Skip to main content

Full text of "Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem"

See other formats


PURCHASEDFORTHE 



UNIVERSITY OF TORONTO UBRARY 

FROM THE 

HUMANITIES RESEARCH COUNCIL 

SPECIAL GRANT 

FOR 

ARTS OF THE LOW COUNTRIES AND 

THE GERMANYS, 1600 - 1850 



BIJDRAGEN 



GESCHIEDENIS 



BISDOM VAN HAARLEM 



ONDER RKDACTIE VAK 



C. J. GONNET, J. J. GRAAF, J. J. DE GRAAF, Dr. A. H. L. HENSEN, 
J. C. VAN DER LOOS en E. H. RIJKENBERG. 



ZES-EN-DERTIGSTE DEEL. "^ (^ 



G. F. THÉONVILLE, 

(Firma J. W. van Leeuwen), 

LEIDEN. 

I915. 



^: 






3/ 



03 







Drukkerij ThÉonville, Steenschuur 9, Leiden. 



INHOUD. 



Blz. 
De »vergaderinghe der Maechden van den Hoeck" te Haarlem. 

( Vervolg 671 slot van Deel XXX V, bis. 464) . j. j. GRAAF i 

Faberdom, Faberdoen, Fabredon j. j. G. 24 

Carmelitessen-kloosters in Nederland vóór de Hervorming. 

P. fr. C. DE BOER, Ord. Carm. 25 

Abdij van Loosduinen S. DROSSAERS 39 

Bijdrage tot de geschiedenis der bedevaarten naar San Jago 

de Compostella omstreeks 1520 ..... Dr. j. DE hullu 42 

Runxputte te Heilo in 1807 M. kramer 46 

Pastoor Warmelink en kapelaan Paep van Assendelft en de 

eed van 21 Augustus 1795 M. kramer 50 

Het bidden in de kerken voor koning Lodewijk Napoleon 

in 1809 M. KRAMER 54 

Uit oude bescheiden: Vicarie v. h. S. Jozefs altaar in S. Bavo 

te Haarlem C. F. A. huilmand, Pr. 63 

Pastoor Michiel van Riemsdijk C. w. b. 63 

Een feestvierend pastoor van Heemskerk . . . . C. j. G. 65 

Nuyens-fonds 66 

Kerkgeschiedenis van Amstelland. {Vervolg van Deel XXXV, 

blz. 83) . J. C. VAN DER LOOS 67 

Het Convent der Predikaren te Haarlem. . . C.J. GONNET. 165 
Godfried van Mierlo. 

§ 5. Het in bezit nemen van de volle bisschoppelijke juris- 
dictie, ( Vervolg van Deel XXX V, blz. 346). 

Dr. A. H. L. HENSEN. 212 

Geschiedenis van Langeraar na de Reformatie. {Vervolg van 
Deel XXXV, bis. 114) ign. m. p. a. wils. 249 

Godfried van Mierlo. 

§ 6. Overige maatregelen van bestuur in 1571 — 1572. (F<?r- 

volg van Deel XXXVI, blz. 248). Dr. A. H. L. HENSEN. 289 

Alimentatie der kloosterlingen van Mariënhaven te Warmond. 

Dr. A. H. L. HENSEN. 315 

Repertorium op de Nederlandsche tijdschriften. 

W. G. C. BYVANCK. 317 

Leuvensch boekenfonds 319 



Blz 

Moordrecht J. C. van DER LOos 321 

Een viertal visitatiebrieven van Leeuwenhorst. 

Dr. A. H. L. HENSEN 358 

Het hofje van Nieuwkoop in Den Haag. 

A. J. SERVAAS VAN ROOYEN 388 

Enchusana. 

I. Oostelijk Enkhuizen vóór de hervorming. 
II. Gommerskarspel. 

III. Kloosters vóór de hervorming. 

IV. Andere geestelijke stichtingen vóór de hervorming. 

Rector E. H. rijkenberg 392 
Namen van priesters uit het tegenwoordige Bisdom van 
Haarlem, voorkomende in het tijdschrift De Godsdienst- 
vriend . J. C. VAN DER LOOS en L. J. VAN DER HEIJDEN 447 
Alphabetisch Register E. H. rijkenberG 464 



DE „VERGADERINGHE DER MAECHDEN VAN 

DEN HOECK" TE HAARLEM. 

(Vervolg en slot va?i Deel XXXV, blz. 464). 



Dagelijksch leven der „Maechden". 

Misschien zal een der lezers vragen, of de Haarlemsche 
Maagden ook een eigene /'/^é'^zw^ droegen. Het antwoord 
op deze vraag is door mij reeds vroeger ^) met eenige 
uitvoerigheid gegeven, en is geweest, dat er inder- 
daad gedragen werd wat ,,geestelijck habijt" heette 
en onderscheiden was van het wereldsche ; dat het 
echter niet bestond in een vaste en alle maagden ver- 
plichtende dracht, gelijk de kloosterlijke was van vroegere 
tijden. Het eigenaardige van haar geestelijk habijt bestond 
in een bijzonderen eenvoud 2). Ik heb dit kunnen be- 
wijzen door de afbeelding van een portret der Friesche 
Jonkvrouw Berber Juckema, klopje van den Hoek, en 
hetwelk nog heden als familiestuk te Leeuwarden aan- 
wezig is. Üok is boven '•'') reeds die eenvoud in kleeding 
ter sprake gekomen bij de vermelding van de soberheid 
der Maagden in spijze. En dat deze stemmigheid in 
kleederdracht ook kennelijk was voor de onkatholieken, 
wordt bewezen uit het feit, dat de klopjes in 1641 
gevaar geloopen hebben van uiteengejaagd te worden, 



i) Bijdragen. Deel XX, blz. 148 — 59. 

2) Het heette daarom wel T>'t slechte of geestelicke habijt*':, -l^t\. der 
M. I, blz. 243, 286. 

3) Bladz. 425—426. 



en gedwongen tot aflegging van haar geestelijk kleed. 
Aldus namelijk wordt gemeld in het Verslag, door den 
Apostolischen Vicaris Rovenius in 1642 te Rome in- 
gediend 1). Van de Vergadering zelve (het vinde hier 
eene geschikte plaats ter mededeeling) wordt voorts nog 
gezegd, dat het getal der Maagden meer dan tweehonderd 
beliep, en dat zij in de beste orde en met groote stichting 
God dienden onder de leiding van den Haarlemschen 
Deken en van Geestelijke Moeders. Het gevaar van 
gestoord te worden was door bidden en betalen afgekeerd, 
zoodat ze nog in vrede gelaten werden, gelijk ook de 
twee andere Vergaderingen die er mede te Haarlem 
bestonden. Eene dezer twee laatste was gewis die welke 
in 1636 door den Haarlemschen Kanunnik Blommert 
in de Koksteeg werd opgericht, en „de Cleyne Hoeck" 
genoemd werd ~). Tot de geschiedenis van deze ver- 
gadering behoort ook wat in het Leven van Geertje 
Claes 3) verhaalt wordt, dat in de dorpen bij Hoorn, waar 
Geertje's Heerbroer pastoor was. Mr. Frans [Lissius] ^), 
ook geestelijke maagden zich vereenigd hadden, waar- 
van „er veel te Haerlem sijn gecomen metterwoon, 
onder de beleydinghe" van denzelfden Mr. Frans, die 
op 21 April 1621 als „Sacellanus curatus" van Haarlem 
overleed. „Sijn na de doot van Mr. Frans Sal. ghestelt . . . 



1) Arch. V. Utr. XVIII, blz. 36. »Est Harlemi jam a multis annis 
congregatio virginum seu filiarum spiritualium, ducentarnm et amplius 
personarum, quae optimo ordine cum magna aedificatione Deo serviunt 
sub directione decani Harlemensis et matrum spiritualium. Conati sunt 
haeretici anno elapso illas dissipare et cogere ad habitum devotum 
deponendum, sed prece et pretio interveniente adhuc relinquuntur in 
pace, uti et aliae ibidem duo virginum congregationes." 

2) La), de/- Maechden II, 48a; III, 13 vo., 245 ; en verg. ^^V/a. XXX 
blz. 314. 

3) f A°. 1640. III, blz. 13—14. 

4) Uitvoeriger medegedeeld in Bi/dr. XV^III, blz. 68, 



onder Mr. Claes Nommius. Ende na de doot van Sijn E. 
onder Pater Bloemert, daer zij haer onder elcken 
E. Oversten seer simpel gheset hebben. Eerst met 
malkander wonende op de Bakenessegracht bij de stats- 
vest; onder Mr. Claes Nommius in de Wijngaertstraet ; 
bij Pater Bloemert weder op de Bakenessegracht in 
S. Anna". De andere zal er eene geweest zijn, die bij 
de Paters Jesuieten bestond ; want uit een paar plaatsen 
der Levens blijkt, dat ook zij maagden onder hunne 
„beleiding" hadden ^). 

Ook reeds in een vroeger Verslag, van 1622, heeft 
Rovenius van den Hoek melding gemaakt, waarbij het 
getal op 150 werd gesteld, met de bijzonderheid, dat, 
aangezien ze uit de deftige burgers der stad waren en 
van zeer voorbeeldig leven, ook de onkatholieken haar 
met eere bejegenden -). 

Hier zou ook nog op zijn plaats zijn de levendige 
beschrijving welke door Trijntgen Jans gegeven is over 
het dagelijksche leven en bedrijf van Cniertgen Dircxs 3), 
die in den Hoek bijna veertig jaar lang den E. Overste 
„met een oprechte, ghetrouwe liefde" gediend heeft, 
„kloek, proffitich, voorsichtich, wel gheordineert in de 
huyshoudinghe, alles doende met een goede regel ende 
orbcrlik". Hoe merkwaardig echter de uitvoerige schil- 
dering ook zij, moge het voldoende zijn den belang- 
stellenden lezer te verwijzen naar de Bijdragen (XIV, 
29 — 31), waar alles bijna volledig is overgedrukt. Ik 
wil hem echter niet een kleiner tafereeltje onthouden, 



\) Bijdr. XVIII, blz. 88 en 114. Lev. der M. II, blz. 223 vo., 
III, blz. 176 en 330. 

2) Virgines illae, cum ex honeslioribus sint civitatis, et exeniplaris 
admodum vitae, hinc fu, ut etiam Haeretici illas honorent." Arch. v. 
Utr. XX, blz. 368. 

3) f 8 Deo. 1647 III, blz. 198-209. 



waarin Lijsbet Jans Ban i) staat uitgeteekend zooals zij 
bedrijvig was „in de vergadering daer G. Moeder was 
Trijntje Dirks Wij ; in een cleyn huys, met veel 
maechden bewoont, op een cleyn camertgen ; 't welk 
haer een grote verandering was, mitsdien sij in een 
groot huys ghewent waer . . . met liefde haer begevende 
tot de minste wercken van bediensticheyt tot haer even- 
naesten. Veel jaren te merkt gaende, haer niet ontsiende 
regen oft wint, coude of hitten. Tuys comende hilp 
dan de vis breken, de spijs ghereet maecken ; droech 
de sorch van 't huys. Ende, doen se crachten hadt, 
deede de minste wercken over 't huis, ende de boot- 
schappen van de maechden met een grote vlijticheyt 
ende liefde. Sneet het vlees voor, van ouwe cost ende 
vers ; 't welk al een swaer offitie was, mitsdien 't getal 
groot was, soodat se een hele middach altemets werk 
hadt om een ander te bedienen ende te besorghen." 

Reeds hebben de lezers af en toe kennis gemaakt 
met hetgeen in de Sermoenen op de „beaerdingé''' of 
„uytvaerf door de E. Oversten tot lof van de over- 
ledene en onderrichting der levenden gepreekt werd. 
In een dier sermoenen -), gaf Joost Cats over dit gebruik 
zelf zijne meening te kennen met de volgende woorden : 
„Niemant behoeft hem te verwonderen, dat men verhaelt 
in de uutvaert de deuchden van de overledenen, want 
sulks is geweest al een out ghebruik in de H. Kercke. 
Den H. Gregorius Nissenus, den H. Baselius magnus, 
den H. Benedictus hebben seer loffelijcke gepresen de 
duechden van haer overleden susters. De beaerdmge van 
de dooden is eigentlick om de lichame met de ChristeHjcke 
ceremonie te vereren, ende om ons te leeren wat wij 



1) f 9 Jan. 1647. III, blz. 177 — 178. 

2) Op de uitvaart van Lijsbet Hendriks Verwer, -J- 3 Juli 1633. II, 144. 



5 

door de doot sullen worden. Maer de imtvaert is om 
te verhaelen de duechden van de overledenen, om door 
haer goede exempelen verwekt te werden tot naevolginghe, 
ende te bidden voor die siele, of se in enige pijn des 
vageviers mocht sijn, dat se Godt belieft te verlossen. 
Waerin wij ons nu eensdeels ghequeten hebben met de 
vigilie te singen, 't H. Sacrificie der misse op te ofiferen, 
ende ghij t' samen vigilie te lesen^ daer ghij meerder 
in doet als ick wel van u soude vereischen. Maer also 
wij doen aen de overledenen, sel Godt voegen dat aen 
ons sel gheschieden als wij gestorven sijn. Ende laet 
ons vorder volherden in 't ghebet. Amen." 

Wat de begrafenis aangaat, treffen we in de Levens 
stichtende voorbeelden aan tot bewijs, dat klopjes die 
om haar afkomst veel deftigheid en statie konden 
vooruit zien, uit eenvoud en ootmoed dit zochten te 
verhinderen. Zoo wordt van Grietgen Gijsberts Grauert ^) 
vermeld: „Tot een teecken dat se de ootmoedige neder- 
heyt liefhadt, begeerde se een simpele begraefenis, jae 
liet het uitdruckkelijck stellen in haer testament (vresende 
of haer vrienden anders na den Adels manier soude 
bcgraeven, 't geen sij in haer leven verlaeten hadt), 
wilden se niet dat men nae haer doot haer lichaem 
mede soude festeren. Hierom voorquam dat met haer 
testament." — Niet anders ook de Friesche jonkvrouwen 
van Emminga, waarvan Eeltgen 2) ,,niet en begeerden 
nae haer staet begraven te sijn, maer beval 't dicwils 
in haer sieckte, dat se begeerde begraven te sijn als 



i) 14 Juni 1630. I, 285. »Van gholtoortc nul Sticht van Utrecht. 
Van edele ouders uut den treffelicsten adel van 't lant van vader en 
moeders weghen. Den vader was ghenaemt Joncker Gijsbertus Grauert . . . 
van redelicke tijtelicke middelen. Maer also daer negen kinderen waeren, 
soo deelden 't wat clein, soodat se edelder waeren als rijck." 

2) t 5 Juli 1906. II, blz. 81. 



een arme maecht, jae dat men maer, mochtet sijn, een 
pelslap op haer kist soude leggen ; ende soo 't anders 
geschiede, waer 't moochelijck dat se nae haer doot 
mocht wedcrcomen, soude se straffen dien 't anders 
ghedaen hadde, haer vvoort niet achtervolgende." En 
ook Annetgen ^) „vercoos een slechte begraeffenis, jae 
dat se met ghemene dootcleet mocht begraven werde. 
Evenwel, soo veel een dootcleet coste, soude [men] om 
Godswil geeven. Maer sij heeft dese haer begeerten 
vergeten aen haer Biechtvader te openbaren. VVaerdoor 
het ghebuert is, dat de begrafenis anders geweest is 
als haer begeeren ; want de Oversten hem met de be- 
grafenis niet bemoeijende [is], maer laet daer de vrienden 
mede begaen ; tensij saek [dat]eyt op hem expres begeert 
is, sooveel sijn E. ken soeckt dat nae te comen. Hierom, 
de simpelheit aengaende", zoo waarschuwt nu Joost Cats, 
„die in sulks eit begeert, mach dat mondeling of 
schriftelijk aen de Oversten kendelijck maecken ; [hij] 
sel sijn beste daerin doen om die begeerten te achter- 
volghen." 

Over het rouw-dragen door de maagden, is het volgende 
te vermelden : „Lysbet Willems '-) „hadt lief d' uutwendige 
simpelheit, wesende in spijs ende drank tevreden met 
een slecht sobere portie ; in haer cleding puntich en 
schickelik, niet sindelik ^). Is oorsaek geweest dat het 
gebruik om te draeghen roti met de geperste huicken 
afquam (mitsdien sij merckten datter sulcken sindelicheit 
onder quam). Als haer suster Josijntje Willems begraeven 
worden, sat sij met de maechden met ongeperste huicken 
bij 't lijk of in de begraeffenis. Ende van dien tijt af is 
't in 't gebruik geweest onder die maechden." 



i) -J- 25 Nos. 1632. II, blz. 86 V^. Sermoen op de uitvaert. 

2) f 23 Juli 1637, II, blz. 47. 

3) Zinnelijk. 



We komen ook nog eenige bijzonderheden te hooren 
over de „statie''' die anders wel gebruikelijk was, door- 
dien de E. Overste Boudwijn Cats in zijn Sermoen op 
de uitvaart van Stephanietgen de Vos i) preekte, dat 
zij gelijk was geweest aan ,,de H. Monica welcke 
buitenslant op haer uuterste liggende, hoorden dat haer 
soon den H. Augustinus becommert was, waer men se 
soude begraeven, soo sprak sij : mijn soon, hebt geen 
becommernis met mijn lichamelike begraeffenis, noch 
en maect daer niet veel statie mede. Godt ken mijn 
op alle plaetsen wel vinden ; maer dit is mijn begeeren, 
dat ghij mijn toch gedachtich wil sijn aen den outaer, 
als ghij opofifert die H. onbevlekte ofiferhande, alsdan 
voor mijn ziele biddende. Also beval dese aen haer 
moeder, dat sij met haer lichaem niet veel statie wilde 
maecken : 't huys met geen swert laecken behangen, 
noch driemacl luijen, geen dubbelde bacr noch ver- 
roefde kist, maer veel gebet ende H. Sacrifitie voor 
haer ziel ; 't welk de moeder ook liet volbrengen, nae 
haer begeerten." — Ook Trijntgen Wouters van der 
Mij 2)j „also zij ootmoedich is gheweest in haer leeven, 
heeft ook vercoren een ootmoedige begraefitenisse, dat 
se als een van de armste maechde mocht begraeven 
worden. Sij hadt gesien op de kist van een arm maech- 
deken, dat een caers in wat potaerde geset worde; 
hadt wel gewilt, dat van haer soo gedaen worde. Godt 
voechden haer wat vernederinge toe, mitsdien in die 



1) 23 Jan. 1649. III, blz. 248. »Van gheboorte van Haerlem, van 
treffelicke Catholike Godsvruchtige eerlicke, rijcke ouders. De vaeder 
genaemt Symon Tijse de Vos; de moeder Maritge Claes Ban (was de 
susters dochter van de E. Goddelicke maecht Trijntge Dirks Wij). 
Verg. verder voor het geslacht Ban Bijdr. I, blz. 61. 

2) f 29 April 1636. III, blz. 402. Bijzonderheden over het geslacht 
in BiJdr. XVIII, blz. 197 — 210. 



tijt de pestilentiale siekte wat begon te vermerderen, 
de magestraet van de stadt voorsichtich sijnde, ordinerden 
dat men geen hoetges ^) om de kiste soude doen. Dese 
E. was d'erste onder die maechden welcke sonder enich 
vercierscl om de kiste begraven worde. Maer al en socht 
sij d'eere niet, sij volchde haer. D'E. Oversten haer 
Biechtvader gaf een scer goet lof van dese, seggende 
dat sijn gevoelen was: sij een onnosele siele Godt op- 
geoffert hadt, gelijk een kindt dat van 't doopsel comt, 
hierom het sielken rechtop nae den hemel gegaen was. 
Sijn E. heeft altoos voor een gewoonte in 't sermoen 
van de uutvaert over de dooden, in 't leste te versoecken 
't gemene gebedt ; maer niet in dit sermoen. 'T was of 
't sijn E. uut sijn memorie genomen was, seide hij 
naemaels. Desgelijks alle de maechden des vergaderings 
hadden een goet gevoelen van dese E. overledene, ende 
spraken daer ook seer loffelick van. Alsook haer vriende 
quamen allegader van Amsterdam seer trefelick mede 
te begraeffenis. .Sij hadde een seer grote kerkgank, 
wordende vereert met die catholijkste trefifelicste borgers. 
Haer vader vereerden sijn simpelste dochter met die- 
selfde te laeten doot uutschilderen, houdende die schilderie 
in een sonderlinge waerde alsof 't van een H. mensche 
geweest hadt. Om haer vier en veertichste jaer is in 
den Heer gherust." 

Dat verbod van den Haarlemschen magistraat verdient 
eenige toelichting. Men weet, dat het een aloud katholiek 
gebruik geweest is, de lijken van kinderen en onge- 
huwde personen met bloem en krans te sieren. En nog 
houdt de Kerk deze gewoonte in eere, als zij in het 
Rituale Romanuin ^) schrijft : dat aan het kinderlijkje 



1) Kransjes. 

2) Ordo Sepeliendi parindos. «Imponitur ei corona de tloribus seu de 
herbis aromaticis et odoriferis, in signum integritalis et virginitatis." 



een kroontje van bloemen of van kruidig en geurig 
loof op het hoofd gezet wordt, ten teeken van de onge- 
reptheid des lichaams en van de maagdelijkheid. Bekend 
is verder ook, dat in de jaren 1635 — '^6 een besmette- 
lijke ziekte, de „heete sieckte" of ook „de gave Gods" 
genoemd i) onze streken, en bijzonderlijk de steden 
Delft, Haarlem en Leiden geteisterd heeft. Het blijkt 
echter, dat er achter die magistraatsverboden, meer 
stak dan „voorsichticheit". Immers al op den 29611 April 
1602 had Prins Maurits het volgende bevelschrift ge- 
richt aan den schout van Voorburg: "2) „Alsoe wij ver- 
staen hebben ende onderrecht sijn, dat binnen Voorburch, 
in 't begraven van den overleden persoonen gebruyckt 
wert, dat de graven verciert werden met hocdekens 
van bloemen, stellen van cruycen ende diergelijcke, ende 
dat oock deselve graven nyet en werden geslecht maer 
verheven blijven legghen. Ende want 't selve nergens 
anders toe en dient dan tot onderhoudinge ende voedinghe 
van de pauselijcke superstitien ; behalve dat mits de 
contagieuse sieckte der peste die aldaer regneert, den 
reuk der blommen (die op geïnfecteerde plaetsen mede 
contagieus is) een schrick maeckt, ende oock periculeus 
es voor dengeenen die aldaer passeren ende repasseren, 
ende derhalven daerinne dient voorsien ende geremi- 
dieert : Soo ist dat wij goetgcvondcn hebben .... te 
ordonneren, dat ghij terstont ende metterdaet ordre 
stelt, teneynde de voers. manieren van doen voortaen 
werden naergelaten" enz. 

Zoo werd dan in dien tijd het heerschen van be- 
smettelijke ziekte een welkome gelegenheid om, op 
aansporing der predikanten wier kerkleer niet bijster veel 



1) Verg. boven blz. 441. 

2) Medegedeeld in Z>i/W/: v. H. Deel VI, blz. 149. 



ophad met de meerdere voortreffelijkheid van den 
niaagdelijken staat, een gebruik uit te roeien, dat zij 
niet goed lijden mochten. En dan moesten ook de 
onnoozele blommekcns het ontgelden, (verbeeld u, zoo 
„contagieus ende periculeus") waarmee de katholieken 
zoo gaarne hunne „maechden" vereerden. 

Nog is er bij de begrafenis van Grietgen Cornelis i) 
heel iets merkwaardigs gebeurd, dat als volgt door 
Trijntgen Jans werd opgeteekend : „Maer tot stichtinge 
zullen wij hier noch een weinich bij setten, 't geen ge- 
buert is als dese E. maecht begraven worde ; waeruut 
wij moegen bemercken, hoe sonderling het Godt ge- 
voecht heeft, dat dese, die gesocht hadde verborgen en 
onbekent te leeven, in haer begravenisse vereert worden. 
Te weten, doen 't lijck gedragen worde na de kerck, 
soo was bij geval onder weech de schutterie, waeronder 
waren die treffelicste burgers der stadt. Diewelcke, 
siende 't lijck coomen, hebben gheweeckcn aen beyde 
sijden, staende met bloote hoofde, met sulcken reverende 
en eerwaerdicheyt alsof 't lijck van een groote Princesse 
gheweest hadt. Waerdoor dengeen die dese eerbiedinge 
sagen tot een verwondering ende danckbaerheyt beweecht 
worden." — Van eenig belang ten laatste is nog de 
bijzonderheid, dat Jacob Reyers weduwe 2), die de moeder 
was van klopje Dieuwer Jans, en zich ook onder de 
gehoorzaamheid van de E. Oversten gesteld had, op 
Asch- woensdag te sterven kwam „als zij noch met 
groote devotie hadde ontvangen de H. Asse, met welcke 
teecken zij geleegen heeft iii de kist." Dezelfde werd 
ook geschetst in een tafereeltje het penseel van een 
oud-hollandschen meester niet onwaardig: „Sij was zeer 

i) •\ 4 Febr. 1610. I, blz. 39 vo. 
2) f 13 Febr. i6o6. I, blz. 56. 



buerhoudende ende ghespraecsaem ; nochtans en ver- 
suimden daerom niet haer leesen, zoodat se dicwils op 
de stoep sadt en las, met V roosenhoetgen onder haer 
schorte-cleet!' 

De gebruiken en ceremoniën van uitvaart en begrafenis 
brengen ons weer terug tot de liturgie en de kerkelijke 
kunst. Reeds werd boven plaats verleend aan hetgeen 
gevonden werd over kerkdijken zang, over speldewerk 
en borduurarbeid. Er zijn echter nog eenige wetens- 
waardige zaken, meestendeels wel niet van zoo bijzonder 
gewicht, maar die toch nog altijd de aandacht waard 
zijn om de eigenaardige en bevallige wijze, waarmee ze 
vaak verteld worden. 

Meermalen al maakten de lezers kennis met het werk 
der kosteressen, dat uit verschillenden hoofde waarlijk 
niet gering was, zóó zelfs dat van de Schrijfster zelve, 
Trijntgen Jans, gezegd werd i), dat er in haar tijd „maer 
(n.b. maer) drie costerse waeren" (waarvan zij er een 
was), „en het meeste werck op twee aenquam, en sij 
oock niet veel hulp van de maechden hadden, maer sij 
veechden en schuerden almeest selfs. Daer waeren doen 
ter tijt trappen aen de kerck, die widt geschuert worden ; 
hetwelcke sij om den anderen dach mosten doen." — 
Maritgen Goverts -) hadt alle voormiddach meest werck 
om de kerck dageliks op te schicken ende dan weder 
op te breken, die duer inwaer te nemen om 't volk in 
ende uut te laeten. Sij wies het linwaet van den outaer 
en schuerden de candelaers en het goet, ende dat uut 
liefden ende met liefden, want het loon soo cleyn waer 
dat se daarvan hadt, datct een stuver daechs mocht 
bedraegen. Ende also die Goddelike maechden voor- 



1) III, blz. 425 V. 

2) f 3 Juni 1637. III, blz. 316 en 318 vo. 



noemt die kerk uut liefden in haer huys naemen ^), 
dienden sij dien uyt liefden. Ende sij vvaeren wederom 
niet nau siende tegens haer ; maer die liefde was van 
twe sijen." En iets later volgt : „vSeer getrou tot de 
dienst van de kerck, als ghij voorgaende ghehoort hebt. 
Langhe jaeren wies sij het outaerlinden, dede dat met 
zulcken zorchvuldicheit om te hebben die uuterste 
witticheit. Die relijiuese welke quaemen uut Brabant 
tot haeren huise, was sij zeer behulpelijk, maer besonder 
die susterkens uut het clooster van Boextel ; wist 
daarmede te gaen bij die rijcke lieden ende milde 
hertgens, krijgende voor haer veel aelmissen." — En 
die „werkjes hoe cleyn se waeren : met liefden nam 
sij ^) se aen, als op 't choor die blaeckers en snuiters 
te schueren ende schoon te maken", — of^) „bloemen 
te haelen voor de kerck, of rieckers te maecken voor 
den outaer", — of'*) „koorkleeden te stijven en te 
vouwen daer se soo exterordinaris net in was. — 
Areiaentgen Clemens ") had zoo „grote devocie tot 
vercieringhe van den outaer" dat zij „drie ueren voer 
haer doot, als haer spraek meest geleydt was wijsende 
wat sij begeerden, [te kennen gaf] datter nog linde in 
haer cas was dat se ter eeren 't H. Sacrament wilde 



1) Dit was eigenlijk niet in den Hoek maar »op 't Bagijnhof bij 
haer nichten Aechgen Boggen, Lijsbet Jans Boggen ende haer muetgen 
Neeltge Crijnen." Zij hadden de kerk in huis «gevende daertoe haer 
hele huys ten besten tot haer slaepplaets ende eetplaets toe. Achtjaeren 
hadden se die kerck gestadich in haer huis; noyt dach of sij hadden 
't H. Sacrifitie van de Mis, met grote toeloop niet alleen van de bagijntjes 
of maechden maer ook van de borgers." Men ziet hieruit wat boven 
bedoeld is met -ode kerk dageliks op te schicken ende dan weder op 
te breken r 

2) Machteltgen Bontenos, •]• 3 Jan. 1638. III, hlz. 373 v^. 

3 Lev. V. Giertgen Isbrants Deimen. •]- I Maart 1629. I, blz. 257. 

4) '\ 13 juli 1629. I, 264. 

5) Lev. V. Anne Clacs van Arres, -j- 26 Nov. 1645. ^j blz. 166. 



13 

opofferen om op de muenichtaefifel i) te leggen". — En 
aansluitend aan hetgeen zoo pas over Maritgen Goverts 
werd meegedeeld, volge hier de werkzaamheid van 
Lijsbet Jans Boggen, al meer genoemd ^). „Veel jaeren 
had se wonende op den hof, de kercke in haeren huys, 
waervan sij veel moeiten en ongherijf hadt, doordien 
haer woonplaats weinich vertreck hadt, soodat se alte- 
mael worden gebruickt ter eeren Gods, jae in haer 
slaepplaets (doordat die de verste was van de straet) 
stondt den outaer, soodat se, of 't haer wel of qualijcke 
lusten, altoos 's morgens most vroech opstaen om alle 
dinghen uut de wech te doen. Dede hetselfde met sulcken 
vriendelicheit, treffelicheyt ende sorchvuldicheyt, dat het 
een stichtinge was om te sien. Noch en liet die goede 
oeffeninghe niet achter, alhoewel sij een wijl tijts over- 
vallen worden met een seer groote vrees (doordien de 
schout ofte den ofifecier tot haeren huyse de Goddelicke 
dienst ghestoort hadde) ; ginck evenwel met haer goede 
oeffeninghe voort. Noch en verwachten niet dat de 
begijnkens soude coomen om alle dinghen ghereet te 
maecken (want het die toequam doordien haeren Pater 
het gherijf hadt in haeren huis) ; ofte dat dien de Kerck 
souden schoon maecken, maer liet het van haer maechden 
binnenshuys doen, ende hielp selfs mede sooveel zij 
conde, vercierende oock veel op haeren costen den 
outaer met een innighe devotie." Ik geloof niet, dat 
ooit juister en aanschouwelijker beschreven is geworden, 
hoe men zich vroeger in de huiskerken heeft moeten 
behelpen. 

Op drie plaatsen wordt vermeld, dat Geertruydt 
(Giert) Jans s) „langhe jaeren /ie^ misbroot backte dat 



1) Communiebank. 

2) I, blz. 203 vo. 

3) f 9 ^'ct. 1625. I, blz. 198 v^'. ; II, blz. 395 en III, blz. 254. 



14 

men op den outaer des Heeren ghebruyckten, seer 
suiver en perfekt ende met devotie." — En van haar 
had Sijtgen Heyndriks ^) „de cunst van de hostie te 
backen afgeleert. Dede hctselfde soo suiver, net en 
perfect als sij conde, met grote devotie tot het leste 
van haer leven, besorcht sijnde, dat het nae haer doot 
mocht gedaen sijn van sodaenigen maecht, dien 't mede 
op sijn zuiverste ende perfectste soude doen. Won 
hiermede moy geit, maer en gebruicte dese tytlicke 
middelen niet tot aencleventheyt, maer nam voor haer 
zelven die sobere nootdruft, vloeyden met hetselfde tot 
dienst ende hulp van haer naesten medesusters ende 
den armen." 

Reinou Gerrets ") „vercierden den outaer des Heeren 
met freye ornamenten op haeren eighen costen, on- 
treckende 't selfde bij nae van haeren nootdruft. Desgelijkx 
hadde sij ook groote devocie tot de H. Moeder .S". Amia, 
latende maecken een beelt tot haerder eeren, 't geen sij 
schonck aen de kerck." — Aechge Baertes ^) liet 
beeldversiering aanbrengen : „nege Seraphins hoofde met 
vluegelen seer frey, ter eeren de nege coore der Engelen, 
dien gebruickt werde omhooch aen den outaer en aen 
't verwulft tot devocie ende vercieringhe." En de bij- 
zondere reden waarom zij dit deed wordt ook nog 
omstandig gemeld. Zij was „van Godt besocht met 
groot strijt, dorricheit en desolaetheyt, met sulcken 
inwendighen geperstheyt en verlaetenheyt, datet scheen 
bijnae haer krachten te booven ghinck; en duerde 
omtrent drie jaeren. Viel haer veel swaerder als een 
ander doordien sij ghewoon was altoos soet en levendich 



1) -]• i6 Juni 1638. II, blz. 395 vo. 

2) 7 30 Nov. 1624. I, blz. 152. 

3) f 22 Dcc. 1621. I, blz. 290. 



15 

van geest in Godt te sijn ; was dat voor dien tijt 
gantsch quyt. Maer Godt, dien de sijne niet en verlaet, 
heeft haer vertroost op den feestdach van S. Machiel 
met alle H. Engelen, neemende 't haer subyt af, over- 
stortende haer met sijn invloeiende, voorcomende gratie, 
soodat se wederom soo levendich inwendich in Godt 
werde, alsof se een hemeltgen inwendich in haer zelven 
hadt. Ende om dese weldaet dien haer op desen dach 
geschiet was", liet zij die versiering maken. 

Dat de „maechden" voor haar eigen devotie vaak 
oude beelden verzamelden, werd boven al verhaald. 
Hier kan nog vermeld worden, dat Breghjen Willems ^) 
een beelt van de H. Moeder Gods op haer outaertgen 
hadt, weleer ghecomen van de H. Kercke. Hier hadt sij 
soo groten levendigen devotie toe. 'T was of 't haer 
aensprak en toelachten, soodat sij in haer swaricheyt 
en droefheit hier een sonderlinge consolatie uut schepten, 
met een inwendige versterckinge des ghemoets." — 
Lijsbet Jans Boggen -) „hadt veel waerdighe treffelijcke 
boecken en veel devoci-schilderiën ende beeldend — 
Maritgen Adriaens^) „maeckten uut devotie veel verder de 
kaskens en tabernakeltgens ter eeren de H. Moeder Gods 
daer haer beeldekens in staen zoude." Maar een echt 
zeventiende-eeuwsch binnenhuisje wordt geschilderd met 
„het camerken of celleken van Maritgen Isbrants uit 
de leste jaeren haers levens," toen zij „door haer swac- 
heyt de kerk niet cost gebruicken noch het Goddelicke 
woort hooren, binnenshuys biechten [moest] en met de 
maechden haer gratie-daeghen hadt .... Als sij eyt 
cost, stont 's morgens vroech op om alle haer dingetjes 



1) f 30 Sept. 1646. III, blz. 325. 

2) I, blz. 204. 

3) f 15 Dec. 1620. I, blz. 72. 



i6 

acn deen sijcle te schicken ; dede haer aygen werkje 
sooveel sij cost, maecten haer gereet om de H. Com- 
muni op haer kniën t'ontfangen met reverentie en devotie. 
Sij was in een cleyn camerken of celleken, dat was 
soo claer, perfect verciert met beeldekens, outacrtgen, 
schilderijtjes, dat men tot devotie beweeght werden 
als men daerin quam, alsof men in een capelletgen ghe- 
comen hadt. Dit was haer recreatie met sodanige devotie 
van vercierceltjes haer te vermaken, also sij daer van 
jongs aen ^) daerin een goede ghenegentheyt toe ghe- 
hadt hadde." 

Met devote prentjes hadden de maagden natuurlijk 
ook veel op. Sommigen waren de kunst machtig om „de 
beeldekens af te setten'' dat is met goud en kleuren te 
beschilderen, zooals Aechtjen Cornelis van Veen, van 
wier borduurkunst we reeds gehoord hebben '-) en die ^) 
„oock seer devoot was in beeldekens ende briefkens af 
te setten, deelende dien mede aen den armen om dien 
tot devocie te verwecken ; verporden tot dese exercitie 
oock andere maechdekens om 't selfde ter eeren Gods 
te doen. Leerden dese cunst, alsoock van 7 perdueren 
voort aen twe arme maechdekens (met veel moeitens), 
dien eerlijcken haer cost daermede wonne. Ende dien 
't perdueren conde, dede hetselfde om een clein loon, 
soodat daerduer de devocie van de menschen vermeer- 
derden, also datter veel freie ornamenten tot dienst van 
't H. Sacrificie hierdoor gemaect worden." — In het 



1) De schrijfster denkt hier gewis aan hetgeen zij vroeger had verteld 
over de eerste aanleiding van Maritgen's trek naar het geestelijk leven, 
toen zij als »jong dochterken van elf jaeren" bij eene «maecht quam 
in den Hoek, welk in haer devotie was, met noch een andere maecht, 
ende daer hing een duister lampgen en brande." Hel geval is al mede- 
gedeeld boven Deel XXXIV, blz. 323. 

2) Verg. boven Deel XXXV, blz. 299—303. 

3) I, blz. 105. 



17 

Leven van Jannetgen Dirks i) lezen we : „Daer was een 
maechdeken dien familiaer met haer was, welk begaeft 
waer met de cunst van freye briefjes af te setten. Soo 
hadt se voor dese een frey briefgen afgeset van de 
berch van Calvarie met de Joden en krijgsvolck, daer 
onsen Salichmaker van leet. Haer dat schenckende 
meinde, dat se haer een aengenaem beeldeken gaf; 
maer sij toonde weinich dancbarheit. Sij dat merckende, 
vraechden, oft haer niet angenaem was ? Antwoorde : 
daer is soo veel volks, te kennen gevende, dat sij liever 
hadt een beeldeken dat simpel en eenvuldig was. Soo 
practiseerde dese maecht een beelt daer Christus alleen 
hangt aen 't cruis, verciert oft omset met de wapenen 
van sijn lijcn ; onder leit de Bruit, in 't hertge. Hierin 
hadt se grote devotie om de eenvuldicheit ende het ruste 
van de Bruidt in 't hertge van haer beminde." En 
Trijntgen Jans voegt, na het Leven van deze maagd 
besloten te hebben, tusschen enkele punten „die haer 
E. Overste op de beaerdinge gepreect heeft," het vol- 
gende in: „Noch een weinich sullen wij seggen 't welk 
haer E. Oversten tot lof verhaclt heeft bij een perticuliere 

maecht ~), te weten Op een tijt, ick bij haer comende, 

hadt sij bij haer gestelt al haer boekgens, mijn biddende 
oft ik se wilde doorsien. Antwoorde: ik wist [dat] haer 
oefifeninge goedt ware, en was 't niet van node [dat] ick 
haer boecxkens doorsach. Noch liet sij mijn sien een slecJit 
briefgen 3) van haer lijende Salichmaker seer doorwont en 
doorkorst, seggende dat se hier meer devotie in hadt als in 
costelicke vergulde briefgens. Ick seide, sij sou haer vrij 
met devotie daertoe keren ; waerin sij seer verblijt was." 



1) f 28 Jan. 1636. II, 280. 

2) We zullen wel mogen begrijpen, dat met deze «perticuliere 
maecht" de Schrijfster zelve gemeend is. 

3) Eenvoudig prentjen. 

2 



Zulke „afgesctte beeldekens" werden uitgedeeld door 
Maria Bastiaens van Craenhals i) : „Deelde oock veel 
briefjes, beeldekens, gedrukte gebedekens mede. Elken- 
mael alsser een maecht de geestelike kleren hadde aen- 
getrocken, gaf dien dan een frey beeldeken, ende alsser 
eymant van buyten op haer camerken quam. Sij was 
seer aentreckelik ende angenaem bij alle menschen om 
haer onnoselheyt ende mindelikc mewaerdicheyt." Dat 
zij zelfs ook steenen of houten beelden uitdeelde is 
boven al verhaald -). — Nog wordt er ook met een 
enkel woord gesproken 3) van een „ouwe maecht, te 
weten Maria Jans, dien de beeldekens vercocht," en 
die ook tevens „exterordinaris leevendich was in het 
spreecken van innige geestelicke leeringhe, want sij veel 
geestelicke boecken schreef" ^). 

Een tweetal berichten mogen hier nog worden bijge- 
voegd, die, alhoewel ze den Hoek niet raken, toch eenig 
belang hebben voor de geschiedenis der kerkelijke kunst. 
Het eerste luidt ^) : „Dese onse E. G[eestelicke] M[oeder] 
Trijntgen Dirckx, out sijnde omtrent veertien jaeren 
begon haer doen merckelick te setten tot den dienst 
van Godt; daertoe haer veel beweechden een schricke- 
lijcke schilder ie van 7 uiUerste oor del \ 't geen seer wel 
nae 't leeven geschildert waer in de Kerk van de 
Preecheren binnen de stadt Haerlem. Welke dese onse 
E. met een diepe consideratie aensag. Ende daerduer 
een grote vreesbaerheit in haer zelven bevindende, nam 
voor haer hier liever allen ding te verlaten, opdat sij 
sonder vrese mocht sijn in dien vreselicken dach ende 



1) -j- 26 Maart 1640. III, blz. 33. 

2) Deel XXXV, bladz. 403—404. 

3) In het Leven van Maritgen Isbrants. III, 253 vo. 

4) Haar leven is niet beschreven. 

5) I, blz. 319. 



met de uutvercoornen Gods aen de rechterhant gestelt 
worden." 

Het andere bericht komt voor in het sermoen, door 
den E. Overste Boudewijn Cats gehouden op de uit- 
vaart van Claesgen Jans, eene maagd die op loDec. 1643, 
bijna negentig jaar oud gestorven was, en die ^) „noch 
jonck sijnde, vier of vijf jare, in 't closterkerkgen gink 
dicht bij haer huis [te Hoorn] daer een groot beeltviz.% 
van Christus op de coiide stee?i, menichmael daervoor 
sittende, haer kintse devotie bewijsende." 

Aan het eind nog de gewichtige bijzonderheid dat 
de E. Overste (Joost Cats) op een goeden dag een 
klem hondje ten geschenke kreeg, toen Weijntgen 
Gerrets 2), een „van de eerste maechden welcke sijn 
E. angenomen heeft" in de Vergadering trad. „Sij hadt 
een cleyn hondeken, dat se zeer beminde, maer souden 
dat d'Overste schencken. 'T geen zij dede." Dit kleine 
voorval heeft toch nog eenig belang, omdat Trijntgen Jans 
er onmiddellijk aan toevoegt: „Maer sijn E. was weynich 
angenaem 't uutwendich hondeken." Het staat er zoo 
aardig kenschetsend „7 uutxvendich hondeken" en ver- 
raadt den geest van de Schrijfster zoowel als van den 
E. Overste, die beiden evenzeer beducht waren voor 
alles wat maar afbreuk kon doen aan „eenicheyt" en 
„innicheit". 

En ten bewijze daarvan is zeer merkwaardig wat 
Trijntgen Jans toevoegde aan het Leven van Jannetgen 
Cornelis '^), eene maagd in welke zij veel deugd en 
gaven geprezen had, zoodat zij haar leven besluiten 
kon met de woorden: „Also dese E. haer veel jaere 
in volmaecte wcrcken ende innichej't geoefifent hadt, is 



i) III, 100 vo. 

2) f 7 Juni 1640. III, blz. 42. 

3) f II Febr. 1614. I, 36 v. 



gecoomen den tijt dat de Hernelschen Bruidegom zijn 
Bruidt heeft willen loonen, en is godsvruchtelick ghe- 
storven in 'tjaer ons Heeren 1614 den elfden Februari". 
Nu was het geschied, dat, terwijl zij te Haarlem in 
de Vergadering woonde, haar zuster te Purmerend ge- 
storven was, „latende een huys met cleyne kinderkens", 
enz. Ofschoon het nu wel meermalen voorkwam, dat in 
zulke omstandigheden de klopjes als „buytenmaechden" 
voor korter of langer tijd met toestemming van den 
E. Oversten afwezig bleven:^) zoo schijnt toch hare 
bemoeiing met het gezin te Purmerend niet volkomen 
naar den zin van den Overste te zijn geweest, doch 
vooral tot schade aan haar goeden geest. En zoo schreef 
dan Trijntgen, onmiddellijk achter het zoo pas meege- 
deelde slot, als volgt : „Dese E. maecht Johanna Cornelis 
is waerdich gheweest alle prijs en lof, gelijcken wij 
haer ghegeven hebben ; maer voor soo langhe sij was 
in de vergaderinghe te Haerlem onder de ghehoor- 
saemheyt van haer wettighe Oversten. Maer daer wat 
afwijckende heeft verlooren de glants van haere duechden. 
'T welcke gheschiet is ter oorsaeken [dat] dese haeren 
waerlicke suster te Purmerent ghestorven is, latende 
een huys met cleine kinderkens achter, met weinich 
middelen, sodat de vader most sijn broot op de see 
winnen. Soo dese, onder 't schijn van goet om die 
kinderkens in de vrese Gods ende in een Godtvruchtich 
leeven op te voeden, gaf haer tot die uutkeer, ende 
dat buyten de ghehoorsaemheyt van haer Biechtvader. 
Hierdoor heeft se gheleden zeer grote schade aen haeren 
geest ; want dengeene wien in 't beginsel, doen se eerst 
daer quam, was een toevlucht van de maechdekens 



i) Verschillende gevallen werden vroeger meegedeeld. Bijdr, XXXIV, 
biz. 329—336. 



dier plaetse, doordien sij uut haer vervulde memorie 
wist voort te brengen sooveel H. propoosten, uut haer 
verlichte verstant soo verlichte kennisse ende uut haer 
vierighe gheest de voncxkens van H. affectie, verloor 
allenskens 't selfde en verslapten in de volmaectheyt 
des geest ; soodat de maechden bijnae van weeck tot 
weeck conde sien dat se verslapten in haeren geest 
ende worden seer uuterlick, soodat se haer gheselschap 
schonden. Ons allen tot een groote waerschouinge, dat 
niemant, hoe verstorven hij schijnt, hoe ghevordert in 
de duecht, mach sijn zelven stellen in 't minste peryckel 
of uutkeer, buyten de ghehoorsaemheyt, noch oock om 
eenich vordcl of proffijt 't sij lichamelijck of geestelijck 
voor sijn evennaestcn. Soude men nae menschelijcke 
manier gheoordelt hebben : men soude gheseydt hebben, 
dat daer bijnae niemant onder de vergaederinghe be- 
quamer toe was om sonder hinder haer uut te keeren 
als dese. Ende immers i) heeft men bevonden, dat den 
uutkeer haer soo schadelijcke gheweest is, ende weinich 
of geen proffijt ghedaen in de kinderen van haeren 
suster. Ende ter contrarie haer joncste suster Griete 
Cornelis -), dien haer hiel in de vergaderinghe aen de 
ghehoorsaemheyt, scheen geen affectie te hebben tot 
haer vrienden, ende heeft met haer innighe ghebeeden 
daer de meeste vruchten onder ghedaen. Hierom laten 
wij ons houden in eenicheyt en innicheyt onder de 
ghehoorsaemheyt, ende niet geeven tot de minste uut- 
keer als met de ghehoorsaemheyt. Soo en sel den uut- 
keer ons niet schadelijck sijn, maer een oorsaeck van 
volmaeckter inkeer." 

Deze toevoeging is ook om nog eene andere reden 



1) Immers = toch. 

2) f 4 Febr. 1610. I, blz. 38—39. 



voor ons merkwaardig, omdat er zoo duidelijk uit blijkt, 
dat het schrijven der Levens, niet slechts bedoelde op 
te wekken tot navolging der deugden, maar ook wel 
degelijk tot onderrichting, en waarschuwing tegen ge- 
breken en misbruiken. De lezers hebben al meermalen 
kunnen opmerken, dat onvolmaaktheden en fouten 
volstrekt niet verzwegen werden noch uit eerzucht 
goedgepraat, en dat er menig wijs lesje of waarschuwing 
puntig en raak werd uitgedeeld. Ik heb hier in de 
noot ^) verscheidene plaatsen verzameld, welke in de 
drie boeken der Levens getuigenis daarvan geven. En 
zoo vinden we dan ook over de Schrijfster verhaald ^), 
dat zij „een naerstich waeckend ooch had over de ge- 
breecken van haer evennaesten, te weten : haer onder- 
saeten die haer bevoolen waeren, en die haer .stonden 
te verbeeteren ; maer die haer niet bevoolen en waeren, 
daer sach se meer in nae de deuchden als nae de 
ghebreecken." Immers „als haer gevraecht worden, wat 
de oorsaeck was, dat haer beweechden om sooveel 
arbeyts te doen tot het beschrijven van de deuchden 
van de maechden, zoo gaf se tot antwoort : omdat 
sulcx van ons kan worden nagevolcht ; want, seyde sij, 
in 't leeven van de Heylighen is veel beschreeven dat 
voor ons is meer te verwonderen als nae te volghen. 
Maer hetgeene dat ick beschrijf dat kunnen wij met 
gemack naevolghen doordien dat wij hetselve met onse 
ooghen hebben gesien." 

En hiermede zijn de mededeelingen ten einde, die, 
als belangrijk voor onze kerkelijke geschiedenis, uit de 

1) I, 66, 121, 152 vo., 161 vo., 191 vo., 227, 229, 304, 308 — 309, 
332, 390, II, 43, 44> 46, 61, 62, 64, 266 vO., 297 vo., 346—348, 
III, 276, 279 volg., 377, 399. 

2) In haar Leven, beschreven door Maria van Wieringen III, 428. 



23 

„Levens der Maechden" aan het licht werden gebracht. 
Zoo werd vooreerst in de deelen XVII — XX dezer 
Bijdragen bijeenverzameld wat er wetenswaardig be- 
vonden werd over kerkelijke personen, plaatsen en 
toestanden sedert de Reformatie en in de eerste helft 
der i/f^e eeuw. Het werd onder plaatsnamen naar het 
abc gerangschikt. Vervolgens werd de bijzondere 
geschiedenis van den Haarlemschen Hoek behandeld 
volgens de orde van Geestelijke Oversten en Moeders 
en het dagelijksche leven der klopjes. 

Toch is met dat alles nog lang niet volledig mede- 
gedeeld wat onder ander dan kerkgeschiedkundig op- 
zicht van belang mag worden geacht, maar daarom 
dan ook in de Bijdragen minder op zijn plaats is. Zoo 
heb ik vele aanteekeningen kunnen verzamelen over 
het eigenlijke ascetische leven der Maagden, en tal van 
bijzonderheden ook over bijzondere deugden en gaven. 
De Levens toch werden tot stichting, onderrichting en 
opwekking geschreven ; en de vraag mag worden gesteld, 
of we niet in deze vrome boeken eene navolging hebben 
te zien van de middeleeuwsche zede, waaraan we bijv. 
de Levens van de Broederen des Gcmeenen Levens 
mogen danken, zooals die door Brinkerink en Thomas 
van Kempen beschreven werden. Het wil mij daarom 
voorkomen, dat er uit de drie quartijntjes ook nog voor 
onze dagen een echt stichtelijk boek zou zijn saam te 
stellen tot degelijke opbouwing van hooge deugd. Aan 
vrome spreuken en bijzonder innige uitdrukkingen ont- 
breekt het in de Levens niet, want de Schrijfster heeft 
voor alles wat het geestelijke en volmaakte leven raakt 
een bewonderenswaardigen rijkdom van taal en zegswijze 
ten haren dienste. Daarom zou, dunkt mij, ook de taal 
zelve een nadere beschouwing verdienen, onder ver- 
gelijking tevens met de spreekwijze, welke in de zuidelijke 



24 

Nederlanden toentertijd, blijkens de ascetische boeken, 
gebruikelijk was. Doch, zelfs afgezien van het geestelijk 
karakter, mag aan de spraak dezer zeventiende-eeuwsche 
boeken de belangstelling verzekerd zijn wegens den 
overvloed van eigenaardige woorden en uitdrukkingen, 
waarvan de Schrijfster zich bedient, en die te meer 
nog de aandacht vragen, omdat hare taal zoo onge- 
kunsteld en argeloos werd neergeschreven, heelenal 
vaak uit den keuvelenden mond van den dagelijkschen 
omgang. Af en toe reeds moesten sommige ervan voor 
den gewonen lezer verklaard worden ; doch een niet 
onaanzienlijk aantal, door mij verzameld, zou nog be- 
handeling, althans medgdeeling, verdienen. 

Zoo heeft dan klopje Trijntgen Jans, gewis meer dan 
zij zelf zal hebben voorzien, zich voor het nageslacht 
verdienstelijk gemaakt; aan ons de voldoening van 
welgemeend in te stemmen met den wensch die met 
dankbaar hart werd neergeschreven i) „God den Heer 
wil haer een groote glorie gheven van haeren getrouwen 
arbeyt." 

Overveen, lo Juni 1913. J. J. Graaf. 



FABERDOM, FABERDOEN, FABREDON. 
(Vergelijk Bijdragen XXXV, blz. 168 en 41 g). 



Een belangstellend lezer, vraagt, of niet met deze 
woorden het bekende faiix-boiirdon (falso bordone) zal 
bedoeld zijn. Daar is, dunkt mij, niet aan te twijfelen. 
J. J- G. 

l) Door Maria van Wieringen, de Haarlemsche maagd, die op hare 
beurt Trijntgen's leven beschreef. III, 445 vo. 



CARMELITESSEN-KLOOSTERS IN NEDERLAND 
VOOR DE HERVORMING. 



Haarlem en Rotterdam. 

In deze Bijdragen dl. XXXIV, bl. 174 wordt ge- 
sproken over den Zaligen Joannes Soreth, Generaal der 
Carmelietenorde, die in 1457 het Haarlemsche Carme- 
lietenklooster reformeerde en de kloosterlijke tucht 
herstelde. Zijne zorg strekte zich evenwel niet uit tot 
de ordebroeders alleen ; doch ook over hen, die behoorden 
tot de ,, tweede orde". 

Van het ontstaan der verschillende Orden af, vooral 
der Mendicantes, zijn er immer vrome vrouwen en 
maagden geweest, die aangedreven door de begeerte 
en het heilig verlangen, zoo volmaakt mogelijk God te 
dienen en de Evangelische Raden te beoefenen, het 
leven der monniken navolgden. Zij, die het gedeeltelijk 
beoefenden en zooverre de plichten van hun staat het 
gedoogden, werden affiliatae genoemd. Uit deze personen 
vooral ontstond de derde Orde, opgericht door een 
BuUe van Paus Nicolaas V in het jaar 1452 en nader 
bevestigd door Paus Sixtus IV in 1476. Anderen 
echter gaven zich geheel aan God ; bouwden een celletje 
in de schaduw des kloosters en werden reclusae ge- 
noemd. De zalige Thomas Waldensis (f 142 1) bevorderde 
ten zeerste dit leven van volmaaktheid. Vooral in 
Engeland vond men vele reclusae^ doch ook wel in 



26 



andere landen. Een der meest bekende is de zalige 
Johanna van Toulouse. 

Voornamelijk uit deze personen onstond de tweede 
Orde, canoniek opgericht bij Bulle van 7 October 1452 
door Paus Nicolaas V. Met blijde dankbaarheid ontving 
de zalige Joannes Soreth deze pauselijke gunst. Reeds 
den I4en October 1453 stichtte hij te Geldern (bij 
Kevelaer) het eerste Carmelitcssen-klooster ^) ; het tweede 
te Luik; verder te Dinant, Namen, Vilvoorden en 
Haarlem. In het jaar 1465 zond de Generaal Bave Dirxd. 
en eenige medezusters uit het klooster van Geldern naar 
Haarlem om aldaar een klooster te stichten -). De plaats 
van het klooster vinden wij in een brief van Theodoricus 
de Wassenaer, pastoor der S. Bavo te Haarlem ■^): Dirrick 
van Wassenaer, Prothonotarius des Heyligen Stoels van 
Romen, Proost en Archidiaken der Kerke Sinte Jans 
t Utrecht, Persoenre en Cureyt der Cueren en de Parochi- 
kercke van Haerlem, enz. Doen condt allen luyden, 
dat wij voor ons ende onsen naecomelinghen Cureyten 
derselver Curen belieft ende consenteert hebben, believen 
en consenteren mit desen onsen brieve de Religiose 
ende devote suster Bave Dircxs, voir haer ende haer 
mede Susteren opt Nyewelant binnen der Stede van 
Haerlem een Oorde an te nemen van onser liever 
Vrouwen Broeders van den Berch van Carmeli, ende 



i) De plaats was Ten Eisen genaamd, en reeds — naar ik vermoed — 
te voren door Begijnen bewoond. 

2) Wij volgen vooral de Batavia desolata Cannelitana, onzen lezers 
nu al welbekend, doch putten ook uit andere bronnen, o. a. : Totmis 
E seu quintus R. Z'. J a c. M i 1 e n d u n c k Historiae Provindae (Stads- 
archief, Frankfort). Pater Jacobus Milendunck geboren 16 12, was sinds 
1640 Prior te Aken, Keulen, Mainz, Boppard enz. ; sinds 1669 Historio- 
graaf der Orde. Hij benutte vooral de thans grootendeels verloren 
gegane Acten der provinciale kapittels. Hij overleed 1682. 

3) Uit de Batavia des. Carm. TJve. ook Allan Geschiedenis van 
Haarletn, II, 474. 



27 

die Capelle opt selve Nyevvelant mit haer toebehoren 
aen te vatten, ende daer verheffen te stichten, timmeren 
en te bouwen voir haer ende haer naecomehnghen 
toecomende Susteren een Clooster ende Convent der 
Oorden voirz. getijden te houden nae den Regel der 
selver Oorden. Behoudelijck dat zij voir hun ende haer 
convent ende Clooster voirz. ons ende onsen naecome- 
hnghen Cureyten der Kercke van Haerlem voirz, alle 
jaer tot Paesschen uutreyken ende betalen sullen eenen 
gouden Vranckrijcksen Schilt oft Payment haere waerden 
dair voir, ende voir elcke Suster oft dienre des selven 
Convents die daer storf of begraven worden, sullen sij 
betalen een loot goet fijns puers Silvers. Ende waert 
dat sij yemandt die daer begeerde begraven te worden 
of daer quam om begraven te ontfangen ende begraven, 
daer sullen zij terstont binnen een maent nae der be- 
graevinghe den Cureyt in der tijt wesende voir betalen 
vier Vranckrijckse Schilden. Voort en sullen zij niet 
hanteren, mit singhen, mit prediken oft doen prediken, 
noch mit processien, met questien oft anders in eniger 
manieren. Ende of zij of enich van hun den voirz. 
poincten alle of enich contrarie deden, zoo kennen zij 
den Cureyt dan wesende terstont vervallen, ende 
schuldich te wesen, daervoir een pond groot Vlaems, 
so dicke ende menichwerf als zij dat doen. Ende stellen 
daer op quyt alle previlegien daer zij hun tegens voirz. 
zouden moegen mede behelpen. Des t' oorconde so 
hebben wij Dirick voirz. onsen zegel an desen brief 
doen hanghen int jaer ons Heren 1465 op ten negenden 
dach in Febriario." 

Het klooster stond op het Nieuwland aan het einde 
van de Barrevoeter.steeg, niet ver van de voormalige 
St. Gangolfskerk en kwam uit aan de (nu gedempte) 
Volderserracht. 



28 



In het jaar 1482 werden eenige Zusters naar Rotter- 
dam gezonden, om aldaar een nieuw klooster te stichten. 
Opdat de Zusters te Rotterdam in denzelfden geest 
zouden leven als die van Haarlem, werd haar een ge- 
zegeld schrijven medegegeven van de Eerw. Priorin 
Gertrudis Gheraertsd., van den volgenden inhoud i): Wij 
Geertruydt Gcraertsd. ootmoedigh Priorin onser Lieve 
Vrouwen Susteren cloester binnen Harlem opt Nieuwe- 
lant ende alle andere desselven cloostere doen condt 
ende kennelijck maken alle luyden, die desen onsen 
brief sullen sien ofte hooren lesen, als dat onsen clooster 
ter allen tijdt gestaen heeft onder den Prior van Harlem, 
soodat hij naar onser begeerte ons geset heeft een 
biechtvaeder, bij consent des Provinciaels, bij wekken 
onsen convent wordt geregeert in manieren hier na 
gescreven. In den eersten soo en ontfangen wij geen 
postulanten, dan bij wille ende consent van hem ; die- 
welcke soo ontfangen de Prior heeft te kleeden oft te 
professen, oft iemand van hem geset. Item, geen dinghen, 
die werkelijk zijn, als van coopen en vercoopen huys, 
hof, erf oft anders iets notabels doen wij, dan bij raade 
des Priors, Biechtvaeders ofte iemand, daertoe van den 
Provinciaelswege gemachtigt. 

Item, op geene daghen preect men in onser Kercken, 
dan alleen op onsen Kerkmisdagh ; in welcken daghen 
wij geen aflaaten vercondighen, dan sympelijck en een 
scamel aelmis ontfanghen nae devotie des volcks. 

Item wij en procureeren, noch doen procureeren 
geenerhande dinghen, bij welcke die Orde eenighe 
schade mochte vercrijgen ofte convent der Broederen 
eenigh achterdeel, Item geen ghilde ofte Broederschap 
en sijn gesticht in onse kercke, maer wij hebben altoes 



1) Gecopieerd uit Batavia des. Cann. 



29 

van beginne tot desen daeghen ons neerstelijk te werck 
gestelt met spinnen, vlassen, wullen en kammen bij 
daeghe ende oock bij nachte, alsoo dat wij met onsen 
sueren arbeit onsen armen kost, huys en erf moesten 
betaelen. Item, niet van gevvoente, mer uit bede wille 
sonderwijle visiteeren wij vrienden in haer sieckten, 
dewelcke sonder grooten onwaert niet weygeren en 
moghen. Is van desen iet anders dan hier voorgescreven 
staet, dat is kondigh den susteren tot Rotterdam van 
cloester gereist. Van desen voorseyden puncten waer- 
achtige te doen, hebben wij Priorin ende convent voor- 
seydt desen Brief besegelt met onsen geheymen segel 
hier beneden aangedrukt in 't jaer ons Heeren duisent 
vier hondert twee en 'tachtigh op den twintigsten dagh 
van November. 

In het jaar 1486 was Eva Willemsd. de overste van 
het klooster, onder welke Priorin de volgende over- 
eenkomst getroffen werd tusschen pater Albertus Joannis, 
S. Theol. doctor Lovan., Prior van het Carmelietcnkloostcr 
en dit convent : Wij Aeff Willemsd. Mater, Gecrtruyt 
Gerij tsd. onder-Mater, Meynburgh Regersd. en Lysbet 
Gerbrantsd., Gertruyt Arentsd., Eltsen Jansd., Bart 
Jansd., Yde Martinsd., Maritgen Claesd. ende alle andere 
gemeine Susteren des Convents van onse Lieve Vrouwe 
Susteren binnen Harlem, Oirconden ende kennen, dat 
wij voor ons ende onse naecomelingen begeert hebben 
ende begeeren voor nu en voor eeuwighen tide een 
biechtvader te hebben naer onser begeerte en goeden 
wille des convents onser lieve Vrouwe Broederen te 
Harlem door machte des Provinciaels van Nederale- 
mannen in der tijdt wesende. Welcken biechtvader wij 
beloven huisvestinge, cost en kleederen te besorgen en 
te geven alsolange als hij in onsen dienste wesen sal. 
Ende waert saecken, dat wij van hem ontlast begeerden 



30 

te wesen, soo sullen wij nochtans hem sijn costen be- 
taelen sijn leven lanck, in wat convent hij woenen sal. 
Ende waert saecken, dat hij sieck of cranc woerde, in 
onsen dienst wesende, soo sullen wij hem sijn costen 
en kleederen besorghen, alsoolanck als hij onbequaem 
wesen sal den Ordene te dienen. Ende alsolanc als wij 
van staede niet en sijn de biechtvader binnen onsen 
Convente te houden, soo sullen wij den voors. Convente 
van den Broederen betalen jairlix voor sijnen coste 
XX Rijnsche gulden ende daerenboven hem sijn cleederen 
besorgen ; des en sal hij tot geenen laste van den convente 
blijven. Voert als wij van staede sullen wesen te hebben 
een medebroeder ofte twee tot den biechtvaders ende 
t'onsen dienste, so begeeren wij (die) oock te mogen hebben 
bij goeden wille des convents door machte des Provin- 
ciaels, den wekken wij oock beloven te geven ende te 
doen, alle het gene dat wij belooft hebben en beloven 
den biechtvader als voorseyt is, Ende dit alle t'saemen 
is geschiet bij consente van den Eerw. Meester Martin 
van Mongord ende des Priors uit den convente voorseyt, 
die ons belooft hebben, dat wij eenen biechtvader ende 
medebroeder hebben sullen, nae den voorseyden manieren 
ten eeuvvighen daghe, alle ding sonder arch en list. In 
kennisse van desen soo hebben wij Mater en alle andere 
Susteren voorseyt bij denselve convente desen brief over 
ons gesegelt met onse conventssegel hier beneden aen- 
hanghende. Ende tot meerdere vastigheyt soo hebben 
wij oock gebeden den Eerw, Meester Provinciael Martin 
ende den Eerw. Meester Aelbrecht, Prior van Haerlem 
ende den gemeinen convente, dat zij desen brief mede 
wilden besegelen over ons en over hen luiyden in 't gene, 
dat hun aengaet, 't welck wij Meester Martin, Provinciael 
ende Meester Aelbrecht Prior ende gemeine convente 
voorseyt gerne gedaen hebben ende onse segelen hier 



31 

.beneden aengehanghen. In kennisse der waerheit gesciet 
in 't jaar ons Heren duysent CCCC en sessen 't achtig 
op den seventsten dagh Aprilis." 

In 't jaar 1487 werden eenige zusters van het 
Haarlemsche convent naar Brugge gezonden, waar een 
Carmelitessenklooster was gebouwd. Zij moesten daar 
eenige jaren blijven, om den waren religieusen geest 
over te planten en te doen beoefenen in dit nieuwe 
klooster. Na eenige jaren keerden deze zusters weer 
naar Haarlem terug. Vijf jaar vroeger — 1482, zooals 
boven reeds werd aangegeven — waren er Zusters 
verplaatst naar Rotterdam, om aldaar een klooster te 
stichten. Deze Zusters — over welke wij aanstonds 
zullen handelen — keerden niet naar het Haarlemsche 
convent terug. Als „Vrouwe-Broerisse" (sic) van ons 
klooster wordt ook nog vermeld Caterijne Jansd., eene 
nicht van Margaretha van Egmond. De laatste besprak 
in 15 12 hare nicht Caterijn „haer beste laekense faly 
ende haer swarten tabbairt mit dat marteren fou, 00c 
dat gebruyck hoir leven lanck van de voorz. casse ende 
ons Heeren geboert, daertoe den duytschen Bijbel en 
Passionael elck in twee stucken gebonden, alleen gebruyck 
dair of" zoo zegt Alkemade in zijn beschrijving der 
Abdij Leeuwenhorst. Volgens vuytgeef ende betalinge 
(van stadswege) gedaen tot onderhout, alimentatie ende 
traictement van conventualen vuyten Vrouwen-broers 
convente, bedroeg, zoo zeggen ons de Rekeningen Geestl. 
goederen 1 581/1582 de totale jaarlijksche „vuytgeef", 
welke na de opheffing der kloosters aan de nog levende 
Zusters werd verstrekt, de som van 3 1 5 Z ; daarvan 
erlangde Henrick Cornelisz. „voormaels supprlor van 
't voors. Convent 9 Z,." 

Tijdens het beleg der stad door de Spanjaarden 
(1572 — 1573) is het klooster grootelijks beschadigd; 



32 

alleen de kerk bleef staan. Volgens Allan Geschiedenis 
V. Haarlem^ dl. II blz. 475, was in 't jaar 1609 ^^l^s 
verdwenen en de grond betimmerd, behalve het kerk- 
hof, dat eerst in 1662 verkocht werd aan de eigenaars 
der rondom gelegen gebouwen. 

Het Carmelitessen-klooster te Rotterdam is, als 
gezegd, ontsproten uit het Haarlemsche. In 1482 
werden elf harer uit dit klooster, aangewezen om te 
Rotterdam in de Oost- en Goudse VVagettstraet ^) het 
kloosterleven voort te zetten. Het waren: Aecht Jansd., 
Mater ; Aef Wouters, Sub-mater en Marije van Haerlem, 
geprofeste zuster, benevens vijf novicen en drie postulanten 
of „noch niet ingekleede, door zusters van zeker nieuw 
convent der zusteren van de Karmelyten-Order door 
Meester Aelbrecht van Haarlem, Vikaris van den 
Provinciaal der Karmelyten van Neder-Duytsland, in 
bescherming, verdediging, regel en order, in Gods name 
zakelijk en metterdaad aangenomen en ontvangen." In 
den volgenden brieft) had Meester Aelbrecht, de Vicarius 
Provinciaal zijn toestemming gegeven : In den naam des 



1) Over de juiste plaats van het klooster zijn alle schrijvers 't niet 
eens. Het moet gestaan hebben in de Oost- of Goudschewagenstraat 
op het einde van de Kipstraat. De eene kroniekschrijver — zoo zegt 
ons Dr. E. Wiersum, wien wij deze bijzonderheden danken — geeft 
aan: de Oostwagenstraat O.Z. {Brotwen voor Gesch. /^otterdam \\, /\.o<)); 
anderen spreken van Westhoek G. Wagenstr. en N.O.-hoek Kipstraat 
{Rott. lil. I, 237, n". 669 en 670). Het klooster, toegewijd aan de 
H. Maagd, schijnt in den volksmond den naam van St. Annaklooster 
gehad te hebben ; ook in het registrum Georgii Egmondatii, ep. traj. H, 54 
is op 23 Febr. 1549 sprake van het Carmelitessenklooster van S. Anna 
te Rotterdam. 

Volgens Rott. in den loof der eeuwen U, 33 zou het klooster misschien 
reeds gesticht zijn in 1443, doch de aandachtige lezer heeft reeds 
begrepen, dat dit niet juist kan zijn. 

2) Zie Batavia des. Carm. 



33 

Heeren. x\men. Het sij aen alle en aen ieder bekent, 
dat in het jaer naer des Heeren geboort 1482 in de 
15e indictie den 25 November ten een uure of daar 
omtrent in 't twaalfde jaer des Pausdoms van den 
Heiligen Vader in Christus, Sixtus door de goddelijke 
voorsienigheit den IV Paus van dien naem, voor mij 
openbaeren Notaris onderschreven ende voir de onder- 
schrevene getuigen, die daerbij bijsonderlijk ontboden 
en versogt waren, in eigen persoon zijn verschenen de 
Religieusen godvruchtige personen Agathe Joansd. 
Moeder ofte Bestierdster, Aef Woutersd. onderbe- 
stierdster, Maria IJsbrands, geprofesside suster, Ursula 
Jacobsd., Dirckje Aelbertsd., Eva Hendricksd., Lysbeth 
Pietersd. en Magdalena Dirxsd. ingekleede susters ; 
Anna Hendriksd., Maria Gysbertsd., en Tytrie Jansd. 
nog niet ingekleede susters van seekere nieuwe plantinge 
oft nieuwe Convente der susteren van de Carmeliten- 
order te Rotterdam, onder het bisdom van Utrecht 
ende hebben heilsamelijk begeert en ten hoogste ge- 
wenscht, dat se onder de ermen van onse Moeder de 
H. Kercke en mit behoirlijke hulpmiddelen tegen aller- 
hande stroomingen en quaede oorblasingen verdedigt 
en beschermdt mochten worden. Ten dien eynde hebben 
se den Eerweerdighen en Religieuse Vader Meester 
Aelbert Johanzoon ^) van Haerlem, Leezer in de Godt- 
kunde, als in deese saecke den Vicaris van den Meester 
Provinciael der carmeliten van Nederduytsland, voor 
haer selven en voor haer naesaten ootmoedelijck in 
Christus gebeden, dat sij haer soo sij bovengenoemt 
staen en haer naesaten in het gemelde convent van 
Rotterdam onder de bescherming der Regel in de Orden 



i) Pater Alberlus Joannis, Doctor van Leuven, de Vicaris van den 
Provinciaal (1482) werd 1484 voor de tweede maal Prior te Haarlem. 

3 



34 

van de glorieuse Maegt Maria des Berghs Carmeli met 
alle voorrechten, die aen de Orde vergunt zijn, goet- 
gunstelijck wille aannemen en ontfangen. Gemelde 
Meester Aelbert, door dese gebeden als rechtmaetigh 
sijnde, bewogen, heeft opt gezach van den Meester 
Provinciael, van wien hij, gelijck bleek gemachtigd was, 
het gemelde convent met de susteren in die voor- 
schrevene bescherminghe, verdedigingh, regel ende 
order in Godts naeme saeckelijk ende metter daet 
aengenomen, onder dese voorwaerde nochtans, dat de 
dry eerstgenoemde susteren van het Haerlemse convent 
voortaen in dit convent ingelijft en de voornaemste en 
bestierdsters van hetselve sullen sijn. Secundo, dat ge- 
melde susters alhier sich eendrachtig sooals sij toegestemt 
hebben, sullen houden ende vernoecht sijn met de voor- 
rechten, vergunninghen, die de Order vercreghen en 
ontfanghen heeft oft noch op wat wijse het sij, ont- 
fanghen en vercrijgen sal, even eens gelijck sij in het 
convent te Harlem genieten ende dat sij in de handen 
van mij Notaris plechtigh en op straffe van ongehoor- 
saemheyt sullen beloven sich in alles te voegen naer de 
gemelde susters van 't Harlemsch convent. Tertio sullen 
sij de conventen van haer Orden vrij en schaedeloos 
houden van alle schulden, die sij of haere naesaten 
sullen maecken en sullen deswege ten bequamen tijde 
een behoorlijke versekeringh ter hant stellen, Gedaen 
in de biechtkamer van 't voors. convent ten overstaen 
van de voorsienige en eersaeme mannen Hugo Buscher 
Jacobszoon en Jeroen Albertzoon leecken en Borghers 
van Rotterdam." En was mede onderteekend door den 
Vicaris Provinciaal, de Eerw. Mater en Sub-mater en 
eindelijk door Jacobus Mercatoris „clericus Trajectensis, 
publicus sacrae imperiali auctoritate Notarius". 

In hetzelfde jaar 1482 ontvingen zij de volgende 



35 

protectiebrief 1) van den Rotterdamschen Magistraat: 
Wij Schout, Borgemeesteren en Schepenen van Rotter- 
dam doen condt allen luyden, hoe dat wij bij gemeenen 
overdachte en om de lof en de eere Gots te vermeerderen, 
aangenomen hebben in onsen goeden hoede en bijsondere 
bescermenisse de devote Maegden, geprofessijt onder 
den Regel van ons lieve Vrouwe des Berghs Carmeli 
ende op den straat tenden die Kipstraet, ende omdat 
de voors. susteren te neerstelijck en getrouwelijck voor 
ons en voor de gemeene inwonenden en voor de ge- 
meene vvelvaert van der stede moghen bidden, zoo 
hebben wij hun en haer naercomelingen in 't goeder- 
tierenheyt gegunt al sulcken vrijheden als hiernaer 
bcscreven staen. In den eersten, omdat sij seer arm 
sijn ende omdat de stede en poorters min last daervan 
hebben moghen, zoo consenteren wij, dat sij hun brood 
zullen winnen moghen met ambachten ende neeringen, 
soo dat sij dit connen en moghen, en vrij van alle schot 
en excynsen en al andere ongelden, sonder iemants 
wederseggen. Voorts soo hebben wij gegont en consen- 
teeren, allen jaeren op den goeden Vrijdag te moghen 
keuren twee goede eerbaere mannen van onse poorteren, 
wien zij willen. Die sullen sij ons dan aenbrengen en 
die sullen wij van de stedewegen macht geven, den 
Susteren hulpelijck, voordelic in de onderstant te wesen 
in alle saecken, die zij te doen hebben en bijsonderlijck 
voor hen recht te spreken, te nemen en te geven, hetzij 
voor 't gemeen convent, of voor een ieder bijsonder in 
het voornoemt convent, alles sonder arch of list" 2). 



1) Zie Batavia des. Carm. 

2) Vergelijk G. van Reyn, Gesch. Beschr. v. Rotterdam, I, 212; 
Bronnen voor de Gesch. van Rotterdam, II, 409, 473, die ook aangeven, 
dat in hel jaar 1482 de zusters haar beschermings- en vrijdomsacte 
kregen van de stedelijke regeering. 



36 

De brief was gegeven in 1482 op S. Luciendag. 

Veel „geschiedenis" is nu verder over de zusters niet 
te schrijven. 

Rustig en heihg leefden, als te Haarlem, ook hier 
de vrome Carmelitessen, die ac node meditantes in lege 
Domini, gelijk onze H. Regel het van iederen waren 
Carmeliet eischt, als zijnde „prima et potissima pars"; in 
gebed en versterving werkende aan eigen heihgmaking, 
maar tevens biddende en boetende voor de wereld, erbar- 
ming en genaden afsmeekend voor zondaren en bedroefde 
zielen en zoo grootsche daden verrichtende, evenals thans 
nog doen hare medezusters in de beide kloosters te 
Boxmeer: op „Elzendaal" en „St. Josef" en te Zenderen, 
die allen het zuivere vita contemplativa beoefenen ; 
grootsche en machtige daden, alleen opgeschreven in het 
Boek des Levens; hetgeen van meer blijvende waarde 
toch is, dan opgeschreven te zijn in de historieblaan. 

In het stedelijk archief van Frankfort, {Carmeliteji- 
bücher, \'jb blz. 192 — 194) vinden wij nog eenige 
bijzonderheden over het klooster der Rotterdamsche 
Carmelitessen in 't jaar 1544. Wij zien er uit, dat 
de financieele toestand alles behalve rooskleurig was. 
Uit een brief van pater Jacobus Colcman, prior van 
Antwerpen (tot wien de zusters haar toevlucht hadden 
genomen) aan den provinciaal, gedateerd 3 November 
1544 zien wij, dat er toen in het Carmelitessenklooster 
17 bewoonsters waren, die verlof vroegen om het 
klooster geheel of gedeeltelijk te verkoopen, alsmede 
een bij het klooster behoorend terrein, om daarna in 
een ander klooster der Orde te gaan wonen. In het 
provinciaal kapittel te Keulen in April 1545 werden 
de prioren van Haarlem ^) en van Schoonhoven 2) aan- 

1) P. Sebastianus van Bombergen. 

2) P. Cornelius Korff. 



17 

gewezen, om in den treurigen toestand der Zusters 
hulp te verkenen. Wijl echter deze beide prioren bij 
den algemeen desolaten toestand der kloosters in 1545 
geen geld konden verschaffen, sloten zij den igen Mei 
van dit jaar een verdrag met den Magistraat van 
Rotterdam. 

Een deel van het convent zal gebruikt worden als 
hospitaal der stad ; het andere zullen de Zusters blijven 
bewonen. Daarvoor neemt de stad de op het klooster 
liggend^ lasten over en betaalt verder iedere klooster- 
zuster 12 gulden jaarlijks. Na den dood der Zusters 
vervalt het geheele convent met toebehooren aan de stad. 

In 1546 vinden wij in de acten van den Provinciaal 
nog de namen van 1 5 Zusters. Deze betalen aan den 
Provinciaal 3 gulden. 5 Mei 1550 leefden er nog 12 
Zusters, die het geheele huis aan de stad overdeden, en 
jaarlijks, ieder 16 gulden als ondersteuning ontvingen. Het 
volgend jaar (155 i) besloot de vroedschap definitief, op 
den kloostergrond een gasthuis en twee pestilentiehuizen 
te bouwen, Pas in 1556 — aldus Dr. E. Wiersum, wien 
wij deze bijzonderheden danken — verlieten de Carmeli- 
tessen haar convent en namen zij tegen genot van een 
lijfrente van 16 gulden haar intrek in het Begijnhof. 
Op het kloosterterrein is alleen één pestilentiehuis ge- 
bouwd, doch dit is bij den hevigen brand, die in 1653 
Rotterdam teisterde, in de asch gelegd. Het is later 
weer opgebouwd, doch in 1598 Weeshuis geworden, 
en dit gebouw, dat dus op den grond van het Carmeli- 
tessenklooster gebouwd is — thans het Gereformeerd 
Burger Weeshuis — doet nog als zoodanig dienst. Het 
overige terrein is voor den bouw van particuliere woningen 
en den aanleg van straten gebruikt. De daar gelegen 
Karnemelksteeg (sic) heette in 1766 nog „Karmelitesteeg 
bij het Weeshuis" (Zie Rott. Straatnamen door Droogen- 



38 

dijk en Moquette blz. 66). Afbeeldingen van het „St. Anna" 
Zusterhuis ±1550 (twee, zonder naam van vervaardiger) 
en van het CarmeHtessenklooster ± 1550 (drie, eveneens 
naamloos) bevinden zich in de prentenverzameling van 
het Rotterdamsch Gemeente- Archief (/?<7^/. ///., I, n°. 661, 
662, 669, 670 en 671). De tijd van vervaardiging is 
onbekend en de voorstelling moet op fantasie berusten, 
zooals ook daaruit blijkt, dat men er twee verschillende 
kloosters van gemaakt heeft. 

Hoogeveen. P. fr. C. de Boek, 

Ord. Carjn. 



ABDIJ VAN LOOSDUINEN. 



Frater Georgius, de biechtvader , en zijn visioen. 1434. 

Onder de collectie charters van het klooster te Loos- 
duinen op het algemeen Rijksarchief bevindt zich een 
stuk dat een aangename afwisseling is op de andere, 
nagenoeg alle transporten en schenkingen. Frater Georgius, 
confessor van het klooster, geeft daarin een relaas van 
een visioen dat zich in het jaar 1434 aan hem voor- 
deed terwijl hij de mis opdroeg, kort nadat hij een 
afgedwaalde op het rechte pad had teruggebracht. Aan 
het slot staat met een andere hand de volgende be- 
vestiging geschreven: Constat hunc supradictum fratrem 
Georgium monasterii Lausdunensis confessorem fuissc 
et in eodem predictam vidisse visionem. 

Het is een perkamenten blad met een vrij duidelijke 
en regelmatige hand beschreven, zelfs een marge is 
niet vergeten; het Latijn is hoewel ver van klassiek 
toch goed te volgen zooals blijken zal: 

Ego, frater Georgius habens a iuventute mea pre- 
cipuam meam devocionem ad sacramentum altaris et 
singulariter ad diem tam exellentissimi sacramenti deduxi 
annos meos usque ad tempus incarnationis domini 
m"" Illlcm XXXIIII"". In profesto tam exellentissimi sacra- 
menti contigit mihi quandam personam diviantem a 
bono proposito et graviter errantem adiutorio et gracia 
dei exhortationibus et allegacionibus scripturarum, sub 
forma secreti confessionis ad viam salutis reducere. 



40 

Super quo facto tanta alacritate cordis cxhilaratus eram 
ut pias lacrimas et gaudiosas in laudem omnipotentis 
dei viscerose obtulerim denique instante die solemni et 
me disposito ut incombebat summam niissam celebrare 
actuali devocione ut dingnum erat munitus ventum est 
usque ad ,credo in unum' quori cum plenarie legissem 
more solito et chorus cum organo necdum ad medium 
devenisset, ego stans in oppositum cxcellentissimi sacra- 
menti in reliqua ibidem patenter supra altare constituti 
oculos mentis et carnis humiliter et reverenter ad ipsum 
sacramentum levavi, dicens in corde meo : „o, virginis 
Mariae fili benedicte ymmo verus filius es dei omni- 
potentis" cum recordatione passionis eius et mortis, meque 
in his verbis et recordatione ad tempus unius ave Maria 
existente, ecce, ille filius virginis pro sacramento mihi 
ostensus est quidam perfectus vultus vere speciosior 
omni forma filiorum hominum in fronte, in palpebris, 
in superciliis subnigris, oculis submissis, naso, genis, ore 
et mento, capillis eciam ab utraque parte capitis depen- 
dentibus usque ad tegmen auricularum declinantibus 
perminimum ad caniciem omni hac forma vultus ceteris 
incomparabiliter visi pulcrior. Quid putat homo vivens 
qualiter liquefacta fuerit anima mea in visione tam 
mirifica in visitatione tam beatifica dulcedo devocionis 
me tantum obtinuit ut lacrimas ex medullis viscerum 
anime mee si dici posset efifuderim continuo ita quod 
maduerim quot vicibus lintheum dependens ad librum 
nee defuit iterum semper me erigente ipsa sacratissima 
visio sed angustiabar interdum si quis astancium altari 
singularem modum meum attenderet. Finito , credo in 
unum' quo toto tempore visio protendebatur oculos 
meos deinceps de tota missa ad ipsum salutiferum sacra- 
mentum non deduxi tum in corde meo pensans, „si 
illud aspicerem iterato sub forma sacramenti vererer 



41 

aliquantulum minui de preterita visione tum eciam 
meditans me sollicituni debere fore ut sacra misse mini- 
steria condingno honore et provida devocione consum- 
marem. Quis ego sum, frater homuncio omnibus in 
notis publicus peccator attamen ipse dominus Jhesus 
Christus sua inefifabili bonitate et dementia dingnatus 
est hoc modo me visitare quid igitur mirum si ut 
frequenter legimus sanctis et clericis suis creaturis visi- 
tationibus et apparicionibus sua interna dulcedine in 
presenti vita se offerre voluit, gracias ipsi immensas 
refero, cui tarnen ad serviendum semper indingnus existo. 
Amen. 

Behalve om kennis te maken met de mededeelingen 
van Frater Georgius kan dit stuk tevens dienen om 
het lijstje van rectoren en confessoren van het klooster, 
gegeven in Dl. XXIV dezer Bijdragen, pag. 375, met 
twee te vermeerderen, n.1. behalve met frater Georgius 
ook met Arnoldus Petri Catwijck, wiens sterfjaar, [510 
in dorso vermeld wordt met bijvoeging dat hij 70 jaar 
oud was en 25 jaar confessor geweest is. 

Uit een andere aanteekening eveneens in dorso zien 
we dat het jaar 143 1 genoemd bij Heilwig van der Leek 
in de lijst van abdissen t. a. p. haar sterfjaar is. 

's-Gravenhage. S. DrüsSAERS. 



BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS 

DER BEDEVAARTEN NAAR SAN JAGO DE 

COMPOSTELLA OMSTREEKS 1520. 



Met het Heilige Land, Rome, Sint Patrick's Vage- 
vuur in Ierland en meer andere behoorde San Jago de 
Compostella in Spanje tot de oorden, waarheen de 
middeleeuwsche christenen bij voorkeur hun schreden 
richtten zoo dikwijls zij door het doen van een bede- 
vaart hun godsvrucht begeerden te versterken of de 
geloften vervullen wilden, in dagen van nood en be- 
nauwdheid door hen afgelegd. 

De hieronder volgende aanteekeningen, die ontleend 
zijn aan een op het Deventer archief berustend register, 
getiteld „Memoriale sententiarum et aliarum senten- 
tiarum" en hoofdzakelijk vonnissen in handelszaken 
bevattende van de 15de en i6de eeuw ^), deelen aan- 
gaande de wijze waarop men te San Jago de bede- 
vaartgangers verzorgde, wie het ongeluk trof gedurende 
hun verblijf aldaar krank te worden, enkele bijzonder- 
heden mede, welke niet algemeen bekend zijn, zoo het 
schijnt, en als een kleine bijdrage mogen beschouwd 
worden tot de geschiedenis van de bedevaarten onzer 
vaderen in het algemeen. 

hl der sakeu Johans van Windesem. 
Tijs Vrone van Dorsten, wonende te Wesel, sachte 
dat hie in seekeren lijfsnoeden gelaeft heft Sanct Jacob 



i) Inventaris van het Deventer Archief (Dev. 1870) n. 1222. 



43 

in Galissen persoenlick te versoecken ^), ende dat hie 
soe 14 dage voer Sanct Marten verleden op die reise 
na Sanct Jacob gegaen is, ende aldaer ter steden ge- 
komen mit seeckten bevangen wesende heft hie Sanct 
Jacob mit sijn offer ende gebede versocht. Ende vermitz 
dat hie seeck ende kranck was ende anders nyet 
herbergen konde heft hie getreden in dat nije gasthues 
aldaer, gehieten des koninx gasthues wantet bij den 
koninck gesticht is, daer hie doegentlick ") ontfangen 
wort. Ende so als hie daer inne omtrent 8 of 9 weken 
seeck gelegen heft, dat do bijnnen der tijt int selve 
gasthuys seeck gekomen is een, die sich hiete Berent 
van der Horst. Ende als Tijs weder bekoverde '■^) ende 
genck wanderen in den gasthuse hoerde hie Beernde 
Duetsche tale spreken, waruuth dat Tijs Berende tosprack, 
seggende: „lantsman, waer sijt ghij hen"? Daer Berent 
op antwerde, hie weer van Deventer uuth den sticht 
van Utrecht, sodat sie beide do voert mit malkanderen 
kontschap makeden. Ende Tijs vragede Berende vurs. 
vaken, als sie voelle kallinge vro ende late mit mal- 
kanderen hadden, wo lange dat hie van hues geweest 
weer, daer hie op antworde : „wal 5 of 6 jaren" ; vragede 
hem voert oft hie oeck wederomme wolde, dat sie tsamen 
reisen mochten, daer Berent op antworde : weer hie 
weder gesont, so wolden sie tsamen reisen, ende mal- 
kanderen loefnisse op deden. Ende als Berent so in den 
gasthuse 3 oft 4 weken gelegen hadde is hie daer ge- 
storven, en heft to voeren eer hie int gasthues qwam 
in Sanct Jacobs kercke, als alle pelgrijmmen ende seecken 
dat so doen moten eer sie in dat gasthues ontfangen 
worden, sijn bijcht gespraken, ende sijn Sacrament als 



1) Bezoeken. 

2) Barmhartiglijk. 

3) Herstelde. 



44 

een kerstken mcnsche ontfangen hadde ijs hic gestorven 
als een kerstken mensche in den gasthuse vors. den 
I4en dach voer den Sonnendach to Vastelavont in der 
nacht van den Sonnendach opten Manendach. Ende die 
vurs. Tijs heft stede selves 4de nementlick met 2 over- 
lenschen knechten, die een gehieten Sijmon die ander 
Pauwei, ende i Wolter, Berendt vurs. in der sieckten 
bewart int uutherste sijns levens, ende heft hem mit 
sijnen handen selves die oghen geslaten ende gelaken. 
Ende dat hie selves des Manendages omtrent 10 uuren 
voermiddage Berentz lijcham to kerckhave gevollicht, 
ende bueten der stadt, gehieten op die sprake AUegrasse 
op een gewijden kerckhof, alleen bemuert liggende 
tusschen der stadt ende een capelleken gehieten Com- 
pestelle, heft helpen begraven, daer men alle pelgrijmme 
gewontlicken is te begreven. Ende als dat in den selven 
gasthuse gewontlicken is als men daer ijrsten inkompt, 
kompt bij die pelgrijmme een doctor in der medicinen 
ende beseet ende betast den pelgrijmmen den puls. Als 
dat gescheet is, secht hie totten scriver, die daerto 
ordineert is, dat hie dat voert verwaren sal, die dan 
des pelgrijms namen to boecke set ende gijft den pel- 
grijmmen elck voer sijn hoeft een cedelken in die hant, 
daer sijn name in geteikent staet, daer dan die pelgrijm 
voert mede baven op Sanct Jacobs kamer bij die ver- 
wares, die die cedelkens ontfangen ende wijsen den 
seecken ende pelgrijmmen oer stede, ende steken dat 
cedelken an dat bedde, daer die pelgrijm liggen om elck 
sijn stede to wetten. Ende dat an dat selve bedde, daer 
Berent op qwam ende gestorven is, van beghijn an so 
lange dat hie doet van daer gedregen wort, gesteken 
heft tusschen twee draden sijn cedelken, dat hem gegeven 
was, ende die woerde des cedelkens weren dese : „Berent 
van der Horst van der Elborch". Ende sachte dat Berent 



45 

een cort, droich, veerschaten i) knecht was, mit roden 
krusen haer ende i roden bart, scheelaftich seende, 
weynich bevende ende schuddende mitten hoefde, wair 
hie geseen heeft dat Berende dat haer als hie int gast- 
hues ijrst qwam ende sijnre noch gheen kennisse en 
hadde wort afgeschoren bij den gronde, als men ghemeen- 
licken allen pelgrijmmen doet om gewoentes willen. 
Juratum coram Reyners 26 May anno (15)19. 

In eadem. 

Steven Schomaker, onse ingeseten burger, sachte dat 
hie int yaer verleden bedevaert gewest heft t Sanct 
Jacob to Compostell in Galijssen, ende dat hie daer 
gekomen is in den dach van den Rosen des merghens 
to 8 uuren in den Vasten verleden. Ende als hem onse 
mederaedt Jan van Winsem een breef medegegeven 
hadde te vragen na sijnen neven Berent van der Horst 
ijs hie daermede gegaen in dat nije gasthues, gehieten 
des koninx gasthues, ende heft gevraecht na Berende 
vurg., dair hem van den verware geantwort wort dat 
hie daer gestorven weer 14 dage voer Vastelavont do 
verleden ; ende hebben hem geapent dat boeck tot sijnre 
begerte, daer men gewontlicken is in tscriven die namen 
der seecken, die komen in dat gasthues vurs., daer hie 
inne gescreven bevonden ende gelesen heft : „Berent van 
der Horst van der Elborch", ende dat hem die gast- 
waere vorder gesacht heft dat hie daer een guede wijle 
zeeck gelegen hadde ende weer eens bijgekomen, dat 
sie gemeent hadden hie solde weder daeruuth hebben 
gegaen, dan weer weder ingevallen ende in den gasthuse 
witlick gestorven die tijt vurs. 

Dr. J. de Hullu. 

I) Sievig gebouwd, kloek. 



RUNXPUTTE TE HEILO IN 1807. 



Wie eenigszins bekend is met de geschiedenis van 
„Capelle" te Oesdom (Heilo), weet hoe in afgeloopen 
eeuwen invloedrijke Hervormden er steeds op uit waren, 
om door plagerijen het den Roomschen zoo lastig 
mogelijk te maken ten opzichte van hun bedevaarten 
naar deze aloude pelgrimsplaats. 

Van 1795 tot 1807 hebben de Roomschen onder 
inwerking der nieuwe leuze: Vrijheid, Gelijkheid en 
Broederschap, naar het schijnt volle vrijheid gehad tot 
het houden van bedevaarten. Maar van 1807 — 18 10 
bleek de Vrijheid te zijn opgeheven : de Hooge Regeering 
nam tenminste een dreigende houding aan ten opzichte 
der pelgrimages naar Runxputte. 

In het archief van Limmen (gelegen in de onmid- 
dellijke nabijheid van „Capelle") vond ik eene aanwijzing 
van bedevaartsbemoeilijking in 1807, en wel bij de 
notuleering van een Vroedschapsvergadering op 17 Sep- 
tember van dat jaar. Die geringe bijdrage tot de ge- 
schiedenis dezer aloude bedevaartsplaats wil ik hier 
mededeelen. 

Het te boek gestelde kan tot toelichting dienen van de 
volgende regels uit het bekende „Bedevaartboekje naar 
Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo" : 

„En al kwamen ook in den aanvang der 19de eeuw, 
„ondanks de vrijzinnige begrippen, de Minister van 
„Justitie en Politie in de jaren 1Ö07 — 18 10 hunne aan- 



47 

„schrijvingen en dreigementen sturen i) : zoo lieten toch 
„de beevaartgangers niet af naar Heilo en „Capelle" 
„te komen. Eerst in 1830 — 1840 is de bedevaart 
„vervallen." 

Hier volgen de oude notulen : 

„Vroetschap te Limmen, 17 Sept. 1807. 

„De officier en Gandarmens welke den 4en dezer 
„alhier in cantonnement zijn gekomen nog alhier in 
„contonnement zijnde, en de gerugte gelopen hebbende, 
„dat deselve Gandarmens alhier soude gelegd zijn om 
„de Processie naar en aan Capel onder Heyloo indien 
„deselve mogte hervat werden, desnoods tegen te gaan 
„en te beletten, welke hervatting van de processie die 
„op 15 augustus 1.1. naar Capel heeft plaats gehad 
„volgens gerugte op den 8 of den 12 of 13 dezer soude 
„plaats hebben. Is geresolveert hier van een missive 
„aan den Heer Landdrost te schrijven en daar bij te 
„versoeken om desselfs vermogen te willen gebruiken 
„ter verlegging der voorn. Gandarmes van hier, alsoo 
„de gemelde 8, 12 en 13 dezer zijn gepasseert Sonder 
„dat daarop nog hier nog te Heyloo iets buitengewoons 
„heeft plaats gehad en sonder dat andere dagen tot 
„het houden van Processie werden genoemt, werdende 
„de Secretaris gequalificeert soodanige missive te con- 
„cipiceren cii te versenden 

In kennisse van mij 

Jb. Laarman 

secr." 

Zeer waarschijnlijk heeft deze militaire maatregel 
als dreigement moeten dienen. 



l) Wel zonderling. Juist tijdens de regeering van den Roomschen 
Koning van Holland. 



48 

Eene korte beschouwing over de af te zenden missive 
moge hier nog volgen : 

De bedoeling, die de Vroedschap er mee had, is 
duidelijk gezegd : verwijdering der militairen. Maar niet 
wordt medegedeeld waarom die verwijdering zoo dringend 
gewenscht werd. Er kunnen twee redenen voor bestaan 
hebben, waartusschen men heeft te kiezen. 

De missive kan als een bedekt protest bedoeld zijn 
tegen de vrijheidsberooving der Roomschen. Van de 
435 inwoners waren 368 katholiek; de vroedschap zal 
dus ook wel overwegend roomsch geweest zijn. Dit 
lichaam was dan m. i. tot een dergelijk protest als 
aangewezen. Maar vreemd mag het dan genoemd worden, 
dat hiervan met geen enkel woord melding wordt 
gemaakt. 

Kan de reden tot afzending der missive aan den 
Landdrost ook een andere zijn geweest.? 

Al vele jaren achtereen was Limmen (ook andere 
plaatsen in den omtrek) lastig gevallen met inkwartiering. 
En ten zeerste was het dorp verarmd door den inval 
der Engelschen en Russen in 1799, waarbij de „Fransche 
Broeders" in het plunderen „lang niet links waren". En 
nu kreeg het verarmde dorp weer inkwartiering ! De 
bezorgde Vroedschap zal daarom denkelijk op louter 
economische gronden het vertrek der gendarmes ge- 
vraagd hebben. 

Hiervan wordt in de vermelde notulen evenmin iets 
vernomen. Zeker, dat is ook zoo. Maar in het oude 
notulenboek komen vóór en na deze Vroedschapsver- 
gadering herhaaldelijk klachten voor over de lasten en 
nadeelen, die Limmen door den laatsten oorlog had 
geleden. 

Of de brief goed gevolg had ? Ze is . . . nooit ver- 
zonden! Eén dag na het besluit tot schrijven aan den 



49 

Landdrost vertrokken de gendarmes (i8 Sept.). De 
onrustbarende datums waren voorbij. 

In het oude notulenboek wordt dit volgenderwijze 
vermeld : 

„De officier en Gendarms den i8 Sept. 1807 van 
„hier vertrokken sijnde, Is het onnoodig en ondienstig 
„geworden de missive ter verkrijging van het vertrek 
„te consipieeren en te verzenden." 

Uit dit vertrek na de gevreesde Septemberdagen zou 
men kunnen afleiden, dat dit mihtaire „cantonnement" 
tegen de bedevaarten naar „Capelle" was gericht. 

Amsterdam. M. Kramer. 



PASTOOR WARMELINK EN KAPELAAN PAEP 

VAN ASSENDELFT EN DE EED VAN 

21 AUGUSTUS 1795. 



De 2iste Augustus 1795 was door de Municipaliteit 
van Assendelft aangewezen als de dag, waarop de ver- 
schillende personen, die daarvoor in de termen vielen, 
den eed van trouw aan de nieuwe regeering zouden 
afleggen. 

Een der opgeroepenen weigerde het; twee andere 
maakten voorbehoud, n.1. pastoor Warmelink en 
kapelaan Paep. 

Een en ander daarover vond ik in het gemeente-archief 
van Assendelft volgenderwijze genotuleerd. 

„12 Aug. 1795. 

„Verder is gelezen de missive van het Committé van 
„Algemeen Welzijn in dato 4 Aug. aangaande het 
„doen van de Eed. 

„En is tot het doen derselve bepaald heden over 
„8 dagen sijnde 19 Aug. en de boode gelast de aan- 
„segging der gerequireerde persoonen ter sisteering te doen. 

„18 Aug. 
„Is verder in bedenking gekomen aangaande het 
„doen van den gerequireerden Eed en is goed gevonden 
„de leden die in dienst blijven hetzij in de Munici- 
„paliteit, hetzij in committé van Justitie den eed af te 
„nemen, als meede de Predikant, Pastoor, Cappelaan en 
„andere ambtenaren en die in plaats van den 19 dezer 
„te convoceeren tegen den 21 zijnde e.k. Vrijdag en 



51 

„tot commissie benoemd H. de Jong en G. op 't Land. 

„Egter zijn de leden niet ontslagen voor de nieuw 
„aangestelde beëedigd zijn." 
„21 Aug. 

„Klaas Stuurman Collecteur van de doorvaard op 
„de turf 1) aan de Nouwernasche sluys, in deeze 
„jurisdictie woonende, declareerend, nadat het formulier 
„hem een en ander maal was voorgelezen den Eed niet 
„te kunnen doen, gevende voor redenen niet te be- 
„grijpen de rechten van den Mensch en Burger. 

„Compareerde de Capellaan Paepe welke wel niet 
„den eed weygerde, dog zoude gaarne den selve doen, 
„na dit onderstaande declaratoir door hem overgegeven : 

„Ik ondergeschreven Capellaan der Roomsch Catholyke 
„gemeente van Assendelft verklaare bereydwillig te zijn, 
„om den gerequireerden Eed te doen mits deeze niet 
„uytgebreyd worde tot eenige verpligting die strijdig 
„is tegen den aard van mijn ampt of tegen de Leering 
„en pligten van den Roomschen Catholijken Gods- 
„dienst aan welken ik op eene onschendbaarste wijze 
„verbonden ben." 

Was geteekend : J. P. Paep. 

„De Pastoor Warmelinks) produceerd het navolgende 
„declaratoir : 

„Ik ondergeschreven Pastoor der Roomsch Catholyke 
„gemeente van Assendelft enz. 

1) Klaas Stuurman was ook schoolmeester te Nauerna (een gehucht 
van Assendelft). Volgens bovenstaande notuleering zou de secretaris 
het coUecteurs-ambt hooger gesteld hebben. 

2) Eigenaardig, dat secretaris Van Sypesteyn niet het eerst pastoors 
W.irmelink's declaratoir vermeldt. 

Was het misschien, omdat hij nog al eens samenwerkte met den kapelaan? 

Secretaris Van Sypesteyn en kapelaan Paep toch, waren den laen Febr. 
1795 door de Provisioneele JVIunicipaliteit van Assendelft benoemd tol 
commissarissen der te ontvangen Fransche assignaten. 



52 

Het „declaratoir" is hetzelfde als bij den kapelaan ; 
alleen achter „aan welken ik op eene onschendbaarste 
wijze verbonden ben", volgt bij den pastoor nog: 
„en blijve". 

Mocht de Municipaliteit van Assendelft met deze 
verklaringen genoegen nemen ? De heeren op het raad- 
huis vonden het een lastig geval. Ze wisten niets beters 
te doen dan van een en ander rapport uit te brengen 
aan de Hooge Regeering. Lezen we de notulen verder : 

„De Municipaliteit van Assendelft heeft niet op zich 
„durven neemen den Eed met eenige bepalingen daar 
„bij gemaakt te doen verrichten, vinden goed deze 
„declaratoiren te zenden aan de Provisioneele represen- 
„tanten van het Volk van Holland. 

„gelasten den secretaris te concipieeren eene missive 
„aan gemelden Representanten van het gepasseerde 
„zoo van het een en als anders bij den Eeden alhier 
„afgelegd : 

„Gemelde missive is van den volgenden inhoud: 

„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap! 

„Aan de Provisioneele Representanten van het Volk 
„van Holland. 

„Wij hebben de eere U. L. bij deeze kennis te geven 
„dat de gerequireerde Eeden alhier zijn afgelegd. 

„Uytgenomen door den Roomschen Priester en 
„Capellaen, welke denselve wel niet geweygerd hebben, 
„dog hebben overgegeven de hier in originali nevens- 
„gaande declaratoiren versoekende na inhoud van ge- 
„ melde declaratoiren den Eed te mogen doen. 

„Wij hebben niet op ons durven neemen den Eed 
„met bepalingen daar bij gemaakt te doen afleggen, 
„versoekende deswegens U. L. nadere ordere hoe zig 
„hier te gedragen hebben. 



53 

„Dog Claas Stuurman Collecteur op den doorvaard 
„van turf aan de Nouernasche sluys en tevens School- 
„meester tot Nouerna declareerd den Eed niet te 
„kunnen doen, voor redenen gevende, niet te begrijpen 
„de rechten van den Mensch en Burger ; ook hier op 
„versoeken wij UEd. ordere hoe ons in deese te gedragen." 

Eerst in de Vergadering van 20 Dec. 1795 kwam 
deze zaak weer aan de orde. Den i len Dec. was hierover 
een placcaat ontvangen. De desbetreffende notuleering 
is als volgt: 

„Is geleezen 't placaat van 1 1 dezer aangaande het 
„doen van den Eed, met de veranderingen daar gemaakt, 

„Is goedgevonden 2 commissarissen te benoemen om 
„de amptenaar te doen compareeren, die den Eed 
„gedaan hebt daarvan kennisse te geeven en die den 
„Eed niet gedaan hebben, den Eed af te nemen en bij 
„weygering, te doen na inhoud van gem. placaat. 

Over de beide Roomsche geestelijken wordt in de 
verdere notulen niet meer gesproken. Blijkbaar hebben 
de twee commissarissen ze „doen compareeren" en hun 
mededeeling gedaan, dat door de veranderingen in den 
voorgeschreven eed, de Regeering genoegen kon nemen 
met de beperkende bepaling, die kapelaan Paep en 
pastoor Warmelink den 21 en Aug. hadden aangebracht. 

Ten slotte wil ik nog mededeelen, dat Klaas Stuurman 
bij zijn eedsweigering „persisteerde", nog altijd „de 
rechten van den mensch niet kunnende begrijpen". 

Hij werd 12 Jan. 1796 als collecteur „van de door- 
vaard op de turf" — en als schoolmeester — ontslagen. 

Amsterdam. M. Kramer. 



HET BIDDEN IN DE KERKEN VOOR KONING 
LODEWIJK NAPOLEON IN 1809. 



Den 25sten van Zomermaand 1806 had zijn Excell. 
de Minister van Binnenl. Zaken door het geheele 
Koninkrijk-Holland aanschrijving gedaan, dat in alle 
kerken gebeden zou worden voor Koning Lodewijk 
Napoleon. 

Deze aanschrijving heeft hoogstwaarschijnlijk aan- 
leiding gegeven tot het onderstaande gebed, dat 's Zondags 
in de katholieke kerken door den priester werd gebeden, 
zooals heden ten dage nog, alhoewel in anderen vorm, 
gebruikelijk is, al is thans het bidden voor de Koningin 
dan ook niet door haar Ministers voorgeschreven. 

Van dat gebed heb ik een gedrukt exemplaar in 
mijn bezit. 

Het opschrift luidt : 

„Manier om het gebed voor den koning in de roomsch- 
katholyke kerken te bidden." 

Het is gedrukt „Te Amsterdam, bij De Wed. F. J. van 
Tetroode, Boekverkoopster in de Kalverstraat." 

„Met Approbatie" staat er onder. 

De tekst is aldus : 

„V. Domine salvum fac Regem nostrum Ludovicum 
„Napoleonem. 

„R. Et exaudi nos in die, qua invocaverimus te. 

Oremus. 
„Quaesumus omnipotens Deus, ut famulus tuus Ludo- 
„vicus Napoleon, Rex noster, qui tua miseratione suscepit 



55 

„regni gubernacula, virtutum etiam omnium percipiat 
„incrementa : quibus decenter ornatus, & vitiorum monstra 
„devitare, & ad te qui via, veritas, & vita es, gratiosus 
„valeat pervenire. Per Dominum nostrum &c." 

De hollandsche vertaling is er naast gedrukt ^). 

Dat bidden voor Koning Lodevvijk Napoleon lijkt 
niet bij alle gezindten op de gewenschte manier geschied 
te zijn. Van regeeringswege alweer, werd er in 1809 
aanmerking op gemaakt. 

In het gemeente-archief van Limmen vond ik zeer 
toevallig daarover het volgende genotuleerd, dat m.i. 
wel waard is gepubliceerd te worden, al was het alleen 
maar om deze reden, dat de katholieken zich in die 
aangelegenheid blijkbaar uitstekend naar den wensch 
der wereldlijke overheid gedragen hebben. 

„Vergadering gehouden van het Gemeente Bestuur 
„van Limmen 26 van Oogstmaand. 

„Is gelezen een aanschrijving van den Heer Landdrost 
„van het Departement van Amstelland gedateerd den 
„21 dezer Lettr. A. houdende aanschrijving om de 
„noodige orders te stellen, dat op maandag den 4den 
„van herfstmaand aanstaande des voormiddag ten 
„10 uuren in de gemeente worde gehouden een Dank- 
„en Bedestond ; waarop gedelibereerd zijnde Is den 



l) V. Heer! behoed onzen Koning Lodewijk Napoleon. 
R. En verhoor ons ten dage dat wij U aanroepen. 

Laat ons bidden. 

Alinagtig God ! wij bidden U, dat uw Dienaar onze Koning, Lodewijk 
Napoleon, die door uwe genadige beschikking het bestuur des Rijks 
bekomen heeft, ook een aanwas verkrijge van allerlei deugden, door 
welke hij naar behoren voorzien, hef wanvoeglijke der ondeugd ver- 
meiden, en welgevallig komen kan tot U, die de weg, de waarheid, 
en het leven zijt. Door Jezus Christus onzen Heer. Amen. 



56 

„Secretaris versogt en gelast, aan de Leeraar der Ge- 
„reformeerde gemeente en aan de Leeraar der Roomsche 
„gemeente alhier te doen de navolgende aanschrijving: 

Limmcn den 26 van Oogstmaand 1809. 

„Het Gemeente Bestuur van Limmen ontvangen 
„hebbende een aanschrijving van den Heer Landdrost 
„van het Departement Amstelland gedateert den 21 dezer 
„Lettr. A. ingevolge de intentie van Zijne majesteit 
„houdende de nodige orders te stellen, dat op maandag 
„den 4de van herfstmaand aanstaande des voormiddags 
„te tien uuren in de gemeenten binnen deze Jurisdictie 
„met de meest mogelijke plegtigheid in de kerken van 
„ider gezindheid wordt gehouden een dank- en Bede- 
„stond, ten einde de beste zegening over Zijne majesteit 
„van het opperwezen af te smeken, ten einde verder 
„voor dit Land, waarvan een gedeelte zich in zulke 
„benauwde omstandigheid bevind ^), redding en hulp 
„van den Hemel af te bidden en om eindelijk met 
„dankbare erkentenis voor al het goede, hetgeen wij 
„nog in zulk een ruime mate genieten, de vurigste 
„wenschen en gebeden op te zenden dat het Gode 
„behage onze dierbare Koning nog lang te sparen, 
„Zijne Regering voorspoedig te maken, de krijg van 
„het HoUandsche grondgebied te verwijderen, de daartoe 
„aangewend wordende pogingen met den besten uitslag 
„te bekronen en door een spoedige en vaste vrede 
„wederom de verstopte bronnen van voorspoed en bloei 
„te doen openen. 

„Wordt door het gemeentebestuur voornoemd daarvan 
„kennis gegeven aan de Leerraar van de gereformeerde 
„gemeente en aan de Leerraar der Roomsche gemeente 



l) Inval der Engelschen in Zeeland. Ook overstroomingen hier en daar 



57 

„alhier, met aanschrijving en last, om in de hare, 
„voor zo veel hem aangaat, te zorgen, dat aan het daarbij 
„bepaalde ingevolge de intentie van Zijne Majesteit 
„stiptelijk worde voldaan en daartoe alvorens op Sondag 
„den a/en dezer van den Predikstoel hunne gemeenten 
„van het houden der gemelde Dank en Bedestond kennis 
„te geven. 

Laarman, secr. 

Vier dagen later werd ook eene kennisgeving gericht 
tot de Burgerij, om — wegens den ernst der tijden — 
zich op Maandag 4 Sept. a.s. van festiviteiten (ter viering 
des verjaardags van Koning Lodewijk), te onthouden ^). 

„Het Gemeente Bestuur van Limmen brengt bij dezen 
„ter kennisse van de Ingezetenen van Limmen, en allen 
„die sulks verder aangaat. Dat het de wil van Zijne 
„Majesteit de koning is, dat er geene buitengewone 
„vreugdebedrij ven zullen plaats hebben, voor dat het 
„grondgebied van het koninkrijk geheel van den vijand 
„is bevrijd en uit dien hoofde verlangt, dat de Feesten 
„en vreugdebedrij ven welke op maandag de 4de van 
„Herfstmaand soude gevierd zijn, geen plaats hebben, 
„maar sich bepalen tot het opsenden van publieke en 
vurige gebeden. 

3oen van Oogstmaand 1809. 

In kennisse van mij 
Laarman. 

De ernstige wensch van de wereldlijke Overheid was 
dus wel zeer duidelijk te kennen gegeven aan de 



l) Lodewijk Bonaparte, geb. te Ajaccio 2 September 1778, f te 
Livorno 25 Juli 1846, zoon van Carlo Bonaparte en van Maria Laetitia 
Ramolino. Gehuwd met Hortense de Beauharnais. 



58 

geestelijkheid en het volk. Heeft men er zich aan 
gehouden ? 

In de Vroedschapsvergadering te Limmen op 1 1 No- 
vember 1809 werd door den Voorzitter het volgende 
schrijven voorgelezen : 

„Is ontvangen een aanschrijving van deselve Heer 
„Landdrost gedateert den i8en van Herfstmaand 1.1. 
„Lettr. H. houdende dat niet in alle Hervormde 
„kerken ^) wordt opgevolgd de bepaalde orde nopens 
„de wijze van bidden voor het Gouvernement en dat 
„onderscheidene Leeraars niet dan algemeene ge- 
„beden doen zonder den koning met n a m e daaronder 
„te bevatten, dat sulks soo niet behoorde en dat de 
„gemeente bestuuren worden verantwoordelijk 
„ges telt dat aan de aanschrijving van Zijn Excellentie 
„de minister van binnenlandsche Zaken in dato den 
„25en van Zomermaand 1806 worde voldaan. Waarop 
„door den Secretaris gecommuniceerd zijnde, dat hij de 
„bevorengemelde aanschrijvingen van den i8en van Herfst- 
„maand 1.1. Lettr. H. ter kennisse van de gereformeerde 
„gemeente alhier had gebracht ten einde sich daarna 
„te kunnen gedragen, Is het verrigte van de Secretaris 
„geapprobeert." 

Het schijnt, dat op den 4en Sept. scherp nagegaan is, 
of in de verschillende kerken op de gewenschte manier 
werd gebeden. Zeker waren ook nu weer — evenals 
op de gewone Zondagen — schuldige afwijkingen ge- 
bleken, maar alleen in de hervormde kerken. Daar 
moest nu maar eens voor goed een einde aan komen 
door den krassen maatregel, dat de gemeentebesturen 
in dezen verantwoordelijk werden gesteld. 



[) Spatieeringen van mij. 



59 

Niet lang echter meer zou ook in de herv. kerken 
de naam van Lodewijk Napoleon in het voorgeschreven 
gebed genoemd worden. En geen enkelen verjaardag 
zou hij meer in Holland vieren ; zijn regeeringsdagen 
waren geteld. Door zijn keizerlijken broeder gedwongen, 
deed hij den eersten Juli 1 8 lo in het Paviljoen te Haarlem 
afstand van de regeering. 

Amsterdam. M. Kramer. 



UIT OUDE BESCHEIDEN. 



I. ViCARIE VAN HET S. JOZEF'S ALTAAR IN S. BAVO 

TE Haarlem. 

Meermalen reeds werd in tijdschriften op historisch, 
oudheidkundig en genealogisch gebied gewezen op het 
groote nut, dat ook de archieven van bijzondere personen 
en families bezitten, om nog al eens voorkomende 
twijfelingen aangaande personen of feiten met stelligheid 
op te lossen. 

Als sprekend voorbeeld van de waarheid dezer be- 
wering, als ook ter aansporing om dergelijke archieven, 
zoo mogelijk, nauwkeurig te doorzoeken, diene volgende 
mededeeling. 

In de „Outheden en gestichten van Kennemerland, 
Amstelland, Noortholland en Westvriesland," beschreven 
door H. van Heussen, vertaald en toegelicht door 
H. van Rijn, uitgegeven te Leiden in 1725, blz. 27 
onder N. 15, vinden wij vermeld, dat het „recht van 
patroonschap" van het St. Jozefs altaar in de Kathedrale 
Kerk van St, Bavo te Haarlem toekwam „Antoon 
Verburg of Floris van Adrichem." De twijfel daaromtrent, 
door bovengenoemde schrijvers met het woordje of uit- 
gesproken, wordt echter op afdoende wijze weggenomen 
door de authentieke akte, berustende in het Archief 
der familie van Brienen in het St. Nicolaasgesticht van 
Liefdadigheid te Amsterdam, ook nog wegens andere 
bijzonderheden belangrijk genoeg om hier te worden 



6i 



medegedeeld, terwijl wij hopen deze nog door meerdere 
dergelijken te laten volgen : 

In nomine domini Amen. Anno a nativitate ejusdem 
Domini millesimo quingentesimo sexagesimo secundo, 
indictione quinta, mensis Octobris die septima, ponti- 
ficatus Sanctissimi in Christo patris et domini domini 
Pil divina providentia papae quarti anno ejus secundo, 
ac Illustrissimi Romanorum imperatoris Ferdinandi anno 
suG quinto, in mei notarii publici testiumque infrascrip- 
torum presentia personaliter constitutus nobilis ac spe- 
ctabilis vir Anthonius van der Burch, verus ut asserunt 
patronus sive collator perpetuae vicariae fundatae et 
erectae in altari Sancti Josephi ecclesiae parochialis seu 
cathedralis Haerlemensis, cujus ultimus possessor extitit 
Magister Jacobus Zeeman, presbiter ac canonicus in 
Ziericxzee felicis memoriae, honestum et discretum 
dominum magistrum Johannem van den Daele pre- 
sbiterum ac canonicum collegii praedicti in Ziericxzee, 
omnibus melioribus modo, via, jure, stilo, causa et forma, 
quibus melius et efficacius potuit et debuit, in Dei nomine 
et propter Deum, ad vicariam presentavit et presentari 
voluit per presentes, supplicando humiliter venerabili 
domino archidiacono seu ejus officiali seu illi cui de 
jure vel consuetudine dictae vicariae institutio pertinere 
dinoscitur, quatenus eundem dominum Johannem van 
den Daele, ut premittitur presentatum, instituere et in- 
vestire ipsumque in corporalem realem et actualem 
possessionem dictae vicariae induci facere illique de 
fructibus redditibus et proventibus ipsius responderi 
mandare literasque debitas concedere velit et dignetur. 
Super quibus omnibus et singulis premissis, antedictus 
Antonius van der Burch, patronus, petiit a me notario 
publico subscripto unum vel plura instrumenta sibi confici 



62 



et tradi in meliori forma. Acta sunt hec Haerlemi in 
edibus honorabilis ac discreti Gualteri de Bekesteyn 
quondam prefecti ac burgimagistri dictae civitatis Haer- 
lemensis, presentibus ipso Gualtero de Bekesteyn ac 
Lanceloto Jacobi ejusdem civitatis incolis testibus fide 
dignis, ad premissa vocatis specialiter et rogatis. 

Hieronder bevindt zich ter rechterzijde de volgende 
aanteekening : 

Et ego Albertus Nicolai Raet clericus Trajectensis 
diocesis publicus sacris apostolica et imperiali autoritatibus 
necnon speciali curie Hollandiae admissione et appro- 
batione notarius, quia dictae collationi seu praesentationi 
omnibusque aliis et singulis dum sic ut premittitur fierent 
et agerentur coram praenominatis testibus, presens 
interfui eaque sic fieri vidi et audivi ac in notam 
sumpsi, ideo hoc presens publicum instrumentum manu 
mea propria scriptum exinde confeci subscripsi et in 
hanc publicam formam redegi signoque et nomine meis 
solitis et consuetis signavi, in fidem et veritatis testi- 
monium omnium et singulorum premissorum vocatus et 
requisitus. 

En daarnevens ter linkerzijde, als handteekening van 
bovengenoemden Albertus Nicolai Raet, een merk, be- 
staande in een kruis, waarvan de drie boveneinden in 
sierlijken bladvorm eindigen, in het midden in ruitvorm 
geopend en voorzien van een breeden ring, die over 
de beide zijarmen, maar onder den boven- en beneden- 
arm van het kruis loopt, kruis en ring bezaaid met 
blokjes en figuurtjes. Het ondereinde van het kruis loopt 
breed uit in een breeden golvenden band, waarop de 
spreuk: „Altyt ten besten raet". 

C. E. A. HUILMAND, Pr. 



PASTOOR MICHIËL VAN RIEMSDIJK 

bediende in 1567 gedurende vier maanden Twisk en 
vervolgens Castricum, waarvan de pastoor voortvluchtig 
was en de parochianen zich niet met de mennonieten 
bemoeiden, — dus vermeldt pater A. van Lommei in 
het tiende deel, bl. 398 en 409 dezer Bijdragen. Volgens 
de Oiidhede7i en Gestichten van Kennemerland, I 184, 
was een Johan Pietersz., die het met de nieuwe gezind- 
heid hield, omstreeks 1570 pastoor van Castricum. Bor, 
uitgaaf van 1679, eerste stuk, blz. 548, noemt echter 
van Riemsdijk nog in 1574 als zoodanig, en wel als 
trouw aanhanger van het oude régime. Den 26en Juni 
1574 namelijk zond hij uit Beverwijk, met een vrouw 
van daar, een brief aan den magistraat van Alkmaar 
met eene copie van het pardon, daartoe gelast door 
den heer van Grammay. Hij ried aan om in onder- 
werping te komen, ook uit medelijden met de om- 
zwervende en hongerlijdende gevluchten, en bood, zoo 
men iemand tot hem wilde zenden, zijne bemiddeling 
aan, zelfs in het belang der van het pardon uitgeslotenen. 
Den 8en Juli werd de vrouw voor burgemeesteren geleid, 
die haar ondervroegen en aan den gouverneur Sonoy 
zonden. Deze liet haar gaan zonder antwoord aan den 
pastoor, maar wist het zoo te beleggen, dat hij den 
schrijver in handen kreeg ; doch bevindende, dat deze 
„een goed slecht gezel" was, die zich nooit bitter of 
partijdig tegen „die van de religie" had gedragen, liet 
hij hem „om een klein redelijk rantsoen" vrij — wat 
ons van Sonoy niet tegenvalt. 



64 

Met het hier genoemde pardon zal bedoeld zijn het 
in het begin van Juni 1574, door Requesens op 's konings 
naam afgekondigde, hetwelk veel zachter was dan dat 
van Alva van 16 Juli van het vorige jaar. Had de 
pastoor naar aanleiding van dit laatste, toen Haarlem 
op vallen stond en Alkmaars belegering te wachten 
was, terwijl men er nog in twijfel verkeerde welke 
partij te kiezen, zijne poging beproefd, wellicht had zij 
een meer door hem gewenscht gevolg gehad ; maar in 
1574 was de toestand daartoe reeds te zeer veranderd. 

Dit alles brengt niets nieuws aan het licht, maar 
aangezien het van v. Riemsdijks standpunt gezien, meer 
tot zijn eer dan tot zijn oneer strekt, verdient het 
m. i. nog wel eens melding in de Bijdragen. 

C. W. B. 



EEN FEESTVIEREND PASTOOR VAN 
HEEMSKERK. 



Van 1542— 1555 is Heer Gregorius Claesz. pastoor 
geweest van Heemskerk, behoorende onder de Com- 
manderij van St. Jan te Haarlem i). In 1550 vierde hij 
zijn gouden priesterfeest en de Regeering van Haarlem, 
die op goeden voet stond met de St. Jans-heeren, liet 
zich bij die gelegenheid niet onbetuigd. Zij vulde de 
kannen en kroesen aan den maaltijd, ter eere van den 
jubilaris in de Commanderij aangericht, waarvan men 
nader verneemt uit de volgende aanteekening in de 
Thesauriersrekening A° 1549/ 15 50 blz. 68: 

Roel de Camerlinck betaelt de somme van drye 

ponden thien scellingen, ter cause van acht stedekannen 

Rins-wijn, die vander stede wegen opten vijfden Augusti 

vijftich geschonken zijn inde feeste ende vrolijcke 

maeltijt, die gehouden is geweest inden convente van 

St. Jans, bij Heer Gregorius Claess., pastoir van Heems- 

kerck, nair (nadat) hij als priester-Jubilaris zijnen gulden 

misse gesongen ende solemneel statie gehouden hadde, 

elcke kanne houdende zeeven pinten, de pinte een 

braspenninck gerekent. 

C. J. G. 

I) Bijdragen IV, 248. 



NUYENS-FONDS. 



Het Bestuur van het Nuyens-fonds brengt ter kennis, 
dat als nieuwe prijsvraag wordt uitgeschreven : 

„Een critische beschouwing der werken van Jacob 
van Maerlant als geschiedbron voor den godsdienstig 
zedelijken toestand van zijn tijd.'' 

Voor deze prijsvraag stelt het Bestuur een prijs van 
/500 beschikbaar, met een fraai eere-diploma. Zij, die 
naar deze prijsvraag wenschen mêe te dingen, zijn ver- 
plicht hun manuscript, in zijn geheel en duidelijk lees- 
baar, portvrij aan den Voorzitter te zenden, uiterlijk 
I Januari igi6. De prijsverhandelingen zullen bij voor- 
keur niet geschreven zijn met de eigen hand van den 
steller ; zij mogen niet door hem onderteekend zijn, 
doch moeten gekenmerkt worden met eene zinspreuk 
en vergezeld gaan van een verzegeld briefje, dezelfde 
spreuk tot opschrift voerende en waarin des schrijvers 
naam en adres eigenhandig zijn opgegeven. De bekroonde 
en niet bekroonde prijsverhandelingen behoeven niet 
te worden teruggezonden aan de inzenders. Eene prijs- 
verhandeling kan slechts worden bekroond, indien zij 
door een katholieken Nederlander is saamgesteld. Bij 
voorkeur worden zij geschreven in het Nederlandsch. 

De beslissing over de toe te kennen prijzen berust 
wederom bij een door het Doorluchtig Episcopaat te 
benoemen jury van vijf personen. 

Dr. J. V. De Groot O. P. (te Amsterdam), 

Voorzitter. 
Dr. GiSBERT Brom (te Rome), Secretaris. 
Utrecht, 25 September 19 13. 



KERKGESCHIEDENIS VAN AMSTELLAND. 
{Vervolg; van deel XXXV, blz. 83). 



Omtrent den kerkelijken toestand op het einde der 
i6de eeuw geven de kerkvisitatiën, welke in de dorpen 
langs de Vecht, maar behoorende tot het aartsdiaconaat 
van S. Jan, in de jaren 1567 — 1568 gehouden werden, 
eene treurige bevinding ^). En vijf en twintig jaren later 
toen de katholieke kerk, volgens de meening van velen, 
haren ondergang te gcmoet ging -), en het protestantisme, 
leunende op den sterken arm van den Staat, tot de 
winnende partij behoorde, werd in 1593, vanwege den 
kerkeraad van Utrecht in de dorpen langs de Vechtstreek, 
opnieuw een onderzoek ingesteld naar de heerschende 
kerkelijke aangelegenheden =*). 

En in beide visitaties, de twee voornaamste bronnen 
over dit tijdperk der kerkgeschiedenis, wordt op het 
gehalte der geestelijkheid van die dagen een beklagens- 
waardig licht geworpen. „Het zout der aarde" was 
bedorven ; hoe kon derhalve de dwaling, die meer en 
meer veld won, worden geweerd ? 



1) Rappard, Ridder van, Mr. F. A. L. en Mr. S. Muller Fz. : Verslagen 
van kerkvisitatiën in hel bisdom Utrecht uit de 1 6de eeuw, Amsterdam, 
Johannes Muller, 191 1, pag. 417 — 427. (Hist. Genootsch. [Verken, 
3de Serie, No. 29. 

2) Fruin, R.: Verspreide Geschriften, 's-Gravenhage, Martinus Nijhofif, 
191 1, dl. III, blz. 249. 

3) Bijdragen en Mededeelingen v. h. Hist. Gen.: dl. VII, Utrecht, 
Remink en Zoon, 1884, blz. 186 — 267. 



68 

Op de synode van Edam, gehouden den i6en Aug. 
1572, werden de bepalingen vastgesteld, waarop de 
papen, die in het pausdom waren overgebleven, en zich 
„totten dienste des heylighen Evangeliums" wenschten 
te begeven, konden worden toegelaten 1). Door de Staten 
van Utrecht werd in 1581 aan de pastoors, die toen- 
maals in bediening waren, vrijheid gelaten om hun 
ambt te blijven waarnemen, mits hunne prediking niet 
vóór het roomsche of tégen het protestantsche geloof 
geschiedde en het H. Sacrament des doopsels zonder 
roomsche ceremoniën werd toegediend. En zoolang 
zouden zij gehandhaafd blijven als de gemeenten over 
hen tevreden waren en aan de Staten geen echte 
protestantsche leeraars zouden aanvragen. En inderdaad 
werden er in die dagen meerdere herders gevonden, die, 
naar het gewijde woord „niet kunnende spitten en voor 
bedelen zich schamende", den huik naar den wind 
hingen en voor zulke onwaardige bedieningen zich 
gaarne lieten vinden. Daarvan zijn voorbeelden zoo uit 
de dorpen in de buurtschap van Amstelland -) als van 
elders 3) in overvloed aan te halen. 

't Is dan ook niet te verwonderen, dat Gaspar Janszoon 

Coolhaas, de voorlooper van Arminius, een tijdgenoot 

en een ooggetuige van deze ontstichtende en ergenis- 

wekkende toestanden over de predikanten uit het eerste 

tijdperk der Hervorming al zeer slecht te spreken is. 

»üeghene — zoo zegt hij '») — dewelcke te dier tijt haer tot 
predicanten ende leeraars gebruycken lieten, waren meest al te 

i) Reitsma, J. en Veen, S. Z>. z/aw; Acta der provinciale en particuliere 
Synoden, gehouden in de noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 
1572 — 1620, Groningen, J. B. Wolters, 1892, dl. I, blz. i. 

2) Bi/dr. en Meded. v. h. Hist. Gen.: VII, blz. 192, 197, 199, 199 — 200, 
206, 207, 212, 213, 214, 224, 228, 229, 230, 242, 245, 250. 

3) De Katholiek: jg. 1913, dl. I, blz. 150—158; id. l.c, blz. 462—463. 

4) Aangehaald in de Katholiek: jg. 1858, dl. II, blz. 373—375- 



69 

samen nieuwelingen, dewelcke (nae 't ghevoelen van Pauli I Tim. III) 
niet ivaerdich noch bequaetn gekent en worden om het predick- 
ampt te bedienen. Sy waren meest al te samen tnispri esters ende 
cloosterlieden gheweest, die het pausdom gheensins verlaten hadden, 
maer van den pausdom verlaten waren. Want hare waer ofte 
coopmanschap van missen te lesen ofte singhen voor den leven- 
dighen ende dooden, insgelycken om vigiliën, om litaniën voor 
de dooden te lesen en dierghelycken seer veel dinghen meer te 
houden (dewelcke den daghelicschen penninck inbrachten, waer- 
van sy lieden met haren bysitten ende kinders leven souden) en 
woude niemand meer copen. Waerom sy door hongersnoot ofte 
gebreck van 'tjaerlicx ende dagelicx incoemste gedwongen, niet 
willende bedelen, en tot gheen andere arbeid geschikt, thans 
meer schaden met haer predicken, dan sy oyt met haren missen 
doen ghedaen hebben. 

Als sy mispriesters waren, en quam niemant om de misse te 
hooren dan deghene die anders niet en wisten, dan dat het misse 
hooren een hcerlick werck was. Maer onder het decksel van 
't Evangelium te predicken, den vrede te vercondighen, ende den 
alleen eenigen God alle lof, eere ende prijs toe te schryven, de 
toehoorders tot onvrede, tot haet ende nyt, tot partijschap aen 
te sporen ende haren naesten in Christum gelovenden ... te lasteren, 
verdoemen, ketteren ende schelden : ende haer lieder toehoorders 
meer op hare kerk, meer op hare gemeente te wysen dan op 
Christum: so ergeren sy ontallicke veel menschen, en waer hun 
beter, dat zy den wcch der waerheyt niet gheweten hadden, 
mispriesters ende cloosterlieden gebleven waren, dan dat sy onder 
het decksel des Evangelii, hun voor predicanten des Evangelii 
uytgeven ende doch in der waerheyt niet en syn. Neffens de 
mispriesters liepen oock veel van ambachtslieden onder de 
predicanten, cleermakers, schoenmakers, wevers, slootmakers ende 
in summa van alderhande sorteringhe van ambachtslieden meest 
alle meer om een luy leven ende seeckere jaerlicx incoemst te 
hebben, dan om de eere Godes ende stichtinge der kercken Christi 
te vorderen. Want wie te dier tyt (ghelyck oock noch hedens- 
daechs by allen partyen geschied) meest op d" andere partyen, 
en oock op de vreedsame onpartydige wisten te lasteren, te 
schelden ende te smaden, waren de beste ende worden noch 
gehouden voor de vroomste ende yverichste predicanten ende 
leeraers der kercken Godes". 



Maar reeds in datzelfde tijdvak, in het laatste vieren- 
deel der i6de eeuw, toen de bedorven elementen de 



70 

kerk verlaten hadden of van haar waren afgesneden en 
tot het ontluikende protestantisme, zeer te zijnen nadeelc, 
waren overgegaan, was de opluiking der gezuiverde 
katholieke kerk in vollen gang. Aan de zijde van 
Sasbout Vosmeer schaarden zich talrijke priesters van 
onbesproken levensgedrag en onbaatzuchtigen zielen- 
ijver, die met waarlijk apostoHschen werklust bezield, 
arbeidende dag en nacht, het zinkende trachtten te 
redden en het verlorene poogden te herwinnen. En van 
deze ijverige priesters zijn in Amstelland en in de 
onmiddellijk daaraan grenzende parochiën de namen, 
en van een priester zelfs de gedenkstukken van zijn 
arbeid, bewaard gebleven. Wij bedoelen het doop- en 
huwelijksregister van pastoor Gerardus Jeegers van 
Abcoude, waarin met haastige hand en hier en daar 
met potlood werden opgeteekend de namen der ver- 
schillende familiën — verspreid over 22 dorpen of 
gehuchten — onder wie deze werkzame priester zijne 
heilige bediening heeft uitgeoefend. Het register loopt 
over de troebele jaren van 1573 tot 1578 en berust 
op het rijksarchief in Limburg ^). 

En blijkens de kerkvisitatie van 1593 hield zich te 
Mijdrecht „een paep" op, Anthonius Godefridus ge- 
heeten, te Pelt in het land van Luik geboren „dewelcke 
den dienst [der protestanten] dagelyx groote verstooringe 
doet." Zelfs had hij ruiterlijk bekend in het geheim te 
doopen en te trouwen, en zijne werkzaamheid uit te 
strekken over „alle dorpen oock onder Hollant gelegen" ^). 
Overal in de proosdij kwam „een paep" prediken, Gerrit 
genaamd en wonende te Amsterdam „tot groote ver- 



1) Geschiedkundige Bladen: Amsterdam, E. van der Vecht, jg. I, 
blz. 108—109. Voor de geslachtskunde der oude familiën in Amstelland 
zou de uitgave van dit register een alleszins merkwaardige bijdrage wezen. 

2) Bijdr. en Meded. v. h. Hist. Gen.: l.c, blz. 237—238. 



71 

stooringe van den kerckendienst ende ophoudinge van 
't volck" 1). 

Bovenal echter heeft men zich te Abcoude met hand 
en tand tegen de invoering van het gezuiverde Evangelium 
des protestantismus verzet. In de genoemde kerkvisitatie 
klaagde de predikant van Abcoude zeer ernstig over 
„een paep, die wt Hollant daer quam predicken op 
alle sondagen" ; ook was, naar 's mans getuigenis, te 
Abcoude nog een andere „paep" woonachtig, Peter 
Claessz. genaamd uit Amsterdam „dewelcke dagelycx 
hem onderstaet sijnen dienst te verstooren met heymelyck 
te doopen ende te trouwen". Zelfs ging de Roomsche 
„stoutichheyt" te Abcoude zoover, dat bijna dagelijks 
kaarsen op de altaren werden ontstoken „tot groot 
schandael van alle passanten ende tot bedroeffenisse van 
hem [den predikant] en allen vroomen""^). Geen wonder 
dat de predikant, wiens naam van elders blijkt Pieter 
Jansz. te wezen, te Abcoude het veld moest ruimen, en 
op de particuliere synode van Edam, gehouden den 
14611 Juni 1604 „raedt ende assistentie" verzocht „met 
presentatie van zijnen dienst" ^). In 1606 werd her- 
haaldelijk, blijkens klachten van predikanten, door den 
pastoor van Ouderkerk te Kudelstaart gepredikt"*); ook 
waagde hij het „de luyden" te hertrouwen ^). In 1619 
werden klachten vernomen over paapsche vergaderingen 
te Waveren, waartoe velen van de protestanten getogen 
waren ®). 

Uit al deze mededeelingen blijkt, dat de goede 

1) L.c, blz. 239. 

2) L.c, blz. 232—233. 

3) Reitsma en Van Veen: l.c, blz. 360-361; Vgl. het Jaarboekje 
Niftarlake, 1 9 1 3 , blz, 4 3 — 44. 

4) Bijdr. V. H.: dl. XXVIII, blz. 296—297; id. l.c, blz. 301. 

5) L.c, blz. 302. 

6) Bijdr. V. H. : dl. XXVIII, blz. 301. Vgl. Bjdr. v. H. . dl. XIV, blz. 47. 



72 

katholieken, in deze treurige jaren, van onvermoeide en 
zorgzame priesters niet verstoken waren ; en, waar dezen 
mochten ontbreken, daar traden, volgens het getuigenis 
van Vosmeer, Iceken in hunne plaats, om gezamenlijk 
met de geloovigen te bidden, homelieën aan hen voor te 
lezen en feesten en vastendagen bekend te maken ^). 
Inderdaad aan de katholieken op het platte land tusschen 
Utrecht en Amsterdam werd groote vrijheid van handelen 
gelaten; zelfs konden zij, zooals Vosmeer zegt 2), op 
klaarlichten dag en onder de oogen der kettcrsche 
predikanten hunne bijeenkomsten houden. Onder de 
predikanten werd dan ook op hunne synoden over de 
„openbaren tsamenloopinge der papisten, welcke so in 
den steden als ten platten lande dagelicx toenemen", 
herhaaldelijk geklaagd 3), zoodat de Staten van Holland 
de reeds bestaande plakkaten verscherpen en de te be- 
loopen boeten ook moesten uitstrekken tot die „samen- 
coemsten ende conventiculen", waarbij geen „paep oft 
munnick" aanwezig was. Ook zij, die zich door „papen 
oft munnicken" opnieuw lieten trouwen of doopen, „mits- 
gaders dengenen die daerby ende present geweest syn" *), 
werden onder de gestelde strafbepalingen begrepen. Zoo 
kon geen doopsel, geen huwelijks-inzegening, geen onder- 
richtend of opwekkend woord — zelfs niet meer door 
een vromen leek — gehouden worden, indien de letter 
der plakkaten gehandhaafd werd. Maar, gelijk uit de 
Annalen van Dusseldorp blijkt, werd aan de uitvoering 
der plakkaten niet overal even gestreng de hand gehouden. 
Zelfs verhaalt hij, dat de Staten, die de plakkaten hadden 



1) Arc/i. V. Utr.: Insinuatio Status Provinciarum, dl. XVII, pag. 156. 

2) L.c, pag. 152-153. 

3) Reitsma en Van Veen: l.c, blz. 135, 147, 161, 165, 186, 199, 
216, 294, 341, 364, 381, 392. 

4) L.c, blz. 199 — 200. 



71 

uitgevaardigd, niet eens vvenschten, dat deze in de gewone 
gevallen strikt werden uitgevoerd, maar tevreden waren, 
indien de bedreigde strafifen van al te stoute overtredingen 
terughielden. Indien het noodig mocht wezen, konden 
de plakkaten toch altijd worden toegepast i). Vandaar 
echter die voortdurende en pijnlijke onzekerheid, waar- 
onder de katholieken leefden. Zij waren overgeleverd 
aan de willekeur van den uitvoerder der wet, den schout 
of baljuw. Zulks ondervonden de katholieken te Ouder- 
kerk, toen zich de baljuw en dijkgraaf van Amstelland, 
Boudevvijn van Lockhorst vervoegde ten huize van 
Mr. Jan, den len Juli 1644, om te onderzoeken of daar 
iets tot het houden van „conventiculen geapproprieert" 
was. Doch er werd niets gevonden, gelijk ook in de 
verscheidene voorts gevisiteerd zijnde boerenhuizen van 
de roomschgezinden : alleen bij Dirk Jansen in de Waart- 
huizen werd op een kelderkamertje in een houten kast 
met drie laden een crucifix aangetroffen met twee kasuifels 
„dewelcke ten overstaen van den schout en schepenen" 
werden medegenomen, geconsigneerd en verzegeld ^). 

Het wil mij echter voorkomen, dat in 1644 ir* de 
Waarthuizen geen geregelde samenkomsten van roomsch- 
gezinden meer gehouden werden, daar èn te Ouderkerk èn 
te Nes en Swaluwebuurt, volgens van elders ons bekende 
gegevens, al veel vroeger eene gevestigde Statie bestond '^). 
Trouwens het weinige kerkegoed aldaar aangetroffen en 
het gemis van banken of stoelen geeft genoegzame 
zekerheid, dat de boerderij van Dirk Jansen als ge- 



i) Annaks Francisci Dtisseldorpii: uitg. Fruin, 's-Gravenhage, Martinus 
Nijhoff, 1894, pag- 254 — 255; Vgl. Klóttne, B. H.: Amslelodamensia, 
Amsterdam, F. H. J. Bekker, 1894, blz. 126 — 127. 

2) fiydr. V. H.: dl. VIII, blz. 198. 

3) Batavia Sacra: p. II, pag. 413; Kerkelijk Nederland: jg. 1852, 
's-Hertogenbosch, Gebr. Verhoeven, blz. i. 



74 

regelde vergaderplaats door de katholieken verlaten was. 

Het protestantisme is in Ouderkerk slechts zeer lang- 
zaam en dan in geringe mate binnengedrongen. Dit blijkt 
allereerst uit het feit, dat Ouderkerk bij den overgang 
van Amsterdam in 1578 geen eigen predikant ontving, 
maar kerkelijk werd ingedeeld bij het op een groot uur 
afstands gelegen Amstelveen, waar het protestantisme 
onder den ambachtsheer Mr. Willem Bardesius, die 
van het katholieke geloof was afgevallen, meer hoop 
op slagen bood. Het duurde evenwel tot 1586 eer de 
eerste predikant werd aangesteld in den persoon van 
Gerardus Pauli, die, niet „waerdich noch bequaem" zijnde 
om het predikambt te bekleeden, reeds het volgende 
jaar uit zijne bediening ontslagen werd ^). 

Sinds 1595 was Ouderkerk in het kerkelijke ingedeeld 
bij Diemen, hetgeen om den verren afstand en de vooral 
des winters onbegaanbare wegen al even weinig voor 
het godsdienstige leven der protestantsche Ouderkerkers 
bevorderlijk was. Eerst in 1596 kreeg Ouderkerk zijn 
eigen predikant in den persoon van Joannes Altenhovius ^). 
Vandaar kan het ons maar weinig verwonderen, dat in 
1603, toen de gebarsten torenklok naar Amsterdam werd 
opgezonden om hergoten te worden — bij de heerschende 
verwarringen des geestes en het onbeslist blijven van het 
pleit der strijdende partijen ^) — die klok geheel hersteld 
maar naar ouden roomschen trant, met de namen van 
„Jesus, Maria, Joannes en Urbanus onsen patroon" in 
den klokkenmantel, zonder eenig verzet, in de inmiddels 

i) Zelfs Amsterdam had gebrek aan welopgevoede predikanten. 

2) IVillink, Daniel: Amstellandsche Arkadia, 't Amsterdam bij Arent 
van Huyssteen, 1737, dl. I, blz. 132; Reitsma en Van Veen: l.c, dl. I, 
blz. 268. 

3) Hoynck van Fapendrecht, A'(9/-«f//.f, /"««/«j.- Historie der Utrechtsche 
Kerke, te Mechelen bij Laurens van der Eist, 1728, blz. i6\ Bijdr.v. H.: 
dl. VII, blz. 153. 



75 

hervormd geworden parochiekerk opnieuw werd opge- 
hangen i). Nog in 1653 werd vanwege de classis van 
Amsterdam bij den baljuw van Amstelland geklaagd ^) 
„dat hij [de baljuw] in de dorpen van Ouderkercke en 
Diemen met veranderinge van de magistraat hadde 
ingebracht paepsche regenten." En later in 1658 waren 
te Ouderkerk, zegt Knuttel ^), twee schepenen, een 
arm- en een kerkmeester en vier buurtmeesters uit de 
katholieken aangesteld. Zelfs in Juni 1667 waren nog te 
Ouderkerk „drie paepse schepenen, drie buertmeesters 
en een huyssittenmeester" ■*). 

Het juiste tijdstip evenwel, waarop de katholieken 
zich te Ouderkerk in het onvermijdelijke schikten en 
uitzagen naar een hooihuis of schuurkerk, waar zij ge- 
regeld hunne godsdienstoefeningen konden houden, is bij 
gemis aan bescheiden met geen genoegzame zekerheid 
te zeggen. Wel is bekend, dat zij daarvoor uitkozen de 
boerderij „Vredebest", gelegen in dat gedeelte van den 
Ronden Hoeper-polder, hetwelk op de kaart van Gerrit 
Drogenham met den naam van Buiten-Bullewijk staat 
aangeduid '). Maar wanneer juist de eigenaar van „Vrede- 
best" zijne boerderij aan de katholieken verkocht of in 
bruikleen heeft afgestaan, is niet bekend. In de archieven 
van het R.K. Armen-kantoor te Amsterdam, waaraan 
op het oogenblik deze bocreplaats toebehoort, viel geen 
licht te ontsteken, daar de koopacten niet verder reiken 
dan tot 171 5, toen „Vredebest" werd aangekocht. 



i) Bijdr. V. H.: dl. XXXIV, blz. 427-428. 

2) L.c, dl. XIV, blz. 299—300. 

3) Knuttel, IV.' P. C: De toestand der Nederlandsche Katholieken 
ten tijde der Republiek, dl. I, blz. 351. 

4) BiJdr. V. H.: dl. XIV, blz. 331. 

5) Bijdr. V. H.: dl. XXXIV, blz. 209—210. 



76 

Als eerste pastoor na de Hervorming te Ouderkerk 
wordt genoemd Joamtes Vonck, Fonckius ook Ftmckius 
geheeten, Amsterdammer van geboorte en licentiaat in 
de godgeleerdheid. Blijkbaar oordeelde Vonck het niet 
raadzaam te Ouderkerk in zijne Statie verblijf te houden, 
daar hij in 1622 te Amsterdam woonde „aldernaest 
de Brouwerije van de Lely op den Amstel" ^). Op be- 
paalde tijden werd, naar het getuigenis van Rovenius ^), 
naar Ouderkerk getrokken om de geestelijke belangen 
der katholieken aldaar te behartigen. 

In 161 7 komt Fonckius voor onder de priesters die 
de partij opnamen voor het aangevochten beleid van 
Sybrand Sixtius, in zake de geschillen van de Streek 
bij Hoorn •'^), en laat hij het betreffende acte-stuk, gewis 
bij verhindering of mogelijke afwezigheid, namens hem 
onderteekenen door Jacobus Vligerus *). Bij den dood 
van Lyropius, kanunnik van het voormalige kathedrale 
kapittel van Haarlem, wordt Fonckius den 23en April 16 18 
in diens plaats gekozen, en op denzelfden dag ten huize 
van Joannes Duvius plechtig in zijn stal gezet "). 

Blijkens de verhandelingen in de kapittel-vergadering 
van 26 Juni 1628 was Fonckius, buiten weten van zijne 
overheid reeds meer dan twee jaren uit de diocese, en 
bepaalde men, dat hij door Catzius, onder ernstige be- 
dreiging van verlies zijner prebende, zou worden aan- 
geschreven om binnen zes maanden terug te keeren ^). 
Den 5en December 1628 vernamen de kapittel-heeren, 



1) Bijdr. V. H.: dl. XVIII, blz. 50. 

2) Arch. V. Utr.: dl. XX, blz. 369. 

3) BiJdr. V. H.: dl. I, blz. 244, 322 env. 

4) Bijdr. V. H.: dl. X, blz. 12. 

5) Bijdr, V. H.: dl. I, blz. 327; id. dl. X, blz. 14, noot 4, waar 
abusievelijk, zeker een drukfout, gesproken wordt van 13 April. 

6) Bijdr. V. H.: dl. X, blz. 22—23. 



77 

dat Fonckius op het oogenblik te Trier in het novitiaat 
bij de Jesuieten was, en tot terugkeeren niet kon ge- 
dwongen worden ^). Maar hij keerde nimmer terug ; want 
bhjkens een schrijven van 15 October 1630 was hij in 
de Orde der Jesuieten opgenomen, en stelde hij zijne 
prebende ter beschikking van het kapittel 2). 

Den Qen Januari 1631 werd tot kanunnik, in de plaats 
van Fonckius, Joannes Beenius gekozen 3). 

Fonckius leefde als Jesuiet slechts enkele jaren ; in 
1633 stierf hij te Gent, waar hij zich gaf aan de ver- 
zorging der pestlijders *). 



yoafines Bargins, de opvolger, van Fonckius, moet 
niet verward worden met zijn naamgenoot, den bekenden 
Jesuieten-pater, die sinds 1593 als missionaris in Zuid- 
en Noord-Holland en in Friesland met veel vrucht 
werkzaam was, doch niet onder algeheele goedkeuring 
van zijne kerkelijke Overheid &). Joannes Bargius, de 
Jesuiet, stierf te Haarlem den i6en JuH 1600, terwijl de 
gelijknamige pastoor van Ouderkerk eerst omstreeks 
1626 zijn pastoraat aanvaardde. Van pastoor Bargius 
is bekend, dat hij met zijn buurtpastoor van Abcoude, 
Joannes Visscher, in oneenigheid geraakte over de grenzen 
van hun beider geestelijk grondgebied*^). Ook de geloovigen 
mengden zich in dat herderlijk geschil, zoodat zij bij 



1) Bijdr. V. H.: dl. X, blz. 24. 

2) Bijdr. V. H.: dl. X, blz. 34. 

3) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 345; id. dl. X, blz. 26. 

4) Hist. Ep. Harl.: p. 126. 

5) Bijdr. V. H.: dl. IV, blz. 429; id. dl. X, blz. 60, 62; Arch. v. 
Uir.: dl. I, blz. 227, 228; id. dl. III, blz. 407; id. dl. IV, blz. 94; 
ld, dl. V, blz. 306; id. dl. VI, blz. 405. 

6) Bijdr. v. H. : dl. VI, blz. 299 ; Huurdemaji, D. : Geschiedenis van 
de parochie Abcoude, blz. 10. 



7S 

het ter kerke gaan vaak harde en scherpe woorden 
wisselden. Pastoor Bargius echter spoorde de zijnen tot 
matiging aan. In October 1633 werd, vanwege het 
kapittel, de grensregehng van Amsteiland nader vast- 
gesteld 1). 

Het wonen op de boerderij „Vredebest" was gewis 
in de dagen van pastoor Bargius allesbehalve begeerens- 
waardig. Zoo wordt in een octrooi, verleend aan de 
ingelanden van den Ronden-Hoeper-polder, den I4en 
November 1637 medegedeeld, dat het stijgende Amstel- 
water vooral des winters over den dijk vloeide en de 
landen deed onderloopen, zoodat de dijk verhoogd moest 
worden, en drie „suffisante" achtkante watermolens ge- 
plaatst werden. En later in 1673, 1674 en in 1675 klagen 
wederom de ingelanden, dat de polderdijk door het 
hooge water op verschillende plaatsen was weggespoeld 2). 

Hoelang pastoor Bargius de herderlijke bediening te 
Ouderkerk heeft waargenomen, kan met geen juistheid 
gezegd worden. Maar in het verslag van den Vicaris 
Apostoliek, Philippus Rovenius, dateerend uit het jaar 
1638, wordt als pastoor V3in Onderkerk Henrütis Munter- 
genoemd, baccalaureus in de godgeleerdheid. De Statie 



1) Bi/dr. V. H.: dl. VI, blz. 299 — 300. 

2) Archief v. d. Ronden- Hoepei-polder : No. i en No. 3. Zelfs in onze 
dagen dreigde die polderdijk meermalen door de kracht van het Amstel- 
water te bezwijken. Zoo in 1876 en wederom op S. Cecilia-dag, den 
22en November 1883, des morgens ten 4 uren ten zuiden van het dorp 
over de sluis van den Bovenkerker-polder lusschen de batterij en de 
woning van P. van den Wal. Gelukkig werd de verzakking van den 
dijk nog bijtijds gekeerd. Er was reeds zooveel water in den Ronden- 
Hoeper-polder geloopen, dat het uit de pastorie zichtbaar was. Eerst 
des morgens ten 7 uren was men het gevaar meester. Niet lang daarna 
den i6en December 1883 had eene nieuwe verzakking plaats tusschen 
het zoogenaamde eiland en de boerderij iMarialust" van R. Pouw. 

Den 29en September 1889 verzakte de polderdijk tusschen de pastorie 
en de boerderij van G. Hogerhout. 



79 

zou toen minstens looo communicanten geteld hebben 
en weinig ketters i). Het eerste valt te betwijfelen, het 
tweede wordt ook van elders bevestigd. 



Uit de verhandelingen van het kapittel van den 
6en April 1655 blijkt dat toen pastoor Munter was 
opgevolgd door Ambrosiiis Outezvael, regulieren kanunnik 
van den H. Augustinus, aan wien, gelijk ook aan de 
andere pastoors buiten Amsterdam, de bevoegdheid 
werd ontnomen om zijn herderlijk ambt in de stad 
zelve uit te oefenen ~). 

Zoowel in de Batavia Sacra '^), als in het verslag door 
Jacobus de la Torre in 1656 opgesteld*), krijgt Ambrosius 
Outewael de eervolle vermelding van een „serius pastor", 
een ernstig en degelijk herder te wezen. 

En dan heeft zijn ernst zich gewis ook uitgesproken 
in zijn ijver voor den luister van zijn nederig bedehuis. 
Want nog heden bezit de tegenwoordige parochiekerk 
van Ouderkerk, behalve kostbaar zilverwerk uit het 



i) Arch. V. Utr.: dl. XI], hlz. 418. 

2) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 446. Pastoor Nieman te Schoorl, die 
indertijd als kapelaan van Ouderkerk, vol belangstelling was voor hare 
kerkgeschiedenis, heeft in zijn bibliotheek een Heiligenleven, geschreven 
door Henricus Adriani priester tot Antwerpen en gedrukt bij Hieronymus 
Verdussen tot Antwerpen in 1609, waarin op het schutsblad onder ver- 
schillende andere aanteekeningen vermeld staat, dat Pater Outewael in 
de jaren 1649 — 1654 te Amsterdam kinderen heeft gedoopt. Daar het 
nu onzeker is, wanneer pastoor Munter gestorven is, zou hieruit kunnen 
besloten worden, dat Pater Outewael eerst na 1654 als pastoor te 
Ouderkerk kwam ; maar het zou ook als bewijs kunnen gelden van zijn 
al te grooten priesterlijken ijver gedurende de eerste jaren van zijn 
pastoraat te Ouderkerk. Zelfs is nog eene andere veronderstelling mogelijk, 
dat nl. Pater Outewael, die te Amsterdam doopte, een andere persoon 
was, dan de pastoor van Ouderkerk. 

3) L. c, pag. 413. 

4) Arch. V. Utr.: dl. XI, blz. 141. 



8o 

midden der i/^e eeuw i) een verguld-zilveren mon- 
strans van ± 1660, waarop onder de Heiligen-figuren 
S. Augustinus staat uitgebeeld. Ambrosius Outewael 
overleed te Ouderkerk der I3en Augustus 16582). 



Tot opvolger van Outewael werd zoowel door het 
kapittel als door den Vicaris Apostoliek, Jacobus de la 
Torre, benoemd Willem Coopenal^ Coopal, Copallius, 
die 'sjaars tevoren den 2oen November 1657 was aan- 
gesteld tot pastoor der S. Nicolaas te Amsterdam als 
opvolger van Henricus Ebbius 3). 

Willem Coopal „strenue laborans", een krachtig werk- 
man in den dienst Gods ^), was kanunnik van het zoo- 
genaamde kapittel en voerde den titel van aartsdiaken °) ; 
hij behoorde ook tot het geslacht en was de naamgenoot 
van Willem Coopal, die bij den dood van Haarlem's 
tweeden bisschop door het kapittel tot vicaris gekozen ^), 
en door Sasbout Vosmeer zoo hoogelijk geprezen werd 7). 

De nieuw-benoemde pastoor was te Spierdijk geboren, 
stond in 1637 als pastoor te Obdam, in 1638 te 
Purmerend *), in 1656 te Monnikendam^) en in 1657 te 
Amsterdam 1*^). 

Waarschijnlijk heeft Coopal zich te Amsterdam in 



1) Bijdr. V. H.: dl. XXXIV, blz. 211. 

2) Hist. Ep. Harl.: pag. 126. 

3) Bijdr. V. H.\ dl. III, blz. 447; id. dl. XV, blz. 378. 

4) Bijdr.: dl. XVII, blz. 65. 

5) Bjdr.: dl. XXII, blz. 335. 

6) Bijdr.: dl. I, blz. 219. 

7) Fruin: Annales Francisci Dusseldorpii, inleiding, blz. XCIII. 

8) Arck. V. Utr.: dl. XII, blz. 418; Bat. Sacr.: p. II, pag. 438. 

9) Arck. V. Utr.: dl. XI, blz. T43. 

10) Bijdr. V. H.: dl. XXXI, blz. 264—265. 



8ï 



zijne herderlijke bediening niet op zijn gemak gevoeld: 
hij liet zich eene benoeming naar het rustiger Ouderkerk 
welgevallen, en ontving zijne aanstellingsbrieven uit de 
handen van den Vicaris Apostoliek ^). 

Toch heeft Coopal nimmer van zijne nieuwe Statie 
Ouderkerk bezit genomen ; hij is te Amsterdam gebleven, 
blijkbaar tegen zijn zin, en daar gestorven den 5en October 
1662 ^). Wat was het geval ? Waarschijnlijk werd Outewael 
in zijne laatste levensdagen ter zijde gestaan in de pasto- 
reele bediening door een Poolschen Jesuiet, Simon Clein, 
die, bij den dood van Outewael, steunende op gemeende 
of vermeende rechten, van de opengevallen Statie bezit 
nam; en, ondanks de duidelijk uitgesproken afkeuring 
over zijne handelwijze zoowel door het kapittel als 
door den Vicaris Apostoliek, zich als pastoor durfde 
handhaven ^). 

Een schrijven, waarin Simon Clein zich rechtvaardigde 
of zijne handelwijze nader verklaarde, is bij het kapittel 
nooit ingekomen. Simon Clein was den 26en Maart 1626 
te Amsterdam geboren en stierf te Ouderkerk den 
I3en Februari 1679'*). 

Zijn lijfspreuk, zinspelend op zijn naam, luidde: met 
weinig tevreden „parvo contentus". Onder zijn beeltenis 
werden naar de gewoonte dier dagen in Latijnsche 
verzen de voortreffelijke eigenschappen verheerlijkt, welke 



1) Bi/dr. V. H.: dl. VI, blz. 306; id. l.c, dl. XV, blz. 381—382. 

2) Bijdr. V. H. : dl. XV II , blz. 65 ; de Katholiek : jg. 187 1, dl. I, blz. 346. 
In deel XXII, blz. 335 der Bijdragen wordt abusievelijk gezegd, dat 
W. Coopal te Amsterdam is gestorven den 156", in plaats van den 
56" October. 

3) Bijdr. V. H. dl. VI, blz. 306. 

4) Hist. Ep. Harl. : pag. 127 ; Necrolog. Dioec. Harlem. : De Katholiek : 
jg. 1872, dl. II, blz. 238. In de Oudheden en Gestichten van Noord- 
Holland, blz. 278, lees ik, dat Simon Clein overleden is in 1697. 
Blijkbaar een drukfout. 

6 



82 



hij als pastoor had aan den dag gelegd ^). Jammer dat 
door van Heussen over 's mans wederrechterlijk optreden 
geen enkel woord, hetzij tot zijn eer, hetzij tot zijn 
oneer, wordt in het midden gebracht. 



Nicolaas van der Meer^ die op Simon Clein in de 
pastoreele bediening der Statie volgde, behoorde tot de 
scherpzinnige en voorzichtige priesters van zijnen tijd, 
en werd door den provicaris Josef Cousebant in diens 
descriptio sacerdotum van 1688 als „vir doctus et prudens" 
geprezen ^). 

Nicolaas van der Meer was te Schagen in 1652 uit 
een aanzienlijk geslacht gesproten *) ; deed te Leuven 
in het zoogenaamde collegie „van 't Varken" „in porco" 
zijne wijsgeerige studiën, waarbij hij den i len November 
1670 van de 139 mede-studenten de twaalfde was-^). In 
de godgeleerdheid behaalde hij den graad van baccalaureus, 
werd priester gewijd en stond enkele jaren als onder- 
pastoor te Noordwijk. In 1679 werd hij tot pastoor be- 
noemd van „Bullewijk en Ouwerkerk" ^) ; doch reeds in 
1686 bij den dood van Joannes Wandelman 7), kwam 
zijne aanstelling tot pastoor der Statie de I.ely, later 
de S. Catharina, destijds op een na de grootste statie 
van Amsterdam ^). Hij woonde te Amsterdam op den 



1) Hist. Ep. Harl.: pag. 127. 

2) Bat. Sao:: p. II, pag, 412— 413. 

3) Bijdr. V. H.: dl. V, blz 109. 

4) Hist. Ep. Harl.: pag. 127; Bijdr. v. //. : dl. VII, blz. 324; id. 
dl. XIV, blz. 145—147; Bat. Sacr.: p. II, pag. 408. 

5) Bijdr. V. H: dl. XIV, blz. 145. 

6) Arck. V. Utr.: dl. IV, blz, 129. 

7) Arch. V. Utr.: dl. XVIII, blz. 286; Hist. Ep. Harl.: l.c. 

8) Arch. V. Utr.: dl. X, blz. 22. 



83 

„agterburghwal" ^). Den i/en Juli 1687 staat hij genoemd 
onder de geestelijken die te Amsterdam „in jurisdictie 
bekent en geadmitteert" zijn ^). 

Als pastoor van Amsterdam werd hij gekozen tot lid 
van het zoogenaamde kapittel van Haarlem. Wanneer 
dat juist geschiedde, of hij zijn voorganger in het pastoraat 
Joannes Wandelman ook als kanunnik in het kapittel 
opvolgde, blijkt niet, daar in de handelingen van het 
kapittel over de jaren 1683 — 1693 zoo goed als niets 
staat opgeteekend, behoudens enkele onbeduidende 
bizonderheden over het inzamelen van gelden voor het 
collegie Pulcheria. Later volgde zijne aanstelling tot Deken 
van het kapittel 3) en den 2ien April 1716 zijne ver- 
kiezing tot de hoogste waardigheid van Vicaris-generaal"*). 

Door den internuntius Santini werd zijne benoeming 
tot Vicaris als eene gevaarlijke daad afgekeurd ^). En 
niet ten onrechte. Want, ofschoon de H. Stoel het 
Haarlemsche kapittel herhaaldelijk en met de meest 
duidelijke woorden had nietig verklaard ; het nooit anders 
dan gewaand kapittel „capitulum praetensum" had ge- 
noemd, en er alle uitoefening van geestelijke rechtsmacht 
aan had ontzegd: zoo hielden zich toch, zelfs de besten 
onder de kapittelheeren overtuigd, dat zij een wettig 
geconstitueerd kapittel vormden, en waren er altijd haastig 
bij, om, bij het ontstaan eener vacature, de opengekomen 
plaats aan te vullen. Niets kon hun strijdlust meer 
prikkelen, dan de over hunne rechten uitgesproken 

1) Bi/dr. V. H.: dl. XVII, blz. 78. 

2) Bi/dr. V. H.: dl. XV, blz. 228. 

3) Arch. V. Utr.: dl. VIII, blz. 312. 

4) Bijdr. V. H.: dl. VII, blz. 325. 't Is blijkbaar eene vergissing 
waar in de Bi/dragen dl. XVII, blz. 303 — 304 gezegd wordt, dat 
Nicolaas van der Meer »in 1716 Vicaris-generaal en in het jaar daarop 
Deken van het Kapittel benoemd werd." 

5) Arch. V. Utr.: dl. VIII, blz. 312. 



84 

twijfel, of, indien incn het waagde, hun college een 
pseudo-kapittel te noemen ^). 

Toch was Nicolaas van der Meer geenszins een 
Jansenistisch-gezind priester : als kanunnik en later als 
vicaris heeft hij immer de partij opgenomen van den 
Apostolischen Vicaris, en zich van alle geestelijk bestuur 
der Missie stiptelijk onthouden -). Daarom dan ook spreekt 
Mozzi minder nauwkeurig, waar hij schrijft, dat Van der 
Meer onder afhankelijkheid van den Internuntius van 
Brussel en den Apostolischen Vicaris van Bijlevelt „de 
diocese bestuurde" ^). 't Is wellicht om deze vindplaats, 
dat Frederik Muller in zijn beschrijvenden catalogus van 
7000 portretten Nicolaas van der Meer al vragende onder 
de geestelijkheid der clerezy wil rangschikken. Indien 
ooit iemand om zijne aanhankelijkheid aan Rome van 
de Jansenistische aanmatigingen heelt te lijden gehad 
dan is het juist Vicaris van der Meer, die eerst door 
den Jansenistischen pastoor Ahuys,dimissorialen vragende 
voor zekeren L. Aubert, die te Parijs had gestudeerd 
maar in de Fransche kerk te Amsterdam was gedoopt, 
op sluwe wijze werd op de proef gesteld "*), en aan wien 
later door Knotter en Steenoven, en op brutaler wijze 
nog door Barchman Wuytiers onderj twee getuigen werd 
aangezegd van zijn vicarisschap vervallen te zijn '^). Reeds 
in 1703 toen op den 7en April Paus Clemens XI tot 
alle katholieken der vereenigde Nederlanden eene breve 



1) Btj(ir. V. H.: dl. XXIV, blz. 96. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XX, blz. 228—229. 

3) Mozzi, Louis: Histoire des révolutions de l'église d'Utrecht, Gand, 
P. j, van Ryckegem, 1829, tom. II, pag. 143 — 144. 

4) Mozzi: l.c, tom. II, pag. 64 — 65; Bijdr. v. H.. dl. V, noot i, 
blz. 235 — 236. Op blz. 61 tom, II, l.c., schrijft Mozzi abusievelijk »le 
vicaire de Harlem Van der Meerj-ir/z. 

5) Mozzi: l.c, tom. Il, pag. 143—146; Bijdr. v. J7. : ó\. V, blz. 233 
env.; id. dl. XX, blz. 229. 



85 

richtte, waarin bekend werd gemaakt, dat Petrus Codde, 
aartsbisschop van Sebaste, om wettige en gewichtige 
redenen, uit zijn ambt van Apostolisch Vicaris was ontzet, 
en in diens plaats Theodorus de Cock tot provicaris 
was benoemd geworden^): behoorde Nicolaas van der Meer 
van den beginne af tot de meerderheid der goedgezinde 
kanunniken, die zich geheel en al van den afgezetten 
Vicaris afwendden, en zich met volle overtuiging aan 
den nieuwen provicaris de Cock onderwierpen. En later 
toen de Cock den tegenstand der weerspannige minderheid 
met zachtheid trachtte te breken, en aan haar hoogheids- 
waan, voor zoover het met zijn Apostolisch gezag ver- 
eenigbaar was, wilde te gemoet komen, door sommigen 
der aartspriesters de bevoegdheid te verleenen aan de 
geestelijkheid van hun district de H. Oliën uit te reiken, 
mits zij die vooraf aan hem hadden aangevraagd : was 
het wederom Nicolaas van der Meer, die, hoewel geen 
officieel tusschenpersoon bij de toenadering zoekende 
partijen, toch al zijne kracht en invloed bij de aarts- 
priesters aanwendde, om de vredelievende pogingen van 
den provicaris niet te doen falen -). 

Ook in 1707, toen Rome voornemens was Adam 
Daemen te benoemen tot Vicaris Apostolicus der Hol- 
landsche Missie, behoorde Nicolaas van der Meer tot de 
vijf kapittelheeren „die met deernis aangedaan over het 
algemeene gevaar van de Hollandsche zending, hunne 
medepriesteren niet alleen vermaanden en door alle be- 
denkelyke middelen zochten te beweegen om zich aan 
de geboden van den Heyligen Stoel eerbiediglijk te 
onderwerpen"^), maar zelfs den 1760 Mëi 1707, ondanks 



1) Btjdr. V. H.: dl. XVII, blz. 125. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XXIV, blz. 122. 

3) Hoyvck van Papendrecht : l.c, blz. 77-78. 



86 



den tegenstand van den toenmaals zoo machtigen Vicaris 
de Svvaen met zijne drie getrouwe volgelingen, bij de 
Staten van Holland een smeekbrief indienden, „om den 
persoon van Adam Daemen tot vicaris van de Roomsche 
katholyke binnen deeze landen te recommandeeren en 
smaakelijk te maken" ^). Waarlijk, zoo zegt Hoynck ') 
„deeze doorluchtige en roemwaardige daad eyscht, dat 
degene, die hier hunne naamen opentlyk gestelt hebben, 
bij de nakomelingen in volgende eeuwen gemeld en 
gepreezen worden." 

Den 8en Januari 1708 werd Adam Daemen tot 
Apostolisch Vicaris aangesteld en gewijd tot aartsbisschop 
van Adrianopel, maar door tegenwerking der Jansenistische 
partij werd hem bij placaat door de Staten van Holland 
de uitoefening van zijn Apostolisch Stedehouderschap 
ontzegd 3). Ook in het Haarlemsche kapittel stak de 
weerspannige partij het onbuigzame hoofd wederom op, 
en durfde zij, gebruik makende van de onmacht des 
Apostolischen Vicaris, een aan het kapittel toebehoorend 
huis of kerk op de Brouwersgracht te Amsterdam in 
huur afstaan aan den volslagen Jansenist Schu(i)cking. 

Deze onwettige en heiligschennende daad lokte in de 
kapittel-vergadering van 1 709 bij Nicolaas van der Meer 
een openlijk woord uit van verzet, ofschoon — schande 
genoeg — de andere goedgezinde kanunniken allen een 
diep stilzwijgen bewaarden. En wederom in de ver- 
gadering van 14 April 171 1 herhaalde Van der Meer 
zijn vroeger uitgesproken protest tegen het verblijf van 
een Jansenistischen priester in een aan het kapittel toe- 
behoorend gebouw. Waren toen nog de goedgezinden, 



1) Hoynck: Aanhangzel van de Historie der kerke van Uitrecht, blz. 72. 

2) L.c, blz. 78. 

3) Hoynck: l.c, blz. 78. 



87 

die de meerderheid hadden, Van der Meer bijgevallen, 
de kerk op de Brouwersgracht te Amsterdam zou voor 
de katholieken bewaard zijn gebleven. Eerst later toen 
Schucking vervangen werd door den vinnigen Jansenist 
Th. Donkers, destijds secretaris van Codde, durfden de 
goedgezinde kanunniken in de vergadering van 6 October 
17 II eenparig hunne stem verheffen tegen deze ver- 
nieuwde heiligschennende daad, maar gevoelden zich 
toch te zwak om tegen den onwaardig ingedrongen 
priester handelend op te treden ^). 

En sinds 17 16, toen Van der Meer zelf tot Vicaris 
van het kapittel was gekozen en de hooge vergadering 
nog geenszins van alle Jansenistische gezindheid bevrijd 
was 3), heeft Vicaris V. d. Meer zich zorgvuldig van 
alle geestelijk bestuur der Missie onthouden en den 
Apostolischen Vicaris Joanncs van Bijlevelt met inderdaad 
voorbeeldige aanhankelijkheid ter zijde gestaan. Zoo 
weigerde hij den 5en December 1726 volstandig zich 
met de benoeming van Spont of Spout tot pastoor te 
Limmen in te laten, ofschoon de president der Staten, 
die een neef was van den voorgedragen pastoor, hem 
tot den deken en Vicaris-generaal van het kapittel ver- 
wezen had. Van Bijlevelt zelf heeft Vicaris Van der Meer 
om zijn optreden in deze aangelegenheid hoogelijk 
geprezen •^). 

Op het laatst van zijn leven was Nicolaas van der Meer 
„rustend" *), maar hij bleef Vicaris tot aan zijn dood ■>), 



1) Bi/dr. V. H.: dl. XV, blz. 218 — 223; id. dl. XVII, blz. 304-306. 

2) Bijdr. V. //.: dl. II, blz. 320. 

3) Bijdr. V. II.: dl. V, blz. 424—425; id, dl. XIII, blz. 284. 

4) Arch. V. Utr.: dl. I, blz. 310. Hendrik Grasper, zegt het doop- 
boek van Ouderkerk, is te Amsterdam gekomen, in plaats van den 
Eerw. Heer N. van der Meer, den 5en Juli anno 1728. 

5) Bijdr. V. H.. dl. XVII, bh. 321. 



88 



die inviel op 76-jarigcn leeftijd te Amsterdam den 
27en Juli 1728. Hij werd den 3ien Juli in de Nieuwe 
kerk te Amsterdam begraven ^). 

In de pastorie der S. Catharina-kerk te Amsterdam 
hangt onder de deftige verzameling pastoors-portretten 
ook dat van Nicolaas van der Meer, geschilderd op doek 
door A. de Coxie: een kniestuk, waarop de kop naar 
rechts, de linkerhand op een opengeslagen boek, en de 
rechterhand met een pen leunend op een stoel. Aet. ^6. 

Kramm zegt van A. de Coxie 2), dat hij de kunst 
voor uitspanning beoefende, daar er van hem bijna geen 
werken voorkomen met zijnen naam geteekend dan alleen 
een portret van Nicolaas van der Meer, waarnaar door 
F. M. la Cave eene gravure werd vervaardigd, onder 
hetwelk een tienregelig Hollandsch vers stond. 



Willem Abbekerk — ook Abbekerck^) en Abbekercketi*) 
genoemd — zou volgens sommigen ») te Schagen, of te 
Abbekerk in de buurtschap van Schagen gelegen, geboren 
zijn; maar in de nabijheid van Schagen ligt Abbestede. 
Abbekerk is eene gemeente bezijden Hoorn nabij Lambert- 
schagen "). 

Pastoor Abbekerk deed zijne hoogere studiën te Leuven, 
was eenigen tijd als onder-pastoor te Amsterdam werk- 
zaam en werd vervolgens door den Apostolischen Vicaris, 
Joannes van Neercassel, als missionaris gezonden naar 



1) Bijdr. V. H. : dl. XVII, blz. 78. 

2) Kramm, Christiaan : De levens en werken der Hollandsche en 
Vlaamsche kunstschilders, Amsterdam, Gebroeders Diederichs, 1857, i.v, 

3) Bijdr. V. H.: dl. V, blz. 113. 

4) Bijdr. V. H.: dl. II, blz. 355. 

5) Hist. Ep. Harl.: pag. 127; Bat. Sacr.: p. II, pag. 413; Oudh. 
V. Noord- Holland: torn. II, blz. 278, 

6) Bat. Sacr.: p. II, pag. 443, 2de kol. 



89 

het eiland Noordstrand, dat in de nabijheid van het 
grondgebied der Hollandsche Missie gelegen was. Eigenlijk 
behoorde het tot het rechtsgebied van den bisschop van 
Sleeswijk en tot het hertogdom Holstein. Omstreeks het 
jaar 1656 hadden eenige Heeren uit Holland en Brabant, 
met wie de Apostolische Vicaris bevriend of vermaag- 
schapt was, een gedeelte van het eiland Noordstrand 
ingepolderd en de aldaar door hen gestichte hofsteden 
door katholieke boeren uit Holland en Brabant laten 
betrekken. Onder het bestuur van den hertog van Holstein 
genoten de katholieken volle vrijheid van godsdienst. 
Er woonden op het geheele eiland ongeveer 1000 of 
1 100 zielen, waarvan de meesten tot den Lutherschen 
godsdienst, sommigen tot de secte der Wederdoopers, 
en slechts weinigen, honderd ongeveer, tot den katholieken 
godsdienst behoorden. Aan den Apostolischen Vicaris nu 
hadden de Hollandsche grondeigenaren opgedragen de 
belangen der aldaar wonende katholieken te behartigen : 
hetgeen Van Neercassel, gelijk hij dat zelf mededeelt^), 
om verschillende redenen niet kon weigeren -). Blijkens 
het verslag van den Apostolischen Vicaris waren in 
1686 op het eiland Noordstrand twee pastoors, onder 
wie Willem Abbekerk, „met lof' werkzaam 3). Maar in 
datzelfde jaar werd hij teruggeroepen en aan het hoofd 
gesteld der Statie Ouderkerk en Bullewijk. En ook daar 
deed hij zich als ijverig priester kennen, wijl hij door 
den provicaris Josef Cousebant in diens descriptio sacer- 
dotum als „strenuus operarius" geprezen wordt ^). 

Onder de meer dan 300 geestelijken, die in 1701 het 
beruchte smeekschrift onderteekenden voor het behoud 



1) Arch. V. Utr.: dl. XVIII, blz. 292; id. l.c, blz. 475. 

2) Vgl. Bijdr. V. H.: dl. IX, blz. 100— X 13. 

3) Arch. V. Utr.: dl. XVIII, blz. 292, 

4) Bijdr. V. H.: dl. V, blz. 113. 



90 

van den Vicaris Apostolicus P. Codde, die 7.ich wegens 
zware tegen hem ingebrachte beschuldigingen omtrent 
zijn bestuur en het driester optreden van het Jansenisme, 
te Rome had te verantwoorden, wordt de naam gemist 
van pastoor Abbekerk i). Hij was zich, zoo getuigde 
over hem Baljuw van der Dussen op 31 Dec. 17212), 
„met de roerende verdeeldheden ende dispuyten van 
haar religie niet en bemoeyende." 

Overigens zij men voorzichtig in zijn oordeel over de 
gezindheid der meer dan 300 geestelijken, wier namen 
door den Jansenist Van Heussen werden wereldkundig 
gemaakt. Want daaronder zijn er velen van uitstekend 
en voorbeeldig levensgedrag, die gewis met hunne onder- 
teekening slechts beoogden te verklaren, dat niet alle 
tegen den Apostolischen Vicaris ingebrachte beschuldi- 
gingen steek hielden ; en voor zich, voor zoover hun 
bekend was, durfden getuigen voor het heilig leven, den 
onvermoeiden ijver en het voorzichtig beheer des be- 
minden Vicaris ^). 

Gelukkig echter is onder pastoor Abbekerk de Statie 
Ouderkerk van alle Jansenistische aanmatigingen en 
ongeoorloofde practijken bevrijd gebleven *), hetgeen 
van de aangrenzende Staties Duivendrecht ') en Nes en 
Swaluwebuurt **) niet kan gezegd worden. 

Rene aardige geschiedenis is ons bekend van Neeltje, 



1) Ba(. Sacr.: p. II, pag. 518 — 521. 

2) Bi/dr. V. H.: dl. XIII, blz. 425. 

3) Nos enim Antistitem nostrum ob modestiani et morum probitatem, 
ob indefessura laborem et animarum zelum ob prudentem in rebus 
ecclesiae nostrae tractandis peritiam et solicitudinem multum veneramur 
et in Domino complectimur. Bat. Saa:: p. II, pag. 518, 2de kol.; 
Arck. V. Utr.: dl. XVIII, blz. 286; id. dl. XX, blz. 172 noot; Bijdr. 
V. H.: dl. III, blz. 341—342. 

4) Arch. V. Utr.: dl. IX, blz. 288. 

5) Bijdr. V. H.: dl. VII, blz, 232, noot 2; id. dl. XXIII, blz. 393, 

6) Kerkelijk A'ederland: jg. 1852, blz. 2 — 3. 



91 

de dienstbode van pastoor Abbekerk, die blijkbaar in 
vrijmoedigheid voor de Hecuba van Viglius en het Steyntje 
van Dusseldorp niet onderdeed. Het was in het najaar 
van 1701 — aldus de tegen Neeltje ingebrachte aan- 
klacht 1) — dat een gezelschap „van veel fatsoen" door 
de BuUewijk reed en, komende bij de boerderij „Vrede- 
best", waar „de paapse vergaderingh" gehouden werd, 
uit belangstelling het besluit nam daar eens in te gaan. 
Het gedroeg zich „met eerbiedinge". Maar Neeltje, blijk- 
baar weinig met dat bezoek ingenomen, sprak het 
gezelschap met „inpertinentie" aan, en wilde het dwingen 
of te knielen of „andersindts de vergaderingh" te verlaten. 
Het gezelschap verkoos het laatste, maar Neeltje achter- 
volgde het tot aan de deur toe „al scheldende". Dien 
ten gevolge moest Neeltje te recht staan, en werd van 
haar eene boete geëischt van 50 gulden, maar boven- 
dien — en dat was gewis voor Neeltje de zwaarste 
straf — moest zij in het openbaar verklaren „van herte 
leet te hebben, dat sulx bij haer is gedaen." 

Intusschen werd haar eisch door schepenen verzacht. 
In plaats van 50 moest zij 30 gulden betalen, ten behoeve 
van de armen, maar gehandhaafd bleef, dat zij moest 
verklaren en belijden „dat het haer van herte leet is, 
soodanige bejegeningen, als bij eyscher gemelt, te hebben 
gedaen." En hiermede was de beleedigde partij bevredigd 
en „van malkander" af. 

Een twintigtal jaren later zou de pastoor zelf, maar 
voor een geheel ander geval, zich bij den baljuw van 
Amstelland, Mr. Jacob van der Dussen, te verantwoorden 
hebben. Een zekere Jesuiet in den Haag, Matheus ge- 
naamd, kapelaan bij den Franschen gezant, had, onge- 
twijfeld met de beste bedoelingen, doch buiten zijn over- 



l) Rijksarchief Haarlem: Rolleboek 1697 — Januari — 1716. 



92 

heid om, een schrijven gericht tot de Staten van Holland, 
met verzoek, zijne kerk voor den openbaren katholieken 
eeredienst te mogen openstellen i). Zijne ordebroeders 
in de andere steden van Holland, zoo betoogde hij, 
genoten dezelfde vrijheid. Over deze ongehoorde stout- 
moedigheid waren de Staten van Holland ten zeerste 
gebelgd, en gaven, ten antwoord op des Paters verzoek, 
aan den Fiscaal-generaal in opdracht, om nauwkeurig 
na te gaan waar iemand der Jesuieten openlijk godsdienst- 
oefeningen hield. Maar hij vond niemand, zoo schrijft 
Joannes van Bijlevelt ^), omdat de Paters door de 
plaatselijke magistraten tijdig met het dreigende gevaar 
waren in kennis gesteld. Toch waren de plaatselijke 
magistraten niet allen den Jesuieten even goedgunstig 
gezind. De baljuw ten minste van Amstelland, Mr. Jacob 
van der Dussen, die te Amsterdam woonde op de Heeren- 
gracht bij het Koningsplein, die negen dienstboden hield, 
een koets en vier paarden, en op een inkomen kon 
rekenen van 26 tot 28 duizend gulden^), die bovendien 
aan het katholieke geslacht der Sasbouts verwant was ■*), 
Mr. Jacob van der Dussen rekende het zich tot plicht 
na te gaan, of soms in Amstelland iemand der Jesuieten 
in het openbaar kerkelijke diensten verrichtte. Hij had 
daarom — aldus in zijn rapport ^), — naar aanleiding 
van hetgeen de Grootmogenden den 2 5en Mei en den 



i) De tegenwoordige S. Antonius-kerk aan den Boschkant. 

2) Arch. V. Utr.: dl. XXII, blz. 120— I2i, 

3) Elias, y. E.: De vroedschap van Amsterdam, 1578 — 1795, Haarlem, 
Vincent Loosjes, 1903, dl. I, blz. 468 — 469. 

4) Bijdr. V. H.: dl. XX, blz. 275; id. blz. 306 noot I. Toch was 
Van der Dussen weer een der meest invloedrijke vrienden van Van der 
Steen bij de regeering. Bijdr. v. H.: dl. XXIII, blz. 165, noot i. En 
zijn vader, de pensionaris van Gouda, was een goed vriend van den 
Vicaris Van Bijlevelt. Bijdr. v. H.: dl. II, blz. 317. 

5) Bijdr. V. //.: dl. XIII, blz. 424—425. 



93 

5^" Juni 1720 hadden aangeschreven, aan alle roomsche 
priesters in Amstelland laten aanzeggen, om, bijaldien 
zij tot de Jesuieten behoorden, vóór den len Juli 1720 
het gebied van den Staat te verlaten. Doch zij hadden 
allen geantwoord „geen Jesuieten te zijn". Vervolgens, 
zoo schrijft hij verder, „op den 2oen December uwe 
nadere aanschrijving ontvangende van den 28en November, 
hebbe ik gemelde priesters weder by my doen comen 
en haer voorgehouden UEd. Gr. Mogde gemelde aan- 
schrijving, haar afgevraegt ende my geinformeert van 
wat Ordre sy waeren ; sy hebben alle daerop mondeling 
ende schriftelyk gedeclareert ende verklaert : dat sy geen 
geordende maar wereldlyke priesters waeren aan de 
Jesuiten nogte aan derselver leere gecnzins toegedaan, 
uytgenomen eene, met name Guillelmus Abbekerk, die 
seyde, dat wel conde betuygen, dat hy niet en was van 
de Ordre der Jesuiten, dog niet conde declareren, dat 
hy derselver leere niet en was toegedaan." 

Of nu pastoor Abbekerk om zijne afwijkende verklaring 
door den baljuw heftig of dreigend werd aangevallen, 
of wel, dat het gemoed van den cenvoudigen buiten- 
pastoor wat al te vreesachtig was : volgens Vicaris 
V. Bijlevelt ^) is Willem Abbekerk den 24611 Febr. 1722 
plotseling overleden en, naar hem bericht werd, uit 
schrik over hetgeen met den baljuw was voorgevallen. 
Hoe het zij, van langdurige ziekte kan bij pastoor Abbe- 
kerk geen sprake wezen, want blijkens het doopboek diende 
hij den i6en Februari 1722 zijn laatste doopsel ^) toe. 

1) Bijt//-. V. H.: dl. III, blz. 218; Arch. v. Utr.: dl. I, blz. 308; 
id. dl. II, blz. 143. 

2) Op het gemeentearchief van Ouder-Amstel zijn aanwezig twee 
R. K. doopboeken : 

I. Communitatis in Duivendrecht Liber Baptismalis, inceptus a me 
Cornelio de Graaff, anno Domini 1764. Het loopt door tot 18 12. 

II. Doop-boek van de katholijke Gemeente van Oude-kerk, Bulwijk, 



94 

In de pastorie te Ouderkerk bewaart men een boete- 
kleed en „disciplien", die, naar de sprake gaat, door 
pastoor Abbekerk zouden gedragen en gebruikt zijn. 

* * 

Henriais Josephus Grasper, de opvolger van pastoor 
Abbekerk, werd den 3en Mei 1679 te Amsterdam ge- 
boren : hij deed zijne hoogere studiën te Leuven op het 
HoUandsche collegie Sint Pulcheria i), dat destijds ge- 
durende nagenoeg vijftig jaren onder het bestuur stond 
van den Jansenistisch-gezinden president Petrus Melis 2) 
(1680— 1725). 

Volgens Santini, den internuntius te Brussel, zou Grasper 
met nog eenige andere weerspannige priesters zonder 
wettige wijdingsbrieven door een hem onbekenden bisschop 
in Frankrijk op den Kerstdag van het jaar 17 15 priester 
gewijd zijn ^) ; volgens Hoynck daarentegen, die echter 
zijne berichten eerst 7 of 8 jaren daarna uit het geheugen 
opstelde, werd Grasper eerst omstreeks Juli 1721 priester 
gewijd, na dimissorialen ontvangen te hebben van den 
Apostolischen Vicaris van 's-Hertogenbosch, Petrus 
Govarts •*), die in 1701 Steijaert opvolgde en in den 
loop van 1726 te Mechelen overleden is '). 

Rijke Wavere, Waardhuyze en Klijn Duivendrecht, herschreven door 
Hendrik Joseph Grasper, pastoor derzelve Gemeente in den jaare 1723. 
Toch begint dat doopboek den 6en Maart 17 17 en loopt geregeld door 
tot 16 Febr. 1722, waarna pastoor Grasper met eigen hand getuigt: 
«Dit is het laatste kind, dat van den Eerw. Hr. Abbekerk zalig, mijn 
voorzaat gedoopt is." En dan schrijft hij op de volgende bladzijde: 
»Hier begint het Doopboek van Henricus Josephus Grasper, Pastoor 
van Oude-kerk enz. 8 Maart 1722." 

1) Bijdr. V. H.: dl. VIII, blz. 260. 

2) Bijdr. V. H.: dl. VIII, blz. 17, 25, 266—267, 270, 281—282, 
341; id. dl. XVII, blz. 153. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 451—454. 

4) Bijdr. V. H.: dl. VI, blz. 349-350. 

5) Bijdr. V. H.: dl. V, blz. 409. 



95 

Blijkbaar stond Grasper bij den aartspriester van 
Gelderland, Petrus van Beest, om zijn karakter en kennis 
der Latijnsche taal in hoog aanzien. Dit blijkt uit het- 
volgende. Den i8en Juli 17 19 werd ten huize van den 
Vicaris Apostolicus van Bijlevelt eene vergadering ge- 
houden van aartspriesters der Hollandsche Missie. Tot 
de belangrijke ter tafel gebrachte punten behoorde de 
catechismus, welke bij het godsdienstig onderricht der 
priesters zou gebruikt worden. Want er waren, door 
verloop van tijd en vooral door den invloed der Jansenisten, 
verschillende catechismussen in zwang geraakt. Vandaar 
dat alle aartspriesters eenstemmig van gevoelen waren 
om den Vicaris op te dragen een en denzelfden catechismus 
en wel den Mechelschen voor zijne geheele Hollandsche 
Missie voor te schrijven. De Vicaris evenwel achtte het 
beter die zaak aan Rome voor te leggen, om, na verkregen 
beslissing, met des te meer gezag onder de priesters te 
kunnen optreden. 

In elk geval : men zou met het gebruik van den 
Mechelschen catechismus een begin maken, maar, omdat 
Rome, zooals gewoonlijk, langzaam pleegt te handelen, 
stelde de aartspriester Van Beest aan de vergadering 
voor, om Grasper tot secretaris te benoemen en hem 
te belasten deze aangelegenheid met Rome verder af te 
wikkelen ^). Maar zoodra Hoynck, die ter vergadering 
was geweest dit voorstel van Van Beest aan den kardinaal 
Aartsbisschop van Mechelen had overgebracht, ontstond 
er tegen de keuze van Grasper een krachtig verzet, 
omdat hij in het collegie Pulcheria zijne studiën gemaakt 
en in de zaak van Pater Desirant, zich als een vurig 
Jansenist had doen kennen. 

Wat Grasper, toen deze benoeming hem ontviel, gedaan 



1) Bijdr. V. //.; dl. VI, blz. 347—349. 



96 

heeft, of waarheen hij vertrokken is, weet Hoynck niet 
mede te deelen ^) ; maar, gewis geholpen door Gods 
genade, zag de jeugdige priester zijne dwahng in, en 
sloot zich met volle overtuiging bij de goedgezinde 
geestelijken aan. 

In 1722 stond hij te Amsterdam als kapelaan bij den 
aartspriester Van Wyckersloot in de Statie „de Pool". 
Maar de Jansenisten waren over zijn terugkeer zoozeer 
verbitterd, dat zij, toen hij eens met den gloed der jeugd 
gepreekt had over de onderdanigheid aan het wettig 
kerkelijk gezag ^) — tot groote stichting der katholieken — 
op weerwraak zonnen en met hun invloed bij de Amster- 
damsche regeering het inderdaad zoover wisten te brengen, 
dat Grasper, die tot de voortreffelijkste priesters in Holland 
gerekend werd ^), in zijne bediening werd geschorst. 
Maar juist was in die dagen de pastoor van Ouderkerk, 
Willem Abbekerk, overleden, zoodat Grasper daar voor- 
loopig tot pastoor werd aangesteld, afwachtend, of hij 
soms later in Amsterdam wederom zou worden toe- 
gelaten. Slechts korten tijd was Grasper kapelaan bij 
Van Wyckersloot: maar lang genoeg om uit een verblijf 
bij, en een gemeenzamen omgang met Van Wyckersloot, 
die als pastoor, aartspriester en kanunnik volstrekt geen 
voorbeeld was van onderdanigheid aan den Vicaris 
Apostolicus van Bijlevelt, op het ontvankelijke gemoed 
van den jeugdigen bekeerling een verderfelijken invloed 
achter te laten *). Tegen zijn vriend Hoynck heeft de 



1) Bijdr. V. H.: dl. VI, blz. 349. 

2) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 223. 

3) Bijdr. V. H.: dl. VI, blz. 348. 

4) Van deze beschuldiging geven de mooie artikelen van Mgr. Vregt 
over den Vicaris Ap. van Bijlevelt eene bijna doorloopende bevestiging. 
Ook als provisor van Pulcheria was Van Wyckersloot geen voorbeeld 
van plichtsbetrachting. 



97 

Vicaris Apostolicus van Bijlevelt herhaaldelijk geklaagd 
over de weerspannigheid van pastoor Grasper, die maar 
niet wilde besluiten, zooals de meeste andere priesters 
der HoUandsche Missie, den Mechelschen catechismus bij 
zijn godsdienstig onderricht tot leiddraad te nemen ^), 

Grasper die slechts voorloopig naar Ouderkerk ging, 
bleef daar zes volle jaren: tot 1728. Het door hem 
aangelegde doopboek begint met den 8en Maart 1722; 
zijne Statie telde toen 564 communicanten ^j, en omvatte 
behalve het dorp Ouderkerk, de buurten Bullewijk, Rijke 
Waveren, Waardhuizen en den polder Klein Duivendrecht. 
In Juli 1728 volgde pastoor Grasper den rustend-geworden 
pastoor N. van der Meer — en niet Van den Berghe 
zooals de Internuntius Spinelli meende^) — in de Statie 
„de Lely" op, en woonde op den Achterburgwal achter 
het Begijnhof'*). Bij den dood van pastoor Van der Meer 
werd hij ook diens opvolger in het zoogenaamde kapittel 
van Haarlem ^). 

Pastoor Grasper stierf te Amsterdam den I4en Februari 
1734^); blijkens de acta capituli ontbrak hij nooit op 
de vergaderingen : alleen was hij afwezig op de najaars- 
bijeenkomst van 6 October 1733, maar zijn dood was 
toen ook nabij ''). Hij ligt begraven in de Nieuwe Kerk 
te Amsterdam ^). 

Tot de fraaie verzameling pastoors-portretten in de 



1) Bijtfr. V. H.: dl. VI, blz. 349; Vgl. Bijdr. v. II.: dl. II, blz. 15, 
39, 43; id. dl. III, blz. 212; id. dl. VI, bl. 337-368. 

2) Arch. V. Utr.: dl. X, blz. 22. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XI, blz. 347; Vgl. Bijdr. v. //. : dl. III, blz. 221 ; 
id. dl. XIV, blz. 450; id. dl. XVII, blz. 61. 

4) Bijdr. V. H.: dl. XIV, blz. 178. 

5) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 321. 

6) Arch. V. Utf.: dl. I, blz. 313; id. dl. IV, blz. il 

7) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 324. 

8) Bijdr. V. H,\ dl. XVII. blz. 167. 

7 



I 



98 

pastorie der S. Catharina-kerk te Amsterdam behoort 
ook dat van Grasper, geschilderd op doek, en face, met 
allonge-pruik en brevier in de rechterhand, Aet. 55, en 
bij Muller beschreven onder N. 6408. Naar dat portret 
vervaardigd hangt er in de pastorie te Ouderkerk 
eene kopergravure van A. van Buyse, en waaronder 
de spreuk: vivit post fimera virtus met hetvolgend 
achtregelig vers : 

Zie Grasper's beeltenis, zoo êel men 7 wenschen kan, 
In 't koper gegraveerd, die weergalooze man 
Die 07n zijn ijver;' uur en Godgeheiligd preeken 

Versteende harten kon als lenig luas doen lueken. 

Die al C ontijdig lij zijn dierbaar leven af, 

Maar 7 spijt de dood, zijn deugd en eer rust niet in 't graf . 

Hij rust in 't boezemkoor der dankbare gemeente. 

Terwijl een tranenvloed besproeit zijn kil gebeente. 



Aegidius Cra(e)iner, die den 5en Juli 1728 pastoor 
Grasper in de herderlijke bediening opvolgde, werd te 
Delft in 1690 geboren ^). Hij was „een wereltpriester 
niet Jansenist maar van 't gevoelen van St. Thomas" 2). 

Zijne eerste pastoorsbenoeming te Kwakel in 1720 
geschiedde onder eenige moeilijkheden ^). Mr. Jacob 
van der Dussen, de baljuw van Amstelland, tot wiens 
baljuwschap de Statie Kwakel behoorde, had zelf, toen 
zij vacant geraakte, aan den Vicaris van Bijlevelt een 
pastoor aldaar aangevraagd. Deze benoemde Aegidius 
Cramer; maar wijl hij als Vicaris Apostolicus door de 
Staten van Holland niet erkend, zelfs verbannen was, 
richtte hij tot Santini, den Internuntius te Brussel het 
verzoek, om aan den benoemden pastoor de noodige 



1) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 200-201. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XTV, bk. 46. 

3) Bijdr. V. H.: dl. II, blz. 355; Arck. v. Utr.: dl. X, blz. 22. 



99 

brieven op te sturen. Namens den Internuntius werd 
daaraan door Hoynck van Papendrecht voldaan. Toch 
wilde de baljuw Van der Dussen pastoor Cramer in zijne 
Statie niet toelaten, maar stond er op, dat eerst een 
schriftelijk bewijs van toestemming, uitgaande van het 
gewaande Haarlemsche kapittel, zou worden overgelegd. 

In die moeilijke aangelegenheid raadpleegde het 
kapittel, dat, met N. van der Meer als Vicaris, zich 
zorgvuldig van alle uitoefening van geestelijke rechts- 
macht onthield, den wakkeren Hoynck. Deze oordeelde 
het raadzaam om aan pastoor Cramer, slechts eene 
eenvoudige goedkeuring van zijne benoeming af te geven. 
En inderdaad is pastoor Cramer op dat getuigschrift 
door den baljuw in zijne Statie toegelaten. Een nieuw 
bewijs, hoe het denkbeeldig kapittel, dat vele regeerings- 
personen in Holland aanzagen en erkenden als het wettig 
kerkelijk gezag der katholieken, vooral bij het open- 
vallen van Staties, aan de kerk in de HoUandsche Missie 
vaak goede diensten bewezen heeft ^). 

Gewis is pastoor Cramer, zij het niet in het openbaar 
dan binnenskamers, gemoeid geweest met de dagvaarding 
van een zekeren Claas Pietersz., die den 22en Juni 1728 
zich te Ouderkerk voor de rechtbank had te verant- 
woorden wegens een vergrijp, dat bij de laatste begrafenis 
had plaats gehad ^). Want hoewel door verscheidene 
plakkaten aan de Roomschgezinden verboden was om 
„eenige paapse superstitiën zoo in kledinge, bedevaart, 
begravinge als andersints te gebruycken en te exer- 
ceeren", had toch Claas Pietersz. „zig niet ontsien 
publicqelyck zijn gestorven vrouw met een kruis op de 



1) Btjc/r. V. H.\ dl. II, blz. 316-318. 

2) Rijksarchief Haarlem: Rolleboek 1716— 1743, Ouder-Amstel ; Vgl. 
Bijdr. V. H.: dl. XXX, blz. 278. 



kist te doen begraven en 't selvc willen smijten in het 
graf." Bij diezelfde gelegenheid was de doodgravers- 
knecht „seer leelyck gescholden door verscheijdene 
personen ende gedreygt." Zulks nu was onbehoorlijk 
en diende te worden tegengegaan. Maar omdat Claas 
Pietersz. „voor de eerste reyse" zich tegen de plakkaten 
vergrepen had, werd hij tot eene boete van 25 gulden 
veroordeeld met de onkosten van het geding. 

Al heel weinig behoefde pastoor Cramer in 1730 te 
vreezen voor het tiende artikel van het beruchte plakkaat, 
waarin over het uiterlijk aanzien der kerken werd voor- 
geschreven „dat sorg sal worden gedraagen, dat de 
vergaderplaatsen der Roomschgesinden aan geen kerken 
of publique gebouwen gelijken, nog aan het gemeen in 
het oog loopen" ^) ; want het hooihuis op „Vredebest" 
verraadde in zijn uiterlijk niets van zijne hooge be- 
stemming. Zelfs Tijsens, een dichterlijk wandelaar, 
die in 1730 met speurzin de Bullewijk doorliep en 
alles wilde bezingen, wat maar eenigszins zijne belang- 
stelling kon trekken "), had het bestaan van „de 
papekerk", zooals Gerrit Drogenham zeide ^), niet eens 
opgemerkt. 

Onder het pastoraat van pastoor Cramer werd in 
173 1 de heerlijkheid Ouderkerk door de stad Amsterdam, 
die reeds in 1658 en later in 1674 naar haar bezit 



1) Bijdr. V. H.: dl. XX, blz. 282. 

2) De breede titel van het werk luidt: Hollands Arcadia of de ver- 
maarde Rivier den Amstel, vertonende alle deszelfs lustplaatzen, heren- 
huizen en dorpen, zig uitstrekkende van Amsterdam af door Ouderkerk, 
Abcoude, Baembrug tot Loendersloot ; wederkerende langs de vermakelijke 
landgezichten van de Wetering. Vertoond in honderd afbeeldingen naar 
't leven getekend en in 't ligt gebragt door Abraham Rademaker. Met 
een poëtise beschrijving verzierd. Tot Amsterdam bij Leonardus Schenk 
op de Vijgendam, 1730. 

3) Op zijn groote landkaart. 



lOI 

maar tevergeefs had verlangd i), voor 25.100 gulden 
aangekocht. In de „Constitutie van het dorp", bij die 
gelegenheid opgemaakt, werd een volledig overzicht 
gegeven van de ambten, welke eerst door den baljuw 
en na 173 1 door den ambachtsheer te vergeven waren 2), 
Zoo bevonden zich in het dorp, waaronder ook Duiven- 
drecht begrepen werd, een schout, een secretaris, zeven 
schepenen, een bode, vier buurmeesters, twee arm- 
meesters, twee broodwegers, twee kerkmeesters, een 
koster, voorlezer en schoolmeester, een doodgraver, een 
ijker, twee schippers op Amsterdam en een heemraad 
van Amstelland. 

De schout werd door den baljuw aangesteld op 
zekere recognitie. De vorige schout gaf jaarlijks voor 
recognitie 200 guldens, maar had dan zijn deel in de 
kleine boeten door den baljuw opgelegd. Aan tractement 
genoot de schout 60 guldens, benevens de helft zoo van 
den tachtigsten penning indien vaste goederen, als van 
den veertigsten penning, indien meubelen in het openbaar 
verkocht werden. De tegenwoordige schout woont in 
het dorpshuis, waarvoor jaarlijks aan huur 60 guldens 
betaald worden. 

Ook de secretaris werd door den baljuw aangesteld, 
en genoot, gelijk de schout, de helft van den tachtigsten 
penning indien vaste goederen en van den veertigsten 
penning, wanneer meubelen in het openbaar verkocht 
werden. 

De bode werd eveneens door den baljuw aangesteld. 

Van de schepenen traden er gewoonlijk ieder jaar vijf 
af; de twee anderen bleven nog een jaar aan, mits de 



1) IVagenaar, Jan: Beschrijving van Amsterdam, Amsterdam 1760 
bij Isaak Tirion, dl. I, blz. 739; id. l.c, dl. III, blz. 60. 

2) Oud- Archief Amsterdam: Portefeuille Ambachts-Heerlijkheid Ouder- 
Amstel of Ouderkerk. 



baljuw het goedvond. De nieuwe schepenen werden 
door den baljuw gekozen uit eene voordracht van veertien 
personen, door de schepenen opgemaakt. 

De vier bimrmeesiers werden door den baljuw ge- 
kozen uit eene voordracht van acht personen, waarvan 
er vier door de schepenen en vier door de buurmeesters 
werden aangewezen. Van de buurmeesters traden er 
gewoonlijk ieder jaar drie af; zij mochten met de 
schepenen stemmen over dorpslasten en rekeningen. 

De twee armmeèsters hadden het toezicht over „de 
gemeene armen" en deden jaarlijks rekening aan den 
baljuw, in bijzijn van schout en schepenen. Ieder jaar 
trad een der armmeesters af; de nieuwe armmeester 
werd gekozen door den baljuw op voordracht van den 
aanblijvenden en den aftredenden armmeester. 

De Hvee broodwegers werden gekozen door den baljuw, 
den schout en de schepenen, en hadden een of meer 
jaren dienst, al naar onderling werd goedgevonden. 

De ttvee kerkmeesters dienden twee jaar. Jaarlijks 
trad er een af. De nieuwe kerkmeester werd gekozen 
door den baljuw uit eene voordracht van kerkmeesters. 
Zij deden rekening aan den baljuw, in bijzijn van schout 
en schepenen. 

De koster, voorlezer en schoolmeester is meestal dezelfde 
persoon, maar de ambten konden gescheiden worden. 
De tegenwoordige koster heeft zijne aanstelling van 
den baljuw. Hij geniet jaarlijks 200 guldens uit de 
kerkekas, waaruit ook het huis onderhouden wordt van 
den predikant en van den koster. 

De doodgraver en de ijker werden aangesteld door 
den baljuw op een nader met hen overeen te komen loon. 

De tzvee schippers werden aangesteld door den baljuw 
„met kennisse van het gerecht". 

De predikant werd gekozen door den kerkeraad en 



103 

door allen die ooit ouderlingen of diakenen zijn geweest, 
maar zal handopening moeten verzoeken aan den baljuw, 
die het recht heeft van „approbatur" of „improbatur". 

De heemraad van Amstelland werd gekozen door 
den baljuw. 

Zoolang de tegenwoordige baljuw in leven of in be- 
diening is, zal hij al de beschreven rechten omtrent de 
gemelde ambten en bedieningen behouden : maar komt 
hij te sterven of zijne waardigheid neer te leggen, dan 
zullen al zijne rechten overgaan op den ambachtsheer. 

Eene andere acte van plaatselijke beteekenis werd 
in 1740 verleden i). 

Also de Heer Joathan Dabinis op heden aan deze edelagtbaare 
gerechte van Oiider-Amstel heeft opgedragen ende vereert een 
stukki grond ^), gelegen in de Reyke Waveren onder deze gerechte 
van Ouder-Amstel, belend ten oosten het rietland, ten zuiden de 
Waveren, ten westen de armen van Ouderkerk, ten noorden den 
Ronden-Hoepschen dijk: zoo is op heden bij dese edelagtbaare 
gerechte geresolveert, om op het gemeld stukki grond te doen 
stellen de galge omme daer aen te doen hangen degenen, dewelke 
wegens de Justitie ter dood gebraght sullen worden en die de aard 
sullen worden ontseght. Ende om nu hetselve daertoe altoos te 
doen dienen sonder dat ooyt eenige aanspraak zal worden gemaakt 
om sulks bij off omtrent de plaats van gemelde Heer Dabinis te 
sullen doen. 

Actum Ouderkerk den 28en July 1740. 

Ik weet niet of daar ooit iemand werd opgehangen; 
maar zeker geschiedde dat niet, zooals te verwachten 
was, met den beruchten Nathan Mozes, die zoo buiten 
als binnen Ouderkerk de schrik was om zijn „schooien, 
bedriegen en stelen", wijl hij, blijkens zijn vonnis van 
16 Nov. 1752, alleen gegeeseld en verbannen werd 3). 

Bijna 25 volle jaren stond pastoor Cramer aan het 



i) Oud- Archief Amsterdam: Afd. Ouder-Amstel, Resolutieboek. 

2) Op het oogenblik in eigendom van de Wed. Baars. 

3) Bijdr. V. H. : dl. XXIV, blz. 449. 



I04 

hoofd der Statie Ouderkerk: hij stierf den I4en Februari 
1753. Bij gelegenheid zijner begrafenis werd aan vrienden 
en vereerders een zilveren begrafenis-penning uitgereikt, 
waarvan een exemplaar bewaard wordt in het Bisschop- 
pelijk Museum te Haarlem ^) en een in de pastorie te 
Ouderkerk. Het is rond van vorm en van een ringetje 
voorzien om te kunnen hangen ; aan de eene zijde staan 
zinnebeeldige figuren, herinnerend aan dood en ver- 
gankelijkheid; aan de andere zijde leest men: „de Heer 
Egidius Cramer is Pastoor geworden den 5 Juni anno 
1728 in de Bullewijk en is overleden den 14 Febr. 

anno 1753." 

* * 

Pastoor Henricus Francisciis Wilken(s), die op den 
ontslapen herder Cramer in de Statie volgde, was te 
Groningen in 1703 geboren-). Gedurende enkele jaren 
stond hij als kapelaan te Oud-Ade pastoor Van der Mey 
ter zijde ^), wiens priesterlijke werkzaamheden, volgens 
verlangen van den Vicaris Van Bijlevelt, zich uitstrekten 
over het destijds^ door het Jansenisme geteisterde 
Roelofs-Arendsveen '*). In 1734 stond Wilkens als pastoor 
te Obdam, van 1743 — 1753 te Aarlanderveen en van 
1753 — 1769 in de „goede" Statie Ouderkerk, toentertijd 
538 communicanten tellende '"). 

Omtrent zijne werkzaamheid als pastoor in de ver- 
schillende Staties staat in de kerkarchieven niets aan- 
geteekend. Alleen is van hem het eervolle getuigenis 



1) Almanak van J. A. Alberdingk Thijm: Volksuitgave, n. 35: 
Onze dierbare dooden, blz. 76; Gids in het bisschoppelijk museum: \\]iAt. 
druk, blz. 164, n. 247. 

2) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 93. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 212. 

4) Bijdr. V. H.\ dl. VII, blz. 245. 

5) Arch. V. Utr. : dl. VIII, blz. 92 ; id. blz. 349. 



I05 

bekend, dat in 1758 door den Nuntius MoHnari naar 
Rome werd opgezonden: „een man met voorbeeldige 
liefde jegens den H. Stoel, een alleszins bekwaam en 
volstrekt niet ongeletterd priester; deugdzaam van 
levenswandel" ^). 

Op het einde van 1769 werd pastoor Wilkens on- 
gesteld: den I7en Augustus 1769 stonden de Gecom- 
mitteerden hem toe gedurende zijne ziekte ter assistentie 
een kapelaan in de Statie te hebben ^). Nog den 
i6en November 1769 schreef hij met eigen hand zijn 
laatste doopeling in het doopboek in : maar vóór 
December was hij ter ziele ^). 



Corneliiis Hekman of Heekman^ een Amsterdammer 
van geboorte en in 1757 tot priester gewijd*), volgde 
pastoor Wilkens in de Statie op. Den 3en December 
schreef hij met eene zeer eigenaardige hand zijn eerste 
doopeling in, zich kortweg noemende „pastor in de 
Bullewijk". In de relatio Ghiliniana wordt de Statie, die 
toen 555 communicanten telde, eene „zeer goede" ge- 
noemd °). Zijn admissie-brief dateert van den 29en Januari 
17706). 

Van 1762 — 1769 was Cornelius Hekman pastoor 



i) Arch. V. Utr.\ dl. VIII, blz. 349. De Nuntius vergiste zich blijkbaar 
in het verslag met den naam. Hij sprak niet van Henricus Franciscus, 
maar van yoannes Franciscus Wilkens, die echter als pastoor van 
Middelburg in 1758 reeds twee jaren overleden was. Arch. v. Utr.: 
dl. III, blz. 94; id. dl. VIII, blz. 92; Bijdr. V. H.: dl. XXIII, blz. 73. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 44. 

3) In de Bijdragen dl. I, blz. 422 staat dat hij in December ge- 
storven is. Dit lijkt mij zeer onwaarschijnlijk, daar zijn opvolger reeds 
den 3en December zijn eerste doopsel toediende. 

4) Arch. V. Utr.: dl. VIII, blz. 355. 

5) Arch. V. Utr.: dl. VIII, blz. 130. 

6) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 44, 



io6 

geweest te Spanbroek i), waar echter van zijne herderlijke 
bediening al even weinig in het kerkarchief staat aan- 
geteekend als te Ouderkerk. Uit het doopboek blijkt, 
dat hij op het einde van 1772 begon te sukkelen, met 
Augustus 1773 weer hersteld was, maar in Februari 
1775 opnieuw hulp noodig had. Hij stierf den 3oen April 
1775 des avonds te 7 uren, nadat nog door hem op 
den morgen van dien eigen dag 18 kinderen tot hun 
eerste H. Communie waren toegelaten. 



Den len Juni 1775 diende pastoor Hieronymus vaji 
den Dorp zijn eerste doopsel toe in zijne nieuwe Statie. 
Eerst den i8en Juli ontving hij zijn admissie-brief van 
de Hoogmogende Staten van Holland -). Hieronymus 
van den Dorp was in 1735 uit Marcellis van den Dorp 
en Maria Bouwens geboren; hij werd priester gewijd 
en stond van 1769 tot 1775 als pastoor te Spanbroek. 
Van pastoor Hekman, dien hij te Spanbroek en te 
Ouderkerk opvolgde, heeft hij niets hoegenaamd in het 
kerkarchief aangeteekend. Trouwens over zijn eigen 
ruim 25-jarig herderlijk bestuur te Ouderkerk heeft hij 
niets op schrift aan het nageslacht achtergelaten. Toch 
had hij allereerst kunnen opboeken, dat zijn eigen be- 
noeming van pastoor te Ouderkerk te danken was aan 
een destijds door den Nuntius te Brussel gevolgden 
regel „om priesters, die langen tijd in eene geringe en 
onaanzienlijke Statie hadden gearbeid, tot eene betere 
te verheffen, en zoo op waardige wijze te beloonen voor 
hunne priesterlijke werkzaamheid" ^). Want Spanbroek 
behoorde tot de zeer middelmatige Staties, waar slechts 



1) Arch. V. Utr.: dl. IV, blz. 1 18. 

2) Bijdr. V. ff.: dl. XXII, 44. 

3) Arch. V. Utr.: dl. XIII, blz. 322. 



lO/ 

296 communicanten waren ^), terwijl Ouderkerk met 
hare 555 katholieken onder de welvarende Staties ge- 
rekend werd 2). 

Ten andere had pastoor Van den Dorp kunnen op- 
teekenen, wat de reden geweest is, waarom hij den 
8en April 1778, den 2oen Juni 1788 en den 2oen Augustus 
1789 van de Hoogmogende Staten van Holland verlof 
verkreeg tot admissie van een kapelaan 3). In 1798 stond 
hem de bekende G. A. van der Lugt als kapelaan ter 
zijde •*^). Nu kunnen wij slechts gissen of hij soms uit lust 
tot reizen of om wille zijner zwakke gezondheid telkens 
jonge krachten in de geestelijke bediening van noode had. 

Ten derde — zoo vragen wij — lag in het beleg, 
dat Ouderkerk in October van het jaar 1787 van de 
Pruisen te verduren had, niets merkwaardigs ter op- 
teekening opgesloten? De predikant uit die dagen, 
Ds. Dirk Colenbrander, deed anders, en heeft alles, 
wat hem in die troebele week ter oore kwam, zeer 
zorgvuldig opgeschreven °). 

't Is inderdaad verwonderlijk, dat het katholieke kerk- 
gebouw, een kwartier gaans van het oorlogsterrein 
gelegen, bij het algemeen beleg en de ongehoorde 
plundering van het dorp ongedeerd is gebleven, tenzij 
het aan zijn schamel aanzien van hooihuis en verscholen 
l'ggi"g op „Vredebest" moet worden toegeschreven. 
Tenminste in de Hervormde kerk waren de stoelen 
weggeruimd en was hooi gespreid om het regiment 
van Hardebroek onder dak te brengen. 

Op den morgen van den len October te vijf uren 



1) Arc/i. V. Utr.: dl VIII, blz. 133. 

2) Arch. V. Utr.: dl. VIII, blz. 130. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 44. 

4) Parochiaal Archief. 

5) De Navorscher: jg. 60, blz. 244 — 2i. 



io8 

werd Ouderkerk uit twee richtingen aangevallen, uit 
den kant van Abcoude en van Uithoorn, en vlogen ge- 
durende drie uren de kogels over en in de huizen van 
het dorp, waarvan nog heden ten dage de zichtbare 
heugenis bewaard wordt ^). 

Op den 2en October trokken de Pruisen Ouderkerk 
binnen, waar zij denvolgenden dag aan het plunderen 
sloegen. De ledig-staande huizen werden voor woningen 
van patriotten gehouden en van alles wat kostbaar was 
of scheen, ontdaan. In de kerkekamer der Ned. Herv. 
kerk werd ingebroken en meer dan 500 gulden aan de 
diaconie ontstolen. Bij Piet van Muyden en bij Faber, 
die in „de Oude Prins" woonde en herberg hield, werd 
de kelder bemeesterd en beslag gelegd op een paar oks- 
hoofden wijn "-). Het huis van den Jood, die oranje 
gedragen had, werd door patriotten geplunderd. 

Alle groenten en vruchten werden uit de tuinen 
gekaapt; geen hoen werd in het leven gelaten. 

Erger nog geschiedde op het Israëlitisch-Portugeesch 
kerkhof, waar de manschappen, die onder luitenant 
de Wilde in bezetting lagen, de gruwelijke misdaad 
begingen van een sinds enkele dagen ter aarde besteld 
vrouwelijk lijk in baldadigen hartstocht op te graven 
en te onteeren ^). Alles feiten en gebeurtenissen om een 
pastoor met eenigen historischen zin naar de veder te 
laten grijpen om ze op te teekenen voor de na hem 
komende geslachten. 

En ten vierde was het vermeldingswaardig, dat op 



1) Bijdr. V. H.: dl. XXXIV, blz. 425—426. 

2) Van der Loos, J. C: De buitenplaats, Oostermeer, C. N. Teulings, 
's-Hertogenbosch, 1910, blz. 51, noot l. 

3) D. Henriques de Castro Mz. : Keur van Grafsteenen op de Nederl. 
Portug. Israël. Begraafplaats te Ouderkerk aan den Amstel, Leiden, 1883, 
E. J. Bril, blz. 12—13. 



I09 

den igen December des jaars 1800, bij gelegenheid van 
het geheel ontruimen van den Bataafschen grond door 
het Engelsch-Russisch leger, te Ouderkerk eene plechtige, 
openbare redevoering werd gehouden, die — wel 
teekenend — overvloeide van patriottischen zin, ver- 
draagzaamheid en broederlijke liefde i). 

Pastoor Hieronymus van den Dorp stierf te Amsterdam 
den 6en December 1802 en werd den 11 en December 
in de Engelsche kerk op het Begijnhof begraven 2). 
Waarschijnlijk was hij op het laatst van zijn leven 
„rustend", daar zijn bidprentje meldt, dat hij „voormaals" 
pastoor was in de Bullewijk. 

Op zijn levensgang werd het gewijde woord toe- 
gepast uit III Kon. III, 6: „Hij heeft voor uw aan- 
gezicht in trouw en gerechtigheid en met een oprecht 
hart te uwen opzichte gewandeld." 



Gerrit of Gerardus Stadhouder, die op Hieronymus 
van den Dorp als pastoor volgde, was in 1744 te 
Maaslandsluis geboren uit ouders, van wie hij in een 
verzoekschrift aan Koning Willem I getuigde 3), dat 
„het fortuin hun den rug had gekeerd". Spoedig na zijne 
priesterwijding in 1768 werd hij benoemd tot kapelaan 
te Amsterdam in den Posthoorn 4). In 1777 was hij 
pastoor te Zijpe, waar zijn eerste doopeling den 29en Mei 
en zijn laatste den 11 en December 1786 in het doopboek 
staat ingeschreven. 



1) De titel van het geschrifije, groot 47 blz. luidt: Redevoering op 
hel feest van den igen December 1799 uitgesproken in de Gereformeerde 
Kerk te Ouderkerk aan den Amstel in naam van het uitvoerend bewind 
der Bataafsche Republiek, te Amsterdam bij P. E. Briët, 1800. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XIX, blz. 57, 

3) Waarover straks. 

4) Bijdr. V. H.: dl. XIV, bh. 187. 



Blijkens eene resolutie, dateerend van den /en Februari 
1787 genomen door Burgemeesteren van Haarlem, werd 
Gerardus Stadhouder toegelaten als pastoor der Statie 
Sint Bavo in de Achterstraat, waar hij verbleef tot 1802 
toen zijne benoeming volgde tot pastoor van de BuUewijk 
en Ouderkerk ^). 

Reeds te Haarlem openbaarden zich de eerste ver- 
schijnselen der jichtziekte, waaraan pastoor Stadhouder 
zijn verder priesterlijk leven en vooral te Ouderkerk 
zou lijdende blijven. Naar eigen getuigenis werd hij 
„dependent van de inschikkelijkheid van jonge geeste- 
lijken ; kon niet meer uitgaan en moest meestal van 
het bed op den stoel zijn leven doorbrengen." Voordat 
in 181 1 het doopboek der Statie bij den burgerlijken 
stand werd ingeleverd, zorgde pastoor Stadhouder er 
voor, dat het met mooie schrijfhand werd overgeschreven. 

Den 2 2en October 18 18 des namiddags te half twee 
verbrandde het hooihuis, waarin de katholieken tot nu 
toe gekerkt hadden. Om verschillende redenen werd 
toen besloten de kerk niet meer in de Bullewijk, maar 
bij de kom der Gemeente op de buitenplaats „Overkerk", 
gelegen aan de zoogenaamde korte brug, op te bouwen. 
Dit geschiedde in 1821 ^). Maar heel deze geschiedenis 
met al de daaraan verbonden nadere bizonderheden 
werd reeds door mij in deze Bijdragen uitvoerig be- 
schreven •''). 



1) Bijdr. V. H.: dl. V, blz. 67; id. dl. XII, blz. 328; id. dl. XXXIV, 
blz. 270. 

2) Door Van der Aa in zijn Aardrijksktindig Woordenboek, i.v. Overkerk 
verkeerdelijk op het jaar 1828 gesteld. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XXXI V, blz. 209 — 230. Ter aanvulling even- 
wel het volgende bericht, dat mij door den ijverigen kapelaan 
L. J. van der Heyden is toegezonden en gevonden werd in : De 
Katholieke, 1822, II, 139: »Pastoor op Schokland te Emmeloord en 



Inmiddels werd pastoor Stadhouder die „een ziekelijke 
en pijnlijke grijsaard van bijna 80 jaren" was „rustend". 
Hij bleef in de Bullewijk op de boerderij „Kerklust" ^) 
wonen, waar hij ook stierf den 21 en Juni 1821. 

Hoe hier inderdaad door den dood een einde werd 
gemaakt aan een leven vol van kommer en ellende moge 
blijken uit onderstaand smeekschrift, dat slechts weinige 
maanden voor zijnen dood tot Koning Willem I werd 
opgezonden -). 

Aan Zijne Majesteit den Koning der 
Nederlanden Prins van Oranje-Nassau, 
Hertog van Luxetnbiirg enz. enz. enz. 

Geeft met verschuldigden eerbied te kennen Gerardus Stadhouder 
roomsch-priester en Pastor der gemeente van Ouderkerk in de 
Bullewijk woonachtig; 

dat hij Suppliant geboren is in den jare 1744, en bijna 53 jaren 
werkelijk priester; dat hij zints 34 jaren laboreert aan de jigt 
dermaten, dat hij nu zcdert jaren niet heeft kunnen gebruik maken 
van uitgaan, maar meestal van zijn bed op een stoel zijn pijnlijk 
leven moet doorbrengen ; dat hij Suppliant pastor geworden zijnde, 
weldra zich genoodzaakt en verpligt vondt zijne Ouders te onder- 
steunen, alzoo het fortuin hun den rug gekeert had, dit gevoegt 
bij de kosten, welke hij wegens zijnen ziekelijken staat heeft moeten 



Ens werd J. Bos, die eenigen tijd kapelaan in Holland was geweest, 
alwaar hij zich bij het verbranden der Roomsche kerk in de Bullewijk 
bij Ouderkerk, in het redden der H.H. Vaten bijzonderlijk moet onder- 
scheiden hebben ; hij was laatstelijk kapelaan te Haarle geweest." 

1) Van deze boerderij, die sinds onheugelijke tijden het eigendom is 
der parochie Ouderkerk, ontbreken de eigendomspapieren. Volgens 
zeggen van sommige bejaarde Ouderkerkers zou «Kerklust" eerst voor 
de helft en later in haar geheel aan de parochie zijn geschonken. 
Blijkens het bestaande Rekeningenboek werd zij in de eerste helft der 
vorige eeuw geschat op eene waarde van + 9000 gulden. In de tweede 
helft der vorige eeuw steeg de waarde der landerijen zoodanig, dat zij 
op het oogenblik een bedrag vertegenwoordigt van +^ 50.000 gulden. 

In 1907 werd «Kerklust" om hare bouwvalligheid geheel herbouwd 
voor ruim 900c gulden door P. Alkemade van Duivendrecht. 

2) Kerkarchief Ouderkerk, 



maken, is nu een evident gevolg, dat hij nog roerend of onroerend 
goed bezit; in dezen staat heeft hij Suppliant, niettegenstaande 
hij zijn Officie niet meer kan waarneemen, en gevolglijk van de 
inschikkelijkheid van jonge geestelijken dependent is, benoodigt 
iemand, die hem dag en nagt adsisteert; dat hij ten dezen aanziene 
alsnog heeft eene dienstbode, welke hem zijne nog weinige levens- 
dagen niet verlaten zal, dan dit geluk hem geschiedende, heeft 
hij ook noodig middelen, die hem daartoe onontbeerlijk zijn ter 
onderhouding van dezelve; eindelijk rekent hij Suppliant het 
overbodig uitgezochte woorden te bezigen tot het schetzen van 
zijne allenzints benarde situatie, het zal alléén voldoende zijn in 
consideratie te neemen, dat hij Suppliant is een bijna tachentig 
jarige, ziekelijke en pijnlijke grijsaart zonder middelen, en dien- 
volgends bij het naderen van den dood meer en meer afhankelijk 
zal worden van andere, en dan die diensten interoepen zonder 
geld, welk een akelig verschiet dit oplevert zal geen wezen ontkennen. 
Redenen waaromme hij Suppliant is te rade geworden zich te 
wenden tot Uwe Majesteit, gedienstig verzoekende, dat het Uwer 
Majesteits goede geliefte zijn moge, hem Suppliant eene somma 
jaarlijks te willen toekennen, waardoor hij zijne weinige levens- 
uuren met behulp van iemand zal kunnen doorbrengen, en dat 
Uwe Majesteit deze somma bepalende, vooraf toch in aanmerking 
zal gelieven te neemen, dat deze toereikend zij, hem met iemand, 
welke alléén dag en nagt hem kan adsisteeren, en de medicinale 
kosten te bestrijden, te doen leven, en eindelijk dat hij toch 
waarschijnlijk weinigen tijd daarvan zal kunnen gebruik maken, 
daar het graf hem weldra wagt. 

Hetwelk doende enz. 

Te Ouderkerk hangt in de pastorie ter gedachtenis 
aan pastoor Stadhouder eene staalgravure van D. Sluyter, 
gesierd, naar de gewoonte dier dagen, met treurende 
geniussen, graflamp, zandlooper en gebroken fakkel : 
alle symbolen van dood en vergankelijkheid, en waar- 
tusschen met guirlandes de bekranste beeltenis prijkt 
van den gestorven herder. Het onderschrift luidt : Ter 
nagedachtenis van de Weleerivaarde en Zeergeleerde 
Heer den Heere Gerardus Stadhouder oiid-pastoor der 
R. K. Gemeente van de Bidleivijk. Omdat heel die zinne- 
beeldige omhaal niets bijzonder katholieks heeft, zoo 



schreef Mgr. Graaft), vindt men dezelfde prenten „tot 
nut van het algemeen" ook voor overledene predikanten 

gebruikt. 

* * 
* 

Joannes Georgius van der Aa, die blijkens het doop- 
boek den I5en April 182 1 pastoor Stadhouder in de 
herderlijke bediening opvolgde -), was te Amsterdam 
den Qen December 1789 geboren uit welgestelde ouders: 
Frederik van der Aa en Elisabeth Oudorp. En blijkens 
door hem in 1834 en in 1849 gemaakte kerkelijke be- 
schikkingen had hij twee ongehuwde zusters: Anna 
Catharina en Elisabeth Sibilla, en eene derde Susanna, 
die met Gerrit Rijnders getrouwd was. Hij was den 
ijen September 18 12 te Munster tot priester gewijd 
en stond van den aanvang van zijne priesterwijding af 
tot in het begin van het jaar 18 19 als kapelaan aan 
de Statie „de Liefde" te Amsterdam. Toen volgde zijne 
assistentie bij den ouden, hulpbehoevenden pastoor 
Stadhouder, wiens kerk den 22en October 18 18 in 
vlammen was opgegaan, en, wien hij blijkbaar in belofte 
had als pastoor te zullen opvolgen. Inderdaad was zijne 
komst te Ouderkerk eene krachtige hulp voor den 
hulpvragenden herder, en kregen aanstonds de bouw- 
plannen voor eene nieuwe kerk en pastorie meer vasteren 
vorm ^). Den 26en October 1820 werd door hem van 



1) Almanak van J. A. Alberdingk Thijm : Volksuilgave, No. 35, blz. 77. 

2) In het bisschoppelijk Archief staat hij reeds in 1819 als pastoor 
van Ouderkerk geboekt. Hij was dat blijkbaar slechts in naam, totdat 
pastoor Stadhouder jrustend" werd. Vandaar dat hij eerst den isen April 
1821 in het doopboek schreef: Sequentes sunt baptizati dum pastorali 
munere fungebar, J. G. van der Aa; ook vierde hij eerst in 1846 het 
zilveren feest van zijn herderschap. De Godsdienstvriend: dl. LVII, 
blz. 306—307. 

3) Dit alles werd reeds beschreven in de Bijdragen: dl. XXXIV, 
blz. 213—230. 

8 



114 

den nieuwen bouw de eerste steen gelegd ; de inzegening 
geschiedde den 8en September 1821. 

Op kerk en pastorie bleef een, voor die dagen aan- 
merkelijke, schuldenlast drukken van + 10.000 gulden, 
zoodat pastoor van der Aa, vooral in den beginne, ge- 
noodzaakt was uit eigen middelen de Statie in haren 
geldelijken druk bij te staan. 

In 1834 den 22en Februari kocht hij de hofstede „Werk 
en Loon" i), en werd in 1836 voor de helft eigenaar 
van de boerderij : „Mijn Lust" ^), beide in den Ronden- 
Hoeper-polder gelegen onder de gemeente Ouder-Amstel. 

In 1825 werd door pastoor van der Aa achter de 
nieuw-gebouwde kerk een katholiek kerkhof aangelegd, 
dat den loen December 1825 in gebruik werd genomen 3). 
Op het kerkhof staat in een houten nis een Christusbeeld. 

Voor de kerkgeschiedenis van Amsterdam is het 
wellicht van belang hier te vermelden, dat, blijkens het 
opschrift op een grafzerk, te Ouderkerk begraven werd : 
„Anna, Helena, Theresia Spijker, geb. te Lingen, 
Hannover, Januarij 1794, overl. te Amst^ 9 Oct. 1839, 
stichteres van het R. C. oude Vrouwenhuis Vredenburg, 
opgericht te Amstm ie Pinksterdag 22 Mei 1836." 

Den I3en September 1837 vierde pastoor van der Aa 



1) Na den dood van pastoor Van der Aa werd zij den ii^njan. 1858 
in openbare veiling gekocht voor 20.500 gulden door Hermanus van Tol ; 
den 316" Oct. 1879 werd zij uit de hand verkocht aan Piet van Tol 
voor 61.000 gulden, en later ging zij in eigendom over aan zijn zoon 
Kors van Tol. 

2) Die helft werd door den pastoor uit de hand gekocht van de 
Wed. Lusing — Möller voor 4750 gulden. In 1858 na den dood van 
pastoor Van der Aa werd diens aandeel in openbaren verkoop aan- 
gekocht voor 9150 gulden door Antonie Hogenbosch, die toen eigenaar 
werd van de geheele boerderij. In 1872 den 3en Juni ging zij bij 
openbaren verkoop over aan Jan Snel Hz. voor 23.000 gulden, en in 
1899 bij onderhandsche acte aan J. Snel Jz. 

3) De beukenhaag om het kerkhof werd in 187 1 geplant. 



"5 

onder algemeene deelneming zijner parochianen zijn 
zilveren priesterfeest. Bij deze gelegenheid werd uit 
vrijwillige bijdragen, als blijvend aandenken, aan de 
kerk geschonken een zilveren missaal-lezenaar. Jan van 
Galen gaf het missaal met rood fluweelen band, zilver 
beslag en dito sloten ; waarbij Jan Marsen een evangelie- 
boek voegde met twee gouden sloten. 

Nog een ander aandenken aan dit feest maakt deel uit 
van den zilverschat der parochiekerk, namelijk een ebben- 
hout-zilveren index-staf met aanwijzend handje en ring. 
Een zilveren strook overlangs aangebracht geeft te lezen : 
tU VIqILans InDeX DICtare preCes JUbILantI Van Der Aa 1837 

Gij, wakkere Index, wijs den jubileerenden Van der 
Aa de gebeden aan. 

Door wien het voorwerp geschonken werd bleef mij 
onbekend ^). 

Toen in 1853 het bisschoppelijk bestuur in de kerk 
van Nederland was hersteld, werd Ouderkerk, dat 
eertijds behoord had tot het decanaat Amstelland, in 
September 1853 tot hoofdplaats van een nieuw decanaat 
verheven met pastoor van der Aa tot eersten Deken. 



l) Dit eigenaardig stukje kerkgerei, dat verdiend had, in Het 
Katholiek Nederland 1813 — igij (II, blz. 11 o) naast den «Staf van 
den ceremoniarius" genoemd te worden, behoorde vóór het herstel der 
Hiërarchie tot de uitrusting van den in pluviali gedosten t> Index" . Oor- 
sprong en gebruik ervan zouden misschien oudheidkundige navorsching 
verdienen. Toen we echter onze Bisschoppen verworven hadden met 
hunnen pontificalen Presbyter assistens, werd begrepen dat zulk na- 
strevend vertoon den gewonen celebrant niet paste, en verviel het onder- 
scheidingsteeken met den drager. Het moet echter, zoo ik goed ben 
ingelicht, in Limburg nog niet geheel buiten gebruik zijn. Waarschijnlijk 
zal het sierstuk nog wel in enkele Hollandsche pastorieën onder het 
kerkzilver gevonden worden. Het Ouderkerksche exemplaar, naar be- 
hooren voorzien van het breede roodziiden lint, waarmee het aan den 
arm werd vastgestrikt, wordt thans bij bruikleen bewaard in het 
Bisschoppelijk Museum te Haarlem. J. J. G. 



ii6 

Tot het nieuwe decanaat werden gevoegd Bovenkerk, 
Buitenveldert, Diemen, Duivendrccht, Kwakel, Kudel- 
staart, Nes en Swaluwebuurt, Osdorp, en de volgende 
drie parochies die vóór 1853 tot Utrecht gerekend 
werden : Muiden, Nederhorst den Berg en Weesp. In 
1862 werd Osdorp van Ouderkerk afgescheiden en tot 
het decanaat Haarlem gevoegd. 

Eenige jaren later den 4^^ Mei 1858 werd de parochie 
Ouderkerk opgericht en tot parochiaal kerkbestuur 
benoemd de Heeren: Jan van Galen, Jan Timmer, 
Symen Zuidwijk en Gerrit de Wit. Eene nadere om- 
schrijving der grenzen bleef achterwege, omdat eerst 
door eene pauselijke beslissing de grenzen tusschen het 
aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem moesten 
geregeld worden. Vandaar dat de Bisschop bepaalde, 
dat „aan de parochie Ouderkerk als grondgebied 
voorloopig werd toegewezen de geheele uitgestrektheid, 
welke tot nu toe is geacht geweest tot de R. C. Ge- 
meente voornoemd te behooren, met geheel voorbehoud 
evenwel aan ons om bij de door ons nader vast te stellen 
nauwkeurige omschrijving van den uitersten omtrek des 
parochialen grondgebieds, te dezen aanzien die wijzigingen 
en veranderingen te maken, welke wij oorbaar mogten 
oordeelen." Die „voorloopige" toestand duurde tot den 
25en Januari 1899 toen door Z. H. den Paus eene be- 
slissing werd genomen omtrent deze grenzen. Van die 
beslissing werd bij bisschoppelijk besluit van den 
len Maart 1899 aan de parochianen kennis gegeven, 
waarna den I2en November 1901 de grensregeling der 
parochie officieel werd vastgesteld, als volgt: 

De grenslijn begint aan den Afsluitdijk tusschen Botshol en de 
Ronde Vetten tegenover S. Hubert, waar de grenzen samenvallen 
der parochiën Vinkeveen, Nes en Ouderkerk. Vandaar gaat de 
lijn noordoostelijk door de rietlanden heen recht op den dijk aan 



117 

van den polder Nellestein, welken dijk zij een eind weegs volgt, 
om dan de poldersloot te nemen, die aan de oostzijde het dichtst 
langs de boerderij Winkelhorn loopt, steekt dan, recht noord- 
waarts, water en dijken van den Winkel over, naar de molen- 
wetering van den Holendrechterpolder om rechtuit noordwaarts 
aan te loopen op de breede gracht ten oosten van Kievitsheuvel. 
Daarlangs steekt de lijn altijd noordwaarts de Holendrecht over 
en loopt ten oosten van de huisjes gemerkt D 94 en 95, op het 
zuidelijkste punt aan van de Ziiidwetering van den Bullewijker- 
polder, volgt deze tot aan de Oostwetering, volgend deze Oost- 
wetering, over het punt heen waar zij den ^;«5-/^/w^^ snijdt, altijd 
noordwaarts tot aan den Noorderhoek van de Zwetskade. Van 
hier gaat de lijn westwaarts over de dijksloot heen tot aan den 
Zivedweg en van dit punt in rechte richting noordwestwaarts door 
de veenderij van den Bullewijkerpolder naar het punt, waar de 
reeds begonnen ringdijk van dien polder de Ouderkerkerlaan 
raakt ten noorden van de woning Veenlust. 

Van dit punt steekt de lijn rechtuit noordwestelijk den Klein' 
Duivendrechtschen polder over en valt in den molenvliet achter 
de watermolen Strandvliet. 

Nu blijft de lijn dien molentocht volgen tot het punt hetwelk 
gelegen is in het verlengde van de Kalfjeslaan, naar welke heen 
de lijn den Atnstel oversteekt ten zuiden van de boerderij Klaren- 
beek, welke onder S. Willibrordus buiten de veste te Amsterdam 
parochieert. Midden over de Kalfjeslaan loopt de grenslijn voort 
tot het punt, waar ter rechterzijde de Wetering naar Amsterdam 
begint te loopen, om dan links door de slooten, die nagenoeg op 
dezelfde plaats als de vroegere Wetering den Middelpolder door- 
loopen, het zuidelijke eind van dien polder te bereiken op den 
dijk en door de zuidelijke rest van die Wetering op het Groote 
Loopveld aan te komen. 

Van deze Wetering af volgt de lijn oostwaarts de vaart langs 
het Groote Loopveld en vervolgens de dijksloot van den Boven- 
kerkerpolder tot aan de sloot ten zuiden van de boerderij Veldzicht, 
alwaar de lijn oostwaarts in den ^wj/^?/ valt en met deze zuidwaarts 
voortgaat tot aan de brug bij de Zwarte Kat. Hier gaat de lijn 
den dijk van den Rondehoeperpolder over en valt in de sloot 
tegenover gezegde brug. Door deze sloot komt de lijn in de 
Molenwetering en gaat met deze in zuidoostelijke richting door 
den Rondehoeperpolder, om aan diens zuidelijken dijk, door de 
sloot ten zuiden van het voor?nalige schoolgebowiu in de Waver 
te komen. Hier gaat de lijn zuidwaarts den dijk over en volgt 
een eind weegs den Afsluitdijk tusschen Botshol en de Ronde 
Venen tegenover S. H"ubert, waar de grenslijn begonnen is. 



ii8 



Het parochiaal Armbestuur werd opgericht den 
23en Februari 1855 en tot eerste armmeesters werden 
benoemd de Heeren : Willem Houweling, Gerrit Kleyn, 
Jan Kort en Hannes van Nes. 

Over het afsterven en den dood van pastoor Van der Aa 
verhaalt o.a. de Godsdienstvriend^): 

„Op Zondag, den 2oen September 1857, mogten wij 
voor 't laatst nog een woord van troost en zaligheid 
uit zijnen mond höoren. Des namiddags verliet hij zijne 
gemeente, want hij had zich voorgenomen om op 't graf 
van zijn neef, als pastoor te Saasveld overleden 2) te 
gaan bidden en eene H. Mis aan het altaar, waar zijn 
eerwaardige neef zoo dikwijls geofferd had, tot rust 
zijner ziel aan God op te dragen. Onze beminde herder 
werd onderweg ongesteld en toch volbragt hij, hoewel 
vol smarten, zijn voornemen. Ver verwijderd van zijne 
kinderen en vrienden, overviel hem een zware koorts. 
De treurige tijding dier ziekte vervulde ons met zulken 
angst, dat wij reikhalzend bleven uitzien naar tijding en 
onophoudelijk gebeden ten hemel werden opgezonden 
tot zijn herstel. God wilde echter zijn getrouwen dienst- 
knecht, den priester, ja wij zeggen het vrijelijk, den man 
naar Gods hart, beloonen voor zijne diensten. Onze 
eerw. kapelaan, de eerw. Heer Preijer, begaf zich on- 
verwijld naar Borne in Overijssel, waar onze herder ziek 
lag, en daar komende, bevond hij hem in zulk een 
gevaarlijken toestand, dat hij in den loop der week 
voorzien werd met de laatste genademiddelen der H. Kerk. 
Op Zaterdag, den 3en October, verhief zich de koorts 
en om tien ure 's morgens werd de toestand des zieken 
bedenkelijk. Onophoudelijk omringden zijn vriend, de 



1) Dl. LXXIX, blz. 250—252. 

2) G. van der Aa, pastoor te Saasveld van 1809 tot 20 April 1849. 
De Godsdietistvriend: dl. LXII, blz. 267. 



119 

eervv. Heer Preijer, en de pastoor van Borne met zijn 
eerw. kapelaan en de eerw. Heer Ferier ^) den geliefden 
herder, en baden de gebeden der stervenden, totdat 
's avonds kwart voor vijf ure zijne schoone ziel het 
tijdelijke met het eeuwige verwisselde. Het stoffelijk 
overschot des overledenen werd naar Ouderkerk vervoerd, 
waar het den 8en October des morgens ten half zeven 
ure aankwam en terstond ter kerk werd gedragen, waar 
den geheelen dag en nacht tot Vrijdagmorgen onafge- 
broken zijne gemeentenaren bij het lijk huns geliefden 
herders hunne gebeden voor de rust zijner ziel kwamen 
storten. De Zeereerw. pastoor en deken van 's Hage, 
J. J. Siegfried, deed de uitvaartdienst en sprak een 
woord van vrede tot ons, waarin hij de liefde schetste, 
die onze beminde herder had voor God en voor zijne 
kudde, welke hem was toevertrouwd, maar vooral de 
liefde tot Gods huis en de armen. Ja, met regt was hij 
hun vader; nederig in den omgang en nooit moede 
te geven, deed hij wel aan katholieken en hervormden. 
Moge de dierbare herder, de vader der armen en de 
troost der bedrukten, wiens nagedachtenis in Ouderkerk's 
gemeente zal blijven voortleven, in vrede rusten." 



Van Conradus Leonardus Rijp, die in Februari 1858 
tot pastoor en den iien Mei 1858 tot Deken benoemd 
werd van Ouderkerk, werden de jaarcijfers, waarbinnen 
dat verdienstelijke priesterleven zich bewogen heeft, in 
deze Bijdragen reeds genoemd en besproken 2) ; tevens 
werd aan den man, die als geleerde onder zijne tijd- 



1) Everardus Ferier, destijtls theologaiU en parochiaan van Ouderkerk, 
werd den I5en Aug. 1859 priester gewijd. De Godsdienstvrietid: 
dl. LXXXIII, blz. 198. 

2) Bijdr. V. H.\ dl. XXXIV, bh. 31-33. 



120 



genooten uitmuntte, door eene bespreking zijner op- 
stellen en geschriften, recht gedaan i). Thans rest den 
pastoor te behandelen, die met onbezweken werkzaamheid 
en onvolprezen milddadigheid te Ouderkerk eene nieuwe 
pastorie en kerk bouwde, waardoor het godsdienstig 
leven onder de katholieken zich eerst recht ontwikkelen 
kon. En dit te meer, omdat men, geleerd door de 
ondervinding, verwachten zou, dat een man als pastoor 
Rijp, die blijkens zijne geschriften zich zoo vaak terug- 
trok in de stilte van zijn studeervertrek, op het terrein 
van breken en bouwen zich minder gaarne zoo ooit be- 
wegen zou. En toch zijne eerste daad te Ouderkerk bestond 
in breken en herstellen van het oude en bouwvallige 
pastoorshuis, waaraan, tegen zijn wil en bedoelen, nog veel 
geld werd ten koste gelegd ^). Want het plan om eene 
nieuwe pastorie te bouwen stonds reeds aanstonds vast. 

En zoo kon hij in het najaar van 1861 aan zijne 
kerkmeesters in de vergadering van 19 November mede- 
deelen, dat door de parochianen in den loop van vier 
jaren voor de nieuwe pastorie met vrijwillige giften 
eene som was bijeengebracht van 5000 gulden, waaraan 
hij uit eigen middelen eveneens 5000 gulden zou toe- 
voegen. Met den bouw der nieuwe pastorie kon dus 
begonnen worden ; eerst daarna zou aan den bouw eener 
nieuwe kerk gedacht worden, omdat de oude pastorie 
tot noodkerk moest worden ingericht. 

Aan den jeugdigen en veel-belovenden architect 
Dr. P. J. H. Cuypers werd opgedragen het plan te 
ontwerpen eener nieuwe pastorie, dat evenwel in be- 
grooting de 20.000 gulden niet mocht te boven gaan. 
Den i6en Maart 1862 werden de ontworpen plannen 



1) BtjWr. V. H.: dl. XXXIV, blz. 34-48. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XXXIV, blz. 56. 



121 



door den pastoor zelf ter goedkeuring aan den Bisschop 
aangeboden, tegelijk met een toelichtend schrijven, 
waarvan de voorname inhoud was als volgt : 

Het gebouw thans voor pastorie gebruikt, is zeer oud, en bij 
vroegere verplaatsing van het kerkgebouw slechts zooveel mogelijk 
voor woning van den pastoor ingerigt, doch niet geschikt voor 
pastorie. 

Indien het gebouw behoorlijk zoude moeten ingerigt en veranderd 
worden, zoude dit zeker ook wegens ouderdom vele en groote 
onkosten veroorzaken. 

Dewijl daarenboven bij eene toekomstige verbouwing van het 
kerkgebouw de verplaatsing allernoodzakelijkst is, hebben wij 
besloten om de pastorie volgens een nieuw plan op te bouwen, 
van welk plan aan Uwe Doorl. Hoogwaardigheid de teekeningen 
en het bestek worden toegezonden, ten einde Uwe goedkeuring 
daarop te ontvangen. De eerw. Heer Pastoor en Kerkmeesters 
hebben aan de Gemeentenaren vrijwillige bijdragen gevraagd en 
hebben het genoegen gehad, dat niemand zich aan de bijdragen 
heeft onttrokken, maar allen, al is het een gering offer, voor den 
nieuwen bouw hebben willen geven. 

De gezamentlijke bijdragen, van welke echter te verwachten is, 
dat zij eerder verhoogd dan verlaagd zullen worden, indien de tijden 
eenigszins gunstig blijven, beloopen eene som van lo duizend gulden. 

Ter aanvulling van het ontbrekende komt vooreerst de belofte 
van den pastoor, die voor zijne rekening neemt, wat de kosten 
meer dan 20 mille bedragen ; vervolgens ons vertrouwen op Gods 
voorzienigheid, want het is alles tot Gods eer, wat wij ondernemen ; 
en eindelijk de overtuiging dat de overblijvende schuldenlast, al 
mogt die de gcheele som van 10 duizend gulden bedragen, niet 
te zwaar is voor de Gemeente. 

Pastoor Rijp bemerkte bij zijne mondelinge toelichting 
al aanstonds, dat, naar het oordeel van den bisschop, 
eene dorps-pastorie, die, begroot op 20.000 gulden, met 
noodzakelijke bijkomende en onvoorziene uitgaven, tot 
25.000 gulden zou stijgen „te grootsch en te duur" was, 
zoodat hem in overweging werd gegeven voor den 
nieuwen bouw geen hooger bedrag dan 15.000 gulden 
uit te trekken. En wat de bisschop mondeling zeide, 
bevestigde hij schriftelijk den 26en April 1862. 



122 



Terstond werd den architect door het kerkbestuur 
in opdracht gegeven een nieuw ontwerp te vervaardigen, 
dat in begrooting de 14.000 gulden niet zou te boven gaan. 

De Heer Cuypers gaf daaraan gehoor : doch toen 
den 29en Augustus 1862 zijne nieuw-ontworpen plannen 
ter uitvoering in het openbaar werden aanbesteed, vroeg 
de laagste inschrijver 20.000 gulden, zoodat aan geen 
gunning kon gedacht worden. Er werd door het kerk- 
bestuur besloten voor de derde maal een nog eenvoudiger 
ontwerp bij den architect aan te vragen en dan opnieuw 
tot eene openbare aanbesteding over te gaan. 

Intusschen had de Heer W. van Bakel te Amsterdam, 
de toekomstige opzichter van den Heer Cuypers, op 
last van den architect bij het kerkbestuur een gewijzigd 
plan ingediend, dat, naar hij schreef, door zijn vader, 
den Heer H. van Bakel, voor de som van 16.379 gulden 
zou worden uitgevoerd. Na alles in bijzijn van den 
architect gewikt en gewogen te hebben, ging het kerk- 
bestuur op het voorstel in, en werd den 28en September 
bij contractueele overeenkomst den Heer H. van Bakel 
opgedragen voor de som van 15.500 gulden naar de 
gewijzigde plannen de nieuwe pastorie op te bouwen. 
Den 4en October 1862 werd van Burgemeester en 
Wethouders der gemeente Ouder-Amstel vergunning 
verkregen om den nieuwen bouw te mogen aanvangen. 

Onder allerlei minder aangename lotgevallen heeft de 
opbouw der pastorie plaats gehad. De aannemer bleek 
voor zijne taak niet berekend, en zijn zoon, de opzichter, 
liet zich aan het werk weinig gelegen liggen. Er werd 
te veel gebouwd op goed vertrouwen, waardoor bij de 
aflevering de grootste onaangenaamheden zich voordeden. 
Bovendien werd door den aannemer voor bijwerk eene 
rekening ingeleverd van 2100 gulden, waarvan hij zich 
ten slotte met 474 gulden tevreden stelde en beloofde 



123 

van alle verdere eischen of gemeende rechten te zullen 
afzien. Den i6en Juni 1864 werd de nieuwe pastorie in 
gebruik genomen ^). 

In den gevelmuur aan de voorzijde staat het beeld 
van den goeden Herder, waaronder op een gedenksteen, 
ontworpen door den architect Cuypers, gebeiteld staat ") : 

-f- In. honorem. S. S. &. Indiv. 
Trinitatis. &. sub. inv : B. lm. 
V. Mariae. h. domum. paröc. 
aedif. cur. A°. Dmni. nostri. 
Jes. Chr. MDCCCLXIII. 

C. L. Rijp. paroch. &. decan. 
J. Timmer. G. de. Wit. \ > 

D. Voordewind. &. > o^ 
P. Kooyman. ) B. 

Met onverstoorbare voortvarendheid zette het kerk- 
bestuur, ondanks de meermalen bij den bouw der pastorie 
ondervonden moeilijkheden, zijne bouwplannen voort, 
en werden reeds in Augustus 1863 voorbereidende be- 
sprekingen gehouden met den Heer Cuypers omtrent 
den bouw der nieuwe kerk. In Februari 1864 waren 
de plannen zoover gevorderd, dat bestek en teekeningcn 
aan het kerkbestuur ter beoordeeling en goedkeuring 
werden overgelegd. Maar ook toen waren nog ver- 
anderingen en wijzigingen noodzakelijk, zoodat eerst in 
September 1864 aan zijne Majesteit, den Koning, en 



1) De boomgaard dateert van 1868, de Engelsche tuin van 1871. 

2) Ter eere van de allerheiligste en ondeelbare Drievuldigheid en 
onder aanroeping van de allerzaligste en onbevlekte Moeder-Maagd is 
deze pastorie in den loop van het jaar onzes Heeren Tesus Christus 
1863 gebouwd geworden. 

C. L. Rijp, pastoor en deken. 

J. Timmer, G. de Wit, D. Voordewind en P. Kooyman, kerkmeesters. 



124 

aan Z. D. H. den Bisschop goedkeuring en machtiging 
voor den nieuwen bouw kon worden aangevraagd, en 
wel aan Z. M. den Koning als volgt : 

Aangezien de thans in gebruik zijnde parochie-kerk dringende 
en kostbare herstellingen begint te vorderen, welke herstellingen 
groote uitgaven zouden vereischen zonder dat de Gemeente daar- 
door eenigszins gebaat werd, en vooral zonder dat radicale ge- 
breken geheel verwijderd zouden kunnen worden, zoodat een 
vernieuwde bouw altijd in uitzigt bleef: zoo heeft het kerk- 
bestuur na rijp beraad besloten liever nu reeds tot het bouwen 
eener nieuwe parochie-kerk, welke èn in omvang èn in uitvoering 
beter aan de behoeften der Gemeente en aan de eischen der eere- 
dienst zoude kunnen beantwoorden, over te gaan. 

Het kerkbestuur meent diensvolgens aan de goedkeuring Uwer 
Majesteit te mogen onderwerpen de hierbij gevoegde acht stuks 
teekeningen, met bestek en begrooting van onkosten eener nieuwe 
parochie-kerk, ontworpen door den architect P. J. H. Cuypers te 
Roermond. Het verzoekt eerbiedig aan Uwe Majesteit op hetzelfde 
terrein, waar thans de parochiekerk gevestigd is, dit grootsche 
werk te mogen aanvangen en voltooijen, zonder daartoe aanspraak 
te maken op eenig subsidie van rijkswege. 

Tevens meent het kerkbestuur ter kennis van Uwe Majesteit te 
moeten brengen, dat het vooreerst over eene niet grootere som 
dan van omstreeks 60.000 gulden zal kunnen beschikken, dus ook 
niet voornemens is meer te besteden, zoodat het ontworpen plan, 
waarvan de raming bedraagt omtrent 84.000 gulden met toren en 
64.000 gulden zonder toren vooreerst slechts gedeeltelijk zal kunnen 
worden uitgevoerd, en het kerkbestuur op betere omstandigheden 
of op eenige milde gevers zal moeten wachten, om het plan geheel 
uit te voeren. 

Aan den bisschop van Haarlem, Mons. Wilmer, werd 
geschreven : 

Eindelijk verheugt zich het kerkbestuur van den H. Urbanus 
te Ouderkerk aan den Amstel aan de goedkeuring van Uwe Hoog- 
waardigheid te mogen onderwerpen de acht stuks teekeningen 
eener nieuwe parochiekerk. 

De behoefte aan eene nieuwe parochiekerk hebben wij Uwe 
Hoogwaardigheid niet nader te verklaren. Vele en groote uitgaven 
aan de thans bestaande kerk te doen, oordeelden wij niet raad- 
zaam, dewijl zij voor de Gemeente zonder nut zouden zijn. Hoe 
groot de zwarigheden ook mogen zijn, wij hebben de voorkeur 



125 

gegeven aan het bouwen eener nieuwe kerk. Het plan is ontworpen 
met het oog op de behoefte der Gemeente en de waardigheid, 
welke aan het huis des Heeren past. 

In de laatste 40 jaren is de Gemeente van 500 op 720 com- 
municanten geklommen '), en het vooruitzigt wijst eer vermeerdering 
dan vermindering aan. Wij gelooven dat de nu gekozene ruimte 
geene vermeerdering behoeft te doen vreezen. Ook voor de waardig- 
heid van Gods huis is onzes inziens gezorgd; terwijl wij hopen, 
dat het plan in zich bevat alles, wat volgens de liturgische regelen 
in een kerkgebouw gevorderd wordt. 

Ons grootste bezwaar is de hooge som der begrooting: 84 mille, 
eene uitgave, welke onze krachten te boven gaat, tenzij buiten- 
gewone milde gevers ons van Gods goedheid geschonken worden. 
Ons voornemen was van dit plan zooveel uit te voeren als onze 
middelen gedoogen. 

Wij vragen bij deze ter uitvoering van deze plannen de goed- 
keuring en magtiging van Uwe Hoogwaardigheid, tevens verzoeken 
wij de noodige magtiging om den paardenstal te verplaatsen, de 
tegenwoordige kerk met hetgeen niet meer dienstig mogt wezen 
voor afbraak te verkoopen en verders voor alles wat noodig mogt 
bevonden worden om bovengemelde plannen tot voltooijng te 
brengen. 

Tot hulpkerk wenschten wij in te rigten de oude pastorie. 

Verders onderwerpen wij ons aan al hetgeen Uwe Hoogwaardig- 
heid in dezen raadzaam mogt oordeelen. 

Op beider aanvragen werd zonder bezwaar goed- 
gunstige toestemming verleend : door den Bisschop den 
26en October 1864, door den Koning den 21 en Januari 
1865. Aan het gemeente-bestuur van Ouder- Amstel 
werd den len Maart 1865 van den voorgenomen bouw 
kennis gegeven. Den 2en April 1865 deed de oude 
pastorie voor het eerst als hulpkerk dienst. 

Waarom deze inderdaad „grootsche" bouw niet in 
het openbaar door het kerkbestuur werd aanbesteed, 
blijkt niet uit het kerkarchief; alleen deelen de notulen 



i) A. J. van der Aa heeft zich in zijn Aardrijkskundig Woordenboek 
ook blijkbaar hier vergist, toen hij in 1840 onder het woord. Bulleuüjk 
vertelde »dat in die buurt eene R.C. Statie is, die 335 communicanten telt". 
Noch het een noch het ander was waar. 



126 



van de op den 5en Juli 1865 gehouden kerkvergadering 
mede, dat besloten werd de fundeering der kerk tot den 
vloer met bijbehoorende werken voor eigen rekening 
uit te voeren onder toezicht van W. Houweling, timmer- 
man te Ouderkerk aan den Amstel. En later is de 
geheele bouw der kerk aan het toezicht van W. Houweling 
en van J. J. Langelaar als dagelijkschen opzichter toe- 
vertrouwd : zoodat de geheele kerk voor rekening van 
het kerkbestuur werd opgebouwd. 

Den 23^" Augustus 1865 werd door pastoor Rijp op 
plechtige wijze de eerste steen der kerk gelegd. Omtrent 
het verloop dezer plechtigheid teekende pastoor Rijp aan : 

„Nadat gisteren de laatste paal van de kerk geslagen 
was, is heden, Woensdag 23 Augustus, de eerste steen 
gezegend en gelegd door den pastoor, daarmede belast 
door Zijne Doorl. Hoogwaardigheid, den Bisschop. De 
plegtigheid begon ten 1 1 uren met Veni Creator, ver- 
volgens preek en daarna wijding van het water, alles 
in de kerk. Er waren vele eerwaarde heeren geestelijken 
bij tegenwoordig in superplie ; ook vele protestanten 
waren in de kerk en bij de plegtigheid. Bij het leggen 
van den eersten steen werd de pastoor geassisteerd 
door W. Houweling, die belast was met het uitvoeren 
van de fundeeringwerken. De architect Cuypers was 
niet aanwezig. De eerste steen is gelegd op den hoek, 
waar koor en kapel zich vereenigen ter regterzijde, en 
werd op een haartje gedragen door Kees Kooyman, 
Jaap Kleyn Gz., Dirk Voordewind en Klaas Timmer, 
aan wie deze eer te beurt viel, door dat zij zich belast 
hadden met het ophalen der wekelijksche bijdragen." 

Den igen Juli 1865, toen bijna een geheel jaar aan 
den opbouw der kerk was gearbeid, ontving het kerk- 
bestuur, van den luitenant-kolonel Andreae namens de 
genie een schijven, waarin werd medegedeeld, dat voor 



127 

den bouw der kerk, als gelegen binnen den verboden 
kring, toestemming van den Minister van Oorlog moest 
worden aangevraagd, en dat de verdere afbouw der 
kerk moest worden gestaakt. 

Het kerkbestuur had alle reden zich over dat ambtelijk 
schrijven te verbazen, daar nog slechts enkele jaren 
geleden binnen den bedoelden verboden kring eene 
nieuwe pastorie was gebouwd, zonder dat het departement 
van Oorlog iets van zich had doen hooren. Het meende 
derhalve niet beter te kunnen doen dan zich rechtstreeks 
tot den Koning te wenden „met nederig verzoek dat 
het Zijne Majesteit moge behagen ons de noodige ver- 
gunning tot den bouw der kerk, als zijnde een werk 
van algemeen belang, te willen verkenen." 

Op dit schrijven van den S^^ September 1866 werd 
reeds den 22en September van den Koning toestemmend 
antwoord ontvangen „overwegende dat het bedoelde 
kerkgebouw moest geacht worden te behooren tot de 
voorwerpen, die in het algemeen belang noodig zijn." 

Over andere gebeurtenissen van eenige beteekenis 
gedurende den bouw voorgevallen, staat in het kerk- 
archief geen melding gemaakt: alleen blijkt dat pastoor 
Rijp, die voor den opbouw der kerk eene bijdrage 
schonk van 25.000 gulden, ook de kosten voor den 
torenbouw + 15.000 gulden gedragen heeft. Maar 
deze laatste som onder voorwaarde, dat de kerkmeesters 
zoolang jaarlijks zouden rondgaan onder de parochianen, 
totdat er een fonds voor eene zekere fundatie zou ge- 
sticht zijn. 

Door pastoor Rijp en W, Hbuweling werd aan den 
loodgieter Kroone te Ouderkerk „om iemand uit de 
gemeente te begunstigen" opgedragen het dak der kerk 
met leien te beleggen. Maar, jammer genoeg, voor die 
taak was Kroone niet berekend : zoodat bereids bij den 



128 

eersten storm in Februari 1868 door de snijding langs 
den toren aan den noordkant vele leien van de kerk 
vlogen; reeds in November 1869 werd het dak aan 
die zijde vernieuwd i). In Juni 1871 moest de toren 
opnieuw worden gedekt en in Juli 1873 het geheele 
dak aan de zuidzijde -) : zoodat, behalve de sacristie, de 
geheele kerk is herdekt geworden. De uitvoering van 
dezen vernieuwden arbeid werd opgedragen aan den 
leidekker Peters te Uithoorn. De kosten der kerk hebben 
blijkens de definitieve afrekening een bedrag beloopen 
van ƒ90.418.72. 

Aan den bouw van het zoogenaamde Armenkantoor 
is men begonnen den i7en September 1867; het was 
voltooid den 2en Maart 1868 en kostte 1650 gulden. 

Op den I2en Augustus 1867 werd de nieuwe kerk 
door Mgr. G. P. Wilmer geconsacreerd ^). Van deze 
plechtigheid staat niets anders opgeteekend in het kerk- 
archief, dan dat zij geschiedde „onder veel belangstelling, 
ook van de zijde der protestanten" ^). 

Op een hardsteenen gedenksteen (hoogte 80 c.M., 
breedte i M. 39 c.M.), gevat in eene omlijsting van 



i) Een andere storm op het einde van 1869 deed ook een dijkbreuk 
ontstaan over «de Voetangel", waardoor de drooggemaakte Bullewijker- 
polder weder geheel onderliep. In allerijl moesten de bewoners vluchten, 
doch konden hun vee en hun huisraad nog redden. 

De plaats waar het Angstel-water met reuzengeweld den polder inviel, 
is nog heden aan het in den bodem gevormde wiel te erkennen. 

2) Bij die gelegenheid werd ook het dak der pastorie beschoten en 
in de plaats van pannen, die den regen niet tegenhielden, gedekt met 
de nog goede leien der kerk. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XXI, blz. 319. 

4) Op den treurigen herinneringsdag van i April 1872 had men het 
van protestantsche zijde gemunt op kerk en pastorie. Op den avond 
van 2 April was daar groote oploop van volk. Vele katholieke mannen 
en jongelingen schaarden zich om de kerk en wachtten de protestanten 
af, die reeds den geheelen dag met baldadige oogmerken hadden samen- 
geschoold. Gelukkig is het bij het uitdeden van enkele klappen gebleven. 



129 

zandsteen, aangebracht onder den toren in een zij-ingang 
der kerk, staat met gouden gothische letters in het 
Latijn en in het Nederlandsch ter eeuwige herinnering 
gebeiteld : 

In honorem S, mae et indi- Ter eere der AUerh. en on- 

viduae Trinitatis sub invocati- deelbare Drieëenheid, onder aan- 
one beatae immaculatae virginis roeping der AUerzal. en Onbevl. 
Mariae et S. Urbani Pap. et Maagd Maria en van den H. 
Mart. patron. haec ecclesia ex Urbanus Paus en Mart. Patroon, 
munificentia curiatum aedificata is deze kerk van de milde giften 
est. A" Dom. der Parochianen gesticht in de 

jaren O. H. 
MDCCCLXV. XVI. XVII. 
C. L. Rijp, Deken en Pastoor. P. J. H. Cuypers, Architect. 
J. Timmer, G. de Wit, \^z W. Houweling, opzigter. 
P.Kooyman,D.Voordewind ?j|s J. J. Langelaar, dag. opzigter. 

Waarlijk eene dagelijks zich tot de kerkgangers 
herhalende vermaning om de wakkere mannen onder 
wier bestuur en beleid deze tempel gesticht werd, 
dankbaar in hunne gebeden te gedenken. 

Het kerkgebouw zelf „is uit- en inwendig een sobere 
baksteenbouw ^), zonder toepassing van profielsteen en 
met een spaarzame aanwending van groefsteen, geheel 
in de strakke vormen der vroeg-gothiek. 

Het plan laat zich beschrijven als dat eener kruis- 
kerk, met een driebeukig, vier traveeën diep, schip, 
een buiten de zijbeuken reikend dwarspand en een 
priesterchoor, gevormd van eene, met bogen aan recht- 
hoekige zijkapellen verbonden, travee, door zeven zijden 
van een twaalfhoek gesloten. 

De westelijke travee van het middenschip is ingericht 



l) £>e Katholieke kerken in Nederland, dat is de tegenwoordige staat 
dier kerken met hare meubeling en versiering beschreven en afgebeeld. 
Uitgegeven onder leiding van Dr. F, J. H. Cuypers. Tekst door Jan Kalf, 
bij van Holkema en Warendorf, Amsterdam 1906, afl. 13,^2.310—311. 



I30 

tot portaal, waarboven de tribune voor het zangkoor 
en die van de zuidelijke zijbeuk doet dienst als doop- 
kapel. Blijft er dus voor de kerkbezoekers slechts een 
drie traveeën diep schip beschikbaar, de zandsteenen 
bundelpijlers, welke de beuken scheiden, zijn wijd uit 
elkander gezet, zoodat in schip en transept toch ruimte 
wordt gevonden voor 500 zitplaatsen. Op hunne, met 
vroeg-Gothisch bladwerk versierde, kapiteelen, dragen 
deze pijlers rechthoekige diensten, waarop de karbeelen 
rusten, die de schinkels dragen van het spitsbogig houten 
tongewelf, dat de middenbeuk overspant. Profiel- en 
kleursteen werden in den bouwtijd van deze kerk nog 
niet toegepast, de opgaande wanden zijn dus uitgevoerd 
in grijs-roode klinkers en vertoonen allen de sobere 
versiering van door zandsteen colonnetjes gescheiden 
spaarnisjes, bij wijze van triforium, aangebracht onder 
de rij van telkens twee paar gekoppelde vensters, met 
rondlichten er boven, die in elk middenschipstravee het 
licht binnenvoeren, gelijk telkens twee kleine spitsboog- 
vensters het doen in de lage zijbeuken, die, evenals 
choor en zijkapellen, met gemetselde kruisgewelven zijn 
overdekt." 

En nu heeft het ons inderdaad getroffen, hoe de 
katholieken van Ouderkerk, die zoo juist voor den 
bouw ruim hadden bijgedragen, bereid werden gevonden 
om opnieuw met milddadige giften het kerkgebouw van 
binnen op te sieren. Maar de herder zelf, pastoor Rijp, 
ging voor : de parochianen volgden gemakkelijk. 

Zoo schonk de pastoor aan de kerk: het hoofdaltaar; 
de marmeren vloeren in het priesterkoor; het van edel- 
gesteenten flikkerend kruis op de ciborie. Uit bijdragen 
van parochianen werden in 1867 bij Petit en Fritsen 
te Aarle-Rixel de klokken aangekocht. De grootste 
klok weegt 1758 pond; de middelste 893, de kleinste 



131 

— een geschenk van Hermanus van Tol en Clasina 
Zwetsloot — 541 pond. 

Zij geven als toon : F. A. C. 

De groote klok „Salvator" genaamd draagt tot rand- 
schrift : „Komt allen tot mij". 

De middelste „Maria" geheeten voert tot spreuk : 
„Ik bemin die mij beminnen". 

De derde, toegewijd aan St. Josef, den maagdelijken 
echtgenoot van Maria, draagt de namen der schenkers. 
Op alle de drie klokken staan bovendien ook de namen 
der gieters. 

Van 1878 dagteekent de vierde klok in den dakruiter 
of het transept-torentje. Zij weegt 169 pond; werd 
eveneens gegoten door Petit en Fritsen en is toegewijd 
aan den H. Donatus, den patroon tegen brand en onweer. 
Zij heeft den octaaf-toon en stemt derhalve met de drie 
andere klokken heel goed samen. In haar randschrift 
noodigt zij de geloovigen uit tot aanbidding van het 
H. Sacrament: „Venite adoremus". Zij is een geschenk 
van Anna de Lange. Op den len Augustus 1879 werd 
de toren der kerk verrijkt met een uurwerk. 

Door de jonge dochters der parochie werd in 1867 
het Maria-altaar gegeven ; de Wed. Benekamp te Amster- 
dam schonk het Lieve Vrouwebeeld. De jongelingen 
der parochie gaven de gelden voor een H. Kruis-altaar. 
Het lag namelijk in het plan van pastoor Rijp om een 
der zij-altaren aan het H. Kruis des Heeren toe te 
wijden, omdat ook de vroegere parochie-kerk in de 
middeleeuwen een Kruis-altaar bezeten had. De teekening 
werd gemaakt en men wachtte op eene geschikte ge- 
legenheid ter uitvoering. Deze deed zich voor bij het 
zilveren priesterfeest van pastoor Claasen. Maar toen 
was de devotie tot den H. Josef zoodanig onder het 
volk toegenomen, dat het beter geoordeeld werd aan 



132 

een S. Josef-altaar boven een H. Kruis-altaar de voor- 
keur te geven ^). Het college van zangers gaf het ge- 
brandschilderd roset-venster op het zangkoor, waarin 
de beeltenis staat van Sinte Cecilia. Verder schonken 
in 1867 Aplonia Kleyn het Sinte- Anna-beeld ; kapelaan 
Huig het S. Josef-beeld; F. Siro het gebrandschilderde 
roset-venster boven den hoofdingang der kerk „de 
goede herder" voorstellende; Jan Marsen, Gijsb. Bijland, 
kapelaan Vrolijk, Gijs Vrolijk en Jan van der Kroon 
de gebrandschilderde ronde en langwerpige vensters in 
de kruisbeuk der kerk. Gijs Goes met zijne huisvrouw 
gaven een rood zijden-fluwecl kasuifel met goud ge- 
borduurd ; de parochianen deden daar twee dalmatieke 
en een preekstool bij. 

En toen nu enkele jaren later de parochianen reeds 
alles in gereedheid hadden, om den i7en Augustus 1870 
op feestelijke wijze het zilveren priesterfeest en het 
koperen pastoraat te Ouderkerk van hun beminden herder 
te gedenken en toen het geschenk der parochianen een 
kostbaar wit stel misgewaden, rijk met goud versierd, 
reeds was aangekocht, kwam den 3oen Juli het onver- 
wachte bericht, dat pastoor Rijp door Mgr. Wilmer 
benoemd was tot pastoor van S. Willebrord binnen 
de veste te Amsterdam. Van feestvieren is toen niets 
gekomen : den 7en Augustus nam de pastoor afscheid 
van zijne parochie. 

Zou pastoor Rijp niet aan Ouderkerk gedacht hebben 
toen hij in 1871 in De Katholiek schreef-): „Voor de 
kathoHeken zijn blijdere dagen aangebroken, en gebruik 
makende van de verworven vrijheid, richten zij oog en 
hart dankbaar op tot God. Het huis van God rijst 



1) Bijdr. V. H.: dl. XXXII, blz. 448. 

2) Item dl. I, blz. 140. 



133 

weder opwaarts tot Hem ; hooger en hooger verhefifen 
zich steeds de torenspitsen als wilden zij uit den hemel 
opnieuw de genade van Christus' Kruis aan Nederland 
verkondigen en in volle stroomen mededeelen ; als wilden 
zij zich hoog verheffen, om door den stroom des onge- 
loofs niet te worden medegesleept." 



Zijn opvolger, Pauhis Andreas Clausen was den 
7en Februari 1825 te Amsterdam geboren en den 
I4en Augustus 1850 te Warmond tot priester gewijd; 
hij stond van 1850 — 1854 als kapelaan te Noordwijk, 
van 1854 — 1856 als kapelaan aan de Hofkerk te 's-Gra- 
venhage, was van 1856 — 1861 sub-regent te Hageveld 
en van 1861 tot 5 Augustus 1870 pastoor te Weesp, 
toen zijne benoeming volgde tot deken en pastoor van 
Ouderkerk. Den I2en Augustus nam hij bezit van kerk 
en pastorie, deed des Zondags den 14^" zijne eerste 
preek, en werd den 24en Augustus, op last van 
Z. D. H. den Bisschop, plechtig door zijn voorganger, 
den afgetreden deken Rijp, geïnstalleerd. 

In milddadige liefde voor de armen en in vrijgevigheid, 
waar het de versiering betrof der kerk, deed deken Claasen 
voor zijn voorganger niet onder ; bovendien, wat hem 
niet minder tot eere strekt, liet hij zich bij al zijne op- 
drachtenen bestellingen leiden door zijn architect Cuypers, 
zoodat alles, wat ter verfraaiing werd aangebracht, het 
gelukkige stempel draagt van eenzelfden kunstenaar. 

Wij kunnen derhalve niet beter doen dan ter ken- 
schetsing van zijn elfjarig pastoraat in tijdsorde op- 
sommen, waarmede deze kerk verrijkt werd. 

In 1872 schonk deken Claasen den geheel uit steen 
gehouwen preekstoel; door Jan Timmer Sr. werd de 
muurschildering bekostigd om het hoofdaltaar, de wachters 



134 

voorstellende rondom '55 Heeren troon ; door Hermanus 
van Tol en Clasina Zwetsloot de schildering boven den 
triomfboog, den Zaligmaker voorstellende met het 
H. Hart, in zijne groote vereerders allen uitnoodigend, 
die belast zijn on beladen. Zoo staan aan de Evangelie- 
zijde de figuren van S. Augustinus, S. Rosa van Lima, 
S. Franciscus van Assisië en S. Theresia ; aan de 
Epistel-zijde S. Alphonsus de Ligorio, S. Dominicus, 
S. Bonaventura, S. Franciscus van Sales. De parochianen 
gaven zes kronen ieder met drie lampen, alle vervaardigd 
naar teekeningen van den architect Cuypers ; tevens 
werden in 1872 de kapiteelen der kolommen uitgehakt. 

Den i8en Augustus 1875 vierde deken Claasen onder 
algemeene deelneming der parochianen zijn zilveren 
priesterfeest. Onder leiding van kapelaan Van der Jagt 
en Henri Cuypers was de kerk smaakvol versierd. 

Ook bij die gelegenheid sprak zich de dankbaarheid 
der parochianen uit in vele geschenken aan het Huis Gods. 

De jubileerende herder schonk een zilveren vergulden 
miskelk met gedreven Heiligen- beelden, voorstellende: 
S. Paulus en S. Andreas, patronen des gevers, S. Jeroen, 
patroon van Noordwijk, S. Jacob, patroon van den Haag, 
Onze Lieve Vrouw, patrones der Hofkerk te 's-Graven- 
hage, S. Josef, patroon van Hageveld, S. Laurens, patroon 
van Weesp en S. Urbanus, patroon van Ouderkerk : 
alzoo alle Heiligen gedenkend, onder wier schutse de 
jubilaris als kapelaan, sub-regent en pastoor was werkzaam 
geweest. De kelk inderdaad een kunststuk was te Parijs 
naar eene teekening van Dr. Cuypers vervaardigd. De 
parochianen brachten de gelden bijeen: 8560 gulden 
voor een nieuw orgel : een werkstuk van J. Volbrecht 
te 's-Hertogenbosch. Het werd den 27611 Februari 1878 
ingewijd. Ook bekostigden zij de beschildering der 
S. Josef en der Maria-kapel ; bovendien gaven Susanna 



135 

Muller met hare schoolkinderen de gouden lunula voor 
de groote monstrans ; Dirkje Pronk met hare kinderen 
den gebeeldhouwden bidbank met faldistorium in het 
priesterkoor, en de misdienaars : Toon de Lange, Piet 
en Jan Groen in 't Woud, Jan Wouters i), Piet Vrolijk, 
Jan Baars en Manus van Tol den bidbank in de sacristie 
met het gebeeldhouwde schilderij : Ante et post Missam. 

Het jaar 1877 was niet minder vruchtbaar voor de 
heerlijkheid van Gods Huis: toen werden uit vrije giften 
van verschillende parochianen de zeven gebrandschilderde 
vensters geplaatst in het priesterkoor. Elk venster kostte 
550 gulden. Op ieder der vensters zijn drie voorstellingen 
aangebracht. 

Op het eerste : de toewijding van Maria aan den dienst 
Gods; de voetwassching; de nederdaling ter helle. Op 
een schild : de initialen J(an) d(e) L(ange). 

Op het tweede : de boodschap van Maria ; de doodsangst 
in den hof van Olijven ; de verrijzenis. Op een schild : 
J(an) M(arsen). 

Op het derde : bezoek van Maria aan Elisabeth ; de 
geeseling des Heeren ; de hemelvaart. Op een schild : 
G(errit) v(an) N(es) en I(da) D(orresteyn). 

Op het vierde: de geboorte van Christus; de kroning 
met doornen; de nederdaling des H. Geestcs. Op een 
schild : P(aulus) A(ndreas) C(laasen). 

Op het vijfde : de opdracht van Christus in den 
tempel ; de kruisdraging ; de hemelvaart van Maria. Op 
een schild : H(ermanus) v(an) T(ol) en C(lasina) Z(wetsloot). 

Op het zesde : de vinding van het verloren kind Jesus ; 
de kruisiging; de kroning van Maria in den hemel. Op 
een schild: A(plonia) K(leyn). 



i) üeze misdienaar deed den I7en Augustus 1887 in de parochie- 
kerk te Ouderkerk zijne eerste plechtige H. Mis. 



136 

Op het zevende^): het H. huisgezin te Nazareth ; de 
graflegging ; de zending der Apostelen. Op een schild : 
Quid retribuam Domino 2). 

Op de beide andere gebrandschilderde dubbel-vensters 
in het priesterkoor staan de beeltenissen van S. Willibrord 
en S. Bonifacius, en van S. Jeroen en S. Engelmundus. 

In 1879 en in 1880 werden de beelden geplaatst van 
het H. Hart des Heeren en van het H. Hart van Maria. 
In den loop der jaren 1876 — 1877 werd het terrein der 
kerk afgesloten met een gesmeed ijzeren hek van 84 
meter lang. En ziet, toen kwam de dood ook aan dat 
werkzame leven een einde maken. Op den 25611 Mei 1881 
openbaarden zich de eerste teekenen van een reeds te ver 
gevorderd hartlijden. Wel trad daarna eenige beterschap 
in, maar was niet van langen duur 2). Op Sinte Anna 
den 26en Juli beklom deken Claasen voor het laatst het 
altaar om de H. Mis te lezen. Op den 5en Augustus 
ontving hij de laatste H. Sacramenten en overleed den 
gen September des morgens omstreeks negen uur. 

In de pastorie te Ouderkerk hangt van deken Claasen 
eene goed geslaagde afbeelding in photographie. 



i) Dit venster werd bekostigd uit bijdragen van Hein van Ruiten en 
Maria de Waal, Klaas van Loenen, Anna de Lange en Dirk Kempen. 

2) Door dat schild uit het gebrandschilderde raam uit te breken, zijn 
in den nacht van 3 op 4 Januari 1904 twee dieven de kerk binnengekomen 
en hebben haar overal doorsnuffeld. De twee houten, maar ledige taber- 
nakel-kastjes der beide zij-altaren werden opengebroken ; ook aan het 
kastje der H. Oliën achter het hoofdaltaar werd inbraak beproefd maar 
tevergeefs. Aan het groote tabernakel werd geen geweld gepleegd. Van 
de vier offerbussen werden er drie opengebroken. Door het hangslot 
te verbreken aan den uitgang ter noordzijde heeft men de kerk verlaten. 

3) Opdat de ziekelijke herder beter van de buitenlucht zou genieten, 
werd aan den achtergevel der pastorie eene veranda gebouwd waar hij 
echter nooit gebruik van gemaakt heeft. 



137 

J-acobus Joannes Graaf, de opvolger van deken 
Claasen, was den 25en Januari 1839 te Delft geboren. 
Hij studeerde te Hageveld en te Warmond en werd den 
I5en Augustus 1862 door Mgr. Wilmer tot priester gewijd. 
Na eene kortstondige assistentie in het R. K. Weeshuis 
te 's-Gravenhage, werd hij den 30^" September 1862 
tot secretais benoemd van Z. D. H. den Bisschop, welk 
ambt hij bleef vervullen tot 20 September 1881, toen 
zijne benoeming volgde tot deken en pastoor te Ouderkerk. 

Met zijne beide voorgangers had deken Graaf het 
ijveren gemeen voor den luister van Gods huis ; boven- 
dien zag hij niet op tegen de onvermijdelijke bezwaren, 
welke aan „bouwen" verbonden zijn, en de onmisbare 
moeilijkheden, welke het stichten van bonden en ver- 
eenigingen, — een noodzakelijke eisch des tijds ge- 
worden — pleegt met zich te voeren. 

Alzoo kan het herderlijk bestuur van deken Graaf 
onder drievoudig oogpunt worden samengevat. Allereerst 
dan zijn ijveren voor de heerlijkheid van het huis Gods. 
Zoo mocht hij den 24^ April 1883 van de echt- 
genooten Willem Houweling en Petronella Koekebier, 
bij gelegenheid van hun gouden huwelijksfeest, drie 
communiedwalen in kleuren bestikt ontvangen ; Jan 
Snel Sr. en Catharina Bergkamp gaven bij gelegenheid 
van hun zilveren huwelijksfeest een der gebrandschilderde 
vensters in de doopkapel, waarop de doop van Christus 
met den ondergang der Egyptenaren als tegenstuk staat 
afgebeeld ; het tweede gebrandschilderde venster, waarop 
S. Antonius met het H. Sacrament en de abdis Aleidis 
staan aangebracht, werd in 189$ ten geschenke gegeven 
door hunne kinderen Antonius de Lange en Aleidis 
Snel. Beide vensters zijn vervaardigd door Geuer te 
Utrecht. Uit vrije bijdragen der parochianen werd in 
1883 de kerk verrijkt met een hardsteenen doopvont, 



138 

gesierd met een koperen deksel, en ontworpen en gehouwen 
door Mengelberg; eveneens gaven in 1886 de parochianen 
de tegelen-vloer iri de paden der kerk. 

Bij gelegenheid van zijn vijftigjarig kerkmeesterschap, 
den 26en Juni 1887, gaf Jan Timmer aan de kerk 
een missale der bekende Weener-uitgave, gevat in 
bruin-lederen band met zilveren beslag. Op een der 
sloten staat gegraveerd : Deo me obtulit et S° Urbano 
Joannes Timmer ciim ftiisset ad S' Urbani vi Ouder- 
kerk per X liistra aedituus a° 1887 in festo Nat. 
S. Jocs Bapt. Op de voorzijde is op het middenstuk 
Christus gegraveerd als Salvator mundi ; op de vier 
hoekpunten de vier Evangelisten. De achterzijde vertoont 
op het middenstuk S. Jan den Dooper, den patroon 
des gevers ; op de vier hoekpunten staan de patronen 
der vier pastoors onder wie hij kerkmeester was : 
S. Jan de Evangelist, S. Conradus, S. Paulus en S. Jacobus. 

Den 3oen Maart 1894 toen deken Graaf zijn koperen 
pastoorsfeest vierde, gaven de parochianen een gift van 
1300 gulden, welke door den Jubilaris voor den aankoop 
van nieuwe kerkbanken besteed werd. Door Anna en 
Gerritje de Lange, van welk gezusterenpaar het ge- 
tuigenis geldt der H. Schrift i) : „dat het vol was van 
goede werken en aalmoezen", werden de gebrand- 
schilderde ramen bekostigd in de zijbeuken der kerk. 

Bij gelegenheid der missie in 1898 werd door Pater 
Beysens het plan opgeworpen om als aandenken aan 
dezen genade-tijd de kerk van een nieuwen kruisweg 
te voorzien. Dit vond algemeen bijval, zoodat aan Josef 
Cuypers de levering van een kruisweg, die ongeveer 
5000 gulden zou kosten, kon worden opgedragen. De 
Staties staan op verglaasde tegels in lichte kleuren, 

I) Hand.: IX, 36. 



139 

uitgevoerd op donker-blauwen achtergrond, waaronder 
eene groene tegel-lambrizeering van passiebloem-motieven. 
De eerste acht staties vonden acht milde gevers : Pastoor, 
Gezusters de Lange, Toon de Lange en A. Snel, 
Wed. Bastiaan Pouw, Arie v. Diemen en A. Boomans, 
Jacob Blokland en A. Achterof, en Dirk Kempen. 
De overige Staties werden betaald uit bijdragen der 
parochianen door 14 jongelingen ingezameld. De kruis- 
weg werd den 24en October 1901 door Pater Beysens 
opgericht. 

Of deken Graaf moeilijkheden ondervonden heeft met 
den bouw eener kosterswoning in 1 882, of met den aanbouw 
eener catechismuskamer tegen het zuidelijk kruispand 
der kerk in 1890, als zijnde ondernemingen van geringe 
beteekenis, zou te betwijfelen zijn ; maar zooveel te meer 
werden zij ondervonden toen reeds aanstonds bij den 
aanvang van zijn pastoraat plannen gemaakt werden 
voor den bouw eener parochiale school. Tot dat doel 
werd in Augustus 1885 de boerderij „Nieuw Regtlust", 
belendende ten zuiden den tuin der pastorie, aan- 
gekocht 1), als zijnde een bij uitstek gunstig gelegen 
terrein voor den bouw eener meesterschool of zusters- 
gesticht. Maar toen in Juni 1887 het, naar de meening 
van het kerkbestuur, nog geschikter terrein, de zoo- 
genaamde Molenkade te koop kwam, werd deze grond 



l) Den lyen October 1884 was «Nieuw Regtlust" verkocht door 
Abraham Regtuit aan Elbert Regtuit. Deze stierf den 8en Juli 1880, 
waardoor de boerderij bij boedelscheiding overging aan zijn zoon 
Abraham, die op Paaschmorgen van 1885 overleden is. Daarna in openbare 
veiling gebracht, werd zij door het R. K. Kerkbestuur aangekocht voor 
28.000 gulden. In 1889 werd op het erf eene nieuwe schuur gebouwd, 
die ±_ 3000 gulden kostte. In 1913 werd deze door aanbouw vergroot. 
Den gen Juni 1895 op Triniteits-Zondag ontstond even na het aangaan 
der Hoogmis brand in den hooiberg der boerderij. Wijl gelukkig de 
wind van het huis af was, bleef de brand tot den hooiberg beperkt. 



I40 

voor 1700 gulden aangekocht, en bestemd voor den 
bouw eener parochiale school met onderwijzerswoning, 
omdat alle, tot vijfmaal toe, ingestelde pogingen om 
tot den bouw van een zustersgesticht te geraken met 
leer-, naai- en bewaarscholen, door gebrek aan bekwame 
krachten, vruchteloos waren geweest. 

Intusschen vierde deken Graaf den i6en Augustus 

1887 zijn zilveren priesterfeest, waarbij hem als feestgave 
de koopsom werd aangeboden van den voor de school 
aangekochten grond. 

Den iQen October 1887 werd door het kerkbestuur 
aan den architect Tepe opgedragen plannen en teeke- 
ningen te ontwerpen eener parochiale school. De gunning 
geschiedde, na openbare aanbesteding, den 20en Maart 

1888 aan den laagsten inschijver Th. Kint te Amsterdam, 
doch toen het op onderteekening aankwam van het 
contract, trok des aannemers eerste en meest soliede 
borg zich terug, zoodat de gunning geen voortgang kon 
hebben. 

Den 6en April 1888 werd de opbouw der school toe- 
vertrouwd aan C. A. Neyboer te Abcoude. 

Door Jan Timmer Sr. werd den 2oen Mei de eerste 
steen gelegd : eene eer, welke den hoogbejaarden kerk- 
meester toekwam, om zijne daadwerkelijke belangstelling, 
van den aanvang af voor de bijzondere school der 
parochie aan den dag gelegd. 

Den Qen October 1888 werd de school onder veel 
belangstelling plechtig ingewijd ^). 

Tengevolge van de leerplichtwet, waardoor het getal 



i) Tot hoofdonderwijzer was den 156" April door het kerkbestuur 
benoemd geworden de Heer W. J. van Dam, geboortig van Delft, en 
aldaar werkzaam aan de parochiale school. Den 5en Juli werd tot 
hulp-onderwijzer benoemd de Heer J. H, Lutz, werkzaam aan eene 
bijzondere school te 'sGravenhage. 



141 

kinderen aanmerkelijk was toegenomen, werd eene uit- 
breiding der beide bestaande schoollokalen wenschelijk 
geacht. Daarom trad den loen November 1905 het 
kerkbestuur in overleg met den architect L. van der Bijl 
om, in aansluiting aan de bestaande lokalen, twee nieuwe 
schoollokalen bij te bouwen. 

Deze aanbouw werd bij openbare inschrijving gegund 
aan P. Alkemade te Duivendrecht, die den I3en Maart 
1906 met den aanbouw een begin maakte en dien den 
i6en Juli van hetzelfde jaar gelukkig voltooide. 

Een tweede bouw van beteekenis onder het pastoraat 
van deken Graaf, was het R. K. Gezellenhuis voor de 
leden der S. Aloysius-Vereeniging. Voorloopig kwamen 
zij tezamen in eene zaal van „Bnigzicht", thans „de 
Oude Prins" gehceten, totdat een afzonderlijk gebouw, 
een eigen tehuis, voor hen zou gesticht zijn. Dit ge- 
schiedde in 1902, toen den 13^" Maart aan den architect 
J. Stuyt door het kerkbestuur werd opgedragen een 
plan te ontwerpen van een verecnigingsgebouw voor 
jongelingen, dat aan alle te stellen eischen zoude voldoen. 
En reeds twee maanden daarna werd met den bouw door 
J. Kempers te Ouderkerk een begin gemaakt. 

Was het aanvankelijk het voornemen het gebouw 
eene plaats te geven op het Kerkeplein, spoedig bleek 
de plaats aldaar een minder geschikte, terwijl ook het 
feit, dat deze plaatsing het opofferen van eene schoone 
reeks hooge boomen zou eischen niet weinig ertoe bij- 
droeg, eene andere plaats te zoeken. Deze werd gevonden 
op een stuk weiland naast de parochiale school. Met 
het oog op de betrekkelijk beperkte middelen werd 
voor den bouw een houtconstructie gekozen, daar het 
op die wijze mogelijk was de anders onvermijdelijke 
heifundeering te ontgaan. — Voor de fundeering werd 
nu aangewend eene stapeHng van droge turven. Deze 



142 

zeer bijzondere constructie-wijze wordt in het polderland 
dikwerf toegepast. Men verkrijgt een hechten grondslag, 
alhoewel bij het hooger en lager worden van den water- 
stand uitzetten en krimpen niet zijn buitengesloten en 
dus eene zekere bewegelijkheid het gebouw niet mag 
kunnen storen — dit nu is bij houtconstructie het geval. 

Wat de indeeling aangaat zoo is de groote zaal het 
punt van uitgang geweest — deze zaal biedt ruimte 
voor ongeveer 200 zitplaatsen ; aan de eene zijde bevindt 
zich het tooneel ter grootte van 5.7 X 8 M. ; ter weers- 
zijde wordt het geflankeerd door kleedkamers, terwijl 
de stoelenbergplaats zich eronder bevindt. 

Tegenover het tooneel bevindt zich aan de achterzijde 
van de zaal de hoofdingang met tochtportaal en het 
buffet, en, tusschen deze beiden in, is een bestuurs- 
kamertje met bibliotheek, waarvan de toegang zich in 
het tochtportaal bevindt. 

Over de geheele lengte van de zaal sluit zich aan 
eene zijde de kegelbaan aan, die met groote schuiframen 
van de groote zaal wordt afgesloten, doch die ook door 
het openschuiven van deze ramen als 't ware aan de 
groote zaal verbonden kan worden. 

De beschildering is inwendig min of meer polychromisch, 
terwijl door het aanbrengen van teksten en eene versiering 
van het plafond een passend geheel werd verkregen. 

Den TÓen November 1902 werd het Gezellenhuis 
plechtig ingewijd 1). 

En als nu ten derde de onder het pastoraaat van 
deken Graaf gestichte bonden en vereenigingen ter 
sprake komen en de onvermijdelijk daaraan verbonden 
moeilijkheden, dan moge schrijver dezes — ook al ter 



1) Een photo-prent van het gebouw werd indertijd opgenomen in het 
GeiUustrecrd Zondagsblad van De Tijd van 7 Juni 1903. 



143 

vermijding van bezwaren als rakende de geschiedenis 
van den dag — zich tevreden stellen met naar zekere 
tijdsorde de verschillende stichtingen slechts met name 
te vermelden. 

Reeds was op den 3en April 1891 eene R. K. Kies- 
vereeniging opgericht ^). In 1901 volgde (9 April) de 
Vriendenkring van het H. Sacrament en op 21 Maart 
1902 de S. Aloysius-Vereeniging. Ter bestrijding van 
het drankmisbruik kwam den loen April het Kruisverbond 
tot stand, waaraan weldra de Maria-Vereeniging (14 Mei 
1904) en een jongens- en meisjesbond met eene S. Anna- 
Vereentging op 19 Aug. 1906 verbonden werden. Nog 
kwam den 2 2en Januari 1904 de R. K. Begrafenis- 
Vereeniging van S. Antonius den Kluizenaar tot stand. 
En in 1905 op den I3en December werd voor de parochie 
eene Afdeeling opgericht van de „Katholieke Sociale 
Actie". 



Den 31 en Augustus 1904 werd deken Graaf, naar 
aanleiding van zijn veertigjarig priesterschap in 1902 
gevierd, door Hare Majesteit de Koningin begiftigd met 
het officiers-kruis van Oranje Nassau. Deze eervolle 
onderscheiding brengt er mij toe met een enkel woord 
te verhalen, hetgeen deken Graaf als secretaris, buiten 
zijne ambtelijke bezigheden, te Haarlem aangevangen 
en te Ouderkerk heeft voortgezet. En dan bedoelen wij 



i) Als politieke en historische bijzonderheid worde hier medegedeeld 
dat op den len Maart 1909 ongewone ongeregeldheden plaats grepen 
vóór en in het café «Paardenburgh", ten gevolge van het optreden van 
den socialist Hugenholtz, die door de nog kort opgerichte afdeeling der 
S. D. A. P. tot eene spreekbeurt was uitgenoodigd. 

De Heer Th. de Wolf uit Amsterdam die als debater was uitgenoodigd 
stond hem niet alleen met goed gevolg te woord, maar moest hem 
bovendien tegen de dreigende volks-menigte in bescherming nemen. 



144 

allereerst de oprichting van het tijdschrift : Bijdragen 
voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem. 

De wordingsgeschiedenis wordt ons door deken Graaf 
zelf medegedeeld in zijn levensschets van Mgr. Vregt ^) 
en in een opstel, getiteld: „de „Bijdragen" van Haarlem 
en het „Archief" van Utrecht", geplaatst in de Stemmen 
onzer eeinv -). 

„Op 25 April van het jaar 1867 werden door Henricus 
van Lottom, een der oud-kanunniken van het zoo- 
genaamde Haarlemsche Kapittel, aan den Bisschop, 
Mgr. Wilmer, twee boekdeeltjes toegezonden, welke de 
Acta Capituli inhielden en tot het belangrijk oud-archief 
van dat kapittel behoorden. Deze toezending is van 
zeer gelukkig gevolg geweest. Daardoor toch werd de 
aandacht van den Kerkvoogd meer dan ooit op die rijke 
verzameling van historische bescheiden gevestigd. Tot 
nu toe was dat oud-archief des kapittels in het Seminarie 
te Warmond verbleven, waarheen het, bij de opheffing 
der Haarlemsche Statie van „den Hoeck", in 1852 
vervoerd was. Thans kwam het naar Haarlem om 
voortaan deel uit te maken van de archieven des bisdoms. 
Het werd nu door den Hoogeerw. Heer Vregt, met 
medehulp van zijnen collega-secretaris, chronologisch 
geordend en beschreven, althans voor het oudste en 
belangrijkste gedeelte ; en voor het overige werd door 
hem van geheel het archief een algemeene inventaris 
opgesteld, waarin de verschillende oorkonden en be- 
scheiden geordend zijn volgens oorsprong en afkomst. 

„Door die belangrijkheid nu van gemeld oud-archief 
was de begeerte, dat aan de geschiedenis van het bisdom 
de hand mocht gelegd worden, nog meer en meer op- 



i) De Katholiek: dl. loi, jg. 1892, blz. 359—361. 
2) 7 üct. 1905, blz. 315 en 14 Oct., blz. 323. 



145 

gewekt. En vroeger al was het vooral de oud-ambtenaar 
van het ministerie van Eeredienst A. J. Lux geweest, die 
meermalen zijn opwekkend woord daarin gesproken had." 
„In Juli 1871 werd aan den Bisschop een ontwerp 
voorgelegd van eene : Vereeniging of Genootschap voor 
kerkelijke Historie en Otidheden van het Bisdom Haarlem. 
Dit ontwerp kwam niet tot uitvoering, maar liet reeds 
de hoofdlijnen zien van hetgeen door den Bisschop 
„verdeeling der stof" werd genoemd, toen hij op den 
I2en Maart 1872 het plan der uitgave aan zijne geeste- 
lijkheid in handen gaf^). Toch begreep Mgr. Wilmer 
te goed, dat samenwerking voor zijne uitgaaf hoogst 
nuttig was ; en zoo werden dan bij circulaire van 
30 Maart verschillende priesters en leeken, ook uit 
de andere bisdommen der kerkprovincie, tot mede- 
werking uitgenoodigd, met mededeeling van het plan 
der uitgave. De bisschop vertrouwde op hunne mede- 
werking wegens hun „welbekenden arbeid, studiën en 
bemoeijingen op het gebied van kerkelijke geschiedenis 
en oudheidkunde". Meer bijzonder tot de heeren Willemse, 
Lux, Nuyens en Alberdingk Thijm en den oud-professor 
Wensing sprak Mgr. zijne „overtuiging uit, dat de be- 
langstelling, die er voor de beoefening onzer kerkelijke 
geschiedenis bestaat en zich meer en meer openbaart, 
voor een zeer belangrijk deel te danken" was „aan hun 
veeljarigen en onvermoeiden arbeid", terwijl bij den 



l) Intusschen was secretaris Graaf reeds begonnen in De Katholiek 
uit te geven: Mededeelingen over de vasa sacra en paramenten der 
oude Haarlemsche Kathedraal van St. Bavo en van andere kerken ; 
het Necrologium dioecesis Harlemensis van J. Buggaeus, en »Twee 
Haarlemsche klopjes van de zeventiende eeuw". De Katholiek:]^. 1870, 
dl. I, blz. 128—132; id. jg. 1871, dl. 1, blz. 57 — 79; id. l.c, 
blz. 334—351; id. jg. 1872, dl. I, blz. 243 -253; id. l.c, dl. II, 
blz. 238—255; id. jg. 1873, dl. I, blz. 265—276; id. jg. 1872, dl. I, 
blz. 284 — 297. 

10 



146 

laatste nog werd toegespeeld op zijn „vroegeren pro- 
fessoralen arbeid en de punten van aanraking tusschen 
de beide bisdommen." 

In September 1872 verscheen de eerste aflevering. 
In het „Voorberigt" heet het: 

De uitgave dezer «Bijdragen" beoogt de behandeling der 
Kerkelijke Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, dat is van 
alle streken, die thans onder het Bisdom zijn ingedeeld, en wier 
geschiedenis te meer belangwekkend moet zijn, om het groot 
aandeel dat zij reeds van den beginne af gehad hebben in de 
lotgevallen van Kerk en Staat. 

De behandeling zal meer bijzonder een tweevoudige zijn, namelijk : 

I. Mededeeling van oorkondeti, aktestukken, manuscripten en 
verdere bronnen zonder bewerking. 

II. Opneming van bewerkte stukken, opstellen, studiën, mede- 
deelingen, zelfs de kleinste, gestelde vragen en gegeven antwoorden. 

Op deze wijze zal eene volledige beschrijving der geschiedenis 
van het Haarlemsche Bisdom van den eenen kant worden voor- 
bereid en mogelijk gemaakt, en van den anderen kant reeds 
aanstonds bij gedeelten tot uitvoering komen. 

De Hoogwaardige Kerkvoogd van het Haarlemsche Diocees 
heeft gemeend, dat hierdoor het best zal voldaan worden aan 
een sinds lang zoo door hem zelven als door velen gekoesterden 
wensch. Hij heeft zich daarom van den vasten arbeid verzekerd 
van geschied- en oudheidkundigen, die op zijn aanzoek welwillend 
hunne medewerking hebben toegezegd; en dankbaar mag de 
Redactie thans melden, dat nog vele andere even bereidvaardig 
hunne bijdragen beloofd hebben. 

Tevens zullen de i>Bijdragen" gelegenheid open stellen voor 
allen, die iets te melden of te vragen hebben, wat de Kerkelijke 
Geschiedenis van het Bisdom Haarlem aanbelangt. 

Aangezien de verantwoordelijkheid voor de stukken aan de in- 
zenders of bewerkers zelven moet worden overgelaten, zoo zal niets 
worden geplaatst dan onderteekend ten minste met de initialen des 
schrijvers. Ook zullen de bronnen voldoende worden aangegeven. 

De uitgave genoot de niet geringe eer door Dr, Schaep- 

man hartelijk te worden verwelkomd. 

Wij hopen — zoo schreef hij ') — dat het [tijdschrift] de 
levendige belangstelling zal opwekken van allen, die er zich op 



l) De Wachter: 1872, dl. II, blz. 231 — 232. 



147 

beroemen uit het zaad van Willibrord te zijn gesproten. Men 
behoort die belanofstelling te toonen en zich niet te verschansen 
achter het betrekkelijk lokaal belang. De orde der geschied- 
schrijving eischt, de rechtmatige aanhankelijkheid aan het eigen 
Bisdom wil, dat ieder Bisdom zijn eigene geschiedschrijving bezitte. 
Ten slotte gaat de geschiedenis der Nederlandsche Bisdommen 
in de geschiedenis van het katholieke Nederland en de geschiedenis 
van het katholieke Nederland in die der H. Roomsche Kerk op. 
Dit wat de geschiedschrijving betreft. Waar het de belangstelling 
geldt, daar behoort men zich, in zoo klein een lokaal als Nederland, 
niet in kleinere lokalen te versnipperen. Zou het »vis unita fortior" 
ook niet onze leuze, de leuze van de belijders der hoogste een- 
heid, zijn ? 

Moge eene levendige belangstelling in deze >Bijdragen" voor 
geheel Nederland tot waarheid maken de woorden door den 
Bisschop van Haarlem tot zijne geestelijkheid gericht: »Reeds 
spreken uw ijver voor de eer van Christus' Kerk en het H. Geloof, 
en uwe dankbare gehechtheid aan den vaderlandschcn grond ons 
borg voor die belangstelling." Want voor allen geldt het woord 
van denzelfden Bisschop: »Meldt de geschiedenis U den bloei 
van het voorvaderlijk geloof: het is uw roem in God; spreekt 
zij U van beproeving, lijden en strijd: het is U tot droefheid, 
maar tevens tot troost, bemoediging en aansporing." 

En later heeft zich meermalen zoo van niet-kathoHeke 
als van katholieke zijde de gelegenheid voorgedaan om 
op de belangrijkheid der „Bijdragen" de aandacht te 
vestigen. 

Zoo schreef in 1894 professor Fruin ^) : 

Het herstel der Roomsche hiërarchie heeft ook voor de ge- 
schiedenis der Kerk en van den Staat goede vruchten gedragen. 
Onder de bescherming van den bisschop van Haarlem en den 
aartsbisschop van Utrecht worden sedert 1873 en 1875 twee tijd- 
schriften of verzamelwerken, de Bijdragen voor de geschiedenis 
van het Bisdom vatt Haarlem en het Archief 7!oor de geschiedenis 
van het Aartsbisdom Dan Utrecht, geregeld uitgegeven, en daarin 
een schat van authentieke stukken en een aantal verhandelingen, 
uit meestal onuitgegeven of nog niet gebruikte bescheiden saam- 
gesteld, onder de oogen van belangstellenden, ook onroomsche. 



l) Fruin, R.: Verspreide Geschriften, 's-Gravenhage, Martinus Nijhofif, 
1901, dl. III, blz. 250 — 251. 



148 

gebracht. Daaronder munten in belangrijkheid voor de algemeene 
geschiedenis van het vaderland de Relationes uit, de verslagen, 
die door de vikarissen apostoliek en andere aanzienlijke geestelijken 
van tijd tot tijd hetzij aan den Paus in persoon, hetzij aan de 
kardinalen der Propaganda werden overgelegd, en die zich thans 
in het oorspronkelijk te Rome in de Vaticaansche bibliotheek, en 
in afschrift niet zelden hier te lande in een of andere verzameling 
bevinden. Zij worden in de genoemde tijdschriften niet stelsel- 
matig naar hun tijdsorde gedrukt; hetgeen voorhanden is of aan 
den dag komt, wordt zonder dralen meegedeeld. Van meerdere 
uit den vroegsten tijd is ons het bestaan, maar meer ook niet 
vooralsnog, bekend. Het is echter te hopen en te verwachten dat, 
nu het gebruik der Vaticaansche archieven in den laatsten tijd 
zooveel gemakkelijker is geworden, een geregeld navorschen en 
opsporen van hetgeen wij inzonderheid begeeren, spoedig zal 
aanvangen. Want, hoe dankbaar wij zijn voor hetgeen de Bijdragen 
en het Archief ons schenken, erkend moet het worden, dat daar- 
onder veel is, wat zonder groote schade voor bescheiden van 
meer algemeene strekking plaats had kunnen maken '). 

En nog onlangs, in 191 3, getuigde de geschiedschrijver 
van het „Historisch Ov&xzxq^m!'' 'vi\\i&t A7inuariiunvan de 
Apologetische Ver eeniging Petrus Canisius, Pater Meijer 2) : 

»Zonder vertoon gaan de Bijdragen van het Bisdom Haarlem 
en het Archief van het Aartsbisdom Utrecht voort jaar aan jaar 

bouwsteenen aan te voeren voor onze Kerkgeschiedenis Sinds 

bijna veertig jaar is nu reeds zoo menige karrevracht steenen 
gelost, dat men reikhalzend begint uit te zien naar den Amphion, 
op wiens geniaal snarenspel die steenen zich zullen opstapelen 
tot een machtig gebouw." 

Van die „Bijdragen" hebben op het oogenblik 35 jaar- 
gangen elk van drie afleveringen het licht gezien. En 
daarvan is, met den heer Rijksarchivaris C. J. Gonnet, 
deken Graaf van den beginne af de stuwende kracht 



I) De hoogleeraar schijnt hier uit het oog te verliezen dat het doel 
van de Bi/dragen ook is: eene volledige beschrijving der geschiedenis 
van het Haarlemsche Bisdom «reeds aanstonds bij gedeelten" tot uil- 
voering te brengen. Hetzelfde geldt ook voor het Archief van het Aarts- 
bisdom van Utrecht. 

a) L. c, blz. Ï41. 



149 

geweest, die niet alleen zelf arbeidde en mededeelde 
van den rijkdom zijner geschiedkundige kennis, maar 
evenzeer den jongeren onder de medewerkers met zijne 
beproefde ervaring op geschiedkundig gebied door zijn 
voorlichtend woord of wijze wenken ter zijde stond i). 

Van die 35 jaargangen zijn er slechts enkele, waarin 
tevergeefs naar eene bijdrage van deken Graaf gezocht 
wordt. Die opnoemen is hier overbodig; maar alle 
tezamen bereiken zij het eerbiedwaardige cijfer van 
1700 bladzijden. Waarlijk een groot deel van het 
materiaal, waaruit eens de geschiedenis van het bisdom 
Haarlem moet worden opgebouwd. 

En voegt men hier nog bij, dat hij, als redactie-lid 
van het maandschrift De Katholiek, blijkens de registers, 
ook daar het zijne geleverd heeft in den vorm van 
opstellen of boekbesprekingen ; in de Almanak van 
Alberdingk Thijm, de Katholieke Illustratie, het S. Gre- 
gorius-blad 2), het Jaarboek van S. Bernulphus onder 
de medewerkers tot de oude bekenden gerekend wordt : 
dan dwingt deze rustelooze arbeid, te midden van veel- 
tijdvragende ambtelijke bezigheden, eerbied af en be- 
wondering, en behoef ik, die tien jaren lang kapelaan 
was van deken Graaf, uit zijn huiselijk leven niet te 
verklappen, dat hij voor kaart-partijen of uitsluitend 
gezellige onder-onsjes niet gaarne te vinden was. 

Eene tweede stichting, waaraan de naam van deken 
Graaf reeds als secretaris verbonden werd, is het 
bisschoppelijk Museum te Haarlem. Het is inderdaad 



1) Het Katholiek Nederland 18 IJ — I gis \ L. C. G. Malmberg, Nijmegen, 
dl. II, blz. 161. 

2) In 1880 schreef secretaris Graaf een woord voor koorzangers en 
kerkgangers in : Vromer en beter, J. W. van Leeuwen te Leiden, Vgl. 
de Katholiek: dl. 64, jg. 1873, blz. 307—314; id. dl. 67, jg. 1875, 
blz. 238—271; Het Katholiek Nederland 1813 — 1913: dl, II, blz. 113. 



I50 

opmerkelijk, dat de man die meer dan eene halve eeuw 
al de talenten zijns geestes zou wijden aan de verheffing 
der kunst, geboren werd in een tijd, toen deze edele 
dochter van Gods schoonheid hare hoogste triomfen 
vierde op taarten van koekebakkers. Zij werd ontkend 
en niet gekend. 

Met het herstel der bisschoppelijke Hiërarchie was 
wel de tijd aangebroken voor belangstelling in de oude 
kunstschatten van ons heilig geloof, maar de wakkere 
en schrandere mannen ontbraken, die door woord en 
geschrift voor de kunst de haar toekomende plaats in 
de „ontwakende kerk" zouden opeischen. En toen zijn 
Alberdingk Thijm gekomen en Brouwers en Cuypers, 
die in den beginne door weinigen slechts gehoord en 
begrepen werden ; maar wie hen hoorden en begrepen, 
ontvingen eene vonk der geestdriftige liefde, welke de 
ziel van deze grootmeesters der kunst verrukt had^). 

„De herleving van onze kerkelijke kunst — aldus 
deken Graaf-) — riep van zelf de kerkelijke museums 
in het leven. Vooreerst toch behoefden de kunstenaars 
voorbeelden en modellen, en het belangstellend publiek 
verlangde onderricht in stijl, in geschiedenis der kunst 
en in archeologie. Daarbij kwam ten tweede, dat, bij 
vernieuwingen van kerken en kerkgewaad, menig voor- 
werp hetwelk tot heden dienst had gedaan, wel is waar 
buiten gebruik was geraakt, maar toch nog te veel 
kunstwaarde bezat om verwaarloosd of vernietigd te 
worden, ja soms ook wel bewaard verdiende te worden 



i) Om te weten welken invloed het optreden en streven van Alberdingk 
Thijm op den jongen priester gemaakt heeft, leze men het door hem 
geschreven en met »Discipulus" geteekende opstel in De Katholiek: 
«Nu de meester is heengegaan", dl. 96, jg. 1889, blz. 151— 164. 

2) De Katholieke Illustratie: 1895- 1896, No. 10 — 12, blz. 76, 83, 
93; Gids in het Bisschoppelijk Museum: vijfde druk, 1913, Voorbericht. 



om getuigenis te blijven geven van vroegere, hoezeer 
ook minder volmaakte toestanden. Eindelijk ten derde 
kwam ook de kerkelijke geschiedenis, voor wier be- 
oefening de lust was aangewakkerd, plaats vragen voor 
al zulke gedenkstukken der historie, die niet in de 
archieven plegen bewaard te worden. En ziedaar dan 
heel het drievoudig program van een bisschoppelijk 
museum en diensvolgens ook van de Haarlemsche ver- 
zameling voor kerkelijke oudheid, kunst en geschiedenis. 

„Het museum werd in het jaar 1869 door Z. D. H. 
Mgr. G. P. Wilmer opgericht, nadat reeds in het voor- 
gaande jaar een begin was gemaakt met de verzameling. 
Aanvankelijk in een der vertrekken van het S. Vincentius- 
gesticht toegankelijk gesteld, werd het in 1875 over- 
gebracht naar een huis op den Kruisweg en in Juni 1893 
naar het tegenwoordige gebouw in de S. Jansstraat. In- 
middels was het den loen Februari 1875 toevertrouwd aan 
de zorgen van een bisschoppelijke commissie van vijf leden. 

„Het tegenwoordige gebouw heeft zelf reeds eene 
bijzondere historische waarde, wijl het, naar de oude 
overlevering onder de ingezetenen van Haarlem bewaard, 
in den katholieken tijd bewoond werd door den laatsten 
bisschop van Haarlem, Godfried van Mierlo (f 1587) 
zelven i). Het pand is in de voorgaande eeuw, uitwendig 
en ook inwendig, verbouwd geworden. Toch blijven nog 
enkele deelen van den binnenbouw aan den ouden 
toestand herinneren. Door een merkwaardigen samenloop 
van omstandigheden was het eerste voorwerp, dat bij 
de verhuizing der verzameling in 1893, naar de voor- 
malige bisschoppelijke woning kon worden overgebracht, 
het eigen afbeeldsel van den zoo even genoemden 
^aatsten kerkvoogd, een portret op doek, dat merk- 



1) Bijdr. V. H.: dl. XXIX, blz. 28-33. 



152 

waardig genoeg, juist even vóórdat de plannen tot 
aankoop van de woning waren opgekomen, uit Frankrijk, 
namelijk uit Bergen bij Duinkerken, verworven \yas." 
Wie nu der kunstminnaars dit Museum in de S. Jans- 
straat bezoekt ^), staat verrast en verwonderd over het 
kostbaar vele, wat in zoo betrekkelijk korten tijd werd 
samengebracht. Alles wat op het gebied der kunst in 
hare veelzijdige vertakkingen te genieten valt, werd 
hier met blijkbaar zorgzame hand naar de verschillende 
perioden in de kunstgeschiedenis geplaatst en gerang- 
schikt. En zoo is deken Graaf in het bisdom Haarlem 
de Maecenas geworden, in wien de kunst niet enkel 
een begunstiger maar boven velen een kenner en ver- 
eerder gevonden heeft ^). 



Op het einde van het jaar 1905 kwamen op uit- 
noodiging van den heer G. Th. M. van den Bosch, te 
Alkmaar woonachtig, enkele priesters en leeken te 
Ouderkerk samen om het herstel te bespreken der al- 
oude devotie van Onze lieve Vrouw ter Nood te Heilo. 

Zeer waarschijnlijk reikt deze devotie tot diep in de 
Middeleeuwen; maar het „kapelleken soet" werd in 1573 
bij de belegering van Alkmaar omvergeworpen ; in de 



i) Zoo juist is van den Gids in het Bisschoppelijk Museum de vijfde 
druk verschenen, bewerkt door J. J. Graaf en H. A. Th. van Dam. 
Vgl. de Katholiek', dl. 144, jg. 19 13, blz, 373 — 375. De eerste druk 
van den »Gids" verscheen in 1878, de tweede in 1881, de derde in 
1888, de vierde in 1900. 

2) Ik denk hier aan de opstellen van deken Graaf, verschenen in 
de Katholiek, handelende over: Het voorrecht der Gothiek, dl. ()-i/]g. 1888, 
blz. 389—413; Vgl. Bots, P. M. : Christelijke Kunst-ideeën, Leiden, 
G. van Brussel, 1895, dl. II, blz. 22—31; Traditie in de Kerkelijke 
Kunst: De Kath. dl. 100, jg, 1891, blz. 51 — 87; en blz, 185—222; 
Oude Kunst en Grootkapitaal: De Katholiek, jg. 1899, blz. 371—387 
en Van Onzen Tijd, jg. 10, Afl. VI. 



153 

i8e eeuw werden op last van de Staten zijn grond- 
slagen uitgeroeid, maar de devotie was sterk genoeg 
om tot in het begin der vorige eeuw te blijven voort- 
bestaan. Die devotie wenschte men te doen herleven ; 
en de kleine vergadering bracht hare verlangens en 
voornemens daaromtrent eerbiedig ter kennis van Z. D. H. 
den bisschop van Haarlem. 

De bisschop betuigde zijne hooge ingenomenheid met 
de voorgelegde plannen en zond aan den deken van 
Ouderkerk het volgende schrijven : 

Bisdom van Haarlem A/o. /6<ps. 

In verband met de pogingen, welke door verschillende Eerw. 
Heeren Geestelijken en leeken reeds werden aangewend, om te 
komen tot herstel der aloude devotie van O. L. Vrouw ter Nood 
te Heilo; 

3>Zoo hebben Wij gemeend, tot meerdere eer en glorie van de 
allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, te moeten oprichten 
gelijk wij derhalve doen bij dezen, een Bisschoppelijk Comité, dat 
zich ten doel zal stellen de kapel, welke eertijds bestond op de 
bedevaartsplek van O. L. Vrouw ter Nood of te Runxputte te 
Heilo weder op te bouwen en de devotie tot O. L. Vrouw ter 
Nood te herstellen en te verspreiden. 

»Tot leden van dit Comité worden door Ons benoemd de Zeer- 
eerw. Heer J. J. Graaf, Deken en Pastoor te Ouderkerk aan den 
Amstel ; de Zeereerw. Pater J. A. F. Kronenburg C. SS. R. te 
Roermond; de Heer C. J. Gonnet, archivaris te Haarlem; de Heer 
G. Th. M. van den Bosch te Alkmaar en de Heer Jan Stuyt, 
architect te Amsterdam. 

»Wij behouden Ons voor om in de samenstelling van het Comité, 
alsmede in het aantal leden ten alle tijde wijziging te kunnen 
aanbrengen. 

ï>Gedaan te Haarlem den 28en December 1905. 

t AUGUSTINUS JOSEPHUS, 
Bisschop van Haarlem. 

Deken Graaf, die zich een rustig en kortstondig lid- 
maatschap van het comité verhoopte, werd al aanstonds 
door de leden niet enkel als hun voorzitter gekozen, 
maar tevens, als bij uitstek bevoegde, aangewezen om 



154 

de devotie, die op dwaalwegen dreigde te verloopen, 
tot hare ware beteekenis terug te brengen, en de vraag 
te stellen : hoe hebben onze vooronders de uitdrukking 
O. L. Vr. ter Nood verstaan? En het in é^ Bijdragen 
gegeven antwoord, luidde i) : „We zullen, dunkt mij, 
het veiligst en zekerst handelen, indien wij de uitdrukking 
O. L. V. ter Nood niet anders opvatten dan in den 
zin van O. L. V. troost e?i hulp in onzeti nood.'' 

Hetgeen verder door deken Graaf en de andere leden 
van het comité gedaan werd tot herstel en verspreiding 
der devotie van O. L. V. ter Nood te Heilo, vraagt, als 
vallende buiten dit kader, hier geene nadere beschrijving. 



Den 2en October 1906 herdacht deken Graaf onder 
algemeene deelneming van Üuderkerk's ingezetenen zijn 
zilveren pastoorsfeest, bij welke gelegenheid de paro- 
chianen hem eene feestgave brachten in geld, welke 
door den jubilaris grootendeels besteed werd om zijn 
portret door Th. Molkenboer te laten schilderen, het- 
welk als aandenken in de pastorie zou blijven. 

Deze feestviering was ook de gelegenheid van zijne 
benoeming tot Geheimkamerheer van Z. H. den Paus. 

Het dagblad „de Residentiebode" gaf in zijn nummer 
van 5 October 1906 omtrent deze feestviering het- 
volgend verslag : 

Op waardige wijze is gisteren door Mgr. J. J. Graaf zijn 25-jarig 
herderschap met zijne parochianen herdacht geworden. Alles wat 
maar eenigszins aan deze feestviering een wereldsch karakter kon 
geven, moest op uitdrukkelijk verlangen van den jubilaris achter- 
wege blijven. Vandaar kon er aan inhalen met een ruiterstoet of 
aan begeleiden met versierde fietsen bij de intrede van den Jubilaris 
des avonds te voren in zijne parochie, geen oogenblik gedacht worden. 



I) Bijdr. V. H.: dl. XXX, bh. 288. 



155 

Het feest-comité, dat zich uit de verschillende vereenigingen in de 
parochie gevormd had, had daarom wijselijk al zijne krachten 
gewijd aan eene kunstvolle versiering der kerk ; en teneinde daarbij 
niet den ouden traditioneelen sleur van versiering te volgen, maar 
iets te leveren waarin de kunstzinnigheid van den Jubilaris zich 
verheugen en verblijden zou, de voorlichting gevraagd van den 
bekenden architect Jan Stuyt. En zoo was deze versiering die 
grootendeels uit sparregroen, klimop en eikenloof was samengesteld, 
en door tint en kleur een heerlijk kleurenspel leverde, waarlijk 
eenig te noemen. 

In dezen rijk versierden tempel dan werd gisteren door den 
Jubilaris een Offer opgedragen van dankbaarheid, daarbij bijgestaan 
door pastoor Krul, een neef van den jubilaris, en door pastoor 
Le Jeune, den oudste zijner oud-kapelaans. Door pastoor van Zanten 
werd de feestrede gehouden, naar aanleiding van het woord des 
Apostels, dat aanmaant tot dankbaarheid. Want dankbaar moesten 
de parochianen wezen om het vele goede dat mgr. Graaf in de 
afgeloopen 25 jaren als pastoor zijnen parochianen geschonken 
had, en de jubilaris insgelijks zoude dankbaar wezen dat Gods 
goedheid hem als uitdeeler zijner genadegaven zoo langen tijd 
voor de parochie Ouderkerk had aangesteld. 

Na de H. Mis werd door de overvolle kerk met geloovigen, 
den jubilaris een feestlied toegezongen. 

Vermelden wij nog dat de groote zaal van het R.-K. Gezellenhuis 
voor deze gelegenheid in een feestzaal was veranderd, waarin aan 
alle parochianen gelegenheid werd geboden hun jubileerenden 
pastoor persoonlijk, al gelukwenschend, de hand te drukken. 

In den loop dezer week zal in het genoemde R.-K. Gezellenhuis 
door voordrachten, tooneelspel en muziek hulde worden gebracht 
aan hetgeen de jubilaris in zijn rijk priesterleven aan geschiedenis, 
kunst en muziek geleverd heeft. 

Moge mgr. Graaf nog langen tijd voor het Bisdom Haarlem 
gespaard blijven. 

Intusschen werd het ijzeren gestel, waarover Mgr. Graaf 
zich zoovele jaren mocht verheugen, door het naderen 
van den ouderdom, maar vooral door een taaien en 
vasthoudenden aanval van bronchitis eerst in 1902 en 
later opnieuw in 1907 zoodanig verzwakt, dat, op raad 
van den geneesheer, rust en herstel in het bekoorlijke 
Honnef moest gezocht worden. En beide malen bleef 
verbetering niet uit : maar toch het bestuur eener buiten- 



156 

parochie en de zorgen van een uitgestrekt dccanaat 
bleven zoodanig aanmanen tot omzichtigheid, dat, op 
aanraden van den geneesheer, ook Mgr. Graaf het beter 
oordeelde in het voorjaar van 1910 aan zijne kerkelijke 
Overheid ontslag uit de heilige bediening aan te vragen : 
hetgeen hem in April 1910 op eervolle wijze verleend werd. 

Bij deze gelegenheid mocht ik „ter afscheid van 
mgr. Graaf" in het Katholieke Weekblad van 23 April 
onder meer het volgende schrijven : 

„Zoo was dan het bericht, hetwelk in de laatste weken 
van allerlei zijden kwam opduiken, geen gepraat van 
menschen maar waarheid geweest: Deken Graaf had den 
Bisschop ontslag gevraagd uit de heilige bediening en 
zou zijne parochie gaan verlaten. 

„Zondag onder beide H. Missen voerde de Deken zelf 
het woord, en bevestigde de geruchten, welke zijnen 
parochianen omtrent zijn heengaan waren ter oore ge- 
komen. 

„Mocht het besluit voor sommigen al eenigszins be- 
vreemdend geweest zijn, 't was naar hij meende — zoo 
sprak de scheidende herder — ten onrechte. Want het 
kon niet onbekend zijn gebleven, hoe in de laatste jaren 
de zwakke zijde zijner gezondheid al meer en meer zich 
openbaarde ; 't viel te vreezen, dat bij het stijgen der jaren 
dit „zwakke" en zorgzame eer toenemen dan verminderen 
zou, hetgeen tot nadeel zou strekken der parochianen. 
En aan dat gevaar wilde hij de zijnen, over wie met 
groote bezorgdheid bijna 30 jaren lang gewaakt was, 
niet blootstellen. Te minder wijl in dezen tijd, meer nog 
dan anders, aan het hoofd eener parochie dient te staan 
een man van frissche levenskracht, steeds in staat de 
gevaren te weren, welke van vele en verschillende zijden 
het ziele-heil der parochianen bedreigen. 

„En zoo meende hij, dat zoowel voor hem als voor 



157 

zijne parochianen het uur van scheiden geslagen had. 

„'t Was geen wonder, dat deze woorden droefenis 
wekten in veler harten, want ziet, nu het veld van zijn 
priesterlijken arbeid wit staat voor den oogst, nu gaat 
de herder, die waakte en zorgde, henen in ruste. 

„Toch past hier meer dan droefenis veeleer oprechte 
dankbaarheid voor hetgeen hij door woord en daad — 
en niet minder door zijn voorbeeld — voor ons heeft 
tot stand gebracht." 

En Gods goedheid heeft aan Mgr. Graaf een helderen 
ouden dag geschonken, zoodat ook na 1 910 nog menige 
bijdragen of opstellen in de bovengenoemde tijdschriften 
van zijne hand verschenen zijn. En genoegzaam is het 
bekend dat binnenkort eene afzonderlijke uitgave: Neder- 
landsche Doopnamen, het licht zal zien. 

„Het boekje — aldus Mgr. Graaft) — waarvan het 
plan ontworpen is, wil antwoord geven op de vragen : 
1°. hoe hebben we de doopnamen te geven.? 2°. hoc 
hebben we ze te dragen .■" En het antwoord zal, kort 
gezegd, luiden: ad im. naar de namen van Gods lieve 
Heiligen ; ad 2ni. als goede vaderlanders." 

In den nazomer van 1912 verhuisde Mgr. Graaf van 
Haarlem naar Overveen in het toen juist voltooide 
„Duinrust", waar hij in Augustus 19 12 onder een be- 
scheiden kring van familie-leden en vrienden zijn gouden 
priesterfeest herdacht. 

Stet et pascat in fortitudine tua, Domine, in subli- 
mitate nominis tui ! — 



Aloysins Dominicus Timans, die den 29en April 1910 
Mgr. Graaf als deken en pastoor opvolgde, was den 



l) De /katholiek: dl. 142, jg. 1912, blz. II5; Vgl. De Katholiek: 
dl, lOl, jg. 1892, hU. 228—249. 



158 

2ien Februari 1861 te Goes geboren, studeerde op onze 
beide Seminariën en werd den i6en Augustus 1885 <^oor 
Mgr. Bottemanne tot priester gewijd. Achtereenvolgens 
was hij kapelaan te Haarlem (O. L. Vr. Rozenkrans en 
H. Dominicus van 1885 — 1889), te Vlissingen van 1889 — 
1895, te Delft van 1895 — 1903 en sinds 1903 pastoor 
te Oud-Ade. Onder zijn herderlijk bestuur werd de be- 
schildering der parochie-kerk, waarmede onder zijn voor- 
ganger een begin was gemaakt, geheel afgewerkt. Merk- 
waardig dat ook deze arbeid mocht geschieden onder 
leiding van den hoogbejaarden architect Dr. Cuypers. 

Tevens werd onder het pastoraat van deken Timans 
bij de vele reeds bestaande vereenigingen den i6en Mei 
1912 eene afdeeling gevoegd vanden R. K. Volksbond. 

En nu ten slotte moge ik met alle bescheidenheid 
zeggen, dat, na zulk eene lange en eerbiedwaardige 
reeks van priesters, die allen, naar de mate der gaven 
hun door God geschonken, de beste krachten naar 
ziel en lichaam gewijd hebben aan het welzijn der 
katholieken van Ouderkerk, de tegenwoordige herder 
al de Apostolische kracht zal gevoelen van het Woord 
des Apostels : depositum custodi : bewaar het U toe- 
vertrouwde pand 1). 

Allerheiligen, 19 13, 
Nieuwerkerk a/d. IJsel. J. C. van der Loos. 



I) I Tim.: VI, 20. 



AANHANGSEL. 



I. 

Het volgende overzicht der doopelingen geeft op- en 
neergang aan van het Ouderkerksche zielental. 



1717 
1718 
1719 
1720 
1721 
1722 
1723 
1724 
1725 
1726 
1727 
1728 
1729 
1730 
1731 
1732 

1733 
1734 
1735 
1736 

1737 
1738 
1739 
1740 
1741 
1742 
1743 
1744 
1745 
1746 

1747 



22 


1817 


30 


1818 


30 


1819 


26 


1820 


28 


1821 


31 


1822 


33 


1823 


37 
37 


1824 


1825 


35 


1826 


38 


1827 


34 


1828 


26 


1829 


25 


1830 


41 


1831 


33 


1832 


32 


'833 


44 


1834 


40 


1835 


38 


1836 


44 


1837 


22 


1838 


42 


1839 


32 


1840 


38 


1841 


34 


1842 


43 


1843 


39 


1844 


39 


1845 


33 


1846 


38 


1847 



27 
28 

36 

31 

37 
30 
36 
38 
32 
33 
23 
26 

37 
42 
44 
36 
33 
40 

33 
36 
40 
42 
42 
39 
50 
40 
34 
45 
36 
40 

35 



i6o 



1748 32 

1749 22 

1750 26 

1751 34 

1752 24 

1753 23 

1754 29 

I7SS 23 

1756 34 

1757 33 

1758 . 28 

1759 33 

1760 22 

1761 25 

1762 40 

1763 22 

1764 29 

1765 31 

1766 22 

1767 20 

1768 22 

1769 17 

1770 21 

1771 27 

1772 16 

1773 15 

1774 20 

1775 26 

1776 . . .■ 17 

1777 28 

1778 26 

1779 30 

1780 18 

1781 29 

1782 22 

1783 31 

1784 24 

1785 36 



848 33 

849 50 

850 51 

851 52 

852 48 

853 45 

834 31 

855 37 

856 36 

857 55 

858 30 

859 39 

860 41 

861 43 

862 41 

863 51 

864 48 

865 50 

866 49 

867 49 

868 46 

869 40 

870 41 

871 48 

872 54 

873 63 

874 53 

875 46 

876 ') 46 

877 41 

878 43 

879') 50 

880 60 

881 • • 49 

882 • • 45 

883 55 

884 43 

885 49 



i) Het getal communicanten daalde in dat jaar aanmerkelijk, omdat 
vele turfwerkers met hunne gezinnen naar den Akerpolder vertrokken 
onder Osdorp en Sloten. 

2) In de helft des jaars 1879 vestigden zich vele katholieke polder- 
werkers in den Middenpolder. 



[6i 



1786 22 

1787 29 

1788 35 

1789 29 

1790 28 

1791 28 

1792 29 

1793 31 

1794 24 

1795 32 

1796 28 

1797 31 

1798 30 

1799 44 

1800 37 

1801 35 

1802 34 

1803 38 

1804 42 

1805 33 

1806 50 

1807 38 

1808 38 

1809 30 

1810 49 

1811 29 

1812 28 

1813 31 

1814 31 

181S 35 

1816 30 



1886 45 

1887 40 

1888 43 

1889 62 

1890 42 

1891 48 

1892 50 

1893 44 

1894 49 

1895 52 

1896 42 

1897 45 

1898 34 

1899 50 

1900 41 

1901 54 

1902 48 

'903 52 

1904 47 

1905 47 

1906 55 

1907 42 

1908 49 

1909 37 

1910 48 

1911 46 

1912 45 

1913 48 



II. 



LIJST DER EERWAARDE HEEREN 

DIE ALS KAPELAAN OF ASSISTENT TE OUDERKERK 

ZIJN WERKZAAM GEWEEST. 



Namen : 
Gerardus Antonius v. d. Lugt. 
Daniël v. d. Ende. 
Hermanus F. Vollebregt. 
Jan Janse Mols '). 
J. Bos 2). 

Joës G. van der Aa. 
Corn. Ev. Schermer. 
Bern. Middendorp. 
Petrus Corn. Buys. 
Andreas Bern. Naaijers. 
Jacobus Westgeest. 
Joës W. Husing. 
Wilh. Fred. Mehler. 
Petrus Jac. van MiP). 
Arnoldus Heuvels. 
Franc. Bern. Duvergé. 
Joës Theod. Herm. Schrijvers. 
Franc. Bern. Duvergé. 
Ludov. Adam Gussenhoven. 
Herm. Ant. Preijer. 
Bernardus v. Buuren. 
Hub. Theod. van Deyl. 
Jos. Jac. Frentrop. 
Wouterus Huyg. 
Cornelis v. d. Jagt. 
Henr. Theod. Coenen. 
Aug. Leon. v. Rijn. 
Petr. Desid. Zondag. 
Petrus Adr. Lejeune. 
Joës Ant. Haverman. 
Jac. Joës Samwel. 
Petrus Nieman. 
Jac. Corn. v. d. Loos. 
Ant. Slijkerman. 
Petrus Rombout den Boer. 



Geboorteplaats . 
Amsterdam. 



Amsterdam. 

Wormerveer. 

Nieuwendam. 

Oosterblokker. 

Amsterdam. 

Aarlanderveen. 

Amsterdam. 

Amsterdam. 

? 
Warmond. 
Amsterdam. 
Schiedam. 
Amsterdam. 
Delft. 

Amsterdam. 
Voorburg. 
Delftshaven. 
Amsterdam. 
Zandpoort. 
Langeraar. 
Den Haag. 
Delft. 

Den Haag. 
Gouda. 
Den Haag. 
Wateringen. 
Roelofs-Arendsveen, 
Rijswijk (Z.-H.). 
Spierdijk, 
Zierikzee. 



Te Ouderkerk . 
1798. 

1808 
1808- 1818 
1818— 1819 
1819— 1821 
1822—1824 
1824— 1827 
1827— 1833 

1833- 

1833— 1840 

1840— 1842 

1842. 

1842. 

1842— 1844. 

1845. 

1845—1846 

1846. 

1846—1847, 

1847— 1858, 

1858—1860, 

1860—1861 

1861 — 1864 

1864-1871 

1871 — 1876 

1876-1S78 

1878—1880 

1880-1883 

1883—1890 

1890—1893 

1893—1894 

1894—1901 

1901 — 1912 

1907 — 1908 

1912. 



1) De Godsdiensti'iiend: dl. I, blz. 276 - 277. 

2) De namen dezer vier eerwaarde Heeren vond ik in het kerk- 
archief opgeteekend als vernomen van oude lieden ; maar in het 
bisschoppelijk archief zijn over hen, zoo min als over hun geboorte- 
plaats of verblijf te Ouderkerk, geen aanteekeningen voorhanden. 

3) Priester gewijd 31 Maart 1841, kapelaan te Warmond in 1841, 
gestorven te Ouderkerk den 6en September 1842, oud 25 jaar en ruim 
zes maanden. Hij gaf aan de kerk zijn zilveren kelk len geschenke. 
De Godsdie>istc'ric7id : dl. XLVI, blz. 255. 



III. 



Wijl Kerk- en Armmeesters uit de voornamen der 
parochie plegen gekozen te worden, mogen zij hier eene 
plaats vinden in het belang der geschiedenis van onze 
Roomsche geslachten. 



LIJST DER KERKMEESTERS SINDS DE OPRICHTING VAN 
HET PAROCHIAAL KERKBESTUUR: 4 MEI 1858. 

Jan van Galen : 
Jan Timmer: 



Symon Zuidwijk : 
Gerrit de Wit: 
Dirk Voordewind : 
Piet Kooyman : 
Willem Hesp: 
Cornelis Kea : 
Piet Nieuwendijk : 
Gerrit van Nes : 
Gerrit Zwanenburg 
Reinier Pouw : 
Cornelis Schelling : 
Jan Voordewind : 
Gerrit Timmer : 



1858—1859 
1858— 1888 
1858— 1862 
1858— 1876, 
1859— 1903, 
1862—1873, 
1873— 1876, 
1876— 1908 
1876— 1881 
1 881— 1907 
1888— 1899 
1899— 
1903— 
1907— 
1908 — 



IV. 

LIJST DER ARMMEESTERS SINDS DE OPRICHTING VAN 
HET PAROCHIAAL ARMBESTUUR: 23 FEBRUARI 1855. 



Willem Houweling: 


1855- 


-1886. 


Gerrit Kleyn : 


1855- 


-1865. 


Hannes van Nes : 


1855- 


-1871. 


Jan Kort : 


1855- 


-1866. 


Jan Schrijver: 


1866- 


-1868. 


Jan Marsen : 


1867- 


-1885. 


Frans Siro: 


1868- 


-1878. 


Jan Snel Hz. : 


1871- 


-1907. 


Jan van der Kroon : 


1878- 


-1886. 


Jan Timmer : 


1885- 


-1899. 


Jan Verleun : 


1886- 


-1891. 


Gijs Vrolijk: 


1886- 


-1908. 


Hein Vervvey : 


1891- 


-1904. 


Dirk Brandts: 


1899- 


-1904. 


Kors van Tol: 


1904. 




Jan van 't Schip: 


1904. 




Jan Snel Jz. : 


1907. 




Piet Vrolijk: 


1908. 





HET CONVENT DER PREDIKAREN 
TE HAARLEM. 



Zoo luidt de naam waaronder de Dominicanen hier 
van. ouds het meest en het best bekend waren. Toch 
worden zij ook wel vermeld als De Predikheeren, en 
als De Jacobijnen. 

Hunne vestiging te Haarlem valt in den tijd van 
Floris V, toen deze nog het Grafelijk hof (of paleis 
als men het zoo noemen wil) bewoonde, dat in de 
Spaarnestad was gesticht voor de Landsheeren, die zich 
van tijd tot tijd hier ophielden, en dat naderhand, toen 
de Graven zich zoo goed als voor vast in 'sGravenhage 
vestigden, aan de Stad is overgegaan en blijvend tot 
Raadhuis bestemd werd. 

Dat alles behoort met recht tot de grijze oudheid, 
maar men dient ook ver in het verleden terug te gaan 
om iets van de Predikaren te zeggen. 

Floris schonk hun in 1286 een uitgestrekt terrein 
naast en vooral achter zijn paleis gelegen, waar de 
geestelijke Heeren hun klooster stichtten. Het besloeg 
de plaats welke thans wordt ingenomen door het Pand 
en het Prinsenhof. De ingang, nu nog vrijwel onver- 
anderd, was in de Koningstraat naast het Raadhuis, 
(de Pandpoort). Van de kerk of kapel, welke stond in 
de Jacobijnenstraat, hoek Prinsenhof, .is niets meer over 
dan eene raamtraceering. De kloostertuin, eene ruime 
oppervlakte, had een uitgang naar de Nobelstraat en 
een naar de Zijlstraat, beiden thans nog zeer goed 

II 



i66 



herkenbaar. Door dien kloosterhof vloeide de Beek, 
toen een zuiver, vischrijk water, dat van de duinen 
afkwam en in het Spaarne uitliep. 

Het Predikaren-convent is van alle vroegere klooster- 
gebouwen in Haarlem het eenige, waarvan nog iets van 
belang is overgebleven. 

Er bestaat nog van : 

De kapittelzaal, 

Eenige aangrenzende lokalen, misschien het dormito- 
rium en de librye. 

Een paar woonvertrekken, laatst gebruikt als huizing 
van den Bewaarder van het Prinsenhof. 

Nog eene zaal over de kapittelzaal. 

De kloostergangen, vier galerijen rondom een ruim 
binnenhof. 

En de groote toegangpoort in de Koningstraat. 

Van de geschiedenis en lotgevallen van dit geestelijk 
gesticht, is hier en daar wel wat te vinden. Geen aan- 
eengeschakeld verhaal, waarvoor de bouwstoffen waar- 
schijnlijk niet bestaan, ten minste tot heden niet te 
voorschijn zijn gekomen, maar zoo enkele omtrekken, 
die een algemeen denkbeeld geven, vooral van het uit- 
wendig leven der Predikaren, doch welke van zoodanigen 
aard zijn, dat elke aanvulling welkom mag heeten. 

Er zal beproefd worden iets toe te voegen aan hetgeen 
hier en daar opgeteekend is, en als grondslag van deze 
nieuwste mededeelingen zal te stade komen, hetgeen de 
ZeerEer waarde Heer G. A. Meijer, Supprior van het 
Dominicanenklooster te Zwolle, de goedheid had mij te 
verschaffen. 

Over de herkomst der stukken welke hij in mijne 
handen stelde, allereerst de volgende ophelderingen van 
zijne hand : 

Zij behoorden, met nog vele anderen, tot het archief 



i67 

van het voormalig Dominicanenklooster te Mechelen. 
Tijdens de Fransche revolutie is dit goed verzorgd 
archief verspreid. Een klein gedeelte, waaronder ook 
deze akten, is in de vorige eeuw terecht gekomen in 
het tegenwoordig Dominicanenklooster te Gend en wordt 
daar nog bewaard. 

Hoe de oorkonden en eigendomsbewijzen van Haarlem 
naar Mechelen kwamen, is gemakkelijk te verklaren. 
Reeds in Mei 1620 vestigde Pater Boudaen, Dominicaan 
van 's Hertogenbosch, zich te Haarlem en stichtte daar 
eene Statie in de bierbrouwerij „De Klaveren". Na de 
verovering van 's Hertogenbosch, verplaatsten zich de 
Bossche-Dominicanen naar Mechelen en zonden van daar 
zendelingen naar de Statie te Haarlem, tot dat in 1731, 
door de woelingen der Jansenisten, deze Statie voor- 
waardelijk aan den seculieren clerus ter bediening werd 
gegeven. Wat de Dominicanen te Haarlem, uit hun 
oud klooster nog aantroffen, hebben zij vermoedelijk te 
's Hertogenbosch en later te Mechelen in veiligheid 
gebracht. 

Ter aanvulling van hetgeen door Pater Meijer ge- 
leverd is, zijn nog bijgevoegd eenige akten en dergelijke 
merkwaardigheden betreffende het klooster, nu en dan 
gevonden. Er wordt steeds vermeld, waar die stukken enz. 
berusten. 

Ook dient medegedeeld, dat er een paar bij zijn, 
welke niet rechtstreeks van het Predikheeren-klooster 
spreken. Maar zij hebben er toch betrekking op, want 
het zijn de voorgangers van latere opdrachtbrieven, 
waarbij de renten e. d. in deze oudere documenten 
omschreven, aan het convent overgingen. 

De nu nog bestaande groote toegangpoort van het 



klooster, in de Koningstraat naast het Raadhuis, is 
overbouwd. Het zich daar bevindende, gewelfde vertrek, 
behoort tot het Raadhuis, wordt „de Sacristie" genoemd 
en heeft altijd gediend en wordt nu nog gebruikt tot 
bewaarplaats van archieven. 

Het is met zekerheid bekend, dat deze localiteit dag- 
teekent uit het jaar 1456/7 en het is niet onaardig te 
vernemen, in welker voege de kosten der stichting er 
van, konden gekweten worden. Men zal zich gewis vooraf 
van stadswege met de kloosterheeren omtrent die over- 
bouwing verstaan hebben, en toen het tot de uitvoering 
kwam, vond men toevalligerwijze een gemakkelijk middel, 
hier te Haarlem in de middeleeuwen meer toegepast, 
om de stedelijke kas zooveel mogelijk ongemoeid te 
laten. 

Een biertapper had zich schuldig gemaakt aan ergerlijke 
bedriegerijen, met halve vaten te gebruiken welke gingen 
boven de inhoudsmaat, waardoor hij willens en wetens, 
den brouwers bier ontstal en de stad in haar accijns 
veel te kort deed. Maar dat bedrog kwam aan het 
licht en de bedrieger in handen van het gerecht, dat 
hem niet zoetsappig behandelde. Hij werd op St. Lucien- 
dag, 13 December, 1456 veroordeeld, om voor zijne 
rekening te leveren al hetgeen noodig zou wezen tot 
den bouw van de nieuwe stedekamer waarmede half 
Maart 1456 zou worden aangevangen, n.1. steen, kalk, 
hout, leien, lood, ijzerwerk enz. ; het arbeidsloon nam 
de stad voor hare rekening; en bovendien werd hij 
voor den tijd van tien jaren gebannen uit de stad 
en vrijheid van Haarlem en uit de baljuwschappen 
van Kennemerland en Rijnland. Krachtens nadere 
schikking, compositie noemde men dat, kocht hij de 
boete in steen enz. af voor honderd Engelsche nobelen, 
en zal toen wel uit Haarlem verdwenen zijn. 



169 

Het vonnis, pas besproken, volgt hier woordelijk i). 

Anno (M.CCCC.)lvj des Manendaechs op sinte Lucyendach. 

Alzo Wisse Pietersz. enige halve biervate bynnen zijnen 
huyse gehat ende gehouden heefft, die hij tot der brouweren 
huysen gezonden heefft ende die laten vollen voir halve 
vate als maethoudende, tot menygen tijden, ende hij die 
betaelt ende verexijst heefft voir slechte, halve vaten, 
ende niet hoger. Niettegenstaende dat diezelve halve 
vaten te veel ende bovenmaten te groot geweest hebben, 
wel tot zeven, acht off negen mengelen toe opt halve 
vat, off dairenboven, dair hij den brouwers, ende oick 
den exsisers vander stede wegen, thoir mede ontdragen, 
onthouden ende onduechdelicken vervreemt heefft. Ende 
oick diezelve Wisse enige vanden gezworen dregers 
gedreycht heefft te slaen ende te misdoen, om dieswille 
dat hij him liet duncken, dat die dreger dese lelicheit 
voers. wtgebracht hadde, Van alle welke zaken tgerecht 
goede getuychnisse gehoirt ende die wairheit dair off 
wel ondervonden heefft. Ende want dit zaken ende 
fayten zijn van alte quaden exempel, dair niet alleen 
een singulier persoon, mer die gemeyne buyck van der 
stede bij beschadicht wordt, twelke tgerecht ongecorrigiert 
in geenre manieren en wil laten lijden. Zo zeittet gerecht 
den voirs. Wisse dair voir over ter correctie ende beteringe 
voir die misdaet voirscr. Alze dat hij gehelicken gelden 
ende betalen zal, alle die stoffen ende gereetscepe, hoe 
ze genoemt mogen wesen, te weten steen, calc, hout, 
leijen, loot, ijserwerck ende voirt alle tgunt dat men 
van nu voirtan behoeven ende besigen zal, totter tymme- 
ringe vander nyeuwer stedecamer, die nu ter tijt voir 
der Jacopijnen-poirte begonnen is, gelijc als der stede 
tymmermeisters, indertijt wesende, dat ordineren zullen 
tot oirboir ende nutscepc vanden wercke voirscr., ter 
tijt toe dattie zelve camer altemael voltymmert ende 
volmaect zal wesen, van boven tot beneden, niet wtge- 
zondert. Ende alle die voirs. stoffen zal diezelve Wisse 
doen leveren bynnen der stede van Hairlem, tot zulker 
tijt ende plaetse, als him der stede tymmermeisters dat 
wijsen zullen. Behoudelicken dat die stede dat wercloon 
zelve betalen zall. Ende dit werk zal men beghinnen 
ende anvairden te maken, tot Midmairte naestcomende 



i) Inv. Archief der Gemeente Haarlem Ie afd, No. 1073. 



I70 

off des anderen dages dair an, cnde dan voirt zonder 
middel achtervolgen cnde volwerckcn ter tijt toe, dattet 
al volmaect zal wesen. Ende wairt sake, dat die voirs. 
Wisse enich gebrec hier inne liet gheschien, cnde niet 
en dede gelijc voirs. is, zo zal men alle die gelden ende 
costen vanden stoffen voirs., terstond dubbelt ende 
twyvoudich heerlicken maken, uyt alle zijne gereetstcn 
goeden. Ende dairtoe zal diezelve Wisse dan terstond 
gebannen wesen uyt der stede ende uyt der vrijhede van 
Hairlem ende uyt den baeliuscippc van Kcnnemcrlant 
ende van Rijnlant thien jaeren lanc, op zijn lijff, ende 
dair en tcynden niet weder inder stede te comen, 
tenzij bij wille ende consente vanden gerechte indertijt 
wesende. Behoudelickcn altijt den Heer zijns Rechts. 
Die voirscr. Wisse heefft volcomen die correctie hier 
voirgescr. mit hondert engelsche noblen, die hij in een 
offcope dairvoir betaelt heefft, ende dairom is dit punt 
hier deurgedaen. 

Thans wordt plaats gegeven aan een der twee akten, 
II Januari 1469, waarin het klooster niet vermeld is, 
maar welke eene rente betreft, die waarschijnlijk nader- 
hand in het bezit der Predikaren is gekomen. 

Wij Wouter van Bekestein ende Koen Claeiszoen 
scepenen in Hairlem oirconden, dat voir ons quam 
Clemenise Jan de Witten wedewe mit Jan Janszoons hant 
hairs gecoren voichts, ende gelyede sculdich te wesen 
Jacob Jansz. van Buttenesse twee Rijns gulden sjaers 
tot twintich stuvers stuck gerekent, jairlicxe lijftochte 
ende rente, durende also lange als de vors. Jacob Jansz. 
leven zal, ende niet langer, welke jaerlicxe lijftochte ende 
rente de vors, Clemenisse mit hairs voichts hant gelooft 
heeft ende gelooft mit desen brieve, alle jare den vorser. 
Jacob Jansz. wel ende duechtlic te betalen tot Onser 
Vrouwendage te Lichtmisse, dair dat eerste jair der 
betalingen of verschinen zal, tot Onser Vrouwendache 
Lichtmisse anno t zeventich naestcommende, ende also 
vort van jare te jare, tot eiken Onser Vrouwendage 
Lichtmisse elc na ander daer naest volgende, zonder 
pantkeeringe, durende des vorser. Jacobs leven lanck, 
ende niet langer, ende hiervoir heeft de vors. Clemenise, 
mit hars voichts hand vors. den vors, Jacob Jansz. in 



171 

de hant geset tot eenen onderpande, die vors. jairlicxe 
rente an te verhalen, alle hore goeden, roer ende onroer, 
die zij nu heeft of namaels vercrigen mach, waer ende 
waeran die gelegen zijn, binnen Harlem of dair buyte, 
geen uytgesondert, des sijn vorvvorde, dat na dode 
van den vorser. Jacob Jansz., de vors. Clemenise, Jan de 
Witten vvedewe, vander jairlicxer rente vorser, vrij ende 
quyt wesen zal tot eewigen dagen. In oirconden desen 
brieve bezegelt mit onsen zegelen int jair ons Heeren 
duysent vierhondert negen ende tzestich opten ellefiften 
dach in Januario. 

Een paar jaren later, den 2oeii November 147 1, schonk 
Willem van Zaenden, bewogen door liefde tot het Aller- 
heiligste Sacrament en ten bate der zielen van hemzelven, 
zijner vrouw en van hun beider ouders, jaarlijks drie 
Rijnsche guldens, om daaruit eeuwigdurend eene lamp 
te branden. Hij zou, wanneer de gelegenheid zich aanbood, 
voor het klooster eenig land koopen, waaruit dan deze 
inkomsten blijvend konden getrokken worden i). 

Ik Willem van Zaenden Florijsz. doe condt allen 
luyden, dat ie uyt rechter minne, caritate, puerlic om 
Goids willen ende in rechter testamente, gemaict ende 
gegeven hebbe, maecke ende geve mit desen brieve, 
voir mijn ziele, mijns wijfs ziele ende onsen beyder 
ouders zielen, den cloester vanden Jacopijnen binnen 
Hairlem, drie Rinsche gulden tsjaers, om dairmede een 
lampe te branden, bernende voir dat Heylige Wairde 
Sacrament, tot cwigen daigen dairmede te verlichten, welke 
drie Rinsche gulden ie hemluyden alle jairen uytreyken 
ende betalen sal in Meye, ter tijt toe dat ie hem drie 
gulden tsjaers in lande bewesen sal hebben, behoudelic, 
dat sij dese drie Rinsche gulden tsjaers voirs. niet ver- 
copen noch vervremden en sullen moigen, in geenre 
manieren, mer sullen blijven in een ewich testament 
voir die zielen voirs. In kennisse van desen heb ie 
Willem voirs. desen brieve besegelt mit mijnen zegele, 
hier angehangen opten xxen dach in Novembri int jair 
ons Heren duy.sent CCCC een ende tseventich. 



1) Inv. Archief der Gemeen/e Haarlem Ie afd. No. 1956a. 



172 

De andere akte, 2 Augustus 1476, welke uit het 
klooster afkomstig is maar dat er niet in genoemd 
wordt, handelt over eene schuld waarvoor men verbindt 
een huis op de Krocht. Verdere stukken van dergelijken 
onbepaalden aard, zullen wij hier niet meer ontmoeten. 

Wij Wouter van Bekestein ende Jan van Schoten 
scepenen in Hairlem, oirconden dat voor ons quam 
Jan Willemszoen, tymerman, ende geliede sculdich te 
wezen Lambrecht Paridaenszoen vijfthien rijnsgulden 
tot viertich groten vlaems 't stuck gerekent, hoefdelinge 
te betalen, te weten deen helft dar ofif tot heyligermisse 
naestcomende ende dander helft tot Meye daer naest- 
volgende telken termijn voirscr., zonder pantkeringe 
ende hiervoir heeft hij him tot een onderpandt in de 
hant geset tvoirscr. geit an te verhalen, 't vierendeel 
vanden huyze mitten erve, dat hij tegen him onder 
een scepenenbriefif van Hairlem gecoft heeft, liggende 
ende staende optie Croft, ende dairtoe alle zijn andere 
goeden, roer ende onroer, die hij nu ter tijt heeft of 
namaels vercrijgen mach, wair ende wair an die gelegen 
zijn, binnen Hairlem ofif dair buyten, ter tijt toe dattet 
voirscr. geit vol ende al betaelt is. In oirconde desen 
brieve bezegelt mit onsen zegelen Int jair ons Heeren 
duysent vierhondert zessentseventich opten anderden dach 
in Augusto. 

Heer Claes Janszoon, priester, had aan het klooster 
besproken eene rente van twintig schellingen 'sjaars: 
die moesten alle jaren op zijn jaargetijde aan wijn uit- 
geschonken worden den gemeenen broeders en conven- 
tualen in den refter : schoten de prior of de procurator 
hierin te kort, dan zouden die renten vervallen aan het 
heilige Geesthuis. Bij de hier volgende akte van 8 October 
1476 werd het klooster in het bezit gesteld van de boven- 
vermelde inkomsten. 

Wij Wouter van Bekestein ende Gerijt de Vischer, 
scepenen in Hairlem, oirconden dat voir ons quamen 
Dirck Janszoen, als man ende voecht van Ade Jansdochter 



173 

zine wive, ende Margriete Jansdochter, mit Dirck van 
Zaendens hant, hairs gecoren voechts voir recht, als recht 
erfnamen van wijlen Heer Claes Janszoen, priester, hoiren 
broeder zaliger gedachten, ende opgaven mit gezamender- 
hant tot eenen vrijen eygen den prioer ende gemeenen 
convent vanden predicaren oerde binnen Hairlem, twin- 
tich scellingen goets gelts sjaers pacht, staende in 
rechten poirtrecht op Dirck Willemszoen boovenhuys 
mitten erve, liggende ende staende optie Oude Graft, 
tusschen Volkert Gerijtszoen an deen zijde, Gerijt 
Ysbrantsz. an dander zijde, afterwaerts streckende an 
Vrouwelijn Willem Luydolfszoens wede we, ende hebbent 
mit gezamenderhant, ende die te voechden staet mit hairs 
voechts hant, den prioer ende gemeenen convent voirscr. 
geloeft te waren als men vrije pacht ende rente jairlicx 
verschijnende tot Bamisse, staende op huys ende erve, 
binnen de vrijheit van Hairlem sculdich is te waren, ende 
dat achtervolgende alzulck testament ende bespreek, als 
wijlen de voirscr. heer Claes in zijnen leven den prioer 
ende gemeenen convent gemaect ende besproecken heeft, 
omme dies wille, dat de prioer ende procuratoer van de 
convent voirscr. gehouden zoude wezen, alle jair ten 
jairgetijde vanden voorscr. Heer Claes, de voirscr. twintich 
scellingen te scinken an wijne binnen den cloester voirscr., 
dats te weten den gemeenen broederen ende conventualen 
aldair inden reventer, hierinne verstaende alzulcke vor- 
worde, alze waert dat de prioer of procuratoer vanden 
cloester voirscr. indertijd wesende of yemant anders van 
hoirliederwege, de voirscr. twintich scellingen anders 
disponeerden dan voirscr. staet, vercoften of vervreemden, 
in wat manieren dattet waire, dat alsdan de voirscr. 
twintich scellingen eygentlijcken wesen ende comen zullen 
an den Heyligen Geesthuyze staende optie Croft binnen 
Hairlem, totten armen behouff aldair, zonder dat 't voirscr. 
cloester dair eenich seggen voirt toe hebben zoude in 
eenicher manieren. Deser brieven zijn twee alleens. In 
oirconde desen brieve bezegelt mit onsen zegelen int 
jair ons Heeren duysent vierhondert zessentseventich op- 
ten achsten dach in Octobri. 

Van niet lang daarna dagteekenen eenige akten, 
zooals meermalen in klooster-archieven worden aange- 
troffen, namelijk over het begraven van leeken die tot 



174 

de parochie der stad behoorden, binnen de muren van 
het convent. De kloosterlingen zagen dat, naar het 
schijnt, gaarne, misschien waren hen niet onverschillig 
de voordeden welke dergelijke begrafenissen opbrachten. 
De leeken van hun kant, stelden er prijs op, dat hun 
stoffelijk overschot werd ter ruste gelegd in de gangen 
rondom den kloosterhof, dewijl de klooster-broeders 
dikwijls daar rondwandelden, vrome gebeden tot God 
richtende voor de zielen dergenen die er begraven lagen. 
Maar begrafenissen mochten er toch niet geschieden, 
tenzij krachtens een algemeen verlof van den pastoor 
der parochie-kerk, waarbij dan werd bedongen het 
stipendium ter zake, dat aan den daarop rechthebbenden 
geestelijke moest worden uitgekeerd. 

De Predikaren, die ter verwerving van dit voorrecht, 
zich de voorspraak hadden verzekerd van de Regeering 
der stad Haarlem, ontvingen den 8en September 1477 
de begeerde vergunning van den protonotarius van den 
pauselijken stoel Johannes van Rosenbos, pastoor der 
parochie-kerk te Haarlem, welke kort daarop, den 
^den October, bevestigd werd door den Bisschop van 
Utrecht David van Boergondie. Aan deze akten, en 
aan de verdere stukken, welke er mede in verband 
staan, wordt hier eene plaats gegeven ^). 

Johannes de Rosenbos sanctissimi in Christo patris 
et domini nostri domini Sixti pape quarti ac sacro 
sancte sedis apostolice prothonotharius nee non pastor 
seu curatus ecclesie parochialis Harlemensis, dilectis 
nobis in Christo priori et fratribus ordinis predicatorum 
conventus Harlemensis, Salutem in Domino. De speciali 
favore quem ad vos et vestrum gerimus conventum, ob 



l) Deze twee akten komen ook voor, Bijdragen XV, 1 6 1, maar dewijl 
hier de geheele reeks stukken over deze zaak opgenomen wordt, vindt 
men vrijheid ter wille der duidelijkheid den tekst der eerste akten nog 
eens af te drukken. 



175 

etiam piam dominorum ac rectorum oppidi de Haerlem 
instanciam, concedimus vobis et conventui vestro, pro 
nobis et nostris successoribus perpetuis temporibus, ut 
si qui majorennes per se, aut minorennes per alios, apud 
vos seu ecclesiam vestram elegerint sepeliri, eos libere 
tradere valeatis sepulture sine delatione funeris ad suam 
dictam parochialem ecclesiam vel oblationibus autexequijs 
ibidem fiendis. Ac etiam nobis aut nostro vicecurato 
de quibusdam juribus ratione funeris respondendum. 
Salvo quod loco et jure portionis canonice et totalis 
nostri ac successorum nostrorum interesse, hoc idem circa 
funus et funeralia nobis seu nostris vicecuratis per vos 
vel per heredes defunctorum dare debeatis, quod con- 
ventus vester seu fratres conventus et ordinis vestri in 
Rotterdam, per se vel per heredes defunctorum, curato 
ibidem seu vicecurato circa hujusmodi hodierna die dare 
dignoscitur seu dignoscuntur. Sic tamen quod si aliquod 
funus cum cruce per vos ad vestrum conventum afferri 
contigerit, tune heredes defuncti tenebuntur, pulsare pro 
se in ecclesia parochiali Harlemensi secundum modum 
dicte ecclesie hodie observatum. Alioquin nostra presens 
concessio nuUius sit roboris vel momenti. In cujus rei 
testimonium sigillum nostrum presentibus duximus ap- 
pendendum. Anno Domini millesimo quadringentesimo 
septuagesimo septimo, mensis Septembris die octava. 

T r a n s f ix u m. 

David de Burgundia Dei et apostolice sedis gratia 
episcopusTrajectensis, universis et singulis tam presentibus 
quam futuris, Salutem in Domino sempiternam. Noveritis 
quod nos ad humilem et piam supplicationem dilectorum 
in Christo prioris et fratrum conventus fratrum predi- 
catorum in oppido de Haerlem nostre dioecesis, omnia 
et singula in littera cui hec nostra presens litera est 
transfixa, contenta, narrata, conditionata atque descripta, 
ex certa nostra scientia ratificamus et approbamus, rataque 
et grata habemus et inviolabiliter perpetuo volumus et 
mandamus observari, eaque omnia et singula in ea 
contenta, auctoritate nostra ordinaria in Dei nomine con- 
firmamus. Nostrarum testimonio litterarum sigillo nostro 
ad causas presentibus appenso munitarum. Datum Anno 
Domini millesimo quadringentesimo septuagesimo septimo, 
mensis Octobris die nona. 



176 

Tot toelichting der voorafgaande vergunningen wordt 
daarbij gevoegd het volgende stuk i) : 

Copia originalis conventus de Rotterdam. 

Gijsbertus de Venray, Lubicensis, et sancti Salvatoris 
Trajectensis ecclesiarum canonicus, curatus oppidi Rotter- 
damensis, Trajectensis dioecesis, notum facio universis, 
quod cum ea per que divinus cultus ampliari et devotus 
suscipere possit incrementum semper cupio annuere, hinc 
est quod religiosis personis et fratribus ordinis predica- 
torum conventus oppidi Rotterdamensis, pro me et suc- 
cessoribus meis curatis, concessi et concedo per presentes, 
quatenus libere uti et gaudere poterunt omnibus et 
singulis privilegiis et indultis per dominos apostolicos 
aut de jure hactenus concessis seu secundum formam et 
modum debitis specifice admissis ipsi vel ipsorum ordini. 
Et quod dicti fratres predicatores secundum sui ordinis 
consuetudinem et privilegia, in funeralibus alijsque actibus 
ecclesiasticis quibuscunque me aut successores meos 
curatos ecclesie predicte Trajectensis et in Haga comitis 
HoUandie conformabunt, hoc est quod licite possunt 
sepelire tam adultos qui eorum sepulturam apud eos 
eligerint, quam impuberes quorum parentes ipsos in 
eorum cimiterijs sepeliri desiderant ; confessiones meorum 
subditorum audire tam in ecclesijs suis quam in domibus 
secularium, qui ratione infirmitatis vel cujuscunque debi- 
litatis ipsos accedere non valent, et hoc toties quoties 
et quandocunque saltem ad hoc vocati fuerint. Et tune 
memores meorum vicecuratorum seu capellanorum in 
testamentum erunt et sic absque oblocutione cujuscunque 
accedere possunt et similis omnibus alijs privilegijs uti sicut 
usque in hodiernum diem usi sunt. Dummodo prior et 
fratres supradicti in eorum sermonibus, predicationibus 
et confessionum auditionibus aut etiam alijs persuasionibus 
quibuscunque publicis et occultis, subditos et parochianos 
meos, ut sepulturam in eorum conventu seu monasterio 
eligant ad vovendum seu eligendum non induxerint. Nee 
ipsi capellani hoc idem similiter attemptabunt, cum in 



l) No. 54 blz. i8 vo. in bet Archief der Clerezy, afdeeling Haarlem 
(Bisdom, kapittel, kloosters) bewaard in hel depot der Rijks-Archieven 
te Utrecht. 



177 

jure super hoc poena sit imposita. Salvo quod predicti 
fratres predicatores mihi et successoribus meis curatis 
quomodolibet competentibus ac indemnitatibus ecclesie 
mee dimidiam partem omnium oblationum in primis 
exequijs ibidem sepeliendorum duntaxat ofiferendarum 
finitis exequijs vel paulo post legaliter persolvant realiter 
et cum effectu ; oblationibus provenientibus in exequijs 
parvulorum exceptis, quas ex integro mihi vel cappellanis 
meis persolvere tenebuntur. Insuper dicti fratres predi- 
catores post prandium sermones suos etstationesconsuetas 
circa horam secundam post prandium concludere, finire 
et terminare obligabantur. Salvo tamen in premissis et 
alijs semper jure matricis ecclesie mee predicte, dolo 
et fraude alijsque frivolis omnibus exceptionibus que in 
premissis fieri possent, semper exclusis. Et ut omnia et 
singula praenarrata eo melius vakant perpetuistemporibus 
in robore firmitati permanere, pro me et successoribus 
meis curatis, rogavi et rogo reverendum in Christo patrem 
ac dominum meum dominum D.D., Dei et apostolice 
sedis gratia episcopum Trajectensem, quatenus auctoritate 
sua ordinaria dignetur hanc concessionem et indultum, 
pro bono pacis et concordic observanda, roborare et 
confirmare. In cujus rei testimonium presentes literas fieri 
meique sigilli feci appensione communiri. Datum anno 
Domini millesimo quadringentesimo septuagesimo tertio, 
die vero vigesima quinta mensis Februarij. 

Sic subscriptum. 

Hec presens copia concordat cum copia 
coUationata ex originalibus, quam invenimus 
in pixide litterarum de redditibus cure, 
signatum nomine mea. Testor manu propria 
et signeto privato meis. 

Hugo de Assendelfï". 

Isti sunt articuli concordie inter Dominum 
vicecuratum et conventum istum (ut asse- 
runt Predicatores) concepti, anno Doiuini 
millesimo quadringentesimo octogesimo 
prima mensis Martij die octava. 

Primus, quod electio sepulture debet censeri canonica 
dum fuerit coram duabus personis cujuscumque sexus, 
sive domesticis sive extraneis constantibus et vocatis. 



178 

Quod si tales testes non fuerint vocati ad hoc specialiter, 
sepeliantur arbritio bonorum virorum in conventu. 

Secundus est, quod non obstante clausuia in pacto 
expressa de pulsatione fienda, valeamus libere afiferre 
funera cum solita processione in triduo ante Pascha et 
tempore pestis sine campanis aliquo modo impeditis 
sine tali compulsatione fienda. Adijcientes, quod alijs 
temporibus sufificiat compulsationem fieri ante vel post 
delationem funeris. 

Tertius quod decedentes ab intestato, sepeliantur in 
sepulchris majorum suorum, sicut habetur xiij*^ g. ij^ 
Ebron. et extra de sepul. nos instituta et in sexto 
cum quis, pro quibus libentur solvemus juxta arbitrium 
duorum virorum. 

Quartus quod cum solemni processione in solemni- 
tatibus nostris, dedicationis dominici et capituli generalis et 
provincialis, libere exire valeamus extra septa monasterij. 

Toen de bekrachtiging van het verlof van den Pastoor 
der Haarlemsche parochiekerk Johannes van Rosenbos, 
door den Bisschop van Utrecht verleend was, vroegen 
de Predikaren ook nog de bevestiging er van aan den 
pauselijken nuncius en legaat Lucas (de Tollentis) Bisschop 
van Sibenica (eene stad in Dalmatie), te 's-Gravenhage, 
die dit verzoek inwilligde bij zijn hiervolgenden brief 
van II April 1478: 

Lucas Dei et apostolice sedis gracia episcopus Sibe- 
nicensis referendarius ad universa dominia et loca reco- 
lende memorie Caroli Burgundie ducis et impresenciarum 
dilectorum nobis in Christo nobilium et illustrissimorum 
principum Maximiliani et Marie Burgundie ducum et 
illis adjacentes partes sanctissimi in Christo patris et 
domini nostri domini Sixti divina providencia pape 
quarti, ac prefate sedis nuncius et orator cum potestate 
legati de latere destinatus, Universis et singulis presentes 
nostras litteras inspecturis Salutem in Domino sem- 
piternam. Tune legacionis officii nobis impositi debitum 
persolvere non ambigimus dum salubri singularum per- 
sonarum et presertim ecclesiasticarum statui providemus 
illarumque justis peticionibus annuere et ea que inter 



179 

ipsas personas rite et legitime acta sunt confirmacionis 
munimine roborare consuevimus, Cum itaque sicut ac- 
cepimus nuper dilectus nobis in Christo venerabilis 
Johannes de Rosenbos rector parrochialis ecclesie Har- 
lemensis, Trajectensis diocesis, sancte sedis apostolice 
prothonotarius, dilectis nobis in Christo venerabilibus 
priori et fratribus conventus Harlemensis ordinis pre- 
dicatorum, ut eis liceat dicte ecclesie parrochianos quos 
pro tempore per se vel alios apud ecclesiam dicti con- 
ventus sepulturam eligere contigerit sub certis modo et 
forma recipere et sepulture tradere, per certas litteras 
graciose concessit et perpetuo indulsit privilegia quorum 

tenor de verbo ad verbum sequitur et est talis 

plenius contineri. (Zie deze akte hiervoor). 

Quare pro parte prioris et conventus predictorum 
nobis fuit humiliter supphcatum ut litteras ipsas ac 
omnia et singula in eis contenta, pro illorum subsistencia 
firmiori confirmare et approbare dignaremur. Nos igitur 
piis supplicatum votis, quantum cum Deo possumus, favo- 
rabiliter annuentes ac singulorum pacem et quietem 
desiderantes huiusmodi supplicacionibus inclinati, litteras 
predictas omniaque et singula in eis contenta, auctoritate 
legacionis nostre et qua fungimur in hac parte, tenore 
presentium approbamus et in Dei nomine perpetuo con- 
firmamus. In quorum fidem et testimonium premissorum 
has nostras litteras per secretarium nostrum subscribi 
sigillique nostri jussimus et fecimus appensione com- 
muniri. Datum in Haga Comiti Trajectensis diocesis 
Anno incarnacionis dominice Millesimo quadringentesimo 
septuagesimo octavo, tercio Idus Aprilis, pontificatus 
prefati sanctissimi domini nostri pape anno septimo. 

F. Bontius 
de mandato prefati domini legati subscripsit 
B. Hermanni. 

Als gevolg van het verlof van Pastoor Van Rosenbos, 
maakten de Predikaren met den Vicicureit der parochiekerk, 
weinige maanden later het af, en betaalden hem 1 3 Rijnsche 
guldens over den geheelen tijd dat hij met zijne toen- 
malige bediening bekleed zou zijn. Die kwijting geschiedde 
maar niet zoo eenvoudig, doch door tusschenkomst van 
Burgemeesteren van Haarlem en wel bij eene omstandige 



i8o 
akte van 24 April 1478 welke hier opgenomen wordt : 

Wij Gherijt van Berckenrode, Jan Boudewijn Claes- 
zoen ende Willem van Adrichem Gerijtszoen, Burge- 
meesteren der stede van Hairlem, Doen condt allen 
luyden, alzoe Meester Lambrecht Willemszoen, priester 
ende liccnciaet in theologia, als vicecureit der prochi- 
kercke der stede van Hairlem voirscz., an deen zijde, 
ende Meester Jacob Weits, doctoer in theologia ende 
prior vanden predicaren cloester binnen deser stede 
ende de gemeene broederen aldair, an de ander zijde, 
een minnelicke sceydinghe ende uytspraecke an ons als 
Burgemeesteren met Symon van der Laen, die onlancx 
ofiivich geworden is, oick Burgemeester, gebleven zijn, 
als roerende eenen somme van penningen, die de voirscr. 
Meester Lambrecht als vicecureyt hebben zoude zijnen 
tijt lange gedurende, in al soe verre als de prior ende 
predicaeren voirscr. eenen brieff hadden van Heeren 
Jan van Rosenbos, pastoer derzelver kercken voirscz., 
welcke brieff mentie maken, ende spreecken zoude met 
overdracht dat sij onderlinghe hadden vanden geschil 
der begravinge vanden doden etc, mit dat dair an 
cleefde ; Soe hebben wij, navolgende 't selve geblijff 
onse uytsprake ende sceydinge dair off gedaen in zulcker 
manieren ende voegen, dat de prior ende gemeene 
broederen voirscr. den voirscr. Meester Lambrecht als 
vicecureit geven ende leveren zouden an gelde voir eens 
ende voir zijnen tijt lange gedurende, de somme van 
derthien Rijnsche guldens tot viertich groten Vlaems 
't stuck gerekent, ende dat voir al 't guent dat hij 
opten zelven cloester, als roerende de begravinge van 
den doden voirscr. mit dat dair an cleeft, te seggen 
heeft oft binnen zijnen tijt dat hij de kerck heeft, te 
seggen mach hebben, welck wij kennen, dat de prior 
ende gemeene predicaeren voirscr. alzoe gedaen ende 
volcommen hebben, want zij de voerscr. derthien Rijnsche 
gulden in onsen handen gelevert hebben, omme tegen 
den voirscr. vicecureit scadeloes te wesen ende te blijven, 
ende wij die denzelven vicecureit voirt betaelt ende 
gegeven hebben, in zulken schijne als wij die ontfinghen. 

In kennesse der wairheit zoe hebben wij desen brieff 
gedaen zegelen mitten zegel van zaicken der voirscr. 
stede hierbeneden angehangen, 's daechs nae Sinte 
Jorijsdach Anno duysent vierhondcrt acht en tseventich. 



[8i 



Vele jaren hierna, in 1514, den 2en Januari, was het 
noodig, eene deftige akte op te maken over het begraven 
bij de Predikaren, waarin duidelijk en krachtig wordt uitge- 
sproken het verlangen dienaangaande van een paar poorters, 
met opgaaf van de beweeggronden die er toe leidden, en 
welke hierboven reeds zijn vermeld. Het stuk luidt als volgt : 

In nomine Domini amen. Per hoc presens publicum 
instrumentum cunctis pateat evidenter et sit notum quod 
anno Domini millesimo quingentesimo quarto decimo 
indictione secunda mensis Januarii die secunda, hora 
prima post meridiem vel quasi, pontificatus sanctissimi 
in Cristo patris et Domini nostri Domini Leonis, divina 
providencia pape decimi, anno suo primo, in mei notarii 
publici testiumque infrascriptorum ad hoc specialiter 
vocatorum et rogatorum presentia, ad instanciam rcli- 
giosorum fratrum predicatorum in Hairlem sou procuratoris 
eorundem, comparuerunt personaliter probi et honcsti viri 
Ysbrandus Petri et Johannes Gherardi, requisiti perhibcre 
testimonium veritatis in causa electionis sepulture cujus- 
dam Bartholdi Gherardi Visker, iam pridem anno preterito 
defuncti et apud predictos predicatores in Hairlem sepulti, 
dicentes et mediis eorum conscienciis in verbis fidci et 
bonorum virorum deponentes, quod dictus Gherardus 
Bartoldi Visker, in presencia prenominatorum testium, in 
lecto sue egritudinis positus, ex certa sua sciencia, non 
vi, dolo, metu aut aliqua sinistra machinacione circum- 
ventus, compos mentis, rationis et intcllcctus suorum per 
Dei omnipotentis gratiam, prout apparuit, elegit eccle- 
siasticam suo corpori sepulturam apud predicatores in 
Hairlem. Preterea anno, mense, die, hora, indictione et 
pontificatu quibus supra, ad instanciam eorundem fratrum 
predicatorum aut eorum procuratoris, etiam in causa 
electionis sepulture cujusdam Petri lohannis, civis Hair- 
lemensis, comparuerunt ad perhibendum testimonium 
veritatis coram me notario et eisdem testibus infrascriptis, 
probe et honeste mulieres Markina Renieri, Agnes Petri 
et Elizabet Outgeri que mediis earum conscienciis et in 
verbo veritatis, dixerunt et deposuerunt, quod dictus 
Petrus lohannis anno preterito quadam die fuit ad 
exequias cujusdam defuncti et apud predicatores in 
Hairlem tumulati, qui compos mentis, rationis et intellectus 



suarum, ut prima facie apparuit existens, dixit : casu quo 
discesscro et mortuus fuerim, peto, cupio et desidero 
sepeliri ad predicatores in Hairlem, et pocius in ambitu 
ecclesie eorum quam alibi in ecclesie cimiterio eorum, 
quia antedicti fratres sepissime in ambitu eorum deam- 
bulantes, pias preces Deo pro ibidem inhumatis ofiferunt. 
De et super omnibus et singulis prescriptis, sepedicti fratres 
eorumque procurator in Hairlem, petierunt a me notario 
publico subscripto eis fieri et confici unum vel plura 
instrumenta publica in meliori forma. Acta sunt hec 
Hairlem in conventu predicatorum sub anno, indictione, 
mense, die, hora et pontificatu quibus supra, presentibus 
ibidem probis et discretis viris Simone filio Nicolai de 
Heemstede et Simone filio Franconis de Hilgom, testibus 
ad predicta vocatis specialiter et rogatis. 

Et ego lohannes lohannis Ghijsberti 
alias Odulphi, clericus Traiectensis diocesis, 
publicus sacra imperiali auctoritate notarius, 
quia premissis depositionibus dum sic ut 
premittitur fierent et agerentur, una cum 
prelibatis testibus presens interfui easque 
sic fieri vidi et audivi, ideo hoc presens 
publicum instrumentum manu propria fide- 
liter scriptum, exinde confeci, subscripsi et 
in hanc publicam formam redegi signoque 
et nomine meis solitis et consuetis signavi, 
rogatus et requisitus. 

Deze verklaring zal ongetwijfeld wel in verband hebben 
gestaan met den strijd, ongeveer in die jaren uitgebroken, 
alweder over het begraven bij de Predikaren, waartegen 
de toenmalige onderpastoor der parochiekerk. Reinerus 
Janss. van Enkhuizen, zich hevig verzette, niet alleen in 
gewone gesprekken, maar zelfs op den kansel waar hij 
de ergste dingen er van aan zijne toehoorders vertelde^). 
De Predikaren teekenden daartegen verzet aan bij 
Jacobus Ruysch, doctor der decretalen, deken der col- 
legiale kerk van de H. Maagd Maria te 's-Gravenhage en 



l) Bijdragen XV, bb.. 105. 



i83 

judex-executor-conservator der privilegiën enz. van hunne 
orde in Holland. De onderpastoor kwam er slecht af, 
want hij werd veroordeeld aan de beleedigde partij eene 
boete te betalen van 200 goudgulden. Hetzij hij die 
niet had, of misschien om eene nog andere erger ver- 
oordeeling bij het vonnis waarvan ik den tekst niet ken, 
hij ging op de vlucht en liet have en goed in Haarlem 
onbeheerd achter. Dat maakte de zaak niet beter voor 
hem, want bij de hiervolgende sententie van 20 November 
15 14 werd beslag gelegd op al zijne goederen, welke 
in bewaring werden gegeven aan de Heeren van St. Jan 
te Haarlem. Zie hier die akte : 

Jacobus Ruysch, decretorum doctor, decanus ecclesie 
sive capelle coUegiate beate Marie Virginis Curie 
Hagensis exempte Trajectensis diocesis, judex executor 
et conservator jurium, rcrum, bonorum et privilegiorum 
venerabilium patrum priorum et convcntuum predica- 
torum ordinis congregationis Hollandie ac alias ubilibet 
constitutorum in vim litterarum apostolicarum cum 
clausuia : et nichilominus cuilibet in dignitate ecclesiastica 
constituto etc, a sancta sede apostolica quondam satis 
notorium esse dinoscitur specialiter dcputatus Universis 
et singulis presbiteris, clericis, notariis et tabellionibus 
publicis quibuscumque dicte sancte sedi apostolice 
subjectis, Salutem in domino et nostris huiusmodi ym- 
moverius apostolicis firmiter obedire mandatis. Notum 
facimus quod cum alias pendente ac coram nobis intro- 
ducta lite causa seu questionis materia, inter priorem 
et conventum monasterii sive conventus predicatorum 
in Haerlem, actores ex una et quemdam magistrum 
Reynerum filium Johannis de Enckhuysen, vicecuratum 
ecclesie parochialis Haerlemensis, de et super turbatione 
ac injuriis dictis actoribus illatis, circa electionem 
sepulture ac aliis in actis cause huiusmodi totius desig- 
natis et illorum occasione, reum partibus ex altera, 
nos tandem servatis servandis cognitisque ad plenum 
huius cause meritis sententiam dififinitivam per quam 
dictum reum in dampnis et interesse premissorum 
occasione illorum nobis reservata taxatione condemp- 



i84 

nandum tulimus et in scriptis promulgaviinus cum 
ergo dicta nostra diffinitiva sententia nulla provocatione 
suspcnsa in rem transivit judicatam, cumque de post 
constito nobis summarie de fuga prefati magistri Reyneri 
condempnati qui se forsan timore executionis nostre sen- 
tentie aliunde se transtulit, singula sua bona clandestine 
deferendo, deportando et occultando, et ne huiusmodi 
sententia illusoria maneat, sed ut suum debitum con- 
sequatur effectum, ad dictorum prioris et conventus in 
Haerlem instantiam et requisitionem premissam (?) cum 
dicti rei condempnati ex adverso principalis procuratore 
legitime ad hoc vocato et comparente, nullam in con- 
trarium potuerat allegare causam rationabilem in jure 
militanten!, infrascripta per nos minime fieri debere 
omnia et singula bona mobilia actu in Haerlem existentia 
qualitercumque etiam ad dictum reum condempnatum 
spectantia, tenore presentium arrestamus ac in arresto 
apud commendatorem et Johannitas Haerlemenses 
detineri decernendum duximus, prout decernimus donec 
dictus reus condempnatus dictis actoribus cautionem 
suffitientem et ydoneam prestiterit, de refusione dampno- 
rum et interesse in quibus ut premittitur per sententiam 
condempnatus extitit, Ouarum vobis omnibus et singulis 
supradictis sub virtute obedientie et excommunicationis 
pena, districte mandamus dicta bona mobilia qualiter- 
cumque reperta ad dictum magistrum Reynerum spec- 
tantia, modo premisso in arresto et tuta custodia ad 
dictorum actorum usum et utilitatem detineatis et ab aliis 
detineri et arrestari fatiatis et procuretis, prout detinemus 
et arrestamus per presentes, inhibentes omnibus et singulis 
sub antedictis censuris et penis, prefatum arrestum non 
violari per se alium vel alios publice vel occulte, directe 
vel indirecte, quovis quesito, ingenio vel colore alioquin 
contra eosdem et in premissis culpabiles ad dicte ex- 
communicationis sententie declarationem procedemus, 

litteras debite executas. Datum Hagis nostro sub 

sigillo presentibus appenso, sub anno a nativitate Domini 
millesimo quingentesimo quarto decimo, die vero lune 
vicesima mensis Novembris. 

Ita Cornelius de Capella, Notarius subscripsi. 

Dit arrest had eene onverwachte en voor dien tijd 
ongewoon snelle uitwerking, en wel ten goede, want 



i85 

reeds op den iQen December 15 14, was de voortvluchtige 
licentiaat der beide rechten Reinerus Janss. van Enkhuizen 
te voorschijn gekomen. Hij had, zooals blijkt, bij de 
door hem verwekte oneenigheid, zijne waardigheid van 
onderpastoor der parochiekerk ingeboet. Hij verscheen, 
ten dage vermeld, in het klooster der Predikaren, herriep 
daar zijne aantijgingen tegen met name genoemde con- 
ventualen en na verder gemaakte schikkingen, beloofde 
de prior Mr. Joannes Olislager, de in beslag genomen 
boeken en het huisraad terug te geven. 

Met dit verdrag hier volgende, was het droevig geschil 
voor goed ten einde gebracht : 

Tn nomine Domini amen. Anno a nativitate eius- 
dem millesimo quingentesimo decimo quarto, indictione 
secunda, mensis Decembris die decima nona, de mane 
infra nonam et decimam horas vel circiter, pontificatus 
sanctissimi in Christo Patris et Domini nostri, Domini 
Leonis divina providentia pape decimi anno suo secundo, 
in mei notarii publici testiumque infrascriptorum ad hoc 
vocatorum pariter et rogatorum presentia, personaliter 
constituti eximii viri magistri lohannes Olislager, sacre 
theologie professor, prior conventus Predicatorum in 
Hairlem ex una, et Reynerus lohannis de Enckhusen 
utriusque juris licentiatus, quondam vicecuratus ecclesie 
Hairlemensis, ex altera partibus, super certis differenciis, 
ortis inter dictos predicatores et memoratum magistrum 
Reynerum, cum iam ipsi predicatores libros et suppel- 
lectilem dicti magistri Reyneri arrestari fecissent et sub 
firma custodia haberent sic arbitraliter, tam super sententia 
lata quam super calumpniis in venerabiles viros magistros 
Jasperum et Baltezaer filium Livini de Middelburgo, 
Florentium Seeman et Cornelium Hoen, de alto et basso, 
simpliciter et de plano compromiscrunt et idem magister 
Reynerus ad pectus suum sacerdotale hujusmodi eorum 
laudem seu amicabilem compositiores, sub penis camere, 
firmiter tenere et observare juravit, Quo facto idem 
magister noster dicto magistro Reynero suos libros et sup- 
pellectilem, sic ut premittitur arrestatos, reddere et illico 
tradere promisit. De et super quibus omnibus et singulis 



i86 



idem compromissarii petierunt et alter eorum petiit a 
me notario publico, unum vel plura confici instrumentum 
vel instrumenta. Acta fuerunt hec in conventu predica- 
torum dicti opidi Hairlem, sub anno, indictione, die, 
hora, et pontificatu de quibus supra, presentibus ibidem 
venerabilibus viris et dominis magistro Elgerberto Wijs, 
provisor Kenemarie, curato in Oessanen, domino Gherardo 
de Oestgeest, curato in Velsen, et Ysbrando de Oestgeest, 
vicario ecclesie Haerlemensis, presbiteris diocesis Traiec- 
tensis, testibus ad premissa vocatis pariter et rogatis. 

Et ego Hieronymus Wis filius Wilhelmi 
de Hairlem, clericus diocesis Trajectensis, 
publica sacra imperiali auctoritate notarius, 
ac coram venerabilibus viris dominis pro- 
visore et decano Kenemarie judicibus scriba 
ex una, premissis omnibus et singulis dum 
sic ut premittitur agerentur et fierent 
una cum prenominatis testibus presens et 
personaliter interfui, eaque omnia et singula 
sic fieri vidi et audivi, ideoque hoc presens 
publicum instrumentum, manu alterius fide- 
liter conscriptum, exinde confeci, subscripsi, 
publicavi et in hanc publicam tormam 
redegi, signoque et nomine meis solitis et 
consuetis signavi in fidem et veritatis testi- 
monium omnium et singulorum, rogatus 
pariter et requisitus. 

Hiero. Wis. 

Nu hier reeds zooveel over het begraven werd ter sprake 
gebracht, is het niet onaardig ten slotte aan te roeren, 
het laatste bedrijf uit het bestaan van een levenslustig 
Haarlemmer, die in overoude tijden bij de Predikaren 
is ter aarde besteld. 

De naam van den man is Dirck Jansze Bleser, 
hij was gekomen (het luidt bijna ongelooflijk) tot een 
ouderdom van honderd elf jaren, en in die vergevorderde 
grijsheid bekroop hem de lust om eens te gaan trouwen. 
De Pastoor vond hem daartoe veel te oud, maar hij dreef 
zijn zin door. Hij leefde met de uitverkorene zijns harten 



i87 

nog twintig jaren in liefde en vrede, hun echt werd 
gezegend met eene dochter, die den geestelijken staat 
aanvaardde en als non stierf. Deze idylle stond te lezen 
op den grafsteen van Bleser en is in het jaar 1630 op 
last van Burgemeesteren van Haarlem, door Mr. Jacob 
Matham, plaatsnijder, overgebracht in eene koperen tafel, 
welke nog heden ten dage ingemetseld staat in eene 
der zuilengangen van het voormalig Predikaren-klooster. 
Er werd in 1631 uit stadskas voor betaald /72. — 
en deze merkwaardige tekst luidt als volgt : 

Epitaphium ofte Grafschrift van Dirck Janssen Bleser, 
Tot Haerlem begraven in 7 fakobijnen Klooster. 

Hier leyt begraven, leser, 
Den ouden Dirck Jansze Bleser, 

Honderd en elf jaeren 

Was hij oud na sijn verklaren 

Doe hij eerst soude trouwen 

Ter echt een jonge Vrouwe. 

Den Pastoor seyde hem bout 

Gij Dirck sijt seker veel te oud 

En komt waerlijk al te laet 

Om te voldoen den echten staet. 

Hij sprak Heer set ter sij 

Die honderd jaeren vrij, 

En die elf alleen behoud, 

So en ben ik niet te oud. 

Dit houlijck is aldus volbragt 

Met liefden sonder klagt, 

So hebben geleefd dese twee 

Twintig jaer met vree. 

Een dochter gewonnen, 

Geestelijk gestorven eener Nonnen. 

Een ander wonderbaar geval vond plaats binnen de 
palen van het Predikaren-klooster ten jare 1498 en 
wordt hier medegedeeld in den vorm zooals het is aan- 
getroffen in eene oude geschreven kronyk i) „1498 is 



l) A. B(orst) Korte Chronijck ofte Beschrijving van Haarlem. 
Hdschr. i8e eeuw; op het Gemeente Archief van Haarlem B. 916 b. 



tot Haarlem in 't Predikheeren Clooster overleeden den 
gehoorsaemcn Leeken-Broeder Nicolaus, van St. Domi- 
nicus Order. Deselve was, wanneer hij de last van de 
gasten hadde, van den Prior belast, sooveel visch uyt 
het reservoir te brengen als hij gasten hadde ontfangen. 
Hij ging derwaars, maar na grooten arbeydt en sag hij 
niet eenen. 

De Prior belastede hem weder te keeren, en te ge- 
bieden aan de visschen uyt haeren hollen te kruypen 
en te presenteeren om gevangen te worden. Nauws en 
hadde hij sijnen mondt open gedaan, wanneer eenen 
seer grooten snouck hem liet vangen om de gasten 
hier van te dienen. 

N.B. Dese snouck is gevangen geweest in de Beeck 
die onder het Princen Hoff (dat eertijds het Predick 
Heeren Clooster is geweest) doorloopt, ter plaatse daar 
nu een Prieel staat in de Hortus Medicus tegen het 
Collegium Medicum. 

{Brovitis in Annales Eccles., en R. P. Franc, 
de Smedt, Doorluchtige Winckel, in 1 2° pag. 99). 

Bij deze aanteekening is in het handschrift geplakt, 
een prentje op perkament met het adres van : Joan. 
Van de Sande waarop afgebeeld „B. M. Nicolaus Con versus 
Harlemensis Ord. Pred." (met de snoek in de hand). 
Gekleurde kopergravure i). 

Na deze verhalen komen de stukken weder aan de 
beurt, waarmede wij nu in tijdrekenkundige orde voort- 
gaan. Het eerst komt ons in handen eene uitvoerige 
akte over de nalatenschap van zekeren Heer Hugo, 
convers van het Haarlemsche klooster, later tot het 



l) Zie ook Bijdragen XV blz. 114. Eene andere dergelijke afbeelding 
met de levensbeschrijving van den godvruchtigen man, komt voor in : 
Sancti Belgi ordinis Praedicatorum. Collegit et recensuit ejusdem ord. 
F. Hyacinthus Choquetius. S. ï. Doctor. 8" Duaci. Anno 16 18, p. 133. 



i89 

priesterschap bevorderd, welke door Mr. Henricus 
Ploetstock, provicaris en prior van het Predikarenklooster 
te Zierikzee, onrechtmatig tot zich was genomen. Hier- 
over ontstond een geschil van zoodanigen omvang, dat 
de Haarlemsche Predikaren zich er over richtten tot 
den Paus. Bij zijn decreet van i6 October 1495 stelde 
Alexander VI de zaak ter berechtiging in handen van 
den abt van Egmond, den abt van Oostbroek en den 
oflficiaal van Utrecht, met vermaning dat zij zullen doen 
wat recht is ; dat de getuigen die mochten worden ge- 
hoord, zonder aanzien der personen naar waarheid zullen 
verklaren, en dat ook degenen die onder kerkelijke 
censuur staan, tot het afleggen van getuigenis zullen 
kunnen worden toegelaten. 

Nu konden de abt van Egmond en de abt van Oost- 
broek, door andere gewichtige beslommeringen verhinderd, 
zich niet met de zaak bezig houden en lieten haar der- 
halve over aan den officiaal van Utrecht, waarop deze 
bij indaging van 12 October 1497 den prior Ploetstock, 
van Zierikzee, met broeder Cornelius van Gouda, termi- 
narius in Reimerswaal, benevens de Haarlemsche 
Predikaren gelastte, op een aangeduiden dag te Utrecht 
te verschijnen, ten einde hunne belangen te bepleiten en 
door hem gehoord te worden. 

Dit is beknopte inhoud van de uitvoerige akte, waaraan 
hier eene plaats gegeven wordt. 

Anthonius Pot, in legibus licentiatus, canonicus et 
officialis Traiectensis, judex et commissarius cause in 
partibus infrascriptis, una cum nonnuUis nostris in hac 
parte collegis cum clausuia : quod si non omnis hijs 
exequendum potueritis interesse duo aut unus vestrum 
nichilominus exequantur etc, a sacra sede apostolica 
deputatus specialiter, Universis et singulis presbiteris, 
capellanis, clericis, notarijs et tabellionibus publicis quibus- 
cumque per civitatem et diocesem Trajectensem ac alias 



190 

ubi libet constitutis, ad quos presentes nostre imnioverius 
apostolice litterc pervenerint, Salutem in Domino sem- 
piternam et nostris huiusmodi immoverius apostolicis 
obedientie mandatis firmiter litteras sanctissimi in 
Christo patris et domini nostri domini Alexandri divina 
providentia pape sexti eius vera bulla plumbea cum 
cordula canapis more Romane curie impendente bullatas 
sanas et integras, non viciatas, non cancellatas neque 
in aliquo sue parte suspectas, sed omnibus prorsus vicio 
et suspicione carentes, nobis pro parte venerabilium et 
religiosorum virorum prioris et fratrum domus et con- 
ventus Harlemensis ordinis Predicatorum dicte dyocesis 
principalium in ipsis litteris apostolicis principaliter nomi- 
natorum, coram notario publico et testibus infrascriptis 
presentatas, nos cum ea qua decuit reverencia noveritis 
recepisse, huiusmodi sub tenore : Alexander Episcopus, 
servus servorum Dei, dilectis filiis Egmondensis et 
Oesbruycsensis, Trajectensis diocesis monasteriorum ab- 
batibus, ac officiali Trajectensis, Salutem et apostolicam 
benedictionum, conquesti sunt nobis prior et fratres 
domus Harlemensis ordinis predicatorum Trajectensis 
dyocesis, quod Henricus Ploetstock, magister in theologia, 
provicario ac prior Zuriczensis et ipsius Zuriczensis ac 
nonnulli aliarum domorum fratres dicte ordinis et quidam 
clerici et layci diocesis predicte, super nonnullis bonis et 
rebus per quendam Hugonem, conversum dicte domus 
Harlemensis ordinem ipsum excepisse professum et postea 
ad presbiteratus ordinem promotum, tempore obitus sui 
relictis et ad dictum domum Harlemensis legittime 
pertinentibus ac per ipsum Henricum indebite occupatis 
et detentis ac alias injuriantur eisdem, ideoque discretioni 
vestre per apostolica scripta mandamus quatenus vocatis 
qui fuerint vocandi auditis, hinc inde propositis quod 
iustum fuerit, appellatione remota, decernatis, faciendum 
quod decreveritis per censuram ecclesiasticam firmiter 
observari, testes autem qui fuerint nominati si se gracia, 
odio vel timore subtraxerint, censura simili appellatione 
cessante, compellatis veritati testimonio perhibere, non 
obstante si eidem ordini a sede apostolica indultum 
existat quod ipsius persone ad judicium trahi, suspendi 
et excommunicari aut ipse et dicti ordinis loca interdici 
non possint per litteras apostolicas non facientes plenam et 
expressam, ac de verbo ad verbum de indulto huius (hoc ?) 
mentionem et quaelibet alia dicte sedisindulgentesgenerali 



191 

vel special! cuiuscumque tenoris existat per quam pre- 
sentibus non expressam vel totaliter non insertam, vestre 
jurisdictionis explicatis in hac parte valeat quemlibet 
impediri que quo adhoc ipsis nolimus alignatis sufifragari, 
cum si non omnes hiis exequendum potueritis interesse 
duo aut unus vestrum ea nichilominus exequantur. Datum 
Rome apud Sanctum Petrum Anno incarnationis domini 
millesimo quadragentesimo nonogesimo quinto septimis 
kalendis Octobris, pontificatus nostri Anno quarto. 
Postquarum quidem litterarum apostolicarum presen- 
tacionem et receptacionem nobis et per nos ut premittitur 
factas et priusque reverendi patres domini abbates Eg- 
mondensis et Oesbruycsensis Trajectensis diocesis predicti 
monasteriorum collegii nostri, infrascriptis litteris desig- 
nati, qui cause huiusmodi communicationis in ipsis litteris 
apostolicis expresse, certis aliis legittime propedictis 
negociis commode interesse non potuerunt neque possunt, 
se excusaverunt et exoneraverunt, de quo nobis exstitit 
legittima facta fïdes, dominum priorem seu ipsius vica- 
rium ac presidentem sive locum tenorem pro tempore 
conventus eiusdem ordinis in Ziriczee ex adverso princi- 
pales in ipsis litteris apostolicis ex adverso principaliter 
nominatos, nee non fratrem Cornelium de Gouda, ter- 
minarium in Remerswaele, parcium Zelandie, Trajectensis 
dyocesis, ad videndum et audiendum causas huius per nos 
in eo statu in quo novissime coram venerabili et circum- 
specto viro domino et magistro Stephano Petri de 
Haerlem, in decretis licenciato jure, officiali Trajectensi, 
antecessore nostro ac judice cause et parcium huius 
earundem litterarum apostolicarum vigore delegato 
fuerat et pependit indecisa resumi ac ulterius juxta 
continentiam et tenorem litterarum apostolicarum ac com- 
missionem nobis factam, per easdem procedi prout de 
jure decernere et concedere dignaremur. Nos nunc 
Anthonius, canonicus et officialis, judex et commissarius 
prefatus, attendens requisicionem huius fore justam et 
consonam racioni, volens quod ulterius in causa et 
inter presentes huius rite et legittime procedere ac par- 
tibus ipsis, dante domino, justiciam ministrare, ut tenemur 
auctoritate apostolica nobis commissa et qua fungimur 
in hac parte, vos omnes et singulos supradictos quibus 
presentes nostre ymmoverius apostolice littere diriguntur, 
tenore presencium requirimus et monemus primo, secundo, 
tercio et peremtorie vobisque et vestrum cuilibet, in 



192 

virtute sancte obediencie et sub excommunicacionis 
pena quani in vos et vestrum quemlibet trium dictoruni 
canonica monitione premissa ferimus in hiis scriptis, nisi 
feceritis que mandamus districte prccipientes mandare, 
quatenus statim visis et receptis presentibus acccdentes 
qua propter hoc fuerit acccdendum et acccdere fueritis 
requisiti, seu alter vestrum fuerit requisitus, citatis 
peremptorie coram nobis Trajecti ad ecclcsiam Trajec- 
tensem duodecima die litteram execucionis huius imme- 
diate sequente, si dies ipsa duodecima juridica fuerit 
et nos ad hanc causam pro tribunali sedere contigerit, 
alioquin ad proximam diem juridicam externe immediate 
proxime subsequentem, qua nos pro tribunali sedercmus, 
supradictos priorem sive ipsius vicarium aut presidenten! 
sive locum tenorem pro tempore conventus in Ziriczee, 
ordinis antedicti, nee non fratrem Cornelium de Gouda, 
terminarium in Remerswalis eiusdem ordinis, parcium et 
diocesis predictarum, contra et adversus dictos priorem et 
fratres domus et conventus Harlemensis antedicti, cum 
omnibus et singulis actis, actitatis, litteris, scripturis, in- 
strumentis, juribus et munimentis ad causam huius quo- 
modolibet facientibus eamque quomodolibet concernen- 
tibus, ad videndam et audiendam causam pretactam, per 
nos resumi in eo statu in quo novissime mansit coram 
venerabili et circumspecto viro domino et magistro 
Stephano de Haerlem, in decretis licenciato, tune officiali 
Trajectensis antecessore nostro ac judice cause et par- 
cium huius delegato, ac ulterius procedi et procedendi 
per nos et coram nobis in eadem, ad reliquos omnes 
terminos substancialis in huius causa servandos aliosque 
actus juridicos graduate et successive usque nostram 
diffinitivam sentenciam inclusis, cum dierum competente 
intervallo, vel dicendum et causam racionabilem alli- 
gandum, quare ea in toto vel in parte finiri non debeant 
cum intimacione debita et consueta, atque tali cum sine 
dicti citati in huius citacionis termino coram nobis 
comparere curaverint sive non, nos nichilominus contra 
eosdem et unumquemque eorum non comparentem 
mediantibus ulterioribus nostris citacionibus et mandatis 
in huius causa forsan necessariis, in valvis rubeis ecclesie 
Trajectensis dumtaxat exequendum, ad dictorum prioris 
et fratrum domus et conventus Haerlemensis seu eorum 
procuratorum et sindici legittime pro eis instanciam et 
peticionem procedemus, justicia mediante quas quidem 



193 

execuciones sic factas decernimus, tenore presencium 
validas existere ipsosque citatos et unumquemque eorum 
proinde artari debere ac si in ipsaruni et uniuscuiusque 
eorum presencia facere forent absencia sive contumacia 
ipsorum citatorum in aliquo, non obstante diem vero 

sive dies ac formam citacionis huius nee non 

nomina ipsorum citatorum ac quitque alias in premissis 
feceritis, nobis liquide rescribatis, vos presencium execu- 
tores. In quorum omnium et singulorum fidem et testi- 
monium premissorum, presentes nostras litteras sive 
presens publicum instrumentum, exinde fieri et per 
notarium publicum infrascriptum subscribi et publicari 
mandamus nostrique sigilli jussimus et fecimus appensione 
communiri. Datum et actum Trajecti in domos habita- 
tionis nostre solite residencie, sub anno a nativitate 
Domini millesimo quadringentesimo nonagesimo septimo 
indictione quintadecima, die vero duodecima mensis 
Octobris, pontificatus sanctissimi in Christo patris et 
domini nostri domini Alexandri, divina providencia pape 
sexti,anno sexto. Presentibus ibidem honorabili acprovido 
viro Gerardo Beijer, dicte ecclesie Trajectensis perpetuo 
vicario et curie Trajectensis causarum scriba jurato, ac 
Frederico Teyser, eiusdem curie causarum procuratore, 
testibus ad premissa vocatis pariter et rogatis. 

Et ego Adrianus Buer filius Adriani, clericus Trajec- 
tensis dyocesis, publicus sacris apostolica et imperiali 
auctoritatibus notarius ac venerabilis curie Trajectensis 
causarum scriba juratus, quia premissis omnibus et 
singulis dum sic ut premittitur fientur et agentur, una 
cum prenominatis testibus presens interfui, ea sic fieri 
audivi et vidi, ideo presens publicum instrumentum manus 
alterius me aliis pro predictis negociis fideliter scriptis 
exinde confeci, subscripsi et in hanc publicam formam 
redegi, signoque et nomine meis solitis et consuetis 
unacum sigilli appensione venerabilis et circumspecti 
viri domini et magistri Antonii Pot, canonici et officialis 
ac judicis commissarii prelibati, de eius mandato signavi, 
rogatus etiam et requisitus, in fidem et testimonium 
omnium et singulorum eorundem. 

Collacionata est hec presens copia per me Heynricum 
Arnoldi, notarium publicum, et concordat cum originali, 
quod protestor manu et signato privato meo proprio. 

Heynricus Arnoldi notarius. 
13 



194 

Wij moeten ons tevreden stellen met den aard van 
dit geding te kennen, want van den afloop staat niets 
opgeteekend. Nu wordt het eerst melding gemaakt van 
een paar jaarlijksche renten welke door het convent der 
Predikaren werden verkocht aan de Getijdemeesters 
van de Zeven Getijden in de parochiekerk van St. Bavo 
waarvan de akte, opgemaakt den i/den Mei 1504, (met 
bijvoeging van bewijs van herkomst van eene der renten, 
6 April 1454) luidt als volgt: 



Wij Dirck Spijker ende Claes Janz. Kantaert, scepenen 
in Haerlem, orconden dat voor ons quamen broeders 
Arent Geritsz., prior, ende Jan Woutersz., supprior van 
den cloester ende convente van der predicatoren oorde, 
staende binnen der voers. stede, mit Claes Pieterz. Half 
ha(er) voecht van denselve convente, ende ghelijden 
van des voers. convents weghen, dat sij vercoft hebben 
ende vercoopen mits desen brieve tot eenen vrijen eyghen, 
den ghetijdemeesteren van den seven getijden in die 
prochyekerke van Sinte Baef binnen derselver stede 
tot behoef van den seven ghetijden voers., die percelen 
van pachten hierna verclaert. Eerst xx scellingen goets 
gelts tsjaers, in rechten poertrecht, die 't voers. convent 
staende hadden op Rem die stoeldrayershuys mitten 
erve, leggende ende staende op die Oude Graft, twysken 
Vrouken Luydolfs an deen sijde, Scuyt Gerrit an dander 
sijde, achterwaerts streckende an denselver Vrouken, 
ende daertoe noch vij (scellingen) ende vj penningen goets 
geit sjaers pacht, die 't selfde convent staende hadde op 
Vredric die botemakers huys mitten erve, leggende ende 
staende opte Burchwall, ende verlijden henluyden daer 
of al voldaen ende wel betaelt, den lesten penninck met 
den eerster, ende hebben van des voers. convents weeghen 
ende mit desself convents voicht hant, den voers. ghetijde- 
meesteren (tot) behoef vanden seven ghetijden voers. 
die voers. percelen van pachten ghelooft te waren, als 
men vrije pachten op huysen ende erven binnen der 
vrijheeden van Haerlem sculdigh is te waren. In oerconden 
desen brieve beseghelt mit onsen seghelen int jaer ons 
Heeren dusent vijfhondert ende vier opten seventienden 
dach in M(eye). 



195 

Wij Gherijt van Noirtich ende Jan Hert, scepenen 
in Hairlem oirconden, dat voir ons quam Jan Danel 
Willemssoenssoen, die glasemaker, ende geliede dat 
hij vercoft heeft tot enen vrien eighen, Heer Claes 
Janssoen, priester, twintich scellingen goets gelts sjaers, 
in rechten poirtrechte, op Dirc Willemssoen die drayers- 
huys mitten erve, leggende ende staende optie Oude 
Grafte, twisken Jan Gherijtssoen an die ene sijde, Michiel 
Willemssoen an die ander sijde, afterwairts streckende 
an Dirc van Harpe, ende verliede alle betaelt den lesten 
penninc mitten eersten, ende heeftet hem gelooft te 
waren als men vrij renten binnen Hairlem sculdich is 
te waren, jairlicx te betalen tot Bamisse. In oirconde 
desen brieve bezegelt mit onsen segelen int jaer ons 
Heeren Dusent vierhondert vier ende vijftich, opten 
sesten dach in Aprille. 

Ook nog eene tweede akte van 17 Mei 1504, waarbij 
het klooster aan Getijdemeesters aflost eene rente van 
dertig schellingen 's jaars, staande op een perceel dat 
diende tot ziekenhuis van het convent. 



Wij Dirick Spijcker ende Claes Jansz. Kantairt, 
scepenen in Hairlem, oirconden dat voir ons quamen 
die getijdemeesteren vanden zeven getijden in die prochy- 
kercke binnen der voirs. stede, bij wille ende consente 
den Rade van derzelver stede, ende gelyeden van wegen 
den zeven getijden voirscr., dat broeders Aernt Gerijtsz., 
pryor, ende Jan Woutersz. suppryor vanden clooster 
vander predicaren oirde, staende binnen der voirscr. 
stede, tot desselfs convents behoef, tegens hemluyden 
afgelost ende afgecoft hebben, alsulcke dertich scel- 
lingen goets gelts sjairs pacht, als de zeven getijden 
voirscr. staende hadden op een huys mitten erve, dair 
dat ziechuys vant voirscr. clooster nu getymmert staet, 
ende verlyeden hemlieden dairaff al voldaen ende wel 
betaelt, den lesten penninck mitten eersten, ende hebben 
se van wegen ende bij willen ende consente als voeren, 
den voirs. pryor ende suppryor tot behoef van den 
voorscr. convente, geloift te waren als men vrije, afge- 
coften ende afgelosste pachten staende op huysen ende 
erven binnen der vrijhede van Hairlem, sculdich is te 



196 

waren. In oirconden desen brieve bezegelt mit onsen 
zegelen int jair ons Heeren duysent vijffhondert ende 
vier opten zeventhienden dach in Meye. 

In het begin der zestiende eeuw vernemen wij dat 
de Predikaren, evenals andere kloosters, volgens een 
algemeen verlof van den Paus, een „conservateur" hadden 
gehad, een gemachtigde, die, in ruimen zin, alle wereldsche 
belangen der geestelijke heeren waarnam en behartigde. 
Die vergunning was echter naderhand krachteloos gemaakt 
door een verbod van Karel den Stoute (den schoonvader 
van Maximiliaan van Oostenrijk) bepalende, „dat alle 
conservatoriën niet meer loop hebben en zouden binnen 
zijne landen." 

De Predikaren waren daardoor, zeker als meerdere 
kloosterlingen, zeer in ongelegenheid gebracht, en deze 
deed zich naarmate de tijd voortging, al door krachtiger 
gevoelen. Dus zagen zij zich genoopt, bij den Landsheer 
te vragen, dat het kwellende verbod buiten werking 
mocht worden gesteld, en hun daartoe strekkend verzoek 
vond gehoor, want Maximiliaan van Oostenrijk en zijn 
kleinzoon Karel, vergunden bij hun hier volgenden brief 
van 31 Mei 1507 dat de Haarlemsche Predikaren weder 
een „conservateur" tot hun dienst mochten nemen. 

Maximiliaen bijder gracien Gods Roms Conijnck, altijts 
vermeerder des rijcks, van Hongherien, van Dalmaciën, 
van Croaciën etc, ende Kaerle bij derselver gracie 
Ertshertoghe van Oostenrijck, Prince van Spaengnen, 
van Jherusalem etc. Hertoghen van Bourgongnen, van 
Lothringen, van Brabant, van Stiere, van Karinten, van 
Crain, van Lemborch, van Lucemborch ende van Ghelre, 
Grave van Habsborch, van Vlaenderen, van Tirol, van 
Artois, van Bourgongnen, Palsgraven ende van Hene- 
gauwe, Lantgraven van Elsas, Maregraven van Burgau 
ende des Heylichs Rijks, van HoUant, van Zeellant, van 
Phirt, van Kijburg, van Namen ende van Zutphen, Graven, 
Heere van Vrieslant, opter Windismarck, van Portenauw, 



197 

van Salins ende van Mechelen. Allen denghenen, die 
dese onse letteren zullen zien ofte hooren lesen Saluut. 
Wij hebben ontfaen die oetmoedeghe supplicatie van 
onsen welgheminden die religioesen, Prioer ende convent 
vanden Predicaren binnen onse stede van Haerlem, 
gheleghen in Hollant, inhoudende, hoe dat hier voortijts 
onse Heylege Vader de Paues uyt zeker deughdelijcke 
redenen Hem daertoe purrende, heeft den voors. sup- 
plianten verleent ende gheconsenteert ghehad, te moghen 
kiesen ende nemen eenen persoon, sulk alst hemlieden 
ghelieven zoude, tot heuren conservateur, omme voor 
hem te betrecken huere schuldenaren ende anderen, die 
se vexeren ofte injurien doen zouden, ende daerup ghedaen 
expediëren zijne bullen daertoe behoorende. Ende hoewel 
de voorn, supplianten achtervolghende dien, ghekoren 
ende ghenomen hebben eenen conservateur, ende oyc 
sichtent gebruyckt rustelij ken vander voors. conser- 
vatorie, desen niet jegenstaende overmids dat wijlen 
onse harde liefste Heere ende Vader de Conijnck van 
Castille salegher ghedachten, verboden ende geinterdiceert 
heeft ghehad, dat alle conservatoriën niet meer loop 
hebben en zouden binnen zijne landen, zoe worden zij 
daghelics vercort ende veronghelijct in vele sticken, 
t'welke zij niet keeren en mogen mids de removacie van 
den voors. conservatoriën, t'huerlieder groote schade, 
hindere, verdriete ende onghenouchte ende noch meer 
zijn mochte, op dat hem hier inne bij ons niet voorsien 
en ware met onse gracie, alzo zij segghen, ons dies 
oetmoedelic biddende, waeromme wij desulcke voorscr. 
overghemerct, den voorn, religieusen, Prioer ende convent 
vande predicaren te Haerlem gheneghen wesende tot 
huerlieder bede ende supplicatie, hebben inden ghevalle 
als boven, gegonnen, ghewillecoert ende gheaccordeert, 
gonnen, willecoren ende accorderen hemlieden ghevende 
oorlof ende consent uyt onse zonderlijnghe gracie bij 
dezen jegenwoordeghen brieven, dat niet jegenstaende 
de verboden ende deffencien van weghen ons voors. 
alderliefsten Heeren ende Vaders den Conijnck van 
Castille etc. ghedaen, van niet te moghen useren van 
den voors. conservatoriën, ende zonder prejudicie van 
dien in anderen dijnghen, zij van nu voortan zullen 
moghen gebruycken van huerlieden conservatorie hem- 
lieden verleent bij onzen Heyleghen Vader de Paues als 
voors. es, naer huere voorme ende inhoudene ende in 



198 

dat doende, bctreckcn of bij hucren ghecommitteerde 
doen betrecken voor hueren conservateur of anderen bij 
hem ghedelegiert, alle persoenen, die hueren voors. 
cloostre renten, pachten, cheinsen of ander ghoedschuldich 
zijn, ende ooc mede anderen, die hemlieden overlast, 
violencie ofte injurie ghedaen hebben ofte doen zouden 
moghen, ende dat dezelve conservatoer ofte zijn ghe- 
delegierde dairvan zal moghen kennen ende rechten, in- 
der voughen ende manieren, als hij ghedaen heeft ofte 
gedaen zoude hebben voor de verboden ende defenciën 
voorscr., zonder te dier cause jeghen ons te mesbruuken 
ofte mesdoen in eencgher manieren ; dit al tot onzen 
wederroupene, behoudelijcken nochtans, dat in desen de 
voors. conservatoer of rechter egeen faulten, excessen 
ofte abuusen doen noch committeren en zal, maer indien 
hij eeneghe gedaen hadde ofte hier naermaels com- 
mitteerde, dat hij daeraf ghehouden zal wesen, hem te 
verandwoordene ter plecke, daer ende alzoe 't behooren 
zal. Ombieden daeromme ende bevelen onsen lieven ende 
ghetrauwen, den lieden van onsen Groten Rade, Stad- 
houdere ende lieden van onser camere vanden Rade 
in HoUant ende allen anderen onsen rechters, justicieren 
ende officieren, wien dat nopen ende roeren zal moghen, 
huerlieder stadhouderen ende eenen yeghelicken van 
hemlieden, alzo hem dit toebehooren zal, dat zij van 
deze onze jegevvoordeghe gracie, oorlof ende consente 
inder manieren voors., doen, laten ende ghedooghen de 
voors. supplianten rustelic ende vredelic ghebruycken, 
sonder hemlieden te doene noch doen doen of te laten 
geschien eenich hinder, belet ofte moeyenesse ter con- 
trarien, want ons alzo belieft ghedaen te zijne. Des 
t'oorkonden hebben wij den zeghel, daervan wij Kaerle 
tot nu toe bij provisie gebruuct hebben, hier an doen 
hanghen. Ghegheven in onse Stede van Ghend den 
lesten dach van Meye int jaer Ons Heeren duusent 
vijfhondert ende zevene, ende vanden rijcke van ons 
Conijnck te wetene vanden Romschen Rijcke het XXIjte 
ende van Hongherië etc. het xvijste. 

Bij den Conijnck ende mijnen Heere de Eertshertoge 
in Hueren Rade. 

J. Garnier. 

In datzelfde jaar 1507 verschaften de Haarlemsche 
Predikaren zich eene akte, die voor hen van groot 



199 

gewicht kon worden geacht. Den len JuH 1265 had 
Clemens IV te Perugia eene bul uitgegeven, waarbij 
aan de orde der Predikheeren eene algemeene volmacht 
werd verstrekt, om het woord Gods te verkondigen, biecht 
te hooren en penitentie op te leggen, behoudens de 
gewone uitzonderingen. Dit stuk bevond zich toen ter 
tijd, waarschijnlijk in de zuidelijke Nederlanden, ten 
minste was het den 29^11 Juni 1507 (wanneer wij de na 
te melden verklaring letterlijk hebben op te nemen) in 
handen van broeder Gerardus Tiemansz., convers van 
het Haarlemsche klooster die zich op gemelden dag te 
Doornik bevond, waar hij het vertoonde aan zijn orde- 
genoot den abt van St. Calixtus, Johannes Salembien, 
die er een vidimus van maakte en aan den vertooner 
verschafte. Zie hier den inhoud ervan : 

Universis et singulis presentes litteras seu presens 
publicum instrumentum inspecturis, visuris pariter et 
audituris. Johannes Salembien Dei et apostolice sedis 
gracia Abbas monasterii Sancti Calixti de Cisonio canoni- 
corum regularum ordinis sancti Augustini Tornacensis 
dyocesis, Salutem in Domino etpresentibusfidem indubiam 
adhibere. Notum facimus quod die date presencium, coram 
nobis pro parte religiosi viri fratris Gerardi Tiemanni, 
conversi ordinis predicatorum conventus Haerlemcnsis 
congregacionis Hollandie Trajectensis dyocesis, exhibite 
nobis fuerunt et presentate littere apostolice felicis recor- 
dacionis sanctissimi in Christo patris et domini nostri 
domini Clementis, divina providencia pape quarti eius 
vera bulla plumbca cum filis sericis rubei croceique 
coloris, more Rhomane curie bullate, sane siquidem et 
integre, non viciate, non cancellate nee in aliqua sui 
parte suspecte, sed omni prorsus vicio et suspicione 
carentes, ut in eis prima facie apparebat, quarum quidem 
litterarum tenor sequitur et est talis : Clemens episcopus, 
servus servorum Dei, dilectis filiis magistro et fratibus 
ordinis fratrum predicatorum Salutem et apostolicam 
benedictionem. Quidam temere sentientes et ad sobrie- 
tatem sapere nescientes imprudenter presumunt asserere, 
quod de licencia et commissione aut concessione Rho- 



200 

niani pontificis scu Icgatorum sedis apostoHce vel ordi- 
nariorum locorum, vos sine sacerdotum parochialium 
licencia et assensu non potestis libere predicare, populis 
audire confessiones, absolvere penitentes ac poenitentias 
injungere salutares. Nos igitur, volentes assertionem tam 
temerariam penitus confutare et elucidare in talibus 
veritatem deliberacione provida declaramus quod si vobis 
detur licencia, committatur seu concedatur a legatis predicte 
sedis aut ordinariis locorum, nedum a Rhomano pontifice 
de quo procul dubio esset erroneum dubitare an om- 
nino sine alicuius consensu ymmo eciam invitis quibus- 
libet huiusmodi possit concedere potestatem populis, 
legatis et ordinariis subjectis eisdem, libere predicare 
potestis, audire confessiones, absolvere vobis confitentes 
ac poenitencias vobis confitentibus injungere salutares, 
aliorum inferiorum prelatorum et rectorum ecclesiarum 
ac sacerdotum parochialium assensu nuUatenus requisito, 
illis casibus exceptis qui de jure, consuetudine seu 
retencione, ab eis specialiter sanctae sedis legatis et ordi- 
nariis predictis specialiter relinquuntur, ad quos non licet 
vos manus extendere, nisi vobis specialiter committantur, 
ideoque auctoritate apostolica districtius inhibemus ne 
quisquis super hiis vel eorum aliquo, vos vel aliquem 
vestrum aut eciam confitentes vobis vel ad predicaciones 
vestras forsitan accedentes, contra premisse declaracionis 
formam, aliquatenus molestare presumat, decernentes 
nihilominus irritum et inane, quicquid a quoque contra 
declaracionem et inhibicionem huiusmodi contigerit 
attemptari. Nulli ergo omnino horum liceat hanc paginam 
nostre declaracionis, inhibitionis et constitucionis infringere 
vel ei ausu temerario contraire. Si quis autem hoc 
attemptare presumpserit, indignacionem omnipotentis Dei 
et beatorum Petri et Pauli apostolorum eius, se noverit 
incursurum. Datum Perusii XII kalendas Julii pontificatus 
nostri anno primo. Quibus quidem litteris sic coram 
nobis exhibitis et per nos diligenter inspectis, visitatis 
et auscultatis, fuimus pro parte dicti religiosi viri fratris 
Gerardi Tiemmanni, conversi ordinis predicatorum con- 
ventus Haerlemensis et congregacionis Hollandie Trajec- 
tensis dyocesis, requisiti, quatenuseastranscribi, exemplari 
et in publicam formam redigi dignaremur et vellemus. Nos 
igitur Johannes Salembien, abbas antedictus, supplicacioni 
huiusmodi tamquam juste et juri consone annuentes, 
suprascriptas litteras de verbo ad verbum transcribi, 



20I 

exemplari et coUationata per notarium publicum sub- 
scriptum fieri sigilloque nostro oblongo sigillari et in 
hanc publicam formam redigi fecimus. Datum et actuni 
in conventu Insulensi ordinis predicatorum, Tornacensis 
dyocesis Anno a nativitate Domini millesimo quingente- 
simo septimo, indictione decima, mensis Junii die XXIX, 
pontificatus sanctissimi in Christo patris et domini nostri 
domini Julii, divina providencia pape secundi, anno quarto, 
presentibus una cum dicto notario in collatione, providis 
ac discretis viris Nicholao Faston, clerico Tornacensis 
diocesis et Nicholao Mortieul, Attrebacensis diocesis 
clerico, testibus ad omnia premissa vocatis specialiter 
atque rogatis. 

Et ego Walrandus Fascon, clericus Tornacensis diocesis, 
publicus sacris apostolica et imperiali auctoritatibus 
notarius, quia de premissis litteris apostolicis sanis et 
integris cum presentibus transscriptis litteris presentibus 
testibus suprascriptis, collacionem foei diligenter et easdem 
presentes transscripti litteras cum dictis litteris origina- 
libus concordare scivi, idcirco eisdem presentibus litteris 
unacum sigilli appensis suprascripti domini Abbatis, de 
eius speciali mandato, signum meum apposui consuetum, 
hic mea propria manu subscribente, rogatus et requisitus. 

Wals. Fascon. 

Weinig jaren later, in 15 15, wordt er eene noodkreet 
vernomen, over den slechten toestand waarin de ge- 
bouwen van het Haarlemsche Predikarenklooster zich 
toen bevonden. Wanneer men moet aannemen wat er 
van gezegd wordt, liepen zij door ouderdom gevaar een 
bouwval te worden. De milddadige hand der geloovigen 
moest zich openen, waar de middelen van het Convent 
te kort schoten en niet toereikende waren, de ver- 
eischtc penningen voor herstelling en vernieuwing bijeen 
te brengen. En de nood was zoo dringend, de behoefte 
aan hulp zoo groot, dat de hulp en steun van den 
Bisschop van Utrecht, Fredrik van Baden werd inge- 
roepen. Deze, gezind om de kloosterlingen te helpen, 



richtte zich den i5en Januari 1515 tot de onder zijn 
bisschoppelijk gebied behoorende geestelijken en ge- 
loovigen, hen aanmanende de Haarlemsche Predikaren 
bij te staan op de velerlei wijzen door den Kerkvoogd 
genoemd, hunne pogingen tot het bijeenbrengen der 
vereischte gelden in de hand te werken, en ook kelken, 
boeken, altaarsieraden en het allernoodzakelijkste tot 
levensonderhoud te schenken. Aan ieder, die tot dit 
loffelijk doel het zijne bijbracht, was niet alleen een 
hemelsch loon verzekerd, maar werd ook een aflaat van 
veertig dagen verleend. 

Deze aanbeveling des Bisschops is van den volgenden 
inhoud : 

Fredericus Marchio de Baden, Dei et apostolice sedis 
gracia episcopus Trajectensis, universis et singulis eccle- 
siarum et aliorum locorum sacrorum rectoribus, curatis, 
vicecuratis, presbiteris, capellanis, altaristis ac custodibus 
universisque Christi fidelibus, per nostras civitatem et 
diocesemTrajectensemconstitutis, Salutem et plenissimam 
Altissimi caritatem, Pia nos devocio divinaque adhortacio 
admonet multipliciter et instanter, ut tanto fervencius 
domum Dei temporalem prefatam condignam conservemus, 
quanto liberius et felicius velimus, ad eternam non manu- 
factam pervenire, sane fama veridica referente, ad nostrum 
auditum noveritis pervenisse, quod monasterium seu 
conventus ordinis fratrum predicatorum opidi Harlemensis 
parcium Hollandie nostre dyocesis, in quo per fratres 
eiusdem conventus officia divina, tam in decantacione et 
celebracione missarum, quam sermonibus et predicaci- 
onibus devotissime fiunt populusque ad devocionem et 
bona opera incitatur, in suis structuris et edificiis, prop- 
ter eius vetustatem, ruinam patientur, nisi Christifidelium 
elemosinis pro reformacione et intertentione(.'') conventus 

huiusmodi ipsis ter subveniatur quia facultates 

dictorum fratrum non sufficiant pro reformacione et 
reparacione eiusdem conventus, sed necessario indigent 
subvencione et adjutorio Christifidelium alias timendum 
ipsum conventum temporis successione devenire posse 
ad ruinam Hinc est, quod vos et quemlibet vestrum 



203 

afifectuose rogamus et in domino salubriter exhortamus 
atque sub excommunicacionis pena precipimusque et 
mandamus, quatenus cum lator presencium nuncius dicti 
conventus, ad vos et ecclesias vestras venerit fidelium 
elemosinas petiturus, ipsum benigne recipiatis eciam in 
ecclesiis ad faciendum ibidem verbum Dei grataque 
caritatis subsidia exhibeatis eidem monasterio ac de 
bonis vestris, vobis a Deo collatis, subveniatis, tam in 
ecclesiis et predicacionibus quam hostiorum peticionibus 
aliis exhiberi, ut per hec et alia pietatis opera que 
domino inspirante feceritis possitis ad locum beatitudinis 
anime et celestem patriam feliciter pervenire mereami- 
nique participes effici operum ac cultuum divinorum in 
ipso conventu peragendorum. Nos igitur vere penitentibus, 

confessis et contritio conventus jam dicti et eciam 

ad calices, libros, ornamenta quibus maxime necessario .... 
atque circa vite necessaria, manus porrexerint adiutrices, 
quociescumque et quamcumque hoc fecerint, de omni- 
potentis Dei misericordia et beatorum Petri et Pauli 
apostolorum eius ac beati Martini, patroni nostri gloriosi, 
et omnium simul Sanctorum meritis et intercessione 
confisi, quadraginta dies indulgenciarum de injunctis 
eis penitenciis, misericorditer in domino relaxamus, 
presentibus vero post annum a data presentium, com- 
putandum. 

Datum nostro sub sigillo ad causas, presentibus appenso, 
anno Domini millesimo quingentesimo quintodecimo 
die quintadecima mensis Januarii, 

Buser subscripsit. 

Deze krachtige aanbeveling en aanmaning van den 
Bisschop Fredrik van Baden, heeft zeker een goed gevolg 
gehad, en middelen bijeengebracht, ruim genoeg om het 
klooster weder hecht, stevig en bestand tegen den lang- 
zaam vernielenden invloed des tijds in orde te maken. 
In 15 15 heette het zoo goed als bouwvallig; nu, vier- 
honderd jaren later, is, hetgeen er van staande bleef, 
nog zoo degelijk alsof het gisteren ware voltooid. Er 
moet dus, eeuwen geleden, eene duchtige vernieuwing 
hebben plaats gehad, maar in bijzonderheden is het 
niet bekend waarin deze heeft bestaan. In 1533 



204 

was men weer aan het bouwen. Doch toen niet het 
klooster, maar de stad. Wat en hoe, lezen wij in eene 
overeenkomst door de Predikaren den 22en Juli 1533 
met de Regeering der stad Haarlem gesloten. Uit het 
hiervoor medegedeelde vonnis van St. Luciendag 1456 
hebben wij vernomen, dat de stad toen bezig was een 
vertrek te bouwen over de groote ingangpoort tot het 
klooster, in de Koningstraat naast het Raadhuis. In 
1533 had de stad meer noodig van de Predikaren, en 
daarvan maakten de kloosterheeren gebruik, om êenige 
huur te bedingen voor de overbouwing, welke tot nu 
toe niets aan het convent had opgebracht. Zij stonden 
toe, dat de stad in huur of pacht zou hebben de ge- 
melde kamer, welke zij in rake en dake zou houden 
en waar geen venster op het westen zou mogen zijn 
(thans is er wel een). Verder veroorloofden zij, dat de 
stad in huur zou nemen een ledig erf in de Koningstraat, 
waarover een dak zou worden geslagen en dat dan zou 
dienen tot bewaarplaats van „der stede artelerije"; daar 
mocht niet geklopt of rumoer gemaakt worden, om 
de broeders op hunne slaapzaal en in hunne boekerij 
niet te storen. De huur of pacht werd aangegaan 
voor den tijd van vijftig jaren en tegen ƒ9. — per 
jaar. Doch het voornaamste beding bij deze overeen- 
komst was, dat de stad zou bewerken, dat de klooster- 
heeren op alle heilige dagen mochten prediken in St. 
Gangolfsgasthuis, (dat stond toen op de tegenwoordige 
Botermarkt) thans het St. Elisabeth's Gasthuis, tegen 
voordeden die zij van de Gasthuismeesteren konden ver- 
werven. Aan dit begeerde verlof hing eigenlijk het geheele 
accoord met de stedelijke Regeering, want slaagden 
Burgemeesteren er niet in het voor de Predikaren te 
verkrijgen, dan gedoogden dezen ook niet, dat eene stapel- 
plaats der artillerie op hun erf zou worden gevestigd. 



205 

De akte waarin dit alles begrepen is, luidt als volgt i). 

Op huyden hebben die Burgemeesteren, Scepenen ende 
Tresorier der stede van Haerlem, van wegen derselver 
stede ter eenre, die Prior ende gemeen broederen van 
de predicaren-convente binnen derselver stede ter andere 
zijden, overeengedragen ende zijn mit malcandere ge- 
accordeert, als dat de voors. stede in huyre ende pacht 
hebben sal, die camer over die poorte an 't stadthuys, 
die zij in rake ende dake houden sal, ende 't leedige, 
onbetymmerde erfif, toebehorende 't voirs. convente in de 
Conincstraet, omme tselve mit een dack te betymmeren 
ende de voirs. stede hoer artelerye aldaer te setten ende 
anders te besigen ende gebruycken, behoudelick, dat de 
voorn, stede geen doppen of rumoer daerinne sal laten 
doen, om de broeders op hoer dormiter ende liberije 
nyet te turberen, ende als de voors. stede wil tymmeren 
op 't voors. leedighe erfif, streckende an de voors. dormiter, 
soe sal de voorn, stede veerthien voeten van de voors. 
dormiter, ende nyet nader, mogen tymmeren, ende dit 
den tijde van vijftich jaren lanck achtereenvolgende, 
beginnende ende innegaende nu Sint Jacobsdach naest- 
comende, ende na de voors. vijftich jaren noch soe lange 
dattet voors. convent 't voorn, ledighe erve sal willen 
betymmeren mit huysen omme wacrlicke personen inne 
te wonen, gelijck de twee huysen getymmert zijn, staende 
tusschen dit leedige erve ende der voors. stadthuys ; als- 
dan sal de voors. huyre of pachtinge uyt ende te nyete 
wesen, ende sal de voors. stede dan gehouden wesen af 
te breken ende na hoer te nemen 't geen dat zij an 
ende op 't voors. ledige erve getymmert heeft ; ende dit 
om de somme van negen rijnsgulden tot veertich grooten 
Vlaems 't stuck sjaers, te weten vier Rijnsgulden alle jaers 
te betalen tot Bamisse, voor de pachte staende op 't 
voors. leedighe erve, in handen dergheenen die de pacht 
daer op hebben, ende vijfif Rijnsgulden alle jaers te betalen 
tot Sint Jacobsdach den voors. convente, daer off Bamisse 
ende Sint Jacobsdach Anno xV^ vier ende dertich deerste 
dagen ende termijnen der betalinge wesen ende verschijnen 
sullen, ende alsoe voort van jare tejare daernaestvolgende, 
soe lange de voors. huyre of pachtinge dueren sal als 
voors. is, behoudelick ende wel verstaende, dat de stede 



i) Inv. Archief der Gemeente Haarlem Ie afd. No. 573. 



2o6 

voors. solliciteren ende bearbeyden sal, dat de broeders 
van 't voirs. convcnte sullen prediken alle Heylige daechs 
in Sinte Gangeloffsgasthuys, als zij plegen te doen, mit 
alzulcke profijten als 't convente voors. mitte gasthuys- 
meesteren van 't selve gasthuys overcomen sullen, ge- 
duerende soe lange als de voors. huyre of pachtinge 
dueren sal, ende bij gebreken, dat de voors. broeders 
int voors. gasthuys nyet prediken en mogen, soe sal als- 
dan de voors. huyre of pachtinge uyt ende te nyete 
vvesen ende de stede gehouden wesen, tgeen dat zij ge- 
tymmert heeft af te breken, mit conditie ende voorwaerde, 
dat men geen veynsteren noch licht sal stellen ofsetten 
an de westzijde over 't voors. conventspoorte van de 
voors. camer, staende an stadthuys voors. Alle dinck 
sonder bedroch ende fraude. In oirconden ende kennisse 
der waerheyt soe hebben de voors. Burgermeesteren 't 
zegel ten saicken der voorn, stede, ende den voors. Prior 
ende gemeen broeders hoer conventszegele beneden an 
desen brieff, die twee alleens zijn, gehangen opten twee 
ende twintichsten dach in Julio int jaer ons Heren duysent 
vijffhondert drie ende dertich. 

Een jaar hierna, in 1534, aanvaardde het klooster het 
vruchtgebruik der renten groot twee ponden Vlaamsch 
'sjaars, vermaakt aan een der conventualen, genaamd 
Vincent Jan Cranendoncxz., door zijne te Dordrecht 
overleden zuster. Stierf broeder Vincent, dan keerden 
de renten weder onbezwaard aan de andere erfgenamen 
zijner zuster terug, zooals men uitvoerig kan vernemen, 
uit de hier tot slot volgende akte van 9 Juli 1534. 

Wij Bourgermeesteren, Scepenen ende Raidt der stede 
van Dordrecht doen condt allen luyden, dien desen 
onsen openen brieff gethoent sall worden, dat op huyden 
datum sbrieffs, voir onsen Raide gecomen is selven in 
haeren properen persoene Margriet Jan Cranendonck- 
dochter, voer haer selven ende noch als voecht van 
Cornelia Cornelis Cranendonck, haers broeders onmondige 
dochter, transporteerde, drouch op ende gaff over, den 
convente van die predicaeren oerden tot Haerlem, tot 
behouff van broeder Vincent Jan Cranendoncxz, gepro- 
fessijt broeder van de predicaeren oerde, aftervolgende 



207 

den testamente ende den uutterste wille wijlen Yde Jan 
Cranendoncxdochter, sijn suster saliger gedachten, in 
date duysent vijffhondert twee ende dertich den twee 
ende twintichsten dach in Mey, ende wij dairoff gesien 
ende gehoert hebben, in den eersten teen vierendeel van 
drie ponden grooten vlaems sjaers erfflosrenten, dair die 
stadtbrief of inhoudt op Jacop van Gulick Michielsz., 
ende verschinen jaerlicx den eersten dach van Februario 
ende den eersten dach van Augusto dairanvolgende, 
ende noch drie Andriesgulden sjaers aflosrenten, dair 
die stadtbrieff of inhoudt op Jan Roeloff Cranendoncxz., 
ende verschinen jairlicx op Onser Liever Vrouwendach 
Assumptio, ende noch vier Rinssche gulden lijftucht- 
renten, dair die stadtbrieff off inhoudt op Roeloff Cranen- 
donck Jansz., ende verschinen jaerlicx op Sinte Urbanus 
ende Sinte Katherinendach, ende dit in betaelinge van 
alsulcke twee ponden grooten vlaems sjaers lijfftucht- 
renten, als die voirscr. Yde voer broeder Vincent, ende 
nyemant anders, bij tvoirscr. testamente gemaect heeft, 
ende zoe die voerscr. drie perceellen van renten, sijn 
seven stuvers min dan twee ponden vlaems, geloofden 
Margriet voirn. dair jaerlicx noch bij te leggen seven 
stuvers, des soe zijnt voirwairde, indien die oeverste, dair 
broeder Vincent onder stait ofte naemaels noch onder- 
staen sall, dese twee ponden grooten vlaems anders wilde 
emploieeren dant voirscr. testament vermeit, soe souden 
in dien gevalle dese lijftuchtrenten dan weder vrijcomen 
ende succederen an de voirscr. Margriete ende Cornelia, 
sonder wederseggen van yemants, ende indien in de 
jaerlicxe betalinge enich gebreck geviele, geloefden 
Margriet voirn. inder qualiteyt als voirscr., dair voer in 
te staen. Noch sijnt voirwaerden, dat na den overlijden 
van broeder Vincent voirn., die voirscr. losrenten weder 
vrijcomen sullen an de voirscr. comparante, in de qualiteyt 
soe zij voirscr. staet. Des toerconden soe hebben wij 
Bourgermeesteren, Scepenen ende Raidt voirn., onsen 
zegel then zaecken hier onder aen desen brieff doen 
hangen, den negensten dach van Julio anno vijfthien- 
hondert vier ende dertich. 

Nu ten slotte nog eene akte, waaruit het stoffelijk 
welvaren van het Predikarenklooster in het midden der 
lóde eeuw kan blijken. Het bezat derdehalf morgen land 



208 

in den banne van Heemstede, welke wat bijgekrooien 
moesten worden, en de materie daarvoor ware te halen 
uit de vlak bij gelegen grafelijkheids-binnenduinen of 
wildernissen. Een hiertoe strekkend verzoek aan de 
Kamer van de Rekening vond een goed gehoor. De 
Predikaren mochten hun gang gaan, mits zij de afgekarde 
stukken, met wat ruigte deden beplanten, opdat de dan 
wassende opslag het verstuiven der duinen zou tegen- 
houden. 

Alles duidelijk omschreven in dit consent van 
10 Juni 1556. 

Op 't versouck gedaen anden luyden van den rekening 
des Conincx in den Hage bij requeste hemluyden ge- 
presenteert van wegen die prior, procurator ende ghe- 
meene conventuaelen vanden predicarenoorde binnen 
Haerlem, versouckende consent omme sant ofte aerde 
te moegen haelen uyte duynen ofte wildernissen van 
Heemstede, tot toemaeckinge van zeeckere derdalfve 
marghen landts ofte daeromtrent, hemluyden supplianten 
toebehoerende ende liggende in den banne van Heemstede. 
Die voors. vande rekeninge, gesyen hebbende d'in- 
formatie opter supplianten te kennen geven, genomen 
bijden ontfanger vanden wildernisse in Noorthollant 
Gerrit de Witte, daerbij gebleken is, dat bij 't afifkarren 
vande voors. duynen, te weten vanden hoogen berch, 
leggende op 't scheydt van Heemstereduyn, streckende 
an Jan van Zanens duynken, de Co Mat toebehoerende, 
nyemant geprejudiceert mach wesen, immers dat die 
weydinge vanden duynen daerbij soude verbeteren, 
Soo hebben dieselve vanden rekeninge bij advyse van- 
den voors. ontfanger, de voors. supplianten geconsenteert 
ende consenteeren mitsdesen, dat zij tot toemakinge 
vanden voors. lande, alleenlick sullen moghen uyten 
voors. duynen doen halen, alsoe veel aerde oft sandt, 
als hemluyden daertoe van noode werdt, ende dit ge- 
duerende tot kenlick wederseggen vandie vande Camere, 
mit laste dat sijluyden gehouden worden, die raeuwe, 
afifgecaerde plaetse, met wat ruychte ofte andere potaerde 
te bestroijen, jegens 't verstuyven vanden selven duynen. 



209 

Actum ten burele vanden voors. rekeninge in den 
Haege den Xen Juny XVc zess en vijftich. 

Mij jegenwoordich 

Snouckaert. 

Geregistreert in 't vje bouck van 
appten foliis CXLV ende CXLVI. xii. st. 

Hiermede zijn de berichten, voornamelijk aan de 
stukken ontleend, ten einde. Hetgeen van elders omtrent 
het Haarlemsche Convent der Predikaren bekend is, 
behoeft niet te worden herhaald. Er zij slechts herinnerd, 
dat ten jare 1581 het klooster deelde in het lot, dat 
alle andere geestelijke gestichten en gilden trof. De 
doodsklok werd er over geluid, de bewoners werden 
verstrooid en alle bezittingen ten behoeve van de stad 
Haarlem verbeurd verklaard. 

Het zou wel merkwaardig zijn een overzicht te geven 
van hetgeen het klooster bij zijne opheffing bezat, maar 
het is zoo goed als onmogelijk dit samen te stellen, 
dewijl in de rekening der geestelijke goederen alles 
dooreengemengd en geene schifting te maken is. 

Het mogelijke wil ik doen, en hier ten slotte 
laten volgen eene aanteekening, waaruit blijkt, welke 
bestemming aan de kloostergebouwen der Predikaren 
is gegeven. Op twee tijdstippen. Eerst in 1594; een 
jaar willekeurig gekozen, maar omdat toen eerst orde 
was gekomen in de regeling der talrijke bezittingen 
van de kloosters, welke aan de stad waren toegevallen. 
Vervolgens een paar honderd jaren later, in 1792, meer 
naderende aan onzen tijd, waaruit men wat uitvoeriger 
kan zien, hetgeen de stad destijds er nog van in bezit 
had. Weinig of niets is daarvan tot heden vervreemd, 
maar eenige der lokaliteiten hebben eene andere be- 
stemming gekregen, of zijn door gebouwen, al zij het 

14 



van geheel afwijkenden aard, van stadswege vervangen, 
hetgeen dan, indien slechts eenigszins doenlijk, wordt 
opgegeven. 

De kloosterkerk en een goed gedeelte van het convent 
(deze opmerking ga vooraf) zijn in A°. 1595 ingericht 
tot een Prinselijk Logement (nu nog het Prinsenhof). 

A°. 1594. Het principael Convent wordt waergenomen 
bij den Conchierge, ende de Hoff (kloostertuin) bij den 
Hovenier Jan Janss. van Sompele. 

Mr. Lieven de Key, Stads Metselaer, ende Ghijsbrecht 
Claess. de Haen, wonen beide binnen het Convent. 

Het Sacristije wordt gebruickt tot Duytsche Gerefor- 
meerde Schoole, ende het Poorthuys wordt bewoont 
bij Mr. Cornelis Janss., schoolmeester van deselve Schoole. 

Cornelis Joosten, Schout ende Capiteyn van de Nacht- 
wachte, bewoont eene huysinge over de voors. School- 
meester. Alle dweick alhier gestelt wort voor Memorie. 

Joannes Damius, Predicant, bewoont binnen 't Convent 
eene woninge genaempt des Abtshuys, ende gheeft 
sjaers te huyre vijff en dertich ponden. 

A°. 1792. De kamer voorheen 1) de Stads Bibliotheek, 
boven het zoogenaamde Prinsenhof, is verhuurd ten 
behoeve van den Heer M. A. Beels, minderjarigen erf- 
genaam van wijlen Mr. G. W. van Oosten de Bruyn. 
(Voor bewaarplaats van diens in- en buiten Haarlem 
vermaarde bibliotheek, publiek geveild in 1860). 

Het Prinsen-Logement wordt bewoond door de 
Conchiergeresse Marthe Salome Chaillet. 

a. De huizinge in de Jacobijnenstraat bewoond geweest 
bij den Hovenier, is volgens resolutie van Burgemeesteren 
van 15 September 1721, gegeven aan Deken en Vinders 
van het Collegium Medicum. 

è. Twee kamers daarnaast, of achter den tuin, voor 
dezen bewoond geweest bij den Straatmaker, worden 
nu gebruikt bij Deken en Vinders van het Collegium 
Medicum. 

c. De kamer of huizinge voor dezen bewoond bij de 



l) Nu, in 1914 en sedert jaren, weder. Zie Verslagen van.... den 
Gemeenteraad van Haarlem. Jaargang l86i blz. 376. 



Maitresse van de Spinschool, is in gebruik afgestaan 
aan Judith de Witt. 

d. De huizinge daarnaast, is in 1765 door Burge- 
meesteren gegund aan de Super-Intendenten en Over- 
lieden van de Manufacturen, tot hunne Gildekamer. 

{a waarschijnlijk afgebroken tot vergrooting van den 
tuin. b — d thans Bureau van Gemeentewerken). 

Het Abtshuis, staande aan de Noordzijde van het 
Convent of Prinsen-Logement (in 1800 afgestaan aan 
het Collegium Medicum voor „Theatrum Anatomicum". 
Thans staat op die plaats het Gymnasium). 

Een lokaal in het Pand, links van de binnenpoort, 
was in 1792 en daarna het Bierwerkershuisje. 

De Kapittelzaal werd volgens resolutie van Burge- 
meesteren van 22 Januari 1766 afgestaan tot eene 
vleeschhal voor de Joden „De jodenhal". (Thans Magazijn 
van brandbluschmiddelen). 

Daarboven was de Vergaderkamer van het St. Lucas- 
of Schildersgild (van 1862 — 1914 de Oudheidkamer van 
het Stedelijk Museum). Toegang, nu nog bestaande, in 
den noordoostelij ken hoek der kloostergangen van den 
binnenhof. 

De Looikamer, de Metselaarsgildekamer en het Brood- 
wegerskantoor, bevonden zich boven de noordelijke 
kloostergang. Toegang in de poort leidende van de 
Zijlstraat naar de Jacobijnenstraat. (Thans de groote 
zaal van het Gemeente-Archief). 

De Gijzelkamers. Toegang op de binnenplaats van 
het Raadhuis. (Thans de kamer van den Gemeente- 
Archivaris). 

Moge de tijd nog eens aanbreken, dat hetgeen van 
het Predikarenklooster staande bleef, voor zoover daartoe 
vatbaar, in zijne oude gedaante worde hersteld. 

Haarlem. C. J. GoNNET. 



GODFRIED VAN MIERLO. 

(Vervolg van Deel XXXV, bh. 346.) 



% 5. Het in bezit netnen van de volle bisschoppelijke 
jurisdictie. 

Een andere misstand, tegen welken van Nieuwland te 
vergeefs zich had pogen te verzetten i), was het uitoefenen 
der jurisdictie door den Domproost en zijn kapittel 
binnen de grenzen van het Haarlemsche diocees. Vóór 
het oprichten van dit diocees bezat de Domdeken in zijn 
hoedanigheid van aartsdiaken de kerkelijke rechtsmacht 
over Amstelland en Kennemerland, benevens nog eenige 
parochies, in de nabuurschap van laatst genoemd dekenaat 
gelegen. De uitvoering dier jurisdictie was toevertrouwd 
aan dekens, welke door den Domproost-aartsdiaken ge- 
woonlijk in elk der beide gewesten werden aangesteld; 
tijdens het episcopaat van v. Nieuwland schijnt echter 
aan den deken van Kennemerland tevens het uitoefenen 
der jurisdictie over Amstelland te zijn opgedragen. 
Verder had men binnen het gebied van het Haarlemsche 
bisdom nog de proosdij van Westfriesland, omstreeks het 
jaar 1500 vijf en vijftig parochies tellende 2), maar in 
1559 vermoedelijk een zestigtal. Een proost stond hier 
eveneens aan het hoofd, door het Domkapittel te be- 
noemen, en ook deze droeg geregeld zijn macht over 



i) Bijdr. bisd. Haarlem XXVI, 254; IV, 414. 
2) BiJdr. hisd. Haarlem XXVI, 107. 



213 

op een deken, die te Hoorn resideerde. Nagenoeg het 
gansche gebied van het Haarlemsche diocees had der- 
halve, direct of indirect, onder het Domkapittel gestaan. 
Zou het bestuur van den bisschop nu niet een schijn- 
bestuur blijven, als onder van Nieuwland, maar werkelijk- 
heid worden, dan moest er natuurlijk een radicale ver- 
andering komen in dezen toestand. 

Met bekwamen spoed, nog in het eerste jaar van zijn 
bestuur, heeft de nieuwe bisschop van Haarlem ook aan 
dezen misstand een einde gemaakt. Hier achter in de 
Bijlagen (I) geven wij den tekst der oorkonde, welke 
van Mierlo bij het aanvaarden der jurisdictie over 
Westfriesland heeft laten opstellen. Den i/en Juli 1571 
bevond hij zich voor dat doel te Hoorn. Aan de 
geestelijkheid en magistraat der stad is toen voorlezing 
gedaan van die zinsneden uit de oprichtingsbulle Ex 
injuncio, welke bepaalden dat het gansche gebied van 
Westfriesland van nu af tot het Haarlemsche diocees 
zou behooren. Vervolgens werden de brieven van placet 
voorgelezen, eertijds door Philips en Margaretha uit- 
gevaardigd om aan deze beslissing van den paus kracht 
bij te zetten, met bevel aan den president van het 
Hof van Holland, Cornelis Suys, om de bulle van op- 
richting in haar ganschen omvang ten uitvoer te leggen. 
Krachtens deze beschikkingen van paus en koning, en 
naar de bepalingen van het concilie van Trente, verklaarde 
van Mierlo derhalve alle jurisdictie, tot nog toe hetzij 
door het Domkapittel hetzij door den proost en diens 
gedelegeerden van Westfriesland uitgeoeffend, voor ge- 
ëindigd en van nu af nietig en nam hij als bisschop 
van Haarlem zelf daarvan bezit. Daarna erkenden zoowel 
burgerij als geestelijkheid van Mierlo als hun wettigen 
overste in kerkelijke zaken. En om te meer kracht bij 
te zetten aan dit in bezit nemen, verrichtte hij daarna 



214 

eenigc bisschoppelijke functies, eerst in de hoofdkerk 
van Hoorn, aan sint Ciriacus gewijd, vervolgens in de 
overige kerken en kapellen van de stad. Johan Gruwel 
verloor door dezen maatregel al de volmachten, welke 
hij in naam van den proost van Westfriesland had uit- 
geoefend ; de oorkonde van v. Mierlo vermeldde dat 
ook uitdrukkelijk ; maar wij lezen daar tevens dat de 
bisschop van Haarlem hem nu op zijn beurt tot deken 
van Westfriesland aanstelde. 

Gelijk te verwachten was, legden de Domproost en 
zijn kapittel zich maar niet zoo gemakkelijk neder bij 
de krachtige maatregelen van den Haarlemschen bisschop. 
Meerdere stukken, voorheen behoord hebbende tot het 
archief van den Dom en thans in de rijksarchieven van 
Utrecht bewaard, kunnen daarvoor getuigen. Wel zijn 
niet al de gewisselde stukken mij onder de oogen ge- 
komen, doch hetgeen ik, dank zij de hulpvaardigheid 
van den Utrechtschen rijksarchivaris, over deze zaak 
mocht aantreffen en dat hier voor het eerst zal gepubli- 
ceerd worden, is voldoende om ons een kijk te geven 
op het verloop van den strijd, welken de Utrechtsche 
heeren tegen van Mierlo aanbonden. 

Uit Bijlage II, het eerste in de rei van deze documenten, 
blijkt dat de nieuwe bisschop van Haarlem de volle 
jurisdictie over Amsterdam en Amstelland, over Haarlem 
en Kennemerland, alsmede over eenige parochies in de 
nabuurschap van dat laatste dekenaat gelegen, reeds 
had opgevorderd en aanvaard nog vóór hij naar Hoorn 
was getrokken om daar hetzelfde betreffende de juris- 
dictie van Westfriesland te verrichten. Immers de twee 
bezwaarschriften, welke daartegen werden opgesteld, 
dagteekenen van 7 en 9 Juli 1571, terwijl zijn komst 
te Hoorn, gelijk wij hebben gezien, eerst op 17 Juli 
van dat jaar is gevolgd. Dit feit vernemen wij voor 



215 

het eerst uit het request van den Domproost met zijn 
kapittel; het is een bewijs te meer hoe krachtig van 
Mierlo aanstonds de teugels in handen heeft genomen, 
nadat hij zelf het bestuur over het bisdom had aanvaard, 
wetende in deze aangelegenheid op Alva's steun te 
kunnen rekenen. De bisschop van Haarlem, zoo be- 
klagen zich dan Domproost en Domkapittel bij den 
Geheimen Raad te Brussel, had onlangs de gansche 
jurisdictie over Amstelland en Kennemerland aan zich 
getrokken ; voor de uitoefening daarvan een eigen ge- 
delegeerde (vermoedelijk Zaffius) aangesteld en den deken 
van den Domproost, die te Haarlem zetelde, doen aan- 
zeggen dat hij zich wel zou onthouden om ook maar 
een enkele daad van jurisdictie in één der beide dekenaten 
uit te oefenen. Om het onrecht, hun daardoor aan- 
gedaan, te bewijzen, beroepen zij zich op een schrijven 
van de landvoogdes, in 1561 tot de vijf kapittels van 
Utrecht gericht. Bij dat schrijven, zoo betoogen zij, 
had de Regeering aan de prelaten van die kapittels 
toegezegd dat zij, niettegenstaande het oprichten der 
nieuwe bisdommen, hun leven lang in het bezit zouden 
blijven van de jurisdictie, welke zij tot nog toe in die 
bisdommen hadden uitgeoeffend, terwijl hun bovendien 
nog schadeloosstelling was beloofd voor het verlies aan 
emolumenten, dat zou volgen uit de invoering der 
hervormingsdecreten van Trente. Laat mij aanstonds 
er aan toevoegen dat de landvoogdes ter kwader ure 
werkelijk zulke toezeggingen had gedaan, gelijk o. a. 
blijkt uit haar schrijven van 27 Oct. 1561 i) ; zulks was 
geschied om op die wijze de kapittelheeren gunstig te 
stemmen voor de schijnkeuze van Schenk van Tautenburg 



l) De volledige tekst bij van Heussen — van Rhijn Kerkel. historie 
en oudheden (folio-editie) I, 382 — 383. 



2l6 



en tevens hen er van af te houden dat zij de Staten van 
Utrecht in den twist over deze afgedwongen keuze zouden 
betrekken. Vervolgens worden de schadelijke gevolgen 
van het optreden van v. Mierlo tegen hun deken te 
Haarlem in het licht gesteld. Vooreerst : geldelijk nadeel, 
want bij overeenkomst van 6 Juni 1569^) was bepaald 
dat de institutie-gelden aan den Domproost zouden blijven, 
alsmede voorloopig ook de boeten, welke waren gesteld 
op de z.g. criniina minora, op het sluiten van geheime 
huwelijken en het nalaten van de huwelijksbannen ; dit 
alles kwam nu op eenmaal tot werkelijke schade van 
den Domproost en zijn kapittel te vervallen. Maar ver- 
volgens ook : vermindering van aanzien, daar het archi- 
diakonaat, van ouds zoo aanzienlijk in de Utrechtsche 
kerk, aldus tot de beteekenis van een louteren eeretitel 
afdaalde, hetgeen niet alleen een vernedering zal zijn 
voor de Utrechtsche proosten, maar ook voor den koning 
zelf, die hen tot dit hooge ambt benoemt. Hun verzoek 
is derhalve dat er open brieven zullen uitgevaardigd 
worden, waarbij in naam des konings den bisschop van 
Haarlem worde bevolen, des noods onder bedreiging 
van groote straffen, den Domproost en zijn kapittel in 
het rustig bezit te laten van de jurisdictie van Amstel- 
land en Kennemerland. 

Twee dagen later, op 9 Juli 1571, volgde een tweede 
request (Bijlage III), dat het vorig smeekschrift moest 
aanvullen. De Geheime Raad had het boven vermeld 
request aan van Mierlo toegezonden met verzoek daarop 



l) Bijdr. bisd. Haarlem XXVI, 256—257. Dit verdrag, gesloten 
lusschen den Domproost en den vertegenwoordiger van Nieuwland, had 
moeten dienen om het uitoefenen der jurisdictie in Amstelland en 
Kennemerland althans eenigszins in overeenstemming te brengen met 
Trente, dat de macht der aartsdiakens in cap. 20, Sess. XXIV zeer 
had besnoeid. 



217 

van antwoord te willen dienen. Nu er echter door den 
Geheimen Raad geen bepaalde tijd voor dat antwoord 
was vastgesteld, en de Domproost met zijn gevolmachtigde 
onderwijl verstoken bleven van de uitoefening der juris- 
dictie, alsook van de geldelijke voordeelen daaraan ver- 
bonden, nu vreesden zij dat de bisschop opzettelijk zal 
talmen met zijn verantwoording, om aldus de zaak op 
de lange baan te schuiven. Zij verzochten derhalve aan 
den Geheimen Raad een bepaalden tijd vast te stellen 
voor het te geven antwoord. Gelijk uit de apostille, 
op het tweede request aangebracht, blijkt, heeft de 
Geheime Raad met dit verzoek rekening gehouden; 
binnen drie weken zou van Mierlo op de bezwaren 
van den Domproost hebben te antwoorden. 

Met eenige vertraging kwam die verantwoording op 
17 Aug. 1571 bij den Geheimen Raad in (Bijlage IV). 
Tegen het schrijven van de landvoogdes voert de 
bisschop aan dat deze brief buiten voorkennis van écn 
der beide belanghebbende partijen, en wel van den 
toenmaligen bisschop van Haarlem, Nic. van Nieuwland, 
was uitgevaardigd ; dat dit schrijven zonder kennis van 
zaken was opgesteld en alleen had gediend om de on- 
willige kapittels van Utrecht over te halen tot de 
(schijn)keuze van een aartsbisschop. Vervolgens tracht 
hij ook positief zijn goed recht aan te toonen. Philips 
en Margaretha hadden hun placet gegeven aan de buUe 
Ex injuncto en daarmede op hun beurt erkend dat de 
bisschop van Haarlem over de volle jurisdictie zou te 
beschikken hebben, welke het Kerkelijk recht aan den 
ordinarius, het hoofd van een bisdom, toekent. En daar 
één van de rechtsregelen, welke in de verantwoording 
wordt aangehaald, luidt dat alle jurisdictie, welke door 
ondergeschikten binnen de grenzen van een nieuw te 
stichten bisdom wordt uitgeoeffend, bij het oprichten 



2l8 



van dat bisdom, aan den ordinarius vervalt, meent van 
Mierlo ook op dezen grond de jurisdictie over de beide 
dekenaten Amstelland en Kennemerland rechtmatig zich 
te hebben toegeëigend. Ten slotte het nadeel dat voor 
Domproost en Domkapittel uit dezen maatregel zou 
voortvloeien. Van Mierlo vergenoegt zich met te wijzen 
op de hervormingsdekreten van Trente ; daarbij wordt 
bepaald dat de boeten, welke de kerkelijke rechter 
oplegt, in het vervolg alleen zullen dienen voor het 
ondersteunen van armen of voor andere godvruchtige 
doeleinden ^) en dat het verleenen van beneficies, in de 
toekomst steeds geheel om niet zal moeten geschieden ^). 
Bezwaarlijk kan hij gelooven dat men van de zijde der 
Regeering zou wenschen te herstellen de „onbehoirlijcke 
prouffijten ende misbruycken, die tot groote schandalisatie 
[in de beide dekenaten] geweest sijn." 

Wij kunnen het verloop van deze zaak niet verder 
vervolgen uit gemis aan bescheiden. De apostille gelast 
dat het antwoord van den bisschop aan belanghebbenden 
of hunne vertegenwoordigers te Brussel moest mede- 
gedeeld worden, opdat dezen, zoo het hun goeddacht, 
daarop zouden repliceeren. Waarschijnlijk zullen zij dat 
ook wel gedaan hebben, de houding in aanmerking ge- 
nomen, welke het Domkapittel in een soortgelijke aan- 
gelegenheid, de jurisdictie van Westfriesland, ongeveer 
terzelfder tijd heeft ingenomen. Voor zooverre wij weten, 
echter zonder het gewenschte resultaat ; een half jaar 
later brak trouwens de opstand in de Nederlanden uit 
welke aan al dit twisten een geweldig eind zou maken. 

De stukken, welke nu volgen, betreffen, zooals gezegd 
is, de proosdij van Westfriesland. Had men, waar 



1) Conc. Trid. Sess. XXV, de reform, c. 3. 

2) Conc, Trid. Sess. XXIV, de reform, c. 14. 



219 

't Amstelland en Kennemerland gold, nog eenigszins 
rekening gehouden met het veranderde kerkrecht en 
met het gezag van den bisschop van Haarlem, in West- 
friesland was gedurende het gansche bestuur van 
V. Nieuwland alles bij het oude gebleven. Alsof er geen 
hervormingsdecreten van Trente bestonden, ook voor 
de Utrechtsche kerkprovincie sinds 1565 verplichtend, 
bleef de proost van Westfriesland, door het Domkapittel 
verkozen, zijn schier onafhankelijke macht over een 
aanzienlijk deel van het Haarlemsche bisdom handhaven 
en door bemiddeling van zijn gedelegeerde te Hoorn, 
uitoefenen. Om dit duidelijk aan te toonen volgen in 
de Bijlagen een drietal stukken, welke alle betrekking 
hebben op de aanstelling van Joannes Gruwel tot deken 
van Westfriesland. Die aanstelling had plaats in de 
woelige September-dagen van 1566 en viel nagenoeg 
samen met het optreden van een nieuwen proost, want 
de vroegere, Cornelis van Nyenrode '), was kort te voren 
toegetreden tot het Compromis, had afstand gedaan van 
zijn geestelijke bedieningen en was in de proosdij van 
Westfriesland opgevolgd door een anderen kanunnik 
van het Domkapittel, Joannes van Wede. Op 5 September 
dan werd Joannes Gruwel, die tevens pastoor was van 
Wijdenes, voor den tijd van zes jaren tot deken van 
Westfriesland benoemd. In de aanstellingsakte (Bijlage V), 
door het Domkapittel en den nieuwen proost uitge- 
vaardigd, zijn de bevoegdheden opgesomd, over welke 
hij als gedelegeerde zou te beschikken hebben. Be- 
houdens eenige zaken, welke het Domkapittel aan zich 
behoudt, komt zijne jurisdictie geheel overeen met de 
rechtsmacht van een bisschop in zijn diocees. Over het 



l) Meer over hem in (Drakenborch's) Aanhangsel op de ketkel. Oud- 
heden V. Nederland, 420. 



220 



concilie van Trente wordt echter in dit stuk met geen 
enkel woord gerept. Wel had dat concilie een aantal 
bevoegdheden, welke hier onder de rechten van den 
deken worden opgeteld, aan de aartsdiakens ontnomen 
om ze aan den bisschop van het diocees terug te geven ^), 
maar proost en Domkapittel beschouwden die bepalingen 
als niet toepasselijk op de proosdij van Westfriesland ; 
daarover bezaten zij, naar het hun voorkwam, nog altijd 
eene nagenoeg bisschoppelijke rechtsmacht. Geen woord 
verder ook in deze akte over den bisschop, in wiens 
gebied de proosdij was gelegen ; later zullen wij zien 
wat daarvan de reden was. 

Een dag later, 6 September, is de akte opgesteld en 
onderteekend, waarbij Joannes Gruwel die benoeming 
verklaart te aanvaarden (Bijlage VI). Hij belooft als 
deken van Westfriesland strikt naar den inhoud van 
den aanstellingsbrief zich te zullen gedragen ; verder 
zegt hij toe : een geregelde boekhouding, tweemalen 
's jaars rekening en verantwoording in Utrecht af te 
leggen, en wat de inkomsten betreft zal hij slechts een 
derde voor zich zelf behouden, al het overige aan den 
proost en het Domkapittel afdragen. 

In het zoo even vermelde stuk wordt aan het einde 
ook melding gemaakt van twee briefjes, welke door 
Gruwel tevens zijn onderteekend. De kopie van beide 
„schedula's" bevindt zich eveneens in het oud-archief 
van den bisschop van Haarlem. Het ééne briefje telt 
nog eens de gevallen op, in welke de deken zijn juris- 
dictie niet zal mogen uitoefenen. Daar de akte van 
aanstelling ook reeds dezelfde gevallen vermeldt, kan 
het publiceeren van deze „schedula", welke bovendien 



l) Cofic. Trid. Sess. XXIV, de reform, c, 20; XXV, de reform. 
3 en c. 14. 



221 

uitvoeriger is dan de titel laat verwachten, zonder 
schade achterwege blijven. De tekst van het andere 
briefje wordt onder Bijlage VII afgedrukt. Het bepaalt 
o.a. de „arrenda", den cijns, welken de deken van 
Westfriesland jaarlijks zou moeten opbrengen aan den 
proost en het Domkapittel. Met het feest van sint 
Remigius, dus op i October, moest hij betalen aan den 
proost van Westfriesland éénen Engelschen gouden 
rozenobel, welke daar geschat wordt op vier en een 
halven gulden, en een gelijke som aan den Domdeken. 
Bovendien moest hij bij het naderen van de groote 
Vasten aan den deken van het Domkapittel verstrekken 
twee vaatjes bokkingen van goede qualiteit en aan den 
notaris, alsook aan den bode van hetzelfde kapittel, elk 
een half vaatje van dienzelfden visch. 

De vraag rijst nu hoe het mogelijk was dat in 
September 1566 zulk een abnormale toestand in het 
bisdom van Haarlem nog kon bestendigd worden. Dit 
feit zou onverklaarbaar zijn, wanneer wij niet wisten 
dat het Domkapittel, om afstand te doen van de juris- 
dictie over Westfriesland, eerst de betaling kon vorderen 
van een pensie, welke aan deze corporatie reeds in 
1561 was toegezegd, alsook dat de toenmalige bisschop 
van Haarlem, Nicolaas van Nieuwland, steeds in gebreke 
is gebleven aan die verplichting te voldoen. Op 1 1 Maart 
1561, dus gelijktijdig met de oprichtingsbuUe Ex injuncto, 
had Pius IV een breve ^) uitgevaardigd, waarbij aan het 
Domkapittel een jaargeld van 300 gouden dukaten werd 
toegezegd als vergoeding voor de proosdij van West- 



I) Brom, Archivalia in Italië I, no. 397. Vermoedelijk zijn met de 
60 kerken, over welke de breve spreekt, de kerken van Westfriesland 
bedoeld, want dit was ongeveer het getal der kerken aldaar, terwijl 
het aantal kerken in Amstelland en Kennemerland, bijeen genomen, 
dat getal 60 verre overtreft. 



friesland en voor 60 parochiekerken, welke bij het 
bisdom Haarlem waren ingedeeld. Het bedrag van deze 
pensie, zoo verklaarde de breve, moest gevonden worden 
uit de tafelgoederen van het nieuwe bisdom. En hoe 
het kwam dat van Nieuwland maar steeds naliet dat 
jaargeld uit te keeren, zal, hoop ik, voor de lezers van 
dit tijdschrift, wel geen geheimenis zijn. In de artikelen, 
hier aan zijn droevig bestuur gewijd, hebben wij her- 
haaldelijk gelegenheid gehad op te merken, dat de eerste 
bisschop van Haarlem immer met geldnood heeft te 
kampen gehad; dat de financies der Egmonder abdij, 
de voornaamste bron van inkomsten voor het nieuwe 
bisdom, al in 1564 noodlijdend waren. Wel mocht van 
Nieuwland in 1563 en nogmaals in 1565 klagen over 
het hinderlijk optreden van de Utrechtsche prelaten in 
zijn diocees, hij mocht in zijn hulpeloosheid zich richten nu 
eens tot de landvoogdes, dan wederom tot den Geheimen 
Raad, maar wat baatte dat alles, nu hij bleef verzuimen 
de gestelde pensie te betalen.'' Het Domkapittel en de 
proost van Westfriesland stoorden zich volstrekt niet 
aan die klachten, en gingen rustig voort, alsof er geen 
bisschop van Haarlem bestond, hunne jurisdictie in dat 
deel van het diocees uit te oefenen. Eerst met den 
nieuwen ordinarius kwam er, gelijk wij zagen, een keer 
in dezen misstand. Van Mierlo zal zich wel niet ontveinsd 
hebben dat vooral zijne maatregelen betreffende de 
jurisdictie van Westfriesland hevig verzet zouden uit- 
lokken van belanghebbenden. De nu volgende stukken, 
allen ontleend aan de Rijksarchieven in de provincie 
Utrecht, zullen ons leeren van welken aard dat verzet 
is geweest. 

Nadat van Mierlo op 17 Juli 1571 de jurisdictie van 
Westfriesland aan zich had getrokken, richtte het Dom- 
kapittel met zijn deken, Johan van der Vecht, aan het 



223 

hoofd, zich tot den Geheimen Raad te Brussel om van 
de Regeering het placet te verkrijgen op de uitvoering 
der breve van Pius IV, waarbij aan dit kapittel een 
jaargeld van 300 dukaten was toegezegd voor het verlies 
der jurisdictie over Westfriesland. De vorige bisschop, 
zoo betoogen zij in hun verzoekschrift (Bijlage VIII), 
had het Domkapittel tot zijn aftreden toe in het bezit 
dier jurisdictie gelaten en derhalve was de eisch tot 
betalen van het jaargeld achterwege gebleven. Nu de 
nieuwe bisschop dat echter wel heeft gedaan, zullen zij 
ook de pensie van hem opvorderen. Wijl dit laatste 
echter onmogelijk is zonder brieven van placet, op 
naam des konings uitgegeven, en deze hun ontbreken, 
verzoeken zij dringend aan den Geheimen Raad om 
daarin te voorzien. 

Ofschoon de Geheime Raad had bevolen dat van 
Mierlo binnen 1 5 dagen op deze suppliek zou antwoorden, 
duurde het tot 3 October 1571, alvorens hij daarmede 
gereed was. De bisschop tracht in zijn verweerschrift 
(Bijlage IX) aan te toonen hoe onredelijk de vordering 
van de Utrechtsche heeren is. Reeds toen in 1561 het 
jaargeld werd vastgesteld, bestond er groote oneven- 
redigheid tusschen de som gelds, welke het bisdom van 
Haarlem zou te betalen hebben, en het financieel nadeel 
dat het Domkapittel leed door het verlies der jurisdictie. 
Van Mierlo oordeelt dat dit nadeel niet meer dan een 
tiende van de drie honderd gouden dukaten kan be- 
dragen hebben en wijst erop dat de „arrenda", de cijns, 
welken de deken van Hoorn had op te brengen, on- 
geveer slechts twintig oude schilden bedroeg 1). Sinds 
het uitvaardigen van die breve, ruim tien jaren geleden, 
en thans, zoo gaat het betoog verder, is er onderwijl 



l) Een oud schild wordt berekend op dertig stuivers, Ilollandscli. 



224 

door de wetgeving van Trente zulk een verandering 
gekomen in het financieel beheer, dat de uitoefening 
der jurisdictie geen voordeel meer kan opleveren maar 
schade. En de bisschop herinnert dan er aan hoe door 
dat concilie de voornaamste bronnen van dergelijke 
inkomsten zijn gestopt: „boeten en bruecken" mogen 
alleen voor weldadige doeleinden aangewend worden en 
de institutiegelden komen zelfs geheel te vervallen. 
Derhalve, de besluiten van Trente „ad unguem", stip- 
telijk, in zijn diocees willende onderhouden, zoo ver- 
zoekt van Mierlo de gewenschte brieven van placet 
niet te verkenen, „aanschou nemende dat die nyet en 
ontfanct ende neyt ontfangen en mach, consequentelijcke 
nyet en geven kan." 

Op 26 October 1571 werd dit bezwaarschrift van den 
bisschop door het Domkapittel beantwoord (Bijlage X). 
Hetgeen de heeren tegen het betoog van v. Mierlo 
aanvoeren komt in het kort hierop neer : Zelfs wanneer 
er onevenredigheid zou bestaan tusschen de toegebrachte 
schade en de pensie, is dat nog geen reden om zoo 
mogelijk, te beletten dat er brieven van placet zullen 
afgegeven worden, maar dan behoort de zaak gebracht 
te worden voor dengene, die de pensie heeft vastgesteld, 
d. i. voor de rechtbank van den paus of zijne gevol- 
machtigden. En dit klemt te meer, omdat Pius IV die 
pensie heeft verleend louter uit goedgunstigheid ; daarom 
wordt er in de breve niet gesproken van een groote 
of geringere mate van schade, welke het Domkapittel 
door het verlies der jurisdictie zou lijden, maar het is 
alleen de bedoeling van den paus geweest, door verleenen 
van een jaargeld dat verlies te vergoeden. Vervolgens 
beweert het Domkapittel, dat de tafelgoederen van het 
Haarlemsche bisdom voldoende zijn om de gevorderde 
pensie op te brengen. Wij, die in art. 4 van deze 



225 

monografie i) hebben gezien onder welke zware financieele 
zorgen van Mierlo het bestuur over het bisdom van zijn 
voorganger heeft aanvaard, weten maar al te goed wat 
er van deze bewering is te houden. Echter ook het 
beroep op de bepalingen van Trente houdt volgens 
hen geen steek. Wat de „boeten en breucken" betreft, 
zoo erkennen zij, deze mogen werkelijk niet langer tot 
voordeel strekken van den kerkelijken rechter, maar 
de pensie is volgens hen niet in de plaats gekomen van 
die voordeelen, doch een daad van loutere goedgunstigheid. 
Maar een bevel om de instituties steeds kosteloos te 
verleenen hebben zij in de decreten van Trente nergens 
kunnen aantreffen -). En bovendien de institutie-gelden, 
welke zoo gering niet zijn als van Mierlo het laat 
voorkomen, zouden voor het doel, door Trente beoogd, 
kunnen besteed worden, bijv. tot onderhoud van de 
koorzangers en andere schamele dienaars en priesters, 
aan den Dom verbonden. Ten slotte verklaren zij, veel 
liever in het bezit te blijven hunner aloude jurisdictie, 
welke eenig is in de gansche Nederlanden ; zij zullen 
die dan uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van 
Trente, onverschillig of hun dat geldelijk voordeel zal 
opleveren dan wel nadeel. 

Ook het verder verloop van déze aangelegenheid is 
uit de voorhanden stukken, naar het schijnt, niet na 



1) Bijdr. bisd. Haarlem XXXIII, 329. 

2) Leest men het betreffende hoofdstuk (Sess. XXIV, de reform. 
c. 14) aandachtig over, dan zal bevonden worden dat Trenle zulk een 
absoluut bevel inderdaad niet heeft gegeven ; maar wel verlangt het 
concilie, dat bij het verleenen van instituties alle hebzucht, en ook zelfs 
de schijn daarvan, worde vermeden. Alleen dan kunnen gevolgelijk 
institutie-gelden geheven worden, wanneer die gelden voor een god- 
vruchtig doel zullen aangewend worden en de ordinarius onder die 
voorwaarden zijn goedkeuring aan het heffen der institutie-gelden zal 
gehecht hebben. 

15 



226 



te gaan. Veilig mogen wij echter aannemen dat het 
Domkapittel er niet in is geslaagd zijn rechtsmacht 
over de proosdij van Westfriesland te herwinnen. En 
evenmin zullen de Utrechtsche heeren, naar ik vermoed, 
brieven van placet hebben verkregen voor het innen 
hunner pensie. Eéne zaak blijkt, dunkt mij, uit de hier 
volgende bescheiden allerduidelijkst : dat Godfried van 
Mierlo reeds in het eerste jaar van zijn bestuur grooten 
ijver en wilskracht aan den dag heeft gelegd, toen hij 
de volle bisschoppelijke jurisdictie voor zich opeischte 
en deze, niettegenstaande velerlei bezwaren en tegen- 
werking, wist te behouden. 

A. H. L. Hensen. 

BIJLAGE 1. Zie boven blz. 213. 



1571» Juli 17. Hoorn. 

Akte der hibezitnetning van de proosdij van Westfriesland door 
Godfr. V. Mierlo, bisschop van Haarlem. 

Anno a Nalivitate Domini millesimo quingentesimo sep- 
tuagesinio primo. Reverendissimus in Christo pater ac dominus, 
dominus Godefridus a Mierle, Dei et apostolicae sedis gratia 
episcopus Harlemensis, cum pacificam cathedralis ecclesiae suae 
accepisset possessionem, omnem jurisdictionem, quam hactenus 
decanus et capitulum Majoris ecclesiae Ultrajectensis, sive ejus 
delegati et vicarii, quocumque titulo decanorum, provisorum, 
praepositorum aliove nomine appellati, de jure vel consuetudine 
obtinuissent, per vim decretorum concilii Tridentini et juxta 
bullam erectionis episcopatus Harlemensis cassatam et annu- 
latam, ipso facto volens adimere et dictos quoscumque juris- 
dictionem in sua diocesi exercentes amovere, personaliter 
se transtulit in oppidum Hornanum ut praepositurae Westfrisiae, 
olim ad decanatum et capitulum Majoris ecclesiae Ultrajectensis 
(pertinentis), acciperet possessionem, per bullam Pii quarti epis- 
copatui Harlemensi incorperatam et annexam. Et, convocatis 
ad se clero et senatu dicti oppidi Hornani, communicavit et 



227 

exhibuit ipsis bullam sanctissimi domini nostri Pii papae erectionis 
episcopatus Harlemensis sub plumbo de data: anno millesimo 
quingentesimo sexagesimo, quinto Idus Martii, expeditam, qua 
diocesis Harlemensis loca describit, ac inter caetera oppidum 
Hornanum eidem cathedrae subjicit \ item mandata regiae 
catholicae majestatis, data Uzandi, die sexta Aprilis, anno 
millesimo quingentesimo sexagesimo primo, signatum : »Philippe", 
et infra »l Courteville" ; et Margaritae ducissae Parmensis, 
nomine regiae majestatis supradictae Belgii gubernatricis, quibus 
dictarum litterarum apostolicarum executio specialiter mandatur 
praesidi curiae Hollandiae ad effectum deducenda. Quibus 
visis et auditis dictus reverendissimus dominus Godefridus, 
episcopus Harlemensis, a dicto clero et senatu cum debita 
reverentia fuit inauguratus tanquam proprius episcopus ac 
prelatus acceptus. Qui ibidem tam in ecclesia parochiali quam 
in aliis adjacentibus et subjectis sacellis episcopales actus ac 
officium pontificale exercuit, nemine contradicente vel se op- 
ponente. Dictam quoque praeposituram Westfrisiae, olim ad 
decanum et capitulum cathedrale, et nunc vero metropolitanae 
ecclesiae Ultrajectensis, pertinentem, incorporans, decanum seu 
officialem ibidem existentem amovit ac, recepto ab eodem et 
sibi per eundem praestito fidelitatis et obedientiae canonico 
juramento, ipsum suo nomine in dicta praepositura suum 
decanum creavit, constituit ac confirmavit cum facultatibus 
consuetis. Quibus peractis idem reverendissimus dominus ab 
eisdem clero et senatu solemniter ac honorifice fuit exceptus 
et laudabiliter tractatus, solutis per dictos clerum et senatum 
omnibus expensis ibidem a reverendissimo factis. Quae acta 
sunt coram prelatis, clericis ac famulis dicti reverendissimi 
Harlemensis ac universo populo dicti oppidi Hornani, die 
decimo septimo Julii, pontificatus sanctissimi domini nostri Pii 
papae quinti anno sexto. Quod ego, loannes de Ameronghen, 
insignis curiae episcopalis Harlemensis pedellus ac dicti reveren- 
dissimi domini episcopi Harlemensis virgifer, qui praemissis 
interfui omniaque et singula sic fieri audivi et vidi, atque 
praesenti instrumento descripsi, attestor: 

1. de Amerongen. 

Oud archief va?i den bisschop van Haarlem. Kopie-boeck I. 



228 
B IJ L A G E II. Zie bai'en bh. 214.. 

157I) Juli 7, Utrecht. 

Bezwaarschrift van den Domproost tegen den bisschop van 
Haarletn, met verzoek dat hij door de Regeering zal gehandhaafd 
worden in het ongehinderd uitoefenen der jurisdictie over Ams tei- 
land en Kennemerland. 

Copie van requeste gepresenteert die 7 July 1571 ex parte 
reverend! domini archidiaconi Trajectensis contra Harlemensem 
antistitem. 

Aen den coninck. 

Verthonen in alder oidmoet heer Cornelis van Myerop, 
proost en archidiaken ten Dom tUtrecht, ende met hem gevuecht 
voer haer interest die domdeken ende andere heeren van 
denzelven capittele : hoe dat die voirseyde domproost ende zijn 
voersaten over memorie der menschen ahijt sijn geweest, gelijck 
hy alnoch is, behalven die turbatie hieronder geruert, in 
peyseUjcke ende vredehjcke possessie vel quasi van te hebben 
en texerceeren het officie van de jurisdictie archidiaconeel van 
Haerlem ende Kennemerlant ende oyck van Amsterdam ende 
Amstelant, mitsgaders noch andere hmiten ende plaetsen, met 
allen tgene des dairaf en uuyt dependeert, welcke possessie 
ende gebruyck met rijper deliberatie, kennisse van zaecken 
ende uuyt sunderlinghe respect ierst by de hoocheyt van de 
hartoghinne van Parma etc. i) en de dairna by uwe majesteit 
respective in den jaere 1561 is geconfirmeert, geapprobeert 
ende geratificeert, dairop dat uwe majesteit oyck heeft doen 
depescheren acte by dewelcke dezelfde heeft gewilt dat die 
archidiaconen van de capitulen tUtrecht in de limiten van de 
nieuwe bisdommen haer leven lanck by haer digniteyten, 
staten ende exercitiën van de jurisdictie archidiaconeel al evenwel 
souden blijven niettegenstaende derectie van deselve nieuwe 
bisdommen, blijckende by de copye autentijque van deselve 
acte hieraen gehecht : [verthonen] alsoe oyck [hoe dat] de 

i) Zie den tekst van dit schrijven, gedateerd 27 Oct. 1561, bij 
V. Heussen — v. Rijn, Kerkelijke historie en 0i44heden (folio-editie) 1, 
382-383. 



229 

voirsegde archidiaken ende andere archidiakenen van Utrecht, 
elck respective binnen zijne limiten, dexercitie van hunne juris- 
dictie, digniteyten ende staten niet alleenlijck bij den eertsbisscop 
van Utrecht maer oyck bij dander nieuwe geconstitueerde 
bisscoppen tot noch toe is toegelaten geweest, sonder hem 
dairinne eenich obstakel te doen, behalve dat nu onlancx ge- 
leden met groote nieuwicheyt hem heeft vervoerdert de bisscop 
van Haerlem die jurisdictie van voirsegde domproost, die hy 
als archidiaken altijt, soe voirseyt is, binnen die limiten van 
zijn bisdom heeft gehadt ende geexerceert, aen hem te slaen, 
pretenderende voertaen dezelfde alleen texerceren met seclusie 
van denselven domproost, hebbende sijne gecommitteerde (die 
hy tot het exercitie van sijne voirsegde jurisdictie tot Haerlem 
hadde gestelt) via facti ende metter date doen verbieden dat 
hy hem het voirsegde officie geenssins meer en soude onder- 
winden oft dienaengaende iet uuytrechten, want hy binnen 
sijn limiten gheen archidiaken meer en wilde kennen oft toe- 
laten, mer dieselfde jurisdictie, met alle tgene dairuyt dependeert, 
voertaen alleen behouden ende exerceren, hebbende oyck 
aenveert het recht van dinstitutïe, 'twelck de voirsegde archi- 
diaconen altijt en tot noch toe heeft gecompeteert, directelijck 
tegen die voirsegde, oude, continuele ende duechdelijcke possessie, 
contrair ende in vilipendene van de voirsegde acte bij uwe 
majesteit dairop verleent, dairaf sijn eerwaerde over langhe 
visie is gedaen bij copye autentijcke. Heeft dairomme des 
voirsegden domproost gecommitteerde als doen geprotesteert 
van de voirsegde turbatie ende injurie die sijne meester by sijn 
eerwaerde worde aengedaen, en mitsdien daeraf begheert acte 
notariael, mitsgaders oyck visie van de bescheede op twelck 
zyn eerwaerde hem was funderende, dewelck den voirsegde 
gecommitteerde al is geweygert geweest, ende worde den 
notaris expresselijck verboden gheen acte van tgene des dyen- 
aengaende was geschiet uuyt te gheven, twelck al tendeert tot 
quader consequentie, in afneminge van des voirsegden dom- 
proost oude en geconfirmeerde gerechticheyden, ende tot 
groote interest ende schade van gevuechden, die, soe wanneer 
aen haer jaerlijcxe distributie ende innecomen yet geraect te 
gebreecken, hun verhael hebben op de incompsten van voirsegde 
archidiaconaetscap, ende oyck in prejudicie ende verminderinge 
vande prëeminentiën ende gerechtigheden van uwe majesteit, 



230 

dicwelcke alleen collateur cnde ghifter is vande voirsegde 
digniteyten van de vijf archidiaconaetscapen, die duer alzulckcn 
nieuwicheyden geheel titularcs et umbraticl zouden worden, 
en worde hiertegen bij uwe majesteit niet voirsien. Bidden 
dairomme die voirsegde supplianten ende gevuechden tot con- 
servatie van deselve om opene brieven van maintenue /« /(^vv«nr, 
uyt cracht van dewelcke den voirsegden bisscop van Haerlem 
ende allen anderen, des van noode wesen sal, op groote penen 
bevolen worde dat hy den suppliant, oft andere daertoe ge- 
committeert, laete in sijn digniteyten, staeten ende exercitïen 
van de voirsegde jurisdictie archidiaconeel peysselijck ende 
vredelijck, gelijck hy dat altijt geplegen heeft ende na recht 
ende der voirsegde acte van uwe majesteit behoirt te geschieden ; 
ende in gevalle van oppositie die voirsegde bevelen stadthoudende, 
ende alle andere beletten ende verboden ter contrarïen afgedaen 
sijnde, ende die voirsegde supplianten, oft zijne gecommitteerde, 
laetende in de voirsegde digniteyten, staeten ende exercitien 
van de voirsegde jurisdictie, niettegenstaende eenige oppositie 
oft appellatie gedaen oft te doen ter contraire ende sonder 
prejudicie derzelver, de opponenten hier te hovedach bescheyde 
worde, Dewelck doende etc. 

Kanttee kening: Doit estre monstré aux supplianls ou a leurs 
députéz, estans en ceste ville, pour y dire ceque bon leur 
semblera. Faict a Bruxelles Ie 17 d'Aougst 1571. 

Soubsigné: Van der Aa. 
Archief vati den Dom, Rijksarchieven in de provincie Utrecht, 

D, 669XX. 

BIJLAGE III. Zie boven blz. 216. 



1571, Juli 9, Utrecht. 

Verzoekschrift van den Domdeken aan den Geheimen Raad, opdat 
den bisschop van Haartem een termijn van 3 weken zal gesteld 
worden, om te antwoorden op de bezwaren, door den Domdeken 
tegen hem ingebracht. 

Copie van de tweede requeste gepresenteert die 9 July aen 
de secrete raet ex parte reverendi doviini archidiaconi et 
capituli Trajectensis. 1571. 

Aen den coninck. 

Verthoonen in alder reverentie heer Cornelis van Myerop, 
proest archidiaken van den dom tUttrccht ende met hem ge- 



231 

vuegt voer haer interest die deken ende andere heeren van 
deselffven capittele: hoedat sijlieden aen uwe majesteit opten 
7 July lestleden bij requeste hebben versocht openen briefïven 
van maintenue teghen den eerwaarden heere bisschop van 
Haerlem, waerop uwe majesteit gelieft heeft tordineren dat 
men die voerseyde requeste bij beslotenen brieven zijner eer- 
waarde souden [toezenden] om enz., sonder dat dieselffve uwe 
majesteit daertoe eenighen precisen tijt heeft gestelt, dewelck 
den suppliant ende gevueghde (die ondertusschen souden moeten 
blijven uvt heur oude, deuchdelijcke ende geconfirmeerde 
possessie ende gebruyck) doet vreesen ende beduechten dat 
zijne eerwaarde die sake nae zijner beliefte ende goetduncken 
sal dilayeren, sonder op de bevelen van uwe majesteit te 
letten, tot grooten achterdeele van den suppliant, schade ende 
interest van de gevueghde, die daeromme oidtmoedelijk bidden 
dat uwe majesteit gelieven wille die eerste ordonancie, staende 
op de marge van de requeste hierby gevuegt, te restringeren 
tot eenen sekeren tijt van drye weken nae de insinuatie van 
deselffve, binnen denwelcken zijn eerwaarde gehouden sal zijn 
te rescriberen oft dat, by faulte van dyen denselffven tijt over- 
streken sijnde, op het versueck van suppliant ende gevueghden 
voerder sal worden versien, soo uwe majesteit nae gelegenheit 
van de sake sal bevinden te behooren. Dewelck doende enz. 
Kantteekening : L'évesque de Haerlem fera l'advertence selon 
Ie precedent appoinctement en dedens trois sepmaines de l'in- 
sinuation. Faict a Bruxelles Ie 9 de Juillet 157:. 

Soubsignc V'an der Aa. 

Archief van den Dom, Rijksarchieven in de provincie Utrecht, 
D. 669XX. 

B IJ L A G E IV. Zie boi-en bh 21^. 



1571, Aug. 17. Haarlem. 

Antwoord van Godfr. van Mierlo, bisschop van Haarlem, op de 
beide voorgcuznde requesten van den Domdeken. 

Om vu>ten naeme ende van weghen heeren Godefroy van 
Mirlo, bisschop van Harlem, corttelijck te antwoirddene op 
twee frivole requesten van weghen heer Cornelis van Mierop, 



232 

proest ende archidiaken van den Dom tUytrecht ende met 
hem gevueght voer haer interest die deken ende andere heeren 
van denzelven capittele in coninklijk majesteits secreten raede 
tot Bruessele overgegeven — seydt die gerequireerde dat die 
supplianten in heurlieden requesten een zekere pretense acte, 
by der hoocheyt van der hertoginne van Parma etc. tot voir- 
deringhe der electie van den teghenwoirdigen eertsbisschop van 
Vuytrecht in den jaere 71 geconcipieert, sijns bedunckens 
wel sinistre detorqueren tot confirmatie, approbatie ende rati- 
ficatie van het oude gebruyck ende possessie van der jurisdictie 
als domproests voorseyd over Haerlem ende Kenmerlandt ende 
mede over Amsterdam ende Amsterlandt ende andere plaetsen, 
nu resorterende onder 't bisdom van Haerlem, ponerende 'tzelve 
geschiedt te zijne met rijpe deUberatie, kennisse van saecken 
ende vuyt sunderlinghe respect, alle welcke die supplianten 
allegeren omme te behouden ende te genyeten huerlieden oude, 
gewoone, onbehoirlycke ende scandaleuse prouffijten, daer ter 
contrarien in de geheele pretense acte nyet bevonden en wordt 
dat eenich partye, te min die bisschop van Haerlem, in der tijt 
wesende, daertoe geroepen es geweest, sulcx dat men met 
recht nyet zeggen en kan dat die voirseyde acte met kennisse 
van saecken gepasseert is. Ende voer zoe vele aengaet die 
deliberatie ende respecten, zoe ist dat die voergenoempde 
acte medebrenght dezelve te tenderen omme te voltrecken en 
te volbrenghen delectie des eertsbisschops voorseyden ende 
nyet omme met de voorseyde acte jemanden te prejudiceren, 
te min den nyewen bisdomme ter requisitie van der coninklijke 
majesteit alsdoen geerigeert ende opgerecht, gemerct haer 
hoocheyt daerinne verklaert van node te zijne dat die nyeuwe 
opgerechte bisschoppen zouden hebben die jurisdictien zoe veel 
die gheestelycke rechten medebrenghen, zoe anders heur ampt 
ende officie heel machteloos wesen soude. [Notoir] ist: quod 
ex quo episcopatus, ut in praesenti casu, seniel est cotistituius 
in alieno loco, ipso facto eximitur a potcstate inferioriim qiiiibi 
primo habebantjurisdictionem. Invocatur P anortnitanus et cardi- 
nalis Zabarella, in capite : ^Cum inferior de majori et uberiori"'^). 



i) Decretal. Gregorii IX, lib. I, til. XXIII, c. 16. «Panormitanus" 
's Nicolaus de Tudeschis, aartsbisschop van Palermo, die toelichtingen 
schreef op de Decretalen ; hetzelfde deed ook kardinaal Zabarella. 



233 

Ende alzoe haer hoochheyts intentie nyet en is geweest 
die overheyt der nyeuwer bisschoppen te vercortten, ende 
wederom op nyeuwes den archidiakenen heurlieden oude juris- 
dictie te confirmeren ende tapproberen, die denzelven by der 
pausselijcke heylicheyt deur derectien van den nyeuwen bis- 
domme voirseyden benomen was, verlichtende deur dyen den 
last voirmaels den voirnoemden archidiakenen incumberende, 
nochtans omme te voirderen die voirnoemde electie van heur- 
lieden eertsbisschop, indyen eenich merckelijck verlies viele 
van der supplianten incomen, spruytende vuyt dexercitie van 
de voirsegde getransfereerde jurisdictie, soude haer hoocheyt, 
daertoe versocht wesende, verstaen hebben om in den naeme 
van sijnder majesteit commissarissen te deputeren omme tselve 
volcomelijck te verstaen. Evenwel nochtans haer hoocheyt 
alsdoen verstont: gebruyckende die gheestelijcke jurisdictie zoet 
behoirt, naevolghende die decreten ende statuyten der heylighe 
catholijcke kerke, »datter alzoe vele last als prouffijt soude 
vallen ende dat die meyninghe van de oude, heylighe kercke 
noijt geweest en is eenich prouffijt te trecken van al sulcke 
administratie", waerby gevueght dat sedert data van de pretense 
acte by theijlich concilium van Trenten die amenden ende 
breucken ^) paupcribus loei aiit aliis piis usibiis, ter plaelsen 
daer die vallen, geappliceert wordden ~), ende wel expresselijck 
geordonneert wordt de institutioncs beneficiorum te verlcenen 
sonder yet daervan te genyeten •^). Welcke oyck op dese tijt 
meer van noode is, gemerct 't groot gebreck van goede, be- 
quame priesters ende sielbewaerders datter nu teghenwoirdich 
is onder 'tvoirnoemde bisdom van Haerlem, mede overmidts 
veel beneficien, huer goederen ende ondersaten deur die voir- 
leden inundatie '*) zoo groetelijck beschadicht zijn dat eenige 
van dyen nu desolaet ligghen, waerinne nootelijck versien sal 
moeten wordden. Sulcx dat in allen gevalle 't motijff van 
prouffijten, spruytende vuyt dexercitie van de jurisdictie, nu ter 
tijt cesseert, ten waere dat men wederomme op nyewes be- 
gheerden te stabilieren die onbehoirlijcke prouffijten ende mis- 



i) Frangere legem (dispensaties), Kiliaan, Etymologicum. 

2) Sess. XXV, de reform, c. 3. 

3) Sess. XXIV, de reform, c. 14. 

4) Üe watervloed van het jaar 1570. 



234 

bruycken die tot groote schandalisatie eertijts geweest sijn. 
Hierby gevueght dat nyettegenstaende eenighe oppositie van 
den eerstbisschop van Colen, bisschop van Luydicii ^), ende 
anderen by de pausselijcke heilicheyt tanderen tijden geinter- 
poneert, sijne heylicheyt gepersisttert heeft by de erectie ende 
assignatie van diocese ter requisitie van den coninklijken majesteit 
solemneHjcken gedaen, ende dat dyensvolghende die eerts- 
bisschop van Mechelen ende die bisschoppen van Antwerpen, 
Bossch, Grueninghen, Namen, Leeuwaerden, Deventer, Ghendt 
ende anderen in pacificque ende vredelyke possessie, gebruyck 
ende exercitie sijn van haerluyden jurisdictie, elck in zijn diocese, 
met seclusie van den bisschoppen ende archidiakenen van 
Camerijck, Luydick, Munster ende Vuytrecht. Medegemerckt 
die eerstbisschop van Vuytrecht nae de voirgenoemde erectie 
nu teghenwoirdich hem nyet en onderstaet oft onderwindt der 
ondersaeten van Harlem, Amsterdam, Alcmaer ende van anderen 
plaetsen, den bisschop van Haerlem voir sijn diocese bij zijne 
pausseHjcke heylicheyt geassigneert, soe zoude insgelijcx wel 
betamen dat die domproest ende archidiaken van Uuytrecht, 
volghende dexempel van anderen ende besunder sijns hceren 
ende meesters [cum archidiaconus sit vicariiis episcopi), hem 
nyet en onderwondt der ondersaeten van den bisschop van 
Harlem, die van den bisdom van Uuytrecht ende consequentelijc 
mede van den vicarius van dyen deur derectie des bisdoms 
voirsegd ipso facto gesepareert ende gesegregeert zijn. Ende 
zoude wel zeer monstrueux ende besunder op dese tijt schan- 
daleux zijn dat een archidiaken, die achtervolghende 't heylich 
concilium van Trenten op vele saken sijn jurisdictie nyet 
exerceren en mach dan in zijn eyghen propre persoon, waartoe 
de suppliant. God-betert, qualicken gedisponeert is, ende dat 
mede by consent van zijnen bisschop, hem wilde onderwinden 
der ondersaten van eenen anderen bisschop, wyens archidiaken 
hy niet en is ende bij denwelcken hy oyck nyet gecorrigeert 
en zoude moeghen wordden in zijn excessen, welcke excessen 
ende misbruycken van den voirnoemden archidiaken van 
Uuytrecht oft van sijnen dienaers te meer te verwachten sijn, 
overmidts de supplianten diese haerluyden requesten principa- 
lijck funderende zijn op 't verlies ende schade die zijluyden 

I) Luik. 



235 

[souden ondergaen] deur tverlichten ende translatie der juris- 
dictie voirsegd. Gemerct dan dat sedert den jaere XVc tzestich, 
ten welcken tijde de bisdom van Harlem onder meer andere 
notoirlijcke geerigeert ende midtsdyen den archidiaken van 
Uuytrecht, voer alzoe vele die diocese van Harlem aengaet, 
sijn jurisdictie ipso facto by den heylighen stoel van Roomen 
benomen ende verlicht es geweest, die supplianten egheen 
nyeuwe rechte oft titel verworven en hebben, ende dat bij 
die coninklijke majesteit tot behoeff van de gerequireerden 
alhier ende des bisdomps van Harlem voirnoemd nu den drye 
ende twintichsten February lestleden wederomme nyeuwe brieven 
van placet in gewoone forme geexpedieert ende gedepescheert 
sijn met behoirlijcke brieven van attaché bij den hove van 
Hollandt daerby gevueght, diewelcke beyde hiermede aengc- 
hecht zijn, ende dat dyensvolghende de gerequireerde in ruste- 
lijcke ende vredelijcke possessie is van zijn voirsegde jurisdictie, 
diezelve in meyninghe zijnde te continueren ende tadministreren 
met Godts gratie, achtervolghende den wille van zijne heylich- 
heyt, van 'tconcilie van Trenten, ende van zijn coninklijke 
majesteit, tot augmentatie van godtsdienst ende tot conservatie 
ende versterckinghe van onse oude, cathplicque religie, mede 
aenschouw nemende dat het recht totter nominatie van 't voor- 
noemde bisdom van dierste fundatie af de coninklijke majesteit 
competeert, in wyens prejudicie de gerequireerde 't voirseyde 
bisdom nyet titulaer maken en kan, obsiante etiam sibi solito 
jiiramento episcoporum de non alienando, Romano pontifice 
ificonsuito, passerende 't voirder inhouden van der supplianten 
requesten als wesende impertinent ende meestendeel onwair- 
achtich — concludeert daeromme ende uuyt redenen, hiervoeren 
breedere verhaelt, de gerequireerde dat den supplianten haer- 
luyden versueck sal wordden ontseydt; emmers ende ten minsten 
dat tot achterdeele van de voirnoemde erectie ende assignatie 
van de diocese ende jurisdictie van Harlem nyet gedecideert i) 
en sal wordden sonder singulierlijcke sijne coninklijke majesteit 
hiervan alvoerens geadverteert ende antwoirdde daeroppe ont- 
fanghen te hebben, oyck met behoirlijcke rescriptie van der 
pausselijcke heylichheyt in desen dienende daertoe geobtineert. 
Onderteekent : frater Godefridus a Mierle 
Episcopus Harlemensis. 
i) Er staat: gedecieteert. 



236 

op de marge van desen stont geapposiil/eert aldus: Soit 
monstré aux suppliants ou a leurs députéz, estants en ceste 
ville, pour y dire ceque bon leur semblera. l'aict «i Bruxelles 
Ie 17 d'Aoust 1571. 

Soubsigné : Van der Aa. 

Archief van den Dom, Rijksarchieven in de provincie Utrecht, 
D. 669XX. 



B IJ L A G E V. Zie boven blz. 219. 



1566, September 5, Utrecht. 
Benoeming van Joannes Gruwel tot deken van West- Friesland. 

Decanus et capitulum eclesiae metropolitanae Trajectensis ac 
Johannes de Wede, canonicus praebendatus ejusdem ecclesiae 
et praepositus Westfrisiae in eadem, universis et singulis, 
tam clero quam populo per terminos et limites praepositurae 
nostrae West Frisiae constitutis, salutem in Domino sempiternara. 
Universitati vestrae cupimus fore notum quod nos de industria 
et legalitate honorabilis viri domini ac magistri Joannes Gruwelii, 
pastoris de Wijdenesse, qui apud nos plurimorum commendatur 
testimonio, considerantes, eundem dominum Joannem ad sex 
annos, in festo sancti Remigii i) proxime futuro inchoandos, 
per dictae nostrae jurisdictionis Westfrisiae terminos et limites 
fecimus, constituimus ac ordinavimus nostrum decanum et 
officialem, prout per praesentes facimus, constituimus et 
ordinamus ; dantes et concedentes ipsi domino Joanni durantibus 
annis supradictis plenam, liberam et omnimodam potestatem, 
facultatem ac mandatum speciale, inter clericos et laicos et 
universitates ac collegia, de criminalibus, civilibus et mixtis 
pecuniarum causis, nee non matrimonialibus causis, culpis, 
delictis ac negligentiis quarumcumque personarum ac univer- 
sitatum ibidem ac homicidiis, ex officio vel ad partium instantiam, 
inquirendi, corrigendi et diffiniendi in personas, communitates, 
ecclesias, parochias et loca ; excommunicationis, suspensionis et 
interdicti sententias et alias poenas canonicas fulminandi et 



i) I October. 



237 

infligendi et per ipsum inflictas et fulminatas absolvendi, sus- 
pendendi, relaxandi et tollendi ; necnon matrimonia clandestina 
contrahentes et eisdem interessentes corrigendi et hujusraodi 
excommunicationis sententia, quam propter hoc incurrerunt, 
absolvendi, necnon clericos et ecclesiasticas personas caeterosque 
nobis subjectos, quorum protervitas et rebellio hoc exegerint, 
super quibus conscientiani tuam oneramus, capiendi, captivandi 
et incarcerandi et a carcere relaxandi ; testamenta quoque et 
ultimas voluntates presbyterorum, clericorum et aliorum sub- 
ditorum in nostra jurisdictione confirmandi et approbandi ; et 
bona illorum presbyterorum et aliarum personarum ecclesiasti- 
carum, qui intestati ac alias sinc licentia testandi discesserunt, 
arrestandi, confiscandi et desuper concordandi ; et insuper 
quoscumque presbyteros ac clericos, ad quaecumque beneficia 
et officia ecclesiastica, cum cura vel sine cura, etiamsi canoni- 
catus et praebendae fuerint, praesentatos examinandi, illosque, 
si idonei reperti fuerint, praemissis proclamationibus debitis, 
instituendi et investiendi, inhabiles refutandi, cum absentibus a 
suis beneficiis dispensandi, officiationes et episcopalia concedendi, 
ac in beneficialibus et matrimonialibus causis cognoscendi, pro- 
cedendi et diffiniendi — proviso quod super diffinitivis sententiis 
in causis matrimonialibus ferendis consilium nostrum ab ipsis 
decano et capitulo ac praeposito inquiratur — necnon aliquem 
antistitem in dictis annis vice nostra ad dictam jurisdictionem 
nostram adducendi, atque illum ecclesias, capelias, coemeteria i) 
et altaria ibidem consecrare, easque et ea, si pollutae seu 
polluta fuerint, reconciliari faciendi et procurandi, et emolumenta 
exinde provenientia recipiendi et levandi ; episcopalia presby- 
teris et curatis et fratribus mendicantibus in foro conscientiae 
ad confessiones audiendas et in casibus episcopalibus absol- 
vendi concedendi ; sacrum oleum et alia sacramenta in 
Paschate ministrandi, ac notarium idoneum pro suo placito in 
nostra jurisdictione assumendi ; et generaliter omnia et singula 
faciendi et exercendi quae in praemissis et circa ea necessaria 
fuerint, seu quae opportuna et ad examen et gubernationem 
dictae nostrae jurisdictionis Westfrisiae et ad ejus decanum et 
officialem de jure vel consuetudine pertinere dignoscuntur. 
Salvo quod idem dominus Joannes proclamationes et jurisdictiones 



i) Er staat: coeiiiiteriE 



238 

beneficiorum et ecclesiasticorum officiorum, ad collationem 
comitis Hollandiae £t ejus locum tenentis pro tempore spectan- 
tium, necnon quorumcumque privilegiorum, donationum et 
concessionum et beneficiorum officiorumque ecclesiasticorum 
fundatorum de novo et imposterum fundandorum confirmationes 
et approbationes primariasque eorundem beneficiorum et offi- 
ciorum ecclesiasticorum institutiones ac eorundem proclamationes 
et quorumcumque autorisationes sub sigillis decani seu vice- 
decani pro tempore ecclesiae nostrae Trajectensis ac praepositi 
Westfrisiae expediet et expediri faciet, et haec Trajecti a nobis 
procurabit sigillari et quod idem decanus noster durantibus 
annis dictis synodos more consueto observabit. Reservamus 
tarnen nobis ea et causas ac proventus infrascriptos : Imprimis 
reservamus censum dictarum ecclesiarum, parochiarum et capel- 
larum ; item reportationes sancti Martini ae visitationes monas- 
teriorum ibidem, et procurationes visitationum monasteriorum 
eorundem, necnon omnia et singula emolumenta et proventus, 
de jure et consuetudine in dicta nostra praepositura Westfrisiae 
de quaestibus et quaestoribus fabricae ecclesiae nostrae prove- 
nientes. Item omnes et singulas precarias per terminos et 
limites jurisdictionis nobis debitas et concedendas, ac omne 
quod fabricae nostrae supradictae a quibuscumque personis 
ecclesiasticis vel saecularibus occasione »jucundi adventus" seu 
alias in testamentis sub limitibus jurisdictionis nostrae hujus- 
modi donari et legari poterit et contigerit. Quare vobis omnibus 
et singulis supradictis in virtute sanctae obedientiae et sub 
poenis suspensionis et excommunicationis districte praecipientes 
mandamus quatenus eidem domino Johanni decano et officiali 
nostro praedicto obediatis in omnibus et singulis supradictis, 
reverenterque intendatis eidem. Alioquin sententias, quas ipse 
rite tulerit in rebelles, faciemus auctore Domino inviolabiliter 
observari. In quorum quidem omnium et singulorum fidem et 
testimonium praemissorum presentes litteras nostras exinde 
fieri et per notarium nostrum subscribi fecimus et mandavimus. 
Et nos vice-decanus et capitulum praedictum rogavimus reve- 
rendum, venerabilem et eximium dominum Joannem van der 
Vecht, decanum nostrum, ut has litteras nostro nomine sigillo 
suo dignetur sigillare. 

Quod nos Joannes van der Vecht praedictus, rogatu praedic- 
torum dominorum, libenter fecimus ac sigillum nostrum prae- 



239 

sentibus appendimus. Datum Trajecti in domo nostra capitulari 
minori, ubi ad praemissa fuimus capitulariter congregati. 

Anno a Nativitate Domini millesimo quingentesimo sexagesimo 
sexto, die vero quinta mensis Septembris. 

Sü erai subscriptmn : Lamszweerde, notarius, subscripsit. 
Oud-archief vati den bisschop van Haarlem, Kopieboeck I. 



BIJLAGE VI. Zie hwen bh. 220. 



1566, September 6. 

Aanvaarding van het dekenaat van Westfriesland door 
Johannes Gruwel. 

Universis et singulis praesentes litteras visuris et audituris, 
ego, Joannes Gruwelius, pastor in Wijdenesse, cupio fore notum : 
quod venerabiles domini, decanus et capitulum insignis ecclesiae 
metropolitanae Trajectensis, necnon Joannes de Wede, canonicus 
praebendatus ejusdem ecclesiae ac praepositus Westfrisiae in 
eadem, mihi regimen et gubernationem dictae jurisdictionis West- 
frisiae per suas certi tenoris litteras inferius insertas ad sex 
annos, in festo Remigii proxime futuro inchoandos, commiserunt. 
Idcirco pro me meisque heredibus et executoribus tenore prae- 
sentium publice recognosco me teneri et efficaciter fore obligatum 
ad conservationem omnium et singulorum infrascriptorum. Im- 
primis vero videlicet quod durante dicto sexennio regimen et 
gubernationem jurisdictionis per terminos et limites Westfrisiae, 
durante commissione mihi a dominis decano et capitulo ac 
praeposito praefatis desuper facta, tam quoad clericos quam 
laicos, juxta formam libri Camerae dictae ecclesiae Trajectensis 
et commissionem meam praedictam ac scedulam inferius insertam 
atque antiquam dictarum partium laudabilem consuetudinem 
exercebo ac per presbyterum idoneum, de consensu eorundem 
dominorum admissum, (quem eisdem dominis nominabo) regi 
et gubernari faciam. Et quod jura ipsius dominationis Westfrisiae 
pro meo posse conservabo et recuperabo ac conservari et recu- 
perari faciam. Item hujusmodi jurisdictioni legaliter ac sub fideli 
et legali computu deserviam, et pro laboribus meis habebo 
tertiam partem omnium et singulorum emolumentorum, ratione 



240 

jurisdictionis quomodolibet provenienlium et proventurorum. 
Dicti vero domini, decanus et capitulum, habebunt reliquas duas 
partes eorandem omnium proventuum etemolumentorum ejusdem 
jurisdictionis. De quibus quidem omnibus proventibus et emolu- 
mentis antedictis dominis, bis in anno quolibet, fïdelem et legalem 
computum reddam, et reliqua solvam, videlicet in synodo quae 
quotannis Trajecti celebratur post Dominicam > Cantate" in 
Mayo et synodo quae in festo Remigii proxime subsequentis 
similiter quotannis celebratur. Et expensarum ac curialitatum 
omnium et singularum, per me ratione jurisdictionis hujusmodi 
quomodolibet factarum et solutarum, similiter tertiam partem 
solvam ; praedicti vero domini [habebunt] reliquas duas partes, 
deducendas easdem a summa receptorum capitali, quam in dictis 
terminis in computu coram dictis dominis pro dictis terminis 
reducam. Praeterea si contingat me mori durantibus adhuc dictis 
sex annis condictum est et conventum quod heredes et executores 
mei per aliquem presbyterum idoneum hujusmodi jurisdictionem 
pro mensibus anni, in quo mortuus fuero, restantibus dumtaxat 
et non ulterius exerceri facient, onera supplebunt et duas partes 
emolumentorum et proventuum, ut supra dictum est, deducta 
pro rata tertia parte expensarum solutarum dictis dominis, decano 
et capitulo, solvent. Insuper in casibus per dominos decanum 
et capitulum ac praepositum pro tempore in praedicta, inferius 
inserta scedula, reservatis ego et per me nominandus nihil 
immutari aut attentari fieri procurabimus, aut immutabimus, 
attentabimus seu innovabimus, nisi de ipsorum dominorum 
decani et capituli ac praepositi praedicti expressa licentia el 
concensu speciali. Quae omnia et singula praemissa et eorum 
quodlibet, necnon articulos super exercitio jurisdictionis hujusmodi 
confectos, praementionatos, in singulis eorum punctis et articulis 
ad sancta Dei evangelia, tactis corporaliter scripturis sacrosanctis, 
juro fideliter adimplere et observare. In quorum omnium et 
singulorum fidem et testimonium praemissororum presentes 
litteras hujusmodi manu mea propria subscripsi et signavi, ac 
proinde venerabilem et eximium virum dominum Rodolphum 
Straetmans, canonicum beatae Mariae Trajectensis, rogavi ut has 
meas litteras subscribere quoque et suo sigillo dignaretur sigillare. 
Quod ego, Rodolphus Straetmans, rogatu et intuitu dicti 
domini Joannis Gruwelii, libenter feci ac praesentes litteras 
signavi ac sigillum meum praesentibus appendi. Datum anno 



241 

Domini millesimo quingentesimo sexagesinio sexto, die vero 
sexta mensis Septembris. Tenores vero commissionis praedictae 
mihi factae necnon scedulae articulorum super exercitio juris- 
dictionis hujusmodi confectorum sequuntur per ordinem, et sunt 
tales : »Decanus et capitulum ecclesiae metropolitanae Trajectensis 
ac Joannes de Wede" etc, ut supra latius in instrumento 
delegationis praepositurae est videre, 

Oud-archief vatt den bisschop van Haarlem, Kopieboeck I. 



BIJLAGE VII. Zie boven bh. 221. 



1566, September. 

Cijns welke, ie beginnen met sint Remigius (i October) ijóó, 
gedurende de eerstvolgende zes jaren zal moeten opgebracht worden 
voor het uitoefenen der jurisdictie in de proosdij van Westfriesland. 

In primis capitulum dabit commissionem honorabili domino 
Johanni Gruwelio hujus sexennii sequentis, idque sub legali 
computu quem idem dominus Joannes quotannis reddet de omnibus 
et singulis emolumentis et proventibus jurisdictionir praepositurae 
praedictae, de quibus emolumentis idem dominus joannes habebit 
unam tertiani et dominus decanus et capitulum habebunt reliquas 
duas tertias. 

Item dominus decanus et capitulum habebunt optionem 
singulo quoque anno arrendae praedictiae revocare (si placitum 
ipsis fuerit) antedictam conmissionem, sicuti et ipse dominus 
Joannes Gruwelius eidem commissioni poterit renuntiare, salvo 
quod et dicti domini et idem dominus Johannes idipsum dimi- 
diato anno cuilibet prius respective huic inde tenebuntur intimarc. 

Item dabit etiam dictus dominus Johannes singulis anno in 
Quadragesima domino decano Trajectensi: twee goede stroeyty'^) 
buckens. Item notario et nuncio capituli, cuilibet: een half 
stroeyty buckens. 

Similiter solvet quotannis in festo Remigii praeposito West- 
frisiae el notario capituli, cuilibet, unum nobile aureum Angliae 
cum rosa vel quatur florenos cum dimidio pro quolibet nobili. 



i) Stroe: bepaalde inhoudsmaat (Verdam, Middelnederlandsch 
Woordenboek). 

16 



242 

Et ex his omnibus solvet idem decanus tertiam partem et 
reliquas duas partes antedicti domini decanus et capitulum. 

In cujus rei testimonium ego, Johannes Gruwelius, huic 
scedulae manu mea subscripsi. 

Sic er at subscriptum . Gruwelius subscripsi. 

Otid-archief van den bisschop -van Haarlem. Kopie-boeck I. 



BIJLAGE VIII. Zie boven blz. 223. 



1571, Aug. 20, Utrecht. 

Stneekschrift van het Domkapittel om 's konings placet te ver- 
krijgen op het infien van een jaargeld, aan het Domkapittel toe- 
gelegd ter vergoeding van '/ verlies der jurisdictie in Westfriesland. 

Copie. 

Aan den Coninck, 

Geven in alder oetmoet te kennen uwe majesteits onder- 
danighe, die heeren deecken ende capittele van de metropolitaen 
kercke binnen uwe majesteits stadt Utrecht, hoe dat het beliefFt 
heeft die heylicheyt van paus Pius quartus in den jaer 1561 i), 
quinto Idus Martii, hemlieden supplianten ofte haerlieden kercke 
uuyt sijn rechter wetenschap, absolute macht ende pure libe- 
raelheyt te reserveren opde taeffelgoederen, vruchten ende 
incomen van 't bisdomme van Haerlem een jaerlicxe pensie 
van drie hondert ducaten de Camera 2), ende dit in recompensie 
van de episcopael jurisdictie van Westvrieslandt, die den sup- 
plianten competeerden ende sijn heylicheyt by de bulle van 
erectie van 't voorsegde bisdomme van Haerlem hem supplianten 
afïgenomen en 't vorsegde bisdomme geappliceert hadde, welcke 
reservatie geschiet is by voorweten van uwe majesteit ende 
die hoocheyt van de hartoghinne van Parma, doen regente 
van dese landen, die deselve alsulcx by sekere haerlieden acten, 
déén van date den 23 Octobris anno 1561 ende dander van 
date den lesten January anno eodem, geapprobeert ende goet- 
gekent hebben, gelijck blijckt by de copie van deselve acten 



1) Er staat, volgens Paaschstijl gerekend: 1560. 

2) Zie Brom, Archivalia in Italië I', 397. 



243 

hierbij gevoucht. Ende so die eerwaardige heere, heer Nicolaus 
de Nova terra, yerste bisschop van Haerlem, hemlieden sup- 
plianten in haerlieden oude possessie van de voorsegde jurisdictie 
gelaten heeft tot date van sijn afFganck toe, so en hebben die 
supplianten die voorsegde buUe van reservatie van voorsegde 
pensie nyet te werck gestelt; mer also het belieft heeft die 
eerwaardige heere heer Godefroy van Mierlo, jegenwoirdich 
bisschop van Haerlem, die voorsegde jurisdistie volgende de 
voorsegde incorporatie en bullen van erectie (so hy seyt) te 
anveerden, so sal hem supplianten van node wesen die voor- 
segde bulle van reservatie ter executie te stellen ; mer, also 
sy des nyet en vermoghen sonder te hebben uwe majesteits 
brieven van placet, so ist dat sy supplianten oetmoedelick 
versoucken dat uwe majesteit gelieve hemlieden op de voor- 
segde bulle, hier aangehecht, te verlenen brieven van placet 
in behoerUcke forme, Tselve doende etc. 

/« margiiie: Attendue la qualité de la cause soit monstré 
a l'óvesque de Haerlem, pour y dire ceque bon luy semblera, 
avant que ordonner sur Ie placet. Le 23 d'Aoust 1571. Le dit 
évesque satisfera a ceque dessus en dedens quinze jours de 
l'insinuation péremptoirement. Soubsignc : J. de la Torre. 

Archief vati den Dom. Rijksarchieven in de provincie Utrecht, 
D, 699XX. 



BIJLAGE IX. Zie boven blz. 223. 



1571, Oct. 3, Haarlem. 

Advies van Godjr. v. Mierlo op voorgaand stneekschrift^ hem 
ter beantwoording van den Geheimen Raad toegezonden. 

Copie. 

Om me uyten name en van wegen heer Godefroy van Mirlo, 
bisschop tot Harlem, cortelijck te seggen op seekere requeste, 
in coninklijk majesteits secreten raide vanwegen die heeren 
deecken ende capittele van de metropolitaen kercke van 
Uuytrecht overgelevert, waerinne de supplianten versoecken 
sijn coninklijk majesteits brieven van placet, omme alsnu ter 
exercitiën doen stellen seeckere pretense pauselijcke bulle van 
reservatie van een excessive pensie van 300 ducaten de Camera, 



244 

al in den jaere 1561I) den [11 Maart] geexpedieert, die sup- 
plianten zouden begeren te genyeten uuyt het bisdom van 
Hairlem ter causen dat den supplianten die jurisdictie van 
Westfrieslant eertijts by der pausselijcke heylicheyt benomen 
ende aen 't voirnoemde bisdom geappliceert is : seydt de ge- 
requireerde dat de voirsegde gepretendeerde pensie duer ver- 
scheyden middelen immers voir desen tegenwoirdigen tijt 
geensins en behoort geexecuteert te wordden, lerst gemerckt 
deselve, als succederende in de plaetse van de prouffijten die 
de supplianten eertijts plagen te genieten, excedeert dieselve 
nyet alleenlijck twee, dry, jae acht, tien ofte meermael, soe 
de gerequireerde verstaet deselve jurisdictie eertijts by den 
supplianten in perpehiam arrendai?i 2) uuytgegeven te sijn voer 
de somme van twintich out schilt jaerlicx oft daeromtrent, 
waertegens de supplianten voer recompensie pretenderen te 
moegen genieten 300 ducaten, welke immers en in alle gevalle 
te seer excessive is. Ten anderen soo staet te noteren dat de 
pretense assignatie van recompensie geschiet soude sijn in den 
jaere 15618), den [11 Maart], nae welcke tijde by 't heylige 
concilium van Trenten geordonneert is dat die boeten ende 
bruecken geappliceert soude werdden püs usibiis vel pauperibus 
loei, dair dieselven vallen sullen *) ende dat institutiones bene- 
ficiortwi, sonder yet dairvan te genyeten, gegeven behooren 
te werdden, decernerende dat degene ter contrariën dede ver- 
vallen souden sijn in de penen contra simoniacos, nae rechten 
gestatueert, Ende gemerckt van de voirder administratie van 
de jurisdictie, so veele ofte meer lasten comen als dair 
prouffijten uuyt souden mogen wijsen, en kan de gerequireerde 
nyet verstaen datter eenige prouffijten nu tegenwoirdich te 
verwachten sijn uuyt d'administratie van de voirnoemde juris- 
dictie, maar schaede. Soo dan de supplianten, bij alsoo verre 
sijlieden selffs de voernoemde jurisdictie administreerden, nae 
vermoegens die decreten van 't heylige concilie van Trenten 
ende oock nae sententie van den geleerden der heyligen 
schriftueren egeen merckelijck prouffijt ende souden kunnen 



i) Er staat, volgens Paaschstijl gerekend, 1560. 

2) Arrenda = census annuus (Ducange, G/ossariufn, Niort 1883). 

3) Er staat volgens Paaschstijl 1560. 

4) Cond. Ttid. Sesso XXV, de reform, c. 3. 



245 

genieten uuyt de voirnoemde administratie, en is oeck geen 
reden ofte billicheyt conform dat ter oirsaeken van dien hem- 
lieden eenich recompens geaccordeert soude worden. Sulcx 
dat, nae dyen de qualitee van de saecken geheelijcke ende 
notoorlijcke verandert is sedert de expeditie van de voirsegde 
buUe ende dese nu dairop versaeckte executie, als geleden 
wesende meer als thien jaeren, ende dat midler tijt 't heylige 
concilie van Trenten de voersegde vercleringe gedaen heeft, 
dewelcke by de tegenwoirdige pausselijcke heylicheyt de ge- 
requireerde verstaet nyet alleenlijcke geconfirmeert maar oick 
noch tot stricter observantie van dien vercleert te zijn, ende 
dyens volgende gemerckt dat de gerequireerde egeen prouffijt 
ter werelt en verwacht uuyt de voernoemde administratie maer 
seekere schade, begerende ad unguem te observeren 't gene 
by 't voernoemde concilium gestatueert is, ende dat de sup- 
plianten, observerende de voornoemde decreten ende vercleringe, 
egeen prouffijten genyeten en zouden, alwairt saicke de voir- 
noemde jurisdictie hemlieden nyet aftgenomen en waire, sulcx 
dat se alsnu (cesserende ipso facto de prouffijten) egeen schaede 
of interest en lijden, wairop eene recompensie gefondeert soude 
mogen sijn: concludeert daeromme ende uuyt redenen alhier 
geraect, ende bij mijn heeren breeder toverwegen, die ge- 
requireerde ten fijne de supplianten hairlieden versochte brieven 
van placet sullen werdden ontseyt, aenschou nemende dat: die 
nyet en ontfanct ende nyet ontfangen en mach, consequente- 
lijcke nyet geven en kan. 

Opte marge stont aldus : Soit raonstrc a partie pour réplycquer. 
Faict a Bruxelles Ie 3 d'Octobre 1571. Soubsigné : J. de la Torre, 

Archief van den Dom. Rijksarchieven in de provincie Utrecht, 
D, 699XX. 

BIJLAGE X. Zie boven bh. 22^. 



1571, Oct. 26, Utrecht. 

Antwoord van het Domkapittel op het advies door Godfr. v. 
Mierlo, in zake het jaargeld verstrekt. 

Copie. 
Omme cortelick uyt den name ende van wegen die heeren 
domdeeken ende capittele van de metropolitaenkerke binnen 
Uytrecht, supplianten, te repliceren op secckere frivole antwoordt 



246 

den coninklijke majesteit ofte die van zijne majesteits secreten 
raide geexhibeert van wegen den eerwaarden heere ende vader 
in Gode, heer Godefroy van Mierlo, bisschop tot Haerlem, 
gerequireerde, volgende d'apostille gestelt opte marge van 
voirsegde antwoirde in date den 3 Octobris anno 71 : seggen 
die suppUanten dat alle die middelen by den gerequireerde 
geallegeert tot deser saecken geheel impertinent zijn, so die 
supplianten alhier nyet en versoucken dan brieven van placet 
daerby hemlieden toegelaten soude worden haerlieden provisie 
apostolijcke van de pensie van drie hondert ducaten te werck 
te mogen stellen. Ende en cunnen die supplianten nyet verstaen 
eenige saecke ofte redenen waeromme heurlieden zulcx zoude 
behoiren geweygert te worden ; noch en wert by de gerequireerde 
te dyen eynde nyet een middel geallegeert ; gelijck als in der 
waerheit oeck alle die redenen, waeromme die brieven van 
placet op provisïen apostolijck geimpetreert moeten worden, in 
dese zaicke cesseren, overmits dat die reservatie van de voirsegde 
pensie geschiet is by voerweeten van zijne majesteit. Ende 
alzulcx heeft oick de hertoginne van Parma, eertijts regente 
van dese zijne majesteits Nederlanden, ende zijne majesteit 
zelver, by de acte in der supplianten requeste angetogen, de 
voersegde pensie ende bulle ofte provisie apostolijcque ex- 
presselick genouch geapprobeert. 'T en doet nyet dat die ge- 
requireerde will seggen : dat dese pensie verre soude excederen 
die prouffijten die van de voirsegde jurisdictie comen zouden, 
soe 'tselve geen reden is omme 't versoechte placet te beletten, 
maer soude alleenlijck dienen ten principale omme die reservatie 
van de pensie te doen casseren ofte reduceren, daervan die 
kennisse soude vallen voer den executeur van de voirsegde 
bulle ofte andere geestelijcken rechters, alhoewel die supplianten, 
indien het noot dede, wel souden verhopen te verthoinen dat 
die voersegde allegatie irrelevant zoude wesen, so overmits dat 
die reservatie gedaen is : motu proprio, ex mera pontificis 
liberalitate et ex plenitiidine potestatis ejtisdem, zulcx dat alhier 
(gemerct die pauselijcke heyliche}! absolute macht heeft om 
vryelick oeck sonder eenighe saecke van alle beneficiën te 
mogen dispolieren ende den possesseurs van dien, eosque 
episcopos, te mogen afstellen ende priveren) nyet van noode 
es van eenige vordere saecke te verthonen. Ende [so] de 
voersegde bulle oeck geen mentie en maeckt van de grote 



247 

ofte cleynheyt van de vruchten van de jurisdictie van West- 
frieslandt noch van de valeur van dien, mer alleen naectelick 
van de jurisdictie, dewelcke, alsoe de gerequireerde nyet en 
can ontkennen, den supplianten loegecomen te hebben, so 
volcht dat dallegatie van de cleynheyt van prouffijten van de 
voersegde jurisdictie ganschelick alhier ondienstelick is. Te 
meer dat die vruchten van de taeft'elgoederen, daerop die pensie 
geassigneert is, souffisant genoich zijn omme deselfde pensie 
te mogen dragen, ende dat na rechten in assignanda pensione 
geen regard genomen ^ox\ super valore beneficii quod dimittitur, 
sed super valore beneficii quod gravatur, ne videlicet pensio 
excedat vel tertiam vel dimidiam partem fructuum beneficii 
gravati. Ende en sijn die emolumenten van de voersegde 
jurisdictie so cleyn nyet als die gerequireerde die maect, ende 
die supplianten wel souden contrarie doceren, evenverre het 
noot ende alhier nyet impertinent en waere. Nijttemin genomen 
die emolumenten van de voirsegde jurisdictie nyet meer en 
waren dan die lasten, so souden die supplianten dieselve liever 
begeren te behouden dan te hebben die pensie van drie hondert 
ducaten, so overmits den ouderdom ende lanckheyt des tijts 
dat die aen der supplianten kercke geweest is, alsoeck overmits 
die digniteyt ende eere, so zy in Westfrieslandt hebben epis- 
copael jurisdictie, dat men nyet en zall bevinden eenige kercke 
metropolitaen ofte cathedrael in dese lande te hebben, ende 
zouden zij, supplianten, wel tevreden zijn haere jurisdictie te 
behouden ende den gerequireerde van voersegde pensie onge- 
molesteert te laten. Ontkennende mitsdien het voorstel van 
gerequireerde ende dat die pensie soude succederen in de 
plaetse van prouffijten van de voirsegde jurisdictie, so in de 
bulle daervan geen mentie gemaect wert, maar is deselve ge- 
assigneert ex tnera liberaliiate pontificis, als boven breder 
geseyt is. Ende om redenen voersegd is impertinent dallegatie 
van 't concilium van Trenten ende dapplicatie van kueren ende 
bruecken etc. Ende nopende 't poinct van de institutiën van 
de beneficiën : seggen die supplianten dat zy by 't concilium 
nyet en bevijnden gestatueert dat die voersegde institutiën gratis 
gegeven souden moeten worden, ende daeromme verstaen zy 
dienaengaende te mogen gebruycken alsulcke gerechticheyt als 
zy van outs gehadt hebben, welcke gerechticheyt sy supplianten 
alleen nyet en souden willen ontbeeren voer de voerscreven 



248 

drie hondert ducaten, nyet om die prouffijten die van de 
institutiën zouden mogen comen (die nochtans nyet cleyn en 
zijn), maar omme die collatie, die de supplianten doerdien 
jure devoluio ende andersins hebben, daermede zy haerlieden 
choralen ende andere schamele dienaers ende priesters van haer- 
lieden kercke connen versien. Ende zooveel betreft die schade 
die de gerequireerde wel seggen, dat in de administratie van de 
voersegde jurisdictie gelegen zoude zijn : seggen die supplianten 
dat zy tevreden zijn dienaengaende te verwachten 'tgene van 
de voersegde jurisdictie souden mogen comen, 't sy schade ofte 
prouffijt \ syn oeck tevreden dieselve te regieren nae uuytwijsen 
van 't concilium van Trenten, ende hebben sulcx noch al veel 
liever te doen dan te lichten die voersegde pensie. Sulcx dat 
geheel vreemt is: dat die gerequireerde, indien hy hem by de 
assignatie van de voersegde pensie so seer beswaert vijndt, als 
hy hem aenneempt, dat hy den supplianten by haerlieden 
jurisdictie nyet en laet blijven, gelijck zijn voersaeten gedaen 
hebben, so hy in sulcken gevalle ontlast zall zijn nyet alleen 
van de costen maer oeck van de moeyten. Ende en can die 
gerequireerde nyet clagen: dat die qualité van de saecke ver- 
andert soude wesen sedert den date van de reservatie vande 
voersegde pensie, gemerct, als voersegd is, in de reservatie 
van de voersegde pensie gheen regardt genomen en is op den 
valeur ofte weerde van de voersegde jurisdictie, mer is dieselve 
reservatie, gedaen : ex pura liberalitaie, ?noiu proprio et pleni- 
iudine potestatis pontificiae, quas clausulas necesse non fuisset 
adjicere, si pontifex voluisset tantum justa ex causa constituere 
pensionem vel si in dicta constitutione respecium habuisset 
tantum ad emolumenta ex dixta jurisdictione provenientia, 
gelijck als dit 't sijnen tijd breder gededuceert sal worden. 
Ende also by de voersegde clausulen omfie vitium surreptionis 
et obreptionis ewech genomen wert, so verhopen die supplianten 
dat uwe majesteit hemlieden van haerluyder gerechticheyt sal 
laten genieten; daeromme dat zy persisteren by haerlieden 
requeste ende versouck daerinne gedaen. 

Opte margine stont aldus: Soit monstré a partie pour 
dublicquer. Faict a Bruxelles Ie 26 Octobre 1571. 

Et soubsigné: I. de la Torre. 

Archief van den Dom, Rijksarchieven in de provincie Utrecht, 
D 699XX. 



GESCHIEDENIS VAN LANGERAAR NA DE 
REFORMATIE. 

Vervolg van Deel XXXV, blz. 114. 



Bij het samenstellen der geschiedenis van de parochie 
Langeraar na de Reformatie is mij gebleken, dat én 
de Batavia Sacra én het Kerkarchief, grootendeels door 
Pastoor Burgmeijer, oud-kapelaan van Langeraar, op- 
gesteld, nogal onjuistheden bevatten en niet zeer volledig 
zijn. De onnauwkeurigheden bestaan grootendeels daarin, 
dat men de geestelijken, die hier in de i"]^^ eeuw zijn 
werkzaam geweest, zonder onderscheid pastoor noemt, 
en daardoor is eene hopelooze verwarring van jaartallen 
ontstaan. 

Abraham van Brienen en zijn medehelpers 
(I628— 1640). 

In ieder geval is zeker en boven allen twijfel, dat 
Abraham van Brienen de eerste pastoor was, die 
hier na de Reformatie werkzaam is geweest. Hij kwam 
er echter niet na 1631, want hij werd door den Vicarius 
generalis Jacob Bolius, die 26 Augustus 163 1 stierf, als 
pastoor naar Langeraar gezonden. Maar hij kan ook 
niet veel vroeger zijn gekomen, want hij was in het 
begin der zeventiende eeuw geboren. Zijn leeftijd in 
aanmerking genomen, mogen we met reden veronder- 
stellen dat hij tusschen de jaren 1628— 163 1 hier pastoor 
geworden is. 



250 

Abraham van Brienen was te Utrecht geboren (Batav. 
Sacra, p. II, p. 127 en p. 276. Rhijnl. Oudh., blz. 223. 
Hist. ofte Beschr. v. 't Utr. Bisd., D. I, blz. 330—331). 
Van jongs af gaf hij blijk, niet alleen van een vroolijken 
en levendigen aard, maar ook van waarachtige deugd 
en zeldzamen aanleg. Zijne ouders lieten hem eerst zijn 
lagere studies voltooien en zonden hem vervolgens naar 
het Hollandsche Seminarie te Keulen, waarvan toen de 
beroemde Leonardus Marius president was. Hij studeerde 
daar te zamen met zijn vriend en lateren buurtpastoor, 
den bekenden herder van Oud-Ade, Antonius van der 
Plaet ; en zij beiden, evenals Reynier Coopman, die 
naderhand zijn buurtpastoor in Leiden werd, behoorden 
tot de uitstekendste studenten. Gaarne hadden de 
Dominicanen aldaar, die zijn zeldzamen aanleg be- 
speurden, hem evenals Antonius van der Plaet in hun 
orde opgenomen, en het schijnt, dat de jeugdige student 
reeds besloten was tot dien stap, toen Marius hem wist 
te overtuigen, dat hij beter deed zich naar het moeielijke 
arbeidsveld te begeven, dat hem in het ongelukkige 
vaderland wachtte. 

Na priester te zijn gewijd, keerde hij naar Holland 
terug en kwam, nog geen dertig jaar oud, als pastoor 
te Langeraar. Hier vond de jeugdige, vurige priester 
een werkkring naar zijn aard ; hij moest de geloofs- 
waarheden onderwijzen aan eenvoudige, godvreezende 
lieden, die meer dan veertig jaren ^) geen priester aan 
hun hoofd hadden gehad. Hij moest voorzichtig zijn, om 
niet door al te vurig ijveren uitgewezen te worden door 
de waakzame Staten. Als een goede herder ging hij 



1) Uit het Arc/i. voor de Gesch. v. h. Aartshisd. Utrecht, Dl. XL, 
afl. I blz. 170 blijkt, dat in 1575 het pastoraat van Langeraar vacant 
was, zoodat de inwoners elders huwelijken moesten laten inzegenen. 
Of na 1575 nog een pastoor de zielzorg uitoefende, is mij niet bekend. 



251 

zijne parochie rond. „His Brienius eorum Pastor cannabum 
Brumali tempore ad ignem decorticantibus ac purganti- 
bus, Jesu Christi praecepta ex Evangelie vitisque Sanc- 
torum praelegere erat sollicitus", Bat. Sacr., p. II, p. 128. 
Hoe teekent dit zinnetje den edelen man ! 

Hij had in deze parochie nog een medehelper 
Franciscus Eelckens (Bat. Sacr., p. II, p. 276 en 
p. 240 — 241). Deze was ouder dan de pastoor en om- 
streeks 1590 te Amsterdam uit vermogende ouders 
geboren. Eerst had hij te Keulen en later te Leuven 
onder Jansenius de theologie gestudeerd. Daarna had 
hij zich naar Parijs begeven, om drie jaren later naar 
zijn vaderland terug te keeren. In 1626 zond Rovenius 
hem om te Langeraar, Korteraar en andere naburige 
plaatsen de geloovigen bij te staan. Hij is hier geen 
pastoor geweest, want zooals uit de andere bronnen 
eenparig blijkt, was Van Brienen de eerste. Of hij later 
kapelaan was bij Van Brienen, valt moeilijk te zeggen. 
Waarschijnlijk trad hij hier op als een medehelper, 
die reeds goed bekend was met den toestand der Veen- 
parochies en wiens hulp door den jeugdigen pastoor 
gaarne werd aanvaard. Eelckens was een vroom priester, 
die vooral eene groote godsvrucht had tot het goddelijk 
Kind Jezus. Op zijne kamer stond een kribbetje, waarin 
een gekleurd gipsen Christuskindje rustte, en daar voor 
knielde de eenvoudige man dikwijls neder in gebed. Tot 
1640 bleef hij hier werkzaam en in dat jaar, waarin Van 
Brienen vertrok naar Utrecht, verliet ook hij de parochie 
om zich naar Leiden te begeven, waar hij als de eerste 
pastoor der Waalsche parochie werd aangesteld. Zijne 
verdere lotgevallen zijn te lezen in de Bijdr. v. h. bisd. 
Haarlem, D. II, blz. 105—107. Na nog pastoor te zijn 
geweest in den Haag en na hevige vervolgingen te 
hebben doorgestaan, is hij eindelijk in 1^7 Superior van 



252 

het Leuvenschc College geworden en ten slotte over- 
leden in een tweede door hem te Brussel gesticht 
College 30 April 1665. Hij was Baccalaureus in de 
Godgeleerdheid, priester van het Oratorie en mede- 
helper van den Vicarius Apostolicus. 

Behalve door dezen Eelckens werd Van Brienen ook 
nog bijgestaan door Cornelius van Wijckerslooth 
(Bat. Sacr., p. II, p. 276. Arch. v. h. Aartsbisd. Utr., 
D. XII, blz. 204 en Descriptio Staties in 1638 door Jac. 
de La Torre, Abrah. v. Brienen en Nic. Heynst opgesteld). 
Deze was evenals de pastoor, in Utrecht geboren en 
Baccalaureus in de godgeleerdheid. In 1640 volgde hij 
Van Brienen als pastoor op, zooals wij later zullen zien. 

De oude kerk van de parochie (gelegen midden in 
het dorp Are en wel in het daartoe behoorend gehucht 
„Kerkbuurt") was sedert 1586 ongeveer, in handen der 
Protestanten ; en de geloovigen kwamen in alle stilte in 
boerenschuren te zamen. Abraham van Brienen bouwde 
in Langeraar naast de woning van Thymen Corss. 
Volck eene pastorie, die met voornoemde woning door 
eene donkere gang was verbonden en die twee studeer- 
kamers en vele andere kleine kamertjes bevatte. Be- 
neden bevond zich eene ruime kelderkamer, waar men 
de H. Mis kon hooren. Hooger gelegen was er nog een 
klein vertrek. Wij weten, dat de Katholieken geene 
kerken mochten bezitten en daarom vergaderden zij in 
het huis van den pastoor en op andere plaatsen in het 
dorp. Feitelijk was ook dit verboden, maar oogluikend 
stonden de Baljuws en Schouten veel toe wat eigenlijk 
tegen de Plakkaten der Staten was. Waarschijnlijk 
eveneens door Van Brienen, was er te Korteraar een 
schuurhuis tot Kerk ingericht (patrones de H. Maria). 

De woning van Thymen Corss. Volck en de pastorie 
waren gelegen op de tegenwoordige kerkwerf ter plaatse 



253 

ongeveer, waar zich nu de pastorie en de oude pastorie 
bevinden. De Katholieken bezaten echter nóg eene ver- 
gaderplaats, zooals blijkt uit eene oude beschrijving der 
kerkgoederen, ten gemeentehuize aanwezig. Deze lag 
buiten de bedijking van den Wassenaarschen polder en 
was naar alle waarschijnlijkheid het eerste huis van de 
lange rei woningen aldaar, op de plaats dus, waar 
tegenwoordig een huis staat toebehoorend aan de kerk 
en gelegen naast de boerenwoning van den Heer P. van 
Rijn. De pastorie lag in de bedijking van genoemden 
polder. De oude vergaderplaats bevond zich ten jare 
1720 tusschen de woningen van Piet Claasse en Roelof 
Cornelisse. 

Er waren in Langeraar veel Katholieken en mogen 
er allicht enkelen tijdens de vervolging zijn afgevallen, 
verreweg het grootste deel was aan het oude geloof 
getrouw gebleven. Het waren eenvoudige en brave 
lieden, die met den grootsten eerbied bezield waren 
jegens de priesters, die zooveel gevaren getrotseerd 
hadden om hen bij te staan. In de Bat. Sacr., p. II, 
p. 128, worden bijzonderheden medegedeeld die onge- 
loofelij k zijn. Langeraar behoorde tot de parochies, 
waar volgens de Descriptio Status bovenvermeld, een 
vurige ijver heerschte onder de geloovigen, vele ketters 
bekeerd werden, en men zoo veelvuldig tot de H.H. 
Sacramenten naderde, dat de priesters van den vroegen 
morgen tot den laten avond bezig waren, 

Jac, de La Torre zegt dan ook, dat vreemdelingen 
zich hier in de eerste dagen van het Christendom 
terugwaanden. Geen wonder, dat Van Brienen en zijne 
medehelpers het zoo druk hadden. Hunne werkzaamheid 
strekte zich uit over de dorpen Ter Aer (Langer-Aer, 
Corter-Aer en Kerkbuurt), Bilderdam, Vriesecoop en 
Nieuwveen. Hier in Ter Aer waren meer dan 300 katho- 



254 

lieke huisgezinnen, allen vurig gehecht aan den Roomschen 
godsdienst. Nog kort voor 1638 waren er 1500 katho- 
lieken op één dag door den Apost. Vicaris gevormd, 
en het jaar te voren door Rmus D. Gaspar Munsterus, 
Episc, Aereliopolitanus, wijbisschop van Osnabrück, met 
toestemming van den Vicaris, een bijna even groot 
aantal {Descriptio Status). 

In 1637 vertrok Van Brienen met Jac. de La Torre, 
aartsbisschop van Ephese, naar Rome om daar een 
coadjutor voor Rovenius te vragen. Hij maakte van die 
gelegenheid gebruik om in de Sapientia het doctoraat 
in de godgeleerdheid te verwerven en werd tevens tot 
Protonotarius Apost. benoemd. 

Wachtelaer was uit Utrecht verbannen, en wie kon in 
1640, beter het gemis van dezen voortreffelijken man 
vergoeden, dan de vrome en geleerde Van Brienen. Hij 
werd Assessor der Vicarissen en later Provicarius van 
den Vicarius Apostolicus Joannes van Neercassel. In 
1655 begaf zich Van Brienen voor de tweede maal 
naar Rome, nu om daar voor Jac. de La Torre een 
coadjutor te vragen. Hij zelfwas onder de acht candidaten 
als de voornaamste aan Alexander III voorgesteld. 
„Abrahamus Brienen, Ultrajectensis, Pastor in Civitate 
Ultraj. S. T. Doctor, rerum agendarum industrius, 
excellens Verbi Dei praedicator, pius et doctus, aetatis 
50 annorum." 

Lange jaren is Van Brienen werkzaam geweest te 
Utrecht aan de St. Gertrudiskerk en toonde zich behalve 
een apostolisch werker, ook een uitstekend predikant. 
Onder den schuilnaam van Abraham van der Mat heeft 
hij verschillende meditaties in het Nederlandsch ge- 
schreven, over den Advent, over het Lijden van Christus, 
over het Allerheiligste Sacrament, over Gods tegenwoor- 
digheid. Van 1670 — 1709 zijn deze werkjes met prenten 



255 

opgesierd uitgegeven te Leiden, Utrecht en Haarlem ^). 
(Vgl, Relatio seu descriptie status religionis catholicae 
in Hollandia etc, quam Romae collegit et exhibuit 
Alexandro III et cardinalibus Congregationis de Prop. 
Fide. Jacobus de La Torre. Rel. Sept. anno 1656: Zie 
Archief voor de Gesch. v. h. Aartsbisd. Utrecht, D. X, 
p. 199 — 200 en D. XII, p. 204). 

Cornelius van Wijckerslooth (1640 — 1650). 

Bij het vertrek van Abraham van Brienen volgde 
zijn kapelaan Van Wijckerslooth hem op. In het raad- 
huis van Ter Aar bevindt zich een papier, waarop het 
volgende te lezen staat. 

„Op den negenden dag October zestien honderd een 
en veertig, compareerde voor Barteolomeus Corse van 
Svvanenburg, gesubstitueert scoute, Baene Crijnens en 
Mateys Gijsberts Medenblic, scepene in den Ambagte 
van der Aer, Mr. Cornelis van Wijckersloot, rooms 
priester, onser inwoonder, en heeft zich volgens 't placcaet 
van de Hoogmog. Heeren Statengeneraal der vereenigde 
Nederlanden van den 3oen Augustus zestien honderd 
een en veertig laten aenteyckenen, verclaert geen Jesuit 
te wesen, en gerne als een vrijer man te willen ge- 
dragen. Aldus gedaen ten dage en jare als boven. 

Ter kennisse van mij selve 
J. Stouthandel." 

Het was onder dezen pastoor, dat Sebastiaan Francken, 
ordinaris-raad van het Hof, een bezoek bracht aan 
Langeraar om er te onderzoeken in hoeverre de plak- 



l) Zie Catalogus v. d. kandsch. en boeken van het bissch. museum te 
Haarlem door B. Kruitwagen O.F.M. N. 256, 261 — 64, 320—22. 



256 

katen overtreden werden. Hij onderzocht eveneens te 
Korteraar. Dit belangrijk stuk, dat zeer juist den toestand 
der parochie in die dagen laat zien, en hoe men inder- 
daad hier tamelijk groote vrijheid bezat, zullen we niet 
mededeelen. Het is te lezen in de Bijdr. van het Bisd. 
Haarlem, D. VII, blz. 340 en volg. De heer Cornelius 
van Wijckerslooth stierf hier 17 Dec. 1650. De Bat. 
Sacr., p. II, p. 276 begaat eene fout als zij zegt, 
dat Corn. van Wijckerslooth als pastoor van Stompwijk 
overleed. Die pastoor is een andere. Bat. Sacr., p. II, 
p. 267 zegt dan ook veel juister in tegenspraak met 
p. 276, dat hij vóór 165 1 overleden was. 

Hij had als kapelaan Cornelius Schaick, die 
het ook kan geweest zijn bij Abr. van Brienen, maar 
het is niet waarschijnlijk. Deze had immers reeds Eelckens 
en Van Wijckersloot als medehelpers en het is niet 
aan te nemen, dat hier vier priesters tegelijk werkzaam 
waren. Cornelius Schaick was evenals zijn pastoor 
Utrechtenaar van geboorte en Baccalaureus in de god- 
geleerdheid. Later is hij lange jaren pastoor geweest in 
Voorschoten, waar hij reeds in 1652 was en 29 Oct. 1669 
overleed. {Bat. Sacr., p. II, p. 276 en 281). 

Ook was hier in bediening Abraham Stouthandel, 
omstreeks 1622 te Korteraar geboren. Bat. Sacr., p. II, 
p. 128 begaat eene vergissing, als ze zegt, dat Van Brienen 
aan hem en Eelckens de parochie overliet bij zijn ver- 
trek, want hij was toen nog veel te jong. In 1643 
bevond hij zich hier ook niet, want anders zou Dominé 
Vergerus hem wel aan den bovengemelden ordinaris- 
raad Francken hebben opgegeven. Het is ook uit het 
geheele verslag duidelijk, dat hier te dien tijde slechts 
één priester was. Pastoor is hij hier evenmin geweest, 
zooals uit de jaartallen der pastoorsopvolgingen blijkt. 
Dus medehelper. Hij stierf 24 Juli 1652 dertig jaar oud. 



257 
Henricus van der Graft (1651 — 1661). 

Wij zullen het leven van dezen beroemden en edelen 
priester, die als Landdeken van Rhijnland op zijn 
buiten te Warmond ten jare 1694 stierf, niet in den 
breede bespreken. Het is overbekend, (Bat. Sacr., p. II, 
p. 266 — 269 en p. 276. Arch. v. d. Gesch. v. h. 
Aartsb. Utrecht, D. X, blz. 199 — 200. Rhijnl. Oudheden, 
p. 323 — 324 en 262. Jaarboekje voor Katholyken, 
1847). Deze leidde in Langeraar een streng en ver- 
storven leven, dronk geen wijn en at geen vleesch. 
Beproevingen werden hem allerminst bespaard. Hij 
werd onderweg bespot, gedreigd en zelfs mishandeld. 
Men trachtte hem in het water te doen vallen, door de 
balken onder de brug weg te trekken. Maar hij schonk 
vergiffenis aan de schuldigen, toen deze ontdekt werden ; 
en bij het uitbreken eener besmettelijke ziekte beloofde 
hij alle hulp, zoodat ten slotte ieder vol bewondering 
was voor den braven man. Wat de gave van voorspellen 
betrof, die hij zou bezeten hebben, hiervan zegt de 
B. S., (p. II, p. 267) „Ex pio illo animi afïectu aliis 
etiam coelestibus donis ac beneficiis servum afflictum 
gravatumque Deus demulcet. Non semel, ut litteris 
Ultrajecto 26 Junii anno 1694 datis, testatum fecit, 
laborum ejus aliquando particeps Ampliss. Cornelis 
Stakenburgius, se pro altari, peracto Missae sacrifïcio, 
vertit ad populum, ejusque orationem imploravit, pro 
hac illave anima cujus decessus adhuc notus non erat, 
nee pro tempore ac loei distantia poterat esse cognitus ; 
sigillatim notat id 14 Octob. anni 1658 circa feminam 
quandam Claram Jans accidisse. 

Een en ander over onderzoek naar Roomschen en 
vergaderingen, is te lezen in Bijdr., D. IX, blz. i — 17. 
Uit Knuttel (De toestand der Nederl. Kath. ten tijde 



258 

der Republiek, D, I, Bijlage A) blijkt, dat ook over 
Langeraar de woede der predikanten losbarstte, wijl 
aldaar in „Ter Aer" nog een Katholiek in ambtelijke 
betrekking was n.1. „Den secretaris, Een welboren 
man" (ten jare 1658). 

De kapelaan van Henricus van der Graft was An- 
tonius van Sonsbeek, en wel tot 1656. Toen 
pastoor Joannes van den Ingen ten jare 1657 in Noorden 
stierf, volgde Antonius Sonsbeek hem op. Hij beleefde 
weinig genoegen van dit pastoraat. „A malevolis rusticis 
coactus" verliet hij in 1659 de parochie en stierf 1 1 Jan. 
1660 te Utrecht. Hij was in diezelfde stad geboren en 
Doctor in de Godgeleerdheid. (Bat. Sacr., p. II, p. 276 
en 277. Rhijnl. Oudh. blz. 331 — 332). 

Vervolgens was kapelaan Cornelis Stakenborgh, 
geboren in het dorpje 't Wael bij Utrecht. Nadat hij 
te Leuven de philosophie en theologie had gestudeerd 
en Baccalaureus was geworden, keerde hij naar Holland 
terug en werd in 1657 of 1658 kapelaan bij V. d. Graft. 
Na diens vertrek schijnt hij hier nog korten tijd pastoor 
te zijn geweest. Toen Volkerus van Herkinge gestorven 
was, volgde hij dezen op in het pastoraat van Zwolle 
Dec. 1662, en bleef er tot Dec. 1664. i Jan. 1665 kwam 
hij als pastoor aan de Buurkerk te Utrecht. In 1673 
reisde hij met Joannes van Neercassel naar Parijs en 
behaalde daar het Licentiaat in de beide rechten. Met 
twee anderen werd hij ten jare 1704 door het Vicariaat 
aan den Paus als Vicarius Apostolicus voorgedragen. 
Zelf was hij lid van het Vicariaat. Hij stierf 13 Nov. 
1720 in den ouderdom van bijna negentig jaar (Bijdr., 
D. VII, blz. 330 — 332. B. Sacr., p. II, p. 277 en p. 121, 
Hist. ofte Beschrijv. van het Utr. Bisd. I, blz. 297. De 
Godsdienstvriend, D. 38, p. 298). 

Stakenborgh is een heftige Jansenist geweest. Op 



259 

hem hebben de volgende regels betrekking uit de anti- 
Jansenistische liedjes, die zijn opgenomen in de Studiën, 
D. X, blz. 41 en blz, 45 : 

Heer Staakenburg werd secretaris 

Derwijl secreet houdt 't geen dat waar is. 
en : 

Staeckenburgh, van haer niet verbastert, 

Wijl hij den Paus en Bullen lastert. 

Gijsbertus de Reeder (1662—1699). 

Deze was de opvolger van Hcnricus v. d. Graft of 
misschien van Stakenborgh. Het oudste doopboek 
begint tijdens zijn pastoraat. Over de „de Reeders" is 
heel wat moeilijkheid ontstaan. De Bat. Sacra geeft er 
twee van dien naam op ; de grafsteen in de Kerkbuurt 
eveneens twee, maar met eenig verschil in den naam. 
President van Kints, een Langeraarder, trachtte te 
vergeefs in een brief, nog aanwezig, de moeielijkheid 
op te lossen. En toch blijkt bij slot van rekening de 
verklaring zeer eenvoudig en waren alle namen juist, wijl 
er niet twee, naar vier „de Reeders" in Langeraar zijn 
geweest. Volgens Theod. de Cock {in De Petro Coddaeo . . . 
1. II, C. VI, § 6, p. 46) en het oude doopboek, was 
Gijsbertus hier 40 jaren werkzaam. Dan zou hij kapelaan 
zijn geweest bij V. d. Graft, wat zeer goed mogelijk is. 
Uit een brief tijdens het pastoorschap van Rudolphus 
van Beest 27 Maart 1708 uitgegeven, blijkt, dat Heer 
Gijsbertus de Reeder een zeer milddadig man was. In 
dezen brief lezen wij : „want het is maar ruym veertig 
jaer geleden / doen leerde men hier maer in Timmer- 
huysen en Hooghuysen / gelijck onse Kerchuysen oock 
hebben geweest / ende dat dese Huysen / en oock het 
Kerchsieraet van jaer tot jaer van mijn Heer de Reeder 
tot sijn doodt toe zijn verbeterdt de Pastoor was 



26o 



altijd te wel vreden / en met de gifte van de Gemeente 
wel vergenoegt / en daer door was hij van de Gemeente 
seer bemint" Gijsbertus de Reeder bouwde waarschijnlijk 
ook nog eene nieuwe pastorie, want in dienzelfden brief 
schrijft men aan pastoor Van Beest, dat men heeft 
„nog dat Huys getimmert, daer gij tegenwoordig in 
woont, het weick hem al vrij wat over de duysent guldens 
gekost heeft." Uit heel dit schrijven — overigens door 
vijanden van pastoor Van Beest opgesteld — blijkt, 
dat pastoor de Reeder een zeer goedig man was, die 
veel deed voor zijne parochie en in hoog aanzien stond. 
Hij was een Utrechtenaar van geboorte en had te 
Leuven de Theologie gestudeerd. Den gen Februari 1699 
overleed hij plotseling. Tijdens zijn pastoraat werd ten 
jare 1666 van de Wassenaarsche plas, achter de pastorie- 
werf gelegen, een polder gemaakt. 

Zijn eerste kapelaan, voor zoover bekend, was 
Joannes de Reeder. Deze was te Utrecht omstreeks 
1664 geboren, zoon van Floris en Gertrudis . . . (.''). Van 
23 Nov. 1680 tot 12 Sept. 1688 was hij student in 
het college der Propaganda te Rome. Hij werd daar 
priester gewijd en behaalde er het doctoraat in de 
Godgeleerdheid. 12 Sept. 1688 keerde hij naar Holland 
terug en werd kapelaan bij zijn oom Gijsbertus. Hij is 
ook nog dienst doende geweest te Rotterdam in den 
Oppert bij pastoor van Meppelen en begaf zich in 1693 
als pastoor naar Montfoort, waar hij 28 Dec. 17 17 stierf. 

Zijn opvolger was Antonius Sonsbeek. Deze 
was te Utrecht in 1658 geboren en had te Leuven de 
theologie gestudeerd. Na eene korte poos kapelaan te 
zijn geweest in Langeraar, vertrok hij in 1692 als 
pastoor naar het naburige Hoogmade, waar hij Cornelis 
Hartman opvolgde. Hij bleef daar eenige jaren, maar 
moest die parochie ten jare 1704 verlaten „midden 



26 1 



in de somer, dewijl hij een jansenist was, waarom hem 
de gemeynte niet langer wilde hooren" ^). Bijdr., D. VII, 
blz. 238. Van daar ging hij naar Polsbroek. Bijdr., D. I, 
blz. 206, komt hij voor op de lijst der Refractarii 
„Antonius Sonsbeek, natif d'Utrecht, pasteur in Pols- 
broeck, agé 58" eveneens op eene lijst van 172 1. Bat. 
Sacr., p. II, p. 275 en p. 192. Hist. ofte Beschr. v. 
't Utr. Bisd., D. II, blz. 498. Rhijnl. Oudh., blz. 317. 

Na hem kwam Theodorus Bonifacius de 
Reeder. Deze was eveneens in Utrecht geboren. Hij 
was student geweest te Leuven en had zich 9 Nov. 1685 
op i8-jarigen leeftijd in het college der Propaganda te 
Rome laten opnemen. Hij werd te Rome priester gewijd 
en verkreeg het Doctoraat in de Theologie. 11 Sept. 1691 
keerde hij naar Holland terug om vervolgens bij zijn 
oom Gijsbertur kapelaan te worden. Dit zal geweest 
zijn omtrent 1692, toen v. Sonsbeek naar Hoogmade 
ging. Theodorus de Reeder stierf 21 Aug. 1695 te 
Langeraar en werd in de Kruiskerk van de Kerkbuurt 
begraven, waar ook Abraham Stouthandel begraven 
lag en zijn oom Gijsbertus zou bijgezet worden. 

Ook is hier kapelaan geweest Nicolaas de Reeder. 
Deze was een Gorcummer van geboorte en de zoon 
van een broeder van Gijsbertus. Nicolaas had te Leuven 
de theologie gestudeerd en stond zijn oom in diens 
laatste levensjaren ter zijde. Toen Gijsbertus in 1699 
stierf, hadden de Langeraarders gaarne Nicolaas tot 
pastoor gehad. Codde echter gaf hun Sluyter van 



l) In een handschrift van Pastoor IJurgmeijer, waarin hij over sommige 
refractarii spreekt, schrijft hij, waarschijnlijk aanhalend uit een of 
andere relatio: » Antonius van Sonsbeeck Ultrajectinus quinquagenarius. 
Studuit Lovanii. Vir commodus. Habet communitatem e.xiguam, quani 
desereret, nisi amoena domus, quam fere solitarius inhabitac, impediret. 
Minoris momenti vir." Is dat deze Sonsbeek? 



102 



Rotterdam. Nicolaas werd, na eerst nog in Rotterdam 
te zijn geweest (Bat. Sacr., blz. 283 en 277) in 1706 
pastoor te Voorburg. Na aanvankelijk met de Janse- 
nisten te zijn meegegaan, kwam hij tot inkeer en werd 
een vurig bestrijder van deze dwaling. Hij stierf te 
Oestgeest 4 Oct. 1727. (Zie over dezen pastoor Bijdr., 
D. V, blz. 137 en 219. „Het Apostolisch Vicarisschap 
van Joannes van Bijlevelt door J. F. Vregt" is van 
groote waarde, om den toestand van Rhijnland o.a. te 
kennen). Over de „de Reeder's" kan men lezen „Pater 
van Lommei : De Noord Nederl. leerlingen van het 
Urbaansch college te Rome geschiedk. herdacht". Ook 
stierf hier ten huize van zijn broeder Gijsbertus de 
Reeder, Wilhelmus de Reeder in leven pastoor te 
Schoonhoven, Gorcummer van geboorte (Bijdr. v. het 
Bisd. Haarlem., D. VIII, blz. 74). 

Gerardus Sluyter (1699). 

In de Bijdragen van Haarlem, D. 2>3, afl. II hebben 
we reeds zijne geschiedenis verhaald. Hij was een aan- 
hanger van het Jansenisme en door Codde den Langer- 
aarders opgedrongen. Deze verjoegen hem met behulp 
van den baljuw, ten gevolge waarvan de Langeraarders 
door een interdict getrofifen werden. De parochianen 
echter hielden twee jaar lang vol, tot eindelijk Rudolphus 
van Beest hun als pastoor werd gegeven. Zie verder : 
Arch. V. Utrecht, D. IX, blz. 27, blz. 274. Batav. Sacr., 
p. II, p. 277, 391. Theod. de Cock, de Petro Coddaeo, 
1. II, C. VI, § 6, p. 46. In de hier boven reeds mede- 
gedeelde anti-Jansenistenversjes komt hij aldus voor: 

„Sluyter, die sluyt de gansche Statie 
„Want is een lid met approbatie." 



203 

Pastoor Burgmeijer verwijst in een handschrift naar 
de Resolutien der Staten van Holland dato ii, 20 en 
21 Maart en 17 April 1699, in de meening dat deze 
op bovengenoemde uitdrijving van Sluyter betrekking 
hebben. Het bleek mij echter, dat deze resolutien be- 
trekking hebben op een geschil over den schout Francois 
van Blijdenstein. Behalve twee resolutien, die handelen 
over de voorvallen, waarvan in de Bijdr. D. 35, blz. 
112 — 114 sprake is, bevat het register, voor zoover 
ik kon nagaan, geene enkele andere resolutie over de 
kerkelijke Geschiedenis van Langeraar. 

Rudolphus van Beest (1700—1715). 

Volgens hun verlangen kregen dan de Langeraarders 
Rudolphus van Beest als pastoor. Hij was in Utrecht 
omtrent 1670 geboren en een vriend van den ouden, 
beminden pastoor de Reeder geweest. In Rome had 
hij theologie gestudeerd en den doctorstitel gehaald. 
9 November 1685 daar gekomen, keerde hij 17 October 
1691 terug. Hij was eene korte poos kapelaan bij 
Theodorus de Cock in Leiden, waar hij o.a. voorkomt 
als ingeschreven, Juni 1692 in het Broederschap van de 
H. Drievuldigheid. Vandaar werd hij in 1693 pastoor 
te Wateringen. De Westlandsche Aartspriester J. Roos 
bracht hem naar zijne pastorie en stelde hem voor aan 
de Wateringers, die vol achterdocht waren ten opzichte 
van het Jansenisme. „Heb geen vrees", zeide de Aarts- 
priester veelbeteekenend, „dien ik breng, is student van 
Urbanus." Hij was dan ook met hart en zin rechtzinnig, 
zoodat hij den Wateringers aangenaam werd, de Langer- 
aarders hem, te zijnen tijde, gaarne als opvolger van 
Gijsbertus de Reeder begeerden. 

8 December 1701 begon zijn pastoraat en dan vangt 
ook aan het tweede doopboek, dat nog in de pastorie 



264 

aanwezig is. Over hem schrijft Theod. de Cock in zijn 
Apologie van 1702, nadat hij vermeld heeft, dat de 
provicarii in zake Sluyter moesten toegeven : „de 
Jansenisten dwarsboomen hem tot nu toe voortdurend." 
Mogelijk en zeer waarschijnlijk komt dan ook van die 
zijde een Open brief, welke 17 Maart 1708 geschreven, 
den isten Februari 1709 met een bijvoegsel vermeerderd, 
tegen den pastoor te Langeraar in druk werd verspreid. 
Zeer merkwaardige dingen kunnen wij daaruit leeren 
wat betreft den toestand in Langeraar. Vooreerst blijkt, 
dat in den troebelen tijd van 1699 — 1701 ^) zeer veel 
geld was zoek geraakt en het schijnt dat pastoor van 
Beest zich daar bitter over beklaagde ; en mogelijk (i*) 
staat er mede in verband de legende, die nog in 
Langeraar voortleeft, dat eene familie in oude tijden rijk 
was geworden door het koopen van kerkegoederen, en 
later tot diepe armoede kwam. Dan verwijt de brief 
den pastoor, dat hij zegt niet te kunnen leven van de 
opbrengst der parochie „daar zijnder veele in dese Ge- 
meente die geloven /, dat gij jaerlijcks wel omtrent duysent 
guldens aan verval, soo van Dooden die sterven / of van 
jaergetijden / ofte van Missen te leesen / of Siecken te 
besoecken / of Kinder doopen / of Kraemvrouwen / of 
van trouwen / of op hooghtijden / ende van de Menschen 
die hare devotie houden / ofte van de Geestelijcke ! ofte 
iets anders wel gegeven werdt / dogh laet het maer 
acht hondert wesen / soo trect gij evenwel jaerlijcks 
achtien hondert guldens aen contant geldt /". 

Dan valt de brief de kerkmeesters aan. Men merkt 
nu dat de pastoor om de gemeente genoegen te doen, 
vier mannen had aangesteld die dan in 1707 de reke- 
ning en verantwoording moesten nazien. Deze waren 



i) Zie Bi/Wr. v. H. Deel XXXIIT, blz. 324—340. 



205 

tegen den pastoor geweest en hadden niet willen onder- 
teekenen, zoodat de pastoor verder met zijn eigen 
kerkmeesters de zaken behandelde. Maar de eene kerk- 
meester was volgens den brief dronken geweest, „die soo 
meenigmael sijn selven in den Drank misgrijpt / ja soo 
ver dat sijn Broeder en hij malkander seer onbehoor- 
lijcke dingen verwijten / hetwelck aen de Gemeente 
wel bekent is, / van de man te Korteraer en spreeck 
ick niet / maer ick geloof dat gij hem soo hoogh stelt 
in de Regeeringh als een ootjen in het cijfïfer, het welck 
nul is." Nu wil de schrijver van den brief dat ieder 
jaar een andere kerkmeester zal worden aangesteld, en 
dat de pastoor met minder traktement zal tevreden 
zijn, zoo niet, dreigt de brief, zullen andere maatregelen 
worden genomen. In 1709 werd de briefin druk uitgegeven 
omdat de schrijver vond, dat de toestand dezelfde bleef. 
De pastoor wilde land doen verveenen, de schrijver is er 
tegen. Pastoor van Beest en met hem de parochianen 
wilden, naar het scheen, eene nieuwe kerk bouwen, maar 
de briefschrijver waarschuwt hem, geen landen te ver- 
veenen, en voor zich zelven minder inkomen te vragen. 
Hij zou in dat geval van den ambachtsheer het noodige 
verlof kunnen bekomen, wijl er dan geld genoeg zou 
zijn. De schrijver is fel tegen pastoor van Beest, „en wij 
hebben nu maer een Priester, en wij hebben nu noch 
de gewoonte om kaerssegelt te sineren / gelijck men 
mergen sal sien datter veel zijn die een kaers betalen / 
en oock als de kinderen tot de eerste communie gaen / 
hetwelck hier voor desen geen gebruyck is geweest /." 

„En alles buyten datter doen noch veel overschoot / en 
nu jaerlijcks soo veel te kort komt / dat konnen wij 
niet begrijpen ofte verstaen / of daer moet yets after- 
schuylen / doch hier willen niet vorder van spreecken." 

De arme pastoor Van Beest wandelde niet op rozen. 



266 



In eene parochie gekomen, die na twee jaren regeerings- 
loosheid, letterlijk was uitgeplunderd, waar jaarlijks 
volgens den brief zelf, aan „den Officier / of aen kaerssen / 
of aen het onderhoudt van de kerckhuysen of kerck- 
padt / of tot het verciersel van den autaer / ofte aen 
iets anders / al vrij over de twee duysent guldens van 
uwe onderdanen moet werden opgebraght", bevond hij 
zich in de onmogelijkheid, al die gelden bijeen te 
krijgen. De brief eindigde met de bedreiging, den 
ambachtsheer hulp te zullen vragen, opdat deze het 
uitveenen der landen zou beletten. In het kort wij 
lezen in den brief, dat eene partij in de parochie lang- 
zamerhand den pastoor het bestuur der kerkgoederen 
tracht te onttrekken. In de „Bijdragen" D. 33 bl. 324 — 40 
hebben wij reeds vroeger beschreven, hoe ze eindelijk 
den opvolger van den ijverigen pastoor Van Beest, 
pastoor Enners, dit bestuur hebben ontnomen en hoe het 
recht van aanstelling der kerkmeesters aan den ambachts- 
heer werd opgedragen ; zoover kwam het, dat pastoor 
Ermers en zijn kapelaan de parochie moesten verlaten. 

Pastoor Van Beest had eene uitgebreide bibliotheek. 
Hij was een felle tegenstander der Jansenisten en teekende 
met 22 andere priesters een libellus supplex tegen Codde. 
Zijn naam mist men dan ook in de lijst dergenen, die 
het verzoekschrift ten gunste van Codde onderteekenden. 

Pastoor Van Beest werd evenals zijn opvolger het 
slachtoffer van de troebelen tijdens het interdict. Zijn 
naam, mag met eere genoemd worden, zooals blijkt uit 
de geschiedenis ; hij werkte en zwoegde onder alle 
mogelijke tegenwerking ook van misleide parochianen, 
die den toestand niet begrepen. Hij stierf in 1715 i). 



i) Arch. V. d. Gesch. v. het aartsbisd. Utr. D. II, p. 145. D. IX, p. 259^ 
Bijdr. D. VII, bl/,. 242. D. VI, blz. 276. Bat. .Sacr. p. II, blz. 246 en 277. 



267 

Overigens schijnt de toestand der Langeraarsche 
Katholieken, omstreeks dezen tijd vrij gunstig en onaf- 
hankeHjk te zijn geweest. In October 17 13 legden de 
gedeputeerden van de Zuid-Holl. Synode aan de Staten 
van Holland eene lijst voor om bij rekest te verzoeken 
protestantsche ambtenaren aan te stellen in ambten, die 
katholieke ambtenaren bekleedden. Uit dit stuk blijkt 
dat Langeraar als katholieke ambtenaren bezat : een 
burgemeester, 4 schepenen, 2 armmeesters, 2 wees- 
meesters. Aldus bij Knuttel: De toestand der Nederl. 
Katholieken ten tijde der Republiek II d. blz. 6S. In 
1724 was, naar het schijnt deze vermetele paapsche 
stoutigheid verdwenen, want bij een ander rekest van 
dat jaar, blijft Ter Aar ongemoeid. 

Pastoor Van Beest's eerste kapelaan was J o a n n e s 
Veenroy. Deze was van Amsterdam geboortig, be- 
zocht daar gedurende eenigen tijd de Latijnsche school tot 
hij 22 Juli 1695 in het college der Propaganda te Rome 
werd opgenomen. Hij behaalde er den doctorstitel in 
de godgeleerdheid en keerde i Sept. 1703 naar Holland 
terug. 17 Nov. 1703 werd hij door Theod. de Cock 
benoemd tot kapelaan van Langeraar. Den 27en Mei 
1704 werd hij met 11 andere seculieren en 4 regulieren 
naar den Haag ontboden. Deze waren na Codde's sus- 
pensie in de Missie gekomen. Op aanstoken der Janse- 
nisten vaardigden de Staten van Hollanden Wes-Friesland 
de resolutie uit van 17 Juli 1704, dat zij de bediening 
niet meer mochten uitoefenen. Zoo moest dan Veenroy 
Langeraar verlaten; 1707 werd hij pastoor te Obdam, 
waar hij 16 Dec. 17 14 overleed. Bat. Sacr. p. II, p. 442. 
V. Lommei, vS. y. o. c. Arch. v. d. Gesch. v. h. Aarts- 
bisd. Utr. D. I, p. 411. 

Daarna heeft van Beest als kapelaan gehad Gerardus 
de Bruyn van Barend recht, over wien reeds in 



268 



Bijdr. D. 35 afl. 2 gesproken is. Deze werd begraven 
in de Kruiskerk aan de Kerkbuurt. 

Sinds II Febr. 17 15 tot 20 Oct. 17 15 staat er geen 
huwelijk meer geboekt, 20 Oct. werd Itrmcrs hier pastoor. 

Joannes Ermers (1715 — 1717). 
Over dit tijdvak hebben wij in den breede gesproken 
in de Bijdragen v. h. Bisd. Haarl. D. 33, blz. 324 — 40. 
Wij laten hier slechts volgen de lijst der goederen en 
kapitalen, die de kerk in 17 16 bezat. 

Uit den »Staat van de vaste goederen van de Roomse Gemeente 
Ter Aar gelijk dezelve in de Ambagts quóhieren bekent staan 
en bij haar a" 17 16 bezeten zijn geformeert met Corn. Groenevelt 
den 27n Dec. 1722 bij J. Brughart secrets." blijkt dat de kerk bezat : 

Eerst twee mergen Hooy of Weyland gelegen in de Noordeyndse 
polder in het loe weer. 

Nog 1 : 200 roede Hooy of Weyland gelegen in de Voorsz. 
Polder in het 15e weer. 

Nog 3: i37'/2 Roe water en ackers gelegen in de voorsz. Polder 
in het 25e weer. 

Nog een Erve sonder Huys aan den Dijk gelegen in de voorsz. 
Polder in het 27e weer. Dit behoort tot de Pastorie . . . Memorie. 

Nog I M. Hooy of Weyland gelegen in de voorsz. Polder in 
het 28e weer. 

Nog 300 roe water en ackers gelegen in de voorsz. Polder in 
het 35e weer. Corn. Groenevelt segt dat dit Perceel bij de Pastorye 
niet verhuurt werd maar werd bewoont bij een arme vrouw ge- 
naamt Swarte Pietje dog de kerk betaalt de Lasten . . , Memorie. 

Nog I M. Hooy ofte Weyland gelegen in de voorsz. Polder in 
het 40e weer. 

Nog I : 250 Roe Hooy ofte Weyland gelegen in de voorsz. 
Polder in het 40e weer. 

Nog 2: 500 Roe Hooy ofte Weyland gelegen in de voorsz. 
Polder in het 42e weer. 

Nog de Pastorye als Boomgaart en Tuynen gelegen in de be- 
dijkinge van de Wassenaarse polder groot omtrent 3 M. 306 Roe 
werd gebruykt bij den Pastoor van de Roomse gemeente . . . Memorie. 

Nog 7 M. 300 Roe Hooy en Weyland gelegen in de voorsz. 
Wassenaarse Polder. 

Nog 400 Roe Hooy of Weyland gelegen in de Bloklantse polder 
in het 39e Weer. 



269 

Nog de kerkwerf Bloklantse Polder 40e weer . . . Memorie. 

Nog Een Huys en Erve met 2: 100 Roe Hooy of Weyland 
gelegen in de voorsz. Polder in het 44e weer. 

Nog 237V2 Roede — Houtland — gelegen in de Lange Schilker- 
polder in het 23e weer. 

Nog een Huis en Erve verongeld voor 562V2 Roe gelegen 
b'Oostendijks van de Corteraarse Polder in het 21e weer. 

Een Huys en Erve staande voor aan de Pastorie de groote is 
begreepen onder de plaats van den pastoor. 

Nog een dito Huys en Erve staande en begreepen in de groote 
als boven. 

Nog een Huys en Erve sijnde het oude Vergaderplaats gelegen 
buyten de bedijkinge van den Wassen. Polder, heeft vrijdom 
met de voorsz. Polder, legt in 't molengelt, tot 183 roe verhuurt 
anno 1721 aan Aaltje Jans verschenen May 1721 — is bevorens 
bij de pastorie selfs gebruykt geweest. 

Nog een Huys en Erve legt in de droogmakerije vrij van alles 
omdat begreepen is onder 11 M.: 6 roe a 1720 gekogt van 
Symen Hendrikse. 

Staat van Capitalen van de Roomse gemeente ter Aer gelijk 
dezelve bekent staan op den inventaris die 19 October 17 16 door 
Schout en Ambagtsbewaarders daarvan voor Schepenen gemaakt is. 

Een obligatie van hondert gl. Cap" ten name van de Heer Corn. 
de Reeder tot lasten van Hendrik van Blijdestijn tegens vier ten 
hondert in dato den i Jan. 1669 100. 

{in margine : N. B. de obligatie staat tot lasten van Francois 
van Blijdestijn, Bailluw van Voshol — is insolvent overleden en 
niets van te bekomen). 

Een obligatie van vijftig gl. Capt' ten name van de Heer Corn. 
de Reeder tot lasten van Hendrik Pieterse tegen 4 percento in 
dato den 2 Aug. 1694. 

{in margine: is afgelast den 26 Mt. 17 19). 

Een obligatie van 436 : 5 — Captl op een open naam tot lasten 
van Simon Hendrikse tegen 4 ten hondert — onder borgtocht 
van Pieter Hendriks en Mergie Jaspers Wede Hendrik Cres jn 
dato den 19 Januarij 1710 436:5» 

{in margine: is afgelost 26 Maart 17 19 hiervoor gekogt een 
huys en Erve in de Wassenaars polder). 

Een rente of hypoteekbrief van 650 gl. Captl ten behoeve 

van tot lasten van Jan Corn. Heen onder speciale hypotheec 

met de papieren daartoe specterende in dato den i Dec. 1655 650. 

{in margine: volgens acte gepasst. voor Schout en Schepenen 
van Alkemade den 28 Oct. 1668 hebben de heeren Tymanus Sprong 



270 

en Johan Gaal houders van de voorsz. renten kwijtgescholden 
190 gld. met alle de verlopen interess. tot alderh. 1668 toe, waar- 
voor het huys en erve daar deze somm op gehypothequeerd 
was a" 1721 aan Jacob de Vries verkogt, is aangekomen). 

Een obligatie van 160 gld. Cap' ten behoeve van den Heer Gijsbert 
de Reeder tot lasten van Jan Jansz. Nieuwenhuysen tegen 4 ten 
hondert onder borgtogt van Jan Jochems te Amsterdam in dato 
den II July 1694 " 

Dit zijn de oudste schuldbrieven; allen bij elkaar gerekend 
vormden zij met kleinere bedragen een capitaal van pi. m. ƒ 7/000. 

Justus Vermey (1718 — 1755). 

Door het gedwongen vertrek van pastoor Ermers 
was de parochie andermaal zonder priesters. Den eersten 
keer was ze langen tijd zonder pastoor geweest, toen 
Rudolphus van Beest vertrokken was ; nu verkeerde ze 
in dien toestand door het vertrek van Joannes Ermers. 
De buurtpastoors o. a. pastoor Huysman van Rhijn- 
saterwoude namen de zorg over de parochie waar. 
Maar 14 JuH 1718 was het hier groot feest, want toen 
haalde men den nieuwen pastoor in. Uit een lied „Stigte- 
lijk Vreugde- en Vreede-Gedicht op het inhaalen van 
den Eerwaarden Heer, mijn Heer Justus Vermey, des 
Donderdags 14 Julius, 1718, indePastoryevanLangeraar" 
blijkt hoe vurig ieder naar vrede en rust verlangde. 

Wij zullen slechts een viertal regels vermelden die 
aangeven, hoe lang de parochie zonder herder is geweest : 

„Men heeft nu in een Jaar 
Gods zuyver heylig Woord 
Alhier in onze Kerk 
Van geen Pastoor gehoort." 

18 Juni 1717 diende pastoor Ermers voor het laatst 
het H, Doopsel toe; 28 Juni was hij vertrokken. 14 JuH 
17 18 kwam Justus Vermey. 



271 

Inderdaad was pastoor Vermey een uitstekend herder 
voor deze parochie. Hij begon in 17 19 met den bouw 
eener nieuwe kerk en schonk haar een hoofdaltaar, 
twee zijaltaren met mahoniehouten tabernakels en een 
dito communiebank, benevens een orgelkast. De kerk 
was toegewijd aan den Martelaar Adrianus, van oudsher 
patroon der parochie. Zij werd gedekt door een rieten 
dak. Ook vernieuwde Justus Vermey de geheele pastorie. 
Tusschen 23 en 26 Mei 1720 werd de kerk voltooid; 
want in het doopboek staat omstreeks dien datum : 
Adrianus (zoon van) Dirk Krelisse Swanevelt (en) 
Martijntje Jans van Seyl. N.B. primus in novo oratorio 
in L. A. S. Adriani baptizatus, mater muiier prima post 
partum introducta in eo. (Vglk. Arch. v. d. Gesch. v. h. 
Aartsb. Utr., D. XXVII, p. 194). 

Het bouw-contract kan men nu nog in het gemeente- 
huis vinden. Uit dit stuk blijkt, dat bij die gelegenheid 
het oude huis van Thymen Corss. Volck werd afge- 
broken, dat het oude pastorie-huis gedeeltelijk veranderd 
en opgehoogd werd, en een nieuw stuk aan werd 
gebouwd, zoodat dit écne pastorie werd. Ter plaatse, 
waar gedeeltelijk het oude huis van Thymen Corss. 
Volck had gestaan en vóór het nieuwgebouwde stuk der 
pastorie, werd de kerk gebouwd. In later jaren liet 
pastoor Buys groote veranderingen aanbrengen, waarbij 
het bovengenoemde nieuwe gedeelte geheel werd ver- 
anderd en eene breede voordeur en groote voorkamer 
werden bijgebouwd, terwijl op zij een stal en keuken, 
gedeeltelijk op een ander stuk van het oude boerenerf 
werden opgetrokken. Ter plaatse der oude kerk werd 
eene grootere gebouwd, zoodat ook het oudste gedeelte 
der pastorie aan de Z.W.-zijde achter die kerk kwam 
te liggen. Deze oude kerk werd wederom door pastoor 
van Dijk afgebroken, het N.O. gedeeltelijk tot schuur 



2/2 

ingericht en daarvóór eene nieuwe kerk en nieuwe 
pastorie opgetrokken. Het oudste gedeelte der pastorie 
uit den tijd van pastoor de Reeder, bestaat uit de z.g. 
bijkeuken, gang, kelder en opkamer. De kelder echter 
is een weinig veranderd. (In 191 3 is deza oude pastorie 
geheel afgebroken). 

Ook bouwde Vermey in 1722 een nieuw kerkje in 
Corteraar (Patrones: S. Maria). In het doopboek staat 
te lezen : 28 Juni. Cornelia (dochter van) Pieter v. d. 
Winde (en) Marytje Claas in novo oratorio in Corteraar 
baptizata est. Hij schonk aan de kerk van Langeraar 
een nieuw orgel, dat op Paschen 1745 tot Gods eer 
werd ingewijd. 

Wegens de veenderij waren er vooral des zomers 
veel vreemdelingen in Corteraar werkzaam en daarom 
had men kort na de reformatie daar een kerk of 
bedehuis gebouwd. Zondags was er beurtelings Mis 
in Corteraar of in Langeraar. De pastoor ging dan 
per tentschuit langs het nu nog bestaande kerkpad 
tot hij langs de Schilliksche kade varende, eindelijk 
de kerk bereikte, die dicht bij den Korteraarschen 
hoek stond. 

Justus Vermey had te Leuven gestudeerd. Hij was 
geen Goudenaar zooals de Oudh. van Rhijnland melden, 
maar van Bodegraven zooals hij zelf mededeelt in het 
Doopboek: „Anno 1718 in festo S. Bonaventurae 14 Juli 
die Jovis ego Justus Vermey Bodengraviensis suscepi 
curam pastoralem in Langeraar et Corteraar." Vermey 
was eertijds pastoor geweest te Nibbix woude (171 o — 1 7 1 8) 
en was vandaar naar Langeraar gezonden. In later jaren 
was hij Deken van Rhijnland volgens het doopboek 
(. . . discedente in Ravenstein Decano Justo Vermey . . .). 

Vermey verliet Langeraar in April 1755 en ging naar 
Ravenstein, waar hij datzelfde jaar overleed. 



273 
Martinus Willibrordus Reuver (1755 — 1788). 

18 April 1755 volgde Reuver zijn voorganger op. 
Nog leeft zijn naam onder de oude Langeraarders voort. 
Zijn opvolgers Hamburg, Halsmans en Van Halteren 
zijn vergeten, maar nog verhaalt men hier van pastoor 
Reuver, den geweldigen predikant, met zijne forsche 
stem en zijne reusachtige gestalte, die nergens voor 
vreesde, ook niet voor de Staten ; zoodat hij eens een 
boete van /500 moet beloopen hebben, wegens zijn al 
te groote stoutigheid tijdens zijne predikatie op het 
Mirakelfeest te Amsterdam. Hij bestuurde met krachtige 
hand de parochie en maakte vele fundaties. 

Pastoor Reuver was een Amsterdammer van geboorte. 
1788 verliet hij de parochie, begaf zich buiten bediening 
naar Maeseyck en stierf 18 Nov. 1789 te Weert. De 
laatste jaren was hij waarschijnlijk niet in staat, alleen 
de parochie waar te nemen, want in de resoluties van 
de gecommitteerde Raden van Hollands Zuiderkwartier 
komt eene resolutie voor van 23 Juli 1787, waarin verlof 
wordt gegeven voor een kapelaan. Wie of deze was, 
heb ik niet kunnen achterhalen. 



Joannes Franciscus Hamburg (1788 — 1792). 

Deze was van Amsterdam geboortig en werd op 
i8-jarigen leeftijd, 8 Dec. 1759, in het college der 
Propaganda aangenomen. Hij was van 1777 — 1788 
pastoor te Hem en Venhuizen. 10 Oct. 1788 werd hij 
pastoor te Langeraar. Eene resolutie van de gecommit- 
teerde Raden van Hollands Zuider-kwartier van 10 Nov. 
1788 vermeldt zijne admissie als pastoor alhier. Hij stierf 
3 Febr. 1792 te Langeraar en werd in de Kerkbuurt 
begraven. 

18 



274 

Nicolaas Joannes Halmans (1792 — 1801). 

Deze was geboortig van Amsterdam en werd van 
hier verplaatst naar Amsterdam buiten de Utreclitsche 
poort (St. Willibrordus buiten de Veste), waar hij stierf, 
ten jare 18 13 den 13611 Juh'. (KerkeHjk Archief). 

Henricus Jacobus van Halteren (1801 — 1807). 

Deze was eerst 30 jaren lang pastoor geweest te 
Osdorp. Pastoor van Kokkelink roemt hem als „vigi- 
lantissimus". Hij kwam hier 28 Aug. 1801, stierf 3 Febr. 
1807 en werd in de Kerkbuurt begraven. (Kerkelijk 
Archief). 

Bernardus Henricus van Kokkelink (1807 — 1822). 

Deze was geboren te Amsterdam en werd in 1784 
6 Februari kapelaan te Amsterdam buiten de Utrechtsche 
poort, in de „kerk van het rustenburgerpad" de tegen- 
woordige parochie van Sint Willibrordus buiten de Veste. 

Na eerst nog pastoor te zijn geweest in Middelburg 
werd hij 4 Maart 1807 pastoor te Langeraar. Hij deed 
eene poging om een R. K. kerkhof op te richten, maar 
deze mislukte. Pastoor van Kokkelink supprimeerde de 
bijkerk van Korteraar. Eene groote verbittering was 
hiervan het gevolg. Algemeen luidt de overlevering, dat 
men den pastoor heeft pogen te vergiftigen. Dit is zeker, 
dat de pastoor in alle stilte vertrokken is naar Amsterdam 
waar datzelfde jaar 1822 hij pastoor werd in het Beggijn- 
hof. Hij bleef er tot 6 Mei 1840, toen hij zijn ontslag 
nam. 30 October 1842 stierf hij als rustend pastoor te 
Haarlem. Twee geschilderde portretten zijn nog be- 
waard : één in de pastorie te Langeraar, één in het 
Beggijnhof te Amsterdam. Hij was de laatste pastoor, 
die de officieele pruik droeg. Naar aanleiding van die 
pruik droeg hij den bijnaam „bloemkool met saucijsjes" 



275 

wijl de pruik maar één batterij, één krul had, die in 
het rond op verschillende plaatsen weggeknipt was, 
waardoor de krul in losse afzonderlijke stukjes neerhing. 
Zijn kapelaan was zekere heer Van Hemert, nergens 
heb ik bijzonderheden over dezen kapelaan kunnen 
achterhalen. 

Gobertus van Lieshout (1822 — 1839). 

Deze was in 1766 te Rotterdam geboren. 26 0ctober 1801 
werd hij pastoor te Leiden, (St. Petrus) waar hij zich 
I Maart 1804 in het Album Studiosorum der Leidsche 
Academie deed inschrijven. Veel heeft hij daar in Leiden 
tot stand gebracht. Hij vernieuwde en vergrootte kerk 
en pastorie. 

Pastoor Kervel teekent over hem aan : „ornamenta 
sacerdotalia aucta sunt ; et communitas ipsa numero et 
pietate ere vit." Verder richtte pastoor Van Lieshout 
daar in 18 16 eene broederschap op van Gedurige Aan- 
bidding. Febr. 18 19 vertrok hij naar „de Pool" van 
Amsterdam als opvolger van pastoor Beukman, maar 
verliet weder deze parochie 12 Oct. 18 19. (Bijdr. v. het 
bisd. Haarl., D. II, blz. 400 — 402). 

In Mei 1822 kwam hij in Langeraar. Eerst brak hij in 
1822 de bijkerk in Korteraar af, die door Van Kokkelink 
gesupprimeerd was i). Hij werkte met ijver aan de 
Broederschap der Gedurige Aanbidding, die wel reeds 
opgericht was, maar die nu door den pastoor zeer werd 
verbeterd doordien hij een register van alle namen aan- 
legde en ieders biduur bepaalde. Zoo ook richtte hij de 
Broederschap der Geloovige Zielen op. Nu wilde de pastoor 
het plan ten uitvoer brengen, dat ook Van Kokkelink 
reeds had opgevat, en een eigen R.K. kerkhof stichten. 



[) Het geheele koop- en verkoopcontract is aanwezig in het kerk-archief. 



2/6 

„In het jaar Achttien honderd drie en twintig, zoo 
zegt het oorspronkelijk stuk, heeft de Eerwaarde Heer 
Pastoor de stemmen der Ledematen van beide de kunnen, 
zijnde zeven honderd veertien in het geheel, Hoofd voor 
Hoofd bijzonder opgenomen en bevonden dat behalve 
zes, wier Namen, schoon genoeg bekend, uit Christelijke 
liefde hier zullen verzwegen worden, alle een vurig ver- 
langen hadden om een eigen Begraafplaats te hebben, 
ten einde volgens de voorschriften der H. Kerk begraven 
te kunnen worden." 

Ze ondervonden echter veel tegenkanting bij het 
Gemeentebestuur en de Gedeputeerde Staten ja zelfs de 
Koning wees zijn verzoek af. Ondertusschen maakte 
Van Lieshout veel verbeteringen aan de oude kerk van 
pastoor Vermey. Hij bracht er nieuwe ramen in, bouwde 
er een tamelijk hoogen toren op, bracht een nieuwen 
ingang aan met twee opgaande treden, frontespice, ook 
nog een uurwerk in den toren (een goedkoop, / loo). 
25 Maart 1828 verscheen onverwacht een decreet van 
den Koning, waarbij de Gedeputeerde Staten aan de 
besturen dezer Provincie bekend moesten maken dat 
iedere godsdienstige gezindheid een eigen begraafplaats 
mocht hebben. 27 Nov. 1828 werd toen hier een nieuw 
R. K. kerkhof ingewijd. 

Zeer eigenaardig kwam de oprichting van het kerkhof 
tot stand. De parochianen werden verdeeld in contri- 
bueerenden en niet-contribueerenden. De laatsten, die 
geene bijdrage konden leveren, legden het kerkhof aan. 
Het kerkhof werd gemaakt ter plaatse waar een stukje 
land lag met boomen beplant. De oppervlakte van het 
toenmalige kerkhot was acht Rijnlandsche roeden lang, 
en vier breed, dus twee en dertig vierkante Rijn- 
landsche roeden groot, op iederen hoek ervan, was een 
Cypressenboom geplant, welke door de vier kerkmeesters- 



277 

vrouwen geschonken waren. Aan de Noordzijde was een 
bergje, waarop een Kruis van veertien voet geplaatst 
was, en daaraan een Christusbeeld groot zeven voet, 
welk Kruis en Christusbeeld een geschenk was van de 
jongeren uit Langeraar. Het kerkhof was omgeven door 
een voetpad. De toegang was over eene houten brug, 
waarop zich een hek bevond, doorwerkt met sikkels, 
zandloopers en doodshoofden, benevens twee rondens, 
waarop het volgende stond : Ik was, wat gij thans zijt. 
Haast wordt gij, wat ik ben, (en boven, onder den 
zandlooper met vleugels) Uw tijd vervliegt met den tijd. 

Pastoor Buys liet op het kerkhof een priestergraf 
metselen waarin hij zelf, pastoor Van Lieshout en pastoor 
Van Dijk zijn bijgezet. 

Pastoor Van Dijk heeft het kerkhof doen vergrooten, 
waardoor het hek enz. vervallen is. 

Diens opvolger Pastoor H. Bakker deed echter een 
nieuw fraai gesmeed ijzeren hek aanbrengen. 

Pastoor Van Lieshout is hier plotseling gestorven 
6 Juni 1839. Zijne dienstbode vond hem 's morgens dood 
op zijne bedstede. Pastoor Buys, zijn opvolger, tcekent 
over hem aan : 

„Deze heer was vol pittigen luim en scherts, zeer 
aangenaam in het gezelschap, de opgeruimdheid ziet 
hem uit 't gelaat, en men is geneigd tot lagchen uit 
blijgeestigheid, als men zijn portret aanschouwt in de 
pastorie aanwezig, waar hij is afgebeeld met de teekenpen 
in de hand. Hij teekende en schilderde namelijk zeer 
goed ; vele stukken, meestel copieën, getuigen van zijn 
luimig karakter, zijn bij de gemeentenaren en elders 
verspreid." 

Zijn opvolger P. C. Buys getuigt over hem, dat al 
zijne zaken en administraties in uitmuntende orde waren, 
hoewel de dood hem verrast had. 



2/8 

Zijn kapelaan was J. J. Burgmeyer. Deze was 
30 October 1808 te Amsterdam geboren. Hij studeerde 
achtereenvolgens te Hageveld, Gemert en Warmond en 
werd 21 September 1833 priester gewijd. Hij was 
kapelaan te Leiden, Langeraar en Rijswijk. 29 Juni 1844 
werd hij pastoor te Warmond, waar hij 13 Dec. 1850 
stierf. 

Veel heeft deze priester gedaan voor de kerkelijke 
geschiedenis en zijne geschriften zijn nog aanwezig in 
de bibliotheek van het Seminarie te Warmond. 

Zijn opvolger was Houtman, die hier nog kapelaan 
was bij den dood van pastoor Van Lieshout. 19 Juli 1839 
werd hij assistent te Edam. Ook over dezen geestelijke 
ontbreken mij, ondanks nasporingen, de noodzakelijke 
verdere bijzonderheden. 

Petrus Cornelius Buys (1839 — 1875). 

Deze was 26 April 1797 te Oosterblokker geboren 
en hield zich aanvankelijk met den landbouw bezig. 
Op i8-jarigen leeftijd ving hij zijn studiën te Gemert 
aan en werd 8 Maart 1825 te Mechelen priester gewijd 
door den Aartsbisschop van Mechelen, prins de Méan, 
primaat der Nederlanden. Na op verschillende plaatsen 
als kapelaan en deservitor werkzaam te zijn geweest 
o. a. te Langendijk, Wervershoef en Ouderkerk a/d. 
Amstel, werd hij 22 Maart 1833 pastoor te Waddinx- 
veen en 19 Juli 1839 pastoor te Langeraar. 

In 1841 brak hij de oude kerk van Justus Vermey, 
door Van Lieshout vernieuwd, af en zette op die 
plaats eene nieuwe, welke 15 Nov. 1842 door Z. D. H. 
Cornelius Ludovicus, Baron van Wijkerslooth, Bisschop 
van Curium i. p. i. geconsacreerd werd. Vermeld dient 
te worden een alom beroemd gebleven Missie, die hier 



279 

in 1850 plaats greep onder leiding van F. J. van Vree, 
toen president van het Groot Seminarie te Warmond, 
(later bisschop van Haarlem), C. van Kints, professor 
aan het Seminarie te Warmond en later na Van Vree 
president van datzelfde Seminarie (Langeraarder van 
geboorte), en Pluym (naderhand bisschop van Bulgarije). 
De drukte was ontzettend, van alle kanten stroomde 
men hierheen ; men verkocht elkander voor veel geld 
de nummertjes, die aan de biechtelingen werden gegeven 
opdat de orde bewaard bleve. Sommigen gingen niet 
naar huis maar bleven des nachts in de kerk om maar 
bij tijds aan de beurt te zijn. 

A°. 1857 werden de twee marmeren zijaltaren ingewijd, 
welke nu nog in de kerk aanwezig zijn. 

185 1 vernieuwde pastoor Buys gedeeltelijk de oude 
pastorie, welke reeds door de pastoors Van Lieshout en 
Vermey veranderd was. Ook richtte de pastoor in 1856 
een armenhuis op. 9 Mei 1863 werd in Langeraar voor 
het eerst eene katholieke school geopend. 

8 Maart 1875 vierde pastoor Buys zijn gouden 
priesterfeest, dat wegens den Paaschtijd tot 7 April 
uitgesteld en toen met alle plechtigheid gevierd werd. 
14 April was er een tweede feest, maar twaalf dagen 
later, den 25en April 1875, stierf pastoor Buys plotseling. 
Hij werd 's middags na het middagmaal door zijne dienst- 
bode dood op zijn stoel gevonden. 

Pastoor Buys was zonder een geleerde te zijn, een 
practisch man; begaafd met een gezond verstand en 
een helder oordeel wist hij wonderbaar den juisten tijd 
tot handelen uit te kiezen en de geschikte middelen 
om het beoogde doel te bereiken. Velen kwamen daarom 
zijn raad inwinnen. Zeer veel heeft deze pastoor voor 
de parochie gedaan, en met het beste gevolg! 

Zijn portret is in de pastorie aanwezig, waar hij 



28o 



wordt afgebeeld zittende op zijn stoel, op den achter- 
grond de door hem gebouwde kerk. 

Zijne kapelaans waren: 

Adrianus Joannes Looyaards, geb. te Delfts- 
haven 1824, Hij was hier maar korten tijd. Wegens 
ziekte moest hij Maart 185 1 vertrekken en stierf 5 Mei 
185 1 in den ouderdom van 27 jaren en 8 dagen. Hij 
werd begraven té Overschie. 

Joannes Debets, assistent. Deze was te Vlaar- 
dingen geboren en hier werkzaam van Juni 185 1 tot 
Juni 1852. Hij werd verplaatst naar Naaldwijk en is 
als pastoor van Grootebroek overleden. 

Franciscus Willenborg, geb. te Amsterdam. 
Deze was hier werkzaam van Juni 1852 tot 26 Aug. 1855, 
toen hij vertrok naar Leidschendam, overleden als pastoor 
van Spaarnwoude a/d. Lie. 

In dien tusschentijd is hier nog tijdens eene ziekte 
(bloedspuwing) van Willenborg Gerardus Vogel 
zes weken assistent geweest. Deze stierf later in de 
„Posthoorn" te Amsterdam. 

Franciscus Blom, geb. te 's-Hertogenbosch. Deze 
was hier werkzaam van 26 Aug. 1855 — 8 Oct. 1856. 
Hij werd later pastoor te Voorschoten en stierf plotseling 
als pastoor van Schoonhoven 23 Sept. 1884 i). 

Gerardus van Dijk hier werkzaam als kapelaan 
van 1856 — 1875. 

i) Hier dient vermeld te worden een man, die, hoewel geen priester, 
toch zeer veel voor Langeraar heeft gedaan, de Heer Willem Omtzigt. 
Deze heeft door buitengewone schenkingen de parochie tot bloei 
gebracht; met recht staat op zijn bidprentje: »Dat hem de vrede ge- 
worde ; hij is waardig Heer ! dat Gij hem die gunst bewijst, want hij 
heeft ons volk lief gehad, een tempel heeft hij ons gebouwd; hij 
beminde den luister van uw huis, de woonplaats uwer heerlijkheid; hij 
weende over die in druk en lijden waren, en zijne ziel had medelijden 
met de armen." Willem Omtzicht werd geboren 10 Jan. 1790 en stierf 
24 Juli 1861 te Langeraar. 



28 1 

Gerardus van Dijk (1875 — 1908). 

Een der meest eigenaardige pastoors van het aloude 
Langeraar is pastoor Van Dijk geweest. Hij werd 
13 Mei 1831 te Nederhorst-Denberg geboren, studeerde 
te Kuilenburg en te Warmond, werd in 1856 priester 
gewijd en kwam 8 October van datzelfde jaar als 
kapelaan te Langeraar. Hij bleef daar tot den dood 
van pastoor Buys en volgde dezen 29 April 1875 
(28 Mei installatie) op. Met alle recht wijdde pastoor 
Bakker, zijn opvolger, hem dit grafschrift: 

Geheel zijn priesterleven 
Aan Langeraar gegeven. 

Pastoor Van Dijk was eene bekendheid in het diocees. 
Zijn grappen waren spreekwoordelijk; altijd vroolijk 
en opgeruimd, ondanks zijne doofheid, nam hij allen 
voor zich in, dank zij zijn gelukkig karakter. „Doove 
Gerrit", zooals zijne confraters en parochianen hem 
heel vertrouwelijk noemden, was een vader voor zijne 
parochianen, die hij bijna allen had gedoopt of van 
kinderen tot volwassen leeftijd zien opgroeien. In zijn 
vrijen tijd kon men hem vinden in den boomgaard der 
pastorie, bezig zijne geliefde vruchtboomen te snoeien, 
want als bekwaam snoeier was pastoor Van Dijk bij 
katholiek en niet-katholiek de veel gevraagde raadsman. 

Maar pastoor Van Dijk was ook een kunstenaar. Des 
winters vooral bracht hij zijn leegen tijd door met het 
snijden van houten kruisen en heiligenbeelden. Hij had 
geene opleiding in deze kunst genoten, van daar mocht 
zijn werk gebreken vertoonen, maar die waren niet zoo 
groot, of ieder kunstkenner waardeerde de voortbrengselen 
van zijne ervaren hand. Jan Brom wijdde hem dan ook 
een artikel vol waardeering in het Weekblad „St. Bavo" 
en na zijnen dood werden eenige zijner kunstproducten 



282 



geplaatst in het Bisschoppelijk Museum te Haarlem. 

Was pastoor Van Dijk als mensch gezien en geacht, 
als priester bleek zijne werkkracht nog meer. Getuige 
hiervan : dat hij, bijna zeventig jaren oud, den bouw 
ondernam van eene nieuwe kerk (1901), nieuwe pastorie, 
in 1907 een nieuwe school en doktershuis. Voor dit 
werk, waaraan zooveel financieele zorgen zijn verbonden 
en zooveel moeilijkheden, vooral voor een dorpspastoor, 
die dikwijls geen raadgevers om zich heen heeft, schrikte 
hij niet terug, maar voleindigde het. Hij bracht in de 
kerk drie kunstwerken van Jan Brom, het altaar, de 
communiebank en de doopvont. Eveneens eene schoone 
Piëta van Maas. 

In 1875 had hij voor de ouden van dagen eennieuw 
armenhuis opgericht in plaats van het vroegere door 
pastoor Buys gesticht, dat wegens gebrek aan ruimte 
niet meer aan zijn doel kon beantwoorden. 8 Januari 1908 
stierf pastoor Van Dijk, diep betreurd door zijne parochi- 
anen. Tot zijn laatste levensjaren bleef pastoor Van Dijk 
de eenvoudige kinderlijk-blijde man, die als een vader 
te midden zijner kinderen leefde en hen door woord 
en voorbeeld tot goede geloovige Christenen opvoedde. 
Onder de Langeraarsche pastoors verdient deze herder 
eene eereplaats. 

Zijn kapelaans waren : 

Ludovicus Henricus Voortmans, geb. 5 Febr. 
1845 te Overschie. Hij was eerst assistent aan den 
Rijndijk en daarna kapelaan te Langeraar van i Mei 
1875 — 18 Mei 1878. Na kapelaan te zijn geweest in 
Heer Hugowaard en Schipluiden, werd hij 1897 pastoor 
te Tuitjehorn, waar hij 23 Mei 1906 stierf. 

Dominicus Dionysius Bos, geb. te Rotterdam 
I Juli 1849. Hij werd te Langeraar kapelaan 18 Mei 1878 
na eerst assistent te zijn geweest te Heinkenszand. 



283 

25 Sept. 1890 vertrok hij als pastoor naar Wijk aan Zee. 
Sinds 1898 pastoor te Hem en Venhuizen. 

Andreas Theodorus Heileger s, geb. te Schoon- 
hoven 2 Febr. 1865. Na zijne wijding tot priester werd 
hij kapelaan te Langeraar 26 Sept. 1890—23 Febr. 1894. 
Van 1894 — 1900 kapelaan te Rotterdam (Houttuinen), 
1900 — 1907 kapelaan te 's-Gravenhage (St. Joseph). Van 
1907 — 1909 pastoor te Tholen. Sinds dien tijd rustend. 

Joannes Maria Aloysius Bots, geb. te Nieuw- 
koop 23 Mei 1868. Kapelaan te Langeraar 23 Febr. 
1894— 1898. 1898 — 1901 kapelaan te Warmond, 1901 
kapelaan te Amsterdam (St. Willibrordus binnen), 1909 
pastoor te Moordrecht. 

Simon Joannes van Rijn, geb. te Soeterwoude. 
Na assistent te zijn geweest in Haarlemmermeer was 
hij 1898 — 1908 kapelaan te Langeraar. Na korten tijd 
deservitor te zijn geweest bij den dood van pastoor 
Van Dijk en kapelaan bij diens opvolger vertrok hij 
21 Febr. 1908 naar den Haag als kapelaan der St. Jacobus- 
kerk, 19 ii pastoor te Wicringen. 

Henricus Cornelius Joannes Bakker (1908 — ). 

Pastoor Bakker werd 3 September 1854 te 's-Graven- 
hage geboren, 1880 werd hij priester gewijd. Achtereen- 
volgens was hij kapelaan in het „Zwaantje", Wateringen, 
Schoonhoven en Bodegraven. 1897 werd hij benoemd 
tot pastoor te Kudelstaart. 

30 Januari 1908 volgde pastoor Bakker zijn voor- 
ganger op. Pastoor Van Dijk had reeds bemerkt dat de 
toestand der verpleegden in het Armenhuis veel te 
wenschen overliet. De ouden van dagen leefden als in 
eene kleine republiek, verpleegden elkander, verdeelden 
de werkzaamheden onderling, terwijl een hunner als 
„moeder" het huishouden bestierde. Reeds had pastoor 



284 

Van Dijk het plan gehad een groot gesticht „St. Antonius" 
te bouwen, de ouden van dagen daarin op te nemen 
en het geheel te laten besturen door zusters. De gelden 
echter waren in lang niet toereikend na den bouw van 
kerk, school, pastorie en doktershuis. 

Pastoor Bakker nu nam aanstonds de uitvoering ter 
hand. Plannen en teekeningen werden gemaakt, eene 
leening gesloten en in 191 1 een aanvang gemaakt. 
Ondanks veel tegenspoed, zooals het doorbreken van 
den dijk vóór het gesticht, waardoor de geheele fundeering 
overstroomd werd, was het groote en ruime gesticht 
reeds het volgend jaar gereed en werd in October 19 12 
ingewijd. De ouden van dagen werden in het St. Antonius- 
gesticht onder dak gebracht ; de Zusters der Voorzienig- 
heid namen de zorg op zich en belastten zich tevens 
met het onderwijs op school, en een aantal kamers 
werd opengesteld voor hen, die als kostheeren of kost- 
dames hun dagen daar wilden doorbrengen. De parochie 
schonk aan het gesticht een fraai Antoniusbeeld van 
den beeldhouwer Maas, dat in den zijgevel werd aan- 
gebracht. Het wit-marmeren altaar der oude kerk, door 
pastoor Buys gebouwd, kreeg nu eene plaats in de kapel. 
Architekt van het gesticht was de Heer Robbers uit 
Haarlem. 

De oude preekstoel werd uit de kerk verwijderd en 
een nieuwe in 19 ii aangebracht. Deze onderscheidt 
zich van andere spreekgestoelten daardoor, dat de kuip- 
vorm werd vermeden, en de vorm aan de Italiaansche 
spreektribune herinnert. De marmeren trap voert op 
naar een marmeren platform, rustend op twee granieten 
zuilen, terwijl de marmeren met koper doorwerkte 
ballustrade zich verlengt tot omsluiting van de spreek- 
plaats. Deze preekstoel was eveneens het werk van den 
beeldhouwer Maas. 



285 

Datzelfde jaar werd een aanvang gemaakt met de 
kruiswegstaties. De wrakke en onoogelijke statieborden 
werden weggebracht en de kunstschilder Loots kreeg 
opdracht, nieuwe staties te schilderen. Zij vonden al- 
gemeenen bijval. De schilder ging volgens geheel andere 
opvattingen als gewoonlijk te werk, maar slaagde vol- 
komen. In plaats van het rustige meditatieve bracht hij 
een realistischer opvatting tot uitbeelding. Zonder tot 
eenige ruwheid of grofheid te vervallen, gaf hij den 
lijdensweg met alle gebeurtenissen zoo objectief mogelijk 
weer, — iets wat op de eenvoudigen en hier in dit 
geval op de Langeraarders veel meer indruk maakt 
dan wanneer zij de meditatie van een schilder moeten 
bestudeeren. Tevens maakte de schilder een aanvang 
met de algeheele beschildering der kerk. Nog ééne daad 
van pastoor Bakker verdient allen lof en navolging. In 
de kerk bevonden zich dertien gesneden houten Apostel- 
beelden, levensgroot, die reeds waarschijnlijk ten tijde 
van pastoor Vermey bestonden. Vreemd voorkomende 
in hun nieuwe omgeving, liepen deze beelden, welke 
zeer fraai en waardevol zijn, steeds gevaar door een 
opvolger, die minder oordeelkundig was, te worden 
verwijderd voor eenige onoogelijke nieuwerwetsche 
heiligenbeelden. Pastoor Bakker liet de oude beelden, 
herinneringen aan zooveel geschiedenis en verwikkeling, 
in het transsept der kerk aanbrengen op de oude voet- 
stukken en de schildering van het transsept in over- 
eenstemming met die beelden inrichten. 

3 Januari 1909 werd een patronaat opgericht en in 
October werd de oude school tot patronaatsgebouw 
aangewezen. 

Zijne medehelpers waren : 

Simon Joannes van Rijn, die echter zooals wij 
boven zagen, spoedig vertrok. 



286 



Ignatius Marie Petrus Alphonsus Wils, geb. 
te Dordrecht 29 Sept. 1883. Priester gewijd 15 Aug. 1907. 
25 Oct. 1907 kapelaan te Oude Tonge. 21 F'ebr. 1908 
kapelaan te Langeraar. 14 Aug. 191 1 kapelaan te 
Amsterdam St. Willibrordus buiten de Veste. 

Lambertus Josephus Cornelius Spoorman, 
geb. te Leiden, 8 Oct. 1873. Priester gewijd 15 Aug. 1898. 
Assistent te Nieuwveen 10 — 18 Sept. 1891. Kapelaan 
te Roelofarendsveen 7 Oct. 1898. Kapelaan te Amsterdam 
(S.S. Petrus en Paulus) 25 Aug. 1905 en 12 Nov. 1909 
kapelaan te Rotterdam (H.H. Martelaren v. Gorcum). 
Sinds 14 Aug. 191 1 kapelaan te Langeraar. 

Amsterdam. IGN. M. P. A. WiLS. 






C/5 cc 
DO 
ClQ 

^S 
UO 



u u 5 . • -^ Ji H ö -• Ö S)'^ i« c 'S 

S. i^ o ü J .- -^r 5 > > ^ o Ei 2 > 2 o •? 2 1^ 

c^ < Q Q O ►H.^^z 2 [i: Q ^oz^Q-^ o^ 

ONOr^r^ON'*t^i-ic<-)too\oo «T^vot^vovo foJl 



O O O O 

tJ- <* ■* ir% 
SO VO \0 \0 



1-1 t>. " N ON 
vO u^ \0 vO On 
vO \0 >0 vO NO 



N wi 0\ 0\ "^ -^ i^ 
O On On On 1-1 O « 
vO vO NO ^ tv. r^ t^ 



r~~ tv iTN 



■1 CS t~^ Il M 00 
\r^ urt Lr» vO nO NO 
vO nO vO vO ^O NO vO 



M u-i On O ro 
On On On O O 
vO vO vO t^ fv 



J T3 J • 

<u c« (u Ë 

i; £ ü <u 

^ < ^ 2 



a 



o (U oj o o! 

■k-- o D ■" ""^ 

D U J D .- 



1— ^ QJ QJ ^ N.' O^ QJ t/) (/) 1-" 



O PQ 





e 
































T3 
































■ 










;_ 
















4J 




































J! 


. Cu 








4J 




^ 


-d 


^ -g 




rt 




^1 • 


Pi 


^ 




TT! ih 


1 




.2 u 


tf 






T. 


^ -f 


s^ 


!}{ 









• 


• JS 






• 


























T3 








































m 




^ 




c 








> 




d: 


^ 






ecg 

2 ë ë 
fe u o 



c "J ij o c 



c o o 
< U ü 



«'S 






^ (J <U r— , 



2 M « S ^ 



3 > 



ö ►£> < H Z ^ K ^ O ^ Uh ►:; 



> > 



c/ia 

DO 
üjO 






Uh 



c 
o 

^. s 

ei n! 

s ^ 

rt ^ 
J S 



5J c 

i p 1 1 1 

-- Q o 



''U 



5 <u 5 

ro •- 
Cl J= 






00 CT^ O O N 
t^ t^ CO OO 00 



XJ-, ^ PI lj^\C 1^0000 O 
000000000000 ooooo 



ri- 00 00 

Os o o 

00 00 Os 






(S LO sO "^ 



(« (/i tn 



o t: 

Pi < 



JS s 



■1) c o o 

'-C 45 -c ° 

2 B § I 



OQ><.<"Z20i^'J5:zcö.'' 



N Q J 



3 3 t/T i5 






5 e 



- 03 



5 g 3 



o 
c o 



C n ' — > 



= 6 



K .2 



•c 'S o < 



£3 (U >> o rt 

« K Q ^ -C 



Ö m o ^ 



E t « £ 



3 o! c u y 



S ^S K m > ü 



X ;^, v " 



' o (ü -Ö ;^ >_ i_ 



Gerai 

Ludo 
Domi 
Andr 


Joann 
Simoi 
Henri 
Simoi 


C 


S 


> 
X 





GODFRIED VAN MIERLO. 
(Vervolg van Deel XXXVI, blz. 248). 



§ 6. Overige maatregelen van bestuur in 1571 — 1572. 

In dit artikel zullen wij de nog overige gebeurtenissen 
samenvatten, welke de twee eerste bestuursjaren van 
Haarlem's tweeden bisschop hebben gekenmerkt. De 
tijdsorde volgende, moeten wij op de eerste plaats 
melding maken van eene breve door Pius V op 2 Juli 
1571 uitgevaardigd. De tekst van dit schrijven is reeds 
elders afgedrukt i). Niet slechts v. Mierlo maar ook de 
meeste andere bisschoppen in de Nederlanden hadden 
ieder zulk een breve ontvangen. De paus vermaande 
hen bij dit schrijven tot meer ijver in het bestrijden 
van de dwaalleer en tot trouwer vervulling van hunne 
overige plichten. Waren de berichten juist, aldus heette 
het in de breve zeer omzichtig, welke den paus waren 
ter oore gekomen, dan had de maatregel om nieuwe 
bisdommen in de Nederlanden op te richten zijn doel 
gemist, en dat wel door de nalatigheid en zorgeloosheid 
van de bisschoppen zelf. Niet ten onrechte legde Laderchi 
1. c. den nadruk, wat het oordeel over den toenmaligen 
bisschop van Doornik betrof, op het voorbehoud door 
Pius V in zijne gestrenge breve gemaakt. En in het 



l) Arch. aartsb. Utrecht XXII, 405. Een gelijkluidend schrijven, 
gericht aan den bisschop van Doornik, was reeds vroeger gepubliceerd 
door den voortzetter van de Annalen van Baronius, lac. Laderchius 
(III, anno 1571, n". 34). 

ï9 



290 

voljrende nummer 35 van zijne „Annales" wees hij 
bovendien erop dat in die dagen te Rome dergelijke 
en nog veel erger beschuldigingen waren uitgebracht 
tegen een zoo voortreffelijken bisschop als Wilhelmus 
Lindanus, die in datzelfde jaar 1571 zich genoodzaakt 
zag een afzonderlijk verdedigingsschrift, zijn „Galeatus", 
op te stellen om aldus den paus beter in te lichten. 
Volgens Havensius ^) waren het »benijders en valsche 
broeders" geweest, welke zulke valsche geruchten om- 
trent Lindanus hadden overgebracht. Uit hetgeen wij 
reeds over de werkzaamheid van v. Mierlo hebben 
medegedeeld, meen ik gerust de gevolgtrekking te mogen 
maken dat ook hem het verwijt van „negligentia" en 
„socordia" niet kon treffen. 

Een nieuw bewijs van de zorg waarmede Alva de 
uitvoering der hervormingsdecreten van Trente in de 
nieuwe bisdommen heeft trachtten te bevorderen, levert 
Bijlage L In het 15e hoofdstuk van de zevende zitting 
had het concilie, eene bepaling van Vienne hernieuwend, 
de bisschoppen aangemaand om door bemiddeling van 
zaakgelastigden toch vooral zorg te dragen voor een 
nauwgezet beheer van het eigendom der gasthuizen. 
Later, in het 9e hoofdstuk van de twee en twintigste 
zitting, hadden de vaders van Trente bovendien gelast 
dat de bestuurders van parochiegoederen, alsook zij, 
die gesteld waren over andere kerkelijke goederen, 



l) Cortitnentarius de erectione novorum in Belgio episcopatuiwi (Col. 
Agripp. 1609), 120. Uil den tekst aldaar is niet op te maken of al 
dan niet de «Galeatus" in druk is verschenen. Havensius heeft echter 
het «verweerschriftje", dal ook gunstige getuigenissen van Alva bevatte, 
hetzij dan in h.s. of in druk voor zijne Geschiedenis der bisschoppen 
van Roermond zeker kunnen raadplegen. Jammer dat Dr. Brom bij 
zijn nasporingen in de Vaticaansche archieven en de Vaticaansche 
bibliotheek blijkbaar geen spoor heeft kunnen ontdekken van dit 
ongetwijfeld hoogst merkwaardig geschrift. 



291 

jaarlijks een verslag over dat beheer moesten uitbrengen 
bij den diocesaan bisschop. Op ii Juli 1571 herinnerde 
Alva, toen te Antwerpen vertoevende, den bisschop van 
Haarlem aan deze voorschriften en verlangde dat hij 
een behoorlijk overzicht zou laten opstellen van het 
beheer dier goederen, voor zooverre het kerken en 
godvruchige instellingen betrof, welke zich in zijn diocees 
bevonden. In de synode van October 1571, waarover 
straks nader, heeft v. Mierlo met dit schrijven van den 
landvoogd rekening gehouden. In het achtste van de 
statuten, daar vastgesteld, werd bevolen dat de pastoors 
met hun kerkbestuur eene beredeneerde lijst zouden 
opmaken van al de beneficies en overige bedieningen, 
welke tot de parochiekerk behoorden of aan kapellen, 
klooster- en gasthuiskerken, binnen de grenzen van de 
parochie gelegen, waren verbonden en dat zij de kopie 
daarvan zouden opzenden aan den bisschop. Bij alle 
waardeering van Alva's zorg voor de tijdelijke belangen 
van Haarlem's kerk, moet het ons toch opvallen hoe- 
zeer in dit schrijven ook zijn heerschzucht omtrent 
kerkelijke aangelegenheden voor den dag komt ; een 
gedragslijn waarmede hij trouwens geheel in den geest 
handelde van zijn koninklijken meester. Wisten wij niet 
van elders beter, men zou meenen dat de verplichting 
om aan dit bevel te voldoen alleen rustte op het recht 
van oppertoezicht dat de souverein in deze voor zich 
opeischte ; met geen enkel woord toch wordt in dit 
schrijven melding gemaakt van de wetgeving van Trente. 
Nog sterker spreekt dit Caesaro-papisme uit het slot 
van den brief, waarin de bisschop gelast wordt de 
registers van hetgeen kerken en liefdadige instellingen 
toebehoorde aan de Regeering te zenden, opdat „van 
ons dairin geordonneert mach worden als men bevinden 
sal 't bequaemste te sijn." 



292 

De „Tabula chronologica" i) vermeldt op het jaar 1571 
ook het vaststellen van de regels voor den bisschoppe- 
lijken rechtbank. Bannius leidt dit waarschijnlijk af uit 
het feit, dat in de akten der synodus van October 1571 
de vicaris-generaal, Hieronymus Vairlenius, staat aan- 
gegeven als „ofificialis curiae Harlemensis". Het oud- 
archief van den bisschop van Haarlem bezit eene kopie 
van deze statuten, maar de tijd, waarop ze zijn uit- 
gevaardigd, wordt daarop niet vermeld. Wijl deze statuten 
nog nimmer zijn gepubliceerd en ze den lezer in staat 
stellen zich een goed begrip te vormen van de beteekenis 
en werkkring van zulk een bisschoppelijken rechtbank 
in de zestiende eeuw, laten wij onder Bijlage II een 
afdruk daarvan volgen. 

Een der middelen, welke vooral heeft medegewerkt 
om de wetgeving van Trente ingang te bezorgen, was 
het geregeld bijeenkomen van provinciale en diocesane 
kerkvergaderingen. Ik behoef ter bekrachtiging van dit 
feit slechts te herinneren aan den zegenrijken werkkring 
van den H. Carolus Borromaeus op dit gebied in het 
Milaneesche, alsook aan het niet minder merkwaardig 
verschijnsel dat de hervormingen van Trente op het 
gebied van tucht in de diocesen van Frankrijk allengs 
zijn doorgevoerd, niettegenstaande het koninklijk gezag 
aldaar zijne erkenning aan dit deel der werkzaamheden 
van het concilie durfde te onthouden. Gelijk van een 
bisschop als v. Mierlo niet anders te verwachten was, 
heeft hij, zoodra de omstandigheden het hem eenigszins 
toelieten, ook dit voorschrift van Trente (XXIV, de 
Reform, c. 2) ten uitvoer gebracht. Op 2 October 1571 
kwam te Haarlem de diocesane synodus bijeen. De 
besluiten van deze vergadering, in 14 punten vervat, 



:) Bijdr. bisd. Haa7lcm, 1. 12. 



293 

zijn reeds vroeger afgedrukt en te vinden in de „Batavia 
Sacra" ^). De auteur verzuimde echter daar te ver- 
melden dat hij die statuten heeft gekopieerd naar een 
gedrukt exemplaar, dat op de pers is gelegd door 
Willem Jacobsz. te Amsterdam in den „Engelen-burcht", 
vermoedelijk nog 1571 of in 1572. Hoofddoel van de 
synodus was natuurlijk om naar de vermaningen van 
Trente zorg te dragen voor eene beter geregelde zielen- 
zorg. Vandaar het voorschrift om registers aan te leggen 
van gedoopten, gehuwden en van verleende huwelijksdis- 
pensaties (VII), alsook het bevel om aan de geloovigen 
dikwerf de wetgeving van Trente betreffende het huwelijk 
uiteen te zetten (V). Met hetzelfde doel voor oogen 
werden op de synodus kandidaten aangewezen voor eene 
commissie, welke den bisschop of zijn plaatsvervanger 
zouden bijstaan in het examineeren van al degenen die 
waren voorgedragen tot het verkrijgen van beneficies, 
waaraan zielenzorg was verbonden (II). Echter poogde 
men ook andere misstanden te verbeteren : art. VI 
richtte zich tegen hen die in wilden echt samenleefden; 
art. IX verbood het lezen van gevaarlijke alsook door 
de Kerk uitdrukkelijk veroordeelde boeken en geschriften; 
art. XI ontzegde aan ketters eene kerkelijke begrafenis, 
gelijk aan dezulken, die den plicht van Paaschbiecht en 
communie hadden verwaarloosd en vervolgens zonder 
het H. Olysel te ontvangen waren gestorven. En om 
het verspillen van kerkelijk goed te voorkomen was, 
gelijk wij reeds vroeger hebben vermeld, in art. VIII 
een voorschrift gegeven, inhoudende : dat iedere pastoor 
met zijn kerkmeesters een volledige lijst zou opmaken 
van beneficies en fundaties en dat eene authentieke 
kopie van dit register aan den bisschop zou overhandigd 



l) Folio editie, II, 315—316. 



294 

worden. Daar Trente ook had bevolen dat jaarlijks 
zulk eene kerkvergadering moest gehouden worden ^), 
gaf één der laatste statuten (XIIT) den datum aan, 
waarop de volgende synode in 1572 zou bijeenkomen; 
daarvoor werd vastgesteld de derde dag na Sint Bar- 
tholomeus, dus 27 Augustus. De tijdsomstandigheden 
hebben dat echter belet; het oproer tegen den Spanjaard 
had zich toen reeds uitgestrekt over het grootste ge- 
deelte van het bisdom ; Haarlem stond sinds 4 Juli aan 
de zijde van de Prinsgezinden en de bisschop zelf school 
in den vreemde. 

Reeds in 1569 had Alva een ordonnantie uitgevaardigd 
waarbij was bepaald : dat niemand in de Nederlanden 
een regeeringspost of eenig publiek ambt zou kunnen 
verkrijgen, tenzij hij eerst het bewijs overlegde dat hij 
als katholiek had geleefd, welk bewijs de onderteekening 
moest dragen hetzij van zijn bisschop, hetzij van zijn 
pastoor 2). Het vervullen van den Paaschplicht was 
natuurlijk één van de voornaamste waarborgen om met 
goed geweten zulk eene attestatie te kunnen afgeven. 
Gelijk echter in tijden van beroering nog veel meer 
dan anders pleegt te geschieden, er waren personen, 
die op lossen grond beweerden dat iemand zijn plichten 
als katholiek niet had vervuld of, erger nog, die tegen 
beter weten in op dit punt valsche beschuldigingen uit- 
brachten. Waarschijnlijk hebben deze omstandigheden 
saamgewerkt tot het uitvaardigen van het bisschoppelijk 
decreet, dat wij onder Bijlage III publiceeren en moeten 
wij aldus de woorden : „juxta beneplacitum ducis Albani", 
welke in dit stuk voorkomen, verstaan. De mogelijkheid 
is echter niet uitgesloten dat v. Mierlo nog een afzon- 



i) Sess. XXIV, de Reform, c. 2. 

2) Gachard, Corresp. de Philippe II, II, 104. 



295 

derlijk bevel had gekregen om dit mandement uit te 
vaardigen, maar zulk een schrijven is in het bisschoppelijk 
archief niet voorhanden, noch van elders ons bekend. 
Op 23 Maart 1572 dan gelastte de bisschop aan al de 
biechtvaders, in zijn diocees werkzaam, dat zij een 
afzonderlijk register zouden aanleggen, waarop hunne 
biechtelingen, ten minste voor zoo verre dezen leeken 
waren, met naam en voornaam moesten vermeld worden 
en dat zij desgevorderd inzage van deze lijst zouden 
verstrekken. Het decreet werd uitgevaardigd op den 
Zondag „ludica", d. i. Passie-Zondag. De ijverige bis- 
schop maakte van deze gelegenheid gebruik om zijn 
priesters, welke, gelijk uit het decreet blijkt, in die week, 
aan het openen van den Paaschtijd voorafgaande, 
dagelijks het Woord Gods moesten verkondigen, te 
vermanen, dat zij de hoorders niet slechts in kennis 
zouden stellen met den inhoud van het bisschoppelijk 
bevel, maar tevens er op zouden aandringen om toch 
één van hun voornaamste christen-plichten te vervullen. 
De groote werkzaamheid, welke wij Haarlem's tweede 
bisschop in dit en de vorige artikelen zien ontwikkelen, 
werd helaas spoedig daarop geknakt door het oproer 
dat in de Nederlanden uitbrak. Slechts na lang aarzelen 
is Haarlem tot de partij van den Prins overgegaan ; 
reeds op 30 April werd hiertoe een voorstel gedaan, 
maar eerst op 4 Juli ^) kwam het bekende accoord tot 
stand. De reden daarvan moet gezocht worden in de 
gezindheid van de aanzienlijksten onder de burgerij, 
geestelijkheid en magistraat, afkeerig van de dwingelandij 
door Alva uitgeoefend, maar niet oproerig gezind, be- 



ï) Gewoonlijk wordt 3 Juli aangegeven, doch naar Bor (Boek VI, 
381) getuigt, hebben de demagogen op 3 Juli aan den Haarlemschen 
magistraat nog één dag toegestaan om tot het afgedwongen accoord 
over te gaan. 



296 

vreesd ook voor de wraak van den geweldigen hertog 

en vol wantrouwen jegens de Calvinistische volksmenners 

binnen Haarlem. Juist op denzelfden dag dat een tweetal 

van dezulken, de toekomstige „geusen-burgemeester" 

Fieter Kies en Michel de Wacl, beide bannelingen, op 

een schuit binnen de stad zijn gebracht en op het 

stadhuis ontboden verklaarden niet wederom te willen 

vertrekken ^), is v. Mierlo uit Haarlem geweken ; immers 

volgens het getuigenis van Sufifidus Petri ^) moet dat 

geschied zijn op het feest van St. Jans Geboorte, d. i. 

24 Juni. Vermoedelijk zag hij in dat bij het steeds 

driester optreden van de volkspartij en den toenemenden 

angst en wankelmoedigheid van het stadsbestuur de 

overgang van Haarlem slechts een kwestie van dagen 

was en verliet hij zijn bisschoppelijke stad om niet 

mede verantwoordelijk te worden gesteld voor dezen 

oproerigen daad. Ook zal de bisschop wel, en niet ten 

onrechte, beducht geweest zijn voor eigen veiligheid in 

de toekomst De vikaris-generaal, Hieronymus Vairlenius, 

bleef echter in Haarlem achter, en heeft daar al de 

ellende van de belegering mede gemaakt ^). Van Mierlo 

begaf zich naar de abdij Terkamere (la Cambre), door 

Cistercïenser nonnen bewoond en in de onmiddelijke 

nabijheid van Brussel gelegen *). In het volgende artikel 

zullen wij hem daar ontmoeten. 

A. H. L. Hensen. 



1) Naar eene aanleekening uit het nog onuitgegeven Dagboek van 
Wilhelmus Verwar. 

2) Continuatio Suffridi Petri ad Bekam, fol. 10. 

3) Willem Verwer teekende in zijn Dagboek op 15 Juni 1573 aan: 
ȟnse vicarius, Hieronymus genaempt en pater van .Sint Catherinen, 
werden op desen dach alle sijne boecken gestroyt ende was in groote 
benautheyt." 

4) De abdij is in 1796 geseculariseerd. Kerk en pand zijn nog in wezen 
en gelegen aan de Avenue Louise, op weg naar het Bois de la Cambre, 
links. Het Ministerie van Oorlog liet zijne kaarten daar vervaardigen. 



297 

BIJLAGE I. Zie bovefi bh. 2go. 



1571, Juli 11, Antwerpen. 

De landvoogd verlangt van v. Mierlo dat er een nauwkeurige 
boekhouding worde gevoerd bij het beheer van kerken en god- 
vruchtige instellingen. 

Don Fernando Alvares, hartoch van Alve, lieutenant, gouver- 
neur ende capiteyn generael. 

Eerwerdighe vader in Gode, seer beminde, 

Alsoo men siet ende dicmael bij experientie bevonden wordt 
dat die hospitaelen, gasthuysen, heylige geest tafels, fabricquen 
vanden kercken ende andere pieuse plaetsen ten achtercomen 
ende verloren gaen ter oorsaecken dat door die administrateurs 
ende toesienders vandien daer in niet gehandelt en wordt als 
dat behoort, ende aengemerkt wij daer in begeeren te versien 
opdat die goederen ende incompsten vanden hospitaelen ende 
andere huysen als boven wel ende betamelijck geregeert ende 
geadministreert worden tot profijte van den armen ende der 
fabricquen — soo ist dat wij op u versoecken dat op die reecke- 
ninge van alsulcken administrateurs oft ghij selve oft yemandt 
anders van uwen officieren van uwen t' wegen sal comen den 
selven administrateurs doen antwoorden ende bij geschrift 
stellen alle die renten ende incompsten de welcke gevallen 
sijn binnen een tijt van haerlieder administratie ende te doen 
het uyterste debvoir om die selve te recouvreren, mits 00c 
vande renten die gevallen waren voor haerlieden administratie, 
ende haerlieden doen een cler register maecken inhoudende 
die schulden diemen den voorscreven godtshuysen schuldich is, 
wie die schuldenaers sijn, ende sedert wat tijt; welck register 
sij lieden u sullen moeten exhiberen, op dat ghijt dan voorts 
aan ons moecht seynden, om dat van ons daer in geordonneert 
mach worden, dwelck men bevinden sal bequaemste te sijne. 
Gegeven inde stadt van Antwerpen, den 11 in Julio anno 1571. 

Oud-xrchief van den bisschop van Haarlem. Copieboeck I^jji — jj2. 



298 

B IJ L A G E II. Zie bm'en bh. 2C)2. 

1571- 
Regels voor het bisschoppelijk gerechtshof. 

Ordinationes sive statuta judicialia in curia episcopali Harle- 
mensi observanda. 

C. I. De iis quae generaliter in curia sunt observanda. 

In primis statuit et ordinavit reverendissimus in Christo pater 
et dominus, d. Godefridus a Mierio, episcopus Harlemensis ut 
omnes et singuli in curia sua postulaturi, practicaturi, advocati, 
procuratores, notarii, nuncii caeterique alii quicunque jurent 
eidem reverendissimo domino episcopo Harlemensi ejusque 
successoribus, item officiali ejus generali, fidelitatem, obedientiam 
ac reverentiam. 

Deinde ut jurent quod statuta ejusdem curiae facta et facienda 
pro posse observabunt ; secreta curiae non revalebunt; munera 
et officia sibi incumbentia fideliter observabunt. 

Et statuit atque ordinavit idem reverendissimus ut omnes et 
singuli praedicti annis singulis prima die juridica post festum 
Trinitatis praescriptum juramentum renovent statutaque hujus 
curiae, praesertim sua officia concernentia, penes se habere 
teneantur. 

Item ut qualibet hebdomade judicium servetur feriis secunda 
et sexta ante meridiem circa horam nonam, quam audientiam 
pro multitudine causarum deinde in dies subsequentes officialis 
poterit continuare, si modo causarum frequentia id exigat. 

Item statuit quod omnes causae quae coram eodem tribunali 
introductae fuerint omnesque actus judiciales contentiosae juris- 
dictionis praedesignatis diebus et horis in dicto consistorio, 
officiali ejusve locum tenente pro tribunali sedente, ventilabuntur, 
tractabuntur et fient, et aliter vel alibi factae pro non factis 
habebuntur, proviso tamen quod examinationes testium, expen- 
sarum taxationes et similia praedictis horis judiciliabus per 
officialem non fiant, ne per ejusmodi occupationes audientia 
impediatur, sed aliis horis convenientibus peragantur. 

Actus vero voluntariae jurisdictionis poterit officialis exercere 
dum, quando et ubi causa expostulaverit. 

Item statuit et ordinavit ut omnes et singulae causae, quanto 
citius fieri poterit, fine debiio terminentur et, si quae infra 



299 

annum a die motae litis terminata non fuerit. teneantur tam 
procuratores in causa illa servientes quam notarius de ea mora sive 
de dicta processus retardatione eundum reverendissimum sive ejus 
officialem reddere certiorem, qui deinde illis terminumstatuatcom- 
petentem infra quem praedictus processus omnino terminetur cura- 
bitque in hoc reverendissimus e jusve officialis ne quae causa ultra 
biennium a die motae litis pendeat indecisa. Quod si procuratores et 
notarius praedicti eorumve aliquis in certoriando aut debite prose- 
quendo, uti supra dictum est, negligens fuerit, erit is pro qualitate 
causae et alias, prout reverendissimo videbitur, graviter mulctandus. 
C. 2. De officiali. 

Officialis in omnibus audientiis per se ipsum praesideat, in 
quibus officium suum gratis praestet contentus salario a reve- 
rendissimo ei assignato. 

Quod si autem eum legitime impeditum aut abesse contingat, 
in locum suum substituere potest i) advocatum aliquem vel 
alium virum prudentem et honestum qui in audientia quidem 
praesideat sed nullum tarnen decretum interponat. 

Neque vero liceat officiali in die audientiae domo abesse 
nisi speciali ad hoc licentia impetrata a reverendissimo sub 
poena arbritaria. 

Item responsiones partium et examina lestium (a quibus fere 
tota causa dependet) officialis ipse audiat aut impeditus non 
passim sed probo alicui et circumspecto viro tantum committat, 
dato ei, si videbitur, adjuncto. 

Atqui ad hujusmodi examinationes faciendas assignabit officialis 
aliud quodvis tempus idoneum praeter horam audientiae. 

Omnes autem emergentes et incidentes quaestiones tenebitur 
officialis terminare infra sex hebdomodas a die conclusionis, 
etiamsi talis sit causa quae cum consilio jurisconsulti vel juris- 
consultorum per officialem videbitur esse terminanda; quod 
quidem officialis facere potest sumptibus partium, infra tamen 
tempus supradictum ; et ni faciat, per eumdem reverendissimum 
ad id censuris et poenis compelletur. 

Item is qui habebit a reverendissimo curam sigilli officii nullas 
litteras aut actus judiciales privato suo sigillo signabit et officii 
sigillum non aliter litteris, actibus ne judicialibus [quidem], apponet 
nisi primum registratis et per secretarium curiae subscriptis. 



l) Er staat: possit. 



300 

Item si officialis impedimenti conscius particepsve fuerit ali- 
terve obstiterit ne appelanti in casibus a jure permissis integra i) 
acta infra mensem tradantur, ad dupli poenam quanti ea lis 
fuerit, inter appellantem ut pauperes loei distribuendam, com- 
pelletur. 

C. 3. De advocatis et procuratoribus. 

Advocati si consistorium intraverunt officiali pro tribunali 
sedenti reverenter inclinabunt sedebuntque a latere ipsius officialis. 

Procuratores autem stabunt aut sedebunt in loco ipsis assig- 
nato et cavebunt sibi omnes et singuli ne irreverenter aut 
indiscrete ibidem loquantur sub poena privationis aut suspensionis 
officii aut alia pecuniaria per officialem moderanda. 

Pauperibus advocati procuratoresque gratis inserviant, et si 
plures pauperum causae occurent ita eas distribuet officialis inter 
advocatos et procuratores ne unus plus aliis gravetur. 

Interdicit autem idem reverendissimus omnibus et singulis 
advocatis et procuratoribus ne quovis quaesito colore lites 
actionesve emanl vel sibi cedi faciant aut recipiant suis sumptibus 
prosequendas aut participent talibus aut pacificentur ") de quota 
litis neve immoderatas etiam sportularum praetextu pecunias 
a clientelis extorqueant sed honesto suo salario contenti sint; 
qui secus fecerint, pro arbitrio reverendissimi puniantur. 

Similiter interdicit omnibus et singulis, tam advocatis quam 
procuratoribus, ne causas iniquas suscipiant defendendas, sub 
simili poena arbitraria, neve etiam aequas et justas diutius 
aut prolixioribus, quam sit necesse, scripturis protrahant et 
extendant partesque non necessariis sumptibus gravent aut in 
ulla judicii parte calumnientur, sub simili poena arbitraria. 

Quamobrem statuit et ordinavit idem reverendissimus ut 
quoties negotium arduum occurret et deductionem aliquam 
videbitur requirere vel plura capita continere, libellus statim ab 
initio porrigatur articulatim scriptus, sitque actor e vestigio 
paratus ad praestandum calumniae juramentum, si ita judici 
videbitur expedire. Quod nisi paratus sit actor praestare, pro- 
hibet idem reverendissimus ne quis advocatus vel procurator 
ejus causam suspiciat defendendam vel susceptam ulterius prose- 
quatur ; et nisi abstineat, etiam ipse tanquam calumniator punietur. 



1) Er staat: integre. 

2) Er staat: pacificantur. 



30I 

Quod ipsum facta suo tempore responsione in reo similiter 
voluit observari. 

Porre ne in processibus confusie aliqua oriatur si minus 
integre statuta hujus curiae observentur, statuit et ordinavit 
idem reverendissimus ut omnes causae per procuratores hujus 
curiae dirigantur. 

Qui autem pro alio, sive actore sive reo, in judicio com- 
parere volet, de mandato sufficienti docere debet idque vel 
statim nisi judex ex gratia certura quempiam terminum statuat 
infra quem documenta praedicta exhibeat; quod ni fecerit, pro 
ea temeritate procurator arbitrio judicis punietur. Et si ex 
defectu mandati processum in dubium revocari contingat ipse, 
non pars, dispendium ferat. 

Habebit etiam quilibet procurator registrum suum sive pro- 
tocollum in quo annotabit causas et personas et earum terminos 
quorum ipse curam suscepit-, quod ni faciat, punietur singulis 
vicibus, quibus in hoc negligentiae culpabitur, in mulctam 
septem stuferorum. 

Item statuit et ordinavit quod procuratores, si nullititatem 
aliquam in processibus per negligentiam, injuriam aut impe- 
ritiam vel etiam absentiam commiserint, parti laesae de expensis 
et damnis, ea occasione passis, absque appellatione et uUa 
contradictione ad dictamen officialis satisfaciant, et si in mora 
satisfactionis fuerint, ab officio suspendantur et nihilominus 
parti laesae satisfacere teneantur. 

C. 4. De secretarie curiae, ejus substituto et notariis. 

Secretarius curiae in omnibus audientiis personaliter praesens 
erit. Quod si autem legitime impeditus fuerit ex permissu 
officialis, alium quemdam notarium ejusdem consistorii sub- 
stituet; alioquin singulis vicibus mulctabitur une floreno. 

Praesens autem secretarius per modum protocoUi annotabit 
ea quae in judicio geruntur; non autem ibi scribet extensa nisi 
ex causa, judicis animum dumtaxat movente, aliter ei fuerit 
mandatum ; quod protocellum tanquam publicum ad officium 
sive curiam episcopalem Harlemensem, non autem ad notarium, 
pertinebit. 

Omnes actus judiciales, citationes, monitoria, decreta, man- 
data, excemmunicatienes, absolutiones, suspensiones, sententiae, 
etc. per eundem curiae secretarium vel ejus substitutum sub- 
scribi debent. 



302 

Item omnes scripturae in judicio exhibitae vel saltem earum 
copiae authenticae, per ipsum collationatae, omniaque acta a 
dicto secretario conserventur, donec vel liti renuntiatum fuerit 
vel sententia transierit in rem judicatam vel alicui ut tradat 
mittatve discutienda vel examinauda jusserit officialis vel per 
judicem appellationis fuerint requisita. 

Quin et idem secretarius registrum faciet omnium sententiarum 
in eadem curia latarum et pronunciatarum, quod etiam in dicta 
curia sive officio in publicum et communem omnium usum 
asservabitur. 

Item ne ex negligentia secretarii processus diutius protra- 
hantur, quod scilicet parti adversae copia scripti alicujus in 
judicio exhibiti vel acta aliqua judicialia tardius conficiantur, 
statuit et mandat idem reverendissimus ut secretarius in singulos 
dies quatuor folia ad minus expedire teneatur, quorum in 
singulis lateribus viginti quinque lineae ad minus et in qualibet 
linea septem dictiones, duabus syllabis pro una dictione com- 
putatis, contineantur. Quod ni faciat, arbitrio officialis et pro 
qualitate causae erit puniendus. 

Porro appellatione in casibus permissis interposita teneatur 
notarius congrua mercede accepta actorum copiam appellant! 
(si tamen hoc postulaverit) quanto citius et ad minus infra 
mensem exhibere. Qui, si in difierenda exhibitione fraudem 
fecerit, ab officii administratione arbritrio reverendissimi sus- 
pendetur et ad dupli poenam quanti ea lis fuerit, inter appel- 
lantem et pauperes loei distribuendam, compellatur. 

Voluit insuper et ordinavit idem reverendissimus ne quis 

notarius, etiam quacumque authoritate creatus, ad ullum ejus 

officii exercitium in hoc suo consistorio admittatur nisi prius per 

reverendissimum ejusve officialem examinatus fuerit et approbatus. 

C. 5. De cursoribus sive executoribus et nunciis. 

Item statuit et ordinavit idem reverendissimus ut cursores, 
in officio suo aUoquin non impediti, horis audientiae in con- 
sistorio vel ad ejus ostium sint praesentes. 

Item voluit ut praedicti cursores officialem, ad audientiam 
venientem et inde domum redeuntem, debitis et solitis horis 
deducant et reducant. 

C. 6. De citationibus. 

Quandoquidem in judiciis (saltem quoad praeperatoria litis) 
primum esse solet citatio partis, statuit et ordinavit idem reve- 



303 

rendissimus imprimis ut citationes in scriptis expediantur sub 
sigillo officialitatis et subscriptione secretarü curiae, atque aliter 
factas haberi voluit et habebit pro nullis. 

Utque in iis parti, nominadm expressae (generales eniin 
citationes non nisi in certis casibus, in jure expressis, sunt 
admittendaej terminus competens assignetur, quo vel ipse vel 
ejus legitimus procarator instructus compareat coram judice, ad 
petitionem adversarii responsurus. 

Et ne quam occasionem habeat vocatus cur minus veniat 
instructus, causa debiti in citatione exprimenda est. 

Termini autem competentia primum quidem aestimabitur 
prout infra cap. 14, de terminorum observatione, plenius dicetur, 
deinde vero etiam locorum distantia in ea erit exprimenda. 
Quamobrem si citandus infra quatuor milliaria a loco curiae 
seu judicis citantis resideat, talis terminus per apparitorem seu 
cursorem citato assignari debet, et pro itinere faciendo saltem 
diem unum integrum habeat praeter spatium temporis praesenti 
alioquin assignandum. Si vero ultra quatuor millaria et infra 
octo praesideat, duos dies habeat pro itinere. Si ultra octo, 
tune saltem tres vel etiam plures pro loei distantia, uti modo 
dictum est, aliterque facta citatio tanquam nulliter facta revo- 
cabitur condemnabiturque temerarius executor sive apparitor 
in expensas. 

Quin et appariior sive cursor relationem factae executionis, 
quo die scilicet insinuatio facta sit, quem terminum assigna- 
verit ad comparendum, quidque vicissim responsi acceperit, 
fideliter scribet in dorso literarum citationis, et horum omnium 
tam literarum citationis quam suae relationis copiam sive 
exemplum relinquet parti citatae requaesitus, idque expensis 
citari procurantis. 

Potest etiam judex ad quaerimoniam sive supplicem libellum 
partis sub certa magna poena pecuniaria praecipere adversario 
ut de delicto vel debito, cujus in eadem suplicatione fit mentio, 
satisfaciat infra terminum competentem vel compareat ad certum 
diem coram judice causam allegaturus cur id facere teneatur. 
Quo comparente resolvetur dictum praeceptum in vim simplicis 
citationis et procedetur deinceps ordinarie vel summarie prout 
causae qualitas videbitur postulare. Quapropter vult idem reve- 
rendissimus hujusmodi praecepti intimationem fieri per cursorem, 
ut de simplici citatione modo dictum est. 



304 

Per viam autem monitorii procedi solet in causis confessis, 
liquidis, spolii, residentiae curati, criminalibus, concubinatus, 
correctionum morum, matrimonialibus et similibus. 

C. 7. De non comparentibus et contumacibus. 

Statuit praeterea et ordinavit idem reverendissimus ut neutra 
parte comparente citatio habeatur pro deserta ac si reus vocatus 
non esset. Et comparente reo et non veniente actore, si reus 
commeatum petat, dabitur ei abeundi iacultas et incidat actor 
in poenam viginti stuferorum et in expensas. 

Comparente autem actore el reo non veniente, dabitur contra 
eum primus defectus punieturque reus mulcta decem stuferorum 
ac decernetur secunda citatio Ad quem reo non comparente, 
dabitur secundus defectus et mulcta erit vigenti stuferorum et 
decernetur tertia citatio sub magna (utpote succedente in locum 
excommunicationis) et gravi poena pecuniaria, suspensione a 
fructibus beneficiorum, pignorum captione, distinctione personae, 
aut alia simili, pro qualitate causae et personae, judicis arbi- 
trario moderanda. Qua contumacia per reum commissa ad 
requaesitionem actoris decernetur et alia insuper citatio ad 
convincendam oranem rei malitiam. Q.ua [littera] ad primam 
diem juridicam vel ad alium terminum competententem citetur 
ad videndum decerni litteras executoriales praedictarum omnium 
poenarum, etiam cum invocatione brachii saecularis, quatenus 
opus fuerit. Et procedi nihilominus in ipso negotio poterit, 
nisi in dicto termino reus comparuerit et contumacias purga- 
verit priores. 

Et ut judiciorum brevitati etiam in initio litis studeatur, vo- 
luit idem reverendissimus ut quotiescumque causae persona- 
rumque qualitas non refragabitur, officialis unam dumtaxat 
citationem pro tribus eamque peremptoriam decernat una cum 
comminatione poenae majoris, uti de tertia citatione modo 
dictum est, procedatque deinde ad alteram ex superabundanti, 
ac si tres aliae citationes processissent, de cujus modo et for- 
mula similiter dictum est. 

Et si ne tune quidem comparet, accusata per actorem rei 
contumacia et defectu a judice obtento, fiat ex parte actoris 
petitio, et ex parte rei lis habeditvr pro contumacia, ac praestito 
juramento calumniae admittet judex actorem ad probandam 
intentionem suam. 

Nullus autem in universo judicio censebitur contumax, nisi 



305 

quem judex pro tribunali sedendo contumacem reputaverit. 

Porro poenae praedictae, eo ipso quod exactae fuerunt per 
procuratorem, officii locis piis ibi existentibus applicentur. 

C. 8. De comparentibus et communi modo procendendi. 

In termino autem praesentibus actore et reo seu eorum 
procuratoribus actor proponet petitionem suam vel verbo vel 
scripto, ad quam statira pertinenter respondebitur per reum. 

Dabit operam judex ut, sumptibus litigantium parcendo, quam 
poterit fieri brevissime causam expediat jubeatque imprimis 
hujusmodi dicta, hinc inde per partes in judicio proposita et 
responsa, per secretarium curiae fideliter annotari, adeo ut, si 
partibus placeat, etiam unico contextu servari possint renuntia- 
reque liceat terminis de jure servandis et ut simpliciter et de 
plano ac sok veritate inspecta summarie procedatur. 

Quin et idem reverendissimus statuit et ordiriavit ut in om- 
nibus vilibus causis, duodecim scilicet florenorum Caroleorum 
et infra, absque scripto simpliciter et de plano procedatur. 

Et statuit insuper omnes causas civiles, quarum aestimatio 
centum Caroleos aureos non exedit, esse ac haberi summarias. 

Sin autem majoris momenti et indagationis causa esse vide- 
bitur, praefiget judex lerminum competentem ad articulatim i) 
libellandum et reo eundem terminum ad libellari videndum. 

Statuitque et ordinavit idem reverendissimus quod nisi in 
dicto termino libellus articulatus et manu et propria procuratoris 
aut advocati subscriptus porrigatur, talis procurator sive quicumque 
ejusmodi scripturam exhibens mulctetur poena sex stuferorum, 
et officialis, recipiens et admittens eandem scripturam sine con- 
tradictione, incidat in mulctam decem stuferorum. Idemque 
observari voluit in responsionibus, replicationibus et quibus- 
cumque aliis scriptis in judicio exhibendis, nempe ut articulata 
et subscripta exhibeantur sub simili poena. 

Et si reus praetendat se aliqua exceptione declinatoria aut 
dilatoria veile uti, vel tempus deliberandi petat salvis suis 
exceptionibus, praefigetur eidem reo terminus competens ad 
omnes exceptiones suas tam declinatorias quam dilatorias propo- 
nendas procedeturque circa dictas exceptiones per responsionem, 
replicationem et duplicationem allegatorumque probationem 
continuo, donec judex eas per sententiam suam interlocutoriam 



l) Er staat: articulate 



3o6 

vel admiserit vel rejecerit; quo posteriore casu in eadem inter- 
locutoria praefiget reo certum terminum libello actoris respon- 
dendi litemque debite contestandi. 

Poterit autem reus ante litis contestationem dumtaxat, vel, 
si eam differat, in termino ad litem contestandam sive libello 
respondendum primum assignato et non postea, dictas suas 
exceptiones proponere et ordine prosequi. 

Et ne lites indebite prorogentur, statuit et ordinavit idem 
reverendissimus ut post peremptoriam citationem legitimumque 
litis ingressum omnes termini per judicem praefigendi in tota 
et universa lite ejusque dependentüs et annexis sint peremptorii, 
qui tarnen pro judicis arbitrio nonnunquam possunt prorogari. 

Quapropter in termino ad respondendum, si reo non respon- 
dente actor rei contumaciam accusaverit, praejudicabit sibi reus 
in illo actu habebiturque ac si respondisset et litem contestatus 
esset, nisi judex terminum prorogaverit ; alioquin vel etiam in 
termino dictae prorogationis consessae procedendo ad ulteriora 
ac praevio juramento calumniae ex parte actoris praestando 
praefigetur eidem actori terminus ad articulandum aut ad pro- 
bandum, si libellus ejus fuerit articulatus. 

Sed si reus responderit litemque fuerit contestatus, tenebitur 
etiam statim calumniae juramentum praestare ; quo facto, si 
replicare volet actor, praefigetur ei terminus ad id faciendum ; 
quo veniente dabitur similiter aliter terminus reo ad duplicandum, 
et ex causa ad triplicandum potest procedi. 

Quo peracto, hoc est in postremo tali actu judiciali, utrique 
parti statuetur terminus ad articulandum, nisi fortassis scripturae 
praviae jam sunt articulatae, quam articulationem idem reveren- 
dissimus mandat semper fieri quoties in scriptis proceditur, uti 
supra dictum est; quo tempore praefigitur partibus intentionem 
suam probare volentibus terminus tam ad respondendum quam 
ad probandum ac statuendus est etiam adversario terminus ad 
dandum interrogatoria. Hoc facto citabitur adversarius ut per- 
sonaliter respondeat »credit" vel non, vel »verbum veritatis", 
pro qualitate materiae controversae. 

Factam autem responsionem per verbum »ignorat" habebit 
judex pro negativa. Et si detrectaverit pars alterutra respondere, 
ad petitionem adversarii citabitur primum simpliciter, deinde 
bis sub poenis pecuniariis et tandem quarto sub poena confessi, 
quemadmodum in C. de terminorum observatione tradetur. 



307 

Et praefigentur partibus intentionem suam probare volentibus 
sub prima et secunda dilationibus termini comparentes juxta 
locorum habitationum partium, temporis, causae et reliquarum 
qualitatum exigentiam ; quibus sine ulla testium productione 
exspiratis poterit judex ex causa ligitima alios terminos probandi 
sub tertia dilatione praefigere ; quos interim judex et prorogare 
poterit ex causa et ad elapsos similiter restituere. 

Testimonia autem, nisi per judicem causae ejusve delegatum 
testibus (uti modo dicetur) examinatis, vel olim ad perpetuam 
rei memoriam aut alibi cum solitis et debitis solemnitatibus 
legitime requisita et producta, non passim admittentur ad plenis- 
simam probationem nisi apud dictum judicem ejusve delegatum 
fuerint recollecta. 

Cum autem quispiam testes, instrumenta, vel quid simile 
producere volet, citabitur ad eum diem pars adversa ut videat 
insuper produci instrumenta, registra et similia in probationem 
eorum articulorum quos in »bilgetta" sive sedula citationis 
ejusmodi annotaverit; quo termino existente, sive praesens 
fuerit adversarius sive non, procedetur nihilominus ad dictorum 
receptionem. Testium examen convenit in utriusque partis ab- 
sentia fieri et cuilibet audito super eum depositis silentium 
imponi, donec publicabuntur. 

Examinatis a partibus productis testibus, si quidem neutra 
pars amplius quippiam producere intendit, citatio decernetur et 
partibus seu earum procuratoribus presentibus terminus praefi- 
getur ad renunciandum ulteriori productioni et ad videndum 
testium dicta publicari et ad dicendum et excipiendum, si velit, 
copiam attestationum et praefigetur excipienti terminus corn- 
petens, quo adveniente replicabitur infra terminum similiter 
competentem ac probanda breviter probari debent. 

Tandem praefigetur terminus ad concludendum et concludi 
videndum et audiendum in hujusmodi causa. In quo termino 
concludent et petent secum concludi et judex concludet cum 
iisdem, reservata tamen sibi facultate et potestate eandem con- 
clusionem retractandi, si id ita videbitur expedire. 

Porro ubi judex satis deliberavit (infra sex hebdomadas a die 
conclusionis, uti supra dictum est), citari curabit partes ad ter- 
minum competentem ad audiendum jus dici et sententiam 
definitivam ferri. 

Sed si contra contumacem vel abstntem sine litis contestatione 



3o8 

ferenda est sententia, in citatione fiat comminatio quod feretur 
sententia condemnatoria contra eum. 

Deinde lata sententia definitiva, si contingat ab ea appellari, 
potest id viva voce fieri, si statim, hoc est, judice adhuc pro 
tribunali sedente, interponatur ; alioquin, si ex intervallo fiat, 
in scriptis appellandum est. 

Deferet autem judex appellationi, nisi vel notorie frivola 
fuerit vel ejusmodi causae quae appellationem non admitlit. 
Quod si judex ex causis, animum suum moventibus, appel- 
lationi non detulerit, sententiam suam executioni demandabit 
donec per superiorem fuerit inhibitus. Sed si detulerit, poterit 
praefigere appellanti terminum convenientem secundum locorum 
distantiam et personarum et negotii qualitatem ; regulariier 
autem si ad Sedem Apostolicam fuerit appellatum, praefiget 
terminum trium mensium ad docendum de diligentia prosecu- 
tionis et alios tres menses, immediate subsequentes, ad prose- 
quendam appellationem, quibus terminis effluxis judex a quo 
potest decernere executoriales, si appellans non docuerit de 
diligentia et prosecutione praemissis. 

Si vero ad Sedem Metropolitanam appellabitur, statuetur appel- 
lanti spatium sex hebdomadarum ad docendum de diligentia 
et aliarum sex hebdomadarum, immediate sequentium, ad 
docendum de prosecutione ; quod nisi appellans fecerit, mandabit 
judex a quo sententiam suam executioni. 

Ab interlocutoria sententia vel gravamine appellari non potest, 
nee tenetur judex appellationi ejusmodi deferre, sed potest ad ultiora 
procedere, nisi habeat vim sententiae definitivae vel nisi gravamen 
per definitivam reparari vel ab ipsa definitiva appellari non possit. 

Porro si quis in casibus a jure permissis appellaverit aut de 
aliquo gravamine conquestus fuerit, seu alias ob lapsum biennii 
(infra quod a die motae litis processus terminatus non fuerit) 
ad alium judicem recurrerit, teneatur acta omnia, in hoc judicio 
gesta, suis expensis ad judicem appellationis transferre, eodem 
tamen reverendissimo ejusve officiali prius admonito, ut, si 
quid ei pro causae inslructione videbitur, possit judici appel- 
lationis significare. Et statuit idem reverendissimus [ut], etiamsi 
appellatus actis (uti modo dictum est) translatis coram eodem 
judice appellationis uti volet, non tamen teneatur ad eorum 
expensas pro aliqua portione, sed integrum hoc onus ad appel- 
lanten! pertineat. 



309 

In his autem, ubi de visitatione aut morum correctione, 
interdictione notario ab episcopo facta, residentia curatorum, 
clausura monialis, precedentia aut concubinatibus agitur, appellatio 
executionem non impedit aut suspendit. 

C. 9. De causis beneficialibus. 

Qui ad beneficium aliquod deinceps praesentabitur, primo 
omnium juxta statuta Tridentini concilii ^) etiam per episcopum 
examinandus est. 

Peracto itaque hujusmodi examine et approbatione (quae gratis 
fient) obtenta, statuit et ordinavit idem reverendissimus ut 
praesentatus impetret solitas literas proclamationis ab eo qui 
jus habet instituendi. Quod ni fecerit infra tempus (quadrimestre 
scilicet si patronus laicus fuerit, aut semestre si ecclesiasticus) 
patronus ad praesentandum a jure praefixum, collatio illa ad 
superiorem censebitur devoluta. Deinde obtentis literis procla- 
mationis, praesentatus faciat illas exequi secundam formam in 
iis expressam ; executioni demandatas reportabit in termino et 
accusabit contumaciam non comparentium petens se institui : 
et nemine comparente adjudicabitur praesentato instituiio. Sed 
si quis erit qui se hujusmodi institutioni volet opponere, potest 
id tum facere et dicere ex adverso partem suam, a vero patrono 
praesentatam, in hujusmodi beneficio instituendam fore et causas 
rationesque suae oppositionis ailegare. Et tune praefigetur ter- 
minus ad libellandum et libellari videndum ad quindenam. 

Quo termino adveniente praefigitur aUus brevis terminus ad 
jurandum de calumnia, nisi in eodem termino praedictum jura- 
mentum praestiterit, ac procedetur deinde ulterius prout ordo 
causae dictaverit expedire. 

Quin etsi sine proclamationibus ad beneficii alicujus posses- 
sionem quis fuerit admissus, qui taU possessori oppenere se 
volet, curabit is dictum possessorem in jus vocari ac dicto 
libello procedere potest summarie vel ordinarie. In quo tamen 
illud cavendum est ne ob solam contumaciam rei actor in 
possessionem mittatur causa rei servandae, sed liceat etiam in 
hoc casu (contumacis absentiam divina replente praesentia), 
etiam lite non contestata. diligenter examinato negotio, ipsum 
fine debito terminare. 

Pendente vero hujusmodi causa beneficiali omnium fructuum 



l) Sess. VII, c. 13. [Ue reformatione]. 



3IO 

et emolumentorum ejus cura et dispositie penes reverendissimum, 
aut ejus potestate ad hoc specialiter deputatum, erit qui detractis 
sumptibus in officium dicti litigiosi beneficii requisitis de reliquo 
rationem redditurus est ei cui beneficium adjudicabitur. Q_uod ita 
plane obtinebit donec alterutur saltem in possessoriotriumphaverit. 
C. lo. De causis matrimonialibus. 

In causa matrimoniali (quae non inferiorum judicum judicio, 
etiam in visitando, sed episcopi tantum examini et jurisdictioni 
relinquitur) expedit ut actionem proponere volens libellum det 
articulatum cum designatione temporis, loei el cum expressione 
verborum etc. Et in exhibitione libelli praestabit actor calumniae 
juramentum et dabitur reo copia libelli praefigiturque ei terminus 
competens, quo adveniente praevio juramento calumniae affir- 
mative vel negative singulatim in persona respondeat. Valde 
autem utile fuerit ut judex ex officio interrogatoria quaedam 
faciat ad causae investigationem et decisionem spectantia, ad 
quae jubeat partes omnino respondere, quae responsiones actis 
jungantur. in caeteris procedetur ordinarie vel summarie. 

Poterit etiam judex vel officio vel ab actore requisitus sub 
ecclesiasticis censuris aut pecuniariis poenis tam alterutri quam 
utrique parti injungere ne lite hac pendente cum alio matri- 
monium contrahat. 

Notandum autem est hoc loco quod sententia contra matri- 
monium lata nunquam transit in rem judicatam. 

Item, si pars vere paupertatem probaverit, quod non cogitur 
extra provinciam nee in secunda instantia nee in tertia in eadem 
causa matrimoniali litigare nisi pars altera et alimenta et expensas 
litis velit subministrare. 

C. II. De injuriis. 

Actiones injuriarum statuit et ordinavit idem reverendissimus 
non facile admittendas, sed voluit ut ante earum initium offi- 
cialis vel per se vel per alios operam det sopiendis istiusmodi 
dissidiis. 

Quod si obtineri non potest, actor imprimis munitus sit per 
actum revocationis ad animum et taxationis injuriarum. Et 
videat ne actio sua sit jam consumpta. 

C. 12. De causa spolii. 

In hujusmodi causis citatio fiet per monitorium cum poena, 
et in termino reo comparenti dabit actor sive spoliatus libellum 
articulatum et procedetur quanto citius fieri poterit. 



3" 

C. 13. De causis criminalibus. 

Procurator fiscalis vel per se ratione officii sui vel cum 
injuriato et laeso exposita querela apud judicem impetret moni- 
torium contra reum vel reos cum expositione causae et exces- 
suum etc. Et ut infra certum terminum Deo et ecclesiae satisfaciat 
et emendam praestet condignani, aut alias juxta canonicas sanc- 
tiones puniatur cum clausuia: »nisi causam" etc. resolutoria 
in citationem, aut ad personae apprehensionem et detentionem, 
si de fuga temeatur. In summa, ne citatio in criminali causa 
temere decernatur, voluit idem reverendissimus ut pro qualitate 
causae et personarum judex decretum suum temperet et ut 
procurator fiscalis non nisi ex mandato judicis ejusmodi litem 
instituat, justitiam autem omnino non deserat, nisi ex speciali 
mandato ejusdem reverendissimi, sed ad finem usque eam 
sincere prosequatur. Neque abs re fuerit secretarium curiae 
speciale habere registrum excessuum in quo plane referenda 
sunt nomina reorum et causae, priusquam ulla adversus eosdem 
citatio decernatur, nisi fortassis ex causa aliter expedire judici 
videatur. 

Et ut processus hujusmodi citius expeditiusque terminentur 
expedit ut reus in persona propria comparens respondeat ad 
singulos articulos speciatim per verbum veritatis et super negatis 
procurator fisci procedat ad probationes. Et reus contra ad 
exceptiones defensionemque sui legitimam admittatur totaque 
causa quam poterit fieri citissime terminetur et absoluta debitae 
executioni demandetur. 

Sit tamen in potestate judicis injunctae poenitentiae sive 
satisfactionis tempus pro suo arbitrio et ex causa prorogare. 

Et si delicti atrocitas depositionem degradationemve requirat, 
servabitur in ea id, quod a patribus in sacro Tridentino concilio 
est statutum in C. 4 [de Reform.] S. XIII. 

C. 14. De terminorum observatione. 

Prima citatio sive monitio debet habere ad minimum spatium 
14 dierum post executionem ejusdem, adeo ut decima quinta 
dies, si juridica fuerit, alioquin prima deinde subsequens, sit 
dies praefigenda comparationi. Secunda autem citatio et ulteriores 
singulae habeant dies septem ; quae vero ex gratia judicis fient, 
pendent ab ejus arbitrio. 

Ab his excipiuntur citationes sive monitiones in causis spolii, 
matrimonii, criminum, peregrinorum provisionalibus et similibus, 



312 

quae moram istam sine scandalo aut injuria alterius ferre 
nequeunt, atque ideo judex pro suo arbitrio in his terminum statuet. 

Post citationem et in judicio comparitionem, tam per se 
quam per procuratorem, statuit et ordinavit idem reverendissimus 
ut omnes termini sint peremptorii, nisi per judicem prolon- 
gentur, quam prorogationem etiam in termino assignato facere 
atque ex causa iterare et ad elapsos (non tamen nisi ex causa) 
restituere judex potest. 

Et quia actor merito paratus in judicio comparere debet, si 
tamen libellum scriptum non habebit et judici videbitur in 
scriptis esse procedendum, assignabitur ei terminus ad libel- 
landum et libellum articulatura exhibendum ad octavum ; sed 
in prima comparatione debet actor jurare de calumnia, si ei 
fuerit injunctum. 

Et si forte libellus articulatus non fuerit, scripto tamen [sit] 
exhibitus. Ubi libello responsum erit, dabitur terminus hinc 
inde ad articulandum, unus pro libello et alter pro responsione i). 
Et hic erit ad octavam vel duodecimam pro judicis discretione. 

Ad respondendum libello etiam articulatim, dabitur terminus 
ad quindenam, et si petatur, prolungabitur deinde ad octavam 
vel ulterius, si causa hoc requirat. In quo termino respondens 
similiter de calumnia jurabit. 

Ad replicandum similiter erit terminus ad quindenam. Ad 
duplicandum similiter; et sic deinceps, si erit necesse. 

Ad respondendum articulis primus terminus erit ad octavam 
diem ; reliquos autem tres moderabitur judex singulos pro suo 
arbitrio. 

Ad producendum omnia pro qualitate negotii et causae erit 
terminus ad octo vel plures dies, arbitrio judicis moderandos. 

Ac si testibus res erit probanda, ad praefigendum terminum, 
quando testes produci debent, erit ad octavam, vel alias pro 
judicis discretione. 

Ad videndum testes recipi et jurare et ad dandum interea 
interrogatoria, si voluerit, erit terminus ad octo, vel alias 
judicio officialis judicisve moderandus. 

Ad producta publicanda, ad primam juridicam. 

Ad dicendum contra producta, ad quindenam. 

Ad concludendum in causa cum summaria repetitione actorum 



i) Er staat: uni libellum et alteri responsionem. 



313 

et terminorum substantialium ad evitandas nullitates, hic ter 
minus dabitur ad primam. 

Ad audiendam sententiam, ad octavam vel quindenam, vel 
prout judici videbitur. 

C. 15. De festis palatii curiae Romae. 

De lijst der feestdagen^ ivaarop de Romeinse he curie en in 
aansluiting daarbij ook de bisschoppelijke rechtbank te Haarlem 
geen zitting hield, laten wij als hier van minder beteekenis 
achterwege. 

C. 16. De taxa expensarum. 

Ook deze lijst, waarop de proceskosten in schellingen zijn 
berekend voor de verschillende formaliteiten, kan o. i. achter- 
wege blijven. 

Forma juramenti. 

Ego, N., ab hac hora fidelis et obediens ero reverendissimo 
in Christo patri ac domino d. Godefrido a Mierlo, episcopo 
Harlemensi ejusque officiali pro tempore. Boni procuratoris 
officium fideliter diiigenterque exercebo et omnia et singula 
statuta ejusdem reverendissimi domini episcopi ejusque officialis, 
tam facta quam facienda, praecipue officium meum ullatenus 
concernentia, integre ac plene observabo. Sic me Deus adjuvet 
et haec sancta Dei evangeiia. 
Oud archief van den bisschop van Haarlem, Kopie-boeck I. 



BIJLAGE lil. Zie boven blz. 294. 
1572, Maart 23. Haarlem, 
Bevel van v. Mierlo om lijsten van biechtelingen aan te leggen. 

Godefridus a Mierle, Dei et apostolice sedis gratia episcopus 
Harlemensis, omnibus et singulis nostre diocesis pastoribus, 
animarum curam habentibus eorumque vices quocumque modo 
gerentibus, necnon cujusvis ordinis regularibus aliisque Christi 
sacerdotibus, ad confessiones secularium audiendas presentatis 
et legitime admissis, salutem in Domino sempiternam. Ne 
peccatorum confessio atque expiatio, ad salutem pro necessaria, 
quavis occasione negligatur ac decretum generalis concilii, olim 
anno 1215 celebrati i), observetur, utque probi et catholici 



i) Het 2 ie hoofdstuk der bepalingen van hel vierde algemeene concilie 
van het Lateraan, waarbij de jaarlijksche biecht werd voorgeschreven. 



314 

nostre diocesis homines integritatis sue contra quoscumque 
calumniatores et criminatores testimonium habeant, praecipimus 
et districte mandamus omnibus et singulis supra scriptis eccle- 
siasticis viris sub poena privationis beneficiorum et officiorum 
ac previlegiorum amissionis ut juxta beneplacitum illustrissimi 
ac excellentissimi ducis Albani, gubernatoris generalis, etc, 
libellum componant in quo omnium sibi confitentium nomina 
et cognomina diligenter conscribant et fideliter custodiant, semper 
parati ad illius exhibitionem, quoties requisiti fuerint. Proinde 
sub eisdem poenis dictis ecclesiasticis viris praecipitur ne cui- 
quam, ad eos accedenti, officium audiendi confessionem negare 
audeant, verum pro opportunitate loei et temporis illos benigne 
prompteque excipiant ac pro cause ac rei necessitate instruant, 
doceant, consolentur ac admittant. Concionatores porro die 
crastino i) aliisque sequentibus diebus hujus nostri statuti neces- 
sitatem simul et utilitatem pro concione populo exponant, quo 
ira, indignatio, afflictiones et plage, que potissimum propter 
sacrosante Eucharistie perceptionem a Deo mortalibus immit- 
tunter, facilius avertentur et catholici et sincere fidei homines 
ab omni suspicione hereseos in futurum liberentur ac securi 
reddantur ; adeo ut nemo sane mentis idem decretum improbare 
aut damnare poterit, nisi forte omnem humanitatem ac reve- 
rentiam exuerit ac hereticus vel de fide suspectus fuerit. Datum 
Harlemi, anno 1572, 10 Kalendas Aprilis. Sub sigillo nostro 
secreto. 

De mandato prefati reverendissimi domini 

siibscriptum erat : 

H. Bertrandus, secretarius. 

Oud archief van den bisschop van Haarlem, Copieboeck I, jgy. 



l) Maandag in de Passie-week; de Paasch-tijd begon ook toen met 
Palm- Zondag, 



ALIMENTATIE DER KLOOSTERLINGEN VAN 
MARIËNHAVEN TE WARMOND. 



Volgens een request, opgenomen in het „Gerechtsboek 
van Leiden" (I, 114), schuilden op het einde van 1572 
of in het begin van 1573 de bewoners van het Cister- 
ciënser klooster Mariënhaven te Warmond binnen de 
muren van die stad. De communiteit bestond toen uit 
zeven monniken en twee leekebroeders ; zij heetten in 
dit request : 

1. Anthonis Hermansz., prior. 

2. Huych Dircxz., religieus. 

3. Dirck Jansz. 

4. Pieter Jacobsz. 

5. Willem Gerritsz. 

6. Cornelis Adriaensz. 

7. Jan Jansz. 

8. Hubert Pietersz., laick. 

9. Jan Michielsz. „ 

Na het overgaan van Leiden waren allen aanvankelijk 
in hun convent te Warmond gebleven en hadden zich 
onder bescherming van den Prins gesteld. En toen op 
de Statenvergadering van Dordrecht (19 JuH 1572) was 
bepaald dat men door een gedwongen leening dezen 
zou ter hulp komen in zijn poging om met wapengeweld 
het juk van Alva af te schudden, hadden de Cister- 
ciënsers van Warmond ook „de rest van haere ghouden 
(ontvangsten) ende silveren juwelen (kerksieraden) ten 
behoeve vande gemeene saecke over gegeven." Een 



3i6 

lang-er verblijf in het. convent bleek echter onmogelijk; 
de kloosterlingen ondervonden daar zooveel overlast 
van ecnige „fortseerders ofte vagebunde", die hen meer- 
malen zelfs in levensgevaar brachten, dat zij, op het 
einde van 1572 of in het begin van 1573, genoodzaakt 
waren naar Leiden te vluchten. Daar gold sinds 4 Oc- 
tober 1572 het voorschrift, dat „de geestelijkheid haer 
renten en pachten op schrift of bij eede [soude] seggen" ^). 
Nu de Cisterciënsers het klooster verlaten en een toe- 
vlucht binnen Leiden hadden gezocht, was dit bevel 
ook op hen van toepassing; gevolgelijk hadden zij „den 
staet van de incompsten ende lasten van het convent 
over gegeven in handen van Andreas Schot, ontfanger 
over 't quartier van Rijnlant." Doch in hun nood be- 
riepen zij zich thans ook op den verderen inhoud van 
het voorschrift van 4 October, bepalende, „dat men 
elk soude geven, daer zij of leven souden." Bij request 
verzochten derhalve de voortvluchtige religieuzen aan 
de Staten van Holland om onderstand „soo mogelijk 
van 200 pond 'sjaars voor eiken monnik en voor den 
den prior, die meer dan twee jaren zijn ambt had 
bekleed, om eene dubbele portie." Op 21 Maart is de 
beschikking der Staten gevolgd ; aan het verzoek om 
den prior eene dubbele toelage te verstrekken werd 
voldaan, doch overigens de alimentatie op de helft van het 
gevraagde gesteld ; de prior van Mariënhaven zou alzoo 
200 gulden 's jaars ontvangen, de overige monniken 
van het convent elk 100 gulden en ieder van de beide 
leekebroeders 60 gulden. 

A. H. L. Hensen. 

i) Zie het kroniekje bij Oriers, Beschrijving der stad Leiden, I, 614. 



REPERTORIUM OP DE NEDERLANDSCHE 
TIJDSCHRIFTEN. 



Volgaarne verleent de Redactie op verzoek plaatsing 
aan de hierachter volgende aankondiging. 

„Met ingang van het jaar 19 14 wordt onder den titel 
„Repertorium op de nederlandsche tijdschriften" door de 
Afdeeling voor Documentatie der Koninklijke Biblio- 
theek een maandelijksche bibliografie bewerkt en uit- 
gegeven van bijdragen in tijdschriften, jaarboeken, ver- 
slagen enz., voor zoover deze onvertaald en door de 
schrijvers onderteekend zijn. 

Deze bibliografie zal zoowel de tijdschriften van 
algemeenen als van wetenschappelijken aard omvatten 
en zoowel oorspronkelijke bijdragen als de voornaamste 
kritieken van de afgeloopen maand opnemen. 

Reeds in 1910 ving de Koninklijke Bibliotheek aan, 
de periodieke literatuur in een bibliografie op losse 
kaarten te documenteeren. 

Het Repertorium is een voortzetting en uitbreiding 
dier bibliografie. Naast de editie op kaarten verschijnt 
thans een editie in boekvorm. 

Deze editie zal uitgegeven worden in maandelijksche 
afleveringen, elk van ongeveer vier vellen druks : onge- 
veer 500 titels. Deze zullen systematisch gerangschikt 
worden in rubrieken, waarop twee registers zullen 
worden bewerkt : een alfabetisch schrijversregister en 
een alfabetisch trefwoorden-register. Jaarlijks zullen deze 



3i8 

maandregisters in jaarregisters worden verwerkt en den 
jaargang besluiten. 

Enkele proeven van bewerking vindt men hiernevens 
afgedrukt. 

Het Repertorium in boekvorm wordt aan hen, die 
daartoe den wensch te kennen hebben gegeven en 
bereid zijn de verzendingskosten ad ƒ0,50 per jaar te 
voldoen, kosteloos toegezonden. 

Men heeft de keuze tusschen afdrukken op gewoon 
papier en op aan één zijde bedrukt papier-pelure, dat 
zich beter leent tot uitknippen en opplakken op kaarten 
of fiches. 

De editie op kaarten is alleen verkrijgbaar in vol- 
ledige stellen. Bibliotheken, vereenigingen en particu- 
lieren, die zich op deze editie wenschen te abonneeren, 
kunnen zich wenden tot de „Drukkerij Humanitas", 
Vaillantlaan 292 — 294, 's-Gravenhage. 

December 191 3. W. G. C. BWANCK. 



LEUVENSCH BOEKENFONDS. 



Met veel ingenomenheid en warme aanbeveling ver- 
leent onze Redactie, op uitnoodiging, plaats aan onder- 
staande Circulaire. Buiten de onderteekenaars heeft nog 
een zestigtal van onze voormannen op het gebied van 
Wetenschap en Kunst instemming met het plan betuigd. 

Nu de oude Academiestad Leuven door een zoo wreed 
lot getroffen en daarbij de Bibliotheek door brand ver- 
nield is, noodigen de ondergeteekenden alle Nederlanders 
en Nederlandsche instellingen van Wetenschap en Kunst 
uit, mede te werken tot de hernieuwing dier boekerij 
door zich reeds nu bereid te verklaren, na den oorlog 
boeken uit hunne eigen bibliotheken en exemplaren der 
door hen geschreven of uitgegeven werken af te staan. 

Opgaven op bijgaand formulier ^) van wat men be- 
schikbaar wenscht te stellen worden ingewacht bij den 
jsten Secretaris ('s-Gravenhage, 125 Laan van N. O. Indië). 
Deze opgaven zullen worden verwerkt in een syste- 
matischen catalogus, die het Bestuur der Bibliotheek 
zal worden aangeboden. Daarna zullen de voor de 
Bibliotheek aanvaarde boekwerken door de onderge- 
teekenden van de eigenaars worden opgevraagd en naar 
Leuven opgezonden. Opzending van boeken reeds than.s 
is ongewenscht. 

Ook gelden tot bevordering van dit plan zullen gaarne 



i) Dit formulier is te verkrijgen bij den heer Mr. Verspyck Mijnssen 
Van Boetzelaerlaan No. 7 te 's-Gravenhage. 



320 

worden aanvaard door den Penningmeester ('s-Gravenhage, 
yj Van Blankenburgstraat). 

Het ligt in de bedoeling tot vorming van sub-comités 
voor het bovenomschreven doel in de neutrale staten 
over te gaan. 

Prof. Mr. R. Fruin, Algemeen Rijksarchivaris te 's-Gra- 
venhage, Voorzitter. 

Mr. M. I. DUPARC, Referendaris bij de Afdeeling Kunsten 
en Wetenschappen van het Departement van Binnen- 
landsche Zaken te 's-Gravenhage, Penningmeester. 

Dr. J. Kalf, Secretaris der Rijkscommissie tot inven- 
tariseering en beschrijving van de Nederl. Monumenten 
van Geschiedenis en Kunst te 's-Gravenhage. 

Prof. Dr. W. Martin, Buitengewoon Hoogleeraar aan 
de Rijksuniversiteit te Leiden, Directeur van het 
Koninklijk Kabinet van Schilderijen (Mauritshuis) te 
's-Gravenhage. 

Prof. Dr. S. G. de Vries, Buitengewoon Hoogleeraar 
aan de Rijksuniversiteit te Leiden, Bibliothecaris der 
Universiteitsbibliotheek te Leiden. 

Dr. M. P. Rooseboom, Secretaris van den Nederlandschen 
Oudheidkundigen Bond te 's-Gravenhage, i^te Secretaris. 

Mr. J. A. G. Verspyck Mijnssen, Secretaris der Ver- 
eeniging „Die Haghe" te 's-Gravenhage, 2de Secretaris. 



MOORDRECHT. 



Het is voor wie de geschiedenis der parochie Moor- 
drecht op wil stellen geen alledaagsch voorrecht, bij 
het bijeenbrengen der gegevens, te ervaren, dat reeds 
in de i8de eeuw eene afzonderlijke uitgave, gewijd aan 
de oude ambachtsheerlijkheid Moordrecht, het licht heeft 
gezien ^). En zijne voldoening over deze geschiedkundige 
ervaring stijgt nog hooger, wijl de schrijver, Joannes 
Janzonius, geen gewoon geletterd man, maar een geleerde 
was, die om zijne geschriften onder zijne tijdgenooten 
eene zekere bekendheid verworven had ') ; bovendien 
had hij gedurende bijna vijftig jaren te Moordrecht als 
predikant „'t outaar" beklommen, om, naar eigen ge- 
tuigenis „'t regt en heyl van Koning Jezus uyt te 
brommen" ^). Zoo dus ooit iemand tijd en gelegenheid 
heeft gehad om door te dringen tot in de dagen der 
middeleeuwen, kennis te nemen van de oude destijds 
bestaande historische bescheiden, dan zeker Joannes 
Janzonius, die, naar eigen zeggen „aan den gezegenden 
IJselstroom in rust en vrede heeft gezeten onder zijnen 
wijnstok en vijgeboom" *). 



i) ya?tzonius, yohan: Korte beschrijvinge van de Oude Ambagts- 
Heerlijkheyd Moordregt, Gouda bij Jacobus van der Klnes, boekverkooper 
op de Haven, in de vier Evangelisten, 1729. 

2) Van der Aa, A. y.: Aardrijkskundig Woordenboek, te Gorinchem, 
bij Jacobus Noorduyn, 1846, dl. VII, i.v. Moordrecht. 

3) Janzonius werd in 1737 emeritus en overleed in 1745. 

4) L. c. 



322 

En inderdaad aan lofredenaars heeft het deze uitgave 
niet ontbroken : 

Oudheyd-betnimiaars leest^ ey leest dees schoone blad'ren 
Om in een kleyn gescJirift^ veel oudheyd te vergaderen' ; 
en tot Janzonius ging de hulde : 

Gij' raapt met uwe pe?t uyt schrijvers ivyt beroemd 

Veel pit te zaam bijeen. 

En toch, waarde lezer, zoo hoog als de belangstelling 
was gestegen, zoo diep ook was de teleurstelling. In 
deze „korte beschrijvinge" van i8 bladzijden lag wel 
veel rijkdom aan schriftuurkennis en een groote overvloed 
van aanhalingen uit klassieke schrijvers, maar voor 
„oudheyd-minnaars" van Moordrecht's kerkgeschiedenis, 
o zoo weinig „pits" geborgen. Zoodat ons niets anders 
overbleef dan de oude officieele geschiedboeken opnieuw 
open te slaan, om, met behulp van enkele onuitgegeven 
bescheiden, eene tweede schets te ontwerpen van Moor- 
drecht's kerkgeschiedenis van de dagen der middeleeuwen 

tot op onzen tijd. 

* * 

Het dorp Moordrecht, een goed half uur gaans ten 
zuiden van Gouda, behoort, om zijne schilderachtige 
ligging ten deele op, ten deele tegen den IJseldijk, tot 
de meest bekoorlijke dorpen van Zuid-Holland. Het 
dankt zijnen naam, gelijk de meeste steden en dorpen 
des lands, aan de plaatselijke gesteldheid des bodems. 
In de middeleeuwen waren deze landen rondom Gouda 
rijk aan water — denk aan Haastrecht en Oudewater — 
aan veen — Waddinxveen — en aan moer, dat slijk 
of modder beteekent. Want de IJsel „een matelycken 
rivier ghelyck" ^), in vrije verbinding staande met de 



l) Matthijs van der Hotive : Hantvest of chartre chronyck, tot Leyden 
bij Jan Jansz. van Dorp ende Dirck Maire, anno 1636, dl. 1, blz. 113. 



323 

Nieuwe Maas en als andere zeeboezems onderhevig aan 
eb en vloed, stuwde in de vroege middeleeuwen, als 
zijnde eene onbedijkte rivier, zijne wateren vrijelijk over 
deze landen, waardoor een drecht of overvaart — vandaar 
Moordrecht's naam i) — noodzakelijk werd. Toch was 
men met het bedijken van den IJsel, waarlangs de handel 
zich bewoog naar Utrecht 2), reeds vroegtijdig begonnen, 

O zilvre IJzzelstroom met wonder eb en vloed. 
Wat torst uw kille schoot een onwaardeerbaar goed 
En schatte)! zonder end . . . . 

Want in 1254 werden de Moordrechtenaars door den 
Roomsch-koning Willem II met verschillende voorrechten 
begiftigd, omdat zij in het bezweren of in het beteugelen 
van herhaaldelijk ontstane dijkbreuken eene prijzens- 
waardige waakzaamheid hadden aan den dag gelegd '^). 
Nog heden worden te Moordrecht en te Cortland — 
het tegenwoordige Cortenoord — door de geweldige 
kronkelingen van den IJselstroom de meest zwakke punten 
in de overigens geweldige bedijking aangetroffen. Zoo 
komt ook in de rekeningen der grafelijkheid, dateerende 
uit de jaren 1334 en 1343, onder de uitgaven een post 
voor „van in cortland den quaden dyck te dernen" '^). 



i) De schrijfwijze van Moordrecht is zeer onvast. Zoo vindt men: 
Moerdrecht, Mordrecht, Meerdracht, Moirdrecht, Noirdrecht, Noertdrecht, 
en zelfs kortweg Moort en Moordt. 

2) Acker Stratingh, G.: Aloude Staat en Geschiedenis des Vader- 
lands, te Groningen bij R. J. Schierbeek, 1847, dl. I, blz, 159. 

3) Frans van Mieris: Groot Charterboek, te Leyden bij Pieter van 
der Eyk, 1753, dl. I, blz. 291. 

4) Hamaker, H. G.: De Rekeningen der Grafelijkheid van Holland, 
Utrecht, Kemink en Zoon, 1875, dl. I, blz. 227; id, dl. II, blz. 43. 
Uitgave Hist. Gen. No. 21 en 24. Dernen beteekent volgens Verdam: 
stoppen, dichten. Het is voor de plaatselijke geschiedenis wel aardig 
hier op te merken, dat de bekende »Snelle" reeds in de grafelijkheids- 
rekeningen in de benaming »die Snellecamp" wordt aangetroffen. Rek. 
der Graf.: dl. I, blz. 215; dl. II, blz. 30, 134. 



324 

Gelijk nog op dezen tijd, zoo was ook in de middel- 
eeuwen de kerk en daarmede het geheele dorp onder 
de schutse gesteld van den H. Joannes den Dooper, 
wiens sterfdag door de H. kerk op den 29en Augustus 
herdacht wordt. Vandaar dat ook, geheel daarmede 
overeenkomstig, blijkens een post uit de grafclijkheids- 
rekeningen van 1334, de pachten der te Moordrecht 
bestaande biertollen, gerekend werden in te gaan en te 
eindigen met den feestdag van den H. Joannes den 
Dooper ^). Volgens Van Heussen ^) zou zelfs Moordrecht 
zijn naam ontleenen aan den moord op den H. Joannes 
den Dooper gepleegd. En blijkbaar werd deze spits- 
vondigheid, allicht ontstaan door de soms voorkomende 
benaming „Moort en Moordt," ^) voor zoo vernuftig ge- 
houden, dat de Nederd. Herv. Gemeente te Moordrecht 
in haar kerkzegel op „moord" meende te moeten zin- 
spelen, door eene vrouw uit te beelden, die door drie 
moordenaars wordt aangevallen, maar zich veilig weet 
in haar steun op het Woord Gods. Als randschrift 
voert het de zinspreuk : üita intcr latrones. Veilig in 
het midden der moordenaars. Geen wonder, dat nog in 
onzen tijd de inwoners van Moordrecht in de wandeling 
wel eens „Moordenaars" genoemd worden. Het wapen 
evenwel van Moordrecht is een zilveren achtpuntige ster 
op een veld van goud. 

In de middeleeuwen werd op den IJsel nabij Moordrecht 
van de doorvarende schepen van wege den Hollandschen 
graaf tolgeld geheven. Zoo bepaalde in 1249 graaf 



i) L, c, dl. I, blz. 211. 

2) Bat. Sacr.: p. II, pag. 207. rriinus pagi illius, cui decollatio 
S. Joannis Baptistae sacra, ii?ide et ei Jiomen ohvenit, inhabitans pastor 
Reinerus Visscher. 

3) Reitsma en Van Veen: Acta der provinciale en particuliere Synoden, 
te Groningen bij J. B. Wolters, 1893, dl. Il, blz. 295, 297. 



325 

Willem II, dat die van Dordrecht als gunst, te Moor- 
drecht voor den doorvoer van wijn, laken, staal en ijzer 
den vollen tolprijs, maar voor zout en mondspijs den 
halven prijs zouden betalen, en dat de doorvoer van 
alle andere koopmanschappen vrij en onbelast zou ge- 
schieden ^). En wederom in 1273 2) en niet in 1223, 
zooals sommigen meenen s), werd in een charter, uit- 
gegeven ten bate van de vorstelijke abdij te Rhijnsburg, 
van een grafelijken tol te Moordrecht gewag gemaakt. 
Waar die tol heeft gestaan, is op het oogenblik aan 
niemand met zekerheid bekend. Over de sluizen te 
Moordrecht wordt in de grafelijkheids-rekcning van 1334 
gesproken*); en in 141 5 sloten hoogheemraden van 
Schieland een overeenkomst met de Rijnlandsche am- 
bachten Alfen, Hazerswoude, Waddinxveen en Boskoop 
om door het ambacht Moordrecht met twee sluizen uit 
te wateren op den IJsel en daarvoor jaarlijks cene zekere 
som te betalen aan Schieland *). 

Op kerkelijk gebied was Moordrecht zoowel vroeger 
als thans vereenigd met het aan de andere zijde des 
IJsels gelegen Goudcrak. Het behoorde tot het aarts- 
diaconaat van Oud-Munster of S. Salvator en tot het 
decanaat infra Isalam et Leccam, waartoe het grond- 
gebied werd gerekend, dat zich langs de Lek en den 
IJsel uitstrekte van Gouda tot Krimpen — Stolwijk 



1) Frans van Mieris: 1. c, dl. I, blz. 255. 

2) Frans van Mieris: 1. c, dl. I, blz. 369. 

3) Janzonius: 1. c, blz. 3; Tegenwoordige Staat der Vereenigde 
Nederlanden: te Amsterdam bij Isaac Tirion, 174^, dl. VII, blz. 26; 
Mattheus Brouérius van Nidek: Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche 
Oudheden, te Amsterdam bij J. A. Crajenschot, 1793, dl. V, blz. 112; 

Van der Aa, A. J. : 1. c. 

4) L. c, dl. I, blz. 211. 

5) Blécoiirt, A. S. de: Ambacht en Gemeente, J. H. A. Wansleven 
en Zoon, Zutphen, 1912, blz. 46. 



326 

alleen uitgezonderd. Het begcvingsrecht der kerk be- 
hoorde tot den proost van Oud-Munster. Jammer dat 
de rekeningen van den aartsdiaken van Oud-Munster 
zijn verloren gegaan. 

In het staatkundige werd Moordrecht ingedeeld bij 
het baljuwschap van Schieland i), of, zooals de grafelij k- 
heids-rekcningen zich uitdrukken bij „het land tuisken 
Schye ende Gouda" -). Aan die van Gouda was den 
loen Juni 141 3 door graaf Willem vrijheid gegeven om 
tusschen Gouda en Moordrecht een gerecht te plaatsen 
om de kwaaddoeners te straffen „die hoir lyff verbuert 
hebben" ^). 

Van de oude parochie-kerk, die nog in wezen is, 
dagteekent de toren, die bouwvallig begint te worden, 
uit het begin der 15de eeuw. De kerk zelf, eene kruis- 
kerk, in baksteen opgetrokken, is eenbeukig, met houten 
tongewelf, en dateert met haar ruim priesterkoor uit 
den aanvang der i6de eeuw. In het priesterkoor, dat 
tot bergplaats dient, is eene zoldering gelegd, waar- 
boven zich vertrekken bevinden. Op de viering staat 
een dakruiter met windvaan. Met hare sobere maar 
bevallige afmetingen, met hare vooruitspringende spitse 
zijgevels maakt zij op den voorbijganger een bekoor- 
lijken indruk, al is zij ook ontsierd door allerlei bijge- 
bouwtjes, en behoort gewis tot de fraaie middeleeuwsche 
dorpskerken. Volgens Janzonius zou zij „van eene so 
groote ruimte wezen, dat honderden en somtijds duizenden 
de stemme des leeraars kunnen hooren" ^). Deze mede- 
deeling is niet zonder overdrijving. Maar zonderling is 
inderdaad hetgeen Van der Aa omtrent deze kerk ver- 



i) Matthijs van der Houve: 1. c, dl. I, blz. loo. 

2) L. c, dl, I, blz. 34, 98; dl. II, blz. 43, 159. 

3) Frans v. Mieris: dl. IV, blz. 235. 

4) T>. c, blz. T5. 



327 

haald i). Volgens hem zou deze op en top Middeleeuvvsche 
bouw eerst dagteekenen uit het jaar 1657. 

In het register der kerkelijke tienden, dat over de 
jaren 1275 — 1280 loopt, en waarin de inkomsten ge- 
boekt werden, welke door de bestaande parochies in 
het bisdom Utrecht werden opgebracht ten bate van 
het H. Land, komt ook Moordrecht voor, en draagt bij, 
vergeleken met de andere daar genoemde kerken, met 
een aanmerkelijk bedrage). Ook voor den afbouw van 
den Utrechtschen dom bleef de parochie Moordrecht, 
blijkens de oudste rekeningen, in offervaardigheid niet 
achter ^). Wel een bewijs, dat Moordrecht reeds vroeg- 
tijdig tot zekeren bloei en welvaart gestegen was. 

In 1263 werd de kerk van Moordrecht door den 
proost van Oud-Munster begeven aan Hermanus Albus, 
kanunnik te Utrecht ^). Aan Jacob Jansz. bijgenaamd 
Stock, werd in 1373 vergunning verleend om, behalve 
Moordrecht, nog twee andere beneficies te bezitten, 
waarvan aan een zelfs nog zielzorg verbonden was ^). 
Doch reeds in het volgende jaar in 1374 verruilde hij 
met Heer Frederic, genaamd „capellaen", de kerk van 
Moordrecht met de parochiekerk van Maarsen en een 
altijddurend beneficie in de kerk van S. Salvator te 
Utrecht^). In 1494 was te Moordrecht pastoor Heer 
Cornelis Taerdt, oud 50 jaar ") ; en blijkens de Informacie 



i) L.C. 

2) yoosting, y. G. C. en Muller ^ S.: Bronnen voor de geschiedenis 
der kerkelijke rechtspraak in hel bisdom Utrecht in de middeleeuwen, 
's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1906, dl. I, blz. 10, 20, 21, 23. 

3) Joosthig, y. G. C. en Muller, S.: L. c, blz. 84. 

4) yoosting, y. G. C. en Muller, S.: L. c, blz. 150—151. 

5) Brom, G. : BuUarium Trajectense, Ilaga-Comitis, Martinus Nijhoff, 
1895, tom. II, No, 2187, pag. 257. 

6) Brom, G: 1. c, tom. II, No. 2189 -2190, pag. 257 — 258. 

7) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 301. 



328 

van 15 14 genoot de pastoor tot zijn onderhoud 27 lichte 
guldens lijfrenten, „welcke gemaeckt waeren int oorloge 
van Joncker Frans", en als „papelicke proeven" de op- 
brengsten van 12 morgen lands onder Moordrecht ge- 
legen^). Bij de kerkvisitatie in 1567 door den aartsdiaken 
van S. Salvator, Herman van Rennenborch, ingesteld, 
bleek maar al te zeer, hoe treurig te Moordrecht de 
kerkelijke toestanden gesteld waren. Geheel tegen de 
bepalingen van het concilie van Trente hield de pastoor 
Cornelius Egidius geen verblijf in zijne parochie, en 
bovendien had hij aldaar de zielzorg opgedragen aan 
iemand, die daartoe heel weinig geschiktheid bezat 3). 
Inderdaad op het godsdienstig en kerkelijk leven zoo 
van priesters als van leeken in de parochies langs de 
Lek en den IJsel wordt door deze kerkvisitatie een 
bitter-betreurenswaardig licht geworpen ^), zoodat, toen 
zich enkele jaren later de Hervorming in deze streken 
vertoonde, bijna zonder uitzondering, alles voor de 
katholieke kerk verloren ging. De enkele katholieken, 
die te Moordrecht getrouw bleven aan het aloude geloof, 
werden te Gouda, of door uit Gouda komende priesters 
in hunne godsdienstige belangen verzorgd *). 

* 
Ook tijdens de Hervorming is het beeld dat ons van 
de toestanden op kerkelijk gebied te Moordrecht door 
de geschiedboeken ontworpen wordt, verre van aan- 
trekkelijk. Reeds den 24en Augustus 1587 werd op de 



1) Infor?nacie van Hollant ende Vrieslant: Leiden, A. \V. Sijthoflf, 
1866, blz. 489 — 490. 

2) Verslagen van Kerkvisitatïéii in het Bisdom Utrecht uit de lóde eeuw : 
Amsterdam, Johannes Muller, 191 1, pag. 370, 

3) L. c, pag. 369-375; itl. 1-c., pag. 433—457- 

4) Archief v. Utr. : dl. I, blz. 218; dl. XVII, blz. 465; dl. XVIII, 
blz. 32; dl. XX, blz. 363. 



329 

synodale vergadering te Delft over het geschil gesproken, 
dat „in der kercke tot Moordrecht" ^) gerezen was. 
Daartoe had het gedrag en het optreden van den eersten 
„diener", Joannes Iserman, aanleiding gegeven. Hij had 
zich schuldig gemaakt aan „lichtveerdigheyt" „ende 
rassicheyt" in het spreken -) ; zonder genoegzaam bewijs 
had hij den schout verdacht „een concept te hebben 
gemaect hem van den predickstoel te steenigen" ») ; 
bovendien had hij tijdens zijne ziekte aan „sotticheyt" 
geleden *), en ten laatste uit een door hem „getimmert" 
huis de zoldering weggebroken om er een ander huisje 
mede te betimmeren '"). Vandaar dat Iserman van zijn 
dienst ontslagen werd, en van hooger hand Florentius 
Marcus aan de Gemeente gegeven werd *). Maar de 
Gemeente begeerde den opgedrongen Marcus niet, zoodat, 
blijkens eene synodale vergadering van Schiedam, ge- 
houden den 3oen Augustus 1588 „de onordentlycheden" 
in Moordrecht aanhielden"). Om nu tot vrede te geraken, 
zou Florentius Marcus vrijwillig van zijnen dienst afstand 
doen **), en zou Lambertus Jemmingius, eertijds predikant 
te Schoonhoven, beroepen ^), maar tevens door de synode 
krachtig vermaand worden „zich alsoe te dragen by 
den gerichte ende by de kercke tot Moordrecht als een 
vroom predicant behoort te doen, opdat daer vrede 
ende eenicheyt moge blyven" ^^). En inderdaad onder 



1) Reitsma en Van Veen: 1. c, dl. II, blz. 294. 

2) L. c, dl. II. blz. 296. 

3) L. c, blz. 296. 

4) L. c, blz. 296. 

5) L. c, blz. 294. 

6) L. c, dl. 11, blz. 335. 

7) L. c, dl. II, blz. 31Ó-317; id. l.c, blz. 327. 

8) L.c, dl. II, blz. 340-341. 

9) L.c, dl. 11, blz. 342 — 343. 

10) L.c, dl. II, blz. 351. 



330 

Jemmingius bleef in het kerkelijk leven de vrede in 
Moordrecht gehandhaafd, totdat wederom onder diens 
opvolger Dirck Bax op kerkelijk terrein de hevige strijd 
ontbrandde, welke in de geschiedenis als die van de 
Remonstranten en contra-Remonstranten bekend staat ^). 
Ds. Bax werd in 1619 voor de classis gedaagd van 
Gouda, maar bleef aan zijne remonstrantsche gevoelens 
vasthouden, ook nadat hem drie dagen van beraad ge- 
geven waren 3). Weshalve werd hij van zijne bediening 
ontslagen en te Moordrecht de stichter eener Remon- 
strantsche gemeente. Tot op het einde der vorige eeuw 
behielden de Remonstranten te Moordrecht hun eigen 
kerk en predikant. Op de plaats waar eens het kerk- 
gebouw stond, is nu het postkantoor verrezen. De laatste 
predikant Ds. van Manen verliet zijne kleine kudde 
en werd leeraar in de aardrijkskunde te Groningen. 



Intusschen duurde het tot 1659 eer de verweesde 
parochie wederom een vasten, een in haar midden ver- 
blijf-houdenden herder ontving in den persoon van 
Reinier Visscher (1659 — i/i^). Hij was geboortig van 
het aan de overzijde des IJsels gelegen dorp Gouderak 
en blijkbaar van gegoeden huize. Door Van Heu.ssen 
wordt hij in 17 14 een grijsaard genoemd van hooge 
jaren \ Het door hem aangelegde doopboek begint met 
den yen December 1659^). Waarschijnlijk woonde en 



i) lypeij, A, en Dermout, I. y.: Geschiedenis der Nederlandsche 
Hervormde Kerk, te Breda bij \V. van Bergen, 1822, dl. II, blz. 153 — 291. 

2) Archief voor Kerkelijke geschiedenis : te Leiden bij S. en J. Luchlmans, 
1836, dl. VII, blz. 40. 

3) Bat. Sacra: p. II, pag. 207. 

4") 't Is dus onjuist van Pater van Loniinel om de Statie «in of 
omtrent 1666" te laten beginnen. Bi/dr. v. H.: dl. I, blz. 97. 



331 

kerkte hij aanvankelijk in zijn ouderlijk huis, want eerst 
in 1661 werd door Jan Reinierse Visscher, den vader 
van den pastoor, onder Moordrecht een stuk grond 
aangekocht, waarop een huis stond en eene loods, die 
tot bedehuis werd ingericht. Toen den 6en Juni 1726 
de predikanten er op aandrongen, dat de Staten maat- 
regelen zouden nemen tegen „den aanwas van het paus- 
dom", werden de Hoogmogende Heeren ook op de 
stichting der Statie Moordrecht, als in strijd met de 
bestaande plakkaten, opmerkzaam gemaakt^). Aan recog- 
nitie-geld werd jaarlijks aan den schout/ 31. 10 betaald 2). 

Pastoor Visscher heeft de Statie van zijne tijdelijke 
goederen rijkelijk bedacht. 

Eerstens liet hij bij zijn afsterven, behalve eenige gelds- 
waardige papieren, het in 1701 door hem gekochte stuk 
land, dat nevens de kerk was gelegen, aan de Statie 
achter 8); en ten andere verrijkte hij haar bij zijn leven 
met een verguld-zilveren ciborie, een dito kelk en met 
vier rood- bronzen kandelaars, waarop een schildje is 
aangebracht met drie visschen en de beginletters van 
pastoors naam : R. V. ; welke voorwerpen op heden nog 
in de parochie-kerk aanwezig en in gebruik zijn. 

Onder de 300 geestelijken die in 1701 een verzoek- 
schrift opzonden naar Rome in het belang van den 
Vicaris Apostolicus Petrus Codde, bevond zich ook de 
naam van Reinier Visscher *). En volgens Van Heussen 
zou pastoor Visscher in 1709 aan de Groot-Mogenden 
beloofd hebben geen briefwisseling te houden met den 



1) Knuttel, W. P. C: De toestand der Nederlandsche Katholieken 
ten tijde der Republiek, 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1894, dl. II, 
blz. 154—155. 

2) L. c, dl. II, blz. 305. 

3) Kerkarchief : Moordrecht. 

4) Bat. Sacra: p. II, pag. 519. 



332 

van regecringswege niet erkenden Vicaris Adam Daemen ^). 
Het heeft alzoo den schijn als zou pastoor Visscher be- 
smet zijn geweest met de Jansenistische dwahngen van 
zijn tijd. Toch is van hem, gelijk van zoovelen, die 
Van Heussen tot zijne partijgenooten trachtte te rekenen, 
geen enkel feit bekend, waaruit zijne weerspannige ge- 
zindheid ook maar eenigszins zou blijken. 

Pastoor Visscher stierf te Moordrecht den 28en Februari 
171 8, alzoo na een herderschap van 59 jaren. 



Joannes Baptista Mustelje, Miisteljier, Miistelier 
{1718 — 1720) was te Rotterdam geboren en gedurende 
slechts twee jaren pastoor van Moordrecht ^). Tijdens 
zijne laatste ziekte werd hij in de herderlijke bediening 
ter zijde gestaan door zijn broeder Carolus Mustelier, 
die hem ook als pastoor in de Statie opvolgde ^). 

Joannes Baptista Mustelier stierf te Moordrecht den 
I4en Maart 1720 *). 

Carolus Mustelier (1720 — 1724) eveneens Rotter- 
dammer van geboorte, was onder de katholieken van 
Moordrecht niet gezien, en minder nog geacht of bemind. 
Want toen hij, volgens het verslag van Joannes van 
Bijlevelt s), wel te goeder trouw maar toch hoogst on. 



1) Bijdr. V. H.: dl. X, blz. 390. 

2) BiJdr. V. H.: dl. I, blz. 97: Archief v. Utr.: dl. IV, blz. 132. 

3) Bijdr. V. H.: dl. II, blz. 345. 

4) De Katholiek: dl. 63, jg. 1873, blz. 276. 

5) De passus uit het memoriale van J. v. Bijlevelt, waarin deze zaak 
ter sprake komt, werd in het Archief van Utrecht (dl. XXII, blz. 209) 
in ten deele onverstaanbaar Latijn weergegeven. Weshalve Mgr. Graaf 
voor mij de goedheid had den tekst volgens het handschrift in het 
Bisschoppelijk Archief te Haarlem opnieuw over te schrijven. Bij ver- 
gelijking springt het verschil der beide lezingen den lezer terstond in 



333 

voorzichtig, eene obligatie der kerk, waarvan hij meende, 
dat zij aan zijn overleden broeder had toebehoord, 
zonder den Aartspriester of den Apostolischen Vicaris 
te raadplegen, had verkocht, werd hij, aangeklaagd door 
zijn eigen parochianen, in hechtenis genomen, en, ofschoon 
vele invloedrijke personen voor hem tusschen beide 
kwamen, tot ballingschap van 12 jaren veroordeeld. Hij 
verliet Holland en Zeeland en werd pastoor te Vilsteren, 
waar hij tot 1732 verbleef i), waarna zijne benoeming 
volgde van pastoor te Kampen "). Hij stierf te Kampen 
den 3ien Maart 1738. 



Theodoriis Joannes van Bemmel{\J2\ — 17 26) geboren 
te Nieuwkoop 3) en in 1720 te Keulen tot priester ge- 
wijd *), was „sedert eenigen tijdt capellaen te Wassenaer" ^), 
en bij zijne benoeming tot pastoor te Moordrecht, sub- 
sidiarius of kapelaan te Poeldijk ^). Het mocht dezen 



het oog. «Pejori imo perditissimo loco videbantur inolestiae quas Carolus 
Musteljier pastor in Moordrecht prope Goudain sua sibi inscitia intulerat, 
obligationem aliquam stationis suae vendendo cui, fratris sui ibidem 
pastoris defuncti eam esse existimans, quasi suae subscripserat, quod 
aliqui e.\ ejus communitate subodorantes et male in eum jam pridem 
animati, ad judicem detulerunt, per quem carceri mancipatus et duo- 
decim annorum exilio, aegre tarnen nee sine multorum interventu, exilio 
multatus est. Confitendum quidem est Em. P.P. inculpabili eum in hoc 
ignorantia laborasse, at in eo vel maxime deliquit quod dubius haerens 
id insciis ac inconsultis Vicario Apostolico et Archipresbytero suo 
attentaverit." In het stedelijk archief van Gouda was omtrent dit proces 
niets te vinden. 

1) Archief V. C'fr.: dl. IV, blz. 132; id. dl. X, blz. 34. 

2) Bijdr. V. IL: dl. I, blz. 423; Archief 7^. Utr.: dl. 1, blz. 77; 
id. dl. I, blz. 316; id. dl. IV, blz. 132; id. dl. XXV, blz. 400. 

3) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 97. 

4) Bijdr. V. H.: dl. II, blz. 357. 

5) Archief V. Utr.: dl. III, blz. 94. 

6) Archief V. Utr.: dl. XXII, blz. 209 



334 

jeugdigen priester inderdaad gelukken om de opschudding 
door pastoor Mustelier in de Statie verwekt te bedaren, 
waarna hij in Juni 1726 tot pastoor benoemd werd te 
Ameland ^). Door den aartspriester Ram van Schalkwijk 
werd hij in 1736 bij den Vice-Superior aanbevolen voor 
de vacante Statie Blaricum, waar hij ook benoemd werd 
en tot zijn dood verbleef in 17582). 

Pastoor Van Bemmel moge al een voorzichtig en 
beleidvol man zijn geweest : een administrator was hij 
allerminst. Te Blaricum schreef hij zijne doopelingen 
niet in het doopboek maar in zijne directoria's ; en aan- 
gaande zijne eerste kerkvisitatie te Blaricum in 1755 
schreef de aartspriester Gomes, pastoor te Weesp : 
„omnia ibi sordide reperi" ^). 



Theodoriis van der Waar(d)t (1726 — 1728) was 
Leidenaar van geboorte*). De Statie telde destijds 150 
communicanten ^). Hij werd in 1728 als pastoor naar 
Oestgeest verplaatst s), waar hij tot aan zijn dood toe 
verbleef in 1753. 

Petrus Hagelnian(s) (1728 — 1733) was geboren te 
Amsterdam 7) en te Brussel in 1724 tot priester gewijd^). 



i) Archief v. Utr.: dl. I, blz. 416; id. dl. III, hlz. 94. Elders 
wordt 's mans komst op Ameland maar verkeerdelijk gesteld op 1725. 
Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 423; Archief v. Utr.: dl. II, blz. 146. 

2) BiJdr. V. H.: dl. I. blz. 423; Archief v. Utr.: dl. I, blz. 63; 
id. dl. III, blz. 94. 

3) Archief V. Utr.: dl. I, blz. 416. 

4) Bijdr. V. H.: dl. XIV, blz. 80. 

5) Archief V. Utr.: dl. X, blz. 18. 

6) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 97; Archief v. Utr.: dl. VIII, blz. 89. 

7) Bijdr. V. H.: dl. XIV, blz. 51. 

8) Bijdr. V. //.; dl. XVII, blz. 219. 



335 

Hij was „waereldspriester" en blijkens het ingesteld 
onderzoek volgens het plakkaat van 21 Sept. 1730 
„oud 46 a 47 jaren" ^). Hij was in 1726 kapelaan te 
Nieuwkoop*). In 1733 werd hij pastoor benoemd te 
Delfshaven, waar hij verbleef tot 1739^). Blijkens eene 
opgave in het kerkarchief te Delfshaven werden door 
burgemeester en bestuurders der stad Delft in 1735 de 
rentmeester en de kerk- en armmeesters van Delfshaven 
aangesteld. Blijkbaar een uitvloeisel van de bepaling 
der Hoogmogenden dat alle ambtenaars en bestuurders 
van kerkelijke goederen tot den Hervormden godsdienst 
moesten behooren *). Waarheen pastoor Hagelmans in 
1739» opgevolgd te Delfshaven door pastoor Leonardus 
Robbers, vertrokken is, blijkt niet. Volgens het Archief 
van Utrecht komt hij eerst in 1741 als pastoor voor 
te Bovenkarspel, waar hij verbleef tot 1746 '). 

Op de najaarsvergadering van het zoogenaamde 
Haarlemsche kapittel, gehouden den 3^^" October 1747, 
werd aan Petrus Hagelmans 25 gulden toegekend^). 
Eene nadere bepaling van deze goedgunstige beschikking 
werd daaraan niet toegevoegd. 



Adrianus de Keyzer (1733 — 1755) was geboortig van 
Gouda") en stond in 1730 om de ,,indispositie" van 
pastoor Cramer als kapelaan te Reeuwijk ^). Hij was 



i)L.c. 

2) Archief V. Utr.: dl. X, bh. 14. 

3) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 423. 

4) Knuttel, IV. P. C. : 1. c, dl. II, blz. 69; id. 1. c, blz. 291—293. 

5) Archief V. Utr.: dl. IV, blz. 117. 

6) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 337. 

7) Bijdr. V. H. : dl. I, blz. 97. 

8) Bijdr. v. H.: dl. XIV, blz. 94. 



336 

„een wereltspriester, geen Jansenist, maar van de leer 
van Augustinus en Thomas d'Aquinen." Wegens hersens- 
ziekte verliet hij in 1755 de Statie^). Uit den tijd van 
pastoor Keyzer dagteekent het deftig zilveren schenk- 
blad, op het ©ogenblik nog in gebruik bij de parochie, 
hetwelk om zijn vaardig-gedreven randversiering onder de 
beste kunstvoorwerpen van de i8de eeuw moet gerekend 
worden. Tevens liet pastoor Keyzer aan de Statie eenig 
tafelzilver achter, dat echter om den eigenaardigen en 
hedendaags moeilijk-bruikbaren vorm, door den tegen- 
woordigen pastoor, met toestemming der kerkelijke 
Overheid, is versmolten en hervormd tot een zilveren 
ciborie. 



Gerardiis van Delden (1755 — 1765) uit eene achtbare 
familie te Oldenzaal gesproten 2), werd den 8en Maart 1755 
pastoor benoemd der Statie Moordrecht, destijds eene 
„Statio modica", en 280 communicanten tellende 3). In 
het verslag aan de propaganda door den nuntius in 
1758 opgesteld, wordt pastoor van Delden een „uitstekend 
en waakzaam herder" genoemd. Tevens werd door den 
nuntius bij die gelegenheid de klacht van pastoor 
Van Delden aan de propaganda overgebracht, dat de 
paters Franciscanen uit Gouda enkelen zijner parochianen 
tot zich trokken, en — zoo voegt de Nuntius eraan 
toe, — in het toelaten van vreemdelingen tot de 
H. Sacramenten in den Paaschtijd wat al te gemakkelijk 
waren *). 



i) Archief V. Utr. : dl. IV, blz. 124. 

2) Door Tubantinus wordt hij in (ü Katholiek (jg. 1874, dl. 66, 
blz. 329) Jacobus Gerhardus genoemd. 

3) Archief V. Utr.: dl. II, blz. 155; id. dl. VIII, blz. 336. 

4) Archief V. Utr.: dl. VIII, blz. 336. 



337 

In 1765 werd hij als pastoor verplaatst naar Bergen, 
waar hij een inkomen genoot van 900 a 1000 gulden 
en tot zijn dood verbleef in 1778 ^). 

De familie van Delden, thans Wiegman te Oldenzaal 
bezit een portret van dezen geestelijken voorzaat ^). 



Joannes Rijuders (1765 -- 1776) was te Amsterdam 
geboren 3) en in 1758 tot priester gewijd'*). In 1759 
stond hij als kapelaan te Amsterdam aan den Post- 
hoorn '"). Zijn admissie-brief te Moordrecht dagteekent 
van 30 October 1765 "), In de najaarsvergadering van 
datzelfde jaar besloten de Haarlemsche kapittelheeren 
aan pastoor Rijnders 200 gulden te geven „om voor 
zijn bedehuis paramenten aan te schaffen" '^). Blijkbaar 
was het onder de pastoors bekend, dat pastoor Rijnders 
naar verandering van Static hunkerde ; want toen 
Vogelensang open kwam, werd hij in de missie algemeen 
daarvoor genoemd ^). Maar de benoeming bleef uit : 
doch nog in hetzelfde jaar werd hij pastoor van Beverwijk, 
waar hij tot zijn dood verbleef den 4en Mei 1784^). 
Pastoor Rijnders was een weinig begaafd redenaar en 
een man van bescheiden kennis ^*^). 



1) Bijdr. V. //. ; dl. I, blz. 97; Archief v. Utr. : dl. VIII, biz. 131. 

2) De Katholiek: jg 1874, dl. 66, blz. 329. 

3) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 97. 

4) Archief V. Utr.: dl. VIII, blz. 356. 

5) Bijdr. V. H.: dl. XIV, blz. 185. 

6) Bi/dr. v. H. : dl. XXII, blz. '^ï; Archief v. f 7r. ; dl. VIII, blz. 117, 

7) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 345. 

8) Bijdr. v. H. : dl. XII, blz. 24. 

9) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 423; Archief v. Utr.: dl. IV, blz. 139. 

10) Concionator minus eloquens infimaeque capacitatis. Bisschoppelijk 
Oud- Archief te Haarlem. 

22 



338 

Adriamis Jacobns van der Sbiys (1776 — 1779) werd 
in 1743 te Rotterdam geboren, was kapelaan in de Oude 
Molstraat te 's-Gravenhage i) en ontving den 3 len juH 1776 
zijn admissiebrief als pastoor van Moordrecht 2). In het 
tweede jaar van zijn pastoraat werd de hand geslagen 
aan den opbouw van een nieuw kerkhuis. Want de 
door pastoor Visscher tot bedehuis ingerichte loods 
was zoo bouwvallig geworden, dat aan herstellen niet 
te denken viel. Den i6en April 1777 richtten pastoor 
en kerkmeesters tot de Staten van Holland en West- 
Vriesland het verzoek om tezelfder plaatse van de oude 
eene nieuwe kerk te mogen bouwen, die 62 voet lang, 
26 voet breed, en 18 voet hoog zou zijn. Op dit verzoek 
werd den 6en Mei 1777 goedgunstig beschikt ^), maar 
onder beperking der bepaalde voorwaarden, „dat de 
venstercosijnen zouden wezen ordinaris-kruiscosijnen 
zonder boogen, en worden voorzien van gemeene glazen 
in lood gezet, en het dak met ordinaris roode pannen 
gedekt ; dat de deurcosijnen niet breeder mogten zijn 
dan 4 voeten met enkele gladde buitendeur; dat het 
kerkhuis in het uiterlijk aanzien op geen kerk of ander 
publiek gebouw gelijke" •^). Door Arie Meurs werd den 
2oen Mei 1777 de opbouw der kerk aangenomen voor 
de som van 4916 gulden en binnen vijf maanden op- 
geleverd. Den 24en October 1777 werd van de Staten 
aan het kerkbestuur toestemming verleend om in het 
nieuwe kerkhuis dienst te doen ^). Ter bestrijding der 
kosten werden drie geldswaardige papieren, afkomstig 
uit de nalatenschap van pastoor Visscher. en eene waarde 



1) Bijdr. V. H.: dl. XVIII, blz. 385- 

2) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 52. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 52. 

4) Kerkarchief Moordrecht, 

5) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 52. 



339 

vertegenwoordigend van 3000 gulden, ten gelde gemaakt. 
De andere den bouw der kerk betreffende bijzonder- 
heden staan met, op het oogenblik moeilijk leesbare, 
letters gebeiteld in een gedenksteen, die blijkbaar 
vroeger als stoep dienst deed aan den ingang der kerk, 
maar thans gelegd is voor de deur aan den voorgevel 
der pastorie. Men leest daarop : 

Hier heeft Heer Adrianus Jacobiis van der Sluys, 
Pastoor der kerk, voor God gesticht dit bedenluiis, 
Catarijn Joauna Werf, genaamd van Melissant, 
En Martha van Capel, geboren Witveldt leiden 
Den eersten steen, op tuien 7 Geboiizv rees tot zijn stand: 
Hermanus Gildenhuis was d' opperman van beiden. 

Pastoor van der Sluys werd in latere jaren nog ge- 
prezen „voor weinig geld te Moordrecht een fraaie kerk 
gebouwd te hebben." Maar het kerkbestuur uit die 
dagen had toch maar al te zeer vergeten, dat op den 
moerassigen bodem geen kerk kon gebouwd worden, 
rustende op heipalen van slechts zes meter lengte. De 
gevolgen van dezen te zwakken onderbouw bleven niet 
uit, zooals uit de verdere geschiedenis der Statie zal 
blijken. 

Intusschcn werd pastoor Van der Sluys in 1779 ver- 
plaatst naar Vlaardingen en Zouteveen, en blijkens zijn 
admissiebrief den 22en Februari in zijne nieuwe Statie 
toegelaten ^). Over zijne herderlijke werkzaamheid te 
Vlaardingen staat in het kerkarchief aldaar niets aan- 
geteekend. 

In 1787 werd hij, met recht van opvolging, tot 
coadjutor benoemd bij den bejaarden pastoor Cleij in 
de Oude Molstraat te 's-Gravenhage. Reeds in 1788 



i) Bijdr. V. //. ; dl. I, blz. 97; id. dl. XXII, blz. 66. 



340 

volgde hij hem op als pastoor en landdeken van Delf- 
land. Te 's-Gravcnhage bouwde hij in 1 79 1 eene nieuwe 
pastorie ^). 

Toen in 1794 de Nuntius Braricadoro uit Brussel 
vluchtte voor de naderende sanscullotten en in den 
Haag bescherming zocht bij het zinkende Oranjehuis, 
nam hij bij pastoor Van der Sluys zijn intrek. De 
Nuntius die onvoorzichtig genoeg partij had gekozen 
voor den straks vluchtenden Oranjevorst, genoot daar- 
door voor de uitoefening zijner hoogepriesterlijke plichten 
eene in ons land ongekende vrijheid. Zoo diende hij 
in den Haag in de Statie van pastoor Van der Sluys 
het H. Vormsel toe aan 4000 vormelingen. Tevens legde 
hij in den Haag een geschil bij, gerezen tusschen 
pastoor Van der Sluys en de regulieren „over ijverzucht 
en verdachte partijdigheid." Ook op andere plaatsen 
in de buurtschap van den Haag vond de Nuntius ge- 
legenheid om zijn heilig dienstwerk uit te oefenen ^). 
Toch heeft de ondervinding bewezen, hoe geheel tegen 
de staatkundige inzichten van den Nuntius, vrijheid 
voor de Katholieke kerk van andere zijde dan van de 
Oranje-partij te verwachten was. 

Door koning Lodewijk werd in 1807 de kerk op het 
Binnenhof aan pastoor Van der Sluys in eigendom en 
ten gebruike afgestaan. Op het kerstfeest van 1807 
werd daarin voor het eerst de H. Mis gelezen. 

Pastoor Van der Sluys stierf den I5en December 1820 ^) 
en werd, blijkens een zilveren begrafenis-penning 4), in 
de groote kerk te 's-Gravenhage begraven. Hij was 

1) Bi/dr. V. H.: dl. XVI II, blz. 385—388. 

2) Archief v. Utr.: dl. XXXVI, blz. 268—270; iu. l.c, blz. 325. 

3) De Godsdienstvriend : dl. VI, blz. 45. 

4) Bisschoppelijk Museum te Haarlem: Gids, vijfde druk, blz. 164, 
No. 264. 



341 

TJ jaren oud. In het bisschoppelijk Museum te Haarlem 
bestaat van hem een portret in kopergravure ^). 

* * 
* 

Cornelis Francisais Beltijick (1779 — 1789) was in 
1746 te Pijnacker geboren 2), en werd blijkens zijn 
admissie-brief den 3en Maart 1779 als pastoor van 
Moordrecht toegelaten ^). Bij zijne Overheid stond hij 
aangeschreven als een bekwaam godgeleerde en een 
waakzame herder*). In 1781 bouwde hij te Moordrecht 
eene nieuwe pastorie in den deftigen iSen eeuwschen 
trant. Tot in 191 3 prijkte de beneden-kamer links aan 
plafond en schoorsteen met niet-onverdienstelijk stuc- 
werk, terwijl nog heden de zoogenaamde kapelaans- 
kamer gesierd is met een schoorsteenstuk op doek den 
patroon der Statie S. Jan den Dooper met het Lam 
Gods voorstellende. Jammer dat ook de pastorie, gelijk 
vroeger de kerk, op te lichte fundecringen gebouwd 
werd, zoodat zij op verscheidene plaatsen gescheurd en 
verzakt is, en, wat den voorgevel betreft, aanmerkelijk 
buiten het lood geraakte. Nadere bijzonderheden omtrent 
den bouw worden in het kerkarchief niet aangetroffen. 

Pastoor Beltinck werd in 1789 den 22en December 
verplaatst naar Schipluiden ^), waar hij den 25en Januari 
1806, bijna óo jaren oud, kwam te overlijden^). 

* * 

FredericHs Schouten (1789 — 1795) was geboren te 
Nes- en Swaluvvebuurt ''), en kwam blijkens zijn admissie- 



i) L. c, blz. 125. 

2) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 97. 

3) Bydr. V. H.: d. XXII, blz. 52. 

4) Bi/dr. V. H.: dl. XXXIl, blz. 422. 

5) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 58. 

6) Bijdr. v. If. : dl. XXXII, blz, 421—422. 

7) Bijdr. V. n. : dl. I, blz. 97. 



342 

brief den Qen Februari 1789 te Moordrecht i), waar hij 
verbleef tot zijn dood den 22en December 1795. 



Reinier Ruel (1795 — 1804) was Amsterdammer van 
c^eboorte -) en gedurende eenige jaren kapelaan te 
Leidschendam ^). Hij bestuurde de Statie Moordrecht 
tot 1804, toen zijne benoeming volgde van pastoor te 
Hoorn aan de Statie in de Achterstraat en deken van 
West- Vriesland. Op den 22en December 1812 werd 
hij pastoor te Leidschendam, waar hij door het sluiten 
van de bijkerk onder de buurtschap Veur van zijne 
parochianen veel verdriet en tegenwerking ondervonden 
heeft-*). Eerst onder zijn opvolger keerde de rust in 
de Statie terug. 

Hij stierf te Leidschendam den 6en Sept. 181 7 »). 



WiUiehmis Henricus Ter horst (1804 — 18 11), een neef 
van moederszijde van pater Roothaen, was Amster- 
dammer van geboorte ^) en eenigen tijd kapelaan te 
Overveen '''). Bij de constitutie van 1798 was bepaald, 
dat alle kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals 
heerschende kerk, voor zooverre zij door aanbouw uit 
de afzonderlijke kas der gemeente, geen bijzondere en 
wettige eigendommen waren, genaast konden worden, 
tegen eene matige uitkeering, door de grootste der 



1) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 52. 

2) Bijdr. V. H. : dl. I, blz. 97. 

3) Bi/dr. V. H. : dl. III, blz. 385. 

4) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 376—380. 

5) Bijdr. V. H,: dl. III, blz. 385. 

6) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 97. 

7) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 349. 



343 

godsdienstige gezindheden eener plaats. Maar, zoo werd 
deze bepaling bij publicatie van ii Oct. 1798 nader 
omschreven, mocht de aanvrage niet gedaan zijn voor 
den iien November 1798, dan was het recht om te 
naasten vervallen, en zou men het er voor houden, 
dat de rechthebbenden van hunne rechten afstand 
hadden gedaan, en mitsdien de tegenwoordige bezitters 
ongestoord in het bezit hunner goederen konden ver- 
blijven. 

Aanspraak op teruggave der oude parochiekerk hadden 
de katholieken, als zijnde geenszins de grootste onder 
de te Moordrecht bestaande godsdienstige gezindheden, 
onder pastoor Ruel niet laten gelden, maar er moest 
nog altijd een vergelijk worden getrofifen tusschen de 
bestaande kerkelijke genootschappen, waarbij aan het 
kleinste eene matige uitkeering moest geschieden van 
de waarde, waarop kerk en pastorie begroot werden. 
Daarvoor nu heeft pastoor Terhorst zorggedragen, zoodat 
door het protestantsch kerkgenootschap den 26en Juli 
1809 '^^ri de katholieken een bedrag werd uitgekeerd 
van 430 gulden en 8 stuivers. Kerk en pastorie waren 
op eene waarde geschat van 3042 gulden, 16 stuivers 
en 4 penningen. 

In 181 1 werd pastoor Terhorst verplaatst naar Stomp- 
wijk ^), waar door hem in 18 19 de kerk verfraaid en 
een bijzonder kerkhof werd aangelegd ^). Den 30^" April 
1824 verhuisde hij naar Oestgeest, waar hij in 1840 
zijn eervol ontslag ontving. Te Haarlem kwam hij den 
gen Sept. 1842 te overlijden ^). 



1) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. ^T\ De Godsdietistvriend : diX.YAlMi- Z^^^- 

2) De Godsdienstvriend: dl. IV, blz, 254. 

3) L. c, dl. XII, blz. 368; id. dl. XLV, blz. 95; id. dl. XLIX, 
blz. 215, 334. 



344 

Florentiiis Esinan (i8ii — 1828) was Noordvvijker 
van geboorte') en in 1804 tot priester gewijd"). Van 
1806 — 181 1 was hij kapelaan te Dordrecht'^). In 1828 
werd hij verplaatst naar Pijnacker, waar hij den 
29en November 1845 kwam te overlijden'*). 



Joannes Josephus van Reysen (1828 — 1838) was te 
Rotterdam geboren ^). Onder zijn pastoraat werden de 
herstellingen van de onder pastoor Van der Sluys ge- 
bouwde maar te licht onderheide kerk krachtig ter 
hand genomen. Haar toestand was allertreurigst ge- 
worden. Aan de Zuid-Westzijde was zij aanmerkelijk 
verzakt; nieuwe ramen waren noodzakelijk geworden, 
ja, indien niet terstond werd ingegrepen, viel voor het 
behoud der geheele kerk ten zeerste te vreezen. Maar 
de kerkekas was noodlijdend en voor zulke aanzienlijke 
uitgaven niet berekend. Daarom richtte het kerkbestuur 
in 1830 tot Zijne Majesteit den Koning een verzoek- 
schrift om steun, waarop den 5en Augustus 1830 goed- 
gunstig met eene subsidie van 1200 gulden beschikt 
werd. Eenzelfde verzoekschrift, gericht tot Gedeputeerde 
Staten, werd eerst van de hand gewezen, maar opnieuw 
ingezonden, welwillend opgenomen en eene subsidie van 
400 gulden in het vooruitzicht gesteld. De katholieken 
der Statie hadden 225 gulden bijeengebracht. Bij open- 
bare aanbesteding werd het geheele herstel der kerk 
aangenomen door C. van der Kuy te Moordrecht voor 



1) Bijdr. V. IL: dl. I, blz. 97. 

2) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 423. 

3) L. c. 

4) Bijdr. V. II.: dl. I, blz. 423. 

5) Bijdr. V. H.: dl. 1, blz. 97. 



345 

1850 gulden. Toch zal later blijken dat deze gelden 
nutteloos werden uitgegeven. 

Den len Juni 1838 werd pastoor Van Reysen ver- 
plaatst naar Vlaardingen, waar hij tot zijn dood verbleef 
den iQcn Maart 1847 ^). In het kerkarchief te Vlaardingen 
staat over zijne herdelijke werkzaamheden niets bijzonders 

aangeteekend. 

* * 

Joannes Josephus Groen (1838— 1848) was Amster- 
dammer van geboorte 2), van 1833 — 1837 kapelaan te 
Rhijndijk, waartoe destijds de bijkerk behoorde aan 
den Groenendijk 3), van 1837 — 1838 kapelaan te Lisse *), 
en in 1838 kapelaan te Noordwijk ^). 

Onder zijn pastoraat werd tegenover de kerk op den 
IJseldijk eene dubbele werkmans-woning gebouwd, waar- 
onder gelegenheid werd gemaakt voor stalling van 
tien paarden. 

In de jaren 1838 en 1839 werd pastoor Groen in 
zijne bediening ter zijde gestaan door de kapelaans 
H. Blom en H. J. IJzermans. Hij stierf na eene ziekte van 
slechts drie dagen te Moordrecht op den 29en December 
1848, in den ouderdom van 44 jaren, en werd te 
Kralingen begraven. Volgens de Godsdienstvriend was 
hij onder zijne parochianen „bemind" en „hooggeschat" "). 

* * 

* 

Andreas Feijen (1848— 1858) werd te Oude-Tonge 
den I5en Februari 18 12 geboren en den 22en October 1837 



1) De Godsdienstvriend: dl. XL, blz. 299; id. dl. LVIII, blz. 207. 

2) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 97. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XXVI, blz. no\ De Godsdiensiv?iend : dl. XXXI, 
blz. 239; id dl. XXXIX, blz. 152. 

4) De Godsdienstvriend, dl. XXIX, blz. 152; id. dl. XL, blz. 155. 

5) L. c, dl. XL, blz. 155, 299. 
6J L. c, dl. LXII, blz. 98. 



346 

te Warmond tot priester gewijd ^). Hij was kapelaan 
te Vlissingen van 1837 — 1839, leeraar te Hageveld, en 
in 1848 assistent te Poeldijk 2). Den 3ien December 1848. 
toen pastoor Groen nog boven aarde stond, kwam hij 
als pastoor te Moordrecht aan. 

Het eerste, waaraan pastoor Feijen zijne aandacht 
wijdde, was aan het herstel van de opnieuw-verzakkende 
en bouwvallig-wordende kerk. Daarvoor had hij uit 
eigen middelen en uit de Statie de benoodigde gelden 
bijeengebracht. ,,Het kerkgebouw, zoo schreef destijds 
de Godsdienstvriend ^), is in een behoorlijken toestand 
gebracht, en verdient nu den naam van Godshuis. Het 
dak der kerk, zijnde vroeger roode pannen, is ver- 
anderd in blauwe; het kruis, waarmede het niet prijkte, 
staat nu op het torentje, dat vroeger niet te zien was; 
doodelijke stilte die eertijds heerschte, wordt nu afge- 
wisseld door een aangenaam gelui van onze torenklok •*) ; 
het innerlijke onzer kerk duidt thans iets majestueus 
aan, daar daarin bijna alles vernieuwd is." 

In 1852 werd, gewis te zeer in de nabijheid der kerk, 
een bijzonder kerkhof aangelegd, waarvan de kosten 
890 gulden beliepen, welke uit vrijwillige bijdragen 
werden tezamen gebracht. 

In 1856 werd de Statie Moordrecht tot parochie ver- 
heven met eigen geestelijk grondgebied, waartoe, behalve 
de burgerlijke gemeente Moordrecht, gerekend werden 
te behooren : de burgerlijke gemeenten Nieuwerkerk 
a/den IJsel, Ouderkerk a/den IJsel, Berkenwoude, Zuid- 



1) Bijdr. V. II.: dl. I, blz. 97; i.1. dl. I, blz. 390. 

2) De Godsdienstvriend: dl. LXII, blz. 105. 

3) L. c, dl. LXIX, blz. 238—239. 

4) Uit torenklokje draagt het jaarcijfer 1696 en voert tot randschrift : 
Vigilate et orate. Blijkbaar is het dus van elders aangebracht. 



347 

broek en Gouderak, met uitzondering van Stolwijkersluis 
dat onder Gouda viel. 

Toen nu in 1856 pastoor Feijen het plan opvatte 
om in plaats van het bouwvallige, telkens herstelde 
bedehuis eene geheel nieuwe kerk te bouwen, stuitte hij 
op den onwil en de tegenwerking zijner parochianen. 
Volgens eenigen was de kerk „een waardig Godshuis", 
ja bezat zelfs „iets majestueus" ; volgens anderen en die 
werden vooral onder de Nieuwerkerkers gevonden, diende 
de nieuw te stichten kerk niet op dezelfde plaats, maar 
meer in het midden der parochie, naar den kant van 
Nieuwerkerk gebouwd te worden ; aan de kerk zelf ont- 
braken voor den nieuwen bouw de benoodigde fondsen ; 
de goede gezindheid onder de parochianen ging te loor ; 
jegens den pastoor was de algemeene achting en ge- 
negenheid sterk verminderd : zoodat bij het vertrek van 
pastoor Feijen de parochie in allerlei moeilijke om- 
standigheden werd achtergelaten. 

Pastoor Feijen vertrok naar Sassenheim, waar hij den 
7en Februari 1863, bijna 51 jaren oud, kwam te over- 
lijden 1). 

Er hangt in de pastorie te Moordrecht een portret 
van pastoor Feijen (hg. 87 cm. br. 74 cm.) geschilderd 
door B. J. C. Weingartner, 1858; tevens bestaat ervan 
hem in het bisschoppelijk Museum te Haarlem eene 

lithographie "}. 

* * 
♦ 

Adria7ius Joannes van der Drift (1858 — 1894) was 
te 's-Gravenhage in 1826 geboren en in 1850 tot priester 
gewijd^). Hij was achtereenvolgens kapelaan te Rotter- 



i) De Godsdienstvriend : dl. XC, blz. 106. 

2) Gids van het Biss. Museum: vijfde druk, blz. Ii8. 

3) Bijdr. V. IL: dl. I, blz. 97. 



34<^ 

dam in de S. Laurentius-parochie ^), te Kethel ^), te 
Soeterwoude ^), te Middelburg ^), te Vlissingen ■'') en te 
Berkenrode ''). 

Bij zijne benoeming tot pastoor te Moordrecht gaf 
de Bisschop hem in opdracht de nieuwe kerk wederom 
tezelfdcr plaatse op te bouwen, en daarvoor een plan 
te laten ontwerpen, dat in begrooting de lo.ooo gulden 
niet zou te boven gaan. 

In zijne bouwplannen werd pastoor Van der Drift 
krachtig ter zijde gestaan door den toenmaligen burge- 
meester van Moordrecht, die de belangen der hulp- 
behoevende parochie zoodanig wist te steunen, dat van 
regeeringswege 2000 gulden en door de provincie 
3300 gulden als toelage voor den bouw werd toege- 
zegd 7). De plannen der kerk door den opzichter van 
Waterstaat, Van Echten, ontworpen, werden door 
J. van Leeuwen te Overschie voor 9930 gulden uitge- 
voerd. Den I9en Juli 1859 werd de eerste steen gelegd. 
Tijdens den bouw werd in de pastorie in de beneden- 
kamer links de H. Mis gelezen, terwijl ook de gang en 
de benedenkamer rechts door de geloovigen in gebruik 
werden genomen. Deze toestand heeft geduurd tot 
November 1860. 

In 1872 waagde men het zoowaar juist aan die zijde 
der kerk, waar bij ondervinding de bodem het zwakste 
was, aan den Zuid-West-kant, eene doopkapel te bouwen 
zonder te heien. Na acht jaren was men gedwongen de 



i) De Godsdienstvriend : dl, LXV, blz. 154. 

2) L. c, dl. LXVIII, blz. 47; dl, LXIX, bh. 142. 

3) L, c, dl. LXVIII, blz. 47; dl. LXXV, blz. 227. 

4) L. c, dl. LXXVI, bh. 145, 

5) L, c, dl, LXXVI, bh. 242, 

6) L. c, dl. LXXVI, bh. 241. 

7) L. c, dl. LXXXV, bh. 45-46. 



349 

geheele kapel af te breken, waarna zij, maar toch ook 
weer matigjes beheid, opnieuw werd opgetrokken. 

In 1885 eischte de door pastoor Beltinck gebouwde 
pastorie tegen verdere verzakking aan de Zuid-West-zijde 
door nieuw heiwerk gesteund te worden. Maar ook toen 
heeft wederom de zuinigheid de wijsheid bedrogen: 
zoodat toen pastoor Bots in 19 12 voornemens was de 
gescheurde en danig-vervallen pastorie grondig te her- 
stellen, hij het raadzaam oordeelde eerst, omtrent de 
degelijkheid van het gebouw zelf, advies in te winnen 
bij den architect J. Stuyt. Het advies luidde : „de palen 
zijn alle gaaf, maar veel te licht; het gebouw zal het 
uw leeftijd wel uithouden ; de scheuren zijn niet ver- 
ontrustend ; de bovenverdieping moet met geen zware 
meubelen belast worden." 

Bij gelegenheid van het zilveren priesterfeest van 
pastoor Van der Drift werd door de parochianen aan 
de kerk een nieuw hoofdaltaar, en bij diens veertigjarig 
priesterschap een nieuwe communiebank geschonken. 
Geholpen door meerdere milddadige families wist pastoor 
Van der Drift gedurende de ^6 jaren van zijn herderlijk 
bestuur de kerk met allerlei sieraden te verrijken, maar 
de aankoop geschiedde zoo weinig oordeelkundig, dat, 
volgens de bemerking van pastoor Bots „in het kleine 
kerkgebouw haast alle stijlen der aarde vereenigd zijn." 

Toenemend ooglijden noopte pastoor Van der Drift 
in 1894 ontslag uit de bediening aan te vragen. Hij 
begaf zich naar Prinsenhage, waar hij den len Augustus 
1900 in den Heer ontslapen is. 

Bij testamentaire beschikking schonk hij aan de 
parochie eenige effecten voor den bouw eener toekomstige 
bijzondere school. 

De naam van pastoor Van der Drift is nog op het 
oogenblik bij de parochianen van Moordrecht en Nieuwer- 



350 

kerk in hooge eere. Van hem hanj^t in de pastorie een 
goed-gelijkend portret. 



Petrus Adrianus Lejeune (1894 — 1900) was den 
25en Augustus 1848 te Gouda geboren, studeerde te 
Hageveld, te Culemborg en te Warmond, en werd den 
15 en Augustus 1875 door Mgr. Wilmer tot priester 
gewijd. Hij was kapelaan te Overveen van 1875 — 1879, 
te Stompwijk van 1879 — 1883, te Ouderkerk a/den Amstel 
van 1883 — 1890, en rector aan het jongensweeshuis te 
Amsterdam van 1890 — 1894. 

Gedurende de jaren van zijn pastoraat heeft hij zich 
vooral verdienstelijk gemaakt voor de katholieken van 
Nieuwerkerk, bij wie nog altijd de hoop op een eigen 
kerkgebouw — maar waarvan pastoor Van der Drift 
niets wilde weten — was levendig gebleven. Toch 
gebeurde er in de eerste jaren onder pastoor Lejeune 
niets dat hun hoop op slagen bood. Evenwel stonden 
hunne kansen al aanstonds beter dan ooit te voren, 
omdat pastoor Lejeune de vriendschap genoot der 
Nieuwerkerksche familie Moons, van wie men wist, dat 
zij niet alleen eene vurige voorstandster was eener eigene 
kerk, maar bovendien in staat, om aan dat verlangen 
door geldelijken steun kracht bij te zetten. En ziet, 
toen de zaken zoo stonden, kwam den 7en Augustus 1897 
te Moordrecht te overlijden Arie Tettero, van geboorte 
een Nieuwerkerker en destijds gewoond hebbende aan 
den 's-Gravenweg op de boerderij, gelegen tusschen de 
Hitlandsche laan en de Polderbrug. Bij testamentaire 
beschikking had hij, bij wijze van legaat, aan het bisdom 
Haarlem enkele perceelen weiland onder Nieuwerkerk 
vermaakt, met verplichting de opbrengst der landerijen 
hoogstens gedurende 40 jaren te beleggen, en voor die 



351 

som land aan te koopen en eene kerk te bouwen voor 
de katholieken van Nieuwerkerk. Mocht het bisdom op 
deze door den erflater gestelde voorwaarde niet ingaan, 
dan zouden na 40 jaren de landerijen en de gekweekte 
renten aan zijne erfgenamen ten goede komen. 

Gelukkig mocht pastoor Lejeune namens den Bisschop 
deze schenking aanvaarden, waardoor tevens zekerheid 
verkregen werd, dat binnen een afzienbaar tijdsverloop 
aan de gestelde verplichtingen zou voldaan worden. Die 
aanvaarding geschiedde den 25611 Januari 1898; maar 
zooals te verwachten was, nu schoot met de familie 
Moons het geheele katholieke Nieuwerkerk krachtig 
toe. Er werd gratis bouwterrein aangeboden ; aan- 
merkelijke giften werden in vooruitzicht gesteld ; nieuwe 
giften en nieuwe toezeggingen werden door anderen 

gedaan en pastoor Lejeune bezweek voor den 

godsdienstigen drang der Nieuwerkerkers en stelde 
hunne verlangens aan het oordeel van den Bisschop 
voor. De Bisschop stemde toe en gaf aan pastoor 
Lejeune in opdracht de eerste maatregelen te treffen, 
welke tot den bouw eener bijkerk te Nieuwerkerk leiden 
konden. Te Moordrecht werd deze beslissing met geen 
onverdeelde blijdschap vernomen. De katholieken aldaar, 
die bij geen ondervinding wisten, wat het zeggen wil, 
in wintertijd vooral, langs gladde wegen, onder sneeuw- 
en regenvlagen een kerkgang te houden naar het bijna 
anderhalf uur ver afgelegen Moordrecht, vonden de 
scheiding, alleen om geldelijke redenen, minder aan- 
genaam. Want velen waren van meening, dat bij eene 
splitsing der twee gemeenten. Moordrecht niet in staat 
zou zijn om de lasten te dragen, welke aan het bestaan 
en het onderhoud der parochiekerk verbonden waren. 
Maar pastoor Lejeune, gesteund door enkelen uit zijn 
kerkbestuur, ging eenvoudig verder, en gaf den Heer 



352 

Dessin^ te Gouda in opdracht voor de te bouwen bij- 
kerk een ontwerp in te leveren. De plannen van den 
Heer Dessing waren wel keurig en alleszins aanbe- 
velingswaardig, maar gingen de draagkracht van het 
kerkbestuur zoodanig te boven, dat van alle verdere 
onderhandelingen met hem werd afgezien. 

Intusschen had ook de Heer van Gils te Rotterdam 
een ontwerp ingezonden, waarvan hij in een begeleidend 
schrijven getuigde, dat het voor 18.000 gulden kon 
worden uitgevoerd. „Doch daar ik begrijp — aldus de 
Heer van Gils ^) — dat u niet zult willen, dat iemand 
bij dezen bouw eenige schade zoude lijden, heb ik de 
geraamde aannemingssom op ƒ18.800 gebracht. Maar 
hieronder is dan mijn eereloon voor het maken van 
teekeningen en bestekken begrepen ; het houden van 
toezicht en het maken van reiskosten. En deze be- 
rekening is niet oppervlakkig maar serieus geschied." 

En in latere brieven herhaalde de Heer van Gils 
nogmaals: „Bestek en teekening zijn nog eens nauw- 
keurig nagezien en als solied werk uitgerekend. Over 
honderd jaren moet uw kerkje nog even solied zijn als 
over tien jaren, anders begin ik er liever niet aan. 
Indien met i Juni kan begonnen worden, zal het werk 
zoo omtrent Allerheiligen zijn opgeleverd." 

Geen wonder dat het kerkbestuur na deze verklaringen 
in den Heer van Gils vertrouwen stelde en hem in 
opdracht gaf zijne bouwplannen uit te voeren. 

Middelerwijl hechtte ook de kerkelijke Overheid aan 
zijne plannen hare goedkeuring, maar had toch, voor- 
gelicht door haren raadgever op bouwkundig gebied, 
in een begeleidend schrijven er de bemerking aan toe- 
gevoegd, dat het begrootingscijfer wel wat te laag 



l) Kerkarchief Nieuiverkerk. 



353 

berekend was. Eene maar al te gegronde bemerking : 
want toen den 24en Mei in het openbaar de aanbesteding 
plaats greep, werd geen enkele aannemer bereid gevonden 
om voor 18.800 gulden de bouwplannen van den Heer 
van Gils uit te voeren. Zoodat het kerkbestuur met 
hem in nader overleg trad, en, nadat enkele wijzigingen 
in bestek en teekeningen waren aangebracht, besloot, 
om aan den Heer van Gils zelf voor de ronde som 
van 20.000 gulden zijn bouwplan ter uitvoering op te 
dragen. 

De Heer van Gils was met dit blijk van vertrouwen, 
waardoor hij voor het eerst in de gelegenheid gesteld 
werd zijne talenten op bouwkundig terrein te openbaren, 
hoogelijk ingenomen, al was de prijs wat krap berekend. 
„U zult begrijpen, zoo schreef hij aan het kerkbestuur, 
dat ik het doe voor mijnen naam." 

Omtrent den bouw zelf van het kerkje teekende 
pastoor Lejeune in het kerkarchief aan : „Hoewel er 
niet aanstonds behoefte bestond aan een groot kerk- 
gebouw of aan eene groote pastorie, zoo werd toch de 
niet van grond ontbloote mogelijkheid voorzien van 
eene latere vergrooting, ja zelfs van eene mogelijke 
afscheiding van Moordrecht. Op die mogelijkheid werd 
bij den bouw gerekend. 

De kerk werd gedacht als kruiskerk en het plan 
bestond om later aan het priesterkoor een Sacristy te 
bouwen. Ook de pastorie was er op berekend om later 
vergroot te kunnen worden. Met het oog op den tuin 
werd de Pastorie niet aan den noordelijken maar aan 
den zuidelijken gevel der kerk opgetrokken. Het achterste 
gedeelte slechts der kerk werd voltooid ; daar, waar 
het dwarsschip zou beginnen was een spouwmuur 
geplaatst." 

Aanvankelijk vlotte het werk zoo, dat reeds den 

23 



354 

I7en Juli door Deken Malingré van Gouda de eerste 
steen gelegd kon worden. Later is het met den op- 
bouw minder vlug gegaan, zoodat eerst den igen Dec, 
onder aanroeping van den H. Josef, als patroon, de 
kerk door den deken van Gouda werd ingezegend. 
Op den eersten Kerstdag, 25 December 1899, werd 
de kerk beschouwd als te zijn opgeleverd, en droeg 
pastoor Lejeune er de eerste H. Mis op van dank- 
baarheid. 

In het volgende jaar werd pastoor Lejeune verplaatst 
naar Schoonhoven, waar hij in 1905 zijn ontslag uit 
de heilige bediening aanvroeg, en zich terugtrok in het 
S. Elisabeth's Rustoord te Grave. Later in 1908 ver- 
huisde hij naar de Pelgroms-Stichting te Zevenaar, en 
thans woont hij sinds 191 3 te Velzen-Driehuis. 

Reeds bij zijn leven heeft pastoor Lejeune de bijkerk 
van Nieuwerkerk rijkelijk bedacht. 



Joannes Ludovictis Hubertus Stams (1900 — 1906) 
was den i6en December 1849 te Rotterdam geboren, 
en begon eerst op meer gevorderden leeftijd zijne priester- 
lijke studiën op onze beide Seminariën. Hij werd den 
I5en Augustus 1880 tot priester gewijd en was achter- 
eenvolgens assistent te Haarlem aan het Spaarne, kape- 
laan te Wijk aan Zee en te Delft, en rector van de 
H. Sacraments-kapel te Rotterdam. 

Pastoor Stams was van eene zwakke gezondheid ; 
toenemend hartlijden noopte hem in 1906 zijn emeritaat 
aan te vragen : hij vertrok naar het S. Elisabeth's ge- 
sticht te Dongen, waar hij reeds den loen September 
1906 kwam te overlijden. 

Onder zijne parochianen leeft pastoor Stams voort 
als een devoot priester van gemoedelijk karakter. 



355 

eenvoudig in den omgang en liefdadig jegens de 
armen. 



Theodorus Fraticisciis Ebbinkhnysen (1906 — 1909) was 
den 2en Augustus 1863 te Amsterdam geboren, studeerde 
op de beide Seminariën van ons bisdom, en werd den 
I5en Augustus 1889 tot priester gewijd. Hij was achter- 
eenvolgens kapelaan aan de S. Josef-parochie te Rotter- 
dam, te Haarlemmermeer aan den Spaarnwouderweg, 
te Hillegom, en rector van het gesticht „de Heibloem". 

Reeds den 3en September 1909 werd hij door zijne 
benoeming tot deken en pastoor van Alkmaar aan de 
parochie Moordrecht ontnomen. 

De lezers van dit tijdschrift zullen zich dankbaar 
herinneren, hoe pastoor Ebbinkhuysen indertijd tot het 
drietal priesters behoorde, door wie een uitgebreid register 
op de eerste 20 deelen van deze Bijdragen werd 
samengesteld. 

Joannes Maria Aloyshis Bots^ die sinds 1909 het 
herderlijk bestuur voert der parochie, is den 23611 Mei 
1868 te Nieuwkoop geboren, studeerde aan onze Semi- 
nariën Hageveld en Warmond, en werd den 15 en Februari 
1894 tot priester gewijd. Hij was kapelaan te Langeraar, 
te Warmond en te Amsterdam aan S. Willibrordus 
binnen de Veste. 

Onder pastoor Bots werd den 3en Juni 191 2 de 
bijkerk te Nieuwerkerk van de moederkerk afge- 
scheiden 1), en tot zelfstandige parochie verheven 3). De 



1) Eigenlijk is Moordrecht de stiefmoeder van Nieuwerkerk, zooals 
uit eene beschrijving der parochie Kralingen, waartoe na de zooge- 
naamde Hervorming Nieuwerkerk behoorde, later blijken zal. 

2) Schrijver dezes werd daarvan de eerste pastoor. 



356 

redenen, welke den herder van Moordrecht tot de aan- 
vrage dezer afscheiding hadden aangezet, werden door 
hem zelf in „de Nieuwe Zuid-Hollander" aldus in het 
kort samengevat. 

Ten eerste, omdat het voor de katholieken aldaar 
een geestelijk voordeel was, indien zij in hun midden 
een eigen herder hadden, die hen bezoeken en verzorgen 
ën dagelijks voor hen het H. Misoffer kon opdragen 
Dan kon ook het onderricht der kinderen beter behartigd, 
en aan het verlangen des H. Vaders, ten aanzien van 
de veelvuldige, zoo mogelijk dagelijksche H. Communie, 
ruimer worden voldaan. 

Ten tweede werd gereeder gelegenheid geboden om 
te Nieuwerkerk eene bijzondere school te stichten, 
waartoe door Tettero bij uiterste wilsbeschikking den 
eersten geldelijken steun geschonken was. 

Ten derde om zelf in staat te zijn meer uitsluitend 
aan de geestelijke belangen van Moordrecht zijne 
priesterlijke krachten te wijden. 

En zoo werd reeds te Moordrecht in den aanvang van 
19 13 een begin gemaakt met den bouw van een 
St. Josef's-Gesticht, volgens plannen van den architect 
J. Stuyt, waarin Zusters van het arme Kind Jesus leer- 
naai- en bewaarscholen zouden openen. 

De bouw werd den I2en Maart in het openbaar aan- 
besteed en voor 28.828 gulden gegund aan de gebroeders 
Dessing, aannemers te Gouda. Den 25en September 
namen de eerwaarde Zusters, aanvankelijk vijf in getal, 
— thans zijn er zeven — in de nieuwe Stichting haar 
intrek, en openden den len October hare scholen met 
44 kinderen, welk getal in 19 14 reeds tot 73 is opge- 
klommen. 

Aan den lateren geschiedschrijver moet hier worden 
overgelaten te verhalen, hoe pastoor Bots door zijn 



357 



milddadigheidszin en priesterlijken ijver de parochie van 
Moordrecht tot voordeel en zegen is geweest. 

Op den feestdag van 

S. Theresia 1914. 
Nieuwerkerk a/den IJsel. J. C. VAN DER Loos. 



LIJST DER EERWAARDE HEEREN DIE TE MOORDRECHT 
ALS KAPELAAN ZIJN WERKZAAM GEWEEST. 



Namen : 
Gerardus Moerland. 
Andr. H. J. Sprenger. 
Joës P. Huibers. 
Theod. J. van Noord. 
Joës H. Duijmel. 
Adr. Koopman. 
Chr. Dessing. 
Jac. C. van der Loos. 



GeboorteplcMts : 
Utrecht. 
Den Haag. 
Amsterdam. 
Middelburg. 
Schiedam. 
Werfershoef. 
Gouda. 
Rijswijk Z.-H. 



Te Moordrecht 
1893— 1894 
1898—1899, 
1899— 1902, 
1902 — 1905, 
1905 — 1908, 
1908— 1911, 
1911 — 1912 
1912. 



EEN VIERTAL VISITATIEBRIEVEN VAN 
LEEUWENHORST. 



Eén der voornaamste middelen om de kloostertucht 
te bewaren en, zoo deze in verval geraakte, te herstellen 
was de z.g. „visitatio", de komst van kloosteroversten, 
meestal uit de nabuurschap, op gezette tijden in het convent 
om aldaar onderzoek in te stellen naar het onderhouden 
van den regel en overtredingen, wanneer deze voorkwamen, 
uit te roeien. Ten dienste der kloosterlingen werd dan na 
dit onderzoek eene lijst opgesteld van die punten, welke 
volgens het oordeel van den „visitator" het meest de 
behartiging verdienden. En opdat zulke punten niet in 
vergetelheid zouden geraken, werd door den visitator 
tevens gelast dat de „charta visitationis", zooals die lijst 
werd genoemd, op bepaalde dagen van het jaar aan de 
communiteit zou voorgelezen worden. 

Vier van zulke visitatiebrieven, uitgevaardigd voor de 
abdij Leeuwenhorst, zijn bewaard gebleven in het H. S. 
van P. van der Schelling, dat eene uitvoerige geschiedenis 
van dit klooster bevat en aan het seminarie te Warmond 
toebehoort. Wij zullen deze nog onuitgegeven visitatie- 
brieven in de Bijlagen geheel afdrukken en hier eenige 
bizonderheden mededeelen, welke tot beter begrip van 
elk dier stukken kunnen dienen. 

Bijlage I betreft eene visitatie gehouden in het 1488 
door Henricus van der Heyden, ook wel H. van Calcar 
geheeten, abt van het klooster Camp bij Rheinberg in 
het Keulsche, aan deze zijde van den Rijn. Hij had dit 



359 

onderzoek verricht „auctoritate paterna". Deze term 
wijst op de innige verhouding in welke de abdij van 
Camp, door Cisterciënser monniken bewoond, stond tot 
Leeuwenhorst, op korten afstand van Noordwijk-binnen 
gelegen ^), welke abdij tot dezelfde Orde behoorde, maar 
Cisterciënser nonnen binnen hare muren huisvestte. Na- 
genoeg van den aanvang af, sinds 1275, was Leeuwen- 
horst bij Camp geïncorporeerd en waren de abten van 
Camp hare „geestelijke vaders" geweest, die voor de 
verschillende belangen der abdij zorg droegen en als 
zoodanig ook in gewone omstandigheden, en dan met 
uitsluiting van alle andere kloosteroversten, de jaarlijksche 
visitatie hadden te houden. 

Wanneer wij nu den visitatiebrief van 1488 verder 
inzien, dan bemerken wij vooreerst dat de „clausuur", 
de insluiting, met toestemming van den visitator niet in 
hare oorspronkelijke gestrengheid werd onderhouden. 
Immers aan de kloostervrouwen was het toegestaan nu 
en dan hare bloedverwanten en bekenden buiten de 
abdij te gaan bezoeken. Naar de opvatting van Hendrik 
van der Heyden werd echter van dit verlof een te ruim 
gebruik gemaakt en hij vermaande daarom tot beperking. 
Bovendien bleef het aan de nonnen ten strengste ver- 
boden zulke bezoeken af te leggen tijdens de Vaste, 
vooral om de veelvuldige ergernissen, aan het vieren 
van den vastenavond eigen, en ook mochten zij 
Leeuwenhorst niet verlaten om wille van bruiloft, 
kermis of andere wereldlijke vermakelijkheden. Binnen 
het klooster zelf was de clausuur strenger geregeld. 
Als voornaamste bepaling gold dat de nonnen zich 
niet mochten begeven buiten het terrein, dat door 



l) De plek der voormalige abdij is thans te vinden aan het uiteinde 
der Leeuwenhorsterlaan en op ongeveer 400 meter afslands van de 
Ilaarlemmertrek vaart. 



300 

voor- en achterpoort van de abdij was ingesloten. Uit- 
zondering werd gemaakt voor een gezamenlijke wandeling, 
over welk geval wij later nog meer zullen vernemen. 
En verder golden binnen het kloosterterrein nog de 
volgende beide bepalingen: vooreerst zouden de nonnen 
geen spijs of drank tot zich nemen in de huizen van 
den biechtvader, de kapellaans der abdij of van den 
rentmeester. En ook was het haar niet toegestaan, 
wanneer zij vertoefden in de huisjes welke tot het zieken- 
kwartier behoorden, daar mannelijke personen toe te laten 
voor eten of drinken. Wie redelijk oordeelt, zal moeten 
erkennen dat deze maatregelen, op zich zelf beschouwd, 
ons nog niet het recht geven een ongunstig oordeel uit 
te spreken over den zedelijken toestand van Leeuwen- 
horst 1) ; men behoeft daarin niet meer te zien dan een 
middel om te groote vertrouwelijkheid — met al de 
gevolgen daarvan — te voorkomen. Ook thans nog 
gelden deze zeer wijze maatregelen voor onze ziekenzusters. 
Het nauwgezet bidden van de kerkelijke getijden was, 
zooals uit dezen visitatiebrief verder blijkt, één der voor- 
naamste plichten van de kloostervrouwen te Leeuwenhorst. 
Zelfs de zieken en hoogbejaarden, welke hare dagen door- 
brachten in de „siekkaamer", moesten dat, zoo mogelijk, 
doen. Uit een lateren visitatiebrief van 1570 zal blijken 
dat de nonnen toen, en waarschijnlijk ook wel voorheen, 
op gewone dagen ten vier uren opstonden om de Metten 
te gaan bidden, op Zondagen ten drie uren en op hooge 
feesten reeds ten twee uren. Een eigenaardig verbod, 
in onzen visitatiebrief opgenomen, gaf aanleiding dat 
men ook op de godsvrucht der nonnen van Leeuwenhorst 



l) Romer, Geschiedk. overzicht v, d. kloosters en abdijen v. Holland 
en Zeeland, bl. 300, waagt het niettemin, alleen op grond van deze 
bepalingen, te beslissen dat »de kuischheid in Leeuwenhorst niet roem- 
waardig is geweest". 



36i 

heeft afgegeven ^). De visitator toch verbood ten strengste 
om in het vervolg honden en vogels in de kerk of in 
het koor mede te brengen. Over het verkeerde van de 
zaak behoeft niet getwist; doch het is nog een open 
vraag of dat misbruik al dan niet veelvuldig te Leeuwen- 
horst voorkwam. Van meer belang ware het geweest 
eraan te herinneren dat de meeste nonnen tot den aan- 
zienlijken stand behoorde en de adel van die dagen, 
gelijk op miniaturen en paneelen is te zien, bizonder 
gehecht was aan het bezit van huisdieren. 

Bijlage II en III hebben betrekking op de reformatie 
van Leeuwenhorst, welke vijf jaren later, in 1493, is tot 
stand gekomen. Reeds in 1453 was er spraak geweest van 
zulk eene hervorming. Toen had paus Nicolaas V, den abt 
van het Benedictijner convent sint Pauwei te Utrecht 
gelast, behalve andere vrouwenkloosters, ook het convent 
ter Lee als visitator te bezoeken ten einde daar eene 
grondige reformatie in te voeren ^). Uit de bescheiden 
van Leeuwenhorst, voor zooverre ze bewaard zijn ge- 
bleven, valt niet op te maken of ook maar eenigszins 
aan deze pauselijke lastgeving betreffende ter Lee is 
voldaan. Maar in de kloosterkroniek van Camp *) lezen 
wij betreffende eene latere reformatie het volgende : 
„in het jaar 1493, op het feest van Sint Pantaleon 
(28 Juli) heeft de hervorming en insluiting plaats ge- 
vonden van de kloostervrouwen in de abdij van Leeuwen- 
horst, alwaar twee derde van de nonnen de clausuur 
hebben aanvaard, doch acht [uit de abdij] zijn weg- 



1) Röiner, 1, c. : »het christelijk leven der kloosterzusters van Leeuwen- 
horst schijnt nog al iets te wenschen overgelaten te hebben." 

2) Brom, Archivalia in Italië n". 149; ter Lee« is een schrijffout in 
de breve voor ter Lee ; een klooster ter Leen is niet bekend. 

3) Afgedrukt in de Annalen des historischen Vereins für den Nieder- 
rhein XX, 347. 



362 

gegaan om onder elkander te beraadslagen. De visitatie 
had plaats op verzoek en met medehulp van Jan van 
Egmond, stadhouder van Holland en Zeeland, in op- 
dracht van den Roomsch koning Maximiliaan en van zijn 
zoon hertog Philips. En om dit werk te bevorderen 
zijn nonnen uit het hervormde klooster Fürstenberg [bij 
Xanten] daarheen gezonden." 

Deze tekst eischt eenige toelichting. Ook ditmaal zijn 
het wederom de Bourgondische vorsten geweest, die tot 
eene kloosterhervorming in de Nederlanden hebben mede- 
gewerkt. Toen tot de reformatie van Leeuwenhorst 
werd besloten, was 't juist het laatste jaar van het 
regentschap dat Maximiliaan uitoefende voor zijn minder- 
jarigen zoon Philps den Schoone. Er heerschte toen, 
in 1493, rust en vrede binnen Holland ; de boeren-opstand 
van het kaas- en broodvolk, waarvan de woelingen zich 
hadden uitgestrekt tot Leiden, was juist een jaar te voren 
door Albrecht van Saksen onderdrukt, en Maximiliaan 
maakte zich gereed de heerschappij der Bourgondische 
gewesten aan zijn zoon over te dragen. De stadhouder 
over Holland en Zeeland, Jan van Egmond, richtte zich 
nu tot den abt van Camp, den ons reeds bekenden 
Hendrik van der Heyden, en verzocht dezen als geestelijken 
vader van Leeuwenhorst de reformatie en inclusie der 
abdij te wilen ondernemen. Gelijk de kloosterkroniek 
ons zeer beknopt mededeelt, is dat ook werkelijk ge- 
schied en wel onder persoonlijke medewerking van den 
stadhouder. De groote meerderheid van de klooster- 
vrouwen, zestien nonnen met de abdis, aanvaardden 
onvoorwaardelijk den regel van Citeaux. Gelijk bij eene 
dergelijke hervorming pleegde te geschieden, werden 
door den abt van Camp eenige nonnen ontboden uit 
het reeds vroeger hervormde klooster van Fürstenberg, 
welk convent in de onmiddelijke nabijheid van Xanten 



363 

was gelegen, om de kloostervrouwen van Leeuwenhorst 
in een nauwkeurig onderhouden van den regel te onder- 
richten en voor te gaan. Hare namen worden nergens 
in de bewaard gebleven oorkonden van Leeuwenhorst 
vermeld ; zooals meer voorkwam, zullen zij waarschijnlijk, 
toen haar taak voltooid was, naar Fürsterburg zijn 
terug gekeerd. 

Hoe ging het echter met het achttal, dat zich niet 
onvoorwaardelijk aan de reformatie had willen onder- 
werpen ? Bijlage II kan ons daaromtrent nader inlichten. 
De kloosterkroniek vermeldt alleen dat zij om te beraad- 
slagen zijn weggegaan {pro deliberatione exierimt). Op 
zich zelf zou dit nog kunnen beteekenen dat zij het 
kapittelhuis, waar over het aanvaarden van de refor- 
matie moest gestemd worden, gezamenlijk hebben ver- 
laten; uit het notarieel verslag blijkt echter dat zij zich 
om voorlichting en hulp hadden gericht tot den deken 
van den Oudmunster te Utrecht, Hendrik van Lockhorst i) 
en met dezen op 4 Maart 1493 naar Leeuwenhorst zijn 
gekomen; het achttal had derhalve tijdelijk de abdij 
vaarwel gezegd. Waarom zij zich bepaaldelijk tot den 
Utrechtschen prelaat hebben gericht, is wel te achter- 
halen. De kloosters der Cisterciënsers hadden niet zooals 
de meeste andere conventen een lid van den adel tot 
advocaat, maar krachtens privilege, door Koenraad IV 
in 1240 aan de Cisterciënsers geschonken, trad de keizer 
zelf als beschermer van deze kloosterlingen op. Vandaar 
dat er in de bescheiden van Leeuwenhorst nimmer 
sprake is van een adelijken „advocatus", zooals bijv. 
herhaaldelijk in de geschiedenis der Egmonder abdij, 



l) Zie over hem: [Drakenborch] Aanhangsel op de Kerkl. Oudh. v, 
Nederland, 123. 



3^4 

maar dat onze graven, wanneer de nood het vereischte, zelf 
zijn opgekomen voor de belangen van Leeuwenhorst. 
Daar de reformatie der abdij echter op aansporing 
der Bourgondische vorsten was ondernomen, konden de 
onwillige kloostervrouwen ditmaal niet op bijstand 
rekenen van datzelfde gezag en hebben zij daarom bij 
deze gelegenheid haar toevlucht genomen tot een 
Utrechtschen prelaat, want velen der kloosterjuffers 
waren uit het Sticht afkomstig, van adelijken afkomst 
zooals hij en blijkens zijn titel van „notarius apostolicus" 
was V. Lockhorst ook in het kerkelijk recht ervaren. 
Met groot beleid, naar ik meen, heeft deze prelaat 
zijn taak als onderhandelaar vervuld. Want gelukkig 
voor de belangen van de abdij plaatste hij zich niet maar 
botweg op het standpunt dat de onwilligen „de vaan 
des oproers hadden opgestoken" ^), doch toonde te be- 
grijpen dat er zeer verzachtende omstandigheden voor 
de onwilligen in aanmerking kwamen. Immers wij mogen 
niet vergeten dat deze kloostervrouwen hare geloften 
hadden afgelegd, toen de regel met toestemming van 
de geestelijke vaders nog niet zoo streng in Leeuwen- 
horst werd onderhouden. Van grove misbruiken lezen 
wij in de oorkonden nergens iets; er was derhalve 
voldoende reden om te veronderstellen dat de onwilligen 
ter goeder trouw dwaalden, meenende te kunnen blijven 
leven gelijk zij dat gewoon waren, zóo als zij het God 
en hare oversten eertijds hadden beloofd. Bovendien 
behoort men te bedenken dat voor het slagen eener 
kloosterreformatie oprechte en vrijwillige toetreding 
noodzakelijk is ; daarom moest men, zoo meende de 
deken, de jufvrouwen niet met harde middelen, maar 
door toegevendheid tot rede trachten te brengen. 



l) Romer, 1. c. 



365 

De commissarissen, met de regeling van dit geschil 
belast, wilden het aanvankelijk op eene andere wijze 
beproeven. Door den abt van Citeaux, die aan het 
hoofd der gansche Orde stond, en door het algemeen 
kapittel, de vergadering van kloosteroversten welke in 
het belang der Orde jaarlijks te Citeaux bijeenkwam, 
waren voor deze taak aangewezen de abt van Boneffe 
en de prior van IJsselstein. In beide kloosters was de 
reformatie sinds lang doorgevoerd. Boneffe, een klooster 
van Cisterciënser monniken in de buurt van Namen, 
werd toemaals bestuurd door Petrus de Quaye, een 
Vlaming van geboorte. En aan het hoofd van het 
klooster van IJsselstein, eveneens door Cisterciënser 
monniken bewoond, stond, sinds het convent zich had 
aangesloten bij de congregatie van Sibculo, niet meer 
een abt maar een overste, die uit gevoel van nederig- 
heid zich met den titel van prior vergenoegde. Toen 
de hervorming van Leeuwenhorst op tegenwerking van 
een deel der communiteit afstuitte, zal de abt van 
Camp zich waarschijnlijk tot Citeaux hebben gewend 
om raad en hulp. In ieder geval, het opperbestuur der 
Orde trok de zaak thans aan zich en gelastte voor- 
noemde kloosteroversten de reformatie en inclusie van 
Leeuwenhorst tot een goed einde te brengen. Op 3 Juni 
1494 kwamen zij met den deken van den Oudmunster 
en tevens met het achttal opposanten in Leeuwenhorst 
aan en begonnen nog op dienzelfden dag de onder- 
handelingen te voeren, welke ook den volgenden dag 
zijn voortgezet. Van Lookhorst heeft het gansche ver- 
loop daarvan in een notarieel stuk, hierachter onder 
Bijlage II te vinden, aangeteekend. Wij zien daar ieder 
in zijn eigenaardig karakter optreden : den abt van 
Boneffe, een Vlaming als gezegd is, heftig en toch niet 
zonder sluwheid; de juffrouwen van Leeuwenhorst 



366 

schichtij^ maar niettemin vasthoudend ; den wereld- 
kundigen prelaat die, trouw aan het eenmaal gegeven 
woord, de zaak in het juiste spoor weet te leiden. Hier 
erover uit te weiden is overbodig, zou het naïeve verhaal 
der gebeurtenissen slechts schaden ; de belangstellende 
lezer gelieve derhalve het stuk zelf te raadplegen. 

Over het resultaat der visitatie mag echter in deze 
inleiding niet gezwegen worden. Het negental gunst- 
bewijzen, welke aan de nonnen Leeuwenhorst werden 
verleend ten koste van den strengen regel, zijn in de 
akte van overeenkomst opgesomd. Op verlangen van 
beide partijen zou echter die akte aan het oordeel en 
de goedkeuring van den abt van Camp onderworpen 
worden. Aldus is geschied en in Bijlage III vinden wij 
de nadere beschikkingen welke de geestelijke vader der 
abdij in deze heeft genomen. Beide stukken vullen der- 
halve elkander aan en geven, om ons tot de hoofdzaken 
te beperken, deze uitkomst: Vooreerst wat het uit- 
oefenen van de gastvrijheid in Leeuwenhorst betreft. 
De gasten zullen naar hun staat verwelkomd worden 
hetzij door de abdis, hetzij door de priorin of onder- 
priorin, benevens door den biechtvader der abdij. 
2. Zij zullen alleen vertoeven in een gastenkamer, 
grenzende aan de vertrekken van de abdis. 3. De 
gasten mogen ontvangen worden tot aan het luiden 
van de Vespers. 4. De zorg voor de gasten is op de 
eerste plaats toevertrouwd aan de abdis of de priorin ; 
zij mogen zich daarbij bedienen van de medehulp der 
jufvrouwen, doch de keuze geschiede met oordeel 
en omzichtigheid. 5. De jufvrouwen mogen echter met 
het verkenen van hulp nimmer iets verzuimen van 
haar breviergebed. 6. Mannelijke gasten moeten bij het 
luiden der Completen de abdij verlaten en mogen daar 
nimmer overnachten ; aan vrouwelijke gasten is het 



1^1 

daarentegen geoorloofd met de jufvrouwen binnen het 
„slot" te komen, in haar gezelschap op het kloostererf 
te wandelen en in de gastenkamer te overnachten, doch 
de jufvrouwen zullen in dat geval de gastenkamer verlaten 
en naar haar eigen slaapzaal gaan kort na de Completen. 

Ten opzichte van het onderhouden der clausuur werd 
eene zeer eigenaardige uitzondering toegestaan. De achter- 
poort van de abdij uitgaande, kwam men over weiland 
aan eene wetering, de Zwet geheeten, ter plaatse waar 
thans de Haarlemsche trekvaart zich bevindt en langs 
dit watertje liep eene laan ten dienste van de boeren 
uit den omtrek. Wijl de plek ver buiten het gewoel 
der menschen was gelegen, koelte en verkwikking aan- 
bood, werd aan de abdis toegestaan om in die laan met 
de gezamenlijke communiteit, zooals voorheen, eens in 
de maand, tusschen Noon en Vespers eene wandeling 
te gaan doen en de jufvrouwen mochten bij die ge- 
legenheid ook de hoeven, welke de abdij daar bezat, 
binnengaan. 

De bewilliging van het „utreysen" zal aan den abt 
van Camp wel de meeste zorg hebben gebaard ; deze 
concessie was bizonder in strijd met de clausuur en zeker 
niet zonder gevaar voor den goeden geest der klooster- 
vrouwen. Toch durfde hij blijkbaar zijn bekrachtiging 
niet onthouden aan de eenmaal toegestane gunst. De 
bepaling, dat zij daarvoor afzonderlijke toestemming 
moesten hebben van de abdis, bleef natuurlijk gehand- 
haafd; ook het reeds vroeger vermelde gebod om aan 
geen wereldlijke vermakelijkheden deel te nemen ; doch 
bovendien werden de zestien weken tot dertien inge- 
krompen en terwijl zij dezen termijn over meerdere be- 
zoeken konden verdeelen, moest binnen drie jaren de 
bewilliging afloopen ; daarna zou geen verlof tot „utreysen" 
meer gegeven worden. 



368 

Bijlage IV bevat den tekst van een visitatiebrief in 
1570 opgesteld. Ditmaal ging de visitatie direkt uit van 
het hoogste gezag in de Orde. Immers de abt loannes, 
die haar ondernam, stond niet slechts aan het hoofd 
van één der voornaamste kloosters van de Cisterciënsers, 
de abdij Morimond in de nabijheid van Langres gelegen, 
maar was bovendien plaatsvervanger van den Generaal-abt 
van Citeaux, sinds Pius V dezen in 1566 tot kardinaal 
had verheven. In de laatste week van Mei 1570 bevond 
hij zich te Leeuwenhorst en heeft toen zeer ingrijpende 
maatregelen van hervorming genomen. Gelijk in den 
visitatiebrief wordt medegedeeld, had de Regeering hier 
te lande hem gelast uit haar naam te verklaren dat de 
bepalingen van het concilie van Trente ook voor de 
abdij zouden gelden. Niet onwaarschijnlijk is het Alva 
geweest, die den stoot zal gegeven hebben tot deze 
kloostervisitatie ; de geschiedenis van Godfried van Mierlo 
heeft ons reeds geleerd hoezeer de landvoogd heeft ge- 
ijverd om de wetgeving van Trente alom in den lande 
te laten toepassen. 

Uit den inhoud van den visitatiebrief blijkt verder 
dat het 't streven van dezen abt is geweest om de meer 
gemoedelijke levenswijze te Leeuwenhorst geheel in 
overeenstemming te brengen met de gestrenge wetten 
van Trente betreffende de religieuzen, zoo als die in 
het decreet „de regularibus et monialibus" van de 
XXVde zitting waren vastgesteld. Daarmede kwamen 
al de vroeger verzachtingen in den kloosterregel te ver- 
vallen ; de gunsten, waarvan bij vroegere gelegenheden 
zoo dikwerf sprake was geweest, zijn in den visitatiebrief 
van 1570 zelfs met geen woord genoemd en de daar 
vermelde bepalingen sluiten ze beslist uit. En in afwijking 
met de vroegere visitatiebrieven wordt ook de levenswijze 
der kloostervrouwen van Leeuwenhorst in allerlei bizonder- 



369 

heden omschreven ; het bidden van den brevier, 't houden 
van het kapittel, de godsdienstige oefening op de Zon- 
dagen en de handenarbeid in de week, het stipt onder- 
houden van de clausuur en van het kloosterlijk stilzwijgen, 
zelfs de stof en snit van hare kleeding, dat alles en nog 
meer kan men in dat document vinden aangegeven. 
Zeker is het allerminst de bedoeling van den visitator 
geweest dat de bewoonsters van Leeuwenhorst het ge- 
makkelijke leven van adelijke kostjufifrouwen zouden leiden. 
Dat kan men ook voor de tijden, welke voorafgegaan 
waren, niet op haar toepassen. Doch van nu af hadden 
zij te leven als streng verstorven Cisterciënser-nonnen. 

Gelijk voorheen bleef ook ditmaal de betrekking tot 
den geestelijken vader gehandhaafd. Wij kunnen dat 
opmaken uit een transfix, bevattende het schrijven van 
den toenmaligen abt van Camp, Richard van Xanten, 
dat aan den visitatiebrief van den abt van Morimond 
was vastgehecht. De brief (Bijlage V) is gedateerd van 
14 Augustus 1571 en wel uit Leeuwenhorst zelf. De 
abt heeft derhalve in dat jaar nog de gewone visitatie 
in de abdij gehouden ; het is echter de laatste maal 
geweest dat hij zijn ambt daar heeft kunnen vervullen. 
De genomen besluiten droegen zijn goedkeuring weg en 
het schrijven heeft ten doel om door een vaderlijk woord 
de kloostervrouwen van Leeuwenhorst tot gehoorzaamheid 
te vermanen. 

Weldra maakten staatkundige beroeringen, in welke ook 
Leeuwenhorst werd betrokken, aan al deze verwachtingen 
een eind. De abdij was niet verre van de zee gelegen 
en zoo bevreesd gevoelde men zich daar voor een landing 
der watergeuzen, dat reeds op het einde van 1571 eenige 
jufvrouwen van Leeuwenhorst naar Leiden zijn geweken, 
In 1572, na het uitbreken van den opstand, vluchtte 
ook de abdis, lohanna van der Does, met de overigen 

24 



370 

daarheen. De gansche communiteit, bestaande uit vier 
en twintig geprofeste religieuzen en drie welke nog geen 
prove bezaten, heeft toen voorloopig haar intrek genomen 
in het Sint Michielsklooster, bij de Vrouwekerk van Leiden 
gelegen. Hare verdere lotgevallen behoeven hier niet 
vermeld ; genoeg zij het mede te deelen dat de abdij 
in 1573 door de Leidsche jongelingschap is vernield en 
dat de goederen later aan de ridderschap en edelen van 
Holland zijn toegewezen. 

A. H. L. Hensen. 

BIJLAGE I. Zie boven bh. 358. 



1488 April 26. 

Visiiatiebrief van Henricus van der Heyden, abt van Camp, 
bestemd voor de abdij Leeuwenhorst. 

Ad laudem et gloriam Deificae Trinitatis. 

Nos frater Henricus, abbas monasterii Campensis, Cisterciensis 
ordinis, monasterium nostrum in Leeuwenhorst, ejusdem ordinis, 
Trajectensis diocesis, auctoritate paterna visitantes, infra scripta 
ab omnibus ipsius monasterii personis regularibus, prout quam- 
libet concernunt, irremissibili rigore observanda statuenda de- 
crevimus : 

Inprimis ut oft'icium divinum, cui ex decreto sanctae regulae 
nichil omnino preponendum erit, tam in choro quam eciam 
in infirmitorio solito devocius percelebretur, ubi omnes mox 
audito signo ferventer occurrant, nisi per debitam licentiam 
legitima ex causa fuerint excusate. 

Quod si aliquam debilitatis seu alia racionabili de causa a 
divino officio remanere aut infra officium divinum, precipue a 
vigiliisi), exire oporteat, unaqueque ad hec nee non ad cetera 
queque necessaria per se licentiam petat et non per aliam ; 
alioquin nil penitus obtineat, 

NuUa ad chorum sive ad ecclesiam canes, volucres seu alia 

l) De Metten. 



371 

hujusmodi levitatera provocancia adducere presumat ; quod si 
qua fecerit, durius propter hoc in capitulo castigetur. 

Omnes denique, que in choro fuerint ad illam horam post 
quam capitulum sequitur, etiam simul ad capitulum procedant 
nee alicubi divertant. 

Regulare silencium et pacis conservativum precipimus dili- 
gentius, maxime locis et temporibus in ordine statutis, observari; 
violatrices autem, postquam semel et secundo per disciplinam 
fuerint in capitulo emendate et non se correxerint, volumus ut 
penam ordinis, id est penitenciam panis et aque in refectorio, 
indispensabiliter exsolvant. Insuper et in refectorio, sive in 
infirmitorio ubi conventus pro tempore comederit, post Benedicite 
coram mensa presidentis prostrate longam veniam petant et 
non nisi ad nutum presidentis surgant. Cujus pene realem 
execucionem priorisse et suppriorisse in virtute salutaris obe- 
diencie injungimus ut vel sic a prava consuetudine metu pene 
tandem cessetur. 

Eciam in infirmaria silencium solito strictius observetur 
tempore refectionis. 

Pulsus ad refectionem non ultra Miserere mei Deus pro- 
trahatur, ubi omnes que adesse debent tempestive occurrant 
aut pro sua tarditate sequenti capitulo corripiantur. 

Item juxta dictamen sancte regule lumen lampadis in dor- 
mitorio a Completorio finito usque mane semper ardeat, 

Cum item religiosarum animabus minime conveniat vagari 
foras, precipiendo mandamus quatenus egressus virginum de 
monasterio moderetur nee terminos in novissima visitatione 
statutos excedant. 

Inhibemus autem domine abbatisse in virtute sancte obedientie 
ne aliquam exire permittat tempore carnisprivii, sive ad nuptias, 
ad nundinas seu ad festa secularia et vana. 

Itemque sub pena excommunicatonis prohibemus omnibus et 
singulis, cujuscumque officii aut nullius officii sint, ne per 
posticum apud puteum in curia procedant versus domum 
agriculture, nisi de speciali et expressa licencia domine abbatisse. 

Statuentes pro hac parte ipsum posticum terminum monasterii 
sicut et portam exteriorem. 

Hoc eciam annectantes quod, cum presidens cum conventu 
ad spaciandum exierit, omnes exceptis infirmis conveniant; que 
vero ibi non occurrerint, nullam ipsa die neque per sequens 



372 

triduüm licenciam habeant procedendi in curiam sed intra 
monasterium permaneant. 

Eciam districtissime prohibemus ne alique in domo confes- 
soris, etiam aliorum sacerdotum et reddituarii quocumque 
tempore manducare vel bibere, seu eciam ad domunculas suas 
in infirmaria medio tempore homines virilis sexus ad comme- 
dendum aut bibendum introducere vel admittere presumant, 
sine speciali et expressa licentia domine abbatisse, ita ut ipsa 
domina super qualitate causae sit informata, que eciam merita 
personarum et causam pariter provida discrecione in hiis advertere 
debet, perprudens quid magis expediat pro honestate animarumque 
salute. 

Volumus etiam et mandamus quatenus conventuales omnes 
priorissae et subpriorisse in omnibus que ad earum officia 
pertinent sine murmure obediant nee cum eis proterve contendere 
seque invicem contra ordinis disciplinam defendere quovis modo 
presumant; domina abbatissa super hoc prospiciat ipsasque presi- 
dentes pro ordinis disciplina conservanda manu teneat. 

Mandamus insuper precipientes quatenus famuli et famulae 
monasterii, notam habentes infamie, continuo de monasterio 
removeantur nee tales unquam ad famulandum recipiantur, sed 
magis illese opinionis et bone fame sint, prout decet pro hujus 
monasterii honestate. 

Ceterum et pro parcitatis cautela injungimus et mandamus 
domine abbatisse quatenus puUorum sive altilium pluralitatem, 
que hiis caris temporibus multum dampnosa est, notabiliter 
adhuc diminui faciat et disponat atque superfluitatem famulantium 
personarum aut alias, pro ut paterit, prescindere curet. 

Preterea, cum onerosum esset ea que dudum statuta sunt, 
etiam nunc scriptis commendare, de novo declaramus quod 
ea que pristinis temporibus statuta et ordinata atque in usum 
perducta sunt, per hanc visitacionem non abolita sed utique 
adhuc vigorosa et observanda. 

Unde eciam novissime visitacionis cartam cantrici pro infor- 
macione relinquimus. 

Insuper et mandatum predecessoris nostri pie recordacionis 
pro pacis caritatisque custodia decretum, presenti carte nostre 
nunc annexum, approbamus, ratificamus et innovamus : 

Mandantes ipsum una cum hac carte quater annis singulis 
in capitulo coram omnibus recitari et exponi, nee non per 



373 

omnia presenti tempore valere, sicut tempore date sue dudum 
valuit, et sine omni subterfugio et dissimulatione ad efFectum 
execucionis produci : 

Hortantes atque monentes hujus monasterii personas regulares 
omnes affectu paterno quatenus in divina pariter et mutua 
caritate firmate operari concertent in tempore. 

Quod in eternum eis expediat. 

Datum sub appensione nostri sigilli, Sabbato post Dominicam 
Misericordie Domini, anno ejusdem millesimo quadringentesimo 
octuagesimo octavo. 

{P. V. d. Schelling). Beschrijving van de oude en eedele abdij en 
klooster Leeuwenhorst I, 120 verso — 122 recto. 



BIJLAGE II. Zie bwen bh. 363. 



1494, Maart 4. 

Notarieel verslag van de overeenkomst tusschen de commissarissen 
van den abt van Citeaux en van het algetneene kapittel der 
Cisterciënsers ter eéner zijde en de nonnen van Leeuwenhorst ter 
andere zijde betreffende verzachtingen in de tucht. 

In nomine Domini, amen. Per hoc presens publicum instru- 
mentum cunctis pateat evidenter et sit notum quod anno a 
nativitate Domini millesimo quadragesimo nonagesimo quarto, 
indictione duodecima, die vero Martis quarta mensis Marcii, 
sanctissimi in Christo patris et domini nostri domini Alexandri 
divina providentia pape sexti anno secundo, in mei notarii 
publici et testium infra scriptorum ad hoc vocatorum et roga- 
torum presentia, cum pro conformatione i) conventus sive 
monasterii in Lewenhorst, partium Hollandie Trajectensis diocesis, 
ordinis sancti Bernardi, dudum facta, inter venerabiles viros 
dominum abbatem de Boneffia 2) et dominum priorem de Issel- 



1) Er staat: conformationis. 

2) Boneffe in de provincie Namen. Sinds 1461 werd dit klooster 
bewoond door Cisterciënser monniken; in 1494 was daar abt: Petrus 
de Quaye, van Waesmunster geboortig. (Berlière Monasticon Beige 
(Maredsous 1897) I. 



374 

steyn i), tanquam commissarios ab eorum superiori et generali 
capitulo ad infra scripta deputatos dicti ordinis ex una et vene- 
rabiles personas et domicellas dicti conventus de Lewenhorst 
ejusdem ordinis ex altera partibus certe differentie, altercationes, 
et dissentiones suborte sint et habite, ut igitur hujusmodi 
differentie, altercationes et dissentiones inter dictas partes penitus 
et omnino extinguerentur et ad nihilum devenirent ac ut ipse 
domicelle eo liberius ad obedienciam vovendam pervenirent, 
quedam libertates et gratie sunt desuper ipsis domicellis concesse 
et attribute per dictos dominos commissarios, premissis quibusdam 
altercationibus inter dictas partes ante hujusmodi obedientiam 
factam .... prout hujusmodi altercationes et libertates concesse 
in vulgari lacius descripte habentur, quorum tenores sequuntur 
de verbo ad verbum hujusmodi sub tenore : 

Ie Herman van Lokhorst, deken van Oudemunster en dom- 
heer tot Utrecht, belije en bekenne dat ie daer over ende aen 
geweest hebbe dat den abt van Boniffia en den prior van 
Isselsteyn als commissarissen des abts van Cisterciën mitten 
vollen macht des abts van Cisterciën en ook des generaal 
capittels na utwijsinghe haere commissien ghecomen zijn tot 
Lewenhorst mit my deken voirseyt ende enighe joffrouwen 
desselven cloesters, welke overmits de sluytinghe die daer 
geschiet was gheen obediëntie noch professie den abdisse des 
kloesters ^) voerseyt gedaen en hadden. Als dan mijn vrouwe 
ende de convente des voergenomde cloesters dese commissarissen 
gehoort hadden, soe hebben zij den commissarissen voirseyt 
toegelaten ende geaccepteert ende eenige, die nog geen obediëntie 
geloeft en hadden den abdisse des kloesters voirseyt, hebben 
geseyt al te doen dat wael gedaen ware, behouden dat men 
mijn vrouwe ende dat convent alsulcke gratie doen soude 
willen als zy eyschende waren. Dese commissarissen hem 
wederom geantwoort hebben dat sy alle gratiën doen wolden 
om tot rust, vrede en eendrachtigheyt te comen die doenbaer 
waren ende daer toe, seyde den abt van Boneffia, wolden zy 
zijnen raet volghen ende professie doen, hy wederom hem 

i) Mariënberg te IJsselstein, aanvankelijk een abdij. Toen de Cister- 
ciënser monniken van dit convent in 141 8 tot de congregatie van 
Sibculo toetraden, kwamen zij te staan niet meer onder een abt maar 
onder een prior. 

2) Gijsberta van Vianen van Rijsenburch. 



375 

allen alsulcken graciên [zoude] doen dat zy hem allen bedancken 
wolden. Mer dese juffrouwen noch also bedacht niet en waeren 
om eenige professie ofte obediëntie te doen, ten ware saek 
dat si ierst wisten welke die gratiën wesen solden die hy hem 
geven ende consenteren wolde, soe hebben deze commissarissen 
geseyt: dat sy die gratiën, welke sy eyschende waren, in een 
ceduUe tekenen solden. Dat geseyt wesende ende als die com- 
missarissen dese cedulle ontfangen hadden, soe heeft den abt 
van Boneffia dat niet willen doen, zy hadden eerst obediëntie 
geloeft. Mer want dese joffrouwen waenden behaelti) te wesen, 
soe en hebben sy dat niet angaen willen. Aldus soe heb ie 
deken voirseyt mitten commissarissen alsoe totten graciën ge- 
sproeken, op dat zy comen solden moghen tot sulcken staet 
als daer sy toe geroepen waren. Dat die abt voerseyt my 
seyde ; men en hoirt geen compact te maecken ; spreekt tot 
de joffrouwen dat sy ierst obediëntie gheloeven. Ie heb mitten 
joffrouwen gesproken ende geseyt : dat si ierst obediëntie 
geloefden ende alsdan salmen hoir gracie doen. Wederom 
hebben zy my geantwoord : of ie daer voor staen wolden, Ie 
heb geantwoort, seggende, het sal gescien. Als sy dan obediëncie 
geloeft hadden, soe heeft die abt van Boneffia des anderen 
daeghs in dat capittelhuys een collatie of predicatie gedaen, 
anders luydende dan den joffrouwen geseit was ende heeft ze 
zaamen zeer beswaart, waer in zy alle qualic te vreden waren 
ende zeer gestoert, seggende dat ie deken voirseyt mitten 
prior van Isselsteyn, commissarius, hem verraden hadde. Dese 
storinghe ende onvrede aensiende heb ie deken voerseyt den 
abt van Boneffia opter abdiën genomen en biddende heb ie 
hem onderwesen dat dit aldus niet dienen en soude, mer hi 
moste gracie doen ; ie hadde den convente daer voer geloeft. 
Aldus by begeren ende onderwijsen van my ende informacie 
sijns capellaens heeft hy de priorinne tot hem ontboden, haer 
bevelende dat sy den convente seggen soude dat sy hem te 
vreden stelde ; hij gave hem die gracie die sy geeyscht hadden. 
Mer als dat convent daer mede niet te vreden was, want sy 
wouden dat die commissarissen hem selver den geëischten 
consentieren ende geven solden. 

Dese commissarissen, dit horende ende sien[de], sijn mit 



I) misleid. 



376 

haren capellaenen ende my totten convente gegaen ende daer 
heeft hy my gevraecht of ie notarius waer. Ic antwoorde dat 
ie waer notarius apostolicus. Soe heeft den abt mitten prior 
van Isselsteyn, als commissarissen, om dese jofïVouwen te stillen 
ende tot rust, vrede ende eendrachticheyt te brengen, de 
abdisse ende convente des voerseyde cloesters van alle excessen 
geabsolveert ende wederom in alle datgeene, daer sy dat con- 
vente in beswaert hadden, ontlast ende hebben hem geconsenteert 
ende gegeven al sulcke graciën als hier nae beschreven slaen : 

Dat ierste punt is, dat mijn vrouw of die kelwaerster sal 
moghen utgaen en reysen om nootsaeken die onsen cloester 
aengaende wesen sullen. 

Dat andere punt is, dat mijn vrouwe of haer capellaenster of die 
kelwaerster sal moghen gaen besien dat regiment over opten hove 
buyten, als dat mijn vrouwe goetdunct te sieu ende anders niet. 

Dat derde is, dat convente mit mijn vrouwe of priorinne of 
presidente conventualiter twaelf werf t'sjaers van den hove after 
op geen Swetten gaen sullen m.oghen, als hun dat gelieven sal. 

Dat vierde is, dat die vrouwen in alle manieren gaen ende 
staen sullen moegen binnen den convente als mannen in be- 
sloote convente van mannen. 

Dat vijfde is, dat alle die joffrouwen, als hem gasten over- 
comen, sullen nemen één vanden oudsten jofïrouwen die mijn 
vrouw hem ordineert, ende eeten daer mede op die plaatsen 
die hem geordineert sijn en dat mijn vrouw mit hare gasten 
boven opten abdyen sal moghen. 

Dat sesde, dat sy geen susteren aanneemen sullen tot pro- 
fessie meer dan haer believet, behouden dat die maegden, die 
weerlic sijn, simpelic sullen gaen. 

Dat sevende, dat mijn vrouw haer capellanen ende rent- 
meesteren of setten sal mogen als sy den convente niet en 
dienen of wanneer sy daer mede niet te vreden zijn. 

Dat achtste, dat mijn vrouwe ende den convente viermael 
des jaers éénen persoen vande oerde bieghten sullen moeghen. 

Dat leste punt is, dat die joffrouwen sestien weeken sullen 
moeghen utreysen, deylende dese weeken ende utreysen tot 
hoeren believen, behouden dat sy mijne vrouwe consent daer 
toe requireren sullen. 

Item ter eere mijns heeren van Camp ende vrede des 
cloesters van Lewenhorst hebben die joffrouwen des voorseyden 



377 

convents begheert opten prior van Isselsteyn, dat hy mijn heer 
van Camp nae sijn vermoeghen daer toe willighen wolde, 
want, hoewel dese voerseyde graciën door de commissarissen 
voirseyd, des macht hebbende, hem geconsenteert ende gegeven 
sijn mitter macht mijns heren van Cisterciën ende des generaels 
capittels, nochtans soe heeft den commissarissen voirseyd belieft 
ende de jofirouwen goedgedunct dat sy consent mijns heeren 
van Camp daertoe begeven solden om die saecken die voer- 
seyd staan ende anders niet. 

De et super quibus omnibus et singulis premissis dicte 
domicelle de Lewenhorst, ordinis predicti, a me Hermanno 
decano, canonico et notario publico, supra et infra scripto, 
pecierunt sibi fieri et confici unum vel plura publicum vel 
publica instrumentum vel instrumenta. Acta sunt hec in dicto 
conventu de Lewenhorst sub anno, indictione, die, mense et ponli- 
ficatu prescriptis, presentibus ibidem honorabilibus et religiosis 
viris dominis, confessore dicti conventus de Lewenhorst moderno 
et cellario conventus de Isselsteyn, ejusdem ordinis, testibus. 
Hermannus de Lokhorst, 
Decanus ecclesie sancti Salvatoris Trajeclensis, 
Notarius publicus, manu propria. 
{P. V. d. Schelling) Beschrijving van de oude en eedele abdij en 
klooster Leeuwenhorst, II, 424—426. 



B IJ L A G E 1 1 L Zie boven blz. 366. 



1494, Juni 3. 

Nadere beschikking van Henricus van der Heyden,abtvan Camp, 
op de overeenkomst aangegaan tusschen de comfnissarissen van 
den abt van Citeaux alsmede van het algemeene kapittel en de 
nonnen van Leeuwenhorst. 

Frater Henricus, abbas monasterü Campensis, Cisterciensis 
ordinis, Coloniensis diocesis, venerabilibus et religiosis in Christo 
Ihesu filiabus nostris, abbatisse et priorisse totique conventui 
monasterü nostri in Lewenhorst, dicti nostri ordinis, Trajectensis 
diocesis, salutem et sacro sancte monastice religionis continuüm 
incrementum. 

Amantissime filie. 

Literas vestras, quibus ratione sacre reformacionis et inclusionis 



378 

monasterii vestri gravatas vos esse exponitis, recepimus, quibus 
eciam ut graciis quibusdam vos allevare velimus multiplici 
instancia exposcitis. 

Unde, optime filie, scire debetis quod cordi nobis semper 
extitit et nunc usque existit vos in omnibus quibus possimus 
— ipsius sane summi Creatoris ofïensis i), sacre religionis detri- 
mente, fidelium quoque scandalo, cessantibus — benignius 
prosequi favoribus, fovere et graciis, utpote vobis ad quevis 
decentia prono ex affectu inclinati, ne in continuis perturbati- 
onibus persistentes, sponso vestro Deo vota labiorum vestorum 
placido corde exsolvere non possitis. 

Ut igitur in divinis laudibus, in sacrosancti ordinis ceremoniis, 
in incepta quoque reformacione ad honorem ipsius, cui vos 
voluntarie devovistis, dilatato corde in vere caritatis fervore in 
dies vos ad profectum extendatis, 

Gracias, dudum per nos nee non de[inde] post per priorem 
nostrum Campensem nostri ex parti concessas et admissas, 
presentibus insertas, ac eciam in presentiarum arapliatas, litterali 
jam certificatione auctoritate nostra prona dantes, pro ut sequuntur 
concedimus et admittimus: 

Imprimis, cum consanguinei nobiles et honesti hospites ad 
vos causa caritative visitacionis declinaverint, graciose admittimus 
et concedimus quatenus per abbatissam vel priorissam et con- 
fessorem intromittantur atque in cameram abbatisse adjunctam 
sive contiguam et pro hujusmodi hospitibus tractandis deputatam 
usque ad primum vesperarum signum recipiantur nee non ad 
cenandum de sero usque ad primum vesperarum signum reci- 
piantur nee non ad cenandum de sero usque ad primum 
Completorii pulsum et non ultra recipi multum reverendi et 
honesti hospites, vires si fuerint quibus hoc ipsum ex reverencia 
et honestate denegari non poterit, de licentia abbatisse, conscien- 
tiam ejus desuper gravantes, concedimus. 

Item hujusmodi hospites secundum status sui dignitatem per 
abbatissam vel priorissam vel eciam per suppriorissam cum aliis, 
per diligentem discrecionem vestram, abbatisse videlicet et 
priorisse, deputandis et assumendis virginibus honorifice et 
religiose tractentur. 

A priorissa primum proviso ut tales ac tante de ipso conventu 



l) Er staat: offensa. 



379 

virgines ad presenciam hospitum assumantur ne disciplina 
ordinis et honestas religionis alicubi impedimenturn seu detri- 
mentum patiantur. 

Signanter inhibito ne hujus virgines, ipsis hospitibus associate, 
de Vesperis, Completoriis ac ceteris horis canonicis eorum 
hospitum occasione absentare se audeant. 

Hoc tamen hospitibus feminei sexus graciose admisso quod 
monasterium intrare, cum conventu causa solacii spaciatum ire 
atque in camera prescripta de sero manere et dormire poterunt. 

Virgines autem, que de licencia priorisse cum talibus feminei 
sexus hospitibus de sero remanserint, Completorio finito post 
spacium septem psalmorum cum ipsa priorissa et ad simpHcem 
ejus requisicionem sine contradictione aliqua dormitorium ascendere 
minime recusare debent, ita quod priorissa ipsum dormitorium 
per se claudere et clare firmare valeat. 

Hoc etiara per vos, abbatissam et priorissam, preordinato 
ut tales virgines ipsis hospitibus ad solacium deputentur que 
reverenter et ordinate conversari noverint. 

Nee in eorundem utriusque sexus presencia quicquam verbo 
vel facto pretendatur per quod sacre reformacionis vestre sin- 
ceritas quovis modo denigrari vel vilificari valeat. 

Item cum monasterium vestrum extra communem hominum 
frequenciam situatum existat, gratiose etiam admittimus et con- 
cedimus quod vos, domina priorissa et suppriorissa, competentibus 
temporibus atque diebus, Nonis finitis, iip geen Zwette ^) retro 
monasterium et non ultra, cum conventu vestro causa recrea- 
cionis et solacii cum omni religionis honestate spaciatum ire 
valeaiis, ad primum Vesperarum pulsum ad ipsam clausuram 
mox redeundo et reintrando. 

Porta vero anterior, per quam communis fit ingressus, interim 
clausa et clave firmata teneatur. 

Item cymiterium et sibi adjacens spacium, quod etiam pro 
spaciamento petitiir, ita caute visitare curetis ne nimius exiius 
vester de clausura vobis et reformacioni vestre deordinacionem 
fidelibus quoque hominibus vilipendium pariat. 

Preterea tempora hujusmodi et vices secundum petita in 
discretionibus domine abbatisse et priorisse ponimus et diligenter 
observanda committimus. 



l) Langs de Zwet daarginds? 



38o 

Item de recepcione sororum laicarum juxta morem et con- 
suetudinem aliorum monasteriorum reformatorum partium Hol- 
landie vos geratis. 

Eciam vobis, domine abbatisse et supperiorisse, committendo 
precipimus quatenus honestam fainiliam, maxime intra clausuram, 
in simplici habitu semper habere curetis, quousque sorores vobis 
proficuas habere potestis, quibus eciam difficulter et raro extra 
clausuram exitus admittendus est. 

Item vobis, abbatisse et priorisse, admittimus et concedimus 
ut, quando cum conventu vestro spaciatum ire volueritis, officinas 
et domos vestras cum virginibus, debeneplacitisvestrisassumendis, 
intrare potestis. 

Item ob reverenciam venerabilis Sacramenti vobis, domine 
abbatisse et conventui, concedendo admittimus in die ejusdem 
venerabilis Sacramenti solempnitatem, huc usque solitam et 
observatam, tam processionis quam misse cum omni reverencia 
et honore morumque gravitate celebriter observare, nee non 
ipsum Sacramentum, sacram quoque unctionem, cum infirmis 
deferuntur, insequi conventualiter. 

Eciam vobis, abbatisse et conventui, prefatis temporibus 
indulgenciarum ecelesie vestre altaria visitare ac sacriste sacer- 
dotibus necessaria ministrare, secularibus tamen extraneis prius 
seclusis, benigne concedimus. 

Item tredecim illas hebdomadas pro reysis vestris vobis 
omnibus extra monasterium in visitacionem consanguineorum 
et amicorum vestrorum, per nos favorabiliter concescas, in 
triennio post data presencium expedire et finire debetis. 

Postremo igitur vos omnes, filie sinceriter dilecte in Domino, 
hortamur quatenus premissis graciis, favorabiliter ac graciose 
ex multiplici vestra instancia vobis prono affectu concessis et 
admissis, ita utamini ut in posterum majores percipere gracias 
mereamini, pro ut conscienciis discretionibusque vestris id ad 
plenum committimus. 

Datum in monasterio nostro Campensi sub contra sigilli 
nostri abbatialis appensione in fidem et testimonium omnium 
et singulorum premissorum, die tercia mensis Junii, anno 
Domini millesimo quadragintesimo nonagesimo quarto. 
{P. V. d. Schelling) Beschrijving van de oude en edele abdij en 

klooster van Leeuwenhorst I 122 recto— 124 recto. 



38i 
BIJLAGE IV. Zie bove?i bh. 368. 



1570. Juni 1. 

Visitatiebrief van Joannes, abt van Morimond, bestemd voor de 
abdij Leeuwenhorst. 

Ad honorem sanctissime Trinitatis beatissimeque virginis 
Marie et animarum salutem. 

Nos frater Johannes, abbas Moriniundi, ordinis Cisterciensis, 
in Lingonensi i) diocesi commissarius capituli generalis ejusdem 
ordinis ac per totum eundetn ordinem Cisterciensem vicarius 
generalis reverendissimi domini cardinalis abbatis Cistercii 2), 
auctoritate paterna visitantes devotum monasterium nostrum 
de loco Marie, alias Leeuwenhorst seu ter Lee, ejusdem Ordinis 
in diocesi Harlemensi, celebri monasterio nostro de Veteri-campo 
immediate subjectum. Repperimus ibidem viginti septem moniales 
professas et unam sororem laicam, quibus pro utriusque status 
conservatione sequentes articulos subscripsimus, ejusdem monas- 
terii omnibus personis regularibus precipientes in virtute salutaris 
obedientie ut eosdem, pro ut unamquamque (decet), exequantur. 

Imprimis divino officio, propter quod professe sunt, diligentius 
intererunt ipsumque cum elevatione mentis in Deum, quantum 
patitur humana fragilitas, cum punctis in medio et fine versuum, 
cum inclinationibus devotis, silentio et modestia, persolvent. 

Quod si earum aliqua egrotaverit, morbum domine abbatisse 
significabit et pro necessitate excusabitur. 

Symbolum cum organo in missa nunquam cantabitur sed 
corde et ore ad fidei nostre protestationem dicetur. 

Ostia chori nunquam aperientur, precipue dum divinum 
officium persolvetur. 

Nee altare nee ornamenta nee lumiiiaria a sacrista prepera- 
buntur sed a sacerdotibus aut eorum famulo. 

Omnes moniales salutarem confessionem facient. 

Sacram Eueharistiam saltem bis singulis mensibus suscipient, 
qua se contra demonis insidias muniant ejusque oppugnationes 
vincant. 



1) Langres. 

2) Hieronymus Sacherus (de Souchier) 1566 door Pius V tot kardinaal 
benoemd, -J- 1571. Zie: Ciaconius. Historia Pont. Rom. et Cardinalium 
III, 1032. 



382 

In Quadragesima el Adventu Domini singulis diebus Domi- 
nicis, eisque quolibet anno in Quadragesima et in hebdomade 
ante festum Omnium Sanctorum, preter ordinarium confessorem, 
alius probus et idoneus ab abbatissa cum consilio patris confes- 
soris et quatuor seniorum, qui omnium confessiones audiat et 
omnes absolvat, offeretur. 

Curabitque domina abbatissa fenestram honestam in muro 
chori preparari, per quam eis sacrum Christi corpus ministretur. 

At vero illa oratione devota, scilicet »Salve regina", finita 
atque aqua benedicta (ab abbatissa) vel a presidente accepta, 
omnes cum silentio, gravitate orationibusque in Ordine solitis, 
scilicet sMisere mei Deus", »de Profundis" et collectis ^) ecclesiae 
»Visita", »InefTabile" et »Fidelium", ascendent dormitorium. 

In quo singulis noctibus lampas ardebit. 

Fietque scrutinium singulis diebus a presidente per omnia 
cubicula an omnes sint presentes habeantque cubicula munda, 
dormiantque more Ordinis. 

Quod si aliqua, quod Deus avertat, abfuerit, tamquam infamis 
disciplina regulari, carcere in pane et aqua, per mensem puniatur. 

Terminorum dormitorii nee non claustri et ecclesie omnia 
ostia clavibus a sacrista diligenter claudentur. 

Presidenti claves tradentur et custodientur usque ad sequentis 
diei Vigilias 2). 

Que diebus solemnioribus hora secunda, diebus Dominicis et 
duarum missarum hora tertia, diebus privatis hora quarta 
pulsabuntur. 

Completorium semper post cenam, hieme ad dimidium sexte, 
estate vero ad dimidium septime, pulsabitur. 

Fietque lectio collationis ante ipsum Completorium in claustro 
per quartam hore partem. 

Et diebus Sabbathi mandatum '^) more Ordinis observabitur. 

Caveat insuper domina abbatissa, presidentes et seniores ne 
antique Ordinis ceremonie, ut Quadragesime suffragia, psalteria 
duodecim singulis annis pro defunctis, feriis sextis septem psalmi 
penitentiales, jejunia ecclesiastica et etiam Ordinis, dilabentur. 



1) Gebeden in den Missaal vóór de Offerande, welke echter ook in 
den brevier zijn overgenomen. 

2) de Metten. 

3) de voetwassing. 



383 

Silentium ubique ante »Preciosa" i) et post Completorium, 
ac in locis regularibus, veluti ecclesia, dormitorio, refectorio et 
claustro, omni tempore teneatur. 

Cujus silentii antiquarumque ceremoniarum nostri instituti ac 
simplicitatis monastice contemptrix veluti perturbatrix ypocritica 
a domina abbatissa et a presidentibus acrius corripiatur in capitulo. 

Cui quotidie altera presidentium, nisi domina abbatissa pro 
suo officio et vigilantia voluerit adesse, presidebit. 

Ibidemque »Preciosa" cum martyrologio ac uno regule divi 
Benedicti capite cantabitur. 

A singulis autem spontanee accusationes et a senioribus 
proclamationes cum discretionis zelo (fient). 

Tum etiam a presidentibus in culparum emendationem sine 
dissimulatione aut personarum acceptatione punitiones fient. 

Et ad Dei sueque ecclesie precepta adimplenda, ad simplici- 
tatem habitus Ordinis retinendam, devotionem augendam, (ad) 
humilitatem, patientiam, mutuam dilectionem ceteraque Deo 
et Ordini permissa conservanda per frequentes exhortationes 
excitabuntur. 

Quod si aliqua arrogantius respondent culpamque suam vel 
alterius defendere tentaverit aut crimen, secundum Ordinis 
formam punitum, alteri improperaverit, tali mulctabitur pena quod 
deinceps ab hujusmodi rebellione improperioque omnes terreantur, 

Preterea eidem domine abbatisse, ut suo exemplo ceteras 
inducat ad habitum, Ordinis simplicitatem pre se ferentem, 
precipimus cucuUam, scilicet ad instar nostram, quam viderit 
sine cauda ^), vestem albam, caligas albas et calceos ex corio, 
non ex serico, indusia ex lana, vela vero ex tela humili et 
crassiore, ad supremum nasi demissa. 

Nulla a conventuali refectione absit nisi egrota et excusata 
a domina abbatissa aut ab eadem ad prandium vel cenam vocata. 

In quibus refectionibus nunquam lectio deerit. 

Verum ab omnibus summum prestabitur silentium. 

Que ex eisdem refectionibus supererunt pauperibus erogabuntur. 

Hinc ad ecclesiam procedentes per claustrum more Ordinis 
psalmos et »De profundis" decantabunt. 



1) Staal hier voor de Priem. 

2) De kap mocht van achteren niet uitloopen in eene lange slip 
(liripipium). 



384 

Inde in claustrum descendentes diebus Dominicis ac aposto- 
lorum festis sollemnioribusque diebus omnes lectioni, contem- 
plationi ac orationi operam dabunt, aliis autem diebus labori 
manuum, secundum quod eis ab abbatissa prescribetur, non 
quidem in privatam utilitatem sed in communem. 

Omnibus denique sub voti paupertatis, quod Deo promiserunt, 
infractione prohibemus ne pecunias aut aliud quodvis munus 
seu libros aut litteras sine sue abbatisse licentia recipiant. 

Interim eligatur bursaria, que illarum omnium pecunias cus- 
todiat et jussu ipsius abbatisse eis, quorum eguerint, administret. 

Quarum tarnen pecuniarum bis in anno coram toto conventu 
ipsa bursaria rationem reddet. 

Cui domina abbatissa i) victum et vestitum honestum et 
sufficientem absque ulla superfluitate largiatur. 

Infirmarumque ac pauperum maximam habeat curam in- 
jungimus. 

Libros autem ab eis, nisi a patre confessore aut presbitero 
et catholico doctore approbentur, minime recipere permittimus. 

Quoniam vero sacrum concilium Tridentinum recipiendum 
et observandum ab omnibus suis subditis regia majestas catholica 
publico edicto sancivit nobisque visitantibus illud insinuandum 
precepit, ideo 2) omnibus personis regularibus ejusdem monasterii 
ut prefatum consilium recipiant observentque precipimus. 

Eisdem abbatisse et religiosis sub pena excommunicationis 
prohibentes ne sine sui patris visitatoris pro urgenti negotio 
licentia, scripto obtenta, monasterii septa egredi presumant. 

Item ne in loco regulari cujusque sexus personas, sub pena 
in eodem concilio contenta, admittant. 

Demptis principibus, patrie gubernatoribus cum eorundem 
uxoribus, medicis et chyrurgis pro graviter egrotantibus, patre 
confessore pro sacramento Eucharistie vel extreme unctionis 
administrando s) et processionibus dumtaxat, turn etiam operariis 
et artificibus pro edeficiorum reparationibus, quibus semper 
due ex senioribus aderunt, ab abbatissa designande. 

Preterea domina abbatissa omnes portas claustri preter unam 
muro obstruere faciat. 



1) Er staat: domine abbatisse. 

2) Er staat: quare. 

3) Er staat: pro Sacramento vel administralione. 



385 

In qua portariam senem constituet, cui in virtute salutaris 
obedientie precipimus ea que de ingressu habentur in hac 
nostra charta visitationis fidelissime observare. 

Porro locutorium in eo loco, juxta portam domus abbatisse, 
a nobis prescripto, parabitur. 

In cujus medio cratis ferrea longitudine quatuor pedum et 
altitudine duorum aptatibur, 

In quo viri convenient. 

Consanguineas autem in antiquo mulierum hospitio recipiënt. 

Sed hic nulla deinceps novicia ad profitendum admittetur, 
nisi septimum decimum sue etatis annum attigerit. 

Ejusque consensus liber a viro probo et docto ex Ordine 
vel alio discutiatur. 

Demum juxta prefatum Concilium Tridentinum ac apostolica 
indulta nostrique Ordinis instituta eidem domine abatisse bono- 
rum immobilium sue ecclesie alienationem, donationem, ven- 
ditionem aut impignorationem facere, nisi juxta Benedictinam 
triumque postrorum capitulorum generalium nostri Ordinis 
Cisterciensis definitiones prohibemus. 

Turn etiam ne ad plures annos quam novem suos census 
redditusque ad firmum det, 

Toto conventu consentiente et suo sigillo fidem elocationi 
prostante ; 

Alioquin nos auctoritate prefata hujusmodi venditionem, 
donationem impignorationemque irritam nuUiusque esse roboris 
ex nunc pro ut ex tune declaramus. 

Eadem vero domina abbatissa computationes suas parabit reddet- 
que singulis annis coram patre visitatore et coram sex exsenioribus. 

Cujus quidem visitatoris signo manuali approbabuntur vel 
improbabuntur. 

Ceterum eadem [charta] dominam abbatissam rogamus ut, 
primum querens regnum Dei et justitiam ejus, nihil sibi defu- 
turum speret, quo abunde suis filiabus, tam sanis quam egrotis, 
succurrere possit. 

Quas etiam vicissem monemus, ut unanimes uno ore honori- 
ficantes Deum, sic suas fidei lampades bonorum operum oleo 
charitatisque igne student omare, 

Ut, veniente sponso suo Christo, vigilantes et caste humiliterque 
obedientes, obviare possint et ab ipso recipi et ad celeslas nuptias 
et perpetuas introduci valeant. 

25 



386 

Ne quis autem ignorantiam pretendat, hanc nostre visitationis 
chartam omnibus feriis quartis aut sextis Quatuor temporum 
omnibus, in capitulo congregatis, legi et observari volumus. 

Datum in eodem monasterio de Loco Marie, sub sigilli nostri 
appensione et signi manualis nostri secretarii subscriptione, die 
prima mensis lunii, anno Domini millesimo quingentesimo 
septuagesimo. 

R. de Greveme. 

(P. V. d. Schelling). Beschrijving van de oude en edele abdij en 
klooster van Leeuwenhorst I. 125 recto — 127 verso. 



B IJ L A G E V. Zie boven blz. jóg. 



1571, Augustus 14. 
Transfix. 

Richard van Xanten, abt van Camp, bevestigt voortnelden visi- 
tatiebrief. 

Ad Dei optimi maximi laudem animarumque, quarum im- 
promis cura habenda est, salutem. Nos frates Richardus, abbas 
Campensis, ordinis Cisterciensis, in Coloniensi diocesi, auctoritate 
paterna visitantes devotum monasterium nostrum de Leeuwen- 
horst, alias ter Lee, ordinis ejusdem, in diocesi Harlemensi, 
reperimus chartam quandam monialibus a reverendo domino 
abbate de Morimondt, nee non commissario capituli generalis 
ordinis ejusdem, relictam quam, dum legissemus, statim appro- 
bandam et confirmandam (non sine causa) putavimus. Addentes 
tamen observarique precipientes hos subsequentes articulos: 

Imprimis divinum officium cum pausis, silentio, devotis in- 
clinationibus nee non mentis ad Deum elevatione persolvant. 

Moniales juxta quam professe sunt regulam vitam instituant 
atque componant. 

Vota castitatis, obedientie et paupertatis voluntarie observent. 

Deum temeant, ament et mandata ejus custodiant. 

Insignia humilitatis fidelitatisque gerant. 

Spectantes pro levi tribulationis et laboris pondere immar- 
cessibilem gloriae coronam. 

In professione sua persistant et proficiant. Nam inquil beatus 
Augustinus: sicut non memini me vidisse meliores eis qui in 



387 

religione profecerunt, ita nee deteriores qui in ea defecerunt et 
prolapsi sunt aut quicquam in habitu, moribus et aliis Ordinis 
ceremoniis immutaverunt. 

Introitus regularium locorum omnibus interdicatur, presertim 
viris, sine licentia abbatisse. Nam liber accessus secularium cito 
perire facit sancte religionis puritatem et observantiam. 

Rarissime moniales septa monasterii exeant, vel si exierint, 
hoc fieri debet cum licentia superioris, nimirum abbatisse. 

Quantum ad habitum aitinet, nihil immutent sed in eo 
permaneant quem, dum profiterentur, acceperunt. 

Pacem el concordiam conservent, Christo precipiente : pacem 
meam do vobis, pacem meam relinquo vobis. 

Portremo omnem levitatem devitent, si quidem illa est occasio 
multoram malorum. 

Ne quis autem ignorantiam pretendat, volumus hos jam 
dictos articulos omni quarta vel sexta feria Quatuor temporum, 
omnibus in capitulo presentibus, legi, recitariatqueetiamobservari. 

Datum in eodem monasterio nostro de Leeuwenhorst, sub 
appensione sigilli nostri, decima quarta die mensis Augusti, 
anno Domini millesimo quingentesimo primo. 

(P. V. d. Schelling). Beschrijving van de oude en edele abdij en 
klooster van Leeuwenhorst. I. 127 verso — 128 verso. 



HET HOFJE VAN NIEUWKOOP IN DEN HAAG. 



De Riemer, in zijne bekende Beschrijvmg van 's Graven- 
hage (blz. 572), wijdt aan deze eigenaardige stichting 
van Jan de Bruin van Buitenwech, Heer van Nieuwkoop 
eenige regels, die vrijwel alles mededeelen wat een leek 
er van zou willen weten. De bijgevoegde afbeelding, 
een vogelvlucht-gezicht, laat, wat het uitwendig aanzien 
betreft, niets raden. Peters, die in het Haagsch Jaar- 
boekje voor 1908 zijne studie over den bouwmeester 
Pieter Post, met eene reproductie van die afbeelding 
verlucht, laat ons op een ander plaatje (reproductie 
eener penteekening van 1907) de zaal zien in het jaar 
1661, die bij weinigen bekend is. 

Peters getuigt van het gebouw, als bouwwerk: „Zijn 
(Pieter Post) Hofje van Nieuwkoop is een echt typisch 
Hofje, eenvoudig maar breed opgevat, door zijn hoofd- 
ingang en hoek-pavilj oenen aan de voorzijde, en door 
zijn Regenten-zaal in den tuin, aan het geheel silhouet 
gevend, en trots de soberheid, waarmede alles behandeld 
is, toch een gelukkig geheel vormend." 

Er is bij de Riemer sprake van een achterpoort aan 
den tuin achter het Regentenhuis (de zaal) die uitgang 
had in de Warmoezierstraat, ook genaamd het Slop 
van de drie Boeren. Boven die poort was een steen 
aangebracht, waarop een paar versregels van Horatius 
waren aangebracht, door de Riemer vertaald weergegeven: 

>Een mensch kan, haast vergenoegt, wel met een kleintje leven. 
Daar hij een zoutvat heeft van aardewerk of tin. 
Op zijn geringen disch uit gunst voor niet gegeven." 



389 

„Die achterpoort, zoo schrijft Ridder de van der 
Schueren (H. J. v. 1893), bestaat niet meer; wanneer 
en om welke reden ze werd afgebroken zou ik niet 
kunnen zeggen; de oude rekeningen van het Hofje 
zwijgen er over ; ze werd vervangen door een een- 
voudige tuindeur, die tot voor enkele jaren nog in 
wezen was. Maar de steen met het Latijnsche opschrift 
is op merkwaardige wijze teruggevonden. 

„Toen in 1886 om het Hofje te vergrooten, de tuin 
met woningen werd bebouwd, werd het noodzakeHjk 
een nieuwe ingangspoort aan de Warmoeziersstraat te 
bouwen, en dit maakte de afbraak van een paar huisjes 
noodzakelijk. Bij het toen verricht graafwerk, werd 
diep in den grond, onder de fundamenten van een der 
afgebroken woningen, de steen met het opschrift terug- 
gevonden; ze lag gelukkig omgekeerd met het beeld- 
houwwerk naar onderen, en toen zij gereinigd was, 
bleek het, dat het opschrift niets, de daaromheen aan- 
gebrachte versierselen slechts zeer weinig beschadigd 
waren. Die schade werd gemakkelijk hersteld, waarna 
de oude steen, in een passende omlijsting gevat boven 
de nieuwe poort aan de Warmoezierstraat werd ge- 
plaatst, gedekt door het wapen van den stichter." 

Het wel en wee van het Hofje is tot heden toe niet 
in kleine bijzonderheden beschreven. Voor het geval zich 
daartoe een navorscher zetten wil, geven we een paar 
aanteekeningen, die anders weUicht zouden vergeten 
worden. 

Ten eerste, dat in de protocollen van den Haagschen 
Notaris Thomas Robijn de minuut is opgenomen van 
een acte, in dato 22 Augustus 1659, houdende eene 
insinuatie omtrent het metselwerk. Belangrijker achten 
we, ten tweede, eene insinuatie van 21 Juli 1662. Beide 
dagteekenen uit de vroegste geschiedjaren van het Hofje. 



390 

In 1658 werd de toestemming verkregen tot den bouw, 
in 1661 heet het gebouw voltooid te zijn, hoewel de acte van 
1662 niet op eene geheele afwerking duidt. De insinuatie 
in die acte vervat is toch, namens „Regenten van de 
goederen naergelaten bij wijlen Jor Johan de Bruyn van 
Buytewech in Sijn leven Heer van Nieucoop, enz." 
gericht tot „Joris Minnen, Steenhouwer en den Con- 
trolleur Pieter Noorwits, als borge voor de deuchde- 
lijckheyt van den steen, dat sij als aennemers sullen 
opmaken ende voltrecken de hardsteene poort, als mede 
de vloeren van 't regentenhuys van 't Hoffje ende 
daertoe het hartsteene wapen en 't gene daer aen 
dependeert sullen hebben te leveren binnen 14 dagen." 

Aan mogelijke vergrooting of uitbreiding, (of wel gold 
het eene afschutting van een ledig erf, tot eigen veiligheid .-'), 
zou gedacht kunnen worden, door wat we lezen in eene 
acte van 30 Mei 1665 (Prot. v. Nots Corn. v. d. Hoogh 
te 's-Gravenhage). Op dien datum verklaren Hendrick 
Arent Schrap, steenkooper, Matheus van Veen en Ary 
Corneliszoon Bol, meesters timmerlieden, ten verzoeke 
van Regenten, „dat met haer kennis het lege erff van 
den Heer Burgemeester Splinter zal., op de Princegracht, 
is affgeheynt tot laste ende coste van de voorsz. regenten." 

Het aardigste archiefstuk echter, dat wij vonden, 
dagteekent uit het jaar 1678. We zouden het den titel 
willen geven : Oude vrouwtjes over den Vrede. Zooals 
de Fonseca vermeldt (II, bl. 225) was het Hofje uit- 
sluitend opgericht voor „vieilles femmes". 

Toen in den nacht van 10 op 11 Augustus 1678 de 
vrede te Nijmegen tusschen ons land en Frankrijk ge- 
sloten was, was er groote blijdschap in den lande. 

Eene naïeve uiting daarvan geeft het volgende Archief- 
stuk. Het is 't concept van een brief, vermoedelijk op- 
gesteld door den Haagschen notaris Egbertus van der 



391 

Pyll, — de notarissen toen deden van alles, — want 
in een register zijner protocollen komt het voor, tusschen 
twee acten van 17 December 1678, gemerkt met de 
nommers 190 en 191. Verwonderlijk is 't niet, dat eerst 
zooveel tijd na den vrede de brief geschreven werd. De 
Prins zelf won nog den slag bij St. Denys, toen de vrede 
geteekend was. Overigens spreekt het stuk voor zich zelf. 

„A son Ex^ Monseigneur Ie Comte d'Avaux, Ambas- 
sadeur Extraordinaire de sa Maiesté Tres Chrestienne, 
resident a la Haye. 

„Tres humblement représentent 62 vieille femmes, 
resident dans certain bastiment du glorieuse mémoire 
Ie Seigneur de Nieucoop [Hofje van Nieuwkoop a/d. 
Prinsegracht] que les suppliants avec grande ioye ont 
entendu la merveilleuse et louable paix entre Sa Maj*^ 
Tres Chrestienne et leur Hauttes Puissances [van onze 
Republiek], en suitte de quelle les suppliants prient 
tres humblement une grace a vostre Ex« pour les 
aveugles, boiteuses et autres, prieront Dieu éternellement 
pour la santé de sa Maj*^ et son Ex^, si bien au 
l'ame qu'au coeur éternellement. 

„Du nom général de 62 vielle femmes. 

(get.) Ariaentje de Geystere i), 
mère." 

De ondergrond is wel een verzoek 2), maar er zit 
toch een vrij aardige noot in dit schrijven. 

's-Grav. 25/2 191 5. 

A. J. SeRVAAS van ROOYEN. 

i) Deze naam valt af te leiden van het kasteel Geysteren (Limburg), 
of »dat huysken te G.". Zie Limburg's Jaarboek XX, 3e afl. (1914, 
bl. 245, e. V.). 

2) De bezittingen v. h. » Hofje", waren gelegen om Woerden en 
hadden in 1672 verschrikkelijk geleden van de Franschen, zóó zelfs 
dat, na 1681, eenige geldelijke vergoeding van de inwonenden moest 
worden geëischt, omdat de fondsen bijna uitgeput waren. 



ENCHUSANA. 



I. Oostelijk Enkhuizen vóór de hervorming. 

Het merkwaardig stadje Enkhuizen, in den laatsten 
tijd uit den doodslaap der „villes mortes aan de Zuider- 
zee" ontwakend, heeft eene belangrijke geschiedenis op 
Kerkelijk gebied, welke wij naar best vermogen willen 
trachten te schetsen i). 

Het grensgebied der burgerlijke gemeente is op heden 
voor eene bevolking van 8000 zielen, waaronder bijna 
IIOO katholieken, vrij uitgebreid. Vóór de uitlegging 
der stad in 1590, toen de tegenwoordige vestingwal 
met zijn vijfhoekige bastions en breede omringgracht 
volgens het ontwerp van den Alkmaarschen burgemeester 
Mr. Adriaan Anthonisz. werd aangelegd, werd de zee- 
wering gevormd door de tegenwoordige Breedstraat en 
den Visschersdijk en stond Be oude stadsmuur ongeveer 
ter plaatse van wat nu heet Spaanschleger, Paul-Potter- 



i) Vele kerkelijk-hisiorische bijzonderheden heb ik hier en daar 
verspreid gevonden bij en verzameld uit: G. Brandt, Historie der ver- 
maerde zee- en koopstadt Enkhuizen, die zelf niet zelden geput heeft 
uit de met zorg uit officieele stukken afgeschreven Aanteekeningen van 
Jan Simonsz. Blaeuhulck, bewindvoerder der Oost-Indische Compagnie, 
t 1628. De ie druk dateert uit 1666, maar werd door .S". Centen met 
Vervolg der historie te Hoorn in 1747 uitgegeven. 

H. V. Heussen, Batavia Sacra, Bruxellis en Ultrajecti 1754, II, bl. 449 — 451. 

H. V. Rijn, Oudheden en gestichten van Amstelland, Noordholland en 
West-Friesland, Leiden 1721, 2e dl. bl. 390 v.v. 

E. V. d. Hoof, Ilandtvesten, privilegiën enz. der stadt Enchuysen, 
1667 Enkhuizen, 

en uit andere bronnen, die zullen worden aangegeven. 



393 

straat, Prinsenstraat en Paktuinen van zee tot zee. De 
huidige Oude Westerstraat was de hoofdverbinding van 
de Breedstraat (toen De Dijk geheeten) met de Wester- 
poort; doch de weg hierbuiten tot de latere Koepoort 
in den vestingwal (nu Nieuwe Westerstraat) en het 
verleng-eind hiervan tot de banne van Bovenkarspel 
(nu het Westeind) behoorde kerkelijk tot Enkhuizen 
en wel onder het territorium van de Westerkerk, die 
vlak bij de oude Westerpoort stond, 't welk van ouds 
Gommerskarspel genoemd werd. Tegenover dit westelijk 
gedeelte lag Oostelijk Enkhuizen aan de zee. 

Deze situatie-beschrijving, voor vreemdelingen mis- 
schien minder duidelijk, is toch noodig om te begrijpen, 
hoe de stad vroeger in twee parochies verdeeld was en 
hoe 't mogelijk was, dat de westelijke parochie (juist 
door de twee verlengstukken buiten de poort) omstreeks 
1800 en de oostelijke slechts circa 500 kommunikanten 
telde bij de bekende Informacie in 't jaar 15141). 

Graaf Willem V gaf op Woensdag na St.-Paulus- 
bekeering 1355 aan de „lieven ende getrouwen luyden 
van Enchuysen ende van Gommerskarspel" poortrecht 
en verlof voor een jaarmarkt van 14 dagen, „daer men 
alle jaeren dat kruys af rechten sal", doch bepaalde er 
tevens bij, dat voortaan beide stadsgedeelten zouden 
heeten Enchuysen, westwaarts strekkende tot aan de 
banne van Bovenkarspel en naar de andere zijden tot 
aan de zee -). Doch in den wandel bleef het westelijk 
stadsgedeelte zeker tot in 't begin der i6de eeuw heeten 
Gommerskarspel en het oostelijk Enkhuizen 3). 

De oude kerk in dit gedeelte was toegewijd aan 



i) Bijdragen v. d. geschiedenis v. h. Bisdom v. Haarletn, II, i 

2) E. van den Hoof, bl. 4 en 5. 

3) De tweede schets hopen wij te wijden aan Clonimerkarspel. 



394 

Sint Paulus, misschien als beschermheilige tegen schip- 
breuk en „gevaren op zee" (II Cor. XI, 26) en was in 
't jaar 1325 buitendijks, d. i. ten oosten van de tegen- 
woordige Breedstraat gelegen. Ten oosten van den 
Wierdijk, de tegenwoordige zeewering, ligt nu nog 
in zee een zandplaat, die den naam draagt van „het 
Kerkhof". Behalve deze St.-Pauluskerk hadden de 
Enkhuizers ook een kapel, welke binnendijks gelegen 
was, waarschijnlijk ter plaatse waar nu de monumentale 
Zuidertoren staat, welke toegewijd was aan den 
H. Martelaar Pancratius i). 

In 't jaar 1398 schonk de proost van Westfriesland 
Franciscus, kardinaal-priester van Santa Susanna, aan 
de parochianen van geheel Enkhuizen — hij hield zich 
aan bovengenoemde grafelijke combinatie — het voor- 
recht „de non evocando", d. w. z. dat bij het „zeenen" 
(het houden van geestelijk recht) geen poorter noch 
door den proost noch door den deken (die gewoonlijk 
te Hoorn woonde) noch door iemand anders buiten de 
vrijheden der parochiekerken mocht gedaagd worden 2). 

Hieromtrent werd in 1559 nog bepaald, dat de deken 
vooraleer te Enkhuizen te komen eerst in Oudorp, Hoorn 
en Medeblik moest zeenen en dat alsdan de burge- 
meesters, die de onkosten van drank bestreden, bij den 



1) In Phrygië uit aanzienlijke en brave ouders, Cleonius en Quirina 
gesproten, verhuisde hij na hun dood onder de voogdij van zijn oom 
Dionysius naar Rome, waar hij onder de vervolging van Diocletiaan en 
Maximiaan voor 't H. Geloof onthoofd werd aan de Via Aurelia, waar 
zijn lichaam begraven werd door de aanzienlijke Octavilla. Een ge- 
deelte zijner Relieken werden later overgebracht naar de San Pancrazio 
in Trastevere ; bij mijn bezoek van dit thans verlaten heiligdom op 
I Mei 19 13 bleek mij, dat die Relieken in den woesten tijd van 1798 
uit het altaar verdwenen waren. Zijn Feest wordt gevierd 12 Mei en 
volgens het Missale Romanum was b.v. op Dominica in Albis er Statio 
ad S. Pancratium. Zie Analecta Bollandiana, Parisiis 1891, torn, X, bl. 53. 

2) E. V. d. Hoof, bl. 17. 



395 

deken te gast zouden komen ^). Gelijk we later in de 
schets van de Enkhuizer kloosters vóór de hervorming 
hopen te vermelden, gebeurde dat alles in 't mooie z.g. 
Patershof. 

Nadat de St.-Elisabethsvloed zooveel land had doen 
verloren gaan en waarschijnlijk wel als gevolg daarvan, 
gaf hertog Jan van Beieren op den 4en Augustus 1422 
aan de Enkhuizers verlof — hun kerk stond evenals 
die van Gommerskarspel ter begeving aan de hertogen 
of graven — de St.-Pauluskerk af te breken en eene 
nieuwe kerk binnendijks, dus ten westen van de Breed- 
straat, te gaan bouwen. Men besloot nu aan te bouwen 
aan de St. Pancraskapel, ten oosten hiervan op 't z.g. 
Rietbosch. In 1423 of 's jaars daarna werd met den 
nieuwen bouw begonnen en, gelijk uit het verschil van 
balken, metselwerk enz. op te maken is, werd het werk 
vervolgd in 3 tempo's, waarschijnlijk naar gelang van 

de behoefte en de beschikbare middelen ; toch 

schijnt de bouw in 1450 reeds zóóver gevorderd te 
zijn dat de oude kapel kon worden afgebroken. Als 
men nu in overweging neemt, dat de parochie hoogstens 
500 kommunikanten telde, dat (gelijk in 1623 bij het 
zetten van een nieuw doodbeenderenhuisje moet ge- 
bleken zijn) de muren even diep in als boven den grond 
zijn, dat de nieuwe kerk, al is ze niet bijzonder hoog, 
in twee beuken werd opgetrokken en dat men na den 
afbraak der kapel terstond begon met den bouw van 
een toren vlak vóór den zuidelijken beuk, dan gevoelt 
men bewondering voor den geloofsijver en de milddadigheid 
dier toenmalige Enkhuizers. Die bewondering zal hooger 
klimmen, als we zien wat ze hebben gedaan tot ver- 
siering van hun nieuwen tempel èn door den fieren 



I) G. Brandt, bl. 



396 

toren buiten en door het schoone schilderwerk daarbinnen. 

Hier zij vermeld, dat het nieuw Godshuis met de 
standplaats ook den Patroon der oude kapel erfde en, 
als ten zuiden van de Oude Westerstraat gelegen, ook 
de „Zuiderkerk" genoemd wordt. 

Gelijk zooeven gezegd is, begon men met den toren- 
bouw reeds in 1450 en ondanks den kolossalen omtrek 
vorderde men daarmee voorspoedig, want in 1458 had 
men een hoogte van 40 M. bereikt, tot boven de nog 
huidige klokgalmgaten, waarna het bouwwerk met een 
lage kap werd afgedekt. Waarschijnlijk werd die bouw 
zoo bespoedigd door het verlangen der parochianen 
naar klokgelui; want sinds lang zweeg de klok van de 
oude St.-Pauluskerk, doch te Utrecht vergoten en ver- 
zwaard werd deze in 1459 opgehangen. Nu volgde 
er een intermezzo van 60 jaren. Men zal zich toen 
meer bijzonder op de inwendige versiering van Gods 
huis hebben toegelegd. Intusschen werd in 1509 eene 
nieuwe klok in den toren opgehangen, nl. de „Salvator". 
Negen jaar later werd de torenbouw hervat. Misschien 
waren de parochianen van Sint Pancras daartoe aan- 
gevuurd door het goede voorbeeld van die uit Gommers- 
karspel, welke in 15 18 ten oosten van hun grootsch 
kerkgebouw een vrij hoog houten klokkenhuis, dat 
reeds 't volgend jaar gereed was ! begonnen op te trekken. 
Hoe het ook zij, het steenwerk van den Zuidértoren 
werd nog enkele meters boven de galmgaten opgehaald 
tot aan den eersten omgang en de geheele bouw was 
voltooid in 1524 door het afwerken der spits, die boven 
de plaats voor een carillon bestemd een tweeden om- 
gang kreeg en in 1533 geheel met koper werd bekleed, 
voor welk doel pastoor Simon Blaeuhulck een gedeelte 
zijner nalatenschap had geschonken. 

De bouw had dus 75 jaren geduurd; maar de toren 



397 

had dan ook een hoogte van 75 meters bereikt en het 
monumentale en massieve gebouw was en is vooral 
voor de visschers-parochianen een baken in zee! 

Nu in eigendom der burgerlijke gemeente, is hij vóór 
enkele jaren solied en fraai gerestaureerd ^). 

Aan het een en ander herinnert het inschrift boven 
den ingang van den toren: „Incepta 1450. Perfecta 1533. 
Renovata 1909." 

Hierboven werd gezegd, dat de spits een met opzet 
daartoe ingerichte plaats biedt voor een carillon en 
nog wel een zeldzaam mooi carillon ! Het bestaat nu 
uit 36 klokken. Hiertoe behooren: 

1°. de „Joannes". Deze is de klok der oude St. Paulus- 
kerk, welke, gelijk boven is gezegd, reeds in 1459 g^" 
plaatst werd in den half-opgetrokken toren. Na in 15 18 
nogmaals vergoten te zijn, droeg hij den zoo-even ge- 
noemden naam, 

2°. de „Salvator". Deze is de grootste der twee lui- 
klokken, met een middellijn van 1.55 M., doch kan 
met het speelwerk verbonden worden. Gelijk reeds ge- 
meld is, dateert ze uit 1509 blijkens het randschrift, 
't welk naam en doel en gieter tevens aangeeft : „Salvator . 
is . mijn . naem . mijn . gheluit . sij . Gode . bequaem , 
Gerhardus . de Wou . me . fecit , anno . Domini . 
MCCCCCIX." 

In 1 5 1 1 leende Enkhuizen van het Regulierenklooster 
bij Haarlem vijf „enckel gouden Koevorster guldens" -). 
Zou dat misschien een gemeentelijke subsidie voor het 
betalen van deze klok geweest zijn.? 

Van denzelfden klokkegieter, doch in 1523 gemaakt, 



1) De spits is geheel vernieuwd; ook de zware steenen ballustrade, 
ter plaatse van den eersten omgang en de pinakels aan den onderbouw 
zijn nieuw. 

2) £. V. d. Hoof, bl. 62. 



398 

zijn er nog 3 klokken in Enkhuizen ; deze hangen bij 
de 20 door Gebrs. Hemony circa 1675 gemaakte carillon- 
klokken van de z.g. Drommedaris ^) en hebben als 
randschrift : „Jhesus . Maria . Joannes . Gerhardus . de . 
Wou . me . fecit . anno . Domini . MCCCCCXXIII" 2). 

3°. De heeluurklok, wier naam en maker mij niet 
bekend zijn. Dit is de grootste, want zij heeft een 
diameter van 165 duim en werd eveneens in 1523 
gegoten. 

De meeste andere klokken zijn uit de werkplaatsen 
der Hemony's 2), 

Het carillon is nu nog een dagelijksch genot voor 
de Enkhuizers, die dankbaar mogen zijn, dat de oude 
St.-Pancrasklokken niet door Mr. Hendrik van Trier 
vergoten zijn tot geschut, waartoe de Prins van Oranje 
op 27 Maart 1573 verlof had gegeven en waartoe andere 
klokken en schellen van kapellen en kloosters volgens 
Brandt werden gebruikt. 

Na nog vermeld te hebben, dat in 1604 het oud 
uurwerk werd overgebracht naar het klokkehuis der 
Westerkerk en een geheel nieuw werd geplaatst in den 
St. Pancrastoren, stappen we hiervan af. 

Men beweert ^), dat de kerk inwendig is versierd 
geweest door geschilderde ramen en muurschilderingen; 
de gebrande glazen zijn er niet meer en we willen hopen, 
dat het in de toekomst met de beweerde schilderingen 
op de muren even voorspoedig moge gaan als met de 



i) De Drommedaris, eertijds Zuiderpoort, is een fameus sterk gebouw 
en maakte een deel uit van de verdedigingswerken der stad aan de 
zeezijde en beheerschte den toegang tot de havens; het ronde gebouw 
is eigenaardig van een half rondeel voorzien, vanwaar die benaming 
nu nog in den wandel. 

2) D. Brouwer, Gids van Enkhuizen, 19 15, bl. 41, 42 en 19, 

3) D, Brouwer^ bl. 19. 



399 

zolder- en absidenschilderingen, waarover nu veel merk- 
waardigs kan medegedeeld worden. 

In het jaar 1484 toch, toen de daken der beide 
beuken geheel met eikenhout beschoten waren, werd 
aan een waar kunstenaar, wiens naam helaas! tot dus- 
verre ons onbekend is gebleven, opgedragen om het 
heele gewelf der beuken en ook der koorafsluitingen 
te beschilderen met tafereelen uit het Oud en het 
Nieuw Testament. Omdat het stedelijk bestuur besloot 
voortaan in het onderhoud van den schilder en diens 
gezin te voorzien, bewijst dat men toen zeer voldaan 
was over den arbeid en terecht, gelijk nu sinds enkele 
jaren is gebleken. Gelijk op andere plaatsen, bv. te 
Haarlem, Naarden enz., zoo werd ook in de St. Pancras- 
kerk na de alteratie in 1609 het geheele schilderwerk 
door een kalklaag onzichtbaar gemaakt. Dat aanschouwelijk 
godsdienstonderwijs van de oude en praktische Moeder- 
kerk was voor de „erklarte" menschen van „geest en 
waarheid" niet meer noodig! En daar was nogwel bij 
ordonnantie van 16 Januari 1594^) door het stadsbestuur 
besloten, dat „niemandt met krijt, hout-kool ofte andere 
materialen sal mogen schrijven aen eenige mueren ofte 
calommen binnen de kercken op poene van 't opperste 
kleet vanden ghebrekende" ! 

Doch gelukkig is men nu sinds 19 10 bezig om het 
aloude schilderwerk bloot te leggen. Het plan daartoe 
werd in 1903 opgevat door den heer J. W. Lakenman, 
kerkvoogd der Zuiderkerk, die daarom hier met lof 
dient genoemd te worden. Voor die blootlegging, welke, 
naar men begroot, ƒ lo.ooo moet kosten, werden den 
kerkeraad bijdragen toegezegd door het Rijk, de Ver- 
eeniging „Rembrand" en het Kon. Oudheidkundig ge- 



I) E. V. d. Hoof, bl. 195. 



400 

nootschap en op heden zijn er onder toezicht en leiding 
van Jhr. dr. J. Six verschillende voorstellingen voor den 
dag gekomen, welke geroemd worden om teekening en 
compositie. 

Het zijn alle bijbelsche tafereelen, welke de oude 
kunstenaar schijnt geschilderd te hebben naar de oude 
houtsneden van het Speculum humanae salvationis ^), 
waarvan juist één jaar tevoren in 1483 Joan Veldener 
te Kuilenburg eene nieuwe hollandsche uitgave had 
bezorgd onder den titel van Spieghel onser Behoudenisse. 

Jhr. Six is voornemens, zoodra de blootlegging zal 
voleindigd zijn, eene met de voornoemde houtsneden 
vergelijkende en den onderlingen samenhang verklarende 
beschrijving dier voorstellingen te geven. 

Bij voorbaat hem daarvoor dankbaar, kan ik toch 
niet nalaten den lezer een kort verslag aan te bieden 
van hetgeen tot Kerstmis van het vorig jaar weer zicht- 
baar is geworden. 

In de noorderdÜQsxs: de stamboom van Jesse. Boven 
de Moeder Gods met het Kindje Jesus, in 't midden 
de slapende Jesse, aan de beide zijden zes figuren, 
waaronder waarschijnlijk David met koningskroon. 

In de ^z^zV/^rkoorafsluiting : het laatste oordeel. In 't 
eerste vak aan de noordzij de hemelpoort en aan de 
zuidzij de hel ; in 't tweede vak Elias in de wagen met 
vurige paarden zijn mantel latende vallen op Eliséus 
als type van Christus, die ten hemel vaart. 

Waarschijnlijk tengevolge van de zonniger ligging is 
de schildering in deze zuiderabsis beter bewaard en het 



1) Dit Speculum werd als Biblia pauperum reproduced in facsimile 
from one of the copies in the British Museum" door J. Ph. Berjeau 
uitgegeven te Londen in 1859. Zie: Catalogus van de handschriften 
en boeken v. h. Bissch. Museum te Haarlem, No. 1131. 



40I 

eikenhout hier iets blanker gebleken dan in de noorder- 
koorafsluiting. 

In het zuiderkoor zijn ook blootgekomen vrij goed 
leesbare latijnsche opschriften, in fraaie gothische letters 
op banderollen. 

In de gewelven der beide beuken zijn al de tafereelen 
gevat in randen van gothische boogjes, die distelachtige 
bloemen verbinden ; 't zijn mooie breede ornamenten, 
die veel doen denken aan verluchte handschriften. Op- 
merkelijk is, dat die voorstellingen in de beuken eene 
liturgische plaats hebben, d. w. z. die van het Oud 
Testament zijn geschilderd op het zuidergewelf en dus 
aan den epistelkant en die uit het Nieuw Verbond op 
het noordergewelf, aan de evangeliezijde. Daarenboven 
zal de wél onderrichte beschouwer opmerken, dat er 
een goed doordacht verband bestaat tusschen de tegenover 
elkaar ter noorder- en ter zuiderzijde geplaatste tafereelen, 
waarvan enkele voorbeelden : 

1. Aan de epistelzijde : de drie helden, welke het water 
uit Bethlehems put brengen aan David. 

Aan de evangeliezijde: de drie koningen door het 
sterrelicht geleid naar het Kind Jesus te Bethlchem, 
die na hun thuiskomst hunne landgenooten lesschcn 
met het aqua vitae der Christelijke waarheid en genade. 

2. Aan het zuidergewelf: de troon vermoedelijk van 
Salomon, tot wien de Koningin van Saba kwam. 

Aan het noordergewelf: het Goddelijk Kind aan- 
beden en met mystieke gaven gehuldigd door die 
Wijzen („Omnes de Saba venient caet.") 

3. Links: de droom van den schenker van Pharao, later 
in eer hersteld. 

Rechts : Christus' geboorte ^) in den Kerstnacht, 

i) Dit tafereel heeft veel overeenkomst met .de bekende voorstelling 
van Lucas van Leiden. 

26 



402 

schoener dan de dagen, waardoor wordt aangekondigd 
het Hcht der genade en glorie. 

4. Aan de epistelzijde : David en Goliath. 

Aan de evangeliezijde : Christus door den duivel 
bekoord in de woestijn. 

5. Aan het zuidergewelf: Samgar verslaat 600 Philistijnen. 

Aan het noordergewelf : Jesus van Nazareth tegenover 
de bende dienst- en krijgsknechten na Judas' verraad. 

6. Links : de mannaregen in de woestijn. 

Rechts : de instelling van de Allerheiligste Eucharistie 
in het Cenakel. 
Tot de versiering van een Godshuis wordt ook niet 

weinig bijgedragen door de altaren. Tot mijn spijt heb 

ik maar twee altaren en een kapel, naar ik vermoed, 

niet zonder altaar, vermeld gevonden : 

1°. Een altaar „venerabilis Sacramenti" (misschien het 
hoogaltaar in den noorderbeuk). Het bezat eene vicarie, 
waaraan vermaakt was „de helft van IX» morgen 
in den dorpe van Hem onder de kerck, een koeweij 
sijnde omtrent een 1/3 morgen bij Enchuysen en aen 
renten sjaers 6:0:0. Van deze vicarie was in 1571 
Alard Jacobsz. van Kuilenburg de bezitter ^). 

2°. Een altaar van den H. Joannes den Dooper, Aan 
de vicarie van dit altaar was vermaakt „omtrent 
5 morgen lants" ^). 

3°. De kapel van het H. Kruis. Ze is van jongeren 
datum dan de kerk, waaraan ze rijzig onder twee 
kappen naar het noorden, dus in de richting naar 
de Oude Westerstraat in of na 15 16 werd aange- 
bouwd. En welke was de aanleiding tot dezen uit- 



1) Bijdragen, IX, 141, waar nog hieromtrent vermeld wordt: «Col- 
latrix Amsterdamensis de sanguine fundatoris, sed hic D. Alardus Jacobi 
obtinuit jure devoluto." Vgl. t. a. pi. XV, 65. 

2) Bijdragen, XV, 66. 



403 

bouw? Volgens de z.g. Divisie-Kronijk^) had een 
meisje in Noorwegen na het ontvangen der Paasch- 
communie gevomeerd tegen een boom, waaraan later 
een crucifix was gegroeid. Dit kruis moet overgebracht 
zijn naar Enkhuizen in de St.-Pancraskerk, waar 
het bijzonder vereerd werd en die vereering zou 
bekroond geworden zijn door meerdere wonderlijke 
genezingen, ja zelfs moeten in Augustus 1 5 1 5 vele 
aanzienlijken ter eere daaraan milde offergaven hebben 
gestort. Elders heb ik dit verhaal niet bevestigd 
gevonden, doch een feit is, dat de Kruiskapel kort 
hierna is gebouwd en dat in de Acta Capituli Harle- 
niensis van 8 Juli 1631^) genotuleerd staat: „Lecta 
sunt a D. Secretario notata quaedam antiquitatis 
pro Domino Wolffio [2en pastoor van Enkhuizen na 
de hervorming en kanunnik] de Crucifixo miraculoso, 
de quo Chronica HolL, Div. 32, C. 45." 
Aan het slot van deze schets van Oostelijk Enkhuizen 
vóór de hervorming geven wij de biografische bijzonder- 
heden, welke hier en daar gevonden zijn over de 
geestelijken, die daar hebben gearbeid. Gelijk reeds is 
vermeld, werd de Kerk begeven door de Hollandschc 
graven. H. v. Rijn 3) schrijft, dat er geen pastoorshuis 
was, dat de pastoor aan vast inkomen jaarlijks slechts 
4 rhijnsche guldens genoot, doch uit manualia nog 
51 rhijnsche guldens daarenboven ontving en verplicht 
was dagelijks een gelezen, maar op Zon- en Heiligen- 
dagen een gezongen H. Mis te doen en op sommige 
tijden te preeken. Het behoeft niet betoogd, dat die 
opgave van het honorarium betrekking heeft op de 15de 



i) De Kronijk van Hollandt^ in 1 5 17 te Leiden gedrukt bij Jan Severts, 
Div. 32, bl. 433; vgl. G. Brandt, bl. 59. 

2) Bijdragen^ III, 157. 

3) T. a.pl., bl. 361, 365. 



404 

of i6de eeuw, want in den vroegeren tijd moet er in 
Enkhuizen een zekere Melchior i) gearbeid hebben, een 
echte missionaris, die te midden van zijne visschende 
parochianen, welke nog al eens door hooge watervloeden 
geteisterd werden, aanvankelijk een vrij sober bestaan 
had en nu eens bij deze dan bij gene 't noenmaal 
genoot; later, toen het den menschen wat beter naar 
den vleesche ging door gelukkiger vischvangst — de 
lezer excuseere de contradictio in terminis ! — zou hij 
bij de meest gegoeden ook het avondmaal hebben ge- 
bruikt en bij gelegenheid van uitvaart, maandstond en 
jaargetij van lederen overleden parochiaan genoten hebben 
een geheel brood, twee pond boter en eene kanne biers. 
Het verhaal komt mij wel wat onzeker voor, evenals de 
opgegeven tijd van zijn leven, welke door sommigen 
omstreeks het jaar iioo doch door anderen vroeger en 
weer door anderen veel later bepaald werd. 

Anno 1356 deed zekere Willem Nanne afstand van 
zijne geestelijke bediening — welke, wordt niet vermeld — 
en kreeg daarin tot opvolger Jan Hert 2). Ik dien hier 
bij te voegen, dat niet buitengesloten is de mogelijkheid, 
dat deze beide geestelijken verbonden zijn geweest aan 
de St.-Gommaruskerk of misschien aan een ander geestelijk 
instituut. 

Hendrik Roelof sz. is in of vóór 1440 als pastoor der 
St. Pancras gestorven en in genoemd jaar in dat 
herderlijk ambt opgevolgd door Volkert Jansz. 3). 

In 1442 wordt genoemd Jan Thomasz., aan wien 
hertog Philips op 19 December de Costerije der kerk 
vergaf *). 

1) G. Brandt, bl. 5. 

2) By dragen, II, 191. 

3) T.a. pi. II, 191. 

4) E. V. d. Hoof, bl. 28. 



405 

Anno 1505 was of werd "pastoor Rtckard Reiniersz.^). 
Bij de z.g. Informacie van 15 14 gaf hij op, toen 
omstreeks 36 jaren oud te zijn en slechts 500 kommuni- 
kanten te hebben ^). Gelijk ik hierboven heb doen op- 
merken, was dus toenmaals het St.-Pancraskarspel veel 
kleiner dan Gommerskarspel, 'twelk toen omtrent 
1800 kommunikanten telde. 

In 1526 was Simon Blaenhiilck pastoor en maakte 
zich verdienstelijk bij den afbouw van den Zuidertoren. 
Volgens G. Brandt schonk hij reeds in 1526 veel geld 
daarvoor. Toen hij later ter pelgrimstocht naar Jerusalem 
ging, bezat hij nog een hof aan de Oude doelen te 
Enkhuizen en eene pretentie op het Utrechtsch Bisdom. 
De man had bepaald een goed hart, want vooraleer te 
vertrekken verkocht hij dien hof voor ƒ300. — , maar 
onder voorwaarde dat de kooppenningen slechts behoefden 
gestort te worden, indien hij van zijn reis te Enkhuizen 
zou zijn teruggekeerd. Maar op de terugreis werd hij te 
Venetië opgeroepen naar het hemelsch Jerusalem, naar 
we durven vertrouwen, en wel in 1532; bij laatste wils- 
beschikking bestemde hij zijne voornoemde pretentie 
voor de koperbekleeding der torenspits en te Venetië 
werd zijn graf gedekt met een steen, waarop gebeiteld 
waren zijn naam en zijn standplaats en zijn wapen. 

In 1541 bezat Christiaan Zeegers een beneficie in 
de St. Pancras. 

In 1546 wordt een zekere yi//«r/ als beneficiaris aldaar 
vermeld ; misschien is hij dezelfde als Alard Jacobsz. 
van Kuilenburg, die in 1571 de vicarie op het altaar 
„venerabilis Sacramenti" bezat 3). In 1558 was volgens 



1) H. V. Rijn schrijft bl. 365 verkeerd: R. Reimerze. 

2) Bijdragen, II, 191. 

3) Bijdragen, IX, 141 ; XV, 65. 



4o6 

Brandt i), zekere Jan pastoor te Enkhuizen ; dat zal dan 
wel aan de St.-Pancras geweest zijn, omdat in dat jaar 
Corn. Kooltuin pastoor der St.-Gommaruskerk was. Over 
dezen nieuwgezinden priester hopen wij later te handelen, 
maar ook pastoor Jati schijnt niet zuiver van nieuw- 
gezindheid geweest te zijn. Tenminste hij is bij den 
Bisschop aangeklaagd geworden wegens „het bestraffen 
van eenige Pauselijke doolingen". Toen hij echter ter 
verantwoording gedaagd was, wist de Enkhuizer burge- 
meester Jan Albertz. Groot hem te Utrecht persoonlijk 
zóó te verdedigen, dat de dagvaarding werd ingetrokken 2), 

We komen nu aan het jaar 1561 en daarmee aan 
den ongelukkigen pastoor Andries Dirksz., een man die 
ontzettend veel kwaad in Enkhuizen heeft gesticht, nog 
meer dan Corn. Kooltuin in Gommerskarspel. 

Vóór 1561 was Andr. Dirksz. pastoor te Castricum, 
waar St. Pancras ook de kerkpatroon was. Bij zijn vertrek 
uit dit landelijk kerspel liet hij zijn reformatie-w^«/^/ 
achter om de schouders van zijn opvolger aldaar 
Jan Pietersz. en bracht zijn reformatie-^^^j-/ over de 
roomschen van St. Pancras en ongetwijfeld ook van 
St. Gommarus te Enkhuizen. Al heel gauw werd hij na 
zijn aankomst alhier als 'n formeele ijveraar voor de 
nieuwe leer aangeklaagd bij Rudof Strackman, den 
West-frieschen deken, die hem ter verantwoording naar 
Hoorn ontbood en voorloopig bij zich hield in verzekerde 
bewaring. Met behulp van eenige zijner geestverwante 



i) T. a. pi., bl. 108, 109. 

2) In het voorbijgaan zij vermeld, dat in 1559 op den 2en Maart te 
Leuven gestorven is een groot Enkhuizer, nl. Mr. Ruard Tapper, 
professor aan de Leuvensche hoogeschool, inquisiteur-generaal der 
Nederlanden, van wiens leerlingen, naar men zegt, geen enkele van 
het Geloof is afgevallen. Hij vermaakte aan de armen geheel zijn ver- 
mogen en aan de bibliotheek der Universiteit zijne boeken, die vt^aar- 
schijnlijk in 1914 ook de prooi van 't oorlogsvuur zijn geworden. 



407 

gemeentenaren wist hij echter op 'n behendige wijze te 
ontvluchten buiten het dekenaat op 31 JuH 1561. Hij 
bleef daarbuiten zeker tot 13 December 1562, en pas 
na 25 Juli 1566 trad hij te Enkhuizen als „predikant" 
op. Wel moest hij na Alva's komst in 't volgend jaar 
aangeklaagd om een toegediend doopsel zich wat 
kalmeeren en zijn eigen moeder Trijn Jans, ook al 
meegesleept in de dwaling, bij vonnis van 14 April 1570 
in ballingschap zien gaan, doch, nadat Enkhuizen op 
21 Mei 1572 de partij van den Zwijger had gekozen, 
werd hij een der voornaamste verspreiders van de 
reformatie in en buiten de stad. Op 25 Juni 1590 
presideerde hij eene synode te Hoorn ; bij die gelegenheid 
bleek hij „geschillig met de gereformeerde kercken, 
namelic int stuc van de praedestinatie, maar heeft den 
Synodo genoechsaem contentement gedaen" ^). 

Cornelis Hendriksz., de verbannen pastoor van Kuinre 
vlak aan de overzijde der Zuiderzee, kende den afvalligen 
pastoor van St. Pancras allicht van jaren her ; zoo niet, 
dan heeft de rustelooze missionaris tijdens zijn arbeid 
in Augustus 1595 te Bovenkarspel, misschien ook te 
Enkhuizen, ongetwijfeld veel gehoord van diens ergenissen. 
Hoe het ook zij, tot tweemaal toe heeft Cornelis Hendriksz. 
per brief getracht Andries Dirksz. van het dwaalpad 
terug te brengen ; de tweede brief werd uit Alkmaar 
verzonden op 18 Juli 1596 en is te vinden in de 2de af- 
deeling van het 8ste deel der geschreven Sermonen van 
pastoor Hendriksz., die bewaard worden in de parochiale 
bibliotheek te Limmen 2). 

Sinds het jaar 1572 is de St.-Pancraskerk in gebruik 
van de Nederl. hervormden. De parochiekerk van 



1) Bijdragen, XXI, ii6. 

2) Bijdragen, XV, 459. 



4o8 

St. Franciscus Xaverius te Enkhuizen is in 't bezit van 
een oud kazuifel, waarop volgens de meening van 
^'ig^- J- J- Graaf borduurwerk uit de vijftiende eeuw, 
o. a. de geboorte van Christus en de aanbidding der 
drie Magiërs ; 't welk in leenbruik is afgestaan aan het 
Bisschoppelijk Museum te Haarlem. Wanneer de groote 
overeenkomst, die er bestaat tusschen de voorstelling 
van Christus' geboorte op de gewelfschildering en die 
op deze kazuifel, hiertoe genoeg grond biedt, dan zou 
men in dit grootendeels goed bewaard en kunstig bor- 
duurwerk een dierbaar overblijfsel kunnen zien van den 
katholieken eeredienst in de aloude St.-Pancras- of 
Zuiderkerk i). 

De roomsche vereering van den jeugdigen Martelaar 
Pancratius zelven was omstreeks 1670 aan het herleven 
in het aan Hem toegewijd statiekerkje aan het Venedie, 
(eene nu gedempte verbindingsgracht tusschen Dijk en 
Oude Westerstraat); maar stierf ten tweede male, toen 
de pastoor dier statie omtrent 1720 jansenist werd. Ze 
ontlook echter weer in frisch-jeugdige kracht 140 jaren 
later, toen pastoor Jacobus Cornelis va?i '/ Rood voor 
het onderwijs van meisjes onder leiding van de Reli- 
gieusen der Congregatie van O. L. Vrouw te Amersfoort 
het Sint-Pancrasgesticht opende. Op 14 Augustus 19 12 
werd de vriendelijke parochiekerk te Enkhuizen verrijkt 
met een Reliek ex ossibus en op 5 Januari 1913 met 
een beeld (geschonken door den Heer P. Koomen) van 
St. Pancratius. Blij en dankbaar weerklinkt nu weer bij 
het Lof, dat ingevolge Bisschoppelijke permissie van 
13 September 19 12 wordt gehouden op eiken 2en Zondag 
der maand in de St. Franciscus-Xaverius het lied ter 



i) De Heer C. de Vries te Amsterdam verklaarde in 1902 aan 
Pastoor N. Nieuwenhuizen, dat het wel een waarde van ƒ 5000. — heeft. 



409 

eere van den aiouden Patroon van Oostelijk-Enkhuizen 
vóór de hervorming : 

O edele Pancratius, Patroon der Christenjeugd, 
Thans schittrend in de glorie, verwerf ons uwe deugd. 
Vraag voor de Enkhuizer kindren uw deugden onverlet: 
Gehoorzaamheid en reinheid en godsvrucht bij 't gebed. 

II. GOMMERSKARSPEL. 

Het westelijk deel van het tegenwoordig stadje Enk- 
huizen heette vroeger Gommerskarspel, 't welk zijn 
naam ontleende aan den Stichter en later Patroonheilige 
van Lier bij Antwerpen, St. Gummarus, aan Wien de 
parochiekerk van dat westelijk gedeelte was toegewijd i). 
Vóór het j.1, bombardement was de prachtige laat- 
gothische hoofdkerk van Lier met haren kostbaren 
Reliekschrijn onder het altaar der St.-Pieterskapel niet 
alleen een geliefd bedevaartsoord maar ook de glorie 
van deze stad en hare omgeving. Maar niet minder 
fier waren en zijn nóg de Enkhuizers op hun Gommers- 
kerk, ook Westerkerk geheeten. Ze dagteekent evenals 
de St. Pancras- oT Zuiderkerk uit de 15de eeuw, en 
er ging ongeveer 100 jaar overheen, vooraleer ze haar 
tegenwoordige grootte had verkregen 2). De stichting 
van twee dusdanige tempels c. a. in een stadje van 
schier 2300 kommunikanten getuigt zeer zeker van 



i) Als 'k me niet vergis, is de mooie kerk te Steenbergen nu de 
eenigste St.-Gommerskerk in ons land. 

De H, Gummasus was omstreeks het jaar 700 te Emblehem ge- 
boren; door den Frankischen koning begeven met een «heerlijken" 
titel en een uitgestrekt grondgebied, bouwde hij thuis uit den strijd 
tegen de Saracenen teruggekeerd, op kleinen afstand van Emblehem 
een kerkje ter eere van de H.H. Petrus en Paulus en hiernaast een 
klooster voor kanunniken, welke beide reeds in 800 de kern waren 
van een stadje, 't welk later is uitgegroeid tot de stad Lier. Hij stierf 
op den iien October waarschijnlijk in 774. 

2) G. Brandt, t. a. pi., bl. 24. 



4Ï0 

liefde en geloofskracht. Merkwaardig is tevens, dat de 
bouw van onze Westcrkerk vrijwel samenviel met dien 
van de St. Gummarus te Lier, waar men begon in 
1377 en eindigde in 1517^). 

Onze Gommerskerk, natuurlijk georiënteerd evenals 
de St. Pancras, heeft drie zeer hooge beuken, van 
elkaar gescheiden door twee rijen hooge zuilen, welke, 
bekroond door bladkapiteelen, steunen op achthoekige 
basementen. De koorafsluiting wordt gevormd door drie 
zijden van een achthoek met twee achtzijdige torentjes 
in de beide hoekpunten. 

De St. Pancras met hare twee veel lagere kappen 
kreeg sinds 1450 haren monumentalen toren vóór zich; 
de luyden van St. Gommert maakten het plan om 
boven op hun kerk een hoogen toren te zetten ; de 
fundamenten daarvoor liggen onder de middelste kap, 
doch de omliggende kloosters, zegt men 2), hebben dat 
belet. Toen nu in 15 18 het steenwerk van den St.-Pancras- 
toren werd opgehaald tot den eersten omgang, bouwden 
de parochianen van Gommerskarspel in 15 19 enkele 
meters ten oosten van den middelbeuk hunner kerk 
een houten klokkehuis, rustend op een vierkanten steenen 
onderbouw, ongeveer even hoog als de kappen, 't welk 
naast de sierlijk-grootsche afmetingen van het kerkge- 
bouw een ietwat zonderling voorkomen heeft. 

Evenals de twee torentjes aan oostelijke koorapsis, 
is de doopkapel aan de westzijde der kerk, ten zuiden 
van den ouden ingang in het middenschip, achthoekig 
uitgebouwd. 



1) Zoovele merkwaardige gebedsverhooringen hadden er tijdens dezen 
bouw der Liersche kerk plaats — de notaris Perre vermeldt er niet 
minder dan 65 alleen op het jaar I475 — > ^^^ ^^ H. Ridder toen- 
maals de Thaumaturg der Nederlanden moet zijn genoemd. 

2) G. Brandi, t. a. pi., bl. 24, 



411 

De andere aanbouwingen ten oosten en ten zuiden 
dateeren niet uit den roomschen tijd. 

Toen de eigenlijke bouw voltooid was, kwam de 
versiering van de kerk aan de beurt. In 1 5 1 5 werd de 
zuidelijke beuk voorzien van thans verdwenen gebrande 
glazen, een geschenk van Dordrecht; de geschilderde 
glazen, die vroeger den noordelijken beuk sierden, 
werden in 1522 gezet ten koste van Enkhuizer gilden 
en waren vervaardigd door den Delftschen glasschilder 
David Jorisz., die volgens Brandt na zijn dood te Basel 
verbrand is om zijn vreemde leer en handelwijze. 

In 1524 werd de kerk verrijkt met het „beroemde 
eikenhouten koorhek, dat zeker althans in sommige 
deelen het voortreffelijkste houtsnijwerk bevat, 't welk 
de i6de eeuw hier te lande heeft opgeleverd" i). Het 
bestaat uit 6 vakken ; de paneelen — op één hiervan 
staat het zooeven vermeld jaartal — , pilasters en friezen 
prijken met sierlijk gecomponeerd ornamentwerk ; de 
6 bogen boven de kolommen bevatten aan de naar het 
volk gekeerde zijde de figuren van Mozes, Jozue en de 
vier Evangelisten. 

In 1549 kreeg de St. Gommarus het groote orgel met 
zijn mooi front, 't welk na de laatste belangrijke restauratie 
nog steeds bij de gebruikelijke zomerconcerten een bron 
is van heerlijk kunstgenot 2). 

Het kleine orgel is 8 jaren jonger en nóg enkele jaren 
jonger, dus waarschijnlijk dateerend uit het pastoraat 
van Mr. Baltassar Platander, is de preekstoel, die evenals 
het koorhek uitmunt door kostbaar snijwerk. 

In het westelijk gedeelte der kerk zijn eenige oude 
grafzerken uit het midden der 16de eeuw, waarvan een 



1) Van Arkel en VVeisman, Noordhollandsche oudheden, ie stuk, bl. 96. 

2) D. Brouwer, bl. 28 en 29. 



412 

in renaissance-vormen bewerkt, uit het jaar 1 546 ^). 

In mijn eerste schets heb ik gemeld, dat, toen graaf 
Willem V in 1355 aan de „lieven en getrouwen luyden 
van Enchuysen ende van Gommerskarspel" tegelijk 
met het verlof voor een jaarmarkt van 14 dagen poort- 
recht verleende, beide karspelen voortaan met den 
éénen naam van „Vrijhede van Enchuysen" moesten 
genoemd worden *). Of de luyden van Gommerskarspel 
met deze laatste bepaling wel gediend waren, betwijfel 
ik zeer. Zelfs in het privilegie van Karel V uit 15 16 
vond ik o. a. distinctief „ghesonden van S. Gommert 
tot Enchuysen" ^). Daarenboven, ofschoon het oostelijk 
deel der stad triumfantelijk „Enchusa potens mari" 
mocht heeten en die zee als goudmijn bezat en exploi- 
teerde, het westelijk gedeelte beschouwde zich wellicht 
superieur niet alleen door den welvarenden landbouw» 
maar ook door het veel grooter aantal kommunikanten 
van hun kerspel. Vandaar dat eigenaardig onderscheid, 
hetwelk, naar 't zeggen van ouderen, vóór 'n 50 jaren 
nog zeer opmerkelijk bestond tusschen „visschers" en 
„burgers" ; vandaar ook veel vroeger een soort van 
naijver tusschen beide „heterogene elementen", een 
zeker streven om elkaar de loef af te steken, waarvan 
men de sporen ook bij het bouwen en versieren hunner 
kerken niet kan ontkennen. 

Na deze beschrijving van den uitwendigen luister van 
Gods huis in Gommerskarspel komt als van zelf de 
meer inwendige eeredienst ter behandeling. 

Over de vicarieën heb ik tot mijn spijt weinig gevonden. 

Volgens een stuk van den Deken van Westfriesland 



i) D. Brouwer, t. a. pi., bl. 30. 

2) E, V. d. Hoof, bl. 4 en 5. 

3) E. V. d. Hoof, bl. 123. 



413 

uit 't jaar 1383^) was er een priesterpraebende, waaraan 
eenige perceelen lands besproken waren. Dit zal dan 
de St.-Antho7nsv\c^x\Q zijn, welke 2) begiftigd was met 
„anderhalf morgen en nog twee stucken lants en noch 
een rietbroeck." Vervolgens was er een altaar, waaraan ^) 
een kapitaal van / 500 geschonken was. 

Of deze beide beneficies onderscheiden zijn van „in 
parochiali ecclesia D. Gumari vicaria, cujus professor 
quidam juvenis Enchusanus", waarover in een Visitatie- 
verslag van 1571 ^) gewag gemaakt werd, weet ik niet. 

Aan de Kosterij was vermaakt de opbrengst van het 
z.g. „Kosterbon", een stuk grond ten zuiden van de 
St.-Pancraskerk, waarop in of na 1458 het Augustijnen- 
convent is gebouwd. 

Buiten de parochiekerk hebben er twee kapellen ge- 
staan in 't z.g. Westeinde (d. i. het verlengde van de 
tegenwoordige Nieuwe Westerstraat buiten de Koepoort). 
Thans behoort dat Westeinde burgerlijk nog steeds tot 
Enkhuizen, maar kerkelijk tot Bovenkarspel. Vroeger 
was dat zoo niet. Immers reeds in 1355 liep blijkens 
het voornoemd handvest van Willem V „de Vrijhedc 
van Enchuysen" en dus ook het eigenlijk parochiegebied 
van St. Gummarus, tot aan de banna van Bovenkarspel 
en omvatte derhalve geheel het Westeinde, Later, in 
15 14, verklaarde Jan Barnaerts, vice-cureyt van Boven- 
karspel 5), dat onder zijne 800 kommunikanten begrepen 
waren 100 van het Westeinde, verspreid over 30 haard- 
steden, die bij hem parochieerden, maar rechtens be- 
hoorden tot Sint Gummarus, welk karspel in 15 14 



\) H. V. Rijn, bl. 362. 

2) Bijdragen, XV, bl. 66. 

3) Bijdragen, XV, bl. 67. 

4) T. a.pl. IX, bl. 141. 

5) Informatie B, bl. 107, zie Bijdragen, Il bl. 186, 187. 



414 

omtreeks 1800 kommunikanten telde en waar het 
institutiegeld voor den Proost van 't Utrechtsch dom- 
kapittel tweemaal zoo hoog was als te Bovenkarspel i). 

Na de reformatie, was het suburbium Enchusae sinds 
't jaar 1617 aan pastoor yi . df^ JVo/j^'s her derVijke zorgen 
toevertrouwd ^). Een paar jaren later kregen we in 
Enkhuizen 'n soort van Westersch schisma te aan- 
schouwen : een zekere y. de Hoogh tegen de VVolff! maar 
zelfs hier ontmoeten we de bepaling en nog wel van de 
Nuntii Morra en Severini „de Westenda Enchusano 
pastoratui [S. Gommari] annexa, non turbanda per 
Strecanos." Toen de storm voorbij was, werd gemeld, 
dat Petrus Poulrijck sinds 1629 „sub directione Aug* 
Wo/J^üagit in 'tWesteynde" ^). Daarna heeft het Westeind 
zeker tot 1721 een afzonderlijken pastoor gehad, geheel 
onafhankelijk, naar 't schijnt, van De Wolffs opvolgers in 
linea recta. Van 17 16 tot 172 1 was dat Joannes Schaeghen. 
Daar deze staat op de lijsten der Refractarii van 17 16 
en 1721, wil 't mij voorkomen, dat onder hem de trouwe 
Roomschen zijn gaan kerken in Bovenkarspel en dat 
zóó van lieverlee het Westeind en Bovenkarspel kerkelijk 
één geworden zijn. 

Na deze wel wat lange uitweiding komen we terug op de 
kapellen, die vóór de hervorming stonden in het West- 
einde. Hertog Jan III van Beieren gaf op 4 Augustus 
1422 *) verlof niet alleen aan de oostelijke Enkhuizers om 
hun buitendijksche St.-Pauluskerk af te breken en eene 
nieuwe kerk binnendijks [n.1. nevens de oude St.-Pancras- 
kapel] te bouwen, maar ook aan de westelijke Enk- 



1) Bijdragen, XXVI, bl. 107. 

2) Batavia Sacra.hX. 449 en 450. 

3) Bi/dragen, dl. XXXIII, bl. 368 ; hij was >introductus" door Z>^ IVolff 
en ook daar woonachtig. 

4) E. V. d. Hoof, bl. 20. 



415 

huizers, dus de luyden van Gommerskarspel, om aan 
het Westeind eene flinke kapel te bouwen, die, aan de 
Noordzijde daarvan geplaatst, aan Sint Jan, volgens 
anderen aan Sint Stephanus i), toegewijd werd. Op Palm- 
zondag 1 5 1 2 in de asch gelegd, werd ze herbouwd 
in 1517. 

Volgens aanteekeningen van Jan Simonsz. Blaeuhulk ^) 
en anderen moet er een tweede, kleinere kapel gestaan 
hebben aan 't Westeinde dichter bij de stadspoort, 
doch even ver als vroeger Golgotha van Jerusalem. De 
vrome voorbijgangers plachten daarin voor een groot 
kruis hun gebed te storten ; slechts eenmaal per jaar 
werd daarin het H. Misoffer opgedragen, wanneer nl. de 
plechtige ommegang buiten kwam. In 1569 werden er 
nog 3 openbare processies gehouden, n.1. op de 2 eerste 
Zondagen in Augustus en op den Zondag na 3 December 2). 
Of de kleine kapel toen bezocht werd, bleek me niet. 
Het schijnt dat een van beide kapellen na de alteratie 
hervormd is tot school ; ik vond tenminste een soort 
van reglement, in 1659 door het stedelijk bestuur ge- 
maakt voor „'t Capelle-school in 't Westeynd" ■^). 

Of er behalve op voornoemde drie dagen nog plechtige 
Ommegang gehouden werd op of bij gelegenheid van den 
H. Sacramentsdag.^ Wel weten we, dat in de St. Gommarus 
op dit feest een preek gehouden, op eiken dag van het 
octaaf een Lof gezongen werd, waarbij de 3 Rectoren 
van het Caecilia-, het Clara- en het Ursula-klooster in 
koorkleed assisteerden. Cornelis Laurensz., rector van 
Sint Clara, schreef omstreeks 1575, dat zijn convent 
vóór de alteratie den predikant, de drie voornoemde 



i) G. Brandt, bl. 23. 

2) G. Brandt, bl. 134. 

3) E. V. d. Hoof, bl. 263. 



4i6 

assistenten en dengene die 't orgel bespeelde daarvoor 
placht te honoreeren, alle vijf heeren tezamen met de 
somma van XV st. ^). 

De Batavia sacra weet nog te melden '), dat de Enk- 
huizers vroeger, ten einde de Relieken van St. Gummarus 
te vereeren, gewoon waren een bedevaart te doen 
naar Lier. 

Evenals de St. Pancras werd ook de Westerkerk 
begeven door de Graven van Holland en de voor- 
gestelde geestelijken kregen hun benoeming van den 
Proost van 't Utrechtsch domkapittel, die in Westfriesland 
alleen niet minder dan 5 5 kerken onder zijn jurisdictie had 3). 

Nog vond ik vermeld *), dat er geen pastoorshuis aan 
deze kerk behoorde, dat de zekere inkomsten voor den 
pastoor 10 rhijnsche gulden — de opbrengst van 3 morgen 
land — per jaar bedroegen en daarenboven van zijn 
vice-cureyt 40 rhijnsche gulden per jaar in casu absentiae 
kon vorderen. En toch bedroeg, gelijk ik reeds schreef, 
het institutiegeld circa 1500 tweemaal zooveel als te 
Bovenkarspel ^). 

De eerste pastoor van St. Gummarus dien ik genoemd 
vond, was Hentius, die den 21 en Augustus 1204 tien 
ponden aan de abdij van Egmond besprak. 

In 1355 was pastoor Liidolf van der Meulen 6), in 
de Grafelijkheidsregisters op 't Haarlemsch rijksarchief 
geheeten L. van Molendin '^). 



1) Bijdragen, XIX, 25. 

2) T. a. pi., bl. 449. 

3) H. V. Rijn, t. a. pi., bl. 361; Batavia sacra telt er ten onrechte 
slechts 40. 

4) H. V. Rijn, t. a. pi., bl. 362. 

5) Bijdragen, XXVI, bl. 107. 

6) Bijdr. II, bl. 191. 

7) Bijdr. XXX, bl. 338. 



417 

In 1358 werd volgens dezelfde Registers i) Theodoricus 
de Dobbe als kapelaan voorgesteld. 

In 1383 bekleedde Floris Meijer het kostersambt 2). 

In 1427 en 1428 wordt in een schepenbrief en in een 
testament genoemd Jacob Jacobsz. Fabri (Smit), priester 
te Enkhuizen '^), die met zijne moeder en zijne zuster 
verschillende goederen schonk en vermaakte aan het 
St.-Ursulaklooster ten zuiden der St. Gummarus. Of hij 
ook aan deze kerk verbonden was ? 

In 1435 was pastoor Diderijk van Zaenden^ die op 
Paaschavond aan St. Ursula verschillende privilegies 
verleende. Waarschijnlijk dateert uit zijn pastoraat het 
handvest van hertog Philips, d. 3 October 1433, waarbij 
meerdere relaties met den Deken van Hoorn geregeld 
werden^); en misschien het handvest van 145 1 over 
de heimelijke sponsalia en de belastingen op te brengen 
door de geestelijken ^). 

In 15 14 was Adriaan Garbrajitsz., — H. v. Rijn 
noemt hem verkeerdelijk Ysbrandsz. — 45 jaren oud, 
reeds circa 10 jaren vice-cureyt der parochie, die toen 
omstreeks 1800 kommunikanten telde*). 

Omtrent 1560 was een zekere Lieuwe, later een pro- 
pagandist der nieuwe leer, vicaris of kapelaan. 

Thans doemt voor ons op de droevige figuur van 
pastoor Cornelis Cornelisz. Kooltuin, die veel onkruid 
in zijn parochie heeft gezaaid. Eerlijkheidshalve dient 
echter te worden geconstateerd, dat de groote afval in 
1572 in beide parochies niet alleen aan hare beide 
ontrouwe herders te wijten is. Reeds vroeger broeide 
het in Enkhuizen; b.v. al in 1533 kwam Jan Beukels 



1) Btjdr. XXXI, bl. 38. 

2) H. V. Rijn, bl. 362 en 370. 

3) E. V. d. Hoof, bl. 31. 

4) Bijdragen, II, bl. 191. 

27 



418 

uit Leiden propaganda maken voor Munster's nieuw 
Jerusalem ^) ; de Oude doelen waren getuigen van bijeen- 
komsten van Mennonisten ; zekere pastoor Jan^ gelijk 
ik in de eerste schets heb verhaald, meende zich geroepen 
tot „het bestraffen van eenige Pauselijke doolingen -) ; 
vooral het onwaardig gedrag van sommige geestelijken 
in het dekenaat schijnt ergernis gegeven te hebben 
aan menigeen, die van de katholieke Geloofsleer slechts 
'n zeer oppervlakkige of haast geen kennis had. 

Volgens de Batavia sacra ^) begon Kooltuin in 1558 
het katholiek Geloof te bestrijden ; dat die strijd reeds 
vroeger door hem aangevat werd, blijkt uit zijn Brief 
aan Timotheus, waarover hieronder meer. 

Aanvankelijk was Kooltuin verbonden aan de St.Laurens 
te Alkmaar, waar hij in 155 1 als lid van het daar be- 
staand Papengilde werd ingeschreven ^). Reeds in het 
eerste jaar van zijn priesterlijke bediening aldaar was 
hij nieuwgezind, zoodat hij herhaaldelijk ernstig vermaand 
werd door Martinus Duncanus. Wanneer Kooltuin uit 
Alkmaar naar Enkhuizen verplaatst werd, is mij niet 
gebleken, doch zeker in 1558 was hij pastoor van 
S. Gommarus, want in dit jaar werd hij wegens zijne 
preeken naar den Haag ter verantwoording geroepen 
voor den inquisiteur Mr. Ruard Tapper. Ofschoon hier 
van 13 kettersche stellingen aangeklaagd, — hij schijnt 
„geluyterd" te hebben '^) — weigerde hij te antwoorden. 
Toch veroordeelde Tapper hem niet, maar vermaande 
hem tot terugkeer naar de aloude Moederkerk onder 
ernstige waarschuwing tegen relapsus. Als geboren 
Enkhuizer schijnt Tapper invloed gehad te hebben op 



i) Bijdragen, XXI, bl. 166. 

2) G. Brandt, t. a. pi., 109, 108. 

3) BI. 449. 

4) G. Brandt, bl. III. 



419 

Kooltuin, want, ofschoon niet dadelijk, staakte hij toch 
spoedig zijne preeken en na eene nieuwe dagvaarding 
van den onder-inquisiteur Franciscus Sonnus verliet hij 
zijn parochie en keerde terug naar Alkmaar. Na korten 
tijd werd hij hier aan de St.-Laurenskerk de opvolger 
van den gestorven pastoor Laurens Jacobsz. Zas. 't Was 
echter van korten duur, want ook hier las hij geen Mis 
en reeds na twee preeken werd hij gesuspendeerd door 
den Vicaris van den Utrecht, vanwaar, nog altijd in 't 
jaar 1558, de onder-inquisiteur Nicolaas de Castro naar 
Alkmaar kwam. 

Kooltuin vluchtte nu naar Embden met .... Geertruid 
van Foreest ! ! Hier publiceerde de oppervlakkige man 
zijn Evangelie der armen, eene uiteenzetting van zijne 
godsdienstige opinies met z.g. bewijzen hiervoor, vooraf- 
gegaan door zijn Brief aan Timotheus, bij wijze van 
Voorrede, gedateerd 12 Januari 1559^), waarin hij 
zijn wedervaringen in 1558 verhaalt en het weigeren 
van verantwoording, zijn vlucht enz. tracht te verdedigen. 
Te Embden werd hij predikant. Genoemde Geertr. 
van Foreest, die hij tot vrouw genomen had, werd op 
25 April 1560 moeder van een zoon; het kind stierf 
25 Mei d.a.v. en de moeder 3 dagen later 2) ü Hij zorgde 
tevens, dat Holland van predikanten werd voorzien ; zoo 
adviseerde hij zijn vriend Claes Scheltus, die als pastoor 
van St. Maarten bij Alkmaar zes kinderen had, een 
beroep als predikant naar Amsterdem aan te nemen. 
We ontmoeten hem later te Leeuwarden en predikend 
te Alkmaar ^), ja zelfs te Rotterdam, ook al in de 
St. Laurens, kort nadat hier op 14 November 1572 



i) Nauwelijks een maand hierna, nl. op 7 Februari werden zijne 
goederen te Alkmaar verbeurd verklaard. 

2) Bijdragen, XXI, bl. 168. 

3) C. IV. Bruinvis, Te Alkmaar in den Geuzentijd. 



420 

gebeeldstormd was ^), maar of hij ook te Enkhuizen 
terug geweest is en hoe de arme man gestorven is, 
weet ik niet. 

Mr. Baltassar Platander ^vas zijn opvolger te Enk- 
huizen 2) en, naar ik vermoed, de laatste pastoor van 
de fiere Sint Gummarus. 

Men was hier over 't algemeen nog Roomsch genoeg 
om bijv. in 't jaar 1555 de twee oorlogschepen, die 
toen ter bescherming van de 160 Enkhuizer haring- 
buisen werden uitgerust, „Sint Gomer" en „Sint Pancras" 
te doopen ; om zelfs in 1568 aan de Regulieren van 
Onze Lieve Vrouw ten Nieuwlicht te Westerblokker, 
toen een langer verblijf in hun convent wegens het 
volk van Brederoo ongeraden scheen, een woonplaats 
binnen Enkhuizen aan te bieden ^) ; om, zooals boven 
reeds verhaald is*), nog in 1569, tenminste driemaal 
openbare processie te houden. 

Intusschen het uitgestrooide onkruid schoot omhoog, 
vlug en woest. Op 7 December 1558 reeds werd Jan 
Buidelmaker verbannen, omdat hij Kooltuins geschrift 
openlijk te koop had aangeboden. Hetzelfde wedervoer 
8 dagen later Frans Wiggers om het lezen van Menno 
Symonsz. ^). Medio 1561 nam de pastoor van de 
St. Pancras Andries Dirksz., die het onkruid-zaaien 
van zijn vroegeren ambtgenoot had overgenomen, na 
uit de verzekerde bewaring bij deken Rud. Strackman 
te Hoorn ontsnapt te zijn, de vlucht. In 1566 op 
25 Juli hield Pieter Cornelisz. van Alkmaar voor 't eerst 
een openbare predikatie over de nieuwe leer achter 



1) Bijdragen, XIX, bl. 175. 

2) H. V. Rijn, t. a. pi., bl. 365. 

3) Bijdragen, XXXIII, 437. 43«- 

4) G. Brandt, t. a. pi., bl. 133, 134. 

5) G. Brandt, t. a. pi., bl. 119. 



421 

Grootebroek ook voor lui van Enkhuizen ; sinds dezen 
tijd preekte Kooltuins vroegere kapelaan Lieuwe het 
„suyvere Evangelium" op het z.g. „Mullem" buiten de 
Noorderpoort en hervatte de inmiddels teruggekeerde 
Andries Dirksz. zijn aanvallen op 't oud Geloofd). Of- 
schoon de Mater van het St.-Ursulaklooster in 1566 
met het oog op de beeldstormerij èn nonnen èn papieren 
en zich zelve in veiligheid bracht 2), heb ik over dat 
jaar geen sporen van die verwoesting in de beide kerken 
ontdekt. De komst van Alva in 't volgend jaar bracht 
eenige reactie, ook in Enkhuizen ; want meerdere nieuw- 
gezinden werden gestraft, hielden zich schuil of verlieten de 
stad; zelfs de moeder van pastoor Andries Dirksz., gelijk 
ik reeds schreef, werd op 14 April 1570 verbannen. Maar 
toch wist zijn evenknie, de predikant Richard Claesz. 
in datzelfde jaar 1570 met Dirk Sonoy geheime onder- 
handelingen aan te knoopen om Enkhuizen van Alva 
af te trekken en te doen overgaan tot de partij van 
Prins Willem den Zwijger. Toen dit laatste plaats greep 
op 21 Mei 1572 was dan ook de afval van het katholiek 
Geloof te Enkhuizen zóó groot, dat niet alleen de 
St. Pancras ») maar ook de grootsche St. Gommarus *) 
den hervormden in handen vielen, dat Enkhuizers op 
den len Juni d.a.v. in De Streek „alle kerken gebroken 
en vele huizen geplunderd hebben", gelijk Bossu reeds 



1) G. Brandt, bl, 128. 

2) H. V. Rijn, bl. 369. 

3) Zouden toen misschien de nu open nisjes aan de buitenzijde dezer 
kerk van de beeldjes zijn beroofd? 

4) Als ge door het in 1603 aangebouwd zuiderportaal deze kerk 
binnentreedt, kunt ge ter gedachtenis hieraan het op twee balken in 
gulden letteren geschilderd vers lezen : 

Int jaer vijftienhondert tseventigh twee 
Is door Jehovae crachtighe hant 
't Pausdom verstooten uit dese stee, 
De ware relygie daerin geplant. 



422 

den volgenden dag aan Alva schreef, en zelfs hun 
wandalisme uitoefenden te Edam i), dat Enkhuizen werd 
uitgekozen om kort hierna 5 Alkmaarsche Minder- 
broeders ter dood te brengen en dat op de hier 6 Juli 
1573 gehouden synode, mede door toedoen van Richard 
Claesz., aan 5 nieuwgezindachtige priesters van Tessel 
vrij autocratisch de les werd gelezen 2). 

De bezittingen der St. Gomaruskerk zullen wel behoord 
hebben tot de geestelijke goederen, waarover de ge- 
deputeerden van het Noorderkwartier op 12 Mei 1584 
hebben besloten, dat Alkmaar, Edam, Monnikendam, 
Purmerend, Hoorn, Medemblik en Enkhuizen, ze, in 
zoover ze tot dat kwartier behoorden, onderling maar 
zouden verloten, ten einde zich schadeloos te stellen 
voor de oorlogsuitgaven, en elkaar zouden bijstaan tegen 
alle oppositie van de Staten van Holland en anderen, 
welke afspraak contractueel 4 dagen later geteekend werd^). 

Spoediger dan de eeredienst van St. Pancratius her- 
leefde te Enkhuizen die van den H. Gummarus, want, 
gelijk boven is vermeld, reeds 7 Juni 1619 gelast de 
nuntius Morra „introducere Alsium [J. de Hoogh] in 
pastoratum S. Gommari Enchusae" ^). Doch niet J. de 
Hoogh werd, maar Atig: de Wolff bleef de wettige 
herder der St.-Gommarusstatie en had in 17 16 tot 
opvolger Joatmes Knotter, onder wien de statie jansenist 
is geworden. Het tegenwoordig jansenisten-kerkje aan 
de Breedstraat heet nog Gommaruskerkje. De roomsche 



1) In 1565 had de Edammer pastoor Meyndert II van Enkhuizen 
een bezoek gebracht eerst aan zijn geboortestad en daarna ster con- 
sultatie" aan Brussel. Zou er misschien verband bestaan hebben tusschen 
die bezoeken en dat wandalisme te Edam, 'twelk voor de Enkhuizers 
nu juist niet in de buurt ligt? 

2) Bijdragen, VIII, bl. 99; XXXI, bl. 85, 86 ; XXXII, bl. 459-463- 

3) Bijdragen, XXXIII, bl. 432. 

4) Bijdragen, I, bl. 329. 



423 

vereering van den H. Lierschen Belijder herleefde ander- 
maal te Enkhuizen op 24 Juli 19 10, toen aan diezelfde 
Breedstraat schuins tegenover dat kerkje het gebouw 
voor R. K. Vereenigingen aan Hem werd toegewijd. Op 
14 Augustus 19 12 werd de St. Franciscus-Xaverius- 
parochiekerk verrijkt met een mooie Reliek en op 
1 1 October d. a. v. met een kloek beeld van den ridder- 
lijken H. Gummarus, wiens feest nu weer jaarlijks op 
1 1 October wordt gevierd ^), wiens Lof ingevolge Bis- 
schoppelijke premissie van 13 September 1912 maande- 
lijks op den 3en Zondag wordt gezongen, waarbij dank- 
baar het blijde lied weerklinkt : 

Sint Gommarus, wij vereeren Uwe grootheid in deez' stond, 
Zooals die in vroegre eeuwen in Gods huis hier werd verkond. 

III. Kloosters vóór de hervorming, 

Enkhuizen bezat vóór de hervorming drie eigenlijke 
vrouwenkloosters, een beggijnhof en een mannenklooster, 
welke we nu achtereenvolgens hopen te beschrijven. 

//<?/ Stni- Ursulaklooster. 

Dit convent, ook het zuiderklooster genoemt, komt 
het eerst aan de beurt, omdat het de oudste brieven heeft. 

De heer G. Schild Jzn., gemeenteraadslid te Enk- 
huizen, heeft in Juli 1909 eene brochure „Het Weeshuis" 
uitgegeven om te bepleiten, dat het tegenwoordig z.g. 
gereformeerd weeshuis zijne rijke inkomsten niet uit- 
sluitend voor enkele Nederlandsch-kervormde weezen 
behoort te besteden. Deze schets moge tevens bewijzen, 



l) Zie: Missae propriae Sanctorum Episc. Buscoduc. ad il October, 
waar deze Oratie aangegeven staat: Deus, Angelorum decus et gaudium, 
Qui gloriosum nominis Tui Confessorem Gummarum signis mirabilem 
demonstrasti, propitiare populo supplicanti, ut, qui Ejus commemora- 
tionem celebrat, Ejus sacro interventu salutaris aeternae portum inveniat. 



424 

dat de helaas later vruchteloos gebleken pogingen van 
den niet-katholieken schrijver gerechtvaardigd waren 
niet alleen, gelijk hij als grond aangeeft, omdat het 
zeker tot 1780 als een dur£-erweeshu\s werd beschouwd, 
waarvoor in de 17de eeuw roomsch geld werd gefun- 
deerd en waarin ook roomsche kinderen werden ver- 
pleegd, maar ook door den roomschen oorsprong en het 
roomsch grondgebied en de roomsche schenkingen en 
legaten van en aan St. Ursula c. a. 

Toen de Mater van dit klooster in het jaar 1566 de 
beeldstormerij ontweek ^), heeft ze de oude stukken van 
haar gesticht, in een houten kist gesloten, ter hand 
gesteld aan een aanzienlijk en goed-katholiek Enkhuizer, 
van wien ze zijn overgegaan op diens erfgenamen. 
Dezen bewaarden de kleine kostbare verzameling met 
groote zorg en lieten de stukken afschrijven omstreeks 
1700 door Cornelis van Alkemade, van wien H. v. Heussen 
schreef 2): „Van het St.-Ursulaklooster is eene nauw- 
keurige en volledige beschrijving gemaakt door Cornelis 
van Alkemade, patriarum rerum apprime studiosus." 
Waar de oorspronkelijke stukken gebleven zijn, is mij 
niet bekend evenmin als de „nauwkeurige en volledige 
beschrijving" van C. v. Alkemade. Deze schets is hoofd- 
zakelijk bewerkt naar de kopie der oude stukken, welke 
bij H. V. Rijn 1) zijn afgedrukt. 

Het St. -Ursula werd voltooid in 1420, en men meent 
dat reeds in 1385 de bouw ervan begonnen is 3), ter 
plaatse waar nu het fiere en mooie „gereformeerde 
weeshuis" staat. Het werd ook het zuiderV\oo?X.&x ge- 
noemd, omdat het ten zuiden van de Westerstraat en 
dus ook van de St.-Gommaruskerk stond, in tegenstelling 



i) H. V. Rijn, bl. 369 v.v. 

2) Batavia Sacra, bl. 449. 

3) G. Brandt, bl. 21. 



425 

met het ten westen dezer kerk gelegen St.-Caecilia- 
convent, dat daarom het wesUrklooster heette. De nonnen 
waren Franciscanessen van de reguliere 3de Orde van 
boetvaardigheid. 

De oude bescheiden berichten dat er in 142 1 een 
altaar in 't klooster geplaatst werd, naar ik vermoed, 
in eene voorloopige bedeplaats, want van een vasten 
rector of pater wordt eerst in 143 1 melding gemaakt. 
Op den 8en Maart van zooeven genoemd jaar verleende 
Andries van Scorel, proost van Westfriesland aan 
alle mannelijke en vrouwelijke franciscanen van boet- 
vaardigheid verschillende privilegies in zake het bezitten 
van een kapel en van een eigen kerkhof met het recht 
hierop te begraven, het kiezen van een biechtvader, 
de exemptie ten tijde van interdict, het aannemen van 
een biechtvader, de exemptie ten tijde van interdict, 
het aannemen van eene gestrengere levenswijze enz., 
doch alles met inachtneming van het Jus Canonicum 
en de rechten van den pastoor, in wiens kerspel het 
betrokken klooster gelegen was. Van dit algemeen 
privilegie werd op verzoek van St.-Ursula's rector Jacob 
Jacobsz. ten bewijze voor zijn kloostergemeente in het- 
zelfde jaar 143 1 een afschrift gemaakt door Hendrik 
Bruininx en aan dit stuk is eene in 1437 door Gysbert 
Rietvelt opgestelde confirmatie gehecht. 

Het schijnt echter, dat de pastoor aanvankelijk 
niet geneigd was het nog zoo jeugdig klooster die 
privilegies te laten genieten. Want pas op Paaschavond 
van het jaar 1435 verleende Dideryk van Zaendem. 
pastoor der St. Gommarus, in een gezegeld stuk zijne 
goedkeuring, dat St.-Ursula, een eigen biechtvader mocht 
kiezen, die de H. Mis opdragen, preeken en de H. Sacra- 
menten toedienen zou, ten nutte niet alleen van de 
nonnen maar ook van hare vaste kostgangsters, dat 



426 

het een kapel en een eigen kerkhof mocht bezitten 
met het recht hier te begraven de nonnen, hare vaste 
kostgangsters, de rectoren en hunne huisgenooten, doch 
niet de andere parochianen ; verder werd door den 
pastoor bepaald, dat het convent bij elke overtreding 
van laatstgenoemde beperking binnen 30 dagen na de 
begravenis aan hem betalen moest een oude schild van 
goede fransche munt, en geëischt als jus stolae dat 
jaarlijks binnen het octaaf van Paschen 4 loot zuiver 
zilver of de waarde ervan hem zou worden voldaan. 

Nadat nu de wederzijdsche verhouding tusschen den 
parochiepastoor en de kloostercommuniteit geregeld was, 
wijdde op 18 September van hetzelfde jaar 1435 Martinus, 
vicaris-generaal van den bisschop Walraven van Meurs, 
„met toestemming van den pastoor" (zooals uitdrukkelijk 
vermeld werd in de officieele wijdingsoorkonde) het 
altaar in de kloosterkapel ter eere van S. Ursula met 
Gezellinnen, Sint Agnes en Sint Catharina. Hij stelde 
het anniversarium dedicationis op den len Zondag na 
S. Lambertus, bisschop en martelaar, en verleende een 
aflaat van 40 dagen aan al degenen, die na eene rouw- 
moedige Biecht op dien jaardag of op eenige andere 
(in de oorkonde opgenoemde) feesten de kapel bezoeken 
of het klooster begiftigen zouden. 

En vrome vrienden en vriendinnen hebben Sint 
Ursula dan ook begiftigd. Zoo gaf Tade, de weduwe 
van Dirk Willemsz., een huis bij schepenbrief van 
St.-Anthonisdag 1427 en op St.-Catharinadag d.a.v. 
werd bij schepenbrief aan het klooster geschonken een 
huis met erf gelegen bij de Westerkerk door den Enk- 
huizer priester Jacob Jacobsz. Fabri (Smit), diens zuster 
Ebela en hun beider moeder ; deze 3 laatstgenoemden 
vermaakten daarenboven aan St. Ursula bij testament 
voor den notaris Aalbert Volkertsz. Smit op 6 April 



427 

1428 verscheiden goederen, waaronder twee huizen bij 
de Zuiderkerk. Eenigen tijd later werd een gift van 
44 rhijnsche gulden geschonken door Catharina Laurensdr. 
en hare zuster Agatha en hare moeye Wyna te Hailem [?]. 
Uit erkentelijkheid hiervoor werd op 't Octaaf van 
H.-Sacramentsdag 1433 aan de weldoenster schriftelijk 
beloofd door den rector Jacob Jacobsz. en de mater 
Ave (Eva) Volkertsdr. bijzondere gemeenschap in de 
goede werken der conventualen en eene wekelij ksche 
H. Mis voor hare drieën en hare vrienden, zoolang het 
klooster bestaan zou. 

Uit het bovenstaande blijkt, dat Jacob Jacobsz. zeker 
van 1431 tot 1433 rector van St. Ursula geweest is. 

In 1440, niet in 1428 of 1430, zooals ^r^;/^/ schrijft i), 
was hij opgevolgd door rector Herman, door of onder wien 
in 1457 een afzonderlijk rectoraat gebouwd werd. Dit huis 
met omgeving kreeg den naam van Patershof en besloeg 
langzamerhand, zich uitstrekkend van de Westerstraat 
tot de binnengracht aan den Dijk, het terrein, waarop 
nu staan de vergader- en concertzaal „de Westfriesche 
Munt", het geheel-onthouders-kofifiehuis en logement (met 
zijn mooien, hoogen oud-hollandschen, door het jaartal 
161 1 gemerkten gevel), het gebouw van het departement 
Enkhuizen der Mij. tot Nut van het Algemeen (in den 
wandel 't Zeekantoor genoemd) en het H. B, School- 
gebouw. Brandt schrijft 1), dat de deken van West- 
Friesland, die niet altijd te Hoorn woonde, later in 
het patershof meermalen zijn intrek heeft genomen, 
niet alleen wanneer hij kwam zeenen, bij welke ge- 
legenheid de burgemeesters bij hem te gast gingen 2), 
maar ook voor langeren tijd. Op 2 Maart 1487 3) stuurde 



1) T.a.pl., bl. 21, 33. 

2) Zie: Oostelijk Enkhuizen vóór de hervorming, bl. 394, 395. 

3) Bijdragen, XXVI, 101. 



428 

het stadsbestuur van Enkhuizen naar het Utrechtsch 
Domkapittel eene verdediging van deken Jan Jacobsz. 
tegenover tegen hem ingebrachte beschuldigingen ; zou 
dit niet eenige aanwijzing bevatten, dat de deken zich 
als metterwoon gevestigd had in het patershof, 
't welk voor rectorsverblijf alleen vrij uitgestrekt was? 
D. Brouwer i), die den bouw van het patershof in 1467 
stelt, zegt (doch te exclusief), dat het bestemd was 
voor den dienst van den deken van West-Friesland. 

Doch meer dan door het stichten of het helpen stichten 
van het patershof maakte rector Herman zich volgens 
Brandt 2) verdienstelijk door het bijleggen van geschillen 
en het herstellen van den vrede, waartoe hij een bij- 
zonderen takt had en waartoe hij vaak te hulp ge- 
roepen werd. 

Het convent kreeg in verloop van tijd zelfs een eigen 
brouwhuis, want in een keur van 15 13 wordt gewag 
gemaakt van het rieten dak daarvan. 

De rector Diderijk Claasz. van Zwolle stichtte bij 
notarieel testament van 9 November 1 5 1 8 vier wekelijksche 
Missen, te weten : eene voor de Overledenen op Maandag, 
eene ter eere van Sint Anna op Dinsdag, eene ter eere 
van de AUerh. Drieëenheid op Woensdag en eene ter 
eere van O. L. Vrouw op Zaterdag, te lezen door den 
tijdelijken rector; indien echter de aangegeven Intentie 
door de Rubrieken werd verboden, dan moest er in de 
Mis eene commemoratie daarvan gehouden worden. 
Daartoe legateerde hij 216 gulden aan het klooster onder 
beding dat de rector, mits hij de Intenties getrouw 
celebreerde, jaarlijks een stipendium van 12 gulden zou 
ontvangen. Dit legaat werd schriftelijk geaccepteerd door 



1) Gids van Enkhuizen, bl. 32. 

2) T. a. pL, bl. 21. 



429 

de mater Grietje Pietersdr. en de procuratrix Geertje 
Dirksdr. en op 14 November 1520 bekrachtigd door 
den Proost van Westfriesland. 

In 1531 was deze edelmoedige Stichter overleden of 
verplaatst, want toen fungeerde Jacob Burchertsz. als 
rector, terwijl Cornelia Arentsdr. mater en Debora 
Simonsdr. procuratrix was. 

In 155 1, — dus waarschijnlijk onder het bestuur van 
Renesse W e stp haling ^), die tenminste in 1550 mater van 
St. Ursula was — werd een weeshuis gesticht ten oosten 
van de kloostergebouwen en vlak hiernaast, op de plaats 
waar nu oostelijk van het „gereformeerd weeshuis" het 
merkwaardig gebouw staat, dat inwendig ingericht is 
tot wasch- en drooggelegenheid ten dienste van het 
weeshuis, en waarvan de gevel in 1905/06 opgetrokken 
is uit het gebeeldhouwd materiaal en eene allertrouwste 
kopie is van den gevel van het oude armenweeshuis. 

Boven hebben wij reeds vermeld, dat in 1566 de 
Overste van St. Ursula niet alleen hare nonnen maar 
ook de oude bescheiden van haar klooster in veiligheid 
heeft gebracht. 

In 1572 hield de Zwijger eenige dagen zijn verblijf 
in het Patershof, 'twelk sinds dien tijd Prinsenhof ge- 
noemd werd, zooals nu nog de zuidoostelijke verbinding 
van Dijk en Westerstraat daarachter officieel Prinsenstraat 
(in den wandel Tabakstraat) en eene naburige gracht 
Prinsengracht (in den wandel Hoornsche veer) wordt 
genoemd. 

De Zwijger had 27 Maart 1573 besloten 2): „Noopende 
de landen ende goeden der [Enhuizer] kloosters is zijne 
Excellentie tevreden, dat dezelfde onder bewaarnisse 



1) De familie Westphaling of Westphalen was uit Enkhuizen ; zie 
Bijdragen, XV, 408; XVIII, 162 en XIX, 20 v.v. 

2) G. Brandt, t. a. pi., bl. 193. 



430 

endc administratie van goede, ghetrouvve en bequame 
persoenen beheert ende naar goeddunken van burge- 
meesters ende regeerders der stede van Enkhuisen ver- 
deylt worden onder den armen, als gasthuyse, weeshuyse, 
provenhuyse, huyssitten ende diergelijcke arme huysen, 
mits dat die conventualen van behoorlijcke woonplaetse, 
alimentatie ende betamelijcke onderhoudt voorsien worden, 
soolange die in leven sullen wesen." 

Spoedig hierna werden ook de eigenlijke klooster- 
gebouwen van St. Ursula door het stadsbestuur bestemd 
tot huisvesting en verpleging van „schamele arme Wees- 
kinderen", voorloopig alleen Enkhuizers beneden de 
lo jaar^), dus tot ^z^r^^^weeshuis. 

Overeenkomstig die bestemming werden tijdens de 
17de en de i8de eeuw daarin dus ook roomsche kinderen 
verpleegd, echter niet altijd ten voordeele van hunne 
ziel, b.v. uit de Vroedschapsnotulen van 't jaar 165 1 
blijkt, dat er geklaagd was over een apotheker te 
Enkhuizen, omdat hij een weesmeisje van roomsche 
ouders, bij hem uitbesteed op kosten van het weeshuis, 
niet voldoende opvoedde in de gereformeerde religie. En 
toch had bij 't begin der 17de eeuw een roomsch 
Enkhuizer aan dat weeshuis een fonds vermaakt, 'twelk 
in 1665 ter beschikking werd gesteld door 2 roomschen, 
die het als belast met vruchtgebruik tot laatstgenoemd 
jaar onder hun beheer hadden gehouden. 

In 1780^) werd er te Enkhuizen andermaal en in 
1863 door pastoor Jacobus Cornelis van 't Rood voor 
de derde maal een roomsch weeshuis geopend, maar 
zonder blijvenden duur. Ik eindig deze schets met de 
hoop uit te spreken, dat Gods zegen een duurzamen 



\) E. V. d. Hoof, bl. 176, 177. 

2) Zie : G. Schild Jzn., Het Weeshuis. 



431 

bloei moge schenken aan het op St.-Nicolaasdag 191 o 
te Enkhuizen voor de vierde maal begonnen liefdewerk : 
de verpleging van R.K. arme oudelieden en weesmeisjes, 
welke sinds den len September 1913 door de Eerw. Zusters 
der Amersfoortsche Congregatie van O. L. Vrouw (die 
zich aldaar reeds sinds i September 1854 wijden aan het 
onderwijs in het St.-Pancrasgesticht) geheel belangeloos 
behartigd wordt in het St.-Nicolaasgesticht aan de Oude 
doelen, 'twelk zeer bescheiden grenst aan het ruim 
grondgebied van het voormalig St.-Ursulaklooster. 

Ten slotte een lijstje van de rectoren, maters en 
procuratricen van St. Ursula, wier namen in deze schets 
voorkomen : 

Rectoren: Maters: Procuratricen: 

Jacobjacobsz. 1431,1433. Ave (Eva) Volkertsdr. 1433. Geertje Dirksdr. 1518. 

Herman. 1440, 1457. Grietje Pietersdr. 1518. DeboraSinionsdr.1531. 

Diderijk Claasz. Cornelia Arentsdr. 1531. 

V. Zwolle. 1518. Renesse Westphaling. 1550. 

JacobBurchertsz. 1531. 

Het Sint-Claraklooster. 
Voor het bewerken van de geschiedkundige schets 
van dit klooster waren van belang de aanteekeningen 
van den laatsten rector van dit convent Cornelis Laurensz., 
welke door de onvermoeide zorgen van den Alkmaarschen 
gemeente-archivaris, den Heer C. W. Bruinvis, werden 
afgedrukt in deze Bijdragen, dl. XIX, bl. 21 — 27. Die 
aanteekeningen zijn hoofdzakelijk eene opgave van het- 
geen hij als Rector te doen had, n.1. welke Intenties 
wekelijks gelezen, welke Memories jaarlijks gehouden 
en op welke feestdagen de zeven getijden voor de 
communiteit in de kapel gebeden moesten worden als- 
ook eene opgave van de honoraria voor den Rector ^). 



l) Ze zijn, helaas niet voltooid, in een boekje van 16 bladz. klein 8" 
geschreven in of na Mei 1582. Dit boekje is in handen gekomen van 
de katholieke Familie Westphalen te Enkhuizen. Op het eind der 



432 

Het St.-Claraklooster lag ten oosten van de St.-Gum- 
maruskerk en aan de noordzijde van de Oude Wester- 
straat, dus vlak tegenover het klooster van Sint Ursula 
en Gezellinnen. De bouw, in 144 1 begonnen, was 24 
jaren later voltooid i) en het klooster werd betrokken 
door Clarissen '^), terwijl hare zuidelijke overburen slechts 
Tertiarissen de Poenitentia van Sint Franciscus waren. 

De kloosterkapel, aan den H. Eucherius toegewijd, 
was waarschijnlijk ook in 1465 voltooid. 

Het convent der arme Clarissen heeft vele weldoeners 
gehad. Dit blijkt niet alleen uit de hieronder volgende 
fundatoren maar ook uit het terrein, 'twelk langzamer- 
hand door de kloostergebouwen werd ingenomen, 'twelk 
zich n.1. uitstrekt oostelijk van het St.-Gummarus- 
klokkehuis tot en met de plaats, waarop vóór eenige 
jaren twee heerehuizen ten oosten van het gebouw voor 
gymnastiek en rijksnormaallessen gezet zijn en noordelijk 
van de Westerstraat tot de Driebanen. B. Brouwer^) 
beweert dat de kapel gestaan heeft op de plaats der 
beide heerenhuizen ; alleen het gebouw voor gymnastiek 
enz., 'twelk in de i8de eeuw de turf/^é-rX' heette, en 'twelk 
niet alleen georiënteerd is maar ook nog een soort van 
absis heeft, herinnert nog eenigszins aan hetgeen hier 
sinds lang verdwenen is. 

Gelijk rector C. Laurensz. aanteekende, waren er wel 
8 wekelijksche Missen gefundeerd, n.1. 



17de eeuw was het in bezit van den advocaat Adriaan Westphalen te 
Alkmaar, die er eene door het verbleeken van den inkt bijna onleesbare 
superscriptie, eene goede bewaring aanbevelend en eindigend salcmarie 
1683 en 1694'' opzette. Nu schijnt het eigendom te zijn van den Heer 
C. W, Bruinvis. 

1) H. V. Rijn, bl. 368. 

2) Zie het H. S. over de Franciskanen in de Nederlandsche 
Provincie, Bijdragen, XX, bl. 183. 

3) Gids voor Enkhuizen, bl. 35. 



433 

voor den Zondag door Allert Allertsz. en echtgenoote 
en een tweede H. Mis door Freeck Oriaertsz. ; 

voor den Maandag door Vrouwe [waarsch. Veronica] 
Arentsdr., in of even vóór 1563; 

voor den Dinsdag door Heer Victor en Duue Arentsdr. ; 

voor den Woensdag door een(e) onbekende; 

voor den Donderdag door Albert Albertsz. en zijne 
echtg. Vrouwe Arentsdr. ; 

voor den Vrijdag 2 H. Missen door onbekenden, 

en op een (niet gedetermineerden) dag per week door 
de geprofeste zuster Diewer Jans te Haarlem. 

Behalve deze fundatoren behoorden ook tot de wel- 
doeners, van Sint Clara, van welke in den loop des 
jaars „Memorie" gehouden werd, de families Tapper 
en Westphalen, [Eduarda stierf daarin an° 1571 en 
Renesse was in 1550 mater van St. Ursula aan de 
overzijde], Mr. Frederik Pietersz. en Mr. Jan Maertsz., 
pastoor Ysbrand Hendriksz. van Coldo (?) en familie, 
de rector Mr. Jacob Dirksz. van Edani^ Jan Outgersz. 
en echtg. Dieu Jans en haar zuster Teet Folkertsdr., 
Riewert Claesz. en familie, Harme Pietersz. en echt- 
genoote, Freek Dirksz. en familie, Zeger Albertsz., 
Mr. Ysbrant Albertsz. en zijn broeder Mr. Albert Albertsz. 
Langwambis, de vroegere rector Gerrit Frederiksz. Crab, 
de Alkmaarsche rector Simon Dirksz. Pax van Enk- 
huizen met zijne ouders, Pieter Pietersz. Cruyfif, die 
400 gulden aan het convent legateerde en eindelijk Aefje 
Baniaert, huisvrouw van Adriaen Jansz. Westphalen, die 
in 1562 dertig k. gulden [jaarlijks ongeveer 36 st. los- 
renten doende] gaf, om op 4 Maart jaarlijks memorie 
te houden van haar en haar man alsook van Nanning 
Tapper en echtgenoote Freeck en dezer kinderen Mr. 
Ruart, Frans, Margriet en Barbara. 

Er bestond in Sint Clara het gebruik dat op 23 

28 



434 

„hoichtijts"-dagen in het jaar, waartoe natuurlijk de 
feestdagen van St. Clara, St. Franciscus en St. Gummarus 
(ii October) behoorden, „den seven ghetijden inder 
kercken voor den ghemeente vander pater gelesen 
werden, beginnende met den eersten vesper." Aardig 
is het na deze aanteekening bij rector Corn. Laurensz. 
te lezen, dat op „S. Claren en Sinte Franciscus dagen 
aen des paters tafel wordt beweesen den beleefth. ende 
dancbaerh. van het convent nae der ouersten goet- 
duncken" i). 

Natuurlijk zal het in de refter der nonnen op die 
feesten ook wel beter dan gewoonlijk geweest zijn. Het 
schijnt dat, ondanks al de bovenopgesomde fundaties 
en weldoeners, de spijs der Clarissen gewoonlijk sober 
was ; want de jaarlijksche renten van 36 st. ongeveer, 
door Aefje Baniaert gelegateerd, moesten hoofdzakelijk 
dienen om op den Memoriedag de nonnen te onthalen 
op „witte brood". 

Een tweede gebruik was, dat St. Clara niet alleen 
aan de 5 priesters, die op H. -Sacramentsdag en ge- 
durende het Octaaf hiervan in de St.-Gummaruskcrk 
officieerden een honorarium aanbood "), maar ook aan 
de (gewoonlijk 7, waaronder steeds de 3 rectoren der 
„drie susteren conventen tenchuysen") priesters, die 
„tsamen geroepen werden tot der vigiliën" omstreeks 
St.-Paulus-bekeering in het St.-Claraklooster (waarop 
de memorie van pastoor Ysbrant Hendriksz. van Coldo (i*) 
en familie gehouden werd), omstreeks de Vigilie van 
St. Jacob in het St.-Ursulaklooster en omstreeks Alle- 
heiligen in het St.-Caeciliaconvent. Telkens werden dan 
den officiant „daert office wert gedaen" 3 st. en aan de 
andere priesters 2 st. aangeboden. 

i) Bijdragen, XXI, bl. 27. 

2) Zie de schels: Gommerskarspel, bl. 415, 416. 



435 

Dat de rectoren van St. Clara Minderbroeders-Obser- 
vanten waren volgt uit het bovengenoemd H. S. ^): 
„Fuit coenobium Clarissarum Primae Regulae Enchusae 
sub patrum nostrorum directione." Als rectoren vond 
ik vermeld : 

Gerrit Fredericsz. Crab, Noorman bijgenaamd door 
Adr. Westphalen, die hem noemt als medestichter van 
eene vicarie in de Alkmaarsche Sint Laurens op 2 1 Sep- 
tember 1430 2). Is dit zoo, dan zal hij de eerste rector 
geweest zijn. Uit zijn rectoraat dateeren de annotaties 
van 2 gefundeerde Missen in het nog in 1572 aanwezig 
„gheschreven missael boeck". 

Gerrit Volkertsz., die vermeld wordt als boedelredder 
van een rector van St. Ursula zonder jaartal ^). 

Mr. Jacob Dirksz. van Edam in 1 5 . . . Van hem werd 
in St. Clara omstreeks 9 Februari memorie gehouden 
„met vier keersen". 

Mr. Cornelis Laurensz., die reeds in 1 563 als zoodanig 
in functie was. Na de alteratie van zijn klooster in 1572 
bleef hij in of bij Enkhuizen tot 1582, in welk jaar 
„sijn ick uytlandich geworden inde meymaent", gelijk 
hij zelf bericht in zijne Aanteekeningen ^). 

De kloostergebouwen zelve werden door de stedelijke 
regeering bestemd tot een oude-mannen- en vrouwen- 
huis, dus misschien het provenhuis, waarvoor de 
ordonnantie van 3 Juli 1581 gegeven werd*) en de 
kapel werd gedegradeerd tot gevangenis ^). In 18 10 werd 



1) Bijdragen, XX, bl. 183; vgl. XXXI, bl. 10. 

2) Bijdragen, XVIII, bl. 398. 

3) Bijdragen, XIX, bl, 20, 27. 

4) E. V. d. Boof, bl. 190. 

5) In den Atlas van Noordholland op het provinciaal archief te 
Haarlem worden bewaard teekeningen, in Üostindische inkt gemaakt 
door Jac. Stellingwerf (die van 1724 tot 1756 vele dergelijke teekeningen 
vervaardigde), niet alleen van het St.-Ursula- en het St.-Claraklooster, 



436 

het tegelijk met het oude armengasthuis, het leprozen- 
huis en de twee weeshuizen gecombineerd onder een 
gemeenschappelijk bestuur tot een algemeen instituut 
„Wees- en armenhuis". 

Het St. - Caeciliaklooster i) . 

In tegenstelling met het St.-Ursulaklooster, dat ten 
zuiden der parochiekerk gelegen was, werd St. Caecilia, 
dat ten westen en noordwesten daarvan stond, het 
w^j/^;'klooster geheeten. 

Evenals voor St. Clara, zijn ook voor dit klooster 
de jaren 144 1 en 1465 de datums van het begin en 
de voltooiing van den bouw geweest. Langzamerhand 
besloegen de gebouwen het terrein, dat nu ingenomen 
wordt door de kostelooze openbare school voor lager 
onderwijs met omgeving ten oosten en ten noorden tot 
de Driebanen toe ; de nonnen 2) verheugden zich in het 
bezit van een met riet gedekte kapel, waarop zelfs een 
torentje met een uurwerk geplaatst werd, doch dat 
naderhand een prooi der vlammen is geworden ^). Brandt 
vermeldt dat deze kapel stond vlak naast het ziekenhuis, 
waaruit ik opmaak dat de conventualen zich wijdden 
aan de verpleging der kranken. 

Uit een akkoord tusschen burgemeesters en het convent 
van 12 Januari 1560^) weten we, dat men toen nog in 



maar ook van de drie hierna beschreven conventen en, naar 't schijnt, 
het Termijnshuis der Minnebroers, zooals ze zich vertoonden in het 
jaar 1590, 

Deze opgave werd mij verstrekt door de behulpzaamheid van den 
Archivaris C. J. Gonnet. 

i) Hoofdzakelijk geput uit G. Brandt, Historie enz. 

2) H. V. Rijn, t, a. pi., bl. 368. 

3) Nog in 15 13 had het klooster een rieten dak, gelijk blijkt uit 
een keur van dat jaar. 

4) E. V. d. Hoof, t. a. pi, bl. 80. 



437 

het klooster aan het bouwen was; dat akkoord is 
hierom ook merkwaardig, omdat ons daaruit blijkt, 
dat een gedeelte der kloostergebouwen aan de zuidzijde 
slechts door een steeg van de St.-Gommaruskerk ge- 
scheiden waren en dat in genoemd jaar Hessel Robbrechtz, 
rector en Teetmoer Gerritsdr. mater van het klooster was. 

Na de alteratie bestemde het stedelijk bestuur de 
gebouwen tot bayard of leprozen- en zieken- of pesthuis, 
welke beide inrichtingen volgens de platte-grondteekening 
der stad bij G. Brandt door een straat gescheiden waren. 
Doch reeds in 1587 had het reeds een ordonnantie^) 
gemaakt „waernae alle krancke, desolate ende miserabele 
persoonen, die in het pesthiiys komen, haer zullen hebben 
te reguleeren, opdat de goede ordre in 't selve Godts- 
huys mach werden onderhouden", uit de bepalingen 
waarvan blijkt, dat de pokkenlijders en de melaatschen 
niet hierin werden opgenomen ; ze hoorden trouwens 
thuis in de bayard of het leprozenhuis, dat pas na 16 10 
geopend werd 2). 

Het Beggijnhof. 

G. Bratidt ^) verhaalt, dat er te Enkhuizen ook een 
beggijnhof en een St. Agnesklooster geweest is. Htigo 
van Rijn *) weet, dat St. Agnes gesticht werd in 't jaar 
15 15, en eerstgenoemde vermeldt nog 5), dat in 1398 
de „Wethouders seker begijnhof met d' ingesetenen 
vandien in hunne bescherminge naemen", en dat in 
't St. -Agnesklooster eenige Enkhuizer meisjes zich 
wijdden aan het afgezonderd leven. D. Brouwer ^) schrijft, 



i) E. V. d. Hoof, t. a. pi., bl. 192, 

2) S. Centen^ Vervolg der historie van Enkhuizen, Hoorn 1747, bl, 2. 

3) T. a. pi., bl. 60. 

4) Bl. 369. 

5) T. a. pi., bl. 18, 60. 

6) Gids van Enkhuizen, bl. 34. 



438 

dat dit gesticht gelegen was ten westen van het St.-Ursula- 
klooster i) en elke bezoeker van Enkhuizen kan 't op het 
straatnaambordje lezen, dat nu nog de verbinding van 
de Oude Westerstraat rechtsstreeks zuidelijk met den 
Dijk, westelijk van 't vroeger St.-Ursulaklooster, Beggijn- 
straat heet. 

Van den anderen kant schreef, gelijk wij vroeger 
hebben vermeld, de laatste rector van het St.-Clara- 
klooster in of na 1582, dat in zijn klooster bij zekere 
gelegenheid eenige priesters „tsamen geroepen werden 
met die drie paters der drie susterenconventett tenchuysen^' 
en dat „die drie paters alle dagen [in 't Octaaf van 
H.-Sacramentsdag] int lofif van Sinte Gummaruskerk 
kwamen." 

Gelet op deze gegevens, dunkt mij het volgende als 
het meest waarschijnlijke: In of even voor 1398 zal 
ter plaatse grenzend aan de huidige Beggijnstraat een 
convict van Enkhuizer meisjes, die zonder eigenlijke 
geloften af te leggen God beter wilden dienen in zekere 
afzondering van de wereld, gesticht zijn. Misschien is 
dit wel 't werk geweest van Paulus van Enkhuizen, 
van wien Willem Voncken, zijn tijdgenoot, getuigde 2), 
dat hij omstreeks 1390 te Enkhuizen op de prediking 
van Mr. Geert Groete van zijn geest bezield en door 
zijn ijver ontstoken de maagden tot het kloosterlijk 
leven gebracht of haar bestuurd heeft als rector van 
eene Windesheimsche Congregatie. In 15 15 zal dan 
voor de beggijntjes een nieuw domicilie onder de be- 
scherming van St. Agnes gesticht zijn. In dit vermoeden 
word ik versterkt doordat Brandt^) nog meldt dat, 



i) Ook Stellingwerf teekende een St.-Agnesklooster volgens den 
toestand van 1590. 

2) Bijdragen, XXV, 267, 268. 

3) T. a. pi., bl. 284. 



439 

terwijl de kloosters van S. Ursula, S. Clara en S. Caecilia 
na 1572 gestichten bleven, het z.g. S.-Agnesklooster 
veranderd werd in gewone woonhuizen, iets wat zich 
van een beggijnhof bestaande uit naast elkaar liggende 
kamers of huisjes zeer goed laat begrijpen. 

Hei Augustijnenklooster . 

Het vraagt de aandacht, dat er in Gommerskarspel 
wel 3 vrouwenkloosters en een beggijnhof waren, terwijl 
Oostelij k-Enkhuizen slechts één convent en wel voor 
mannelijke religieusen bezat. Dit Augustijnenklooster 
stond op het terrein, dat nu, begrensd door Zuider- 
kerkplein, Drie groene eikels, Kreupeltje, Vrijdom en 
Meidemarkt, in den wandel „'t Bosch" genoemd wordt. De 
kapel of kleine kerk liep evenwijdig met de St.-Pancras- 
kerk, was hiervan slechts door het kerkplein en het 
kerkhof gescheiden en had een ingang aan de oostzijde, 
zoodat de bewoners van den Havendijk door een hierop 
uitloopend dwarsstraatje zeer spoedig het kloosterkerkje 
konden bezoeken. 

Htigo van Rijn 1) meent, dat 't een klooster der 
Franciskanen was, doch ten onrechte. De Minderbroeders- 
observanten hadden in Enkhuizen het Rectoraat van 
het St.-Claraklooster ; daarenboven hadden die van 
Alkmaar een z.g. Termijnshuis, n.1. een woning waarin 
de paters, die bij hooge feesten enz. in de parochie- 
kerken kwamen assisteeren door preeken, biechthooren 
enz. tijdelijk hun intrek namen-). Reeds lang vóór 1506 
kwamen de Alkmaarsche Franciskanen te Enkhuizen 
de passie preeken. — In 't voorbijgaan wijs ik op de 
tragische omstandigheid, dat Daniël van Arendonck en 
zijne 4 Gezellen, in 1572 te Enkhuizen om 't H. Geloof 



1) BI. 368. 

2) Bijdragen, XXXI, i68. 



440 

ter dood gebracht, Alkmaarsche Franciskanen waren ; 
zóó is 's werelds loon ! — Dat preeken enz. gebeurde 
met verlof van de kerkmeesters, maar had niet de 
volle sympathie van de Enkhuizer paters noch van het 
stedelijk bestuur. De Observanten beklaagden zich nu 
bij het Domkapittel te Utrecht, onder de jurisdictie 
waarvan Enkhuizen behoorde, dat zij van den kant èn 
van de „Augustijnen residerende binnen Enchuysen" 
èn van het stadsbestuur „empeschement of behindert- 
heyt" ondervonden in hun „sinds onheuglijke tijden" 
dateerend termijnrecht. Doch het stadsbestuur antwoordde 
daarop den i8en Maart 1506 aan het kapittel, dat er 
vroeger ook wel andere paters de passie kwamen preeken, 
dat de Observanten slechts uit gunst mochten komen 
maar nimmer \.^xxmy!\^recht hadden gehad en dat het 
meer genegenheid voor de eigen dan voor vreemde 
paters koesterde 1). 

Uit dit antwoord blijkt genoeg, dat H. v. Rijn zich 
vergist heeft en de Enkhuizer paters van de Orde van 
St. Atigustinus waren. 

Het klooster werd gesticht in het jaar 1458 3). Toen 
tenminste gaf het stadsbestuur aan br. Dirk van Schoorl 
van de 3de Orde en br. Pieter van Avenhorn verlof, 
zich te Enkhuizen te vestigen op deze voorwaarden : 
1°. zij mochten niet meer dan 4 in getal zijn; 2°. zij 
moesten in eigen onderhoud voorzien door boekbinden 
of perkament-maken ; in geval van nood echter mochten 
ze tweemaal per week hun brood gaan bedelen; 
3°. zij zouden zich verplichten in tijd van pest de zieken, 
die zulks begeerden, te verzorgen en de dooden te be- 
graven en 4°. zonder tegenweer zouden ze uit Enkhuizen 



i) Bijdragen, XVIII, 318—320, 426. 
2) G. Brandt, t. a. pi., bl. 33. 



441 

moeten vertrekken, indien zij „teenigen tijde quaedt 
huis hielden ofte de stadt niet wilden waeren." 

De heeren waren niet gemakkelijk en leken wat 
pessimistisch ! 

Hoe het zij, na deze voorwaarden voor zich en hunne 
opvolgers schriftelijk te hebben aangenomen, kregen zij 
een stuk grond vlak bij de St.-Pancraskerk, „het koster- 
bon", 'twelk toebehoorde aan de kosterij der Westerkerk, 
om daarop een klooster voor zich te bouwen. 

Uit de opgesomde toelatingsvoorwaarden zou men 
m.i. moeten opmaken, dat de eerste bewoners van dit 
convent slechts geestelijke broeders waren. Doch 50 jaar 
later waren er zeker priesters onder, want in 1 506 worden 
de Augustijnen door het stadsbestuur geprezen — het 
pessimisme was geheel verdwenen ! — als „goede devote 
mannen ende daer ons stede van goddelijcken diensten 
dagelijcx seer of gedient werd". Ze hadden het toen 
echter niet breed, want achter die lofprijzing volgt : 
„ende die 00c van grooten noode hebben hulpe ende 
bijstant van goeden menschen, want sij niet en hebben 
dan men hemluyden om Godswillen geeft" ^). Hieruit 
schijnt te volgen, dat het convent geen vruchtdragende 
goederen bezat bij het begin der i6de eeuw. Ook in 
1520 lijkt de economie niet rooskleuriger geworden te 
zijn, want volgens G. Brandt") had paus Leo X aan 
het convent het privilegie verleend, dat zij die het door 
een aalmoes bijstonden een aflaat konden verdienen ; 
een dergelijk voorrecht had het St.-Ursulaklooster reeds 
op 18 September 1435, kort na de stichting ervan, van 
den Utrechtschen Vicaris Martinus ontvangen. 

Het is spijtig, dat zoo weinig over de geschiedenis 



i) Bijdragen, XVIII, 319. 
2) T. a. pi., bl. 65. 



442 

van dit Augustijnenklooster voor 't nageslacht is bewaard 
gebleven. 

De eenige pater, dien ik met naam vermeld vond, is 
br. Jati van Mechelen in 't jaar 1506, die het boven- 
aangehaald bescheid van de „goede stede van Enchuysen" 
moest brengen en mondeling toelichten bij het Utrechtsch 
Domkapittel. 

G. Brandt^), die in zijne „Historie van Enkhuysen" 
voortdurend blijken geeft van vooroordeel ten opzichte 
van roomsche personen, zaken en toestanden, beschuldigt 
de Augustijnen omstreeks 1565 van dronkenschap. Als 
bewijs voor deze aantijging haalt hij tiiet de Aanteeke- 
ningen aan van Jan Simonsz. Blaeuhulck of Marten 
Pietersz, Proost, maar — zonder een bron te noemen — 
omdat „men" toen dit rijmpje op hen toepastte: 

De monniken in 't monnikenconvent 
Die waeren tot sterken drank gewent. 
Sij hadden drie groote kannen. 
Die hadden naemen als mannen: 
De eene hiete Huigemondt, 
De tweede hiete Maekeblij, 
De derde hiete Drinkom. 

Na 1572 werden de kloostergebouwen natuurlijk ge- 
annexeerd. In 1602 of 1603 werden ze bestemd tot 
aalmoezeniers- en nieuwe armenweeshuis, waarin Enk- 
huizer weezen boven 10 jaar en vreemde weezen zouden 
worden opgenomen, terwijl in 1646 de vanouds zoo 
genoemde „monnikenkerk" ten dienste van de Nederl. 
hervormden gegeven werd en den naam kreeg van 
„kleine kerk". 

In 18 10 werden de weeskinderen overgebracht naar het 
oude armenweeshuis ('t voormalig St.-Ursulaklooster ca.) 
en nadat in 18 19 de gebouwen tegelijk met de „kleine 



I) T. a. pi., bl. 129. 



443 

kerk" gesloopt waren, werd het hierdoor open komend 
terrein beplant met boomen, vanwaar de nog steeds 
gebruikelijke benaming van „'t Bosch". 

IV. Andere geestelijke stichtingen 
VÓÓR de hervorming. 

Nadat we de beide Parochiekerken en de kloosters 
hebben geschetst, blijft nog over te vermelden hetgeen 
we hier en daar gevonden hebben over de school en 
het gasthuis te Enkhuizen in den roomschen tijd. 

De School. 

Het oudste bericht over „die scole tot Enchuysen" 
vond ik in de Gravelijkheidsregisters van het Haarlemsch 
Rijksarchief!), die op het jaar 1422 vermelden, dat 
Klaas van der Stege, pastoor te Rotterdam, van die 
scholasterije afstand deed ten behoef e van zijn neef 
Albrecht van der Stege. 

Het begeven van het schoolrectoraat was waarschijnlijk 
toen reeds in handen van Willem Legrain, doch zeker 
in 1436; in dit jaar toch deed Philips van Bourgondië 
bij manifest van 28 Augustus 2) het coUatierecht van 
kosterij, scholasterij, kerkambacht en eene vicarie in 
het gasthuis overgaan van genoemden Willem op de 
stedelijke regeering, omdat deze beter in staat was 
geschikte personen daarvoor uit te kiezen. 

Behalve de beide van der Stegen ontmoette ik nog 
als schoolmeesters ^) : 

in 1550 Mr. Crispinus Arendonck en Mr. Reinier 
Reiniersz. van Stavoren, toen benoemd tot rector en 
onder-meester ; 



1) Bijdragen, XXXI, 64. 

2) E. V. d. Hoof, bl. 25. 

3) G. Brandt, bl. 95, 124, 286. 



444 

in 1562 Mr. Gerbrandt Cloeting, die 23 Januari werd 
aangesteld op een jaarwedde van 150 gulden doch verplicht 
werd twee ondermeesters op eigen kosten te houden. 

Het schoolgebouw stond in de Oude Westerstraat 
zuidzijde, niet verre van de St.-Pancraskerk en trok 
nog in 1650 de aandacht door oudheid en aanzienlijkheid. 

Het Gasthuis. 
Aan den oostkant van de Breedstraat, een weinig 
ten zuiden van de hierop uitloopende Oude Westerstraat, 
ziet gij het Snouck-van-Loosengebouw voor hervormd- 
godsdienstonderwijs, waarvan de boogruimten boven de 
drie ramen gevuld zijn met in zandsteen uitgevoerd 
relief beeldwerk, dat het geloof, de hoop en de liefde 
voorstelt. Op of omstreeks de plaats van dit gebouw stond 
vroeger het oude gasthuis, 't welk volgens G. Brandt ^) 
tusschen de jaren 1394 en 1396 gesticht werd voor 
zieken en arme vreemdelingen-). Reeds in 1397 gaf 
hertog Albrecht bij handvest van 17 Maart 3) „die 
Wage binnen Enchuysen mit alre nutschap ende profijt 
dat daer of komen sal, die op te boeren jaerlijcks van 
de Gasthuysmeisters totten armen luyden behoef." Zeer 
spoedig had het liefdegesticht een eigen kapel en blijkens 
een manifest van hertog Philips ^) was daarin vóór 1436 
eene vicarie gesticht, welke volgens H. van Rijn 
St. Andries was toegewijd. 



i) T. a. pi., bl. 17. 

2) Niet te verwarren met het verblijf voor niet-arme vreemdelingen 
in de stadsherbergen ; in 1527 werden er aan den Dijk nieuwe gebouwd, 
die — niet aanlokkelijk! — »de hel" en »het vagevuur" werden ge- 
noemd. Nog heden heeft een steegje, dat Dijk met Zuiderhavendijk 
verbindt, den niet-onvermakelijken naam van : >Tusschen de hel en 
het vagevuur" ! 

3) E. V. d. Hoof, bl. 16 en 17, 

4) E. V. d. Hoof, bl. 25. 



445 

In 't begin der 15de eeuw deed het gasthuis tevens 
dienst als stede-huis en hielden magistraat en justitie 
heel gemoedelijk vergaderingen en rechtszittingen in 
de kapel. Toen echter de nabijheid van zieken en 
armen moeielijkheden veroorzaakte voor de rechtspraak, 
begonnen schout en schepenen de vierschaar te spannen 
in de open lucht vóór de St.-Anthoniskapel, die ongeveer 
50 M. zuidelijker aan denzelfden oostkant der Breede- 
straat stond, of zelfs in herbergen; maar dit werd in 
145 1 verboden door den Graaf, die in een handvest 
bepaalde, dat de gerechtszittingen alleen mochten ge- 
houden worden in het gast- of stedehuis. In 't voor- 
bijgaan zij vermeld, dat deze bepaling de aanleiding 
werd, dat in 1460 een afzonderlijk stadhuis gebouwd 
werd vóór de St.-Anthoniskapel, ongeveer ter plaatse 
waar in 1668 het nu nog monumentaal rijzend raadhuis 
gezet werd. 

Later ^) is ook het gasthuis zelf verplaatst, meer 
noordwaarts, vergroot en uitgebreid met een provenhuis. 
Jammerlijk heb ik over dit liefde-gesticht niet meer 
kunnen vinden dan nog deze bijzonderheid, dat in 
't jaar 1555 Gerrit Prms werd aangesteld — tegen 
een jaarlijksch honorarium van 14 carolus gulden — 
om daarin de H. Mis te doen en 't Woord Gods te 
prediken. 

Naschrift. 

Ter aanvulling van bl. 400: 

In het Bulletin v. d. Nederlandsch Oiidheidkimdigen 
Bond, jg. 8, afl. i en 2, bl. 59, in deze week verschenen, 
geeft prof. Six een zeer merkwaardig vierde voorloopig 
bericht omtrent de schilderingen in de kap der St. Pancras. 



[) G. Brandt, t. a, pi., 28 en 103. 



446 

Ter aanvulling van bl. 411: 

In 't jaar 1522 gaf ook „het Gerechte ende Vroescap" 
van Haarlem voor de St. Gummarus te Enkhuizen, 
„omdat men aldair veel Hairlems bier drinckt ende 
slijt", een door Willem Dirksz. Tybaut ad ƒ96. — ge- 
maakt en geleverd geschilderd glas met deze voorstel- 
lingen: „in de eene zijde staende die historie, hoedat 
die van Hairlem in voirtijden Damyaten gewonnen 
hebben mit een schip van oirloge ende eene zaghe 
dair ondere, ende in d' andere zijde hoe de wapene 
van Hairlem bij Paeus, Keyser, Cardinalen etc. gegeven 
is." (Thesaurier srekenmg der stad Haarlem 1522). 

Nog ter elfder ure ontving ik deze mededeeüngen 
van den Rijksarchivaris C. J. Gonnet te Haarlem, die 
de laatste drukproef had nagezien. 

Noordwijkerhout, Rector E. H. RijKENBERG. 

I Mei 1915. 



NAMEN VAN PRIESTERS UIT HET 

TEGENWOORDIGE BISDOM VAN HAARLEM, 

VOORKOMENDE IN HET TIJDSCHRIFT 

DE GODSDIENSTVRIEND. 



In het gedenkboek : Het katholiek Nederland 1813 — 
^P^J» wordt op meer dan eene bladzijde op de belang- 
rijkheid gewezen, die het voornaamste der oude of 
zoogenaamde doode tijdschriften: De Godsdienstvriend 
heeft voor de kerkgeschiedenis uit de eerste helft der 
19de eeuw. En inderdaad voor eene volledige beschrijving 
eener plaatselijke kerkgeschiedenis uit genoemd tijdvak, 
is het noodzakelijk „de Godsdienstvriend" die een levens- 
bestaan had van 51 jaren (18 18— 1869) en tot een 
boekwerk van 102 deelen, met nog drie deelen Bij- 
dragen uitgroeide, door te bladeren en te doorzoeken, 
waar iets van zijne gading staat opgeteekend. Maar, 
merkwaardig genoeg, wordt De Godsdienstvriend hoogst 
zelden in de bibliotheek van particulieren en in de 
boekerij van godsdienstige of wetenschappelijke instel- 
lingen slechts schaars en meestal onvolledig aangetroffen ^). 

En toch blijft dat tijdschrift voor den geschiedschrijver 
eener plaatselijke kerkgeschiedenis eene onmisbare bron. 

Daarom hebben ondergeteekenden De Godsdienst- 
vriend doorgewerkt en naamlijsten aangelegd van geeste- 
lijken, decanaatsgewijze in gedeeld, voorkomende in 
genoemd tijdschrift; en al datgene aangeteekend wat 



l) De Katholiek: dl. 144, jg. 19 1 3, blz. 40, 42. 



448 

voor eene plaatselijke geschiedenis merkwaardig of nuttig 
geacht kan worden. De vindplaatsen werden zorgvuldig 
aangegeven i). Wat wij vonden wordt thans meegedeeld 
deels in het Archief v. Utrecht en deels in de Bijdragen 
V. Haarlem. Alzoo verkrijgt men terstond een over- 
zicht van hetgeen in De Godsdienstvriend omtrent deze 
of gene parochie vermeld staat. 

♦ 

Het door ons gebruikte exemplaar was afkomstig 
uit de boekerij van wijlen pastoor J. H. Hofman en 
behoort thans tot de bibliotheek van het Seminarie 
Culemborg. Zooals van den geschiedkundigen bezitter 
te verwachten was, is zijn exemplaar op verscheidene 
bladzijden, aan den rand of tusschen den tekst, met 
verschillende historische bemerkingen verrijkt. 

Toch moet de lezer, die in dezen arbeid belangstelt, 
wel weten, dat de naamlijsten, vooral uit de jaren van 
het aartspriesterlijk bestuur, aan volledigheid te wenschen 
overlaten; het gebeurt niet zelden dat van een priester 
wel zijne komst in de statie maar niet zijn vertrek — 
of omgekeerd — wordt medegedeeld, terwijl met de 
spelling der eigennamen of met de opgave der voor- 
namen wat lichtvaardig werd omgesprongen. Bovendien 
bleef bij benoemingen in de steden de juiste opgave 
der statie meermalen achterwege, zoodat ons niets anders 
te doen overbleef, dan eenvoudig in een afzonderlijken 
lijst de namen te vermelden der priesters, die in deze 
of gene stad werkzaam waren. 

Tot het aanbrengen van verbeteringen of het aan- 



i) Het op de bibliotheek te Hageveld aanwezige register op »de 
Godsdienstvriend" loopt van i Juli 1818 — 30 Juni 1840 en beslaat 
slechts 44 deelen. Bovendien geeft het een alphabetischen inhoud naar 
de zaken en is derhalve, voor het naslaan van kerkelijke personen, 
zonder waarde. 



449 

vullen van leemten hebben wij ons in den regel niet 
geroepen geacht, maar veiliger geoordeeld dat over te 
laten aan den toekomstigen geschiedschrijver, die uit 
doopboeken of andere in het kerkarchief berustende 
documenten, het gebrekkige in de naamlijsten met af- 
doende zekerheid kan aanvullen. 

De door ons gebruikte verkortingen behoeven geene 
nadere verklaring. 

Op het Pinksterfeest van 1914, J. C. VAN DER Loos. 
Nieuwerkerk a.d. IJsel. 

Didam. L. J. van der Heijden. 

I. 
Decanaat Alkmaar. 

Alkmaar. 
Vinkesteyn, E., p. 1799 — 18 19, kanunnik, f i Sept. 18 19, 

dl. 3, blz. 188. 
Kok, J., p. 18 19 — 1822, f 10 Sept. 1822, landdeken 

van Noord-Holland, dl. 3, blz. 241, dl. 9, blz. 177. 
Gerving, B. J., p. 1822— 1835, landdeken, sinds 25 Maart 

1834 aartspriester van H. Z. en W. Fr., f 12 Dec. 

1842, necrologie, dl. 32, blz. 254, dl. 35, blz. 59, 

dl. 50, blz. 55—56. 
Bakker, J. J., des. f 30 April 1835, dl. 32, blz. 255, 

dl. 34, blz. 300—301. 
Mierlo, J. G. W. van, p. 1835 — 1841, landdeken van 

Noord-Holland, dl. 35, blz. 59, dl. 47, blz. 51. 
Fick, J. F., k. tot 1835, dl. 35, blz. 59. 
Gent, J. van, p. van 1841, landdeken, dl. 47, blz. 52. 
Eerste steenlegging der kerk, dl. 83, blz. 199. 
Kruisweg-wijding Dec. 1861, dl. 87, blz. 292. 
Boerkamp, W. A., k. tot 1862, dl. 88, blz. 253. 
Volkers, J. A. G., k. van 1862, dl. 88, blz. 253. 



29 



450 

Mens, J. H., p. tot 1826, f 16 Juni 1826, dl. 17, blz. 97. 
Nieuwendijk, C. van den, p. 1826 — 1851, rustend gew., 

dl. 17, blz. 251, dl. ^, blz. 155. 
Meijer, F. F., p. van 185 1, dl. 66, blz. 261. 

Pro memorie. 

Het voormalige Clarissenklooster te Alkmaar, 
dl. 82, blz. 195. 

Getuigenis van „outste en catholycke Burgers 
der stede Alckmaer", gegeven den 8en Dec. 1668 
aangaande de twee eerste Franciskaner Missio- 
narissen te dier stede, dl. 82, blz. 246 — 250. 

Het gewezen klooster der Minderbroeders obser- 
vanten te Alkmaar, dl. 82, blz. 303—306. 

Mey, Isaac van der, 1638, dl. 87, blz. 32. 

Plempius, Petrus, 1640, dl. 87, blz. 32. 

* * 

Alkmaar (Franciscanen). 

Sparmakering, Fr. X., k. tot 1832, dl. 28, blz. 211. 
Kanshuizen, Fr., k. van 1832, dl. 28, blz. 211. 
Beugen, J. van, p. 1818 — 1834, f 27 Oct. 1834, dl. 33, 

blz. 306. 
Sparmakering, Fr. X., p. 1834— 1855, necrologie, dl. 33, 

blz. 306, dl. jS, blz. 145, dl. 96, blz. 194 — 196. 
Loonink, H. T., k. van 1853, dl. 72, blz. 102. 
Straman, L. J., p. van 1855, dl. ^6, blz. 145. 

* * 

Alkmaar (Dominicanen). 

Lens, J. Th., p. tot 1862, rustend gew., f 18 Juni 1864, 

dl. 90, blz. 56, dl. 93, blz. 48. 
Reynders, G. W., p. van 1862, dl. 90, blz. 56. 
Jansen, A., k. tot 1862, dl. 90, blz. 56. 



451 

Kreling, L., k. 1862—1865, dl. 90, blz. 56, dl. 95, blz. 190. 
Gijsbers, A., k. van 1865, dl. 95, blz. 190. 
Verkerk, J. A., k. van 1867, dl. 99, blz. 315. 
Burmanje, J., k. tot 1867, dl. 99, blz. 315. 

Bergen. 

Spal, B., p. tot 1820, rustend gew., dl. 4, blz. 302. 
Kok, Th. L., p. van 1820, dl. 4, blz. 302. 
Huysick, P. F., p. tot 1848, f 1848, dl. 61, blz. 45. 
Heyningen, H. van, p. van 1848, dl. 61, blz. 45. 
Blom, C. F. S., p. tot 1863, rustend gew., dl. 91, blz. 246. 
Rood, B. A. van 't, p. van 1863, dl. 91, blz. 246. 

Egmonden (Rinnegom). 

Kriek, J. P., p. tot 1831, dl. 28, blz. 59. 

Bleijenberg, J. S. van, p. 1831— 1841, dl. 28, blz. 60, 

dl. 46, blz. 198. 
Deyl, Th. H. van, p. van 1841, dl. 46, blz. 198. 
Meijer, F. F., p. tot 1862, dl. 88, blz. 103. 
Janmaat, W., p. van 1862, dl. 88, blz. 103. 
Beumer, J. C, k. van 1867, dl. 98, blz. 238. 

Heer-Hugo- Waard. 

Gesticht in 1867. 
Deyl, H. Th. van, p. van 1867, dl. 99, blz. 314. 

Heilo. 

Smedding, F. F., ass. 1837— 1838, dl. 38, blz. 156, 

dl. 42, blz. 99. 
Bongaerds, A. J., ass. tot 1838, dl. 40, blz. 155. 
Sluyter, H. A., p. tot 1837, rustend gew., f 1840, 

dl. 40, blz. 155, dl. 44, blz. 321. 
Geurs, M., p. van 1838— 1866, f 19 Maart 1866, oud 

62 jaar, dl. 40, blz. 155, dl. 96, blz. 202. 



452 

Langendijk. 

Loos, B. J. de, p. 1814— 1826, dl. 18. blz. 89. 
Albert, A. H., p. 1826— 1832, dl. 19, blz. 91, dl. 28, 

blz. 60, dl. 30, blz. 52. 
Honschoten, P. van, p. 1832 — 1839, dl. 30, blz. 52, 

dl. 42, blz. 248. 
Romijn, J. L., p. van 1839, dl. 42, blz. 300. 
Gijn, H, van den, p. 1843 — 1865, rustend gew., dl. 50, 

blz. 119, dl. 95, blz. 94. 
Nabbeveld, J. L. A., p. van 1865, dl. 95, blz. 94. 

Oudorp. 

Kok, J., p. tot 1819, dl. 3, blz. 241. 
Lieshout, G. van, p. van 18 19, dl. 3, blz. 241. 
Houbraken, J. P. J., p. 1822— 1857, f 27 Dec. 1857, 
necrologie, dl. 80, blz. 46. 

Schoorl. 

Hoven, P. L. van der, p. tot 1821, dl. 82, blz. 242. 
Poppe, G., p. tot 1825, dl. 15, blz. 92. 
Dijk, P.van, p. 1825 — 1834, dl. 15, blz. 231, dl, 32, blz. 255. 
Inwijding der nieuwe kerk, 6 Dec. 1830, dl. 26, 

blz. 41 — 42. 
Bach, W. van den, p. 1834 — 1844, dl. 32, blz. 302, 

dl. 52, blz. 239. 
Terstappen, A., p. 1844 — 1846, f 27 Nov. 1846, dl. 52, 

blz. 239, dl. 58, blz. 44. 
Husing, J. W., p. 1846— 1848, dl. 58, blz. 44, dl. 61, 

blz. 198. 
Terpoorten, J. A., p. van 1848, dl. 61, blz. 198. 

Tuitjenhorn. 
Keuss, H. H., p. 18 13— 1826, dl. 18, blz. 89. 
Schermer, C. G., p. 1826— 1835, dl. 18, blz. 208, dl. 34, 
blz. 55. 



453 

Sonjee, H. J., p. 1835 — 1845, dl. 54, blz. 306. 

Mathot, B., p. 1845—1852, rustend gew., f te Tuitjen- 
horn 23 Mei 1859, necrologie, dl. 54, blz. 306, 
dl. 68, blz. 47, dl. 82, blz. 316, dl. 83, blz. 48—49. 

Deyl, H. Th. van, ass. 185 1 — 1852, dl. 6"], blz. 209, 
dl. 68, blz. 47. 

Vlasselaar, H. Th. van, p. van 1852, dl. 6Z, blz. 47. 

Warmenhuizen. 
Veltman, J., p. f 25 Oct. 1826, dl. 17, blz. 297. 
Bramink, F. A., p. 1826— 1847, dl. 18, blz. 89, dl. 58, 

blz. 148. 
Hoctin, L. J., p. 1847—1851, werd Redemptorist, dl. 58, 

blz. 148, dl. 66^ blz. 312. 
Leeuwen, C. van, p. 185 1 — 1862, rustend gew., dl. 66, 

blz. 312, dl. 88, blz. 253. 
Grossel, W. J. van, p. van 1862, dl. 88, blz. 253. 

II. 
Decanaat Alfen. 

Aarlanderveen. 

Ootmar, G. W., p. 1809— 1826, dl. 18, blz. 89. 

Briqué, B. N. J., p. 1827— 1835. 

„Briqué was genoodzaakt, uit hoofde van des- 
zelfs zwak en ziekelijk gestel, zich voor een 
onbepaalden tijd van zijne pastorele functiën te 
onthouden, met behoud nogtans zijner pastorele 
titel : zoo is hem, onder de benaming van deservitor 
toegevoegd de Weleerw. Heer P. J. van Vlaanderen, 
voorheen pastoor te Philippine (Staats-Vlaanderen) 
met regt van opvolging, zoodra pastoor Briqué 
het exeat of ontslag mogt gevraagd en verkregen 
hebben." Dl. 18, blz. 305, dl. 35, blz. 60. 

Vlaanderen, P. J. van, p. 1835 — 1843, dl. 34, blz. 256, 
dl. 50, blz. 294. 



454 

Groot, B. de, p. 1843 — 185 1, dl. 50, blz. 294, dl. 6t, 

blz. 337. 
Vlasselaar, H. Th. van, ass. 1847, dl. 57, blz. 53. 
Heyningen, W. C. F. van, p. van 1851, dl. 67, blz. 337. 
Hagen, P. van der, p. van 1859, dl. 83, blz. 153. 
Kerschner, J. L. A., ass. van 1866, dl. 97, blz. 212. 

Alfen aan den Rijn. 

Eerste steenlegging der kerk. Maart 1824, dl. 12, 

blz. 177. 
Koeterei, C, p. tot 1825, dl. 15, blz. 92. 
Poppe, G., p. van 1825, dl. 15, blz. 92. 
Langran, A. I. L. J., p. tot 1843, dl. 51, blz. 342. 
Bruyn, G. de, p. 1843— 185 1, dl. 51, blz. 342, dl. 66, 

blz. 312. 
Zeyl, J. P. J. van, p. van 185 1, dl. 66, blz. 312. 
Aanstoots, P., k. 1853— 1854, dl. 71, blz. 204, dl. 72, 

blz. 286. 
Aanstoots, P., k. van 1854, dl. 74, blz. 121. 
Aarsen, B. J. van, k. 1859 — 1862, dl. 83, blz. 202, 

dl. 89, blz. 264. 
Nieuwenhoven, J., k. van 1862, dl. 89, blz. 264. 
Zeegers, H. P., k. van 1863, dl. 91, blz. 247. 

Bodegraven. 

Kok, G., p. tot 1846, dl. 57, blz. 261. 

Leek, H. J. van, p. 1846 — 1857, f Febr. 1857, dl. 57, 

blz. 261, dl. 78, blz. 153. 
Brinkman, B. H., k. van 1854, dl. 72, blz. 286. 
Honig, G. G., k. tot 1861, dl. 88, blz. 55. 
Trosée, J. A., k. tot 1863, dl. 90, blz. 164. 
Bekker, G. F. D., k. van 1867, dl. 98, blz. 119. 

Pro memorie. 
Mey, Isaac van der, O.F.M., 1643, dl. 87, blz. 32. 



455 

Langeraar. 

Burgmeijer, J. J., k. 1835— 1837, dl. 34, bl. 152,61.39, 

blz. 104. 
Houtman, M. F., k. 1837 — 1839, dl. 39, blz. 296, dl. 43, 

blz. 100. 
Lieshout, G. van, p. 1822— 1839, t ^ Juni 1839, dl. 43, 

blz. 51. 
Buys, P. C, p. van 1839, viert in 1850 zijn zilveren 

priesterfeest, dl. 43, blz. 100, dl. 64, blz. 327 — 328. 
Eerste steenlegging der nieuwe kerk, April 1842, 

dl. 48, blz. 322—323. 

Inwijding der kerk, Nov. 1842, dl. 50, blz. 

109 — I II. 
Duivenstein, L., k. van 1849, ^^* ^2, blz. 105. 
Looijaard, A. J., k., f 5 Mei 185 1 ten huize zijner 

ouders te Delfshaven, dl. 66, blz. 305. 
Willenborg, J. F., k. 185 1 — 1855, dl. 67, blz. 52, dl. 75, 

blz. 227. 
Vogel, G. J., ass. tot 1854, dl. 74, blz. 121, 
Blom, F., k. van 1855, ^^- 75. blz. 227. 

Leimuiden. 

Homburg, G. ten, k. f 14 Nov. 18 18, dl. 2, blz. 76. 
Tomas, A., p. tot 1819, f 25 Dec. 1819, dl. 4, blz. 89. 
Freese, F. F., p. van 1820, dl. 4, bl. 203. 
Ende, D. van den, p. 1828 — 1841, f Maart 1841,61.46, 

blz. 254. 
Hulst, J. van den, p. 1841 — 1861, f 5 Mei 1861, oud 

64 jaar, dl. 46, blz. 254, dl. 86, blz. 312. 

Eerste steenlegging der nieuwe kerk, Mei 1852, 

dl. 68, blz. 313—314. 

Inwijding der nieuwe kerk. Juli 1856, dl. 77, 

blz. 140 — 141. 
Levisse, L. J. H., k. tot i86i,.dl. 87, blz. 195. 



456 

Deyl, H. Th. van, k. 1861 — 1863, dl. 87, blz. 195, 

dl, 90, blz. 164. 
Mols, C. A., p. van 1861, dl. 87, blz. 195. 
Wiegman, G. J., k. 1867— 1867, dl. 98, blz. 238, dl. 99, 

blz. 315. 
Teunissen, P. P. S., k. van 1867, dl. 99, blz. 315. 

Nieuwkoop. 

Winkelaar, C. J., p. 1808 — 1847, rustend gew., f 1848 

te Gouda, dl. 59, blz. 118, dl. 62, blz. 57. 
Poppe, H., p. 1847— 1861, dl. 59, blz. 118, dl. 8y, blz. 195. 
Ruigrok, C, k. 1852— 1862, dl. 69, blz. 247, dl. 88, 

blz. 253. 

Inwijding der nieuwe kerk, Nov. 1852, dl. 70, 

blz. 38 — 40. 
Grijskamp, W., p. van 1861, dl. 87, blz. 195. 
Moors, P. F., k. 1862— 1862, dl. 88, blz. 253, dl. 89, 

blz. 215, 
Groot, J. J. de, k. van 1862, dl. 89, blz. 215. 

Pro memorie. 

Leeuwen, Ant. van, geb. te Nieuwkoop 1796, 
bekeerd uit het protestantisme, priester gewijd 
1820, gaat naar Suriname 25 Mei 1821, keert 
terug 4 Febr. 1822, f 13 Sept. 1822, dl. 1 1, blz. 85. 

Plaatselijke geschiedenis, dl. 70, blz. 38 — 40. 

Nieuwveen. 

Gesticht 22 Sept. 1865. 
Verstraten, H., p. van 1865, dl. 95, blz. 190. 

Noorden. 
Beukman, J., p. 1801 — 1822, dl. 9, blz. 126. 
Aangevaart, L. G., k. 1834— 1836, dl. 33, blz. 152, 
dl. 36, blz. 304. 



457 

Deyl, Th. H. van, k. van 1834, dl. 5^, blz. 208, 260. 
Warmerdam, C, k. 1836 — 1837, dl. ^6, blz. 304, dl. 38, 

blz. 104. 
Stoot, J. A. van der, p. tot 1836, rustend gew., f 1840, 

dl. 38, blz. 54, dl. 44, blz. 321. 
Smidt, J. J., p. 1836 — 1852, f I Juni 1852, necrologie, 

dl. 68, blz. 43. 
Knaapen, Th. F., p. van 1852, dl. 68, bl. 47. 
Schudelaro, L. A. C, ass. 1 866 — 1 866, dl. 97, blz. 211,316. 

Roelof-Arendsveen. 

Veen, S. van, p. tot 1831, f 21 Mei 1831, dl. 28, blz. 58. 
Bode, G., p. 1831 — 1841, t 3 Dec. 1841, dl. 28, blz. 58, 

dl. 48, blz. 46. 
Vredenveld, N., k. van 1833, vertrekt als missionaris 

naar Samarang, dl. 30, blz. 97. 
Tetteroo, Fr., k. tot 1835, f 7 Juli 1835, dl. 35, blz. 120. 
Bosch, G. van den, k. 1836 — 1837, dl. 37, blz. 163, 

dl. 38, blz. 156. 
Blom, C. F. S., k. 1838- 1838, dl. 41, blz. 306, dl. 42, 

blz. 99. 
Rest, P. van, k. van 1839, dl. 43, blz. 100. 
Gijn, H. van der, ass. 1839 — 1840, dl. 43, blz. 277, 

dl. 44, blz. 260. 
Kriek, J., k. 1841 — 1842, dl. 47, blz. 174, dl. 49, blz. 270. 
Leeuwen, C. van, p. van 1842, dl. 48, blz. 157. 
Cornelissen, B. K., k. 1843 — ^1844, dl. 50, blz. 119, 

dl. 52, blz. 239. 
Tiebes, J. M., k. 1845— 1845, dl. 54, blz. 211, dl. 55, 

blz. 337. 
Vlasselaar, H. Th. van, k. tot 1848, dl. 60, blz. 328. 
Funnekotter, S. J., k. van 1848, dl. 60, blz. 328. 
Brand, J. van den, k. tot 1850, dl. Ó4, blz. 330. 
Janmaat, W., k. 1850 — 1850, dl. 65, blz. 154, dl. 66, blz. 54. 



458 

Eisen, H. A. C, k. 1851 — 1851. dl. 66, blz. 54, dl. 67, 

blz. 52. 
Hagen, P. van der, k. 185 1 — 1852, dl. 67, blz. 52, dl. 68, 

blz. 210. 
Staveren, C. van, k. 1852— 1853, dl. 68, blz. 210, dl. 71, 

blz. 203. 
Trosée, J. A., k. 1853 — 1854, dl. 71, blz. 203, dl. 73, 

blz. 293. 
Heuvel, F. H. van den, k. 1854— 1855, dl. 7^,, blz. 293, 

dl. 75, blz. 227. 
Scheefhals, M. G., k. van 1855, dl. 75, blz. 227. 

Inwijding der nieuwe kerk, Juli 1856, dl. 77, 

blz. 137—140. 
Stralen, B, van, k. tot 1860, dl. 85, blz. 116. 
Blom, Fr., k. van 1860, dl. 85, blz. 116. 
Rutten, A., k. van 1867, dl. 99, blz. 315. 

Plaatselijke geschiedenis, Bijdr. I, blz. 16 — 31. 
Plaatselijke geschiedenis, dl. 66, blz. 148—150. 

Zevenhoven. 

Utberg, S., p. 1821 — 1826, dl. 5, blz. 92, dl. 6, blz, 193, 

dl. 18, blz. 89. 

Wijding van het kerkhof, Sept. 1826, dl. 17, 

blz. 250. 
Bosch, J. van den, p. 1826— 1838, dl. 18, blz. 89, dl. 40, 

blz. 252. 
Keil, A. J. J., p. 1838— 1848, dl. 40, blz. 252, dl. 61, 

blz. 198, 
Husing, J. W., p. van 1848, dl. 61, blz. 198. 
Houtman, Th. L. F., k. van 1852, dl. 6?>, blz. 47. 
Schouten, A., k. van 1853, dl. 70, blz. 215. 
Muré, J. C. H., ass. tot 1853, dl. 72, blz. 102. 
Rood, B. A. van 't, k. 1853— 1854, dl. 72, blz. 102, 

dl. 72, blz. 286. 



459 

Root, J. W. E., ass. 1854— 1854, dl. 73, blz. 293,295. 

Masker, P. F., k. van 1854, dl. "Ji^ blz. 295. 

Pronk, G. J., p. 1859 — 1865, rustend gew., dl. 83, 

blz. 261, dl. 95, blz. 190. 
Dijkhoff, A. J. W., p. van 1865, dl. 95, blz. 190. 

III. 
Decanaat Amsterdam. 

St. Aloysius-Gesticht. 
Hesseveld, P. J., p. viert 5 Juni 1855 zijn zilveren 

priesterfeest, f 7 Febr. 1859, dl. 75, blz. 44 — 46, 

dl. 82, blz. 156. 
Wennen, P. J. B., belast met de bediening der kapel, 

1855, dl. 'je, blz. 145. 

St. Antonius van Padua. 

Lieshout, J. van, k. tot 1859, dl. 84, blz. 54. 
Veer, J. H. A. de, k. van 1859, dl. 84, blz. 54. 
Swildens, Ph. P. C, k. tot 1862, f 11 Sept. 1862, 

oud 55 jaar, dl. 89, blz. 168, 215. 
Bouten, Th., k. van 1862, dl. 89, blz. 264. 
Bengvoort, A. J., k. 1866— 1868, dl. 96, blz. 202, dl. loi, 

blz. 94. 
Balthazaar, A. M., p. tot 1867, f 27 Jan. 1867, oud 

61 jaar, dl. 98, blz. 119, 120. 
Burgmeijer, J. J., p, van 1867, dl. 98, blz. 119. 
Overmars, C. H., k. tot 1868, dl. 100, blz. 180. 
Hoeben, G. A., k. van 1868, dl. 100, blz. 180. 
Brunott, A. L., k, van 1868, dl, 10 1, blz. 94. 

Begijnhof. 

Hegeman, J., p. f 20 Febr. 1818, dl. i, blz. 28. 
Udeman, H., p. 1818 — 1822, f 14 April 1822, dl. i, 
blz. 28, dl. 8, blz. 226, 233, 271. 



460 

Kok, J., k. tot 1820, dl. 4, blz. 302. 
Haagen, E. S. van der, k. tot 1824, dl. 8, blz. 272. 
Kokkelink, B. H., p. 1822 — 1840, rustend gew. f 1842, 
dl. 9, blz. 43, dl. 44, blz. 260, dl. 49, blz. 334. 
Schermer, C, k. tot 1826, dl. 18, blz. 208. 
Steins Bisschop, N. J. A., k. tot 1834, dl. 32, blz. 254. 
Brussel, J. Th. van, k. 1834 — 1836, dl. 37, blz. 219. 

Uitvaart van graaf Libry, waarbij in eene toe- 
spraak herroeping geschiedt van hetgeen de over- 
ledene tegen de H. Kerk misdeed: dl. 2,6, blz. lOi. 
Steins Bisschop, N. J. A., p. 1840— 1855, dl. 44, blz. 260, 

dl. 82, blz. 93. 
Grappenhuis, H. P., k. tot 1841, dl. 46, blz. 255. 
Lans, J. B., k. 1841 — 1842, dl. 46, blz. 255, dl. 49, 

blz. 47. 
Schut, J., k. 1842 — 1843, dl. 49, blz. 47, dl. 50, blz. 230. 
Mehler, W. F. A., k. 1843— 1848, dl. 50, blz. 230, 
dl. 61, blz. 45. 

Brief van Mgr. Ferrieri, in 1845, over het 
500-jarig bestaan van het H. Sacrament van 
Mirakel, dl. 54, blz. 150 — 154. 

Over de viering van dit 500-jarig feest : dl. 54, 
blz. 190 — 210. 
Jansen, J., k. van 1848, dl. 61, blz. 45. 
Akker, J. A. van den, k. tot 185 1, dl. 66, blz. 156. 
Randshuysen, A. F., k. van 185 1, dl. 66, blz. 212. 

25 Mei 1852 wordt herdacht dat 500 jaar 

geleden de Heilige Stede verbrandde zonder het 

H. Sacrament te deeren, dl. 68, blz. 291, 311 — 312. 

Schuyt, A. G. P., k. f 21 Juli 1860, dl. 85, blz. 114. 

Dijkhoff, A. J. W., k. 1860— 1862, dl. 85, blz. 175, 

dl. 88, blz. 104. 
Akker, J. A. van den, p. van 1862, dl. 88, blz. 104. 
Lucassen, P. J., k. van 1862, dl. ^^, blz. 104. 



461 

Smeulders, N. J., k. van 1868, dl. lOi, blz. 94. 
Mehler, W. F. A., rustend pastoor op het Begijnhof, 
f 17 Juli 1862, oud 45 jaar, dl. 89, blz. 112. 

St. Dominicus. 

Sjoukes, P. F., p. 1836— 1860, t 22 Mei 1860, dl. 81, 

blz. 44, dl. 84, blz. 330. 
Sars, F., p. van 1860, dl. 85, blz. 175. 
Robart, Th. L., p. f 25 Aug. 1860, oud 59 jaar, dl. 85, 

blz. 176. 
Jansen, A., k. van 1862, dl. 90, blz. 56. 
Baars, J. H. van, k. tot 1866. dl. 96, blz. 313. 
Koors, B., k. 1866— 1867, dl. 96, blz. 313, dl. 98, blz. 238. 
Rensen, J. A., k. van 1867, dl. 98, blz. 238. 

Buiten de Raampoort. 
Mols, J., k. tot 1820, dl. 4, blz. 203. 

Viering van het 50-jarig bestaan der kerk in 

1836, dl. 36, blz. 295 — 296. 
Hoefnagel, F., k., f 7 Aug. 1838, dl. 41, blz. 200. 
Mosmans, W. L., k. 1838 — 1841, dl. 41, blz. 200, dl. 46, 

blz. 198. 
Telders, A. H., p. 1841 — 1855, f 13 Oct. 1855, oud 

52 jaar, dl. 46, blz. 198, dl. 75, blz. 280. 

Inwijding van het kerkhof „de Liefde", 25 Aug. 

1845, dl. 55, blz. 216—217. 
Leeuwen, P. J. van, k. van 1845, dl. 55, blz. 225. 
Vroomans, P. J., p., f 20 Sept. 1846 in het Gesticht: 

Brentano's steun des ouderdoms, dl. S7> blz. 210. 
Kriek, J., k. tot 1847, dl. 58, blz. 207. 
Jansen, J., k. tot 1848, dl. 61, blz. 45. 
Teunisse, H., k. 1848— 1865, f i? Sept. 1865, dl. 6r, 

blz. 45, dl. 95, blz. 190. 
Heuvel, F. H. van den, k. van 1855, dl. 75, blz. 227. 



402 

Haanraads, F. J., p. 1855 — 1863, rustend gevv., dl. y6^ 

blz. 145. dl. 91, blz. 246. 
Eisen, S. van, k. tot 1868, dl. 84, blz. 329. 
Spoorman, L. C, k. tot 1860, dl. 85, blz. 116. 
Martz, C. J. A. Ph., p. van 1863, dl. 91, blz. 246. 
Schudelaro, L. A. J., k. van 1865, dl. 95, blz. 190. 
Feijen, A. R. G., k. van 1865, dl. 95, blz. 191. 
Driessen, A., k. van 1866, dl. 97, blz. 211. 
Dennig, G., k. van 1868, dl. 100, blz. 180. 

Buiten de Utrechtsche poort. 

Wel, C. S. van, k. tot 1832, dl. 30, blz. 100. 

Born, J. H. van, k. 1842 — 1843, dl. 48, blz. 205, dl. 50, 

blz. 119. 
Wagelaar, k. van 1843, dl. 50, blz. 230. 
Marck, J. H. van der, k. 1843 — 1843, dl. 51, blz. 278, 

dl. 52, blz. 149. 
Snickers, P. M., k. 1843 — 1846, dl. 52, blz. 149, dl. 56, 

blz. 296. 
Schrijvers, J. Th. H., k. 1846—1847, dl. 56, blz. 296, 

dl. 59, blz. 185. 
Gussenhoven, L. A., k. van 1847, dl. 59, blz. 185. 
Lami, J. J., k. 1847 — 1849, dl. 59, blz. 245, dl. 64, blz. 127. 
Schut, J., k. tot 1842, dl. 48, blz. 205. 
Deekens, J. A., p. 1814^ — 1849, rustendgew.,dl. 64, blz. 62. 
Simmers, V. T., p. van 1849, dl. 64, blz. 127. 

De Boom. 

Idsert, Th. van den, p. f i Jan. 18 19, dl. 2, blz. ^J. 
Molenaars, G., p. 1819— 1830, dl. 2, blz. 68, dl. 28, blz. 59. 
Triennekes, J. R., k. f 31 Aug. 1831, dl. 28, blz. 59. 
Jacobs, P., p. 1830 — 1838, t 12 Nov. 1838, necrologie, 

dl. 42, blz. 34—35- 
Berkel, W. A. van, k. van 1853, dl. 72, blz. 102. 



463 

De Fransche kerk. 
Delmotte, J. J., k. tot 18 19, dl. 3, blz. 187. 
Stook, Th., p. 1824— 1841, t Maart 1 841, dl. 12, blz. 76, 

dl. 46, blz. 254. 
Lottum, A. van, k. 1825 — 1833, dl. 30, blz. 298. 
Bruns, J., p. van 1841, dl. 46, blz. 254, 
Frink, N. A., k. 1 841 — 1844, dl. 47, blz. 282, dl. 53, 

blz. 275. 
Groen, P. C, k. 1844 — 1846, dl. 53, blz. 275, dl. 57, 

blz. 106. 
Tiebes, J. M., k. 1846— 1846, dl. 57, blz. 106, 211. 
Heuvels, A., k. tot 1847, dl. 58, blz. 207. 
Vregt, J. F., k. 1847— 1847, dl. 58, blz. 207, dl. 59, blz. 53. 
Os, J. G. van, k. 1847— 1850, dl. 59, blz. 185, dl. 64, 

blz. 179. 
Dam, J. J. ten, p. 1848— 1861, f 8 Juli 1861, dl. 61, 

blz. 45, dl. 87, blz. 100. 
Smit, W., k. van 1850, dl. 64, blz. 179. 
Bruyn, J. de, k. 1852— 1853, dl. 69, blz. 194, dl. 71, 

blz. 203. 
Viotta, J. M., k. 1853— 1863, t 31 Mei 1863, oud 

34 jaar, dl. 71, blz, 203, dl. 90, blz. 214. 
Winkelhagen, J. W. C, k. tot 1854, dl. Ji, blz. 294. 
Poppe, H., p. van 1861, dl. 87, blz. 195. 
Houten, A. J. van, k. tot 1862, dl. 89, blz. 214. 
Quant, G. J. W., k. van 1862, dl. 89, blz. 214. 
Buuren, B. van, k. 1863— 1865, dl. 90, blz. 305, dl. 95, 

blz. 191. 

Vervolg in deel XXXVII. 



ALPHABETISCH REGISTER. 



A. 

Aa (Fred. v. der), 1789, 113. 

— (G. V. der), f 1849, past., 118. 

— (Joan. G. V. der), f 1857, 
past., 113 — 219. 

Aangevaart (L. G.), 1836, kap., 

456. 
Aanstoots (P.), 1854, kap., 454. 
Aar (Ter), 253, 255, 258, 267. 
Aarlanderveen, 104, 162, 453, 

454- 
Aarsen (B. J. V.), 1862, kap., 

454- 
Abbekerk (Will.), •{• 1722, past., 

88-94. 
Abkoude, 70, 71, 77, 108. 
Achterop (A.), 1900, fund., 139. 
Adriaansdr. (Maritgen), •{• 1620, 

klopje, 15. 
ADRiAANSz.(Corn.), 15 72, eistere, 

315- 

— (Henr.), c. 1600, pr., 79. 
Adrichem (Van). Geslacht, éo — 

62, 180. 
Ahuys (Alb.), c. 1750, jans 

past., 84. 
Akker (J. A. v. den), 1862 

past., 460. 
Alberdingk Thijm, 1860, letterk. 

145, 150. 
Albert (A. H.), 1832, past., 452 
Albertsdr. (Dirkje), 1482, kar 

melietes, 32 — 34. 
Albertsz. (Alb.), vóór 1572 

fund., 433. 

— (IJsbr.), vóór 1572, fund., 43 3 



Albertz. (Jeroen), 1482, 34. 
— (Zeger), vóór 1572, fund., 

433- 
Albus (Herm.), 1263, past., kan., 

327. 
Alpen a. d. Rijn, 325, 454. 
Allertsz. (All.), vóór 1572, 

fund,, 433. 
Alkemade (Corn. v.), c. 1700, 

geschiedk., 424. 
Alkmaar, 63, 64, 152, 355, 392, 

407, 418-422, 431, 439»440, 

449—451. 
Altenhovius (Joan.), 1596, pred., 

74- 
Altius, zie Hoogh. 
Alva, 1575, hert., 64, 290—297, 

314, 368. 
Ameland, 534. 
Amerongen (Joan. v.), 1571, 

bissch. pedel, 227. 
Amersfoort. Congr. v. O. L. 

Vrouw, 408, 431. 
Amstelland, 67—1 64,2 12 — 248. 
Amstelveen, 74. 
Amsterdam. Priesters, 70, 71, 
76, 80. 

De Nieuwe kerk, 97. 
De Fransche kerk, 84, 463. 
Statie »de lelie" of St. 
Catharina, 82—88, 97, 98. 
Statie »de liefde", 113. 
Statie »de pool", 96, 275. 
Statie buiten de Raampoort, 
461, 462. 

Statie buiten de Utrechtsche 
poort, 462. 



465 



Amsterdam. St.-Dominicuskerk, 
461. 

St.-Antoniuskerk, 459. 
Statie »de boom", 462. 
S.S. Petrus en Paulus, 28e. 
De Posthoorn, 109, 280, 

337- 

St.Willibrordus binnen, 132, 
283, 355. 

St. Willibrordus buiten, 1 17, 
274, 286. 

Engelsche kerk en het 

Beggijnhof, 97, 109, 274, 
459—461. 

Jans, statie a. d. Brouwersgr., 
86, 87. 

R. K. Oude-vrouwenhuis 
Vredenburg, 114. 

R. K. Jongensweeshuis, 350. 

R. K. Armenkantoor, 75. 

St.-Aloysiusgest., 459. 

Brentano-gest., 461. 

St.-Nicolaasgesticht, 60. 

Zie ook 8, 74, 79, 81, 88, 

94, 100, 105, 113, 133, 162, 

251, 267, 273,274,278,280, 

334, 342, 345, 355, 357.419- 

Anthonisz. (Adr.), 1 590,burgem., 

392. 
Arendonck (Crisp.), 1550, 
schoolm., 443. 

— (Dan. V.), f 1572, franc, 
mart., 440. 

Arentsdr. (Corn.), 1 531, mater, 
429, 431. 

— (Duue), vóór 1572, fund., 

433- 

— (Gertr.), 1486, karmelietes, 29. 

— (Vrouwe), c. 1560, fund., 433. 
Arnoldsz. (Heynr.), c. 1500, 

not., 193. 
Arres (Anne Claes v.), •]- 1645, 

klopje, 12. 
AssENDELFT. Past. Warmelink en 

kap. Paep, 50 — 53. 

— (Hugo V.), 1481, 177. 
AuBERT (L.), c. 1725, der., 84. 
AvENHORN (Piet V.), 1458, aug., 

440. 



B. 

Baars (J. H. v.), 1866, dom. 

kap., 461. 
Bach (W. V. den), 1844, past., 

452. 
Baden (Fred. v.), 15 15, bissch, 

V. Utr., 201 — 203. 
Baertes (Aagje), f 1 621, klopje, 

14. 
Bakel (H. V.), 1862, 122. 
Bakker (Henr. C. J.), 1910, 

past., 277, 283 — 288. 

— (J- J-), f 1835, des., 449. 
Balthazaar (A. M.), f 1867, 

franc, past., 459. 
Ban (Jan Alb.), 1630, kan., 292 

— (Maritge Claasdr.), c. 1600, 7 

— (Lijsbeth Jansdr.). f 1647 
klopje, 4. 

Banjaert (Aaf), 1562, fund., 43 3 

434- 
Barchman Wuytiers (Joan.) 

f 1733, jans. aartsbissch. v 

Utr., 84. 
Bardesius (Will.), c. 1580, am 

bachtsh., 74. 
Bargius (Joan.), 1626, jez. past. 

77-79- 
Barnaerts (Jan), 15 14, vice cur. 

413. 
Bax (Dirk), 1619, pred., 330. 
Beels (M. A.), 1792, 210. 
Been (Joan.), 163 1, kan., 77. 
Beest (Petr.v.), I7i9,aartspr.,95 

— (Rud. V.), 1708, past., 259— 
270, 287. 

Beieren (Alb. v.), 1397, hert. 
444. 

— (Jan III V.), 1422, hert., 394 
414, 415. 

Bekestein (Gualt. v.), 1562, oud 
burgem., 62. 

— (Wout. V.), 1476, schepen 
170, 172. 

Bekker (J. H. D.), 1867, kap. 

454- 
Beltinck (Corn. F.), -j- 1806 
past., 341, 349. 

30 



466 



Bemmei. (Theod. v.), f 1758, 

past., 333, 334. 
Bengvoort (A. J.), 1868, franc. 

kap., 459. 
Bergen, 337, 451. 
Berghe ( V. den), c. 1725, 

past., 97. 
Berkel (W. A. V.), 1853, kap., 

462. 
Berkenrode, 348. 

— (Ger. V.), 1478, burgem., 180. 
Berkenwoude, 346. 
Bertrandus (H.), 1572. bissch. 

secr., 314. 
Beugen (J. v.), f 1834, franc. 

past., 450. 
BEUKMAN(Henr.),i8i8, past, 275. 

— (J.), 1822, past., 456. 
Beumer, (J. C), 1867, kap., 451. 
Beverwijk, 63, 337. 
Bijleveldt (Joan. v.), f 1727, 

84,87,92-99,104, 332, 333. 

BlLDERDAM, 253. 

Bi.AEUHULCK (Jan Sim.zn), f1628, 
geschiedk., 392, 415. 

— (Sim.), f 1532, fund., past., 
396, 405. 

Blaricum, 334. 

Bleijenberg (J. S. V.), 1841, 

past., 451. 
Bleser (Dirk Jansz.), f vóór 

1572, 186, 187. 
Blijdenstein (Franc, v.), 1700, 

schout, 263, 269. 
Blokland (Jac), 1900, fund., 

139. 
Blom (C. F. S.), 1863, past. emer., 

4$i. 457- 

— (Franc), •]- 1884, past., 280, 
288, 455, 458. 

— (H.), 1838, kap., 345. 
Blommert (Aug.), 1636, kan., 

2, 3. 
Bode (G.), f 1841, past., 457. 
Bodegraven, 272, 283, 454. 
Boer (Petr. R. den), I9i2,kap., 

162. 
Boerkamp (W. A.), 1862, kap., 

449. 



Boggen (Aechgen), 1635, klopje, 
12. 

— (Lijsb. Jans), 1635, klopje, 
12, 13, 15. 

Bol (Ary Cornelisse), 1665, 
timmerm., 390. 

— (Jac), f 163 1, vicgen., 249. 
BüKEFFE. Gistere abdij, 365 — 

367, 373-377- 
Bongaerds (A. J.), 1838, ass., 

451. 
BoNTENOs (Macht.), f 1638, 

klopje, 12. 
BoNTius (F.) 1478, 179. 
Boomans (A.), 1900, fund., 139. 
BoRN (J. H. v), 1843, kap., 462. 
BoRNE, 118. 
Borst (A.), c 1750, kronijkschr., 

187. 
Bos (Dom. D.), 191 5, past., 282, 

283, 288. 

— (Joan.), 1821, kap., 1 10, 1 1 1, 
162. 

Bosch (G. v. den), 1837, kap., 

457- 

— (G. Th. v. den), 1904, in- 
drustr., 152, 153. 

— (J. v. den), 1838, past., 458. 
Boskoop, 325. 

Bots (Joan. M.), 1909, past., 
283, 288, 349, 355 — 357- 

BouDAEN (Joan.), 1620, dom., 
167. 

BouRGONDiË (Dav. v.), 1477, 
bissch. v. Utr., 174 — 178. 

— (Phil. V.), 1433, hertog, 417, 
443—445. 

Bouten (Th.), 1862, franc kap., 

459- 
BouwENS (Maria), 1735, 106. 
Bovenkarspel, 335, 393, 407, 

413—416. 
Bovenkerk, 116. 
Boxmeer, 36. 

Bramink (F. A.), 1847, past., 45 3. 
Brancadoro (Caes.), 1794, nunt., 

340. 
Brand (J. v. den), 1850, kap., 

457- 



46; 



Brandts (Dirk), 1 904, armm., 164. 
Breukels (Jan), 1533, wederd., 

417, 418. 
Brienen (Van). Familie, 60. 

— (Abr. V.), 1655, past., 249— 
256, 287. 

Brinkman (B. H.),i854, kap., 454. 
Briqué (B. N.J.),i835,past.,4$3. 
Brom (Jan), -f 1915, kunstsmid, 

281, 282. 
Brouwers (J.W.), 1875, past. 150. 
Brugge, 31. 

Brugharts (J.), 1722, secr., 268. 
Bruyn (G. de), 185 1, past., 454. 

— (J. de), 1853, kap., 463. 
Bruyn van Barendrecht (Ger. 

de), 1715, kap., 267, 287. 
Bruin van Buitenwech (Jan de), 

c. 1660, fund., 388, 390. 
Bruininx (Hendr,), 1451, 425. 
Bruinvis (C. W.), 1915, archiv., 

431. 
Bruns (J.), 1841, past., 463. 
Brunott (A. L.), 1868, franc. 

kap., 459. 
Brussel, 252. 

— (J. Th. V.), 1836, kap., 460. 
Buer (Adr.), 1497, not., 193. 
BuGGE (Joan.) f 1636, past., 

kan., 145. 
Buidelmaker (Jan), 1558, 420. 
BuYS (Petr. C.), f 1875, past., 

162, 271, 277—288, 455. 
BuYSE (A. V.), na 1 72 5 , graveur, 98. 

BUITENVELDERT, II 6. 

BuRCH (Ant. V. der), zie Verburg. 
BuRCHERTSz. (Jac), 1531, rect., 

429, 431. 
BuRGMEYER (Joan. J.), f 1850, 

past., 249, 261, 263, 278, 

288, 455- 

— (Joan. }.), 1867, franc, past., 
458. 

BuRMANjE (J.), 1867, dom. kap., 
451. 

BUSCHER (HugO), 1482, 34. 

BusER ( ), 1515, secr., 205. 
BuuREN (Bern. v.), 186$, kap., 
165, 463. 



C. 

Calcar (Henr. v.), zie Heyden. 
Camerlinck (Roel. de), 1550, 65. 
Camp. Abdij, 358—370, 377— 

386. 
Capel-Witveldt (Mart.v.), 1777, 

339- 
Capella (Corn. de), 15 14, not., 

184. 
Castricum, 63, 406. 
Castro (Nic. de), 1558, inquis., 

419. 
Cats (Boud.), 1649, past., 7, 19. 

— (Jud.), 1633, past., kan., 4, 
6, 19, 76. 

Catwijck (Am.), f 15 10, pr., 41. 
Cave (F. M. la), c. 1750, graveur, 

88. 
Claasdr. (Geertge), f 1640, 

klopje, 2. 

— (Maritgen), 1486, karmelietes, 
29. 

Claasz. (Coenr.), 1469, schepen, 
170. 

— (Franc), f 1621, kap., 2. 

— (Greg.), 155$, past., 65. 

— (Jan), 1478, burgem., 180. 

— (Paul. A.), f 1881, past., 
dek., 131 — 136. 

— (Petr.), c. léoo, miss., 71. 

— (Rich.), 1573, pred., 421, 422. 

— (Riew.), vóór 1572, fund., 

433- 
Cley (Barth.), f 1788, past., 

deken, 339, 340. 
Clein (Sim.), f i679,jez.,8i,82. 
Clemens (Areiaentgen), c. 1600, 

klopje, 12. 
CLOETiNG(Gerb.),i562,schoolm., 

444. 
Cock (Theod. de),f 1720, provic, 

85, 263, 264, 267. 
CoDDE (Petr.), 1710, vic. apost., 

85, 87, 90,; 261 — 267, 531. 
CoENEN (Henr. Th,), 1878, kap., 

162. 
CoLCMAN (Jac), 1544, karm. 

prior, 36. 



468 



CoLDO (IJsbr. Hendrikse V.), vóór Dam (J. J. ten), f 1861, past., 

1572, fund., past., 433, 434. 463. 

Colenbrander (Dirk), 1787, — (Will. J. v ), 1888, schoolm., 

pred., 107. 140. 

CooLHAAS (Gaspar), 1582, prof., Damius (Joan.), 1 594, pred., 210. 



68, 69. 
CooPAL (Will. Henr.), f 1599, 
kan., vic, 80. 

— (Will.), f 1662, past., kan., 
80, 81. 

CoopMAN (Rein.), 1 640, past., 2 5 o. 
CoRNELisDR. (Grietgen), -J* 1 6 10, 
klopje, 10, 21. 

— (Jannetgen), f 1614, klopje, 
19, 20. 

GoRNELissEN (B. K.), 1 844, kap., 

457- 
GoRNELisz. (Henr.), 1582, karm., 

— (Pieter), 1566, pred., 420, 42 1 . 
Gortenoord, 323. 
GousEBANT (Jos.), 1688, provic, 

82, 89. 
GoxiE (A. de), c. 1725, schilder, 

88. 
Grab (Ger. Frederikse), 1430, 

fund., franc, reet., 433, 435. 
Graemer (Aeg.), f 1753, past., Deventer, 42. 



Debets (Joan.), 1852, kap., 280, 

288. 
Deekens (J. A ), 1849, past. 

emer., 462. 
Deyl (Hub. Th. v.), 1867, past., 

162, 451, 453, 456. 
— (Th. H. V.), 1841, past, 451, 

457- 
Deimen (Geertgen), f 1629, 

klopje, 12. 
Delden (Ger. v.), f 1778, past., 

336, 337- 
Delft, 9, 98, 137, 158, 162, 

335, 354- 
Delftshaven, 162,280,335,455. 
Delmotte (J. J.), i8i9,kap.,465. 
Dennig (G.), 1868, kap., 462. 
Desirant ( ), c, 1725, reg. 

pr-, 95- 
Dessing (Gebrs.), 191 3, aann., 

356. 
(Ghrist.), 19 12, kap., 357. 



98—104, 335. 

Graenhals (Maria v.), f 1640, 

klopje, 18. 
Granendoncxdr. (Yde Jans), 

1532, fund., 206, 207. 



Diemen, 74, 75, ii6. 

— (Arie v.), 1900, fund., 139. 
Dijk (Ger. v.), f 1908, past., 

271, 277, 280—284, 288. 

— (P. v.), 1834, past., 452. 



Granendoncxz. (Vinc. Jans), Dijkhoff (A. J. W.), 1865, past., 



1534, dom., 206, 207. 



459, 460. 



GRijNEN(Neeltgen), 1635, klopje, Dirksdr. (Bave), 1465, karme- 



Gruyff (Piet), vóór 1572, fund. 
433- 



lietes, 26, 27. 
- (Gath.), 1620, klopje, i! 
(Gniertgen), f 1647, klopje, 3. 



Guijpers (P. J. H.), 1880, archit., — (Geertje), 1518, conv., 429, 

431. 



120, 150, 158. 

D. 

Dabinis (Joath.), 1740, 103. 
Daele (Joan. v. den), 1562, 

kan., 61. 
Daemen (Adam), 1709, vic. apost., 

85, 86, 332. 



(Jannetgen), f 1636, klopje, 

17- 

— (Magd.), 1482, karmelietes, 
32—34. 

Dirksz. (Andr.), 1596, afv. past., 
406, 407, 420, 421. 

— (Freek), vóór 1572, fund, 
433. 



469 



DiRKSz. (Huych), 1572, eistere, 

315. 
DoBBE (Theod. de), 1358, pr., 

417. 
Does (Joh. v. der), 1572, eistere. 

abdis, 369, 370. 
Dongen. St.-Elisabethgesticht, 

354. 
Donkers (Theod.), 171 1, jans. 

past., 87. 
Dordrecht, 206, 207, 286, 344, 

411. 
Dorp (Hier. v. den), f 1802, 

part., loé — 109. 
— (Mare. v. den), 1735, loé. 
Dorsten (Thijs Vrone v.), 1520, 

42—45. 
Driehuis-Velsen. Gesticht, 354. 
Driessen (A.), i8é6, kap., 462. 
Drift (Adr. J. v. der), f 1900, 

past., 347—350. 
Drogenham (Ger.), kaart- 

teek., 75, 100. 
Duymel (Joan. H.), 1908, kap., 

357- 

DUIVENDRECHT, 90, 93, lOI, I16. 

Duivenstein (L.), 1849, kap., 

455- 
DuNCANUS (Mart.), 1555, past., 

418. 
DussEN, (Jae. v. der), 172 1, balj., 

91-95, 98, 99. 
DuvERGÉ (Franc. B.), 1846, kap., 

162. 
Duvius (Joan.), ibi8, kan., 76. 



Ebbinkhüysen (Theod. Fr.), 19 12, 

past., deken, 355. 
Ebbius (Henr.), 1657, past., 80. 
Edam, 68, 71, 278, 422. 
— (Jac. V.), vóór 1572, fund., 

franc, reet , 433, 435. 
Eelckéns (Franc.), -j- 1665, pr., 

251, 252, 256, 287. 
Egidius (Corn.), 1567, past., 328. 
Egmond. Abdij, 189, 222, 416. 

Priesters, 451. 



Egmond (Jan v.), 1493, stadh., 
362. 

— (Marg. V.), 15 12, 31. 
Elsen (H. A. C), 1851, kap., 458. 

— (S. V. d.), i8é8, kap., 462. 
Emminga (Annetgen v.), f 1632, 

klopje, 6. 

— (Eeltgen v.), 1600, klopje, 
5, 6. 

Ende (Dan. v. d.), f 1841, past., 

162, 455. 
Enkhuizen,i82 — 185, 392 — 44e. 

— (Meynd. II v.), 1565, past., 
422. 

— (Paul. V.), 1390, reet., 438. 
Ermers (Joan.), 1717, past., 

266 — 270, 287. 
Esman (Flor.), f 1845, past., 344. 



Fabri [Smit]. Familie, 426. 

— [— ] (Janjacobse), 1428, fund., 
pr., 417, 426. 

Faston (Nic), eler., 201. 

— (Walr), eler., 201. 
Feyen (Andr), f 1863, past., 

345-347- 

— (A. R. G.), 1865, kap., 462. 
Ferier (Ever.), 1859, pr., 119. 
Ferrieri (J ), 1845, nuntius, 

460. 
FicK (J. F.), 1835, kap., 449. 
Floris V, 1286, fund., 165. 
FoLKERTSDR. (Teet), vóór 1572, 

fund., 433. 
FoREEST (Geertr. v.), f 1560, 

afv., 419. 
Franciscus, 1398, proost, kard., 

394- 
Francken (Seb.), 1645, raad, 255, 

256. 
Frederik, 1374, vic., 327. 
Freese (F. F.), 1820, past., 45 5. 
Frentrop (Jos. J.), 1864, kap., 

162. 
Frink (N. A.), 1844, kap., 463. 
Fruin (Rob.), 1894, gesehiedk., 

147. 



470 



FUNNEKOTTER, (S. J.)» 1848, kap., 

457- 
FÜRSTERBURG (bij Xatitcn). 
Gistere, abdij, 362, 363. 

G. 

Galen (Jan v.), 1859, kerkm., 
115, 116, 163. 

Garnier (J.), 1507, 198. 

Geijstere (Ar. de), 1678, hofje- 
moeder, 391. 

Gent, 77, 167. 

— (J. V.), 1841, past., dek., 449. 
Georgius, 1434, pr., 39—41. 
Gerbrantsür. (Lijsb.), 1486, 

karmelietes, 29. 
Gerbrantsz. (Adr.), 15 14, vice- 

cur., 417. 
Gerhardus (Jac), zie Delden 

(Ger. V.). 
Gerrit, 1593, pr., 70, 71. 
Gerritsdr. (Geertr.), 1486, karm. 

priorin, 28, 29. 

— (Reinou), f 1624, klopje, 14. 

— (Teetm.), 1560, mater, 436. 

— (Weyntgen), f 1640, klopje, 

19- 
Gerritsz. (Arent), 1504, dom. 

prior, 194, 195. 
- (Will.), 1572, eistere, 315. 
Gerving (B. J.), f 1842, past., 

aartspr., 449. 
Geurs (M.), f 1866, past., 451. 
Gijn (H. v. d.), 1865, past., 452, 

457- 
GijSBERs (A.), 1865, dom. kap., 

451. 
Gysbertsdr. (Maria), 1482, postul. 

karm., 32 — 34. 
Gysbertsz. (Jan), 1 5 14, not., 

182. 
GiLDENHUis (Herm ), 1777,339. 
GoES, 158. 
GoMES (Nic), 175 5, aartspr., 334. 

GOMMERSKARSPEL, zie EnKHÜIZEN. 

GoNNET (Gom. J.), 1915, archiv., 
148, 153, 435, 446. 

GORCUM, 261. 



Gouda, 162, 325 — 328, 336, 

347. 350. 357. 456. 

— (Gorn. V.), 1497, term., 
189—193. 

Gouderak, 325, 330, 347. 
GovERTSDR. (Mar.), f 1637, 

klopje, 11—13. 
GovERTSZ. (Ant.), 1593, pr., 70. 

— (Petr.), f 1726, vic.apost.,94. 
Graaf (Jac. J.), 1910, past., 

dek., 137—157, 408. 
Graaff (Gom. de), 1764, past., 

93. 
Grapt (Henr. v. der), f 1694, 

aartspr., 257 — 259, 287. 
Grappenhuis (H. P.), 1841, kap., 

460. 
Grasper (Henr. J.), f 1734, past., 

87, 94—98- 
Grauert (Grietgen Gijsberts.), 

1630, klopje, 5. 
Grave. St.-Elisabeth-rustoord, 

354. 
Gravenhage ('s-). Priesters, 91, 
92, 119, 178, 179, 182 — 186, 
251. 

St.-Jacobuskerk, 133, 134, 
283. 

St.-Josefskerk, 283. 
R. K. Weeshuis, 137. 
Hofje van Nieuwkoop, 
388-391. 

Zie ook 162, 267, 283, 
338-340, 347, 357. 
Grijskamp (W.), 1861, past., 456. 
Groen (Joan. j.), f 1848, past., 

345, 34e. 

— (P. G.), 1846, kap., 463. 
Groenendijk, 345. 
Groenevelt (Gom.), 1722, 268. 
Groningen, 104. 

Groot (B. de), 1851, past., 454. 

— (Jan Albertse), 1558, burgem., 
40e. 

— (J. J. de), 1862, kap., 456. 
Groote (Geert), 1390, pr., 438. 
Grootebroek, 280, 421. 
Grossel (W. J. V.), 1862, past., 

453- 



471 



Gruwel (Jan), 1571, deken, 214, 
219, 220, 227, 236—242. 

GussENHOvEN (Lud. A.), 1847, 
kap., 162, 462. 

H. 

Haagen (E. S. V. der), 1824, 

kap., 460. 
Haanraads (F. J.), 1863, past. 

emer., 462. 
Haarlem. Priesters, iii, 174— 
180. 

Oude Sint Bavo, 26, 60 — 62, 
14S, 174—180, 182—186, 
194—196, 215, 399. 
St.-Catharinakl., 296. 
Commandery v. St. Jan, 65, 
183 — 186. 

Dominikanen- (Predikaren- 
of Jacobijnen) kl., 165— 211. 
Karmelietenkl., 28, 29, 36. 
Karmelietessenkl., 25-32. 
Statiekerken, 12, 18, iio, 
144, 167. 

Maechden van den Hoeck, 
1-24. 
De cleyne Hoeck, 2, 3. 
Verg. d. maagden o. d. 
jezuïeten, 2, 3. 

O. L. Vr. Rozenkr.- en 
Dom. kerk, 158, 354. 
H.Geesthuis, 172, 173. 
St.-Elisabethsgasthuis, 204 — 
206. 

St.-Gangolfsgasthuis, 27, 
204 — 206. 

Bissch. Museum, 104,115, 
149-152,282, 340, 34i,?47< 
408. 

Archieven, 113, 144, 145. 
Zie nog 59, 294-296, 343, 
397, 446. 
Haarlemmermeer, 283, 355. 
Hagelmans (Petr.), 1746, past., 

334, 335- 
Hagen (P. v. der), 1859, past., 

454, 458- 
Hageveld, 133, 134, 346, 448. 



Halmans (Nic. J.), f 181 3, past., 

273, 274, 288. 
Halteren (Henr. J. v.), f 1807, 

past., 273, 274, 288. 
Hamburg (Joan. Fr.), -f- 1792, 

past., 273, 288. 
Hartman (Corn.), •}- 1692, past., 

260. 
Haverman (Joan. A.), 1893, 

kap., 162. 
Hazerswoude, 325. 
Heemskerk, 65. 
Heemstede, 207, 208. 
Heerhugowaard, 282, 451. 
Hegeman (J.), 1818, past., 459. 
Heyden (L. J. V. der), 1914, 

kap., iio, III. 
Heyningen (H. V.), 1848, past., 

451. 
— (W. C. V.), 185 1, past., 

454- 
Heynst (Nic), 1638, 252. 
Heibloem (De). Reet. Th. Ebbink- 

huysen, 355. 
Heijden (Henr. v. der), 1488, 

eistere, abt, 358 — 380. 
Heiloo. o. L. Vrouw ter Nood, 

46-49, 152—154. 
Priesters, 451. 
Heinkenszand, 282. 
Hekman (Corn.), f 1775, past., 

105, 106. 
Hellegers (Andr. Th.), 1909, 

past., 283, 288. 
Hem en Venhuizen. Pastoors, 

273, 283; kerkel. goed, 402. 
Hemert ( V.), e. 181 5, kap., 

275, 288. 
Hemony (Gebrs), e. 1675, 

klokkeg., 398. 
Hendriksdr. (Anna), 1482, poslul. 

karm., 32—34. 

— (Eva), 1482, karm. 32 — 34, 

— (Sijtgen), f 1638, klopje, 14. 
Hendriksz. (Corn.), 1596, past., 

407. 
Hentius, 1204, past., 416. 
Herkinge (Volk. V.), f 1662, 

past., 258. 



472 



Herman, 1440, rector, 427, 428, 

431. 
Hermansz. (Ant.), 1572, eistere, 
prior, 315. 

- (B.), 1478, 179- 

Hert (Jan), 1356, cler., 404. 

— (— ), 1454, schepen, 195. 
Hertogenbosch ('s), 167. 
Hesp (VVill), 1876, kerkm., 165, 
Hesseveld (P. J.), f 1859, reet., 

459- 
Heuvel (Franc. v. den), f 1760 
pr., 287 



Houtman (Th. L. F.), 1852, 

kap., 458. 
Houve (Matth. v. der), 1636, 

geschiedk., 322. 
HouwELiNG (Will.), 1855, armm. 

118, 164. 
Hoven (P. L. v. der), 1821, 

past.. 452. 
HuGO, 1497, dom., 189 — 193. 
Huibers (Joan. P.), 1902, kap., 

357- 
Huig (Wout.), 1871, kap., 132, 
162. 



(F. H. V. den), 1855, kap., Huysick (P. F.), f 1848, past. 



458, 461. 



451. 



Heuvels (Am.), 1847, kap., 162, Hüysman ( ), 1717, past., 270, 



463. 
Hillegom. Kap. Th. Ebbink- 

HUYSEN, 355. 

Hoctin (L. J.), 185 1, redempt., 

453- 
Hoeben (G. A.), i8é8, franc. 

kap., 459. 
Hoefnagel (F.), f 1838, kap., 

461. 
Hoynck van Papendrecht 

(Corn.), 1720, vice.-gen., 94 — 

99- 
Homburg (G. ten), f1818, kap., 

455. 
Honig (God. G.), 1861, kap., 

454. 
Honschoten (P. v.), 1839, past., 

452. 
Hoogh of Altius (Joan. de), 

1620, miss., 414, 422. 
— (Corn. V. d.), 1665, not., 390. 
Hoogmade. Pastoors, 260. 
Hoorn, 2, 19, 213, 214, 219, 

227, 342, 394, 406,417,420, Jacobs (P.), f 1838, past., 462. 

422, 427. Jacobsdr. (Urs.), 1482, karm., 

Horst van der Elborch (Ber. 32 — 34. 

V. der), 1520, 43—45. Jacobsz. (Jac), 143 1, reet., 425, 

Houbraken (J. P. J.), f 1857, 427, 431. 

past., 452. — (Jan), 1487, deken, 428. 

Houten (A. J. v.), 1862, kap., — (Pieter), 1572, eistere., 315. 

463. — (Will.), 1571, boekdr., 293. 

Houtman (M. F.), 1839, kap., Jagt ( v. der), 1876, kap., 134. 

278, 288, 455. Jan, 1558, past., 40e, 418. 



Husing (Joan. W.), 1848, past., 

162, 452, 458. 
Hulst (J. v. den), f i86i,past., 

455. 



Idsert (Th. V. den), f 1819, 

past., 462. 
Yselstein, Gistere, kl. Mariën- 

berg, 365 — 367, 373 — 377. 
YzERMANs (H. J.), 1839, kap., 

345- 
Ingen (Joan. v. den), -j- 1657, 

past., 258. 
IsBRANDS (Marye), 1482, karm., 

32—34. 
— (Maritgen), 1623, klopje, 15, 

18. 
IsERMAN (Joan.), 1 587, pred., 329. 

J. 



473 



Janmaat (W.), 1862, past., 451, 

457- 
Jansdr. (Aecht), 1482, karm. 
mater, 32—32. 

— (Bart.), 1486, karm., 29. 

— (Cath.), 15 12, karm., 31. 

— ( — ), f 165 1, klopjes-moeder, 
3—24. 

— (Claesgen),-}- 1643, klopje, 19. 

— (Clara), f 1658, 257. 

— (Dieuwer), vóór 1572, fund., 

433- 

— (Dieuwer), c. i6io,klopje, 10. 

— (Eltsen), 1486, karm., 29. 

— (Geertr.), f 1625, klopje, 13. 

— (Mar.), c. 1643, klopje, 18. 

— (Tytrie), 1482, postul. karm., 
32-34. 

Jansen (A.), 1862, dom. kap., 
450, 461. 

— (J.), 1848, kap., 460, 461. 
Jansz. (Albr.), 1486, karm. prior, 

29-34. 

— (Claas), c. 1475, Pf-. 172, 
173, 195- 

— (Corn.), 1594, schoolm., 210. 

— (Dirk), 1572, eistere, 315. 

— (Jan), 1572, eistere, 315. 

— (Pieter), 1604, pred., 71. 

— (Rein.),i5i4,vice-past., 182 — 
186. 

— (Volk.), 1440, past., 404. 
Janzoniüs (Joan.), -f 1745, pred., 

321. 
Jeegers (Ger.), 1578, past., 70. 
Jemming (Lamb.), c. 1600, pred., 

329, 330. 
JoANNEs, 1570, eistere, abt, 368, 

381--386. 
JoosTEN (Gom.), 1594, sehout, 

210. 
JoRisz, (David), 1522, glas- 

sehilder, 411. 
JucKEMA (Berber),fi 667, klopje, i . 

K. 

Kampen, 333. 

Kantaert (Claas), 1 504, sehepen, 
194, 195- 



Karel V, 1507, keizer,i96— 198. 
Kea (Corn.), 1908, kerkm., 163. 
Key (Lieven de), 1594, 210. 
Keyzer (Adr. de), 1755, past., 

335, 336. 
Keil (A. J. J.), 1848, past., 458. 
Kempen (Dirk), 1900, fund., 136, 

139- 
Kennemerland. Dekenaat, 212— 

248. 
Kerschner (Jos, L. A.), 1866, 

ass., Z154. 
Kervel (Petr. A.), 1846, aartspr., 

275. 
Kethel, 348. 

Keulen. Pres. L. Marius, 250. 
Keuss (H. H.), 1826, past., 452. 
Kies (Piet), 1572, 296. 
Kints (Corn. v.), 1850, prof., 

259, 279. 
Kleyn (Ger.), 1865, armm., ii8, 

164. 
Knaapen (Th. F.), 1852, past., 

457- 
Knotter (Joan.), 171 8, jans. 

past., 84, 422. 
Koeterel (C), 1825, past., 454. 
Kok (G.), 1846, past., 454. 

— (J.), f 1822, past., landdek., 
449. 452. 

— (J.), 1820, kap., 460. 

— (Th. L.), 1820, past., 451. 
KoKKELiNK (Bern. H. v.), f 1842, 

past., 274, 275, 288, 460. 
Kooyman (Piet), 1873, kerkm., 

123, 129, 163. 
Kooltuin (Corn.) Cornelisse), 

1558, afv. past., 406, 417 — 

420. 
KooMEN (Piet), 19 12, fund., 408. 
Koopman (Adr.), 19 II, kap., 357. 
KooRS (B.), 1867, dom. kap., 461. 
Kort (Jan), 1866, armm., 118, 

164. 
Korteraar, 251, 252, 256,272, 

274, 275. 
Kralingen, 345, 355. 
Kreling (L.), 1865, dom. kap., 

451. 



474 



Kriek (J.), 1847, kap., 457, 461. 

— (J. P.), 1851, past., 451. 
Krimpen, 325. 
Kronenburg (J. A. F.), 1905, 

redempt., 153. 
Kroon (Jan v, der), i886, armm., 

164. 
KRUL(Corn. H.), 1906, past., 155. 
Kudelstaart, 71, 116, 283. 
KüY (C. V. der), 1830, 344. 
Kuilenburg, 448. 

— (Al. Jacobse v.), 1571, vic, 
402, 405. 

KwAKEL, 98, 99, 116. 



Laan (Sim. v. der), c. 1475, 

burgem., 180. 
Laarman (Jac), 1809, secr., 47, 

55, 57- 
Lakenman (J. W.), 1903, kerkv., 

399. 
Lami (J. J.), 1849, kap., 462. 
Lamzweerde (Joan. v.), 1366, 

not., 239. 
Land (G. op 't), 1795, i. 
Langedijk. Kap. P. C. Buys, 

278. Priesters, 278, 452. 
Langelaar(J. J.). 1865,126, 129. 
Langeraar, 162, 249—288, 355, 

455- 
Langran (A. L L. J.), 1843, 

past., 454. 
Langwambis (Alb.), vóór 1572, 

fund., 433. 
Lans (J. B.), 1842, kap., 460. 
Laurensdr. (Ag.), 1453, fund., 

427. 
— (Cath.), 1433, fund., 427. 
Laurensz. (Corn.), 1572, reet., 

415, 431—435, 438. 
Leck (Heilw. v. der), 143 1, 

abdis, 41. 
Leek (H. J. v,), f 1857, past., 

454- 
Leeuwarden, i, 419. 
Leeuwen (Ant. v.), f 1822, 

miss., 456. 



Leeuwen (C. v.), 1862, past. 
emer., 453, 457. 

— (J. V.), 1859, 348. 

— (P. J. V.), 1845, kap., 461. 
Leeuwenhorst. Abdij, 31, zie 

ook NOORDWIJKERHOUT. 

Legrain (Will.), 1436, 443. 
Leiden. Priesters, 250, 251, 263, 

275, 278. 

Zie ook 9, 286, 315, 316, 

334, 369, 370. 
Leidschendam, 280, 342. 
Leimuiden. Priesters, 455, 456. 
Lejeune (Petr. A.), 1906, past., 

155, 162, 350—354. 
Lens (J. Th.), f 1864, dom. 

past., 450. 
Leuven, 82, 83, 94, 95, 252,406. 
Levisse (L. J. H.), 1861, kap., 

455- 
LiBRY, c. 1835, graaf, 460. 
Lier. St.-Gummaruskerk, 409, 

410, 416. 
LiEROP(Petr. v.), •{•1617, kan., 76. 
Lieshout (Gob. v.), f 1839, 

past., 275—279, 288, 452, 

455- 

— (J. V.), 1859, franc, kap., 459. 
Lieuwe, 1568, afv. pr., 417, 421. 
LiMMEN, 46 — 49, 55 — 59, 87, 

407. 
LiNDANUs (Wilh.), 1571, bissch, 

V. Roerm., 290. 
Lingen (Anna H. te), -f- 1839, 

fund., 114. 
LissE, 345. 
Lissius (Franc), zie Claasz. 

(Franc). 
LiviNUSz. (Balt.), 15 14, 185. 
LocHORST (Boud. V.), 1644, 

bal)., 73. 

— (Henr. v.), 1493, kan., dek., 

565-367, 575-377- 
LoDEwijK Bonaparte, 1809, 

koning, 54-59- 
LoENEN (Klaas v.), 1877, fund., 

136. 
Looyaards (Adr. J.) f 185 1, 

kap., 280, 288, 455. 



^^ 



475 



LooNiNK (H. T.), 1853, franc. 

kap., 450. 
Loos (B. J. de), 1826, past,, 452. 
— (Jac. C. V. der), 19 15, past., 

162, 355-3S7- 
Loosduinen. Abdij, 39 — 41. 
LooTs (Phil.), 1 9 1 1 , schilder, 285. 
LoTTOM (Henr. v.), 1867, past., 

144. 
LoTTüM (A. V.), 1833, kap., 463. 
Lucassen(P. J.), 1862, kap., 460. 
LuGT (Ger. v. der), 1798, kap., 

107, 162. 
LuTZ (J. H.), 1888, schoolm., 140. 
Lux (A. ].), 1869, refer. v. 

eeredienst, 145. 

M. 

Maarsen. Pastoors, 327. 
Maarten (Sint), 419. 
Maartensz. (Jan), vóór 1572, 

fund., 433. 
Maas ( ), 1912, beeldh., 

282, 284. 
Maaslandsluis, 109. 
Malingré ( ), 1899, dek., 

3S4. 

Manen ( v.), c. 1800, pred., 

330. 
Marck (J. H. V. der), 1843, 

kap., 462. 
Marcus (Flor.), 1588, pred., 329. 
Marius (Leon.), f 1630, kan., 

250. 
Marsen (Jan), 1885, armm., 164. 
Martinsdr. (IJde), 1486, karm., 

29. 
Martinus, 1435, vic.-gen. v. 

Utr., 426, 441. 
Martz (C. J. A. Ph.), 1863, 

past., 462. 
Masker (P. F.), 1854, kap., 459. 
Mat (Abr. v. der), zie Brienen. 
Matham (Jac), 1630, plaat- 
snijder, 187. 
Matheus, 1721, jez., 91. 
Mathot (B.), f 1859, past., 453. 
Mechelen, 94, 167. 



Mechelen (Jan v.), 1506, aug., 

442. 
Medembuk, 394, 422. 
Mehler (Will. Fr.), f 1862, 

past. emer., 162, 460, 461. 
Meer (Nic. v. der), f 1728, 

vic.-gen., 82-88, 97, 99. 
Mey (Isaac v. der), 1643, franc, 

430, 454. 

— (Joan. V. der), 1725, past., 
104. 

Meyer (Flor.), 1383, koster, 417. 
~ (F. F.), 1862, past., 450, 451. 

— (G. A.), 1915, dom. supprior, 
166, 167. 

Melchior, iioo? past., 404. 
Melis (Petr.), 1725, jans. gez. 

pres., 94. 
Mens (J. H.), f 1826, past., 450. 
Meppelen (Henr. v.), 1690, 

past., 260. 
Mercatoris (Jac), 1482, not., 

33. 34- 
Meulen (Lud. v. der), 1355, 

past., 416. 
Meurs (Arie), 1777, 338. 

— (Walr. V.), 1435, bissch. v. 
Utr., 426. 

M1CHIELSZ. (Jan), 1572, eistere, 

313- 
Middelburg, 105, 183, 274, 

348, 357- 
Middendorp (Bern.), 1827, kap., 

162. 
M1ERL0 (Godfr. V.), f 1587, 

bissch. V. Haarlem, 80, 131, 

212 — 248, 289 — 31e, 368. 

— (J. G. W. V.), 1841, past., 
landdeken, 449. 

Mij (Trijntgen Wouters v. der), 

f 1656, klopje, 7. 
Mijdrecht, 70. 
Myerop (Corn. v.), 1371, aarts- 

diak., 228 — 231. 
MiL (Petr. J. V.), f 1842, kap., 

162. 
M11.ENDUNCK (Jac), f 1682, 

karm., 26. 
Minnen (Joris), 1 662, steenh., 390. 



476 



Moerland (Ger.), 1894, kap., 

357- 
Molenaars (G.), 1830, past., 462. 
MoLENDiN, zie Meulen. 
MoLiNARi (J. C), 1758, nunt., 

10). 

MoLKENBOER (Th.), 1 90e, schilder, 

154. 
MoLS (C. A.), 1861, past., 456. 

— (Jan Janse), 1820, pr., 162, 
461. 

MoNGORD (Mart. v.), 1486, 

karm. provinc, 30. 
Monnikendam, 80, 422. 
MooNS. Familie, 349, 350. 
Moordrecht, 283, 321 — 357. 
Moors (P. F.), 1862, kap., 456. 
MoRLMOKD. Gistere, abdij, 368, 

381, 386. 
MoRRA ( ), 1620, nunt., 414, 

422. 
MoRTiEUL (Nic), i507,cler.,2oi. 
MosMANS (W. L.), 1841, kap., 

461. 
Muiden, 116. 

Muller (Sus^), 1875, fund., 135. 
MuNSTERUS (Gasp.), 1637, wij- 

bissch., 254. 
Munter (Henr.), 1638, past., 

78, 79- 
MuRÉ (J.C.H.), 1853, ass., 458. 
MusTELiER (Joan.-Bapt.), f 1720, 

past., 332. 

— (Kar.), f 1723, past., 332— 
334. 

N. 

Naayers (Andr. B.), 1833, kap,, 

162. 
Naaldwijk, Kap, J. Debets, 280, 
Naarden, 399. 
Nabbeveld (J, L. A.), 1865, 

past., 452. 
Nanne (Will.), 1356, cler., 404. 
Nathan Mozes, 1752, 103. 
Nederhorst- den-Berg, 116,281, 
Neercassel (Joan, v.), 1673, 

vic. apost., 88, 89, 254, 258. 
Nes (Ger. v.), 1907, kerkm., 163, 



Nes (Hann, v.), 1871, armm., 

118, 164, 
Nes en Swaluwebuurt, 73, 90, 

116, 341, 
Nibbinxwoude. Past. J, Vermei), 

272, 
NicoLAAS, f 1498, dom., 187, 

188. 
NiEMAN (Petr.), 191 5, past., 79, 

162. 

NiEUWENDAM, 162. 

NiEuwENDijK (Piet), 1881, kap., 

163. 

— (C, V, den), 185 1, past., 450, 
Nieuwenhoven (J.), 1862, kap., 

454- 

NiEUWERKERK A, D. IJSEL, 346 — 
350, 354—357. 

Nieuwkoop, 333, 355, 355, 

388-391, 456. 
NiEuwLAXD (Nic. V.), f 1580, 

bissch. V. Haarlem, 212 — 222, 

243, 
Nieuwveen, 253, 286, 456, 
Nyenrode (Gom, v.), 1560, 

proost, 219, 236—242. 
NoEMS (Nic), 1621, past., 3. 
Noord (Theod. J. v.), 1905, 

kap., 357, 
Noorden, Priesters. 258, 456, 

457- 

NOORDSTRAND, 89, 

NooRDWijK, 82, 133, 134, 344, 

345, 359- 

— (Ger, v.), 1454, schepen, 195, 

NOORDWIJKERHOUT. Abdij 

Leeuwenhorst, 358—387. 
NooRWiTS (Pieter), 1662, 390, 
NuYENS (W,), 1872, geschiedk., 

145, 

O. 

Obdam, Pastoors, 80, 104, 267, 
Oegstgeest, 262, 334, 343. 

— (Ger, V.), 15 14, past., 186. 

— (IJsbr. V.), 15 14, vic, 186. 
Oldenzaal, 336, 337. 
Olislager (joan.), 15 14. dom. 

prior, 185, 186. 



477 



Omtzigt (Will.), t 1861, fund., 

280. 
Oostbroek. Abdij, 189, 
Oosten de Brüyn (G. W, v.), 

f vóór 1792, 210. 
Oosterblokker, 162, 278. 
Oostzaan. Past. E. Wijs, i8é. 
OoTMAR (G. W.), 1 826, past., 453. 
Oriaertsz. (Freek), vóór 1572, 

fund., 433. 
Os (J. G. V.), 1850, kap., 463. 
Osdorp, 116, 274. 
Oud-Ade. Priesters, 104, 158, 

250. 
Oüder-Amstel, 93. 
Ouderkerk a. d. Amstel, 71, 

73-164, 278, 350. 

— A. d. IJsel, 346. 
Oude Tonge, 286, 345. 
Oudorp, 394, 452. 

— (Elis.), 1789, 113. 
OuTEWAEL (Ambr.), f 1658, 

aug. past., 79 — 81. 
OuTGERsz. (Jan), vóór 1572, 

fund.. 433. 
OvERMANS (C. H.), 1868, franc. 

kap., 459. 

OVERSCHIE, 280, 282. 
OVERVEEN, 157, 542, 350. 

P. 

Paep (Jac. P.), f 1817, past. 

50—53- 
Parma (Marga. v.), 1561, land 

voogdes, 215, 242. 
Paulusz. (Ger.), 1586, pred., 74 
Pax (Sim. Dirkse), vóór 1572 

fund., 433. 
Perre ( ), 1475, not., 410 

Petit en Fritsen, i867,klokkeg. 

130, 131. 
Philippine, 453. 
PiETERSDR. (Grietje) 15 18, mater 

429, 431. 

— (Lijsb.), 1482, karm., 32 — 34 
PiETERSz. (Claas), 1728, 99, 100 

— (Freek), vóór 1572, fund. 
4?3- 



PiETERSZ. (Harm.), vóór 1572, 
fund., 433. 

— (Hub.), 1572, eistere, 315. 

— (Jan), 1561, past., 406. 

— (— ), 1570, past., 63. 

— (Steph.), c. 1475, bissch. 
offic, 19. 

— (Wisse), 1456, biertapper, 
169, 170. 

PijLL (Egb. V. der), 1678, not., 
390, 391- 

PiJNACKER, 341, 344. 

Plaet (Ant. V. der), 1636, past., 

250. 
Platander (Balt.), 1560, past., 

41 1, 420. 
Plemp (Petr.), 1640, pr., 450. 
Ploetstok (Henr.), 1497, dom. 

prior, 189—193. 
Pluym ( ), 1850, prof., 279. 
Poeldijk, 333, 346. 
Polsbroek. Past. A. Sonsbeek, 

260. 
Poppe(G.), 1825, past., 452,454. 

— (H.), 1861, past., 456, 463. 
Post (Pieter), c. 1660, bouwm., 

388, 390. 
PoT(Ant.), 1497, kan., 189 — 193. 
PouLRijcK (Petr), 1629, pr., 414. 
Pouw (Rein.), 1899, kerkm., 78. 
Preyer (Herm. A.), 1858, kap., 

118, 119, 162. 
Prins (Ger.), 1555, pr., 445. 
Prinsenhage, 349. 
Pronk (G. J.), 1865, past. emer., 

459- 
Purmerend, 20, 80, 422. 

QuAYE (Petr. de), 1494, eistere. 

abt, 365 — 367, 373-377- 
Quant (G. J. W.), 1862, kap., 

463- 

R. 

Raet (Alb. Claasz.), 1562, not., 

6r, 62. 

Ram VAN Schalkwijk (God.), 

f 1755, aartspr., 334. 



478 



Randshuysen (A. f.), 1852, kap., 

460. 
Kanshuizen (It.). 1852, franc. 

kap., 450. 
Ravenstein, 272. 
Reeder (Corn. de), , pr., 

269. 

— (Gijsb. de), f 1699, past., 
259 — 262, 270, 272, 287. 

— (Joan. de), -|- 17 17, past., 
260, 287. 

— (Nic. de), f 1727, past., 261, 
262, 287. 

— (Theod. de), f i695,pr.. 261, 
287. 

— (Will. de), f vóór 1700, past., 
262. 

REEUWIJK, 335. 
REGERSDR.(Meijnb.),i486, karm., 

29. 
Reyers (Weduwe), f i6o6, 

klopje, 10. 
Reynders (G. W.), 1862, dom. 

past., 450. 
Reysen (Joan. J. v.), f 1847, 

past., 344, 345. 
Reimerswaal, 189. 
Reiniersz. (Rich.), 15 14, past., 

405. 
Rennenborch (Herm. v.), 1567, 

proost, 328. 
Rensen (J. A.), 1867, dom. kap., 

461. 
Requesens (Louis de), 1574, 

hert., 63, 64. 
Rest (P. v.), 1839, kap., 457. 
Reuver (Mart. W.), f 1789, 

past., 273, 288. 
Riemsdijk (Mich. v.), 1574, past., 

63, 64. 
Rietvelt (Gijsb.), 1437, 425. 
Ri[N (Aug. L. V.), 1880, kap., 162. 

— (Sim. J. V.), 19H, past., 283, 
285, 288. 

RijNDERS (Joan.), f 1784, past., 
337. 

RiJNDIJK, 282, 283, 345. 
RlJNSATERWOUDE. Past. HuYSMAN, 
270. 



Rijnsburg. Abdij, 325. 

Rijp (Conr. L.), 1870, past., 
deken, 119 — 133. 

Rijswijk (Z.-H.), 162, 278, 357. 

RüBART (Th. L.), j- 1860, dom. 
past., 461. 

Robbers (Leon.), 1739, past., 335. 

RoBBRECHTZ. (Hcssel), 1560, rec- 
tor, 436. 

Robijn (Thom.), 1659, not., 389. 

ROELOFARENDSVEEN, I04, 102, 
286, 457, 458. 

RoELOFSz. (Hendr.), c. 1435, 

past., 404. 
RoMijN (J. L.), 1839, past., 452. 
Rood (B. A. v. 't), 1863, past., 

451, 458. 
— (Jac. C. V. 't), 1863, past, 

408, 430. 
Roos (Joan.), 1693, aartspr., 263. 
Root (J. W.), 1854, ass., 459. 
RosENBOS (Joan. v.), 1477, past., 

protonot., 174 — 180. 
Rotterdam. Priesters, 176, 260, 
262, 443. 

St.-Laurentiuskerk, 348,419. 
St.-Josefkerk, 355. 
H. -Sacramentskapel, 3 $4. 
Kerk d. Gore. Mart., 286. 
Beggijnhof, 37. 
Karmelietessenkl., 28, 29, 
31-38. 

Dominikanenkl., 175 — 180. 
Zie ook 275, 282, 283, 332, 
338, 344, 352. 
RovENius (Phil.), 1638, vic. 

apost., 2, 3, 78, 80, 254. 
RuEL (Rein.), f 1817, deken, 

342. 
Ruigrok (Corn.), 1862, kap., 456. 
RuYSCH (Jac), 1514, deken, 

182-186. 
RuTTEN (A.), 1867, kap., 458. 

S. 

Saasveld, 118. 

Sacherus (Hier), f 1571, eistere, 
kard., 368, 381. 



479 



Saksen (Albr. v.), 1492, 362, 
Salembien (Joan.), 1507, aug., 

199—201, 
Samwel (Jac. J.). 1894, kap., 162. 
Sande (Joan. v. de), 188. 
Santini (Vinc), 1720, internunt., 

83, 94, 98, 99- 
Sars (F.), 1860, dom. past., 461. 
Sasbout. Geslacht, 92. 
Sassenheim, 347. 
ScHAEGHEN (Joaii.), 1721, jans. 

past., 414. 
ScHAEPMAN (Herm.), 1872, prof., 

146, 147. 
Schagen, 82, 88. 
ScHAÏCK (Corn.), f 1669, past., 

256, 287. 
Scheefhals (M. G.), 1855, kap., 

458. 
Schelling (Corn.), 1903, kerkni., 

163. 
ScHELTus (Claas), 1560, afv. 

past., 419. 

SCHENCK VAN TaüTENBURCH 

(Fred.), f 1580, bissch, v. 

Utr., 215, 217. 
Schermer (Corn. E.), 1835, past., 

162, 452, 460. 
Schiedam, 162, 357. 
Schild (G), 1909, 423, 424. 
Schip (Jan van 't), 19 14, armm., 

164. 
Schipluiden, 282, 341. 
Schokland. Past.J. Bos, 1 10,111. 
Schomaker (Steven), 1520, 45. 
Schoonhoven, 36, 262, 280, 

283, 329, 354. 
Schoorl. Pastoors, 79, 452. 

— (Andr. V.), 14 31, proost, 425. 

— (Dirk V.), 1458, aug., 440. 
Schot (Andr.), 1572, ontv., 316. 
Schoten (Jan v.), 1476, schepen, 

172. 
Schouten (A.), 1853, kap., 458. 

— (Fred.), f 179$, past., 341, 
342. 

Schrap (Henr. A), 1665, 390. 
Schrijver (Jan), 1868, armm., 
164. 



Schrijvers (Joan. Th.), 1847, 

kap., 162, 462. 
Schucking of Schikking (Alb.), 

1710, jans. pr., 86, 87. 
Schudelaroo (L. A.), i86é, ass., 

457. 462. 
Schuyt (A. G. P.), f 1860, kap., 

460. 
Schut (J.), 1843, kap., 460, 462. 
Seeman (Flor.), 15 14, 185. 
Severini (S ), 1620, nunt., 

414. 
Sibculo. Gistere, congr., 365, 

374- 
Siegfried (J, J.), 1857, past., 

deken, 119. 
Sypesteyk (W, V.), 1795, secr. ,51. 
Simmers (V. T.), 1849, past., 462. 
SiMONSDR. (Deb.), 1531, conv., 

429, 431. 
SiRO (Frans), 1878, armm., 164. 
Six (J.), 191 5, hoogleer., 400, 

446. 
SixTius (Sybr.), 1617, past., 76. 
SjouKES (P. F.), f 1860, dom. 

past., 461. 
Slijkerman (Ant.), 1908, kap., 

162. 
Sluys (Adr. J. v. der), f 1820, 

past,, 338—341, 344. 
Sluyter (D.), c. 1820, graveur, 

1 12. 

— (Ger.), 1699, jans. past., 261, 
263, 287. 

— (H. A.), f 1840, past., 451, 
Smedding (F. F.), 1838, ass., 45 1. 
Smeulders (N. J.), 1868, kap., 

461. 
Smidt (J. J.) f 1852, past., 457. 
Smit (Aalb. Volkertse), 1428, 

not., 427. 

— (W.), 1850, kap., 463. 
— , zie Fabri. 

Snel (J.), armm., 164. 
Snickers (P. M.), 1846, kap., 462. 
Snouckaert ( ), 1556, 209. 
Soeterwoude, 283, 348. 
Sompele (Jan v.), 1 594, hovenier, 
210. 



48o 



SoNjEE (H. J.), 1845, past., 453. 
SoNNius (Franc), 1558, inquis. , 

419. 
SoNSBEEK (Ant.), 1721, jans. 

past., 260, 261, 287. 

— (Ant. V.), f 1660, past., 258, 
287. 

SoRETH (Joan. V.), 1457, karm. 

gen., 24, 26. 
Spaarnwoude a. d. Lie, 280. 
Spal (B.), 1820, past. emer., 45 1. 
Spanbroek. Pastoors, 105 — 107. 
Sparmakering (Fr. X.), 1855, 

franc, past., 450. 
Spierdijk, 80, 162. 
Spycker (Dirk), 1504, schepen, 

194, 195. 
Spinelli (Jos.), 1763, nunt., 97. 
Splinter ( ), c. 1650, bur- 

gem., 390. 
Spont (C. ), 1726, jans. 

past., 87. 
Spoorman (L. C), 1860, kap., 

462. 

— (Lamb. J. C), 191 1, kap., 
28e, 288. 

Sprenger (Andr. H, J.), 1899, 

kap., 357. 
Stadhouder (Ger.). f 1821, 

past., 109 — 113. 
Stakenburgh (Corn.), 1720, jans. 

past., 257, 258, 287. 
Stams (Joan. L. H.), f 1906, 

past., 354, 355. 
Staveren (C. v.),i85 3,kap.,458. 
Stavoren (Rein. v.), 1550, 

schoolm., 443. 
Steen (Joan. v. den), 172 1, 

aartspr., 92. 
Steenbergen, 409. 
Steenhoven (Corn.), 1725, jans. 

aartsbissch., 84. 
Stege (Albr. v, der), 1422, 

schoolm., 443. 

— (Claas V. der), 1422, past.,443. 
Steyaert ( ), 1701, vic. 

apost., 94. 
Steins Bisschop (N.J. A.), 1855, 
past., 460. 



Stellingv^erf (Jac), 1756, 

teekenaar, 435. 
Stock (Jac. Janse), 1373, benef., 

327. 
Stolwijk, 325. 
Stolwijkersi.uis, 347. 
Stompwijk, 256, 343, 350. 
Stook (Th.), 1841, past., 463. 
Stoot (J. A. v. der), f 1840, 

past., 457. 
Stolthandel (Abr.), f 1652, pr,, 

25e, 261, 287. 
Strackman (Rud.), 1 361, deken, 

40e, 420. 
Straetmans (Rod.), 1666, kan., 

240. 
Stralen (B. v.), 1860, kap., 458. 
Straman (L. J.), 1855, franc. 

past., 450. 
Streek (De), 76, 421. 
Stuyt (Jan), 191 5, archit., 141, 

153, 155, 349, 356. 
Stuurman (Klaas), 179 5, schoolm., 

51. 53- 
SuYS (Corn.), 1571, pres., 213, 

227. 
Swaen (Mart. de), 1708, jans. 

pr., 86. 
SwANENBURG (Bart Corse v.), 

1641, schout, 255. 
SwANEVELT. Familie, 271. 

SWILDENS (Ph. P. C), f 1862, 

franc, kap., 459. 

T. 

Taerdt (Corn.), 1494, past., 327. 

Tapper. Familie, 433. 

— (Ruard), •]• 1559, inq.-gen., 

406, 418, 433. 
Telders (A. H.), f 1855, past., 

461. 
Tepe (Alfr.), 1887, archit., 140. 
Terhorst (Will. H.), f 1842, 

past., 342, 343. 
Terkamere. Cisterc. abdij, 296. 
Terpoorten (J. A.), 1848, past., 

452. 
Terstappen (A.), f 1846, past., 

452. 



48 1 



Tessel, 422. 

Tettero (Arie), •}• 1897, 350, 

351. 356. 
Tetteroo (Fr.), f 1835, kap., 

457- 
Teunisse (H.), f i86s,kap.,46i. 
Teünissen (P. P. S.), 1867, 

kap., 456. 
Tholen, 283. 
Thomasz. (Jan), 1442, koster, 

404. 
Tiebes (J. M.), 1846, kap., 

457, 463- 

TiEMANSZ. (Ger.), 1507, dom., 
199—201. 

Tybaut (Will.), 1522, glas- 
schilder, 446. 

TijSENS ( ), 1730, 100. 

Timans (Aloys. D.), 191 5, past. 
deken, 157, 158. 

Timmer (Ger.), 1908, kerkm., 163. 

— (Jan), 1888, kerkm., 116, 
123, 129, 133, 138, 140, 163. 

— (Jan), 1899, armm., 164. 
Tol (Kors v.), 19 14, armm., 

164. 
ToLLENTis (Luc. de), 1478, nunt., 

178, 179. 
ToMAS (A.), f 1819, past., 455. 
Torre (J. de la), 1571, 243, 

245, 248. 

— (Jac. de la), 1656, vic. apost., 
bissch. V. Ephese, 79—81, 
252-254. 

Triennekes (J. R.), f 1831, 

kap., 462. 
Trier (Hendr. v.), 1573, ge- 

schutgieter, 398. 
Trosée (J. A.), 1863, kap., 

454, 458. 
Tuitjehorn. Priesters, 282, 452, 

453- 
TwiSK. Past. M. V. Riemsdijk, 63. 

U. 

Udeman (H.), f 1822, past., 459. 

Uithoorn, 108. 

Utberg (S.), 1826, past., 458. 



Utrecht. Deken H. v. Lookhorst, 
363 v.v. 

De Salvatorkerk, 176, 325 — 
328. 

Mariakerk, 240. 

Buurkerk, 258. 

Domkapittel, 212—248, 
327, 416, 428, 440. 

Bened. kl. St. Pau wel, 361. 

Zie ook 189 — 193, 250 — 
263, 357, 396. 



Vairlenius (Hier.), 1572, kan., 

292, 296. 
Vecht (Joan. v. der), 1566, 

kap.-deken, 222, 238. 
Veen (Aechtgen Cornelis van), 

f 1623, klopje, 16. 

— (Math. V.), 1665, 390. 

- (S. V.), f 1831, past., 457. 
Veenroy (Joan.), •}- 1714, past., 

267, 287. 
Veer (J. H. A. de), 1859, franc. 

kap., 459. 
Veldener (Joan.), 1483, boekdr., 

400. 
Velsen. Past. G. v. Oegstgeest, 

i8é. 
Veltman (J.), f 1826, past., 453. 
Venray (Gijsb. v.), 1475, kan. 

past., 176, 177. 
Verburg (Ant.), 1562, 60-62. 
Vergerus, 1634, pred., 256. 
Verkerk (J. A.), 1867, dom, 

kap., 451. 
VERLEUN(Jan), 1891, armm., 164. 
Vermey (Just.), -j* 1755, past., 

270—272, 276, 278, 279, 285, 

287. 
Verstraten (H.), 1865, past., 

456. 
Verweij (Hein), 1904, armm., 

164. 
Verwer (Lysbet Hendriks), 

f 1633, klopje, 4. 
— (Will.), c. 1575, geschiedk., 

296. 



482 



Veur, 342. 

\'lANEN VAN RiJSENBURCH (Gijsb.), 

1494, eistere, abdis, 374. 
ViCTOR, vóór 1572, pr., fund., 
453- 

ViLSTEREN, 333. 

ViNKESTEYN (E.), f 1819, paSt., 

kan., 449. 
Vinkeveen, ii6. 
VioTTA (J. M.) f 1863, kap., 

463. 
ViscHER (Ger. de), 1476, schepen, 

172. 
ViSKER (Barlh.), f 15 13, 181. 
VisscHER (Jan Reinierse), 1661, 

fund., 331. 

— (Joan.), 1626, past., 77. 

— (Rein), f 1718, past., 324, 
330—332, 338. 

Vlaanderen (P. J.), 1843, pasi., 

453- 
Vlaardingen, 280, 339, 345. 
Vlasselaar (H. Th. v.), 1852, 

past., 453, 4S4, 457. 
Vligerus (Jac), 1617, pr., 76. 
Vlissingen, 158, 346, 348. 
Vogel (Ger.), 1854, ass., 280, 

455- 
Vogelensang, 357. 
VoLBRECHT (J.), 1878, orgelm., 

134. 
Volkers (J. A. G.), 1865, kan., 

norb., 449. 
Volkertsdr. (Ave of Eva), 1433, 

mater, 427, 431. 
Volkertsz. (Ger.), , franc. 

reet., 43$. 
VoLLEBREGT (Hetm. F.), 1808, 

pr., 162. 
Vonck (Joan.), f 1633, jez. past., 

76, 77- 
Voncken (Will.), 1390, pr., 438. 
Voorburg, 9, 162, 262. 
VooRDEwiND (Dirk), 1903, 

kerkm., 123, 129, 163. 

— (Jan), 1907, kerkm., 163. 
Voorschoten, 256, 280. 

VOORTMANS (Lud. H.), f I906, 

past., 282, 288. 



Vos (Sym. Tyse de), e. léoo, 7. 

— (Steph. de), •{- 1649, klopje, 7. 
Vosmeer (Sasb.), f 1614, vic. 

apost., bissch. v. Phihppi, 70, 
72. 
Vredekveld (N.), 1833, miss., 

457- 
Vree (Franc. J. v.), 1850, pres., 

279. 
Vregt (J. f.), 1870, secr., 144, 

463. 
Vries (C. de), 1902, kunst- 

handw., 408. 
Vriesecoop, 253. 
Vrolijk ( ), c. 1870, kap., 

132. 

— (Gys), 1908, arram., 164. 

— (Piet), 1914, armm., 164. 
Vroomans (P. ].), f 1864, past., 

461. 

W. 

Waal (Maria de), 1877, fund., 

136. 
Waardt (Theod. v. der), f 1 7 5 3 , 

past., 334. 
Wachtelaer (Joan.), 1640, past., 

254. 
Waddinxveen, 278, 322, 325. 
Wael (Mich. de), 1572, 296. 
Wagelaar ( ), 1843, kap., 

462. 
Wandelman (Joan.), f 1686, 

past., kan., 82, 83, 
Warmelink (Th.), 1795, past., 

So-53. 
Warmenhuizen. Pastoors, 453. 
Warmerdam (C.), 1837, kap. ,457. 
Warmond, 144, 162, 257, 278, 

279, 283, 315, 316, 355, 358. 
Wassenaar, 333. 

— (Dirk V.), 1465, proost. 26, 27. 
Wateringen, 162, 263, 283. 
Waveren, 71. 

Wede (Joan. v.), c. 1365, proost, 

219, 236 — 242. 
Weert, 273. 
Weesp, 116, 133, 134, 334. 



483 



Weingartner, (B. J. C), 1858, 

schilder, 347. 
Weits (Jac), 1478, dom. prior, 

180. 
Wel (C. S. v.), 1832, kap., 462. 
Wennen (P. J. B.), 1855, pr., 

459- 

Wensing ( ), 1872 oud-prof. 

geschiedk., 145, 146. 
Werf van Melissant (Cath.J.), 

1777. 339- 
Wervershoef, 278, 357. 
Westeinde, zie Enkhuizen. 
Westerblokker. O. L. Vr. ten 

Nieuwlicht, 420. 

WESTFRIESLAND. PfOOStdij, 212 — 
248. 

Westgeest (Jac), 1840, kap., 

162. 
Westphalen of Westphaling. 

Familie, 429 - 435. 

— (Adr.), c. 1675, adv., 431, 
435- 

— (Ed.) f 1571, 433- 

— (Renesse), 1550, mater, 
429-433. 

Wiegman (Ger. J.), 1867, kap., 

456. 
Wieringen, 283. 

— (Maria v.), , klopje, 22, 24. 
Wy (Tryntje Dirks), 1620, klopje, 

4, 7. 8. 
Wyckerslooth (Corn.v.),f 1650, 
past., 252, 255, 25e, 287. 

— (-), 1842, bissch. V. Curium, 
278. 

- (Ger. V.), f 1727, aartspr., 96. 

— ( V.), past. te Stomp- 
wijk, 256. 

Wijdenes. Past. J. Gruwel, 219, 

236. 
Wijk aan Zee. Pastoor D. D. 

Bos, 283 ; kap. J. L. H. Stams, 

354. 
Wijs (Elg.), 15 14, past., 186. 
Wilkens (Henr. Fr.), f 1769, 

past., 104, 105. 

— (Joan. Fr.), -f- 1756, past., 
105. 



Willem II, 1249, graaf, 325. 
Willem V, 1355, graaf, 393, 

412, 413. 
Willemsdr. (Breghjen), f 1646, 

klopje, 15. 

— (Eva), 1486, karm. priorin, 
29-31. 

— (Josijntje), 1625, klopje, 6. 

— (Lijsbet), f 1637, klopje, 6. 
Willemsz. (Lambr.), 1478, vice- 

past., 180. 
WiLLENBORG (Franc), 1855, kap., 

280, 288, 455. 
Wilmer (Ger. P.), 1870, bissch. 

V. Haarl., 128, 132, 137, 151. 
Wils (Ign. M. P. A.), 19 n, 

kap., 286, 288. 
Winde (Van de). Familie, 272. 
Windesem (Jan v.), 1 5 20, 42 — 45. 
Winkelaar (C. J.), f 1848, 

past., 456. 

WlNKELHAGEN (J. W. C.), 1854, 

kap., 463. 
Wis (Hier.), 1514, not., 186. 
Wit (Ger. de), 1876, kerkm., 

116, 123, 129, 163. 
Witte (Ger. de), 1556, ontv., 

208. 
Woerden, 391. 
WoLFF (Aug. de), f 1635, 

aartspr., 403, 414, 422. 
Wormerveer, 162. 
Wou (Gerh. v.), 1523, klokkeg., 

397, 398. 
WouTERSDR. (Aef), 1482, karm., 

32-34. 
WouTERSZ. (Jan), 1504, dom. 

supprior, 194, 195. 

— (Joan. L.), 1915, past., 135. 

X. 

Xanten (Rich. v,), 1570, eistere 
abt, 369, 386, 387. 

Z. 

Zaandam (Dider. v.), 1435, past., 
417, 425. 

— (Will. v.), 1471, fund., 171. 



484 



Zaffius (Jac), isyr, kan., 215. 

Zandpoort, 162. 

Zanten (Mart. v.), 1906, past., 

155- 
Zas (Laur. Jacobse), 1558, past., 

419. 
Zf.f.gers (Christ.), 1 5 14, vic, 405. 
- (H. P.), 1863. kap., 454. 
Zeeman (Jac), c. 1560, kan., 61. 
Zeyl (J. P. J. V.), 185 1, past., 

454- 
Zenderen, 36. 
Zevenaar. Pelgromsstichting, 

354. 

Noordwijkerhout, 16 Mei 191 5. 



Zevenhoven. Priesters, 458, 459. 
ZiERiKZEE, 61, 162, 189 — 193. 
ZijPE. Past. Stadhouder, 109. 
Zondag (Petr. D.), 1883, kap., 

162. 
Zuidbroek, 346, 347. 
ZuiDwijK (Sim.), 1862, kerkm., 

116, 163. 
Zwanenburg (Ger.), 1 899, kerkm., 

163. 
Zwolle. Pastoors, 258. 

Dominikanenkl., 166. 
— (Did. Claasz. V.), 1518, reet., 

428—431. 

H. H. RIJKENBERG.