheid niet meer te zijn.^ De ongetemde berglieden, 
vBoegis^' genaamd, zwierven bij troepen in de stad en werden ook 
door de Engelschen zeer gevreesd. De vaartuigen, waarmede de 
Makassaarsche gezanten naar Batavia zouden gaan, waren gereed en 
lagen v66r 'sKoniugs kasteel. 

Den 4*" Juli werd een generale bededag gehouden in 't kasteel 
en op de gansche vloot. //Den almachtigen grooten en victorieusen 
God werd uit de grond van ons hart gedankt en geprezen voor al 
zijn bewezen genade en weldaden, gedurende deze krijgs-expeditie 
200 rijkelijk bewezen en ondervonden, en werd zijn zegen afge- 
smeekt over 's Compagnies verdere affaires naar Bima , ïimor en 
zoo verder.// 

Den 5*" zag men tot zijn groote verbazing, dat een der Portu- 
geesche schepen van het strand af en aanmerkelijk N.waarts ver- 
plaatst was. Kennelijk had men hier te doen met een poging tot 
ontsnappen, die door het uitblijven van den landwind mislukt was. 
Eenige onzer schepen werden op den Portugees afgezonden om hem 
vast te houden en aan te snoeren of hem anders te verdelgen. 
Ondertasschen kwamen 5 Makassaarsche schepen met de afgezanten 
en zeer veel volk nabij onze vloot. In het voorbijgaan riep men ons 
toe, dat de gezanten aan boord waren; daarna roeiden zij voort 
om de Zuid. Men sprak hierover zijn ongenoegen aan den Koning 
uit ; wij waren nog niet tot vertrek gereed , er was geen gelegenheid 
de gezanten te verkennen en hun vertrek streed regelrecht met onze 



1 W. Schouten, bk. 96. 

Digitized by VjOOQIC 



26 lOL. JOHAN VAN DAM EN ZUNB 

overeeakomst, die bepaalde, dat het gezantschap te gelijk met de 
ouzen naar Batavia zou gaau. Kort daarop kwam het antwoord van 
den Koning. Van het wegloopen van den Portugees was hem niets 
bekend; daarom had hij dat schip in den grond doen boren. 
De gezanten waren slechts tot Galesong gefeild, waar zij onzen 
admiraal zouden inwachten. Voorts zond de Koning als geschenk 
voor den G. G. een last wjtte rijst en voor den heer de Vlamingh 
van Outshoorn, Baad van Indië, een buitengewoon schoon en zeld- 
zaam stuk ^sandalenhout// , wel 36 voet lang. 

Den 6*'* kwam de secretaris van Karaeng Popo met het verzoek 
te mogen vernemen, wanneer de admiraal dacht te vertrekken. De 
Makassaarsche schepen waren diep geladen, zoodat men niet recht 
door zee op Batavia durfde gaan, doch langs de kust van Madura 
wenschte te varen. Nu was de vraag, of men allen te zamen gaau, 
dan wel of men elkaar te Japara inwachten zou om daarna ge- 
zamenlijk de reis naar Batavia voort te zetten, van Dam liet ant- 
woorden, dat hij den S^^ dacht te vertrekken en dat hij de reis 
over Japara nemen zou. Hij liet het verder aan de gezanten over 
of zij met hem wilden gaan dan wel of men elkaar d^r vinden 
zou. Den 7'^ Juli werd Harman van Outhoorn in het kasteel 
Panakoke geauthoriseerd en den volke voorgesteld, terwijl de 
koopman Jan Barra tot zijn tweede of secunde aangewezen werd. 
Hun werd eeu instructie' ter hand gesteld, waaruit bleek, dat 495 
man, 16 //bosschutters tot het geschut// en 16 stukken * in het 
kasteel achtergelaten werden; voorts zouden 4 weerbare kloeke 
jachten en 2 sloepen ter reede blijven. Deze laatste moesten vooral 
letten op de 2 Portugeesche schepen onder ^s Konings kasteel. Te 
rekenen van den 1®° Juli was ons kasteel door de vloot voor 5 
maanden van levensmiddelen voorzien; alleen k^am men 10 last 
rijst te kort, welke de Arnemuiden te Bima zou trachteli te krijgen. 
Aan geld werden 400 Makassaarsche Masen of 800 gulden in gouden 
gangbare munt achtergelaten ; dit was een deel der 1595 Masen, reeds den 
11®° Juni door den Koning van Makassar betaald als schadeloosstelling 
voor den indertijd door de Makassaren te Bima van de Compagnie 
geroofde goederen. Omtrent de verpleging werd bepaald, dat de 
uitdeeling van levensmiddelen regelmatig plaats vinden moest als 
aan boord ; per dag en per hoofd zou ongeveer 1 pond rijst gegeven 
worden ; voorts S pond vleesch en 3 pond spek per hoofd en per 

* 7 metalen en 9 ijzeren stukken. 



Digitized by VjOOQIC 



TÜCHTIOING VAN MAKASSAK IN 1660. 27 

maand; alleen de hoofdofficiereu zouden het dubbele vau deze 
toespijs genieten. Bovendien kreeg ieder man per dag ^ maatje 
arak, terwijl boonen en katjaug tweemaal per week geschaft 
konden worden. 

Voorts bepaalde de instructie, hoe men wel indachtig zijn 
moest, dat de Makassaren >ygemeenelijk zeer trouwlooze en desperate 
stoute menschen zijn in het bespringen van anderen.// Men zou goed 
doen zich te gedragen alsof er geen gezantschap naar Batavia was. 
Ten slotte werd in de instructie de samenstelling van den secreten raad 
des kast^els geregeld. Hij zou bestaan uit 9 personen, te weten de 
£ hoofdlieden van het kasteel, 3 schippers en 4 luitenants. 

Den 8"" Juli nam men afscheid van alle vrienden in het kasteel. 
Dien dag verliet de vloot onder het gedonder van het geschut de 
reede van Makassar en koos het ruime sop. Volgens Schouten ^ zou 
Karaeng Popo te voren nog een poging gewaagd hebben om zonder 
Tolmacht te vertrekken. Toen men hem vroeg naar //zijn blijk en 
zijne geloofsbrieven,// die hij den Gouverneur-Generaal te Batavia 
zoQ moeten toonen, antwoordde de Moorsche prins: //Ik heb mijn 
«geloofsbrief in het binnenste van mijnen boezem , en heb genoegzaame 
«volmagt en volkomen bevel van zijne majesteit ontvangen, hoe ik 
^fflij in alle gelegenheden te gedragen heb.// Natuurlijk nam men 
met deze verklaring geen genoegen en werd een behoorlijke, schrif- 
telijke volmacht geëischt. De //dagelycke aenteykeninge// vermeldt 
(leze uitvlucht niet; toch komt dit voorval ons niet onwaarschijnlijk 
Toor, daar de sluwheid en de trouweloosheid der Makassaren telkens 
vermeld worden. 

De terugreis naar Batavia vindt men verder, als vervolg van het 
bovenstaande, beschreven als //Continuatie van't vorenstaeude dagh- 
register, vervolgt by de E. Hr. majoor Johan van Dam//. Nabij 
Tanakeke gekomen, nam Truytman afscheid vau van Dam om zijn 
reis als commissaris naar Timor te vervolgen en stapte over op de 
Kouckerken. Hij had onder zijn vlag 15 groote en kleine schepen, 
waarop tasschen de 4 en 500 man. ^ 

^Wij zetten het met de overige schepen onder de vlag van den 
dapperen admiraal Johan van Dam naar Batavia//. ^ van Dam had 

» T. a. p. blz. 94. 

' Truytman overleed te Batavia 2 Februari 1661. Zijn lijk werd den 3*" 
's avonds met veel statie in tegenwoordigheid van G-. G. en K. v.I. ter aarde 
besteld «ende daer werden dry chargen over zijn g^afgedaen". Dagh-Kegister . 
1661. 

» W. Schouten, blz. 97. 



Digitized by VjOOQIC 



28 ME. JOHAN VAN DAM BN ZIJNE 

oDgeveer 100 soldaten bij zich, waarvan 90 zieken eu impoteuten, 
bestemd voor . Batavia. Den 9^^^ Juli bleek, dat de veroverde jonk 
niet volgen kon; daarom werd er één schip bij achtergelaten. Was 
het scheepje niet te helpen, dan moest men terugkeeren naarPana- 
koke , daar opkalefateren om vervolgens in gezelschap van de Zoute- 
lande, die ter reede van Makassar door de Arnemnid en zou afgelost 
worden, naar Batavia terug te keeren. 

Den 13'** Juli kwam men vóór Japara ten anker; dadelijk ging 
een sloep naar land om aan ^s Compagnies resident de aankomst 
van van Dam te melden en hem te gelasten de vloot van verver- 
schingen te voorzien. Men kwam echter terug met het bericht, dat 
de resident al vóór 10 weken met //heele compagnies ommeslagh^ 
naar Batavia vertrokken was; de haven was thans toegepaggerd. De 
reden hiervan was, dat de Nederlanders kort te voren Palembang 
veroverd en geheel verdelgd hadden, uit wedervergelding, omdat 
de inwoners 2 Nederlandsche schepen verraderlijk overrompeld en 
het volk neergesabeld hadden. De Soenan van Mattaram op Java, 
die zich als beschermheer van Palembang aanmerkte, had daarop 
een scherp bevel uitgevaardigd geen Hollanders meer in de haven 
toe te laten noch hun ververschingen te verschaffen. ^ 

Den 14^° riep van Dam de schippers aan boord om gezamenlijk 
te besluiten /^wat nu voor ons best diende aan de. hand geslagen 
te worden// , gezien de ongelegenheden te Japara. Men had gehoopt 
daar eenige ververschingen te kunnen krijgen voor de zieken, 
waarmede men opgepropt zat. Ingevolge van Dam's voorstel werd 
besloten zonder toeven verder te gaan. Het jacht de ICat werd achter- 
gelaten om de Makassaarsche gezanten af te wachten en te geleiden ; 
dit jacht moest zijn zieken overgeven aan andere schepen en tot 
30 Juli blijven liggen; waren de gezanten dan nog niet aange- 
komen, dan kou men vertrekken. 

Zaterdag, den 17*° Juli 1660, liet men het anker vallen ter reede 
van Batavia nabij het Vader Smitseiland. ^Allen dankten God , 
die ons zoo genadiglijk den ganscheu tijd van de reis heeft gelieven 
te zegenen en bij te wonen.// Ter reede lagen wel 50 schepen, 
doch den volgenden nacht vertrok een vloot van 12 kloeke schepen 
ouder de vlag van den heer van der Laan naar het Noorden om 
te trachten de stad Macao den Portugeezen te ontwringen. 

Men vernam nu, dat de tijding van de overwinning, op de 

» W. Schouten, blz. 98. 



Digitized by VjOOQIC 



TOGHTIOINQ VAN HAKA.SSAE, IN 1660. 29 

Makassaren bevochten, te Batavia gevierd was met een dankdag, 
het lossen van al het geschut, het aansteken van papieren lantaarns 
langs de wallen en straten, het afsteken van Chineesch vuurwerk, 
het branden van piktonnen enz. Ook aan alle in Azië gelegen 
Nederlandsibhe steden , kasteelen , vastigheden en kantoren was bevel 
gegeven over deze langgewenschte overwinning een dergelijke openbare 
vreugde te bedrijven. * 

i^De verstandigste , kennende de gelegentheyt van Macassar hadden 
«'t selve voor een gantsch ondoenelycke saecke gehouden , de Mooren 
'en Heydenen alomnie gelooffden , dat de werelt eer soude vergaan , 
'dan dat de Hollanders de Macassaren souden overwinnen, als 
'^sjnde altyt gehouden en gereputeert geweest voor de stoutste, 
/ronvertsaegste en strytbaerste Natie van gantsch India, Een volck 
«'dat gewoon is met de alleruyterste desperatie te vegten, en dat 
veenige honderd duysenden op de been konde brengen , gebruyckende , 
«"behalve canon en Musquetten voor haer ordinaris geweer, vergiftige 
^pyltgens, daer mede sy seer correct tot dertig schreden verre op 
^een stuyver weten te schieten.// * 

Korten tijd later kwamen de Makassaarsche gezanten met hun 
gevolg ter reede van Batavia aan. Zij werden door Johan van Dam 
en andere gecommitteerden dadelijk verwelkomd en in prachtige 
vaartuigen der Maatschappij naar land geroeid , waar hun even buiten 
de stad een /^vermaaklijke hoffstede met schoone vertrekken, aan- 
genanae tuinen en plantaadjen vercierd// tot verblijf werd aangewezen. 
In hun bagage bevond zich een kistje met goud en een partij 
Spaansche realen, ter waarde van ongeveer 28.000 gulden, om daar- 
mede het kasteel Panakoke weer van de Compagnie terug te koopen. '' 

Verschillende plechtigheden hadden vervolgens plaats, waarbij de 
gezanten tegenwoordig waren, o. a. een groote parade ter gelegen- 
heid van de jaarlijksche verkiezing van nieuwe officieren over de 
burgerij van Batavia. De onderhandelingen stonden intusschen niet 
stil en werden bekroond met een voor ons zeer voordeeligen vrede. 
Daarbij werd o. a. bepaald, dat de Koning van Makassar noch zijn 
volk zich voortaan zouden bemoeien met de landen van Boeton en 
met Menado; dat de Koning zich niet meer zou inlaten met de 
Ambonsche zaken; dat de Makassaren voortaan noch Banda noch 
Amboina zouden bevaren; dat men niet zou toestaan, dat nagelen. 



» T. a. p. blz. 98. 

' Werk van Mr. Pieter van Bam over de O. I. 'Compagnie. Zie bij Makassar. 

• Werk van Mr. -Pieter van Bam. 



Digitized by VjOOQIC 



30 MK. JOHAN VAN DAM EK ZIJNH 

noten of foelie zouden worden verkocht aan anderen dan aan de 
Compagnie; dat de Koning de Portugeezen //met hare creaturen en- 
aanhang// voor altijd zijne landen zou ontzeggen; dat hij alles aan 
de Compagnie zou uitkeeren, wat hij wederrechtelijk in 1652 van 
haar genomen had (2 schepen); dat de Compagnie zich voortaan 
weer te Makassar zou mogen neerzetten om daar handel te drijven ; 
dat de Koning alle kosten der plaatsgevonden expeditie zou betalen , 
het bedrag vast te stellen door gemachtigden van weerszijden, die 
te Makassar zouden komen , waarbij de betaalde f 28000 in mindering 
kwamen; dat het kasteel Panakoke bezet zou blijven, totdat 
Makassar de geheele som had voldaan ^, enz. Nadere onderhandelingen 
met den Koning zelve waren niettemin uoodig, want reeds den 6**" 
Augustus 1660 werd overwogei*^ , wie als Commissaris naar het 
Makassaarsche hof gezonden moest worden om van den vorst genoegzame 
satisfactie tot een vasten, verzekerden vrede te bekomen, waartoe 
het scheen , dat de aanwezige gezant Karaeng Popo geen macht noch 
last genoeg heeft, en //is besloten, den heer Majoor van Dam, die 
//de expeditie op Makassar verricht heeft en de onderhandelingen 
//met den Makassaarschen gezant als onzen gecommitteerde mede 
//bijgewoond heeft , als eersten Commissaris der Compagnie naar het 
//hof van Makassar te zenden , om van den vorst genoegzame satisfactie 
//tot een hechten vrede te verkrijgen; nevens Z.Ed. werd als 2^* 
//Commissaris gesteld de heer Zacharias Wagenaer.//^ 

Het schijnt, dat van Dam, die zich reeds te voren een goeden 
naam in het burgerlijk bestuur verworven had, die nu ook als 
krijgsman en diplomaat voor de rechten der Compagnie opgekomen 
was en daarbij uitgeblonken had, ongenegen was met een tweeden 
persoon of secunde naar Makassar te gaan. Althans den 19®" Augustus 
1660 //droeg de Gouverneur-Generael de vergaderingh voor, hoede 
//heer Majoor Johan van Dam zich bij syn E. had de comen ex- 
//cuseren van dat niet wel als onse eerste commissaris neven den koopman 
//Zacharias Wagenaer naer 't Macassarsche hof kan vertrekken alsoo 
//'t euenmaal geresol veert hebbe om zich voortaan alhier buiten dienst 
//der I. comp® in vrijdom te erneren, bij welke resolutie hij , van Dam , 
//onaangesien wat vermaningen hem zijn Ed. tot continuatie van 'sComp' 
//dienst hadde tegemoet gevoert, onafscheydelyck bleef persisteren, ende 
//om syn vrydom was aeuhoudende, ende versoeckende, op welck instan- 
//tich versoeck by ons omstandelyck gelet synde, soo hebben wij goet- 

ï T. a. p. 

« Resolutieboeken G. G. en R. v. I. op dato. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MAKASSAB IN 1660. 31 

^gevonden gemelten heer Johan van Dam van de voors. commissie te 
i^excuseren ende van des Comp' dienst te ontslaen , ende iu bargerlycke 
^vrydom te stellen//. ' Dit laatste had reeds den vorigen dag plaats 
gevonden, want in de «'Notitie van de vrijgeworden persoonen in 
*'t jaer a® 1660" leest men: ^ //Joan Maetsuycker, gouv. generael 
»en. de raden van india over den Staet der Vcreenigde Nederlanden 
*in Orienten , alle degenen , die desen sullen sien ofte hooren lesen , 
«saluyt doen te weten, alsoo den E. Joan van Dam, majoor deses 
«rguamisoens in*t land gekomen met 't schip de maegt van Bnc- 
«rhoysen a* 1655 den 17"* Juny, op ons instantie versocht heeft 
^van des Gomp' dienst ontslagen te werden, soo ist' dat>y enz. 

/rln't Gasteel Batavia den 18« AQg«. 1660//. 

Zooals hiervóór bleek , ^ had van Dam zich ten slotte voor 8 jaar 
verbonden, zoodat zijn verband eerst in 1663 eindigen zou; het 
schijnt echter, dat hierop niet te streng werd gelet. 

In plaats van van Dam ging nu Wagenaer als eerste en Jacob 
Cauw, lid van den achtbaren raad van justitie, als tweede naar 
Makassar. ^ Met het sluiten van den definitieven vrede werd aldaar 
nog tot den 2*" December 1660 getalmd. De Koning keurde het 
verdrag, door zijn gezanten gesloten, eindelijk goed en beloofde 
onder eede het te zullen nakomen; de Fortugeezen zouden binnen 
één jaar worden uitgezet. ^ Deze vrede was echter niet bestendig 
van duur. De te Makassar wonende Fortugeezen werden niet uit- 
gezet, die van Macao zelfs weldra weer ter reede toegelaten. 
i'Niettemiu^, zegt Schouten,* /i' hebben de trouwelooze Makassers 
/fsedert hunne bedriegerijen , meineedige schelmstukken , en gruwzaame 
'i^moorden tegen de onzen weer begonnen, en den vrede schandelijk 
«'Verbroken.* 

De formeele oorlog begon opnieuw, toen de Makassaren in 1665 
de Nederlandsche versterkingen op het eiland Boetou aantastten. 
Comelis Speelman , met een vloot van Batavia gezonden , slaagde er in 
den vijand ten onder te brengen, waarop de vrede in 1667 gesloten werd. 
Ook deze was van korten duur en eerst in 1669 gelukte het ge- 
noemden vlootvoogd , na Makassar met zijn versterkingen en naburige , 

1 Als voren. 

* Overgekomen brieven van G. G. en R. v. I. in 1661. 
» Zie blz. 7. 

* Eesolutie G. G. en R. v. I. dd. 19 Augustus 1660. 

• Werk van Mr. Pieter van Dam. Valentijn, Deel III, 2* stuk, noemt 16 
November als den datum van den vrede. 

• Blz. 99—100. 



Digitized by VjOOQIC 



32 MR. JOHAN VAN DAM EN ZTJNE 

verwante koninkrijken ten onder gebracht te hebben , een blijvenden 
vrede te verzekeren. 

Waarmede van Dam zich onledig gehouden heeft, nadat hij den 
dienst der Compagnie verlaten had, vermochten wij niet te ont- 
dekken. Blijkbaar bleef 'hij te Batavia en , ondanks de reden , 
waarop hij in vrijheid werd gesteld, in nauwe voeliug met den 
Raad van Indië. Men vindt althans vermeld, hoe de tweelingen 
van den heer de Vlaming van Outshoorn den 16*° Juni 1661 des 
morgens na de predicatie in de stadskerk te Batavia gedoopt werden , 
waarbij o. a. getuigen waren ^/d'E. Willem van der Heeck, althans 
sergeant-majoor deses guarnisoens [derhalve de opvolger van van 
Dam], Mr. Joan van Dam, gewesen major// enz. ' Verder werd 
den 28®° Juni d. a. v. //verstaan aan den Commandeur, Caeuw te 
defereren de qualiteyt van vice-president van den achtbaren raed 
van justitie, die sedert de vrijwerdiug van den gewesen majoor, 
Mr. Joan van Dam, vacant geweest is, met 150 gulden ter maand.// ^ 
Hieruit volgt, dat van Dam niet alleen lid van den raad van 
justitie te Batavia geweest is, doch ten slotte daarvan ook vice- 
president was. Wanneer hij dit laatste werd, vonden wij echter 
nergens aangeteekend. 

Het schijnt, dat Mr. Johan van Dam niet lang vrede had met 
eeux ambteloos bestaan. Althans den 1***° October 1661 namen G. G. 
en R. V. I. de volgende resolutie: Overwegende, dat het gouvernement 
van Banda eenigen tijd vacant was en dit vervuld moest worden, 
had men daartoe speciaal //gelet op de besondere bewuste qualiteyteu 
//dewelcke gevonden worden in den persoon van d'H. Joan van 
//Dam , die voor desen als sergeant-maioor in dienst der Ed. Comp*® , 
//eude in verscheydene aensienelycke bedieningen, ende nu jongst 
//het gewichtige desseyn van de Compio met de verovering van de 
//forteresse panakoke op maccassar voorleden jaer onder godes ge- 
//nadigen zegen als vel to verste seer geluckig heeft uytge voert, ende 
»\s over sulcx na voorgaende deliberatie eenstemmig goed gevonden 
//ende verstaen op zijn versoeck het voorsz. emportante gouveruement 
//van Rauda aan zijn Ed. te defereren.// Den 21*° d. a. v. werd hem 
onder een 5-jarig verband, //f200 ter maeud toegevoegt.// 

Den 18*° November 1661 kreeg hij ten huize van den Gou- 
verneur Generaal zijn afscheidsmaal, terwijl hij den volgenden 

1 Dagh-Register van 1661. van der Beeok wa» tevens de voorganger van 
van Dam. Zie blz. 5. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 38 

morgen met het jacht de Meyboom, begeleid door eenige andere 
vaartuigen, naar Banda vertrok. De heeren Carel Hartsinck, direc- 
teur generaal , Arnold de Vlaming van Outshoorn en Nicolaas 
VerbuTg, raden-ordinaris van Indië , deden Z.Ed. uitgeleide tot 
aan boord en //hebben hem voor het volk int openbaer geautho- 
riseert.^ * 

Den 16*" December 1661 kwam van Dam behouden te Randa 
aan; den daarop volgenden dag werd hij in het openbaar met de 
plechtigheden, bij zulke gelegenheden gebruikelijk, voorgesteld aan 
de plaatselijke autoriteiten. ' 

Wij zullen van Dam niet volgen in zijn bewind, hoewel zijne 
rapporten en de dagh-registers van Batavia daartoe ruimschoots in 
staat zouden stellen. Slechts zij vermeld, dat bij resolutie van 
H. H. l?**'" ' d.d. 19 December 1662 werd geresolveerd //dat met 
*die situe (n.l. van Baad-Extraordinaris van Indië) sal worden ge- 
'rhonoreert de E. Mr. Jan van Dam, gouvenieur op Banda, onder 
^het selve tractement van 200 gl" ter maent, dat hij althans is 
^genietende.'/ Het bericht van die benoeming kwam eerst den 14*'* 
Juni 1663 te Batavia aan met het fregat de Joncker, dat den Xa*** 
Januari t. v. voor rekening en van wege de Kamer Zeeland der 
O. I. Compagnie zeil gegaan was. * 

Het schijnt, dat het leven te Randa weinig afleiding aanbood en 
dat ook de huwbare vrouwen van goeden huize er schaarsch waren; 
althans Johan van Dam gaf in het laatst van 1663 bij een par- 
ticulier schrijven aan den G. Q. te kennen, "dat vermits de een- 
"saemheyd van de selve plaats wel genegen theyt soude beginnen te 
^crygen hem in den huwelijken staet te begeven, ingevallen hem 
//tot dien eynde licentie mochte worden vergunt mettet eerste schip 
«'een sprongtocht na Batavia te doen.// ^ //Waerop gelet synde en. 
aengemerkt, dat syn E. in September aenstaende uyt Banda 
scheydende, daer by behouden varen wederom sal connen wesen 't 



1 Dagh-Register van 1661 op de genoemde data. 

' Zie onder „Banda'^ in de Generale Missive [.jaarverslag, thans koloniaal 
verslag] van G. G. on R. v. I. in dato den 26 December 1662 aan de ver- 
gadering van Heeren l?"*" geschreven. Het dagh-register van Batavia over 
1662 ontbreekt; daarin vindt men anders uittreksels nit de ingekomen brieven 
van de Baitenbezittingen. 

» De H.H. J7»«" vormden het centraal bewind der O. I. Comp. hier te lande. 

* Dagh-register van Batavia. 

* Een „sprongtocht" of „springtocht" noemde men ieder uitstapje. 

7* Volgr. VI. 3 



Digitized by VjOOQIC 



34 MH. JOHAN VAN DAM EN ZIJNfi 

oytgaen van de maent December daeraenvolgende,// besloten G. G. 
en R. V. I. den 19*° Januari 1664 hem onder bovenstaande voor* 
waarden het verlof toe te staan, mits vóór zijn vertrek geen 
Engelsohen aangekomen zouden zijn om bezit te nemen van het 
eiland Bun» //want alsdan syn E" presentie om alles wel en. uae de 
//intentie en» meyninge van de E. Comp* te dirigeren daer niet 
Argemist sal connen werden." ^ Over dit eiland bestond reeds een 
langdurige en netelige questie tusschen de Engelsche en onze 
Oost*Indische Compagnie. 

Uit het vorenstaande blijkt, dat men van Dam naar onze be- 
grippen niet te veel tijd toestond voor het kiezen eeuer vrouw, 
den verlovingstijd en de huwelijksplechtigheden. De geheele reis 
zou hoogstens 4 maanden duren; voor het traject TJanda- Batavia 
gebruikte men destijds minstens een kleine maand , onder ongunstiger 
omstandigheden meermalen 6 weken, zoodat van Dam's verblijf te 
Batavia hoogstens 2 maanden duren kon. 

Door bijzondere omstandigheden kwam evenwel niets van dit 
sprongtochtje. Simon Cos, gouverneur van Amboina, die boven van 
Dam geplaatst was, daar hij af en toe te Banda inspecteeren kwam, 
overleed te Amboina den 21>*° Februari 1664. ^ van Dam, dfen 
meest nabijzijnden gouverneur, werd hiervan onmiddellijk bericht 
gezonden, waarop hij den 11®° Maart met het jacht /'der Veer// 
uit Banda vertrok, den IT^en d. a. v. in 't kasteel Victoria op 
Amboina aankwam , hier op onderscheidene zaken orde stelde en den 
koopman Maximiliaen de Jong voorloopig met het gezag over dit 
eiland belastte. Den 9^^^ April vertrok van Dam weer met het zelfde 
jacht naar Banda. In zijne missive, dd. 1 Mei 1664, waarin hij 
een en ander aan G. G. en R. v. I. rapporteerde , verzocht van Dam 
om met het vacante gouvernement van Amboina te worden belast 
/yende dat een chaloup tegen mousson nae Banda mogte gesonden 
worden, met licentie om herwaerts te comen een wyf soeken ofte 
daer te blij ven, na haer Ed" welgevallen.'/ ' 

Valentijn beweert, dat Johan van Dam niet alleen dong naar 



1 Zie opk het Dagh-Register van Batavia op dea genoemden datum. 

• Valentijn. Deel II. Tweede stuk. blz.220, geeft op , dat hij den 4«" Februari 
1664 overleed tengevolge van een toeval aan zijn been. 

In den reeds genoemden personalia-klapper vindt men: Cos (Simon) word 
president naar Ambon 24 Oct. 1653, word gouverneur in teruaten f200 per 
maand toegelegd 10 Nov. 1656. 

• Dagh -register van Batavia. 3 en 8 Juni 1664. 



Digitized by VjOÖQIC 



ÏUGHTIOING VAN MAKASSAE IN 1660. 35 

het goQvernement van wijlen Simon Cos, doch ook naar diens 
weduwe, Elisabeth Abbema. * Hij knoopt hieraan een geheelen 
roman vast door mede te deelen, dat van Dam zijn tijd te Ainboii 
z66 wel waarnam, dat hij de //wakkere en rijke weduwe^/ bewoog 
hem toeze^ng tot een huwelijk te geven. Zij verloofden zich, doch 
vonden goed dit stil te houden. Elisabeth Abbema zou vooruit gaan 
naar Batavia, terwijl van Dam haar zoo spoedig mogelijk volgen 
zou om haar te trouwen. Hij schreef daarover aan den Gouverneur 
Generaal Maetsuyker, zijn bijzonderen vriend, bevelende hem zijn 
bruid met allen ernst aan, en met verzoek haar alle hulp en be- 
leefdheid te willen bewijzen. Deze deed het ook, want hij nam ze 
in sijn huis en, hoewel hij al vrij oud was, zoo beviel zij, /i^jong, 
schoon en fraai zijnde// , hem zóó wel , dat hij haar in Augustus 
1664, zoodra zij op Batavia gekomen was, tot zijn vrouw nam. 

Tot z66ver Valentijn. Uit welke bronnen hij voor het samen- 
stellen van dit verhaal geput heeft, is mij niet bekend. Wij vonden 
het nergens bevestigd ^, terwijl Schouten, die overigens zeer uit- 
voerig is, bij het tweede huwelijk van Johan Maetsuyker niets 
omtrent deze liefdeshistorie vermeldt. Het huwelijk werd in allen 
eenvoud voltrokken. * 

Wij trekken daarom voorloopig deze geheele geschiedenis in twijfel. 
In ieder geval is Valeutijn's conclusie, getrokken onder de //Arabon- 
sche Zaakeu//, onjuist, als zou /!^dit geval oorzaak zijn geweest, 
dat de Heer van Dam, die dit in't laatst van dit zelve jaar met 
de chaloepen der borgers al te weten quam, geen lust had langer 
hier, [d. i. op Ambou] of in Indien te blijven// * en als zou hij , 
bij zijn komst te Batavia in 1665, zijn verloofde al getrouwd vin- 
dende met een ander, nog dat zelfde jaar naar ^t vaderland ver- 
trokken zijn, schrijvende van de Kaap de Goede Hoop schrikkelijke 



« Oud en Nieuw Oost-Indiën. Deel I, 2* stuk, blz. 199/200, II. 2* stuk, 
bis. 220/1, IV. 1* stuk, blz. 302/3. Zij was de dochter van Frederious Abbema, 
die eerst predikant te Vianen was en later op Ternate. Ook is hij predikant 
op Ambon geweest (zie res. O. G. en R. v. I. d.d. 13 Februari 1656), waar 
Cos zijn dochter vermoedelijk heeft leeren kennen. Volgens Valentijn. Deel I, 
2* stuk, blz. 391 kwam Abbema in September 1656 van Ambon op Ternate. 

• Zie alleen: „Een kwart eeuw Indische landvoogdij" door S. Kal ff. Neder- 
land 1903, waar op de blz. 191/2 de geschiedenis van Maetsuyker en zijn 
2* vrouw met Johan van Dam wordt aangestipt. Hier is echter geput uit 
Valentijn. 

s Schouten. Deel II. blz. 118. 

* Valentijn. Deel II. 2* stuk, blz. 



Digitized by VjOOQIC 



36 Mi. JÖHAN VAN DAM EN ZlJUïl 

scheldbrieven aan Maetsuyker. * Toen Maetsuyker reeds getrouwd 
was, moest van Dam nog naar Amboina vertrekken om daar defini- 
tief het bestuur te aanvaarden, terwijl hij na het vaarwel zeggen 
van dit gouvernement nog geruimen tijd te Batavia in de onmid- 
dellijke omgeving van dien gouverneur-generaal werkzaam is geweest. 

Den 7**" October 1664 droegen G. G. en R. v. I. het gouverne- 
ment van Amboina op aan den gouverneur van Dam en dat van 
Banda .aan den Heer Jacob Cops, Baad-extraordinaris van Indië. 
Deze laatste vertrok den 3^ December d. a. v. naar Banda. Hij 
kreeg brieven mede, o. a. de benoeming van van Dam als gouver- 
neur van Amboina inhoudende, terwijl tevens aan laatstgenoemde 
toegestaan werd een keer naar Batayia te mogeu doen. ^ Cops kwam den 
4^®° Januari 1665 met het jacht Tholen te Randa aan en nam hier 
het bewind over, waarop van Dam den 25®" met het zelfde vaar- 
tuig voortzeilde naar Amboina , waar hij den 2®" Februari voet aan 
wal zette. Het gouvernement had derhalve bijna één jaar opengestaan. ^ 

van Dam bleef hier niet lang, want //den 6*™ September (1665) 
arriveert hier f er reede [te Batavia] van Amboina over Makassar en 
Japara het fluitje Hoogcarspel. Met hetselve is hier siekelyck aen- 
gecomen d'heer Joan van Dam, Raet ex tra-ordi naris van India en 
gouverneur der provincie Amboyna, zynde zyn E. ter reede Japara 
gecomen met d'fluyt Nieuwpoort, ende aldaer op Hoogcarspel over- 
gegaen^. van Dam was den 7^*° Augustus te Amboina scheep gegaan. "* 
Uit tal van bijzonderheden en getroffen maatregelen blijkt, dat hij 
aanvankelijk voornemens was naar Amboina terug te keeren. 

Zijn ongesteldheid was niet van ernstigen aard , want den 8*° 
September //presteerde de heer Joan van Dam, Raet extra-ordinaris 
/f van India, den 6®° deser uyt zyn gouvernement van Amboyna hier 
/i^aangecomen , in haer Ed* vergaderinge den eet, by d'heereu 17"®° 
//voor de Kaaden van India geconcipieert'/. ^ 

Eerst eenige maanden later viel de beslissing, dat hij niet naar 
Amboina terugkeeren, doch te Batavia werkzaam blijven zou. Den 
17*^° November 1665 besloten G. G. en R. v. I. aan van Dam //te 
laeten vracgen nae zijn E. dispositie en inclinatie om weder nue 
Amboyna te vertrecken ofte niet.// Blijkbaar luidde het antwoord 



» Valentijn. Deel IV.. !• atuk,blz. 303. 

* Zie het Dagh-register van Batavia 1664 op de genoemde data. 
» AU boven, 1665, d.d. 31 Mei en 8 Juli. 

* Als voren, d.d. 6 September 1665. 

* Dagh-i*egister , d.d. 8 September 1665. 



Digitized by VjOOQICJ 



TÜCHTIÖINQ VAN MAKASSAK VS 1660. 37 

ontkennend , want den 20*^" d. a. v. werd de E. Pieter Marville , 
secietaiiB van haer Ed. benoemd tot gouverneur van Amboina, 
'aboo de heer Joan van Dam verclaert heeft, dat hij mits zyn 
«'indispositie onvermogens zoude zyn om weder nae zyn gouvernement 
te keeren.»' ' 

van Dam nam nu ais extra-ordinaris Baad zitting in den Baad 
van Indië. Als zoodanig had hij «^maar een raadgevende en geen 
besluitende stem./)^ Hij genoot hiervoor f200 per maand en verder 
al, waarop een gewoon Baad aan levensmiddelen aanspraak kon 
doen gelden; dit bestond uit een groote hoeveelheid wijn, rijst, 
visch , boter , brandhout en allerlei andere huishoudelijke artikelen , die 
men gratis uit de pakhuizen der Maatschappij ontving. Bij het sterven 
of het vertrek van een ordinaris Baad kreeg de oudste buitengewone 
Baad een besluitende stem , totdat er een ander gekomen was. ^ 
Weldra schijnt van Dam in het hier bedoelde geval gekomen te 
zijn , want hij medeonderteekende de res. van G. G. en B. v. I. voor 
het eerst den 9** April 1666 en sedert dien vrij geregeld tot en 
met de res. van den 25^ Januari 1667 , waarbij het jaarverslag 
aan H.H. Zeventienen over 1666 werd vastgesteld, een verslag, 
dat van Dam als commandant der retourvloot mede naar het 
vaderland nam. 

Na zijn terugkeer te Batavia werden Mr. Johan van Dam, behalve 
zijn werkzaamheden als buitengewoon Baad van Indië, tal van 
functiën opgedragen. Zoo werd hij den 5<^^° Maart 1666 op eigen 
aanbieding gekozen tot commandant eener vloot van 11 schepen, 
die in straat Sunda vooruitgeschoven werd om aldaar de wacht te 
houden. Deze maatregel hield verband met het bekend worden van 
het uitbreken van den 2®" Engelschen oorlog. Den 2*° April d. a. v. 
keerde hij op last van G. G. en B. v. I. terug , na het bevel over 
de kruisende vloot aan den oudsten schipper overgegeven te hebben.' 

Voorts vinden wij hem vermeld als schepen van Batavia , excuseerde 
hij zich met het oog op zijn voorgenomen reis naar het vaderland 
voor een ambassade naar China, waarheen men hem zenden wilde 
en werd hij benoemd in tal van commissiën , het plaatselijk bestuur 
van Batavia betreflfende. ' 

Den 5*" October 1666 werd door den B. v. I. besloten , in verband 
met de vijandige houding van Makassar, een commissaris te zenden 



> AU voren, d.d. 20 November 1665. 

s yalentijn. Oud en Nienw Oost-Indien. IV, !• stuk, blz. 244, 246, 256. 

9 Zie het Dagh-register van 1666. 



Digitized by VjOOQIC 



38 MU. JOH AM VAN DAM SN ZIJNE 

naar de Oostersche quartieren onder den titel van //superintendent//. 
Johau van Dam werd voor dit commissarisschap aangezocht //vermits 
desselfs volcomen ervareutheyt ende kennisse, niet alleen vande 
quartieren meergemelt, maar oock vande iiatuyr der voorgedachte 
Makassareu.'/ De superintendent zou het bevel op zich nemen van 
de krijgs- en scheepsmacht , aldaar bijeengebracht om een appareute 
invasie der Makassaren, meest naar Ternate en vandaar wellicht 
naar Amboina tegen te gaan , doch zou tevens //de respective gouverne- 
//menten ende commanderyen als tot Banda incluys visiteren, ende 
//alle noodige ende vervallen saecken redresseren , ende weder op een 
i^goedeu vasten voet herstellen//, van Dam bedankte evenwel in 
verband met zijn //vastgestelde ende langh voorgenomen 't huysreyse/y.' 
Daarop werd Cornelis Speelman hiervoor aangewezen, die de be- 
noeming aannam. ^ 

Den lO*** December 1666 werd door den R. v. I. het verzoek 
van van Dam toegestaan om met de //aengelegde retourvloot// naar 
het vaderland te mogen terugkeeren , over welke hem later het bevel 
werd opgedragen. 

Den 26*° Januari 1667 des morgens //vertrecken uyt dese reede 
is^naer het lieve vaderlandt de schepen Zuytpolsbroek., 't Wapen van 
^Amsterdam, Amersfoort en Esperance (voor de camer Amsterdam); 
«r Middelburg en Walcheren (voor de camer Zeelandt); Hasenbergh 
//(voor de camer Delft), den Eendragt (voor de camer Rotterdam) 
//en 't casteel van Medemblik (voor Enckhuyseu), alle onder de vlag 
//en het commando van den heer Joan van Dam , raed extra-ordinaris 
vvsLU India, zyude geladen met verscheiden Oost-Indische coopman- 
^scliappen en waeren, costende incoops volgens de factuuren 
¥{ 2.656.207 : 5 : 9//. Behalve deze schepen waren 18 en 26 
Augustus t. V. over Bengalen en Ceylon de schepen Gicilia, Spa- 
rendam en Opperdoes naar het vaderland vertrokken; de 'lading, 
die deze zouden medenemen, werd op 4 ton geraamd, zoodat het 
geheele retour van dat jaar een waarde van omtrent 30 tonnen 
gouds bezat. ' 

Het bevel over een retourvloot was steeds een commando van 



» Resolutie G. G. en B. v. I. d.d. 5 Ootober 1666. 

» Vergelijk blz. 31. 

» Dagh-register 1666 en 1667. Valentijn I. !• stuk, die alle retourvloten 
en hare waarde opgeeft, vermeldt op bbs. 238, dat de waarde der geheele 
retourvloot van 1667 f 3,119,060 : 7 : 8 bedroeg. De drie laatstgenoemde 
schepen waren achtereenvolgens van de Kamers Hoorn, Amsterdam en Zeeland. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MARASSAR IN 1660. 39 

gewicht, vooral, wanneer zulk eeu vloot een zóó groote waarde 
inhield als dit met die vau 1667 het geval was. Ditmaal was het 
commando echter van nog meer beteekenis en eischte het een bij- 
zonder beleid als gevolg vau den 2^ Engelschen oorlog. Ouder het 
hoofd ^retourFloteu// leest men in het werk van Mr. Pieter van 
Dam, hoe in verband met dien oorlog aan Mr. Johan van Dam 
naar de Kaap de Goede Hoop geschreven werd om zooveel mogelijk 
de eilanden Cuervo eu Flores ' te mijden en den koers zooveel W. 
te nemen, dat men de eilanden van Fero (de Faröer) bereikte. 
Hier moest men achter het eiland Mulso of liever in Forshaven 
voor anker komen; men zou daar overvloed van schapen, groenten 
en • andere ververschiugeu viudeu eu er mogelijk nadere kondschap 
krijgen. De aangegeven koers ging derhalve W. om Groot-Brittannië 
en Ierland heeu. Kreeg men binueu 6 it 8 da^eu na aankomst op 
de Faröer geen nadere berichten uit het vaderland , dan moest men 
afvaren en de eerste de beste haven van ons land, af hankelijk van 
weer en wind, binnenloopen , desnoods de Eems. Men vermoedde 
U.I., dat de vijand zich voor Tessel of het Vlie zou ophouden. 
Mocht men , aan de eilanden van Fero gekomen , onraad vernemen , 
dan zou men volgeus ingekomen berichten aldaar veilig in 
Koniucxbaven kunnen liggen, beschermd tegen alle geweld des vij- 
ands, mits aan den ingang eenig geschut aau land brengende om 
dien te bestrijkeu. 

De aanvang der reis van vau Dam was niet voorspoedig. Den 
17^ Februari 1667 kwam te Batavia het jacht de Joncker terug, dat 
de retourvloot tot buiten straat Suuda gecouvoyeerd had. De resident 
te Bantam , Ockerse , meldde bij die gelegenheid , dat de vloot door 
tegenwind en stroom wel een week onder het eiland Cracatou had 
geankerd gelegen, zoodat zij eerst den 14"° Februari in zee was 
geraakt. ^ 

Den 5®** en den 30®° Augustus d. a. v. ontving men te Batavia brieven 
dd. 17 en 18 Mei, 30 Mei eu 6 Juni vau den admiraal van de 
retourvloot Johan van Dam, geschreven aau de Kaap de Goede 
Hoop. Toen was nog weinig bijzonders voorgevallen. ^ Ook ge- 
durende het verdere deel vau de reis werd men niet door den 
vijaud verontrust. De vloot deed werkelijk de Faröer aau. Het 
ongeluk wilde, dat aldaar het schip Walcheren, ter waarde van 

1 Twee der Azori^che eilanden. Laatstgenoemd het meest W. van alle. 
< Dagh-regisier 1666 en 1667. 



Digitized by VjOOQIC 



40 MK. JOUAN VAN DAM KN ZIJNB 

f 363.373 : 2 : 9 vergiug ; het wrak dreef 's uachts zeewaarts , 
zoodat slechts weiuig werd gered. De audere schepen kwameu eerst 
deu 9**^ October 1667 hier te lande aau. ^ 

De eerste tijding omtrent de retourvloot ontving mon dien dag 
bij de Kamer Amsterdam der O. I. Compagnie. Een scheepskapitein, 
die om de Noord was geweest, had 's Compagnies retourvloot, ééu 
schip uitgezonderd, bij de eilanden van Fero zien liggen. Genoemde 
Kamer besloot dien zelfden dag om Si galjoots met vivres, die de 
retourvloot tevergeefs tegemoet gegaan waren, met hare ingebleven 
lading nu naar Doggersbank te zenden , om die vivres aan de vloot 
over te geven en haar te begeleiden. Tevens werden eenige heeren 
gecommitteerd om zich den volgenden avond onderscheidenlijk ntiar 
Tessel en het Vlie te begeven, met zich nemende de lichters voor 
de ontlossing, ten einde op het lossen de vereischte orde te stellen. ^ 

Den 10®° October kwam bij genoemde Kamer een brief in van 
den E. Jan van Dam, als commandeur van de retourvloot, den 
9^ t. V. geschreven aan boord van het schip Zuytpolsbroeck, geankerd 
ter reede van Texel, voornamelijk zijn aankomst mededeelende. De 
brief bezat vele bijlagen , waaronder de carga's van' alle schepen , 
tot zijn vlag behoord hebbende. Besloten werd die carga's aanstonds 
te doen drukken en de heeren , die op het punt -stonden naar het 
Vlie te vertrekken , te verzoeken de schepen , die zich aldaar zouden 
opdoen, te gelasten, weer en wind dienende, het Texel binnen te 
loopen. ' 

Den 20®° October werden de heeren Hulst en Mr. Pieter van Dam 
(advocaat der Compagnie) gecommitteerd //om den Commandeur 
//Jan van Dam ter vergadering soo van Haer Ho : Mo : ** als van 
//Haer Ed: Gr: Mog: ■* te presentereu, en dat ter line om rapport 
//van den toestant van saecken in India te doen, soo als hy die op 
//zyn vertrek van daer heeft gelaten//. ' 

De introductie bij de Staten Generaal vond den 26®° October 1667 
plaats in tegenwoordigheid van de beide hierboven genoemde ge- 



' Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. 

* Besolutieboeken Kamer Amsterdam der O. L Compagnie. 

* Besolutieboeken Kamer Amsterdam der O. I. Compagnie. Den 26*° Ootober 
1667 kwam bericht in, dat het retoursohip Sparendam beschadigd op de 
Wester-Eems was binnengevallen. 

* De Staten Generaal. 

* De S.taten van Holland en West- Friesland. 



Digitized by VjOOQIC 



TUCHTIGING VAN MARASSAB IN 1660. 41 

committeerden. Het door hem iugediende rapport omtrent de thuisreis 
werd ter grifiBe gedeponeerd. * 

Van het aanbieden van een gouden keten aan den commandant 
der retourvloot, wat geruimen tijd een gebruik geweest is, vindt 
men niets vermeld. 

Hier eindigde, voor zoover bekend, het openbare leven van 
Mr. Johan van Dam. Of hij zich hier te lande aan de rust heeft 
gewijd dan wel nog eenige bezigheid heeft gehad, wordt nergens 
vermeld. 2ielfs de plaats en den datum van zijn overlijden was niet 
bekend, zoodat daaromtrent door mij voor eenigen tijd een vraag 
in den Navorscher werd geplaatst, die echter onbeantwoord bleef. *^ 
lu een oude manuscript-genealogie onzer familie vond ik achter zijn 
naam ingevuld //stierf ongetrouwd 17 Augustus 1677 tot Constanti- 
uopole>7. Later waren deze woorden doorgeslagen en zonder vermelding 
van de plaats van overlijden ingevuld achter Mr. Johan van Dam*8 
jongeren broeder Pieter, die volgens Perwerda kapitein en kolonel 
in Spaanschen dienst was. Ferwerda schrijft laatstgenoemden dan ook 
een sterfdatum als boven toe. 

In de overtuiging, dat althans éên der van Dam*s in 1677 te 
Constantinopel overleden was, temeer, omdat onze familie nog een 
graf bord bezit, waarop h©t wapen en waaronder de woorden : 
Ob. 17 Augustus 1677, ving ik een onderzoek aan, doch langen 
tijd zonder uitkomst. Graf boeken van onze kolonie aldaar, zoo zij 
al ooit bestaan hebben, zijn er niet meer. De correspondentie uit 
Constantinopel van genoemd jaar bevat niets omtrent het overlijden 
van een van Dam. Een daarop gevolgd onderzoek van de correspon- 
dentie van dut jaar uit Smirua, waar van Dam^s jongste broeder 
Jacob destijds consul was, ^ schonk eenige aanwijzingen. 

Jacob van Dam, die al zijn brieven aan de Directeuren van den 
Levantschen handel te Amsterdam met rood lak zegelde, waarop 
zijn wapen, deed dit den 20*^* September 1677 voor het eerst met 
ronwlak, waaruit althans bleek, dat een zijner naaste verwanten 
overleden was. Dd. 29 December 1677 schreef hij uit Smirna aan 
Ha. Ho. Mo., dat het bevolen uitstel zijner voorgenomen reis naar 
het vaderland nadeelig was voor zijn prestige, //mitsgaders seer 



^ BeSólutieboeken Staten Generaal, dd. 26 Ootober 1667. 
s Jaargang 1904, blz. 450/1. 

' Zie de laatste aflevering der Bijdragen voor Vaderlandsohe Geschiedenis 
en Ondheidkunde. 



Digitized by VjOOQIC 



4-2 MU. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 

//schadelijk, teu aansien van myue particuliere goedereu, die door 
//deu inval der Frauscheu al vry eenige veranderingen ouderworpen 
//syu geweest, en vooruamelyk mede rakende sekere erffenisse int 
^Vaderlant aan te vaarden, die mij te beurt is gevallen, wegen 
/reener mijner Broederen, die mij alhier voor eenigen tijt was 
/ycomen besoecken, en drie maenden geleden te Constantinopole is 
ouerleden.//* 

Hieruit bleek nog immer niet, welke broeder te Constantinopel 
overleden was. Eindelijk werd ook hieromtrent zekerheid verkregen. 
Het allerlaatste briefje, in de correspondentie van 1677 uit Smirna opge- 
legd, is een schrijven dd. 22 September van LorenzoBigo, kanselier 
van Jacob van Dam , aan Johannes van Grol , secretaris der Directie 
van den Levantschen handel enz. te Amsterdam. Daarin leest men : 
//Den heer Johan van Dam, Broeder van den heer Consul van Dam, 
is den 27 passato tot Gonstantinopolen In den heere ontslapen , alsoo 
per die via syn reyse hadde voorgenomen over lant te repatrieeren./y 
Hieruit bleek, dat Mr. Johan van Dam den 27*° Augustus 1677 
te Constantinopel overleed; het hiervóór genoemde graf bord is 
blijkbaar te zijner nagedachtenis vervaardigd en wellicht in een der 
kerken te Utrecht opgehangen; He dddr vermelde datum, 17 Augustus 
1677 , is oude stijl. 

Later werd van welwillende zijde mijne aandacht nog gevestigd op 
N® 5 van den XXIP" jaargang van het Maandblad van het Genea- 
logisch-heraldiek genootschap //De Nederlandsche Leeuw.// Daar 
vindt men, hoe de Nederlandsche graven te Constantinopel in 1864 
zijn opgeruimd en op een zuil op het nieuwe kerkhof de namen 
vermeld zijn van allen, die op de vroegere begraafplaats ter aarde 
besteld werden , voor zoover die namen nog leesbaar waren. Op diè 
zuil vindt men o. a. vermeld : Jacob van Dan (in een noot staat : 
lees //van Dam//) Consul 1677. Vermoedelijk heeft op de origineele 
steen gestaan: Johan van Dam. 

In het bovengenoemde artikel wordt er nl. de aandacht op ge- 
vestigd, hoe de grafschriften kennelijk door een nict-deskundige 
gecopieerd zijn, aangezien vele namen onjuist gespeld zijn en er 
ook andere onnauwkeurigheden voorkomen. In ieder geval is de 
toevoeging /^Consul// onjuist, want de consul Jacob van Dam 
overleed den 22*° Maart 1709 te Utrecht. Heeft er dus op de 
oorspronkelijke steen het woord //Consul'/ gestaan, dan werd daar 

1 Archief Levantschen Handel. Bijksarchief 's Gravenhage. 



Digitized by VjOOQIC 



TUOUTIGINe VAN MAKASSAK IN 1660. 'J«3 

waarschijnlijk vermeld, dat Johau van Dam een broeder was van 
deu coDsol Jacob van Dam te Smirua. 

Mr. Johau van* Dam had geruimeu tijd te Smirua bij zijn broeder 
vertoefd , toen hij naar Constautinopel vertrok. Laatstbedoelde schreef 
den 14}*^ September 1675 aau de Directeureu van den Levantschen 
handel over. een verzoening, die had plaats gevonden met eenige 
ontevredenen onzer kolonie aldaar, //alle \ welcke is gepasseert ten 
bijwesen van mynen oatsten Broeder Mr. Johan van Dam , die met 
ona convoy van Livoruo mede hier is gecomen om my te besoecken./)^ 
Blijkens zijn schrijven van deu 18"^ t. v. , mede aau D. L. H. gericht, 
was het bedoelde couvooi ten deele deu El***, voor het overige den 
29*° Augustus ter reede vau Smirua aangekomen. Mr. Johan van Dam 
had dus vermoedelijk een kleine 2 jaar aldaar 'vertoefd, toen hij, 
met het voornemen naar het vaderland terug te keeren, naar Con- 
stantinopel vertrok. 

Yalentijn, die van vele Indische autoriteiten een korte karakter- 
schets geeft , zegt optreut vau Dam het volgende : /i^Johan van Dam 
^was een lang en schraal Heer.// ^ //Hij was eeu korzelig mau , wiert 
«'gemeeuelijk Jan met de lange Broek , omdat hij veel met eeu langen 
«^Misquitenbroek ging, of ook wel de Lange Jan geuaamt. Met zijn 
«tweeden [d. i. de Tweede Persoon van Banda , tevens opperkoopman] 
«den Heer Antoni Hurdt, die auders een braaf mau was, kon hij 
^gauschelijk niet overeenkomen, waarom die ook in 't jaar 1664 
Mua. Batavia vertrekken moest, en door deu Heer Almonde vervangen 
«^ wiert. 

^Hij was anders een dapper mau voor deu vijand , waarvan hij 
verscheide deftige blijken gegeven heeft.// ^ 

De juistheid van dit laatste werd in de hiervóór gaande be- 
schrijving van de tuchtiging van Makassar bewezen. De bewering, 
dat van Dam het op Banda met zijn tweeden, den heer Autoni 
Hardt, niet vinden kon, is vermoedelijk minder juist. In zijne 
uitvoerige brieven aan Q. G. en R. v. I. klaagt vau Dam 
nergens over Hurdt. Alleen wees hij er op, o. a. in een missive 
d.d. 14 September 1663, dat iu den raad van Banda de eerste 3 
raadspersonen onder elkaar vermaagschapt waren. Hij achtte dit be- 
denkelijk en doelde op scheiding. Dit schrijven kwam den 8®" 



* Oud en Nieaw Oost-Indiën. Deel II 2* stuk, blz. 220. 
» T. a. p. Deel m. 2* stuk, blz. 91. 



Digitized by VjOOQIC 



46 BEN OUDJAVAANSCHE OOKKONDE QfiVOKDEK 

Omtrent den vermoedelijken datum van de oorkonden is het al 
te gewaagd op beslissenden toon te spreken. Alleen zooveel mag men 
op palaeografische gronden beweren dat het stuk jonger is dan N®. I 
en VII der Kawi Oorkonden. Naar gissing valt de datum tusschen 
1000 en 1100 na Chr. 

In transcriptie, waarbij onze wijze van woordscheiding is toege- 
past, luidt de tekst als volgt: 

Voorzijde 

gi, makaprajojana ri kapratisuboddhan ika suk sima dharmma i Air 
Kali tan hana ning amnngkilmungkila, - - > marawa9a marik^ir^akna 
hëlëm, yadjapin ri dlsha ning dlaha. Nihan ling nira, O (1. Ong) 
mindah ta kita kamu hyang HaricandatiSgastya maharsi. purwwa- 
daksi^a, pa9cima, mottarorddhadha];^ ^ , rawi ^i (I.^a^i) k§ity apaltii 
teja bayw aks^a dharmmahoratra sandhyatraya , yaksa, rak^asa, 
pi^aca pretftsura garu4a gaudharwa kinnara mahoraga , Yama Baru^a , 
Kuwera Bs^awa putra dewata, paüca Ku9ika, Gargga, Metri, Kurusya, 
I^taujala, Nandigwara Mahskala, §ad WinSya, Nagaraja, Durgga 
dewi, Catura9ra, anak ta hyang Kala, Mrtyu Bhutaga^a, saha- 
nanta rumaksa saka (1. sakala) nümima94&lft (1* bhümi), kitakala 
sa-sangganing prthiwiraa^4&la, kita tumon prawrtti ning sarwwapra^i 
ring rahineng kulëm, kita manSrira umasuki sarwwabhütha. at 
rëngwakën ikang sapatha samaya mamangmang (1. pamS®) mami 
iri kita kamu hyaug kabe];^, ikang sapatha samaya sSmpun sinrahakn 
ing huluu iri kita: yawat ikang wwang kabeb magêng a(}mit sa- 
Iwiranya, yadyapin caturfi9rami, brahma^a, cari (1. brahmacari), 
grhastha, wauaprastha, bhiksu ta, athaca, catuwar^na, brahma^a, 
k^atriya, wepya, 9üdra, mwang pinghay akurug auatani -^ , yawat 
umnlahulab sarasanya nugraha cri Maharaja, irikang suk ^tma ing 
Air-Kali, yadyapin prabhu, sira ruda- 

Keerzijde 

ha sapatha gri Nfarahaja (1. liiaharaja) Rake Sumba Dyat^ Wawa , 
mne hlëm ring dlaha ning dlaha, tasmat karmma byët karmma kna- 



I Twee letters onduidelijk. 

' L. pa^oimott*. 

* Vermoedelijk bedoeld anapathani; z. KBWdb. onder kurug. 



Digitized by VjOOQIC 



OP DB HELLING VAN DEN KAWI. 47 

nta, parikalanën ta ya wehën sangsarSha, tan wuranga ta patya- 
oaiita ya kamu hyang, dSyaiitatpatiya , yan aparan humaliDtang 
ring tgal sahutën de ning uls mandi, yan para ring halas droakën 
de ning wyaghra , manglangkahana mingmang , sariku ing ba^aspati , 
mogaku ing wilautih, ring wwe sahutën de ning wuhaya, mumul, 
tawirau, timinggila, yan sëngka ring hawan mewë}^ kapaguteng 
Inncip ning paras, tnmnrun kaduhunga, kajungkëla pëpësa tikëla 
rëmpwa, ring rStS, kawulangun halingöngëna , ring hadan sam- 
beren de ning glap, yan pangber ingnguma}^ katibana bujra gni 
tanpawarsa, limuiën gsëngana de sang byang Agni, webën bhas- 
mabhüiha saha drwyanya, tan panoliha ri wuntat, tarang ring panga- 
dëgan, tampyal ri kiwan, uwahiri tngënan, tutuh tu^jaoAuya, blah 
kapalanya, dadati wtangnya tke dndauya, wtwakëij;^ dalëmanya, pa- 
ngau daginguya, inum rahnya, atëhër pëpëdakën wehën pranantika, 
byëngakën ring Maharorawa. astu, astu, astu. ring tias niug ma- 
mamang manapatani lumpas ta sang wika sahopakara ' , kumuliling 
i paryauta nikang suk sima dharmma ikang Air-kali, umarpanakën 
^iwambha ri sang hyangng i 

Vertaling. 

... ten doel hebbende de bevestiging van de afbakening (stichting) 
van de përdikan-dessa ' Air-Kali ; niemand moge (de stichting) op 
een of andere wijze opheffen, verstoren, te niet doen', ooit, tot 
in de verste toekomst. Hij (de uitspreker van 't formulier) zegge het 
volgende : 

*0m! ik bid u, gij heilige Haricandana, groote Ziener Agastya, 
goden van Oost, Zuid, Westen, Noord, Zenith, Nadir, Zon, Maan, 
Aarde, de Wateren, Vuur, Wind, Aether, de Wet , Dag en Nacht , 
de drie Tijdperken van den Dag (d. i. Zonsopgang, Middag en Zons- 
ondergang), Yak^a's, Raksasa's, Boschduivels, Spoken, Asura's, 
Garuda, Gandharwa's, Kinnara's, Groote slangen, Yama, Waru^^a, 
Kuwera, Wasawa, Godenzonen, de Vijf Ku<?ika's, Garga, Maitri, 
Kumsya, Pstanjala, Nandl^wara, Mahakala, de zes WinSyaka's, 
Nagavorst (of: -vorsten). Godin DurgS, Catura^ra's, kinderen van 



^ O ndai delijk; missohien cara. 

* Dit schijnt met sima dharmma bedoeld te zijn. 

* Mariksirn^a is natuurlijk wanspelüng voor mari9irn9a, waaruit 
blijkt dat ks als 9 werd uitgesproken. 



Digitized by VjOOQIC 



48 EBN OUDJAVAANSCHE OORKONDE GEVONDEN 

den Tijdgod *, God des Doods, de schare van Bhüta's, gij alle 
die de gansche aarde beschermt, gij zijt alle de dragers van 't aard- 
rond, gij ziet het bedrijf van alle levende wezens over dag en des 
nachts, gij belichaamt u in alle wezens (al 't geschapene) ; hoort den 
eed dien wij biddend tot u afleggen, gij goden al-te-gader, den eed 
dien ik u opdraag : alle menschen , groot of klein , van welken aard 
ook, hetzij iemand in een der vier stadiën van godsdienstig leven: 
brahmacarin (brahmaan in studietijd), huisvader, heremiet, monnik 
(Yati) ; of wel iemand van een der vier kasten : Brahmaan , 
Ksatriya, Waipya of Qüdra , alsook een beambte die beëedigt; 
wanneer iemand iets strijdigs doet ^ tegen den inhoud van den 
giftbrief van Z. Maj. den Koning in zake der stichting van de 
përdikandessa Air-Kali, al is het een vorst, die in strijd * mocht 
handelen met den eed van Z. Maj. den Koning Rake Sumba 
Dyah Wawa, nu of later, tot in de verste toekomst, moge zoo 
iemand daarvoor ten zeerste de gevolgen ondervinden van zijne 
handeling * , moge hij vervolgd (gestraft) worden , onderworpen aan 
't rampzalige der wedergeboorten, onafwendbaar door u, goden, ge- 
dood worden , door uw toedoen gedood worden ; wauïieer hij op het 
veld voorbij gaat, worde hij gebeten door een giftige slang; in het 
bosch gaande, worde hij besprongen door een tijger, stappe hij over 
verbijsterende boomwortels , worde hij door een boschgeest geplaagd , 
worde hij 't spoor bijster door valstrikken; in 't water worde hij gesnapt 
door een krokodil, m u m u 1 , t u w i r a n , walvisch ; wanneer hij met 
moeite bergopwaarts stijgt, stuite hij op spitse rotspunten ; bij 't dalen 
moge hij zich bezeeren , voorover vallen , gekneusd , gebroken , ver- 
pletterd worden; op den vlakken grond rake hij verbijsterd, rade- 
loos; bij regen worde hij door den bliksem getroffen; wanneer hij 
in huis verwijlt valle op hem bliksemflitsvuur zonder dat het regent , 
worde hij omhuld , verzengd door Agni , worde hij tot asch met 
zijne have; zonder dat hij kan ommezien naar achteren, worde hem 

^ De (Jaturapra's (vierhoekigen) heeten zekere kometen of meteorische ver- 
schijnselen. 

8 De overgang van boteekenis in um ui ah ui ah. Nj. angulahulah, 
aanroeren, aanraken, tot die van aantasten, geweld plegen tegen, is te ver- 
gelijken met die in Skr. paramypati, aan iets raken, aantasten, onteeren, 
gewelddadig behandelen, misbruiken. 

' Buda, waarvan rudaha de conjunctief is» zal. hier wel genomen 
moeten worden in den zin van wiruddha. 

* Kar m ma byët is m. i. een fout, hoe dan ook ontstaan, voor kabyêt, 
d. i. ka b wat. 



Digitized by VjOOQIC 



0^ 1)E tlKLUNO VAN DSÜ KAWI. 49 

rijn plaats betwist; hij worde, geslagen links, daarna wéér rechts; 
xijn kruin worde afgeslagen, zijn schedel gekloofd, zijn buik worde 
opengereten ^ tot aan de borst; zijn ingewand worde uitgehaald ^ 
rijn vleesch gegeten, zijn bloed gedronken, daarna worde hij ge- 
stompt totdat de dood volgt, in de MahSrorawa-hel geworpen. 
Amen! amenl amenl Nadat de ambtenaar het eedformulier heeft 
oitgespioken, begint de geestelijke zijn werk met de noodige plech- 
tigheden, gaat de ronde doen langs de grenzen van 't gebied van 
de përdikan-dessa Air-Kali, biedt wijwater aan den god van 

Bij vei^elijking van ^t bovenstaande met de reeds van elders be- 
kende eedformulieren, ziet men dat ze onderling weinig verschillen. 
Bijna woordelijk hetzelfde is, te beginnen met Ong mindah, 
hetgeen men leest in K. O. VII, 5, b. Iets uitvoeriger is de for- 
mule in K. O. II , 8, a, van ong mindah tot samangkSna 
11, a. Merkwaardig is in deze laatste oorkonde de aanroeping der 
voornaamste beiden op Java. De straffen welke den overtreder worden 
toegewenscht komen grootendeels ook voor in K. O. I, 3, 19 vgg. 

Nadat de burgerlijke ambtenaar — als zoodanig zullen wij wel 
den akurug mogen beschouwen — de formule heeft uitgesproken, 
treedt de priester op om zijn taak bij de wijding van H grondge- 
bied der stichting te vervullen. Dit gedeelte der plechtigheid komt 
in de andere bovenvermelde oorkonden niet voor, misschien omdat 
de sima dharmma van anderen aard is dan de stichtingen be- 
doeld in K. O. I, II en VU. 

Uit den geheelen inhoud van de beschreven koperplaat, boven 
medegedeeld, blijkt opnieuw dat de Javaans che maatschappij een 
beslist brahmanistisch Indisch karakter droeg, gelijk trouwens nog 
heden ten dage in hoofdzaak op Bali het geval is. Het is dus een 
zaak die van zelf spreekt, dat allerlei wezens uit de Indische my- 
thologie bij den eed worden aangeroepen. 

Daarenboven komen echter woorden voor die men in Indische 
bronnen als persoonsnamen of benamingen van geesten, enz. niet 
terug vindt. Zoo is haricandaua wel bekend als //geel sandelhout// 
en als //een der boomen in Indra's hemel//, maar niet als persoonlijk 
gedacht wezen , en het is moeielijk te raden , welke voorstelling men 
op Java aan dien naam verbond. Patanjala is een welbekend 



* Wtang voor wtëng ook in K. O. I, 3, 19. Da«Jat, blijkbaar in den 
zin van ^^^a»^ ^^ Njav. ^o^^t heb ik elders nog niet aangetroffen. 
?• Volgr. VI. 4 



Digitized by VjOOQIC 



50 EÜN 0ÜDJAVAANS0H£ 00E&0ND£ GEVONDliN 

wooid, in deu zin van //H door Patanjali opgestelde leerboek over 
Yoga//, en /reen aanhanger der Yogaleer/r. Dit kan in H eedsformu- 
lier niet bedoeld zijn. Een verbasterde vorm van Pataüjala is 
Pratanjala, dat in de Oudjavaansche Kosmegonie voorkomt ; nog 
meer verbasterd is Brëtanjala, dat in de Manik-Maya als naam 
van een der 9 Dewata^s gevonden wordt. Dit Prëtanjali herinner 
ik mij ook meermalen aangetroffen te hebben in too verboekjes, zoo- 
dat ik vermoed dat men daaronder verstond den meester of god van 
den Yoga , en wel verkeerdelijk van y o g a in den zin van //tooverij , 
goochelarij//. Misschien is Patanjala bedoeld, die in Skr. geschriften 
genoemd wordt, doch van wien men, behalve den naam, niets 
vermeld vindt. 

Al is de aanroeping van eene menigte namen uit de Indische 
mythologie een bewijs voor den invloed door H Hindaïsme op 
^t oude Java uitgeoefend , er volgt nog niet uit dat de oudere 
inheemsche denkbeelden geheel verdrongen zouden geweest zijn. 
Vooral het gedeelte van 't formulier waar den overtreder allerlei 
straffen in zijn aardsch bestaan worden toegewenscht , is zeer eigen- 
aardig en kan niet uit Indische voorbeelden verklaard worden. Ook 
de symbolische handeling nadat de eed is uitgesproken, bestaande 
in 't wegwerpen van een ei en H slachten van een kip, welke han- 
deling o. a. in K. O. I voorgeschreven wordt, is buiten kijf oor- 
spronkelijk een symbool van "t inheemsche Javaansche recht, mis- 
schien zelfs een overoud Indonesisch gebruik. 

De taal van de beschreven koperplaat geeft geen aanleiding tot 
bijzondere opmerkingen. Omtrent de ligging van de dessa Air-Kali, 
— naar de hedendaagsche uitspraak: Er-Kali, — is niets bekend. 
Of er in de nabijheid van de plaats waar de plaat gevonden is, , 
nog sporen van zoo'n dessa te vinden zijn, kan alleen door een 
plaatselijk onderzoek worden uitgemaakt. Het ICawi-gebergte is rijk 
aan overblijfselen uit den voortijd, zooals men vinden kan in Vir- 
bixk's Oudheden van Java, maar geen der vindplaatsen draagt 
een naam die met Er-Kali in verband kan gebracht worden. De 
weinige beelden in die streek gevonden behooren tot het brahma- 
nistische Pantheon, en ook de boven medegedeelde inscriptie ver- 
toont geen spoor van Buddhisme. Toch zal het op en bij het Kawi- 
gebergte aan Buddhistische werken niet ontbroken hebben. Een 
koperplaat uit Malang, in 't bezit van^Dr. Wiederhold, waarvan ik 
door de welwillendheid van den Heer J. A. van Eeden (Kediri) een 
lichtdruk ontvangen heb, bevat een schenking^* van land door een 



Digitized by VjOOQIC 



Ö^ DlB HIÉLLIKG van DElf KAWl» 51 

fiuddhistisch vorst, waarschijnlijk den opvolger van Mpu Si^dok, 
TüD vieu K. O. XXU afkomstig is. De datum van het stuk is 
888 Qaka, dus 27 jaar later dan van gezegde oorkonde ; de persoon 
(e wiens gunste de schenking geschiedt wordt betiteld als Mpu-ku 
i Neranjana, juist als in den giftbrief van Mpu Si^dok. Van deze 
koperplaat uit Malang hoop ik later den tekst met vertaling mede 
te deelen in de hoop dat de opsporing van 't ontbrekende gedeelte 
daardoor bevorderd moge worden. 



Digitized by VjOOQIC 



AANTEEKENINGEN OP G. P. ROUFFAER^S 
OPSTEL OVER ATJÈHSCHE SOELTANSZEGELS 



C. SNOUCK HURÖRONJE. 



Het belangrijke artikel van den Heer G. P. Rouffaer over het 
negenvoudig soeltanszegel van Atjèh (Bijdragen, Deel UX, blz. 
849 — 884), geeft mij aanleiding tot een paar mededeelingen die ter 
aanvulling der daarin verwerkte gegevens kunnen strekken. 

Bij meer dan eene gelegenheid wees ik er op, dat de overlevering 
betreffende de oudere soeltans van Atjèh veelszins verward is. Er 
heeft nog nooit eene gezette, nauwkeurige vergelijking der frag- 
mentarische Europeesche met de vaak legendarische en voor het 
latere door reken- en schrijffouten bedorven Inlandsche gegevens, 
plaats gehad. Eerst met behulp van zulk eene vergelijking zal men 
kunnen vaststellen hetgeen nog vast te stellen is, en ongetwijfeld 
zal ook daarna nog menig punt onopgehelderd blijven. Er zijn 
echter reeds nu een aantal vaststaande punten, en in verband 
daarmede vereischen sommige détails in B/Ouffaer^s opstel -verbetering. 

Zoo is de Soeltan SjamêoeH-alam (Bouffaer, bl. 380, noot 2) 
geenszins dezelfde als Djamaloè^Ualam of Djeumalöj (zoo te lezen in 
plaats van Djeumalöè). De eerste regeerde slechts gedurende dertig 
dagen, die volgens de inlandsche opgaven in December 1726 en 
Januari 1727 vielen; maar om het even, welke Waarde aan deze 
chronologische opgave toe te kennen zij, deze Sjamsoe^l-alam , die 
v66r zijne troonsbestijging Wandi Teubiëng heette, is een ander 
dan zijn tweede voorganger Djamaloe^l-alam Badroel-moenir, die 
van 1703 — 1726 geregeerd heeft, in 1785, na den dood van 
Soeltan Alaédin Ahmat Tjah gedurende vier maanden tegen diens 
zoon Pbtjoet Oeë* (later Alaédin Djoehan Tjah) oorlog voerde en 
t-oen van het wereldsche tooneel verdween om later, althans na 
zijnen dood, als heilige vereerd te worden. 



Digitized by VjOOQIC 



AAimSEKENINOEN OVSB ATJEHSGHB 80XLTANSZXGELS. 53 

Naar aanleiding van hetgeen voorkomt bij Ronffaer, bl. 358, 
noot 1 , zij opgemerkt , dat er in de hier besproken periode ^ slechts 
één Soeltan Mahmoet geweest is, die wel eens door Enropeesche 
schrijvers, maar nooit door Atjèhers met Moehamat is verward. 
Bij inlanders is zulk eene verwarring even onmogelijk als de door 
Prof. Kern (bij Kouffaer, bl. 366) den Turken toegedichte uitspraak 
«Mehemad voor Mahmud^/, waarvan genoemde geleerde een tweede 
voorbeeld meent gevonden te hebben in //Mehemed Ali//. Mehèmèt 
of Mèhmèt Ali is de Turksche uitspraak van Moebammad Ali; zóó, 
en niet Mabmoed Ali, heette de bekende onderkoning van Egypte 
en tal van andere bekende personen dragen dien naam. Nooit spreekt 
een Turk of inlander Mabmoed op die of soortgelijke wijze uit. 

De Atjèhsche soeltan Mahmoet, ten volle Alaédin Mahmoet Tjah 
Djoehan, vóór zijne troonsbestijging Toeankoe Radja genoemd , was een 
zoon van Alaódin Djoehan Tjah (= Pbtjoet Oeë^), kleinzoon dus van 
Alaódin Ahmat Tjah, den stichter der laatste Atjèhsche dynastie. 
Hij regeerde van 1760 — 1781, in welk tijdvak hij echter tweemaal 
door concurrenten tijdelijk van zijne waardigheid beroofd werd, 
eens gedurende ruim twee jaren, eens gedurende bijna twee maanden. 

Zijn zoon Moehamat Tjah, vóór zijne troonsbestijging ook Toeankoe 
Badja genaand , volgde hem op. Deze is door Europeesche schrijvers 
na en dan met den naam zijns vaders genoemd, en zoo is het ge- 
komen, dat in mijn werk //De Atjèhers^ de regeerjaren van den 
zoon (1781 — 1795) aan den vader zijn toegekend. De zoon heet 
Alaédin Moehamat Tjah en nooit Mahmoet; hij werd door zijnen 
zoon, den uit Baffles* tijd bekenden Djauhar Alam Tjah , opgevolgd. 

Noch bij Mahmoet noch bij Moehamat komt de aanduiding II 
te pas. 

Hetgeen ik verder nog aan te teekenen heb, heeft betrekking 
op het enkelvoudige zegel van Soeltan Alaédin Riajat Tjah , waarover 
handelt Rouffaer, bl. 377 en vv. en dat op Plaat I, onderaan, 
afgebeeld staat. 

Mijn eerste opmerking betreft de lezing van den soeltansnaam , 
die op dit zegel voorkomt; zij werd door Bouffaer van goede 
antoriteiten overgenomen, maar behoeft toch eene kleine correctie. 
Wijlen Prof. Millies heeft blijkbaar over het hoofd gezien, dat het 

^ Be laatste Soeltan van Atjèh heette ook Mahmoet (1870 — 74): een andere 
Mahmoet wordt genoemd als Soeltan in eenen tijd, waarover wij geene 
betrouwbare gegevens bezitten. 



Digitized by VjOOQIC 



54 AANTBXKININGEN OP G. P. ROUFFAEE's OPSTEL 

het woord êjdh tweemaal voorkomt, eeus ua den naam van Soeltan 
Alaédin sself, eens na dien zijns vaders. De eerste maal is wegens 
gebrek aan ruimte de s weggelaten; er staat dus: - 

oê-Soeltdn ^AWoed-din êjdh hin Fvrmdn êjdh. 

De tweede opmerking betreft de gelijkstelling van Fvrmdn met 
PriamoH (Bouffaer, bl. 380, noot 1). Deze is bepaald onaannemelijk. 
Vooreerst ware verwisseling dier beide woorden taalkundig nauwelijks 
denkbaar; verder zou dan toch JSad;a PHaman nog iets anders zijn 
dan Priama/fiêjdh y en eindelijk is de overlevering betreffende dien 
naam Firm&n even constant als die van de betiteling Badja Priaman 
voor andere personen. Firman komt in verschillende Inlandsche talen 
als eigennaam voor, en, al weten wij nu verder voor ^t oogenblik 
niets bijzonders betreffende de genealogie van Soeltan Alaédin, dat 
zijn vader Firman geheeten heeft, leert ons zijn zegel, leert ons 
menige Atjèhsche soeltanslijst , en het heeft ook niets bevreemdends. 

Ten derde kom ik tot de zonderlinge verzuchting van Dr. Wap, 
welke Bouffaer, bl. 379, citeert en waarbij die uitgever van een 
werkje over het gezantschap van Atjèhs Soeltan aan Prins Maurits 
verklaart //in 't oneindige^r vergeefsche pogingen te hebben aangewend 
om van vaderlandsche Arabisten eene verklaring te erlangen van 
het opschrift van Soeltan Alaédins zegel. Prof. Millies logenstrafte 
deze klacht gedeeltelijk door althans den soeltansnaam , behoudens 
het overzien van een woord, juist te lezen, maar verklaarde toch 
ook: 'i^roriginal n'est méme plus distinct dans une partie de la 
légende marginale//. 

Nu is bedoeld Arabisch randschrift, ook op de door Biouffaer 
gepubliceerde afbeelding, volkomen duidelijk te lezen. Weliswaar is 
hier en daar een woord defectief gespeld of een diacritisch punt 
weggelaten ; ook is de woordenkeuze , de redactie der //légende mar- 
ginale// niet zuiver Arabisch. Maar die afwijkingen zijn niet grooter 
dan men ze op Inlandsche zegels, munten enz. pleegt te vinden, en 
ik geloof, dat althans van de tegenwoordige Arabisten in Nederland 
wel niemand vergeefs zou pogen, de lezing vastte stellen. Er staat: 

Met een paar kleine, van zelf sprekende verbeteringen is dit als 
volgt te lezen: 



Digitized by VjOOQIC 



OYER ATJÈHSGHE SOXLTANSZ1GEL8. 55 

De vertaling van dezen zin, die aU appositie van as-Soelt&n 
^AM'oed-dtn op te vatten is, luidt aldos: 

die vertrouwt op dett Heerêcher [= Ood] ; Hij [= God] heeft hem 
utüerkoren om de koninkrijken in bezit te hebben en heeft in hem 
wettehageu. Allah doe zif'nen roem voortduren en schenie zijnen volgers 
merwinning. 

Het behoeft naawelijks vennelding, dat geene mijner opmerkingen 
o{ aanvullingen iets afdoet tot Roufiaer^s helder betoog aangaande 
tijd en wijze van ontstaan van het negenvoudige zegel der latere 
Atjèhsche Soeltans. 



Digitized by VjOOQIC 



NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN 
HET MAHAYANISME OP JAVA. 



Dr. H. H. JUYNBOLL. 



Het is bekend, dat op Java naast het Qiwaïsme het Noordelijke 
Buddhisme of Mahd.yd.nisme gebloeid heeft. Tastbare bewijzen hiervan 
zijn o. a. de beroemde Boro Budur, de vele op Java gevondene , 
te Batavia eil te Leiden bewaarde Buddha- en Bodhisatwa- 
beelden enz. 

In de Oudjavaansche literatuur vindt men echter slechts weinig 
sporen van dezen godsdienst. Yan Buddhistische strekking is bijv. 
het door Prof. Kern uitgegeven verhaal van Kunjarakarin^a, 
terwijl het epische gedicht (kakawin) Sutasoma half Qiwaietisch 
en half Buddhistisch is. Dat de schrijver van dit gedicht, Mpu 
Tan tul ar genaamd, een Buddhist was, blijkt ook uit het door 
hem vervaardigde epos Arjunawijay a. Verder was ook de 
schrijver van de kakawin Wighnotsawa een Buddhist. 

Bij het beschrijven der collectie Oudjavaansche handschriften, 
die in 1895 bij de bestorming van de puri van Cakranëgara 
buitgemaakt en na den dood van Dr. Brandes in het legatum 
Warnerianum te Leiden ingelijfd is, vond ik eenige handschriften, 
waaruit beter blijkt, wat de oude Javanen van het Mah^y^nisme 
gekend hebben. 

Vooreerst bevindt zich in denzelfden bundel * , die het door Dr. 
Brandes uitgegeven lofdicht op Hayam Wuruk, N&garakrt&- 
gama, en bovendien de kakawin Lubdhaka en eene be- 
werking in groote versmaten van den Kunjarakarin^a bevat, 
welke tot nu toe onbekend was, ook een klein Buddhistisch zede- 
kundig gedichtje, getiteld: Jin4rthiprakrti, met de toevoeging 
pralambang kamahftyftnin (mah&y4nistisch geschrift). Dit is 
echter slechts een fragment van 4 palmbladen. 

1 Deze lëmpiran draagt thans het naxnmer 502^ leg. Warn. 

Digitized by VjOOQIC 



NIBUWX BUD&AGE TOT DX KENNIS ENZ. 57 

OndeT de handschriften van het legaat van der Tuuk is ook een 
Baddhaweda (cod. 4165 leg. Warn.) , waarvan dr. Brandes eenige 
staaltjes mededeelt in zijne Beschrijving der Jav. Bal. en Sasaksche 
handschriften van dr. van der Tuuk, I, pag. 204 — 206. Hieruit 
ziet men, dat het mantra's of formulieren bevat, zooals die bij 
de Buddhisten in gebruik zijn. Op blz. 5 van dit HS. vindt men de 
Damen der vijf Dhj&nibuddha's^: Akfobhya, Ratnasambhawa, 
Amit&bha, Amoghasiddha en Wairocana. Op pag. 18 staan 
de Sanskrtwoorden : Namo ratnatrayft ja, namab &ry&wa- 
lokite^war&ya, die beteekeneu: Hulde aan de drie kleinooden 
en aan den edelen (eerwaarden) Awalokitegwara. Onder de drie 
kleinooden verstaat men, zooals bekend is, Buddha, Dharma 
en Sanggha, terwijl Awalokite^wara de naam van een der 
Bodhisatwa's of toekomstige Buddha's is. In dit HS. worden 
de lijkplechtigheden , die hier tiwft heeten (verwant met het Ngadju- 
Dajaksche tiwah, doodenfeest, en het Sangir. tiw^, goede na- 
gedachtenis van dooden) , zeer uitvoerig beschreven. De taal van dit 
prozaschrift is echter zeer nieuw en vol Balineesch. 

Van meer belang is een ander prozageschrift. In de collectie hand- 
schriften van van der Tuuk vond ik een fragment van 5 bladzijden , 
getiteld Sang hyang pamutus (cod. 3963, n® 4 leg. Wam.), 
dat mijn aandacht trok door den Buddhistischen aanhef: Nam o 
Buddh4ya, hulde aan Buddha. Een volledig handschrift van 
hetzelfde Oudjavaansche prozageschrift trof ik aan in de Lombok- 
collectie (cod. 5068 leg. Wam.). Dit is een cake pan van 65 palm- 
bladen , die ieder 47 cM. lang zijn. Hiervan luidt de titel echter : 
Sang hyang Eamahfty&nikan of //het heilige Mah&yftnisme// 
(bijv. op fol. a. 25 , a. 52 , a. 59 en a. 62). De taal van dit geschrift 
doet sterk denken aan die van het Oudjav. Adiparwa en evenals 
daar worden ook hier telkens Sanskrtverzen geciteerd, die dooreene 
Oudjav. vertaling gevolgd worden, b.v. (fol. 8): 

Ehi watsa mah4y&nam mautr&w&ryanay am widham, 

de^ayisy&mi te samyak, bh&janas twam mahftnaye. 

De O. J. vertaling luidt : Sang hyang mah&y&na iki wara- 
hakna mami iri kita, sang hyang mantr&naya, sira 
mah&yftna mah&mftrga ngaran ira, sira teki de9anftkna 
mami, warahakna mami ri kita, ri kadadinyan kita 

^ Zie over deze Baddha's o.a.: Waddell, Lamaiam, p. 130, 836 en 
349. — Grünwedel, Bnddhistisohe Kunst, p. 169 — 172. — Kern, Buddhisme, 
I, 323 vlg. 



Digitized by VjOOQIC 



58 NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS 

p&trabhüta, yogya warahën ri saug hjaug dharina, 
d. i. : ^Dit heilige (eerbiedwaardige) Mah&yd.ua zal door ons aan 
u onderwezen worden, de MantrêLuaya, de Mah&y&na (letterlijk: 
groot voertuig) heet de //groote weg^/. Deze nu zal door ons gewezen 
worden , onderwezen worden aan u , omdat gij p&trabhüta 
(letterlijk: tot een vat geworden) geworden zijt, verdienende om 
onderwezen te worden in den heiligen Dharma.// 

Een ander voorbeeld is (fol. 84): 

Y&wanti sarwawastüni dagadiksamsthit^ni ca, 

t&ni 9Ünyaswabhftw&ni prajnftp&ramitft smrt4b. 

Vertaald door: Sakweh nikang sinangguh hana ring 
loka, ikang umnnggu ri dega sapuluh, yatika kawru- 
hana an makatatwa 9Ünyat4 enz., d. i. : ^/Zooveel als beweerd 
wordt te zijn in de wereld, wat zich bevindt in de tien hemelstreken , 
weet dat dit tot wezen heeft de ^^inyata.// Het laatste gedeelte 
van het Sanskrt vers , waarin de prajn&p&ramitft voorkomt , 
wordt niet vertaald. 

Omtrent den inhoud valt het volgende op te merken: 

De Buddha^s worden verdeeld (fol. a. 9) in anftgatabuddha's 
(toekomstige): Maitreya en Samantabhadra, atttabuddha's 
(van het verledene): Wipa^y!, Wigwabhü, Krakucchanda, 
Kanakamuni en Kft^yapa en eindelijk den wartam&na- 
buddha (van het tegenwoordige): Q&kyamuni. Deze heeft de 
kam&rawijayan (fol. a. 10) bereikt, d. i. letterlijk het abstractum 
van het //Mftra overwonnen hebbent. 

Hierbij valt op te merken, dat Wipagyi en Wi^wabhü 
gewoonlijk ontbreken, waar de M&nusibuddha^s opgenoemd 
worden (b.v. bij Grünwedel, Buddhistische Kunst, pag. 
169)*, doch wel voorkomen onder de zeven Buddha^s van het 
verledene (b.v. bij Waddell, Lamaism, pag. 346 en Grün- 
wedel, Mythologie des Buddhismus, pag. 111). Van de 
toekomstige Buddha^s wordt Maitreya gewoonlijk genoemd 
onder de M&nusibuddha^s en Samantabhadra ouder de 
Dhy&nibodhisatwa^s. 

Op fol. 27 wordt gesproken over de zes p&ramit&'s: dftna, 
9ila, ks&nti, wirya, dhyS,na eu prajnft (zie Kern, Bud- 
dhisme, I, 415), op fol. a. 36 over de vier p&ramit&^s: metrt, 

> Ook bij Waddell, Lamaism, p. 350 en Grünwedel, Mythologie 
des Buddhismus, p. 95. Daarentegen noemt Qroeneveldt hen (Aroh. 
GataL pag. 82). 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HIT MAH&Y&NISMJE OP JAVA. 59 

kara^a, mudita eii upeks&. De eerste beet het tatwa (het 
weeën) van Locan^, de tweede vau Mftmakt, de derde van 
P&^^daraw&si^i en de vierde van T&r&. 

Deze vier zijn bekend als de gemalinnen van de Bodhisatwa^s 
Wajrap&iH^i, Ratnap&in^i, Padmapftin^i of A walokiteg wara 
en Wi^wap&^i (Waddell, Lamaism, p. 351 en Kern, Bud- 
dhisme, II, 173). Gewoonlijk wordt ook Waj radh&twlgwarl, 
de vronw van Samantabhadra hierbij genoemd. Ook is de 
eigennaam P&Qciar&wft^iut eigenaardig , daar deze naam gewoonlijk 
P&^^dar& (Waddell, Kern, 1. c. en Groeneveldt, Arch. Catal. 
pag. 81) of P&v4ur& (Kern, 1. c.) of Sit& (Waddell, 1. e.) luidt. 

Dit gedeelte over de da^apftramitft eindigt op fol. a. 40. 
Daarop volgen de vier yoga's: mülayo'ga, madhyayoga, 
was&nayoga en antayoga. Dan de vier bh&wan&*s (zie 
Kern, Buddhisme, I, 369) en de vier heilige waarheden 
(ftryasatya). 

Gewichtig uit een iconographisch oogpunt is de plaats (fol. 52 
en vlg.) waar over de mudr&^s gesproken wordt (zie Brandes ^Een 
Buddhistisch monniksbeeld, en naar aanleiding daarvan het een en 
ander over eenige 3er voornaamste mudr&'s^/ in Tijdschr. Ind. T. , 
L. Vk. XLVm pag. 37 vlg. en Waddell, 336—337). ' De kleur 
vau Q&kyamuni heet wit en zijn mudr& de dhwajamudr&. 
Uit zijn rechterzijde ontstaat Loke^wara, wiens kleur rood en 
wiens mudr& de dhy&namndr& is. Uit Qftkyamuni's linker- 
zijde ontstaat Bajrap&^i, wiens kleur blauw en wiens mudr& 
de bhü}^spar9amudr& is. Deze drie Buddha^s worden vergeleken 
met het ratnatraya (drie kleinooden) Buddha, Dharma en 
Sanggha (fol. a. 53). 

Op fol. 54 worden de vijf skaudha's (Kern, Buddhisme, 
I, pag. 341 — 353) besproken en in verband gebracht met de vijf 
Dhy&nibuddha^s of Tath&gata's, zooals zij hier heeten. 
Ook de trikhala (r&ga, dwe§a en moha^) worden in verbaud 
gebracht, resp. met Amitftbha, Aksobhya en Wairocana 
(fol. 55). De vijf elementen (prthiwl, &pat, teja, hkjn en 
ik 4 ga) worden eveneens met de vijf Tath&gata's vergeleken 
(fol. 57). 



» Zie ook Grünwedel, Buddhistisohe Kunst, 157, 163, 171 en 192. — 
Mythologie des Buddhismus, 19, 20, 33, 86 en 109. 

'Zie hierover: Waddell, Lflmaism, p. 109. Hij noemt ze: „The three 
vioes or delosions". 



Digitized by VjOOQIC 



60 NISÜWX BIJDRAGE TOT DE KENNIS 

Op fol. a, 60 worden de gemalinnen der Dhjftnibnddha^s 
genoemd, allen met het praedicaat bhar&lt. Ditmaal wordt ook 
Dhfttwt^wari niet vergeten. (Zie Brandes, Tjandi Djago, pag. 
94—95 en Not. Bat. Gen. XXXIX, pag. XXVIII). 

Het slot (fol. 63 — 65) handelt over het ^awawidhftna (lijk- 
bezorging) bij de Bnddhisten. 

Een ander, minder omvangrijk lontarhandschrift (cod. 5083 leg. 
Wam.) draagt ook den titel dang hyang Kamahftyftnikan, 
doch het wijkt van cod. 5068 af. De inkleeding van dit HS. doet 
sterk aan die van het Ondjav. Adiparwa denken: evenals daar 
bijna iedere af deeling begint met een vraag van Qonaka aan 
Ugra9raw& of van Janamejaya aan Wai9amp&yana om 
een nieuw verhaal of om voortzetting van een reeds begonnen ge- 
schiedenis, zoo geschiedt dit hier met een leerling, die vragen doet 
nan zijn leeraar, bv. reeds dadelijk in het begin (na awighnam 
asta): S&jnft mah&mpu, tulusakna sih grt mah&mpangku ri 
pinakanghuluni enz., d. i. : //Met uw verlof, groote Heer, 
voltooi het gunstbewijs van u, mijn groote Heer, jegens mijl// enz., 
waarop de leeraar antwoordt: Aum, enak denta rumëngö 
kita Tathftgatakulajinaputral enz., d. i.: //Oml Luister 
rustig toe, o gij Buddha^zoon uit Tath&gata's geslacht ont- 
sproten I// enz. 

De inhoud van dit handschrift komt in vele opzichten overeen 
met die van cod. 5068. Ook hier (fol. a. Z) wordt van de 4 
&ryasatya en de 10 p4ramit& gesproken. Merkwaardig is eene 
plaats (fol. a, 3), waar van het adwayajnftna gezegd wordt, dat 
dit is bhar&lt Prajn&pftramit&, de moeder van bhat&ra 
hyang Buddha. 

Yoor zoover mij bekend is , is dit de eenige plaats in de geheele 
Oudjavaansche literatuur, waar sprake is van deze godin, die bij 
ons eene zekere vermaardheid gekregen heeft door het prachtige 
steenen beeld , dat vroeger in 's Rijks Museum van Oudheden (n** 33 
van Leemans' Catalogus, die haar Laksmt noemt I) en thans in 
'sBijks Ethnographisch Museum bewaard wordt en dat reeds meer- 
malen afgebeeld is, o. a. in deze Bijdragen (6® volgr. VIII, pag. 
372, fig. I) door den heer C. M. Pleyte, in Von Saher's 
Versierende Kunsten, pi. XX, in het werk //De Batikkunst^/ door 
Bouffaer en schrijver dezes op de platen 39 en 40 en in Pleyte 's 
Indonesian Art, pi. XI. 

Op fol. 5 worden de zeven sam&dhi's genoemd, dat vertaald 



Digitized by VjOOQIC 



VAK HIT mahIItIInisme OP jaVa. 6l 

wordt door pëgëng ikang b&yu of ^inhouden van den adem// 
(eig. den wind). Hierbij valt op te merken, dat Prof. Kern in 
zijn werk (Buddhisme, I, pag. 879) zegt: /'Er worden soms 8, 
soms 6, of ook wel 4 Sam&dhi^s genoemd.^ 

Op fol. a. 8 is sprake van vijf mudr&^s: dh waj a, bhül^sparga 
(het HS. heeft nnsparga), warada, dhjftna en abhaja. 
Daarop worden de kleuren en madr&^s van Q&kyamuni, Loke^wara 
en Bajrap&iji^i opgesomd, evenals in cod. 5068. Uit deze drie 
Tathftgata^s ontstaan de anderen, nl. uit Qftkjamuni^s gelaat: 
Wairocana, uit Loke^wara: Ak§obhja en Batnasam- 
bhawa, terwijl Bajrapft^^i zich verdeelt in Amit&bha en 
Amoghasiddha. Volgens deze voorstelling zouden dus Tathft- 
gata^s of Dh jftnibud dha^s ontstaan uit Dh jftnibodhisat wa^s. 
Waarschijnlijk ligt hierin eene aanwijzing, dat naast Q&kyamuni 
vooral Lokegwara (Awalokitegwara) en Bajrap&in^i vereerd 
werden op Java. 

Behalve de 5 skandha*s, 5 dh&tu^s, 3 khala^s en 3 ratna^s 
worden hier met de 5 Tathftgata's in verband gebracht de vijf 
klanken: a, hum, tram, hrt en a, die Waddell (Lamaism, 
851): /rEssential or //Germ>r Spell (bija)// noemt; de 3 malais (fol. 11), 
de 3 k&ja^s (Waddell, Lamaism, 347 en Hodgson, 
Essays, 27, 58, 64) ^ de 3 param&rtha's (fol. a. 13) en de 
5 deha^s (fol. a. 14). 

Dit gedeelte van de Kamah&y&nikan heet Pancatathft- 
gatajii&na, d. i. kennis der 5 Tath&gata^s (tot fol. 15). Het ge- 
deelte, waarin de 5 gemalinnen der Tathftgata^s in verband gebracht 
worden met de 4 P4ramit&^s heet hier ad wayas&dhana (tot 
fol. 18). Het slot handelt over deze vier en over de zes P&ramitft's, 
waarom aan het slot staat: Iti satp&ramit& sam&pta. Op fol. 
22 treft men de interessante zinsnede aan: Buddha tunggal 
lawan Qiwa of: >/Buddha is één met Qiwa>9^. 

Hiermede nemen wij afscheid van deze beide merkwaardige ge- 
schriften. Misschien zal een Sanskritist in staat zijn, hun bron op 
te sporen. Aan Europeanen zullen zij weinig nieuws omtrent het 
Buddhisme leeren , doch als bronnen van hetgeen de Javanen eenmaal 
van dezen godsdienst geweten hebbeu, schenen zij mij belangrijk 
genoeg toe, om er de aandacht op te vestigen. 



1 Zie ook Koppen, Die Beligion des Buddha, n, 25 en Grünwedel, 
Mythologie des Buddhismus, pag. 109. Zij heeten: Nirma^a — , sam- 
bhoga — en dharmakaya. 



Digitized by VjOOQIC 



EENIGE SOENDASCHE FABELS EN 
VERTELSELS. 

DOOB 

R. A. KERN. 



Een vijftal jareu geleden zijn in 't Tijdschrift van 't Bataviaasch 
Genootschap ' eenige Soendasche dwerghertverhalen medegedeeld. Er 
werd (oen reeds gezegd dat in die dongengs variaties voorkomen. 
Ik heb er na dien tijd nog meermalen gehoord. Waar de hoofdinhoud 
dezelfde was, behoeven die nieuwe lezingen hier niet te worden 
vermeld en wil ik volstaan met één voorbeeld hoe eenige episodes 
op verschillende wijze kunnen worden aaneengeschakeld en de dieren 
die erin optreden, andere namen kunnen krijgen. In bovenbedoelde 
mededeeling dan was de loop van 't laatste verhaal als volgt: 

De reebok komt op 't terrein van den tijger, vraagt later 
hulp bij 't dwerghert, 't dwerghert verschrikt den tijger. De 
aap legt den tijger uit dat hij voor den gek gehouden is; samen 
gaan zij weer naar den reebok, maar deze wordt weer gered door 
't dwerghert, door wiens list de tijger zijn medgezel , den aap doodt. 
Die dood maakt op den hoorder den indruk van een vergelding, 
want vó6r de reebok naar 't dwerghert ging, had hij vergeefs bij 
den aap aangeklopt om hulp. 

Later hoorde ik 't verhaal anders, de rollen waren verwisseld en 
een nieuwe episode was er doorheen gewerkt; overigens waren de 
gebeurtenissen dezelfde. In dit verhaal komt een buffel op 't 
terrein van den tijger, bij wien 't dwerghert zooveel als Patih 
is. 'i Uitstel om vet te worden is net als boven. De buffel gaat 
hulp vragen bij een geit, de geit verschrikt den tijger. Dan volgt 
't verhaal dat de geit aan den tijger zijn spiegelbeeld laat zien, 
hier om te bewijzen dat zij tijgers in voorraad heeft om op te eten. 
(Deze episode komt in allerlei vormen voor, steeds met 't doel te 

» Deel 42. 



Digitized by VjOOQIC 



eSnigb sokndasche fabels ün vertelsels. 63 

bedotten of schade te doen), 't Dwerghert legt aan den tijger de 
foppage uit; samen gaan zij terug naar de geit, deze doet als boven 
't dwerghert en 't einde is dat de tijger 't dwerghert doodt, gelijk 
boven den aap. 
Dit is een voorbeeld uit velen. 

Thans mogen eenige andere dongengs hier een plaats vinden. Zij 
worden medegedeeld in Soendaschen tekst met, bij elk, een korten 
inhoud in 't Hollandsch. Aan een vertaling heb ik me niet gewaagd. 
Een woordelijke vertaling zou 't frissche, en levendige, H echt- 
natuurlijke dezer volksverhalen doen verloren gaan; om dat weer te 
geven , zou de vertaling zeer vrij moeten zijn ; ik betwijfel of 't me 
zou gelakken; voor degenen die den origineelen tekst lezen, ware 
ze ounoodig en niet-beoefenaars van 't Soendasch zullen, hoop ik, 
een inhoudsopgave voldoende achten. 

De dongengs zooals ze hier gegeven worden, zijn gehoord in 
Bandoeug en Soekapoera. Verscheidene er van heb ik ook op andere 
plaatsen hooren vertellen. 

I. De kat en de tortelduif. 

De kat komt in de buurt van een tortelduif. Ze laat 't voorkomen 
alsof ze niets kwaads in den zin heeft, door te zeggen dat ze tapa 
houdt. De duif antwoordt om die goede bedoelingen toe te juichen. 
^Kom wat dichter bij, ik kan je niet hooren,// zegt de kat. Argeloos 
komt de duif dichterbij, wordt gegrepen en opgegeten. Volgt een 
vermaning niet te doen als de duif. 

Tekst: Oetjing djeung manoek titiran. 

Ti tiran njajang dina roejoek kaso; kapanggih koe oetjing, tapi 
oetjing hënteu daek ganggoe kana titiran. Ngomoug ka oetjing: 
''Teu woedoe bae sampejanmah loenggoeh! mënding teuing sasa- 
rinamah: kakara tembong oge, geus diintip, rek dirontokl// — 
Djawab oetjing: //Kaoela keur tapa, napaan doewa përkara, hidji, 
ten rek ganggoe kana karëp batoer, kadoewa, teu rek ngarah pati 
b.ntoer./r — ffBénér lamoen kitoe karep sampejan, kaoelage tjotog 
kana karep andika; poegoehnja koedoe, hajang waloeja dirimah.// — 
Tjek oetjing: //Teu kadenge, koerang deukeut!// 



Digitized by VjOOQIC 



64 ïsiaeE soëndasohs fabels en vsIltelssls* 

Titiran njampeurkean ka oetjing. Bareng ^ gens deukeut, gabroeg 
bae dirontok tëroea dihakan koe oetjing« 

Ingët, djalmal oeloh sapërti oetjing djenng titiran; kitoe kadja- 
diannana. Sapërti ten tërang eta djalma bangsat ti toekan-toekangna 
tapi dipërtjaja bae, kitoe kadjadiannana. 

n. De valk en de schildpad. 

Een valk en een schildpad waren vrienden. De schildpad geeft 
aan den valk den raad, als hij ver vliegen moet, langzaam te 
vliegen. De valk meent juist 't omgekeerde en wijst de schildpad 
terecht dat ze praat over dingen waar ze geen verstand van heeft. 

De valk gaat nu een zee overstekeu en vliegt zeer snel, met 't 
gevolg dat hij uitgeput neerstrijkt op een schip, gegrepen wordt 
(door een Chinees) en geslacht. 

De ekster die dat zag, moraliseert over 't geval met zijn makkers 
eu tot slot volgt dan nog de moraal voor de menschen: Wees niet 
eigenzinnig ; volg goeden raad , al komt die van minderen. 

Tekst: Tjarita alap-alap djeung koeja. 

Slatjarita dina hidji waloeugan aja sahidji koeja. Eta koeja waktoe 
harita keur sosobatan dalit pisan, njaeta djeung hidji manoek 
alap-alap. 

Dina hidji mangsa keur waktoe alap-alap njijar kahakanan, 
katembong koe koeja tea ti handap sarta, bari digëroan, pokna 
koejtf: ^/Adil moen tjalik heula sakëdap kadijeu, sarehna poen 
kakang gadoeh soewal saeutik.// — Toeloej eta alap-alap teh toeroen 
kahandap njampeurkeun ka koeja tea, sarta bari ngomong pokna: 
^Aja pibedjaeun naon, kakaug?>/ — Walon koeja: //Kijeu geura, 
adil sarehna adi ajeuna bisa ngapoeng di a wang-a wang, njaeta koe 
sabab boga djangdjang, koe perkara eta koemaha pamikir adi, 
oepama adi ngaliwat laoetan tëgësna hibër di laoet , koemaha hibëma ? 
eta koedoe gantjaug atawa koedoe alon?^/ — Wangsoelna alap-alap: 
//Memang koedoe gantjang, koe sabab oepama di alon-alon, tangtoe 
kësël tina sakitoe leukleukna.^/ — Wangsoel koeja: /i^Hihl salah lamoen 
pamikir adi kitoe ; tangtoe lamoen gantjang manggih balai, lamoen alon 
tangtoe salamët.^ — Walon alap-alap : //Teu sing kitoe I sababna koela 



1 Barêng voor Barang. 



Digitized by VjOOQIC 



fiENt<^lS SOKNDASOHS ÏABELS EN YS&TKLSELS. 65 

anoe geus ngalampahkean ; ari kakangmah, iraha teuing bisahibër, 
iraha teaing ngalampahkean kana eta atoeran ; tjatjakau di waloengan 
oge bisa ngodjajteh. kabawa koe tjai./i^ — Tidinja koejateh ertkeun 
sarta roemasa salah mapatahan kn noe tatjan dilampahkeun; toeloej 
manehna menta përtobat ka alap-alap, pokna: ^Adi! ajeaua kakang 
menta dihampoera koe adi sarehna kakang ngoenghak tjampëlak 
make mapatahan ka salira adi sakitoe.>/ — Wangsoel alap-alap 
barina bëngis sarta bari hibër, pokna: //Hadel>/ sarta toeloej eta 
alap-alap hibëma njorang laoetan sarta këras katjida. Tina sabab 
hibëma gantjang teaing, manehna tjapeean sarta kêsëlean djang- 
djangna, djadi hiberna beuki dasar bae. Kabënëran waktoe harita 
aja hidji kapal anoe keur lajar; geawat manehna uotogkean maneh 
kana eta kapal tina sabab gens ten katahan koe tjape. Barang 
gepreek kana kapal, kapanggih koe hidji tjina, sarta toeloej koe 
eta tjina ditewak tëroes dipeantjit. 

Keur waktoe alap-alap dipeantjit, katembong koe hidji manoek 
tjijoeng sarta ngomong ka batoerna , pokna : //Eaj , batoer 1 geura 
itoe tendjo manoek alap-alap; tina tjape hibëma datang ka notog- 
keun maneh ka djëro kapal, toeroeg toeroeg barang datang kana 
kapal, manggih balai; kapanggih koe oerang manoesa sarta toeloej 
dipeantjit.^ — Tjek batoerna: ^Enjal tah kitoe noe teu noeroet 
kana papatahteh.^ 

Harti ijea dongeng: Saha djalma anoe^ moeroegoel, anoe teu 
toeroet kana papatah, sanadjan koe sahandapeun oge, ori kana 
pibënërean eta koedoe toeroet. Lamoen moeroegoel, tangtoe matak 
tjilaka saperti manoek alap-alap teu toeroet kana papatah koeja. 

m. De rijke eekhoorn en de arme aap. 

Een hongerige aap komt met haar kinderen bij een eekhoorn die 
een nangkaboom vol vrachten bezit. Zij vraagt één uangka, maar 
de eekhoorn scheepte haar af. Nauwelijks zijn de apen weg of de 
eekhoorn begint van onderen aan een nangka te knabbelen. Daardoor 
valt deze van den boom af, de eekhoorn in haar vaart meenemende 
en verpletterende. 

Allerlei dieren die veel van nangka's houden komen nu aanloopeu 
en doen zich te goed en ook de aap en haar jongen schransen naar 
hartelast. 

Yolgt de moraal. 

H Zelfde verhaal heb ik ook zoo hooren vertellen dat weer de 
ekster de moraal trekt. 

?• Volgr. VI. 5 



Digitized by VjOOQIC 



66 EENIGE SOKNDASOHB JABELS EN VElLTELSEtS* 

Tekst: Badjing bennghar djeung monjet malarat. 

Dina sahidji leuweung aja sahidji badjing kaja, njaeta boga 
sahidji taugkal nangka. Eta tangkal naugka loba pisan boewahna 
tëpi ka ratoesan. Dina sahidji mangsa datang monjet mawa anak tiloe ; 
eta monjet geas tiloe powe hëntea manggih kahakanan datang ka 
boetjing, pok ngomong: ^r Poenten, noen!// — Wangsoel badjing: 
//Aeh, sakadang monjet — kadijeu tjalik.// — Toeloej monjetteh 
dioek dirijoeng koe anakna. Ditanja koe badjing: //Aja pigaleaheun 
naon?// — Wangsoel monjet sarta bari loengas-leungis ^ sangkan 
dipikaroenja : //Noen, djoeragan! koeringteh noe mawi ngadeuheus, 
njaeta dek namboet nangka sahoeloe, sarehna koeriug sarëng poen 
anak parantos tiloe dintën hëntea barangtëda; koe perkara eta 
moegi dipaparin sahoeloemah, hënteu sahoeloege atoeh sabeolah, 
hënteu sabenlah atoeh satjamploengmah ^ kêdah bae dipaparin, 
noen l// — Diwalon koe badjing sarta karoenjaenn ngadenge omong- 
annana sakitoe: //Adoehl karoenja teuing, paingan teuing eta iga 
mani ragas tjari gambang.// — Kadenge koe monjet, ngomong di 
djëro atina : //Tah ! aing bakal hasil balangsijarteh.// — Tapi barangna 
[ngomong ka monjet] badjing ngomong di djëro atina, pokna: 
//Ben! koemaha, dibere sahoeloe, gëde teuing, dibere sabenlah, 
koemaha eta noe sabenlah deuiP lamoen ten beak meureun boeroek; 
njokot tina hoeloean noe aloes satjamploeng, menrenn boesik 
nangkana.// — 

Tidinja toeloej ngomong ka monjet, pokna: //Beal gagal, sakadang 
monjet 1 ajeunamah, sarehna keur koering oge moal tjoekoep pikeun 
bëkël, ëngke deui bae taoen harenp kadijeu deui.// — Walon monjet 
bari doemareuda: //Atoeh, poenten bae, noenl// //Hajoe, baroedak! 
oerang balik.// — Eta anakna hënteu beunang dibawa balik , anggoer 
tjeurik gogoleran; beunang soteh dibawa balik, satëngah digoesoer 
koe indoengna. Barang nëpi ka djalan ngomong ka anakna: //Keun 
bae, oedjangl oerang njijar deui bae ka noe sedjen, da badjingmah 
mana hënteu merege, ngopet meureun.// 

Hënteu katjarita monjefc, kotjapkeun badjing tea, sanggeusna 
monjet balik, toeloej manehna milihan nangka noe asak. Barang 
geus manggih, toeloej koe manehna disigitan ti handapna. Tina 
sabab nangka asak teuing, toeloej eta nangka teh ragrag sarta eta 
badjing kabawa ka handap katindihan koe nangka t^roes paeh. 

> 't Zelfde als lengas-lëngis. 

' In dezelfde beteekenis wordt ook njamploeng gezegd. 



Digitized by VjOOQIC 



lEEKlGÈ SO£NDASCfii: TAB15LS £N VEUTELSELS. 67 

Katjaritakenn sauggeusna badjing paeh, roepa sasatoan didinja 
saperti tjotjodot, kalong, loetocmg, owa (ofoa?), sakabehna sasatoan 
pada ngarajah kaua eta nangka sarta eta moujet anoe tadi tea balik 
deui ngahakanan nangka balaketjrakan sarawoeh anak-anakna. 

Hartina ijeu dongeng: Saha djalma anoe tjëtjërëmêd atawa tjëdik, 
tara noeloeng ka noe boetoeh , toengtoengna matak hëuteu djamoega 
ti pada kawoela, sapérti badjing hënteu noeloeng ka monjet datang 
ka paeh koe bandana pribadi. 

lY. De slang en de kraai. 

Deze fabel is zeer merkwaardig maar lijkt me bedorven. Ik heb 
ze belaas slechts eens gehoord, zoodat ik niet vergelijken kon met 
andere lezingen. 

In den onden tijd was de san tja ^ de giftigste van alle slangen. 
De andere slangen wilden dat niet gelooven. De sautja zal 't nn 
bewijzen door een bruidspaar, in optocht rondgereden te bespuiten. 

[Men stelt zich voor dat een gifslang zoowel bijt als zijn gif 
oit zijn bek naar buiten spuiten kan.] 

Dit werd gehoord door de kraai, die in dien tijd nog wit was. 
Deze blijft nu boven H bruidspaar vliegen , ziet dan hoe de santja 
de menschen bespuit zoodat ze op slag sterven en bij de dadelijk 
volgende begrafenis blijft zij boven de begraafplaats en wordt met 
aarde bestoven tot zij zwart ziet. 

De thans zwarte kraai gaat naar de santja. Zie, zegt ze, uw gif 
is niet werkdadig, ik ben wel zwart geworden, maar dat komt 
omdat ik mezelf besmeerd heb met zwartsel, ' waarop de santja 
antwoordt, dat \ nergens goed voor is een onwerkdadige giftigheid 
te hebben. En de daad bij H woord voegende werpt ze haar gif 
weg dat opgeraapt wordt door ander gedierte, nl. de steekdieren 
(wespen , muggen e. d.) 

Dat is tot heden zoo gebleven. 



1 Dese slang komt in *t Zuiden van Prijangan vrij veel voor. Giftig is ze 
niet en voor den mensch niet gevaarlijk. Haar prooi bemachtigt ze door er 
zich om heen te kronkelen en dan dood te drukken. Door haar groote lengte 
en kraoht — in Djampang zag ik een huid van een pas gedood exemplaar, 
die 5^ M. lang was en plat uitgespreid een grootste breedte van ruim een 
halve meter had — kan zij zelfs paarden en buffels dooden. Ze wordt 
geidentifioeerd met de python. De Jav. vorm is sawa. 

* Nl. wat zich afzet aan den onderkant van ketels en pannen. 



Digitized by VjOOQIC 



70 EBNIGB SOENDASGHE FABELS EN YEBTELSELS. 

\ 

Boeugoer, manggih bae tëmpat dina gawir sapêrti goeha, sarta di 
loehoereunnana rea pisan areuj wani pabealit djeung galéde. Toeloej 
sabijasa ngoeseup sarta beubeanangaunana alah batau uoe ënggeus- 
ënggeas. Koe bakating ^ palëng (?) maoeng djeang boehaja pada 
hajaDg ngamangsa ^ , satintjak-tiutjakna toekaug Dgoeseup kanjahoan 
bae; sarta ugoeseupna di këdoeng Boengoer kaitoeng lila koe sabab 
gawok ' beubeuaangannana rea. 

Katoenda toekang ngoeseap, katjarita maoeng djeung boehaja 
geus datang ka toekang ngoeseap tea. Ari maoeng datangna ti 
touggoh tapi hënteu njahoeun ka toekang ngoeseap sabab boeni; 
toekang ngoeseup ujakitoe deui hënteu njahoeun jen aja maoeng, 
ngan katendjo bae kalangkangna. Ari koe boehajamah geus kanjahoan 
sarta nembongan sama sakali , koe toekang ngoeseup , ngajar ti hilir 
ka girang. Barang datang ka tëmpat toekang ngoeseup , eta boehaja 
silëm deui. Toekang ngoeseup ngomong sa djëroningkalboe, pokna: 
//Bo! nja ajeuna aing paeh dimangsa maoeng atawa koe boehaja, 
tapi moal dikoemaha ari geus nëpi kana titis toelis aing koedoe 
dimangsa koe maoeng djeung koe boehajamah.// Sanggeus ngomong 
kitoe, toeloej bae djongdjon "^ ngoeseup deui malah tambah gawok. 
Lila-lila eta toekang ngoeseup katendjo koe maoengteh sarta bari 
ngomong dina djëro kalboe, pokna: //Dalahl nja ijeu manoesana 
noe didongdon koe aing sababaraha kali; kakara ajeuna bisa katimoe.// 
Sanggeus ngomong kitoe, eta maoeng geus teu koewat nahan 
amarah, nja kitoe deui boehaja; pada geus teu koewat nahan 
amarah. 

Grantjangna tjarita , toeloej bae maoeng djeung boehajateh masing- 
masing pada ngarontok eta toekang ngoeseup. Ana gabroegteh , ngaro- 
ntokna masing-masing kaliwat koe bawaning roesoeh ana njangsang 
masing-masing kana areuj saloehoereun toekang ngoeseup tea. Tidinja 
toekang ngoeseupteh kasima ^ , ngan tiba koetjap-kitjeup * bae nendjo 
ka loehoer. Maoeng djeung boehaja goegoerawilan dina areuj. 

Katoenda toekang ngoeseup, katjarita maoeng ambëkna beuki 



i Koe bakat-ing z. v. a. Koe bawaning — doordat. 

' Njamangsa — 't iemands stervensuur doen zijn, naar de andere wereld 
helpen, verdelgen. 

* Gawok z. V. a. résépeun — met lust, met behagen, behagen hebben in. 
^ Djongdjon — in denzelfden toestand, onveranderd blijven. 

' Kasima — gebiologeerd. 

• Koetjap — kitjeup = frequentatief van kitjeup — lonken , met half toe- 
geknepen oogleden even een blik werpen. 



Digitized by VjOOQIC 



£SNIG£ SOSNDASGUE FABELS EN YEETELSELS. 71 

katjida. Barang ret neudjo diua areuj aja hidji boehaja, tëroes koe 
maoeng eta boehaja dirontok, boehaja toeloej bae malik ügegel ka 
eta maoeng sarta toeloej dibawa toetoeroeboen kaua leawi Këdoeng 
Roengoer tea. Eta leawi hënteu kira-kira djërona. Tidinja maoeng 
ambêk, boehaja dërêgdëg tina djëro leuwi dibawa loempat kadarat, 
silibeabent, silibauting, silikoroet sarta siligegal. Tidarat toeloej koe 
boehaja dërêgdëg deui dibawa silëm ka djëro tjai. Kitoe djeuiig 
kitoe bae nëpi ka djam-djam-an. 

Katoenda maoeug djenng boehaja noe keur galoengan > , katjarita 
toekang ngoeseap, kasimana geus leangit nendjo galoengan maoeng 
djenng boehaja sakitoe ramena. Datang bae tidinja gëde hate; 
toengtoengna toekang ngoesenpteh ngëprokan sarta bari ngomong 
kijea, pokna: //Hajol sakadang maoeng djeaug sakadang boehaja I 
oelah nëpi ka eleh, wëdoek pada wêdoek, gagah pada gagah.>/ — 
Sanggeas toekang ngoeseap ngomong kitoe, katjarita deui maoeng 
djeang boehaja masiug-masing beuki katjida ambëkna papanas-panas. 
Tidinja der deui bae galoengan tambah rame. Lila lila boehaja 
rada teter koe sabab rada koerang pakakas nëpi ka poteng boen- 
toetna , tapi masih keneh bae ngalawan ; toengtoengna nëpi ka 
paeh patoendjaug-toendjang ; diadoe soengoet pada soeugoet , sihoeng 
pada sihoeng wani patjorok. Ari noe mimiti paehmah boehaja 
heiüa ; noe matak maoeng miloe paeh , koe sabab hëuten bisa ngoe- 
daran bae. Sauggeusna paeh patoendjang-toendjang, hënteu lila 
djêboel bae boehaja maratoes-ratoes , njakitoe deui maoeng saroewa 
bae lobaDa, masing-masing pada ngalajad. 

Toekang ngoeseup, barang nendjo balad boehaja djeung balad 
maoeng maratoes-ratoes , toeloej bae naek ka loehoer kai. Geus kitoe 
latoe maoeng ngomong ka balad-balad boehaja , pokna : //Koemaha 
ajeona, sakadang boehaja I arek pikarëpeun, pedah balad oerang 
geus paeh hidji, balad sakadang boehaja hidji I Naha ajeuna baris 
ditoeloej keun pêpërangan atawa koemaha?// — Sakadang boehaja 
Dgawalon : /i^Bo ! përkara eta kaoela teu rek ngadjak moemoesoehan , 
tjoewang ^ beberes bae soepaja djadi loeloes ka hareupna, sabab 
ijea përkara pasalna kijeu. Sakadang maoeng djeung balad ^ kaoela 
pada boga tekad goreng ka hidji toekang ngoeseup; barang dina 
tempona ngarontok djadi barëng nja ana njangsang ka hidji areuj ; 



* Galoengan — worstelstrijd , worsbelen. 

> Tjoewang z. v. a. Soegan. 

^ Balad hier en verder op van één enkel individu gebruikt. 



Digitized by VjOOQIC 



72 ëënigb soendasghe fabels en ye&telsbls. 

koe sabab sakadaog maoeng geus teu koewat nahan amarah, ret 
bae nendjo balad kaoela ; toeloej bae sakadang maoengteh ngarontok ; 
tidinja balad kaoela malik deui iigegel. Kitoe kaiëranganiiana>/ — 
Batoe maoeng ngadjawab : //Koemaha atoeh ajeuna oerang , sangkana 
bisa poetoes oelah nëpi ka kadjadian deui sapërti tadip>y — Sakadang 
boehaja ugawalon: //Ajeuna kijeu, sakadang maoeng! pangatoeran 
kaoela. Kitoe oge soegan rëmpoeg djeung sakabeh balad-balad. 
Tipëmët powe ijeu kahareup, ajeuna oerang tjadoe toedjoeh patoe- 
roenan arek boga tekad goreng ka noe toekang ngoeseup.// — Ka- 
denge koe ratoe maoeng djeung sabalad-baladna omongannana sakadang 
boehaja kitoe. Gantjangna ratoe maoeng djeung balad-baladna nga- 
djawab, pokua: //Sakadang boehaja! pakeun oerang, nja kitoe deui 
tjadoe toedjoeh patoeroeuan arek boga lekad goreng ka noe toekang 
ngoeseup.// — 

Barang geus barëmpoeg , toeloej bae baroedal katëmpatua masing- 
masing. 

Katjarita deui toekang ngoeseup , sanggeusma boedal balad maoeng 
djeung balad boehaja, toeloej bae toeroen tina loehoer kai sarta 
bari ngomong: //Tah! koedoe nëpi ka kitoena, sakadang maoeng 
djeung sakadang boehaja teh ; kakara oerang ajeuna bisa senang ati 
pakeun ka hareupna". — 

Tidinja toeloej bae toekang ngoeseupteh balik ka imahna bari 
ugadjingdjing laoek beubeunangan ngoeseup tea. 

VI. De jager en de aap. 

Een ja^er is op de jacht. Plotseling komt hij voor eeu tijger te 
staan en redt zich door in een boom te klimmen. Maar de tijger 
blijft aan den voet de wacht houden en de jager is te zeer onder 
den indruk om iets uit te richten. 

[Vreemd is dat uitdrukkelijk gezegd wordt dat 't een gevlekte 
tijger is, want zulke tijgers kunnen in boomen klimmen.] 

Daar komt een aap aan met voedsel voor zijn jongen. De jager 
beweegt den aap hem dat eten af te staan. Nu kan hij 't weer een 
tijd in den boom volhouden. De tijger, dien 't wachten verveelt, 
trekt weg. Dadelijk komt de jager naar beneden , hij had reeds zoo 
lang gejaagd zonder iets te schieten dat hij gemakshalve den aap 
maar doodschiet. De tijger hoort 't schot en 't gillen van den aap , 
komt weer naderbij, ziet den jager en verslindt hem. 

Moraal: Den bedriegers wacht 't verderf. 



Digitized by VjOOQIC 



SXNIGE SOINDASGHX FABKLS £N VKKTBLSBLS. 73 

Tekst: Pauinggaran djeang monjet. 

Katjarita aja hidji paninggaran geus katjëloek kamana-mana tina 
bisana, datang ka oenggal bëbëdil tara ten meunang oentjal atawa 
mëutjëk. 

Dina hidji powe eta paninggaran bëbëdil ka hidji leuweung anoe 
loba oentjalna. Barang datang ka leaweuug , parëng bae eta paning- 
garan papanggih djeung hidji maoeng toetoel. Barang gokteh djeung 
eta maoeng paninggaran ngëdjat sarta toeloej naek kana tangkal kai 
anoe loehoer. Maoeng nj^rontok ka eta paninggaran tapi ngarontokna 
ten bennang tina gantjangna naek eta paninggaran. Eta maoeng, 
sanggens ngarontok teu bennang, ten ingkah deai noenggoean 
toeroenna paninggaran. Eta paninggaran teu bisa ngabëdil tina kasima 
koe eta maoeng, datang ka leulens teu bisa ngobahkeun bëdil. Geus 
sababaraha lilana eta maoeng noenggoean bae toeroenna paninggaran , 
tapi paninggaran taja pëtana toeroen tina sijeun koe eta maoeng. 
Paninggaranteh geus katjida lapama ' hajang barangdahar datang 
ka meh ragrag tina taja tanaga. 

Ten lila djol monjet goegoerajangan bari mawa kahakanan keur 
ngirim ^ anakna. Barang katendjo koe paninggaran ka monjet mawi^ 
kahakanan,* toeloej bae ngomong eta paninggaran ka monjet tea, 
pokna: ^Monjet, doeloer oeranganoebageuri tjik, oerang toeloengan I 
keur oerang bae eta kahakananteh ; soegan bae oerang bisa moelang 
tarima ka maneh , tina ajeuna oerang ditoenggoean koe hidji maroeng. 
Geus sababaraha lilana oerang nja ditoenggoean, djadi oerang teu 
bisa balik ka lëmboer."' 

Tidinja eta monjet karoenjaeun, toeloej bae kahakanan dibikeun 
sarta toeloej didahar koe paningaran datang ka sëgërna. Eta maoeng 
kësël ngadagoannana paninggaran, toeloej bae nj ingkah asoep ka 
leuweung. Eta paninggaran, barang nendjo maoeng geus njingkah, 
toeloej bae toeroen tina eta tangkal kai. Barang datang ka handap 
eta paninggaran, djol njampeurkeun monjetteh bari ngomong, pokna: 
«rSobatl maua pamoelaug tarimana ka koering ?'" — Walon paning- 
garan : //Engke , (ana) balik ti imah ; ari moro deui rangtoe moelang 
tarima^\ — 

Sanggens ngomong kitoe, paninggaran soesah tina moro sakijeu 



' Lapar Mal. = Sóend. Ponjo — honger, honger hebben, dooh ook in 
Soendaasch dikwijls gebruikt. 

' Ngirim is zenden, maar ook zelf gaan brengen, voorzien, ong. = Eng. 
to provide. 



Digitized by VjOOQIC 



74 SENIGE SOENDASCHS FABELS EN VERTELSELS. 

lilaua teu meuDaug uaou-naon. (Ngomong didjëro atina:) Ajeanamah 
ijeu bae monjet rek dibëdil. Toeloej bae diwëngkang bëdiina, 
dibënërkeun > kana monjet. Monjet beunang sarta toeloej dipeautjit. 

Tidinja kadenge koe maoeng jen aja sora bëdil djeang monjet 
ngarotjeak ; tooloej bae balik deai ka oeroet ngadagoan paninggaran 
tea sarta kasampak paninggaran keur meuntjit. monjet. Toeloej bae 
eta paninggaran didodoho koe eta maoeng, gabroeg dirontok tëroes 
dibawa ka djëro lenweung sarta dihakan koe eta maoeng. 

Hartina: Saha-saha djëlëma anoe tjidra, toengtoengna sok tjilaka. 

VII. De arme man. 

In overouden tijd was er eens een straatarme man, een wees die 
niets bezat dan een hem door zijn oaders nagelaten Imis. Eindelijk 
verkocht hij ook dat voor een gulden. (NB. Een huis van slechts 
enkele guldens waarde is in de Soendalauden geen zeldzaamheid). 
Na vijf dagen was er van dat geld nog dertig cent over. De man 
besluit de wijde wereld in te trekken en richt zich naar \ Noorden. 
Aan de grensstreken gekomen ziet hij hoe een waterslang vervolgd 
wordt door menschen en koopt de slang voor een dubbeltje, die 
naar hem toekomt, Miskin steekt ze in zijn zak. Achtereenvolgens 
redt hij nu een kat en een hond door ze van de lieden die ze 
nazaten elk voor een dubbeltje te koopeu en gaat met zijn 3 
plegelingen verder. In dien tijd konden de dieren spreken. 

Miskin komt aan de Noordzee en gaat naar 't huis van een 
rijken koopman. Deze neemt hem aan als mandor van een schip, 
't Schip zal vertrekken, Miskin gaat 't eerst aan boord, maar 't 
schip kan hem niet dragen en zinkt. De koopman werpt hem in 
zee; hij zwemt aan wal gevolgd door de 3 dieren. 

Thans vraagt Miskin aan deze, waarmee zij hem zullen vergelden. 
De slang noodigt hem uit sainen te gaan naar den vader van de 
slang en aan dien een ring te vragen welken hij in zijn huig heeft. 
Die ring heeft de eigenschap alles goud of edelgesteenten te doen 
worden waar hij langs gestreken wordt. Zoo geschiedt, de vaderslang 
blijkt de Naga te zijn. Miskin krijgt den ring, maar de jonge 
slang moet bij zijn vader blijven. 

Daarom steekt thans de waterslang haar tong uit, als zij met 
menschen samenkomt ten teekeu van onderwerping. 



Ngabënérkean of Mënèrkeon hier = richten. 



Digitized by VjOOQIC 



lENIGS SOSNDASCHB FABBLS £N VXBTELSSLS. 75 

Miskiu wordt rijk door zijn ring. Als de ring vuil is geworden, 
brengt Miskin hem naar een gondsmid om opgepoetst te worden. 
Eüj krijgt een waardeloozen ring terng en de goudsmid, die de 
merkwaardige eigenschap van den echten ring bemerkt had, bergt 
dezen op in een houten kist. Miskin valt in zwijm als hij de ver- 
wisseling merkt, maar in zijn slaap droomt hij dat de Naga bij 
hem komt en die vertelt hem waar de echte ring is. Na ontvaakt 
te zijn baadt Miskin zich ter dege en zegt dan aan den hond en 
de kat hem den ring terug te bezorgen, op die wijze hun redding 
vei^ldende. 

De kat vangt muizen op zolder bij den goudsmid , laat de muizen 
een gat knagen in de houten kist en den ring wegnemen. Met den 
ring verlaat hij H huis en geeft dien buiten te dragen aan den 
hond welke daarom verzocht had. 

Onderweg passeeren zij een sloot. Midden in laat de hond den 
ring uit zijn bek vallen om in een stukje koeroepoek (toespijs bij 
de rijst) te happen dat van bovenstrooms aan komt drijven, waar 
't zoontje van een rijken man U bij ongeluk in de sloot had laten 
vallen. 

De hond in zak en asch gaat naar den otter om hulp. De otter 
vangt een visch , die den ring had opgehapt en op H droge gebracht 
den ring weer afgeeft. Oorsprong van den naam goud visch. — De 
hond heeft nu den ring weer terug en bindt hem aan zijn staart. 
De kat had hem eerst voorgedaan hoe hij dat doen moest. Dat is 
de reden dat er honden en katten zijn die een krul in hun staart 
hebben. (Wat de kat betreft zal dit wel bedoeld zijn als verklaring 
van den knobbel die , zooals bekend , Indische katten in haar 
staart hebben.) 

Hond en kat gaan nu samen huiswaarts naar hun meester. Miskin 
geeft den hond een uitbrander en dat is de reden dat hond en kat 
Aans vijanden zijn. 

Tekst: Djëlêma miskin. 

Djaman baheula pisan aja hidji djalma teuiug koe miskin , dahar 
sore hênteu isoek. Katambah-tambah geus katinggal koe indoeng 
hapana; ari bobogaannana ngan hidji imah titinggal bapana, kitoe 
ge geus boetoet; sarena ge ngagoledag bae da ten boga samak 
sahenlaj-heulaj atjan, soemawonna anggëlmah. Noe matak ten boga 
pisan banda, sabab geus didjoewalan dipake dahar; ari koeli. 



Digitized by VjOOQIC 



78 EENIGE SOEKBASGHE FA.BELS EN YEKTELSELS. 

Ari eta alinateh koe tina gens heabeul teu dibërsihau, djadi 
kotor; toeloej koe manehna dikakamasaukean soepaja dibërsihan; 
djeuiig mauehna, sanggeus mikean eta ali ka kamasan, tëroes balik 
deal, djadi di aliteh ditinggalkeun. Katjaritakeun , kamasanteh 
ngabërsihau eta ali koe kapoer, ari eta kapoerteh bét djadi ëmas. 
Atoehl kamasanteh hoökeun sadjongdjonganmah ; ari iugët, geuwat 
eta ali diteundean dina pëti kai djeung bari njokot ali noe sedjin 
noe saroepa djeung ali wasijat ^ tea djenng teuing koe bërsih. Ten 
lila Si Miskin datang deui ka kamasan bari ngomong, pokna: 
/fAhii bade ngabantoen ali tea.// — Toeloej koe kamasan dibikenn 
ali titironteh, djeung Si Miskin balik deui hënteu njahoeuu jen 
eta ali ali titiron. Barang tëpi ka imahna , dioesapkeun kana batoe , 
eta batoe djongdjon bae teu djadi naon-naou. Si Miskin heraueun 
sarta kalëngër tëpi ka toeloej sare; djeung keur waktoe sare, ngimpi 
datang naga tea bari ngomong ka Si Miskin , pokna : /^^Eh , Miskin I 
montong soesah I koe maneh geura akal-akal bae ; përkara ali manehteh , 
disoempoetkeun koe kamasan, di teundeunna dina pëti kai. — Ba- 
rang Si Miskin geus ngimpi kitoe, njaring deui sarta tëroes mandi 
bëbërësih. Sanggeus mandi, toeloej dioek dina bangkoe bari nja- 
loekan oetjing djeung andjing. San^eus datang oetjing djeung 
andjing, toeloej Si Miskin ngomong, pokna: //Eb, oetjing, andjing I 
tjing, ajeuna aing koedoe poelang tarima koe maneh ; kijeu pamenta 
aing: pangakalankeun ali noe ti Naga tea; ajana di kamasan dina 
pëti kai.v — Ari oetjingteh ngomong, pokna: //Djoeragan ! abdi 
wantoen ngakalan.»^ — Tjek Si Miskin: //Soekoer atoehl ari bisamahl 
ajeuna bae geura indit.>/ — Oetjingteh toeloej bae indit. Ari andjing 
keukeuh dek miloe, tapi koe oetjing djeung koe Si Miskin teu 
kaidinan; koe tina keukeuh toeloej bae diidinan sarta tjek oetjing, 
koedoe ngadagoan di lawang kamasan. 

Barang kira poekoel toedjoeh sore, toeloej oetjing ka para kamasan, 
gawena uewakan beurit. Koe tina di kamasanteh rea beuritna, eta 
oetjing tëpi ka poekoel dalapan kira meunang opat poeloeh, tapi 
eta beurit hënteu dipaehan ngan dipërih pati bae njaeta dipinang- 
saraja soepaja bisa njokot ali wasijat noe dina pëti tea. Atoehl 
pëtiteh pada ngagëret ^ koe beurit noe opat poeloeh ; ari oetjing 



^ Wasijat is feit.elijk iets dat men vóór zijn sterven vermaakt. Er is echter 
boven niet gezegd dat de Naga na 't geven van den ring sterft en dat is 
ook wel niet bedoeld. Wasijat is hier dus „een sohenking^'. 

s Ygl. noot bladz^'de 66. 



Digitized by VjOOQIC 



SIENIGE SOENDASGHE FABSLS £N VSR'rSLStLS. 76 

ngadagoau dipara. Koe tina beuritna rea, pëtiteh molongo sarta 
alina geus ditjokot koe beurit djeang toeloej diasongkenn ka oetjing. 
Oetjingteh koe tiua aioh, toeloej aliteh ditampanaD sarta tëroes 
dibawa balik bari njampeur audjiug di lawang. Eta ali koe oetjing 
ditembongkenu ka andjing, ari andjingteh keukeuh hajangeun mawa. 
Atoehl toengtoengnamah dibikeun bae sarta dibawana digegel. Ari 
dina djalanteh aja soesoekan rada gëde meaeusan , kira doewa toembak 
roebakna. 

Ajenna njaritakeun digirangeun eta soesoekan. 

Aja hidji djëlëma teaing koe beunghar sarta boga anak hidji keur 
mendjeohna loemëngër sarta lalaki. Ari eta boedakteh toeloej dahar 
deungennna djeung koeroepoek; ari geus dahar, toeloej oelin bari 
ngambëng ^ koeroepoek sarta ngaliwat kana soesoekan tea; ari koe- 
roepoekteh ragrag sahidji ka soesoekan. 

Katjaritakeun oetjing geus menntas, ari andjing pandeurieun 
oetjing. Barang andjing meuntas kira geus tëngah-tëngahna , koe- 
roepoekteh datang. Eta koeroepoek koe andjing disantok sarta tëroes 
didahar; ari ali wasijat tea ragrag sarta tëroes harita didahar koe 
laoek. Barang geus beak koeroepoekna , eta andjing ngahoelëng koe 
tina reu was sabab ali ragrag kana eta soesoekan, toeloej ngomong 
ka oetjing, pokna: //Doeh euj, tjilakal aliteh ragrag kana soesoe- 
kan.^ — Atoehl oetjingteh ngambëk bari ngomong, pokna: >/Përkara 
eta ali lapoer deui, dewekmah teu njaho di euweuh, njaho di aja 
bae, da bongan silaing keukeuh najang mawa ; pendekna ajeunamah 
eta ali beunang teu beunang oge, bakal dioendjoekkeun lalampahan 
silaingteh ka djoeragan.// — Andjingteh awahiug koe sijeun, toeloej 
ngomong ka oetjing, pokna: /irDagoan koe silaing didijeu, dewek 
dek ngakalan ali tea.// — Toeloej koe oetjingteh didagoan di sisi 
soesoekan ; ari andjing loempat ka noe bala , karëpna neangan sero. 
Eta andjingteh kabënëran bae, ari datang ka noe bala, meunang 
sero; djeung eta andjing barang këk, toeloej ngomong, pokna: 
^i'Eh , sero I oepama maneh hajang keneh hiroep , aing pangnjókotkeun 
ali di soesoekan. Koemaha? sanggoep?// — Djawab sero: //Sanggëm.// 
— Toeloej arindit ka soesoekan tea. Barang tëpi , toeloej ngomong , 
pokna: /'Tah! didijeu; pek guna beuuangkeun./^ — Tidiuja seroteh 
teuleum, tapi ali hënteu aja, ngan aja laoek. Toeloej eta laoek 
ditewak sarta tëroes dibawa kadarat; tapi di sisi soesoekan, barang 



1 In verband met 't volgende: 't oversteken van de sloot is niet duidelijk , 
wat hier met ngambèng bedoeld wordt. 



Digitized by VjOOQIC 



80 KENIGl; SOENDASOHfi FABEtS EK YElLT«LSfiL8. 

eta laoek kekerepesan ^ , alina mëtjlëng ^ sarta laoekua ragrag deui 
ka soesoekan. 

Tahl ti harita noe matak ajeaua aja ngarau laoek ëmas. 

Oantjangna toeloej koe andjing ditjokot deui sarta katemboogeun 
koe oetjing dibawaua ditalikeun kana boentoetna , sabab dipapatahan 
koe oetjing samalah 'dipëtakeun heala koe boentoet oetjing; noe 
matak tëpi ka ajeana aja oetjing djeung andjing anoe tjantel. 

Tidinja toeloej baralik deni ; sarta barang tëpi ka doenoengannana, 
eta ali diasongkeun sarta oetjing tëroes njaritakeuu lampah ti 
wiwitan tëpi ka wëkasan. Atoehl andjingteh ditjarekan koe doe- 
noengannana sarta diomonganan, teu meunang asoep ka imah. 

Tah tiharita noe matak andjing djeung oetjing satroe. 

VIIL De dorper. 

* Een dorper , voor H eerst op de hoofdplaats , koopt van een dalang 
een wajang golekpop (Ardjoena) die, maakt men hem wijs , sakti (met 
bovennatuurlijke kracht begaafd) is. Thuis gekomen zet hij de pop 
op een hoop padi op H stoppelveld met wapens erbij en zegt tot 
de pop, zijn padi te bewaken, 's Nachts komt een dief op H veld 
padi stelen , maar pop en wapens ziende , besluit hij liever deze mee 
te nemen. De eigenaar die even buiten komt om een kleine bood- 
schap te doen , ziet dat de pop met wapens verdwenen is. Ardjoena 
gaat zeker H veld eens langs of alles in orde is, denkt de man, 
maar voetsporen van een mensch ziende, schreeuwt hij Ardjoena 
toe, den dief neer te slaan. De dief springt in een greppel, valt 
in de kris (een der wapens door den dorper naast Ardjoena gelegd) 
en sterft. De dorper dit ziende , is overtuigd dat zijn Ardjoena sakti 
is. Hij vertelt ^t 'aan de lieden in de buurt, die nu gaarne Ardjoena 
huren als wachter bij 't gewas. 

De gelukkige bezitter van Ardjoena vermeerderde in luister ende 

hij waszeer geëerd. 

Tekst: Dongeng djama doesoen. 

Djaman baheula aja hidji djalma oerang pagoenoengan , gawena 
tani. Eta djalma liwat-Iangkoeng doesoen. Hidji waktoe manehannana 



1 Kekerepesan — spartelen, zooals een visch op 't droge. 

' Mëtjlèng — een springbeweging maken , op- uitspringen , neerspatten bv. 
van water dat gesprenkeld wordt of neervallen van opgeworpen aarde. Tjlêng 
is oempak basa van loentjak — springen. 



Digitized by VjOOQIC 



EENIGE SOEKDASOHB FABELS EN VERTELSELS. 81 

hsjang njahoeun di dajeuh sarta bari hajang barangbeuli. Barang 
datang ka dajeub, aja noe keur nauggap wajang golek. Mane- 
hannana hajaiig ujahoeuii di roepaua wajaug, snbab saoemoer atjan 
njaho wajang. Barang gok, manebaiinana liwat langkoeiig kagetna 
nendjo kai bisa ugigêl sarta garagah. Nanjakeun ka djalma noe 
kear ]aIadjo, pokna : >/Noe panggagahua ari wajang, naou?// — 
Djawab noe ditanja: //Ari noe panggagahnateh sarta sakti ngau 
Aidjoena hidji.>/ — Nanja deui: //Lamoen dibeuli, beuuang saba- 
raha?^ — Walonna : //Kira-kira pirëgaeuunana * eta Ardjoena saratoes 
roepija." — '^Tjing ! koemaha lamoen dibeuli koe kaoela? dibikeun ?» — 
I>jawab noe ditanja: //Tjoba bae, tanjakeun ka dalang.// — Toeloej 
eta djalma nanja ka dalang: //Tjing! eta kagoeugau sampejau wajang 
noe ngaran Ardjoena dibeuli bae lima poeloeh roepija.v — Walon 
dalang : ^Moal kahatoerkeun , sabab Ardjoenateh ngan aja bidji.// — 
Kenkenh eta wajang diririhan bae. Walon dalang :'//Hade ari wani 
aaiatoes (roepija) mah, taugtoe didjoewal.// — Walon noe bajaug 
meuli : /^Keun bae! koe kaoela dibeuli saratoesmah.// — Toeloej 
dibajar kontan. Manehannana, sanggeus meuli wajang, toeloej bae 
balik. Ari datang ka lëmboerna, eta wajang dikoekoesan, pokna: 
«r Ardjoena! inaneh ajeuna geus aja di aiiig; koedoe gagab sapêrti 
kenr didajeuh , sabab aing loba pisan toenggoeaneuu ; koedoe noeroet. 
Ajeuna maueh rek dipëtakeuu di sawah, koedoe uoeuggoean tocm- 
poekan pare sabab 3ok loba pisan bangsat; taugtoe sija dibahauan 
koe aing pakakas bêdil, toembak, këris; koe maneh koedoe dipëta- 
kean, aing hajang djongdjou sasareau.|y — Geus kitoe toeloej 
dibawa ka sawah sarta toeloej ditantjëbkeun diua toempoekau noe 
tengah. /«'Tab! didijeu piënggoneun sijateh.// Waktoe harita geus 
boerit; toembak, bedil, këris geus diieuudeun deukeut Ardjoena. 
Slira-kira poekoel doewabëlas peuteug datang bangsat noe rek maling 
pare, barang ret nendjo kana toempoekan tengah loba pakakas-pakakas 
sarta wajang, mikir si bangsatteh: //Naha, mënding mana, ujokot 
pare djeung ujokot barang ?>/ — Geus kapikir mënding njokot 
barang-barang djeung wajang, gëde hargana, top bae dibawa eta 
barang-barangteh djeung wajang. Kabënëran noe bogana hoedang 
hajang kiïh; nendjo ka Ardjoena geus euweuh, tjeuk.noe bogana: 
/rEta Ardjoena keur ugalanglang sisian, da parabot kabeh euweuh.// — 
Ditendjo aja tapak djalma anjar toeloej gëgëroau bari soesoerakau, 
pokna: //Hajoh! soesoel koe maueh, Ardjoena! tëwëk bae, tëwëk 



* Bega — Oost-Prijangansch voor Harga. 
V Volgr. VI. 



Digitized by VjOOQIC 



82 EENIGE SOENDASGHE FABELS EN VERTELSELS. 

masiug paeh.// — Bangsat loempat ngadenge noe gëgëroan; sama- 
roekna ^ aja uoe Djoesoel. Bakating reu was, loentjat bae kana 
parigi ; bres katiroed koe këris nëpi ka paeb ; diloDgok koe doe- 
noengannana kapauggih bangsatteh geus paeh. Ngomong bari igël- 
igëlau sarta toetoendjoek : ^^Toebl kita tandana Ardjoeua saktiteh, 
bisa maehan bangsat l// bari Ardjoena dioesapan : //Na, koe uaon 
maneh tjitjing bae, laiii geuwat balik di uoe balal? Oeuning! 
deudeuleUan aing,* awak maueh djëblog pinoeh koe leutak. Hajoe, 
oerang koekoembah.// 

Toeloej eta Ardjoena dimandian. Sauggeusna, toeloej dibawa ka 
saoeng sawah deui; bebedja ka batoer-batoerna , didinja: //Ajeuna 
kaoela geus gënah ati boga toekang toenggoe pakaja. Lamoen kajang 
salamët, batoer-batoer koedoe njewa ka koela, sapeutingna lima- 
poeloeh sen.// Dj alma -dj alma aratoheuu pada hajang make. 

Eta uoe boga tambah-tambah moeljana, dipikolot pisau koe 
djalma-djalma. 

IX. De blinde en de bultenaar. 

De blinde en de bultenaar komen samen in een waroeng. De 
blinde geeft den bultenaar vijf cent om wat van te koopen. De 
gebochelde koopt rijst en vleesch dat verschrikkelijk taai is. De 
blinde zit er op te bijten en te bijten tot hi^ weer ziende wordt. 
Verheugd springt hij rond en geeft den bultenaar van plezier een 
slag op zijn bult. En zie, de bult is weg. Ze huppelen in 't rond 
en springen overmoedig, elkaar omstrengelend een sloot in, die ze 
over moesten, met 't gevolg dat de een valt en zijn bult terug 
krijgt en den ander een scherp stuk bamboe in rijn oog dringt 
zoodat hij weer blind wordt. 

Hierop is 't spreekwoord van toepassing: de buffel keert terug 
naar de plaats zijner kraal , de kemirinoot valt aan den voet ,van 
den boom. D. w. z. terugkeeren tot zijn oorsprong. 

Tekst : Anoe lolong ujobat djeung noe bongkok. 

Dina hidji mangsa anoe lolong ngadjak njaba ka noe bongkok. 
Tidinja breng doewaan njaraba ka saparan-paran ; barang datang 
ka hidji waroeng, maranehna harajang barangdahar. Tidinja noe 
lolong ngomong ka noe bongkok , pokna : //Adi I ajeuna akang 

1 Maroek — Waan. 



Digitized by VjOOQIC 



EENIOE SOENDASCHE FABELS EN VE&TBLSELS. 83 

hajaug baranghakan ; ijeu beulikeun, boga doewit lima seu; meuli 
naou bae anoe ngeanab.// — Tidinja toeloej noe bongkok meuli 
kêtan djeung laoek tapi laoekna estoe lijat kabinabina datang ka 
teu beunang digegelan tina lijatna. Geus kitoe toeloej dibikeun ka 
noe lolong, toeloej pada ugadabar; noe lolong ambëk, beuki tarik 
ngegelannaua datang ka beunta. Noe lolongteh atob katjida sarta 
bari abrag-abragan ^ koe tina atohua ajeuna geus beunta. Anoe 
bongkokteb hoökeun nendjo noe lolong geus beunta, toeloej bae 
noe bongkok nanja ka noe geus waras: //Akaug bët dipaparinan 
waias deui bënteu tampadaksa!// — Waugsoel noe lolong bari 
ugëtig kaua tonggong uoe bongkok: //Lab! oeraug geus djagdjag; 
ajeunamah teu sijeun leumpang ka uoe loba boerang atawa baloeng- 
bang./r — Anoe bongkok, sanggeus dikëtig, djol tjageur bongkokna 
sarta katjida pisan atohna. Toeloej bae doewaan pada adjroeg- 
adjroegan , igël-igëlan koe tina atobua. Geus kitoe manggib soesoekan ; 
eta soesoekan rada roebak sarta euweub tjoekaugan. Tina rasa 
maneh djagdjag toeloej bae loentjat barëug pa-ajang-ajang; anoe 
tadina bongkok deui; noe lolong katjolok koe regang sarta djadi 
lolong deui. Djadi asoep kana paribasa : Këbo moelih paj^audangan , ^ 
moentjang laboeb kapoehoe. ' Tëgësna : poelaug ka asal. 

X. De lëgen-tapper die luchtkasteelen bouwde. 

Ëen tapper van legen (^t sap dat uit de bloemsteelen van den 
arenpalm wordt getapt) klom in zijn arenboom om den bamboekoker, 
waarin H sap wordt opgevangen te balen. De koker is al vol en nu 
bepeinst de man wat al voordeel hij van die legen hebben zal. 
Van 't geld dat bij voor de legen krijgt, zal hij een kip koopen; 
later zal hij de kuikens verkoopen en een huis koopen. Maar onder 
dat suffen valt hij in slaap, valt naar beneden en is dood. 

Moraal: Bouw niet te veel luehtkasteelen , dat loopt mis. 

Tekst: Toekang njadap lalamoenan. 

Djaman baheula aja hidji dj êlëma toekang njadap. Barang dina 
hidji poroe kira wantji poekoel lima sore, eta toekaeg njadap indit 

' Abrag-abragan — rondspringen. 

* Is dit een Javaansoh spreekwoord? Kébo is geen Soendaasoh; moelih is 
overgegaan als 't hoogste woord voor terugkeeren en kaa niet van eea buffel 
worden gezegd. 

• Zoo luidt algemeen 't spreekwoord. Laboeh is echter omvallen, terwijl 
bedoeld is ragrag — neervallen (van een hoogte). 



Digitized by VjOOQIC 



84 BENIGE SOENDASGHE FABELS EN VK&TELSELS. 

ti imahiia, sêdjaua rek iieaiig lahang. Barang dataiig ka haiidapeun 
kawoeug, toeloej bae uaek kana kawoeiig anoe diteundeuiiaii lodong 
tea; ari ditëmpo lodougua geus piuoeh koe lahaiig. 

Geus kitoe eta toekaiig njadap iigomong di djëro pikirun, pokua : 
/'Ijeu lahaug sakijeu lobana, lodoug gëdc datang ka pinoeh, tangfcoe 
isoekanmah aing^ oeutoeng koe doewit ladaug lahang. Oeparaa eta 
doewit ladaug lahang geus kaUmpa, koe aiug rek dipake meuli 
hajam bikang soepaja. êndogan sarta têroes djadi anak; taugtoe 
diua sa watara ^ boelau geus loba, rek didjoewal; ladaug dipake 
meuli imah djeung korsi gojang auoe aloes; tangtoe aiug aja noe 
njêboet beunghar sabab boga imah aloes djeung dioek dina korsi 
gojaug; geus moal aja auoe Jijaroewaan kabeungharauuaua aiug. 

Eta toekaug njadap rarasaauuana geus asa êuja bae boga imah 
aloes djeung dioek diua korsi gojang. Toeugtoengna teu asa dina 
loehoer kawoeug, toeloej bae uoeudoetau sarta leuugeunna lepot 
geus teu njëkêlau, kasewad bae ragrag dataiig ka paeh misan. 

Hartina ijeu dougeng: 

Djëlëma oelah sok ugagëdckeuu tcuiug lalamoeuan, sok tjilaka 
teu poegoeh-poegoeh sapërti dougeng ijeu toekaug njadap. 

XI. 't Verhaal van Bapa Poetjoeng. 

Bapa Poetjoeng is een oude vos, die allerlei streken uithaalt. 
Vele ervan heb ik hooren vertellen op rekening van Kabajan. De 
Kabajan- verhalen ziju zeer talrijk, dikwijls lachwekkend maar bijna 
altijd zeer plat. 't Verhaal van Bapa Poetjoeng is een kleine proeve 
van oolijke Kabajan-streken, die niet plat zijn. 

Bapa Poetjoeng verkoopt den kop van een buffel alsof 't een 
gansche buffel was door platte visschen met sprieten in de ooren 
te stoppen, zoodat 't schijnt of die bewegen, en den buffelkop in 
't wed te leggen. (Bij badende buffels — een modderbad — . komt 
alleen de kop boven 't water eu den modder uit). 

Hij verkoopt een heiligen wonderboom, die vruchten draagt met 
geld erin , dat echter eerst door hemzelf in de vruchten was gestopt. 

Hij baadt zich in legen (kleverig), rolt zich dan in de kapok en 
kruipt' in een kooi. De bedrogenen : kooper van den buffelkop en 
koopers van den wonderboom komen aanzetten, Bapa Poetjoeng 

' Sawatara — eenige. 



Digitized by VjOOQIC 



SINIGK SOENDASGUE KABII^ EN VERTELSELS. 85 

loopt uit ziju kooi, baadt zich achter 't huis oi komt gewoon 
gekleed te voorschijn, hoogst verstoord dat de bedrogenen den vogel 
uit de kooi hebben laten ontsnappen, want die vogel was van den 
Koning. Grootmoedig neemt Bapa Poetjoeng de schuld der ont- 
stelde bedrogenen op. zich jegens den Koning, in ruil waarvoor 
Bapa Poetjoeng 't geld en de lijnwaden mag houden die hij hun 
ontfutseld had. Dat was 't begin van Bapa Poetjoengs rijkdom. 

Tekst: Dongeng Bapa Poetjoeng. 

Djaman baheula aja hidji djalma lalaki ngaran Bapa Poetjoeng. 
Diua hidji powe eta Bapa Poetjoeng balangsijar, ugadjoegdjoeg ka 
lëmboer pangdjagalan. Barang uëpi ka eta lemboer mênêran toekang 
djagal keur meuntjit moeudiug; toeloej disampeurkeun barina ngo- 
mung, pokna : //Kangl eta hoeloe moending dek dibeuli koe kaoela.// — 
Walon toekang djagal: //Pek bae, daek saringgitmah.// — Toeloej 
eta hoeloe moending dibajar sapamentana toekang djagal, hênteu 
ditawar deui. Tidiuja eta hoeloe moending koe bapa Poetjoeng 
dibawa ka pauggoejangan ; barang nêpi kadinja, eta tjeuli hoeloe 
UK^udingteh diasoepan Iele kentja katoehoe, ari omongna: /'^Tahl 
ajeuna ijeu hoeloe moending koe aing dek diantjlomkeun kana tjai.// — 
Toeloej diantjlomkeun ; ari ngantjlomkeuunana eta hoeloe moending 
siua dangah ' saroepa moending keur goejang. Ari eta Iele auoe 
aja diua tjeuli kekepret bae, djadi saroepa tjeuli moending hiroep. 
Toeloej Bapa Poetjoeng dioek disiri pauggoejangan bari njëkëlan 
kaloehan. 

Hëntea lila, djol hidji djalma sèdja ueangan moending beulieun ; 
neudjo Bapa Poetjoeng keur ngagoejangkeun , toeloej di tauja, 
pokna: ^^Keur naon, Bapa Poetjoeng?// — Walon Pa Poetjoenh: 
'Keur ngagoejangkeun moending, euj?// — Eta djalma ngomong 
deui: //Koemaha, Pa Poetjoeugl lamoen dibeuli bae koe dewek 
moendingteh ?// — Walon Pa Poetjoeng: //Moal, da beunang nga- 
badja meuli; kitoe oge, ari daek dalapan poeloeh roepijamah, pek 
bael/r — Walon djalma noe rek meuli: //Heug! tapi dewek hajaug 
iijaho gédena; tjik! hoedangkeun.// — Djawab Bapa Poetjoeng: 
fl'Oelah! karoenja, hareudajigeun, keun bae, siua mandi.// — Gan- 
tjaügua eta moending toeloej dibajar dalapan poeloeh roepija. Tjarek 
Bapa Poetjoeng: //Tapi ijeu moending oelah waka dihoedangkeun 

* Dangah — opgeheven. 



Digitized by VjOOQIC 



86 EENIGE SOBNDASGUE FABELS EN - VEETELSELS. 

lamoen dewek atjau djaoeh.// — Toeloej Bapa Poetjoeug leumpaug 
gagautjaugau. Tidinja Bapa Poetjoeug manggih taugkal kondang 
di sisi djalau pisau sarta keur meudjeuhna boewahaii, leubeat ka- 
tjida. Toeloej disampearkeuu koe Bapa Poetjoeug sarta ditaekan. 
Ari eta boewah koudaugteh diasoepan doe wit, hidji boewah aja anoe 
saperak aja anoe limapoeloeh seu, dataug ka b^ak doewit dalapau 
poeloeh ladang hoeloe moendiug tea. 

Sauggeus kitoe Bapa Poetjoeug toeloej balik gagautjaugau ujokot 
medja, korsi, sapoe djeuug roepa-roepa kadaharau. Toeloej hauda- 
peuu taugkal koudaugteh disapoean bërësih katjida sarta diteuudeunan 
paroekoejan djeuug sasadjeu saroepa taugkal karamat. Bapa Poetjoeug 
pek dioek dina korsi njaughareupau medja djeuug sagala kadaharau. 
Ari ga we Bapa Poetjoeug teh, moeloeugau boewah koudaug auoe 
ragrag, ditjokot, dipësek, toeloej di tjokot doewit auoe diua djëro 
boewah tea sarta diteuudeuu diua bokor loehoer medja ; harita geus 
meuuaug doewapoeloehlima roepija. 

Katjaritakcjuu deui, aja tiloe djalma toekang baraug ugaliwat, 
ueudjo ka Bapa Poetjoeug. Toeloej disampeurkeuu bariua ditauja: 
//Maugl Taugkal naou ijeu, auoe matak dihade-hade teuiugP//, — 
Walou Pa Poetjoeug: //Hih! ari hajaug tëraug, ijeuteh taugkal 
karamat, boewahua oge doewit; bisi koerang përtjaja, maugga eta 
ala hidji anoe rada kolot, meureun aja saperakmah.// — Toeloej 
eta djalma toekang baraugteh ugala hidji; baraug dipësek, didjë- 
roua ëuja aja doewitua saroepija. Ari tjarek toekang baraugteh : 
'/Ijeuteh boewahauuaua sataoeu sabaraha kali?/!" — Walou Pa Poe- 
tjoeug: '/Ari eta boewahauuaua geus taugtoe diua satahoeu doewa 
kali.// — Toekang baraug ngomong deui: ^Lamoen kitoemah, 
oerang toekeur bae djeuug dagangau kaoela roepa barang-baraug 
lobaua teloe tauggoeiigan.// — Walou Pa Poetjoeug: //Moal, karaua 
roegi katjida.^ — Toekang baraugteh keukeuh bae ugadjakau toekeur. 
Tjarek Pa Poetjoeug: //Maugga atoeh I ari sampejan keukeuhmah.// — 
Harita oge Pa Poetjoeug amitau ka eta tiloe djalma sarta uarima 
baraug-baraug djeuug njelehkeuu eta taugkal koudaug. Toeloej 
balik gagautjaugau bari nanggoeug baraug-baraug tea. 

Baraug uêpi ka imahua pamadjikaunaua kaget ueudjo Pa Poe- 
tjoeug uauggoeng baraug sakitoe lobaua. Toeloej ditauja : //Pa 
Poetjoeug! Etateh baraug saha?// — Tjarek Pa Poetjoeug: //Baraug 
kami, tapi ajeuua kami rek mandi koe tjai lahaug; maueh ujadija- 
keuu kapoek karaua ëngke, lamoen kami geus mandi koe lahang, 



Digitized by VjOOQIC 



SENI6E S0ENDA8CHI FABELS EN VEHTELSELS. 87 

kami rek goegoelingan diüa kapoek djeung meuweung tjabe beureum ; 
ari geus pek, kami koeroeugan di sisi imah. Maiigke, lainoeii 
toekaiig barang djeuDg djalma aiioe meoli moending datang iianja- 
kean kami, bedjakeun, kami disaoer koe Badja; djeung lamoen 
eta djalma rek ugadeukeutan kana koeroeng, tjarek koe maiieh : 
oelah deukeut-deakeat kana eta koeroeug sabab aja maiioekna ka- 
goengau Badja.// — 

Hëuteu lila djol tiloe djalma toekang baraug djeung anoe meuli 
hoeloe moending tea ka imahna Bapa Poetjoeng, pokna : //Bapa 
Poetjoeng teh aja?/!' — Walou pamadjikan Pa Poetjoeng: vTeu 
aja! keur disaoer koe Radja.// — Toeloej eta djalma tjiug alidër 
ka sisi imah. Pamadjikan Pa Poetjoeng ngomong : //Hih I oelah 
ngadareakentau kana eta koeroeng, karana aja manoekna kagoengan 
Badja, ari ngarauna manoek Prokougkoug. // — Eta djalma teu 
beunang ditjarek, toeloej ngadeukeutau eta koeroeng. Barang Bapa 
Poetjoeng nendjo eta djalma ngadareu keutan kana koeroeug, maneh- 
anuana toeloej njeundak eta koeroeng, bidjil toeloej loempat bari 
disada: //Prokongkongl prokongkongl^ ngadjoegdjoeg ka tjai. 
Pionadjikan Pa Poetjoeng, barang njaho Pa Poetjoeng kaloewar 
tina koeroeng, toeloej bae ujokot pakean Pa Poetjoeng bari api-api 
ngoedag, tëroes ka tjai neundeun eta pakean Pa Poetjoeng, toeloej 
balik ka imahna. Barang nëpi ka imahna, toeloej ngomong ka eta 
tiloe djalma semoe reuwaseun katjida : //Koemaha ? naha eta manoek 
koe sampejan dileupaskeun ! dioedag koe koering oge hënteu ka- 
soesoel. Lah I tada teuing bêndoena Radja I anoe matak Pa Poetjoeng 
disaoer, njaeta Radja rek mariksakeun manoek tea; kari-kari ajeuna 
dileupaskeun. Tada teuing Pa Poetjoeng ngambëknal'/ — Ari walon 
toekang barang: ^Da hënteu dileupaskeun.// 

Katjaritakeun Pa Poetjoeng, sanggeus maudi toeloej pakean sarta 
balik ngagidig. Barang nëpi ka imah, toeloej nauja ka pamadji- 
kannana: //Ninil kamana manoekteh? ajeuna dipoendoet koe Radja.// — 
Walon pamadjikan : //Manoekteh leupas da didareukeutan koe eta 
semah: dioedag oge hënteu kaoedag.// — Pa Poetjoeng barang 
ngadenge omongan pamadjikannana, api-api ngambëk bari ngomong 
ka toekang barang djeung anoe meuli hoeloe moending tea: //Naha 
sampejanteh wani-wani ngaleupaskeun eta manoek? ajeuna sampejan 
kabeh rek dioendjoekan ka Radja ; geus tangtoe sampejan mareunang 
hoekoeman gëde katjida.// — Eta djalma ngawalon bari reuwaseun 
katjida : //Ajeunamah kijeu bae : përkara eta barang anoe tiloe tang- 
goengan, pek bae keur Bapa Poetjoeng, djeung eta doewit dalapan 



Digitized by VjOOQIC 



88 ££NIG£ SOENDASCH£ FAB£LS EN YEBTELSELS. 

poeloeh roepija pameuli hoeloe moendiug tea; tapi ijeu përkars 
kaoela hajang salamët.^/ — Walon Pa Poetjoeug: //Lamoen kitoemab, 
keuii bae koe kaoela ditauggoeng dosa sampejan, tatapi sampejan 
koedoe boeroe-boeroe ingkah tidijeu.// — 

Gantjangnn eta djalma toeloej baralik. Ajeuua Bapa Poetjoeug 
katjida soeka boengahna, rebna eta doewit djeuug baraug-bamng 
geus kapimilik. Toeloej Pa Poetjoeug djadi toekang baraug; koe 
tiua bisaiia djeung wëkël lila-lila djadi beunghar. 

XII. 't Stekelvarken en de berg. 

Tot slot een verhaal, waarvan ik geen fraaie lezing bezit en 
daarom alleen de korte inhoud wordt medegedeeld. 

Op de vlakte stond een berg. Eiken dag werd in dien berg ge- 
graven door een stekelvarken. Dat verdroot den berg en hij wilde 
een stekelvarken zijn. Maar 't stekelvarken werd nagezeten door 
honden en hij vroeg een hond te worden. Als de hond niet mee 
wilde op de jacht, sloeg zijn meester hem en smeet naar hem. Hij 
vroeg mensch te worden. Toen hij mensch was belastte 't kampong- 
hoofd hem met transportdiensten en hij wou kamponghoofd zijn. 
't Kamponghoofd kreeg bevel van 't dorpshoofd de lieden uit te 
laten komen naar den weg en zich voorbeeldig te gedragen. Hij- 
vroeg loerah te worden. Maar 't dorpshoofd kreeg bevelen van den 
tjamat (ouder-distriktshoofd) en werd beticht als er geen klaarheid 
kwam in politiezaken. Een tjamat wilde liij zijn. De tjamat kreeg 
ook bevelen, van den Wadana, en dikwijls had hij gasten. Hij 
verzocht Wadana te wezen. Maar nog ontving hij bevelen, uu van 
den Patih. Toen dacht hij : als ik Patih word , krijg ik nog bevelen 
van den Regent; word ik Regent, dan van den Assistent-Resident 
en den Resident. Hij verlangde ten slotte weer berg te worden 
«want dan is er niemand die me bevelen geeft. v 



Digitized by VjOOQIC 



FLaat L 




I 



a, Voorz^^de vfta den Batoe Kémang. 




b. Aühtersyde v&n den BatOB Xêmaug. 



Digitized by VjOOQIC 



Pln,n,t II. 




Cutfooge, ulot,r* eZ.JfaZ/rorLcUf ailoLrcru 

O. Goot» f.MutjLrlyru vccrty huz.éeny 

SchoLoZ 1:40 

Plattegrond van den Batoe Kémang. 

Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



DE BA TOE KÈMANG, NABIJ MEDAN. 

DOOR 

E. J. VAN DEN BERG en J. H. NEU^rANX. 
Zendelingen van het Ned. Zendelitiggenoot schap. 



Nadat reeds door verschillende personen, en ook door ons her- 
haaldelijk een bezoek was gebracht aan de Roemah Oemamg^ of ook 
wd Batoe Kémang geheeten, gingen wij den 17*»" en 18^*" Mei 1906 
daar weer heen ten einde door opmetingen dezen steen in kaart te 
brengen, en zoodoende er de aandacht van meer bevoegden op te 
vestigen. 

Wanneer men den strAatweg van Medan naar Bandar Baroe volgt, 
heeft men even voorbij het dorp Simbahe een voetpad , dat ons uanr 
de kampoug Doerian Tani brengt, een klein dorp aan gene zijde 
van de Bëtimoes-rivier gelegen. Ongeveer 10 minuten van dit dorp treft 
men een grooten steeji aan die — zie fig. a op Plaat I — een 
zeer regelmatige gedaante vertoont. Volgens de legende is deze steen 
de woonplaats geweest van een kabouter, hier oemang of kemwtig 
geheeten ; vandaar dat de steen den naam draagt van Roemah Oemang = 
Huis van den Kabouter, of Batoe Kéma/ng = Kaboutersteen. 

Reeds de Heer Westenberg gaf in zijne '/Aanteekeniugeu'' enz. 
een kleine beschrijving van deze plaats, * en wijst er op, dat de 
inlichtingen aan Dr. Hagen verstrekt, niet geheel juist waren. 
Vandaar dat het ons niet overbodig voorkwam , nadere opmetiugen 
te doen en deze in kaart te brengen ten einde aan onderzoekers 
een juiste voorstelling van deze plaats te verschaffen. 

Nadat het terrein rondom den steen opengekapt en de steen zelf 
van allerlei woekerplanten gereinigd was, vertoonde hij eene zeer 
regelmatige gedaante. Wat ons op het eerste gezicht een ruwe steen 

» Zie Bijdragen Kon. Inst. 5 , VII , J892,blz. 233-34. De eerste beschrijving en 
afbeelding door Dr. Haoen verscheen in het Tijdsohr. v. Ind. T. L en V.- 
kunde XXYUI, 1883; zie daar den tekst p. 534-536 ; den ruwen plattegrond, met 
aanzicht, en twee doorsneden op Tafel II; on de verklaring daarvan op pag. 
543. (Noot van M. Joüstra.) 

?• Volgr. Vn. 6* 



Digitized by VjOOQIC 



90 DE BATOE KëMANG, NABIJ MEDAN. 

leek , zonder bepaaldeu vorm , werd nu een zeer zuiver eu regelmatig 
bewerkt stuk. Het grondvlak vertoout een langwerpig vierkant, 
lang 6.70 M., breed 8.85 M. , zoodat wij dus eene lengte hebben 
van tweemaal de breedte. De hoogte is van voren 8.40 M; terwijl 
de hoogte der achterzijde, door gedurige aanspoeling van aarde, 
slechts £.40 M. bedraagt. Y66r- en achterzijde zijn loodrecht , terwijl 
de zijvlakken schuin staan , en dus het geheel vrijwel den vorm van een 
pyramide heeft, met twee schuine en twee loodrechte vlakken; 
waarbij echter de top niet in een punt eindigt, maar een. klein 
langwerpig vierkant vlak vertoout, dat gedeeltelijk bewerkt scheen 
ën door de lieden aldaar een schaakbord genoemd werd. De achter- 
wand — zie fig. b op de bijgaande Plaat I — is van relief- versieringen 
voorzien, die thans niet meer geheel duidelijk zijn; men ziet daar 
de overblijfselen van eene menschenfiguur in haut relief, bénevens 
twee bochtige dingen , die door de lieden aldaar hagedis genoemd 
worden. De linkerzijwand is zeer beschadigd, dqels afgebroken, maar 
vertoont toch nog eene tweede vrij duidelijke menschengedaante , ook 
in haut relief. Aan de voorzijde (verg. fig. a op Plaat 1) ziet men eene 
opening zuiver vierkant in den steen gehouwen (weer omgeven door 
eene schuins daarop geconstrueerde ruit), welke toegang geeft tot 
een kleine ruimte. De opening-zelve is omgeven door versieringen 
waarvan de lijnen nog gedeeltelijk te volgen zijn , en waarin zich de 
omtrekken van twee menschen(?)-figuren bevinden, welke nog on- 
duidelijk te zien zijn; de rechtsche figuur is stellig een menschen- 
gedaante in zittende houding, rustende op de schuine lijn der eene 
bovenzijde van de ruit, terwijl de linkérfiguur aan de fantasie vrij 
spel geeft, maar toch zeer veel gelijkt op eene pendant van de andere. 
De opening is stellig vroeger door een deur gesloten geweest, ^ die 
er bf juist in paste, bf door eene klevende massa ingemetseld was ; 
althans het is nog duidelijk te zien , dat de opening later er in gehakt 
is en men zich met geweld toegang heeft verschaft. Ook werd bij 
het graven in de nabijheid een platte steen gevonden, die wel een 
deel van de deur geweest kan zijn. 

In den onderdorpel is een rond gat te zien van 9 c. M. middelliju , 
dat echter wel door HatakVhe handep gemaakt kan zijn. Eiuipt 
men door het gat naar binnen, dan bevindt men zich in eene vier- 
kante ruimte of kamer, in welker midden (zie den op Plaat U gegeven 
schets-plattegrond) men rechtop zitten kan. In de vier hoeken vindt 

^ Ook Dr. Hagen brengt dit vermoeden over van zijn eigen berichtgever, 
den Heer G. Meijeh, 1. c. p. 544. (M. Joustba.) 



Digitized by VjOOQIC 



DE BATOE KëMANG, NABIJ MIDAN, 



91 



men halve pilaren (d) van + 8 c. M. middellijn , tegen den wand 
in den steen uitgehonwen ; terwijl men aan de voorzijde rechts en 
links van de deuropening nog twee van zulke pilaren ziet. Die 
pilaren zijn van boven verbonden door een gelijkmatige halfronde 
lijst, die langs alle zijden doorloopende op de pilaren schijnt te^ 
rusten en de grens van wand en plafond vormt. Het plafond is 
eenigszius gebogen en loopt schuin naar boven waar het precies 
boven het midden van de kamer samenkomt, eenigszius den indruk 
gevend van een spitsboog. In den achterwand boven de lijst (zie den 
bijgaanden opstand , x) ziet men eene nis , niet precies vierkant maar 




AchtertocLTuiL'. 
Sc^^axcZ l:30 

eenigszius den vorm van het dak volgend; zoodat de opening aan 
de eene zijde hooger is. Aan den rechterzij wand (zie den opstand , £) 




SoKcuoZ l:30 - 

ziet men eene dergelijke nis, weer omgeven door een lijst ; eene nis , 
veel grooter dan die van den achterwand en ook veel dieper. Keert 
men zich naar de opening, dan ziet men boven deze eenige 
schnine lijnen die echter niet goed meer te zien zijn; en tevens is 
dan waar te nemen, hoe de toegang met ruw geweld isopengehakt 
en dus de kamer steeds goed is afgesloten geweest. 
De vloer is in drieën verdeeld (zie den plattegrond op Plaat II) ; 



Digitized by CjOOQIC 



92 DE BATOE KëMAKG, NABIJ ME DAN. 

rechts en links (a, a) is eene verhooging van enkele centimeters, 
terwijl het diepere middengedeelte fbj van achteren van eene 11 c.M. 
breede goot is voorzien fcj , en van voren van eene + ^ ^« M^* hreede 
goot fcj. 

Naar buiten tredende bleek ons bij het omwoelen van den grond, 
dat er aan de voorzijde eenige rechte steenen stonden , die een soort 
van goot vormden ; de steenen zelf leverden niets bijzonders op , alleen 
werden eenige scherven van een rood aarden pot gevonden. Door 
gebrek aan krachten moest het graven opgegeven worden. 

Wat ons trof bij het beschouwen van den steen en de kamer 
waren de zuivere afmetingen en evenredigheden, zoodal wij moeten 
aannemen dat ontwikkelde en kundige menschen steen en kamer 
bewerkt hebben ; maar welk volk dit gedaan zal hebben is ons nog 
een raadsel. Batak's deden het stellig niet. Misschien dat verdere 
opgravingen in den omtrek eenig licht zullen verspreiden. De 
richting van de kamer is zuiver Z.0. — N.W., met de opening op 
het Zuidoosten. 

Verder bezochten wij nog twee kolossale steenen aaü de Bëtiraoes- 
rivier gelegen, bekend al? de Batoe pëndfëmoerên (//Droog-steen//) 
en de Batoe përtëfwenên (//Weef-steen//), maar deze leverden niets 
bijzonders op. Het waren kolossale keisteenen, in tegenstelling met 
de Baioe Khnang ^ die uit zachten zandsteen bestaat. Tevergeefs 
zochten wij in de B. Këmang naar voegen , die ons zouden kunnen 
wijzen op het gebruik van gehouwen steenen , maar alles leek even 
massief. Een Batak opperde de meeniug, die uiet maar zoo te ver- 
werpen is, dat die steen gemaakt zou zijn door zand, kiezelsteenen 
en klei dooreen te mengen. 

Dit laatste lijkt ons niet zoo onmogelijk , omdat verder onderzoek 
ons nog meer dergelijke steenen aldaar doet vermoeden. 

Siboicmgit, Juni 1906. 



Digitized by VjOOQIC 





aa. 20 



Timoreesche spinneweb-niotioven. 



Digitized by VjOOQIC 



TIET ,.SPINNEWEB".MOTIEF OP TIMOR. 



J. A. LOEBÈR Ju 



In mijn studie over /i^TiiiKJteesch Suijwerk eu Ornameut/i^ (Ueii 
Haag, 1903) mocht ik op een motief wijzen, dat in deze ornamentiek 
herhaaldelijk voorkomt. Op blz. 41 en 42 had ik in de figuren 
aa. 1 — 19 de voornaamste vormen getoond en onder deze was er 
eeu (fig. aa 5), die zeer duidelijk aan een spinneweb herinnerde. 
Daarnevens tal van gestiliseerde vormen, die in min of meer rijke 
détailleering de langzame vervorming, de verwerking van een 
oerinotief deden zien. Tot gemak van den lezer zijn ze hier alle 
op de bijgaande Plaat nogmaals weergegeven, met dezelfde volg- 
cijfers als in mijn werk. 

Voor onzen Archipel was mij dit //spinneweb//-motief volkomen 
nieuw. Ik kende het in denzelfden naturalistischeu vorm van 
fig. aa 5 als symbool der Arapaho-Indianen. Alfbsd Kboebsb, * 
aan wiens studie ik deze kennis ontleende, noemde het «spinneweb^f. 
LH" Egt en Bichteb, ^ wien deze naturalistische vorm onbekend was, 
zagen het voor een stervorm aan. 

Daarnevens heb ik toen gereleveerd (t. a. p., p. 42), hoe in het 
oude Peru een verwante vorm terug te vinden was. //Aan de 
toppen der standaarden, die Peruanen van aanzien in het graf 
werden meegegeven , bevindt zich een geheel analoge vorm (nl. met het 
Indiaansche motief), waarbij de spinnewebvorm verkregen wordt 
door het schuin kruisen van twee latjes op den staf en deze te 
verbinden met katoeudraadjes (zie Stübel u. Reiss, Das Totenfeld 
Tou Ancon, I, pi. 32, fig. 15 en lS).v 

f Alfred L. Kroeber , Symbolism of the Arapoho-Indians. (Bull.< Am. Mus. 
of Nat. History. Vol. XIII, 1900) blz. 70. 

» W. Foy u. O. Richter, Zur Timor-Ornamentik (Abhandl. u. Ber. d. Kön. 
Zoolog. u. Anthr.-Ethnogr. Mus. Dresden. Festschrift 1899. N« 3). 

7- Volgr. VI. 7 



Digitized by VjOOQIC 



94 HET SPINNBWEB-MOTIEF OP TIMOK.. 

Met het vermelden van dit gegeven ben ik dicht bij de werkelijke 
beteekenis geweest; en zoo ik meer tijd en gelegenheid had gehad 
voor het rustig raadplegen der literatuur — iets, dat mij vrijwel 
ontbrak, — dan zou ik in het Intern. Archiv. für Ethnographie 
den sleutel ter verklaring hebben kunnen vinden. 

D' H. ïBN Kate had de goedheid mij een zeer uitvoerigen brief, 
dd. Kobe, 15 Jan. 1904 te schrijven, waarin hij onder meer wees 
op het door hem gevonden offerschermpje, beschreven en afgebeeld 
in het Intern. Archiv. für Ethnographie, VIII (1895), blz. 13—14 
en plaat IV, fig. 39, dat op het spinne web-motief betrekking 
kon hebben. 

De plaatverklaring zegt omtrent dit figuur 39 : //Opferschirm zu 
Kewar, Lamakënen, Central Timor. Ich fand dieses, aus Holz-oder 
Rohrstabcben , bestehende und mit Paden übersponnene Gestell oberhalb 
der Thüröffnung eines Hauses aufgespannt au den vier Faden, 
welche sich an den Ecken des Schirmes befinden. Da es in dieser 
Wohnung ziemlich duukel war und alles ausserdem ein schwarz- 
berauchertes Ansehen hatte , war ich nicht im Stand e eine Farbe des 
Schirmes zu unterscheiden. In unmittelbarer Nahe waren ünterkiefer 
vou Schweinen an deu Dachsparren aufgehangt. Jacjobsen fand 
wahrend seiner Reise ungefahr dieselben Schirme oder Gestelle auf 
Plores als Opfergabe der Naga, Er fügt aber hinzu, dass sie, im 
Gegensatz zu dem Amerikanischen Vorkommen, horizontal aufgestellt 
sind und symbolisch als Schutz gegen die austrocknende Wirkung 
der Sonnenstrahlen gelten (Vergl. Globus, Bd. 55, p. &01 und Verhandl. 
der Berliuer Anthropolog. Gesellschaft , 1889, p. 700—701). Obwohl 
ich nicht bezweifle, dass die Angabe, als seien derartige Gestelle der 
Naga geweiht, richtig ist, kommt mir diese letzte Behauptuug doch 
etwas unwahrscheinlich vor, da die unmittelbare Beziehuug Naga 
und Sonne mir nicht deutlich ist'/ (p. 13). 

In zijn brief schrijft D' ten Kate verder over deze offerschermpjes 
dat zij, behalve op Flores en Timor, in het door mij reeds geciteerde 
Ancon, in Bolivia, bij de Yuma-Indianeu , op Vancouver, in 
Chittagong, enz. voorkomen. 

Zeker was ik dus met het gegeven van Oud-Peru dicht bij de 
bron. Evenals de Indianen van den Arapaho-stam den vroegeren 
schermvorm in hun spinneweb-motief bewaren, vindt men op Timor 
het offerscherm in het bamboe-ornament toegepast. 

Een dergelijk offerscherm uit de Collectie-JACOBSBN van 't eiland 
Flores geeft de hier toegevoegde afbeelding (aa. 20 der Plaat) te 



Digitized by VjOOQIC 



HJT SPINNEWBB-MOTIBF OP TIMOK. 95 

zien. Het bevindt zich in het Museum voor Volkenkunde te Berlijn 
(I C. 18526 — 32). De samenstelling is zeer eenvoudig ; een drietal 
bamboe-latjes is om een vertikaal stokje gebonden en deze latjes 
zijn met bruine en blauwe katoendraadjes verbonden, zoodat een 
spinneweb-vorm ontstaat. De bijgevoegde beschrijving zegt : //Schirme 
fiir die nUlar Nagan^ eine siebenköpfige Schlange, welche Seelen 
frisst. Sie lebt in einem grossen Loch, das man mit einem Stein, 
dem fBatu Nagav bedeckt hat. Stirbt Jemand, npajeng Naga ff ^ so 
schreibt man das der Schlange zu und sofort wird auf dem Steine 
geopfert; ansser den Schirmen wird auch Eeis geopfert.v 

Deze beschrijving van het doel dezer schermen wijkt dus af van 
de eCTstvermelde , door Jaoobsbn gegeven, hoewel ook dit voorwerp 
door dezen reiziger verzameld is. 

Intusschen ligt het niet op mijn weg de juistheid van een dezer 
beschrijvingen aan te wijzen. Hoofdzaak is voor mij , dat D' tbn Kats 
dit samenstel van latjes in een Midden-Timoreesch huis gevonden 
heeft, al wijkt de toepassing, met die op Flores vergeleken, be- 
langrijk af. Het is evenzeer zonder twijfel, dat dit zonderling 
voorwerp met de behoeften van het dagelij ksch leven niets te maken 
heeft, doch in nauw verband staat met de geestelijke denkwijze 
der Timoreezen. Het daaruit afgeleide ornament is dus, wat ik reeds 
aan de toepassing op bamboe-kokers meende op te merken (op. cit., 
blz. 43), een gewijd motief^ dat daardoor in het ornament op den 
voorgrond treedt, een allesbeheerschende plaats daarbij inneemt. 

Echter handelt mijn studie hoofdzakelijk over het ornament van 
Z.-W.-Timor en gaarne zou ik daarom geconstateerd hebben, dat 
deze offerschermpjes ook in dit deel van Ti mor voorkwamen. 
Exemplaren van mijn werk heb ik naar Timor gezonden, brieven, 
enz., met het resultaat, dat ik slechts van een ambtenaar antwoord 
mocht ontvangen, die over de offerschermpjes niets wist mee te deelen. 

Zoo is het mij dan niet mogelijk over andere besproken voorwerpen 
nieuws te berichten, iets, dat mij zeer leed doet. Ik had gehoopt, 
dat mijn studie een inleiding zou zijn tot de kennis der Timoreesche 
sierkunst, zou aanmoedigen tot nader, lokaal onderzoek en dat op 
deze wijze van één eiland in den grooten Archipel de kunst- 
nijverheid zou zijn beschreven en vastgelegd. Zien wij , hoe bijv. 
het Dresdener Museum voor zijn onderzoekingen op Celebes van 
veler medewerking heeft mogen partij trekken, dan was deze hoop 
niet ongegrond. 

Wellicht, dat van andere zijde deze Timor-studie zal worden 



Digitized by VjOOQIC 



96 HBT SPINN£WBB-MOTI£F OF TIMOB. 

voortgezet. De Geheimraad Fr. Hegeb, de Direkteur van het Weeuer 
Museum , heeft op eeu reis door Timor eeu groot aantal voorwerpen 
verzameld en naar ik nu hoop, is het hem gelukt voor vele 
duistere punten een oplossing te vinden, die alleen door plaatselijk 
onderzoek verkregen kan worden. ^ Op dit zeer belangwekkend eUand 
is, wat snij-, vlecht-, weef- en kraleuwerk betreft, een rijke oogst 
te vinden, die ook in ander dan wetenschappelijk opzicht aller 
belangstelling verdient. 

Blherfeli, Juli 1906. 



^ Naar het Beisb^oht van Geheimraad Hegbr vermeldt (zie Annalen 
d. k. k. Naturhist. Hofmuseums. Wien. XXI, 1906), hebben malariakoortsen 
zijn verblijf op Timor tot Koepang beperkt en kon geen nader, plaatselijk 
pnderzoek ingesteld worden. (Jali 1907). 



Digitized by VjOOQIC 






Vc^ >>r^^b v.^ J^^ >3/^ .^C^^i^y^^^ 

■IkJ 



'^:^^-i^Z.J.^^i.-^^ 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



EEN MALEISCH CONTRACT VAN 1600. 



DOOR 

D'. PH. S. VAN ROXKEL. 



Meer dan drie eeaweu oude Maleische schrifturen zijn zeldzaam, 
in Indië wegens het klimaat, hier te lande wegens het in de eerste 
decenniën der 17^ eeuw uiterst geringe aantal van hen die zich op 
inlandsche lalen toelegden. Wanneer dus een inlandsch, in casu 
Maleisch, stuk uit de eerste tijden onzer bemoeiingen met den 
Indischen Archipel gevonden wordt, is het niet zonder belang den 
inhoud bekend te maken, ook al wordt met de publicatie voor de 
Maleische taalwetenschap niets nieuws geboden. 

Zulks is het geval met een archiefstuk , welks bestaan en herkomst 
mij door den heer G. P. Bouffaer werden medegedeeld. 

Door het Eijksarchief werd in 1902 uit eene rijke verzameling 
autographen en archiefbescheiden , afkomstig van eene adellijke Noord- 
HoUandsche familie, van wie een lid bewindhebber der Oost-Indische 
Compagnie in de ICamer Hoorn in 1692 was (zie Valentijn I, bl. 
315), een Maleische contractbrief aangekocht, welke sedert is geinveu- 
tariseerd als n** XX VII onder de aanwinsten van bovengenoemd jaar. ' 
Het stak is een kopie van een in Atjeh gesloten contract nopens 
peperleverantie; aan den anderen kant van het dubbele blad bevindt 
zich eene transcriptie in Latijnsche letters, welke door den heer 
Bouffaer nauwkeurig is gecopieerd. Deze copie moge hier volgen : 

Hijarat seriboü sembilen thahon pada joumaal raboü duapoülo 
harj boulan Joumadil awal ^ achgir dy was Itoü bawa sabandaer tün 
Jawa berpoütos harga lada Dengan Cappitein houllauda bernamma 
poawels van de ^ Caerden daen Cappjtein Adam Ylamiuck adda 
poen harga ladda de bayar Itoü pada saharj harganja delapan tha ^ 
tahel derham harta merka Itoü membajer masock lada derj pada 
boulan Rayab Datang que pada boulan chawaal quijqijera ampat 

* De verzameling is verkocht op de auctie van de firma R. W. P. de Vries 
te Amsterdam. 
' Aldus stond er eerst, doch de oopiist heeft het doorgeschrapl. 



Digitized by VjOOQIC 



98 EEN MALBISOH CONTRACT VAN 1600. 

boulan lammajna pymatjua lada Jang de bajaer Itou seribou delapaa 
ratos pijmatjua, Derham hargaenjna samas ampat rybou ampat ratos 
daeu harga pijrack pada sebijjij lijma mas daen ousour derj padoenjna 
pada saratos lyma sapertij adat oachoor eselam dij ambil derj pa- 
daenjna Itoü sermoüla Apabyla masock lada deboüloü debayeraken 
Cappitein quedüojna Itoü daen Comediau aken ouraug Jan lain 
Dalamjna seüataü Jajat tyada 

tattkala Itou hadepan pongolo korkon (mavalir mirdeu) daen syrajar- 
gaen (daen) Joumaat alhijer sakaljienjna (walla lamma bakhabir) 
kabenoch mengaljr mechgamat. 

Uit deze blijkbaar zeer gebrekkige copie , welker maker het origineel 
waarschijnlijk niet heeft begrepen, zien wij dat den SO Djoem&dt II 
1009 H. d. i. 28 December 1600 * door de Hollandsche kapiteins 
Van Caerden en Vlaminck met eenen sjahbaudar een contract is 
gesloten aangaande een zeker bedrag peper voor eene bepaalde, ook 
in inlandsche waarde uitgedrukte, som, over een termijn van vier 
maanden. 

Eene vertaling van het contract naar deze van onverstaanbare 
woorden en zonderlinge spellingen wemelende copie te maken is 
bijkans onmogelijk; eerst dient de juiste lezing van den tekst van 
het copie-contract , naar het document zelf of naar de door den heer 
Rouffaer daarvan gemaakte photographie , vastgesteld te worden. 

Dien tekst dan lezen wij als volgt: 

Hidjrat sariboe sêmbilan tahoen pada jawm al arba^ doeapoeloeh 
hari boelan Djoemadi al achir diwasa itoe bahoea sjahbandar Toen 
Djawa bërpoetoes harga lada dëngan kapitan Wolanda bêrnama 
Faulus Van Caerden dan kapitan Adam Vlaminck adapoen harga 
lada dibêlinja itoe pada sahari {lees: sabêhara) harganja doi^alapan 
tahil dirham djandji marekaitoe mêmajar masoek lada daripada 
boelan Radjab datang kapada boelan Sjaww&l kira kira ampat boelan 
lamanja pimat {lees: kimat) lada jang dibêlinja itoe sariboe doealapan 
ratoes pimat {lees: pasëmat) dirham harganja salaksa ampat riboe 
ampat ratoes dan harga perak pada sabidji lima mas dan ^'oesjoer 
daripadanja pada saratoes lima saperti <^adat ^'oesjoer isl&m diambil 
daripadauja itoe sabêrmoela apabila masoek lada dêhoeloe dibajar 
akan kapitan kadoeanja itoe dan kamoedian akan orang jang lain 
dalamnja soeatoe 'kè^^^ {lees: hoedjdjat) tiada tatkala itoe hadapan 
pënghoeloe karkoen Moe^'allim Mard&n dan Seri Radja Chftn(?) dan 



De weekdagen in beide tijdrekeningen komen niet overeen. 



Digitized by VjOOQIC 



EBN MALKISOH CONTRACT VAN 1600. 99 

djamftPat al chajr sakaliannja wassal&m bilchajr katib ' Moe^'allim 
Moehamniacl. 

Naar dezen tekst zoude eeue vertaling gemaakt kunnen worden, 
doch ter nadere toelichting der feiten en ter verklaring van de 
zinsnede aan het slot mogen eerst enkele getuigenissen uit geschied- 
verbalen bijgebracht worden. 

In De Opkomst van het Nederiandsch gezag in Oost-Indië van 
M^ J. K. J. de Jonge, deel II, worden in § 4 de drie uitrustingen 
naar Indië van het jaar 1599 behandeld. Op de bladzijden 229 — 235 
leest men de lotgevallen der eerste vloot welke de Nieuwe Brabantsche 
compagnie uitzond; Yan Caerden en Adam Flaming waren den 21"° 
November in Atsjin aangekomen; eerstgenoemde bood den soeltan 
geschenken aan , werd door hem voor het vaststellen van den peper- 
prijs naar den Sjahbandar en den Penghoeloe verwezen, en wist 
eindelijk den 28*" December eene overeenkomst te treffen //waarbij 
de sultan zich verbond om binnen 4 maanden 1800 Bahar peper 
te leveren, welke bij de levering zouden worden betaalde. 

Is deze mededeeling voor het goed verstaan van ons document 
reeds van waarde, meer licht gewordt ons uit de uitvoerigere ver- 
melding in het Begin ende Voortgangh van de Vereenigde Neder- 
lantsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie, deel I, waar ver- 
haald wordt (bl. 6 en 7 van* het Kort Verhael ofte Journael van 
de reyse gedaeu naer de Oost-Indien met 4 schepen .... gehouden 
bij capit«yn Paulus van Caerden) dat na voorkoop met de, ook in 
het copie- contract genoemde, Sabandaer, Ponugolo ende Corcon, 
en na ontdekking van contract vervalsching *, door Van Caerden 
'«^naer veel gaen ende loopen eyndelijckc/ is bewerkt //dat wij den 
Bbaar Peper tegens acht Theyl sullen betalen, midts hy gehouden 
sal zijn de Realen van achten te ontfanghen tegens vijf Mas, midts 
soo veel Peper ontfanghende, soo veel geldts te betalen, sonder tot 
avancement van penningen gehouden te zijn; ende beloovende in 
de tijt van vier maanden ten langhsten te verschaffen 1800 Bhaar; 
des dat wij ghehouden sullen zijn te betalen vijf ten honderd voor 
uitgaende Tol ; soo sullen gheen Koop-luyden , ofte Schippers , 't zij 
van wat Natie die souden wezen, vermoogen eenige Peper te 



> Waardchijnlijk is de schrijfwijze in het manuscript ontstaan uit eene 

verwarring van ^ ^^lC met ijJi. 
* Vgl. Heeres, Corp. Dipl., I, bldz, 20. 



Digitized by VjOOQIC 



100 EEN MALEISCH OOlïTEACT VAN 1600. 

koopen ofte te laden, voor onse lasten bekomen hebbende, als 
blijckt bij de contracten, ende obligatie daervan zijnde//. 

De hierboven vermelde punten en clausule van het pepercoutract, 
welke men terusr vindt in contract IX van Prof. Heeres' Corpus 
Diplomaticura Neerlando-Indicum , Bijdragen tot de T. , L. en V.k. 
vay N. I. uitg. door het Kon. Instituut, deel LVII, bl. 20, kunnen 
bijna dienen als vertaling van de in het Rijksarchief aanwezige copie, 
welker bewoordingen, zonder dezen historischen commentaar, inder- 
daad veel aan duidelijkheid zouden te wenschen laten. 

Zoo komen wij tot de volgende vertaling: 

Op Woensdflg den twintigsten Djoem&dl II heeft de sjahbandar 
Toen Djawa een contract van peperleverantie gesloten met de 
Hollandsche kapiteins Paulus Van Caerden en Adnm Vlaminck, dat 
zij nl. peper zullen koopen voor acht lahil-dirham den béhara , terwijl 
zij op zich nemen den peper te betalen bij het inleveren, van de 
maand Eadjab tot de maand Sjaww&l , d. i. omstreeks vier maanden; 
1800 ^ in Spaansche-matten-dirhams, en den dirham gesteld op vijf 
mas 2, met van die somma te nemen heffing '* van vijf ten honderd , 
gelijk bij moslims gebruikelijk is. Wanneer peper wordt aangebracht 
zal het vóór anderen aan de beide kapiteins worden geleverd, eerst 
daarna aan de anderen , met uitsluiting van alle daarop in te brengen 
aanspraken. Op genoemden dag voorden pênghoeloe karkoen Moe^allim 
Marden en Seri Radja Ch&n (?) en alle ter plaatse bescheidenen. "* 
Vrede met heil ^. Geschreven door Moeoallim Moehammad. 

Hoezeer het een feit is dat de publicatie van het pepercoutract van 
1600 niets nieuws levert ten aanzien van de Maleische taal of een 
bijzonder gebruik van enkele harer woorden, scheen zij mij toch 
niet geheel van belangrijkheid ontbloot wegens het zeer zeldzame 
van Maleische schrifturen van zóó lioogen ouderdom. 

^ De 1800 eenheden zijn natuurlijk bëhara's. Het hier voorkomende vj:^%^ 
heb ik als pasomat = Spaansche mat opgevat, het voorafgaande «^^^^aS als 
kimat, welk woord echter overbodig is. 

' Over de verhouding van mas tot Spaansche mat en dollar en den tahii 
zie 3. E. Heeres o. c. bl. 20 noot 2, en vooral: D^ C. Snouck Hurgronje, De 
Atjèhers, deel I bl. 346 en 370 en Het Gajöland, bl. 274 noot 2 en bl. 362. 

* .y*»c Arabisch ^oesjr, eigenlijk = tiende, doch ook voor andere soorten 
van heffingen in gebruik. 

* JksJ) icLci»- eigenlijk = voortreffelijk gezelschap. 

* y^Jb eigenlijk = niet het beste. 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODS- 
DIENST DER DAJAKS VAN LANDAK EN 
TAJAN. 

oooB M. G. SGHADEE. 
ContrdUur lyy het Binnenlandach.Bésiuur. 

(Vervolg van Deel LIX, blz. 647). 



Het baniat op heilige plaatsen. 

§ 1S5. Het baniat. 

Bij de behandeling van het Shamanisme zagen wij hoe het 
^baniat^ gebruikelijk is bij het //p arm ia//. 

Baniat = het te kennen geven van het plan (niat), namelijk 
om een of ander ofifer te brengen , wanneer een wensch in vervulling 
sal zijn gekomen. Het is das het doen van een gelofte, die wanneer 
de bede verhoord wordt, steeds gevolgd moet worden door het 
voldoen der gelofte, hetgeen //bajar niat^ heet, letterlijk het 
betalen der ^niat.// 

Zij, die het p arm ia te kostbaar vinden, en toch tot een baniat 
willen overgaan onder bijzondere omstandigheden , om meer zekerheid 
te hebben van welslagen, doen dit bij voorliefde op plaatsen of 
bij voorwerpen, welke als heilig worden beschouwd, aan welke een 
bizonder zegenaanbrengende kracht (kram at) wordt toegeschreven. 

§ 186 Tiong kandang. 

In de eerste plaats noemen wij heilige bergen. 

Het meest bekend is de Tiong kandang, op de grens vanLandak 
en Tajan, een berg vooral eigenaardig om zijn buitengewoon spits 
kegelvormig topje, dat zoowel in Landak als in Tajan uren ver in 
?• Volgr. VL 8 



Digitized by VjOOQIC 



102 BIJDKAGB TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

den omtrek zichtbaar is. De Dajaks weten te verhalen, dat de 
Tiong kandang vroeger een eiland was , het eerste van Tanah Kali- 
man tan (Borneo), toen al het overige land nog door zee bedekt, 
was, evenals de Dajaks van Bandjermassin dit vertellen van de 
toppen der bergen Fararawan en Boendang, en de Songkong-Dajaks 
van den Soenjang (Veth, Borneo "Westerafdeeling, Dl. I pag» 
12, 175 en 176.) 

Bedevaarten naar den top van den Tiong kandang worden zoowel 
door Dajaks als door Maleiers gedaan. Van nit Landak is de berg 
het gemakkelijkst te bestijgen van uit kampong Sangkoe^ , de bewoners 
van Tajan beginnen de beklimming te kampong Mangkit. 

De eerste pleisterplaats is gelegen bij de Pëdagei (offerplaats) op 
den overgangsweg van het grensgebergte , het verbindingspad tusschea 
Sangkoe^ en Mangkit. 

Men is daar reeds vrij dicht bij den top. De pëdagei worden 
hier gevormd door een paar steenen. Ten allen tijde vindt mea 
daar talrijke toempangs (mandjes met offerspijzen) aan deboomen 
hangen, offergaven van aldaar gepasseerde bedevaartgangers. 

Van af de Pëdagei is het ten strengste verboden (pan tang) ijzer 
of staal verder naar boven te brengen. Geweren, kapmessen ,- lansen 
en speren, soms sleutels, als men die bij zich mocht hebben, 
worden hier achtergelaten, voor men de beklimming verder 
voortzet. 

Een ieder onderzoeke hier, zijn geweten, of men het wel wagen 
zal nog verder aan den tocht deel te nemen, want straks 
moet men de Batoe Balawang (b a t o e = steen , balawang== 
bërpintoe =* die een deur of poort vormen) passeeren, twee steile 
en dicht naast elkaar staande rotsblokken , waarvan de legende 
vertelt, dat zoodra een onrein of zondig mensch zich in die 
natuurlijke poort waagt, de rotswanden zich naar elkaar toebuigen 
om den onreine te verpletteren. 

Toen wij den berg beklommen, konden wij dan ook bemerken, 
dat onze volgelingen niet zonder angst tusscheu de Batoe Balawang 
doorliepen en weer vrij ademhaalden, toen zij zonder letsel te 
bekomen, de poort achter den rug hadden. 

Op den top, vanwaar men bij helder weder eeu heerlijk vergezicht 
geniet, vindt men een vlak gedeelte van slechts een tiental meters 
in het vierkant, dat Panindjau, d. i. //om uit te zien, kijkplaats^ 
heet. Dit is de eigenlijke plaats, waar men de '/niat^' uitspreekt,, 
en waar men later terugkomt om te '/bajar niat//. 



Digitized by VjOOQIC 



DIB DAJAKS VAN LANDAK IN TAJAN. 108 

De uiat houdt bijv. de gelofte in, dat zoodra de reeds lang 
lijdende echtgenoote hersteld zal zijn, men weder zal komen, om 
de aanwezige rotsblokken met fijne oliën te begieten, of wel dat 
men eenige geheel witte hoenders — soms nog voorzien van gouden 
sporen — alhier zal loslaten. * 

Het is gewoonte bij de Panindjan eenige talismans mede te 
nemen. Gewoonlijk zoekt men daartoe stukjes wortel van aldaar 
groeiende aroesstruiken ; een kostbaar stuk verkrijgt men echter, 
wanneer men met de hand over een pas gezalfd rotsblok heeuwrijft 
en bij die gelegenheid een stukje steen loslaat. 

Controleur Westenenk, mijn toenmalige kollega in Tajan, welke 
dpQ Tiong kandang ook beklom , deelt in een rapport aan den 
Besident nog mede, dat zich op den top van den berg een steen 
bevindt welke //kasih^/ genoemd wordt, hetgeen aldus verklaard 
wordt: ^ Allah geeft aan hen, die vragen//. 

Verder spreekt de Controleur van het rusteloos zoeken der mëlati 
Tiong kandang, die aan den bezitter een verbazend groot geluk 
zou moeten aanbrengen. 

Zoowel aan de Batoe Balawang als op de Fanindjau vonden wij 
weer talrijke toempangs opgehangen. 

§ 137. Andere heilige bergen. 

In mindere mate dan de Tiong Kandang staan in Landak nog 
in de reuk van heiligheid : 

de Goenoeng Ampiras, op den linkeroever der Landak-rivier 
gelegen, tegenover Ngabang, juist tegenover de plek, waar in 
1895 de bandongs (Chineesche handelsvaartuigeu) gemeerd lagen , 
de Goenoeng Angging nabij Boenoet, ten noorden van Ngabang 
ook op den linkeroever der Landak-rivier, 



* Het loslaten van hoenders op heilige plaatsen is ook in Zuid- Celebes 
gebruikelijk. Men laat daar hanen los, na hun eerst een kleine insnede in de 
kam gegeven te hebben. Zulk een haan wordt liefst niet gegeten. Volgens 
sommigen zou hij, die zich verstoutte dit te doen, groot gevaar loopen, dat 
men hem den nek omdraaide. Zulke hanen heeten in het Boegineesch 
manoe^-maradêka, in het Makassaarach djangang maradêka d. i. 
vrije hoenders. 

Zie Matthes, Bijdragen tot de Ethnologie van Zuid-Celebes, p. 121. 

Ik heriiiner mij niet, of voor de op den Tiong kandang losgelaten witte 
hoenders ook het verbod bestaat, hen te dooden en op te eten. 



Digitized by VjOOQIC 



104 BIJDBAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST. 

de Ooeuoeng Bëdjepa uabij de Eiam Mëlanggar in het 
Doorden van Landak, 

en de Am par Djawa op de Goenoeng Satap. 

Op al deze plaatsen is het baniat gebruikelijk en zijn het weer 
zoowel Maleiers als Dajaks, die er ter bedevaart trekken. Ook 
Chineezen in het land geboren komen er vaak ten offer , niet zelden 
vindt men aldaar broederlijk bijeen Ghineesche offerstokjes en vlag- 
getjes, naast door Maleiers gezalfde steenen en varkenspooten , door 
den Dajak aan zijne D e w a t a s geofferd. Zoo ergens verdraagzaamheid 
op het punt van godsdienst bestaat , zoo is dit zekerlijk in het 
landschap Landak der Wester afdeeling van Borneo. 

§ 188. De kanonnen van Monggoh. 

Bijzondere vermelding wegens de hooge vereering, die zij genieten, 
verdienen ten slotte de kanonnen van Monggoh (Mariam Monggoh) , 
een plaatsje gelegen aan de samenvloeing der Landak en Manjoeké- 
rivier, vroegere residentie van de vorsten van Landak. 

Deze kanonnen werden door den Sultan van Bantam aan den 
vorst van Landak geschonken ten teeken, dat de cijnsbaarheid 
van Landak aan Soekadana had opgehouden te bestaan, en zijn 
dezelfde stukken, waarvan de heer Palm bij Eadermacher (Be- 
schrijving van het eiland Borneo, voorzoover het tot nu toe bekend 
is. Geplaatst in Verhandelingen van het Bat. Genootschap Dl. II 
blz. 1^4) spreekt. Zie Veth, Borneo's Westerafdeeling, Deel I 
pag. 286. 

In November 1894 deed de toenmalige waarnemend Panambahan 
van Landak, Pangeran Mangkoe Boemi een bedevaart naar deze 
kanonnen en noodigde den Controleur J. van Weert en mij uit 
hem op dien tocht te vergezellen. Genoemde Controleur logeerde 
ten mijnent, door den fiesident aangewezen, om mij als Controleur 
van Landak te vervangen. 

De tocht van Ngabang tot Monggoh geschiedde per roei- 
vaartuig, de Pangeran gezeten in zijn groote staatsie-bidar, ge- 
heel in het geel, door ongeveer 50 roeiers met behulp van 
korte pagaaien voortbewogen , de Controleurs in een Gouvernements- 
vaartuig, een net wit geschilderd vaartuig, met zes man op de 
lange riemen. 

Bij de Batoe Sarawa^ (een halve paal beneden Monggoh) gekomen , 
hield de Pangeran een oogenblik op, aangezien de adat voorschrijft, 



Digitized by VjOOQIC 



DES DAJAK8 VAN LANDAK IN TA JAN. 105 

dat de bezoeker der Mariam Monggoh eerst van zijn voornemen 
kennis geve aan deze rotsblokken. ^ 

Te Monggoh bezichtigden wij eerst de beide kanonnen. Het eene 
is een oud Gompagiiie^s stuk en vertoont de letters V. O. C. 
(Vereenigde Oost-Indische Compagnie), het andere vertoont een 
wapen, dat reeds half uitgewischt is. 

Zij liggen op den grond zonder affuiten op een steil heuveltje 
tosschen de samenvloeiing van de Landak- en de Manjoeké-rivier 
onder een groote kajoe-ara boom (soort waringin). 

Ook Pangeran Mangkoe Boemi deelde ons mede, dat deze 
kanonnen een geschenk waren van den Sultan van Bantam aan den 
vorst van Landak na afloop van een oorlog met Soekadana, lang 
voordat de Hollanders zich op Bomeo vertoond hadden. 

Van oudsher staan zij onder beheer van eene te Monggoh 
wonende familie, alleen deze heeft het recht de kanonnen af te 
schieten. 

Het bërniat (Mal.) geschiedt hier toch onder het lossen van 
een los schot uit een der beide vuurmonden. De Pangeran kwam 
hier ook met eene bepaalde bedoeling, zijne vrouwen hadden hem 
reeds een drietal dochters geschonken, maar nog geen enkelen zoon, 
en nu kwam hij het kanon beloven, dat hij het naderhand nog 
eens zon doen afschieten, indien het slechts zorgen wilde, dat hij 
nn ook een zoon kreeg. 

De bewaker van de kanonnen was reeds aan het werk geweest, 
om hen op het bezoek van den Pangeran voor te bereiden. 

De beide stukken — het een is volgens de inlanders van het 
mannelijk, het ander van het vrouwelijk geslacht, evenals de op 
Java aanwezige heilige kanonnen Ejai Satomo en Njai Satomi — 
zie Wilken, Animisme, Hoofdstuk IV, Ind. Gids 1884, dl. Il, p. 60 
— het eerste te Batavia, het tweede te Soerakarta — te Monggoh 
li^n man en vrouw behoorlijk bijeen — waren den dag te voren 
schoongemaakt en voorzien van rijstgebak en betel , voor hen gereed 
gezet op koperen schotels, met gele kleedjes bedekt. 

Onder het langzaam inschuiven van een kardoes — een linnen 
zakje, S^ K.6. kruit bevattende, prevelde de Pangeran zijn gelofte, 
boven vermeld. 



1 Vergelijk hetgeen Controleur H. Bis mededeelt in zijne monogrsphie 
over de „Onder- Afdeeling Klein«Mandailing-Oeloe Pahantan en hare bevolking 
met uitsondering van de Oeloe's (Bijdragen tot de Taal-, Land- en Yolkenkande'j 
Tolgreeks 6, deel 2, pag. 53L). 



Digitized by VjOOQIC 



106 BUD&AGE TOT DIS KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

Daarop viel een zwaar schot, oorverdovend, 30 K.M. iu den 
omtrek werd de trilling gevoeld. De Pangeran plantte daarna links 
en rechts van de druif takjes vau een boom; groeien deze voor- 
spoedig op, dan is dit een teeken, dat de offerbede zal verhoord 
worden. 

Of het kanon van Monggoh aan het verzoek van den vorst 
voldaan heeft? 

Een paar jaar later is hij zelf overleden, het is mij niet bekend 
of hij mannelijke nakomelingen heeft nagelaten. ^ 

Yeel geheimzinnigs wordt er nog van de Mariam Monggoh 
medegedeeld. In tijden van oorlog springen zij in de rivier, en 
dniken eerst weer op, wanneer de vrede gesloten is. Waarlijk geen 
prijzenswaardige eigenschap van oorlogsmateriaal! 

Kort voordat een groot ongeluk gebeurt, waarschuwt een der 
kanonnen , door geheel uit zich zelf een schot te lossen , de bewoners 
van Monggoh echter niet. 

In den tijd, dat ik Controleur te Ngabang was, werd een der 
prinsessen van den bloede door een krokodil aangegrepen en hevig 
verwond. 

Verscheidene personen hadden kort te voren een zwaar schot 
gehoord. Dit moest wel het kanon te Monggoh geweest zijn. 

§139. Wonderkanon te Tebang (Tajan). 

Niet alleen Landak is wonderkanonnen rijk, ook in Tajan treft 
men er een aan. Het is gelegen in. de buurt van kampong Tebang. 

Ziehier wat Controleur Westenenk , welke het gezieii heeft , ervan 
mededeelt in een zijner reisrapporten: 

//Hoogst eigenaardig is er een oud groenbemost kanon, lang 1.50 
Meter, mond 0.5 d.M. met gebroken mond, dat op +1 Meter 
boven den grond half ligt, half hangt op de wortels van eenen 
reusachtigen boom, vroeger boengoer (Lagerstroemia reginae) 
geweest, samen opgegroeid met waringin en later omslingerd en 
verstikt door een doodenden vijgenboom (kajoe ara). 

Men mag dat kanon volstrekt niet aanraken. 

Wanneer er een vreeselijk onheil zal geschieden of een oorlog 



1 Volgens vriendelijke mededeeling van den tegenwoordigen (Juni 1901) 
Controleur A. H. N. Krnjsboom heeft Pangeran Mangkoe Boemi geene 
mannelijke telgen nagelaten. 



Digitized by VjOOQIC 



DER DAJAKS VAN LANDAK £K TAJAN* 107 

2al aitbreken, lost het kanon (geheel nit zich zelf) schoten zonder 
te worden geladen. De Tebangers zwoeren mij, dat zij tijdens de 
uitbarsting van Krakatau allen hadden gehoord, dat het kanon drie 
malen achtereen vuurde , waarna boven den woudreus een reusachtige 
rookkolom opsteeg, die tot verre in den omtrek was gezien, en het 
water der kleine soengai in heftige golfslag kwam. Wanneer een 
tak van den boom (die met het kanon vereerd wordt) valt, dan 
is er spoedig een doodel Een doode tak wijst op een oud man, 
een jong takje op een kind. 

Blijft de regen te lang weg, dan baadt men het kanon, dat wil 
se^n, men begiet het met water uit de soengai, en niet lang 
daort het, of een weldadige regen doet alles wat kwijnde herleven. 
Dat wonderkanon is volgens de legende herkomstig van Java en 
werd in een oorlog tegen Palembang gebruikt. Toen echter de 
vijand hem den mond met een kogel verbrijzelde, begon het kanon 
te spreken en smeekte, naar Tebang te worden overgebracht, zooals 
dan ook geschiedde tot zegen dier kampong//. 

§140. Geloften aan den Sultan van Fontianak. 

Verder dient i)og vermelding, dat in het zuidelijke deel van 
Landak en Tajan en Meliau geloften worden gedaan aan den Sultan 
van Fontianak. Oroot is de roep, die van zijne kram at uitgaat. 
Men brengt hem als offers geiten en kippen, ook Landaksche 
vorstentelgen gingen naar Zijne Hoogheid ter bedevaart op en 
schonken hem kostbare diamanten in voldoening eener gelofte. 

§141. Heilige tambawangs. 

Naast heuvels, rotsen, kanonnen en menschen staan in Landak 
nog in de reuk van heiligheid eenige tambawangs. De voornaamste 
daarvan is de Tambawang Bagoet , gelegen tusschen Djering en Darit 
op den linkeroever der Manjoeké-rivier. Toen wij eens genoemde 
Tambawang passeerden, vergezeld door een vrijwillig gevolg van 
wel 200 Dajaks, werd het eerst zoo luidruchtige gezelschap , zoodra 
wij dit heilige bosch binnengingen, zoo stil als een muis; eerst 
toen we weer in het open veld waren, herkreeg het gezelschap 
zijne vorige stemming. 



Digitized by VjOOQIC 



110 BIJDEAGB TOT DB KRNNIS VAN DEN GODSDIENST 

§ 147. Tampajan als altaar. 

Men steekt dan door de latten van het hooge bordes (ginggang*) 
voor het Dajaksche huis drie bamboe-stokken in een driehoek in 
den grond, bindt deze vorksgewijze samen, en plaatst tusschen de 
uitstaande armen van deze stellage een tampajan siton. Deze sitou 
wordt gedekt door een bord, waarop men de op de padagei gedoode 
honden en kippen neerlegt. Een tampajan aldus gebruikt heet 
//panoela^// = iets dat afweert. Is het offer volbracht, dan wordt 
«en pan tang ingesteld van drie tot zeven dagen (balala of 
<balala awar). Gedurende dien tijd is het verboden het kampong- 
huis binnen te gaan. Wie dit voorschrift oveischrijdt , betaalt een 
boete van een tampajan siton, een hoen, wat gewone en wat 
kleefrijst. Wie weigert te betalen loopt gevaar in de tongkal-boete 
' (zie § £0) te vervallen. Verder is het verboden, hout te hakken, 
rijst te stampen, dieren te dooden, groenten als toespijs te zoeken. 
Ten teeken van het p|antang steekt men aan den ingang van de 
kam pon g een stok in den grond, welks boveneinde gedeeltelijk 
tot houtfranjes is versneden (pabajoe). 

Na afloop van de pan tang wordt de tampajan van het bordes 
naar beneden gebracht en geplaatst aan den ingang van het kampong- 
•erf, als weermiddel van kwade invloeden. 

Volgens onze aanteekeningen heeft het bestrijden van algemeene 
:ziekteu aldus plaats in Tëmilah. 

Waarschijnlijk gaat men in Manjoeké op dezelfde wijze te werk. 

Bij die stammen , waar het snellen niet meer voorkomt, verdwijnen 
door den tand des tijds ook depantaksopdepadageis (Karangan- 
Dajaks). 

Het schijnt echter, dat men in dit gebrek weer wil voorzien. 
Althans bij de Sangkoe^ Dajaks (kampong Felai) vonden wij in de 
padagei twee beelden, welke zeer ruw gevormd waren. Men 
verzekerde ons dan ook, dat het geene beelden waren van overleden 
voorouders, evenmin van bepaalde levende personen. 

§ 148. Am pago. 

Zij waren gemaakt van pelei-hout, een lom pon g-soort, dat 
spoedig vergaat. Het eene was van het mannelijk, het andere van 
3iet vrouwelijk geslacht, de genitalia waren duidelijk uitgedrukt. 



Digitized by VjOOQIC 



DE& DAJAKS VAN LANDAK EN TA JAN. 111 

Daaromheeu zag ik pelei- en rëndj oe wang- boompjes (aldaar 
sabang geheeten) alsmede c r o t o n-planteu eii saba-boomen. Deze 
beeldeu heeten //ampago^. Ook Id Tëmilah voud ik beelden langs den 
w^, die men ampago noemde en welke geen volledige nabootsing 
der menschelijke gedaante vonnden , daar armen en beenen ontbraken. 

Vermoedelijk waren het efiSgie-offers , evenals de ëmpatong der 
Dajaksche stammen langs de Kajan- en Mëlawi-ri vieren (zie Kuhr^s 
Schetsen uit de Westerafdeeling van Borneo, Bijdragen tot de T. L. 
en V. kunde , volgreeks VI , deel 3 , pag. 62 sqq.) , welk vermoeden 
nog versterkt wordt door eene mededeeling van Controleur Barth, 
dat bij de Toelak-Dajaks van Soekadana ook beeldjes voorkomen, 
ampago genaamd, die werkelijk effigie-offers zijn. Zie zijn 
Overzicht der afdeeliug Soekadana, p. 137. 

Ook in Manjoeké vindt men beelden van pelei-hout van ruwe, 
dikwijls wanstaltige gedaante, soms met vrij groote genitaliën, welke 
echter slechts bij nieuwe beelden te zien zijn, daar het zachte hout, 
vooral in uitstekende deelen spoedig vergaat. 

Deze zijn daar echter nimmer op de pa da gei geplaatst. In 
kampoug BAJan (Bëmajah) vond ik eene heele verzameling dier beelden. 

§ 149. Pano'ela\ 

Zij heeten daar panoela^. Bij een enkel dezer beeldeu zijn de 
genitaliën te zien. Voor de geheele groep is een bank aangebracht 
tot het plaatsen van offerspijzen. Verder ziet men er ook stukken 
steen (panjoegoe) en eenvoudige klangkangs van bamboe 
gemaakt. 

Vroeger maakten wij reeds kennis met de groote klangkangs 
(offertafels) in de nabijheid der kampong opgericht. Op het veld 
en in het bosch gebruikt men echter kleinere offertoestellen. Het is 
een in den grond gestoken bamboe-stok, waarvan het boveneind in 
verschillende deelen gesplitst is, welker uiteinden naar buiten zijn 
omgebogen. Tnsschen deze uiteinden wordt rotan gevlochten , zoodat 
het geheel gelijkt op een trechtervormige mand op hoogen voet. 
In deze mand worden de offersprijzen neergelegd. 

Een p a n o e 1 a^ , waarnaast een panjoegoe, vonden wij nabij 
Papoeng aan de Belentian-rivier. 

Door de weelderige tropische vegetatie is het hoofd van het 
beeld geheel begroeid. Dit is eene toevallige omstandigheid, die 
niet mag leiden tot het denkbeeld, dat de koppen dezer beelden 



Digitized by VjOOQIC 



lia BIJDEAGB ÏOÏ DB KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

steeds van zulk een vederbos voorzien zijn. Iets meer op den? 
achtergrond ziet men de overblijfselen van een offertafel. 

Ook ziet men een panoela^ aan den kant der Manjoeké- 
rivier aan den voet van een boom. Ook hier heeft Flora zich weten- 
te vestigen op het hoofd van het beeld. Aan den anderen kant van 
den boom bevinden zich panjoegoe-steenen, en daarbij een stok 
met een wit vlaggetje, een offer van een Chinees aan het Dajaksch 
afgodsbeeld I Iets v£ider ziet men de overblijfselen van een offer- 
tafel. 

§ 150. Fanjambahan. 

Bnwe beelden van pelei-hout zagen wij ook in Manjoeké-Bandong^ 
Men noemde ze daar zoowel panoela^ als panjambahan, ea 
men voegde er bij, dat men ze maakte bij het heerschen van 
epidemische ziekte. Men plantte er ook weer pelei- en raüdjoe- 
wang-boompjes omheen en b o el o e h-b al a. Elk jaar bracht men 
er offers (barimah). 

In kampong Sëtolo noteerden wij , dat men offers bracht aan de- 
pan oei a^ bij groote droogte. De pan o el a^ zou de zetel zijn 
van een geest (hantoe), dien men te eten geven moest, om regen» 
te krijgen. 

Het is onduidelijk, wat met de panoela^s en de panjambahans- 
bedoeld wordt. Misschien is er verschil in ' beteekenis der beide- 
beeldeu, ofschoon de vorm ongeveer gelijk is. 

Het woord ^panjambahan// = hetgeen eerbiedig wordt aan- 
geboden , doet denken , dat deze beelden werkelijk effigie-offers zrjn ,. 
vooral ook, omdat zij bij het heerschen van besmettelijke ziekten 
gemaakt worden (vergelijk de tëmbado's der Meliau-Dajaks, Int. 
Arch. f, Ethn. Bd. IX, 1896, blz. 80). 

De beteekenis van het woord panoela^ = hetgeen dat of deg^n 
die afweert, doet denken, dat men het beeld ithyphallische onheil- 
afwerende kracht toekent (zie Wilken. Iets over de beteekenis van 
ithypallische beelden bij de volken van den Indischen Archipel in- 
de Bijdr. t. d. T. L. en V.kunde, 5** volgreeks. Indeel en Serrurier^ 
Phallisme, Tijdspiegel, 1896). 

Niet onmogelijk is, dat deze beelden van peleihout tot beide 
doeleinden- tegelijk hebben gediend. Een eflSgie-offer dus, dat teven» 
door den phallua kwade invloeden paralyseert. 



Digitized by VjOOQIC 



DBB DAJAKS VAN LANDAK KN TAJAN. 113 

§ 151. Beelden bij de Tajan-Dajaks. 

Ook bij de Farëngoewan-Dajaks van Tajau sagen wij beelden van 
pele i-hout. 

Tosschen de beelden in waren stukken hout geplaatst. Het geheel 
noemde men >ypadagei^. Men deelde ons nog mede, dat men bij 
meifeesten (t o tong) de oude koppen naar die padagei bracht, en 
er dan een barimah plaats had. Wat de beteekenis der beelden 
is, blijkt uit onze aanteekeningen niet. 

Bij de Broewa^Bajaks (Batang Tarang-Tajan) verstond men onder 
«'padagei/r een paar groote wonderlijk gevormde stukken hout, 
die versteend waren. 

Elk jaar bracht men deze ^padagei»' offers, men noemde dit 
#ainpara padagei//, waarbij kromong, tawak-tawak, gong 
en gëndang bespeeld werden. Nabij deze steenen stond een klang- 
kang en een houten beeld, dat ampago genoemd werd. 

Het //ampara padagei/r bevat, naar wij uit de beschrijving 
opmaakten, geen enkele ceremonie, die aan een snelfeest herinnert. 
De Dewata^s worden opgeroepen om een offer aan te bieden. 

Men kent ook het //oempang padagei//. Oempang is ge- 
schenk, en onder //oempang padagei/^ verstaat men het geven 
Tan een voorloopig geschenk aan de Dewata^s , indien men nog niet 
in staat is, door gebrek aan rijst, offerdieren en toe wak, het 
feest, waartoe men eene gelofte heeft afgelegd, aan te richten. 
Oempang padagei is dus uitstel vragen — minta tanggo — 
voor een bajar niat,* feest in voldoening eeuer gelofte. 



Iets over het gebruik van tmnpajans in de afdeeling Landak. 

Veth. Borneo's Westerafdeeling, dl. Il, p. %6% sqq., C. Kater. 
Iets over de bij de Dajaks der Westerafdeeling van Borneo 
zoo gezochte tampajans of tadjau^s. Tijdschrift voor Ind. 
T. L. en V. kunde, dl. XVI, p. 445. F. S. Grabowsky, üeber 
die //Djawets// oder heiligen Töpfe der Oloh Ngadju (Dajaken) 
von Süd-Ost Borneo. Zeitschrift für Ethnologie 1885, pag. 1^1. 

Wilken. Aanteekening over de door de Dajaks als heilig 
beschouwde en vereerde potten, tëmpajans,djawêt^s of balangas. 
Bijdr. tot de T. L. en Volkenkunde v. Ned. Itidië, vijfde 
volgreeks, vierde deel, pag. 12£. 



Digitized by VjOOQIC 



114 BIJD&AGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

Schmeltz. Ueber einen heiligen Krug von Borneo. Int. 
Archiv für Ethnographie , III, 1890, S. 29. 

Westenenk. De Maolang en Sekadou-Dajaks. Tijdschrift 
voor Ind. T. L. en V. kunde, dl. XXXIX, pag. 12 van 
den overdruk. 

Barth. Overzicht der afdeeling Soekadana, pag. 114. Ling 
Roth, Natives of Sara wak. Vol I, p. 150 en II, p. 284. 

§ 152. Verklaring van Wilken van de vereering 
der tampajans. 

In bovengenoemde aanteekening geeft Wilken eene verklaring van 
de vereering van tampajans door de Dajaks. Aan het einde ervan 
den inhoud resumeereude , zegt Wilken //Wij zien dus, dat het 
gebruik van potten tot opberging van relieken vrij algemeen verbreid 
is bij de Dajaks. In enkele gevallen blijken die potten werkelijk 
tempajans te zijn. Behalve dat dit van de Olo-Lowangan uitdrukkelijk 
gezegd wordt, is zulks ook op te maken uit de zooeven geciteerde 
mededeelingen betreffende de Dajaks van Noord-Borneo en de 
bewoners van Bandjermasin. Aanvankelijk — dit is dus de conclusie 
waartoe wij komen — reliekbergers, werden Tempajans later, als 
verblijfplaatsen van de zielen der afgestorvenen, heilig gehouden en 
misschien wel als mediums gebruikt, totdat eindelijk ook dit begrip 
verloren ging, en men tot de vereering kwam van het voorwerp 
om zich zelf, als een machtig wezen, gelijk dit nu nog het geval is.'/ 

§ 153. Bevestiging dezer theorie. 

Door verschillende schrijvers is deze stelling later bevestigd geworden. 
Zoo door Controleur Westenenk. 

Merkwaardig is o«k het bericht van Controleur Barth. 

Het komt ons waarschijnlijk voor, dat deze Tem pa jan de 
bergplaats is geweest van de lijkasch of andere stoffelijke over- 
blijfselen van den stamvader der Djelai- Dajaks en men langzamerhand 
de bergplaats met de relieken zelf heeft vereenzelvigd. 

Bij de Meliau-Dajaks is het gebruikelijk bij de begrafenis van 
afgestorvenen een bosje haar in een tampajante deponeeren , welke 
tampajan op een ijzerhouten paal vlak bij het graf opgericht 
wordt. Wanneer echter de lijken verbrand worden, wordt een 
half verkoold stuk been van den overledene op dezelfde wijze 
opgeborgen. 



Digitized by VjOOQIC 



DEE DAJAKS VAN LANDAK EN ÏAJAN. 115- 

§ 154. Tetisistische vereeriug in Landak. 

Ook in Landak komt nog heden fetisistische vereeiiiig van de- 
tampajan voor, welke er op wijst, dat zij vroeger diende tot het 
bewaren van stoffelijke overblijfselen der afgestorvenen. 

Wanneer wij in eeu der volgende hoofdstukken eene beschrijving^ 
geren van een suelfeest in Tëmilah, waarop de panta^ van een 
gestorven hoofd door den nakomeling, die een kop is machtig- 
geworden, naar de pa da gei, de offerplaats van den kamang Trio 
overgebracht wordt, zullen wij zien, dat het gebruik is dan op het 
hooge bordes (ginggaug) voor de Dajaksche woning een zeer 
oude tampajan, een tadjau, gedekt dooreen grooten aarden 
schotel op eeu zelfde stellage van vorksgewijze samengebonden 
bamboe-staken te plaatsen als waarmede wij reeds boven kennis- 
maakten (§ 147). 

Om deze tampajan wordt dan met den gesnelden kop in de 
hand gedanst (mënari) en zij zelve wordt gebruikt als offertafel 
(klangkang), daar de offersprijzen voor de Dewatas op den tot 
dekking dienenden schotel neergelegd worden. Vergelijk Veth o. c. 
pag. 268, regel 15 van onderen. 

De tëmpajau op die manier gebruikt, wordt San dong ge- 
noemd, eeu woord waarvan de Tëmüah-Dajaks zelve de beteekenis 
niet meer weten, maar dat wij kennen uit andere deelen van 
Borneo. 

§ 155. Sandong. 

Zoo heet namelijk de rijk met snijwerk versierde doodkist der 
Oio Ngadjoe, een soort familie-graf, waarheen op het tiwah of 
doodenfeest de overgebleven beenderen uit de ra o eng gebracht 
werden. (Zie het Dajaksch woordenboek van Hardeland). 

In Centraal- IJorneo ontmoeten wij het woord bij de Ot-Danoms 
als lijkasch-urnhuisje (zie Kühr in de Bijdragen tot de T. L. e» 
Volkenkunde ven N. I. volgreeks VI, deel 2, p. 219), terwijl 
het volgens Barth, o. c. pag. 137 voorkomt als naam van een 
tampajan, dienende tot opberging van de overblijfselen der lijkeu 
van de Toelak-Dajaks iu de afdeeling Soekadana. 

Hoogst waarschijnlijk is bovengenoemd snelfeest der Tëmilah- 
Dajaks oorspronkelijk een doodenfeest geweest, waarop de overge- 



Digitized by VjOOQIC 



116 BUDRAGE TOT DE KETfNIS VAN DEN GODSDIENST 

4}leveü beenderen in die Tam pa jan s a n d o n g neergelegd werden , 
•en gelijktijdig de pauta^ van den overledene overgebracht werd 
naar de offerplaats van den kamang Trio. ^ 

Men herinnere zich verder, dat ook de Tam pa jan, welke de 
'balian op zijne séauces gebruikt, san dong heet. Wellicht diende 
-die in vroeger tijd tot bergplaats der relieken van gestorven balians. 
v{Zie § 75.) 

§ 156. Begraven van lijken in Tampajans. 

Aan de juistheid van Wilken^s theorie wordt ten slotte alle twijfel 
•ontnomen door de uiterst belangrijke mededeelingen , welke in 
Ling Both voorkomen omtrent bet begraven van lijken in tampajans 
•door de Doesoens en andere volken van Noord-West-Bomeo. 

Wij zien daaruit, dat Wilken zijne hypothese nog verder had 
kunnen uitstrekken. De tampajans waren niet slechts aanvankelijk 
reliekbergers , maar de begraafplaatsen van de stoffelijke overblijf- 
selen in hun geheel. Vergelijk ook Ling Both, Vol. II, p. 286 
noot 4, regel 6. 

Opmerkelijk is het dan ook, dat de tampajans, welke in 
Landak meer dan andere voor heilig gehouden worden, n.1. de 
•djampa lama (oude djampa), de tadjau en de siam 
lama, alle zoo groot zijn, dat zij wel het lijk van een mensch 
tkunnen bevatten. 

Veel komen er in Landak niet voor. De tampajans, die gebruikt 
morden om boeten te betalen, zijn alle van nieuw maaksel. 

Een paar zeer oude siam bezat in 1893 Soedjan, hoofd van 
Ampading nabij Betoeng. Hij noemde deze siam taman (taman 
= het land der Déwas, lusthof, zie § 57) en siam pégoh. 

Soeradjaja hoofd van Bingau-Setönjêng bezat een oude djampa 
van het mannelijk geslacht. 



1 Ook. in een ander opzicht is nog een treffende overeenkomst tusschen 
-de sandong op het feest der Tèmilah-Dajaks en de voorloopige doodkist 
'der Olo-Ngadjoe's en ook met het schip van Tempon Telon, waarmede de 
zielen der afgestorvenen naar het zielenland overgebracht worden, dat allen 
-de versiering van de buoeros of rhinoceros- vogel dragen. Deze is o.a. te zien 
in Grabowsky^s „Der Tod, das Begr&bnis, das Tiwah oder Todtenfest." Int. 
Archiv. B. Il, s. 182 de afbeelding van de raoeng en de beschrijving van de 
■banama tingang blz. 184. 



Digitized by VjOOQIC 



DBB DAJAKS VAN LANDAK EN TA JAN. 117 

§ 157. Mannelijke en vrouwelijke tampajans. 

De Landak-Dajaks noemen een ta mpa j an mannelijk, als er eennaga 
(draak) en relief op voorkomt. Die dit niet hebben zijn vrouwelijk. 

De oude tampajans ziju in Landak opgekocht door Saribas-Dajaks 
nit Snrawak, die nog vaak voor dit doel in Landak ten handel 
komen. Eenige aankoopen, door hen gedaan , kwamen ons ter oore. Bij 
geen enkel werd meer dan honderd dollars voor een tampajan gegeven. 

§ 158. Yereering van tampajans. 

De oude tampajans — vooral dedjampa^s worden met zeer veel 
eerbied behandeld. Op het bteken ervan staat een zeer hooge boete. 
Slechts op groote feesten worden zij voor den dag gehaald, hetgeen 
echter niet geschiedt dan onder het offeren van een hoen aan de 
DewataV Het bloed smeert men dan op den tampajan. Aan 
t£schrapsel van een dj a mpa kent men heil aanbrengende kracht 
toe, ook aan water, dat zich eenigen tijd in een djampa lama 
bevonden heeft. Men drinkt dit als geneesmiddel. Vergelijk Yeth, 
o. c. pag. 263 en Ling Roth, o. c. Vol. Il, p. 286. 

Omtrent de vereering der djawets in de Zuid-Ooster afdeeling 
van Bomeo vergelijke men Qrabowsky, o. c. pag. 127. 

Verder deelt Qrabowsky mede , dat de djawets ook gebruikt worden 
om ffkiohhïff bamboekokertjes gevuld met djimats (stukjes hout, 
steen, wortel) te bewaren. 

Kater deelt in zijne verhandeling over de tampajans mede , dat de 
tampajan sëbankang ooren heeft met zulke wijde openingen, 
dat er een linkerhand doorgestoken kan worden. Ook onder aan 
het oor kan men een rëntaka (zeer kleine lilla) of een parang 
(kapmes, houwer) ophangen. 

Hieruit valt wel af te leiden , dat het ook gewoonte is , om aan 
het oor dier tampajan een ijzer te hangen. Dit herinnert aan de 
gewoonte van den balian, om in de sandong gedurende het 
babalian een stuk ijzer te plaatsen (zie § 75). 

§ 159. Tampajan beschutting tegen kwade invloeden. 

Tóen wij op het snelfeest bij de Sëpatah Dajaks de Dajaksche 
hoofden vroegen naar de beteekenis van het woord sandong, 
antwoordden zij ons, dat dit gelijk was aan het Maleische woord 
?• Volgr. VI. • 9 



Digitized by VjOOQIC 



118 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

pajoeng = scherm. De tampajan sandoug diende toch, 
naar zij zeiden, als schermbeschntting tegen de kwade ras is. 

Dit is ook in het algemeen de beteekenis, welke de Dajak van 
Landak in den tegenwoordigen tijd aan de boveunatunrlijke werking 
van de wonderkracht van de tampajan hecht. 

Een voorbeeld zagen wij reeds boven (§ 147), hoe een tampajan 
siton als panoela^ gebezigd werd yan de kwade rasis bij het 
heerschen van algemeene ziekten. 

Andere voorbeelden laten wij hieronder volgen: 

In Sangkroe (Béhé) zagen wij in de nabijheid der kampong 
ergens aan den kant van het voetpad een tampajan alang 
staan, ^ omgeven door een aantal tampajan si ton. 

De tampajan siton was gedekt door een aarden bord. 

Men had deze tampajan gebruikt bij een barimah na het 
uitzaaien van de padi, aan de Dewata^s belovende een groot 
hoen te zullen slachten, wanneer de oogst goed uitviel. 

Het offerhoen had bij het barimah op het aarden bord gelegen. 

Na afloop van den oogst zou men daar weer barimah, om dit 
groote hoen re slachten (bajar niat). Na deze ceremonie zou men 
de si ton s wegnemen, maar de tampajan voorloopig nog laten staan. 
In kampong Toho (Ajoeh-gebied) vonden wij een 
kleine tampajan (een siton) ergens aan den weg 
staan onder drie vorksgewijze samengebonden bamboe 
staken, die een soort klangklang vormden. Ook 
dit toestel deed dienst bij het barimah. De tampajan 
diende volgens de Dajaks als pautoela^ (== iets dat 
afweert) van de kwade rasis. 

Bij kampong Moroö (Mëranti Béhé) zagen wij buiten op het erf 
twee tampajan siton staan, waarvan een met een aarden bord 
(m a n g k o^) gedekt was. De tampajan diende volgens het kampong- 
hoofd als //pagar// = muur, natuurlijk tegen de kwade rasis. Men 
was gewoon ze als klangkang (offertafel) te gebruiken bij het 
barimah, waarbij men aan de Dewata^s vroeg , ziekte en ongeluk 
af te wenden. 



* Kater spreekt in zijn verhandeling, o.c. pag. 448 abusievelijk van alang- 
alang soorten. Alang s (Daj.) kiekendief, = élang (Mal.) alan g-a lang 
(Jav.) = hoog gras, in Landak altijd 1 alang genoemd. Alang (Mal.) = dwarsy 
vergelijk palang en malang. De beteekenia van het woord alang in 
tampajan alang is ons onbekend. 




Digitized by VjOOQIC 



DEK DAJAKS VAN LANDAK EN TA JAN. 119 

De deksel op de eene tampajan diende volgens het hoofd, om 
«m de vraag meerdere kracht bij te zetten. 

Nabij kampong Djandjang (Farëugoewan-Dajaks, Tajan) vonden 
wij een tampajan si ton op de bekende wijze tnsschen drie staken 
opgesteld. Deze was daar vroeger door Biboen-Dajaks geplaatst bij 
gelegenheid van een verzoeningsfeest na een sneltocht. Die tampajan 
werd, zooals men ons mededeelde, nog steeds gebruikt als altaar 
om te vb a r i m a h/' . Ook deze tampajan was met een bord gedekt. 

§ 160. Tampajan als grensteeken. 

Tampajans worden vaak geplaatst op de grens van het kampong- 
gebied, om de kwade invloeden daar buiten te houden. Dit herinnert 
aan het gebruik van ithyphallische beeldeu als grenspalen in Japan 
en Korea (Zie Serrurier, Phallisme, Tijdspiegel, 1896, blz. 447). 
Een tampajan, aldus gebezigd, noemt men tampajan sapat of 
panjapar d. i. grenstampajau. Ik trof er een aan op den weg 
van Toho naar Sangkroe (grens Ajoeh en Behe) ; deze is daar door 
de bewoners van beide kampongs geplaatst onder het offeren van 
een varken (barimah), waarbij zij zich verbonden de tampajan als 
grens van eikaars gebied te beschouwen en te eerbiedigen. Wanneer 
nn de bewoners van een dezer kampongs rijstvelden aanleggen of 
boschprodnkten zoeken binnen het grensgebied der andere kampong, 
zonder daartoe vergunning te hebben gevraagd, dan wordt geacht, 
dat door die handeling de kwade ras is opgewekt zijn ten opzichte 
van de benadeelde kampong. De kampong, welke de tampaj an 
sapat niet geëerbiedigd heeft, wordt daarom door de andere 
beboet tot het betalen van een varken, dat dan bij die tampajan 
aan de Dewata^s geofferd wordt, om de wereldorde weder te her 
stellen. Het bloed van het offerdier wordt natuurlijk op de tampajan 
gesmeerd. 

§ 161. Tampajan dienende om vrede te vragen. 

De tampajan als grensteeken heeft tevens de beteekenis van 
bet vragen om vrede aan den vijand, die de grens zou willen 
overtrekken. * 



^ Deze beteekenis komt ook goed uit bij het gebruik van een tampajan 
als poengoet basi. 



Digitized by VjOOQIC 



120 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

Is een vijandige stam in de nabuurschap zwervende met de 
bedoeling koppen te snellen, dau plaatst men aan den kant der 
grenswegen witte aarden kopjes boven op bamboestaken, waarvan 
de boveneinden als trechters gesplitst zijn, op zoodanige wijze, dat 
ze duidelijk in het oog vallen. 

Zulke kopjes noemen de Dajaks der Manjoeke-streek mangko* 
panabar (= panjawar Maleisch, van sawar = beletsel); 
de vijand toch is door dit wit aarden kopje tot terugtocht ge- 
dwongen. 

Door het witte kopje erkent men den twist op andere wijze dan 
door strijd n. 1. door betaling van wergeld te willen bijleggen , 
en het is hoogst pan tang zulk een teeken te willen veronacht- 
zamen. 

§ 162. Als teeken van onschuld. 

Is bij een naburigen stam gesneld en de dader nog onbekend, 
dan is het gewoonte, dat de omliggende stammen, welke geen 
schuld aan het misdrijf hebben, ten bewijze hiervan een wit kopje 
aan den gelaedeerden stam zenden. Dergelijk kopje heet mang- 
ko^ panoela^ basi d. i. kopje tot afwering van het 
staal (d. i. het zwaard). 

§ 168. Als kennisgave van vredesherstel. 

Is de dader gevonden en de zaak door betaling van het wergeld 
in der minne geschikt, dan worden de omwonende kampongs hier- 
van in kennisgesteld door de toezending van een tam pajan, welke 
door een kom of schotel gedekt is (mand o^ toe toep bajar). 

§ 164. Tot uitnoodiging samen te snellen. 

Wil men bevriende stammen uitnoodigen , om te samen ten strijde 
te trekken of op koppenjacht te gaan, zoo geschiedt dit door de 
toezending van een wit kopje, waarop aan den binnenkant als 
teeken van bloed een roode vlek met djarnang (drakenbloed) is 
aangebracht. Dit kopje heet dama^ panggagar. Dama* = blaas- 
roerpijl, maar heeft ook de beteekenis van tjap, stempel, middel 
om een bevel kracht bij te zetten, gagar = schudden, dama^ 



Digitized by VjOOQIC 



DEB DAJAKS VAN LANDAK EN TA JAN. 121 

panggagar = bevel om allen zonder uitzondering aan den strijd te 
doen deelnemen. (Manjoeké-Dajaks.) ^ 

§ 165. Tampajan, middel om kracht bij te zetten 
aan bevel, bericht. 

In het algemeen worden verder witte kopjes en tam pa ja ns nog 
gebezigd , om aan een bericht meerdere geloofwaardigheid , aan eene 
lastgeving meerder gezag te verleenen. 

Wil een Dajaksch hoofd zijne onderhoorigen (a n a ^ b o e w a h) er 
toe dwingen, weder in een kamponggebouw te gaan samenwonen ^ 
(baradang noemt men dit), dan doet hij zijn last daartoe vergezeld 
gaan van een tampajan mando^ tot het keeren van tegen- 
stand en ongehoorzaamheid. 

Deze tampajan wordt dan het eigendom der onderhoorigen; 
voldoen zij echter niet aan het bevel, dan vervallen zij in een 
hooge boete. 

§ 166. Als teeken van onderwerping. 

Ook als een teeken, dat men zich aan iemand wil onderwerpen, 
gebruikt men tampajan s. 

Tijdens de Chineesche onlusten vluchtten de Fajoen-Bangan Dajaks 
(afdeeling Lara en Loemar) naar Landak, opgejaagd door de 
Kongsie Taikong. Zij wilden zich in Landak vestigen en zonden 
toen aan het stamhoofd der Manjoeké-Dajaks Fatih, vader van 
Baksagati, hoofd van Sëtolp, een tampajan mando^ en aan 
Singa Dëmang, hoofd van Sëtonah, in wiens rechtstreeksch gebied 
zij zich wenschten neder te zetten, een tampajan siam en een 

' Inplaats van de dama^ panggagar zendt men ook de veder van een 
alaa (soort buceros of jaarvogel), waaraan een stuk rood katoen en 
een pabajoe (stok met ingekerfde franjes. Zie boven § 147) gebonden is 
of ook een sampoetoet. Dit is een toorts van opgerolde harde boomschors 
met een koord omwonden , brandende met een flauw gloeiend lioht , dat door 
den wind tot eene vlam opflikkert. De sampoetoet wordt gebezigd door 
hen, die nachts op pad moeten, en het rondzenden er van houdt den last in 
zoo spoedig mogelijk op te komen , om desnoods nacht en dag door te loopen. 

' Tot het verspreid wonen gaan de Dajaks — als de veiligheid zulks toelaat — 
vaak over na mislukte rijstoogsten, omdat het dan gemakkelijker is door het 
zoeken van bosch vruchten en boschprodukten aan den kost te komen. Dit is 
zeer ten ongerieve van de geregelde kamponghuishouding , waardoor de 
hoofden zich steeds daartegen verzetten, dikwijls helaas tevergeefs. 



Digitized by VjOOQIC 



1&2 BIJDEAGB TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 

varken. De bedoeling van deze geschenken was het vragen om leven 
(njawa) en om onderhoud (palihara). Ook aan de Chineezeu van 
Prigi zonden zij daartoe een varken en dertig gantang rijst. 

§ 167. Tot betaling van boete. 

Veelvuldig is het gebruik van tampajaus als betaalmiddel tot 
voldoening van opgelegde boete. Soms bestaat zulk een boete slechts 
uit een enkel aarden kopje. Het zal den lezer echter wel duidelijk 
zijn geworden, dat het dan niet zoozeer de reëele waarde van het 
kopje is, die io aanmerking wordt genomen, dan wel de geheime 
kracht, die van het kopje uitgaat n. 1. van ongeluk af te wenden, 
en dat dan de boete van een kopje op gelijke lijn dient gesteld 
te worden met de boete van een stuk ijzer of van wat bras 
banjoe (geoliede rijst). Zij dienen dus alleen, om de wereldorde 
te herstellen, de kwade ra sis, die den verongelijkte bedreigen, 
weg te nemen. 



Bouwoffer. 

§ 168. In Europa. 

Hftt bouwoflfer wordt door Bichard Andree behandeld in zijne 
//Ethnographische Parallelen und Vergleiche// onder den titel Ein- 
mauem (p. 18.) 

Ook bij de volken van den Indischen Archipel komt het bouw- 
oifer voor, en is in de meeste streken eveneens voor hetmenschen- 
ofPer een zachter vorm in de plaats gekomen, namelijk het offer 
van dieren en levenlooze voorwerpen. 

§ 169. Menschenoffer in Borneo. 

Bij de Milanaus in het noord-westen van Borneo , bij de Timor laut- 
eilanders en bij de Alfoeren van de Miuahassa kwam het menschenoffer 
tot voor korten tijd voor. (Wilken). Nu nog op de Mentawei-eilanden. 

In het bijzonder schijnt het bouwoffer bij de volken van den 
Indischen Archipel een offer te zijn aan den geest der aarde. 



Digitized by VjOOQIC 



DEK DAJAKS VAN LANDAK EX TAJAN. 128 

§ 170. Yerklaring van Wilken der beteekenis van 
het bouwoffer. 

irDe godheid — zegt Wilken in zijn //Iets over de schedel- 
vereering bij de volken van den Indischen Archipel// — Bijdragen 
tot de T. L. en V.kunde van N. I. vijfde volgreeks, vierde deel, 
waarin deze geleerde tevens het bouwoffer behandelt — aan wie bij 
het oprichten van eene nieuwe woning geofferd wordt, om bescher- 
ming en afwending van rampen te erlangen is, bf de aarde zelve, 
natuurlijk anthropopathisch opgevat, als denkend, gevoelend en 
willend, bf de een of andere locale geest.// 

Deze stelling gaat ook op voor de Landak-Dajaks ; aangezien 
deze echter de De wata's als de hoogste goden vereeren; welke zij 
nimmer voorbij gaan, geldt het offer in de eerste plaats deze 
geesten en daarna pas andere, in het bijzonder de aardgeesten, om 
dese te verzoenen wegens de inbreuk , die men op hunne rechten maakt. 

Eerst gaan de Dajaks over tot het bepalen der plaats, waar de 
nieuwe woning opgericht zal worden. Dit geschiedt met behulp van 
vogel- en andere orakels als van herten en insecten. 

Daarna wordt een gunstig tijdstip afgewacht, om met het bouwen 
een aanvang te maken. 

Dit geldt voor geheel Landak; het bouwoffer zelf verschilt naar 
den stam, bij welken men het aantreft. 



Manjoeké. 

§ 171. Bouwoffer in Manjoeké. 

Wanneer de gaten voor de hoofdstijlen gegraven zijn , offert men 
aan de De wat a's een hond en een hoen. Het bloed laat men in de 
kuilen uitvloeien, de kippen worden erin neergelegd. 

Wanneer het geraamte van het huis gereed is, offert men weer 
een hoen en wanneer het huis reeds drie dagen bewoond is een 
hoen, een hond en een varken. Bij het barimah worden na de 
De wata's, de hoofdstijlen, cle grond onder het huis en de bewoners 
gepipist, met rijst bestrooid en met bloed besmeerd, zooals gebrui- 
kelijk is. Dit geldt alleen voor het eerste huis van een radang, 
voor de tweede en derde la wang is dit niet meer noodig. 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUDSOPGAVE. 

F. Het ^/baniaiv/ het doen van geloften op heilige plaatsen 

§ 185. Het ^baniat//. 

§ 136. TioDg kaudaDg. 

§ 137. Andere heilige bergen. 

§ 138. Kanonnen van Monggoh. 

§ 139. Wonder kanon te Tebaug (Tajan) 

§ 140. Geloften aan den Sultan van Pontianak. 

§ 141. Heilige Tambawangs. 

G. Het gebbuik van beelden. 

§ 142. De Pan taks. 

§ 143. De Padagei. 

§ 144. Lotsboomen. 

§ 145. Panjoegoe-steenen , geplaatst bij het doen van een eed. 

§ 146. Afwenden van gevaar bij besmettelijke ziekten. 

§ 147. Tampajan als altaar. 

§ 148. Ampago-effigie-offers. 

§ 149. Panoela^ 

§ 150. Panjambahan. 

§ 151. Beelden bij de Tajan-Dajaks. 

H. Iets ovib het gebbüik van tampajans in de 

AFDBELING LaNDAK. 

§ 152. Verklaring van Wilken van de vereering der tampajans. 

§ 153. Bevestiging dezer theorie. 

§ 154. Fetisistische vereering in Landak. 

§ 155. Sandoug. 

§ 156. Begraven van lijken in tampajans. 

§ 157. Mannelijke en vrouwelijke tampajans. 

§ 158. Yereering van tampajans. 

§ 159. Tampajan beschutting tegen kwade invloeden. 

§ 160. Tampajan als grensteeken. 

§ 161. Tampajan dienende om vrede te vragen. 

§ 162. Als teeken van onschuld. 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUDSOPGAVE. 1 &7 

§ 163. Als keunisgave van vredesherstel. 

§ 164. Tot uitnoodiging samen te snellen. 

§ 165. Tampajan middel om kracht bij te zetten aan bevel , bericht. 

§ 166. Als teeken van onderwerping. 

§ 167. Tot betaling van boete. 

I. Het bouwoffek. 

§ 168. In Europa. 

§ 169. Menschenoffer in Borneo. 

§ 170. Verklaring van Wilken der beteekenis van het bouwofl'er. 

§ 171. Bouwoffer in Manjoeké. 

§ 17a. In Dait. 

§ 178. In Djamboe. 

§ 174. In Rantawan. 

§ 175. In Batang Tarang. 

§ 176. In Semia. 

§ 177. In Noord-Landak. 



Digitized by VjOOQIC 



DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR 
VAN DEN giWATEMPEL TE TJANDI PRAM- 
BANAN EN DE VERMOEDELIJKE LEEF- 
TIJD VAN DIE TEMPELGROEP. 



DOOR 

MARTINE TONNET. 



Op voorstel van Dr. J. Groneman , eere- voorzitter der archaeologische 
vereeniging te Jogjakarta werd in 1885 een begin gemaakt met 
de ontgraving der Frambanantempels , welke arbeid in 1890 werd 
voltooid. Alhoewel de zoogenaamde L&r&-Djonggrang-groep alreeds 
langen tijd bekend was, kwamen bij de ontgraviug vele verrassende 
bijzonderheden aan het licht, waarin Dr. G. aanleiding vond, tot 
eene beschrijving ervan over te gaan. Die beschrijving, opgeluisterd 
met eene rijke verzameling afbeeldingen van de tempels en hunne 
details, verscheen in 1^593 ooder den titel: Dr. J. Groneman. Tja^di 
Frambanan na de ontgraving met 6£ lichtdrukken van Cephas. 
, Daar de verklaring der bas-reliefs aan de tempelmuren tot heden 
toe nog steeds op gissingen berust, durven ook wij de vrijheid 
nemen , de uitkomsten onzer studie , die met die van dr. Groneman 
hier en daar in strijd zijn, en die zich evenmin buiten het gebied 
der gissingen bewegen, onder de oogen onzer lezers te brengen. 

Om de Qiwa-, Wi^fliu- en Brahmatempels nu, die deel uitmaken 
van deze groep , zijn reeksen van beeldgroepen gebeiteld , die aan 
deze tempels een dubbelslachtig karakter geven, daar die beelden 
van Buddhistische opvatting getuigen , terwijl de hoofdbeelden boven 
de tempelputten blijkbaar Brahmaansch zijn. 

Daar wij in eenige dezer godenbeelden wereldhoeders (lokapSla's) 
of beheerschers der windstreken meenen te herkennen, willen 
we die groepen eens wat nader beschouwen. We kiezen daartoe die 
van den Qiwatempel, die in het werk van Dr. Groneman fraai en 
duidelijk zijn afgebeeld. • 



Digitized by VjOOQIC' 



DB GODENBEELDEN AAN DEN BÜITENMUUB ENZ. 129 

Maar we zullen vooraf de eigenschappen en attributen der ver- 
schillende wereldhoeders nagaan. * 

De lokapSla's in het Buddhistisch geloof zijn vier in getal. 

Voor het Oosten: Dhrtarfirtra, beheerscher der Grandharwa's ; 
attribuut: de mandoline. 

Toor het Zuiden : Wirüdhaka , koning der KumbhR^tJa's (demonen). 

Hij draagt als helm een oli&ntskop en als attribuut een lang 
zwaard. 

Voor het Westen WirüpSk^a *, koning der NSga's. Zijn attribuut 
is een caitya of een juweel in den vorm van een caitya in de 
rechterhand en eene slang in de linker. 

Voor het Noorden Kubera of Waigrawa^a, koning der 
YaksaV Zijn attributen zijn eene vaan of eene lans met vaan 
in de rechter en een rat die juweelen spuwt in de linkerhand. 

De laatstgenoemde God, die tevens God van den Rijkdom is, is 
de gewichtigste der vier groote koningen (GaturmahSrSja's) of wereld* 
hoeders, die volgeus Buddhistische opvatting den berg Meru 'of 
Snmeru, het centrum van het wereldsysteem, bewaken. 

Het' Brahmanisme kent er vier of acht en wel vier voor het 
boorden. Oosten, Zuiden en Westen en acht, wanneer het Z.Oosten, 
Z. Westen, N.Oosten en N. Westen daaraan worden toegevoegd. 

Daar de opgaven hunner namen volgens de ons toegankelijke 
bronnen niet overal gelijkluidend zijn, zullen we de betreffende 
passage uit het werk van Coleman in haar geheel overnemen, (bl. 253). 

r/Meru. 

The mythological mountain Mem, the Mienmo of the Burmese, 
and the Sineru of the Siamese, is termed by the Hindus the navel 
of the world, and is their Olympus, the fabled residence of their 
deities. It is described by them to be placed at the north pole and 
formed like a lotos , the petals of which are the abodes of the gods , 
attended by the Bishees, the Gundharvas, the Apsaras, and the 
Naga Bajah or great Snake King. On the summit is the heaven of 
Brahma; in the east is Swerga, the paradise of Indra, resplendent 



^ Geraadpleegd zijn TOor de Brahmaansche lokapala's het werk van Coleman 
The Hythology of the Hindus. 1832 en Wilkihs , Hinda Mythology , 2* edit. , 
1900; voor de Baddhistische Grünwedel, Mythologie des Buddhismus in 
Tibet und der Mongolei , 1900. 

' Wirupak^a beteekent volgens Prof. Kern h^, wiens oog misvormd 
is, symbool van den zonsondergang. 



Digitized by VjOOQIC 



130 DE GODENBBBLDKN AAN DEN BÜITENMÜÜB VAN DEN 

as a thousaud suns ; in the south-east is the heaven of Agni ; in the 
south is Yama's; in the south-west Virupacsha's; in the west , Varuna's ; 
in the north-west , Vayu's ; in the north is Kamera's , whose seat is 
formed of lapns-lazuli ; and in the north-east is the heaven of Siva , 
//of fervid gold.// Siva would thus appear to bedoubly provided for, 
Yirapacsha being also one of his uames. According to some, Sarja 
occupies the south-west. The heaven of Vishnu is variously placed: 
by some in the Frozen Oceap, and by others in a subterraneons 
sea of milk.// 

Op plaat 28 geeft C. ons een teekening te zien van dien Godenberg. 
Het centrum van de teekening is een plattegrond van den berg 
Meru. Daarboven zijn in vak B de goden verblijven geteekend. Nog 
hooger bevonden zich de hoogste hemelen met in den top het verblijf 
van het opperwezen. De vakken C en D moet men zich onder den 
berg denken. Het zijn de woningen der groote Nsga's en de ver- 
schillende deelen van de hel. 

Wij hebben voorloopig alleen met het vak B te maken, dat 
Coleman als volgt beschrijft. 

//B. describes the heavenly mansions on the plane as they are 
placed above Meru, the sixteen, that are marked from 24 to 
39 being those of Indra and other deities." 

Het is zeer te bejammeren , dat hij die andere vijftien goden niet 
noemt. Verder vinden we deze opgave omtrent den Z. Westelijken 
wereldhoeder verdacht. Nergens elders toch troffen we WirüpSk^a 
aan in het Brahmaansche godensysteem. Hij was voor de N. Bud- 
dhisten de beheerscher van het Westen. 

Elders op bl. 126 — 127 (noot) noemt hij de acht, als volgt: 

//Indra, the regent of showers and of the east wind. 

Vahui (= Agni) of the south-east. 

Yama of the south. 

Nairit of the south-west. 

Varu^^a, regent of the west. 

Ma rut (=Wayu) of the north-west. 
'Kuvera of the north [>/south// is een vergissing]. 

I^a (= Qiwa) of the north-east.// ^ 

Verder zegt hij nog : ^This account will be found to vary slightly 
from other descriptions of the regents of the winds br eight points 

1 Deze opgave is betrouwbaar, want zij is, zooals Prof. Speyer mij mede- 
deelt, ontleend aan het woordenboek van Amarasimha, den Amarako^a 
(zie aldaar I, 3, 2). 



Digitized by VjOOQIC 



9IWATSHP£L T£ TJANDI P&AUBANAN ENZ. 181 

of the earth ; but the several accounts differ iu a verv trifling degree , 
introdacing Agni instead of Yahui ^ ; Surya instead of Nairit : 
Chandra for Kuwera; and Chandra also, or Frithivi , for Isa./y 

Waar er van 10 lokapSla's sprake is, zijn de beheerschers van 
het Zenith en het Nadir er bij gerekend. 

Gaan wij nu de plaatsing der Brahmaansche wereldhoeders nog 
eenmaal na, dan zit dus: 

In het Oosten: Indra, God van den Hemel. Attribuut de 
wajra (bliksembundel) ; soms de lans. 

In het Zuiden Yama, God van het üoodenrijk, ook van den 
l^jd en dan genaamd Kila. Attributen: de pS9a (strik) en de da ;^ 4 & 
(de knods of roede). 

In het Westen Waru^^a, God van de Wateren (in Wedischen tijd 
van den Nachthemd). Attribuut de pSga (strik). Dowsou noemt 
dien uSga-pS^a of slangeustrik. 

In het Noorden Kuwera, God van den Bijkdom en Koning der 
Yaksa's, ook wel Waigrawa^^a geheeten. Attributen: de geldzak, 
de hamer en de lotos. Hij wordt gewoonlijk vergezeld door vier 
Yaksa's. Naast Kuwera wordt Soma of Candra genoemd, die 
door sommigen echter iu het N.0. wordt geplaatst. Hij is de God 
van de Maan, oorspronkelijk de geest, die in de somaplant huist, 
een geneeskrachtige plant, waaruit een bedwelmende drank bereid 
werd. Voorts worden genoemd: 

Voor het Z. Oosten Agni, God van het Vuur. Attribuut: de 
tomara (speer), de lotos, de banier en het bidsnoer. 

Voor het Z. Westen Sürya, God van de Zon. Attribuut: de 
lotosbloem. 

Naast Sürya vinden we bij Goleman voor het Z.W. genoemd : 
Wirüpaksha, die bij de Buddhisten het Westen beheerscht. Ook 
Nairit of Nirut noemt hij als zoodanig. Iu het Sanskrit luidt 
zijn naam Nairrta, een afleiding van Nirrti, de godin des verderfs. 

In het N.Westen zit Wsyu. Attribuut de witte vlag: soms 
ook de olifantshaak en de speer of pijl. 

In het N, Oosten zit Qiwa. Attributen de tri§üla (drietand) en 
de mu^da (doodskop); soms nog enkele andere, die van zijn ver- 
delgende kracht getuigen. Naast Qiwa wordt ook Soma genoemd 
als beheerscher van het N.0, en in de derde plaats Prthiwï 
(Godin der aarde). 

* Dit verschil is denkbeeldig; want vahni is een synoniem van agni. 



Digitized by VjOOQIC 



182 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMÜUB VAN DEN 

Wanneer wij nu de Brahmaansche met de Buddhistische wereld- 
hoeders vergelijken, dan zien we, dat Indra met zijn wajra bij 
de Bnddhisten heeft plaats gemaakt voor den Gandharwakoning 
DhrtarSstra , dat Yama heeft plaats gemaakt voor den Demonenkoning 
Wirüdhaka, wiens attribuut is een lang zwaard. Die demonen 
heeten KumbhS^daV Nu beteekent kumbha //pot// of /yurn// 
(doodenurn). De gelaatskleur van dien god is blauw, wat wijst op 
een schrikwekkend karakter. Het is dus aannemelijk, dat in hem de 
oude Hellekoning Yama voortleeft. De oude wedische God Waru^^a 
heeft plaats gemaakt voor den NSgakoniug WirupSk^a. Die NSga's 
spelen in het Buddhistische geloof een groote rol. Niét alleen , dat 
zij in de Buddhalegenden herhaaldelijk optreden als vereerders van 
Buddha en zijne leer, maar zij zijn in het volksgeloof de bewaarders 
van schatten, voornamelijk van edelgesteenten. Zij brengen geluk 
aan wie ze ziet en regen in tijden van droogte. Het is begrijpelijk , 
dat zij in het regenbrengendè Westen wonen (ten Westen van den 
berg Meru) en met juweelen zijn gekroond. " 

Alleen Kuwera (of Kubera) is wat naam en functie betreft, 
dezelfde gebleven. Maar zijne attributen zijn veranderd. 

Bezien wij nu de betreffende platen en beginnen we met Dr. Groneman 
aan de Oostzijde ten Zuiden van de trap, (Zie plaat XXXV). Daar 
zien wij Indra als Wajra-pa^i met zijn wajra (bliksembundel) als 
hoeder van het Oosten. Yan eene mandoline is geen spoor te bekennen. 
We hebben hier dus den Brahmaanschen wereldhoeder voor ons. 
Aan weerszijden zitten drie vrouwelijke volgelingen. Dat stemt ook 
overeen met de gewone voorstelling, dat deze God vaü apsarasen 
(hemelnymfen) is vergezeld. Aan de rechterzijde van den God zien 
we boven den troon een sentéblad afgebeeld en nog iets hooger een 
lotosbloem met afhangende meeldraden (zie origineele photo). Het 
sentéblad is 't symbool van het koningschap. Het komt op bijna al 
deze reliëfs voor. Waar het ontbreekt, zullen wij er op wijzen. 
Indra was de koning der Goden ' en is hier afgebeeld, zittende in 
zijn Swarga, een verblijf van de opperste zaligheid, dat gebouwd 
werd door Wi^wakarman, den bouwmeester der Goden.' De stad had 
volgens het Mahsbhafata een omtrek van 800 mijlen en was 40 
mijlen hoog. Hare pilaren waren gevormd uit diamanten ; hare 
paleizen, tronen en meubelen uit het zuiverste goud. 



1 Verg. 6at&r& £ndra («|»/"(^) in de wajang, die wordt voorgesteld als 
op perheer van den Kahendran (hemel). 



Digitized by VjOOQIC 



91WATEMPÏL TB TJANDl PBAliBANAN ENZ. 133 

Zij is de woonplaats der Gandharwa's (hemelsche zangers) en 
Tan de liefelijke apsarasen (hemelnymfen) , die de minnaressen 
waren van Goden en Gandharwa^s en ook de belooning voor de in 
den strijd gevallene helden. 

Aan den Qiwatempel zien we ze in groote verscheidenheid om 
den bnitenmunr in . bevallige standen afgebeeld, afgewisseld door 
groepen van gandharwa's. 

Voortgaande, nemen we nn eerst de middeufignren nl. die, welke 
oaast de trappen zijn geplaatst, omdat wij daarbij in de eerste 
plaats de wereldhoeders meeneu te herkennen. 

Westelijk v«n de Zuidertrap zien wij op relief N® XLI Yama, 
den beheerscher van het Zuiden, tevens God van het Doodeu- 
rijk en Bechter der Doodeu. * Als zoodanig heet hij DharmarSja 
en voert hij den paQa (strik), waarmede hij zijne slachtoffers bindt. 

Op dit relief staat op de lotosbloem een roede. Hij is hier 
afgebeeld als Ksla (== Tijdgod en Dooder). Zijn voornaamste volgeling 
is Citragnpta, wiens taak het is, de daden en levensgebeurtenissen 
der dooden op te teekenen in het register Agra-SandhSni. ' Hij 
heeft een nagenoeg even schrikwekkend uiterlijk als zijn meester 
(uitpuilende oogen, groote tanden enz.) 

Yama is hier afgebeeld , zittende op den troon des oordeels. Aan 
zijne rechterzijde zitten zijne beide helpers of wachters en aan de 
uiterste rechterzijde zit Citragnpta, kenbaar aan zijn schrikwekkend 
uiterlijk. Links zit de poortwachter Waidhyata, kenbaar aan zijn 
knods. In den uitersten linkervolgeling zien wij een der Yamadutas, 
wier plicht het was, de dooden binnen te brengen. 

Na de uitspraak van het vonnis werd de doode hetzij naar het 
verblijf der Pitaras (voorvaderen) in den hemel gebracht, hetzij naar 
een der 21 hellen gezonden of wel teruggezonden naar de aarde, 
om daar eene wedergeboorte te ondergaan. 

Verder wordt ons verteld, dat Yama twee onverzadigbare honden 
bezat met vier oogen en wijde neusgaten, die men zich dacht, 
rondwandelende ouder de menschen , om de slachtoffers op te «poren 
en die den ingang naar zijn verblijf bewaakten. 

De beide wapens der volgelingen houden we voor in scheeden 



1 Terg. Bat&r&j J&m&dipati of J&m&(rt}<£«) in de wajang, ook Bat&r& K&1& 
of K&m&malali genaamd. 

* Verg. 6at&r& Panjarikkan ("»*3>J^»^^/f) of schrijver in het Goden- 
verblijf als wajangfiguur. 

?• Volgr. VI. 10 



Digitized by VjOOQIC 



134 DE QODENBEBLDSN AAN DEN BÜITENMUUH YAN DEN 

gestoken knodsen. * Op de scheede van Citragupta meenden we een 
jaartal te zien. 

Dr. JuYNBOLL had de goedheid , het voor ons te willen vergelijken 
met Oud-Javaansche inscripties en las eruit 996 Qaka, wat gelijk 
staat met 1074 van onze jaartelling. 

Later werd het door Prof. Keen gelezen als 886 Qaka = 964 n. C. 

Deze tempelgroep zou dan aanmerkelijk jonger zijn dan men tot 
nog toe heeft gemeend. 

Dat Yama, als Kala (= Tijdgod), de drager zou zijn van het 
jaartal, is zeer goed aan te nemen. 

Daar het Gitragupta^s taak was, de daden en levensbijzonderheden 
der gestorvenen op te teekenen, vatten wij het jaartal op als het 
sterfjaar van den in den tempel begraven vorst. ^ 

Denzelfden volgeling zien we op het pendant van dit relief N® XL 
meer op den achtergrond gezeten. Wij zien in de hoofdfiguur van 
dit relief den goedigen vorm van Yama als d har mar 5 ja. 

Op de bloem staat de p&^a (strik). Citragupta draagt dan den 
naam van Karmala. 

Bij de beschouwing der Eamaya^areliefs aan denzelfden tempel 
(zie pi. XI, XVIII, XXIV en XXXI) merkten we nog op, dat 
de kapsels van het volk en van de volgelingen der vorstelijke en 
hooge personen dezelfde zijn als die der Wajaug-Gëdog-poppen , 
wier geschiedenis speelt in den tijd van Fandji om en bij Djajabaja^s 
regeering 1130— 1160 n. C. 

Daar de kapsels in vroegere eeuwen op Java een groote rol 
hebbeu gespeeld , (ze waren meer nog dan kleederen of juweelen het 
kenmerk van den rang der dragers) is het begrijpelijk, dat dit 
karaktervolle kenmerk zich in de wajang heeft gehandhaafd. 

Niet alleen dus, dat door de vaststelling van dit jaartal de 
legendaire figuren der Pandji-romaus op historischeu bodem worden 
geplaatst, maar wij meenen, dat, ook in verband met de boven- 
bedoelde overeenkomst in kapsels, men in de reliëfs aan Tjavdi 
Frambanan het aanknoopingspunt zal moeten zoeken voor het historisch 
verband tusscheu Midden- en Oost-Java. 



* De Soesoehoenan van Solo bezit er een waarvan de scheede nauwkeurig 
denzelfden vorm vertoont als de hier afgebeelde. Dat wapen is met gouden, 
franjes versierd, die aantoonen, dat het, evenals hier, met de punt naarboven 
wordt gedragen. 

' In liS85 is uit den tem pel put een steenen urn t-e voorschijn gebracht,, 
gevuld met lijkasch en kostbaarheden. 



Digitized by VjOOQIC 



giWATEMPXL TE TJANDI FIUMBANAN SNZ. 135 

Wij gaan nn den tempel om naar de Westzijde. Daar zit aan 
weenzijden van de trap een Godheid, die eene, met een juweel 
gekroonde slang in de hand houdt. 

De overeenkomst tnsschen de meeste reliëfs, die de hoeken en 
trappen flankeeren, bracht ons op de gedachte, dat de 8 wereld- 
hoeders dubbel zijn afgebeeld. In de 24 muurvakken hebben we dan 
16 Goden te verwachten. Dat stemt overeen met de opgave van 
Coleman, die 16 Goden verblijven noemt. 

In de op deze beide reliëfs afgebeelde Goden herkennen wij 
Waru^a, den beheerscher van het Westen, tevens God van den 
Oceaan, hier voorgesteld als pS^a-bhrt = strikdrager. * 

In de PurS^as wordt hij hoofdzakelijk als Watergod beschouwd. 
Zijn strik wordt daarin o.a. genoemd n&gapS^a (NSga-strik). ' 

Warn^a bezit ook een scherm, genaamd sbhoga, dat gemaakt 
is uit de bril (kophuid) van de brilslang en dat ondoordringbaar is 
voor water. De God draagt hier een bloemtros achter het linkevoor. 
De slang in zijn hand is in een strik gekronkeld. De voorste linker- 
volgeling houdt den abhoga omhoog. 

De middelste rechter-volgeling omklemt met de rechterhand eene 
lotosbloem. Het pendant van dit relief is nagenoeg identisch. 

Deze beide reliëfs zijn hoogst merkwaardig. Wat het NSga- 
attribuut betreft, noch bij Coleman, noch bij Wilkins zagen we 
dit slang-attribuut afgebeeld of genoemd. Altijd wordt daar gesproken 
van een strik of koord, ook van een kuods in de andere hand. 
Alleen- bij Dowson vonden wij den naga-pS9a vermeld. Men vergelijke 
Gbüxwedel^s Myth. des Buddh. in Tibet und der Mongolei, bldz. 51, 
waar bij de behandeling van Padmasambhava^s levensbeschrijving 
vermeld wordt, dat die heilige in het Westen in het land 
Nagapotadvïpa komt, waar //die Macht hatte der Naga^^ Deze over- 
eenkomst met de voorstelling op Prambauan wijst er op, dat ook 
naar Tibetaansche opvatting het attribuut van den Brahmaanschen 
hoeder van het Westen een naga was; onze reliëfs wijzen uit, dat 
die dat ook voor Java is geweest. 

Wij wijzen er hier nog op, dat we Waru^a in het Buddhisme 
vermeld vinden, nl. als 9^*^ Slaugenkoning (Grünwedel bl. 191) en 



' Verg. Bat&r& Barun& {tm-npi) bij Gericke en Roorda. 

* Verg. N&g&p&B& {annmajiM) bij G. en R. de naam van een mythologisch 
wapentuig. 



Digitized by VjOOQIC 



136 ' DE GODENBEELDEN AAN DEN BÜITENMÜÜE VAN DEN 

dat de Naga's in het volksgeloof der Javaiieu steeds een groote rol 
hebben gespeeld. 

Nog altijd zijn deze dieren voor hen de geluk- en regenaanbrengende , 
schattenbewarende wezens, die als reincarnaties van menschen op 
aarde wondereu verrichten. De naam van den 4^®° Büddhistischen 
slangenkoning Wasuki leeft nog voort in den naam der Oostelijke 
residentie op Java: Basoeki en in de waj ang verhalen. Ook Au tabaga 
en NSga-Qini zijn voor de lezers der Javaansche legenden welbekende 
namen. De geleidelijke overgang van den Brahmaanschen naar den 
N. Buddhistischrn beheerscher van het Westen, die een Naga- 
koning wordt genoemd, is door deze reliëfs aangetoond- 
Wij gaan uu om naar de Noordzijde en zien op het relief 
Westelijk van de trap (pi. Lil) eene zwaarlijvige figuur met vier 
Yak^a^s als volgelingen. Beide kenmerken wijzen op K u w e r a ^ , den 
aan lepra lijdenden God van den Rijkdom, die, zoowel in het Brahmaansch 
als iü het Buddhistisch geloof de beheerscher was van het Noorden. 
Maar vreemd: hij mist de hem voor beide kenmerkende attributen. 
Wis^u's gevleugelde schelp : de 9ankha , doet aan een watergod denken. 
Daarbij draagt hij eene zeer zonderlinge upawïta, die wel uit 
menschen wervels lijkt te zijn samengesteld. Dit schrikwekkend karakter 
beznt Kuwera niet in het land der Hindoe's. Zijn verblijf wordt daar 
voorgesteld als een gelukzalig oord, waar ellende, vrees, noch dood 
gekend wordt, waar geen verdriet bestaat, honger of ziekte. Wij 
meeneu deze afwijkende voorstelling als volgt te kunnen verklaren. 
Ook de Javaansche mythologie kent een God van den Bijkdom, 
die volgens sommigen eene Godin is: Kjahi of Njahi Blorong, 
die als onderdaau (rijksbestuurder?) vau Batoe Lara Kidoel op den 
bodem der Zuidzee woont: een watergod aldus en wel een schrik- 
wekkende, want voor goud vraagt hij menschenzielen in ruil en zijn 
paleis is gebouwd van menschenbeenderen. Wij meenen in dit beeld 
het karakter van den Oud-Javaanschen Bijkdomsgod met dat van 
Kuwera vereenigd te zien. 

Kuwera is hier voorgesteld, gezeten in zij u lusthof Caitraratha 
of Mand ara, die op den berg Meru gelegen is. Hij is het opper- 
hoofd van de Yak^a's * en de Guhyaka's. Ook worden de 
Kinnara^s als zijne volgelingen genoemd. 



* Verg. BatêLrè. Kuwera {unrjttji'n) bij G. en R. of Daiiisw&i'& In de Wa- 
jang konden wij hem niet ontdekken. 
« Verg. Jak§a {ituMfj^) bij O-, en B. 



Digitized by VjOOQIC 



9IWATEMPEL Tï TJANDI FRAMBANAN ENZ. 137 

In het feit, dat Wif^u's hemel ten N. van den Meru gelegen 
was, ligt mogelijk ook nog een aanwijzing voor het afwijkend 
attribuut van den N. wereldhoeder. In de rechterhand draagt hij hier 
nog een onduidelijk symbool (geldzak?). 

Op relief N«^ LUI, het pendant van het vorige, zien we eene 
GodeDfigunr, omgeven door twee Yaksa's en twee Yak^a- vrouwen 
of Yak^fs, die wijzen op Kuwera. Maar daar de hoofdfiguur naar 
het uiterlijk te oordeeleu moeilijk met Kuwera is te vereenzelvigen 
en daar we meermalen Soma als beheerscher van het N. genoemd 
vinden , houden we dezen God voor Soma of Candra , den Maangod , 
die dan met Kuwera tezamen het N. beheerscht. ^ 

Op de bloem staat de candrakanta of ma9icaka, het maan- 
juweel *, dat gezegd werd uit maanstralen te zijn gevormd en een 
verkoelenden invloed uit te oefenen. 

De voorste Yakfi draagt twee bloemtrossen , die naar het mij 
voorkomt, met de beschrijving der soma plant overeenkomen. De 
tweede draagt in de handen een klein fleschje' met spitsen bodem. 
Met de rechterhand drukt de vrouw op de stop en met de linker 
steunt zij den bodem , die niet op een voet rust. Om dien puntigen 
bodem en om het halsje zien we lofwerk. Degelijke fleschjes zien we 
in Grünwedel's //Handbuch der Buddhistischen Kunst in Indien^/ 
meermalen afgebeeld in de handen van Bodhisattwa's, voornamelijk 
van Maitrêya. Zie aldaar pi. 90, 92, 93 en 97. Op pi. 93 naar 
een bronsfiguurtje in Nepalschen stijl heeft het nauwkeurig 
denzelfden vorm als hier. Op pi. 90 naar een GandhUra-sculptuur 
is de bodem eenigszins afgeplat. Grünwedel noemt het daar het 
Grieksche zalffleschje. Op bl. 168 zegt hij, dat in de GsndhSra- 
school het antieke fleschje met spitsen bodem kalaga in 
de plaats treedt van de ronde Indische lötS. We hebben hier alzoo 
te doen met de overneming van een Buddhistisch attribuuf door 
Brahmanen. Maar ook Padmapa^i (zie GrünwedePs Mythologie von 
Tibet enz. bl. 126) wordt met zoo^n fleschje in de hand afgebeeld. 
Wat nog die overname van Buddhistische attributen betreft, wij 
wezen er iu den aanvang al op, dat deze reliëfs van Buddhistische 
opvatting getuigen. De houding der beelden , de tronen met makara- 
koppen en de daarnaast hangende bidschellen herinneren aan de 



' Verg. Soma ('qojitgM) Kawi = maan en Tj&ndr& {t^wïi^»^) K. N. 

« Verg. Tj&ndr&k&nt& {r^*J»t(^fn9o) Kw = maanjuweel of Sasik&ntA. 
> Zie origineele photo. 



Digitized by VjOOQIC 



138 DE GODENBEELDEN AA.N DEN BUITENMUUR VAN DEN 

Buddha^s en Bodhisattwa^s van Boroboedoer. Dezelfde invloed, die 
in Yoor-Indië beslissend is geweest, heeft ook hier gewerkt. Grünwedel 
heeft aangetoond, dat de kunst der GSndbara-periode , die zuiver 
N. Buddhistisch was, op de geheele latere kunstperiode, ook op 
de Brahmaansche sterken invloed heeft uitgeoefend. ^ 

Ondanks de overheersching van het Qiwaïsme bleef de grootsche, 
Buddhistische monumentale kunst van Midden-Java krachtig nawerken 
en de bouwmeesters van deze tempels, die de vertolkers moesten zijn 
van het godsdienstig gevoel hunner tijdgenooten , gaven aan de be- 
schermende Goden der buitenmuren de kalme, zittende Buddha- 
houding en omringden ze met Gandharwa^s , bidschellen en lotos- 
bloemen , wat , alles tezamen genomen , aan Buddhistische bouwwerken 
het rustige, lieflijke karakter geeft , dat met het wreed en strijdvaardig 
aanzien van Goden als Qiwa, DurgS en Ga^e^a in het geheel niet 
strookt. We zouden deze tempels willen noemen : Brahmaansch 
gedacht, maar Buddhistisch gevoeld. ^ 

We gaan nu den tempel om naar den Z. O. hoek en nemen eerst 
relief N*^ XXXVIII. Daar zien we Agui *, den God van het vuur, 
als beheerscher van het Z. Oosten. Hij is hier voorgesteld als 
tomaradhara (speerdrager) en als s a p t a j i h w a (zeventongige). 
Op de lotosbloem links van den God staat een speer met zeven 
tongen : de zeven vurige tongen van Agni. 



^ nMag men op de aan den dag gekomen opschriften afgaan , dan zonder 
twijfel, is reeds op Midden-Java de Hindoe- Ja vaansche maatschappij vooral 
Qiwaïtisch geweest, want de Boeddhistische opschriften zijn zeer schaarsch 
en de Qiwaïtische zeer talrijk. Aan een eigenlijk gezegden strijd valt ook 
hier niet te denken, een in goede en groote werken zich uitende rivaliteit, 
waarbij het Boeddhisme in zijn eigen trant ook hier in de eerste plaats 
bouwde, gaf om beurten aan beiden de bovenhand; eendrachtig leefden 
beide kerkgenootschappen naast elkander (op één opschrift wordt de Boeddha 
naast Qiwa aangeroepen). Wat de reden was, dat, niettegenstaande de 
stichtingen der Boeddhisten over. ^t algemeen zooveel grootsoher zijn, het 
Qiwaïsme toch het veld behield, is onduidelijk, maar dit deed het zonder 
twijfel, evenals in Engelsch-Indië." (Ene. N. I. artikel: „Oudheden".) 

> In het opstel van Dr. Brandes: „de Makara als haartressieraad" lezen 
we in de volgende bewoordingen de meening van den schry ver: „Ook Tjandi 
Prambanan laat het zien bij de Dewar^i's aan den Mahadewatempel, de 
Wi^^war^i's aan dien van Wis^oe en de Brahmanji's aan dien van Brama, 
die allen geheel ten onrechte voor Bodhisatwa's zyn uitgemaakt." 

• Verg. Gëni = vuur en «jn^oo (=bahni). Op Java werd Agni van de plaats 

gedrongen door Bat&r& Brahm& (tm^xA)^ die voor de Javanen als Vuurgod 
geldt. Vgl. bramastra „vuurpijl." 



Digitized by VjOOQIC 



giWATSlfPlSL TE TJANDI PBAMBA.NAK ENZ. 189 

De zes volgelingen van Agni dragen hier e^n lichtschijf , die van 
een rand is voorzien. Op pi. XX van de Eama7a9a-serie aan 
denzelfden tempel zien we diezelfde gerande glorie om de hoofden 
der Goden , die op aarde neergedaald zijn , om het gevecht ta8schen 
Barna en de demonen bij te wonen. Terwij[l op alle andere reliëfs 
de glories van BSma en Laksma^a glad zijn, vertoonen deze een 
rand. Ook Barna draagt er een op dit relief, daar hij dan optreedt 
in zijn gedaante als Wi^u , waarvan hij de incarnatie is. We noemen 
deze glories in het vervolg Qodenglories. 

Agni is de leider van het verbrandingsproces en de Ooden zijn 
op aarde neergedaald, om de plechtigheid bij te wonen. Zij dragen 
offerlepels, bloemen en ander offer-gereedschap. De voorste linker- 
volgeling draagt een steenen urn , waarboven een hondekop zichtbaar 
is. Hij heeft een hoofdtooi , die afwijkt van dien van den naast hem 
zittenden. Het is Yama, de Doodengod, die gekomen is, om de 
asch van den overledene in ontvangst te nemen, begeleid door de 
beide hellehonden. 

Yama draagt in deze functie geen kroon , maar zijn haar is getooid 
met bloemen. De middelste volgelingen dragen een voorwerp, dat 
we bij Wilkins in handen van Agni zien. 

Hij geeft daarvan geene nadere beschrijving. Wij houden het voor 
eeu lont. Het beeld van Agni zelf is buitengemeen fraai. Het is 
door een groot kunstenaar gebeeldhouwd. 

lu N® XXXVII, het pendant van dit relief zien we Agni als 
Abjahasta (= hij die de lotos in de hand draagt). Hij zit in 
rijn verblijf en is hier, meen ik, voorgesteld als koning van ^e Fitaras. 
Zijne volgelingen zijn de hemelingen, die in hun aardsch leven 
het haardvuur getrouw onderhielden. Twee van hen dragen een 
offerlepel. De voorste rechtervolgeling draagt onder deu linkerarm 
het dienstmes. 

De Zuid-Westelijke hoek van het gebouw biedt aan ons 
onderzoek de meeste moeielijkheden. Eerstens zijn de opgaven omtrent 
den beheerscher van die windstreek zeer verscheiden. Ten tweede 
zijn de hier afgebeelde attributen weinig kenmerkend. In de eerste 
plaats zoeken we hier naar Sürya ', dien we meenen te herkennen 
in de hoofdfiguur op N® XLIV. De fronsing in het voorhoofd houden 
we voor eene aesthetische voorstelling Van zijn derde oog. Absurditeiten 
werden door de beeldhouwers van Prambanan steeds zooveel mogelijk 



Verg. Ba0T& Sarj& {i^ma) in de wajang. 

Digitized by VjOOQIC 



140 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUTJB. VAN DEN 

vermeden. Hunue opvattiug is over bet algemeen hoogst artistiek 
te noemen. 

Sürya was de Zonnegod en heet als zoodanig BhSskara (= lichtmaker). 
Zijn attribuut is de lotosbloem , die we ook zien in handen der 
volgelingen. Op de bloem van den God ligt het zonnejuweel : 
süryakSnta \ een kristal, dat gedacht werd uit zonnestralen te zijn 
samengesteld en in het zonlicht warmte af te geven. 

In XLV zien wij een nevenvorm van Sürya. De attributen vau 
den God en van de volgelingen zijn nagenoeg identisch. 

Het meest raadselachtige van alle reliëfs is wel N® XLIII, dat 
met XLIV den Z.W. hoek omsluit. De lotosbloem met het daarop 
liggend juweel doen aan Sürya denken, maar we vinden ook aan- 
leiding, om dezen God voor Nairrta te houden, die mede als de 
beheerscher van het Z. W. wordt genoemd en als een booze geest , 
een Baksasa, wordt voorgesteld. 

De Godheid is hier afgebeeld met een zeer bijzondere kroon, die 
aan die van Rawa9a in andere reliëfs doet denken. Hij toont even 
als zijne volgelingen eene boosaardige uitdrukking. Hij houdt in de 
linkerhand een gesloten lotosbloem, waarnaast we een aar meenen 
te herkennen. De aan zijne linkerzijde gezetene volgelingen dragen 
glories. Wie ze voorstellen , konden we niet nagaan. De voorste houdt 
eene driedeelige bloem in de hand. Eene lotosbloem is het niet. Het 
is waarschijnlijk een bloemsymbool , dat we niet kennen. We zagen 
dit symbool ook in de hand van Awalokite^wara (zie Grünwedel 
Myth. von Tibet bl. 65). 

De middelste houdt een lotosbloem omhoog, waarop een onherkenbaar 
voorwerp ligt. De laatste houdt de rechterhand naar voren geopend. 
Zoolang we geene bewijzen voor het tegendeel hebben, houden we 
dezen God voor Nairrta, den Satyaghna (= vermoorder der waarheid) 
van het Tibetaansche boek (zie Grünwedel, a. w. bldz. 52); die dan 
met Sürya tezamen de Z.W. windstreek beheerscht. ^ 

Op relief N® XLIX zien we Wayu *, den Windgod, tevens 
beheerscher van het.N.W. Hij is hier afgebeeld als gandhawaha 



1 Verg. Surj&-K&nt& (^cAti^»ait(mi) = zonnejuweel of brandglas. 

• Verg. Bat&T& Sambu (<w»g») in de wajang, een zoon van B. Qaru, ook 
een Bndra genaamd. 

• Verg. Bat&r& Baju (trwa/u) in de wajang, ook genaamd Marut& = 8kt. 
maruta, marat. 



Digitized by VjOOQIC 



9IWATBMPEL TB TJANDI PRAMBANAN ENZ. 141 

(=r gearendrager). Op de bloemen der volgelingen ligt wierook, op 
de bloem van den God brandende wierook. Zijn attribuut: de vaan 
missen we echter. 

Op het pendant van dit relief N® L zien we Wayu als heer der 
Maruts {^=^ Stormgoden). Op de bloem van den God staat eene 
driepnntige vlam. De voorste linkervolgeling houdt eene bloeiende 
lotosplant in de hand. Daarnaast zitten twee personen met Goden- 
glories. Het zijn de Maruts, kenbaar aan hunne rijkbewerkte 
gooden kronen. De gouden wapens, die zij in de Weda's gezegd 
worden te voeren, ontbreken hier echter. De voorste schijnt een 
bloemruiker te dragen en de volgende een lotosbloem (fakkel in den 
vorm eener lotosbloem?). 

In de beide reliëfs , die den N.0. hoek van den tempel omsluiten 
(LV en LVI) herkennen we onmiddellijk Q i w a ^ , den beheerscher 
van het N. O. Hij voert op beide reliëfs de m u ^ 4 & (doodskop) en 
de trigüla (drietand), en is hier voorgesteld als Mahakala 
(== de groote verwoester of de dood) en als ïpana (= heerscher). 
De hoofdfiguren in deze beide reliëfs zijn onmiskenbaar Qiwa en 
leveren, in verband met onze bronnen, den besten toetasteen voor 
de juistheid van onze geheele redeneering. De volgelingen leveren 
echter meer zwarigheid. De buitenste rechtervolgeling op LV voert 
een trigüla, de naast hem zittende een speer met weerhaken en de 
buitenste linkervolgeling een veelpuntige speer. De beide laatste 
attributen begrijpen we niet. 

Het pendant van dit relief LVI is wat de volgelingen betreft nog 
duisterder. Die aan de rechterzijde zitten, missen het kastenkoord 
en zijn dus blijkbaar Qiïdra^s. De voorste draagt een bloemtros en 
de naast hem zittende omklemt met beide handen een klein fleschje, 
gedekt met een stop. Het is anders van vorm dan dat op het Soma- 
relief. Het schijnt smaller en rust op een voetje. Verder draagt de 
middelste liukervolgeling een platten over elkaar gekruisten halsband 
en de laatste een halsketen van tijgernagels, een echt Javaansch 
sieraad. Dit relief is zeer zonderling. 

Daar we voor de meeste windstreken de dubbele plaatsing der 
wereldhoeders hebben aangetoond , kan N® LVIII geen anderen God 
voorstellen dan Ind ra, want geen andere wordt voor het O. genoemd. 

' In de MaDik-m&j& genaamd Bat&r& Emprit Andj&l& (= lün tM(3 «sn ^^ 



Digitized by VjOOQIC 



144 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUTJB VAN DEN 

Goden omhoog. Hij is de personificatie van het priestergebed. Op de 
bloem zien we de offervlam. Hij wordt vereerd door hemelsche rsis 
en aardsche Brahmanen. Twee van hen dragen fakkels , twee offerlepels 
en twee anderen maken een eerbiedig handgebaar. Ze zitten met 
geopenden mond en worden hier dus zingende voorgesteld. 

We hebben bij dit relief ook aan Hanuman gedacht, daar we 
dien op bovenbedoelde plaat aan weerszijden van Yama zien afgebeeld , 
links met priestermuts en priestersêlêndang. Deze omstandigheid 
vereischt een nader onderzoek. 

Op relief N® XLVIU zien we Karttikeya ^ of Skanda den Oorlogsgod, 
hier in zijn hoedanigheid als SeuSpati , aanvoerder der Godenlegers. 
Zijne drie attributen zijn aanwezig. Aan zijne rechterzijde staat de 
drie tand, links de boog en daarnaast de pijl met de punt naar 
beneden (zie or. photo). Zijne volgelingen dragen hier lotosbloemen. 

Op N® LI zien we Kama ^ den Minnegod hier afgebeeld als 
Puspagara (d. i. wiens pijlen bloemen zijn). 

Zijn attributen zijn: een boog van suikerriet, waarvan het koord 
uit bijen bestaat en pijlen, die in bloemen eindigen. De God 
draagt hier boog en bloemenpijl in de linkerhand. Zijn gevolg 
bestaat uit apsarasen, wat ook geheel in overeenstemming is met de 
voorstelling in de Brahmaansche mythologie. Eene der nymfen draagt 
daar wel een banier, waarop een makara of een visch is afgebeeld. 

De voorste linkernymf ligt geknield voor een lotosplant, die op 
een voetstuk schijnt te staan en waarboven een vlam brandt. 

Op relief N® LIV is misschien Wigwakarman te zien, (dezelfde 
als de Wedische Tvastr) in zijn hoedanigheid van bouwmeester der 
Goden. ' 

Hij was niet alleen de bouwmeester der godenpaleizen, en de 
vervaardiger der uit zichzelf bewegende godenwagens maar smeedde 
behalve de wapens der Goden ook hunne gouden sieraden. De lotos- 
bloem in de hand van den God is afgebroken, maar daarboven 
zien we links van den God het beroemde vuurwapen, dat door 
hemzelf werd gesmeed. 



^ Van den naam Brahmanaspati ontdekten we in het Javaansoh geen 
equivalent, ook niet van Karttikeija, alhoewel de laatste naam nog voortleeft 
in prijaji kartik&, naam van een bepaald soort inlandsohe soldaten. 

' Verg. Bat&r& £&m&dj&j& (taiiEMaKaju) of Manobawa Kw. 

* Verg. Bagawan Manik&r& ('^^pi'^'^) = de goddelijke juwelier, eene 
Godheid, die in de zesde verdieping der aarde woont (G. en B.). 



Digitized by VjOOQIC 



9IWATBMPEL TB TJANDI PKAMBANAN ENZ. 145 

Volgens Coleman en Dowson voert hij in de rechterhand eeu knods 
of boog (die hier ontbreken). Zijne vrouw was eeu Wanarf (apin). 
Die is dus niet afgebeeld, wel waarschijnlijk zijne moeder, de 
beminnelijke Yogasiddhs , die we zien in de naast hem zittende vrouw. 
Zijne helpers en leerlingen waren de drie Rbhu^s, die om hunne 
bekwaamheid* als handwerkers onsterfelijkheid en goddelijke eer ver- 
worven hebben. 

Links van deu God zit vooraan een hunner, wiens uiterlijk aan 
dat van een Baksasa doet denken. Evenwel, wij vonden nergens 
vermeld, dat de Kbhu^s een R&ksasa-type vertoonden. Dit relief 
is zeer merkwaardig. De laatste rechtervolgeling houdt een juweel 
in de hand. Wi^wakarman was ook een goudsmid. De middelste der 
Rbhu^s houdt een ofiTerbekertje in de hand. Hun proefstuk is ge- 
weest, uit één offerbeker, door hun meester gesmeed, er vier te maken. 

En nu relief N« XLVIII 

In ons systeem mag N&rada de Godenbode niet ontbreken. Hij 
is beslist een van de zestien geweest. Ook in de Wajang leeft hij 
voort. * Het eenige relief, waarop wij hem meenen te herkennen, 
is dit. Maar de ons toegankelijke bronnen geven helaas omtrent dien 
God weinig klaarheid. Het bij Golemau afgebeelde attribuut: de 
wi^S (hindoe-luit) stemt niet met dat, hetwelk hier op de bloem 
is afgebeeld. We zijn dus genoodzaakt, onze verklaring op de gis 
te geven. 

Narada dan wordt gezegd een zoon te zijn van Brahma en 
Saraswati. Hij was de bode der Goden en stond daarbij bekend als 
een wijs wetgever en astronoom, en als een uitstekend musicus. 

Hij wordt genoemd de uitvinder van de wi9S en behoort als 
zoodanig bij de Gaudharwa^s. De laatsten zien we hier aan zijne 
rechterzijde gezeten. Zij bespelen als hemelsche muzikanten verschillende 
iDstrumenten. De middelste bespeelt de wï^a, waarvan de klankkast 
op den schouder rust. De Godheid zelf voert op de lotosbloem den 
weda, het attribuut van zijn vader Brahma. Aan zijne rechterzijde 
staat een spijsofifer: een bak met rijst, waarboven bloemen zijn 
gelegd , zooals we dat menigmaal aan Boroboedoer vinden afgebeeld. 
Het is hier geen attribuut. Het is niets dan eene aanwij'/.ing , dat 



^ Yerg. Bat&r& Nar&d& {Mnma) of Kanek&putr& (= zoon van Gdne^a?) 
bode van Bat&r& Gum. Hij wordt ook genaamd Dew&kèbajan = de ordonnans 
der Goden. De gènding (= gamelan-melodie): waru gènjdjong of gènjdjong 
dojong herinnert aan zijne derde functie (Zie G. en B.) Zijn verblijf in den 
Sur&l&j& heet Suduk-udal-udal. (G. en B.). 



Digitized by VjOOQIC 



146 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENHUÜB VAN DEN 

de Godheid is voorgesteld, bezig eené heilige handeling te verrichten. 
Die heilige handeling kan niet anders zijn dan de voordracht van 
het Bamaya^a, dat in de reliëfs aan dezen tempel z alk eene voorname 
rol speelt. Uit een symbolisch voorwerp (?) in de rechterhand openbaart 
de God het gedicht aan Walmiki, die in luisterende houding aan 
zijne linkerzijde is gezeten. • 

Naast Walmïki zitten twee personen, die attributen dragen, welke 
ons volkomen onverklaarbaar zijn. 

Gaan we nu de geheele reeks nog eenmaal na en plaatsen we 
daarbij achter de namen, waarvan we niet zeker zijn een ? dan zit 
dus op relief 

N« 58 en 35 Indra. 

// 36 Brhaspati? 

„ 37—38 Agni. 

// 39 Hanuman. 

tf 40—41 Yama. 

// 42 BrahmanaspatiP 

tf 43 Nairrta? 

// 44 — 45 Sürya? 

// 46 — 47. Waru^a. 

ft 48 Karttikeya. 

„ 49—50 Wayu. 

n 51 Kama. 

't 52 Kuwera. 

// 53 Soma. 

tt 54 Wigwakarman. 

tt 55 — 56 Qiwa. 

tt hl Narada? 

We krijgen alzoo 17 Goden in plaats vau 16. Mogelijk, dat 
eene vergelijking met Britsch-Indische monumenten als den Eama- 
tempel tot een zuivere oplossing voert. Dat in dit stelsel, waarin 
een oppervorst, een huispriester , een bouwmeester en een bode 
aanwezig zijn, de poortwachters niet ontbreken mogen , spreekt 
vanzelf. * Ze zijn aan weerszijden van de trappen in rijkversierde 
hoekt em pel tj es, ook op den omgang aan de binnenzijde der trap- 
leuniogen in keurig bewerkte nisjes aan alle zijden afgebeeld. 
Voorts zien we aan weerszijden van de Zuider-, Wester- en Noorder- 

1 Vergelijk de wajangfigoren : Bat&r& Tjingk&r&b&l& en Bat&rS. B&1& XJp&t& , 
die geaoemd worden de poortwachters van Bat&r& G-uru's paleis op den Meru . 



Digitized by VjOOQIC 



9IWATKMPKL TE TJANDI PKAMBANAN ENZ. 147 

trap, in rechthoekige steenblokken , in zeer laag relief knielende 
olifanten gebeiteld. Het zijn de dragers van den berg; ten getale 
TSD acht steunen zij den Gk>denberg en hunne herinnering leeft 
onder de Javanen nog voort. ^ 

Bij Dowson vinden we de namen. Ze zijn, van den Oostdijken 
te beginnen: Airawata, Fu^darika, Wamana, Kumuda, Anjana, Push- 
padanta , Sarwabhauma en Supratika. Aan de Oosterpoort zijn ze hier 
blijkbaar weggevallen. Op pi. II zijn ze zeer duidelijk te onderscheiden. 

In de hoogste verdieping troont juist, zooals Coleman ons dat 
beschrijft: «the Suprème Being^, in dit stelsel natuurlijk Qiwa met 
Durga en Ga9e9a, dien we hier ook te verwachten hebben: de 
Mahadewa der Javanen. 

Wij hebben ons den hier begraven vorst alzoo voor te stellen als 
opgenomen in den Sur&laya, waar hij bewaakt en beschermd wordt 
door de hem omringende Goden. Over de rol, die Kuwera, Brhaspati 
en Hauuman in het geloof dier tijden gespeeld hebben , zal het van 
belang zijn, nadere studie te maken. De vele bronzen Kuwera^s, 
die op Java gevonden zijn , wijzen erop , dat die Godheid daar eene 
Toomame rol heeft gespeeld. Volgens Wilkins zijn de afbeeldingen 
in Engelsch-Iudië van hem zoo schaarsch , dat hij er voor zijn werk 
geen is kunnen machtig worden. Bij Grünwedel vinden we hem enkele 
malen afgebeeld naar voorstellingen van dien God in Tibet en Japan. 

Ook onder de pijlerfiguren aan den Stüpa van Barhut bevindt 
zich eene afbeelding van Kuwera. 



NASCHRIFT. 

Na de voltooiing van dit opstel lazen we in de laatstverschenen 
aflevering der Bijdragen eene verhandeling van den heer C. M. Pleyte, 
waarin ons de bezweringsformulieren en legenden , die betrekking 
hebben op het winnen van den palmwijn (lëgèn) in de Soendalanden 
worden meegedeeld. De schrijver vertelt ons, hoe de ontdekkingen 



^ Het Javaansohe woord gadjah ("rnu*:/) en de Kawi-woorden dirada (te» 
-nv.) on hasti {*^^) die aUe olifant bebeekenen, zijn Sëngk&l&- woorden 
voor het cijfer 8. Zie ook by Q-. en R. het woord kari (•^n-n). Vandenamen 
dezer olifanten kennen de Javanen nog Erawd.n& ('i^ii/n'>)Otfv7)enPusp&dënt& 
(=:i| ^.;ï^£/«N^). Volgens G. en B. heet de eerste in het Skt: Air&wana. 



Digitized by VjOOQIC 



148 DE GODENBEELDEN AAN DEN BÜITENMUtJIt VAN DEN 

bekendmaking daarvan wordt toegeschreven aan Bat&ra Guru, die 
volgens die legenden in de gedaante van een rijstvogeltj e -den bewaker 
der rijstvelden : Sëmar op het denkbeeld bracht , den bloemstengel 
van den aren boom stuk te slaan en het sap te drinken. In de 
bezweringsformulieren , die nog steeds bij het tappen gebruikt worden , 
spreekt de tapper den boom aan als een maagd : Omas sjang kantjana 
(bl. 605) (de gouden Godin Uma?); ook als Atji Omas (de heilige 
Uma?) (zie bl. 11&). UmS is, als bekend, een andere naam voor 
Durga, Qiwa's gemalin. Op bl. 607 noemt de tapper zichzelven 
BatarS (= God) en spreekt den boom aan als Batari (Godin). 

Hier neemt in het bezweringsformulier de tapper blijkbaar de 
gedaante van Uma's gemaal : Qiwa aan. In een Javaansche legende 
wordt Prabu Erja^arudra als de ontdekker van het lëgènsap genoemd. 
Budra is alweer een andere naam voor Qiwa. Voor ons opstel het 
meest van belang is echter de overlevering, die op bl. 600 in een 
noot wordt meegedeeld, aangaande het ontstaan der lëgèn. 

Daarin wordt het rijstdiefje, dat er aanleiding toe gaf, gezegd 
af te stammen van Iwang of Hewang (hyang = God) Prit Handjolo , 
den heer van het Noordoostelijk deel der heerschappij (zie opstel). * 
In verband met de andere aangehaalde legenden kan die heer niemand 
anders zijn dan Qiwa of Batara Guru, zooals zijn vreedzame vorm op 
Java wordt genoemd. Uit het hier door ons aangehaalde maken we op , 
dat de functie van Soma als bezielende geest van den offerdrank, 
voor de Javanen op Qiwa is overgegaan en dat het sap van de 
somaplant, die op Java niet voorkomt, daar vervangen werd door 
dat van den aren boom. 

De attributen in de handen der rechtervolgelingen op relief N® LVI : 
een bloemtros en een fleschje worden volgens deze opvatting 
verklaarbaar. 

Dat juist Qiwa de functie waarneemt, schrijven we daaraan toe, 
dat deze Oppergod der Hindoe^s in de Javaansche Mythologie zijn 
voorvorm heeft gehad, die als beschermende (Opper?) God der oude 
Javanen met den Hindoegod is samengesmolten. In zijn nog steeds 
voortleven in legenden, die op den landbouw betrekking hebben, 
zien we daarvoor het bewijs. Dat Qiwa op Java een veel vreedzamer 
karakter droeg dan in het Hindoeland , is o. i. aan het meer vreedzaam 

^ In de Manikm&j& worden aoht door God Garu geschapen hoofdgoden 
genoemd, nl. dew& kang mar&wolu, hetgeen volgens Bhemrev beteekent: 
„de goden, die zich verdeelden of verdeeld worden over acht windstreken." 
Zie wolu (G. en R.) 



Digitized by VjOOQIC 



giWATIMPSL Tl TJANDI PHAMBANAN INZ. 149 

brakter van dien voorvorm toe te schrijyeu, die, als beschermende 
geest van landbonw en windstreken, eene rol moet hebben gespeeld. 
Dese samensmelting yan lokale of nationale met van bniten aan- 
gebrachte Oodheden is volstrekt niets ongewoons. Bij Orünwedel 
sien we daarvan voor Tibet en Mongolië verscheidene voorbeelden, 
(bl. 178 enz.) We znllen deze samensmelting natuurlijk hoofdzakelijk 
hebben te zoeken onder de beschermende Ooden van landbouw en 
windstreken. Be Tibetaansche beheerschers der windstreken brengt 
Orünwedel onder de lokaalgodheden. De geboorte van nevenvormen 
is uit die samensmelting verklaarbaar. 



?• Volgr. VI. 11 

Digitized by VjOOQIC 



BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORON- 
TALO'SCHE SPRAAKKUNST BESPROKEN 



DOOR 

N. ADRIANI. 



De ^Bijdragen tot eene Gorontalo'sche Spraakkunst// van deu 
Controleur J. Breukink (gedrukt voor rekening van het Kon. Insti- 
tuut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, 1906) 
mogen begroet worden als een nuttig werk, waaruit een goed 
overzicht is te verkrijgen over de affixen waarover het Gorontaleesch 
beschikt tot het vormen van woorden uit stammen. Het is de 
oprechte begeerte om voor de Europeesche bestuurs-ambtenaren den 
weg te effenen tot het aanleeren van het Gorontaleesch, die den 
schrijver er toe gebracht heeft zijn vrijen tijd aan de taaistudie te wijden» 
daar hij heeft ingezien dat de ambtenaren in staat moeten zijn om ook 
zonder bemiddeling van tolken en hoofden aanraking met het volk 
te hebben, het eenige middel om het volk uit zijn achterlijken 
toestand op te beuren. De Heer Breukink heeft hiermede niet alleen 
voor het volk van Gorontalo en zijne Europeesche bestuurders een 
nuttig werk verricht, maar ook de beoefenaars der Indonesische 
talen aan zich verplicht. Zijn werk is het beste wat totnogtoe over 
het Gorontaleesch is verschenen. Het boek van Joest is in geleerder 
stijl geschreven en maakt, oppervlakkig bezien, meer den indruk 
van het werk van een taaikenner, maar het is geen eerlijk boek. 
De schrijver heeft zijne lezers niet ingelicht omtrent de wijze waarop 
hij zijn werk heeft samengesteld. Hij heeft niet beleden dat hij zelf 
zeer weinig van de taal wist en het grootste deel van zijn materiaal 
heeft moeten overnemen van anderen , over wier kennis hij geen 
oordeel kon hebben. Hij heeft zich daardoor aansprakelijk gesteld 
voor een aantal beweringen, waarvan hij de verantwoordelijkheid 
niet zou kunnen dragen. 

De Heer Breukink is zoo eerlijk geweest ons een inzicht te geven 
in de wijze waarop zijn boek is ontstaan. Hij heeft den naam van 



Digitized by VjOOQIC 



BUUUNK's BIJDBAGEN tot 1BN£ gobontalo*sohe bpsaakkunst. 151 

den kundigen Inlander die hem heeft geholpen, dankbaar vermeld 
en zoodoende meteen verklaard hoe zijn werk is tot stand gekomen. 
Het is daardoor voor den lezer mogelijk de verdiensten van den 
Heer Brenkink en die van zijn Leermeester billijk te beoordeelen. 
Hij zal nu den eerste niet aansprakelijk stellen voor de fouten die 
de laatste noodzakelijk heeft moeten maken, door den beperkten 
blik dien deze op zijne moedertaal had, maar integendeel den In- 
landschen Leermeester dankbaar zijn voor den rijkdom van het 
bijeengebrachte materiaal en den Heer Brenkink voor de systematische 
rangschikking en verklaring daarvan. 

Nog ééne opmerking moet ik maken, eer ik tot de bespreking 
Tao de Spraakkunst zelve overga. In de laatste alinea zijner Voorrede 
zegt de Heer Breukink, dat hij aan zijne Handleiding eene vertaling 
in het Maleisch heeft toegevoegd. Mij dunkt, hij had verstandiger 
gedaan, indien hij den HoUandschen tekst als vertaling van den 
Maleischen had aangekondigd. De Maleische tekst is n.1. op vele 
plaatsen beter dan de HoUandsche, zooals ik in den loop mijner 
bespreking hier en daar zal aanwijzen. Wanneer wij den Maleischen 
tekst beschouwen als de, onder dictaat van Goeroe Doenggio, door 
den Heer Breukink gemaakte aanteekeningen , later door hem ge- 
schift en geordend, dan kunnen wij niet alleen hier en daar met 
de g^even verklaring instemmen, maar ook eerder vrede hebbeu 
met de in het boek neergelegde taalbeschouwing, die bij een In- 
landschen Onderwijzer volkomen begrijpelijk is, maar die men bij 
een Europeaan niet zonder enkele aanmerkingen er door kan laten. 

Om nu tot het boek zelf te komen , in Hoofdstuk I , Spelling en 
Uitspraak, wordt de fout begaan van het schrift tot uitgangspunt 
der bespreking te nemen , zoodat de woorden worden beschouwd als 
te bestaan uit letters in plaats van uit klanken (lettergrepen). Vandaar 
mededeelingen als (bl. 5): de samenvoegingen van medeklinkers <i^, 
ndt, mb^ ngg ^ kan men slechts met moeite in de uitspraak hooren. 
Hier zegt de Maleische tekst juister, dat die (twee of) drie letters 
moeten beschouwd worden als één letterteeken. De ware methode 
is intusschen deze: de voorhanden klanken beschrijven en daarbij 
mededeelen hoe die het best met ons alfabeth worden afgebeeld. 

Vergelijkt men nu Breukiuk's klankleer met die van Joest, dan 
ziet de laatste er wel meer wetenschappelijk behandeld uit, maar 
tevens blijkt het, dat Joest de klanken der taal niet goed heeft 
gehoord en ze dus ook- verkeerd heeft weergegeven. Hoewel de Heer 



Digitized by VjOOQIC 



152 bseukink's budbagen tot eene ooeontalo^schb spraakkunst» 

Breukink een verkeerd uitgangspunt heeft gekozen, zoo heeft hij 
toch de klanken vau het Goiontaleesch goed gehoord en ze in zijne 
spelling zóó afgebeeld, dat men redelijk wel kan begrijpen hoe ze 
klinken. 

Ook op bl. 6 , waar gezegd wordt dat men in de Gor. spelling de 
r niet aantreft , heeft de Mal. tekst beter : in de Gor. taal komt de 
letter r in het geheel niet voor. Verder heet het, dat de r van de 
vreemde woorden als l wordt uitgesproken. Dit is volkomen juist, 
maar de volgende voorbeelden zijn niet alle overgenomen woorden. 
In de eerste plaats Hoelondtalo [Hoelandalo van den tekst is eene druk- 
fout), dat geen Gorontaleesche uitspraak is van Oarantalo^ want 
het laatste is eene verhaspeling van het eerste. Doengoho (hooren), 
dat niet eens eene r vertoont , is ook bij vergissing onder die voor- 
beelden verzeild geraakt, want uit dit woord blijkt, dat de r van 
de 1* V. d. Tuuksche klaukwet (de R-G-H-wet noemt Brandstetter 
ze, op bl. 13 van zijn Prodromus) iu het Gt. overgaat in A. Andere 
voorbeelden zijn duhi^ Mal. chiri\ iul/uhuy Mal. tidur\ dulahu^ Loin- 
daugsch, Bobongko*sch , dolag rf zon ^ dag". 

Op bl. 7 bovenaan had de Schr. beter gedaan de echt Goronta- 
leesche uitspraak van saja^ sapi^ sababoe^ sangadja^ enz. weer te 
geven, want als de taal de klanken «, dj ^ ij^ niet heeft, zal de 
Gorontalees ze ook wel niet zuiver kunnen uitspreken. Bij de voor- 
beelden dtoemadii en toeloeti heeft de Schr. dan ook de Gt. uitspraak 
opgegeven. 

Ook de voorbeelden van den op bl. 7 § 4 opgegeven regel , dat 
alle lettergrepen open zijn en de taal dus vocalisch is, zijn niet 
alle geldig, daar toepa^ talala^ tojoengo^ talcHas timoAe vreemde 
woorden zijn. 

Op bl. 8 , § 5 wordt medegedeeld , dat het Gt. in overgenomen 
woorden de gesloten lettergrepen opent, door den consonantischen 
sluiter met a, i, o oï oe uit te spreken. Op bl. 7 is een voorbeeld 
van e in dezelfde functie gegeven, n.1. timohe^ dat het Mal. timah is, 
^ terwijl het eenige voorbeeld dat van o wordt gegeven, kondtolo 
(controleur) ongeldig is. Dit woord heeft n. 1. iu de Gt. uitspraak 
den oorspronkelijken eindsluiter afgeworpen, immers de lettergreep 
fo correspondeert met - leur van het Holl. woord. Het voorbeeld 
zou geldig zijn, wanneer de uitspraak luidde: kondtololo. Ook de a 
komt in het algemeen in deze functie weinig voor; vormen als 
Iboerahima en Itoemaila (Ismail) kunnen Arabische accusatieven 
zijn. Blijven dus over i en oe. Omtrent het gebruik van deze twee 



Digitized by VjOOQIC 



BRBVKINK^S BIJTDILAGEN TOT SENX OO&ONTALO^SCHS 8PKAAKKUN8T. 158 

kan waarschijulijk deze regel worden gesteld: Op grond van de 
voorbeelden op bl. 83 onderaan en bl. 84 bovenaan, waar de ge- 
sloten lettergrepen van de namen onzer maanden bijna alle met i 
vorden geopend, bv. Apoelili (April), Sepoetemheli (September), kan 
men aannemen dat in *t algemeen i de klank is waarmede een couso- 
nantische sluiter wordt hoorbaar gemaakt, gelijk dit ook in de vocalische 
talen der Tominibocht het geval is. Bij woorden met cousonantische 
eindalniters wordt daardoor eene looze eindlettergreep gevormd, die 
voor den klemtoon niet medetelt. Labialen worden gaarne met den 
labialen klinker oe uitgesproken, bv. maliamoe (kanon), van mêriam 
(Mal.), Adamoe (Adam); ook wanneer de te openen sluiter oe 
^66t zich heeft, wordt hij gaarne met oe geopend, bv. Mahamoedoe 
(Mahmoed), ioeboeloe (Mal. ioehoer^ gmt)^ toeloeloe (ifoeljoer ^ sooii wd^n 
gebak), hoetoeloe (Mal. hotoly flesch), enz. Zelfs in echt Öt. woorden, 
die den oorspr. sluiter hebben bewaard, door hem tot eene opene 
letteigreep uit te breiden , komt de oe in dit geval voor, bv. 
tahehoe (water). Bis. salog^ Mal. saloef(an) ^ Sang. saU>^\ toeloehoe 
(slapen), Bis. tolog^ Mal. tidoer; doelahoe (zon, dag), Loind. dolag^ 
Bobongko^sch id. 

Om nog even op de a tnAto als openende klanken terug te komen , 
van de eerste wordt nog een voorbeeld gegeven in Mahamoedoe. 
Hier heeft de tusschenklank zich tot a gevormd na de h en in na- 
volging van de a der eerste lettergreep. In zulke gevallen zal de 
a wel eens meer voorkomen. Van de o zijn op bl. 9 voorbeelden 
te vinden, bv. watingo (zout). Mal. enz. asm; watopo (dak), Jav. 
iUèp; toemoewoto (binnengaan), Bare'e sua, In de beide laalste ge- 
vallen is de o uit assimilatie te verklaren, in het eerste voorbeeld 
zou men i^ of om de ng^ eene a, die (vooral in de eindlettergreep) 
io het 6t. gemakkelijk tot o wordt, verwacht hebben. 

De beschrijving der lange en korte klinkers in § 6 op bl. 8, is 
blijkens § 7 die van de uitspraak der klinkers van de geklemtoonde 
lettergreep. Tengevolge der verwarring van de begrippen lange, 
geklemtoonde en gerekte lettergreep, is ook dit gedeelte van de 
klankleer niet zeer duidelijk. 

Hoofdstuk II. Wat de Hr. Br. van ma- zegt, toont aan dat 
het niet zoozeer een voorvoegsel is, als wel een proclitisch woordje, 
door hem terecht vertaald met //reeds, aU. Om de beteekenis zuiver 
te doen uitkomen, hadden zooveel mogelijk voorbeelden moeten 
gekozen worden, waarin geen ander voor-, of invoegsel voorkomt. 
Het eenige zoodanig voorbeeld dat de Schr. geeft is matali //reeds 



Digitized by VjOOQIC ' 



154 BREUKINK^S BUDBIGEN TOT EENl GOEONTALO^SCHE SPRAAEXUVST. 

gekocht.// De andere voorbeelden zijn alle gevormd met het infix 
'il-y dat door den Schr. terloops in eene noot op bl. 18 wordt 
vermeld, waarbij hij tevens zegt dat hij het niet afzonderlijk be* 
handelt. Welke reden kan daarvoor bestaan, waar het den Schr. 
toch duidelijk moet zijn geworden, dat dit infix in het Ot. nog 
zeer druk in gebruik is en ook dat het , evenals in de Minah. talen 
en in het Moiigond., nog niet uitsluitend tot de passieve vormen 
beperkt is, maar nog de meer uitgebreide functie heeft om eene 
verleden handeling aan te duiden. De functie van 'il- is dus in de 
noot te beperkt opgegeven. De bijvoeging van ilo- aldaar is onjuist; 
zulk een infix bestaat niet. Op bl. 82 wordt ilo- als afzonderlijk 
voorvoegsel behandeld. Daar -il- het bekende invoegsel -in- is, zoo 
is dit ilo' niet anders dan de praeteritaal-vorm van het praefix ö-, 
dat op bl. 24 is behandeld. Dit o- nu is het M. P. voorvoegsel 
ka- en zoo is dus ilo- id. met kina-, dat bv. in de Minah. talen 
nog in volle kracht fungeert. 

In dezelfde noot wordt ook even vluchtig over 'Oem- gesproken. 
Behalve de beide voorbeelden aldaar gegeven , komen nog hier en 
daar vormen met -oem- voor, bv. loemoeioolo {hinuengAAn), doemodoepo 
f s morgens) op bl. 9 en matiloetnateo (is reeis weggeloo^n) oi) hl. IS , 
waarin dus -il- met -oem- te zamen staat. 

Uit de van ma- opgegeven functies in de §§ 2, 8 en 4, blijkt 
verder duidelijk dat het praedicatem vormt van naamwoorden, ma 
Limoetoe oetia, //dit is reeds L.//, mawa'u //ik ben het {ahoelah),ff 
Door het naamwoord te maken tot een praedicaat, dus tot een zelf- 
standig onderdeel van den zin , legt men er ook vanzelf nadruk op. 
De gegeven voorbeelden maken dit voldoende duidelijk. 

Il (bl. 18). mo- is het voorvoegsel dat aanduidt: de handeling 
staat aan te vangen of is aangevangen ; het vormt dus eene tegen- 
stelling tot het infix -il- en tot op zekere hoogte eveneens tot ma-. 
Dit komt duidelijk uit in de voorbeelden gegeven op bl. 19, in 
§ 2. Mo' w66t adjectief-stammen drukt niet, zooals ma-i uit dat 
de toestand dien het adjectief noemt is bereikt, van worden is ge- 
komen tot zijn, maar eenvoudig dat hij aanwezig is, zonder naar 
het worden te vragen. Zoo is het op bl. 15 § 4 genoemde voorbeeld 
mapatoe vertaald met //het is warm geworden//, terwijl mopatoe be- 
teekeut //warm, warm zijn//, zonder dat er wordt gedacht aan den 
toestand die vóór dit warm zijn bestond. 

m (bl. 20). Dat mai eenvoudig de aansporende partikel is, die 
in het Mal. mari luidt, heeft de Hr. Br. reeds zelf opgemerkt. Bij 



Digitized by VjOOQIC 



briueikk's bijdhagbk tot benx goeontalo'sohe spraakkunst. 155 

ie opgegeven voorbeelden zou het beter zijn geweest, indien hij 
niet de conj actief- vorm en delowa^ dtoetoewa^ tapila^ waupa^ toeboewa^ 
tija$tga had opgegeven , zonder naar de behandeling van dezen vorm 
op bl. 70 — 72, §3 en 4 te verwijzen; het zou dan spoediger 
duidelijk zijn geworden, dat de Imperatief niet in mai zit, maar 
in de -a die achter deze w.w.-stammen is gevoegd en dat mai dus 
slechts eene aansporing is, die den Imperatief versterkt. 

m (bl. 21). po- moet worden samengenomen met mo-^ waarvan 
het de nominale vorm is. Het heeft ook hier de regelmatige be- 
teekenissen van het nomen verbale, n.1. Imperatief, bv. polao //ga 
wegl'/ en Infinitief van doel, bv. podeto //om te naaien//. Wat in 
§ 2 wordt gezegd , valt geheel met het in § 1 besprokene samen , 
want pohoefiggoeli is het nomen verb. van mohoenggoeli , evenals polapoe 
ran molapoe^ enz. 

V (bl. 24). Het voorvoegsel o- is het M. P. ka-. Bijna in alle 
voorbeelden die de Hr. Br. geeft, wordt ook het suffix -a aan- 
getroffen , zoodat wij met de bekende vormen ka-an te doen hebben. 
Zoo staat ohama voor iahama en oUCowa voor hatahxm //kunnen 
gestolen worden,// katjwrian (Mal.), otijanga voor ^^^a^a?» //kunnen 
geroepen worden//, kapanggilan (Mal.). 

Bl. 26, § 2. Ook het hier behandelde o-, 't welk beteekent 
^bezittende wat het grondwoord aanduidt, moet als een verzwakte 
Yorm van ka- worden opgevat. In de meeste Indon. talen beteekent 
har vóór een substantief z. v. a. //mede-, -genoot//. Lat. co-, bv. 
Tontemb. kard'ong //stadgenoot^, karapi //metgezel//, Bare'e kasi-^ 
bv. kimlipu //dorpsgen9ot//, koêitorano //medelid van den stam To 
Bano. Boch in het Gt. heeft oapula niet de bet. van //medehoud/^, 
maar van /j' gezel v. e. hond, een hond tot gezel hebbende, bezitter 
van een hond//, wat in het Tontemb. met ma^a- wordt aangeduid, 
dns makeuuUy makawale (huisheer) Ot. obele (voor: kabele^ kabalé). 
Zoo ook bij adjectieven (§2, bl. 28) opatu^ //warmte hebben/^. 

TI. (bl. 29). De verklaring van het voorvoegsel popo- is onjuist; 
het prefix po- gevoegd vóór een stam die met po- (N® IV , bl. 21) 
is samengesteld (d. i. vóór het nomen verbale) vormt den causatief. 
Dat dit po- id. is met dat van het n. verb. is niet waarschijnlijk, 
het als eene reduplicatie van po- te beschouwen, dus een n. verb. 
met herhaald prefix te zien in de met popo- gevormde stammen , 
met de bet. van een versterkten Imperatief, is geheel bezijden de 
waarheid, üit de vertaling der voorbeelden blijkt trouwens duidelijk, 
dat men hier met den causatieven vorm te maken heeft, bv. popo* 



Digitized by VjOOQIC 



156 BBBTTKINK^S BUDKAGXN TOT EINS GOE0NTALO*SCHB BPRAAKXLimST, 

istea //laat draven>9', popodengeta //laat bijten^s^, popotoewota //laat 
binnengaan//. De a- achter deze vormen is blijkbaar die van den 
Conjunctief (bl. 70, vlgg.). In § 2 (bl. 80) wordt, althans in deu 
Mal. tekst, ook duidelijk gezegd dat popo- causalen vormt van 
adjectief-stammen en de voorbeelden bevestigen dit. 

VII (bl. 82). Ilo' is, gelijk reeds boven is gezegd, het praeteritum van 
O' en staat dus gelijk met M. P. kina-. Men is dus geneigd om 
aan de daarmede samengestelde vormen de bet. //heeft kunnen — 
worden// toe te kennen. Volgens den Hr. Br. geeft het de bet. van 
verl. deelwoord aan de stammen waarvóór het is gehecht. In ieder 
geval is de bet. perfectief ; dit komt ook uit in de voorbeelden van 
§ 2 , in welke het de bet. heeft : verkregen hebben , zooals ook in 
den Mal. tekst wordt gezegd ; de HoUandsche is minder nauwkeurig. 
Ilobele is dus het perf. van abele //een huis bezitten// (bl. 26, § 2)^ 
en te vertalen met //een huis verkregen hebbende//. Zéér duidelijk 
is ook de bet. van ilo- vóór adjectief-stammen die eene kleur aan- 
duiden, bv. ilolalahe //in de gele kleur, in de cnrcuma gezet, eene 
gele kleur hebben kunnen verkrijgen//. 

VIII (bl. 85). De functie van het voorvoegsel Uh is in den Mal. 
tekst juister omschreven dan in den HoUandschen , lotali^ lopataliy 
lopo*aAuy lomate^ enz. zijn in de gegeven voorbeelden niet te vertalen 
met: kocht, verkocht, gelastte, doodde, enz., maar met: heeft ge- 
kocht, verkocht, gelast, gedood, enz. De vormen met lo- zijn de 
perfectieven van die met f»o-(II, bl. 18). Zij zijn n.1. afgeknot uit 
vormen met milo^ d. i. tno- met ingevoegd -»7-, op dezelfde wijze 
dus als in het Sang. nangaU^ is ontstaan uit minanffala* en in 
het Parigisch nanggoni uit minanggoniy resp. perfectieve vormenvan 
mangala' en manggoni. Zoo staat dus ook in het Gt. lotali voor 
miloialiy lolihu voor miloHAuy lolao voor milolao^ resp. perfectieve vormen 
van motaliy moliku^ molao. En zoo is het ook bij de in § 2 op bl. 87 
genoemde voorbeelden, logulu staat voor milogulu^ lomengi voor 
milomengiy lohuni voor miloAwii^ resp. perf. van moguluy momengi^ 
moAuni. 

Van geheel andereu aard is het in § 8 (bl. 88) genoemde lo , 
dat niet op deze plaats had behooren behandeld te worden. Het is 
m. i. niet anders dan een lidwoord en wel de korte vorm van het 
bekende anu^ die bv. in het Bare^e nu luidt en dient als tusschen- 
zetsel, om twee woorden die elkaar in den genitief regeeren van 
elkaar te scheiden; het behoort dan als lidwoord bij het geregeerde 
woord. Waar het tusscl^pn een werkwoordsvorm en den agens staat 



Digitized by VjOOQIC 



BUUKINK^S BUDILAGSN TOT UNE GOEONTALO'sCHX SPRAAKKUNST. 157 

heeft het (althans voor ons taalgevoel) de waarde van een agens- 
aandaider (zooals ons voorzetsel //door^) gekregen en in die functie 
treedt ook hier het Ot. lo op, dus lo pito^ Bar. nu labu //met 
een mes^r of eigenlijk: /^eeu mes (nadrukkelijk) is hetv; h tumala^ 
Bar. nu penai //met een zwaard /i^, enz. 

De plaats waar dit lo had moeten behandeld worden, is bl. 80, 
waar li en lat zijn besproken. In het Gt. staan deze vormen voor 
%i en nai en zijn de genitieven van ti en tai^ die weder voor ai 
en êai staan, het eerste lidwoord vóór vrouwennamen en titels, 
het tweede v66r mannennamen. Het wordt door den Hr. Br. terecht 
met ifAooTff vertaald. De vormen lai^ li en lo komen alle drie nog 
eens terug op bl. 81, waar voor ^met// wordt opgegeven: wolaiy 
mli^ loolo. De bet. f/met» zit in wo; lai^ li en lo zijn lidwoorden. 
Voorbeelden zijn alleen van woli gegeven, dat zoowel bij persoons- 
namen als bij dier-, en zaaknamen is gebruikt, terwijl men uit het 
bl. 80 en 85 (M) gezegde zou opmaken dat in het eerste voorbeeld 
mhi en in de beide laatste wolo had moeten gezegd worden. 

IX (bl. 40). Lolo- is, blijkens vorm en beteekenis, een herhaald 
voorvoegsel. Het moet dus zijn ontstaan toen de vorm milo- reeds 
was afgeknot tot lo- en dit als een voorvoegsel werd beschouwd. 
Herhaling van het voorvoegsel is ontstaan uit stamreduplicatie, die 
weder is ontstaan uit stamherhaling. Bij al deze drie vormen is de 
beteekenis die van herhaling der handeling. Zoo is bv. in den Bar. 
Torm da kupepetooloka «^ik zal er over nadenken^ (van den stam 
wlo) het voorvoegsel pe- herhaald, omdat de handeling //nadenken// 
herhaling en langdurigheid in zich draagt. Theoretisch zou daarmede 
gelijk staan: da kupewolo-woloka ^ of: da kupewowoloka ^ maar deze 
Tonnen zijn niet in gebruik. 

De Hr. Br. geeft de stammen waarvóór dit fofo- is gevoegd, op 
in den vorm met de achtervoegsels -a en -^, waardoor het niet in 
de aandacTit valt, dat de stammen, die lolo- voorgevoegd hebben, 
ook steeds het sufiSx -a aanvoegen. 

De beteekenis der vormen met hlo- moet oorspr. eene praeteritale 
zijn. Ook in de voorbeelden die door den Hr. Br. niet in praeteri- 
talen zin zijn opgevat, is toch duidelijk dat de spreker het oog 
heeft op de talrijke gevallen waarin de handeling te voren is ge- 
pleegd. In den zin bv. die is vertaald //waarom lacht ge altijd in 
het bijzijn van de menschen?// heeft de spreker het oog op de 
talrijke gevallen waarin de aangesprokene in tegenwoordigheid van 
anderen heeft gelachen. 



Digitized by VjOOQIC 



158 BBBÜKINK^S BIJDEAGEN TOT EENE OOBONTALO'SCHE SPRAAKKUNST. 

X (bl. 42). ngo'. Dit voorvoegsel kan worden beschouwd als een 
sterke vorm van ka-^ dat thans in het Ot. den vorm o- heeft (zie 
boven), maar in een vroeger stadium der taal, toen zij de k nog 
niet had verloren , ko- moet hebben geklonken. Ng(h heeft de functie 
om het woord waarvoor het is gevoegd tot een maatwoord te maken , 
zooals nga- in het Tontemb., ka- in het Sang., Tag. , en andere 
talen het doen. Zoo beteekent dus ngopoiali //één koopsel, ééne 
kooping , één keer koopen// , ngopotoehoe //één kooksel , éénmaal koken//, 
ngopolihoe //éénmaal baden, één bad//, ngowadala //één paarden vracht//, 
tigohoehtoe //één schuit vol//, ngotanggalo //een geheele breedte, ééne 
breedtezijde , zoo breed als//, ngolihoe //één duizendtal//, ngomalianoe 
//één millioental//. 

Thans volgen de samengestelde voorvoegsels, welker beteekenis 
uit de samenstellende deelen kan worden opgemaakt. Evenals v66r 
de stammen met het infix -ï^, waarvan op bl. 12 en 18 eenaantal 
voorbeelden zijn gegeven, wordt ook véér de stammen met het 
voorvoegsel mo- proclitisch ma- gevoegd, hetwelk aan de beteekenis 
van mo' die van ma- toevoegt, zooals de voorbeelden op bl. 46, 
§1 en 2 duidelijk aanwijzen. 

Mamai- bestaat uit ma- (bl. 12) en mai- (bl. 20). Ook van dit 
samengestelde voorvoegsel is de beteekenis gelijk aan die van de 
som der samenstellende deelen, gelijk de omschrijving en de ver- 
taling der voorbeelden aantoonen. 

Ook bij ma^O' (bl. 47) is dit het geval; rnapotoeboe beteekent 
woordelijk : //wordt (is geworden) iets om mee te koken//. Bij mah- 
staat ma- min of meer pleonatisch, daar lo- reeds het perfectief 
aangeeft. De Hr. Br. verzuimt ook hier te wijzen op het infix -t7- 
in de voorbeelden. De vorm maloülapi //al reeds verbannen geworden/^ 
heeft, behalve de voorvoegsels ma- en fo-, ook nog het invoegsel 
'il-. Het is dus waarschijnlijk dat vormen als deze eerst zijn ont- 
staan, toen m-ilro- reeds tot lo- was afgeknot, daar men niet kan 
aannemen dat er vóór een vorm als milotilapi nog eens ma- zou 
zijn gehecht; in zulk een geval zou zeker geen uitwerping van mi 
hebbeu plaats gehad. 

Belangrijk is ook het voorvoegsel ma'^o (bl. 50, N® 15), dat niet 
anders kan zijn dan het M. P. Tnaka; van de k is in de uitspraak 
nog een spoor overgebleven. Terecht rekent de Schr. ma*o onder 
de samengestelde prefixen, daar het uit ma en o bestaat. De po« 
teniieele beteekenis (§ 1) en de possessieve (§ 3) zijn bv. uit de 
Minahassische talen wel bekend. Wat de jussieve beteekenis van 



Digitized by VjOOQIC 



bubukink's budkagbn tot sxns gokontalo'schb speaakkunst. 159 

§£ betreft, ik verklaar die niet recht te begrijpen. De Hr. Br. 
T^meldt ook dat maV in dit geval korter wordt uitgesproken; 
wellieht hebben wij hier met een ander voorvoegsel te doen. 

N^ 16, mapopo (bl. 51) is niet juist verklaard, daar de Schr. 
begrijpelijkerwijze aan zijne opvatting van popo- (bl. 29) was 
gebonden. De achtervoegsels, die de vormen met mapopo- steeds 
aanhechten, zijn de pronomina sufBxa. De vormen met mapopo' 
samengesteld zijn causale vormen, zooals ook uit de vertaling der 
voorbeelden genoegzaam blijkt, waarbij men zich moet te binnen 
brengen,, dat het woord voor //verkoopen// (potalt) een causatief is 
van het woord voor ^koopen// (tali). 

ifaifo.-(N» 17, bl. 51) en mofigo- (N« 18, bl. 52) zijn duidelijk 
genoeg, daar zij uit ma- en ilo- (= M. P. hna) en ngo- zijn 
samengesteld. In het algemeen hadden de met ma- samengestelde 
voorvoegsels, nadat ma- reeds vooraf was behandeld, beter kunnen 
behandeld worden met elk dier voorvoegsels te zamen, daar dit 
voor het spoedig verstaan der beteekenis gemakkelijker is. 

Oroep II (bl. 52) bevat de met mo- samengestelde voorvoegsels, 
waarvan mopo- de verbale vorm is van het bl. 29 behandelde popo-. 
Dit mopo- is dus de aorist-vorm van het causatief, zooals mo^o- (N*> 20 , 
bl. 58) het is van de potentieele en possessieve vormen met o- 
(= M. P. ia\ tegenover de perfectieve met md'o. Ook mololo- 
staat op dezelfde wijze naast lolo- (IX, bl. 40). 

Mofigo' (N® 22, bl. 54) is zonder twijfel, naar het voorbeeld 
van den Hr. Br., op te vatten als samengesteld uit mo- en ngo- 
(X, bl. 42). Evenals manga in het Sang., Tontemb. en andere talen, 
duidt mango- een meervoud aan , of juister gezegd : eene verzameling 
of eenheid van gelijke deelen. Ngo- (voor nga-) is de sterke vorm van 
o- (vroeger ko-^ = M. P. ka-\ dat hier in zijne functie van een- 
heidsaanduider optreedt. De met mongo- samengestelde woorden zijn 
dan ook het best in \ Ned. weer te geven door samenstellingen 
met -beid en -schap, bv. m^ongobohoehiawoe //de jongelingschap//. 
Het zijn dan ook alleen de woorden die eene bepaalde categorie of 
zekeren stand van personen aanduiden, die met mxmgo- worden 
samengesteld; een algemeene meervoudsaanduider is het niet. 

in (N» 23—27). Het op bl. 20 vlgg. behandelde mai- wordt 
gevoegd vóór de vormen samengesteld met de voorvoegsels «w-, po-^ 
ö-, fo,- en loh- (bl. 55 — 57), met geen andere beteekenis dan die 
van aansporing >ykom doen wat het w.w. aanduidt// of van aan- 
wijzing dat het onderwerp komt doen of gaat doen de door het w.w. 



Digitized by VjOOQIC 



160 bbeuunk's budeagen tot ssns ooeontalo^sohb bfraakxlukst. 

genoemde handeling. Opmerkelijk is de accidenteele beteekenis die 
mai' in sommige dezer vormen heeft, geheel overeenkomende met 
die waarin ook wij //komen// gebruiken. Zoo heeft het samengestelde 
praefix maio-y behalve de bet. van de vormen met o- samengesteld 
(bl, 24), ook nog die van vkomen te// en maakt op die wijze den 
vorm accidenteel. Zoo beteekent dus maiohoelota //komen te kunnen 
geleend worden//, maiotalia //komen te kunnen gekocht worden//, 
enz. geheel overeenkomende in formatie met ailjatëlëê^ voor nimai- 
katëtëêy in het Tontemb. De perfecta der maimo' vormen worden 
gemaakt met mailo- (voor mai milo\ wat geheel regelmatig is. 

Maio' vóór substantieven is de accidenteele vorm van de met o^ 
samengestelde stammen, die de bet. hebben van //bezitter vau>/ 
(bl. 26, §2), bv. mai ohele //een huis komen te bezitten//.* 

Mailolo'y de accidenteele vorm der samenstellingen met lolo- , 
beteekent diensvolgens //reeds dikwijls zijn komen te doen wat de 
w.w. vorm aanduidt//. Zie de voorbeelden op bl. 67, onder N® 27. 

IV , N<* 28 (bl. 58)* behandelt het voorvoegsel foV, samengesteld 
uit lo- en 0-, dus den verleden tijd vau o- aanduidende. Neemt 
men aan dat lo- uit milo- is afgeknot en o- uit ko-y dan kan men 
lo*0' herstellen tot miloko , praeteritum van moko- (= M. F. maka) , 
dus M. P. minaiay en dan kan de bet. geene andere zijn dan die 
van //heeft kunnen (kon) doen wat het grondwoord aanduidt//, dus 
Woiali ^heeft kunnen koopen//, lo*olihoe //heeft kunnen baden//, 
Wolalahoe //heeft kunnen geel verven// , lo" ohele ^heeft een huis 
kunnen bouwen//, ló^owadala //heelt een paard kunnen houden//. 
Daar echter, volgens §3, Ici'ooeda'a beteekent //groot doen worden//, 
moet ter verklaring worden verwezen naar bl. 53 , N® 20 , waar mo'o is 
behandeld. In § 2 staan de samenstellingen van nw^o met adjectief* 
stammen opgegeven, deze hebben de bet. //kunnen brengen in den 
toestand dien het adjectief zegt//. Zoo is dus lo^okata te vertalen 
met //heeft mager kunnen maken// , naar mo*oAata //mager maken>/. 

Van het prefix lololo- (N® 28, bl. 59} valt alleen te zeggen, 
dat het een velrsterkte vorm is van het boven besproken lolo-. 

Volgt de V® groep, die de samenstellingen vau een aantal reeds 
samengestelde voorvoegsels met het prefix ma- bevat. De beteeke- 
nissen dezer samenstellingen zijn gemakkelijk af te leiden uit die 
der samenstellende deelen. Ma- voegt aan de reeds samengestelde 
voorvoegsels de beteekenis //al, reeds, geworden tot// toe. Wat 
betreft de omschrijving van de beteekenis der voorvoegsels die in 
deze groep zijn vereenigd, daarbij zouden dezelfde opmerkingen 



Digitized by VjOOQIC 



BUÜKIN:iL'8 BUIOAaXN TOT XBNB GOSONTALO^BOHS 8PILAAKKÜNST. 161 

kannen gemaakt worden als reeds boven zijn neergeschreven bij 
de behandeling dezer voorvoegsels zonder ma'. Zoo is bv. bij N® 31 
(bl. 59) mamaimcp(h en bl. 62, N^ 85 mamaipopo- bij de omschrij- 
ving der beteekenis niet gezegd , dat die causaal is , evenmin als 
dit bij mopo- en popo- is opgemerkt. Het komt mij onnoodig voor 
die reeds boven gemaakte aanteekeningen te herhalen. 

Thans komen wij tot ta- (bl. 64) en oe- (bl. 65), N^" 38 en 89. 
De Hr. Br. verklaart ta- te zijn eene afleiding van taiiH>e ^mensch/r. 
Het is zeer wel mogelijk dat to- eene afkorting is van het bekende 
iau^ to^ toe^ doch de wijze waarop in een groot aantal talen van 
Celebes het woord voor ^mensch>y en dit prefix naast elkaar staan, 
doet vermoeden dat tau^ enz. ook oorspronkelijk een aanwijzend of 
betrekkelijk voornaamwoord was en eerst later in versterkten vorm 
(wellicht door samenstelling met u^anu^ dos toen het de bet. 
/rhij die, zij die, dat wat/i^ had gekregen) ook in de beteekenis 
«mensch/s' in gebruik is gekomen. Het zou eene lange uitweiding 
vorderen dit nader toe te lichten; ik hoop elders gelegenheid te 
hebben nog op deze zaak terug te komen. 

Wat oe- betreft, dit is zeer duidelijk een betrekkelijk voornaam- 
woord en wel een kort.e vorm van het bekende anu. De Hr. Br. 
vertaalt dan ook oeoedd'a terecht met /i^jang bësar, de grootste (de 
groote)./y Dit oeda'a en het volgende oekiki {oeliki is een drukfout) 
bevatten reeds het hier besprokene oe en kunnen dus tweemaal oe 
vóór den stam krijgen. Ook aan de woorden oetelo^ oehilango^ 
oebangge en oelai heeft oe zich als een vast bestanddeel gehecht. 

De achtervoegsels, door den Schr. in de rubriek D (bl. 66 — 77) 
behandeld, zijn in de eerste plaats de pron. pers. su£Bxa, die zoowel 
als bezittelijk voorn. w. als in de functie van agensaanduider bij de 
passieve vormen optreden. De pron. suff. zijn : 

1' pers. e.v. o<? (NM, bl. 66), mvd. ndto incl. (bl. 76, N« 10, 
bl. 79, B), lami^ of lami watia^ excl. 

2* pers. e.v. moe (N® 2, bl. 69), 'mvd. limongoli (bl. 79, B), 
nito (ibid.). 

3' pers. e.v. Ujo (bl. 79, B), mvd. limangolio (ibid.). 

Deze vormen 'moeten vergeleken worden met de volledige vormen 
der pron. pers. 

1* pers. oe is afkomstig van waoe^ de Ot. vorm van M. P. akoe. 
Oelijk ook in andere M. P. talen, wordt dit woord gebruikt, als 
men tot gelijken of tot minderen spreekt. Nederiger is watia^ ver- 
korting van toatotia^ samengesteld uit toato (slaaf) en tia (deze). 



Digitized by VjOOQIC 



162 BUUKINk's BIJD&A6BN TOT EENB GOBONTALO^SCHS SPKAAKKUNST. 

gewoonlijk oetia ^/jaug ini, den deze//; walia is dus = Mal. hamba 
ini. Nog nederiger is waiia watandto^ woordel. ^ik uw slaaf//. 

2^ pers. -tnoe^ het bekende pron. sufiP. dat in zoovele M. P. talen 
staat naast het pron. pers. 2® pers. e.v., in het Gt. io {of jio^ hio^ 
dit hangt van den eiudklinker van het woord af) , staande voor iko , 
waarvan de volledige vorm zou zijn si kau. Een beleefde vorm is 
ito^ zie bij den 1* pers. mv. 

S^ pers. -lio , de regelmatige Gt. vorm van nia , genitief van sta ^ 
en o.a. nog in het Mong. in gebruik, doch in de meeste talen tot 
-nja of -na geworden. Het pron. pers. is tiOy d. i. sia. 

De meervoudsvormen van den 1***° pers. zijn ndto (incl.) en lami 
(excl.). Het laatste is samengetrokken uit lo amiy genitief van ami^ 
de regelmatige Gt. vorm van het M. P. kami. Dit lo^ een korte 
vorm van anu^ het bekende M.P. onbep. voornaamwoord, is het 
gewone lidwoord van een woord dat in den genitief staat en kan 
dus het genitief-aanduidend tusschenzetsel heeten. In zijne functie 
van agens-aanduider is het reeds boven besproken. Eenige voor- 
beelden van genitieven zijn: boengo lo ajoe //boomstam//, tiomboe lo 
olo^oe //grootmoeder der hand (duim)//, tango lo pale //rijsthalm//, 
pani lo woelawa //goudsmid// , ngango lo doeholo /rmond van de borst// 
(maag), maio lo doelahoe //zonneschijf/^, pahoe lo beleoe //de zolder 
van mijn huis//, hoengo lo ajoe //boom vrucht//, lipoe lo HoeUmdtala 
ff&t stad Gorontalo//, oelea lo wadala //paarderug// , botoe lo limo 
//citroenpit//. 

De genitief-aanduider van woorden die het lidwoord ii hebbeu, 
is li (dus: *i, gen. wt, zooals bv. ook in het Tomboeloe'-sch) ; de 
woorden die het lidwoord tot hebben , gebruiken als genitief-aanduider 
lai {sai^ bijvorm van si; in sommige talen is sai^ sei het vragend 
voorn. w. voor personen ; gen. nat). Zie bl. 80 en 85. 

Het pers. v.n.w., 1® pers. mvd. incl. is ito^ de regelmatige Gt. 
vorm van het M. P. kita. Dit dient ook als beleefd v.n.w. van 
den ^^^^ pers., daar men van de beide partijen die in ito besloten 
zijn (gij en ik, gij en wij) de beteekenis geheel naar den 2**° pers. 
overbrengt en er een beleefd v.n.w. van den 2*° pers. van maakt. 
Dit is ook het geval met ndto, dat de Hr. Br. op bl. 76, N<* 10 
behandelt. Dit suffix bestaat uit to (M. P. ta\ de kortere vorm van 
ito {kita) en den tusschenklank «, het genitief-aanduidend lidwoord. 
De Gt. uitspraak van dit -nto is door den Schr. met ndto afgebeeld^ 
dat beter dan nto of ndo de uitspraak aanduidt. Zoo is dus wada- 
landto //ons (uw en mijn) paard//, en ook '/uw paard//, (dat ik uit 



Digitized by VjOOQIC 



B&EUKINK's BUDBAGBN tot eins OOaOirrALO^SCHE SPRAAKKUNST. 163 

eerbied zoo hoog stel, alsof het ook het mijne ware), apoelandto 
«ouze hond^r en //uw hond>/. 

De Hr. Br. geeft op bl. 77 nog op als hoog v.n.w. 1« pers. (tot 
minderen gebruikt), ndtoejay H welk niet anders is dan de genitief 
Tan toeja^ Gt. uitspraak van het Mal. tttan. Ook het roorn.w. 
2* pers. kan beleefdheidshalve worden vervangen door itoeja //Mijn- 
hcer/y. Op bl. 77 worden de voorbeelden gegeven iijamandtoeja ^ 
tilamdioejay tijalaondtoeja ^ vertaald met: bapa, mama, anak toean 
hamba, Mijnheers (uw, er staat abusievelijk: mijn) vader, moeder, 
kind. 

Het mvd. van het pron. suff. 2' pers. li mongoli is de regelmatige 
genitief van het zelfst. voorn.w. 2* p. mvd. ii mongoli. Het bestand- 
deel ti is het lidw. «i, terwijl mongoli is te vergelijken met het 
Ternat. ngoni^ het Mongond. moikou en te beschouwen als een 
meervoudsvorm van ni , vgl. het boven over mongo' gezegde. Mongoli 
is dus te ontleden in mo-ngo-li (= «i), waarin ni de eigenlijke pro- 
nominale stam is, te vergelijken met m, miu^ de stam van het 
pron. suff. 2® pers. mvd. in de Toradja'sche talen, en -mioWy -mio 
in de Minahassische talen. 

Het pron. 3* pers. mvd. is ti mongolio^ dat van zijn Goronta- 
leesch uiterlijk ontdaan, den vorm krijgt «};»an^a»;a //de gezamenlijk- 
heid van hen, het geheel van hen//, zooals ti mofigoli {si mangani) 
is weer te geven met //ulieder geheel, uwe gezamenlijkheid//. De 
genitief van ti mongolio n.1. li mongolio^ dient als pron. possess. 
3* p. mvd. 

Hiermede zijn de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden 
besproken en komen wij tot een merkwaardig achtervoegsel, door 
den Hr. Br. op bl. 72 in de N«»'« 3 en 4 behandeld. Op bl. 20 is 
reeds van dit achtervoegsel gewag gemaakt, daar het in de daar 
gegeven voorbeelden voorkomt. Dit achtervoegsel is n.1. het uit 
het Oad-Jav. en Bis. bekende conjunctief-suffix -a. *) Dat zich tusschen 
eene eind- e of -» en dit achtervoegsel eene j ontwikkelt en na a, 
o en oe eene w, spreekt vanzelf. N® 3 en 4 behooren dus bijeen- 
genomen te worden. De beteekenis is door de omschrijving van den 
Hr. Br. en de door hem gegeven voorbeelden duidelijk genoeg. 

N® 5 (bl. 72) is deenclitica -lo, naar vorm en beteekenis ideu» 



*] De Heer A. Lett, Zendeling-leeraar van het Khijnsche Zendinggenoot- 
schap, deelde mij onlangs mede, dat ook de taal van het eiland Ënggano 
dit conjunctief-8uffix-a kent , b v. oboea „werk toch !" van den stam oboe (werken). 



Digitized by VjOOQIC 



164 BBBUIUNK's BUDBAGXN tot EEXl GOKONTALO'SCHX SPRAAKKUNST. 

tisch met het Mal. -lak. Ook dit is in de vertaling van den Hr. Br. 
duidelijk gemaakt. 

N® 6 (bl. 72), pOy is eveneens meer eene enclitica dan een achter- 
voegsel. Het heeft in H algemeen de beteekenis //nog/ir, bv. dipoy 
Bur. bq>a Tont. rd*ipe\ Mal. bëlompai, //nog niet'/. In de voor* 
beelden op bl. 78 is po vertaald met //eerst nog//. Op bl. 74 en 
75 wordt in 'S^ 2 door de voorbeelden aangetoond, i^t po aan het 
naamwoordelijk deel van het gezegde wordt gehecht, wanneer dit 
den nadruk verlangt. Het betr. vooru.w. oe wordt dan proclitisch 
vóór het w.w. deel van het gezegde gevoegd en lo enclitisch er achter, 
bv. palepo oe talijolo //rijst eerst nog is het die gekocht worde.// 

Thans komen nog drie richtingswoorden , die eveneens enclitisch 
achter de werkwoordsvormen worden gevoegd. Het zijn nuCo dat 
eene richting van den spreker af, maji dat eene richting naar hem heen 
eu motay dat eene richting van spreker en aangesprokene verwijderd 
aanduidt. Van deze woorden is maji duidelijk genoeg, mako is in 
het Tontemb. een richtiugaanduider voor het Westen, de streek die 
de wijde verte aanduidt, omdat daar de zon verdwijnt. Yan inota 
ken ik geen equivalent. 

Hoofdstuk III (bl. 78 en 79) behandelt de telwoorden. Hierbij 
valt in de eerste plaats op te merken, dat de hoofdtelwoorden 1 — 10 
een gered upliceerden en een niet geredupliceerden vorm hebbeu. 
Ojindta moet worden opgevat als een gered upliceerde vorm van 
isa , doeloewo van doewo , totoloe van toloe. De overige vormen hebben 
O' voorgevoegd en daarnevens ongeredupliceerde vormen, zoodat de 
meeniug voor de hand ligt, dat de eerste letter is afgevallen. Zoo 
ZQXk dan olimo staan voor lolimo^ opitoe voor popitoe. Ook is het 
mogelijk dat vormen als opaio^ olomo^ owalo zijn nagevolgd, iets 
wat gemakkelijk kan plaats hebben bij de telwoorden, die dikwijls 
achter elkaar worden opgenoemd, waarbij dan allicht een streven 
ontstaat om zé aan elkaar gelijk te maken in aanvangssjUabe en 
aantal lettergrepen. Op deze wijze zou dan ook opoeloe naast m<h- 
poeloe zijn te verklaren. 

toewawoe nééixff moet wel met een numeratief zijn samengesteld, 
doch ik kan niet zeggen met welk. 

De 10-tallen 20 — 90 hebben lo tusschen de benaming van het 
aantal tientallen en het tiental. Doelopoeloe .//twintig// staat voor 
doeolopoeloe; towoelopoeloe //dertig// voor toloelopoeloe. Bij toopatopoeloe 
(40) en wolomopoeloe (60) is geen tusscheuzetsel lo ingevoegd, waar- 
schijnlijk om het aantal lettergrepen niet uit te breiden boven de 



Digitized by VjOOQIC 



breukink's bijdragen tot ebne goeontalo'sche speaakkunst. 165 

o, terwijl daarenboven nti to en tno de lettergreep lo zich niet 
handhaaft. 

Moietoeto (100) is te vergelijken met Tontemb. maatoes^ daar het 
met nuh is gevormd. Van af lihoe (voor riwoe) hechten de duizend- 
tallen het reeds boven besprokene ngo- aan; lakita is overgenomen 
Tan het Mal. laksa. 

De breuken zijn omschreven met tajadoe //deel//. Ngapalapa is 
ove^enomen uit ^t Mal. ph'ampai. De distributiva zijn gevormd 
met po- bv. pooloewo^ woordelijk //om twee te maken v. Het woord 
Toor //eenmaal//, pe'endta is van denzelfden stam isa als waarvan 
QJkdta ffééuff is afgeleid. 

De ran^etallen zijn gevormd met het betr. v.n.w. oSy het prefix 
o- en het suiSx -lio^ dus oeoloewolio >9^jang kadoeanja, de tweede//. 

Van de vragende en aanw. voorn. w. onder C en I) op bl. 79 
bevat iita »w\e^f/ het lidw. ti (= *i), terwijl ia (= sa) een algemeen 
vraagwoord is. Tonoe is waarschijnlijk samengesteld met het be- 
kende anoe. 

De aanwijzende v.n.w. oettja en oejito bevatten het betr. v.n.w. 
oe-, iia is id. met het pers. v.n.w. S« pers. enk. tija (=«a); een 
andere vorm is teja rfYattf. Yan oejito is de stam ito^ het Mal. enz. 
üoe^ terwijl teia tot dit ito stuatals Jav. ika tot ihoe. De a-klank 
in de laatste lettergreep wijst een grooteren afstand aan dan de oe^ 
waarschijnlijk omdat bij het uitspreken der a de lippen verder 
worden uitgestoken en dus een grooteren afstand aanwijzen dan bij oe* 

Ik zal hier mijne bespreking van den taalarbeid van den Heer 
Brenkiuk eindigen, die ik alleen heb ondernomen uit belangstelling 
in zijn leerzaam boek en uit lust om eens te laten zien welk een 
bruikbaar werk de Schrijver ons heeft geleverd. 

Dm Haag, April 1907. 



V Volgr. VI. 12 



Digitized by VjOOQIC 



AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 



DOOR 

H. KERN. 



Aan de vergelijkende taalwetenschap, die in deu loop der 19^* eeuw 
zich voortdurend iu breedte en diepte ontwikkeld heeft, is het te 
danken dat wij nauwkeurig de grenzen kunnen bepalen van een 
aantal grootere en kleinere taalfamiliën , en dat de verwantschap die 
tusschen de leden van elke taalfamilie bestaat volgens vaste regeleu 
aangetoond en bewezen wordt. Elke familie heeft hoofdkenmerken 
die aan al haar leden gemeen zijn, en onderscheidt zich, in haar 
geheel beschouwd, kennelijk van andere familiën. Niettemin komt 
het voor, dat men enkele punten van overeenkomst ontdekt die niet 
uit ontleening kunnen verklaard worden. Zijn die punten van over- 
eenkomst dan slechts schijnbaar, toevallig? of zouden twee familiëu , 
hoezeer thans en reeds vóór veel eeuwen duidelijk onderscheiden , 
soms tot een hoogere eenheid kunnen herleid worden? De antwoorden 
hierop zijn niet eensluidend. Het heeft niet ontbroken aan pogingen 
om aan te toonen dat er wel degelijk verwantschap, al is het dan 
ook in verderen graad, tusschen sommige verschillende taalfamiliën 
bestaat. Een Italiaansch geleerde, Trombetti, heeft zelfs beproefd 
de gemeenschappelijke afkomst van alle talen aan te toonen. Zulk 
een onderneming is ontijdig en moest daarom reeds onvermijdelijk 
mislukken. Men bedenke wel, dat de oudste vorm waartoe wij de 
talen van elke familie kunnen herleiden, wel is waar niet met vol- 
komen nauwkeurigheid in allen deele, maar toch met een voldoenden 
graad van juistheid, volstrekt niet is wat de Daitschers noemen 
een //Ursprache// — een term dien men liever geheel moest ver- 
bannen — maar wel beschouwd een tamelijk //moderne// taal ; dat 
wil zeggen, een taal welke eeuwen en eeuwen van ontwikkeling 
had doorgemaakt voordat ze het standpunt had bereikt dat voor 
onzen blik ^t oudste, maar op zich zelf laat, jong is. Zou iemand 
nu willen beproeven een paar verschillende taalfamiliën, bijv. de 
Indogermaansche en de Ural-altaïsche , tot een gemeenschappelijkeii 



Digitized by VjOOQIC 



AUSTRONESISCH IN AUSTBOASIATISCH. 167 

oorsprong terug te brengen, dan moet hij trachten de eigenaardig- 
heden die zich in verloop van tijd in elk der twee vergeleken 
familiën ontwikkeld hebbeu of kunnen ontwikkeld hebben, van de 
bestanddeelen en vormen welke van den beginne af aan elk der twee 
eigen moeten geweest zijn, te scheiden. Vooralsnog is zulks in veel 
gevallen onmogelijk; z66ver is de wetenschap nog niet gevorderd. 
Maar aan den anderen kant is het niet te ontkennen dat er soms 
tüsschen twee familiën zooveel en zóó treffende punten van overeen- 
komst zijn , dat men onmogelijk aan toeval of ontleening kan denken. 
Zalk een geval doet zich voor bij de Chamitische taalfamilie , waartoe 
0. a. ^t Egyptisch behoort, en de Semitische. Dat deze twee taai- 
stammen onderling verwant zijn, en niet eens in vèr verwijderden 
graad, is onwedersprekelijk. 

Een hoogst belangrijke ontdekking — als zoodanig mag men het 
bestempelen — betreft de verwantschap tüsschen een ander stel van 
taalfamiliën , namelijk de Maleisch-Polynesische en de Mon-Khmertalen, 
bij welke laatste zich aansluiten nog eenige andere talen in Achter- 
en Voor-indië. Aan 't betoog van den samenhang van deze twee 
fiamiliën is gewijd een onlangs verschenen werk getiteld //Die Mon- 
Khmer-Völker ein Bindeglied zwischeu Völkern Zentralasiens und 
Aostronesiens"' * door Pater W. Schmidt, wiens verhandeling over 
^Die Sprachen der Sakei und Semaug auf Malakka und ihr Yer- 
haltüiss zn den Mon-Khmer-Sprachen// in der tijd, zooals men zich 
herinneren zal , verschenen is in deze B ij dragen 6* Volgr., Deel VITI. 
Na deze verhandeling verschenen van zijne hand //Grundzüge einer 
lautlehre der Mon-Khmer-Sprachen// (in Denkschriften der 
KaiseTl. Akad. d. Wiss. in Wien, phil.-hist. KL Bd. III),en 
«Grundzüge einer Lautlehre der Khasi-Sprache in ihren Beziehungen 
zu derjenigen der Mon-Khmer-Sprachen// (in Abhaudlungen der 
Kon. Bayer. Akad. d. Wiss. (KI. I, Bd. XXII, Abt. 3). 

In de drie .laatstgenoemde verhandelingen werd het bewijs ge- 
leverd dat in Achter-indië een gausche groep van onderling ver- 
wante talen bestaat, geheel verschillend van 't Siameesch en Burmeesch, 
d.i. van de Chineesch-Tibetsche familie. Bedoelde groep omvat Mon, 
Khmer, Palong, Wa, enz.; voorts Semaug en Sakei; Khasi en 
Nicobarisch. 

Keeds geruimen tijd vóórdat Pater Schmidt de Mon-Khmer-talen 
tot onderwerp zijner studiën maakte , had Prof. E. Kuhn belangrijke 

'Herdrukt uit Archiv für Antropologie, N. F., V, 1 & 2 (Bruns- 
wijk, 1906). 



Digitized by VjOOQIC 



168 AUSTBONESISCH EN AUSTR0ASIATI90H. 

punten van overeenkomst aangewezen tusschen genoemde Achter- 
indische talen en een groep in Yoor-indië , welke H Mu][^4& en Santali 
omvat. Verder onderzoek heeft de verwantschap tusschen de Mon-Kmer- 
eu Mu^da-talen bevestigd. 

De taalfamilie gevormd door Mon-Khmer , Muii^da, Nicobar, Khasi, 
Semang onderscheidt zich , gelijk reeds met een enkel woord gezegd, 
scherp van de Chineesch-Tibetsche-Siameesche-Burmeesche üamilie. In 
welke verhouding staat ze echter tot de Maleisch-Polynesische , of, 
zooals Pater Schmidt ze noemt, Austronesische familie? De oplossiug 
nu van dit vraagstuk is beproefd, en wel met goed gevolg, wat de 
hoofdzaak betreft, in 't bovenvermelde werk //Die Mou-Khmet-Völker//. 
Om den lezer een denkbeeld te geven van den inhoud van dit voor 
de beoefenaars der Indonesische talen hoogst belangrijk geschrift, 
moge hier een overzicht volgen van hetgeen de Schrijver tot staving 
van zijn gevoelen aanvoert. 

Na met voldoende uitvoerigheid in H licht gesteld te hebben in 
welke verhouding de Austroasiatische talen ^ tot elkaar staan, stelt 
hij als uitkomst van \ onderzoek vast , dat : de innige samenhang 
tusschen de Mu^da-talen met het Nicobarisch, Khasi, Mon-Khmer 
zeker is; een samenhang die niet louter een hypothese is, maareen 
feit, hetwelk denzelfden graad van zekerheid bezit als bijv. de 
onderlinge verwantschap der Indogermaansche talen (blz. 17). 

In tabellarischen vorm vinden wij bedoelde talen aldus gegroepeerd : 

I. a. Semang. 

b. Senoi (Sakei en Tembe). 
II. a. Khasi. 

b. Nicobar. 

c, Wa, Palong, Riang. 

IIL a. Mon-Khmer (met fiahnar, Stieng, enz.). 
b. Mu][^da-talen. 

e. Tjam, Rade, enz. Vermengingen met austronesische talen. 
In een afzonderlijk hoofdstuk wordt uitgeweid over de anthropo- 
logische kenmerken der volken die Austroasiatische talen spreken. 
Op grond van door anthropologen verzamelde gegevens komt Schrijver 
tot de slotsom dat al die volken physiologische kenmerken gemeen 
hebben waardoor zij zich zoowel van de liadogermaansche als van 
de Chineesch-Tibetische volken duidelijk onderscheiden. 



^ Deze naam is door den schrijver gekozen ter aanduiding der Mon-Khmer- 



Digitized by VjOOQIC 



AUSTSONS8I80H SN AU8TB0A8XATI80H. 169 

Het belangrijkste gedeelte, het eigenlijke hoofddoel van 't werk, 
is: 't bewijs te leveren dat de Austroasiatische en de Austronesische 
talen met elkaar in verband staan, een verband niet zóó nauw als 
er bestaat tusschen de leden van elk dezer twee familiën onderling, maar 
toch een onmiskenbaar, al is het dan ook meer verwijderd verband. 
Om deze stelling te bewijzen» wordt de aandacht gevestigd o. a. op 
de overeenkomst in klankstelsel; in de oorspronkelijke overeenkomst 
iu de woordvorming; in de aanhechting van 't bezittelijk voornaam- 
woord; in de gelijkheid van een groote menigte wortel woorden. 

Wat het klankstelsel betreft, is op te merken dat de aspiraten 
die thans in de Mon-Khmer- en Mu94&-^&lcn voorkomen , zeker niet 
oorspronkelijk zijn. Zoo oordeelt Pater Schmidt, en ik ben het ge- 
heel met hem eens. Maar hij dwaalt als hij meent dat aspiraten in 
de Austronesische talen geheel ontbreken. O. a. heeft het Madoereesch 
zeer ene^ische aspiraten; zoo ook 't Atjehsch. Ook is het duidelijk 
dat de f en V (niet te verwarren met w), welke in zooveel talen 
der bmilie voorkomen, thans spiranten, eenmaal aspiraten moeten 
geweest zijn. Ook de Toba-Bataksche h (nog steeds door k uitgedrukt) , 
gewestelijk als onze ch klinkende, en de Niasche spirantische g 
(gh, niet ch, zooals de Duitsche zendelingen spellen) moeten zich 
uit aspiraten ontwikkeld hebben. Dit neemt niet weg, dat oorspronkelijk 
de lustronesische talen geen aspiraten bezaten, en in zoover blijft 
de stelling van Pater Schmidt in kracht. 

Id de woordvorming vertoont zich de overeenkomst door 't gebruik 
van prefixen, infixen en suffixen. Vooral 't voorkomen van infixen 
is zeer merkwaardig. 

Een derde punt van overeenkomst is het possessiefaanhechtsel. 
Geheel onjuist echter is de bewering (blz. 49) dat de Austronesische 
talen alleen den enkel vouds vorm der voornaamwoorden aanhechten, 
ook waar de bezitters meervoudig zijn. Willekeurig en in strijd met 
bekende klankwetten is ook de meening (blz. 50) dat het enkelvoud 
kan zon ontstaan zijn uit kamu, terwijl dit laatste blijkbaar een 
voouderde meervoudsvorm is van mu, gelijk kapwa van pwa. 
Deze functie van k a is ook te herkennen wanneer het zgn. abstracta 
vormt, want de abstracta zijn oorspronkelijk collectief begrippen. 
Voorts duidt het prefix ka ook gelijkheid aan; natuurlijk, want de 
begrippen ^gelijk, tegelijk, samen^ raken elkander. 

Een aanzienlijke plaats is ingeruimd aan de ve^elijking van den 
woordenschat der twee taalfamiliën. Het kan niemand die de lijst 
nagaat ontsnappen dat zooveel eenlettergrepige stamwoorden in de 



Digitized by VjOOQIC 



170 AUSTROKESISOH EN AUSTR0A8IATI8CH. 

Austroasiatische talen teruggevondeu worden in Austronesische twee- 
lettergrepige stammen bestaande uit m. m. hetzelfde bestanddeel 
vooraf gegaan door een ander. Dit is een schitterende bevestiging 
van de meermalen uitgesproken en met redenen omkleede stelling 
dat de tweelettergrepigheid dèr stam woorden, die ^t meerendeel uit- 
maken in de Maleisch-Foljnesische talen, een gevolg is soms van 
reduplicatie, meest van samenstelling van een éénlettergrepigen 
wortel met een of ander formatief, welks functie slechts hoogst 
zelden te herkennen is, als behoorende tot een voorhistorisch tijd- 
perk der taal. Deze samengestelde vorm der meeste Austronesische 
stamwoorden, al ontbreken soortgelijke niet in de Austroasiatische , 
is een van de meest kenmerkende verschillen tusschen de twee 
familien die met elkander in een verwijderd , maar onmiskenbaar ver- 
band staan. Met andere woorden, er moet eenmaal in. een zeer ver 
verleden , een taal gesproken zijn door een volk dat zich om onbekende 
redenen en op een niet te bepalen tijdstip in twee deelen gesplitst 
heeft; elk deel heeft zich zelfstandig ontwikkeld in verschillende 
richting, zoodat allengs de verschillen zóó groot zijn geworden dat 
de Austroasiatische en de Austronesische talen twee afzonderlijke, al 
is het dan ook verwante familien uitmaken. 

Begrijpelijkerwijs zal men in de vrij lange reeks van vergelijkingen 
enkele ontmoeten die twijfelachtig, andere die onjuist zijn, maar 
na aftrek van al zulke gevallen blijft er genoeg en meer dan ge- 
noeg over om onomstootelijk te bewijzen wat de Schrijver betoogen 
wilde. Slechts op één onjuistheid voel ik mij genoopt de aandacht 
te vestigen omdat ik zelf de schuldige ben , niet Pater Schmidt. Het 
betreft N® 139 (blz. 146), waar eenige woorden voor >/zon'' ten 
onrechte in verband gebracht zijn met Fidji rara. Want Sawu lodo, 
Sumba lodu, Rotti lëdo, Moa, Letti Ier, Timor neno, Kei Ier, 
zon, zijn vormen van een wijdverbreid woord dat in ettelijke ver- 
wante talen //dag// , in andere //zon// , in nog andere beide beteekent : 
Dajak andau, dag; pandang andau, zonneschijn; Toumbulu, 
Tonsea, enz. ëndo, dag, si ëndo (eig. de Dag, verpersoonlijkt, 
dusz. V. a. Daggod), zon; Bisaya ad la o; Bikol, Pampanga, Uoko 
a 1 d a o , Tagalog a r a o , zon ; Bentenan 1 a u , Makassaarsch allo, Bug. 
aso, dag, zon; Ibanag aggau, dag; Malagasi maso andro, zon; 
Fate, Sesake, Lo elo, zon;Apimat ni e 1 o , oog van den dag, zon ; 
Lakon, Whitsuutide aio, Lifu dho,Nangone du, YanuaLava lo, 
Botuma a s t h a , Yaturanga aso, Morida , Ysabel a h o , zon ^ , Samoa 

1 Voor nog andere voorbeelden zij verwezen naar Godrington , Melan. Lang. 61. 



Digitized by VjOOQIC 



AÜST&ONBSISCH EN AUSTROASIATISCH. 171 

aso, Tonga aho, Maori ao, dag, daglicht; een afleiding is Jav. 
andon, dagelijks. Al deze vormen laten zich herleiden tot zoo iets 
als a^dau, ë94au- Wegens de verwantschap tusschen de linguale 
9 en 1 werd daarnit in sommige talen al dan. Dewijl ld een 
ongewone medeklinkerverbinding is, vermeed men deze deels door 
Terplaatsing, zoodat ad la o ontstond; deels door omzetting, gelijk 
in lëdo, waaruit door invloed der klinkers in den nitgang, lodo, 
enz. werd. 

Een geheel ander woord is Maori ra, Samoa Ift, zon. Uit den 
gerekten klinker blijkt dat het woord oorspronkelijk op een nasaal 
nitging. Derhalve is het etymologisch identisch met Eromanga dan, 
Yap, Marshall-eil. ran, Lifu dra, N. Caledonië tan, Florida 
dani, dag. In de Indonesische talen komt, voor zoover ik weet, 
dit niet meer als zelfstandig woord voor, maar des te meer als be- 
standdeel van afgeleide stamvormen; o. a. Jav. padang, licht, 
schijnsel (van zon of maan); tërang, helder; arang, doorschijnend, 
ijl, dun; larang, schaarsch; Dajak pandang (andau), (zonne) 
schijn; in de godentaai: dag; mandang, zich warmen; Batak 
torang, 't aanbreken van den dag, Hdagen; patorang ari, 
bij 't aanbreken van den dag; Alor taran, Ot Danum braug, 
helder; Toumbalu tërang, Tagalog ma dalang, helder, duidelijk; 
Ibanag dalang-arang, helder schijnsel (der maan); glans (van 
goud), enz. Tot denzelfden stam zal wel behooren Kdji rara, zich 
bij 't vuur warmen. 

Het mag nu als vaststaande beschouwd worden dat de stamvaders 
der Austroasiatische en Austronesische volken (althans in linguistisch 
opzicht) , welke Pater Schmidt als // Austrisch>/ bestempelt , van Voor- 
indië uit geleidelijk zich oostwaarts verbreid hebben. Dit is niet in 
strijd met de uitkomst van mijn eigen onderzoek omtrent het stam- 
land der Maleisch-Polynesische (Austronesische) volken. Op grond 
Tan taalkundige gegevens plaatste ik dat stamland aan de oostkust 
Tan Achter-indië. Ik verklaarde evenwel uitdrukkelijk dat ik het 
secundaire stamland bedoelde, d. i. de streek waar de voorouders 
der Malaio-Folynesiers 't laatst als een samenhangend geheel woonden 
eer dat afdeelingen er van zich afscheidden om over zee nieuwe 
woonplaatsen op te zoeken. Waar het oudere stamland te zoeken was, 
kon uit de taalkundige gegevens zelfs niet bij benadering vastgesteld 
worden. Thans kunnen wij een stap verder gaan: wij weten nu dat 
er verwijderde verwanten der Austronesiërs in Voor-indië te huis 
behooren. Volgens de onderzoekingen van Dr. Sten Konow zijn niet 



Digitized by VjOOQIC 



172 AU8ÏRONESI9CH EN AUSÏROASIATWCH . 

alleeu de Mu^da-teleu met het Mon-Khmer verwant, doch vindt 
men ook een reeks van taaieigens in ^t lagere Himalaja-gebied , van 
Kanawar in den Panjab tot aan Barjiling, welke hoezeer Tibeto- 
Burmeesch in karakter, toch overblijfselen vertoonen van een oude taal , 
die de kenmerken draagt van U Muigi^a. Zelfs al laat men deze 
hybridische taaieigens buiten rekening, dan moet men toch tot de 
slotsom geraken dat de voorouders der Austroasiaten en Austronesiërs 
eene oudere laag der bevolking van Voor-indië hebbeu uitgemaakt , 
en door jongere aankomelingen , nl. Ariërs en Drawida's, naar 
onherbergzame streken zijn teruggedrongen geworden , voor zoover 
zij niet met de Arische en Drawidische bevolking zijn versmolten. 
Doch .ook Voor-indië zal wel niet het primaire stamland zijn, en 
als wij bedeukeu dat Ariërs en Drawida^s beide uit het Noordwesten 
in Indië zijn doorgedrongen, de eenen in Oostelijke, de anderen iu 
Zuidwestelijke en Zuidelijjce richting, dan ligt het vermoeden voor 
de hand dat reeds vóór hen de Austriërs uit het Noordwesten zijn 
gekomen, dus uit een Midden-Aziatisch gebied. Daarom noemt dan 
ook Pater Schmidt die Mon-Khmer-volken (met inbegrip natuurlijk 
der Voor-indische verwanten) //ein Bindeglied zwischen Völkem 
Zentralasieus und Austronesiens//. Een duidelijk overzicht van ''t 
groote gebied waarover de twee verwante taalfamiliën zich uitgebreid 
hebben, geven twee der drie kaarten welke aan 't zoo belangrijke 
werk zijn toegevoegd. 

Alvorens te besluiten nog een paar woorden over de tot nog toe 
niet gangbare, door den Schrijver fi^ekozen termen Austronesisch , 
Austroasiatisch en Austrisch. De eerste dient ter vervanging van de 
thans meest gebruikelijke benaming Maleisch-Polvnesisch , die volgens 
Schmidt niet recht past. Dat is ook zoo. Indien men de geheele 
reeks wil aanduiden door de uiteinden te noemen; zou men moeten 
zeggen Malagasi-Polynesisch , want de Maleiers wonen niet in \ 
uiterste Westen. Minder bezwaar zou er bestaan tegen den naam 
Oceanisch, die door sommigen gebruikt wordt. //Austronesisch/i^ heeft 
dit voordeel dat door de wijze van samenstelling 't verband wordt 
uitgedrukt hetwelk tusschen de drie gekozen termen bestaat. Wel is 
waar is het een samenkoppeling van een Latijnsch met een Grieksch 
woord, doch zulks komt in kunst woorden meer voor, ca. in ter- 
minologie. Of de nieuwe namen algemeen bijval zullen vinden, 
zoodat zij allengskens algemeen in zwang zullen komen , is iets waar- 
omtrent het onvoorzichtig ware zich aan voorspellingen te wagen. 



Digitized by VjOOQIC 



HET WOORD VOOR PAUW IN SANTALI, 
MON EN INDONESISCH. 



• DOOR 

H. KEBN. 



De pauw heet iu 't Santali marak, Mon mrSk. Ditzelfde woord 
TÏnden we terug in ettelijke Indonesische talen : Javaansch , Suuda- 
neesch mërak, Maleisch mSraq, Makassaarsch marr&, met 
bepalend lidwoord: niarrak-a, de pauw; Bugisch mërr^, Oud- 
javaansch mrSk. In H Ngadju-Dajaksch is marak de benaming 
ran den fazant. 

Het behoeft geen betoog dat het Indonesische woord niet ontleend 
kan zijn aan H Santali. Evenmin kunnen de Santals het overgenomen 
hebben van de Mons of omgekeerd. Het moet dus gemeengoed 
der taalfamilie wezon die Pater Schmidt als de Austroasiatische be- 
stempelt. Het is denkbaar dat de voorouders der Indonesiërs H woord 
overgenomen hebben van de Mons of een hiermee na ver wanten stam , 
maar dan moet die ontleening hebben plaats gehad in een zeer ver 
verleden, toen die voorouders nog in Achter-indië woonden. Het is 
echter evengoed denkbaar dat het woord, zoo geheel verschillende 
yan de Arische en Drawi4ische benamingen van de pauw, een der 
Tele is welke Austroasiaten en Austronesiërs van ouds her gemeen 
hebben. Wanneer men weet dat het algemeen Maleisch-Folyuesische 
woord voor jfoogff mata, enz., in de Austroasiatische talen terug- 
gevonden wordt als mat, enz., dan zal men erkennen dat voor de 
laatste veronderstelling de waarschijnlijkheid pleit. Doch volstrekte 
zekerheid bestaat hieromtrent niet, zoolang men de etymologie van H 
woord niet heeft opgespoord. 



Linguistic Survey of India. 

Nq \ onderzoek naar de verwantschap der Mu94a-talen , waaronder 
het Santali de voornaamste is, in Voor-indië, met de Mon-Khmer- 
talen in Achter-indië, door de geschriften van Pater Schmidt een 



Digitized by VjOOQIC 



174 HET WOORD VOOR PAUW IN SANTALT, MON EN INDONESISCH. 

schrede voorwaarts heeft gedaan , komt te rechter tijd !de verschijning 
van het 4^® Deel van de Linguistical Survey of India. Onder 
de bekwame leiding van den Heer O. A. Orierson, bevat ook dit 
door D^. Konow te Christiania bewerkte Deel van 't prachtig uit- 
gevoerde werk een schat van bijdragen tot de kennis der Mu^da- 
talen, alsook der Drawi4ische dialekten. 

Over den rijken inhoud van 't boek zal hier niet uitgeweid worden, 
daar deze regelen enkel bestemd zijn dm de aandacht er op te vestigen. 
Een enkele opmerking slechts omtrent de Inleiding moge hier een 
plaats vinden. 

Op blz. 17 , waar D^ Konow het gevoelen van Prof. V. Thomsen 
ten aanzien van een verwantschap tusschen de talen der inboorlingen 
van Nieuw-Holland en die der Mu^^da's aan kritiek onderwerpt, 
geeft hij als 't voornaamwoord 1 pers. enk. op nu, n in de Melane- 
sische talen. Dit is onjuist, zooals men zien kan uit Codrington, 
MeJanesian Languages, p. 112, vgg. Wel komt voor nu, wat niets 
anders is dan een verschrompeling van njaku. Het kan niet genoeg 
herhaald worden dat dergelijke vergelijkingen louter op den tegeii- 
woordigen klank af, niet de minste waarde hebben. Wie zich aan 
taal vergelijking waagt inoet de historische methode volgen , d. i. 
trachten thans bestaande woorden volgens bekende regelen te her- 
leiden tot den oorspronkelijken , of althans oudst bereikbaren vorm. 
Doet men dit, dan ziet men dat er tusschen 't nu in zeer afgesleten 
Melanesische talen — om van 't denkbeeldige nu niet te spreken — 
en de vormen in de Nieuw-Hollandsche talen geen overeenkomst 
bestaat. Ook tusschen Sant&li ing en inyaku, nyaku is er geen 
verband te bespeuren, tenzij ing afgesleten is uit inyaku, wat 
zonder bewijs niet aangenomen mag worden. Eer zou men ing 
mogen vergelijken met Sundaneesch aing, ik. 



Digitized by VjOOQIC 



MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, 
RAPPANG EN SOEPA. 

DOOR 

H. DE VOGEL Hzn., 
Contr. B. B. 

Het landschap Sidenreng, zooals het thans, na afscheiding van 
Bappang en Malloese Tasie is ingekrompen, wordt begrensd: 

ten Noorden door Bappang, ten Oosten door Wadjo, ten Zuiden 
door Soppeng en ten Westen door Malloese Tasie, Soepa, Alita en 
Sawitto. Het is , zelfs in den tegenwoordigen toestand , zoo niet het 
grootste landschap van de Westkust van Gelebes , dan toch het meest 
bevolkte. 

Behalve het eigenlijke Sidenreng, dat uit de acht banoewa^s 
Teteadji, Watang Sidenreng, Masepe, Alakoeang, Lisa, Aratang, 
Goeroe en Liwoewoe wordt gevormd, bestaat het landschap uit: 

a. de 5 lili's: Amparita, Tjerewali, Bilokka, Wanio en WataE; 

b. de lilipitoeriassa : Batoe, Botto, Betaoe, Baroekoe, Kalempang, 
Lamerang en Baramase; 

c. de lili pitoeriawa : Bila, Oting, Botto, Boeloetjenrana, Ogi, 
Djampoe en Baroekoe. De sub b en c bedoelde lili^s zijn neder- 
zettingen van vreemdelingen binnen het gebied van Sidenreng. Zij 
hebben ieder een eigen aroeng en hadat. Zij worden als van minder 
belang voor deze zaak buiten beschouwing gelaten. 

Het landschap Sidenreng wordt bestuurd door een Adatoewang, 
bijgestaan door een hadat. 

Na de militaire actie tegen Sidenreng deed de toenmalige Adatoe- 
wang, La Sadapotto, afstand van het bestuur en werd hij opgevolgd 
door zijn zoon La Tjeboe. ^ 

* Een onderzoek, of het waar is dat het bestuur van Sidenreng alleen in 
de mannel^ke linie erfelijk is, bracht aan het licht dat vroeger in dat rijk 
wel eens eene vrouw Adatoewang is geweest terwijl een mstn Aroe van 
Kappang was, dat deze bestuurders (zonderling geval) van waardigheid 
hebben verwisseld en dat sedert dien tijd alleen mannen bestuurders van 
Sidenreng zijn geweest. Men deelde tevens mede dat, wanneer alleen eene 
yronvr als ana-patola over zou blijven, men haar tot Adatoewang zou ver- 
liezen, haar zou laten trouwen, en haar man tot Soeledatoe zou nemen die 
haar dan in het bestuur zou moeten vervangen. 



Digitized by VjOOQIC 



17^ X£D1D££LI50EX BfmEFFEXDE SIDKSMXSG, MAFFASG KS 90EPA. 

d'x/r deu AioeDg eii den pabitjara: zij zij o feitelijk niet anders daa 
de h'Xifden raa de hierboren rermelde kampoengs. 

De inkomsten rau de bestaurdera Tan Bappang varen Toornamelijk 
die, genoten uit de opbrengst van: 

a. de kasoewiaugvelden , die tijdens den Troegeren adatoewang 
steeds bewerkt werden, maar die tijdens La Sadapotto onbewerkt 
moesten blijven nit gebrek aan water; 

ö. de trjlgelden, bedragende 10 duiten per doorgaande pa'eke 
^pikolpaard); 

e. de s^^es^iengpassar, zonder vasten r^el geind van paasergangers 
die artikelen brachten, benoodigd voor de dagelijksche behoeften 
van den Aroeng. Deze hefBng werd in natura gevorderd. 

d, in- eu uitvoerrechten van copra, ten bedrage van omstreeks 
5 pCt. van de waarde , van opium ten bedrage van f 2. — per bol ; 

e. de monopolie^s van zout , sirih en tabak , welke artikelen alleen 
door den vorst werden verkocht. 

De geestelijkheid in het landschap Bappang bestaat nit 1 Kadli 
(ook optredend voor Imam van Watang Bappang) en 8 Imams, voor 
elk der banoewa^s een. In elk banoewa vindt men 4 chatibs. 

Kleine zaken betreffende huwelijks- en erfrecht worden beslist door 
den Imam van de betrokken banoewa. Groote zaken en zaken waarin 
zij niet kunnen beslissen, worden gebracht voor de Sjarat van het 
landschap, bestaande uit den Kadli en de 8 Imams. 

Het landschap Soepa wordt begrensd: 

ten Noorden door het landschap Sawitto en Alieta, ten Oosten 
door Alieta en Soreang, teu Zuiden door Soreang en de baai van 
Pare- Pare, en ten Westen door de zee. 

Het is een zeer klein landschap geworden nadat, in het begin der 
vorige eeuw, de z.g. Malaese Ta sie daarvan afgescheiden eu aan 
Sideureug in leen werd gegeven. 

V66t de jongste militaire actie werd het landschap bestuurd door 
eeue Aroeng met deu titel van Datoe, bijgestaan door een hadat. 
Deze hadat bestaat tegenwoordig uit: 1 Kapala bitjara, 2 pabitjara^s 
en 2 matowa^s. De Kapala bitjara is eene instelling van ongeveer 
een jaar oud. Deze waardigheidsbekleeder diende als plaatsvervanger 
van deu Datoe, die — zoon van den radja van Gowa — steeds 
in Gowa woonde. 

Vroeger was een Soelewatang, hoofd van de hadat, maar sedert 
de laatste 20 jaar is die waardigheid niet vervuld. De pabitjara's 



Digitized by VjOOQIC 



MSDB DEELINGEN BETKEFFENDE SIDENBENG, UAPPANG EN SOBFA. 179 

en de matowa^s hebbeu geen bepaald gebied , waarover zij het beheer 
roeren, maar dienen om bevelen te geven en over te brengen. 

Bij overlijden van den Datoe wordt zijn opvolger door de hadat 
eo de menigte gekozen uit diens kinderen, onverschillig of zij van 
het mannelijk of vrouwelijk geslacht, de oudste of jongste zijn. Bij 
ontstentenis van kinderen wordt de opvolger gekozen uit de andere 
erfgenamen [steeds ana patola^s]. 

De hadatsleden worden aangewezen door den Batoe en de hadat. 

De laatste Datoe van Soepa, thans voortvluchtig, is een broeder 
fan den voort vluchtigen Aroe van Alieta, La Pangorisang. Zijne tante 
Ma Deloeng, overleden Datoe van Soepa, zuster van de vrouw van 
karaeug Limbangparang, voortvluchtige radja van Gowa, stierf 
kinderloos; vandaar dat haar zusterskind, zoon van den radja van 
Gowa, tot Datoe van Soepa werd aangesteld. 

Ana patola^s van Soepa zijn er niet meer. 

De voortvluchtige Datoe, La Mapanjoeki, is getrouwd met èene 
dochter van Karaeng TinggimaE, die nu zwanger is. Men koos 
Karaeng TinggimaE tot Datoe van Soepa, om hem in de gelegen- 
heid te stellen het bestuur van Soepa te bewaren voor zijn nog 
niet geboren kleinzoon, die de eenige ana patola van Soepa zou 
kannen worden. 

Daar de Datoe van Soepa steeds in Gowa woonde , moest hij aan 
eeu der hoofden in Soepa zelf eeue grootere bevoegdheid geven dan 
in gewone omstandigheden het geval zou zijn. De nieuw aangestelde 
Kapala bitjara, Mohamad Noeroe, ver familielid van den voort- 
rlachtigen Datoe, maar door een mardeka- vrouw , kreeg van den 
Datoe de bevoegdheid, zelfstandig in zaken te beslissen. Kon hij 
geen beslissing nemen, dan werd de hadat bijeen geroepen om in 
overeenstemming met hem eeu besluit te nemen. Eerst nadat dergelijke 
beslissingen waren genomen werd daarvan aan den Datoe in Gowa 
kennis gegeven. De beslissingen werden genomen tegen betaling : 

a. in civiele zaken, van 13 duiten op de 80 duiten geschilwaarde. 
Dit geld werd naar Gowa gebracht en door den Datoe als volgt 
verdeeld : ^ voor den Datoe en de andere helft voor de hadatsleden. 
Deze helft werd in vieren verdeeld. De kapala bitjara en de beide 
pabitjara^s kregen ieder één deel, de beide matowa^s samen één deel. 

I). in diefstalzaken van 3 maal de waarde van het gestolene, waarvan 

de bestolene eenmaal en de hadatsleden 2 maal de waarde kregen. 

Eene verdeeling van het landschap in territoriale onderdeden 

bestond niet, maar kwam langzamerhand tot stand toen men de 



Digitized by VjOOQIC 



180 MEDEDEELINaEN BEtEEFFENDE SIDENBENa, BAPFANG EN SOEPA. 

noodzakelijkheid begon in te zien, over woninggroepen hoofden 
aan te stellen. 

Als zoodanig bestaan nu de kampongs, elk onder een kaj)ala kampong: 
Oedjoeng Lero, Lero, Minralo, Tanah MailiE, Sabbangparroe , 
Fureugki, Barrakasanda , Tjekowole, Kani, Alakang, ïjangi, Toboue, 
Oeresih, Latemappa, Ladea, Polewali, Belabela wang , Madjenang , 
Labanta, Mangarabombang, WanoewaE, TaE, Karabalo met een 
totaal aantal van 1396 mannen. 

De inkomsten van de bestuurders van Soepa waren, behalve die 
voortvloeiden uit de hierboven besproken heffingen bij de rechtspraak, 
voornamelijk die genoten uit de opbrengst van: 

a. de kasoewiaugvelden , die sedert geruimen tijd niet meer bewerkt 
werden en die vroeger ± 3000 bossen padi opbrachten. 

b. de in- en uitvoerrechten, geind door een sjahbandar, van welke 
de invoergeldeu later aan AJieta werden afgestaan. De in- en uitvoer- 
rechten brachten gemiddeld f375 'sjaars op. 

c. de passerrechten , die om de 5 dagen 80 duiten opbrachten. 

d. het zoutmonopolie , dat vroeger bestond. 

e. de dobbelrechten, door La Mapanjoeki afgeschaft, omdat zij 
het aantal diefstallen in de hand werkten. 

ƒ. de palawa tana , d. z. hefBngen bij huwelijken , uiteenloopend 
naar rang en stand van 8 duiten tot f4. 

De hadatsleden kregen inkomsten uit het recht tot het plaatsen 
van vischfuiken [kleine h f2.50, groote k fb ^sjaars] en uit de 
kasoewiaugvelden. 

De geestelijkheid van het landschap Soepa bestaat uit een Kadli 
tevens Imam, 4 chatibs en 4 bilals, die, vereenigd als sjarat, 
beslissen in huwelijks- en erfeniszaken. 

Paré-Paré, 23 Januari 1906. 



Digitized by VjOOQIC 



CATALOGUS 

DER MALEISCHE HANDSCHRIFTEN VAN HET KONINKLIJK 

INSTITUUT VOOR DE TAAL- LAND- EN VOLKEN- 

KUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIE 



db. ph. s. van konkel. 



In 1898 is door wijlen Dr. J. Brandes een „voorloopige inven- 
taris van eenige der handschriften" van het Koninklijk Instituut 
samengesteld. „De tijd ontbrak" — zoo schreef de heer Brandes 
op het schutblad van zijn' inventaris — „dezen inventaris behoor- 
lylijk af te werken. Vandaar dat bij enkele handschriften het aantal 
„bladzijden niet kon worden opgegeven, bij anderen de aanduiding 
„algemeen of vaag moest blijven, redacties niet konden worden 
„gepraeciseerd." 

De door Dr. Brandes geïnventariseerde handschriften, 128 in 
aantal (de nummers 500 — 628), zijn Battaksche, Lampongsche, 
Javaansche, Maleische en enkele over inlandsche talen handelende 
Hollandsche schrifturen; na de voleinding van den inventaris is 
de verzameling' manuscripten met een zevental Maleische ver- 
meerderd. Doch behalve deze 135 handschriften bezit het EoninkUjk 
Instituut nog eenige in Archipel-talen geschrevene manuscripten, 
welke door niet-deskundige hand met eeue korte aanduiding van 
den titel zijn ingeschreven in het „Begister van de Handschriften 
van het Koninklijk Institaut" waarin 426, meerendeels Hollandsche, 
handschriften zijn genoteerd; na onderzoek bleek het aantal der 
onder de vele Nederlandsche verscholene, aan Maleische hand- 
schriften toebehoorende, titels een dertigtal te bedragen, terwijl 
de in Brandes' lijst genoemde Maleische teksten ruim vijftig in 
getal zijn. 

Vanwaar deze handschriften gekomen zijn is moeilijk na te gaan. 
Deze, trouwens weinig ter zake doende, vraag is door Dr. Brandes 
gedeeltelijk beantwoord in eene achter zijn inventaris voorkomende 
aanteekening : „van de voorafgaande hdss. werden met n". 160, 

7o Volgr. VI. IS 



Digitized by VjOOQIC 



182 CATALOGUS DBR MAL, HANDSCHRIlfTEN 

221 en 420 der lidss. van heè Instituut, die hier niet voorkomen, 
daar deze lijst met 501 begint, n«. 524, 525, 528, 542, 543, 
551, 604, 605, 606, 607 en 608 gekocht op de auctie van 27 

April 1885 bij Martinus Nijhoff voor de som van / 38.28 

Sommigen der andere hdss. werden ontvangen als geschenk van 
Prof. Dr. P. J. Veth." In de later bij de verzameling gevoegde 
handschriften is de naam van den gever of vermaker vermeld. 

Eene betrekkelijk zoo kleine collectie manuscripten in rubrieken 
te verdeelen zoude onnoodig zijn, indien alle handschriften een 
bepaalden inlandschen titel droegen, of de door die handschriften 
vertegenwoordigde teksten eene vaststaande inlandsche aanduiding 
hadden. In dat geval kan men eenen handschriften-catalogus alpha- 
betisch inrichten, en is de index tevens register, wat het opzoe- 
ken — en daarvoor, niet tot gezette lectuur is toch een catalogus 
bestemd — belangrijk vergemakkelijken kan. Waar echter de 
veelal zeer heterogene Maleische handschriften gewoonlijk niet alle 
met een vaste benaming zijn aan te duiden, zooals b.v. de door 
Dr. Brandes gecatalogiseerde Javaansche, Balineesche en Sasaksche 
handschriften aangetroffen in de nalatenschap van Dr. H. N. van 
der Tuuk, beveelt eene groepeering naar den inhoud zich aan, 
zij het ook dat daaraan enkele bezwaren verbonden zijn. Immers 
meer dan eens bevatten Maleische handschriften brokstukken van 
geheel verschillenden inhoud, zoodat de beschrijving van een der- 
gelijk manuscript onder verschillende afdeelingen van den catalogus 
moet gevonden worden, indien bij de groepeering met den inhoud 
alleen is rekening gehouden. Buitendien is de vermenging van 
twee soorten in één geschrift vaak zóó innig dat men bezwaarlijk 
kan vaststellen tot welke der twee vertegenwoordigde afdeelingen 
het werk in quaestie te brengen is; zoo kan men b.v. langdurig 
twijfelen of een werk als de Oendang Oendang Mënangkabau tot 
de rubriek geschiedenis of tot die der Inlandsche Wetten is te 
rekenen. Onderverdeeling in kleinere rubrieken, zooals de verdee- 
ling van geschriften over den islam in die over de plichtenleer, 
de geloofsleer, de mystiek, de hulpwetenschappen, is doorgaans 
ondoenlijk, daar meestal meer dan ééne dier afdeelingen der heilige 
wetenschap in een en hetzelfde handschrift behandeld wordt, en 
het al of niet opnemen door den verzamelaar van andere brokken 
dier wetenschap in zijn manuscript afhankelijk kan zijn van geheel 
toevallige factoren, zooals het al of niet kunnen beschikken over 
nog eenige quaternen schrijfpapier e. d. 



Digitize-d by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 183 

De yerdeeling in rubrieken bij Maleische schrifturen kan dus 
niet anders dan yrij grof en benaderend zijn, en veelheid van 
afdeelingen kan die vaagheid slechts in zeer geringe mate ver- 
kleinen. Bij elke verdeeling blijven moeilijkheden ; zoo men de 
gedichten als eene afzonderlijke rubriek handhaaft, dus in dit 
geval een louter formeel onderscheid in acht neemt, moet men de 
sjairs van religieusen inhoud van de afdeeling des islftms, waar 
zij krachtens hunnen inhoud thuis behooren, afvoeren en bij de 
afdeeling poësie, waar van alles vereenigd is, onderbrengen, alleen- 
lijk dewijl de vorm, het berijmd zijn, dat vereischt. Oeen enkele 
yerdeeling der Maleische handschriften is in alle opzichten zuiver 
en consequent. Evenwel, voor eene weinig omvangrijke verzame- 
ling als die van het Koninklijk Instituut is deze quaestie van 
ondergeschikt belang; hier zoude desnoods eene optelling naar de 
nummers der handschriften, gevolgd door een systematisch over- 
zicht, kunnen volstaan, doch in het belang der uniformiteit met 
den catalogus der Leidsche handschriften en den nog uit te geven 
catalogus der Maleische handschriften te Batavia, hebben wij ook 
deze verzameling naar onderscheidene afdeelingen gecatalogiseerd. 

Wat den catalogus zelf aangaat, bij elk handschrift zijn het 
niterlijk en innerlijk beschreven; afmeting, aantal bladzijden en 
regels per bladzijde en schriftsoort worden vermeld, en inhoud of 
redactie aangegeven. Wanneer van een geschrift meer dan één 
titel bekend is, hebben wij, wederom om der wille der uniformi- 
teit, dien titel behouden welken makers van andere catalogi reeds 
ala den meest in zwang zijnden hebben gebezigd. Bij in Latijnsche 
karakters geschrevene manuscripten wordt zoo mogelijk de in het 
geschrift zelf voorkomende titel, volgens de daar gebruikte schrijf- 
wijze, in den index vermeld; men zal dus tjarieta vinden nevens 
tjarita, sila-sila naast salisilah, eene schijnbare onregelmatigheid 
die bij het geringe aantal der tot deze soort behoorende hand- 
schriften geen verwarring kan veroorzaken. Verder is bij elk 
daartoe in aanmerking komend handschrift aangegeven in welke 
Terzamelingen andere exemplaren zijn aan te treffen. 

Die verzamelingen zijn: 

De Leidsche universiteitsbibliotheek, gecatalogiseerd door Dr. H. 
H. JuynboU, Leiden, 1899. 

Londen, East India House, gecatalogiseerd door Dr. H. N. van 
der Tuuk, in het Tijdschrift van Nederlandsch-Indië, 1849. I, blz. 
385 en volg. 



Digitized by VjOOQIC 



184 OATALOGÜS DER MAL. HANDBOHEIFTBM 

Londen, Royal Asiatic Society, gecatalogiseerd door Dr. H. N. 
yan der Tank, in de Bijdragen yan het Koninklijk Instituut, 
3e volgreeks. I, blz. 409—474. 

Londen, Britsch Museum, gecatalogiseerd door Dr. G. K. Nie- 
manh, in de Bijdragen yan het Koninklijk Listituut, 3e volgreeks. 
VI, blz. 96—101. 

Batavia, collectie-H. von de Wall, geïnventariseerd door Mr. L. 
W. O. van den Berg, Batavia, 1877. 

Van de te Batavia berustende verzamelingen van het Bataviaasch 
Oenootschap van Kunsten en Wetenschappen en van wijlen Dr. Gohen 
Stuart, alsmede van wijlen Dr. Brandes, zijn gedeeltelijke, en slechts 
voorloopige, inventarissen gepubliceerd ; een beschrijvende catalogus 
dier collecties, tezamen meer dan vierhonderd nummers tellende, 
is door schrijver dezes gereedgemaakt. 

Bij de vermelding van tot laatstgenoemde verzamelingen behoo- 
rende handschriften kon nog niet van het catalogusnummer ge- 
bruik gemaakt worden; daar is dus uitsluitend het handschrift- 
nummer genoemd. 

Voor de inhoudsopgave van verscheidene manuscripten kon naar 
de in Dr. Juynboll's catalogus voorkomende analyses verwezen 
worden, waardoor eene belangrijke besparing van tijd en moeite 
werd verkregen. 



Digitized by VjOOQIC 



VAK HBT KONINKLIJK INBTITTJÜT. 



AFDEELINQ I. 
Verdiohte Verhalen. 



L 

Hikajat Ahmad Moehammad. (HS. .608). 

18 X I2V2 C.M., 516 bl., 13 r. 

Voorin staats ja^ Jc*^ \j*^y^ 'j^jL ^^ ^^^^ ^>^^ ^jljC>- ^^} 

v^bl v£>JL^^ (^-aXm jy^^ ,y^^ u^y^r^ ^^ ^^^a*^ 

Begin : ^jiy^ *jIX>» ^I ^^ «JJL ^^^yOUJ aj^ (HP*;^* o^;^^ *'^^ ^^ 

'O^^ 9f^ (^)^' è^^jf *iy c/^y>^ *^^ ^jur^ija^ ^1 ^. oü^ 

Behalve de 516 met duidelijk schrift beschreven bladzijden be- 

Yioden zich in dit in perkament gebonden HS. vele onbeschreven 

bladzijden ; het HS. toch eindigt abrupt met de woorden : &a^ \^ 

^.^U> t^1i «^ ^^ ^J"^ O^^ ^'^ VV^ ^^dH l^ Ol^'^ ^^1;^ 
col ^ïlS aIjI 4:j^T^^ J;-J vi^^LS ^^ Q^l< öUli blii^ vjüt (j«JU> 

«^L> cnA^ 5^ v$ o^;*5 yi^ otf «éU ^» wv$ cxiir oli yoy 

De inhoud van een gedeelte van dit verhaal is medegedeeld in 
den Catalogus van Dr. H. H. Juynboll, bl. 144—147. Dat ge- 
deelte vindt men in dit HS. in de bl. 1 — 427, in eene zelfde 
redactie, met dezelfde opeenvolging der gebeurtenissen en nagenoeg 
dezelfde spelling der eigennamen. 

De inhoud van het in het Leidsche Handschrift niet voor- 
komende gedeelte van dit verhaal zal worden medegedeeld in 
de Beschrijving der Maleische Handschriften te Batavia, bij 
n». 127. 



Digitized by VjOOQIC 



186 CATALOOTS DBR MAL. HANDSCHRIPTBN 

Andere handschriften: 

Leiden: Oatal. bl. 144—147, cod. 8249 en 8314. 

Batavia: Collectie- Von de Wall, n^ 181. 

Batavia: CoUectie-Bataviaasch Genootschap, nos 127 (geheel 
dezelfde tekst en met dezelfde woorden abrupt eindigende als het 
HS. van het Kon. Instituut), en 185 (fragment). 

Batavia: OoUectie-Gohen Stuart, nos 107 (eenigszins afwijkende 
redactie, eindigt op dezelfde plaats abrupt) en 120 (eindigt abrupt, 
enkele bladzijden vroeger). 

Batavia: Oollectie-Brandes, n^. 485 (eindigt ongeveer op dezelfde 
plaats). 

n. 

Hikmat Indra Poetra I. (HS. 542). 
27 X 18 C.M., 174 bl., 23—25 r. 

De eerste twee bladzijden geven een kort begrip van het ver- 
haal, dat in overeenstemming is met de inhoudsopgave van 
Dr. H. H. JuynboU, in zijnen catalogus, bl. 122 — 124. Het 
eigenlijke begin komt letterlijk overeen met dat van cod. 1933; 
zie Oatal. bl. 125. 

Het HS. is getateerd: 29 Eadjab 1111. 

De hoofdstukken zijn voorzien van opschriften vermeldende den 
korten inhoud. Hier volgt eene vermelding van den omvang 
dier hoofdstukken, vergeleken met de opgave betrekkelijk cod. 
Leyd. 1690: 



. Leyd. 1690. 


Hfi. 


Kon. Inst. 542 


bl. 13 




bl. 8 


25 




16 


41 




27 


72 




42 


87 




51 


115 




65 


130 




74 


174 




101 


198 




116 


229 




136 


260 




157 


282 




170 



Digitized by VjOOQIC 



TAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 187 

De eig^ennamen komen overeen, behoudens enkele kleine ver- 
schillen yan ondergeechikten aard. 

III. 

Uik^jat Indra Poetra U, (ES. 525). 

31 X 20 C.M., 157 bl., 21—27 r. 

De inleiding is als van het vorige handschrift, en het eigenlijke 
begin komt geheel overeen met dat van God. Leyd. 1933. 

De capita bovenvermeld vallen in dit HS. op de bladzijden: 8, 
17, 27, 53, 70, 89, 100, 135. Het HS. eindigt met het huwelijk 
yan Indrapoetra met Poetri Sri Boelan, d. i. omstreeks het einde van 
het hoofdstuk dat in cod. 1690 bij bl. 198 eindigt. Aan den rand 
staat dan ook bij het slot geschreven: p. 198 MS. 1690. Het HS. 
eindigt abrupt: ^b ^jyi^ S^ O^ ^s!; "^^ O^"^ ^ó "^ ^ 
i^ C^ 0)9^^ T^^yi c5^>^ e;h^^ ^(^ '^y^ ^^ ^2J*^ £^'^ 

• gOS ^\> v3,y«y ^^1^ iu^ ^b ^\j J^y ^ ^^b t^ vjül 

De eigennamen wijken zeer weinig af van die in het vorige 
en het Leidsche handschrift. 

IV. 

Hikajat Indra Poetra III. (HS. 221). 

27 X 21 cM., 347 bl., 23—30 r. Latijnsch schrift. 

De aanhef is : 

Bahowa Ini cadsed tsjeritra hhakajat indra patra jang indah 
perkataannja jang masjehoer pada taanah manusija doer pada tanah 
dign terlaloe iloc roepahnja sjahadaan kasactijanja daen terlaloe 
pantas barang lakoenja daen sikapnja terlaloe baik .... 

De korte inhoud, waaruit de transscriptie van vele eigennamen 
kan gekend worden, is: sabermoela ijalah jang disoroehkan oleh 
radja Sijahijana kapada baramsacti, daen ijalah jang diterbangken 
marac amas, daen ijalah jang berdjalang dalam hoetan belantara 
saorang dirin:a babrapa ija melaloewi goenoeng jang besar besar 
daen bertemoe dengan tasik Samadara, daen ijalah jang bertemoe 
dengan toean poetri Goemala ritna serai, daen ijalah jang baroleh 
goemala Gikmet, daen ijalah jang mengadap baramasacti dengan 
radja diwalila mangoema, daen ijalak jang diterbangken dijn jang 



Digitized by VjOOQIC 



190 OATALOaUB DBB MAL. HANDBCHRIFTBN 

Andere handBchriften : 

Zeiden, Catalogus, bl. 148—153, cod. 1733, 1919, 2300 (1)^ 
2192(3) en 3197(2). 

London, East India House, n^. 373^. 

Londen, Royal Asiatic Society, n®. 60. 

Londen, Britsch Museum, n®. 14. 

Batavia, OoUectie-Von de Wall, no» 149, 150 en 151 (n^ 149 
volledig, enkele afwijkingen, no» 150 en 151 fragmenten). 

Batavia, OoUectie-Bataviaasch Genootschap, n^» 51 (volledig) en 
147 (fragment, gebrekkige copie). 

Batavia Collectie-Oohen Stuart, n^. 140 (geringe verschillen). 

Batavia, CoUectie-Brandes, n^ 536 (copie van cod. Leyd. 3197 (2)). 

VI. 
Hikmat Soeltan IbraUm. (HS. 607, 2de gedeelte). 
22 X 14 C.M., 57 bl., 15 r. 
Begin: )lJj^ ^} J^ sJJL {^j^JüJé^ x^^ f^-^^j^^ d^}^^ ^' r^ 

Slot: qUö^; q^^j l^j^j'^ ^^y^ ^ r^^ ^^LLU c;aj'jC^ JlXr 
c;v.l^> lyiV^' iJLuJL. léU 1824 ^jS^^ Jü) ^^ c^wd^ ycA^ ^^L^ 

Den inhoud van dit verhaal vindt men medegedeeld in De 
HoUander's Handleiding tot de beoefening der Maleische taal- en 
letterkunde. (5de dr.) bl. 346. 

Het verhaal is uitgegeven: door Roorda van Eysinga, Batavia 
1822 Lenting, Breda 1846, en Regensburg, ' Batavia 1890. De 
tekst van dit HS. komt met dien der uitgaven overeen. 

Zooals uit de bovenstaande aanhaling blijkt is dit HS. gedateerd: 
22 Rama4dn 1824 H. (sic), en 1239 H., laatstgenoemde datum als 
die van beëindiging van den druk I Blijkbaar is dit eene navolging 
van het slot van Roorda van Bysinga's twee jaren vroeger ver- 
schenen editie. 



Digitized by VjOOQIC 



TAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 191 

Andere handschriften: 

£atatna, Collectie- Von de Wall, no» 118, 119 en 120. 

Batavia f Gollectie-Batayiaasch Qenootschap, n^. 155 (gelijke 
redactie). 

Batavia. OoUectie-Oohen Stuart, n^ 180 A (met nieuwe bestand- 
deelen yermeerderde redactie). 

Batavia, Gollectie-Brandes, u^. 421 G (dezelfde redactie als die 
van dit HS.) 

VIL 
Hikq'at Sang Bima. (HS. 633). 
35x21 Va C.M., 121 (96 + 25) bl., 17 r. 
Begin: *-jIX> ^^t J^c aIHL ^j^juJ^ «ü^ r*^;^^ d^j^^ ^^ f^ 

Dan wordt verteld dat een Maleier naar Bima kwam in den 
tijd van Soeltan Hoesnoeddin, genaamd Dalang Wisawarta, een 
armoedig man, die om zich te vertroosten het verhaal van Poetri 
Tasik Seri Naga Tjandra Koemala opstelt, daarop volgt: ot (^ 

\6^ ^ c>ut u^ y^y"^ k3j^ ^5^^^^ ^y-^ l5' o^ o^^ '^.I-^ 

Het verhaal vertelt van drie djinn's tusschen den hemel en de 
aarde, genaamd Sangjang i^^^^^ (^j^)j Sangjang Wija, en Sang- 
jang Toenggal; van den eersten stammen af alle dewa's enbatara's 
en bagawan's en mambangs, van den derden de Pandawa Lima 
en Korawa's. Sangjang Toenggal had twee zonen: Sangjang ^3^ 
geheeten. Verder was er Batara Goeroe met zijn zoon Batara Brama, 
deze gewon: Barmani, deze: Bagawan Sandjang, deze: Palisara, 
deze Bagawan Biasa en Bagawan Besoeki, deze: 1^ Santarata, 
blind aan beide oogen, waarom zijn vader Eorawa geheeten werd, 
2« Pandawa Dewa Nata en 3® 3^0 ]^J ; Besoeki gewon : 1« Dewi 
gljÈü jfjSf 2o Basoe Dewi; de 1« wordt wegens onwettige zwanger- 
schap verdreven en door Dastarata aangenomen. Bagawan Biasa 
is van oordeel dat zijn zoon Pandoe Dewa Nata met haar moet 



Digitized by VjOOQIC 



192 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRirfBN 

huwen ; aldas geschiedt. Fandoe Dewa Nata wordt vorst in Marta 
Wangsa waar hij voortreffelijk regeert. Dewi Ganti bevalt, onder 
een toeloop van alle dieren des wouds, van een zoon die Darma- 
wangsa genoemd wordt; later baart zij, met een oproer in de ge- 
heele natuur, en wel uit haar oog: Sang Bima. Zijn moordlust 
maakt den vader beducht. Dewa Qanti baart uit den navel Ardjoena 
met een pijl; later worden uit een bij wijf Sang Eoela en San^ 
Dewa geboren. Tafereelen uit hunne jeugd volgen nu. Sang- 
jang 'kj^^ incarneert zich als Sëmar, en wordt bediende bij de vijf 
pandawa's, die hij onderricht in de krijgskunst. Zij strijden met 
de mambangs (bl. 26) en onderwerpen hen. BI. 34. In het land 
der raksasa's is Dewi Boembi, Bima onderwerpt het land, huwt 
met haar en gewint ^L? oo'^ (= Qatotkatja); hij onderwerpt het 

land der batara's, huwt met Soekarba, overwint 39 landen, daalt 
met de zijnen af naar Padjadjaran, onderwerpt het rijk, hoemt zich 
Praboe Djaja Lëlana, verkrijgt de prinses o^^ ^j o^i^ (= Laks- 
miningrat) tot vrouw. Maar eerst moet haar vader naar Djajakërta 
vertrekken om alles voor het huwelijk in gereedheid te brengen. 
Het HS. eindigt abrupt: lk>^.U^v> OJ^ y\k>\ wXa^ ^^ ol^ iéL« 

^J;^yJ^ 5-X-^ iXl>ï sijfJ^oLs^j^ ^y!^^ y-i^ \^^y*^ ^^L>,Jüï ^b 

^ti> j^o ^'c^ r^Uj-j H^ ^\j^ L5jiy**^> o^'^ o'wüu^ o^-;^ 

l5^*^ o**^ !d^ <f^ f^ '^J^ o^3 '^'^ o^^ "^^ èf^ o'*^ è^' 
^jjL^ kJ^j^ '^4r ^b '^ó Jó Jjji ^^bLT *éU/» ^jJ ^^^o ySti^ 

.31^ i.^ Qb i^t> oU (é)^ c^^J^ oUju*» uSr^i 

Het vervolg van dit HS. werd gevonden in een bundel Makas- 
saarsche papieren, gerangschikt onder n®. 555; dit vervolg, ook 
abrubt eindigend, telt 25 bladzijden, en vangt aan : ^^yi' ^^^ Ju^ 

ifLSUi ^J^ Ly^S', wat onmiddellijk bg het slot van het eerste 
fragment aansluit. 

De tocht en aankomst der gezanten met het vorstelijk paar worden 
uitvoerig beschreven. Daarna wordt uitvoerig verhaald van de ge- 
ruchten omtrent eene aanstaande onderneming van den vorst van 
Tjirëbon tegen de roovers die Djajakarta onveilig maakten en de 
prinses wilden rooven, tegen de lieden van Praboe Djaja Lëlana 
dus; de geruchten worden bewaarheid, de beide afgezanten ont- 
wapenen den vorst van Tjirëbon en voeren hem en de zijnen ge- 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 193 

yankelijk mede. De vorst van Tjirëbon wordt begenadigd, en laat 
zgne kinderen Tjanda Batra Wati^ Angling Eoersi en Baden Kara- 
madjaja naar Djajakarta komen. Daarna is sprake van den strijd 
van Praboe Djaja Lêlena tegen den vorst van Poegër, dien hij en 
zijoe vier broeders (^«..JvAJLJ of ^ ^\sXJ^ genoemd) overwinnen. 
7ervolgens trekken zij naar cXJuum dicht bij ^^iJij^. Daar wordt de 
dochter van een naga zwanger doordat haar blik dien van Sang 
Bima had opgevangen, welke oorzaak van zwangerschap hare ouders 
niet willen aannemen. Sang Bima en de zijhen zijn intusschen 
oostwaarts getrokken. 
Het slot van dit handschrift is: ij\^f o^ ^Lü ^^t ol^ lé)^ 

$yXXjé0 ^t Jmté oU ^^^U>JSji qÏj^ jJuLj c|^I iSo^ Kii^} j^Lx^ ^ 
jLj si>oi ytSü^ iü^ (^^^ '-^ ^ji C5^ ^ J^^ >5l^ kjj^ y^^OJ^ 

OUU^ id^lj (^ffi Ol^ (^ V4>^^ lJIvAJuM 'kjk y3>^ O^Ij^ ^^ ^*^^^ 

.r^ vjüt ^^ o*^-^-;^ o'/ ê^ <-^' 5^ ^y^ c/j^ 
Dit verwarde wajangverhaal is blijkbaar eene in Celebes gemaakte 
bewerking van tot den Pandawa-cyclus behoorende vertellingen, 
welker bekende, in vele wajangstukken voorkomende, eigennainen 
hier zeer verbasterd zijn. Zonderling is de identifieering van den 
naam van den held Bima met dien van het eiland Bima, welke 
op de eerste bladzijde van het HS. voorkomt. 

Hoewel van dergelijke wajangverhalen en andere de pandawa- 
geschiedenis behandelende verhalen vele handschriften in de bekende 
Yerzamelingen te vinden zijn, is er geen aan te treffen dat met 
dit verhaal verwant, laat staan er aan gelijk is. 



AFDEELINQ II. 
Mohammedaansohe Legenden. 



vm. 

Uikiuat Aboe Sarnah. (HS. 607, 1» gedeelte). 
22 X U C.M., 51 bl., 16 r. 
Op den omslag staat : ^Xè^ (è)5^' £^ ^ ^ *^L<>- ^j ^ 
^bl ^S^S jAé^ >Stv^> S^ o"^.^ o"^' 



Digitized by VjOOQIC 



194 CATALOGUS DBR MAL. HANDSCHRIFTEN 

Begin: ^jyL>otl^ ^1 Os^y^ ^fx^ ^.^^> (V.^ ci^ ^ ^*X.mó iu^ 

.xjUüI w^^Laö ^\ó y^ ^^ji^i ^^^1 *iy c/^yo^ r* y (^;^ è* 

Slot: cXi ?^3^ t^ >^^^>»^ ?;>yV L53LXi*^ L^ y4 ^.l^>. c>^ 

^tf ^J ^Ji ^ vi^ijl ^3^y« <^!iS ^^L^ cXi qL^ ^i^ l5;I^ f^ 

'ij^^ c/ ^ '^y^' W £;/ (d^^^^^ ^^r" ê^^ 

De ware naam van Aboe Samah is Aboe Sjahmah. 

De inhoud yan dit verhaal is medegedeeld in den catalogus van 
Dr. H. H. JuynboU, bl. 200 en 201. 

Het schrift van dit HS. is duidelijk, de l^oer&n-verzen zijn met 
roode inkt geschreven. 

Zooals uit bovenstaande aanhaling blijkt is dit HS. gedateerd: 
Eampoeng Eroekoet, Batavia, 11 Eamad§;n 1239 H. 

Het tweede gedeelte van dit HS. werd beschreven onder n®. VI; 
het is de Hikajat Soeltan Ibrahim. 

Andere handschriften: 

Leiden: Oatal. bl. 200—202, cod. 1720 (1), 3201 (2) en 3309. 

Batavia: OoUectie-Von de Wall, no» 76^ en 97. 

Batavia: OoUectie-Bataviaasch Genootschap, n^» 146 (eet e ge- 
brekkige copie in Latijnsch schrift, met denzelfden naam, dezelfde 
plaats en denzelfden datum als vermeld in het HS. van het Kon. 
Instituut), 198 0, 203 B, en 388 A. 

Al deze HSS. vertoonen ééne redactie. 

IX. 

Hikmat Amir Hamzali. Ie deel (HS. 420). 

30 X 20 C.M., 282 bl., 25 r. 

Inlandsche lederen band; op een overgebleven reep van een 
schutblad staat di^^o vlXaaS ^^^ Jsi \f\\ ^^s^ lX3 )LASis> ^^ ^^ 

Dit deel bevat 27 hoofdstukken. Het schrift is duidelijk; de 
getallen der hoofdstukken, vele eigennamen en de Perzische verzen 
zijn met roode inkt geschreven. Het verhaal is hetzelfde als in 
de Leidsche HSS. no« 1697 en 1698, over welker karakter en 



Digitizêd by VjOOQIC 



TAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 195 

onderlinge verhouding uitvoerig gehandeld wordt in mijn „De 
Boman van Amir Hamza", Leiden 1895, bl. 94 en volg. De ver- 
deeling in hoofdstukken is nagenoeg gelijk aan die in codex 1698; 
doch wat in de twee Leideche HSS. tjaritëra 2 en 3 is vormt 
hier de 2^ tjaritëra, wat daar tjaritéra 4 is, vormt hier de 3», wat 
in cod. 1697 tjaritëra 5 en 6 en in cod. 1698 5 en 5 is, vormt 
hier de tjaritëra's 4 en 5 (dit laatste zonder opschrift). Ook in 
de spelling der eigennamen en in verschillende aan cod. 1698 
eigene, in hoofdstuk III van genoemd werkje vermelde, bijzonder- 
heden, is dit HS. congruent aan cod. 1698. 

2e deel (H8. 528) 
31 X 20 C.M., 360 bl., 25 r. • 

Voorin staat: J^o ^1 ^^^\ ^ *Ibl ié)u« X_jL<>» ^} iL-^bLx 
^bt ^ -^ Hjjb >S»v>u^ j^A<> ^fJ^ ^^ s:>j<Ij ^^r^xx^ ge- 
volgd door de gewone waarschuwing om het geschrift onder het 
lezen niet met sirihspeeksel te bezoedelen, noch het te dicht bij 
de lamp te houden waardoor olievlekken zouden kunnen ontstaan, 
evenmin het uit te leenen nadat men het zelf reeds geleend heeft, 
en de mededeeling dat de prijs ervan tien rejalen zilver is, en dat, 
wanneer het in onwaardige handen mocht komen, men het terug 
moet bezorgen bij den commandant Moehammad ^Abdoellatif. Daar- 
onder staat het jaartal 1792. 

Het slot van het eigenlijke verhaal is: JlJ ,-aJJj M^Liili o^' 

05^^ '^Ji^ ij'^^y*^ 2k.*4^ t^J^ 0^ ó]y^ ^Ji^ ^)^ (jjj wi^ï 

•o^^ eV «;5- y^ 

Daarna echter komt het, ook • in codex 1698 voorkomende, 
verhaal over den dood van 'Amr ibn Oemajjah, den trouwen helper 
van Hamzah, en dit besluit met de woorden: ^\ ^.^ka «^I ,:>w4^' 
{^LuJLjLo ^^)I xUjIj ^^ ^ jfsè Op de laatste bladzijde staat het 
begin — zes regels — van een gedicht. 

Hoewel overigens nagenoeg gelijk aan codex 1698, heeft toch 
dit HS. eene afwijking daarvan en overeenkomst met codex 1697 
en wel in de plaats waar het alleen den Maleischen versies eigene 
stuk over 3adfoezzam&n is ingevoegd; evenals codex 1697 toch 



Digitized by VjOOQIC 



196 CATALOGUS DBR MAL. HANDSCHRIFT BN 

vertoont dit HS. die invoeging bij tjaritera 70 en niet, zooals 
cod. 1698, bij tjaritera 66. Maar evenals codex 1698 mist dit 
HS., in tjaritera 81, eene geheele episode, vermeld in mijn ge- 
noemd werkje op bl. 173, en over bet algemeen komt bet met 
codex 1698 tot in kleine bijzonderheden overeen. 

Andere bandschriflen : 

Leiden: Catalogus, bl. 196—198, cod. 1697, 1698, 2020 en 
3308(1). 

Londón: Boyal Asiatic Society, n^. 56 (fragment). 

Batavia : collectie-Bataviaasch Genootschap, n^. 23 A [fragment; 
begint in dêfltê-n LVIII (= tjar. 60 en 61)]. 

Batavia: coUectie-Gohen Stuart, n^. 138 (gemengde, deels ge- 
moderniseerde, redactie). 

Batavia: coUectie-Brandes, n^. 145 (gewone redactie, met eene 
lacnne). 

X. 

Hikjgat NaM MfrlliU. (HS. 605). 

2OV2 X 17 C.M., 190 bl., 13 r. 

Naar gewoonte begint ook dit manuscript der legende van de 
hemelvaart des profeets met de verzekering van Moehammad 
aan ^Abb&s dat de zonden vergeven zullen worden van een ieder 
die dit verbaal leest, hoort of opschrijft; de woorden luiden: 
cVJL^ (^ 5^>L^> ^^} ^ *lf|j ^^ y xJüuiMj JU3 (Hp-y d^y^^ ^^ (^*^ 
^ |>3umJ ^IXm K>i v^^wc'i sdJ^ T^f^ (^^ '^^ ^ ci"^ ^^ ^^) 
v^>ulX> -^U& vJLummLÜ ^Ufi Ij «uLfi xUt y^) U^W^ ^^^ ^^^^ji ^' 

Vjyi «;^.l ^^t *LlX«u> ^"i J^' oLJ qj3 J^ ^^iXJ^ KXijó ^^jjb 

Slot: ^^y^ ^j^r^^ *^*^ ^^^ o^^ ^T*^ (^ ^i^.^^^ «^-J^* 

vXèr ^b j^^y- X-jüCmi tji^ J(^ j»^ v^iöj ^^^i L5;LJ> cXi c^|>A> 
JU^ ^^^t 8^.^V^ JÜi^ ^b ^ *I^ c2^* ^^j ^^ ^r^.f^ ^y*" 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 197 

De Earopeesche datum is dus 26 Januari 1835; als naam van 
den schrijver wordt vermeld: Moehammad Kasan ibn ^Abdoelaziz 
van Batavia. De twee laatste pagina's zijn gevuld met een ge- 
dichtje over het goede gebruik van het geschrift. 

Dit HS. bevat het in vele talen voorkomende verhaal van de 
reis des profeets naar den hemel, de zeven verdiepingen der aarde 
en die der hel, op het wonderpaard Boer&l^, begeleid door Gabriel. 
Toen de profeet dit alles in de moskee mededeelde, vond hij geen 
geloof bij een jood, in sommige HS. sXX^, hier Jw> genoemd, 
die echter door zijne vele ervaringen in eenen droom moet erkennen 
dat de profeet in éénen nacht zooveel heeft kunnen doorleven. 

Andere handschriften: 

Leiden: Catalogus, bl. 203—205, cod. 1713, 3305 en 3306(1). 

Londen: East-India House, n®. 68^. 

Batavia: Collectie- Von de Wall, n». 78. 

Batavia i CoUectie-Bataviaasch Genootschap, n®* 123 (fragment) 
186 (lacuneus) 199, 358, 364 en 389 A. 

Batavia: Collectie-Brandes, n^. 207. 

XI. 

Hik^jat Nabi bërtjoekoer. (HS. 569, 1» gedeelte). 

27x2172 C.M., 15 bl., 10 r., afwisselend rood en zwart. 

Het bekende verhaal van het scheren van den profeet door 
Gabriel, voorafgegaan door de verzekering des profeets dat aan 
ieder die dit verhaal leest en aanhoort zijne zonden vergeven zullen 
worden, en gevolgd door waarschuwingen nopens het goed bewaren 
van dit verhaal, waaruit velerlei zegen zal voortvloeien. 

Het schrift en de spelling van dit niet gedateerde gedeelte van 
HS. 569 zijn gebrekkig. 

Andere handschriften: 

Leiden: Catalogus, bl. 186—187, cod. 1720 (2), 1953 (5) en 
3345(2). 

Landen: Royal Asiatic Society, n®. 62, VI. 

Batavia: CoUectie-Bataviaasch Genootschap, no^ 60, 256 B, 365 C, 
,388 E, 405, 406 A en C. 

Batavia: Collectie-Brandes, n^. 192. 

even te Batavia, bij Lange & C^. in 1853. 



7e Yolgr. VI. 14 

Digitized by VjOOQIC 



198 CATALOÖUS DBR MAL. HANDSCHRlïTBN 

XII. 

Hikmat Nabi waf&t. (HS. 569, 2^ gedeelte). 
27x2172 C.M., 68 bl., 10 r., afwisselend rood en zwart. 

Bovenstaande titel is de meest voorkomende van bet verhaal 
over bet zalig uiteinde van den profeet; bier is de titel Tjariiéra 
tatkala baginda rasoel Allah ahan poelang karahmat Allah ta^dla* 

Het begint met de toezegging van vergeving der zonden, voor 
eiken lezer en boorder. 

De afschrijver noemt zicb op de laatste pagina: obp* wu^Ix^ 
oLiuUt owAM^^i Juc; als datum wordt genoemd: van bet begin: 
2 Djoem&da II Maandag, van bet beëindigen 3 Radjab, Vrijdag, 
zonder jaar. 

Het schrift is betzelfde als van bet 1» gedeelte. 

Andere handschriften: 

Leiden: Catalogus bl. 188, cod. 1767 en 1953 (4). 

Batavia: GoUectie-Bataviaasch Genootschap, n^^ 364 Den 389 B. 

Batavia: Oollectie-Brandes, n°. 421 A. 



AFDBELING IIL 
Geschiedenis. 



XIU. 

Sja^jarali Malqoe I. (HS. 631). 

317^x21 C.M., 285 bl., 23 r. 

Voorin: Sijara, Malayoo Sila Sila Baja Raja. 

Dit HS. bevat de uitgebreide Maleische Kroniek, in dien zin 
dat niet de editie van Elinkert, doch de langere editie van W. G. 
Sbellabear met den hier gegeven tekst parallel is. De uitgave van 
EUnkert telt 34 hoofdstukken, die van Sbellabear eveneens, echter 
met een toevoegsel van bijna vijftig bladzijden druks. Dat toe- 
voegsel — het is door mij kortelijk weergegeven in het Tijdschrift 
voor Ind. T. L. en Vk. uitg. door het Bat. Gen. deel XLIV bl. 
358—373 — komt, evenals in de Leidscbe codices 1703, 1716, 



Digitized by CjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INflTITUrT. 



199 



HS. Inst. bl. 251. 



vjül *UI vXi* gl^ UjJ fJ 



JuT 



xb' <:2)Xo ^yü j-Mi^ \XXS^ jJIXam 
OL^ ^b iéU v£;^.t ^_^ JJ3I iJl 

c;Ajt yCê JoL jJüÜM ^^^3^ \XsS 
Jl (^5^ ^«^Lj> JU^ ^^ «^ 



1736 en 3210, ook in dit HS. yoor. Hoewel dezelfde feiten ver- 
meldeade als de editie Shellabear heeft dit HS. toch een niet geheel 
gelijken tekst; de niet belangrijke verschillen kannen blijken uit 
een voorbeeld: het begin van het toevoegsel: 

Ed. Shellabear, bl. 362. 
JuL ^^L^ >^ (éU ^^i^ «J5I 

krt^ »|^AA« t>t ^^^^JM Ï**^1> cXi^ 

De zeer talrijke Arabische aanhalingen en vele der eigennamen 
zijn met roode inkt geschreven. De hoofdstukken zijn niet ge- 
nummerd, en het traditioneele slot der capita ontbreekt veelal. 
Telkens zijn episodes die in de uitgaven in een bepaald hoofd- 
stuk voorkomen hier op andere plaatsen te vinden, terwijl menige 
passage van dit HS. in de edities niet voorkomt. Zoo wordt in 
de uitgave Klinkert, bl. 46 en volg. vermeld dat drie nazaten 
Yan Alexander den Groote bij twee weduwen op den Boekit Sa- 
g;oentang kwamen, en dat door hunne komst de te velde staande 
rijst in goud veranderde, ten gevolge waarvan de beide vrouwen 
rijk werden. Zij noemen Nila Pahlawan den woordvoerder: Sang 
Sapoerba. Zijn wit rund braakt schuim, waaruit een menschelijk 
wezen ontstaat Bat genaamd, die Sang Sapoerba loofde in vele 
soorten van bewoordingen : adapoen Bof itoelah daripada anaJc tjoe- 
tjoenja asal orang jang mémbatja ijarit^ra dïhoeloe Jcala. Nila Pahla- 
wan en Karna Pandita werden door Bat d^ö^ de twee vrouwen 
in het huwelijk verbonden; uit hunne nakomelingen kwamen de 
awang's en de dara'a. Dit aUes kwam Dëmang Lebar Daoen ter 
oore; hij begaf zich naar die plaats en werd door Sang Sapoerba 
met luister ontvangen. Alom werd het ruchtbaar dat afstammelingen 
van Alexander den Groote naar den Boekit Sagoentang Maha 



Digitized by VjOOQIC 



200 CATALOGUS DBR MAL. HANDSCHRIFTEN 

Meroe waren afgedaald^ waarop alle vorsten hen kwamen huldigen. 
In de uitgare van Shellabear, bl. 30 en volg. wordt hetzelfde 

verhaald , maar in dit HS. staat het volgende : ^b jkA\ ^^ ö>w^ 

aIjÈ^jJ léL-^ OOJ ^J «Jijl C>*5^«-UwO wA-JJW AJ ^^tf ^yj ^aU ^^\ 

vJLii vi>3i«>Ju» ^H^ o3^ o'*^ ^.ft-*^ Q^' _^ 05^*^ r^i^ f^*^ «AÜ' 
^ <^?} o^J^^ ^^ ^vAJXw^' -I^ --^ v-SJ^ v>i^i> JÏJU^ ui^5[^ ^K 

o^ o^^ o^'^ r*-^' 05* o^*^*''^^ ^'^ ^*V* or^ o5*^ r^ è^ 
r^^ ^->^ o^^^^ <^r^ S^ J^ <^r=^r^ c5^ o^--- ^.Kè ^ 

«O^^ f ' o 9 O > -^0 9 O «... O ^ O O « ^ ^.« ^> ^ O > 

j^jö jb ^^^i$>J («J-J OJÖ^ c;^**-**' L^r*** '^^'^^j*" slrt^ «öu>Ld \:>J^ 
«AjAam li^jj^ vi;^3^ o^^^^ (•^•3 o!; o''^ L^ü^ qI^ vii*i5" qI^ 

^r^? s!;^^ s^J s^^ ^r ^^ c^i^ c^^^^ ^"^ ^^y>^ ^ 5^ 

^^jb ^^ JuoO ^J ^^ ^V^ uXiT iJ ;^^;J 0^^^+^ ^ ^^ 
J^ -j:;> sjüi tXs^O jXaX**# vii^^ |;^*^j^ *^SCö ^^ vJiÜ c^^lvXJL^ 

i«AA» ^^^;^ 0-5^*^ j-^ J-^O xJjt «^^.'O vi^'j^ ^KiJU Jt*^ ]^^jX3^]j^ 
JliJi JL4/ ^3lx> ^V** *^-*^ *!5^ '^^ fc^^^ «3^** Ü^ ^^V^ Vr**- 

qUo ^jyLn:>-J^o yUiJU . Daarna wordt zijne regeering in Menang- 
kabau verhaald. Op bl. 30 wordt medegedeeld hoe Sang Sapoerba 

Digitized by VjOOQIC 



VAN HKT KONINKLIJK INSTITUUT. 201 

de zee wilde leeren kennen; in de beide uitgayen staat: bërapa 
lamanja Sang Sapoerba diam di Palëmbang maka baginda berkira- 
kira hëndak mèlihat laoet^ doch in het H.S. : tërsëboetlah për- 
kata'an Sri Tri Boewana karadja*an di Palëmbang itoe kapada 
soewatoe hari baginda berfikir hëndak mëntjari tëmpat nëgari karëna 
nëgari Palëmbang itoe tiada bërkënan lagi poela baginda hëndak 
mèlihat laoetan. Het voorafgaande hoofdstuk, voor een deel geheel 
andere verhalen bevattende dan het overeenkomstige in de uitgaven, 
eindigt met de woorden wL^I ^>y« lT^^ v!^^I^ (^^ ^!3* ^o 
hoofdstukken der uitgaven vallen in dit HS. op de volgende pagina's, 
IV : 41, V : 44, VI : 46, (zonder eenige afscheiding) VII : 53, VIII : 58, 
II : 61, X : 65, XI : 67, XII : 77, XIII : 84, XIV : 103, XV : 120, 
XVI : 125, XVn : 134, XVIII : 138, XIX : 140, XX : 142, XXI : 147, 
XXn:150, XXIII: 155, XXIV : 160, XXV : 163, XXVI : 167, 
XXVII : 186, XXVIII : 196, XKIX : 201, XXX : 215, XXXI : 218, 
XXXII : 221, XXXIII : 228, XXXIV : 243, slot der uitgave-Klinkert: 
bl. 250. Tal van grootere en kleinere verschillen met den tekst 
der edities zijn in dit HS. op te merken; omstreeks bladz. 120 
gaan de teksten meer congrueeren. 

Het slot van dit HS. is als dat van de uitga ve-Shellabear, echter met 
de toevoeging: c\a^ ^y>- ^^ >Sb ^^ tJ^ ^y?^ 5s».l-^ c;^ 

jjjjjü J^ vi;Ö5 X-X4J> ^3^LP O^ j^M ^yi ^^ j^ ^^jLy^^ 

|J sJuxj:o ^j j*s& ^^t c^^j, waaraan dus het jaartal ontbreekt. 
Het handschrift is door Prof. G, K. Niemann aan het Instituut 



XIV. 

Sjadjarah Malsgoe II, (HS. 587). 

32x207^ C.M., 13 bl., 32 r., Latijnsch schrift. 

Begin: Alkiesa Tjerietera ijang ketiega Eata sahiboel hiekaijat 
maka terseboetla perkatoen sang nila aoetama tienggal diebanten. 

Het HS. bevat het 3^ verhaal (tot bl. 4), het 12« verhaal (tot 
tt. 11) en het 13^ verhaal tot aan de woorden: djiekalo soeatoe 
hal negrie inie apa isab pada kamie sekelian sab, wat in de uit- 
gaye-Rlinkert voorkomt op bl. 137: ^1 ^5^^ JL> o|^ ^^K> 

De tekst is bijna woordelijk gelijk aan dien der uitgaven ; alleen 
staat in het HS. in plaats van ^^ steeds hiengga. 



Digitized by VjOOQIC 



202 GATALOaUB BBR MAL. HANDBCHEUTTBN 

Andere handschriften: 

Leiden, Catalogus, bl. 230—233, codices 1703, 1704, 1716, 1760, 
1736 en 3210. 

Londen, Royal Asiatic Society A n^ 18, 35, 39, 68, 80, B n^. 5. 

Batavia, Collectie-Von de Wall, no» 188, 189 en 190. 

Batavia, OoUectie-Batav. Genootschap, n°. 11 (eindigt in het 
13® verhaal). 

XV. 

Oendang-Oendang Mënangkabau I. (HS. 570). 

20Vj X 17 C.M., 247 bl., 21—28 r., Latijnsch schrift. 

Dit geschrift vermeldt de overleveringen der Padangsche Boven- 
landen, in verband gebracht met vele bestaande adat's en wetten. 
Het is ook bekend onder den naam Soerat Tambo Radja. 

Na eene Arabische inleiding, door de Maleische vertaling ge-- 
volgd, wordt vermeld, op bl. 4: setalah itoe di namai akankitab 
inie memoetoesken bagie sekalian kakandak antara sjarak dan adat 
dan pada sakalian oelma marikaitoe dan sakalian hakim marikaitoe 
dan sakalian hakim marikaitoe jang mempoenjai akhal dan bitjara 
marikaitoe adanja. 

En verder: Amabaadoe kemadian daripada itoe maka adalah 
kanjataan dan katantoean jang di batjakan atas bahasa djawi, so- 
paja moerah mahhafadlalkan, dan mengatahoewi dia pada sakalian 
orang jang baharoe berkahandakh kapadanja lagie tiada berbilang 
Patsalnja dan atsalnja dan babanja dan hhadisnja dan moealanja 
dan msailahnja dan oetsoelnja malainkan atas sakira kira paham 
jang patoet mandapat sakalian kitab dan kaadilan bagie sakalian 
menoesia mechaloekhnja Allah taala adanja. 

Daarna wordt gehandeld over Allah en zijne eigenschappen, de 
noèr Moehammad, de nederdaling daarvan op Adam, vele Arabische 
philosophische, mystische e. a. termen en hunne ware beteekenis. 
Op bl. 18 staat de traditioneele verdeeling in negen hoofdstukken, 
als volgt: oendang oendang taaloek kapada 1» Radja radja, 2^ ka- 
pala kapala dan panghoeloe panghoeloe; 3^ sakalian alim dan 
aloema jang khadlir lagi hakim marikaitoe ; 4<' segala paki pakian 
5» sakalian permanian; Q^ sakalian boeni boenian; 7® rami ramian; 
8<) sakalian hoekoem jang terpakei didalam isi alam ini; 9<) sa- 
kalian kabesaran segala manoesia didalam alam ini. Van deze negen 
„poetjoek's" heeft een deel betrekking op Roem, een op China en 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 203 

een op Menangkabau. Op bl. 25 wordt de schepping van Adam 
Terhaald, en hetzelfde verhaal medegedeeld als voorkomt in de 
vertaling van een soortgelijk boek door E. Netscher in zijne „Ver- 
zameUng van overleveringen van bet Rijk van Mftnangk&bo'ui Indisch 
Archiefi 2^ jaarg. III, bl. 39 en volg. Daarna is sprake van den 
oorsprong van Iskandar Dzoe'1 Karnain, zijne krijgstochten en zijne 
zonen Simaharadja Alif, Simaharadja Depang en Simaharadja, even- 
als in de vertaling van Netscher, welker inhoud hier getrouw 
yertegenwoordigd is, behoudens enkele verschilleui vooral in eigen- 
namen; zoo heet de hond Malim (o. c. bl. 43) hier Maalam 
(bl. 39)| Tjatija Bilang Pandé (o. c. bl. 43) hier tjatti bilang pandi 
(bl. 40) e.d. 

Het geheele in genoemde vertaling voorkomende verhaal is in 
dit HS. te volgen tot bl. 104, waar een nieuw gedeelte wordt 
ingeleid met de woorden : bata dangan takhadir AUa taala maka 
babarapalah lamanja antaranja maka moefakatlah Datoek Soeri 
diradja serta Datoek nan batiga itoe jaaui Datoek katamanggoengan 
dan Datoek Perpati Sabatang serta Datoek Soeri Maharadja nigo itoe. 
De in het vervolg vermelde wetten worden toegeschreven aan 
»niniek kita katamanggoengan dan Parapatie Sabatang." 

De volgende wetten komen verder ter sprake: 

Oendang-Oenaang nan salapan perkara, bl. 122. 

Oendang-oendang nan doelapan, bl. 129. 

Sjarak kitaboelfala en Adat, bl. 136. 

In dit gedeelte zijn de talrijke Arabische woorden en uitdrukkingen 
meerendeels geheel verbasterd en onherkenbaar geworden, en vele 
aanhalingen uit den ]6[oërd.n, eveneens bijna onherkenbaar, en uit 
de overlevering worden als argumenten geciteerd. Op bl. 151 staat 
als slot: Eerna kitab itoe terlaloe basar sakalie kalie oleh terka- 
talah ia die badannja daripada sakalian adat Nabie ts.m. laloe ka- 
pada sakalian adat jang terpakai adanja. 

Eatahoewi olehmoe hei Talib parie manantoean asal kata E.p. r. 

Bl. 152 begint met de woorden: Istiadat Aldoenia namanja 
pada segala orang jang berakhal namanja, eene verhandeling over 
het begrip (akhal) en de daarvan afhankelijke eigenschappen en 
negaties daarvan, in verband gebracht met sjarak, adat, istiadat, 
limbaga. Uitvoerig is. het gedeelte over den rang (martabat) van 
den mensch in de schepping, met uitweidingen over zijne voor- 
treffelijkheden en gebreken. Op bl. 192 vangt eene verhandeling 
aan over de termen van den sjarak en hunne beteekenis, voor- 



Digitized by VjOOQIC 



204 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIITEN 

namelijk ten aanzien van het procesrecht, waarna wordt voortge- 
gaan met de uiteenzetting van „akhal." 

Op bl. 225 komen de „martabat negri" ter sprake, nl. kam- 
poeng doesoen jang die kapala batoeah, koeat negrie jang ada 
kapala jaanie panghoeloe, loehak jang babapithalak lagie ada kapala 
Eadja en soeroeh soeroeh atau masdjid jang ada kapala pagawie 
alam dan oemah dan pakih dan khalie, welke vier rangen, uit- 
voerig worden behandeld. Op bl. 229 worden de drie martabat 
perampoean genoemd, gevolgd door de martabat's der orang kaia, 
der alim, der fakhir dan pandito, der orang jang djadie soedagar, 
der mantrie; in de laatste uiteenzetting (der mantri's) eindigt het 
geschrift met de woorden: dan djikalau toean diam pada siasat 
mantrie kamana akan die bawa dan djikalau die katanja kamie 
pada kadoeanja separtie ibarat njatala itoe ialah anak kakie doelat 
sikoer djangan die kok kamie berdoea itoela djangan die palang- 
kan djoea adanja. 

Dit handschrift, dat een voor een Europeaan gereedgemaakten 
tekst schijnt te bevatten, is als eene uitgebreide Tambo te be- 
schouwen; of al het op de eigenlijke oendang-oendang Mënang- 
kabau volgende inderdaad tot eene, zij het ook zeer uitvoerige, 
redactie van den Tambo gerekend moet worden is niet zeker. 

XVI. 

Oendang-Oendang Mënangkabau II. (HS. 222 (1), 

2IV2XI7 cM., a21 bl., 19 r. Latijnsch schrift. 

Dit handschrift vertegenwoordigt eene andere redactie van den 
Tambo. Vooraf gaat een gedeelte over de waarde der Menang- 
kabausche wetten en het belang van hare toepassing, beginnende 
met: Patsal pada menjatakan beda 'daripada sidik dengan midik 
tjardik dan tjandakijo pada arib dengan bidjaksana, pada hal sabab 
toemboeh pada kita persalahan sabab toemboeh kahinaan sabab 
toemboeh katjalaan oleh sagala kita manoesija karana doedoekan 
sidik dengan midik. 

Op bl. 3 is te lezen: Adapoen pitoea Datoe katoemanggoengan 
serta Datoe perpatih Sebatang mangikoet kata adinja Nabi Salala 
oe alayiwasalam dan daUl Allah oe taala, en na eene vermelding 
van de beteekenis der pënghoeloe's staat op bl. 4 Adapoen anak 
Berpatih Sabatang Djamatang namanja nama iboenja Djoelihata. 
Eerst op bl. 8 opent eene Arabische inleiding, door de Maleische 



Digitized by VjOOQIC 



VAK HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 205 

yertaling gevolgd, den eigenlijken tambo, in bet begin waarvan 
de negenvoudige verdeeling aldus wordt opgegeven: 1. taaloek 
kapada fiadja, 2. kapada Pangboeloe, 3. kapada alam, 4. kapada 
pakaijan, 5. kapada permainan, 6. kapada boeni boenijan, 7. ka- 
pada ramiramijan, 8. kapada boekoem jang terpakaj pada Alam, 
9. kapada kabesarau Alam. Daarna volgt de geschiedenis van Adam, 
van Alexander den Groote en de epigonen, en van Datoek Eatoe- 
mènggoengan, met geringe afwijkingen van HS. 570, ook in de 
eigennamen (b.v. tjatti bilang pandi hier: Tjati bilang panday). 
Berst op bl. 89 wordt vermeld dat de negen poetjoeks der oendang- 
oendang in drie landen vigeeren: nl. een in Minang Eerbau, een 
in Atjeh en een in Roem, ijalah nan dipakay orang Mokkah dan 
Madinah; eenige regels verder wordt de oorsprong van de wetten 
der Ghineezen, Benggaleezen, Engelschen, Franschen en Hollanders 
behandeld. Op die bl. 89 toch valt het einde van het eigenlijke 
geschiedverhaal met de woorden Adapoen Datoe Soeri dl radja 
ijalah mamak oleh Datoe nan berdoea itoe. In het laatste gedeelte 
worden allerlei bepalingen medegedeeld, op gezag van Datoe katoe- 
manggoengan en Datoe perpatih sebatang. Het slot is: Adapoen 
adat jang sepoeloeh pertama berdagang berniaga, berhoem, bertanam 
bertaranak kerbau djawi berboewat bertahoen berboewat kebadjikan 
berboeat ibadat pahi mengadjie atau mengadjar berlajer katangah laoet 
berdjinaka pada segala hamba Allah serja menjerja tolong menolong 
pada kerdja kebadjikan atau berniaga itoelah nan sabanar benar 
adat jang patoeb kita pakaij pada segala handaij tolan kita-Tamat. 

Yan de verschillende handschriften welke in meer of minder 
afwijkende redactiën de Tambo-materie behandelen zijn te vermelden : 

Leiden: Catalogus, bl. 245—248, cod. 1962, 1745, 1772(1), 
1773(1), 1915(2) en 3382. 

Batnvia: GoUectie-Von de Wall, nos 202, 203, 204 en 205. 

Batavia : Collectie-Bataviaasch Genootschap, n»» 27 en 280 (eenigs- 
zins afwijkende redactiën). 

xvn. 

Tjarita Bangka I. (HS. 541). 
24x17 C.M., 112 bl., 17 r. 

Begin: H^' ^^^^ ijfjö ^^^iy^ j-^ «'^-^ Jyy ^^^ 'j^. J^^ 



Digitized by VjOOQIC 



206 CATALOGUS DBR MAL. HANDSOHBIPTBN 

In de eerste pasal worden twee legenden omtrent het ontstaan 
van Bangka medegedeeld. Volgens de eerste was een schip uitge- 
zeild uit Djohor onder den kaptein ^^ ^y^\ deze had den dood 
gevonden door een prik van den naald zijner vrouw, men dacht 
aan opzet en een oproer ontstond; het schip dreef voort en werd 
Banka, de masten werden bergen, een sloep werd Biliton, eene 
hut werd Batoe Bali, de keuken werd Sëmbawang Dapoer. Volgens 
de tweede is Bangka ontstaan uit een schip dat voer tusschen 
een van Djohor losgeraakt stuk grond en de kust, en werd het ge- 
stuurd door dienzelfden kaptein, die op dezelfde wijze den dood 
vond, waarna oproer ontstond. De geulen tusschen het land en 
het losgeraakte deel werden grooter; zoo ontstonden Bangka, 
Billiton en Singkep. 

In de 2» pasal wordt eene legende verhaald gehoord bij de lieden 
van Maras, in de 3« bij die van Blinjoe e. a.; zoo worden vele 
legenden over het ontstaan van Bangka medegedeeld, later worden 
de geschiedenis van Bangka en het ontstaan der voornaamste ambten 
behandeld; de verschillende oorlogen worden opgenoemd, een vorsten- 
kroniek wordt gegeven en eene wetgeving wordt (in § 26i) uit- 
voerig beschreven in 45 artikelen. Het aantal pasal's is 29. 

Het slot is: ^\ g.;'^ 5*. ^^3^ o^^/^ O^"^ O^'^/'^ «JUx>C«l> 
vi>AA*yju uil LlU Lp ^ ^yi tXi^ O)^^ O^ ó;!-^ <i^,f!r M** 

.ino 'KKm ^^Loa/o^ ^^ ^^ 17 J^ pJj^ö 

XVIII. 

Tjarita Bangka II. (HS. 586^. 

34x21 C.M., 145 bl., 34 r. Latijnsch schrift. 

Begin : Soerat karangan olih Toemenggoeng kerta Negara jan^ 
bertanda di bawah ini didalam tjerita asal kedjadian Poelo Banka 
dan dari mana orang of manoesia jang ada di dalam itoe Poelo 
serta lain lain hal jang soeda djadi serta soeda dihimpoenkan dengan 
masing ampoenja tjerita serta di ambil sadja sedikit sedikit mak- 
soednja dengan pendik jang bagimana terseboet dibawah ini 
adanja. 

Het slot is: demikianlah diparboewatkan olih jang mangarang, 
ini serta tjerita, soeta harap akan ampoen kepada Toehan jang 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLiaC INBTITUOT. 207 

maha moelia^ apa jang djadi tersalah ^), atau tida betoel, melainken 
demekianlah adanja, tammat. Olih Toemenggong kerta negara 
jang berboewat itoelah adanja Telah tarsalin ini tjerita kapada 
tahoen Holanda 2 Jaly 1861 tahoen Melajoe 23 Dzoelhadji 1277. 

Dit handBchrifb heeft deazelfden tekst als n'^. 541, docb eene 
copie van dat MS. kan het niet zijn; trouwens dit HS. is ouder 
dan n". 541, gelijk uit de data blijkt. 

De laatste vijf bladzijden zijn gevuld met eene korte beoordeeling 
der legenden en eene yrij uitvoerige inhoudsopgave met verwijzing 
naar de bladzijden waar de ,,Fatsal's" beginnen. 

Eene uitvoerige inhoudsopgave van dit geschrift is gegeven 
door F. S. A. de Clercq in de Bijdragen van het Instituut, deel 
XLV, bl. 113—163, waarnaar verwezen worde voor analyse, ge- 
halte van den tekst, eigenaardige uitdrukkingen en derg. 

Ben ander handschrift wordt vermeld in den catalogus van Dr. 
Jaynboll, bl. 254, cod. 2285. 

XIX. 

Sja^arah Ra^a-Ba^a Rlouw. (HB. 630). 

33x21 C.M., 181 bl., 31 r., (bl. 1—42), 38 r., (bl.-43— 181). 

Voorin staat: „Dit handschrift, een getrouwe copie van een 
dergelijk dat berust in het archief van den Jangdipertoewan woeda 
Riau, en de geschiedenis van het vorstenhuis beschrijft werd mij 
door Radja Ali Eelana, die zich steeds een trouw en oprecht vriend 
betoonde, als aandenken aangeboden bij mijn aftreden als Resident 
van Riouw en onderhoorigheden. April 1896 v. Hasselt". In Sep- 
tember 1903 werd het HS. door den heer Van Hasselt aan het 
Instituut afgestaan. 

Begin: ^^Laa^ luX-i f^iydb Juuö ^^ jJUU.L. ^ Jt^^t s^l^\ 

y o*^ ^y ^-T g!; r^^ ^'^ y^^ s*>> t^j;r^ ^^^Z ^5^^ 

Daarna wordt rekenschap gegeven van de redenen welke tot 
bekorting geleid hebben in de volgende woorden: maka berpan- 



1) Hierdoor is het zonderlinge va^^aam^* aan het slot van HS. 451 opgehelderd. 



Digitized by VjOOQIC 



208 CATALOGUS DBR MAL. HANDBCHREFTEN 

djanganlah hikajatuja ini dldalam sjadjarah dan sijarah Malajoe akan 
tatapi 'pada kitab ini boekannja mak^oedkoe akan mëmpèrboeat 
tjitëra jang pandjang itoe karëna tjitëranja jang pandjang soedah 
ada bëbërapa banjak karangan orang jang dëhoeloe dëboeloe dari- 
padakoe dëngan kitab ada jang disoerat dëngan tangan dan ada 
jang ditjitah: dëngan soeratan tab^ adapoen jang akoe përboeat ini 
Balj:adarkën hëndaj: mënjatakën përatoeran jang djatoeh pada për- 
djalanan antara përdjalanan radja radja* Malajoe dëngan radja radja 
Boegis tatkala pada masa radja radja sabëleh Djohor dëngan radja 
sabëlah Djohor dëngan radja radja sabëlah Boegis dan radja radja 
sabëlah poelau Përtja soepaja mëngatahoei djalan dan sabab bër- 
tjampoeran nasab satëngah atas satëngahnja dëngen përkata^an dan 
karangan jang këmas. 

Op bl. 2 begint de geschiedenis der regeering van Sri Pikra- 
mawira; daarop volgen Iskandar Sjah, Radja BësarMoeda; voorts: 
de geschiedenis van Djohor, de regeering van Soelaimftn Sjah, de 
salisilah L^^ aLa^^Ajü^.^^ l*-l^ (bl. 11), de salasilah radja radja 
sabëlah Boegis jang masoek katanah Barat nëgari Djohor (bl 15), 
de salasilah katoeroenan Oepoe Daeng J>Ls , en vele andere oepoe's 
( — bl. 35); de geschiedenis der Boegineesche vorsten van Loewoe, 
de betrekkingen tot Djohor en andere Maleische rijken, de geschie- 
denis van Landak, en andere landen èn die der vorsten van Eiouw 
in het bijzonder. Uitvoerig worden de aanrakingen met de Hol- 
landers, .en later de onderhandelingen met den resident Elout 
behandeld; het slot vormt de volgende alinea: tammatlah pëkër- 
dja'an Soeltan Mahmoêd itoe habis Jdsatnja dan tinggallah jang 
dipërtoean moeda radja Moehammad Joesoef didalam Biouw sërta 
istërinja poetra soeltan Mahmoêd al Marhóem maka tëtaplahjang- 
dipërtoean moeda radja Moehammad Joesoef mëmarintahkën nëgari 
Biouw dëngan sëgala dairah ta^alloel^nja sabagimana atoeran pa- 
doeka ajahanda Marhoèm jang dëhoeloe dëhoeloe pada pangkatnja 
adapoen jangdipertoean bësar soeltan Soelaimd,n Badroer&lam Sj&h 
tëtap poela didalam nëgari Lingga dan salaloe sahadja soeroeh 
mënjoeroeh ka Biouw kapada padoeka adinda baginda jang-dipertoean 
moeda radja Moehammad Joesoef dan kapada residen Biouw dari- 
pada pëkërdja'an nëgari dan lainnja adanja. Aan het einde wordt 
het boek betiteld: ^Mjj ^j*^^ »^ y.^ rj^ \^Ujt X-jy$- x«Ad 

&^r^ y.x. ^j ^>:^ vjüt ^ vjü^t^ (^ 'h ^^ y^y^ ^^^ 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 209 

4u- ^yü LS^ waarop eene waarschuwing volgt nopens het 
wijzigen dezer kroniek, 
Slot: ^J^ yJb i^y lX5 ^JL^ ^^ ^^ ^t »^L^ xLas> ^ 

AIb datum van het overschrijven wordt vermeld 8 Sja^b&n 1313, 
als plaats : Pënjëngat, als copiist : AU ibn radja hadji Moehammad 
Riouw. 

Onder verschillende namen is deze Eiouwsche kroniek bekend, 
z, a. Aikajat nég'éri Riouw, silsilaA radja Boegisy atoeran satija Boegia 
déngan Malajoe. 

Andere handschriften: 

Leideni Catalogus, bl. 233—234, cod. 1724 (2). en 1741 (1). 

Batavia: Collectie- Von de Wall, nos 195 en 197. 

XX. 

Hik^jat Salasilah Perak. (HS. 632). 

34 X 21 cM., 103 bl., 31 r. 

Begin: ^y.A^ ^. i^L<> *UjI K ,AflJüt j^-a>J< ^^\ «üJI j*^ 
^^0^ ^y:> ^^\ )UAs> ^-JyÜt 30 ^JO^t ^LLL. ^Uj Ij^ 

f^^^\ K^\ c^L-^^^ ^^^ V^ e)J-^» o^*^* >^^^ ^ *^"' ^ 
Sis^ ^yüi ^J ^fJoC-i ^1^ 8^ iJó,v> ^.,^ yyo 1^ ^^\ 

J^ojIc ^»3^ g^ iA»,^ (^Uai ^b c;^yi ^L^^U^ jjj^U ^^[^ 

Slot: «Ui ^JU ^.v>JI Jk o*^^ '^ O*^ ^"^^-^ a>-^' ^' 
jJLuJL- ^jJ iuL<> &U^ crl;^^ l5^L> ^^L> ^^Usy j.,^US ^^t^tf 



Digitized by VjOOQIC 



210 CATALOGUB DBR MAL. HANDSOHRnTBN 

Dit handschrift bevat eene geschiedenis van Ferak. In het 
manuscript ligt eene uitvoerige inhoudsopgave van wijlen den heer 
G. E. Niemann, uit wiens inleidende opmerkingen het volgende 
tot kenschetsing van het geschrift wordt overgenomen: „Over het 
geheel is het vrij goed geschreven, slechts hier en daar eenigszins 
onduidelijk. Het is een geschenk van het nu overleden correspon- 
deerend lid Maxwell, die zelf op Malaka woonde, naar ik meen 
te Perak. Hij gaf reeds een kort account of the history of P. in 
het Journal of the Straits Branch of the R. As. Soc. in 1878, 
pag. 187 .. . Het is niet onbelangrijk voor de kennis van gebruiken 
aan de Maleische hoven, en bevat passim enkele in de Wd. boeken 
ontbrekende woorden. Ook wordt een nederzetting der Hollanders 
in Perak voornamelijk voor den aankoop van tin vermeld, p. 65 — 97 
wordt een pleziertocht van een der sultans naar de zeekust ver- 
haald, die in dichtmaat gesteld is en ikatan sjair wordt genoemd; 
op p. 97, reg. 8 v. o. gaat hij weer voort in proza . • .*' Behalve 
de analyse van het verhaal heeft Prof. Niemann uitvoerige aan- 
teekeningen over den tekst in het in 't HS. bewaarde cahier neerge- 
schreven. Het HS. is slechts aan één kant der 103 bladen be- 
schreven. 

Andere handschriften zijn niet op te geven. 

XXI. 

Tjaritëra Nëgarl Djambl. (HS. 538). 

32\/, X 20 C.M., 10 bl., 31 r. 

Begin: ^J^ö ^^LXj*j^ J^^^ ci>^-5 OsJj^. j^b Lx^ iJbi lé^ 

ö)lw« y:yJ iiA-9ji^ »iXju Uol ^^bt vi>j< {^j^ >i^N^.^ T^^j ^cLf^J^ 

.^} I^^L^ s^y. ^iJuo ^^j^.^. vJj>» o*^ ^^'? ijj^ f5*^ £^^ 

Slot: JU5' jjb ^^ o^jf!^ »^>^ ^^^ O^'-V '^ o'"^^ 

.y^\ö ^^L* ^j^i ^y> X^y ^_^b 

In een aantal kleine paragrafen wordt in dit HS. de latere ge- 
schiedenis van Djambi, zijn vorsten, hooge ambtenaren, afzonder- 
lijke landschappen medegedeeld, beginnende met e5j^ qLUU 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 211 

«yj )AyA ^yéé^Ouó vïLi*# (3^4^ I die drie zonen had: Raden Moe- 
hammad J^^asim, Kaden Taboen namanja Eaden Bangga en de 
tegenwoordige soeltan, genaamd Baden Danting. 

Op het laatst geeft de ongenoemde schrijyer eenige data^ t.w. 
16 Juni 1832 zijn tocht naar den Boeltan als gezant yan den heer 
g«jjA», 6 October 1832 idem naar Soeralangoen. 

Daarop volgen twee feiten in datzelfde jaar zonder datum. 

12 November 1834 zijn zending door den heer ^l^y i^&^r soeltan 
Moehammad Fachroeddin. 

1 Januari 1835 zijne vestiging met den luitenant q^^^I te Moe- 
wara Kampi. 

19 Maart 1837 zijne aanstelling tot dëmang van Wikoen. 

23 Jnli 1838 zijnd voorloopige vestiging te Palëmbang. 

Andere handschriften worden niet vermeld. 

XXII. 

Hikmat Nëgari Djambi. (H8. 205). 

33 X 20 C.M., 33 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Iniela soewatoe Tjarieta dariepada Zaman parboe kala 
ada saorang Radja die Dalam Nigrie Djambi nama Toean Talanie 
radja die dalam Nigrie jang Asal, adala satoe Nigrie die Darat 
doessoen Moeara Djambie dan sampie sakarang ada bekas Nigrie ietoe. 

Slot: tiada barapa lamanja maka sultan Machmoed Mohidien 
poen matie maka Pangeran Batoe djadie Radja Barnama Sultan 
Mohamad Paharoedien dan Pangeran Paraboe djadie Pangeran 
Batoe Marta Ningrat jang ada sakarang die Nigrie Djambie Domi- 
kianla adanja. 

Dit HS. bevat eene geschiedenis van Djambi, van soeltan Talanie 
tot Mahmoed Fachroeddin. Talani liet zijnen zoon in een kistje 
in de zee werpen, daar sterrewichelaars hem hadden voorspeld dat 
zijn zoon hem in den strijd zou dooden. De vorst van Siam vond 
den knaap, die later naar Djambi ging en inderdaad zijnen vader, 
die hem niet erkennen wilde, doodde. Later volgt de geschiedenis 
Tan de aanrakingen met de Hollanders. 

In inhoud komt dit manuscript overeen met het op bl. 245 
Tan Dr. Juynboll's catalogus beschrevene handschrift; deMënang- 
kabansche prinses Pinang Masak, aldaar op bl. 11, wordt hier 
op bl. 21 genoemd met de vermelding dat zij van een djinn af- 
komstig is. 



Digitized by VjOOQIC 



212 CATALOGUS DER MAL. HANDSCnUIlfTBN 

Jaartallen komen in dit geschrift niet voor, ook niet aan het 
einde ; het Leidsche HS. echter is gedateerd 27 Rabi' II 1253 H. 
A^nder handschrift: 
Leiden: Codex 2013. 

XXIII. 

Tjarieta sabab cyatoeh koewasa Sultan Djambi. (HS. 2Ü7). 

33 X 20 cM., 8 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Tjarieta sabab ienie Sultan Djambie Barmoela djatoe 
dia poenja koewasa Dan hilang dia Poenja Eoewat Adalah asalnja 
Tatkala bardierie Sultan Machmoed Mohidien djadie Radja mang- 
gentie Soedaranja Sultan Masoed Badaroedien maka Sultan istrienja 
nama Ratoe mas iessa maka Tatkala ietoe kira kira pada tahoen 
1812 katika ietoe Sultan Bagiemana adat Radja Radja mengambil 
anak anak orang Nigrie ada kira kira 30 orang. 

Slot: Kamoedian Pada Tahoen 1842 Sultan Mohamad Paha- 
roedien matie maka Pangeran Ratoe Marta Ningrat djadie Radja 
Nama Sultan Abdul Rachman Nassaroedien ijala sekarang Sultan 
die Djambie. 

Dit HS. bevat een kort relaas yan de oorzaken welke geleid 
hebben tot het verloren gaan van de politieke macht der soeltans 
van Djambi; op den omslag staat als titel: Val van Djambi. 

XXIV. 

Tjarieta Adipati Wira Tanoe Datar. (HS. 215<'), 

32x2072 cM., 38 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Bahoewa iniela Sewatoe Ihayat atas trietanja Toean 
Adhiepatie Wiratanoedatar Bopati Tjieandjoer ijang dahoeUoe. 

Adapoen Toean Adipattie Wiratanoedatar itoe terlebieh mashoer 
ampoenja kebaekkanja kebanjakan orang ijang sanget terpoedjie 
kepadanja. 

Slot: Sahadan dieatas inie tjrieta koerang lebienja itoe hendakla 
Toelloeng betoelken dan maloemken barang ijang bersalla dieatas 
dimiekiean inie adanja. 

Onderaan: „Geschreven te Tjiandjoer Res. Preanger Regentsch. 
1857." 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 213 

Dit geschrift is vertaald dopr G. M. F. Stockhausen, en die 
Tertaling is door S. Keijzer in de Bijdragen van het Instituut^ 
nieuwe volgreeks, deel VI, bl. 292—306 gepubliceerd. 

XXV. 
De invoering van den isUm in de Preanger. (HS. 215). 
32x20Va C.M., 17 bl., 24—30 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag: Verhaal van de invoering van den Islam in 
de Priangerlanden. Maleisch handschrift van 1857, ingezonden door 
den heer H. W. van Marie. 

Begin: Adapoen tjrietanja ijang bermoela memasjok kapada 
agama Islam toeroen menoeroen ijang memasjok bilangan die 
Eabopaten Tjieandjoer iaitoe hienga darie Arija Wangsa gopraua 
Begara herangkrawang hinga dari sietoe dateng sekarang mendjadila 
baharoe 9 toeroenan ampoenja lama tela masjok kepada agama Islam. 

Slot: Toeroenan hinga darie Praboe Tjioeng Mandara dateng 
Skarang Welohoe alam soeda babr&pa lamanja Taonnje ietoe adanja. 

Onderaan : „Geschreven te Tjiandjoer Res. Preanger Eegentsch. 
1857". 

Dit geschrift is vertaald door C. M. F. Stockhausen, en die 
vertaling is door S. Keijzer in de Bijdragen van het Istituut, 
nieuwe volgreeks, deel VI, blz. 307 — 313 gepubliceerd. 

XXVI. 

"Qarita 8iam. (HS. 534). 

33 X 20 C.M., 40 bl., 27 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Adala kapada tahoen Nabie Mohamad anak Abdulla 
1238 dan kapada boelan Zulhadjie kapada katika ietoe toean 
Pangeran Said Hassan Bin Oemar bin Abdulla Alhabsie mendapat 
reder dan order darie bawa Doelie Jang die Partoewan Bessar 
Gouverneur (ïeneraal G. A. G. P. Baron van der Kavelan Kadja 
jang mamerenta Nigrie Doenja Tana Indie, manjoeroe barlaijar ka 
Nigrie Siam membawa soerat sarta bingkissan kapada Radja maha 
Bessar die Banoewo Siam. 

De schrijver noemt zich Abdulla uit Bassoeki. 

Hij verhaalt hoe hij met den genoemden Pangeran naar Siam 
gezonden werd door den Gouverneur-Generaal Van der Oappelen, 

7e Volgr. VI. 16 



Digitized by VjOOQIC 



214 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIPTBN 

hoe hij aldaar den naam kreeg Djeroe Toelis Oetoessan Jang die 
partoean Djiktro, hoe hij zich kweet van de gegeven opdracht hij 
den Yorst Pra ongkan^ hoe hij in Bezoeki teruggekeerd zich wijdde 
aan een onderzoek naar de geschiedenis van Siam, en in staat werd 
gesteld die geschiedenis te schrijven. 

De inleiding bevat mededeelingen over de afstamming der 
Siameezen^ de godsdiensten en bijgeloovige gebruiken in Hindoestan, 
de bevolking van enkele Indische landen e.d. Daarna^ op bl. 14, 
begint het eigenlijk geschiedverhaal met de vermelding van Kon 
Loang Eiran en zijn broeder Kon Loeng hut, waarna het optreden 
van den Chinees Sien uit Tak verhaald wordt; zijn regeering 
en die van Pija Tjakrie worden uitvoerig verteld. Zijn opvolger 
is Sum Didit Katjoe Loekto (bij JuyuboU, ad cod. 2011 Süm 
Didtu E&tjü Lakat). Na het geschiedverhaal — 119 jaren koningschap 
en vele jaren van verbrokkeling onder kleine vorsten — volgt eene 
uitwijding over de minderwaardigheid der Siameezen, de ervaringen 
van de gezanten van den Gouverneur-Generaal, de bemoejingen 
van Engelschen, e.d. 

Het slot is : Sabarmoela adala hikajat ienie tella di soeroe oUeh 
jang Die Partoean Bessar Gouverneur-Generaal tjitak diedalam 
Nigri Batawie dengan bachsa olanda damikian la Adanja. 

Dit geschrift is, naar het schijnt, identisch met de Hikajat 
Radja-Radja Siam, zie Oatalogus-Juynboll, bl. 240, ad cod. 2011, 

Andere handschriften zijn niet op te geven. 

xxvn. 

Silasila Bacya RacUa dldalam nëgari Palëmbang. (HS. 414). 
34 X 2OV2 C.M., 37 bl., 33 r. 

Op den omslag staat : ^JJ £i-^ l5;^ ^^^^ ^g;'; ''^^ ex*.^ c>v^^ 
Inie Silasila atsal Radja di negrie Palëmbang. 

Begin: c^saSj-j ^^b ^-i-JLw« ^^ ^^Ji Jl^ )^^ ^y^\ Oui ]y^ 

yzi^y^ vi>i'L> yb yLAÓ JJ^ o*^!^ 3jiy« 'j^j^ 5>l^ /*tJ^ '^jiikm 

s^'i ^xjüö 5^^ Fyï>^ 5^^-*^ ji«j i!? "^^^yi jjè^ 'h^'-*^ ^j^ 
^^^f**^ ^-Xe^'v> ^^ ^jü o^;»^ kS^^^ k^^mLa ^^y^^ 3li ^j^*^ 

• pbjJ ^ OjJ 'Ül^' ToLmm SJ^ «JuuwU 

In de inleiding wordt verhaald dat een schip verging bij den 
berg Sagoentang; de gezagvoerder vestigde zich daar. Een schip 



Digitized by VjOOQIC 



VAN EBT KONINItLIJK INSTITUUT. 215 

Tan Java verzeilde daarheen^ na een jaar kwam het terug om 
de familieleden van dien gezagvoerder over te brengen ; zoo bevolkte 
sich Palëmbang. 

In § 1 is sprake van vorst 85^ in Keda Hindi en zijne zonen 
en kleinzonen, onder wie Badja ^eran wiens zoon Soelan naar 
Palëmbang voer, en de verschillende gewesten aldaar onder zijne 
sonen verdeelde. De geheele geschiedenis is in 13 paragrafen ver- 
deeld ; in § 3 is sprake van den Javaanschen vorst Prawidjaja YII, 
wiens dood in § 5 verhaalt wordt, in § 6 van den panëmbahan 
Palëmbang, Baden Pasah, die gehuwd was met de dochter van 
den Boesoehoenan van Ampil Dënta, iu § 7 wederom van Badja 
Soeran in Amdan Negara. In die § wordt het ontstaan van iaj 
yerhaald, van wien gezegd wordt: ^^y^^^^ ^^ ^y^ ol^^ c^jj iu 

In de laatste § worden vele jaartallen gegeven, beginnende 
met 981, de komst van Kjai ^ «^^ '^^SS uit Soerabaja, en 
eindigende met 2 Badjab 1277: den dood van Ahmad Nadjmoeddin 
in Temate. 

BI. 31 — 39 zijn gevuld met eene verhandeling ovei de oude 
titels en hofgebruiken in Palëmbang; de schrijver besluit zijne 
optelHng met de woorden: ^JJu^ v^'i-^ v£>^.t v^ySió J^ u^^ 

Alleen de linkerhelft der bladzijden is beschreven. 

xxvm. 

Ijarita BacUa Ba^ja dldalam nëgarl Palëmbang (HS. 531). 

34 X 21 C.M., 23 bl., 25 r. 
Begin: jaJI» ^^^ >^ t^\^ vi>^r^ O^' J^ ^^ 0^9*^^^ *-^5 

A* fjj^ ^^U *Jbl ^Ü ^^ jjt^ o'^/ "^^ U^^ Jf^*^ 

• J3I3 ,£>oj lXa^ jJl/'il u^JuCl' 1A9 Jy^ aJ^ \J^) ^'^TtH V^^ 
Dit handschrift bevat het begin eener geschiedenis van de inwen- 
dige verwikkelingen in Palëmbang. Het eindigt abrupt met de woor- 
den: ^Sh l>>LjU j$«>3^ i3^ <(^H^ "^^-è K3f^ 1)^ ^ ^y^**** ^^^^ 



Digitized by VjOOQIC 



216 GATALOaUS DEB MAL. HANDSOnRIFTBN 

\iiKi^ [J^^ {j^^ ^y^ji ^^y^ "^t^ O^j^^ AJLxj tiL« vÏISj q^jA*^ 

wV^jJ i^^l3 (jFj-AM s^ ^^^XöO ^J 3u\^3 kE^jöb Q^^ v:>at ^jJuu« 

XXIX. 

Geslachtsregisters der Torsten Tan Palëmbang. (HS. 527). 

129 X 98, plano. Latijnscb- schrift. 

„Bahoewa sedjara ini djatoe riwaijatnja dl Timoer en Singapoera 
en Melaka Bantan Tandjoenpoera en Menang Eabouw en Kommering' 
Oeloe en Bengkoeloe masok toeroen dari riwaijat Soltan Askander 
Zolkamain. 

Dan Palëmbang toeroenan riwaijatnja dari Radja Soelan sampe 
watas depattie Earang widara poetoes radjanja diganti ole Prijai 
datang darie djawa toeroen temoeroen hingga sampe sekaran^ 
ada terseboet didalam sedjara Palëmbang. Deperboeat salinan olé 
raden Mocfatar bin Eaden rangga astra widjaija Abdulla di negrie 
Palëmbang 22 January tafaoen 1869. B. Mochtar." 

127 X 119 plano; idem. 

„Tertoelis dipalembang Kepada 24 January 1869 disalinken 
ole Raden Mochtar bin Raden Rangga Astrawidjaja Abdnlla. 
R. Mochtar." 

XX5. 

Tjarlta Nigrie Palëmbang, (HS. 196). 

33 X 20 C.M., 36 bl., 27 r. Latijnsch schrift. 

Deze titel komt voor in den aanhef waarin verhaald wordt 
dat een resident van Palëmbang last gaf de oude geschiedenis 
van dat gewest op te schrijyenj aan welk bevel gevolg gegeven 
is ,,akan tatapie tiada boUeh dapat kapada timpoe mana dan 
soeda barapa lamanja sekadar die atoerken kiesonja djoewa.^' 

Het verhaal vangt aan met Radja Soeran anak darie Radja 
Tarsie Badaras die Nigrie Keling. Uit verschillende bronnen heeft 
de schrijver geput^ ook uit de Sjadjarah Malajoe; opmerking ver- 
dient dat de beide edities ontbrekende aanspraak van Bat (hier 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 217 

Boeto) ook hier voorkomt, en wel als volgt : (bl. 6) „hoe Boewajta 
Pï^oeka Brie Machradja sariemo srie sapta soerina Boemie ijoedjaija 
Pala Nakaramo Nitkaling Earta makoeta San moeka Trie Boe- 
wana parie sang sakaraijta biena Nangka Darmo Bana Saran 
Qeto Bengo Sano Ban wikramo wedat Batta pala waijka saij Daij 
daij wa Daij die Paraboe kala moelie malikie Daramo Badja 
Paramaysoerie," waarop volgt: „maka Badja ietoe die Gelarnja 
oUeh Boeto ietoe Sang Saprabo Fram Brie Trie boewana." [Zie 
de aanspraak, bij n^ XIII (HS. 631)]. 

Slot: ;,maka darie dari Toeroenan kijaie Oedeng Soero moeda 
ieniela segala radja radja die Palembang maka habisla Tjarieta 
Paaal jang partama die Nigrie Palembang maka die samboet Tja- 
rieta Pasal jang kadoea eoeratnja soeda ada kapada Srie Padoeka 
toean Besident." 

Een gedeelte van deze geschiedenis is in het Hollandsch vertaald, 
in Handschr. 201*, bewaard in HB. 201. 

XXXI. 

Ijarleta atoeran Badja Ba^ja diedalam Nigrie 
Palembang. (HS. 201). 

33x21 C.M., 17 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Samengesteld op last van den resident en militairen comman- 
dant Luit. Kol. De Eock. 

Het HS. begint met de overwinning van Demak door den 
eoeltan van Padjang en de uitstrooming van Demaksche grooten 
naar Palembang als gevolg dier onderwerping. 

Tijftien vorsten worden opgeteld, als laatste: „Machmoed Bada- 
roedien jang sakarang ada die Tarnatie.'* Aan het slot worden de 
jaren van nieuwe contracten opgenoemd, n.1. 1662, 1678, 1679, 
1681, 1691, 1722, 1755, 1763, 1791. 

Onderaan staat: Dé Perboeat oleh P. T. Earta mengala. 

In dit HS. ligt eene gedeeltelijke vertaling van HS. n^ 196. 

XXXII. 

Hikajat Ma^moêd Badroeddtn. (HS. 201''). 

88x20 C.M., 9 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag staat : Het leven van Machmoed Badaroedin. 
Dit handschrift bevat een kort relaas van de regeering van 



Digitized by VjOOQIC 



218 CATALOaüS DER MAL. HAKDBOHRITTBN 

Mabmoèd Badroeddtn, die in 1218 H. optrad, zijne verwikkelingen 
met de Engelschèn en Hollanders^ de expeditie yan Oillespie, 
de bemoejingen yan Daendels e.d. Het slot is: „maka Tetapla 
Saltan Achmad Nadjamoedien die Eardia an Sampie Timpoe 
Qouvernement Olando pegang India toean Menteng datang djadie 
Eommissaris Palembang adanja.*' 

XXXIH. 
Contract met Palembang. (HS. 537). 
31 X 21 e.M., 6 bl., 25 r. 
Begin: sU ^^v> '^yuM iCsb lójj 

o^^i«^^ 5». o*?^^;» 8^y« of ^ er*-* '^)^ ^J^ '^W^ *^^. 

f^Jyj^ ^^^ i^jL^ (jmAj ^ LXi ^v!^ ^ ^^jx^Us»-^ vJL^ (^O 
^j*fc^L*M.^ qIP* viiöj vXa^. y*ï aJ^ ^ Llx»^ U*^{; (^^ V*:*.^»^ q^Ij '-^ 
JlX^ ^ ^b« vijol ^^ja:?U>j9 8^y. ^ JL^ 1^ ^^ jjL^I 



(è) 



,bi 



o^^^y^ ^^jü^ *^ oi^^^^f hr* 1^^^ er*-' 
Slot: t^v> ^'t^ xj>^* s^^jAM (^^^-"^A^ (3^ «r?^ "è^ J^ «^y^-jJ 
1722 ^U l^s^ iJ^, 
De bladzijden van dit handscbrift zijn in Europeesche yolgorde. 

XXXIV. 

Contract met Palembang. (HS. 532.) 

31 X 21 e.M., 9 bl., 17 r. 

Begin: '^^^ ^y^j^ aJl V jü. ^^^x^u>^ jk-fijt^ vj^^x^^l $^^ ^..^ 

<^^ itfob J^ «iL>3 ^ {J^J^ O**"^ C>vJÖ>-«;i «iA-** TqJ^ 1;I(3 

o^;^ (i)'y^ o^'^ b^ ^P o^/ ^^^^ v^M* b y!; o^-^*^ 



Digitized by VjOOQIC 



YAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 319 

c>>jii ols*^*^ è^ ü!^^ f'' ^^Ha* *>-i_,l^ 5*^ U?;^ (J'J ü^*'^ 

.... Uxil 
Het geheele contract van den Gouverneur-Qeneraal Van der 

Parra met den vorst van Palëmbang is verdeeld in tien paragrafen, 

de eerste përkara, de anderen fa^al genoemd. 
Slot : yl^ ^ i^ i ^*^ ^^ ü*'^/ "^^ (^^ d^^/ o*"^ "^J^f 

1^ (>i ^ «J^ ^^^>yi LT^^ ^^^-^^^^ V^j^ ^^^y^*^' ^gioooiA fi Q^b ^^^Jl^ 

j^^L^ ïy^ Jó jfpA Jb '^bf lXJ q>a^.»^ *J^ 0^"^3*^ LT^'V** W:;*^ 
. UaI 1775 ,^b» ,^^1^ A^' ySj en:^^.' L?;'^ «^ «Jujüüt y}> ^ 
De bladen van dit handschrift zijn in Europeesche volgorde. 

XXXV. 

Toeroenan Ba^a Loewoe dan Radja l^oppeng. (HS. 634). 

35 X 21 C.M., 17 bl., 20 r. 

Dit HS. bevat een korte geschiedenis van enkele dynastieën 
Tan Zuid-Celebes, voornamelijk van Loewoe, Soppeng, Tanette, 
Sidenreng. Het laatste jaartal (op bl. 2) is 1861, toen Soeltan 
^Abdoelkarim van Loewoe den 16»» September vrede sloot met 
het Gouvernement. 

Het begin is: ^ ^^ ^^ ^b ^^ ^^ ^^ ^Ua^ *L3I ^ 

^*L>j^ ^^^^oJÜX^JtA SjS> f^\ yi|wLo yiyJ {jJ^ 18 

Het laatst vermeld is de 21® vorst van Tanette, die zijn ge- 
bied heeft laten opmeten, die wegen heeft doen aanleggen, en die 

(^JNjjpjL^jd HjyfM ^b ^j«wot ^U«^ K^AM \ü/Ji^jf^J^ lXaJ" U-J;^ ^3'j^ 

^bl ^U ^j^\ oU<o ^. 

Op bl. 2 en 4 zijn randnoten aangebracht, waarschijnlijk van 
Pro€ Niemann. 



Digitized by VjOOQIC 



220 CATALOGUS DBR MAL. HANPSOHRIÏTBN 

XXXVI. 
Toeroenan Bacya c^JLè ^t^L. [HS. 555(1)]. 
35V, X 2IV2 C.M., 1 bl., 21 r. 
Over de beheerschers der landstreek c>JL3 c|^lj. Begin: «J^ 

Slot: j»> u-^-yk^ e?;'^ '^ «Jujüiil ^vi ^^ ^^L^ SU cX3 (j*<w»^yr 

XXXVII. 

Tjaritéra Manggaral. [HS. 555 (2) ]. 

35x217, C.M., 2 bl. 

Begin: J5I ^U?^ ;;^^^ jüIï ^^Xy 1^^ ^-Uül^ ^\ ^ 

Dit HS. bevat een kort verhaal van de onderwerping van Mang- 
garai en Soemba door Dewa Sang Bima, zijn komst op Bima, de 
geboorte van zijn zijn' zoon o^jyoj J\Xj\ van wien de vorsten 
van Bima afstammeni de islamiseering van Bima^ de ondernemingen 
tegen Manggarai en de verwikkelingen met de Compagnie. Het 
stuk is opgesteld door den kleinzoon van Soeltan ^Abdal^adtm^ 
zoon van Soeltan ^Abdalhamtd^ die zich de broeder van denfeitor 
van Bima noemt. 

Slot: iüu« ^5>^l ^j ^^ ^^^LP jjt ,^^ ujö^ c)h^^ l5;I^ ^ 



Digitized by VjOOQIC 



YAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 221 

AFDEELING IV. 
Inlandsohe Wet en Adat, 



XXiVIII. 

Oendang OendaDg Bandar. (HS. 540). 

3473x217, C.M., 22 bl., 34 r. 

Op den omslag staat: JsXJ^ oT*^*^ l-^^ z^) or*~^ fpiX^^^, 

Het eerste hoofdstuk is de Atoeran Marga, verdeeld in 22 ar- 
tikeleni zeer yerwant aan die der Oendang Oendang Palëmbang^ 
en nu en dan daarmede gelijkluidend. 

Het tweede hoofdstuk is de Atoeran doesoen dan bërladang in 
16 artikelen, en het derde de ^Adat përhoekoeman in 103 artikelen, 
wederom zeer gelijkende op het overeenkomstige hoofdstuk der 
Oendang Oendang Palëmbang (Zie b?. XLII). Vooraf gaat eene 
inhoudsopgave van alle artikelen, gedateerd: 1862 ^ 4 K\3 ^y^ 

Slechts de rechterhelft der pagina's is beschreven. 

XXXIX. 

Oendang Oendang I. [HS. 222 (2) ]. 

20 X 157, C.M., 94 bl., 15 r. 

Na de eulogie roept de auteur AUah's bijstand in bij het 

^tyh jLtsf \iy^ ^^^ o'^ ^^ ^uXJkb ^'W^ 'H^'M ^ty^ <-^;'«^ 
^ ^ ^b U-^l^. r Jio ^ fS\s> iL^ iuxJjl ^\^Jus> «JlïdM 
^tf y, ruift ^:;Ji^ by. o^:s^ y Yjjj^\^ bliU ^b Jjt ^ y^l^ 

Daarna wordt uiteengezet dat de wet tweeledig is : P. die volgens 
de adat, ontvangen van de nenek Eatoemënggoengan dan Para- 
patih Sabatang, 2®. die volgens de sjar^, welke is de hadith dan 
dalll sërta idjm&*^ sëgala ^oelam&. De adat nu is zesvoudig: 
1'. j^< jj Uoy^ 2^. ^>j sjéy^ 30. nÉfL-y otf 4». )U&yi otf 



Digitized by VjOOQIC 



222 OATALOGUB DSB MAL. HANDSOHRITTBN 

50. JJUaj otf i^ otf 6\ ^}^^ otf ^^^jJuS' otf . Na vermel- 
ding der verschillende bepalingen, voornamelijk van strafrechter- 
lijken aard, vangt de schrijver zouder overgang aan met het Mo- 
hammedaansch procesrecht ; omstreeks bl. 20 begint eene uitvoerige 
opsomming der vereischten voor de getuigen, met vele fê.'idali'8, 
het optreden voor den rechter, de bekentenis; daarna volgt het 
strafrecht* De bedoeling van den auteur is den indruk te geven 
dat dit gedeelte van het Moslimsche schoolrecht inderdaad in 
Mënangkabau zoude gegolden hebben. 

Het handschrift is gedateerd 27 Bama4ê.n 1285. 

XL. 

Oendang Oendang II. [HS. 222 (3) ]. 

21 X 17 C.M., 84 bl., 18—22 r. Latijnsch schrift. 

De doxologie ontbreekt. In plaats van y^ ^ ^Jlc ^Jb heeft 
dit handschrift: dalam Poelau Andalas. 

Dit HB. is niet, zooals het voorgaande, telkens onderbroken 
door gedeelten van het Mohammedaansche procesrecht. Terwijl 
in het vorige HS. onmiddelijk na de vermelding der inlandsche 
strafwetbepalingen eene aanwijzing volgt hoe gehandeld moet 
worden wanneer adat en Moslimsche wet met elkander in strijd 
zijn, en daarna de uiteenzetting der artikelen van de theoretische 
Moslimsche wet nopens de manier van procedeeren gegeven wordt, 
volgt in dit HS. onmiddelijk op de inlandsche strafbepalingen — 
welke in de andere bewoordingen gesteld zijn dan die van het 
vorige manuscript — : de Zamoen (artinja mamboenoeh orang 
dengan pengatahwannja) de Sakar (artinja mamboenoeh orang 
dengan tidak pengatahwannja), de sarat barpindah hoetang kapada 
waris nan sapandjang adat, (bl. 63), de Mara Tabat kapala Eotta 
(bl. 67), het mandirikan Imam sambahijang (bl. 69) en het 
mandiriken Imam adat (bl. 77). 

Hoewel dit HS. ook in spelling vaak gebrekkig is, vertegen- 
woordigt het toch eene meer volledige, echte en oorspronkelijke 
redactie dan het vorige manuscript, dat slechts voor een gering 
deel — nauwelijks één vijfde — inlandsche wetsbepalingen 
bevat. 

Slechts de rechterhelft der pagina's van dit HS. is beschreven. 



Digitized by VjOO^lC 



YAN HST KONINKLUK INBTITUDT. 223 

XLI. 

Katérangan pérkata'an ségala oendang oendang. [HS. 236 (3) ]. 
34 X 21 C.M., 2 X 4 bl. 

Verklaring van eenige uitdrukkingen in Palëmbangsche wetten 
Toorkomende, geyolgd door eene kleine yerhandeling over enkele 
adat's Yoor en na de invoering van het Nederlandsch gezag. 

In Latijnsch en in Arabisch schrift. 

Bovenaan staat: Behoort bij missive van 14 Juni 1870^ n® 56. 
De stokken zijn beide gedateerd 23 Mei 1870. 

XUI. 

Oendang Oendang Palémbang I. [HS. 236 (7) ]. 

34x21\/2 C.M., 45 bl., 40 r. Latijnsch schrift. 

Het eerste hoofdstuk is getiteld Adat boedjang Gbdies Eawien, 
en verdeeld in 27 „patsal's", het tweede (bl. 9) Atoeran Marga 
in 29, het derde (bl. 16) Atoeran doesoen dan berladang in 32, 
het vierde (bl. 25) Adat perhoekoeman in 64, het vijfde (bl. 41) 
Atoeran Padjak in 16. 

Alleen de rechterhelft der pagina's is beschreven. 

XLm. 

tendang Oendang Palëmbang II. (HS. 416). 

33V8 X 21 C.M., 64 bl., 32 r. 

Op den omslag staat Ql^S^b s^j^yü^Aju '^Jó^\ P"^^ ^^ \:>wo^ 

De rechterhelft der bladzijden bevat den tekst in Latijnsch 
schrift, de linker in Arabische karakters. 

De eerste drie hoofdstukken zijn dezelfde als van HS. 236 (7), 
maar het vierde is in dit HS. Atoeran Eaoem verdeeld in 18 
„pasal's", het vijfde (bl. 37) is gelijk aan het vijfde en het zesde 
(bl. 43) aan het vierde van het vorige HS. 

De spelling in beide handschriften is verschillend, evenwel niet 
belangrijk, gelijk blijken kan b.v. uit § 4 uit de Adat Përboekoeman, 
naar HS. 236 (7): Djika orang jang daoewa oetang pioetang 
membaijar tanda srah tiada boleh lagie Pasi Bah perwatien ambil 



Digitized by VjOOQIC 



224 OATALOaUB DBR MAL. HANDBOSRIPTBN 

walesan djika oetang terbaijar^ en naar de transscriptie in dit 
HS. : Djika orang iang dawa oetang pioetang membaiar Tanda 
srah tiada bole lagie Passirah Proatin ambil Walassan djika 
oetang terbaiar. 

Andere handschrifien : 

Batavia: Collectie Bataviaasch Genootschap, no*- 140 (4 hoofd- 
stukken) en 150 (compleet). 

XLIV. 

Atoeran dan Oendang Oendang dldalam pëgangan 
Mokko Mokko. (HS. 180). 

32 X 20Vj C.M., 8 bl. 38 r. Latijnsch schrift. 

Na eene inleiding over de hoofden en hune bevoegdheden volgt 
een veertiental bepalingen voornamelijk van strafrechterlijken aard. 
Het slot is: Mokko Mokko den SI» July 1855 

De Gezaghebber 

(w. g.) N. Hewetson. 
De Toeankoe Begent van Mokko Mokko 

(w. gO Sulthan Takdir Chalipa TuUah Sah. 

XLV. 

Oendang Oendang Bangkahoeloe. (HS. 210). 

33 X 21 C.M., 22 bl.. 18 r. 

Dit HS. is eene copie van het 'in 1821 in Londen gedrukte 
werk A Code of Laws as established bij the Pangerans Court at 
Fort Marlborough coUected bij Henry Bobert Lewis Esq. Het 
wetboek is verdeeld in 42 paragrafen. De gedrukte tekst is in 
het bezit van het Kon. Instituut. 

XLVI. 

Atoeran orang orang bërladang. [HS. 236 (4) ]. 

33 X 21 e.M., 8 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Eene kleine verhandeling over enkele adat's bij den landbouw, 
voorafgegaan door een scheppingsverhaal dat slechts ééne pagina 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLUK INSTITUUT. 225 

beslaat. Het stuk heeft ongetwijfeld betrekking op Palëmbang. 
De titel is: Inila soerat pesaka ninik poeyang toeroen ganti 
orang marg^ adjie die basaken melayoe adanja. 

xLvn. 

Gebruiken in Moesi Illr. [HS. 236 (6) ]. 
32x20 C.M., 26 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag staat: Over de afkomst van de bevolking der 
Moussie lelier. 

Yan 17 marga's worden in dit handschrift in regelmatige 
volgorde medegedeeld : de herkomst der bevolking^ der godsdienst, 
de huwelijksgebruiken, de gebruiken bij het sterven, en de middelen 
van bestaan. 

XLvni. 

Adat orang 4jawa di nëgéri Malang. (HS. 322). 
34 X 21 cM., 18 bl., 37 r. Latijnsch schrift. 

Begin: Die bawak inie darie adatnja Orang djawa njang soeda 
die pake selamanja die Negrie malang. 

Het geschrift behandelt: de slamëtan's, geloften, huwelijks- 
gebruiken, adats gedurende zwangerschap, bij en na de bevallingi 
bij het tandenvijlen, bij sterven en begrafenis en bij het bouwen 
van een huis. 

Het handschrift is slechts aan de rechterhelft der pagina's 
beschreven. 

XLIX. 

Atoeran négëri Palëmbang. (HS. 536). 

33 X 21 C.M., 9 bl., 30 r. Latijnsch schrift. 

Begin: adapoen atoeran ijang tela terpakie kepada orang Besar 
didalem negrie Palembang. 

Dit handschrift bevat eene beschrijving der gebruiken bij de 
geboorte, de besnijdenis, de naamgeving, huwelijk, sterven en 
begrafenis, bij de voorname lieden in Palëmbang in zwang. 



Digitized by VjOOQIC 



226 CATALOGUS DBR MAL. HANBBCHRIFTBN 

L. 

Atoeran nama gélaran pr^fgi jang dibawah Soeltan. (HS. 595). 
SP/j X 20 C.M., 4 bl., Latijnsch schrift. 

De volledige titel is: Iniela atoeran Nama Gelaran pariijaie 
mantrie die dalam Nigrie jang die bawa Sultan. In dit HS. wordt 
aangegeven welke titels aan de bloedverwanten, aanverwanten 
(jang tjoema parmielie) en hoogste ambtenaren des soeltans (van 
Djokjakarta?) kunnen gegeven worden. 

LI. 

Pékërcya'an Orang Dqak. (HS. 580, 2de gedeelte). 

327^X20 cM., bl. 12—16, 26 r. 

Dit gedeelte bevat eene korte vermelding van enkele Dajaksche 
gebruiken, gevolgd door eene genealogie van vorsten en toemëng- 
goengs in Martapoera. 

LIL 

Transscriptie hiervan (HS. 579, 2^© gedeelte). 
827^X2072 C.M., bl. 10— U. 

Hier achter Yolgt een begin van „Adatnja Daijack Siang dan 
Moeroeng." 



AFDBELING V. 
Gediohten. 



LHL 



Njaiyiaii derl bahasa Hamko tarsalln kapada bahasa 
malaya. (HS. 577). 

8^X21 C.M., 5 bl., Latijnsch schrift. 

links staat de Haroeko-tekst, rechts de Maleische vertaling; 
onder elk lied wordt in het Maleisch de bedoeling en de verklaring 
der toespelingen medegedeeld. Er staan 17 liederen met vertaling, 



Digitized by VjOOQIC 



YAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 287 

en enkele noten in het ^^ HoUandsch, in dit handschrift, dat met 
„II'. 18", zonder het 18® liedje echter, eindigt. 

LIV. 

Njaigian deiij bahasa Oma tersalin kapada bahasa 
malayn. (HS. 575). 

34x21 C.M., 3 bl., Latijnsch schrift. 

Dit handschrift is op dezelfde wijze ingericht als het voorgaande; 
het bevat 13 liederen. 

LV. 
Pantoens. (HS. 533). 
, 31 X 20 C.M., 6 bl., 26 r. 

Verschillende pantoens, met zeer veel Mënangkabausche woorden, 
nl. „pantoen laki-laki" met „djawab përampoean", 2 x 9 in aantal, 
«pantoen boedjang" en „djawab gadis*', 12 in aantal, en eenige 
.jdjawab gadis", de laatste met verklaring. 

LVL 

Sjair Alif Ba Ta. (HS. 635). 

34X21 c,M., 10 bl., 32 r. 

Links de tekst in Arabisch schrift, rechts de transscriptie. Een 
knnsteloos rijmelwerk, beginnende met de waarde en de beteekenis 
Tan den alif, daarna handelende over den' resident van Sionw die 
den 28«ii Jnni 1893 vertrok, en grootendeels bestaande in ver- 
maningen, en aanwijzingen nopens goede vormen in het spreken. 

Met het gelijknamige gedicht in Cod. Leid. 1735 en HS. Yon 
de Wall n^. 236^ heeft dit gelegenheidsgedicht geene verwantschap. 

Lvn. 

Sjairs. (HS. 629). 
21 X 17 C.M., 41 bl., 22 r. 

Geschenk van den heer A. L. van Hasselt. 

Het eerste gedicht is aan uitlegging van droomen gewijd; vele 



Digitized by VjOOQIC 



228 CATALOÖUB DBR MAL. HANDBCHBIFTEN 

Arabische woorden, voor bet meereadeel zeer slecht gespeld, komen 
in dezen sja^r ta^bir niimpi voor. De schrijver, „Mohd CasBim" 
heeft dit rijmwerk den 20 Februari 1896 te Riouw voltooid. 

Op bl. 20 begint een sjaHr over de kenmerken van vrouwen 
en hare fir&sah, welks lezing aanbevolen wordt met de woorden 
^J^} »y3 jjb ^^ïy «ix^ j^ t^L^^^ sjOJJ> >lXjC>. 

Op bl. 32 begint een negenvoudige (Jf/*-! ^^'ijj pt;^' l5"^ 
ingeleid met de regels: 

Op blz. 37 staat de vermelding der hoeroef dan angka firasat, 

79 9 8 9 3 672746835421 

als volgt: ^^J9gi?(jöcjfc(j*.j^óu>^--vi^ov»' 

11356548218 1 

De laatste vier bladzijden bevatten een „sjair slamat Sri Padoeka 
Toean Besar berangkat berlajar" door „Mohd Cassim" den 30^^ 
Maart 1896 te Riouw vervaardigd. 



AFDEELING VI. 
Islam. 



LVIII. 

Mohammedaansche wetten. (HS. 580, 1» gedeelte). 

32V,x20 C.M., bl. 1—11. 

Enkele wetsartikelen over strafrecht, voornamelijk over de dijah, 
procesrecht en erfrecht. 

LIX. 

Transscriptie hiervan. (HS. 579, 1® gedeelte). 

33V8X20V2 C.M., bl. 1—10. 

De artikelen zijn genommerd. Enkele aanteekeningen in het 
HoUandsch zijn aan den rand aangebracht. 



Digitized by VjOOQIC 



YAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 229 

LX. 

Erfrecht (HS. 612). 

34x67 C.M., 2 vellen plano. 

l^bellarisch oyerzicht van de verdeeling der nalatenschappen 
Yolgens de Mohammedaansche wet, het eene yel in ArabiBch, het 
andere in Latijnsch schrift. 

LXI. 

Bidl^'at almoebtadl bifa^l AUfth almoehdt I. (HS. 625). 

217,xl6V8 C.M., 105 bl., 19 r. 

Incompleet exemplaar afkomstig uit Atjeh; zie Notulen yanhet 
Kon. Instituut 16 Febr. 1895 (Bijdragen, 6» volgreeks I, bl. XXVII). 

Het geschrift is verdeeld in drie b&b's; bet eerste ban delt over 
den isl&m, den im&n, den tauhid en de ma^fab, bet tweede over 
de 9al&t en wat daarmede samenbangt, en bet derde over de 
yasten en wat daarmede samenbangt. Volgens de inleiding bevat 
dit in de Mobammedaanscbe wereld zeer bekende werk: satëngab 
daripada sëgala i^i^&d dan sëmbabjang dan poeasa bërbias dëngan 
bërbagaj-bagaj moetiara dan manikam bërkarang. De vertaling van 
den titel is: përmoela'an orang jang menoendjoek kamidjalan jang 
bëtoel. 

Lxn. 

Bidi^at almoebtadt blfa^l Allfth almoehdi U. (HS 628). 
21VjX17 C.M., 77 bl, 17 r. 

Onvolledig exemplaar, ook uit Atjeh afkomstig (Zie Notulen. 
Kon. Inst. ibid.). Vooraf gaat eene do^& welker 16 malige uit- 
Bpreking in éénen nacbt eene voortreflijke uitwerking beeft. 

Andere handscbriften : 

Leiden: Catalogus, bl. 285—286, cod. 3280 en 3281. 

Batavia: Collectie- Von de Wall, n^. 17. 

Batavia: Collectie-Bataviaascb Genootscbap : n^s 102 A, 105, 108, 
282, 298, 318, 324, 325, 345, 376 B, 377 B en 381 A. 

7e Volgr. VI. 16 



Digitized by VjOOQIC 



230 CATALÓaUS DBR MAli. HANDSCHRIFTEN 

LXIII. 

Geloofsleer e. a. (HS. 624). 
Afmetingen van den omslag: 21x15 c.M. 

BI. 1 — 6. Onsamenhangende aanteekeningen, o.a. over geloofeleer. 

BI, 7 — 69, 17 r. Fragment van een werk over geloofsleer. De 
laatste bladzijde dier verhandeling is Atjehsch. 

BI. 69 en 70. Gebeden en djimats. 

BI. 70—75. Kleine verhandeling over geloofsleer. 

BI. 76 — 79, 17 r. De verhandeling over de geloofsbelijdenis 
van Sjaich Noêroeddin ibn ^'Ali ibn Hasandji ibn Moehammad Hamid 
getiteld Sjifè^al toelóeb. Andere handschriften van dit werkje be- 
vinden zich te Batavia, OoUectie-Bataviaasch Genootschap, n*» 115 B 
en 339 B. 

BI. 80. Over de nijjah tot den sëmbahjang. 

BI. 81 — 87. Arabisch gedeeltelijk met interlineaire Maleische 
vertaling; over den adab. 

BI. 88—96. do^'&'s, djimats en berekeningen. 

BI. 96 — 139, 13 r. Verhandelingen over de vereischten voor 
het im&m zijn bij de 9al&ts, over de beteekenis der sëmbahjangs 
en over de geloofsleer. 

BI. 140. De nijjah voor de vasten. 

BI. 141 en 142. Over den sëmbahjang. ^ 

BI. 142 — 153. Do^&'s, djimats, füidah's en losse notities. 

BI. 154. Begin der EifSjat al ^ib&dah, waarvan te Batavia een 
exemplaar aanwezig is, coUectie-Bataviaasch Genootschap n^'. 314. 

BI. 155 — 157. Djimat's en berekeningen. 

BI. 158—176, 17 r. De Kirjat al 'ibadah, eene verhandeling 
HyaXJ^ 'ilMéj == risalat jang simpan genoemd, over het geloof. 

Daarna volgen nog enkele bladzijden met gebeden en losse aan- 
teekeningen van weinig belang, benevens djimats. 

Ook dit handschrift is nit Atjeh afkomstig ; zie Notulen-Inst. l.c. 

LXIV. 

Geloofsleer. (HS. 626). 

20V, X 16 C.M., 49 bl. 

BI. 1 — 33, 19 r. Gatechismns over de geloofsleer, in soe'&l's 
en djaw&b's. In den aanhef wordt dit vragenboek genoemd eene 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KONINKLIJK INSTITUUT. 231 

BI, 34 — 43, 19 — 20 r. Verhandeling over de nijjah tot de §aiat, 
aangeduid als ^A^^.éw x^^ ^)Xm ^Ua^ vA^ (^j^ o'^r^ ^1>^ 
,^b ^^^yAT ^LxSl t\jo t_5liu** ^3^ ^^yc*^ L>j^^ ja^ xi^liu JX»** ^b 

jLjLi-i g^^L ^^ ^^u> ^^ycc> ^^jTby^Xiji ^-Afsw g^ f-*i;lj oSli 

BI. 43—46, Ëene fè'idah ontleend aan de Fa(}&'il al 'Asjoêrft 
over de bijzondere uitwerkingen van sëmbahjangs op. den ^asjoera- 
dag, d. i. den 10«a Moeharram. 

BI. 47 — 49. Verhandeling over den oorsprong der tahlll's voor 
de overledenen en voor de levenden. 

Het slot vormt de formule der nijjah tot de vasten. 

Ook dit handschrift is afkomstig uit Atjeh; zie Notulen-Insti- 
tnnt, 1. G. 

LXV. 
Mystiek, (H8. 627.) 
22 X 16 C.M., 44 bl. 

De eerste twintig bladzijden zijn gevuld met allerlei notities, 
hoofdzakelijk van mystieken aard. 

Bl. 20 — 44 bevatten eene verhandeling over de mystiek volgens 
de sjatarijjah en naksjibendijjah-tarikah's, in welker aanvang na 
eene behandeling van den dzikr, wordt gezegd: aüu^ &lt Ju^ 
'ijJJkSi 2ÜLJLm yJUjo aLu) ^^a^^^ '^-tisXJb (joftJÜi^ «^^UaAil BoUÜ^ 
v;;^^' iy^ ^E^ Q^^ J^ l3<-^^y^ vi>^ v3h^ ^^ ^<-^ U^^ [J*^ 

g^' V*^^ f^ (S^^ ^J^^ Ü^ "^ iS^^ vJLXj ^3 A-aIc «JI» 
Aan het slot wordt het werk in gebrekkig Arabisch genoemd: 

iuïi^ (^^\ v-*uj5t \ó^ ^y 

Ook dit handschrift is afkomstig uit Atjeh; zie Notulen-Insti- 
tuut, 1. c. waar op gezag der hoogleeraren Niemann en Van der 
Lith gezegd wordt dat de handschriften (no» 624—628) x^niet de 
minste waarde bezitten." 



Digitized by VjOOQIC 



232 GATALOaUB DBR MAL. HANDSCHRIFTEN 

AFDEELING VIL 
Varia. 



LXVI. 
Kitab Tan>ir. (HS. 604). 

bl. 1— 47, 19VaXl5V, C.M., bl. 48— 137:207, X 17 c.M. 
137 bl., 13 r. 

Het handschrift bevat drie ta^bir-boeken, nl. de verklaring van 
droomen (^^ ;e^)i ^^^ ^^^' ^^ maansverduistering vJ^^ jn^^ 
g«M^i^^ j4JiX) en van aardbevingen (oJUi jaasü)- De droomen 
worden ingedeeld naar de weekdagen, en naar de beginletter van 
den droom in eiken aan den met name genoemden dag vooraf- 
gaanden nacht. De eerste paragraaf handelt over den Yrijdagnacht; 
de letters hebben de 'volgorde van het Arabische alphabet, en na 
de 8 komen de lam-alif, de ja, de tja (die ook na de djim volgde)^ 
de nga, de ga en de nja. De tweede paragraaf handelt over den 
Zaterdagnacht en hier staat de tja slechts éénmaal, op hare plaats 
achteraan. In zeven paragrafen worden de nachten behandeld, tot 
bl. 42 ; aan het slot worden enkele gebeden tegen veel en angstig 
droomen medegedeeld. Op de volgende bladzijde worden de zon- 
en maansverduisteringen behandeld, en wel in acht paragrafen, 
naar de acht jaren van den achtjarigen cyclus, elke paragraaf 
weder afgedeeld naar de twaalf maanden. De paragrafen zijn : alif, 
ha, djim, za, dal, ba, wau en dal-achir. Op dezelfde wijze is de 
uitlegging der aardbevingen verdeeld, (bl. 64 — 86). 

Aan het slot beveelt de schrijver allen die de uitlegging willen 
gebruiken aan eerst toestemming te vragen aan de wetgeleerden^ 
en doet de mededeeling dat het werkje is goedgekeurd door Sjaich 
^Abdoerra'oêf van Atjeh, benevens Sjaich Badroeddln en Sjaich ^Ab- 
doellah, beiden van Labore, die den eerstgenoemde in Arabië hebben 
leeren kennen, en dat deze drie sjaichs hem wagijjat's hebben 
gegeven van moreelen en religieusen inhoud, welke vermaningen 
de auteur aan zijne lezers overbrengt. 

Op bl. 91, na de vermelding van droomen die men niet mag 
uitleggen (die in dommeling niet in slaap, die vóór de reiniging 
en die van vorsten en rijken behalve de goeden onder hen) volgt 



Digitized by VjOOQIC 



TAN HST KONINKLIJK INSTITUUT. 233 

de interpretatie van de droomen naar de onderwerpen, en wel over : 
den hemel^ de mensclien, de yieryoetige dieren, de boomen, enz. 
tot twintig toe, in even zooyeel b&b's, de laatste, op bl. 125, over 
droomen yan onreinheid. Dit gedeelte is gedateerd 2 Dzoel|^a'idah 
1248, 16 April 1833. 

Op bl. 127 begint eene verklaring van onwiUekenrige bewegingen 
in het menschelijk Uchaam, op bl. 135 eene yerhandeling over 
de teekenen van geluk en ongeluk aanbrengende katten. 

Het slot is : jLj (31>'wmó ^t f^^ AjJL oLu« ij^f f^^ b|^ jüLüt 

De BchriJTer noemt zich JJb J^lipJ Uül ^j^^y^^ Ju^ O*^!;' 
Andere handschriften: 

Leiden: Catalogus, bl. 304, cod. 1695 en 1966. 
Batavia : Collectie-Von de WaD, n^ 217. 
Batavia: Gollectie-Batayiaasch Genootschap 376 A (slechts de 
droomuitlegging naar de onderwerpen). 

Lxvn. 

Cosmogonle. (HS. 535). 
33Vj X 20Vj, cM., 2 bl., Latijnsch schrift- 

Eene cosmogonie, naar het schijnt een begin yan een radjah. 

Begin: awang lagie oewoeng Beloem ada djadie aras Eorsie 
Beloem ada djadie Boemie Langst beloem ada djadie Boelan 
Bintang beloem ada. 

LXVin. 

Bels in Palëmbang. (HS. 600). 

33S'aX21 C.M., 3 bl., 32 r. 

Dagregister yan eene reis in Palëmbang in het jaar 1847. 
Begm: ^ï^.b J:^ ^ ^Jo iö^l^ 1847 ^^t 21 ^}^ MS^ 

De laatste dag waaroyer gerapporteerd wordt is 31 October. 



Digitized by VjOOQIC 



234 GATALOaUB DBR MAL. HANDBGHRLFTBN 

LXES. 

Rapporten oyer Palëmbang. (HS. 563). 

33x21 C.M., 70 bl. Latijnsch Bchrift, 

De eerste acht bladzijden bevatten rapporten yan Toemënggoen^ 
Soera Nendita yan Ogan Oeloe in 1847. Oyerigens beyat het 
HS. yoornamelijk beyolkingsstaten ; een staat yan opneming der 
Batang Ari in 1835 is ook in Arabisch schrift aanwezig, afisonder- 
lijk geschreyen. 

LXX. 

Rapport oyer Moesl Oeloe yan 1847. [HS. 236 (5)]. 

33x21 cM., 19 bL, 35 r. Latijnsch schrift. 

Boyenaan: piyagem N^. I, 1847. Begin: Menjataken hal keadan 
die marga sanga desa pesira Depatie Anga Mengala. 

LXXI. 
Instructie aan de hoofden yan Palëmbang. [HS. 236 (1) ]. 

32 X 21 cM., 10 bl., 20 r. 
Boyenaan staat De Koek. 

Begin: ^^OO ,^^0 rjLi^ ^^j^JÜLshASj ^^\jy\ H^ya $)jJ j ^ ; 

De instructie is yerdeeld in 19 paragrafen. 
Slot: 1846 e5;!>^ 23 ^aJÜ 

Lxxn. 

Brieyen. (HS. 229). 

Een Bundel brieven, enkele in Latijnsch schrift, yan Palëmbang, 
allen yan 1848; 20 stuks. 

LXXin. 

Brieyen. [HS. 236 (2)]. 

34x21Vj C.M., In Arab. en Holl. schrift. 

Yan Toeankoe Laras nan berampat Danau dan Matoea aan den 
Commandeur yan Salapan Rota en Toedjoeh Loerah. 

Boyenaan staat: Behoort bij missiye yan den Gezaghebber yan 
14 Juni 1870, no 56, 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 235 

LXXIV. 

Brief, (HS. 240). 

46 X 33 C.M. 

Met veel verguldsel versierde brief van den soeltan van Bima 
aan den Goavemeü^Generaal Van der Capellen, van 1 §afar 1239 H. 

LXXV. 

Brieven. (HS. 241). 

40x27 C.M. Latijnsch schrift. 

Bijkeiyk versierde brief van den Soeltan van Soemënëp Pakoe 
Nata Ningrat aan den Resident van Soerabaja F. Yreede Bik, van 
1 Januari 1854. 

44 X 35 C.M, Latijnsch schrift. 

Idem van den Panëmbahan van Madoera Tjakra Adi Ningrat 
aan den Besident van Soerabaja, van 1 Januari 1854. 

LXXVI. 

Brief. (HS. 246). 

52 X 41 c.M. 

Bijk versierde brief van Pakoe Nata Ningrat, Soeltan van 
Soemënëp aan den Gouverneur-Generaal Yan der Capellen van 27 
Februari 1826. 

Lxxvn. 

Brieven. (HS. 319). 

Zeventien brieven uit Atjeh, benevens losse papieren met op- 
gaven van goederen en enkele teekeningen. Voorin ligt eene 
lijst der 17 brieven met vermelding van de namen der afeenders 
en geadresseerden. 

Lxxvm. 

Brief. (HS. 599). 
27 X 21 C.M. 
Blijkbaar gefingeerde brief van een zich ^yj^^XJ^ I^^m noemenden 
Bchrijver aan een verder niet aangeduiden^tp' ^c\^, zonder datum. 



Digitized by VjOOQIC 



236 CATALOGUS DBll MAL. HANDBCHRUfTBN 

LXilX. 
Passen. (HS. 621). 

Vijftien stuks passen en scheepsverklaringen uit Atjeh, vele voor 
gezien geteekend door officieren van Z.M. oorlogsschepen in 1874. 

Voorin ligt eene inhoudsopgave met aanteekeningen van wijlen 
Prof. Juynboll van 27 December 1875. 

LXXX. 

Nama sigoer sqoeran dan boeah boeahan. (HS. 594). 

347, X 21 C.M., 7 bl., Latijnsch schrift. 

Door een regent van Buitenzorg opgemaakte lijsten. 1« Lijst 
darie nama segala roepa boea boea njang orang ketjil biassa makan ; 
links de inlandsche namen, rechts, met eene andere hand, de bo- 
tanische namen; 2« Lijst darie nama Segala roepa saijoeran njang 
orang ketjil biassa makan, links: nama Saijoeran njang orang 
ketjil biassa makan, rechts: orang ketjil makan pagimana die 
bikinnja. In de linkerkolom zijn met eene andere hand de bota- 
nische namen bijgeschreven. 

LXXXI. 

Erissenboek. (HS. 529). 

33 > 21 C.M., 38 bl., 21 r. Latijnsch schrift. 

Op een etiquet op den fluweelen band: Raden ArijaTjietroSomo. 

Begin: die Bawah inie Tjarieta iang bertama memboewat Zen- 
djata. Het HS. bevat teekeningen en beschrijvingen van bijzondere 
krissen op last van met name genoemde vorsten en grooten ge- 
maakt in de javaansche jaren 152, 216, 230, 261 enz. tot 1774. 

Op bl. 37 : Tamat tanda roepa nja keries, tersoerat die Bondjot 
EalHenjamat 3 arie Veberwarie 1859 pada Raden Arija Tjietro 
Somo Adiepatie dongkol lapara. Daarna volgen nog enkele regels 
over de namen van verschillende soorten ijzer en drie „pammoor" 
(pamor) soorten met kleine figuren. 

Waarschijnlijk is dit geschrift uit het Javaansch vertaald. 



. Digitizedby VjOOQIC 



VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 237 

Lxxxn. 

Nieuwe Testament. (H8. 544). 
27 X 20 C.M., 697 bl., 29 r. Latijnsch schrift. 

Van de Handelingen der Apostelen tot het slot der Openbaring 
yan Johannes. 

Begin : Ferbowatan fiasoel Rasoel jang Eadoes jang soedah de 
Soerat oleh Lucas. 

Slot: Tamat atawa Easoedahan Eatoeronan atawa Eanjataan 
Johhanna daan segala kitaab pardjandjian bharon. 

Het schrift is uit de 17® eeuw. 

Lxxxm. 

Catechismus. (HS. 548). 

26 X 20 C.M., 391 bl., 22 r. Latijnsch schrift. 

Maleische vertaling, naar het schrift te oordeelen uit de n^ 
eeuw, van een uitvoerigen catechismus der Christelijke leer, ein- 
digende met het Onze Vader en de vragen en antwoorden daarop 
belrekking hebbende, waarbij gewaarschuwd wordt tegen het ij dellij k 
gebruiken van vele woorden, gelijk de Hindoe's doen. 

LXXXIV. 

Timoreesche Spraakkunst. (HS. 572). 

21 V« X 17 C.M., 19 bl.. Latijnsch schrift. 

In het Hollandsch en in het Maleisch gestelde korte spraak- 
kunst van een dialect van Timor; de opschriften der paragrafen 
zijn in het Hollandsch, de voorbeelden in het Maleisch. Achteraan 
eene verhandeling over den godsdienst der lieden van Timor Am- 
rassie, groot 6 bladzijden, getiteld Agama deri awrang Timor 
Amrassie. 

LXXXV. 

Daftar Parkata'an. (H.S. 574). 

31 X 16 C.M., 30 bl., 26 r. Latijnsch schrift. 

Een „Daftar Perkata^n" getitelde woordenlijst in twee kolommen; 
links de „Bahasa Negerij'*, rechts „Malajuw". Behalve woorden 
bevat het £[S. ook korte zinnen in beide talen. 

7e Volgr. Vl. 16* 



Digitized by VjOOQIC 



238 CATALOÖUS DBR MAL. HANDBOHRIFTBN 

LXXXVI. 

Ternataansch-Maleische woordenlyst. (HS. 582). 

32 X 21 C.M., 6 bl. 

Bovenaan staat: ^yiy^ L^ji*^ *^ (^' lt^'I; 3^ -r*-!?;^ q^ <-^^ 

^f^ oV '^ "^^^ ^^ ^ vI^^jVJ^^ J^J^ LT^S LT^ ^:;^ O*"^**** 

^^ «ybo ^^tf j^lj^f y*,L^ vi>.i^ jf^.;^ yj^^ J"^ O^^ "^^ X^ 

. v-*At^ '^^ g^> vï^j/ u^J^j^ ^ y.^ (j*k^ 

Onderaan: ^^bi jj«L^ *I^ j^ \j^^f^ a^^j^ «U>. 

LXXXVII. 

Transscriptie hlerran. (HS. 581). 

32VsX20V, C.M., 5 bl., Latijnsch schrift. 

Bovenaan staat: Fada tahon 1260 Saharie bulan Sa^aban ha- 
rinja chamis oras poekol 9 atan 14 h: b: Augustus 1844; pada 
kutika itu maka tuwan Gouverneur derie Molokoe Tuwan Besar 
G. de Seriere minta bahasa Ternata kaseh mengartie dengan Ba- 
hasa Malajoe pada Secretaris Ternate Hadjie Abdul Habib. 

Onderaan: Djumlat Samoeanja 15 bahasa adanja Menjalim jang 
benar Djortoelis Malajoe Soleyman. 

Lxxxvm. 

Maleisch-Timoreesche woordenlysl (HS. 584). 
347^X21'/, C.M., 22 bl., Latijnsch schrift. 

Na de woorden volgen enkele korte volzinnen en vervoegingen 
in slecht overgeschreven Nederlandsch, b.v. ik heb bevelen, gij 
heb bevelen, hij heft bevelen. 

De laatste twee bladzijden worden ingenomen door eene Neder- 
landsch-Makassaarsche woordenlijst. 

LXXXIX. 

Woordenlyst. (HS. 588). 

33 X 21 C.M., 47 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 

Woordenlijst in twee kolommen; links Maleisch, rechts eene 
niet aangeduide taal, waarschijnlijk uit het Zuid-Oosten van den 



Digitized by VjOOQIC 



VAN HBT KOKTNKLIJK INSTITUUT. 239 

Archipel. De telwoorden 1 — 10 zijn: osser, doei of sarro, kior, 
fiak, napobba of imsoejin^ onem, fiek, 8 komt niet voor^ sioe 10 
komt niet voor. 

XO. 

Minahasisch-Malelsche Woordenlost. (HS. 590). 

32x20 C.M., 17 bl., 22 r. Latijnsch schrift. 

Op den omslag staat: Bahasa Minahasa Tersalin kapada Bahasa 
Malayuw. Nunwuh Nemahasa Injeera Inwie Nuuwuh Malajuw. 
lang Bowafc ini lisrael Petrus Hermanus Sumanpan. Eema pada 
19 h.b. September 1844. 

XCI. 

Haleisch-Kakas-Langoewan Woordenlyst. (HS. 592). 

337, X 21 C.M., 8 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 

Bovenaan staat: Woordenlijst van eenige woorden en volzinnen 
in de Alfoersche taal en van de verschilleode uitspraak en be- 
teekenis tusschen het Sondereesch en Tondaansch. 

Op de eerste twee bladzijden staat het Nederlandsch in de eerste 
kolom, maar verder is de eerste kolom Maleisch, de tweede Eakas 
en de derde Langoewan. 

Onderaan staat: Buatang den jang bertauda atas mintahan tu- 
wan van Delden Minado pada 9 h.b. October 1844. D. J. S. In 
Miriwang. 

XCII. 

Maleiseh-Alfoersche Woordenlyst. (HS. 593). 

33x21 C.M., 8 bl., 37 r. Latijnsch schrift. 

Bovenaan staat: Woordenlijst van eenige woorden en volzinnen 
van het Maleisch in het Alfoersch en de verschillende uitspraak 
en betekenis tusschen de distrikten Sonder, Tondano, Eakas, Lan- 
gawang en Saronsong, alsmede eenige woorden van het Mangin- 
danowo en Balangingie. 

De 1^ kolom is Maleisch, de 2^ Alfoersch van Eakas, de 3^ 



Digitized by VjOOQIC 



240 CATALOGUS BBR MAL. HANDBCHHIFTBN BNZ. 

Alfoei'sch van Langowan, de 4« Mangindanowo en de 5^ Balangingie. 
Op bl. 5 en 6 zijn slechts de eerste drie kolommen ingevuld. 

XCIII. 

Malelsch-Mënangkabausche Woordenlgst. (HS. 596). 

33 X 20^8 C.M., 2 bl., Latijnsch schrift. 

Bovenaan staat Menangkabau Selat, met welk laatste woord 
waarschijnlijk Riouw-Maleisch bedoeld is. Het woord is echter 
niet duidelijk geschreven. 



Digitized by VjOOQIC 



Nummers der Handschriften met volgnummers 
en bladzyden in den catalogus. 



HS. 180 


n«. XIJV, 


b1. 224 


HS. 534 


no. XXVI, 


bl. 213 


» 196 


» XXX, 


» 216 


» 535 


» LXVII, 


» 233 


» 201 


• XXXI, 


» 217 


» 536 


» XLIX, 


> 225 


> 201a 


• XXXII, 


» 217 


» 537 


» XXXIII, 


» 218 


» 205 


» XXII, 


» 211 


» 538 


» XXI, 


» 210 


* 207 


» XXIII, 


» 212 


» 540 


» XXXVIII, 


• 221 


» 210 


» XLV. 


» 224 


» 541 


» XVII, 


» 205 


» 215 


» XXV, 


» 213 


» 542 


» n, , 


» 186 


1 215a 


» XXIV, 


> 212 


» 543 


» LXXXIII, 


» 237 


» 221 


» IV, 


» 187 


» 544 


» LXXXII, 


» 237 


» 222 (1> 


» XVI, 


» 204 


• 555(1) 


» XXXVI, 


» 220 


• • (2) 


» XXXIX, 


» 221 


> M2) 


» XXXVII, 


» 220 


• • (3) 


» XT,, 


» 222 


» 563 


• LXIX, 


» 234 


> 229 


• Lxxn, 


» 234 


» 5691eged 


» XI, 


» 197 


. 236(1) 


» LXXI, 


» 234 


> 569 2» » 


» xn, 


» 198 


• » (2) 


» LXXIII, 


» 234 


> 570 


» XV, 


> 202 


. . (3) 


» XLI, 


» 223 


» 572 


» LXXXIV, 


» 237 


» » (4) 


• XLVl, 


» 224 


> 574 


» LXXXV, 


Y 237 


• » (5) 


» LXX, 


» 234 


» 575 


» LIV, 


» 227 


» » (6) 


» XLVIÏ, 


> 225 


Y 577 


» LUI, 


» 226 


» • (7) 


» XLÜ, 


^ 223 


» 5791eged 


. » LIX, 


» 228 


> 240 


» LXXIV, 


» 235 


> » 2e » 


» Lil, 


» 226 


» 241 


» LXXV, 


> 235 


» 5801e , 


» Lvm, 


» 228 


> 246 


» LXXVI, 


» 235 


Y Y 2» > 


» u. 


» 226 


• 319 


» Lxxvn, 


» 235 


> 581 


» LXXXVII, 


> 238 


» 322 


» xLvm, 


» 225 


Y 582 


» LXXXVI, 


» 238 


» 414 


» XXVIl, 


» 214 


» 584 


» Lxxxvm. 


» 238 


> 416 


» XLin, 


> 223 


» 586 


» XVIII, 


» 206 


» 420 


» IX, 


> 194 


» 587 


» XIV, 


» 201 


» 524 


» V, 


> 189 


» 588 


» LXXXÏX, 


» 238 


• 525 


» III, 


» 187 


» 590 


» xc. 


» 239 


» 527 


» XXIX, 


» 216 


» 592 


» XCI, 


> 239 


> 528 


» IX, 


» 195 


» 593 


» XCII, 


» 239 


» 529 


» LXXXI, 


» 236 


» 594 


» LXXX, 


Y 236 


» 531 


» xxvin, 


» 215 


» 595 


» L, 


» 226 


» 532 


» xxxiv. 


» 218 


» 596 


» xcm. 


» 240 


» 533 


» LV, 


ï» 227 


» 599 


» LXXVIII 


» 235 



Digitized by VjOOQIC 



242 



NUUHBBS SBB HANDBOHBIFTBN. 



HS. 


600 


n«. LXVIII, 


bl. 233 


HS. 


626 


n«. I.XTV, 


bl. 230 




604 


» LXVI, 


» 232 


» 


627 


» LXV, 


• 231 




605 


» X, 


3» 196 


» 


628 


» LXII, 


» 229 




607 4 e 


ged. » VIII, 


» 193 


» 


629 


• LVII, 


» 227 




» 2e 


» » VI, 


» 190 


» 


630 


» XIX, 


» 207 




608 


• I, 


» 185 


» 


631 


» xin. 


» 198 




612 


» LX, 


» 229 


» 


632 


» XX, 


» 209 




621 


» LXXIX, 


» 236 


% 


633 


» VII, 


> 191 




624 


» Lxni, 


» 230 


» 


634 


» XXXV, 


» 219 




625 


» LXI, 


» 229 


» 


635 


» LVI, 


» 227 



Digitized by VjOOQIC 



INDEX DER HANDSCHRIFTEN. 



H8. 

Adat orang Djawa di nëgari Malang 322 

Atoeran dan oendang oendang didalam pëgangan Mokko Mokko ... 180 

Atoeran nama gëlaran prijaji jang dibawah Soeltan 595 

Atoeran nëgari Palëmbang 536 

Atoeran orang orang bërladang 236(4) 

Bid&jat afmoebtadt bi fadl All&h al moehdi 625, 628 

Brieven 229, 236(2), 240, 244, 246, 319, 599 

Catechismus 543 

Gosmogonie 535 

Daftar Përkata'an 564 

De invoering van den Lil&m in den Preanger . . : 215 

Hikajat Nëgari I^ambi 205 

Tjarieta sabab djatoeh koewasa Sultan I^ambl 207 

Tjaritëra Nëgari I>]ambi 538 

Erfrecht 612 

Gebruiken in Moesi Uir 236(6) 

Geloofsleer 626 

Geloofeleer e. a 624 

Hikigat Aboe Samah 607, 1» ged. 

Hikajat Ahmad Moehammad 608 

Hikajat Amir Hamzah 420, 528 

Hikajat Indra Poetra . 221,525,542 

Hikajat Nabi bërtjoekoer 569, U ged. 

Hikmat Nabi Mi*=r&dj 605 

Hikajat Nabi Waf&t 569, 2o ged. 

Hikajat Salisilah Perak 632 



Digitized by VjOOQIC 



244 INDBX DBR HANDBOHBirTBN. 

H8. 
Hikajat ^ang Bima 633 

Hikajat Sj&hi Mard&n 524 

Hikajat Soeltan Ibrahiro , 607, 2« ged. 

In8ti*uctie aan de hoofden van Paiëmbang 236(1) 

Katërangan përkata'an sëgala oendang oendang 236(3) 

Kitab Tan)fr 604 

Krissenboek 529 

Maleisch-Alfoersche Woordenlijst 593 

Maleisch-Kakas-Langoewan Woordenlijst 592 

Maleisch-Mënangkabausche Woordenlijst 596 

Maleisch-Timoreesche Woordenlijst 584 

Minahasisch-Maleische Woordenlijst 590 

Mohammedaansche Wetten 579, 1« ged., 580 1« ged. 

Mystiek 627 

Nania sajoer sajoeran dan boeah boeahan *. . 594 

Nieuwe Testament. . 541 

Njanjian deri behasa Haruko 577 

Njai^ian dery bebasa Oma . ^ 575 

Oendang Oendang 222 (2), 222 (3) 

Oendang Oendang Bandar , . . . 540 

Oendang Oendang Bangkahoeloe 2i0 

Oendang Oendang Mënangkabau 222 (1), 570 

Oendang Oendang Paiëmbang , 236 (7), 416 

Contracten met Paiëmbang 532, 537 

Greslacbtsregisters der vorsten van Paiëmbang 527 

Hikajat Mahmoèd Badroeddtn 201a 

Silasila Radja Radja didalam nëgarl Paiëmbang 414 

Ijarieta atoeran Radja Radja diedalam Nigrie Paiëmbang . . . 201 

Ijarita Nigrie Paiëmbang , 196 

Ijarita Radja Radja didalam nëgari Paiëmbang 531 

Pantoens 533 

Passen 621 

Pëkërdja'an Orang Dajak 579. 2« ged., 580 2« ged. 

Rapport over Moesi Oeloe van 1847 236(5) 

Rapporten over Paiëmbang 563 



te 

c 

I 



Digitized by VjOOQIC 



INDEX DBR HAND60HRIFFBN. 245 

HS. 
Reis in Palëmbang , .... 600 

Sjadjarah Malajoe 587, 631 

Sjadjarah Racya Ra^ja Riouw . « 630 

Sjair Alif Ba Ta . 635 

Sjairs 629 

Ternataansch-Maleische Woordenlijst 581, 582 

Timoreesche SpraakkuDst . . . , 572 

l}arieta Adipati Wira Tanoe Datar 215a 

Tjarita Bangka 541, 586 

IJarita Siam 534 

IJariiëra Manggarai 555(2) 

Toeroenan Ra4ja ^2AJL3 ^t^ü 555(1) 

Toeroenan Ra4ja Look dan Sopeng 634 

Wooidenlijst 588 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUD. 




AFDEELING L 




eerdichte V^erhalen. 






BUdz 


Hikajat Ahmad Moehammad (I) 


. 185 


Hikajat Indra Poetra (II— IV) 


. 486—487 


Hikajat Sh&hi Mard&n (V) 


. 189 


Hikajat Soeltan Ibrahim (VI) 


. 490 


Hikmat Sang Bima (VII) 


. 494 



AFDEELING H. 
IMEoliainiiiedaaiiflolie Lebenden. 

Hikajat Aboe Samah (VIH) 493 

Hikajat Amir Hamzah (IX) 494 

Hikajat Nabi Mi'^r&dj (X) 496 

Hikajat Nabi bërtjoekoer (XI) 497 

Hikajat Nabi Waftt (XII) 498 



AFDEELING m. 
Oesohiedenifl. 

Sja4jarah Malajoe (XIH— XIV) 498—201 

Oendang Oendang Ménangkabau (XV— XVI) 202—204 

Tjarita Bangka (XVH— XVIII) 205—206 

Sja4jarah Radja Radja Riouw (XIX) 207 

Hikojat Salasilah Perak (XX) 209 

Tjaritëra Nëgari Djambi (XXI) 240 

Hikajat Nëgari Djambi (XXII) 244 

Tjarieta sabab djatoeh koewasa Sultan Djambi (XXIH), . . 242 

Tjarieta Adipati Wira Tanoe Dater (XXIV) 242 

De invoering van den isl&m in de Preanger (XXV) .... 243 

•Qarita Siam (XXVI) 243 

Silasila Radja Radja didalam nëgari Palëmbang (XXVÏÏ) . .244 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUD. 247 

Bkdz. 
Tjariia EUdja Radja didalam nëgari Palëmbang (XXYIII) . . .215 

Geslachtsregisters der vorsten van Palëmbang (XXIX) 216 

Tjarita Nigrie Palëmbang (XXX) 216 

Tjarieta atoeran Radja Radja diedalam Nigrie Palëmbang (XXXI) . 217 

Hikajat Mahmöed Badroeddin (XXXII) 217 

Contracten met Palëmbang (XXXI II— XXXIV) 218 

Toeroenan Radja Loewoe dan Radja Soppeng (XXXV) . . . .219 

Toeroenan Radja oIa* '^J* (XXXVI) 220 

Tjaritëra Manggarai (XXXVIl) 220 



AFDEELING IV. 

Inlandsolie l^et en A.dat. 

Oendang Oendang Bandar (XXXVIII) 221 

Oendang Oendang (XXXIX— XL) 221—222 

Katërangan përkata'^an sëgala oendang oendang (XLI) .... 223 

Oendang Oendang Palëmbang (XLII— XLIII) 223 

Atoeran dan Oendang Oendang didalam pëgangan Mokko-Mokko. (XLIV) 224 

Oendang Oendang Bangkahoeloe (XLV) 224 

Atoeran orang orang bërladang (XL VI) 224 

Gebruiken in Moesi Ilir (XLVII) . . . , 225 

Adat orang djawa di nëgari Malang (XLVIII) 225 

Atoeran n^ri Palëmbang (XLIX) 225 

Atoeran nama gëlaran prijaji jang dibawah Soeltan (L) . • 226 

Pëkërdja'an Orang Dajak (LI— Lil) 226 



AFDEELING V. 

GI«clioliten. 

Njanjian deri hahasa Haruko tersalin kapada bahasa Malayu (LUI). . 226 

Kjanjian dery bahasa Oma tersalin kapada babasa Malayu (LIV) . . 227 

Pantoens (LV) 227 

Sjair Alif Ba Ta (LVI) 227 

Sjairs (LVII) 227 



AFDEELING VI. 

IsUlm. 

Mohammedaanscbe Wetten (LVIII— LIX) 228 

Erfirecht (LX) 229 

Bid&jat al moebtadl bi fa^l All&h al moehdt (LXI— LXII) . . .229 

Geloofsleer e.a. (XLIII) 230 

Mystiek. (LXV) 230 



Digitized by VjOOQIC 



248 INHOUD. 

APDEELINÖ Vn. 

Varia. 

Bladx. 

Kitab Ta'^bir (LXVI) 232 

CJosmogonie (LXVII) 233 

Reis in Palëmbang (LXVIII) . 233 

Rapporten ovei» Palëmbang (LXIK) 234 

Rapport over Moesi Oeloe van 1847 (LXX) 234 

Instructie aan de hoofden van Palëmbang (LXXI) 234 

Brieven (LXX II— LXX VIII) 234—235 

Passen (LXXIX) 236 

Nama sajoer sajoeran dan boeah boeahan (LXXX) .... 236 

Krissenboek (LXXXI) 236 

Nieuwe Testament (LXXXII) 237 

Catechismus (LXXXIII) 237 

Timoreesche Spraakkunst (LXXXIV) 237 

Daflar Përkata'an (LXXXV) 237 

Ternataansch-Maleische Woordenlijst (LXXXVI— LXXXVII) ... 238 

Maleisch-Timoreesche Woordenlgst (LXXXVIII) 238 

Woordenlijst (LXXXIX) 238 

Minahasisch-Maleische Woord^lijst (XC) 239 

Maleisch-Kakas-Langoewan- Woordenlijst (XCI) 239 

Maleisch-Alfoei-sche Woordenlijst (XCII). ...... 239 

Maleisch-Mënangkabausche Woordenlijst (XCIII) 240 



Digitized by VjOOQIC 



De Bijdragen van het Koninklijk Instituut verschijnen in 
afleveringen van 8 il 10 vel druks. De prijs wordt berokend tegen 
£0 cents per vel druks, en 10 cents per plaat. Bij de 4® aflevering 
Tan elk deel ontvangen de HH. Leden en de inteekenaren titel en 
inhoud voor hetgeheele deel. Elke aflevering is afzonderlijk verkrijgbaar. 



Van het in 1901 uitgegeven *^^w^ op de eerste 50 deelen der 
Bijdragen is gratis een exemplaar beschikbaar voor ieder lid, dat 
zich voor de toezending aanmeldt bij den Secretaris. 



De Koloniale Bibliotheek van het Instituut en het Indisch 
Genootschap i^ê-Gravenhage^ Van Galenstraat n® 14) is op alle 
werkdagen toegankelijk van 10 tot 4 uur. 



Aan Heeren Leden, vooral die in Indië, wordt dringend 
verzocht, bij verandering van woonplaats of bij niet geregelde 
ontvangst der Bijdragen, daarvan kennis te geven aan den 
Secretaris. 



U.H. Amiiteur-fotografeii worden dringend uitgenoo- 
digd, van liunne voor de Icennis van land en volk (in 
uitgebreiden zin) in onze koloniën dikwQls belangryke 
foto's steeds twee onopgeplakte afdrukken te zenden 
aan het Bataviaasch Genootschap voor Knnsten en 
Wetenschappen, waardoor één daarvan ten goede zal 
komen aan het Kon. Instituut voor Taal-, Land- en 
Tolkenkunde yan Ned.-Indië. 



Digitized by CjOO^IC 



Bij de firma MARTINUS NIJHOFF te s Graven- 
hage is uitgegeven voor rekening van het 
Koninklgk Instituut voor de Taal-, Land- en 
Volkenkunde van Ned, Indië: 

Het inifliisfne in den Indiscben Archipel 

UOüll 

Alb. G. KRU YT. 
Prij» f 7.-. 



BIJDRAGEN TOT EENE GORONTAlfl'SCeE SPRAAKKUNST 

Sjart beliasa Gorontalo 

DOOB 

J. BREUK.INK. 
- - Prijs f 1.20. - - 



Beschrijving van de ruïne bij de desa 
Toempang, 

genaamd TJANDI DJACO, 

in de residentie Pasoeroean 

SAMENGESTELD NAAR DE GEGEVENS VEBSTREKT DOOR 

H. L. LEYDIE MELVILLE en J. KNEBEL 

ONDER LEIDING VAN 

Dr. J. L. A. BRANDES. 
Arehaeologiscli Onderzoek op Java en Madnra. I. 

MET 

104 platen, 24 bouwkuiidig.e teekeningen em l kaart. 

(Verhoogde) Prijs f 25.—. 



Digitized by VjOOQIC 




BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL-,LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-tNDIÉ, 

uirasosYSN doob het 

Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 
van Nederlandseh-IndiS. 



ZEVENDE VOLGREEKS. — ZBSDE' Dt;EL. 

(dbsl lx DSB oshisls bkexs). 
d£bd£ ek viebde aflerebikg. 



'S-OHAVSKHAGK 

MAETINU8 NIJHOKr 
1908. 



I 



Digitized by VjOOQIC 



INHOUD. 



Bladz. 

Eene Engelsche lezing omtrent de verovering van Banda en 
Ambon in 1796 en omtrent den toestand dier eilanden- 
groepen op het eind der achttiende eeuw. Uitgegeven en 
toegelicht door Mr. J. E. Heekes £49 

Iets over de //Ternataansch-Halmahèrasche// taalgroep, door. 

A. HuETiNG (Met schetskaartje) 369 

Bijdrage tot de kennis der vereering van Wi9^u op Java, 
door Dr. H. H. Jüynboll 412 

Eene bijdrage tot de geschiedenis der Regeerings- reglementen 

van Ned. Indië, door P. H. van dee Kemp .... 421 

Bijdrage tot de volksgeneeskunde bij de Maleiers der Pa- 
dangsche Bened^nlanden , door J. J. Kbeemek, Controleur 
bij het Binnenlandsch Bestuur 438 

De Toe Badjeng en de legende omtrent hun oorsprong, 

door J. TiDBMAN, Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur 488 

Beschrijving der Maleische handschriften van de Bibliothèque 

Royale te Brussel, door Dr. Ph. S. van Ronkbl . . . 501 

Bestuursvergaderingen en Jaarverslag. 

Bestuursvergadering van 15 Juni 1907 xxix 

Bestuursvergadering van 21 September 1907 xxxi 

Bestuursvergadering van 19 October 1907 xxxv 

Bestuursvergadering van 16 November 1907 . . . ' . . xxxviu 

Bestuursvergadering van 21 December 1907 'xl 

Bestuursvergadering van 18 Januari 1908 xlh 

Jaarverslag over 1907 XLiv 



Digitized by VjOOQIC 



EENE ENGELSCHE LEZING OMTRENT DE VER- 
OVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796 
EN OMTRENT DEN TOESTAND DIER 
EILANDENGROEPEN OP HET EIND 
DER ACHTTIENDE EEUW, 

UITGEGEVEN EN TOEGELICHT 



Mr. J. e. HEERES. 



INLEIDING. 

In 1904 weid ous Instituut door aankoop eigenaar van een alles- 
zins merkwaardig handschrift, toen in het bezit van den heer Trancis 
Edwards te Londen. Deze beschreef het in zijn Orie7^^/ Gi^^wtf, part 
VI (March, 1904), onder N*» 10816, als volgt: //Neatly written copy 
of the manuscript of a very important report addressed to the 
directors of the East India Company, which for special reasons 
never was printed.// Het handschrift zelf is niet onbekend : in 1881 
werd een gedeelte er van (12 October 1795 — 13 Januari 1796) 
uitgegeven in het Journal of the Straits brauch of the Boyal Asiatic 
Society * door den heer W. E. Maxwell. Hij publiceerde dit naar 
een manuscript in //the India OflBce library//. Dit handschrift is, 
althans in het begin, niet geheel gelijk aan het onze, het is daar 
blijkbaar uitvoeriger, zonder dat die meerdere uitvoerigheid veel 
belangrijks meer schijnt te geven. Met 29 October begint ons 
afschrift beter tred te houden met het manuscript van het India 
Office, maar ook dan is het hier en daar beknopter en wordt 
men getroffen door verschillende leemten en heel wat andere af- 
wijkingen. Ik verwijs daarnaar in het algemeen zonder ze verder 



^ P. 51 ff. van no 7 , June 1881. De heer G. P. Eouffaer maakte mij hierop 
opmerkzaam. Mijn vriendelijken dank voor deze en andere bewijzen van wel- 
willendheid, van zijne zijde ook nu weer ontvangen, vinde hier een plaats. 
7» Volgr. VI. 17 



Digitized by VjOOQIC 



250 DE VEROVEHINQ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

aan te geven, en bepaal mij tot ons afschrift. Alleen maak ik er 
nog op opmerkzaam, dat omgekeerd op enkele plaatsen onze kopie 
uitvoeriger is dan het manuscript van den heer Maxwell, die ver- 
moedelijk zelf sommige verkortingen en samenvattingen heeft aan- 
gebracht. 

Wat nu ons afschrift betreft, het is in folio formaat, bevat 
het eigenlijke rapport, groot 251 beschreven bladzijden, verder 
titel en opdracht aan de Engelsche Oost-Indische Compagnie (samen 
3 beschreven bladzijden), en de volgende geteekende kaarten: 
1® //General plan of Amboina with its Dependancies// ; 2° //Plan of 
Amboina and Port Victoria shewing the situation of the adjoiniug 
heights// ; 8** //Plan of Amboina shewing the different niggers ' into 
which it is divided^ ; 4® //Plan of the harbour of Amboina^ ; 5** 
//Plan of the Banda Islands//; 6® //Plan of Banda Neira//. De kaarten 
zijn goed geteekend, maar geven geen nieuws. Ik vond dan ook 
niet noodig, ze te laten reproduceeren. Alleen heb ik geaarzeld teu 
opzichte van het duidelijke kaartje n^ 3, maar de tekst zelf geeft 
de verdeeling in negorijen voldoende aan, reden waarom ik de 
reproductie ten slotte toch heb achterwege gelaten. 

Behalve het genoemde voorwerk, bevat dan het handschrift een rap- 
port aan de Engelsche Oost-Indische Compagnie over de expeditie van 
Madras uit naar en de verovering van de Banda- en Ambon-eilanden 
onder admiraal Eainier, 1795 tot 1796; een beschrijving van den 
toestand dier eilanden in den tijd, waarin zij in handen der Engelschen 
zijn gevallen en eeuige beschouwingen en voorstellen omtrent wat 
er mee •gedaan zoude moeten worden voor het geval dat zij voor 
goed aan Engeland zouden blijven. Naast het een en ander wat van 
geen belang is, is er veel van beteekenis. En vooral hun, die nog 
altijd in de Engelschen van het eind der 18*® en het begin der 
19**^ eeuw voorvechters zien van mildere en vrijere denkbeelden 
omtrent koloniale monopolie- staatkunde en wat daarmee verband 
houdt, zij de lezing, niet het minst van bovenbedoelde beschouwingen 
en voorstellen, aanbevolen. Misschien worden zij bekeerd tot andere 
gedachten omtrent de opinies van Raffles* landgenooten in dit opzicht, 
opinies, waarin Raffles im grossen Ganzen deelde. 

Het geheele rapport is opgemaakt door //captain Walter Caulfield 
Lennon, priucipal engineer and secretary to the expedition//, 
Edwards' catalogus zegt nog van hem : dat hij //joined the Madras 

1 Schrijffout voor „niggeries". 



Digitized by VjOOQIC 



DS yE&OV£BXNG YAN BANDA SN AMfiON IN 1796. 251 

Engineeis 1782, he was promoied Lieutenaut 1786, Captain 1798, 
Major 1804, Lieat.-Colonel 1806, and retired Nov. 1810//. De 
toevoeging (met eene andere hand geschreven) bij Leunon's naam 
in den titel dezer "kopie //Godfather to Walter Caulfield Pratt, 
Öviny House (?), Aylesbury (?)/y is misschien eene vingerwijzing , dat 
ons afschrift is geweest in particulier bezit van een met Lennon 
bevriende familie. 

Ons afschrift is niet door een en denzelfden kopiist gemaakt. Zooals 
ik in verschillende noten heb opgemerkt, zijn niet minder dan 
drie afschrijvers aan het werk geweest. Het grootste deel (tot bldz. 
210 van den tekst) is gekopieerd door iemand, die met het Eugelsch 
op niet te besten voet stond , en wel door //a native/^, zooals Lennon 
zelf onder de opdracht aan de directeuren der Oost-Indische Com- 
pagnie zegt. Bij bldz. 210 schijnt mij (^en andere hand aan het 
werk te zijn geweest, vermoedelijk die van Lennon zelf : immers het 
schrift gelijkt op diens ook in onze kopie blijkbaar origiueele hand- 
teekening onder de opdracht aan de O. I. C. Bij bldz. 227 begint , 
dunkt mij , weer een andere hand. 

Ons afschrift was door Lennon zelf voor iemand anders (wie?) 
bestemd. ^The correct copy// had hij moeten zenden aan de Direc- 
teuren en hij maakte verontschuldigingen, dat hij dit dus niet heeft 
kannen zenden. 

Heeft Raffles ons exemplaar in handen gehad ? Verschillende 
potloodaanteekeningen zijn bij ons handschrift gemaakt en de hand 
daarvan doet mij telkens denken aan die van Baffles. Maar dit is 
slechts een gissing. 

Wat de wijze van uitgeven aangaat , ik heb enkele gedeelten niet 
opgenomen, die mij geheel en al onbelangrijk voorkwamen ', maar 
overigens geheel het manuscript weergegeven. Er was natuurlijk het 
een en ander in wat van elders bekend is, maar ook dit werd veelal 
bekeken met een anderen blik, dan wij dit gewoon zijn; ik heb 
het daarom niet weggelaten. Natuurlijk laat ik de in het rapport 
vervatte oordeelvellingen geheel voor rekening van den schrijver. 
Soms gevoelde ik mij gedrongen, hierop nog eens uitdrukkelijk in 
een noot te wijzen. Niet altijd deed ik dit echter. De noten, door- 
mij geplaatst en die wel dienen te worden onderscheiden van die 
vBn Lennon , mogen overigens tot opheldering voor den lezer strekken. 
Ik plaatste mij daarbij op het standpunt, dat ik de verklarende 



^ Ik heb dit door aangeduid. 



Digitized by VjOOQIC 



252 DE VETIOVBEING VAN BAK DA BN AMBON IN 1796. 

aanteekeoingen schreef voor hen , van wie ik mag veronderstellen , 
dat zij die noodig hebbeu; niet voor hen, die dit alles even goed 
of beter weten dan ik. Ik verwijs overigens naar de noten zelf. 

Met verbeteringen van schrij£Ponten en verkeerde interpunctie heb 
ik mij zelf de vrije hand moeten laten , o. a. omdat , zooals boven 
gezegd, het handschrift grootendeels is overgeschreven door iemand, 
die nog al fouten heeft gemaakt. Bij ook maar den geringsten 
twijfel heb ik daarvan doen blijken. 

Eèn register van plaats- en persoonsnamen en van verklaarde 
vreemde woorden heb ik achter deze uitgave geplaatst. 



Digitized by VjOOQIC 



JOURNAL of an expedition to the Molucca 
Islands under the command of admiral Rainier 
with some account of those islands at the 
time of their falling into our hands, and like- 
wise suggestions relative to their fiiture better 
management in case of being retained in our 
permanent possession. By Captain Walter Caul- 
FiELD Lennon. Godfather to Walter Caulfield 
Pratt, Oviny House (?), Aylesbury (?) , Principal 
Engineer and Secretary to the Expedition. 



To the Hmtorable the Couri of Birectors of the 
United East India Company 3fca S^ea. 

Honorable Sirs^ 

In the following pages which I have the honor to lay before 
you, you will find a regular detail of every material occurrence 
daring our expedition to the Eastward; interspersed with such 
remarks and reflections, as presented themselves at the time, unwarped (?) 
by either systero or prejudice. 

I thoaght it better to represent every circumstance according to 
the first impression it made, without attempting to dress it into 
form; as the first sketches, tho^ rude, of one who faithfnlly copies 
the object before him, often stamp a stronger idea of resemblance 
than the finished paintiug of a more perfect artist. Conceiving it 
my duty to propose every thing, that occurred to me, conducive 
to the good of the service or the interest of the State, I have 
done so without reserve to the best of my judgement. In apology 
however for the many faults, which must be noticed throughout, 
I have to plead an almost continual state of ill health and some- 
times of extreme pain. 

Should I be able to convey to your Honorable Court a clear idea 
of all our transactious , with the motives that led to them; of the 
state of the conntries we have gained, and their dependencies; and 



Digitized by VjOOQIC 



254 DB VEEOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

from the hints I have ventured to throw out of future advantages 
and improvemeuts , should any be found of real utility hereafter, 
my object will be fully attained and in your approbation I shall 
enjoy my ultimate reward. 

I have the honor to be^ Honordble SirSy 

with the highest respects Your most ohediefity 

and most humble servanty 

W. Caulfield Lbnnon. 

NB. This not being the correct copy, which I have lately been 
obliged to seud to the Court of Directors, you will make allo wances 
for the writing of a native '. 

JOURNAL of an expedition to the Molucca Islands 
under the command of Admvral üainier. 

Madras, October 17Ö5. In consequence of the unforeseen success 
of the French in overturniug the Government of Holland , and from 
an apprehension of the Dutch colonies falling under the dominion 
of that power, an expedition was fitted out at Madras, by orders 
from Englaud, for the purpose of securing the Molucca Islands to 
the ancient Government of Holland , if it again should be restored ' ; 
or in case of their rejecting the offer of our protection, finally to 
reduce them by force. The expedition was formed under the Com- 
mand of Admiral Kainier, and consisted of the Suffolk, 74, Gen- 
turion, 50, Resistance, 44, Orpheus, 86 ^, and Swift andHobart, 
sloops of war; the Arniston, Indiaman, Surprize and Mary, tran- 
sports, with about 800 troops on board the different ships. We ■ 
embarked on the 15^** of October, aud sailed about 5: o'clock in 
the evening , in the midst of threateniug appearances of the approaching 

^ Wie de persoon is , aan wien onze kopie is gezonden , blijkt niet. Misschien 
is het niemand minder geweest dan Kaffles, de beroemde en beruchte. 
Immers, aan den kant der bladzijden zijn verschillende aanteekeningen ge- 
maakt met potlood, geschreven door een hand, welke veel gelijkenis vertoont 
met die van dezen lateren luitenant-gouverneur van Java en onderhoorig- 
heden, terwijl de inhoud dier opmerkingen dikwijls overeenkomt met Raffles' 
elders uitgesproken denkbeelden. De aanteekeningen moeten dan zijn ge- 
schreven vóóc de verovering van Java, zelfs vóór of zeer spoedig na Baffles' 
komst op poeloe Pinang in 1805. 

' Op deze bewoordingen in verband met Willem Y's bekende proclamatie 
van Kew, kom ik beneden in een naschrift terug. 

< De cijfers achter de schepen geven vermoedelijk het aantal kanonnen 
aan, dat zij aan boord hadden. 



Digitized 



byGoogh 



DE VEKOVEKING VAN BANDA SN AMBON IN 1796. 255 

monsoon; haviog just before we weighed anchor, received intelli- 
gence of the capture of Malacca by the detachment sent sometime ago, 
ander the command of Captain Newcome ' of the Orpheus, and 

Major Brown of the Company's troops 

Nov' 13^^. We made Pulo Pinang 

The population of Pulo Pinang exceeds 20,000 souls, consisting 

o[ Chuliars, Chinese, Malays, Bengallies, Portuguese, and Europeans ; 

the first bear the greatest proportion in number and are chiefiy the 

boatmen and fishers, but some of the richest traders are of this 

cast; they are originally all from the Malabar and Coromandel coasts. 

The artificers and most of the shopkeepers are Chinese. The persons 

who are generally employed in clearing the ground and cutting 

down trees for timber are Malays, who work by contract, and with 

their little axes with long handles cut down or sit idle at their 

pleasnre. Their manner of cutting differs from what is generally 

practised ; if the lower part of the trunk of a tree be much thicker, 

as it for the most part is, than, at the height of 6 or 8feet,they 

erect a stage, and cut it at that height where it is least trouble; 

then clearing away the underwood, they take advantage of the 

wind, and cutting nearly through several trees in it« direction, 

they fairly feil the first, which in its fall brings down all the others 

to the leeward of it. Aftcr the trees are somewhat dry, they are 

set fire to, but seldom were entirely consumed; very large timbers 

are still lying in the direction they chanced to fall. This and the 

qnantity of ground lost by the stumps still remaiuing (if left to 

uaiure to decay as is usually the case) , impedes the cultivatiou for 

not less than 6 years, and sometime 10. It would seem therefore 

more advantageous to dig the trees at first fairly out of the ground. 

Eice is generally cultivated after the wood is cut down, but from 

the groand not being effectually cleared, there is fuU a third part 

of it lost for at least 6 years, and the standing stumps give itthe 

most barbarous appearance possible. The variety and luxuriance of 

the trees over this island, as over all the Malay islands, is very 

beautifull; timber very plenty and good; but they have no teak, 

which is the best wood iu India. Poon grows to au immense size, 

and one tree large enough for the Sufiolks main mast, for which 

it was intended, lay upon the beach. 

The soil about the town itself is sandy and very disagreeable, 

^ VgL Q. Lautu , Geschiedenis van de Nederlanders in Indië V , 

, bldz. 257. 



Digitized by VjOOQIC 



256 DE VEBOYEBING VAN BANDA EN AMBON IN 1706. 

being either quite loose sand, or overgrown with loDg grass. The 
inlaïid part of the island is very high, covered with wood. The 
pepperplantations here flourish extremely well, and I am told that 
the pepper is of a better quality than at Bencooleu, which has 
diminished in the qnantity of its pioduce considerably for some 
years past. Perhaps this cirenmstance may bea meansof encouraging 
Fulo Fiuang, and it is imagined that it would be much more to the 
advantage of the Company to withdraw the establishments of Ben- 
coolen and bestow their attention on this island. This additiou 
alone would be suflScient encouragement and security to Penang. A.s 
to Bencoolen, since it is only kept up for the purpose of collecting 
the pepper on the Westcoast of Sumatra, and seeing that the quantity 
produced has gradually diminished for some years past, it is a query (?) 
with very little doubt, if the whole of this pepper would not just 
as certainly be brought to the English at Penang, where the Malays 
could sell it at a price, not so much above the contractprice of 
Bencoolen, as to equal the expence of that settlement now. ^ 

The harbour of Penang is proved to be safe and capable of 
holding all the ships of our navy in the East, and affording them 
and any other ships every requisite assislance at all times. There 
is now a shipwright established, who Huilds ships here, and from 
the cheapness of timber, if encouragement was given to artificers, 
ships might be built cheaper here, than any where in India, and 
docks for the largest ships could be formed almost by the simple 
excavation of the rock of Pulo Jeraja, where the Chinese now 
manufacture chunam very cheap and good. It is therefore a good 
situation for establishing a naval arsenal, as the most central to 
all the trade between India and China, and all the islands to the 
Eastward , which , it is hoped , may soon be carried to an extent 
much beyond what it has been hitherto and this in all probability 
could be done without any, or at most a very trifliug, expence to 



^ Hier is, met potlood, geplaatst de volgende kantteekening: 
«Very just, for pep per is purchaseable at all other parts of Sumatra and 
one half the price it is at Bencoolen. Another advantage of Penang is its 
centrical situation, by which it might be made the entrepot of all the oom- 
merce of India with China, but in such case it must be a free port and not 
shackled with duties on import and transhipping. When they were imposed (?) 
to meet(?) the expences of the „Scottish Invasion", Penang was almost 
deserted by the Malays, who oonsumed a large quantity of Britiah and 
Indian manuf actures , which they paid for(?) in produces(?) dispo8eable(?) 
to the Chinese." 



Digitized by VjOOQIC 



DK VBBOVBBING VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 257 

Üie Compaiiy; siuce if they would only avow their eucouragement 
and support to the settlement , in the manner before mentioued, 
ii^s being coutinued a free port would secure it such a resource 
of shipping and trade, as would tempt thespeculation of individuals 
to these undertakings. The watering of ships at Peuang at present 
is by no means convenient, but might easily be made so. 

The fort is situated at the N. E. point of the island, which is 
ceriainly the best; but it is in itself so childish a plan and scale, 
so near the sea, so ill executed, and so crowded on by the town 
and houses adjoining, that I fancy, to afiord a real security to their 
possessions, it will be found necessary to build another in a different 
place ; the best place for the purpose is said to be about 6 : miles 
South, where there is an inner harbour, which might be improved 
for the reception of large ships. The tree or plant which yields that 
canons substance, the elastic gum, grows here in abundance; its 
JQJce, when cut or broken, resembles milk, which when suffered 
to remain exposed to the air, coagulates into the substance we sec 
it, without any chemical process whatever. Bullocks and sheep 
»re very scarce and poor here; the beef is geiierally buffalo, chiefly 
&om the opposite shore of Quada ', and sheep are imported from 
Bengal. Poultry are plenty and cheap, the market being supplied 
bj Malay prows, besides what are bred on the island. Vegetables 
are cultivated in great plenty by the Chinese, who wherever they 
settle are indastrious and orderly. 
24^. This moruing embarked with the Admiral on board the 

Orpheus, we weighed anchor at 10: o'clock 

80*^ 

ve did not anchor in Malacca road untill 5 o^clock in the evening. 
December !■*. The Admiral landed and was received by the 
Governor, M' Couperus *, Major Brown and all the officers of the 
garrison, and was conducted to the Government house. We diued 
this day with M^ Couperus; there was a large company. Madam 
Couperus was dressed in a mixture between the Malay and Portu- 
guese. Her ontward garment being made exactly like a shift. She 
looked ns if she reversed the order of her dress altogether ; her hair 
was drawn so tight to the crown of her head, and the skin of 
her forehead so stretched, that she could scarce wink her eyelids. 

1 Kedah. 

* Abraham Couperus, de Nederlandsche gouverneur, die in Augustus 
1795 Malaka aan de Engelschen had overgegeven. 



Digitized by VjOOQIC 



258 DE YEUOVËBING VAN BAND.V EN AMfiON IN 1796. 

She séemed however very affable and well-bred. In the evening 
she plajed on the harp and was accompanied by some ofherslaves 
on violins. She chewed betel incessantly, as did the other ladies 
in companj and everj chair in the room was fnrnished with a 
cuspedor to spit in; for while the ladies chewed and played, the 
Dntchmen smoaked their long pipes and drank klienbeer ^ , which 
is some of the best malt liqnor I ever tasted. We were attended at 
dinner and daring the evening by Malay slaves, male and female, 
some of the latter rather pretty, considering the general cast of 
Malay featnrea. 

8*^. This day visited the works of the fort and town, which 
were fonnd in better order and more capable of defence, than could 
be supposed from the facility with which it was gained by so 
small a force, as that sent against it. Had the Dutch been true 
to their trust and assembled the garrisons of Rhio and Perah, 
as they were ordered from Batavia to do , they certainly might have 
occasioned us a deal of trouble. 

16^^. After much inquiry and considerable expence, we obtaiued 
very satisfactory information relative to the situatiou , strength 
and disposition of the natives of Amboina, from which there are 
great hopes, the task of reducing it, if uecessary, will not prove 
very arduous. 

17*^. By an English ship, arrived from China, we learn that 
there were no Freuch ships at Batavia on the 1'* of November, 
as three Fortuguese ships left it on that date and arrived at Macao. 

December 8^. These Portuguese may account for the white flags 
that we have heard [in ?] frequent reports of as Frensch in that quarter. 

19^. The Suflfolk, Centurion and Hobart arrived this morning 
from Pulo Pinang. 

21'^ The Arniston, indiaman, was this day dispatched on her 
voyage to China. 

25^. Chiefly engaged in compleating the survey of Malacca. The 
prize agents employed in taking account of all the public effect©. 
Major Brown having resigned the Government of Malacca, and 
Major Vigors having preferred going on the expedition , Capt° Parr, 
next in seniority, was put in orders for the command of Malacca. 

80*^. As it appeared to the Admiral, that we were scarce in 
tonnage, the Armenia, captain Sands, of 800 tons, was this day 



1 Kluin- of Kluunbier : een Groningsoh brouwsel. 



Digitized by VjOOQIC 



DK V£BOVKiaNa VAN BANDA EN AHBON IN 1796. 259 

taken up at four pagodas a ton p' mouth for six weeks certain. 

31**- Several of the seamen, beiug in a very sickly state, were 
sent ashore, as being unfit for immediate service, and as there was 
a great want of wholesome accommodation for them, a temporary 
hospital for the sick of the navy was erected. Notwithstanding 
that this towu is surrounded on the landside with impenetrable 
juugles and swamps, from the small proportion of sick in hospital 
it may be rcckoned healthy for Europeans , tho' since our possession 
of it the raius have been very constant. This is probably owing 
to the effects of putrid vegetation being washed away as soon as 
formed. 

Tho^ situated in the most favorable way for uniting all the 
resources of a rich country, with an easy communication by sea 
to foreign markets, Malacca now labors under every incon- 
yenience that an island does, without its advantages; and tho^ it 
has adjoining a soil capable of y leiding the richest prodactions of 
erery kind, and tho' under the dominion of an European power 
for about 250 ' years, it remains, even to the foot of the Unes of 
the town , as wild and uncultivated, and in as perfect a state of 
nature, as if there never had been a settlement formed here; and 
except by the small river that passes between the fort and town, 
Tou cannot penetrate into the country in any direction above a 
five miles. Nor is even this extent general, being coufined to the 
roads which run aloug the sea-shore, about two miles each way, 
and one that goes inland. M' Couperus has a country-house about 
four miles on this latter road, and there were some time ago 
gambir-gardens about 7 miles in-land, to which this road led, 
but it is not at present cleared farther than Mr. Couperus^s house. 
There is uo cultivation at present round Malacca but the gardens 
of the Chinese and a few of the Malays, who supply the town 
with great abundance of vegetables and fruits, the varieties of 
which are reckoned at upwards of 100; very few of them are indebted 
however to cultivation, being mostly the spontaneous productions 
of nature. The gardens immediately next the town are so choked 
up with cocoanut-trees , that even from Bocca China * you can 
hardly see a house; they grow indeed so thick as very much to 
obstruct the free circulation of air and almost entirely to keep off 
the land- wind, which at this season is the prevailiug one, and very 

* Sedert 1511, dus in 1795 bijna 3 eeuwen. 
' Boekit tjina. 



Digitized by VjOOQIC 



260 DE VIEOVBEING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 

cool and pleasant. This extraordinary want of cultivation I am 
informed is the consequeuce of the restrictive policy of the Dutch 
government of Batavia, who make a point of discourageing it in 
all their settlements , the more effectually to render them dependant 
OU Java , where alone they promote cultivation and improvement , 
and from where they supply all the other settlements even with 
the common necessaries of life. Sugar might be cultivated here to 
great advantage, the climate being very favorable to its growth, 
but no more is grown than is used as a common vegetable, the 
manufacture of that article having been hitherto prohibited. Salt 
too might with very little attention and care be made in qnantity 
on the swamps quite close to the town, as they are subject to 
be overflowed by the tides and have no frish water to communicat^ 
with them. There was some years ago a very good manufacture of 
gambir here, which exported near 40,000: picul annually , but ^ in 
the war with the Malays, the gardens were cut down, and the 
manufacture distroyed. Since then there is but a very small quantity 
made here, and Rhio is now the chief place where it is manufactnred. 
Gambir is a substance of a waxy consistence, and a light yellowish 
brown colour, formed by the decoction of the leaves of a shrab, 
into which a small quantity of riceflower is thrown, to make it 
more firm and solid. It is of au acrid bitter taste, and is eateu 
with betle by all the Malays; it leaves an agreeable sweetness on 
the palate. This article was the ouly manufacture of Malacca, that 
I can learn, and with canes, dammer, betel, nuts and gold-dust 
constitute the ouly natural exports; and it is dependant on foreign 
markets even for the common necessaries of life. The exclusive trade 
which the Dutch carried on , and the breach of which they pünished 
with death ^ was in tin, pepper, opium, Japan copper and spices. 

^ Hier staan de woorden ^some years ago" in het mannsoript , maar 
zij zijn met potlood doorgeschrapt. 

3 Nog den 15 October 1794 waren de verbodsbepalingen tegen particulieren 
handel in specerijen en oliteiten vernieuwd (zie J. A. van der Chijs, Neder- 
landvch- Indisch Hakaatboek, XI, 1893, bldz. 821) „op poene van de poenali- 
teiten, daartegen gestelt." Deze straf was echter toen niet meer, zooals onze 
tekst heeft, de doodstraf, maar straffe aan lyf o/* leeven" (Plakaatboek , t. a. p. , 
bldz. 692), terwijl ook op deze sti af bepaling gaandeweg in de practijk vele 
uitzonderingen waren toegelaten (vgl. bv. Plakttatboek^ t. a. p. , bldz. 668, 
546, v.). In October 1781 was de „levens-straf uitdrukkelijk gesteld ge- 
worden op den handel „in de vier fyne speceryen of de daar van gestookte 

oliën" en in „amphioen behalven die van de (Amphioen-) sociëteit te 

Batavia is ingekogt " {Plakaatboek , X, bldz. 300 , v.v. , 561 , 567 , vgl. bldz. 



Digitized by VjOOQIC 



DB TDROVEUING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 26 1 

The two first articles they bought from the Malays at their own 
prices, haviug either established factories for smelting the tinn aud 
ooUecting the pepper, as at fthio, Perak, Palambang et^*, or forced 
them to sell wherever they could önd them ; the other three articles 
they sold to them. Their open trade consists in salt, piece-goods of 
India, Macassar cloths, tortoise-shell , ivory, wax and gold-dust. 
Some years ago, when the Commissioners from Holland * found 
the trade of Malacca so mach on the decline, they reduced the 
civil and military establishmeuts of it considerably. This diminution 
of the trade is in a great degree owing to the vicinity of Penang, 
where the Malays , findiug a free sale for all their goods , natnrally 
cwried them whenever they could scape the vigilance of the Dutch. 
Perhaps the prosperity of Penang is considerably indebted to the 
monopoly of Malacca. How far it may be affected hereafter by this 
monopoly being put an end to, it is hard to say. Certainly Malacca 
is better situated for trade, particularly that carried on by the 
Malays in their prows, and it is the kcy of the Straits, since no 
ship ean pass but in sight of it; and there is little doubt, hut it 
wiU soon recover its former consequence , when the freedom of trade 
shall take effect, and the Dutch influence is known to be at an 
eud. T is probable that there will be found advantages and trade 
sufficiënt to support both this and Penang. This settlement it is 
certainly necessary to keep , to prevent any other power establishing 
themselves in it, and it is likely the Americans would avail them- 
selves of the circumstance of its being evacuated in' a short time, 
which might be atteuded with very incouvenient effects to us here- 
after; and as to Penang, it possesses natural advantages enough to 
insure its prosperity, unless throwu off and disclamed as uuworthy 
the protection of the Gompany; and amongst its advantages its 
harbour for ships and resources in ship-building are not the least, 
particularly as it is not at all improbable but the chief business 
done in that line may soon find its way from Batavia thither, which 
indeed is sincerely to be wished on the score of humanity, that 



238, 469 V.V.). Dit in overeenstemming met en in navolging van voor- 
achriflen van 1774, 1771, 1770, en vroegere (P2a*aa*6oeik, VIII, bldz. 611, v.v., 
729, V.V., en vroegere deelen; De Jonge, De Opkomst van het Nederlandsch 
ffetag «n Oost-Indti, XI, 1888, bldz. 263, ems.)- 

Bij deze dus niet geheel juiste voorstelling staat een kruisje in potlood, 
als teeken van byzondere aandacht, door een der lezers daaraan gewijd. 

1 NI. de Gommissarissen-Oeneraal Nederburgh es., benoemd in 1791, te 
Batavia gekomen in 1793. 



Digitized by VjOOQIC 



262 DB VBEOVERING VAN BANDA BK AMBON IN 1796. 

baueful climate having so often proved fatal to those whom either 
choice or necessity led ihither for repairing their ships, it might be 
worth attention to endeavour to establish the artificers in the ship- 
building line at Penang, which I have already remarked is well 
calcalated for a naval arsenal. We should then have resources on 
both sides of India, and ships meeting with accidents on one side 
of the Peninsula need not go to the other for repair. The trad e in 
ships too is very much increased in these straits within a few 
years back, which is attended with the good effect of discouraging 
the propensity to piracy so common among the Malays. 

Abundance and great variety of timber fit for ship-building is 
to be got both here and at Penang. Masts of the lars^^est size are 
got very cheap from the opposite side at Syac, and are sent 
annually to Batavia; it was for the purpose of carrying a cargo 
now ready here, that the Constantia, an old Dutch indiaman, was 
sent from thence some time since, and now lays here. A74-gun 
ships-mast may be bought for 200 Dollars. 

The population of Malacca does not exceed 14.000 or" 15.000, 
which is calculated from the quantity of rice imported, and may 
be tolerably exact. They consist of Malays, Chinese, Chuliars * 
and Europeaus; and as there is nothing hearing any resemblance 
to a rajah or suprème head among them from the interior part 
of the country, each cast has its own chief or Captain as he is 
called, who are all subordinate to the Government. 

The disposition of the Malays about Malacca is quite inoffensive , 
nor has there been any act of treachery, that I could learn, com- 
mitted by them for a considerable time ^ past. In their domestic 
habits they are free from the prejudices of the Hindoes and are 
reckoned Mahometans. They are extremely indolent, and if not 
tempted by the hope of gain would never exert themselves, tho' 
very muscular in their make and better formed for strength and 
activity than any of the natives in India. They are passionately 
addicted to gaming and cock-fighting, which are their chief amuse- 
ments. Creese-öghting is the principal public exhibition I could 
observe, in which the combatants pride themselves, not in the 
boldness of attack and manly agility, but in the wily approach of 



1 Mooren van de kust van Malabaar? Vgl. H. Yule and A. C. Burnell, 
Hohaon- Jobson (London, Murray, 1886), p. 159, sub voce „Choolia. — Vgl. 
hiervóór bldz. 255. 

« Vgl. hiervóór, bldz. 260. 



Digitized by VjOOQIC 



DB VEROVKBING VAN BANDA IN AMBON TN 1796. 263 

a tiger, where their greatest merit lies in getting auawares behind 
their aDtagonist and surprizing him by a stab iu the back; and 
this circumstance I look upon as strongly indicative of the general 
disposition of the Malays. 

The Chinese are equally addicted to gaming with the Malays, 

and have here and at Penaug licensed houses, where they play 

vith dice, a kind of hazard that seems to have a good deal more 

variety than onr's. They are also fond of theatrical exhibitions, in 

which their merit is considerable. Their chief performers are car- 

penters and other artifieers, and there is no doubt, if people of 

the same rank in life in a distant country-town in England were' 

to attempt getting up a play , they conld hardly equal the exhibition 

of this sort we saw at Pinang on a stage ereeted for the purpose 

in the streets. The spectators sat on chairs and benches in the 

open air, and were refreshed with tea and sweetmeats. Their music 

is certainly very disagreable, being composed of gongs and very 

harsh hautboys. They are very industrious, almost all of them keep 

little shops and sell groceries of all sorts. They all hitherto sold 

arrack , and the consequent drunkenness of the place was abominable. 

I am happy to observe now however, that by the new regulations 

with respect to the duties this article is put under limitation 

aud taxed as it should be. The Chinese, when they arrive at a 

certain age, always prepare their cofSus, as a memorandum of the 

end they must, sooner or later, necessarily arrive at, and as a 

stimulus to the observance of morality during life; and certainly 

they are in general a very orderly well behaved people. At every 

mau^s door you accordingly see 4 or 5 immensely thick planks, 

of which their coffins are to be made. Their burying-ground they 

always choose on a hill, aud that called Bocca China derives it^s 

title from being chiefly devoted to that purpose. Their tombs are 

of a particular construction, being surrounded by a considerable 

space, open on one side, and simicircular on the other, some of 

them formed at a great expence. They always enclose with the 

dead body a certain quantity of provision and sometimes money. 

ïrom their industfy and ingenuity they are vere useful to new 

settlements, and deserve to be relieved from those oppressive 

impositions which the Admiral has very wisely put an end to. 

They are great breeders of hogs and are generally the persons 

who slaughter them; but the priveledge of doing so became a 

subject of taxation in the Dutch Government and still continues 



Digitized by VjOOQIC 



264 DE VKROVKUING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

so, as they have a particular method of increasing the weight of 
the pork by introducing water into the cellular membraue similar 
to the cheat butchers at home sometimes practice of blowing up 
meat to make it look well, but still more effectual. They kill beef 
too, which is very coarse and bad, being all buffalo. There are 
bullocks and cows here, but very scarce and poor, and the milk 
and butter, both here and at Penang, are very bad; the cause is 
the same in both places, the soil not being sufficiently cleared, 
the natural grass in the swamps and jungles is too coarse for 
cows, but is the best for buffaloes, which here grow to a great 
size and strength, and when taken, are very fierce. For the same 
reason sheep cannot thrive, there is therefore no mutton but from 
Bengal. ' 

Almost all the mountains in the Peninsula of Malacca, as well 
as these in Sumatra, are impregnated more or less with gold, and 
many of them go by the name of M* Ophir. That inland from 
this place is about 26 miles; the communication to it being by 
the river that disembogues naer Point Sisa. The Malays who go 
there are under no restraint, nor pay any duty; but enclose with 
stakes a certain extent of ground, where they think convenient, 
work untill they procure the quantity they want and theu return to 
dispose of it. The richest gold-mine in the world is said the black 
mountain in Gochin China: the working of which ha ving been iu- 
terrupted by civil wars for four years together, some time back; 
the price of gold-d ust in China rosé 25 percent higher than its 
general rate, and upon its being again opened, gold-dust thro^ that 
immense empire feil to its former Standard. 

Concerning the works of the fort and town of Malacca, according 
to the plan they are built upon, they are in tolerable good repair, 
and capable of considerable defence; tho\ should it remain eveutually 
in our possession, which is not unlikely, and a garrisou be esta- 
blished on it, it would be absolutely necessary to modemize the 
whole river-face of the fort 

The severity, which the Uutch have coustantly exercised in this 
Government, has impressed itself so forcibly on the minds of the 
iuhabitants of all denominations , that they can hardly conceive the 
Euglish to be now their rulers from the mildness of our admini- 
stration and the politeness we show to the Dutch ; which is attended 
with the ill effect of their influence being still so great, as tokeep 
back every kind of information and assistance that we might natnrally 



Digitized by VjOOQIC 



BE TEB0VBBIN6 VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 26 Ö 

expect; it therefore becomes the more necessary to adopt decisive 

measures, aud the Admiral has accordiiigly resolved to send away 

the late governot and Dutch soldiers, who have been hitherto 

kept, in contradiction to the orders from Madras. However , as there 

has been a sort of interregnum with regard to the administration 

of justice, it was thought necessarj, to continue in ofSce the 

members of the former Court of judicatnre, which some of them 

seemed not over- willing to comply with, untill they were giveii to 

onderstand that the nltimative was being sent to Madras; accordingly 

a commission of justice was made out and issued. The Fiscaal is 

the acting member upon all occasions of small import, and in the 

Dutch govemment his fees always bore proportion to the rigour of 

the punishment. This stimulus to cruelty neither the general dispo- 

sition of the Dutch , nor the particular temper of M' Bhude required ; 

and it was but a short time before our arrival, that a youug woman 

with child was whipped so unmercifuUy , that she died in a short 

time. They sometimes proportion the punishment to the time of 

smoaking their pipes, and it is not uncommon to say, give him 

one pipe or two pipes, according to the magnitude of the offence, 

meaning that the criminal is to be flogged during the time that the 

pflegmatic Fiscaal smoakes one or two pipes of tobacco. * 

The investigation of the public accounts and revenue has been 

a source of great trouble, and untill the determination to send away 

M' Couperus and the Dutch soldiers was understood , every possible 

difficulty was thrown in the way. It now appears that several things 

were omitted in the statement of public property first sent. The 

accounts of the salarie^ and emoluments of the Dutch servants 

seem to be loaded with a great many more charges thau is natural 

to conceive would be allowed ; but there seems to have been a great 

deal of pecnlation in practise, particularly in one article, the share 

of 25 percent on the revenue that was allowed to the civil servants ; 

the cousequence of which was, that the Government tempted the 

Chinese farmers of the revenue to bid a vast deal more than they 

were realty worth, from the first fruits of which their shares were 

regularly paid; but the balance was more than could be coUected, 

and they were therefore obliged to write to Batavia for a remission 

of it altogether, which I am informed was never refused. 

^ Natuurlijk dat een dergelijke beschuldiging aan het adres der toen- 
malige Nederlandsobe autoriteiten te Malaka geheel blijft voor rekening van 
den schrijver. 

V Volgr. VI. 18 



Digitized by VjOOQIC 



266 DB VÏEOVBBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

The. public sale of the revenue was some days ago advertised 
for this day, on the principle of a trade open to all, upon certain 
fixed daties , which perhaps may be more profitable in the end than 
the monopoly. 

1796: January 3^. The orders issned some days ago for the 
embarkation of the troops was necessarily changed on the Admiral 
resolving to leave behiud the Centurion, for the defence of the 
Straits and settlement of Malacca, as we have lately had frequent 
reports of French and Dutch cruizers being out. From this and the 
great increase of stores and baggage, all the ships are very much 
crowded. 

4^. M' Couperus ha ving had orders to prepare himself to go to 
Madras on this day on board the Swallow, as he had a family 
and vessel of his own (which has hitherto passed for a brig, be- 
longing to the king of Cochin , commanded by a French officer) he 
requested permission to proceed in her, and having reported himself 
ready and obtained his pass-port from the Admiral, he embarked 
accordingly. 

6^. The troops and stores being all on board the respective ships, 
we embarked this morning and being provided with such inter- 
preters and guides, as were necessary, sailed from the road of 
Malacca about 12 oclock 

These Straits are by no means well laid down , as it is impossible 
to know the different islands and head-lands from any chart of 
them yet published. It certainly would be a very desireable circnm- 
stance to have a complete regular survey of them, as from the 
number of different islands, channels might be discovered, that 
would favor the passage of ships in either direction and with any 
winds, as I am informed there is deep water and good anchorage 
thro^ almost all of them ; but from want of a knowledge of them 
ships, 'being afraid of exploring new passages, lose a vast deal 
of time 

11^. A sail in sight to the Southward, wich proved, as was 
supposed, to be the Transfer, captain Elmore ; we stood on with 
the tide, but not being able to weather Pedro Branca, were obliged 
to return, and again anchor under Point fiomania. The Transfer 
adso joined us. 

12*^. This day received intelligence from the mate of the Transfer, 
who was on shore at fihio, that on the 7^ instant a prow arrived 
there from Banca, the noqueda or Malay commander of which 



Digitized by VjOOQIC 



DB TSKOYSSING VAN BANDA £N AMBON IN 1796. 267 

reported to the sultaun of Ahio, that there were iu the Straits of 

Banca 3 French and 2 Dutch ships of war (capal prauw ^ in 

the Malay tongue) and that the Sultaun advised him, not to 

pioceed by that passage on that account. The mate, who came on 

boaid us, thinks the report well founded, as the forfeiture of his 

life, he says, would be the consequeuce to the noqueda of lalse 

information. The Admiral on this resolved to return as far as the 

Little Garimons and send into Malacca for the Centurion, and , after 

ginng the requisite warning to the settlement of Malacca, to 

proceed by the straits of Durion and Banca, in order if possible 

to intercept this force , which might be an armament (?) destined either 

for the recovery of Malacca or to distress our tra de in these Straits; 

and there is some reason to suspect, M'. Couperus may have given 

intelligence to Batavia of the exact siluation of the garrison of 

Mallacca and likewise of the probable time of our departure. The 

soldiers on board the Orpheus are reported to be very disconteuted , 

on account of the difference of the provisions with which they are 

served from that of the sailors. Ou long voyages like the present, 

when the services of men are to be immediately called for and 

every exertion expected from them, there should certainly be more 

attention and liberality shewn to their. provision, on which their 

health so materially depends. They are denied the little gratifications 

of fiower, pease, sugar et^^ and only served biscuit and salt beef 

1 pound of each p^ day to each man. The consequent sickness or 

at least weakness of the men after a voyage of 6 weeks, must 

Borely be a much greater loss to the public service than those 

little allowances, which would not only gratify their pride as well 

as palate, but keep up that efficiënt vigor necessary on their arri val 

at their distined scène of action. !For supposing only five in a 

hundred to suffer by the saving, exclusive of the idea of humanity, 

that of economy will make it evideutly appear, that it is cheaper 

to employ one hundred stout, hearty , well-fed men, than one hundred 

and five, supported on this curtailed allowance, five of whom are 

snre to become unserviceable thereby. 

14*^. Having come to an anchor off the Little Carimon-island , 
the Admiral dispatched the Hobart and Malay prow to Malacca 
with orders for the Centurion and Swift to join us. Wrote to 
captain Parr , commandant of Malacca, an account of the information 

^ Eapal përang? 



Digitized by VjOOQIC 



268 DE YEBOVEBING VAN BANDA EN AHBON IN 1796. 

which caused our return , and thé Admirals intention to proceed by 
the Strait of Banca, to clear it of any enemy that may be there. 

16^. The troops were landed at a very good watering-place on 
the Great Carimon-island , to refresh themselves, while the transports 
were well washed and cleared, which from being so crowded could 
not be done, while they were on board, and was therefore necessary 
for their health and comfort. We also changed our place and 
anchored nearer to the watering-place. 

Ijth^ This day joined us from Malacca the Centurion, Hobart 
and Swift. They inform us of the loss of Shah Muushy of Bombay 
from China on the rocks of Pedro Branca on the 8*^ inst*. The crew 
were all saved in their boats but the ship went to pieces immediately , 
and uothing but their lives saved; the boats passed us, in the night 
of the ninth. The loss of this fine ship is the consequence of the 
want of a proper survey of these straits, with proper remarks on 
the tides and currents. From the Phoenix we this day leam by 
our boats which returned from her , • that there are two Spanish 
frigates at Manilla, both sickly (P), bound shortly to Spain , by the 
way of Cape Hom ; that the forces of Manilla are considerably 
encreased and great pains taken in their discipline ; that the fort 
is put into a very respectable state of defence, the works being 
new modelled and repaired. The present govemor is reckoned an 
active, clever man, who encourages cultivatiou and trade. Some 
specimens of a white rope , made of grass , and some of the material 
itself prepared for twisting were brought us, which seems to be 
very strong ; but I understand, decays in fresh water. They make 
a very good sort of canvass of it. I am iuclined to think that if 
the long grass, which grows in the beds of all the great rivers on 
the boast, was properly prepared, it is the same or at least would 
be equivalent to it in strength and durability , as it possesses a 

remarkably strong fibre, very fine and silky 

18^^. At 6 o^clock this morning weighed anchor with a fine 
breeze from the North and made sail, now a formidable looking 
fleet, cousisting of 9 vessels; as we sailed thro^ the Straits of 
Durion, the farther we advanced, the more convinced we were of 
the in-accnracy of the charts of it, which are more calcnlated to 
lead ships astray than to direct them ; so that, had we not on 
board the different ships some good pilots, we should have been 

much at a loss 

20th 



Digitized by VjOOQIC 



DB VEBOVSKING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 269 

Wtien being in sight of Monapin-hill ou the island of Banca, 
we came to an anchor. 

21*^ We got under weigh (?) very early this morning ; the Swift, 
being very far ahead , made the signal for a strange sail , which 
we were in hopes was one of the Dutch fleet, but it turned out 
to be a Portugaese ship , which was in the road of Miutone(l), trading. 
We also saw two Malay kitches, which our hopes were for a short 
time flattered by ; soch is the effect of refraction in all these straits , 
&om the very strong evaporation , that, had we not been acquainted 
with the dece.ption, we might frequently have fancied fleets in 
view &om the trees being so extra-ordinarily raised by it ; and once 
the Hobart actually made the signal for a fleet, the appearance of 
the trees being so strikiugly like one. The Portugaese captain came 
ont to speak to us and told us he has been here since the 28^^ 
ultimo and heard nothing in that time of either French or Dutch ships. 

22^. Last night being remarkably fine with a fair wind, we 
continued under an easy sail, and this morning were a-breast of 
Parmesan-hill on Banca and the Second point of Sumatra. The 
troops and stores were now moved from the Hobart to the Genturion , 
the former being destined to return to Malacca and Madras. The 
water in this strait is quite brown, owing perhaps to the low 
swamps on the Sumatra side , where the trees actually grow in the 
water. The putrid leaves therefore and the mud of these swamps 
may give this colour to the water. A small brig is just now observed 
at anchor off Lucepara-island, to chase which our boats and those 
of the Squadron are sent. Lucepara and the Pirst point of Sumatra 
form the entrance of the Straits of Banca from the South ; it is 
very uarrow and only 4^ and 5 fathoms , the ground softest towards 
the Lucepara side , but the mid channel is perfectly safe. About 7 
o'clock, this evening, our boats being nearly up with the chase, 
she fired upou them so briskly, that they could not attempt to 
board her, and as she appeared to make sail towards Batavia and 
a breeze springing up, the Orpheus was sent in chase. We were 
very anxious about the boats this night , as the wind freshened very 
mach and it grew very dark. 

23^. This morning early we discovered the Orpheus with her 
prize; they joined us about 10 o^clock with all the boats quite 
safe. The brig proves to be the Harlingen, captain Pilander, of 
14 guns and 48 men. She was sent from Batavia 5 weeks ago to 
cruise off these straits, to watch the appearance of the English 



Digitized by VjOOQIC 



270 DE VEBOYE&ING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

fleet. The Admiral made prize of her directly , as she fired at our 
boats first and we learued from the captain the certainty of a 
Dutch war ; we also heard the agreeable news of the taking of the 
Cape of Good Hope. The Hobart parleyd us this night, when we 
proceeded on our voyage Eastward, with a fine breeze. 

27^ 

The men on board are growing very sickly ; the Admiral has 
therefore ordered the soldiers to be served the same allowance of 
sugar, rice and pease as the sailors. The sailors are chiefly ill 
of scurvy and fluxes, the soldiers of swelled throats, like an 
exterior sort of quinsy, and I am told it is the same complaint iu 
the other ships ; but is not dangerous 

80^^ 

This night being very fine, saw the high-land of Gelebes at 11 
o'clock, upou which we laid to the remainder of the night. 

81'*. Saw the island of Tanakeka this morning, which is low- 
land. Celebes, as you approach it, is extremely beautifnll, many 
parts of the land resembling the finest parks in England. A^ we 
coasted slowly on with a light breeze , a boat with a Dutch soldier 
came on v board from Bonthian , where they have a little wooden 
fort of 8 guns and 16 men, under a serjeant, who is subordinate 
to Boelacumba, which is farther on aboat 20 miles, where as we 
intended to call for water and stock, we kept the Dutch man on 
board to pilot us to the best anchorage. The tide seeming to make 
against us, we anchored for part of the night, while is was calm. 

February 1'*. The wind being very faint this morning, so that 
it was feared the ship could not get in, the Admiral sent a boat 
ashore to the Dutch resident at Boelacumba. After three hours 
rowing in a very hot sun, we landed and found a miserable 
Dutchmau, resident, an assistant and a doctor, with about 20 
soldiers, and a little wooden fort with 16 guns, 6 and 8...? 
As it was not the Admirals intention to take advantage of their 
weakness on the present occasion, we only demanded a supply of 
provisions, which he immediately gave the necessary orders to 
provide; but having very little power or influence, as he says, he 
is afraid what he can procure will be very inadequate to our 
wants. We dined with him , as it rained heavily with violent thunder 
and lightning. They are sometimes subject to earthquakes, a shock 
having been feit 5 months ago , when captain Seaton of the Helen 
was here, but they are not frequent nor violent. This, the resi- 



Digitized by VjOOQIC 



DE YEBOVEBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 271 

dent, M' Wist, says is the raiuj season here, which begins about 
the latter end of December; he asserts that notwithstanding the 
frnitfnll appeaiance of the country from the sea , it produces uothing 
bot a little rice in the valleys and cocoanuls near the coast, and 
from a nearer view of it, what appears to be beautifnl plains and 
fine pastore grounds, are nothiug but extended sayannahs and deep 
morasses. However the soil is naturally extremely rich and only 
reqnires a snfiScient cultivation to make it produce every fruit and 
Yegetable within the tropics. The rise of the land towards the 
monntain is very grand and might afford every gradation of climate, 
that coold be wished for, and if made the use of that might be 
and of which it is capable, would probably be one of the richest 
places in the East. There is a small river here with very good 
soft water, but very inconvenient watering from the distance 
the ahips are obliged to lay, near three miles, and the bar 
at the rivermouth being only passable for ships boats at high 
water. 

2^. Early this morning the Admiral went ashore to see the place, 
which from captain Seatons discriptiou was imagined to be very 
plentifull in all sorts of supplies; but there is a great deal of 
differenoe between the wants of a single country-ship with about 
10 Europeans on board and a fleet like ours. Indeed in all des- 
criptions of places like this, it were to be wished that those who 
make them, conld devest themselves of that sort of rapture, which 
their airival at a friendly port, where they chance to get their 
immediate wants supplied and the novelty of the scène altogether 
are so apt to excite, particularly after a voyage of auy length; 
and that they would confine themselves to a just representation of 
what a place really can produce and the use that it may be of 
to navigators in general. It was with the greatest difSculty and 
exertion that we could get 18 bullocks, 12 buffaloes and 12 
sheep , with a few poultry , and no fruit or vegetables ; the bullocks 
were good but very small, weighing only S 120 each , at 6 
8p. dollars, sheep at S and buffaloes at 10 each. The Dutch resi- 
dent here seems to posse§s very little influence, but, as we were 
informed, has several villages under his management, from which 
he coUects the tithe of the produce of rice, which about de&ays 
the expence of this garrison and Bonthian. In this part of the 
country they manufacture those fine cotton cloths of a tartan 
pattem, so much esteemed amongst the Malays; but the colours 



Digitized by VjOOQIC 



272 DE VEBOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

are not so bright, uor I fancy eau they afford them so cheap, as 
the Chay goods on the Coast of Coromandel. 

The Datch have uurnerous factories on this island , most of which 
are subordinate to Macassar, the chief seat of Government; and as 
they must be rather a disagreeable check to the natives, it is 
probable , that the removal of the whole of them wonld be a very 
acceptable price of service to the rajahs of 6hoa or Macassar on 
the S. W. , Bony, up the great gulf of Sewa, and Mandar on the 
N. W. coast of Celebes, where they possess their chief settlements, 
by which we might secure enlarged priviledges of trade and open a 
mart for immense quantities of our manufacture, opium, cloth 
and hardware; and perhaps au embassy for this purpose, conducted 
in a proper manner, after the removal of all the Dutch post^, woald 
be attended with very benificial eflfects. * For if a proper compact of 
mutual trade was entered into, whereby they would consent togive 
every prefereuce of trade to the English - and Aoist iheflag of Great 
Bfitain at all their sea-port tovms^ it might prove a sufScient 
bar to any other nation making a settlemeut amongst them ; aud 
by this means acknowledging the sovreignty of the British natiou 
(aided by their natural aversion to all invasiou of their naturel 
rights aud liberties, which must always in some degree happen by 
the most liberal settlers) , would exclusively ' secure all the ad- 
vautages, the intercourse with this island could afford, without the 
necessity of establishiug garrisons and posts along the coasts, to 
occupy the territory, as the Dutch at present do, to preserve a 
dominion of little or no value. 

The rajahs in the interior of the country are oontinually at war 
with each other, which I am told the government of Macassar 
encourages, and they invariably sell as slaves the prisoners they. 
make in their expeditions, which are often for no other purpose. 
Some prisoners are lately arrived here, four of whom some of our 

* Hierbij is geplaatst de volgende kantteekening met potlood: 
^A very important subject of oonsideration." 

* Uit deze en dergelijke (zie de volgende noot, enz.) opmerkingen blijkt 
opnieuw, dat bij de beschuldigingen , door de Engelschen geuit tegen het 
monopoliestelsel onzer Oost-Indische Compagnie , ook al geldt het spreekwoord 
van pot en ketel. 

* Hierbij is de volgende potlood-aanteekening geplaatst: 

^In addition to this a consul, either a Portuguese or halfcast Englishman , 
would be necessary to guard our exclusive privileges (?) of trade in time of 
peace, under the British flfvg." 



Digitized by VjOOQIC 



DE VBKOVEBING VAN BANDA IN AMBON IN 1796. 273 

gentlemeu boaght. The Buggesses ^ have in genera] a very good 
character for fidelity and bravery, which qualities would reuder 
them very fit for Sepoys * on the Coast of Coromandel , where 
ttieie is rather a want of inhabitants to supply them , and it might 
not be a bad scheme to get Buggese recruits from Celebes here- 
after for that establislement. ^ 

We took a row up the river of this place abont a couple of 
miles, most of wich way it runs westward nearly parallel to the 
sea. Great numbers of houses and inhabitants on its banks and 
prows of all sizes, most of the large ones paduakans ^ with the 
tripod mast. The Buggesses are Mahometans. There are very few 
beasts of prey ; and a traveller has nothing to apprehend but from 
the inhabitants. The distance over land from hence to Macassar is 
abont 40 Dntch or 160 geographical miles, but sometimes difiScult 
to travel, as well from the very high land between as its beiug 
intersected by deep swamps and ravines, which in the raiuy season 
are impassable. We returued on board in a burning hot «un, and 
by night had every thing off (?) we expected. The Buggesses are a 
better looking people than the Malays in general and Macassar 
is famed for pretty women and good horses. A few of the latter 
we saw here, the highest price of which was 25 dollars. Women, 
who are eqnally saleable (being considered as slaves), from 35 to 
500 and even 1000 , according to their beauty and accomplishments. 

February 3^. We weighed anchor early this morning with a 
light breeze and sailed thro' the Straits of Salayer 

11^ 

We entered the bay of Bouro at 6 o'clock 

12^ 

The Admiral sent on shore to see the Dutch resident here, to 
endeavor to get a pilot for Amboina and also to cultivate a 
friendly counexion if possible with the natives. On approaching 
the shore, we found the surf so high, that the boat could 
not land near the town, and were therefore obliged to row a 



^ Boegies, Boegineezen. 

* Sepoys , sipahi : een inlandsoh soldaat in Engelsohen dienst {Hobson-Jobson, 
p. 612 ff.). 

* Hierbij de volgende potloodaanteekening: 

«This oircumstanoe might be tried as an experiment, should another 
opportnnitj oocor.*' 

* Padoewakang (vgL Enoyelopoêdie van Nederlandêch-Indië , m, bldz. 484). 



Digitized by VjOOQIC 



274 DE TmtOVEEINö VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 

GODsiderable distance Eastward, where a reef of rocks affords 
some shelter. The wildness of the place and want of cultiva- 
tion was very conspicuoos from the moment of landing, for all 
was swamp and wilderness, even to the fiesidents door; and even 
in the streets the grass was grown so high and wild, that it had 
very little the appearance of a town. - The Resident was soon made 
acquainted with the views and intention of the expedition, as f ar 
as was necessary or proper, and prevailed on to assemble the 
chiefs of the natives to communicate with them in the same 
manner. The head-rajah Cayely soon attended with a number of 
his people, before whom the proclamation in Malays wab read and 
explained , and he was assured in every possible way of the friendly 
disposition of the English to the natives of these islands, of which 
he seemed convinced. We endeavored to get pilots to Amboina ; 
but tho^ he seemed wiUing to procure them, the people of the 
village, on the appearance of the ships, were so terrified, that' 
they fled into the woods ; and as it would have detained us too 
long to wait their being sent for, he was dismissed with a small 
present, after recommending the cultivation of a friendly connection 
with the English, which he promised to observe, and also to 
communicate and recommend the subject of our interview to the 
other chiefs of the island, IS in number, who are all subordinate 
to the Dutch. The Besidents house here is tolerably good and 
stands outside the fort, which is a wretched stone building, 
without a ditch; the building inside a heap of ruins and the 
gun-carriages quite rotten and useless. His gavrison consists of 
about 36 soldiers, not above 14 of whom are Europeans, tho^ all 
dressed and armed alike. While we were in conversation, persons 
were imployed to sound the men of the garrison, and one man 
was found who offered to pilot us to Amboina, aud who as been 
there and about it these 9 years. Him we brought off, tho* the 
Resident did not consent but from apprehensions of force being 
exerted. The country of Bouro has the wildest appearance possible « 
very mountainous and covered with wood. The bay is very large, 
the entrance 6 miles across and 12 or 15 deep, being by no 
means a safe or eligible place for ships to caU at in this mousoon. 
Eound great difficulty in rowing 10 miles to windward across the 
bay , to where the Suffolk had about this time anchored. We learned 
from the Dutch pilot, that the Resident had sent off an express to 
Amboina on our first appearance. The Swift joined us this day. 



Digitized by VjOOQIC 



Dl VIEOVMIING VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 275 

13*^. Some of the tratisports being short of water, the Admiral 
resolved upon staying to get a sopply, and dispatched the Swift 
to cruise off Manipa, to cutt off the communication with Amboina. 

14^*». Our watering was attented with great diflBculty and delay 
and detained us here all day. The Resident sent us a present of 
bollocks and S deer with some fruit. Four natives of Amboina 
came off to as to day, with offers of their service, to procure us 
sapplies of provisions and workmen from the country and establish a 
connectioii and intercourse with the natives, in case of opposition. We 
went on shore this day on the North-side of the bay, and found the 
cayapooty tree which jields an aromatic oil in great estimation, as well 
on account of its beneficial effects in strains and bruises as for its 
perfame, which the ladies of Amboina admire and make use of to 
anoint their hair. This tree grows pretty large with small long leaves 
of a remarkable fine smell when rubbed. The bark has the quality 
of being applicable to the purpose of calking instead of oakum, 
being very soft and pliant like the silky mulberry paper of China, and I 
am told answers very well; the natives use no other substance in 
calking their canoes and prows. The wood is very hard, of a red 
colour and seems fit for forniture or other household purpose. 
It derives its name, from caye, in the Malay language, a leg and 
pooty: white; because the bark of the stem of the tree is of that 
colour (sic!). 

15^. This morning got under weigh (?); it was with great difiRculty 
the Suffolk and Centurion could get their anchor^s out of the 
ground, which was very tenacious. We brought too off Manipa, 
where the Swift laid at anchor. She had a panchallang ^ as prize, 
with which she came out to us. The Orpheus and Swift were sent 
back to Manipa to bring off the garrison, who did not behave so 
well as was expected; we stood on about 8 at night and laid to 
untill daylight off the West-end of Amboina. 

16^. Weighed this morning with a fine breeze and stood on 
for the entrance of the bay; we passed the Three-Brother-islands 
and the little fort of Lariki and saw several very neat towns on 
shore as we passed; the hills looked very wild and covered with 
woods, except some places that appeared to have been cleared. As 
we came off the entrance of the bay, our wind died away and the 
paffs, that at intervals came down the vallies, were rather against 



Péntjalang (zie Eneychpaedie j IV, bldz. 485;. 



Digitized by VjOOQIC 



276 DE YEROVIRINO TAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

U0. A brig appeared stauding iu for the bay, bat as soon as she 
saw our colours, haoled off to avoid os, when the Swift «ras 
immediately sent in chase. About 4 iu the aftemoon we worked 
up to Dearly opposite the fort Victoria « when captain Lambert of 
the Suffolk and myself, ha ving received instructions from the 
Admiral, went off to shore. 

We met with no opposition in our approach but landed at ouce 
at the jettee-head and were very politely received by several of the 
Dutch officers, who conducted us to the fort to the Governors house. 
He seemed much agitated, beiug an old man , ' when we delivered to 
him the letters from his Serene Highness the Stadholder and the 
goveriior of Madras ; and .assembled his Council to read and con- 
sider the contents. We were delayed near 2 hours during this 
consultation , which we speut in conversing with the Dutch gentle- 
men, from whom we learned that the place was considered by 
themselves as untenable. The Oovernor soon after came out and 
informed us, that the Council with himself had agreed to deliver 
up the place , upon the same terms as were demauded by the Dutch 
governor of Malacca. These however being never agreed to, we 
considered as no rule of guidance in the affair and therefore 
refused to receive the letter, which would only have occasioned 
loss of time, but informed him that if he chose to surrender upon 
the same terms, as were granted at Malacca, they should be fort- 
with complied with. We soon disco vered that they gave up e very 
idea of resistance , and were therefore more positive in recommendiug 
them to adopt a course that would secure to each individual the 
eujoyment of his private property and the continuance of their 
present pay, and also such of their ofiBcers as might be thought 
uecessary to be kept in employ; referring to the Admiral himself 
such further allowance iu lieu of emoluments and the percentage 
on cloves, as he might deem proper for enabliug the ei vil servants 
to support their rank, as we knew their pay to be inadequate 
thereto ; which conditions being put into as simple a form as 
possible, they agreed to surrender the public property and fort 
with all it's dependencies the next morning. These being the express 
terms and meaning of the capitulation agreed on, we came off 
about 11 o'clock, and acquainted the Admiral with the execution 
of our mission, with which he was extremely well pleased. 

1 Alexander Gornabé (vgl. Lauts, t. a. p., lY, bldz. 258, v.)- 

Digitized by VjOOQIC 



Dl VEBOVEBING VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 277 

17***. This being the aniiiversary of the English settlement at 
this place having been accused and afterwards tortored and 
executed 178 jears ago, ^ we landed with the Admirals ratificatiou 
of the terms of the treaty of surrender; and quickly after 
£ oompanies of grenadiers marched into the fort, took pos- 
se^ion of the gates, guards et^^ and hoisted the British flag 
instead of the Dutch. There is au inscriptiou over one of the gates , 
the meaning of which is //Obtained by blood, and so to be defen- 
ded», which was soon understood by every body; bat notwithstan- 
ding that, and the recoUection of former cruelties exercised on 
oor conntrymen, now by the return of the date made fresh in 
every persons mind, there was not shewn the slightest tendency 
towards taking vengeance for that event. The Dutch called them- 
selves our friends and we treated them entirely as such. It took 
np nearly the whole of this day to arrange quarters for the troops 
and to coUect the keys of all the public stores and oJBces. Major 
Vigors landed with the grenadiers and received the fort keys, 
and the whole of the troops shortly after were put ashoi:^ and 
occupied the barracks compleatly. 

The Swift returned to day with her prize, which proved to be 
a Dutch brig, the Splinter, from Macassar to Amboina andBanda, 
with a reinforcement of 102 European soldiers and 84 Malays on 
board. It was certainly a very fortunate capture, for had she got 
in safe, there is little doubt, but such an addition would have 
altered the temper of the garrison very much, many of whom 
already seemcd desirous of risquing every thing by opposition ; and 
had they arrived at Banda, would no doubt enable them to make 
an obstinate defence. Por from a letter, which M' Comabe, the Dutch 
governor here, gave the Admiral, from the governor and Council 
of Banda and which was left ready to be delivered to the com- 
mander of any expeditiou that might arrive, of which they had 
information on the 28^ of December last, it is plain, the garrison 
there have made every preperation for resistance and in their letter 
avow it, at the same time dissuading him from any ofïers of pro- 



^ De zoogenaamde „Amboyna massacre." Doet deze herinnering niet denken 
aan lord Boberts' telegram aan koningin Yiotoria bij de overgave van 
generaal Cronjé, nl. dat deze plaats vond op Majoeba-dag? — Maar de 
schrijver hier vergist zich in den datum: den 28 Febraari 1623 kwam de 
Ëngelsche samenzwering of zoogenaamde samenzwering pas uit (De Jonge, 
Oph>mgt, V, bldz. VI). 



Digitized by VjOOQIC 



278 DE VEBOVS&ING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

tectiou, which they were determiued to reject. It appears somewhat 
extraordinary , how early the news of our expeditiou reached Amboiua 
and Banda, since they were so minat^ly infonned of the Stad- 
holders letter so soon as the 28^ of December; and from the cir- 
cumstance of the chief refereuce, in treating for articles of caputi- 
lation here, being .made to the terms demcmded by Mr. Couperus 
at Malacca, it is supposed to have been thro^ his communicatioii 
in the earliest stage of the summons of that place, that they 
received their informatiou. 

The confusion, that generally attends the first taking possession of 
a place, depri ved us of every resource of bazar articles, for the 
inhabitants of the town all fled from their houses. There was 
therefore in spite of every precaution some plundering took place in 
the town, chiefly by the Dutch soldiers, who were sent out of the 
fort to make room for our own troops, which could not beavoided. 
In the fort too, as soon as it became dark, our soldiers, who got 
a quantity of arrack from the Dutch, began to plunder, and broke 
open ^ the spice-stores^ Secretarys office and several other places , 
by which, had it not been almost immediately perceived and the 
plunderers detected , we should have su£fered considerable loss. As it 
was, there was very little taken away, and the doors immediately 
secured and sealed up. 

18^^. This morning the Admiral landed in state, having rowed 
round the different ships of war, foliowed by the captains in their 
barges; the yards of the ships manned, mariners drawn out, with 
drums beating and guns firing et^** et^^ et^*. He was received in the 
jettee-head by the Dutch governor and Council, who accompanied 
him to the fort, where he received the compliments of the gentlemen 
of the different establishmeuts civil and military. Most of the chief 
rajahs of the island too were presented as well as the captains of 
the Chinese, with all of whom the costum of the place made it 
necessary to shake hands. Most of the rajahs were dressed in full 
suits of black and wore swords. 

The delay of Dutch ceremonys is veiy great and the greatest 
part of the day was spent in it. The seals and stamps of the Dutch 
Company in all the different departments were delivered up in form ; 
and a proclamation was circulated by the Admirals order amongst 
the rajahs who attended, in order to encourage the inhabitants to 
return to their respective habitations and supply the bazar with 
provisions, for which payment should regularly be made. 



Digitized by VjOOQIC 



DE VEIWVIBING VAN BANDA VS AMBON IN 1796. 279 

Having gone round the works of the fort with the Dutch engi- 
neer and received from him the plans relative thereto, was sarprized 
to find the state of the place so weak and ill planued and comman- 
ded in such a way as not to be tenable against a regular approach. 
The sitnation is very beautifull and the town one of the neatest 
and cleanest we observed, indeed every part of this bay abounds 
with beauty ; hut as other advantages should likewise be considered, 
miich better situations might be chosen. 

19^. Commenced our examination of the Company^s treasure, which 
took us up all the day and proved very fatigniiig, as well from 
their voluminous accounts and diversity of coins, as from the 
want of good interpreters or trauslators. Sent circular letters to all 
the rajahs and chiefs of the different districts to call them in, 
to swear allegeauce to the English govemment. A few of the 
inhabitants have returned to their houses and again opened their 
shops, hut they were so accustomed to the exclusive intercourse 
of the Dutch and the severity with which they execute their laws, 
particularly those forbiddiug all communication with other nations, 
that they could not immedeately conquer their fears. 

20'^. With much difiSculty we completed the examinations of the 
treasury, in which we found to the amount of rix-dollars 55,294 
in various coins. The Swift sent the pantchallang William, loaded 
with cloves, from Saparoua. 

Had this day a long conference with the prince of Tidore, whom 
we found here treated with some respect, hut in great want. He 
says, that his father was sultaun of that country and in friend- 
ship and alliance with the Dutch, who were however making con- 
stant encroachments on his power and independance, and some years 
ago attempted to deprive him of his country altogether, upon which 
he was obliged to fly and take refuge in the island of Ceram, 
carrying with him his eldest daughter and leaving the case of the 
kingdoDoi to his brother, the present sultaun. There he remained 
for about two years, when the Dutch govemment here, being 
informed of his retieat, invited him and his daughter to come 
here and under fair promisses induced them to put themselves 
under their protection. They were at first well received and sup- 
ported in a respectable mauner for about a year, when the sul- 
taun was sent to Batavia by the orders of the Suprème Government 
there, whence he bas not since been permitted to return; but is, 
as report goes, supported in a state, adequate to his rank. His 



Digitized by VjOOQIC 



280 DK VEUOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

daughter remained here unnoticed , and some time ago wrote to her 
brother, the Prince now here, that she was in great distress, 
requesting him to come for her and carry her liome, which the 
Prince accordingly complying with arrived here about 5 months 
ago. The Governor and Council have constantly promised to send 
them home, but have notwithstanding suffered frequent opportunities 
to escape and still detain them, tho' they are much distressed 
for the means of subsistauce. The Prince is married and his wife 
lives at Tidore; he is in perfect friendship with his uncle, the 
present sultaun, nor does he seem to have an idea of interfering 
in the Governement, which by the regular line of successioa 
devolves to him on the death of his uncle. The Princes^ sister is 
also married but has parted from her husband, not being happy 
with him. ^ 

Tidore produces spices of all kinds in abundance naturally, but 
from the vicinity of the Dutch at Ternate and the guard of £4 
soldiers placed about the person of the Sultaun the cultivation of 
the spice-trees is prevented as much as possible, and such as are 
fouud , rooted up and destroyed. This country also produces amber- 
grease , tortoise-shell and plenty of rice and sago. They want 
cloths of all sorts, opium, iron and cutlery, and if possible to 
procure them, arms and ammunition. The Prince wishes mach to 
to return to his country, and if the English will restore him to 
it and relieve Tidore from the oppression of the Dutch, promisses 
to give them the exclusive monopoly of all the trade of this country 
and to acknowledge the sovereignty of the English. This princes 
grandfather and the father of Nockoe, with whom of late years, 
some of our trading-ships from Benghal have had a counection, 
were brothers. His name is Abdul Aleem, his sister Sophia. His 
father who was sent to Batavia bore the name of Melchedien. This 
is literally the story he tells of himself, which is however contra- 
dicted iu many particulars by the Dutch and perhaps should be 
received with caution. 

We this day more minutely examined the state of the works of 
the fort, to see what might be indispensably necessary to its 
safety, which the small garrison we can aiford to leave, when we 
proceed to Banda , obliges us to be particularly attentive to ; the 



1 Men vergelijke naast dit verhaal bldz. 279 , v. van deel VIII der Nieuwe 
volgreeks van deze Bydrtigen (P. A. Leupe, De ^verdediging van Temaie onder 
den gouverneur Jofuin Godfried Budach^ 1796—1799). 



Digitized by VjOOQIC 



DE VBBOVEEING VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 281 

more so, as from several reports from the out-stations, latety made, 
a spirit of disorder seems to break out amoDg the lower orders ; 
possibly however mach exaggerated by the Dutch, thro' whose 
iuformation we received them. From the nature of the works them- 
selves, being slight and perfectly commanded from the adjoining 
heights to the eastward, it was not thought tenable against the 
regular attack of a European enemy, even with a trifling force, and 
it was therefore proposed, as a temporary repair alone could be of 
any use or answer the expense, to complete the platforms on the 
works, where it was most likely an attack might be made, and 
perfect the glacis and covert- way all round the land-side from sea 
to sea and plant a good strong palisading within it, also to deepen 
the ditch as much as it will bear, not being at present above two 
feet in some places ; but from the radical defect in the scrap (?) and 
counterscarp , which have no foundations below the present depth 
of the ditch, it will only admit of being deepened in the middle 
in the manner of a cuvette (?). This improvement being proposed to 
the Admiral was approved of, and ordered to be immediaely executed. 

21*^. The great fatigue and confusion arising from the want of 
knowing the Dutch and Malay languages or good translators and 
interpretors, distresses us very much, as it is with the utmost 
difficulty we can understand the accounts and returns we daily 
receive and are constautly liable to mistake and be imposed on. 
Major Yigors at the Admirals request gave in a statement of the 
force he thinks necessary for the defence of Amboina, and also 
those that he hopes may be adequate to the reduction of Banda, 
which, from the reports we have , our entire force is not more than 
may be necessary to accomplish. The number of our troops is 
really too trifling even to garrison these places after they are 
taken , and it is certainly owing to the false economy of the Dutch 
in not securing their possessions by proper fortifications that they 
lose them ; for men they have and stores sufiScient to resist the present 
force, if they had only bestowed some of their profits in erecting 
a secnre fort, which undoubtedly the present never can be made. 

£2^. Administered the oath of fealty and allegiauce to most 
of the rajahs, patties and orankaios, which are the three 
distinctious of chiefs among the natives of this island. The 
Chinese and principal Burghers too atteuded , that they might 
perfectly nnderstand under whose authority and protection they now 
lived; as from the absolute necessity of coutinuing the Dutch 
?• Volgr. VI. 19 



Digitized by VjOOQIC 



282 DB VEROVBEING VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 

gentlemen in the offices of residents at the outstations and 
in the administration of justice, particularly the fiscaal, it was 
a difficnlt matter to remove the idea of their being still under 
Dutch authority. The desertion of the natives among the Dutch 
troops adds much to the irregularity at present complained of 
thro' the country and prevents the people in a great measure 
from coming in and supplying the bazars as usual. fieceived 
the different statements of the expense of the garrison, in- 
cluding the whole of their ei vil and military. Several inhabitants 
ha ving been detected in disposing of cloves to the transports, a 
proclamation was issued forbidding such practice in future under 
pain of the same punishments as usually inflicted by the Dutch 
for such crimes, and orders were sent by the Admiral to the trans- 
ports forbidding it, as their ships should be searched and whatever 
should be found, seized, the whole of it being considered public 
property, and not to be sold upon any account; the civil juris- 
diction and police being ordered to be continued by the first pro- 
clamation, published immediality after taking possession. The 
Orpheus sailed on a course to day. 

23^. From the propensity to desertion among the native Dutch 
troops, many of whom carried off theii: arms with them and have 
added much to the disorder of the country, hourly represenled 
by the Dutch gentlemen, the Admiral ordered such of them as 
were not recommended by the Dutch commandant to be depended 
on and for whom he became responsible, to be disarmed and 
disbanded. The necessity of encreasing our force and leaving some 
artillery for the defence of Amboina, during our absence atBanda, 
induced the Admiral to adopt into our service lieutenant Houss- 
man with 50 of his best -men, who offered themselves as volun- 
teers. He is a German and commanded the artillery under the 
Dutch government here. Many applications from the Dutch officers 
upon the score of their monthly 'allowance of rice and other pro- 
visions for their men, but it appeared, that they already received 
this allowance for the present month and that the chief intoxi- 
cation of our soldiers immediately on our arrival was owing 
to their selling this allowance of arrack to them; their appli- 
cations therefore were justly rejected. Our troops being near 
two months in arrear and an issue of pay therefore necessary. 
The value of the Spanish dollar being four stivers less than at 
Malacca , the Admiral ordered the rate of exchange to be established 



Digitized by VjOOQIC 



Dl YEBOYIBING VAN BANDA BN AHBON IN 1796. 283 

at 15| Spanish dollar to 10 pagodas, bat even this is a great 
disadvantage to the soldiersand Sepoys. Captain Muilh was appointed 
by the Admiral paymaster, and all abstracts were therefore orderèd 
to be addressed to him. The intention of the Madras govemment 
was to dispense with any paymaster upon the present expedition, 
ordering that officers commanding corps and departments should (?) 
money in advance at Malacca , but as they did not choose to become 
responsible for large sums of money on a service so exposed to 
casnalties, and as the distance of the service put all possibility of 
a commanication with the paymaster of Malacca out of qaestion, 
the Admiral saw the absolute necessity of the appointment. 

24^. This morning the fiesistance sailed upon a cruise to Banda, 
to discover if possible the strenght and temper of the place. The 
cargo of the panchallang William was lodged in the spice-stores. 
Took an account of the stores and cloths in the Company^s shop 
or winkle, were those articles are sold by auction, occasionally 
as the inhabitants want them. The residents of Hila and Larike 
arrived with returns of the troops and stores under their respective 
chaises. Accounts from Saparoua and Haroekoe mention the safe 
arrival there of the Swift and brig and of their intention to embark 
from Saparoua the remainiug spices there. 

26^. This morning attended the Admiral to the top of the har- 
boor; we landed at Baguala-pass and walked across to back-bay 
abont one mile over; a small river runs nearly the whole of the 
way, which might with little labour or difficulty be perfected into 
a canal, communicating from one bay to the other, and be very 
usefoU at the different seasons. The back-bay seems a very fine one, 
bat there are some sands in it which render it not quite safe for 
large ships. We examined the neck of land with a view of seeing, if it 
woald answer for erecting a fort, which from its situation, as it appeared 
on the plan , promised to be the best on the island ; but upon inspecting 
it we found it extremely low and swampy and commanded by 
the adjoining heights. There is however a convenient spot for a 
redoubt, which it requires, as there is always a post established 
here, and the Dutch were preparing to erect one, just as we arrived. 
On our return looking out for the best situation to build a fortress 
OD, the hill east of the entrance of the harbour, which overlooks 
and commands it in the most perfect manner, presented itself as 
the finest and healthiest possible , and which it was therefore deter- 
mined to examine the first convenient opportunity. The Dutch 



Digitized by VjOOQIC 



S84 DE VBEOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

gentlemen complained much of the disorder the country people 
were in, having thrown off all subordination whatever; theirhatred 
to the Dutch and impatience of the yoke under which they have 
hitherto laboured having broke out ia several instances. This was 
justly attributed to the conduct of the Dutch themselves, who upon 
several occasions told the people that they were fried (!) from their 
former obligations and in their own vexation inspired them with 
the notion, that all authority was at an end; not considering the 
confusion likely to result from such insinuations or that they them- 
selves might be the first sufferers. The desertiou among the Dutch 
native troops, many of whom carried away their arms, added 
much to this disorder, and in the first instances of it was not 
guarded against with sufficiënt attention by the Dutch commandant , 
captain Ostrowski. Tho^ these complaints of the turbulent dispositiou 
of the natives daily gained ground , it seemed as if the Dutch took 
a pleasure in reporting them and exaggerating the circumstances 
as much as possible. Upon enquiring iuto the subject of the 
different outposts, the Dutch have for years supported, it was 
conceived that the greatest part of them were unnecessary, except 
merely at those places where spices are coUected expressly for the 
Company ; and therefore that they should be removed from Saway, * 
Bouro and Manipa at least. It was also imagined that at Ternate, 
which is a very extended government, there is a vast expence 
incurred and the object nevertheless not attaiued, which is to 
prevent the growth of spices; but which. beiug morally impossible 
to accomplish perfectly, it is probable, that by sending a regular 
annual supply of those articles, most in demand at Ternate and 
Tidore and the adjoining islands, not only a lucrative trade might 
be opened, but the purchase of their spices as completely secured 
to the English as by means of an established force kept there. 
However as the iuhabitants of all these places are greatly addicted 
to piracy, it would be necessary to keep up a certain number of 
small armed vessels constantly cruisiug; as well to support the 
British claim to the exclusive trade and dominion over these coun- 
tries, ^ as to preserve peace and good order in the intercouse 
between them. 

1 Aan de Sawai-baai, Noordkust van Geram. 

* De Engelsohe autoriteiten denken er niet aan, het in de Nederlandsche 
Oost-Indische Compagnie door haar zoo gesmade monopolie op te geven. 
Trouwens de man, die — niet het minst door Nederlanders — wordt be- 



Digitized by VjOOQIC 



DB VBEOVKRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 285 

All the chiefs of the different islands adjoining, from every 
information appear to be desiroos to derive their authority from 
the English , if settled and established permanently here. The 
most powerfull amongst them is Noekoe, whom the Dutch have 
expelled from Ternate and Tidore for several years past. They call 
him a rebel, but certain it is^ that were they not to interfere, 
the people seem universally disposed to obey him and he could 
soon regain his rights. The English ships, which have traded to 
the neighboaring islands for some time past, have found a powerfull 
and sincere frieud in him. ^ He lives chiefly at Warou, * on the 
N. E. coast of Ceram , and it has for some time been the iutention 
of M'^ Coruabe, the Dutch governor, if he found a fit opportunity 
of a reconciliation with him, without the indignity of making the 
fiist advance, to create him rajah of all the N. Coast of Ceram 
and to withdraw the post from Saway. Mr. Cornabe was nine years 
govemor of Ternate before he came to Amboina. 

27*^. The Admiral took into our service upon their present rate of 
pay and allowances the company of the Wirtemberg Corps here, comman- 
ded by captain Gaup, consisting of 101 : men, very wel disciplined 
and behaved. This measure was very necessary , and fortunate that they 
seemed to accede to the terms offered them with great readiness. By 
this means and by disarming all the national troops, considerable 
expence will be saved, our force greatly augmented and the place, 
even with the small garrison we can afford to leave, be in a state 
of security , when we go to Banda. 

The rajahs and orankaios of Hila attended, and having taken 
the oath of allegiance had their ofBces contiuued to them under 
the authority of the English government. 



schoüwd als de groote principieele voorstander van eene vrijzinnige koloniale 
staatkunde , Baffles , heeft zioh dit niet getoond ten aanzien bv. der Molukken. 
En sijn de potlood-aanteekeningen bij ons handschrift van hem afkomstig, 
dan blijkt het, dat hij, toen hij ze maakte, dezelfde monopolie-denkbeelden 
huldigde als onze O. I. G. , al hulde -hij ze in ietwat onschuldiger kleed. 

Trouwens , de instructie door hem den 5 Mei 1814 aan generaal NightingaU 
gegeven, terwijl deze gereed stond voor eene expeditie naar Gelebes' Zuid- 
Westhoek, spreekt duidelijk; nóg duidelijker een schrijven van zijn hand 
aan de bestuurder der Britsche Oost-Indische Gompagnie van 12 April 1818 
(Zie M. L. Van Deventer, Het Nederlandsch gesag over Java en onderhoorigheden 
sedert 1811, I, 's Gravenhage , Nijhoff, 1891, bldz. XXXIX, 32). 

^ VgL deel Vm, Nieuwe Volgreeks, dezer Bijdragen , bldz. 266, v. 

* Waroe, 



Digitized by VjOOQIC 



£86 DE VEaoYEaiNa van banda en ambom in 1796. 

29^. This day the Wirtembei^ company took the oath of 
allegiai^ce to his Brittanuic Majesty; the ceremony was performed 
with becomiug decorum and solemnity. The prisoners taken on 
board the Splinterberg , having expressed a wish to be taken into 
our service, such of them as were not Dutchmen born, or other- 
wise exceptionable were adopted in the different companies. Almost 
the whole of them were eutertained, being nearly all Germans, 
Poles and Prusians. The Admiral reviewed the national troops 
today under captain Ostrowski. They were most of them half-cast, 
and unfit to be taken into our service, and as no dependance 
could be placed on them the Admiral ordered them to be discharged. 
Their frequent desertions have already contributed much to the 
confusion complained of in the country, having encouraged the 
inhabitants to quit their habitations, disclaim all authority and 
retire to the mountains, which are very difficult of access. The 
Orpheus returned from a cruise and the Swift brought in a consi- 
derable quantity of cloves from Saparoua. 

The resident of Hila having complnined of the ill conduct of 
the corporal in command of the post Hitoelama within his province 
and the desertion of most of his men, both he and the orankaios 
of that province , now here , were ordered to repair to their respective 
posts and superintend carefully their particular duties. Several of 
the Dutch ofiScers from an apprehension , that they were to be sent 
to Madras, desired permission to resign the service and be allowed 
to reside as Burghers and persisting in their request, tho^ reasonable 
assurances were made them, that it was not the intention, unless 
their conduct should render such a measure necessary , three of them 
were accordingly struck off the list. Some people of the niggory or 
district of Wacksieuw ' in the province of Larike , having been kept 
here as slaves for some years past on account of a principal woman 
of their family having been seutenced to death for smuggling 
cloves, npon learning that they themselves were innocent, the 
Admiral restored them to their families and homes. 

This day examined more particularly the top of the hill over 
the entrance of the harbour, which is in every respect the most 
eligible place on the island for a fortress, being in a very strong 
position, very healthy, as far as one may judgefrom the situation , 
well supplied with fresh water, and convenient for ships to ap- 



1 Wakasihoe. 



Digitized by VjOOQIC 



Dl VBEOVIBING VAN BANDA BN AMBON Dï 1796. 287 

proach, with a perfect command over the entrance of the harbour, 
where ships may be in the greatest security and good anchorage. 

Marche 3*^ ^ The Besistance having returned from Banda, with 
a refusal of any offers of protection or to admit the British forces 
apn any footing whatever, the Admiral issued orders to embark 
all the troops intended for that service to morrow morning. As 
neither the payment of the Dutch establishment nor the clove 
money could possibly take place immediately, proclamation were 
ordered to be made explainiug the cause of delay and to assure 
all ranks of the Admirals intention, to issue it upon our return 
from Banda. 

5^^. We embarked and sailed with the squadron out of the bay. 
The winds were very light during our voyage and on the 7*^ in 
the evening we discovered the islands of Banda, particularly the 
Burning Mountain or Gonong Api. 

8^. This morning being within a few miles of Banda, the ships 
steering purposely in different directions to confuse the enemy 
with regard to our intention, we observed two guns fired from one 
of the batteries on the outside of the nearest island Gonong api ; the first 
was shotted (?) and immediately after the 2^ the Dutch colours were 
hauled down and a white flag displayed in its room; at the same 
a boat came off from shore with Dutch colours and a white flag. 
The wind and current being both against her coming up , the 
Admiral sent down to meet her, with instructions how to proceed 
in case of a wish on their part to give up the plan in a friendly 
way. Upon joining the boat however, the oflicer in it was only 
charged with a duplicate of the letter sent by the Besistance to 
Amboina. He was therefore brought on board, but the Admiral 
soon dismissed him with a short letter to the Governor, laying 
the responsibility for all consequences which might ensue at his 
doors, in case of opposition on his(?) part, and sent at the same 
time letters from the Prince of Orange and the governor of Madras 
exhorting him to accept the protection of the English. Approaching 
the land, the Orpheus and Harlingen were sent on to examine 
where the troops might safest land, convenient to the chief fort ; and 



* Lauts, t. a. p. , IV, bldz. 260, stelt dit alles in Februari en wijkt ook 
ten opzichte der bijzonderheden af van ons handschrift. De hoofdzaak: 
overgave zonder verdediging van eenige beteekenis , is echter juist door hem 
weergegeven. Van de 800 stukken geschut spreekt ons handschrift daaren- 
tegen niet. 



Digitized by VjOOQIC 



288 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

passiug within the small island of Craka ' , that covers the channel bet ween 
Gonong Api and Banda-Neira, they were fired upon briskly by the bat- 
teries along shore, which seemed placed every where that might anuoy 
an iüvading enemy. Two of the batteries were soon sileuced and the 
gunners run off, having spiked the caunon. About 12 oV, being 
off the N.end of Banda Neira, the ships brought to the boats imme- 
diately manned and the grenadiers and marines landed, the rest 
of the troops folio wing, a white flag was soon disco vered , just 
hoisted on a circular redout within the harbour, to which we 
immediately rowed to enquire the meaning of it and being told 
by the officer commanding, that it was by order of the Gov', 
without knowing farther, we proceeded under the 'sameflag of tiuce 
to the landing plan opposite the town, where the Governor met 
us, who said, he had sent two commissioners on board to the 
Admiral with an offer of surrender on certain terms; on this we 
immediately rowed back to acquaint Major Yigors , the commandant 
of the troops there of, to prevent hostilities while the flags were 
passing, and immediately went on board to know what these terms 
were, but were surprised to find that no such propositions were 
made by the commissioners, but only a translation requested of the 
Admirals letter sent by the boat in the morning, as no person 
ashore understood English, and therefore conceived that they only 
meant to amuse us to gain time; how^ver as the Dutch gentlemen 
seemed by their conduct to wish for farther commuuication, the 
Admiral authorized me to go ashore with them and according to 
the spirit of former instructions to conclude a treaty for the sur- 
render of the place. 

We landed about 5 o'c^ and were received by the Governor in 
the guardroom of the redout I first called at. He seemed anactive- 
minded zealous man, much irritated by passion at the moment, 
the reason of which I did not immediately understand, but discovered 
after some altercation , that his passiou was owing to the terms he 
sent having been returned without perusal, and enquiring further, 
found out that the genlemen, by whom the sent them, never deli- 
vered them to the Admiral. Upon this an explanation took place 
and upon his inviting us to a more convenient place to settle the 
terms of capitulation , I accompanied him and after considerable 
time we at last agreed upon the capitulation , which simply guaranted 



^ Poeloe Kraka of Vrouweneiland. 



Digitized by VjOOQIC 



DE VBBOVBBING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 289 

to all individaals within the settlement the enjoyment of their private 
effects, to the servants of the Company, civil and military, their 
pay and such ofiicers to be conti nued as might be found necessary 
for the administration of justice and civil policy, and that such 
of the civil servants as wished to resign might be premitted to 
retire to Java or elsewhere, when a convenieut oppertunity might 
offer and that the military shoüld not be forced to enter the British 
service contrary to their inclinations. Upon these terms they agreed 
to dcliver up the forts with all its dependancies , all accounts, 
stores and treasures, and the troops to deliver up their arms and 
colours next day. We agreed, that in general the same regulations 
of police, the same laws for the administration of justice and the 
same mode of managing the nutmeg-plantations as were hitherto 
in practice, should be continued as nearly as possible. This being 
not only agreeable to the general instructions of Government, but 
convenient in every respect to us to adopt, from the want of persons 
to fiU those offices at present or superintend any charges we might 
otherwise wish to make. Upon finishing a copy of the treaty of sur- 
render in English and another in Dutch and having obtained the 
signatures of the Govemor and Council to both , I at last took my 
leave and submitted the whole proceeding to the Admiral which he 
accordingly approved. ^ 

9^. Early this morning, went ashore with the ratification of the 
treaty. The grenadiers were immediately put in possession of fort 
Nassau and the castle of Belgica, the Dutch colours hauled down 
and the English hoisted in their room, which were saluted with 21 
guns. The Dutch garrison marched out by the glacis and grounded (?) 
their arms, drums and colours. The Admiral himself landed sometime 
after and received the congratulations of the gentlemen of te settle- 
ment and detatchment. On the occasion amidst all the joy and 
bustle of taking possession to day an unfortunate accident happeued 
by the firelock of a Wirtemberg soldier going off accidently, which 
killed Lieut. Lamottu of that corps on the spot. The soldier himself 
was severely wounded and died in a short time. 

10^. This morning attended the admiral to fort Hollandia on 
Banda Lantoir or Great Banda, also saw the redout of Kyk-in-de-pot 
or Look-out-redout on Gonong Api. The formers consists of 2 
forts, one near the waters-edge particularly called London (?) and the 



' Vgl. hierbij de capitulatie, opgenomen bij Lauts, t. a. p., bldz. 390, v.v. 

Digitized by VjOOQIC 



290 DB VEEO VERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

other, on the hill above it, HoUandia; thej are both very compli- 
cated little works , with scarce auy strength or convenience , tho the 
upper fort appears one of the best situated about these islands for 
general defence, being on a high neck, that commands the entrance ; 
from the westward also a bay at the back of the island where 
there is now a separate post called Lackay, not above one mile 
from it, bat the ground between is a beautifoll grove of nutmeg 
trees. The situation of Kyk-in-de-pot is at the waters-edge on the 
S. side of Gonoug api, and now fairly within the harbour. Tt is 
a circular work and once infiladed (?) the entrance most perfectly , hut 
about 14 years ago by an eruption from Gonong Api, the lava 
flowed down in such quantity as to form a projecting point of consi- 
derable height between it and the entrance, which renders its 
present situation of no effect and has made the entrance extremely 
narrow, so that ships can only enter with a leading wind in 
this monsoon. We found confined'at HoUandia a prince of Bantam *, 
said to be out of his senses, who has been kept there for several 
years past. He breakfasted with us and did not seem in the least 
deranged. 

The different views of the whole bay and surrounding land are 
very curious and beautifull, the volcano of Gonong Api constituting 
the grand feature, which is an exact cone some what truncated at 
the crater, from whence continual smoke is seen to issue, hut seldom 
more being covered with melted sulpher ashes, and not the least 
sign of vegetation on the sides above about one third of its height. 

A number of Sepoys from the coasts ofMalabar and Coromandel, 
having been from time to time inveigled into the Dutch service , 
now gladly offered thimselves to us; accordingly 50 of the best of 
them were adopted, being much wanted on account of the number 
of outposts necessary to be occupied. 

This day surveyed the fort and hill of Belgica, which if made 
the proper use of, seemed to be the most convenient situation 
among these islands, to secure the possession of them against any 
European enemy whatever, but the present works are incapable of 
answering that purpose. Measured the height of Gonong Api 
geometrically with a base of 1440 feet, the altitude of the crater at 
the two extremes being 18^50 and 15^12, gives the exact height of 

^ Kan dit zijn pangerang radja Mangala, die in 1778, „aXa een staats- 
gevangene naar Banda verzonden" werd? (Vgl. De Jonge, Opkomst ^ XI, 
bldz. 354, V.) 



Digitized by VjOOQIC 



DB VBEOVEMNO VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 291 

1940 feet, allowing 17 feet above the level of the sea for the base 
on which I stood. 

20. Employed for some days past informing plans and estimates 
of redouts, as ordered, for the better defeoce of these islands 
against the departure of the ships, upon which their chief secarity 
at present depends. Two pantchallaugs or sloops were dispatched 
for the S. W. islands for stock et^ . They sailed under the command 
of Luit. Shaw of the Eesistance. 

29^^. The Armenia, transport, arrived from Amboina, with letters 
and intelligence stating the disorder of that island in consequence 
of the Malays taking up arms, and professing their intention to 
cut off every Dutchman in country and to make a new contract 
with the Ënglish for their spices. They went to a great degree of 
?ioIeuce and set fire to several houses in different parts of the 
island. Upon the arrival of this disagreeable information , the Admiral 
determined immediately to return to Amboina* and endeavour by 
bis presence and influence to satisfy the people and regulate the 
affairs of government there. 

30^. Ha ving given particular instructions to major Vigors for 
the government of the settlement and also left behind the Suffolk 
with cap*". Lambert for its greater security, the Adm'. changed 
bis broad pendant into the Orpheus. We embarked about noon 
and got pretty well out, tho there was scarce any wind. This is 
the season for calms bet ween the two monsoons. The Armeuia was 
seven days coming from Amboina. The Swift and brig Amboina 
accompanied us. 

31'*. Early this morning met the Resistauce on her way from 
Amboina to Banda, with cap^° Macloads company on board, which 
the Admiral ordered from Amboina, before he was acquainted with 
the disturbances there and chiefly for the purpose of relieving the 
Wirtemberg company; but judging it better to leave those men for 
the present at Banda, he ordered the Eesistance to join us and 
return to Amboina, ha ving dispatched the Malay prow to major 
Vigors with intelligence thereof. 

April 8^. Our winds were so faint these last four days, that we 
conld scarce make the entrance of the bay this morning , and when 
aboot 5 miles off the Admiral, thinking it possible the Orpheus 
might not be able to get up on account of a strong westerly tide 
and no wind, we got into the barge and rowed up to town; upon 
on our arrival we found matters rather in a better state than 



Digitized by VjOOQIC 



29£ DE YEBOVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

expected, but yet far from being settled. Cap*° Calmers's company 
being nearly all employed on the Hitoe-side, are barely sufficiënt 
to keep in awe the violent temper of the unruly Musselmen there, 
from whose adresses and petitions it is evident nothing keeps them 
within any moderate bounds but the terror of our arms. It appears 
from every account that tho' their aversion to the Dutch mightbe 
ever so great or just, and tho the delay in paying for the spices 
might have occasioned some apprehensions amongest them, their 
declared hatred to all Christians was one of the leading motives; * 
and the hope of recovering from the present change of govern- 
ment the exclusive dominion of the peninsula of Hitoe, the memory 
of which they still celebrate in their songs and at their feasts, 
where they are sure to madden themselves with opium and bang ^, 
the chief cause of the present insurrection. 

The ancient family, which once possessed this country, still exists 
amongst the mountains and tho the title of rajah and mahorajah 
is evidently of Hindoo origin, it appears universally adopted by 
the Malays, tho Mahometaus. Mahomjah, the rajah of Hitoelama, 
is now the representative of it, who being also the chief casizy * 
or priest of the Mohometans, possesses great influence over all the 
people of that province. His ancestors were the persons, who first 
invited the Dutch to their assistance against the Portuguese and 
to whom the Dutch were obliged in the beginning to allow great 
privileges and authority, but they by degrees, conceiving it neces- 
sary to counterballance their power, supported the inferior chiefs 
or orankaios,* until at last they all be came perfectly distinct 
and independent of each other. Hence arises the division of the 
island into several districts, called niggeries. This Hitoe rajah, 
hoping now to recover the dominion so long lost to his family 
and taking advantage of the confusion generally attending the 
change of government, set himself up at the head of all the 
Mohomotans, already possessed with a spirit of revolt from the 



1 Eene merkwaardige verklaring, nu zij hier komt van Engelsche zijde. 

* Bang of hasjisj : een bedwelmend genotmiddel. 

» Vgl. Hohson-Johson^ p. 130, sub voce „Casis." — Zie ook Van Hoëvell, 
AnAon^ bldz. 47. 

* Orangkaja. — Vgl. over de wijzigingen door de O. I. C. in het inlandsch 
bestuur van Hitoe gebracht ongeveer het midden der IV eeuw myn Corpus 
Diplomatxcum Neerlando-Indicum (deel LVII dezer ^Bij dragen") , bldz. 31, ▼., 
258, V., 263, V., 300, 423 en de d&éjr aangegeven literatuur. 



Digitized by VjOOQIC 



I 

! DE VEKOVEEING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 293 

want of cautiou and prudence of the Dutch , who not only in their 
conyersation inspired them with the idea that all authoritj and 
sabordination were at an end , but by their dastardly conduct in all 
the outposts, which they were still necessarily left in charge of, 
gave them spirit and coufidence in proportion to the apprehensiou 
and backwardness they shewed. The Hitoe rajah therefore opened 
a correspondence with all the chiefs on the coast of Ceram, in- 
viting them to join and throw off the yoke of the Europeans and 
recover their lost liberty and iudependance , summoned the oran- 
kaios of Bouro, Manipa and all the neighbouring islands, and 
even called in the aid of the Alfores or hill-people on the island of 
Cer;im , who are a perfectly sa vage race, whose religion obliges them to 
acquire the honor of a certain mumber of heads before they can pretend 
to any post of power or command or even be permitted to marry ; and 
they were shortly to have assembled, had not our ships and troops lucky- 
ly arrived from Banda at the time they did. He appointed certain cap- 
tains or leaders under him in the different districts, who headed 
the people and led them away from their villages among the hills, 
where some parties had created fastnesses, in which they lay prepared 
for war and plunder and not only threatened to exterminate all 
those who refused to join them but actually murdered such of the 
Dutch aboat Hila and Hitoelama, as they conld lay hands on, 
ent to pieces and killed the patties of Alang and Lilleboy and 
several others of less note. He nominated orankaios, creatures of 
his own, to all the niggeries to act under his authority, declaring 
himself rajah of all Hitoe with the origiual power of that title, 
and thus becoipe the chief cause of the insurrection , which 
however, had it not been for the want of discretion and steadiness 
amongst the Dutch, could never have extended to the length it did. 
The scandalous conduct of the Dutch garrison at Hila and of the 
resident of Saway with his men, leaving all the military stores 
at those places to the plunder of the insurgents, contributed not a 
little to encourage and strengthen them. 

5^. Disturbances at Haroekoe of a similar nature to those in the 
province of Hitoe about this time grew to an alarming pitch, the 
chief author of which was Tolongpatty. Cap**^ Macloads company 
were therefore sent to garrison the islands of Haroekoe, Saparoua 
and Noessalaut. 

6**^. Several reports were this moming made of an attack being 
intended against the rajah of Soely, who is a Christian and 



Digitized by VjOOQIC 



294 DB VEROVEETNG VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

possessing the frontierpost towards Ceram and the Mohometan 
niggeries on the N. £. part of the islands, aud who being always 
firmly attached to the Europeans, is particalarly obnoxious to the 
people of Hitoe. A party of 30 men were therefore sent ander an 
officer to join the Bajah and guard his district. The Pass Bagaala 
was also strengthened and an armed boat stationed there. Soon 
after the party joined the rajah, the Hitoe people began their 
attack, but were beat off with some loss on their side but none 
on ours. 

7**^. The Swift was this day ordered out to cruise on the N. E. 
of the island to clear that coast of the Hitoe and Ceramese prows 
and any other armed prows that might be seen. The Amboina brig 
was sent to Banda with letters to ipajor* Vigors. The post of 
Hitoelama, which covers the road of communication to Hila from 
Hoekoenaloe or the Three houses , was ordered to be occupied again , 
as it appears to be a place of consequence and thro which it is 
frequently necessary to send, besides being the chief residence of 
the Hitoe rajah, who is however at present amongst the hills. 

8^^. A proclamation was this day issued, advertising the payment 

'Of the clove-money on the 12^^ to all the niggories dependant on 

the chief fort, with on exceptipn against such individuals as 

should be proved to have taken an active part in the late destur- 

bances 

11*^. Every thing tolerably quiet for these some days past, but 
constant reports of the intended invasion of the Ceramese prows 
and the meeting of the Hitoe people in different places to plunder 
and force the other niggeries to join them, and many of the inha> 
bitants of Along, Lilleboy, Hitoe and Laha, ' which are all situated 
on the Hitoe side of the bay, but immediately subordinate to the 
chief fort, were obliged to leave their habitations and join the 
insurgents. In consequence of which, tho every part of the country 
is covered with wood, the garrison feit some distress for firing, 
which there are no persons who made a trade to briug into the 
bazar, but is the duty by compact and long established custom of 
the above four niggeries to supply, but which under the present 
situation of affairs they were unable to perform. The patties of the 
two first niggeries were murdered by the Hitoe people and the 
orankaios of the other two were obliged to take refuge here to pre- 



1 Alang, Liliboi, Hatoe, Laha. 



Digitized by VjOOQIC 



DB VIBBOVÏMNÖ VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 295 

vent the same fate. The absence therefore of their immediate 
chiefs contribated still to the coDtinuance of the disorders in 
those places. Two parties were accordingly ordered down to Along 
and Laha with directions [to] protect them against theHitoepeople, 
to invite the inhabitants to their doussons or villages, to guaid 
the orankaios of Hatoe and Laha, who returned with the parties 
of soldiers , to make the people of Along and Lilleboy point out 
proper persons to fiU the vacant appointments of patty in each of 
these niggeries, to snpply the regular gusta of firewood and 
finally to attend for the payment of their clove-money on the day 
appointed for that purpose. The Besistance and Swift were employed 
cruising rouud the island and between Ceram and Saparoua, to 
prevent any danger from asmed (?) prows, and every other measure 
adopted for the preservation of peace and good order, of which 
there were now hopes of a speedy reestablishment. 

New commissions under the British seal were issued to the 
different rajahs, patties and orankaios by the Admirals directions, 
which instead of the Dntch commissions ihey have hitherto acted 
under. Cash was taken out of the treasury to day to pay the Dutch 
troops and all others under the Government. 

In consequence of the proclamatibu for the payment of the clove- 
money, several niggeries this days brought in a quantity of cloves, 
which undoubtedly they hitherto reserved from a doubt of being 
paid, and perhaps with a view to smuggle off as they could. 

la^. Last night arrived the Malay prow from Banda with intel- 
ligence from major Yigors and captain Lambest of the trouble- 
some and improper conduct of the gou', M' Bouckoltz, whose 
restlessness of disposition and chagrin at his lost power prompted 
him to throw every impediment in the way of business there. 

18^**. This moming The Orpheus was dispatched to Madras, with 
intelligence of our success and to procure a speedy reinforcem* and 
supply of provisions and naval stores, of which we are very much 
in want. Letters from Hila this moming state every thing in that 
province as perfectly quiet, but the inhabitants are not yet come 
to their houses and usual occupations nor the Hitoe raja returned, 
untill which no certainty of peace eau be depended on, tho our 
Sepoys and soldiers pass singly unmolested back and forward , their 
enmity and declared vengeance being solely against the Dutch. ^ 



> Vgl. echter hiervóór, blda. 292. 



Digitized by VjOOQIC 



326 DB VEBOVBEINQ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

motive more effectual, to sentence the Hitoe rajah and three casizies, 
bis adherents, to perpetual banishment, than to execute them 
in the common way. The former mode is not only considered the 
more dreadful punishment, where they aie suffered to live in the 
mortifying reflectiou of being eterually ent off from their families 
and homes, but in addition, while there remains a doubt of his 
existeuce, uo other branch of his family will stand up as a repre- 
sentative of it; which would not be the case, if he were publicly 
execated, as some of his numerous kindred or children would in- 
stantly supply his place. 

The dress of the inhabitants of all these islands is the same : the 
men wear a kind of loose shirt or frock of blue or black cotton 
cloth, made in India, with loose drawers to the knee; the womeu 
the same kind of frock, and a cloth folded round their waist that 
reaches tho their ankles. The better sort wear a kind of cloth made 
at Macassar very strong, and in general of a tartan ^ patterie. The 
general dress of the Christian regents is a black coat of broad cloth, 
black satin waistcoat and breeches , and either black worsted or cotton 
stockings, and always hats. The Mahometans wear also Europe fa- 
shioned coats of as great a variety as the oldest shop in Monmouth- 
street could produce, and perhaps many of them came from thence ; 
but they never wear hats, which in every Mahometan country are 
considered as a reproach in part of dress. They wear turbands of 
black cloth about their heads in a very unbecoming fashion, and 
sometimes meerly a handkerchief tied in a single knot. It seems 
to have been a study of the Dutch to establish certain sumptuary 
distinctions among the inhabitants, ^ perhaps for the purpose of 
exacting donations for indulgences with" regard to them, at least 
they answer that end at present. No person but one of the three 
chief rajahs is allowed by inheritance the priviledge of wearing a 
gold-headed cane, a sword, a great umbrella; or can have the 
honor of a rest from the fort-gate guard, when he passes; and 
when any other person thro' pride or variety aspires to the saaie 
honors, which many of them do, they are obliged to pay handsomely 



ï Tartan = Scshotsohe geruite wollen stof? 

» Het is bekend, dat in den tijd der O. I. C. dergelijke „sumptuary distinc- 
tions'* niet alléén voor inlanders, maar ook voor het Ëuropeesohe element 
onder de bevolking waren voorgeschreven (Vgl. o. a. mijn artikel Oost- Indische 
Dames en Heeren uit den tvjd der Compagnie in Tijdschrift voor Nederlandsch- 
Indië, 1902, bldz. 58, v.v.)- 



Digitized by VjOOQIC 



DS y£BOYE&IN0 VAN BANDA SN AMBON IN 1796. S27 

for them. The priviledge of weariug a green velvet coat was confi- 
uid to the prince of Tydore. Distinctions of dress and other indul- 
genes they appear to treat with particular respect, which always 
excites the geueral emulatioii to obtain them, and no doubt, were 
these priveledges only bestowed upon merits, a velvet coat, a gold- 
headed cane or a large umbrella would have as good an effect in 
inspiring virtuous exertions, as a title or star; bat it unfortunately 
happens that as the indulgences are attended with a perquisite to 
the Governor, the distribution is chiefly made for the parpose of 
obtaining it. 

Tho^ the soil and climate of this island is capable of affording 
every thing necessary for the sapport and even laxary of the in- 
habitants, whether it arises from their natural indolence and aver- 
sion to labour, or any other caase, but there is not a snfiicient 
qaantity of food, particalarly meat, for the maintenance of the 
garrison and inhabitants. There are neither cattle bred among them 
nor rice or any other grain cultivated, nor is there a manufacture 
of any other sort established; bat for all their rice and other 
articles of food, except sago and fish, and all their wearing apparel, 
they are entirely dependant on Java , on which acconnt the annnal 
ship carries out a great qaantity of all these articles, which are 
sold to considerable advantage. 

Sago is the chief food of all the inhabitants, the consamptiou 
of rice being trifling in comparison with it; and ander the re- 
sident of Hila ^ on the coast of Ceram there are several donssons 
of sago-trees, which are very exactly numbered and sold every 
year, to the advantage of the Company. For this parpose, there is 
a serjeauts party kept at Loehoe and auother small post at Lockay ^ 
under him. This serjeaut takes a regalar accoant of the namber 
and state of the trees every year, and gives orders in writing to 
any persons who apply and pay the money for any namber of 
trees, they choose to cat; they can not however go indiscriminately 
to any part they like , bat to the particalarly doasson , whose trees 
are at the time open for sale; not more than two donssons being 
open at the same time. The foUowing is the last retarn sent in of 
the state of those donssons ' 



1 Is dit niet een vergissing? Vgl. noot 2 op bldz. 322. 
* Loki op Xlein-Ceram. 

< Ik vind niet noodig, deze lijst op te nemen. Er waren in het geheel 
13.042 van deze sago-boomen , nl. 2965 van de !■** soort (één rijksdaalder) , 



Digitized by VjOOQIC 



3£8 DE YKBOVEBINQ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

One good sago-tree, which is bought for 1 rd", when cut down 
and the pith taken out and prepared, yields about 60 measures, 
of rather better than 2 gull"(?) each of very -fine sago-flour, which 
will subsist, with the aid of a little fish, a family of 10 persons 
for an entire month. This flour they will either bake iuto bread, 
which the sailors preferred to rice, or boil into a jelly, but they 
do not understand the art of granulating it at Amboina or the 
adjoiniug islands. Fish is their next article of subsistauce, which 
is in general not so good to a European palate as that to be met 
with in most ether countries, being very strong and rank, but 
being plenty, is uüiversally made use of among the natives. The 
water being of a great depth and remarkably transparent , the only 
time for fishing, with certain success, is at night, by the light of 
torches , when the fish are attracted to the surface , and then easily 
caught ; it is the same at Banda and among all these islands. 
There is no such thing to be got here as ghee, * but to the poor 
cocoanut-oil supplies the place of it, and the rich make use of the 
cauary-oil, in the same way, which when fresh made is as sweet 
as the finest Florence oil. 

In consequence of this dependent state of the island , the residents 
of the provinces and the officers commanding all the outposts 
carry on a very lucrative commerce with the people under their 
authority ; particularly the residents of Saparoua , Hila and 
Haroekoe. They get from the Company's annual supply such 
articles as are most in demand among the natives, particularly the 
cloths, which they sell them, at whatever price they think proper 
to ask ; and also occasionally supply them with small loans of 
money ; for all this , as the payment of the spices comes thro^ their 
hands, they are sure to re-emburse themselves. This at different 
times must fall very heavy on the natives, and from an order of 
government, prohibiting the residents from stopping, on account 
of debts due to them, more than two thirds of the amouut of 
their spice-money , it may be fairly presumed , that it has freequently 
been exceeded, and perhaps the whole amount of it engrossed in 
this waj. These supplies are nevertheless very necessary to the 
wants and convenience of the inhabitants, for all foreign commerce 



649 van de 2«« (36 stuivers), 472 van de S** soort (24 stuivera) en 8875 
jonge boomen. 

1 Ghee, een soort boter (VgL Hobsan-Jobaoriy p. 282, f.). 



Digitized by VjOOQIC 



DB VEEOVEEING VAN BANBA EN AMBON IN 17 96. 329 

being forbid, without them they must pue half of them starve 
snd 'all go uaked. But were these supplies under proper mauage- 
ment and regulation, thej might not only become a great comfort 
to the inhabitants , but a source of profit to the Company, by 
simply establishing factories at the diifereut residencies aud posts 
for the sale of such goods as are in general estimation there, for 
which a regular profit of 50 perceut might always be depeuded od , 
which the inhabitants would gladly pay, provided a positive 
restriction was pui on further exaction, by publishiug at each 
place the fixed price of each article. 

This trade, as it now stands, is carried on by the resident of 
Saparoua not only to the inhabitants of the two islauds under his 
charge, but along a great extent of coast on the South-side of 
Ceram, as likewise by the residents of Haroekoe and Hila, from 
whence their chief returns are in sago and money. 

Among the productions of the islaud indigo of the finest colour 
poflsible is produced, it is said, in small quantities, but has been 
discounteuauced , it is said, from an apprehension of its interferiug 
with that produced in the West Indies ; but I rather imagiiie 
from a wish to prevent the people growing rich by any manufac- 
ture, which might render them independent. 

Sugar grows here extremely well aud very cheap, but no field 
has hitherto opened to encourage the manufacture of it. Coffee is 
found here in great perfection and, if snfficiently attended to, 
might equal the best from Mocha. Upon the beautiful heights in 
the neighbourhood of Amboina town, wheat could be cultivated to 
great advantage, both the soil and climate being extremely well 
adapted to it. Maize already grows in great perfection, and the 
dry or mountain-rice is known here, but little attented to. The 
bread-fruit-tree is quite common, but only made use of by the 
lowest order of the people. The chocolate-cocoa-tree grows ?ery well, 
but the cultivatiou neglected. There is a great variety of fruit .... 

Nntmeg-trees have been for many years absolutety forbid in 
Amboina, as much as cloves are now in all other places, but Am- 
boina; but about 11 years ago, finding the produce of Banda 
▼ery inadequate to the quantity wanted, and perhaps from a hope 
of establishing the entire cultivatiou at Amboina (which if effected 
wonld render the establishment of Banda unnecessary , and is by no 
means a speculative undertaking, but would answer extremely 
well and might be effected entirely in 15 or 20 : years at the 
?• Volgr. VI. 22 



Digitized by VjOOQIC 



330 DE VEBÜVKKING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

utmost), they uot only permitted but encouraged them at a price 
much above that paid at Bauda, giving a premium of 1 : rd' for 
every hundred, with the mace on. For this reason the chief inhabi- 
tants of the Leytimor side agreed to cultivate at first 10.000 trees, but 
notwithstanding this, there are not above half that number now in 
the island. Of vegetables there might be the greatest variety and the 
finest quality : excellent roots of all sorts thrive astonishingly ; the 
different kinds of yams and sweet potatoes excelliug in a great 
degree, and latterly the circulatiou of more money than usual among 
the people considerably encreased the quantity brought to market. 

Of wild animals the variety is not great, the chief being deer 
and wild hogs , none of a dangerous nature ; but when it is consi- 
dered, that owing to a want of attention and care there are no 
sheep in the island , beyond a few for curiosity , no cattle for 
tilliug the ground , nor cows enough to furnish milk and butter 
for even the gentry of the town, the indolence of the Dutch 
appears greater and more extraordinary than that of the Malays . . . . 

Tt is said by many that the mountains of this island contain 
gold-mines; whether they do or not, there are none worked. 

The government of Amboinais managed by agoveruorand Council, 
and four others, whose salaries are very small, but they have many 
perquisites, of which the principal is that already stated of 20 percent 
OU the weight of the cloves. The administration of justitie is carried 
on in matters of small concern by the fiscaal, who cannot exteud 
his punishment beyond confinement and whipping and some small 
fines, tho' there is generally conceived such a terror of his executive 
power, that those, who are summoned before him, are glad to go 
to the full extent of their means * , to moderate his severity and 
procure their enlargement. In the different niggeries the regent^ 
with the assistance of their elders of the first and second class are em- 
powered to settle small disputes amongst the inhabitants; from 
their decision an appeal lies to the Landcouncil, which is a court 
composed of 6 of the principal persons of the settlement and 14 
regents who sit with thèm. But in affairs of great importance and 
criminal causes, the Council of justice alone are competent to determine; 
at this the second in Council presides and there [are] se ven members 
altogether, besides the secretary. Their proc^edings seem to load ex- 



1 Ik Iaat natuurlijk deze en dergelijke beweringen voor rekening van deu 
schrijver van het stuk. 



Digitized by VjOOQIC 



DE VEUOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 331 

peDce on the persons who come before them , like all other courts 
of law, tho' they have no lawyers. But the secretary of justice 
answers the same end ; supplying forms of all kinds for both pro- 
secntion and defence and stamps, the prices of which are proporti- 
oned to the nature of the proceeding and magnitude of the cause. 
The fines of citations and all other fines are said to be divided 
between the court and charitable purposes ; but in the accounts of 
the orphan-society and church-fund, there is no mention made of 
any sum received from the Court of justice, * so that, if they are 
charitable, they have the additional merit of bestowing their bouuty 
in the most private manner. The prices of all stamps are paid 
into the treasury , but the cliënt is obliged to pay in addition a 
fee to the Secretary, which is generally greater than the stamp itself. 
In cases of condemnation no sentence can be put in force without 
the sanction of the Governor, who can always counteract their decrees 
on the side of mercy. 

As well forms of law as all other forms whatever and even 
passes to go from one district to auother with any article of trade 
are subject to taxation by stamps and seals. The prices of these are 
always carried to the Company's credit and lodged in the treasury, 
such as for the stamps and seals of commissions to the regents and 
other appointments ; but the extra fees in the Secretarys and other 
offices are always the better half * of the sum paid. * 

The taxes and revenues of this government in the time of the 
Dutch were but few and some of them not very commendable; the 
annual amount as Iet in September 1795 is as foUows. 

rd' 

The priviledge of selling arrack per ann 5,590 

Import- and export-duties 5,530 

Gaming-tax 1,196 

Bazar do 1,710 

Capitation-tax on the Chinese 512 

For slaughtering pork 250 

Tavern duty 26 

Total . . . 14,814 

Of these perhaps the only taxes of real benifit are the taxes on 
arrack and gamiiig. 



* Ik laat natuurlijk deze en dergelijke beweringen voor rekening van den 
schrijver van het stuk. 



Digitized by VjOOQIC 



332 DE VEKOVKRINÖ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

There is iio reut levied from the soil, beyoud the mouopoly of 
its most valuable produce at a very low price, but the iuhabitauts 
are bouud in n variety of duties to government, the chief of which 
is atteüdiug the Goveruor in his annual circuit round the provinces 
and their dependancies. This circuit, called the hongy-expedition, is 
performed by the Governor attended by a detatchment of troops and 
such of the gentlemen of the settlement as he wishes. He is attended 
by a great number of orembays, furnished and manned by the different 
regents of those niggeries, bound to attend him according to the regula- 
tions and instructions given to them at their appoiutment, and now 
confirmed by the custom and practice of many successive generations. 
The Govemor issues the hongy-placard in the begiuning of October 
aud on the 18^*^ he embarks, attended by all those of the niggeries 
uuder the chief fort and proceeds first to Hila, where he is joined 
by all those of that residency and Larique. He then goes on round 
all the provinces and outposts, encreasing his train untill his return. 
The object of this expedition is to impress strongly on the minds 
of the people the power and magnificence of the Dutch nation, 
to enforce the decree of cutting down all the clove-trees that might 
shoot up in any other places but the daties, to receive complaints 
and redress grievances. This expedition was formerly made in large 
corracorras, but as there were attended by a very heavy expence, 
tbey were about 21 years ago reduced to orembays, which are 
much lighter and more easily managed. But even these are a 
dreadfull tax on the people, and after all it is but a meer parade 
and is of scarce any real utility. From it however the Governor 
draws a considerable perquisite, for it is a regular established fee, 
that such of the regents, as wish to be excused, pay him rd" 100 
for the exemption, and for this the residents at the outstations 
become immediately responsible on the part of such of the regents 
under their jurisdiction, as wish to be excused from attending. In 
the following code of instructions are set forth the particular du- 
ties, which the inhabitants are bound to fulfill as well with regard 
to the hongy-expedition , as all other services what«oever. 

Translation of the instructions to regulate the conduct of 
all rajahs, patties and orankaios throughout the provinces 
and dependancies of Amboina. 

Article 1'^ It is incumbent on all rajahs, patties and orankaios 
under the high authority of government, to rule their subjects 



Digitized by VjOOQIC 



DE VEEOVBRING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 333 

ê 

with leuity and humanity , abstainiug from all exactiuns and cruelty. 
They must admouish aud animate them to the performaDce of their 
duty, check all irregularity of conduct and take care to acquaint 
the Governor with every circumstance of importance, that may 
require his decisiou or that of the Land -council. 

Article 2^. Those of the regeuts, who profess Christianity, shall 
take care that the exercise of the Christian religion be strictly ob- 
served and diligently propagated. They themselves and their families , 
the oraug tuas and elders of the £^ and 3 class must for this pur- 
pose shew good example, by frequenting public worship, keeping 
their youth at school and preventing every kind of superstition 
and idolatry. They are likewise obliged to prevent all hatefuU dis- 
putes betweeu their people and those who profess other religions 
different from their own; and for this purpose at places where 
Christians and MahometAus live together, each of them shall exercise 
his own worship without disturbing the other. 

Article 3^. The Mahom^tan people are particularly enjoined, not 
to molest the Christians, and the casizies or priests, moreover, 
shall cautiously avoid teaching Mahometan precepts to Christians, 
or building mosques in places inhabited by Christians, on the cus- 
tomary penalties. ^* 

4^. No Mahometan is permitted to marry a Christian woman, 
nor can a Christian take a Mahometan woman to wife. The same 
prohibition extends even to concubinage. 

5^. The regents are ordered not to exact any other duty from 
their people beyond what they are authorized by custom to do; «in 
conseqnence of which each of the three principal rajahs shall 
dispose of 5 quartoes or servants, more or less from each niggery 
iu proportion to its population, aud if(?) the quartoes are relieved 
monthly. Those regents, who have more than one niggery under 
their authority, may from each take quartoes, but by no means to 
exceed the regulated proportion without the express permission of 
Govemor or Council. 

6^^. To each of the three principal rajahs moroever shall be allowed 
two tyfadores or toddymen, one tanassy or fisherman, and two 
people to carry dammers or torches to attend them to evening- 
prayers. 

1 Hierbij is de volgende noot in het handsohrift geplaatst : 
The nsaal punishment for this offenoe is a fine and whipping with the 
gabba-gabba or green branoh of the sagoe-tree, which is verj severe. 



Digitized by VjOOQIC 



334 DE VBEOVEKING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 

7'^'. Every regent is obliged to see that their quartoes are exact 
iii the performance of their several duties, and carefuU to prevent 
the least ueglect whatever. Por this purpose, two or more families 
of their quartoes shall uot live together in oue house, so as to pass 
for one family, but each quartoe must live with his wife and 
children in his own separate dwelliughouse and each daty must 
perform the duties laid upon it under pain of severe puuishment. 

8^*\ To prevent the niggeries being deserted by the quartoes in 
order to free themselves from the performance of their respective 
duties, the regents must be careful that none of their people quit 
their niggeries and pass over the other districts or take service 
with Europeaus as morits * or slaves, before they are qualified to 
do so by a writ of permission from the Governor at the chief fort 
or the residents at the provinces to which they belong. 

9*^. No houses shall for the same reasous be tolerated in the 
woods, but at the time of gathering the cloves, when small sheds 
may be erected for the accommodation of the collectors, which are 
to be demolished immediately when that business is finished; larger 
houses, which are found beyond the bounds of the niggeries, must be 
burned down; and those rajahs, patties and oraukaios, who shall 
neglect to give due information thereof, shall be deprived of their 
office and banished out of the province for life. 

10**^. The usual duties imposed on the different niggeries consist from 
time immemorial in repairing the redoubts and doing every thing 
else that concerns the public good ; as , in bringing and keeping in 
rö&diness the rowing orembays, which are required one from each 
niggery ; in constant attention to the spices ; and in supplying 
persons to transport the residents to and from their stations, when 
necessary business requires their attendance. They must also attend 
upon and execute the orders of the commissioners who inspect the 
cloves ; procure gabbagabba and attap (or thatch), to cover the ships 
and other vessels that are sent hither to take in cloves. They are 
also obliged to procure materials for the daily works, at the taxe 
of 1 : stiver and 1 : pound of rice to each man per day. 

W^, The inhabitant» of Manipa are obliged to contract (Pebruary 
17^ 1622) 2 to build and repair the redoubts and to procure lime, 



1 „Morits rather signifies covenanted apprenticeSf or conditional slaves 
for a limited term". 

' Dit contract van 15 (niet: 17) Februari 1622 is opgenomen in mijn 
Corpu8 D^phmaticum , I, bldz. 175, v. v. 



Digitized by VjOOQIC 



DK VEROVEKING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 335 

bricks, timber and workmeu, without auy allowance whatever being 
made to them for it. 

12^^ The niggeries of this main fort, to the iiumber of 8, must 
furnish in their turn, iwo at a time, sixty quartoes monthly 
between them : viz^ Keelang and Eema ; Zoya aud Lutoehalat ; * 
Hatoe and Halang; ^ Noessanive aud Murdika. ' They must more- 
over send 5 extra quartoes each, when at any time required for 
ships loading and unloadiug, from the niggeries of Alang, Lilleboy, 
the Pass , ** Soely , Way ^ and Oreat Hoetoemoery. 

13^*^. At the different posts aud out-settlements the number of 
quartoes to be'furnished is stated iu the foUowiug proportion, viz^: 

Baguala pass . . . .10 Post Hoorn .... 4 

Namakoly post ... 8 Larique 13 

Hoetoemoery .... 4 Labay £ 

Hila 17 Tapisbay 2 

Loehoe 10 Post of the Ceries . . 2 

Hitoelama 10 Bouro 10 

Niggory Lama ... 2 Amblauw 4 

Saparoua 17 Manipa 10 

Noessalant 6 Saway 4 

Portoo 10 Keelang 4 • 

Haroekoe 13 

14^. The niggeries adjoining this main fort, viz^ Hatoe, Lille- 
boy, Alang, Waccassieuw, Larique and Oery, ' must, on the 
arrival of a ship &om Batavia, have iu readiness good stroug 
orembays, manned with 25 or 30 rowers, and at the first sigual 
of a gun from Alang giviug notice, that such ships are in sight, 
immediately attend the serjeant, who superiutends the Companys 



' Latoehalat. 

* Alang. 

* Mardika. 

* Paso (vem Bagoeala). 
» Soeli, Wai. 

' Deze plaatsnamen zijn voor een deel voldoende bekend en komen op de 
meeste kaarten voor. De post Namakali ligt bij Alang (Valentijn, Amboina, 
a., bldz. 115); Hoetoemoeri ligt op Lei-Timor (t. a. p. , bldz. 117); Niggory 
Lama moet misschien zijn Lima; Post Hoorn lag op Haroekoe; Labai, op 
Boeroe V??, Tapisbaai, bij Larika? (vgl. Yalentijns kaart van De Landvoogdy 
van Amboina); „Post of the Ceries"? 

^ Oering. 



Digitized by VjOOQIC 



336 DK VEROVBEINÖ VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

slaves, and go in company to tow them in and save tliera from 
dauger. 

15^*\ The folio wiug native regen ts adjoiniug this main fort, viz^: 



Noessanive. 
Keelang 
Zoya. . . 
Great Hative 
Halong . . 



Latoehalat 

Ema 

Gnatahoedy of Mardika 
Great Hoetoemoery , and 
Zoely 



must, according to their promise formerly made, continue to 
procure the firewood necessary for the bricks and tyle-kilns, at 
usual price of thirteen rixdollars the steeple of six fathoms long, 
oue fathom broad and ten feet high , which money is to be divided 
amongst those, who cut the wood and delivered the same, without 
the least deduction by the regents. 

16^. The regents of Alang, Way, Toelehoe, Tengatenga and 
Tial, who at the before mentioned period had agreed to furnish 
uanny piles * for the construction and repair of the peer head, 
are still to be kept to that duty. 

17^*^. At auy time the Company may want lime for the use of 
the fortifications or buildings, the regents on the first demand 
must without delay or neglect pro vide and send the same to the 
main fort, viz* from each daty of their districts three measures 
at the old price of 6 d" p'Iast. 

18**^. Those of Bouro and other places, where timber may be had, 
are bound to furnish it the foUowing rates, viz*: 

One Amboina beam rd'. 1. — 

D** of covassa wood — .6 

An oar . . . . : — .6 

Nanny pili 1.12 

Hand-spike — .8 

Pole — .£ 

Lassy-wood for stocks of guns 1.£8 

Iron-wood one foot diameter 1.24 

Anchorstock . . • 8. — 

Swalop or large beam of lassy 1.24 



1 „A remarkable strong and durable timber and we.1 adapted to thia 
purpose." 



Digitized by VjOOQIC 



DS y£aoyiB.iNO van banda en ambon in 1796. 337 

19^^. Large timbers are to be paid for in proportion ; they mustbe 
brougbt in, whether from a small or great distance, amougst the woods. 

20^. As the governors of Amboina yearly perform the hongy- 
voyage or expedition with a fleet of corracorras, so the same must 
assemble &om every niggery, and the rajahs, patties and orankaios 
mast attend in person at the maiu fort on the 18^ of October, 
without making any excuse whatsoever, except in case of sickness, 
when they must send some other person in their stead, after having 
made the Governor acquainted therewith. 

In the year 1781, Sept'. 28^, an order was issued at Batavia to 
lessen the expeuce of the hongy -expedition to the natives , which before 
this time was performed in corracorras, which were large boats, requiring 
80 or 90 men and very liable to accidents in gales of wind. The 21^* 
article therefore was at that time altered and now stands as foUows. 

21*^ Notwithstanding the High Begency of India hadjudgedthe 
yearly hongy-expedition to be too expensive and heavy for the 
greater part of the so much depopulated districts of Amboina to 
bear , and notwithstanding the General and Council have considered 
the corracorras to lae unfit for the purpose in bad weather , whereby 
many of them have foundered, uevertheless it is ordered by the 
said High Begency, that these be kept on foot and maintained by 
Manipa and Bonoa. 

Bonoa: the admiral corracorras of 4 nadjoes ' (or banks of oars), 
manned by at least 60 massanaijoes ^ or rowers, exclusive of 
the natoes (helmsmen or quartermasters). 

XJnder fort Victoria : 

Gnatahoedie : the fore-sailor or cap*° laut. •' 

Hoetoemorry, \ as a reserve and to be prepared with fishing 
Alang i utensils to supply the Governors table with 

and Lilleboy j fish. 

All these four corrracorras must be of three nactjoes and man- 
ned by 50 rowers besides the natoes. 

In future instead of the remaining corracorras for the hongy- 
expedition, there must be kept in readiuess and entertained good 
streng orembays with sails and rudders to have the lenght of 
50 or 55 feet and from 12 to 13 breadth, viz*: 

Under the main fort : 



> Ngadjoe. 

• VgL Van Hoëvell, Ambonsch-Maleiaeh , bldz. 21, sub voce: masnait. 

* Kapitein laoet: zeekapitein, admiraal, vlootvoogd. 



Digitized by VjOOQIC 



338 DE VEaOVBRING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

Noessauive aud its subordinates Oiie orembay 

Kelang and . . . . d*> Oue d® 

Zoya do One d^ 

Great Hative . . . d® One d® 

Ema d*» One d^ 

Latoehalat . . . . d*» One d« 

Baguala One d® 

Soely One d® 

Way Six d« 

Under the residency of Hila One d? 

Piroe and Tanoenoe * One d* 

The residency of Saparoua Ten d** 

On Noessalaut Four d** 

The outward-coast of Ceram Nine d® 

The establishment of Haroekoe Fonr d® 

Komony,Cuy- J are long since excused; instead of this they yeariy 
lolo, CatauWjV must give two fishing-nets for the use of the 
Pilauw 2 . . ^ Governor and hongy. 

The inner-coast of Ceram Three orembays 

The residency of Larique Pour d® 

Bouro Two d® 

The island of Amblauw Two d® 

Manipa Three d® 

Zaway Two d* 

All which hongy -orembays must be properly provided with sails 
and Tudders and mauned with not less than 30 rowers, besides 
the natoe, without any allowance, except to the black chiefs of 
the vessels who are present, each of whom is to receive Ibs 80 of 
rice, 12 cans of arrack and Ibs 12 of salt-beef or pork. The Ma- 
hometan chiefs to receive 1^ rixd" in place of the latter article, 
according to the usual custom. 

22*. Each corracorra of 4 nadjoes must be 90 feet long and 
9 astas or cubits broad (18^ feet) ; those of 3 nadjoes must 
be 84 feet long and of the same breadth as the former, on pain 
of confiscation of the same, if found under the said dementions, 
besides the fine of 50 rd'; and every rower shall be fined one rix- 
dollar. 



* Piroe en Tanoenoe, op West-Ceram. 

' Kailolo, Kabaoe, Pilao op het eiland Haroekoe. Komony is mij onbekend. 



Digitized by VjOOQIC 



DE YEROVEBma VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 839 

23^. The chief of the Ambinese must conduct themselves accor- 
diiig to the hougj-placard , which • the people are always made 
acquaiuted with, before the departure of the fleet, in the Malay 
lauguage. 

24^^. The rajahs, patties and oraukaios under the main fort, who 
want to build uew corracarros, must previously advertise the Goveruor 
thereof, and also those of the subordinate stations their residents, 
uuder the penalty of rd* 25, to be paid from their private property , 
for such neglect. 

25^. Those who dweil at Hoekoenaloe, or the Three houses, being 
for a long while exempted from the hongy-voyage, on condition that 
they should transport the Companys servants from that place to 
Hital.ima and convey light goods and letters back and forward 
by land, are still bound diligently to perform that duty. 

26^**. The respective regents must be ready and keep their orem- 
bays ready for a cruise, whenever they may be ordered either by 
the Governor alone or with the Couucil. Each of these orembays 
mnst be manned with at least 30 mas9anays besides the 
natoes ; all must be provided with good victuals, sail and 
rudder, af ter the old way, and at the expence of the several 
districts. But when on a cruise an orembay should perish either 
by tempest or other accident, the same shall be made good by the 
payment of tA*. 50 to the owners, according to the gracious con- 
cession of the High Regency, explained by letter 15*^ December 1777. 

(The uext article was altered from the old instructions by an 
act of government, 28^ September 1781). 

27*^. Particular notice of every thing that may be resolved on 
by the residents of the different provinces, the rajahs, patties and 
orankaios must be taken in writing and sent to the Oovernor for 
his information. 

28^. The respective chiefs of the subordinate stations, being 
qaalified to hear and determine all small disputes, that may arise 
about limits, doussons, or lands , about puUing down sagoe trees, 
plundering fruit, and such like matters, they must do the same in 
presence of the regents and two or three impartial people of the 
district at which the dispute happeued, reserving to the defendant 
the freedom of appeal from the sentence passed to the Land-council 
here. But these decisions may not be extended to causes, which 
appear at all criminal or any that may exceed rd" 50, which must 
be brought before the Bench of justice and decided there. 



Digitized by VjOOQIC 



340 DB VEEOVERING VAN BANDA EN AlfBON IN 1796. 

29^^\ At the said assemblies no person shall be promoted to be 
a second or third vote or be a capalla soa or alderman without 
a special licence from the Ooveruor, to whom must be presented 
the most considerabie and able persons to fill the vacancy ; without 
which the persou so appointed shall be liable to immediateremoval. 

80^. The regents of the inner-coast of Ceram, belonging to the 
residency of Saparoua, are not permitt^d to hold assemblies for the 
above purposes without being duly qualified bij the Governor and 
Council, who may send commissaries to assist at those meetings, if 
necessary for the quiet of the natives on the coast of Ceram , under 
pain of suffering the same punishment, usually inflicted for such 
offences. 

31'^ Whenever the rajahs, patties and orankaios wish to write 
to the High Bfegency of Batavia, they must send their letters under 
an open cover to the Governor, under pain of being punished as 
the nature of te cirumstances shall require. 

32^. Those among the bangsas or people of rank, who from birth 
or relationschip shall aspire to the succession of a regency, whether 
rajah, patty or orankaios, vacated by death or otherwise, must 
produce a claim to such distinction before the Council of govern- 
ment and prefer their request, having previously shown it to the 
Govemor alone, after which the nearest related and the ablest 
shall be nominated to succeed. 

38^. The foUowing regulations must be accurately observed by 
the regents concerning the culture of cloves. 

A. They shall principally take care that the cloves may not be 
sprinkled with salt water or dried over a smoaky fire on any 
pretext whatever. 

B. That each daty if possible shall be kept to the number of 
] 40 : trees , according to the established order. 

C\ That at any time the Company shall choose to have the trees 
augmented or diminished from the above number, they shall be 
immediately complied with upon order. 

IK That the cloves being ripe shall be forthwith gathered ere 
they become polongs. * 



1 Polongs or mother-oloves are the frait in its fuU growth, whioh is then. 
fit for seed. Since the above orders were first issned, the Dutoh Ck>mpany 
have encoaraged the ouitivation of natmegs in Amboina and have agreed 
with the principal regents to cultivate 10,000: trees and g^ve a reward of 
1 rixdoilai' for every handred nutmegs produced with the mace on. 



Digitized by VjOOQIC 



DE VETIOVBEING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 341 

E. That every nutmeg-tree wherever discovered be torn down and 
the stumps cut across, to distroy the growth of these aromatic trees. 

F. That the clove-trees shall be kept from all wild and dirty 
plants which maj surrouud them, in order first ta hinder the trees 
from being too mach choaked by them and next to prevent those 
wild plants taking fire and thereby consuming the clove-trees, 
as was experienced some time ago at Alang, Lilleboy and Haloe, 
wheie a considerable quantity of spice-trees were lost by that 
accident. 

6. To guard against the like accident as mach as possible, every 
one is recommended to order in his own niggery, that no body 
at night go round with cummiug (torches) or throw them away 
imprndently in the forests, or set fire to the long grass. Any per- 
sen so offending shall be panished properly. 

H. When cloves are to be embarked, there mnst be lamps kept 
burning in the transport-vessels, as long as the delivery thereof 
continnes. 

1. The natives of the isle of Noessalaut shall not be permitted 
to transport cloves to Saparoua to be weighed there, bnt uuder 
the superintendance and inspection of the regents of the niggery, 
where they have been gathered, and nnder a pass from the officer 
commanding the redoubt Beverwick (on the island of Noessalaut.) 

K. Nobody daring the time the cloves are gathering shall pass 
from one district to another apon any pretence whatever. 

L. Prom the weight of the cloves must, in consequence of the 
established order, be deducted 20 percent, withoat any contra- 
diction. 

M. The barrot- or hassel-money shall continae to be}!paid and 
divided in the old established way in favor of the regents, the 
head of the Mardykes and the elders or capalla soas of the 
niggeries. 

34^. The datties mast always be kept at the stated number, 
and at the death of a daty-keeper the Land-coancil or resident, 
where he happens to die, must be informed thereof, that at the 
first opportunity the vacancy may be instantly filled. 

35*^. It having been hitherto usual that during the gathering 
season the regents have employed their subjects two days a 
week to gather their own cloves, the same custom shall still be 
continued. 

36***. The island* chiefs are every where obliged to repair and 



Digitized by VjOOQIC 



342 DE VEROVEB.ING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

build up a iiew the churches and school-houses , as may be found 
necessary iu their niggeries, at the expence of their common cash, 
and never at that of the Company. 

37 th They are likewise obliged to provide houses for themselves 
at the expence of the niggeries and to keep them iu a good con- 
dition; but intending to renew them, the Governor must be acquain- 
ted therewith aud applied to for permissiou, also the residents in 
like manuer at the out-settlemeuts. 

38^^. The regents are moreover bound by their duty to watch 
and guard against all trade or alienation of spices in order that 
they may not be transported to other places, ueither the youug trees 
or plauts; no trafficking of them for other thiugs wil be tolerated, 
on penalty of death and confiscation of the goods of the persen 
guilty of such au offence. 

39^. Perpetual banishment, confiscation of goods aud incapacity 
of their children or kindred to succeed to any regency, will be the 
panishmeut of Ihose rajahs, patties and orankaios, who shall admit 
vessels, whether belonging to the natives of Geram, to Burghers, 
Mardykes, Chinese or to any foreigners whatsoever, into their 
inhams, ' bays, creeks or rivers, without laying au embargo on 
them or briugiug them up to the next establishment or post, wheu not 
provided with a pass from the Governor or chiefs of the proviuces. 

40^. Whenever it shall happen that foreigners, English, Preuch, 
Portuguese or Spauiards, shall come and present themselves with 
their ships under these dominions and cast auchor near any district 
of the regents, it shall be the task of these, according to the oath 
of fidelity sworu to the Company, to refuse admittance to- those 
strangers and to interdict every supply to, and all commerce or corres- 
pondence with them, not even permitting them on any pretence to land. 

41**. In consequence of wich the regents are most positivily 
warned not to pass to or from the foreign ships and not to drive 
any trade with them nor permit their subjects to do so. 

42*. But if those foreigners should by force try a landing and 
be repulsed, he that may have most distinguished himself thereby, 
shall be recompeused for his fidelity ; when on the other hand, he, 
who may have shown any complaisance on what reason so ever, 
shall be openly treated as a faithless subject to the Company, and 



* Het Nederlandsohe woord: iuhammen. In een noot staat „villages naer 
the aea". 



Digitized by VjOOQIC 



DB VEttOVEBDfO VAN BANDA ÏN AMBON IN 1796. 843 

be punished; chiefly those, who may have sold spices even in the 
smallest qaantity or who may have shown places where plants may 
be got. 

4tJ^. The regents in general are further bound to hinder with all 
their power and take care, that none of their subjects for the sake 
of debts do pawn his body or take money to serve his creditor, 
as is prohibited by placard June 28^^ 1770. 

44^. They must in the same manuer observe and cause to be 
observed the placard of August 31** 1770, prohibiting theengaging 
or alienating of daty, doussons and plantations called fatauamangs. 

45^^. The rajahs, patties and orankaios must likewise be attentive 
that according to the orders from the general and council of Bata- 
via, their subjects do not travel to Batavia or elsewhere out of the 
neighbourhood of their provinces, tho' they may make use of the 
freedom, formerly granted them of visiting their friends in the neigh- 
bouring districts or the establishments belonging to government to 
transact business, such as buying sagoe, bread, tobacco et^, for a time 
limited by the regents, except at the period the cloves are gathering, 
when navigation to the inuer-coast of Ceram alone remains free 
for buying sagoe, and that only on condition that several vessels 
go together under one regents, and under due pass from the Gover- 
nor or their respective residents. 

46**^. No regent or private person is allo wed to chase or shoot 
deer, either in Amboina or the provinces, without first having 
obtained permission so to do, either from the Governor or from the 
resident of the province. 

47^^. The regents are likewise bound to report , pursue and appre- 
hend all deserters, vagabonds and fugitive slaves, who may con- 
ceal themselves within their districts. 

48*. The regents of the respective niggeries, upon the discovery 
of persons troubled with the leprosy or any other contagious 
disorders, must give immediate information of the same, and by 
no means suffer such wretched persons to remain concealed within 
their district^. 

49*. The respective regents must cautiously avoid making im- 
proper requests, and the principal rajahs, of Noessanive, Keelang 
and Zoya, must likewise avoid debauching one another subjects, on 
pain of being considered as disturl)ers of the public peace and 
being deposed from their regencies. 

50*. All regents are hereby most seriously ordered and recom- 



Digitized by VjOOQIC 



344 DE VEROVEB.ING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

mended to observe punctually the foregoiiig orders and instructioüs , 
and cause them to be observed by the people uuder their commands, 
without auy counivance or evasiou whatever; but to conduct them- 
selves like obedient and faithfull subjects to the Company, as they 
are bound upou oath to obey all such orders as are issaed in their 
name and by their authority without contradiction or delay. 

Actum at Amboina in the castle of New 
Victoria, January 11**^ 1771, 
(signed) A. van dbe Vooet. 

¥voxn a view of the foregoing code of regulations and instructions, 
issued 25 years ago, in which not only refereuce is had to acts 
and agreements entered into 150 years before, but many of them 
actually continued from that date ; from the constant discourage- 
ment of cultivation, manufacture and improvement of any sort, that 
might enable the people to supply their own wants , by which they 
were kept down in a state of wretched poverty and dependance, 
even for the necessaries of life, which have progressively encreased 
in their value without a proportionate compensation made either 
for their labour or the produce of the soil ; from a consideration of 
a great decrease of wealth and population universally allo wed and 
which may be plainly observed to have happened of late years, the 
necessary consequence of such discouraging circumstances ; and 
lastly, from a reflection on the common justice, due to a large 
body of people who are willing to become peaceable and faithfull 
subjects , it appears to be the plain suggestion of humanity as well 
as good policy, in order to promote the proper management and 
internal prosperity of this settlement, to remit considerably from 
the severity of the duties and services, in which the people of 
Amboina have been hithertho bound , and from which their natural 
impatience took advantage of the first change of affairs upon the 
arrival of the English, to break forth in sudden and active endea- 
vours to free themselves. * 

The ' foUowing propositions therefore are stated with a view 
towards alleviating the oppressions, under which the natives live 
and, without abandoning the sole right of their spices upon the 
principle of a decided monopoly , ^ to afford them such indulgences 



' Wat niet klopt met wat het journaal hiervóór vertelt. 

• Waar blijven de vrijzinnige denkbeelden der Engelsohen op dit punt? 



Digitized by VjOOQIC 



D£ VXROVEBING VAN $ANDA IN AMBON IN 1796. 345 

as may content their minds and make them willingly submit to a 
govemment, that will amply provide for their wants in the most 
reasonable manner, hold oul every encouragemeut to promote industry 
and arts among them, protect them from the plunder and invasion 
of pirates and establish the general improvements , most likely 
to contribute to the internal police and happiness of these provinces. 

To a people, not only ackuowledged to be free, but who havea 
very high idea of liberty, few things are considered more oppressive 
than being obliged to give their laboar and the produce of their 
industry at rates unreasonably low. It is therefore evident , that one 
of the first steps towards establishing content in their minds and 
thereby laying the foundation of a peaceable government, would 
be to free them from all exacted labour at the old stipulated rates, 
which, tho' confirmed by the custom of many years, is nevertheless 
borne in complaint and only submitted to from the apprehension 
of force. A liberal hire therefore, hearing a due proportion to the 
prices of provisions and other necessaries of life, should be in all 
cases allowed. But least overturning old established customs might 
hurry a people, liable to be led into extra vagancies, into the op- 
positè extreme (an absolute refusal of all labour whatever), the in- 
dolgence of a just hire should be compounded with the precise and 
indispensable obligation to furnish proportionate numbers of work- 
men from the different districts, according to their population, 
whenever the necessity of government might require it. 

Erom the same reasons the price of the spices should beincreased, 
so as to re-imburse the cultivator for his trouble and make the care 
of the trees and the produce thereof an object of williug atteniion, 
and not, as it is at present, of exacted duty. At the same time the 
obligation to deliver in the whole of the produce ' , and the absolute 
prohibition against smuggliug should be coutinued iu fuU force. 
For this purpose it is imagined, that by raising the price from 
what it is at present, while subject to the deduction of 20 procent, ^ 
something below 4 pence, to 6 pence per pound, without that deduction, 
would be suflScient. The barrot- or hassil-money , in favor of the 
rajahs and elders, might however be contiuued, being necessary to 



1 Waar bleven de vrijzinnige denkbeelden der Engelschen op dit punt? 

* Hier';staat in het handschrift met potlood aangeteekend : 

,Vide page]i 147. As the bahar ot 550 Ibs, subject to 20 pCt. allowance and 

deliverable in Dutch w*, is equal to 748 Ib. English, it is below 3"^ the Ib. 

Engliah that the natives deliver their cloves to the C**." 

T Volgr. VL 23 



Digrtized by VjOOQIC 



346 DB VBKOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

their support, an acknowledgement of their authority and in all 
cases considered as a willing act of \ the people themselves. 

The mountains and woods, which are impenetrable to a regular 
force, hold out a constant and secure retreat to disbrderly and ill 
affected people; it appears therefore to be a measure most likely to 
strengthen the hands of government and facilitate the execution of 
the laws, to open easy Communications by good roads thro' all 
parts of the country , at the same time marking out the true limits 
and boundaries of each district, a measure most unaccountably neglected 
by the Dutch , and therefore now the more laborious and expensive. 
However the direction once traced, each district should be bound 
to complete its own roads and at the same time migbt be allowed 
a certain sum in proportion to the trouble attending it, which a 
trial might soon reconcile and an agreement be made beforehand. 

The dependent state of these islands at present renders it au 
object of great importance to give every encouragement to cultiva- 
tion ; for this purpose it might be necessary at first to give rewards 
for the growth of mouutain-rice and wheat, which the advantage of cul- 
ti vating would in a short time become so apparent to the people 
themselves, so as to make a continuance of such rewards unnecessary. 
Small premiums for the best samples of indigo and coffee et^ and 
the greatest quantities produced, with a certain price established for 
the purchase of it, would soon introducé the general culture of it, 
where the climate and soil are particularly favorable, where it is 
now produced, tho' discouraged and, tho' of the finest quality , con- 
sidered as but of trifling value. 

But one of the first steps towards general cultivation being the 
introduction of cattle, of which there is at present almost a total 
want on the island , in order to facilitate labour, as well as to pro- 
vide a st9re of provisions at all times, it is absolutely necessary to 
import from the most convenient places a good supply of buUocks, 
in the first instance, and cattle of all kinds for domestic purposes; 
but particularly to establish a breed of cows upon the island. This 
might soon be effected by giving to the rajahs of the different 
districts a certain number of males and females of each species, horses, 
sheep and cows, according to the extent of land, not encroachiug 
on the breed for 3 or 4 years, and at the and of that time to be 
furnished to Gov* for use when required at fixed prices; the rajahs 
and people of the different doussons to have not only the advantage 
of their labour in the mean time , but the real property in them ; 



Digitized by VjOOQIC 



DE VBEOVBMNG VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 347 

and should the expence of this scheme be judged too heavy to admit 
of giving the cattle, they might be considered as a debt without 
interest, untill their multiplication rendered the payment in kind 
easy, or by the prodnce of their labour, if employed in cultivation. 

Untill the improvement of cultivation shall enable the inhabi- 
tants to furnish themselves with sufiBcient grain for their own con- 
sumption, it is absolntely necessary to supply them with rice and 
other provisions, and at aU times they staud in ueed of cloths 
of different kinds and various articles of mauufacture. 

Of rice therefore particularly and other provisions, likewise 
of piece goods and other articles of merchandize, a supply annually 
sent according to the wants of the people should be continued as 
in the Dutch government, * and would, if judiciously^ laid in,be 
attended with no expence to the Company, as a reasotiable profit 
might be expected from the sale, more perhaps than equal to the 
freight and other charges attending it. Besides vessels, employed 
in this way, might carry back such quantities of spices as would 
be sufficiënt for the consumption of India , to be disposed of there 
on account of the Company in the manner best adopted to the 
wants of the people by public auction in small lots. 

Upou these general principles it appears evident, that a new code 
of regulations might be entered with the iuhabitantsof the provinces 
of Amboina, which would be perfectly satisfactory to them and 
establish a well regulated government to the advantage of both 
parties. Several other minute circumstances uot enumerated here 
would be very necessary also to attend to in forming the perma- 
nent plan of this government, particularly introducing from the 
free schools of India a number of youths, well versed in Ënglish, 
to acquire as speedily as possible a regular kuowlege of the Malay 
language, to serve as faithfuU interpretors with the natives and 
snpercede the necessity of Dutch aid or interference entirely, and 
become a groundwork for continuing schools of Euglish and Ma- 
lays, after the present Dutch plan. 

With respect to the military force necessary to keep these islands 
in a state of good order and general security , the followiug is sug- 
gested as sufficiënt, viz^: 



* Waar bleven de vrijzinnige denkbeelden der Engelsohen op dit punt? 

* De na volgende bladzijden zijn blijkbaar door een andere hand geschreven 
dan de voorafgaande. 



Digitized by VjOOQIC 



848 DE VBaOVEKING VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 

Oue commandant of the troops. 

3 Gompanies of European infantry. 
6 d® native infantry. 

l d® artillery. 

1 fort adjutant. 

1 inspector of stores. 

1 engineer (unless a new fort should be built, then 1 capf* 

and 2 lieutenants). 
1 paymaster and commissary of grain and provisions. 
1 serjeant major. 
1 quartermaster serjeant. 

4 supernnmerary serjeants. 
1 company of pioneers. 

Previous to considering the general relationship of the Spice- 
islands with respect to the adjoining states, it is necessary to give 
some account of the Banda-islands , which though at present a 
separate and distinct government, should perhaps with more pro- 
priety be placed under the authority of Amboina; for exclusive 
of its being of inferior consequence in respect to its resources, 
great inconvenience has frequently arisen from compacts of trade 
haviug been entered into from thence and connections formed with 
several of the districts and provinces, at war with the govemments 
of Amboina and Ternate at the same time 

The feature of this government is different from Amboina. The 
whole society consists here of the Companys servants, some Burghers 
or freemen and slaves. The object of their attention being solely 
the care and cultivation of nutmegs , the affairs of government cannot 
be supposed very complicated ; nevertheless it is at present a distinct 
gov*, consisting of a governor, Council of three and secretary, with 
a regular Court of justice, furnished with all the forms of stamps, 
seals and fines; but the governor is so much above the check or 
controU of any other persons, that bis will may be justly considered 
the only law of the settlement. 

The Company are here absolute proprietors of the soil and the 
slaves who cultivate it ; as the culture of nutmegs is the only object 
they have in view, those islands, that produce them, are divided 
into a number of plantations or parks, as they are called, and 
given in charge to certain Burghers or freemen, generally descendants 
of Dutch, who are settled here. There is a number of slaves be- 
longing to the Company allotted to each park , whom the parkkeepers 



Digitized by VjOOQIC 



DE VBEOVBEING VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 349 

employ in the cultivation and attendance on the nutmeg trees 

The mace is delivered into store every month and the nutmegs 

every three months. They are both paid for on delivery, the mace 
7| stivers per pound and the nutmegs at 2J stivers. From this 
price ho wever a deduction is made of 17 percent from the weight of 
the spices; viz* 10 percent in favour of the Company, as an acknow- 
legment of their right to the soil , and 7 in favour of the Companys 
servants, in the same manner as the 20 percent on the cloves is 
divided at Amboina. The 7 percent is an old custom , but the addi- 
tional 10 percent has lately been past on, ha ving commenced with 
the present governors authority. The quantity of nutmegs and mace, 
produced for several years past, has been very small, and the want 
of attention to the cultivation very evident; since the arrival of 
mr. Boekholtz the produce was so much increased, that the half 
years coUection, which was fouud in store, amounted to nutmegs 
81,618 pounds and mace 23,385 pounds; which being only the first 
half years erop, which appears to be extremely abundant on the 
trees, may be just supposed to yield at least an equal quantity; 
and in all future years with proper management the quantity may 
be with confidence reckoned upon at the average stated in the 
estimate subjoined to the general considerations conceruing these 
islauds, which is founded upon the most moderate computations of 
the best informed persous on the subject 

There are persons, called boscwagters, whose business it is to 
superintend the parks. to see that the planters employ the slaves, 
not for their own private purposes, but in attendance on the nutmeg- 
trees, to take care that the mace and nutmegs are properly cared 
and to note the quantity, that none be smuggled off. They have cer- 
tain walks allotted to them , and are to make constant reports to the 
Governor of the state of the different parks and the quantity like- 
wise yielded by them. There are besides these directors of the parks, 
who are in fact the Governor and chief persons of the settlement, 
who visit all the parks every month to see that the trees are pro- 
perly attended to and planted at proper distances; that the bosc- 
wagters are active and carefull; that the slaves are diligently kept 
at work; and that the drying-houses and stores are kept in good 
repair. Their regular visits are monthly and their reports transmitted 
to the governor of Batavia. 

Prom nearly the whole of the soil of these islands being devoted 
to the culture of nutmegs, there is not suflBcient left to afford the 



Digitized by VjOOQIC 



350 DB VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

good necessary for the inhabitants. The govemment of Batavia 
therefore sends out annuallj, as to Amboina, a considerable store 
of rice and other things for their supply. Of this rice, in order to 
encourage the planters, they are furnished with the quantity neces- 
sary for their park-slaves at the low rate of 25 rixdoUars per last 
of M 3000 weight; but that for their private slaves they pay 30 
rixdollars for. All the other inhabitants , who have slave , are under 
the necessity of drawing from the Companys stores the rice they 
want for their food; and their names being registered with their 
number of slaves noted, they are allowed 30 M of rice per month 
for each person at the latter price of 30 rd* per last, for which 
they all pay ready money. However as the Company is at consi- 
derable loss in furnishing this supply, the price of this rice is 
intended to be increased gradually at the rate of 5 r^. per last 
annually, untill it gets up to 50 r^". per last, when it is supposed 
the Company will no longer suffer any loss. 

All these regulations coucerning the cultivation of the trees and 
the price paid for the produce have been introduced by the pre- 
sent Dutch governor, ^ who arrived here about 15 months before 
the English gained possession. Before he came, most of the plan- 
ters of the different parks were in great distress, having been char- 
ged with very heavy debts incurred on account of aids at different 
times in rice and money, and being made accountable for the price 
of the slaves furnished for their parks. Besides which, frora the 
very heavy loss they sustained in the dreadfuU hurricane of 1778 
most of their private fortunes and plantations were entirely ruined. 
They were also bound to deliver their nutmegs at |^ of a stiver 
or 3 farthings per Ib., and the mace at somewhat more. Under 
the pressure of this distress many of them, conceiving their right 
to the soil indisputable , of which their families had been from 
time immemorial possessed, proceeded to the sale thereof, which 
however was in some instances opposed by the govemment. In this 
state of things, from the destruction of the trees and neglect of 
"cultivation for want of due encouragemeut, the distress of the 
planters and their right in the soil disputed , the confusion in con- 
sequence reduced for several years past the quantity of spices from 



* Vgl. hierbij de ^Coiisideratiëii over den staat der speooryperken" achter 

het Belangrijk Verslag over den staat van Banda door Reinier de 

Klerk y uitgegeven door C. A. M. van Vliet ('s-Gravenhage , Van Stookam, 
1894), bldz. 94, v. v. 



Digitized by VjOOQIC 



DS vuloykaing van banda kn ambon in 1796. 351 

i§ 600.000 weight, which it was before the hurricane, to less in 
some years than £ 50.000. It was judged prudent therefore by the 
regency of Batavia to adopt the plan proposed by mr. Boeckholtz, 
who was appointed governor and anthorized in the first instance to 
a^ert the absolute right in the soil; and aocordingly the edict, 
which determined that right, was issued on the first of last February ; 
the old arrear of debt, due from several of the reuters to Ihe Com- 
pany and whieh most of them were unable to pay, was entirely 
remitted; such slaves as were grown too old, to be of use in the plantations, 
were sold of and several others purchased in their room and distributed 
amongst the parks which most required them. The price of the spices too 
was at that time raised from the old low rate to what it now is , and 
the planters were to have their drying-houses and stores built for 
them, which they were afterwards to keep in repair and the slaves 
found them, hut they were afterwards to feed and clothe them. 

These alteratious were suppossed to aiford ample encouragement 
to the planters and enable them to atteud the trees better and 
thereby encrease the quantily of the produce. But however specious 
they may seem, upon a close examination of the subject it is 
evident, there is more despotism that justice in the new system 
introduced, and many of the planters, who feit themselves in some 
degree independaut, were willing to give up their parks altogether 
and go off, but the difficulty of removing their effects without consent 
' of government and the arguments of others, not equally independant, 
prevailed on them to yield at least to a trial and submit to a 
total alienation of their property, which however they do not allow 
to be consistent with justice. The debt, said to be remitted as an 
act of indulgence and bounty, should not be considered quite in 
that light ; the chief part of it was incurred on account of rice and 
other provisions supplied to themselves and their slaves , without 
which they must have perished and the settlement have been 
altogether annihilated. For this debt certaiiily the planters never 
expected to be made accountable , having at the time of receiving 
it considered it as a donation, upon which their existence depended. 
And for their other debts on account of loans in money , though 
there were some individuals, who from idleness and inattention were 
in low circumstances and unable to discharge them, without alienating 
their parks, the great part of the planters would much rather have 
continued in possession of their parks and paid the just demands 
upon them, than under colour of a remission of their debts, be 



Digitized by VjOOQIC 



352 DE VUEOVBEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

depri ved of what, from long and undisputed possession, they might 
be justified in consideriDg as their actual right. Besides upon enquiry 
it appears that several of the planters had actaallj purchased their 
lands from the Company and paid, some of them the whole, others 
part of the money ; and therefore to reassume these lands at pleasure 
seems rather a harsh measure. But the manner of accounting with 
such of the planters, as had paid money for their lands, is particularly 
unjust, Government not restoring back the money received , but 
accounting in the rice necessary for their slaves, not at the rate 
supplied to others who pay cash , but ia this way they were obliged 
to take it at 50 r^' instead of 25, which is actually cutting off one 
half of a debt that is uuquestionable. 

There are altogether in the four islands, which yield nutmegs, 57 
plautations or parks with 1708 slaves, but there is no regularity 
either in the division of the land into parks or the distribution of 
the slaves to them ; and it would be one of the most necessary 
steps to the improvement of the place, if an exact survey of the 
islands was made (wich is now very much wanted), the proportion 
between the parks better regulated and the divisions and boundaries 
better ascertained and now particularly defined. The above raentioned 
number of slaves is by no meaus sufficiënt to pay that due atten- 
tion to the trees which they require, and from the best information 
it appears necessary to procure at least 700 or 800 more, to do 
justice to the plautations. 

Besides the above number of slaves allotted to the parks, there 
are 367 more belonging to the quarter, built for them, who are 
divided amongst the different posts, to attend the barracks and 
hospitals, to carry water etc. aud are in readiness to be employed 
upon all public works. These slaves of the quarter are all under 
the immediate inspection of a serjeant, who sends them to their 
respective duties and draws provisions and cloths for them from the 
Companys stores. But it is evident from the wretched appearance 
of those slaves and enquiry justifies the suspicion, that it has been 
a custom amongst the governors and other servants in authority 
to exchange from time to time their own private slaves, that were 
grown unfit for labour, for the best and youngest amongst those of 
the Company. ' Therefore in future it might be a good means of 
preventing the repetition of this fraud, to distinguish the public 



1 Dit blijve voor rekening van den schrijver van het handschrift. 



Digitized by VjOOQIC 



DB VÏBOVEMNG VAN BANDA IN AMBON IN 1796. 358 

slaves, when bought, by some bodily mark such as tattooing tbeir 
arms or breasts in a particular manner. This mode of marking is 
not attented with any craelty and is frequently done by themselves 
for amusement. There were also a number of convicts kept under 
the care of the serjeant of the slave-quarter, who upon the arrival of 
the English were imraediately liberated by the troops, bef ore any 
regalar enquiry could be made concerning their crimes or the jus- 
tice of keeping them in irons. They had been sent here at different 
times from Batavia and all the other settlements, as the common 
receptacle for persons of that description. They were kept at constant 
labour and most of them in irons. The want of free inhabitants to 
labour and attend the different trades, makes it uecessary to keep 
up the number of public slaves here, through from the expence of 
their maintainance, compared with the very little work they perform, 
they may be -considered the most expensive people that could be 
employed. When works of any magnitude are carried on, it is 
necessary to hire at a very dear rate the few artisans, who are 
willing to work and the private slaves of individuals, whose labour 
their masters turn to great advantage at particular times. 

Exclusive of the provisions sent out in ^ the annual ship from 
Batavia, the governor-general there sends out to Amboina a large 
supply of piece goods, cuttery, iron and other articles of merchandize, 
which are sold by auction either quarterly or at such times as the 
Govemor knows, the inhabitants can best afford to pay for them, 
upon all which there is a profit regularly charged of 50 percent. 
All these goods and even more than the Company supplies, imported 
by individuals, are bought up by the planters or Burghers and 
some Chinese merchants, who are settled here, either for their own 
or their slaves use or in order to export it to the islands of Aroa, 
New-Guinea, Ceram and the S. W.-Islands, to all which places there 
is a considerable traffic carried on; and in return they get from 
Ceram sagoe, bread and flour and sometimes salted deer. From the 
Aroose islands ^ they get slaves, pearls , birdsnests, tortoise-shell , 
bèche de mer and birds, chiefly birds of paradise. These islands, 
situated E. S. E. of Banda, are many in number, very low and sur- 
rounded with dangerous rocks and shoals, furnishing no provisions 
but fish. The inhabitants as well as those of New-Guinea are reckoned 



^ De nu volgende bladzijden zijn met eene andere hand geschreven dan 
de voorafgaande. 
' Aroe-eilanden. 



Digitized by VjOOQIC 



356 DB TEllOVBEING VAN BANDA EN AliBON IN 1796. 

lations or neglect in the person placed in the management of the 
place. It might therefore be best, that the deputy or lieutenant- 
governor of Banda should be subject to the authority of the gover- 
nor of Amboina, to which appointment he might be in immediate 
succession in case of accident. By this means union and consistence 
would direct the affairs of both places. Besponsibility under an 
immediate check and the hope of promotion to greater dignity and 
emolument would most probably put an entire stop to the pecu- 
lation, that by all accounts has for several years been pra- 
tised here before the arrival of the present Dutch governor, 
m'. Boeckholtz. 

But tho^ the zeal and disinterestedness of m'. Broeckholtz is 
allo wed, the justness of his measures with regard to the Burghers, 
who have parks, is not without good reason disputed. The indis- 
criminate seizing on all property in the soil, contrary in almost every 
iustance to immemorial usage and in some to absolute stipulations , 
appears tyranical and unjust; and perhaps it wo*. be the bestway, 
to form a committee to examine into the justice of this matter 
and to distinguish between those, who have really a right to the 
soil and others, whose debts amount to the value of that right; 
and should it be found, that such cause existed, to adjust them to 
the satisfaction of the people, to restore the property, where it 
should appear to be truly vested and suffer it to be alienable , which 
would always be a means of exciting industry and improvement; 
and where it appeared, that the right in the soil vested in the 
Company, a distinction in the price of the spices or a certain rent 
might be established on that account. But since it does not seem 
of much consequence, who is the proprietor of the soil, when the 
whole of its produce is monopolized at a eertain rate therefore, as 
the want of population to cultivate the plantations to the utmost 
is the greatest check at present to improvement, encouraging the 
planters to multiply their slaves, to realise and transfer their pro- 
perty, appears the most probable way of improving the cultivation 
and encreasing the produce. 

The Company are at present obliged to supply this settlement 
with rice and other provisions at a rate, by which they are at a 
considerable loss. They are also liable, according to the present 
system, to a vague undefined charge on the score of buildings and 
repairs for houses, stores etc., all which in the general scale of 
expence is to be charged to the spices produced in the islands. Now 



Digitized by VjOOQIC 



DB VEEOVKBINÖ VAN BANDA BN AMBON IN 1796. 357 

as simplifyiug mattere of this nature is alwaysan ad vantage» whereby 
contingent charges may be entirely dispensed with, it might not 
only be a material saving to the Company, bat be far more agreable 
to the planters, to increase the price of the spices and make them 
responsible for all expences of buildings and also furnish themselves 
with rice at a fair price, sappose at once 50 rd. per last, which 
however the government must at any rate supply, but in this way 
not lose by so doing. Upon investigating this subject with the most 
impartial and best informed persons at Banda, it appeared evident, 
that this mode would be most agreable to the people and likely 
to produce most beneficial effects to the state; and with regard to 
the addition, necessary in this case to the present rate of the spices, 
the price of 7^ pence for the nutmegs and 15 pence for the mace 
per pound would satisfy the planters and perhaps be not more 
expensive than the present mode. 

But as it might sometimes happen, that, where provisions were 
somewhat dearer, there might be found some of the planters, who 
would curtail the allowancc of their slaves, strict regulations should 
be instituted to prevent this and see justice done the slaves. One often 
of themselves might be appointed marigny ' or overseer of the others 
with a power to represent all just grievances to the directors in their 
visits to the different parks. Smuggling of quantities of spices has 
grown to a great pitch and the louger it is permitted, the more 
difficult it will be to correct it ; severe rules should be put in force 
against those, who purchase them and the sale of them should be 
punished ^ with forfeiture of all property in the settlement , whether 
of parks, slaves or other goods. Neglect too in the cultivation 
and attendance. of the spice-trees should be punished by fines 
in the produce at the judgment of the directors and paid into the 
public stores. 

Gonsidering Amboina as the chief government, as well the dep^. 
or lieu*. gov'. as the second in command of troops should be stationed 
here and alle returiis and reports transmitted as convenient oppor- 
tunities offered. 

The complement to the uumber of troops already stated as neces- 
sary for the defence of Amboina in the whole military establishment, 
estimated towards the conclusion of the general observations on the 



* Marinjo. 

* Dus ook hier vast te houden aan het monopolie. 



Digitized by VjOOQIC 



858 DB VEEOVBMNG VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

value of these islands, is what I conceive wo* be proper for the 
immediate defence of the Banda-islands. 

Encouragement should be given to clearing and culti vating with 
corn and breed ing cattle on the adjoiniug islands, particularly Fulo 
Rond ^ , where property might be vested in those, who settled under a 
restriction against the planting of nutmegs; every endeavour should 
likewise be made to transfer the cultivation of nutmegs to Amboina 
and beginning with Pulo Ay, as the number of trees in Amboina 
increased , diminish the number here and perhaps in time the whole 
produce of this valuable spice might be transferred te Amboina * 
and then turning these islands to the cultivation of grain and 
breeding of cattle, not only furnish a supply for both places but 
lessen considerable the expense to the state, by rendering only one 
establishment necessary either for the government or the defence of 
the Spice-islands. 

Whatever may be the decision respecting these islands, whether 
it may be judged consistent with the interest of G* Britain, to keep 
permanent possession of them or to restore them back to the Dutch ', 
it is only necessary in the present instance to build upon the former 
supposition and suggest those circumstances most likely to render 
them in the highest degree advantageous to the state, ^ and at the 
same time promote the happiness of the people and to take into 
consideration the dependance and relationship, they bear toward the 
neighbouring states. 

The government of Ternate and Tidore with the numero us islands 
dependant thereon , including all those between it and New-Guinea, 
are those nearest connected and indeed Amboina and Banda both 
are not only said to have been subject to that empire, but the 
Dutch now pay for them a sum of money annually to the king of 
Ternate, ^ who is in all other respects their tributary. The only object 
the Dutch have in view by this government is to prevent the growth 
of spices, and notwithstanding the quantity of golddust procured 
in some of outposts, the loss sustained in support of this establish- 



* Poeloe Boen. 

t Dat is das nog heel wat anders, dan wat de Oost-Indische Compagnie 
deed, toen zij de nagelcultuur tot de Ambon-eilanden , de notencultuur tot 
de Bandagroep beperkte. 

* Vgl. hierachter het Naschrift. 

* „State" hier niet in tegenstelling tot de Engelsche Oost-Indische Compagnie. 
» Sic ! 



Digitized by VjOOQIC 



BS TE&OYXEING VAK BANDA EN AICBON IN 1796. 359 

ment amoants to near 30,000^ per ann., besides the number of lives 
sacrificed in the different garrisous. On this account therefore it may 
be presumed, that it wo^ be uot only necessarj to dispossess the 
Dntch of those islands but to restore them free to the nativeprinces; 
in doing which, the obligation conferred on them would readily 
induce them to enter into such terms, as would secure to the Eng- 
lish the whole advantages of their trade without expence. 

With regard to the claim of sultaun Syfut Deen Shah to the 
sovereignty, it is generally asserted that there is justice on hisside 
and that, where the influence of the Dutch was removed, the voice ot 
the people themselves would determine in his favor ; and he himself 
by his ambassador proposed to submit to the decision of an as- 
sembly of the chiefs of the neighbouring islands called in, under 
the authority of the English, to pronounce upon his claim and ulti- 
mately to abide by such limits, as they should lay down for the 
extent of his authority. 

The •goverument of Macassar, though not of any consequence to 
Amboina and Banda, relative to any competition in the cultivation 
of spices, is yet of great consequence with respect to the supplies, 
that might at all times be had from thence and also as it is so 
much in the way of Cbiua-ships, both outward and homeward bound. 
It is already well known, that the chief rajahs on Celebes have 
lately shown great dislike and have made some opposition to the 
Dutch * , who have always made a point of encouraging dissention 
among them; and therefore, to free them from their present yoke, 
would be the most likely way of binding them to the interests of 
the English and besides opening a vast field for general trade with 
our ships in preference to all others, would furnish a certain and 
ample supply both of grain and stock to Amboina and Banda. 

Of the trade, for some years past carried on with the islands to 
the N. E. of Geram and the attempts made to form a settlement 
by the ships from Bengal, however defensible such a measure might 
be, when the* Dutch had possession of the Spice-islands , the evil 
consequences in the event of the English keeping them are very 
evident. The trafScking of arms and military stores among a 
people very little civilized and who are suiïiciently prompted 
by the possession of their arms to unprovoked hostilities against 



1 De Engelsohen zouden spoedig na de inbezitneming door hen van 
Makassar en onderhoorigheden hetzelfde ondervinden! 



Digitized by VjOOQIC 



360 DE VEBOVEEING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 

their neighbours is at all times dishonorable and unworthy of 
a great natiou to permit ; bat when it also appears , that the 
returns for these arms and military stores are expected to be made 
in spices, which can only be procured by meaus totally subversive of the 
laws and institutions of a government regularly established belonging 
to the same nation, should be probibited uuder the severest penal- 
ties. In the course of the insurrection at Amboina there were taken 
from the natives in more than one instance muskets with the 
English E. I. Company's mark, which, being carried by the ships 
from Bengal to Warouw on the N. E. coast of Ceram, fouud their 
way from thence and were smuggled for cloves at Haroekoe and 
the coast of Hitoe, according to the confession of the people in 
whose hands they were found. * It appears from hence that, though 
perhaps both cloves and nutmegs might grow among those islands, 
if cultivated , at present those spices are only to be procured through 
the medium of smuggling, and therefore any quantity purchased 
this way must be by the temptatiou of advanced prices at the best, 
and in that point of view a disadvantage to the state in general. 

To obviate these ill consequences in future, it appears necessary 
to forbid the intercourse altogether and to permit no trade 
whatsoever in English ships to Ternate or any of the islands subor- 
dinate to that empire to the Eastward, except under the express 
licence and authority of the government of Amboina, * where alone 
the emporium of all the spices should be formed and whence the 
wants of all the islands to the N^ and East^ might be amply be 
supplied in a very advantageous manner, both to the English and 
the natives, and thus by a just mode of dealing on one side and 
confining the prices of merchandize to moderation , would make it 
their interest to oppose every efifort of foreigners to establish any 
connection with them to our disadvantage. 

It may be argued as more generally advantageous to the English, 
to throw open the trade altogether and suffer private adventurers to 
carry merchandize and provisions there and be at liberty to purchase 
the spices on the spot; but it is only on the principle of an abso- 
lute monopoly of the spices, that it could ever be an object to 
form settlements in so detached a situation and there is little 
doubt, but this monopoly under proper regulations would not 



^ Een van elders bekend feit dus hier onomwonden erkend door Engelschen zelf! 
* Hoe fgelijkt dit aUes op de door de Engelschen zoo zeer veroordeelde 
handelspolitiek onzer O. I. C. ! 



Digitized by VjOOQIC 



DE VFEOVEKING VAN 13ANDA EN AMBON IX 1796. 361 

only be extremely productive to the state, but also more bene- 
ficial to the people themselves, thau if they were left without controul, 
as their violent tempers and the competitiou, that would immediatcly 
take place among the different islands, would iuevitably lead them 
into endless wars and anarchy , to which they are already too much 
addicted. üpon this prineiple therefore it appears esseutially uecessary 
to prohibit all intereourse, except in cases of extremity, with any 
other ships but those sent under the authority of the Company ; 
and all these should be immediately considered under the absolute 
controul and direction of the goverument of these islauds, with a 
power to inflict such fiues and punishments for any attempts towards 
smuggling, as should be at first stipulated and never omitted in 
any agreement with ships, chartered for these islands; at the same 
time iudividnals on board such ships should not labor under too se vere 
a prohibition, but have their own particular wants always liberally 
supplied by iudents on the spice-stores at a very moderate valuation 
for such quantities only as could not come under the idea of trading. 

The propensity to piracy among all the Malay islands has already 
been remarked, but it is nowhere more dangerous than among the 
islands round the Moluccas viz. the Papoos or natives of New- 
Guinea, the people of Magiudano and Sooloo and those ofBorneo. 
It is therefore necessary to the safety and preservation of the Spice- 
islands to establish a certain number of cruisers effectually to check 
all attempts of that nature, particularly of the Papoos, who frequeutly 
come in large prows, rowed by 80 or 100 men, plunder the coun- 
tries they find improtected and carry off the inhabitants for slaves. 

The Dutch always kept a marine force for this purpose of sevcral 
sloops, called pantjallangs, of about 16 guus each, but they were of 
a very rude coustruciion and incapable of pursuing the prows to 
windward; one frigate, to appear occasionally in these seas, and five 
armed schoeners or brigs of from 80 to 100 tons, carrying 12 or 14 
guns, and a few swivels, with about 30 men each, 10 of whom 
should be Europeans, calculated for swift sailing and occasionally to 
be able to row, would be the proper force to establish and if judi- 
ciously employed under the goverument of Amboiua , would certainly 
be sufficiënt to put an entire stop in a little time to all piracy. 
They would also prevent any attempt to smuggle or carry on any 
clandestine trade in arms etc. and answer the purpose of collecting 
the spices from Banda and the islands immediately dependaut on 
Amboina and lodging the whole in store there to be ready for 
transporting either to Europé or India, as should be ordered. 

Considering the ease, with which the islands of Celebes, Ternate and 
Tedorne etc. could be wrcsted from the hands of the Dutch , as before 
7- Volgr. Vr. 24 



Digitized by VjOOQIC 



362 DE VEROVEttING VAN baNda èn ambon tn 1796. 

stated, a small cxtciisioii of tliia marine forcc would open such a 
field for the most advuntageous trade with all those islands in 
perfect safety, as caniiot well be calculatcd. The whole of thegold» 
dust, Tiow collected by the Uutch, would soon be got in exchange 
for our manufactures of Europe and India, and the entire extensive 
and lucrative trade , now carried on in Chinese pinks to all these 
islands, would undoubtedly fall inlo the hands of the English, whose 
superior skill in navigation and boldness of enterprise would give 
them the most decided advantages over the Chinese, provided they 
were enabled to carry it on without danger; ' and thus an im- 
mense trade under a partial and comparatively trifliug restriction 
and the supply of several millions of people would entirely fall into 
our hands. Cousidering Amboina from its situatiou and uatural 
resources the fittest place to establish as the capital of the Spice- 
islands, the seat of government of the whole, and the sole empo- 
rium of spicc and all the trade to the Eastward of it, its strength 
and ability to resist a foreign attack should be made one of the 
first objects of attention. Tlio' the present state of the fortifications 
may be perfectly sufficiënt to support the government against every 
effort of the natives, they are quite incapable of resisting an Euro- 
pean enemy, coming regularly biïfore it; if it ever therefore should 
be re5olved to retain the future possession of this establishment, 
an entire new fort should be built at Amboina. 

The ueglect of this has now made it an easy prey to the first 
attack and should the English continue under the same iufatuation 
in this respect as the Dutch, their possession must be ackuow- 
ledged extremely inseoure. It will therefore well become the wisdom 
of a great nation , to attend to this consideration and the liberality 
of the East India Company, under whose charter and dominion it is 
conceivcd these islands must necessarily come, cannot be better bestowed 
thau devoting to their permanent security a portion of their first profits. 

The redoubts and batteries lately ordered at Banda and now 
nearly executed are fully sufficiënt to ensure its safety with the 
force proposed for garrisoning that settlement, according to the 
system already proposed for its management 

It is said , that the Dutch destroyed all the produce of these is- 
lands, beyond the quantity already stated , with a view to set their 
own price upon those nrticles, certain of a consumption to that 
extent annually. But this seems to have been not only the extreme 
of selfish illiberality , but very mistaken policy ; siuce it is evident, 
the more general the use of any article becomes, the greater the 
demand for it, until custom in the end makes that necessary , which 
1 Hierbij staat, de potlood-kantteckeneninp: „Very jnst." 



Digitized by VjOOQIC 



DE VEEÜVERING VAN BAN DA EN AMBON IN 1796. 363 

was before oiily used as a matter of luxury ; that, thoagh the sale 
of greater quantities, might perhaps lower theprices, the additional 
cousumptioD would more than equal the profit; aud that in the 
course of a few years the use of spices would probably exteud iii 
proportioD as that of tea or sagar; the quautity necessary to the 
general sapply call for every effort of eucoaragement and exceed the 
profit, computed as above, upon the scale of immediate certaiuty, 
in a fivefold degree. Aud upon the whole considering the advan- 
tages likely to be derived from the trade of these islands iu otlier 
valuable articles , they raay be estimated without distant speculation to 
bring iu a clear annual revenue to the state of half a million sterliug. * 

NASCHRIFT, 

bij bldz. 254, noot 2. 

Mijue lezing, den 29 October 1901 gehouden in eene Algeraeeue 
Vergadering van het Indisch Genootschap ^ , getiteld : De overgang 
der Kaap'Kolonie van Nederlands in Ihigelafids bezit, besloot ik met 
eenige stellingen, waarin waren neergelegd de conclusies, waartoe 
ik toen meende te moeten komen, o.a. aangaande de bekende aan- 
schrijvingen van Willem V, gedagteekend 7 Februari 1795, waarin 
deze Oranjevorst den gouverneurs of hoofden van bestuur onder 
andere benamingen, welke gezag uitoefenden in Nederlands ver- 
schillende koloniën en bezittingen in Oost en West, aanschreef, 
Engelsche troepen en schepen dadr toe te laten als die van eene 
bevriende mogendheid. Ik maakte natuurlijk een voorbehoud : ik 
bleef aannemen vde mogelijkheid, dat voortgezet onderzoek van mij 
of van anderen mijne opinie (zou doen) wijzigen.'/ 

Zoowel door anderen als door mij zelf is het onderzoek voortgezet. 
Op de resultaten van eigen nadere studie wees ik reeds in N®. 26 
van Be Nederlandsche Spectator van 1905 ' ; en ik kon toen vast- 
stellen, dat ik //geen woord (behoefde) terug te nemen// van wat ik 
vroeger had meenen te mogen concludeeren , dat zelfs //mijn geloof 
aan (de) volkomeu juistheid (der conclusies, waartoe ik in 1901 
was gekomen, door mijn nader onderzoek) ten zeerste versterkt was. 
Eenigen tijd later (in 1906) verscheen * het tweede deel van de 
door D'. H. T. Colenbrander uitgegeven Gedenkstukken der Algemeefie 

* Hieronder staat in het handsohrift de volgende potlood-aanteekening : 
„To wliich may be added the advantage to the country in a national point 

of view by the increased consumption of British .... on Indian manufaotures 
to the exclusion of Dutoh and French manufaotures now in use." 
' Bldz. 109 — 142 der Verslagen over dat jaar. 

* Overgenomen o.a. in De Zuid-Afrikaansche Post van 20 Juli 1905 , bladz. 279 ; 
De Volksstem van 19 Augustus 1905 , enz. — Op verzoek der „Boeken-Commissie" 
van het Algemeen Nederlandsch Verbond zal ik binnenkort uitgeven* een 
beknopte geschiedkundige verhandeling, waarin ik in populair-wetenschap- 
pelijken vorm den overgang der Kaapkolonie aan Engeland behandel. 

* 'S Gravenhage , Martinus Nijhoff, 



Digitized by VjOOQIC 



364 DE VEROVERING VAN BA^DA EN AMBON IN 1796. 

geschiedenis van Nederland vafi 1796 tot 1840. Ook daarin nu wordt 
over de proclamatie van Kew gehandeld. Het spreekt wel vanzelf, 
dat ik met groote belangstelling het werk ter hand nam en eveneens , 
dat ik met groote voldoening bij de lezing er van zag, dat de zeer 
weinige nog onbekende documenten, door D^ Colenbrander over 
deze zaak gepubliceerd *, slechts zoovele nieuwe bewijzen waren voor 
mijne meeniug en dat wat hij zelf daaromtrent zegt op bldz. LXXXV, v. 
hetzelfde is als wat ik reeds in 1901 en 1905 schreef, nvr mit ein 
Bi^chen mdrm Wortmi. Slechts op een enkel punt weusch ik even 
terug te komen , zij het thans zeer terloops. ^ Volkomen terecht zegt 
Colenbrauder, dat Willem V, toen hij de aanschrijving uit Kew 
schreef, daarmede '/ bleef in de lijn der stadhouderlijke politiek van 
1788: die der alliantie en garantie'/. Reeds wees ik daarop in mijne 
lezing van 1901. ^ Toen had ik nog niet mijn onderzoek uitgestrekt 
tot het Koninklijk Huisarchief, anders zoude ik dieper zijn ingegaan 
op wat ik toen slechts even aanstipte, "* nl. op hetgeen in 1798 plaats 
heeft gegrepen. Het verwonderde mij eenigszins, dat D' Colenbrander, 
die het H. A. wel raadpleegde, dit niet heeft besproken. Als hij 
daarin had aangetroffen en gelezen •'"' den (onuitgegeven) brief van den 
gezaghebber van de Kaap, den secunde J. I. Bhenius, van 30 Juli 
1793, aan Willem V, dan zoude hij hebben gezien , dat tengevolge van de 
aanschrijving van de Bewindhebbers der O. I. C. van 30 Maart 1793, 
in overleg met de Staten-Generaal en Willem V uitgevaardigd, 
Rhenius alles in orde had gebracht, om de Engelsche schepen van het 
noodige te voorzien en //voor inquartiering// van de //verwagt wordende 
Hulp troupen// van St. Helena en Engeland. Ook andere maatregelen 
in die dagen genomen, waarop ik thans niet inga, wijzen er op, 
dat de lijn der stadhouderlijke politiek van 1788 tot Februari 1796 
loopt over het jaar 1793, het oorlogsjaar. 

Het tweede punt, dat ik hier wil bespreken, is dit. Colenbrander 
schrijft: //Over dien brief van Kew is veel gebazeld.// Zonder twijfel, 
er is veel over geschreven, van den beginne af, toen Voorda en 
Valckenaer cmiU'a^ ToUius pro optraden. ^ Maar is dit te verwon- 

1 No 675 (blz. 820) ; verdor de Juiste" datum (2 Februari : bet was bekend, 
dat het ren versaal van Februari dagteekende en wel van vóór 7 Februari) en 
de „onderteekening" (men wist natuurlijk dat die van Grenville was); en 
het brokje brief aan Van Nagell in do noot op bldz. 821. Jammer, dat Dr. 
Colenbrander niet volledig is in het aangeven der werken, waarin documenten 
over deze aangelegenheid reeds ziju gepubliceerd of waarin daarover is ge- 
sproken. Deze onvolledigheid wekt den indruk , dat Dr. Colenbrander's onderzoek 
werkelijk nieuw licht van beteekenis over deze materie werpt, wat niet het geval is. 

» Ik blijf hier natuurlijk bij de aanschrijving uit Kew, die in Lennon's „JoumaV* 
herhaaldelijk wordt genoemd. Wat Dr. Colenbrander elders (6.t>. JnDeBeZ^eAe 
omtoenteling, 's-Gravenhage, Nijhoff, 1905) zegt over den afstand der Kaapkolonie, 
enz. roer ik later nog wel aan. Alleen wil ik er thans reeds op wijzen, dat wat hij daar 
op bldz. 100 zegt: „Holland heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de 
goede reden dat het die niet had", onjuist gedacht, althans onjuist uitgedrukt, is. 

^ Hldz. 112, 118 V. — Ook deed dit A. J. van der Meulen in zijne Studies 
over het Ministerie van Van de Spiegel (Leiden , Kooyker , 1905) , bldz. 98 v. v. 

♦ Bldz. 120. 

* Ik zag hem niet in de Gedenkstukken. Heb ik hem over *t hoofd gezien, 
dan hier een peccavi/ 

• VgL mijne lezing I. G. , blz. 117; Colenbrander, t. a. p. ,^bldz. 820. 



Digitized by VjOOQIC 



DE VEEÜVÏEIKG VAN BANDA KN AMBON IN 1796. 365 

dereu eu mag het woord a' bazelen// hiervoor worden gebruikt? De 
lieer Coleiibrander tracht zich i» te denken — zooals ik reeds vroeger 
deed — in de zienswijze der Stadhouderlijke partij en zóó Willem V's 
houding te verklaren en te verdedigen, althans te verontschuldigen. 
Volkomen terecht. Maar — er was nu eenmaal óók een andere Staatspartij 
eu ook deze had hare opinie eu woordvoerders. £n H is, dunkt mij, 
zoo natuurlijk mogelijk, dat deze 's Prinsen houding scherp ver- 
oordeelde, ja! verafschuwde: zij toch ging lijnrecht in tegen wat 
in haar schatting 'sLands belang vorderde. En ook deze meening 
had recht om gehoord te worden, ook door hen, die, zooals D'. C. 
en ik, haar niet deelen. Dat Willem V zelf wel iets voelde in 
die richting, bewijst m.i. de aan D^ Colenbrander blijkbaar niet bekende, 
althans niet door hem uitgegeven ', brief van Willem V aan zijne 
firemaliu, gedagteekend uit Londen den 29 Januuri 1801, * waarin 
hij bezwaren oppert tegen het deükbeeld , zich naar Nassau te be- 
geven. 0.a. wijst hij op het gevaar, dat hij vandaar zoude 
worden gebracht naar Nederland, //pour rendre compte de son ad- 
ministratiou et particulièrement des ordres donnés ^Kew . . . . , enz.// 
Vergis ik mij , of ligt hierin een erkenning, dat over die //ordres// 
ook anders mocht worden gedacht dan er over gedacht werd door 
Willem V en diens omgeving? 

Een derde vraagteeken. De heer C. schrijft:' //Het is kortzichtig , 
hierbij aan eenige machiavelistische bedoeling van Engeland te 

denkeu//. Accoordl Maar tóch! Zou de Engelsche regeering 

niet ook deze bijgedachte kunnen hebben gehad : ^ dU \Y de Neder- 
landsche koloniën en bezittingen onder bewaring krijg op grond van 
Willem V's brieven uit Kew, dan krijg ik ze gemakkelijker 
in bezit dan door wapengeweld; en ah dan de Oude Constitutie 
niet wordt hersteld en het ren versaal niet kan worden in- 
geroepen k ,ft Men leze bv. Lennon's //Journaal// hiervóór op 

bldz, 253, 261, 262, 264 (men lette op : nWhieh is not unlikelyff), 
272, vooral ook 358, bldz. 359, enz., enz. 't Is waar, Lennon is 
niet de Engelsche regeering, maar hij was ook niet de eerste de 
beste en buitendien, zijn journaal en zijne beschouwingen zijn ge- 
richt tot de directeuren der Britsche Oost-Indische Compagnie , die , 
in geval onze bezittingen door Engeland zouden worden behouden , 
haar rol daarin hoopte te spelen. 

Ten slotte de opmerking, dat de opgave door D'. Colenbrander 
gedaan ^ van de koloniën en bezittingen , die voor ons behouden 
bleven in den oorlog tegen Engeland van 1795 — 1802, zeer on- 
volledig is. Behouden bleven niet alleen Batavia , maar geheel Java 
en Madoera. Eu wat de Buitenbezittingen betreft (ik laat hier min 
of meer nominale rechten van Nederland op bv, de Westkust van 
Borueo, enz. rusten), wij behielden ook de Lampongs, onze posten 
iu Palembang, op Soembawa, op de Timorgroep. In den oorlog na 
1803 ging óók niet verloren ons kantoor te Canton. 
J. E. H. 

^ Vgl. noot 5 op bldz. 3Ö4. « M. S. Huisarchief. » Bldz. LXXXV. 

♦ Vgl. mijne lezing op bldz. 121. « Bldz. 821, noot 1. 



Digitized by VjOOQIC 



KEGISTER. ' 



Abdul Aleem, bldz. 279—280. 

Adams, bldz. 301. 

Ai (Poeloe), bldz. 358. 

Alang. bldz. 293, 294, 295, 296, 298, 
302, 335, 336, 337, 341. 

Alfoeren, bldz. 293, 323, 324. 

Amblaoe, bldz. 316, 322, 335, 338. 

Ambon, bldz, 249, 250, 258, 273, 274, 
275, 277, 278, 281, 282, 291, 296, 
304, 305, 306, 307, 309, 310, 311, 
312, 313, 314—348, 349, 350, 353, 
355 , 356 , 357 . 358 , 359 , 360 , 361 , 362. 

Amerikanen, bldz. 261. 

Aroe-eilanden , bldz. 353, 354. 

Assaloeloe, bldz. 316. 

Atjeh-hoofd, bldz. 313. 

Bagoeala, bldz. 283, 294, 316, 335, 338. 

Balabak (Straat), bldz. 302. 

Balambangan (Eiland), bldz. 302. 

Banda, bldz. 249, 250, 277, 278, 280, 
281, 282, 283, 285, 287, 290, 291, 293, 

294, 295, 296, 297, 302, 303, 305, 306, 
307, 308, 311, 313, 314, 321, 324, 328, 
329, 330, 348—359, 361, 362. 

Banda (Groot-), bldz. 289. 

Banda Neira, bldz. 250, 288. 

Bang, bldz. 292. 

Bangsaj bldz. 298, 317, 340. 

Banka, bldz. 266, 267, 268, 269. 

Bantam (Prins van), bldz. 290. 

Batavia, bldz. 258, 260, 261,262,265, 

267, 269, 279, 320, 321, 324, 335. 

337, 340, 343. 350, 351, 353, 365. 
Bèche-de-mer (tripang), bldz. 353. 
Belgioa (Kasteel), bldz. 289, 290. 
Bengaleezen , bldz. 255. 
Bengalen, bldz. 257, 264, 280, 305, 

306, 359, 360. 
Benkoelen, bldz. 256. 
Beverwijk (Redoute), bldz. 341. 
Boocara, bldz. 301. 
Boeckholtz (Gouverneur Van), bldz. 

295, 308, 349, 351, 356. 
Boegineezen, bldz. 273. 
Boekit Tjina, bldz. 259, 263. 
Boeloekoemba , bldz. 270, 313. 
Boeroe, bldz. 273—274, 284, 293,316. 

320, 322, 335, 336, 338. 
Bombay, bldz. 268. 
Boni , bldz. 272. 

Bonoa, bldz. 316, 322, 324, 337. 
Bonthain (Bantaeng) , bldz. 270 , 271. 
Borneo, bldz. 302, 361,365. 
Brown (Majoor), bldz. 255, 257, 258. 
Budach (J. G.), bldz. 280. 
Canton, bldz. 302, 365. 
Casizy, bldz. 292. 

Celebes, bldz. 270, 272, 273, 285, 359, 362. 
Ceram, bldz. 279, 284, 285, 293, 294, 

295, 304, 305, 306, 308, 316, 322, 

327, 329, 338, 340, 342, 343, 353, 

359, 360. 



I Ceram (Klein-), zie Hoeamooal. 
' Ceries (Post of the) , bldz, 335. 
I Chalmers (Kapitein), bldz. ^2, 298, 
I 300, 301, 302,303,304,306,311,312. 
öhay(i)'good8, blz. 272. 
China, bldz. 256, 258, 264, 268, 275, 
I 301, 302, 313, 359. 
jChineezen, bldz. 255, 256, 257,259, 
262, 263, 265, 278,281,303,308, 
323, 324, 331, 342, 353, 354, 362. 
Christenen, bldz. 292, 298, 317, 322, 

323, 324, 326, 333, 355. 
Chuliars, bldz. 255, 262. 
Chunam (Hobson-Jobson, p. 168), bldz. 256. 
Cochin, bldz. 266. 
Coohin-China, bldz. 264. 
Cornabé (A.), bldz. 2.76, 277, 285. 
Couperus (A.), bldz. 257, 259, 265, 

266, 267, 278. 
Govassa-haiU {Qoeoa88o)jhldz. 336 {Encycl,j 

II, bldz. 59). 
Dammer (d€Hhar), bldz. 333. 
Dati en datt-stelsel , blz. 318, 319, 321, 

334, 340, 341. 
Doerion (Straat), bldz. 267, 268. 
Doesoen , bldz. 327 (Encyd., I, bladz. 467). 
Drie Gebroeders (De), bldz. 275. 
Duitsohers, bldz. 282, 286. 
Eerste punt (Sumatra), bldz. 269. 
Elmore (Kapitein), bldz. 266. 
Ema, bldz. 335, 336, 338. 
Engeland, Engelsch en Engelschen, 
bldz. 250, 251, 254, 256, 263, 264, 
269, 272, 273, 274, 277, 279, 280*, 
284, 285, 286, 287, 288,289,291, 
292, 295, 297, 298, 300, 303, 304, 
305, 307, 309, 310, 311, 312, 313, 
319, 342, 344, 345, 350,353,355, 
358, 359, 360, 362, 363, 364, 365. 
Europa, Europeanen en Europeesch, 
bldz. 255, 259, 262, 271, 274, 277, 
281, 290, 293, 294, 304, 314, 322, 
. 323, 324, 326, 328, 334, 348, 354, 

355, 361, 362. 
I Fatanamange , zie Tatiuutmangs. 
iFransohen, bldz. 254, 258, 266,267, 

269, 342, 363. 
; Qabba-gahbay bldz.334 {Encyel.,1, bldz.532). 
I Gaup (Kapitein), bldz. 285. 
' Gebi , bldz. 305. 
I Ghee, bldz. 328. 
Onatahoedi of Gratudy van Mardika , 

bldz. 321, 336, 337. 
Goenoeng Api, bldz. 287 , 288 , 289 , 290. 
Goram , bldz. 308. 
, Gordon (Kapitein) , bldz. 296. 
, Gowa, bldz. 272. 
Grenville, blz. 364. 
Chiata (?), bldz. 295. 
Halmaheira, bldz. 305. 
Halong, bldz. 386. 
Haroekoe, bldz. 283, 293, 297, 299, 



^ Ik heb meestal de woorden in het Nederlandsch opgenomen, niet in het Engelsoh. 
De persoons- en plaatsnamen zijn met gewone letter, andere woorden cursief gedrukt. 



Digitized by VjOOQIC 



306, 31B, 320, 821, 322, 324, 32H, 

329, 335, 33b, 3H0. 
Hasü^M, bldz. 319, 321, 341, 34ó. 
Hative (Groot), bldz. 33«, 33S. 
Hatoe, bldz. 295, 335, 341. 
Hayward (Luitenant), bid/.. 304. 
Heidenen, blz. 323, 324, 354. 
Helena (8t.), bldz. 364. 
Hila, bldz. 2S3, 2S5, 2SH, 294,295, 

298. 300, 301, 302, 303, 304, 305, 
306, 311, 312, 313, 316, 320, 321, 
322, 327, 328, 329, 332, 335, 33S. 

Hindoes, bldz. 262, 292. 

Hitoe, bldz. 292, 293, 294, 295, 29<>, 
29S, 299, 300, 301, 302, 303, 304, 
310, 311, 313, 316, 325, 360. 

Hitoelama, bldz. 286, 292, 293, 294, 

299, 300, 316, 335, 339. 
Uoeamoeal, bldz. b24. 
Hoekoenaloe, bldz. 294, 299, 316, 339. 
Hoetoemoeri (Groot-), bldz. 335, 336, 337. 
Holland, zie Nederland. 

Hollandia (Fort), bldz. 289, 290. 
Hongttoehtj bldz. 332. 
Hoorn (Kaap), bldz. 268. 
Hoorn (Post), bldz. 306, 335. 
Houssman (Luitenant), bldz. 282. 
Ibrahim ui Muckcram (Sultan), bldz. 

304, 305, 306, 309, 310. 
Indië, bldz. 256, 261, 262, 326, 347, 362, 363. 
Japan , bldz. 260. 
Java, bldz. 260, 289, 327, 365. 
Jeraja (Poeloc^, bldz. 256. 
Kaap de Goede Hoop , bldz. 270, 319, 320, 

363, 364. 
Kabaoe, bldz. 338. 
Kaflfera, bldz. 354. 
Kailalo, bldz. 299, 300, 33.S. 
Kajeli (Radja van), bldz. 274. 
Kapala soa, bldz. 317, 341. 
Kapitein laoet, bldz. 337. 
Karimon-eilanden , bldz. 267, 268. 
Kedah, bldz. 257. 
Kew, bldz. 254, 364, 365. 
Kilang, bldz. 317, 335, 336, 338, 343. 
{visser, bldz. 354. 
Kitehes (kitji), bldz. 269 iEncycl, IV, 

bldz. 487). 
Klerk (Reinier dej, bldz. 350. 
Koelor, bldz. 306. 

Koerakoera, bldz. 304, 817, 337, 3as. 
Komony, bldz. 338. 
Koromandel, bldz. 255, 272, 273, 290. 
Kraka (Poeloe), bldz. 288. 
Kwartoe, zie Quarto. 
Kijk-in-de-Pot (Redoute), bldz. 289, 290. 
Labai, bldz. 335. 
Laha, bldz. 291, 295, 324. 
liambert (Kapitein), bldz. 276, 291, 

295, 307. 
Lamottu (Luitenant), bldz. 289. 
Lampongs, bldz. 365. 
I^arike, bldz. 275, 283, 286, 301, 302, 

316, 320, 321, 332, 335, 338. 
Loêsyhout, bldz. 336 {Eneycl.,ll, bldz. 59). 
L^toehalat, bldz. 335, 336, 338. 
Lennon (\V. C), bldz. 250, 251, 253, 

254, 364, 365. 



Lcy-Timor, bldz. 316, 317, 330. 

Liang, bldz. 316. 

Lilibooi, bldz. 293, 294, 295, 296,298, 

303, 335, 337, 341. 
Lima (Xegeri), bldz. 301, 302,316,335. 
Loehoe, bldz. 322, 324, 327, 335. 
Loki, bldz. 290, 327. 
Londen, bldz. 365. 
Lontoor, zie Banda (Groot). 
Lucipara, bldz. 269. 
Maba, bldz. 305, 308. 
Mncao, bldz. 258. 

Macload (Kapitein), bldz. 291, 293. 
Madoera, bldz. 365. 
Madras, bldz. 250, 254, 265, 266,269, 

276, 283, 286, 287, 295. 297,301, 
307, 312, 313. 

Maharadja, bldz. 292. 

Makassar, bldz. 261, 272, 273, 277, 

326, 359. 
Makassaren, bldz. 823, 354. 
Malabaar, bldz. 255, 290. 
Malaka, bldz. 255. 257—266. 267, 2(Js, 

269, 276, 278, 282, 283, 312, 313. 
Maleiers en Maleisch, bldz. 255, 256, 

257, 558, 259, 260, 261,262,263, 

264, 266, 269, 271, 273, 274, 275, 

277, 278, 291, 292, 1'95, 296, 298, 
301. 305, 306, 312, 314,325,330, 
339, 347, 361. 

Maleisch Schiereiland, bldz. 262, 264. 

Mandhar, bldz. 272. 

Maugala ^Pangorang radja) , bldz. 290. 

Manila, bldz. 268. 

Manipa, bldz. 275, 284, 293, 316,322, 
324, 334, 335, 337, 338. 

Mardika (Kampong) . bldz. 321 , 335. 

Mardika of Mardaheka (Orang^, bldz. 
321, 323, 341, 312. 

Marinjoy bldz. 318, 357. 

Massanaijoe (Masnait), bladz. 337. 

Melchedien, bldz. 280. 

Mestiezen , bldz. 322 , 354. 

Mindanao, bldz 361. 

Moerid, bldz. 334. 

Mohammedanen, bldz. 262, 273, 292, 
294, 296, 322, 324, 326, 333, 338, 354. 

Mokka, bldz. 329. 

Molana, bldz. 322. 

Molukken, bldz. 253, 254, 285, 361. 

Monapin (Heuvel), bldz. 269. 

Mooren, bldz. 354. 

Muilh (Kapitein), 283. 

Muntok, bldz. 269. 

Namakali , bldz. 335. 

Nagell (Van), bldz. 364. 

Nanny-hout ^ bldz. 336 (Encycl. , II, bldz. 
55 , 59). 

Nassau, bldz. 365. 

Nassau (Fort), bldz. 2S9. 

Natocy bldz. 337. 

Nederburgh, bldz. 261. 

Nederland, Nederlanders en Nedor- 
landsch , bldz. 254, 258, 260, 261 , 263, 
264 , 265 , 266 , 267 , 269 , 270 , 271 , 272 , 
273 , 274 , 276 , 277 , 278 , 279 , 2s0 , 28 1 , 
282 , 2h3 , 284 , 2?^5 , 286 , 287 , 288 , 290 , 
29 1 , 292 , 293 , 295 , 296 , 297 , 298 , 303 , 



Digitized by VjOOQIC 



304, 305,307,809,310,311,312,313, 
314, 319, 321 , 324, 325, 326, 330, 331, 
332 , 345 , 346 , 347 , 348 , 350 , 355 , 356 , 
358, 359, 361, 362, 363, 36 i, 365. 

Negorijen {op Amhon)^ bldz. 292. 

Newcome (^Kapitein), bldz. 255. 

Ngadjoe, bldz. 337. 

Nieuw-Guinea, bldz. 353,354,358,361. 

Nightingall (Generaal), bldz. 285. 

Nocheda {nachoda), bldz. 266. 

Xoekoe (Prins) , bldz. 280 , 285 , 303 , 304 , 

305, 306, 308,309,310,311,312,359. 
Noesa Laoet, bldz. 293, 316, 321,322, 

324, 385, 338, 341. 

Xoesaniwe, bldz. 317 , 335 , 336, 338, 343. 

Notenperken op Banda, 348—352, 356. 

Oelapahal, bldz. 301, 302, 311, 312*. 

Oering, bldz. 316, 335. 

Oostindische Compagnie (EngeLsohe), 
bldz. 253 , 255 , 256 , 257 , 261 , 285 , 301 , 
307, 311, 347, 357, 358, 360, 361, 362, 365. 

(Nederlandsche), bldz. 272, 278, 

284 , 285 , 289 , 292 , 297 , 307 , 308 , 317 , 
318 , 320 , 326 , 327 , 328 , 329 , 335 , 336 , 
339 , 340 , 342 , 344 , 348 , 349 , 350 , 351 , 
352, 353, 356, 359, 360, 363, 364. 

Ophir (Berg), blz. 264. 

Orangkaja, bldz. 292. 

Orang toea, bldz. 333. 

Oranje (Prins van), StadhouderWillem V, 
bldz. 254 , 276 , 278 , 287 , 363 , 364 , 365. 

Orborne ^Kapitein), bldz. 313. | 

Orembai, blz. 299, 332, 337, 338. , 

Oatrow.ski (Kapitein), bldz. 284, 286. I 

Packenham (Kapitein), bldz. 302. ,' 

Padoewdkang, bldz. 273. 

Palembang. bldz. 261, 365. l 

Papoea's, blz. 354, 361. 

Parmesan (Heuvel), bldz. 269. 

Parr (Kapitein), bldz. 258, 267. 

Pedro Branca, blz. 266, 268. 

Pentjalang, bldz. 275, 361. 

Perak, bldz, 258, 261. , 

Pilander (Kapitein), blz. 269. 

Pilao, bldz. 338. 

Pinang (Poeloe), blz. 255—257, 258, 
261, 262, 263, 264, 312, 313. ; 

Piroe, bldz. 338. 

Pitjes-geld, bldz. 319. 

Polen, bldz. 286. 

Pólcng, blz. 340. 

Porto, bldz. 335. 

Portugeezen, bldz. 255, 258, 269, 272, 
292, 317, 342. 

Portugeezen-baai , bldz. 306. 

Pruisen, bldz. 286. 

q^arto, bldz. 318, 383, 334, 335. 

Radja, blz, 292, 343. 

Raffles, bldz. 250, 251, 254, 285. 

Rainier (Admiraal), bldz. 250,253,254. 

Regentschappen op Ambon, bldz. 316, 317. 

Rhenius (J. I.), bldz. 364. 

Rhude (Fiscaal), bldz. 265. 

Rionw, bldz. 258, 260, 261, 266, 267. 

Risdale (Kqtpitein), bldz. 305. 

Rodoiiborg, bldz. 324. 

Roen (Poeloe), bldz. 358. 

Romania (Pnnt), bldz. 266. 



' Saleier (Straat), bldz. 273. 
6ands (Kapitein), bldz. 258. 
iSaparoea, bldz. 279, 283, 286, 293, 
' 295, 297, 301, 304, 306, 316, 320, 321, 

322, 324, 328, 329, 335, 338, 340, 341. 
Sawai , bldz. 284 , 285 , 293 , 316 , 335 , 388. 
Seaton (Kapitein) . bldz. 271. 
i Sewa (Golf van) , bldz. 272. 
Shaw (Luitenant), bldz. 291. 
Siak , bldz. 262. 

I öipahi (Scpoys) bldz. 273, 283, 290, 
! 295, 297, 299, 300, 307. 
' Sirisori, bldz. 324. 
j Sisa (Point), bldz. 264. 
; Smissaert, bldz. 320. 
, Soeli, bldz. 293, 300, 316, 335, 336, 338. 
Soeloe-eilanden , bldz. 361. 
; Soembawa, bldz. 365. 
Soja, bldz. 317, 335. 336, 338, 343. 
Sophia (Prinses van Tidore) , bldz. 280. 
[Spaansehe dollar, bldz. 282, 288. 
I Spanjaarden en Spanje, bldz. 268, 342. 
Specerij-eilanden, bldz. 304, 805, 309 
I 348, 355, 358, 359, 361, 362. 

Spits (M'.) bldz. 307. 
I Staten-Generaal, bldz. 364. 
Steenberg (M!'.), bldz. 307, 354. 
Straits, bldz. 261, 266. 
I Stuart (Kapitein) , bldz. 305. 
Sumatra, bldz. 256, 264, 269. 
' Syfool Deen Shaw (Sultan), zie Noekoe. 
I Tanakeka, bldz. 270. 
Tanassy, bldz. 333. 
Tanoenoe, bldz. 338. 
Ta} isbaai , bldz. 385. 
Tatanamangs, bldz. 343 (Van Hoëvell, 

Amhon, bldz. 182V 
Taylor (Kapitein), bldz. 302. 
Tenga Tenga, bldz. 300, 316, 336. 
Ternate, bldz. 279, 280, 284, 285, 305, 

309 , 310 , 311 , 312 , 348 , 358 , 360, 362. 
Tial, bldz. 300, 316, 836. 
Tidore, bldz. 280, 284, 285, 298, 3a5, 

309, 310, 311, 312, 327, 358, 362. 
Timor, bldz. 365. 
Toelahoe, bldz. 300, 316, 336. 
Tollius, bldz. 364. 
Tolong pattih, bldz. 293, 299, 300. 
Tweede punt (Sumatra), bldz. 269. 
Tyfador, bldz. 333. 
Valkenaer, blz. 364. 
Vandersloys (Mr.), bldz. 307. 
Victoria (Fort), bldz. 250, 276, 306, 

314, 321, 324. 337, 344. 
Vigors (Majoor), bldz. 258, 277, 281, 

288, 291, 294, 295, 307, 309. 
Voorda, bldz. 364. 

Voort (A. van der), bldz. 344. 

Wakal, bldz. 302. 

Wakasihoe, bldz. 286, 316, 335. 

Waroe, bldz. 285, 305, 360. 

Way, bldz. 300, 316, 335, 336, 338. 

West-Indië, bldz. 329, 363. 

Wist (Resident), bldz. 271. 

Wurtembergsch corps, bldz. 285, 2S6, 

289, 291, 307, 320, 324. 
Yam, bldz. 308. 
Zuid-Wester-eilanden, bldz. 358, 354. 



Digitized by VjOOQIC 



Schetskaartje van de talen der Ternataansch- Halmaherasche taalgroep. 




Tidore 



\5<3 Digitizedby Google 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVER DE „TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE" 

TAALGROEP. 



7* Volgr. VI. 25 

Digitized by VjOOQIC 



IETS OVER DE «TERNATAANSCH- 
HALMAHÈRASCHE" TAALGROEP. 



DOOR 

A. HUETING. 



Als leek op taalgebied, vermag ik niet over dit onderwerp eene 
diepgaande studie te leveren. Ik wensch alleen eenige gegevens, die 
mij bekend zijn, te verstrekken, misschien dat ze voor de taal- 
geleerde wereld van belang kunnen zijn. 

Ik heb opgemerkt dat de grootte, of liever, de kleinheid van 
het gebied dezer taalgroep, slechts weinigen bekend is en daarom 
voeg ik hierbij een taaikaartje , waarop dat gebied en de uitbreiding 
der verschillende dialecten dezer groep zoo goed mogelijk zijn 
voorgesteld. Het gebied omvat, behalve de eilandjes Tidore en 
Ternate, het Noordelijk schiereiland van Halmahèra en een gedeelte 
van het Noord-Oostelijk schiereiland , het laatste alleen door koloni- 
satie van uit het Noorder-schiereilaud. Wel oppert Robide v. d. Aa 
in zijn //Vluchtige opmerkingen over de talen der Halmahèra-groep^ 
(Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch- 
Indië, derde volgreeks, zevende deel) het vermoeden, dat ook de 
taal der bewoners van de Buitelikust van het eiland Makjan tot 
deze groep behooren zou, maar de gronden die hij voor die be- 
wering aanvoert , zijn niet heel sterk. Onmogelijk zou het overigens 
volstrekt niet wezen. De verschillende dialecten, die ons tot heden 
bekend zijn, (en het is niet waarschijnlijk dat er meer zouden zijn) 
zijn op Halmahèra, gerekend vanaf het Noord- Westelijk district, 
en vandaar Zuidelijk omgaande naar de Oostkust : 

Löda, Tabaru, Ibu, Wiioli, (weer Tabaru), Tobèlo 
Dodingasch dialect^, Isam, Tbloliku, Kau, Madole, Tu- 
gutil, Tobèlo Bbengsch dialect', Tobèlo, Galèla en nog 
Ternate en Tidore. 



1 — * Deze twee dialecten worden in het vervolg aangegeven als Tobèlo 
D en Tobèlo B. 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVEU DB TEBNATAANSCH-HALMAHÊEASCHB TAALGROBF. 371 

Over het Löda is gehandeld door M. J. v. Baarda in zijn opstel 
4rhet Lbdasch in vergelijking met het Galëlasch dialect// , gevolgd 
door //Lbdasche teksten en Verhalen// (Bijdragen tot de taal-, land- 
en volkenkunde van Nederlandsch-Indië , zevende volgreeks, deel 
II). Over het Ibu, Wiioli en Tabaru vinden we iets in /ï^Vier 
weken onder de Tabaru en WJiioli// door J. Portgens (Mededeelingen 
vanwege het Nederlaudsch Zending-genootschap, 49" deel , 1" stuk). 
Omtrent het Isam, Tbloliku, Madole, Kau, Tugutil, heb 
ik mijzelf voor eeuige jaren inlichtingen verschaft, van het T o b è 1 o 
ben ik natuurlijk, als Zendeling der Tobèloreezen , op de hoogte, 
voor het Galéla zie men: M. J. v. Baarda, //Woordenlijst der 
Galèlareesche taal//, uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor 
taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-lndië, eveneens : 
V. Dijken en v. Baarda, //Galèlareesche Verhalen en Overleveringen// 
(Bijdragen tot de taal-, land- én volkenkunde van Nederlandsch- 
Indië, zesde volgreeks, deel I). Voor het Ternataansch is de 
eenige , hoewel niet mild vloeiende bron : P. S. A. de Clerq , 
//Bijdragen tot de kennis der Residentie Ternate//. Van het Tidoreesch 
is mij niets anders bekend dan de //Woordenlijst// voorkomende in : 
Bobide v. d. Aa, //Reizen naar Nederlaudsch Nieuw-Guinea//. Heel 
betrouwbaar ziet die er nu juist niet uit. De Clerq geeft eene ver- 
betering van eenige door hem als foutief opgemerkte woorden , maar 
ook deze verbeteringen maken de lijst niet betrouwbaar. Het is 
natuurlijk, dat men niet in de Molukken verkeeren kau, zonder 
wel eens Tidoreesch te hooren spreken, want Tidoreesche smeden 
bv. zwerven overal, maar wat men zoo hier en daar opvangt is 
ook niet betrouwbaar, aangezien het in den regel gesproken wordt 
door zwervers , die hun moedertaal met allerlei vreemde bestand- 
deelen vermengen. 

Voor zoover ik weet, is heel Noord -Halmahèra taalkundig bekend, 
uitgezonderd het district Tölofuo op de Noord- Westkust tusschen 
Ibu en Lolóda gelegen. Portgens spreekt daarvan niet, evenmin 
V. Baarda. Het zou dus kunnen zijn, dat daar nog een dialect 
gesproken wordt, dat ons tot heden onbekend is gebleven, maar 
waarschijnlijk acht ik dit niet. Volgeus de overlevering toch, zijn 
de daar wonende lieden, kolonisten of vluchtelingen van de Oost- 
kust, van het oude Tölo, vandaar den naam T6lo-fuo //Tblo 
ma buo'/ kind, voortbrengsel van Tölo. (Vergelijk Galèlareesch 
fuo //baren//). Wordt daar dus nog een andere taal gesproken, dan 
zal dit toch wel een Tobèloreesch dialect zijn, misschien Tobèlo D 



Digitized by VjOOQIC 



372 IETS OVBE DE TERNATAANSCH-HALMAHÈEASOHB taalgeoep. 

omdat ook de bewouers van Dodinga herkopistig heeteu uit het 
oude Tblo. 

Van de genoemde dialecten heeft het Ibu, volgens Fortgens, al 
de minste uitbreiding. Wij zouden zeggen, uit wat door F. mede- 
gedeeld wordt, dat het der verdwijning nabij is, verdrongen door 
Tabaru, W^ioli en Ternataansch. De sprekers schijnen ook niet 
tot een bepaalden stam meer te behooren , tenzij dan tot een stam , 
die reeds lang zijn zelfstandigheid verloren heeft en nog steeds 
voortgaat zich in de Tabaru en WJiioli op te lossen. 

De andere talen hebben nog zoo spoedig geen nood van ver- 
dwijnen. Wel is ook het taalgebied van het Isam, Tbloliku, 
Kau, Tugutil, niet groot, maar het wordt door bepaalde stam- 
men gesproken en die verdwijnen zoo spoedig niet. 

Wat het Ternataans ch betreft, de op Teniate wonende Ternatanen 
zijn ook niet vele, maar men bedenke, dat die taal ook gebruikt 
wordt door de Ternataansche kolonisten op Halmahèra, die nogal 
talrijk zijn. De Westkust van het Noorder-schiereiland is er mede 
bezaaid. Het is tevens de officieele taal, door de Hoofden gebruikt , 
in het geheele Ternataansche gebied. En dan is het de propaganda- 
taal der Mohamedaujsn , ook de taal der handelaren en zij dient 
gewoonlijk als verkeerstaal, waar lieden van verschillenden stam 
elkaar ontmoeten. Het gebied van het Ternataansch is dus nogal 
uitgebreid, al was dit ook niet op het kaartje aan te duiden. 

Het Tidoreesch heeft niet veel uitbreiding buiten het eiland 
Tidore. Wel is op Tidoreesch-Halmahèra, het Tidoreesch ook de 
officieele taal, maar, wijl aldaar de Hoofden allen kinderen des 
lands zijn en niet als op Ternataansch gebied, van den stam van 
den Oppervorst, en ook omdat bijna de geheele bevolking den 
Islam heeft aangenomen en daarbij de eigen talen heeft behouden, 
waar verder de Tidoreesche kolonisten, als komende in aanraking 
met een Moslimsche bevolking, niet die reden hadden zich van de 
bevolking af te zonderen , die men op Ternataansch gebied had , en 
eindelijk, wijl op Tidoreesch Halmahèra talen gesproken worden, 
met het Tidoreesch niet taalkundig verwant, zoo is het geen wonder, 
dat het Tidoreesch buiten Tidore niet veel gehoord wordt. De 
bewoners van het eilandje Mare, die ik ontmoet heb, bedienden 
zich er ook van. Van den Tabaru-stam zwerven ook lieden in de 
bosschen van Zuid-Halmahèra en ze zullen natuurlijk hun taal daar 
behouden. Dit zijn echter niet meer dan zwervers en van uitbreiding 
van het taalgebied door hen, kan natuurlijk geen sprake zijn. De 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVER DE TERNATAAN8CH-HALMAHKKASCHE TAALGROEP. 373 

Tabaru uit het landschap Ibu zijn met die uit de districten 
I)]^Iólo en Sidèngoli van denzelfden stam. Toch schijnt het van 
elkaar afwonen reeds eenig verschil in de taal veroorzaakt te 
hebben, volgens Portgens, door de wissel- of ver vang woorden 
ontstaan. Natuurlijk zal dat verschil steeds grooter worden. 

Het Tobèloreesch is onderscheiden in: Tobèlo, Tobèlo- 
Boèng en Tobèlo Dodinga. Ofschoon al de Tobèlos één e taal 
spreken, is toch ook bij hen, door het van elkander verwijderd 
wonen, het gebruik van vervangwoorden , en vooral doordien de 
Kausche en Dodingasche Tobèlos meer met andere stammen 
in aanraking kwamen, eenig verschil ontstaan, zij het ook niet 
anders dan dialectisch. 

Het Isam heeft al heel weinig uitbreiding en het Tbloliku nog 
minder. Ik zou dan ook op beiden niet veel acht geslagen hebben, 
ware het niet dat Z. Hooggeleerde, Prof. Kern, mijne aandacht er op 
gevestigd had. Ik meende n.1. van al deze talen in het Galëla de 
meest oorspronkelijke te moeten zien, omdat die de grammaticale 
vormen het best heeft bewaard. Daar nu èn het Tobèlo èn het 
Lóda, evenals het Tabaru, de meeste woorden één of meer 
lettergrepen langer hebben dan het Galëla, zocht ik naar den regel, 
waarlangs die verlenging plaats heeft. Echter vruchteloos en dus 
wendde ik mij tot Prof. Kern om hulp. Z. Hooggel. was zoo 
vriendelijk mij wel te willen helpen. Hij zeide mij , dat tusschen 
het Galèla met zijn korte woorden en open eindlettergrepen , en 
de andere talen met hun langere woordeu en eveneens opene eind- 
lettergrepen, nog een taal moest zijn met gesloten eindlettergrepen, 
aangezien hier gedacht moest worden aan eene neiging om met 
open eindlettergrepen te spreken, zoowel bij de taal roet korte, als 
bij die met langere woorden. De één had daartoe de slot-medeklinker 
weggeworpen, de andere klinkers toegevoegd. Nu viel dadelijk mijn 
aandacht op Isam en Tóloliku, aangezien in beide talen een 
aantal woorden met gesloten eindlettergrepen voorkomen. Ik had ze 
juist daarom als bastaarden en minderwaardigen niet der beschouwing 
waardig gekeurd (aangezien ik meende dat deze talen beslist open 
eindlettergrepen moesten hebben) , maar nu bleek mij , hoe verkeerd 
ik in dezen gehandeld had, aangezien nu bepaaldelijk, naar het mij 
voorkomt, deze talen de oudste en meest oorspronkelijke der Hal- 
mahèra-talen moeten geacht worden. De //Isam// gewoonlijk Pagu 
genoemd, gelden als zeer dom en achterlijk, men vermengt zich 
niet gauw met hen ; ze wijken ook in zeden en gewoonten nogal 



Digitized by VjOOQIC 



374 IETS OYEE DB TEEN ATAANSOH-H ALM AHÈKASCHB TAALÖEOBP. 

af vau de omwoneade stammen. Daardoor ziju ze wat geisoleerd 
geraakt en aan dat isolement is zeker huu taal-oorspronkelijkheid 
wel te dankeu. 

Met den Tololiku'StAm ben ik zeer weinig bekend en ik weet 
dus niet of die in hetzelfde geval verkeert als de Is am- stam, 
maar ik zon het wel denken, aangezien het een klein stammetje 
is, verscholen in het binnenland, waar men haast nooit iets van hoort. 

Het Tugutil moet ook beschouwd worden als eene variant van 
het Tobèlo, De Tuffutil'St&m is niet groot meer, zoo hij ooit groot 
is geweest. Het zijn binnenlanders die zich slechts met moeite 
tusschen huu veel krachtiger buren, de Tobèlos en Madoles hand- 
haven. Men treft ze ook aan in de bosschen op het Noord-Oostelijk 
schiereiland, waar ze hier en daar, een eindweegsch van de kust, 
eenige dorpjes en gehuchtjes hebben. Hun taal onderscheidt zich 
van het Tobèloreesch hoofdzakelijk door de uiterst gerekte , slepende 
uitspraak. Tot die uitspraak draagt zeker bij hun flegma, dat 
bewonderenswaardig is, en het heel veel voorkomen in hun taal 
van de s. Overal waar Tobèlo A heeft, heeft Tugutil s. De over- 
levering zegt dat de Tugutils, Tobèloreezeu zijn, die, toen de 
hoofdstam zich uit het binnenland aan de kust vestigde, na korten 
tijd , door gemakzucht gedreven , terugkeerden naar het binnenland , 
naar huu sagobosschen. Hun taal is voor het mifist met die over- 
levering niet in strijd. Hun s zal wel oorspronkelijker zijn dan de 
Tobèloreesche A, maar hun taal heeft, geïsoleerd van de hoofdtaai, 
het proces dat de s tot h maakte, niet meegemaakt. Het mag 
eenige verbazing wekken dat in de hierachter gevoegde Woordenlijst 
geen Tugutil-woorden zijn opgenomen, daar ik toch wel in de 
gelegenheid geweest beu mij die te verschaffen, wijl ik heel veel 
met dien stam in aanraking geweest ben. Voor mijn doel, een 
kijkje te geven op de Halmahèra-talen in hun onderling verband, 
was dat ook heel wenschelijk geweest, maar ik heb, van Tugutils 
nooit andere woorden dan Tobèloreesche, met vervanging van de A 
door s hoorende, dat overbodig geacht. Nu spijt mij deze opper- 
vlakkigheid. 

Ook nam ik geen woorden op der K a u-taal ; niet omdat die 
zich in uitspraak niet genoeg van de anderen onderscheiden zou, 
maar omdat ik meen dat dit geen eigenlijke taal is, die als voor- 
beeld van taaivorming geldeu kan. Hoe toch is het hiermede 
gesteld ? Kan , het district , was van oudsher , zeker reeds eenige 
eeuwen lang, de verban ningsplaats van Ternate. De lieden, daarheen 



Digitized by VjOOQIC' 



IETS OTEB DE TEKNATAANSOH-UALMAHÈ&ASOHK TAALOKOEF. 375 

verbannen , spraken Ternataansch. Langzamerhand is ait' hen eene 
kolonie ontstaan. Ook niet verbannenen znllen zich daar wel bij- 
gevoegd hebben en men heeft zich met de omwonende bevolking 
vermengd. Die omwonende bevolking sprak : Isam, Tóloliku, 
Madole en Tobèlo, en doordien al deze talen met Ternataansch 
door elkaar gemengd zijn, heeft men een wonderlijk allegaartje ge- 
kregen, een mengelmoes van woorden, waarin het Tobèloreesch 
tamelijk sterk domineert, inaar dat hoofdzakelijk op Ternataansche 
wijze uitgesproken en uitgedrnkt wordt. Men moet het na wel 
dfgelijk kennen om het te kunnen verstaan, maar het is toch in 
mijn oog geen oorspronkelijke taal. 

Ik zal nu eerst het Woordenlijstje doen volgen. De volgorde is, 
dat het Isam en Tbloliku voorop komen, omdat ik die twee als 
de meest oorspronkelijke meen te moeten beschouwen en dan 
Galèla, Löda, Tobèlo, Madole, Tabaru, Wilioli, Ibu 
Ternate en Tidore. 

Ik geef van elk wat ik heb kunnen vinden, natuurlijk met uit- 
zondering van Oalëla en Tobèlo, maar tot eene vergelijkende 
studie tusschen die twee, is dit artikel niet bestemd. 



Digitized by VjOOQIC 



376 



IBTS OVER DB TEENATAANSCH-HALMAHÈRA9CHB TAALGROEP. 



Nederlandsch. ' 

1 hoofd 

2 neus 

3 haar(hoofd) 

4 eten 

5 sterven 

6 oor « 

7 twee ^ 

8 drie 

9 vier 

10 vijf 

11 tien 

12 twintig 

13 voet 

14 lichaam 

15 kind 



Isam. 

saëki ^ 

nganung 

bëlèti * 

ójom 

sbneng 

ngauku 

modidi 

woiLnge 

loata 

motba 

mogio 

monalok 

jöu 

Ibis» 

ngbak 



Tbloliku. 



saëki 

nguuungu 

uta-bêlèti 

hjom 

sbneng 

ngauku 

lomodidi 

lomo^nge 

loat 

motóa 

mogiók 

monala 

jöu 

Ibis 

ngóak 



Galéla. 

s&he ^ 

nguuu 

hutu 

Uo 

sóne 

ngau 

siuóto 



iha 

motèha 

mogiowo 

monohalo 

dbhu 

róhe 

ngbpa 



Löda. 

saëki 

nguuungu 

utu 

ódjomo 

sbnënge 

ngauku 

sinbto 

djünge 

djoata 

motba 

mogibko 

monaloko 

djöu 

rbëse 

ngbaka 



Tobèlo. 

! haëke 
I nguuungu 
I utu 
i bAomo 
, hbnënge 
\ ngauku 

hinbto 

hènge 
I iata 

motba 

ngimoi 

monaoko 
j Aöu 

rbëhe 
; ngbhaka ^ ® 



De uitgangen i en e zijn wisselend. Het is soms moeilijk uil te maken, of 
men een i dan wel een e hoort, aangezien de i overgaande is in een e. Men 
zie hiervoor bv. het Galèlareesch. In de vroeger uitgegeven werken staat daar 
op veel plaatsen een i, als sa&ngt, tupaèng», waar de Heer v. Baarda nu 
schrijft : sii&ng^, tupaèug^. Men zal vroeger wel niet foutief gehoord hebben , 
maar het proces der overgang zal zich in den loop der jaren voltrokken hebben. 
Dit geheel afwijkende woord, zeker door woordverwisseling ontstaan, weet ik 
niet te verklaren. 

Robide v. der Aa geeft hier op ngun, maar ik ben zoo vrij geweest de eind-« 
er bij te voegen. Het Tidoreesch heeft toch geen gesloten uitgangen voor zoo- 
ver mij bekend is. 

Dit is hier te beschouwen als eene afwijking door het gebruik van vervang- 
woorden ontstaan. Zoo hebben Tob. B en Dtadauru. Bëlèti beteeken t haar- 
wrong en ho ma tadauru beteekent : het haar opmaken , dus : tadauru = 
haartooi. Van het Ibu: duliwa, weet ik dé herkomst niet, maar het zal ook 
wel een wissel woord zijn. 

Het is natuurlijk mogelijk dat dit woord een è in de eerste lettergreep heeft, 
evenals dit voorkomt op N® 14, en men zou dan moeten aannemen dat W^i o li 
de neiging heeft, de o door een è te vervangen, maar met de weinige ge- 
gevens is dit niet vast te stellen. Daar Portgens echter zijn artikel niet zelf 
gecorrigeerd heeft, komt het mij voor dat wij hier met drukfouten te doen 
hebben en een b de plaats der è vervangen moet. 

Analoog aan andere woorden zou Isam-TJ^loliku hier u ga u k moeten hebben , 
en niet ngauku, en ik ben er ook niet geheel verzekerd van dat zij dit 
niet hebben; bij het onderzoek toch, dat ik naar die talen instelde, heb ik 



Digitized by VjOOQIC 



urrs ovEB de teknataansgh-halmauebascue taalghosp. 



377 



Madole. 



Tabaru. 



Waioli. 



Iba. 



Ternate. 



Tidore. 



hai 


saëke 


sa'e 


sae 


dopölo * 


dofölo 


aganu 


ugananu 


ngunungu 


nununu 


ngunu 


iigunu ^ 


ütU 


utu 


utu 


duliwa 


hutu 


hutu 


J'domo 


ódomo 


óromo 


olomo 


bko 


ójo 


hünënge 


sèngëue 


sèugëne ^ 


sóuëne 


sbne 


sbue 


ügau'u 


ngauku 


ugau'u 


nau 


ngau 


ngawu ' 


mdidi 


modidi 


romodidi 


loraodidi 


romdidi 


ma Ibfo 


aauge 


sa^Dge 


roilDge 


lane 


ra&nge 


Ange 


soata 


soata 


rata 


loata 


rilha 


r&h& 


Eotoa 


motóa 


romotóa 


]omotbala 


romtbha 


romtbha 


idmoi 


mogióko 1 


iij^imoi 


DJ^imoi 


njigimoi 


nj^moi 


aonau'o 


moDaoko 


nj^ romdidi 


nj^-lomodidi 


nj^i romdidi 


uj^i ma Ibfo 


è'm 


döu 1 


röu 


löu 


köhu 


jbhu 


Tiêhe 


rèëse 


lèse^ 


Ibëse 


badaii 


badan 


^goa 


ugóaka 1 


Dgö'a'a 


uba 


ngbfa 


ngbfa 



niet iu de eerste plaats hierop gelet; aaugezieu ik toen meeude dat alle 
Halmahèra-talen alleen woorden met open uitgang kenden, heb ik wellicht die 
uitgang wel eens gemeend te hooren, ook waar duidelijk een geslotene uit- 
gesprokeu werd. 

Robide v. d. Aa geeft hier ook op ngaan, maar dat is zeker foutief. 
Het is merkwaardig dat Gal., Lbd. en Tob. hier een ander woord hebben. Of 
bet als een vervangwoord te beschouwen is? Het causative voorvoegsel si, hi 
zou het doen denken, maar ik weet het tot heden toch niet te verklaren, bf 
het zou moeten komen van den stam bto,dbto,== indringen, in tweeën deelen. 
Mogelijk is het, maar ik geef het slechts als een veronderstelling. De andere 
woorden geven wellicht de tweeheid aan door de verdubbeling van den 
wortel di. Het voorgeplaatste Ibmo, mo, ro, rbm, komt heel veel voor de 
telwoorden in deze groep voor. Lbmo zal wel het oorspronkelijke zijn, want 
het beteekent : verzamelen, bij elkaar brengen, bij elkaar komen. Het Tidoreesch 
ma- Ibfo is een wissel woord. Het beteekent Ternataansch ook: beiden, elk, 
omtrent. De overgang is dus niet moeilijk. De telwoorden van deze groep zijn 
zoo eigenaardig, dat het zich zeker zeer loonen zal, te trachten die alle te 
verzamelen en er dan een aparte beschouwing over te schrijven. 
Men zie omtrent de bi hier, waar de andere talen bë hebben, het reeds onder 
1 opgemerkte, omtrent i en e als uitgangsletters. Hetzelfde geldt ook hier. 
Oorspronkelijk zal het wel overal bi geweest zijn. Bij de Tobèlos is het verschil 
tusscheu beiden nog zoo gering, dat men het dikwerf alleen opmerkt, wanneer 
men de woorden door inlanders laat opschrijven. 

Tobèlo B heeft hier ngb/aka, Tob. D zelfs een enkele maal ngb^aka, en ook 
het Tagotil heeft de laatste uitspraak. 



Digitized by VjOOQIC 



378 



I£TS OTüX DE TEBNATAANSOH-HALHAUÊSASOHE TAALGROEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 
kèlso 


TWoüku. 


Galëla. 


Lbda. 


Tobèlo. 


16 hond 


kiiso 




ihso 


k&so 


kkho. 


17 water 


km 


kke 




hke 


&këre 


iÜLëre 


18 prauw 

19 visch 


bti 
nauöko 


bti 
nauk 




deru > •' 
nauo 


deru 
naöko 


ngbtiri 
uauöko 


20 huis 


wöla 


1 wöla 




tahu i* 


wbla 


tau«* 


21 hout 

22 jongeling ^'^ 

23 zitten 


góta 

ugale-ngale 

gógële 


1 gbta 
j ngale- 
kêbok 


ngale 

16 


göta 

gbhiduru 

tamié 


göta 

goduru 

gögëre 


gbta 

goduru 

gögëruku 



Omtrent deze afwijkingen van het zeer algemeen voorkomende kso was 
Dr. N. Adriani zoo welwillend mij de volgende inlichtingen te geven : 

//Het W&ioli en Ibu ka una //hond// is hetzelfde woord als het Gorontaloesch 
//apula. Het Gor. verliest nl. de i en maakt de 9i tot L De volledige vorm 
//van het woord is kap una. In de taal van Tawaili (aan de Oostkust der 
//Paloe-baai, tegenover Donggala) beteekent het woord //krokodil/y , in het 
//Beutenansch en Siaoesch //hond//. In al deze drie talen is de vorm: 
//kap una. Uit het Goront. zal dus kauna wel niet stammen, eerder uit het 
//Benten. of Siaoesch, want het Tawailisch is natuurlijk geheel uitgesloten. 
//Maar ge ziet, dat het in talen voorkomt, die ver uit elkaar liggen. Bente- 
//nansch en Siaoesch zijn nauw verwant, maar hoe komt het Tawailisch er aan , 
//en dan in die afwijkende beteekenis van (^krokodil// ? Was dit de oorspronkelijke 
//beteekenis, dan zou ik kapuua willen afleiden van pu (pue, pua, ëmpu, 
//ëmpunja, punja) //heer , eigenaar// ; k a p u : //heerschap// , kapuna : //zijn 
//heerschap, zijn Hoogheid//, dus een titel om het gevreesde monster te eeren. 
//Maar Gor., Benten., Siaoe, Wilioli en Ibu, hebben allen //hond// en de 
//krokodil is het huisdier (//de hond//) det watergeesten. Men kan dus eerdei 
//overgang van beteekenis van //hond^ in //krokodil//, dan van //krokodil/!' 
//in //hond// aannemen. Maar is de boven aangegeven afleiding juist, dan 
//moet //krokodil// de oorspronkelijke beteekenis zijn, want dat de //hond// ver- 
//eerd wordt, weet ik van nergens, integendeel, ik heb de inlanders hun 
//honden altijd met heel weinig respect zien behandelen.// 
Dit is natuurlijk een vervangwoord , vergel. Javaansch ban ju //water//. 

'* Het komt mij voor, dat deze woorden als vervangwoorden te beschouwen zijn, 
afgeleid van tèru //zitten//, //datgene waarin men op het water zit«r dus. Allen 
toch hebben het woord //bti, ótil, 6tir//. Het zou kunnen zijn dat dit hetzelfde 
is als tötir //op de armen dragen//, zooals men een kind op beide armen vooi 
het lichaam draagt, ngo zou afkorting kunnen zijn van ngöot, ngblot /fxee^i 
(zie N® 94) , en men komt dan tot : //datgene waarin men op zee gedragen wordt// 

^^ Deze woorden zijn natuurlijk als vervangwoorden te beschouwen. Het Gal. heefi 
nog pöla //rijstechuur// , maar het Tob. heeft het woord heelemaal niet. Hei 
Tob. B en D gebruikt fèila, maar het Tugutil heeft tau. Waarom f^la ver 
laten werd, is niet meer te zeggen. Yanwaar tèhu, tauP Men heeft diihu 
dau, //beneden// eu dus zou kunnen //tèhu, tau'/ //datgene waar men beneden, 



12 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVER DB TEttNATAA.NSOH-HALMAHERA.SCHB TAALGROEP. 



379 



Madole. 



Tabaru. 



Waioli. 



Ibu. 



Ternate. 



Tidore. 



aho 


' késo 


kauua * * 


kauna 


k^o 


1 késo 


aële 


, èkëre 


bénjo 1 * 


j bénjo 


y^e 


jike 


ngöbtili 


ugöötiri 


bti 


j nbtili 


bti 


1 bti 


nau'o 


1 naoko 


nja'o 


; nauo 


njau 


I njau 


woa 


1 woa 


wbla 


wbla 


aia 


; föla 


gèta 


góta 


hie 


gbtala 


héte 


1 h&te 


ngale-ngale 


dugüuru 


tubaie 


tubaie 


ngongare 


ngongare 


gbgeléa 


gögëre 


tèru 


gbgële 


tego 





onder is//, maar vau dergelijke vorming zijn mij geen andere voorbeelden 
bekend. Het Gal. heeft echter o uku pa t&hu, het Tob. o uku ha tau //het 
vuur opbouwen, aanmaken//, en dus zou beter kunnen : tèhu, tau, //de plaats 
waar men het vuur aanmaakt// , ergo //het huis// , want wel heeft men nu 
aparte keukens, maar men behoeft maar eens bij de boschbewoners op bezoek 
te gaan, om te zien dat dit niet altijd zoo geweest is. 

■* De woorden ngale-ngale, (L^am , Tolol, Madole) en ngongare. (Tern. 
Tidore) kunnen natuurlijk dezelfde zijn , beide reduplicaties van ngale-ngare, of 
van ale-are. Ook Tob. B. heeft //ngale-ngale//. Het zou kunnen komen van 
al e 'ï'ring//, dus //de ringendrager// (jongelingen zijn daar in den regel nogal 
mee versierd) beteekenen, maar ook wel van ngale //reden, oorzaak//, dus 
fl^die reden geven kan, zich verantwoorden kan, mondig is, geen kind meer is//. 
Gal., Lod. en Tob. hebben go ^frisch, jong, groen, versch//, düuru ^na, 
achter, achteraan, daarna//, dus ^de leeftijd volgende op de kindschheid//. 
Tab. dugüuru zal ook wel dat beteekenen. Maar Waioli en Ibu wijken geheel 
af. Omtrent het woord //tubaie// was Dr. N. Adriani zoo vriendelijk mij het 
volgende te schrijven : 

/i'Het bestanddeel tii kan het honorifieke tu zijn, dat voorkomt in Bare^e 
irtakaba //oudere broer of zuster//. Tontenboansch-Sangir tuari //jongere 
/ybroer of zuster//, Bare^e tuama //man//. //Ba ie// kan het bestanddeel wan e 
/rzijn uit Makassaansch worowane //man//. Sang.: mahuane //id.// Bente- 
^nansch mohanei //id.// alle drie meervoudsvormen. Men moet zich dan als 
^grondvorm bane of wane denken, dit zal wel identifiek zijn met Jav. , Bar. 
^wani. Mal. bërani, Minah. waranei //dapper//. Dus: wan ei, wane, 
^bane, balo (Bar. ^vriend//), baie, met het beleefde tu, tubaie, zooveel 
ürals : //geëerde dappere//. 

' • Met dit woord weet ik geen raad. Het past weinig in de rij. Het is echter 
mogelijk, dat het, het eigenlijke woord zitten is, aangezien de andere woorden 
dit alleen als afgeleide beteekenis hebben. Gbgële-gbg ëre beteekent //verblijven, 
wonen// en men voegt er het achtervoegsel uku, ku, u //benedenwaarts aan 
toe, om er zitten van te maken. Gal. tamié, komt van tami //zetten// en 
wordt gevormd met het achtervoegsel ié //omhoog//, omdat men zich op de 
banken zet; het Gal. kent ook: gbgeku //zich neerzetten//. Waioli tèru is 
gelijk aan Tob. B en D, die dit ook hebben, ook het Tabaru kent dit, want 



Digitized by VjOOQIC 



380 



I£TS OVER DE TERNATAANSCH-HALUAHÈKA8CHE TAALGEOEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 
lepe 1 7 


Tbloliku. , 


Galèla. 
dala 


L6da. 


Tobèlo. 


U veel 


lepe 


ngoe 


woe 


25 zwart 


kokbtu 


kokbtu 


taro 


taromo 


daromo 


26 maagd 


mosbles 


mosólis 


djodjaru ^ ^ 


djodjaru 


mohólëhe 


27 pinang 


mbkulu 


mbkul 


dèna * " 


mbkuru 


mókuru 


28 instappen 


palen 


pale 


pane 


warëne 


harëne « i 


29 groot 


lamok 


lamok 


lamo 


lamoko 


amoko 


30 kapmes 2» 


dia 


dia 


taito 


tipu 


dia 


31 mes 2» 


dia ma itji ^* 


dia ma itji 


diha 


dia 


gèkana 


32 huid 


kai 


kai 


kihi 


kai 


kai 


33 lui 


bnsulu 


busèngi 


busèngi 


tuhuduku 


tëbèteru «s 


34 werken 


mënalan 


monalan 


manara 


manarama 


manarama 


35 vrouw 


ngëwèka 


ngëwèka 


ngbpëdèka 


ngowëdjèka 


ngoheka ^^ 


36 echtgenoote 


wèkat 


wèkat 


pëdèka 


wëdjèka 


hekata ^ « 


37 man 


naulu 


nauro 


janau 


nauru 


nauru 


38 echtgenoot 


Ibkat 


Ibkat 


r6ka 


rókata 


rbkata 


39 krokodil 


gosbmèlng 


gosbma 


gosbma 


gosbm^nga 


gohöm&uga 



ik vond //dëdèru// //bank//, //dat waar men op zit// dus. Ook dit //tèru// heeft 
echter de beteekenis ^zetten, leggen, neerkomen//. Ternat. te go, beteekeut 
Tobel. //het zitten van een vogel op een tak^ een bepaald soort zitten dus. 
Seel onmogelijk vind ik het dus niet, dat tegenover al deze afgeleide be- 
teekenisseu, het Tbloliku ^këbbk/s^, //zitten^ beteekent in eerste instantie. 

*' Vergelijk Mal. limpah //overvloedig//. 

'® Men heeft Gal. en Tob. (misschien ook in de andere talen) t6fu //hoop«' iii o 
bbro, o gbhi ma t6fu: //eierenhoop// door de boschkip opgeworpen. Dit zal 
wel hetzelfde zijn. De veelheid der eieren der boschkip heeft dan tot de 
beteekenis weelv gebracht. 

*• Het komt mij voor, dat dit niet het oorspronkelijke woord is. Het woord wordt 
ook in het Ambonsche gebruikt, maar wellicht door invloed van Ternate. lu 
Gal. en Tob. heeft men djaru als beleefde naam, waarmede kinderen hunner 
Moeder jongste zuster aanspreken, en ook wel in het algemeen vrouwen die 
ouder zijn dan zijzelve. Hieruit zou het woord ontstaan kunnen zijn /srdjodjaru^ 
//degene die altijd als djaru aangesproken of benoemd wordt/»', of: de redu- 
plicatie der eerste lettergreep een verkleinwoord vormende, en dus een lief- 
kozingsnaam: d jaru-djodjaru //vrouw, vrouwtje//. Aangezien in het Gal. het 
woord h61e //bilnaad, de poort tusschen de beenen// beteekent, zou dit reeds 
de verdwijning van het woord in zijn beteekenis //maagd// genoegzaam 
verklaren. 

^^ dèna-hèna is in andere talen //jonge pinang//. Toch is het niet onmogelijk dat 
dit het rechte woord is voor den boom, daar mökul, mbkur zoowel het 
pinangkauweu aanduidt, als pinang boom en vrucht daarvan. 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OV£]L DE TEBNATA.ANSOU-HALMAHERASGHE TAALGKüEP. 



381 



Madole. 



.epe 

taromo 

hblêhe 

èna^a 

balêne 

amo^o 

dia 

va^a 

'ai 

tadu'u 

diai 2 e 

Qgëwé'a 

veata 

nauru 

yata 

gohbmiiuga 



Tabaru. 

gudai 

taromo 

djodjaru 

mókaru 

parëne 

amoko 

w^ 

kai 

tüudoku 

manarama 

ngêwèka 

wekata 



Waioli. 



repe 

kokótu^u 

mosblêse 

móadu 

palëne 

lamo*o 

w^êre 



busuru 
bënjètoro 27 
wëré'a-'" 
wërè'a •'» 



Ibu. 



lepe 

mosólëse 
mó^ulu 
palëne 
kèla2 2 



gosbm&nga ' siimana ' ' 



Ternate. 

dbfu ' 8 

kokbtu 

djodjaru 

hèna 

fane 

lamo 

peda 

dari 

èhi 

buseng 

golaha 2 « 

Dgofeka 

foheka 

uonau 

r&ka 

s&ma 



Tidore. 



tjitji 



fofoja 



üonau 



21 



27 



Het Tob. B en D heeft vthréue». 

Volgens Dr. N. Adriani zou dit woord hetzelfde kunnen zijn als Gorontaleesch 
ea of eja: //Heer, Vrouwe//. Dit woord kan staan voorkea, daar het Gorout. 
de i wegwerpt, en keja kan gelijk zijn aan kèla, daar het Ooront. de l 
wegwerpt, en de j uit de l outstaan kan zijn. 

Het verschil in namen dezer gereedschappen zal wel ontstaan zijn, doordien 
elk het overnam met den naam, van verschillende volken. 
Klein kapmes. 

Tob. B en D hebben düuru //de laatste zijn, achteraankomen//. 
Deze woorden beteekenen //doen, maken//, en komen uatuurlijk ook in de 
andere talen voor. Of man ara in het Madole en Ternate bepaaldelijk niet 
gebruikt wordt, weet ik niet. 

Dit woord zou kunnen komen van tèto, tètöro //fijn hakken, fijn kappen//. 
Tob. B en D hebben hier ngofeka. 
Tob. B en D hebben hier fekata. 

Aangezien deze twee begrippen in geen der talen door 'tzelfde woord weer- 
gegeven worden, zou ik hier haast aan een fout denken. 
Dit woord en het Tem. sima zullen wel vervangwoorden ziju. Het Tobèl. 
heeft //hèmaua//, uitlegger van de prauw. De vormovereenkomst tusschen 
krokodil en prauwuitlegger is nogal groot, en het is geen wonder, dat men 
zoo'n gevreesd monster liever niet riep, door het bij zijn eigenlijken naam 
te noemen. 



Digitized by VjOOQIC 



382 



IVIS 07EK DE TESKATAANSCH-BALHAU£KASCHE TAALGROEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 
bluk 


TMoliku. 


! Galèla. 


Lbda. 


Tobèlo 


40 weigeren 


bluk 


hblu 


hbluku 


bluku 


41 ingaan 


nbskm 


wbsam 


wbsa 


wbsama 


wbhama 


42 naam 


Ibmang 




rbnga 


rom^nga 


rbm^Qga 


43 huwen 


ijaka 


ijyc'2 


modbka 


modjbka 


motöka 


44 wonden 


nabo 


nabu 


dabo 


djabo 


;iabo 


45 zeggen 


tèmo 


tèmo 


tèmo 


tèmo 


Uo « •"» 


46 verspreiden 


balis ' 


gisil 


biau 


biauru 


barihi »* 


47 slaapbank 


d&ngil 


dèngil 


d^ngi 


dingiri 


d^ngiri 


48 binden 


piliku 


piliku 


piliku 


pilikuru 


Aikutu 


49 weten 


n&ko 


n^ko 


niko 


nèJco 


niüco»' 


50 wit 






are 


arëse 


arëhe 


51 traan 






kbngo 


kbngo 


kbngö 


52 dorp'» 


soan 


soano 


soa 


soana 


hoana 


53 spijze 






ino 


inomo 


inomo 


54 voorbij 


- 




p^a 


pèsala 


p^ha 


55 breken 






polbte 


polbtëke 


pöbtëke 


56 halen 


èje 




dèhe 


djè • 


;iè 


57 staart 






pego*' 


bikini 


bikini 



'2 Hier zijn eigenlijk twee woorden: ijak, ijaka, Gal. ija, Tob. i^aka. 
Tem. kai, dat meer het huwelijk als geslachtsgemeenschap aanduidt, en 
modbka, dat // schoondochter '/ beteekent, beleefder is en de zaak meer in het 
familie-verband beschouwt. 

^^ In het Tob. beteekent tèmo: //spreken, geluid gevent, maar niet '/zeggen/)". 
Of dit ook zoo is in het Waioli en Ternataansch , weet ik niet. Ook heeft het 
Tob. nog ade-ade //vertellen, redevoeren//, dat dus correspondeert met 
Waioli ^djële, Tem. w^dje. 

^* Het Tob. //barihi// wordt niet veel in dezen zin gebruikt, men gebruikt 
//per ingana//. Ik heb het echter gegeven om des woord s wille. 

^^ Ik ben niet zeker of dit woord ook //slaapbank// beduidt, wel Afbank^^. Daar 
echter oorspronkelijk het gebruik van //slaapbank// en //bank// hetzelfde was en 
men in Gal. en Tob. voor //bank// //b^ko// gebruikt, een verbastering van het 
Hollandsche //bank//, zal Waioli ook wel //slaapbank// en //bank// door 't zelfde 
woord aangeduid worden. Natuurlijk komen dëdèru en dego-dego van 
tèru en tego //zitten//, vergel. N® 23. 

^' Dit is zeker een vervangwoord. Gal. heeft busu, Tobèl. buhuku //iets wat 
men neerlegt behoorlijk tegen elkaar doen inloopen, zoodat het goed om of 
bij elkaar past'/ , dus //één geheel vormt//. Deze gedachte zal wel tot het ver- 
vangwoord voor //binden// gebracht hebben. 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVEB Dl TKENATAANSGH-HALMAHÈBASCHE TAALGBOEP. 383 

Ternate. Tidore. 



Madole. 


Tabara. 


Waioli. 


Ibu. 

1 


blu'u 


Muku 


ödu'u 




ïhama 


w&sama 








rbnga 


lóm^nga 


nMama 


modo^a 


modbka 


moloara 




dabo 


dabo 


njaboto 




tèmo 


tèmo 


^djële 




birisi 


pi^oro 


pii'olo 






d&ngiri 


dëdèru-'^ 




likitu 


pasuku ' • 


^pinji'u 




a^'o 


u&ko 


waro 






arëse 


budana ' ^ 






köngoro 


óngoro 




sc«no 


soana 








inomo 


èto'o*» 






pèsaka 


piisala 






pöötêke 


pèporo * 2 






èse 


hio 






bikini 


di'imi 





h6du 

wbsa 

rbnga 

kai 

njabo 

wUje 

fiaro 

dègo-dègo 

podiku 

waro 

budo 

bngo 

soa 

ngogu*! 

palisi 

polbte 

óro 

biki 



budo 



soa 



bii 



" Het Tob. B en D heeft nog wèhu voor 't zelfde begrip , het Gal. heeft w^su, 
met een beetje gewijzigde beteekenis. Dit zal dus wel H zelfde zijn als //wal o, 
war O/r. Het woord n^ko kan dan in die talen verloren gegaan of vervangen 
ziju, aangezien w^hu, w^su, waro, walo, niet volkomen 't zelfde be- 
teekeiien als n^ko. 

'* Ik denk dat are 't oorspronkelijk woord voor //wit// is en budo meer //blank// 
bedaidt. Men zegt het ook Gal., Tob., voor //blank// van een mensch. 

■• Het woord beteekent //stamdorp^, niet //vestigingsplaats//. Daarvoor heeft men 
Gral. dbku, Tob. bêrèra, Tem. g&mu etc. 

*^ Dit is een vervangwoord : kètoko, in andere talen //sago, sagobroodje// , een 
soort spijze dus. 

*^ Dit woord zou kunnen komen van Gal. ogu //snijden// en dan beteekenen 
/«'het gesnedene, het mondklaar gemaakte, het toebereide//. 

♦- Dit is weer een vervangwoord, in het Tobèl. beteekenend : kneuzen, brijzelen, 
afbreken van bladeren , etc. . 

** Pego is natuurlijk een vervangwoord, misschien ontstaan uit pek o. Gal. //er 
iets omheen slaan, de beenen over elkaar of om een boom, dus, datgene wat 
het dier om zijn lichaam slaat, of wat de buidelrat om den boomtak slaat//; 
geen dier toch gebruikt zijn lange staart zoo als de buidelrat, om die om 
een tak te slaan. 



Digitized by VjOOQIC 



384 



lE'rS OVEK OE TEaNATAANSCH-HALMAHÈKASCHX TAALGKOEP. 



Nederlands^h. 


Isam. 

■ 

balon 


TWoliku. 



balon 


Galéla. 
baro 


Lbda. 


Tobèlo. 


58 sarong 


barono 


_ 
ngbëre ■* * 


59 areupalm 


daluk 


daluk 


lëbèuo ^^ 


daluku 


hepata * ^ 


60 zoet 


mutit 


mutit 


muti 


mutiti 


mutiti 


61 drek 


ibk 


ibko 


iho 


ihoko 


ióko 


62 komen 


sapom *® 


sapoug 


bola 


suwutu 


boa 


63 koopen 


tibok 


tibö 


idja*' 


tugala*» 


idja 


64 verkoopen 


ukunu 


ukun 


siidja*" 


wukunu 


hukunu ^ * 


65 tuin 


lèdi5 2 


lèdi 


dbro 


dbro 


rèdi 


66 rijst 


bila^» 


büa 


tamo 


bira 


pine 


67 tong 


^ili 


ikü 


lade 5* 




^iri 


68 vleescli 


Mime 


Mim 


Me 


lèkëme 


iÜEëmi 


69 ster 


ngangama 


ngangama 


ngbma 


ngbma 


murumu ^^ 



** Ngóëre is een vervangwoord , gevormd van wbëre //iets uithangen, iets te 
drogen hangen, en vandaar ngbêre, //dat wat men uit- of omhangt/)^. 
Het woord balon, baro, beteekent waarschijnlijk de boomsoort, waarvan men 
de boombast-bekleeding maakte, evenals men nu nog bij de Tobèloreezeu die 
kleeding eenvoudig naar den boom benoemt, waarvan men die krijgt. De 
Tobèloreezeu zonden dan vindingrijker geweest zijn dan de andereu, aangezien 
zij aan het nieuwe ook een nieuwen naam gaven. Het Waioli k^i-l^'a, kan 
zijn //kain-lèlha// //goede kain//, waarmede men dan het katoenen kleed aan- 
duidt, in tegenstelling van dat van boombast. Zoo zegt men ook op Papoea 
//goed zeil// tegen een katoenen of linnen zeil, in tegenoverstelling van een 
gevlochten zeil, zooals men die ook nog gebruikt. Ooed heeft dan de 
beteekenis /)^ kostbaar//. 

** Dit zijn bepaaldelijk woorden die den boom aanduiden; daluk-dalu duidt 
het sap aan, de palm wij n ; ook het Gal., Tobèl., Tem. heeft daarvoor //dalu, 
daluku, dalu. Men gebruikt ook nog hetzelfde woord om //dronken^ aan 
te duiden, dus denk ik, dat die naam wel oorspronkelijk het //sap»" aangeduid 
zal hebben en vandaar op den door het drinken ontstanen toestand en op den 
boom ovei^ing. De boom zal wel in elke taal een eigen naam gehad hebben, 
maar die zal door dien van het sap verdrongen zijn. Het Tern. seho wordt 
ook in de Minahassa gebruikt, naar ik meen. 

**"' Ik denk dat dit het oudste woord is. De Tugutils hebben ook s&póngo, de 
TobèL kennen ook nog: help on go. Gal. heeft s^po, /r doordringen , dieper 
indringen dan de oppervlakte//, ^t geen dus ook eenigszins op deze lijn ligt. 
Zou het mogelijk zijn dat boa ontstaan is uit po&k, poa, overstroomeu, 
storten, overvloeien? Of wel uit poak-poaka, schreeuwen, en duiden op 
het geschreeuw dat wellicht aangeheven is bij het aankomen, het terugkomen 
van krijgstochten , toen men eenmaal aan zee woonde ? Het is maar eene ver- 
onderstelling van mij. Met het Lod. suwutu weet ik geen raad. 

*' Deze woorden beteekenen zoowel koopprijs als kooper en men vraagt zich dus 



Digitized by VjOOQIC 



IBTS OTK& DS TIBMATAANSOH-fiALHAHÊBASCHl TAALGROSP. 



385 



Madole. 


Tabaru. 


Waioli. 


}^'unö 


barono 


kaila'a 


lalu'a 


\ daluku 


djadu'u 


natili 


mutiti 




b'o 


iko 




M» 


boa 




?b'o*« 


idja 




fnnu 


1 




iamule 


bairi 




me 


1 biia 




lialiiri 


. èsi-èsiri 




i'emi 


^këme 

1 




igangama 


i ngbma 





Ibu. 



I 



Ternate. 



■Tidore. 



I baro 
seho * ^ 

iho 

idja 
fuku 
gura 

bira bira 

^i 

ngóma 

af, of niet tibok, tibö, verloreD gegaan is. Het er mee correspondeereude 
woord in het Tobèl. tiboko, beteekeut //zwemmen//, dus heeft er niets meer van. 

*^ Vergelijk Mal. tukar. 

*• Het Tob. heeft een veel gebruikt vervangwoord //gbko//, dat het hoofdwoord 
bijna yerdrongen heeft. lu het Madóle schijnt dit reeds heelemaal het geval 
te zijn. 

^^ Het Gal. is hier armer dan de anderen, aangezien het een causative vorm van 
/ridja/y, //koop en//, gebruikt. 

5^ Tob. B. en D. heeft fuku nu. 

^^ Zoowel lèdi, rèdi, als dumule en bairi, komen van woorden die be- 
teekenen : wieden, schoonmaken, gelijk afhakken; d6ro is: ffw&i stil is, wat 
Tlak is, een straat in zee, een doorgang tusschen de klippen. Ook kan zijn, 
dat gedacht is aan de open plek tusschen de koraalrotsen, die zulk een d6ro 
in zee vormt en de open plek in het bosch die de d6ro-//tuin// in het bosch 
vormt. Het Tern. gura beteekent : een plek, die zich van het andere onder- 
scheidt : een alleen staand groepje boomen , een eiland in zee , een open plek 
in het bosch en vandaar dus //tuin//. 

'* Bila, bira, zal wel het oorspronkelijke woord zijn. De anderen toch hebben 
een bijbeteekenis , het Qal. t a m o , beteekent Tob. //een soort potten waarin 
men de rijst kookt bij feestelijke gelegenheden. Tob., Mad. pin e, is gelijk- 
luidend met Tem. fine //zaad//, vergel. Mal. bênih, en ziet dus op het zaad, 
de korrel. Tob. B. en D. heeft ook //bira//. Het is geen wonder dat men rijst, 
die zoo licht schrikt, niet met den eigen naam benoemde. 

^* Dit lade is hetzelfde als lade //likken//. Tob. aAeme en dus daarvan afgeleid. 
Mad. hiikhiri, Tabar. iksi-èlsiri komt van Gal. d^si, Tob. A^hiri //slikken// 
en is dus daarvan afgeleid, zoodat wel ^kil als het oorspronkelijke woord be- 
schouwd kan worden. 

'* ^ Van dit woord ken ik de afleiding niet. Het is kennelijk een vervangwoord en 
zal wel een of andere ster of sterrenbeeld aangeduid hebben. 

?• Volgr. VI. 26 



Digitized by CjOOQIC 



386 



IETS OVKU DE TEÜNATAANSCU-HALMAHÈRASCHE TAALGROEP. 



Nederlandsch. ! Isam. 

\ 

70 kikvorsch | padèk 

71 slecht •'^« j tila 

72 zoeken ^' 

73 moeder ^^ 

74 vader 

75 broek 

76 braken 

77 steken 

78 steen 

79 droog 

80 bloem 

81 regen 

82 hand ! giam 



eja 

tjalana 

uguneng 

tbpak 

mamaliu 

dudung 



Tbloliku. 



dida 

sali 

eila 

ei ja 

tjelaua 

nguueng 

tbpok 

mamaling 

dudung 

sajal 



giam 



Oaléla. 

pêdëke 

torou 

sari 

awa 

b^ba 

tjalana 

ngunu 

tbpo 

tèto « <» 

dudu 

lèru « 2 

müura 

gia 



Löda. 



torou 
nbnu 
ina 
èma 



tbpoko 
sëleo 
duduDgu 
döpo *' 



i giama 



5' Hier zijn kennelijk twee grondwoorden, ira-ila en toröu, die ik nic 
tot ééu weet te brengen, ira komt nog voor in het Gal. als 'i'Stijf, vei 
stijfd// van eenig lichaamsdeel, dus wel met dezelfde beteekenis zoowa 
Het zou dus kunnen zijn, dat dit het oorspronkelijk woord is en torö 
een vervangwoord. Men heeft nog rbhu-rófu, iets snel doen, haasti 
doen. afroffelen, knoeien, vandaar zou kunnen torbhu, 's^het afg< 
knoeide , het slordig gemaakte , het slechte// , torbhu-torbfu kon worde 
toröu, door afslijting. Dit is echter niet meer dan een veronderstelling 

^' Tabar., Ibu, heeft ook sari ki. Voor dit sa lik, sari, vergel. Mal. tjari 
daar deze talen de neiging hebben een tj met een *-klank uittesprekei 
Lod. nbnu kan hetzellde woord zijn als Tobel. nbnu //een weg inslaan 
en gedacht kan dan zijn aan het aarzelende, zoekende, bij het inslaa 
van een weg in het bosch. Of misschien Tob. lingiri en Tob., Ten 
tik e. 't zelfde woord zou kunnen zijn? 

^^ Het Madol. , Tabar. èsa //moeder// beteekent Gal. //wijfjesvarken, zeug 
en Madol. dea //vader//, is Tobel. Aea //vaders broeder//. 

^* Merkwaardig is dat Tob. hier hal u era (vergel. Mal. saluar) heeft. Ve 
klaard wordt het echter doordat tjalana Tob. zou worden t j a a u 2 
het woord dat het telwoord //duizend// aanduidt. Het Tob. B. en 1 
heeft ook werkelijk voor broek tjaana, maar voor duizend ribuhi 
vergel. Mal. ribus. 

®" Dit zal wel een vervangwoord zijn, want het woord beteekent in h 
Tob. leem, een overgang tusschen zand en steen, zooals men dat ve 
vindt in rivierbeddingen. Daar nu de grond om het meer van Galè 
daar grootendeels uit bestaat, is het geen wonder, dat men de tèto, h 
//leem// waarop men woonde, als grond ging beschouwen en door //tètc 
een harder substantie aanduidde, dus //steen//. Het Gal. heeft echter voi 
rivier sëlèra, een woord dat geen der anderen hebben. Allen gebruikt 



Digitized by VjOOQIC 



ISTS OVES DE '1'EENAÏAANSCH-HALHAHEUASGHE TAALOROEF. 



387 



Tobèlo. 


Madole. 


Tabaru. 


Ternate. 


Tid 


popadèke 


popadé'e 


popadèke 




1 
1 




torou 


tika'u 


dorou 


ira 




lingiri 


kali'i 


tike 


tike 




ajo 


èsa 


èsa 


aja 




ama 


dea 




b^ba 




h&luëra*» 


sa^ana 


tja'aua 


tjalana 




mménge 


wunënge 


nganaua 






tèpoko 


tópo'o 




tbpo 


t6fo 


htlewo 


seleo 




mare 


mare 


dudungu 


dudungo 




btu •» 


ringa 


niaratana ^* 


p^'e«5 




saja 


saja 


iwana 


beha 




bèsa 


bóha 


?iama 


giam 




gia 


gia 



* water, groot water/y en dergelijke. Nu kan echter sëlè ra wel hetzelfde 

woord zijn als //sêleo-hele wo. Steeneu vindt meu in het binnenland, 

?ooral in het district Galèla, alleen in de rivierbeddingen. Zou meu dus 

•ie vindplaats der steenen, de rivier, den naam gegeven hebben van de 

steeneu, de hele w o, omdat men voor steenen reeds een naam had n.1. 

rèto? Het oorspronkelijke woord voor steen zal wel mal in-mare zijn, 

aangezien men nog tot heden alle samenstellingen met steen, daarmede 

%'onnt, en ook alle steeunamen daarmede noemt. 

Dit zal wel een vervangwoord zijn. Het begrip is //droog, uitgedroogd//, 

rooals van grond of rivieren; tël^ga gura i btu, vhet meer Gura 

zal droog liggen//. Zou dus dit ötu niet ^t zelfde zijn als h b t u //slapen// P 

Me dankt, de overgang van begrippen is niet groot. Ook Maleisch zegt 

men van iets dat droog geworden, verstijfd is, hard geworden klapperolie b.v., 

^^estold vet, //het slaapt//. 

Dit kau een vervangwoord zijn, aangezien het ook beteekeut: een pluim 

rot versiering van het haar. 

Waarschijnlijk van steken (zie N** 77), //datgene wat men in het haar steekt//. 

Wellicht oorspronkelijk een soort bloem. 

Dit kau zijn p^k e, //gebruik//, dat wat men gebruikt om het haar te versieren. 

Het woord komt meer als zoodanig voor. Echter ook wel //versiersel//, 

vergel. p^ke , versiersel , iu 't Mal. der Molukken gebruikelijk en ook Bare'e. 

Het eigenlijke woord zal dus wel sajal, saja zijn. 
Dit zal wel het oorspronkelijke woord zijn. Het komt ook Gal. en Tob. 
nog voorin pésa, pèhaka //natv. Het Gel. mnura, zou ontstaan kunnen 
zijn uit mura, //zacht, vriendelijk//, en dus: de vriendelijke, zachte, 
kunnen beteekenen. Tob. awana, vergelijk Mal. awan //wolk//. Dat men 
den regen, die men op reis wellicht vreesde, met een vervangwoord 
Qoemde, is heel natuurlijk. 



Digitized by VjOOQIC 



S88 



IETS UVEB DS TSttNATAANSOb-UALUAHÊKASCUS TAALGKOKP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


83 ei«' 


g6si 


84 broeden «7 


pblón 


85 oog 


lèko 


86 mond 


ulo7« 


87 hals 


ngbmas ^ * 


88 buik 


pbkëlo 


89 rug 


pbret7 4 


90 licht 


kinital 


91 schijnen 


si wal 


92 slang 


ngia 


93 schildpad 


fen'7 


94 zee 


gètói '« 



Tololiku. 



Galèla. 



Löda. 



bbro 
mbtu 



töunu •* 



Ihko 


lèJLO 


UPU 


uru 


tólo 




pbko 


pokoro 


dudu 


dudunu 


kinita 


ginit&ra 


siwa 




ngihia 


tómo "- 


ori 


ori 


ngöloto 


ngöloto 



gbsi 

pólöug 

lèko 

ulu 

ngbmas 

pbkel 

pörëti 

kinital 

si wal 

ngia 

fen 

ngólot 

• ' Het komt mij voor dat deze twee begrippen door twee woorden uitgedrul 
worden, n.1. g6si, gbhi //ei// en pblon, bbro, fbro ^broeden 
Dat de naam voor het //broeden// overgenomen wordt voor //wat uitg* 
broed wordt// , is zeker niets vreemds, en Gal. b6r o //ei// , is dan ook zet 
een vervangwoord , evenals /s-mbtu// broeden, dat eenvoudig beteekei 
//op den buik liggen//, en dus de houding van het broedende dier aai 
geeft. Het Gal. kent nu gbsi, als vervangwoord, men heeft toch zefc 
het woord, om een of andere reden vroeger weggelaten , want alle taU 
hebben nog voor eierleggen: gbsi, göhi, //eieren// dus. Het Gral. hee 
echter daarvoor puo //baren//. Misschien was het woord scheldwoord g 
wordeu voor //testes// zooals dat meer voorkomt. Het Tob. m ö d u k 
beteekent //langdurig, onafgebroken//, en geeft dus een eigenschap vs 
het broeden aan. Het woord b ö r o komt Tob. voor als : knop , bloemkno 
Het Tabar. gowoèuga beteekent //sago vorm//, en dus zal hier wel < 
broed warmte, en de warmte van den sagovorm bij het sagobakkeu, ( 
leidende gedachte geweest zijn. 

•" Dit woord weet ik niet te verklaren. 

®* Bobide v. d. Aa geeft hier op laan als neven woord. Hij zal dit echt 
wel verkeerd gehoord hebben en ik twijfel zelfs of liho, ook niet lèk 
moet zijn. 

'" Het is niet onmogelijk dat Tem. Tidor. mada, mbda het oorspronk 
lijke woord is, en dat ulu, uru, ^t zelfde woord is als Mal. u< 
juug //wortel// udju, //snuit//, het vooruitstekende. 

^^ Dit woord komt van wbma //ademhalen'/, en is ook in het Tobe 
ngbmaha //ademhalingswerktuig, strottenhoofd//. Of dus het woo] 
//hals// in deze talen weg is, weet ik niet, maar men heeft dit wooi 
gegeven als vertaling van het Tobeloreesche tb m ara //hais^. 

'* Het Tob. kent pököro in scheldwoorden, en als //onderbuik// meer nc 
als vliesstreek//. Tob. B en D hebben pbköro //buik//. Hoe men at 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVER DE TEENATAANSCH-HA.LMA.HÈRASCHE TAALGROEP. 



389 



Tobèlo. I Madole. 



Tabaru. 



Temate. 



Tidore. 



gbhi 


gbhi 


modaku 


gowoJ^nga 


Mo 


Wo 


ara 


aulu 


tomaia 


ngbmaha 


mam^ta '* 


pb'o 


{^rëte 


dudunu 


kinatara 


kinatara 


hiwara 


hiwara 


Jödiha 


ngia 


béne 


fène 


BgÓÓtO 


ngöbto 



bbro 


gbhi 


fbro 




likko 


lèko«» 


mada 


mbda 


tjama 


sikko 


cru '* 


cru 


dadu 


dulu 


nita 


sita 


ngohia 


ega'« 


ori 


ori 


ngblo 


ngblo 



mam&ta komt begrijp ik niet. In het Gal. beteekent mamilta //borst, 
boFststreek/sf , waarvoor de Tobelorees gebruikt o ale ma ngunungu, 
voordelijk //neus van den ring//, een zeer gezocht woord dus, waarbij 
men zich de borstkas schijnt te denken als een neus, staande op den 
ondersten ribbenring. Aanleiding tot deze kluchtige verwisseling was 
wellicht het reeds genoemde gebruik van pbköro als scheldwoord. 

' In het Bare'ë is /i'oru^ bodem, een beteekenis die wellicht met deze 
verwant kan zijn. 

^ Het is zeker vreemd, een woord dat zoo sterk lijkt op Mal. përut 
*baik/>' , hier voor //rug//, achter, gebruikt te zien. Of nu dit oorspronkelijk 
is, dan wel dudun, dulu, weet ik niet. Het Tob. heeft nog : o dudu 
ma hiri /^nieren// (feitelijk dus rugpijn). Duru, dat hetzelfde kan zijn 
als dalu, dudu, wordt ook gebruikt voor //achtereind van een prauw//, 
erenzoo turu, voor //volgen, achterna komen//. Vergelijk ook Mal. //turut//. 

' Dit vervangwoord beteekent Gal., Tob. //tegen iets zich opwerken, tegen 
stroom inzwemmen of roeien/r, waarbij dus een heen en weer gaande, 
wriemelende beweging gemaakt wordt, zooals de slang maakt bij het 
kruipen. 

Dit woord kan ontstaan zijn door omzetting: ngia, gia, iga, ega. 
Dat dit woord eenlettergrepig is, zou op de gedachte brengen dat het 
een vreemd woord moet zijn, maar het wordt gerekt uitgesproken, haast 
als fèën, zoodat het wel tweelettergrepig zijn kan. Echter is het een veel 
verbreid woord, want Bobide v. d. Aa geeft op: Misool fin, Tuburuasa 
feni, kapauer peni, Onin fèni, vergelijk ook Maleisch penjoe. 
Dit woord beteekent in de andere talen: zout, zeewater, zee dicht langs 
bet strand, en het is dus mogelijk dat de Isam, die geen groote zee- 
vaarders waren, het woord voor //zee// vergaten. Men vergelijke voor dit 
giisi, Bare'ë t^si, Sangir. s^si, Minahassa-talen ta^sik. Maleisch 
tèsik //zee^. 



Digitized by VjOOQIC 



390 



IETS OVER OG TEKNATAANSGU-HALMAUERASCUE TAALaROEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


TÓIoliku. 


Galèla. 


1 Lbda. 


95 vrucht 


sowok 


sowok 


sbpo 


sowoko 


96 vuur 


uku 


uku 


uku 


1 uku 


97 koorts 

98 slapen 

99 opstaan 


gögam 
nisu ®** 
momik 


gógam 
tjolok 
momik 


kiblü 
momi 


gbgoma 

kioloko 

1 momiki 


100 deur 

101 vorst 


ngölau 
kolan 


ngblang 
kolan 


ngbra 
kolano 


ngbrana 
kolano 


102 dronken 


ètol8 2 


ètol 


dalu 


j daluku 


103 kom 


sawok 


sauwok 


udo-udo * •' 


udomo 


104 waterbamboe 


loloang 


kiloan 


kiloha 


kilo&na 

1 


105 rook 

106 rooken (be) 

107 afbreken 


jowo 
wüuk «* 
tölak 


jowong 
wüuk 


dbpo 
dbpo 
tbla 


1 djowo 
djowo 
tèla 


108 hoesten 


tikit 


tikit 


tïiki 


1 tikiti 


109 urineereu 


bsis 


bsis 


hbsi 


bsisi 


110 afgaan 


öbk 


öbk 


hbho 


' hbko 


lllgezwoUeuziju 

112 weg 

113 vreezen 

114 vergeteü 

115 inhoud 


obbs 
tipak » « 
mbdong 
d^iblang 
di^a 


obbs 

ngèkom 

mbdong 

d^iblang 

de^ka 


dobo 

ugèko 

mbdo 

wbsa 

raba 


ngèkorao 
mbdongo 
wbdj^uga 



7» Het Tob. ü heeft sbfoko. 

*** Misschien dat dit woord hetzelfde is als idu, inde andere talen ^liggen 
liggen gaan//. 

»« Tob. B en D hebbeu kbSna. 

^^ Dit woord komt in geen der andere talen voor. Al de andere beuoemei 
vpalmwijn// en de uitwerking daarvan, met hetzelfde woord , (zie N** 59] 
Zou dus dit woord bij de anderen verloren gegaan zijn? 

®' Het Gal. heeft in afwijking der anderen voordrinken udo (zie N** 136) 
voor //kom/' udo-udo is dus daar niet onregelmatig. Het Tob. ken 
naast udo-udomo ook ha wek o //driuknap, kom//. Dit zal wel d 
oudste vorm zijn, en udo-udomo laler overgenomen voor //kom^ toe 
men die leerde kennen. In het Gal. is sawo //inpakken//, sasaw 
'/verpakking'/, o sbne ma sasawo //omhulsel voor een doode/^. Di 
is wellicht oorzaak, dat men sawo daar niet gebruikt voor //kom//. He 
Tob. heeft ook wel dit woord: hauo //inpakken'/, maar dit wijkt a 
van ha wek o. Het Gal. zou echter van sawok niet anders kunnei 
maken dan sawo, wat gelijkluidend zou worden met sawo ^inpakkeu/i 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVEB DE TEUNA.TAANSCH-HALMAHEBASCHE TAALGROEP. 



391 



Tobèlo. 



Madole. 



Tabaru. 



hohoko ' * 


howo'o 


uku 


1 u'u 


gbgama 


' gbgama 


kioka 


nisu'u 


momiki 


1 momiki 


Dgörana 


' ngó'ano 


koano ® * 


! 'oano 


dalaku 


dalu'u 


udo-udomo 


1 , 
sawoo 


iiloana 


1 "iloaua 


nèfo 


, dowo 


>bfo 


' nbfo 


toftka 


toa 


tikiti 


' ti'iti 


/ühilii 


fóhihi 


ihïo 


Ib'o 


^üboho 


doboho 


ügèkomo 


ugè'omo 


mbdongo 


módoDgo 


Tohinga 


ambngo 


dbta 


dodoa 



Ternate. 

1 


Tidor 


söfo 


sbfo 


uku 


uku 


, k6tu 


göbga 
btu 


momi 




ügara 
kolano 




{ safo 




kèimu 




fufu 




tèla 




kokèhe«» 




hsi 




hobu 




1 ngóko 
k61ofino»7 




lupa 8 « 
d^ha 





'* Weer een woord waarvan men zich afvraagt of het in de andere talen 
verloren gegaan is. Men zou de slotuitgang uk af kunnen leiden van 
aku ^vuur^, maar uku blijft uku, (zie N° 96). We hebben hier dus 
een woord dat de anderen niet meer kennen en zich dus behelpen met 
'Tookff in afleiding. Ook in de Minahassa-talen is wuwuk /^berookeu'/. 

'' Me dunkt, dit is niet anders dan het klanknabootsende kèhè, met de 
herhaling aanduidende reduplicatie van de eerste lettergreep. 

" Dit is eigenlijk een ander woord. Het komt ook voor Gal., Tob. t^p^ki, 
en beduidt //een aangelegde, gebaande weg//, terwijl //ugèkom slechts 
"een pad// beduidt. 

" Dit woord weet ik niet te verklaren. Het past niet bij de anderen die 
het ook geen van alle hebben. Wel komt voor Gal. koloko, Tob. 
köbko, //krom, gebogen, zich oprollen, van insecten//, koloko-ino, 
kolofino, zou dus kunnen duiden op een gebogen, angstige houding, 
maar dit is slechts een gissing van mij. 

'Niet onmogelijk dat Tem. hier lupa (vergel. Mal. lupa) nam, om niet, 
evenals Gal. voor twee begrippen, //ingaan// en //vergeten//, precies het- 
zelfde woord te hebben, zie N° 41. 



Digitized by VjOOQIC 



392 



IKTS OTKK DE TBKNATAANSCH-HALHAHÈSASGHB TAALOBOEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


TMoliku. 


Galëla. 


116 duiken 


tumunu 


tumun 


tumunu 


117 tellen | 


aoim 


biom 


èto»» 


118 leeren 


dbtok 


dbtok 


dbto 


119 hooren 


isen 


isen 


ise 


l&O schreeuwen 


poèlk 


poa 


ore»« 


121 geven»» 


kula 


kula 


hike 


122 broeder 


ilaug 


ilang 


hira 


123 zuster 


bila 


bilang 


bira 


124 oudere 


lAk 


lük 


ria 


125 jongere 


dodbt 


nongblu 


dodo»* 


126 opzetten 


tekbs 


tekbs 


sigbko » * 


127 verboden »• 


boson 


bbsong 


bobbso 


128 versch 


giau 


giau 


kiau 


129 droog 


dodbleng 


mbtjom »^ 


tolble 


130 vliegen 


sblo 


sblo 


sbso 


131 schub 


unèf 


unkf 


dungi » * 


132 duizendpoot 


ail. 


ail 


hai 


133 schepper i«» 


salim 


salim 


sari 


134 zeü 


sidet 


sidet 


side 


135 roer 


lilim 


lilim 


kamudi « « > 



**» Niet onmogelijk dat dit hetzelfde woord is als fèto, hèto, hètbngo, 
f è t b n g o //noemen , zeggen , opzeggen//. Vergelijk ook voor het woord (Mal). 
Il i tong //tellen//. Dat //zeggen// en //tellen// met hetzelfde woord benoemd 
wordt is niets wonders, vergel. Mal. bilang, dat ook die twee be- 
teekenissen heeft. Bij tellen wordt dan eenvoudig gedacht aan wat men 
al tellende doet: de cijfers //opzeggen//. Van het Tem. njonjbhi weel 
ik de beteekenis niet. De eerste lettergieep is geredupliceerd , en de be- 
teekenis zal dus zijn: het geregeld herhalen van iets. Of misschien de, 
zelfs voor Galèlareezen en Tobèloreezeu gruwelijk lastige uitspraak vat 
aoim, biom, oorzaak was dat het woord iu onbruik raakte? 

»" Het Gal. schijnt hier een woord te missen voor dit begrip /^hard 
schreeuwen//. Dit ore is waarschijnlijk alleen maar een schreeuwklauk 
vergel. Javaansch ore //hoera//! Het Tob. kent ook wel orëhe, maai 
alleen als //hard huilen ,- huilerig schreeuwen//*, niet voor //hard roepen '/ 

»* Nu ik dit woord bekijk, ben ik niet zeker of men mij niet verkeerd 
begrepen heeft, en eenvoudig gezegd heeft no ali: //gij huilt//. 
(zie No 158). 

»^ Hoe kula en ike tot elkaar te brengen zouden zijn, begrijp ii 
waarlijk niet. Ik denk dat we hier eenvoudig twee woorden voor dit 
begrip hebben. 



Digitized by VjOOQIC 



inS OVCa de TIBNATA4N3CH-HALI1AHERA.SCHK taalgkoep. 



393 



LMa. 


Tobèlo. 


Madole. 


Ternate. 


tam una 


tumunu 


tumunu 


turn 


ètongo 


ètongo 


dbiimi 


njoujohi 


dbtoko 


dhtoko 


dbto'o 


d6to 


isëne 


ihëné 


ihëne 


iee 


poaka 


poaka 


no ali • * 


torara 


ike 


ike 


ula 


hkka 


iritnga 


hiriinga 


ilèlnga 


hira 


birènga 


biAnga • « 


bil&nga 


fira 


ririaka 


riaka 


lia'a 


njira 


QODgoru 


dbdoto 


dbdoto 


nongoru 




higóko 


obdëu 


sigóko 


bèhouo 


bbhono 


bóhono 


fbBO 




giau 


girau 


kiau 


tolblënge 


döólënge 


döblënge 


tolble 


aèro 


hbho 


hbho 


sbro 


dnngiri 


unaha • • 


unaba 


dungi 


aili 


aili 


aili 


hai 


sarimi 


harimi 


halimi 


san 


sidête 


hidête 


hidëte 


side 




ririmi 


lilim 


ngongudi 


'' Tob. B en D 1 

»♦ Ont Oal. hftftft 


lebben hier : firèn 

n n 11 er ^ ril 7.p1ffl ïa 


ga- 

hpit fllcrp.nriAAn crp.hrn 


ilrAliilr . fprwiil ik 



geloof dat dbdot, juist niet zoo heel veel gebruikt wordt. 

Gal. y Tob., Tern. hebben hiervoor een causative v«rm van 5ko //overeind 

staan, staan ^ , dus: //doen staan//. Ik zou echter zeggen dat Is., Tolol., 

Mad., hier bepaald een ander woord hebben, waarvoor ik in de andere 

talen geen equivalent vinden kan. Het schijnt, dat hier dus weer een 

woord verloren gegaan is. 

/'Verboden*' in den zin van //heilig, ongeoorloofd//. 

Dit woord maakt hier al een heel wonderlijk figuur. Misschien is het 

met de andere woorden overeen te brengen, maar ik weet niet hoe. 

Duugi, dungiri is een klein zoet water baarsje, dat er nogal sterk 

geschubt uitziet, en de verwisseling zal wel hierdoor ontstaan zijn. Ook 

het Tob. heeft het woord dungiri, en gebruikt het haast evenveel als 

unaha. 

Tob. B en D hebben unafa. 

"Schepper// = roeriem , //p e n g a j o e n g// . 

Het Gfal. heeft het woord //riri// wel, v. Baarda geeft op siriri 

(causatief dus) //voorgaan , een voorbeeld geven//. Gedachtelijk is dit dus 

met //sturen , roer// wel verwant. K a m u d i houdt zeker verband met 



Digitized by VjOOQIC 



394 



iKTs ovëu de tebnataansgh-halmahèraschb taalgkoep. 



Nederlaudsch. 



Isam. 



Tbloliku. 



Galèla. 



136 drinken 


: bkëre 


; bkili 


1 udoio^ 


137 doen»«* 


dièli 


di&i 


^ka 


138 ^ud 


ingiri 


ingiri 


ingi 


139 scherp i"^ 


dbto 


mkngon 


döto 


140 kaap '«^ 


doi 


doi 


, döto 


141 wang ««• 


gotoaka 


goto^k 


ngingiti 


142 aanwijzen 


simktok 


sim^to 


simane * •* ' 


143 rechts 


gunila 


gunilaka 


girina 


144 lang 


kulut 


kulut 


kuru 


145 kort 


-tipbko 


tjipbko 


timisi '«» 


146 hoeveel 


malo 


moluo 


moruo 


147 lenden 


golbna 


golbna 


goröna 


148 lever 


; gjLtil « 1 1 


gite 


gite 



het woord udi '/achter, achterplecht van de prauw/ , Gal., Tern. Ver- 
gelijk Mal. kam udi, volgens lUinkert, (Mal. Woordenb.) komende 
van Jav. udi //achter//. Ook het Tern. ngongudi is van dat udi 
gevormd, maar nog meer rechtstreeksch , of beter grammatisch, de 
kamudi . 

*"2 Waarom Gal., Lod. hier van het algemeen gebruikelijke woord afweken 
is moeilijk te zeggen. In Gal. is óke nog als vervangwoord in gebruik. 
Ook is geen afleiding van udo te vinden, tenzij dan dat het gewoon 
beteekene : //een mondje maken, een snuit zetten//, zooals men doen 
moet om te drinken. Wanneer men het woord uitspreekt, zet men 
onwillekeurig de lippen wat vooruit, dus is het mogelijk dat hierin de 
beteekenis //drinken//^ zit. 

***' Het Mad. heeft ook //auëre//. 

^^* Het komt mij voor dat tusschen deze woorden voor //doen, makeu^/ , 
en de naam voor het hoofdgereedschap //mes, kapmes'/, verband bestaat. 
Voor //kapmes// hebben Isam, Tobol. , Tob., Mad. dia (zie N** 30). 
Dit zou dan natuurlijk van diai afgeleid moeten zijn, want men zal 
toch wel eerst wat gemaakt hebben en toen wat uitgevonden om het 
beter of vlugger te doen. Het Gal., Lod., Tern., die andere woorden 
hebben voor //doen//, hebben die ook voor //kapmes//: taito, tipu, 
peda. Echter heeft het Tobeloreesch voor //mes'/ gèikana, zeker ver- 
band houdende met ^ka, èikana. Het Gal. heeft ook wel diiihi, 
dièii, tiki, in den zin van //heel goed doen, netjes doen, etc.//. 

'"^ Dat tusschen deze twee begrippeii een rechtstreeksch verband bestaat is 
duidelijk, het scherpe van een mes, wapen, en het scherp uitstekende 
van de kaapjes op Halmahèra, is gedachtelijk natuurlijk verwant, 
temeer, omdat men ook de snede, de spits van iets, met hetzelfde 
woord benoemt. Men zie nog N® 118 //leerenv, dat ook luidt //dbtok. 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVÏE DB TBKNATAANSOH-HALMAHEEASCHE TAALÖEOEP. 



895 



Lbda. 


Tobèlo. 


Madole. 


Ternat 

1 


udomo 


bkëre 


bkële '«» 


6ki 


^kana 


! diai 


dièii 


1 golkha 


ingiri 


1 ingiri 


iliug 


ingi 


dbto 


dbto 


dbto 


m^ugo 


dbto 


dbto 


dóto 


dèhe 




gotoaka 


gotoa 


gotóla 




himiLtoko 


himaiti 


sibiLi 


giniraka 


luraka 


güida 


gonjira 


kuratu 


karuta 


gauru 


gilaio8 


totiawo 


j polulu 1 » » 


tipb^o 


; pödo 


moruöno 


moruöno 


muluo 


rau 


goróna 


, gorbua 


; gorèua 


1 gonora 


g^te 


; gite 


gi^te 


i g^te 



lu9 
I 10 



dbto. Ook dit is, dunkt mij, hiermede verwant, en het grondbegrip 
is dan //indringen // , het scherpe in hout, de kaap in zee, het verstand 
in 't nog niet gewetene. Echter komt het me voor, dat wel, door ge- 
lijkheid van gedachte, de woorden overgegaan zijn, maar toch oor- 
spronkelijk gescheiden waren : mèlngbn, mèlngo //scherp// , dbto, d o i 
//kaap//. Hoe het Tern. komt aan dèhe, begrijp ik niet, of het moest 
zijn dat het een vervangwoord is. Het beteekent Gal., Tob., etc. 
^halen , bereiken// , en kan dus ook zijn : de punt die men op zee tracht 
te halen of te bereiken, ergo //de kaap//. Hiervoor is aan te voeren, 
dat Tern. voor dèhe Afhalen//, heeft bro, (zie N® 56). 
Het woord beteekent ook //kaak//, eveneens //witte papagaai// (aan 
welks bek de wang zoo sterk te voorschijn treedt, eveneens de kaak). 
Voor het laatste heeft ook Gal. gotbla. Gal. ngiugiti, zal 
dunkt me, komen van ingi, //tand//, en zijn //datgene wat de tanden 
bedekt/;^. 

Waarom Gal. hier een ander woord heeft, evenals Tern. en Mad. 
begrijp ik niet. Het woord mat o komt heelemaal niet voor. Man o, 
bai, beteekent ook //vrijen//, maar hoe deze twee begrippen elkaar 
zouden dekken, begrijp ik niet, of het moest zijn, dat bij //vrijen// 
gedacht wordt aan het //toonen// van liefde. 

Dit woord beteekent in de andere talen //recht uit, recht door// en is 
dus door deze beteekenis wel begripsverwant met de andere woorden. 
Dit woord beteekent Tob. //ouder, onderaan//. 

Dit beteekent in andere talen //rond//, en is dus een vervangwoord. 
Tob. B en D hebben tipbköro. Dit zal in het Tob. wel verlaten 
zijn, omdat het zooveel gelijkt op tili-pbkoro //bloote onderbuik//, 
een veel gehoord scheldwoord. (Zie ook N® 88). 
Vergelijk Mal. hati. 



Digitized by VjOOQIC 



396 



IETS OTEB DE TBKNATA.ANSOH-HA.LMAHEKASOHE TAALGBOEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


Tbloliku. 


Galèla. 


149 medicijn 


söuln 


sou 


sou 


150 verzoeken 


galoko 


galok 


gblo 


151 vragen 


sano 


sano 


sano ' 


152 ziek-zijn 


sisili 


sisili 


siri 


158 tot aan 


adon 


adono 


ado 


154 bloed 


aulu 


auen 


au 


155 beenderen 


kóbong 


kbbong 


kbbo 


156 wegloopen. 


leal-leal 


leleal 


16da 


157 omvallen 


luba 


luba 


ruba 


158 weenen 


ali 


ali 


ari 


159 langzaaia 


memëneos 


memëneos 


mèhe-mèhe 


160 moeten ii« 


sinófu 


kiani 


bilasu 


161 niet anders kan- 


singbfu 


singbfu 


malainkan 


nen dan * * • 








162 kanarienoot 


nial 


njial 


nia 


168 kokosnoot 


. igono 


igon 


igo 



* » * Waarom Tob. hier een geheel ander woord heeft , begrijp ik niet. Het 
Tob. B eu D gebruikt gewoonlijk gkhoko, ^t zelfde woord dus als 
voor ^/verzoeken//, ook een vervangwoord , een bewijs dat men daar 
ook sano uitgeworpen heeft. Waarom men het verliet, weet ik niet. 
Het woord hèlnongo beteekent //kleinzoon/r, maar dit is in het Gal. 
ook het geval, en daarom is het dus niet verlaten, dunkt me. Ik ken 
ook geen verwant woord voor lèha, dat op het spoor zou brengen, 
hoe men er toe kwam, dit woord als vervangwoord te nemen. Het is 
kennelijk hetzelfde woord als Tern. IJlhi //verzoeken//, maar dat maakt 
de zaak niet veel duidelijker, want daar schijnen voor beide begrippen 
ook wel ver vang woorden gebruikt te worden. 

^^^ In het Gal. is gbla /j' oorsprong , aanleiding//. Tob. goa en gogbla 
kan dus zijn //voortdurende oorzaak der kwaal of ziekte// , en zoodoende 
tot vervangwoord geworden. 

' * * V. Baarda meent dat de bewoners van Lolbda dezen vorm zouden 
hebben gekozen voor //wegloopen//, en niet loda als de (ïalèlareezen , 
omdat dit woord een minder aangename beteekenis heeft. Ik kan die 
meening niet deelen ; djbdjara is heel regelmatig, alleen Gal. heeft 
16 da, ook niet onregelmatig, maar ik betwijfel nu toch of de naam 
Lolbda voor het district, en L6da, zooals de bewoners zich, en 
hun land noemen, wel iets met //wegloopen// uit te staan heeft. De 
Tob. vertalen trouwens L6da met bdara, niet hetzelfde als cara 
>/ wegloopen//. Verhalen daaromtrent kan men gerust op rekening van 



Digitized by VjOOQIC 



afla OTS& DE TERMATAANSOU-UALHAHÈSASOHE TAALOBOKF. 



397 



Lbda. 


Tobèlo. 


Madole. 


Temate. 


soara 


höuru 


höulu 


sou 


gbloko 


gèLhoko 


gJdio 


Mi 


sano 


leha ' » 2 


sano 


ginado 


siri 


hiri 


sau'u 


gogbla^i' 


adono 


adouo 


adono 


ado 


auua 


auënu 


auënu 


awo 


kbbougo 


kbbongo 


bbongo 


öbo 


djodjara^i^ 


oara 


loa 


laba 


ruba 


ruba 


luba 


ruba 


ari 


ari 


ali 


ari 


mèhe 


bole-bole » « "^ 


menëóho 


mèhe-mèhe 


bolasu 


kiani 


^iani 


misteer 




halingóhu " ^ ' 


hingbfu 


malainkan 


njiara 


niara 


nia 


ujia 


igono 


igono 


igono 


igo 



stammen-naijver schrijven, dunkt me. Was het een scheldnaam, dan 
zouden ze zeker zichzelf daar niet mede benoemen. 

' * '^ Dit woord beteekent Tob. ook : //zacht van substantie , zwak van 
lichaam, enz.//, en verder //pisang//, of: in de eerste plaats //pisang//, 
want de zachtheid der rijpe pisang zal wel het woord hebben doen 
overgaan voor //zacht//, en vandaar op //langzaam// is een kleine 
schrede. 

'* Beide woorden drukken een //moeten// uit, maar het tweede nog iets 
sterker dan het eerste. Het is zooals malainkan op Ambon gebruikt 
wordt : //alleen slechts moet het zoo , het kan niet anders dan zoo , het 
kan niet, dat het niet gebeurt//. In een bijzonder geval dus het sterkste 
moeten, de sterkste noodzakelijkheid uitdrukkend. Met het eerste vormt 
men meer in het algemeen //de gebiedende wijs//. 

Of Isam sinbfu en singbfu niet hetzelfde is, weet ik niet zeker, 
maar denk het wel. Ik zal wel een van tweeën verkeerd opgeschreven 
hebbeu. Gal., Lod., wijken sterk af, biliLsu, bolksu is toch zeker 
een ander woord dan kiani; malainkan komt Tob. ook wel voor, maar 
niet heel veel. Voor het eerste begrip kent Tob. nog een tweede woord 
/^marai//, ook in 't Gal. bekend. 

Voor Tern. misteer, vergel. Jav. mësti, pësti, verbasterd Mal. 
moesti en misschien het in 't Ambonsche gebruikelijke mester, 
verbasterd HoU. meester. 

^'' Dit is de langere vorm, maar ook wordt gebruikt: hingbhu. 



Digitized by VjOOQIC 



398 



IETS OVER DK TKKNATAANSCU-HALMAUÈKASCHS TAALOfiOEP. 



Nederlaudsch. 


Isam. 


TWoliku. 


Galèla 


164 waaierpalm 


wbkal 


wókal 


wbka 


165 sago 


ètok 


ètok 


peda 


166 sagokloppen 


j walo 


walo 


halo 


167 bosch 


bbngau 


bbngan 


pónga 


168 slaaf 


; falalöm 


doan * 2 2 


gil&lo 


169 wind 129 


: gagi^l 


gagil 


paro 


170 warm 


sasaa 


sasaak 


sèüiu 


171 dakspar 


litólaki24 


litblak 


tbra 


172 sagoblad steel 


1 kbbaU^s 


kbbal 


uto 


178 suikerriet 


ughk 


ugük 


uga 


174 olie 


1 golöl 


gogbl 


gosbso 


175 plank 


iwang 


iwang * 2 7 


ifa 


176 touw 129 


gumin 


gumin 


gumi 



1 * ^ Ik denk haast dat het woord een vergissing is, en moet zijn hal i mi 
/^roeispaau// (zie N® 133) en dus een vervangwoord , gegroud op den 
vorm der bladeren. 

11* Tob. B en D hebben ook kètoko. Het is wel merkwaardig, dat men 
voor zulk een hoofdvoedsel afwijkende uameu heeft. Het woord peda 
schijnt anders wel als naam voor //sago// verbreid te zijn. Men denke 
aan het, ook in H Ambonsche algemeen gebruikelijke, popeda 
//sagopap'/. 

12» Het Tob. B en D heeft fëlèta. Overigens is dit een afwijkend woord, 
dat echter wellicht verband houdt met Gal. lèta //splijten//, eu dus 
heeuwijst op het //splijten// van den sagostam, dat het //kloppen// voor- 
afgaat. Voor //splijten// heeft Tob. nu niet meer //lèta// maar een ver- 
vangwooid wellicht: bëlèka, 't geen deze afleiding staven zou. 

121 Tob. B en D hebben fbngana. 

122 Het is merkwaardig, dat deze woorden dezelfde zijn, als Gal. doa, 
Tob. doüna //schelden//. Is dus //schelden// geweest : //iemand //een 
slaaf// noemen//, als de hoogste beleediging die men hem wist aan te 
doen, hï heeft men juist een slaaf aldus benoemd, omdat men vrijelijk 
tegen hem schelden kon ? 

12.3 Weinig overeenstemming omtrent zulk een gewichtig natuurverschijnsel. 
Hetzelfde zien we omtrent //regen// (zie N* 81). Te verwonderen is het 
natuurlijk niet, dat men zeevarend geworden, voor zulk een gewichtige 
zaak vervangwoorden ging zoeken. Het Lod. wuwulu komt van wuwu 
//blazen//. Tob. hidaloko is een causatief van taloko, misschien 
//uitwaaien//. Wellicht g&g&l het oudste, maar paro-kore? Met kore 
benoemt men in alle talen de twee hoofdwinden. Noorden en Zuiden- 
wind. 



Digitized by VjOOQIC 



IBTS OVBK DE TEENATAANSCH-HALMAHKUASCHÏ TAALGROEP. 



399 



Lóda. 



Tobèlo. 



Madole. 



Ternate. 



wèka 


1 

wèka 


haliwi 1 » « 


wèka 


kètoko 


peda i » » 


'ètolo 


huda 


wëlèta 


hëlèta i2« 


aio 


halo 


wöngana 


hóugana * ^ * 


bbugana 


bèluga 


gilalongo 


gilaoQgo 


doana * « ^ 


falalöm 


wuwulu 


hidaloko 


tado^o 


kore 


sèu 


hauku 


sau'u 


sahu 


tbraka 


litbraka 


tóra 


totara 


utóngo 


utóngo 


utbngo 


giba 


ugaka 


ugaka 


uga 


uga 


godjoro 


gbhaka»2« 


göbro 


gorbho 


iwènga 


aoto » 2 8 


aoto 


ifa 


gumiui 


gumiui 


gumini 


gumi 



Het voorvoegsel li schijnt iets wederkeerigs aan het woord te geven. 
Ik ken er niet veel voorbeelden van: litóraka vau tb ra ka «'drageu// 
^dat wat vau de eene balk op de andere balk draagt// eu ook litauru 
"uitstrekken//, dat, //wat van het eene eind tot het andere zich uit- 
strekt//. 

In het Gal. en Tob. komt ook dit woord voor kbba, kbbara, echter 
niet als //sagobladsteel// maar als //arenpalmbiadsteel//. Mogelijk, dat die 
vroeger den dienst deed, die nu de '/sagobladsteel// doet, en dat men, 
nieuw, beter materieel leerende kennen, dit een nieuwe naam gaf. Ver- 
gelijk ook Mal. g^ba-g^ba. 

Dit woord beteekent eenvoudig; />het gare, het gekookte//, afgeleid van 
öhaka '/gaar// en ziet dus op het bereiden, het koken der klapperolie. 
Het woord voor "olie// schijnt hier dus weg te zijn. Het klinkt nogal 
komisch nu b.v.b. voor petroleum, te hooren : o tbnaka ma gbhaka, 
letterlijk //het gare uit den grond//. 
Tolol. kent ook aot. 

Het Tob. kent ook nog ih^nga als //opzetpl anken// in de prauw, die 
op de kiel gezet worden. Het woord aoto komt voor: aoto Tem. 
Gal. awo //matroos//, o ngbtiri ma aoto //opvarende van de 
prauw //. Oorspronkelijk zullen er dus wel twee woorden geweest zijn : 
iwang, ifa, overlangsche planken der prauw, en aot, aoto //dwarsche 
dito's/' . Bij de meesten heeft zich iwang het burgerrecht veroverd , 
bij Tob. Mad., ik meen ook bij Tabar. is aoto het algemeene woord 
geworden. Het klinkt nu wel komisch de opvarende de //planken der 
prauw// te hooren noemen, maar oorspronkelijk zal het wel geweest zijn: 
/'degenen die op de dwarsplanken zaten, om te roeien//. 
Dit woord touw, beteekent ook /^boschtouw, liaan// in de meeste talen. 
Het Tob. heeft voor //gedraaid touw// nog ligihi, Isam ligis. 



Digitized by VjOOQIC 



400 



IETS OVEB DE TEBNATAANSGH-HALMAHÊ&ASGHE TAALG&OEP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


Tbloliku. 


Galèla. 


177 opbeuren 


golak 


tidëe»»» 


tide 


178 alang-alaug gras 


kusum 


kusum 


ngüusum 


179 aausteken 


tüuk 


tüuk 


tupu 


180 rijstblok 


lusengi»» 


lusing 


lusu 


181 rijstplukken 


utuk 


utu 


utu 


182 wortel 


ngutuk 


ugutuku 


ngutu 


183 bijP»« 


dam&kono 


dam&kon 


bèsu 


184 groot (omvangrijk) 


piko 1»* 


lal^om 


lego 


185 blind 


pilök 


pilók 


pilo 


186 staak 


bèlos 


bèlos 


bèlo 


187 eiland 


nüis 1 « ••* 


nüis 


gura ma ngöps 


188 lang (van duur) 


kil^ng 


kilan 


tèka 


189 afgeloopen 


bolot 


boloto 


bMo 


190 bevelen 


sulok 




sulo 


191 breed 


ngoata 


ngoat 


ngbha 


192 zuur 


kibpik 


tjaka ï-^» 


kibpi 


198 palmwijn tappen 


pebto 


pebt 


tiha '•»» 


194 zooeven 


kano 


kano 


kkngano 


195 graven 


pait 


pajaki 


puai 


196 groente 


uga 


uge 


gagkhu 


197 rijp 


ómuk 


bmuk 


hmu 



" ® Ik vermoed dat deze woorden vervangwoorden zijn , afgeleid van i d e - 
ij e // omhoog/J'. 

i'« Tob. B en D hebben tufuku. 

1.12 Vergelijk Mal. lesoeng. Het Tem. woord dodutu komt van tutu 
//stampen^, //dat, waar men in stampte. 

' •' •' Het verschil tusschen deze woorden is nogal sterk. Daar hier een 
ingevoerd voorwerp benoemd wordt, is dit niet vreemd, daar elk dat 
wellicht noemde naar de taal van hen van wie men het kreeg. 

^^* pkko is ook in 't Gal. en Tob. bekend, maar alleen in de beteekenis 
van /ygrof, dik// in tegenstelling van fijn, nooit voor /«'groot, om- 
vangrijk//. 

^^^ Misschien hetzelfde als Javaansch noesa //eiland//. Het district Galèla 
heeft geen eilanden, en had er dus ook geen naam voor. Het gebruikt 
dus het Tem. gura ma ngbpa /^kind van den tuin//. Dit zal wel 
beteekenen //klein tuintje//, om de kleinere eilandjes hier en daar om 
Ternate heen, aan te duiden. Het oorspronkelijk woord voor /i'eiland// 
was wellicht gura (zie N® 65), maar met dien naam zal men wel de 
grootere eilanden //Temate, Todore, Batjan , benoemd hebben, en 



Digitized by VjOOQIC 



UTS OT£K OE TXBNAT^AirsOH-UA.LUAHllKASOHl:: TAALe&OEF. 



401 



LMa. 


Tobèlo. 


tède 


gbraka 


ngusumu 


ngüuhumu 


tupuka . 


tuhuku ' ' 1 




luhungu 


Qtaku 


atuku 


ngutaku 


ngatuka 


bèdjiku 


bahuku 


l^mo 


ègomo 


piloko 


piloko 


bèloho 


bèloho 




nühu 


tókana 


dékaua 


töloto 


bóto 




huloko 


ngoata 


woata 


bpiki 


gibhiki »»» 


peöto 


hebto 


k^ngano 


k^DgOQO 


ff^iti 


hèliti « * « 


gaaku 


gauku «*2 


omuku 


bmuku 



Madole. 


Ternate. 


gb'a'a 


tède 


Dgüahum 


kusu-kusu 


tu'u 


taba 


luhanga 


dodutu 


utu'u 


. utu 


nguta'u 


utu 


pèta 


tamkko 


lalègomo 


g^ku 


piloko 


pilo 


bèloho 


bèlo 


nuhu 


gura ma ugbfa 


déVai»« 


rbro 


diwJiugo * ' ' 


maraa 




sudo 


ngoata 




ópi'i 




pebto 


tifar 


'a'ano 




pidti 




uge 




ómu'u 





langzamerhand het eigen land niet meer als '/eiland^/ benoemende, zal 
wel alleen de naam eilandjes, voor de kleintjes overgebleven zijn. 

^'^ Misschien saamgetrokken uit den verleden tijd //dékanbka//. Het Tem. 
rbro is kennelijk een geheel ander woord. 

^' Hier begrijp ik niets van, evenmin van 't volgende woord. 

'-Natuurlijk een vervangwoord , tjuka ^azijn// in het Tobel. , ook in 
het Mal. Het Tob. kent het ook in de beteekenis vzunTv als wisselwoord. 

" Het Tob. B en D hebben //gibfiki//. 

'*'^ Het Gal. heeft wel bewo '/heel dun een laagje van de bloemstengel 
afsnijden// , zooals men dit geregeld moet doen , om het vloeien niet te 
doen ophouden. Kennelijk is dat hetzelfde woord als peot-peoto. In 
het Tob. beteekent tiha //vallen van kleine voorwerpen, drappels b.v.b.'/, 
dus zal het hier Gal., Tem. wel een vervangwoord zijn, waarbij het 
druppelen vaa de palmwijn in het vat, als naam voor de heele be- 
werking in gebruik is gekomen. 

'^' Het Tob. B en D hebben faiti. 

*- Tob. B en D hebben ook uge. Èn uge, èn gaèlhu, gauku zijn 
soorten van groenten, die het algemeen begrip weergeven. 
7* Volgr. VI. 27 



Digitized by VjOOQIC 



ioi 



lE'rS OVEE DE 'rBaNATAAN9CH-HALHAHèBA.S0HE tAALe&OSP. 



Nederlandsch. 


Isam. 


198 gaar 


gblak 


199 toawdraaien 


foriki»*» 


200 rijstplanteu 


tuduk 


201 boom vellen 


teiug 


202 behakkeu 


pkkol 


203 splijten . 


tewael 


204 afvallen 


btak 


205 hard 


togowin 



TMoliku. 



206 zacht 

207 morgen 

208 borstpij n 

209 snijden 

210 ademhalen 

211 slikken 



raeneos 

kailoa - ^ * 

tag^l 

luit 

wbmasa 

^il 



gblak 

wowèlkol 

tudu*k 

tekng 

p^kol 
tèiga^45 

tiwa **' 

togowin 

memenios 

dëwèla 1^2 

tagil 

lui 

wbmas 

j^i 

en is dus natuurlijk 



**' Dit woord beteekent in alle talen //verdraaien'- 
hier een wissel woord. 

^** Het woord tuduk, tuduku, tudu beduidt //steken met een lang 
voorwerp, en duidt het steken der gaatjes aan, dat noodzakelijk is voor 
het rijstplanteu. Het Lod. is het eenige, dat een ander, mij overigens 
onbekend woord heeft, voor deze handeling. Wel heeft Lod. ook 
tuduku, maar alleen in de beteekenis //steken//, terwijl het voor 
//rijstplanteu// niet gebruikt wordt. 

*** Men vraagt zich af of dit geen wissel woord is, evenals Madole p&ga. 
Het is waarschijnlijk hetzelfde woord als N® 208 t&gal-tkga //borst- 
pijn". Madole heeft ook daarvoor een afwijkend woord. Het met 
//borstpijn// vertaalde woord beteekent bepaaldelijk //pleuritische pijn, 
steken in de borst//, dus ligt de overgang van gedachte van //splijten 
in de borst//, tot //werkelijk splijten//, nogal voor de hand. 

»•*• Ook dit zal wel een wissel woord zijn. Volgens N® 166 heeft Tob. 
voor //sagokloppen// een wissel woord gevormd van lèta //splijten//, en 
het is dus niet onwaarschijnlijk dat lèta daarom voor //splijten// zelf 
niet meer dienen kon. Dit bèlaka kan komen van bëlèka //balk, 
schouder//, en dan zijn //dat wat gespleten was//, maar meer waar- 
schijnlijk van bëlèlaka //mager//, vanwaar de overgang op iets wat 
gespleten wordt, en dus //dun// wordt, niet ver is. 

**' Dit woord beduidt //afvallen, vallen van een klein voorwerp, een 
druppel b.v.b. , een vrucht//; 6 tak beteekent //het vallen van iets 
groots, een mensch, een tak// en dergelijke; tiwa komt ook in andere 
talen voor. Tob. tiha. Tob. B tifa. Gal. tiha //palm wijn, tappen//, 
vergelijk ook Mal. tiba //plotseling voor den dag komen//, en Jav. 
tiba //vallen//. 



Digitized by VjOOQIC 



IXTS OVEIl DK TEKNATAANSCH-HALHAHÊltASOHB TAALOKOKF. 



403 



Galëla. 


L6da. ' 


b^ 


bdjaka 


wkko 


w^ko 


tudu 


tu^ka»*4 


tJkla 


tódj^uga 


p^ko 


p^koiio 


lèta 


lèta 


dota 


tuëre ï4« 


tf)göi 


gogöiiii 


müodu 


iDumudjutu 


lU cfinitaasa ^^^ 


alimoka^s* 


t^a 


%a 


lui ^^^ 


luiti 


vbma 


ugbinasa 


dk^^i 


lola 



Tobèlo. 



Madole. 



bhaka 

w^ko 

tnduku 

tó^.&nga 

p&koro 

bèlaka «4« 

ótaka 

togowini 

bole-bole ^*« 

iarëhe 

%a 

luiti 

wbmaha 

A^hiri 



gbha'a 

w^'o 

tudu'u 

tódikiiga 

pèl'^aro 

P^a 

óta'a 

gbpiui 

mamai * * ^* 

dëwèla 

tugama 

bmaha 
èlhili 



S 1 



*** Dit woord is waarschijnlijk hetzelfde als Tob. tuhëre, Tob. B. tufëre 
«iets langs in twee deelen deelen, een plank of balk doorzagen, etc.// 
Daarvan komt echter voor: ma duduhëre //een gevallen beslissing, 
een eindoordeel//, (denk Holl. //den staf breken //), en daar zou het van 
afgeleid kunnen zijn. 

** Men zie hierover N® 159. 

'** Tob. komt voor: mai ^verwelkt, slap geworden// van bloem of blad, 
eii dat zal dus wel hetzelfde woord zijn als dit. 

Dit woord begrijp ik niet. Het woord beteekent : //den volgenden dag// 
niet /s^het begin van den dag//. Waarschijnlijk staat het in verband met 
loa, Ibha, ba //goed//, b.v.b ka-i-loa //het is maar goeiff. De 
oveigang van //goed// op //licht// is niet groot. Dit is echter slechts 
een gissing. 

Dit kan wel komen van wëlinga, hëlinga, fëlinga //opendoen//. 
Dit beteekent: >/als het weer licht is, het toekomstige licht zijn//, 
evenals Tob. dat ook wel gezegd wordt: iarëhe iLha //als het weer 
wit, licht, wordt. 

Dit zal wel komen van halimi //roeien//, evenals Tob. B. heeft 
ngbrumino //'smorgens vroeg, zonsopgang// van hbru //roeien//, dus, 
als de zon roudgeroeid is, of, boven de kim geroeid is. Dat een hemel- 
lichaam roeiende voorgesteld wordt, als een vaartuig, is niets vreemds, 
men vergelijke slechts: //Tontemboansche teksten// door Schwartz. 
^Aanteekeningen// N® 106, bladz. 109. De maan is daar het hemelsche 
vaartuig geweest. 

Het woord beteekent Gal. alleen //vioolstrijken//, niet //snijden//, maar 
de idee is toch dezelfde. 



Digitized by VjOOQIC 



404 



IETS OVtó Dl TKEKATAANsOH-ltAtMAHfeEASCHE l'AALOtU)EP. 



Nederlandsch. 



Isani. 



Tbloliku. 



212 hartspier 

213 leven 

214 uagel 

215 breken 

216 vlieg 

217 uitspansel 

218 staan 

219 mager 

220 overmorgen 

221 pan 

222 roepen 

223 kruipen 

224 vegen *« 

225 schenken * • * 

226 stelen 

227 planten 

228 heet ««* 

229 waringin > • » 

230 uithangen, drogen 



161 



puo 


puo 


wJLngo 


wJLngo 


gitiwili 


gitiwi 


tobik 


tobik 


güul 


güul 


liw&ug 


diw&ng 


tekb8>«« 


tekbs 


pëlélèlk 


pêdëd^k 


modidika 




bosbk 


b&sok 


alok 




tak 


tale 


palis 


sësèsal 


dabas 


dabaas 


tMik 


tblik 


d^tom 


d&tom 


sïis 


sawko 


basalaan 


basalan 


wbil 


wóïil 



^** Dit is een vervangwoord , dat in de andere talen alleen beduidt : de 
niet verder opengaande punt van de bloemkolf der bananen. Wellicht 
liet men het woord puo, hu o, fuo, varen, omdat Gkl. buo, puo 
ffhurenv beduidt. 

• 5 ' Weer een vervangwoord , dat in andere talen beteekent : ^groeien , op 
iets groeien, op iets woekeren, versch, groen zijn>/. Het Gal. heeft nog 
//wkngo// als: //opwellen, doorzij pelen//, van water, dus met dezelfde 
gedachte als Aeyenf. 

^5B Tob. B. heeft gitifiri. 

«5» Tob. B. heeft gufuru. 

*•** Merkwaardig, dat Isam en Tolol. hier een heel ander woord hebben, 
men zie ook N** 125 //opzetten//, waar hetzelfde 't geval is. Het ligt 
dus voor de hand dat tekos een vervangwoord zijn zal. Toch ben ik 
daar niet zoo zeker van. Hetzelfde bko wat //staan "/ beduidt, beteekent 
ook in alle talen //zeewaarts//. Nu zegt men nu nog voor //liggen 
gaan// idu-isa //liggeü, landwaarts//. Zou het nu ook kunnen zijn, 
dat het oorspronkelijk was: //staan zeewaarts// tekbs-óko, //liggen 
landwaarts'/ idu-isa, maar dat tekós-bko afgesleten is, zoodat de 
eene partij alleen het hoofdwoord tekós behouden heeft, en de anderen 
alleen het achtervoegsel-richtingaanduider //oko//p 



Digitized by VjOOQIC 



UTS OYSK DE TëKNATAANSCU-HALMAHÈBASGHE TAALGKOIF. 



405 



Galéla. 


L6da. 


Tobèlo. 


Madole. 


kusi-kusi "*« 


fuü 


huo 


puo 


oho * 5 » 


^ugo 


W&DgO 


wiLngo 


gitipi 


gitiwiri 


gitihiri >*« 


gitihiri 


tèpi 


dewi 


tobiki 


tobiï 


güupu 


guwuru 


guharu * ^ • 


güulu 


dipa 


(liwama 


dihknga 


diwiLnga 


öko 


öko 


6ko 


yo 


palëla 


pêlèlaka 


palèlaka 


palèla'a 


médiri 


medirimi 


mëdirihi 


modidio liha 


bbso 


bbsoko 


bóhoko 


sèpe 


èso 


&soko 


&hoko 




t^ 


tódje 


tkhe 


tèJie 


sèsa 


sèsara 


hèhara 


barihi 


gase 


guse 


guhe 


dalihi 


tJïsi 




fóhiki 


tóhi'i 


diito 




dèltomo 


tudu'u «•« 


I6(1i 




hihi 


hihi 


warigi 




baharama 


baharama 


wóhe 




wbëre 


wbile 



'*^ Beide woorden palis, sisal, zijn ook iu andere talen bekend, maar 
met verschillende beieekenis. Men heeft Tob. parihi ^'afvegen meteen 
stoffer", hèhëra //vegen met een bezem//. 

'*- Ik weet deze beide woorden niet te verklaren, v. Baarda geeft op: 
grondwoord: use, maar dat maakt de zaak niet duidelijker. Voor 
dabas, vergelijk Bare^e tawa //inschenken//. Echter dabas en use 
zijn twee woorden dunkt me, en zelfs weet ik ze geen van tweeen te 
rijmen met Mad. daliki. Voor dat vergelijk Mal. salin, dat in de 
Molukken ook de beteekenis //iuschenken// heeft. 

'** Mad. heeft hier het woord tudüu, //steken// vandaar //rijstplanten//, 
ook voor '/planteu«' overgenomen (zie N® 200). 

^'^* Het woord wil zeggen //heet in ^t gevoel, brandend, zooals Spaansche 
peper//; Tolol. heeft een vorm van //warm//, maar Gal. heeft een ander 
woord. Het //waarom// is nog niet bekend. 

^"^ Volgens sommigen zou men onderscheiden tusscheu war in gin de aan 
zee groeiende soort, en baharama, //die in ^t bosch voorkomt//. Ik 
geloof dit echter niet; warigi is ook Tob. als vervangwoord in gebruik. 
Vergelijk Mal. bëringin. 



Digitized by VjOOQIC 



406 



IETS OVEK DE TEKNATAANSGH-HALMAHÈKASGUE TAALGBOEP. 



Nederlaiidsch. 


Isam. 


TWoliku. 


231 stroom iu zee. 


baus««« 


baas 


232 eb 


goas *•» 


goas 


238 vloed 


aelt«8 


aêle 


284 voetwond 


bktok 


bütok 


285 doorschijnend 


dbdon 


dbdon 


236 hopen 


nganon 


berharap 


237 sagovorm 


gblaugi»" 


gblang 


288 wringen 


teol 


teo 


239 naaien «^^ 


diugi 


dini 


240 wasschen 


wbkal 


wbkal 


241 beven*»» 


silosak 


silosak 


242 regenboog 


ngawJLtol 


ngawktol 


243 baden 


blik 


blik 


244 waterscheppeu 


sibno * ' ^ 


sibno 


246 achterkleinkind 


dbtum 


dbtum 


246 grootvader 


èdet 


ède 


247 tabak rooken 


suju 


suju 


248 muis 


kalawe 


kalawe 


249 springen 


tëbuM^» 


tëbul 


250 lekker 


g^fci 1 8 


siiki 



*•• Vergelijk Mal. arus //stroom//. 

**^ Deze woorden beteekenen Tob., Gal. ook: //droogloopen , uitdrogen /r. 

168 Vergelijk Mal. air. 

*•• Bedoeld zijn: wonden die aan de voetzool voorkomen, gewoonlijk als 
nawonden van de //frambosia// of //Ambonsche pokken//. *t (Gebruikte 
b&tok-bètoko beteekent ook: voetangel//, dus wellicht: een wond 
zooals die ontstaat, door in een voetangel te trappen, of anders, — want 
de wonden waren wellicht eerder, dan de voetangels — wapenen om 
zulke wonden te maken. Qsl. heeft jajo, een woord dat Tem., Tob. 
//moeder// beteekent, en denkt daarbij wellicht aan de eerste- of 
moederwond, der //frambosia//. Dat men het //moederwoord^ daarvoor 
aan een andere taal ontleende, — Gal. heeft awa «^moeder//, — is 
niet bevreemdend, dunkt me. 

170 Vergelijk Mal. gorëng //bakken, roosteren//. In de golang wordt ook 
de sago gebakken, geroosterd. 

^'^ Dit komt van Gal. gunangi ^sagobakken//, dat alleen in het Gal. 
voorkomt. Onmogelijk vind ik het niet, dat het toch hetzelfde woord 
is, als wat de anderen hebben. 

^^* Tob. B en D hebben gofoJLnga. 



Digitized by VjOOQIC 



ISTS OVIB D£ TBBNATAANSCH-HALMAHÈKASOUE TAALGUOSF. 



407 



Galèla. 


Tobèlo. 


Madole. 


bau 


bauhu 


bauB 


oa 


goaha 


oaha 


hade 


aëre 


aêli 


jajo i«» 


bktoko 


b&toko 


dodo 


dbdono 


dodbdono 


iigougano 


üganouo 


uganouo 


gogutóügi * ' 1 


gohoiuga " ^ 2 


gowo^uga 


teo 


teo 


teo 


uri 


uriti 1^* 


uliti 


pöka 


hbka^'^ 


pbka 


tirine 


hikhara 


hèlhara 


ugaw^ti 


ugawJitëro 


ngaw^tëro 


ösi 


öhiki 


ohi'i 


siüi 


hibuoko 


sibno 


dbtu 


dbtumu 


dbtuma 


ète 


ète 


ède 


suja 


dudu 1^8 


dudu 


lupu 


kar^e 


porbgi 


umo 


ngumo 


tëbulu 


mbugi 


hèmöro 


hèmo-hèmo. 



^'^ Hier zijn twee ideëeu: dingi komt van tingi //strak// dus is gedacht 
aan het //strak trekken// van den draad; uri -uriti is //rijgen//, en 
daarbij wordt dus gedacht aan het doorhalen van den draad door het goed. 

»'* Tob. B heeft ook dingi. 

'■* Tob. B heeft fbka. 

^'* Hier zijn weer kennelijk meer dan één woord. Ik weet echter géén te 
verklaren. 

'^^ Dit zijn alle causatieve vormen. Het Gal. komt van ui //vloeien//. De 
anderen misschien van bno, ónoko //een soort kom// waarmede men 
schepte of scheppen kon. 

''* Tob. B heeft ook huju. Of dit dudu 't zelfde is als dudu-dudungu 
//droog, drogen// is niet onmogelijk. 

"* Tob. en Gal. schijnen hier weer een woord te missen, want umo is 
/ï^vallen, werpen// en afgeleid: //springen//, 

^*** Het woord siLki beteekent ook //vet//, ook in Tem. Zou men dus //vet// 
lekker gevonden hebbeu, en vandaar den naam als dien van '/iets 
lekkers// voor //lekker// gebruikt hebben. Ditzelfde zou ook met Gal., 
Tob. plaats kunnen hebben, hoewel mij nog geen //lekkere zaken// bekend 
zijn, onder de namen voor //lekker// in gebruik. 



Digitized by VjOOQIC 



SLOT-BESCHOUWINQ. 



Wij zien uit dit lijstje eerst eenige algemeene neigingen , als van 
het Madole om de ^ uit te werpen. Geen enkele maal komt die 
voor. Hij is vervangen door een hamza. W^ioli en Ibu deelen 
die neiging, hoewel niet zoo absoluut. Men zie N*' 14 Wkioli, 
Ibu, *a'una, N^ 25 WJiioli *o>fcotu'u, N« 29 Ibu yfcèla, 
N® 58 Wkioli ^ail&a. Het Ibu vervangt de ng regelmatig door 
n. Het Isam en Tbloliku hebben de meeste gesloten woorden, 
de anderen, met uitzondering van Temate en Tidore, waar deze 
beslist Maleische woorden overgenomen hebben, absoluut niet. Het 
Gal., Tem. en Tidor. komen tot open woorden door den eind- 
medeklinker weg te laten, de anderen door er een klinker aan toe 
te voegen, natuurlijk behoudens de uitzonderingen. Of oorspronkelijk 
alle woorden gesloten geweest zijn, weet ik natuurlijk niet, ik zou 
het echter niet denken. 

Klankverwisseling is heel veelvuldig. Hierbij zullen wel dezelfde 
wetten gevolgd zijn als bij andere taalgroepen. De overgang van 
^ in A is heel veelvuldig. Het Tobeloreesch gebruikt heelemaal geen 
ê meer, maar heeft die voorgoed door A vervangen. Men vindt, 
het lijstje volgende , deze overgangen : y, rf, <^", A, rf, r , ^, A, b.v.b. 
N® 11: you, £?öhu, rfyou, iou, rfou, rou, Zou, Aohu, 
N® 4: 6jóm, 6do, ódjomo, bXomo, bdomo, bromo, 
ólomo, oho; verder «;, )d, A,/, b.v.b. N® 13 : ngowèl, ngópa, 
ugbhaka, ngófaka, N® 35: ngëwèka, ngópëdèka, ngo- 
heka, ngofeka. 

De / en f wisselen gestadig af. Het komt mij voor dat l het 
oudste moet wezen, want in het Tobeloreesch, waar nu de r 
domineert, leert de moeder haar kind spreken met l en later pas 
neemt het de r over. Zij zegt b.v.b. vóór ókële, inplaats van 
bkëre, Akhili inplaats van A^hiri. Op school geeft dit zelfs 
moeite, daar de kinderen lezende, nog dikwerf Z en r door elkaar 
mengen. Verder komt het mij voor dat heel veel verscheidenheid 
ontstaan is door klankverspringing en omzetting der lettergrepen. 
Dit alles kan ik echter slechts vluchtig aanduiden, omdat ik niet 
genoegzaam bekend ben met wat reeds vastgesteld is omtrent de 
wetten van dit alles voor andere taalgroepen. Ik laat dit dus gaarne 



Digitized by VjOOQIC 



IBTS OVEE DE TEKNATAANSOH-HALMAHÈRASCHE TAALGEÜEP. 409 

aan bevoegde beoordeelaars en ervaren opmerkers over. Ik hoop 
alleen, dat, wat ik gaf, aanleiding kan zijn voor de taalgeleerde 
wereld om deze taalgroep haar aandacht te schenken ; ik geloof dat 
zij die overwaard is. 

Ik merk nog op dat, hoewel geschreven heel veel overeen- 
komst is tusschen deze talen , gesproken heel veel verschil bestaat. 
In de eerste plaats draagt daartoe bij het verschillend leggen van 
den klemtoon. Het Galëla b.v.b. verandert den klemtoon nooit door 
toevoeging van achtervoegsels, het Tobèlo brengt den klemtoon 
juist op het achtervoegsel over; het M a d o 1 e spreekt de exponenten 
Oy ma, etc. uit, alsof' deze een integrerend deel van het woord 
zijn en geeft die den klemtoon, enz. Op het gehoor is tusschen 
deze talen heel wat verschil, zoodat men elkaar over en weer niet 
verstaat. In de uitspraak is ook de een veel moeilijker dan de 
andere. Het Tobèloreesch spreekt heel moeilijk en hoewel het door 
vele niet-Tobeloreezeu verstaan wordt, wordt het toch door lieden 
van andere stammen gesproken, eenvoudig omdat men bang is, het 
niet goed uit te spreken. Daarentegen spreekt de Tobelorees heel 
gemakkelijk andere dialecten, natuurlijk omdat zijn eigen hoogst 
moeielijkè tongval, hem bij het spreken van andere talen nooit op 
bezwaren doet stuiten. 

Hoe lang deze talen reeds gescheiden zijn P Hoogst moeilijk uit 
te maken. Dat echter het van elkaar af wonen, geholpen door de 
gewoonte om vervang- of wissel woorden te gebruiken, spoedig ver- 
schil doet ontstaan, blijkt b.v.b. uit het Tobèloreesch zooals dat nu 
gesproken wordt door de Tobeloreezen uit het district Tobèlo, die 
uit het district Kau en die uit het district Dodinga. Die drie 
groepen zijn zeker nog niet meer dan 150 jaar van elkaar gescheiden 
geweest, hebben daarenboven als stamverwanten geregeld verkeer 
met elkaar geoefend, huwelijken over en weer zijn geen zeldzaam- 
heid en toch wordt het verschil reeds aanmerkelijk. Men denke aan 
de Tugutil's, toch zeker ook nog niet langer dan 150 jaar van de 
Tobèlo's afwonend, en wel wat sterker gescheiden, omdat een 
huwelijk met hen door de Tobèlo's n u als een mesaillance beschouwd 
wordt, maar wier taal nu ook al sterk afwijkt, al is nu ook alles 
nog als één taal te beschouwen. 

Dat de talen, op het overige deel van Halmahèra gesproken, 
niet meer tot deze groep behooren , is buiten twijfel. Wij zijn er 
niet zoo goed mede bekend tot heden als met die van de besproken 
groep, maar weten toch dat daar nog gesproken worden: het Buli, 



Digitized by VjOOQIC 



410 IETS OV£B DE TBBN ATA ANSGH -HALMA HÈ&ASCHE TAALG&OEF. 

Maba, Bitjoli, Patani, Saw^i, Weda en Gane. Het is 
zelfs mogelijk dat er nog meer zijn, maar wij weten dat nu nog 
niet. Aangezien echter de zending begonnen is, ook in dat gedeelte 
te arbeiden, mogen wij spoedig gegevens daaromtrent verwachten. 
Dit echter is wel zeker, dat al die talen geen overeenkomst 
hebben met deze groep, maar wel met de Papoesche. Niet alleen 
dat de woorden geheel andere zijn, maar ze missen ook volkomen 
de eigenaardige vorming van het werkwoord mét behulp van het 
tweede gedeelte van het persoonlijk voornaamwoord , dat de Ternat. 
Halmahera-groep onderscheidt. Om het verschil in woorden te be- 
wijzen, laat ik hier nog volgen een lijstje van woorden der 
B u 1 i - taal , zooals die indertijd door een Ambonsche goeroe voor mij 
opgeschreven zijn , met achtervoeging van het oorspronkelijke woord 
uit de besproken taalgroep, en het verschil zal dan terstond in het 
oog springen. Ik kan natuurlijk niet voor de juistheid van die 
woorden instaan, maar het is toch voor het doel genoeg ze aldus 
te geven. Wie dan de moeite nemen wil, deze Buli- woorden te 
vergelijken met de correspondeerende Nufoorsche uit het 
Nufoorsch-Hollandsch Woordenboek van den Heer v. Hasselt, zal 
mij ook hierin gelijk geven, dat we hier te doen hebben met een 
lid van den Fapoeschen taalstam. ^ 



1 Wat in den laataten tijd, door de onderzoekingen van den Heer G-. Maan, 
bekend geworden is omtrent de taal der Sawaiers, bevestigd dit vermoeden 
volkomen. 



Digitized by VjOOQIC 



LKTS OVER D£ TEBN ATA ANSCU- HALMA HÈRASOHS TAALGROEP. 411 



HoUaudsch. 


Buli. 


Tern. Halmah. 


1 hoofd 


bobokor 


saëk 


2 neus 


guguor 


ngunung 


3 haar 


uta 


utu 


4 eten 


seli 


6jom 


7 sterven 


mat 


sSnêug 


13 kind 


wawai 


ngbsak 


14 hond 


fun 


kaso 


15 water 


waja 


akel 


17 prauw 


pèlang 


otil 


19 visch 


ijan 


nauk 


20 huis 


ebai 


wMa 


27 pinaug 


paliu 


mökul 


85 vrouw 


mafin 


ngëwéka 


37 man 


man 


naur 


42 naam 


tbnjo 


l&mang 


48 binden 


pitang 
bet 


piliku 


65 tuin 


lèdi 


67 tong 


fableor 


hki\. 


82 hand 


kakamor 


giam 


78 steen 


pat 


maling 


88 ei 


tólo 


gbsi 


85 oog 


araro 


Ikko 


86 mond 


mor 


ulu 


88 buik 


njaor 


pokel 


96 vuur 


jaf 


uku 


98 slapen 


tamtoal 


tjolok 


100 deur 


bawa 


ngoran 


99 opstaan 


paling 


momik 


112 weg 


lalim 


ngekom 


115 ingaan 


sum 


w6sam 


119 hooren 


melongna 


isen 


121 geven 


poi 


ike 


136 drinken 


dom 


bkel 


144 lang 


emlanga 


kulut 


138 tand 


smor 


ingil 


162 kanarienoot 


sben 


njial 


165 sago 


pupi 


etok 


168 kelapa 


waga 


igon 


174 olie 


egat 


golol 


191 breed 


sai 


ngoat 


213 leven 


tup 


wèingo 


226 stelen 


lois 


tosik 


243 baden 


sisop 


osik 


De voor de woorden 


geplaatste cijfers, corj 


respondeeren met die 


de voorafgaande woord 


enlijst. 




Haarlem, Noveml 


>er 1907. 


A. HUBTING. 

Digitized by V^jOC 



BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING 
VAN WISNU OP JAVA 



DOOB 

Db. H. H. JUYNBOLL. 



Men weet thans van de godsdienstvormen , die vóór den Islam 
op Java geheerscht hebben, genoeg om te kunnen vaststellen, dat 
het Wi^^iuïsme naast het Qiwaïsme en het Noordelijke Buddhisme 
of Mahayanisme daar slechts een zeer bescheiden rol gespeeld heeft. 

Dit blijkt o. a. uit het betrekkelijk geringe aantal Wis^^u-beelden, 
die het Bataviasche en Leidsche Museum bezitten, als men dit 
vergelijkt met de groote menigte Buddha-, Bodhisatwa- en 
C i w a - beelden , om van de Durga- en G a ^ e 9 a - voorstellingen 
niet eens te spreken. De vele Wis^u- beelden, die Leemans in 
zijne Beschrijving der Indische oudheden van het Rijks-Museum van 
Oudheden vermeldt, zijn bij nader onderzoek gebleken, voor het 
meerendeel Qiwa- of Buddha- resp. Bodhisatwa-beeiden te zijn. 

In de Oudjavaausche letterkunde treft men nog veel minder 
sporen van Wis^u- dienst dan van Mahayanisme aan. Zelfs het 
Mahabharata, dat oorspronkelijk sterk Wis^uïtisch getint was 
en waarin Krs^a, een van Wis^u's awatSra^s naast de 
Pa^dawa's een hoofdrol vervult, is in het Oudjavaansch geheel 
Qiwaïtisch bewerkt. In het begin van het Agramawasaparwa 
b.v. wordt Qiwa in een zeer corrupte Sryastrophe aangeroepen 
en in het begin van het Adiparwa treedt Qiwa als schepper op, 
terwijl in den Sanskrt-tekst Furusa-Brahma als zoodanig ge- 
noemd wordt. 

Toch vindt men in de onuitgegeven Oudjavaausche literatuur 
eenige tooverspreuken , die wijzen op vereering van Wis^u 
o. a. in zijn awatara als Narasingha en van zijn wShana 
Oaruda. Daar deze mantra^s alleen in handschrift bestaan, 
schijnt het mij van belang toe, deze meer algemeen bekend te 
maken, ook in verband met de Narasingha- en Ga ruda -beelden. 
Beginnen wij met de mantra's ter eere van Narasingha. Een 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDBAGE TOT DR KENNIS DER VEREEEING VAN WIS^jLU OP JAVA. 413 

hiervan ontleenen wij aan cod. 5820 leg. Wam. (uit de Lombok- 
collectie), een êmbat-êmbatan van 7 folia. Dit palmblad- 
handschrift begint met (^iwaïtische spreuken, die men moet uitspreken 
bij de reinigingen met water (akëkëmuh en adyus, d. i. het 
spoelen van den mond en het baden), om de zonden te doen ver- 
dwijnen, zooals de Oudjavaansche schrijver zich uitdrukt: s&sing 
dosa hilang donya (het verdwijnen van alle zonden is het doel 
ervan). Daarna volgt (op regel 4 van fol. 1 b) een mantra, die 
Narasinghadhyana heet en waarin elk van zijne attributen 
afzonderlijk aangeroepen wordt , zoodat aan het slot staat : K a t u - 
duhan ira sang hyang astra iki (dit is de aanwijzing der 
goddelijke wapens). Met het oog op de belangrijkheid voor de 
iconographie geven wij hier dezen mantra in zijn geheel in 
transcriptie weer : 

Om Narasinghaya sarwa^atruwina^aya pat. Narasingha- 
dhyana sahastra nira. 

Um hrum khadge^waraya sarwapatruwina^aya pat ; pur, ma , 
um hrum ^angkhapancajanyaya sarwa^atruwina^aya, pat, 
gneng muka, ma, um .hrum cakrasudar^anaya sarwa^atruwi- 
na^aya pat, da, muka, ma, um hrum gadaya sarwa^atruwinS^aya 
pat;, neng muka, um hrum capaya sarwa^atruwinagaya pat, pa, 
muka ma, um hrum, ^araya sarwa^atruwina^aya pat, ba, muka, 
ma, um hrum tangkaya sarwa^atruwina^aya pat, u, muka ma, 
um hrum ardhacandraya sarwa^atruwina^aya pat, u, muka, 
ma, sma, katuduhan ira sang hyang astra iki. 

Hieruit ziet men, dat achtereenvolgens aan Narasingha en al 
zijne attributen hulde bewezen wordt. Achter ieder volgt het epi- 
theton : sarwa^atruwinagaya (aan den verdelger van alle vijanden). 
Als zijne attributen worden genoemd: het zwaard (k had ga), de 
schelphoorn (^angkha) Pfincajanya, de discus Sudar^ana, de 
knots (gada 1), de boog (cSpa), de pijl (9 ara), de beitel 
(tangka) en de halve maan (ardhacan dra). De tusschengevoegde 
woorden zijn gedeeltelijk uitroepen, heilige syllaben (um hrum), 
gedeeltelijk aanwijzingen van de richting, waarheen men zich moet 
wenden bij het opzeggen van den mantra. 

De volgende wordt verdeeld in den tïks^ia mantra, waarbij 
men zich Narasingha in zijne vreeswekkende gedaante voorstelt 
en den somyamantra (Skr. saumy amantra), waarbij hij in 

* De naam van deze (Kaumodakï), die men hier zou verwachten, komt 
in den mantra niet voor. 



Digitized by VjOOQIC 



414 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DBR VEKEEBING VAN WIS^JIU OP JAVA. 

zijne weldadige hoedanigheid gedacht werd. Deze mantra's luiden 
als volgt : 

Om Narasinghaya namah. 

Ugrawis^umahSwiryam jwalantam sarwatomukham. 

Nrsinghabhï^a^am mrtyumrtyun namSmy aham. 

Tikf^amantra iti. 

Om hrum grïman Nrsingha^ara^am garaio pramadhye 9rï- 
mate NrsinghSya namah. Somyamantra. 

Iti bajra Narasingha kahilangan ing ^atru don ira 
mwang ^arïraraksaka. 

De vertaling der laatste Oudjav. woorden luidt : //Dit is de 
.wajra van Narasingha, die de verdelging der vijanden en 
eigen bescherming (of bescherming van het lichaam) ten doel heeft//. 

Ten slotte nog: Om NarasinghSya nama^. 

TaptahStakake^agra jwalatprSbhakalocanab» 

bajrSdhikanakhaspar9a dibyasingha namo'stu te. . 

Iti NarasinghSy udha, ripusanghara don ira, uccS- 
ra^akna ri tatkala ning yuddhakrama, haywa luptan. 

Het Oudjavaansche slot beteekent : //Dit is de NarasinghS- 
yudha, welks doel het is de vijanden te verdelgen. Men moet dit 
uitspreken tijdens den strijd en men moet het niet verzuimen''. 

De naam van den geheelen mantra is dus NarasinghSyudha. 

Een anderen Wis^uïtischen mantra vindt men in cbd. 5325 (leg. 
Warn.). Deze heet Wis^u^tawa (lof van Wis^u) en begint 
als volgt : 

Om om namo Wiagiu trimukhanam, trinayana, caturbhujam, 
krs^awar^a sphatik&^daljL, sarwabhü^a^anïlanam , cakrahasta mahs- 
tiksigia, Stmaraksa hamprusthanab , amrtSnjiwano dewa, sarwa- 
9atruwina9anani. Pat , sw&h& I 

De Oudjavaansche vertaling (?) luidt : Hicjëp bhatSra Wi^^u ri 
tiktanta, matrinayana, caturbhuja, pinaksistra cakra, sahabhüsa^a. 

Zooals men ziet geeft dit slechts een gedeelte van de verknoeide 
Sanskrtwoorden weer, want de O. J. woorden beteekenen : //Weet, 
dat god Wis^u in uw lever is, hij heeft drie oogen en vier 
armen, de cakra strekt hem tot wapen, hij is versierde. 

Eigenaardig is in dezen mantra, dat Wi^^u hier met drie 
hoofden voorgesteld wordt, dus als Trimürti. Met vier armen 
wordt hij gewoonlijk ook in de steenen en bronzen Oudjavaansche 
beelden afgebeeld en de cakra is in die beelden een zijner vier 
gewone attributen. De samenstelling hamprusthanat is hybri- 



Digitized by VjOOQIC 



BUD&AGE TOT DB KENNIS DER VKUXEUING VAN WIS^LU OP JAVA. 415 

disch, daar zij uit het O.-Jav. hampëra (vgl. Mal. hampëdu 
euz.) = '/gal, lever// en het Skr. woord sthana (plaats) bestaat. 
Daarentegen zou de O.-Jav. vertaling ri tiktanta^ (letterlijk: in 
uwe bitterheid) zonder het woord hamprusthanali onduidelijk zijn. 

De voorstelling, dat goden in de verschillende lichaamsdeelen 
zetelen, komt bijna in al deze tooverspreuken voor. Na de invoering 
van den IslSm zijn de Indische godennamen eenvoudig vervangen 
door die der Moslimsche profeten, van Adam tot Mohammad. 

Het slot van dezen mantra is van minder belang, daar Wis^u 
er niet meer in genoemd wordt. Het begint met : //Ah siti pralïna 
moktal;^, siddha lëpas, mijil saking tan hana^^ enz. 

Het begin van cod. 5332 (leg. Waru.) wordt gevormd door een 
mantra, die ook Wis^nstawa heet, evenals cod. 5325, doch 
daarvan afwijkt. Deze luidt aldus : 

Om namo^stu Purusottamaya, paramaripu, parapurahara^a , 
parSkramSja 

Mahsbalaya ca , jagraswapna , supta , tury a caturbhujsya, 
Naraya^a, NarasinghawSmanaya, Narajanardhan&ya, 
Janagad&yudhi DanawSntaka, Bipumadana Paücajanya, Sudar- 
canSyudhaya, daityadanawa, yaksa, rSksasa, pi^&cabhütaga^a . . . . 
gandharwa madhuragita, surawidyadhara , rsiprabhrti . . . . 

Furuso'nautasamudraQrayi, khagawarawarendraQrï priyo, dhanapriyo, 
Waiprawa^gnggako^sman , raksa tasman, gopayantu swaha I 

Hierbij zijn de al te corrupte plaatsen weggelaten. Men ziet, 
hoe WisflLU hierin aangeroepen wordt, o. a. als vierarmig, ook in 
zijn Narasingha- en wamanawatara, waarbij drie van zijne 
bekende attributen genoemd worden : de knots (gad&), de gangkha 
Psücajauya en de cakra Sudar^ana. Hij wordt de opperheer 
van allerlei booze en goede geesten genoemd (daitya, danawa, 
yaksa, raksasa, piQaca, gandharwa, widyadhara enz.). 
Ook Garu^a, de voortreffelijkste der vogels (khagawara), wordt 
niet vergeten en Wigfliu wordt als belichaming van Wai^rawa^ia 
(K uwe ra) beschouwd. De bescherming van al deze wezens wordt 
in dezen mantra aangeroepen. 

Uit de Oudjavaansche woorden aan het slot blijkt het doel, 
waarmede deze tooverspreuk uitgesproken wordt : //Atmaraksa don 
ira, apan sira mahawiQesa// of: //Eigen bescherming is het doel 
ervan, want hij is zeer uitstekend//. 

1 Tikta is een synoniem van pahit. Vandaar de naam Wilwatikta 
voor Majapahit. 



Digitized by VjOOQIC 



416 BIJDEAGE TOT DE KENNIS DEK VEKEEaiNG VAN WlS^U ÖP JAVA. 

Op dezen Wis^uïtischeu Wis^ustawa volgt in hetzelfde haud- 
schrift eeu zuiver Qiwaïtische mantra, die Trilokyawijaya 
heet, doch dien wij hier niet verder bespreken. 

Een vierde Wis^iuïtische mantra ré de Wis^iüpanjaram, 
die voorkomt in cod. 5319 en 5831 leg. Warn. Deze begint met : 

Om crï Wis^upaiijaram diwyam, abhedyam dustgwarai)iam , 
ugratejo mahSwïryam, sarwagatruwina^anam. 

Tri pur au dahyamauantu , brahma^am Ï9warangkrtam. 

In dezen mantra worden de verschillende namen en incarnaties 
van Wis^u als beschermers van de lichaamsdeelen voorgesteld, b.v. : 

Psdo raksaniu Go win do, jiinggSbhyan ca Triwikraraa^, 
Ürwantang Ke^awo rakset, prsthe raksantu Wamanab 

Bahu dwo Wasudewa^ ca, Narasingha hrdisthita];L, ka^the 
raksantu Waraha];L, Krs^a^ ca mukhama^dalam 

Netre Naraya^o rakset, lalate Garudadhwajat* kapSle 
Wainateya^ ca, Kegawo ^iratsamstitab 

Ook als in de windstreken te zetelen worden zij voorgesteld , b.v. : 

Pürwe9yam Pu^idarikaksa, agneye Qridharas tatha , 

Purusottamo waru^yam, wayawyam Pitawasasah. 

Oadlidhara9 ca kowïryam, ai9anyam Qaugkham adhisthet. 
Patalang Kürma raksantu, akg9a9 ca Sudar9a9at 

Wis^^upanjaram Wi§^^o'hara, wicarami mahltale, rajadware pate 
gore, sanggrame ripusangkate 

Daki^ïbhütaprete^u bhayo nasti kadacana, aputre labhate putra)^, 
dhanahïno dhanam labhet, mucyate sarwarogesu, Wis^ulokam sa 
gacchati. 

Uit de laatste woorden blijkt het doel van den mantra: hij 
beschermt tegen allerlei booze geesten (daki^ï's, bhüta's en 
pret a's) en tegen de vijanden in den strijd, geeft kinderen aan 
kinderloozen en geld aan armen, verlost van alle ziekten en wie 
dezen mantra reciteert, gaat naar Wis^iu's hemel. 

Aan het slot staat: ^/Iti sang hyang Wis^upanjaram, 
mahabhara, haywa palepalëh" ; d. i, : //Zoo luidt de Wisfliu- 
panjaram. Deze is zeer belangrijk en men moet hem niet gering- 
schatten''. 

Behalve deze vier mantra's, bestaat er nog een vijfde, die 
bepaaldelijk aan Wis^u in zijn awatSra als Narasingha 
gewijd is. Deze heet in cod. 5817 leg. Warn. prayoga sang 
hyang Narasingha en daarin wordt o. a. zijne overwinning op 
Hira^yaka9ipu bezongen. Dezelfde mantra komt voor in cod. 



Digitized by VjOOQIC 



BIJD&AGE TOT DE KENNIS DBE VEBEERING VAN WI99U OP JAVA. 417 

5318 eu 5319 leg. Waru., doch heet daar (in cod. 5819) Astaka 
Narasingha. Daar echter deze tooverspreukeu uitsluitend uit 
verknoeide Sanskrtverzen bestaan , zullen wij die verder niet be- 
spreken, te meer omdat de bovengenoemde reeds voldoende aan- 
geven, hoe dergelijke spreuken er uitzien. 

Van meer belang is de Garudeyamantra, waarvan verscheidene 
hss. bestaan, o. a. cod. 3890 leg. Warn. (uit het legaat Van der 
Tuuk) en cod. 5155, 5251, 5306 en 5322 leg. Warn. (uit de 
Lombok-collectie). Het begin hiervan gelijkt veel op de dhara^^ï's, 
die F o u c h e r in het tweede deel zijner Étude sur Ti c o n o- 
graphie bouddhique (1905) uitgegeven heeft, voor zoover ook 
hier nauwkeurig wordt aangeduid, hoe de god, dien men wil aan- 
roepen, er uitziet. Voor de iconographie kunnen dergelijke mede- 
deelingen groote waarde hebben. Uit de Sanskrtverzen , die op den 
Oudjavaanscheu tekst volgen, blijkt dat het begin van dezen tekst 
verloren is gegaan. 

De Garudeyamantra* luidt als volgt: 

Nihan tingkah sang hyang Garudeya. Hidëp ^arïra nira kuning 
wal^ia ning suku nira, makahingan ing tür, putih war^ia ning 
pupu nira, makahingan ing nabhi, mirah war^a ning dada nira, 
makahingan ing gulü, hirëug war^a ning muka, makahingan ing 
9irah mwang patuk, trinayana, caturbhuja sira, bajr^tra. Mangka 
ta hidëpa nira. 

De vertaling dezer Oudjavaansche woorden is : //Als volgt is de 
Sang hyang Garudeya. Weet (of: stel u voor) zijn lichaam, 
geel is de kleur zijner voeten, tot de knieën, wit de kleur zijner 
dijen tot zijn navel, rood de kleur van zijn borst tot zijn keel, 
zwart de kleur van zijn gelaat tot zijn hoofd en zijn snavel. Hij 
heeft drie oogen, vier armen en den wajra als wapen. Zoo moet 
men hem zich voorstellen//. 

Daarop volgen deze Sanskrtverzen : 

Mahabhairawarüpaü ca sudangstra raktalocanah , 

mahanaso mah^rlwo bayuwegasamaQrit^]^ (1). 

Jnanah kancanawangiac 9a ^ nabhi? caiwacalakrtib, 

ka^tha? caiwarkasannibha]^ ürdhwabhinnan ^ janakrtih (2). 

' De geschiedenis van Garu^a was op Java bekend. Zij komt voor in het 
Oudjav. Adiparwa (p. 36 — 45 mijner editie). 

' Misschien te lezen: Jfteyal? afijanawarna^caC?) Conjectuur van 
Prof. Speyer. 

* Lees: mürdhabhinnafi(?), volgens Prof. Speyer. 

7* Volgr. VI. 28 



Digitized by VjOOQIC 



418 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DEK VEKEBRINÜ VAN WlS^jlU OP JAVA. 

Mahapitam bhawed war^am janwaiitam psdamülakam , 
maha^wetam bhawed war^iain nabhyantam ürumülakam (3). 
Maharaktam bhawed war(Lam hrdmalautalukantakam, 
mahakrsQam bhawed war^am wadanadi^irautakam (4). 
Zooals men ziet, zijn vers 1 en 2 niet in het Oudjavaansch 
vertaald, terwijl daarentegen de laatste regels van den Oudjav. tekst 
(van trinayana caturbhuja af) in het Sanekrt ontbreken. 
Ten slotte volgen nog deze Oudjavaansche woorden : 
Tlas pwa kahidêpan ira, dêlö kang piuangan kinasangQayan. Om 
aksip&ya namali, ma, wisapaha. Tëlas kahidêpa tamrta iking 
pinangan têmahanya. Nilian mantra: Om, am. Kliagarajaya 
namas swaha. Tëlas pwa, andêlakën ing padma hrdaya, wijaksara 
nira. Nihan kasimpënan ira sang hyang Garudeya. Om, hksam, 
om, ui^wasa kuta nira. Japa nira muwah, Iwëh kunang mantra 
muwah : Om kuku ni kukuni wisahari, wisahariharan, 
yam, lam, mam, bham, wisadaham swaha. Mantra pangi- 
lang sarwa Iwëh wisa huwus kapangan. Om, yam, bayutatwa, 
hirëng. Om lam, tejatatwa kuning. Om hksam namahom 
h i m , n a ra a ]^. Dëlö wisa , ma , om , iskara gabda bhatdri mangha- 
n&kën, iskara bhatara mangliëlakën. Iti sang hyang Garudeya 
samaptam. Bahasya sira, kayatnakua de sang sadhaka. 

Uit dit slot blijkt, dat men dezen mantra moest opzeggen vóór 
het eten, ten einde beveiligd te zijn tegen vergiftiging. Waarschijn- 
lijk gold Garuda als vijand der slangen tevens als beschermer 
tegen hun vergif. Vandaar de woorden wisapaha, wisahari, 
wisadaha enz. in de tooverspreuk. 

De laatste woorden beteekenen : //Hiermede is de Sang hyang 
Garudeya voltooid. Het is een geheime spreuk, die de geloovige 
met zorg moet bewaren//. 

Na de behandeling der teksten gaan wij over tot de Oudjavaansche 
beelden , ten einde te zien , in hoe verre deze aan de in de teksten 
genoemde vereischten voldoen, wat de attributen van Wis^^u en 
de kleuren enz. van Garuda aangaat. Voor het laatste kunnen wij 
alleen de moderne Balineesche beelden vergelijken. 

Wat de attributen in de vier handen der steenen Wis^iu- 
beelden betreft, deze bestaan uit den cakra Sudar^ana, den 
9angkha Fancajanya, den lotus en de ga da. Ue laatste komt 
zelden bij de steenen beelden voor (bij die van 's Rijks Ethnogr. 
Museum slechts eenmaal), doch wel bij de bronzen beelden. Alleen het 



Digitized by VjOOQIC 



BijDHAGB TOT DB KENNIS DKK VEKEKKTNG VaN WIS^^U OP JAVA. 4 19 

steenen beeld, dat Leemans iu zijne Beschrijving der Ind. oudheden 
van het Rijks-Museum van Oudheden (n® 6) Wis^^u noemt, ^ 
heeft in de achterste rechterhand het boveneinde van een afgebroken 
knots. Naast den god staan twee vrouwen, die Leemans Laksmi 
en Satiavana noemt. De laatste naam is eene verbastering van 
Satyabhama (in het inventarisstuk staat: Satiavama). Als dit 
juist is, moet de andere vrouw Rukmi^^ï en het hoofdbeeld 
KrsijLa voorstellen. 

Bij de bronzen Wisnu- beelden wordt deze god gewoonlijk met 
Garuda voor op het voetstuk voorgesteld. Garuda heeft daarbij 
de gedaante van een gevleugelden man met vogelsnavel. 

Behalve deze gewone W i s ^i u - beelden (ten getale van vijf, 
waarvan drie met Garuda) bezit 's Rijks Ethnogr. «Museum sedert 
November 1907 ook nog drie a wat ara's van Wis^iu, die daar 
tot nu toe ontbraken, n.1. den Matsy awatara, waarbij Wis;iu 
met menschenlichaam , dat in een vischstaart uitloopt, voorgesteld 
wordt, evenals op plaat 5, fig. 2 van Coleman's Mythology 
of. the Hindus; den WarShawatara, waarbij hij als een man 
met een everzwijnkop, met den ^angkha, lotus, gada en cakra 
als attributen, op Hira^y aksa's buik staat, evenals plaat 7, 
fig. 1 van Coleman's boven aangehaald werk en als het steenen 
beeld n« Ua in Batavia (Not. Bat. Gen. XXX, bijlage XIX). Ten 
slotte de Narasinghawatara, die met het oog op den boven 
medegedeelden mantra voor ons het meeste belang heeft. 

Dit laatste beeld (Serie 1630/31) is eene voorstelling van een 
zittenden vierarmigen man met leeuwenkop, die bezig is met zijne 
nagels de borst en buik van Hiraijyakacipu, die op zijn schoot 
ligt, te verscheuren. Ook het Bataviaasch Genootschap bezit van 
dezen vierden awatara van Wis^)iu een bronzen en twee steenen 
beelden, resp. n« 491tf, 21 en 21a (Not. Bat. Gen. XXVIIl, pag. 
LXVIII en XXXI, bijlage XVIII). In deze Javaansche beelden nu, 
zoowel als in eene Indisch, afgebeeld bij Coleman, 1. c. plaat 8, 
figuur 1, wordt Narasingha geheel ongewapend voorgesteld. Op 
eene andere plaats echter, n.1. in de Milloué's Petit guide 
illustré au musée Guimet (Paris, 1894, pag. 17) wordt 
Narasingha zesarmig afgebeeld, o. a. met den 9angkha als 
attribuut. Aan eene dergelijke voorstelling, doch met meer attributen, 
moet de mantra NarasinghSy udha beantwoorden. Er bestaat 



^ Thans is dit beeld geïnventariseerd als Serie 1403/1859. 

Digitized by VjOOQIC 



420 BIJD&AGB TOT DB KENNIS DEU VEBEEBING VAN Wlf^lU OP JAVA. 

hier dus tusscheu de teksten en de beelden zeer weinig overeen- 
stemming. 

Evenzoo is het gesteld met de G ar u da- voorstellingen, vergeleken 
met den mantra Garudeya. Van het voorkomen der oude Ja- 
vaansche Garuda-beelden kan men door de raadpleging der platen 
8 — 11 achter de verhandeling van dr. Brand es over vUe ver- 
zameling gouden godenbeelden , gevonden in het gehucht Gëmoeroeh 
bij Wauasaba// (Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vlk. XLVII, pag. 
552 — 577) zich een duidelijk denkbeeld vormen. Daaruit blijkt, dat 
hij nergens met drie oogen of met vier armen voorgesteld wordt, 
zooals in den Garudeya mantra. 

Wal de kleuren betreft, hierbij moet men zich bepalen tot de 
vergelijking der Balische houten beelden, die Wis^u op Garuda 
voorstellen. Bij de nieuwere beelden, die 's Rijks Ethn. Museum 
hiervan bezit, o. a. die welke in September 1907 ten toon gesteld 
waren, ^ beantwoordt geen enkele kleur aan die, welke de mantra 
voorschrijft, doch bij een oud beeld, uit het Kabinet van zeldzaam- 
heden (Serie 860/7224) wordt Garucja werkelijk met een zwart 
gelaat voorgesteld, zooals de mantra zegt: hirêng war^a ning 
muka. Misschien is dit nog een overblijfsel van de oude traditie. 

De conclusie , waartoe wij komen , is deze : de Javaansche Wis- 
ïiuïeten plachten vóór het eten den mantra Garudeya te 
reciteeren, in de meening, dat de aanroeping van den vijand der 
slangen voor hen een talisman zou zijn tegen vergif, zoo dit met 
de bpijzen vermengd was. Voordat zij ten strijde trokken, reciteerden 
zij den mantra Narasinghay udha, in de hoop, dat de wapens, 
die daarin genoemd werden, hunne vijanden zouden verslaan. 
Tusschen de wijze van voorstelling van Narasingha en Garuda 
in die mantra's en in de steenen, bronzen en houten beelden, 
voor zoover wij die kennen, bestaat echter geen overeenkomst. 

^ Dr. H. H. Juynboll, Gids Tentoonst. v. voorwerpen uit Bali, pag. 28, 
n? 186 en 187. Zie ook de daar aangehaalde werken van Pleyte (Indonesian 
Art.) , Meyer (Alterthümer) en de Milloué (Cat. Mns. Guimet). 



Digitized by VjOOQIC 



EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS 

DER REGEERINGS-REGLEMENl'EN 

VAN NED.-INDIË 



DOOB 

P. H. VAN DER KEMP. 



In 1848 werd te Batavia ter Landsdrukkerij uitgegeven eene 
ir Verzameling van lustructien, Ordonnancieu en Beglementen voor 
de Regering van Nederlandsch Indië, vastgesteld in de jaren 1609, 
1617, 1632, 1650, 1807, 1815,- 1818, 1827, 1880 en 1836, 
met de ontwerpen der Staats-Commissie van 1803 en Historische 
aanteekeningen^\ Ueze voor de geschiedenis van het staatsrecht 
onzer Oost-Indische koloniën hoogst belangrijke stukken waren be- 
zorgd door M'. F. Mijer. Niet het minst verdienstelijk was de 
openbaarmaking vau het rapport der Staatscommissie van 1803 met 
de uit die consideratiën voortvloeiende bijlagen, waaronder het 
ontwerp-Charter. 

Dan echter stuiten wij op eeuige hiaten. 

Het stuk vaii 1803 is niet bij ontwerp gebleven, maar door het 
Staatsbewind vastgesteld den 27*" September 1804, al is het nooit 
in werking getreden. 

Vervolgens is d.d. 27 Januari 1806 een Regeerings-Beglement 
vastgesteld door den Baadpensionaris Schimmelpenninck ; dit stuk , 
dat mede nooit in werking kwam , is eene behngrijke schakel in de 
reeks; niet alleen wegens den naam, maar speciaal omdat het 
Beglement van '15 zich meer aansluit bij dat van ^06 dan bij het 
Charter van ^04, zoodat de mededeeliug in de Handleiding van 
den hoogleeraar De Louter (5'. druk, 1904), dat het Reglement 
van '15 was //grootendeels geschoeid op het ontwerp-charter van 
1804'\ in tweeërlei opzicht voor tegenspraak vatbaar schijnt. 

In een artikel van dit tijdschrift. Nieuwe volgreeks , 1864, 8' deel, 
is door den heer I). W. Schiff /^De koloniale politiek onder den Raad- 
pensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck" (bl. 377 v.v.) op zeer ver- 
dienstelijke wijze kortelijk uiteengezet en dit opstel door hem verrijkt 
met in extenso terug te geven wat aan de verzameling-Mijer ontbrak, 



Digitized by VjOOQIC 



422 EENE BIJDRAQE TOT DB GESCHIEDENIS DËU 

namelijk: het Regeeringsreglernent van 1806 met tal van andere 
voor de kennis van het tijdvak gewichtige stukken. In zekeren zin 
is ook dit Reglement van 1806 belangrijker dan de door M'. Mijer 
openbaar gemaakte stukken van 1807 , zijnde slechts de bij Koninklijk 
Besluit van 9 Februari 1807 vastgestelde Instructie voor den 
Gouverneur-Generaal, zoomede voor den Gouverneur-Generaal en 
de Eaden van Indien. Het Reglement van '06 is na de verschijning 
in 1865, — tenminste van dat jaar is SchifTs Bijdrage gedagteekend , 
ofschoon het Bijdragen-deel het jaartal 1864 draagt — opgenomen in 
het nuttige boek van M'. G. J. Grashuis: //De Regeerings-Reglementen 
van Nederlandsch-Indië benevens het Charter van Nederburgh". 

Maar is dan, nadat de stukken van 1806 — 1807 door het verlies 
onzer koloniën in onbruik geraakt waren, het Regeerings-Reglement van 
1815 zonder voorafgaande gezette beschouwingen tot stand gekomen ? 

De ontkennende beantwoording dier vraag geeft de stof voor 
deze bijdrage, welke alzoo kan beschouwd worden als een vervolg 
op de bijdrage in dit Tijdschrift van 1864 — 1865. 

'' 8'Qravenhage ^ 6 Maart 1908. 

Zeker zijnde van de ten slotte bij het Londensch tractaat van 
13 Augustus 1814 ons gewaarborgde teruggave der koloniën, was 
reeds te voren te 's-Gravenhage door den Souvereinen vorst ge- 
vestigd een Raad van Koophandel en Koloniën^ waarvan de provisi- 
oneele instructie werd vastgesteld bij souverein besluit van 25 Juni 
1814, N®. ^%^ een stuk dat men afgedrukt kan vinden in het 
Tijdschrift van Ned.-Indië 1854, dl. II, bl. 317. Aan die vast- 
stelling was een besluit van 6 April 1814 voorafgegaan, houdende 
de instelling van den Raad met negen leden. Het traktement was 
f4000 'sjaars; dat van den secretaris werd gesteld op f3000. 

De namen der leden waren : 

J. Goldberg; 

P. van IJzendoorn; 

J. P. Scholten van Aschat ; 

J. C. van der Kemp; 

W. G. van de Poll ; 

M. J. Macaré; 

J. A. de Mist; 

J. Bourcourd; en 

D. F. Schas. 

Secretaris A. N. Mooyaart 



Digitized by VjOOQIC 



REGEERINÜS-EEGLEMENTEN VAN NED.-INDIK. 423 

Aaii dit college nu werd opgedragen een Regeerings-Reglement 
te ontwerpeQ en wel ten gevolge van een aan den departementschef 
van Koophandel en Koloniën, toen nog geheeten //Secretaris van 
Staat", gerichte Kabinetsorder van den Souvereinen vorst luidende 
aldus : 

N*». 5. Bij de Raad van Koophandel en Coloniën zal worden 
in overweging genomen: 

1° Welke inrigting van het Coloniaal Bestuur der Oost Indische 
volkplantingen de ver kiezel ijkste is en door Ons zoude moeten 
worden gearresteerd. 

2** Welke Provizioneele voorschriften omtrent het stuk van den 
Handel op de volkplantingen aan den Gouverneur- Generaal zouden 
behooren te worden medegegeven, en hoe dezelver producten 
ten meesten voordeele van den Staat moeten worden ge- 
realiseerd ? 

Wij verlangen dat daarbij worden in het oog gehouden het in 
1803 ontworpene charter, de nadere bepalingen bij gelegenheid 
der zending van den heer Elout gemaakt, en de -belangrijke in- 
stellingen gedurende het Bewind van den heer Daendels tot stand 
gekomen. 

• • En daar deze materie sedert lang een voorwerp van de over- 
denkingen, en deze arbeid van vele Leden van gemelde Raad 
geweest is, vertrouwen wij dat deszelfs deliberatian spoedig tot 
een vruchtbaar einde zullen kunnen worden gebracht en het 
begeerd advis, nog in den loop dezer maand zal opgemaakt en 
ingediend worden. 

Laken ^ den i®" September 1814. 

Willem. 

Uit deze opdracht is voortgevloeid *sRaads advies van 21 October 
1814. Mij dunkt dat dit stuk evenzeer openbaarmaking verdient 
als de Cansideratiën van 1803. Daarom laat ik het hier volgen; 
slechts op eukele plaatsen geef ik in noten eenige ophelderende 
aanteekeningen. Het bij het advies gevoegde ontwerp werd geenszins 
ongewijzigd aangenomen. Opmerkelijk is reeds de afwijking bij den 
aanvang en wel met het oog op hetgeen eerlang te doen zal zijn 
over de verhouding tusschen den verantwoordelijken Minister en den 
Gouverneur-Generaal. Volgens art. 2 van het Ontwerp was namelijk 
de //Hoge-Regering van Indië'' [Gouv. Gen. en vier Raden] //aan 
onzen Secretaria van Staal voor de zaken van Koophandel &n Koloniën 
rekening en verantwoording schuldig van alle hare verrigtingen" ; 



Digitized by VjOOQIC 



4^4 ÜENE BIJDEAQE TOT DE GESCHIEDENIS DEK 

was de Landvoogd //aau gemeldeu Secretaris vau Staat ondergeschikt 
en verantwoordelijk";, waren de Hooge Regeering van Nederlandsch- 
Indië en de Landvoogd //gehouden te gehoorzamen, te executeren en te 
doen executeren alle zoodanige orders, als door voornoemden Secretaris 
van Staat op onze autorisatie" werden gegeven. — Ware dit alles zoo 
vastgesteld, dan zou eerlang de Gouv. Gen. Van der Gapellen niet 
op eene hoogst onverstandige wijze zijn gestruikeld over zijn on- 
afwijsbaren plicht tot verantwoordelijkheid aan den Minister en zou 
de minister Elout voor de pijnlijke taak zijn bewaard gebleven om 
in een fraai stuk den Koning uiteen te zetten, hoezeer zijn voor- 
malige collega der Commissie-Generaal in dwaling verkeerde. lu- 
tusschen verving art. & van het Reglement van 1815 de hier zoo 
duidelijk gestelde verantwoordelijkheid van den Landvoogd aan den 
Minister, door dien aan den //Souverein". 

's Raads advies werd vastgesteld in eene zitting van 
18 October 1814, waaraan deelnamen de voorzitter Goldberg, 
zoomede Van IJzendoorn, Scholten, Van der Kemp, Van de Poll, 
De Mist, Bourcourd en Schas. Daarbij werd echter in de notulen 
op verzoek van Scholten aanteekening gehouden, //dat ofschoon Hij 
zoo wel in zijne betrekking van Rapporteur, als in die van Lid vau 
den Raad, zich in het generaal mQt het zoo even gearresteerd 
Rapport heeft geconformeerd , Hij echter met opzigt tot het realiseren 
der producten met de Commissie tot de Indische zaken van den 
jare 1803 en op diezelve gronden van oordeel is, dat even zoo wel 
als omtrent de fijne speceryen wordt geproponeerd , ook de verkoop 
van koffij en peper, hier te Lande, en voor 'sLands rekening had 
behoren voorgedragen te worden , met uitzondering alleen van enkele 
gevallen, waarin de hooge nood zulks onmogelijk maakt." 

Het advies van den Raad van Koophandel en Koloniën, dat 
geleid heeft tot het Regeerings-Reglement van 1815: 

'8 Hoge, den ai October 1814. 

Ingevolge de Kabinets order van U. K. H. , gegeven op het Huis 
te Laken l^Sept' dezes jaars 1814, hebben wij met al die aandacht, 
welke het gewigt der zake vorderde, de stukken vergeleken naar 
welke het U. K. H. behaagd heeft onze deliberatiën te verwijzen , 
om in overweging te nemen : 

1® welke inrigtingen van het civiel bestuur der Q. I. Bezittingen 
voor de verkieslijkste is te houden ; 



Digitized by VjOOQIC 



B.£QKB&INGS-K£GLEAI£NT£N VAN NED.-INDIË. 4-25 

2® welke provUiwiele voorschriften uopens het stuk vau den 
handel op die bezittingen aan Commissarissen-Generaal en Gouverneur- 
Generaal zouden behoren te worden medegegeven, en hoe hare 
produkten ten meesten voordeele van den Staat moeten worden ge- 
realiseerd. 

En het is in voldoening van Hoogst deszelfs geëerbiedigde bevelen , 
dat wij na gehouden conferentiën met den Heer Elout als een der 
door U.K.H, benoemde Commissarissen-Generaal, in overeenkomst 
en instemming zijner opiniën, de eer hebben het resultaat onzer 
bevindingen en gevoelens aan U. K. H. aan te bieden : 

A Een Concept-Ileglement, ,en de daar op gebouwde en voort- 
spruitende Instructiën , als : 

B. De Instructie voor Commissarissen-Generaal. 

C. De Instructie voor den Gouv.-Generaal. 

Wij hebben al aanstonds in navolging van het geen bij den 
voormaligen Raadpensionaris Schimmelpenninck is begrepen geworden , 
gemeend de benaming van Reglement boven die van Charter ' te 
moeten verkiezen , ten einde , meer dan het denkbeeld van de laatste 
benaming schijnt toe te laten, aan U. K. H. voor te behouden, 
zoodanige veranderingen in de orde van Regering en het geheel 
beheer der Aziatische bezittingen, bij vervolg van tijd daar te 
stellen, als Hoogstdezelve in zijne wijsheid zal mogen nodig oor- 
deelen. 

Door het geen de gewezen Gouverneur-Generaal Daendels, bereids, 
in overeenstemming, zoo wel met het Charter als met het vorig 
Reglement 2, dadelijk heeft in werking en tot stand gebragt, zouden 
wij, gevoeglijk, verscheiden artikelen in de beide gemelde Staats- 
besl uiten vervat, hebben kunnen achterwegen laten, en welligt 
volstaan kunnen met blotelijk Commissarissen-Generaal tot de weder- 
oprigting en instandhouding der bedoelde inrigtingen en verbeteringen 
te verwijzen, voor zoo verre zulks nog na de occupatie van het 
Engelsch Gouvernement doenlijk en raadzaam mogte voorkomen, 
niettemin eene deur open latende, om naar aanleiding van om- 
standigheden en bevind van zaken, gelijk ook onder de nodige 
precautiën, tot andere of betere maatregelen te kunnen overgaan, 
mits daar van doende rapport. 

Dan, bij achterlating van zoodanige artikelen als boven bedoeld, 



^ Gelijk immers het ontwerp van 1803 genoemd was. 
' Het hier voren vermeld B. R. van 1806. 



Digitized by VjOOQIC 



426 EENB BIJDEA.GE TOT DB GESCHIEDENIS DEK 

ZOU de inrigting van het Reglement, het welk toch tot deu grond- 
slag nopens het beleid van de regering enz. zal moeten verstrekken , 
deszelfs geheel of volledigheid verliezen, en wij hebben dus beter 
geoordeeld, alles wat daar toe dienen kan, immers zoo veel de 
hoofdtrekken aangaat, op nieuw eene plaats te geven. 

Wij zullen de aandacht van U. K. H. niet vermoeijen met een 
vervelend narre, wegens de verschillende artikelen, welke bij der- 
zelver overneming uit het vorig Charter en Reglement eenige nadere 
redactie, plaats- verschikking, aflating of bijvoeging behoefden; ver- 
meenende meest aan de intentie van U. K. H. te zullen voldoen 
met ons bij dit Rapport ten aanzien van het Civiel en Justitieel 
Bestuur, den landbouw, den koophandel en de zeevaart slechts 
tot het hoofdzakelijke te bepalen. 

Wat dat aangaat: Het Civiel Bestuur, 

Wij hebben tot het formeren van een ligchaam uitmakende de 
Hooge Regering (art. &) voorgedragen, voortaan te zullen bestaan 
in den Gouv. Gener^ en vier Raden. 

Wij hebben gemeend de positie van Raden extraordinair, hoe 
zeer van ouds plaats gehad hebbende, ter besparing van onnodige 
traktementen te kunnen achter wegen laten , kunnende altoos wanneer 
U. K. H, daartoe termen mogten vinden eenige buitengewone raden 
door Hoogstdezelve worden benoemd buiten bezwaar van de kas, 
even zoo als zulks bij den Raad van Staten plaats vind. 

Ook hebben wij bij een afzonderlijk artikel (art. 8) bepaald, dat 
niet gelijk al meede bevorens plaats greep, en tot vele misbruiken 
leiden koude , eenig lid der Hoge Regering voortaan in eenig ander 
collegie zal vermogen te presideren of een administrative post of 
comptabel ampt te bekleden. 

Voorts hebben wij ten grondslage gelegd dat er zijn zal: 

1® Eene administratie van Financiën en Domeinen (art. 31); 

2® Een afzonderlijk oppertoezigt over de koffij-teelt (art. 33); 

3® Eene administratie van de houtbosschen (ib); 

4® Eene administratie van wegen en posterijen (ib); 

5® Eene Generale Rekenkamer (art. 34); 

6® Een Hoog Gerechtshof van Justitie (art. 51) *. 

Ten aanzien van de organisatie dier afzonderlijke administratiën , 
waren bij den gewezen Gouv. Gen^ Daendels de hoofddirectien 
van elk derzelve, in plaatse van aan collegien, gelijk bij vorig 

* Art. 47 stelde in een Hoog Qeregtshof van Nederlandach-Indië. 



Digitized by VjOOQIC 



KKÖJSBttINGS-EBGLBMENTEN VAN NED-INDIË. 127 

Charter en Reglement was bepaald, aan enkele personen met aan 
dezelve ondergeschikte Hoofd- en minder administrateuren, opge- 
dragen; hoezeer zoodanig eene inrigting ons toeschijnt meest met 
de tegenwoordige eenhoofdige Eegeringsvorm over een te komen, 
en zich van den kant van meerder klem en vaardigheid, gelijk 
tevens ook van minder verdeeling of verzwakking in de verant- 
woordelijkheid aanprijst , hebben wij echter gemeend zulks alternatief 
te moeten stellen , om ook in deze aan C. C. Q. G. eenige ruimte , 
naar bevind van zaken over te laten. 

Wij hebben echter geoordeeld, dat de voormalige kostbare en 
weinig meer applicabele post van Directeur-Generaal, welke hoge 
ambtenaar ook tevens, ofschoon ten eene maal incompatibel, in de 
Hoge Regering pleegt sessie te hebben, behoort te blijven afgeschaft, 
gelijk zulks ook reeds bij het Charter en vorig Reglement was 
verstaan geworden. 

Wat wijders de verdere verdelingen der onderscheide Lands Dis- 
trikten en derzelver afzonderlijke administratien aangaat, hoezeer 
de vernietiging van het voormalig afzonderlijk Gouvernement van 
Javas Noord-Oostkust, en de verdeeling in Landdrostambten, met 
derzelver onderdeelingen door gem. Gouv. Daendels tot stand ge- 
bragt, ons doelmatig is voorgekomen, zoo hebben wij ten dezen 
aanzien, naar het voorbeeld van het dikwerf gem. Charter en Re- 
glement, als zijnde blotelijk administratief en voor vele wijzigingen 
ter bereiking van dezelfde doeleinden vatbaar, vermeend geene vaste 
bepalingen te dezen aanzien ten grondslage te moeten leggen, maar 
veilig zulks aan de thans benoemde C. C. G. G. naar bevind van 
zaken te kunnen overlaten. 

Er blijft nog overig te remarqueeren , dat hoezeer in het vorig 
Charter en Reglement de koophandel aan de twee onderste klassen 
van ambtenaren even als aan alle andere vrijburgers, werd toe- 
gelaten, dit punt namelijk, of die vrijheid niet behoorde geëxtendeerd 
te worden tot alle klassen van ambtenaren, dan wel of het niet 
meer geraden ware alle ambtenaren zonder onderscheid, van zoo- 
danigen handel uit te sluiten, breedvoerig is behandeld geworden, 
en dat na rijp beraad de Raad gemeend heeft tot het laatste alter- 
natief te moeten verstaan. 

Te meer daar het te voorzien is, dat de commercianten hier te 
Lande zich gedisponeerd vindende op de aziatische bezittingen handel 
te drijven, ook bedacht zullen zijn, hunne agenten, die zich tot 
dat einde aldaar vestigen zullen, derwaarts te zenden en dat er 



Digitized by VjOOQIC 



428 EBNE BIJDRAGE TOT DB GESCHIEDENIS DBE 

derhalven geen vrees zijn kan, dat er een genoegzaam aantal vrij- 
burgers tot den handel geschikt zich weldra op Batavia zullen 
bevinden, terwijl den handel aan ambtenaren toe te staan, aan te 
veel inconvenienten en misbruiken onderhevig zoude zijn. 

En nu overgaande tot de Justitie, 

Hoe gewigtig en hoogst belangrijk het point de rechtsoeffeni'ng 
in s^ Lands Aziatische bezittingen ook zijn moge , hebben wij ons 
echter minder verlegen gevonden , d{iar omtrend met eene volkomene 
gerustheid U. K. H. een plan aan te bieden , het welk aan C. C. G. G., 
en verder aan de Hoge Regering in Indië, tot eene gepaste leidraad 
zal kunnen dienen, om in die afgelegene gewesten eene prompte 
en goede wijze van rechtspleging 6f in te voeren, bf verder te be- 
schaven en te cousolideeren. 

De hoofdtrekken doch waren daar van met de grootste zorg- 
vuldigheid reeds in den jare 1803 ontworpen, door de hier boven 
meermalen genoemde Commissie tot de O. I. Zaken , onder welke 
zich bekwame Staatsmannen en Eechtsgeleerden , en daar onder 
wijlen den Heer Nederburgh, der plaatselijke omstandigheden daar- 
boven ten vollen kundig, bevonden. 

En de leden dezer Commissie, zich, in een zoo teder point noch 
niet genoeg op eigene bekwaamheid en ondervinding verlatende, 
verklaren (pag. 60 van hun rapport) //dat zij daar bij gebruik ge- 
maakt hebben van de doorwrochte kunde van twee voorname 
rechtsgeleerden binnen de Besidentieplaats , welke ten hare verzoeke , 
en ter liefde van het Vaderland , aan hun wel hadden willen mede- 
deelen derzelver gevoelens over de ontwerpen der commissie tot 
verbetering van het Justitiewezen in Indië" '. 

Het Staats Bewind van dien tijd onder welker Leden zich al 
mede veele bekwame mannen en kundige Bechtsgeleerden bevonden , 
heeft met eenige veranderingen, voorna mentlijk met weglating van 
het geen door de Commissie ten opzigte der militaire krijgsraden 
was voorgesteld, het Concept dier Commissie meestal woordelijk 
overgenomen , en gevolgd in het Charter voor de Aziatische Be- 

1 Ik heb te vergeefs in de Verz.-Mijer naar deze woorden in de Conside- 
ratiën van 1803 gezocht. Wel lees ik op bl. 202 over de noodzakelijkheid om 
de Justitie „eene wezenlijke en grondige verbetering" te doen ondergaan, 
deze woorden: „Het diep gevoel der hoge noodzakelijkheid van zoodanige 
verbetering noopte ons, na attente overweging, om twee onzer Mede-leden te 
verzoeken, dit stuk opzettelijk te onderzoeken, en ons derzelver consideratiën 
daar over mede te deelen; hier aan voldeeden zij, den 15*° Februari 11. bij 
eene uitgewerkte Memorie . . . ." 



Digitized by VjOOQIC 



KEeElUINOS-REGLlMENTEN VAN NED.-INDIË. 429 

zittingen, gearresteerd bij deszelfs Besluit van den 27 September 
1804. 

De toenmalige tijdsomstandigheden, de invoering der Regerings- 
vorm in voege dezelve bij opgedagt Charter was voorgesteld , buiten 
executie gehouden hebbende, maakt het voor ons eene zoo veel te 
sterkere geruststelling, wanneer wij, bij confrontatie van het bij 
den gewezen Raadpensionaris Schimmelpenninck op den 27 Januarij 
1806 gefarresteerd Reglement op het beleid vati de Bsgetmg en hei 
Justitiewezen in de Aziatische Bezittitige^i enz, enz, met de^ beide hier 
voren gementioneerde staats-stukken , dezelve, wat het justitieele 
betreft, meest al woordelijk, immers met zeer weinige, en voor de 
hoofdzaak geene belangrijke veranderingen bij dit Reglement zagen 
overgenomen. 

De artikelen bij het ontwerp der Commissie van 1803 voor- 
komende omtrent de militaire krijgsraden, welke bij het Charter 
van het Staatsbewiud waren weggelaten, zijn bij ons concept 
wederom op derzelver plaats iugebragt • en de genoeg bekende 
Rechtskunde van den Heer Schimmelpenninck zelve, gevoegd bij die 
van vele Leden van den toenmaligeu Aziatischen Raad , tot het redigeren 
van dit Reglement gecommitteerd geweest, en van den Heer Elout, 
die nevens den Heer Grasveld tot de invoering daar van was 
gedesigneerd , en met welken deswegens verscheide preparatoire 
besognes gehouden waren, moet, naar ons inzien, alle huivering 
wegnemen , dat dit belangrijk point niet met de meeste bedaardheid , 
en door de kundigste mannen van ons vaderland in het vak van 
Rechtspleging aan alle kanten zou zijn bezien, en nu, door eenige 
jaren nadenkeus, als het ware ten vollen begroeid, niet met ge- 
rustheid aan U. K. H, ter aanneming en vaststelling zou mogen 
worden aangeboden. 

De Gouv'. Gen'. Daendels, voor een groot gedeelte het. Justitie- 
wezen op het eiland Java ook op den voet van dit Reglement ge- 
organiseerd hebbende, terwijl de door den oorlog gestremde com- 
municatie met Europa en de buitenkautoren in Azia , de geheele 
invoering daar van, ook door gebrek van genoegzame geschikte 
sujetten, als toen ondoenlijk maakte, blijft het thans alleen onzeker, 
in hoe verre het Engelsch Gouvernement, na de in bezit neming 
van s' Lands Aziatische Bezittingen , de reeds ingevoerde gedeelten 
van dit nieuwe systema van Rechtspleging geconserveerd, dan wel 



1 Zie de artt. 74 vv. van het. R. R. van 1815. 



Digitized by VjOOQIC 



430 EENE BIJDRAGE TOT DE OESCUIEDENIB DEU 

vernietigd, veranderd, of na de Eugelsche wijze van Bechtsbehan' 
deling verbogen hebben. 

Deze onzekerheid voor oogen houdende, hebben wij met behoud 
van het zaaklijke van de hier boven gementioneerde stukken, over 
het geheel genomen , echter getragt doorgaans bij het hiernevens 
gevoegd concept zoodanige woorden te bezigen, welke door eene 
mindere bepaalde omschrijving, zoo wel op de conservatie van de 
reeds in werking zijnde, als op de invoering van noch niet in 
werking gebragte, of intusschen weder veranderde gedeelten, van 
het U.K.H, hier bij aangeboden Concept, gelijklijk van toepassing 
zijn konden en daar door als van zelve eene strekking hebben, om 
voor te komen , dat ü. K. H. door te veel bepaalde en eenmaal 
vooruit gegevene orders of instructien zich zoude behoeven terug 
te houden, om na dat de berigten der uittezenden C. C. G. G. op 
plaatselijke en personeele ondervinding van den tegenwoordigen 
stand van zaken gegrond , U. K. H. zullen zijn aangeboden , als dan 
zoodanige meer volledige en praecise bevelen en instructien te kunnen 
geven , als U. K. H. in der tijd ten beste van s^ Lands Aziatische 
Bezittingen zal oordeelen te behoren. 

Eenige weinige meest al woordelijke veranderingen, welke de 
thans aangenome gelukkige constitutie van het moederland, ouder 
U.K.H. Souvereiue Regering noodzakelijk maakte, gevoegd bij 
eenige verschikkingen van volzinnen, of zamenvoeging van, naar 
ons inzien, bij elkander passende, doch bij de hier boven aan- 
gehaalde Staatsstukken meer verspreidde bepalingen verdienen 
naauwlijks eenige plaatselijke aanwijzing en kunnen allen, zoo wij 
ons niet bedriegen, dienen tot gevoeglijker rangschikking, en beter 
overzigt van het geheel. 

Wij mogen echter U. K. H. niet verbergen , dat wij gemeend hebben 
ons de volgende meer zaaklijke veranderingen te mogen veroorloven. 

Het requisit bij art. 59 van het Charter van den £7 September 
1804 en bij art. 51 van het Reglement van den 27 Jauuarij 1806 
gevorderd, dat de Hoge ambtenaren, daar bij genoemd ^ , wanneer 
die in eene van s^ Lands volkplantingen mogten geboren zijn, als 
dan van Europeesche ouders moeten geboren zijn, is door ons weg- 
gelaten, daar het onzes inziens eene onbillijke uitsluiting zijn zoude 
van de descendenten van Europeesche Familien, die zich vastlijk 



^ Xamelijk de President en de 10 leden van het „nieuw Hoog Geregtfihof 
voor Batanfsch Indien", volgens de artt. 5H on 59 van het Charter 



Digitized by VjOOQIC 



ttEGÈKRINGS-RKGLEMENTBN VAN NED.-INDIK. 431 

meter woon in eene van s' Lands buitenlandsche Bezittingen hebbeu 
geëtablisseerd , dat hunne kleinzonen en verdere afstammelingen 
aldaar geboren, tot geene van de daar bij uitgedrukte ambten 
zouden verkiesbaar zijn, wanneer zij anders ook aan alle de overige 
vereischteu der wet voldeden, MIeen om dat, na hunnen eersten 
Europeeschen stamvader, alle de volgende geueratieu dan van Coloniale^ 
en niet meer van Kuropeeêche ouderen afkomstig waren. Dit zou 
eene anders, zoo wenschelijke, vermeerdering van beschaafde en 
vermogende Familien in de volkplantingen eerder ontmoedigen en 
in den weg staan, dan bevorderen. 

Bij art. 60 en 5£ der beide voorschreve stukken hebbeu wij door 
het weglaten van het woord commissien ^ het slot van dat art. 
zoodanig veranderd, dat het aan den Gouv. Gen', onverlet blijft 
de leden of ministers van het Hoog Gerechtshof soms tot eene zeer 
nuttige temporaire commissie ook van justitieelen aart te kunnen 
gebruiken, en dat dezelve ook bij wege van promotie 'of verwisseling 
ten allen tijde tot andere posten zouden kunnen worden bevorderd. 

De bij art. 61 en 53 respective gestelde poenaliteit tegens zoo- 
danige leden, welke binnen de eerstkomende tien jaren van hun 
Lidschap in het Hoog Gerechtshof renuntieeren , en derzelver de- 
missie uit het zelve vragen en obteneren, om dan ook zoodanige 
Colonie dadelijk te moeten ruimen, en met of tegen hunnen wil te 
moeten repatrieeren , is ons voorgekomen te zijn ongepast, en zonder 
eenig blijkbaar nut. 

Het is toch op zich zelve geen misdaad, van een ambt te re- 
nuntieeren, en het schijnt reeds poenaliteit genoeg te zijn, door 
zoodanige praemature demissie alle uitzigt op pensioen te verliezen, 
zonder daar te boven tot eene ged wongene verhuizing, in effecte 
met een politiek bannissement gelijk staande, te worden genoodzaakt. 

Het is naar onze denkbeelden zelfs schadelijk voor de Golonien, 
de verhuizingen te zeer te faciliteeren, wanneer geene dringende 
redenen van slegt gedrag of vreze van te stigten volksberoerteu , 
of diergelijke daartoe volstrektelijk noodzaken. — Om deze bedenkingen 
hebben wij dit gedwongen vertrek uit de Kolonie van een Lid van 
het Gerechtshof, dat deszelfs ambt heeft geresigneerd , weggelaten. 

De bepalingen bij art. 58 van het Reglement van 1806 zijn ons 
toegeschenen aanleiding te geven tot eene vermenging van magt. 

* Dat President en Leden van hetHoog gerechtshof geene andere bedieningen 
enz. mochten bekleeden, en „tot geenerlei andere Bedieningen of Commissiën 
in Indië" worden benoemd : art 60 Charter. 



Digitized by VjOOQIC 



432 EENE BIJDBAGE TOT DE GESCHI^ENIS DE& 

Wij hebbeu daarom eene zoodanige bepaling nopens het voorstellen 
van maatregelen tot verbetering d^ gebreken in de Justitie ingelicht , 
welke de grensscheiding tusschen het Gerechtshof en de Hoge Re- 
gering duidelijk aanwees, gelijk uit het 60 art. van het door ons 
ontworpen Reglement blijkbaar is. ^ 

Het Fiat van den Gouv. Qen^ op Doodvonnissen het welk bij 
de meergem. Staatsstukken 73 en 64 respective alleen tot de Recht- 
banken op Java bepaald was, hebben wij gemeend tot alle de 
subalterne Rechtbanken ook op de buiten etablissementen te moeten 
uitstrekken. 

Wij erkennen wel dat daar door de gevangenhouding der Delin- 
quanten soms zeer lange kan worden gerekt, en derzelver straf, 
aldus tegen de letter der wet, en tegen de intentie des Rechters 
kan worden verzwaard, en dat ook in enkelde zeer zeldzame ge- 
vallen van oproer, of publiek geweld, eene prompte doodstraf , zijne 
groote nuttigheid hebben kan. Edoch de weinige bekommering voor 
zulke buitengewone gevallen, in welke doch alle wetten zwijgen, 
en waar in de tegenwoordigheid van Geest van den Hoofdgebieder 
doorgaans alles beslist, gevoegd bij de waarschijnlijkheid dat de 
uitoeffening van het Recht op deze buiten kantoren doorgaans aan 
minder kundige handen zal moeten worden toevertrouwd, dat ook 
in zulke klijne maatschappijen, [driften, wraaknemingen, of eigen 
belang eerder te vrezen zijn, dan bij eene grotere massa van In- 
woneren, en dat in allen gevalle de dadelijke executie van een 
doodvonnis, den gecondemneerden , op een der Buitenkantoren den 
weg tot het verzoeken, en soms obtineren van snrcheauce, of van 
gratie of pardon, onherroepelijk zoude afsnijden, waar door zijn lot 
oneindig boven dat van een Ingezeten van Java zou worden ver- 
ergerd, en dat eindelijk de mogelijke conservatie van eens menscheu 
leven, tegen alle bedenkingen ter contrarie, bij ons het overwigt 
houdt: zoo hebben alle deze redenen te zamen genomen ons over- 
gehaald om ook de executie van Doodvonnissen bij de subalterne 
Rechtbanken buiten Java uitgesproken , aan het Fiat van den Gouv'". 
Gen^. te onderwerpen. 

Wij hebben verkozen geene plaatsen tot het op dezelve te for- 
meren subalterne Rechtbanken te specificeeren , gelijk zulks bij de 
84 en 74 artik. der dikwerf aangehaalde Staatsstukken geschied is; 
daar de tijds omstandigheden meermalen eene verandering in het 

ï Geworden art. 56. 



Digitized by VjOOQIC 



REGEEBINGS-BEGLKMENTBN VAN NED.-INDIK. 433 

bezit derzelve zoudeu kuunen te weeg brengen, of het gering getal 
van overgeblevene Inwoncren bij zommige, het aan den gang 
houden van eene afzonderlijke Rechtbank genoegzaam onmogelijk, 
of immers onnuttig zou kunnen maken, 

Algemeene bewoordingen, die de executie van alle gewone ge- 
vallen , het minst belemmeren , schijnen ons toe het eigenaartige van 
een Reglement van Regering te moeten uitmaken, en dan al het 
overige, naar de bijzondere Instructien te verwijzen. 

Bij het art., rakende de advocaten-adviseurs {bltL 85 en 75) hebben 
wij gemeend het voor dezelve zoo bezwaarlijk, en in de gevolgen 
voor s' lands kasse zoo kostbaar verbod : van hei waarnemen van 
andere hedieninge^i ofte d/rijven van handel enz. te moeten wegnemen. 

Want behalven dat ons vaderland zelve duizenden voorbeielden 
opleverd, dat in de zwaarste gevallen, ook decisoire advysen, zelfs 
over leven en dood, door Rechtsgeleerden, te gelijk aanzienlijke 
ambten bekledende, gegeven worden, schijnt het ons bijna onmogelijk 
toe, dat men eenigzins bekwame sujetten, de pleitbalien alhier reeds 
met succes eenige jaren hebbende gefrequenteerd, zal kunnen over- 
halen, om hunne reeds gevestigde praktijk en alle hoop op aan- 
zienlijke eerambten in het Vaderland vaarwel te zeggen, en alleen 
op de toezegging van een goed tractement, hun leven op zulke 
afgelegene etablissementen te gaan wagen of in het duister te ver- 
slijten ; hoe groot zou zulk een tractement wel behooreu op te lopen , 
om eene redelijke schadeloosstelling voor zoo vele opofferingen te 
kunnen uitmaken? 

En zouden niet ook deze advocaten-adviseurs, nadat zij door 
eenige jaren verblijf en oeffening der Lands Zaken aldaar zijn 
kundig geworden , met vrugt tot nuttige en winstgevende bedieningen, 
met de Jtéstitie in gee^ie betrekking staande kunnen en mogen worden 
benoemd, behoudens derzelver bevoegdheid en verpligting, om des- 
gevraagd, echter in zaken van belang, de subalterne Rechtbanken 
te dienen van derzelver advyzen? 
J)e Landbouw. 

Wat deze aanbetreft, hoezeer ten aanzien van een liberaalder 
stelsel van culture dan de verpligte of geforceerde leverancien, de 
argumenten van den Gouv. Daendels, tegen het geen den gewezen 
Raadpensionaris Schimmelpenninck bij geheime instructie, slechts 
als middel heeft voorgesteld , onvoldoende voorkomen , om het stelsel 
zelven te bestrijden ; en de begunstigers van een vrijer stelsel nimmer 
bedoeld hebben eene oogenblikkelijke omwenteling in de verouderde 
7- Volg. Vr. 29 



Digitized by VjOOQIC 



484 KENE BIJDUAGE TOT DK GESCHIEDENIS DEK 

gewoonteii der Javaneu aau te radeu , maar integeudeel , met lang- 
zame schredeu, bij wijze van proefneming, in zommige distrikten, 
ten voorbeelde van andereu , en niet dan met overleg van de meest 
verstandige onder de Inlandsche Regenten, zoodanig stelsel van 
vrijer cultuur voor te bereiden en in te voeren, als meest overeen- 
komt met de aloudste instellingen, namelijk die der contingenten, 
(bestaande in een gedeelte, bij wijze van tienden aan den Heer te 
leveren) hebben wij geoordeeld, dat het thans ontijdig was, dit 
onderwerp breedvoerig te bediscutieeren , de keuze toch nopens de 
personen door U. K. H. tot de hoge posten van C. C. G. G. benoemd , 
maken het min noodzakelijk, zelfs onraadzaam hier omtrend eenige 
bepalingen ie maken ; te meer daar het Engelsch Gouvernement , ge- 
durende deszelfs occupatie, welligt de verdedigers van een liberaalder 
stelsel kunnen zijn voor uit geloopeu , én het des nog onzeker is , 
wat wenschelijk zal zijn , van het geen reeds is geschied te behouden 
of te veranderen. Wij hebben des gemeend ie kunnen volstaan met 
ten dezen aanzien ons te bepalen tot het plaatsen der art. 81 , 82 
en 83. * 

Koophandel, 

Zoodra het Land gemeend had de possessien der O. I. Comp. te 
moeten aan zich trekken cti het geexpireerde octrooy niet meer van 
den nitsluitenden handel op dezelve te moeten vernieuwen, keerde 
alles weder in den boezem van den algemeenen handel terug, zoo 
lang immers geene daad van oppermagt eene nieuwe beperking op 
de algemeene vrijheid daar stelde. Dit nu konde van eene wijze 
en rechtmatige Begering, zonder overwegende redenen van nood- 
zakelijkheid of van het algemeene goede, niet worden verwagt. 
Inderdaad, werd ook de handel, niet slechts van haven tot haven 
in de Indische vaarwateren, de Moluccos uitgezonderd, maar ook 
van hier op Batavia en terug bij publicatie van V* Maart 1803, 
vrijgesteld, met uitzondering nogtans van de peper en koffij 
benevens de fijne specerijen , onder welke laatste verstaan worden , 
de nagelen en de muscaatnoten met derzelver schil of foelie. 

Nog gewoon aan de uitsluitende verkopingen van de Comp. met 
derzelver gepaarde gaande aloude periodique tijds bepalingen of 
tusschen vakkeu van stilstand, scheen men zich, destijds, noch niet 
los te kunnen maken van het denkbeeld als of zulks even zoo 
noodzakelijk voor de peper en koffij, dan wel voor de fijnere spece- 



* Geworden de artt. 78 , 79 Qn 80 



Digitized by VjOOQIC 



ttBGKBRTNGS-REGLEMENTBN VAN NBD. -INDIK. 435 

rijen, alzoo behoorde. Men zag voorbij, dat zoodanige uitsluitende 
en periodique verkopingen nuttig of zelfs noodzakelijk kunnen zijn, 
in zoodanige artikelen, als welke de Staat uitsluitend van andere 
natiën bezit, gelijk als nog, grotendeels, de fijne specerijen kunnen 
beschouwd worden, en daar bij van een bepaald debiet ziju; maar 
dat de peper, welke ook elders wordt gevonden, en de koflRj , welke 
van veelerlei oorden, in het bijzonder van de W. Indie wordt aan- 
gebragt, en genoegzaam een onbepaald en altijd toenemend debiet 
heeft , deze beide nl. het karaktermatige van artikelen tot monopolie 
geschikt, ten eenemale kwamen te ontbreken. 

Waar bij nog inzonderheid dient aangemerkt, dat de gezegde 
openzetting van den vrijen handel, wanneer daar bij uitgezonderd 
bleef de peper en de koflRj , zoodanige eene vrij verklaring van 
handel in der daad, niets betekende, maar veel eer de verwachting 
van den algemeenen handel opgebeurd, en op de Aziatische Be- 
zittingen aangemoedigd te zien, geheel te leur stelde. Men had het 
voorname voedsel van een zoodanigen vrijen handel terug gehouden. 

Geene aanmoediging kon er zijn, om benodigdheden van hier 
naar Batavia enz. uit te voeren, zonder vooruitzigt tevens, van 
met volle ladingen weder te kunnen te huis varen. 

Dit nu konde niet met de Javasche suiker, welke de vracht niet 
verdragen kan, en slechts tot onderlaag, in plaats van ballast wordt 
medegevoerd, en van eenige verdere kleinigheden, geschieden. 

Deze en me^r andere consideratien , welke men nog daar bij zoude 
kunnen voegen, schijnen dan ook veroorzaakt te hebben, dat bij 
de latere Staats Besluiten van twee elkander opgevolgde Regeringen , 
blijkens het gearresteerde Charter bij het Staatsbewind , art. 96, en 
het Reglement van den Raadpensionares Suhimmelpenninck , art. 89 , 
de peper en koflBj niet meer onder de uitsluiting van den vrijen 
handel zijn begrepen gebleven. 

De langdurige stremming van de vaart met eigen vlag, is dan 
ook te houden voor de eenige oorzaak, waarom niet openlijk, met 
intrekking of liever uitbreiding van voormelde publicatie, deze 
meerdere vrijheid van handel den volke is aangekondigd geworden. 
Intusschen is deze vrije vaart, gedurende den oorlog, door Ameri- 
kaansche vlag, tot op de uitbarsting van de Amerikaansche onlusten 
met Engeland, alzoo onafgebroken uitgeoeffend gebleven, gelijk nu 
door de allezins gezegende ommekeer van zaken, met Hollandsche 
vlag zal kunnen ondernomen en voortgezet worden. 

Wij tebben dan ook gemeend , op het voetspoor der hier gemelde 



Digitized by VjOOQIC 



436 EBNK BTJDBAGK TOT DK GESCHIEDENIS DER 

Staats Besluiten geene veranderiugen of nadere bepalingen, ten 
dezen aanzien te moeten voordragen. 

Wij hebben, echter, almede volgens rigtsuoer van gezegde Staats- 
stukken eene deur opengelaten (art. 65 ^) om zoodanige produkten, 
als welke op de Indische markt onverkocht mogte overblijven, te 
kunnen te huis varen, om het zij door het Gouvernement zelf, of 
in commissie, benevens de specerijen te kunnen worden .te gelde 
gemaakt. 

Be Zeevaart. 

Behalve wat reeds boven gezegd is , hebben wij ten dezen aanzien 
nog aan te merkeu, dat wij gemeend hebben al de artikelen welke 
de onderscheidene gevallen derzelver bepalen zouder eenige zakelijke 
veranderingen uit de evengemelde stukken te moeten overnemen. 

Haast zouden wij niet geschroomd hebben zelfs de vrije vaart 
tot op de Moluccos uit te strekken. 

De tijd nadert en schijnt nabij , van de voorspelling vervuld te 
zien, welke oudtijds de schrijver die voor den , Baad Pensionaris 
Joan de Wit de pen voerde, heeft te boek gezet, //dat de Hollan- 
ders niet altijd meester van het monopolie der specerijen blijven 
zouden". 

In der daad, zijn de kruidnagelen reeds lang naar Gajenne, en 
in deze latere dagen in de Engelsche Bezittingen op Sumatra en 
Bengalen overgevoerd ; en ofschoon de qualiteit der bijzoorten minder 
zijn moge, de vermenigvuldiging van deze, moet ook het vertier 
der echte zoort krachtdadig aandoen en het vruchtbaar Ambou zal 
welhaast aan de uitbreiding der cultuur van nog andere rijke voort- 
brengselen kunnen dienstbaar zijn. 

Het monopolie van de muscaat noot op Banda kan niettemin 
behouden blijven. Trouwens des zelfs noodlot hoezeer dezelfde vrucht 
op het eiland Biemen in de Botanybay zeer welig wast, schijnt 
nog in een ver verschiet verwijderd. 

Dan wij achten dat de beslissing van dit object geene verhaasting 
nodig heeft, om niet alles gelijk te omvatten. En zoo vertrouwen 
wij dan ook hiermede dezen onzen taak te hebben voleindigd. 

Ten slotte moeten wij U.K.H, doen opmerken, dat wij doorgaans, 
maar bovenal in de Instructie voor G. G. G. G. getracht hebben , 

^ Ik vermoed, dat bedoeld werd art. 85, geworden art. 82. Het vermeld 
art. 65, correBpondeert met art. 61 van het Reglement van 1815 en handelt 
over „quaestiën, rakende buiten en prijzen". 



Digitized by VjOOQIC 



KEQEEBINQS-KEGLEMENTEN VAN NED.-INDIË. 437 

zoodanige algemeene en voor alle mogelijke gevallen toepasselijke 
voorschriften te brengen als ons geschikt zijn voorgekomen al die 
zwarigheden te prevenieren, welke naar ons inzien onafscheidelijk 
zijn van het geven van al te bepaalde Instructien op zulke on- 
meetelijke afstanden, waar niet telkens en op alle punten, soms 
van dringenden aard s' Vorsten wil kan worden gevraagd of ingewagt, 
en waar vele tusschengekomen omstandigheden de situatie van zaken 
tusschen het moment van het alhier arresteren van zoodanige In- 
structien , en den ogenblik dat die op de plaats zelve moeten worden 
in werking gebragt geheel en al hebben kunnen veranderen. 

Alles toch komt aan op de talenten, den goeden wil , en de gepaste 
voorzigtigheid door ernst gerugsteund van hen die in de benoeming 
tot C. C. G: G. van wegens U. K. H. voor Nederlandsch Indie, met 
Hoogst deszelfs vertrouwen vereerd zijn, en dat zij van overigens 
de nodige ruimte hebben, om U. K. H. vaderlijke en wijze bedoe- 
lingen m het Reglemetit op het beleid der Regering gemanifesteerd^ 
op de beste en zekerste wijze te kunnen realiseeren. 

Al het welk dan ook U. K. H. minder huiverig zal maken, om 
aan de ontwerpen, welke wij hiermede de eer hebben Dezelve aau- 
tebieden, hoogstdeszelfs goedkeuring te ^even, en overigens het 
Bapport van Heeren G. C. G. G. uit Indie in te wagten ten einde 
als dan over deze aangelegene zaak finale dispositien te kunnen nemen. 

De Raad van Koophafidel en Koloniën. 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDRAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDE 

BIJ DE MALEIERS DER PADANGSCHE 

BENEDENLANDEN 

DOOR 

J. J. KREEMER. 
Controleur Binnenlandsüli Bestuur. 



Der Geist der Medizin ist leiclit zu fasscn. 
Ihr durchstudirt die grosz' und kleine Welt, 
Um es am Ende geh'n zu lassen, 
Wie 'sGott gefailt! 

(Parool van Mephisto). 

De nood maakt vindingrijk I 

Waar de meusch door lichaamssmarten wordt gekweld, scherpt 
zich zijn geest tot het uitdenken van allerlei middelen om de aan 
zijn welzijn als nadeelig vermeende invloeden te keeren. De volks- 
geneeskunde vindt hier haar uitgangspunt. Omgekeerd kan de studie 
van deze ons wellicht beter dan die van eenige andere uiting van 
het volksbrein in staat stellen een blik in het gedachtenleven van 
een volk te slaan. //De geschiedenis van alle volkeren leert het" — 
zóó schrijft de heer E. W. A. Ludeking * — //dat teu alleu tijde 
geneeskunde, de schoonste vrucht van bet ons ingeschapen instinkt 
tot zelfbehoud, een vrij juiste maatstaf was voor algemeeue ont- 
wikkeling en beschaving//. 

De publicatie van de onder volgende aauteekeuingen — welke in de 
onderafdeeling Ajer-Hadji van de Padangsche Benedenlauden ver- 
zameld zijn — moge dus, naar ik hoop, door het belang van het 
ter sprake gebrachte onderwerp gerechtvaardigd zijn. Was ik thans 
nog in het land der Maleiers werkzaam, dan zou deze //bijdrage// 
zeker zijn opgeschort totdat terzake meer volledige inlichtingen 
zouden zijn verkregen, maar waar ik na een kort verblijf in ge- 
noemde onderafdeeling naar een ander gewest overging en toen voor 
de keus stond mijn onvoltooid gebleven aanteekeningen ter zijde te 

» Zie Geneesk. Tijdschr. voor Ned. Ind. dl. IX bl. 100. 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDKAGB TOT DE YOLKS6INEESKUNDE ENZ. 439 

leggen of die te geveu zooals ze zijn, heb ik het laatste gekozen, 
hopende dat anderen ze zullen aanvullen en waar noodig verbeteren. 
Verder zij nog opgemerkt dat die aanteekeniugen uitsluitend zijn 
ontleend aan mededeelingen mij door eenige AoekoeftCa verstrekt, 
door eenvoudige dorpslieden dus. 

I. ZIEKTE-OORZAKEN. 

Volgens de tegenwoordige Maleische begrippen zijn de verschillende 
ziekten in twee hoofdgroepen te verdeelen, al naarmate de ziekte- 
oorzaken buiten- of in den mensch gelegen zijn. Tot de eerste groep 
behooren die ziekten, welke door den mensch vijandige geesten 
worden veroorzaakt en tot de tweede de z.g. aakii hiring-hvring en 
de aahit galang-galang y welke ziekte-oorzaken we thans wat nader 
zullen beschouwen. 

a, Booze geesten als ziekte-oorzaken. 

Zooals bekend, denkt de Maleier zich voortdurend omringd door 
tal van zichtbare en onzichtbare hem vijandige geesten en is zijn 
hart voor hen steeds in duizend vreezen. Hun aantal is legio , want 
voor ieder gevaar, dat zijn verstand en zijn zinnen te boven gaat, 
weet des Maleiers phantasie zich als het ware een kwelgeest te 
scheppen , die er de oorzaak van is. 

Maar niet altijd zijn die geesten de belagers der menschen 
geweest. Oorspronkelijk — zoo vertelde men mij — leefden zij met 
en onder de menschen en waren zij met dezen van één geslacht. 
Njèq Piialo Goeroe was hun gemeenschappelijke stammoeder. Toen 
nu de Daulat ^ den Islam onder hen wilde invoeren, weigerden 
zeven van hen die nieuwe leer aan te nemen. Pitalo Goeroe zond 
die onwilligen daarom de wildernis in. Dezen werden booze geesten 
en uit wraak voor het hun door Pitalo Goeroe gedaan onrecht, 
werden zij «en hunne afstammelingen sedert de gezworen vijanden 
der menschen en zijn dat tot op den huidigen dag gebleven. Vóór- 
dat zij werden uitgestoten — zoo luidt verder het verhaal — ging 
Pitalo Goeroe een verbond met hen aan. //Wanneer ge de menschen 
ziek maakt// — zoo sprak deze — //en zij vragen U om genezing 
en voldoen aan de adat en de limbago, ^ dan moet ge hen ook 
genezen ; doet ge dat niet , dan zult ge getroffen worden door den 

1 Zie noot 1 blz. 479 hierachter. 

s Zie over deze beide termen noot 7 blz. 484 hierachter. 



Digitized by VjOOQIC 



440 BIJDRAGE TOT Dl VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

heiligen vloek vau Allah en door den Qoran, die iii dertig af- 
deeliugen is verdeeld [angkau dimakan sati kalam Oelah^ dimakan 
Q/ormi tiga poeloeh djoez]». 

Die booze geesten, waarvan er thans, naar men zegt, wel 124.000 
bestaan [sakaü doewa lasa ampat riboé]^ zijn hiërarchisch aan elkander 
ondergeschikt. Bovenaan in rang staau de vier liad;'a Soleiman^ door 
bepaalde kleurattri buten van elkander onderscheiden , verband 
houdende met de door hen bestuurde gedeelten van het heelal. 
Radja Soleiman Poetih heeft zijn verblijf in de witte wolken [di 
awan poetili] , Radja Soleiman Koming in de geelkleurige wolken \di 
awan hoening\ , Radja Soleiman Idjau in het wolkengebergte [di 
goenoetig awan-awan'] en Radja Soleiman Itam op de bergen op aarde 
[di moenggoeh tatiaK]. De keuze dier kleuren doet onwillekeurig 
denken aan de suggestieve kleurtafereelen , die de zon ons bij haar 
dagelijksche tocht voor oogen toovert, als zij bij haar opkomst de 
witte wolken voor zich uitdrijft, daarna op den middag haar 
hoogsteu stand aan het blauwe hemelgewelf bereikt, vervolgens bij 
haar ondergang de wolken met liaar gele verven kleurt en ten slotte 
achter de bergen wegzinkt, de aarde achterlatend in nachtelijk zwart. 

Om het bestuur over de aan hen ondergeschikte geesten naar be- 
liooren te kunnen voeren, hebben elk der vier Radja^s een staf vau 
boodschappers [doehalang'] onder zich, wier namen ook vaak aan 
kleuren verbonden zijn. Zoo heeten de vier doebalang^s vau Radf'a 
Soleimofi Poetih: Mambang Poetih^ Manbang Merah^ Mambang 
Koening en Mambang Idjau en die van Radja Soleiman Koening^ 
welke drie in getal zijn: Mambang Koening, Mambang Idjau en 
Mambang Boerahan. Radja Soleimafi Idjau heeft de Dewa'sy ParVa 
en Boelo's to*^ zijne adjudanten en die van Radja Soleiman Itam 
heeten Si-Hantoe Mo&no, Si Oelo-Oelo en Si-Gamboelo. 

Onder hen allen staau de geesten van lagere orde: Hantoe's, 
Djihin^ê, Setan*8 en OebilVs, waarvan de laatstgenoemden nog het 
minst kwaadaardig zijn: zij stichten geen direct Iwaad, maar 
brengen den mensch door misleiding van den goeden weg af. 

Verder gelooft de Maleier nog in allerlei plaaglustige en capri- 
cieuse kabouters, zooals de norang baliqn , die zich in de bosscheu 
ophouden en zóó worden genoemd, omdat hun voeten met de 
teeneu naar achteren zijn gekeerd , verder de fforang tirauf/ , die 
eveneeus het woud bewonen en wien niets onbekend is, eindelijk 
de fforang miloekoetf/ , een soort dwerggeesten, die hun verblijven 
in de onderwereld hebben. 



Digitized by VjOOQIC 



MALELBfiS DEK FADANGSCHE BENEDENLANDEN. 441 

De Hantoé'ê ziju onder ftl de genoemden de grootste k wei- 
duivels en het is vooral aau hun miraculeuse gedragingeii dat de 
Maleische phantasie tal van legenden heeft verbonden. Men kent 
hun verblijfplaatsen, hun namen en hun voorkomen, ja men zal U 
zelfs zweren enkelen van hen met eigen oogen te hebben aanschouwd. 
In het vervolg van dit opstel zullen we velen van hen nog hebben 
te noemen, thans te hunner karakteriseering nog een enkel woord. 

Tot de meest gevreesden en meest populairen onder hen behoort 
zeker Hantoe-Si-Marah-Boeroe, Vroeger — zoo zegt de legende — 
leefde hij als een gewoon mensch op aarde en behoorde toen tot de 
soekoe Bjamhaq-Katapang, Toen zijne vrouw eens zwanger was en 
sterken lust kreeg in het vleesch van een zwanger hert, deelde zij 
dit haren man mede, die er daarop met zijn beide jachthonden Si- 
Alang-Bjoné^ang en Taboean Tanah op uittrok om zulk een hert op 
te sporen. Maar hoe hij ook zocht, hij vond er geen. Hierover 
teleurgesteld at en dronk hij niet meer, zoodat, toen hij eindelijk 
geheel uitgeput en vermagerd en als met vuil begroeid bij zijne 
vrouw terugkeerde, deze haar man niet meer herkende. //Ge zijt 
mijn man niet// — zeide zij — //want als ge dat wèl waart, dan 
zoudt ge mij het hert zeker hebbeu thuis bezorgd//. Mistroostig 
antwoordde hij : als ge er zóó over deukt , dan ga ik weer naar de 
wildernis terug en ik zal niet meer huiswaarts keeren, vóórdat ik 
het dier gevonden heb ; mocht ik niet terugkomen , wees er dan 
zeker van , dat ik een Hantoe geworden ben ; mocht U tijdens 
mijne afwezigheid een zoon worden geboren, geef hem dan dezen 
ring//. Hij begaf zich daarop met zijn honden op weg en keerde 
sedert niet weer terug. Hij werd een woudgeest, door ieder gevreesd, 
en men noemde hem Si-Marah-Boeroe. Intusschen was de vrouw 
van een jongen bevallen en toen deze haar eens vroeg, wie zijn 
vader was, vertelde zij hem met welk doel zijn vader reeds lang 
geleden op reis was gegaan ver weg\in het bosch en dat hij zeker 
reeds een Hantoe geworden was. Nadat zij haar zoon bovenbedoelden 
ring had gegeven, besloot de knaap zijn vader te gaan zoeken. 
Vóór zijn vertrek vertelde zijn moeder hem nog, dat zijn vader 
indertijd twee honden had medegenomen, zoodat wanneer hij in de 
wildernis blaffen hoorde, hij in die richting maar moest zoeken, 
daar hij zijn vader dan zeker spoedig op het spoor zou zijn. 
Nadat de jongen eenigen tijd op marsch was geweest, hoorde 
hij werkelijk een hond blaffen en toen hij zich naar die richting 
spoedde, zag hij ook inderdaad een Hantoe met lang behaard 



Digitized by VjOOQIC 



442 BIJDUAGË TOT DE YOLKSGISNEESKUNDE BIJ DE 

lichaam eii schom melende aau de lucht wortels vau een Bangkoedoe- 
boom. De kuaap groette den Eantoe^ deukende dat hij zijn vader 
was, maar deze liet slechts een dof gebrom hooren. De jongen 
toonde hem toen' den medegebrachten ring, waarna de woudgeest 
hem vertelde, dat hij een meuscheneter geworden was. De knaap 
werd toen door vrees bevangen, maar de geest stelde hem gerust, 
zeggende: //vrees niet, neem een ftganioeftig poeijoeq^f ^ dat is een 
tandüy waartegen ik machteloos beu. ^ 

Zeer gevreesde Hanto^s zijn nog : Eantoe-Tinggi ; heeft een reus- 
achtig menscheulichaam met een hondekop. Baakt hij den mensch 
aan, dan is het dezen of hij brandwonden gevoelt. Grijpt hij den 
mensch bij de keel, dan krijgt deze bloedspuwing. 

Hantoe-Kapan doet zich voor als een lijkkleed en waart op de 
kerkhoven rond. Zijn grootste vermaak is de menschen aan het 
schrikken en daardoor ziek te maken. 

Hantoe-Ajèr zijn een soort watergeesten. Is iemand aan het 
baden in de rivier en wordt hij door vrees bevangen, dan houden 
die geesten den badende onder water. Het is deze dan net alsof hij 
bij de voeten vastgehouden werd. Bewaart men in die omstandig- 
heden zijne tegenwoordigheid van geest, dan kan men die geesten 
nog ontvluchten, maar toont men zich vreesachtig, dan is men 
verloren. 

Hantoe-Bjahad is de bezorger van stuipen aan kinderen en heeft 
het ook op kraamvrouwen gemunt. Hij is zwart en behaard als 
een beer. 

Hantoe-Papan heeft een meuschengedaante en loopt naar ver- 
kiezing nu eens met het hoofd en dan weer met de beenen naar 
boven gekeerd. 

Hantoe-Kajoe heeft de gedaante van een mensch, maar is zwart 
en behaard als een êiamatig en springt ook als een aap van tak op 
tak. Kapt men een kramat-hoom om , dan is hij vertoornd en 
maakt den schuldige ziek. 

In dit laatste geval wordt de ziekte dus beschouwd als eene 



^ De „gantoeng poetjoeq''^ is eea bij de Maleiers vaak voorkomende talisman, 
die men vóór zijne woning onder het vooruitstekende dak ophangt, als 
preservatief tegen kwade invloeden. Zij bestaat uit eenige bladeren van 
een jong uitspruitsel van den klapperboom , waaraan een* stak touw hangt , 
loopende door eene halve klapperschaal , terwijl aan het onderste einde van 
dat touw weer hangen si-tawar , si-dingin en kodit lamang [d. i een stuk van 
een gehalveerde bamboe-talang'koening']. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIERS DEB FADANGSOUE BENEDENLANDEN. 448 

straf voor eeu opzettelijk gepleegd ourecht, maar soms ook straffen 
die booze geesten den mensch met ziekten, zouder dat deze zich 
schuld bewust is, b.v. doordat deze den eeu of anderen onzicht- 
baren geest bij toeval heeft aangekeken of aangeraakt of hem 
onwillens is in den weg getredeu. 

Op allerlei wijzen kunnen die geesteu deu mensch ziek maken, 
b.v. door hem aan te sprekeu, zonder dat de toegesprokene het 
merkt [= mafijapo = giapo tegen iemand zeggen], of door hem 
ongemerkt beet te vatten [manan^iap] ^ of door hem van een merk- 
teekeu te voorzien Imanandai] of door hem met eeu of ander 
voorwerp te treffen [marimbal']. Men wandelt bijv. onder een boom 
en wordt door een vallenden tak getroffen , zulks is dan geen toeval 
maar een gril van een onzichtbareu Hantoe en de ziekte, die daar 
het gevolg van is, zal zeker niet uitblijven. Andere demon's 
schieten met magische pijltjes en maken den getroffene op die 
wijze ziek. 

Al dat werk van booze geesten noemt meu met uitbreiding van 
de eigenlijke beteekenis van het woord ook wel manjapo en de 
persoon, die er door getroffen wordt, iërêopo. 

Verscheidene van de namen der Maleische kwelgeesten, speciaal 
die der hooger geordonneerden onder hen, zijn blijkbaar vau uit- 
heemschen oorsprong. Zoo is dé naam Iiad;a Soleiman zeker aan den 
Qorau ontleend en bestond er na de invoering van den Islam alle 
aanleiding om de opperste der booze geesten juist met dien naam 
aan te duiden, omdat ook volgens de qoranische overleveriug de 
profeet Soleiman [Salomo] tot de djinu's werd uitgezonden, die 
hij door zijn zegelring [tjintjin-Badja-Soleimcm] geheel in zijne 
macht had. ^ 

Hoe de vier Radja'ê Soleiman oorspronkelijk hebben geheeten, 
zal moeilijk meer zijn na te gaan ; de bij hun namen vermelde 
kleur-attributen geven echter wellicht eenigeu grond voor het ver- 
moeden, dat zij vroeger de namen van Hindoesche goden hebben 



« Vg. b.v. Qoran XXXVIU : 33 en 36 [editie Mr. L. J. A. Tollens]. 
Ook in de formulieren [memang]^ die de Lampongsohe arts [doehoen] bij 
ziekten enz. uitspreekt, wordt o. a. Radja Sléman Koening aangeroepen [zie 
O. L. Helfrich in zijne bijdrage tot de kennis der afdeelin^ Kroë, Bijdr. 
Kon. Inst. T. L. en Vk. v. N. I. Y* B. IV blz. 562]. In de bezweringsformu- 
lieren bij de Maleiers van het schiereiland Malakka in gebruik — waarvan 
Skeat er in zijn Malay Magie een groot aantal heeft verzameld — wordt 
de naam van Radja Soleman, al of niet met de genoemde kleurattributen 
verbonden herhaaldelijk aangetroffen. 



Digitized by VjOOQIC 



444 



BIJDEAQE TOT DE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 



gedragen. Ook worden zij vaak in één adem genoemd met den 
hierboven reeds genoemden Pitalo Goeroe ^ welke naam aan Batara 
Goeroe [= Siwa] herinnert. * 

b. Zeker gif in het bloed als ziekteoorzaak. 

Naar men meent brengt ieder mensch reeds bij de geboorte een 
soort ziektegif in het bloed mede, hvring-birmg genoemd. Zoolang 
men gezond is blijft dat ziektegif sluimerend , latent. Komt het door 
uitwendige invloeden [bijv. door warmte of koude of door lichamelijke 
overspanning enz.] tot ontwaken, dan wordt men ziek. De uit. 
gebroken ziekte — die van zeer verschillenden aard kan zijn — 
heet dan eakit-hiring-birmg. Tot deze ziektengroep behooren b.v. 



Amar [ook : Araëng] 
Balah-sewa-sewatan 



Balah-nambi 

Batoeq-isaq 
Bërboetir 
Biring-koeto 
Biring-talor 

Bisoel 

Boeoq [ook : Boehoeq] 

Boetir-balit 

Damam kapialoe 

Damam panas 



Kneuzing. 

Vorming van eelt aan de hand- 
palmen en voetzolen, waarin 
etterende kloven ontstaan. 

Frambozenuitslag , waarbij ver- 
ettering plaats heeft. 

Aamborstigheid. 

Wild vleesch. 

Lepra. 

Keelontsteking, waarbij de aman- 
delen [talor] gezwollen zijn. 

Steenpuist. 



Wrat. 

Typheuse koorts (?) 

Aanhoudende koorts. 



1 Het is bekend, dat elk der Hindoesohe goden Mahaswara^ Kalay Sriy 
Brahma en Wisjnoe, die nu nog bij de Maleiers geacht worden het beheer over 
een der vijf deelen van het etmaal [koetika lima] te voeren , vaak met eene 
bepaalde kleur wordt aangeduid. Zoo zegt Skeat op biz. 545 van zijn 
genoemd werk, waar hij de Malei sohe koetika lima besohrijft, dat „geel" de 
kleur is van Mahaswaraj „zwart" die van KdUtj „wit" die van flW, „rood" 
die van Brahma en „groen" die van Witjnoe. Ook op de koetika Uma, in 
Zuid-Gelebes in gebruik vindt men de namen der vyf vorengenoemde goden 
met Maleische karakters in vierkante vakjes vermeld en wel in dat met een 
gele helft Mahaawara, in dat met een zwarte helft Kola, in dat hetwelk 
geheel blank is jS^W, in dat met een roode helft Brahma en in dat met een 
groene helft Wisjnoe [Dr. B. F. Matlhes, de Makassaarsche en Boeginesohe 
kot\ka*8 in het Trjdsohr. v. Ind. T. L. en Vk. dl. XVni blz. 14 vg.] Zie over 
den Hindoe-invloed op het Maleische geestendom, Skeat o. o. blz. 88 vg. 



Digitized by VjOOQIC 



MALXISKS DEK PADANOSCHE BKNEDXNLANDEN. 



445 



Damam koero ^ 
Damam sasajan \ 
Djatoeh pansan 
Goeam 
Kadal 



Katam 

Katoemboehan-ajër 

Katoemboehan-bënar [ook : pa- 

njakit poesako] 
Koeroq-ajam 
Koedis 
Panau-basi 



Panau-boengo 



Paimu-boeroeq 



panah] 



padis- 



Pauing-paiiing 

Panjakit-gadang [ook : p 

Patah-toelang 

Pitpinan 

Sakit-gigi 

Sakit-loempoeh 

Sakit ba^h-hati [ook : s 

hati , ook : s. oeloe-hati] 
Sakit mato [boeto = blind, 

raboen-sisih = bijziend ; sari- 

awan = verziend] 
Sakit talingo [pakah =: doof, Oorpijn. 

bisoe = doofstom] 
Saroq 
Sawau 
Sawan-kambing [ook 

bangkai] 



Soorten van tusschenpoozende 
koorts. 

Flauwvallen, bewusteloos zijn. 

Diphtheritis , Spruw. 

Ronde etterende huiduitslag, die 
hier en daar afzonderlijke wond- 
jes op het lichaam vormt. 

Klem. 

Waterpokken. 

Ware pokkeu. 

Ringworm (?) 

Schurft. 

Vlekken op de huid , donkerder 
dan de huidskleur. 

Witte huidsvlekken , die als 
lichaamsschoonheid worden aan- 
gemerkt. 

Vlekken op de huid lichter dan 
de huidskleur en die evenals 
de panau'boêi afschilferen [de 
panau-boengo zijn glad en schilfe- 
ren niet]. 

Duizeligheid. 

Fijt. 

Beenbreuken. 

Negenoog. 

Kiespijn. 

Verlamming. 

Maagkramp. 



Oogziekte. 



sa wan- 



Stuipen 

Vallende ziekte. 
Beroerte. 



Digitized by VjOOQIC 



446 BIJDUAGE TOT DB VOLKSGENIESKÜNDK BIJ DB 

Sèmbèli Zweereu. 

Soembali Verstopping. 

Tapialaiig Gewrichtsrheumatiek. 

Tapiawèh Spierrheumatiek. 

Tjampaq Mazelen. 

Tjanggoe Frambozia aan de teenen. 

Tërkili Ontwrichting. 

c. Wormen als ziekteoorzaak. 

Behalve de hiring-hiring brengt ieder mensch bij de geboorte nog 
allerlei wormen in het lichaam mede, zooals de hia^ een made- 
soort, de galang-galang-panjaity die zóó gelieeten zijn omdat zij niet 
dikker zijn dan een naald en de galang-galang-tamhago ^ die wij 
spoelwormen noemen. Verder bevindt zich in ieder menschelijk 
lichaam nabij den navel nog één lintworm [^galang-galang-rajo]. 
Gaat dit dier dood, dan moet de mensch, die het huisvestte, even- 
eens sterven. Die wormen doen den mensch geen direct kwaad, 
maar eet men slechte of vuile spijzen, of drinkt men vuil water, 
dan zijn die dieren daar niet van gediend, zoeken daarom een uit- 
weg en maken zoodoende den mensch ziek. Zóó ontstaan de z.g. 
sakit-galang-galajig. 

Gaat men na, dat bij verschillende andere volksstammen, zoowel 
binnen als buiten onzen Archipel, ingewandswormen als.de per- 
sonificatie's van bepaalde ziekten worden aangemerkt, dan schijnt 
het niet onmogelijk, dat ook de galang-galang bij de Maleiers oor- 
spronkelijk niet anders beschouwd werden dan als ziektegeesten, die 
in die gedaante het menschelijk lichaam binnendrongen, al wordt 
die beschouwing thans niet meer door hen gehuldigd. Herinneren 
we er terloops aan hoe in de middeleeuwen ook in ons werelddeel 
tal van knagende ziekten [jicht, fijt, kiespijn, enz.] aan wormen 
werden toegeschreven. 

Tot de hier bedoelde ziektengroep rekent de Maleier o. a. te 
behooren : 
Krajer-krajer [omzetting van Diarrhee. 

kaajer], ook: botjor 
Krajer darah Dysenterie. 

Langkibang Kramp in den buik. 

Malojo Misselijkheid . 

Madoe manasah [ook : tahoen] Cholera. 
Mandjaloèh Braken. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIEUS DER PADANGSCHK BBNBDBNLANDEN. 447 

II. GENEESMETHODEN. 

Even phantastisch als de ziekteoorzaken zelve zijn ook de middelen 
tot het onderkennen der verschillende ziekten en tot het vaststellen 
van de voor ieder speciaal ziektegeval geëigende geneesmethode. 
Het spreekt van zelf dat alleen de doekom ex-professo met die 
middelen bekend is. 

Over het doekoefiv^mhi eerst een enkel woord. Meestal gaat dit 
van vader op zoon over, maar soms ook tracht men zich daarvoor 
voor te bereiden door geruimen tijd het onderricht van een anderen 
doekoen te volgen. Als regel zijn die bedienaars der geneeskunde 
ook trouwe opvolgers hunner godsdienstplichten en ook bereid om 
uit mandoa en mangadji te gaan, wanneer zij daartoe worden aan- 
gezocht. Hoewel zij zich in hunne uiterlijke levenswijze in het 
algemeen niet van hunne mededorpsgenooten onderscheiden, zoo 
staan ze bij dezen toch vaak in hoog aanzien, daar zij toch geacht 
worden in het bezit te zijn van de noodige alémoe*g [bovennatuurlijke 
krachten] om de practijken der kwaadwillige geesten te bezweren. 
Men vindt zoowel mannelijke als vrouwelijke doekoevCs^ alleen de 
z.g. doekoeii halian [verloskundigen] zijn altijd vrouwen *. 

Wordt de doekoen bij een zieke ontboden, dan is het een vast 
gebruik, dat voor hem eene «r»A-pruim wordt gereed gezet, welke 
pruim noodig is voor het stellen van de diagnose van de ziekte. 
Nadat hij daarop eenigen tijd heeft gekauwd , spuwt hij het kauwsel 
drieniaal achtereen in een kommetje en onderzoekt den inhoud met 
critischen blik. Voelt nu het kommetje, waarin het speeksel werd 
opgevangen, lauw \iiiloe'niloekoekoè\ aan, dan is zulks eene zekere 
aanwijzing dat de patiënt tersapo is en wordt hem al dadelijk met 
dat speeksel een kruis op het voorhoofd gemaakt en worden ook 
zijne gewrichten daarmede ingesmeerd. Daarna wordt deze aan eene 
z.g. limaukwMT onderworpen. 

Blijkt uit den beschreven kunstgreep van den doekoeffi dat de 
ziekte niet aan booze geesten, maar aan inwendige invloeden te 
wijten is, dan wordt de ^«7af -behandeling toegepast. 

Vóór we ertoe overgaan deze beide geneneesmethoden wat nader 
te beschouwen, schijnt het wenschelijk eerst nog in het algemeen 
een en ander op te merken nopens den aard van de middelen , 

' De verlossing noemt men mandjawat anaq lett. „het kind in ontvangst 
nemen". 



Digitized by VjOOQIC 



448 BIJDEAGE TOT DK YOLKSGENEXSRUNDE BIJ DE 

waarmede men de ziektegeesten met goed gevolg meent te kunnen 
bestrijden om zoodoende genezing te erlangen. 

Hoewel algemeen geducht en gevreesd zijn die geesten toch niet 
almachtig. Het is allereerst het door den doeiom uitgesproken woord, 
waaraan zij te gehoorzamen hebben. Hierin schuilt voor een groot 
deel de macht van de hierna te noemen bezweringsformulieren. 
Opmerking verdient al dadelijk, dat die formulieren, naar men 
meent, niet van menschelijken oorsprong, maar van Radja Soleiman^ 
den opperste der booze geesten zelf, afkomstig zijn. Men bestrijdt 
hen dus, om zoo te zeggen, met een wapen uit hun eigen arsenaal. 
Deze oogenschijnlijke inconsequentie staat niet op zichzef. Waar 
Radja Soleinum met zijn trawanten den mensch ziek maken, geeft 
hij dezen zelf eenige geneesmiddelen aan de hand. De legende 
verhaalt ons daaromtrent, dat Radja Soleiman eenmaal aan den 
vogel Fadoeng en ook aan al zijne doebalang^s en onderhoorigen 
een ziektegif rrbisoff uitdeelde om daarmede de menschen te be- 
ademen en hen zoodoende ziek te maken. Maar tegelijkertijd gnf 
hij ook aan de menschen te kennen, hoe zij dit ziektegif weer 
krachteloos zouden kunnen maken : >/ Nabij den steen voor de trap 
van mijne woning, waar ik gewoon ben mijn voeten te wasschen,// 
— z66 zeide hij — //groeien twee planten, de eene heet si-tawar 
en de andere heet si-dingin , de eerste dient om alle ziekte-invloeden 
te neutraliseere]) [^pofiatoa/ri êakalian biêo] , de laatste om alle ziekte- 
invloeden te verkoelen [kapandingini êakalian hi8o],ff Met dit //ver- 
koelen// bedoelt men ook vrijhouden van schadelijke invloeden. 
Een dergelijk dualistisch karakter van den booze konden we hier- 
boven reeds opmerken toen we de z.g. ftgomtoeng poetjoeqrf noemden , 
een talisman door den Hanioe Si-Marah-Boeroe zelf aangewezen als 
het middel om zijne eigen booze practijken te bestrijden. Herinneren 
we er in dit verband nog even aaii, hoe ook in Europa, toen het 
geloof in den duivel, als een wezen, dat op aarde rondging, 
heerschte, ook hij als de brenger van vergif en tegengif werd beschouwd. 

Het geloof dat verkoeling genezend werkt — waarop we hier- 
boven doelden — is bij de Maleiers zóó sterk, dat als men een of 
andere medicijn heeft toegediend , men steeds aan den patiënt zal 
vragen, of die koud aanvoelt; luidt het antwoord hierop ontken- 
nend, dan gaat men direct tot een ander geneesmiddel over. 

Vaak is de zin der gebezigde bezweringsformulieren voor onin- 
gewijden moeilijk te verstaan door de vele zinnebeeldige omschrij- 
vingen en oude in de omgangstaal weinig of niet meer gebruikelijke 



Digitized by VjOOQIC 



MALKlEttS DÉK PADANGSCHÊ BENEDENLaNDEN. 449 

woorden, die men daarin aantreft. Maar ook in dat onbegrijpelijke 
schuilt een deel van de magische kracht dier woorden. Soms be- 
vatten zij, zooals we zien zullen, bedreigingen of verwensöhingen 
om de ziektedemous te verjagen, Foms tracht men ze door bedrog 
om den tuin te leiden, of ze door beloften en gevlei langs een 
zoet lijntje weg te krijgen. Verder geven die formules ons tal van 
voorbeelden aan de hand, dat men die geesten ook onschadelijk 
tracht te maken door hun te toonen, dat men hen kent, dat hun 
naam, hun wezen, hun oorsprong, hun voorkomen enz. niet meer 
voor ons verborgen zijn. //AUerwege op den aardbodem^/ — zóó 
schrijft Prof. J. J. M. de Gropt > — //heeft studie van minbe- 
schaafde volken geleerd, dat zij bezwaarlijk werkelijkheden scherp 
kunnen onderscheiden van hetgeen deze voorstelt, en dus ook steeds 
namen plegen te vereenzelvigen met de personen daardoor aangeduid. 
Wie met iemands naam bekend is, heeft derhalve ook het individu 
zelf onder zijn invloed en kan dit door allerlei hekserij naar wille- 
keur onheil berokkenen. Vandaar het verschijnsel, ook in onzen 
Archipel inheemsch, dat men namen van personen, die men heeft 
te ontzien, liefst niet aan vreemden mededeelt. Vandaar ook het 
in China algemeen geldige axioma, dat geen spook, ^w dus ook 
geen mensch-tijger, hem kwaad doet, die toont zijn naam te ken- 
nen en dus macht over hem te bezitten. Opmerking verdient, dat 
ook in Europa het geloof heerscht dat, zoo men een weerwolf bij 
zijn doopnaam aanspreekt, hij de menschelijke gedaante herneemt 
en dus zijn gevaarlijk karakter verliest.// 

Een eigenaardigheid dier formulieren is nog, dat men de kwaad- 
gezinde geesten daarin telkens herinnert aan den een of anderen 
eed. Men houde hierbij in het oog, dat men zich die geesten niet 
alleen met zuiver menschelijke neigingen toebedeeld denkt, maar 
ook, dat hunne aansprakelijkheid voor hun doen en laten door 
gelijksoortige wetten wordt beheerscht als die der menschen en dat 
dus ook zij evenals dezen er zeker de fatale gevolgen van zullen 
ondervinden, wanneer zij ontrouw worden aan een eenmaal door 
hen afgel egden eed. 

A. MALIMAUI. 

Men verstaat hieronder een limau-hehnnAeliug ^ waarvan de hoofd- 
momenten daiirin bestaan, dat de zieke periodiek wordt overgoten 

ï Zie Bijdr. Kon. Inst. T. L. en Vk. v. N. I. VI' R. V blz. 552, De weer- 
tijger in onze koloniën en op hot Oostaziatische vasteland. 

?• Volgr. VI. 30 



Digitized by VjOOQIC 



450 BIJDEAÖE TOT DB VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

met een of ander ^m^w- water van bepaalde samenstelling, waarover 
vooraf de daarbij behooreude doa door den doekoen is uitgesproken. 

Deze geneeswijze komt, zooals we reeds zeiden, alleen te pas 
als de ziekteoorzaak aan geesten wordt toegeschreven. 

Zooals men weet behooren de limau- of citrussoorten door haar 
zuren smaak tot die zaken , waarvoor de Hantoe's eene heilige 
vrees hebben. " 

De bij het Tnalimau gebruikelijke mengsels zijn vierderlei al naar 
gelang van de ziekteverschijnselen : 

P Limau hoewah^ bestaande uit drie vruchten van de limau kapas 
[ook wel : lim^au nipiê] en een gelijk aantal van de limau-loefiggoq, 

2® Limau daoen, bestaande uit de bladeren van si tawar [groeit 
op moerassigen bodem, is 2 ^ 3 M. hoog en heeft langwerpige 
aan de achterzijde fijn behaarde bladeren. De witte kroonblaadjes 
zijn op eene purperroode bloemkolf geplant] , si dingin [een ongeveer 
1 M. hooge struik , waarvan de succulente bladeren en stengel koel 
aanvoelen, eene eigenschap waaraan de plant haar naam ontleent. 
De bloemen gelijken op neerhangende groene en lila klokjes], tji 



^ Zeer duidelijk treedt bv. die vrees aan den dag bij de tinontginning op 
het Maleisohe schiereiland , waarover Skeat op blz. 264 van zijn Malaj Magie 
o. a. het volgende mededeelt: „Limes cannot be brougbt into the mine. This 
superstition is peculiar to the Malay miner , who has a special dread of this 
frait, which , in pantang language, he calls salah nama (lit. wrong name) 
instead of limau nipxs " en verder op blz. 254 van datzelfde werk : ^If limes 
^re brought on to a mine, the hantu (spirits) are said to be offended, the 
particular feature of the fruit , which is distateful , appears to be its acidity . 
It is peculiar that Chinese have this superstition concerning limes as well 
as Malajs; not very long ago a Chinese towkay of a mine complained that 
the men of a rival kongsi had brought limes and squeezed the juice into his 
head race, and, furthermore, had rubbed their bodies with the juice mixed 
with water out of his head race , and he said they had committed a very 
grave offence, and asked that they might be punished for it. With Malay s 
this appears to be one of the most important pantang rules, and to such a 
length is it oarried that bdachan (shrimp-paste) is not allowed to be brought 
on to a mine for fear it should induce people to bring limes as well,lime-juice 
being a necessary adjunct to hélachan when prepared for eating". Ook in 
ons werelddeel namen — om hier nog even op te wijzen — citroenen een 
belangrijke plaats onder de geneesmiddelen in. 

„Ihre medicinisohe Verwendung durch das Volk erf&hrt die Citrone als 
Zusatz zum Trinkwasser der Kranken und zum Weiszbiere, da ihr Saft 
magenst&rkend sein soll und hefewidrig ist; man schrieb früher der damals 
seltenen Citrone fast zauberhafte Wirkungen zu und sie galt auch schon 
früh als Antisepticum etc." [Dr. M. Höfler: Volksmodicin und Aberglaube 
in Oberbayerns Gegenwart und Vergangenheit]. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIEIIS DEll PADANGSGHE BBNJSüENLANDEN. 451 

karau^ tji koempai [eeae rietsoort groeiende op moerassige plaatsen], 
djariangau [= kalmoes, — op Java dringo — eene sterk riekende 
op waterrijken bodem zich door wortelstokken snel voortplantende 
grassoort], hoenjit holai [ook h boetiglai^ — op Java henglé — een 
ongeveer IJ M. hooge rietsoort met purperroode bloemen, dienaar 
vorm en grootte op denappels gelijken. De aromatische wortelstok 
is op doorsnede licht geel gekleurd], hanto [eene grassoort], ialang 
[eene bamboesoort], gagaq sabalai^ akar sirah^ koetiAoer [eene 
slingerplant met kalabas-vruchten] , akar kait-kaii [eene klimpant 
die door middel van haken — kait-haii — klimt], haliq^ avgin 
[een middelmatig hooge boom, waarvan de bladeren aan de eene 
zijde lichter gekleurd zijn dan aan de andere, zoodat wanneer de 
wind hierdoor speelt, het schijnt, alsof die bladeren telkens vnn 
kleur veranderen. Vandaar de naam. De zeer kleine violette bloemen 
groeien aan trosjes. 

Verder uit de jonge loten \oemhoe{\ van tahoe oedang [eene roode 
suikerrietsoort] , rasau [eene pandansoort] , toembarau [eene rietsoort] , 
pisang -komhali en pisang tamhaioe, 

3° Limau boefigo [ook L sati genoemd] , bestaande uit één vrucht 
van elk der vijf limau-^ooiiaw : L poeroet^ L kapas^ L koentji^ 
l. saring en l, loefiggoq. 

Voorts uit eenige van elk der ondervolgende bloemen : tjampago 
[donker geel en sterk riekend], mara [reukelooze, maar zeer 
sierlijke oranjeroode vlinderbloem] , tandjoeng [geel en geurig], 
homgo tjino [kleine gele bloemhoofdjes] en pandam kaki [welriekend 
en wit]. 

4^ JAmau lersapo, bestaande uit drie vruchten van elk der drie 
limaM-sooTten : L kamhing , l. kapas L loenggoq. 

Bij elk der vier genoemde limau-meugseh behoort een bepaald 
bezweringsformulier [doa] en het zijn juist deze doa'*s, waaraan het 
malimaui zijne innerlijke kracht ontleent. Men onderscheidt dus ook 
vier soorten van doa'^s n.1. 

doa limau hoewah^ 

doa limau daom^ 

doa limau homgo ^ 

doa limau tersapo. 

De eerste dier doa'^s bestaat uit vijf stropheti [^pasal']^ de doa Ld, 
en de doa U. behalve uit die vijf elk nog uit twee andere pasal 
en de doa Lh. behalve die vijf nog uit één pasaL Elk zoo'n strophe 
wordt met het //Bisraillah'/ ingeleid. 



Digitized by VjOOQIC 



454 BTJDEAÖB TOT DB VOLKSaENIESKÜNDE BIJ DE 

//eu de platte wrijfsteeii om de spaansche peper te wrijven bijeen 
/•/zijn], dan behoeven wij niet meer bevreesd te zijn. 

^/Zegt het naar waarheid, dat de ilmoe op den Qoran, op God 
//en op Mohamad rust. Moge Gabriël helpen! 

//Uit de duisternis zijt ge voortgekomen, ge zijt er om mijnentwil, 
//ik ben er om Gods will 

//Al wat ziek is geneest, al wat scherp is wordt stomp, al wat 
'/hard is wordt week door de machtige doa van Njèq Radja Soleiman! 

//Door de bewilliging van God, van Mohamad, den Gezant van 
//God, door den zegen der formule: er is geen God dan AUah.^f 

//In naam des barmhartigen, goedertierenen Gods! 

//Het werk der booze geesten, dat in Gods macht is, moeten 
//wij kunnen verduren en daaraan kunnen weerstand bieden en al 
//ware het, dat het ijzer in den grond begon te spreken, de kracht 
//om aan dat duivelswerk weerstand te kunnen bieden — welke ook 
//in Gods macht is — moeten wij duizendmaal tot de onze maken , ^ 
//om weerstand te bieden aan de Djoembala/ng-Ajèr en aan de Djoem- 
ffbalang Tabing ^ aan het werk der djihinêy setan^s^ Aantoé^s^ oebilVs^ 
f/boelo^s, parVsy dewa*s en mambang'êy aan het werk van Si-Hantoe- 
ffMomOy Si-Kati-Moetio y aan Si-Madang Kilat die boven en aan 
nRadja Sikoedarang die beneden is en aan Radja-Itam. 

//Gij honderd en negentig doebalaaig'^ê y die U gedeeltelijk ophoudt 
//op zee, gedeeltelijk op het land en gedeeltelijk in het luchtruim, 
/ygij kunt mij geen kwaad doen , op aarde zoomin als in den hemel. 
////Hoe// is mijn naam en //Wahab// is Uw naam. Gij zult net 
//zoolang gehouwen worden door het zwaard van Ali, totdat ge 
//dood zijt. 

//Ali verhief tot hunne waardigheid Radja Soleiman Poetiky die 
//in de witte wolken woont, Radja Soleiman KoefUng y die in de gele 
//wolkeu woont. Radja Soleiman Idjau die in het wolkengebergte 
//woont en Radja Soleiman Itamy die op de heuvelen op aarde woont. 

//Hé, Radj<Ca Soleiman y die vier en veertig in getal zijt, die in 
//de vier hemelverdiepingen boven de aarde en in de vier aarde- 
// verdiepingen beueden de aarde woont eu bruiden van de zeven 
nSi'BiniorOy die zich in het bosch ophouden, weest niet valsch en 
//kwelt het menschdom niet. Ik weet welke Uw afkomst is. Uit de 



1 Aldus ongeveer de vertaling van hetgeen op gezag mijner zegslieden 
deze duistere passage in de doa beteekenen moet. 



Digitized by VjOOQIC 






MALEIEIIS DEll PADANQSCHE BENE DEN LANDEN. 455 

yyavoiidschemeriug • zijt go voortgekomen eu tot de avoudschemeriug 
//keert ge weder. Gij verschijut als de zon schijnt bij regenweder 
ven gij keert terug bij regen-zonneweer. Gij komt uit dikke boomen 
//en daarheen keert ge weder. Gij komt van groote steeuen en 
//daarheen keert ge weder. Gij verschijnt uit eetbare aarde en 
//daarheen keert ge weder. Gij komt uit het middelpunt der wereldzee 
//en daarheen keert ge weder. Het is mij bekend hoe ge zijt ont- 
//staan : ter wille van Gabriël zijt ge ontstaan. 

//Door den zegen der formule: er is geen God dan Allah.// 

//In naam des barmhartigen , goedertierenen Gods! 

//Ik spreek met innige bedoeling mijn doa [lett. mijn bescherm- 
//middel] uit. 

//Mohamad staat Jahajan, Jadajan; Jasin is in den Qoran. 

//Zoomin God ooit eenig ongeval kan overkomen, zoomin moge 
//ook den patiënt door zijne ziekte eenig letsel trefien. 

rtSaroe en Batoe als gij menschen ontmoet, gaat dan uit den 
//weg, naar rechts en naar links, voor en achter hen om. 

//Ik bezig een doa tot afwering en tot afleiding. 

^Terwijl de sterke stroom van richting verandert , niet door ons 
//toedoen, maar door den wil van God den Allerhoogste, hoeveel 
^temeer dan is het niet ons werk, maar het werk van God, wanneer 
//de kwellingen der booze geesten worden afgewend. 

//Door de bewilliging van God, van Mohamad, den Gezant van 
//God, door den zegen der formule: er is geen God dan Allah//. 

Dit z.g. mandoai heeft steeds door den doekoen bij zich aan huis 
eu wel ^s avonds plaats ; de patiënt is daarbij dus niet tegenwoordig. 
Deze laatste moet zelf voor de noodige /^9»a««-ingrediënten zorgen 
en die bij den doekoen aan huis bezorgen en is het /t'^Ttat»- water door 
de daarover uitgesproken doa gewijd , dan moet hij die ook zelf bij 
den doekoen afhalen. Met dat /t'maw- water, waarmede hij drie dagen 
moet toekomeii, moet de patiënt zich overgieten tijdens het baden 
in de rivier eu wel zoo, dat het gewijde vocht overal langs het 



1 Gedurende den tijd vóór en na zonsondergang, wanneer een roode gloed 
zioh aan den horizon vertoont, denkt de inlander degeen, die zich aan de 
buitenlucht waagt door bijzondere gevaren bedreigd. 

Ook de tijd dat de zon schijnt terwijl het regent [bij ons: ^ kermis in de 
hel"] geldt als omineus, allerlei ziektegeesten trachten dan vooral hun slag 
te slaan. 



Digitized by VjOOQIC 



456 BIJDRAGK TOT DK VOLKSGENKESKUNDE BIJ DE 

lichaam heen kau vloeien. Den eersten dag wordt hiervan J~ des 
morgens vroeg gebruikt, den volgenden dag nog | des middags en 
den derden dag het resteerend J bij zonsondergang [sand^'o]. Na 
deze ritaeele overgieting , dompelt de zieke even onder water, waarna 
hij zich het lichaam nog met eene soort van welriekend blanketsel 
[iasaz] insmeert met de bedoeling om alle nog schadelijk werkende 
invloeden te vernietigen. Hierop volgt weer eene ouderdompeKng 
om ook die iasai weer weg te wasschen. Voor dat blanketten zijn 
noodig drie balletjes van zulke poudre de riz en wel van verschil- 
lende kleui , den eersten dag is witte , den tweeden dag gele en den 
derden dag zwarte kasai voorgeschreven. 

Is die driedaagsche kuur afgeloopen , dan brandt de patiënt thuis 
wat koemajan op een bordje met kolenvuur en laat de geurige 
wierookdampen langs alle zijden van het lichaam strijken, ook weer 
met de bedoeling om het van alle daaraan nog klevende nadeelige 
invloeden te zuiveren. ^ 

Gedurende die drie dagen moet de patiënt er voor waken, dat 
zijne schaduw door niemand wordt aangeraakt en dat dus ook 
niemand door zijne schaduw heen mag loopen, daar zulks zeker 
nadeelig op hem zou terugwerken. 

Naar men beweert, zouden zieken door die Wwww-behandeling 
alleen vaak genezen. Is dit niet het geval, dan wordt de beschreven 
kuur vaak door iriedicijnen ondersteund, welke medicijnen voor ieder 
verschillend ziektegeval ook verschillen. 

Als de ziekte niet reeds eerder geweken Is , kan de kuur tot drie 
malen achtereen worden herhaald. Is er dan nog geen vooruitgang 
te bespeuren [teda bh'gaaoer] en helpen ook de medicijnen niet meer 
\tida talog diobaf]^ dan besluit men daaruit, dat de ziekte een 
ernstiger karakter heeft en wordt alsdan tot de ^ma»-^^^-behan- 
deling overgegaan, die we nu zullen bespreken. 

J. Limau-daoen-behandeling. 

Deze kan men dus beschouwen als eene voortgezette limau-boewak- 
behandeling in meer hachelijke ziektegevallen. Het r/saroeanf/ nbari 
salamff en nmafamashan limaurt heeft hier op dezelfde wijze plaats 
als bij laatstgenoemde kuur is beschreven. Alleen zijn de verschil- 



1 De beweriag van den heer Alb. C. Kruyfc op blz. 68 van zijn belangrijk 
werk „Het Animisme in den Indisohen Archipel," dat het branden van 
wierook met anders is dan een middel om de aandacht der geesten op zich 
te vestigen is m. i. dus te exclusief. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIERS DBK PADANOSOHE BËNBDËNLANDEN. 457 

lende voorschrifteu , waaraan de patiënt zich te houden heeft, met 
het oog op zijn kritieken toestand hier eenvoudiger. Zoo behoeft 
hij in dit geval zich niet met het limau-wsiteT te overgieten, maar 
kan hij volstaan met zich het lichaam daarmede in te smeren. Ook 
het gebruik van blanketsel is hier niet vdbrgeschreven. Verder raag 
het mandoai hier als uitzondering bij den zieke aan huis geschieden. 
De toediening van het gewijde vocht geschiedt drie dagen lang 
drie malen daags. Dat kan tot drie keereu worden herhaald. Ook 
deze kuur wordt vaak met geneesmiddelen ondersteund. 

De hier gebruikelijke doa bestaat behalve uit de vijf hierboven 
genoemde nog uit de beide volgende strophen : * 

//In naam des barmhartigen , goedertierenen Godsl 

4^ Komt bijeen Si-Bjampoeroe^sï ffSi-Baoetv met het lange heft! 
//Waarom dat mes met het lange heft? Om de gebezigde ümauvoiW 
//dunne schijfjes te snijden. Waarom die limau? Om als medicijn te 
//dienen voor den patiënt, die door den hantoe Si-Mwrdk-Boefoe 
//bezeten is. 

ffSi-Oembang is Uw naam, Si-Baijih is Uw naam, Si-Alang- 
ttBjondjang is de naam van Uw eenen hond en Tahoean-Tanah is 
//de naam van Uw anderen hond. 

////Ge moogt de huid, de hersens, het merg, de oogen, het mid- 
// //den voorhoofd, de lever, het hart, de milt en de gal niet opeten// 
// — zeide Si-Mwrah-Boeroe eens tot zijn honden , terwijl hij deze de door 
//hem ontvoerde lichaamsdeelen toonde — //Als ge de lever, het hart 
////de milt en de gal opeet, dan wil ik ze terughebben [d. w. z. 
//^dan haal ik ze ook uit uw lijf]. Laten we eene afspraak maken 
////voor drie dagen en belooft me, dat ge binnen dien tijd terug 
////zult keereu even stellig als het zeker is, dat de nrih en ii^ pinang 
////niet behaard zijn. Keert ge dan niet terug, dan zal ik u doorboren//. 

//De heilige kris ffMadang-GiHf^ dient om de kinderen van Si- 
ffMa/rah'Boeroe neer te vellen. * 

//Gij kunt mij toch niet weerstaan, op aarde zoomin als in het 
//hiernamaals. Ik ken Uw afkomst. Ge stamt af van de èoehoe 
ffBjambcLq Katapang ; uit de gom van de wortels van den Bangkoedoe- 
//boom zijt gij voortgekomen I 



^ Om den zin van deze dqa te begrijpen is bekendheid met de op biz. 441 
t. V. medegedeelde legende van Si-Marah-Boeroe noodig. 

• Zie over die heilige kris ook J. L. van der Toorn , het Animisme bij den 
Minangkabauer. Bijdr. Kon. Inst. T. L. en Vk. v. N. I. Y* B. V blz. 83. 



Digitized by VjOOQIC 



458 BIJDRAGE 1X)T DE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

//Ouze stammoeder Njèg-Si-Orè heeft een eed ingesteld, zoo diep- 
//grondig als de zee , zoo vérstrekkend als de hemel. Uw stammoeder 
>/heeft dien eed ingesteld. Wie heeft hem in stand gehouden dien 
//eed zóó onvergankelijk als de rots in het water, als het ijzer in 
//den grond? Verbreekt flien eed niet, want als ge zulks wèl 
//deedt, dan zoudt ge met Uw geheele geslacht te gronde gaan, 
//Uwe nakomelingschap zou uitsterven door den banvloek en Uw 
//voorgeslacht zou vervloekt worden door den Sultan en door de zes 
ff Radja's^ gij allen zoudt vernietigd worden door den banvloek van 
//den Daulat ^ . 

//Door den zegen der formule : er is geen God dan Allah.// 

//In naam des barmhartigen , goedertierenen Gods ! 

//Een (zweet)druppel (van Radja Soleiman) naar den hemel werd 
//een hemelvogel. Een (zweet)druppel naar zee werd een booze geest 
//en bewaker van de zee. Een (zweet)druppel naar de aarde werd 
//een Palasieq, ^ die zich overal even ophoudt tusschen hemel 
//en aarde. 

//Uw hals (o, Falasieq) heb ik vast aan een ketting, die honderd 
//negentig (schakels) telt. 

//Ge kunt mij toch niet weerstaan, op aarde zoomin als in het 
//hiernamaals. 

//Mijn spuug is het tegengif om de werken der duivelen krachte- 
//loos te maken. •' 

//Als de Tadoeng [een booze geest in de gedaante van eene slang] 
//kwaad doet, komt zijn gif vanzelf, Si-Tawar kan men dan vinden 
//in den tuin en Si-Dingin \\\ de padi. 

//Ik bezweer met een oprecht hart tot in zijn binnenste het zuivere 
//water, dat voor de liman is gereedgemaakt en ook het water dat 

^ Vg. over deze passage noot 1 blz. 479 hierna. 

' Zooals bekend , worden met dezen naam een soort heksen aangeduid t. w. 
personen, wier zielen niet, evenals die van andere mensohen, onschuldig 
van aard , dooh bepaaldelijk booze geesten zijn , welke nu en dan het lichaam 
verlaten om overal rond te zwerven en kwaad te doen [G. A. Wilken, Het 
Animisme bij de volken van den Ind. Aroh. , Ind. Gids 6* jaarg. I 1884 
blz. 949 (blz. 25 van den overdruk)]. 

* Van bespuwingen [samboer] door den doehoen met een kauwsel van 
bepaalde kruiden, wordt vaak een heilzame invloed bij ziektegevallen 
verwacht. B.v. bespuwing met zout als men door eene brandnetel {djüaiang] 
gestoken is, met sirih bij zwellingen, met koenjit en djariangau bij kraam- 
vrouwen enz. Krankzinnigen spuwt men in de oogen met een kauwsel van 
djariangau y ai-^Mdas en lado kètè. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIËRS DKB FADANGSCHE BENE OEN LAKDEN. 459 

//troebel is, undat de limau daarin is uitgeperst, het water, dat als 
//opgesloten, naar geeue enkele zijde af kan vloeien. Mochten de 
//spieren en het vleesch van den patiënt zich hereenigen. 

//O , engel die wit zijt ^ kom naar beneden en breng versche was 
/s^mede. Waarom versche was? Om het versche bloed van den 
//patiënt af te koelen. 

f/Haq-Mampal als ge u vastklemt aan de huid van den patiënt, 
//wil die dan loslaten. Als ge hem vasthoudt bij de hersenen, het 
^merg of het middenvoorhoofd, wil hem dan loslaten. Als ge hem 
/rvasthoudt aan de levér, het hart, de milt of de gal, wil hem dan 
//loslaten. Als ge U vasthoudt aan zijne kleeren of aan zijne haren, 
//wil hem dan loslaten. 

>/Door den zegen der formule : er is geen God dan Allah.// 

c. Limau-boengo-behandeling. 

We hebben hierboven gezien, dat de booze geesten den raensch 
soms ziek maken door hem van een merkteeken te voorzien 
[manandoi]. Of juister : heeft iemand bepaalde teekenen [tando] op 
het lichaam — b.v. een zwarte ader bij een der ooghoeken , moeder- 
vlekken of andere vlekken enz., dan meent men, dat die teekenen 
door een of anderen kwelduivel zijn aangebracht met het doel, die 
persoon steeds te kunnen terugvinden. Die teekenen zijn dus voor 
den boozen geest zelf een herkenningsmiddel, dat hij op zoo'n 
persoon beslag heeft gelegd. Is iemaod veel ziek, dan is het ook 
de taak van den doekoen om te onderzoeken, of er bij den patiënt 
al dan niet teekenen als hier bedoeld voorhanden zijn. In het beves- 
tigend geval wordt de patiënt aan een limau-boefipo-knuT onderworpen. 

Ook als een kind steeds huilt [men noemt dit verschijnsel f/tanffialf/'\y 
ziet men hierin een tando van een of anderen boozen geest. 

Alleen bij vrouwen en kinderen schijnt op die teekenen te wor- 
den aclitgeslagen, want bij mannen komt de limau'boenpo-héhs,nde'- 
ling zelden of nooit voor. 

Nu weet men wel, dat door deze kuur de tando^s niet verdwijnen, 
maar men stelt zich het geneesproces hier zóó voor, dat de ziekte- 
geest door de limau uit het lichaam van den patiënt wordt ver- 
bannen en dat de tando's alleen achterblijven. 

1 Wie met dien witten engel bedoeld wordt is mij niet gebleken. Yg. ook 
Skeat op blz. 98 van zijn meer geciteerd werk: Sometimes again, a White 
Angel [Mala' ikat Puteh] is mentioned, e. g. as being in ^charge of all 
things in the jungle /' but what his apecifio duties are does not transpire. 



Digitized by VjOOQIC 



460 BIJDRAGE TOT DB VOLKSGENEESKUNDE BIJ DB 

lutussclieu zalleu die achtergebleven teekeiien vaak aanleidiug 
zijii, dat de verdreven demon eene neiging blijft behouden omzijn 
losgelaten slachtoffer weer op te zoeken en te kwellen. Vandaar 
dat de limau'boenffO'kxiixT er eene is van zeer langen dunr en zóó 
lang moet worden voortgezet, totdat de booze geest die teekenen 
weer vergeten is. 

Yooral op den twaalfden van iedere maand loopt het gemerkte 
slachtoffer groot gevaar met een nieuw bezoek van den Jiantoe te 
worden lastig gevallen en ook op die omstandigheid zal dus bij de 
hier te behandelen geneesmethode moeten worden gelet. 

Het vbërsiang// , nsaroeann , uhofri salam» , ffma/ranuukan4imau en 
het gebruik van nkmain gaan ook hier vooraf en het nmandodm 
geschiedt ook hier bij den doehoen aan huis. 

Met deze geneesmethode vangt men aan op den eersten van de 
nieuwe maand n.1. den eersten dag 's morgens \^ den tweeden dag 
's middags ^ en den derden dag 's avonds ^ van het ;»f»aif-water. 
Dit wordt driemaal achtereen telkens met één dag tusschenruimte 
herhaald. Dus den 4*»" dag niet, 5~, 6*»° en 7*" dag wol, 8«» 
dag niet, 9*°, 10®° en 11®° dag wèl. Deze elf-daagsche behande- 
ling wordt drie maanden achtereen herhaald. De daaropvolgende 
drie maanden wordt ze maandelijks drie dagen toegepast n.1. op 
den 12°°, 18®° en 14®° der maand telkens \. 

De derde drie maanden heeft de kuur plaats als in de tweede 
drie maanden , maar dan moet de patiënt telkens als hij de limau bij 
den doekoen aan huis komt halen een geheel witten haan {ajam- 
paraK] meebrengen. Y66rdat de doekoen nu tot het uitspreken van 
het vooi^eschreven formulier over de limau overgaat, mengt hij 
deze eerst met eenige druppels bloed, die hij uit den kam van 
dien haan aftapt. Den volgenden dag worden de limau en de haan 
door den patiënt teruggehaald. Overal waar deze zich verder be- 
vindt moet hij zich door dat dier doen vergezellen, dus ook als 
hij zich voor de ritueele ^iwkitt-overgieting naar de rivier begeeft. 

Na die derde drie maanden worden drie dagen, nadat de laatste 
Mmau verbruikt is, diezelfde witte haan met nog eene hen naar 
den doekoen gebracht, benevens eenige spijzen, zooals nasi-lamaq^ 
[kleefrijst met klappermelk toebereid] nasi-poetihy goelai-ajam en 
ajam-pofiggang. £r heeft nu een kleine offermaaltijd ten huize van 
den doekoen plaats. Na afloop daarvan neemt deze een weinig rijst, 
vermengt dat met wat bloed, dal wederom uit den kam van den 
haan wordt afgetapt en geeft die rijst daarop aan de hen te eten. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIEES DKR PADANGSCHE BKNEDENLANDBN. 461 

Nu wordt de kuur gestaakt tot den twaalfden dag van de eerst- 
komende poewasa-m&Aixd. Op dien dag worden de voorgeschreven 
fó»w«-ingrediënten weer naar den doekoe7i gebracht en de limau 
weer drie dagen achtereen benuttigd. Ditzelfde geschiedt in de vol- 
gende vaBtenmaand nog eens en in de daarop volgende vastenmaand 
andermaal, zoodat de geheele kuur eerst na drie' jaren geheel is 
afgeloopen. De beëindiging daarvan [mamaUkan-limau\ wordt met 
een maaltijd ten huize van den doehoen gevierd, waarbij de patiënt 
echter voor de benoodigde spijzen moet zorgen. 

Ook het aan den medicus toekomend honorarium , bestaande uit 
wat geld [meestal f 0.50 of f 1. — ] en een kahoeng wit goed, moet 
thans worden voldaan. 

Welke is de rol, die de haan en de hen in de beschreven 
geneesmethode innemen ? Mijn zegslieden gaven op die vraag het 
volgend antwoord. Door de Umau'Vxxxxr zelf wordt de booze geest, 
die op den patiënt beslag legde, wèl verdreven, maar zijne aan- 
dacht zal niettemin op het merkteeken van zijn slachtoffer ge- 
vestigd blijven en eene duurzame genezing op die wijze dus 
niet worden verkregen. Men verzint er daarom een nahahf op. De 
witte haan nu moet dienen als lokvogel om de aandacht van den 
kwelgeest naar dat dier af te leiden. Men stelt dus een plaatsver- 
vanger, opdat de patiënt verder ongemoeid zal worden gelaten en 
dus weer genezen kan. Deze moet er zooveel mogelijk voorzorgen, 
dat de haan nfbt sterft, alvorens het mamatihan-limau is afgeloopen. 
Om hieraan te gemoet te komen, brengt men op de beschreven 
wijze eenig bloed van den haan in het lichaam van de hen over, 
bij eventueel ontijdig sterven van den haan zal de booze Aautoe 
alsdan zijn vorigen zetel in het lichaam van de kip terugvinden. * 

^ Wijzen we er terloops op, dat de gewoonte om een haan of kip als 
rempla^ant voor een persoon te stellen in de hoop dat de booze geesten 
niet hem maar zijn plaatsvervanger tot slachtoffer hunner kwade bedoelingen 
zullen maken, bij meerdere volksstammen in den Archipel voorkomt. „If 
the spirit oraves a human victim a cock may be substituted". [Skeat o. c. 
blz. 72]. Op den veertigsten dag na de geboorte van een kind ontvangt de 
Javaansche vroedvrouw, die het ter wereld hielp behalve haar eigenlijk loon 
nog allerlei andere zaken, waartoe ook behoort een levende kip of haan, 
die „pengoeripafi'^ d. i. middel om het leven te behouden , genoemd wordt en 
oudtijds als eene soort van dubbelganger van het kind beschouwd werd, 
zoodat de doekoen die zorgvuldig in leven hield en als dit niet gelukte, 
door een andere verving [L. Th. Mayer, De Javaan ols mensch en als lid 
van het Javaansche huisgezin blz. 160]. Ook van de Oajo^s heet het, dat do 
geesten, die het op iemands leven gemunt hebben zich wel door oenen- 



Digitized by VjOOQIC 



464 BIJDUAGB TOT DE VOLKSGÏNKKSKüNDK BIJ DE 

ffJahoeloy Gamhoelo^ Bjamboe-Ercmg^ Si-Matay Si-Mahau-Tonggaqy 
ffSi'Tjoeijoep-Darah^ Si-Timbo- fjoeloe7ig ^ die daar hangen eu daar 
//schommelen , die daar zich waaien en in den wind zitten I 

//Kom naar beneden Boedjang-Hairoelah met Uw ijzeren harnas 
//eu Uw ijzeren helm. 

//Dringt U te zamen met geweld binnen in de woningen der 
vseta^is^ ha/iiio^^ en oebilt^. 

//Doet Adams nakomelingen toch geen kwaad! Doet ge dat wèl, 
//dan zult ge getroffen worden door den heiligen vloek van God en 
//door den Qorau, die in dertig afdeelingen is verdeeld, Uwe 
//nakomelingschap zal dan uitsterven door den banvloek en Uw 
//voorgesliacht vervloekt worden door den Sultan en door de zes 
ffRadja*%^ gij allen zult dan vernietigd worden door den banvloek 
//van den Daulat, Door den zegen der formule: er is geen God 
//dan Allah//. 

/'In naam des barrahartigen , goedertierenen Gods! 

//Ik bezig een heilige, een buitengewone doa^ een doa tot af- 
// wering (van booze invloeden). 

//Terwijl de storm, de snelle stroom eu de groote golven van 
^richting veranderen niet door ons toedoen, maar door den wil 
//van God, hoeveel te meer dan is het niet ons werk, maar het 
//werk van den Allerhoogste, wanneer de kwellingen der demons 
//worden afgewend. Terwijl zelfs de storm tot bedaren wordt ge- 
// bracht door de macht van de doa van Njèq-Radja-Soleiman ^ 
//hoeveel te meer dan de werken der booze machten, hoeveel te 
//meer dan de onzichtbaar verborgen ziekte ! 

//Doet de menschen geen kwaad! Want doet ge hun wèl kwaad, 
//bedenkt dan dat ik weet, welke Uwe afkomst is! Uit de npinang- 
ffloemoetan ^ zijt ge voortgekomen ! 

//De genezing trede naar binnen eu de ziekte trede naar buiten, 
//de genezing door God , door Mohamad den Gezant van God , door 
//den zegen der formule: er is geen God dan Allah//. 

Is na de hier beschreven kuur nog geene beterschap ingetreden, 
dan wordt de vermeende ziektegeest //tegemoet gegaan// [diaofisofig]. 

Men begeeft zich daartoe naar de plaats, waar de patiënt fflër- 
sapo» werd. Die plaats is voor den doekoe7i niet verborgen : de 

* D. i. eeno lep^ondarische giftige ptwaw^-soort, , die door den booz6n j^oest 
Si-Kati-Moeno gekweekt en gegeten zou zijn. 



Digitized by VjOOQIC 



MaLüSIEBS D£& padangsche benedenLandIbk. 465 

oplettende beschoawing vau het bovenbedoelde «^n'Aspeeksel heeft hem 
ook op dit punt reeds volledig ingelicht. 

Terwijl de zieke thuisblijft, begeeft de doekoen zich, vergezeld 
van nog twee personen op marsch, een z.g. nea/nggwrn medeueroende 
d. i. een van boven gespleten hamhoe [talang-koening] , waarop een 
vierkant bamboe raamwerk rust. Verder worden nog medegebracht 
neut poeüAy nasi darah [rijst met kippenbloed] , nasi arang [rijst 
met roet] , nasi ioefiing [rijst met curcuma] , si tatoar en si diugin^ 
al welke ingrediënten in tot open vierkante doosjes [limas'] gevouwen 
j»Mö«^bladeren zijn verpakt en verder nog hras randofig [gebrande 
rijst], hras hatih [gebrande onontbolsierde rijst], sirih tigo kapoer^ 
een soekat [= 6 tjoepaq] gewone bras en aan geld sakoepang sapiah 
[= 9 wa7ig = f 0.75; sapiah = één kwartje]. 

Op de kritieke plaats aangekomen wordt de meegebrachte satiggar 
in den grond geplant en worden de diverse heerlijkheden daarop 
neergelegd als oftergave aan den goedgunstig te stemmen ziektegeest. 

Nadat hij vooraf wat wierook heeft gebrand, roept de doekoen 
de geesten aldus aan: 

ff'Ré Njèq Radja Soleiman, die met U vieren zijt en ook gij 
ffNjeq Pitalo Goeroe^ wij roepen ü aan! De wierook brandt reeds! 

//Wij wenschen de schuld van den patiënt te overwegen, hetzij 
//deze met de hand of met den voet een boozen geest heeft aangeraakt, 
//of hem in den weg is getreden, of hem onbewust heeft aange- 
//kekeu of iets onbetamelijks tegen hem heeft gezegd. Dat is de 
//schuld die wij met onze geestelijke bloedverwanten , die hier bijeen 
//zijn, wenschen te overwegen. ^ 

//Hé Si'Hanioe Moeno^ Si-Kati-Moetio y Si-Oelo-Oelo ^ SiOamhoelo^ 
ffSindjo-SindjOy Si-Oenggoe-Oenggoe ^ Si-Afigga-Angga^ Djoemhalang-Ajér 
//en DjoemhaUmg-Tahing en ook gij Njeq^Radjo-Si-Djoemhalang ^ die be- 
//kend zijt met berg en dal , met de slingerplanten die van knoopen 
//zijn voorzien, met de kaloemhoek'\iOQ>\Xi%n ^ die bladvormige wortels 
//hebben, met het doornige hamhan-Titiy met het water, dat gedeeltelijk 
//onder den grond door stroomt en dan weer zichtbaar wordt, met de 
//watervallen, die de badplaatsen van Manti-Soemanjo zijn, komt, 
//laat ons gezamenlijk de schuld van den zieke overwegen, hetzij 
//deze met de hand of met den voet een uwer heeft aangeraakt, 
//of is in den weg getreden, of onbewust heeft aangekeken , of iets 



' Men lette er op, dat de geesten hier fsmiliaarweg als bloedverwanten 
[aanaq soedaro] worden toegesproken. 

V Volgr. IV. 31 



Digitized by VjOOQIC 



4.60 BIJDUAGB TOT DE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

//oubetatnelijks heeft gezegd. Dat is de schuld die wij hier zullen 
//overwegen. Die schuld willen wij aflossen aan onze bloedverwanten, 
//die hier bijeen zijn. Wij vragen het U met onderdanigheid, met 
//verteedering, maar zonder plichtplegingen. 

//Hier zijn de 'fodain en de fflimhagov bestaande uit een weinig 
//gebrande rijst, een ^w'ï^-pruim, vijf en zeventig cent aan geld, 
//een soekat bras en wat in de holte van den bodem van de omge- 
// keerde soekat [d. i. een hamboe-mdifii'] gaat, geven we nog op den 
//koop toe. 

//Dat alles bieden wij aan, nu wij ons met een verzoek wenden 
//tot onze bloedverwanten, die hier bijeen zijn, het verzoek namelijk, 
//om den zieke te willen genezen. 

//Of zijn er hier soms onder onze bloedverwanten, die zelt ook 
//ziek zijn, zoo ja, dan zetten we hun hier als medicijnen si-tawar 
//en ai-dingin voor. 

//Wat den patiënt ook moge mankeeren, wij vragen' zijne genezing 
//aan onze bloedverwanten, die hier bijeen zijn. 

//Als ge ons verzoek niet nakomt dan zult ge getroffen worden 
//door den heiligen vloek van God en door den Qoran , die in dertig 
//afdeelingen is verdeeld, dan zult ge met uw geheele geslacht te 
//gronde gaan, Uwe nakomelingschap zal uitsterven door den banvloek 
//en Uw voorgeslacht zal vervloekt worden door den Sultan en door 
//de zes Radja^s^ dan zult gij allen vernietigd worden door den 
//banvloek van den Daulat, 

//Door den zegen van de formule, er is geen God dan Allah.// 

Naar de voorstelling in de bovengenoemde doa van de ziekte 
gegeven, gaat men hier dus uit van de meeuing, dat de patiënt 
een ziektegeest heeft belèedigd — zij het dan ook onbewust — en 
dat de zieke daardoor een schuld op zich heeft geladen. De ziekte, 
die daarvan het gevolg is, kan dus dan eerst genezen, wanneer 
die schuld is aangezuiverd. De t/adatn en de nlimhagou [zie noot 7 
blz. 484 hierna] nu zijn de vormen, waarin de vereischte schade- 
loosstelling wordt te goed gedaan. ' 



1 Wijzen we even op een analoge ziektenbeschou\?ing bij de Karo-Bataks. 
In hunne legende „Sarindoe ToéboeK'^ heet het, na elk der daarin door Bièroe 
Dajang aanbevolen medische voorschriften : „dan is de schuld gedelgd . 
veranderd in een te goed, dan is de ramp afgewend en gaat de t^ndx naar 
huis [M. Joustra, Karo-Bataksche vertellingen in Verh. Bat. Gen. deel 56. 
V stuk blz. 78 vg.]. 



Digitized by VjOOQIC 



MALBIBRS DÉE PADANGSCHE BUNEDENLaNDEN. 467 

B. MANAWAKI. 

•Deze geneesmethode beoogt het krachteloos maken van ziekte- 
invloedeu. Ook het maliniaui heeft, zooals we gezien hebben , ditzelfde 
doel. Toch bestaat er een wezenlijk verschil tusschen het malimaui en het 
manawari. Bij het eerste wordt in hoofdzaak genezing verwacht van 
het getrouw nakomen van allerlei uitvoerige bezweringsceremouiën , 
die tegen de buiten den zieke gelegen ziekteoorzaken [booze geesten] 
gericht zijn en zijn de geneesmiddelen, hoewel niet geheel buiten- 
gesloten, toch iets bijkomstigs. Bij het laatste daarentegen vormen 
de geneesmiddelen het punt van uitgang en zijn deze gericht tegen 
de in den zieke gelegen ziektekiemen [wormen, een vergiftige 
infectie van het bloed], terwijl de bezwering eene ondergeschikte 
plaats inneemt. 

Van de door de ervaring verkregen kennis van de nuttige genees- 
krachtige eigenschappen der tallöoze planten, waarmede moeder 
Natuur den Maleier zóó rijkelijk heeft bedeeld , kan hier een heilzaam 
gebruik worden gemaakt. 

De doekoen geeft den patiënt op welke kruiden deze moet zoeken 
of doen zoeken. Over deze nog ontoebereide kruiden spreekt de 
doekoen het gebruikelijke tooverform ulier uit, hetgeen meestal gepaard 
gaat met het branden van wierook. Eerst na dit z.g. nmanawari't 
worden de kruiden volgens de aanwijzingen van den geneeskundige 
toebereid en aangewend. Waar dat manawari plaats heeft is onver- 
schillig: eenmaal zag ik het zelfs op den openbaren weg verrichten; 
de doekoen had toen een bosje uitgezochte kruiden in de hand en 
prevelde daarover in bijzijn van den zieke binnensmonds eenige 
onverstaanbare woorden. 

Men onderscheidt in hoofdzaak twee soorten van tó«?«r- formulieren 
n.1. het tawa/r-hiring-hiring en tawar-galang-galang. Nu kan het ge- 
beuren, dat behalve //vergiftigd bloed// of //wormen// nog een 
nevenoorzaak van buitenaf de ziekte heeft veroorzaakt. Men bezigt 
dan behalve een der beide genoemde formulieren nog een speciaal 
formulier. B.v. men valt uit een boom en breekt een been. Zwelt 
nu het been hierbij op, dan is de zwelling, naar men meent, een 
ziekte van het bloed en om die te genezen is het tawar-hiring noodig. 
Maar ook de val zelf, waardoor het been gebroken werd, — dus 
een ziekteoorzaak van buiten — moet bezworen worden en daartoe 
dient in dit geval het "tawar patahff. 

Op dezelfde wijze onderscheidt men het Ktawar-heko" [bij ver- 



Digitized by VjOOQIC 



468 BIJDUAG£ TOT ÜE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

wondiugeu], het tttawar^aipasantf [bij beten vau duizendpooteu en 
andere giftige dieren] , het Ntawa/r térpanggangn [bij brandwonden] enz., 
van welke tooverformulieren we er thans eenige zullen laten volgtn. 

1. Bezweringsformulier tegen het biring-gif. 

//In naam des barmhartigen , goedertierenen Gods.// 

//De patiënt heeft de groote Str /«^-ziekte I 

/xHet biring-gif vereeuige zich met de warmte van het lichaam 
//en de warmte van het lichaam vereenige zich met het d^^-gifl 

A'Ik bezweer het biring-gifl 

/yGenees van buiten, genees vau binnen, genees volkomen. 

//Ik weet welke Uwe afkomst is: uit de Biring-rajo zijt ge voort- 
>9^gekomen , uit de Biring-tamhago zijt ge voortgekomen , uit de 
nBiring-ronggo zijt ge voortgekomen, uit de Panah-alam zijt ge 
//voortgekomen, uit de Panah-galam * zijt ge voortgekomen, uit de 
ffhoeribali zijt ge voortgekomen, uit de darahbali zijt ge voort- 
//gekomen. 

//De genezing trede naar binnen en de ziekte trede naar buiten. 
//De genezing door God en door Mohamad, den Gezant van God. 
//Moge de bede, die van mijne Ooeroe's op mij is overgegaan, 
//worden ingewilligd. 

. //Door de bewilliging van God , van Mohamad den Gezant van 
//God, door den zegen der formule: er is geen God dan Allah.// 

2. Bezweringsformulier tegen wormen. 

//In naam des barmhartigen , goedertierenen Gods! 

//Brengt stroomafwaarts den drijvenden boomstam, [d.w.z. ontlast 
//de wormen] en brengt stoomopwaarts den OembilanstAm [d.w.z. 
//braakt de wormen uit], de groote zoowel als de kleine (?), die 
//tegengehouden worden door het êaroeq-gma. * 

//Ik betoover de wormen en heb daartoe reeds in den buik van 
//den patiënt geknepen. 

//De genezing trede naar binnen en de ziekte trede naar buiten! 
//De genezing door God, door Mohamad, den Gezant van God , 
//door den zegen der formule: er is geen God dan Allah.// 

3. Bezweringsformulier tegen beenbreuken. 

//In naam des barmhartigen , goedertierenen Gods! 

^ Met deze onvertaald gebleven benamingen worden soorten van huid- 
ziekten bedoeld. Zie noot 4 en 5 bl. 485. 

' Deze grassoort behoort ook tot de hier gebezigde kruiden. 



Digitized by VjOOQIC 



MALKIERS DEK PADANGSCHE BENKDBNLANDBN. 469 

»J)e hoofdnerf staat schuin naar zee en moet gehaald worden van 
//de plaats, waar de civetkat gezeten heeft. 

vDe gespleten steen kan weer aaneengelascht worden, hoeveel te 
//meer dan de opperhuid eii het daaronder gelegen weefsel, het 
//vleesch en het Woed van den patiënt. 

//De genezing trede naar binnen en de ziekte trede naar buiten ! 

//Door de bewilliging van God, van Mohamad , den Gezant van 
//God, door den zegen der formule: er is geen God dan Allah.// 

Hierna wordt op de plaats van de breuk geblazen [diamboes], 

4. Bezweringsformulier tegen wouden. 

//In naam des barmhartigen , goedertiereneu Gods! 

ff Hoeri'bali'katoeban'darah ! De darah-bali vloeie af in het lichaam 
^van den patiënt; de darah-nani ^ stijge op en deele zijn glans 
//weer aan zijn aangezicht mede. 

//Beneden de wond breng ik de si-tawar en boven de wond de 
ffsi-gando. ^ Ik breng de tatoar'birhig op de wond en bezweer alles 
//wat wortels heeft en alles wat eeue kruin heeft [opdat de bij de 
//wond verscheurde deelen zich zullen hereenigen]. 

//Door de bewilliging van God, van Mohamad, den Gezant van 
//God, door den zegen der formule: er is geen God dan Allah//. 

Hierna wordt op de plaats van de wond geblazen. 

5. Bezweringsformulier tegen beten vanduizend- 
pooten en andere giftige dieren. 

'/In naam des barmhartigen , goedertierenen Gods ! 

//Hij kruipt en kruipt maar rond onder het vuil met zijne zwarte 
//tanden en zijn rood en kop. 

//Ik weet welke Uwe afkomst is, ge zijt ontstaan uit eene door 
Njèq Pitalo Goeroe gegeten vischgraat. 

//De genezing trede naar binnen en de ziekte trede naar buiten , 
>/de genezing door God , door Mohamad den Gezant van God ! 

//Door de bewilliging van God , van Mohamad , den Gezant van 
/rGod, door den zegen der formule: er is geen God dan Allah'/. 

6. Bezweringsformulier tegen brandwonden. 
//In naam des barmhartigen, goedertierenen Gods! 
//Als men met den vuurslag slaat, krijgt men nog niet altijd 



* Voor de hier onvertaald gebleven woorden vergelijke men noot 6 
blz. 481 hierna. 

• Eene preisoort, ook in de huishouding als specerij onder den naam van 
koetjai welbekend. / 



Digitized by VjOOQIC 



470 BIJDEAGE TOT DB VüLKSGBNBKSKUNDE BTJ DE 

//vuur. Het vonkje vliegt ver weg en gaat zitteu op levend of dood 
//hout. 1 Alleen als de lont droog is vat het vonkje vuur I 

//Ik weet welke Uwe afkomst is, ge zijt ontstaan uit het slijm 
//van Njèq Di Batjiq, 

//De genezing trede naar binnen en de ziekte trede naar buiten. 
//De genezing door God, door Mohamad, den Gezant van God I 

//Door de bewilliging van God, van Mohamad den Gezant van 
//God, door den zegen der formule: er is geen God dan Allah//. 

De aangewezen en bezworen kruiden worden aanvankelijk ge- 
durende niet langer dan drie dagen benuttigd. Blijken zij het rechte 
middel tegen de kwaal te zijn, dan worden ze na drie dagen 
opnieuw he-tawar-d en toegediend en gaat men zóó voort, totdat 
algeheele beterschap volgt. Vindt men bij de aangewezen medicijn 
geen baat, dan probeert men het met eene andere en heeft men 
zoodoende reeds eenige malen zonder gunstig resultaat van ge- 
neesmiddel veranderd, dan gaat men tot het z.g. ntarcui» over. 

C. TARAQ. 

Deze voortgezette geneesmethode, die van drieërlei aard kan 
zijn, t. w. : 

P. Ta/raq-gadoeng of gadoeng-^xvix. 

2®. Taraq-raao of kwikkuur. 

3®. Taraq-ka-gomoeng of afzonderingskuur. 
en alleen toepassing vindt bij de vroeger genoemde groep van 
biring-hiring ziekten [meestal bij verouderde gezwellen , verwaarloosde 
wonden etc], wanneer de gewone geneesmiddelen niet meer helpen , 
bestaat vooreerst in het gebruik van een bepaald en vooraf be- 
tawoT'A geneesmiddel [bij de gadoefigkuur inwendig en bij de 
kwikkuur uitwendig toegediend] en verder in het doormaken van 
eene onthoudingsperiode van 7 dagen of van een veelvoud van 7 
dagen, gedurende welke de patiënt allerlei, door den doekoen voor 
te schrijven, jOfl«^«^- voorschriften heeft in acht te nemen. Alleen 
bij het z. g. niaraq ha goenoengn wordt geen geneesmiddel toegediend, 
maar is het doel van die kuur juist om zulk een middel te vinden 
en wordt de bedoelde onthoudingsperiode hier in afzondering door- 
gebracht. 

* Men doelt hier op de lont, die, als ze nat is, met levend hout en, als 
sse droo^ is, met dood hout wordt vergeleken. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIERS DER FADANGSOUE BENBDENLANDEN. 471 

Treedt bij de toepassing vau de eeue of andere taraqkuui binnen 
4X7 dagen geene beterschap in, dan kan men hï tot eene der 
beide andere soorten van taraq zijne toevlucht nemen of als laatste 
middel zijn heil nog eens bij een anderen doekoeti zoeken. 

Sommigen passen de drie soorten vau taraq achtereen toe, om 
bij niet gevolgde beterschap den loop der dingen verder aan Allah 
over te laten. 

Wanneer, andere middelen niet helpen, hoopt men — om hier 
in het voorbijgaan nog even op te wijzen — bij langdurige ziekte 
soms ook herstel te erlangen door zijn naam te veranderen, daar 
men alsdan meent, dat die naam niet passend is [tida saraai samonjo]. 
Ook koms het wèl voor, dat gehuwde lieden, die voortdurend met 
ziekte hebben te kampen, zulks aan hunne echt verbintenis wijten 
en zich daarom doen scheiden. 

Beschouwen we de drie genoemde ^ro^-soorten thans wat nader. 

a. Taraq-gadoeng. 

Gedurende deze kuur mag de patiënt niet anders drinken dan 
een z. g. g a d o e n g-aftreksel en niet anders eten dan droge rijst 
met gepofte badar [een kleine vischsoort]. Verder moet hij zich dien 
tijd van geslachtsgemeenschap onthouden, zich rustig houden en 
vooral zorgen niet te transpireeren , daar anders de heilzame kracht 
van de gadoeng uit het lichaam verloren zou gaan. De gadoeng is 
een slingerplant, waarvan de knollen in gedroogden staat op iedere 
pasar door de orang-koemango [kooplieden in kramerijen] bij het 
gewicht verkrijgbaar zijn. Bij het koopeu ervan geldt het dXs panta/itg 
om op den bedongen prijs af te dingen. Die knollen worden door 
den doekoen onder het prevelen van het //Bismillah// in stukjes 
gehakt [mantjantjang gadoeng] en het haksel wordt daarna boven 
brandende benzoë gehouden, waarbij hij het z. g. rttawar taraq gadoeng ff 
uitspreekt, een naar den klank Arabisch too verformulier, waarvan 
de zin zoowel voor den geneeskundige als voor den leek een onbe- 
grijpelijk abracadabra is. Voor zijne deskundige bemoeienis ontvangt 
de doehoen een bord rijst, waarop 25 cent aan geld. Het uitkoken 
van het gadoengAivk&A moet in een nog nimmer gebruikten kookpot 
geschieden. 

6. Taraq-raso. 

Deze kuur bestaat in hoofdzaak daarin, dat de doekoen ^ met een 
vooraf met een of ander reukwater bevochtigd avrih- of silasih-hhiA , 



Digitized by VjOOQIC 



472 BIJDRAGE TOT DB VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

een weinig levend kwikzilver op de eeiie of andere plaats van het 
lichaam [meestal de handpalm] van den patiënt in de huid wrijft, 
waarbij hij een onbegrijpelijk Arabisch luidend too verformulier: 
ntavoa/r twraq rasof uitspreekt. Het noodige kwikzilver is ook bij 
iederen orcmg koemango verkrijgbaar. 

Vindt de zieke bij deze kuur baat, dan wordt zij na drie dagen 
herhaald, drie dagen later andermaal enz. 

De patiënt moet zich ook hier aan een sober dieet onderwerpen, 
terwijl verder ook voor hem dergelijke /?a«^«^voorschriften gelden 
als bij het iaraq-gadoeiig werden vermeld. 

c. Taraq ka goenoeng. 

Hierbij zondert de patiënt zich gedurende eenigen tijd af op de 
eeue of andere ^ram^^plaats — d. i. eene eenzame plek, meestal 
een heilig graf van den een of anderen bekenden sjech of doehoen — 
teneinde zich aldaar te slapen te leggen en in de hoop in den 
droom aanwijzingen te ontvangen nopens de middelen die hij 
bezigen moet, om genezing te erlangen. Eene suggestieve genees- 
methode dus, niet ongelijk aan den z.g. tempelslaap der oude 
Grieken. ' 

De afzondering geschiedt geheel vrijwillig; het twag bij wijze 
van uitbanning, zooals de heer A. L. van Hasselt op blz. 96 van 
zijne bekende //Volksbeschrijving/' vermeldt, is in deze streken 
niet bekend. 

De aan den bovenbedoelden prophetischen slaap voorafgaand e ceremo- 
niën zijn de volgende. Allereerst heeft de patiënt zich aan eene soort 
reinigingsproces te onderwerpen, bestaande in eene overgieting van het 
lichaam met de boven reeds genoemde liman sintoq tijdens het baden in 
de rivier, gevolgd door het zich insmeren met blanketsel. !Na dit z.g. 
bërlitnau herkasai heeft ten huize van den patiënt een offermaaltijd 
plaats, waarbij ook de doekoen aanzit. Na afloop hiervan steekt de 
patiënt zich geheel in witte kleeren en wordt door den doekoen 
tot aan de kramaljlviais vergezeld. De afreis mag niet anders dan 
op een Maandag of een Donderdag plaats hebben. Behalve een 
slaapmatje brengt de patiënt wat gebrande kleefrijst als leeftocht 
mede, waarvan hij alleen 's morgens en ^s avonds een weinig mag 

1 Zooals men weet, wordt ook hier en daar elders in onzen Archipel deze 
geneeswijze toegepast [Alb. G. Krujt, Animisme blz. 72, 100 en 511] en is 
zij ook bij de Ohineezen en bij vele andere volken niet ongewoon [J. J. M. de 
Groot, Jaarl. feesten en gebr. v. d. Emoy -Ohineezen blz. 471 vg.]. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIERS DEE PADANQSCHE BENKDENLANDEN. 473 

eten. Onderweg moet hij steeds het ^/As-salannoe' alaikoem'/ [vrede 
zij met U] opdreunen [mamba^a mlaioaf]. Gedurende zijn afzonde- 
riugstijd moet hij na zijn soberen maaltijd steeds wierook branden 
en het reeds meergenoemde nsaroean»' prevelen, voorts moet hij 
getrouw de vijf dagelij ksche godsdienstoefeningen verrichten en na 
het avondgebed de geloofsbelijdenis opdreunen totdat de slaap hem 
overvalt. 

Krijgt de vrome binnen de zeven dagen in zijne droomen geene 
openbaring van de hemelsche machten, dan is alle hoop op beter- 
schap vervlogen. Het is Allah, die het dan z66 heeft gewild. 



Digitized by VjOOQIC 



Bijlage. 



Hieronder laten wij volgen den maleischeu tekst van de be- 
zweringsformulieren , waarvan in de voorgaande bladzijden eeiie 
min of meer vrije vertaling werd gegeven. De woorden zijn ter 
vereenvoudiging gespeld zooals ze worden geschreven en niet zoo- 
als ze worden uitgesproken volgens den Minangkabauschen tongval. 

Boa limau-boewaA, 

Bismillahi-r-Rachmani-r-Bahimi. 

Ja AJlahoe, ja Rasoel Allah bërkat Toeankoe Nabi Oelah, Nabi 
Mohamad. Kandalan * akoe Djibraïl, Mikaïl, Israïl, Israpil, Aboe 
Bakar, Oemar, Oesman, Ali, Kiraman, Katibin. 

Bêrmoelo api, ajër, angin, tanah; sat daripado bapaq, sipat 
daripado iboe, ampat tx)eroen daripado bapaq, ampat toeroen dari- 
pado iboe. ^ 

Bërdirilah angkau di kiri dikanannjo, dihadapan diblakangnjo 
Jahajan , Jadajan , Jahasin didalam Qoran ; bërmaro Allah maugko 
bërmaro akoe, bërmaro Mohamad, mangko bërmaro Si Anoe dari- 
pado panjakitnjo. 

Diqaboelkan Allah, diqaboelkan Mohamad, diqaboelkan Toean- 
koe Bagindo Easoel Allah, qaboel bërkat la ilaha illah Allah. 

Bismillahi-r-Rachmani-r-Rahimi. 

Salamo oemoer Madini , salamo oemoer Mohamad , bërkat doa 
kiramat Allah dalam tirai koelamboe Allah dalam gadoeng Basoel 
Allah. 

Tida diapo kato soerat, soerat soedah tërdoeloenjo. 

Kalau bërgaraq di Batoe-Aropar-Poetih ' mangko dirinjo bër- 

' Kanddlan=3te\in j hulp [vg. kantig kawan.']. 

« Zie noot 6 blz. 481. 

' Batoe-ampar-poetih. Hieronder verstaat men in de Maleisohe kosmologie 
den steen waarop het wereldrund staat. Men denkt zich namelijk de aarde 
als een platte schijf, waarboven zeven verdiepingen [toedjoeh pindjoeroe langif] 
on waarbeneden een gelijk aantal verdiepingen [toedjoeh pindjoeroe boemt]. De 
aarde wordt op de beide hoorns van een rund [lamboe"] gedragen. Schudt dit 
dier de hoorns, dan ontstaat aardbeving. Dit wereldrund staat op een steen 
de z.g. ^batoe ampar poetik'^ welke steen op zijne beurt gedragen wordt door 
een wereldvisch, [^Ikan-Rajo-Btsar]^ die in de wereldzee rondzwemt. 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDBAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDE ENZ. 475 

garaq , kalau tida bêrgaraq di poesat boemi , maugko bêrgaraq 
dirinjo. 

Kalau mati hantarkau karahmat Allah, kalau hidoep kaudaq 
bërlakoe, Siraïl tagaq dikirinjo, Sirapil tagaq dikanauujo, Moekaïl 
tagaq dibadapannjo , Djibraïl tagaq diblakaugujo serta Ailah djo 
Mohamad. 

Kalau tërsapo di boeboeu-boeboennjo, dinding-bërdiudiuglah ^ 
angkau, maudindingkau obat dan pauawar. 

Masoeq tawar kaloear biso, tawar Allah, tawar Mohamad, tawar 
Toeankoe Bagiudo Basoel Allah. Qaboel bërkat la ilaha illah Allah. 

Bismillahi-r-Rachmani-r-Rahimi. 

Ali jang bërnamo AH, oerat tonggang angkau Aboe Bakar. 

Boewah daoen karoeboet ^ mari akoe soeroeh, akoe sarajo, ^ djau- 
gan angkau bërdoeto-doeto , bërolo-olo, kaatas angkau tida bolih 
angin, kaloerah angkau tida bolih ajër. 

Limau akoe, si-limau-koerau "^ diramas dipinggan bibir, soeroet 
përboewatan djihin dan setan, hantoe dan oebili. 

Tinggal djadjaq anaq sidang-manoesia angkau tangisi. 

Batoe aning ^ , batoe lado mangko dilangkapkan , djangan karai 
tërgamang-gamang. " 

Katokan jang sabënar kato, ilmoe doedoeq diatas Qoran , sêrta 
Allah djo Mohamad. 

Bolih kasi tolong Djibraïl. 

Kalam moelo asal angkau djadi, djadi angkau karano akoe, djadi 
akoe karano Allah. 

Sakalian biso tawar, sakalian tadjam toempoe ^, sakalian karas 
lamboet kabasaran doa Njèq Badjo Soleiman. 

Diqaboelkan Allah , diqaboelkan Mohamad , diqaboelkan Toeankoe 
Bagindo Rasoel Allah, qaboel bërkat la ilaha illah Allah. 



' Dinding-berdinding = zich aohter elkander plaatsen. 

' Boewah'daoen-karoeboet = bultige uitwassen op de bladeren van de 
karoeboet-plsint. 

' Akoe sarajo = ik vraag om hulp. Sarojo = het onderUng hulpbetoon b.v. bij 
het bouwen van een huis enz. 

* Koer au = mengsel. Komt ook voor in de beteekenis van bont [vg. balang]. 

* Arnng =s rond [vl. boelaf]. Ook beteekent het „zwijgen". Een huilend kind 
zal men b.v. toevoegen „aninglah j''^ ook „antoqlahy^ ook jfanoqlak'\ 

* Gamang = bevreesd. Meer algemeen gebruikt men dit woord voor „duizelig" 
en stroq voor „bevreesd". 

7 Toeni^e{l) = bot van een scherp voorwerp (b. v. een mes), papat = bot 
van een puntig voorwerp. 



Digitized by VjOOQIC 



476 BIJD&AGE TOT DE V0LRSGBNSE9KUNDK BIJ DE 

Bismillahi-r-Rachmani-r-Rahimi. 

Ilaq basi ^ tahau manahaii sanggo-maujaiiggo ^ bërkoekoeq 
bërkatiq '* basi didalam batoe, haq tahan sariboe tahaii maiiahan 
Djoembalaiig-Ajër, manahan Djoembalang-Tabing, manahan përboe- 
wataii djihin , manahau përboewatau setan , manahan përboewatan 
hantoe dan oebili , manahau përboewatau boelo , dan pari , dewa dan 
mambaug, manahan përboewatau Si-Hantoe-Moeno , Si-Kati-Moeuo , 
kaatas Si-Madan^-Kilat, dibawah Kadjo-Sikoedarang , Badjo-Itaro. 

Doebalaug augkau saratoes sambilan poeloeh , saparo angkau djalan 
laoet, saparo angkau djalan darat, saparo angkau djalan awang- 
awaug, tida augkau dapat malawau akoe dari doeuja laloe ka 
achirat, //hoe'/ namonjo akoe, //wahab// namonjo angkau. Mati 
dipautjoeng padang Toeankoe Bagindo Ali. 

Ali-ta-Ali maadokau Badjo-Soleiman-Poetih nau diam di awan 
poetih, Radjo-Soleiman-Koening nan diam di awan koening, Radjo- 
SoIeiman-Idjau nan diam di goenoeng awan*>awan, Badjo-Soleiman- 
Hitam nam diam di moenggoeh tanah. 

Hai Badjo-Soleiman nan ampat poeloeh ampat, ampat pindjoeroe 
boemi, pindjoeroe langit, anaq daro Si-Bintaro, nau bërtoedjoeh ■* 
die salowatas ^ , djangaii augkau lantjong niajo kapado anaq tjoetjoe 
Nabi Adam. Akoe tahoe asal moelo angkau djadi. 

Datang augkau dari sandjo-rajo, kombali angkau kapado sandjo- 
rajo, datang angkau dari oedjan-panas, kombali angkau kapado 
oedjan-panas, datang angkau dari kajoe gadang, kombali angkau 
kapado kajoe gadang, datang augkau daripado batoe gadang, 
kombali angkau kapado batoe gadang, datang angkau* daripado 
uapar koeniug, kombali angkau kapado napar koening, datang 
angkau daripado poesat-tasiq * kombali angkau kapado poesat tasiq. 

Akoe tahoe di moelo asal augkau djadi : karano Djibraïl asal 
moelo angkau djadi. 



^ Haq-basi. Mijn zegslieden omschreven dit als: „het duivelswerk dat in 
de macht van Allah is'' en haq-tahan als „de kracht om daaraan weerstand 
te kunnen bieden, welke ook in de macht van Allah is." 

> Sanggo (manjanggo) = afweren; ergens weerstand aan bieden. 

' Rérkoékoeq-h^rkatiq. Koekoeq = zeer luid spreken (uitkraaien). Katiq — zacht 
spreken, maar niet zóó zacht, dat het fluisteren {biaiq) wordt. 

* BPrtoedjoeh -» zich ergens ophouden (?). 

K Saio-wataa = tusschenruimte van de eene grens tot de andere. I. o. wordt 
er het bosch mede bedoeld. 

• Poeaat-taaiq = het middelpunt van de wereldzee. [Vg. hierover Skeat o.o. 
blz. 7 en 8]. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIBUS DKH PADAN6SGUE BENEDENLANDEN. 477 

Diqaboelkau Allah, diqaboelkau Mohamad, diqaboelkan Toeankoe 
Bagindo Basoel Allah, qaboel berkat Ia ilaha allah Allah. 

Bismillahi-r-Rachmani-r-Rahimi. 

Akoe halarkan ' pajoeng^ akoe. Mohamad tërdiri Jahajaii, Jadajan, 
Jasin didalam Qoran , bërmaro Allah mangko bërraaro akoe '' , bër- 
maro Mohamad , mangko bërmaro Si Anoe daripado paujakitujo. 

Saroelah, Baroelah '^ kalau bërtamoe dengau dirinjo manjiarlah ^ 
angkau kakiri kakanannjo, kahadapau kablakangnjo. 

Akoe mamakai doa pangalah dan pangalih, sadang ajër gadang 
lagi bêralah lagi bëralih, ta akoe përalah përalihkau Allah-taala 
përalah përalihkau. Ko koenoen përboewatan djihin dan setau, hantoe 
dan oebili përalah përalihkan Allah-taala përalah pêralihkan. Ko 
koenoeu përboewatan boelo dan pari lagi bëralah, lagi bëralih ta 
akoe përajah përalihkan Allah-taala përalah përalihkan. Ko koenoen 
përboewatan dewa dan mambang dipëralihkau Allah, dipëralihkan 
Mohamad, dipëralihkan Toeankoe Bagindo Rasoel Allah. 

Diqaboelkan Allah, diqaboelkan Mohamad, diqaboelkan Toeankoe 
Bagindo Basoel Allah, qaboel bërkat la ilaha illah Allah. 

Doa-limau-daoen, 
Bismillahi-r-Bachman^r-Biahimi. 
Oeroe-oeroe, Si Djampoeroe! 
Si-Eaoet-Pandjaug-Oeloe ! **• 

I Halarkan = met ianige bedoeling iets uitspreken. 

> Pajoeng = beschermmiddel. I. e. wordt er de doa mede bedoeld. 

* Btrmaro AUah mangko bërmaro akoe = indien Allah cenig ongeval over- 
komt, zal het ongeval ook mij treflfen. Daar er echler nooit questie van kan 
zijn, dat Allah eenig ongeval overkomt, wordt de beteekenis dezer uit- 
drukking: , evenmin als er over Allah eenig loed kan komen, evenmin moge 
mij eenig letsel treffen." 

* Saroe = naam van een zeegeest; Baroe = naam van een landgeest. 
Njaroe = stormen door genoemden zeegeest veroorzaakt. Ditoemboeh njaroelah 
an^ = eene verwensching, waarbij men iemand ziekte toewenscht. 

• Manjiar = a. ontvlammen; b. uit den weg gaan. 

• Si-Raoet-Pandjang-Oeloe. Een pisau-raoet is een eenvoudig mesje, waarvan 
het lemmer en het gebogen handvat uit één stuk ijzer bestaan. In bezwerings- 
formulieren wordt dit mesje vaak genoemd als een wapen waarvoor de 
booze geesten bevreesd zijn. „The peeling knife (pisau raut)" — aldus Kkeat 
o. c. blz. 456 — „is mentioned because it is dreaded by the demons, who 
hurt themselves (it is alleged) by treading on one end of it, when, owing 
to its curvcd blade, the other end flies up and wounds them. Such spirits 
as the Wild Huntsmau are speoially mentioned as beiug afraid of it." -- 
Met dien „"Wild Huntsmau" is de Hantoe-Si-Marah-Boeroe bedoeld. Vergelijkt 



Digitized by VjOOQIC 



478 BIJDaAGK TOT DE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

Kanapo Si-Eaoet-Pandjang-Oeloe? 

Pandidis pinang-bërboeloe, * 

Kanapo pinang-bërboeloe ? 

Kaobat Si-Anoe kanai përboewatan Si-Hantoe-Si-Marah-Boeroc. 

Si Oembang namonjo angkau, Si Batjiq iiamonjo augkau, Si- 
Alang-Djondjang namonjo andjing angkau, Taboean Tanah namonjo 
and j ing angkau. 

//Djangan dimakan koelit djangat sandi salerang, djaugan dimakan 
//oetaq, banaq, mato, moetagi. Djangan dimakan hati, djantoeng, 
//limpo, ampadoenjo. ^ Djikalau dimakan hati, djantoeng, limpo, 
^arapadoenjo, minto dikombalikan Djandji kito doewo hari dan 
//katigo, ^ kalau tida angkau kombalikan dalam doewo hari dan 
/ykatigo sirih bërboeloe, pinang bërboeloe, tjoeliq, gariq, gariau.// * 

Si-Madang-Qiri pamantjong anaq 8i-Hantoe-Si-Marah-Boeroe. 

Tida dapat angkau malawan akoe dari doenia laloe ka achirat. 
Akoe tahoe raoelo asal angkau djadi-Djambaq-Katapang moelo asal 
angkau djadi, gatah akar Si-Bangkoedoe moelo asal angkau djadi. 

Njèq kito raangarangkan sati, Njèq-Si-Orè raangarangkan sati, 
sadalam laoet, satinggi langit. Njèq angkau matigarangkan sati. 
Siapo orang mamanggëm •'"' sati di ajër batoe, mamanggëm sati di 
darat basi. 

Djangan angkau obahi, kalau angkau obahi kaatas angkau tida 
bërpoetjoeq, kabawah angkau tida bëroerat, tangah-tangali digariq 



men nu de legende van dezen hantoe^ zooals Skeat ons die geeft, (blz 118 vg.) 
mot die door ons op blz. 441 vermeld, dan treft de groote overeenkomst. Zoo 
b. V. instrueert Si Marah Boeroe ook volgens de legende, zooals zij bij de 
Maleiers van Salanggor voorkomt, zijnen zoon aangaande de middelen om de 
door hem zelf veroorzaakte ziekten te genezen. Dergelijke gelijkheid van tamilie- 
trekken springt telkens in het oog, wanneer men de legenden, mythen, 
bezweringsformulieren enz. , zooals men die van de Maleiers van het Maleische 
schiereiland vindt opgeteekend, beschouwt naast die, welke bij de Maleiers 
van Sumatra's midden in den volksmond voortleven. 

^ Pinang^firboeloe. = lett. : behaarde pinang. In de doa worden, volgens 
mijne zegslieden, hiermede bedoeld de voor de limau gebezigde bladeren, 
waarvan verscheidene met kleine haartjes zijn bezet. 

' Oetaq f banaq, moetagi, hati, djantoeng, limpo fook: koero), ampadoe =■■ res- 
pectievelijk herzens, merg, midden- voorhoofd , lever, hart, milt en galblaas. 
Hieraan zouden o. a. nog kunnen worden toegevoegd: lamboeng gadang = maag , 
lamboeng fcè^è = blaas, boewah poenggoeng = nieren, raboe = longen. 

' Doewo hari dan katigo = twee dagen en de derde dag erbij, dus: drie 
dagen. 

* Tjoeliq y gariqj gariau = respectievelijk oppervlakkig, diep en zoor diep boren. 

* Mamangghn = va.sthouden Cvgl. mamegang.). 



Digitized by VjOOQIC 



MALBIEUS DEE PABANGSCHB BENEDENLANDEN. 479 

koembang, hilir dimakan biso-kawi, moediq dimakan koetoeq Soetan , 
dikoetoeqi Radjo nan anam kadoedoeqaii , dimakan biso kawi Uaulat 
Toeankoe diuagari. * 

Diqaboelkan Allah, diqaboelkau Mohamad, diqaboelkau Toeankoe 
Bagindo Rasoel Allah, qaboel bërkat la ilaha illah Allah. 

Bismillahi-r-Rachraani-r-Rahimi. 

Titiq ka langit mandjadi boeroeug-langit, titiq ka laoet mandjadi 



1 y^Kadtas angkau tida blèrpoetjoeq , kahavoah angkau tida htroerat ^ tangah- 
tangah digariq koembang , hilir dimakan biso-kawi , moediq dimakan koetoeq Soetan, 
dikoetoeqi Badjo nan anam kadoedoeqan, dimakan biso-katoi Daulat Toeankoe 
dinagari." 

Zooals bekend komen deze verwenschingen ook in den Maleischen adateed 
voor [vgl. D. G. Sfcibbe: „De adateed bij de Menangkabauschc Maleiei-s," 
Wet en Adat, '6* band blz. 222]. De eerste versies luiden vertaald: „boven 
zult ge geen top, beneden geen wortels hebben en in het midden zullen de 
torren gaten boren" d. w. z. „ge zult geene voorouders en gcene nakomelingen 
hebben en gijzelf zult vernietigd worden," dus „met Uw geheele geslacht 
zult ge te gronde gaan". 

Het volgende gedeelte is te vertalen: „Uw nageslacht zal verteerd worden 
door de biso-kawi en Uw voorgeslacht door de vervloeking van den S^c^an, door 
de vervloeking van de Radjo nan anam kadoedoeqan, verteerd worden door de 
biso-katoi van den Datdat Toeankoe in het rijk". 

Wat dit „biso-kavn'^ beteekenen moet, wist men mij niet mede te deelen, 
ik heb het daarom onvertaald gelaten. Bij Skeat (o. c. blz. 273) vind ik echter 
aangeteekcnd , dat dit de West Sumatraansche vorm zou zijn voor „besi kawi^^ 
d. i. een heilig stukje ijzer, dat deel uitmaakt van de regalia van sommige 
Sultans op het Maleische schiereiland, aan welk ijzer bovennatuurlijke 
ki'achten worden toegekend en waarop men plechtige eeden zweert. Straalde 
er dus volgens de aloude Maleische begrippen van sommige rijksinsigniën 
een schier goddelijke macht uit, a fortiori was dit het geval, waar het de 
machtige persoon van don Souverein zelf betrof, en ieder die het durfde 
bestaan om aan die macht op de eene of andere wijze afbreuk te doen 
werd „kïna daulat'^ d. i. — zooals Skeat het uitdrukt (o. c. blz. 24) — „struok 
dead, by a quasi electric discharge of that Divine Power, which the Malays 
suposte to reside in the King's person, and which is called „Daulat," orRoyal 
Sanctity. 

Volgens de volksoverlevering kwam de eerste Daulat van het Pagar 
Roejoengsohe rijk uit Stamboel en was BoendoKandoeng de laatste daulat, 
daar deze bij haar dood geen zonen naliet: haar eenige zoon Toeankoe-Moedo 
was te voren reeds te Boekit-Si-Goentang-Goentang (op de grens van Palcrabang 
en Djambi) gestorven. Zij werd toen opgevolgd door Tjindoer-Mato , een zoon 
van Kambang, die door zijne mindere geboorte geen Daulat maar Soetan 
was. Deze verdeelde later het rijk in zes deelen en stelde daarover de z. g. 
„Radjo nan anam kadoedoeqan^^ aan hierboven bedoeld, [vgl. hierover ook onze 
schets „de Maleier en zijn Karbouw," Tnd. Gids 1907 T blz. 95S]. 



Digitized by VjOOQIC 



480 BIJDttAGE TOT DE VOLKSGENEESKUNDE BIJ DE 

djihiii pitoeuggoe laoet, titiq ka boemi mandjadi Palasieq panjiog- 
gahau dari boemi sampai kalangit. 

Lèlièr augkau soedah akoe rautai, rantai lakat saratoes sambilan 
poeloeb. Tida dapat malawaii akoe dari doenia laloe ka achirat. 

Ajer liwis * akoelah nan biso. 

Tadoeng kalau njo biso toemboeh oepas sandirinjo, Si-Ta war 
dalam paraq, Si-Diugiu dalam padi. 

Akoe mannwar deugaii hati diugin laloe kabanaqnjo ajerbalang ^ 
ajêr djautau tompat ^ dimoearonjo. 

Bertamoe oerat samo oerat, bertamoe daging sauo daging. 

Hai malaékat nan poetih, toeroenlah augkau, bawahkau liliu uan 
moedo. Kauapo liliu uau moedo ? Falali * darah uan moedo. 

Haq-Mampat kalau bërgautoeug dikoelit djaugat sandi saleraugujo 
miuto dilaspaukanknlau bërgautoeug di oetaq bauaq mato rooetagiujo 
miuto dilapaskau, kalau bërgautoeug di hati djautoeug limpo 
ampadoeujo miuto dilapaskau, kalau bërgautoeug de kaiunjo miuto 
dilapaskau, kalau bërgautoeug de ramboetujo miuto dilapaskau. 

Diqaboelkan Allah , diqaboelkau Mohamad , diqaboelkan Toeaukoe 
Bagiudo Easoel Allah, qaboel bërkat la ilaha illah Allah. 

Doa-limau-boenpo. 
Bismillahi-r-Bachmaui-r-Bahimi . 

Hougl ^' taugko, taugki, hidoep uau tiada mati, lapas dari 
pintoe mati. Ali mati, Mangga mati. 

1 Ajlèr-lvwis = speeksel; spög. (vgl. Hoer). 

' Aj^r-djantan ; ajih-'halang. Met het eerste zou bedoeld zijn het zuivere 
water, dat voor de Umau wordt gebezigd en zou „a^V halang*^ be teekenen, 
water, dat uit een bron in een moeras vloeit (dus water dat oorspronkelijk 
helder is , maar later verontreinigd werd) i. o. het Ztmauwater dat door de 
Umau troebel is geworden. 

' Ajièr-tompat = water, dat geen afvoer, heeft, i. c. het Ttmau water, dat in 
de kom als opgesloten is. 

* PalcUi = verkoelings middel {laU = koud). 

* Horig. Dit woord, dat luid en lang gerekt wordt uitgesproken, komt 
dikwijls als aanvangssyllabe van bezweringsformulen voor. Zooals bekend 
[zie b.v. G. A. Wilken, Handleiding v. d. Verg. Volkenk. v. N. I. blz. 613] 
is dit „hong" niet anders dan het sanskritische „om". — „Geen woord" — 
aldus Prof. F. Max Muller — „wordt door de Brahmanen meer gebruikt 
dan 't woord „om". Het kan staan voor „avam" on evenals het Fransche 
„oui" voor „hoc illud", oorspronkelijk beteekend hebben: Ja; maar weldra 
nam het een verhevener karakter aan, min of meer overeenkomende met 
ons „Amen". Het moest gebruikt worden aan het begin en aan het eind 
van ieder gebed en slechts weinig handschriften beginnen er niet mede. 



Digitized by VjOOQIC 



AfALl5ieilS DEB PADANGSCHB BENEDENLANüEN. 481 

Boeloenjo sahalai djangan raras * ramboetnjo, sahalai djangan 
binaso. Lapas dari përboewatan boelo-boelo, djihin dan pari, limau 
sati, limau dewa. Kalau datang përboewatan boelo-boelo, djihiu 
dan pari kaatas nan sapoetjöeq boelat '^ , raras si-lambaq ^ poetjoeq 
boelat baq tëriataq baban barat, baq tërongkai * badjoe sampit, 
lapas dari përboewatan boelo-boelo, djihin dan pari. 

Kalau datang përboewatan dewa di goenoeng kombali ka dewa 
di goenoeng. Kalau datang përboewatan dewa de awan-awan ber- 
toempoeq , bërtrawang kombalilah angkau kapado awan bërtoempoeq , 
1)ërtrawang. Kalau datang përboewatan dewa di koroug kampoeng, 
kombalilah angkau ka roemah nan bëratap amas, nan bërtonggaq 
amas, nan bërlautai amas, nan bërlakar amas, nan bërparioeq amas, 
nan bërsandoq amas. 

Roedjoe-roedjoe, radja-radja akoe malakatkan soenting-gandoen 
batang toeboeh Si-Anoe. 

Si-Kinantan uamo kandalan. Hoeri-bali ^ moelo asal angkau djadi. 
Samboeni ^ moelo asal angkau djadi. Tamboeni ^ moelo asal angkau 
djadi. Darah bali ^ moelo asal angkau djadi. 



Het is zelfs voor zekere begroetingen voorgeschreven, en voorzeker werden 
zoowel in 't oude Indië, als in het latere, weinig woorden meer bij herhaling 
gehoord dan „om"." — (De oorsprong en ontwikkeling van den Godsdienst, 
Nederl. vertaling van Dr. A. H. Eaabe blz. 80.) A. Brahman should always 
say «Öm" at the beginning and end (of & recital) of the Veda; without, 
„om" before, it slips away; and without it after, it disappears (Burnell and 
Hopkins: The Ordinances of Manu, Leot: II 74). 

* iZaras = Zara» =afvallen. ^ 

' {Sapoetjöeq boelat a geheel en al {sahabis-habisnjo). Zoo spreekt men van 
de „adat nan berpoetjoeq boelaf- = de adat zooals die werkelijk is, in tegen- 
stelling van de ^saraq nan berkitab boelaf^ = de heilige Wet, zooals de 
kitab's die voorschrijven. 

* Lambaq = laag; schijfje. I. c. de gesneden schijfjes Umau. 

* Ongkats: openmaken, uithalen (vgl. bongkar). 

* Omtrent het ontstaan v^n de eigenschappen (sipat) en het wezen (aat) 
van het menschelijk lichaam hebben de Maleische doekoen'' s eene mystieke 
theorie, waarmede zij uiterst geheimzinnig zijn. [Deze voorstellingen vindt 
men ook elders op Soematra en op Java en Madoera, waar men er volstrekt 
niet geheimzinnig mede is]. Volgens die theorie wordt 's menschen wezen 
geboren uit yierderlei substan tien, die van de zijde van zijn vader komen 
(t. w. wadij madiy mani, manikamj) en ontstaan 's menschen eigenschappen 
uit vier dergelijke substantiën die van de zijde van zijne moeder komen 
(t. w. hoeri, baliy katoeban, darah). Wat men onder al die substantiën, die 
men in de Maleische bezweringsformulieren zoo vaak genoemd vindt , heeft 
te verstaan is mij niet recht duidelijk geworden. Misschien dat de opvatting 
van de Mohammedaan che volksstammen van Zuid-Celebes, dat iedere 

7- Volgr. VI. 32 



Digitized by VjOOQIC 



482 BlJDUAGK 'iX)T DB VOLKSGENEESKUNDK BIJ DIS 

Masoeq tawar kaloear biso , tawar Allah , tawar Moliamad , tawar 
Toeankoe Bagindo Rasoel Allah. Qaboel bërkat la-ilaha-illah Allah. 

DaO'limaU'têrsapo, 

Bismillahi-r-Rachmani-r-Bahimi. 

Jahoelo, Gamboelo, Djamboe-Erang, Si-Mato, Si-Mabau-Tong- 
gaq, Si-Tjoetjoep-Darah, Si-Timbo-Loeloeng, bërgantoeng, bërboeai- 
boeai, bërkipas, bërangin-angin. 

Toeroeniah Boedjang-Hairoelah, bërbadjoe basi , bërkatopong * basi. 

Marapoeq-marapaq ^ ka roemah tauggo djihin dan setan, hoentoe 
dau oebili. 

Djangan dibinasokan anaq tjoetjoe Nabi Adam. 

Kalau dibinasokan anaq tjoetjoe Nabi Adam angkau dimakan 
sati kalam Oelah, dimakan Qoran tigo poeloeh djoez, hilir dima- 
kan biso-kawi, moediq dimakan koetoeq Soetau, dikoetoeqi Badjo- 
uan^anam-kadoedoeqan , dimakan biso-kawi Daulat Toeankoe dinagari. 



mensch mot een zevental z. g. broeders of zusters (t. w. het vruchtwater, de 
navelstreng, de nageboorte, het bloed , een soort van vocht, ten deele rood, 
ten deele wit, dat zich na de bevalling bij de kraamzui vering ontlast enz.) 
ter wereld komt (Dr. B. P. Matthes, Bijdr. t. d. Ethnol. van Zuid-Celebes, 
aant. 23) in eene dergelijke soort van mystiek is geworteld, wellicht ook 
verband hondend met de verschillende phasen van den mensch bedoeld in 
Qoran 39 : 8 [Ed. Tollens]. Onder „hoerV* verstaat men waarschijnlijk de 
„nageboorte" [In het Mal. HoU. Wdbk. v. Dr. J. Pijnappel vind ik het 
omschreven door: bloedstremsel , dat de nageboorte {temboeni) volgt]. „BalV^ 
is weer te geven door „navelstreng" en „darahbaW^ door „het bloed, dat bij 
het afknippen van de navelstreng voor den dag komt". In het spraakgebruik 
betoekent f^darah bdW^ z. v. a. „een hazehart hebben''. In de genoemde 
bezweringsformulieren worden nog andere bloedsoorten genoemd, zooals 
darahnanif darahsamboeni , darahtamboeni en uit de door Skeat geproduceerde 
tooverformulieren zouden er nog meerdere soorten van aan kunnen worden 
toegevoegd. Katoeban beteekent in algemeenen zin z. v. a. bergplaats (vgl. 
tampat), maar hier meer speciaal „vruchtwater" en ook het vlies dat dat 
water omsluit; de vertaling van dit woord door „placenta" — zooals in het 
Wdbk. van J. L. van der Toorn — schijnt mij niet juist toe. We zullen ons 
in deze soort van mystiek niet verder verdiepen, maar er nog even op 
wijzen, dat de nageboorte, na eerst gereinigd te zijn, nabij de woning 
wordt begraven; op dit graf plaatst men een grooten rivier»teen en teekent 
daarop met »irihka]k een kruis. Is het kind — de oudere broeder {kakag) van 
de nageboorte — later ziek, dan is het niet ongewoon, dat men genezing 
verwGM3ht door bij bedoeld graf te laten mangadji ('Qoranlezen). 

1 Katopang = helm. 

' Marapoeq-marapaq rapoeq =^ met geweld tegen iets aanstormen [vgl. rampoq] 
rapaq = zich met pjeweld toegang tot iets verschaifen [vgl. rompaq']. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIEUS i)EB PADANGSOHE BENEDENLANDEK. 483 

Diqaboelkan Allah , diqaboelkan Mohamad , diqaboelkan Toeankoe 
Bagindo Basoel Allah, qaboel berkat la ilaha illah Allah. 

Bismillahi-r-Rachmaui-r-Rahimi. 

Wahadi, madi akoe mamakai doa sangkari ^ akoe mamakai doa 
soelasalih ; ^ akoe mamakai doa alih-alih. 

Salang angin gadang lagi bëralah lagi bëralih ta-akoe përalah 
përalihkan AUah-taala përalah përalihkan. Salang ajër-gadaug lagi 
bëralah lagi bëralih , ta-akoe përalah përalihkan , Allah-taala përalah 
përalihkat]. Salang ombaq gadang lagi bëralah lagi bëralih, ta-akoe 
përalah përalihkan Allah-taala përalah përalihkan. Ko qoenoen për- 
boewatan djihiu dan setan, hantoe dan oebili lagi bëralah lagi 
bëralih, ta-akoe përalah-përalihkan . Allah-taala përalah përalihkan. 

Sa()ang angin gadang lagi tanang tadoeh ^ kabasaran doa Njèg 
Radjo Soleiman, qoenoen përboewatan boelo dan pari, dewa dan 
mambang, qoenoen koelit pakal. * 

Djangan binasokan anaq tjoetjoe Nabi Adam. Kalau binasokan 
anaq tjoetjoe Nabi Adam akoe tahoe moelo asal angkau djadi. 
Pinang-loemoetau moelo asal angkau djadi. 

Masoeq tawar, kaloear biso, tawar Allah tawar Mohamad, tawar 
Toeankoe Bagindo Rasoel Allah. Qaboel bërkat la ilaha illah Allah. 

Hai, Njèq-Radjo-Soleiman nan bërampat Njèq-Pitalo-Goeroe. 
Niniq lah disaroe. Koemajan lah dipanggang. 

Kami naq manimbang kasalahan nan sakit nangko, ataw salah di 
kaki, ataw salah ditangan ataw salah di përdjalanan, ataw salah 
dari pantjèlikan ^ ataw salah diparoendingan. * Itoelah salah kami 
naq manimbang kapado sanaq soedaro nan disiko. 

Hai Si-Hantoe-Moeno , Si-Kati-Moeno , Si-Oelo-Oelo , Si-Gamboelo, 
Siudjo-Sindjo , Si-Oenggoe-Oenggoe , Si-Angga-Angga, Djoembalang- 
Ajer, Djoembalang-ïabing. Hai Njèq-Radjo-Ti-Djoembalang, nan 
maugatahoei boekit nan tinggi, loerah nan dalam, akar nan bër- 



1 Sangkari = heilig. 

' Sodasalih = iets vroomds, iets nieuws, iets wat men nog nooit gezien 
heeft [vgl. gandjil.'] 

* Tanang =: tadoéh =z ^iW ^ bedaard (van den wind, of van het water). 

* Paftaï = verstopt , maar zóó dat het onzichtbaar is (vgl. tersemboeni)] in 
tegenstelling dus van koetnoen = ziclitbaar verborgen. 

* Mantjèli = strak aankijken. 

* Jfamparoenrfm^aw r= beraadslagen , met elkaar .spreken (vgl. mampaparan). 



Digitized by VjOOQIC 



BIJDAAÖE tot l3E VOLKSGENEESKUNDE BU DË 

boekoe , kaloemboeh iiau bërbanir * , bambaii nan bërdoeri , ajër 
uan ilang-ilangan ^ , pintjoeran Manti-Soemaiijo. ' 

Kami uaq manimbang kasalahan nan sakit nangko, ataw salah 
dikaki, ataw salali përdjalanau , ataw salah ditangan ataw salah 
dipantjèlikan , ataw salah diparoendingau. Itóelah salah kami naq 
manimbang. 

Oetang naq mambajar bagai sanaq soedaro nan disiko. 

Kami maminto bërbajo-bajo ^ djo moeloed nan manis ^ përkataan 
nan sadang " djo adat djo limbago ^ mano tëlah adat djo limbago- 



1 JBamr = bladvormige uitwassen aan de wortels van sommige boomen. 
Een kwast in het hout is niet „banir^^ (zooals het Wdbk. opgeeft), maar 
„matan'\ 

• Aj^r-üang-Üangan =^ yf&ter ^ dat gedeeltelijk onder den grond stroomt en 
daarna weer zichtbaar wordt. 

' Pintjoeran- Manti'Soemanjo. Hiermede zijn de watervallen bedoeld, daar 
deze als de badplaatsen van den boozen geest M. S. worden beschouwd. ^ 

♦ Maminto hïrbajo-bajo = onderd&nïg , medelijdend vragen. 

* Maminto djo moeloed manis = iets zoo weten te vragen , dat de toegesprokene 
verteeder d wordt en niet weigeren kan. 

^ Ptrkatadn sadang = de gemeenzame taal, staande tusschen de përkatadn 
kaaar (sprekende tot minderen) en de pPrkatadn hormatan (sprekende met 
eerbetoon). Bij deze laatste wijze van spreken voert de spreker het woord 
zittende op de hielen met de handen op de knieën en het hoofd voorover 
gebogen [dengan oendj m loetoet, dengan takoeq kapalo."] 

7 Adat djo Umbago. Deze woorden hebben in de Maleische samenleving eene 
groote beteekenis r,A.dat dtisi , limbago ditoewang^^ is de gewone rechtsregel , 
die bij allerlei transacties, waarbij een recht wordt afgestaan, moet worden 
in het oog gehouden. De „m adaV^ is te omschrijven als de vormelijke 
erkenning van een toegestaan recht en de yj,imbagó*^ als de schadeloosstelling 
voor het afstaan van dat recht. Eerst door die erkenning en die schade- 
loosstelling beide wordt het recht volgens de adat geacht volledig te zijn 
overgegaan. Een paar voorbeelden. Bij ontginning van gronden, bij het 
aangaan van een huwelijk, bij de verheffing tot eenige waardigheid enz. 
bestaat de „isi adaV* uit de z.g. „sirih salangkap'^ d. i. de airih met alles wat 
erbij behoort. Zij is bestemd voor de bij de plechtigheid tegenwoordig zijnde 
personen. De Umbago bij ontginningen wordt eerst voldaan na den eersten 
oogst en bedraagt dan f 7.50— f 10 per djandjang van 100X20 d^a*8 uitge- 
strektheid, al naar gelang de sawah niet dan wel het noodige irrigatiewater 
direct van eene groote rivier ontvangt. 

Bij huwelijken bedraagt de limbago [d. i. de huwelij ksgift] één rijks- 
daalder, te betalen aan den mamaqj als vergoeding voor den afstand van 
de vrouw. 

Bij verheffing van een of ander ambt varieert het bedrag van de limbago 
naar gelang van de belangrijkheid van dat ambt en' wordt te. goed gedaan 
aan hem, die de benoemingsbevoegdheid heeft. 



Digitized by VjOOQIC 



UALEIBRS DEK FADANGSCHE BENEDËNLANDEN. 485 

iijo, baras randang uaii sadikit, sirih nau sakapoer, kèpèng iiau 
sakoepaug sapiah, baras uan sasoekat soelaug-aling. * 

Itoe tando kami maminto bagai sauaq soedaro uan disiko. 

Pinto kami uaq paliarokan iian sakit nangko. 

Ataw lai sauaq soedaro nau sakit disiko, kami maadapkan obat 
djo djampi Si-Tawar, Si-Dingiii. 

Baapo ko orang nan sakit nangko , minto dipaliarokan di doesauaq 
soedaro disiko. 

Kalau angkau obahi angkau dimakan sati kalam Oeiah dimakan 
Qoran tigo poeloeh djoez, kaatas angkau tida bërpoetjoeq, kabawah 
angkau tida bêroerat, ditangah digiriq koembaug, hilir dimakan 
biso-kawi, moediq dimakan koetoeq Soetan, dikoetoeqi Badjo-nan- 
anam-kadoedoeqan , dimakan biso-kawi Daulat-Toeankoe dinagari. 

Diqaboelkan Allah , diqaboelkan Mohamad , diqaboelkan Toeankoe- 
Bagindo-Easoel Allah, qaboel bêrkat la ilaha illah Allah. 

Tawar biring-bvring, 

Bismillahi-r-Rachmani-r-Bahimi. 

Rajo-rajo, si-biring-rajo. 

Mandapat si-biriug-rajo. 

Biring bërsanggo api , api bêrsanggo ^ biring. 

Akoe manawar si-biring biso. Samboeh ^ diloear, samboeh didalam, 
samboeh sakali-kali. 

Akoe tahoe moelo asal angkau djadi. Biring-rajo ^ moelo asal 
angkau djadi. Biring-tambago ^ moelo asal angkau djadi. Biring- 
ronggo ^ moelo asal angkau djadi. 

Panah-alam ^ moelo asal angkau djadi. Panah-galam ^ moelo asal 
angkau djadi. Hoeri bali moelo asal angkau djadi. Darah bali moelo 
asal angkau djadi. 

Masoeq sakalian tawar, kaloear sakalian biso. 



* Sasoekat soelang-aUng = eon bamboe iahoudsmaat [-=6 tjoêpaq] geheel 
gevuld en vermeerderd nog met hetgeen in de holte van den bodem van 
de omgekeerde soekat gaat. 

* Sanggo = a. samenkomen (vgl. djoempo en tjampoer)^ b. afweren [vgl, 
noot 2 blz. 476]. 

' jS^amdoe^ = genezen [niet te verwarren met samboer = bespuwen.]. 

* Biring-rajo = de groote biringziekte ; biring-tambago = een soort koper- 
kleurige uitslag; biring-ronggo = een soort uitslag met witte etterblaasjes (?). 

* Panah-alam = een soort uitslag bestaande uit blauwe vlekjes , die later 
zweertjes worden (?). Panah-galam = kleine puistjes achter op den tong(?). 



Digitized by VjOOQIC 



486 BIJDRAGE TOT DE VüLKSGBNEESKUNüE BIJ ÜE 

Ta war Allah, tawar Moliainad, tawar Toeankoe Bagindo Easoel 
Allah. 

Qaboel bêrkat doa ditoeroeukau goeroe akoe, diqaboelkau Allah, 
diqaboelkan Mohamad Toeaukoe Bagindo Rasoel Allah, bërkat la 
ilaha illah Allah. 

Tawar galang-galang , 
Bismillahi-r-Rachmaui-r-Rahirai. 
Kati-kati , katang-katang. 
Hilirkau batang baranang. 
Moediqkan batang-oembilaii. 
Gadang gadaug ka pi adaug ^. 
Tërsangkoet di roempoet saroeq '-. 
Akoe manoedjoekan '' galaug-galang. 
Soedah akoe pidjit didalam paroet. 
Masoeq tnwar, kaloear biso. 

.Tawar Allah, tawar Mohamad, tawar Toeankoe Bagindo Kasoel 
Allah. 
Qaboel bêrkat la ilaha illah Allah. 

Tawar paiah, 

BisTnillahi-r-Rachmaui-r-Rahimi. 

Palapah tjondong ka laoet. 

Diambil ka ringgajau ^ moesang. 

Batoe balah lagi bertaoet ^ , kb koenoen djangat sandi saMrang, 
darah daging Si Anoe lagi bërtaoet. 

Masoeq tawar kaloear biso. Diqaboelkan Allah diqaboelkau Mo- 
hamad, diqaboelkan Bagindo Rasoel Allah. 

Qaboel bêrkat la ilaha illah Allah. 

Tawar loeko, 

Bismillahi-r-Rachraani-r-Rahimi. 

Hoeri bali katoeban darah Maka toeroeulah darahbali dalam 
batang toeboeh Si Anoe. 



' Kapi adang = ? 

' Roempoet-saroeq = een harde, korte, puntige, grassoort. 

' Manoedjoekan = betooveren. 

* Ringgajan = de plaats waar iets zich bevindt, 

* bërtaoet s aaneengelascht. 



Digitized by VjOOQIC 



MALEIEUS DER PADANQSGUK BENEDENLANDBN. 487 

Maka uaiklah darahuaui ka moekonjo. 
Kajoe biring toemboeh di biring. 
Ka hilir batang si tawar, ka moediq batang si gando. 
Akoe malakatkan tawar biring. 
Sakalian uan bêroerat nan bërpoetjoeq lagi tawar. 
Diqaboelkan Allah , diqaboelkau Mohamad , diqaboelkaii Bagiudo 
Koesoel Allah. 

Qaboel bêrkat la ilaha illah Allah. 

Tawar aipasan, 

Bismillahi-r-Bachmani-r-Rahimi. 

Marisiq, marisiq ^ di bawah saroq. 

Gigi hitam kapalo sirah. 

Akoe tahoe moelo si angkau djadi : toelang laoeq Njèq Pitalo 
Goeroe moelo si angkau djadi. 

Masoeq tawar kaloear biso. 

Tawar Allah, tawar Mohamad, tawar Toeankoe Bagindo Basoel 
Allah. 

Qaboel bêrkat la ilaha illah Allah. 

Tawar térpanggang, 

Bismillahi-r-Rachmaui-r-Rahimi. 

Di dantjing * boekan tb api Tërbang sabrang laoetan. 

Hinggap di kajoe hidoep mati. Lnh mati mangko njo hidoep. 

Akoe tahoe di moelo si angkau djadi: salémo Njèq Di Batjiq 
asal moelo angkau djadi. 

Masoeq tawar kaloer biso. 

Tawar Allah, tawar Mohamad, tawar Toeankoe Bagiudo Kasoel 
Allah. 

Qaboel bêrkat la ilaha illah Allah. 

^ Marisiq = rondkruipen. 

' Dantjing = geluid dat men hoort bij het gebruik van een vuur«lag. 



Digitized by VjOOQIC 



DE TOE BADJENG EN DE LEGENDE 
OMTRENT HUN OORSPRONG. 



J. TIDEMAN. 

Coiilroleur Binnenlandsch Bestuur. 



De laatste expeditie op Zuid-Celebes heeft onder meer ten gevolge 
gehad de splitsing van het voormalige zelf besturende landschap Gowa 
in meerdere deelen, die alle voortaan een eigen inlandsch zelf bestuur 
verkregen, hetwelk echter zijne functiën onder de leiding van een 
Europeeschen Bestuursambtenaar uitoefent. Werd voor dat gedeelte, 
dat thans West-Gowa genoemd wordt, eerst een Assistent-Resident, 
doch al spoedig daarna een Controleur bij het fiinnenlandsch-Bestuur 
in dienst gesteld, de overige gedeelten werden gebracht onder het 
toezicht van Bestuursambtenaren uit het direct bestuurd Gouverne- 
mentsgebied in de aan Gowa grenzende streken. Zoo kwam het in 
de westelijke laagvlakte van Zuid-Celebes, bezuiden de rivier van 
Gowa of Djeneberaug gelegen gedeelte — thans Zuid-Gowa ge- 
noemd — ouder bestu urstoezicht van den Controleur van Takalar. 

Met uitzondering van zeer enkele Chineezeu en slechts weinige 
tientallen Boegineezen, die zich daar metterwoon vestigden, bestaat 
de bevolking van Zuid-Gowa uitsluitend uit Makassaren. Onder 
dezen zijn er nu sommigen, die zich met zekeren trots Toe Badj eng ^ 
d. i. lieden van Badjeng noemen. Badjeng was eertijds een rijkje, 
gelegen in de omgeving van de op ongeveer 5 palen benoorden de 
afdeeliugshoofdplaats Takalar liggende kampong Ballo, thans komt 

' Toe is een samentrekking van tsLoe = mensch, en komt in dien vorm 
alleen in samenstellingen voor. Zoo beteekent Toemanoeroeng de (uit den 
Hemel) neergedaalde, zoo is de naam van de onderaf deeling Toerateialanden 
afgeleid van Toerate en dit weer van toe en irate, welk laatste woord boven 
en in dit verband 't zuiden beteekent. Aan den Westkant van Zuid-Celebes 
zegt men néloeng (dalen) voor noordwaarts en n&i (stijgen) voor zuidwaarts 
gaan. 

Toe Badjeng beteekent dus lieden van Badjeng of zooals men ï50u kunnen 
lieggen Badjengers, 



Digitized by VjOOQIC 



bÈ TOK BAÜJBN(4 EN DÈ LEGEN DK OMTRENT HUN OOÉSPRONG. 489 

daar uog een gehucht van dien naam voor. Om tegenwoordig nog 
te spreken van het volk van Bad j eng, zooals in sommige officieele 
stukken in het archief te Makassar wordt gedaan , zou tot de on- 
juiste gevolgtrekking aanleiding geven, dat Badjeng thans nog een 
bestuurseenheid vormt, te meer daar in diezelfde officieele bescheiden 
van het district Badjeug gesproken wordt. Dit is beslist onjuist, 
want de Toe Badjeng hebben zich als het ware onder de overige 
Makassaren opgelost. 

Zooals Prof. D'. G. A. Wilken in zijne verhandeling over de 
verwantschap, het huwelijks- en erfrecht bij de volken van het 
Maleische ras releveert, is bij de alleroudste staten het denkbeeld 
der volkseenheid minder gelegen in het gemeenschappelijk bewonen 
van een land, dan wel in het begrip van gemeenschappelijke af- 
stamming, daar oorspronkelijk bij den mensch geene andere voor- 
stelling van het maatschappelijk verband mogelijk was dan onder 
den vorm van een familieverband. vDe stamverdeeling in zuiveren 
vorm'/, zegt Wilken, /-/is slechts mogelijk waar nomadenleven 
bestaat; de volkeren van den Indischen Archipel zijn dat tijdperk 
te boven en bevinden zich in een overgangstoestand, waarbij naast 
de stamverdeeling de territoriale indeeling bestaat en deze beide op 
eigenaardige wijze met elkander verbonden zijn/!'. In het boven- 
genoemde, thans onder Takalar ressorteerende zei f besturend e landschap 
Zuid-Qowa springt dit treffend in 't oog. De bestuursindeeling, 
zooals die in Gowa bestond, was zoowel een territoriale, als op 
stamverdeeling gebaseerd; doch dit laatste sprak zich nog zóó 
krachtig uit, dat lieden, die naar elders verhuisden, feitelijk nog 
onderhoorigen bleven van hun vroeger hoofd. Hierin ligt ook de 
verklaring van het ontstaan der vele soms ver van het oorspronkelijk 
gebied verwijderde enclaves, die de verschillende in Gowa macht 
gehad hebbende Karaengs tot hun gebied rekenden. 

De bestaande bestuursindeeling in Gowa kon dan ook, toen het 
Gouvernement daar meer direct zijn invloed deed gelden , onmogelijk 
in haar geheel in stand gehouden worden, zonder dat de goede 
gang van zaken daardoor in hooge mate belemmerd zou worden. 
Wil men een voorbeeld, zoo beschouwe men het gebied van Bontoala. 
Dit is niet één afgerond geheel, doch wordt gevormd door meerdere 
overal iu Gowa verspreide gedeelten, waarvan er alleen vijf in 
Zuid-Gowa, alle van elkaar gescheiden, voorkomen. Zelfs heeft een 
dier gedeelten, n.1. het gebied van den Anronggoeroe van Mon- 
tjombalang wederom een enclave, een onder-enclave zou men kunnen 
7* Volgr. VI. 32* 



Digitized by VjOOQIC 



400 DK tüK BAÜJENÖ Ktr ÖE LEGENDE ÖMlIlENT HUN OOtlSPRÖNG* 

zeggeu, op eeaige palen zuidwaarts vau het eigeu gebied gelegen! 
Tot op den tijd der laatste expeditie was Bontoala het gebied van 
Karaeng Mangeppe, den Hoofd vorst van Wadjo en had dus «de 
vorst van Gown aldaar in geenendeele de positie, die hij als zoo- 
danig in de andere streken van zijn land innam. ^ 

De Toe Badjeng nu verkeerden in een nog ander geval. Aan 
den eenen kant trad bij hen het stamverband veel sterker op den 
voorgrond , terwijl zij aan den anderen kant geen bestu urseeuheid 
vormden, doch zich, als we reeds boven zagen, onder de overige 
bevolking van Gowa hebbeu gemengd. Echter zijn er nog vier 
kampongs, waar uitsluitend Toe Badjeng wonenen wel teLimboeng, 
Ballo, Koettoeloe (Mataallo) en Pamase. Naar het schijnt zijn de 
drie eerstgenoemde plaatsen eigenlijke vestigingen der Toe Badjeng 
in Gowa en dateert die te Pamase van lateren datum. De titel van 
de hoofden dier kampongs is Bataug bauowa (batang = stam, steel 
en banowa = krisscheede). Omtrent den oorsprong dier benaming 
zeggen de Toe Badjeng zelven, dat eens op een keer, toen hunne 
hoofden, te dier tijde nog Glarrang genoemd, voor den vorst van 
Gowa verschenen, het lemmet van de kris van een hunner, den 
Glarrang van Badjeng (Limboeng), gestolen werd, welk lemmet 
niet werd teruggevonden, waarop de vorst toen tot hem zeide, /inkeer 
maar naar uw land terug, doch nu alleen met de scheed e van uwen 
kris//. Eene andere lezing zegt, dat de Glarraugs eertijds bij hunne 
bezoeken aan Gowa's vorst verplicht werden — vermoedelijk om 
hen te vernederen — om de messen hunner krissen onder aan de 
trap der vorstelijke woning te deponeeren en zij alleen met de scheeda 
in tegenwoordigheid des vorsten mochten verschijnen. Volgens de 
legende zou de vorst van Gowa wel eenige reden hebben, voor- 
zichtigheid te betrachten tegenover een gewapenden Toe Badjeng 
en vooral een hoofd, want niet na eerlijken en open strijd werden 
de Toe Badjeng gedwongen Gowa te //volgen//, zooals de Makassaar 

1 Hier vergist schrijver zich. Karaeng Mangeppe, oom van den laatsten 
vorst van Gowa, een der rijksgrooten van Gowa en hoofd van Bontoala, was 
door zijne vrouw verwant niet alleen aan den vorst van Sidenring , doch ook 
aan de Wadjosohe hoofden. Ik meende in hem iemand te zien, die door 
zijn flink karakter in staat zou zijn aan de wanorde en de onophoudelijke 
onrust in dat rijk een einde te maken, en wist de kiesheeren over te halen 
hem tot Aroem-Matowa (hoofdvorst) van Wadjo te doen benoemen. Als 
Gowasch prins bleef hij echter in Gowa in dezelfde ondergeschikte verhouding 
tot den vorst staan als de andere palili (vasallen) en had als hoofd van 
Batoala niets op deze voor. Van Hoëvell. 



Digitized by VjOOQIC 



DB '1*0E BADJENG tin DE LBÖENDB OMTRENT HUN OORSPRONa. 491 

zich uitdrukt, doch list en bedrog wareu noodig geweest om dat 
fiere volk, tegen 't welk de Gowareezeu niet opgewassen waren, te 
onderwerpen. De Badjengers vormden een krijgshaftig volk en nog 
heden ten dage gaat die roep van hen uit. In den oorlog streden 
zij immer vooraan. Om echter te begrijpen, waarom zij in de laatste 
expeditie weigerden aan de zijde van den vorst van Gowa tegen 
het Gouvernement te strijden, en het zelfs zóöver kwam, dat de 
vorst, toen hij in October 1905 de vlucht naar Limbocng nam, in 
de hoop de Toe Badjeng tot deelneming aan den krijg te kunnen 
overhalen, den Batang banowa van Limboeng, bij diens halsstarrige 
weigering daartoe, doodschoot, moeten we kennisnemen van de 
legende der Toe Badjeng. 

Er bestaan, zooals men weet, onder de Makassaren verscheidene 
van die legenden en verhalen en veel daarvan is door de waarde- 
volle studiën van D'. B. F. Matthes aan de vergetelheid ontrukt. 
Ongetwijfeld hebben ook van het verhaal, dat we thans gaan op- 
teekenen, een of meer handschriften bestaan, doch het is me niet 
mogen gelukken zulk een geschrift in handen te krijgen. Brand 
en andere rampen hebben het hunne er toe bijgedragen veel te 
doen verloren gaan, wat voor de kennis van land en volk waarde 
zou hebben. We moeten ons dus vergenoegen met te luisteren 
naar den ouden Daeng Nombong, een der aanzienlijksten onder de 
Toe Badjeng. Hij zit op een mat voor ons en vertelt op de eigen- 
aardige wijze, waarop Inlanders hetgeen hun bij overlevering bekend 
is weergeven; daarbij doorgaans een geheugen toonende te bezitten , 
dat eerbied afdwingt. Wanneer hij aan het vertellen is, houdt hij 
telkens even op, als wachtende op een aanmoediging om door te 
gaan, die we hem dan ook geven. Men ziet aan hem, dat hij er 
als 't ware geheel in leeft en met een kinderlijk geloof tracht hij 
ons ook te overtuigen van de waarheid en de schoonheid van 't 
geen hij mededeelt, want als afstammeling van het geslacht, dat 
met het vorstelijk gezag over Badjeng bekleed had moeten zijn, 
is die geschiedenis hem heilig. 

Laat ons thans naar hem luisteren! 

De eerste en eenige vorst van Badjeng daalde zeer lang geleden 
te Tanabangka in het gebied van Bantaeng (Bonthain), waar toen 
een zekere Baso als vorst regeerde, uit den Hemel neer. * Met 



* Bijna aUe vorstengeslachten op Zuid-Celebes hebben een dergelijken legen- 
dariachen, mythischen oorsprong uit den Hemel. v. H. 



Digitized by VjOOQIC 



492 M TOE BAÜJÊNG KN DE LKGENÖE OMTRENT HÜN OORSPttONÖ. 

hem daalden zes broeders eu ook zijne gemalin Sitti daeng Nisanga 
neder, zoomede hunne woning. De plaats waar zij op de aarde 
belandden was gelegen in de nabijheid van den akker van den 
ouden Salinre. Toen deze op een gegeven oogenblik zag, dat hij 
buren had gekregen, begaf hij zich naar Bantaeng en deelde zijnen 
Heer mede, dat er zich menschen dicht bij zijn bouwland waren 
komen vestigen, daaraan tevens toevoegende dat hun herkomst hem 
onbekend was. üe vorst beval hem daarop te gaan onderzoekeu, 
waar die lieden vandaan waren gekomen en hen aan te zeggen voor 
hem te verschijnen. Toen Salinre aan deze opdracht voldeed, ant- 
woordde de uit den hemel neergedaalde (Toemanoeroeng) f/O Soero, 
zelf ik weet mijn oorsprong niet, zoomin als ik u de wijze kan 
zeggen , waarop ik hier gekomen ben , maar ga tot uwen vorst 
terug en zeg hem, dat als hij mij wenscht te spreken, hij dan tot 
mij moet komen, daar ik niet tot hem kan gaan, omdat ik dood- 
arm ben (antama tama na boekoe, assoeloe soeloe na boekoeleug, 
lett. de beenderen gaan binnenwaarts en de huid naar buiten , m.a.w. 
vleesch is er niet!) Salinre bracht deze woorden aan zijnen vorst 
over, waarop deze zich gereed maakte om zich naar de woning van 
den nieuw aangekomene te begeven. Daar gekomen vroeg hij hem : 
^/Waar komt ge vandaan en met welk doel zijt ge hier gekomen?// 
waarop de Toemanoeroeng wederom tot bescheid gaf, dat hij zelf 
niet wist van waar hij kwam. Nu was het den vorst van Bantaeng 
duidelijk, dat hij voor een uit den hemel gedaalde stond en hij 
sprak ootmoedig, //Heer, als ge hier wilt wonen, zeg het slechts, 
opdat ik u land geve tot woonplaats'/. Doch het antwoord luidde, 
//dat kan ik nu nog niet beslissen, maar als het me hier goed bevalt , 
blijf ik, anders ga ik elders een woonplaats zoeken.// De vorst van 
Baentaeng leidde uu den Toemanoeroeng rond door zijn land , maar 
hoeveel streken hem ook getoond werden, nergens vond deze een 
betere plaats dan die waar hij was neergedaald. Daarom vroeg hij 
den naam van die streek, waarop de vorst van Bantaeng hem mede- 
deelde, dat de namen der omliggende landen waren Mamampang, 
Boengaia, Salo en Tjenrana. Met zijne broeders bewoonde de Toe- 
manoeroeng daarna de dus genoemde streken gedurende eenigen tijd. 
Echter voldeed die plaats hen al spoedig niet, waarop zij vandaar 
heengingen en waarna tot op den huidigen dag de genoemde plaatsen 
ongelukslanden zijn. 

Op zijn tochten kwam de Toemanoeroeng eindelijk te Badjeug, 
gelegen even benoorden de kampong Ballo in 't voormalige regent- 



Digitized by VjOOQIC 



DK TOB BADJENG EK DE LEGENDE OMTEBNT HUN ÜÜESPKÜNG. 498 

schap Polombaugkeiig. Bad j eng werd door den Toemanoeroeug tot 
verblijfplaats verkozeu, maar de broeders zetten hun ouderzoekiugs- 
tocht voort, ten einde ieder een eigen land te zoeken. Zoo vestigden 
zij zich respectievelijk te Kattngang, Pöwang, Ttudaug, Sapp&ia, 
Bar&sa en Kalimporo, in welke gebieden zij allen onder den titel 
van Karaeng lowe den scepter zwaaiden (Karaeng = Heer, vorst; 
lowe = groot). 

De Toemanoeroeng , die nu met zijne vrouw en een' vertrouweling, 
zekeren Panai, te Badjeng bleef wonen, werd eenstemmig door de 
Badjengers als Heer erkend, waarom hij van dien tijd af Karaeng 
lowe ri Badjeng werd genoemd. Zijn nieuw volk bouwde voor hem 
een echt vorstelijke woning met zeven vakken. Toen Karaeng lowe 
ri Badjeng daar eenigen tijd gewoond had, verblijdde zijne vrouw 
hem met de geboorte van een dochtertje, hetwelk zij I Naima 
noemden. Hare schoonheid was zonder weerga en als de glans der 
volle maan. 

Op zekeren dag, toen Panai wederom naar buiten ging om de 
karbouwen van zijn' heer te hoeden, zooals hij gewoonlijk deed, 
verbrandde hij het hoog opgeschoten riet, om de gelegenheid tot 
grazen voor zijne dieren te verbeteren. Tot zijne verwondering echter 
was er één riet, dat de vlammen weerstond en ongeschonden bleek 
te zijn, toen al het overige tot asch geworden was. Hij ging er 
heen en zag tegen dat riet een zwart hout, twee armlengten lang, 
welk stuk hout een blaasroer bleek te zijn. Ook vond hij er een 
driekantig pijltje bij van een elleboogslengte. Dat instrument maakte 
Panai zich ten nutte om er mee op jacht te gaan en als hij er 
mede schoot was zijn schot zeker en gewis en de pijl viel, na ge- 
troffen te hebben, niet op den grond, maar keerde in het blaasroer 
weer. Gebeurde het een enkele keer dat de pijl naar de aarde 
daalde , dan was het alleen om een slang of een kikvorsch te treffen , 
doch ook daarna keerde hij terug. lederen middag, als hij huiswaarts 
keerde, bracht Panai een zware vracht vogels tot zijn' heer. 

Deze, zich hierover verwonderende, vroeg op een goeden dag aan 
Panai, //O, Panai, hoe legt ge het toch aan, om de vogels, die 
ge iederen dag thuis brengt, te vangen?// Panai antwoordde: //ik 
doe dat niet anders dan met het blaasroer, dat ik vond bij het 
riet.// Daarop nam de vorst het blaasroer en blies er een pijl mee 
af in de lucht. Die pijl daalde neer op een plaats aan een rechte 
rivier om daarna terug te keeren tot het blaasroer. De plaats waar 
die pijl neerkwam werd daarop Ana badjeng genoemd en is gelegen 



Digitized by VjOOQIC 



494 DE TOE BADJENG EN DE LEGENDE OMTRENT HUN OORSPBONG. 

in de omgeving van het tegenwoordige Pappa. Die plaats is de 
bakermat der vorsten — later regenten — van Polombangkeng , 
waarom dezen door de bevolking steeds Karaeug Ana badjeng ge- 
noemd werden. 

Karaeng lowe ri Badjeng noemde het blaasroer nu I Boele; 
tot beloouing werd aan Panai de adelijke titel daeng gegeven en hij 
voortaan Panai daeng Irate geheeteu, onder welken naam hij tot 
vorst — de eerste — van Galesong werd verheven. 

I Nalma groeide op tot een beeldschoone jonkvrouw. Haar naam 
werd overal bekend en zoo gebeurde het dat de vorst van Gowa 
Toe map&risi kalonna, hare schoonheid vernemende, haar tot vrouw 
begeerde. Daarom belastte hij zijnen soero I Karedjóeroe met de 
overbrenging van het huwelijksaanzoek. Het antwoord van Karaeng 
lowe ri Badjeng luidde: //O' Soero, keer tot uwen vorst weer en 
zeg hem, dat ik het aanzoek niet kan aannemen, want dat Gowa 
en Badjeng niet kuuneu samengaan. Gowa zal niet tot Badjeng en 
dit niet tot Gowa gaan !// Karedjóeroe bracht dit den vorst van 
Gowa over, waarop deze hem opdroeg zich wederom naar Badjeng 
te begeven, om den vorst aldaar te verzoeken om, ook al sloeg 
hij het huwelijksaanzoek af, een feest te geven ter eere van zijne 
dochter, daar de vorst van Gowa haar dan hoopte te zullen ont- 
moeten. Dit verzoek werd ingewilligd en de soero bracht het gunstig 
antwoord over, zijnen heer mededeelende dat over eenige dagen 
alles gereed zou zijn. 

Karaeng lowe ri Badjeng liet karbouwen slachten, vele in aantal, 
en onthaalde zijn volk dag en nacht en zond daarvan mededeeliug 
aan den vorst van Gowa. Deze maakte zich daarna op naar Badjeng 
en nam gansch zijn leger mede. Te Badjeng aangekomen, zag hij 
het volk verzameld op het feest, maar hij liet den vorst weten, 
dat zijne bedoeling niet aldus was geweest, doch met het feest 
bedoeld was het schermspel met de lans. Het antwoord luidde, 
'/Als dat zoo is, wacht dan slechts eenigen tijd, opdat ik mij ge- 
reed kan maken, want zóó heb ik u niet opgewacht, doch slechts 
met vriendschappelijke gevoelens^/. Toen de overeengekomen wachttijd 
om was rukte de vorst van Gowa tegen Badjeng op. Karaeng lowe 
ri Badjeng nam daarop I Boele en viel uit tegen de Gowareezen. 
Zijne voorvechters I Bangh^si tjadi tjadi en Tanrdssang bodo bodo 
gingen vooruit en vele Badjengers volgden hem. De vijand werd 
dan ook verslagen , daar hij niet was opgewassen tegen de zekerheid , 
waarmede 1 Boele trof en den weergaloozen moed, waarmede de 



Digitized by VjOOQIC 



DE TOE BADJENÖ EN DE LEGENDE OMTRENT HUN OüUSrUONÖ. 495 

beide voorvechters vochten. Geheel uiteengeslagen vluchtten de 
Gowareezen naar hun land terug. 

Een jaar daarna werd Badjeng wederom door Gowa aangevallen , 
maar nu werden de Gowareezen tot Bontonompo teruggeslagen, 
alwaar een ontelbaar aantal hunner sneuvelde. De vorst van Gowa 
liet al die lijken — te veel om behoorlijk te begraven — op een 
plek in het bosch beoosten Bontonompo verzamelen en met aarde 
bedekken ; waarom de heuvels aldaar nog heden ten dage Balê.boeroe 
(= hoop, stapel) heeten. 

Het volgende jaar deden de Gowareezen een derde poging om 
Badjeng ten onder te brengen , maar wederom werden zij verslagen , 
totdat hun voorvechter Kare Kolo ri Sero door de voorvechters van 
Badjeng gevangen genomen werd. Hem vervolgende bereikten 
Bangkê.si tjadi tjadi en Tanrê.ssang bodo bodo hem pas te Pekang- 
l&boe, alwaar zij hem dermate troffen, dat zijn hoofd in de batoe 
n&para (gladde steen onder 't water) drong. Daarna keerden de beide 
Badjengers naar hun land en Kare Kolo ri Sero , de verslagene , naar 
het zijne terug. 

De Gowareezen gaven echter den moed niet op en nauwelijks 
was er wederom een jaar verstreken of zij hadden zich alweer gereed 
gemaakt om Badjeng aan te tasten. De voorvechters ontmoetten 
elkaar nogmaals en dreigend stonden zij tegenover elkaar, pochende 
op hun onkwetsbaarheid. Tanrassang bodo bodo had een koetóoe aio * 
en niemand, zoo sprak hij, kon die kracht weerstaan. Bangk&si tjadi 
tjadi had een koelftoe koera en ook tegen die kracht vermocht 
niemand iets te doen. Kare Kolo ri Sero toonde daarop zijn koelHoe 
ladja, die hem, zooals hij dreigend verklaarde, de overwinning ver- 
zekerde. Zijn tegenstanders echter zeiden hem honend, dat zijn 
kodftoe geen waarde had, want dat deze kon gespleten worden. 
Kare Kole ri Sero, willende toonen dat dit onwaar was, gaf toen 
op zijn koelê.oe een harden slag, waarop deze tot zijn grooten schrik 
werkelijk open sprong en niets dan paardendrek inhield. Geen wonder 



* Volgens het volksgeloof vindt men in vele dieren en vruchten z.g.n. 
koelaoe's — Koelaoe is de Makassaarsche naam voor bezoarsteenen , moestika , 
versteeningen, die in verschillende vruchten en dieren gevonden worden en 
waaraan de inlander eene bijgeloovige kracht toekent, voorsll om onkwetsbaar 
te maken. V. H. — ; steentjes die zoo hard zijn, dat men ze met geen 
mogelijkheid zou kunnen splijten. Daaraan herkent men dan ook een koel&oe. 
De koelaoe aio is de koeléloe van een J£iarvogel, de koel&oe koera, die van 
een schildpad en de koelaoe ladja, die van een ladja, d. i. een plant, waar- 
van de wortels geneeskundige kracht hebben. 



Digitized by VjOOQIC 



496 DE TOE BADJENG EN DE LEGENDE OMTRENT HUN OORSPRONG. 

dus, dat hij in' deu strijd, die volgde, liet onderspit delfde. Hij 
werd achtervolgd tot in eeu bosch beoosteu Bouto L&ngbasa eu daar 
sloegeu Badjeng^s voorvechters hem 't hoofd af, vandaar dat dit 
bosch nog heden ten dage Bomang polong heet (Bomang = bosch , 
poloug = breken). 

Nogmaals waagden de Gowareezen het een jaar later tegen Badjeug 
op te rukken. Bij de rivier bij Bilönga gekomen, was de oever 
aan den Badjengschen kant zóó steil, dat het leger de rivier niet 
kon oversteken. De Gowareezen riepen, //Daarom kunnen wij uw 
land niet bemachtigen, omdat de oevers der rivier te steil zijn.// 
Dit lieten de Badjengers zich niet zeggen en zeker van de over- 
winning, groeven zij den oostelijken oever zoo ver af, dat het Gowasche 
leger gemakkelijk hun land kou binnen dringen. Nu nog is op die 
plaats de oostelijke oever zacht glooiend , daar deze aldus door de 
Badjengers werd geëffend. Het volk van Gowa stak nu de rivier 
over, doch de Badjengers vielen hen aan en dreven het vijandelijke 
leger als een kudde dieren voor zich uit (angêmba), waarom die 
plek nog heden ten dage Pangemb&ng wordt genoemd. Zij joegen 
dé Gowareezen voort tot midden van 't veld , waar zij hen geheel 
in de pan hakten. De lijkeu lagen uitgestrekt op den grond (oén- 
djoeroe), waarom die plaats thans nog Faiigoeudjoérang heet. Toen 
de strijd geëindigd was, richtten de Badjengers een feestmaal aan 
en dekten (tongko) de spijzen met etensdeksels. De plaats waar 
dit geschiedde wordt nu nog Manongköki (van tongko) genoemd. 

Moedeloos eu terneer geslagen keerde de vorst van Gowa naar 
zijn land terug en daar vernam hij » dat de Badjengers onoverwinnelijk 
waren, omdat zij eeu blaasroer, dat met zekerheid trof eu doodd