(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem"

E. 




é 4 ♦ > 4> < 



No 




PURCHASED FOR THE 
UNIVERSITY OF TORONTO UBRARY 

FROM THE 

HUMANITIES RESEARCH COUNCIL 

SPECIAL GRANT 

FOR 

ARTS OF THE LOW COUNTRIES AND 

THE GERMANYS, 1600 - 1850 



BIJDRAGEN 



VOOR DE 



GESCHIEDENIS 



VAN HET 



BISDOM VAN HAARLEM 



ONDER REDACTIE VAN 



C. J. GONNET, J. J. GRAAF, Dr. A. H. L. HENSEN, J. C. 
VAN DER LOOS, E. H. RIJKENBERG en L. STOLK. 



ACHT-EN-DERTIGSTE DEEL. 



1918 
WED. J. R. VAN ROSSUM 



UTRECHT. 








t^i^sirv OF 10^^^ 



IIsTHOUD. 



Bladz. 
De Jesuïten-Statie »Het Springende Paard« te Haarlem . . 

C. J. GONNET I 

Duivendrecht J- C. van der Loos 58 

Over de afscheiding van Voorhout en Sassenheim .... 

J. C. VAN DER Loos 91 

De Cisterciënser- Abdij van Loosduinen. (Aanvulling op de lijst 
der biechtvaders. Bijdr. XXXVII (1917) 445—451) .... 

J. FruyTIER o. eist. 99 

Drie merkwaardige bescheiden betreffende een Ablutiekelk 
uit de oude S. Nicolaas te Amsterdam. Met plaat . . 

F. W. DE Rooij, Pr. 102 

Nieuwerkerk a. d. IJsel ]■ ^- van der Loos 107 

Wat aan de stichting der St. Laurenskerk te Rotterdam voor- 
afging . . . J. C. VAN DER Loos I20 

Bij het »Gedenkboek van het Seminarie Hageveldi .... 

J. C. VAN DER Loos 130 

Uit een oud Eedboek van Haarlem . . . C. J. Gonnet 150 

Pater Godfridus Franken S.J C. J. Gonnet 153 

Heiligschennis en diefstal in de Nieuwe Kerk te Amsterdam 
op Palmzondag 1545 J. Kleijntjens S.J. 156 

Geweigerde eed C. J. Gonnet 158 

Mededeelingen van het Bestuur van het Nuyensfonds . . 159 

»De Posthoorn» te Amsterdam . . J. C. van der Loos 161 

Het Archief van het Oud-Kapittel van Haarlem. Hoe bijeen- 
gekomen en hoe bewaard ? J. J Gra.\f 263 

Bijlage I. Testament van Bisschop Godfried van Mierlo 308 
Bijlage II. Kapitteiakten uit de jaren 1636, 1637 en 1638, 
als aanvulling op die der «Bijdragen*, Deel XIV blz. 29. 312 



Gedicht van Jacobus Buyck op den marteldood van Cornelius 
Musius J. KleijnTjens S.J. 317 

Eene bladzijde voor de geschiedenis van Onze Lieve Vrouw 
Ter Nood te Heilo J. J. van der Loos 319 

De Brief van Abt Thiofried van Echternach aan Keizer 
Hendrik IV Fr. W1LI.IBRORD Lampen O.F.M. 321 

Opvolging der Haarlemsche Kanunniken van het Oud-Kapittel 

J. J. Graaf 329 

Adam Beckers van »De Krijtberg* te Amsterdam in betrek- 
king tot zijne Kerkelijke Overheid. J. C. van der Loos 352 

Kerkgeschiedenis van Amstelland (Vervolg van Deel XXXVIII, 
bil. go) Buiten veldert J- C. van der Loos 403 

Alphabetiscb Register E. H. Rijkenburg 45S 

Aanvulling der Lijst van Inteekenaars 470 



DE JESUITEN-STATIE »HET SPRINGENDE 
PAARD* ÏE HAARLEM. 



In de zeventiende eeuw waren er te Haarlem, in 
afgelegen, ten minste in minder bezochte buurten 
eenige Roomsche kerken, welke, in weerwil van 
's Landsplacaten, door Burgemeesters bij oogluiking 
gedoogd werden. Er was er eene nabij het Beggijnhof ; 
eene in de Achterstraat de drie Klaveren (Dominicanen); 
nog eene aldaar St. Bavo ; verder: in de Ossenhoofd- 
steeg; op de Bakenessergracht den Hoek; in het Dam- 
steegje (Franciscanen); in de Helmbrekerssteeg de Vier 
Heemskinderen ; in de Koksteeg St. Anna en Jl/aria. 

In 1681 hadden de Katholieken het plan, waren 
zelfs reeds bezig, er eene bij te maken, aan den 
Koudenhorn en uitkomende in de Biggesteeg. Zij zou 
bestemd zijn voor de Jesuiten, die, al stonden zij bij 
Lands- en Stadsregeering in geen goed blaadje, hier 
toch werden getolereerd. 

Burgemeesters waren met het hun ter kennis ge- 
komen plan geenszins ingenomen ; zij wisten wel dat 
zij van de Roomschen niets hadden te vreezen, maar 
zij wilden hen den pas afsnijden het aantal schuilkerken 
te vermeerderen. Hier dient opgemerkt te worden, dat 
waarschijnlijk niet het voornemen bestond eene geheel 
nieuwe kerk te bouwen, maar een gedeelte van een 
nader te noemen perceel voor het doel te veranderen 
en in te richten. 

Hoe dit zij, een der voornaamste Katholieken, Mr. 



Willem van Groenhout, werd door Burgemeesters over 
de zaak aangesproken. Hij zeide, dat het niet met zijne 
voorkennis, veel minder met zijne bewilliging ge- 
schiedde. Men had dus geen vat op hem, maar hij 
kreeg het bevel, dengenen dien het aanging, uit naam 
van Burgemeesters te zeggen, dat men met het werk 
kon voortgaan, maar dat het niet geoorloofd was er 
godsdienstoefeningen in te houden; dat zij als eene 
onvrije kerk zou worden beschouwd, dus buiten het 
getal, dat bij gedoogen was toegelaten. 

Dit staat alles opgeteekend in de hiervolgende reso- 
lutie van 6 Augustus 1681, 

Den Heer Ad^t. Mr. Willem van Groenhout ter 
camere ontbooden sijnde, is aengese3't, dat de Heeren 
Burgemeesteren kennisse hadden bekomen, dat de 
Roomsgesinden in de Biggesteege alhier hare kerke 
tot nogh toe zoo gebruyckt, niet alleen quamen te 
vergrooten, maer selfs aen 't Spaerne ofte Koiidenhoor?i 
seer opsightelijck te maken, waerop deselve verclaert 
heeft, sulx geensins met desselfs communicatie, veel 
min toestemminge te sijn geschiet, Soo hebben evenwel 
Burgemeesteren verstaen ende geresolveert, de voirs. 
Groenhoiidt aenteseggen en te recommandeeren, dat 
aen diegene, aen dewelke de directie van hetselve ge- 
bouw wab bevolen, wilde uyt de name van de Heeren 
Burgemeesteren bekent maken, dat wel met het vol- 
trecken van hetselve gebouw koste voortgaen, maer 
deselve in geenderhande maniere tot haren Godts- 
dienst te gebruyken, en sulx bu3'ten diegeene gebon- 
den te sullen blijven, dewelke de Fleeren Burgemees- 
teren bij oogluykinge komen te permitteren, waeromme 
van nu af voor een onvrije kerk verklaert werd bij dese. 

De kerk was gereed gekomen en misschien werd 
zij, in weerwil van het burgemeesterlijk verbod, toch 



gebruikt, maar het schijnt, dat de Roomschen niel 
gerust waren en te recht moesten vreezen, dat zij d(^n 
een of anderen dag door den Hoofdofficier zuuden 
worden overvallen. En waarschijnlijk uit overiveging 
daarvan, richtten de belanghebbenden zich een paar 
jaren later tot de Stedelijke Regeering en drongen 
aan op intrekking van het vroeger uitgesproken ver- 
bo'J. Maar met geen gunstig gevolg, zooals uit deze 
beschikking van i8 Augustus 1683 kan blijken: 

Burgemeesteren en Regeerders der stadt Haerlem 
op 't versoeck van eenige van de Papistische gesint- 
heden disponerende, tenderende 't voirs. versoeck ten 
eynde de Paepse kercke op de Koiidenhoorn en in de 
Biggesteege uytkomende, waerinne, volgens Resolutie 
van den 6 Augusti 1681 geen dienst gedaen magh 
werden, nu tot haeren Godtsdienst souden mogen ge- 
bruycken, hebben verstaen en geresolveert, bij de Re- 
solutie van de voorss. 6 Augusti te persisteeren, en in 
geenen deele te lijden, dat daer inne eenige dienst 
gedaen werde, suilende bij overtreedinge van deze 
Resolutie bij Haer Ed. groot Achtb. niet alleen om- 
trent dese, maer alsdan oock omtrent alle andere Papis- 
tische kercken soodantge ordres werden gestelt, als 
Haer Ed. Groot Achtb. alsdan sullen bevinden te be- 
hooren. 

Er verliepen wederom twt e jaren. Burgemeesters 
verloren de kerk, waarin nu geen dienst werd gedaan, 
niet uit het oog en vonden aanleiding, den 6a Sep- 
ber 1685, nog eens uitdrukkelijk hun vroeger verbod 
te herhalen, waarbij zij zelfs wat verder gingen dan 
voorheen, want thans dreigden zij, dat bij verdere over- 
treding, den Hoofdofficier zou worden aanbevolen, 
deze zaak nader te onderzoeken en des noodig dege- 



nen, die het aanging, volgens de piacaten in rechten 
aan te spreken. Ziehier in welker voege dit werd te 
boek gesteld : 

Is na voergaende deliberatie goetgevonden en ver- 
staen, dat de Papistische kercke op de Koudcnhoryi, 
buyten kennisse en consent van Burgemeesteren aldaer 
gestight, nooj't sal mogen gebruyckt worden om daer 
inne de Roomsche Godsdienste te plegen, gelijck bij 
meerder voergaende Resolutien is vastgestelt geweest, 
dienvolgens, dat deselve gehouden werdt buyten de 
moderatie, en sulx dat bij aldien tegens dese en voor- 
gaende Resolutien iets ondernomen moghte werden, 
dat den Heer Hoofdofficier gecommandeert soude wer- 
den daer op sigh te willen informeren, om tegens de- 
selve volgens de placcat' n geprocedeert te werden. 

Xu wendden de Roomschen het over een anderen 
boeg, want ras nadat deze resolutie ter hunne kennis 
was gekomen en zij daaruit wederom hadden gezien, 
dat de oprichting der kerk aan den Koudenhorn, maar 
geene genade kon vinden in de oogen van Burge- 
meesters, brachten zij de bouwvalligheid van hunne 
andere kerken ter sprake, die eene aanleiding was ge- 
weest tot hetgeen zij hadden gedaan. Thans vroegen 
zij de bewilliging, om de oude herberg de Aloerinne 
(in de steeg van dien naam) tot eene kerk te verbou- 
wen; zij zouden, zoo eenigszins doenlijk, zorgen dat 
die vergaderplaats uitwendig niet kon doen vermoeden 
waartoe zij diende en legden een plan over, van het- 
geen zij wilden maken. Maar het was alles te vergeefs. 
De vroegere resolutien omtrent de kerk aan den 
Koudenhorn werden gehandhaafd en het verzoek om 
de herberg de Moerinne de voorgenomen en vermelde 
bestemming te geven, werd afgeslagen bij deze be- 
schikking van 29 September 1685. 



Alsoo eenige van de Roomsgesindcn binnen dese 
stadt te kennen hebben gegeven, dat op verschijdene 
van hare versoeken en instantien gerefuseert was ge- 
worden om in de kerke op de Koude)ihoorn, bij haer 
om de bouwvalligheyt van hare andere kerken ofte 
huysen, haren Godtsdienste te plegen, als gestight 
sonder kennisse ofte consent van Burgemeesteren, en 
dat deselve wederom verthoonden het ongemak en 
pericul, dat in hare oude kerken resideerden, om welke 
oirsake zij dan ook versoghten (dewijle de kerke op 
de Koudenhoorn tot haer ooghwit niet en moghten 
gebruycken), dat Haer Ed. Groot Achtb. aen haer 
soude willen inwilligen en consenteren, de oude her- 
berge van de Aïoerinne, gestaen en gelegen in de 
Moerinnesteege tot soodanigen gebouw te mogen ap- 
propieren, om daer inne hare Godtsdienste te oeffenen, 
sullende hetselvige zoo veel eenighsints doenlijck sijn, 
bu3'ten het gesighte van de menschen houden, ten welken 
eynde bij haer daer toe een model ter camere opge- 
bracht is; Soo ist, dat Burgemeesteren en Regeerders 
der stadt Haerlem bij resumptie van vorige Resolutien 
omtrent de kercke op de Koitdenhoorn genomen, ver- 
staen en geresol veert hebben, dat de Roomsgesinden 
met haer geproponeert werck niet en sullen hebben 
voort te gaen ofte dat deselve, mede gelijck die op 
de Koiidoihoor)!, bu3'ten de moderat' e gehouden wer- 
den sal. 

Wanneer men aanneemt, waarvoor wel eenige grond 
is, dat de kerk aan den Koudenhorn toch door de 
Roomschen werd gebruikt, mag men veronderstellen, 
dat de nu en dan van hooger hand uitgesproken be- 
dreigingen, niet zoo erg gemeend waren, het blijkt 
ten minste niet, dat ze uitgevoerd zijn geworden. De 
grond der herhaalde weigeringen zal wel daarin ge- 
legen zijn geweest, dat Burgemeesters meenden, zich 



sterk te moeten verzetten tegen vermeerdering der 
Roomsche kerken. En daarbij moet men toegeven, 
dat het aantal niet gering was. Of het voldeed aan 
de toenmalige behoefte, kan niet meer beoordeeld 
worden. 

De Roomschen bleven echter, ook na de teleurstelling 
van 1685 aanhouden, en wij zullen zien, dat de aan- 
houder wint. 

Maar nog niet dadelijk. Tien jaren later werd eens 
beproefd de poort van de Koudenhornsche kerk met 
een zilveren sleutel te openen, gelijk men leest bij 
Burgemeesters den 1 1" Maart 1695, maar zonder eenige 
verdere aanteekening van hunnentwege: 

Willem Walles en Joost Hof/man, regenten van 't 
aelmoesseniers- en werckhuys binnen dese stad, heb- 
ben aan Haar Ed. Groot Achtb. kennisse gegeven, 
dat haar was voorgecomen, indien Haar Ed. Groot 
Achtb. de Roomsgesinde binnen dese stad gelieffden 
te vergunnen permissie, dat sij de kerck door haar 
getimmert op den Condenhorn, soude mogen goenen 
omme daerinne haar Godtsdienst te doen, wel genegen 
souden sijn aan het voors. Godshuys een grote somme 
gelts te geven. 

De wind op Burgemeesterskamer zat wel in een 
vasten hoek, maar eindelijk draaide hij toch. 

Den 12a December 1699 (men ziet, alles ging met 
langzame schreden) werden daar in beraadslaging ge- 
bracht de menigvuldige verzoeken van de Opzieners 
der Roomsche kerk in de Helmbrekerssteeg, de Vier 
He€mski)idere7i, dat hen mocht worden toegestaan het 
gebruik van het gebouw, voor eenige jaren aan den 
Koudenhorn gezet, om er hunne kerk, welke oud en 
bouwvallig was, in over te brengen, of anders, dat 



hen eene geschikte plaats zou aangewezen worden, er 
cene te bouwen. 

Na vele inschikkelijke overwegingen, werd het ver- 
zoek in hoofdzaak toegestaan en gingen Burgemeesters 
zelfs zoover te verklaren, dat het hen zeer gevallig 
zoude zijn, zoo de verzoekers het met Deken en 
Vinders van het Brouwersgild eens konden worden 
over den koop der gewezen brouw^erij van 't Paert 
aan den Koudenhorn, om daar eene kerk te stichten. 
Was die gereed, dan moest de dienst in de Helm- 
brekerssteeg aanstonds gestaakt worden. Men leze dat 
alles meer uitvoerig in de resolutie-zelve: 

In deliberatie sijnde gelegt de menigvuldige ver- 
soecken van de opsienders van de Roomsche kercke 
in de Gravinnesteegh, ^) ten eynde haar soude mogen 
werden geaccordeert t gebruyck van 't gebouw 't 
welck over eenige jaren op off omtrent de Coudenhorn 
was geseth, off anders, dat Haar Ed. Groot Achtb. 
haar sodanige bequame plaets tot opbouwinge van een 
kerck gelievde aan te wijsen, als Haar Ed. Groot Achtb. 
souden oordelen te behoren, want de kercke in de 
voorss. Graviiuiesteegh, die althans waren gebru3xkende, 
zoo oud en bouvalligh was, dat de grootste ongelucken 
daar door te vresen waren ; waarop wesende gedelibe- 
reerd en in achtinge genomen sijnde, dat in den jare 
1681 en 1683 bijde Heeren Burgemeesteren 't voorss- 
gebouw op de Coudejihorn was verclaert een onvrije 
plaets, en verstaen, dat daerinne geen dienst soude 
mogen werden gedaan, is goed gevonden voor als 
nogh bij 't geresolveerde van de jaren 1681 en 1683 
te persisteeren, dogh uit reguarde van 't verdere ver- 



' ) Zal moeten zijn de Hehnbrekcrssieeg waar gevestigd was de 
kerk de Vier Heemskinderen. \n de nabij gelegen Gravinnesteeg is, 
voor zoover bekend, nooit eene Roomsche kerk geweest. 



soeck, alsoo Haar Ed. Groot Achtb. gein formeert waren, 
dat de kerck daar tegenwoordig dienst in werd ge- 
daan, door de outhcyt onbequaam was gewerden om 
daerinne sonder gevaar en gerustlijck de oeffeningh 
van haar Godsdienst te plegen, Soo is goedgevonden 
cnde verstaen, aan de gemelte supplianten toe te staan 
en te accorderen, gelijck aan haar toegestaen en ge- 
accordeert werd bij desen, dat een vergaderplaats of 
kerck sullen vermogen te bouwen, en dat ten dien 
eynde een bequame plaatse binnen dese stad sullen 
dispicieren, sullen Haar Ed. Groot Achtb. seer gevallig 
wesen, dat met de Heeren Deeken ende Vinders van 
't Brouwersgild comen te handelen en te contraheren 
over de coop van de gewesene brouwerije van 't Pacrt, 
staande op de Coiidcnhorn, en ten andere, daerop heb- 
bende verstaan, dat ten dien plaatse haar kerck comen 
te stigten, dogh soude deselve kerck aan de straat niet 
mogen werden gesien, oock, dat niet opsigtelijk sij, 
alsmede, dat, soo ras dit gebouw sal wesen voltrocken 
en bequaam wesen om daar dienst in te doen, dat dan 
aanstonts sal moeten werden opgehouden met den 
dienst te doen in de voorss. oude kerck, staande in 
de Gravin7iesteegh. 

Dit bericht van Burgemeesters hield blijkbaar slechts 
de bevestiging in, van hetgeen reeds door partijen was 
voorbereid, want geene maand later, den 9" Januari 
1700 stonden de Overheden van het Brouwersgild 
met de Opzieners der kerk in de Helmbrekerssteeg 
reeds voor Schepenen om de volgende akte te ver- 
lijden : 

De Heeren deken ende vinders van 't Brouwers- 
gild binnen dese stad dragen op tot eenen vrijen eygen 
aen Jan van Campen Mr. Hendrick Soutman ende 
Adrianus van Rhijn, als opsienders van de Roomsche 



Catholijcke gemeente haer vergadering houdende in de 
Gravinnesteegh, ende nu sullende overgaen in het na- 
volgende hu3's, en suLx ten behoeve van de voors. ge- 
meente, een hu3's metten erve, staende ende leggende 
binnen dese stad, op de Coudenhorn, sijnde de gewe- 
sene brouwerij van het Springende Paert met het ge- 
heele erff, waerinne de brouwerije heeft gestaen, ende 
oversulx van de Coudenhorn aff, met en beneffens de 
voorgangh ten suA^den het huys lopende tot en met 
de achtergevel van de plaats ende mouterije toe, met 
expresse conditien, dat de achtergevels, staende op de 
plaets en tegens de mouterije aen, sullen sijn en blij- 
ven gemeene gevels, als mede, dat de lichten staande 
in deselve gevel, ofte die nogh soude mogen werden 
gemaekt, mitsgadert oock de lichten aan de suytsijde 
van de brouwerije staande, en dewelcke haar hcht 
hebben over het bierhuys, door de heren vercopers 
ofte hare naercomelingen no3^t nochte nimmermeer zullen 
mogen werden betimmert, bespart ofte ecnigsints be- 
lemmerd, directelijck nogh indirectelijck onder wat pre- 
tect het oock soude mogen wesen, alsoo dese coop 
onder anderen daer mede op is geschiet; de voorn, 
copers nemen aen ende beloven voor het voors. huys 
ende brouwerije in de verponding te sullen dragen 
ende betalen de somme van vijftig guldens en sal de 
overige verponding, waarop de voors. gewesene brou- 
werije is staande, blijven voor rekening van de heeren 
vercopers, gelijck deselve oock bij desen aennemen, 
de copers daer van te zullen afhouden en bevrijden. 
Ende alsoo de voors. gewesene brouwerije van het 
Springende Paert jegenwoordig belast is met een somme 
van acht duysent guldens, die d'erffgenaemen van zal. 
de heeren Everswijn op d'selve hebben staande, soo 
beloven echter de voorn, heeren vercopers deselve 
somma mette verlopen interessen van dien, als haar 
eygen schuit en saecken, aen gemelte erffgenaemen 
te sullen afflossen en betalen, en de copers daervan 



10 

costeloos en schadeloos affhouden, en de voors, huysinge 
en brouwerije aen haer vrij en onbelast opdragen. 

De aenvaerdinge van de gewesene brouwerije 
voornt zal aenstonts moeten en vermogen te geschie- 
den, en sullen de copers daerinne met haer haer tim- 
meringe, die sij voornemens zijn te doen, beginnen, 
dogh sal de aanvaardingh van het woonhuys niet eer- 
der als op po Mey aenstaende geschieden. 

Om Vm Car. guldens contant geld. 
Actum den 9 January 1700. 

(geteekend): J. Steyn. 

H. Cluyskens. 

Ten zelfden dage werden deze koopers van de ge- 
wezen brouwerij, ook eigenaars van drie in het Krom 
er aan belendende huisjes, welke werden overgedragen 
uit den boedel van de Heeren Nicolaes en Mattheus 
Everswijn: 

De Heer Mr. Quirijn van Strijen, secretaris deser 
stadt, soo voor hem selven en als instaande ende de 
rato belovende te caveren voor de Hr Hendrick Muyl- 
man, als in huwelijck hebbende Juff. Maria van Strijen, 
beyde erffgenamen (ab intestato) van de Heeren Nico- 
laes ende Mattheus Everswijn, dragen op in deselve 
qualiteyt aan Jan van Campen, Mr. Hendrik Soutman 
en Adrianus van Rliijn, als opsienders van de Roomsche, 
Catholijcke gemeente, haer vergadering houdende in 
de Gravinnesteegh en nu sullende overgaan op de 
Coudenhorn, en sulx ten behoeve van deselve ge- 
meente, drie camcrs met den erve, staande ende leg- 
gende bij den anderen in 't Crom, belent ten suyden 
ende oosten de gewesene brouwerije van het Sprin- 
gende Paart, ten noorden Simon Lepel, wiens lichten 
comende op de gemeene plaets van de voorsz. 



1 1 



gewesene brouwerije cnde dese camers, in 't aller minste 
niet sullen mogen werden betimmert ofte verhindert, 
maar onverhindert moeten blijven staan gelijck de- 
selve nu staan. Al vrij ende voorts sulx ende in allen 
schijne als de voorsz. camers ter plaetse voorsz. ge- 
legen sijn, de Pïeeren vercopers in qualite voorsz. heb- 
ben toebehoord ende d'oude brieven medebrengen. 

Om IIIlc Car. guldens contant geld. 
Actum den 9 January 1700. 

(geteekend): J. Ste}^. 

H. Cluyskens. 

Over deze brouwerij en hare aanhoorigheden, valt hier 
een woordje te zeggen. Waarschijnlijk was zij in de 
16e eeuw eigendom van Adriaen de Kies, op wiens 
naam zij nog stond in het kohier van het hoofdman- 
schap van de letter F. opgemaakt in 1628. Hoewel ten 
onrechte. Maar het schijnt, dat zoolang een kohier gel- 
dig bleef, er geene wijziging werd gebracht in de 
namen der eigenaars ten tijde dat het werd opgemaakt. 

Den 2411 Juni 1604 werd eene acte van overdracht 
verleden, waarbij Frans en Mr. Johan de Kies, als 
oomen en voogden der onmondige kinderen van wijlen 
Barent Wiggerts Cousebant en Magdalena de Kies 
(die eene dochter was geweest van bovengenoemden 
Adriaen de Kies) voor f 26000. — verkochten aan Cor- 
nelis Pietersz. Bu3^ck, de huizing, brouwerij en erven 
van >het Springende Paert<, gelegen >opten Spaarne 
buyten omme« gelijk de Koudenhorn destijds wel ge- 
noemd werd. 

In de akte van verkoop werd bedongen, dat de 
kinderen-Cousebant, wier ouders en voorouders de 
brouwerij c. a. lange jaren hadden bezeten en gedre- 
ven, bij mogelijken lateren verkoop, altijd de voorkeur 



12 



zouden hebben, deze bezitting weder terug te koopen. 

Doch daar is niets van gekomen. Van Buyck ging 
»het Springende Paert« over aan Nicolaes Everswijn, 
Raad en Regeerend Schepen van Haarlem, die in het 
kohier van 1650 — 1652 als eigenaar te boek staat. Nog 
bijna eene halve eeuw na dien, bleven hij, en later zijne 
zonen Nicolaes en Mattheus Everswijn bezitters, maar 
den 13U April 1697 verkochten Mr. Quirijn van Strijen, 
Secretaris der stad Haarlem en Hendrik IMuylman, 
koopman te Amsterdam, als in huwelijk hebbende 
^Jaria van Strijen, beiden erfgenamen ab intestato van 
Nicolaes (den jonge) en Mattheus Everswijn, eene zeer 
groote, schoone, sterke, van ouds en nog vermaarde 
brouwerij c. a. genaamd >het Springende Paert, op den 
Spaerne buyten omme, ofte anders den Coudenhorn*, 
aan Deken en Vinders van het Brouwersgild, voor 
f 18000. — . 

Toen was de brouwerij, zoo wordt ten minste in de 
akte gezegd, nog neringrijk, maar die bloei moet er, 
naar het schijnt, niet in gebleven zijn, want als de be- 
zitting in 1700, dus geen drie jaren later, aan Jan van 
Campen c. s. overgaat, is het de gewezen brouwerij 
geworden. De erven Everswijn hadden er in 1697 op 
gehouden en in 1700 nog op staan f 8000. — . En nu is 
het de vraag, of Burgemeesters, ten einde hun Secretaris 
en zijne zuster voor schade te vrijwaren, hen uit eene 
kwijnende nering — en aan hun geld te helpen, zich 
daarom niet zoo toeschietelijk hebben betoond, om bij 
hunne bovenvermelde resolutie van 12 December 1699 
zachtmoediglijk op den koop door de Roomschen, aan 
te dringen. 

Uit de akte van overdracht aan Jan Campen c. s. 
kan opgemaakt v.'orden, dat zij wel de brouwerij met 
hetgeen daar rechtstreeks aan kleefde, — maar niet het 



huis dat er van ouds bij behoord had, kochten, want 
uit de akte bHjkt vrij duideUjk dat het Brouwersgild 
nog wat behield. 

Men zou meenen, dat toen de koop zijn beslag had 
gekregen en de voormalige brouwerij tot eene kerk 
was verbouwd, de Roomschen volgens den stelligen 
wensch, of beter nog naar het uitdrukkelijk bevel van 
Burgemeesters, hunne statie in de Helmbrekcrssteeg 
zouden hebben gesloten. Maar dat bleef achterwege, 
zij hielden hun kerkje daar aan, gebruikten het onaf- 
gebroken, ongestoord en het is eerst in December 1851, 
ingevolge beschikkingen der kerkelijke overheid op- 
geheven en gesloten, te gelijk met c/en Hoek op de 
Bakenessergracht. 

>Het Springende Paard* bleef, als toegelaten kerk 
bediend door de priesters der Sociëteit en stond be- 
kend als de groote Jesuitenkerk, in onderscheiding 
gewis van de kleine, waarvoor zij in de plaats was 
gekomen en die men misschien nog aangehouden 
kan hebben. 

Wij schrijven nu A^. 1700 en men zou kunnen denken, 
dat na zooveel strijd en teleurstelling deze, thans toe- 
gelaten, Jesuitenkerk aan den Koudenhorn, een lang 
leven zou hebben gehad. Maar dat moet toch niet het 
geval zijn geweest. Misschien vijftien of twintig jaren, 
doch meer zeker niet, want den ii" Juli 1716 vindt 
men in het Memoriaal van Burgemeesters opgeteekend, 
dat sedert eenigen tijd geen dienst is gedaan in de 
kerk der Jesuiten binnen deze stad en dat derhalve 
daar geen Kerkmeesters zijn aangesteld. Dus moeten 
de generale Opperkerkmeesters van de gepermitteerde 
Roomsche statiën een inventaris opmaken van de 
effecten en goederen, roerende en onroerende dier 
kerk. Wat daarvan de reden is geweest ligt voor mij 



in het duister; men kan toch niet aannemen, dat er 
omstreeks dien tijd geen priesters der Sociëteit be- 
schikbaar waren om de kerk te Haarlem te bedienen, 
en bovendien heeft men de in judicio afgelegde ver- 
klaring (nader te bespreken) van een Pater, dat hij 
van 1716 tot 1720 dienst had gedaan in de kerk aan 
den Koudenhorn — het Krom. 

Al kunnen wij de reden er van niet gissen, het staat 
vast dat de Jesuiten met hunne Statie zich bevonden 
in de Noorder-Schoolsteeg en aangaande de plaats 
waar in — en na 1720 door hen dienst werd ge- 
daan, geeft het kohier der verponding uit dien tijd, 
alle inlichtingen. 

Er behoorden, gelijk wij uit deze bron vernemen, 
tot de Jesuiten-Statie : 

Ter oostzijde van de Smedestraat: het Priesterhuis 
(thans 1917 Nr. 37); een perceel >de Vergulde Een- 
hoorn* (thans Nr. 38), met een uitgang in de Noorder- 
Schoolsteeg, waar boven was «de Roomze Kerk van 
de Statie van 't Springende Paert* ; een perceel, ge- 
naamd >de Stins« (thans Nr. 39) op den hoek van de 
Noorder Schoolsteeg, met zeven huisjes daarachter in 
gemelde steeg, waarvan het tweede de ingang was 
tot de kerk. 

Voor de Jesuiten, die thans ter kerke van de Noorder 
Schoolsteeg voorzagen in de geestelijke behoeften van 
een gedeelte der Roomschgezinde Haarlemmers, was 
1/20, toen zij daar hunne bediening aanvingen of 
voortzetten, geen rustig jaar. 

Tot dien tijd liet de Overheid, in weerwil der pla- 
caten, en hoewel hunne kerk ter plaatse gemeld, 
niet was erkend, hen ongemoeid begaan en bekom- 
merde zich niet over hen. Maar in 1720 brak er een 
geweldige storm, diep in Duitschland opgestoken, over 



15 

de Jesuiten los. In de Palts, welke Heidelberg tol 
hoofdstad had, was de Keurvorst Katholiek, maar de 
bevolking grootendeels Luthersch en Hervormd. Nu 
was om dezen tijd Karel Philips, zijn overleden broeder 
als landsheer opgevolgd; hij schafte de pralerij van 
zijn voorganger af, bracht de staatsfinantien in orde 
en hield zijne Katholieke onderdanen de hand boven 
het hoofd. Voorbijziende de staatkundige en kerkelijke 
voorrechten, welke Lutherschen en Hervormden krach- 
tens een in 1705, door bemiddeling van Pruissen en 
Brunswijk gesloten verdrag, genoten, legde men den 
Keurvorst ten laste, dat hij de Katholieke kerk tot de 
heerschende wilde maken. En de Jesuiten werden van 
die plannen de inblazers genoemd. Dat veroorzaakte 
wrijvingen, stoornissen en botsingen, en had ook het 
gevolg, dat de Keurvorst zijne residentie Heidelberg 
verliet, zijn verblijf daar opbrak en het hof naar 
Mannheim overbracht ^). 

Al weder waren het de Jesuiten, die van de ver- 
volging der Protestanten in de Palts, gelijke deze 
gebeurtenissen, misschien ten onrechte, genoemd wor- 
den, de schuld kregen. Het werd verhaald, ook op de 
leden der Sociëteit die zich hier te lande bevonden, 
en het stond te vreezen, dat de Staten zich met niet 
minder gestrengheid dan voorheen, ook nu tegen hen 
zouden te weer stellen 2). 

Reeds in de eerste Januaridagen van 1720 werden 
er in de Vergadering van Holland allerlei resolutien 
genomen tot maintien van de Gereformeerden in de 
Palts, waarbij wel duidelijk werd uitgesproken, dat 
het noodig zou zijn, middelen van meerder nadruk te 



') Alles uitvoeriger in Bijdragen II 23 volg. 
2j Zie hierover Bijdragen Ic. eu 254. 



16 

gebruiken dan tot dien tijd waren aangewend, zoo bij 
wege van represaille tegen de Roomsch- Katholieken 
als anderszins. De Jesuiten werden natuurlijk niet 
vergeten i). 

Deze opwinding of opruierij van hoogerhand, ging 
voort tot in Mei 1720 en liep uit op een placaat van 
van den 25" dier maand, waarbij o. a. alle Jesuiten 
met den i" Juli d. a. v. uit Holland en West-Friesland 
werden gebannen, met verbod er ooit weder in te 
komen -). Er had echter eene zonderlinge vergissing 
bij de uitvaardiging van dit placaat plaats gehad en 
uit hetgeen spoedig weder gedoogd werd, mag men 
opmaken, dat die orders niet zoo erg waren gemeend 
en niet zoo streng behoefden opgevat te worden. 

De Regeering van Haarlem was intusschen wel ver- 
plicht, hieraan eenig gevolg te geven en dus werden 
den 8" Juni 1720 de Paters der Statie van »het Sprin- 
gende Paert« v'oor Burgemeesters geroepen. Wat daar 
toen voorviel, verneemt men uit deze aanteekening in 
het Memoriaal : 

Den 8" Juny 1720. 

Praesent alle de Heeren Burgemeesteren. 

Sijn ter camere van de Heeren Burgemeesteren ge- 
citeert Johannes Josephus Verdijsteldonk (van Distel- 
donck) en Jacobus Marquies, beyde Jesuitische priesters 
binnen dese stad, en aldaer gecompareert wesende, is 
aan deselve de missive van de Heeren Gecommit- 
teerde Raden van de Ed. Groot Mog. Heeren Staten 
van Holland ende West- Vriesland van den 511 ]uny 
1720, nevens het extract uyt de resolutien van Haer 



') Groot Placaatboek V. 570, 572, 573, 575, 576, 57?. 
2) Idem VIII. 279. 



17 

Ed. Groot Mog'. genomen op Saturdagh den 25» May 
1720, voorgelezen en haar aangesegt, sigh naer den 
inhoud van dien stipteHjk te reguleren, namenthjk dat 
sij voor den eersten Jul}' des voors. jaers 1720 uyt 
het gebied van desen Staat sullen moeten vertrekken, 
op poene bij het placaet van den 14" April 1649 ge- 
statueert, en in de brief breder vermeit. 

In weerwil dier lastgeving, bleven de Paters waar 
zij waren. De Jesuiten werden vooreerst niet erg lastig 
meer gevallen, niet in Haarlem en evenmin in Hol- 
land in 't algemeen^). ïot 173 1 ging de dienst in de 
Statie van het Schoolsteegje »het Springende Paert*, 
hoewel op last van Burgemeesters gesloten, in het ver- 
borgen stil zijn gang, maar met den herfst van dat 
jaar, brak voor de Paters een noodlottig oogenblik aan. 

De Staten van Holland en West-Friesland gaven 
namelijk bij een placaat van 21 September 17 30-) 
te kennen, dat zij indulgentie wilden betoonen jegens 
hunne goede onderdanen en daarbij mede omtrent 
die, welke onder het helder licht der Reformatie on- 
gelukkiglijk blijven aankleven de grove dwalingen en 
superstitien van het Pausdom, enz, enr. Uit al die over- 
wegingen, worden vastgesteld en afgekondigd maat- 
regelen »tegens de Roomsche Priesters*, bedoelende 
hen zooveel mogelijk moeilijkheden in den weg te 
leggen en hei te weren. 

Priesters, die dienst zouden doen zonder toelating 
der Overheid en zonder de verklaring te hebben onder- 
teekend tegen de oppermacht des Pausen, zullen ver- 
beuren, voor de eerste maal eene geldboete van f 500. — 



') zie daarover: Bijdragen II. 263 volg. III. 205. 
') Groot Placaatboek VI. 367. 



i8 

en bij herhaling- gelijke boete, met gevangenisstraf voor 
den tijd van een jaar. 

Xu zou het met de Jesuiten in het Schoolsteegje 
niet goed afloopen. Burgemeesters, die voorheen ge- 
woonlijk jegens hen nog al veel inschikkelijkheid had- 
den betoond, tastten, op grond der verschillende pla- 
caten, hen thans aan, in hunne hoedanigheid van 
leden der Sociëteit en als niet-toegelaten Priesters. 
Men had vernomen, dat in de gesloten kerk dagelijks 
dienst werd gedaan ; dus ontving de Hoofdofficier den 
last daartegen te waken en dengeen die ter plaatse 
priesterlijke functies uitoefende, in hechtenis te nemen. 
Het ging niet gemakkelijk iemand op de daad te be- 
trappen, maar na veel aangewende pogingen daartoe, 
gelukte het den Hoofdofficier eindelijk op Zondag .| 
November 173 1 des morgens onder de H. J\lis, op het 
oogenblik na de nuttiging, den dienstdoenden Pater 
Jacobus A'Iarquis in verzekerde bewaring te nemen. 
» Evenwel met zooveel moderatie en bescheydent- 
heyt^-, dat hem vergund werd zijn priesterlijk gewaad 
te verwisselen voor zijne dagelij ksche kleederen, 
waarna hij gevoerd werd naar de nabij gelegen her- 
berg »het Gulden Vliesc, aan de groote Markt, 
's Avonds bracht men hem over naar eene gijzel- 
kamer op het stadhuis, waar hij werd gehouden tot 
zijn vonnis was opgemaakt. De Hoofdofficier stond 
toe, dat het corpus delicti, de kelk, aan twee 
Roomsche juffrouwen »die daarin eenige superstitie 
scheenen te stellen c op haar verzoek in bewaring 
w^erd gegeven. 

Pater Johaimes Josephus van Disteldonck, de socius 
\an Jacobus Marquis, had zich, hoewel aan het poda- 
gra lijdende, bij de overrompeling door de vlucht 
weten te redden. 



i9 

Het geheele verslag van het voorgevallene, \iudt 
men in het volgende lezenswaardige stuk ') : 

Pro ]\I e m o r i a. 

Het is bekent dat bij Haar Ed. Gr. Mo. Resolutie 
van den u^^ Me}' 1720 (welke nog onlangs is gein- 
sereert bij het 2^ Art. van het placcaat van den 2111 
Sept. 1730) is goedgevonden en verstaan, aan de Ma- 
gistraten van de respective steden etc. aan te schrijven 
ende te gelasten de Jesuiten, die haar in eenige van de 
voorss. steden etc. onthielden, aan te seggen, ofte doen 
aanseggen, voor den eersten Julii eerstkomende uyt het 
gebied van dese provintie te vertrecken, zonder dat 
zij of andere oit daar weder in zouden mogen komen, 
op poene gestatueerd bij het placcaat van den 1411 April 
1649, hetwelk tot zoverre met alle vigeur, en zonder 
eenige conniventie of oogluyking zoude werden ge- 
executeert. 

De Heeren Burgemeesteren der Stad Haarlem, in 
conformité van die resolutie de bovengem. aanschrijvinge 
en ordre bij missive van de Heeren Haar Ed. Gr. Mo. 
Gecommitteerde Raden hebbende ontfangen, hebben 
op den S^ Jun}' 1720 ter camere van Haar Ed. Gr. 
Agtb. doen citeren Johannes Josephus Verdijsteldonk 
en Jacobus Marquis, be3^de. Jesuitische priesters binnen 
gem. stad, en deselve, na voorlesinge van gem. mis- 
sive en resolutie, aangesegt, zig na den inhoud van 
dien stiptelijk te reguleren en sulx, dat zij voor den 
eersten July 1720 uyt het gebied van desen staat zou- 
den moeten vertrecken, op poene als boven. En is ver- 
volgens de kerk, waar in gem. priesters gewoon waren 
dienst te doen, door ordre van Haar Ed. Gr. Agtb. 
gesloten gewerden. 

Wel Gem. Heeren Burgemeesteren zedert eenige tijd 



') luventaris Archief Haarlem II, Nr. 201 1. 



20 

herwaarts geinformeert zijnde gewerden, dat onaange- 
sien hetgene voors. is, dagelijks dienst in de gem. ge- 
slote kerk wierde gedaan, hebben den Heer Hooft- 
officier der gem. stad gelast daar tegens te vigileeren, 
en de dengene, die bevonden zoude mogen weerden al- 
daar eenige priesterlijke functie te plegen, in apprehensie 
te nemen: Den Heere Hooftofficier heeft vervolgens 
een geruyme tijd getragt die ordres werkstellig te 
maken, zonder juyst den priester op de daad te attra- 
peren, maar daartoe, na veele aangewende devoiren zig 
gene bequame gelegentheyd opdoende, en hetzelve 
zijnde bevonden zeer difficil te wesen, heeft e3'ndelijk 
den gem. Heere Hooftofficier op Sondag den 4Q Nov. 
deses jaars. 1731 's morgens tussen negen en tien uren, 
als wanneer actueelijk dienst in de gem. geslote kerk 
wierde gedaan, zig geregtelijk en behoorlijk geassis- 
teerd binnen deselve kerk begeven, en aldaar den 
priester staande voor het altaar, bezig zijnde de priester- 
lijke functie te doen, gevonden, en in apprehensie 
genomen : Evenwel met zo veel moderatie en beschey- 
dentheyt, dat hij denselve heeft gepermitteert zijne 
choor-kleederen uyt te trecken, en zijne ordinaris da- 
gelijkse kleederen aan te doen, waarna hij denselve 
heeft doen brengen na de herberg het Gulde Vlies, 
zijnde maar een voetstap gaans van de gem. kerk, 
ahvaar denselve den geheelen dag is bewaart tot 
's avonds toe, als waanneer hij eerst op het stadhuys in 
een gijselkamer is overgebragt. Hebbende bovendien 
den Heere Hooftofficier toegelaten, dat de priester- 
lijke kelk, hoezeer de priester even voor het exploit 
de nuttiging daaruyt reeds had gedaan, op de instantie 
van twee roomsche juffrouv^^en, die daarin eenige su- 
perstitie scheenen te stellen, aan deselve juffrouwen in 
bewaringe overgegeven is gewerden. 

Den gevangen priester vervolgens zijnde geexami- 
neert, is bevonden dat het was denselve Jacobus IMarquis, 
aan wien de bovengem. aansegginge in het jaar 1720 



21 

was gedaan; dat terselver tijd van het voors. exploit, 
nog bij hem in hetselve huys, alwaar de voors. kerk 
gehouden wierd, was geweest denselven priester Ver- 
dijsteldonk, aan wien insgelijks de voorsz. aansegginge 
gedaan was, dog die zig met de vlugt, onaangesien 
hij aan 't podagra leyde, had weten te salveren : En 
dat zij be3'de, niettegenstaande de gem. aansegginge 
en schoon haar bewust was dat de gem. kerke op 
ordre van Burgemeesteren was gesloten, gelijk den 
gevangen priester zelfs heeft beleden, niet alleen hier 
te lande en in de stad van Haarlem zig hebben blijven 
ophouden, maar ook ook gecontinueert in de voorsz. 
kerkdienst en priesterlijke functie te doen, eerst zeer 
heymelijk, en daar na wat meer openbaar. 

Tot half Januari 1732 bleef Pater Marquis gevangen. 
Eene procedure ten crimineele werd tegen hem inge- 
steld. Den loii Januari van dat jaar deed de Hoofdoffi- 
cier zijn eisch, en ten zelfden dage werd de gevangene 
door Mijnheeren van den gerechte der Stad Haarlem 

i^. Ten hoogsten prijze gerantsoeneerd. 

2^. Veroordeeld tot betaling eener boete van f 500. — . 
en daarenboven nog in eene boete van f 1000. — . 

3O. Verbannen uit den lande van Holland en West- 
Friesland, zonder ooit er weder binnen ie mogen komen, 

4'^. Veroordeeld in de kosten en misen van Justitie. 

Het requisitoir en vonnis zijn van dezen inhoud i): 

Den WelEd. Hr. Paulus Akersloot Hooftofficier 
deser Stadt R. O. eyscher in cas crimineel, contra 
Jacob Marquis, oudt (soo hij seght) 60 jaeren en 
geboortigh van Gent, Rooms priester van de societeyt 
der Jesuiten, jegenwoordigh gevangen. 



') Schouts Crimineele rol. 



Den ITr. Evschcr dcde seggon, tiat off bij speciale 
resolutie van Haar Ed. dr. ^log. de Heeren Staten 
van Hollandt ende West-Vrieslandt in dato den 25" 
Mey 1720, is goetgevonden ende verstaan, dat de 
magistraten van de resp. steden ende officiers van de 
dorpen ten platten lande, soude werden aengeschreven 
ende gelast, de Jesuiten die haar in eenige van cle- 
selve steden ofte plaatsen ten platten lande mochten 
onthouden, aen te seggen ofte doen aenseggen voor 
den lU July, als doen eerstcomende, u}'t het gebied 
van dese provincie te vertrecken, sonder dat sij off 
andere oyt daar wederom in mogen comen, op poene 
gestatueerd bij 't placeaat van den 1411 April 1649, 't 
welck Haar Ed. Gr. Mog. verstonden, tot soo verre 
met alle rigeur ende sonder eenige ooghluykinge ofte 
conniventie te moeten werden geexecuteert, en welck 
voorsz. placeaat van den 14" April 1649 is medebren- 
gende, dat alle de Jesuiten in dese lande sijnde, ge- 
houden soude werden voor goede prinse en rant- 
soennabel, als vijanden van den landen, omme voor de 
eerste gerantsoenneert te werden, soo hoogh als men 
soude kunnen en in allen gevallen niet lager als tot 
100 ponden A^laems. 

dat off wel daarenboven bij placcaet van WelGemelte 
Haar Ed. Gr. J\Iog. van den 28" April 1709 is gelast 
en geordonneert, dat niemant wie 't oock soude mogen 
wiesen, eenige zendingen, ordres, beveelen of dierge- 
lijcke van den nuntius tot Keulen ofte van niemant 
wien 't oock soude mogen wesen ende die alvoorens 
bij de Heeren Gecommitteerde Raaden niet geadmit- 
teert moghte wesen, t'zij directelijck of indirectelijck 
soude hebben te erkennen, respecteren ofte te obedieren, 
ofte in eenigerhande manieren haar daarnaar te ge- 
dragen, op poene van 1000:0:0 car. gulden, tot laste 
ende tegens diegeene, die contrarie soude comen te 
doen, alles boven de poene van arbitraire correctie al- 
daar mede gestatueert. 



23 

ende alle 't welcke bij 't placcaat van Haar Ed. Gr. 
Mog. van den 21" September 1730 art. 2 en g niet 
alleen is gerenoveert en vernieuwt, maar daarenboven 
art. I, 3, 4, en 5 geordonneert en gestatueert, dat 
voortaen geen roomse priesters in de steden sullen 
mogen dienst doen, nogh eenige priesterlijke functien 
oeffenen, sonder alvoorens toegelaten te sijn bij schrifte- 
lijcke acte van consent off toelaetinge bij Heeren burger- 
meesteren verleent, op poene dat den priesters, welcke 
sigh soude onderwinden eenige priesterlij cke functien 
in kercken, huyssen off waar en hoe 't oock soude 
mogen wesen, waar te nemen, sonder te wesen voor- 
zien van soodanige acte, soude verbeuren voor de 
eerste mael een geldboete van f 500:0:0. Soo is 't 
echter, dat den voors. gevangen vrijwilligh heeft ge 
confesseert ende beleden, dat hij was een rooms priester 
van der Jesuiten ordre, ende sigh niet ontsien heeft 
direct tegens gemelde placcaten en resolutien aen, in 
den jaere 17 10 te comen binnen dese landen ende 
tsedert den jaere 1716 tot nu toe binnen dese stadt 
te hebben gewoondt ende tot den jaere 1720 in de 
Roomse kerck int Crom ende 'tsedert tot den 4 No- 
vember des voorleden jaars in de kerck int School- 
steeghje te hebben dienst gedaan en alle priesterlijcke 
functien waargenomen, ende sulcx, onaengesien hem 
door Heeren Burgermeesteren in der tijt de voorge- 
melde resolutie van den 5" Mey 1720 was gedaan voor- 
lesen en hem was aengeseyt, sigh na den inhouden 
van dien stiptelijck te reguleren, dat hij gevangen 
bovendien noyt eenige de minste acte van consent off 
toelatinge van de Heeren Burger meesteren hadde ver- 
soght ofte geobtineert. Dat hij gevangen wijders hadde 
geconfesseert, dat hij sijne sendinge in den jaere 17 10 
hadde ontfangen van den nuntius tot Geulen en in 
den jaere 17 16 van den internuntius tot Brussel. 

hebbende dus alomme geconfesseert aen de ordres 
van den souvereyn niet te hebben geobedieert, maar 



dien onaangesien binnen dese Stadt te sijn gebleven 
en in sijne priesterlijcke functien te hebben gecon- 
tinueert, gelijck hij oock in die sijn verboden functie 
sijnde, is geapprehendeert. 

Alle 't welcke sijnde saacken, niet alleen directelijck 
aenlopende ende strijdende met gemelte placaten ende 
resolutien, maar oock van seer quaade gevolge, de- 
welcke mitsdien in een landt van justitie niet konnen 
of mogen werden getolereert, Soo concludeert den Ilr. 
eyscher, R. O. eysch doende uyt naam ende van wegen 
Haar Ed. Gr. Mog, de Heeren Staten van Hollandt 
ende West-Vrieslandt, dat hij gevangen ingevolge van 
de resolutie van den 1511 Mey 1720 en 't daarbij ge- 
melte placcaat van den 140 April 1649, bij vonnisse 
van U. Ed. Achtb. de Heeren van den gerechte deser 
stadt, sal werden verclaert voor goeden prijse en rant- 
soennabel, omme met kennis van den Hr. Eyscher ende 
voorweten en goetvinden van Haar Ed. Aghtb. te wer- 
den gcrantsoeneert ten hooghsten prijse, dat wijders 
ingevolge van 't placcaat van den 2in September 1730 
hij gevangen sal werden gecondemneert in een geldt- 
boete van f 500:0:0 en daarenboven volgens placcaat 
van Haar Ed. Gr. Mog. van den 29" April 1709 in 
een geldtboete van tweemaal 1000:0:0 car. guldens 
en bovendien arbitralijck sal werden gecorrigeert, soo 
als Haar Ed. Aghtb. de Heeren van den gerechte 
sullen oordeelen te behooren, dat wijders ingevolge 
de meergemelte resolutie van 25Q Mey 1720 den ge- 
vangene sal werden gecondemneert, aenstonts na sijne 
ontslaeginge uyt de provincie van Hollandt ende West- 
Vrieslant te vertrecken, sonder oyt daer weder in te 
mogen comen, op poene van swaardere straffe. 

ende dat hij gevange eyndelijck sal werden gecon- 
demneert in de oosten en misen van justitie ofte tot 
alle soodanige verdere straffe, als Haar Ed. Aghtb. de 
Heeren van den gerechte sullen oordeelen applicabel 
te sijn. 



Den 15 Januari 1732 Gallé als Procureur van den 
Flr. P^ysscher, dient aan des gedaagdens vrijwillige con- 
fessie, versoekende daarop recht. 

Mijn E. E. Heeren van de gerechte der Stad Haarlem, 
gehoort hebbende den criminecle e3-sch ende conclusie 
van den WelEd. Heer Paulus Akersloot, Hooftofficier 
deser Stad R. O. op ende jegens den gevangene in 
desen gedaan ende genomen, als meede gesien des 
gevangens vrijwillige confessie ende des Hr. Eyschers 
ingewonnen informatien tot verificatie van den eysch 
in judicio overgelegt, doende recht uyt name ende 
van weegen d'Ed, Gr. Mog. Heeren Staten van Hol- 
landt ende West-Vrieslandt. verklaren den gevangene 
volgens de resolutie van den 25" May 1720 en daarbij 
gem. placcaat van den 140 April 1649 voor goede prijse 
ende rantsoennabel, omme met kennisse van den Eyscher, 
voorweten ende goedvinden van Haar Ed. Agtb. te 
werden gerantsoeneert ten hoogsten prijse, condemnee- 
ren wijders denselven, ingevolge van het placaat van 
den 2 in September 1730 in een boete van vijfhondert 
guld. ende daarenboven nog volgens het placaat van 
29 April 1709 in een geldboete van een duysent gul- 
dens, bannen voorts denselven, ingevolge van meergem. 
resolutie van 25 Mey 1720 uit den lande van Hollandt 
en West-Vrieslandt, sonder oit daar weeder binnen te 
mogen komen, op poene van swaarder straffe, ende 
eyndelijk condemneeren den gevangene in de costen 
ende misen van justitie, ontseggen de Hr. Eysscher sijnc 
verdere of anderen eys in dese gedaan ende genomen. 

Aldus gearresteert ende gepronuncieert den 15^ Ja- 
nuari 1732. 

Zoo was het slot van het laatste bedrijf der werk- 
zaamheid van de Jesuiten te Flaarlem, tevens het einde 
van het bestaan hunner Statie »het Springende Paard* 
welke voor goed werd gesloten. 



26 

Op denzelfden dag dat het vonnis werd uitge- 
sproken, regelden Burgemeesters de zaken van den 
geabandonneerden boedel der Jesuiten en hunne kerk. 
Tot bewindvoerders werden aangewezen de Heeren 
Mr. Jan van Groenhout en Jhr. Adriaan van Adrichem 
van Dorp, die jaarlijks aan Burgemeesters rekening 
zouden hebben te doen van hun beheer. Aan hen wer- 
den overgegeven twee koffers en een kastje, bevat- 
tende zilverwerk enz. voor den dienst der kerk, welke 
bij de storing op den 4" November 1731 waren in 
beslag genomen en gesloten, en nu door de Secreta- 
rissen werden ontzegeld. Ten slotte werd nog goed 
gevonden, dat alle geheime en bedekte toegangen tot 
de kerk van het Schoolsteegje, naar bevind van zaken 
zouden worden toegemetseld. 

Een en ander uitvoeriger te lezen in de volgende 
resolutie : 

Den 15 Januarye 1732. Also door den WelEdele Heer 
Paulus Akersloot, Hooftofficier deser stadt in den 
voorleden jaere u3't de so genaamde Roomse kerke 
in de Noorder Schoolsteegh (ter occasie dat aldaar dienst 
deede seeker Jesuitisch priester, sig noemende Marquis) 
waren gehaalt sekere twee koffers en een kasje, waarin 
dat gesloten waren verscheyde stukken van silver als 
anders, behorende tot den dienst van deselve kerckc; 
en dat vervolgens van alle de goederen so meubilaire 
als inmeubilaire, toebehorende aan gemelte staatie en 
kerke, was gemaakt een specifique inventeiris i), so heb- 
ben Haar Ed. Gr. Agtb. goedgevonden en verstaan 
tot de administratie van deselve verdere goederen de 
Jesuite ordre of staatie binnen dese stadt toebehorende, 
bij provisie te authoriseeren en te qualificeren, so als 



') Dit belangrijk stuk is als Bijlage hierachter opgenomen. 



27 

geauthoriseert en gequalificccrt worden bij deesen, de 
Heren IMr. Jan van Groenhoudt en Adriaen van Adri- 
chem van Dorp, met last om van deselve administratie 
ten camere van Haar Ed. Gr. i\gtb. te doen jaarlijks 
behoorlijke reekeningh, bev^ijs en reliqua omme als- 
dan bij haar Ed. Gr. Agtb. nader te worden gedispo- 
neert over het employ der penningen, die gemelte van 
Groenhoudt en van Dorp bij sloote van deselve reecke- 
ninge sullen bevonden worden te boven te koomen ; 
wordende ten dien e3^nde de secretarissen Guldewagen 
en Steyn, die de bovengemelte kisten en kasje met 
hunne gewone cachetten hebben versegelt, bij deese 
gequalificeert ende gelast, deselve wederom te ont- 
segelen en aan de gemelte administrateurs over te 
geven i) ; ende is wijders goedgevonden en geresol- 
veert, dat alle de secrete en bedekte avenuen van 
gemelte kercke, na bevindinge van saken sullen wor- 
den toegemetselt. 

Er was wel bepaald, dat jaarlijks rekening en ver- 
antwoording zou worden gedaan, maar het is aan te 
nemen, dat de bewindvoerders wat tijd noodig hadden 
om alle zaken te regelen en op administratieven voet 
te brengen; dit zal wel de oorzaak zijn geweest, dat 
zij niet vroeger dan in 1736 aan het voorschrift vol- 
deden en toen eene rekening en verantwoording over 
de eerste vier jaren, van 15 Januari 1732 tot 31 De- 
cember 1735 inzonden. Daaruit verneemt men, dat over 
dit tijdvak was: Ontvangen f3856:3:4 en 
Uitgegeven - 3577:9:10 

en er dus een saldo was van f 278:13:10, hetgeen als 
eersten post van ontvang in de volgende rekening 
werd geboekt. 

') Wat deze kisteu en het kastje inhielden, verneemt men uit 
den Inventaris. 



28 

Gaandeweg werden de uitgaven voor onderhoud der 
perceelcn groot en de lasten, welke moesten gekweten 
worden, bezwarend, hetgeen de bewindvoerders er einde- 
lijk toe leidde, aan Burgemeesters te verzoeken te mo- 
gen verkoopen: de huizen in de Smedestraat en 
Noorder-Schoolsteeg, daaronder begrepen de kerk, 
mitsgaders het blok op den Koudenhorn of Houtmarkt, 
doorgaande tot in de Biggesteeg, ook het huisraad, 
den inboedel en de boeken in de Statie bevonden, het- 
geen werd toegestaan bij resolutie van i6 Maart 1743. 

Dientengevolge werden de vaste goederen den 11" 
December 1743 in publieke veiling gebracht, waar zij 
gezamenlijk opbrachten f 5885:—. 

Een huis en de kerk aan den Koudenhorn, uitko- 
mende in het Krom, met een pakhuis, en nog een 
huis in de Bijlspoort, bleven aanvankelijk ledig staan, 
maar werden met ingang van i Februari 1749 tegen 
f 200: — 's jaars verhuurd aan de Stad voor de Militie, 
en toen de huur den iQ November 1760 was geëindigd 
kocht de Stad deze perceelen voor f 2000. — . 

De administratie ging geregeld voort en de reke- 
ning werd trouw ingezonden. De laatste, over het jaar 
1769, wijst aan, in : 

Ontvangst f2176:13:8 

Uitgaaf (waaronder f 1522. 11 

voor aankoop van obligatie) - 1985:18:8 
Saldo ... f 190:15: — 

In 1770 was door Burgemeesters aan Regenten van 
het Roomsche Armenhuis voorgeschoten eene som van 
f 28000: — tegen 2] ^/q, waarvan de renten, volgens 
overeenkomst met die Regenten, zouden betaald worden 
door de administrateurs der kantoren van Blommert en 
Spijckerboor, en door die van de goederen der Jesuiten. 
Deze laatsten moesten voor hunne rekening nemen 



29 

f 400: — 'sjaars en werden verplicht voortaan ook elk 
jaar aan Burgemeesters over te leveren een korten 
staat der goederen. 

Een en ander blijkende uit hetgeen volgt: 

20 Augustus 1770. 

Ook is door Haar Ed. Gr. Achtb. aan Heeren Oude 
Wethouderen kennisse gegeven, dat Heeren Burge- 
meesteren bij resolutie in dato den 16" deeser maand, 
de Heeren Commissarissen deeser stads reekenkamer 
hadden gequalificeert, aan de regenten van 't Roomse 
Armenhu3^s op te schieten een somma van f 28000:-:- 
teegens 2^/3 Prcto. intrest jaarlijks, welke intrest zoude 
betaald werden (volgens conventie met deselve gemaakt), 
so door de administrateurs van de cantooren van Bloe- 
maart en Spijkerboor, als door die van de goederen 
van de paters Jesuiten, waarvan Jan Faber en Martinus 
Boon administrateuren waaren; brengende voorts ter 
deliberatie van Heeren oude Wethouderen, dat deselve 
administrateuren van voorsz. goederen, 's jaarlijks zoude 
brengen eene korte staat van de goederen der paters 
jesuiten, mits voor de administratie van voorschr. goe- 
deren volgens overgifte door deselve gedaan, niets ge- 
nietende, en dat ook Heeren Burgemeesteren in der 
tijd, mitsgaders den pensionaris en secretarissen op 
op 't hooren van voorschr. reekening, geen presentie 
of eenig salaris zoude erlangen, welke propositie Heeren 
oude Wethouderen zig hebben laaten welgevallen en dus 
van nu af aan en altoos, alle leges op het doen, hooren 
en sluyten van voorsz. rekening, hebben afgeschaft. 

Den 21 Augustus 1770. 

Burgemeesteren en Regeerders der Stad Haarlem, 
hebben na deliberatie goedgevonden en verstaan, Jan 
Faber en Martinus Boon, als administrateerende de goe- 
deren van de paters Jesuiten, te authoriseeren en te 
qualificeeren 's jaarlijks ter reekenkamer, beginnende 



3Ö 

met den i" Septeniber 1771 te bctaalen uyt de intressen 
van voorsz. goederen eene somma van f 400:-: (vol- 
gens notitie daarvan ter reekenkamer overgegeeven) 
voor een gedeelte van de intressen van een capitaal, 
door Heeren Commissarissen deeser stadts reekenkamer 
aan 't Roomsche armenhuys met den i" September te 
geeven, en zullen de administrateurs van voorsz. goe- 
deren, volgens hunne overgifte en ingevolge resolutie 
van Heeren oude Wethou- leren in dato den 20a deeser 
maand, voor hunne te neemen moeite niets genieten, 
zoals mede Heeren Burgemeesteren en derselver mi- 
nisters niets sullen erlangen, zullende voorsz. administra- 
teurs van de goederen der paters Jesuiten gehouden 
zijn, jaarlijks aan Haar Ed. Groot Agtb. over te leveren 
eene korte staat van deselve goederen. 

En sal copie deeser werden gegeeven aan de ad- 
ministrateurs der goederen der paters Jesuiten, om te 
strecken tot derselver narigtinge. 

Dit besluit moet de bewindvoerders nog al gedrukt 
en hen niet aangespoord hebben, zich langer met de 
hun toevertrouwde zaken te belasten. Hoe dit moge 
geweest zijn, hun beheer liep ten einde en den 19" 
Februari 1 7 7 i werden de Administrateurs der goederen 
van de Paters Jesuiten door Burgemeesters gequalifi- 
ceerd en geordonneerd, om die goederen te brengen 
onder de administratie der Regenten van het Roomsche 
Armenhuis, en zij-zelven gedechargeerd en ontslagen. 

Hiermede is, naar ik meen, het voornaamste v^^rhaald 
wat omtrent de Jesuiten in deze stad is mede te deelen. 
Hun weg was er niet effen, het begin moeilijk, het einde 
droevig, en hunne eenige troostende herinnering aan het 
verblijf te Haarlem was, ook daar te hebben gearbeid. 
Ad m a j o r e m Dei g 1 o r i a m. 

Haarlem. C. J. Gonnet. 



3i 



BIJLAGE. 



STAbT EN INVENTARIS vau alle de goederen soo roerende 
als onroerende, toebehoorende aan de Jesuite-ordre of 
Statie binnen de Stadt Haarlem, gemaakt op ordre van 
d.Ed.GrootAchtb. Heeren Burgemeesteren eude Regeer- 
ders der voors. Stadt, bij ons onderges. clercq ter 
secretarye, en gerechtsbodens derselver Stadt, en dat ten 
opgave van Harmina van 's Heerenbroek, althans als 
dieustmaagt woouende in de voorsz. Statie, bestaande 
deselve goederen in 't geene volgt: 

Vaste goedereu. 
No. I. Eerstelijk. Een hu3s metten erve, staande ende leg- 
gende in de Smeestraat, belent ten noorden d'wed. Nicolaas 
Wildeman, ten zuyden 't volgende perceel, agterstrekkende aan 't 
Barbara Gasthu3-s. 

A. Een beneden-camer behoorende aan 't bovenstaande per- 
ceel, uytkomende in de Noorder-Schoolsteeg, eertijts verhuurt 

geweest, per memorie. 

Werdeude bewaart door de dieustmaagt Harmina van 
's Heerenbroek. 

No. 2. Een dito naast het voorgaande perceel, genaamt de 
Vergulde Eenhoorn, belent ten noorden 't voorgaande per- 
ceel, ten zuyden 't volgende perceel. 

Werdende in huure gebruyckt bij Pieter Jacobs voor 
sestig guldens in 't jaar. 

No. 3. Een dito staande en gelegen in de voorn. Smeestraat, 
genaamt de Stins, werdende in verscheyde partijen bewoont, op 
de hoek van de Noorder-Schoolsteeg die ten zuyden belent is, 
ten noorden 't voorgaaude perceel, aghter strekkende aan de 
statie voornoemt 

Werdende in huure gebruykt bij Jannetie van Weersel 

voor vier en dertig guldens in 't jaar. 

A. De kelder onder 't voorn, huys, is verhuurt aan Evert 
en Willem Elsbos, voor sestien gulden 's j aars. 

B. De aghter-boveukamer van 't voorn, huys, uytkomende 
in de Noorder-Schoolsteegh, is verhuurt aan Helena 
llugejonk, om vijftien guldens in 't jaar. 



32 

C. De beiiedencamer, uytkoiiieufie als voreu, bevorens ver- 
Inuirt geweest om agtien guldens, staat nu ledig, 
pr memorie. 

Z>. Een dito, mede uj-tkomende alsvoreu, verhuurt aan Juditli 
Heythuysen, om twintig guldens in 't jaar. 

No. 4. Een huys metten erve, staande in de Noorder-School- 
steeg, belent ten oosten, westen en aghterstrekkende aan de 
voorn. Statie. 

Werdeude dit perceel in twee partijen Ijewoont, l)ij 
Agneta Strube het benedeuhuys, voor dertig guldens 
in 't jaar. 

A. De twee kamers en kelders van 't bovenstaande huys 
verhuurt aan Hendrik Karreman, voor vier en twintig 
guldens in 't jaar. 

No. 5. Een hu3s metten erve, staande, leggende en belent 
rondsomme als voren. 

Werdende in huure gebruykt bij Pieter Florentijn voor 
twee en veertig guldens in 't jaar. 

No. 6. Een dito, staande, leggende en belent rondsomme als 
voreu. 

Werdeude in huure gebruykt bij Cornelis Kuylenburg, 
om twee en veertig guldens in 't jaar. 

No. 7. Een dito, staande, leggende en belent rontsomme als 
voreu. 

Werdende in huure gebruykt bij Jan Jillesz. de Wolf 
voor vijf en vijftig guldens in 't jaar. 

No. S. Een dito, staande, leggende en belent rontsomme als 
voren. 

In huure werdende gebruykt bij Martinus van Winden, 
voor vijf en dertig guldens in 't jaar. 

No. 9. Een dito. staande en leggende als voren, belent ten 
oosten INIr. Hendrik Soutman, ten westen en agterstrekkende 
als voren. 

Werdende in huure gebruykt bij Jan van Alen voor 

twee en veertig guldens in 't jaar. 

No. 10. Een huys metten erve, staande ende leggende op de 
Koudenhorn, sijnde 't woonhuys van de geweesene brouwerije 



53 

't springende Paard, beleut ten noorden Juffr. d'wed. Cleyuen- 
bergh, ten zuyden en aghterstrekkende aan de voorsz. statie. 

Werdeude in huure gebruykt bij Mr. Hendrik vSoutman, 

voor 't negentig guldens in 't jaar. 

A. Een gedeelte van de voorsz. brouwerije, jegenwoordig 
geapproprieert tot een Roomsche kerk. 

B. Een camer sijnde de ingang van de voorsz. kerk, nyt- 
koniende in 't Crom, verhuurt aan Claas Verkerke voor 
twintig guldens int jaar. 

No. II. Een pakhuys staande en gelegen op de Coudenhorn 
op de hoek van de Bijlspoort, die ten zuyden belent is, ten 
noorden en aghterstrekkende aan de voorsz. statie. 

Werdende in huure gebruykt bij Joris Jansz. voor veer- 
tig guldens in 't jaar. 

A. De solders boven 't voorn, pakhuys staan ledigh. 
per memorie. 

.No. 12. Een huys metten erven staande en leggende in de 
Bijlspoort, uytkomende op de Coudenhorn, beleut ten wes- 
ten , ten oosten en aghterstrekkende aan de 

voorn, statie. 

Werdende in huure gebruykt bij Klaas Jans van Oorden 
voor veertig guldens in 't jaar. 

No. 13, Een huys metten erve, staande en leggende op de 
Coudenhorn, belent ten zuyden Barent de Ruyter, ten noorden 
en aghterstrekkende aan de voorn, statie. 

Werden''.e dit perceel in twee partijen bewoont, het eene 
bij Cornelis van der Wal, voor veertig guldens, en het 
andere gedeelte bij Anna van Litnmen, voor twintigh 
guldens in 't jaar. 

No. 14. Een huys gelegen als voren, werdeude in verscheyde 
partijen bewoont, als twee camers, belent ten noorden Willem 
Batelaan, ten zuyden en agterstrekkende aan de voorn, statie. 

Werdende in huure gebruykt bij Jan van Heemst, voor 

ses eu veertig guldens in 't jaar. 

A. Een dito, aghter de voorschreve twee camers. 

Werdeude in huure gebruykt bij Yda van den Bergh, 
voor sestien guldens in 't jaar. 

£. Twee dito, staande aghter de voorsz. camers. 

Werdende in huure gebruykt bij Marijtje van den Bergh, 
voor tien guldens in 't jaar. 

3 



34 

6'. Het aghterhuj-s van 't voorn, perceel, uytkoineude iu de 
Biggesteeg. 

Werdeude iu huure gebruykt bij Louis Masson, voor 
vijf eu twiutig guldens in 't jaar. 

D. Een koornsolder boven 't voorn, perceel. 

Werdeude in huure gebruykt bij de regenten van 't 
Roomsche Armeuhuys, voor sestig guldens in 't jaar. 



CONTANTE PENNINGEN. 

In een laetje van een eekehoute ingeleyde kasje : 

25 a 3 gl / 75— : — 

3 a 50 st » 7 — 10 — 

20 a 30 st » 30 — : — 

48 a I gl » 48 — : — 

143^ a 22 st » 15—19— 

3 a 30 st » 4 — 10 — 

Aan de dieustniaagt gegeveu tot Iiuns- 

houdinggelt » 25 — :: — 

In een lessenaar boven : 

15 a 20 st ƒ 15— : — 

I a 28 st. » I— 8 — 

3 a 30 st » 4—10— 

8 a 22 st » 8 — 16 — 

In een linnen sakje: 

I è. 50 st ƒ 2 : 10 — 

9 a 20 st » 9 : — 

9% a 22 st » 10 : 14 : J 



ƒ 205 : 19- 



29—14- 



In een trommeltje eu doosje, in alder- 
hande speciën, gecoUecteert voor 
't Roomse Armeuhuys alhier, 
een sa van 

Onder Dirk van Gemert is berus- 
tende geweest, eu door hem 
overgegeven het navolgende 
geit, gecoUecteert voor 't Room- 
sche Armeuhiiys, als : 

14 a 60 st / 42 

8 a 30 st » 12 

171 a 20 st » 171 

5L4 a 22 st i 6 

stuyvers en dubbeltjes . . . » 19 

duyten » 13 



/ 257 : 17 : d 



16 : 6 



— 1 
1 1 : 



26- 



4 



N.B. Nog tien quade stuyvers. 



ƒ 276 : 9:10 



35 

SILVERWKRK. 
In de kookkeuken in een glase kas 
op de derde of onderste plank. 
2 silvere soutvaten 
I dito mosterpot 

1 dito peperdoos 
6 dito lepels 

6 dito vorken. 

In de groote saai in eeu eekehoute kas. 

2 groote silvere bloempotten 
2 dito kleynder 

I dito bekertje 

I dito plaat 

I dito bakje 

I dito domper 

I dito beelt 

1 paar dito wierooks lampjes 

2 silvere vergulde vaesjes 
I silvere snuyter 

I dito kruysje 

I dito doodshooft 

1 dito tangetje en asscliop 

3 dito beelties 

3 dito doorgeslage plaatjes 

2 dito priemen. 

I wyquast met een silvere steel 

1 doosje met eenig kleyn silverwerk 

1 paternoster van silvere kralen 

2 dito met Agnus Dei en eenige silvere ornamenten 
I glas met si! ver beslag. 

In de derde bovenkamer. 
I silver Agnus Dei 
I dito beelt aan 't kruys 
I paar dito gespen. 

In de kerk. 
I silver schoteltje. 

Op 't groote outaer. 

I silver beelt aan 't kru\s 

4 beekjes 

I tabernakel met silver ingeleyt 
I silver vergulde kelk en deksel 
I silver vergulde hostiedoos 



36 

1 ruissaal inet silvere sloten 

1 evangelieboekje met silvere sloten 

2 silvere dompers met stokken. 

In de sacristie. 
2 witte kannetjes met silvere deksels. 

In een eeke kas in de tweede lade. 
I kruysje met een silver beelt. 

Ouder iu de kas. 
I silver vergulde beker met twee dekseltjes 
I missaal met silver beslagh 
I boek met silver beslagh, sijude een niissaal. 

In een kasje boveu den schoorsteeu. 
I silvere roe 
I dito beeltie aan 't kruys. 

Onder de Juffr. HoUesloot berusten. 

1 vergulde ciborie 

2 gebordiiurde beursjes. 

Voor welkers bewaringe deselve Juffr. Hollesloot ') sigh 
als borgen hebben geconstitueert, ten eynde omme deselve 
ten allen tijden over te geven. 

In'tgevangenhuys, in een gijselkamer, geïnveutari- 
seert het navolgende silver werk^j. 

In een eekehoute kis je. 

I silvere pelUcaen op een boute vergulde voet 

1 dito lamp 

2 dito engeltjes 

I casuyfel van wit damast met sijn toebehooreu 
I albes 

Iu een coffer mets wart leer overtrokken. 
I silver vergulde beker met een deksel, in een swart kasje 
4 silvere vergulde kelken, met rode baej-e lappen bekleet 

3 pateenen daartoe behoorende, met baa}- overtrokken 

1 groen sakje, daar in een weyquasje met een silvere steel 

2 silvere lepeltjes 

I dito tangetje eu schopje 
1 dito wierookslampje 



') Deze waren de Juffrouwen, die bij de inhechtenisneming dts 
Paters, eenige zaken in hare bewaring kregen. 

2) Met den Pater naar de gijzelkamer overgebracht. 



37 

1 silvere wierookvat 
r kleyn boekje 

2 silvere arniblakers 
hoge silvere kandelaar 
groote dito vvierookslamp 

dito met drie engeltjes rontsomme en aanhangende orna- 
menten 
silvere schel 

dito 

dito olylamp 

dito wierookvat 

dito groote lamp met eeuige aanhangende ornamenten 
grote silvere vergulde ciborie 

dito met een deksel 

dito grote geschulpte, met een deksel 

dito kleyne, sonder deksel 

dito met een deksel met een kroon 
remonstrants 

dito met paarlen 
silvere ouweldoos, daarin: 

I silver kroontje met een verguld copje, en een goude 
ketting met een wit lintje, en een silver verguld dekseltje. 

1 groote remonstrants. 

Een recepis van J. J. Verdijsteldonk en Jacobus Marquis, 
waarbij sij bekennen ontfangen te hebben van de heeren 
de Weert en Hogeveen, een kelk met een pateeue uyt 
de coffers van het silverwerk der societeyt J. E. S. U. het 
geeue in het huys van de heeren der societeyt wiert 
bewaert, in dato 21e April 1723. 

In een kleynder coffer met swart leer 
overtrokken.') 
10 silvere bloempotjes met houte blokjes daarin 

2 silvere ouweldooseu 

1 dito wijwatersbakje 

2 dito geschulpte schotelties 
I dito agtkant 

1 dito ovaal 

2 dito pulletjes 

2 dito met deksels 

3 dito bekertjes 

I dito siekdoosje, met twee oorbellen daarin 



') Met den Pater naar de gijzelkamer overgebracht 



38 



I 


silvere 


schel 




I 


dito 


verguit kelkje 




I 


dito 


arm 




3 


dito 


kroontjes 




I 


dito 


snuyter en septer 




'9 


dito 


kandelaars, soo groot als 


kleyu 


2 


dito 


beekjes, sijnde Petrus en 


Paulus 


I 


dito 


staande kruys 




I 


dito 


domper, berustende iu 


de sacristie 




iu 't Crom. 





van de kerk 



MEUBILAIRE GOEDEREN. 

In 't vo o r h u y s. 

I eeke kas, daarin eenige prullen en drie copere strijkijsers 
4 schilderijen 
3 stoelen 
I voetebank 

1 blikke emmer 

2 capstokken 
2 gordijntjes 

In 't s ij k a m e r t j e. 

I ledikant met een paars behangsel 

1 bed en peuluw, i tafel, 6 stoelen 

2 hooftkussens met slopen 
2 slaaplakens, 

I theetafel 

1 catoeue deken 

17 schilderijen soo groot als kleyn 

2 marmeren beelden op de kas 

I kas met linnen en woUe goet | behoort aan Harmina van 
I eeke kist met vuyl linnen | 's Heerenbroek, dienstmeyt, 

In 't tweede s ij k a m e r t j e. 

I ledikant met een root saay behangsel 

1 bed en peuluw 

2 hooftkussens met blopen 
2 dekens 

2 slaaplakens 
II schilderijen, soo groot als kleyn 
2 spiegels 
I tafel en kleet 
I glasgordijn 
beelt 



39 



5 


stoelen 




I 


eeke kasje. 






lu de gang. 


I 


rak niet 12 porcelejne borden 




6 


schaaltjes 




2 


cof f ij bakken 




I 


theerakje 




II 


porcelejne schoteltjes, soo heel t 


lis gebroken 


lO 


dito kopjes 




I 


root trekpotje 




I 


theeblaatje 

en voorts eenige kleynigheden 






In de kookk 


e u k e n. 


4 


copere blakers 




3 


dito snuyters en dompertje 




I 


ysere dito 




3 


dito ketels 




I 


dito schuynispaen 




4 


tinne schotels 




2 


dito kleynder 




I 


dito assiet 




I 


copere stoofpan en deksel 




I 


dito kleynder 




I 


dito taartpan 




I 


dito doofpot 




I 


dito hamketel 




I 


dito tabaks convoortje 




I 


dito blaker 




I 


dito coffykan 




I 


dito koekebakspan 




I 


dito deksel 




I 


3'ser hangj-ser 




I 


glasekas, daarin op de bovenste 


plank : 


3 


tinne schotels 




I 


dito theeketel en convoor 




I 


dito candelaar 




I 


dito soupelepel 




27 


dito borden 




2 


copere coffykannen 




2 


glase soutvaten 






Op de tweede plank. 


3 


tinne schotels 




I 


dito schenkbort 




4 


dito candelaars 





40 



I tinne 


snuyterbak 












I dito 


ol}'- eu asynkan 


niet 


des 


-cUs 


hl 


ik 


1 dito 


sauspau 












I dito 


assiet 












4 dito 


borden 












I dito 


trekpot 












I copere 


vysel 












2 dito 


couforen 












r dito 


chocolaatkan 












I dito 


coffykau. 













Op de derde of onderste plauk. 

5 tinne schotels 

I dito plaat 

I dito assiet 

I dito candelaar 

lo dito borden 

3 dito vorken 

3 dito lepels 

9 witte ivoren messen 

1 stel van 3 aardewerk op de kas 

2 dito kommen 

5 aarde schotels voor de schoorsteen 
I valletje 

I braatspit met syn toebehooren 

1 5'sere pot, ketting, tang en asschop 

2 ysere roosters 

2 dito tangen en hakmes 

I rakje daarin : 

9 stuks aardewerk 

I kannebort met 4 kannen 

I copere blaker 

1 blikke kaarslade en 2 dito swavelstokbakjes 

2 dito trommels 

2 dito emmers 

I copere schuymspaan 
I blik koelbakje 
I wit gordijn 

4 schilderijen 

6 stoven 
1 tafel 

3 stoelen 

en voorts eenig aardewerk en rommeling. 



41 

lu 't zaaltje. 

I spiegel niet eeu swarte lijst 
iS schilderijeu soo groot als kleyn 
I porceleyn kasje, daarop : 
6 porceleyne kopjes 
I dito spoelkom 

1 rode trekpot. 

In 't selve kasje op de bovenste plank. 
4 porceleyne boterschooteltjes 

2 dito chocolaatkoppen 

1 1 dito theeschooteltjes 

1 2 dito copjes. 

Op de tweede plank 

6 porceleyne schooteltjes 

6 dito theeschooteltjes 
1 2 dito copjes 

2 dito blakertjes. 

Op de derde plank. 
i8 porceleyne theeschoteltjes 
12 dito copjes 

4 dito flesjes 

2 glaasjes 

Op de onderste plank. 
33 porceleyne theeschooteltjes 
31 dito copjes 
23 kelkjes 
10 bierglasen 

4 roemertjes; Verder in 't zaaltje 
2 witte gordijnen. 

2 tafels 

5 stoelen, 8 stoelkussens 
1 copere schel 

I neteldoeks schoorsteenkleet. 

In de groote zaal. 
I eekehoute kas, daarop : 
4 marmere beelden. 

Op de bovenste plank in deselve ka; 
I copere kraan. 

Op de tweede plank. 
I rijssak, daarin eenig noteboouihout 
I outaartje 
I mof en kas. 



42 

In 't eerste kasje iu de voorsz. hou te kas. 
I doosje met goude eu SAde franje 
3 damaste tafelkleetjes 

3 neteldoekse gordijnen. 

In 't tweede kasje. 
eeuige bierglasen en bokalen. 

Op de derde plank in de groote kas. 

1 hoet, hoedekas, i rotting 

7 soo taeffellakens als kleetjes. 

Op de vierde of onderste plank, 
lo kasdoeken 

2 gordijnen 

4 witte schoorsteenkleden 
I catoene dito 

I woUe dito 

I degen 

I houte model van een tempel 

1 rijssak en voorts eenige rommeling. 

Verder in de groote zaal. 

2 eekehoute persen 

I tafel met een groen lakens tafelkleet 

I servet 

I cleerborstel 

I capstok 

I swarte kerkrok 

X spiegel 

1 groote eekehoute tafel met een tapijt overdekt 

2 albaste beelden 

I tafel, tafelkleet en servet 
20 schilderijen, soo groot als kleyn 
lo stoelen. 

In de aghter kamer aan de thuyn. 

1 groen saay schoorsteenkleet 

2 theetafels 
I geridon 

4 marmere beelden voor de schoorsteen 

1 ledikant met een groen saay behangsel 

2 matrassen 

1 bed en peuluw 

2 hooftkussens met slopen 
I beddekleet 

I groene deken 



43 

I catoene deken 

I tinne waterpot 

I Christusbeelt 

I pultrum met een groen kleetje 

I sakerdane kas, daarop : 

5 porceleyue spoelkommen 

12 dito coffykoppen 

12 dito bakjes. 



9 taeffellakeus 
15 servetten 
3 handoeken 
6 paar slopen. 

1 1 slopen 

12 kleyne dito 

6 peuluwslopen 
2 lakens 
2 taeffellakens 
I handoek 
47 servetten. 

5 peuluw lakens 
15 slaaplakens. 



Üp dt' tweede plank. 



Op de derde plank. 



Op de vierde plank. 
Op de onderste plank. 



2 slopen 

I schoorsteeukleet 

1 tafelkleet 

4 kaskleetjes. 

In de lade van de kas. 

2 bonte scboorsteenkleden. 

Verder in de aghterkamer aan de thuyn. 
I rustbank en matras 
I schoermantel 
I witte deken 
I citse deken dito 
I grote ingeleyde tafel, daarop ; 
I groen saay kleet en een wit dito 

1 boek in kleyu folio 

2 glasgordijnen 

I spiegel met een vergulde lijst 
13 stoelen 
22 schilderijen, soo groot als kleyn 

9 stoelkussen?. 



. 44 

Op 't kamertje boven 't zaaltje. 

196 boeken in folio 

576 boeken soo in quarto, octavo als duodecimo 

I spiegel 

I beelt aan 't kruys 

I piiltrum 

1 tafelkleet en tafel 

I genaayt behangsel en valletje 

I bed en peuluw 

4 kussens 

1 beddekleet 

2 witte dekens 
I groene dito 

I catoene dito 

4 stoelen 

I stoelkusseu 
I schilderijtje. 

Boven op 't cleyn camertje in een vaste kas 
op de t wede plank. 
I yser haartje. 
1 tinne ondersteekpan. 

Op de derde plank. 
I copere pan 

1 dito deurslag 

2 tinne waterpotten 

5 dito schotels 
I ysere beugel 

8 tinne vorken 
4 ysere snuyters 
I tin lampet. 

Op de onderste plank. 
I copere ketel 
I dito taartpan 
I dito sauskom 

1 dito tangetje 

2 dito vormpjes 
2 dito bekkens 
2 liooftkussentjes 

en verder eenige oude kleeren en rommeling. 
I ledikant met een groen behangsel 
I bed en peuluw 
T groene deken 



45 

I tafel met eeu groeu kleetje 
I kasje met laatjes 

1 beelt aan 't kruys 

2 schilderijeu 

3 stoeleu. 

De derde c a m e r boven. 
I tafel met 2 tafelkleden daarop 
71 boeken, in folio, quarto, octavo en duodecimo 
I houte pultrum met 
5 boeken in octavo 
I tinne inktkoker 
I lessenaartje 

1 groen gordijn 

2 witte glasgordijnen 

1 eekehoute ingeleyde kasje, daarin eenige betaalde rekeningen 

Vo or de schoorsteen. 

2 albaste beelden 

I eekehoute kas, daarop 

3 beeltjes. 

Op de bovenste plank in deselve kas. 
9 mans hemden 
27 witte mutsen 
5 paar lubben. 

Op de tweede plank. 
29 dassen 
13 paar mouwen 
19 witte neusdoeken. 

Op de derde plank. 
I schoermantel 
I rijssak 
I paar mans swarte kousen. 

Op de onderste plank. 

4 witte borstrokken 
1 broek 

I lap nieuw linnen 

3 paar onderkouseu 

I pultrum, daarin eeuige boekjes, papieren eu praedicatiëu 

I ledikant met een groen behangsel 

I matras 

I bed en peul uw 



2 hooftkusseus 
I peuluw sloop 
I beddekleet 

I witte deken 

I catoene dito 

I eeke kasje of lessenaar, daarop : 

43 boekeu in quarto iu franse banden ; 

in de lessenaar eenige boekeu en papieren 
28 schilderijen, soo groot als kleyn 
I spiegel 
6 stoelen 
6 stoelkussens 
I tapijtje. 

Op de bibliotheecq. 
459 boeken, soo in folio, quarto, octavo en duodeciuio 
197 folianten 

I japonse rok, swart camisool en broek 
I beddejak. 

Op de witte c a m e r. 
I eeke kas, daarin op de eerste plank : 
8 albes, linneu 

3 choorkleden 

53 hangertjes en corporaals 

5 albes 

24 emiten. 

Op de t wede plank. 

44 kelkdoeken 
51 neusdoeken 

10 sijstukken 

32 klej'ne dwalen 

6 commuuiekleeden 
13 groote sijstukken 

6 dwalen 

I cominuniedwaal 

4 benedictiedoeken 

6 choorkleden 

11 grote dwalen 

25 emitten 

I pakje met koorden. 

Op de derde plank. 

5 choorkleden 

7 albes 
28 dwalen 

10 grote dwalen 



47 

12 grote dwalen 

3 sijstukken 

2 servetten 

4 handoeken 

5 corporalen 

voorts in deselve kas eenig kle3U linnen en papieren. 

In de camer. 
I sitbank 
I jugtleer groot kussen 

3 dito kleynder 
I witte deken 

3 dito groene 
I tafel en tafelkleet 
62 stuks kleyn linneugoet 
I eekehoute kasje, daarin eenige musicq- als ander boeken 
I lessenaar 
I ledikant met een gestreept behangsel 

1 bed en peuluw 

2 hooftkussens 

I japonse deken 
5 schilderijtjes 
9 stoelen 
7 stoelkussens 

1 knielbank met een beeltje aan 't kruys 

2 schutten. 

Boven op de kleersolder. 

1 peuluw laken 
5 paar slopen 

25 servetten 

9 taeffellakens 

2 witte gordijnen 
12 manshemdeu 

5 borstrokken 
10 slaaplakens 
10 handoeken. 



2 lakens 

2 slopen 

4 servetten 

4 handoeken 

3 dassen. 

6 stuks beeltwerk 

13 blom flesjes 



In de kas op de trap. 



In de loots. 



48 



3 keulse potteu 
2 stoelen 

2 stoelkussens 

I bank. 

Op de kerktrap. 
6 schilderijen. 

In de kamer aan de blauwe plaats. 
I ledikant met een groen behangsel 
I matras 

1 bed en peuluw 

2 hooftkussens met slopen 
2 lakens 

2 witte dekens 

1 catoene dito. 

In een k 1 e y n c a m e r t j e. 

19 boeken 

I coffertje 

2 dassen 

I paar mouwtjes 

en voorts eenige rommeling 

1 geschildert kasje, daarop : 

een vierkant kasje met glasen 
daar in een beelt 

4 mans hemden 

II paar mouwen 

2 borsti-okken 

3 witte mutsen 

2 mans dito. 

In de lade van de kas. 

3 neusdoeken 

3 paar hautschoeuen 
I paar kousen. 

In een kleyn vertrekje. 

I coffer 
I mand 
I kisje 
I kerkrok 
I japonse rok 
I paar schoenen 
70 boeken, soo groot nis kleyn 
I tafel en groen kleet 



49 

4 beekjes 

I stel van 5 porceleyn 
86 boeken, alderhande soort 
I tiune inktkoker 
I staande lessenaar 

6 paar kousen 

I borstrok en caniisool 
I broek 
I mof 

I hoet en hoedekas 
en eenige lappen 
25 schilderijen soo groot als kleyn 

1 spiegel met een swarte lijst 

7 stoelen 

2 stoelkussens 

1 knielbank met een kleetje 
I rotting. 

O ]) de o V e r 1 o o p. 

I eeke kasje, daarin : 
I mandje met pijpen. 

In 't biegtcamertje, in 't bovenste kasje 
onder de trap. 

5 copere candelaars 

1 dito blaker 

2 houte vergulde candelaars 

2 porceleyne flessen 

3 glase dito 

1 blik coffykaunetje. 

In 't onderste kasje onder de trap. 

2 houte vergulde candelaars 

8 houte corporaals doo en 
I dito tempeltje 

6 schilderijen 

I besem en stoffer 

I stoel en kussen 

I pultrum, kleet en kussentje 

1 blaker en eenige glaseu. 

Op de vliering. 
Eenige romnieling. 



50 

Op de solder boven de kerk. 
42 waskaarsen soo groot als kleyn 
4 kaarsladeu 

1 gordijn 

2 stoelen 

2 ornamenten 
2 tapijten 

Eenige beelden, dosen, ornamenten- en rommeling 
13 kleerstokkeu. 

Op de trap. 
I beelt. 

In 't andere biegtcamertje. 

1 stoel 

2 kussens 
I pultrum. 

In de kerk. 

1 cleyn outaar, daarin : 
7 copere candelaars 

2 dito snuyters 
I dito tangetje 
I dito domper 

I profijtje 
1 bierkan 

eenige boekjes 
I kas met een lieve vrouwe beeltje 
I kroontje met verschej-de fijne paarlen 
I coper pijpblakertje met eenige waskaarsen 
I dito candelaar 

1 ornament 

2 glase pulletjes 
I tapijt. 

Op 't groote outaar. 
I pultrum 

3 prenten met swarte lijsten 
I veluwe 

1 copere schel 

6 dito candelaars met waskaarsen 

2 blompotten. 

Agter 't outaar. 
24 oanamenten soo groot als kleyn 
I geridon met een copere blaker en snu3ter 
I groot beelt genaamt de Engelbewaarder met een copere arm 



51 

3 copere armen met kaarsen 
I vveyquast 

1 groot schilderij voor 't groote outaar 
14 schilderijen 

2 beelden 

I preekstoel 
44 stoelen soo groot als kle3'n, eenige kussentjes en eenige sit- 

banken en stoven 
14 bankjes bekleet met kant en sijde. 

In de sacristie. 

1 eeke kas, daarop : 

9 poreeleyne kommen soo groot als kleyn 

4 copere candelaars 

2 beelden 

eenige vercierde bloemen met houte bloempotten 
2 houte laden, daarin: 
18 bekleede bankjes 

2 kaarsladen met eenige waskaarsen 
I fonteyntje met een bakje 

I pultrum met een kleetje en kussen 
I eeke kas, daarin ; 

In de bovenste lade. 

3 corporaal-doosen en eenige witte koorden met quasten 
3 prentjes met lijsten 

I beeltje 

I swarte syde sluj-er, behoort Maria Koopman, Klopje 

Onder in de kas. 

1 coper beelt aan 't kruj's 
14 houte vergulde candelaars 

2 missalen 

I coper wierooksvat 

3 blikke trommeltjes 
I bonnet. 

In de middelste kas in de bovenste lade. 

1 blauwe syde sluyer 

4 veluws 

4 casuyfels met s\-n toebehoren. 

In de t w e e d e 1 a d e. 

2 casuyfels met syn toebehoren. 



52 

In (ie il e r tl e 1 a d e. 
2 casuyfels met syu toebehoren. 

I n d e V i e r d e 1 a il e. 
2 dito niet s}-n toebehoren. 

I n d e V ij f d e 1 a d e. 
2 dito tnet syn toebehoren. 

In de zesde lade. 
4 dito niet 530 toebehoren. 

In de zevende lade. 

1 neteldoeks vaantie niet kant 

2 casuyfels met syn toebehoren. 

In de achtste lade. 

4 dito met syn toebehoren. 

In de negende lade. 

5 dito met syn toebehoren. 

In de tiende of laatste lade, daarin: 
I wit satyne kleet met goude franje, 

verder eenige lappen, behorende tot de priesterlvke klediuge. 

In de derde kas in de bovenste lade. 
1 1 corporaals 
13 kleyne dito 

6 emitteu 

39 stooldoekjes 
I choorkleet. 

In de tweede lade. 

5 corporaals 

31 hangertjes met kant 

6 kelkdoekjes 
6 neusdoekjes. 

Onder in de kas, v u yl 1 i n u e n g o e t. 

32 kelkdoekjes 

3 corporaals 
8 emitten 

4 albes 

I choorkleet 
I dekkleet 

I neteldoeks gordyntje 
28 hangertjes 



53 

6 dwalen 

9 bankjes-doekjes ') 

2 dito 

4 sijstukken 
28 neusdoeken 

3 koorden 

4 neusdoeken 

7 handoekjes 

1 genaeyde kant 
7 deklakcns 

2 communiedwalen 

1 eeke kas, daarin : 

Op de eerste plank. 
Eenige ornanienten van beeltjes en glaswerk, gebruikt wer- 
dende tot kerkdiensten 

2 lapjes linden 

1 grote lap syde stof, per gis 20 ellen 

3 choorkleden. 

Op de tweede plank. 
42 kelkdoeken 
41 neusdoeken 
25 emitten 

5 neteldoekse neusdoeken. 

Op de derde plank. 
12 dwalen 
3 dito 

2 overhangsels 
10 albes 

7 neteldoekse neusdoeken, waaronder vier met kant 

3 schermdoeken 
I schortekleet 

I gordijn 

I servet 

I kant van 't kasje van den outaar. 

Op de vierde plank. 
27 bankjes-doekjes ') 

1 communiedwaal 

2 gordijntjes 

2 schermdoekjes 
2 plankdoekjes 
I neteldoeks vaantje 
22 sijstukken 



1) Overtrekken voor het bekleedsel. 



54 

3 deklakens 
7 dito 
I I bauk-doekjes 
3 servetten 
3 kasdoekjes 

3 groote dwalen 

4 sijstukkeu 

1 laken 

2 bankjes-doekjes 
7 deklakens 

28 handdoekjes 
I lap goude tok 
I corporaaldoos met linten. 

Op de onderste plank. 
I lap linnen 
4 choorkleeden 

3 albes 

I sak met koorden 
3 choorkleden 
14 corporalen 

voorts eenig kle3'n linnengoet. 

Boven op de kas. 

1 beelt 

2 porceicj-ne schoteltjes 

3 dito kommen. 

In 't bovenste kas je boven den schoorsteen. 

Op de plank No. 9. 

2 casuyfels met syn toebehoren 
2 vaantjes met kant. 

Op de plank No. 10. 

2 casuyfels met syn toebehoren. 

Op de plank No. 11. 

3 dito met syn toebehoren. 

Op de plank No. 12. 
2 dito met sj'n toebehoren. 

Op de plank No. 13. 
2 dito met syn toebehoren, i) 

1) Plank No, 14 niet vermeld. 



55 

Op de plank No 15. 

I extra fraeye casuyfel met syn toebehoren en een gebor- 
duurde kroon voor den outaar, niet paarlen en gesteentens. 

Op de plank No. 1 6. 
I casuyfel met syn toebehoren 
I diacons rok. 

Op de plank No. 17. 
I casuyfel met syn toebehoren 
I vesperrok met syn toebehoren. 

In de onderste kas. 
Op de bovenste plank' 

1 casuyfel met syn toebehoren. 

Op de tweede plank. 

2 dito met syn toebehoren. 

Op de derde plank. 
I dito met syn toebehoren. 

Op de vierde plank. 

1 dito met syn toebehoren. 

Onder in de kas. 

verscheyde syde kussentjes, corporaaldoosen, oude casuyfels, 
vercièrde bloemen, lappen swart laken en verdeje oude orna- 
menten tot de kerk behorende 

2 parsen 

I coinmuniedwaal 

1 albes 

2 tapyten 

2 Spaanse matten 

I beelt genaamd St. Saverius*) 
16 schilderijen soo groot als kleyn 

3 stoelen 

14 swarte houte candelaars. 

Op de sol der. 
3 tapijten 

I nieuwe kas daarin ; 
26 ornamenten 
7 pakjes met beklede bankjes voor 't outaar 
I schilderij 

eenige kerkstoelen, banken en rommeling. 

1) St. Franciscus Xaverius, 



56 

In de camer agter de thuyn. 
Eeuig branthout en romnieling. 

In de kelder. 
ii8 flessen franse wijn 
20 rijnse dito. 

IN DE KERK EN IIUYSINGE syude een gedeelte 
van de gewesene brouwerye van 't Springende Paart, 
iiytcomende in 't Crom. 

In de kerk. 

3 tapijten 

een groote partij oude stoelen 

4 stoelknssens 

5 copere croonen 

2 gordynen voor de glasen 
1 tabernakel voor den outaar 

eenige outaarstukken soo groot als kleyn 
I vergulde lijst 
I oude preekstoel 
24 copere candelaars 

6 dito blakers 
I dito snuj-ter 

1 dito outaarsblaker 

2 dito kroon en 
I dito schel 

I boute beelt 

5 grote copere candelaars 
I houte pars 

7 copere krooneu 

3 dito candelaars. 

Boven op de kerk. 

1 out orgel 

2 kasjes 

en verder soo beneden als boven eenige romnieling. 

In een camer beneden, behorende aan de kerk. 

6 schilderijen 
I outaarstukje 
I kas 

I copere blaker 

en voorts eenige banken. 

In 't b i e g t ca ni er tj e. 

4 schilderijen. 



57 

lu 't andere b i e g t ca m er tj e. 
5 schilderijen 
I kasje en stoel. 

In de sacristie. 
I beelt 

3 beelden aan 't kruys 

eenige boekjes 
I party vercierde bloemen 
I doniperstok 
I knielbankje en voorts eenige rommeliug. 

Op de s o 1 d e r. 
I boute bak met corporaaldoosen 
I houte kist 

1 dito daarin 

4 swarte stukkeu baey 

2 dito gordynen 

2 dito lakense kleedeu 

eenige oude lappen 
I kist, daarin eenige wasse beelden 

3 missalen 

en voorts eenige rommeling. 

Aldus gedaan, geïnveutariseert en beschreven den 
5" November 1731 en volgende dagen, ten opgave als 
in 't hooft deses en ten oirconde geteekent. 

J. V. Hagerbeer. 
J. D. Hollander. 
Fred. Sadelaar. 



DUIVEN DRECHT. 



Ten zuiden van het dorp Ouderkerk in den grooten 
Duivendrechtschen polder aan de Duivendrechterlaan, 
oudtijds de Duivendrechter Stock genaamd i), ligt het 
gehucht Duivendrecht van alle buurtschappen in den 
ban van Ouderkerk de grootste en de aanzienlijkste. 
»Een bekende buurt onder Amsteldam niet verre van 
Diemen* wordt Duivendrecht door Jacobus Kok ge- 
noemd. -) De bestrating van de Duivendrechter-laan, 
die van de Duivendrechter brug tot aan de Ouder- 
kerkerlaan loopt, geschiedde in het laatste vierendeel 
der 17e eeuw. •'5) 

Gewis, de afleiding is zonderling, welke door Van 
Ollefen aan den naam Duivendrecht gegeven wordt. ^) 
Volgens hem woonde er vroeger — dat is in 1760^"^) — 
bij de Duivendrechtsche brug, waar toen een pont of 
schouw gelegen was, een groot liefhebber van duiven. 
En daarom zou die overvaart of overtricht »duiven- 
tricht« zijn genoemd, waarvan dan weer de volksmond 



') Veder, JF. R. : Het Archief van de Gasthuizen te Amsterdam, 
Stadsdrukkerij, 1908, Regestenlijst No. 408, blz. 89 — 90. 

2) Vadtrlandsch Woordenboek, te Amsterdam bij Johaunes Allart, 
17S5, i. V. Duivendrecht. 

3) Scheltema, P.: Inventaris van het Amsterdamsche Archief, 
Stadsdrukkerij, Amsterdam, 1870, dl. Il, blz. 44. 

'*; Ollefen, L. van: De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver, 
Amsterdam, H. A. Banse, iu de Stilsteeg, 1795, dl. III. 

5) Aa, A. J. z'a« rffr.- Aardrijkskundig Woordenboek, Gorinchem 
bij Jacobiis Noorduyn, 1841, i. v. Duiveudrechterbrug. 



59 

»duivendreclit< zou gemaakt hebben. O Van Ollefen, 
zou Vader Vondel vragen'): 

Waar l)lijft uw hoog vernuft dat naar de starren draaft? 

Immers voor deze merkwaardige verklaring zou eerst 
dan een aanneembare grond bestaan, indien de be- 
roemde duivenmelker niet slechts tot de achttiende 
eeuw maar tot in het grafelijk tijdvak zijn bestaan 
kon opvoeren. Want reeds in de grafelijkhcids- 
rekeningen van 1307 en 1342 komen meerdere posten 
voor, waarin de plaatsnaain Duivendrecht vernomen 
wordt. Voor het grafelijk hof leverde Duivendrecht 
*thiende« van de gewassen en jaarlijks «8 ganse». 2j 

Maar, gelijk geheel Amstelland, zoo was ook de 
streek, waarin Duivendrecht lag, rijk aan allerlei meren 
en plassen, waarvan hier alleen de Watergraafsmeer of 
Diemer-meer en de Bijlemermeer behoeven vermeld 
te worden. De afwisselende wijze nu, waarmede in oude 
stukken de plaatsnaam Duivendrecht geschreven wordt, 
als Devendrecht, Deuvendrecht, Duevendrecht, Doeven- 
drecht, Dovendrecht,-") maakt het ons duidelijk, dat 
daaronder niets anders moet verstaan worden dan de 
overvaart, de overtricht over de verschillende water- 
plassen. De Diemer- of Watergraafsmeer, dat naar de 
naamsafleiding te oordeelen, een waterachtig en moer- 
assig land aanduidt, werd eerst in 1629 op kosten van 
Amsterdam bedijkt en drooggelegd. In 1631 werd 
langs de Diemermeer een voetpad aangelegd, dat in 
1637 tot jaagpad verbeterd en in 1640 tot rijweg ver- 



1) Vondel: (uitg. Van Vloten), dl. II, blz. 753, 2e kol. 

2) De rekeningen der grafelijkheid van Holland onder het Hene- 
gouwsche Huis: Dr. H. G. Hamaker, uitg. Hist. Gen. No. 21, blz. 
6, 266, 289, 309, 316, 320, 379. 

3) Rek. der Graf.: 1. c; Informacie van Hollani endc l^ricslant : 
blz. 221; B:jdr. V. H: dl. XXXIII, blz. 160, 161, 162, 



6o 

bieed werd. Later is de Diemermecr weer onder geloo- 
pen, maar in 1651 werd zij opnieuw bedijkt en droog- 
gemaakt. Eerst toen werd de Duivendrechter brug 
gelegd, waaraan dan de bekende duivenmelker van 
Van Ollefen gewoond heeft. 

De Bijlemer, ook Bindelmere en Bindelmerebrocck 
genoemd, was, naar de naamsafleiding te oordeelen, 
niet minder eene waterachtige en moerassige land- 
streek. Voor het grafelijk hof leverde de Bijlemer 
ïcorentiende* maar meerendeels »van de visscherienc. 
En blijkens een in de rekeningen voorkomende post 
>gheleit ant vogelhuis te timmeren van Bindelmeer- 
broec< was deze streek een geliefd oord van water- 
vogels, i) Toen in 1627 de Bijlemer werd drooggelegd, 
viel het gehucht de Bijlemer, gelegen aan den zuid- 
westkant van het meer, binnen de bedijking. In dit 
gehucht, dat nog in 1479 zijn eigen schepenen 
had, -) moet de kapel van Duivendrecht gezocht wor- 
den, waarvan reeds in de middeleeuAven gesproken 
wordt. Zij stond onder de bescherming van den IL 
Volbertus, en werd begeven door den graaf van 
Holland. Zij voert haar bestaan op tot de eerste 
helft der 14e eeuw% daar blijkens eene acte van 
1350 — 1355 een zekere Joannes, zoon van Fien, als 
opvolger van Jacob Gijsbrechtsz. door den graaf van 
Holland tot rector van de kapel te Duivendrecht werd 
aangesteld. ^} 

Wilhelmus dux etc. venerabili Domino arch3'diacono 
ecclesiae Trajectensis salutem : Ad cappellam vulgariter 



') Loos, y. C. van der: Geschiedenis van Anistclland tot het jaar 
1300, E. van der Vecht, Amsterdam, 1907, blz. 12 — 13, 31 — 34. 

2) Veder, TV. R.: 1. c, blz. 299. 

3) Rijksarchief te Haarlem: Graf. Reg. fol. 13, 



6i 

dictam in Oude-Aemstel fundatam in honorem Sancti 
Volberti, vestri archydiaconatus, vacantem ad i)resens 
per mortem Domini Jacobi Ghyselberti, presb3'teri, ul- 
timi rectoris ejusdem, cujus collatio seu presentatie ad 
nos pleno jure dinoscitur pertinere, discretum virum 
Johannem, Filium Fien, clericum, cui eamdem pure et 
simpliciter propter Deum contulimus et conferimus per 
praesentes, vobis tenore praesentium praesentamus: sup- 
plicantes quatenus dictum Johannem ad dictam capel- 
lam admittetis et rectorem instituatis in eadem, solemp- 
nitatibus adhibitis in talibus fieri debitis et cons'ietis. 
In cujus rei testimonium etc. Datum etc. 

Hetgeen vertaald beteekent: 

Wij Willem, graaf van Henegouwsen, Holland en 
Zeeland, aan den aartsdiaken der Utrechtsche kerk 
alle heil! Het is u bekend, dat aan ons van de kapel, 
gewoonlijk genoemd kapel in Ouder-Amstel, gesticht 
ter eere van den H. Volbertus, gelegen in uw aarts- 
diaconaat, op het oogenblik opengekomen door den 
dood van Jacob Gijsbrechtsz. priester en laatsten be- 
stuurder der kapel — ten volle het begevingsrecht 
toebehoort. En stellen wij bij dezen voor, den eerwaar- 
den Heer Joannes, den zoon van Fien, aan wien wij 
zuiver en alleen om God de kapel hebben opgedragen 
en opdragen bij dezen, terwijl wij U eerbiedig verzoeken 
den genoemden Joannes tot de genoemde kapel toe te 
laten en tot rector aan te stellen met de daarbij be- 
hoorende en gebruikelijke plechtigheden. En hebben 
wij tot eene oorkonde aan dezen brief ons zegel doen 
hangen. Gegeven enz. 

Maar de katholieken van den Duivendrechter Stock 
behoorden onder Ouderkerk en bleven ook daar ter 
kerke komen. Want in 1439 werden zij vermaand om 



»de kercklaan«, de tegenwoordige Ouderkerkerlaan, »te 
maken en te onderhouden*, zooals in »oude tijden« 
placht te geschieden. 1) En den 31 en Januari 14Ó1 werd 
door Paus Pius den tweede aan hen, ofschoon zij tot 
de parochie Ouderkerk behoorden, wegens den verren 
afstand, als gunst toegestaan, om in de niet-geconsa- 
creerde kapel, zoowel in de week, als op Zon- en feest- 
dagen, door een door hen te bezoldigen priester de 
H. Mis te laten lezen. 2) Deze kapel die op de kaart 
van Joost Jansz. uit het jaar 1575 staat aangegeven, 
was in 1634 nog in wezen en had hare eigen kapel- 
meesters. 3) Ook op de kaart van Blaeu van 1649 is 
de kapel nog duidelijk te zien.^) Toch deed in 1644 
den Sen juli de geleerde Muider-Drost, P. C. Hooft, 
geen huiszoeking in de kapel maar bij Jan Willems- 
zoon in de Bijlemer, bij wien »somtijds oock is con- 
ventikel gehouden «.5) 

Door de kapel van Duivendrecht moest over de jaren 
1472 — 1495 jaarlijks aan de Oude nonnen te Amster- 
dam »23 stuivers vlaemis gelts tot kors-avent of XIIII 
dagen daerna<r betaald worden; en door Jan Jansz. 
Mick werd zij in 156 1 begiftigd met een inkomen van 
vijf carolus guldens. 6) 



1) Veder, W. R.: 1. c, No. 408, blz. 89—90. 

2) Brom, G. : Archivalia in Italië, Martinus Nijhoff, 's-Graveu- 
hage, 1909, III, No. 1656, pag. 589. 

3) ÏVage?iaar, Jan: Amsterdam in zijne opkomst, Amsterdam bij 
Yntema en Tieboel, 1767, dl. III, blz. 94. 

*) Tooneel des aerdrycx ofte nieuwe atlas, dat is beschrijving 
van alle landen ; nu nieulycx uytgegeven door Wilhelm, en Jo- 
haunera Blaeu. Amsterdam! apud Johaunem Guiljelmi F. Blaeu, 
anno 1649. 

5; Bijdr. V. H.: dl. VIII, blz. 238. 

^) Rijksarchief te Haarlem; Reg. van overdrachten en verbanden 
Ouder-Amstel van 4 Nov. 1560 tot 22 Nov. 1565; Bijdr. v. H.: dl. 
XXXIV, blz. 450—451. 



63 

In Duivendrecht hadden de Oude nonnen ^), het 
klooster Maria Magdalena in Bethaniën -), en de me- 
morie-meesters der Oude kt-rk-^), allen te Amsterdam, 
meerdere vaste goederen. 






Toen in de troebele dagen der Hervorming de 
parochiekerk Ouderkerk van het dorp naar de 
boerderij »Vredebest« was verhuisd, waren de katho- 
lieken van Duivendrei'ht verplicht hunne godsdienst- 
oefeningen te houden of wel in Bijlemerbroeck, ■*) 
of — wat de meesten deden — in het meer nabij 
gelegen Diemen. Vandaar dat de pastoors van Diemen 
na de Hervorming zich gestaag noemen >pastoor 
van Diemen en Duivendrecht*. ^) Toch duurde deze 
toestand betrekkelijk slechts korten tijd. Want reeds 
onder pastoor Heinsius, die in 1652 te Diemen 
kwam, werden met gunstig gevolg, hoewel niet 
zonder tegenkanting, pogingen in het werk gesteld 
om Duivendrecht van Diemen af te scheiden en 
tot zelfstandige Statie te verheffen. Daartoe heeft 
vooral zekere Rein Switters, ondanks de vervol- 
gingen van den kant van den baljuw van Amstel- 



') Bijdr. V. H.: dl. XXXITI, blz, 159—162. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XXV, blz. 19; Scheliema, P.: Inventaris van 
het Amsterdamsche Archief, dl. Il, blz. 44. 

3) BiJdr. V. IL: dl. X II, blz. 209. 

•*) Huurdeman, D. ." Geschiedenis van de Parochie te Abcoude, 
blz. 10 — II. 

5) Bat. Sacr.: te Leiden bij Dirk Haak Samuel Luchtmans en 
J. A. Langerak, 1726, dl. IV, blz. 222: Vermeulen, ƒ.: De Varochie. 
Diemen, uitgegeten in 1882 bij P. A. Vermeulen te Steenbergen, 
blz. 9 — 11; Bijdr. V. If.: dl. IV, blz. 124. 



64 

land, het zijne bijgedragen; ') blijkbaar gesteund door 
den eersten pastoor van Duivendrecht: 

PetriLs Franciscus Plemp, die ook op zijne beurt 
veel tegenwerking ondervond van pastoor Heinsius. 
In de Acten ten minste van het Kapittel werd den i6e" 
Januari 1653 bepaald, dat naar de bekwaamheden van 
Heer Plempius een onderzoek zou worden gedaan, 
en dat hij, bijaldien hij in vrede wilde leven, tot pas- 
toor van Duivendrecht kon worden aangesteld. ^) Lang 
zou Plempius de jonge Statie niet besturen, want reeds 
den 28^" Januari 1656 kwam hij te sterven. 3) In hoe- 
verre Plempius, een Amsterdammer van geboorte, vcr- 
maagschapt was met de beroemde Amsterdamsche 
familie Plemp, mocht mij uit de vele omtrent die familie 
verstrekte gegevens door Scheltema^) en Allard,-"^) niet 
blijken. Aan de Statie vermaakte liij zijne bibliotheek, 
bestaande uit 5 1 boeken. 

Joannes Donivier was Amsterdammer van afkomst 
en lid van de beroemde Amsterdamsche familie Dom- 
mer. Door Jos. Alberdingk Thijm wordt hij tot hoofd- 
persoon gemaakt in zijn »X6tre Dame de Forest* *"')_ 
Volgens eene vrome overlevering zou de zieke man 
uit de geschiedenis van het Amsterdamsche mirakel tot 
de familie Dommer hebben behoord. Zij bewoonde een 
buiten aan den Amsteldijk. Joannes, een studielicvend 



') Bissch. Otid- Archef Haar lefn : Liber » Status missionis*. 

2j Bijdr. V. H.: dl. VI blz. 303. 

3) De Katholiek: dl. 60, jg. 71, blz. 341; Archief v. Utrecht: dl. 
XI, blz. 142 

•*j Schelterua, F. : Aenistels Oudheid, Amsterdam, C. L. Brink- 
man, 1872. dl. V'I, blz. 3 — 12. 

5) Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 104—108. 

^') Een verhaal uit de X Vil eeuw : Amsterdam, C. L,. v. Laujien- 
Imyseu, 1S90. 



jongmensch en kweekcling der Latijnsche school, was 
aanvankelijk onbeslist in de keuze van zijn levens- 
staat. Maar bij zijn bezoek aan >Nótre Dame de Fo- 
rest« voorspelde hem eene zigeunerin »dat hij priester 
zou worden en eene standplaats krijgen, die door het 
zinnebeeld van Gods geest gemerkt was«. 

En inderdaad Joannes is priester geworden en pas- 
toor van Du/ve/idrecht; maar bij stierf reeds in den 
bloei zijns levens te A.msterdam op den Haarlemmer- 
dijk den 6en Maart 1663 en werd in de Oude kerk 
begraven, i) 

Den 2ieu Februari 1663 maakte pastoor Dommer 
bij notaris Jan Volkertsz. Oly te Amsterdam zijn testa- 
ment, »hoewel sieckel3'k van lichaam, te bedden leg- 
gende, nochtans 't gebruyck van sijn verstand ende 
uytsprake door Gods genade wel hebbende als uyterlyck 
bleeck* 2) Daaruit verneemt men, dat hij zes zusters had 
en een broer, met name : Elisabeth, Petronella, Catha- 
rina, Corneha, Anna, Maria en Hendrik, ^j Aan de 
Statie Duivendrecht vermaakte hij 200 guldens, waar- 
voor de pastoor jaarlijks »den H. Dienst ende Sacri- 
ficie voor mijne siel« zal doen. Verder legateerde hij 
aan de Statie >tot gebruyck van dengeene die se van 
tijd tot tijd sal comen te bedienen mijn biblioteque 
off boecken, uytgeseid ons beste missaelboeck ende 



') Bzjdr. T. H.: dl. XVII, blz. 68; De Katholiek: dl. 60, jg. 71, 
blz. 347. 

2j Notarieel Archief te Amsterdam. 

3) Zie over de familie Dommer: Bi/dr. v. H.: dl. I, blz. 2S4 ; 
Dietsche Warande: dl. VIII, blz. 201, 313; de van de familie 
Dommer bij C. L. vau Langenhuysen in folio verschenen genea- 
logie; de voorrede van den 2en druk van Prof. Pluym over het 
mirakel van Amsterdam verschenen bij C. L. van Langenhuysen ; 
Anno Domini 1845, door Jos. Winkelmej-er bij denzelfden uitgever. 
Aangehaald bij J. A. Alberdingk Thijm. 

5 



66 

boecken, die daeronder souden mogen sijn uyt ons 
ouders hu}s off van onse familie gecomen, neffens 
ons particuliere ornamenten*. Tegelijk vermaande hij 
de katholieken van Duivendrecht »om de godsdien- 
stigheden door mij aan hun bewezen, gehouden te 
zijn jaerlijcx sielmissen voor , mij te laten doen*. 
Aan zijn buurtpastoors Jan Yechtersz uit Nes en 
Swaluwebuurt, Simon Cleyn van Ouderkerk en An- 
tonius Re3^ser van Bovenkerk legateerde hij 1 2 guldens 
voor zielemissen. Het is dus gewis eene vergissing 
van den Heer de Bont, te meenen, dat Joannes 
Dommer, die op den Haarlemmerdijk stierf, pastoor 
was der aldaar in het »Vriesche wapen « gevestigde 
statie, de latere Posthoorn, i) Veeleer mag veronder- 
steld worden, dat pastoor Dommer in zijne laatste 
levensdagen ten huize van een zijner familieleden is 
verpleegd geworden. 

Zijne aan de Statie nagelaten bibliotheek bestond 
uit 54 boeken. Verder dagteekenen uit den tijd van 
pastoor Dommer de vier fraai-gedreven zilveren kande- 
laars (1661), welke ten geschenke werden gegeven 
door Pieter Alderse en Pietertie Heyndrikx en Aldert 
en Hendricus Pietersz Rentenaar. 

Jacobus van Luyck en geen van Kuyck 2), was Am- 
sterdammer van geboorte 3). Door Josef Cousebant wordt 
hij »een rechtvaardig manc'^} en door de Cock »een 



>) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 68. 

2) Bat. Sacr.\ dl. IV, pag. 222. 

3) Lommei, A. van: Missio foederati Belgii seu Missionis Ba- 
tavae descriptio quam Rdus Dnus Theódorus de Cock, deposito 
provicarii munere, S. R. Cougregatioui obtulit anuo 1706, Hagae 
Comitis apud Martinum Nijhoff, 1879, pag. 14. 

4) ^ijar^ v. H.: dl. V, blz. 112. 



67 

trouw aanhanger van den Apostolischen Stoel < ge- 
noemd, i) Hij was pastoor te Duivendrecht van 1663 
tot 1702 toen hij op hoogen leeftijd den ó^n December 
kwam te overlijden.-) Aan de Statie vermaakte ook 
hij zijne bibliotheek; welke boekenschat later nog ver- 
meerderd werd door de beschikkingen van de pastoors 
Silling, Cornelisse en de Graaff. 

Joës Sjveringh, ook Van Sweringe, Zwering, Zwe- 
rinck en Smering geheeten, was te Soeterwoude ge- 
boren. Door de Cock wordt hij »een zwervend priester « 
genoemd, die slechts even kapelaan was te Wasse- 
naar, een aanhanger van den geschorsten Codde. Door 
den onder- Vicaris de Swaen werd hij wederrechterlijk 
aangesteld tot pastoor van Duivendrecht, maar reeds 
binnen het jaar, den 28 October 1703, door de boeren 
en den schout van Amstelland uit zijne Statie ver- 
dreven. 3) 

In December 1704 werd hij pastoor aan de Statie 
in de Slijksteeg te Hoorn, waar hij den Seu Februari 
17 II kwam te overlijden.-^) 

Joës Silling, ook Siliings en Sillinck genoemd, was 
te Hussen in Kleef sland geboren en den 2 4en November 
1703 tot priester gewijd. Als kapelaan bij pastoor S. 
van Lendt te Arnhem, werd hij den Sen Januari 1704 
door den Vicaris Apostolicus G. Potkamp benoemd 
tot pastoor van Duivendrecht. Pastoor Silling, die een 



') Lommei, A. van: 1. c, pag. 48. 

'^\ De Katholiek: dl. 63, jg. 73, blz. 266. 

3) Lommei, A. van: 1. c, pag. 8, 48, 52, 64; Archief v. Utr.: dl. 
VI, blz. 315; Bijdr. V. H.: dl. VII, blz. 232, uoot 2; id. dl. XVII, 
blz. 127; id. dl. XXIII, blz. 393. 

'') Bissch. Oiid-Atchief LLaarlem: I,iber >Status niissionis*. 



68 

trouw aanhanger was van den Apostolischen Stoel, 
ontging in zijne Statie niet aan de vervolgingszucht 
der Jansenisten ; hij werd naar den Haag ontboden, 
waar hem door de Hoogmogende Staten de uitoefe- 
ning zijner geesteUjke bediening te Duivendrecht ver- 
boden werd. Het schijnt echter met een verbod zonder 
meer afgeloopen te zijn, want pastoor Silling bleef te 
Duivendrecht tot aan zijn dood den i2en Febr. 1720,1) 

Bernardiis Buderman, ook Budelman genaamd, was 
in 1679 te Didam geboren, studeerde de wijsbegeerte 
te Douai in Frankrijk, de godgeleerdheid te Munster 
en werd in 1702 tot priester gewijd. Toen in 1702 de 
pastorie van Didam openkwam, richtte de vader van 
den neomist Bernardus tot graaf Oswald van den 
Bergh, die zich als patroon der Statie deed gelden, 
het verzoek, om zijn zoon, die »bequaem was geoir- 
deelt 't priesterdom te bedienen* voor het openstaand 
pastoraat te benoemen. Maar aan zijn verlangen werd 
niet voldaan. Inmiddels bleef de jeugdige priester te 
Emmerik als secretaris van den Apostolischen provi- 
caris de Cock werkzaam, totdat hem op het einde van 
1705 de Statie Dronrijp — Worcum zegt Joës van den 
Steen 2) — in Friesland ten deel viel. 3) Reeds in het 
volgende jaar werd hij tot pastoor benoemd te Laren, 
maar moest weer even spoedig, door het drijven der 
Jansenistische partij, de Statie verlaten. 4) Den 21 en 



') Lommei, A. vatt : 1. c, pag. 52, 69; Archief v. Utr.: dl. I, hlz. 
412 — 413; id. dl. IV, blz. 142. 

2) Bissch. Oud-Archief, Haarlem. 

3) Arch. V. Utr.: dl. I, blz. 453—455; Bijdr. v. H.: dl. II, blz. 
355 ; Lommei, A. van : 1, c., pag. 99. 

4) Nieu'wenhui'i, G. I. J.: Laren in- en na de Reformatie. Amster- 
dam, blz. 67; Archief V. Utr.: dl. I, blz. 302 — 303; Bij'dr. v. H.: 
dl. III, blz. 252. 



69 

i\.pril 1706 ontzegde hem de Drost van Muiden :i>'t doen 
van eenigerhanden dienst en oock het district te ont- 
ruymen«. Op aanbeveling van graaf Oswald van den 
Bergh w^erd hij door den Apostolischen Vicaris Daemen 
in 1707 tot pastoor benoemd te Etten in Gelderland. 
Omstreeks Augustus 17 10 verhuisde hij als pastoor 
naar Blokker in Noord-Holland, i) en in het voorjaar 
van 1720 naar Duivendrecht, waar hij in 1722 overleed. 
Uit het eerste vierendeel der i8de eeuw dagteekenen 
de twee, tot de Statie Duivendrecht behoorende, fraai- 
gedreven zilveren kandelaars, op Kerstdag van het 
jaar 1720 ten geschenke gegeven door Frank Clase 
de Jong en Anna Clase de Jong. Het missaal met zil- 
veren beslag, waarop twee medaljons, voorstellende de 
Verrijzenis des Heeren en de Hemelvaart van Maria, 
werd op Allerheiligendag van het jaar 1723 door Pieter 
Alderse Rentenaar aan de Statie geschonken. 

Willem Comelisse(n) was in 1694 te Rotterdam ge- 
boren, »een waereldspriester«, die van 1720 — 1722 pas- 
toor was teWorcum. In zijne dagen werd Duivendrecht 
een »Statio bona« eene goede Statie genoemd, die 230 
communicanten telde, en in 1758 tot 283 gestegen was. 
Pastoor Cornelisse wordt »een zeer waardige herder « 
genoemd. 2j Hij was pastoor te Duivendrecht van 27 
Aug. 1722 tot aan zijn dood den iieu Februari 1764. 3) 

Cor7ielius de Graaf, ook Graaf en Graef genoemd 
was Hagenaar van geboorte en stond in 1752 als kape- 
laan aan het Begijnhof te Amsterdam. Van 1757 was 



') Bijdr. V. H.: dl. XXXIII, blz. 93—95. 

2) Archief v. Utr.: dl. II, blz. 153; id. dl. VIII, blz. 350; id. 
dl. X, blz. 22; Bijdr. v. H.: dl. XVII, blz. 200. 

3) Bis^ch. Oiid-Archief Haarlem, 



hij pastoor te Rhoon, een der geringste Staties van 
de Hollandsche Zending. Geen wonder dat hij in 1761 
den Jansenistisch-gezinden pastoor Hansen, die Nes en 
Swaluvvebuurt had verlaten, gaarne wilde opvolgen. 
Maar de Sta,ten weigerden het verzoek der kerkmees- 
ters toe te staan en v;ilden hem a.ls pastoor niet toe- 
laten. Zoo bleef pastoor Graaf te Rhoon tot 1764 toen 
de Statie Duivendrecht openkwam, waar hij door de 
Staten den i3en Maart werd erkend, i) Hij legde te 
Duivendrecht een nieuw doopboek aan, dat op het 
gemeente-archief van Ouder-Amstel bewaard wordt. 

In 1773 vertrok hij als pastoor naar Voorburg, welke 
Statie 748 communicanten telde en »ailerbekoorlijkst« 
genoemd werd. Den 4611 Februari 1774 ontving hij 
verlof tot den bouw eener nieuwe kerk, welke den 
27eii September 1774 in gebruik werd genomen. Bij 
de inwijding der kerk, den 11 en October, hield pastoor 
Uitenhoorn van Leidschendam eene feestrede naar aan- 
leiding van psalm 133, vers i. 2. 

Met het houden van deze feestpreek, doch veel meer 
met haar uit te geven, handelde de pastoor in strijd 
»met de ordres door de Hoogmogenden teegen de 
stoutigheeden der Roomschgezinden gestelde Den 760 
November 1774 werd bij advertentie in de Haagsche 
courant bekend gemaakt, dat de preek bij T. de Groot 
in den Haag was uitgegeven en te Amsterdam, Rotter- 
dam en Leiden verkrijgbaar gesteld. Maar de preek 
bevatte >zeekere passagie, Vi^elke aan een iegelijk zeer 
aanstootelijk moest voorkomen*, waarom de raadpen- 
sionaris gelastte al de exempla,ren in den Haag, Amster- 



1) Bijdr. V. B.: dl. X, blz. 77; id. dl. XIV, blz. 183; id. dl. 
XV. blz. 229; id. dl. XVII, blz. 429; id. dl. XVIII, blz. 153— 
154; id. dl. XXII, blz. 44; Archief V. Utr.: dl. IV, blz. 116; id. 
dl. VIII, blz. 337. 



71 

dam, Rotterdam en Leiden op te halen. De pastoor 
zou gedagvaard worden en eene berisping ontvangen. 
Blijkens eene geruststellende verzekering van den Qcn 
November 1774, was aan dat gebod stipt voldaan. Maar 
volgens de Bijdragen bleef een exemplaar van deze 
stoute feestrede in de pastorie van Voorburg bev^aard. i) 
Het gelukte mij evenwel niet haar in handen te krijgen. 
Pastoor de Graaf stierf te Voorburg den 31 en Januari 
1779. Op de sacristy hangt zijn portret, hg. 100 cm. 
br. 82 cm., den pastoor gevende, gezeten in een arm- 
stoel, met een opengeslagen boek, waarop zijne rechter- 
hand rust, zijne linker steunt op den stoel. Het portret 
is nog al beschadigd. 

Fraticiscus van de IVoesttj'ne was Haarlemmer van 
geboorte, kapelaan te Voorburg en sinds 13 September 
1773 als pastoor te Duivendrecht toegelaten. Het ge- 
tal doopelingen beliep onder zijn pastoraat gemiddeld 
slechts tien, 2) 

Den 7^11 November 1786 werd fiij benoemd tot pas- 
toor te Aarlanderveen, waar hij echter slechts weinig 
gelukkige dagen geteld heeft. Want blijkens het dag- 
boek van den aartspriester Ten Hulscher was er van 
Januari 1788 tot aan zijn vertrek in Juli 1795, een 
voortdurend geharrewar tusschen de katholieken van 
Aarlanderveen en die van Alfen, waar men eene zelf- 
standige Statie wenschte te stichten. En blijkbaar kwam 
de pastoor-zelf meermalen in het gedrang. Meer dan 
60 brieven met »klagten«, » zwarigheden*, > verscho- 
ningen «, » protesten «, » verantwoordingen <, en * verzoe- 
ken* werden over- en naar aanleiding van dat onder- 



1) Bi/dr. V. H.\ dl. IX. blz. 306—307; id. dl. XXII, biz. 61. 

2) Archief v. Ut,:: dl. VIII, blz. 130; Bijdr. v. H.-. dl. I, blz. 
93; id. dl. XXII, blz. 40, 44. 



72 

werp met den aartspriester gewisseld, i) En het heeft 
ons alleen maar verwonderd, dat het geduld van den 
aartspriester langmoedig genoeg was, om dit onver- 
kwikkelijk gekrakeel tusschen katholieken onderling 
en tegen hun pasmoor, zeven jaren lang te laten voort- 
duren. Toen in Juli 1795 pastoor Van de Woestijne 
verhuisde naar Bergschenhoek, werd in Augustus 1795 
Alfen van Aarlanderveen gescheiden met den oud-mis- 
sionaris van Suriname, J. B. Eeltjes, tot eersten pastoor. 
In 1799 werd pastoor Van de Woestijne emeritus; hij 
stierf den i5en Maart 1801. 

Jocs Mcylhik was Amsterdammer van geboorte, kape- 
laan te Velsen, van 1780 — 1786 pastoor te Wijk aan 
Zee en sinds 4 Januari 1787 door de Staten als pas- 
toor te Duivendrecht toegelaten. 2) De Statie had in 
die dagen, zoo schrijft Van Ollefen 3), »een mooi zinde- 
lijk kerkje, dat ook door de katholieken uit de Bijlemer 
en door sommigen in de Diemermeer woonachtig*, 
bezocht werd. De pastorie was vrij aangenaam gelegen, 
maar de school had > alles behalve eenig aanzien.* 

Bij den inval der Pruisen in 1787 werd Duivendrecht 
niet weinig geteisterd en wel grootendeels door het 
krijgsvolk, dat te zijner verdediging was opgerukt. 
Van Ollefen, die anders de daden en de dapper- 
heid onzer mannen zoo hemelhoog weet te ver- 
heffen, gevoelt zich hier niettemin verplicht te ge- 
tuigen ^) »dat de burgers van Amsteldam zig schul- 
dig gemaakt hebben aan die baldaadigheden, waarmede 
de loontrekkende soldaat gemeenlijk de oord, waarin 



') Bissch. Oiid- Archief, Haarlem. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XXII, blz. 44, 64, 

3) L. c, blz. 5—6. 

4) L. c, blz. 6-8, 



73 

hij ter bescherminge gelegen wordt, doet gevoelen 
dat hij er is! Van hun daar-zijn, hebben zij verschei- 
dene merktekenen nagelaaten; intusschen moeten wij, 
naar ingewonnene berichten.ook bekennen, dat zij zig, 
toen 't op een staan en vechten aankwam, als dappere 
helden gedragen hebben. Vier batterijen hadden de 
patriotten rondsom het Huis de Floop opgeworpen ; de 
tekens der afgezondene kogels zijn nog hier en daar, 
met naame in de muuren van de poort der hofstede 
Weimeer te zien ; de overtoom was weggebroken, zo 
ook de tolbrug en al het hinderend geboomte omge- 
hakt, zo dat zij hunnen vijand op eene vlakte voor 
zig hadden; echter behoefden zij met hun geschut 
maar zeer smalle wegen te bestrijken, het platte land 
stond rondsom ruim drie a vier voeten hoog onder 
water, hetwelk ook met zo veel moed en snelheid ge- 
daan werd, dat er veele Pruissen door hun ter neder- 
gelegd werden; allerbenaauwdst zag 't er toen in deeze 
oord uit, en die akeligheid vergrootte niet weinig, toen 
de Vaderlanders, doordat Ouderkerk verlaten was, ge- 
raden vonden, of liever genoodzaakt w^erden, af te 
trekken en de geheele buurt derhalven door de Pruis- 
sische soldaten overstroomd werd ; zij kwamen er in ; 
als raazenden vielen zij op alles aan, want de dappere 
tegenstand, welke zij, zekerlijk buiten verwachting 
ontmoet — en het volk dat zij verloren hadden, had hun 
verbitterd; meest moest de herberg 't Huis de Hoop 
lijden; want zij hadden hetzelve wegens de batterijen, 
waardoor het van rondsom beschermd (in hunne oogen 
beschermd) werd, voor een of ander huis van aanzien, 
mogelijk wel voor een dorps-raadhuis gehouden, en 
hadden ook alle mogelijke moeite gedaan om hetzelve 
tot een puinhoop te schieten; dan, aller wonderbarelij kst 
werd dat huis bewaard; want de Pruissen pointeerden 



74 

hunne stukken zodanig, dat zij telkens over hetzelve 
heen schooten en als zij het raakten, was het slechts 
aan de randen der hardsteenen, waarmede de gevel 
gedekt was, gelijk men zulks dan nog werkelijk in 
oogenschouw kan neemen .... De Jooden hadden ver- 
scheidene van zijne meubelen gekocht, die hij nader- 
hand, waarschijnlijk ten dubbelden en driedubbelden 
prijze, weder heeft moeten inkoopen.« 

Pastoor Me3'Iink werd in 1801 — zijn laatste doopsel 
te Duivendrecht dagteekent van i April — benoemd 
tot pastoor te Roelofarendsveen, waar hij den 2 6eu 
Aug". 1802 het broederschap stichtte van gedurige 
Aanbidding en den igen Januari 1817 in den Heer 
kwam te ontslapen. ^) 

Herjftanus Udemari was in 1765 te Woerden ge- 
boren; stond als kapelaan te Berkenrode en te Am- 
sterdam in >de Zaaiers en was sinds 1801 pastoor te 
Duivendrecht. Onder zijn pastoraat werd in 1803 de 
boerderij »Nooit Gedacht« door de familie Wijsbach 
en Schouten aan de kerk gelegateerd, maar in 18 14 
door het kerkbestuur voor de som van ƒ 8700, aan 
de familie Gudde te Amsterdam, van de hand gedaan. 

Gedurende drie en een half jaar ontving hij in zijne 
bediening geestelijke hulp van den Carmelieter Pater 
Alexander Xagel, die den loea September 1808 te 
Duivendrecht overleed. -) Van 18 16 — 18 17 werd hij 
ter zijde gestaan door kap. L. v. der Horst. 3) Sinds 
18 18 was pastoor Udeman provisor van het Seminarie 



') Bijdr. V. H.: dl. XII, blz. 33. 

2) Kerkarchief der Parochic\ Bijdr. v. H.: dl. XIV, blz. 194; 
De Godsdienstvriend, dl. I, blz. 2S. 

3) Deze stierf te Paramaribo den 30 Juli 1S25, slechts 35 
jaar oud. 



/O 

Warmond. In hetzelfde jaar vertrok hij als begijnen- 
vader naar Amsterdam, waar hij, gezeten in den 
biechtstoel, den 14e" April 1822 kwam te overlijden. 
Hij werd den igen April in de Engelsche kerk be- 
graven. Aan de Statie Duivendrecht legateerde hij 
ƒ 2000. Te zijner gedachtenis werd een zilveren be- 
grafenispenning' geslagen, i) 

Hcnuaiius Josrfiis Gallenkanip was Amsterdammer 
van geboorte en den zi^"^ December 181 i tot priester 
gewijd. Op het groot Seminarie had hij, geheel uit 
eigen beweging, zich met Joës de Jager opgegeven 
als missionaris voor de missie Suriname. Maar toen 
aldaar den igeu November 18 14 pater Jac. Schink was 
gestorven, en den 3oen Augustus 18 15 Pater Van der 
Hoven voor diens plaats naar Suriname zou vertrekken, 
wilde de aartspriester hem de beide jeugdige kapelaans 
als medehelpers in de missie medegeven. Maar Suri- 
name had onder de priesters der llollandsche Zending 
weinig aantrekkelijks, zoodat blijkbaar onder hun 
invloed de jeugdige geestdrift bij de beide kapelaans 
was uitgedoofd ; zij weigerden Pater Van der Hoven 
te vergezellen. -) 



') Gids in het bissch. museum, 5e dr., blz. 165. 

2) 30 Aug. 1815. Missus est ad coloniam Surinamensem Rdus 
Dnus Petrus Ludovicus van der Hoven, ord. min. niissioui ad- 
missus. Obierat ibi 19 Nov. 1814 Rdus Pater Jacobus Schink ord. 
min. illuc ex insnla Qura^ao advectus, cum Rdus Dnus Joës de 
Jager, qui, cum hoc in Seminarie esset, se obtulerat, resiliisset, 
uti etiam Rdus Qnws Hermanus Gallenkamp, q'aamvis se sponte 
obtulisset. Solus igitur debuit eo navigare. Bissch. Oud-Archief 
Haarlem. 

Over de zonderlinge en duistere zending van Pater Schink : 
Beknopte Geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname, door een 
Pater Redemptorist, Gulpen, M. Alberts, 1S84, blz. 88— 89, 
noot I. 



76 

De eerw. Heer Gallenkarnp was kapelaan te Am- 
sterdam in Aiet Duifje*, te Haarlem en te Gouda en 
sinds 1818 pastoor te Duivendrecht. In 1826 werd hij 
pastoor te Haarlem aan het Spaarne, waar door hem 
in 1833 eene nieuwe pastorie gebouwd w^erd. De kerk 
was destijds de beste van de geheele stad, ofschoon 
wat klein en bekrompen. ') 

Door den Vice-Superior Antonucci wordt pastoor 
Gallenkarnp geteekend als »een middelmatige geest, 
een zeldzame babbelaar met een tikje ijdelheid: overi- 
gens een ijverig priester.* 2^ 

Hij stierf te Haarlem als pastoor der S. Dominicus- 
statie den 2^^ April 1843 in den ouderdom van 56 jaar 
en had bij testament de helft zijner nalatenschap 
bestemd voor godvruchtige doeleinden. 

/oi's Henriciis Breuker, ook Breukers genoemd, 
was te Winkel geboren, studeerde te Warmond en 
werd den 8en September 18 14 te Brussel door Mgr 
Van Velde de Melroy tot priester gewijd. Hij was 
kapelaan te Oudorp, Maasland en Raamburg, en van 
18 19 — 1826 pastoor te Nibbixwoude. Door den aarts- 
priester Van Banning wordt hij genoemd »een goede 
priester, die genoegzaam onderlegd is.« En van de 
Statie getuigde in 1842 de aartspriester Gerving, »dat 
zij eene bevolking bevatte van goede inborst, op 
prijzenswaardige wijze voor het onderhoud des pastoors 
zorgdragende.* 

Pastoor Breuker bouwde in Duivendrecht eene nieuwe 
kerk, waarvoor van rijkswege den 12^11 Juli 1839 eene 



1) Archief v. Utr.: dl. XXI blz. 214; Bijdr. v. H.: dl. XV, 
blz. 150. 

2) Esprit tres borué, curieus bavard et un peu vain, ayaut du 
reste assez de zèle. 



77 

toelage van 5000 gulden werd gegeven. De bouw 
werd den 22^^ April 1840 aanbesteed voor de som van 
13.600 gulden. De kerk was achter de pastorie aan- 
gebouwd, gelijk op de plattegrondteekening van W. 
Feyen, hangende in de pastorie te Duivendrecht, 
duidelijk valt waar te nemen. Volgens den aartspriester 
Gerving was de kerk »passend voor de Statie.* ') 

In September 1857 ontving pastoor Breuker eervol 
ontslag; hij stierf te Haarlem den igen December 1860. '^) 

He7iricus Cornelius van den Boom was den yen 
Juni 18 15 te Dordrecht geboren en den loen Februari 
184:2 tot priester gewijd. Hij stond als kapelaan 
te Beverwijk van 1842 — 1843, te Middelburg van 
1S43 — 1848, te Raamburg in 1848, was deservitor te 
Ooltgensplaat van 25 Oct. 1848 tot 13 Mei 1S50, toen 
hij eenige maanden, wegens zWakte, buiten bediening 
ging. Vervolgens was hij wederom kapelaan te Vlaar- 
dingen in 1850, in 't Veld van 1850 — 1852, te Stomp- 
wijk van 1852 — 1857, toen den 3oen September 1857 
zijne benoeming kwam van pastoor te Duivendrecht. 

Den 4en Mei 1858 was door Mgr. Van Vree de 
Statie Duivendrecht tot parochie verheven, maar de 
juiste omschrijving der parochiale grenzen bleef achter- 
wege, omdat eerst de interdiocesane grenslijn tusschen 
het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem moest 
worden vastgesteld. Dit geschiedde bij besluit van den 
H. Stoel den 256" Januari 18^9, waarna bij bisschop- 
pelijk schrijven van den i2en November 1901 het 
grondgebied der parochie Duivendrecht door de vol- 
gende grenslijn omschreven werd : 



') Bissch. Oud-Archief Haaj-lem. 

2) De Godsdienstvriend, dl. LXXXVI, blz. 55. 



78 

*De grenslijn begint op 200 ellen afstands van het punt bij 
den Omval, waar de vaart, die, uit den Amstel komend, onder 
de spoorbrug doorloopt, in de Weespervaart valt. Van dit punt 
volgt de lijn deze vaart tot aan den Venserivatermolen (die onder 
Diemen parochieert) en volgt dan in zuidvi^estelijke richting de 
Venserwetering tot aan de eerste sloot ten zuiden van de boerderij 
-de Hoop (deze ten voordeele van Diemen uitsluitend) aan de 
Diemerlaan. Met deze sloot in zuidoostelijke richting voortgaande 
steekt de lijn den ringdijk van den Bijlmerpolder over, om tusschen 
het Stoomgemaal en de boerderij Nooit Gedacht, langs de sloten 
van dien polder in dezelfde richting voort te loopen over de 
Nieu-die ringsloot tot aan de kromming van den Ringdijk bij de 
boerderij Scholtenburg. Hier gaat zij, oostelijk van Scholtenburg, 
over den Bijlmerringdijk heen, tot in de eerste breede sloot van 
den Oostbij bnerpolder. Met deze sloot gaat de lijn in zuidweste- 
lijke richting, over de Visscherskade heen, op het punt aan, waar 
de spoorbaan den straatweg snijdt. Deze spoorbaan volgt zij 
zuidoostwaarts tot tegenover Letia's hoeve, aan welker zuidelijke 
zijde zij den straatweg snijdt, en in het Z-wed, ook Zuwe genaamd, 
valt, dat zij volgt tot op het punt waar de Oostwetering in het 
Zvved komt. Door het noordelijke Zwed komt de grenslijn aan 
den Zwcdweg, van welk punt zij den Binnendijkschen Bii llexv ijker - 
polder in noordwestelijke richting recht oversteekt naar de Ouder- 
kerkerlaan op de plaats waar, bij de woning Veenlust, de ringsloot 
der veenderij gegraven is. Van hier gaat de hjn rechtuit noord- 
westwaarts den Klein- Duivendrechtschen polder door, en valt in 
den Molenvliet vlak achter de watermolen Strantvliet. Zij volgt 
nu den Molenvliet tot op de spoorbaan en blijft daarlangs loopen 
tot op het punt, hetwelk, zooals boven gezegd is, op twee hon- 
derd ellen afstands van de vaart ligt en waar de grenslijn be- 
gonnen is.« 

Pastoor Van den Boom stierf, door eene beroerte 
getroffen, den i5en Juli 1868 en werd te Ouderkerk 
begraven. In de pastorie hangt van hem een door 
kapelaan Coenen met zwart krijt geteekend portret 
hg. 50 cm. br. 38 cm. Bij testament had hij de 
parochie bedacht. 

Simon de?i Eisen was den 6en Januari 1825 te 
Soeterwoude geboren en den \2^^ Augustus 1849 tot 
priester gewijd. Hij was kapelaan te Leiden (O. L. Vr. 



79 

Hemelvaart) en te Amsterdam (H. Anna), van 1860— 1868 
pastoor te Oude Tonge, van 1868 — 1869 pastoor te 
Duivcndrecht, en van 1869 — 1890 pastoor te Beem- 
ster, waar hij den 25611 Febr. i8go in den Heer ont- 
sliep. 

In deze korte mededeeling va.n jaarcijfers ligt het 
leven besloten van een voortreffelijk priester, een 
apostel der liefde, die zich den naaste geheel wijdde, 
nacht noch dag zich zei ven spaarde om, wars van 
vertooning, met de vriendelijkste grootmoedigheid » alles 
voor allen « te zijn. Vandaar dat hij als kapelaan en 
later als pastoor door de parochianen met hartelijke 
genegenheid werd aangehangen. Te Oude Tonge 
stichtte hij een bijzonder kerkhof, en bracht door het 
stichten van een fonds reeds de eerste steenen bij, 
waaruit later de nieuwe kerk kon worden opgetrokken ; 
te Duivendrecht maakte hij zich verdienstelijk door de 
polderjongens, die aan het fort aldaar werkzaam waren, 
in eene broederschap of congregatie te vereenigen, en 
te Beemster bouwde hij onder leiding van den architect 
Bijvoets eene nieuwe kerk, die den 2geii October 1879 
door Mgr. Snickers werd ingewijd. Zooals het gebouw 
zelf getuigt, had pastoor den Eisen in den heer 
Bijvoets geene gelukkige keuze gedaan. 

Volgens Mr. Bohl beschikte pastoor den Eisen over 
een »helder verstand, gelukkig geheugen en degelijke 
kennis der klassieken. « i) Hij genoot dan ook de eer 
als kapelaan te Amsterdam den eersten leeraar in Latijn 
en Grieksch geweest te zijn van Joan Bohl, die later 
eene eereplaats zou innemen onder de advocaten van 
zijn tijd. Levenslang is tusschen deze beide mannen 
een sterke band geweest van hartelijke genegenheid. 



') Pius- Almanak, jg. 1891, blz. 105 — 107. 



8o 

Bij den dood van pastoor den Eisen was zijne toe- 
wijding jegens nederigen en misdeelden, waren zijne 
klassieke talenten aan de spraakmakende gemeente 
onbekend : »ik vind u nergens 's werelds lof beschoren* ; 
maar Mr. Bohl, voor wien van dezen dorpspastoor »de 
uittocht ten eeuwigen leven een zware slag* was, 
schreef onder den indruk van het overlijden op den 
ontslapene een treurzang, waardoor de advocaat 
zijn bescheiden leeraar op voortreffelijke wijze hul- 
digde. 

I. 

Daar kon de hemel weer niet langer wachten, 

En ijlings werden eng'len afgezonden, 
Opdat ze iets schoons van de aarde medebrachten . . . 

Helaas voor ons, dat ze u het eerste vonden : 

U, kloeke drager van zoo veler zorgen ! 
U, die zoo velen nog niet missen konden ! . . . 

Wat heeft het nu gebaat, dat ge in 't verborgen 

Steeds wèl deedt, wars van 's werelds openbaarheid ? 
Uw licht brak uit als van den zoraermorgen, 

Betoovrend door den gloed van deugd en waarheid ' 
Dat drong met onweêrstaanb're kracht ten hoogen 
En trok zoo de aandacht door zijn warmte en klaarheid, 

Dat zelfs de heil' gen stonden opgetogen ! 

II. 

Pastoor den Eisen ! hart vol mededoogen, 

Wie telt de wonden, die gij hebt genezen. 
De tranen, die uw goedheid wist te droogen?.. . 

Bevond zich ergens een rampzalig wezen 

Dat bange nacht van zonde of armoe drukte 
Dra heeft uw oog, vol liefde, 't uitgelezen, 

Als edelsteen, die 's kenners blik verrukte ! 

Dat wist gij uit den afgrond op te halen, 
Als held, wien zelfs 't onmooglijke gelukte: 

Die 't Recht van God op aard liet zegepralen! 



8i 



III. 
Om tot de iiederigsten af te dalen, 

Of tot geleerdheid en talent te spreken 
't Was u hetzelfde; eu niemand kan bepalen 

Waar 't meest uw ziele-adel is gebleken. 

Maar toch . . . waar, hoog of laag, 't zwaarst werd geleden, 
Zijt ge — als op serafsvleuglen neergestreken 

Het snelst met doodsverachting opgetreden 

En hebt ge, als trouwe ziele-schatbewaker 
Daar Gods barmhartigheid stil afgebeden. 

Geen wonder dat, door menig plichtverzaker 

Na zijn bekeeriug, Gij zijt aangewezen 
Als ware dienaar van den Zaligmaker: 

Een hulp in zee, den drenkeling gerezen. 

IV. 

't Was daarom ook, dat gij luid werdt geprezen, 

Door wie u voorging in het eeuwig leven, 
En wien Gij hier tot gids en steun mocht wezen. 

Die hemelschare heeft de stem verheven ; 

Want gij deedt haar tot hooge deugden stijgen, 
Waarvoor haar 't loon der braven werd gegeven. 

Die zaal' gen konden nooit meer van u zwijgen: 

Zij hebben zich vereend in krachtig pogen 
Om u als sieraad in hun kring te krijgen. 

En daarop zijn de eng'len ueergevlogen 

Om met u, vriend der armen! dra te keeren: 
Een kleinood, welgevallig voor Gods oogen. 

Toen klonk een jubelkreet door de eeuwge sferen, 
Als tot een vorst: Welaan, goede en getrouwe! 
Treed binnen, dienaar, in de vreugde uws Heeren 

Een nieuwe ster straalde op Gods lustlandouwe. 

V. 

Uw heengaan dompelde ons zoo diep in rouwe. 

Dat zelden droever weeklacht zich liet hooren ; 
En . . . vuurproef aller grootheid. . . waar'k ook schouwe, 

6 



Ik vind u nergens 's werelds lof beschoren. 

Uw dood was als uw leven : edelaardig 
En stil, als van wie Gode alléén behooren 

O gulden woorden, brons en marmer waardig, 

O lauw'ren, die den uitverkoorne sieren : 
Hij leefde en stierf belangloos, offervaardig ! 

Durft toch uw vriend uw heerlijk leven vieren, 

't Is omdat ge ook op 't zwakke minzaam neerziet; 
Aanvaard de bloem, die bij uw zerk moog' tieren. 

Als offer van zijn dankbaarheid en eerbied ! 

Her)nanus Joi's Henricus Ruschehlatt was den 12 en 
November 1829 te Amsterdam geboren en den i5en 
Augustus 1855 tot priester gewijd. Hij was kapelaan 
te Oud-Vossemeer en te Amsterdam (S. Calharina), 
van 1856 — 1869 leeraar aan het Seminarie Hageveld, 
van 18 October 1869 — 19 September 1876 pastoor te 
Duivendrecht, en van 1876 — 30 Juni 1883 pastoor te 
Castricum, toen hij eervol uit de bediening ontslagen 
werd. 

Pastoor Ruscheblatt was een der ijverigste pen- 
voerders zijner dagen; van 18Ó3 — 1884 verschenen 
er jaarlijks van zijne hand in het maandschrift de 
Katholiek meerdere opstellen over de meest uiteen- 
loopende onderwerpen, maar grootendeels van histo- 
risch-godsdienstigen aard. Over het algemeen kunnen 
zijne verhandelingen van zekere langdradigheid niet 
vrijgepleit worden. 

Toen hij door hardhoorigheid gedwongen was zijn 
»otium cum dignitate« aan te vragen, besteedde hij 
zijne vrije uren met het schrijven van meerdere lijvige 
boekdeelen, welke alle door zijne vrienden met den 
meest uitbundigen lof in de Katholiek werden besproken 
of aangekondigd. Zoo verschenen achtereenvolgens bij 



83 

de firma Bekker te Amsterdam in 1886: Het lijden 
en sterven van onzen Heer Jesus Christus, een werk 
van twee deelen, »waarin hij zich in zijne volle kracht 
toonde als schrijver« i); in 1890: Maria, de moeder des 
Heerefi, in hare voorbesteiinning, haar leveii e?t hare 
verheerlijking, 2 dln.: »een meesterwerk, waarin alles 
wat over Maria kan gezegd worden, in schoon geheel 
staat samengevat* 2); in 1891: De H. Josef in zijn leven 
en in zijne deugden als voorbeeld va?i alle Christenen 
beschouivd, waarin wij te doen hebben »met grondige 
studie, veelzijdige beschouwing, diepzinnige bespiege- 
lingen en practische opmirkingen, waaraan een zeld- 
zame geest van piëteit ten grondslag ligt« ^)\ in 1892: 
Van het ziekbed naar den hemel, geroemd als » uit- 
muntende arbeid* ^); in 1894: Homeh'ën op alle Zon- 
dagen en Feestdagen des Heer en, »een boek, dat 
werkelijk ver boven zoovele anderen met denzelfden 
titel uitstaatc 0). Inderdaad eene rust, die niet roestte. 
Pastoor Ruscheblatt stierf te Amsterdam den i6en 
December 1905 en had bij uitersten wil de parochie 
Duivendrecht niet vergeten. 

Joës Laurent was den 12 en Maart 1829 te Wychen 
geboren, deed zijne hoogere studiën aan de Propaganda 
te Rome en werd den 2en September 1860 tot priester 
gewijd. Den 26eu December 1860 keerde hij naar zijn 
vaderland terug, waarna hij achtereenvolgens kapelaan 
was van 1861 — 1865 te Amsterdam (S. Aloysius- 



•) De Katholiek, jg. i8S8, blz. 245. Deken Van Heeswijk be- 
zorgde van deze uitgave een nieuwen druk. 

2) L.C, jg. 1891, blz. 197. 

3) L.c, jg. 1892, blz. 250. 

4) L.c, jg. 1893, blz. 82. 

5) L.c, jg. 1S95, blz. 282. 



84 

gesticht), deservitor in 1865 te Lambertschagen, van 
1865 — 1871 kapelaan te Werfershoef, van 187 i — 1876 
rector te Veere, en sinds September 1876 pastoor te 
Duivendrecht. i) Reeds in het tweede jaar van zijn 
pastoraat werd door den Heer Th. Asseler, architect 
te Amsterdam, een plan en teekening ontworpen van 
eene nieuwe kerk. Deze nieuwe bouw was noodig, 
omdat in de laatste jaren het getal katholieken te 
Duivendrecht aanmerkelijk was aangegroeid, zoodat 
zelfs de ruimte van het priesterkoor met vrouwen- 
plaatsen in beslag werd genomen. Maar de parochianen 
die aan deze onhoudbare toestanden langzamerhand 
waren gewoongeraakt, gevoelden in den beginne maar 
heel weinig voor dezen nieuwen kerkebouw. Op hun 
geldelijken steun kon pastoor Laurent dus niet rekenen ; 
bovendien waren de parochianen door het groot grond- 
bezit, waarin de kerk zich mocht verheugen, sinds lang 
verleerd iets voor haar onderhoud bij te dragen. Toch 
meende pastoor Laurent, steunende op de rijke fondsen, 
zijne bouwplannen te kunnen doorzetten. Aanvankelijk 
is krachtig verzet van den kant der parochianen niet 
uitgebleven. » Tamelijk onstuimige vergaderingen, zoo 
schrijft de pastoor -), gingen aan het besluit van den 
nieuwen bouw vooraf; twee mijner kerkmeesters heb- 
ben zich ten einde toe tegen mijne plannen verzet.* 
Den 28^^ December 1877 werd de bouw der kerk 
aanbesteed in de herberg van P. van 't Klooster en 
gegund voor ƒ 63. 999.99 aan den aannemer Hendriks 
te Oss. Den i2eu Maart 1878 legde de pastoor den 
eersten steen ; de geheele verdere opbouw verliep naar 
v^ensch en zonder eenig onheil. De kerk werd den 



1) Archief T. Utr.: dl. XIX, blz. 334. 

2) Kerkarchief der Parochie, 



85 

i6en Juli 1879 door Mgr. Snickers op plechtige wijze 
geconsacreerd; zij is van gebakken steen in Romaan- 
schen trant opgetrokken en prijkt met twee slanke 
torens. Uit de oude kerk zijn afkomstig een 18de 
eeuwsche preekstoel en een pijporgel van Pieter Muller 
uit het jaar 1769. De kruisv/eg is een werkstuk van 
Cuypers te Roermond ; de klokken werden gegoten 
bij Petit en Fritzen. 

Den 8eu Juli 1886 werd pastoor Laurent door eene 
beroerte getroffen, waardoor hij ten deele verlamd 
werd en sinds dien door kapelaan Vinkensteyn in de 
heilige bediening werd ter zijde gestaan. Den 6en Mei 
1888 herhaalde zich de aanval en reeds in den namid- 
dag van denzelfden dag ontsliep hij in den Heer. 
Hij werd te Ouderkerk begraven. 

Er hangt van hem in de pastorie een op doek 
geschilderd portret, een kniestuk, hg. 127 cm. br. 88 cm. 
van J. Oppers, 1881. 

Antonhis Henricus Wilhelmus Kaag was den igen 
April 1844 te Hoorn geboren, studeerde te Culemborg, 
Hageveld en Warmond en werd den i5en Augustus 
i86g tot priester gewijd. Hij was kapelaan te Rotter- 
dam, Vlissingen, Amsterdam (S. Willibrord buiten de 
Veste), Leiden, Delfshaven en Alkmaar, van 18 85 — ^1888 
pastoor te Oude Schild i) en sinds 14 Mei 1888 pas- 
toor te Duivendrecht. 

Onder zijn pastoraat liep de waarde der kerkelijke 
goederen aanmerkelijk terug, zoodat de pachten telken 
jare verminderden en de kerk voor aanzienlijke tekorten 
kwam te staan. » Bovendien — zoo schrijft pastoor 
Kaag "2) — was ik overtuigd, dat de landerijen nog 



») Bijdr. V. H.: dl. XXIII, blz 145. 
^) Kerkarchief der Parochie, 



86 

meer in waarde zouden dalen*, zoodat den yen No- 
vember i88ö tot de kerkelijke overheid het verzoek 
gericht werd om alle landerijen in het openbaar te 
mogen verkoopen. Dit verzoek werd toegestaan ; de 
verkoop bracht de aanmerkelijke som op van/ 103.897, 
waarmede de geheele schuldenlast der kerk, zijnde 
/ 95.000, kon gedelgd worden, i) 

In 1889 werd naar teekeningen van Dr. Cuypers 
door den Heer Trautwein het priesterkoor der kerk 
beschilderd voor de som van ƒ3000. 

Langdurige en hevige maagpij nen noodzaakten pas- 
toor Kaag in 1905 in het O. L. Vr. Gasthuis te Am- 
sterdam eene operatie te ondergaan, wier verloop, na 
smartelijk maar geduldig gedragen lijden, den i8eQ 
Februari 1906 met den dood eindigde. Op eigen ver- 
langen werd hij te Abcoude ter aarde besteld. Gedu- 
rende zijne ziekte en nog eenige maanden na zijn 
dood, werden de parochiale zorgen te Duivendrecht 
gedragen door kapelaan Devoghel, die zelf in die 
dagen lijdende was. 

>Geef mij — zoo sprak Mgr. Van Zanten bij de 
lijkbaar van pastoor Kaag 2) — geef mij een man als 
pastoor Kaag, veelzijdig begaafd, met onbedwingbaren 
ijver toegerust; pastoor Kaag, die niet slechts den 
strijd der geesten in onze dagen van verre gadesloeg, 
maar zich gedrongen voelde daaraan werkzaam deel 
te nemen ; pastoor Kaag, die de katholieke beweging 
onzer dagen op gebied van letterkunde en kunstuiting 
niet alleen verstond, maar met blijdschap toejuichte 
en krachtig ondersteunde, en oordeel dan of het niet 



') De boerderij >Landzicht« was in 1852 onder verschillende 
bepalingen door Antonia Wakker aan de kerk vermaakt ; eerst 
in 1874 kreeg zij van haar het volle vruchtgebruik. 

-) Van omen Tijd: 6e jg., n". VI, blz. 243 — 249. 



87 

gevolgelijk, niet hoogst natuurlijk was, dat hij zijne 
stille pastorie van tijd tot tijd verliet, om zich midden 
in het strijdgewoel te verplaatsen en lief en leed met 
de voorste rijen van Christus' strijders te deelen. Het 
zou onbegrijpelijk zijn, indien het anders geweest 
ware.« 

En inderdaad veel heeft Pastoor Kaag, ofschoon 
slechts middelmatig redenaar, in het openbaar gewerkt 
door het houden van lezingen en het vervullen van 
spreekbeurten ; veel heeft zijne pen geschreven in 
periodieken van verschillenden aard, in couranten, 
vooral in het dagblad Het Centrum, waarvan hij 
eenige jaren de hoofdredactie voerde. Als afzonderlijke 
werken verschenen : Maarten Luther door Maarten 
Luther beschreven ^) ; De godsdienst, zij'jie luaarheid en 
schoonheid 2) ; Jesus van Nazareth 3), welke echter allen 
slechts vertalingen of bewerkingen waren naar ver- 
trouwde schrijvers. Voor een eigen zelfstandig werk 
van blijvende waarde, was de geestesaanleg van pas- 
toor Kaag te woelig en te bewegelijk. In 1903 wijdde 
hij aan de laatste levensdagen van Dr. Schaepman 
eenige gevoelvolle bladzijden, en sprak op zijn grooten 
vriend, den diepbetreurden doode, in >de Krijtberg* 
te Amsterdam een waardig woord van afscheid ^). 

In de pastorie te Duivendrecht hangt van pastoor 
Kaag een goedgelijkende photo. 

Fredericus Joës Henricus Evers was den 5en Sep- 
tember 1867 te Amsterdam geboren, studeerde te 
Katwijk aan den Rijn, Hageveld en Warmond en 



>) Alkmaar, 1887, De Katholiek, jg. 1888, blz. 172 — 177. 

^) L.c, jg. 1893, blz. 398. Verschenen in den Bosch 1876. 

3) Naar Père Didon, Utr. 1892. 

*) Mgr. Schaepman, herdacht in de Hoofdstad, blz. 49 — 54. 



werd den i6en Augustus i8gi tot priester gewijd. 
Hij was van 1891 — 1892 kapelaan te Uitgeest, van 
1892 — 1898 te Feyenoord, van 1898 — 1900 te Haar- 
lem (S.Josef), van 1900 — 1901 te Weesp, van 1901 — 1906 
rector van het St. Xicolaasgesticht te Amsterdam en 
sinds I Mei 1906 pastoor te Duivendrecht. 

Terstond bij zijne komst werden onder voorlichting 
der beide architecten Cuypers en Stuyt aan kerk en 
pastorie de noodige herstellingen aangebracht, waartoe 
de vrijgevigheid zoowel van den pastoor als van de 
parochianen, het kerkbestuur in staat stelde; tevens 
werd de achter de pastorie gelegen tuin aanmerkelijk 
vergroot en verfraaid. 

Pastoor Evers, die door zijne opstellen op marine- 
gebied en vooral door zijn hoofdwerk: Oorlogsschepen i), 
op het zeewezen een gevestigden naam verworven had, 
werd bij koninklijk besluit van den gen Mei 1908 tot 
lid benoemd van den destijds gestichten Raad van. 
defensie. Maar met dat al werden de geestelijke be- 
hoeften zijner parochianen niet uit het oog verloren. 
Den i3eu October 191 2 werd tot den bouw besloten 
eener bijzondere school, waarin de arme Zusters van 
het Goddelijk Kind te Amsterdam, onderwijs zouden 
geven, en waaraan tevens naai- en bewaarscholen 
zouden verbonden zijn. De leerschool biedt ruimte 
voor 224 kinderen, zoodat met de te verwachten uit- 
breiding van Duivendrecht genoegzaam rekening werd 
gehouden. De gebouwen staan onder de schutse van 
S. Joës, den Apostel en Evangelist ; zij werden door den 
Amsterdamschen architect Bekkers ontworpen en door 
de Gebr. Deuman te Diemen voor de som van / 36.900 
opgetrokken. Den 3en November 191 3 namen de Zus- 



') Verschenen te Amsterdam, 1902, bij J. C. Steinler. 



89 

ters, zes in getal, in de Stichting haren intrek en 
openden den 5^11 November hare scholen met 100 
leerlingen. 

Den 2 jeu December 19 14 werd pastoor Evers, die 
tot hoofdaalmoezenier viras benoemd van het Neder- 
landsche leger, uit zijne herderlijke bediening ont- 
slagen. 

Er hangt te zijner gedachtenis in de pastorie eene 
mooie photografie, waarop zijn priesterkleed gesierd is 
met een dubbel ridderkruis. 

Smion Joè's van Rijn, de tegenwoordige pastoor, is 
den i8en Juni 1870 te Soeterwoude aan den hoogen 
Rijndijk geboren, was kapelaan in de Haarlemmermeer 
(S. Franciscus van Sales), te Langeraar en te 's-Gra- 
venhage (S. Jacobus), van 19 12 — 19 15 pastoor te Wie- 
ringen en is sinds 8 Januari 1915 pastoor te Duiven- 
drecht. 

De landelijke parochie Duivendrecht dreigt onder 
dezen pastoor, door het zich meer en meer naar buiten 
opdringende Amsterdam, haar stille bekoorlijkheid en 
— wat God verhoede — haar vromen eenvoud te 
verliezen. Reeds is het zielental tot 600 gestegen, 
zoodat ook de parochiekerk haar muren zal dienen te 
verwijden. 

Moge het pastoor Van Rijn gegeven zijn, onder 
eene krachtige gezondheid, dezen geheel nieuwen aan- 
komenden toestand te beheerschen en het aloude 
katholieke leven op zijne beproefde banen te hand- 
haven. — 

J. C. VAN DER Loos. 
I Juni 191 6 

Nieuwerkerk a/d IJsel. 



go 



AANHANGSEL. 



Lijst der eerwaarde Heeren, die als kapelaan of 
assistent in de parochie werkzaam waren. 



Namen : 


Geboorteplaats : Te Diiivendrecht 


Nagel, Alexander . . . 




. 1805--1808 


Horst, Ludov, v. der . 


. Amsterdam . 


. 1816-1817 


Serbrock, Joës Clem. . 


. Amsterdam . 


. 1876. 


Bos, Dom. Dion. . . . 


. Rotterdam . . 


. 1876. 


Vinkensteyn, Adr. . . . 


. Leiden .... 


. 1886-1888 


Coenen, Henr. Theod. 


. den Haag . . 


. 1889-189.3 


Devoghel, C. B. L. . . 


. Vlissingen . . 


. 1905-1906 



OVER DE AFSCHEIDING VAN VOORHOUT 
VAN SASSENHEIM. 



Na de Hervorming behoorde Voorhout tot de Statie 
Sassenheim: een toestand die voortduurde tot onder 
de regeering van koning Lodewijk, door wiens goed- 
gunstige beschikkingen een gedeelte der oude dorps- 
kerk aan het steeds groeiende getal katholieken van 
Voorhout voor hunnen kerkdijken eeredienst w^erd 
afgestaan. De kapelaan van Sassenheim werd met 
hunne geestelijke verzorging belast. De kerk werd 
door een muur in twee deelen gescheiden ; het eene 
gedeelte was voor de gereformeerden, het andere voor 
de katholieken bestemd. 

Reeds spoedig bleek de scheidsmuur tusschen de 
beide gedeelten der kerk niet genoegzaam aan zijne 
bestemming te beantwoorden, zoodat de gereformeerden 
in hunne godsdienstoefeningen door den gelijktijdigen 
katholieken eeredienst gehinderd werden. Dit gaf reden 
tot klagen, zooals blijkt uit onderstaand schrijven van 
den commissaris voor kerkelijke zaken aan den aarts- 
priester van Holland en Zeeland, i) 

HoogEer-waarde Heer ! 

Bij eene missive van den 15 dezer brengt de klassis van Leiden 
en Nederrijnland het verzoek om zoo mogelijk daarin eenig redres 
te bewerken, ter mijner kennis, dat de scheidsmuur in de kerk 



1) Al deze stukken zijn genomen uit het bisschoppelijk Oud- 
Archief te Haarlem, afd. Aartspriesters. 



92 

te Voorhout geplaatst bij ondervinding gebleken is geheel onvol- 
doende te zijn, om te voldoen aan derzelver oogmerk, om 
namen tlijk de godsdienstverrigtingen der twee onderscheidene 
kerkgemeenten voor eikanderen onhoorbaar te maken ; dat integen- 
deel alle de kerkelijke verrigtingen der Roomsch-Catholijken, 
duidelijk by de hervormden worden gehoord, en derzelver eere- 
dienst daardoor aanmerkelijk gehinderd wordt. 

Ik weet geen middel van voorziening in deze dan eene vrien- 
delijke schikking tusschen de twee gemeenten of derzelver 
leeraars, hetzij door eenig arrangement omtrent den tijd der 
wederzijdsche godsdienstoeffeningen, hetzij op eene andere wijze ; 
of en hoe zulks plaats zou kunnen hebben, kan alleen door hun 
beoordeeld worden, die met de omstandigheden en het lokaal 
bekend zijn. Het is dan ook uit dien hoofde dat ik gemeend heb 
UH.EW. te moeten uitnodigen om uwe goede diensten ten dezen 
wel te willen aanwenden en mij van uwe gedachten over deze 
zaak te onderrigten. 

Ik verzeker U HoogEerwaarde Heer van mijne bizoudere hoog- 
achting. 

De Commissaris voornoemd, 
's Gravenhage, i8 Aug. 1814. Janssen. 

Pastoor Freede, van Sassenheim, was blijkbaar spoedig 
in staat, deze ongelegenheid voor de beide godsdien- 
sten, in overleg met den predikant, in der minne weg 
te nemen. Want reeds den 26 Augustus schreef de 
aartspriester aan den commissaris volgend geruststellend 
briefje : 

HoogEdelGestrenge Heer / 

Op de aanschrijving van UHEG. wegens de klagten gedaan 
over de ongenoegzaamheid van den scheidsmuur in de kerk te 
Voorhout om de dienstverrigtingen der twee onderscheidene 
kerkgenootschappen voor elkander onhoorbaar te maken, waar- 
over UHEG. mij uitnoodigt mijne goede diensten aan te wenden, 
en mijne gedachten te verklaren, heb ik de eer te berigten, dat 
die geheele zaak naar den wensch van UHEG. door eene vrien- 
delijke schikking zonder den geringsten tegenstand tot onderling 
genoegen geregeld is, en wel zodanig, dat voortaan op de gemeen- 
schappelijke kerkdagen de Hervormden des morgens ten 9 uren 
en na den middag kwartier na tweeën of half drie uren hunne 
kerkdiensten zullen verrigten, en de R. Catholijken den vroeg- 



93 

dienst op het gewouelijke uur, den Hoogdienst op half elf en na 
den middag de Vespers ten half twee zullen beginnen. 

Gelijk het mij een bijzonder genoegen is UHEG. van zulke 
onderlinge liefde, eendragt en toegevendheid der verschillende 
gezintheden in ons vaderland te kunnen berigten, zoo is het mij 
ook een bijzonder genoegen de gelegenheid te hebben om UHEG. 
te verzekeren van den diepsteu eerbied met welken ik de eer 
heb te zijn — 

w.g. J. Cramer. 

Het eerste streven dat zich in 1842 onder de katho- 
lieken van Voorhout openbaarde om zich van Sassen- 
heim af te scheiden en eene zelfstandige statie te stichten, 
mocht in zich billijk en rechtmatig zijn, om de wijze 
evenwel, waarop het geschiedde, was J. F. C. de Mol, des- 
tijds pastoor te Sassenheim, jegens het verzoek minder 
welwillend gestemd. De eerste toch die het verzoek- 
schrift steunde, was de niet-katholieke burgemeester 
van Voorhout, die een gemengd huwelijk gesloten en 
zijne kinderen, ofschoon katholiek gedoopt, in de 
registers der Protestantsche kerk had laten inschrijven. 
Zijn streven om, met de afscheiding van Voorhout, 
pastoor de Mol onaangenaam te zijn, was daarbij merk- 
baar. Toch was de aanvrage der katholieken van 
Voorhout alleszins te billijken, gelijk blijkt uit een 
schrijven van 20 Mei 1842 door den aartspriester 
Gerving gericht tot den Vice-Superior, Innocentius 
Ferrieri : 

»De petitione communitatis Voorhout, quae rogat separationem 
a Sassenheim, re maturius inquisita, po.=;tea latius scribam. Ouod 
pastorem maxime laesit, potissimum in eo consistit, quod, qui 
primo loco subsignavit, sit communitatis praetor, acatholicus, cum 
uxore catholica matrimonio junctus, qui polem suam caiholice 
baptizatam, in registrum protestantium conscribi voluit et fecit et 
in odium pastoris plures ad petitionem illam instigaverit. Expe- 
dire tameu mihi videtur separatie, postquam utrique parti 
determinatum fuit, quod utrique competit. Sunt revera duae 
stationes sub uno pastore cum sacellano, sicuti fuit ad Rijndijk, 



94 

ubi ejusniodi separatie jam subsistit. Quae hic loei multo com- 
modius effici poterit, cum debita non adsint. Aequum tarnen et 
justum est, ut cuilibet parti ex fuudatiouibiis attribuatur, quantum 
utriusque nomini adscriptum est; quamquam et absque uUa fun- 
dalione Statio in Voorhout pastorem honeste alere et absque 
incommodo sustentare posset. Coemeterium potest vel manere 
commune vel particulare coustrui in altera parte. Quodsi con- 
cesserit Dom. Vestra propositam separationem, agam cum decano 
districtus et adjuncto decano Rhen landiae qui hujus rei peritis- 
simus est.« 

Uit dit schrijven van den aartspriester Gerving zou 
men vermoeden, dat de afscheiding spoedig haar beslag 
had verkregen ; toch was dit niet het geval. Blijkbaar 
haperde het aan medewerking van den kant van Sas- 
senheim. 

Intusschen was de aartspriester Gerving gestorven 
en vervangen door den aartspriester Kervel, die met 
een bemiddelingsvoorstel èn de katholieken van \'oor- 
hout èn den pastoor van Sassenheim hoopte tevreden 
te stellen. Voortaan zou de tweede kapelaan van 
Sassenheim onder den titel van Vicaris te Voorhout 
in het pastorie-huis verblijf houden ; eene beperkte 
jurisdictie genieten en gehouden zijn alle twijfelachtige 
zaken aan het oordeel van den pastoor van Sassenheim 
te onderwerpen. Vandaar dat de aartspriester den 
24en Nov. 1843 tot de betrokken partijen het volgende 
schrijven richtte: 

»De Aartspriester van Holland, Zeeland en West- Vriesland het 
verzoek van den eerw. Heer Joës Christianus Franciscus de Mol, 
pastoor van Sassenheim en Voorhotit en van de kerkmeesters 
van Voorhout gehoord en daarover met zijne Doorl. Hoogw. den 
Vice-Superior der Hollandsche Zending geraadpleegd hebbende, 
hetwelk ten doel heeft, om een geestelijke afzonderlijk voor den 
dienst in de kerk te Voorhout te mogen bezitten, heeft goed- 
gevonden het volgende te bepalen. 

In overweging nemende het nut, hetwelk voor de godsdienstige 
oefeningen der geloovigen der Gemeente van Sassenheim en 
Voorhout moet voortvloeien, die nader bij de kerk te Voorhout 



95 

dan bij die vau Sassenheim wou en, als er dagelijks in beide 
kerken de H. Dienst kan geschieden; 

overwegende dat door een pastoor met éénen kapelaan, zooals 
sedert gebruikelijk was, de H. Diensten in beide kerken, niet 
dan met gi-ooten last voor pastoor en kapelaan kunnen verrigt 
worden ; 

willende aan het verzoek der menigte, ons door pastoor en 
kerkmeesters bekend gemaakt, zooveel mogelijk voldoen, hebben 
besloten : 

Den eerw. heer Nicolaas Vredeveld te zenden naar Voorhout 
als tweeden kapelaan van den pastoor van Sassenheim, onder den 
titel van Vicarius van Voorhout, met last om aldaar in het 
pastoriehuis zijn verblijf te houden, met regt om in die kerk alle 
pastoreele functiën, volgens de hierna te noemen beperkte 
jurisdictie, uit te oefenen, en met verpligting om in alle twijfel- 
achtige zaken den Eerw. Pastoor te raadplegen en aan zijn B^erw's 
oordeel onderworpen zich te gedragen. 

Het geestelijk gebied van den Vicarius van Voorhout zal zich 
uitstrekken over alle huisgezinnen en personen, welke onder het 
burgerlijk regtsgebied van Voorhout wonen, behalve die, welke 
hunne woning of verblijf houden aan de zoogenaamde Oude 
Postbrug, langs de Zandsloot over de Oude Heeren-iccg te beginnen 
met de boerenwoning thans bewoond door Teun Ruiten tot de 
Teilinger-laan. Vervolgens van de zoogenaamde slagboom in het 
dorp Sassenheim, alle die op de Teilingerlaan aan de regterzijde, 
alsmede alle die langs Bergendaal op de zoogenaamde Looster-weg 
wonen, waaronder begrepen is het Mallegat tot de woning bijge- 
naamd de Blaek, thans bewoond door Piet Hogervorst inclusief. 

Alle die binnen deze kerkelijke grenzen wonen, blijven onder 
de parochieele jurisdictie van Sassenheim en over dezen wordt 
aan den Vicarius van Voorhout geen geestelijke jurisdictie 
gegeven. 

Aldus bepaald te Leyden den 24 Nov. 1843. 

P. A. Kervel. 

Aartspriester. 

Nicolaas Vredeveld was in 1 804 te Dordrecht geboren 
en in December 1829 tot priester gewijd. Hij was kape- 
laan te 's Heerenhoek, Roelofarendsveen, Dordrecht en 
Assendelft, en van 1833 — 1842 missionaris op Java. 
In 1843 werd hij als tweede kapelaan gezonden naar 
Sassenheim met den titel van Vicarius te Voorhout. 



96 

Van 1851 — 1866 was hij pastoor te Wijk aan Zee, 
waar hij den jen Februari 1866 kwam te overlijden. 
Ofschoon vicarius Vredeveld door den aartspriester 
van Banning geteekend wordt als »de communi mar- 
tyrum sed humïlïs et devotus^ i), schijnt toch de ge- 
schapen kerkelijke toestand geene bevrediging bij de 
partijen gewekt te hebben. Want den 15611 April 1844 
werd bij wijze van proefneming in den Paaschtijd 
>om eenige misnoegdheid uit den weg te ruimen* in 
de bijkerk van Sassenheim, te Voorhout, een deservitor 
aangesteld in den persoon van den eerw. Heer H. 
Wolkemeijer. En al was deze » proefneming « den 
katholieken van Voorhout welgevallig, zij wilden verder 
en wenschten eene afzonderlijke gemeente te zijn met 
een eigen pastoor. Zonder omwegen openbaarden zij 
den iSeTi October 1844 opnieuw hunne verlangens aan 
de kerkelijke overheid. 

De leden der catholijke gemeente van Sassenheim en Voorhout, 
die meest in de nabijheid der bijkerk te Voorhout wonen, her- 
nieuwen bij dezen hun meermalen gedaan verzoek om tot eene 
afzonderlijke Gemeente met bezit van een eigen pastoor verheven 
te worden. Wij herhalen bij deze onze bereidwilligheid om ons 
aan de schikkingen te onderwerpen, die de geestelijke overheid 
zal goedvinden te bepalen, en inzonderheid ten aanzien van de 
goederen, of bezittingen eu het geestelijk regtsgebied. 

Omtrent de goederen verzoeken wij, dat de kerk en belendend 
huis voor pastorie bestemd en alle vaste goederen en effecten 
staande ten name van de kerk van Voorhout aan de Voorhoutsche 
kerk worden toegekend, terwijl de overige goederen verblijven 
aan de kerk van Sassenheim. 

Ten aanzien van het geestelijk regtsgebied nemen wij er ge- 
noegen in, dat de thans gevolgd wordende omschrijving ook 
voor het vervolg bepaald worde. 

Thans was de tijd voor de afscheiding rijp, ofschoon 
nog enkele maanden met wikken en wegen zijn 



') De onderstreping is van mij. 



97 

voorbijgegaan. Den lyen Juni 1845 werd door den 
aartspriester Kervel aan den Minister van Eeredienst 
van de kerkelijke scheiding tusschen Voorhout en 
Sassenheim kennis gegeven. 

Aan den Mniistfr van Eeredienst ! 

De catholijke Gemeente van Sassenheim en Voorhout bezit 
sedert ruim dertig jaren et-ne bijkerk in het dorp Voorhout; 
de afstand dezer beide kerken is die van een uur gaans, doch 
bemoeilijkt voor de voetgangers door de wegneming van een 
overpad over een buitengoed door een nieuwen eigenaar. De 
hieruit ontstane onaangenaamheden tusschen de cathoUjke be- 
woners van Voorhoiit en hun pnstoor, hebbeu bij genen den 
wensch en het verzoek doen ontstaan om een eigen pastoor van 
Voorhout te mogen bezitten. De Herw. Heer J. C. F. de Mol, 
pastoor van Sassenheim en Voorhout heeft, schoon onschuldig 
in de aanleidende oorzaak, bewilligd, dat dezulken der inwoners 
van Voorhout, die uit den aard der ligging hunner woningen 
dichter bij de kerk van Voorhout dan bij die van Sassenheim 
wonen, tot eene afzonderlijke Gemeente van zijne jurisdictie 
worden afgezonderd. 

Na eene locale inspectie der wegen en vaarten, die tot eene 
duidelijke en zekere limiet-scheiding, die tevens tot gemak der 
Gemeentenaren zou kunnen strekken, is door ons de volgende 
limieteering der beide paroc'hiën met wederzijdsch genoegen 
gemaakt. 

De geestelijke jurisdictie voor de catholijke Gemeente van 
Voorhout zal zich uitstrekken van den Noordwijkerhoek langs de 
trek vaart tot d.n tolboom bij de postbrug. Vervolgens van de 
v/oning genaamd Carlée, gelegen aan den Rijnsburgschen weg, 
het geheele dorp Voorhout tot 's Gravendam, terwijl al diegenen, 
welke aan de linkerzijde ten noorden van den Loosterweg wonen 
tot de zoogenaamde Mallegatsbrug hieronder zijn begrepen ; 
eindelijk behooren tot de catholijke Gemeente van Voorhout al 
diegenen, welke aan de Zandsloot wonen op de zoogenaamde 
Groene-laan tot aan den ouden Heereuweg, hieronder ook be- 
grepen de ü'oning van ouds genaamd »Hoog-Teilingen«. 

De bewoners, schoon burgerlijk onder Voorhout wonende, van 
den ouden Heerenweg, te weten van de woning van ouds ge- 
naamd '•Laag Teilingen« tot aan de Munnikenlaan, allen die aan 
de zuidzijde van den I.ooslerweg wonen, zijn en blijven met de 
catholyken van Sassenheim onder de geestelijke jurisdictie van 
Sassenheim. 



98 

Ter -wering derhalve der tot dusverre bestaan hebbende, en ter 
voorkoming van nieuwe onaangenaamheden, hebben wij onze 
toestemming tot die scheiding en oprichting der nieuwe kerke- 
lijke Gemeente van Voorhout gegeven, en hebben de eer Uwe 
Excellentie bij deze daarmede bekend te maken, om die in de 
registers van den Staat te kunnen opnemen, alsmede om den 
Eerw. Heer Henricus Wolkemeijer, die sedert een jaar de H. 
Diensten in de kerk te Voorhout als deser\ator verricht heeft, in 
zijne kwaliteit als pastoor van Voorhout een jaarwedde te willen 
toekennen.* 

De eerw. Heer Wolkemeijer werd den 27e" Sep- 
tember 1S45 ^ot eersten pastoor benoemd der nieuwe 
statie Voorhout. 

Blijkbaar heeft pastoor de Mol, van Sassenheim, de 
afscheiding' van Voorhout ook om geldelijke bezwaren 
zoolang mogelijk tegengehouden. Want den 25eri Oc- 
tober 1846 richtte hij tot den Minister v^an Eeredienst 
een verzoekschrift om hooger salaris uit "s Rijks schat- 
kist. En de aartspriester ondersteunde deze aanvrage 
* omdat door de afscheiding van Voorhout de inkom- 
sten van den pastoor, die geheel uit vrijwillige giften 
bestaan, grootelijks verminderd zijn, te meer nog daar 
de meest gegoede landslieden van de vroeger vereenigde 
Gemeenten tot die van Voorhout behooren.« 

Ten slotte blijkt uit het aartspriesterlijk archief, dat 
de verhouding tusschen de katholieken en niet- katho- 
lieken te Voorhout van bijzonder vriendschappelijken 
aard was. Want den 2ien Juni 1847 verzocht het 
kerkbestuur van Voorhout om eenige partijen land, 
welke gemeenschappelijk eigendom waren van de 
Katholieken en de Hervormden, onderling te mogen 
verdeelen, waarop door den aartspriester goedgunstig 
beschikt werd. 

J. C. VAN DER Loos. 
Nieuwerkerk a'd IJsel, 
S. Antonius, Abt. 1917. 



DE CISTERCIËNSER-ABDIJ VAN LOOSDUINEN. 

Aan%'u]ling op de lijst der biechtvaders, 
Bijdr. XXXVII (1917) 445-451. 



Door eene vergissing kwam de proefdruk van mijn 
opstel over Loosduinen, Bijdr. XXXVII, 445, niet in 
mijne handen, waardoor eenige veranderingen en 
aanvullingen, voornamelijk ontleend aan het Archiej 
voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis i), niet konden 
aangebrcicht worden. Zij vinden nu hier plaats. 

De biechtvader van Loosduinen, Arnoldus Petri 
Katwyck, die 15 10 overleed, na 25 jaar confessor 
geweest te zijn, en die naar zijn naam te oordeelen 
afkomstig moest zijn uit een der Hollandsche Cister- 
ciënserkloosters, is zonder twijfel dezelfde, als Arnoldus 
Katwijck, prior van Monnikendam en Warmond. 
1462 onderteekende de monnik Arnoldus Katwijck 
het reglement der insluiting van zijn klooster War- 
mond. Door zijn prior, Wilhelmus van Schoonhoven, 
werd xArnoldus Katwijck, supprior te Warmond, 1465 
beroepen naar Monnikendam om aldaar in het Fran- 
ciscanerklooster, Galiilea, de wetten en gebruiken der 

') I). J. ]M. W ü S t e n 11 o f f, De priorij Galiilea nabij Monniken- 
dam, VI (1898), 132, 306 — 3:0; Bijdr. Bisd. Haarl. XXX (1907), 
373. 3S3 ; XXXIII (1910), 29, 38. De lezer gelieve in liet vorige 
deel van dit tijdschrift te verbeteren, blz. 447, de abdis van S. Clara 
in : de abdis van Loosduinen Clara ; blz. 450, v. d. Piinte in : v. d. Pntte\ 
blz. 449 onderaan Obitiiarium Soc. S. Bernardi Schldm'ww Obitttariutn 
Loei S. Bernardi ad Schaldim, 



lOO 

Cisterciënserorde in te voeren en den eersten prior van 
het klooster te zijn. Romer, Gesch. overz., vermeldt 
wel, dat de eerste prior uit de Cisterc. orde een 
Warmonder monnik Mattheus was (hij komt niet voor 
in de doodenlijst van Gallilea), maar een oorkonde van 
de insluiting van Gallilea, 12 Juni 1466, zegt uit- 
drukkelijk, dat deze insluiting geschiedde met toestem- 
ming van fr. Arnoldus Katwijck, eersten prior van 
Gallilea na den overgang tot de Cisterciënsers. Ver- 
volgens werd Arnoldus tot prior gekozen in Warmond ; 
9 Xov. 1471 komt hij nog voor als prior van Gallilea 
in eene oorkonde. Volgens bijzonder voorschrift der 
Collegatie van Sibculo, waartoe Warmond en Galilea 
behoorden, moest hij in het klooster zijner professie 
de keus tot prior aannemen en het bestuur in Gallilea 
laten varen. Zijn opvolger in Gallilea bestuurde het 
klooster slechts ruim een jaar; de daaropvolgende prior 
gekozen 1473 overleed na een half jaar 1474; prior 
Arnoldus was dus 1472 gekozen in Warmond. Na 
eenige jaren werd hij in Warmond ontheven van het 
bestuur en daarop weder in Gallilea tot prior gekozen. 
Als zoodanig komt hij voor 24 Jan. 1482. Nogmaals 
nioest hij het prioraat van Monnikendam verwisselen 
met Warmond. Lang heeft hij Warmond niet bestuurd, 
want 1486 was aldaar een andere prior. Arnoldus Petri 
Katwijck, die 1485 confessor werd in Loosduinen en 
aldaar overleed 15 10, oud 70 jaar, is niemand anders 
dan de gewezen prior van Gallilea en Warmond. 

Reeds voor Arnoldus was een monnik van Gallilea 
v\'erkzaam geweest in Loosduinen, n.1. Theodoricus 
Petri Meersen van Amsterdam. Hij had verschillende 
ambten bekleed, zoowel in zijn klooster als in het 
prioraat van Zierikzee, toen dit van de Franciscaner- 
orde overging naar de Cisterciënsers. Na zijn terug- 



lOI 

keer in Gallilea werd hij gezonden naar het klooster 
der Cisterciënsernonnen van Loosduinen (ubi stetit 
aliqua tempora), vanwaar hij weerkeerde naar GalUlea 
om cellier te worden en waar hij in 1505 overleed. 
In Loosduinen was hij dus vóór 1485, jaar waarop 
Arnoldus confessor werd. ^) 

Dat Gallilea in nadere betrekking stond tot Loos- 
duinen, kan men ook besluiten uit het volgende feit. 
1494 werd de zieke monnik, Henricus Warmboldi, 
naar Loosduinen gezonden, om door verandering van 
lucht en omgeving genezing te vinden. Wellicht dat 
de enkele brieven van Loosduinen, volgens D. Wüs- 
tenhoff, bewaard in het H.S. van Gallilea, dat berust 
in het gemeentearchief te Monnikendam, nadere aan- 
duidingen geven over de betrekkingen van Loosduinen 
met Gallilea. 

J. Fruytier, o. Gist. 

Hontenisse, i Nov. 19 17. 



') De biechtvader van IvOosduiuen, Johauues van Amsterdam, 
die 15 17 door den abt van Oldeklooster benoemd werd om het 
nonnenklooster Steeukerke in Friesland te bestureu, was waar- 
schijulijk dezelfde persoou, als de oud-prior van Warmoud, Johauues 
Verhaeck. Deze bestuurde de priorij Hemelspoort te Heemstede 
1470 en stond gedurende 15 jaren (1485 of 86 — 1500 of 1501) 
aan het hoofd van het klooster te Warmond, waar hij vervolgeus 
nog werkzaam was als subprior. Hij overleed hoog bejaard als 
senior der monniken van Warmond in Friesland. Onder den naam 
van Johannes Peterz van Friesland, 1492, komt hij voor op de lijst 
der priors van Warmond. Hij kan dus Loosduinen bestuurd 
hebben na den dood van Arn. Katwijck, 15 10. (Bijdr. Bïsd. Haarlem, 
XXXin, 38, 43; liist. ep. Ultraj. 508, 527.J 



DRIE MERKWAARDIGE BESCHEIDEN 

BETREFFENDE EEN ABLUTIEKELK 

UIT DE OUDE S. NICOLAAS TE AMSTERDAM. 



In het archief van de St. Annakerk te Amsterdam 
(thans Wittenburgergracht 5) bevinden zich drie belang- 
wekkende schriftstukken omtrent een ablutiekelkje, 
waarvan de afbeelding hierneven gaat. en dat thans 
bewaard woidt in het Museiim ^Amstelkring^ te Am- 
sterdam. Hoe zij daar gekomen zijn, valt gemakkelijk 
te verklaren uit het feit, dat de tegenwoordige St. 
Annakerk is gekomen in de plaats van de oude St. 
Annakerk, genaamd >de PooU, welke gelegen was 
op >d'Ygracht«; wij zouden zeggen : Prins Hendrikkade 
b/d. Schippersgracht. 

De kerk >de Pool« namelijk was na de oprichting 
der parochiën, de bijkerk van het oude St. Nicolaas- 
kerkje, genaamd >het Haantje «, waarschijnlijk zoo 
genoemd naar » Heintje Hoeksteeg« i) op de Oudezijds 
Voorburgwal, waar 't kerkje gelegen was. Het kerkje 
bestaat nog als » Museum Amstelkring« en is zelf 
wel het merkwaardigste onder de daar bewaarde oud- 
heden, niet alleen als interieur, maar ook omdat het 
ons zoo levendig in de herinnering brengt, hoe onze 
Roomsche voorouders wegens den nood der tijden 
hebben moeten » kerken « op zolders van pakhuizen, 



') In de omgeving van Kattenburg spreken de nienschen nog 
van Hain in plaats van Hnn. 










-V 



u 



Al- 



DIT GLAS IS IN KATHKIA'KE TVDEN GEBKUVKT IN D'OUDE 

KERK T'AMSTERDAM OM D'ABLUTIE AEN DE COMMUNICANTEN 

ER MEDE TE GEVEN. 



I03 

om zoo in het verborgen hunne katholieke godsdienst- 
oefeningen te vieren. In den volksmond heette dan 
ook het kerkje aan de Heintje Hoeksteeg: »0. L. H. 
op Zolder. « 

De pastoor van >'t Haantje* nu woonde in de pas- 
torie van de bijkerk »de Pool* en zoo is 't gemakkelijk 
te verklaren, dat onder andere bescheiden, welke van 
»het Haantje« naar »de Pool« verhuisden, ook deze 
door pastoor Gompertz z.g., destijds kapelaan in de 
»Poolskerk«, werden gevonden, en als ^drie ctirieuse 
scripta^ geregistreerd onder n^. LXXI van het Archief. 

Dit scheen echter niet zoo algemeen bekend te zijn. 
Bij mijn bezoeken ten minste aan het Museum »Amstel- 
kring* is mij bij het vertoonen van het aldaar zorg- 
vuldig bewaarde ablutiekelkje — door den Custos 
gevraagd, of mij iets bekend was van eenig geschrift 
omtrent dit kelkje. Later werd mij èn door pastoor 
Evers èn den heer Wilde, bestuursleden van het 
Museum, dezelfde vraag gesteld. Gelukkig kon ik 
hunne belangstelling bevredigen en de drie scripta 
vertoonen. De heer Wilde zorgde voor eene duidelijke 
photographie van het kelkje en vroeg mij, een en 
ander bekend te maken in 'de » Bijdragen van het 
Bisdom van Haarlem « en voor de afbeelding van het 
kelkje daar een plaatsje te vragen, wat mij door den 
Hoogeerw. Heer Mgr. J. J. Graaf welwillend werd 
toegestaan. 

Het eerste en oudste der drie curieuse scripta is 
den lezer reeds bekend, omdat het onder de afbeelding 
van het kelkje in dit opstel geplaatst is. De inhoud 
is als volgt : 

»Dit glas is in kathelyke tyden gebru3^kt in d'oude 
kerk t' Amsterdam om d'ablutie aen de communicanten 
er mede te geven.* 



I04 

Het tweede luidt aldus: 

»Annotetur pro posteris. 

»A0 1743 (i&^^ 7 Novemb. voormiddag heeft Judocus 
»Haak dit glaese kelkje (met een zilvervoet onder- 
»slae3'n) aen mij (van Alkmaar overgebragt) behandigd, 
^voorgevende in de mijne pastoreije te behooren, a!s 
» zijnde afkoomstig der pastoreie van S. Nicolaus 
»(alhier d'oude kerke genoemd). Dese Judocus behan- 
»digdt dit mij uit order van zijn oud-oom, de Zeer 
»Eerw. Heer Petrus T'Zul, te Alkmaar overleden 
>den .... i743.« 

»Bij dit glaesse kelkje is een briefje gevoegdt, maar 
»sonder naem, of dag, of jaar of plaatse, en wiens 
»handschrift het is, is mij onbekend, luidt aldus. « 

Dit briefje is het eerste der drie scripta, reeds ver- 
meld. 

De schrijver van het tweede biiefje, waarin gelezen 
wordt ïaen mij behandigt, voorgevende in de mijne 
pastorye te behooren*, deze moet zijn de Jansenisti- 
sche pastoor Gislenus Priem, die van 1736 de S. 
Nicolaaskerk van den Cingel had overgebracht naar 
den Voorburgwal Nieuwe Zijde, zesde huis van de 
Lijnbaansteeg i). 

Het derde der scripta luidt aldus: 

» Waarschuwing 
»Voor mijn kindere en verdere Naakomelingen 
»AIsoo den Eerw. Heer Petrus Borger, geweesene 
» Pastoor der Janseniste, in onse kerck, op de N. Z. 
sAgterburgwal, toegev.ijd aan St. Nicolaas, maar naa 
»dato tot de waare R. C. Kerck, overgegaan, dese 
»nevensgaanden kelck, die ten tijde der geloovige. 



*) Aauteekeniug vau Mgr. J. J. Graaf, ontleend aan Bijdr. v.H., 
XIV, bl. 453. 



I05 

»naa de uytdeeling der alder H. Communie, /;/ de oiide 
■*Kcrk aan Si. N'icolaas tnsgelykx tocgezvyd gebruykt 
»\virt, bij syn verandering', aan mijn vader Judocus 
>Haak en heeft ter hand gestelt, zoo dient tot naarigt 
»m3''ner kindere of erfgenaame, dat wij dese kelck als 
»een a,utenticq stuk, in bevvaaring houde en gee7i 
•H'ygendotn va?i ons is, maar soo draa het God behaagde, 
»dat in de oude kerck den waare R. C. Godtsdienst, 
» weder gecelebreert wirt, of dat onse kerck op de 
»N. Z. x\gterburgw. onder een wettig R. C. Priester 
»gebragt wirt, dan soude man verph'gt syx\, den selve 
j'Overtegeve, onder conditie, dat dusdaanige Priester, 
>een Notarieele handiekening gaf, dat die kelck ten 
«Eeuvv'ige Daagen in onse kerck sal bewaart worde, 
f. om dat deselvc tiaa de zoogenaamde Reformatie daarin 
•^overgebragt is en s'jaarlykx aan imand van de Familie, 
»verpligt sal syn, om die te laate sien op verbeurte 
»van 500 gld ten voordeele van den R. C. Armenhuys, 
»of Comptoir dit versoeke dat alles stiptelyk wert 
»naagekome.« 

»Jan Christ" van Anrae. « 

» Amsterdam, 12 July lygo.* 

Da.t er in dit 3de der scripta — van 1790 — gezegd 
wordt: »op de N. Z. y^^/i?;' Burgw. (het tegenwoordige 
Spui) maakt <g^QX\ bezwaar, want Bernard de Bont 
teekent aan [Bij dr. XIV, blz. 450) : »Deze kerk had 
zoowel een ingang op den Voor- als Achterburgwal.* 

De hierboven genoemde pastoor Priem werd den 
30 Mei 1749 opgevolgd door Petrus Borger {Bijdr. 
XIV, blz. 454), in het derde der scripta genoemd. 
Deze Petrus Borger verliet in 1768 het schisma en 
moest daarom de pastorie verlaten {Btj'dr. ibid). De 
kerk bleef tot in 1803 aan de Jansenisten, maar deze 



io6 

statie stierf uit, en op 17 Maart zeide Joës Nieuwenhuys 
(de latere pseudo-b'sschop van Haarlem) de huur op 
aan J. C. van Anrae (den onderteekenaar van het 
derde briefje), die denkelijk onder pastoor Borger ook 
wel zelf Jansenist zal zijn geweest, maar die in dit 
briefje (ten jare 1790) genoeg bewijs geeft van zijn 
katholieke belijdenis: 2>of dat onse kerck op de N. Z. 
» Agterburgwal onder een ivcttig R. C. Priester ge- 
»bragt wirt.« 

Bij deze toelichting, mij verschaft door Algr. Graaf, 
vermeld ik ten slotte gaarne diens vermoeden omtrent 
de geschiedenis van het kelkje: *Jacobus 't Zul, 
Jansenistisch Pastoor der St. Nicolaaskerk zal het 
kelkje gegeven hebben aan Pastoor Petrus 't Zul, 
Jansenistisch Pastoor van Egmond«, oud-oom van 
Judocus Haak, die het kelkje aan den schrijver 
van het tweede briefje heeft »behandigt«, waardoor 
het teruggegeven is aan de R. K. Statie: St. Nicolaas 
(»het Haantje*), omdat het van de oude R. C. St. Nicolaas 
of »oude Kerk« afkomstig was. i) 

F. W. DE Rooij, Pr. 
Amsterdam, St. Annakerk 
April 19 17. 



') Voor de goed geslaagde afbeeldingen van het kelkje en het 
handschrift, zegt de Redactie hartelijk dank aan de vrijgevigheid 
van pastoor de Rooij, die ze bekostigd heeft. 

Red. 



NIEUWERKERK a. d. IJSEL. 



Het tegenwoordige dorp Nieuwerkerk a. d. IJsel, 
vroeger eene ambachtsheerlijkheid van het baljuwschap 
Schielandi), grenst ten Noorden aan Moordrecht, ten 
Zuiden aan Capelle, ten Oosten aan den IJsel en ten 
Westen aan Hillegersberg, thans Rotterdam. Het dorps- 
wapen is een getongde leeuw van goud op een veld 
van zilver. De bevolking moge in getalsterkte zijn 
toegenomen: in 15 14 waren er 62 haardsteden,'-) in 
1749 stonden op de oudste der verpondingen 161 
huizen en op de laatste 300 3), op het oogenblik telt 
de gemeente ongeveer 3000 inwoners; maar in de 
wijze waarop zij in haar onderhoud voorziet, is in den 
loop der eeuwen geen noemenswaardige verandering 
gekomen. >Lantneringe«, daaronder verstaan landbouw 
en veehandel blijft haar voornaamste tak van onderhoud, 
benevens visscherij, waarover reeds in oude stukken 
gesproken wordt. Ook van steenbakkerijen en touw- 
slagerijen wordt reeds vroeg melding gemaakt. De 
tuinbouw, welke op het oogenblik onder Nieuwerkerk 
ijverig beoefend wordt — er bestaat zelfs reeds een 
veilingsgebouw — dagteekent eerst uit de laatste jaren. 

Zelfs in de oudste keuren van Schieland, die uit de 



') Houve , Matthijs van der: Hantvest of Chartre Chronyck, tot 
Leyden bij Jau Jansz,. van Dorp ende Dirck Maire, 1636, dl. I, 
blz. 100, 134. 

2) Informacïe npt stnck der verpojidinghc : blz. 487. 

3) Tegemvoordige staat der Vercenigde Nederlanden : te Amsterdam 
bij Isaak Tirion, 1749, dl. VII, 'jIz. 24 — 25. 



io8 

15e eeuw dagteekenen, wordt van »scouwen«, van »ver- 
huyren ende weyden van den dyc« gesproken als op 
den^dag van heden. Alleen de »drayboom an Corten- 
oirde«, waarbij zij moesten betalen, die langs den 
»'s-Gravenwech« kwamen, en het verbod van boom- 
gewas langs den weg, behooren- tot het verleden. ^) 

Van de Hoeksche en Cabeljauwscho twisten, die 
omstreeks het jaar 1400 de bewoners dezer streken 
verdeelden, heeft Nieuwerkerk blijkbaar zvraar geleden, 
want reeds in 1401 wordt Nieuwerkerk door hertog 
Albrecht van 6 riemen op 3 teruggebracht-) en in 
1407 door graaf V/'illem zelfs van alle » verschuldigde 
hofdienst« ontslagen. 2) 

Het dorp Nieuwerkerk ontleent zijn naam aan zijn 
ouderen overbuur, aan de overzijde des IJsels gelegen. 
Ouderkerk; vandaar dat ook zijne kerkgeschiedenis 
van jongeren datum is. 

Steunende op bestaande geschiedbronnen kan de 
ouderdom der parochie worden vastgesteld op het einde 
der 14e eeuw. Want in het zoogenaamde tienden- 
register dat over de jaren 1275 — 1280 loopt, en waarin 
de inkomsten geboekt werden, welke door de bestaande 
parochies in het bisdom Utrecht werden opgebracht, 
ten bate van het H. Land, komen wel Moordrecht en 
Capelle voor, maar ontbreekt Nieuwerkerk.^) Doch in 



') Rotterdamsch Jaarboekje, P. M. Bazeudijk, Rotterdam, 1S99: 
blz. 246, 248 — 250, 258, 272. 274 — 275; id. J900: blz. 174, 211. 

2j Riemeu of roeiers waarmede een dorp den laudslieer moest 
dienen. 

3) Deze stukkeu eens berustende in het Gemeente-archief, behoo- 
reu thans tot het Rijksarchief. 

■*) Joosting, J. G. C. en Muller, S. Hz. : Bronnen voor de ge- 
schiedenis enz. 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1906, dl. I, blz. 
10, 20, 21, 23. 



log 

de rekeningen der domfabriek, welke in ouderdom op 
het tiendenregister volgen, en waarvan de oudste dag- 
teekent van liet jaar 1395, komt de parochie Nieuwer- 
kerk voor, als brengende hare jaarlijksche gave voor 
den afbouw van den Utrechtschen dom. En geheel in 
overeenstemming met hetgeen wdj wisten van haren 
maatschappelijken toestand en van hare latere stich- 
ting, zijn de opbrengsten van Nieuwerkerk, vergeleken 
bij hare gezusters in de buurtschap, gering. ') 

Naar den ouderdom van de tegenwoordige kerk te 
oordeelen, zou men kunnen meenen, dat daaraan nog 
een ander kerkgebouw is voorafgegaan. Volgens de 
Voorloopige lijst der Nederlaudsche nionitmentcn van 
geschiedenis en kicnsi dagteekent de kerk uit het 
begin der ló^ eeuw;'-) zij is van baksteen opgetrokken, 
een eenbeukig gebouw met vier vensters in de lengte 
en gedekt door een houten tongewelf. Voor het priester- 
koor, dat door eene houten betimmering van het schip 
der kerk is afgescheiden, sta.at de predikstoel, waar- 
aan een koperen lezenaar uit de 17e eeuw. De drie 
koperen kronen, welke de kerk moeten sieren, wor- 
den zelf ontsierd door aangebrachte petroleum-lampen 
op ijzeren armen ; op een der trekbalken, die de ver- 
zakkende en scheurende muren schragen, staat het 
jaarcijfer 1676; door de gsheele lengte der kerk loopt 
een bint, naar men mij zeide, aangebracht om de 
zoldering te beter te kunnen ragen; de eikenhouten 
en goed-gesneden koorbank is met eene dikke verflaag 
gedekt; de schoorsteenmantel, stijl Lodewijk XV, in 
de consistoriekamer, is in verval ; de constructief fraai 



') L. c., blz. 84, tig, 150, 220. 

2) Deel III, de provincie Zuid-Hollaud, Utrecht, A. Oosthoek, 
1915, blz. 261 — 262. 



I lO 

opgaande toren met kruisgewelf aan de westzijde der 
kerk is als toegang voor het publiek, om wille van 
zijnen bouwvalligen toestand, buiten gebruik gesteld. 
En toch hoe deze dorpskerk ook zichtbaar gedrukt 
gaat onder den last der eeuwen en uitwendig door 
bij gebouwtjes wordt ontsierd, blijft zij niettemin door 
haar rustigen bouwtrant en deftigen eenvoud, gelegen 
op eene verhevenheid en omrijd door hoogopgaande 
boomen, een te waardeeren gedenkteeken van oud- 
PïoUandsche bouwkunst, i) 

Op kerkelijk gebied behoorde de parochie Xieuwer- 
kerk tot het aartsdiaconaat van Oud-AIunster of Sint 
Salvator en werd gerekend tot het decanaat tusschen 
Lek en IJsel.2) De lijsten der parochiën en vicariën, 
welke eertijds onder Oud-Munster ressorteerden, zijn 
nog onbekend, zoodat het kwalijk gaat van de parochie 
Nieuwerkerk de volledige reeks van herders te laten 
volgen, die haar bedienden. Van elders is ons Elbout 
Dircxsz. bekend, die in 1494 pastoor te Nieuwerkerk 
was en 58 jaren telde.-') Toen in 15 14 de grafelijke 
belastingheffers te Nieuwerkerk kwamen om inlichtin- 
gen, was de pastoor »cranck«, en konden schout en 
burgemeesteren slechts antwoorden, dat, naar hunne 
meening, de parochie 250 communicanten telde; dat 



') De opschrijver der Nederlaudsche nionumenteu te Nieuwer- 
kerk telde vier kronen, in werkelijkheid zijn er drie; ook maakt 
hij melding van eene 18 d'eenwsche tafel in de consistoriekamer; 
bij mijne inspectie deu 2461 Maart 1916, vernam ik, dat de tafel 
voor een flinken prijs was verkocht. Aau de Rijks-Commissie moet 
immers kennis gegeven worden, indien het voornemen bestaat tot 
herstelling, verbouwing of vervreemding der kunstvoorwerpen 
over te gaan ? 

') Ket-kelijke Historie en Ozitkeden: te Leiden bij Dirk Haak enz. 
1726, dl. II, blz. 461; Bijdr. V. H.: dl. XV, blz. 94. 

3) Bijdr. V. IL: dl. III, blz. 303, 



1 1 1 

er onder de parochie landerijen lagen, welke aan het 
St. Ursiila-convent en aan het St. Hierony mus-klooster 
te Delft in eigendom toebehoorden ; dat er ook lande- 
rijen waren, welke aan het St. Eewouts-altaar te 
Schiedam en aan het H. Kruis-altaar te Rotterdam 
behoorden. ^) 

Het is eene treurige waarheid dat de priesters, die 
in de tweede helft der i6e eeuw het geestelijk bestuur 
voerden over deze streken, door hunne onrechtzinnige 
geloofsleer en lichtzinnig levensgedrag tot den afval 
van zoo goed als de geheele katholieke bevolking het 
hunne, wellicht wel alles, hebben bijgedragen. Wat 
elders geschiedde, gebeurde ook hier: de herder sloeg 
den doolweg in en de kudde volgde. 

Immers blijkens de visitatie gehouden in 1567 door 
Judocus Burgeois w^as de pastoor van Nieuwerkerk 
Aegidius Cornelisz. »apostata« en »concubinarius« ; 
geen wonder dat hij omtrent het zedelijk gedrag zijner 
parochianen ondervraagd, getuigen moest, dat velen 
van hen door de ketterij besmet waren, maar de kerk 
noch hare beelden hadden eenig nadeel ondervonden. 

Over het beheer der kerkelijke goederen w^erd jaar- 
lijks op het feest van 's Heeren besnijdenis door de 
kerkmeesters aan den pastoor en den schepenen reken- 
schap gegeven. Door den visitator vermaand, beloofde 
pastoor Aegidius Cornelisz. beterschap. 2) Of die ooit 
is ingetreden ? Wij weten noch gelooven het. Want in 
1578 was Hermanus Merling predikant te Nieuwerkerk, 
een gewezen kruisheer uit het klooster te Asperen, 
die reeds als bedienaar van het gezuiverd Evangelie 
te Ridderkerk had dienst gedaan. Door den rentmeester 



') Infortnacie: blz. 487; Bïjdr. v. H.: dl. XV, blz. 48 — 49. 
2j Verslagen van kerkvisitaiié'n in het bisdom Utrecht uit de 16e eeuw : 
Amsterdam, Jolianues Muller, 191 r, pag. 370 — 371; 374. 



der genaaste kloostergoederen was aan Merling de 
noodige alimentatie niet uitbetaald; weshalve hij over 
dit verzuim zijn beklag deed bij den Prins van Oranje, 
die bij schrijven van lO Mei 1584 den rentmeester 
verzocht aan Herm.anus Merling >de toegeseyde ende 
geordineerde alimentatie* te latep toekomen. ') 

Onder den predikant Merling heeft het kerkelijk 
leven zijner gemeente blijkbaar te wenschen over- 
gelaten. Want op de S3'node, den 30^" Augustus 1588 
te Schiedam gehouden, gaan er klachten op »over de 
onordeninge« »in de kercke tot Nieuwerkercke« »datter 
geen ouderlingen ende geen diaconen en zijn«.-) En 
gewis stond dit geval niet alleen. Want de consistoriën, 
zegt Schotel,-'^) w^aren door den nood der kerk gedwon- 
gen tot het predikambt toe te laten » onderwijzers, wier 
scholen door den oorlog verloopen waren, handwerks- 
lieden, wier ambachten stil stonden en die broodeloos 
waren, afvallige priesters en monniken, mannen en 
jongelingen van verschillenden stand en jaren «. »Een 
gansch verloop der kercke Christi stond te vreezen «, 
indien de Prins van Oranje door de stichting der Leid- 
sche Hoogeschool geen uitkomst bezorgd had. 

Hoeveel van de 250 katholieken, waaruit destijds de 
parochie Nieuwerkerk bestond, getrouw bleven aan het 
voorvaderlijk geloof, valt bij gemis aan bescheiden niet 
te zeggen. Trouwens, velen zullen er niet geweest zijn. 
Want als, volgens het getuigenis van hun eigen pastoor, 
ia 1567 velen reeds besmet w^aren met de ketterij, 
dan zullen er niet minder velen do-r de troebelen der 



') Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis; Leiden bij S. eu 
J. Luchtmans, 1849, dl. IX, blz. 216 — 21S. 

2) Reitsma en Van Veeti: Acta der provinciale en particuliere 
S\-uoden, te Groningen bij J. B. Wolters, 1893, dl. II, blz. 327. 

3) Schotel, G. D. J. : de openbare eeredienst der Nederl. Her- 
vormde Kerk, tweede uitgave, A. W. Sijtlioff, Leiden, blz. 251 — 252. 



113 

tijden in hun geloofsleven zijn verflauwd, en zal het 
getal katholieken slechts gering geweest zijn, dat voor 
het ontvangen der H. Sacramenten, het bijwonen van 
het H. Misoffer of het hooren van een stichtend en 
bemoedigend woord, onder allerlei gevaren, zich een 
langen en moeilijken gang naar verwijderde bedehuizen 
of verscholen schuren en stallen getroosten wilde. 

Toch was het katholieke geloof te Nieuwerkerk, blijkens 
officieele bescheiden, niet geheel uitgedoofd. Want m.eer- 
malen werd hier geestelijke hulp gebracht door Joachim 
Baaks, 1) door uit Gouda uitloopende priesters, 2) maar 
vooral door den pastoor van Hillegersberg, die in het 
slot van den Heer van Capelle een gastvrij onderdak 
gevonden had. 3) Of hij bij het Kralingsche Veer in 
in het St. Elbregtskapeiletje, in 1482 gesticht door 
Frans van Brederode, gouverneur van Rotterdam, of 
in het slot zelf de getrouwe katholieken verzamelde, 
blijkt niet nader; maar zeker geschiedde dat, toen de 
Heerlijkheid van Capelle met het slot door den 
graaf van Aremberg aan den rijken Rotterdamschen 
koopman Johan van der Veken was overgedaan. Dr. 
Wiersum zei daarover in eene voordracht den 1 1 Juni 
19 12 te Leiden, gehouden voor de leden van de Maat- 
schappij der Nederlandsche Letterkunde, volgens een 
verslag in het Algemeen Handelsblad :-i) 



') Bijdr. voor de Geschiedenis der R. K. Kerk in N'ederland, Rotter- 
dam, 1S8S, blz. 94, 114. 

2) Arch. V Utr.: dl. I, blz. 218; id. dl. XVII, blz. 465; id. dl. 
XVIII, blz. 32; id. dl. XX, blz. 363. 

5; Bijdr. v. H.: dl. XIX, blz. 176 — -177. Er bestaan van het 
slot te Capelle twee teekeningeu in oost-indiscbe inkt uit de 
18e eeuw. 

Het slot was in bezit van Margaretba van Henegouwen, het 
grafelijk geslacht van Areinberg, van J. van der Ve(e)ken, van de 
stad Gouda en D. Groenhout. 

*; Woensdag 12 Juni 1912. 

8 



114 

ïZooals het gewoonlijk gaat als een koopman pros- 
pereert, zoo ging het ook met Van der Veken : in 1 6 1 2 
kocht hij de heerlijkheden Kapelle en Nieuwerkerk en 
op het terrein van het oude slot liet hij eene nieuwe 
prachtige buitenplaats optrekken. Doch ook in de stad 
zelf had hij een vorstelijk ingerichte woning, waarin 
hij gastvrijheid verleende aan vriend en vreemdeling; 
want gastvrij was hij en ook weldadig. Maar tot lid 
der vroedschap kon hij het niet brengen. Want in 
tegenstelling met zijn broeder, den Brielschen burge- 
meester, was hij getrouw gebleven aan het geloof 
zijner vaderen, en het was grootendeels zijn werk, dat 
de uitoefening van den katholieken godsdienst te 
Rotterdam weer meer geregeld kon plaats hebben. De 
Rotterdamsche overheid zag ter wille van de Armi- 
nianen zoo nauw niet toe op de katholieken, liet ook 
Van der Veken zijn gang gaan, toen hij op zijn slot 
te Kapelle de groote zaal als Roomsche kerk liet 
inrichten, maar tikte hem dadelijk op de vingers en 
ging hem zijn collatierecht betwisten, toen hij in zijn 
heerlijkheid een arinhanger van Gomaris als predikant 
liet optreden. Bleef Van der Veken zelf katholiek, 
jegens andersdenkenden was hij zeer verdraagzaam*. 

En in de beide missieverslagen van den Vicaris 
Apostoliek, Philippus Rovenius, dagteekenend uit de 
jaren i6i6 en 1622, wordt van priesters gewag ge- 
maakt, die van Rotterdam uitloopen naar de naburige 
dorpen, waar het aantal katholieken voortdurend aan- 
groeit. Vandaar dat het Hof van Holland den 30^11 
Juli 1643 den baljuw van Schieland op het dreigende 
gevaar meende te moeten wijzen: »wij vernemen tot 
ons leetwesen .... dat de stouticheyt van de paus- 
gesinden in diverse plaetsen uwer jurisdictie, ende 
speciael^'ck binnen Hillegersbergh, Capelle, Cralingen 



115 

ende andere meer, van dage tot dage toencempt; dat 
tenzij daerinne met vigeur ende ernst werde voorsien, 
daeruyt geschapen sy onvermijdelyke en irreparabele 
swarigcheyt voor den Lande en den waren [gerefor- 
meerden] godsdienst te sullen ontstaen, waeromme wy 

mits deseii andermael wel scherpelyck aenmanen, be- 
lasten ende bevelen, dat u, als noch niet naer en laet 
het placcaet van 30 Aug. 1Ó41 tegen de contraven- 
teurs punctelyck ter executie te leggen sonder te blyven 
in gebreke».!) 

Intusschen was door de onvermoeide zorgen van 
Philippus Rovenius te Kralingen eene statie gesticht 
met Cornelis van Wyck tot pastoor, onder wiens herder- 
lijk bestuur behalve de dorpen Hillegersberg en Ca- 
pelle, ook Nieuwerkerk was gesteld. 2) Dit geschiedde 
in het begin van 1645, want het nog aanwezige doop- 
boek van Kralingen vangt aan den len Febr. 1645 en 
loopt in de volgende jaren geregeld door. Eene be- 
paalde woning voor den pastoor of eene vaste plaats, 
waar door hem gekerkt werd, schijnt niet bestaan te 
hebben. Gewis heeft hij onder den naam van Heeroom, 
dan bij dezen dan bij genen landbouwer een onderdak 
gevonden, en pleegde hij, na voorafgaande waarschu- 
wing door een klopje, hier in een stal of ginds in een 
hooihuis de katholieken tot den heiligen dienst te ver- 
zamelen. Want toen op last van het Hof van Holland 
in 1652 een onderzoek werd ingesteld naar de papen 
op de dorpen van Zuid-Holland, werd van Cornelis 
van Wyck alleen gemeld >dat hij te Cralingen was*. 
Hetgeen niet zou geschied zijn, zoo hij destijds eene 
bepaalde woning of een vast bedehuis gehad had. 



') Aangehaald iu de Katholiek; dl. LVIII, jg. 1870, blz. 367. 
2) Bat. Sacr.: p. II, pag. 207. 



ii6 

Pastoor Van Wyck, wiens portret in de pastorie te 
Kralingen hangt, stierf aldaar den ijen Sept. 1652. 

Bij oogluiking der plaatselijke overheid werd onder 
zijn opvolger, pastoor J. Rosse, die uit Vlaanderen af- 
komstig, pastoor was geweest te Kethel, voor de katho- 
lieken van Kralingen en naburige gemeenten een 
schuurkerkje gesticht op den Veenweg of Lange Kade. 
Wanneer dat juist is geschied, is niet bekend. Maai» 
tezelfder tijd ongeveer, in 1659, werd ook door pastoor 
Visscher te Moordrecht eerie statie gesticht, waarmede 
hij tevens de katholieken van Gouderak hoopte ten 
dienste te zijn. 

Of de katholieken van Nieuwerkerk door deze dub- 
bele stichting gedwongen waren eene keuze te doen, 
onder welke statie zij wenschten te behooren, meen ik 
te mogen betwijfelen. Wie immers der katholieken, die 
prijs stelde op zijn godsdienst, bleef te Nieuwerkerk 
woonachtig, zoover van elk bedehuis verwijderd, tenzij 
de nood of de aard van zijn bedrijf hem daartoe dwong? 
Vandaar dat onder de kathoHeken van Nieuwerkerk 
geen enkel oud-geslacht wordt aangetroffen. De oudste 
families, waartoe ik de Koolmeezen en de Moons zou 
rekenen, dagteekenen uit de i8e eeuw, en konden als 
kooplieden, beschikkende over eigen gerij, langs den 
's-Gravenweg zonder te groote bezwaren Moordrecht 
bereiken ter vervulling hunner godsdienstplichten. En 
sindsdien zijn zij, daar Kralingen toch altijd op verderen 
afstand gelegen was, gerekend geworden onder de 
statie Moordrecht te behooren. 

Onder het altijd bescheiden getal katholieken werd 
een weinig Vv'ijziging gebracht door de drooglegging 
van den Zuidplas-polder, waardoor eene oppervlakte 
van pi. m. 4000 H.A. grond boven water kwam. 
De eerste bebouwing geschiedde voor rekening van 



117 

het rijk; met den verkoop van den grond werd in 1841 
een begin gemaakt. Een voornaam gedeelte van dezen 
polder behoort tot de burgerlijke gemeente Nieuv\rer- 
kerk, waardoor mettertijd aan meerdere hofsteden of 
boerderijen het aanzijn gegeven werd. 

Later in 1874 volgde de droogmaking van den Prins 
Alexander-polder, welke voor gemeenschappelijke reke- 
ning van het rijk en de provincie ondernomen werd, 
en waardoor eene oppervlakte van bijna 3000 H.A. 
grond boven kwam.i) 

Als bijzonderheid worde hier vermeld, dat bij het 
droogleggen van dien polder eene Madonna van pijp- 
aarde, gezeten op een troon, gevonden werd. Het 
beeldje, dat uit het jaar 1500 wordt geschat, berust in 
het bisschoppelijk Museum te Haarlem. 2) 

Door de ondervinding is gebleken, dat de bodem 
van dezen polder zich bijzonder leent voor tuinbouw, 
zoodat ook deze tak van nijverheid zich langzamer- 
hand begon te ontwikkelen. 

De vermeerdering der bevolking in de gemeente 
Nieuwerkerk had ook vermeerdering van het getal 
katholieken tot gevolg; zoodat reeds in het midden 
der ige eeuw door de katholieken — maar tevergeefs — 
pogingen werden aangewend, om tot de stichting te 
geraken eener statie, afgescheiden van die van Moor- 
drecht. Maar dit streven werd reeds vroeger in deze 
Bijdragen door mij vermeld. 3) 

De afscheiding geschiedde eerst onder pastoor Bots 
den 3^11 Juni 19 12, waarbij aan de nieuw-opgerichte 



') Blécotirt, A. S. de: Ambacht en Gemeente, Zutfen, J. H. A. 
Wansleven en Zoon, 19 12, blz. 68. 

') Gids in het Bissch. Museum : 5e dr. blz. 24. 

3) Bijdr. V. H.: Moordrecht, dl. XXXVI, blz. 347, 350—351. 



ii8 

parochie behalve de burgerlijke gemeenten Nieuwer- 
kerk en Ouderkerk, ook een gedeelte van Zevenhuizen 
en Capelle, destijds behoorende lot Bergschenhoek en 
Kralingen, werd toebedeeld. 



Van de parochie werd de volgende grenslijn vastgesteld : 
»De lijn begint op den zuidelijken Dwarsweg aan den derden 
Tocht, gaat vandaar in zuidwestelijke richting langs genoemden 
weg op den zuideindschen weg aan ; loopt vervolgens noordweste- 
lijk langs genoemden weg tot den Middelweg, alwaar zij langs het 
huisje genummerd 304 in zuidwestwaartsche richting den Middel- 
weg volgend, recht op de Rotte aangaat en deze volgt tot aan 
de burgerlijke grens der gemeente Hillegersberg, even voorbij 
het huisje genummerd 4S0, alwaar de lijn in zuidwaartsche rich- 
ting de burgerlijke grensscheiding volgend der gemeenten Zeven- 
huizen en Nieuwerkerk eenerzijds en Hillegersberg en Rotterdam 
anderzijds, verder westwaarts loopt langs den Nieuwerkerkschen 
Tocht, vervolgens zuidwaarts langs den Middeltocht naar het 
stoomgemaal van den Prins- Alexauder Polder aan de Ringvaart; 
vervolgens gaat de lijn in oostwaartsche richting midden door de 
Ringvaart tot de Mient, volgt deze Mient in zuidelijke richting 
langs «Weltevreden*, dat tot Nieuwerkerk behoort, over den 
's-Gravenweg, onder de spoorlijn door, tot waar deze Mient bij 
het stoomgemaal door een sluis in den IJsel valt. Vandaar gaat 
de lijn in oostelijke richting door den IJsel, en is, zich zuidwaarts 
richtende, dezelfde als de burgerlijke grens tusschen Ouderkerk 
en Crimpen aan den IJsel tot aan de grens der gemeente Lekker- 
kerk, alwaar het grondgebied der parochie Schoonhoven wordt 
ontmoet; vervolgens loopt zij in oostelijke richting naar de ge- 
meente Berkenwoude, alwaar de grens ontmoet wordt der parochie 
Moordrecht, gaat dan noordwestwaarts langs de gemeentelijke 
grens tusschen Ouderkerk eenerzijds en Berkenwoude anderzijds, 
vervolgens langs den Schaapjesweg, waardoor Gouderak en Ouder- 
kerk gescheiden worden, recht op den IJsel aan, steekt dien over, 
en gaat dan langs de burgerlijke grensscheiding tusschen de ge- 
meenten Nieuwerkerk en Moordrecht midden door den derden 
Tocht in noordwestelijke richting, naar den zuidelijken Dwarsweg, 
het punt, vanwaar de lijn was uitgegaan*. 

Op het einde van dit opstel moge de wensch worden 
neergeschreven, dat op de werkzaamheden van het 



1 19 

kerkbestuur der jonge parochie de zegen Gods voort- 
durend blijve rusten; en dat Sint Josef, wiens naam 
als schutspatroon aan deze parochie werd verbonden, 
door zijne voorspraak bij God, voor haar immer moge 
ten beste spreken. 

J. C. VAN DER Loos. 

Nieuwerkerk a. d. IJsel, 
1 JuH 1917. 



WAT AAN DE STICHTING DER ST. LAURENS- 
KERK TE ROTTERDAM VOORAFGING. 



Bij eene resolutie van den igen Juli 1708 waren de 
Paters Jesuieten als »perturbateurs van de gemeene 
rust« uit de provincies Holland en Zeeland gebannen, 
en werden hunne bedehuizen gesloten. Zooals op meer- 
dere plaatsen elders, wist ook te Rotterdam een der 
Jesuieten zich heimelijk te handhaven en zijne werkzaam- 
heden voort te zetten. Zelfs gelukte hem dit, toen de Orde, 
krachtens de bul van Paus Clemens XIV »Dominus ac 
Redemptor«, den 21 en Juli 1773 was opgeheven. »Waar 
thans, schrijft Dr. Hensen i), van de Wagenstraat uit 
gerekend, de tweede overdekte gang wordt gevonden, 
welke van de Leeuwenstraat naar de Rosaliakerk leidt, 
maar aan het einde van dien gang links, bevond zich 
eene kleine kapel, welke door middel van eene deur 
of portaal in verbinding stond met het eigenlijk bede- 
huis van die dagen, Daar hebben Pater Gouders en 
zijne opvolgers de H. Mis opgedragen en biecht ge- 
hoord voor de geloovigen, die van de Rosalia-kerk uit 
de zoogenaamde »Jezuieten-kapel« gemakkelijk en zon- 
der opzien te verwekken konden bereiken*. 

Op het einde der i8e eeuw na den dood van Pater 
Thomassen was in die Jesuieten-kapel gevestigd de 
ex-Jesuiet Pater Henr. Damen. 



') Het Roomsch-Katholieke Rotterdam, W. Nevens, K otterdam, 
blz. 95. 



121 
o 

In het laatste vierendeel der i8e eeuw waren door 
verschillende katholieken pogingen in het werk gesteld, 
om naast de beide kerken, die door regulieren bediend 
werden, eene derde kerk te stichten, die aan de werelds- 
heeren zou toebehooren. Maar telkens, door allerlei van 
allerlei kanten oprijzende moeilijkheden, waren deze 
pogingen mislukt. Maar sinds 1795, toen aan de katho- 
lieken vrijheid van godsdienst gegeven werd, kwamen 
de oude plannen weer boven, en, onder goedkeuring 
van het stadsbestuur, werd door eene commissie, be- 
staande uit zes leden, den 11 en Juni 1799 voor 7000 
gulden een huis en erve aangekocht, gelegen aan de 
zuidzijde van den Houttuin. Deze derde kerk werd 
door de commissie bestemd voor de wereldsheeren, >met 
uitsluiting van geordende geestelijken en in het bijzon- 
der van den ex-Jesuiet*. 

Maar zoodra de ex-Jesuiet Damen, die, hetzij van 
verre, hetzij van meer nabij, de wordingsgeschiedenis 
dezer statie had gevolgd of meegemaakt, de stichting 
der kerk in het verschiet zag, had hij zich tot den 
Vice-Superior, Ciamberlani, gewend, en onder den 
schijn, als zou de commissie daarmede accoord gaan, 
zich als eersten pastoor der Statie aanbevolen. En blijk- 
baar wist hij den Vice-Superior voor zijn voorstel te 
winnen. Maar de commissie, die de derde Statie uit- 
drukkelijk voor de wereldsheeren bestemde, wilde van 
Pater Damen als pastoor der nieuwe kerk in het geheel 
niets weten. En zij schroomde niet deze zienswijze den 
II en Juni 1799 aan den Vice-Superior kenbaar te 
maken. Deze in zijne verwachtingen te leurgesteld, 
riep op zijne beurt, de bemiddeling in van den aarts- 
priester Ten Hulscher, die den i8en Juni 1799 aan de 
commissie een schrijven zond, waarin ook hij een goed 
woord sprak voor de aanstelling van Pater Damen als 



122 

pastoor der Statie. Men zou naast Pater Damen een 
tweeden priester stellen, genomen uit de wereldsheeren, 
met dezelfde rechtsbev^ocgdheid en met recht van op- 
volging; alleen zou Pater Damen » slechts opperhoofd 
in het huishoudelijke zijn«. 

Maar de commissie wilde op dit voorstel niet ingaan ; 
zelfs ontkende zij aan Pater Damen eenige belofte 
gedaan te hebben, hem als pastoor ie zullen aanstellen. 

Ook de Vice-Superior hield voet bij stuk, en wilde 
Pater Damen, die door de regulieren werd opgestookt, 
niet loslaten. Vandaar dat de aartspriester den 6eu Juli 
1799 nogmaals tot de commissie een schrijven richtte 
om haar, op gevaar van anders haar opzet te zien 
mislukken, tot toegeven aan te sporen. 

Het viertal brieven, dat ik thans laat volgen, en 
waarin al deze bijzonderheden in den breede worden 
uiteengezet, werd door mij, onder de minuten van den 
aartspriester Ten Hulscher, aangetroffen in het bis- 
schoppelijk Oud- Archief te Haarlem. 



18 Juni 1799. 

Den 1 1 dezer van Rotterdam afgezonden brief heeft 
de Hr. Ciamberlani gisteren avond beantwoord. De 
inhoud is, dat zijn E. zeer aangedaan is geweest over 
de declaratie van de leden der commissie wegens de 
verwerping van den Hr. Damen. Zijn E. voorziet, dat 
daaru3't oneenigheden zullen geboren worden, die ter 
bereiking van het oogmerk der tegenstrevers en 
ter verijdeling van het voorgenomen ontwerp uA-t- 
lopen zullen. Zijn E. geeft mij daarbij in bedenking, 
of men wel in goeden gemoede met den Hr. Damen 
zoo zoude kunnen handelen, zooals het de commissie 
begeert: alzoo voornoemde Heer ten minste de aan- 
leiden de oorzaak is geweest, dat men aan een derde 
kerk gedagt, en daaraan reeds begonnen heeft te 



123 

werken. Zijn E. zegt nog, dat aan den Hr. Damen 
ten minste bedektelijk de belofte is gedaan, dat hij, 
zoo de derde kerk tot stand kwam, er de eerste pas- 
toor in zijn zoude, en men hem dus nu onrechtvaardig- 
Ujk zou behandelen, indien men van hem afzag, en tot 
een geheel anderen overging. E3mdelijk verzekert zijn 
E. mij, dat hij niets beoogend als het algemeen wel- 
zijn, en geensins partij voor den Hr. Damen nog voor 
iemand willende trekken, den Hr. Damen no^^t zou 
willen admitteeren als in hoedanigheid van waerelds- 
priester, gelijk hij is, en hem in den te geven magt- 
brief onder zulke bedingen wil leggen, dat hij die 
statie noyt zou kunnen transporteeren, of overlaten aan 
eenige voormalige Jesuieten of uytlandsche geestelijk- 
heid, en dus de oprichting dier statie niet anders als 
voor de waereldlijke geestelijkheid te bepalen. 

Uyt het bovengemelde zal UEd. ligtelijk ontdekken, 
dat het zeer moeilijk vallen zal, om buyten den Hr, 
Damen het ontwerp ten u}tvoer te brengen, te meer, 
daar ik van ter zijde, dog van goederhand geïnfor- 
meerd ben, dat de Hr. Damen zijne vrienden en zelfs 
onder de leden der cominissie heeft, die, ik weet, dat 
zeer op zijn E. gesteld zijn, en die, zoo zij hem van 
de pastory verstoken zullen zien, zeer waarschijnlijk 
tegenstrevers van de derde kerk worden, en alzoo de 
geordenden in de hand werken zullen. En om nu alle lede- 
maten, die thans voor een derde kerk ijveren, en die 
gaarne tot stand gebragt zagen, te vereenigen, zou 
men, zoo het mij voorkomt, daarin kunnen treden: dat 
de Hr. Damen daarin als pastoor werd gesteld, en dat 
hem tevens een coadjutor — zooals men dat noemt — 
of medehelper als pastoor werd toegevoegd, niet alleen 
met het recht van opvolging, maar tegelijk met die- 
zelfde ampele en uytgestrekte geestelijke magt, die de 
Hr. Damen zou krijgen. Zoodanig, dat de Hr. Damen 
in hetgeen het geestelijke of ook zelve het kerkelijke 
bestuur, bijvoorbeeld van timmering etc. raakt, geen 
preferentie boven zijn medehelper zou bezitten: maar 
slechts opperhoofd in het huishoudelijke zijn zou. Ik 
meen en maak mij sterk om den Hr. Ciamberlani 



124 

daarheen wel te brengen, jaa hem te doen bewilligen, 
dat de Hr. Dam en de gemelde voorwaarden s in schrift 
zou moeten ondertekenen, alvorens hij eenige niagt- 
brieven krijgen kon. En waarlijk, indien de zaak dus 
behandeld wordt, kan ieder lidmaat, die tot de kerk 
komt, zijn zin en genegenheid involgen. Dezulken die 
den Hr. Damen tot biegtvader verkiezen mogen, kun- 
nen zich tot hem, anderen tot den medehelper ver- 
voegen, en de Hr. Damen wordt daarbij onder zoo 
een verband gelegd, dat hij de statie noyt veralienee- 
ren, nog aan zijne ex-jesuietische vrienden overlaten 
kan. Ik hoop, dat de commissie, om het Averk te be- 
spoedigen, hierin zal treeden, en mij een spoedig ant- 
woord doen toekomen, om de zaak verder met den 
Hr. Vice-Superior der missie af te handelen. 



2 1 Juni 1799. 

Ita, ut mihi suaserat Dntio A^'estra, scripsi Roterod., 
adducens in favorem Dni Damen omnia, quae judica- 
bam indonea ad convincendum eorumdem animos. Sed 
oleum et operam perdidi. Si enim de injuria loquor Dno 
Damen, si rejiciatur, inferenda, respondent illi, quod 
nullum cum eo contractum iniverunt, nihilque agen- 
dum habeant relate ad ecclesiam erigendam. Quod in 
suo sacello, ubi admissus est, manere et sacra juxta 
facultatem sibi datam peragere possit; sed quod ecclesia 
et statio, de qua nunc quaestio est, novum opus sit, 
pro cujus erectione consulere debent non cum Dno 
Damen, sed cum calholicis, ex quorum bursa et con- 
tributione id perfici debebit. Si urgeam ego, quod equi- 
dem Dno Damen a Superiore Ecclesiastico facta sit 
quaedam promissio, quod foret primus ecclesiae erigen- 
dae pastor, quodque proinde eidem tune fieret injuria, 
si rejiceretur, dicunt, quod obligatie promissionis istius, 
etsi etiam data fuisset, deciderit omnino. Superior enim 
nihil promisit neque promittere potuit, nisi quod tune 
secundum notitiam, quam de intentione catholicorum 
habebat, convenire judicabat; jam autem exploratum 



liabent, quod et Superior et illi ipsi quoad hoc punctum 
decepti sunt; sciunt enim ferme una omnes catholicos 
esse Dno Damen adversos, et, ne vel obolum contribu- 
turos, casu quo ille constitueretur pastor. Et revera ut 
hujus asserti veritatem exploratam haberem ipsemet 
ego, dum Roterodami morabar, consului varios cath. 
optimos, qui neque pro neque contra Dnum Damen 
erunt instigati, sed indifferenter sentiebant. Hi dixerunt 
mihi unanimiter, quod catholici generaliter talis essent 
sententiae, qualis illi, qui in commissione sunt, sese 
declaraverant. Hisce addi potest, quod inter ipsos com- 
missarios, qui declarationem Vobis missam subsignave- 
runt, aliqui inveniantur, uti sunt Harmans, Sassen aliique, 
qui primitus steterunt strenue pro Dno Damen, sed qui 
eum nunc derelinquunt. Hisce proponere non omisi, 
an similis agendi modus excusari quidem possit a per- 
fidia. Respondent, quod bonum commune bono parti- 
culari praeferendum sit, quod Dnus Damen per suum 
agendi modum sibimet imputari debeat, si non amplius 
gratus sit catholicis. Quod quidem pro ipso steterunt, 
imo et adhuc ipsi adhaereant, sed non ulterius quam 
quod maneat in suo sacello, et quod ipsi numquam dixe- 
rint neque dicere potuerint, quod ipsum vellent habere 
pastorem ecclesiae erigendae, cum scirent, et in dies 
magis magisque experiantur, quod ferme tota catholi- 
corum turba contra ipsum est; ita quidem, ut tempore 
Paschatis tantum 13 vel 14 ipsi confessi sunt, inter 
quos duo vel tres mali nominis homines, qui quodam- 
modo opulenti sunt, ceteri vero ex communi plebe, qui 
nihil in expensis faciendis adferre valeant. Si tandem 
ob oculos proponam, quod equidem ex rejectione Dni 
Damen dissensiones praevidendae sint, respondent, fieri 
quidem posse, paucos illos, qui ipsi adhaerent, aliquid 
clamaturos, sed si hisce fiet satis, numquid tune cen- 
tenos alios contra nos armabimus? Quidquid etiam de 
eo sit, tam multa audivi,' quod praevideam, si Dntio 
Vestra non acquiescat voto illorum, fundum et domum, 
quam emerunt pro construenda ecclesia, vendent ite- 
runi, nee amplius cogitabunt Roterod. erigere stationem 
tertiam, licet ibi adeo necessaria. 20 et amplius jam 



126 

anni elapsi sunt, quibus catholici civitatis islius cogi- 
taverunt firmare tertiam ecclesiam et numquani eo 
pervenire potuerunt. Semper aliqui ipsis adversabantur, 
nunc unus alterve praepotens, qui quasi dominabatur, 
nunc magistratus civitatis, nolens permissionem conce- 
dere, at super haec, cum nunc licentiam habeant érigendi 
stationem, dolent, Superiorem ipsum sibi esse contrarium. 
Totam adscribunt religiosorum machinationibus, qui 
clandestinis instigationibus suis divisionem pariunt inter 
ipsos catholicos, ut hic clerus saecularis, cujus praesen- 
tiam timent, ati Delphis patuit, ex civitate excludetur; 
sed quaenara debeant esse hujus rei sequelae, vestro 
maturiori judicio potius submittere quam determinare 
volo. Hocce ipso quo haec scribendo occupatus sum, 
iterum adveniunt mihi litterae Roterodamo ad meas 
responsoriae, in quibus ipsis media componendi et com- 
binationem cum Dno Damen facienda proposueram. 
Significant mihi in istis, quod, etsi per media propo- 
sita etiam praevideretur de securitate stationis in favo- 
rem cleri saecularis, quod illa omnia ad grande illud 
opus perficiendum non sufficiant, quod semper catholici 
maneant Dno Damen adversi, et quod non sint contri- 
buturi sua oblata, quae alias pro clero saeculari parata 
habuerint. 

Supposito, quod haec ita fieri debent, uti proposui, 
tune judicarem, quod Dnus Ocke Dno Romers praefe- 
rendus foret cum certo polleat majori scientia, expe- 
rientia et talentis. Nescio interim an tale opus assumere 
vellet, cum submissione Dno Damen non faceret certo 
certius; sed cum zelosus sit et omnia pro bono missionis 
aggredi velit, posset fieri, quod solus quidem aliquid 
faceret, quod videret in bonum missionis vergere posse. 

28 Juni 1799. 

Ouoad negotium Roterd. omnia, ut verum fateor, 
mala timeo. Vellem me numquam ab istis hominibus 
fuisse quaesitum. Responsum vestrum iis vix communi- 
care audeo. Ah, Illustr. Dne, revera judico, quod reli- 
giosi hic iterum sunt inimici, qui sub uno vel alio 



palliato praetextu liic manus suas injiciunt, ut hocce 
modo impediunt, ne Roterodami saecularis static eri- 
gatur, quam semper maxime timuerunt, et ut hoc im- 
pediant nunc iterum per suos instigatores animant Dnum 
Damen, quam antea detestabantur, ut promissis sibi 
datis instet, dum interim sciunt, catholicos illum nolle 
habere pastorem. Hoc si religiosis e voto succedat, 
causa erit, quod saecularis statio ibi numquam stabiliatur. 
Consideret itaque, quaeso, Dntio Vestra bonum publi- 
cum catholicorum istorum, neque respiciat ad ea, quae 
a Damen hujusque fautoribus Vobis obveniunt. 

6 Juli 1799. (Aan de commissie tot de 

derde kerk te Rotterdam). 

Tot mijn leedwezen vind ik mij in de noodzakelijk- 
heid UEds. te betuygen, dat de Hr. Ciamberlani niet 
van zijn concept af te brengen is. Zooals UEds. buyten 
twijfel reeds ontwaard zult gevv'orden zijn uyt het ant- 
woord, dat zijn E. aan dien vriend gegeeven heeft, 
wiens letteren ik hem op UEds. verzoek toegezonden 
had. Ik geloof vast, dat hier eene verderfelijke hand 
onderschuylt, die zijn E. door beweegredenen van ijdele 
vrees wederhoudt, om niet te treden in het gedane ver- 
zoek, zooals het is liggende. Ondertusschen moet ik 
zijn E. het regt doen dat hem toekomt. Ik wil zeggen: 
dat hij zig zelven gelijk blijft, en mij nogmaals be- 
looft onder de dierbaarste verzekeringen, dat de derde 
kerk absoluut niet anders als voor de waereldlijke geeste- 
lijkheid zijn zal, hetgeen hij door de allersterkste ver- 
bintenissen, die men zou kunnen verlangen, beletten 
zal, dat de Hr. Damen de op te rigten statie no)^t als 
een privé ej^gendom voor zig of de zijnen zou kunnen 
houden, nog in staat zijn, om er een schuylhoek van 
vreemdelingen van te maken. 

Zietdaar het ultimatum waartoe zijn E. te brengen 
is. Wat nu gedaan? Om tegen onze wettige overheid 
op te staan, dat dulden onze christelijke grondbegin- 
selen niet, en ook vorderen wij daar niets mee. Om 
de zaak, die begonnen is, ook zoo te laten zitten, en van 



128 

het ontwerp af te zien, behalve dat het gansch geen 
eer voor de commissie zijn zou, zou dat juist de vij- 
anden der derde kerk in de hand gewerkt zijn, die 
niogeUjk niets Hever dan dit zien zouden, en zig dan 
Hgt vlijen konden : dat dit wel zoo een afschrik aan 
anderen zou baren, dat in het vervolg noyt iemand 
weer aan een derde kerk zou durven denken. Der- 
halve na alles gewikt en gewogen te hebben, vind ik 
niets beter, dan dat UEds. een bij legger met den Hr. 
Damen maakt, en dan de zaak zoo inrigt, als ik de 
eer gehad heb UEds. eerlang te communiceeren : dat 
is: aan den Hr. Damen direct een pastoor coadjutor 
toe te voegen, en hem dan zoo onder verband legt, 
door een te maken contract, dat hij niets quaads doen 
kan. Ik bid UEds om deze zaak in serieuse overweging 
te nemen en mij met uw antwoord te vereeren. 

De commissie heeft, niettegenstaande het gevaar van 
mislukking, aan hare plannen vastgehouden en Pater 
Damen ter zijde gelaten. Te eer zal de Vice-Superior 
tot toegeven geneigd zijn geweest, omdat Pater Damen, 
allicht oud en versleten, maar zeker in die dagen 
ziekelijk was: hij stierf den 20^" Januari 1800. 

Ook heeft de commissie tegenover den aartspriester 
haar zin doorgedreven. Had hij liever voor de nieuwe 
Statie pastoor Ocke bestemd van Leiden, de commissie 
wilde liever een der zoons uit de familie Roomers zien 
aangesteld, die tot de stichting der nieuwe Statie zoo 
ruimschoots had bijgedra.gen. 

Het bedehuis werd den 2oen December 1799 inge- 
wijd, en Antonius Wilhelmus Roomers, die slechts 38 
jaren telde, tot eersten pastoor benoemd der nieuwe 
S. Laurens-Statie. 

Geen wonder dat de aartspriester in zijn dagboek 
aanteekende: »Dec. 1799: in fine hujus anni tandem 
post plurima et saepe repetita conamina nova Statio 
erecta est in Houttuvnenc. 



129 

Voor de commissie zal het een gevoelige slag ge- 
weest zijn, toen pastoor Roomers reeds den len Mei 
1803 door den dood aan de Statie ontrukt werd. 

J. G. Harmans en J. van der Hoven, twee uit de 
voornaamsten der katholieken, hieven bij zijn graf een 
»lijkklagt« aan, die bij J. W, Thompson te Rotterdam 
in druk verscheen. 

J. C. VAN DER Loos. 
Nieuwerkerk a, d. IJsel, 
12 April 1917. 



BIJ HET ^GEDENKBOEK VAN HET 
SEMINARIE HAGEVELD«.i) 



Naar aanleiding van de geschiedenis van het Semi- 
narie Hageveld, zou ik bescheiden wenschen enkele 
historische gegevens mede te deelen omtrent twee ter 
plaatse ter sprake gebrachte personen. Zij betreffen 
den Baron Van Wijkerslooth, een der [stichters van het 
Seminarie, en den regent Tomas, den eersten regent 
na de opheffing des Seminaries. 

De gegevens werden getrokken voor den eerste uit 
het bisschoppelijk oud-archief te Haarlem; voor den 
tweede uit hot parochiaal archief der S. Pieter's kerk 
te Leiden. 

De vraag (waartoe Pater Allard's -^Antonius van 
Gils^ allicht aanleiding zou kunnen geven), hoe het 
namelijk kwam, dat Van Wijkerslooth te Warmond en 
niet te Herlaer zijne theologische studiën maakte, staat 
wel is waar in geen rechtstreeksch verband met de 
geschiedenis van het Seminarie Hageveld, maar gewis 
toch in zooverre, dat, indien deze adellijke jongeling 
voor het aartspriesterschap Holland, Zeeland en West- 
Friesland ware verloren gegaan, Hageveld, naar men- 
schelijke berekening, nooit zoo een vlucht in welvaart 
en wetenschap zoü genomen hebben. 

Het behoud van dezen deftigen, rijken en mild- 
dadigen jongeling was destijds door het bestuur van het 



') Uitgave van het Seminarie Hageveld te Voorhout, 1917. 



'31 

Seminarie Warmond, dat aan den Vice-Superior Ciam- 
berlani en den aartspriester Ten Hulscher was toever- 
trouwd, op eiken prijs gesteld. En daar was reden voor. 

De stichting van het groot Seminarie moge door 
Stafford »eene roek elooze daad « genoemd zijn: »roeke- 
loos« was zij niet, maar wel » opgedrongen* door den 
drang der tijdsomstandigheden en te midden der 
meest drukkende dagen. Want al had wel is waar 
enkele jaren terug, het wufte volk gedanst om den 
vrij heidsboom, aldra besefte een ander gedeelte den 
druk en den ernst der tijden. De handel stond stil; de 
nijverheid was grootendeels geknakt; het handwerk 
vond geen arbeid; het kapitaal ging schuil; het land 
werd overstroomd met Fransche assignaten, welke 
lederen dag in waarde daalden. Inkwartieringen waren 
aan de orde van den dag; en geldheffingen onder 
allerlei vormen, putten de vermogens uit der deftige 
en gegoede standen. 

En te midden van deze tijdsomstandigheden moest 
Ten Hulscher het wagen, eene kostschool te Warmond 
aan te koopen en tot Seminarie te doen inrichten, op- 
dat de Hollandsche Missie niet, bij gebrek aan priesters, 
zou ten onder gaan. 

Onder dezen geldelijken druk heeft het Seminarie 
Warmond — wij spreken hier slechts van de jaren 
tot Van Wijkerslooth er studeeren kwam — in zijne 
opkomst geweldig te lijden gehad. 

Die gesteltenis openbaarde zich al aanstonds in 
zijn leerarend personeel. Een president, aan wien de 
zorg voor het huishouden moest worden opgedragen, 
werd als zuinigheidsmaatregel niet aanstonds gekozen ; 
en enkele jaren later, toen de president Hallemans in 
Sept. iSo'ó pastoor benoemd werd voor Noordwijk, 
bleef zijne plaats, wederom om dezelfde reden, bijna 



132 

twee jaren vacant. »Stel toch, zoo vermaande deVice- 
Superior den 28^" Mei i8o8 den aartspriester Ten 
Hulscher: »stel toch een president in het Seminarie; 
in den laatsten tijd heeft de tucht te wenschen over- 
gelaten; er zal toch wel een pastoor te vinden zijn, 
die deze betrekking aanvaarden wil; stel in zijne pas- 
torie een deservitor aan, opdat de president een gering 
inkomen hebbe en de uitgaven des Seminaries niet 
vermeerderd worden*. 

Het middel was niet nieuw : want de slimme Lexius 
had bij zijn hoogleeraarsstoel eveneens zijn pastoraat 
aan het Kalf behouden ; en zijn collega Brouwer, die 
zijne pastorie te Wormerveer aan een opvolger had 
zien overgaan, stond, reeds na het eerste jaar, zijn 
wetenschappelijken werkkring af aan den eenjarigen 
Middelburgschen kapelaan J. van Banning. 

Van alle kanten zocht Ten Hulscher steun voor het 
voortbestaan des Seminaries. Reeds was hem van over- 
heidswege toegestaan de gelden, geofferd, zoowel voor 
de vastendispensatie als voor het liefdadige doel ter 
vrijkooping der slaven, volledig te besteden voor het 
onderhoud der stichting ; circulaires, waarin aalmoezen 
gevraagd werden voor het Seminarie, gingen meer- 
malen van Amsterdam-uit over de Hollandsche Missie; 
verschillende pastoors, van wie het bekend was, dat 
zij gaarne vrijwillige offers brachten ter leniging van 
den nood des Seminaries, wekten de ergernis hunner 
medebroeders — te recht of ten onrechte — wanneer 
zij tot voorname Staties bevorderd werden. 

Laten — zoo troostte de Vice-Superior den aarts- 
priester — laten alle communicanten van het aarts- 
priesterschap jaarlijks vier duiten »unum assim« voor 
het Seminarie offeren, zooals ook voor 's-Heerenberg 
geschiedt, en de inkomsten zullen voldoende zijn; 



133 

bovendien zal ik trachten bij koning" Lodewijk uit de 
kerkelijke goederen, welke door de niet-katholieken 
bezeten worden, een jaarlijksch bedrag voor het onder- 
houd der Seminaries Warmond en 's-IIeerenberg te 
zien aangewezen. 

Behalve dezen geldelijken nood kwamen nog andere 
kwellingen, die het ontluikende Seminarie drukten. 

Door Stafford, den deken en den Vicaris-Generaal 
van het oud-kapittel te Haarlem, door Offerman den 
pastoor van het Duifje te Amsterdam, en door vele 
priesters, die de inzichten van het zich vernederd ge- 
voelend kapittel deelden, werd het bestaan des Semi- 
naries, »eene roekelooze daad«,zoo mogelijk onmogelijk 
gemaakt. Jongelingen, die zich geroepen gevoelden 
tot den priesterlijken staat, konden wel de nog over- 
gebleven en openstaande studiebeurzen, waarover Staf- 
ford en Offerman als provisores van Pulcheria te 
beschikken hadden, genieten, mits zij te Emmerik of 
elders, maar niet te Warmond gingen studeeren. 

Voegen wij hier ten laatste in één adem nog bij : 
dat de regulieren, doordien vele saeculieren het Semi- 
narie tegenwerkten, zich zeer tevreden gevoelden en 
geducht medededen, vooral, met de bedelende circu- 
laires des aartspriesters eenvoudig ter zijde te leggen; 
dat het ontslag van een enkel student uit het Semi- 
narie »qui varia acatholica protulerat in concione* zeer 
veralgemeend door de kwaadwilligen over de Flolland- 
sche Zending werd rondgedragen ; dat de laster, waar- 
aan het Seminarie 's-Heerenberg bloot stond, ook aan 
Warmond geen goed deed; en dat het Seminarie zelf 
als gebouw voor zijn betrekkelijk bescheiden getal 
studeerenden te eng en te bekrompen was; dan hebt 
gij waarlijk een historisch paneel, waarop met som- 
bere kleuren en donkeren achtergrond het Seminarie 



134 

Warmond in zijne opkomst sprekend werd weerge- 
geven. 1) Het eenige lichtpunt was de waakzame 
bezorgdheid, waarmede de beide voortreffehjke pries- 
ters, Ciamberlani en Ten Hulscher, het Seminarie, 
hunne stichting, omringden. 

Bij dezen stand van zaken zullen de lezers straks 
beter begrijpen, waarom Ciamberlani, die toegevend 
van aard was, thans, tegen zijn karakter in, zoo streng 
aan den eisch heeft vastgehouden bij den Baron Van 
Wijkerslooth en bij den toekomstigen leviet, dat hij 
te IVarniond en niet te Herlaer zijne theologische 
studiën maken zou. 

Cornelius Ludovicus Baron Van Wijkerslooth werd 
in 1786 te Haarlem geboren. Zijne studiën hadden 
een zeer eigenaardig verloop. Thuis werd hij tot zijn 
14e jaar onderricht door een uit Frankrijk gevluchten 
priester, die in zijns vadershuis een gastvrij onderdak 
gevonden had. Op het kostschool te Wilkinghege bij 
Munster bestudeerde en beëindigde hij binnen vier 
jaren tij ds de humaniora en de wijsbegeerte, waarna 
te Brussel twee jaren gewijd werden aan de studie 
der rechten. 

Thans stond de roeping tot het priesterschap . bij 
hem vast. Te Brussel had hij de vriendschap en den 
omgang genoten van de adellijke familie Van Velde 
de Melroy, bij wie hij niet enkel den bisschop van 
dezen naam maar ook den president van het Semi- 
narie Herlaer, Van Gils, nader had leeren kennen. En 
die kennismaking was zelfs van dien aard, dat de 
jeugdige baron den president bezocht om hem > reken- 
schap van geweten te geven «. In dezen uitgelezen 
kring werd de toekomst van den student in de rechten. 



') Volgens de briefwisseling tusschen Ciamberlani en Ten Hulscher. 



135 

die tot de godgeleerdheid wilde overgaan, in onderling 
overleg nader besproken ; en blijkbaar met goedvinden 
van den toekomstigen leviet, stelde de familie Van 
Velde de Melroy zijn vader met de nadere plannen 
zijns zoons in kennis. De goedkeuring echter van 
Ciamberlani, den Vice-Superior, moest worden gevraagd 
en verkregen, om den Baron aan het Vicariaat van 
den Bosch af te staan. Maar daaraan werd niet ernstig 
getwijfeld ; ook niet door den oud-bisschop van Roer- 
mond, Van Velde de Melroy, van wien men echter, 
als kerkvorst, verwachten mocht, dat ook hij, bij zoo- 
danig verzoek, niet voetstoots zou hebben toegestemd. 
Zoo blijkt uit deze aangelegenheid niet onaardig, dat 
de Vicc-Superior den geestesaanleg van Mgr. Van 
Velde al te goed kende, toen hij van hem den 2n Juli 
1806 aan Ten Hulscher schreef: »Est vir omni laude 
dignus; sed nimium aliorum consilia audire videtur, 
et non semper consilia aliorum, qui experientiam rerum 
omnium non habent, possunt esse opportuna et mereri 
ut audiantur.« 

In ieder geval, de briefwisseling tusschen de familie 
de Melroy en den Baron Van Wijkerslooth omtrent 
het Seminarie Herlaer, waar zijn zoon Cornelius zijne 
studiën wenschte aan te vangen, werd geopend, en 
had tot gevolg — jammer dat Pater Allard in zijne 
mededeelingen niet uitvoeriger en vollediger is^) — dat 
president Van Gils den i^ Juli 1806 den volgenden brief 
naar den Baron Van Wijkerslooth te Haarlem schreef: 

»De aanvaarding der studenten in het Seminarie, bij 
uitsluiting behouden zijnde aan den Heer Vicarius van 
dit bisdom, heb ik niet uitgesteld, UEd. geëerde van 
28 dezer aan Zijn Hoogeerw. te vertoonen. 

') L. c, blz. 117 — 121. 



136 

De Heer Vicarius erkent, dat zijn Seminarie niets 
anders dan stichting en voortgang te verwachten heeft 
van de inwoning van mijnheer uwEd. zoon. Deszelfs 
hier zeer bekende familie, godsdienstige denkwijze en 
opvoeding, beneffens de aangeboden aanbeveling van 
Zijne Hoogw. van Ruremonde, geven daar het zekerste 
vertrouwen van, en dus zal hij met alle genoegen 
UwEd. zoon onder het getal der studenten van zijn 
Seminarie aanvaarden. Hij heeft mij nochtans gelast 
UwEd. deswege de volgende bedenkingen op te geven. 
Zijn Hoogeerw. zou daardoor niet gaarne het misnoe- 
gen op zich halen van zijn Excellentie den Heer Inter- 
nuncius. Superior, of van de andere geestelijke overheid 
der HoUandsche Zending. Dus zou hij wenschen en 
verwachten, dat UwEd. zoon bevorens de blijken be- 
zorgde der toestemming van voornoemden Heer Supe- 
rior of van den Heer Aartspriester van Holland. Ten 
andere zal het gebrek aan slaapkamers ons noodzaken 
de intredende studenten — welke in den volgenden 
cours talrijk zullen zijn — getwee te laten wonen voor 
een tijd, welken tijd wij nochtans vertrouwen niet langer 
dan een half jaar te zullen duren; er wordt een ge- 
bouw ter inwoning gereed gemaakt, In deze schikking 
zou UwEd. zoon dan ook behooren genoegen te 
nemen. De Heer Vicarius belast mij eindelijk UwE. 
en geëerde familie van zijne hoogachting te verzekeren; 
ook ik vind mij zeer vereerd de gelegenheid te hebben 
van de mijne te gelijk hier uit te drukken, blijvende 
in afwachting van UwEd. besluit « 

>Over het aannemen dezer voorwaarden werd nog 
wederzijds een aantal brieven gewisseld tusschen Her- 
laer en Haarlem«, schrijft Pater Allard, i) zonder echter 

») L. c. 



137 

den eigenlijken inhoud dier brieven over te leggen. 

ïoch kan met grond worden vastgesteld, dat deze 
brieven geloopen hebben over de manier, waarop de 
Vice-Superior voor het besluit van den toekomstigen 
theologant kon gewonnen worden, en ten andere over 
het >met getweeën wonen « der intredende studenten: 
eene aangelegenheid, die ook later, bij het Seminarie 
Warmond, zou ter sprake komen. En het besluit van 
deze briefwisseling was geen andere, dan dat Cornelius 
Ludovicus in het Seminarie Herlaer onder president 
Van Gils en den geleerden Moser, zijne theologische 
studiën zou aanvangen. Reeds werd de bisschop van 
Roermond met dezen afloop in kennis gesteld. 

Op het einde van den zomer van het jaar 1806 was 
Ciamberlani van Munster naar de Hollandsche Missie 
gereisd om, behalve tot het afdoen van eenige andere 
zaken, zich te kwijten van de pauselijke opdracht: 
koning Lodewijk, bij zijne terugkomst uit Wiesbaden 
in den Haag, met zijne troonsbestijging namens Zijne 
Heiligheid geluk te wensc-.hen. jOp zijne doorreis be- 
zocht Ciamberlani te Haarlem de familie Van Wijker- 
slooth, waar het besluit van haren zoon ter sprake 
kwam. Welk verloop het gesprek had, werd den 6en 
Sept. 1S06 aan den aartspriester overgebriefd. 

»L,oquutus sum Harlemi cum Do et Da de Wijkerslooth et cla- 
rissime et firmissime dixi iis, numquam permitti posse, ut filius 
studeat theologiae in collegio Sylvaeducensi propter pessimas 
sequelas, quae possent oriri. Asserebat pater filium ipsummet tale 
coepisse consilium, atque addebat, quod praecise Missioni addictus 
non debeat esse, cum factus fuerit sacerdos. Respondi quod • — 
quidquid esset de hoc — cum ego deberem expedire dimissoriales, 
ut promoveretur ad sacros ordines, numquam possem expedire, 
si in collegio pro subditis nostris erecto, non studeat. Ita res 
finita fuit. 

In me autem suscepi ad ipsum juvenem adhuc Bruxellis com- 
morantem scribere, ut sciat optimos esse in nostro collegio War- 



138 

mondeusi professores, discipliuam et ordinem servari, et multum 
in eo alumuos, quoad studium posse proficere et reapse proficere, 
adeo ut, si aliquid contra perceperit, debeat omnia relata qua 
calumnias rejicere. Per cursorem hujusmodi litteras ad eum dabo, 
cum hucusque scribere non potuerim«. 

De Vice-Superior had op zich genomen, persoonlijk 
den jongen Baron te schrijven, en als gevoelde hij, 
hoe ook aan hem minder stichtende en opwekkende 
zaken van het Seminarie Warmond bekend zouden 
zijn, zoo beloofde hij den aartspriester het Seminarie 
in zijn > professores, disciplinam et ordinem* tegen de 
rondgaande lastertaal te verdedigen. 

Intusschen, toen Ciamberlani, in den Haag vertoe- 
vende bij pastoor Van der Slu3's, zich had nedergezet 
om den adellijken jongeling, volgens afspraak te schrij- 
ven, ontving hij uit Haarlem van den Baron Van 
Wijkerslooth onder dagteekening van 8 September een 
eigenhandigen brief. 

Ciamberlani gaf van dezen loop van zaken den gen 
September 1806 aan den aartspriester kennis, waarbij 
de brief van den Baron werd ingesloten. 

Hagae Comitis, 9 Sept. 1806. 

»Inceperam scribere litteras ad filium praenobilis viri Van Wijker- 
slooth, cum hodie reciperam ab eodem viro inclusas, Responsum 
per me faciendum est, quod oretenus cum filio, quoniam Harle- 
mum redit, sim loquuturus. Interim, cum rationes ob quas non 
possum concedere, quod petitur, sint magni momenti, rogo, ne 
sumat ipse in malam partem, si in eodem consilio firmiter rema- 
neam. Ita et Ampl. tua judicare existimo esse respondendum*. 

Haerlem ce S Septembre 1S06. 

Mo7iseigneur^ 

Le même jour, que j'eus 1' honneur de Vous recevoir chez moi, 
i'ai écris a mon fils, pour lui communiquer, que Vous faisiez 
difficulté de lui permettre de faire ses études au Séminaire de 



130 

Bois-le-duc. J'ai eu sa reponse par Ie niême courier, par la quelle 
il me témoigne sa surprise, personne ne con9oit, commeut cela 
peut être refusé, quaud on n' est pas è. charge de la Mission; 
on m'a toujours assuré, qu' on était maïtre de faire ses études la oü 
on veut, que quand il était question de recevoir les ordres, qu' 
il suffisait de passer quelques mois dans Ie séminaire de son dio- 
cese. J'ose me flatter que Vous voudrez bien avoir égard aux 
instances, qu' il m'a prié de Vous faire pour lui accorder sa de- 
mande; comme il se propose de quitter Bruxelles dans Ie courant 
de cette semaine pour venire nous joindre. je Vous prie de ue 
pas Vous donner Ia peine de lui écrire. 

J'ai l'honneur d'être vótre tres humble serviteur, 

H. I. de Wijkerslooth de Weerdesteyn. 

Zoo blijkt ons uit dezen brief, dat de houding van 
Ciamberlani in den deftigen kring, waarin de student 
meermalen vertoefde, naar beide zijden gewikt en ge- 
wogen was; eene weigering, ten minste eene voorloo- 
pige, was allicht verwacht; maar de vriendelijke omgang 
met Mgr. Van Velde de Melroy en den president Van 
Gils was niet zonder invloed geweest op den toekom- 
stigen theologant, die, als ware hij reeds doorkneed 
door jaren van studie in het kerkelijk recht, terstond 
aan zijn Vader >sa surprise< durfde melden over de 
houding van den Vice-Superior. 

Middelerwijl had Van Wijkerslooth Brussel verlaten 
en zich op reis begeven naar zijn ouderlijk huis. In 
den Haag deed hij zijne opwachting bij den Vice- 
Superior, gewis in de vaste veronderstelling, dat, wat 
zijn Vader niet had weten te verkrijgen, hij ongetwij- 
feld erlangen zou; te meer, zich bewust zijnde op zijn 
boog pijlen te hebben, welke door zijne naaste familie 
niet te gebruiken waren. 

Wat er bij dit onderhoud is omgegaan, meldde 
Ciamberlani aan Ten Hulscher bij schrijven van 29 
September 1806, 



140 

Hagae Comitis, 29 Sept. 1806. 

»Juveiiis filius Di_ Wijkerslooth fuit apud me, antequam pater- 
nam domum adiret, Briixellis redux. Per horas rogavit et exoravit, 
ut vellem permittere, ut adeat collegium Buscoducense. Firmus 
fui iu coepto consilio. Propter suam salutem et praecipue — hoc 
secreto inibi dixit — ne assiduas audiat parentum, consangui- 
ueorum et affiniuni voces, qui non sunt omnino contenti, quod 
ipse statum ecclesiasticum amplectatur, non amat adire ad colle- 
gium nostrum Warmondense, quod propinquum est, adeo, ut 
petebat etiam et flagitabat, ut possit ad collegium IMoliugense 
prope INIonasterium, ubi jam fuit, redire ad theologiae studia 
operam dandum, quod et negavi. 

Alias nunc recepi epistolas Harlemo. Faveat Ampl. tua mihi 
statim respondere, utrum iste juvenis, qui sane non gaudet per- 
fecta valetudine, posset habere cubiculum solum pro se in collegio 
uostro. Timeo, ne ex alia parte obloquia fiant, si, cum non possit 
habere cubiculum solum, absolute permissio adeuudi ad collegium 
Buscoducense denegetur. Rogo, Ampl. Dne^ ut quid sentias mihi 
significes. Possem efficere, ut veniat ad rogandum Ampl. tuam et 
gratiam a te impetrandam. Si directe a te gratia concedatur, nemo 
de collegio nostro obloqui posset, attentis etiam causis, quibiis 
juvenis alibi adesse exoptat, et circumstantia cubiculi pro se solo, 
quod dari non posset in collegio uostro*. 

Ciamberlani was inderdaad met kracht voor de rech- 
ten van zijn Seminarie opgekomen. Ook hij zal, even- 
als Vicarius Van Alfen gemeend hebben »dat zijn 
Seminarie niets anders dan stichting en voortgang te 
verwachten had van de inwoning van Mijnheer Van 
Wijkerslooth*; maar toen hem kort daarop uit Haarlem 
gevraagd werd, om aan den toekomstigen theologant 
eene vrije kamer te Warmond af te staan, zooals te 
Herlaer geschieden zou, geraakte de Vice-Superior, die 
den bekrompen staat van zijn Seminarie kende, in den 
druk, en vroeg raad bij den aartspriester. 

Blijkbaar was Ciamberlani geneigd om toe te geven, 
maar ten einde zijne strenge houding te redden, wilde 
hij nog eene poging wagen, of Ten Hulscher niet op 
Warmond de vrije kamer zou kunnen verleenen. 



141 

Ten Hulscher was met zijn antwoord spoedig ge- 
reed; want den 2en October dankte Ciamberlani den 
aartspriester »pro medio propositoj;, waarmede hij uit 
eene netelige zaak gered was. »Sabatho scribam, ut 
adeat Monasterium et per annum in collegio Warmon- 
densi commoretur ante sacram ordinationem«. 

Het voorstel van Ten Hulscher was inderdaad vin- 
dingrijk. Voor Herlaer ging de begeerde student voor 
altijd verloren ; Ciamberlani kreeg hem te Munster in 
zijne onmiddellijke omgeving, en het Seminarie War- 
mond zou den adellijken jongeling straks jbinnen zijne 
muren opnemen. 

Maar aan Van Wijkerslooth zelven viel dit Salomon's 
oordeel minder in den smaak. Met het oog op de hei- 
lige wijdingen, welke op onbepaalde tijden werden 
toegediend, gaf de bepaling, een jaar van te voren in 
het Seminarie Warmond te moeten vertoefd hebben, 
gereede aanleiding tot allerlei moeilijkheden. Deze over- 
weging, vermeenen wij, zal hebben bijgedragen om de 
familie Van Wijkerslooth te doen besluiten, haar zoon 
terstond in het Seminarie Warmond te plaatsen. Hoe 
moeilijk het ook mocht gegaan zijn: aan zijn verlan- 
gen om alleen eene kamer te bewonen, schijnt voldaan 
te zijn. 

Later vroeg hij ook aan den Vice-Superior op die 
kamer te mogen stoken ; dit verzoek werd door Ciam- 
berlani bij den aartspriester, bij schrijven van 24 Dec. 
1806, om dubbele reden aanbevolen: Van Wijkerslooth 
was zwak van gestel,') en het aanschaffen van brand- 
stoffen zou het arme Seminarie op geen uitgaven te 
staan komen. 



') Door lichamelijke zwakte wat zijne stem zoo zacht, dat tijd- 
genooten verhalen, dat zijne, later als hoogleeraar gehouden. 



142 

Hagae Comitis, 24 Dec. 1806. 

»Juvenis Wijkeislooth fuit in hac civitate. Cum non sit firinae 
valetudinis exoptat habere fornacein in cubiculo, suis propriis 
expensis omnia fient et suis propriis expensis comparabit ligna 
vel cespites vel quidquid aliud comburendum. Ne vel obolum 
quidem relate ad hoc punctvim debet collegium impendere. Attentis 
causa salutis et couditionibus supradictis, arbitror, ejus votis satis 
esse faciendum«. 

Zoo was dan Van Wijkerslooth voor het Seminarie 
Warmond en door het Seminarie voor de Hollandsche 
Zending behouden. 

Aan dezen rijken en milddadigen Baron heeft het 
Seminarie Hageveld, heeft de geheele Hollandsche 
Missie den grootsten plicht tot dankbaarheid. 

Hoe was bij deze mislukking de houding van presi- 
dent Van Gils? Deze heeft zich op merkwaardige wijze 
geschikt naar den wil van den Internuntius, gelijk 
blijkt uit den laatsten brief door Pater Allard mede- 
gedeeld, en die d.d. 20 October 1806 aan den jongen 
Baron gericht was. Het zou eene leemte zijn in deze 
geschiedenis, indien de brief hier niet in zijn geheel 
werd overgenomen, i) 

»Votre lettre datée (par erreur d' habitude sans doute) de 
Bruxelles Ie 8 Octobre m' est parvenue aujourd' hui, 20 du dit 
mois. Son contenue m' étouue d' autant plus, que Monseigneur 
1' Evêque de Ruremonde, passant Ie 9 Octobre par Bois-le-duc, 
avertit Mr. notre Vicaire, que vous viendriei habiter sous peu son 



» voorlezingen* nauwelijks door alle studenten te verstaan waren. 
Over den invloed, uitgeoefend door Van Wijkerslooth als hoog- 
leeraar op zijne leerlingen, schreef de keurige pen van Dr. Borret 
in de Katholiek, jg. 1874, dl. 65, blz. 378—379. Hoe schamper 
staat daartegenover de bemerking van den aartspriester Van 
Banning: Si tot rebus non esset occupatus, posset fieri bonus 
professor. 

') L. c, blz. 120 — 121. 



143 

Sémiualre, Mgr. 1' Internonce y aiant enfin consenti. En consé- 
qucnce Mr. Ie Vicaire me chargea de vous conserver votre chambre, 
comme j'ai fait scrupiileusement jusqu a ce jour, même malgré 
quelques soUicitatious plus qu' importunes. C était la mème petite 
chambre, que je vous avais montrée, au-dessus de la mienne; et 
ce sera bien a regret, Monsieur, que je me trouverais dans Ie cas 
de r accorder a quelque jeune homme de la nouvelle recrue. 
EUe est de 22 étudiauts, tous gens, a ce qui parait, de bonne 
volonté et de bon aloi. Bénissous a Dieu, mon cher Ami, et espé- 
rons, qu' Il en sera un jour dignement servi, et son nom glorifié 
dans ma patrie ! Quant a votre affaire, bénissons encore la même 
douce Providence, cujus non snnt cogitationes stout cogitationes nostrae 
et qui veilt nous faire tenir une autre voie que celle, que vous 
aviez choisie, mais qui, j'espère, vous conduira au même but. 
Car vous conviendrez, Monsieur, que ni Mr. notre Vicaire ni moi 
nous ne pouvions plus rieu y faire, sans offenser Mgr. 1' Inter- 
nonce, et a Dieu ne plaise, que nous causions, vous ou moi la 
moindre mésintelligence ou même froideur entre pareilles per- 
sonnes! Mais je Ie répète. Monsieur, c' est a regret que je renonce 
a l'espoir de vous voir ici. Je vous 1' avouerai, entre nous: je vous 
avais déja destiné un poste — parlons un peu militairement — 
celui de Vleiigebnan, pour donner Ie ton et Ie tic aux évolutions 
de notre bataillon spirituel. Mais fiat voluntas et néanmoins tou- 
iours: sanctificetur nomen! Je répète toutefois aussi ce que j'avais 
écrit dans ma précédente : votre prédilection pour ce Séminaire 
est bien purement gratuite. J'ai même eu souvent la pénible 
pensee, que vous auriez eu de la peine a prendre nos habitudes. 

Vous y auriez trouvé des hommes, Monsieur, comme ailleurs; 
des obstacles de salut et de progrès dans la science théologique 
et dans la vie spirituelle a éviter, quelques moiens a saisir et des 
différences de moeurs, dans la simplicité et, si vous voulez, dans 
la rudesse de notre éducation, qui auraient pu vous peiner et 
vous choquer. Adorez donc, je vous Ie répète comme dans ma 
précédente, adorez les dispositions de la divine Providence sur 
vous, et ne repoussez pas pour cela la vocation, qu'elle vous 
accorde peut-être pour 1' état ecclésiastique. 

Toute la somme, que j'ai deboursée pOur vous a Bois-le-duc, 
monte a 6 zesthalven ou f. i. 13.0. Je vous prie d' en faire une 
aumöne ou de 1' appliquer au progrès de votre Séminaire de 
Warmond. Je me recommande mes respects etc.« 



Van Gils was geen snaak, integendeel, anders 
ware de zet op het laatst van zijn brief, om f 1.13 te 



144 

offeren voor den voortgang van het Seminarie War- 
mond, allerkostelijkst. 

De tweede persoon, die in de geschiedenis van Hage- 
veld ter sprake komt, en door ons nader historisch kan 
belicht worden, is de eerste regent van het herstelde 
Hageveld A. A. Tomas. 

Hetgeen mij indertijd door pastoor de Kruijff, een 
der kapelaans van deken Tomas te 's-Heerenhoek, van 
den oud-regent van Hageveld werd verteld en met 
voorbeelden geïllustreerd, dat »hij lastig was van karak- 
ter, zuinig en berekend aangelegd «, wordt bevestigd 
door het brievenboek van den aartspriester, Gerving, 
dat mij thans ten dienste staat. 

Dit brievenboek berust in het kerkarchief der 
S. Petrus-parochie te Leiden, draagt tot titel: Conten- 
tum litterarum, quas scripsi Vice-Superiori missionum 
ab initio archipresbyteratus mei«, en wordt thans als 
depositum bewaard in het bisschoppelijk oud-archief 
re Haarlem. 

Het loopt van 17 April 1834 en eindigt 13 December 
1839; het geeft met enkele woorden den inhoud der 
brieven, welke door den Amplissimus aan den Vice- 
Superior Antonius Antonucci verzonden werden. Alaar 
die enkele regels zijn voldoende voor den lezer; zon- 
der veel verbeelding valt de inhoud in zijn geheel 
gemakkelijk vast te stellen. 

Daarin komen twee zaken ter sprake, die op het 
bestuur van den regent Tomas betrekking hebben. 

De eerste betreft het stoffelijk gebouw van het Semi- 
narie, dal noodzakelijke verbeteringen en aanzienlijke 
uitbreiding noodig had. Het plan werd geopperd en 
overwogen om het Seminarie van Velsen te verleggen 
en een landgoed meer in de nabijheid van het Semi- 



M5 

narie Warmond aan te koopen. Daarvoor bestonden 
gewichtige redenen. En het blijkt, dat regent Tomas, 
ook zelfs toen Van Wijkerslooth de hofstede TTageveld, 
zijn eigendom, aan het aartspriesterschap Holland en 
Zeeland ten verkoop had aangeboden, voor zijn geliefd 
idee: Hageveld naar elders over te brengen, bleef ijveren. 

De Vice-Superior echter heeft, geleid door geldelijke 
overwegingen, zijn besluit ten gunste van het gevoelen 
der provisoren doen vallen, die tegen verplaatsing ge- 
kant waren. Hageveld bleef alzoo te Velsen, en zou 
onder den regent Van der Weiden eene aanmerkelijke 
vergrooting en verbouwing ondergaan. 

Het plan om in die dagen een geheel nieuw ge- 
bouw te stichten, stuitte blijkbaar al wederom op finan- 
cieele bezwaren. 

Thans volge het contentum litterarum, welke op de 
hierboven besproken bijzonderheden betrekking hebben. 

23 Aug. 1834. Dniis Episcopus aedificium Hageveld cum toto 
circuitu vendeudum proposuit pro f 15.000, de quibus solvendi 
sunt f 7500 ; ceteris relictis pro uno semper in Seminario aleodo 
studioso, quem ipse proposuerit, et, se mortuo, familia sua. 

27 Aug. 1834. Decisloneni Illustrae T. Kev. qiioad acquisitionem 
aedificii in Hageveld lubentissinie scirem ante i>n Septembris, 
quia tune aderit arcliitector ad deliberanduni cum ipso, quo meliori 
modo amplificaudum foret. Dnus Praeses, uti conjicere potui tam 
ex ejus dictis quam scriptis, instat desiderans, ut Seminarium 
minus in vicinia majoris baberetur, sed 

13 Sept. 1S34. Hodie libelhnn supplic. Regi tradidi, i:t assen- 
sum praebeat emptioui Seni. niiuoris. 

28 Nov. 1834. De difficultate, quae opponitur lib. supp. a me 
tradito de acquisitioue Hageveld . de iis, quae exigit Guberuium 
ante concessionem et quid sim respousurus. 

12 Maart 1836. De exstructione novi aedificii in Hageveld, 
quae publice exposita, pro summa 69. 960 mandata est mini- 
mum exigenli. 



146 

t2 April 1836. Necesse est ob maguam alumuoruiu coplam, ut 
et sacellum et refectorium in Sem. miu. amplificetur. Projectum 
hujus amplificatiouis modo praeparatur post factam inspectionem, 
cui Dnus Dec. Hofman et ego interfuimus. Juxta quod sacello 
annectetur refectorium quod nunc existit; ad alteram vero partem 
aedificii novum refectorium exstruetur ex duobus cubiculis, quibus 
conjungetur nova exstructio ad lineam veteris aedificii. Quae si 
ita exstructa fuerint aedificium sat amplum erit pro centum 
alumuis. Nummos ad hoc opus uecessarios Dnu* Hofman suppe- 
ditabit eo modo, ut intra 5 annos integra summa ex Seminarii pro- 
ventibus absolvi possit. Sed ut haec res rite procedat non solum vestra 
approbatione sed et convocatione provisorum opus esse duximus. 

23 April 1837. Projectum mittitur pro amplificatione saceHi et 
refectorii in Hageveld. 

Een tweede doch minder aangenaam punt, waardoor 
het bestuur van regent Tomas zich kenmerkte, was de 
weinig vriendschappehjke verhouding, welke van den 
aanvang af tusschen hem en de leeraren van het Semi- 
narie heerschte, en die hem ten slotte dwong zijn ont- 
slag te nemen en de pastorie van Gouda te aanvaarden. 

In hoeverre den regent zijn »zuinige en berekende 
aanleg* door den nood van het Seminarie, meer nog 
werd opgedrongen dan hem zelf lief was ; of dat de fout 
alleen in zijn karakter school, of wel in beide : wij oor- 
deelen noch beslissen, maar stellen alleen het feit, dat 
de onderlinge verhouding tusschen regent en leeraren 
te wenschen overliet. 

Verandering van personeel schijnt geen verandering in 
de onderlinge verhouding te hebben tot stand gebracht, i) 

Dat de Vice-Superior in November 1832 »aan den 
regent en zijne medehelpers statuten bezorgde, welke 
hun bij het onderwijs en het bestuur tot richtsnoer 
konden dienen «, teekent den toestand. 2) 



') De leeraren Van Kints en Broere waren ook niet van de 
gemakkelijksten. 

2) Gedenkboek: blz, 61. 



'47 

Maar meer teekenend nog is het contentum littera- 
rum, welke daaromtrent tusschen den aartspriester en 
den Vice-Superior gewisseld werden. 

3 Mei 1834. lu Seiiiiuario minori discrepatitia D"U"i Regeutem 
inter et professores pergit, inio accrescere mihi videtur, cum ille de 
his et hi de illo semper mihi conqueruntur. Pro phirima parte attri- 
bui debet nimio rigori, quo Dnus Regens praeceptores tractat et qui- 
dem ob res munitissiinas ; sic omuia tintinabula ex eorum cubiculis 
amoveri jussit, ut coacti siut desceudere ad doniesticos, si quid veliut. 
Timeo ne tandem omnes siniul discedant; continuo enim versautur 
in oppositione, quae mihi videtur non finienda, nisi data opportu- 
nitate D'ius Regens promoveatur pastor. 

II Aug. 1834. De discordia regentem inter et praeceptores quo- 
modo toUenda? 

I Oct. 1834. De remota discordia Dnum Regentem inter et 
Praeceptores in Hagêveld ipsorumque reconciliatione. 

13 April 1835. De discrepantia in Hagêveld: quomodo sopienda? 

30 April 1835. Relatie de iis, quae in congr. hesterna tractata 
sunt de re D. Regentem inter et praeceptores. 

1 Mei 1835. Pauca de Dnis praeceptoribus in Hagêveld. 

2 Mei 1835. Mittitur responsum D.D. praeceptorum ad quaestio- 
nem ipsis propositam cum quibusdam reflexionibus hanc rem 
spectantibus, de removendo tandem cum honore Regente. 

15 Sept. 1835. Obtuli stationen] vacantem Goudanam D. Regenti. 

22 Sept. 1835. De statione in Noordvvijkerhout quam prae sta- 
tione in Gouda mallet acceptare D. Regens. Supponitur appro- 
batie 111. Vestrae in proponenda Statione Goudana pastori Poppe. 

30 Sept. 1835. Proponitur Düus Vau der Weijdeu ad officium 
Regentis. Litterae niaj. petuntur pro Dno Tomas. 

15 Oct. 1835. Discedet Dnus Regens et 22 Oct. solemniter iutro- 
ducetur novus Regens ad quam solemnitatem et ill. Vestram et 
omnes Provisores invitare non omittam. 

27 Nov. 1835. De amplificatione Sem. minoris; novum regu- 
larum schema pro Sem. minore subjicitur judicio Vice-Superioris. 



148 

I Febr. 1S36. De congregatioue prov. habenda in Hageveld ad 
deliberandum de regiilis ac projecto ad amplificaiulum aedificiiim. 

9 Maart 1826. De exstructione novi aedificii iu Hageveld, qiiae 
crastina die piiblice exponetur minimum poscenti. 

Aan het einde van deze bladzijden moge nog eene 
kleine mededeeling volgen omttent »mijnheer Hesse- 
veld, den leeraar, die Hageveld leerde bidden*. Zij is 
ontleend aan een rekest, den 6en April 1847 door den 
aartspriester Van der Haagen opgezonden aan Zijne 
Excellentie, den Minister van Eeredienst, waarin 
voor den lijdenden leeraar, die zich te Amsterdam in 
het Oude-Mannen gesticht, Brentano geheeten, zou 
vestigen, eene jaarlijksche tegemoetkoming van 300 gul- 
den werd aangevraagd. Er blijkt uit, hoe » mijnheer 
Hesseveld*, zich drie jaren lang bereid verklaarde, om 
op Zon- en feestdagen »den pastoor van het dorp« in 
diens heilig dienstwerk ter zijde te staan. Op deze 
kleine, maar de godvruchtige Hesseveld teekenende 
bijzonderheid werd noch in het Gedenkboek noch in 
De Katholiek de aandacht gevestigd, i) 

Aan het Ministerie van Eeredie7ist . 

6 April 1847. Met allen eerbied wend ik mij tot Uwe Excel- 
lentie onder kennisgeving, dat de eerw. Heer Petrus Joës Hesse- 
veld, geboren te Amsterdam den 18 Juni 1S06 omtrent 41 jaar 
oud, gedurende bijna 17 jaren op de Missie met den meesten 
ijver is werkzaam geweest. Dat deze ijvervolle eu deugdzame 
priester sedert Juni 1830 bestemd en als praeceptor bij het Semi- 



') De Katholiek: jg. 1859, deel 35, blz. 65 env. 

Bij de levensschets van regent Pluym, die door toedoen, vooral 
van deken Hofman, den financieelen en administratieven speciali- 
teit, het seminarie met eervol ontslag verliet, had in het Gedenk- 
boek van Hageveld het merkwaardig, eenige jaren later voorgevallen 
incident: Hofman aan de voeten van Bisschop Pluym, niet 
onvermeld moeten blijven. Vgl. De Katholiek: ig. 1875, dl. 67, 
blz. 166 env. 



149 

narie te Hageveld werkzaain, evenwel daarbij gedurende eenige 
maanden op de Zon- en feestdagen te Beverwijk assisteerde en 
later gedurende 3 jaren bij zijne werkzaamheden in het Seminarie 
op de Zou- en feestdagen voor den zwakken pastoor P. F. B. 
Sachs te Velzen iu alles bereidvaardig de heilige bediening waar- 
nam, en zijne plichten als praeceptor daarbij met oubeperkten ijver 
vervulde, aan welke betrekking hij zich vervolgens geheel en al 
met de meeste inspanning toewijdde; doch dat, daar zijne gezond- 
heid sedert den laatsten tijd merkelijk is verzwakt en zijne krachten 
zijn goeden en ijvervollen wil om de Missie te dienen, niet langer 
hebben ondersteund, hij thans buiten staat is om zijne zwakke 
gezondheid, ten gevolge van borstkwaal, zijne betrekking langer 
waar te nemen, en de geneesheeren het voor zijn herstel volstrekt 
noodig oordeelen, dat hij eenige rust neme, ten welke einde hij 
het gesticht Brentano te Amsterdam zal betrekken en zich be- 
palen om de Mis te lezen. Dat de niet ongegronde hoop, welke 
op zijn herstel bestaat, hem belet, om een pensioen te vragen, 
doch van de andere zijde bij gemis aan eigen middelen van 
bestaan eene ondersteuning hem eene volstrekte behoefte is ; zoo- 
dat ik iiit aanmerking hiervan en van de belangrijke diensten 
door voornoemden geestelijke in de opleiding der studenten ge- 
durende zoovele jaren betoond, zoude wenschen, dat hem door 
Zijne Majesteit eene tegemoetkoming mocht worden toegelegd, 
zoo mogelijk ter somme van f 300. 

Waarom ik dan ook de eerbiedige vrijheid neem om Uwer 
Excellenties goede diensten en vermogende tusschenkomst in te 
roepen, ten einde zoodanige ondersteuning aan den Eerw. Heer 
Petrus Joës Hesseveld moge worden toegekend en te Amsterdam 
betaalbaar gesteld. 

19 Juli 1847. De Eerw. Heer Petrus Joës Hesseveld praeceptor 
in het Seminarie Hageveld heeft den 8en April zijne bediening 
wegens ziekelijkheid nedergelegd; tot praeceptor aldaar is op den 
iien Mei aangesteld de Eerw. Heer Joës Wilhelmus Leonardus 
Smit, Subdiaken uit het Seminarie te Warmond. 

J. C. VAN DER Loos. 
Nieuwerkerk a. d. IJsel 

I Nov. 1917. 



UIT EEN OUD EEDBOEK VAN HAARLEM. 



Wie een ambt ging bekleeden, een ambacht drijven 
of eene bediening vervullen welke met de stad in be- 
trekking stond of aan hare belangen verwant was, 
moest in handen der Overheid een eed afleggen, alvo- 
rens hij in zijn emplooi werd toegelaten. 

Die eed was niet voor ieder dezelfde, maar verschilde 
naar gelang van den aard der werkzaamheden door 
den nieuw benoemde te volbrengen. Van daar eene 
groote schakeering in hetgeen door de aankomenden 
beloofd en bezworen werd. 

Uit het Eedboek der Stad Haarlem, aangelegd in 
de i6e eeuw, na December 1541 i) volgen hieronder 
de plechtige toezeggingen voor trouwe plichtsbetrach- 
ting van een drietal officianten: 

De Stads Roedragende boden, die zich verbonden 
dagelijks in de kerk te zijn en 's avonds in het lof' 
ten einde, 200 zich daar ook Burgemeesters mochten 
bevinden, paraat te wezen mogelijke bevelen van dezen 
over te nemen en te volbrengen. 

De koster van de Parochiekerk, die er voor instond, 
dat hij o. a. de orders van Burgemeesters zou uitvoeren 
en hun elk vierendeel jaars zijne sleutels aanbieden. 
Waaruit wel af te leiden valt, dat deze Edel Achtbare 
Heeren als de oppervoogden der kerk werden be- 
schouwd. 



') Inv. Archief Haarlem I. 47S. 



151 

Eu dan de molenaars, die al dadelijk bezwoeren, 
het heilige en Katholieke geloof en de Roomsche religie 
te zullen verdedigen, beschermen en onderhouden; voorts 
zouden zorgen, dat de Stads korenexcijns door hunne 
klanten, richtig werd betaald. 

De Eedt van de boden. 

Dat zweren wij boden ende roedregers der Stadt van Haerlem 
te wesen, wel naerstelijck ende getrouwelick te doene ende tachter- 
volgen alle tgundt ons bijden Burgermeesteren gelast ende bevolen 
.zal werden te doene, alle vergaderdagen in persone boven te wesen 
ende te blijven tot dat die Burgeruieesteren scheyden, oft sonder 
consent van Burgernieesteren van daer niet te gaen. Insgelijkcx 
te wesen alle dagen inder kercken, tsavonts int L,off den Burger- 
meesteren waer te nemen off yet zoude moegen te doen vallen, 
ten minsten twee, alle saicken die wij vanden gerechte zien ende 
horen hetzij binnen de camere off daer buyten, secreet te hou- 
den, zouder die yemanden te reveleren off te openbaren. Indien 
wij van yemanden yet horen, dat tegens de eere vander stede 
oft vander gerechte wesen mochte, den Burgermeesteren te kennen 
te geven ; alle personen die ons versoucken zullen hetzij om ye- 
manden te recht te dagen, te arresteren, oft anders onzen dienst 
aengaende, wel naerstelick ende getrouwelijck te dienen, om be- 
hoerlick, gewoenlick ende redelick salaris, van outs daer toe 
staende, Ende voort anders alles te doen, dat goede ende getrouwe 
boden oft roedragers behoeren ende schuldich zijn van doene, 
Ende dat en zullen wij niet laeten om geenrehande zaecken. Al- 
zoe waerlick moet ons Godt helpen ende alle zijn heyligen. 

De Eedt van een coster der Parochickercke. 

Dat zweer ick coster vander Prochiekercke deser stede te 
wesen, alle die ornamenten schoon, claer ende zuver te houden 
ende oeck alle die juwelen, reliquien ende de voors. ornementen 
wel ende getrouwelicken te bewaeren, den Burgermeesteren, den 
kerckmeesteren ende oock den Cappellanen in alle tgundt mij 
daegelicx bevoleu zal worden, soe wel den dienst Goids aengaende 
als anders, te dienen ende obedieren, niet van huys te varen zon- 
der consent vanden voornoemden Burgermeesteren ofte Kerck- 
meesteren, mijnen sloetelen eens alle vierndeel jaers den voors. 
Burgermeesteren te presenteren of daer toe versocht zijnde, Ende 



voert suverlick ende specialijck al wel cnde getrouwelick te doen, 
dat een goed ende getrouw coster sclinldich is ende behoert te 
doen, dat en sal ick niet laten om lieff noch om leet, noch om 
geenrehande saeckeu, Soe waerlick moet mij Codt helpen ende 
alle zijn hej'ligen. 

Eedt vande inolenaers tiopende thartcoorn. 

Dat zweeren wij, het heylige ende Catholyeken gelove ende 
Roomsche religie te defenderen, beschermen ende onderhouden, 
Voorts, dat wij gheen hart coorn en sullen haelen uyt gheenen 
huysen, niemant uytgesondert, voor ende aleer wij ontfaugen 
hebben de billetten, waeibij blijcke den excijns betaelt te zijn. 

C. J. GONNET. 



PATER GODFRIDUS FRANCKEN SJ. 



Vroeger is reeds een en ander medegedeeld van 
dezen priester, die belast was in Gooiland de oprich- 
ting eener statie te beproeven maar daarin kwalijk 
slaagde, want hij werd den 25^^ Januari 1643, op Zon- 
dagmorgen bij eene godsdienstoefening onder Weesper- 
karspel overvallen, gevangen genomen en na lange 
procedure verbannen. Er zouden tien of twaalf per- 
sonen bij tegenwoordig geweest zijn, waarvan omtrent 
de helft ontliep. 

Het is reeds bekend, dat dit plaats vond in zekere 
woning bij de ruïne van het Huis-ten-Bosch binnen 
de grachten, in leen bezeten door den Heer van den 
Bosch, die tegen deze overronipeling opkwam. 

Tegen den Pater en de weinige bekend geworden 
bijwoners der godsdienstoefening, die den Schout met 
zijne ettelijke assistenten en de twee stadsboden van 
Weesp niet hadden kunnen ontgaan, werd eene ver- 
volging ingesteld. 

Tot zoover het relaas, dat in Deel VII blz. 81 dezer 
Bijdragen is opgenomen. Maar uit de gerechtsrol van 
Weesperkarspel verneemt men, tegen wie de aanklacht 
werd gericht en wat de afloop er van was. 

De zaak werd aangebracht den 4" Maart 1643 door 
den Schout Dirck Symons. van Eyck, uit den naam 
en van wege den E. Pieter Cornelisz Hooft, Drost tot 
Muiden, Baljuw van Gooiland en Hoofd-Officier over 
Weesp en Weesperkarspel. De beschuldigden waren : 



154 

Godfridus Francken, priester. 

Lambert Corn. Haen, te wiens huize de gestoorde 
godsdienstoefening zou zijn gehouden. 

Nelletgen en Aeltgen Plemps, • 

kloppen, ^ 

Stoffel Leenderts. en Symon, zijn ] . 

f waren cfeweest. 
knecht, ' ^ 

De berechting ging niet vlot van de hand, want 
oneindig veel weken stond de zaak op de rol en niet 
voor 4 Mei 1644 werd het volgende vonnis geveld: 

De advocaat van Pater Francken, seyt, bij prae- 
advertentie, dat hij (Francken) is een vassael van dese 
geünieerde provintie, geboortich uit 's Hertogenbosch, 
ende dat ten tijde hij sijne studiën volbracht hebbende 
ende in Hollant gearriveert, sijne behoorlijcke aange- 
vinge heeft gedaen ter plaetse gerequireert, volgens 
de placaten, van Haere Ed. Ho. Mo. de Staten Generael, 
ende voorts antwoordende, ontkent eenige Paepsche 
vergaderinge nochte turbatie in dese Landen gemaeckt 
te hebben, Sulcx afslaende bij denegatie ende imper- 
tinentie het geposeerde van den e}'scher, Concludeert 
ten fine van niet ontfanckeiijck ende bij ordine, dat 
den eyscher sijnen eysch sal werden ontse3't ende de 
gedaegde (Francken) daervan geabsolveert mette costen. 

In de saecke hangende voor Schepenen van Weesper- 
carspel, tusschen den E. Heere Dirck van Eyck, Schout 
van Weesp ende Weespercarspel, eyscher, ter eenre, 
Op ende jegens Govert Francken, Priester, gedaegde, 
ter andere sijde. 

Schepenen voornoemt, met rijpheyt van rade door- 
gesien ende overwogen hebbende alle hetgeene ter 
materie dienende was, ende geleth op den inhoude van 
de respective placcaten, bij de Ho. Mo. Heeren Staten 
Generael deser Vereenichde Nederlanden geëmaneert, 



155 

Doende recht, Bannen den voornoemde gedaegde, 
ten saecke in den eysch geroert, uit dese Vereenichde 
Nederlanden ten eeuwigen daghe, sonder daer weder 
inne te mogen comen, op pene van arbitrale correctie, 
Condemnerende hem mede in de costen van desen 
processe, mitsgaders in de misen van justitie. 

In de saecken hangende voor Schepenen van Wees- 
percarspel tusschen den Heere Dirck van Eyck, Schout, 
so hij procedeert eyscher ter eenre, Op ende jegens 

Lambert Corn. Haes, 

Nelleken ende Aeltgen Plemps, doppen, 

Stoffels Leenderts. met sijn knecht 

Symon Gerrits., 
gedaegden, ter andere sijde, 

Schepenen voornoemt, met rijpheyt van rade door- 
gesien ende overwogende hebbende alle hetgeene 
ter materie dienende was, Doende recht, Ontseggen 
den Heere eyscher sijnen eysch ende conclusie, op 
ende jegens de gedaegdens gedaen ende genomen, ende 
compenseren de costen, om redenen Schepenen voor- 
noemt moverende. 

Tijdens deze uitspraak was Pater Francken reeds 
lang vertrokken. In 1643 werd hij uit Noord-Nederland 
teruggeroepen en was sinds dien tijd werkzaam op de 
Scandinavische eilanden enj aan de kust van Guinea, 
waar hij den ig" November 1654 op het eiland St. 
Andries is overleden. 

C. J. GONNET. 



HEILIGSCHENNIS EN DIEFSTAL 

IN DE NIEUWE KERK TE AMSTERDAM 

OP PALMZONDAG 1545. i) 



Eersame, wijse, voersichtige, beminde, gunstige goede 
heeren ende vrunden. 

Wij gebieden ons vruntlicken tot uwe eersame wijsh., 
doende den zelven U.E. guetlicken te wetene, dat in 
der nacht van Palmensonnedach lestleden alhier inder 
nyewer prochykercke zekere groote diefverie geperpe- 
trert es an ende int sacraments huys ofte tabernakel, 
van ciboriën, bussen ende monstrantien, daerinne de 
sacramenten bewaert laegen; oick de hevHge hostien 
tot verscheyden plaetsen van de kercke gestroyt zijn 
geweest tot grooter oneere van Gode gebenedijt. Ende 
zoe wij nu verstaen hebben datter eenige dicfveii bij 
U.E. gevangeji zyn, die 't voors. feyt zouden hebben 
bekent, befheelen daeromme in aller vruntscappe, in- 
dien tzulcx es, dat U.E. den zelven scalcken van 
hoeren complicen, die alhier oft elders te vinden moch- 
ten zijn, scarpelicken interrogeren, ende oft bij hen- 
luden eenich zilver ofte gout, alhier gestoolen, bevonden 
is, bij U.E., totten den voors. kercken behouff, bewae- 
ren; ende wes hier wesen mach, ons bij den brengere 
van desen scriftelicken adverteren willen. Oft oicic de 
voors. die/ven nyet bij -E. U., fuaer bij den Hove aldaer 
geapprehendeert mochten zijn, hierafj' alsdaji 77iijnen 

') Origineel berust iii het Rijksarchitf te Anihein. 



157 

Jicere den president ofte Caiicelier spreken, onde ons 
antwoort doen hebben willen. Daerinne ons sonder- 
lingo vruntscap gebueren zal, ende verschuldent in 
gelijcken ende meerderen saicken vvederomme gaerne 
tegens U eersame wijsh., dien God iilmachtich bewae- 
ren willen in lange gesontheyt. 

Gescreven desen 311 in mye anno etc. 45. 

Schout, burgemeesteren ende scepenen 
der stede van Aemstelredamme. 

Op de keerzijde staat: 

Eersamen wijsen ende voorsichtigen heeren, den 
schout, burghermeesteren, scepenen ende raidt der stadt 
Aernhem onsen beminden goeden vrunden. 

J. KLEIJNTJENS S.J. 



GEWEIGERDE EED. 



(Texel 1598.) 



Thijs Corneliss., uyt Texel, ontboden ende gevraecht 
zijnde, wat hem heeft beweecht te spreecken ende 
vertellen tegen Guert Engelsdochter, zijn huysvrouwe- 
zuster, dat alst pa3's soude wesen, dat alsdan de kerc- 
ken ende cloosters wederomme opgetimmert, ende de 
erven van dien, wederomme aengevaert souden wer- 
den, en dat de hu3'ssen daer opgetimmert alsdan af- 
gebroocken souden worden, met gelijcke redenen. Heeft 
denzelven Thijs Cornelisz. ontkent zulcx gesproken of 
vertelt te hebben, ende gevraecht w^esende of hij 
tzelfde wel met zijnen eede soude verclaeren, heeft ge- 
antwoort, ongehouden te zijn over hemzelven tot zijne 
bezwaernisse \'et te getugen. 

(Resolutien Burgemeesters van Haarlem 
12 Augustus 1598). 

C. T- GONNET. 



NUYENS-FONDS. 



Het bestuur van het Nuyens-Fonds brengt ter kennis, 
dat als nieuwe prijsvraag wordt uitgeschreven : 

»Een geschiedkundig overzicht van de denkbeelden 
omtrent godsdienst en kerk bij de Noord-Hollandsche, 
lófle eeuwsche Humanisten, met name Murmellius, 
Cornelius Crocus, Alardus Amstelredamus en Martinus 
Duncanus.« 

Voor deze prijsvraag stelt het bestuur een prijs 
van ƒ 500 beschikbaar, met een eere-diploma. Zij, die 
naar deze prijsvraag wenschen mede te dingen, zijn 
verplicht, hun manuscript, in zijn geheel en duidelijk 
leesbaar, portvrij aan den voorzitter te zenden, uiterlijk 
I Januari 1920. 

De prijsverhandelingen moeten bij voorkeur niet 
geschreven zijn met de eigen hand van den steller; 
zij mogen niet door hem onderteekend zijn, doch 
moeten gekenmerkt worden met eene zinspreuk en 
vergezeld gaan van een verzegeld briefje, dezelfde 
spreuk tot opschrift voerende en waarin des schrijvers 
naam en adres eigenhandig zijn opgegeven. De be- 
kroonde en niet bekroonde prijsverhandehngen be- 
hoeven niet te worden teruggezonden aan de inzenders. 
Eene prijsverhandeling kan slechts worden bekroond, 
indien zij door een Katholieken Nederlander is saam- 
gesteld. Bij voorkeur worde zij geschreven in het 
Nederlandsch. De beslissing over de toe te kennen 



i6o 

prijzen berust wederom bij een door het Doorluchtig 
Episcopaat te benoemen jury van vijf personen. 

Dr. J. V. DE Groot O.P., Voorzitter, 
Singel 154, Amsterdam. 

Dr. Jos. Schrijnen, Secretaris, 

utrecht. 
20 December 19 17. 

In de onlangs gehouden bestuursvergadering van 
het Nuyens-Fonds zijn in de vacatures, ontstaan door 
het overlijden van de heeren Jhr. Mr. Victor de Stuers 
en Mr. Arn. H. M. van Berckel, gekozen de heeren 
Dr. H. F. M. Huybers en J. F. M. Sterck, 

Het bestuur is nu als volgt samengesteld: Dr. J. V. 
de Groot O.P., Voorzitter; Dr. Jos. Schrijnen, Secretaris; 
J. F. M. Sterck, Penningmeester; Mgr. J. J. Graaf; 
Mr. F. J. M. A. Reekers, Jhr. Mr. A. F. O. van Sasse 
van IJsselt; Dr. H. F. M. Huybers. 



DE POSTHOORN TE AMSTERDAM. 



Op het oogenblik kan omtrent den oorsprong der 
Statie »de Posthoorn c niets met zekerheid worden 
medegedeeld. Ook bij de Paters Augustijnen te Eind- 
hov^en, waar men meende de verlangde historische 
bescheiden aan te treffen, leidde mijne navrage tot 
geen resultaat, i) Voorshands blijft het dus onbekend, 
wanneer of door wien de gebouwen werden gehuurd 
of aangekocht, welke tot schuilkerk ingericht, aan de 
katholieken gelegenheid boden tot het vieren hunner 
heilige geheimen. Wel zegt Jan Wagenaar in 1765, 
zonder zijne vindplaats te vermelden'), dat de Statie 
oorspronkelijk gevestigd was op *den Haarlemmerdijk, 
tusschen de Brouwerstraat en Eenhoornsluis, daar zij 
>'t Friesche IVapent- heette. In dezelve is omtrent den 
jaare 1620 door Augustijnen dienst gedaan*. 

En deze schuilkerk zou, naar plaatselijke overleve- 
ring, gestaan hebben, waar thans de St. Antonia- 
School verrees. Maar de mededeeling van Wagenaar, 
dat de Paters Augustijnen reeds in 1620 daar gekerkt 
zouden hebben, is beslist onjuist. 



'j Pater Duyiistee deelde mij mede, dat de archivaris der 
Augustijner Orde bezig is met het ordenen der verschillende stuk- 
keu, welke op de onderscheidene kloosters en pastorieën der 
Paters betrekking hebben. Daarvan zal eerlang eeue afzonderlijke 
studie verschijnen. 

Zoo moge ik later aanvullen, wat thans met den besten wil 
van de wereld niet te vinden was. 

^) ïVagenaar, Jan : Amsterdam in zijne opkomst, aanwas enz., 
te Amsterdam bij Isaak Tirion, 1765, dl. II, blz. 213. 

II 



102 

Want allereerst, op de lijst der priesters, die in 1622 
volgens officieele opgave zich * ter secretarie te Amster- 
dam hebben bekent gemaect«, wordt van geen Pater 
Augustijn noch van hun schuilkerk in >het P>iesche 
Wapen < gewag gemaakt ;i) ten andere, in het door 
Rovenius in 162Ó getroffen vergelijk tusschen de saecu- 
lieren en de regulieren, in de geschiedenis onder den 
naam van concordata of verdragpunten bekend, wordt 
onder de 20 genoemde Staties, behoorende aan de 
Jesuiten, Dominicanen en Franciscanen geene vestigings- 
plaats van de Paters Augustijnen, waar dan ook, ge- 
meld;-) vandaar dat in 1726 door den aartspriester 
Van den Steen getuigd werd, dat de Paters Augustij- 
nen zich te Amsterdam in strijd met de concordaten 
gevestigd hadden. 3) Volgens het Verslag echter der 
Hollandsche Zending, opgesteld onder toezicht van den 
Vice-Superior Ignatius Busca (1776 — 1785), vestigden 
de Paters Augustijnen zich hier te lande in het jaar 
1630,'^) waarmede geheel overeenkomstig, in de Hande- 
lingen der Propaganda fide op den 5en Augustus 1630 
gelezen wordt, dat aan den Procurator-generaal der 
Augustijnen verlof werd gegeven twee priesters, be- 
hoorende tot de Keulsche en de Vlaamsche provincie, 
naar de Hollandsche Missie te zenden, mits daartoe 
toestemming zou gevTaagd en verleend zijn door den 
Vicaris Apostolicus; en onder voorwaarde, dat de 
Paters de verdragpunten tusschen saeculieren en regu- 
lieren aangegaan, zouden eerbiedigen, ^j Van de Keul- 



1) Bijdr. V. H.: dl. XVIII, blz 48-60. 

2) Archief v. Ulr.; dl. XIX, \Al. 6o; Handboekje zoor de zaken 
der R. K Eerediemt, jg. 1S59, blz. 253. 

3) Bijdr. V. H.: dl. VII, blz. 2S2. 

4') Arch. V. Utr.: dl. XXXVI, blz. 178. 
53 Atch. V. Utr.: dl. XXXI, blz. 330. 



i63 

sclic provincie werd omtrent clc helft der 17c eeuw de 
Vlaanische provincie afgescheiden met een eigen pro- 
vinciaal te (ient, waaronder sinds dien de Nederland- 
sche Paters Augustijnen behoord hebben. In 1639 
hadden de Augustijnen, volgens een oorspronkelijk 
missie-verslag, opgesteld door den prefect Michaël 
Paludanus, staties te Amsterdam, Zierikzee, Utrecht, 
Nijmegen en Groningen, acht in getal; en stonden zij 
onder het onmiddellijk toezicht van een eigen prefect, i) 

Blijkens deze mededeelingen kunnen de Augustij- 
nen zich eerst sinds 1630 op den Haarlemmerdijk in 
het »Friesche Wapen* gevestigd hebben, ofschoon het 
veel meer waarschijnlijk is, dat eerst in 1640 de Statie 
haar geregelden gang gekregen heeft, daar, volgens 
Jan Wagenaar, 2) »de oudste registers der gedoopten 
en getrouwden, welke in deeze Statie voorhanden zijn* 
uit de jaren 1640 en 1641 dagteekenen. En hierbij 
sluit zich de opgave aan in Kerkelijk NederlcDid en 
in het liber Staties Missionis,^) waar tevens als eerste 
pastoor genoemd wordt: 

Hyacynthus van der Linden, en diens komst in de 
Statie wordt vastgesteld op het jaar 1640. Nadere 
bizonderheden omtrent dezen Augustijner-eremiet ont- 
breken. Te Dordrecht behoorde de familie Van der Lin- 
den reeds vóór de Hervorming tot de weldoeners der 
Paters Augustijnen. 4) Tot opvolger in de Statie had 
hij Pater: 

Gulielnius Sterks, wiens komst te Amsterdam even- 
eens in het liber > Status Missionis« wordt aangegeven 



') Brom, Dr. G. : Archivalia in Italië, dl. III, blz. XXXV. 
2j L. c. 

3) Opgesteld door pastoor Sonjee eu aanwezig in het bissch. 
oud-archief te Haarlem. 

") Bijdr. V. H.\ dl. XXVI, blz. 30. 



104 

op het jaar 1649. Van dezen herder is mij eveneens 
niets naders bekend. Den 2eu Juli 1676 kreeg hij als 
medewerker in de Statie Pater Cornelius de Wolf, die 
hem in Maart 1682 als pastoor opvolgde. 

Pater Cornelius de Wolf was bij den aanvang van 
zijn pastoraat 43 jaar oud, en in het 19e van zijn priester- 
schap ;i) door den provicaris Josef Cousebant werd hij 
genoemd >-vir integerrimus et zelosus«.-) De Statie 
telde duizend communicanten. Als medearbeider stond 
hem ter zijde Pater Michaël Deckers, die in 1673, als 
pastoor van Buiten veldert, was overgeplaatst naar Nieu- 
wendam, maar in hetzelfde jaar van den Vicaris Aposto- 
licus Van Neercassel toestemming had ontvangen, om 
Pater de Wolf te Amsterdam als Socius in de geeste- 
lijke bediening behulpzaam te zijn. Doch tusschen deze 
beide orde-broeders heerschten voortdurende oneenig- 
heden, welke noch door den Vicaris Apostoliek, noch 
door den Internuntius, noch door Cousebant konden 
worden bijgelegd, zoodat onder goedkeuring van den 
Internuntius, door het Kapittel van Haarlem en den 
prefect der Augustijnen besloten werd, aan Pater 
Deckers aan te zeggen, wederom naar Nieuwendam 
terug te keeren, en aan Pater de Wolf mede te deelen, 
dat in het vervolg noch hij, noch iemand zijner opvol- 
gers, een medewerker in de Statie aan mocht vragen. 3j 

Bij het optreden van Pater de Wolf werd de Statie 
van den Haarlemmerdijk overgebracht naar »de Post- 
hoorns, gelegen aan de oostzijde van de Prinsengracht, 
het vierde huis bezuiden de Brouwersgracht. Naar men 



') Arch. T. Utr.: dl. IX, blz. 55. 

2) Bijiir. V. H.: dl. V, blz. 11 r. Eeu luau uit ééu stuk, vol 
priesterlijken ijver. 

3) Arch. V. Utr.: dl. IX, blz. 55; Bijdr. v. H.: dl. V, blz. J08, 
III ; Liber »Status Missiouis*. 



i65 

zegt, was »de Posthoorn « aanvankelijk eene fabriek; 
later werd hij tot posthuis en poststal ingericht. Op 
het oogenblik prijkt de Posthoorn als gevelsteen in 
het heerenhuis n^. 13 op de Prinsengracht. 

In 1683 komt op de lijst der Amsterdamsche schuil- 
kerken »de Posthoornc voor: »op de corte Prince 
Gracht in de Posthoorn«. ') De stal was tot kerk, het 
huis tot pastorie ingericht. Als meerdere schuilkerken 
had ook de Posthoorn een dubbelen ingang. Een aan 
de zuidzijde van de Brouwersgracht tusschen de Kei- 
zersgracht en de Prinsengracht door een gangetje »de 
Posthoorngang< genaamd, en een op de Prinsengracht 
over de Noordermarkt door het huis van den pastoor. 
Het oude, benauwende gangetje leidt op het oogen- 
blik tot een bescheiden timmermanswerkplaats, het 
eenige overblijfsel van het aloude bedehuis. 

De woninkjes aan de achterzijde der kerk werden 
in i6go aangekocht van de Wed. van Jacob Claesz. 
en Jan Abrahamsz. en op naam gesteld van Gerrit 
Claesz. Sloterdijck.^) Volgens Jan Wagenaar werd *de 
Posthoornc in 1687 aangekocht; de kerk was ruim, 
had twee boven elkander geplaatste galerijen en diende 
tot vergaderplaats eener zeer talrijke gemeentec.^j De 
koopsom bedroeg 12.500 gulden; toen de kerk voor 
de gemeente te klein werd, heeft de Heer Koops haar 
een huis geschonken, staande bezijden het achterste 
gedeelte der kerk. Door het wegnemen van den zij- 
muur werd het onderste gedeelte van het huis bij de 
kerk getrokken ; het bovenste gedeelte deed dienst tot 
berging van kerkelijke benoodigdheden. 



') Bijdr. V. //.: dl. XV, blz. 216. 
^) Archief der parochie. 

3j Iv. C. 



i66 

De kerk was door de communiebank in twee deelen 
gescheiden; het voorste gedeelte was zz voet lang en 
17 voet breed; het achterste gedeelte 35 voet lang en 
38 voet breed. Zij bevatte, zooals reeds door Wage- 
naar gezegd werd, aan weerszijden twee boven elkan- 
der staande galerijen, ieder 41 voet lang en 5 voet 
breed, benevens twee galerijen tegen den achterkant 
der kerk, elk 16 voet lang en 22 voet breed, zoodat, 
volgens eene berekening van pastoor Lexius, de kerk 
805 zitplaatsen bevatte. In dit bedehuis, dat al zeer 
spoedig in bouwvalligen staat verkeerde, is de Statie 
gehuisvest gebleven tot in de tweede helft der vorige 
eeuw, toen zij werd overgebracht naar de Haarlemmer- 
houttuinen. 

De Paters Augustijnen hadden de Statie onder de 
schutse gesteld van hun Orde-stichter, den groeten 
kerkleeraar St. Augustinus. 

Xaar aanleiding der benoeming van Adrianus Acht- 
tienhoven, een wereldgeestelijke, tot pastoor te Buiten- 
veldert, destijds eene Statie der Paters Augustijnen, 
had Pater de Wolf, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, 
beweerd, dat het Kapittel van Haarlem, waardoor de 
benoeming geschied v\'as, in de Hollandsche Missie 
geen recht van bestaan had, zoodat de aanstelling als 
ongeldig beschouwd moest worden. Immers, zoo rede- 
neerde hij, de geheele kerk van Haarlem en dus ook 
de Haarlemsche bisschopszetel was vervallen ; vandaar 
dat de Paus aan het hoofd van de ]\Iissie gesteld had 
een Vicaris Apostolicus, Tegen dit gevoelen kwam het 
Haarlemsche Kapittel op en trachtte bij uitgegeven 
geschrift, »Motivum juris pro capitulo cathedrali Har- 
lemensi« zijne wettigheid en recht van bestaan te 
handhaven. Deze verdediging verscheen in 1703. In- 
tusschen was Pater de Wolf den i2en October 1695 



i67 

gestorven, gewis niet vermoedende, dat hij, die het 
eerst de wettigheid van het Ilaarlemsche Kapittel in 
twijfel trok, den strijd had geopend, welke met meer 
en minder felheid, tot aan het herstel der Hiërarchie 
tegen het Kapittel gevoerd zou worden. M 

Pater de Wolf stierf te Amsterdam en werd in de 
Nieuwe Kerk begraven. 2) 

Fulgentüis Stevens, ook Stevius genoemd, behoorde 
tot de Augustijnen der Vlaamsche provincie. Hij was 
de eenige zoon eener adelijke familie, en gedurende 
dertig jaren aan het onderwijs verbonden, achtereen- 
volgens te Hu3% Leuven, Gent en Brugge. Den 20^11 
November 1695 werd hij pastoor van »de Posthoorn*, 
stierf, oud 56 jaar, den 8eti Juli 17 10, en werd te 
Amsterdam in de Nieuwe kerk begraven.-^) 

Er bestaat van pastoor Stevens in het Museum »de 
Amstelkring« ■*) een portret in koperdruk, een kniestuk, 
den pastoor voorstellende in monnikspij, staande be- 
zijden het altaar, met deze vier vierregelige coupletten 
tot onderschrift: 

Siet hier een deftig man uit adelbloed gesprooten 
Zijn vaders naam en stam heeft hij in 't graf beslooten, 
Nogtans ziin deugd nog leeft en glinstert naar zijn dood ^) 
En gUnstereu zal altijd bij kleyn zoowel als groot; 



') Bijdr. V. IL: dl. XXIV, blz. 97 env. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 93—94. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 88—89; Archief v. Utr.\ dl. I, 
blz. 103; Missio foederati Belgii descriptio^ V^%- 35- 

'') Hoe jammer dat op deze verzameling van kostbare en koste- 
lijke kerkelijke oudheden geen gids noch catalogus bestaat. Men 
tast bij zijne onderzoekingen in het onzekere rond, zoodat men, 
zelfs bij herhaald bezoek, de onaangename gedachte krijgt, van 
misschien de ni; oiste gegevens voor zijn historischen arbeid, on- 
gemerkt en alzoo ongebruikt te zijn voorbijgegaan. 

5) Eeue zinspeling op zijn naam Fulgeutius. 



i68 

In zijne jonge jeugd kiest Augustiuus wetten 
Om duyvel, wereld, vleez te vlieden en te pletten, 
De school bestierde hij 't Huy, Loven, Brug en Gent 
De jonkheyt onderwees en deugd haar ingeprent. 

Een herder onvermoeyd, een leeraar sonder schroomen 
Den tijd van dertig jaar, voor 't opperhoofd van Roomen, 
En der gesonde leer beschermer en behoeder 
De troost der weduwen, der armen, weeseuvoeder ; 

D'onweetende geleert, de kranken ging versterken. 
De d waaiende verligt, bragt sondaars tot goê werken, 
Zijn ziel rust in den Heer, de Aarde 't lighaam heeft, 
In waarde houdt zijn beeld en naar sijn leering leeft. 

En inderdaad »een leeraar sonder schroomen* heeft 
pastoor Stevens zich getoond door geducht, met het 
woord vooral, deel te nemen aan den strijd tegen de 
Jansenisten, door wie op het einde der 17e en in het 
begin der i8e eeuw de Moederkerk verscheurd werd. 
De nabijheid van twee Jansenistische kerkjes gaf aan 
zijn strijdlustig optreden een nog meer gerechtvaardigde 
reden. Van den eersten Zondag in den Advent tot 
aan het Paaschfeest had hij in zijne predikatiën zijne 
toehoorders onder »een grooten toeloop van menschen 
van alle kanten zoo van de gemeentens der cleregie 
als van andere* onderhouden over de dwalingen, welke 
door de Jansenistische kopstukken verbreid werden. 
En blijkbaar met goede gevolgen ; want het werd oor- 
baar gerekend den Pater »een gedruckten brief te 
schrijven, waerin hij verzogt wierd om schriftelijk voor 
te stellen en uit te drukken, wat doolingen of nieuwe 
leeringen de gemelde Heeren in hunne schriften ge- 
leerd hadden*. Maar Pater Stevens wilde daar niet op 
ingaan ; want zoo zeide hij in zijne predicatie op Palm- 
Zondag: »het is geen eerlijk man, die zijn naam niet 
onder zijn schrift zet<, en: >Christus onze Zaligmaker 
heeft tot zijne verdediging ook niet geschreven*. Tegen 



169 

deze beide aange\'oerde redenen kwam in 1704 een 
vlugschrift in het Hcht zonder den naam des schrijvers 
of des drukkers te vermelden, tot titel voerende: 
Wetiig onderzoek van de omvettige reden die d' eeriv. 
P. Fulgeniiiis Stevens op Pabji-Sondag in zijn predi- 
katie hijbragt om niet te voldoen aan 't gene daer hij 
op St. Gregorius dag door een gedrukte zendbrief toe 
beroepen is. 

Plet aardigste in dit geschriftje van 15 bladzijden 4O 
is wel dit: dat de schrijver, na de redenen door den 
Pater tot zijn zwijgen bijgebracht, »zot« en »opge- 
raept« genoemd te hebben, laat volgen: »Pater had veel 
liever ronduyt gezegt, dat het niet nodig is, dat hij 
schrijft, aengesien alles reeds gedrukt is, wat hij ge- 
preekt heeft; en dat men maar van hem had moeten 
vergen den auteur in duyts over te zetten, uj^t wien 
alleen hij gepredikt heeft*. 

Den 2oen September 17 11 volgde Pater Jacobns 
Baard of Baart tot pastoor in *de Posthoorn*. Hij 
stierf den i3en Februari 1722 en werd te Amsterdam 
in de Nieuwe kerk begraven. ') 

Onder dezen pastoor gingen de katholieke Amster- 
dammers in 17 14 voor het eerst ter processie naar het 
genade-oord Kevelaar; in 19 14 zouden zij haar 200- 
jarig bestaan zeer feestelijk vieren, hadden de jammer- 
lijke oorlogsweeën het niet belet. Talrijk zijn de be- 
wijzen in de parochiekerk van de liefde der paro- 
chianen jegens Onze Lieve Vrouw van Kevelaar ! Wij 
noemen slechts hare beeltenis op den monstrans; het 
gebrandschilderde venster; het roode zijden vaan met 
het wapen van Amsterdam in zilver op den vaandelstok. 



') Archief V. Utr.\ dl. I, blz. 103— 104; Biflr. v. H.: dl. XVII, 
blz. 60. 



170 

De dood van Pater Baard viel voor in de troebele 
jaren toen zich de Jansenistische Steenoven door de 
keuze van het pscudo-kapittel van Utrecht als vicaris- 
generaal van het Haarlemsche bisdom had opgeworpen. 
Nergens evenwel behoefden de katholieken zijne ge- 
waande geestelijke rechtsmacht te erkennen dan alleen 
te Amsterdam. Geen openstaande Statie kon door een 
katholieken priester worden bezet, tenzij hij voorzien, 
was van eene zending van Steenoven. Katholieken 
zoo leeken als priesters, mochten aantoonen met den 
weerspannigen Jansenist geen gemeenschap te kunnen 
en te mogen hebben: het mocht te Amsterdam niet 
baten. De magistraten waren op de hand der Jansenisten. 

Intusschen gelukte het aan Pater Mueninckshoven, 
pastoor der Augustijner Statie »de Ster« mede te 
Amsterdam, door zijn invloed bij den regeerenden 
Burgemeester Bambeek gedaan te krijgen, dat voor- 
loopig Paf er Vlami7ig de H. diensten in >de Post- 
hoorn* verrichten mocht. Maar jammer genoeg, reeds 
enkele maanden later, den \^^^ Mei 1722, kwam ook 
Pater Vlaming te sterven, en hoe nu ook de Inter- 
nuntius, de Vicaris Apostolicus Van Bijlevelt, de onder- 
aartspriester Van Wyckersloot en Pater Tax, de pro- 
vinciaal der Augustijner-Orde al het mogelijke deden 
om opnieuw een katholieken priester van de Augus- 
tijner-Orde in de openstaande Statie te zien aangesteld: 
alles was vergeefs en ijdel, de Statie bleef zonder herder. 

Door onderlinge ijverzucht over den voorrang, op- 
gewekt door de aanstelling van zekeren Pater P. 
Puthem, hadden de Augustijner-Paters zei ven tot dezen 
treurigen gang van zaken het hunne bijgedragen. Want 
niet enkel werden de leeken betrokken in hun weinig 
verheffend gekrakeel, maar zelfs was hun naijver aan 
de magistraat te Amsterdam ter oore gekomen, die 



171 

daarin eene reden te meer vond om >de Posthoorn* 
eenvoudig te sluiten en de Statie verweesd te laten. ^) 

Guliehnus Slephamcs Cavcllicr was te Amsterdam 
uit een deftig geslacht in 1676 geboren en voltooide 
zijne hoogere studiën te Rome aan het collegia de 
Propaganda fide. -) Den 2en Maart 1705 werd hij door 
den Nuntius van Keulen als pastoor naar Castricum 
gezonden. 3) Maar daarmede was gehandeld tegen het 
placaat van 17 Augustus 1702, waarbij van regeerings- 
wege was bepaald, dat geen zending onder de katho- 
lieke priesters als geldig erkend zou worden, tenzij 
daarop de toestemming van Codde of van diens pro- 
vicaris de Swaan zou ontvangen zijn. 

Vandaar dat Cavellitir den 18 Augustus 1707 ge- 
dagvaard werd in den Haag voor Heeren Commis- 
sarissen te verschijnen, om, na hem gehoord en zijne 
zending bezien te hebben, zoodanig over hem te be- 
schikken, «als men na exigentie van saken bevinden 
sal te behoren.* 4) En inderdaad den 25eu Januari 1708 
stond pastoor Willem Cavellier in den Haag terecht, 
en verklaarde hij zich geneigd »een sending te halen 
van den Heer de Swaan of van die het de Heeren 
Commissarissen goet vonden.* 5) En werkelijk heeft 
hij volgens Van Heussen zending van Martinus de 
Swaan aangevraagd. 6) 

Als pastoor te Castricum genoot Cavellier de vriend- 
schap en bijzondere genegenheid van Geelvinck, den 



') Archief v. Utr.: dl. I, blz. 104; id. dl. XXII, blz. 122; blz. 
164 — 165; Bjdr. V. //. : dl. III, blz. 223; Archief der Parochie. 

2j Arch. V. Utr.: dl. XXII, blz. 180. 

3) Bij'dr. V. H.\ dl. III, blz. 259. 

4) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 257. 

5) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 259. 

6) Bijdr. V. IL: dl. X, bl. 394. 



172 

Heer van Castricum, wicn hij in den bloede bestond, i) 
Overal waar hij kon, trachtte Geelvinck zijn neef 
Willem te begunstigen ; hetgeen hem te meer ge- 
makkelijk viel, omdat Cavellier, om zijne uitstekende 
gaven, bij zijne komst in den lande bijzonder aan den 
Vicaris Apostolicus was aanbevolen ; bovendien was hij 
een uitstekend redenaar en van aangenamen omgang. 2) 
Eene geschikte gelegenheid om pastoor Cavellier »ad 
altiora* te verheffen, bood zich voor Geelvinck aan, 
toen hij, tot burgemeester van Amsterdam gekozen, 
gemengd werd in de zaak der openstaande Statie >de 
Posthoorn «^. 

*Van lieverlede — aldus verhaalt IMgr. Vregt in 
deze Bijdragen 3) — kwam te Amsterdam eenig licht 
opdagen. De burgemeesters begonnen ten laatste in 
te zien, dat zij hun vroeger besluit van geen katho- 
liek priester zonder zending van Steenoven toe te 
laten, niet op den duur konden handhaven. Ook waren 
er drie van hen, met name Trip, Van den Bempden 
en Geelvinck, niet zoo vijandig tegen de katholieken 
gestemd. Alleen de burgemeester Van de Poll, die 
met den zwager van den Jansenistischen pastoor Krijs, 
eene handelszaak dreef, was zeer op de hand der 
Jansenisten, en bleef stokstijf vasthouden aan het een- 
maal genomen besluit. De aartspriester Van Wycker- 
sloot, die nog altijd om die reden zonder kapelaan 
moest blijven, deed zijn uiterste best, om de burge- 
meesters van dat besluit af te brengen, en mocht daar 
werkelijk ten laatste in slagen. Ook werd op Van de 
PoU-zelven krachtig en met niet minder goeden uit- 



1) Arch. V. Utr.: dl. XXII, blz. 163. 
2j Arch. V. Utr.: dl. XXII, blz. i66. 
3) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 420—427. 



'i7^ 

slag gewerkt door eene rijke katholieke dame van zijne 
familie. Ziehier wat Van Bijlevelt den i8 Mei 1723 
daarover aan Ho3aick schreef: >Wyckerslotius ver- 
klaarde, dat de Burgemeesteren van Amsterdam seer 
verandert waren ten deese door sijn reden, die hij met 
burgemeester Van den Bempden heeft gehad, seggende, 
dat er in Amsterdam omtrent 25.000 communicanten 
waren, waeronder maer omtrent 2000 Jansenisten, en 
niet een patritiër of oude familie daer onder [onder 
de Jansenisten namelijk]. De Roomse dat die ruym 
23.000 waren, en daeronder alle de beste familie, wiens 
getrouwighyd altijd heeft uytgeschenen ten behoeve 
van de regeering, en dewelke de regeering oc ten 
allen tijden heeft willen vergunnen vryhyd van con- 
scientie; maar nu worden dese Roomse verdrukt in 
deselve, door dat weynig getal, die haer hebben van 
de Roomse kerck afgesondert, en die de Heeren Burge- 
meesteren believen te mainteneren, en op te dringen 
eenen Steenoven, die geen de minste geestelycke 
macht heeft en oc door geen placcaten of resolutie 
van den Staet daer is [aengestelt. Wyckerslotius toonde 
aen, dat, indien de Heeren Burgemeesters bleven Steen- 
oven mainteneren, daeruyt zoude volgen het vertreck 
van de beste familien uit Amsterdam. Dese en dier- 
gelycke reden hebben dien Burgemeester gansch om- 
geset, seggende, dat hij dese saeck noeyt soo hadde 
begrepen. Mevrouw Moens, door de priesters aenge- 
set, heeft Burgemeester van de Poll, die een neef van 
haer is, oc krachtig aengedaen, seggende, dat sy noeyt 
van haer neef, dewelcke haer erfgenaem niet alleen, 
maer oc van al haer kinderen is, soo sy sonder kin- 
deren komen te sterven, gelyck seer apparent is, en 
soo komen in 't besit van meer als twee millioenen, 
verwacht hadde, dat hij haer in haer conscientie soude 



i74 

soecken. Hierop excuseerde sigh die Borgemeester; 
maer sij toonde, dat hij dat \verckel3'ck dede door 
Steenoven te mainteneren en haer op te dringen. Dit 
is van sulken gewicht geweest, dat die Borgemeester 
gansch is verandert «r. 

»De Heeren Weerts^j en Wijtmans^) gebuere pastoors 
van den Borgemeester Trip hebben dien man en 
Borgemeester, fix door een reden van een ganschen 
achtermiddag op het huys van Trip, ten eenemael om- 
gezet. Ja de opperschout van Amsterdam selfs heeft 
aan Borgemeesteren een request ingelevert, dat men 
de priesters met Steenoven niet langer soude moey- 
lick vallen, als sijnde een ondoenlycke saeck voor haer. 

Hierop is bij Borgemeesters geresolveert, kapellanen 
aan de pastoors te geven, sonder Steenoven te hoe- 
ven moeyen, en alsoo heeft Wyckerslotius Nieuwen- 
dyck tot capelaen genomen, 't welck de proeve op 
de som is«. 

Men ziet het: de Amsterdamsche katholieken kre- 
gen moed, en begonnen hunne rechten en invloed te 
gebruiken om van den ondragelijken druk bevrijd te 
worden, waaronder zij om een handvol, alles durvende 
en doordrijvende Jansenisten gebukt gingen. En inder- 
daad zij hebben hunne zaak gewonnen. Van Steen- 
oven werd niet meer gerept en de aanstellingen van 
den Internuntius, werden van nu af door de Amster- 
damsche regeering geëerbiedigd. Het was eene ware 



') Petrus Weerts geboren te Leiden was iu 1721 pastoor te 
Berkenrode, sinds 172S pastoor te Punnerend eu kanunnik van 
het oud-kapittel. Hij stierf iu 1756 als overste van den Hoek te 
Haarlem. 

2) Willem Wijtmans geboren te Utrecht was pastoor te Edam, 
sinds 1721 pastoor te Vogelensaug en werd iu r734 gekozen tot 
hd van het oud-kapittel. 



Ï75 

verademing voor de katholieken. Deze gelukkige om- 
keer was voor een groot gedeelte ook te danken aan 
de omstandigheid, dat de burgemeester Gcelvinck, Heer 
van Castricum, een bloedverwant was der drie gebroe- 
ders Cavellier. 

Toen nu eenige voorname katholieken van s.de Post- 
hoorn « zich tot den burgemeester Geel vi nek vervoeg- 
den, om de heropening der kerk en de admissie van 
een pater der Augustijner-Orde als pastoor te verzoeken, 
vroeg hij, of een saeculier priester niet even goed was; 
op hun bevestigend antwoord beloofde hij hun, hij 
zoude hun een zeer goeden bezorgen ; en zie, nu drong 
hij-zelf bij den Aartspriester Van W3'ckersloot er op 
aan, dat deze van den Internuntius eene zending voor 
Cavellier, pastoor van Castricum, zou trachten te be- 
komen. De Vicaris Van Bijlevelt was daar volstrekt 
niet mede ingenomen, en zag in die bemoeingen van 
den burgemeester, groot gevaar voor de toekomst. Hij 
stelde alle pogingen in het werk om de Statie voor 
de Paters Augustijnen te behouden; maar te vergeefs. 
En toch kon de kerk niet langer gesloten blijven, 
vooral, wijl aan dien kant der stad twee Jansenistische 
kerken waren, en 2>de Posthoorn* daar de eenige katho- 
lieke kerk was. Ook maakten de Paters Augustijnen- 
zelven er niet veel werk van, zooals Van Bijlevelt tel- 
kens in zijne brieven klaagt. Pater Tax, de praefectus 
missionis dier Paters, hoe ook door den Vicaris aan- 
gespoord, om, bij de betere stemming der regeering, 
werk te maken van de heropening hunner kerk, had 
het niet gedaan. De Vicaris was dus wel genood- 
zaakt in de zaak te voorzien, ten einde grooter kwaad 
te voorkomen, te meer, wijl bij eene wederstreving 
van den burgemeester, ook de andere Statie der Paters 
Augustijnen »de Ster« of Spinhuissteegkerk groot 



176 

gevaar liep opgeheven te worden, en daar nu toch 
Cavellier een voortreffeUjk en bekwaam priester was, 
meende de Vicaris hem, in deze omstandigheid, in 
de Posthoornkerk te moeten aanstellen, doch slechts 
bij wijze van waarnemend pastoor of deservitor, tot tijd 
en wijlen de Paters Augustijnen weder in de gelegen- 
heid zouden zijn, de Statie terug te krijgen. Dit is 
echter nooit meer kunnen geschieden. 

Ook aan den Internuntius Spinelli had de Vicaris 
kennis gegeven van hetgeen met »de Posthoorn* was 
voorgevallen. Den 14 Juni 1723 antwoordde Spinelli 
»dat de Augustijnen het verlies der Statie aan zich 
zelven te wijten hadden; zoo zij niet door ijverzucht 
vervoerd, meer het algemeen belang der Orde dan hun 
eigen inzichten hadden nagestreefd, zou hun gewis 
zulks nooit overkomen zijn«.i) 

Pastoor CaveUier, die sinds Mei 1723 de Statie be- 
diende, ging den 23 December met Pater Joannes de 
Munk >sig aanmatigende ordere te hebben van den 
Eerw. Heer Philippus Tax« de volgende overeen- 
komst aan. 2) 

In de maand van Juny heeft de Eerw. Heer Phi- 
lippus Tax, praefect van de Missiën, geaccordeert met 
den Eerw. Heer Gulielmus Cavellier, als nu pastor in 
de Missie van den Posthoorn en daar ingesteld door 
myn Heren de burgemeesteren dezer stad, dat hy zal 
wonen in 't huys en kerke in volle bezit van alles; 
dat de kerk en ^yn cieraden aengaat ; met 't gebruyk 
van den inboel en huysraadt, zoo als het is geweest 
int gebruyk by het leven van den Eerw. Heer Jacobus 
Baart en Pater Vlaming, en dat, zonder te verwoonen 
eenige huyshuur, zoolang als myn Heer Cavellier zal 



1) Bijdr. V. H.: dl. III, blz. 424, uoot 2. 

2) Archief der Parochie, 



177 

cometi daarin te wonen, ofte totdat myn Heren de 
burgemeesteren anders zullen comen te disponeren. 
Nogtans neemt Mynheer Cavellier aan, het huys en 
kerk te onderhouden van reparatie, alsook het huysraat 
en den inboedel; neemt ook aan, alle jaaren te be- 
taalen de 8ste en looste penningen van de kerk en 
woonhuys; en alles wat Mynheer Cavellier zal comen 
te verbeteren aan huys en kerk en van cieraden van 
de kerk, zal daarin blijven, sonder voor iets te mogen 
praetenderen, 't zy van hem selfs ofte van syn erfge- 
namen, te mogen naar hem nem.en S3'n eygen inge- 
bragte goed. Ende also ik ben versogt door den Eerw. 
Heer Philippus Tax, praefect te continueren in de be- 
stieringe van de Missie, als ik voor desen gedaan 
hebbe van het verhuuren van de huysen ende te ont- 
fangen de huurpenningen, ende daarvan te betaalen 
de lasten en reparatien, waarvan ik zal ordentelj'k 
boekhouden van ontfangst en uytgaaf, waarvan ik aan- 
neme altyd rekening daarvan te doen van ieder jaar. 
Sonder arg of list. In Amsterdam 13 December 1723. 
Onderstond: Signo supra scripta in quantum debeo: 
signo et declaro quod haec legerim. Actum Amster- 
dam, 23 Dec. 1723. 

Fr. Joës de Munk, mis. et vic. 

Onderstond en was getekent: Gulielmus Cavellier, pastor. 

Gillis Jacobs. 

Intusschen werd door Van Bijlevelt den 2eu Juli 
1723 in zijn Memoriale of verslag van den toestand 
der Hollandsche Zending, gezonden aan de Propa- 
ganda, de overgang van »de Posthoorn*, van de regu- 
lieren naar de saeculieren, met de daarmede samen- 
hangende gebeurtenissen ter sprake gebracht, en de 
redenen zijner handelwijze nader uiteengezet, i) 

Toen in 1726 de Haarlemsche kapittelheeren met 



') Arch. V. Utr.: dl. XXII, blz. 163—166. 



178 

den Internuntius Spinelli in nader overleg traden over 
het herstel van hun geestelijk bestuur der Missie, dat 
hun door Paus Clemens XI, bij breve van 7 April 
1703, ontnomen was, moesten eerst eenige door Rome 
vastgestelde punten door de kapittelheeren met eigen- 
handige onderteekening worden aangenomen. Daar- 
onder behoorde ook de belofte, dat het kapittel >de 
Posthoorn*, zoodra zij kwam open te staan, aan de 
Paters Augustijnen terug zou geven. Hiertoe toonde 
het zich bereid, mits de Augustijnen van hun kant de 
Staties zouden teruggeven, welke zij hadden ingeno- 
men. Want, wat van den eenen kant onrechtvaardig 
is, is dat ook van den anderen kant. De belofte werd dus 
aanvaard, maar onder beding, dat het bezit der Statie 
niet in strijd zou zijn met de concordaten, hetgeen even- 
wel door Van den Steen uitdrukkelijk werd beweerd, i) 

Inderdaad wordt in de verdragpunten, aangegaan in 
1626 met de regulieren, elke Statie der Paters Augus- 
tijnen in de HoUandsche Missie gemist; en wel op- 
merkelijk, bij al hunne latere aanspraken, hebben de 
Augustijnen zich nimmer op de concordaten beroepen. 

Het maakt derhalve een zonderlingen indruk in een 
verslag van 1741, opgezonden door de Paters Augus- 
tijnen aan den Nuntius Tempi, over het geval van >de 
Posthoorn* te lezen: »dat pastoor Cavellier, een wereld- 
geestelijke, in de Statie is binnengedrongen en alles, 
wat door de Paters Augustijnen op den langen duur 
en onder veel moeilijkheden voor kerk- en huisgebruik 
was bijeengebracht, in bezit heeft genomen. Daartoe 
behoorde ook eene belangrijke bibliotheek*.^) 



') Bijdr. V. H.: dl. VII, blz. 282, 

2) Auno 1723 statiouem iuvasit Rdus Dnus Gulielmus Cavellier, 
sacerdos saecularis, qui omnia missionis mobilia uou tantum sacris 



179 

Van de belangrijkheid dier bibliotheek is mij op het 
©ogenblik, bij onderzoek, niet veel gebleken. 

De goede gezindheid tusschen pastoor Cavellier en 
de Paters Augustijnen bleek al heel spoedig te wen- 
schen over te laten. Wie hiertoe aanleiding gaf, of de 
houding van het oud-kapittel, bij monde van den aarts- 
priester Van den Steen, tegenover de gewaande rechten 
der Paters Augustijnen, of pastoor Cavellier, die, het- 
zij door de meening te volgen der kapittelheeren, het- 
zij om andere redenen, aan de Paters Augustijnen stof 
leverde tot ontevredenheid : feit is het, dat pastoor Ca- 
vellier door de Paters Augustijnen voor de rechtbank 
werd gedaagd en gevonnisd, om van i Mei 1727 af 
jaarlijks 550 gulden huur te betalen voor het gebruik 
van kerk en pastorie. De gebouwen toch stonden, zoo- 
als in die dagen gewoonte was, op naam van een leek, 
Jan Woltman, een vriend der Augustijnen; en al be- 
toogde nu pastoor Cavellier, dat >de Posthoorn* noch 
door de Augustijnen noch door Jan Woltman was ge- 
kocht en betaald, maar door de katholieken dier Statie: 
het mocht niet baten, daar inderdaad, bij acte van 
koop en verkoop, >de Posthoorn* op den naam van 
Jan Woltman, zij het een gefingeerden eigenaar, krach- 
tens de wet was geplaatst geworden. 

Pastoor Cavellier heeft dan ook even trouw als zijne 
opvolgers jaarlijks voor de huur van »de Posthoorn*, aan 
een gefingeerden eigenaar, 550 gulden betaald, welke 
terstond aan de Paters Augustijnen in de Spinhuis- 
steeg werden afgedragen, i) 



sed et profauis usibus a uostris tanto tempore et labore conqui- 
sita, siguanter bibliothecam instructissiinam, sibi retinuit. 

Archief van Tempi : berustend in het bissch. oud-archief te 
Haarlem. 

') Archief der Parochie. 



löO 



Later is de huur op 800 gulden gebracht, zooals de 
huurcedulle, aangegaan door den zoogenaamden eige- 
naar, Josef Cuypers, met pastoor Willem Boom, getuigt. 
Voor het eigenaardige en het aardige van het geval 
wordt deze huurcedulle, volgens een der formules, die 
voor zulke verhuringen te koop waren bij de Wed, 
Dronsberg op den Dam, hierbij ingelascht. i) 

Op heden den 30 September anno 1795 heeft Josephus 
Cuypers q.q. verhuurd aan den Seereerw. Heer Pastor 
Wilh. Boom, die ook bekend van denselven gehuurd 
te hebben : een Roomsch-Catholyke kerl^ en woonhuys, 
genaamd den Posthoorn, gelegen op de Princegragt 
en syn U3'tgang hebbende op de Brouwersgragt en 
door Zijneerw. zelfs te bewoonen voor den tijd van 
agt agtereen volgende jaaren, ingaande den eersten 
November anno 1795, en dat voor de somma van agt 
hondert guldens in 't jaar, te betaalen alle halve jaaren 
de geregte helft synde vierhondert guldens. 

Alles cmder 't verband als naar rechten en naar de 
costume dezer stede. In teeken der waarheid syn hier- 
van gemaakt twee al eensluidende huur-cedullen, die 
bij den huurder en verhuurder respectivelyk syn onder- 
teekend. 

Actum in Amsterdam ten dage en jare als boven. 

Josephus Cuypers q.q. 

Bij het vertrek van pastoor Cavellier die op het 
einde zijns levens van zijne Statie afstand deed en 
door pastoor Wijntjes, een saeculier priester, werd op- 
gevolgd, schreven de Augustijnen aan den Nuntius 
Tempi »dat de Heer Wijntjes dezelfde Missie was 
binnengegaan en insgelijks ook op al het hunne had 



') Archief der Parochie. 



Ibl 



beslag gelegd*, i) Zelfs riepen zij de hulp in van den 
befaamden Pater de Longas, pastoor der »Boom's kerk« 
te Amsterdam, om, door zijn invloed bij den secretaris 
van den Nuntius, deze benoeming te voorkomen. Maar 
de Pater kwam te laat. Wel noemde hij deze aanstel- 
ling in een brief van 22 Augustus 1740, gericht tot 
Testa, secretaris der Nuntiatuur een *pessimum exem- 
plum«, >het werk van Van den Steen, dat kwaad bloed 
zal zetten*, 2) maar de benoeming was geschied en 
pastoor Wijntjes huurde »de Posthoorn*. 

Evenals pastoor Cavellier, deed ook pastoor Wijntjes 
bij zijn leven afstand van de Statie: van aanspraken 
op de Statie, geuit door de Augustijnen, heb ik bij 
die gelegenheid niets vernomen ; alleen blijkt uit de 
huurcedulle, dat pastoor Boom geen 550 maar 800 
gulden huur betaalde. 

Krachtiger daarentegen deden de Augustijnen zich 
gelden bij den dood van pastoor Boom. Nauwelijks 
was hij gestorven, den 26en Juni 1799, of reeds den 
2 8en zond de aartspriester Ten Hulscher aan den Nuntius 
een uitvoerig schrijven, waarin de rechten der saecu- 
lieren op *de Posthoorn* verdedigd, en de nadeelige 
gevolgen werden ter sprake gebracht, indien zich de 
regulieren opnieuw in de Statie zouden vestigen. Overi- 
gens pleit hij voor het handhaven van den ouden toe- 
stand, en zoekt naar middelen om de zaak in der 



') Eamdem missionem iugressus est Domiuus Wijntjes, qui et 
mobilia nostra similiter occupat. Archief van Tempi. 

2j Correspondentie van Pater de Longas, loopende van 8 Jan. 
1739—25 Jan. 1742, berustend in het bissch. Oud- Archief te Haarlem. 

lUa proniotio opus est Steenianum, ob quod adhuc magis in- 
dignantur. Die verontwaardiging van sommigen sloeg op de katho- 
lieken van Alkmaar, ^vaar toenter'ijd de treurige geschiedenis met 
pastoor Van Cleef werd afgespeeld. 



l82 

minne bij te leggen. Een helderen blik echter in de 
voorafgaande geschiedenis van »de Posthoorn* heeft 
de aartspriester blijkens zijn schrijven niet gehad. 

»Nudius tertius tandem Rdns D^us Wilh. Boom ista 
in civitate in statione de Posthoorn pastor obiit. ^) Ex 
nunc ista vacatio cedit in detrimentum stationis, uti 
Vobis praedixeram et in totalem vergit ejusdem ruinam, 
si defuncto pastori succedere debeant Augustiniani, 
sicuti juxta vestram epistolam praetendere videtur Rdus 
Pater H. Kle3'n, ex ea, ut iste ait, causa, quod illius 
stationis jus et dominium competat Augustinianorum 
ordini, quod tamen a pluribus non aeque lubenter ag- 
noscitur, uti quidam a P. Kleyn dicitur. Ut Vos desu- 
per judicare possitis, submitto hic seriem rerum, quae 
circa hanc stationem acciderunt, quaeque mihi a fide 
dignis relatae sunt. 

Ante annum hujus aevi, ut puto, 22 vel 23 Augus- 
tiniani possidebant stationem illam, sed, cum propter 
continuam, quae inter missionarios ecclesiae istius reg- 
nabat, discordiam et cui, uti communiter fit, ipsimet 
laici participabant, variae allatae fuissent ad magistra- 
tum desuper querelae; placuit eidem, nescienti aut etiam 
nolenti causam istam aliter dirimere, — placuit inquam, 
stationem istam claudere et ex ea missionarios dimit- 
tere tamquam causas discordiae. Clausa mansit longo, 
non scio precise quanto tempore. 2) Sed erat tune tem- 
poris inter Burgimagistros vir in senatu authoritatis 
magnae, Toparcha cujusdam pagi, ubi pastor erat qui- 
dam sibi amicus et familiaris. Huic pastori proponit 
Burgimagister: velletne ad pastoratum Amstelodami 
modo dudum clausum promoveri? Pastor, uti debuit, 
recusavit. Instat et urget Burgimagister. Cui tandem 
dlxit pastor ejusdem sollicitationibus cedere nequiens 



') Eigenhaudige ruinute vau Ten Hulscher. Bïssch. Oud- Archief 
te Haarlem. 

2) Pater Vlaming doopte voor het laatst 15 Mei 1722 en pas- 
toor Cavellier doopte voor het eerst 28 Mei 1723. 



i83 

amplius putansque se eo medio ab iis liberatum in', 
quod oblatum pastoratum numquam acceptare posset, 
nisi praehabito consensu et approbatione Superioris sui 
ecclesiastici, a quo se in hoc puncto omnino dependere 
testabatur. Consequenter res ista delata est ad Nuntia- 
turam Ap. et ab hac ad praepositum Augustinianorum, 
ubi pertinebat. Hic aeque ac nuntius Apcus decreve- 
runt tandem, quod, attentis circumstantiis, statio, quae 
equidem ab Augustinianis non amplius posset admi- 
nistrari et pro ipsis, quasi deperdita censebatur juxta 
vokmtatem magistratus ad clerum saecularem transiret 
cum ista conditione, quod, pastor solveret quotannis Au- 
gustinianis certam pecuniae summam.i) quod et a tribus, 
qui ibidem consequenter fuerint, pastoribus, stricte ob- 
servatum fuit. 

Ex ista relatione, uti arbitror, in omnibus fideli 
elici potest : 

i^.) Quod statio illa quidem primitus possessa fuerit 
et administrata ab Augustinianis usque ad annum prae- 
memoratum. 

2°.) Quod missionarii per brachium saeculare et ea- 
propter injuste forsitan, expulsi sunt. 

3^.) Quod statio eadem pro Augustinianis ab eo tem- 
pore deperdita cum consensu et approbatione legitimo- 
rum superiorum transierit ad clerum saecularem et ab hoc 
toto isto tempore 73 vel 74 annorum possessa fuerit, 
nemine, quod sciam, neque etiam quodam Nuntio Apco 
quidquam contradicente aut aliter disponente. 2) 

Hisce praemissis quaestio nunc est: an reclamare 
valeant Augustiniani stationem istam tamquam domi- 
nium sibi proprium aut competens? Scio quidem, quod 
aliqui religiosi hanc foveant sententiam, quod stationes 
a se possessae, sint quasi privilegiata suorum respec- 
tive ordinum dominia: sed hoc, id est quod asserunt. 



' ) Hier is de aartspriester niet juist, zooals deu lezer uit het 
contract van pastoor Cavellier, aangegaan met Pater de Muuk, 
gebleken is. 

2) De Augustijnen hebben wel degelijk hunne aanspraken op 
>de Posthoorn* doen gelden. 



i84 

a plurimis aliis negatur. Non quidem in eo sensu : quasi 
alii putarent, eos non habere jus administrandi et fun- 
gendi in hac vel illa statione quam occupant: absit. 
Sed volunt alii quod eidem verum non habeant statio- 
num illarum dominium aeque minus ac clerus saecu- 
laris dominium haberet suarum stationum. Nam omnis 
missionarius sive regularis sive saecularis suae stationis 
tantum usufructuarius est pro tempore, et sicuti sacer- 
dos saecularis neque per testamentum neque alio modo 
disponere possit in favorem suorum propinquorum de 
minima re ad stationem pertinente, nee isti propinqui 
in qualitate heredum aliquid reclamare valeant. Sic quo- 
que videtur quod etiam regularis in favorem ordinis 
sui nihil tradere valeat, nee quod ordo ideo, quia statio 
administrata fuerat a suis religiosis reclamare valeat 
ullum jus ad dominium stationis a suis occupata. Sta- 
tiones omnes nostrae sunt in natura catholicorum do- 
minia, nam ex illorum oblatis et eleemosinis erectae 
sunt et sustentantur. Catholici in civitatibus curam istam 
committunt pastoribus, sicuti et ruri fit per aedituos, 
ut ea quae dant fideles hunc in finem impendantur, 
nihilque omnino alienent de re ad stationem pertinente 
ad alios quoscunque. 

Si hoc argumentum quod revera aequum esse arbi- 
tror, nunc in quaestione stationis de Posthoorn aliquando 
adurgeatur, quid, quaeso, eidem respondere poterunt 
Augustiniani, et certo certius adurgebatur hisce tem- 
porum circumstantiis, in quibus homines adeo ferventes 
sunt pro juribus suis tuendis, eisdemque maxime ae- 
muli sunt. 

Non videtur pro Augustinianis militare posse, quod 
statio illa cum quodam onere gravata sit, sive ut asserit 
Pater H. Kleyn, ab Augustinianis fuerit elocata pastori- 
bus omnibus in ea defunctis. Ista enim elocatio non 
indicat verum dominium sed est quaedam quasi compen- 
satie a superioribus stabilita et stipulata ad reparandum 
quodamtenus damnum, quod Augustiniani ex omissa 
statione pati debent. 

Si dicant Augustiniani quod equidem illa statione 
injuste orbati sint et quod nunc redire debeat ad 



i85 

ordinem : fateor, quod aliquo modo verum sit, eos in- 
JListe orbatos essc, sed equidem id clero saeculari im- 
putari non possunt, tamquam causa istius, quod subirent, 
damni. Jussu Magistratus statio pro ipsis est deperdita 
nee spes supererat eam recuperandi cum clausa man- 
serit dudum. Postea a legitimo superiore tradita fuit 
clero saeculari et cum hac traditione aliquod iterum 
cessit August, lucrum, quod antea ipsis cessabat, scili- 
cet, pecunia a pastoribus annuatim soluta, quam certo 
non percepissent, si clausa et suppressa fuisset denuo. 

Observandum est praeterea, quod cum clerus saecu- 
laris legitimum jus acquisiverit stationem istam admi- 
nisLrandi, idque tranquille usque hoc possederit, quod 
catholici ad eam pertinentes clero isti jam sunt assueti, 
ita quidem ut non facile consenturi sint, quominus illa 
statio clero saeculari adimatur et iterum Augustinianis 
tradatur. Omnes enim — uno vel alio, cujus numerus 
non meretur attendi, excepto — iterum pastorem sae- 
cularem desiderant, eo sibi denegato, minimum quod 
ex eo praevideo malum futurum, erit, quod illi omnes 
stationem sint derelicturi, quodque ea proinde pessum 
ibit, nee sustentari possit eo vel minus, cum sit vetus- 
tissimum et ferme collapsum aedificium. Aut — quod 
adhuc pejus erit — evocabantur Augustiniani coram 
judice et ab iis exigetur, ut ibi probent jus suum, quod 
habere putant. In utroque casu nemo non videt, quanta 
scandala, discordiae, aversiones ex eo nata sint sequi. 

Hisce omnibus consideratis rem istam seriae consi- 
derationi R. P. H. Kleyn submisi, qui aeque ac ego 
omnia illa quidem mala praevidens, ea quoque aeque 
ac ego avertere vult. Sed quo medio? Ego rogavi virum 
istum, ut pro suo, quo pollet animi candore jus illud, 
quod habere posset ad stationem, non prosequatur, sed 
totam rem linquat eo in statu in quo jam totidem 73 
annis fuerat: hoc est: ut permittat aut consentiat quod 
ibidem denuo locetur sacerdoti saeculari cum eodem 
onere quo antecessores fuerant gravati. Hocce modo 
statio integra manebit, neque alicujus juri derogatur. 
Et revera ex iis quae mihi Pater H. Kleyn dixit, spem 
foveo, illum id sua parte permissurum, sed desuper 



i86 

prius[sibi quoque scribendum dixit superiori suo. Hinc 
si Dutio Vestra quidquam valeat apud Provincialem seu 
etiam apud Patrem KIe}'!!, rogo velit eisdem rem istam 
commendare, ut hocco modo scandalis etc. claudatur 
aditus omnis. 



Terstond werden door Ten Hulscher en Pater Kleyn 
ernstige onderhandelingen aangeknoopt, om, na monde- 
ling onderhoud en onderlinge briefwisseling, tot een 
vergelijk te geraken, dat beide partijen bevredigen 
zou. In den beginne wilde de zaak maar matig vlotten; 
want Pater Kleyn wenschte in de te maken overeen- 
komst te zien opgenomen, dat »de Posthoorn* het 
eigendom was van de Paters Augustijnen; dat de 
thans te benoemen pastoor de eenige en de laatste 
zou wezen uit de saeculiere geestelijkheid; en dat in- 
tusschen geen pastoor in Amsterdam zijne Statie zou 
mogen verleggen : alle eischen, welke Ten Hulscher 
onmogelijk kon aanvaarden. 

Eindelijk waren zij het, na veel heen en weer praten, 
»praehabitis digressionibus variis inter nos«, eens ge- 
worden over een door Pater Kle3'n ontworpen con- 
tract, dat den aartspriester den 4^11 Juli 1799 met 
een begeleidend briefje van Pater Kleyn, ter goed- 
keuring en onderteekening, werd toegezonden. 

WelEerw. Heer. 

Ziehier dan het contractje, waar ik d' eer hebbe 
gehad Ueerw. van te spreeken en 't gene ik ter mijner 
verantwoording geconcipieert hebbe, waarvan ik copy 
aan den Vice-Superior gestuurt hebbe, en 't gene onder 
ons moet blijven, omdat niemand buiten de contrahentes 
daar affaire mede heeft. 

Hierbij ook eene memorie, uit welke Ueerw. kan 



i87 

zien, op wat gronden het recht van reclaam gegrond 

is. Verzoeke insgehjks dezelve tot governo te willen 

houden. 

w.g. Henricus Kleyn. 

Het contract, dagteekenend van den 5en Juli 1799, 
was van dezen vorm en inhoud: 

Confractus tnitiis die qiiinta Julii anni vnlle- 
simi septinge^itesimi nonagcsimi noni mter ad- 
modum Rdnm ac Auiplissinnim D>"t'n Her- 
manum Francisciim Ten Hulscher, Hollandiae 
ac Zelandiae Archipresbyteriim et admodion 
Rdum Patrem Henricuui Kleyn, Ordinis Ere- 
77iitariun Sti Aiigustini missionaj-nun, eximii 
patris Joannis Petri Van de Winkel sui Or- 
dinis missionum praefecti apostolici Vicariuni, 
ac a praefato praefecto ad hoc opus specialiter 
deputatum, super statione Cormiana (vulgo 
het posthoorn) Ainstelodanii sita. 

Nos, qui supra, Hermanus Franciscus Ten Hulscher 
et Henricus Kleijn pariter convicti laudatam stationem 
a patribus Augustinianis fuisse erectam, et usque ad 
annum 1722 fuisse administratam, dum immediate post 
obitum Rdi Patris Petri Vlaming omnis functio eccle- 
siastica a Magistratu dictis patribus ibidem fuit inter- 
dicta, et Rdus Pater Petrus van Puthem pro prima- 
riatu debite praesentatus, non fuit admissus; insuper 
attendentes, dictam stationem ab anno 1723, consen- 
tiente tune Excellentissimo D"o Nuntio Apostolico, ob 
rationes, a clero saeculari fuisse nuncupatam, nunc vero 
per obitum Rf^li D'ii Wilhelmi Boom vacantem, a se- 
cundo contrahente supra nominato fuisse reclamatam, 
tamquam stationem Ordini Augustinianorum compe- 
tentem, ad obviandum omni discrimini, quod in his 
temporum circumstantiis oriri posset, de approbatione 
Illustrissimi D^i Aloysii Ciamberlani, Missionum Vice- 
Superioris, convenimus, ut, salvo in omnibus jure, quod 



praelaudati patres ad eam habere possent, res ista Su- 
perioribus ecclesiasticis, quorum interest, imposterum 
determinanda linquatur, et interim in eadem a clero 
saeculari nominetur Rflus D^us Joannes Banning, sub 
onere conformi aequitati et justitiae, sicuti eam de- 
functus Rdus Di"'s Wilhelmus Boom inhabitavit. 

Ita convenientes sine fraude vel dolo, contractum 
hunc manu propria et solita signatura in fidem sub- 
signavimus et triplex originale exaravimus. 

Actum Amstelodami ut supra, Hermanus Franciscus 
Ten Huisdier, Holl. ac Zei. Archipresbyter, 
Henricus Kleyn, missionarius ac 
Praef. Apost. Vic. 

Den 20 Juli 1799 schreef de Vice-Superior met eigen 
hand onder deze overeenkomst de volgende approbatie 
of goedkeuring. 

Cum nobis demandatum fuerit zelo et prudentiae 
Ampl. D"i Herm. Franc, Ten Hulscher, Holl. ac Zei. 
in Miss. Bat. Archip., ut, ad omnia vel minima, quae 
oriri possent discrimina, praecavenda, negotium Stationis 
Amstelod. vulgo Het Posthoorn, de quo supra fit men- 
tio, cum Rc^o Duo Henr, Kleyn, Amstelodami pastore 
missionario Ord. Erem. Sti Augustini ac admodum 
R(^i Patris missionar. ejusdem Ordinis Praefecti vices 
gerente, meliori quo fieri posset modo componeret; 
cumque, circumstantiis omnibus perpensis, praefatam 
declarationem seu contractum inire ipsi judicaverint, 
atque auctoritate nostra approbari petierint, Nos reapse 
approbamus atque omnia in eo contenta executioni esse 
mandanda decernimus. Datum Monasterii hac die 20 
JuHi 1799. 

Aloysius Ciamberlani, Vice-Sup. Miss. 

Thans volgt de memorie, waarop, volgens Pater Kleyn, 
>het recht van reclaam gegrond was«. 



Pro memoria, extracta e codicibus provincialibus, 
super jure R<^is Patribus Augustinianis competente in 
Stationem Amstelodamensein dictam Cornu, vulgariter 
het Posthoorn, ubi, ingravescente haeresi calviniana, 
Vicarii ApostoHci e Brabantia regulares sacerdotes^^ 
appellaverant in provincias Belgii foederatas, ad labo-/ 
randum in vinea Domini, Patres Societatis Jesu, Domini- 
cani, Recolectae et Augustiniani Eremitae eo volarunt, 
erigentes ubique oratoria in aedibus suis. Qui Amstelo- 
damum advenerant, erigebant singuH duo oratoria pro 
ordine sua. Dominicani et Recolectae sunt adhuc in 
pacifica possessione suorum usque ad hodiernum diem. 
Ast anno 1723 unum Augustinianorum oratorium sub- 
dole et virtute brachii saecularis invasum est a R^o 
Doo Gulielmo Cavellier, pastore in Castricum. Historia 
hujus invasionis est ut sequitur. 

Rdus D"Lis Cavellier, qui per octodecim annos pastor 
fuerat in pago Castricum vehementer desiderabat pas- 
toratum in civitate Amstelodamensi, quo per Archi- 
presb3^terum non promovebatur; ideo ingressus est aliam 
viam, qua ad scopum suum veniret. Sanguine quibus- 
dam hujus civitatis scabinis ligatus, et insignis amicus 
Dni Geelvink consulis praesidentis, effecit per istos 
consanguineos et amicos suos, ne Rdus Pater Van 
Puthem, cui Rdus Pater Missionum praefectus prima- 
riatum in Statione Het Posthoorn, per mortem R^ü 
Patris Petri Vlaming vacantem, mandaverat, a magis- 
tratu agnosceretur, nee ut primarius seu pastor admit- 
teretur, ipse vero a nominatis amicis pro ista qualitate 
Archipresbytero Wykersloot praesentaretur, qui magis- 
tratus utrumque fecit et secundum quidem sub minis 
claudendi oratorium Cornuanum, casu quo Wykersloot 
institutionem ecclesiasticam Dno Cavellier non procu- 
raret. Non juvabant amplius demonstrationes Excell. Dni 
Nuntii Apli Spinelli nee reclamationes Rdi Patris Prae- 
fecti nee motiones totius communitatis Cornuanae; in- 
sistebat enim magistratus et absolute volebat demoli- 
tionem oratorii, casu quo Cavellier non honoraretur cura 
istius pastoratus. Tune ad obviandum majori malo, ne 
fideles suo oratorio privarentur, condescendit Rdus Prae- 



igo 

fectus et consensit, ut Exccll. Dii"s Nuntius Htteras 
majores pro Rflo D"" Cavellier expediret pro hac dum- 
taxat vice, quod et fecit laudatus Excellentissimus, 
addendo litteris majoribus hanc clausulam : per iiwdiciu 
provisionis, donec patres Augustiniani recuperent hanc 
station em. 

Acceptis litteris majoribus occupavit Cavellier Statio- 
nem, quaesivit amicitiam Rdorum Patr. Augustinianorum, 
coram quibus diversis vicibus declaravit, se Stationem 
pro eorum ordine servaturum, imo et per suum in- 
fluxum apud magistratum effecturum, ut post ejus 
obitum vel alteram promotionem Statio ordini restitua- 
tur. Idem diris insuper verbis ante majus altare in suo 
oratorio declaravit coram tota communitate, petiit affi- 
liationem Ordini Augustiniano, quam patres Roma ei 
procurarunt, una cum indulgentiis Ordini a S. Sede 
concessis. 

In majus testimonium fiduciae, quam Patres Augus- 
tiniani in verbis Cavellier ponebant, permiserunt ei usum 
omnium rerum mobilium et utensilium, sicuti et am- 
plae bibliothecae. Ast, qualis fuerit homo ille, probavit 
eventus. Loco efficiendi, quod toties verbis diris pro- 
miserat, scilicet Stationem post suum obitum restiturum, 
eam in fine dierum suorum clanculo et sine consensu 
Rdi p. Praefecti, juvante sibi Rdo D^o Van den Steen 
resignavit in favorem Rdi Dni Weijntjes, qui eam anno 
1740 incepit occupare, et eodem modo in fine dierum suo- 
rum anno 1 7 7 i resignavit in favorem Rdi Dai Wilhelmi 
Boom, hoc anno 26 Junii absque resignatione defuncti. 

Hanc brevem esse substantiam veram et realem his- 
toriae Stationis Cornuanae (vulgo Het Posthoorn), ex- 
tructam ex annotationibus in codicibus Augustinianorum 
provinciae Belgicae, aliisque documentis attestor ; quod 
et, si opus est, paratus sum jurejurando confirmare. 

Sign. 

Amstelodami, 29 Junii, 1799. Henricus Kleyn. 

Op deze memorie van Pater Kle3'n schreef ook de 
aartspriester zijne memorie, welke echter, voorzoover 



tgt 

zij in het parochiaal archief aanwezig is, onvoltooid 
bleef. Toch dient zij ook hier te worden opgenomen, 
wijl zij eene rechtvaardiging bevat van het gedrag 
van pastoor Cavcllier, en tegelijk eene waardebepaling 
van het door Pater Kleyn overgelegde relaas, dat, 
jammer genoeg, niet volledig uit de registers der 
Paters Augustijnen werd overgenomen. 

Promcnioria de üs quae accidenint circa 
stationem Amstelodanii in Priiice et Brouwers- 
gragten sitam, dictayn de Posthoorn. 

Modus transitionis istius ejusdemque causa mihi non 
sufficienter innotuerunt ex eo, quod hucusque eruere 
nequivi ea, quae desuper forsitan annotata sunt ab ipso 
Dno Cavellier aliisque hujus succesoribus. Verum est, 
quod aliqua mihi fuerint exhibita, quae, attestante R<io 
Patri Ilenr. Kleyn, hocce tempore Missionario primario 
in Statione sub signo Stellae, in notulis suae Stationis 
inveniuntur; ast, cum ab aliis fide dignis ista relatio 
contradicatur in variis punctis, rem istam secundum 
justitiam decernere non potui, sed linquere debui Su- 
perioribus ecclesiasticis, ut illi imposterum juxta ea, 
quae forsitan adhuc prodibunt argumenta, i) statuant et 
absolvant causam istam. Interim, ne pereant ea, quae 
mihi de isto negotio fuerunt exhibita, hisce adjunxi 
declarationem quamdam, manu Rdi Patris Henrici 
Kleyn descriptam, et quam ipse jurejurando, uti in fine 
dicit, confirmare vult, quod sint genuina et authentica: 
hoc est (quod lector harum bene attendere debet) jura- 
mento confirmare vult laudatus Pater, quod ista narratio 
extracta sit ex registro, quod desuper habetur in Ora- 
torio Stellano et eidem conformis, sed non ideo intendit 
confirmare jurejurando istam rerum narrationem in 
omnibus veram esse. 



') Deze zijn ook inderdaad later door Mgr. Vregt aan het 
licht gebracht. 



Nam fieri potest et datur suspicio vehemens, annon 
ista registratie ab ipsis scriptoribus fuerit nimis am- 
pliata, annon ex levi suspicione aut alio argumento 
non sufficienter fuerit facta etc, quae facile ita fieri 
potuerunt, attento, quod scripta sit in primo aestu dis- 
putationis, quae circa Stationem de Posthoorn ab Au- 
gustinianis movebatur. 

Sed omissis iis, visum est mihi hic quaedam addere, 
quae mihi ahunde innotuerunt. Anno 1722, quando 
Rdus Pater Petrus Vlaming, primarius in Statione mis- 
sionarius obierat, facta est inter caeteros missionarios 
altercatio, forsitan ex successione Primariatus, seu al- 
tera causa exorta. 

Haec altercatio f uit tam fervida, ut etiam ad aures 
Magistratus pervenerit, idemque ecclesiam clauserit; 
per annum integrum et amplius clausa mansit Statio, 
ita ut pateat ex registro baptismali ecclesiae istius, 
quod ultimus infans ibi ab Augustinianis fuerit bap- 
tizatus 15 Maji anni 1722, consequenter datur in 
eodem registro vacatura usque ad 28 IMaji anni 
sequentis, quo die primus a Duo Cavellier puer bap- 
tizatus legitur. 

Ex quo patet in ecclesia ista toto eo tempore nulla 
sacra fuisse peracta, nullum Sacramentum administratum, 
ex eo, uti supra dixi, quod jussu Magistratus manserit 
clausa. Interea temporis Dnus Geelvink, qui membrum 
erat Magistratus et Toparcha in Castricum, ubi 'Dnus 
Cavellier tune pastor erat, ex semetipso obtulit dictam 
Stationem de Posthoorn eidem Dno Cavellier, sibi grato 
et familiari. Negavit tamen pastor, uti debuit, eam 
acceptare veile. Instabat toparcha, dicens, quod destrue- 
retur Statio, potius quam Augustinianis redderetur. Ac- 
quievit ergo pastor sub hac expressa conditione: si 
Superioribus suis ecclesiasticis ita videretur. Consequen- 
ter res a Duo Wyckersloot ad Nuntium Apostolicum 
Du"iii Spinelli, item ad Praefectum Augustinianorum 
[delata est]. Demonstrationes variae et instantiae ab his 
fuerunt factae, ut restituerentur Augustiniani, sed frustra. 
Volebat Magistratus, vel ut D^us Cavellier fieret in ea 
pastor, vel ut destrueretur totaliter. Acquieverunt itaque 



193 

Superiores, et Du"s Cavellier, licet cum quadam reni- 
tentia a parte Augustinianorum missus est primus pastor, 
non (ut ait Pater Kleyn) tamquam invasor, sed tam- 
quam legitime [missus]. 

Intusschen liepen de huurjaren van pastoor Boom, 
overgenomen door pastoor Banning, in 1803 ten einde, 
en besloot Pater Kleyn den 246" Juni 1803 de gebou- 
wen van »de Posthoorn* voor eene som van 12.500 
gulden aan Pastoor Banning te verkoopen. Dit ging 
niet zonder aanvankelijken tegenstand van den kant 
der erfgenamen van G. A. Wellens, op wiens naam 
sinds 1752 het eigendom der gebouwen geplaatst was. 
Toen de overdracht geschiedde, werd het eigendom 
van »de Posthoorn* alleen op naam van pastoor Ban- 
ning geschreven zonder de toevoeging »ten behoeve 
der gemeente*. Banning had zelf voor den aankoop 
geen penning bijgebracht. Want 4.500 gulden bijeen- 
gezameld uit liefdegiften, werden terstond aan de 
Augustijnen ter hand gesteld, terwijl jaarlijks uit 
bijdragen en collecten rente werd betaald en schuld 
afgelost, zoodat, blijkens de aanwezige quitanties, bij 
den dood van pastoor Banning, de Augustijnen nog 
5000 gulden te vorderen hadden. 

De aartspriester teekende omtrent dezen verkoop in 
zijn dagboek den 20^11 Oct. 1803 het volgende aan. i) 

Ecclesia Amstelodamensis, sub signo »de Posthoorn « 
ab Augustinianis erecta, sed pluribus jam annis a clero 
saeculari administrata, vendita est ab Augustinianis 
Pastori moderno Joi Baiming pro se suisque successori- 
bus pro 12 mille et 500 flor. 

Contractus venditionis, me praesente, clausus est in 



'j Bissch. Oud' Archief te Haarlem. 

13 



tg4 

domo Düi Jois Wilh. Berntz, inercatoris, habitantis in 
fossa dicta op het Water; aderant ab una parte R^li 
patres H. Kleyn, pastor missionarius in ecclesia dicta 
de Ster et Aug. Naudts, junior istius ecclesiae missio- 
narius, tamquam commissarii ad venditionem a suis 
Superioribus delegati; ab alia parte Rflns D""s J. Ban- 
ning, pastor in de Posthoorn et D"^is Henr. Tlaefkens, 
istius ecclesiae parochianus, simulque proxineta tam- 
quam emptores, quibus praememoratus D^us Berntz et 
ego tamquam sequestres astitimus. 



Intusschen had Lexius, destijds hoogleeraar te War- 
mond, zooals hij zelf zegt, ^rondborstig aan pastoor 
Banning geschreven, dat Pater Kleyn de kerk cum 
annexis niet kon verkoopen, omdat de Paters Augus- 
tijnen, wel is waar deze gebouwen hadden tot stand 
gebracht, doch niet uit eigen fondsen, maar uit de 
liefdegiften der gemeentenaren, wier intentie het nooit 
kon zijn, dat de Paters de eigendommen mochten ver- 
koopen en de opbrengst tot andere doeleinden besteden «. 

Pastoor Banning had naar dien wijzen raad niet 
geluisterd: inmiddels wilde het geval, dat hij bij zijn 
dood door dien zelfden Lexius als pastoor werd opge- 
volgd. En, zooals te verwachten was, kon pastoor Lexius 
het niet van zich verkrijgen, om aan de Paters Augus- 
tijnen rente en aflossing van de 5000 gulden te be- 
talen. Maar Pater Kleyn stoorde zich niet aan deze, 
met redenen omkleede weigering, en stelde tegen de 
executeurs van pastoor Banning een eisch in van 5000 
gulden »sijnde het nog overgebleven bedrag der koop- 
penningen»:. Pastoor Lexius van zijnen kant, wetend, 
dat de erflating van pastoor Banning ontoereikend 
was om te betalen, en »de Posthoorn* derhalve in het 
openbaar zou verkocht worden, zond aan den Minister 
een rekest, waarin de vroegere verkoop van »de Post- 



^95 

hoorn < ongeldig werd verklaard; weshalve hij verzocht 
om Pater Kleyn te verbieden tot de executie van >de 
Posthoorn* over te gaan. levens beloofde hij eene 
memorie in te leveren, ten betooge, dat het recht van 
eigendom op »de Posthoorn* aan de gemeente en niet 
aan de Paters Augustijnen toekwam. 

De door pastoor Lexius omtrent die zaak in het 
kerkarchief nagelaten papieren zijn onvolledig; ik heb 
daarom getracht uit zijne verschillende aanteekeningen, 
met de eigen woorden des pastoors, het volgende ver- 
loop der feiten samen te stellen. Zijn betoog moge 
van wat langen adem zijn, voor de kerkgeschiedenis 
in het algemeen en in het bijzonder voor *de Post- 
hoorn* is het niet zonder beteekenis. 

Tot den Minister dan, richtte Lexius het volgende 
schrijven: 

De ondergetekende, in Bloeimaand 1.1. pastoor ge- 
worden zijnde in de Roomschkatholijke kerk genaamd 
de Posthoorn, gelegen op de Prinsengragt over de 
Noorderkerk, vindt zich genoodzaakt wegens den cri- 
tieken staat dier kerk Uwe Ex. te adieeren, en neemt 
met den hoogsten eerbied de vrijheid Uwe Exc. de 
belangens zijner kerk voor te dragen. 

Genoemde kerk is van den beginne af door klooster- 
geestelijken van de Orde der Augustijnen bediend ge- 
weest; de gebouwen behorende tot die kerk, en voor 
het grootste gedeelte tot die kerk geapproprieerd, zijn 
aangekogt uit penningen door de gemeente gefour- 
neerd. Zeker, die geestelijken hebben uit hun klooster, 
als zijnde zoogenaamde bedelorden, die penningen niet 
medegebragt. Voornoemde gebouwen behoren dan in 
wezen tot d® gemeente, schoon die gebouwen altoos 
wegens de tijdsomstandigheden op naam van een par- 
ticulier, als eigenaar, beschreven stonden; welke particu- 
lier enkel in naam als eigenaar te boek stond. 

Voornoemde Ordensgeestelijken hebben tot in den 



beginne van 1722 deze kerk bediend, als wanneer door 
de Regeering dezer stad, om redenen, de kerk werd 
gesloten en den geestelijken de kerkdienst in die 
kerk verboden. 

Nadat de kerk ruim een jaar gesloten is geweest, 
werd Gulielmus Cavellier, zijnde een wereldgeestelijke, 
28 Mei 1723 pastoor in de kerk de Posthoorn; en is 
die kerk altijd sedert door de wereldgeestelijken be- 
diend geweest. 

De Paters Augustijnen op deze wijze uit deze pas- 
t.ory gezet, spanden alles in, om dezen hoon te wreken, 
en begonnen voornoemde gebouwen als hun eigendom 
voor te geven, en werden hierin ondersteund door Jan 
Woltman, op wi^ns naam die gebouwen stonden. Zij 
vorderden van den Heer Cavellier huurpenningen ; deze 
dit weigerende, werd de zaak voor heeren Schepenen 
gebragt. 

De Heer Cavellier zeide, dat de penningen, waar- 
voor de huizen zijn gekogt en voor het grootste ge- 
deelte geapproprieerd, tot de Roomsche kerk genaamd 
de Posthoorn, niet door zijne predecesseuren, de Paters 
Augustijnen, veel min door hem. Jan Woltman, maar 
door de gemeente, hunne godsdienstoefening in dezelve 
kerk hebbende gehouden, zijn gefourneerd; dat over- 
zulks de gemeente daarvan zijn geweest en gebleven 
de ware eigenaars, schoon de huizen, of ook wel de 
kerk, om redenen, aan deze of gene vertrouwde, en 
indertijd eerlijke personen pro forma zijn opgedragen 
geweest. 

De Heer Cavellier konde zulks met geen dadelijke 
bewijzen overtuigen, ten minste niets inbrengen tegen 
de overdragt op Jan Woltman, om die overdragt, als 
gefingeerd of in naam alleen geschied, te vernietigen. 
Heeren Schepenen hebben dus den Heer Cavellier ge- 
vonnisd jaarlijks huur te betalen, namelijk f 550, te 
beginnen met i Mey 1727, nadat hij reeds vier jaren 
in de kerk gewoond had. 

Intusschen hebben de Augustijnen, niet de in de 
kerk gefungeerd hebbende geestelijken, want zij alles 
in communi bezitten, maar de geheele kloosterorde zich 



197 

als eigenaar gedragen; en het is alzins bekend, en dio 
geestelijken erkennen het zelf, dat die Woltman alleen 
een eigenaar in naam geweest is. 

Het is alzoo dat in vervolg altijd de Paters Augus- 
tijnen hier in de stad, de Roomschkatholijke kerk, ge- 
naamd de Star in de Spinhuissteeg, bedienende, voor 
hun klooster of orde q.q. de kerk de Posthoorn aan 
de indertijd fungeerende pastoren van de Posthoorn, 
de gebouwen verhuurd en van dezelven de huurpen- 
ningen hebben ontvangen. 

Dit ging zoo voort tot in het jaar 1803, toen Joannes 
Jossphus Banning begreep, de gebouwen van de kerk 
de Posthoorn van de Augustijner Paters te kopen voor 
de somme van 12.500 gulden. Pater Henricus Kleyn 
uit de Spinhuissteeg heeft, gequalificeerd door de erf- 
genamen van Antonius Gerardus Wellens, op wiens 
naam in het jaar 1752 die gebouwen zijn overgeboekt, 
de gebouwen verkogt aan den voorzaat des onderge- 
tekenden, J. J. Banning. Bij die verkoping kwamen de 
erfgenam.en van A. G. Wellens voor, als eigenaars, 
schoon genoemde Pater Klejm in de acte van vrijwa- 
ring hen noemt quasi-eigenaars. 

Van de kooppenningen zijn reeds betaald f 7500 en 
nu zijn nog te betalen f 5000, waarvan jaarlijks i Xov. 
f 500 moet worden afgelost, en om het half jaar inte- 
resse betaald. 

Deze dusverre afgeloste penningen zijn door Pater 
Kleyn ontvangen voor de gezamelijke nog restee- 
rende leden van zijn kloosterorde, als zijnde de kloos- 
ters reeds lange gesupprimeerd. 

Wijl dan de kloosters zich geen eigendom op die 
gebouwen konden aanmatigen, en, wat er ook gebeurd 
zij, zulks alleen op een foutieven grond geschied zij, 
zoo meent de ondergetekende, dat eene onwettige 
zaak nog niet afgeloopen zijnde, in haren voortgang 
moet en mag tegengehouden worden. 

De ondergetekende meent dus, dat de gemeente, 
schoon zij dusverre heeft betaald, nu nog kan haar 
regt inroepen, om haar eigendom niet voor de tweede 
maal te betalen; dat alle actens en contract op een 



198 

onwettigeii grond aangegaan, nu nog mogen herroepen, 
en hetgeen van 't begin onwettig is, door den tijd of 
contract niet kan wettig worden. 

Het is om die reden, dat de ondergetekende zich 
heeft vervoegd bij Pater Kleyn en met Zijn eerw. 
over de zaak gesproken en voorgesteld, dat wat be- 
taald is, daarover niet zou worden gerept, maar, dat 
hij voortaan van verderen eisch op de nog restee- 
rende f 5000 zoude afzien. Wij gaven dan toe, dat 
zij voor f 7500 en de gemeente voor f 5000 eigen- 
dom had. Pater Kle3-n, na andere redenen, antwoordde 
mij, mij nader te zullen spreken, doch in plaa,ts hier- 
van, zendt Zijneerw. mij den Heer Advocaat Sinderam, 
en nu hoort ondergetekende, dat reeds op Dingsdag 
27 dezer de executie op de gebouwen, aan de ge- 
meente toebehorende, bepaald is. 

Thans moet ik Uwe Exc. nog onder het oog brengen 
eene andere verwarring, die met de kerk cum annexis 
heeft plaats gehad. De kerk staat op naam van J. J. 
Banning, er moest bijstaan ten behoeve zijner gemeente. 
Xooit is er een penning door Banning betaald. De af- 
geloste penningen zijn gefourneerd uit liefdegiften en 
collecten. De boedel van Banning schiet te kort en is 
nog niet afgelopen. 

Xa deze voordragt van zaken is het, dat de onder- 
getekende, om alle hatelijke wegen van processen voor 
te komen, zich tot Uwe Exc. wendt, en hoogst der- 
zelve wijze interventie met allen eerbied verzoekt, ten 
einde zijne gemeente van verdere afdoening der nog 
aan Pater Kleyn te betalen f 5000 te ontheffen; ten 
andere verzoekt de ondergetekende de tusschenkomst 
van Uwe Exc, om de tegen morgen gedreigde exe- 
cutie van de gebouwen, behorende aan de kerk, te 
voorkomen. 

Eenige dagen later diende pastoor Lexius aan den 
Minister de volgende memorie in: 



199 

Redenen, ivaarom de Paters Angiistijne^i uit 
de Star geen rcgt van eïgendafn hadden op het 
kerkgebouxü en pastory etc. genaamd de Post- 
hoorfi, en gevolgelijk dezelven niet konden ver- 
kopen aan Joa}nies Josephiis Baiuiitig, pastoor 
in genoemde kerk. 

Toen bij de invoering der Reformatie alle openbare 
kerkgebouwen aan de gereformeerden overgingen, 
hebben de Roomsche geestelijken aanvankelijk in 
eenige particuliere gebouwen hunnen godsdienst moe- 
ten verrigten. 

Sommige geestelijken, die vermogend waren, hebben 
uit hunne eigen beurs eenige gebouwen aangekogt en 
tot den godsdienst geschikt; anderen, en wel de meesten, 
hebben uit de giften der gemeentens zulke gebouwen 
aangekogt, opgebouwd en tot den godsdienst ingerigt. 

Onderscheidene Ordensgeestelijken werden door de 
Vicarii Apostolici in de onderscheidene Statiën gezon- 
den en geplaatst; zij hebben dan in die Statiën reeds 
een kerkgebouw en pastorie gevonden, of dezelven 
van nieuws aan opgebouwd. 

Maar uit welke fondsen ? Het is zeker, dat zij de 
daartoe benodigde penningen uit de kloosters niet heb- 
ben ontvangen of medegebragt; immers zij zijn zoo- 
genaamd bedelordens, die niet bezitten om zoo iets 
te leveren. 

Zij hebben dan even gelijk de meeste wereldgeeste- 
lijken uit de giften der gemeentens die gebouwen op- 
gebouwd, onderhouden, verbeterd, vernieuwd of op 
andere wijzen veranderd. 

De gemeentens gaven dan die giften niet, dan met 
het oogmerk, dat die geestelijken zouden verzorgen 
het locaal etc, hetwelk tot de uitoefening van den 
godsdienst nodig was, hetwelk dan ook altoos ten 
dienste van den godsdienst voor die gemeente moest 
blijven, en tot instandhouding van hetwelk nog aan- 
houdend door de gemeente hare giften worden gegeven. 

Nooit was het de bedoeling der gemeentens, dat die 



200 

geestelijken, hetgeen zij aldus uit die giften hebben 
aangekogt en verzorgd, als hun eigendom konden hou- 
den, in zooverre, dat zij al datgene konden verkopen 
en het provenu daarvan tot andere eindens besteden, 
of ook met zich naar elders neemen, waartegen zich 
zeker de gemeente zoude verzetten. 

Geen geestelijke kan zich alzoo eenig regt van eigen- 
dom op de alzoo verkregene gebouwen aanmatigen, 
zooals blijkt met de weroldgeestelijken, die eveneens 
uit de giften der gemeentens alles verzorgden. Xooit 
hebben dezen begrepen van de kerk, of goederen iets 
als hun eigendom te behouden, of het hunnen erfge- 
namen agter te laten. 

Zoo ook hebben de Ordensgeestelijken geen eigen- 
dom der kerkgebouwen etc, welke zij uit de giften 
der gemeentens hebben aangekogt en verzorgd. 

De geestelijken, pastoren en missionarii, zijn niet 
anders aan te^merken als administrateurs, zooals volgens 
het kerkelijk regt hun het opzigt en bestuur over de 
kerkelijke goederen toekomt, en, ofschoon zij aan nie- 
mand verantwoording doen, hieruit volgt geen eigendom. 

Nergens ook hebben de Jesuiten zich een regt van 
eigendom voorbehouden op die kerken en pastoriën, 
die zij hebben verlaten. Niet alleen de vaste goederen, 
maar ook al het tilbare hebben zij nagelaten. Zij in- 
tusschen hadden met meer schijn dan de Augustijnen 
kunnen voorgeven, omdat zij geen gelofte van armoede 
gedaan hebben, dat zij uit hunne collegie de nodige 
penningen hadden ontvangen of medegebragt. 

Even gelijk de particuliere Ordensgeestelijken zich 
geen regt kunnen aanmatigen, zoo kunnen nog veel 
minder de kloosters of die Ordens zich eenig eigen- 
dom aanmatigen, uit hoofde, dat die geestelijken tot 
hunne Orde behoren. Immers, zij bedienen die Statie 
alleen, als pastoren en missionarii; de bediening der- 
zelve is alleen personeel; al hetgeen zij in die ge- 
meente doen, geschiedt in hunne qualiteit, en hiertoe 
ontvangen zij geen regt van hunne kloosters. Alle 
betrekking is alleen tusschen de Ordensgeestelijken in 
persoon en tusschen de gemeentens. 



20I 

De Orde dan der Paters Augustijnen heeft ge- 
volgelijk geen eigendom op de Statie de Posthoorn, 
schoon er geestelijken van die Orde van den beginne 
af die Statie bediend hebben. Notoir is het, dat uit de 
giften der gemeente alles is tot stand gekomen. 

Nu nog volgens het kerkelijk regt worden de kerke- 
lijke goederen genoemd: vota fidelium Deo oblata, die 
alleen aan den godsdienst eigen zijn, waarover zich 
noch geestelijke noch leek tot eigenaar kan voorgeven 
en de geestelijkheid alleen de administratie heeft. 

De Statie de Posthoorn is insgelijks een gebouw, 
dat alleen aan den godsdienst exclusive toebehoort, en 
alleen ten dienste is dor gemeente, die in die kerk 
hunnen godsdienst verrigt; die uit de giften der ge- 
lovigen alleen is opgerigt en onderhouden, waarover 
de geestelijken, die de Statie indertijd bedienden, alleen 
regt van administratie hadden. 

Dus blijkt, dat de Statie de Posthoorn niet heeft 
kunnen noch mogen verkogt worden. 

Wijl de Statie evenwel verkogt is, moet men deze 
zaak ontwikkelen. 

Sedert het tijdstip, toen alle kerken aan de gerefor- 
meerden overgingen, mogten de Roomschen geen kerk 
of kerkhuizen hebben ; de kerkhuizen, die uit de giften 
der gemeentens werden opgebouwd, moesten op de 
quohieren een eigenaar hebben ; altoos werd een 
vertrouwde persoon als eigenaar opgegeven, schoon 
hij er geen penning eigendom aan had. 

Zoo staan nog vele kerkhuizen op naam van een 
nominatieven eigenaar. Ten tijde toen de Heer Guliel- 
mus Cavellier, zijnde een wereldgeestelijke, pastoor van 
de kerk de Posthoorn wer \ stond de kerk en hot huis 
op naam van Jan Woltman, die uit hoofde, dat er 
geen Augustijn in die Statie werd toegelaten, zich als 
eigenaar heeft opgedaan, en tegen den Heer Cavel- 
lier procedeerende, werd die Heer Cavellier bij von- 
nisse van Heeren Schepenen gecundemneerd, om huur 
te verwonen, welke huur indertijd alleen is genoten 
door de Paters Augustijnen in de Star, 

Vervolgens is de Statie in het jaar 1752 van nomi- 



202 

nativen eigenaar veranderd, en is getransporteerd op 
den naam van Ant, Ger. Wellens, op wiens naam tot 
den verkoop aan J. J. Banning die Statie gestaan heeft. 

Het is zeker, dat noch Jan Woltman noch de familie 
Wellens ware eigenaars geweest zijn. De Paters Au- 
gustijnen uit de Star erkennen zelve, dat die luiden 
alleen nominative eigenaars geweest zijn, en dat die 
Paters inderdaad onder die benaming schuilende, zich 
het eigendom hebben aangematigd; ^elfs in de acte van 
vrijwaring noemt Pater Kleyn de erfgenamen van Anto- 
nius Gerardus Wellens als verkopers, quasi-eigenaars. 

Bij de verkoping dan is Pater Kleyn, schoon simulate, 
de eigenlijke verkoper geweest. Pater Kleyn heeft dan 
re ipsa de Posthoorn als eigendom bezeten, en aldus 
verkogt. Maar quo titulo hebben de Augustijnen dit 
eigendom verkregen ? 

Niet anders dan omdat de Augustijnen voor den 
Heer Cavellier in de Posthoorn gestaan hebben en uit 
de giften der gemeente die kerkgebouwen hebben 
aangekogt. 

Men heeft reeds aangemerkt, dat die Paters zich 
geen eigendom konden aanmatigen, noch dat de kloos- 
ters zich als eigenaars konden beschouwen. 

Ook blijkt het, dat Jan Woltman, op wiens naam die 
gebouwen stonden, die niet heeft kunnen transporteeren 
op naam van A. G. Wellens. 

Deze Jan Woltman heeft aldus op eene onregtvaar- 
dige wijze de gemeente beroofd van hare kerk en 
pastorie. De gemeente van de Posthoorn is dus in een 
gelijk geval, als vele andere Roomsche gemeentens, 
waarvan eigen goederen, zooals landerijen, effecten, die 
op een anderen naam stonden, zijn verloren gegaan, 
omdat de nominative eigenaars of hunne erven, ter 
goede of kwade trouw, zich de goederen hebben 
geëigend. 

Deze Jan Woltman heeft dus de goede trouw ge- 
schonden met die gebouwen aan de Paters Augustijnen 
over te geven. 

De Paters zeggen, dat zij het geld uit hun klooster 
hebben ontvangen of medegebragt, en daarvan de 



203 

g-ebouwen hebben opgerigt. Dan de Orde der Augustij- 
nen is een der vier Ordens, die geloften van armoede 
doen en de zoogenaamde bedelordens zijn, die gevolge- 
lijk niets bezitten, om zoo eene aanmerkelijke somme 
te geven, zoodat zij niet kunnen voorgeven de beno- 
digde penningen uit hun klooster te hebben ontvangen 
of medegebragt. 

Dat dit plaats had met de Augustijnen, blijkt uit 
het geval met Buitenveldert. Die gemeente werd eerst 
door Capucijnen, naderhand door Augustijnen bediend. 
De kerk was zeer bouwvallig; er was eene andere 
nodig. Noch de gemeente noch de Paters hadden geld 
om eene nieuwe kerk op te rigten. Bij het overlijden 
van Pater Dingens in den jare 1672, begreep de Vica- 
rius eene ruiling te moeten doen. Pater Michaël Dekkers 
werd pastoor te Nieuwendam, zijnde toen eene aan- 
zienlijke statie, en de Heer Agttienhoven werd pastoor 
te Buitenveldert, alwaar hij het stuk land, daar nu de 
kerk, pastorie en tuin zijn, heeft gekogt, kerk en pas- 
torie daarop heeft opgerigt en aan de gemeente heeft 
gegeven en nagelaten. Zouden nu de Paters, die voor 
Buitenveldert in 1672 geen geld hadden, in 1687 geld 
kunnen schieten voor de Posthoorn ?i) 

Dan zeggen de Paters bij het aankopen van de 
Posthoorn 12000 gulden te hebben opgenomen en in 
3 termijnen afgelost. Zeker zijn die gelden successive- 
lijk afgelost, maar uit de liefdegiften der gemeente, 
liet zoude ook te verwonderen zijn, dat de gemeente, 
die altijd zoo ruim heeft gecontribueerd, nooit iets zoude 
gecontribueerd hebben tot aankoop van de gebouwen, 
en dat de Paters Augustijnen dit alles uit hun privé 
beurs zouden hebben bekostigd. 

Ook zeggen thans de Paters uit de Star, dat hunne 
voorzaten in de Posthoorn het uit hun mond gespaard 



') Ik merk op, dat Lexius hiL-r uiet juist is; de reden 
waarom Buitenveldert aan de saeculieren overging, was eene 
andere, zooals bij de geschiedenis van Buitenveldert verhaald 
zal worden. 



204 

hebben. Hierop antwoorden de theologanten, die onder- 
zoeken, waaraan het overschot van de geesteUjke in- 
komsten, na aftrek van een behoorhjk bestaan, moet 
besteed worden. Zij beweeren, dat ook dit overschot 
niet aan de vrije dispositie des spaarzamen geestelijke 
staat, maar tot het einde, waartoe het gegeven wordt, 
moet besteed worden. ') 

Zoo is immers hier in Amsterdam bet geval. Deze 
giften worden gegeven aan de geestelijken; de geeste- 
lijken zijn, zooals uit het jus canonicum blijkt, de eigen- 
lijke bestuurders der kerkgebouwen en goederen; op 
eenige plaatsen bestuuren zij met kerkmeesteren, op 
andere zonder kerkmeesteren. 

Alwaar zij zonder kerkmeesteren bestuuren, zooals 
hier in de stad geene kerkmeesteren bij eenige kerk 
zijn, aldaar ontvangen zij alle penningen van inkom- 
sten en liefdegiften ; zij bouwden, zij doen alles en 
geven uit zonder iemand te kennen; zij doen aan nie- 
mand verantwoording en genieten bij de gemeente het 
volle vertrouwen, dat al hetgeen hen door de gemeente 
ter hand gesteld w^ordt, ook tot het einde, waartoe zij 
het geven, zullen besteden. 

Ook nog heden geven de gemeentens hare giften, 
en haar intentie is, dat de geestelijken daarvan een 
behoorlijk onderhoud zullen genieten, en hetgeen tot 
de godsdienstoefening nodig is, zouden verzorgen. 

De bedoeling der gemeente kan dus niet zijn, dat 
de geestelijken, hetgeen zij op deze wijze van de ge- 
meente ontvingen, als hun eigendom behouden, en 
daarmede naar welgevallen leven, zoodat zij de kerk- 
gebouwen en andere kerkelij Ice goederen zouden kunnen 
verkopen, en het provenu daarvan tot andere eindens 
besteden, of met zich naar elders neemen. 

Nu staat het aan de Paters Augustijnen te bewijzen, 



') Hier tegeuover zou gezegd kuuuen worden, dat geestelijken 
door zuinig en sober te leven wel degelijk het eigendom en de 
vrije beschikking erlangen over de zoogenaamde boua parcimo- 
nialia — Marres: Compendium de justitia, p. I, pag. 24 — 25. 



20S 

dat de Paters, die van het jaar 1687 tot het jaar 1723 
in de Posthoorn gestaan hebben, en hetgeen zij van 
de g-emeente ontvangen hebben, het alleen voor zich 
ontvangen hebben ; dat zij het nooit hebben ontvangen 
voor kerk of toebehoren ; dat zij nooit iets ontvangen 
hebben, waarover zij zich enkel, gelijk de overige 
geestelijken, als administrateurs moeten achten. 

Ik weet wel, dat Ordensgeestelijken rekenen en 
geven gemeenlijk voor, dat, alvvat hun van de ge- 
meente gegeven wordt, hun in eigendom toekomt, en 
dat, alwat zij uit die giften aanschaffen, hetzij gebou- 
wen, hetzij benodigdheden of cieraden hun toekomt, 
en dat dus de kerken en huizen hun en hun Orde 
toebehoort. 

Intusschen ik meen, dat in giften het eigendom van 
een gift moet volgen de meening van den gever, en 
dat dit een regel is voor ieder mensch, hetzij geeste- 
lijke of leek, ordensgeestelijke of wereldgeestelijke; hij 
moet de gift, die hem ter hand gesteld wordt, en die 
hij aanneemt, besteden tot het einde, waartoe hij de- 
zelve ontvangt*. 

Hoe nu de afloop geweest is van Lexius' optreden 
tegen de Paters Augustijnen kan, dewijl in het kerk- 
archief geen verdere bescheiden daaromtrent aanwezig 
zijn, niet met zekerheid gezegd worden. Maar het wil 
mij voorkomen, dat Pastoor Lexius, met zijn betoog 
tegen de aanspraken der Paters, in het gelijk werd' 
gesteld. Want in de rekeningboeken der Statie wor- 
den onder Lexius en diens opvolgers geen posten 
gevonden, melding makende van betaalde huur aan 
de Augustijnen voor het gebruik van kerk en pastorie. 
Bovendien raadde een twintigtal jaren later de oud- 
aarstpriester Van Banning, bij schrijven van 16 Maart 
1Ö32, den ziekelijken pastoor Koch in »de Post- 
hoorn « aan, een coadjutor, met recht van opvolging in 
de pastoreele werlczaamheden, aan te vragen, omdat 



5o6 

er anders gevaar dreigt, dat de Statie voor de saecu- 
lieren verloren gaat. i) Pastoor Koch heeft evenwel 
naar dien raad niet geluisterd, en toch hebben de 
Paters Augustijnen geen aanspraken op de Statie doen 
gelden. Maar deze maatregelen van voorzichtigheid 
wijzen er toch op, dat blijkbaar, sinds Lexius, geen 
huur meer voor de kerkgebouwen aan de Augustijnen 
is betaald geworden. 

Als nu aan het einde van deze uiteenzetting de 
rekening wordt opgemaakt, en de vraag gesteld: hoe- 
veel de katholieken, behoorende tot de Statie »de Post- 
hoorn *^, voor het eigendom van hun kerk en pastorie 
hebben opgebracht, komt men, ongerekend de rente- 
betalingen, tot deze bevinding: 

Voor den aankoop in 1687 f 12.500 

Voor huur van 1727 — 1795: 

jaarlijks 550 gulden: 68 X /550 = . - 37.400 

Voor huur van 1795 — 1Ö03: 

jaarlijks 800 gulden: 8 X ƒ 800 = . - 6.400 

Opnieuw gekocht door pastoor Banning 

voor y^ 12500, waarvan werd betaald . - 7.500 

/ 63.800 

Inderdaad hebben de katholieken in de i8e eeuw, 
in het land der conscientie-vrijheid, in hun beurs onder- 
vonden, wat het zeggen wilde, dat de katholieke ge- 
meenten geen recht hadden van bestaan, en haar 
goederen alzoo op naam van een vertrouwden leek 
moesten gesteld worden! 



') Periculum est. itt Statio vestra uobis pereat, te defuucto, 
uisi tempestive coadjutorein assumas. 

Archief der Parochie. 



207 

iCceren wij thans ttu-ug' tot IVilleiN Ciwrllicr, don 
eersten saeculieren pastoor van >de Posthoorn «, In Alei 
1723 werd hij tot pastoor aangesteld en ontving ter- 
stond van de stedeHjke regeering toestemming om zich 
in de bediening door een kapelaan — de Statie telde 
1700 communicanten^) — te doen ter zijde staan. ''^) 

Hoe hoog pastoor Cavellier bij den Vicarius stond 
aangeschreven, blijkt uit het feit, dat, toen Van Wyker- 
sloot in 1725 zijn ambt van aartspriester van Amstel- 
land had nedergeiegd, Cavellier voor dien aanzienlijken 
post bestemd werd. Toch werd hij hem niet opgedra- 
gen, omdat de Internuntius, Van Wykersloot wist te 
bewegen, van zijn voornemen tot bedanken terug 
te komen. 3) 

Den 6eu October 1733 werd pastoor Cavellier na den 
dood van zijn broeder Philippus tot kanunnik gekozen 
van het zoogenaamde kapittel van Haarlem. 4) In den 
zomer van het jaar 1740 legde hij vrijwillig zijn herders- 
ambt neder, en vertrok naar Haarlem, waar hij den 
2ieii Augustus 1742 in den Heer is overleden. 0) 

La})ibertus Wijntjes, ook Wijntjens genaamd, was 
Amsterdammer van geboorte en baccalaureus formatus 
in de heilige godgeleerdheid. Sinds 9 October 1733 
was hij kapelaan op de Y-Gracht in de Statie »de 
Pool« te Amsterdam, en volgde bij vertrek van Cavel- 
lier als pastoor in »de Posthoorn*. '"•) Volgens Jan 
Wagenaar zou hij de kerk »merkelijk vertimmerd* 
hebben, hetgeen echter den aartspriester Ten Hulscher 



1) Arch. T. Utr.: dl. X, blz. 22. 

2j Arch. V. Utr.: dl. XXII, blz. 210. 

3) Bijdr. V. H.: dl. V, blz. 229 — 230. 

4) B.jdr. V. IL: dl. XVII, blz. 324. 

5) Bijdr. V. H.: dl. II, blz. 134; id. dl. XIV, blz. 180. 
6j Bijdr. V. H.: dl. XIV, blz. 180. 



2o8 

in I7Q9 niet belette van een >zeer oud en bijna ver- 
vallen gebouw* te spreken; en Lexius in 1810 deed 
zeggen >de kerk is sedert veele jaren ten uiterste 
bouwvallig*. En toch zouden de katholieken nog schier 
eene halve eeuw aldaar kerken I 

In 1769 stelde pastoor Wijntjes, onder goedkeuring 
van den aartspriester Van de Capelle, »de eeuwige 
memorie* in. 

Op het einde zijns levens, den i6en April 177 1, 
ontving pastoor Wijntjes een opvolger in de Statie. 
Hij overleed den 22eu Mei 177 1. 

Wilhelmus Reinerus Boom was geboren in 1722, 
en kapelaan sinds 12 November 1748 in »de Pape- 
gaai* i), sinds 28 Oct. 1750 > achter den Pauwentuin« 2), 
sinds 14 Febr. 1752 in »de Posthoorn* 3), en van 13 
Maart 1754 tot 16 April 1771 pastoor te Diemen.-^) 

In de relatio Ghilini (1763 — 1775) wordt de Post- 
hoorn eene »Statio mediocris* genoemd van 930 com- 
municanten, en krijgt pastoor Boom het eervolle ge- 
tuigenis van te zijn een » pastor zelosissimus, pius ad- 
modum et aptus« ^^). Hij stierf den 2 6en Juni 1799, en 
werd te Amsterdam in de Nieuwe kerk begraven.*») 

Uit de acte van verkoop, gehouden door de exe- 
cuteurs, de Heeren Hendrik Haefkens en J. E. Koch 
bevatte de nalatenschap van pastoor Boom het vol- 
gende zilverwerk. ") 



>) Bijdr. V. IL: dl. XIV, blz. 1S2. 

2) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 51. 

3) Bijdr. V. ff.: dl. XIV, blz. 1S3. 

4) Bijdr. V. ff.: dl. IV, blz. 128; id. dl. XIV, blz. 188. 

5) Arch. V. Utr.: dl. VIII, blz. 127, 350. Een zeer ijverig, devoot 
en ervaren herder. 

6) Bidpr. 

^) Kerkarchief der Parochie. 



2og 

Een zilvre scheiikblad. B>n sobel. 

Een dito dito. Twaalf messen met zilvre hegte. 

3 tafel oom vooren. Twaalf dito als voren, 

4 dito dito. 24 desertmessen. 

Eeu broodmautie. Twee trancheer messen. 

Twee kandelaars. 14 lepels en 9 vorken. 

Een tabakdoos en comvoor. Tv/ee soeplepels. 

Een trekpot en melkkan. Eenige diverse klijnigheden. 

Een olie en az.ijn zervies en Divers klijngoed. 

mostertpot. 

Een deftige inboedel, ja; maar toch behoefden de 
executeurs voor de roerende en onroerende goederen 
der nalatenschap aan den fiscus slechts 260 gulden 
te betalen. 



Joannes Josephus Banning, ook Bannink genoemd, 
was in 1748 te Amsterdam geboren; hij stond als 
kapelaan te Amsterdam aan de Statie »het Hert*, en 
was van 1780 — 1799 pastoor te Zevenhoven. 

Op een aanschrijven der » Commissie uyt gecommit- 
teerdens tot het werk der verponding over de beide 
arrondissementen, ressort Amsterdam «, antwoordde pas- 
toor Banning den 2\^^ Febr. 1807 met het volgende 
briefje : i) 

»Voor soover de kerk betreft, staat zij buyten ver- 
ponding. Maar soover de huysing van den eerwaar- 
den Heere Pastoor betreft, staat zij in de belasting met 
het huys daarnaast, bekend op den quohier onder 
No 66 en 67, doende samen van lasten y^ 65 — 13 st. 

»Ik heb nu het huys van den eerwaarden Heere 
Pastoor aangegeven tegens f 200 van huur voor de 
nieuwe belasting, alhoewel dat het grootste gedeelte 
van de huysing van den pastoor tot een gebruyck van 
de kerk strekt*. 



') Kerkarchief der Parochie. 

14 



iï6 

Pastoor Banning stierf te Amsterdam den 2gen April 
i8io en werd op het Begijnhof begraven, i) 

Joannes He>iricus Lexius was 28 Oct. 1755 te Amster- 
dam geboren, studeerde aan het gymnasium te Keulen 
en aan de hoogeschool te Leuven, en werd in Dec. 
van het jaar 1779 tot priester gewijd. Hij was een 
man van groote geestesgaven. Als kapelaan van Buiten- 
veldert, waar hij 1 2 jaren als kapelaan stond, werd 
zijne jurisdictie, bij het, voor het eerst in 1782 gehou- 
den, kapelaans-examen, met drie jaren verlengd. Van 
13 December 1791 tot 25 Mei 18 10 was hij pastoor 
van 't Kalf, en bekleedde tegelijk van 7 April 1798 
tot 16 October 1804 een hoogleeraarsstoel aan het 
Seminarie Warmond. Gedurende zijne afwezigheid wer- 
den de herderlijke zorgen in 't Kalf gedragen door 
zijn broeder Joannes Antonius, die evenwel tevens pas- 
toor was van Zevenhoven. Lexius zelf bevestigt dezen 
ongewonen toestand in het doopboek van 't Kalf, 
waar hij aanteekende: »7 April 1798 profectus sum 
in Warmond, ut ibi professoris munere fungerer ; deser- 
viebat interea temporis frater meus Rdus D^us Joannes 
Antonius Lexius. 2) 

In 1803 werd hij lid van het zoogenaamd kapittel; 



1) Bijdr. V. H.: dl. XIX, blz. 57; id. dl. XXII, blz. 65. De 
genealogische aanteekeningen betreffende de familie Banning, voor- 
komende in Publications de la Société historique ei atxhcologique dans 
Ie Limboiirg, tóme XXVIII, 1912, blz. 385 — 386 zijn niet juist. 

2) Joannes Antonius Lexius was den iSen Juli 1765 te Amster- 
dam geboren en in 1792 tot priester gewijd. Hij stond als kape- 
laan aan 't Kalf en te Velseu, was van 1804 — rSio pastoor te 
Zevenhoven, van 1810 — 1816 pastoor van 't Kalf en van 1816 — 
1838 pastoor in de Beemster, waar hij den i6en Augustus 1838 
overleed. 

Eenzelfde middel werd bij de keuze van den tweeden President 
van Warmond door den Vice-Superior den aartspriester aan de 



21 1 

bij den dood van Offerman, den 12^11 Nov. 181 1, pro- 
visor van Pulcheria, en na den dood van Stafford, in 
eene te zijnen huize gehouden kapittel- vergadering, 
den i^eu Maart iHi6, deken van het collegie en 
Vicaris-generaal. Sinds Mei 18 10 was hij pastoor in 
>de Posthoorn «. Hij stierf den 3"! Juli 18 17, ruim 61 
jaren oud, en werd den jen in de Nieuwe kerk te 
Amsterdam begraven i). Zijn bidprentje laat, na al deze 
ambten en titels vermeld te hebben, alleen de smeek- 
bede volgen: »God zij zijne ziel genadige. 

Als pastoor van 't Kalf stond Lexius in brief- 
wisseling met den aartspriester Ten Hulscher over 
zaken meest van ondergeschikte beteekenis. 't Was een 
dispuut met zijn buurtpastoor Van der Aa »over het 
parochieeren der Roomsch-catholyken van de Koog, 
en over de scheidinge tusschen Sardam en 't Kalf» 2); 
eene bespreking over zijn kapelaan Haakrnan ^), 
doch ook, meer van gewicht, over den eed, welke 
door de provisioneele vertegenwoordigers des Holland- 
schen Volks op den nieuwen staat van zaken gevor- 
derd werd"*). 

In nauwer en meer gemeenzame verhouding zou 



hand gedaau. Ciamberlaui schreef hem deu 28 Mei 1S08: »Ut 
primum potest, Arnpl. tua eligat et instituat praesidem. AUquis 
pastor erit, qui hujusmodi munere fungi valeat. Retineat etiam 
pastoratuin, cui possit aUquis deservitor praefici, ne expensae coUe- 
gii adeo augeautur, et parvum emolumentuni habeat praeses». 
Bissch. oud-archief te Haarlem. Het Seminarie Warmond heeft 
inderdaad onder verschillend opzicht moeilijke dagen doorleefd. 

1) Bijdr. V. H.: dl. VIII, blz. 417— 418; id. dl. XIII, blz. 169; 
id. dl. XVII, blz. 383, 397, 399, 400; Bisscli. oiid-archief te Haarlem. 

2) I Jan. en 15 Maart 1793. 

3) 3 Sept. 1794 en 5 Febr. 1795. 

*) 13 Aug. 1795. In datzelfde jaar verscheen van zijne hand: 
Eenvoudige gedachten over de door de provisioneele repraesentanteii 
van het volk van Holland den 31 Jan. 1795 verklaarde recliieu 



ii2 

Lexius met den aartspriester geraken bij de stichting 
van het Seminarie Warmond, welke noodzakehjk was 
geworden door den ondergang der beide Hollandsche 
kweekscholen te Leuven Pulcheria en Alticollense. 
Want, hoev.'el tusschen den aartspriester en den Vice- 
Superior de meest hartelijke samenwerking heerschte, 
zoo Het toch deze, als vreemdeling en minder bekend 
met de Hollandsche zeden, de innerlijke regeling van 
het Seminarie: het vaststellen van een studieplan, het 
ontwerpen van reglementen betreffende tucht en orde 
aan het wijs beleid des aartspriesters over. 

En deze won wederom op zijne beurt den raad in 
van pastoor Lexius, die om zijne talenten, zijne philoso- 
phische en theologische kennis, mild en meegaand 
karakter, bij de geestelijkheid in hooge eere stond. 
Door hem zijn dan ook de eerste statuten des Semi- 
naries grootendeels ontworpen. Tegen de gestrenge 
opvatting van pastoor Cramer, die te Rome aan de 
propaganda zijne opleiding genoten had, wist hij, als 
man van ondervinding en menschenkennis, een ruimen 
en meer gematigden geest in de te ontwerpen bepalin- 
gen vast te leggen. 

»Ik meen, zoo schreef hij aan Ten Hulscheri), dat 



van den niensch en van den burger, en over den eed op die 
rechten bij hun decreet den 9 Maart 1795 gevorderd. Te Amster- 
dam bij Theodorus Crajenschot op den hoek van de Heerengragt 
en Heisteeg in den berg Sinaï 1795. En in 1796 gaf Lexius zijne: 
Verantwoording aan den pastoor J. Stafford over den blaam, dien 
hij in een verweerschrift tegen J. H. Lexius voorgeeft hem door 
denzelve aangewreven te zijn, door J. H. Lexius, Roomsch- Pastoor 
van Het Kalf, te Arasterdam bij T. Crajenschot. Na zijn dood ver- 
scheen nog ten voordeele der armen: ÏFetten en bepalingen nopens 
het kerk- en armhestniir voor R. C. gemeenten ten plallefi lande, 
's-Graveuhage, 1823, 8vo. Grootendeels werd het opgenomen in 
\ie.tKerkehjk regle?nent, door den Vice-Superior in 1835 uitgevaardigd. 
') De Katholiek, \g. 1899, dl. II5, blz. 436 — 437. 



213 

men bij Hollanders met straffe wetten niets kan uit- 
voeren. De Heer Wellens zaliger heeft immers dik- 
werf getuigd!), dat, om Hollanders te bestieren, men 
eene bijzondere methode moet hebben ; de theologanten 
hadden ontzag en liefde voor hem, en hij kon van 
hen alles verkrijgen. De Heer Van de Velde 2) had het 
in den beginne niet gemakkelijk, doch leerde mede, 
dat men de Hollanders niet als anderen kon bestieren «. 

»Dus komt mij voor, dat men in den beginne niet 
dan de noodzakelijkste wetten make; ik bedoel niet 
om hen alles toe te laten — ik ben ook niet bevreesd 
voor de studenten — maar wijl er eenigen reeds te 
Loven gewoond en de Lovensche gewoontens kennen, 
wijl er ook reeds een vooroordeel bij zommigen plaats 
heeft, die door vijanden van 't college opgerokkend 
worden, zo komt het mij voor, dat de voorzigtigheid 
het vereischt, dat men vermij de al hetgeen e bij de 
studenten eenig vooroordeel kan verwekken. Ze moeten 
overtuigd worden, dat men hen met rede wil bestieren, 
dat men hen niet wil behandelen als kinderen met 
laagheid en beuzelingen; zo zullen zij de slegtheid 
der opstokers zien; ze krijgen daardoor liefde en ach- 
ting voor hunne bestierders, en worden gewillig om 
zich te laten leiden. Ik meen, dat zo de natuur der 
Hollanders is*. 

Later onder het aartspriesterschap van Cramer is 
blijkbaar een meer strenger levenstucht onder de theolo- 
ganten ingevoerd. Tot de verordeningen des huizes, 
welke met groote letters geschreven, voor ieders oogen 
waren opgehangen, behoorden o. a. de bepalingen: 

>dat de theologanten zich dagelijks ten minste twee 



') Sinds 1756 president van Pulcheria. 

2) Hoogleeraar in de H. Schrift te Leuven. 



214 

uren in de kapel met het gebed en stichtende over- 
wegingen moeten bezighouden ; op Zon- en feestdagen 
ten minste vier uren ; 

zij mogen in huis geen tabak rooken en onder studie- 
tijd ook in den tuin niet; 

de haren mogen voor op het hoofd niet meer dan 
eenen duim lang zijn, en moeten van achteren ten 
minste drie vingeren breed lengte hebben «.i) 

Maar de oude geest van Lexius, die recht en ruimte 
gaf aan het Hollandsche karakter der studenten, is later 
in de huishoudelijke bepalingen des Seminaries terug- 
gekeerd. 

Aan Lexius, met den oud-pastoor Brouwer van 
Wormerveer. werd tevens, als eerste hoogleeraren, de 
uitvoering van het studieprogram toevertrouwd. Voor 
twee mannen eene bovenmenschelijke taak om, binnen 
den tijd van vier jaren, de toekomstige geestelijkheid 
der Hollandsche Zending in de godgeleerdheid weten- 
schappelijk te onderleggen. Daarbij komt, dat het 
eerste studiejaar begon en voltooid werd zonder presi- 
dent, zoodat ook de geestelijke opleiding der studenten, 
en het huishoudelijk bestuur des Seminaries op de 
schouders van den wakkeren Lexius, blijkens zijne brief- 
virisseling met Ten Hulscher, gelegd was. Zoo teekende 
de aartspriester daaromtrent in zijn brievenboek aan 2): 

15 April 1799: eerste berigt van den Lector Lexius 
wegens den toestand van het collegie. 

2 Mei 1799: De Hr. Lexius over verschillende huis- 
houdelijke zaken van het collegie. 



'1 De RooDtsch-KathoUjke kerk in Oud- Neder la nd : te Amsterdam 
bij J. C. van Kesteren, 1833, blz. 50 — 51. 

2) Dit boek draagt tot titel: Notitie over den inhoud der brieven 
rakefide de J/issic beekinnende met het jaar 1788, en berust in het 
bissch. Oud-Archief te Haarlem. 



215 

I Dec. 1799: Berigt van den Hr. Lexius over 
verschillende artikelen betreffende het collegie te 
Warmond. 

28 Mei 1800: Berigt van prof. Lexius over eenige 
dingen rakende het collegie. 

30 Juni 1800: Berigt van prof Lexius over het 
wangedrag van drie studenten. 

26 Sept. 1800: Berigt van prof. Lexius over dingen 
van het collegie. 

6 Oct. 1800: Dito. 

Bovendien heeft Lexius van den beginne af den 
strijd gevoeld en medegemaakt, welke van den kant 
der zoogenaamde Haarlemsche kapittelheeren tegen de 
oprichting en het voortbestaan des Seminaries bij voort- 
during gevoerd werd. Als bestuurders der Holland- 
sche kweekscholen te Leuven, meenden zij, geholpen 
door de verschillende elkander in dien tijd opvolgende 
gouvernementen van Holland, dat de hun wederrechte- 
lijk door de Fransche regeering ontnomen goederen 
zouden worden teruggegeven; in hun bekrompen eigen- 
waan rekenden zij zich als de eerst-aangewezenen van 
wie de oprichting van het Seminarie Warmond be- 
hoorde uit te gaan, dat immers, naar hunne opvatting, 
als eene voortzetting van Pulcheria beschouwd moest 
worden. Een gevoelen, waarvan de Vice-Superior Ciam- 
berlani en de aartspriester Ten Hulscher gansch af- 
keerig waren ; vandaar de tegenwerking der kapittel- 
heeren, waaronder aanvankelijk de opkomst en de 
groei van het Seminarie bitter te lijden had. Over 
dezen tegenstand heeft de anders doorgaans kalme Ten 
Hulscher zich in een brief, geschreven omtrent het 
jaar 1800 — de datum ontbreekt — met groote vrij- 
moedigheid uitgelaten. 

De kapittelheeren hadden bekend oprechte achting 



2l6 

te gevoelen voor het aartspriesterlijk gezag. »Kan het — 
zoo vraagt nu Ten Hulscher^) — met erkentenis dier 
agting samen staan, dat men mijne circulairen, die ik 
ter oprigting van het coUegie te Warmond of ter in- 
zameling van liefdegiften voor hetzelve van tijd tot 
tijd U3'tgegeven heb, als een verachtelijk blad ver- 
werpe?^) Kan het daarmede samenstaan, dat men de 
geloovigen, die anders over het algemeen wel genoeg 
over dat gesticht denken, niet alleen niet aanmoedigt 
tot eenige liefdadigheid, maar zelve door hatelijke insi- 
mulatiën daartegen opwindt, zooals ik weet van som- 
migen onder de uwen gebeurd te zijn ? Ja maar zal 
UE. mij toevoegen: dat geloof ik wel, de oprichting 
en beheering van dat collegie strijdt tegen de rechten 
van het capittel, en daarom moet men wel zoo handelen. 
Dat is: indien ik het wel versta, daarom moet men 
in dienzelfden sleur maar blijven voortleven, maar 
braaf over en weer tegen malkanderen schreeuwen, 
malkanderen afbreuk doen, door aanhoudende ver- 
deeldheden ergernissen in de Missie brengen, ons zel- 
ven in onze eygen ingewanden verscheuren; de ge- 
ordenden, die hierover in hun vuistje lachen, in de hand 
werken. Ziedaar de beklagelijke maar waarachtige 
gevolgen, die uyt het zoodanig verdedigen der capitu- 
laire rechten noodzakelijk voortvloeijen, en die noyt 
ophouden, maar van dag tot dag verergeren zullen, 
zoolang het capittel in statu quo blijft*. 



') Eigenhandige iniuute vau den aartspriester Ten Hulscher, 
aanwezig iu het bissch. Oud-Archief te Haarlem. 

2) De briefwisseling van Ciamberlani en Ten Hulscher over de 
houding door sommige priesters, aangenomen tegen het Seminarie 
Warmond, is bijzonder leerzaam, en biedt veel stof ter beschrij- 
ving van de toestanden op de Hollandsche Zending. 

Op dat onderwerp kom ik later terug. 



217 

En verder, opnieuw het Seminarie ter sprake bren- 
gend, schrijft de aartspriester: 

>Dit is bij mij onvergeeflijk, dat men een aarts- 
priester, die — dit durf ik heilig schrijven — uit 
zuivere inzigten voo'" het algemeen welzijn werkt, zoo 
tegenstreeft, dat men hem maar alle afbreuk, die men 
kan, aan hem doet, opdat hij geene subjecten ten 
dienste der Missie, die hem noodig zijn, zou kunnen 
krijgen. Dat men aan brave jongelingen, die te War- 
mond willen studeeren, en v/ier ouders onvermogend 
zijn, om de kosten te dragen, slegts alle onderstand 
weigert, en met eene trotsche houding van zig afwijst, 
zeggende, dat zij wel onderstand konnen krijgen, bij- 
voorbeeld te Emmerik of elders, maar niet op den 
grondj van Warmond, want dit is in de oogen van 
dien man [Stafford] die terra Chabul daar de Schriftuur 
van spreekt. Goede God! Wat heb ik, wat hebben 
anderen, die voor dat collegie ijveren aan het capittel 
voor kwaad gedaan, om zoo behandeld te worden? 
Heb ik zelve niet tot herhaalde rijzen toe den Heer 
Stafford aangeboden, gesmeekt, om deel in het collegie 
te nemen, en er mede de directie over te hebben met 
belofte aan ZijnE., van er altijd een uyt het capittel 
toe te willen hebben ? Ja maar ik ben toch, zegt men, 
in het capittelregt getreden, en heb mij iets aange- 
matigd, dat mij niet toekwam. Maar wist het capittel 
zijne rechten dan niet, naardat de Universiteit van 
Loven gesupprimeerd was? Zoo ja, waarom heeft 
men dan voor de gevlugte of weggejaagde theologan- 
ten niet terstond zorg gedragen? Waarom heeft men 
hen maanden agter eikanderen in het wild laten loopen 
zonder te zorgen, dat hen de gelegenheid gegeven 
werd om hunne studie voort te zetten ? Waarom heeft 
men niet, evenals ik en mijne collegaas niet even 



2l8 

gebruyk gemaakt, om de studenten weer bijeen te 
brengen? Zag men dan niet, dat door dit verzuym de 
zugt tot den geestelijken staat in hen moest uytge- 
dooft worden? Zag men dan niet, dat door dit ver- 
zuym een onherstelbaar gebrek aan priesters in de 
HoUandsche kerk moest komen ? 

Had men daaromtrent gezorgd, had men zig maar 
eens verwaardigd om met mij over die dingen te 
spreken, noyt zou ik gedagt hebben om zoo een stuk, 
als de oprichting van Warmond is, te ondernemen. 
Maar daar dit niet geschiedde, daar men werkeloos 
zat, moest ik dan ook de boel in het wild laten loopen^ 
ik, die het meeste belang bij die dingen had«. 

En deze beide scherp tegenover elkander staande 
partijen moest Lexius tot broederlijke eensgezindheid, 
tot eendrachtige samenwerking weten te brengen in 
het belang van het Seminarie! En inderdaad werden 
door Lexius nova Statuta, exammata et approbata ont- 
worpen, welke aan het kapittel ter goedkeuring wer- 
den voorgelegd. Zooals van Lexius te verwachten was, 
ademen de artikelen een breeden en vredelievenden 
geest. Alle onderlinge naijver moet voor altijd — zoo 
luidt het eerste artikel — worden afgelegd. Alle ge- 
dachte aan hetgeen vroeger heeft plaats gehad, moet 
worden weggevaagd; met broederlijke gezindheid en 
oprechte waardeering dienen de partijen elkander te 
naderen. In het tweede artikel werd bepaald, dat de 
aartspriester niet meer dan twee leden in het bestuur 
des Seminaries mocht benoemen, en dat het kapittel 
daar eveneens twee leden uit hun midden aan toe 
mocht voegen. 

Maar, helaas, de vrede, die volgde, was van korten 
duur. Reeds in October 1803 maakte pastoor Ocke, 
die provisor van het Seminarie was, in een schrijven 



2ig 

aan den aartspriester de opmerking, dat er in het ont- 
werp der statuten te veel onderscheid was tusschen 
de capitulares en de anderen, zoodat het bestuur te 
weinig één collegie of één lichaam van beheer was; 
tevens klaagde hij, dat Stafford en de capitulares den 
aartspriester wilden overheerschen. En van den anderen 
kant had ook het kapittel of liever Stafford, blijkens 
de notulen hunner vergadering, tegen den aartspriester 
denzelfden grief. Het kapittel kon moeilijk een gelijke 
overheid naast zich dulden, en de aartspriester mocht 
ook weer voor het kapittel niet buigen. Geen wonder 
derhalve, dat het kapittel, blijkens zijne notulen van 
8 October 1805, voor alle aandeel in het bestuur des 
Seminaries bedankte.^) 

Intusschen had Lexius, die midden tusschen de strij- 
dende partijen stond, en gewis het onverkwikkelijk 
geharrewar moede was, zijn ontslag als hoogleeraar 
aangevraagd, en den 16 Oct. 1804 de herderlijke zor- 
gen over zijne oude Statie wederom aanvaard. 2) 

Bovendien werden de in het godsdienstige al te ver 
meegaande gevoelens, welke Lexius in zijne lessen 
aan zijne leerlingen te hooren gaf, door den bedacht- 
zamen Ten Hulscher niet zonder gevaar geacht, zoo- 
als trouwens de uitkomst bewezen heeft. Want bij den 
dood van Lexius teekende de aartspriester Cramer in 
zijn register het volgende aan: »Homo nimis facilis et 
nimia tolerantia in materia religionis ansam praebuit 
junioribus sacerdotibus excedendi in hujusmodi tole- 
rantia. ^>) Toch gebeurde het, dat sommige onvoor- 



1) BO'dr. V. H.: dl. XVII, blz. 383—384. 

2) De oud-hoogleeraar teekende in het doopboek aan: 16 Oct. 
1804. Hocce temporis renuucians professoris officio in Warmond, 
redii in ciiram meam. 

3) Bi'ssch. Ond-Archief te Haarlem, 



220 



zichtigen ia hun oordeel te ver gingen, en den oud- 
hoogleeraar »onrechtzinnig« noemden, dan greep hij 
naar de pen, en schreef, voor wie het hooren wilden, 
te zijner verdediging!) : »Dit zij genoeg te mijner ver- 
dediging, dat ik de vaste leer der kerk altijd heb als 
heilig beschouwd, en mijnen leerlingen voorgedragen 
en verhandeld. Omtrent bijzondere gevoelens, waarin 
de geleerden verschillen, heb ik altijd vrij mijne ge- 
dachte gezegd; nooit heb ik het gevoelen van anderen 
onheusch bestreden, of impium, absurdissimum of hae- 
resi proximum genoemd. Dit beken ik, schoolsche 
vitterijen heb ik altijd als ijdele beschouwingen ter 
zijde gesteld, doch nooit verkeerde gevoelens omhelsd, 
of daarvan eenigen blijk gegeven*.-) 

In zijne pastorie teruggekeerd bleef Lexius, voor 
zoover zijne geestelijke bediening het toestond, zich 



1) Mengelingen voor R. Catholykcn: te Amsterdam bij B. J. Crajen- 
schot, boekverkoper in de Kalverstraat u". 92, 1S09, dl. III, 
blz. 2S1. 

2) Op het einde eu in het begin der 19e eeuw hcerschte bij 
meerdere priesters te ver gedreven vrees voor den invloed 
der tijden, te groote vaardigheid, om elkanders rechtzinnigheid 
in het geloof verdacht te maken. Aan die verdachtmaking is het 
zeer gezochte kostschool Wilkinghege, zijn zelfs de beide Semi- 
naries der Hollandsche Zending, en vooral het Seminarie 's-Heeren- 
berg niet ontkomen. Gelukkig, dat de Vice-Superior Ciamberlani 
de beide Seminaries en hunne hoogleeraren van alle smet heeft 
vrijgesproken. 

»Toties quoties Warmundense et 's-Heerenbergense collegium 
adivimus, ratio summopere gaudendi nobis fuit, cum esset plane 
perspectum, sanam et puram in utroque reapsè vigere et conservari 
doctrinam, eidemque professores omnes penitus adhaerere, eosque 
proinde non nisi lande dignos jure meritoque posse ac debere 
existimavi*. 

Aldus in zijn schrijven ter weerlegging van den laster het Semi- 
narie 's-Heerenberg aangedaan. En wat is later niet Antonucci 
en de geheele Hollandsche Zending te Rome verdacht gemaakt? 
En wat is er niet in onze dagen gebeurd ? 



22\ 

wijden aan wetcnschappelijken arbeid, en had hij van 
nabij de hand in de oprichtini;' van liet eerste door katho- 
Heken gestichte tijdschrift: AFengilingen voor Rooiiisch- 
Catholykeri. Hij en pastoor Beukman uit »de Pool< te 
Amsterdam waren de stille leiders der periodiek, waarin 
vooral de begaafden onder de jongere priesters, die 
eens aan de voeten van Lexius gezeten hadden, aan 
het woord kwamen. Onder hen behoorde vooral de 
latere professor Schrant, destijds kapelaan te Amster- 
dam aan »de Pool*. Van hem hadden Beukman en 
Lexius de beste verwachtingen ; zij vereerden hem met 
hunne vriendschap, steunden hem, en moedigden zijn 
openbaren arbeid van alle kanten aan. En kapelaan 
Schrant van zijnen kant wist deze gezindheid te waar- 
deeren. Hoort, hoe warm de opdracht is aan Beukman 
en Lexius van zijne te Bovenkarspel geschreven ver- 
taling der ^Navolging van Jesus Christus.* i) 

>Edele Beukman, neem deze mijne hulde aan: gij 
hebt daar eene volle aanspraak op. Met het levendigst 
gevoel herinner i4c mij nog de zalige genoegens, vijf 
jaren lang in uw bijzijn, aan uwe zijde genoten. Gij 
waart mij een vriend, ja een broeder, een leidsman en 
een trooster, bij de onderscheidene harde lotgevallen 
mijns levens. Te vroeg werd ik u ontrukt, te vroeg 
moest ik u missen. Hoever ook van u verwijderd, uw 
aandenken zal bij mij in zegening zijn«. 

>Kundige Lexius! U mede bied ik mijne hulde aan. 
Hoe zal ik u ooit datgene kunnen vergelden, welk ik aan 
u verschuldigd ben? Vriend en leidsman mijner jeugd; 
het was aan uw^e hand dat ik het heiligdom der god- 



•j Schrant, J. AI.: De Navolging vau Jesus Christus in vier 
boeken, uit het L,atijn opnieuw vertaald, te Amsterdam bij B. J. 
Crajenschot in de Kerkstraat bij de L,eydschestraat, n". 219, 1811. 



22i 

gewijde wetenschappen werd binnengeleid; het was 
uit uwen mond, dat ik de zuiverste begrippen van 
's Heilands leer mogt hooren ; het v^ras ook aan uw 
gevoelig hart, dat ik mijn leed mogt vergeten. Ont- 
vang mijne hulde: zij strekke tot een zwak bewijs 
mijner dankbaarheid*. 

Het was ook op aansporen van Lexius, dat pastoor 
Schrant Hei leven van Jesus beschreef i), waarmede 
hij een handboek wilde leveren, dat, ontdaan van alle 
dogmatiek, dienst kon doen bij het godsdienstonder- 
richt op de gemengde scholen. Hetgeen ook inderdaad 
geschied is. Maar de Mengelingen getuigen, hoeveel 
stof van veronttvaardiging en ergernis de verschijning 
van dit boek onder de geestelijkheid heeft opgejaagd'^). 
De derde editie werd op den index geplaatst. 

Toch is het billijk en voor de kennis van tijd en 
omstandigheden noodzakelijk, uit den mond van Lexius- 
zelven te vernemen, wat aanleiding heeft gegeven, en 
welke bedoeling heeft voorgezeten bij het verschijnen 
dier uitgave. 

»Kven moet ik aanstippen — aldus Lexius 3) — bij 
welke gelegenheid en waarom ik den Heer Schrant 



') Het Leven van Jesus^ een geschenk aan de jeugd, door J. M. 
Schrant, Roomsch-Priester, te Amsterdam bij B. J. Crajenschot 
in de Kalverstraat n". 92, iSoS. Svo, 410 blz. 

'^) Li.c, dl. III, blz. 71; id. dl. III, blz. 280 — 302; Aanmerkingen 
op het werkje van den Heere J. M. Schrant, Roomsch Priester, ge- 
tyteld : Het Leven van Jezus, een geschenk aan de jeugd. Zonder naam 
van schrijver of drukker. 

Vele dier «aanmerkingen* waren inderdaad gezocht. Schrant 
bleef het antwoord niet schuldig en schreef: Het Leven van Jesus 
verdedigd tegen de zoogenaamde aanmerkingen eens naamloozen schot- 
schrijvers, Amsterdam, 1S09. Waarop wederom de schotschrijver 
en wederom op zijne hciart Schrant antwoordde. 

3) Mengelingen voor Rcomscli-Catholyken'. dl. III, blz. 282 — 284. 



ii3 

heb aangemoedigd om zijn werkje te schrijven en het- 
zelve zoo in te rigten als het nu geschied is. 

»De Heer Schrant ter gelegenheid van het patroon- 
feest mijner gemeente bij mij zullende prediken, en 
ten dien einde den 22^^ Jnly bij mij zijnde, viel de rede 
over sommige werkjes, die het leven van Jesus voor- 
stelden, en van verscheidene onregtzinnigheden niet 
vrij waren. 

Wij merkten op, dat soortgelijke boekjes, geheel in 
de handen der catholijke jeugd niet passende, haar 
evenwel hier en daar als prijsjes gegeven wierden, en 
zelfs bij het openbaar schoolonderwijs in gebruik waren- 
Wij kwamen overeen, dat wij zulke soort van boekjes 
niet hadden, die wij daar tegen den kinderen konden 
als schoolboeken in handen stellen. De Heer Schrant 
zeide meermalen aangezocht te zijn, om zulk een boekje 
te vervaardigen. Doch hierover besluiteloos zijnde, wilde 
hij deswegens mijn gevoelen en raad hooren. Dien dag 
geene gelegenheid zijnde, zijn Eerw. nader deswegens 
te onderhouden, schreef ik den volgenden dag hem 
den brief, geplaatst in het voorberigt i). Naderhand 
hem sprekende, raadde ik hem, het bijzonder leerstellige 
niet aan te roeren, en wel om deze redenen: 



') Deze brief was wel iu staat om Schrant tot het doorvoeren 
vau zijn plan aan te zetten. Hoor den hartelijken toon door L,exius 
in den aanhef aangeslagen : 

»De achting en genegenheid, die ik van uwe eerste jeugd U 
reeds toedroeg; de naauwe betrekking, waarin ik te Warmond 
tot U stond, het genoegen hebbende, ook U onder mijne leer- 
lingen te tellen, welke tot den H. Dienst voor te bereiden en 
op te leiden ik aldaar geroepen was; de hartelijke vriendschap, 
die tusschen U, sedert in de priesterlijke bediening geplaatst, en 
mij thans bestaat: ziedaar zoo vele voor mij dringende redenen, 
waarom ik in uwe ondernemingen en verrigtingen het ernstigst 
belang stel, en dezelven zonder ijverige deelneming niet kan be- 
schouwen. 



224 

Bij het reglement voor het lager schoolwezen, den 
^en April 1806, artikel 2j, was bepaald, dat het geven 
van onderwijs in het leerstelHge niet zoude geschieden 
door den schoolmeester. Daarna, werd den 3oeii Mei 
1806 door den Secretaris van Staat aan alle gezind- 
heden gezonden eene circulaire, waarbij te kennen 
gegeven werd, dat de meening van het gouvernement 
was, om het onderwijs in het leerstellige geheel en al 
van het schoolonderrigt te moeten afscheiden, en de 
onderscheidene kerkgenootschappen speciaal uit te noo- 
digen, om het onderwijs der jeugd in hunne godsdien- 
stige leerbegrippen geheel en al voor hunne rekening 
te nemen : en dat in de scholen alleen een onder- 
wijs in den christelijken godsdienst, voor zooverre 
deszelfs geschied- en zedekundig gedeelte betreft, zoude 
plaats hebben. 

Ingevolge dezen maatregel, genomen door het gouver- 
nement, waaraan de aartspriesters Van Engelen i) en de 
Haan 2) openlijk hulde doen, w^as het, dat ik den Heer 
Schrant aanmaande om in zijn werkje al het leerstel- 
lige daar te laten, en zich enkel bij het geschied- en 
zedekundig gedeelte te houden. Het werkje zoude 
immers ten dienste en ten gebruike der kinderen op 
de scholen zijn; niet enkel daar alleen catholijke, maar 
ook daar kinderen van andere gezindheden ter school 
gaan ; dus moest het leerstellige in het werkje van 
den Heer Schrant achterblijven. 

En waarlijk, wat zwarigheid ligt hierin? Zijn er geen 
boeken genoeg, waarin, zoowel beknopt als wijdloopig, 
alle leeringen van den catholijken godsdienst worden 
voorgedragen en verklaard? Is er de minste reden 



') Aartspriester vau Utrecht. 
2j Aartspriester vau Friesland. 



225 

van klagen over een gebrek van soortgelijke boeken, 
waarin kinderen zich kunnen oefenen in de kennis der 
catholijke leeringen ? 

>En daarentegen zijn er zoodanige werkjes genoeg 
in onze taal voorhanden, waarin de zedenleer en de 
geschiedenis op haar zelve verhandeld wordt, en die 
men op de scholen, tegen de reeds in gebruik zijnde, 
krachtdadig kan tegenstellen, en onzen kinderen in 
handen geven? Ten minste ik voor mij ken er 
geen.« i) 



') Ook om die reden was kei Zeve>i van yesi/s hij zijn verschijnen 
door de Mengelingen voor Roomsch-Catholijken (dl. III, blz. 71 — 76) 
hartelijk welkom geheeten, en de wensch uitgesproken, »dat 
de Eerw. Schrant zich door geene ongepaste aanmerkingen zal 
laten ontmoedigen, om zijnen ijver ten algemeenen nutte verder 
in te spannen. Wij toch kunnen hem verzekeren, dat het aantal 
niet gering is dergenen, die zijnen arbeid goedkeuren, en daar- 
van gebruik maken, en waaronder zijn, die genoeg als bevoegde 
regters mogen gehouden worden, zooals de waardige Amsterdam- 
sche pastoor Beukman, die bij zijne zoo doelmatige onderrigtingen 
de gewone Evangelielessen door dit werkje zijnen kindereu tracht 
op te heldereu. O, uioglen jeugdige pogingen vele dusdanige be- 
gunstigers vinden!* En inderdaad vond Schrant vele aanhangers, 
zoodat de aartspriester Cramer het nuttig oordeelde hem vóór zijn 
tijd tot pastoor te benoemen, en zoo uit Amsterdam te doen ver- 
trekken. Op den 2oen Maart 181 1 teekende de aartspriester in zijn 
dagboek aan : 

Rdus Dnus Jacobus Tielen in Bovencarspel, promotus est in 
Pynacker, cui successit Rdus Dnus Joës Mathias Schrant, qui, 
quamvis non esset aetate maturus, tarnen e civitate, ubi apud 
Rdum pastorem Beukman in ecclesia dicta de Pool sacellanum 
agebat, removendum putavi. lUe euim, a primo suo e studiis 
abscessu, pacem et amicitiam inter sacerdotes minnerat, et scriptis 
vel suis vel aliorum turbaverat ; pronus enim vel maxime erat ad 
edendas scriptiones, quod facile ei erat occasioue ephemeridum 
quarumdam sub nomine Miscellaneorum [de Mengelingen], qui 
quater in anno edebantur, et in quibus quisque aliquam disser- 
tationem sciibere poterat, quod praecipue inter juniores sacerdotes 
fiebat, duce ac hortatore R'^o Dno Joë Henrico Lexius, quem omnes 
illi audierant in Seminario Warmondensi, ubi professoren! egerat. 

15 



ï2b 

Ten Huisdier daarentegen kon met deze goed- 
bedoelde inzichten geen vrede hebben ; over het streven 
der jongere priesters, in bescherming genomen door 
Lexius en Beukman, bedroefde hij zich niet weinig, 
zoodat hij op zijn sterfbed aan Cramer getuigde: 
» Lexius en Beukman doen mij den dood aan,« ^) 

Den 2en Augustus 1808 benoemde koning Lodewijk 
eene commissie > wegens de te nemen schikkingen tot 
het definitivelijk regelen van al hetgene den eeredienst 
der roomsch-catholyken betreft. « Onder de bekende 
mannen van zijn tijd, had ook Lexius in dit college 
zitting gekregen, en, zooals elders, openbaarden zich 
ook hier in zijne adviezen zijne verlichte christelijke 
beginselen en toegevend karakter. 2) Het door hem 
den 2 2en Januari 1810 ingeleverde rapport bevatte een 
concept-plan van organisatie der roomsch-katholieke 
kerk in het koninkrijk Holland ; gaf middelen aan ter 
vereeniging van de Jansenisten en katholieken; en een 
ontwerp om de theologische faculteit voor de katho- 
lieken op een der Rijksuniversiteiten over te brengen. 

Volgens Lexius behoorde in Holland te worden 
opgericht één aartsbisdom te Amsterdam en twee 
bisdommen. 

Ter vereeniging van de Jansenisten met de katho- 
lieken stelde Lexius voor, formulier en bul aan de 
vergetelheid prijs te geven; de rechten van het zoo- 
genaamd metropolitaansch kapittel te wijzigen en de 
door den Paus in den ban gedane Jansenistische bis- 
schoppen door den koning opnieuw te laten benoemen. 



1) Lexius et Beukmau mibi iuferuut morteui. Dagboek van 
Cramer: Bissch. Oud- Are hief te Haarlem. Wat Ciauiberlaui eu CrauuT 
deden naar aanleiding van het boek van Schraut, zal ik afzonder- 
lijk verhalen in een opstel aan Schrant gevi'ijd. 

2) Mejigelingen vafi R. Catholyken : dl. III, blz 77. 



227 

en door den Paus te bevestigen. Verder eischte hij, 
dat over Jansenisten, Jansenius, Quesnel en Arnaud 
een diep stilzwijgen zou bewaard worden, en meende, 
dat het aannemen van de geloofsbeUjdenis van Paus 
Pius den vierde voldoende was, om de Jansenisten in 
de oude Moederkerk wederom op te nemen. ^) 

Geen wonder dat de Jansenistische pastoor van den 
Flelder, M. Glasbergen, met deze te ver gaande voor- 
stellen van Lexius hoogelijk was ingenomen; te meer, 
wijl door hem zelf in die dagen gepoogd werd het 
Utrechtsche kuddeke met de Moederkerk te vereenigen. 
Van zijne genegenheid voor Lexius heeft, bij diens 
overlijden, Glasbergen openlijk getuigd door het bren- 
gen van een »lijkoffer bij het graf van mijnen dier- 
baren vriend en veel geliefden medebroeder.* 

Evenwel ontving dat rapport van Lexius, van den 
kant der meer bedachtzamen onder de geestelijkheid 
geen geringe tegenspraak. Van Gils keurde het ten 
zeerste af, wijl het voortbestaan verondersteld werd 
der bisschoppelijke zetels in Nederland — een echt 
Jansenistische opvatting — ; de oppermacht des pausen 
niet duidelijk genoeg werd uitgesproken, en reeds nu 
aan den Koning het recht van bisschoppen te benoemen 
werd toegekend. 2) 

En over het onderwijs der toekomstige geestelijken 
was Lexius, blijkens zijn rapport, van meening, »dat 
op een der Rijksuniversiteiten de theologische faculteit 
kon worden ondergebracht, en door het stichten van 
een theologisch college aan de behoeften en gewoonten 



^) Bennink Jajissonms, R. : Geschiedenis der oud-Roomsch- 
katholieke kerk in Nederland, 's-Gravenhage, M. J. Visser, 1870, 
blz. 286— 2S7. 

2) Allard, H. J. : Autonius van Gils en de kerkelijke gebeurte- 
nissen van zijn tijd, 's-Hertogenbosch, G. Mosmans, 1876, blz. i6r. 



228 

onder de katholieken kon worden voldaan. Op deze 
wijze verkreeg de Koning met geringe kosten »dat 
de roomschen even zoo goed als de hervormden de 
gelegenheid hebben, hunne priesters binnen het rijk 
te vormen. De inrigting van een college en de 
afzondering eener faculteit waarborgt hun de zuiverheid 
hunner leer en kerktucht, terwijl van den anderen 
kant de plaatsing van dit een en ander in een univer- 
siteitsstad de jonge lieden, welke tot priesters worden 
opgeleid, de gelegenheid tot verkrijging van algemeene 
kundigheden, wereldkennis en beschaving bezorgt, en 
tevens die geheele afzondering van andere studenten 
wegneemt, v/elke zoo weinig geschikt is, om een 
liberale wijze van denken aan te kweeken. « i) 

Maar van al deze door Lexius voorgestelde plannen, 
hoe aangenaam die ook waren aan den Minister, is 
niets ten uitvoer gelegd. Den ló^n J^Iaart 1810 werden 
de zuidelijke provinciën, en enkele maanden daarna bij 
keizerlijk decreet van den geu Juli het geheele koninkrijk 
Holland bij Frankrijk ingelijfd. Bovendien blijft het de 
vraag, of Lexius, die met open gemoed en beminlijk 
optimisme den goed-gezinden koning Lodewijk was 
te gemoet getreden, later, bij het zien der sluwe houding 
van de Jansenisten, en het streven der regeering onder 
koning Willem I om de kerkelijke belangen te beheer- 
schen, zijn eens te goeder trouw uitgebrachte rapporten 
niet zou verloochend hebben. 

Bij het aanvaarden der regeering door koning 
Willem I w^as bepaald, dat de geestelijken, die onder 
koning Lodewijk cene toelage hadden genoten uit 



^) Medegedeeld door P. Albers : Geschiedeuis van het herstel 
der Hiërarchie in de Nederlanden, Nijmegen, L. G. C. Malmberg, 
i-)03, dl. I, blz. 27. 



's rijks kas ^), ook onder zijn bestuur die bezoldiging" 
zouden blijven genieten. Van daar dat de aartspriester 
door den Commissaris-generaal voor binnenlandsche 
zaken was uitgenoodigd de namen der priesters te 
melden, die onder de termen der bezoldiging vielen. 
Bij die gelegenheid had Lexius zijn naam aan den 
aartspriester niet opgegeven; later g^evoelde cok hij 
behoefte aan steun, zoodat de aartspriester den yeu 
October 1814 tot den Commissaris-generaal, H. van 
Stralen, het volgende schrijven richtte : 2) 

Hiermede heb ik de eer UHEG. te berigten, dat 
de Positiven van het Request van den Heer J. Lexius 
tot den letter toe waar zijn ; dat gemelde Heer eene 
toelage uit 's lands kas en benoodigd en waardig is ; 
dat ik denzelven in de voordragt, welke ik de eer 
heb gehad UHEG. aan te bieden niet gemeld heb, 
omdat hij zich niet, gelijk anderen, aangediend heeft. 
Dan het is mij zeer aangenaam de gelegenheid te 
hebben dien braven Heer uwer aandacht te mogen 
aanbevelen, en nog aangenamer bij deze gelegenheid 
UHEG. te mogen verzekeren van den diepsten eer- 
bied met welken ik de eer heb te zijn, 

HoogEdele Gestrenge Heer! 

UHEG. gehoorzaamste en onderdanigste dienaar, 

J. Cramer, 
Aartspriester van Holland en Zeeland. 

*) Den ycn juli 1809 was op voordraclit vau den Minister van 
Eeredienst en Binnenlandsche Zaken bepaald: 

1". dat door Zijne Majesteit over den jare 1810 geaccordeerd 
wordt en op de begrooting zal worden gebragt eene som van 
120.000 gulden, ten behoeve der geestelijken van die gezindheden, 
welker eeredienst bevorens of geheel niet of slechts eenigermate 
door den Staat is bekostigd geworden ; 

a**. dat van deze som worden bestemd voor de R. K. Geeste- 
lijken 100.000 gulden en de overige 20.000 gulden voor het 
Luthersche kerkgenootschap. Bissch. Oud-Archief Haarlem. 

2j Copieboek van den Aartspriester Cramer : Bissch. Oud-Archief, 
Haarlem. 



230 

Maar toen den zg^^ Maart 1814 de grondwet werd 
afgekondigd en het aanvaarden der toelage volgens 
art. 139 aan het vervullen van bepaalde voorwaarden 
werd afhankelijk gesteld, openbaarde zich onder een 
groot getal priesters, waartoe de aartspriester behoorde, 
verzet tegen het aannemen der toelage. Doch Lexius 
schaarde zich bij de andere priesters, die van de ang- 
stige en overbezorgde opvatting van den aartspriester 
geheel afkeerig waren. Eerst den i3en Mei 1815 werd 
het aannemen der toelagen onder beding »dat het 
weder vervullen eener opengevallen pastorie en de 
daarop gevolgde benoeming door den Koning ge- 
agreëerd zou worden «, door Rome verboden. 

Bij den dood van Lexius teekende de aartspriester 
Cramer in zijn dagboek aan : 

3 Juli 18 17. 

Obiit Rdus D'i^s J. H. Lexius, pastor in »de Post- 
hoorn « Amstelodami, qui primus fuit professor Semi- 
narii quod est in Warmond, sed homo nimis facilis et 
nimia tollerantia in materia religionis ansam prae- 
buit junioribus sacerdotibus excedendi in hujusmodi 
tollerantia, quae vergit in quamdam indifferentiam. Hoc 
autem patuit praecipue in quibusdam Miscellaneis 
praelo datis, quibus ille favebat, et ubi tollerantia ad 
summum apicem levabatur. Successit ei Rflus D"us 
Joës Elias Koch, pastor ad S. Jacobum Harlemi. 

Te Warmond op het Seminarie hangt van Lexius 
een portret, een kniestuk, door de Lelie vervaardigd 
in 1788 (hg. 92 br. 76 cM.), den 33-jarigen kapelaan 
van Buitenveldert voorstellende, bladerend in een 
foliant en ^beschanst met boeken* ; en in de pastorie 
van »de Posthoorn* wordt van Lexius een staal- 
gravure bewaard, waarop met de bekende klassieke 
symbolen, herinnerend aan dood en vergankelijkheid, 



231 

tusschcn guirlandes de beeltenis prijkt van den o\er- 
ledene, met de volgende regels tot onderschrift: 

Ter nagedachtenis van den HoogEerwaarden e?i 

Zeer Gele er de7i Heer den Heer 

Joans Henri^ Lexïus 

in leven Hoogleeraar in de H. Godgeleerdheid aan 

de Hoge School te Warmond: Vicaris- Generaal en 

Dekeft van het Kathedrale Kapittel vati Haarlem 

en Pastoor der R. K. Kerk de Posthoorn, 

Amsterdam. 

Een zilveren begrafenis-penning-, bij zijn dood 
geslagen, berust in het bisschoppelijk Museum te 
Haarlem, i) 

Door de Feller wordt Lexius beschreven als 2) >een 
der achtenswaardigste menschen, eenvoudig, gulhartig, 
gezellig, zachtmoedig, minzaam, voorkomend, vrede- 
lievend, bescheiden, nederig, een vriend van zuivere 
godsvrucht en als geleerde teregt beroemd. Scherp- 
zinnig van vernuft, paarde hij daarmede een fijn, juist 
oordeel, alsmede een helder verstand, en had zich een 
schat van kundigheden verzameld, zoowel in het vak 
van wijsbegeerte als in dat der godgeleerdheid.* 

Joannes Elias Koch was in 1767 te 's-Gravenhage 
geboren en in 1792 tot priester gewijd. 3) Hij stond 
als kapelaan te Amsterdam in *de Posthoorn « en was 



') Gids in het bisuh. Museum: 5e dr. blz. 165. Ziju buurtpastoor, 
Pater Kle3'n, was hem eenige jaren in den dood voorgegaan : 
22 Mei 1814. 

2) Geschiedkimdig Woordenboek : 's-Hertogfenbosch bij J. J. Arke- 
steyn en Zoon, 1835, dl. XIV, blz. 480. 

3) In de Bijdr. dl. XV, blz. 159 wordt hij Koek genoemd: 
gewis een drukfout. 



232 

van 1800 tot 2 Maart 180,5 pastoor te Den Helder en 
Huisduinen, van 1805 tot October 18 12 pastoor te 
Egmonden, van 181 2 tot Juli 18 17 pastoor te Haarlem 
in de Statie van S. Thomas, en van 1817 tot aan zijn 
dood den loen Febr. 1835 te Amsterdam in »de Post- 
hoorn. « Hij was de eerste landdeken van Amstelland, 
want tot dusverre was het decanaat met het aarts- 
priesterschap verbonden geweest. Door Van Banning 
wordt pastoor Koch »een goede priester* bonus sacer- 
dos genoemd, maar om zijne groote genegenheid jegens 
de regeering van koning Willem I een »orangista«, 
een Oranjeklant. 

Gedurende de laatste jaren van zijn pastoraat be- 
gonnen de katholieken meer en meer te verlangen 
naar eene nieuwe kerk, »zoodat de collecten voor haar 
onderhoud bijzonder weinig opbrachten ; men scheen 
er niets meer voor over te hebben, en hoopte op eene 
nieuwe. Zelfs werden de plaatsen gelden door slechts 
zeer weinigen voldaan*. J) In 1830 telde de Statie 1640 
communicanten. 

Op zijn verlangen werd pastoor Koch te Nes en 
Swaluwebuurt begraven, en liet in zijn grafsteen 
beitelen : Ik ga nu sterven ; gij zult mij begraven in 
mijn graf, hetwelk ik mij bereid heb. Gen. ^o, 5, 

Antonius Arnoldus Steinbach was Rotterdammer 
van afkomst en den 17 en Maart 18 lo te Amsterdam 
in »de Krijtberg c door den oud-bisschop van Roer- 
mond tot priester gewijd. Hij stond als kapelaan te 
Noordwijkerhout, Texel, Overveen en Langeraar en 
werd in 18 16 pastoor te Wormer en in 1821 te Hoorn. 

Zijne komst te Hoorn geschiedde onder moeilijke 



') Kerkarchief der Parochie. 



-'33 

omstandigheden. Bij vertrek van pastoor Baters in 
1820 was de Statie, gewoonlijk »Nieuwenoord« ge- 
noemd, om wille van haren bouwvalligen staat, door 
den aartspriester opgeheven. Deze beslissing had onder 
vele katholieken kwaad bloed gewekt en verzet uitge- 
lokt. De handen werden in elkaar geslagen en tegen 
den wil des aartspriesters werd getracht het wankelende 
bedehuis, voor zoover dit mogelijk was, te herstellen. 
Om nu den tegenstand te breken en de gemoederen 
te doen bedaren, werd door den aartspriester het besluit 
der opheffing van de Statie vernietigd, en den 3eu 
Januari 1821 pastoor Steinbach aldaar tot pastoor 
benoemd. 

In 1826 wist pastoor Steinbach van de Stad te 
verkrijgen, dat de voormalige katholieke kerk, die 
thans dienst deed voor arsenaal, op nieuw aan de 
katholieken ten gebruike werd afgestaan. Deze kerk 
stond op de Achterstraat; het daaraan belendende huis 
werd voor 2000 gulden van de Stad gekocht en tot 
pastorie ingericht. Een ander aan de kerk grenzend 
gebouw werd door de Stad gratis geschonken en tot 
sacristy vermaakt. Den lóen Mei 1827 werd deze 
Statie, niet zonder opspraak en ergernis van een groot 
gedeelte der stedelijke bevolking, in gebruik genomen. 
Tot het herstel der oude maar vervallen kerk, had 
pastoor Steinbach van koning Willem I eene toelage 
ontvangen van 6000 gulden. 

Bij den dood van pastoor F. X. van Crimpen, den 
/CU Juli 1827, werd de Statie in de Slijksteeg opge- 
heven, en gingen hare rechten en eigendommen op 
die van de Achterstraat over : alweer niet zonder 
tegenstand der katholieken, die aldaar gewoon waren 
te kerken. M 



') Liber status mïssiom's : bïssch. Oud- Archief Haarlem. 



^34 

Pastoor Steinbach was een groot vriend van den 
beruchten Van Ghert, en natuurlijk met de kerkelijke 
politiek van koning Willem I ten zeerste ingenomen. 
Bijna had hem deze genegenheid een bisschopszetel 
geschonken. Want toen in iS2g door Capaccini onder- 
handeld werd met koning Willern I over het bezetten 
der openstaande Belgische bisschopszetels, werd van 
regeeringswege ook pastoor Steinbach, die tevens 
deken was van West-Friesland, onder zijne candidaten 
voorgedragen. Gelukkig wist Capaccini te bewerken, 
dat deken Steinbach bij de keuze werd voorbijgegaan. 
Hoe hij daardoor gegriefd was, en zelfs in den wrevel 
zijns gemoeds zijne anti-kerkelijke gevoelens op papier 
heeft gesteld, moge blijken uit het volgende door hem 
tot zijn vriend Van Ghert gerichte schrijven. Het 
teekent den man volkomen : 

»Wel vriend i), zou de koning dan in alles toegeven, 
wat begeerd, gehoopt en gedwongen wordt? Is zijne 
TIajesteit nog niet overtuigd uit zoovele in de laatste 
dagen samenloopende omstandigheden, dat men in het 
zuiden bedoelingen heeft, die veel gruwels inhebben? 
Hoor, mijn vriend, ik heb wel geen geest van voor- 
zegging, maar intusschen kan ik mij nog wel iets 
in mijne gedachten voorstellen, dat ik al dikwerf heb 
zien gebeuren. Onder anderen : herinnert gij u nog 
wel toen zekere Overberger [hiermede wordt zeer 
oneerbiedig de Vice-Superior Capaccini bedoeld, die 
van over de bergen hierheen gekomen was] naar hier 
"OU komen en deze te Munchen was, ik u zeide : wat 
doet hij hier? Gijlieden haalt het paard van Troye in. 
Maar blijkt dat niet? Gaat hem maar na, met welke 



') Medegedeeld door P. Albers: l.c, dl. I, blz. 276 — 278. 



235 

hij handelt, correspondeert, logeert en welke vijandige 
myters aan het gouvernement zoekt hij nu nog op te 
dringen ? 

»Ik zeg u, als de Koning zich door de zuidsche 
woelingen en Tro3'esche listen laat medesiepen om 
zijne getrouwe ministers en ambtenaren te verwijderen, 
en zich myters laat opdringen door den Overberger, 
die niet met den aard van ons land overeenkomen, 
zou het de val zijn van het regeerend huis. 

» Eerst wil men in het zuiden alles doordringen en 
doorschreeuwen ; ook de getrouwe ambtenaren moeten 
weg. En als zij dan alles hebben klaar gekregen, wat 
dan ? Ja, nu willen wij geen protestantschen Vorst ; 
daarbij komen dan de Hollandsche en Noord-Brabant- 
sche bisschoppen naar den zin van den Overberger 
aangesteld; dezen brengen hier den boel in beweging, 
dan is het klaar — verkeerde bisschoppen doen ver- 
keerde werken. Zal de Koning voorzichtig zijn, dan 
zal hij zijn getrouwe ambtenaren niet verwijderen, of 
zij aan die schreeuwers behagen of niet. Dezen moeten 
voor hem waken en strijden. En hij zal geen bis- 
schoppen meer nemen, dan die hij verzekerd is goede 
denkbeelden jegens zijn huis te voeden. Dezen kunnen 
door hun gezag hun onderhoorige geestelijken en 
leeken in bedwang en aan den Koning onderdanig 
houden. 

^Vertrouwt ook niet te veel op het Luiksclie 
mandement [waarin Mgr. Van Bommel aandrong op 
gehoorzaamheid aan het gezag des Konings]. Er zijn 
immers wel andere blijken van dien man ? Het is een 
list van den Overberger, die onder dat gras een adder 
verbergt ten voordeele van den baron de Wyckersloot. 
Is het waarheid ? Mij is aan de ooren gerold, dat vele 
stukken, die weleer tot uw departement behoorden, 



236 

tegenwoordig ter inspectie en beoordeeling worden 
gezonden aan den baron de Wyckersloot door zijn 
grooten vriend den geheimschrijver baron de Pelichy. 
Het zal den Koning beter zijn geen bisschoppen te 
hebben als bisschoppen, die door den Overberger 
worden opgedrongen en den boel in rep en roer 
brengen. 

»Wat geeft zoo een vreemdeling daarom? O, die 
beoogt en houdt zich slechts verzekerd eene rijke 
belooning te zullen erlangen uit eene zekere familie, 
wanneer hij zoo eene heldendaad zou gedaan hebben, 
om op een fanatiek hoofd, bezield met verwaandheid, 
eigenliefde, dwanglust, zonder eerbied zoo min voor 
den Koning als voor zijne medebroeders, een myter te 
zetten.* 

In het begin van Maart 1835 werd deken Steinbach 
tot pastoor benoemd in »de Posthoorn*. Pastoor Win- 
kelaar van Nieuwkoop, aan wien eerst de Statie was 
aangeboden, had bedankt, maar deken Steinbach aan- 
vaardde haar »gratiosissime«: zeer gaarne, i) Toch zou 
hem daar een tweede tegenslag, bittere teleurstelling 
wachten. 

Een ieder was overtuigd, dat in den droevigen 
staat van kerk en pastorie spoedige verandering moest 
komen. Van den beginne af was pastoor Steinbach 
met die gedachten bezield. Reeds den lyen Maart 1835, 
toen hij voor het eerst in zijne nieuv.-e Statie de FL Mis 
gelezen had, kocht hij op dienzelfden dag een groot 
gebouw, dat tot kerk zou worden ingericht. Dit ge- 
bouw, bestaande uit een huis met achterhuis, kelder 
en bovenkamers, was gelegen op de Prinsengracht 
n''. 57, over de Xoordermarkt, en kostte 6000 gulden. 



') Contentiim Itterarum van den aartspriester Gerviug, be- 
hooreud tot het kerkarchief der S. Petrus-kerk te Leiden. 



237 

Pastoor Van der Aa van Ouderkerk had de koopsom 
voorgeschoten. En niet minder vlug, den 5^11 April 1835, 
werd op de milddadigheid der Amsterdamsche katho- 
lieken een v^arm beroep gedaan, bij eenen brief, waarin 
o.a. het volgende: 

»Had ooit eenig Herder dezer stad reden, om zich, 
in den nood en de behoefte, waarin zijne kerk, ter 
geschikte uitoefening van onzen H. Godsdienst, zich 
bevond, tot uwe alombekende milddadigheid te wenden, 
dan voorwaar is het de ondergeteekende, die thans als 
nieuwe herder voor de Gemeente der kerk »de Post- 
hoorn « is benoemd. 

:^ Niemand der Roomsch-Katholijken, die van dit 
Godshuis eenige kennis draagt, kan onkundig zijn van 
den ellendigen, ja hoogstnoodzakelijk hulpbehoevenden 
toestand, waarin deze kerk zich bevindt ; redenen, 
waarom eene Commissie van wege Zijne Majesteit, 
onzen geëerbiedigden Koning, ter regeling van R. K. 
Kerken dezer stad, reeds voor weinige jaren heeft doen 
besluiten, om dezelve door eene nieuwe Hoofdkerk voor 
dat gedeelte van de Stad, ahvaar de Kerk »de Post- 
hoorn « van oudsher voor eene aanzienlijke Schaar der 
Katholijken heeft gestrekt, te doen vervangen, zoodra 
het Concordaat met Zijne Heiligheid deszelfs beslag 
zou verkregen hebben. Van dag tot dag maakt de 
alvernielende tijd dezen nooddwang sterker. 

»Te lang reeds heeft eene Gemeente van 3000 zielen 
met gevaar van gezondheid door de bekrompenheid 
van het gebouw, ja met gevaar van hun leven ten 
aanzien van het bouv/vallige, zich zelve als het ware, 
tot hare Godsvereering, aan zulk eenen bedenkelijken 
toestand, op eene plaats, die weleer tot een' Poststal 
diende, prijs gegeven. 

»Te lang heeft men, echter te vergeefs, in weerwil 



238 

van de godsdienstige stemming der gegoede Leden 
dezer Gemeente, die reeds hiertoe aanzienlijke bijdragen 
aangeboden hebben, naar een beter verbUjf uilgezien; 
dan zij hebben dit op verre na niet tot stand kunnen 
brengen, daar deze Kerk meer dan andere met hon- 
derde behoef ti gen bezwaard is. 

»Te lang bleef een groot, ja wel een derde deel 
van de hoofdstad aan deze zijde, beroofd van een 
geschikt Kerkgebouw, om het belang, hetwelk zij er 
bij had; terwijl vele der overige Kerkhuizen in prach- 
tige tempels ter vereering des Allerhoogsten zijn her- 
schapen. 

»Tc lang dit alles, om niet vrij tot de godsdienstige 
en weldadige stemming van alle R. Katholijken dezer 
Stad onze toevlugt te nemen, met het vaste vertrouwen, 
dat ons allerwegen de krachtigste en ruimste onder- 
steuning ter opbouwing van een' Tempel des Aller- 
hoogsten zal geworden; een Tempel, waartoe wij, 
onder begunstiging des Hemels, binnen den korten 
tijd van 14 dagen sedert onze komst alhier, den 
noodigen grond hebben verkregen, en die ruim, 
en voor onze Godsvereering geschikt en waardig, 
onder uwe veelvermogende medehulp zal opgerigt 
worden. « 

Tot dusverre liep alles goed van stapel. Intusschen 
had pastoor Steinbach voor/ 13.500 nog een ander 
perceel aangekocht, bestaande uit een ruim en deftig 
huis, n^. 56 op de Prinsengracht, dat hij tot pastorie 
bestemde, en door hem terstond betrokken werd, 
terwijl de daarachter gelegen suikerraffinaderij voor 
noodkerk zou dienen, i) 

»Ik heb, zoo schrijft pastoor Steinbach, de kosteres 



') Kerkarchief der Farochïe. 



^30 

en hare moeder als huisbewaarster gesteld in de oude 
pastorie, en haar beloofd, als zij daar niet mogen 
blijven, dat zij alsdan in het huisje der kerk op de 
plaats, regt over de achterkerkdeur zouden mogen 
wonen zonder huurbetaling, omdat het huisje meest 
ledig stond, en bijna niets voor de kerk heeft opge- 
bragt. Zij zijn beiden arm, en v^oonden in een huisje 
van den heer Erftemeyer in de Kromme Palmstraat 
ook zonder eenige huurbetaling.* 

Maar toen kwam de tegenspoed. Niet van de zijde 
des aartspriesters, maar van den kant des Ministers, 
die, bij schrijven van 27 Juni 1835, bezwaren opperde 
tegen den bouw der nieuwe kerk, als zijnde te zeer 
gelegen in de nabijheid van »de Zaaier «. Intusschen 
werden de onderhandelingen voortgezet ; van de nieuwe 
kerk werden door de bouwcommissie bestek en teeke- 
ningen aan den Minister opgezonden, en werd hem 
aanvrage gedaan om tot slooping der gebouwen te 
mogen overgaan. Maar opnieuw antwoordde de Minister 
den 17 en Aug. 1836 met eene opsomming der bezwa- 
ren, en met verzoek die uit den weg te ruimen. Maar 
noch de aartspriester noch pastoor Steinbach waren in 
staat de van den kant des Ministers geopperde moei- 
lijkheden op bevredigende wijze op te lossen, zoodat 
hun den geu November 1836 van regeeringswege werd 
aangezegd de gevormde plannen te laten varen, en 
de aangekochte perceelen wederom te verkoopen. Den 
5eu Januari 1837 werden hem, op aanvrage, door den 
Minister de opgezonden teekeningen der nieuwe kerk 
teruggezonden, begeleid met het volgende dorre maar 
genoegzeggende briefje: i) 



') Kerkarchief der Parochie. De teekeningen der ontworpen kerk 
zijn in bet kerkarchief niet aanwezig. 



24Ö 

's-Gravenhage den 5 Jan. 1837. 

Generale Directie voor de 
Zaken van den R. K. Eeredienst. 

NO. -• 

• 52 

Ten gevolge van het door UEdelen bij een schrijven 
van den 19 December 11. gedaan verzoek aan Zijne 
Excellentie den Heere Secretaris van Staat gerigt, 
doe ik UEdelen hiernevens toekomen de daarbij be- 
doelde teekeningen, plan en bestek, bestemd geweest 
voor eene nieuw te bouwen kerk, ten dienste der 
R. K. Gemeente de Posthoorn, en als zoodanig inder- 
tijd overgelegd bij een rekest, waarop Zijne Majesteit, 
onder dagteekening van den 4 November 11. de op den 
Y^ daaraanvolgende aan UEdelen medegedeelde be- 
schikking heeft genomen. 

De Directeur Generaal voor de 
Zaken van den R. K. Eeredienst, 
De Pelichy. 
Aan de kerkelijke Commissie 
uit de R. K. Gemeente de Posthoorn 
te Amsterdam. 

Den len Augustus 1837 werden de pcrceelen van 
de hand gedaan voor 3500 en 8650 gulden, zoodat 
>de Posthoorn « door dezen verkoop een aanmerkelijk 
verlies had te boeken. Voor den ijverigen pastoor was 
deze teleurstelling te zwaar, om haar te boven te 
komen ; hij kon het te Amsterdam niet meer uithouden 
en verkreeg, onder goedkeuring der kerkelijke over- 
heid, den 46" Januari 1838 de pastorie van Wateringen, 
welke door het vrijwillig bedanken van zijn broer 
Joannes Thomas voor hem was opengemaakt, i) 



') Joannes Thomas Steiubacli, te Rotterdam geboren, was 
kapelaan te Leidschendam, in 1S07 pastoor te Middelburg, in 



241 

Het is wederom teekenend voor pastoor Steinbach 
die, bij zijn vertrek uit Amsterdam, aan zijn o]->vo]ger 
de volgende vingerwijzing achterliet. ') 

»De zaken der pastorie heb ik aan niemand kenbaar 
gemaakt, omdat niem.and er mede noodig heeft, dan 
de pastoor-alleen. Ook geen kapelaan heeft van mij 
ooit iets geweten, noch heeft hij inzage in het doop- 
boek gehad, noch het een noch het ander. De pastoor 
is alleen meester en bestuurder en aan niemiand ver- 
antwoording schuldig dan aan zijn geweten.* 

Te Wateringen arbeidde pastoor Steinbach met zijn 
ouden ijver. Vooral gingen hem de tijdelijke belangen 
der Statie ter harte. »Toch waren er velen onder de 
katholieken — zoo schreef de aartspriester Gerving 
aan den Vice-Superior — die hem niet mochten lijden, 
hetgeen wellicht aan zijne weinig vriendelijke houding 
jegens zijne kapelaans is toe te schrijven. « 2j 

Pastoor Steinbach stierf te Wateringen den 23^0 
Januari 1849. 

Het is opmerkelijk, dat na den dood van pastoor 
Steinbach door de kerkelijke Overheid te Wateringen 
een priester geëischt werd »qui operam sedulo daturus 
sit ad fidelium animos ad pietatem excitandos.« ^) 



1873 te Blokker, in 1815 te Wateriugen, waar hij den len April 
1838 rustend werd. Hij nam zijn intrek in het Liefdegesticht te 
Rijswijk en stierf den icn December 1S50 in den ouderdom van 
ruim 76 jaren en werd te Wateringen begiaven. 

') Kerkarchief der Parochie. 

2) Verslag van B. J. Gerviug van het jaar iS'.42 aan den Vice- 
Superior Innocentius Ferrieri: Bissch. Oud Archief te Haarlem: 
afd. Vice-Superioraat. 

^) Op de vraag waarom, na den dood van pastoor Steinbach, 
de Statie Vv'ateriugen 7.00 langen tijd vacant bleef, geeft het 
schrijven van den Vice-Superior Belgrado aan den aart^-priestei 
Van der Haagen, den 24en Juni 1849, een afdoend antwoord. 

16 



242 

Henriciis Hoek was den ^en Juli 1802 te Nieuwer- 
Amstel geboren, en werd door Mgr. Gaspar Maximiliaan 
den ijeu Augustus 1825 te Munster tot priester gewijd. 
Door zijne kerkelijke Overheid werd hij geteekend als 
»een werkzaam en goed priester, in wetenschap wel 
beslagen«. ') Van 1 825-1 827 stond hij als kapelaan te 
Overveen, van 1827-1833 te Amsterdam aan »de Post- 
hoorn <, was van 1 833-1 838 pastoor te Zuiddorpe, dat 
tegenwoordig tot het bisdom Breda behoort 2), en van 
1 838-1 859 pastoor van »de Posthoorn« te Amsterdam. 
30 October 1842 werd hij kanunnik van het gewaande 
kapittel van Haarlem i), en stierf te Amsterdam den 



Accepi a Rdo Dno Steinbach ex Rijswijk adjectas litteras, quibiis 
obitum sui fratris, pastoris iu Wateringen, mihi nuutiat, atque 
loquitur de promissione sibi olim facta, vi cujus fratri suo e vita 
migranti illa in Statione snccederet; verum ipse D^us Steinbach 
fatetur hac de re ne sermonem quidem fieri posse, quum ob 
virium debilitateni jam a biennio SS. Missae Sacrificium celebrare 
haud potuerit. Mirum tam.en sane illum presb3-terum, qui ne 
sacerdotales quidem functiones valet peragere, postulare, ut pas- 
toralis jurisdictio in Statione in Wateringen sibi concedatur usque 
ad medium Augustum, quum hac ratione uegotia defuncti fratris 
cum familia facilius componi posse arbitretur. Paratus certo sum 
occasionem, quam possum, mehorem Dno Steinbach, ut res defuncti 
compouantur, suppeditare, ast nihilominus Ampl. tuae erit iuqui- 
rere atque certiorem me reddere, qua ratione emolumentum 
fidelium postulet, ut vacanti Statioui consulatur ; quod fieri pos- 
set vel sacellanum, qui nunc munere ibi fungitur, Stationi prae- 
ficiendo sub titulo deservitoris usque ad medium Augustum, vel 
alia via, prout magis congruum Ampl. tua judicabit. 

En hiermede zal, naar wij hopen, de legende, als zou pastoor 
Van I^ottum, uit vrees voor de heerschende cholera, eenigen tijd 
buiten zijne Statie vertoefd hebbeu, de wereld uit zijn. 

') Laboriosus et boniis, scieutia laudabilis. 

2) Bij vertrek van pastoor de Jager iu 1836 uit lonkhuizen 
naar Abcoude, werd hij tot pastoor aldaar benoemd. Op zijn ver- 
zoek echter werd de benoeming ingetrokken »cui libenter con- 
cedo licentiam remanendi in favorem commuuitatis.* Aldus de 
aartspriester Gerving. En in 1 851, toen pastoor Van der f^ugt ging 
rusten, werd hem de Catharina aangeboden. 

1) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 41S. 



243 

31^" Mei 1859. Er bestaat van hem een veel-verspreide 
lithographie van A. A.(llebc) den pastoor in priester- 
gewaad voorstellende, rustend op zijn sterfbed ; in de 
pastorie van >de Posthoorn* een, na zijn dood, in 1862, 
op doek geschilderd portret, hg. 1.34 c.M. br. 1.02 cM., 
door M. G. Schenk, en in het Museum »de Amstel- 
kring« te Amsterdam een borstbeeld. 

Het kan ons niet verwonderen, dat, bij zijne komst 
te Amsterdam, kerk en pastorie in beklagenswaardigen 
staat verkeerden. De aartspriester Gerving getuigde 
het ruiterlijk in 1842 aan den Vice-Superior: i) >Eccle- 
sia et domus hujus Stationis miserrima, antiqua et cultui 
divino non conveniens ; spiritualia autem maximo zelo 
pertractantur.« 

Pastoor Hoek heeft dan ook, gelijk zijn voorganger, 
plannen gehad en pogingen aangewend om tot den 
bouw eener nieuwe kerk en pastorie te geraken. Eerst is 
hem het terrein eener afgebrande suikerfabriek op de 
Keizersgracht aangeboden, waar later de kerk der Pa- 
ters Redemptoristen verrezen is ; daarna het Luthersche 
Weeshuis op de Heerenmarkt, maar tot eene beslissing, 
wat daarvan dan de reden mag geweest zijn, is het 
nooit gekomen : zoodat pastoor Hoek blijk gaf van 
zelfkennis, toen hij op zijn ouden dag op den preek- 
stoel het woord van S. Jan tot het zijne maakte: »Het 
is U dienstig, dat ik heen ga«. Joan. XVI. 7. >ïoch 
heeft hij — zoo zegt zijn lijkredenaar — 2) i-jgt lijden 
gekend der teleurstelling; zoo gaarne had hij den Heer 
een Hem waardiger huis gebouwd, maar zag zijne 
grootsche plannen meermalen verijdeld. Lichamelijk 



') Bissch. Oud- Archief, Haarlem. 

2) Va7i der Ploeg, P. Lijkrede op pastoor H. Hoek, te Amster- 
dam bij Lenfring, Haarlemmerdijk, 1859, biz. 14, 20 — 21. 



244 

en geestelijk werd door eene enge, drukkende woning 
en een moeilijk te bedienen kerkgetimmerte de her- 
derlijke arbeid dubbel zwaar gemaakt, en werden zijne 
krachten vóór den tijd gesloopt. Aan pastoor Hoek 
komt de eer toe, tijdens zijn langdurig herderlijk pries- 
terleven den bouw der nieuwe kerk geduldig te heb- 
ben voorbereid, opdat een gelukkiger opvolger beginne 
en volvoere, wat hij niet vermogt.« 

In 1858 bij de indeeling der nieuwe parochies, na 
het herstel der Hiërarchie, werd door Mgr, Van A^ree, 
daartoe aangespoord door pastoor Hoek en zijne 
parochianen, op zijne Roomsche reis bij Paus Pius IX 
aangevraagd, om Onze Lieve Vrouw, onder den titel 
van hare Onbevlekte Ontvangenis, als patrones te 
mogen stellen in de plaats van den ouden kerkpatroon 
S. Augustinus. Hoe jammer in het algemeen uit ge- 
schiedkundig oogpunt eene patroons- ver wisseling ook 
is, hier te Amsterdam, waar reeds een gedeelte der 
stad onder de schutse gesteld was van den H. Augustinus, 
bestond daartoe eene bijzondere reden. Bovendien wilde 
men uiting geven aan de geweldige geestelijke blijd- 
schap, welke sinds 1854 door de dogma- verklaring 
van Maria's Onbevlekte Ontvangenis in de harten der 
katholieken was opgewekt. 

In de parochiekerk houdt een zij-altaar, toegewijd 
aan St. Augustinus, de gedachtenis van den verlaten 
kerkpatroon in eere. 

De brief, waarmede I\Igr. Van Vree de patroons- 
verandering heeft aangevraagd en verkregen, was van 
dezen vorm en inhoud : 

Episcopus Harlemensis ad Sanctitatis Tuae pedes 
humiliter provolutus exponit et precatur ut sequitur: 

Facienti mihi paroeciarum in urbe Amstelodamensi 
circumscriptionem valde conveniens catholicisque gra- 



245 

tum futurum visum est, si una e parochiis sub patrocinio 
B. M. V. immaculate conceptae poneretur, atque adeo 
ecclesia huius parochiae Beatissimam Virginem titulo 
immaculatae conceptionis haberet patronam. Hoc autem 
tanto facilius fieri posse videbatur, quod una ex ecclesiis 
secularium, quae parochiales evasurae erant, Patronum 
habebat S. Augustinum, sub cujus patrocinio altera 
quoque parochialis ecclesia, quam Patres Ordinis Ere- 
mitarum S. Augustini Amstelodami liabent, constituta 
est. H umiliter ergo rogo, praesertim etiam cum erectio 
Parochiae, sub vocabulo Immaculatae Conceptionis tam 
parocho dictae Parochiae quam generatim fidelibus 
Amstelodamensibus revera grata fuit, ut hujus paro- 
chialis ecclesiae, benedictae quidem non vero conse- 
cratae, patronus Apostolica auctoritate mutetur, eaque 
deinceps non S. Augustinum sed Beatissimam Virginem 
immaculate conceptam Patronam habeat. 

Ex audientia SS'"' habita die 6 Decembris 1857 
SS"ius D"us Noster Pius divina providentia P.P. IX, 
referente me infiipto S. Congnis de Propaganda Fide 
Secreto, benigne annuit pro gratia juxta petita, dum- 
modo in ecclesia, quae B. Virgini sine labe conceptae 
dicabitur, extet etiam altare in honorem S. Augustini, 

Datum Harlemi die 4 Februarii 1858, 

f Franciscus Jacobus Eps Harlemensis. 

Joaiincs JMathias IJzcrmans was den 2 2eu Mei 18 15 
te Vlaardingen geboren en den 28en October 1838 tot 
priester gewijd. Na eene assistentie te Moordrecht, was 
hij van 1838-1841 kapelaan te Hoorn, van 1841-1847 
te Voorburg i), van 1 847- 1 85 i pastoor te Westerblokker, 
van 1851-185Q te Dordrecht en van 12 Juni 1859 tot 



') Hij was toeu kapelaan bij pastoor Mesker. De aartspriester 
Gerving schreef in 1842 over deze beide priesters aan den Vice- 
Superior: «Pastor exactissime munus suum perficit et qiiidem 
zelo extraordinario, cjuod et de sacellano asseri potest. 



246 

22 September 1870 pastoor in »de Posthoorni te Am- 
sterdam. Hij was kanunnik en proost van het kapittel 
te Haarlem, en werd bij gelegenheid van zijn gouden 
priesterfeest Huisprelaat van Z. H. den Paus. Hij 
stierf te Vlaardingen den i6en December 1894. 

Aan pastoor IJzermans korat de eer toe met den 
bouw van de nieuwe kerk te zijn begonnen ; 't was 
dan ook meer dan tijd. Zoo teeken t hij in het parochiaal 
archief aan, dat zelfs een Heer uit Brussel uit loutere 
nieuwsgierigheid naar Amsterdam kwam om »de Post- 
hoorn « te zien, en bij het gezicht van haar desolaten 
staat de handen telkens in elkander sloeg en zei: 
»wel, wel, in de 19'^e eeuw zulk eene kerk te Amster- 
dam.* 

En gelukkig heeft pastoor IJzermans den gang van 
dezen kerkebouw met al zijn lief en leed genoeg- 
zaam opgeteekend, zoodat de geschiedschrijver hier 
gaarne de pen nederlegt, en aan een tijdgenoot en 
ooggetuige met dankbaarheid het woord verleent: i) 

»Op den leu Pinksterdag, den 12^11 Juni 1859, ont- 
ving ik van Mgr. Van A'^ree, den bisschop van Haarlem, 
een brief, w^aarin ik benoemd werd tot pastoor van 
*de Posthoorn* te Amsterdam. 7H jaar was ik te 
Dordrecht werkzaam geweest, en had in de eerste 
jaren mijner pastoreelc bediening aldaar vele moeilijk- 
heden ondervonden ; maar in den laatsten tijd was ik 
daar met zeerveel genoegen, zoodat ik twee malen bij 
den Bisschop met aandrang aanhield te Dordrecht te 
mogen blijven. Het baatte niet, zoodat ik reeds voor 
Juli van »de Posthoorn e; had bezit genomen. 

^Gelijk mijn voorganger, kreeg ook ik de leiding 
der processie naar Kevelaar, en ik wil het niet ver- 



') Parochiaal kerkarchief. 



247 

bergen, ik ging- naar Kevelaar met de bijzondere intentie 
om door de voorspraak der H. Maagd voor haren godde- 
lijken Zoon te Amsterdam eene nieuw^e kerk te mogen 
bouwen. Het was bij de Amsterdammers gewoonte, om 
des Zondags na de processie bij den pastoor in de pas- 
torie op de koffie te komen. Aan die gewoonte wilde 
ik mij niet onttrekken. Toen nu de pelgrims na afloop 
huiswaarts gingen, bleef de heer Blokhof uit de Haar- 
lemmerhouttuinen achter, die mij mededeelde, dat zijn 
zwager, de Heer Henkus, zijn eigendom, benevens een 
daaraan belendend stuk grond, ten behoeve eener 
nieuwe kerk wilde verkoopen. Evenwel, zoo merkte 
de Heer Blokhof aan, moest ik bij de perceelen van 
den Heer Henkus, ook de beide daaraan belendende 
aankoopen, en tevens een huis op den Haarlemmerdijk, 
om alzoo eene pastorie te kunnen bouwen in de Haar- 
lemmerhouttuinen, en voor de kerk een uitgang te 
hebben op den Haarlemmerdijk. 1 4 dagen later besprak 
ik deze plannen met mijn kerkbestuur, dat daaraan 
gaarne zijne toestemming gaf. Ook Mgr. de Bisschop 
maakte geen bezwaren. Maar toen ik tot den aankoop 
der perceelen wilde overgaan, bemerkte ik, dat de 
kerk der Jansenisten op een afstand van nog geen 
100 ellen gelegen was. Over dit bezwaar raadpleegde 
ik den Edelachtbaren Heer Burgemeester Van VoUen- 
hoven ; diende bij B. en W. een rekest in, en ontving 
ten antwoord, dat tegen de gekozen plaats geen moei- 
lijkheid zou gemaakt worden. 

Op den len November 1859 hadden wij voor eene 
som. van 31.000 gulden de benoodigde perceelen in 
ons bezit. 

Nu was de vraag: wat voor soort kerk zullen wij 
bouwen ? Met den Heer J. W. Brandts, secretaris van 
het kerkbestuur, die mij steeds met de meeste toe- 



248 

wijding heeft ter zijde gestaan, begaf ik mij naar 
Roermond, om de beroemde Munsterkerk te bezich- 
tigen, en, bijgeval zij ons beviel, ons met den te 
Roermond woonachtigen architect, den Heer P. J. H. 
Cuypers, in verbinding te stellen. De kerk verrukte 
ons zoozeer, dat wij den He^r Cu3^pers in opdracht 
gaven ons daarvan eene teekening te leveren. Dit 
geschiedde in November 1859. Aan de andere Ileeren 
van het kerkbestuur gaven wij verslag van onze be- 
vindingen : de Ileeren Simons en Erftemeijer hebben 
mede met ijver de zaak aangevat; de Heer Dankelman 
zag tegen de moeilijkheden op, en diende tegen 
I Januari 1860 zijn ontslag in als kerkmeester. 

In April 1860 werden door Dr. Cu3'pers begrooting, 
bestek en teekeningen ingeleverd der nieuwe kerk; 
er werd eene geldleening gesloten van 150.000 gulden; 
en in September werd aan den Heer Van Beek het 
leggen der fundamenten voor 33.750 gulden opge- 
dragen. In April 1861 werd aan den Heer Bremke 
de opbouw gegund van kerk en pastorie voor 128.000 
gulden. 

Maar moeilijkheden bleven niet uit. Allereerst wer- 
den mijne circulaires, welke ov^er de geheele stad 
onder alle katholieken verspreid waren, en waarin om 
eene gift tot den opbouw der nieuwe » Posthoorn* 
gesmeekt werd, zoo goed als geheel onbeantwoord 
gelaten ; en ten andere werd in de geldleening door 
mijne beste kennissen in de stad betrekkelijk zeer 
weinig deelgenomen. Maar God troostte mij door dik- 
werf van de meest onverwachte en onverhoopte zijde 
krachtigen steun te laten toekomen. 

Op den 24^11 September 1S61 werd door mij in 
tegenwoordigheid mijner beide kapelaans Van de \'en 
en Kimman, van mijn kerkbestuur en enkele genoo- 



249 

digden, de eerste steen gelegd. In een loodcn kistje 
legde ik de muntspeciën van dezen tijd: een stuk van 
2.50, van i.oo, van 0.50 van 0.25, van 10 ets., van 5 ets., 
van I cent en van H cent; las het proces-verbaal voor 
in het Latijn en in het Nederlandsch ; onderteekende 
het met de aanwezige Heeren ; sloot het in het looden 
kistje, en metselde het in den eersten steen, dien wij 
onder de voorgeschreven kerkelijke gebeden gelegd 
hebben ten oosten aan het einde van het dvvarspand.« 

Hier onderbrak de eerw. schrijver zijn verhaal over 
den bouw der kerk, om het nageslacht iets mede 
te deelejn omtrent de geschiedenis van het »Zeven- 
keurvorstenhofje«. Voor de kerkgeschiedenis van Am- 
sterdam komt het mij belangrijk genoeg voor, als 
intermezzo, deze mededeelingen hier over te nemen. 

»Jareu lang was op het Zevenkeurvorstenhofje, ge- 
legen in de Tuinstraat de H. Mis gelezen. Men heeft 
mij verhaald, dat de pastoor van de Heintje Hoeksteeg 
om de 14 dagen een kapelaan daarheen zond. Maar 
sinds 1857, bij de parochiale indeeling van Amsterdam, 
geschiedde zulks niet meer, omdat het hofje toen 
kerkelijk tot S. Ignatius behoorde. 

Later heeft ivlejuffrouw C. J. Bouwman, aan wie het 
Hofje toebehoorde, aan de Paters Redemptoristen ge- 
vraagd, of zij geneigd waren daar de H. Mis te lezen. 
Dit geschiedde, maar slechts van tijd tot tijd, zoodat 
mejuffrouw Bouwman eene stichting maakte, waarbij 
werd vastgesteld, dat eens in de 14 dagen op het 
Hofje de H. Mis zou gelezen worden. De Paters 
Redemptoristen maakten tegen het aanvaarden dezer 
stichting verschillende bezwaren, en boden haar aan 
3 de Posthoorn « aan. Onder goedkeuring der kerke- 
lijke Overheid werd zij aanvaard. Intusschen deed 
Mejuffrouw Bouwman op het Hofje eene nieuwe kapel 



250 

bouwen, waarin ik den 4^'" December 1861, op den 
feestdag van S. Barbara, de patrones van het Hofje, 
voor het eerst de H. Mis heb opgedragen.* 

»In de jaren 1862 en 1863, zoo schrijft pastoor 
IJzermans, ging alles, wat den bouw der kerk betrof, 
voorspoedig. De Heer Joseph Alberdingk Thijm gaf 
mij de goede gedachte om de kolommen in de kerk 
te verkoopen, en den naam des gevers daarop te 
beitelen. Terstond werden er eenige kolommen door 
milddadige katholieken aangekocht. Verder ontving ik 
ten geschenke het hoofdaltaar en twee zij-altaren, den 
preekstoel en verscheidene geschilderde ramen. 

Van den kant des gemeentebestuurs ondervonden 
wij een tweetal moeilijkheden. Den 30^11 Mei 18Ó2 
werd het kerkbestuur aangezegd, om den voorgevel 
der pastorie dadelijk af te breken, omdat, in strijd 
met de plaatselijke verordeningen, houten balken 
buiten de pastorie staken, welke van ijzer of steen 
moesten zijn. De Heer Cuypers ging in overleg met 
den Heer Teding van Berkhout, den wethouder van 
publieke werken, en ontving van ZijnEd. den 2^'^^ Juni 
een brief, waarin hij verklaarde, »geen bezwaar te 
maken, dat de pastorie, zooals zij gebouwd werd, verder 
zou worden afgebouwd.* 

In April 1863 had een werkman het praatje ver- 
spreid, dat de kerk verzakte en van alle kanten scheurde. 
Het was curieus, hoe dat praatje vluchtig werd opge- 
vangen, gretig verspreid en gevarieerd. Zelfs ontving 
ik uit Noord- en Zuid-Holland brieven van deelneming; 
ook het Stadsbestuur liet zich niet onbetuigd, en zond 
»om wille van de openbare veiligheid* twee bouw- 
kundigen om alles ter dege te onderzoeken. Zij hebben 
dan ook twee uren lang de kerk en de pastorie van 
buiten en van binnen onderzocht, maar met geen ander 



251 

resultaat dan ^dat zij over de schoonheid van den bouw 
verrukt wareiT.<: 

Den loeii September 1863, onder het octaaf van 
O. L. Vrouw-Geboorte, werd onder algemeene deel- 
neming door I\fgr. Wilmer de nieuwe kerk plechtig 
geconsacreerd.* 

Van de kerk, in baksteen opgetrokken, verrees 
aanvankelijk alleen het priesterkoor met een lang- 
werpig middenschip met twee zijbeuken, waarop, vol- 
gens verlangen van Mgr. Wilmer, twee dubbele galerijen 
gebouwd werden, om de steeds aangroeiende bevolking 
te kunnen bevatten. Het middenschip is vier traveeën 
lang en met steenen gewelven overkluisd. 

De pastorie heeft een zeer artistiek uiterlijk; maar 
door de ongunstige ligging en de beperkte ruimte van 
het terrein was zelfs Dr. Cu^'pers, bij al zijne geniali- 
teit, niet in staat hare inwendige inrichting aan prac- 
tische eischen te doen beantwoorden. 

Pastoor IJzermans, die sinds T^Iaart 1S66 lijdende 
v^erd aan eene hardnekkige zenuwaandoening, ontving 
den 2 2en September 1870 eervol ontslag uit de heilige 
bediening en begaf zich als rustend priester naar zijne 
geboortestad VI aardingen. 

In 1873 werd door den Heer Brandts aan het kerk- 
bestuur ten geschenke gegeven een huis, belendende 
aan de pastorie, waardoor, met eene geringe ver- 
bouwing, deze te bekrompen pastoors woning aanmer- 
kelijk verbeterd werd. 

Onder pastoor C. J. Haan werd in 1886 tot den 
afbouw der kerk besloten. Dr. Cuypers teekende een 
monum.entaal voorportaal tusschen twee torens, dat den 
28eii Februari 1887 gegund werd aan den Heer Raay- 
makers te Nieuwer-Amstel voor/ 55.960. Van dezen 
bouw werd door pastoor Haan den 27en Juli 1887 de 



252 

eerste steen gelegd. Pastoor Haan stierf kort daarop ; 
reeds enkele maanden daarna stierf zijn opvolger 
pastoor Ch. Philippona, zoodat de geheele kerk vol- 
tooid werd onder den lateren pastoor Jansen. 

Hcnriais Sclilüter was den 2"]^-^ October 1828 te 
Gouda geboren, en den 15611 Augustus 1853 tot priester 
gewijd. Hij was in 1853 kapelaan te Leiden (O. L.Vr. 
Hemelvaart), van 1853- 1856 Secretaris van Z. D. H. 
Mgr. Van Vree, van 1856- 1859 kapelaan van St. 
Willibrord »het Duifje* te Amsterdam, van 1 859-1 863 
van S. Josef te Haarlem, van 1863-1870 pastoor te 
Vlissingen en van 26 Sept. 1 870-1 884 pastoor aan 
>de Posthoorn* te Amsterdam. 

Pastoor Schlüter was een priester, die met onstui- 
migen ijver arbeidde aan het zielenheil zijner zeer 
groote parochie. Door zijn welsprekend woord trok hij 
de groote menigte naar zijne kerk; en door het stichten 
van congregaties en vereenigingen behartigde hij zoowel 
de geestelijke als de maatschappelijke belangen zijner 
parochianen. Boven alles echter had hij een open oog 
voor het onderwijs der jeugd. 

Te Amsterdam waren door de Vincentius-Vereeni- 
ging eenige scholen geopend voor de jongens; door 
de Vereeniging van den Allerheiligsten Verlosser voor 
de meisjes. Pastoor Schlüter wilde parochiaal onder- 
wijs; met de stichting eener meisjesschool wenschte 
hij te beginnen. Tegen dat streven verzette zich de 
Vereeniging van den Allerheiligsten Verlosser, zoodat 
hij na veel tegenwerking en moeilijkheden eerst den 
27611 Juni 1872 de bisschoppelijke goedkeuring erlangde 
op zijne plannen. 

Een pakhuis in de Haarlemmerhouttuinen werd tot 
school en tot woning der Zusters Franciscanessen van 



253 

Rozendaal ingericht, en reeds in October 1S72 i^eopend. 
Op het einde des jaars telde de school 452 kinderen 
en 13 Zusters. Ter dankbare herinnering aan de lief- 
dadigheid van den TI eer J. W. Brandts, werd de school 
naar den naam zijner echtgenoote Antonia Sjoukes 
»S. Antoniaschool« genoemd. 

Daar de school veel te klein bleek, konden, wederom 
door de onvolprezen medewerking van den Heer 
Brandts, de oude localen worden afgebroken, en ge- 
heel nieuwe, ruimer in omvang en grooter in aantal 
worden opgebouwd. Tevens werd voor eene betere 
huisvesting der eerw. Zusters zorg gedragen. Dit ge- 
schiedde reeds in 1874. 

En ziet, toen de nieuwe localen betrokken waren, 
bleef er voorshands een ledig staan, en nu besloot 
pastoor Schlüter, dat daarin voorloopig met het onder- 
wijs der jongens kon begonnen worden. Maar ook 
thans rezen moeilijkheden van den kant der S. Vin- 
centius-Vereeniging, zoodat eerst den 15611 April 1875 
door het kerkbestuur eene parochiale jongensschool 
in de Bickerstraat kon geopend worden. In 1877 werd 
deze school overgebracht naar de Haarlemmerhouttuinen 
n^. 81, tusschen de korte Prinsengracht en de Oranje- 
straat, en in 1880 naar de Haarlemmerhouttuinen n^. 24. 
De jongensschool werd onder de schutse gesteld van 
den H. Josef. 

In de vergadering van het kerkbestuur, gehouden 
den 2geii September 18S0, was ook pastoor Sloots van 
»de Liefde« uitgenoodigd, om mede te beraadslagen, 
wat voor het godsdienstig leven der katholieken buiten 
de Haarlemmerpoort diende gedaan te worden. Op 
voorstel van pastoor Schlüter werd tot de stichting 
eener nieuwe parochie besloten ; de zaak werd aan de 
kerkelijke Overheid bekend gemaakt, maar eerst in 



254 

i888 ontving kapelaan Konings de opdracht, buiten 
de Haarlemmerpoort eene nieuwe kerk te bouwen. 
Den 3en November i88g werd, bij de stichting der 
nieuwe parochie, toegewijd aan Maria Rlagdalena, een 
gedeelte van >de Posthoorn « afgesneden. 

Den 3oen October 1884 werd pastoor Schlüter op 
eigen verzoek verplaatst naar Maasland, waar hij eene 
nieuwe kerk en eene parochiale school bouwde; den 
23eu Mei i8gi ging hij als pastoor naar Roelofarends- 
veen, maar kon zijne plannen, om ook daar eene 
nieuwe kerk te bouwen, niet ten uitvoer brengen; hij 
stierf reeds den 3en Juli 1891. 

In »de Posthoorn* hangt van hem eene goed- 
gelijkende photographie. 

Caspar Jacohus Haan was den 2.).en Februari 1834 
te Amsterdam geboren en den 15^11 Augustus 1861 
tot priester gewijd. In 1861 was hij kapelaan te 
Delfshaven, van 1 861 -1865 te 's-Gravenhage aan S. 
Jacob en van 1865-1872 te Amsterdam aan » de Post- 
hoorns. Van 1872-1884 stond hij als pastoor te Edam 
en van 1884 tot zijn dood, den 13^0 October 1887 als 
pastoor aan j-de Posthoorn « te Amsterdam. 

Pastoor Haan wist door zijn goedig karakter de 
genegenheid der parochianen zeer spoedig voor zich 
te winnen ; een priester, die vol geestdrift den 
afbouw begon van den heerlijken tempel, maar midden 
in zijn arbeid plotseling door den dood werd weg- 
gerukt. 

Van zijne hand verschenen in deze Bijdragen eenige 
geschiedkundige opstellen. ^) Door eene photographie 
wordt zijne gedachtenis in »de Posthoorns bewaard. 



') I^.c, dl. III, blz. 1—20; id. dl. VI, blz. 314—315. 



255 

CJirisfopJwnis Frcdcricits Philtpp077a was den 24^» 
Maart 1834 te 's-Gravenhage geboren en den 15e" 
Augustus 1860 tot priester gewijd. Hij stond als 
kapelaan te Poeldijk van 1860-1863, te Amsterdam 
in S. Nicolaas en Barbara van 1863-1869, en ontving 
den 30^11 September i86g bij zijne benoeming tot 
assistent te Noord-Zijpe tevens de opdracht eene 
nieuwe parochie te stichten te Anna Paulowna, waar 
hij den lyen November benoemd werd tot eersten 
pastoor. Van 1877 tot 17 October 1887 was hij deken 
en pastoor van Schagen, waarna hij de herderlijke 
zorgen aanvaardde van 3>de Posthoorn « te Amsterdam. 
IVIaar, helaas, reeds den 4^11 Februari 1888 kwam hij 
op 54-jarigen leeftijd te overlijden. 

Pastoor Philippona was een ijverig beoefenaar onzer 
vaderlandsche kerkgeschiedenis. jMeerdere geschied- 
kundige opstellen, o.a. over zijne parochie Schagen, 
opgenomen in deze Bijdragen, geven daarvan een 
doorslaand getuigenis, i) 

Lamherhis Everardiis Jansen was den Ben October 
1842 te Amsterdam geboren en den 15611 Augustus 
1867 tot priester gewijd. Van 1 867-1 874 stond hij 
als kapelaan te Amsterdam in »de Posthoorn «, van 
1874-1876 te Alkmaar in S. Laurens, van 1876-1884 
te Haarlem in S. Josef; hij was pastoor te Vlissingen 
van 1884-1888 en sinds den iien Februari pastoor 
te Amsterdam. Van Maart 1905 tot Mei 1906 had 
hij bij zijne herderlijke bezigheden, wegens de ziekte 
van deken Lans, de zorgen te dragen van het deca- 
naat Amsterdam. Den loeu Februari 1908 werd hij 



1) Bijdr. V. H. : dl. XIII, blz. 379— 410; id. dl. XIV, blz. 123— 1-74; 
blz. 268 — 286; blz. 2SS— 333. 



256 

voor goed benoemd tot deken van Amsterdam, waarna 
hij de pastoreele zorgen nederlegde, en zich vestigde 
in een particuHer huis, eerst aan de Oudezijds Voor- 
burgwal n^. io,s, later op de Keizersgracht n^. 733, 
en sinds 30 April ig!4 op het Reggijnhof, waarv^an 
hij tevens het rectoraat vervulde. 

Sinds 29 Januari 1903 was hij lid van het Haarlem- 
sche kapittel en van 18 November 191 1 proost; tevens 
was deken Jansen geheim kamerheer van Z. H. den Paus 
en begiftigd met het ridderkruis van den Nederland- 
schen Leeuw. 

Op bijzondere wijze heeft deken Jansen zich ver- 
dienstelijk gemaakt voor het onderwijs. Allereerst 
bouwde hij den 15611 November 1891 voor de steeds 
aangroeiende jeugd nieuwe meisjesscholen in de Haar- 
lemmerstraat, en stichtte voor de eervv. Zusters in de 
Haarlemmerhouttuinen een nieuw kloostergebouw ; den 
^en Februari 1893 werd eene normaalschool geopend 
voor onderwijzeressen; en den 2eii October 1893 in 
een gehuurd huis op de Keizersgracht n^. 65 eene 
jongeheerenschool, onder leiding der eerw. Broeders 
van S. Louis te Oudenbosch. 

Den len Juni 1897 werd de normaalschool voor 
onderwijzeressen omgezet in eene kweekschool, en 
overgebracht in een perceel op de Korte Prinsen- 
gracht; den len September 1901 verrees op de Prin- 
sengracht, onder de bescherming der H. Maagd, eene 
nieuwe jongensschool, en in 1902 v»'erd de jongeheeren- 
school op de Keizersgracht van perceel 65 overgebracht 
naar perceel 87, waar ruimte geboden werd voor meer 
uitgebreid lager onderwijs, en eene passende huis- 
vesting voor de eerv/. Broeders. 

Inderdaad is deken Jansen voor het onderwijs sbene 
meritus«. Hij stierf te Amsterdam 8 Juni 19 17. 



257 

Mar huis Pit rus Aloysius Ooms was den 15^11 ]\Tq_ 
vember 1857 te Poortvliet geboren en den i5en 
Augustus 1882 tot priester gewijd. Van 1882 tot 1884 
was hij assistent te Warmenhuizen, van 1884- 1895 
kapelaan aan »de Posthoorn « te Amsterdam, van 
1895-igoi rector van »de HeibIoem<% van 1901-1903 
pastoor te Oud-Ade, Vv'aar hij op het punt stond den 
bouw aan te vangen eener nieuwe parochiale school, 
toen zijne benoeming kv/am van pastoor aan S. Josef 
te Rotterdam. Den loen Februari 1908 werd hij ver- 
plaatst als pastoor naar »de Posthoorn « te Amsterdam, 
en is sinds 30 October 1915 deken en pastoor van 
S. Laurens te Alkmaar. 

Onder dezen pastoor werden in 1909 de school- 
lokalen der arme meisjesscholen in volkomen over- 
eenstemming gebracht met de eischen der nieuwe 
schoolwetten, en verrees in 191 1 op de korte Prinsen- 
gracht eene nieuwe kweekschool voor onderwijzeressen 
en eene school voor meer uitgebreid lager onderwijs 
voor meisjes. 

In 19 10 werden door het kerkbestuur eenige panden 
aangekocht aan de Lijnbaangracht en Tichelstraat, 
waar, onder eigen beheer der Paters Capucijnen, eene 
kerk en een klooster werden gebouwd. Den leu Juli 
19 12 werd de kerk geconsacreerd, en Pater Robertus 
als rector, met drie medehelpers, voor de zielzorg 
aldaar aangesteld. 

Pastoor Ooms schreef een devotie-boekje, getiteld : 
Mater dolorosa of de nieuwe maand Februari, toege- 
wijd aan O. L. Vr, der Zeven Smarten, dat hoogelijk 
in »de Katholiek* geprezen v/erd. i) 



1) Lc, jg. 1S93, dl. 103, bh:, 143. 

17 



25Ö 

l?iliinnis Theocloiiis Lagerxvey werd den 2^1 Januari 
1805 te Schiedam geboren, studeerde op onze beide 
seminariën en werd den 15^" Augustus i88g tot 
priester gewijd. Hij was kapelaan te Soeterwoude van 
1889-1890, te Amsterdam S. Bonifacius van 1890- 1894, 
te Rotterdam S. Laurens van 1894- 1906, pastoor te 
Den Burg van 1906-19 11, te Rotterdam S. Lambertus 
van 1911-1915, en is sinds 2 November 1915 pastoor 
van »de Posthoorn* te Amsterdam. 

Verschillende redenen noopten mij gehoor te geven 
aan het verzoek van dezen pastoor, om de geschiedenis 
der aloude » Posthoorn « op te stellen, maar, bij allen 
goeden wil, ware deze historie onvoltooid gebleven, 
had de pastoor zelf, onder al zijne drukke bezigheden, 
met zijne krachtige medewerking, mij niet vriendelijk 
ter zijde gestaan. Daarvoor worde hem openlijk dank 
gebracht ; en tev^ens moge ik hier den wensch neer- 
schrijven, dat pastoor Lagerwey met zijn on vermoeiden 
priesterlijken ijver, onder eene goede gezondheid, nog 
jaren lang, krachtig op den »hoorn« moge blazen, om 
zijne duizenden parochianen, bijeenverzameld, op te 
wekken tot een katholiek leven in woord en daad ! 

J. C. VAN DER Loos. 
Nieuwerkerk a. d. IJsel, 

25 Maart 19 16. 



AANHANGSEL. 



Lijst der priesters, die 
de parochie zijn 

Namen : 
J. B. Wij mans . . . 



als kapelaan of assistent in 
werkzaam geweest, i) 

Geboorteplaats: In » de Posthoorn < 



H. Dispa 

C. Elshof 

J. C. lloefkens .... 

A. Wiggerink . . . . 
J. B. Siesouw . . . . 

W. R. Boom 

J. H. Knippink . . . 
M. IL Witbols. . . . 
J. B. Muyzers . . . . 

J. Rijnders 

Th. Koek 

J. Franken 

H. Ottinck 

P. van der Burg . . 

H. Schaap 

G. Stadhouder .... 

G. Hegeman 

H. F. Heckingh . . . 
J. A. Offerman . . . 
E. Vinkesteyn , . . . 
Theod. V. Stavelen . 
H. J. Rijnders . . . . 

B. Stulart 



Amsterdam 
den Haag . 

den Haag . 
Amsterdam 



Amsterdam 
Rotterdam . 
Zierikzee . . 
Amsterdam 
Amsterdam 
Rotterdam . 

Delft .... 

Amsterdam 

Maaslandsluis 

Amsterdam 

Amsterdam 

Amsterdam 

Voorschoten 

Amsterdam 

Amsterdam 

Delft .... 



') Op volledigheid wil deze lijst geen aanspraak maken. 



1730- 

1733- 
1740- 
1746- 
1749- 
1/50- 
1752- 
1753- 
'754- 
1757- 
1759- 
1761- 

1764- 

1765- 
1766- 
1768- 
1768- 
1770- 

1774- 
1778- 
1779- 
1781- 
1782- 
1783- 



733 
739 
746 

750 
752 

754 
759 
757 
763 
765 
762 
770 
766 
774 
775 
777 
777 
779 
782 

785 
791 

783 
784 



ÏÓO 



Theod. de Vos 

G. H. Barenbrug^ .... 

J. E. Koch 

J. Franckhoff 

S. Bouman 

J. P. Paep 

J. Th. Sp^an 

F. X. van Krimpen . . 
S. van der Heyden . . . 

A. ÏI. Mali 

W. Doorewaard 

Th. J. Tetterode 

W. Verlaat 

H. van Lottum 

H. Esbeukman 

A. II. Albert 

J. S. van Ble3'enburg. . 

H. Hoek 

W. de Bru3n 

G. Brand . . , 

W. L. Mos mans 

A. Naber 

P. van der Ploeg .... 
J. H. van Born 

B. Kerstens 

J. A. Th. Wardenberg . 
H. Th. Vlasselaar .... 

J. Steenvoorden 

G. J. Vogel 

C. L. van Doorn .... 
J. M. van de Ven .... 
J. W. A. A. Koopman . 

J. Kimman 

H. Th. Doorewaard . . . 



Rotterdam . 
Amsterdam 
Den Haag. 



Amsterdam . . . 
Amsterdam . . . 
Amsterdam . . . 

Hoorn 

Uden 

Amsterdam . . . 
Rotterdam .... 
Zevenhuizen . . . 

Haarlem 

Amsterdam . . . 

De Lier 

Den Haag. . . . 
Amsterdam . . . 
Nieuwer-iVmstel 

Haarlem 

Boskoop 

Rotterdam .... 
Amsterdam . . . 
Wassenaar. . . . 
Amsterdam . . . 

Zaandam 

Gennip 

Delfshaven, . . . 
Noordwijkerhout 
Amsterdam . . . 
Amsterdam . . . 

Boxtel 

Monnikendam. . 

Haarlem 

Rotterdam .... 



1785-1790. 
1786-1797. 
1790-1800. 
1791- 
1799. 
802. 



1804- 

809- 
810- 
:8i4- 

;8i7- 

824- 

:827- 

:827- 

829- 

833- 

:835- 

:835- 

:84c- 

;844- 

846- 

;848- 

849- 

850- 

854- 
185 
856 

185 

859 
86.-. 



803. 
803. 
811. 
;8o9. 

814. 
817. 
821. 
822. 
827. 
829. 
833. 
835- 
834- 
836. 
840. 
842. 
846. 
848. 

849- 

850. 

854- 
856. 
6. 
863. 

863. 
865. 



201 



P. van der Valk Delfshaven. 

C. J. Haan Amstereiam 

A. M. C. van Cooth . . Amsterdam 

G. J. Wiegman Delft . . . 

J. Geenen Leiden . . 

M. P. Kreyns Rotterdam 

L. E. Jansen Amsterdam 

J. H. Eeuwens Groesbeek 

A. J. Callier Vlissingen 

J. F. G. Baede Amsterdam 

G. F. D. Bekker .... Rotterdam 

C. Bol Poeldijk . 

J. L. Th. Verhoeven . . Leiden . . 
P. J. D. Wouterlood . . Schiedam 

A. H, Hammer Scheveningen 

F. Theod. M. Buhrs . . Amsterdam 
H. J, A. Coppens .... Amsterdam 

C. Maat Delft / . . . 

P. Zwart Werfershoef 

PL F. J. Rik menspoel . Amsterdam 

M. P. A. Ooms Poortvliet . 

A. L. A. Vorst Den Haag. 

P. Stroet Hoogvvoud. 

A. Hakkeling Noorden . . 

H. J. P. Thomann. . . . Amsterdam 

F. W. de Rooy Oestgeest . 

G. M. Dirken Vogelensang 

J. H. H. Saulenn .... Hoorn . . . 

J. C. F. Jansen Schiedam . 

M. W. A. Wijtenburg . Leiden . . . 

M. J. Zijm Den Biirgh 

A. J. C. Schraag .... Den Haag. 
Th. IL J. Winkelman . Delfshaven. 
Th. P. J. M. Hofman. . Woerden. . 



1S63 
1865 

1866 
1866 



1867. 



1867- 

1867- 
1872- 

1873- 
1874- 

1875- 
1S76- 
1877- 
1877- 
1880- 
1880- 
1882- 
1882- 
1884- 
1884- 
1884- 
1887- 
1890- 
1891- 
1893- 
1894- 
1895^ 
1900- 
1901- 
1902- 
1904- 
1904- 
1905- 
1907- 



867. 
872. 



867. 



873. 
874. 
878. 

875- 
877. 
880. 
884. 
880. 
891. 
882. 
884. 
884. 
890. 
887. 
893- 
895- 
goi. 

895- 
904. 
901. 

905- 
900. 
907. 
908. 
904. 
909. 

915- 
916. 
916. 



ztz 

P. van Dorp PN'nacker . . 

C. J. Boekhorst Waddinxveen 

G. L. Intres ....... Rotterdam. . 

J. J. Wieman Amsterdam . 

G. D. van Emmerik . . Haarlem . . . 
Th. J. van Noord .... Middelburg . 

J. P. Buys Middelharnis 

J. L. J. M. Velthujse . . Amsterdam . 



igo8- 

igog-igio. 

1910-191 1, 

1911-1913. 

1915-1917 

1916- 

1916- 

1917- 



Ook was kapelaan in »de Posthoorn* de eerw. ïleer 
G. J. Strengers, van wien ik de juiste jaren niet wist 
te achterhalen. Zijneerw. was te Haarlem in 1793 
geboren, kapelaan te 's-Heerenhoek, Amsterdam en 
den Haag, pastoor te Crommeniedijk in 1S23, te 
Noordwijk in 1827, en is aldaar gestorven den lóen 
December 1837. 



HET ARCHIEF VAN HET OUD-KAPITTEL 
VAN HAARLEM. 

Hoe bijeengekomen, en hoe bewaard? 

Er bestaan, voor zoover mij bekend, geen berichten 
of overleveringen, dat, toen Bisschop van Mierlo bij 
de »Haarlemsche Nonen« van 1578 van de Kathedraal 
naar Westfalen is weggevlucht, de bisschoppelijke 
woning geplunderd zou zijn; en men mag aannemen, 
dat zijn Vicaris Vairlenius en de kanunniken die te 
Haarlem gebleven waren, in staat zijn geweest om 
zich de zorg voor zijn bezittingen aan te trekken. 

Uit zijn testament van 23 Sept. 1581 i) blijkt, dat 
hij vóór zijn vertrek nog gelegenheid had om, althans 
mondeling, verschillende kostbaarheden toe te ver- 
trouwen aan de hoede van trouwgeblevene Haarlem- 
sche burgers, en dat o.a. Johayi Pietersz, de broeder 
van 's Bisschops officiaal Gansius, onder zich had 
boeken en td registra feiidortuiu met eenige aftdere 
geheime gesehri/ten, alsook dat Pieter Pietersz hun 
beider broeder ontvangen had de andere boeken, die 
hij had kunnen bemachtigen. 

Wat er aan boeken in zijne meubelstukken gevonden 
mocht worden, schonk de Bisschop aan de Paters 
Preekheeren in den Bosch, die ze echter ook mochten 
verkoopen en het geld voor zich behouden; en wat 
hij nog verder aan boeken mocht bezitten, kon men 
te gelde maken voor de armen. 



') zie het testament in Bijlage I. 



264 

Verder vinden wij in het ;'>Registrum<. (1583) van 
den Proost jAC. Zaffius onder de opgaven van kost- 
baarheden die van Ilaarlemsche burgers terug waren 
ontvangen, en die gedeeltelijk beantwoorden aan de 
opgaven van 's Bisschops testament '), het volgende: 

»Van Arent Pietersz ontf. zulx hiernae volcht ende 
»overgelevert an den hoede [a° lójBj: Eerst een ver- 
»gulde monstrantie met ij kelcken, ij pullen, 3 oh'- 
»hoekskens noch verscheyden stukken tot ij criste- 
»lijnen candelaren. Noch een coperen monstrantie niet 
■^eeti viercanie does n/et brieven.< 

»i583. Item noch van Hillegont Pieters eodem tem- 
»pore a° 83 ontfanghen ende an denzelfden hoede 
>mede overgelevert eerst pedum pastorale, noch 6 
» gouden ringhen, een witte z}'tsatijne mitter met twee 
»stolen, een dcesken met eenighe gesteentgens, 3 
»zegelen van cooper met een vrouwenhoetgen, met 
»een coffer fnet brie ff en, pro fideli custodia haer gelanct 
XXIX gi. ij st. 8 p.« 

De genoemde Arent Pietersz mag gewis voor den- 
zelfden persoon gehouden worden als van wien in het 
bisschoppelijk testament gezegd wordt: sltem Adrianus 
»Petri Liclaes tinctor pannorum beneden die zijlbrug 
»ad aquas, habet candelabra duo ex criscallo et argento 
»deaurato, ampullarum argentearum duo paria, nisi 
»forte alterum par habeat Nieolans Cornelii, calices 
»etiam habet ut puto Adrianus Petri, inter quos om- 
»nes calices duo ad minus nostro usui deputata erant ; 



') Aan deze kostbaarheden en kerksieraden, voor zoover zij 
bewaard gebleven zijn en later in handen van andereu geraakt, 
of ook in den Haarlenischen Hoek aanwezig gebleven en bij de 
opheffing der Statie ouder de Ilaarlemsche kerken en het War- 
uiondsche Seminarie verdeeld zijn, stel ik mij voor, bij gelegen- 
heid eeu afzonderlijk opstel te wijden. 



265 

»reliqui impositis a me litteru.lis, quanim ecclesiaruiii 
»sint cognoscentur: praecedentia puto inspccta esse prae- 
»senti anno 1581 a magistro et D^o NicOLAü Cousbant 
»Harleinensi.« 

Insgelijks mag de andere genoemde Hillegont Pieters 
gehouden worden voor de waschvrouw van het Preek- 
heeren-convent, van wie we in 's Bisschops testament 
lezen, dat zij den besten bisschopsstaf had ontvangen 
met eenige andere zaken, waarvan naar zijne meening 
eerzame personen, namelijk de Hekclcrs op het Sparen, 
kennis droegen, i) 

Er is alzoo na de vlucht van den Bisschop een 
gedeelte zijner boeken en bescheiden achtergebleven 
en onder hoede gesteld, doch ook later door den Proost 
terug ontvangen. Nochtans is hetgeen er aan bescheiden 
uit den bisschoppelijken tijd bij het kapittel bewaard 
is gebleven heel niet van zulken omvang, dat het 
eenigszins gelijken zou op hetgeen men een bisschop- 
pelijk archief zou mogen noemen. Dan ook zal er 
allicht veel niet terug' ontvangen zijn of later verloren 
geraakt. Om een bepaald punt te noemen : de Bisschop 
schrijft in zijn testament, dat de broeder van zijn 
officiaal Gansius » boeken en registers van grondbezit 
onder zijn berusting had.« En nu schijnt kanunnik 
BuGGE in zijne Tabula chroiiologica'^) o'^\iQ.\.'y&.zx i^'^i 
die bescheiden aan te duiden als betreffende het ^r^//^- 
hezit der abdij van Egmond. Die registers of bescheiden 
echter zijn thans niet meer aanw^ezig. 



i) zie Bijlage I. 

2) Bijdr V. H. I, blz. 215. Ï1581, 23 Sept. Bonuae testamentutn 
»suiim conficit . . . Reverendissimus Mirloe . . . specificat supel- 
»lectileui Ecclesiae Harlemensis et aliarum, quani apud iiomiuatos 
ïfideles dereliqiiit, uti et scripia Feiuialia Egmondcnsia aliaque; 
»de quibu3 et aliis extat etiam testimonium, de anno 1605, 
»i6 Novembris Viguerio« (Nicolaas Wiggeis Consebant) »tradilis.« 



266 

En wat verder eigenlijke archiefstukken aangaat 
der twee bisschoppen van Nieuwland en van Mierlo, 
dat wil zeggen brieven die, als ingekomen en uit- 
gegeven stukken, in originali of in minute bewaard 
plegen te worden, ook deze zijn maar schaars voor- 
handen. Vooreerst toch moet betreurd worden, dat 
van den eersten bisschop het gansche archief omstreeks 
1578 toevertrouwd is geworden aan den geschied- 
schrijver Florentius Verhaer, doch nooit meer 
teruggekomen is. Wel werd in 1635 aan kanunnik 
Bannius, toen hij naar Gent zou vertrekken, opge- 
dragen om bij Verhaer daarnaar te onderzoeken, doch 
zijne pogingen waren vcrgeefsch ; juist een jaar te 
voren was Verhaer- overleden, i) 

En evenmin kan hetgeen er uit de bestuursjaren 
van Bisschop van Mierlo overgebleven is, den naam 
van een archief dragen ; slechts \veinig stukken toch 
bleven bewaard, en dan voor het meest nog maar in 
afschrift; waarover straks meer. 

Toch zijn er nog belangrijke oorkonden behouden 
gebleven uit den middeleeuwschen tijd die aan de 
oprichting van het Haarlemsche bisdom voorafging, 
zooals, om enkele der voornaamste te noemen, de drie 
oorspronkelijke pauselijke bullen over den Porthuiaila- 
aflaat, aan de S. Bavo verleend in de jaren 1397, 
1472 en 1490; een honderdtal stukken, meest in 
afschrift over de vicarïecn der S. j^a^ tusschen 1341 
en 1593; enkele stukken over de Egmonder abdij', en 
over de Proostdif van Wesifriesland, alsook eene ver- 
zameling van aktestukken uit Haarlemsche kloosters. 2) 

') Aldus Bijdr. v. H. I, blz. 159 en XXVI, blz. 237. 

2) Daarvan werden tot heden toe die van het Zijlklooster, S. 
Caecilia, S. Michaël en het Clarissenklooster in volledig afschrift 
of in uittreksel door den Rijksarchivaris Gonnet uitgegeven in 
het XV ie deel dezer Bijdragen. 



267 

Over de opricJiting van het Bisdom is de oorspron- 
kelijke bul van 11 Maart 1561 bewaard gebleven met 
nog enkele stukken in afschrift. 

Dat van deze oudste stukken de meeste slechts in 
afschrift aanwezig zijn, moet gewis zijn oorzaak hebben 
in de maatregelen, die blijkbaar genomen moeten zijn 
toen men sinds de beeldstormerij van 1566 begrepen 
had, kostbare zaken tijdig in veiligheid te moeten bren- 
gen, en daarom ook van voorname aktestukken dupli- 
caten te moeten maken. Deze toeleg wordt bewezen door 
eene opmerkelijke plaats in van Mierlo's testament. 
Als hij daarin opnoemt wat hij van zijne bezittingen 
in de handen van vertrouwde katholieken had achter- 
gelaten, dan bepaalt hij, dat »ingeval het herstel der 
»kerken en van den katholieken eeredienst weder 
* verwacht mocht worden, het goud en zilver dat tot 
»massa versmolten en van de reliekkassen tot dan toe 
» bewaard was, voor dat herstel en gebruik weder 
»terug zou moeten komen«, en de bisschop noemt met 
name zekeren Petrus van Driel die het beste deel 
van dat versmolten goud en zilver in bewaring had. 
Om dus de reliekkassen voor de plunderende geuzen 
te vrijwaren had men ze tijdig van goud en zilver 
ontdaan, en ook dit door versmelting minder begeer- 
lijk gemaakt, i) 

Toen nu de Bisschop zich op 29 Mei 1578 in veilig- 



') Eene zeer duidelijke toelichting hierover wordt verschaft 
door het feit, dat, toen op 19 Febr. 1592 de relieken van S. Jeroen, 
S. Adelhert en .S". Agatha door den Haarlemschen leek Jan Wol- 
brantsz bij den vicaris-generaal werden teruggebracht, gesproken 
wordt van »drj'e houten kisten off cassen niet een cleyn cofferken, 
»daer in bewaert laeghen pignora sacra et reliquiae SSrum Adel- 
»berti confessoris, Agathae virginis et Jeronis martyris, alles sonder 
»enige cj-raet ofte behanckselen van gout off S3-lver int minste.* 
Bijdr. V. H. II, blz. 382. 



268 

held heeft kunnen stellen, heeft een goed getal zijner 
kanunniken den moed gehad in Haarlem te blijven. 
Zij worden door BuGGE in zijne Tahula chronologica 
op het jaar 1579 vermeld. Het waren: Vairlenius, 
de Vicaris-generaal, Z;VFFIUS de Proost, WlLH. ASSEN- 
DELFius, Alstenius Blommaert, Coopallius en 
BoOTius. Deze bleven en beijverden zich getrouw 
voor de zielzorg. Maar dat er door hen ook zorg 
gedragen is voor de kerkelijke archieven, daarvoor 
getuigt vooreerst een boek waarin de Proost eigen- 
handig op de eerste bladzijde de woorden schreef: 
'>->Zaffii cura et iJidustria superslim <i, terwijl hij daarin 
lijsten gaf van vicarieën en beneficieën der S. Bavokerk 
en van nog andere stichtingen buiten Haarlem, vooral 
in Amsterdam en Westfriesland. Ook stelde dezelfde 
Proost een Register op dat nog aanwezig is, en waarin 
hij opteekende (we zagen het reeds boven) welke kost- 
baarheden hij uit de handen der katholieke leeken in 
ontvangst had genomen, welke dispensaties in huwelijks- 
beletselen hij verleend, welke dimissorialen hij uitge- 
vaardigd en welke geestelijken hij tot in 1583 in de 
bediening toegelaten had. ') En hoe wakker Zaffius 
was om orde op zaken te stellen blijkt hieruit, dat hij 
reeds op 24 Juli van het jaar der Haarlemsche Nonen 
de kanunniken bijeen riep om zorg te dragen voor 
de belangen der Haarlemsche Kerk en de rechten van 
het Kapittel, door eene lijst op te maken van de 
inkomsten des Kapittels en van de uitreiking der 
praebenden aan de kanunniken. 2) En toen de Commis- 
sarissen der Staten in 1580 overlegging eischten van 



J) zie verder over Zaffius de bijdrage vau iMgr. Dr. Heuseu 
lot het Nieii-LLi Nederl. Biografisch Woordenboek IT, kol. 1549 — 52. 
2) Bijdr. V. H. I blz. 21, 



269 

brieven en van registers der <recstelijke goederen van 
het Kapittel, vorderde dit op zijn beurt, dat de Com- 
missarissen dan eerst afschrift zouden geven van de 
commissie hun gegeven, ja het verklaarde zelfs, dat 
ook wanneer zij dit afschrift geven konden, de 
kanunniken dan nog zouden doen »nae vermogen ende 
nae behoren.* i) 

Een ander boek, dat nog uit de i6e eeuw bewaard 
is gebleven, draagt tot titel : > Van de Heerc^i Vicarissen 
van. S. Baefskercke tot Haerlem« ; en het bevat 
een ^Index benefitiorum super diversis altaribus in 
ecclesia cathedrali atque parochiali Harlemen. funda- 
torum.c 

De Ha7idelingen des Kapittels zijn bewaard gebleven 
in drie gebonden quartijntjes als Acta Capitiili, loopende 
van 161 7 tot 1853. Daar gaan echter eenige losse 
bladen aan vooraf met aanteekeningen over de jaren 
1580-83.2) De kanunniken hadden in 1617 hunnen 
Notarius in zekeren te Haarlem wonenden priester 
SiMON SOVIUS, die echter geen kanunnik was, maar 
in den Roomschen tijd rector was geweest van eene 
school te Amsterdam. 3) Nadat hij in 1625 overleden 
was, werd aanstonds als zijn opvolger aangesteld 
JOANNES BuGGAEUS, die op 23 April 16 18 door het 
Kapittel tot Kanvmnik benoemd, en op 9 Juli 1629 door 
den Vicarius apost. Rovenius als zoodanig erkend was. 
Volgens de Acta Capituli werd hij op 15 October 1630 
in allen vorm tot Secretarius^^oz^n en later beëedigd.-*) 
Het deftig stuk dienaangaande is door Kanunnik 



') Bijdr. V. IJ. X blz. 2 Kcipittelakten v.;u dat jaar 

2) Dijdr. V. H. X \Az. i volg. 

3) Bijdr. ïbid blz. 14, 21. 

4) Bijdr. ibid blz. 30, 3[. 



270 

JOANNES Albertus Bannius als »Notarius Aposto- 
licus€ onderteekend. i) 

Deze twee kapittelheeren Bugge en Ban hebben 
zich voor het Kapittel-archief op uitnemende wijze 
verdiensteUjk gemaakt. Aan den eerste werd op 5 Dec. 
16282) door het Kapittel opgedragen, met medewerking 
van den tweede eene Chronologie op te stellen van 
het Haarlemsche Bisdom. De vrucht van hunnen arbeid 
is bewaard gebleven in een handschrift van Bugge : 
Tahda chronologica Episcopatiis et Ecclesiae Calhe- 
dralis Harle7nensis waarbij een Argumenta protocolli 
Bajiniani behoort. De Tabula loopt van 1558 tot 
6 Oct. 1635. 3) Een andere voorname arbeid van Bugge 
is geweest zijn Necrologium diocesis Harlemensis, 
auspicium sumens ab anno Domini i6oo«, dat door 
anderen werd voortgezet tot 1722. ^) Van Heussen 
vermeldt ook (B. S. II blz. 333) »Archivium Harlemense 
ordinavit, legesque illius Capituli digessit«. Hij regelde 
alzoo het archief; en het »digessit« zou ik willen ver- 
talen als : hij bracht de statuten des Kapittels die 
25 Nov. 1573 door den Bisschop gegeven waren in 
orde voor zoover zij om de veranderde toestanden 
wijziging noodig hadden. En van dezen arbeid treffen 
wij in de kapittelakten op vele plaatsen de bewijzen 



') Bannius was als zoodanig aangesteld op 24 Mei 162 1 »a 
Camera Notariorum*. (Tab. chron. v. Bugge. Bijdr. van H. I blz. 340). 

2) Bijdr. V. H. X blz. 24 en 36. 

3) Bugge stierf 9 Sept. 1636 aan de toen woedende besmettelijke 
ziekte »de Swaricheyt*. Meer over hem in De Katholiek 1871, 
Deel 60, blz. 56—64. 

■*_) In liet archief nog aanwezig en door mij uitgegeven in De 
Katholiek DD. 60 — 63. De volledige titel vervolgt: »Studio (ut 
putatur) R. Viri Joanuis Buggaei Canonici ejusdem Ecclesiae 
inchoatum, descriptum vero Ao 1710 et deinceps coutinuatum per 
N. N.» 



27 I 

aan, zooals in de vergaderingen van 8 Juli i6i8 ad 2, 
4, 5 en 7, van 15 Oct. 1630 ad 2 en 7, van 29 Jan. 
1631 ad. 4 en 5, en van 8 Juli 1631 ad i. 

Wat Bannius betreft, deze werd, kanunnik sedert 
1628, op 15 Oct. 1630 aangesteld tot Fiscus Capituli. 
Hij heeft zich bijzonder beijverd om historische be- 
scheiden naar orde te doen overschrijven, zoo b.v. 
» Acta circa receptionem S. Conciliï Trid. fideliter compi- 
lata per Jo. Alb. Bannium* of dan eens eene verzameling 
van stukken over de >Praepositura West-frisiae«, dan 
weder aktestukken over de oprichting der Bisdommen. 
Het kapittel-archief dankt hem daardoor eene verzame- 
ling van verscheidene quaternen in folio, honderden 
bladzijden, alle afgeschreven door eene der »Maechden 
van den Hoeck* die een prachtige hand van schrijven 
had, en die ook tal van Sermoenen der Oversten ge= 
schreven heeft in boeken die nog in de bibliotheek 
van Warmond bewaard worden, i) 

Dat de afschriften gemaakt zijn door een leek, blijkt 
uit de titels, opschriften en verbeteringen die van 
Bannius' hand zijn. Die quaternen zijn later door mij 
tot drie ingebonden Copieboeken verzameld in de oude 
perkamenten omslagen, waarvan zoo aanstonds sprake 
komt. Zoo werkte hij met Bugge onverdroten voort, 
volgde hem als Secretarius op en kon op 28 Jan. 1637 



1) Verg. Bijdr. v. H. XIX blz. 301 — 304. Wij zoudeu den naam 
der schrijfster met zekerheid kenuen als dien van Mayken de Graeff, 
gelijk ze door Trijutgeu Jaus in de »L,evens der Maechdeu* ge- 
noemd wordt, indien niet in een der Sermoeuenboeken geschreven 
stond »Dit boeck is ghescreven uut de mont van onsen E. Vader. . . . 
»door ü/. V. G.i Wellicht is de moeilijkheid op te lossen door de 
veronderstelling dat de eigenlijke naani van of vaji der Graeff 
geluid heeft. 



272 

aanteekenen, dat hij zijnen vriend ook als Pocnïfentiarius 
en Scholasticus zou opvolgen, i) 

Het is waarlijk belangwekkend, te zien, wat een 
opgewekt leven van ijver voor de aangelegenheden 
des Kapittels aan den dag treedt in de jaren dat deze 
twee kanunniken de pen voerdqn. Men leze daarvoor 
de kapittelakten van 1628 — 42. Merkwaardig zijn de 
lange lijsten der Acta en Agenda van 15 Oct. 1630 
en 12 October 1632, -) Het kapittel mocht zich namelijk 
in deze jaren verheugen in de uitoefening van zekere 
volmachten die het den 14 Juli 1616 van den Vica- 
rius Apostolicus, bij wijze eener Overeenkomst of 
Concordaat in zeven artikelen vervat, 3) om den lieven 
vrede en het heil der zielen ontvangen had, aangaande 
de jurisdictie en het beheer over de Missie. 

Dat de Secretarissen eenige orde gebracht hadden 
in de schikking der bescheiden, blijkt uit oude om- 
slagen, die bij de overgave van het archief in 1853 
nog aanwezig waren, doch in den loop der tijden niet 
ongewijzigd waren gebleven. Oorspronkelijk aldus: 

Facultates diversae nee non Beuefici- 
ornni Collatioues et Resignatioues ab 
anno 1589 usque ad anmim 1653. 

Fundatioues in civitate Amster- 
daniensi. 

Fundatioues et CoUationes diversorum 
Beneficiorem extra civitatem Harle- 
uiensem. 

Item diversae litterae ad easspectantes. 

Een uitvoeriger Inventaris werd opgemaakt den 
24 Mei 1641. Daar lezen wij als volgt: 4) 



Acta ab anno 


[530, US- 


que ad annum 


1562. 


M. Ao 1-561 


> 




1571- 


1581 


» 




1600. 


» 1600 


» 




1609. 


» 1609 


» 




1615. 


» 1615 


» 




j6i8. 


s 1626 


» 




1630. 


» I67I 


» 




16S1, 



'j Een kleine levensschets van Banuius iu de Bijdr. v. H. I 
blz. 29 — 70. 

2) Bijdr. V. H. X blz. 22—54, 249 — 65 en XIV blz. 1--33. 

3) Tah. chronol. Bijdr. v. H, I blz. 323. 

4) Bijdr. V. H. XIV blz. 29—32. 



273 

Rcgistrata simt ca, qiiae D. Decanus i) p. m. üis- 
cedcns in Brabantiam, por Cuneram ^) cistulae inclusa 
Capitulum concernentia curaverat Amplissimo D. l^rae- 
posito tradi. Erant autem haec: 

r. Scripta politiam, paceni, belluni etc. concernentia, 
signata littera A. 

2. Scripta contingentia fandationem beneficii Mri Jo- 
hannis Teylingii. B. Inquirendum de ordinario ejus 
collatore, uti et de duobis aiiis scedulis C et D, fa- 
sciculo eidem adjunctis. 

3. Jubilaea universalia diversa et indulgentiae parti- 
culares. E, 

4. Causa Hagii. E. 

5. Fundationes Harlemenses et Amstelredamenses, 
notabae littera. G. 

6. Coloniensia quaedam. EI. 

7. Acta Romana ab anno 1,530 usque ad 1600, et 
ab illo usque ad annum 1640. I. 

8. Acta Romana ab anno 1622 usque ad annum 1640 
per Iliustrissimum Rovenium et Decanum Nomium. K. 

9. Causa Streekana L. 

10. Acta Enchusana M. 

11. Acta contra Regulares. N. 

12. Catalogus Canonicorum Harlemensium. O. 

13. Diarium Capituli L^arlemensis, continens ejusdem 
acta ab anno 1617 usque ad annum 1636 9 Aprilis; 
item resignationes Canonicatuum DD Bannii et Bloe- 
mer. P. 

Desiderantur autem ex Capitulum concerncntibus, 
quantum memoria Domini Bannii nobis potuit sug- 
gerere : 

1. Originale exemplar Statutorum Capituli, cum Sigülo 
Reverendissimi Mierlo. 

2. Copia Statutorum Capituli cum registro visitan- 



') Judocus Catsius, Pastoor van deu Hoek. 

^j Eeu klopje van deu Hoeck : Cniertgen Dirks fDïrksdochtcrJ 
gelijk blijkt nit eeu brief den ir Nov. 1639 door Jud. Catz, den- 
ze'fdeu ^Decanum p. m.« gcscliieveu (Kap. archief). 

18 



274 

doruni pagorum, et copia Concordatorum Capitiili cum 
Vicario ApostoHco. 

3. Mitra, pedum et quaedam ornamenta episcopalia. 

4. Reliquiae SS. Jeronis, Adelberti, Engelmundi. 

5. Bulla erectionis Episcopatus Harlemensis sub 
plumbo data. De quibus inquirendum. 

Volgens de opgave van Bannius ontbraken alzoo 
bij die terugbezorgde archiefstukken enz. enkele num- 
mers; maar gelukkig konden later op de vergadering 
van 7 Juli 1643 al die bescheiden door Marius den 
Proost weer overhandigd worden, volgens den tekst 
der Akten: 

»Acta pomeridiana. I Facta S. Spiritus invocatione 
tradita sunt a D Praeposito scripta omnia quae a D. 
Decano p. m. Amstelodamum erant per Cuneram missa 
juxta indiculum de iis Ao 1641 Maji 24 capitulariter 
factum. Tune autem desiderabantur ex Scriptis capi- 
tulum concernentibus Liber Statuta, bullam erectionis 
Episcopatus, Concordata Capituli cum Illustrissimo etc. 
continens, aliaque juxta annotationem dicti capitularis 
Conventus numeris i, 2 et 5 factum; quae postea inventa 
et Capituli Archivo restituta sunt. 

Quoad pedum et ornamenta Episcopalia, quae in 
Angulo 1) sunt: illud a D. Decano p. m, emptum, haec 
propriis ejusdem sumptibus confecta sunt, nee quicquam 
de ullis antiquioribus constat. 

Quoad reliquias de quibus numero 4, apud D. De- 
canum extant reliquiae SS. Jeronis et Adelberti; sed 
non constat liquido an sint Ecclesiae Cathedralis pro- 
priae, uti constat de reliquiis S. Bavonis ibidem con- 
servatis. 



') De pastorie »in den IIoeck« te Haarlem. Men mag uit deze 
afscheiding, waardoor de bissclioppelijke kostbaarheden en de 
relieken afzonderlijk van de archiefstukken opgenoemd worden, 
terwijl zij gezegd worden in den Hoek aanwezig te zijn, met veel 
waarschijnlijkheid opmaken, dat zij in het geheel niet mar Am- 
sterdam vervoerd zullen geweest zijn. 



275 

Intusschen had deze tijdelijke vermissing vnn stukken 
het goede gevolg gehad, dat er op den 2 April 1642 
was vastgesteld, dat men een Archief zou inrichten : 
>Constitutum est de faciendo Archivo«J) En dit brengt 
ons tot de vraag naar de plaats waar de Haarlenische 
archieven van den aanvang af berust zullen hebben. 

In de losse bladen, die de oudste kapittel-akten be- 
vatten werd opgeteckend : 2) »Item 18 Maji Anno 1581 
»Domini statuerunt, ut hinc deferantur utraque archiva 
>propter pericula imminentia.« Indien ik hier goed 
gelezen heb zullen we het titraqiie archiva denkelijk 
moeten verstaan van bisschoppelijke en van Kapittel- 
archieven, en zullen als dreigende gevaren de pogingen 
bedoeld zijn van de Commissarissen der Staten om 
brieven en registers van kerkelijke goederen in handen 
te krijgen, gelijk hierboven blz. 269 vermeld werd. Waar 
die archieven zich op dat oogenblik bevonden blijkt 
niet, maar gewis zullen zij in handen zijn geweest van 
Vairlenius den Vicaris-generaal of van Zaffius den 
Proost. Deze twee waren niet slechts de aangewezen 
personen, maar wij hebben alreeds juist den tweede 
vermeld gevonden (boven blz. 264) als optredend wanneer 
er boeken, kostbaarheden of relieken, door den Bisschop 
bij zijn heengaan aan vertrouwde leeken toevertrouwd, 
terug worden gebracht. Ook wordt in de vergadering 
van dienzelfden 18 Mei 1581, als er spraak is van 
fundatiebrieven, gezegd dat men de brieven lezen zou 
die over de zaak bij den Proost te vinden waren. 

Zeer jammer, dat tusschen 1583 en 16 17 de kapittel- 
akten ontbreken; maar, als er op 24 April 1617 ver- 
gaderd wordt, 3) geschiedt het in het huis van den 



•) Bijdr. V. H XIV blz. 33. 

2) Bijdr. V. H. X blz. 5. 

3) Bijdr. V. H. X blz. 9. 



2/6 

Proost. Op 8 November van hetzelfde jaar werden de 
Kanunniken opgeroepen door den Deken des Kapittels 
NuMius, terwijl de akte om welke men vergaderde, 
op den 14 November geteekend werd in het huis van 
Dr. DuviUS (Jan Duivens) een geneesheer van grooten 
naam, en wiens woning ook tot huiskerk schijnt ge- 
diend te hebben. ^) 

Na het overlijden van Zaffius (16 18) en van No- 
Mius (1626) roept VAN Alkemade als oudste de 
Kanunniken sam.en, -) doch men vergadert in het huis 
van JUDOCUS Catsius (Joost Cats) alzoo in »den Hoeck«, 
waar deze sinds 16 13 Overste der Maagden was. En 
toen in 1628 niemand minder dan Rovenius zelf de 
Kapittelheeren had opgeroepen, werd de vergadering 
eveneens in den Hoek gehouden, gelijk ook op 3 Juli 
daaraanvolgende. Toen echter had niet de •Proost 
Sybrand Sixtius de bijeenkomst uitgeschreven, maar 
Catsius zelf; het was namelijk tot plechtige installatie 
van zijn Dekenschap, dat hem 26 Juni door Rovenius 
was opgedragen. En de vergadering werd besloten 
met een vroolijken en luisterrijken maaltijd, waarbij de 
Apostolische Vicaris zelf aanzat met ongeveer 30 ge- 
noodigden, waarvan er 22 priesters waren. ^) En ander- 
maal roept Rovenius den 6 Juli 1629 ter vergadering 
aldaar op, zoodat de Haarlemsche Hoek het middenpunt 
werd der Kanonikale handelingen, en wel voor goed, 
want de Akten spreken van > gewone vergaderplaats «. 4) 
Wat nog nader bevestigd wordt door de kapittelakten 
van 15 October 1630, wanneer er eene oproepiiigs- 
formule werd opgesteld als volgt : 



') Zie over hem uog Bijdr. v. IL XVIII blz. 66 — 67. 

2) Bij'dr. V. H. X blz. 21. 

3) Bijdr. V. II. X IjIz. 23. 

'') ^"^P 'SOct. 1630: ?<Coiigieg.ilisloco solitos Bijdr. v. H.^\Aï.2<^. 



277 

Furiniila citationis ad Capitula irimcstria R.D. Con- 
frater. Adm. R. Amplissimusque D. Decanus noster 
pro ratione officii sui Capitulutn convocans, Reveren- 
tias vestras tenore praesentium monet ac rogat: ut 
die .... in loco residentiae ipsius comparere, ejusque 
uti hospitio dignetur; quatenus sequenti die, quae 
erit .... ad horam .... .se praesentet in loco Capitulari 
ac conventu ordinario post singula quatuor anni tem- 
pora, ex communi ordinatione Capituli celebrari solito ; 
ut negotia communia collegialiter tractari queant. Actum 
Harlemi die .... Ao .... Ex mandato Ampl. D. De- 
cani N. 

Tevens werd er als Art. 5: De Arcluvo Capituli et 
loco Congregatiomiui ordinario bepaald: 

Locus archivi ab Amp. Decano assignatus est cubi- 
culum certum et sccretum in aedibus ipsius, Capituli 
vero seu ordinarius conventionis locus determinatus est 
aula superior in domo ipsius. 

Voor het Archief werd dus aangewezen een veilig 
en geheim vertrek en voor de vergaderingen de boven- 
zaal van het woonhuis. 

En dat bij deze deftige vormelijkheid de huiskerk 
van den Hoek voor zooveel als > de Kathedraal « moest 
gelden, daarvan gaf de vergadering van 28 Januari 
1631 blijk. Toen werden door de aanstelling van den 
Vicarius Apost,, de Amsterdamsche Beggijnenvader 
Marius als Proost en Aartsdiaken, i) en de Enkhuizer 
pastoor WOLFFIUS als Poeninentiarius geïnstalleerd, t In 
»sacelio Amp. D Catzii hora circiter 12 in meridie, 
»peracta est Introductio praedictorum ad dignitates et 
»praebendas acquisitas. Assignata sunt eis loca compe- 
»tentia in Choro et Capitulo« in allen vorm. 2) En 
wederom ontbrak het luisterrijk gastmaal niet, waarbij 

') Sybrand Sixtius was 9 Januari 1631 overleden. 
2) Bijdr. V. H. X blz. 39 — 41. 



278 

ook voorname Haarlemsclie burgers, die op de plechtig- 
heid genoodigd waren, hunne gelukwenschen kwamen 
aanbieden. 

Nog verder werd op 8 Juli 1631 het statuut gemaakt 
van te zorgen, dat ieders ^ habitus cajionicalisi aan- 
wezig moest zijn, namelijk jsuperpelliceum, almutium i) 
et byrretum quadratum< zoodat in het vervolg de ge- 
wone vergaderingen gehouden zouden worden »in 
habitu isto religioso«. 

Ook zou men gaarne een conventuëele Mis »de 
Sanctissimo, itemque unum de Defunctis pro animabus 
praedecessorum* bepaald hebben. Maar men oordeelde 
het toch beter, dit na te laten om geen opzien te 
baren en geen praatjes bij al te nieuwsgierige geloovigen 
op te wekken, wegens gevaar dat er allicht kon ont- 
staan. Toch werd besloten om dan, althans bij de 
installatie van een nieuwen Kanunnik, de eerstgenoemde 
Mis te doen en bij het overlijden van een confrater 
de tweede. -) Het dragen van het superpelliceum bleek 
echter aldra wel wat lastig te zijn, zoodat op 26 Jan. 
1633^) het statuut in dier voege gewijzigd werd, dat 
men de superplie alleen dragen zou 1° wanneer de 
Vicarius Apost. aanwezig zou zijn, 20 zoo dikwijls een 
zaak van wat groot gewicht behandeld zou worden, 
en 30 op de eerste vergadering na het jaarlijksche 
feest van S. Bavo. Inmiddels zou aan den Deken de 
bevoegheid blijven om, als er eenige andere reden 
van belang was, de vergadering in vol gewaad aan 



') Almutium: in liet Nederlandsch : almisse, alniutse, amutse. 
Keu tot de schouders afhangend hoofddeksel, kap, inzonderheid 
van geestelijken. Verdam Middelm. Woordenb. I kol. 356. 

-) Vergadering van 12 Oct. 1632. Art. 29. ^z/'^/-. 7/. /T. XIV blz. 8. 

3) Bijdr. t. a. p. blz, 15. 



279 

te schrijven. J3uiten deze gevallen moest men ver- 
gaderen in toog met biret en almutse. 

Waarlijk, gelijk boven (blz. 272) reeds werd aange- 
duid, deze twintig jaren der Kapittel-geschiedenis : 
1 620-1 640, die ik het tijdvak van Bugge en Ban zou 
willen noemen, mogen merkwaardig genoemd worden 
omdat het blijkt, dat de Katholieken dier dagen, hoe- 
zeer ook onrechtmatig verdrukt en in den hoek geduwd, 
zich nog al te goed van hunne kracht bewust ge- 
voelden om die niet, wanneer zij maar konden, te 
gebruiken ook. 

Het vroege overlijden echter van Secretaris Bugge 
is voor het Archief noodlottig geweest. Wat hij van 
de Kapittel-akten dd. 9 April 1636 in zijn boek sclireef 
waren de laatste regels van zijne hand; en er bestaat 
eene gaping tot aan het Kapittel van 24 Mei 1641. 

Deze gaping kan echter thans worden aange- 
vuld, doordien Bannius en Marius nog op losse 
bladen van de jaren 1636 37 en -38 Kapittel-akten 
hebben opgesteld, alhoewel blijkbaar onvolledig. 

Toen ik indertijd (Zie Bijdragen XIV blz. 29) de 
Acta Capitiili heb uitgegeven, Avist ik niet dat die 
aanvulling bestond. Zij werd eerst later tusschen andere 
papieren aangetroffen, Thans echter mag ik de gelegen- 
heid niet laten voorbijgaan om, tot vervollediging der 
Acta het ontbrekende mede te deelen. Dit volgt daar- 
om aan het eind van dit opstel als Bijlage II. 

In het kapittel van 24 Mei 1641 werd *saltem pro- 
visionaHter« Nicolaas Verwer pastoor te Amsterdam 
tot Secretaris benoemd. Bovendien zijn wij thans eenen 
tijd genaderd, die voor het bijeenblijven der archief- 
stukken lang niet gunstig kon zijn. Vooreerst toch 
werden, sinds Marius door den Vicarius Aposf. op 
den 20 Januari 1631 tot Proost was benoemd, meer- 



28o 

malen de vergaderingen bij hem gehouden op het 
Amsterdamsche Beggijnhof i); wat gewis heen en weer 
dragen van bescheiden medebracht. Over het tijdehjk 
verbhjven der archieven bij ?\Iarius is boven (blz. 273 v.) 
reeds gesproken. Zelfs zijn in later tijd blijkbaar meer- 
malen de archieven geheel of, gedeeltelijk verhuisd 
naar de pastorieën waar Deken of Secretaris hun ver- 
blijf hielden, of waar zij bijzondere aangelegenheden 
des Kapittels in behandeling namen. 2) En zoo zijn er 
vele zaken verloren gegaan of zoek geraakt, gelijk 
uit het vervolg van dit opstel blijken zal. 

Na de vergadering van 26 April 1661 is er in de 
Kapittelakten eene gaping tot in 1663. De reden was 
hierin gelegen, dat ZachaPvIAS de Mez, die op 3 Fe- 
bruari 1656 door den H. Stoel met den titel van 
Episcopus TraUcnsis, aan den Vicarius Apostolicus 
La Torre gegeven was tot »Coa.djutor perpetuus cum 
sfutura successione«, zeer tegen het Kapittel was ge- 
kant, en niet gezind om de zoogenaamde rechten er van 
te erkennen. LIen kan de bittere klachten der kanun- 
niken daarover lezen in de »Bijdragcn« D. XVII blz. 
95. Toen echter de Mez op den 13 Juli 1661 over- 
leden was, v/erd Joannes VAN Neerkassel tot 
Coadjutor van La Torre aangesteld; maar toen ook 
deze (La Torre) op 16 September daaraanvolgende 
te sterven kwam, benoemde de H. Stoel Balduinu.S 
Catsius (pastoor van den Hoek te Haarlem) tot 



') Bijdr. V. H. X blz. 255; XIV blz. 29, 32, 34; XV blz. 362. 

2) Ik zal daarom ia de straks volgende bladzijden niet opzet 
wat uitvoerig zijn in het aangeven %'an de opvolging der Kapittel- 
dekens en Secretarissen en van hunne woonplaatsen. Later hoop 
ik eeue Lijst te geven van de Kanunniken, in aaneensluitende op- 
volging, althans van 1643 — 1853. 



28l 

Vicarius Apostolicus, en gaf hem in October V. Neicr- 
KASSEL tot Coadjutor. Nu gaven de kanunniken, na 
hunne zoo even vermelde kkicht, uitdrukking aan 
hunne vreugde, en begonnen Ao 1663 i) met opge- 
wektheid hunne kapittelakten weer te schrijven met 
den juichkreet »Tunc geminato Castoris quasi et Pol- 
»lucis sidere nova lux oriri visa, Balduinum Catzium 
»Philippensem Archiepiscopum et Joannem Neer- 
»CASSELIUM Episcopum Castoriensem nobis fulgere 
»fecit«. Dan helaas, de vreugd was van korten duur; 
want zij moesten er al aanstonds aan toevoegen: »Sed 
»non erat diu stabilis Illmi Balduini lux, brevi cum 
»vita extincta«. Catsius namelijk stierf reeds den 
18 Mei 1663; '^) doch Neerkassel volgde als Vicarius 
Apostolicus op. Deze nu was den kanunniken beter 
gezind, en kwam met hen in vrede overeen door ge- 
teekende en bezegelde artikelen. Er werd een staat 
des Kapittels opgemaakt wat betreft personen en 
waardigheden. CoRNELis Cats, die zijn oom als pastoor 
van den Hoek was opgevolgd, werd tot Dekeii ge- 
kozen en Willem Beijer, pastoor van Assendelft tot 
Secretaris en tijdelijk Tlicsmirier. De laatste nu zette 
met het verslag over de vergadering van 8 Juli 1664 
de kapittelakten voort. Over de onderbreking der 
Akten werd niets meer dan het volgende aangeteekend: 
»Propter temporum malitiam et irregularem modum 
ïprocedendi Rmi Episc. Trallensis nonnihil dilati sunt 
»conventus capitulares*. Beijer nam op 6 Oct. 167 1 
zijn ontslag als secretaris en werd opgevolgd door den 
Haarlemschen pastoor van den Hoek JOANNES DE 
Groot, 



1) Bijdr. V. H. XVII blz. 95. 

2) Hij was ook nis Vicarius Apost. zijn verblijf in den Haar- 
lemschen Hoek blijven houden, doch overleed te Leuven. 



282 

Na deze opluiking van het Ka[)ittel in 1664 was 
Neerkassel zelf gewend de Kapittelvergaderingen 
te Haarlem bij te wonen ; en tweemaal riep hij de 
kanunniken te Huissen bijeen, i) alwaar hij vijfjaar 
lang in het voormalig Franciskanessenklooster zijn 
verblijf hield. Er werd echter voortaan niet meer 
viermaal gelijk vroeger doch slechts tweemaal 's jaars 
vergaderd: in de lente en in den herfst. 

Intusschen w^as, na den dood van CORNELIS Cats 
in 167 1, op den 6 October van dat jaar tot Deken 
gekozen Joseph Cousebant, pastoor van het Haar- 
lemsche Beggijnhof, waardoor allicht als plaats van 
vergadering het Beggijnhof den Hoek ging vervangen. 2) 
Na NeerkaSSELS overlijden op 6 Juni 1686 schijnt 
het Kapittel zich verscheidene jaren lang niet meer 
als zoodanig te hebben laten gelden. Men ziet dat al 
beginnen na 1677 en het duurt voort tot lógo, zoodat 
de Kapittelakten in die jaren op een paar uitzonde- 
ringen na, niets anders melden dan dat er vergadering 
gehouden is. Zdfs zijn na i6go de bladzijden 175-78 
en 180-81 van het Aktenboek onbeschreven gelaten. 

Toen echter in 1688 (20 Sept.) Petrus Codde tot 
Vicarius Apost. benoemd was, leek hij er op bedacht, ^) 
om nieuw leven aan het zieltogend on hem niet ge- 
negen Kapittel in te storten, en ook tevens zijn eigene 
Jansenistische gevoelens. Daartoe viel zijn oog op 
Martinus de Swaen, zijn bloed- en geestverwant. 
Deze was President van het Collegie van den Hoogen 



') Op 24 April 1676 en 4 Mei 1677. B(/dr. v. H. XVII blz, 
III en 112. 

2) De Secretaris J. de Groot vergat steeds plaats van bijeen- 
komst te vermelden. 

3) Xaar de Aauteekeuiiigen van Rpl. D. Vregt over de geschie- 
denis van het Haarlemsche Kapittel. 



283 

Heuvel te Leuven en werd nu door Codde benoemd 
tot pastoor van den Hoek te Haarlem in de plaats 
van J. de Groot, die 6 Nov. 1692 overleden was. 
Codde namelijk zorgde, dat hij de eerste voorjaars- 
vergadering van 31 Maart 1693 i) zelf bijwoonde. 
Daarin werd de Savaen gekozen en door den Vicaris 
benoemd. Ook Codde was, gelijk Neerkassel, op 
weinig uitzonderingen na, altijd bij de vergaderingen 
tegenwoordig tot aan het jaar 1700, waarin hij naar 
Rome werd opontboden. 

M. DE SwAEN volgde Joseph Cousebant (f 1 2 April 
1695) als Deken op, echter eerst in 1697.2) Toen hij 
zelf 30 Maart 17 13 overleden was, werd alvast in de 
vergadering van 26 April daaraan v. besloten, dat »men 
»de »chartas et bona Capituli« die in den Hoek te 
» Haarlem plachten bewaard te worden ter hand zou 
*stellen aan de kanunniken TiiEOD. van GroeniiouïS) 
»en Stephanus van de Werve, die ze nauwkeurig 
» moesten aanteekenen, onder hunne hoede nemen en 
»voorloopig bewaren tot nader order «. En op de 
najaarsvergadering, in den Hoek gehouden, werd 
dezelfde van Groexhout met Theod. de Visser ■*) 
«gevolmachtigd om uit de handen van de Swaen's 
^erfgenaam »omnia bona et chartas« die het Kapittel 
»op eenige wijze aangingen over te nemen«. En nog 
weer werd toen V. Groenhout overleden was, de- 



') Deze zelfde vergaderiug ook is het, waarmede de onderbroken 
Kapittelakteu weer wordeu voortgezet. Bijdr. v. II. XVII blz. 115. 

2) BiJdr. V. H. XVII blz. iiS. 

3) Hij was pastoor van Noordwijk en had als »Senior» de 
kanunniken bijeengeroepen «Ilarlemi in aedibus consuetis*. Van 
Dü Wkrvk was de Swaen als pastoor van den Hoek opgevol,'.',d, 
en tevens in deze zelfde vergadering van 26 April 1713 tot kanun- 
nik gekozen. 

*) Pastoor te Alkmaar. 



284 

zelfde opdracht gegeven aan VAN DER Werve en 
J. VAN DEN Steen i) tegenover v. Groenhout's erven. 
De uitdrukking *chartas et bona? zal zeker goed ver- 
taald worden door ^papieren en goederen.* Ik gis 
echter dat er met papieren telkens minder archief- 
stukken bedoeld zullen zijn, dan wel effecten, omdat 
er in de laatste jaren door erfstellingen vrij wat aan- 
winst daarvan gemaakt v.'as. 

Door de keuze van NicOLAAS van der Meer 
>Senior noster« tot Deken op 5 Oct. 17 17 -), werd Ami- 
sterdam meestal de vergaderplaats, echter niet bij v. d- 
Meer zelven, die pastoor van S. Catharina was. Immers 
de vergadering waarin hij gekozen werd, had plaats bij 
Gerardus van Wijckerslooth, pastoor in »De 
Pool«, en ook daar werd in de jaren 1718-20 geregeld 
vergaderd, daarna tot in 1723 bij pastoor Dierout op 
het Beggijnhof, totdat, behoudens een paar uitzonde- 
ringen, »De Poole opnieuw de eer verkreeg tot in 
1726, het jaar van v. Wijckerslooth's overlijden. De 
Haarlemsche Hoek zou echter weer voor een duur 
van twintig jaren de kapittel vergaderingen terug ver- 
krijgen, doordat op 3 Aug. 1728 zijn pastoor Joannes 
van den Steen tot Deken gekozen was na v. d. Meers 
overlijden. 

J. van den Steen overleed it, Mei 1748, en acht 
dagen daarna koos men op cene vergadering, in zijn 
sterfhuis zelf gehouden, Joannes Oe.m tot Decanus, 
die te Amsterdam pastoor was van S. Catharina, 
alwaar hij overleed den 25 Mei 177 i, nadat sinds 1748 
zijne pastorie voortdurend de plaats van bijeenkomst 
geweest was. Men koos toen op den 28 Mei 177 1 den 



1) Hij was 3 Oct. 17 13 kauunnik gekozeu, toen nog pastoor 
te Wormer. Eater volgde hij v. d. Werve in den Hoek op. 

2) Brjdr. V. H. XVII blz. 149. 



2 85 

Haarlcmschen pastoor viin het Boggijiihof Joan:.kS 
StafF(31<d tot Deken, zoodat ook toen nog weer de 
zetel van het Dekenschap aan den Hoek onttrokken bleef 
en wel voor lange jaren, want Stafford overleed eerst 
den 5 Maart 1816. Met Stafford's benoeming verschijnt 
ook aanstonds zijn hand in het boek der kapittelakten ; 
en het komt mij ook voor, dat de officiëele benoemingen 
tot het Secretaris-ambt die geschied waren, op 5 Oc- 
tober 1756 in den persoon van JOAXNES DE MoiJ 
(past. te Beemster) en op 27 April 1784 van Joseph 
MajU (past. te Wormer), aan deze twee ambtelijke 
schrijvers niet veel werk bezorgd zullen hebben, want 
zoowel Oem als Stafford hebben steeds de pen 
gevoerd in het kapittelboek. 

Sinds den dood van Stafford hebben de Dekens 
niet meer in den Hoek, zelf niet eens te Haarlem, hun 
verblijf gehouden. In Stafford's plaats koos men den 
12 Maart 18 16 JOANNES Henricus Lexius, Amster- 
damsch pastoor in »De Posthoorn «. Deze stierf echter 
reeds in het volgende jaar op 3 Juli 18 17 en werd 
opgevolgd door Leonarüus KuYTENBROUvrER, pas- 
toor van »De Papegaai « aldaar; bij wiens aanstelling 
bepaald werd, dat alles wat tot het kapittel behoorde ^) 
van »De Posthoorn « naar *De Papegaai* zou worden 
overgebracht ; hetgeen andermaal geschieden moest 
toen ook met den dood van Kuytenbrouwer (2 April 
1827) besloten werd tot overbrenging »Bonorum capi- 
tuli« naar het huis zijns opvolgers, pastoor Henricus 
Gerteler (»Vrededuifje«) die op dien dag tot Deken 
gekozen was. -) 

Gerïelek. overleed 13 Maart 1841 en hem volgde 



') sOmnia ad Domïnium Capituli perduentia», Bijdr. v. H. 
Xv'II blz. 400 — 01. 

2) Ihjdr. V. H. XVII hlz. 406. 



286 

als Deken op Gerardus van der Lugt, pastoor 
van S. Catharina te Amsterdam, die i8 Maart gekozen 
werd en vóór dien tijd, sinds 1817 reeds i). Secretaris 
wsis geweest. Op 7 October 1845 werd aan v. d. Lugt, 
gewis om ziekelijkheid, de Kanunnik Henricus van 
LOTTUM (past. van »De Papegaai*) tot hulp gegeven 
>ut in administratione Capituli A. D. Decano assisteret 
»et Secretarii munere fungereture -), maar in 1850 tradon 
zij beide tegelijkertijd als secretarissen af en werd pastoor 
Henricus Awater (»Vrededuifje«) als » Administrator 
loco Decani« aangesteld, terwijl in van Lottum's plaats 
Kanunnik Hexricus Hoek (»De Posthoorn «) tot 
Secretaris gekozen werd. 3) 

En toen nu in April 1853 onze Hiërarchie hersteld 
was, vergaderden alle kanunniken ten huize van pas- 
toor Awater, en spraken zij als hun aller overtuiging 
uit, dat door de Allocutie van Paus Pius IX het Ka- 
pittel van Haarlem ontbonden was; reden waarom 
eene commissie werd gekozen van den Deken met 
drie Kanunniken, opdat die aan den Hoogw. Bisschop 
van Haarlem namens het Kapittel gehoorzaamheid zou 
betuigen, en deszelfs bezittingen (negotia) zou aanbie- 
den. 4) De uitvoering der lastgeving had plaats op den 
20 Mei daaraanv. op eene audiëntie bij den Bisschop. 
Pastoor VAN DER Lugt voerde daarbij zelf het woord. 

Uit de bescheiden van het tegenwoordig Bisschoppe- 
lijk Archief blijkt, dat Mgr. van Vree op denzelfden 
dag nog aan den Internuntius, Mgr. Belgrado, bericht- 
heeft gegeven, dat de Commissie bij hem geweest 



1) Bijdr. V. H. XVII blz. 400. 
3) Bijdr. V. H. XVII blz. 419. 

3) Ibid blz. 422. 

4) Bijdr. V. H. XVII blz. 423—25, waar uadere belangwek- 
kende bijzonderheden vermeld staan. 



287 

was en verklaard had het Kapittel als ontbonden te 
beschomven, dat de Bisschop dit terstond had aange- 
nomen, doch verzocht had, dat hem dit ook schrifte- 
lijk in een brief zou worden meegedeeld, dien hij dan 
naar Rome zou opzenden; hetgeen alles aan Z. H. den 
Paus welgevallig zou zijn. Het Kapittel heeft toen op 
den i6 Juni zijne laatste vergadering gehouden, waar- 
in door de Commissie werd meegedeeld, dat hare ver- 
klaring door den Bisschop met bijzonder v/elgevallen 
was aangenomen. En zóó teekende de Secretaris het 
ook op, met de bijvoeging, dat het ontbonden Kapittel 
zijne administratie nederlegde en aldus een einde 
maakte aan de Kapittelakten, i) 

De Deken heeft den verlangden brief (ongedateerd 
maar gewis onmiddelijk na dien i6 Juni) aan den Bis- 
schop gezonden, onder toevoeging der bede, dat Z. D. 
Hw. »de nederige en kinderlijke onderwerping der 
» Commissie ter kennis van Zijne Heiligheid zou bren- 
»gen, onder het ootmoedig verzoek, van den H. Stoel 
ï>met een goedkeurend antwoord omtrent haar gebou- 
wden gedrag vereerd, en tevens gemachtigd te wor- 
»den met Uwe Hoogw. de zaken des ontbonden 
>Kapittels te behandelen en de geldelijke bezittingen, 
»tot heden met de meeste trouw en nauwgezetheid 
»bestuurd, aan Uwe Hoogw. over te dragen c Mon- 
seigneur kon op 1 1 September aan den Deken melden, 
dat hij door den Kardinaal Prefekt der Propaganda 
(d.d. I Sept.) verwittigd was, dat zijn bericht «over de 
^onderwerping en diensvolgens ontbinding van het 
» Kapittel « den H, Vader tot groote vreugd geweest 
was, alsmede dat de Bisschop ook uit naam van Z. H. 
aan de leden der Corporatie lof mocht geven, en einde- 



1) Bijdr. V. H. XVII bl. 425. 



iijk dat de H. Vader aan den Bisschop last had doen 
geven om alles, de ontbonden Corporatie betreffende, 
over te nemen. Tevens noodigde Monseigneur vriende- 
lijk uit, om zoo spoedig doenlijk, althans vóór 23 Sep- 
tember, de bedoelde ovcrgifte te doen plaats hebben. 
En zoo is dan ook bij gezegelde Akte van overgifte 
en overname van »alle zoodanige regten en goederen 
»en geschriften als bij de Commissie waren berustende* 
en volgens Inventaris, geschied op dienzelfden 2 3en Sept. 
De Akte werd in duplo opgemaakt en geteekend door 
den Bisschop en door Deken en Secretaris van het 
Kapittel. 

Onder deze goederen en geschriften nu bevond zich 
ook het kapittel-archief, gelijk de Bisschop den 2 Oct. 
1S53 in zijn schrijven aan den Kardinaal vermeldde, i) 

Dit oud-archief kwam alzoo op het Seminarie van 
Warmond te berusten, doordien Alonselgneur van Vree 
nog voorloopig aldaar zijn verblijf hield. Eerst op den 
2en November werd bij Koninklijk Besluit Sassenheim 
als vestigingsplaats van den Bisschop geschikt ver- 
klaard; en deze gaf op 15 Nov. aan het Gouvernement 
kennis, dat hij zijn verblijf aldaar gevestigd had. Eerst 
op 4 Juni 1855 heeft de Bisschop zijn woonplaats ge- 
vestigd te Haarlem in de Groote Houtstraat. Toch 
kwam het oud-archief niet, gelijk men misschien ver- 
wachten zou, uit de pastorie van den Haarlemschen 
Hoek, doch van' Amsterdam uit het huis van den 
laatsten Deken pastoor VAN der Lugt, waar het in 1 847 
berustte, gelijk straks zal bewezen worden. Trouwens 
dat het tusschen 1847 en het jaar der opheffing van 



') »ArcbIviiim tradituni est, sed ita perturbatiim ut autequam 
»fu!i(1atiom:!]i literas repererim sat maguus dierum numerus prae- 
»terire pOFsit,'. (Btsscli. Archief.) 



289 

die Haarlemsche statie 1852 naar den Hoek zou zijn 
teruggekomen, moet volstrekt onwaarschijnlijk worden 
geacht. Reeds sedert 18 16 hadden de Dekens, zooals 
boven (blz, 285 v.) behandeld is, te Amsterdam gewoond 
en waren de goederen des Kapittels telkens van de 
eene pastorie naar de andere verhuisd. Ook werd al- 
reeds vroeger in dit opstel (boven blz. 279 v.) de ge- 
dachte door mij uitgesproken, dat verwisseling van 
woonplaatsen der Dekens en van vergaderplaatsen, het 
Archief moet hebben blootgesteld aan vele gevaren 
voor verstrooiing en zoekraken van bescheiden. En dat 
dit ook inderdaad het geval geweest is, moet thans 
door mij worden aangetoond. 

Reeds op den 5 October 1853 zond pastoor Awater 
aan den Bisschop een pak behelzende »de nog ont- 
»brekende Briev^en en Archieven van het ontbonden 
»Kapittel«, die hij van den oud-pastoor H. v. Lottum 
(past. van »De Papegaai*), Deken van der Lugt's 
vroegeren secretaris en assistent, ontvangen had. Verder 
blijkt uit Aanteekeningen van Monseigneur's Secretaris 
Vregt 1), dat dezelfde pastoor AwATER ook nog aan 
Monseigneur gezonden heeft » enkele boeken, die aan 't 
>Oud-kapittel toebehoord hadden en die gevonden 
» waren in de nalatenschap van pastoor VAN DER LuGT ~), 
> waaronder twee die opmerking verdienen, i*' ten titel 
» voerende Ac fa Capihili behelzende de notulen der 
»Vergaderingen, en 2° Algemeene Staat van het 
»Financiewezen ^) naar welke in de bijzondere Reken- 



') Bissch. Archief. 

2) Alzoo na 2S Sept. 1S55 op welken dag v. d. Lugt over- 
leden was. 

3) Geen wonder dus, dat-, Mgr. van Vree al aanstonds op 2 Oct. 
1853 had moeten klagen, dat bij van de Fnndatiën zoo maar niet 
op één dag op de hoogte zou kunnen komen (Zie noot ') op 
blz. 2S<S hierboven). 

19 



290 

» boeken zoo dikwijls verwezen wordt. « Merkwaardig 
verder, dat de zooeven genoemde oud-secretaris H. van 
Lottum pas 25 April 1S67 aan Monseigneur Wilmer 
de twee oudste der drie deel en van de Acta Capituli 
overmaakte, welke hij altijd nog onder zich had gehou- 
den, i) Ja, wat nog sterker is, na van L.' overlijden 
zond zijn Heerbroer, de Wateringsche pastoor A. M. 
van Lottum, uit de nalatenschap een dertigtal brieven 
terug, die behoorden tot het Archief van den beken- 
den Mechelschen Vicaris-Generaal C. P. Hoynck van 
Papendrecht;2j welk Archief weer deel uitmaakte 
van het Oud-Kapittelarchief. Toch is nog het merk- 
waardigste van al eene vondst geweest die, nog 
slechts weinig jaren geleden, in 191 1, gedaan werd 
in de pastorie van pastoor VAN DER LuGT (Amst. 
S. Cath.) Bij eene verbouwing namelijk kwam eene 
kist voor den dag, vol oude stukken en beschei- 
den, welke al aanstonds voor een belangrijk gedeelte 
herkend werden als behoorend tot het Oud-Kapittel- 
archief. En een verrassend bewijs daarvoor had ik, 
zonder het te weten, al sedert 1893 zelf in handen. 
Toen namelijk had m,ij de oud-pastoor van Wijk aan 
Zee G. Feije een schrijf boekje van 23 bladzijden toe- 
gezonden met de vraag: »of wellicht de inhoud nog 
«van dienst zou kunnen zijn?« De schenker had het 
ontvangen van zijnen Heerbroer den bekenden Leu- 
venschen professor Dr. H. J. Feije ; die op mijne 
aanvraao- naar de afkomst had doen weten : dat het 



') Sinds hij in 1848 als pastoor van »De Papegaai» zijn eervol 
ontslag had verkregen, woonde hij te Arnhem, waar hij bezig 
bleef in de'K. K. Pers, bijzonderlijk in de Kath. Nederlandsche 
Sfem/nen, jasiTg. iS6l — 67; en hij overleed aldaar 3 December 1869. 

2) Zie over hem: Vregt : Het Apost. Vicarisschap van Joannes 
V. Bijlevelt. liijdr. v. H. blz. 165 v.v. 



2gi 

cahiertje >kwam uit de papieren van prof. Wensing' ;« 
en die verder meldde als volgt : »Toen pater en later 
^kardinaal Pitra in Holland was, is hij in het archief 
»der Jansenisten geweest, ik meen in Amersfoort. Daar 
»heeft hij opgeschreven de ligplaats 'der verschillende 
» stukken in de kasten of trekladen van gemeld archief. 
»Ik denk dat het stuk is afgeschreven door prof. 
» Wensing.* 

Het is mij echter gebleken, dat deze toelichting 
slechts voor een gedeelte nauwkeurig is. De blaadjes 
bevatten inderdaad aanteekeningen door Dom Pitra 
gemaakt, doch niet in Amersfoort bij de Jansenisten 
maar in de bovengenoemde Amsterdamsche pastorie, 
waar hij het Kapittelarchief heeft doorzien, gelijk 
straks bewezen zal worden. Het cahiertje kan niet oor- 
spronkelijk van de hand van Dom Pitra zijn, maar is 
slechts een afschrift, door iemand gemaakt die voor- 
eerst de aanteekeningen, door den Benediktijn vluchtig 
en ter loops geschreven, niet al te best lezen kon, en 
die ook de Latijnsche taal niet volkomen of heel niet 
meester was, zoodat zijn afschrift later aangevuld en 
verbeterd werd. Het handschrift kan dan ook reeds 
daarom niet van professor Wensing zijn; wat mij ten 
overvloede nog bevestigd werd door vergelijking met 
diens schrijfhand. 

Hier volge dan de inhoud der blaadjes, voor een 
gedeelte letterlijk, voor een ander bij uittreksel. ') 



') De teekens * O, f eu ? die in de navolgende Lijst bij elk. 
artikel vooraan worden gevonden, staan niet in het handschrift, 
maar zijn door mij bijgevoegd met eene bedoeling, die hier nog 
niet geweten behoeft te worden, ma.'ir die later ter rechter plaatse 
zal worden aangegeven. 



2g2 

Haarlem. 

Inventaire général. 
/^ Armoire. 

1 Tiroir. * Comptes du collegium Hollandicum S. Pul- 

cheriae. 

Cartulairei) des années 1480 a 1490. 

t Schema chrol. miss. holl. ab anno 1702 ad 1741. 

f Epistola qua schema offertur Bened. xiv. 

f Litterae et memorial.Vic, apost. ad urb. 17 20- 17 24. 

f Memor. S. Jesu in Vic. ap. Roveniura. 

1 Varia de jure harlemensi. 

f Epistolae Hoynckii et ad H Scripta. 

f Varia Decreta Rom. et transactio cum abb. 

Epternac Ao 1063. 
f Chronol. eccl. Harlem. ann. 1 553-1 635. 

2 Tiroir. * Correspondance de Mozzi et Strafford. 2) 

f Decret originale [sic] du Taciturne relativement 

l'abb. d'Egmond. 

f Pieces diverses concernant les troubles de 1702- 

1724. 

■\ Lettre au Nonce Spinelli 1741. 

f Pieces diverses de Catzius, Rovenium [sic] 

f Causa Streekana. 

f Correspondance de Hoj'nck. 
f » de Bijleveld. 

f > de van den Steen. 

I Pro Capitulo, contra. 

f Liber memorialis Zaffii saec. xvi. 
f » fundationum et collationum saec, xvi. 

f Acta per Vic. ap. Bijlevelt. 

f Facultates eplae^) ejusdem. 

f Statum (sic) mission. annor. 17 22-1 7 23. 



') «Cartulaire« is eerst later op de open gelaten plaats bijge- 
schreven. 

2) Lees : Stafford. Zie verder over deze brieven hierachter blz. 303. 

3) Het woord eerst overgeslagen, later zóó ingevuld ; gewis 
apostolicae bedoeld. 



293 

f Concordata cum v. c. aplicis. 

* Pieces officielles et relations avec Ie Roi Louis 
et Ie Gouv. Franc. 

f Bulla original. fundat. Epatum [sic] Harlem. 

* Titulum quo D. Strafford decanum nominatum 
patronotar. aplicum.i) 

f Bullae Bonif. ix st Clem. Vlii de eccl. S. Bavonis. 
Tiroir. * Correspon. de van Lempoel et Strafford. 
? Corresp. de Cousebant, van den Bergh, Poppens 2) 

et alior. ad Couseb. 
O Corresp. Valkenburgii et alior. ad eumdem. 
? Conferentiae D. Cavellier cum Nuntio Spinelli.^) 
O Synopsis historiae capti^) harlemensis. 
f Testament Theod. van Couverden. 
f Remonstrancesö) sur la publication de la bulle 

unigenit. 
f Extracta ex libro capitulari. 
? Epist. D. nuntii Spinelli a. 1735. 
f Varia pro capitulo ann, 161 2, 1616, 1629, 1636, 

1606, 1601, 1660, 1615, 1561. 
o Affaire de Vijgenhaven. 
f Memorial. epistol. Romam missae [sic] ann. 1724, 

1725- 
f Facultates D. van den Steen. 
? Backusiana fati [?] z. 
j Lettres de Schouwen, Hoynck, Bijlevelt et autres 

tout en holl. 
f Lettres de van Steen. 
f Fundationes altarium in eccl. S. Bav. 
f Concordata et dissidia cum regularibus. — miscel- 

lanea. 



') Voor Titulus decanus nominatur apostolicus. 

2) Misschien Foppens? 

3) Eene andete verzameling van een 27-tal brieven van den 
Nuntius aan de kanunniken van den Steen en van Wijckerslootli 
uit de jaren 1728, behoort tot de vondst in 191 1 te Amsterdam 
gemaakt. Zie boven blz. 290. 

■*) Vermoedelijk uitgevallen: »oppidi«. Misschien had het ori- 
gineel capli = capituli, doch er staat allerduidelijkst cap//'. 
^) De plaats eerst opengelaten, later bijgeschreven. 



294 

4 Tiroir. f 2° Acta ab anno — ad 1519 -i6oo. 

f Lettre autgr. i) de la regente Marguerite pour 

l'erect. de FEveché de h. 1560. 
7 1561 Instrum. captae poss. epat. harl. et abb. 

Egmond. 
t Ï567 Querelae de captis religiosis a ministr. R. 

M. ad urgendam incorporationem monasterii Hey- 

loensis^) cum capitulo harlemensi. 
f 1561 Marguerite gouvernante commet au -5) pre- 

sedent du conseil pour se rendre a l'abbaye 

d'Egmond et pour mander les moines. 
f 1570 Institutio Godefr. Alierlo ad Epat. Harlem. 
? 1562 Eplae Sonnii de incorpar [sic] monasterii 

S. Agnetis Swollani in epat. 
? 1572 Godefridus a Alierlo ut confessarii nomina 

poenitentium •^) scribant. 
f 1582 14 Jul » exul conditionem suam de- 

scribit. 
t 1583 7 Mai » constituit procuratorem qui 

reliquias ecclesiae servet. 
f 1592 19 Febr. festum 0) translat, reliq. SS. Jeronis, 

Adelberti Agathae. 
? 1594 Frangipan.6) de festis et jejun. in epatu 

Ultraj. 
? 20 acta ann. 1561. 
f Varia de erectione epatum. 
t Testam. Godefr. a Mierlo. 
f Instrumentum authent. super veritate et identit. 

reliq. SS. Adel. Jer. et Ag. 
■f Demonstratio electionum ac success. canonicor. 

ann. 1589-1632. 



') Autographe. 

2) sMonasterii Heyloensis* werd later op de open plaats in- 
gevuld. 

3) Er staat duidelijk »un« eu eveuzoo ïCousiel«. 
'*) Er staat »poenitenlia«. 

5) Verkeerd gelezen voor Tes/ïmom'um. Zie Bugge's Tab. cbronol. 
op dezen dag. 

6) Frangipani, Apostolische Nuntius te Keulen. Vergel. Bugge's 
Tab. chronol. op 25 Febr. 1594. Bijdr. v. H. I blz. 222. 



295 

j 30 Statuta eccl. Ultraj. S. Martini. 

f » Judiciaria in curia harlemensi. 

f » Cathedralis eccl. harleni. a Godefrido 

a Mierlo data 157 i. 
f Synodus dioecesana harlemensis a 1564 17 April. 
f Statuta Synodi dioces. publicata a Godefr. a Mierlo 

31 Sept. 157 I. 
f Resignatie Nicol. a Nova terra et col). Godefr. 

a Mierlo O. S. D. 
t Varia de praepositura Westfrisiae. 
f Procuratorium Nic. a Nova terra ad cap. poss. 

epat. et abb. Egmond. 
5 Tiroir. ? Lettres de Backusius. 

''- Lettres de Bijlevelt et Ho3'nck etc. 

* » de Stafford. 

* » de Steen. 

t * Lettres de l'Ev. de Brugen. i) 

') Gericht aan deu Mechelschen Vicaris- Generaal C. P. Hoyiick 
van Papendrecht. Het grootste gedeelte vau wat er thaus aauwezig 
is, een 23-tal, behoort tot de vondst ten jare 191 1 in de Amster- 
damsche pastorie gedaan. Zie boven blz. 290. Reeds was er een 
achttal, als tot het Archief behoorende, aan Mgr. Vregt bekend, 
toen hij zijn opstel schreef: De vroegere Collegiën of Seminar jen van 
de Hollandsche Missie en (Bijdr. v. H. VIII, blz. 297 — 98) zich be- 
klagen moest: »Hier houden de stukken over het pleidooi op.« 
Het gold namelijk de afzetting van den president Mei.ts, wiens 
toeleg het was het Collegie van Pulcheria den Jansenisten in han- 
den te spelen. De Bisschop van Brugge Henri Joseph (de familie 
is mij nog onbekend gebleven) schreef zijn brieven tusscheu 1726 
en 1734. Deze getuigen van zijne groote belangstelling in onze 
kerkelijke toestanden en vau zeer veel bekendheid met het drij- 
ven en schrijven der Jansenistische partij. Zijne bemoeiingen met 
de zaak waren van zelf sprekend omdat President Melis tevens 
kanunnik van Brugge was. En uu blijkt juist uit de laatst terug- 
gevonden brieven, dat (br. van 25 Oct. 1729) Melis toen reeds 
was afgezet, dat hij (br. van 22 Maart 1730) zich in Delft ophield, 
dat (br. van 21 Juni 1730) de Bisschop er over gedacht had om 
het kanonikaat van Melis aan den bekenden BackhuSIUS te schen- 
ken, maar ook tevens (br. van 28 Jan. 1730) dat de eigen familie 
van Backhusius zich over hem beklaagde als «un esprit changeant, 
turbulent, voulant dominer«, zoodat (brief van 3 Dec. 1731) zekere 
Professor Tinnevdt door den Bisschop tot kanunnik benoemd werd. 



2 96 

f Acta cum capitul. S. Bavonis Gandentia [sic] ad 
confraternitatem samciendam [sic] annor. 1632 
1632, 1666, 1636, 1636, 1664, 1710, 1711. 

? Reliquiae transmissae S. Bav^ a. 1500, 

* Lettres de Rome au Doyen Oem. 1770. 

f Acta capituli annis 1630, 1617, 1638, 1600-1609. 

f Dispensationes et dimissoriale [sic] ann. 1570, 

^579. 1599- 
f Registrum Zaffii 1583-1612. 

f Innumera de causa Enchusiana 1630-1634 et 
dissidium curn regular. 
6 Tiroir. f * Alia fere omnia de hollandico collegio. 

Tot zoover de inhoud der bladzijden 1-4, die den 
Inventaire General bevatten. Deze pleit waarlijk niet 
voor de ordelijkheid der kanunniken in hun archief. 
Dom Pitra heeft blijkbaar zijne aanteekeningen zóó 
gemaakt als de stukken hem voor de hand lagen, 
maar dan blijkt daaruit, dat er in den inhoud der laden 
geen orde hoegenaamd gebracht was. 

Maar vooraleer ik verder ga, heeft de lezer recht 
om het bewijs te verwachten, dat de aanteekeningen 
inderdaad van Dom Pitra zijn. Dit wordt gevonden op 
bladzijde 18 der blaadjes. Op blz. 15-18 maakt de 
schrijver uittreksels uit de drie boeken der Acta aldus: 

Acta Capituli Harleviensis. 
t2i) 24 Apr. 161 7, 9 avr. 1636. 
til 1641 -17 23. 
t ni ab anno 1723 ad 1847. 

hetgeen alles volkomen overeenkomt met de afschriften 
die van de drie boeken in onze Bijdrageii gegeven 
zijn. 2) Op blz. 18 nu vinden wij uit de Acta van het 
jaar 1847 het volgende afgeschreven: 



') Is blijkbaar schrijffout voor »t. i«. 

2) Men zie Bijdr. v. H. X, 1—54, 249—65, XIV, 1—40, XV, 
331—85, XVII, 95—153 en 303—425. 



297 

1847. 20 Apr. ultima conggtio ; cuique distribuitur 
f 15 pro praesentia et ex fundo privato f 15 pro 
duobus sacris in solamen Cath. van Rijnen et fami- 
liac deft. 6 Feb. — Fit abb. [?] distributio 20 flor. 
pro praesentia. Alia supra occurrunt pro opera, 
sustentatio [sic] studiosorum. — 1844 obligationes ad 
5 flo. 0/0 reducuntur in 4 O'g. 

Deze Akten zijn bijna letterlijk overeenkomstig 
met hetgeen {Bijdr. t. a. p. blz. 420 en 419) gedrukt 
staat. Maar dat de schrijver nu de vergadering van 
20 April 1847 -^ultima congregatio<i. noemt, zegt ons, 
dat het Aktenboek, toen hij het voor zich had, nog 
niet verder gevorderd was. Welnu, de geleerde Bene- 
dictijn verhaalt ons zelf in zijn werkje La Hollande 
Catholique, dat hij in 1847 ons land heeft bezocht. 
Men weet, dat zijn boek saamgesteld is in den vorm 
van brieven die hij, tijdens zijne reis, van Nederland 
uit, aan vrienden of voorname personen van zijne kennis 
richtte. Zoo is dan zijn nummer VII, getiteld «Prelt- 
viinaii'es du Jansc7tisnie hollandais,< eene » Lettre au 
R. P. dom Gueranger abbé de Solesmes« gedagtee- 
kend: Culemborgh, 31 Juillet 1847. Hij geeft daarin 
op, welke bronnen hij voor de geschiedenis van het 
Jansenisme in ons land heeft kunnen inzien en schrijft:!) 

a Amsterdam les archives, dites de I'ancien cha- 
pitre de Harlem, et entre autres sept volumes in- 
folio, renfermant, sous Ie titre Varia hujus te^nporis, 
tout ce qui fut dit, ecrit, imprimé au fort de la 
controverse; sur Ie même sujet vingt autres volu- 
mes chez les pères franciscains, oeuvre du père 
Glabais, qui, pendant trente-trois ans, bouc maudit 
de tous les sectaires et faux frères, demeura sous 



') Mijue uitgave is er eene van het jaar 1850, Paris, aux 
bureaux de la Bibliothèque nouvelle, sous la directiou de M. 
Louis Veuillot. Blz. 222. 



298 

la grêle de tous les anathèmes, l'épée et la plume 
a la main, toujours écrivant et bataillant; saint 
homme que tout Amsterdam vénère encore; puis 
chez les pères jésuites un precieux volume résumé 
de huit autres in-folios sur toutes les difficultés de 
la compagnie, depuis l'origine de la mission hollan- 
daise; enfin j'ai vu Utrecht et mis la main. durant 
un mois, dans les sacs les plus secrets de la secte. 

Wijl nu Dom Pitra zijn brief aan Dom Gueranger 
op den 31 Juli schreef, zoo volgt daaruit, dat hij tus- 
schen 20 April en 31 Juli te x^msterdam ook op het 
Kapittel-archief de hand gelegd heeft, en natuurlijk 
nergens anders dan in het huis van den Deken pastoor 
VAN DER LuCtT, gelijk de vondst in de pastorie van 
S. Catharina nog ten overvloede bewezen heeft, want 
op merkwaardige wijze zijn de blaadjes van Prof. Feije 
veel komen aanwijzen van wat in het Oud-Kapittel- 
archief nog ontbrak. Ik heb daarom in het boven- 
staande lijstje tcekens aangebracht vooreerst van een 
*|* bij de stukken die aanwezig zijn, vervolgens van 
een * bij hetgeen in den laatsten tijd teruggevonden 
werd, verder van een o bij hetgeen nog vermist wordt, 
en eindelijk van een ? bij hetgeen in de aanteekenin- 
gen des Paters onduidelijk is of wat nog twijfelachtig 
is gebleven. 

Verdere aanteekeningen, door Dom Pitra uit de Acta 
Capituli of uit enkele brieven gemaakt op de bladz. 
15-21 kunnen we veilig onvermeld laten, wijl toch 
reeds die Akten geheel in de »Bijdragen« zijn uitge- 
geven. Meer opmerking verdient het, dat op de blad- 
zijden 4-7 afschrift staat eener »Concordia inita cum 
» antistite Epternacensi de ecclesiis aliquot Holl. a*^. 1 063 « .1) 
Het is namelijk de overeenkomst in dat jaar gesloten 



') Boven reeds genoemd in den Inventaire gcnéral. Zie blz. 292, 



299 

door onzen 2ien Utrechtsclien Bisschop Willk.m niet 
den Epternachtschen Abt Regimbertus waarvan de 
Bat. Sacra spreekt (I blz. 132). Het stuk is echter niet 
in originali maar slechts in afschrift aanwezig, van niet 
ouder maaksel dan van de i6e eeuw. Men mag zich 
echter verwonderen, dat Dom Pitra het de moeite 
waard geacht heeft, deze oorkonde geheel af te schrij- 
ven. Het stuk toch was a^. 1847 heel niet onbekend 
en reeds meermalen uitgegeven o. a. door Miraeits — 
Foppens. Diplomatum belgic. Brux, 1748 IV, pag. 350. 
In den laatsten tijd verscheen het in het Oorkonden- 
boek van Holland en Zeeland door Mr. L. Ph. C. van 
den Bergh. Amst. en 's Grav. 1866 blz. 54. Overigens 
acht Dr. P. J. Blok, blijkens een zijner jongste op- 
stellen : »Rinesburg«, in de Bijdr. v. vaderl. gesch. en 
oudheidk. 1917 (V Reeks, Deel V Afj. i blz. 20-21) 
de echtheid van het stuk nog niet zoo vast bewezen. 
Van meer belang is wel, dat Dom Pitra van blz. 8 
tot 14 aanteekeningen geeft door hem betiteld: Hoync- 
kiana, en welke als volgt beginnen : 

Projet d'une VIP Partie des Analecta Belgica. 
I Janvier 1752 Ouvrage histor. et crit. sur les 
eveques d'Utrecht depuis S. Willibrord jusqu' a 
Frederic Schenk. Moins une suite qui^) des remar- 
ques detachées sur les personnages historiques et 
les écrivains qui eu ont parlc. - et peu d'ad versaria. - 
Sans controverse theologique - refutation des accu- 
sations de Buchelius et Mattheus - entre autres 
details: en 1267 D. de Nassau a été pourvu de 
réveché d'Utrecht jusqu'en 1281 - injustement traite 
d'intrus - tres digne prelat d'ou occasion de dedier 
l'ouvrage au Prince d'Orange - 1728 Premier liaison 
de Backusius avec Hoynck. 



') Hier is blijkbaar iets uitgevallen. 



300 

Zoo gaan de opmerkingen en aanmerkingen voort 
tot op bladzijde lo, waar zij eindigen met: 

Mgr. de Gand donne un Canonicat a Backusius — 
qui réfuse — l'abbé d'Orval ne rnarche pas droit, 
il a du faible pour les apostats; cependant il a ac- 
cepté franchement les constitutions. 

Uit deze aanteekeningen maak ik op, dat Dom 
Pitra in het kapittelarchief schijnt aangetroffen en door- 
loopen te hebben het oiitiverp van Hoynck's hajid, 
waarover het Biographisch Woordenboek de Neder- 
landen'^) vermeldt, dat »het -j^^ en 8ste deel van 
^Hoynck's Analecta Belgica niet verschenen is, maar 
»dat het zou bevat hebben: Hts f or ia Episcoporuin 
» Ultraj. a S. Wülebrordo ad Gcorgiuin Eg77iundaniim<. , 
en dat «het ms. ervan lang berustte bij de familie van 
»Papendrecht. 

Tot de Hoynckiana van DOM Pitra schijnt ook te 
behooren het afschrift der minute van een ongetee- 



') Voortgezet door Van Harderwijk eu Schotel. Haarlem 
1852 tot 1878, VIII D, 2 st. blz. 137 1. Het is hier de plaats 
om over Cornelius Paulus Hoynck van Papendrecht 
een uittreksel te geven van hetgeen Mgr. Vregt (Bijdr. v. H. I 
blz. 165) van hem gemeld heeft. Geb. te Dordrecht i Jan. 1686, 
Priester 12 Sept. 1713, kap. in den Haag bij pastoor J. v. 
Bijlevelt. Sept. 1714 Secretaris van den Aartsb. v. Mechelen Th. 
P. d'Alsace, die in 17 19 Kardinaal vi-erd, en wiens Vicaris-Gene- 
raal Hoynck later geworden is. Hij stelde als Hollander altijd 
het grootste belang in onze Kerk. Bij alle netelige vraagstukken 
of moeilijkheden die zich daar voordeden, was hij de vraagbaak 
en vertrouwde raadsman. In zijne Historia Ecclesiae Ultrajcctinae 
heeft hij de geschiedenis van het Jansenisme in ons vaderland 
meesterlijk behandeld ; en hij bleef voortdurend in strijd met de 
hoofden dier partij. Beroemd zijn vooral zijne zes brieven tegen 
van Erckel, en niet minder zijne Analecta Belgica waarvan zes deelen 
te 's Gravenhage zijn uitgekomen. Zijne briefwisseling die groot 
was, zijne tractaten en memoriën ziin voor een goed gedeelte aan 
het Kapittel-archief gekomen. 



30I 

kenden brief, die de bladzijden 10-14 beslaat en ge- 
richt is, naar ik veronderstel ook door Hoynck van 
Papendrecht, aan een zekeren Benediktijn Felix 
HODIN, van de Congregatie van S. Maur. Bekend is, 
dat verscheidene Paters dezer afdeeling der Benedik- 
tijnen zeer met de Jansenisten geheuld hebben ; en 
vooral zal men zich de droeve rol herinneren die Dom 
Thierry de Viaixnes bij de heiligschennende conse- 
cratie van Steenoven heeft gehad, i) 

21 Juin 1732 R. P. Duo. Felici Hodin 
M. B. Cong. S. Maur. 
Revele Pater. 
Quod ignotus ad ignotum scribo facit Galliae 
Christtanae vol V, opus tuum quod his diebus in- 
spexi, ab amico commendatum, donec Parisiis ad- 
feratur exemplar in charta maxima servatum mihi. 
Porro te convenio, ut non poeniteat me tantum 
sumptum fecisse: in manu si quidem tua erit, ut 
illud ad me veniat vere emendatum, et ad perfec- 
tam ordinationem reductum ; nam mutationes tuae 
(fateberis mox) omnino sunt immutandae, et multa 
alia transformanda, de quibus statim. 

I aO post mortem P. Josephi epi antver- 

piensis, nulla fuit electio trium vel uUibi in belgio 
existunt C. de Spinosa, N. de Corsillon, N. de Mar- 
molis, sed adsunt Jr. Car. d'Epinosa, antv. de Cas- 
tillon, praepositus S. Pharaildis ecclesiae collegiatae 
aliqdo vic. general Philippi Erardi epi — andreas 
del Marmol, decan. eccl. cathedr. antverp. 

II Post mortem Ph. erardi epi Gandav. anno 1732 
(non 1730) nee mense aprilis sed sub finem februar. 
I. B. de Smet accepit bullas confirmationis ad epa- 
tum Gandav. et die 3O martii iniit possessionem, et 
die 9O ecclesiam suam solemniter adiit. 



') Bijdr. V. H. V, 196 en 267 — 74. 



302 

Zoo gaat de schrijver voort met niet minder dan 25 
nummers van aanmerkingen onder de aandacht van 
Dom Tlodin te brengen. Het laatste luidt: 

XXV Col. 405 — 406. Non tantum duodecim fue- 
runt decani Sylvae Duc. sed 22; ex 12 allatis duo 
sunt expungendi ut videre est ex tom. III Mir. 
pag. 218 ex diplom. ab Hoynckio datis. 

En dan luidt het slot: 

Ut hic me explicem, ne spera, rerum tuar. sacie- 
tate defatigor. Tibi imputa si alteri dedi quod ad 
operis tui perfectionem facere poterat. Patuit tibi 
ad me aditus quem noluisti. Quare nullas ad me 
dederis litteras ego et tu non scimus soli : facile 
divinabunt omnes. Atque haec sparsim collecta tibi 
mitto et oi asseveratione affirmo in multis me tibi 
parcere . . . ^) Non tango peccata omissionis. Quod 
frustra a te quaererem quare tu ne gry quidem 
loquaris de Em, Card. de alsatia^) et successibus? 
quare nihil de alior. psulum belgicor. zelo? quare 
Petri Paradani abb. Vlierbacensis 3) in hac constit. 
blasphemi exitus studiose a te omissus? et quare 
de Universitate Lovaniensi eaque expurgata ne ver- 
bum quidem. Vale R. P. et jam me monuisse te 
orbi litterato pande si voles. E musaeo meo mechli- 
niensi 2 Jan. 1732. 

Zooals men reeds ziet, is de brief heel niet malsch. Ik 
heb het niet onnuttig geacht, deze twee Hoynckiana 
hier althans voor een gedeelte op te nemen, bijzonder- 
lijk omdat zij thans niet meer in het Kapittel-archief 



') Deze drie tittels zóó in den tekst. 

2) Achter dit woord is door de verbeterende hand later bijge- 
schreven : pro Constitutione Unigeuitus notissimis tota Europa 
[sic] laboribus. 

3) De man aan wien iJom Th. de Viaixues zijn brief van Nov. 
1724 geschreven had. Zie Bi/dr. v. H. V blz. 267 — 74. 



303 

aanwezig zijn. Dat Van der Aa's voortzetters van het 
Biographisch Woordenboek (zie boven blz. 300) in 1868 
de mededeeling schreven, dat het MS. ontwerp van 
Hoynck's 7de en 8ste deelen der Analecta Belgica 
»]ang berustte bij de familie Hoynck van Papendrecht« 
strookt volkomen met het feit, dat Hoyncks handschrft 
ten jare 1S47 in het Kapittelarchief aanwezig was. 
Flet allerlaatste wat de blaadjes bevatten staat onder 
den titel van Mozzia7ia op de bladzijden 22 — 23, 
zijnde korte aanteekeningen en uittreksels uit een 
viertal brieven door den Kanunnik van Bergamo 
Mozzi in de jaren 1787 en 1788 aan Deken Stafford 
van Haarlem geschreven. Een vijfde brief is in zijn 
geheel overgeschreven. Het is er een van 26 Maart 
1785, waarbij Mozzi hem twee exemplaren ten ge- 
schenke zendt van zijn bekend werk: Histoire des 
révohitïons de V eglise d' Utrecht. De brieven van Mozzi 
aan Stafford behooren ook tot de boven vermelde 
vondst, ten jare igii in de pastorie van St. Catharina 
te Amsterdam gemaakt. Maar wat de Hoynckiana 
aangaat, is gebleken, dat zoowel het Projet d'une 
Vlle Partie des Analecta als de brief aan Dom Hodin 
niet meer in het Kapittelarchief gevonden worden. 



Dat eerst in 1867 de twee oudste deelen der Kapittel- 
akten naar Haarlem terugkwamen, gelijk boven (blz. 290) 
vermeld werd, heeft op merkwaardige wijze juist nog 
een bijzonder goed gevolg gehad. Het oud-archief was, 
gelijk gezegd, door den Bisschop op het seminarie 
van Warmond in ontvangst genomen, doch sedert 
dien aldaar blijven berusten. Er waren echter in den 
loop der jaren te Haarlem plannen rijp geworden om 
de geschiedenis van het Bisdom degelijk ter hand te 



304 

nemen ; en Kanunnik-secretaris Vregt was al bezig 
geweest om hetgeen er uit de archieven van het 
voormahg Superioraat en van het vroegere Aarts- 
priesterschap van Holland, Zeeland en Westfriesland, 
door de zorgen van Mgr. van Vree bijeengekomen 
was, te ordenen en te leeren kennen. Door die oudste 
Kapittelakten echter werd nu de aandacht meer dan 
ooit ook naar de oudere geschiedenis heengewend, zoo- 
dat Mgr. Wilmer dat geheele Kapittelarchief naar 
Haarlem deed komen. Ook dit nu werd door den Hoog 
Eerw. Heer Vregt, met medehulp van zijn collega- 
secretaris, naar tijdsorde geregeld en beschreven, al- 
thans voor het oudste gedeelte. De eerstgenoemde 
stelde verder een :»Algemeenen Inventaris* op »van 
het oud-archief (van het Bisdom zelf) in verschillende 
Afdeelingen verdeeld*. Hij beschreef daarin zeer nauw- 
keurig, alhoewel nog voorloopig en beknopt, welke de 
inhoud dier afdeelingen was en wat plaats daaraan in 
de Archievenkast gegeven was. En daarmede niet 
tevreden, liet hij bij zijn overlijden nog een e in Sep- 
tember 1891 opgestelde Aanwijzing na, die hij ge- 
moedelijk betiteld had als »Eenige zaken die ik ter 
>behartiging van mijnen HoogEerw. Executeur en de 
>ZeerEerw. Secretarissen aanbeveel. « Zij gelden voor- 
namelijk zijnen Algemeenen Inventaris en verdere aan- 
teekeningen en ontwerpen over onze kerkelijke geschie- 
denis, waaronder eene Geschiedenis van het Kapittel 
van Haarlem, een werk van onvermoeide studie, dat 
echter voor uitgaaf door den druk niet is gereedge- 
komen. Bij den archiefarbeid van Mgr. Vregt is 
intusschen zijne voorliefde steeds geweest voor het 
tijdvak dat het Apostolisch -Vicarisschap van Joannes 
van Bijlevelt (1717-27) en het Aartspriesterschap van 
Joanjies van den Stee?i (1726-48) omvatte. Toen alzoo 



305 

in September 1872 de «Bijdragen voor de geschiedenis 
»van het Bisdom Haarlem* begonnen waren, gaf hij 
reeds in de tweede aflevering het begin van zijne op- 
stellen i) als heerlijke vrucht van zijne nasporingen; 
opstellen die méér waren dan louter bijdrage^i voor de 
geschiedenis, maar die een heel stuk geschiedenis zelve 
van een belangrijk tijdvak der Hollandsche Zending 
(1702-1727) grondig behandelden. In volgende afleve- 
ringen voortgezet verkreeg deze studie bijna den om- 
vang van een gansch deel en stempelde zij den schrij- 
ver voor goed als een geschiedkundige van de echte 
soort. Hij bezat inderdaad de gave om de historische 
bescheiden met alle nauwgezetheid en trouw tot een 
geheel te verwerken, dat zonder te groote inspanning 
met voortdurende belangstelling gelezen wordt. De 
schrijver heeft ook het plan gehad om op gelijke wijze 
het Aartspriesterschap in het licht te geven van J. van 
den Steen, den Haarlemschen pastoor die in 1723 tot 
Apostolisch Vicaris benoemd is geweest, doch even- 
min als van Bijlevelt de admissie der Staten heeft 
kunnen verwerven. Reeds was het handschrift, waarin 
een aantal brieven en bescheiden verzameld en ge- 
rangschikt zijn tot een ontwerp, daartoe gereed; doch 
omstandigheden, als bezigheden en geschokte levens- 
kracht, hebben verhinderd, dat de bewerking ervan in 
de »Bijdragen« is kunnen geschieden. Na zijn over- 
lijden echter (7 Maart 1892) heeft de Hageveldsche 
Professor J. J. de Graaf, de tegenwoordige IDeken van 
Delft, »met behulp dier bescheiden en Mgr. Vregt's 
>ontwerp ten grondslag nemend*, dat Aartspriester- 
schap in een drietal opstellen behandeld.'-) 



') Voortgezet in de jaren 1873 — 77. Bijdr. v. H. Deelen I — V. 
2) Bijdr. V. I/aarl., 1895—98, D. XX, XXI en XXIII. 



3o6 

Voor beide opstellen zijn van onschatbaren dienst 
geweest de brieven en bescheiden, die Mgr. Vregt in 
in zijnen »Algemeenen Inventaris* heeft aangeduid als 
i^, het Archief van J. van Bïjlevelt, 2^. als het Archief van 
f. van den Steen, 3O. als het Archief van D. Hoynck 
va?i Papendrecht en 4O. als het Archief van Reinier 
Hoynck van Papendrechi, broeder van den zoo even 
genoemde, en Advokaat te 's Gravenhage. En wijl nu 
de lezer verlangend zal zijn te weten, hoe deze vier 
Archieven in dat van het oud-kapittel geraakt zijn, 
zoo geef ik hier voldoende toelichting uit den »Alge- 
meenen Inventaris* zoo even genoemd, en waarin ge- 
lezen wordt, wat betreft Archief No_ i »Vermoedelijk 
»is het na den dood van den Vicaris, door zijn Secre- 
>taris Hansen aan C. P. Hoynck van Papendrecht, 
>den grooten vriend en raadsman van den Vicaris ter 
>hand gesteld, en heeft deze het met zijn eigen Ar- 
>chief, waarover zoo aanstonds, aan zijn neef, den 
» Aartspriester J. van den Steen gegeven, waardoor 
»het in het Archief van het Kapittel zal gekomen zijn«. 
Van den Steen v;as namelijk, gelijk men weet, gedu- 
rende bijna heel zijn Aartspriesterschap pastoor van 
den Hoek te Haarlem en Deken van het Kapittel 
(1728 — 11748), en heeft natuurlijk zijn eigen Archief 
No_ 2 behoorlijk bijeengehouden. Ten aanzien van de 
heide Archieven Hoynck No_ 3 en 4 behoeft niet veel 
meer verklaard te worden; reeds de Noot boven blz. 
300 gegeven geeft den lezer inlichting, maar vooral 
de beide opstellen over v. Bijlevelt en v. d. Steen 
bewijzen, hoe niet slechts de Mechelsche Vicaris-Gene- 
raal maar ook zijn broeder, de Haagsche Advokaat 
Reinier met raad en daad den Apostolischen Vicaris 
en den Aartspriester voortdurend heeft bijgestaan. 
Reinier toch was een man van veel invloed bij voor- 



namen en Regeeringspersonen ; en zelfs uitdrukkelijk 
werd vermeld, hoe hij zich reeds vroeg aan het Ar- 
chief van V. Bijlevelt liet gelegen liggen, i) 

Zoo is dan, naar ik vermeen, uit dit overzicht wel 
voldoende gebleken, dat het oud-kapittelarchief in den 
loop der tijden lotgevallen heeft gehad die voor eene 
ongeschondene bewaring niet gunstig geweest ' zijn. 
Maar juist daarom kwam het mij nuttig voor, zijne 
geschiedenis hier te behandelen, opdat de aandacht er 
op gevestigd worde, dat er allicht ook thans nog 
brieven en stukken teruggevonden zullen kunnen wor- 
den, meer bijzonder in de archieven der Amsterdam- 
sche pastorieën, alwaar Dekens van het Kapittel of 
ook Kanunniken hun verblijf hebben gehad En hier- 
mee zij dus een beleefd maar niettemin dringend ver- 
zoek gericht aan de Eerw. bewaarders dier archieven, 
opdat zij zoo goed mogen zijn te onderzoeken, wat er 
soms nog uit de oude Kapittelbescheiden mocht aan- 
wezig zijn, dat aan het Bisschoppelijk Archief terug- 
geschonken zou moeten worden. Jn het bijzonder moge 
ik hunne aandacht vestigen op de artikelen die in het 
bovenstaande lijstje van Dom Pitra (men zie blz. 292- 
296) door mij aangeteekend staan met een o of ?-teeken, 
en vooral op Hoynck's Projet d'u?ie VII Partie des 
Analecta Belgica, alsmede op het Cartulaire des atinces 

1480 a i4go. 

J. J. Graaf. 
Overveen, 29 December 19 17. 



'^ Bijdr. T. IL 1 blz. 199 — 200. 



3o8 
BIJLAGE I. 



Testa7nentu7n Reverendissimi Doinijii Gode- 
fridi a Mierlo Episcopi Harlemensis Anno 
Millesimo Quingentesimo Octagcsimo frinio 
Die vigesinio tertio Septembris. 

In Nomine Domini Nostri Creatoris et Salvatoris 
Jhesu Christi filii aeterni Patris et Purissimae virginis, 
regnantis sine fine in Gloria aeterni Patris, cum Sancto 
Spiritu. Amen. 

Ego frater Godefridus a Mierle ordinis fratrum Prae- 
dicatorum exul Episcopus Harlemensis, cernens mor- 
talis huius vitae incertissimum terminum imminere, 
cupiensque de rebus temporalibus et bonis mihi creditis 
rationem habere et disponere, juxta facultatem vivae 
vocis oraculo mihi concessam et impetratam a San- 
ctissimo Domino Nostro Papa Gregorio hujus nomine 
tertio decimo, Anno Domini Millesimo Quingentesimo 
Septuagesimo nono die secunda mensis Maji, qua per- 
misit, ut non obstante professione monastica in ordine 
Praedicatorum emissa, valeam per modum testamenti 
seu firmae dispositionis, omnia illa bona mobilia quae 
usque ad meam mortem sub nostra administratione 
fuerunt et erunt assignare et transferre in quoscumque 
pios usus tantum. Velim igitur corpus meum hu- 
mili sepultura commendari terrae de quo in Adam 
processit, sine pompa conviviorum aut convocatione 
praesertim eorum quorum suffragia pro refrigerio ani- 
mae meae non sunt expectanda. Cadaver vero in pro- 
xima Ecclesia aut coemiterio, ubi extingui contigerit, 
cum catholicis sepeliatur salvis ecclesias ejusdem juri- 
bus ac consuetudinibus. Ac tabula solum lapidea exigua 
proximo parieti affigatur seu immittatur cum inscrip- 
tione sive sculptura nominis mei suffragia implorantis. 
Proinde ut anima mea aliorumque fidelium defun- 
ctorum maturius liberentur, invitentur Christi Sacerdotes 
pii cujuscumque conditionis, status aut professionis fue- 
runt aut etiam Saeculares Laici utriusque sexus et 



3og 

cujusvis conditionis, ut illi citius sacrificium missae offe- 
rant, hi vero orationes Dominicas cum salutationibus 
Angelicis pro anima mea praecando legant, inter quos 
exulum optima et prima ratio habeatur, quibus ut ad 
orandum promptiores sint, distribuatur (ad arbitrium et 
discretionem haec exequentium) centum daleri commu- 
nes, quorum singuli aestimantur ad 8 marcas et 4 alb. 
colonienses. Dabuntur quoque Priori et fratribus con- 
ventus patrum Praedicatorum in Buscoducis ejusdem 
valoris centum daleri, cum duobus calicibus quos in 
usum nostrum ab eisdem redemi; qui etiam accipient 
libros in suppellectili nostra reperiendos aut pretium 
illorum prout illis videbitur. Accipiet quoque conven- 
tus fratrum Praedicatorum Coloniensium quinquaginta 
similes daleros. Si tarnen tempore transitus mei eidem 
conventui in officio prioratus praefuerit H, Pr. Fr. 
Henricus Bercheyck, sin autem destitutus fuerit ab 
eodem officio aut credita administratione, conventus 
praescriptus accipiet tantum viginti daleros. Ipse vero 
H. Pr. Fr. Henricus accipiet residuos triginta, voto 
paupertatis juxta exilii sui rationem semper salvo. Ad 
haec accipient Patres Carthusiani domus Sanctae Bar- 
barae in Colonia duodecim daleros, ut orent pro me. 
Praeterea dabuntur ad et post professiones filiarum 
Eximii LL. et Canonum doctoris Magistri Anthonii 
Cauchij, Aleidis videlicet et Gonburgae in Monasterio 
Vallis Angelorum in Bonna, ducenti daleri supradicti 
valoris, ita ut ad utriusque professionem jam factam 
numerentur singulis vicibus centum, hac conditione ut 
procuratrix ejusdem monasterii numeret singulis annis 
H. Priorissae sedecim ejusdem valoris daleros, custo- 
diendos et expendendos ad usum honestum et neces- 
sarium earum rerum quae non solent Monialibus a pro- 
curatrice administrari ; ita ut singulae dictarum filia- 
rum donec vixerint octo dalerorum fructus et usum 
singulis annis sentiant, nisi forte (quod optandum est) 
per legitimos et ordinarios Superiores, communi sta- 
tuto quod omnes concernat, diversa consuetudo intro- 
ducta fuerit; tune praedictae filiae coeteris conformes 
erunt. Caeterum reliqua omnia quae sub nostro usu 



3to 

fuerunt et administratione et bona seu commoda ratione 
ad manus exequentium pervenire poterint, quocumque 
etiam loco illa conservata fuerint aut conserventur, 
omnia quam citissime in usu egentium convertantur; nisi 
forte Ecclesiarum reparatio et divini cultus restitutio 
prae foribus expectaretur, praesertim in Hollandia; tune 
in tali eventu aurum et argentum in massas conflata 
et ex reliquiarum capsis hactenus custodita, ad resti- 
tutionem et usum proxime dictum redire deberent. Alia 
vero residua quaecumque ad Christum in membris suis, 
ad cujus honorem beneplacitum ab initio destinata sunt, 
redeant. 

Quae ex praedictis bonis Harlemi relicta sunt, in- 
venientur apud subscriptos et fideles cives Harlemenses; 
quos etiam Harlemum relinquens, verbo tantum rogavi, 
ut quae custodienda receperunt, audita mea morte pau- 
peribus distribuerent, quod ut fiat optarem. 

Magister Petrus a Driel Thelonarius habet optimam 
partem auri et argenti conflati. 

Item crucem Dominicam pretiosissimam, quae con- 
servanda est integra. 

Item Librum Evangeliorum antiquissimum seris ar- 
genteis munitum. 

Item Adrianus Petri Liclaes tinctor pannorum bene- 
den die Zijlbrug ad aquas, habet candelabra duo ex 
cristallo et argento deaurato, ampullarum argentearum 
duo paria; nisi forte alterum par habeat Nicolaus Cor- 
nelii, calices etiam habet ut puto Adrianus Petri, inter 
quos omnes calices duo ad minus nostro usui deputata [sic] 
erant; reliqui impositis a me literulis, quarum Eccle- 
siarum sint cognoscentur; praecedentia puto inspecta 
esse praesenti anno 1581 a Magistro et Domino Nicolao 
Cousbant Harlemensi. 

Willem Aelbrecht in den Prince habet tapeta sive 
aulea aurea novem; Hugo Bol habet novem tapeta 
lanea, et cussinos aliquot ex serico meliorique materia 
factos. Item tapeta ista aliaque apud proximos duos custo- 
des relicta, ut non bene poterunt occultari, relinquantur 
aut demonstrentur curiosius inquirentibus de relictis per 
me; ne exequentes molestiam ullam subire cogantur. 



311 

Jannes Petri frater officialis nostri Gansii, habet 
libros et registra Feudorum cum aliis aliquot secretis 
scriptis. Petrus Petri eorumdem frater recepit quos po- 
tuit libros alios; Lotrix conventus praedicatorum rece- 
pit baculum Pastoralem optimum, cum aliis aliquot 
rebus; quorum notitiam puto honestas personas die 
Hekelersse op Spare habere. — Infra stabat. — 

Haec ego Fr. Godefridus a Mierle scripsi manu pro- 
pria cum impressione parvi sigilli nostri Bonnae in 
Monasterio Vallis Angelorum, Anno Domini Millesimo 
Quingentesimo octuagesimo primo, die vigesimo tertio 
mensis Septembris. 

(23 Sept. 1581.) loco f sigilli. 

Ego Fr. Godefridus a Mierle Episcopus Harlemensis 
per praesentes eligo et instituo Honoratum Patrem 
Fratrem Henricum a Bercheyck, jam Priorem Fratrum 
Praedicatorum Coloniensium, ut sit dispositionis nostrae 
quasi testamentariae, quam in hisce conjunctis scripsi 
mea manu et sigillo firmavi executor; ut pro sua dis- 
cretione et industria eadem omnia et singula, ac etiam 
alia si quae forsitan adhuc per me adjungenda aut 
ordinanda postmodum ordinata fuerint, exequatur, dis- 
tribuat et eroget, per se solum aut per quoscumque 
fideles personas cujuscumque conditionis aut sexus sint 
quas ad executionem dictorum idoneas assumendas aut 
etiam substituendas putaverit. In cujus rei fidem prae- 
sentibus manu mea subscripsi Bonnae in Monasterio 
Vallis Angelorum, Anno Domini Millesimo Quingente- 
simo Octuagesimo primo Mensis Octobris vigesima 
tertia. — Ibi erat signatum. 

Fr. Godefridus a Mierle qui supra. (23 Oct. 1581.) 

(Archief V. h. Oud-Kapittel. Copieboek II blz. 1-4). 



312 

BIJLAGE II. 

Akten van het Haarlemsche Kapittel 
van de jaren 1636, 1637 en 1638. 1) ' 

Anno 1636 die 19 Septembr. ad horam g matutinam 
celebratae sunt exequiae R<ii Dom. confratris dum 
viveret, nunc piae Mem. JOANNIS BUGGAEI S. T. Lti 
Cathedralis Ecclesiae Harlemensis dum viveret senioris 
Canonici Graduati, Poenitentiarii ac Scholastici, atque 
ejusdem Ecclesiae Parochialis per xviii annos fidelis- 
simi Sacellani Curati, pits laboribus et fido peste labo- 
rantium subsidio immortui die nona Septemb. 1636. 
Celebravit D. Praepositus Marius, praesentibus Am- 
plissimo D. Decano et Consultissimis Adm. Rdis DD. 
JOAN. Alberto Bannio Capituli seniore canonico, 
AuGUSTiNO Bloemertio, Joan. Benio, Joan. Ca- 
tero, Diacono D. Harlingio, Subdiacono M. Petro 
Dirxhornio. 

lO. Post Sacrum accesserunt ad D. Praepositum duo 
Woggenonienses, proposueirunt nomine communitatis 
supra ut in locum defuncti pa3toris sui R. D. Nicolai 
Wardeni possint impetrare D. Severinum Braesse- 
MIUM, Ampliss. D. Decanus suscepit curam in se. 

Secundo. Quia S«ius D. indulsit plenarias indulgentias 
easque, ut Illmus D. Vicarius Apostolicus scribit, 
extendit ad quatuor septimanas, conclusum est, ut 
hae indulgentiae promulgentur die 12 Octobr. quae 
est Dom. 12 post Pentecost. et earum finitio incipiat 
die 19 Octobr. extendaturque ad diem 16 Novembr. 
inclusive. 

Tertio. Quia in Capitulo vacant per obitum R.R. 
D.D. Augustini Wolfii, Joan. Buggaei et Joannis 
Bannii Nicolai f. tria loca, ad locum unicum no- 
minatus et electus omnium vocibus R. D. Georgius 
Campius S. Theol. Licent. ut in locum D. Buggaei 



' \ Aanvulling op de Acta Capituli. {Bijdr. v. H. XIV blz 29.) 
En zie boven blz. 279. 



313 

succedat, quem ampliss. D. Decanus praesentabit lUus- 
trissimo Dno. 

Quarto. Visum fuit, ut Engelbertus qui laborat in 
Lis moneatur, ut sponte se suo loco subducat. 

Quinto. Assignata est dies Capituli generalis cele- 
brandi, in octava S.^Bavonis. Turn solenine sacrum fiet 
de Patrono et die sequenti pro animabus confratrum 
defunctorum, juxta Statuta. 



Acia generalis Capituli celebrati die g Ociob. 
An. i6j6. 

Anno 1636 die 9 Octob. habitum fuit generale Capi- 
tulum ad XI horam promeridianam, atque in eo pri- 
mum datus est locus seu stallum capitulare R. D. 
Georgio van Campen qui pridie sollemniter admissus 
fuerat post Sacrum de S. Bavone Patrono et institutus 
ac introductus in realem et corporalen! beneficii sui 
per obitum adm. R. D. Joannis Buggaei vacantis 
possessionem. Deinde relecta sunt aeta praecedentis Ca- 
pituli et ad im artic. Respondit Ampl. D. Decanus, se 
jam tertium pro Brassemii adventu ad nos scripsisse: 
imo jam habere responsum ex Brabantia quod se iti- 
neri accingat, quodque id Rmo D. placeat. 

Ad 2. Lecta Indulgentiarum bulla, praelegit D. Prae- 
positus extractum, quod pro Sacerdotum nostrorum 
usu imprimatur ad 200 exempiaria, et placuit. Disqui- 
situm fuit num expediret exempiaria imprimi idiomate 
Belgico, et resolutum fuit, quod non. 

Articulo tertio jam satisfactum est. 

Occasione quarti articuli inquisivit Praepositus in 
vitam Engelberti per vicinum D. Joan. van der Aa, 
et invenit eum gravatum fuisse accusatumque supra 
rei veritatem. Itaque tolerabitur adhuc non ut mem- 
brum nostrae diocesis sed ut adjutor extraneus. 

Ad quintum. Ita factum fuit. Praesentibus omnibus 
capitularibus celebravit Ampliss. D. Decanus sollemne 
sacrum de octava S. Bavonis, ut supra artic. primo 
relatum est. 



314 

1037 28 Jan. 

Anno milles. sexcentes. triges. septimo die xxviil 
Januarii post invocat. Spir. Praesidente Illmo ac Rruo 
Dno Philip. Archiepo Philippensi Vicario Aplico. prae- 
sentibus adm. Rdis et ampliss. ac clariss. D. Decano, 
Praeposito, J. Albert Bannio seniore canonico, AuG. 
Bloem. Joanne Benio et Joanne Catero, celebra- 
tum est. 

1 Capitulum generale solemniter indictum. Et primo 
actum est de officiis Sanctorum edendis quae relecta 
et quibusdam locis emendata Illmus adhuc perlustranda 
recepit, et postea typis mandanda consensit. 

2 Post meridiem praelectus est libellus supplex Enc- 
husanorum ad Illmum pro obtinendo aliquo reli- 
gioso Societatis Jesuitarum, quae res multoties antehac 
negata et concordatis contraria iterum ab Illmo D. 
negata est. 

5^. Tertio actum est de vacante dignitate Poeniten- 
tiariae ac Scholastriae Cath. Eccl. nostrae et Illmus D. 
per vota canonicorum electionem faciendam decrevit, 
qua celebrata electfis esl in Poenitentiarium et Scho- 
lasticum D. Joanxes Albertus Bannius senior 
canonicus. 

4^. Propositum fuit a D. Decano vacare tres prae- 
bendas per obitum R.R. Dominor. JOANNIS Buggaei, 
JOANNIS Baxnii et Georgii Campii. Et ad vacantem 
praebendam R. D. Buggaei i) electus ex omnium votis 
R. D. Joannes Stenius S. Theol. Licent. pastor 
Edamefisis. Aliae electiones duarum praebendarum 
ob urgentes caussas consentiente Illmo Domino di- 
latae sunt. 

Anno 1638 die 12 Novemb. Veni Harlemum cum 
Rdo adm. D00 Verwek, speraveram f ore Capitulum 
prout ante dies tres per D. Laurentium curaveram 



') Blijkbaar eene vergissing. lu de plaats van Buggaeus was 
Campius gekozen en al geinstalleerd ook in Sept. en Octob. 1636. 
Zie de voorgaande bladzijden. En Stexius was al sedert de Ka- 
pittelvergadering van 9 April 1636 WoLFius opgevolgd. {Bijdr. 
V. n. D. XIV blz. 27. 



315 

significari, sed R. et Cons. D. Bannius dicebat se 
esse impeditum, Bloemartius erat in Assendel/i, 
Beenius infirmabatur, Caterus non poterat abesse 
Alcfuaria propter morbos aliorum sacerdotuni, Steenius 
non erat evocatus. 

Itaque convenimus tres numero, Ampliss. D. Deca- 
nus, 1) Praepositus et Verwerus, ac i^. renovata est 
memoria ultimae Congregationis quae fuit Junii. 

Deinde recensuit Decanus i) quae contigerunt circa 
profectionem Italicam. Nam hac anno abiit in Italiam 
Adm. R. D. Jacobus de la Torre, et in aliis quidem 
conventibus erat hic designatus per Sacerdotes tum 
Ultrajectenses tum Harlemenses ut praesentaretur 
Sanctissimo D. N. tanquam futurus Rmi adjutor et 
aliqaando successor, adeoque Romam nomine communi 
mittendus. 

Dit is de hand van Marius-) als blijkt uijt het con- 
tract ingegaen met die van Hoochvvoude anno 1634 
ab ipso subsignato. Vide archivum. Item ex litteris dis- 
pensatoriis Parenti meo Joanni de Swaen datis 2 Junii 
1649. Quod attestor Martinus de Swaen, Decanus et 
Vic. Capituli sede vacante 2 Julii 1704. 

3 f'. Quia D. Mol ANUS non potest laborare in Op- 
dam placuit eum constitui in Streka, in Bovenkarspel 
unde Herwijnen clam recessit, et quia dixit Her- 
wijnen suis, se a Reverendissimo^) evocatum, placuit 
scribi Rmo quid sit de re, uti et quid sit de Plaet 
qui ex fundatione sua hucusque laboravit in Frisia et 
nunc absens scribit se a Rmo promotum ad Sacellana- 



') De Haarlemsche Dekeu des Kapittels : Joost Cats. 

2) Dit bericht is ook op eene vrij groote opengelaten plaats 
neergeschreven. Eigenlijk was deze toelichting \x\y onnoodig; 
immers kon de kanunnik die met zijn medekanunnik, den Amster- 
damschen pastoor Nicolaas Verwer, om Kapittel te gaan houden 
naar Haarlem ging, geen ander gev?eest zijn dan de Amsterdamsche 
Beggijneuvader Marius. 

.\chter deze invoeging volgt uu op de keerzijde van het blad 
de rest der kapittelakten. 



3i6 

turn Embricensem. Addidit Decanus se jam de Herwij- 
NEN scripsisse ante 8 dies per Praelatum sed nihil 
recepisse responsi. 

4O. Placuit ut ROSANDIUS mittatur in Frisiam loco 
Plaet. 

5«. 1) 



') Niets ingevuld, eu onderaan op de voor de helft ledige blad- 
zijde staat alleen een naam : Henricus Auernardi. 



GEDICHT VAN JACOBUS BUYCK OP DEN 
MARTELDOOD VAN CORNELIUS MUSIUS. i) 



Ad D. Cornelmm Musiu?n Delphensem, Sacerdotem 
et Mariyrem. 2) 

Quam fueris gratus Summo charusque Parend, 

Ultimus, o Musi, terminus ille probat 

Quo tibi concessum est pro Christi nomine, fuso 

Sanguine, constanter splendida fata pati 

Dum, mala ne facias crudelis iussa tyranni, 

Eligis in furca victima sancta mori. 

Scilicet in Dominum tali testaris amorem 

Obsequio, Mystes corporis ipse tui. 

Hic est verus amor, non vanas spargere voces 

Sed tolerare graves pro pietate cruces. 

O foelix Musi, tui facta prioribus annis, 

Sanguinis eluvie contigit eluere. 

Credo equidem, ingratus persolvere munera princeps 

Non potuit meritis splendidiora tuis. 

Nee dubito, illius tibi plus insana tyrannis 

Profuerit, quam quae gratia saepe noret. 

Nunc tibi parta salus, nunc est victoria parta, 

Cum Domino laetus coelica resfna tenes. 



') Origineel in Universit.-bibl. Amsterdam I. D I. Waarschijnlijk 
werd dit gedicht + 1580 door Buyck geschreven. 

2) Qui annos natus 72 pro fide catholica sub Lumaeo mart}'- 
rium passus est Leydae Anno 1572 die 10 Decembris. 



3i8 

CLara tlbl eXIgUo MerUIstI gaUDIa LUCtU, 

QUo petllt AaCtrIX eULaLIa astra Die. i) 

Scandisti divam iucundo pectore scalam, 

Ad superas fuit haec scala ministra domos. 

Astrigeros credo in gradibus Dominum videbat, 

Gaudebat vera in pietate mori. 

Nos miseros tot in aerumnis, tantisque procellis, 

Quis finis, quaenam meta vel aura manet? 

Sis bonus, o nostris, Alartyr venerande, periclis, 

Afflictae patriae sit tibi cura tuae. 

Pacem ora Batavis, irataque Numina placa, 

Et pietate reos, qua potes, usque iuva 

Inter et nos, precor, ignotum ne despice vatem, 

Qui tibi regnanti dedita corda gerit. 

Mole premor scelerum grandi poenasque gehennae 

Commerui, nee sum dignus amore Dei. 

Indignus fateor, sum quem Rex Christus amoeno 

Respiciat vultu, consocietque sibi. 

Sed tarnen in sanctis mihi spes est magna Patronis, 

Nos precibus pro me solicitate Deum. 

Ut mihi foelicem, pia per suffragia, mortem 

Donet, et hos sancto claudere fine dies. 

J. Kleijxtjens. 



') Distichon clironicon, coutinens annum passiouis 1572. In 
alta scala fuit crudeliter tortus et suspensus. 



EENE BLADZIJDE VOOR DE GESCHIEDENIS 

VAN ONZE LIEVE VROUW TER NOOD 

TE HEILO, 



Reeds is door Prof. de Rijk in deze Bijdragen en 
later door Pater Kronenburg met geschiedkundige be- 
wijzen aangetoond, dat de devotie tot Onze Lieve Vrouw 
Ter Nood onder de katholieken, vooral in Kennemerland 
in de 17e en i8e eeuw, niettegenstaande de meest 
strenge en sluwe maatregelen, steeds is blijven voort- 
leven. 1) En het lag voor de hand, dat op het einde 
der i8e eeuw, toen de leuze van vrijheid, gelijkheid 
en broederschap was aangeheven, en later onder de 
regeering van den katholieken koning Lodewijk Napo- 
leon, deze weder oplevende godsvrucht op uiterlijke, 
zelfs op luidruchtige wijze zich openbaren zou. Te 
meer, wijl deze optochten naar Heilo door de katho- 
lieken op eigen gelegenheid, zonder de leiding der 
geestelijkheid, ondernomen werden. Zij gaven aanlei- 
ding tot opspraak, en wijl zij strijdig waren »met de 
constitutie van het rijk« richtte de staatsraad Cambier 
den 2611 Sept. 1807 een schrijven tot den aartspriester 
Ten Hulscher, waarin »op zijnen veel vermogenden 
invloed* een beroep gedaan werd om deze optochten 
te doen ophouden. 

Dat aan deze optochten iets haperde, schijnt inder- 
daad het geval geweest te zijn ; want eerstens beriep 



') Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 230—311. 

2) Maria's heerlijkheid m Nederland: dl. VI, blz. 96 — 129. 



320 

de staatsraad tegenover den aartspriester zich op den 
bisschop van Roermond, »die zodanig een optocht ten 
sterkste afkeurde*, maar ook ten andere wordt in het 
antwoord van den aartspriester aan den staatsraad van 
^ongepaste godvrugtigheden« en van »onberadene men- 
schen<!: gewag gemaakt. 

Deze brief van den aartspriester, gedagteekend den 
6en September 1807, en berustend in het bisschoppe- 
lijk oud-archief te Haarlem, was noch aan Prof. de 
Rijk noch aan Pater Kronenburg bekend. Hij moge 
hier in zijn geheel volgen: 

>CopIe van het antwoord 
gezonden 6 Sept. 1807. 

Een dag of twee voor het ontvangen van uwer Excellenties 
hoogst geëerde missive de dato 2 deeser, had ik eerst bij gerngte 
gehoort van den optocht, die sommige overdrevene en waar- 
schijnlijk eenvoiidige R. C. in de vorige maand in de gebuurte 
van Limmen en Heiloo gedaan hadden. Schoon ik niet wist, en 
tot nog toe niet weet, vanwaar die eerste beleggers van voor- 
melden optocht vandaan gekomen waren: heb ik niettemin ter- 
stond mijnen weerzin daarvan ten hoogsten te kennen gegeeven 
aan die van mijne onderhorige pastoors, die ik meende in staat 
te zijn zulke ondernemingen voor het vervolg te kunnen keeren. 
Ik heb dit sedert het ontvangen van Uwer Excellentie boven 
gemelde des te meer gedaan met aan alle pastoors van die ge- 
heele buurt, en wel inzonderheid aan die van Limmen en Heiloo 
aan te schrijven, dat zij dog ter weering van zulke ongepaste 
godvrugtigheden, al wat in hun vermogen was, aanwenden zou- 
den; en daar ik van de sentimenten dier mannen seer wel over- 
tuygt ben; hoedanig sij over dit stuk denken, vlije ik mij, dat 
zulke onberadene menschen althans in hunne Eerwaardens geene 
beschermers maar billijke tegenweerders vinden zullen. 

Hiermede aan het verzoek van Uwe Excellentie, zo ik mij vlije, 
voldaan te hebben, heb ik de eer mij hierbij met hoogachting 
te noemen?. 

Nieuwerkerk a. d. IJsel, J. C. VAN DER Loos. 

7 Nov. 19 17. 



DE BRIEF VAN ABT THIOFRIED VAN 
ECHTERNACH AAN KEIZER HENDRIK IV 



Thiofried, een der geleerdste schrijvers der elfde 
eeuw, ontving 1083 te Rome uit de handen van 
Hendrik IV, de abdij van Sint Willibrord te Echter- 
nach, die onmiddelbare >rijksabdij« was, »eamque per 
XXVIII annos, in omnibus sequens vestigia praede- 
cessoris sui, ut verus Israelita strenuissime rexit«. i) 

Hij overleed in het jaar 1110,2) (je^ derden April. 

Van zijn werken bezitten wij nog de »Flores epi- 
taphii Sanctorum« (Migne P. L. 157, 313-404), eene 
»Vita Sancti Willibrordic in prosa en eene metrische 
Vita van denzelfden Heilige, beide afgedrukt in de 
Acta Sanctorum Nov. III, p. 459-500. Voorts nog eene 
onuitgegeven >Vita S. Lutwini«, twee Sermones (Migne, 



1) Catalogus abbatum Hpternacensium. i7/ö«. 6'i?;-;«. SS.XXIII, 33. 
Oorkondenboek van Holland eu Zeeland door L. Ph, C. van den 
Bergh, Anist. en 's-Gravenh. iS66 — 1873. Deel I N. 93. Van den 
Bergh geeft ook in Deel I nog twee andere oorkonden die op 
Echternach betrekking hebben, namelijk N. 133 en N. 141. Hij 
verwijst aldaar op blz. 55 Noot ') naar J. Bertelius, Hist. Luxemb. 
Die was Abt v. Echternach. Dit boekje verscheen 1605 te Keulen 
en bevat o.a. omtrent S. Willibrord dezen onzin; »Circa annum 
octingentesimum sextum ... monachum sancte agebat*. (p. 156). 
Obiit tandem dierum plenus ... anno 1389 (p. 157) ... abbatem 
circa annum 690 fuisse repeto* (p. i5o). Alcuin noemt hij »CaroIi 
OUINTI praeceptorec. Van den Bergh hadde beter den Catalogus 
Abbatum Epternac. aangehaald. 

^) Niet, zooals de AA. SS. Nov. III, 423 B per vergissing aan- 
geven : iioo. Onjuist is ook, dat Gerard I Abt was van 11 00 — 11 22 
(AA. SS. 1. c. 421 A). 

2[ 



325 

P. L. 157, 405-410), eenige tropen en hymnen en eene 
»Vita S. Irminae*, die ons gedeeltelijk bewaard schijnt 
in een manuscript uit de zestiende eeuw, getiteld: 
»Apostolatus et Episcopatus Archiepiscopi Ultrajecten- 
sis, PYisiae apostoli«, afgedrukt in den tweeden band 
van »Treviris oder Trierisches Archiv für Vaterlands- 
kunde* II (1B43) 256-263. 

Behalve genoemde werken is ons echter een brief 
van Thiofried bewaard, uit een Echternacher hand- 
schrift afgedrukt in: Edm. Martène et Urs. Durand, 
Veterum scriptorum et monumentorum historicorum... 
amplissima collectio I (Paris 1724) kol. 584. 

Deze brief heeft betrekking op kerken in Holland; 
daarom moge hier eene bespreking ervan volgen. 

Volgens 't opschrift is de brief gericht aan Hendrik III. 
Met dezen is bedoeld Hendrik IV, w^ant zijn vader 
wordt in den brief Hendrik genoemd. De vader van 
Hendrik III was echter Konrad II. Het handschrift 
noemt Hendrik den »derden«, wijl Hendrik I, die geen 
keizer gekroond w^as, niet medegeteld wordt. Zoo 
rekenden vele middeleeuwsche schrijvers. 

De brief luidt als volgt: 

»Gloriosissimo domino suo imperatori augusto Hein- 
rico gratia Dei id quod est Tiofridus et devotissimum 
orationis obsequium et quidquid in coelo et in terra 
est, optimum. 

Nulla omnino, domine sui, possum exprimere facun- 
dia, quanta cor meum exhilarastis laetitia, cum nuper 
Leodio [sic] per proprias manus regias meae exiguitati 
vestram dignatus estis commendare animam. 

Pro summis et maximis regiae munificentiae mune- 
ribus tantae dignationis vestrae pignus meis retuli 
fratribus et vestri memoriam in imis eorum recondidi 
visceribus; sed 



3^3 

O et praesidium et duice decus meum, ^) coeptam 
in nos perficite gratiam, et quia videtis, quod Christus 
Dominus in vobis christo suo complet sua per Isaiani 
promissa: Ego ante te ibo, et gloriosos terrae humili- 
abo, portas aereas conteram et vectes ferreos confrin- 
gam 2) ; in nobis ultimis illius servis, ejus honorate 
magnificentiam, per tyrajiiiidon ablaias iii Hollant 
ecclesias, quas aeternae memoriae genitor vester Hein- 
ricus sancto Willibrordo, Moguntiae papa assidente 
nono Leone, reddidit, nostrae facite ecclesiae et hoc 
regio munere nostrae paupertati consulite. Vale.« 

Hoe oud is onze brief? 

Thiofried heeft den keizer nog kort geleden (nuper) 
te Luik aangetroffen. Hendrik IV nu heeft in 't jaar 
iioi te Luik het Paaschfeest gevierd. Aldus deelen 
ons verschillende Annalen (Magdeburgenses, Saxo, 
Wirziburgenses) mede, evenals de »Chronica S. Petri 
Esfordensis moderna* ad annum iioi: »Imperator 
Leodii pascha celebravit« 3) 

Ook na den opstand van zijn zoon, Hendrik V, 
begaf zich de keizer naar Luik, waar hij kort daarna, 
7 Aug. iio6, overleed. Daar Hendrik IV in iio6 
feitelijk weinig meer te bevelen had, is het zeer on- 
waarschijnlijk, ja ongerijmd, dat Thiofried hem nog 
om zijn tusschenkomst voor de ontvreemde kerken in 
Holland zou gevraagd hebben. De brief dateert dus 
wel van 1 1 o i . 

Thiofried vraagt hier nu om teruggave der kerken, 



') Horatius, Carm. I. 1:2. Hetzelfde vers riclitte Thiofried tot 
Bruuo van Trier CFlores epitaphü Sanctorum, Migne P. L,. 157, 
315 b) eu tot Udo van Trier (Vita Lutvviui, Praefatio. Acta SS. 
Sept. Vlir, 160 e). 

2) Isaias 45, 2. 

3) SS. rerum gennau,, Mouumeuta Erphesfurteusia isS.lin. i — 2. 



324 

die der abdij ontnomen waren. Hendrik III had deze 
aan Sint Willibrord d. i. de abdij door Sint Willibrord 
te Echternach gesticht en aan hem toegewijd, reeds 
teruggegeven. Dit was gebeurd te Mainz in 't jaar 
1049, waar Leo IX en Hendrik III de Synode leidden, i) 
Maar de feitelijke bezitters schijnen zich aan 't keizer- 
lijk besluit weinig te hebben gestoord. -) Vandaar dit 
nieuwe smeekschrift aan Hendrik IV, dat ook niet 
veel baatte, want in zijn ^Libellus aan Hendrik VI 
klaagt Theoderich van Echternach in iigi : »V/ij willen 
niet eens vermelden, dat de graafschappen Vlaanderen 
en Holland, die aan de zeekust, nabij Walcheren en 
aan de Scheldemonding liggen, nog heden in het 
bezit van menig onzer goederen zijn«. 3) Daar zaten 
dus de groote dieven. Wie het v/aren kunnen wij 
heel goed achterhalen uit de »Vita Willibrordi« 
van Thiofried. 

Hij vertelt ons n.1. in hfdst. XXXIII, dat degenen die 
zich aan den H. V'ilibrord (in casu: aan de goederen 
der Abdij) vergrepen, door God streng gestraft werden. 
»Hoe verging het Keizer Arnulf, die de abdij van 
Echternach van het grootste deel harer goederen be- 
roofde, om deze als leen te geven aan de vasallen van 
het Luxemburgsche huis ? Een chronijk uit den laatsten 
tijd vermeldt van Arnulf, die de hoon van het room- 
sche keizerschap is, dat hij te Pavia een onwaardigen 
dood gestorven is, doordat hij van muizen opgevreten 
werd. [?] Welk lot trof de graven van Holland, Dirk 
en Floris met zijn zoon Dirk, die zich vijf en twintig 



') Otto vau Freising, Chronicou \'I, 33 (SS. renmi genii. iu 
iisiuu scholaruni p. 30:, linea 14 — 16). 

2) Cfr. Thiofrieds Vita S. Will. 33 (Act.i SS. Nov. III 479 B.). 

3) Stud. und Mitt. aus dem Bened. und d. Cisterc. Orden XIX 
(1S98) 41 r. 



325 

parochies tot het eig"endom van den heiligen bisschop 
[S. Will.] behoorend, misdadig toeeigenden? In den 
bloei des levens verdorden zij als de grasbloem 
[i Petr. I, 24] en verwelkt vielen zij af.« i) 

Om te zwijgen van de fabel over keizer Arnulf, die 
goederen van de abdij aan vasallen had geschonken, 
om hen te winnen in den strijd tegen de Noormannen, 
zien wij hier de graven Dirk IV, Floris I en Dirk V 
van Holland als dieven van kerkelijke goederen. Voor- 
eerst Dirk IV, die in een strijd met de keizersgezinde 
bisschoppen en een lotharingsche strijdmacht, die in 
den v/inter van 1048-1049 tegen Dordrecht optrokken, 
sneuvelde (14 Jan. 1049). Zijn broeder Floris I volgde 
hem op en zette den oorlog voort en werd 1061 door 
de vijanden, terwijl hij vermoeid onder een boom te 
slapen lag (ut fertur), doodgeslagen. 'Dirk V verloor 
den strijd en het graafschap aan Gottfried den Bulte- 
naar, Hertog van Nederlotharingen, die Delft bouwde 
en daar 1076 vermoord werd. »Diesen Verlust und 
den damit verbundenen Scurz seines Hauses wird Thio- 
frid andeuten wollen, wenn er von der Vernichtung 
Dietrichs V spricht. Es ist nicht anzunehmen, dass er 
den ermordeten Gottfried mit Dietrich verwechsele, 
dafür war der Echternacher Abt mit friesischen und 
flandrischen Sachen infolge persönlicher Beteiligung 
viel zu gut vertraut.« '-) 

Welke Hollandsche graven inderdaad zich Echter- 
nacher kerkelijke goederen hadden toegeëigend, blijkt 
ook nog uit een overeenkomst tusschen Bisschop 
Willem van Utrecht en abt Reginbert, Thiofrieds 
voorganger, 28 Dec. 1063 te Keulen opgesteld. Hier 



') Acta SS. Nov. III 479 A. 

^) »Ons Hémecbt« VI (L,iixemburg 1900) 9. 



326 

worden echter als overweldigers genoemd: »Dirk en 
lijn zoon Dirk en diens broeder Florisc<, waarmede 
bedoeld worden rasp. Dirk III, Dirk IV en Floris I. ^) 

In 1 156 stond Abt Gerard de kerken van Echternach, 
die in Holland lagen af: »Honorabili viro Theoderico 
[Dirk VI] Hollandensium Coipiti et conjugi suae 
Sophiae nobili Comitissae, eorumque successoribus, 
omni querimonia proinde sopita perpetualiter libere 
dedimus« -) tegen »centum viginti mensuras terrae in 
Insula quae vocatur Schaden «. [Schouwen?] 

Vermoedelijk kwam Echternach bij dezen ruil te 
kort, daar Theoderich van Echternach in 1 1 9 1 weer 
klaagt, »dat de graafschappen Vlaanderen en Holland 
nog heden in het bezit van menig onzer goederen rijn«. 

Het kan echter ook zijn, dat de Echternachter ad- 
vocaat in zijn oratio pro domo het met de waarheid 
niet zoo nauw neemt, daar in zijn >libellus« wel meer 
onjuistheden voorkomen, zelfs in het opnoemen van 
de Echternacher abten. 

Maar nu de vraag: over welke kerken in Holland 
wordt in Thiofrieds brief gesproken? Welke kerken 
behoorden aan Sint Willibrords abdij te Echternach ; 
welke namen de graven van Holland in bezit ? 

Alvorens deze vraag te beantwooreen, wil ik nog 
even aanmerken, dat de teruggave van de helft der 
kerken in 1063 door bisschop Willem niet veel effect 
gehad moet hebben, want iioi klaagt Thiofried over 
de »ecclesias per tyrannidem ablatas in Hollant* en 
dat hij hiermede doelt op Dirk V, zagen we uit Thio- 
frieds »Vita Willibrordi«. Dirk V (1061-1091) schijnt 
dus ondanks de bepalingen van bisschop Willem de 



') zie het diploma o.a. bij Miraeus-Foppeus, Diplomatum bel- 
gicorum uova coUectio IV (Bruxell. 1748) 350. 
2) Miraeus-Foppeus 1. c. 513. 



327 

goederen in bezit te hebben gehouden, al waren ze 
»in potestatem Episcopi synodali auctoritate redactae« l). 

Welke kerken nu waren dit? 

In het Sacramentarium van Echternach (Bibl. nation. 
fonds latin. no 9433) ontdekte Ad. Reiners, destijds 
kapelaan in Echternach, twee lijsten van kerken. De 
eerste lijst, fol. i bevat de kerken in Holland, welke 
aan Echternach toebehoorden nl. : 

»Kirichvere (mater), Rinesburch, Nizo, Betticha, 
Cozpolt, Thidrat, Gentrit, Wido, Reinzo, Warnemunde, 
Rinsatervelt, Leithemutha, Northgo (mater), Vuoreholt 
(mater), Sasheim, Velisinburg (mater), Agathenkiricha, 
Heimettenkiricha, Asmedelf, Sloton, Smirnevualt, Har- 
leim, Urisheim, Heilingelo, Almere, Misna, Skirmere, 
Flerethinga (mater), Skie, Harthga, Petheim (cap.).« 

Op folio 2 staat dan: ^Ecclesiae QUAS Theodericüs 
liABET. Nomina ecclesiarum de Fresia. Velinson, Hei- 
lingloh, Northungon, Vuroholz (mater), Kiricwereve 
(mater), Leithemutha, Rinsaterevalt, Asclekerenvalt, 
Voreholt (mater), Saxheim, Northgo (mater), Welscere- 
burg, Agathenkyricha, Heimezenk3^rke, Spirnetewalt, 
Sloton, Asemanedelf, Heilegenlo (mater), Scirmere, Mi- 
sira, Wolgunga, Aldenthorf, Vroulo, Petheim. « ^) 

Over deze laatste kerken gaat dus Thiofrieds klacht. 
Volledigheidshalve mogen hier nog volgen de kerken, 
zooals zij in de oorkonde van 1063 aangehaald worden: 

»Matres videlicet hae, Flardinghe, Kiericwerve, Vel- 
sereburg, Heilegelo, Pethem, . . . 

cum capellis infra nominatis, Harago, Schee, Reins- 
bnrg, Warmunde, Lieche, Muthon, Risantwald, Ascle- 



1) Miraeus-Foppens 1. c. 350. 

*) Publications de la section historiqne de rinstitut. . . de 
lyuxembourg XL (1889) 31. Cfr. Dietsche Waraude II (1889) 54 
en 59; Stud. uud Mitt. XIX (1898) 411 Anm. i. 



328 

kervald, Agatlienkirika, Hemesenkirica, Alsemannedilf, 
Spirnerezivald, Scloten, Egmonde, Alcmera. Scirinera, 
Alisnen, Woggunghen, Aldentorp, Wronlo. . .« -) 
In het diploma van 1156 worden zij aldus genoemd: 
»Flerdinge, Kerckwerve, Velserburch, lieyligelo, 
Putam, Hariche, Schi, Rinesburghj Warmunde, Leythe- 
mutha, Rinsatwalt, Asleterwalt, Agathenkerka, Ymazan- 
kerka, Ascamannadelft, Sparnereswalt. Sloten, Egmunde» 
Alckmere, Schirmere, Misnem, Wegnem, Alterndorpe, 
Vroule.« 2) 

Het is mij niet mogen gelukken alle namen te 
identificeeren en de afwijkingen te verklaren. Wie 
neemt dit eens op zich? 

München. Fr. AVillibrord Lampen O. F. M. 



') Miraeus-Foppeus 1. c. 350. 
") Miraeus Foppeus 1. c. 513 sq. 



OPVOLGING DER HAARLEMSCHE 
KANUNNIKEN VAN HET OUD-KAPITTEL. 



Het Kapittel werd door Paus Paulus IV opgericht, 
tegelijk met het Bisdom van Haarlem, bij Bulle Super 
universo van den 12 Mei 1559. Bevestigd en verder 
geregeld werd het door Paus Pius IV bij Bulle Ex 
injuncto nohïs van 11 Maart 1560. In deze tweede 
Bul werd het Augustijnen-klooster van Heiloo opge- 
heven, de Kanoniksdijen en andere digniteiten gesecu- 
lariseerd en overgebracht op de Kathedrale Kerk van 
Haarlem, met alle bezittingen der kloosters als prae- 
benden. Tegelijk werden ook van een ander klooster 
de kanoniksdijen en praebenden, administraties, officies 
en eeuwigdurende kapelaniën naar Haarlem overge- 
bracht, namelijk der Kollegiale kerk van O. L. Vrouw 
te Geervliet, bij Putten op het eiland Voorne (uitge- 
nomen werden alleen de vicarieën en kapelanieën waar- 
aan zielzorg verbonden was, alsmede de kerkgeraden) 
wijl Geervliet eene parochiekerk was en blijven moest. 
En alles werd tot één kapittel van Haarlem gevormd, 
blijvende iedere kanunnik der twee kapittels in zijne 
waardigheid. 

Voorts werden er tien gegradueerde kanoniksdijen 
of praebenden opgericht, waarvan de Bisschop er 
eene zou hebben en de overige negen begeven zou- 
den worden aan drie Magisters of Licentiaten in de 
Theologie, drie Doctoren of Licentiaten in de Rechten 
en drie Adellijken, allen Doctoren of Licentiaten in 



330 

Theologie of Rechten. De eerste benoeming zou ge- 
schieden door den Bisschop, de latere door den Bis- 
schop en de overige Kanunniken samen met gelijk 
stemrecht voor allen, doch bij staking zou de Bisschop 
de beslissende stem hebben. De bisschoppelijke prae- 
bende werd voor altijd met de Mensa Episcopalis ver- 
eenigd en geïncorporeerd, zoodat de Bisschop eene 
spersona capitularis« zou zijn en als zoodanig ook 
stem in het kapittel zou hebben voor en boven den 
Deken en de Kanunniken. 

Bovendien kon de Bisschop zooveel van de meest 
gegoede (»pinguioris proventus*) kapelanieën tot de 
kerk van Haarlem overbrengen en tot kanoniksdijen 
en praebenden van die kerk maken als hij mocht goed- 
vinden. Al de kanoniksdijen en praebenden buiten de 
toen gegradueerde waren gebonden aan de »menses 
papalesc ; zoo zij daarbuiten openvielen stonden ze 
ter begeving van de Patronen of Collatoren. Voor 
het Kapittel van Haarlem was de Koning van Spanje 
Patroon. 

De Kanunniken moesten natuurlijk bij de Kathe- 
draal resideeren. Elf jaren echter verliepen nog voor- 
dat de bij genoemde Bul gemaakte regeling ten uitvoer 
kwam. Noch de reguliere Kanunniken van Heiloo noch 
de collegiale van Geervliet waren genegen om in het 
Kapittel van Haarlem op te gaan. Ieder bracht zijn 
bezwaren aan en zocht de zaak te vertragen. Volgens 
Bugge's Tabida chronologica^) maande op ii Mei 1562 
Sonnius, de bisschop van den Bosch, de Heilooër 
Kanunniken tot voortgang aan, en schreef ook Mar- 
garetha de Landvoogdes op 17 Maart 1563 aan Bis- 
schop van Nieuwland, dat de translatie van Geervliet 



') Bijdr. V. Haarh/n, I blz. 5. 



331 

bevorderd moest worden. Geervliet nu schijnt vóór de 
eerste Diocesane Synode van 13 April 1564 1) te zijn 
overgegaan. Het Kapittel van Heiloo echter bleef nog 
onwillig, waarschijnlijk wel, omdat het, als zijnde van 
betere praebenden voorzien dan Geervliet had, groote 
schade duchtte van de ineensmelting. In 1567 begreep 
de Hertog van Alva zich met de zaak te moeten 
moeien, en begon hij met eenige regulieren en be- 
paaldelijk den Overste van het Moederhuis te Windes- 
heim bij Zwolle gevangen te zetten om de Heilooërs 
tot spoedige onderwerping te brengen. Toch schijnt 
ook deze dwangmaatregel niet veel te hebben uitge- 
werkt, want op 10 September 1570 was de Prior van 
Heiloo Jacobus Zaffius nog in volle functie en schreef 
hem de Prior van het Regulierenklooster te Blokker 
over hervorming der nonnen te Amsterdam, over visi- 
tatie der Regulieren van Friesland en tegen de in- 
corporatie welke de Bisschop van Leeuwarden tot 
stand wilde brengen. 2) Nadat echter Bisschop Godfried 
van Mierlo de Pauselijke bevestiging zijner benoeming 
d.d. II December 1570 ontvangen had, beval de Her- 
tog van Alva op 23 Februari 1571 den Regulieren 
van Heiloo zich tegen het volgende Paaschfeest naar 
Haarlem te begeven, en daar voor goed hunne kanoni- 
kale residentie te vestigen, zooals dan ook werkelijk 
op den eersten Zondag van de Vaste, den 4 Maart 
geschied is. Daarop werd het klooster van Heiloo 
volgens Pauselijk en Koninklijk bevel afgebroken; 
welke afbraak nog wel door den Bisschop zelven werd 
aangevangen. 3) Echter waren een » presbyterium* en 



') Bugge Chron., op 7 Oct. 1567. (Bijdr. v. H. I blz. 

2) Bugge Chron. (Bijdr. v. H., I blz. 10). 

3) Bugge Chron. (Bijdr. v. H., I blz. 11). 



»priesterlickc gestoelte< der kerk, het »oxael encle 
»t\vee geschilderde outaeren met noch vijf hondert 
*blaeiuve steenen« voor de som van »vijfhondert Caro- 
»lusguldens« door den Bisschop ^hebbende adjunct 
»mijne medebroederen Capitularen (Saffius, van Heus- 
«sen, Crimper, Blomerius en van Bergen) « aan den 
Commandeur der St. Jans-Heeren te Haarlem ver- 
kocht, in wier kerk het verkochte werd opgezet, i) 
Op den I Alei 1571 had de plechtige installatie plaats 
van al de Kanunniken zoo van Heiloo als van Geer- 
vliet. De leekebroeders van het Heiloosche klooster 
gingen over naar de abdij van Egmond in de orde 
der Benedictijnen. 

Van Heussen^) geeft op, dat er uit Heiloo zes- en 
uit Geervliet even zooveel Kanunniken op i ^lei 157 1 
naar Haarlem zijn overgegaan, en noemt hen als volgt, 

uit Heiloo: 

Saffius, Praepositus, — Petrus a Bergen, — 
Rochus de la Canchie, — Alstcnus Blocmert, — 
Nicolaus Heitssefi, en — foainies Crïiiiperus ; 

uit Geervliet: 

Georgiiis Lesfanier, Decanus, — 
foan?ies Dentier es, — Adrianus Bitfelaer, — 
Paulus Botiiis, — Scbastianus Dural en — 
Ltidovicits de Labie.^) 

Hij voegt er bij, dat er door den Bisschop nog een 
dertiende aan is toegevoegd: Hierojiymus Vairlenius. 



') Volgeus het »Accoort«; daarover, medegedeeld door den heer 
Goniiet in de Bijdr. v. ƒ/., II blz. 127. 

2) Hist. Ep. Harlent. pag. 26. 

3) Van H. schrijft Vie^ maar dit is duidelijk eeu drukfout 
voor Bis. 



333 

Op de tweede Haarlcmsche Synode, den 2 October 
157 1 door Bisschop van Mierlo gehouden, werd het 
Kapittel nog verder geregeld, waarbij buiten die tien 
gegradueerde Kanoniksdijen nog elf mindere werden 
opgericht, die echter, naar het schijnt, nimmer tot het 
volle getal begeven zijn geworden. Samen moesten er 
dus 21 zijn doch bij name zijn er slechts 13 Kanun- 
niken bekend; en van Ileussen^) die de lijst geeft 
zooals die in 1578 bestond, verzekert tevens, dat er 
nooit meer dan 14 (de Bisschop medegerekend) ge- 
vonden zijn kunnen worden, noch bij geschrift noch 
door ooggetuigen. 

Hier volge dan de Lijst van 1578 door van Heussen 
gegeven : 2) 

1. Jacobus Henrici Zaffius, Praepositus, 

2. Petrus a Fine LjTopius, Decanus S. Th. D., 

3. Hieron3'mus Vairlenius, Poenit. S. Th, L., 

4. Adrianus Buffelaer, 

5. Alstenius Blomert, 

6. Jacobus Wij Nicolai S. Th. L., 

7. Wilhelmus Copallius Deer. D. et S. Th. L., 

8. Arnoldus de Ram, 

9. Rochus de La Canchie, 

10. Nicolaus Huissen, 

11. Simon Gansius J. U. L., 

12. Wilhelmus Assendelfius, J. U. L., 

13. Paulus Botius. 

Volgens deze lijst waren er vijf gegradueerden in de 



') Hist. Ep. Ilarl. pag. 28. nat. S. II, 317. 

2) lu de schrijfwijze echter volg ik die der haiidteekeniugen 
voor zoo ver zij gevondeu worden onder het oorspronkelijke stuk 
(Kapittelarchief) der Overeenkomst van 12 Maart 1575 over de 
goederen der twee Kapittels. 



334 

Theologie (de Bisschop daaronder begrepen die S. Th. D. 
was) en slechts twee in de Rechten. De lijst is, zooals 
gezegd, van het jaar 1578; maar sinds de Kanunniken 
op 4 Maart 157 1 naar Haarlem waren overgegaan, 
hadden er reeds verscheidene sterfgevallen onder hen 
plaats gehad, namelijk: 

Reeds in 157 1 overleed JOANNES Crimperus een 
der Heiloosche Kanunnikken, boven vermeld bij den 
verkoop van het oxaal. i). 

Georgius Lestanier, Deken van Geervliet, heeft 
als Deken en Archipresbyter op 25 Nov, 1573 de 
Statuta Capituli onderteekend, doch overleed niet lang 
daarna en werd als Deken van het Haarlemsche Ka- 
pittel opgevolgd door Simon Gansius. 

JOANNES Dentieres^) teekende als Senior in 1573 
de Statuten en stierf in 1574. Bugge noemt hem 
ook Vice-dccanus, opgevolgd' naar het schijnt door 
Lyropius. 3) 

Sebastianus Dural stierf omstr. 20 Nov. 1573.-^) 

LUDOVICUS de Labie stierf »sub idem tempus « als 
Dural in 1573. 

Nog een Kanunnik Petrus a Bergen v/ordt 
door Bugge genoemd als in Juli 1573 overleden, den 
19 October daaraanvolgende opgevolgd door Jacobus 
Wij. 5) 

Na de Haarlemsche Nonen bleven de volgende Ka- 
nunniken in Haarlem en beijverden zich in de ziel- 
zorg, namelijk: Vairlenius, Zaffius, Assendelfius, 



•) Btigge Chron. i^Bijdr. v. H., I blz. II.) 

2) Bugge Chron. {Bijdr. v. H., I b!z. ii eu 15) Bat. Sacra II 314.) 

3) Bijdr. V. H. I blz. 16. .^. 5'. II 314. 
*; Bijdr. V. H. \ blz. 15. B. i". II 313. 
5) Bugge Chron. {Bijdr. v. H. I blz. 15.) 



335 

Blomert, Copallius en BotiusJ) Daarom over hen 
nog de volgende bijzonderheden: 

Vairlenius toekende in 1573 de Statuten als Poe- 
niteyiiiarüis et Scholasticus ac Epïscopi Vicarius. In 
1575 trad hij als Officiaal van den Bisschop af, maar 
bleef toch diens Vicarms. Hij stierf te Haarlem den 1 7 
Augustus 1586. Zijn opvolger als Officialis was in 1575 
SiMON Gansius en Si\s Ka?mmiik in 1589 Adalberïus 
Eggius. -) 

Zaffius was I Mei 1571 tot Praepositus et 
Archidiaconus aangesteld, en teekende als zoodanig 
in 1573 de Statuten en in 1575 de »Concordia« 
tusschen Heiloo en Geervliet. Hij overleed 19 Januari 
1618. 

ASSENDELFIUS was in 1576 door den Bisschop tot 
Kanunnik benoemd, en overleed in September of 
October 1615 als Vice-decanus. ^) Zijn opvolger als 
Kanunnik was QuiRlNUS Costerus. 

Blümertius werd in de Haarlcmsche Synode van 
1571 door den Bisschop aangewezen als »judex dele- 
»gandus a Sede Apostolica* gelijk ook met hem 
Lestanier, Zaffius en Buffelaer. Hij stierf in 
i6og als > Senior cano7iicoriini en Vice-decainis.'^) 

Copallius was 5 November 1576 door den Bis- 
schop tot Kanunnik benoemd. Nadat op 28 Juli 1587 
Bisschop van Mierlo overleden was, werd hij ge- 
kozen tot » Vicarhis ecclesiae cathedralis Harle})iensis 
vacantis.v. 



') Bijdr. V. H. I blz. 22. 

2) B. S. II, 314. Chron. {BiJdr v. H. I, blz. 16, 29.) 

3) Bijdr. V. II. I, 17. 

*) Bugge Chron. {Bijdr. v. II. I, 17, 322 en 327. 

5) Bugge C/iron. {Bijdr. v. H. I, 12, 22, 236.) 



33^ 

In October 15QQ verdronk hij op een zijner missierei- 
zen in de Schermer, i) 

BOTIUS komt in de Kapittelakten van 1580-83 voor 
als zich beijverend in de zorg voor de bezittingen van 
het Kapittel. 2) Hij stierf als «senex* in 1596.3) 

Buiten deze z^s, die in 1578 te Haarlem bleven 
bespreekt Bugge in zijne Chronologie 4) nog vür 
andere Kanunniken van de Lijst van 1578, namelijk: 

1. Adrianus Buffelaer, Deze nam, als eerste 
(ook éénige?) der Haarlemsche Kapittelheeren, van de 
Staten geld aan voor zijne praebende en ging naar 
Geervliet terug, waar hij op het eind van 1580 stierf. 
Uit de Kapittelakten van 1580-83^'') vernemen wij 
de bevreemdende mededeeling, dat op 30 April 1583 
de Kanunniken de Ram en BOTIUS naar Geervliet 
gezonden werden om uit zijn sterfhuis het Kapit- 
telzegel en andere zaken des Kapittels op te vor- 
deren ; dat zij echter het gevraagde toen niet ver- 
krijgen konden, doch slechts den inventaris daarvan 
medebrachten. 

2. SiMON Gansius volgde in 1573 Lestanier als 
Deken op en in 1575 Vairlenius als Officiaal van 
den Bisschop. Hij week na de Haarlemsche Nonen 
naar Keulen, waar hij in 1584 overleed.*') 

3. Evenals Gansius trok ook Jacob Wij naar 
Keulen. Hij was 19 October 1572 Petrus a Bergen 
als Kanunnik opgevolgd en stierf insgelijks te 
Keulen, op 30 Juli 1582. Buiten zijn Kanonikaat 



1) Bugge Chron. {^Bijdr. v. H. T, 17, 219, 226.) 

2) Bijdr. V. H. X, 1—7. 

3) Bugge Chron. {Bijdr. v. IL I, 224). 

4) Bijdr. V. H. I, 22. 

5) Bijdr. V. H. X, pag. 7. 

6) Bugge Chron. ( />'. t. II. I, 15, 22) B. .9. II, 314, 3J7. 



337 

had hij te Haarlem het Pastoorschap van het Beggijn- 
hof gehad. 

4. Ten laatste Petrus a Fine Lyropius, de Ka- 
nunnik met den dubbelen naam ; welke echter vol- 
gens van Heussen ^) doodgewoon te vertalen is met 
Petrus van den Einde, geboortig van Nierop (Niedorp) 
in Noord- Flolland bij Schagen. Zijn geboortehuis stond 
namelijk aan het einde der streek bij de Zuiderzee. 
Lyropius is alzoo eene verbastering van Nieropius. Hij 
werd in 1574 Kanunnik, naar het schijnt als opvolger 
va,n Dentieres. Toen hij in 1577 of -78 Deken van het 
Kapittel was geworden, vierde hij zijne intronisatie 
met een plechtig gastmaal boven in den toren van 
St. Bavo. 2) In 1578 ging hij naar Leuven waar hij 
» pastor ad S. Quintinum« werd en tweede Regent 
van het Viglius-Collegie. Intusschen duurde zijn Haar- 
lemsch Kanonikaat toch voort, zoo zelfs dat hij eerst 
in 16 15 van zijn Dekenschap ontslag nam en het 
overdroeg op Nicolaus NoaiiuS; hetwelk den 7 Dec. 
van dat jaar door het Kapittel bekrachtigd werd. Hij 
overleed te Leuven in 1617. 

Bovendien was ook Nicolaus Huissen in 1580 
nog in Haarlem en v/oonde in Mei en November 
van dat jaar Kapittel- vergaderingen bij. Hij stierf 26 
Maart 1582.2) 

Nog blijven wij over twee Kanunniken in het on- 
zekere, namelijk vooreerst Arnoldus de Ram. Deze 
schijnt na 1578 uit Haarlem vertrokken te zijn, wijl 
de Kapittelakten vermelden, -i) dat hij op 30 Mei 1580 



') B. S. II, 327 — 2S. Bvgge Cfiron. {^B. v. II. I, i6, 19, 22, 
)23, 526). 
2) V. IL, Ilist. Ep. Harl. pag. 2S. 
2) Acta Cap. {B. v. II. X, I, 5, 6.) 
■*) BïjJr. V. II. X, I, 6, 7.) 

22 



33H 

weder aangenomen (receptus) werd onder bepalingen 
van korting zijner inkomsten, indien hij een zekeren 
tijd afwezig zou blijven. Op 29 December 1581 ont- 
ving hij van den Proost f 2^ uit de goederen van 
Geervliet; en in 1582 en 83 werden hem zendingen 
opgedragen aangaande de geldzaken van Geervliet. 
Wanneer en waar hij stierf wordt niet vermeld; en 
evenzoo ontbreken alle verdere berichten over ROCHUS 
DE La Canciiie alhoewel hij op de Lijst van 1578 
vermeld staat. 

Eindelijk wordt door Bugge^) nog, op het jaar 1502 
een zekere Marïinus Krimpius als overleden Ka- 
nunnik vermeld, zonder meer. En evenzoo noemt van 
Heussen-) een Teylingius, over wien ik niets kan 
mededeelen. 

Na deze aanteekeningen over de oudste Kapittel- 
heeren kan ik de Lijsten laten volgen, die haar uit- 
gangspunten hebben van het negental Kanunniken 
dat op 10 Maart 1643 aanwezig was volgens de Ka- 
pittelakten van dien dag, 3) en welk getal sinds dien 
tot in 1853 volstandig is gebleven. Naar afdalende 
orde zal ik de opvolging aaneengesloten kunnen geven, 
maar in opklimmende reeks sluiten de namen der 
kanunniken slechts aan voor zoover de gevonden 
opgaven dat mogelijk maken. Zoo kunnen wij slechts 
gissen, dat Assendelfius en Copallius "*) die in 
1576 door den Bisschop benoemd werden °) in de 
plaats van DuRAL en De Labte gekomen zijn, die 



') Tah. Chron. {B. v. H. I, 22 1.) 
2) Hist. Ep. Ilarlcm. pag. 30. 
3| Ilijdr. V. II. XIV, 38. 

*) Copallius was S. Th. et Deer. D. eu Vic. Geu. s. v. Hij 
stierf in 1599 

5) Chro7i. {B. V. H. I, blz. 17.) 



339 

in of omstreeks 1573 gestorven \varen. En toen op 
14 Juli 1606 door de Aartshertogen de Kanunniken 
Theodorus DeymanI) en Cornelius Sassemius-) 
benoemd werden, geschiedde dit, wat Sassemius be- 
treft in de vacature van den Geervhetschen Kanunnik 
Buffelaer, die op het eind van 1580 overleden [w^as, 
maar in de benoemings-acte van Dea'MAN wordt geen 
voorganger vermeld. Evenmin ook hebben wij de 
opvolgers van Deyman en Sassemius ergens aange- 
geven gevonden. 

Bij de namen der Kanunniken geef ik ook de 
waardigheden aan, die zij in het Kapittel bekleed 
hebben. Rechtmatigheid daarvan in het midden gelaten. 

Tot gemak van den lezer worde hier de opgaaf van 
1643 nog eerst herhaald. 

1. Decanum agit Eruditissimus D. Balduinus 
Catzius. 

2. Praepositum sive Archidiaconum Eximius D. ac 
Mr. Leonardus Marius. 

3. Senior est Eruditissimus D. JOANNES Beenius. 
Canonici reliqui sunt: 

4. Eruditissimus D. Johannes Caterus. 

5. » D. Johannes Steenius. 

6. t D. NicolausVeraver, Secretarius. 

7. Doctissimus D. Guilielmus Coopallius. 

8. » D. Gerardus Eenhusius. 
Q. » D. Cornelius Catzius. 



') Pastoor vau Sloten. 

2) Pastoor van Sasseuheiin. 



34Ó 



EERSTE REEKS 



TWEEDE REEKS 



DERDE REEKS 



Jacobus Zaffius. 
In 157 1 Proost van 
Heiloo^) f ig Jan.i6i8 
(Chron.) Praepositus 
et Archidiaconus. 
(Opvolger Buggaeus.) 

JOANNES Buggaeus. 
Ben. 23 April 16 18 
(Chron.) f 9 Sept. 1636. 
Secr. Poenitentiarius 
en Scholasticus. 



Georgius Campius. 
IQ Sept. 1636 (A. C.) 
ï 15 October 1637. 

Balduinus Catzius 

S. Th. L. 
2-3 Sept. 1642.3) -]- 18 
]Mei 1663. Decanus v. 
Haarlem en Alkmaar, 
Vic.-Gen., Vicarius 
Apost. (Archiep. Phi- 
lippen.) 
(Opv. Braessemius). 



HiERONYMUS VaIR- 

LENIUS. 
Ben. tusschen 157 i en 
-73 -) t 17 Aug. 1856. 
Vic.-Gen., Officiaal en 
Poenitentiarius. 
(Opvolger Eggius.) 

Adalbertus Eggius 
S. Th. L. 

4 Nov. 1589 (Chron.) 
f 18 Juli lóio. Vic.- 
Gen. sede vac. 

NiCOLAUS NOMIUS. 

27 Aug. 161 2 (Chron.) 
'f 21 October 162Ó. 
Decanus. 



Leonardus Marius 

S. Th. D. 

6 Juh 1629 (A.C.)i- 18 
October 1652.Vic.-Gen. 
et Offic, Praepositus 
et Archip. (Pastoor 
Begg. Amst.) 

(Opv. Ebbius). 



Petrus a Fine Ly- 

ROPius S.Th. D. 
Ben. 1574 (Chron.) 
Decanus. Nam ont- 
slag in 1615 (Chron.) 
(Opvolger Fonckius.) 



JOANNES Fonckius. 
2 3 April 1 6 1 8 (Chron.) 
Werd in 1628 Jesuiet. 



ioannes Beenius 

28 Jan. 1631 (Chron,) 
Nam ontslag 16 April 
1657 (A.C.) (Kap. te 
Haarlem.) 
(Opv. Verkampen). 



') In de aauhaliugeu der brouuen zal Chron. beteekeueu de Tabula Chrouologica 
van Bugge; A. C. de Acta Capituli. 

2) Batavia Sacra II, pag. 314. 

3) Waar bij benoemingen twee dagcijfers staan, is het eerste dat der keuze, 
het tweede dat der instaUatie. IVIenigniaal verliep daar eenige tijd tusschen. 



341 



EERSTE REEKS 


TWEEDE REEKS 


DERDE REEKS 


JOANNES BrAESSE- 


Henricus Ebbius 


JudocusVerka^ipen 


Mius (S. Th. D.) 


(Past. Amst. S. Nic.) 


S.Th.L. 


(Past. Hoorn) 1663 


28 'Nov. 1652. Thesau- 


(Past. 't Veld) 3 Juli- 


t 3 Juni 1667. 


riarius Capituli, y 13 


9 Oct. 1657 f 15 Nov. 






Nov. 1657. 


1664. 

1 






ElLARDUS AB AlMA 










S. Th. B. F. 










(Pastoor Enkhuizen) 6 










April-ó Juli 1660. f 2 










Januari 1664. 










Hermanus Kuysiex 


LaMBERTUS HOE^lAX 






S.Th. B. 


(Past. Begg. Amst.) 






(Pastoor Alkmaar) 1 5 


1 5 xVpril- 1 8 Aug. 1665. 






April 1665 -f 17 Oct. 


ï 9 Oct. 1665. 






1666. 










Adamus Petri 










Suchtelenius 










(Pastoor Enkhuizen) 










II Oct. 1667-g April 










1668 127 Aug. 167 1. 






CORNELIUS 


Keesman 


JOAXNES WaXDELM AX 


Theo 


DORUS 


S.Th.L. 


S.Th. B.F. 


Groexhout 


(Pastoor Alkmaar) g 


(Past. Amst. S. Cath.) 


(Past. Noordwijk) 4 


April 1668 f 30 Sept. 


6 Oct. 1671-25 April 


Mei 1666 f vóór 21 


1680. 


1672 "i' 17 Juni 16S6. 


April 17 16 Yic. Harl. 








et Teovard. 


JUSTUi MODEPvSOIlN 


NiCOLAUS VAX DER 


JOAXXES Heymex- 


(S.Th. B.F.) 


Meer 


berCtH S. Th. D. 


(Pastoor Amsterdam). 


(Past. Amst. S. Cath.) 


(Pr. Alkm.) 2 i April- 


16S0. t 8 Januari 


na 17 Juni 1686 f 27 


6 Oct. 1 7 1 6 -f vóór 5 


1693. 




Juli 1728. Dec. etVic. 


Oct. 17 17. 





342 



EERSTE REEKS 


TWEEDE REEKS 


DERDE REEKS 


CORXELIUS VAN DER 






Cornelius Marquis 


COOGEN 






(Past. Amst >Duifje<) 


(Past. Begg. Haarlem) 






5 Oct. 1717-26 April 


31 Maart 1693 f vóór 






1718 t vóór 22 April 


3 Oct. 1724. 






1721. 


Philippus Cavel- 


Henricus Grasper 


Fraxciscus 


LIER 


(Past. Amst. S. Cath.) 


Schatter 


(Past. Uitgeest) 3 Oct. 


3 Aug.-5 Oct. 1728. 


(Past.'tVeld) 2 2 April- 


1724-23 Jan. 1725 


t 14 Febr. 1734. 


7 Oct. 1 7 2 1 T vóór 


f Juni 1733 (Pastoor 




26 April 1730. 


Amst. > Papegaai «.) 








Wilhelmus Cavel- 


Wilhelmus Wijt- 


Guilielmus Ziel- 


LIER 


maxs 


horst 


(broeder v. d. voorg. 


(Past. Vogelenzang) 10 


(Past. Buitenveldert) 


Past. Amst. >Pool<) 


Mei 5 Oct. 1734. t I 


26 April-3 Oct. 1730. 


6 Oct. 1733-10 Mei 


Dec. 1747. 


f Vóór 7 Mei 1737. 


1734 t 21 Aug. 1742 










(Emer. te Haarlem). 










Claudius Cavel- 


Adrianus Augusti- 






LIER 


Nus VAN Dijk 






(Past. Amst. »Pool«; 


(Past. Begg. Amst.) 






2 Oct. 1742-7 Mei 


7-30 Mei 1748. T 10 






1743. t 19 Aug. 1768. 


Oct. 1751. 










JOANNES DUIJN 










(Pastoor Amst. S. Nic. 










buiten) 18 April-3 Oct. 










1752. ï 12 Mei 1753. 










JOANNES DE MOOIJ 


Theodorus 






(Past. Beemster) 2 Oc- 


VAN Aalst 






tober 1753-7 ^^eii754. 


(Past. Abcoude) 7 Mei 






f 4 Februari 1784. 


8 Oct. 1737. f 14 






Secretarius 




Oct. 1761 





343 



EERSTE REEKS 



TWEEDE REEKS 



DERDE REEKS 



JOANNES CaKTEL 

(Past. Crommenie) 4 
Oct. 1768 -II April 
1769. t 13 Apr. 1799. 



Henricus Kok 
(Past. Heemskerk) 29 
April-7 Oct. 1800. 
t 30 Oct. 1842. 



Hexricus Hoek 
(Past. Amst. »Post- 
hoorn«) 2 Mei-3 Oct. 

1843- t 31 Mei 1859. 



everardus 
Bernardus Cramer 
(Past. Buiten veldert) 27 
Apr.-5 October 1784. 
f 29 Juni 1800. 

Petrus Laurentius 

Batenburg 
(Past. Hoorn) 2 i Apr.- 
6 Oct. 1801. f 15 Juli 
1804. 

Albertus Terbeek 
(Past. Noordwijk) 2 Oct. 
1804-7 Mei 1805. f 19 
Sept. 1806. 

Engelbertus 

Vinkenstein 

(Pastoor Alkmaar) 14 

Apr.-2o October 1807. 

f Sept. 18 19. 

Antonius 
Hubertus Mali 
(Pastoor Oegstgeest) 5 
October 1 8 1 9- 1 8 April 
1820. f (Pastoor Begg. 
Amsterdam) 23 April 
1845. 

Egbertus Antonius 

Geurs 
(Past. Zwaag) 7 Oct. 
1845-28 April 1846. 
•f (Past. Spierdijk) 2 1 
Juli 1882. 



Petrus Guilielmus 

Cavellier 
(Past. Spanbroek) 27 
Apr.-5 October 1762. 

f 5 Mei 1789. 



Leonardus 
Kuijtenbrouwer 
(Past. Buitenveldert) 
13 Mei-6 Oct. 1789. 
f Past. Emer. 2 Apr. 
1827. Secretarius. Vic. 
Gen. Capituli. 



Henricus Tomas 
(Pastoor Haarlem S. 
Thom. Aq.) i Mei- 
2 Oct. 1827. t (Past. 
Emeritus) 25 April 
1870. 



344 



VIERDE REEKS 


VIJFDE REEKS 


ZESDE REEKS 






NiCOLAAS HUISSEN 


Petrus v. Bergen 






i>7i Kan. v. Heiloo 


157 1 Kan. V. Heiloo. 






j »Sub finem i57S;< 


t In Juli 1575 (Chron.) 






(Chron.) 


(Opvolger Wij). 






(Opvolger 


Wolfius). 






WiLHELML 
DELF 

J. u 


IS ASSEN- 
lUS 

L. 






• Jacob Wij 
19 Oct. 1573 (Chron.) 

t 1589 ( ^ ) 


door den Bisschop 










ben. in 15; 
t AO. 1615 
canus. 


'6 (Chron. 
Vice-De- 






Joannes Nomius 
4 Nov. 1589 (Chron.) 
t In October 1599). 


QüIRINUS ( 


30STERUS 


AUGU. 


5TINUS 


Florentius 


S. Th. L. 


WOLFIUS 


VAN AlCKEMADE 


23 April 16 18 (Chron. 


S. ïh. L. 


S. Th. en J. U. L. 


t 25 JuH 1632. (Past. 


15 Dec. 1Ó17 (Chron.) 


27 Nov, 161 1 (Chron.) 


V. Alkmaar). 


f 19 October 1Ó35. 


Neemt ontslag 1 9 Oct. 






(Pastoor V. \ 


ïnkhuizen). 


1633 (Chron.) 

Joannes Nicolat 

Bannius 
26 April 1634 (A.C.) 
ï AO. 1636. 


Joannes 


Caterus 


Joannes 


Steenfns 


Nicolaus Verwer 


29 Juli- 12 Oct. 1632 


9 April 163 6 (A. C.) 


Is Kanunnik in 1 64 i 


(A. C.) Neemt ont- 


Z\"ecmt ontsl. tusschen 


(A.C.)t 13 Oct. 1647. 


slag 1650. (Pastoor V. 


1666 en 1669 (A. C.) 


(Past. te i\msterdam). 


Alkmaar). 




(Past. V. E 


dam). 


Secretarius. 



345 



VIERDE REEKS 


VIJFDE REEKS 


ZESDE REEKS 


Gerardus 






Petrus Isbrandi 


Braessemius 






(Past. Uitgeest) ^) 13 


(Pastoor Alkmaar) 1 1 






October 1648 19 Jan. 


Oct. 1650-18 April 






1649. t 17 Nov. 1650. 


165 1. t 17 Oct. 1652. 






Petrus van der 










Wielen 










(Pastoor Zandvoort) 8 










Juli-14 October 1653. 










Doet afstand 22 Apr. 










1659.-) 




GUILIELML 


IS Beijer 










(Past. Assendelft) 14 










Oct. i653.Secretarius. 










Afgezet 4 Oct. 1673. 










Barïholomeus 


David van der 


GuiLiELMus Schep 


VAN de Velde 


Meije 


S. Th. L. 


(Pastoor Noord wijk). 


(Pastoor Begg. Amst.) 


(Pastoor Amst. N. Z. 


Tusschen 1673 en 


2 Sept. 1670. t II 


Achterburgwal) Vic. 


16S5 benoemd, f Em. 


Nov. 1700. 


Harl. 6 Juli 1660. 


in Emmerik 21 Juli 






Doet afstand sviribus 


i6gi. 






deficientibus« 1 2 Aug. 


SiMON Coetenburg 


1 
Lamberïus Sciiaep 


1700. 




S. Th. B. F. 


(Pastoor Lisse) 2 Oct. 






(Past. Purmerend). 31 


'703-9 April 1704. 






Maart 1693. f 10 Mei 


f 10 April 1708. 






1712. 













') Op 23 October 1647 was door het Kapittel li''aller7<s Foniajrus gekozen, die 
te Amsterdam niedehelper van Marins was en ook Zaandam bedien^le; doch hij 
weigerde {Btjdr. v. Haarl. XV, blz. 348. 

2) Nadat hij op 14 J luuarl opgeroepen was opdat men van hem vernemen 
mocht of hij eeu graad wilde behalen of er van afzien <^Bij\1r, v. Haarl. XV, blz. 381). 



i46 



VIERDE REEKS 



VIJFDE REEKS 



ZESDE REEKS 



NiCOLAUS VAN 
SWEERINGEN 

(Pastoor Purm erend) 
26 April-3 Oct. 1713. 
t Juli 17 18. 

joannes van den 

Velde 
(Past. Purm erend) 4 
17 18-18 April 17 19. 
i Vóór 14 Jan. 1727. 

Florenïius 
Carolus Beaumont 
(Past. Stompwijk) 14 
Jan.-2 2 April 1727. 
f Vóór 6 April 1728. 

Petrus Weerts 
(Past. Purmerend) 6 
April-3 Aug. 1728. 
t 17 Mei 1756. (Past. 
Haarlem i. d. Hoek). 

Joannes Judocus 

Kramer 
(Pastoor Langendijk) 
5 Oct. 1756-27 Apr. 
1757- t Dec. 1783. 



cornelis 

Franciscus Krijs 

S. Th. L. 

(Pastoor Diemen) 17 

Apr.-Oct. 1 708. 1 Vóór 

8 Oct. 1720. 

Theodorus de 
Jager 
Velsen) 8 Oct. 
-[ Vóór ^ Au e. 



(Past 
1720. 

1728. 



JüANNES DE Jager 
(Past. 't Kalf) 3 Aug.- 
5 October 17 28. t 15 
Nov. 1739. 

Joannes Nanning 
(Pastoor Buiten veldert) 
4 Mei-4 October 1740. 
f 29 Sept. 1761. 



Joannes Stafford 
(Past. Haarlem in [den 
Hoek) 6 Oct. 1761-27 
April 1762. -;- 5 Maart 
18 16. Decanus. 



Jacobus 't Zull 
S. ïh. L. 
(Pastoor Amsterdam 
N. Z. Achterb.) 12 
Aug. 1700. t Vóór 
3 Oct. 17 19. 



Joannes Ringers 
(Past. Alkmaar) 3 Oct. 

17 19-9 April 1720. 
t 21 Augustus 1748, 
Secretarius. 

Jacobus de Roeper 
(Past. Bergen) 8 Oct. 
1748-22 Apr. 1749. 
ï 25 Maart 1772. 



547 



VIERDE REEKS VIJFDE REEKS 



ZESDE REEKS 



JOANNES KOCK 
(Past.Vogelenzang) 27 
Apr.-5 October 1784. 
ï 13 Jan- 178Ö. 



JOANNES AnDREAS 

Offer MAN 
(Past. Weeshuis Amst.) 
8 April-7 Oct. 1788. 
f 12 Nov. 181 1. 

JoANNES Gekteeer 
(Past. Enkhuizen) 12 
April 181 2- 11 Mei 
1813. t (Past. Amst. 
»'tDuifje<). t 13 Febr. 
1841. 



Henricus van 
LoTTo:\i 
(Pastoor Amst. -i-de 
Papegaai «) 27 April- 
5 Oct. 1S41. f Emeri- 
tus 3 December i86g. 
Secretarius. 



Gerardus Anto- 
nius van der lugt 
(Past. Amst. S. Cath.) 
30 April-8 Oct. 1816. 
f 28 September 1855. 
Secretarius. 



TlIEODORUS 

Baasjen 
(Pastoor Crommenie) 
6 Oct. 1772-5 Oct. 
1773- t (Past. Blok- 
ker) 2 Jan. 180O. 

CoRNELius Bakker 
(Past. Purmerend) 22 
Apr.-7 October 1806. 
f 22 Aug. 18 14. 



JOANNES 

Theodorus Spaan 
(Past. Haarlem Begg.) 
4 Oct. 1814-1 1 Apr. 
181 5. t 5 Nov. 1842. 



Gerardus 

Zwaanenburg 

(Past. Spanbroek) 2 

Mei-3 October 1S43. 

f 23 Nov. 1846. 

Joannes Lamber- 

Tus Bekker 
(Pastoor Velsen) 20 
April-5 Oct. 1847. 
f (Past. Purmerend) 
23 April 1873. 



34S 



ZEVENDE REEKS 



ACHSTE REEKS 



NEGENDE REEKS 



Alstexius 
Blomert 
157 1 Kan. V. Heiloo. 
f i6og » Senior. Can.« 
(Chron.) Vice-Dec. 
(Opvolger vermoede- 
lijk Jud. Catzius). 



JuDOcus Catzius 
Is Kan. in 1 6 1 8 (A. C.) 
Decanus in 1628 (Hi- 
storia Ep. Harl.) f 12 
Jan. 1 64 1 . (Past. in den 
Hoek te Haarlem.) 



Wilhelmus Coo- 
pallius 

10 Sept. 1642 (A. C.) 
t 5 Oct. 1662. (Past. 
van Monnikendam). 
Archidiac. Dec. Cap. 
voor Amsterdam en 
X.-Honand. 



Georgius Lesta- 

NIER 
157 I Decanus v. Geer- 
vliet, f tusschen '1572 
en 1573 (Chron.) 
(Opvolger Gansius). 

SiMON Gansius 
19 Oct. 1573 (Chron.) 
f 15 84 (Chron.) Offi- 
cialis. 

Wilhelmus 

Crucius 

S. Th. L. 

7 Sept. 1612 (Chron.) 

Van het Kanonikaat 

ontheven 161 8 (A.C.) 

JöES Albertus 

Bannius 

J. U. D. 
26 Juni-5 Dec. 16 18 
(A. C.) Nam ontsl. 1645 
(A. C.) Protonot. Ap. 
(Kapelaan Plaarl.) 

Gerardus Eenhusius 

10 Maart 1643 (A.C.) 
t 25 November 1647 
(Pastoor van Hoorn). 



PAULUS BOTIUS 
157 1 Kan. V. Geer- 
vliet, f 15Q6 (Chron.) 
(Opvolger vermoede- 
lijk Sixtiu.s). 



Sybrandus SiXTlUS 
door den Vic. Apost. 
benoemd A^. 161 2 
(Chron.) f 9 Januari 
1631. Vic. Gen. sede 
vac. Praepositus. 

augustinus 

Blommertius 

28 Jan. 163 1 (Chron.) 

Nam ontslag 1643. 

(Kapel. Haarlem.) 



Corneüus Catzius 

J. U. D. 
10 Alaart 1643 (A.C.) 
f 3 Jan. 167 I. Secret. 
Vic. Gen. s. vac. De- 
canus. (Pastoor Begg'. 
Haarlem). 



349 



ZEVENDE REEKS 


ACHTSTE REEKS 


NEGENDE REEKS 


Hexricus Blessius 


Andreas van der 


JOANNES DE GrOOT 


S. Th. D. 


Cruijce 


S. Th. B. F. 


(Pastoor Noordwij k). 


(Past. Amst. S. Will. 


(Past. Haarlem in den 


Ben. i6Ó2-63.f 8 Apr. 


buiten) ig Jan.-i3 Apr. 


Hoek) 16 Apr.-6 Oct. 


1673. Vic. Frisiae. 


1649. f 29 April 1663. 


167 I. f 6 Nov. 1692. 










Secretarius. 


Theoe 


ORUS 


1 
JOSEPH COUSEBANT 






ViSSCHER 


S. Th. D. 






(Past. Piirm erend) 3 


(Past. Begg. Haarl.) na 






ApriI-3 Oct. 1674. 


29 Apr. 1663. 1 ) 2 Apr. 






;■ 6 Mei 17 15. 


1645. Decanus. Provic. 










Franciscus van 


Martinus de 






Groenhout 


SWAEN 






S. Th. B. F. 


(Past. Haarlem i. d. 






(Past. 't Kalf) 8 Juni 


Hoek) 31 Maart 1693. 






1700. f Vóór 7 Mei 


ï 30 Maart 17 13. 






1715- 


Secretarius, Decanus, 
Vic.-Gen. Had. 


Gerardus van 


Stephanus van der 






WiJKERSLOOïH 


Werve 






(Past. Amst. S. Anna) 


(Past. Haarlem, in den 






8 Oct. 17 15-21 Apr. 


Hoek) 7 Mei-8 Oct. 






17 16. t Vóór 7 Oct. 


17 15. t Vóór 18 Apr. 






1727. 




1 7 1 9. Secretarius. 










Franciscus 


JOANNES VAN DEN 






CORNELIUS DiEROUT 


Steen 






(Pastoor Begg. Amst.) 


(Past. Wormer) 3 Oct. 






18 April.-3 Oct. 17 19. 


1713-15 Mei 17 14. 






ï 8 Sept. 1745. 

1 


f 23 Mei 1748. (Past. 
Haarlem i. d. PJoek). 










Decanus. Aartspr. v. 










H. Z. en 


W. 



35Ö 



ZEVENDE REEKS 


ACHTSTE REEKS 


NEGENDE REEKS 


SiMON, Hermanus 


Amandus de Weert 


Arnoldus Ignatius 


Oem 


(Past. Wormer) 5 Oct. 


VAN DE Velde 


(Pastoor Berkenrode) 


1645-26 April ,1746. 


(Pastoor in 't Veld) 


7 Oct. 1727-6 April 


f 16 Maart 1769. 


8 Oct. 1748-22 Apr. 


1728.-;- (Past. Amst. S. 






1749. Trad uit het 


Cath.) 25 Mei 1770. 






Kapittel 7 Oct. 1766. 


Decanus. 










FOLCUINUS VAX 


JOSEPH 


Maju 






Ester 


(Past. Wormer) 1 1 Apr. 






(Past. Hoorn) 8 Oct. 


-3 Oct. 1769. t 2 Jan. 






177 1-5 Mei 1772. t 7 


1792. Secretarius. 






Nov. 1775. 








Petrus Top 


Henricus Fran- 


Wilhelmus a'an 


(Pastoor Oudorp) 2 1 


ciscus Hecking 


Leeuwen 


Apr.-S Oct. 1776.1 13 


(Past. Amst. St. Willi- 


(Past. Purmerend) 5 


Febr. 1785. 


brordus buiten) 8 Oct. 


Mei-6 Oct. 1767. t 20 






1793-6 Mei 1794. ï 24 


Januari 1803. 






Sept. 1808. 






EVERARDUS 


LUDOVICUS QUESNEL 


Joannes 


Henricus 


Petrus VAN der Aa 


(Pastoor Overveen) 18 


Lexius 


(Pastoor Zaandam) 12 


Apr.-3 Oct. 1809. t 25 


(Past. 't Kalf en Prof. 


Apr.-4 October 1785. 


Juni 1813. 


Warmond) 26 Apr.- 


f (Past. Wateringen) 






4 Oct. 1803. t (Past. 


17 Maart 1815. 






Amst. » Posthoorn*) 
3 Juli 18 17. Decanus. 


Theodokus 


La^^ibertus 






GusTAVUs Seegers 


IGNATIUS GeERES 






(Past. Haarlcmmerlie) 


(Pastoor Berkenrode) 






1 1 Apr.-3 Oct. 18 15. 


2 Oct. 1813-26 April 






t 13 Mei 


i«37- 


18 14. t 7 


Oct. 1817. 







351 



ZEVENDE REEKS 



ACHTSTE REEKS 



NEGENDE REEKS 



Henricus AWATEPv 
3 Oct. 1 837-1 Mei 
1S38. t Emer. (Past. 
Amsterd. ;>Duifje*) 15 
Mei 1863. 



Antonius Henricus 
JoANNEs Term ARS 
(Past. Haarlem >Vier 
Heemskind.*) 8 Oct. 
1818-27 April 1819. 
f 7 October 1858. 



Joannes Fran- 

ciscus VAN Camp 

(Past. Westerblokker) 

7 Apr.-8 Oct. 1818. 

t 26 Nov. 1841. 

Joannes Splithoff 
Past. Westwoud) 1 2 
Apr.-4 October 1842. 
t 5 November 1869. 



Overv^een, 10 Mei igi8. 



J. J. GRAAF. 



ADAM BECKERS VAN .DE KRIJTBERG. 

TE AMSTERDAM IN BETREKKING TOT ZIJNE 

KERKELIJKE OVERHEID. 



Onder de kerkelijke Overheid met wie Adam Beckers 
gedurende zijn verblijf in den Krijtberg te Amsterdam 
in betrekking kwam, wordt hier op de eerste plaa,ts 
verstaan de Congregatio de Propagande fide, waar- 
onder de Hollandsche Zending behoorde; de beide 
Nuntii Zondadari en Brancadoro, van wie de eerste 
gedurende de jaren 1 786-1 790, de tweede van 1790- 
1795 het bestuur voerde over de Noordelijke provin- 
ciën 1) ; en ten derde H. F. Ten Hulscher, die als 
aartspriester van Holland en Zeeland maar afhankelijk 
van den Nuntius over de jaren 1787-1811 de geeste- 
lijke belangen der Missie behartigde. 

Dat deze verhouding van Adam Beckers tot zijne 
kerkelijke Overheid even weinig vriendschappelijk als 
stichtend was, zal den lezer uit de volgende blad- 
zijden blijken. 

Bij het overlijden van den hoogbejaarden Pater Caers, 
den 7eu Juni 1762, was in den nog altijd door de 
Staten officieel gesloten » Krijtberg* als pastoor ge- 
volgd, zijn medehelper Pater jNIathias Thoma.ssen. 



') Bij verscliillende geschiedschrijvers wordt de duur der nuntia- 
tuur van Caesar Brancadoro verschillend aangegeven : de aantee- 
keniug van Ten Hulscher: »Aug. 1795: ab initio Augusti incepit 
ministerium Ampl. Dni Ciamberlani pro tempore Vice-Superioris 
IMissioniss, maakt aan allen t\vijfel een einde. 



.)53 

On<ler zijn herderlijk bestuur werd den 2 i^" Juli 1773, 
bij breve van Paus Clemens XIV »l)ominus ac Re- 
demptor r, de Orde der Jesuieten opjjeheven, maar, 
onder goedkeuring" van den Nuntius Ghilini (1763- 1773), 
mochten de Jesuieten, als gesaecularisecrde priesters, 
in hunne Staties werkzaam blijven. Zoo ook deed 
Pater Thomassen. 

Maar toen Pater Thomassen, ofschoon slechts 67 
jaren oud. de lasten gevoelde van den ouden dag, 
noodigde hij Adam Beckers, buiten de kerkelijke 
Overheid om, naar Amsterdam, om hem tot mede- 
helper en straks tot opvolger te wezen in zijn heilig 
dienstwerk. En hoewel Adam Beckers »het zelf niet 
begeerde*, begaf hij zich, voordat de Nuntius op zijne 
aanvrage eene beslissing genomen had, naar Amsterdam, 
waar hij in het begin van December 1786 aankwam. 

Intusschen richtte de Nuntius Zondadari den 7 en 
December 1786 tot den aartspriester Meylink het vol- 
gende schrijven, waarin, naar aanleiding van het door 
Beckers uitgesproken verlangen, inlichtingen werden 
gevraagd omtrent de vStatie, en, omtrent de mogelijk- 
heid, om buiten de burgerlijke macht om, aan Pater 
Thomassen een opvolger te bezorgen i). 

>Sacerdos Beckers, exstinctae Societatis Jesu mem- 
brum, et, ut refert, tibi apprime notus, vir doctrina, 
prudentia et zelo ab Kmo Archiepiscopo Mechliniensi 
etiam quam maxime commendatus, superioribus die- 
bus, nobis exposuit, ut, non quod ipse desideret, sed 
propemodum sit requisitus in coadjutorem Pastoris 
Amstelodamensis (pariter membrum ejusdem exstinctae 
societatis) D. IMathiae Thomassen, qui, ob devexam 



') De verschilleude in dit opstel medegedeelde docuuieulen 
berusten alle, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk wordt aangegeven, 
in het bisschoppelijk oud-arcliiff te Haarlem. 

23 



.VS 4 

aetatem vel sanitatis debilitatem, incapax in dies deve- 
nit ad sustinenda onera pastoratus. Attanien, priusquam 
in facto non parvi momenti aliquid a nobis determine- 
tur super hac re, consilium et lumen ab Ampl. ïua 
requirere in votis habuimus, et ea praecipue de ratione, 
quia ignoramus, qui sit talis Stationis status, an videli- 
cet publica sit vel non, et utrum revera talem succes- 
sorem habere possit, inconsulto Magistratuc 

Adam Beckers — en niet Bekker en Beker zooals 
hij door de Propaganda genoemd wordt ^) — wiens 
kennis, voorzichtigheid en ijver door den aartsbisschop 
van Mechelen geprezen wordt, was den 15611 Juli 1744 
te Maastricht geboren. Aldaar ontving hij aan het col- 
lege der Jesuieten zijne opleiding, en trad den 30^'^ 
September 1762 te Mechelen in het noviciaat. Na het 
herhalen zijner lagere studiën te Antwerpen, onder- 
wees hij de schooljeugd in de colleges van Maastricht, 
Mechelen en Roermond. Bij de opheffing der Sociëteit 
in 1773 begaf hij zich naar de Universiteit te Leuven, 
werd in 1775 te Keulen tot priester gewijd, en be- 
haalde in 1777 den graad van bacelier in de god- 
geleerdheid. Als priester oefende hij in België onder 
andere te Mechelen de geestelijke bediening uit. In 
1783 was hij te Maastricht, dingend, maar tevergeefs, 
bij den deken en het kapittel der S. Servaaskerk naar 
de parochie van S. Jacob. Op het einde van 17 86 was 
hij te Amsterdam, en reeds, voordat hij door zijne 
kerkelijke Overheid als dienstdoende priester op de 
Missie was toegelaten, toog hij aan den arbeid. Den 
5^0 April 1787 legde hij in de handen van W. S. 
Huydecoper den poorterseed af, waardoor hij als 
Amsterdamsch burger erkend en door de wereldlijke 
overheid als dienstdoende priester was toegelaten. 



') Archief van Uir.: dl. XXXVI, blz. 297. 



31^ 

Tegelijk wist hij zich de persoonHjke vriendschap te 
winnen van ]\[r. Joachim Rendorp, wiens invloed hem 
later zeer zou te stade komen ^). 

Op de vraag' van den Nuntius, ten aanzien van de 
toelating van Adam Beckers te Amsterdam, bleef de 
aartspriester Meylink, ofschoon hij zijne laatste levens- 
maanden doorleefde — hij stierf 28 Sept. 1787 — het 
antwoord niet schuldig; maar verzette zich met kracht 
tegen de komst van den Eerw. Heer Beckers, een 
vreemdeling in de Missie, wiens voorbeeld op de 
andere priesters, zoo regulieren als saeculieren ver- 
derfelijk zou werken, waardoor een geregeld en orde- 
lijk bestuur voor den aartspriester onmogelijk werd. 
Alle kerkelijke rechtsmacht werd door den aartspriester 
tenstrengsteaanden ingedrongen vreemdelingonthouden. 

En in deze zienswijze -vverd de aartspriester 
door de Congregatie de Propaganda fide bijgevallen. 
Dit blijkt reeds uit de bloote titels der stukken, welke 
in het archief der Propaganda aanw'ezig zijn, en waar- 
uit de inhoud en strekking der met de Roomsche 
Curie gehouden briefwisseling kan worden opgemaakt. 

Zoo maken de titels der in 1787 gewisselde stuk- 
ken melding >van een gerezen meeningsverschil tus- 
schen Mgr. Zondadari, Apostolischen Nuntius te Brussel 
en den Aartspriester van Holland, naar aanleiding van 
de komst van Pater Beckers, een priester uit den 
vreemde, in eene pastorie te Amsterdam*. 

>De H. Congregatie bepaalt, dat de priester Adam 
Beckers op geenerlei wijze moet worden toegelaten 



') Allard, H. J. : De Siut Frauciscus Xaveriuskerk te Amster- 
dam, tweede vermeerderde uitgave, Amsterdam, C. L. van Laugeu- 
huysen, 1904, blz. 107 — irs. 

Joadiim Rendorp behoorde in 17S6 tot de vier burgemeesters 
der stad Amsterdam. 



tot medehelper van den pastoor, don cx-Jesuiet 'Iho- 
massen, in de Statie te Amsterdam, maar zelfs onder 
bedreiging van suspensie uit de stad moet worden 
teruggeroepen. En in dien geest is den Nuntius Apos- 
tolicus geschreven geworden «. 

Controversia insorta tra Mgr. Zondadari Nunzio 
Apostolico in Bruxelles e l'arciprete d'Olanda all' oc- 
casione di essersi intromesso l'abbate Becker[s], sacer- 
dote estero, in una cura di Amsterdam 1787. 

La S. C. decreta, che il sacerdote Becker[s] non 
deve in modo alcuno deputarsi in coadjutipne del pa- 
roco es-Gesuita Thomassin[en] nella stazione di Am- 
sterdam, anzi che debbasi richiamare da quella citta 
sotto pena di sospensione. 

E che si scriva al detto Mons. Nunzio Apostolico 
juxta mentem i) 

Blijkbaar had Adam Beckers en niet minder pas- 
toor Thomassen deze beslissing der Congregatie voor- 
zien; want om te meer zekerheid te hebben, dat de 
kerkelijke Overheid ten langen leste voor hunne be- 
raamde plannen zou bezwijken, had pastoor Tho- 
massen den 1 2en Sept. 1787 voor notaris Velthu)^zen 
te Amsterdam bij notarieele akte verklaard, dat reeds 
den 3oeu Januari 1787 de pastorie van den Krijtberg 
met al haar toebehooren aan Adam Beckers in eigen- 
dom was overgegaan; en [ongeveer tezelfdertijd was, 
blijkens een brief van Stafford, den i^en December 
1787 aan Ten Huisdier geschreven, de Krijtberg door 
Huberti en de zijnen gekocht geworden-'). 



') Arthuf V. Utr.: dl. XXXVilI, blz. 217— 2iS. 

2) Deuzelfdeu ijver, dieu de familie Huberti te Amsterdam aan 
den dag legde voor het behoud van »de Krijiberg« iu de hauuen 
der Jesuieten, toonde later hnar zoon, Pater Michaël Huberti, 
voor de Statie Culenborsf. 



357 

Exiract uii ccnc iiolariclc akte chfi u September 

lyS/ verleden voor den notaris N. Velthuyzen 

te A}i! ster dam. 

Compareerde de Weleerw. Heer Mathias Thomassen, 
Roomsch pastoor in de kerk genaamd »de Krijtberg*, 
geleegen binnen deeze Stadt nabij de Katersteeg, de- 
welcke verklaarde reeds op den 30 January dezes jaars 
aan den Weleerw. Heer Adam Beckers, Roomsch 
priester alhier te hebben afgestaan en overgegeven al 
hetgene tot het dienstwerk van zijne comparante pas- 
tory behoord, dan omme daarvan een nadere blijk te 
geven, verklaarde de Heer comparant bij dezen aan 
voornoemden Heer Adam Beckers alsnoch af te staan 
en over te geven zijn comparants pastory, of te wel 
al hetgene daartoe eenigsints behoord of het dienst- 
werk van gedachte pastory betreft, met alle doszelvs 
emolumenten, praerogativen, rechten en voorrechten, 
niets daarvan hoe ook genaamd uitgezonderd, aannee- 
mende en beloovende omme den meergcmelden Heer 
Adam Beckers altoos te zullen laten in de volle en 
vreedige possessie van meergemelde pastory, zonder 
ZijnEd. daerinne te zullen hinderen of eenig beletzel 
aandoen ofte zullen gedoogen, dat zulks in zijnen naam 
geschied, onder welk voorwendsel hoe ook genaamd. 

Brief van Stafford te Haarlem aan Ten Hnlscher, 
deji 14 Dec. ijSy. 

Ik heb over tien dagen over Beckers een zeer wijd- 
loopigen brief geschreven, en aan Zijne Eminentie be- 
wezen, dat die man zonder de schreeuwendste onbillijk- 
heid in den Krijtberg niet kan geplaatst worden, en 
voorzegd door welke middelen hij zig zoude zoe- 
ken in te dringen, en dat ik niet kon begrijpen, dat 
de aartsbisschop van Mechelen zig zoo sterk voor dien 
persoon blootstelde. Ik meen alsnog, dat men hem 
(indien zulks mogelijk is) met handen en voeten moet 
weeren. De pretense koop van den Krijtberg is een 
stukje van Huberti en de zijnen, maar al moest de 



358 

geheele Krijtberg voor altoos vliegen, Zijne Eminentie 
moet voor altoos aan dien indringer alle geestelijke 
jurisdictie weigeren. Gelieft Uwe Ampl. dat ik hier- 
over aan Zijne Em. schrijve, als met of buiten uwe 
kennis, ik ben bereid. 

Maar nu was Adam Beckers door de Congregatio 
de Propaganda fide gesuspendeerd, tenzij hij de stad 
zou verlaten ! En de Nuntius zelf had hem van deze 
beslissing in kennis gesteld h, doch Beckers gaf 
taal noch teeken, maar begaf zich naar de hooge 
Magistraatspersonen der stad, bij wie hij zich over de 
handelwijze zijner kerkelijke Overheid beklaagde. Van 
wien der vier burgemeesteren uit het jaar 1787 Adam 
Beckers de bijzondere gunst genoot, weet ik niet 2), 
maar hun college was terstond bereid voor den jeug- 
digen Amsterdamschen burger Beckers, de partij op 
te nemen, tegen eene Congregatie, die zich wonder- 
lijk genoeg den naam gaf van Voo7'tplanting des ge- 
loofs, en nu alles op haren en snaren stelde, om een 
man, die onder hunne bescherming stond, uit de stad 
te doen vertrekken. En om hun wil door te drijven, 
stonden hun 's lands plakkaten ten dienste, waarmede 
zij konden dreigen de stedelijke bedehuizen te sluiten, 
indien de onwillige kerkelijke Overheid zich niet naar 
hunne wenschen verlangde te schikken. 

Deze wenschen werden aan Ten Huisdier, die bij 
een der voornaamste Magistraatspersonen op bezoek 
was, bekend gemaakt; maar daar hij, eerst sinds den 
lo^;" October 1787 tot aartspriester van Holland en 
Zeeland aangesteld, met de zaak van Adam Beckers 



') Dit blijkt uit het schrijven des aartspriesters van 4 Jan. en 
15 Febr. 17SS, waarover straks. 

i) Burgemeesters in dat jaar waren : Pieter CUfford. Willem 
Gerrit Dedel Salomousz., Jan van de Pol, Matthijs Straalman. 



359 

niet op de hoogte was, moest hij, bij al den smaad, 
welke aan de uitspraak der Congregatie, van de zijde 
des burgemeesters, ten deel viel, het passende ant- 
woord schuldig blijven: zooals hij trouwens zelf in een 
brief van 23 Deo. 1787 aan den Nuntius mededeelde- 

i> Relate ad D""i» Beckers iterum hoc novi percepi, 
quod indignationem vestram non minus quam meam 
erga ipsum ejusque asseclas commovebit, scilicet: ali- 
quot abhinc diebus in visitatione quadam apud Prima- 
rium sive Presidem, ut vocant, nostrae civitatis consu- 
lem, facta, interrogatus fui ab eodem Praenob. D"o^ 
quaenam subsisterent discordiae cum Dno Beckers ab 
una et cum superioribus ecclesiasticis ab altera parte; 
quare iste vir ab his adeo persequeretur, quomodo istud 
collegium, cui nomen de Prop. Fide (N. B.), tam im- 
prudenter tam indiscrete agere posset, reclamando 
sive revocando ex hac urbe quemquam, qui ei vis esset 
Amstelodamensis et cui ob hanc qualitatem promissa 
erat protectio, quae, si opus foret, ipsi quoque effica- 
citer concederetur. Ex his verbis E» V^ mecum facile 
colliget, quomodo iste ex-Jesuita vel salrem ejus assec- 
lae superiores nostros ecclesiasticos traduxerint et per 
suas relationes apud Regentes nostros habitas, causam 
dederint Eminentos Patres S. Congr. arguendi impru- 
dentiae et indiscretionis, quod cui mansuetissimo etiam 
bilem non coramoveret summam? Negotio tarnen hoc 
mihi tune temporis n'ecdum satis cognito, tacere debui, 
prima tarnen data occasione illud idem aperiam, et S, 
congr. a tali objurgatione facta penitus vindicabo. Inte- 
rim res illa eousque redacta est, ut E^ Va una mecum 
omnem adhibeat operam atque impediat, ne iste Bec- 
kers jurisdictionem, quam tam perverse quaerit, con- 
cedatur, imo melius esse judico, quod nos toti huic 
Jesuitarum oratorio (si alias non possit) renuntiemus, 
quam ut seditiosus quisque taliter abuteretur auctori- 
tate ecclesiastica, et Sacram Congr. ad suum sensum 
protraheret, congeretque ad dandam sibi jurisdictionem, 
quod malus quisque sui oblitus etiam attentare posset. 
Proinde nou inconsultum duco, si tarnen Ea V» ita 



360 

placLierit, (juod lïininentiss. ("ardin. Alechl,, ({ui (ut 
audio) istius Beckers in se susceperit patrocinium, uti 
et Eminent. S. Congr. Patres desuper instruantur; et 
de hoc Ds Stafford, quocum super hac re locutus sum, 
dabit ad E^™ Vam propediem ampliores litteras, in quibus 
se hoc idem exponere veile promisit«. 

En onder de minute van dezen brief schreef de 
aartspriester, dat hem den 4 en Januari 1788 door den 
Nuntius aangaande Adam Beckers geschreven was : 

»Ouod ipse revera a Sacra Congr. ex urbe hac esset 
evocatus, quodque esset monitus de sua inobedientia 
ab ipsomet Emo Dqo per litteras speciales, ad quas 
tarnen nullum dederat responsum ; ulterius laudat et 
instigat me, ut juxta meas litteras S. Congr. vindica- 
rem a facto opprobrio, sed necessarium putat, ut melius 
instructus omni cum prudentia in hoc negotio proce- 
dam. Quod etiam modo feceram in aliquo habito collo- 
quio cum Presule consule, qui mihi significavit, se sal- 
tem pro nunc instare non veile pro admittendo Duo 
Beckers, sed me cum hoc negotio usque ad aliam reso- 
lutionem sumendam expectare posse«. 

Intusschen liep de zaak van Adam Beckers geheel 
anders dan de aartspriester zich had voorgesteld. 
Meende hij aanvankelijk den ingedrongen en weer- 
spanningen priester te kunnen weren door hem alle 
geestelijke rechtsmacht te ontzeggen, en zelfs het ver- 
lies van >de Krijtberg*;: op 't spel te zetten, thans 
werd hij-zelf door de stedelijke regeering gedwongen^ 
blijkens een brief van 15 Febr. 17S8 gericht tot den 
Nuntius, om voor Adam Beckers niet enkel ontheffing 
zijner suspensie maar zelfs jurisdictie aan te vragen, 
wilde hij niet zijn eigen bedehuis gesloten, en andere 
rampen over de geheele Missie zien nederdalen. 

>Post tantum laborem totque difficultates exortas ob 
negotium D"i Beckers placuit tandem magistratui urbis 



36i 

nostrae iiluin admittcre pro oratoriü vuigo de Krijt- 
berg, mihique injunxit juxta resolutionem a magistratu 
sumptam et a praeside consule significatam, ut juris- 
dictionem ipsi procurarem pro ininisterio necessariam, 
qua ulterius negata, maxima timeo damna missioni toti 
obvenienda. Peto itaque Ei^V'», ut quam primum sus- 
pensionem praedicti Beckers sublevare et jurisdictio- 
nem petitam concedere dignetur, quod si forsitan in 
vestra non esset potestate, cum res ista ad S. Congr 
delata sit, saltem ad interim facultatem non deneget. 
quaeso, donec S. Congr. desuper postea disponet. Res 
enim nullam partitur moram, et cogor ego ab omni 
parte, cui si non cedam, maximas confusiones timeo. 
Hae sunt sequelae modo a tot viris ante me praevisae! 
Non omitterem alias desuper addere reflexiones, si 
easdem tuto calamo concredere possem, cum autem 
rationem habeo suspicandi, quod negotia, quae intra 
nos, ut putabam, occulte peragerentur, aliis imo et laicis 
patefiant, hinc, ne ego in hac miserabili vicissitudine 
rerum sacrificer, silentium mihi injungitur maximum, 
dato tempore et occasione rumpenduni*. 

Onder den indruk der dreigende gevaren werd even- 
eens den iSen Februari 1788 door den aartspriester 
een uitvoerig schrijven gezonden aan de Congregatio 
de Propaganda fide, waarin het geheele verloop der 
geschiedenis met Adam Beckers in den breede werd 
uiteengezet, en waardoor de latere beslissing der Con- 
gregatie door Pater Allard eene » verrassende* ge- 
noemd i), alleszins verklaarbaar en natuurlijk wordt. 

Na eerst aan de doorluchtige Vaders kennis te heb- 
ben gegeven van zijne verheffing tot het aarstpriester- 
schap, komt terstond het geval van Adam Beckers 
ter sprake. En hij schrijft in hoofdzaak : 

Deze priester, een Alaasirichtenaar van geboorte, en 
onderdaan van den bisschop van Luik, ten aanzien 

') L. c. blz. III. 



362 

onzer Missie geheel en al vreemdeling, had, door tus- 
schenkomst zijner vrienden, zich de genegenheid ver- 
worven van den Apostolischen Nuntius, en toestemming 
van hem ontvangen i), om te Amsterdam den ouden 
en afgeleefden ex-Jesuiet Thomassen als medehelper 
ter zijde te staan, en na diens dood als pastoor in de 
Statie op te volgen, doch, onder voorwaarde, dat zijne 
beschikking de goedkeuring zou wegdragen van mijn 
voorganger in het aartspriesterschap, den Heer Me3'link. 
Maar deze allerwaardigste man, overwegende, dat bij 
de opheffing der Sociëteit van Jesus ook hare voor- 
rechten waren opgeheven; dat hare leden, die meeren- 
deels in het geheim in de Missie werkzaam waren, op 
denzelfden voet als de wereldsheeren dienden behan- 
deld te worden; voorziende, dat uit deze voorwaarde- 
lijke beschikking zeer vele moeilijkheden zouden rijzen 
in de Missie, als zijnde in strijd met hare bepalingen 
en gevestigd bestuur; oordeelde zijne goedkeuring 
aan deze ongewone verheffing van Beckers te moeten 
onthouden, en weigerde beslist hem geestelijke rechts- 
macht te verleenen; welke handelwijze later door den 
Apostolischen Nuntius werd goedgekeurd en bekrach- 
tigd. Want de aartspriester voorzag, dat er in de 
Missie een gemor onder de saeculieren en regulieren 
zou opgaan, indien een vreemde priester, die niet de 
minste aanspraken had op de Missie, en geheel onbe- 
kend was met hare kerkelijke en burgerlijke wetten, 
in de hoofdstad des rijks ongestraft kon binnendringen. 
Bovendien werden zoovele inlandsche priesters, die 
jaren lang, volgens den wensch des aartspriesters, 



') Hier is de aartspriester niet geheel juist. Adam Beckers was 
al te Amsterdam werkzaam, toen de Nuntius nog iulichtingeu 
inwon bij den aartspriester. 



363 

werkzaiiin waren geweest op arme en afgelegen plaatsen, 
smadelijk voorbijgegaan. 

Mijn voorganger voorzag, dat door dit voorbeeld 
aan andere ex-Jesuieten, ja ook aan priesters van deze 
Missie, de weg werd gebaand, om zich van elders 
vreemde priesters als medehelpers te ontbieden, of om 
zich ergens, krachtig door den steun van invloedrijke 
personen, tegen den wil der kerkelijke Overheid, in 
te dringen. Hij voorzag, dat het bestuur der Missie 
ten onderste boven gekeerd werd, indien de saeculie- 
ren het voorbeeld van hen, die eens regulieren waren, 
poogden na te volgen. Hij wist, dat, overeenkomstig 
de in de Missie geldende regelen, het niemand vrij 
stond zich eene standplaats naar keuze te kiezen, maar 
dat aan allen door den aartspriester eene bepaalde 
Statie werd aangewezen. Hij wist, dat, terecht in de 
Missie als regel gold, dat een kapelaan zijn pastoor 
niet op kon volgen, om daardoor den jongeren priesters 
den pas af te snijden, zich door de gunst der leeken 
in betere Staties in te dringen. Hij wist, dat volgens 
gewoonte op de ]\Iissie, al die priesters weerden afge- 
stooten, die met behulpvan kerkmeesters of regeerings- 
personen eene Statie poogden te bemachtigen. En door 
de ondervinding met dat soort van menschen opge- 
daan, vreesde de aartspriester niet zonder grond, dat 
ook Beckers, hetzij zelf, hetzij door zijne vrienden tot 
deze middelen zijn toevlucht zou nemen, en helaas, de 
uitkomst heeft 's mans bezorgdheid in het gelijk ge- 
steld. Door deze overwegingen geleid, heeft mijn voor- 
ganger standvastig geweigerd om Adam Beckers toe 
te laten. 

Het is onnoodig om voor de doorluchtige Vaderen 
nader uiteen te zetten, wat verder met Adam Beckers 
is voorgevallen; het zij mij alleen geoorloofd met een 



364 

enkel woord aan te geven, hoe de zaak op het oo^en- 
blik gesteld is. 

Op den i2e'i Februari jl. kwam de eerste magistraats- 
persoon der stad mij mededeelen, dat de vroede vaderen 
dezen morgen hadden besloten, om Adam Beckers tot 
de Statie van Pater Thomassen toe te laten, en ver- 
wachtten, dat hij ook door mij zonder dralen zou wor- 
den aangenomen. Toen ik daarop tegenvoerde, dat dit 
mijne bevoegdheid te buiten ging, vrerd ik bedreigd 
met het sluiten der bedehuizen in de stad. Tot al die 
ellende zijn w-ij door het drijven van Adam Beckers 
en zijne handlangers vervallen. Om diezelfde reden 
kan ik maar geen. pastoor aangesteld krijgen in eene 
andere Statie, die nu reeds 5 maanden open staat. 
Nog is er in de stad eene andere Statie vacant, waar- 
voor ik hetzelfde lot vrees. Bovendien, indien van de 
hoofdstad zulk een voorbeeld van tegenwerking uit- 
gaat, is de vrees "niet denkbeeldig, dat de gevolgen 
zich aan de geheele AJissie zullen doen gevoelen. Der- 
halve, ofschoon Adam Beckers om de wijze, waarop 
hij in de schaapskooi is binnengedrongen, elke goed- 
gunstige beschikking onwaardig is, geef ik evenwel 
uwe doorluchtige Vaderen met allen eerbied in be- 
denking, of het niet beter is hem in de Missie toe te 
laten, opdat niet, door de schuld van één man, geheel 
de kudde zou schade lijden. Ik bid u derhalve zich over 
onzen treurigen staat, zoo spoedig mogelijk, te erbarmen. 

Ten laatste moge ik u in overweging geven, of het 
niet geraden is aan Adam Beckers — gesteld dat hij 
in de Missie wordt aangenomen — en aan allen, die 
eertijds leden waren der Sociëteit van Jesus onder 
zware straffen te verbieden, zich geen andere mede- 
helpers te kiezen dan wereldsheeren, die hier geboren 
zijn, en dan onder goedkeuring- van den aartspriester 



3^5 

te dien tijd. Bovendien mvig'e den Nuntius Apostolicus 
in opdracht worden gegfeven, aan geen buitenlandsch 
priester eenige geestelijke rechtsmacht in deze gewesten 
te verleenen, zonder den aartspriester geraadpleegd te 
hebben. Want het blijkt maar al te duidelijk, tot welke 
treurige gevolgen de handelwijze van den Nuntius 
Apostolicus, hoe wijs en voorzichtig hij overigens moge 
wezen, door onbekendheid met onze plaatselijke toe- 
standen, aanleiding geven kan. En dat ten laatste, 
geheel overeenkomstig de bepalingen en verordenin- 
gen der H. Congregatie, de Nuntius Apostolicus geen 
regulier-priester naar de Missie mag zenden, zonder 
eerst het gevoelen van den aartspriester te hebben 
ingewonnen, en dan, dat iedere missionaris in het bij- 
zonder verplicht is, zijne zendingsbrieven ter inzage en 
ter goedkeuring te vertoonen aan den a a.rtspri ester : 
anders toch is een geregeld bestuur in de Missie 
ormiogelijk. 

De brief, waaraan bovenstaande bijzonderheden ont- 
leend werden, luidt als volgt: 

Eiiiineiiiissimi Domini ac Patres, i) 

»Cum Exmo Dno Zondadari Nuntio Apostolico pla- 
cuisset me nihil hujusmodi merentem ante quatuor 
menses ad munus presbyteratus Hollandiae ac Zee- 
landiae eligere, non absre futurum, imo partem officii 
mei esse putavi S. Congregationem de hac mea elec- 
tione certiorem reddere, eodemque tempore me omnes 
hujus patriae et proprii districtus mei catholicos ejus- 
dem Congregationis protectioni, consiliis, auspiciis nec- 



') Sequens epistula — zoo schreef de aartspriester er boven — 
a ine exarata est ad S. Congr. de Prop. fide ob negotiuni ex- 
Jesuitae Beckers, praedecessori meo uti et me invito ad Statio- 
iiem de Krijtberg a niagistratu uostrae Tirbis adniisso, die 12 Febr. 

aniio 178S. 



366 

non Eminentissimorum precibus commendare. lUud 
vero in praesenli tanto convenientius visum est, cum 
lurbulentis hisce patriae nostrae temporibus Archi- 
presb3'teri munus difficultatibus innumeris undequaque 
circumseptum est, ac tot tantisque negotiorum flucti- 
bus obrutum, ut vix ac ne vix quidem ex iis emer- 
gere possim. Ut de multis taceam causa D"i Beckers 
non infimum inter illa occupat locuni. 

» Clericus hic Trajecti ad Mosam natus et in spirituali- 
bus Episcopo Leodiensi subditus, respectu Missionis nos- 
trae plane extraneus, per fautores suos E^i D^i Nuntii 
Api sibi favorem acquisiverat ac facultatem ob eodem 
obtinuerat, ut in urbe Amstelodamensi cuidam D"o 
Thomassen, seni decrepito et quondam, uti et ipse, So- 
cietatis membro, tamquam coadjutor assisteret, post 
hujus obitum in eadem Statione successurus, ea tarnen 
lege, ut huic dispositioni consentiret D^us Meylink in 
archipresbyteratu praedecessor meus. \"ir hic dignissi- 
mus considerans exstincta Societate etiam exstincta esse 
omnia privilegia, in quibus quondam gloriebatur, ac 
membra illa, quibus concessum erat in Missione hac 
missionariorum munere pro maxima parte clanculo 
fungi eodem loco cum clero saeculari consideranda 
esse, ac perspiciens ex dispositione illa conditionata [de 
successione scl. post mortem pastoris] plurima incom- 
moda sequi nata esse, eamque statutis et stabilito Mis- 
sionis regimini repugnare, judicavit consensum huic 
irregulari D»i Beckers promotioni denegandum esse; 
adeoque ipsi omnem jurisdictionem ecclesiasticam stric- 
tissime interdixit, quod postea ab Ex» D^o Nuntio 
Apco factum quoque confirmatumque est. Praevidebat 
enim D^ns Meylink universales murmurationes omnium 
tam clericorum quam saecularium hominum, si Mis- 
sioni in Statione urbis primariae obtruderetur 
extraneus, cui nihil juris erat ad missionem, cuique 
constitutiones nostrae tam ecclesiasticae quam civiles 
plane ignarae erant, spretis tot sacerdotibus indige- 
nis, qui ad archipresbMeri nutum ad loca dissita, 
difficultatibus et angustiis obsita, obsequenti animo 
transcurrunt, ac in iis per plures annos fidelium ope- 



,V'7 

rariorum munere funguntur. Videbat hoc exemplo aliis 
ex-Jesuitis, imo et indigenis sacerdotibus semitam sterni, 
ut sibi v'el socios ag-gregent extraneos vel protectione 
quorumdam potentum freti, sese alibi intruderent, in- 
vitis Missionis superioribus. Videbat Missionis regimen 
susdequa versum iri, si pastores saeculares aliquando 
praesumerent, hos viros, quondam regulares, imitari. 
Sciebat per jSIissionis statuta nemini licitum esse, sibi 
locum deligere, cui operam suam impendat, sed omnes 
sacerdotes saeculares locum sibi ab archipresbytero des- 
tinatum acceptare debere. Sciebat merito stabilitum esse, 
quod sacellanus pastori suo succedere non possit, ut 
hoc medio junioribus sacerdotibus eripiatur occasio se 
intrudendi in pastoratus pinguiores, captando laicorum 
benevolentiam. Sciebat juxta Missionis statuta omnes illos 
rejiciendos esse, qui ad occupandam stationem vel aedi- 
tuorum vel magistratus civilis patrocinium implorent. 
Aliorum ejusdem farinae hominum edoctus exemplo 
non infundate metuebat, ne etiam D^us Beckers ad 
haec media qualiacumque demum sint, vel per se vel 
per suos fautores confugeret, et proh dolor! eventus 
probavit vanum non fuisse hunc metum. His conside- 
rationibus motus praedecessor meus D^um Beckers ad- 
raittere constanter recusavit. Opus non est, ut Em, 
Paternitates vestras fatigem, exponendo, quid in hac 
causa ulterius actum sit. Liceat mihi E. P. verbo sig- 
nificare, quo loco res jam sit. Die 12 currentis mensis 
P'ebr. accersivit me primarius hujus urbis consul ac 
mihi communicavit, venerabiles consules D"um Beckers 
eodem man e ad dictam Stationem D^i Thomassen ad- 
mississe ac exspectare, ut ad eandem sine ulla tergi- 
versatione etiam a me admittatur; cum pro munere 
meo, quae ad rem erant, ac inter alia id mihi in manu 
non esse, reponerem, additae sunt minae de clauden- 
dis aliis catholicorum in hac urbe oratoriis, nisi con- 
sulum desiderio fiat satis. Ad has per molimina Dni 
Beckers et fautorum ipsius reducti sumus aerumnas. 
Liceat hic addere, me ad alium pastoratum, qui quinto 
jam mense in hac urbe vacat, pastoris admissionem a 
consulibus obtincre non potuisse, licet hanc saepe sup- 



3Ö6 

plicaverim ac virum omni exceptionc majorcm ipsis 
proposuerim '). Vacat quoque alter in hac urbe pasto- 
ratus, circa quam ea'ndem metuo sortem. Deinde si a 
primaria hac urbe exemplum hujusniodi vexationis 
ducatur, summopere metuendum est, ne per totam Ba- 
taviam grassantur sequelae. Itaque, quantumvis Dnum 
Beckers ob mOiimina, per quae in ovili ingressus est, om- 
ni consideratione indignum judicem, omni tarnen debiia 
veneratione EE. paternitatum vestrarum considerationi 
propono, an consultum non sit, ipsi admissionem con- 
cedere, ne propter unius hominis culpam totus grex 
detrimentum patiatur, ac humiliter EE. Vestras sup- 
plico. uti malis nostris quantocius mederi non dedig- 
nabimini. 

Liceat demum EE. Vestris proponere, an consulturn 
non sit, ut S. Congr. ipsi, supposita admissione ejus 
superius implorata, imo et aliis quondam Societatis 
membris in his partibus morantibus, sub gravissimis 
poenis interdicat, ne sibi alios coadjutores adsciscant 
quam indigenos et de clero saeculari, ac de archipres- 
byteri in tempore existentis consensu. Praeterea ut Ex. 
Dno Nuntio Ap. in mandatis detur, ne ulli clerico ex- 
traneo in his partibus, inconsulto archipresbytero, facul- 
tates quasvis concedat, cum pateat hinc tam dira in- 
commoda sequi: facillime enim Ex. Doi Nuntii Ap. 
pietati, utpote, qui, quantavis praeditus sit prudentia et 
doctrina, in rebus nostris minus versatus est, subrepi 
potest. Ut denique juxta quod ipsamet decreta et con- 
stitutiones S. Congr. exigunt, Ex. Dau"i Nuntium Ap. 
nullum regularem ad Alissionem mittat absque praevia 
informatione et consensu archipresbyteri et sine speciali 
obligatione, ut missionarius, antequam munus suum 



') Door den aartspriester weid hier gedoeld op »de Papegaait 
en »het Beggijuhof». In zijn dagboek teekende hij den 2620 Febr. 
178S aan : Facta a nobis recommaudatione D^i J. Maju, ab E"'" 
D'io designatus fuit pastor et praepositus Begghinagii. 

Nee Lic nee Rdus £)nus Kuyttnbrouwer admissiones suas a Magis- 
tratu nostro acquirere potuerunt, nisi prius iste Beckers litteris 
majoribvis iustructus esset et ad postoratum de Krijtberg admissus. 



36q 

aggrediatur, litteras suas ad apjjrobationem eidem ofte- 
rat consensumque ejus acquirat. Hoc enim neglecto, 
nullus in missione ordo servare potest. Ilaec sunt EE. 
Dni ac Patres, quae prudenti niihi noto consilio S. Congr. 
decidendo humiliter relinquo, ac penitus submitto<. 

Vijf dagen later, den 23^1 Febr. 1788, gaf de aarts- 
priester opnieuw aan den Nuntius kennis van den 
hachelijken staat, waarin hij verkeerde. Men had hem 
aangezegd, nog deze week te zorgen, dat Adam Bec- 
kers de noodige rechtsmacht kreeg, — al was het 
dan voorloopig, — wilde hij er niet toe gedwongen 
worden. Hij had dan ook beloofd te Rome de benoo- 
digde faculteiten voor Beckers aan te vragen. Maar — 
zoo beklaagde zich de aartspriester bij den Nuntius — 
het geheim onzer briefwisseling wordt geschonden ; 
hoe anders kon de burgemeester mij verwijten, dat ik 
twee voor mij gevaarlijke raadslieden bezat; waarbij hij 
blijkbaar het oog had op Stafford en Cramer. Vooral 
de laatste diende zich rustig te houden, wilde ook hij 
zijn bedehuis niet gesloten zien. Bovendien zeide hem 
ook Adam Beckers, dat hij uittreksels had van brieven, 
welke Cramer over zijne zaak geschreven had. 

De geheele brief aan den Nuntius was van dezen 
inhoud: 

»Timeo maximas vexationes, si non cito, uti nuper 
petivi, admissione D^i Beckers instructus fuero; nam 
jussio mihi desuper definitive data est, quam si hac 
septimana non adimplere possim, tune ego in necessi- 
tudine constituar, admittendi praefatum virum saltem 
ad interim, illique jurisdictionem concedendi, cum tem- 
pus maximae necessitatis est. 

Eo usque, proh dolor! res nostrae devenerunt, ut 
jam a potestate civili negotium illud dependere necesse 
est, et Deus scit, quaenam erunt ulteriores sequelae! 
Hoc certissime scio, multum in hac re causatum esse 
nialum ex eo, quod adv^ersarii nostri ipsimet instructi 

24 



370 

fuerint de iis, quae contra ipsos ad Nuntiaturam Ap. 
de tempore in tempus conscripta sunt; etenim prima- 
rins consul urbis nostrae mihi in faciem dixit, quod 
ego, qui admissionem Beckers, non tam cito, quam 
concupiverat, procuraveram, in ista re duos praecipue 
habuissem consiliarios, qui maximae erant politiae, qui- 
que me arrumperent et odibilem redderent etc. Si divi- 
nare liceat, quinam sint isti consiliarii, puto non multum 
abesse, si dicam, quod unus latitet Harlemi et alter in 
hac urbe, saltem de hoc puto Dnum Cramer. Dixit 
mihi adhuc iste ex-Jesuita famosus, quod ipse cum suis 
haberent extracta illa, quae in litteris D^us Cramer de 
hoc negotie aliquando descripserat. Ex quo canali jam 
illa ad istum Beckers et ad suos devoluta sint, hoc 
ego non temere dijudicabo. 

Precor tamen E^ Vm suppliciter, ut sibi caveat a 
quibusdam proditoribus, qui forsitan Nuntiaturam Ap. 
visitaverint, quique ad tantas nos possent redigere 
angustias, ut ego aliique in manus judicis civilis inci- 
deremus, et, ut tota religio nostra maxima subire coge- 
retur incommoda; etenim Dao Cramer indirecte mini- 
tatum est modo, ejus oratorium f ore claudendum, si 
non tranquillius ageret. Quidquid sit, rapido isto torrenti 
jam cedere necesse est, et ideo promittere quoque debui, 
me Romam scripturum pro exploranda facultate in 
favorem Dni Beckers, sicuti quoque hac hebdomada 
feci. Cum nihil aliud intendam nisi Missionis bonum, 
spero fore, ut Deus ter opt. max. me in hoc turbulent! 
patriae nostrae statu specialiter adjuvet, alias desistere 
debeo ab archipresbyteratu, ne ruina ecclesiae nostrae 
a me causetur*. 

Eindelijk waren op den 25^11 Febr. 1788 de zendings- 
brieven van Adam Beckers, door den Nuntius afge- 
zonden, den aartspriester, die voortdurend in pijnlijke 
spanning verkeerde, in handen gekomen. 

Op dien datum schreef hij in zijn dagboek : Litteras 
majores exarare coactus f uit Ex mus D^us in favorem 
famosi Exjesuitae Adami Beckers. Hic per brachium 



37 1 

saeculare intnisus, Stationem Amstelodamensem de 
Krijtberg invaserat, ot tam l^'.x'"" I^'i" ({uam niihi, inio 
et toti Missioni maxima, si non admitteretur, minitatus 
fuerat mala, temporum circumstantiis ipsi faventibus. 
Den 2 7 en Februari had de aartspriester aan Adam 
Beckers toestemming gegeven, om in de Missie 
werkzaam te zijn; verder was hij niet gegaan, om- 
dat, naar zijne meening, nadere instructies van den 
Nuntius en de Propaganda dienden te worden afge- 
wacht. Maar toen in een brief van denzelfden dag de 
Nuntius 7Arh had uitgesproken, was de aartspriester 
terstond naar den burgemeester gegaan, om te zeggen, 
dat de zaak Beckers in orde was; en tevens om te 
vragen, of Adam Beckers, onder den titel van pastoor 
of kapelaan moest worden aangenomen. Men was van 
oordeel onder den titel van pastoor, omdat Pater 
Thomassen de kerk en de pastorie aan Adam Beckers 
had overgedaan. Om echter, zoo voor nu als voor de 
toekomst, moeilijkheden te voorkomen, diende deze 
zaak nader geregeld te worden. Tn dien geest werden 
door den aartspriester eenige voorstellen gedaan, zooals 
uit zijn brief aan den Nuntius van den 20e" Febr. blijkt. 

» Praeterlapsam septimanam maxima cum anxietate 
transegi, eo quod debito tempore non acceperim ab 
Ea V» responsum circa ncgotium D"' Beckers, pro 
cujus admissione magistratus noster abhinc 14 diebus 
adeo institit, ut, nisi concederetur, maxima timerem 
mala, ob unum istum hominem toti ecclesiae nostrae 
oboriunda. Ex responso vestro sub die 25 1^'ebruarii 
dato easdem litteras meas ad vos non pervenisse in- 
telligo, cjuamvis easdem aeque ac secundas sub in- 
scriptione Dni Secretarii Vendetti exarassem. Ouidquid 
circa has litteras omissas factum fuerit, non scio'). 



') Wat de aartspriester reeds vroeger onder l)edekle termen 
mededeelde, wordt hier duidelijk herhaald. Thans moest het den 



2 7 J^ebr. processi cum admissione Beckers, sive 
potius solummodo ipsi dedi meum consensum, qui in 
litteris ejus ab Ea Va requisitus fuerat, donec ulterius 
instructus essem de intentione tam vestra quam Con- 
gregationis Sacrae de Prop. fide. Eadem 27 Febr. accepi 
tandem exspectatum responsum vestrum cum diversis 
patentibus pro eodem Beckers inclusis et summopere 
doleo, quod auctoritas Em. Nuntii aeque ac archipres- 
byteri cedere debuerit homini cuidam refractario et 
factioni ejus cogenti. Accepto itaque responso vestro 
statim adii praes. Consulem, significaturus eamdem rem 
nunc esse completam, et E^^ V™ nihil aliud intendisse, 
quam satisfacere petitioni magistratus in favorem Dni 
Beckers factae, et simul una petivi sub quo titulo ma- 
gistratus admissionem ejus cuperet, an fieret sub tituio 
pastoris an cappellani. Non sciebat mihi absolutum ad 
hoc dare responsum ; putabat vero, quod deberet esse 
pastor, eo quod D"us Thomassen, qui Dno Beckers 
oratorium et domum pastoralem vendiderat, videretur 
renunciasse juri suo, illudque eidem Beckers tamquam 
successori tradere voluisse. Cum equidem ex hac re 
adeo incerta aliquando molestiae natae essent sequi inter 
praedictos Thomassen et Beckers, hinc patentes D°i Bec- 
kers hucusque non tradidi, sed peto ab E» Va, ut desu- 
per htteras ad Dmim Thomassen exarare non gravetur, 
per quas illi significet: ut, si renuntiet pastoratui, sive 
potius juri isti quod habuit, illud coram me faciat, ut 
consequenter ego tradendo patentes secure procedere 
possim. Praeterea, numquid consultum foret, ut Ea Va Doo 
Beckers sub stricta obedientia injungat ad acceptandum 
quasdam conditiones manu sua subscribendas et sigilla- 
tas, ne imposterum ipsemet eadem cum successore pro- 
cedere posset via, qua ipsemet nunc processit. Hae 
conditiones v. g. in his rebus possent consistere: 



Nuntius duidelijk ziju, dat in zijn Secretaris de schuldige werd 
gezien, die niet schroomde het briefgeheim te schenden, ja zelfs, 
zoo uoodig, geheele brieven te verdonkeremanen. Voor den aarts- 
priester inderdaad bij zoovele openlijke en gedekte vijanden om 
wanhopig te worden. 



373 

it> Ut se ab hoc tempore penitus submittereL regi- 
mini tain Nuntii Ap. quam Archipresbyteri, eodem 
modo sicuti omnes sacerdotes saeculares istius Alissionis 
obligati simt. 

20 Ut, si imposterum indigeret sacellano vel assis- 
tente, eumdem peteret ab archipresbytero nee ullum 
unquam admitteret presbyterum ex-Jesuitam vel alium, 
qui actualiter religiosus est aut reiigioso ordini adscrip- 
tus unquam fuerit, nisi desuper ob justam rationem 
dispensetur. 

30 Ut, nee ipse nee Dnus Thomassen post mortem 
vel decessum Dai Beckers suceessorem sibi unquam 
eligeret aut designaret, sed totam Stationis dispositio- 
nem. relinqueret Nuntio Ap. et Archipresbytero in tem- 
pore, sive ilHs qui regimini Missionis rite praefeeti sunt. 

40 Ut, post mortem vel decessum suum, nulli alteri 
venderet aut traderet sive alio modo alienaret uUa, 
quae ad Stationem de Krijtberg pertinent bona, sive 
sint bona ecclesiastica, quae pertinent ad oratorium 
sive ad domum pastoralem vel quomodocumque illa 
etiam pertinere possunt, sed, ut omnia illa sacerdoti 
saeculari, pro successore rite designando, relinqueret 
eodem modo, quo omnes alii sacerdotes saeculares sta- 
tiones suas per obitum aut decessum suum derelictas 
relinquere obligati sunt. 

Et ut omnes hae conditiones majoris sunt certitudinis, 
numquid etiam consultum esset, si eadem in actu per 
notarium publicum describerentur, et a Dno Beckers 
et Thomassen subsignarentur, utque etiam, antequam 
admittatur Beckers, sese presentat examini coram archi- 
presbytero vel aliis ab archipresbytero designandis; 
puto etenim ego, haec omnia fore necessaria, nam quia 
immoratis et astutis hominibus res peragitur, etiam 
caute et astute procedendum erit«. 

Het antwoord, dat eerst later van de Congregatio 
de Propaganda fide op den brief van Ten Hulscher 
binnenkwam, was bijna geheel overeenkomstig het 
daarin uitgedrukte verlangen. 



374 

Het meening. =igeschil tusschcn den Nuntius en den 
aartspriester was opnieuw ter sprake gebracht en be- 
sloten, dat aan Pater Thomassen, gezien de bijzondere 
omstandigheden, en, onder voorbehoud, dat het geval 
geen navolging zou vinden, werd toegestaan, om Adam 
Beckers in de Statie tot medehelper aan te nemen; 
dat Adam Beckers en ieder ander verplicht was aan 
den aartspriester de verschuldigde gehoorzaamheid en 
onderdanigheid te betoonen, en alles te onderhouden, 
waartoe de wereldgeestelijken gebonden zijn; dat in 
het vervolg aan iederen pastoor verboden was een 
medehelper te hebben zonder goedkeuring en toestem- 
ming van de H. Congregatio. 

Si riassume la controversia sudetta tra Monsig. 
Xunzio di Bruxelles e l'arciprete d'Olanda, 1788. 

Si accorda al sacerdote Tomassin[en], attese Ie parti- 
colari circostanze del fatto, e purche la cosa non passi 
in esempio, la facolta di prendersi coadjutore della 
sua parocchia il sacerdote Becker[s]. 

Il detto Becker[s] et altro sia tenuto a prestare la 
dovuta obbedienza e sommissione all arciprete di Olanda, 
ed air osservanza di tuttocio, che deve adempiersi da 
parochi secolari. 

E si proibisce per l'avvenire a qualunque paroco di 
assumersi il coadjutore senza consenzo e permesso 
della S. C.i) 

Gaarne nemen wij aan, dat Pastoor Adam Beckers, 
nu hij zijne suspensie zag opgeheven, en zijne geeste- 
lijke Overheid, door nood gedwongen, hem de pastorie 
van »de Krijtberg* had opgedragen, op het voet- 
spoor der andere wereldsheeren, en overeenkomstig 
de vermaning van de Congregatio de Propaganda fide, 
voornemens was, aan den aartspriester van Holland 



') Archiff V. Utr.: dl. XXVIII, blz. 218. 



375 

en Zeeland gehoorzaamheid te betoonen en onder- 
danigheid. Maar dan was toch zijne goede gezindheid 
van korten duur. Want niet alleen vermeed hij allen 
omgang met den aartspriester, richtte buiten zijn weten 
het broederschap op van den zaligen dood, maar vroeg 
zelfs, buiten hem om, ja tegen zijn wil, voor den Zon- 
dag geestelijke hulp in »de Krijtberg*, welke wellicht 
om de ziekte van Pater Thomassen — die den 7 Nov, 
1789 stierf -^ noodig bleek. 

En zoo gebeurde het, dat, tegen het verbod van den 
aartspriester, de eerw. Heer Bastiaanse, huiskapelaan 
bij Van Brienen, des Zondags in »de Krijtberg* ge- 
predikt had; dat Pater Van Straeten, de Dominicaner- 
pastoor van den Thoorn, den assistent, die hem tijdens 
zijne ziekte ter zijde stond, aan Pastoor Beckers had 
afgestaan; dat Pater Alberts, pastoor in de Boom's 
kerk, door zijne jeugdige medebroeders eene tweede 
H, Mis in »de Krijtberg* lezen liet. 

Alle beschikkingen, waarbij het gezag van den aarts- 
priester werd voorbijgegaan, die — 't was waarlijk 
geen wonder — zich over de handelwijze van Pas- 
toor Beckers, bij schrijven van 9 Jan. 1789, bij den 
Nuntius beklaagde. 

» Relate autem ad socium petitum enixe effla- 

gito EmVm, ut illum Patri Van Straeten tantum con- 
cedat ad vitam ejusdem sine ulla secundi socii sequela. 
Secundo, ut tantum pro ista Statione inserviet, ne sub 
nomina assistentis P. van Straeten, verus fiat aliquando 
assistens Dai Beckers. Hic vir nullam mecum commu- 
nionem habet; omnia sua propria peragit authoritate, 

Audivi eumdem nuper erexisse confraternitatem bonae 
mortis, sed a quo permissionem ad hoc acceperit, ignoro. 
Etiam dicitur, eumdem D"""i Bastiaanse, sacellanum 
domesticum Doi Van Brienen, iterum, post inhibitionem 
a me factam, in ejus ecclesia fuisse concionatum. Saltem 



376 

hoc certissimurn est, quod pro habenda 2^ missa die- 
bus dominicis et festivis confugiat ad Religiosos recol- 
lectas ex Statione sub Arbore, quorum missionarii 
juniores ad oratorium de Krijtberg de tempore in tem- 
pus celebraturi procedutit. Numquid consultum foret, 
quod Ea Va desuper Patrem Alberts, qui alias homo 
satis discretus est, admoneret?* 

Waarop de Nuntius den 17 Januari 17Ö9 antwoordde, 
dat de Provinciaal der Dominicanen, Pater van Straeten 
zou vermanen zich te houden aan de afspraak en aan 
zijn gegeven woord. 

En op denzelfden dag had hij Pater Alberts ver- 
maand, maar zeer in het algemeen, dat zijne Paters 
alleen in de Statie de H. Mis zouden lezen. Maar wil 
toch, zoo schreef de Nuntius aan den aartspriester, 
met omzichtigheid te werk gaan, opdat Adam Beckers, 
geholpen door zijne vrienden, geen nieuwe wond aan 
de Alissie bij de Magistraat toebrenge, »per fautores 
apud Magistratum novum vulnus Missioni infligat*. 

Wat de Nuntius vreesde, gebeurde, helaas, maar al 
te spoedig. 

Pater Alberts toch was onvoorzichtig genoeg, om 
botweg aan Pastoor Beckers te zeggen, dat de Nuntius 
hem verboden had assistentie te verleenen ; waarop 
zich Pastoor Beckers met opgestoken zeilen naar den 
burgemeester begaf, om over het verbod van den 
Nuntius zijn beklag te doen. Natuurlijk werd terstond 
tegen den Nuntius partij gekozen; Pater Alberts werd 
bij den burgemeester ontboden en gelast aan Pastoor 
Beckers assistentie te verleenen, wilde hij anders zijn 
eigen kerk niet gesloten zien. Pater Alberts ge- 
hoorzaamde, en had van zijne handelwijze aan den 
Nuntius kennis gegeven. 

De Nuntius op zijne beurt gaf er den 28 Jan. 1789 
den aartspriester weer kennis van. 



*Heu, quod timebamus accidisse forsan, nunc non te 
praeterit. P. Alberts exposuerat D. Beckers non am- 
plius se permissuruni, ut sui socii celebrarent in ejus 
Statione. Ast idem P. Alberts ad nos scribit, quod 
coram Magistratii per cursorem citatus fuerat in plena 
curia comparere. Timebat ille, et non sine ratione. Deus 
faxit, ne hoc fuerit in Missionis et auctoritatis nostrae 
detrimentum. Dum hoc scire exspectamus, cum omni 
observantiae cultu subscribimur«. 

De aartspriester was van oordeel, dat de Nuntius 
den Pater over zijne handelwijze niet moest prijzen, 
wijl men anders zou zeggen, dat Pastoor Beckers tot 
assistent mocht nemen, wien hij verkoos. 

>Jussum Eae Vae nuper Patri Alberts tam prudenter 
insinuatum, non illum quem sperabam, effectum habuit, 
econtra per hoc factio Ex-Jesuitae de novo excitata 
est, ad quod causam dedit imprudentia P. Alberts aut 
magis incontumacia Beckers. Ille primus enim, qui 
assistentiam suorüm sociorum, alio quidem titulo quam 
titulo vestri iiiterdicti, negare potuisset Duo Beckers, 
sive qui etiam mecum clam consulere potuisset, statim 
post acceptas litteras vestras aperte declaravit Beckers, 
sibi ab E» Va inhibitum esse, dare imposterum assis- 
tentiam suorum. Qua negatione hic ita commotus, viam 
sibi ab ante saepius stratam institit, ac per fautores 
suos de tali inhibitione magnopere conquestus est apud 
magistratum urbis, cum jam, ut notum omnibus est, 
hic nuUum ad talia mandata habet respectum, statim, 
ut relatum n_iihi est, evocatus est P. Alberts coram eo 
et confitenti coram eo, quod jussum illud haberet a 
Nuntio Ap., inhibitum fuit, ne pareret eidem, sed econ- 
tra praecepit, ut pergeret dare assistentiam Beckers, 
sub poena, ut aliqui addunt, claudendae alias ecclesiae. 
Hoc negotium maximum per urbem causavit rumorem; 
factio Beckeriana me publice accusavit, quod ego tale 
jussum P. Alberts dedissem ; alii divulgant, me quoque 
coram magistratu evocatum ac correptuni esse. etc. 
verbo: his diebus tot devorare debui calumnias, objur- 



37Ö 

gationes etc, ut revera etiam taederet me vivere. Ala- 
xima quidem catholicorum pars factioni Beckerianae 
addicta non est, sed cum in illa quidam sunt primarii 
catholici, qui omnia haec exequuntur, et potestatem 
ecclesiasticam, ubicumque possint, cohibere contendant, 
mundus ferme totus eorum relationibus, mendaciis etc. 
praevenitur, et haec omnium, quae nos premunt, ma- 
lorum causa est. Interim enixe rogo EuiV™, ut hac 
vice rursus prudenter procedat, uti mihi videtur non 
foret consultum Patri Alberts rescribere ad respon- 
sum quod dedit vobis, quod tam ille quam socius ejus 
publice narravit laicis nostris, quasi triumphum canere 
vellent. Praecipue advertendum erit, ne Ea V^ F. Al- 
berts respondeat, eumdem bene egisse, dando socium 
suum priori Dominica, postquam magistratus illum hoc 
jusserat. Si enim E» Va ilHus directionem ita factam 
vel a longe approbaret, statim de novo ubique con- 
clamaretur : Beckers nunc accepisse a vobis potestatem 
sumendi sibi socium quem vellet. 

Optimum, ut mihi apparet, erit, si Ea Va Patri Pro- 
vinciaU Recollectarum proponeret imprudentiam a P. 
Alberts usam, qui ab una parte sciens, quam odiosum 
hic sit nomen Nuntii Ap. Magistratui nostro, ab altera 
parte convictus, quibus illicitis mediis Beckers uti assue- 
tus esset, equidem eidem de dato jussu vestro tam im- 
prudenter admonuerit. Haec si demonstrentur P. Pro- 
vinciali, confido eundem, P. Alberts desuper correpturum 
esse, ut meretur, et hujus mandata ab illo magis quam 
vestra fore aestimanda. De cetero totum hoc negotium 
Deo, omnium rerum Moderatori, relinquo ; faxit Ille, ut 
inter novos, qui, instante hebdomada, creabantur con- 
sules, verum inveniam protectorem, sub quo Missionis 
bonum efficere valeam, nam alias tot inimicorum tor- 
renti succumbendum mihi erit<. 

Deze brief van den aartspriester, gedagteekend den 
2eu Februari, had, gelijk uit het antwoord blijkt, den 
brief van den Nuntius van dienzelfden datum gekruist. 

Om rust in de Missie te houden en grooter onheilen 
te voorkomen, moest Pater Alberts maar iemand der 



379 

Paters des Z(jndags ter assistentie naar »de Krijtberg* 
zenden, daar Pastoor Adam Beckers voor geen mid- 
delen terugschrok om zijn doel te bereiken. 

»Exspectabamus autem a te, quod ad nos rcferres, 
quae evenerant in negotio Beckeriano; nam putamus 
te non praeterire, quae Patri Alberts a Magistratu dicta 
fuere, et quas minas et dicteria ipsi sustulit ob dene- 
gatam sociis licentiam celebrandi in oratorio de Krijt- 
berg; quapropter ad vitanda majora mala coacti fui- 
nius rescribere ad P. Alberts necessarium esse tolerare, 
ut ipse dictam permissionem det uni ex suis sociis. 
Nobis videtur autem, quod si hoc modo D. Beckers 
missionem tranquillam redderet, meHus esset hoc tole- 
rare quam ulterius instare; aliter enim talis homo ad 
suum finem obtinendum per f as et nefas omnia quae- 
cumque tentare non dubitabit«. 

Den 4611 P^ebr. antwoordde de Nuntius op den brief 
van den aartspriester, hem den 2 en Febr. toegezonden. 
Hij hield zich aan hetgeen den aartspriester reeds den 
2 en Febr. door hem geschreven was. Om ernstiger ram- 
pen te voorkomen, moeten wij het dulden, dat een der 
Paters Franciscanen in *de Krijtberg* des Zondags 
eene tweede H. Mis leest. Pastoor Adam Beckers staat 
voor niets. Het heeft mij zelfs al verwonderd, dat hij 
bij den burgemeester geen assistent heeft voorgedragen 
en ons gedwongen dien te erkennen. 

»Ds. Praeses reddidit mihi epistolam tuam cum nar- 
ratione eorum, quae in negotio Beckeriano accide- 
runt. Sicut jam nonnulla desuper ad te scripsi- 
mus, illud tantum te observare opus erit, quod sive 
per nos sive per Patrem Provincialcm recepisset P. 
Alberts inhibitionem propositam, semper fautores con- 
trarii judicassent a nobis provenire. Tolerandum igitur 
est, ut D. Beckers ab uno ex Recollectis aliam Mis- 
sam in sua Statione faciat celebrare, et hoc ad evi- 
tanda ea mala, quae ex praepotentia fautorum animas 



38o 

Regentiuni praeoccupatorum procul dubio timenda 
essent; et ideo utilius permitti pro nunc aliquid incon- 
veniens, quam Missionem certae persecutioni exponere. 
Nonne melius est hoc tolerare quam talem hominem, 
qui per f as et nefas ad suum finem intendit, inducere 
ad petendum et praesentandum Alagistratui, quem sibi 
placuerit pro assistente, et nos obHgare, ut de ipsomet 
coacti fuimus, ad illum approbandum? Hoc ita evidens 
est, quod miramur, eumdem adhuc hoc non fecisse. 
Hoc mente recogitet A. V., et videbit, quod quidquid 
toleratur, quod tarnen eodem tempore non approbatur, 
est minus malum, quam quae, si vult, contra Missionem 
facere potest*. 

Intusschen had Ten Hulscher over het geval ook 
raad ingewonnen bij Stafford, die pastoor was van het 
Beggijnhof te Haarlem en lid van het zoogenaamd 
Kapittel. 

Als antwoord schreef pastoor Stafford den 12 «o Febr. 
1789 het volgende briefje: 

»De inhoud van uwe missive heeft mij gevoelig ge- 
troffen. Uw Ampl. vraagt mij om raad, maar het kornet 
mij voor, dat de zaak genoegzaam radeloos is, dewijl 
het schijnt, dat E. G. M. Heeren Burgemeesteren door 
verkeerde suggestie ingenomen het schandelijk pro- 
ject van Beckers en de zijnen begunstigen, en ik zie 
niet, hoe dit geweerd kan worden, indien H. E. G. 
bij hun voornemen blijven. 

De redenen, welke bijgebragt worden, hebben niets 
om het lijf, en, indien ik in uwe plaats was, zoude ik 
alle moeite aanwenden, om dit onder het oog van 
H. E. G. op eene behoorlijke wijze te brengen. De 
Krijtberg is zeker, ofschoon in het donker, een Jesuieten- 
Statie geweest, maar dewijl het Order der Jesuieten is 
vernietigd, en de voorheen gewezen Jesuieten gesaecu- 
lariseerd zijn, zoo kunnen de Heeren Thomassen en 
Beckers, die slechts aan het Jesuieten-kleed geroken 
heeft, niet anders dan als wereldpriesters aangemerkt 
worden. Beckers is ook nooit anders dan een wereld- 



•i8i 

priester geweest. Hij is ook in die f|ualiteit in den 
Krijtberg geadmitteerd, en de Statie is gesaeculari- 
seerd. Hij kan hier geen andere geestelijke Overheid 
hebben dan Uwe Ampl., en Uwe Ampl. kan geen 
andere dan wereldpriesters tot pastoors en caj)pellanen 
aanstellen. Indien men het als eene schreeuwende on- 
billijkheid zoude uitkrijten, indien Uwe Ampl. in den 
Room wereldpriesters wilde plaatsen, hoe zal men het 
project der munniken in dit geval billijken ? 

Ik merk, dat men zig niet ontziet voor te wenden, 
dat de wereldpriesters zig in de troebelen op eene 
verregaande wijze uitgelaten hebben. God vergeve de 
snoode lasteraars, die ons dus zoeken gehaat te maken. 
Dit is Godvergetene laster: ons gedrag in alle tijden 
kan den allerstrengsten toets uitstaan. Nooit heeft de 
hooge Overigheid reden gehad, om over ons te klagen. 
Ons gedrag sedert deze laatste 15 maanden is een 
overtuigend bewijs, dat de bekend gemaakte wil van 
onze hooge Overigheden voor ons eene onschendbare 
wet is. En, indien er een enkele onder de wereldsche 
geestelijkheid mocht geweest zijn, die zig door eenen 
blinden ijver buiten de palen van zijnen plicht heeft 
laten vervoeren : dit kan het geheele lichaam niet toe- 
gerekend worden ^). En men zoude zonder moeite 
soortgelijken onder de munniken ook vinden. Amster- 
dam en Rotterdam hebben immers soortgelijke domme 
krachten uitgeleverd. 

Het zal te laat zijn om voor de opvolging te zorgen. 



') Stafford treedt hier wel wat vergoelijkend op. 't Is inderdaad 
waar, dat in 1787 -- waar bier blijkbaar op gezinspeeld wordt — 
zeer velen onder de priesters de partij der patriotten met hart 
en ziel waren toegedaan en zich daarvoor onbewimpeld durfden 
uitspreken. Maar of de regulieren daarbij vrij mogen uitgaan? Ik 
zou waarlijk niet weten, waarom zij, en zij alleen, bij die alge- 
meene gisting der geesten, onder de priesters zijn kalm gebleven. 
Voor Pastoor Beckers alleen wensch ik gaarne eene uitzondering 
te maken; die was te politiek aangelegd, en wist, juist door zich 
Oranjegezind voor te doen, van den Pruisischen bevelhebber ver- 
lof te bekomen, dat zijne kerk ^de Krijtberg? officieel mocht 
geopend worden. 



382 

indien er eens een munnik lot capellaan geadmitteerd 
wordt. Dit geslacht is niet licht uit eenc plaats te wee- 
ren, daar het zijne voeten eens in gezet heeft. Dus 
bidde ik U Anipl. nogmaals alle moeite aan te wen- 
den, eer het te laat is. (iedenk, mijn lieve vriend, dat 
een brave stuurman m'mmer in zijne gedagten neemt 
het roer in eenen storm te verlaten. Het is dan de 
tijd om alles aan te wenden ; en moet hij buigen, hij 
sterft met het roer in de hand. Wij hebben eenen 
Helper en Beschermer in den hemel, die ons niet zal 
verlaten, zo lang wij hem niet lafhartig verlaten*. 

Wat pastoor Stafford zeide »dat de Krijtberg ge- 
saeculariseerd was*, steunde op hetgeen achter de 
relatio Status van den Nuntius Ignatius Busca omtrent 
>de Krijtberg* stond aangeteekend. 

Amsterdam: Statio dicta op den Cingel in de Krijt- 
berg, nunc saecularis, pertinebat ad exstinctam S. J. — 
R. D. M. Thomassen em. soc. niembr. 

N. B. Post ejus mortem expedit, ut allaboretur pro 
obtinenda licentia a magistratu, ut iterum aperiatur et 
sit publica. 

1788 die 2^ Febr. electus fuit A. Beckers ob renun- 
tiationem Matth. Thomassen. 

1789 Carolus van Ulft ex Ord, Recol. datus sacel- 
lanus cum futura successione. 

Op den 15^11 Februari 1789 meldde de aartspriester 
aan den Nuntius, dat er inderdaad hoop was, dat Pas- 
toor Beckers aan hem om een kapelaan zou vragen, 
flij wist, dat die aan hem niet zou geweigerd worden. 
Alaar de raad, dien Pastoor Beckers van de zijde zijner 
vrienden ontving, was oorzaak, dat hij wederom voor 
kerkelijke belangen tot de stedelijke overheid zijn toe- 
vlucht nam. En de Amsterdamsche magistraat besliste, 
dat aan Pastoor Beckers was toegestaan een priester 
in de geestelijke bediening, geheel naar eigen keuze, 



383 

bij zich te nemen; echter zou hij hem niet mogen op- 
volgen, daar de Statie i)ij zijn dood aan de werelds- 
heeren zou overgaan. 

»Abhinc aliquot diebus spes aliqua arridebat, fore 
ut negotium D"i Beckers tandem prospere verteretur; 
quidam enim primarius urbis istius Regens huic rei 
finem facere cupiens, convictus, me pronum esse ad 
dandum sacellanum Duo Beckers, quemcumque vellet, 
resolverat, eumdem obligare, ut me adiret sacellanum 
istum petiturus. Hunc in finem revera evocavit iste 
Regens Beckers coram se particulariter, ac proposuit 
illi hoc suum intentum. Sed equidem noster ex-Jesuita 
dilationem temporis ad deliberandum acquirere scivit, 
et interea factio ejus ipsi persuavit, ut daret magistra- 
tui libellum supplicem, quo peteret, ut sibi concedere- 
tur assistens religiosus, fundens se in hoc, quod Statio 
de Krijtberg ab antea fuerat religiosorum et non sae- 
cularium Statio, et sic obliviscens, quod ipsemet esset 
sacerdos saecularis, qui ob eamdem rationem tune 
etiam jus nulium habuisset ad eam. Quidquid sit, haec 
et alia a factione interea apud Regentes allata erga 
saeculares ^), fuerunt in causa, quod Regentes, ut time- 
tur, resolutionem sumpturi sunt concedendi petitionem 
D^i Beckers. Unicum quod efficere potui ad impedien- 
dum illud, fuit, quod iste socius non admitteretur cum 
jure successionis, sed quod Statio rediret ad saeculares 
casu, quo Dnus Beckers moreretur. Quod mihi promis- 
sum fuit. Interea necdum deprehendere potui, quisnam 
futurus sit iste sacellanus sive assistens. Naturaliter 
judicabam illum fore ex Recollectis. Ast factionis my- 
sterium mihi postea apertum est, scilicet: quod velint 
Beckeriani iterum alium Ex-Jesuitam habere nativi- 
tate Mosae Trajectensem, sed cujus nomen aut quali- 
tates necdum scio. Quidquid de eo sit, peto Eam Va"' 
ut sibi cav^eat, non sic, ut deneget patentes, — hoc 
absolute non debet fieri, si non ad periculosiores scopulos 
appellere velim.us — sed dignabitur Ea V» attentionem 



') zie de noot op blz. 381. 



suam habere, ut non alias patentes concedat, quam 
tales, quas omnes nostri junioros sacerdotes accipere 
consueverunt. Quod et necessario observandum esse 
puto, licet etiam Religiosus alterius ordinis peteretur, 
eo magis, quia plures ex Magistratu mihi indicaverunt 
ob concessionem istam, Stationem de Krijtberg saecu- 
laribus non f ore adimendam. Necessarium duxi Em 
V^, haec quae aguntur, indicare, ut sciat, quid facto 
opus sit, si res ista ad ipsam deferatur^ . 

In zijn dagboek teekende de aartspriester op den 
17 Febr. 1789 omtrent het geval Beckers het vol- 
gende aan: 

Hisce diebus, resolvit Magistratus sive potius col- 
legium consulum Amstelodamensium, qui tune erant : 
Praenobilis Da"s Pieter Cornelis Hasselaar, praeses, 

> > Joachim Rendorp. D'<nis de Marquette, 
» » Nicolaas Faas, et 

> » Frederik Alewijn, Dijkgraaf in de 
Beemster, et finaliter conclusit negotium Ex-Jesuitae 
Beckers, anno elapso in Stationem de Krijtberg in- 
trusi, ac de hoc statuit praecipue duo haec puncta: 

jum quod daretur Beckers sacellanus sive assistens 
talis, qualem requirebat; 

2um quod hoc solummodo ipsi concederetur pro 
hac vice, quodque Statio postea transiret ad saeculares 
sacerdotes et ab illis semper administraretur imposterum. 

Autographum resolutionis nos ab ipsomet Praeno- 
bili Duo consule Rendorp, praelegi audivimus, et ex- 
tractum ejusdem petivimus, quod tarnen negavit, dicens, 
(/uod illiid nunc necdiivi tradere posset. In quantum 
ramen memoria retinere possibile fuit, resolutie prae- 
fata sequentis circiter erat tenoris. 

Gezien en overwogen hebbende het request van 
Henry du Boy van en uyt naam van Adam Beckers, 
Roomsch-Priester in de Statie de Krijtberg op 'i 
Cingel alhier, en de redenen daarbij geallegueert, is 
goedgevonden en verstaen, dat aen voornoemden 



38,S 

Beckers voor deese eene keer en zonder consequentie 
zal worden gcaccordeert, zoo als geaccordeert wordt 
bij deesen een capellaen of assistent, zodanig hij den- 
zelve zal begeren, mits een onderdaen zijnde van Hun 
Ed. II. AI. de Staten Gen. der Verenigde Nederlan- 
den, en welke capellaen ook het recht van opvolginge 
zal hebben in bovengenoemde Statie, zodanig echter, 
dat in het vervolg niemand anders in voornoemde 
Statie zal mogen geplaatst worden dan een Roomsch 
Waerelds Priester, aan welken alleen zij zal over- 
gaan, en volgens placaten van den Lande ^bedient 
moeten worden. 

En opdat deese ordonnantie van Heeren Burgem. 
des te beter zoude stand grijpen, is geordonneert van 
hun Ed. Achtbaren deese resolutie in de notulen van 
Heeren Burgemeesteren te insereren. 

Aldus geclaen Febr. 1789. 

Was naar gewoonte ondertekent. 

Op deze mededeeling liet de aartspriester onmiddellijk 
een bijschrift volgen, dat, bestemd voor zijne opvolgers, 
heel den opzet van deze priesterlijke weerspannigheid 
in korte regels heeft samengevat: 

>N.B. Quantumvis resolutio praefata hic quidem non 
verbaliter aut expressis verbis proponatur, contentum 
tamen habetur in tantum, ut successores nostri se illi, 
dum opus erit, conformare sciant, et omnem adhibeant 
conatum retinendi Stationem de Krijtberg pro sacer- 
dotibus saecularibus, et impediendi, ne forte Religiosus 
quidam iterum intrudatur, et sic Statio nobis denuo 
eripiatur. Vi praefatae resolutionis nos, quantumvis in- 
viti, tolerare debuimus. ob temporum circumstantias, quod 
Beckers eligeret saceüanum sccundum beneplacitum, 
cui nos admissionem concedere coacti fuimus. Elegit 
itaque Recollectam noniine Carolum van Ulft, Mosae 
Trajectensem uti et ipse i), qui postea a Magistratu pro 
ministerie suo secundum morem admissus est. 



') De litterae patentes werden hem den ie" April 1789 door 
den Nuntius toegezonden. 

25 



3^6 

Hic tandem tristis fuit exitus Historiae Beckerianae, 
quae et Praedecessori nostro A. C. Meylink et Xobis 
adhuc magis tantam attulit molestiam. Faxit Deus, ut 
successores iiostri aliquando non aeque molestentur a 
similibus intrusis, qui contra oinne jus haereditatem 
Patrum Nostrorum invaderc ac Missionis ordinem sus- 
dequa vertere conantur*. 

Het slot van deze onverkwikkelijke historie kwam 
echter eerst den 20 Febr., waarop de gevallen beslis- 
sing uit den mond van Burgemeester Rendorp aan 
den aartspriester werd medegedeeld. Ook daarvan 
maakte hij melding in zijn dagboek op den 20^11 
Febr. 1789: 

»Evocatis nobis a D^o Consule Rendorp domi ejus, 
resolutie praefata notificata fuit. Effectum quidem omni 
vi ac instantia avertere coacti sumus, sed frustra. Nam 
licet rationes a nobis allatae solide satis, imo luce meri- 
diana clariores essent, vi tamen Beckeriana a quibus- 
dam primariis catholicis suffulta cedere debuimus«. 

Op den aartspriester rustte nog de plicht het ver- 
loop der zaak aan den Nuntius bekend te maken; het- 
geen geschiedde in twee brieven, welke beide op den 
2oen Februari gedagteekend zijn. 

»Quae nuper commemorata sunt de Dt^o Beckers, 
nunc tandem hodie terminata sunt. Vocatus sum a quo- 
dam praenobili Duo Consule istius urbis, qui declara- 
vit mihi venerabilem magistratum resolvisse pro hac 
vice, et sine consequentia, permittere D^o Beckers, ut 
sacellanum, quem velit. Heet etiam regularem, possit 
sibi sumere. Oui regularis, si D""m Beckers supervivat, 
successionem Stationis habebit, ita tamcn, ut, si iste 
assistentem necesse habeat, nullum alium sibi assumere 
licebit, nisi saecularem ab Archipresbytero ipsi con- 
cessum, et sic Statio ista de Krijtberg ad saeculares 
transibit. Hoc unicum fuit, quod labore, sollicitatione 
et conamine meo acquirere potui. Resolutio ista in 



3 «7 

annotationibus Magistratiis Nostri. ut dictuni est, in- 
sereretur. Peto K'" A''"' , ut eaui (|uo(|ue in suis notet, 
sicut et ego in niois faciam, ut dato omni jure semper 
Statio de Krijtberg reclamari possit, tamquam dominium 
saecularibus adjudicatum. 

Porro idem praenobilis Consul D""'" Reckers ad me 
mittendum dixit ad petendum pro religioso suo — quem 
nunc audio f ore recollectam — patentes. Hoc usque 
nunc factum non est, ast quamprimum primo cursore 
seqvienti patentes illas requisitas a A'obis explorabo«. 

Tweede brief eveneens van 20 T^>br. 17RQ: 

Ex anterioribus litteris meis E'" ^^^^ intellexisse credo, 
quae nuper a venerabili Magistratu in negotio Becke- 
riano determinata sunt. \^i hujus mandati Reckers heri 
me conveniebat, proponens mihi duos patres Recollectas, 
quorum unum sibi in socium elegisse dicebat, illum 
nempe, quem Pater Ree. Provincialis ad hoc destinare 
vellet. Unus illorum erat quidam Pater \''an Ulft, Mosae 
Trajecti natus. et alter P. Van der Veer Amsteloda- 
mensis. Quae omnia sine mora vobis notificanda esse 
duxi, ut sciat E^ Va, quid facto opus sit, si pro uno 
praenominatorum facultates requirantur. Peto tamen 
submisse E"^ V'" , ut patentes necessarias non juxta con- 
suetudinem cum Regularibus observari solitam mittat 
ad Patrem Provincialen!, sed directe eas ad me aman- 
dare dignetur, cum iste novus socius in hoc extra- 
ordinario casu non possit considcrari ut missionarius 
regularis, sed ut sacellanus saecularis, mittendus ad 
Stationem, quae, uti indicatum fuit, saecularibus adju- 
dicata est. De cetero majores litterae requirendae, non, 
ut antea, dum rei adhuc ignarus eram, scripsi, limitan- 
dae sunt ad tempus sed simpliciter, ne quaestio de jure 
successionis, quod isti mittendo addictum est, moveatur; 
et forsitan eiam hoc ideo praevalebit, ut Reckers hunc 
postoa dimittere, aliumque iterum ejus loco sumere, 
non valeat. 

Op den Nuntius Zondadari volgde in het begin van 
December 1790 Caesar Brancadoro, wiens bestuur in 



388 

de Missie zooveel verwarring en ontevredenheid heeft 
teweeggebracht. Want aan de Hollandsche geestehjk- 
heid werd al zeer spoedig openbaar, hoe zijn bestuur 
zich kenmerkte door een begunstigen der regulieren 
»tot walgens toe«, zou Ten Hulscher zeggen; dat de 
gedragingen des aartspriesters met wantrouwen wer- 
den gadegeslagen ; dat deftige leeken, buiten den aarts- 
priester om, hun invloed konden doen gelden bij open- 
staande Statiën; zelfs dat zij, met voorbijgaan des 
aartspriesters, aan de pastoors hun benoemingsbrieven 
overhandigden; dat de Nuntius zelf achterdochtig was 
van aard, onstandvastig van karakter, neigingen ver- 
toonend van despotisch beheer. Geen wonder dat Ten 
lïulscher, die meerendeels op gespannen voet met den 
Nuntius leefde, zoowel om eigen persoon als om het 
welzijn der Missie tot tweemalen toe ontslag van zijn 
aartspriesterlijk ambt heeft aangevraagd ^). 

De verwarring, welke het bestuur van Brancadoro 
op de Hollandsche Missie stichtte, was het gevolg 
van zijne politieke inzichten, welke rechtsdraads ingin- 
gen tegen de zienswijze van zoo goed als alle priesters 
uit die dagen. 

»Op het stadhouderlijk bestuur — aldus Dr. G. 
Brom 2) — had Brancadoro zijn hoop en vertrouwen 
gevestigd, 't Moge pleiten voor zijn legitimistische ge- 
trouwheid ten opzichte van het eenmaal bestaande 
gezag, dat door de opgezweepte golven der revolutie 
Vv'erd bedreigd en geteisterd ; voor zijn staatsmans- 
inzicht kan het zeker niet pleiten, dat hij zich in deze 
omstandigheden zoo vierkant partij stelde en als Hoofd 
der Zending de eeuwenlang onderdrukte, van alle staat- 



') Op al die zaken kom ik later uitvoerig terug. 
2) Archief V. Ulr. : (11. XXXVI, blz. 370. 



38q 

kundig leven g^especnde katholieken openlijk in het 
partijgewoel betrok*. 

In 1792 en 1793 was Brancadoro enkele malen maar 
slechts voor korten tijd in ons land geweest; zijn laatste 
bezoek duurde van 14 Juli 1794 tot Januari 1795, waarbij 
hem van de Staten eene onbeperkte vrijheid verleend 
werd, om zijn heilig ambt, eerst heimelijk in Den 
Haag, later in het openbaar te Amsterdam, Utrecht 
en in Friesland uit te oefenen, waarbij onder een mach- 
tigen toeloop van volk, tot groote ergernis der Janse- 
nisten, aan duizenden katholieken, maar, onder veel 
» disorders*, het H. Sacrament des Vormeis werd toe- 
gediend. Voor deze gunstige gezindheid van den kant 
der Staten verleende de Nuntius door zijne beide 
vastenbrieven hand- en spandiensten aan het zinkende 
Huis van Oranje. De patriotisch-gezinde geestelijkheid 
weigerde ten slotte bijna eenparig den tweeden brief, 
om grooter onheilen voor zich en de Missie te voor- 
komen, op den kansel aan het volk voor te lezen. 

Door zijn politiek-religieus optreden had de Nuntius 
zich voor de Missie onmogelijk gemaakt; bij de komst 
der Franschen nam hij de wijk naar Munster, en werd 
in 1795 naar Rome teruggeroepen. 

Den 2560 Juli nam hij schriftelijk afscheid van den 
aartspriester Ten Hulscher. 

Dat van deze verstandhouding tusschen den Nuntius 
en den aartspriester, Pastoor Beckers partij wist te 
trekken, verwondert ons niet. 

Blijkbaar had hij zich bij den Nuntius beklaagd over 
de houding, welke jegens hem door den aartspriester 
werd aangenomen ; zelfs was hem het harde woord ont- 
vallen, als zou hij door den aartspriester gehaat worden. 

De Nuntius, met het lot van Pastoor Beckers be- 
gaan, en gedreven door zijne liefde jegens de regulieren, 



390 

had omtrent die gezindheid den aartspriester onder- 
houden. De brief van den Nuntius is ons niet onder 
de oogen gekomen, maar op den 3oen September 
1792 teekende de aartspriester in zijn dagboek in het 
kort aan, wat hij aan den Nuntius geantwoord had. 
»Respondi Nuntio, me numquam odisse Dnum Bec- 
kers; faciat tantum homo ille quod suum est; ne sese 
immisceat ]\Iissionis rebus, neve excipiat se a lege illa, 
cui omnes saeculares sacerdotes, qualis ipse est, sub- 
missi sunt. Tune et ego a parte mea ipsi gratiam, favo- 
rem, amicitiam, quae merebitur, praestare non dëero«, 

Toch gebeurde het, dat, zelfs in het oog van Branca- 
doro, de houding van Pastoor Beckers tegenover den 
aartspriester alle perken te buiten ging, zoodat ook hij 
zich gedwongen gevoelde tusschen beide te komen. 

Het geval deed zich voor, bij het hardnekkig wei- 
geren van Pastoor Beckers, om aan den aartspriester 
verslag te geven van den toestand zijner Statie. De 
aartspriester had den Nuntius bericht, deze weiger- 
achtige houding niet langer te kunnen uitstaan, en 
gevraagd, dat iemand, die op Pastoor Beckers eenigen 
invloed had, hem zijn laakbaar gedrag onder het oog 
zou brengen. Waarop de Nuntius den 2en Febr. 1794 
antwoordde : 

Curavimus, ut quidam alius loqueretur cum ipso D^o 
Beckers, sed nihil obtinere potuimus. Aliramur sane et 
forte miramur a Missionis statutis ac regulis istum 
solum aberrare. Per aliquem amicum suum Mech- 
liniensem curabimus etiam, ut muneri suo satis- 
faciat. Si negligat, sicut adhuc fecit, nos ipsi scribere 
non praetermittemus, sed tiniemus, ut sit responsurus, 
quia experientia nobis constat, non facile ab ipso dari 
responsum. Optime sentis, Amplissime D^e^ dicens: »sed 
forte consultum magis erit, ut conniveatur vir iste, ne 
novum denuo oriatur beilum*. Sed nos hujusmodi per- 
tinaciam non mittendi, sicut omnes agunt, notam fruc- 



391 

tuum spiritualium perferre diutius non valemus. Hisce 
tot calamitatum temporibus optandum esset, ut ubique 
summa pax, concordia, subordinatie haberentur, et sacer- 
dotes praesertim nullam dissentionis suspicionem, sed 
obedientiae, humilitatis aliarumque virtutum exempla 
praeberent. Vcro, quo solemus, observantiae sensu 
subscribimur. 

Bruxellis, 2 Febr. 1794. 

En inderdaad het schrijven van den Nuntius, of 
liever van den vriend uit Mechelen, had op Pastoor 
Beckers de gewenschte uitwerking. Den lyeu Februari 
1794 antwoordde de aartspriester aan den Nuntius: 

* Optimum effectum habuit admonitio illa, quam per 
amicum Mechliniensem fieri procuravit Ema Dntio 
Vestra Rdo D^o Beckers. Die martis praeterita misit 
mihi catalogum suum, hisce oppositum, in involucro 
sine ullo addito verbo. O, utinam cum hocce casu 
omnes omnino inter nos dissidii fomites exstinguerentur, 
et ut reflorescat semel vera concordia in hisce criticis 
temporum circumstantiis, in quibus tanta est animorum 
diversitas, a sacerdotibus tam necessario servanda ! Cata- 
logus fructuum spiritualium D^ii Beckers anni 1793 est: 

communicantes: 700. 

baptizati: 60. 

matrimonio juncti : 16. 

Extremis Sctis muniti: 20. 

Conversi: 15. 

En den 27^11 September 1794 werd den Nuntius, 
namens de Propaganda door kardinaal Antonelli, aan- 
gezegd, zorg te dragen, dat Pastoor Adam Beckers, 
zonder eenig voorbehoud, zich te onderwerpen had 
aan den aartspriester; dat hem een kapelaan zou ge- 
geven worden, zooals de gewoonte der Missie dat 
medebracht; en dat hij, om ernstig ingrijpen te voor- 
komen, zich te gedragen had als ieder wereldgeeste- 



392 

lijke, zooals trouwens door de Congregatie, sinds de 
opheffing der Sociëteit, steeds verlangd was. 

De Nuntius diende te begrijpen, hoe onbehoorlijk 
het was, zijn vertrouwen te schenken aan Pastoor 
Beckers, die zoovele bewijzen reeds van ongehoor- 
zaamheid jegens zijne Overheid geleverd had. Eerst 
dan kon de Nuntius hem achting toedragen, zonder 
de Alissie te ergeren, als hij van gedrag veranderd was. 

Venendo in specie al pastore ex-gesuita Beker [Bec- 
kers] la Sagra Congregazione non ha buona ideadiquesto 
soggetto, ed intanto ne tolera la sua dimora nella mis- 
sione, per evitare maggiori mali che ne potessero venire. 
Sara cura intanto di monsignor nunzio d'ingiungerli, 
che sia interamente sottomesso all' arciprete, come ogn' 
altro pastore secolare, senz' alcuna distinzione o pre- 
teso privilegio; sara dato a lui il sacellano, come si 
costuma con altri, senza la minima distinzione; e lo 
ammonira seriamente, anche per parte della Sagra Con- 
gregazione, di condursi in appresso con tutta modera- 
zione, mentre al primo riclamo verra la medesima a 
quei rimedi, che credera li piu efficaci. Quello, che si 
dice del Beker [Beckers], rapporto al doversi conside- 
rare in tutto come un prete secolare, s'intcnde ancora 
rapporto a tutti gli altri missionari ex-gesuiti di tutta 
la missione, avendo cosi dichiarato la Sagra Congre- 
gazione din da quando accade la soppressione della 
Compagnia di Gesu. 

Sembra indecente, che monsignor nunzio accordi al 
detto Beker [Beckers] la sua confidenza, mentre si 
hanno di lui tanti motivi da considerarlo come insub- 
ordinato ai suoi superiori. Sara dunque ben fatto, che 
monsignor nunzio faccia conoscere all' intera missione 
il poco conto, che si fa di lui, almeno fintanto che dia 
segni di resipiscenza e subordinazione dovuta^). 

Maar, ofschoon, volgens de Congregatie, Pastoor Bec- 
kers >senza la minima distinzione* moest behandeld 



») Archief v. Utr. : dl. XXXVI. blz. 297—298. 



3Q3 

worden, bij geval hij een kapelaan van noode had, 
zoo verleende niettemin den 2eu Juli lyg:^ Caesar Branca- 
doro aan Pastoor Beckers de gunst »om telkens als de 
nood het vorderde een geschikt priester, die van elders 
bekwaam was geoordeeld om biecht te hooren, zelf 
uit te kiezen, dezen in zijne plaats of in die van zijn 
kapelaan te laten optreden en de Statie te bedienen* i). 
Maar van deze geheel persoonlijke beschikking heeft 
Pastoor Beckers allicht geen gelegenheid gehad om 
gebruik te ma,ken, daar de Nuntius reeds in dezelfde 
maand Juli van zijn ambt ontslagen, naar Rome werd 
teruggeroepen. 

Moet hier nog gezegd worden, dat, toen de geheele 
Amsterdamsche geestelijkheid, om grootere onheilen 
te voorkomen, den herderlijken brief van den Nuntius, 
waar de politiek duimen-dik oplag, in hare kerken 
weigerde voor te lezen, Pastoor Adam Beckers tegen 
dit besluit protest inlegde, en besloot den zendbrief 
des Zondags af te kondigen? 2) Hij immers, die zijn 
verblijf in »de Krijtberg* aan de Amsterdamsche Burge- 
meesters te danken had, kon niet anders denken, dan 
met deze daad het stedelijk gezag in het gevlei te 
komen. Toch heeft hij de voorlezing niet aangedurfd, 
omdat, zoo schrijft Pastoor Cramer^) >affronti in chiesa« 
opstand gevreesd werd in zijne kerk, en de burge- 
meesters hem voor het dreigend tumult gewaar- 
schuwd hadden. 

Bij de plechtige afkondiging der godsdienstvrijheid, 
den 3ieu Jan. 1795, was het voor den aartspriester 



') Allard, J. II.: 1. c, blz. 128. 2üi. 

2) Ue belangstelleiide lezer, die vau deze geschiedenis meer 
verlangt te weten, zij verwezen naar het opstel van Dr. Brom in 
het Archief v. Utr.: dl. XXXVI, blz. 3S6 euv. 

3) Archief V. Utr.: dl. XXXVI, blz. 308. 



394 

Ten Hulschcr van belang om te weten, of het, naar 
de tneening der provisioneele representanten des volks, 
aan de katholieken ook vrijstond zich kerkelijk te 
organisecren en een eigen bisschop te kiezen. Daartoe 
diende hij, namens alle wereldsheeren, den 13 Maart 
1795 bij het voorloopig bestuur des lands een request 
in, waarbij zij zich tot het herstel van het bisschoppe- 
lijk bestuur in den lande bevoegd verklaarden, maar, 
waartoe zij niet wenschten over te gaan, voordat eerst 
de provisioneele representanten daaromtrent hunne mee- 
ning hadden uitgesproken. 

Dit request werd door de provisioneele representan- 
ten den 2 1^" Maart naar de Oprechte Haarkmsche 
Courafit opgezonden, en zoo tegen de bedoeling des 
aartspriesters openbaar gemaakt. 

Eene bijna algemeene verontwaardiging verrees 
tegen het request, en van vele zijden, zoo mondeling 
als schriftelijk, deden de geestelijken den aartspriester 
blijken, dat zij met den inhoud en de strekking van 
het request niet waren ingenomen. Hij haastte zich 
dan ook in een open brief in het Hollandsch en in 
het Fransch geschreven, gedagteekend 28 Maart, som- 
mige uitdrukkingen van zijn request nader te verkla- 
ren, zich over zijne daad te verontschuldigen, en het 
request zelf, zoo goed als geheel, met smaad en ver- 
achting te verwerpen!). 

Doch Adam Beckers, die evenals zijne ambtsbroe- 
ders bezwaren koesterde tegen het request van den 
aartspriester, sloeg een anderen weg in, die meer door 
zijne afgekeerdheid jegens Ten Hulscher dan door 
wijze voorzichtigheid werd aangewezen. In plaats van. 



') Üp deze bijzonderheden kom ik later in een afzonderlijk 
opstel breedvoerig terug. 



395 

zooals andere priesters deden, zijne nieening, hetzij 
persoonlijk hetzij schriftelijk, aan den aartspriester be- 
kend te maken, zond hij daarentegen o. a. in de Op- 
rechte Haarleviischc Coura>it n^. 30 van Dingsdag 31 
Alaart de volgende opzienbarende advertentie: »De 
ondergetekende na met alle aandagt in de nieuws- 
papieren geleezen te hebben het berugte stuk, begin- 
nende met deeze woorden: H. F. ten Hulscher, aarts- 
priester van Holland, benevens alle de waereldlijke 
Roomsch-Priesters zo der steden als van het platte 
land etc, meent als Roomsch-Priester en vi^aare Burger 
verpligt te zijn te verklaaren, dat hij daaronder niet 
moet en zelfs niet viag gerekend worden «. 

Was dat nu handelen naar het verheven woord des 
Apostels over de liefde ten beste gegeven ; was dat 
nu den weg inslaan door het H. Evangelie bij den 
dwalenden broeder aangewezen ? Want al was wellicht 
de gespannen verhouding tusschen den aartspriester en 
pastoor Beckers aan de meesten der ambtsbroeders 
bekend, thans werd zij door deze spraakmakende ad- 
vertentie ter bespreking en beoordeeling geworpen 
onder het groote publiek. Het publiek toch begreep 
heel goed, dat persoonlijke overwegingen tot deze af- 
wijkende houding aanleiding gaven ; en wat zullen de 
ambtsbroeders gelachen hebben, om de gemoedsbe- 
zwaren, welke Pastoor Beckers aldus deden handelen ? 

Zij herinnerden zich, hoe zijn geweten ruim genoeg 
was geweest om de geheele Missie aan zijn doel op 
te offeren, en het kerkelijk gezag bij de burgerlijke 
macht minachtend te verkleinen. Geheel zijn optreden 
bewees opnieuw, hoe lichtvaardig pastoor Beckers over 
de gehoorzaamheid en onderdanigheid dacht, welke 
alle wereld geestelij ken aan hunne Overheid, den aarts- 
priester, verschuldigd waren. 



396 

De Jansenist licniiink Jansonius heeft dit optreden 
van pastoor Beckers niet enkel uitgebuit, maar ook, 
naar ik meen, ten onrechte overdreven. Want behalve 
de advertentie wordt aan pastoor Beckers door den Janse- 
nist ook ten laste gelegd tegen den aartspriester, naar 
aanleiding van zijn request, dagbladartikelen geschre- 
ven te hebben. De bladen, waarin deze opstellen ver- 
schenen, werden niet genoemd, i) Nu heeft de heer 
Gonnet, op mijn verzoek, de Oprechte Haarlemsche 
Courant doorgezocht van Maart tot Juni 1795 maar 
niets van dien aard gevonden ; en de Heer Dr. Burger 
doorsnuffelde »de Amsterdamsche Courant benevens 
andere bladen* van 1795 tot 1801 maar evenzeer 
vruchteloos 2). 

Jansonius zal hier overdreven hebben, gelijk het van 
hem overdreven was te meenen, dat de aartspriester 
door de advertentie van pastoor Beckers tot het schrij- 
ven van zijn open brief met nadere verklaringen ge- 
dwongen werd. In geheel het epistel van den aarts- 
priester heb ik geen woord tegen pastoor Beckers 
gelezen; trouwens hij onderteekende zijn brief deu 
2 8eu Maart, en de advertentie verscheen eerst den 
31 en, zoodat van wisselwerking hier kwalijk sprake 
wezen kan. 

Volgens Pater Aliard verscheen ook tegen de ad- 
vertentie een vlugschrift, getiteld 3): Brief van eenen 
Roomsch-Catholyke (geen Jansenist) burger aan zijn 
vriend over de zeldzame advertentie van Adam Bec- 
kers R. P., tegen het verzoekschrift van de Roomsch- 



') Geschiedenis der Oud- Roomsch-Katholiehe Kerk in Nederland^ 
blz. 276—278, 337 noot 33. 

2) Uit Pater Allard's Krijtberg blz. 118, begrijp ik, dat Beckers 
dezelfde advertentie tegelijk in andere bladen heeft laten zetten. 

3) L. c, blz. 119. 



397 

Catholyke waereld-priesters van Holland om eenen 
eigen bisschop te mogen hebben c. 

Jammer dat mij dit geschriftje maar niet in handen 
wilde vallen. Te Maastricht, Warmond, ÏTageveld, Cu- 
lenborg, Oudenbosch, den Haag, Gouda, zelfs in de 
pastorie-bibliotheek van den Krijtberg te Amsterdam: 
nergens was het aanwezig. 

Heeft soms de een of ander onder mijne lezers het 
in particulier bezit? 

Tot de voorwaarden, welke Ten Hulscher den 2960 
Febr. 1788 voornemens was door pastoor Beckers bij 
zijne aanstelling in den Krijtberg, desnoods bij nota- 
rieele acte, te laten onderteekenen, behoorde als vierde, 
dat bij zijn dood of vertrek naar elders niets van het- 
geen tot de Statie gerekend werd, verkocht noch ver- 
vreemd mocht worden, maar dat alles aan zijn opvol- 
ger, een priester uit de saeculiere geestelijkheid, zou 
overgaan i). 

Of pastoor Beckers zich inderdaad tot het aanvaar- 
den dezer voorwaarden door eigenhandige ondertee- 
kening verplicht heeft, blijkt niet uit de aanwezige 
stukken. ]\Iaar ook het stadsbestuur had bepaald, dat, 
na den dood van Beckers, de Statie aan de saeculieren 
zou overgaan. 

Doch gesteld, dat pastoor Beckers ze had aange- 
nomen; hetgeen zeer waarschijnlijk is, wijl Ten Hulscher 
geleerd had met dien priester den veiligsten weg te 
moeten bewandelen, dan gevoelde het geweten van 
Adam Beckers zich niet bezwaard, blijkens zijn den 
56" Jan. 1788 bij notaris Hendrik ten Broek te Amster- 
dam gemaakt testament, zich aan de onderschreven 
voorwaarde niet gebonden te rekenen. Want op het 

1) Zie Uz. 373. 



39« 

einde van zijn testament behoudt pastoor Beckers 
»voor zich de macht on het vermoj^en om hetzij bij 
eigen geschrift hetzij alleen bij handteekening onder 
eens anders geschrift alle zijne gemaakte testamentaire 
beschikkingen te veranderen, te verminderen of geheel 
te vernietigen «. i) Daarbij heeft blijkbaar de bedoeling 
voorgezeten, het bezit van *de Krijtberg «-pastorie nog 
op het laatste oogenblik zijns levens aan de saeculieren 
te onttrekken. Zelfs is Pater Allard van meening, dat 
de benoeming van twee Amsterdamsche leeken tot 
executeurs op dat streven gericht was 2). 

Indien pastoor Beckers eens werkelijk in de Socië- 
teit van Jesus was opgevoed, en niet enkel aan het 
kleed der Jesuïeten, zooals Stafford zeide, geroken had; 
indien hij tijd en gelegenheid had gevonden den waren 
geest van S. Ignatius in zich op te nemen, die een 
geest is van heilige gehoorzaamheid, hoe geheel 
anders zou hij zich tegenover zijne kerkelijke Over- 
heid gedragen hebben, en overtuigd zijn geweest, dat 
de Orde, die straks zou herleven, met het bezit eener 
Statie meer of minder, tot geen hooger bloei ge- 
raken zou. 

Tot aan het einde zijns levens heeft de verhouding 
van pastoor Beckers tot den aartspriester te wenschen 
overgelaten. Dit blijkt allereerst uit een schrijven van 
Ciamberlani aan Ten Hulscher den 26 Jan. 1801, waarin 
de aanstelling van een medearbeider bij pastoor Bec- 
kers ter sprake komt. 

»R. D, Beckers indiget absolute cooperatore alio, 
attentis circumstantiis aegrotantium et infirmae vale- 



') Xotarieel archief te Amsterdam. 
2) L. c., blz. 129. 



tudinis sacellani sui l-l. T\ Recollectae cl alterius Rc- 
coHectao; ot confrater K. i). Rogen non amplius vadit 
ad ipsum. Kst alius confrater ejus, qui nominatur 
Groeten (Groenen) trajectinus, vir ex omni parte com- 
mendabilis et pro quo etiam egomet respondere pos- 
sum et respondeo. Est vir sexagenarius. liunc assu- 
met forsan. Scribo ad eumdem R. D. Beckers, ut 
oretenus vel per epistolam Ampl. tuam de hoc faciat 
etiam certiorem, utque confrater praedictus ad te veniat, 
ubi fuerit Amstelodami. Te rogo obtestorque, Ampl. 
Dne^ ut saltem in mei amorem respondeas vel excipias 
peramanter pastorem et futurum coadjutoren! quoque. 
Videbis, quomodo res permutare incipient. Tibi habebo 
gratiam plurimam«. 

En ten tweede uit de handelwijze van den aarts- 
priester-zelven aan het sterfbed van pastoor Beckers, 
waar in het aanschijn van den dood — hij stierf 
I Aug, 1806 — de, helaas, te lang uitgebleven ver- 
zoening tusschen de beide priesters plaats vond. 

De aartspriester had blijkbaar van zijn z waren gang 
naar *de Krijtberg* den Vice-Superior kennis gegeven: 
waarop Ciamberlani den gen Augustus 1806 aan Ten 
Hulscher het volgende antwoordde: 

»Numquam excogit.assem postremas Ampl. tuae litte- 
ras 21 currentis mensis dalas R. D. pastoris Beckers 
mortem esse mihi relaturas. Videbatur homo adeo ro- 
bustus, ut nil de praematura morte sibi timendum omnes 
existimassent, et en post paucos infirmitatis dies a 
morte perculsus. Dum ejus mortem doleo, gaudeo, ante- 
quam obierit, omnia inter Ampl. tuam et ipsum 
fuisse composita. Cum conscientia magis tranquilla po- 
tuit coram Divino Judicc se sislere. Procul dubio Illmus 
et Rmus Ds nuper Ep^^s Ruraemund. ob necessitudi- 
nem, quae inter eos intercedebat, quam maxime mortem 
ejus dolebit. Inconsulta Ampl. tua nil statuam de suc- 
cessore. Hoc indubium est. Spero, brevi me litteras ab 
Ampl. tua recepturum, quibus de Regis reditu [uit 



}00 

Wiesbaden] fiam certior, quapropter et brevi te pera- 
manter, quod sim amplcxurus, confido. Oretenus inter 
nos hac de re loquemiir et definiemus. Interim suasum 
mihi est omnino, quod cautissime sit undequaque agen- 
dum, ne ulla quaestio oriatur, et occasio detur Guber- 
nio sese immiscendi in pastorum electione et promotione. 
Si semel manus poneret, actum esset de auctoritate 
ecclesiastica, et semper sese imposterum immisceret. 
Optime novi systema. Hoc inter nos, Ampl. D"e con- 
fidenter sit dictum*. 

Of de verhouding v^an pastoor Beckers tegenover 
den Vice-Superior Ciamberlani te wenschen heeft over- 
gelaten, kan ik met geen bewijsstukken waar maken. 
Pater Allard evenwel deelt mede, dat tegen het op- 
nemen van priesters door Pater Beckers in de Socië- 
teit van Jesus, omdat zij nog niet over geheel den 
aardbodem hersteld wa.s »eigenaardige bezwaren* zijn 
gerezen bij den Vice-Superior'^). 

Dat Pastoor Beckers jaarlijks een bepaald bedrag 
naar Alunster opzond voor het onderhoud van Ciamber- 
lani, was inderdaad naar aanleiding van een schrijven 
van 14 Maart 1798 door den Vice-Superior gericht tot 
den aartspriester, w'aarin van de priesters der Zending 
steun gevraagd werd voor de benarde financieele om- 
standigheden, waarin hij, na de overweldiging van 
Rome, verkeerde. 

Aan het einde van dit artikel, dat, naar ik meen, 
sine ira et studio werd opgesteld, moet mij, gewis met 
den belangstellenden lezer, de bekentenis uit de pen, 
dat de geschiedenis van pastoor Adam Beckers in 
betrekking tot zijne kerkelijke Overheid evenmin stich- 
tend als verkwikkend is. En dan werden slechts de 



') L,- c, blz. 130. 



40i 

documenten overgelegd, welke in het bisschoppelijk 
Oud-Archief te Haarlem liggen opgeborgen ; want ik 
vreeze, indien de briefwisseling tusschen Beckers en 
Brancadoro eens werd gevonden en openbaar gemaakt, 
het priesterlijk karakter van dezen pastoor uit »de 
Krijtberg* daarmede niet zou stijgen. 

Het was daarom alleen uit onbekendheid met de 
in Haarlem bewaarde archiefstukken, dat Pater Allard 
van dezen herder in zijne geschiedenis der S. Franciscus- 
Xaveriuskerk te xA.msterdam of de Krijtberg, zinnen 
en uitdrukkingen kon schrijven als deze: 

>De redzame pater Beckers was aanstonds [te Am- 
sterdam] aan 't werk getogen met de hem eigen- 
aardige volharding en practische zaakkennis* i); >de in 
de practijk doorkneede Beckers .... werkte nu ruste- 
loos aan de vrijmaking van zijn kerkgebouw* 2); »in 
1795 [!] kwam Adam Beckers in ietwat minder vriende- 
lijke aanraking met Ten Hulscher«3); >de geest der 
Sociëteit is dezelfde te Amsterdam en in Rusland*-^); 
> Pater Beckers was de ziel der weder ontluikende 
Sociëteit van Jesus in Noord- Am erica* 5); >hij was een 
ijveraar voor de belangen der zwaarbeproefde kerk in 
het algemeen* 6); *zijn geschilderd portret wordt met 
verschuldigden eerbied in den Krijtberg bewaard*'^) 

En Pater Albers vat de geschiedenis van Adam 
Beckers' komst te Amsterdam in deze regels samen 8): 



') I,. c, blz. III. 
^) L. c, blz. 112. 
3) 11. c, blz. 115. 
*) L. c, t)lz. 131. 

5) L,. c, blz. 133. 

6) L. c, blz. 145. 

7) L. c. 

8; £>g Hoogeerw. Pater J. Ph. Roothaan: L. C. G. Malmberg, 
Nijmegen, 19 12, dl. I, bl. 5. 

26 



4Ó2 

»Ten jare 1786 kwam Pater Adam Beckers in de 
Krijtberg. Hemel en aarde werd door de vijanden [sic] 
bewogen, om hem uit de kerk te weren, zóó zelfs, dat 
hij de eerste tijden niet zooveel jurisdictie bezat als 
de klopjes, die vrijelijk in de kerk catechismus mochten 
geven. Eindelijk, na een zwaren strijd, werd Pater 
Beckers toegelaten, en ontving zelfs in 1787 van den 
Pruisischen bevelhebber van Amsterdam verlof, offi- 
cieel de Krijtberg te heropenen, waar hij in den zomer 
van het volgend jaar als erkend pastoor den grijzen 
Pater Thomassen opvolgde*. 

En de beide Paters AUard en Albers verhalen, dat 
Pater Roothaan meermalen Pater Beckers als »een 
heilig en ijverig priester c heeft geprezen. 

Wij voor ons daarentegen zijn dankbaar gestemd, 
dat toestanden en gebeurtenissen als hier door Adam 
Beckers in het leven werden geroepen, na het herstel 
der Hiërarchie, zich gelukkig niet meer herhalen zullen. 

Nieuwerkerk a. d. Ysel, J. C. van der Loos. 
5 Februari, igi8. 



KERKGESCHIEDENIS VAN AMSTELLAND. 

(Vervolg vau Deel XXXVIII, blz. 90.) 
Buitenveldert. 



Onder de benaming » Buitenveldert «, eene wijk der 
tegenwoordige gemeente Nieuwer-Amstel, wordt het 
>veld« of het land bedoeld, dat » buiten* Amstelveen 
gelegen is en door den volksmond »Buitenveldert« 
werd genoemd. Ruwaard Albrecht sprak in 1399 >van 
onsen luden buten den Veldaert« en bepaalde, dat zij 
door hunnen maatschappelijken achteruitgang, veroor- 
zaakt door de aanhoudende burgertwisten in het graaf- 
schap Holland, van hunne verplichting om vijf riemen 
of roeiers te leveren zouden ontslagen zijn, en voortaan 
met slechts twee riemen den landsheer moesten dienen i). 

Op kerkelijk gebied behoorden de inwoners van het 
buitenveld tot de parochie Amstelveen ; eerst toen het 
Reguliers-klooster was gesticht, gingen er van hen, ter 
vervulling hunner godsdienstplichten, naar de klooster- 
kerk, hetgeen voor den pastoor van Amstelveen, wiens 
inkomsten daardoor verminderden, reden gaf tot kla- 
gen bij den prior des kloosters. Een verdrag, dat den 
i^en November 1400 tusschen den pastoor en den 
prior werd aangegaan, bedoelde deze aangelegenheid 
tusschen hen en hunne opvolgers in der minne te rege- 
len 2). De kerkgeschiedenis van Buitenveldert neemt der- 



') Loos, J, C. van der : Geschiedenis vau Amstelland, blz. 5 ; 
Veder, W. R. : Het Archief van de Gasthuizen te Amsterdam, blz. 
144, reg. 715. 

2) Historia Episcopatutun foederati Belgii : p. II, pag. 117 — 118; 
Le Long^ haak: Historische Beschrijvinge van de Reformatie der 
Stadt Amsterdam, t' Amsterdam bij Johaunes van Septeren, boek- 
verkooper op de Leydse straat, 1729, blz. 245 — 246. 



404 

halve met de stichting van 't huys of klooster der 
reguliere kanunniken van S. Jan den Evangelist een 
aanvang. 

Het oudste stuk, w^aarin over dit regulieren-klooster 
gesproken wordt, is een bul van Paus Bonifacius IX, 
gedagteekend den 2^^^ Mei 1391, waarin de H. Vader 
aan den abt van Egmond kennis geeft, dat Gijsbert 
Dou en Dirk Sloyer, twee priesters, voornemens waren 
in het bisdom Utrecht een klooster te stichten der 
orde van den H. Augustinusi). Het zou door een 
prior met twaalf kanunniken bewoond worden. De 
abt kreeg in opdracht de stichting van het klooster 
te bevorderen, mits de daartoe bestemde goederen voor 
het onderhoud der kloosterlingen toereikend waren 2). 
Blijkbaar was dit het geval: want den 2460 Juli 1394 
gingen Gijsbert Dou, Pieter Nicolaasz. van Uitgeest, 
Johan Dirkszoon, priesters, en Johan Sching, een leek, 
tot de stichting over van een convent of klooster der 
reguliere-kanunniken van St. Augustinus, hetgeen met 
Gods genade gesticht, gebouwd en getimmerd zou 
worden nabij Amsterdam in de parochie van Nieuwer- 
AmstelS). Den 21^^ Januari 1395 werd door hertog 
Albrecht van Beijeren^), en den 8eu Februari 1395 
door bisschop Frederik van Blankenheim aan deze 
klooster-stichting hun goedkeurend zegel gehecht^''). 



') Over de reguliere kanunniken van St. Augustinus: Vgl. 
Moil, W.: Kerkgeschiedenis van Nederland, dl. II, sk. II, blz. 
112 — 118. 

2) Hist. Ep. foederati Belgii : p. II, pag. Ii6. Het pontificaat 
van Paus Bonifacius IX duurde van 1389 — 1404. Le Long wist 
dat niet te achterhalen, en liet het aan andereu over svermits hij 
er zijn hoofd niet mede mocht breken». L/. c, blz. 247. 

3) Hist. Ep.: pag. 115. 

*) L,. c, pag. 116—117; Frans v. Mieris : Groot Charterboek, 
dl. III, blz. 622—623. 
5} L. c, pag. 117. 



405 

Het klooster lag ten zuiden van Amsterdam, op de 
hoogte der tegenwoordige Keizersgracht bij de Utrecht- 
sche straat ^). Aan de ligging van dit klooster hebben 
de verschillende reguliers-poorten haar naam ontleend 2). 

Gelijk de sterkte Reguliers 

Naar 't klooster, dat in voorge tijden 

Ook buiten stondt, vol pracht en zwier 3). 

Eene afbeelding van het klooster uit het jaar 1503 
geeft Willink in zijn Amsterdamsche Buitensingel ^). 
Andere maar onderling zeer verschillende afbeeldingen 
vindt men bij Le Long 5) en Jan Wagenaar^). 

De regulieren leefden volgens de kloosterregels van 
Windesheim '^), waarbij zij met hunne goederen door 
bisschop Frederik van Blankenheim den 5 en December 
1400 waren ingelijfd 8). Gedurende de anderhalve eeuw 
van het bestaan des kloosters ontvingen de reguliere 
kanunniken van pausen, bisschoppen, koningen en 
graven verschillende privilegiën, vrijheden, gunsten en 
voorrechten, en werden hunne bezittingen door aan- 
koop of schenking aanmerkelijk vermeerderd 9). 



') Wagenaar^ Jan: Amsterdam in zijne opkomst enz. t' Amster- 
dam, 1760, dl. I, blz. 13. 

2) Fokkeus, ]\I.: Beschrijviuge der Wijdt-vermaarde Koopstadt 
Amstelredam, t' Amsterdam, 1662, blz. 311. 

3) Willink, Daniël: Amsterdamsche Buitensingel, te Amsterdam 
bij Arent van Huyssteen, boekverkoper op 't Rokkin op de hoek 
van de Capersteeg, 1738 blz. 120 — 121. 

^) L. c. 

5) L. c, blz. 455. 

6) It c, dl. I, pi. XX; SckarJ), H. J.: Nieuv/er-Amstel in den 
loop der eeuwen, sub 1532. 

7) Vgl. Moll, Tr.: 1. c, blz. 212—228. 

8) I/ist. Episc. Foeder. Belgii : p. II, pag. I18. 

9) Scheltema, P.: Aemstel's Oudheid, Amsterdam, 1861, dl. IV, 
blz. 41 euv. Schar p, H. /.: In het Verslag van den toestand der 



4o6 

De lange, maar niet volledige lijst hunner goederen, 
bestaande uit huizen en landerijen, en renten op huizen 
en landerijen werd door Van Heussen medegedeeld i). 
Vandaar dat het verhaal door Dapper in 1663 met een 
maar men zeit« de wereld ingezonden 2) en door ande- 
ren na hem overgenomen 3), als zouden de kanunniken, 
omdat zij niet in staat waren hunne schulden te be- 
talen, zelf op Allerheiligenavond van het jaar 1532 het 
klooster in brand gestoken hebben, ernstig mag be- 
twijfeld worden"*). Hetzelfde geldt van het bericht, als 
zou de Magistraat van Amsterdam het klooster heime- 
lijk des nachts hebben aangestoken »om zich zoo 
allengs van eenige kloosteren, daer deze stadt gewel- 
digh meê bezwaert was, te ontlasten»; en van de tra- 
gische vertelling, dat de monniken bij den ondergang 
van hun klooster, des nachts aan de stadspoort klopten, 
doch niet werden toegelaten 5). Maar wel getuigt de 



Gemeente Nieuwer-Atnstel, 1913, 1914, 1915, 1916: eene onmisbare 
studie voor wie ook op politiek gebied de geschiedenis van 
Nieuwer-Amstel te boek wil stellen. 

1) Hist. Episc: pag. 119 — 120. 

2) Historische beschrijving der stadt Amsterdam, \a Krxi&t&rOia.m, 1663, 
blz. 326. 

3) Domselaer, T. van: Beschrijviuge van Amsterdam, t' Amster- 
dam, 1665, blz. 231; Leeuwen, Simon van: Batavia lUustrata, 
's-Gravenhage, 1685, blz. 1329; Commelin, C: Beschrijvinge van 
Amsterdam, t' Amsterdam, 1693, blz. 204; Le Long, Isaak : 1. c, 
1729, blz. 452; Willink, Daniël: Amsterdamsche Buitensingel, te 
Amsterdam, 1738, blz. 121; Wagenaar, Jan : Amsterdam in zijne 
opkomst enz. t' Amsterdam, 1760, dl. I, blz. 229; Romer, R. C. H.l 
Gescheidkundig overzigt van de kloosters en abdijen, te Leiden, 
1854, dl. I, blz. 339; Scheltema, P. : Aemstel's Oudheid, Amster- 
dam, 1861, dl. IV, blz. 45; Bots, P. M.: De oude kloosters en 
abdijen, Rijsenburg, 18S3, blz. 47; Ter Gouw, /.: Geschiedenis 
van Amsterdam, 1886, dl. V, blz. 175. 

*) Bijdr. V. H.: dl. XXXI, blz. 288. 

*) Leeuwen, Simon van: Batavia lUustrata, dl. II, blz. 1-329. Ook 
van die legende heeft Dapper het vaderschap: 1. c, blz. 326. 



407 

geschiedenis, dat de regulieren van Nieuwer-Amstel, 
bij overeenkomst van 15 October 1533, in het convent 
van Heilo, »de Blinken* genaamd, werden opgenomen; 
en latere besprekingen van den 2ien April 1534 en 
den 24 Juni 1535 bepaalden, dat de kloosterlingen van 
Heilo hun convent met al zijne bezittingen zouden af- 
staan en overgeven aan die van Nieuwer-Amstel M, 
zoodat de geschiedenis der kloosterlingen van Nieuwer- 
Amstel te Heilo werd voortgezet. Vele Amsterdam- 
sche geschiedschrijvers, te beginnen met Pontanus, 
waren ten onrechte van meening, dat de regulieren, 
na den brand van hun klooster te Nieuwer-Amstel, 
een geheel nieuw klooster te Heilo »getimmert« 
hebben 2). De verdere lotgevallen der regulieren 
en de ondergang van hun klooster te Heilo, zijn 
door den Heer Bruinvis in deze Bijdragen te boek 
gesteld 3). 

De grond, waarop het afgebrande klooster gestaan 
had, bleef in bezit der regulieren van Heilo, en werd 
in huur gegeven aan Willem Dirkszoon Bardes, schout 
van Amsterdam. Bij de oprichting der bisdommen in 
de Nederlanden, den igen Mei 1559, werden de abdij 
van Egmond en het klooster te Heilo met hunne in- 
komsten en bezittingen bestemd voor het onderhoud 
van den Haarlemschen kerkvoogd, zoodat, toen de 
regulieren van Heilo in 1564, de pachtinge »geexspi- 
reert wesende«, den grond wenschten te verkoopen 
aan den meest biedende, Nicolaas van Nieuwland 



') Hist. Episc. Poeder. Belgii : p. II, pag. 120 — 122. 
2) Pontanus, J. I. : Historische Beschrijvinghe der seer ■wijt- 
beroemde Coopstadt Amsterdam, t' Amsterdam, 16 14, blz. 21. 
») Btj'dr. V. H.l dl. XXXI, blz. 286—304. 



4o8 

de bede der supplianten wel is waar genegen wilde 
zijn, maar onder voorwaarde, dat de regulieren reken- 
schap zouden geven van de verkregen gelden, en op 
de plek van het voormalige klooster eene kapel zou- 
den stichten en onderhouden, waarin op bepaalde tijden 
missen moesten gelezen worden voor de stichters van 
het convent en voor hen, die daar begraven lagen i). 

Deze verkoop schijnt geen voortgang gehad te heb- 
ben; de stichting eener kapel heeft aldaar nimmer 
plaats gehad. 

Later werd de grond door het Haarlem sche kapittel 
in erfpacht gegeven aan Jacobus Zaffius, den laatsten 
prior van Heilo, en een der eerste kanunniken van 
Haarlem, die het terrein in verschillende perceelen 
smaldeelde, waarop huizen en herbergen gebouwd, 
en tuinen werden aangelegd. 

In 1572 wilde de Amsterdamsche stadsregeering het 
reguliershof doen slopen >om een vrij gezicht te heb- 
ben, opdat [zich] daerinne geen vijanden souden mogen 
onthouden, om deser stede te beschadigen ofte te be- 
bohvercken ende beschanschen«. Daartegen leverde 
Zaffius den len September een krachtig protest in. 
»Het Hof — zoo deed Heer Jacob aan de Heeren 
van Amsterdam insinueren — is een geestelycke 
plaetse, gelegen buyten de vryheydt ende jurisdictie 
deser stede, ende dat U luyden als regenten geen 
recht nochte actie daerinne en competeert, ende over 
sulx oock in u luyden macht niet en is, omme tot 
achterdeel van 't selve hof iet te disponeren : dat mede 
de voorsz. plaetsen als seer laegh ende weeck van 
aerdtryck ende gronde zijnde, niet bequaem en is 



•) Dapper: 1. c, blz. 326. Domselaer : 1. c, bk. III, blz. 231, 
eu Comtneltn; 1. c, blz. 205, schrijven Dapper eenvouclig na. 



409 

omme daerinne eenige schansen ofte bolwercken te 
maken, waeruyt dese stadt eenigh hinder ofte letsel 
souden mogen krijgen* i). Een beroep op >de gerechtig- 
heydt« der Heeren mocht niet baten; alle boomen 
werden omvergeworpen, de ooftboomen alleen uitge- 
zonderd 2). Men handelde in die dagen, zegt Acquoy, 
» volgens eene zedeleer, die slechts door den Staat in 
toepassing kon worden gebracht, maar die in burgers, 
wanneer dezen haar volgden, streng zou worden 
gestraft > 3). 

In 1578 werd het reguliershof wederom opgebouwd, 
beplant en tot buitenherberg ingericht; in de 17e eeuw 
werd het tot hortus medicus of artsenij-tuin gebruikt, 
en ten laatste is het in de uitbreiding der stad geval- 
len, en met huizen bebouwd 4). 

't Was betrekkelijk slechts een klein gedeelte der 
katholieke bevolking onder Buitenveldert, dat bij het 
vervullen zijner godsdienstplichten van de kloosterkerk 
der reguliere kanunniken van S. Jan den Evangelist 
gebruik maakte; een ander gedeelte, gewis verre- 
weg de grootste meerderheid der katholieken, behoorde 
van ouds tot de parochie-kerk te Amstelveen; en de 
katholieken, die meer noordwaarts woonden, vonden te 
Amsterdam of te Sloten eene geschikte gelegenheid 
voor een geregelden kerkgang. 

Maar na de hervorming werden voor de katholieken 
de toestanden anders. De kerken te Amstelveen, Slo- 



') Dapper: 1. c, blz. 327 — 32S. 
*) Wagenaar, Jan : 1. c, dl. II, blz. 52. 

3) Het klooster te Wmdesheim en zijti invloed, Utrecht, Gebr. van 
der Post, 1875, dl. II, blz. 57, 
^) IVagenaar, Jan .' 1. c. 



4IO 

ten en Amsterdam waren aan den katholieken eere- 
dienst ontnomen; zij, die getrouw bleven aan het 
geloof hunner vaderen, waren verplicht geestelijke 
hulp te vragen aan dezen of genen doortrekkenden 
priester, die, dan hier dan daar, in alle stilte en ter 
sluiks, in schuren of hooihuizen de H. Geheimen vierde. 
En inderdaad aan geestelijken bijstand heeft het den 
katholieken van Buiten veldert niet ontbroken. Het 
doop- en trouwregister van pastoor Gerardus Jeegers 
van Abcoude bevat de stellige bewijzen, hoe door hem 
tusschen de jaren 1575 — 1578 te Amstelveen aan 27 
kinderen het H, Doopsel werd toegediend i). 

Hachelijker nog werd de geestelijke nood onder 
Buitenveldert toen, sinds den 6eu Mei 1634, de Buiten- 
veldertsche polder was uitgeveend en drooggelegd ; eerst 
met boerenwoningen en later met fraaie buitenplaat- 
sen werd verrijkt, zoodat het aantal bewoners zoodanig 
toenam, dat de Vicaris Apostolicus de la Torre in zijn 
Missieverslag van 1656 omtrent deze streken getuigde, 
dat zij eene vrij dichte katholieke bevolking be- 
vatten 2). 

Maar toen was reeds de hulp nabij, welke geboden 
werd door de Paters Capucijnen, aan wie, bij besluit 
van II April 1625, door de Propaganda was toegestaan, 
zich naar de Hollandsche Zending te begeven, en daar 
werkzaam te zijn als missionaris, mits zij zich zouden 
houden aan de overeenkomst, welke de Vicaris Aposto- 
liek den 15611 October 1624 met de Jesuieten te Brussel 
gesloten had. 

Zij waren Capucijnen van de Vlaamsch-Belgische 



') Dit register is door den Liniburgschen Rijksarchivaris, den 
Heer Flament, uitgegeven in het Archief v. Utr. : dl. Xt,, blz. 
93—176. 

8) Archief V. Utr,: dl. XI, blz. 142. 



411 

provincie 1). In welk jaar juist zij hunnen priesterlijken 
arbeid onder de katholieken van Buitenveldert aan- 
vingen, kan bij gemis aan bescheiden uit die troebele 
en verwarde tijden met geen zekerheid gezegd wor- 
den. Evenmin, of voor het vermoeden eenige grond 
bestaat, als zouden zij zich gevestigd hebben aan den 
Amstelveenschen weg ter plaatse, thans onder den 
naam van >het klooster* bekend, en ongeveer 200 
ellen ten zuiden der tegenwoordige parochie-kerk ge- 
legen. Eene vaste woonplaats zullen zij gewis aan- 
vankelijk niet gehad hebben. De benaming van »het 
klooster* kan allicht dagteekenen uit de jaren der 
Paters Augustijnen, toen geregelder en voor de katho- 
lieken meer dragelijke tijden waren aangebroken. 

Bij besluit van de Propaganda van den i^" Juni 
1643 werd het missieleven aan de Paters Capucijnen 
verboden in die streken, waar zij hun kloosterhabijt 
niet mochten dragen. Dit was in onze noordelijke pro- 
vinciën het geval. Maar de Paters meenden reden te 
hebben, naar dat besluit niet te moeten luisteren; zij 
bleven te Buitenveldert, en hebben eerst omtrent 1656 
hunne zielzorg aan de Paters Augustijnen overgedra- 
gen. Of de Augustijnen daarbij overleg hebben ge- 
pleegd met de kerkelijke overheid, en daartoe hare 
toestemming hebben ontvangen, mag betwijfeld wor- 
den. Want het was later juist op grond hunner onrecht- 
matige vestiging, dat aan de Paters Augustijnen door 
het kapittel van Haarlem het bezit der Statie eerst 
betwist en later ontnomen werd. 

Den 3oea j^ni 1644 deed de baljuw van Amstel- 
land, gewis uit naam der heilige conscientie-vrijheid, 
huiszoeking onder Buitenveldert-), niet in »het klooster*, 

') Archief V. Utr.l dl. XXXI, blz. .^13. 
2) Bijdr. V. H.: dl. VIII, blz. 197. 



412 

maar bij eene oude vrouw, waar hij »een groot achter- 
huys< vond, »beset met eenige bancken, stoelen, midts- 
gaders eenige hecken ofte houte traliën, waeruyt hij 
presumeerde deselve plaetse tot conventiculen te hou- 
den geapproprieert geweest te zijn; waeromme hij 
baljiu, ten overstaan van twee schepenen en buur- 
meesters, alle de voorsegde bancken, hecken ofte tra- 
liën los doen maken en omverre gesmeten heeft, ende 
voorts de voors. plaetse ofte de deurs van dien door 
een timmerman heeft doen sluyten, ende voors. oude 
vrouw belast de voorsegde deuren gesloten te houden 
tot naerder ordre«. 

Bij mijne navrage is mij gebleken, dat onder de 
katholieken van Buitenveldert, jammer genoeg, de 
herinnering zoo van deze gebeurtenis als van de boer- 
derij, waar zij plaats vond, is verloren gegaan. 

Officieel wordt in het Missie-verslag van de la 
Torre, dagteekenend uit het jaar 1656, medegedeeld, 
dat de katholieken, woonachtig onder Buitenveldert en 
aan den Overtoom, aanvankelijk door Paters Capucij- 
nen, maar thans door een Augustijner-monnik ver- 
zorgd werden 1). Doch aUicht kan de vestiging der 
Augustijnen te Buitenveldert ettelijke jaren daaraan 
zijn voorafgegaan. 

Pater Mart. Vinkenroy of Vinkenrode, ~) de eerste 
herder der Augustijner-Orde, was blijkbaar een man 
van grooten zielenijver. Want toen te Calslagen een 
45 katholieken zich over hun pastoor ontevreden toon- 
den, en diens leiding niet wilden volgen, stelde zich 
Pater Vinkenroy voor hen beschikbaar, en was zelfs 
met veel vrucht onder hen werkzaam. Toch oordeelden 



•) Archief v. Utr. : dl. XI, blz. 14a. 

2) Door Bat. Saer. p. II, pag. 412 wordt hij teu onrechte 
Joannes genoemd. 



413 

de Haarlemsche Kapittelheeren, bij besluit van den 
27en April 1650, het beter, den Pater aan te zeggen 
die Statie te verlaten, i) 

De kunst om met den baljuw van Amstelland op 
goeden voet te staan, was den Pater niet onbekend. 
De katholieken ondervonden daardoor in die dagen, 
volgens het getuigenis van de la Torre, genoegzame 
vrijheid ter uitoefening van hunnen godsdienst. 2) 

Gedurende zijn laatste levensjaar werd Pater Vinken- 
roy in de bediening ter zijde gestaan door Pater Theo- 
dorus Dingens, die zelf in 167 i een doopboek aanlegde, 
waarin hij deze bijzonderheid heeft aangeteekend. ^) 
Het doopboek van Pater Vinkenroy blijkt te zijn ver- 
loren gegaan. Volgens Bugge stierf Pater Vinkenroy 
in Mei 167 i. -i) 

Theodorus Dingens schrijft omtrent zijne benoe- 
ming te Buitenveldert in het doopboek, dat hij op den 
feestdag van de H. Apostelen Petrus en Paulus (29 Juni) 
1671 door Van Neercassel, bisschop van Castorië, tot 
pastoor werd aangesteld 5). En blijkens datzelfde doop- 



<) Btjdr. V. H. : dl. VI, blz. 302. 

2) Archief V. Utr.: dl. XI, blz. 142. 

3) Quod uno integro anno astiterim praedecessori ineo fr. Mart. 
Vinkenroy: nomina illorum tune baptizatorum invenies in alio libro. 

Op het gemeente-archief van Amstelveen berusten van Buiten- 
veldert drie doopboeken. Het eerste loopt van 2 Juli 1671 — 12 
Jan. 1700; het tweede van 9 Jan. 1700 — 6 Maart 1784; het derde 
van 16 Maart 1784 — 29 Jan. 1812. Hierachter past een woord van 
eerbiedigen dank aan burgemeester Colijn van Nieuwer-Amstel 
voor zijne mij betoonde welwillendheid bij het opsporen van ge- 
schiedkundige gegevens uit het gemeente-Archief. 

^) De Katholiek: 1872, blz. 246. 

5) Registrum baptizatorum inchoatum per me fratrem Theod. 
Dingens ord. ff. Erem. S. P. Augustini in festo SS. Apostolorum 
Petri et Pauli 1671, qua die sim constitutus pastor hic in Buyten- 
veldert ab illustr. Dno Joe üpo Castoriensi Vicario Apostolico. 



4H 

boek had hij tot medearbeider zekeren Pater Joes van 
Zinnick, die op den dag dat zijn pastoor stierf i), den 24^11 
Mei 167 2, een doopsel toediende, waarbij hij aanteekende, 
het te doen »om wille van de ziekte des pastoors«. 

Reeds vier dagen daarna werd het bestuur der 
Statie overgenomen door Adrianus Achtienhoven, 
een saeculier priester, en, zooals hij in het doopboek 
aanteekende, »tamquam pastor « als ware hij pastoor. 
Deze toestand duurde tot den yen Mei 1673, waarop 
zijne wettige benoeming en aanstelling volgde als 
pastoor van Buitenveldert. Zelf deelt hij daaromtrent 
in het doopboek mede: 

Indiculus eorum, qui in sacro baptismatis fonte loti 
per Rdum Y)nmn M^um Adrianum Achtienhoven, e clero 
Harlemensi, pastorem in Buitenveldert declaratum sep- 
tima Maji anni 1673, postquam per integrum fere annum 
gregi loei istius tamquam pastor adstitisset a vigesima 
nimirum octava Maji anni 1672*. 

Pastoor Achtienhoven sluit in het doopboek onmid- 
dellijk bij Pater Dingens aan. Toch schijnt de over- 
gang der Statie van de regulieren naar de saeculieren 
niet zoo rustig geschied te zijn, als het zich laat aan- 
zien. Want, blijkens de kapittelvergadering van 4 Oc- 
tober 1673, was bij de kanunniken vanwege de Paters 
Augustijnen een schrijven ingekomen, waarbij zij be- 
weerden, dat de Statie aan hen toebehoorde. Maar de 
kanunniken zonden aan den Internuntius te Brussel 
een verdedigingsschrift, waarin werd aangetoond, dat 
de redenen en bewijzen, door dé Augustijnen aange- 
voerd, niet steekhoudend waren; en waarin tegelijk 
de gronden werden genoemd, waarop het recht der 
saeculieren op de Statie steunde 2), 

') De Katholiek: jg. 1872, dl. I, blz. 247. 
2) Bijdr. V. H.\ dl. VII, blz. 156. 



415 

Intusschen hadden de Augustijnen als pastoor Michaël 
Deckkers naar Buitenveldert gezonden ; waar hij ver- 
bUjf hield, is onbekend; doopsels heeft hij er niet toe- 
gediend; trouwens lang is hij te Buitenveldert niet 
geweest, daar, volgens den provicaris Cousebant, de 
Vicaris Apostolicus van Neercassel hem in 1673 als 
pastoor zond naar Nieuwendam, i) welke Statie in 18 14 
wederom overging aan de saeculieren, om later opnieuw 
aan de Paters Augustijnen ter verzorging te worden 
toevertrouwd. Adrianus Achtienhoven was Amster- 
dammer van geboorte, studeerde te Leuven, waar hij 
den graad behaalde van licentiaat in de godgeleerd- 
heid, en werd door Josef Cousebant in zijne descriptio 
sacerdotum van 1688 als »zeer geleerd en voorzichtig* 
geprezen. 2) Volgens J. H. Lexius, die gedurende 12 
jaren kapelaan was te Buitenveldert, zou de benoeming 
van pastoor Achtienhoven in de plaats der Augustijnen, 
daaraan zijn toe te schrijven, wijl de Paters voor den 
bouw van eene nieuwe kerk en pastorie, welke in 
zeer treurigen staat verkeerden, geen geldelijke mid- 
delen te hunner beschikking hadden. 3) Wat hiervan zij, 
de hoofdreden dezer verwisseling was het zeker niet; 
al blijft het waar, dat pastoor Achtienhoven grooten- 
deels uit eigen middelen den 2-j^^ Mei 1675 tot den 
aankoop overging van een stuk grond, behoorende 
aan Dirk de Jong en Maria de Jong, weduwe de 
Lette; op welke plek — al was zij destijds geringer 
in omvang — nog steeds de kerk en de pastorie van 
Buitenveldert gevestigd is. Het gebouw, door pastoor 
Achtienhoven opgetrokken, wordt door het Liber status 
Missionis als »percommodum« »zeer geschikt* ge- 



1) £ijdr. V. H,\ dl. V, blz. io8. 
») Bijdr. V. H.\ dl. V, blz. 112. 
3) Kerkarchief van ide Posthoornt^ te Amsterdam. 



4i6 

prezen, i) Van het jaar 1675 af werd hij in zijne be- 
diening geholpen door zijn broeder Theodorus Achtien- 
hoven. Het gemiddeld getal doopsels door pastoor 
Adr. Achtienhoven gedurende zijn pastoraat jaarlijks 
toegediend, beliep 40. Ware hij niet in den besten tijd 
zijn levens door den dood weggerukt, hij zou, volgens 
>De Godsdienstvriend*, om zijne geestesgaven gewis 
tot hoogere ambten geroepen zijn. 2) Pastoor Adr. 
Achtienhoven stierf 23 Maart 1691. 3) 

Theodorus Achtienhoven, een Amsterdammer 
van geboorte en Leuvensch godgeleerde, wordt door 
zijne geestelijke Overheid een »vir pius< een god- 
vruchtig priester genoemd'^). Volgens Bugge stierf ook 
hij een vroegtijdigen dood den 25^0 October 1698 5). 
Vier maanden voor zijnen dood den 2eu Juni 1698 
stond hij zijne eigendomsrechten op de Statie, hem 
toegekomen bij den dood van zijn broeder Adriaan, 
aan de gemeente Buitenveldert af, onder voorwaarde, 
dat zij te haren laste de schulden zoude nemen, waar- 
mede de perceelen bezwaard waren. Het stuk op zegel, 
berustend in het kerk-archief van Buitenveldert, was 
door hem geteekend te Amsterdam. 

»Ik, Theodorus Achtienhoven, verklaare, hoe dat door 
't afsterven van Adriaen Achtienhoven, mijnen broe- 
der, mij is aanbesturven een huys en erve staande 
ende gelegen in den Buytenvelderpolder aan den Veen- 
dijk opt land, bij [door] Adriaen Achtienhoven en Teunis 
Willemse Rentenaar in den jaare 1675 den 27 May 
van den h^ Dirk de Jong en juffr. Maria de Jong, 



') Bissch, Ond-Archief, Haarlem. 

2) L.C., dl. XXX, blz. 147—148. 

3) De Katholiek: jg. 1872, dl. II, blz. 247. 

4) Bijdr. V. H.\ dl. V, blz. 112. 

5) De Katholiek: jg. 1872, dl. II, blz. 253. 



417 

weduwe Cornelis de Lette, aan hem opgedragen en 
qu3^dtgescholden, breder volgens de opdragt daarvan 
sijnde; aan welke voorschreve huys en erve endethuyn of 
statieland ik verklaare uyt hoofde van den koop geen 
regt, actie of cA^gendom te hebben, veel min daaraan 
te praetendeeren, tot dien eynde daarvan ten behoeven 
van de Roomskatholyken gemeente van Buytenveldert 
daarvan af te staan ; mids dat de gemeente weder ten 
haare laste neme, waarmede 't voornoemde perceel be- 
swaart Ss ; en opdat hiervan soude blijke, heb [ik] 
dese met mijn ondertekening bekragtigt in Amster- 
dam den 2 Juny 1698. 

Theodorus Achtienhoven*. 

Wilhelmus Zielhorst of Sielhorst was een bekwaam 
Leuvensch godgeleerde, in 1672 te Utrecht geboren i). 
Onder zijn bestuur telde de Statie, waartoe ook een 
gedeelte van Sloten werd gerekend, 437 communican- 
ten 2). Hij behoorde in 1701 tot de onderteekenaars 
van het smacekschrift, dat de zaak van Codde te Rome 
wilde bepleiten. Misschien is het daaraan toe te schrij- 
ven, dat het getal doopsels, anders gemiddeld 35, in 
de jaren 1702 en 1703 tot 20 en 16 teriigging. In 
1730 werd hij tot lid gekozen van het zoogenaamde 
Haarlemsche kapittel 3). Pastoor Zielhorst stierf te Bui- 
tenveldert den 27^13 November 1736, en werd in de 
gereformeerde kerk te Amstelveen begraven op den 
II en regel, in het ge graf, no 169"^). 

In het begin der maand December 1736 werd Joan 
of JOANNES Nanning pastoor van Buitenveldert. Het 
veelbewogen leven van dezen even welsprekenden als 



'i Bijdr. V. H.: clL XIV, blz. 47; Bai. Sacr.: p. II, pag. 412. 
2j Archief V. Uir.: til. X, Ui. 22. 
3) Bijdr. V. IL: dl. XVII, blz. 322. 

'') Archief v. ütr.: dl. I, blz. 314 — 315; Gemeente archief , Nieii-wer- 
Amüd: n". 157, III. 

27 



4i8 

dichterlijken priester werd meer of minder volledig, 
maar met groote piëteit door pastoor Kok^), Jos. 
Alberdingk Thijm^) en Frenay3) reeds te boek ge- 
steld. Doch de voornaamste gebeurtenissen tijdens zijn 
herderlijk ambt te Buiten veldert bleven onvermeld. 
Bovendien moge in deze bespreking, om wille der 
historische waarheid — want in vereering voor Xan- 
ning wensch ik bij niemand achter te staan — op 
het karakter van Nanning gewezen worden, dat, prik- 
kelbaar van aard, van vasthouden aan eigen meening, 
en, bewust of onbewust, van zekere zelfgenoegzaam- 
heid niet valt vrij te pleiten. Werd Nanning niet door 
den Nuntius Molinari een wonderlijke geest genoemd 
met even wonderlijke meeningen ?4) Reeds bij zijn 
eerste pastoraat te Leiden weigerde hij den weg te 
volgen zijner voorgangers. Waren dezen, zooals alle 
zorgzame priesters, gewoon de reparatiën aan kerk en 
pastorie in een boek of register op te teekenen, Nan- 
ning weigerde met zooveel woorden de tijdens zijn 
bestuur gedane herstellingen op te schrijven. Van de 
gewoonte zijner voorgangers, inderdaad eene loffelijke 
en onmisbare, om in registers de doopsels, de huwe- 
lijken en de overledenen te vermelden, werd door 
Nanning zoo goed als geheel afgeweken 5). 

Slechts enkele jaren was hij pastoor te Weesp, of 
onder het luiden der stadsklokken werd hij de Statie 
uitgejaagd. Zeker, daar deden zich in zijne gemeente 
gevallen voor, welke eiken zorgzamen herder zouden 



') Kerkelijk Nederland: jg. 1852, blz. 23 env. 

2) Volksalmanak voor Nederlandsche katholieken: jg. 1858, blz. 
181 env. 

3) Bijdr. V. H.: dl. VI, blz. 376 env. 

*) Archief v. Utr.: dl. VIII, blz. 348—349. 
5) Bijdr. V. H.: dl. VI, blz. 378—379. 



419 

nopen tot een even krachtig als aanhoudend verzet, 
maar, wanneer pastoor Kok uit officieele stukken 
mededeelt, dat door Nanning sommigen zijner ge- 
meentenaren, zoo binnen als buiten de kerk, met woor- 
den en daden werden »geinjurieert< en »geaffronteert«, 
dan ontbrak, bij gemis aan zelfbeheersching, die wijze 
voorzichtigheid, welke voor iederen priester, maar zeker 
voor Nanning in het woelige Weesp, eene noodzake- 
lijke vereischte was^). 

't Is zeker geen vermetele veronderstelling, dat tus- 
schen Nanning als pastoor van Bergen, zijn derde 
Statie, en de ouderlingen der Nederd. Herv. Gemeente 
— om welke reden dan ook — eene bittere betrek- 
king heerschte. Want, toen Nanning zijn missaal naar 
Alkmaar gezonden had, om door een bekwaam doch 
hervormd boekbinder daar ter stede te worden gebonden 
en verguld, wilde het toeval, dat ook het hervormd kerk- 
bestuur van Bergen soortgelijke vernieuwing van eenige 
zijner bijbels had ondernomen. Toen nu de ouderlingen 
den Alkmaarschen boekbinder daarover kwamen spre- 
ken, drukte hij juist eenige gouden letters op den band 
van het misboek. Van het oogenblik, zoo verhaalt 
Alberdingk Thijm^), »dat de man zich uit zijn winkel 
verwijderde, om een staal van het leder voor den dag 
te krijgen, dat de heeren verlangden, maakten zij ge- 
bruik om het misboek open te slaan en, met een pen 
uit het winkel-comptoirtjen van den binder, dwars over 
den titel eenige zeer honende woorden tegen Nanning 
en zijne gemeente te schrijven c. 



') Kerkelijk Nederland: 1. c, blz. 29. 

2) Volkmlmanak voor Ned. Kath.: jg. 1858, blz. 201 — 202; 
Kronenburg^ J, A. F.: Maria's Heerlijkheid in Nederland, dl. VI, 
blz. 113; Kerkelijk Nederla7id \ 1. c, blz. 202. 



420 

En wat te zeggen van zijne houding tegenover de 
Jansenisten ? 

Door de geestelijkheid werden dezen in het algemeen 
geschuwd als de adder onder het gras. De aartspriester 
Van der Valk ging in voorzichtigheid, misschien te 
groote omzichtigheid, vóór, onj door de sluwheden 
dezer weerspannige geesten niet misleid te worden. 
Maar Nanning achtte zich daarboven verheven en ge- 
noegzaam veilig, om van zijne jeugd af vriendschaps- 
betrekkingen te onderhouden met de kopstukken der 
Jansenistische partij. Ongeroepen, alzoo onbevoegd, 
beraamde hij plannen om hen met de oude Moeder- 
kerk te verzoenen. Wel is waar, zoo werd hem later 
door de Jansenisten verweten i) » toonde hij zig 
verleegen« bij het ontvangen der bezoeken, »vree- 
zende, dat zijne gemeente of vrienden in de stad dit 
ontdekken en hem om die reden zouden schuwen ; 
hij wilde wel verkeering hebben of zamenspraeken 
houden, mits dit maer geheim konde blijven*. Was 
het dus te verwonderen, dat de Haagsche Jansenis- 
tische pastoor Dalenoort, bij deze gezindheid, voor- 
nemens was Nanning bij de Staten voor te dragen 
tot het ambt van Vicaris Apostolicus ; en niet 
alleszins te verklaren, dat bij den afval van Spont, 
pastoor te Limmen, 2) later van Hansen, pastoor te 



') Aenmerkingen op de vej-dedïging van wijlen den Eerivaetde.n 
Heere J. Nanning, Zendeling te Buitenveldert. Gedaen den ij^n -van 
Herfsimaend i'jói. ofimïddebjk voor de Predikatie. Zonder naam van 
drukker of schrijver, blz. 3. 

2) Het geschriftje, waarmede pastoor Spont zijn afval bekend 
maakte, draagt tot titel : Bekendmaking van Cornelius Spont, Roomseh- 
Cathohjk priester te Limmen in Noordholland; vpegens zijne tegen- 
woordige gevoelens omtrent de zwevende kerkgescbillen. t'Amster- 
dam bij Pieter van Rijn, boekverkoper in de Gravestraat, 1751, 
gr. 4S blz., kl. Svo. 



421 

Nes en Swaluwebuurt, geruchten in Amsterdam de 
ronde deden, dat Nanning hen wel haast zoude volgen, 
en zich bij de Jansenisten aansluiten? Zijn ^wonderlijke 
geestf kon of wilde niet inzien, dat zijne ongepaste 
handelwijze noodwendig ergernis onder de goedgezinde 
broeders verwekken moest. En als dat geschiedde, dan 
beklom hij den kansel om aan degenen, die het hooren 
wilden te getuigen, dat hij van de Jansenistische nei- 
gingen zeer afkeerig was. En zich zei ven de vraag 
stellende: 1) hoe het komt »dat ik juist het voorwerp 
ben geworden, waarop het de Jansenisten zo gemunt 
hebben, en wat hen kan bewegen om mijnen naam 
meer dan de namen van anderen te noemen en te 
schenden « antwoordde hij, zonder zelfkennis maar niet 
zonder zekere ijdelheid: »De reden hiervan is gemak- 
kelijk te begrijpen. Zij hebben om hunnen waggelenden 
en steeds verminderenden aanhang te versterken en 
te stijven nodig den naam van zodanigen aan te halen, 
die roem en agtinge bij de verstandige wereld hebben 
verkregen, en omdat mij dit door de verscheidene 
werken en boeken, die ik heb uitgegeven, 2) eenigzins 
is overgekomen, daarom bedienen zij zig van mijnen 
naam : want, indien ik den 'naam had van een weetniet 



') Verdedigmg van den Zeergeleerden en eerwaarden Heer J. Nan- 
ning^ Roomschkatholyken pastoor te Buitenveldert, tegen de eerrovende 
gerugtea, die de Jansenisten ten zijnen opzigte te Amsteldam en 
elders hebben verspreid, aan zijne gemeente onmiddelLjk voor de 
predikatie van den XVIII Zondag na Pinxteren op den 13 van 
Herfstmaand 1761 voorgedragen en van woord tot woord uit zijn 
eigenhandig geschrift in 't licht gegeven. Te Amsteldam bij Theo- 
dorus Crajenschot boek- en papierverkoper op den Hoek van de 
Heerengragt en Heisteeg, in den Berg Sinaï, blz. 6—7. 

2) 't Is wat, zoo hoonden de verbitterde Jansenisten, als »men 
eenige rijmen gemaekt, eenige boeken vertaelt en eenige predi- 
katien, daer al veel op te zeggen is, in 't licht gegeven heeft. 
L. c, blz. 15, 



422 

of onnozelen bloed te zijn, dan zouden zij noit om mij 
gedagt hebben «. 

De geslepen pastoor van »de Boom's kerk« te Am- 
sterdam, Pater de Longas, was, blijkens eene reeks 
van brieven, gericht tot Testa, den Secretaris van den 
Nuntius Tempi, bijzonder op Nanning gebeten, of- 
schoon hij meermalen met hem omgang had en zelfs 
middagmaalde; alzoo zijn vriend en vijand tevens. Tot 
tweemalen toe spreekt hij over Nanning een evenmin 
vleiend als stichtend oordeel uit, dat hier onvertaald 
mag volgen. 

Den 22^11 Aug. 1740 schrijft de Longas^): 

»Nanningus Belgicus est et hujus saeculi sanctus, 
caput gerens ipso charissimiS) annuli adamante durius, 
nuUi fere rationis malleo cedens, ubique spiritus in- 
quietus, uti tot pastoratus, quibus inservivit, testantur; 
foemineae vocis homo, eunuchi instar loquens, a simili- 
bus abhorreo, esto, mihi sit amicus prout et Vlietius 
[de pastoor van Sloten], qui hic et nunc frugali nostra 
fruuntur mensa. Noveris et ipsum singularissimum a 
Lapide [Van den Steen] amicum, quem communi attollit 
cum adagio: Tertius e coelo cecidit Cato«. 

En den loen October 1740 wordt opnieuw in het 
Brusselsche hof de liefdelooze stem van Josef de 
Longas vernomen over de geestelijke gesteldheid van 
pastoor Nanning. 

»Fuit mihi non semel sed saepius dictum : Josef, noli 
omni spiritui credere. Et: fide, sed cui, vide. Non enim 
modo instant, sed vere adsunt tempora illa ab Apostolo 
praedicta ac periculosa nuncupata, unde cautissime am- 
bulandum. Erunt (sunt) homines seipsos amantes, superbi, 
elati, cupidi, dimissis oculis, inclinato gradientes collo, 



') Bissch. Oud-Archief, Haarlem: Archief Teynpi. 

2) Met den uaam »charissimus« werd de Nuntius bedoeld. 



423 

castratorum instar (ha, ils ont la voix si fin) vocem 
edentes, simplices et rectos corde decipere nitentes. 
Hos, suadente Apostolo, devitemus. 

Paucis a diebus, 3a scilicet hujus relatum mihi fuit 
a viro prudenti, omnimoda fide digno. Quaerebat hic 
ex me, qualis foret (nota: capitularis est) Nanningus? 
Audio illum plus aequo audire in Nuntiatura. Anne 
consultum simili fidere? Quï sic interrogabam ? Audi 
responsum. Credito mihi, verissima enim loquor aiebat, 
et scito, quod a septennio plus minus, dum pro certo 
habebatur Daum Van den Steen a Statibus pro vica- 
riatu Apostolico admittendum, Dnus Dalennoort Janse- 
nista vafer ac Jansenistarum pensionarius (contra quem 
ego ipse cum collega meo anno 17 13 libellum edidi) 
Hagae a triennio circiter defuncrus, firmissime hanc 
Steenii promotionem persuasam habens, sine mora se 
contulerit ad deputatorum ordinum praesidem, instanter 
supplicando, ut, si ordines resolvissent admittere Vica- 
rium, Dnum Nanning hanc ad dignitatem promovere 
dignarentur. Haec ille. Quid dicis amice catholice? Et 
talis adhuc capitularem agit. O Deus bone! O tem- 
pora! O mores! Manhu, quid est hoc?« 

Van zijne vrienden moet men het hebben ! 

Op het gezag van een ongenoemden getuige wordt 
door de Longas in 1740 aan den Nuntius overgebriefd, 
dat zeven jaar geleden een Jansenistische pastoor in 
den Haag bij de Staten zou gewerkt hebben voor de 
benoeming van Nanning tot Vicaris ApostoHcus! Wel 
teekenend ook, dat van Nanning, aan wien toch waarlijk 
de gave der welsprekendheid niet kon ontzegd worden, 
tot tweemalen toe geschreven werd: »foemineae vocis 
homo, eunuchi instar loquens, a similibus abhorreo«, 
en wederom » castratorum instar vocem edentes*. Sprak 
niet de Apostel van eene liefde, die niet naijverig, niet 
eerzuchtig is, die niet het hare zoekl ? 

De verkiezing van Nanning in 1740 tot lid van het 
zoogenaamde kapittel van Haarlem had wederom ten 



424 

gevolge, dat een groot gedeelte der geestelijkheid op 
de Hollandsche Zending tegen hem werd ingenomen. 
Had men niet van Nanning, met zoovele talenten be- 
gaafd, mogen verwachten, dat hij, gelijk zoovele be- 
zadigde priesters deden, voor dien steen des aanstoots 
was uit den weg gegaan? Hij wist toch te goed, 
hoevele priesters onder zijne tijdgenooten niets liever 
zagen, dan dat aan het bestaan des kapittels een einde 
kwam. 1) Dat vasthouden der kapittelheeren, zoo schreven 
zij, aan gewaande rechten, gaf al te veel voedsel aan 
de weerspannige Utrechtsche partij, die óók in de 
meening verkeerde van een rechtmatig kapittel te zijn, 
en er daarom toe overging, een eigen bisschop te 
kiezen ; ja zelfs over het openstaande oud-bisdom van 
Haarlem jure devoluto een bisschop had aangesteld. 
Nooit zou die ergernis, bij gemis van een kapittel, 
zooals dat te Deventer, 2) Groningen en Middelburg 
ontbrak, geschied zijn. Zoo er immers een wettig 
kapittel bestond, dan behoorde de Hollandsche Zending 
onder de rechtsmacht van het kapittel, en niet onder 
die van den Nuntius. 

Maar het karakter van Nanning bracht mede, dat 
hij deze titulatuur niet enkel aanvaardde, maar zelfs, 
toen hij eenmaal in haar college zitting genomen had, 
voor het bestaan van haar geestelijke rechtsmacht 
ijverde, en durfde getuigen, dat geen zending van den 
Nuntius in de Hollandsche Missie geldig was, tenzij 

') Deze bezwaren tegeu het bestaan des kapittels werden door 
mij ontleend aan een biief door »vele eerw. Heeren» der Holland- 
sche Zending in 1753 opgezonden aan den oud-Nuntius van 
Brussel, Silvius Valenti Gonzaga. Het stuk berust in het bissch. 
oud-archief te Haarlem. Op den inhoud van dit merkwaardig 
document kom ik later terug. 

') In 1757 waagden de Janseuisten het evenwel tot bisschop 
van Deventer. B. J, Byevelt aan te stellen. 



425 

het kapittel er zijne goedkeuring aan gehecht had. i) 
Volgens de Longas zou hij met pastoor Wijtmans, die 
eveneens kanunnik was, in 1741 naar Brabant gereisd 
zijn, om, namens het kapittel, de Leuvensche doctoren 
te raadplegen, en daarna naar Mechelen te gaan tot 
den aartsbisschop kardinaal d'Alsace. 2) 

Op den broedertwist gerezen tusschen Nanning en 
Fraats, den pastoor van Hoorn, kom ik later in een 
afzonderlijk opstel terug. Aan het einde zijns levens 
mocht Nanning inderdaad verheugd zijn 3) >dat eerlang 
het uur zal verschijnen op hetwelke ik mijn hoofd 
gerustelijk in den schoot van de katholyke kerk, mijne 
heilige en waardige Moeder moge nederleggen, met 
een betrouwen op Gods grondelooze barmhartigheid 
wegens alle zonden van mijn gantsche leven, en dat 
ik mij dan onder die gelukzaligen moge bevinden, die 
van de boze wereld zozeer belasterd en belogen zijn«. 
Ja waarlijk ^belasterd en belogen«: maar grootendeels 
door de schuld van Nanning zelf. 

Als pastoor van Buitenveldert wijdde Nanning aller- 
eerst zijne aandacht aan eene juiste omschrijving der 
grenzen van zijn geestelijk rechtsgebied. Eene lang- 
durige en hooggaande oneenigheid met pastoor Van 
Vliet te Sloten was daarvan het gevolg. Reeds in 
1737 richtte de Nuntius L. M. Tempi, die in den 
broedertwist werd betrokken, tot elk der partijen een 
gemoedelijk schrijven, hen smeekende om deze on- 
eenigheid, zooals het braven priesters past »vriend- 



1) Bijdr. V. H.: dl. XXI, blz. 415. 

2) 14 Sept. 1741 schreef de I.ongas aan secretaris Testa: Donüni 
Wytmans et Nanning a quindena hinc discesserunt in Braban- 
tiam : dicuntur a capitulo deputati, ut cons.ulant doctores Lova- 
nienses, quibus auditis, Mechliniam pergant. Hoc pro gouverno. 

3) Verdediging van J. Nanning: blz. 7 — 8. 



426 

schappelijk* en *zonder gerucht* te beëindigen. Maar 
de strijd hield aan, zoodat hun geding, nader toege- 
licht door den aartspriester Van den Steen, ter beslis- 
sing aan den Nuntius werd voorgedragen. 

De Nuntius stelde pastoor Nanning in' het gelijk, en 
bepaalde, bij besluit van 16 Juni 1738, dat de buurt 
genaamd de Overtoom en de Sloterweg tot het Dron- 
keninanshuisje ingesloten, en de tegenoverstaande boere- 
woning tot de Statie Buitenveldert zouden behooreni). 

Lucas Melchior Tempi, Dei et Apostolicae Sedis 
gratia, Archiepiscopus Nicomediensis in Belgio ac Bur- 
gundiae Comitatu cum facultatibus Legati a Latere, 
Nuntius Ordinarius etc. dilecto nobis in Christo Ampl, 
Dno Joi Van den Steen HoUandiae Archipresbytero 
salutem in Domino. 

In controversia limitum stationum de Oostdorp et 
de Buitenveldert districtus Hollandici, vertente inter 
R. D. Gerardum van Vliet pastorem in Oostdorp ex 
una, et R. D. Joem Nanning pastorem in Buitenvel- 
dert ex altera partibus, omnibus hinc inde consideratis 
ac mature perpensis, declaramus, ac Apostolica nobis 
commissa auctoritate decernimus, dicto R. D. Van 
Vliet, pastori in Oostdorp, nullam esse posse legitimam 
jurisdictionem in vico, quod dicitur de Overtoom, sed 
privative integrum spectare ad DJi"in Nanning pasto- 
rem in Buitenveldert; quoad viam vero Slotensem seu 
de Sloterweg, statuimus ac definimus extremum limi- 
tem stationis in Oostdorp esse debere ex hujus parte 
primum angelum viae de Kerksloot, quo haec via jun- 
gitur praedictae viae de Sloterweg, et viam ipsam de 
Kerksloot pro termino alteri viae transverse producto 
esse, ita ut omnes domus, qui citra dictum terminum 
sunt Stationi in Oostdorp, quae vero ultra angulum et 
viam praedictam, inclusis scilicet domumcula het dron- 
kenmanshuisje ac domo rustica ex adverso sita sta- 
tioni de Buitenveldert adsignatae ac pertinentes intelli- 



') Kerkarchief der parochie Buitenveldert. 



427 

gantur. Ita decernimns ac definitive declaramus ac 
praedictis Rdis pastoribus virtute S. obedientiae injun- 
g'imus, ne praedictos limites a nobis respective constitutos 
transgredi in posterum audeant aut praesumant, Enü D. 
Card, Spinelli praedecessoris nostri decreto super hac 
re inviolabiliter servato, ac quibuscumque in contrarium 
non obstantibus. Tibi vero Ampl. D^e speciali ad hoc 
delegatione vigore praesentium committimus, ut hoc 
nostrum decretum ab utraque parte observari ac debitae 
executioni omnino mandari facias. 

Door Van den Steen werd dit besluit terstond uit- 
gevoerd, zonder daarbij evenwel de hooge regeering 
te erkennen. Maar pastoor Van Vliet had juist over deze 
beslissing bij de magistraatspersonen zijn beklag ge- 
daan, die, hoe kon het anders, tegen het kerkelijk 
gezag partij kozen, en Van den Steen voor zijn zelf- 
standig optreden in eene boete sloegen van looo 
gulden. Ook de officiaal van Osdorp werd door pas- 
toor Van Vliet in het geding betrokken ; voor hem 
hadden vooral de geldelijke gevolgen beteekenis; in 
plaats van '300 gulden zou de katholieke gemeente 
van Sloten, als zijnde door de gemaakte gronsregeling 
in omvang een derde kleiner geworden, hem jaarlijks 
slechts 200 gulden betalen. Voor den Magistraat was 
de zaak van pastoor Van Vliet die der rechtvaardig- 
heid, en derhalve eischte hij, dat Nanning van zijne 
verkregen rechten geen gebruik zoude maken. 

Intusschen beklaagde zich de Nuntius, bij schrijven 
van ig Febr. 1739, gericht tot pastoor Nanning, over 
de weerspannigheid en de ongehoorzaamheid van pas- 
toor Van Vhet, waardoor hij de kerkelijke straffen ver- 
diend had. En gebeurde het, zoo schreef de Nuntius 
aan Nanning, dat katholieken van dat gedeelte der 
Statie, waarover hem door den Officiaal van Sloten 
geestelijke rechtsmacht was ontzegd, te Buitenveldert 



428 

hunne paaschplichten wenschten te vervullen, dan kon 
hij zonder bezwaar aan hun verlangen gevolg geven i). 

Infelix ille Van Vliet, qui nos immerito quidem, pro- 
priam vero conscientiam pessime prorsus implicavit, 
dignus profecto est, qui canonicis poenis publice sub- 
jiciatur. At vero cum temporum iniquitas nuUatenus 
adhuc sinat ea arripere remedia, quae contumaciae 
ipsius castigandae convenientia existimo, differre cogor, 
quoadusque opportunius adsit tempus. Interea Deum 
quaeso, ut eum ita redire ad cor faciat, ut sese eccle- 
siasticis censuris in foro poli illaqueatum adgnoscat. 
Caeterum, R. D^e^ si familiae contraversarum domo- 
rum te accedant, excipere in Paschate non dubites. 
Aequum quippe ad presens mihi nullatenus videtur, ut 
decreti lege a me una tantum pars obligetur, dum 
altera contumaciter limites irrumpit. Omni interea bene- 
volentia subscribor. 

Bruxellis, ig Febr. 1739. 

Vele nadere bijzonderheden over het verdere verloop 
van dezen twist worden ons verstrekt uit de briefwis- 
seling van de Longas met Testa, den secretaris van 
den Nuntius. Met of zonder voorkennis van den Nun- 
tius had Testa zijn grooten vriend en vertrouweling 
de Longas in dit meeningsgeschil betrokken, en hem 
opgedragen dit te vereffenen. In een brief van zz 
Augustus 1740 toonde zich de Longas met deze op- 
dracht zeer ingenomen, 't Was inderdaad, zoo schrijft 
hij, een lastig geval, vooral ook, omdat de beide Staties 
niet in hetzelfde district gelegen waren, zoodat twee 
officialen bij deze beslissing belang hadden. Want ook 
hier was de oorzaak van dit geschil de vervloekte 
dorst naar goud. Hij stelde daarom voor, de beide 
pastoors door den Nuntius naar de Longas te laten 
verwijzen, om door eene onderlinge, in het geheim 
gehouden, bespreking tot een vredelievend resultaat te 

') Kerkarchief der Parochie Btiite^iveldert. 



420 

geraken. Blijkbaar was de Longas meer op pastoor 
Van Vliet dan op pastoor Nanning gesteld, i) 

Quid quaeso homuncio, idiota, simplex, canus non 
sensibus sed crinibus aget in dissidentia componenda? -) 
Noverit Rev. Va rem hanc innumeris plenam periculis; 
una enim eademque res est ob quam non nemo vapu- 
lavit aliquando. Vin igitur alligare me columnae, cui 
nuper alligatus a Lapide accepit verbera mille? [Van 
den Steen had looo gulden boete betaald.] Totidem, 
si non plura, quidni cum stigmate in dorso? Accipiam 
ipse, ut alieno exemplo edoctus. 

Equidem non recuso laborera, quem lubens amplec- 
tor. Superior namque loquitur, cujus vocem audio, cujus 
voluntatem adimplere volupe mihi est, cujus jussis ob- 
temperare gloria, cujus parere mandatis honor meus est. 

Sed nota et prudenter et attente. Pacificatio, de qua 
Vestrae, ut actus juridicus hic accipitur, quem exercere 
insciis illis quorum interest, diploma vetat. Ergo tales 
agnoscendi previe difficultates ne patiamur. Hac in re, 
quantum ad me, agnoscendi sunt viri nostri consulares; 
quantum ad litigantes utriusque officiales. Quantum ad me, 
quid dieet consul noster regens, qui mihi inspiravit nuper, 
ut suaderem charissimo, quatenus Dominorum Alckma- 
riensium desiderio satisfaceret, ut capiti meo scripsi, in 
audiendo surdi me pulsasse fores? Putasne me ab ipso 
talem posse impetrare consensum ? [Dit slaat op de zaak 
van pastoor Van Cleef te Alkmaar, voor wien de Longas 
in die dagen met hart en ziel ijverde.] 

Quantum ad alios: cum di versos habeant officiales, 
in diverso namque habitantes districtu et quilibet suum 
(haec enim hodierna praxis est) quaerat interesse, diffi- 
cile induci poterunt simili pro concedenda licentia: 
credat mihi (de officialibus non loquor) aurea illa fames, 
omnium harum difficultatum basis est et fundamentum. 



') Bissch. Oiid-Archief, Haarlem : Archief Tempi. 

2) Met haren? Met geleende Laren wel te verstaan. Want de 
Longas droeg, volgens 's mans portret in de Boom's pastorie te 
Sloterdijk, een vervaarlijk, aan eene zijde diep-ueerhaugeud, krul- 
lend haargevaarte, als Vv-as liij Lodewijk XIV in persoon. 



430 

Dein edoce me: an persuasum tibi habes, quod rustici 
illi, quibus Vlietius triginta et pluribus annis tam fide- 
liter inservivit, ad Xanningum divertent ? Hoc credidero 
sed ad calendas Graecas. Novi enim hoc genus homi- 
num, cum rusticus ipse sum. 

Hisce ergo bene perpensis, posset, tenui meo judicio, 
Charissimus noster hoc modo procedere, v. gr. scribendo 
ad utrumque haec vel similia. 

Cum intelHgam Duum a Lapide sese hoc a negotio 
excusare, quodque pacificatio simul et concordia vos 
inter, quorum est in vestris respective communitatibus 
tollere discordias, sint necessariae, hinc judicavi vobis 
proponere, ut hujus rei ergo, occasione data conveniatis 
Patrem missionarium De Longas, cujus mediante con- 
ciHo et judicio ad vestram satisfactionem vestra forsan 
componitur differentia. At scito hujus rei animam esse 
silentium altissimum, quod vobis praecipio, ut neuter 
vestrum vapulet, uti aliquando vapulavit nonnemo. Sa- 
tagite, pariter ut tahter negotium vestrum componatur, 
ne inde vestri non offendantur officiales. Inducite caute 
vestras respective communitates, ne sese, si forsan tales 
in illis inveniantur, superiorum ordinationi opponant. 
Praestat namque non incipere quam male et cum foetore 
finire. Haec suggero, salvo meliori, ne in me quadret 
illud: sus Minervam. 

Mihi omnia ad vota non sunt et forsan non expedit 
saluti, (loquor de particulari, non autem de publico bono) 
sic et illi litigiosi sese conforment et brevi finietur brodium. 

Duidelijker nog gaf de Longas van deze gezind- 
heid blijk bij schrijven van 12 Sept. 1740'). 't Was 

') Brevi proponam Vlietio quae proponenda praescribis. Quam 
pulchre modo suam palliat superbiam Nanniugus ! Jam res peri- 
culis plena dicitur, ob quam ab ante tanti erant clamores. Non- 
dumne vides, quid viri illi capitulares in peetere, in corde gerant? 
Virus est dissipans et perdens ac charissimi bonitatem et clemen- 
tiam inficicns. Sed unde quaeso, mi dulcissime Testa, quae scribis: 
co?nnniriitas quae fortasse niodica? Anne ex relatione? Falsa est: 
tanta etiamnum est quanta (si non major) fuit ab ante. An ex hoc 
non clare patet quod decipere moliantur charissimum? Qui oculos 
babeat, videat. 



431 

dan ook gewis geen wonder, dat pastoor Xanning, 
die de gezindheid van de Longas kende, voor een 
bezoek aan »de Booms ter vereffening van zijn ge- 
schil, niet te vinden was en eenvoudig wegbleef, zooals 
de Longas den i^^^ Sept. 1740 aan Testa overbriefde^). 
Des anderen daags den lóen Sept. meldde de Lon- 
gas, dat pastoor Van Vliet hem had bezocht en ver- 
teld, dat de officiaal van Sloten had gedreigd de kerk 
te sluiten, indien hij, ter oorzake van de grensregeling, 
in zijne inkomsten eenige schade zou lijden. Nanning 
en Van den Steen, die aan de beslissing van den 
Nuntius vasthielden, zouden met verbanning worden 
gestraft 2). En inderdaad den 17 en October deelde de 



') Necdum comparuit Nanningus nee comparebit. Necdum pari- 
ter me accessit Vlietius, utpote hujus conceptus Charissimi ignarus. 

2) Hocce mane accessit me Vlietius, qui in fonte me docuit, 
quomodo sese res habeant ipsum inter et Nanuingum. Obstupui 
revera, stabautque comae, vox faiicibus haerebat. Credat mihi 
pejora ex hac (non intuitu charissimi, cujus laus apud consules 
Alckmarienses et ubique est ab extremis terrae sed non Steenii) 
quam ex causa Alckmariana puUulabunt mala. Retulit namque 
mihi, quod ante diem solis — sic enim minatus est Vlietii offici- 
alis — oratorii sui timeat clausuram. RetuUt pariter, quod Nan- 
ningus modo gaudeat una tertia communitatis ejus; insuper quod 
aediles sui, scl. Vlielii, amissa jam illa tertia, solum 200 loco 300 
florenorum obtulerint Domino Officiali pro annua recognitione ; 
qua summa minime conteutus officialis ille, oratorium claudendum 
asseruit. 

Hoc dato aediles sese conferunt Hagam ad Ordiuum deputa- 
torum consilium, eo fine, ut conquerantur de contribuendi impo- 
tentia, eo quod una tertia suae communitatis modo diverterit ad 
Nanuingum. Plic latet difficultas. Steenius vapulavit ob sententiam 
definitivam per ipsum a charissimo fraudulenter extortam, eo quod 
acceptationem et usum talis sententiae, non agnitis illis quorum 
interest, vetet edictum anni 1730. Atqui post illam vapulationem 
Steenius cum Nanningo inde fecerunt usum, determinando nempe 
separationis et jurisdictionis limites, pront in sententia illa definitiva 
charissimi continetur, ergo etc. 

Hoc negotium verosimilius, faxit Deus errem ! pariet et Üteenio 



432 

Longas mede, dat de kerk te Sloten door den baljuw 
gesloten was. De verbanning van A"an den Steen en 
Nanning stond te wachten i). Deze treurige gang van 
^aken, zoo schrijft de Longas den 24^11 October, 2) is 
niet aan den Nuntius maar aan Van den Steen te 



et Nauuingo exilium, non enim Heet bis in bello peccare. Deus 
boae! nonne hic imprudens procedendi modus mauifesta est de- 
putatorum irrisio ? Vel maxime. Si igitur res eo devenerat, cur 
quaeso mediatorem me petiit charissimus? Jrrident et charissimum 
et te et me et quemcumque bene intentionatum, nihilque aliud 
querunt nisi missiouem sus dequa vertere, Charissirao causare 
difficiiltates ac tandem sine superlore et lege vagari. 

') Ecce lioc instanti nuntiatur mihi, quod elapso sabbato 4*a po- 
meridiana per ballivum clausa sit ecclesia Domini Van Vliet. Jam 
incipient mysteria et deferetur res haec ad deputatos HoUandiae 
ordiues, cum contra eorum mandatum haec facta sit divisie. Pro 
miraculo habebitur si Steenius et Nanuingus non proscribantur 
ex Hollandia. Hoc in collegio nuper vapulavit Steenius. Ratione 
hujus coUegii dici potest, quod de bello fertur, in qno non licet 
bis peccare. Plurima hac de re, dum plura inaudiero, conveniet 
namque verosimilius Vlietius. 

2) Nihil timendum pro charissimo, utpote nullam hoc in uegotio 
habente partem. Innotuit quidem definitiva ejus sententia, sed ab 
ipso deputatorum ordinum prae^'de in favorem charissimi benigne 
interpretata, utpote per Steeuiuni a judice Nuntio extorta, unde 
totam Steenio adjudicabat culpam. Audi verba: Quomodo Dnus 
Nuntius hujus districtus ignarus totus, talem fecisset divisionem 
nisi per Steenium instructus? Hinc illo ipso instanti mandabat 
praeses cum suis, ut omnia in statu quo, ulla sine contradictione 
aut tergiversatione ulla inviolate permanerent Anne obedivere? 
Nequaquam. Obedivit lamen charissimus nihil statuendo novi. 

Ut attamen, amatores enim pacis sumus, tota haec auferatur 
difficultas, et hac ablata, auferatur et indignationis ansa, uoveris, 
mi Testa, 2° quod solutio annua more solito non pro semel sed 
pro semper communitatem Vlietianam premat et aggravet. Hinc 
difficultas haec ullo sine strepitu per ipsum charissinram terminari 
et auferri valeat. Dicit namque Vlietius ipsi perinde fore, an illa 
jam ablata tertia ejus vel Nanningi frequentet oratorium, ea scilicet 
lege, ut, si illa remaneat Nanningo, refundat annue ico florenos 
curatoribus Vlietianis: qui enim sentit commodum, seniiat et 
iucoramodum. Si autem illa remaneat Vlietio — quod sane judicio 
meo praestat hisce in rerum circumstantlis — stabit onus pro 



433 

wijten, die verkeerde inlichtingen schonk. Om nu de 
zaak te beëindigen, stelde de Longas aan den Nuntius 
voor, het besluit van den i6 Juli 1738 te vernietigen, 
en aan Sloten terug te geven, wat daaraan ontnomen 
was. Zou Nanning in die beslissing niet berusten, dan 
moest hem alle jurisdictie over dit gedeelte zijner 
Statie ontnomen worden. Ook zou de Nuntius, indien 
hij zijn besluit wilde handhaven, aan de kerkmeesters 
van Buitenveldert kunnen voorschrijven jaarlijks, 100 
gulden aan die van Sloten, ten bate van den Officiaal, 
te betalen. Aan het einde van zijn brief uit de Longas 
voor de zooveelste maal zijn bitter gemoed tegen 
pastoor Nanning. 

Op den goeden raad van den Franciscaner-pastoor 
was de Nuntius, blijkens de beide volgende brieven 
van de Longas, dagteekenend van 31 Oct. 1740 en 



curatoribus antefatis. Eligat et judicet nuuc charissimus. Si primum, 
scribatur rotunde Nanningo, ut illos annue refundat: si vero se- 
cundum — casu quo recalcitret — respectiva a Nanningo juris- 
dictio auferatur, et pars tertia ablata denuo revertatur ad Vlietium 
et res sopita erit, placebitque patriae moderatoribus. 

Nota, quod pro solutione facienda annue per communitatein 
fiat collecta, quae, ablata illa tertia, loco trecentorum modu tantum 
ducentos reddat. Unde ergo venient illi centum? 

Non amant rustici illud Christi dictuni de quo Paulus Act. 
XX, 35 : Beatius est magis dare quam accipere. Consideret insuper, 
quod Nanningus raanifesto sese exponat novae difficultatis peri- 
culo, cum Ballivus Vlietii, sat famelicus, aperte dixerit, se Nanningo 
invigilaturum casu, suo in territorio Sacramenta administrtt. Dein 
attende, quod rurales Nauningani olfecerint vel saltem praesumant, 
illum institisse et sollicitasse stationem Alckmariensem, non amplius 
— Deo sint laudes — vacantem, quo certe communitatis in Nau- 
ningum affectus non mediocriter decrevit. 

Pro coronide accipe sequentia: Conquerebatur olim — sed 
male — Henricus II Angliae Rex, se in suo regno cum tmo sacerdote 
pacem habere non posse. Applica sed bene et fac sermo. Rogo, 
ut proximo cursore respondeatur Dno Van Vliet, bonus ille vir 
perplexitate nimia laboret. 

28 



434 

4 Mei 1741, niet ingegaan i). En waarlijk, zoo de 
Nuntius de brieven van de Longas aan Testa geschre- 
ven, gelezen had, dan moest hij gewis overtuigd zijn» 
dat deze Amsterdamsche pastoor de gezindheid miste, 
om aan dit meeningsverschil eene voor beide partijen 
bevredigende oplossing te geven. Den 4^0 Mei 1741 
had de Nuntius van de Longas zelf vernomen, dat hij 
reeds drie jaren lang, zeker buiten toestemming van 
Van den Steen, aan pastoor Van Vliet de H. oliën 
bezorgd had. Eene handelwijze die ongetwijfeld de 
goedkeuring van den Nuntius niet weg kon dragen. 
Door den Nuntius werd ter bevrediging van het 
geschil een andere weg ingeslagen. Het besluit van 
16 Juni 1738 bleef gehandhaafd, maar Van Vliet mocht 
tot aan zijn dood de geestelijke rechtsmacht uitoefenen 
over het aan Buitenveldert toegewezen gedeelte. En 
beide partijen wilden zich bij deze beslissing neder- 
leggen. Den i5en September 1741 gaf pastoor Van 
Vliet met een eigenhandig schrijven aan den Nuntius 
kennis van zijne onderwerping: doch nederig of eervol 
was zij allerminst 2). 

Infrascriptus pastor missionarius in Osdorp declaro 
ac sincere promitto vigore praesentium, observationem 
ac submissionem decreto Excell. et Rdi D^i Lucae 



') Vlietius exspectarat mecum men tem charissimi ratione diffi- 
cultatis notae, et consilii a nobis suggesti, sed vana nostra fuit 
exspectatio, non enim aliquid sine charissimo attentare praesumit. 
Ciiratores ecclesiae Vlietianae nihil agunt, nisi prius a vobis in- 
structi. Charissimus nihil Hagae timendum habet. Doleo interim 
vices communitatis, quae modo ubique vagatur. Igitur patientia 
nobis opus est praestolantibus responsum vestrum. 

En 4 Mei 1741 schrijft hij: 

£)nus a Lapide jam a triennio non communicavit olea sacra 
Dno Van Vliet, unde iUi de iis providi. Anne charissimo displicet? 

2) Kerkarchief der parochie Buitenveldert. 



435 

Melchioris Tempi, Archiepiscopi Nicomedensis, Nuntii 
Apostolici et Superioris mei, dato i6 Junii 1738 in con- 
troversia limitum stationum de Osdorp et de Buyten- 
veldert inter me et Rdum D. Joannem Nanning, ejus- 
que dispositioni me prorsus subjicio. Illud justum et 
aequum adgnosco, ita tamen, ut ex gratia ab eodem 
Excell. Duo Nuntio mihi benigne concessa et ex con- 
ventione cum eodem D"» Nanning, praefatum decretum 
effectum suum, quoad vixero, habere non debeat, nee 
limites moveri nee domus in eo assignatae ad R. D. 
Nanning actu pertinere debeant, nisi post mortem 
meam. Quo casu dumtaxat et non alias, nunc pro tune 
nomine proprio et successoris mei, praedicti decreti ex- 
ecutionem in favorem ejusdem D^i Nanning ejusque suc- 
cessorum plane spondeo ac promitto omni meliori forma 
ac modo etc. Actum Amstelodami die 15 Sept. 1741. 
G. Van Vliet, pastor Missionarius in Osdorp. 

Na den dood van pastoor Van Vliet is ook voor 
zijne opvolgers. Van Weert, Van Wijngaarden en Van 
Halteren dezelfde welwillende bepaling van den kant 
der Buitenveldertsche pastoors van kracht gebleven i). 

Ego infrascriptus pastor in Osdorp vigore praesen- 
tium declaro, me agnoscere aequitatem decreti, anno 
1738 die 16 Junii lati de contro versla limitum pastoratus 
in Osdorp et pastoratus in Buytenveldert, prout meus 
praedecessor propria manus subscriptione 15 Sept. 1741 
agnovit: atque mihi ex permissione R. D^i Nanning, 
pastoris in Buytenveldert, ad ipsius abitum vel obitum 
dumtaxat licere eas familias sub mea retinere cura, 
quas praedecessor meus ex vi praedicti decreti pasto- 
ratui in Buytenveldert cedere debuerat, sed ex simili 
concessione ad mortem usque suam retinuit. 

Datum 26 Oct. 1750. 

Jacobus de Weert, pastor in Osdorp. 



') Kerkarchüf der parochie BuitenvelJert. 



436 

Op vreedzame en vriendschappelijke wijze had de 
grensregehng plaats tusschen Buitenveldert en Boven- 
kerk. Met goedvinden der beide pastoors werd vast- 
gesteld, dat het tolhek van iVmstelveen de grens der 
Statie zou wezen. Hun overeenkomst dagteekent van 
2 Sept. 1739, en werd eigenhandig door den aarts- 
priester gewaarmerkt en goedgekeurd i). 

Nos infrascipti pastores in Buytenveldert et in Boven- 
kerk respective, ut controversia de limitibus nostrorum 
pastoratuum tam inter praedecessores nostros quam in- 
ter nos agitata finiatur et in perpetuum sopiatur, hisce 
declaramus, nos sub ecclesiastici nostri Superioris ap- 
probatione convenisse, ut in posterum totus pagus 
Amstelveen ad pastoratum in Bovenkerk pertineat, ex- 
cluso pastore in Buytenveldert; et e contrario, ut in 
posterum tota via nova, ad praedictum pagum usque, 
pastoratui in Buytenveldert sit annexa, excluso pas- 
tore in Bovenkerk ; utrinque promittentes nos praesen- 
tem conventioneni' sancte servaturos. 

Actum 2 Sept. 1739. 

Joannes Nanning, pastor in Buytenveldert. 

Joës Balduinus Sevensterre, pastor in Bovenkerk. 

J. van den Steen, Hollandiae en Zeelandiae Archip, 

Meermalen gebeurde het, dat Nanning die »zijn toe- 
betrouwde schaaren geduurig mild vergastte op hemel- 
lekkernij«2) in zijn landelijk bedehuis, gewis met stil 
genoegen, onder zijn gehoor letterkundige vrienden en 
vereerders bemerkte uit de groote Amstelstad. Met 
steedsche vrijmoedigheid pleegden die belangstellende 
vreemdelingen beslag te leggen op de vaste zitplaat- 
sen der parochianen, die daarover op hunne beurt met 
rondborstigheid zich bij hunnen pastoor beklaagden. 



') I.. c. 

2j Aldus in liet zesregelig vers van J. F. Delsing onder het 
portret van Nanning, eene fraaie plaatsnede van Houbraken. 



437 

Nanning noemt hen » wrevelige menschen*. Maar het 
wil mij voorkomen, dat het meer eene daad was van 
een wrevelig gemoed, toen Nanning in het voorjaar 
van 1741 er toe overging bij den timmerman Cornelis 
Schouten eene nieuwe bank te bestellen, die zelf be- 
taalde en voor eigen gebruik in het koor der kerk 
plaatste. Op den achterkant der rekening, groot 
y 32-13-8, schreef hij met eigen hand: >Ik laat aan 
mijne opvolgers alle regt tot deze bank in het koor 
der kerk over, ten einde zij door geen wrevelige men- 
schen zich behoeven te laten plagen, gelijk mij weder- 
varen isc. 

Ook de kerkmeesters van Buitenveldert waren, altijd 
volgens pastoor Nanning, voor zijne opvolgers bezorgd, 
»considereerende in wat grote ongelegenheid zij zig 
zouden kunnen bevinden «, in geval de bibliotheek van 
pastoor Nanning uit de gemeente werd » weggevoerd 
en verkogt* ; en stelden hem daarom voor, zijne gan- 
sche bibliotheek aan hen voor eene zekere som te 
verkoopen. Pastoor Nanning vond »dit verzoek en 
deze voorstelling redelijk en billijk* en deed, onder 
bepaalde voorwaarden, zijne geheele boekerij voor 900 
gulden aan de Statie over. 

Het contract dagteekent van 8 December 1752 en 
berust in het kerkarchief van Buitenveldert. 

»De eerzame mannen, kerkmeesteren der R. C. Kerk 
in Buytenveldert, considereerende in wat grote onge- 
legenheid mijn opvolger of opvolgers zig zouden kunnen 
bevinden, ingeval van mijn overlijden mijne bibliotheek 
of boeken uit deze gemeente wierden weggevoerd en 
verkogt; hebben mij ondergeschrevenen verzogt met 
hen een contract aan te gaan en aan hen mijn gant- 
sche bibliotheek voor een zekere somme gelds te willen 
verkopen. Dit verzoek en deze voorstelling bij mij 
redelijk en billijk bevonden zijnde, zijn wij tezamen 



438 

overeengekomen: dat ik van dezen dag af, aan hen 
en aan hunne opvolgers in de bedieninge van kerk- 
meesteren alle regt en eigendom op mijne bibliotheek 
of alle mijne boeken, gene uitgezonderd, volkomen af- 
sta, en overdrage voor de somme van negenhonderd 
guldens; mits nogthans, dat zij het gebruik van de 
genoemde bibliotheek of boeken aan mij gedurende 
mijn leven onbelemmerd moeten laten; voor welk ge- 
bruik de boeken, die ik na dato dezes zoude kunnen 
goedvinden te kopen, tot de gezeide bibliotheek bij 
mijn overlijden verstaan zullen worden te behoren. 

Wijders verklare ik, dat ingevolge van dit boven- 
vermelde contract, mij de somme van negenhonderd 
guldens heden tot den laatsten penning is toegeteld, 
en dat ik geheel ben voldaan. 

Actum in Buytenveldert 8 Dec. 1752. 

Joan Nanning, 
Pastoor in Buytenveldert. 

Volgens een door pastoor Nanning geschreven cata- 
logus bevatte de bibliotheek 116 deelen in folio, 138 
in quarto, 385 in octavo en 109 in duodecimo. 

Veel echter is van dien boekenschat verloren gegaan, 
naar men zegt, door den inval der Pruisen, die in 
1787 aan den Amstelveenschen weg bij de kerk ge- 
legerd waren. Later zijn daaruit meerdere zeldzame 
werken door het bisschoppelijk archief aangekocht; en 
wat thans nog over is, werd door den Warmondschen 
theologant, J. E. Pynaker, tijdens zijne vacantiedagen in 
19 15 en 1916, op voortreffelijke wijze gecatalogiseerd. 

Pastoor Nanning stierf den 2 gen September 1761 en 
werd den 5^11 October begraven in de gereformeerde 
kerk van Amstelveen op den 5en regel, het 7e graf, 
N^. 59. Het begrafenis-boek teekent aan, dat de kist 
36 duim breed en 71/5 voet lang was en ook een 
gedeelte besloeg van het 8ste graf. i) Waarlijk een 

') Gemeente-Archief, Nieuwer- Ainstcl, n^. 157, III, 



439 

reusachtig lange man, zooals trouwens reeds het ge- 
rekte bovenUjf op zijn portret deed vermoeden; i) in 
hedendaagsche maat overgebracht was de kist 97 c.M. 
breed en 2.02H M. lang. 

JOANNES CORNELIUS DE MOY, ook de Mooy ge- 
naamd, was tot 1761 pastoor te Beemster, en werd 
den II en November 1761 door de Staten te Buiten- 
veldert toegelaten. 2) In de relatio Chili niana wordt 
pastoor de Moy als » godvruchtig en geleerd* geprezen, 
maar zijn ijver — zoo heet het daar — ging wellicht 
wat te ver. De Statie, die toen 1076 communicanten 
telde, werd onder de landelijke tot de meest bekoorlijke 
gerekend. 3) In 1753 werd hij lid van het Haarlemsche 
kapittel;-*) in 1756 secretaris van dat college^) en in 
1763 provisor van het Hollandsche college Pulcheria. 6) 
Den 2 8ea Nov. 1776 ontving pastoor de Moy verlof 
om de kerk te vergrooten en den 14^0 Augustus 1777 
om haar voor den dienst in gebruik te nemen. 7) (3p 
de prijsuitdeeling van 31 Aug. 1777 werden, om deze 
gebeurtenis, de kinderen met een gedicht opgewekt 8) 
tot dankbaarheid jegens hun pastoor, die door 

»Zijn vlijt en zucht voor zijn geheiligd werk 

Met ziju gemeente u schonk een nieuwvergroote kerk, 

Moogt gij voor de eerste maal daarin den prijs ontvangen». 



') Aanwezig in de pastorie van Buitenveldert ; geschilderd door 
P. Koets, 1743, hg. 90 C.M. br. 63 c.M. Naar dit doek werd door J. 
Houbraken in 1782 eene kopergravure gemaakt, waaronder een 
zesregelig vers. (Fr. Muller, N. 3S05, a.) 

2) Bi/dr. V. H.: dl. XXII, blz. 44. 

3) Archief V. Utr.: dl. VIII, blz. 129. 
*■) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 341. 

5) L. c, dl. XVIII, blz. 342. 

6) L. c, dl. VIII, blz. 307; id. dl. XVII, blz. 349. 

7) L. c, dl. XXII, blz. 44. 

*) In het parochie- archief bewaard. 



440 

Pastoor de Moy stierf den 4611 P^ebr. 1784 en werd 
den loen der maand in de gereformeerde kerk te 
Amstelveen in het tweede graf op den i2en regel ter 
ruste gelegd. 

Het is voor het zeldzame van het geval wel aardig 
hier den gedrukten brief af te schrijven, waarmede de 
vrienden en bekenden van den overleden pastoor ter 
begrafenis werden uitgenoodigd. 

NIEUWER-AMSTEL 1784. 
TEGENS DINGSDAG DEN loHN FEBRUARY 

WOI^D DE HEER 

TER BEGRAVINGE VERZOGT, 

MET HET LIJK 
VAN DEN EERWAARDEN HEER 
JOANNES CORNELIUS DE MOY 
ROcjM^CH PRIESTER EN PASTOOR TE BUITENVELDERT. 
OM TEN HALF DRIE UUREN TE ZIJN IN DE KERK 
TOT AMSTELVEEN. 
R. 
UED. WORD TEN EEN UUR AAN 
HET STERFHUYS VERZOGT 1). 

T. EN J. A. CRAJENSCHOT. 

EvERARDUS Bernardus Cramer, in 1730 te Gro- 
ningen geboren en in 1757 tot priester gewijd 2), was 
van 1 770-1 784 pastoor te Nootdorp en sinds den 8^°- 
Maart 1784 te Buitenveldert. In de plaats van zijn 
voorganger werd hij door de kapittelheeren tot lid van 
hun college gekozen 3). Door den opmarsch der Prui- 
sen in 1787, was sinds den len October de Amstel- 
veensche weg afgesloten, zoodat niemand meer ter 
kerke kon komen, en de toediening des doopsels of uitge- 



') Kerkarchief der Parochie Buitenveldert. 

2) Arch. van Utr.: dl. Vni, blz. 372. 

3) Bijdr. V. H.: dl. XVII, blz. 362. 



441 

steld of in eene andere Statie moest gevraagd worden i). 
Blijkbaar genoot pastoor Cramer het vertrouwen 
van zijn kerkbestuur, dat in 1789 er toe overging, bij 
notarieele acte, het onbeperkte beheer der kerkelijke 
goederen aan hem op te dragen. Plet stuk werd ver- 
leden bij notaris Petrus Cornelis Nahuys te Amster- 
dam den yen Maart 1789 2). 

»0p den yen Maart des jaars 1789 compareerden 
voor mij Mr. Petrus Cornelis Nahuys, notaris te Am- 
sterdam bij den hove van Holland geadmitteerd, de 
Heeren Cornelis Stigter, Christiaan Driesen en Huygh 
van Bentem als kerkmeesteren van de R. C. kerk te 
Buytenveldert, wonende de twee eerste comparanten 
onder de jurisdictie van Nieuwer- Amstel en de derde 
comparant onder die van Sloten, doch thans alhier 
present, en verklaarden zij comparanten, dat de Wel- 
eerwaarde Heer Everardus Cramer, pastoor van Buyten- 
veldert, thans als opperkerkmeester en administrateur 
alle de goederen van de even gemelde kerk effective- 
lijk regeert en administreert, en dat, bij overlijden of 
gebreken van denzelven, zoodanige commissie van ad- 
ministratie aan desselvs opvolgers, in der tijd gewoon- 
lijk, wordt opgedragen. 

En verzogten en consenteerden de comparanten hier- 
af actec. 

Bij sommige katholieken aan den Overtoom 3) 
heerschte nog altijd, ten gevolge van den ouden twist 

') J. H. Lexius, die destijds kapelaan was te Buitenveldert 
teekent daaromtrent in het doopboek aan: » Prima Octobris 1787 
copiae Borussae irrumpentes ceperunt hanc viam, unde omni aditu 
ad ecclesiam praecluso et communitate buc llluc dispersa, baptis- 
mus aut differri aut in alia ecclesia conferri debuit. ld quod 
videre est in hac pagina. 

^) Kerkarchief der parochie Buitenveldert. 

^) Onder >Overtoom« wordt een dam verstaan tvisschen twee 
vaarwaters, waarin geen schutsluizen gewenscht zijn. De vaar- 
tuigen worden, met behulp van kabels, over den dam, van het 
eene water in het andere getrokken. 



442 

tusschen de pastoors Nanning- en Van Vliet, de ver- 
keerde meening, dat het hun vrijstond, onder welk 
geestelijk rechtsgebied zij wenschten te behooren. Van 
die gewaande vrijheid had Pater G. Pijselman gebruik 
gemaakt, om aan zekeren Verheul aldaar woonachtig 
het H. Oliesel toe te dienen. Maar Pastoor Cramer 
beduidde en overtuigde hem, dat de Overtoom onder 
Buitenveldert behoorde, waarop Pater Pijselman, bij 
schrijven van i8 November 1791, zijne verontschul- 
digingen aanbood, met verzoek »dat daarover tusschen 
hen toch geen oneenigheid mocht ontstaan*, i) 

Pastoor Cramer stierf te Buitenveldert den 29^11 Juni 
1800, ruim 70 jaren oud, en werd den 4en Juli in de 
gereformeerde kerk te Amstelveen begraven. 

JOANNES Schouten was te Nes en Swaluwebuurt 
geboren, studeerde te Leuven, en werd in 1777 tot 
priester gewijd en tot kapelaan benoemd te Amster- 
dam in »de Papegaai*. Toen, volgens voorschrift van 
den aartspriester Franken, de kapelaans, sinds den 
loen Mei 1782, jaarlijks zich aan een vergelijkend 
examen moesten onderwerpen, gaf kapelaan Schouten 
zulke schitterende bewijzen van ervarenheid in de 
hoogere wetenschappen, dat zijne geestelijke rechts- 
macht of jurisdictie voor vier jaren lang »ad quadrien- 
niumc verlengd werd. Den len October 1788 werd hij 
tot pastoor benoemd te Stompwijk, waar de Magistraat 
hem aanvankelijk niet wilde toelaten, uit vrees, dat 
ook hij, gelijk zijn voorganger, pastoor Somveen, met 
te sterke patriottische neigingen bezield was. 

') Kerkarchief der parochie Buitenveldert. 

Pater Kjselman was zendeling te Amsterdam in de Moses en 
Aaron, en stierf den yen Mei 1798, oud 6r jaar, en -n-erd in de 
Oude Kerk te Amsterdam begraven. Er hangt van hem in het 
Museum »de Amstelkring* te Amsterdam een pastel-teekening. 



443 

Den lyen Juli 1800 werd hij pastoor te Buitenvel- 
dert, waar hij tot zijn dood verbleef den 2 gen Januari 
1833. Door den aartspriester Van Banning wordt hij 
»irreprehensibilis« onberispelijk genoemd, i) 

Andreas Mattheus van Lottum was Amster- 
dammer van geboorte en werd in 1825 tot priester 
gewijd. Volgens den aartspriester Van Banning was 
hij »wat wereldsch en bezat bij weinig kennis nog 
weinig studielast, 2) en de aartspriester Van der Haagen 
voegde daar nog aan toe »dat hij als predikant weinig 
beteekende«. 3) Hij was kapelaan te Roelofarendsveen 
en te Amsterdam aan de Fransche Kerk, en werd den 
igen Maart 1833 pastoor te Buitenveldert. Voor het 
herstel der kerk en tot den opbouw eener nieuwe 
pastorie ontving hij van regeeringswege eene toelage 
van 4000 gulden en van de provincie 1500. Van den 
aartspriester vroeg hij toestemming, om in de pastorie 
eene kapel te stichten, waar in de week de H. Mis 
kon gelezen worden. 

Den 14611 Juni 1836 werd de kerk ingezegend; zij 
prijkte in die dagen met een spits torentje. De pastorie 
stond tegen den voorgevel der kerk, zoodat, waar 
thans het hoofdaltaar staat, vroeger de ingang der 
kerk was. 

Kerk en pastorie, die beide eene uitgave hadden 
gevraagd van 18.637 gulden, waren, naar de meening 
van aartspriester Gerving >zeer keurig gebouwde, 
nitidissime exstructae sunt. 

Er hangen in de pastorie te Buitenveldert twee 



') Bissch. Oiid-Archief, Haarlem. 

^) Parum mundanus, parum capax, parum studiosus. 

^) In munere praedicandi non multum excellere. Aldus Van 
der Haagen in zijne briefwisseling met Innocentius Ferrieri, den 
Vice-Superior. 



444 

teekeningen in waterverf, beide hoog 60 c.M., breed 
43 c.AI. ; de eene van De Cruyf geeft een gezicht op 
de oude kerk en pastorie ; de andere van P. Arendzen 
op de kerk en pastorie, zooals zij waren van 1835- 1903. 

Het portret van pastoor Van Lottum, een potlood- 
teekening, hoog 43 c.M., breed 33 c.M., werd door 
P. Jansen vervaardigd. 

Het door dezen pastoor aangelegde bijzonder kerk- 
hof werd den 14611 Juni 1836 ingewijd. 

Meermalen, doch tevergeefs had pastoor Van Lottum 
bij den aartspriester op verplaatsing aangedrongen; 
eindelijk gelukte het hem den 29en Maart 1847 de 
Statie Vlaardingen te verkrijgen, maar reeds in het 
volgende jaar ging hij naar Wateringen, waar blijk- 
baar rust werd gevonden en tevredenheid. Hij stierf 
daar op den hoogen leeftijd van ruim 88 jaren, den 

20en April 1890. 

JOANNES Mattheus VAN DER Stoot werd in 1806 
te Amsterdam geboren en in 1828 tot priester gewijd. 
Van Banning teekende hem als > ijverig, godsdienstig, 
genoegzaam onderlegd maar niet altijd even voor- 
zichtig« 1). Hij was kapelaan te Rotterdam en te 
's-Gravenhage, en van 1 837-1 840 pastoor te Middel- 
burg, waar hij zijn ontslag aanvroeg uit de bediening. 
>Van der Stoot — zoo schreef de Vice-Superior An- 
tonucci aan den aartspriester Gerving den 30^11 Juni 
1840 2) — heeft zijn exeat gewild, hij hebbe het, 
en ga nu waar hij wil, maar, als werkman komt hij 
nooit meer in de Missie. Hij vergist zich met de Missie 
als een huurhuis te beschouwen, waar men naar ver- 
kiezing kan uit- en ingaan*. 

') Zelosiis, devotus, satis doctus, non seniper aeque discretus. 

2) R. D. Van der Stoot voluit suum «f-vfa.'/ habuit; maneat igi- 

tur ubi vult, at non amplius in hisce missionibus qua operarius. 



445 

Intusschen aanvaardde hij een beneficie in België, 
maar reeds in het volgende jaar keerde hij »facti poeni- 
tensc naar de Missie terug, waar Capaccini, als Vice- 
Superior, Antonucci was opgevolgd. 

Den 256" Juni 1841 werd hij tot pastoor in den 
Helder aangesteld, waar, volgens het getuigenis van 
Gerving, >door hem met grooten ijver gearbeid werdc .1) 

Den len Mei 1847 werd Van der Stoot pastoor van 
Buitenveldert ; maar deze Statie, die in de i8e eeuw 
tot de bekoorlijkste buitengemeenten gerekend werd, 
had buiten twijfel hare aantrekkelijkheid voor dezen 
pastoor verloren. Want Van der Stoot vroeg reeds in 
1848 om de Statie Vlaardingen, door vertrek van pas- 
toor Van Lottum opengevallen. Maar deze ongedurig- 
heid zal hem wel berouwd hebben, daar de Vice- 
Superior Belgrado den lo^u December 1848 aan den 
aartspriester schreef'); »Dnum Van der Stoot sua agendi 
ratione hactenus probasse se prudentia non excellere*. 
Maar in November 1849 werd hij toch pastoor van 
Roelofarendsveen. Daar bouwde hij eene nieuwe kerk 3), 



R. D. Van der Stoot sese fefellit, si consideraverit missionem 
nostram qua domum, quae conducitur pro libitu, et ex qua quis 
discedere et reverti possit. 

Briefwisseling tusschen Autonucci en Gerving: Bissch. Oud- 
Archüf, Haarlem. 

') Bissch. Otid- Archief, Haarlem: afd. Aartspriesters. Den iien 
Juni 1846 heette pastoor Van der Stoot den doorluclitigen banne- 
ling, Mgr. Grooff, aan het Nieuwe Diep te Den Helder, namens 
alle katholieken, geestdriftig welkom op den Nederlandscheu 
bodem. Velden, A. J. H. van der: De R. C. Missie in Nederl. 0.1. 

blz. 122. 

2) Bissch. Ond-Archief, Haarlem : Briefwisseling tusschen Bel- 
grado en Van der Haagen. 

3) Aartspriester Van der Haagen schreef daarover den 22 Febr. 
1S53 aan den Nuntius Belgrado: »Rdus Dnus j. M. Van der Stoot, 
pastor Stationis in Roelofarendsveen, et aeditui intendunt et qui- 
dem propriis sumptibus novam construere ecclesiam loco illius 



446 

die den 30^" Juli 185Ó door Algr. Van Vree werd ingewijd. 

Op zijn ouden dag brak pastoor Van der Stoot zijn 
been; eene ongeneeslijke wond sloopte zijne krachten, 
zoodat hij na anderhalfjaar lijdens de eeuwigheid inging. 

In de pastorie van Roelofarendsveen hangt van pas- 
toor Van der Stoot een portret, aet. 55, hg. 90 cm., br. 
75 cm., geschilderd door W. Kerremans, met een 
piano of orgel op den achtergrond, een inlandschen 
vlinder aan zijne zijde, en eene afbeelding der kerk 
in den bovenhoek: waardoor hij, behalve als bouw- 
heer der kerk, als minnaar van muziek en verzamelaar 
van vlinders, aan het nageslacht werd overgeleverd. 

Zijne collectie vlinders, alleen indigenae, ging bij 
zijn dood naar het Museum van natuurlijke historie 
te Leiden. 

Henricus Wolkemeijer was den 8en April 1802 
te Amsterdam geboren en behoorde tot het drietal 
priesters der Hollandsche Zending, die hunne lagere 
studiën maakten op het collegium philosophicum. Hij 
voltooide zijne hoogere studiën te Tri er en werd in 
1834 tot priester gewijd. Den lyen April 1834 richtte 
hij tot den aartspriester Gerving het verzoek in de 
Hollandsche Missie te worden opgenomen, hetgeen, 
na ernstig beraad, den yen Augustus 1834 werd toe- 
gestaan. Hij was kapelaan te Amsterdam in de Fransche 



ligneae, nimis arctae, ob vetustatem valde periculosae, tam sacer- 
dotum quam laicorum sanitati nocivae ecclesiae; locuti fuerunt 
cura architecto uotissimo Th. Molkenboer, qui deliniationem et 
impensa aunotavit, expensis huic operi necessariis summam circa 
57 millia floreuoruni exigi declaravit. Huic debito solvendo 37 
millia florenorum pares sunt. Ouum ex parte ecclesiae ligneae dila- 
bantis mala timenda sint, omnibns cordi est, ut cito et quidem 
hujus anni cursu rei provideri. Quod fundus 37.000 florenorum 
adest, testari possum, quia vidi illum. 



447 

kerkl), in den Helder en te Haarlem; in 1843 waar- 
nemend pastoor te Langendijk en sinds 1844 deser- 
vitor te Voorhout, en van den 27611 September 1845 
de eerste pastoor der aldaar nieuw-gestichte Statie, 
waar hij, door zijn verstandig optreden, de door onte- 
vredenheid verhitte gemoederen wist te doen bedaren. 
Den 2ieii October 1849 werd hij pastoor te Buiten- 
veldert; om gezondheidsredenen verwisselde hij met 
pastoor de Wildt van Statie, en werd in 1857 pastoor 
van Haastrecht. Hij bleef ook daar lijdende, en had 
tot aan zijn [dood, den 7en Mei 1866, voortdurend hulp 
noodig in de geestelijke bediening. 

Bij uitersten wil bedacht hij de armen van Haas- 
trecht, en stichtte te Warmond eene studiebeurs, waar- 
door hij onder »de weldoeners van het Seminarie* 
gerekend wordt'-). 

Jacobus de Wildt was den loen Febr. 1806 te 
Culenborg geboren en den 28en Juli 1832 tot priester 
gewijd. Hij was kapelaan te IJsselstijn ; van 1843-1852 
pastoor te Beesd; van 1852-1857 te Haastrecht, waar 
hij in 1854 eene nieuwe kerk bouwde, en van 1857- 
1862 te Buitenveldert. Hij stierf als rustend geestelijke 
te Culenborg den 2oea Juni il 



') Ofschoon in de HoUandsche Missie opgenomen en werk- 
zaam, zoo vroeg toch kapelaan Wolkemeijer aan de regeering 
in het genot te mogen blijven van de jaarlijksche toelage, groot 
200 gulden, welke door hem, als oud-leerling van het collegium 
philosophicum, steeds was genoten geworden Dit verzoek werd 
wel niet toegestaan, maar toch verkreeg hij wegens gemis van 
landelijke bezoldiging eene jaarlijksche tegemoetkoming van 150 
gulden. 

De oude genegenheid voor het Collegium, en voor wie daar 
eena studeerden, was nog merkbaar. 

*) Kerkarchief der Parochie Haastrecht. 



448 

Wilhelmus Fraxxiscus a^an Kampenhout was 
te Leiden geboren den 2 8en Januari 1826 en den i4ea 
Augustus 1S50 tot priester gewijd. Hij was kapelaan 
te Zierikzee, Nes en Swaluwebuurt en Rotterdam, en van 
1862-1869 pastoor te Buitenveldert. Pastoor Van Kam- 
penhout was een zenuwlijder, een onrustig man, die 
altijd door verandering van omgeving beterschap ver- 
hoopte, maar die nimmer vond. Zoo verwisselde hij in 
1869 het veenachtige Amstelland voor het fraaie, bosch- 
rijke Rijswijk; maar toen bij den aangroei der paro- 
chie de kerk te bekrompen en voor zijn gestel te 
benauwend werd, verhuisde hij in 1885 naar Stomp- 
wijk, waar eene nieuwe en ruime kerk gebouwd was; 
doch nog binnen het jaar, den 8ea Mei 1886, diende 
hij zijn ontslag in, omdat het lage en vochtige polder- 
land — hij sprak van kikkerland — zijne gezondheid 
ondermijnde; en werd in het bekoorlijke en hoogge- 
legen Heemstede rustend. In 1889 verkreeg hij de 
pastorie van Noordwij kerhout, waar hij slechts jaren 
heeft doorgebracht van bitter lijden naar ziel en 
lichaam. Hij stierf den 2oen December 1896. 

Wilhelmus Joannes van Campen was den len 
Augustus 1827 te Dordrecht geboren en den 17 en 
December 1853 tot priester gewijd. Hij was assistent 
te Schiedam, kapelaan te Hoorn en Vlissingen, rector 
van het Jongensweeshuis te Amsterdam, en sinds i 
Maart 1869 pastoor te Buitenveldert, waar hij den 
len Februari 1881 na eene korte ongesteldheid kwam 
te overlijden. 

Pastoor Van Campen stichtte te Buitenveldert de bij- 
zondere school, die den 3oen April 1874 werd ingewijd. 

Hij was een man van het woord, die gaarne uitging 
tot het geven van Missies en Triduüms; een devote 



449 

priester, die vooral onder zijne parochianen het gods- 
dienstig leven wist op te wekken en te bevorderen ; 
een ijveraar met de pen, door hem vaardig gehan- 
teerd in het dagblad »de Tijd«, in het maandschrift 
»de Katholiek« en in »de Volksvriend*. Een rustelooze 
werker, gelijk zoovele door hem uitgegeven geschriften 
getuigen. Zoo verschenen van zijne hand: Brieven over 
Rome ; ^) Het Huzvelijk: Hajidboek voor Christelijke 
echtgenooten ; 2) Kort onderricht voor bruidegoin en 
bruid; 3) De goede Herder of het huis van het ver- 
loren ktJid ; 4) Beschrijving van dt steden en dorpen 
gelegen aaji den spoorzveg Rozen daal — Vlissingen ; 5) 
De Liturgie van het H. Misoffer ; ^') Verklaring en 
uitlegging va7i het H. Misoffer naar de beste schrijvers. "*) 
>A1 deze geschriften, zoo schrijft de Tijd van 8 Febr. 
i88i, getuigen niet slechts van eene vaardige pen en 
een helderen overtuigenden betoogtrant, maar op de 
eerste plaats van de onvermoeide zucht om door onder- 
wijzing en opwekking in ruimen kring behulpzaam te 
wezen aan den opbouw van het rijk Gods op aarde, 
aan de bevordering van echt-christelijken levenswandel 
onder alle staten en standen.* 

In i88o vatte pastoor Van Campen het plan op, om 
aan den Overtoom eene bijkerk te stichten, die door 
den gestadigen uitbouw van Amsterdam was nood- 
zakelijk geworden. Maar de dood belette hem die 
plannen te volvoeren. 

Er bestaat van pastoor Van Campen in de pastorie 



1) Amsterdam bij A. van der Hoeveu, iS5S. 

2) Amsterdam bij J. Beerendonk, 1S72. 

3) Amsterdam bij J. Beerendonk, 1872. 
■*) Amsterdam bij F. J. Bekker, 1873. 

5) Vlissingen bij de Vey Mestdagli, 1873. 

6) Den Bosch bij G. Mosmans, 1875. 

7) Den Bosch bij G. Mosmans, 1875. 

29 



450 

te Buitenveldert cene potloodteekening van P. Jansen, 
en eene staalgravure van P. J. Arendzen, gelijk ook 
in het bisschoppelijk Museum te Haarlem, i) 

Arnoldus Hubertus Tachi was den geu Maart 
1837 te Zierikzee geboren en den i5en Aug. 1861 tot 
priester gewijd. Hij was kapelaaln te Voorburg, Vlaar- 
dingen en Delft, van 1 874-1 881 pastoor te O verzande, 
en sinds 9 Maart 1881 pastoor te Buitenveldert, waar 
hij den 3en Nov. igoo kwam te overlijden. 

Pastoor Tachi was zwak van gestel en niet berekend 
voor den zwaren arbeid eener uitgestrekte parochie. 
Vandaar dat hem bijna onafgebroken de hulp van 
jeugdige priesters heeft ter zijde gestaan. Te meer 
echter ijverde hij met zijn eenvoudig priesterlijk woord, 
waardoor de luister zoo van het Huis Gods als van 
de zielen zijner parochianen op waarlijk gezegende 
wijze bevorderd werd. 

Ook de tijdelijke belangen der parochie gingen hem 
ter harte. Als zorgzaam bestuurder wist hij door zuinig 
beheer en voorzichtig overleg den geldelij ken staat 
der kerk aanmerkelijk te verbeteren, maar schoot 
daardoor te kort in de noodzakelijke uitgaven voor 
het onderhoud van kerk en pastorie. 

Bij de stichting der >Vondelkerk<: te Amsterdam in 
1885 werden ongeveer 400 katholieken van Buiten- 
veldert afgesneden; maar steeds bleef de parochiekerk 
te klein om het gedurig-aangroeiende getal katholieken 
te bevatten. 

Door de goede zorgen van kapelaan J. F. Graaf 
werd, bij gelegenheid van pastoor Tachi's zilveren 
priesterfeest, de kerk verfraaid met een preekstoel uit 
het atelier van Cuypers te Roermond. 



1) Gids in het Bissch. Museum: 5e dr. blz. 118. 



45 T 

Er bestaan van pastoor Tachi in de pastorie te 
Buitenveldert eene crayonteekening van P. Jansen en 
een portret peinture-Boogaerts. 

Petrus van den Berg was den 29611 Maart 1835 
te Haarlem geboren en den 156" Augustus 1866 tot 
priester gewijd. Hij was kapelaan in het Veld, te Loos- 
duinen en Velsen, pastoor te Wijk aan Zee van 1881- 
1884, te Schoonhoven van 1884- 1900, te Buitenvel- 
dert van 1900- 1902, te Schipluiden van 1902-19 10, 
waar hij den 23611 April in den Heer ontsliep. 

Pastoor Van den Berg heeft zich te Buitenveldert 
niet op zijn gemak gevoeld; de overgang van Schoon- 
hoven naar Buitenveldert had zijn gemoedsleven te 
zeer aangegrepen en zijn priesterlijken arbeid te zeer 
teleurgesteld. Te Schoonhoven stond eene in de jaren 
187 2- 187 3 door Margry nieuw-gebouwde parochiekerk ; 
te Buitenveldert eene huiskerk van 1835 met vensters 
zonder bogen, behangen met witte gordijnen; te Schoon- 
hoven een vriendelijk en geriefelijk woonhuis; te Bui- 
tenveldert een ten deele ingestorte, onbewoonbaar ge- 
worden pastorie, zoodat de pastoor in een huis aan 
den overkant van den weg, >Meerhoeve« genaamd, 
zijn intrek moest nemen; te Schoonhoven rondom kerk 
en pastorie eene gaarde, een paradijs van bloemen 
en geboomte, dat in het decanaat van Gouda zijn 
weerga mist; te Buitenveldert eene wildernis, een be- 
geerd speelterrein van honden en katten; als men 
bovendien 67 jaren oud is, en als pastoor reeds in 
zijn eerste jaar moest ondervinden, dat, door de stich- 
ting eener nieuwe parochie in het Jacob van Lennep- 
kwartier, ongeveer 1000 communicanten van Buiten- 
veldert werden afgescheiden, waardoor de parochie tot 
slechts 460 zielen daalde, en de kerk des Zondags 



452 

met hare leege plekken de gedachte wekte aan ver- 
val en verlatenheid, dan is het niet te verwonderen, 
en ten deele zelfs te verklaren, dat de oude pastoor 
dien tegenslag in zijn leven vaak wrevelig openbaarde 
aan zijne parochianen, die daaraan evenwel ten volle 
onschuldig waren. 

Op aanraden zijner kerkelijke overheid breidde pas- 
toor Van den Berg het bestaande kerkhof uit, en 
maakte het toegankelijk voor de katholieken van Am- 
sterdam, voor wie het kerkhof »S. Barbara« op te 
verren afstand gelegen was. Ten deele slechts Avas 
zijn kerkbestuur met die plannen ingenomen; zijn op- 
zet werd »onnoodigc genoemd; zelfs w^erd er »van 
geld weggooien* gesproken. De tijd echter heeft pas- 
toor Van den Berg in het gelijk gesteld, en gewis zal 
het kerkbestuur van Buitenveldert pastoor Van den 
Berg thans dankbaar zijn voor de rijke bronnen van 
inkomsten, welke hij, ondanks hun tegenwerking, voor 
de parocliie geopend heeft. 

Er hangt van pastoor Van den Berg in de pastorie 
eene crayon-teek ening van P. Jansen van Amsterdam. 

Gerardus Petrus Bom werd den i8eu Januari 
1861 te Poeldijk geboren en den i5en Augustus 1884 
tot priester gewijd. Hij was kapelaan te Zwaag, Weesp 
en 's-Gravenhage aan S. Willebrord, en is sinds 9 Mei 
1902 pastoor te Buitenveldert. 

Even kalm van gemoed als krachtig en vurig van 
geest vatte pastoor Bom de moeilijke taak op, om de 
parochie Buitenveldert, wier kerkelijke gebouwen in 
vervallen staat verkeerden, uit hare vernedering op te 
heffen, waarbij zijn practische blik hem zeer te stade 
kwam. En zoo oordeelde hij het geraden de onbewoon- 
bare pastorie met geen groote en vaak-nuttelooze uit- 



453 

gaven te herstellen; te minder, omdat het steeds naar 
dezen kant zich uitbreidende Amsterdam straks een 
pastoorshuis zou vorderen, ruim genoeg van aanleg, 
om ook meerdere kapelaans te kunnen herbergen. 
Daarom bouwde hij eene nieuwe pastorie met sacristy 
en bergkam er, geheel berekend naar de eischen van 
het moderne stadsleven. De oude waterstaatskerk met 
hare 420 zitplaatsen, voorloopig ruimte genoeg bie- 
dend voor het getal parochianen, werd voorzien van 
een voorportaal, en, voor zoover mogelijk, zelfs ver- 
fraaid, om voorshands een vriendelijk huis Gods te 
zijn: want reeds werden de terreinen aangewezen, 
waarop later voor de nieuwe stadswijk eene passende 
kerk verrijzen zou. Deze arbeid, aangenomen en uit- 
gevoerd door den architect P. Snel, kostte aan het 
kerkbestuur de som van ƒ 40.000 gulden. Den zg^^ 
October 1903 werd de nieuwe pastorie betrokken. 

Door den aankoop van eenige perceelen weiland 
werd in 1907 het kerkhof aanmerkelijk vergroot; op 
den voor de priesters bestemde grafkelder zal eene 
bidkapel worden gesticht met een torentje, bestemd 
voor het eeuwige licht of de kerkhoflantaarn i). 

Voor de jeugd werden in 1906 vier nieuwe school- 
lokalen bijgebouwd, terwijl de oude school van 1874 
tot vergaderzaal en ontspanningslocaal werd ingericht. 
Op de onderwijzerswoning werd in igo8 eene verdie- 
ping gebouwd. 

Om de oefeningen van het te Buitenveldert opge- 



') Over de beteekenis van dit gedenkteekeu heb ik gesproken 
in deze Bijdragen : dl. XXXIV, blz. 24 — 26 ; en uitvoerig werd de 
kerkhoflantaarn behandeld door den Deken vau het S. Bernulfs- 
Gilde, pastoor G. W. vau Heukelum in het Gildeboek^ jaarg. I, 
Utrecht, blz. 127, en in De St. Nkolaaskcrk te Jutfaas, St. Gre- 
goriushiiis te Utrecht, 1906, blz. 75. 



454 

richte >Broederscheip der wekelijksche aanbidding van 
het Allerheiligste Sacrament* gezamenlijk te kunnen 
houden, stelde pastoor Bom een handboek op, getiteld: 
Emma7mël of God met ons in het H. Sacrament ^), dat 
in de Residentiebode van 9 December 1909 om zijne 
voortreffelijke eigenschappen geprezen en warm aan- 
bevolen werd. 

Den loeii April 191 7 werd pastoor Bom tot deken 
benoemd van het decanaat Ouderkerk. 

Toen in 1904 door pastoor J. C. Serbrock de 
Rozenkranskerk werd gesticht, verloor Buitenveldert 
ten derden male een gedeelte van zijn geestelijk 
rechtsgebied. 

Om den lezer eenig denkbeeld te geven van den 
omvang van het zich destijds ver-uitstrekkende Buiten- 
veldert worden hier, aan het einde van dit opstel, uit 
de oude bestaande doopboeken (i 691 -1800) de namen 
afgeschreven der buurten, wegen, wijken, sloppen» 
straten en gangen, zooals die door de pastoors achter 
de namen der ouders, die hunne kinderen ten doop 
brachten, als daar woonachtig, werden opgeteekend. 
Vooral voor de oude geschiedenis van het thans nieuwe 
Amsterdam hebben zij nut en beteekenis^). 



') Bij Malmberg te Nijmegen verschenen. 

2) Wie met de plaatselijke geschiedenis dezer streken op de 
hoogte is, zal ouder de genoemde benamingen vele oude beken- 
den terugvinden, maar niet minder vele zullen hem geheel onbe- 
kenden blijven, omdat zij, bij de uitbreiding van Amsterdam, in 
het deftige nieuwe stratenplan, allicht als minderwaardig, niet 
werden opgenomen en alzoo roemloos verloren gingen. 

Met bijzonder veel vrucht kan hier de kaart van Gerrit Drogenham 
(1740 — 1750) en die, welke van wege het Ministerie van Oorlog 
in 1850 werd uitgegeven, worden opgeslagen. 

Vgl. de studie van H. I. Scharp: Nieuwer-Amstel in den loop 
der eeuwen, onder het jaarcijfer 1569. 



455 

Zoo worden genoemd onder pastoor: 

Theodorus Achticnhoven (169 1-1698): Sloten; in de 
Rob; Buitenveldert, Overtoom; Amstelveen; op d'Oordt; 
Slogter; Den Amstel; Oorderbrug; d'Aalbuurt; Jan 
Hansen Padt; Sloterweg; Schinkel; De nieuwe wegli; 
bij de Noord. 

W. Zielhorst (1698-1736): Strantwijk; Heylige wegh 
Uytwegh; Dry Baarssies; Amsteldijk; Noorderbrugh 
Kalfjeslaan; Sloterdijk; Huys te Vraag; Oost-Endt 
Op Saxenburg. 

J. Nanm'ng {i-jTft-i'jbi): Op de Katoenbleek; Sloter- 
polder; Koenenmolen; Katzenburg; Dronkenmans- 
Huisje; Op de Hundert; Slagersgang; Noorderkaay; 
Noordermolen ; Karnemelksgat ; In den groenen tuin; 
Boerewetering. 

/. C. de Mooy (i 761-1784): Op het eilandje; Stads- 
weg; Baarsjesweg; Smitsgang; Begijnenpad; Potte- 
bakkersgang; Vroege morgengang; Op 't thuinpad; 
Groote Noord; Groene woud; Pelsgang; Donkere gang; 
Korte Loopvelt; Prutgang. 

E. B. Cranier (i 784-1 800): Rietwijkeroord ; Melk- 
boersgang; Kattelaan; Uylenbuurt; Verversgang. 

Ten slotte worde hier de aandacht gevestigd op 
een in de pastorie te Buitenveldert aanwezig middel- 
eeuwsch paneel: de graflegging des Heeren, in een 
trant vervaardigd, waarvan, behoudens enkele wijzi- 
gingen van ^QQ.'Ci belang, reeds meer dan tachtig exem- 
plaren bekend zijn^). 

Het stuk, dat om zijne compositie als meesterlijk 
geprezen wordt, werd behandeld in den stijl der late 
gothiek en zou dagteekenen uit het derde vierendeel 



') Ook het Bisschoppelijk Museum te Haarlem bewaart een 
dergelijk paneel (Gids i. h. Biss. Mus. 1913, blz. 35, N. 91). 



456 

der 15e eeuw. Over den vervaardiger loopen de nice- 
ningen uiteen; eenigen schrijven het toe aan Rogier 
van der Weyden, anderen aan Hugo van der Goes. 
De zes om het gestorven lichaam des Heeren ge- 
schaarde figuren zijn ten halven lijve geschilderd op 
goudgrond i). 

De geschiedenis van het R. C. IVeeshiits aaji den 
Amstelveenschen 7veg zou eene afzonderlijke behande- 
ling verdienen. Vroeger stond het aan den Overtoom, 
maar werd destijds door Heeren Regenten met groote 
winst van de hand gedaan. Het is bestemd voor 24 
weeskinderen afkomstig uit oud-Nieuwer-Amstel. Bij 
de regenten bestaat het voornemen om eerlang het 
bestuur en de leiding van sHet Huis« aan eerv/aarde 
Zusters op te dragen. De stichting staat onder de 
schutse van den H. Hieronymus Aemilianus, wiens 
hemelsche geboortedag door de H. Kerk gevierd wordt 
op den 2oeu Juli. 



Lijst der eervv. Heeren, die als kapelaan of assistent 
te Buitenveldert werkzaam waren. 

Nameu: Geboorteplaats: Te Buitenveldert; 

ïheod. Dingens 1670-1671. 

Joës V. Zinnick .....' 1671. 

Theod. Achtienhoven. . Amsterdam 1 690-1 691. 

Joës Hesseling Amsterdam 1 744-1754. 

Joës Stafford Voorburg 1754-1761. 

Petr. Molenaar Haarlem 1 761-1767. 

Joës Pex Amsterdam 1768. 

Herm. Fr. ten Hulscher. Amsterdam 1770-17 79. 



') De Katholiek: jg. i8S8, Deel 94, blz. 31S — 322. »Eeu belang- 
wekkende schilderij», door F. L. Stracké. 



457 

Joës Henr. Lexius . . . Amsterdam lyyc) 1791. 

Jacobus Staal Amsterdam 1791. 

Ger. Wilh. Ootmar . . . Amsterdam 1801-1808. 

Mich. Ant. V. Steenwijk. Haarlem 1808-1815. 

Henr. Waanders Ankeveen i8og. 

Ger. Eskes Amsterdam 1809. 

Ger. Zwanenburg. . . . Voorhout 18 17. 

Henr. v. d. Meijden . . Delft 1823 -1826. 

Joës Theod. v. Brussel. Den Haag 1830-1832. 

Andr. Bern. Naayers. . Amsterdam 1 832-1 833. 

Joës Wiegman Delft 1 834-1 836. 

Joës Theod. Jos. Filbry . Amsterdam 1873-1880. 

Adr. Ant. Jos. Vermeulen Rotterdam 1880-1882. 

Joës Franc. Graaf. . . . Zaandam 1882-1889. 

Joës Henr. Stoopman . Overschie 1889. 

Franc. Ant. Wilbr.Ahout Amsterdam 1S89-1898. 

Ger. Lamb. Hogeman . Amsterdam 1898-1902. 

Ign. Jos. Meyer Schiedam igoo. 

Ant. Joës V. Schaïk. Ouderkerk a/d Amstel. 19 16- 

J. C. VAN DER Loos. 
Nieuwerkerk a/d IJsel, 
2 1 Mei 1 9 1 7 . 



ALPHABETISCH REGISTER. 



A. 

Aa (Joan. v. der), 163G, pr. 313. 

— (Ever. P. V. der), f 1815, past., 
kan., 211, SbO. 

— C V. der), 1835, past., 237. 
Aagtekskerke, 327. 

Aalst (Theod. v.), f 1761, past., 

kan., 342. 
Aarlanderveen, 71, 72. 
Abcoude, 86, 242, 342, 410. 
ACHTIENHOVEN (Adr.), 1(:91, past., 

166, 203, 414-416. 

— (Theod.\ 1 1698, past., 416, 417, 
455, 456. 

Adrichem van Dorp (Adr.\ 1732, 

26. 
Ahout (Fraric.\ 1898, kap., 457. 
At.berdingk Thi.jm (Jos.), 1863, 

250. 
Albert (A. H.), 1827, kap., 260. 
Alberts ( ', 1789, franc, past, 

375—379. 
Alderse (Pieter), 1661, 66. 
Alewi.jn (Fred.), 1789, burgem., 

384. 
Alfen a. p. Ei.jx, 61, 72, 

— ( v.\ 1806, vicaris, 140-143. 
Alkemade (Flor. v,), kan-, 1633, 

276, 344. 
ALK\fAAR. 85, 181, 25.5, 257, 2S^, 

315, 327, 340-346, 419, 429-433. 
Allebé (A.), 1859, teekenaar, 243. 
Alma (Eil. v.), 1 1664, past., kan., 

341. 
Alsace (Th. d'), 1719, kard. 300. 
Amstelveen, 403 v. v. 
Amsterdam. De Oude Kerk, 63, 

102-106. 

De Nieuwe Kerk, 156, 157. 

Oude-nonnenkl., 62, 63. Kegu- 
lierenkl., 404—409. 

KI. Mar. Magd. i. Bethanië, 63. 

Beggijiienhof, 69, 75, 256, 280, 
284, 340 -349, 364, 368. 



Sint Catliarina, 82, 242, 284, 286, 

29.), 291, 297, 298, 34 i, 342, .350. 
Het Duifje, 76,133,252,285,286, 

342, 351. 
De Papegaai, 208, 285 -290, 342, 

347, 364, 368, 44?. 
llaantje-hoekst., 102, 106. 249. 
De Pool, 79, 102, 10.3, 207, 221, 

225, 284, 342, 349. 
De Postlioorn, 66, 161—262, 285, 

28'3, 343, 350. 
De Ster of Spiuhuissteegkerk, 

161—206. 
Jezuïetenstaties, 74, 87, 162, 189, 

232, 297, 298, 352—402. 
Dominicanenstaties, 162, 189, 

375, 376, 381. 
Franciscanenstaties, 162, 181, 

189, 297, 298, 375—381, 422 v.v., 

442. 
De Liefde, 2.53, 255, 341, 342. 
Sint Willebr. buiten, 85, 349, 350. 
Sint Vincentius, 451. 
Sint Bonifatius, 258. 
Kozenkranskerk, 454. 
Vondelkerk, 450. 
Capucijnenkerk, 257. 
Sint-Aloysiusgest., 83. 
Sint-Nicolaasgest., 88. 
R. K. Armenhuis, 105. 
Jongensweeshuis, 347, 448, 
Brentano, 148, 149. 
Zevenkeurvorstenhofje,249,250. 
Jansenisme, 104—106, 168, 170, 
247. 

Zie ook 102, 103, 208, 209, 268, 
272, 279, 345, 346, 389, 
443. 446, 447. 
Anna Paulowna, 255. 
Anrae (Jan v.), 1790, 105. 106. 
Antonelli ( ), 1794, kard., 391. 
ANTONNucci(Ant.\ 1839, vice sup., 

76, 144 v.v. 220, 444. 
Arkhem, 67, 157. 
Asclekerenvalt, 327, 



459 



AssELER (Th.\ 1878, archit.. 84. 
AsSENDELFT, 9.\ 281, 315, o27, 345. 
AssENDEi.Fius (Wüli ),tl615. kan., 

268, 333-388, 314. 
AuERNANDi (ïlenr.), 316. 
AwATER (Henr.), 1 1863, past., 286, 

289, 351. 
Arendzen (P. J.), 1880, grav., 450. 

B. 

Baaks, (Joacb.), c. 1600, pr., 113. 
Baard, (Jac,\ f 1722, aug-. past., 

169, 170. 
Baasjen, (Theod.), t 1806, past., 

kan., 347. 
Backhusius, ( \ 1730, pr., 295, 

299 300. 
Baede (J'f.), 1877, kap., 261. 
Bakker (Corn.), 1 1814, past., kan. 

347. 
Bambeek, ( ), 1722, burg-era., 170. 
Ban (Jan Albert\ 1643, kan., 266, 

270—279, 312—315, 348. 

— (Jan Nic.zn,), 1 1636, kan., 312, 

314, 344. 

Banning (Joan.), f 1810, past., 188, 
193—210. 

— (J. V.), 1832, oud-aartspr., 76, 
132, 205, 232. 

Barenbrüg (G.), 1797, kap., 260. 
Bastiaanse ( >, 1789, pr., 375. 
Batenburg (Petr.), f 1801, past., 

Baters ( ), 1820, past., 233. 
Beaumont (Flor.), t vóór 1729, 

past., kan., 346. 
Beckers (Adam\ 1788, jez., 352— 

402. 
Beemster, 79, 285, 342, 439. 
Beeniüs (Joan.), 1657, kan., 312 - 

315, 340. 
Beesd, 447. 

Beijer (Will.), 1673, past., kan., 

281, 345. 
Beyeren (Albr. v.), 1400, hertog, 

108, 403. 
Bekker (G.), 1880, kap., 261. 

— vJoan.), t 1873, past., kan., 547. 
Bekkers ( ), f 1918, archit., 88. 
Belgrado ( ), 1853, vice-sup., 

241, 286, 445. 
Bempden ( V. den), c. 1725, 

burg-en?., 172, 173. 
Bentem (Huig v.\ kerkm., 411. 
Berg (Petr. v. den), f 1910, past., 

451, 452. 



Beuoen, 346, 419. 

- (Petr. V.), t 1573, kan., 332, 
334, 344. 

Bergh (Osw. V. den), 1702, 68, 69. 
Bergschenhoek, 72, 118. 
Berkenrode, 74, 174, 350. 
Berntz (Joan.), 1803, koopra,,194. 
Betticha, 327. 
Beükman ( ), c. 1800, past, 

221, 225, 226. 
Beverwijk, 77, 149. 
Bijevelt (B. J.), 1757, jans. 

bissch., 424. 
Bijlemer, 60, 62, 63, 72. 
Bijlevelt (,Joan. v.), 1727, vic. 

apost., 170 V.V., 292, .300-306. 
Bijvoets ( ), 1879, archit., 79. 
Blankenheim (Fred. v.), 1400, 

bissch. V. Utr., 404, 405. 
Bleyenburg (J. V.), 1829, kap., 260. 
Blessius (Henr.), f 1673, past- 

kan., 349. 
Bloemert (Alst), t 1609, kan., 

268, 332—335, 348. 

- (Aug.),1643, kan.,273,312— 315, 
348. 

Blokker, 69, 241, 331, 347. 
Blommert ( ), 1770, 28, 29. 

Boekhorst (C.). 1910. kap.. 262. 
BoHL (Joan.), 1890, adv., 79-82. 
Boy (Henrv du), 1789, 384. 
Bol (C), 1884, kap., 261. 
Bom (Ger. P.\ 1917, past., dek., 

452-454. 
Bommel ( v.), 1829, bissch., 2:^5. 
Boom (Wilh.), 1 1799, past, 180-193, 

208, 209, 259. 

- (Henr. v. den), f 1868, past, 
77, 78. 

Boon (Mart), 1770, 29. 
Borger (.Petr.), 1768, pr., 104, 105. 
BORN (J. V.), 1846, kap., 260. 
Bos (Dom.\ 1876, kap., 90. 
BoTius (Paul.), t 1596, kan., 268, 

332—336, 348. 
Bots (Joan.), 1912, past, 117, 118. 
BouMAN (S.\ 1799, kap., 260. 
Bouwman (C. J.), 1861, 249. 
Bovenkarspel, 221, 225, 315. 
Bovenkerk, 66, 436. 
Braessem (Ger.), f 1652, past., 

kan., 345. 

- (Joan.), t 1667, kan.. 341. 

- (Sev.), 1636, pr., 312, 313. 
Brancadoro (Caesar), 1795, nunt, 

352 V.V., 387 v.v. 



460 



Bkand (G.>, 18;il, kap., i'GO. 
Brandts (J. W.>, 187o, 247, 251, 

253, 
Brederode (Frans v.), 1482, gouv., 

11;!. 
Breuker (Joan.), t 18G0, past., 

76, 77- 
Brielle 114. 
Broek (Hendr. ten), 1788, not., 

397. 
Broere (Corn.\ 1832, leeraar, 14fi. 
Brouwer ( ), c. 1800, prof., 

132, 214. 
Bruyn (W. de), 1835, kap.. 2G0. 
Brussel (Joan. Th. v.), 1832, kap., 

457. 
Buderman (Bern.), 1 1722, past., 

68, 69. 
Buffelaer (Adr.), f 1580, kan., 

332-339. 
Bi'GGE (Joan.\ 1 1636, kan., 265- 

279, 312, 314, 340. 
BuHRS (F. Th.), 1884, kap., 261. 
BuYCK (Corn.X 1604, 11, 12, 

— (Jac), c. 1580, past., 317, 318. 
BuYS (J. P.), 1916, kap., 262. 
Buitexveldert, 164, 166, 203, 210, 

230, 342, 343, 316, 403—457. 
Burg (Den), 258. 

— (P. van der), 1774, kap., 259. 
Burgeois (Jud.) 1567, 111. 
BuscA (Ign.), 1785, vice sup., 162. 

c. 

Caers ( ), 1 1762, jez. past., 352. 
Galliër (Aug'. J.), 1875, kap., 261. 
Calslagen, 412. 
Cambier ( \ 1807, 319, 320. 
Camp, (Joan. v.), f 1811, past., 

kan., 351. 
Campen (Georg-, v.\ f 1637, kan., 

312-314, 340. 

— (Jan V.), 1700, 8-12. 

— (Wilh. J. V.), t 1881, past., 
448-450. 

Canchie (Roch. de la), 1578, kan., 

332, 333, 338. 
Capaccixi ( ), 1811, vice sup., 

234, 445. 
Capelle, 107, 108, 113-118, 

— ( V. de), 1769, aartspr., 208. 
Cartel ;,Joan.), f 1799, past., kan., 

343. 
Castricum, 82, 171. 
Cater (.Joan.), 1650, past., kan., 

312, 314, 315, 344. 



Cats (Bald.X t 1G('3, vlc.-apost., 
280, 281, 340. 

— (Corn.), t 1671, past., kan., 281, 
282, 348. 

— (Jud.\ 1 1641, pas!., kan., 273- 

292, 312—315, 348. 
Cavellier (Claud. ', 1 1768, past., 

kan,, 342. 

— (Petr.), t 1789, past, kan., 343. 

— (Phi!.), t 1733, past., kan., 207, 
342. 

— (VVill.) t 1742, past., 171—207, 

293, 342. 

Ciamberlani ( ), 1803, viee- 

sup., 12 L— 142, 187, 188, 211, 215, 

216, 226, 352, 398-400. 
Cleef ( y.\ 1740, past., 181, 

429, 431. 
Clei.jx (Sim.\ J66.3, past., 66. 
CocK (Theod. de),170:ï, pi'-,66— 68. 
Codde (Petr.\ 1701, jans. pr., 67, 

171, 282, 283, 417. 
Coexex (Henr.), 1893, kap., 78, 90. 
Coetexburg iSim.), f 1712, past., 

kan., .345. 
CooGEx (Corn. v. der), f vóór 1725, 

past., kan., 34i. 
Coopal (Will.\ t 1.599, kan., 268, 

333-338. 

— ( ), t 1662, past., kan., 348. 
CooTH (A. M. C. v.), 1866, kap., 

261. 
CopPEXs (H. J,), 1884, kap., 261. 
Corxelisz (Aeg-.), 1567, afv. past., 

111. 

— (Nic.), 1583, 264. 

— (Thijs), 1598, 158. 

— (Wiil.), t 1764, past., 67, 69. 
Coster ((^uir.), f 1632, past., kan., 

335, 344. 
CoüSEBAXT (Bar.\ e. 1600, 11. 

— (Jos.), t 1645, past., kan., 349. 

— (Jos.S t 1695, kan., 282, 283, 
415. 

— (Nic.), 1605, pr., 265. 
CouvERDEX (Theod. v.), 293. 
CozpoLT 327. 

Cramer (Ever.), f 1800, past. kan., 
343, 440-442, 455. 

— (Joan.), 1814, aartspr., 93, 212 — 
219, 225 v.v., 369, 370, 393. 

Crimpex (F. X. V.). t 1827, past., 

233. 
Crimper (Joau.\ f 1571, kan., 

332, 334. 
Crucius (Wilh.), 1616, kan., 348. 



i6f 



Chi:v.sk (Andr. v, dcr\ t IGCS, 

past,, kan., ö49. 
CuYPEKs (Jos), 1795, 181 
— (P. J.), 18S9, archit., BG, 88, 

248 v.v. 

D. 



), 1707, vic. apost., 
), c. 1750, jans. 



Daemen ( 

69. 
Dalenoort ( 

past., 420, 42.3. 
Damen (Henr.), 1800, pr., 120— l;ï8. 
Deckers (]\Iich. \ Hj73, aug-. past., 

I(i4, 203, 415. 
Deymax (Theod.), 1G06, kan., 339. 
Delfsiiaven, 85, 254. 
Delft, 111, 317, 450. 
Delsing (J. f.), 1782, 436. 
Dentieres (Joan.), t 1574, kan., 

332 334, 337. 
I)evouhel(C1i.), 19)6, kap., 86, 90. 
Djdam, 68. 

DiEMEN, 58-72, 208, 346. 
Dierüut (Franc), t 1745, past., 

kan., 284, 349. 
Di.iK (Adr. V.), f 1751, past., 

kan., 342. 
DiNGENS (Theod.), f 1672, aug-. 

past., 203, 413, 414, 456. 
Dirk III, c. 1025, graaf, 326. 
Dirk IV, f 1049, graaf. 324-326. 
Dirk V, f 1076, graaf, 325, 326. 
Dirk VI, 1156, graaf, 326. 
Dirken (G. M.), 19^0, kap. 281. 
DiRKSDR. (Cniertgen), 1641, klop- 
je, 273. 
DiRKSZ. (Elb.) 1494, past., 110. 

- (Joh.), 1394, pr., 404. 
DiRXHORNiüS (Petr.), 1636, cler., 

312. 
Dispa (H. , 1739, kap., 259. 
DiSTELDONCK (Joaii.>, 1731, jez., 

16—21, 37. 
Dommer, Familie, 61, 65. 
- (Joan.) t 1663, past., 64—66. 
Doorewaard (Henr. Th.\ 1865, 

kap., 260. 

— (W.) 1809, kap., 260. 

Doorn (C. L. v.), 1856, kap., 260. 
Dordrecht, 95, 163, 215,216,32). 
Dorp (Petr. v.), 1918, kap., 262. 
Dou (Gijsb.), 1391, pr., 404. 
DRiEL(Petr.v.), 1581, 267, 3'J8— 311. 
Driesen (Chr.), 1789, kerkni., 411. 
Drogenham (Ger.), 1750, 454. 
Dronrijp, 68. 



]^i;i.;x (Joan.), f 175,;, past., 
kan., 342. 

DUIVENDREOHT, 58—90. 

DuivEXs (Jan), 1617, geneesh., 276. 
DuRAL (Seb.), 1571, kan., 332, 
334, 338. 

E. 

Ebbius (ilenr.\ f 1<j57, past., 

kan., 341. 
EcHTERNACH, 292, 298, 299, 321-328. 
Edam, 174, 254, 314. 341. 
Eelt.jes (J. B.), 1795, past., 72. 
Eenhu.siü.s (Ger,), f 1647, kan., ;;48. 
Eeüwexs (J. H.\ 1878, kap., 261. 
Eggius (Adelb.), f 1610, kan., 3' 5, 

340. 
Egmoxd' 106, 232. 2 15, 26)6, 292, 

294, 295, 332, 404, 407. 
EvcK (Dirk v. ', 1(;4;!, schout, 153 — 

155. 
EiXDE (Petr. V. den), 1 1617, kan., 

333, 334, 337, 340. 
Elsex (Sim. den), t 1890, past., 

78—82. 
Elshof (C.), 1746, kajx, 259. 
Emmerik (G. D. v.), 1917, kap., 

262. 
Exgelbertüs, 1636, pr., 313. 
Engelex ( V.), 1806, aartspr , 

224. 
Exgelsdr. (Guurt\ 1598, 158. 
Enkhuizen, 242, 273, 314, 341,311. 

347. 
Erckel ( V.), 1720, jans. pr., 

300. 
Esbeükmax (IL), 1822, kap., 260. 
EsKES (Ger.\ 1809, kap., 457. 
Ester (Folc. v.), f 1775, past., 

kan., 350. 
Etten, 69. 
Evers (Fred. J. IL), 1914, past, 

87—89. 
Everswijx. Familie, 9- 12. 

F. 

Faas (Nic), 1789, burgem., c84. 

Faber (Jan), 1770, 29. 

Feije (G.), 1893, past. emer.,290. 

- (H. J.), 1875, prof., 290, 291, 299. 

Fei.jex (W.), 1840, 77. 

Feijexoord, 88. 

Ferrieri (Inn.), 18J2, vice-sup., 

93, 241. 
Fienz (Joan), 1355, recr., CO. 61 
Filbry (Joan.), 1880, kap. 457. 



462 



Flerethinga, 327. 
Floris I, t 1061, graaf, 324— 3LH). 
FoNCKius (Joan.), 1628, jez., 340. 
FoNTANüs (Walt), 1647, pr., 34.^. 
Fkaats ( ), , past., 425. 

Franckex (Godf.), t 1654, jez., 

153 — 155. 
Franckhoff (J.). 1791, kap., 260. 
Frangipani ( ), 1594, nunt. 

apost., 294. 
Franken (J.), 1782, aartspr., 259, 

442. 
Freede ( ), 1814, past., 92. 

O. 

Gansiüs (Sim.\ f 1584, kan., 263, 

265, 308—311, 333-336, 348. 
Gallexkamp (Herm.), f 1843, 

past., 75, 76. 
Geelvixck ( ), 1723, burg-em., 

171, 172, 175, 189. 
Geenen (J.), 1867, kap., 261. 
Geeres (Ign.), t 1817, past., 

kan., 350. 
Geervliet, 329-338, 348. 
Gemert (Dirk v.), 1731, 34. 
Gentrit, 327. 

Gerard, 1156, ben. abt, .326. 
Gerrits (Sym.), 1643, 154, 155. 
Gerteler (Joan.) f 1841, past., 

kan., 285. 347. 
Gervixg (B. J.) 1842, aartspr., 76, 

77, 93, ^4, 144 v. v., 241. 
Geürs (Egb), t 1882, past., 343. 
Ghert ( V.), 1829, 234. 
Ghilixi ( ), 1773, nunt., 353. 

GiJSBRECHTSZ. (Jac), f 1355, reet., 

60, 61. 
GiLS (Ant. V.), 1810, pres., 134- 

144, 227. 
Glabais ( ), , franc, 297, 

298. 
Glasbkrüex (M.), 1810, jans. 

past., 227. 
GoES (Hug-o V. der), 1475, schil- 
der, 456. 
GoMPERTZ ( ), 1875, kap., 103. 
Gouda, 76, 146, 147. 
Gouderak, 116. 

GouDERS ( \ e. 1775, jez., 120. 

Graaf (J. F.), 1856, kap., 450, 457. 

— (J. J.) 1870, bissch. secr., 304. 

— (Corn. de) f 1779, past., 67-71. 

— (J. J. de), 1898, leeraar, 305. 
Graeff (Mavk. de), , klop- 
je, 271. 



Grasper (Ilenr.), t 1731, past., 

kan., 342. 
Gkavkxhaüe i's-), 89, 137, 138, 

139, 2M, 262, 300, 3,^9, 444, 452. 
Groexen ( ), 1801, pr., 399. 
Groexhout (Franc, v.), f v. 1716, 

past., kan., 319. 

— (.Tan V.) 1732, 26, 27. 

— tTlieod. V.) t vóór 1717, past., 
kan., 283, 341. 

— (Will. V.), 1681, adv., 2. 
Groxixgex, 163. 

Grooff ( ), lb'64, bisscli., 445, 
Groot (Joan. de) t 1692, past., 
kan., 281-283, 349. 

— (.T. de), 1774, 70. 

H. 

Haagen ( V. der) 1850, aartspr., 

148, 149, 241, 445. 
Haak (Jud.), 1743, 104, 106. 
Haakmax ( ), 1795, kap., 211. 

Haan (Casp. J.) f 1887, past., 

251, 254, 261. 

— ( de), 1806, aartspr., 224. 
Haarlem. Oude Sint Baaf, 266 — 

269, 293. 

Kloosters, 266. 

Commandery v. Sint Jan, 332. 

Oud eedboek, 150-152. 

Verschillende statiekerkjes, 

1—13, 76, 232, 351. 

Het springende paard, 1 — 57. 

Beggijnhor, 282, 285, 336, 337, 

.342-349, 380. 

Statie i. d. Hoek, 174, 264, 274, 

276, 280—289, 306, 346-349. 

Het Oud-kapittel, 263—316, 

327—351. 

Sint-Josefsparochie, 88, 252, 255. 

Zie ook 6, 2S, 30, 34, 134, 288, 

327, 477. 
Haarlemmerlie, 350. 
Haarlemmermeer, 89, 
Haastrecht, 447. 
Haefkexs (Henr.), 1833, 194, 208. 
Haln (Lamb.), 1643, 154, 155. 
Hakkelixg (A.), 1904, kap., 261. 
Hallemaxs ( ), 18 J6, past., 131. 
Halterex ( V.), na 1750 past., 

435. 
Hammer (Adr.', 1882, kap., 261. 
Haxsex ( ), e. 1730, pr., secr., 

306. 

— ( ), 1761, jans. past., 70, 420. 
Haklixgius ( ), 1636, cler., 312. 



4^3 



Harmans (J. G.\ 1803, 121). 

Hahthga 327. 

Hasselaak (Pieter), 178',), bur- 

gem,, 3S4. 
Hecking (Henr.\ t 1Ö08, past, 

kan., 259, 350. 
Heemskerk, 343, 
Heemstede, 101, 448. 
Heerenberg ('s-), 132, 133, 220. 
Heerexbroek (Hann. v.'s-), 1731, 

31, 38. 
Heerenhoek ('s-), 95, 144, 262. 
Heeswijk (Joan. v.', 1915, deken, 

83. 
Hegeman (G.\ 1777, kap., 259. 
Heibloem Dei, 257. 
Heyden (S. V. der , 1811, kap., 260. 
Heymenbergh (Joan.), f vóór 

1718, kan., 341, 
Heiloo, 294, 319, 320, 327—348, 

407, 408. 
Heimetten kerk, 327. 
Heinsius ( ), 1652, past., 63, G4. 
Helder (Den), 227, 232, 445, 447. 
Hendrik IV, 1083, keizer, 321-328. 
Hendriksdr (Pietertjet, 1661, ijü. 
Herlaer, 130—140. 
Hertogenbosgh ('s \ 263, 308-311. 
Her\vijnfn( ), 1638, pr., 315, 316. 
Hesseling (Joan.), 1754, kap., 456. 
Hesseveld (Petr. J.), 1847, leeraar, 

148, 149. 
Heussen (Nic), 1571, kan., 332, 

333, 337, 344. 
Hillegersberg, 107, 113 115. 
HoDiN (Felix), 1732, ben., 301 -303. 
Hoefkens (J. C.\ 1750, kap., 259. 
Hoek (Henr), f 1859, past,, 242- 

245, 260, 286, 313. 
Hoefman (Joost), 1695, regent, 6. 
Hofman (Lamb.), t 1665, past,, 

kan., 341, 

- (,Theod.\ 1916, kap., 261, 

- ( ), c, 1850, deken, 148. 
Hogeman (Ger.), 1902, kap., 457. 

HOYNCK VAN PAPENDRECHT(Corn.), 

1720, vic.-gen., 290—306. 

- (Rein.), 1720, adv.,- 306. 
HOLLESLOOT ( ), 1731, 36. 
Hooft (P. C), 1644, drost, 62, 

153-155. 
HooGWOUD, 315. 
Hoorn, 67, 232—236, 245 341, 343, 

348, 350, 425, 448. 
Horst (Lud. v. der), 1817, kap. 

74 90, 



HouBRAKKx (J.), 1782, graveur, 

436, 439. 
HovKx (J. V. der), 1803, 129, 

— (Petr. v. der), IKl.'), franc, 75. 
Huberti. Familie, 356, 357. 
HuYDECOPER (W. S.), 1787, 354. 
HüissEN, 282, 

— (Nic). zie Heussen. 
HuLSCHER (Herni. ten), 181 1 , aarts- 

pr., 71. 121-142, 181-226, 319, 
320, 352-402, 456. 

I. 

IJSELSTIJN, 447, 

IJzERMANS (Joan), t 1894, proost, 

245-252. 
Intres (G. L.), 1911. kap., 262. 
ISBRANDSZ. (Petr.), t 1650, past., 

kan., 345. 

J. 

Jager (Joan. de), f 1739, past., 
kan., 346. 

— (Joan. de), 1836, pasi., 75, 242. 

— (Theod. de), f vóór 1729, past., 
kan,, 346, 

Jansen (J. C. F.), 1908 kap., 261. 

— (Lamb, E.), f 1917, dek., kan., 
252-256, 261, 

— (P,). 1875, schilder, 444-452. 

— ( ), 1814, comm., 92 v.v, 
Jansonius (Benn,), 1795, jans,, 396. 
.Teegers (Ger,) 1578, past.. 410. 
Jong (Anna Clase de), 1720, fund,, 

69, 

— (Frank Clase de), 1720, fund., 69. 

K. 

Kaag (Ant. H.), f 1906, past, 

85-87, 
Kalf ('t), 210, 346. 349, 350. 
Kampenhout (Will. v.) f 1896, 

past, 448. 
Katwijck (Arn. Petri), f 1510, 

eistere, 99, 100. 
Keesman (Corn.), f 1G80, past-, 

kan,, 341. 
Kerkwerve, 327. 
Kerremans (W.), 1850, schilder, 

416. 
Kerstens (B,), 1848, kap. 260, 
Kervel (P, A.), 1815, aartspr,, 

94-97, 
Kethel, 116. 
Kies (De.. Familie, 11. 
Kimman (J.), 1863, kap., 248, 260. 



.^64 



KiNTs (Coni. V.)- 18- 2, leeraar. 14i). 
Kleij?-; (H.n t 1814, aug-. pa^^t.. 

182-206. 231. 
Knippink (J. H.), 1759. kap. 259. 
KocH (Joan. E.\ f 1835., pasr., 

deken. 205—208. 230-232. 2G0. 
KocK (Joan.\ f 1788, past., kan.. 

547. 

— (Th.) 1762, kap.. 259. 
Koets (P.), 1743 schilder, 439. 
Kok (Henr.). t 1842. past., kan., 

343. 
KoxiNGs ( ). 1888. past., 2.34. 
Koolmees. Familie, IIG. 
Koopman (J. W.^ 1859 kap. 2]0. 

— (Maria), 1731, klopje, 51. 
Kralisgex, 114-118. 
Khamer (Joan.), f 1783, past. kan.. 

346. 
Kreijxs (i\r. P.), 1873. kap., 2G1. 
Kri.js (Corn.). f voor 1721, past. 

172, 346. 
Krimpex CF. V.), 1803 kap., 230. 
Krimpius (Mart.), 1592 kan., 338. 
Krommexie. 343. 347. 
Krommexiedi.jk, 262. 
Kruyff ( de), 1890 past., 144. 
Kuystex (Herm.),. t 1666, past., 

kan.. 341. 
Küytenbrouwer (Leon.), f 1827, 

past., kan., 285, 343, 364, 368. 

KUILEXBURG, 356. 

L. 

liABiE (Lnd. de), 1571, kan,, 3c2, 

334, 338. 
Lagerw'eij (Jnl.) 1915, past., 258. 
Lambertschagex, 84. 
Lakgedi.jk, 346, 447. 
Laxgeraar, 89, 2ö2. 
Laxs (Mich), 1906, deken, 255. 
Larex, 68. 
Laurext (Joan.\ t 1888, past , 

83-85. 
Leexderïs (Stoff.), 1643, 154, 155. 

T.EEÜWARDEX, 331. 

Leeuwex (Wilh. v.\ f 1803, past., 

kan., 350. 
Leidex, 78, 79, 85, 130, 144, 236, 

252, 317, 418. 
Leidschexdam, 70, 240. 
Leimuidex, 327. 
Lelie ( ), 1788, schilder, 230. 
Lexdt (S. V.), 1701, pa.st., 67. 
Lestaxier (Gleorg), 1573, kan-, 332, 

334, 335, 348. 



I.KUVEX, 133, 211-213, 282, 283, 

292, 295, 337, 439. 
Lexiüs, (Joan. A.) f Is: 8, i last., 210. 

— (Joan. R), t 1817, past., kan., 
132, 191—206, 208—231,285,350, 
415, ^41, 457. 

Lyropius, (Petr.). zie Eixde. 

LiMMEX, 320, 420. 

LixDEX (Hyac. v. der.), 1640, aug. 

past., 163. 
LissE, 313, .345. 
L< iXGAS I Jos. de', 1740, franc past, 

181, 422 V. V. 
LoosDUixEX, 99-101, 451. 
LoTTüM (Andr. v.», f 1890. past., 

290, 443, 441. 

— (Henr. v.i, f 1869, past. emer., 
242, 260, 286, 289, 2; O, 347. 

LuGT (Ger, v. der), f 1855, past., 

242, 286—298, 347. 
LuYCK(Jac. V.', 1 1702, past., 66,67. 

M. 

:\rAASLAXD. 76, 254. 
Maat (C.\ 1890, kap., 261. 
Majü (Jos.), t 1792, past., kan., 

L85, 350, 368. 
Mali (Ant.), t 1845, past, kan., 

260, .343. 
Marius (Leon.\ f 1652, past, kan., 

274, 277—280, 312, 314, 340. 
Marguis Corn.\ t vó(3r 1722, 

past., kan., 342. 
~ (Jac.\ 1731, jez., 16-26, 37. 
Meer (Nic. v, der>, t 1728, past, 

kan., 284. 341. 
Meersex (,Theod.\ 11505, eistere 

100, 101. 
Meijdex (Henr. v. der\ J82fi, 

kap., 4.57. 
Meije (Dav. V. der) f 1700, past., 

kan., 345.* 
öIeijer (Ign.), 1900, kap., 457. 
Meljlixk (A.) t 1787, aarstpr., 

353 V. Y., 386- 

— (Joan.\ t 1817, past, 72 - 74. 
jMelis ( ), 1725, kan., 29.5. 
Merlixg (Herm.\ 1588, pred., 

111, 112. 
Mesker ( ), 1812, past, 2-1.5. 

Mez Zach. de\ f 1.J61, coadj., 280. 
MiCK (Jan), 1561, fund., 62. 
Middelburg, 77, 132, 240, 444. 
MiERLO (Godlr. V.), 1578, bissch. 

V. Ilaarl., 263—273, 294, 295, 

303—311, 331, 3.33. 



465 



MisiRA, 327. 
Misna, 827. 
MoDERSOHN (Just.\ f 1693, past., 

kan., 341. 
MOENS (Mevron-\v\ 1723, 173. 
Mol (J. f. de), 1812, past-, 9.3-98. 
MoLANUs ( ), 1638, pr., 315. 
Molenaar (Petr.), 1767, kap., 456. 
MoLiNARi ( ), , nunt., 418. 

MoLKENBOER(Th.),1856,archit.,446, 
Monnikendam, 99-101, 348. 
MooY (Joan. de), f 1784, past., 

kan., 285, 342, 439, 440, 455. 
MooNS. Familie, 116. 
Moordrecht, 107, 108,116— 118.245. 
jMoser ( ), c. 1810, prof., 137. 
MosMANS (W. L.), 1836, kap., 2G0. 
MUENINCKSHOVEN ( ), 1722, aug". 

past, 170. 
Muiden, 153. 

Muyzers (J. B.), 1763, kap., 259. 
LIüLLER (Pieter;, 1769, org-eliTi., 85. 
MuNK (Joan. de\ 1723, aug., 176, 

177, 1^3. 
Müsius (Corn.), f 1572, mart., 

317, 318. 

N. 

Naayers (Andr.\ 1833, kap., 457. 
Naber {A.\ 1840, kap., 260. 
Nagel (AÏex.), f 1808, karm., 

74, 90. 
Nahuys (Petr.), 1789, not, 441. 
Nanning (Joan.), f 1761, past, 

kan., 346, 417-439.442, 455. 
Nassau ( v.) 1280, bissch. v. 

Utrecht 299. 
Naüdts (Aug-.), 1803, auf»-., 194. 
Neercassel (Joan. v.', f 1686, vic. 

apost., 280—283, 413, 415. 
Nes a. d. Amstel, 66, 70, 232, 

420, 421, 448. 
Nibbixwoude, 76. 
Nicolaasz (Pieter\ 1391, pr., 404. 
Niedorp, 337. 
Nieuwendam, 161, 41.5. 
Nieuwexdijck ( ', 1723, kap., 174. 
NiEüWENHUYS (.Toau.', 1803, jnns. 

pr., lOo. 

NiEUWERKERK A. D. LJSEL, 107 - 
119. 

NIEU^VK00p, 2.-'6. 
Nieuw LAND (Nic. v.\ 1.564, bissch. 
V. Ilaarl.. 266. 295, 330. 407, 408. 
Nijmegen, 163. 
Nizo, 327. 



Nomius (Joan.), t 1599, kan., ."4 

— (Nic.\ t 1626, kan., 273, 276 
337, 3^10. 

Noord (Th. J. v.\ 1916, kap., 262. 
NooRDWiJK, 131, 262, 2ö3, 327, 

341—349. 
NooRDWijKERHOUT, 147, 232, 448. 
Noord-Zijpe, 255. 
Nootdorp, 440. 

O. 

Obdam, 315, 

OcKE ( ), 1803, past., 128, ^18. 
Oegstgeest, 34:^. 
Oem (Joan.), f 1771, past., kan., 
284, 285, 296. 

— (,Sim.\ t 1770, past., kan., 350. 
Offerman (Joan.', f 1811, past., 

kan., 1.33, 211, 259, 347. 
Oldeklooster, 101. 
Oly (Jan', 1663, not, 63. 
Ooltgensplaat, 77. 
Ooms iMar. P.\ 1915, past, dek., 

257, 261. 
Oostenrijk (Marg-ar. v.), 1560, 

landvoog-des, 294, 330. 
OoTMAR (Ger.t, 1808, kap., 457. 
Oppers (J.', 1881, schilder, 85. 
Osdorp, 427 v. v. 
Ottinck (H.\ 1766, kap., 259. 
Oud-Ade, 257. 
Ouderkerk a. d. Amstel, 61,62, 

66, 73, 78, 85, 237. 
Ouderkerk a. d. IJsel, 118. 
Oude Schild, 85. 
Oude Tonge, 79. 
OuDORP, 76, 327, 350. 
Oud Vossemeer, 82. 
OvERVEEN, 232, 242, 350. 

OVEZANDE, 450. 

p. 

Paep (J. P.), 1802, kap., 260. 
Paludanus (Mich.), 1639, aug., 163. 
Petten, 327. 

Pex (Joan.l, 1768, kap., 456. 
Philippona (Christ), f 1888, past, 

PietÈrsdr. (Ilill.), 1583, 264, 265, 

303-311. 
Pietersz. (Adam), f 1G71, past., 

kan., 341. 

— (Arenf, 1585, 264, 308-311. 

— (Joh.), 1581, 263, 308— 31 ^ 

— (.Toh.), zie Verhaeck. 

— (Piet), 1581, 263, 303-311. 

3° 



466 



PiJNACKER, 225. 

PySELMAN ( ), 1 1798, franc, 442. 
Pitka( ), 1847, bened., 291 v.v. 
Plaet ( ), 1638, pr , 315, 316. 
Plemp (Petr.\ f 1656, past., 64. 
Plemps (Aaltgen\ 1643, klopje, 
154, 155. 

— (Nelletg-en), 1643, klopje, 154, 
155. 

Ploe'g (P. V, der), 1842, kap., 260. 
Pluym ( ), , reg-ent, 148. 

Poeldijk, 255. 
Poll ( v. de), c. 1725, burgem., 

172, 173. 
Poppe ( ), 1835, past., 147. 
POTKAMP (G.), 1704, vic. apost., 67. 
Priem (Gisl.), 1749, jans. past,, 

104, 105. 
PüRMEREND, 174, 345—350. 
Püthem tPetr. v.), 1723, aug-., 170, 

187, 189, 

Q. 

Qüesnel (Liid.\ 1 1813, past., kan., 
350. 

R. 

Raamburg, 76, 77. 

Ram (Arn. de), 1583, kan., 333- 

338. 
Reginbert, 1063, ben. abt, 299, 

325, 326. 
Reijser (Ant.), 1663, past., 66. 
Rendorp (Joach,\ 1789, burgem., 

355, 384, 386. 
Rentenaar. Familie, 66, 69, 416. 
Rhijn (Adr. v.), 1700, 8-10. 
Rhoon, 70. 
Ridderkerk, 111. 
Rijn (Sim. v.), 1918. past., 89. 
RijNDERS (H. J.), 1783, kap., 259. 

— (J.), 1765, kap., 259. 
RiJNDiJK, 93, 94. 
Rijnsburg. 327. 
Rijswijk, 241, 448. 
RiKMENSPOEL (H. F.), 1893, kap., 

261. 
RiNüERS (Joan.), f 1748, past., 

kan. 316. 
Rinsatervelt, 327. 
roelofarendsveen, 74, 95. 254, 

413-446. 
Roeper (Jac. de), f 1772 past., 

kan., .346. 
Rogen ( ). l&Ol, pr. 899. 
RooY (F. W. des 1£05, kap., 261. 



Roomers (Ant.\ 1 1803, past., 128, 

129. 
Roos (Rob.), 1912, cap. rector, 

257. 
RosANDius ( ), 1638, pr., 316. 
Rosse (J.), 16.55, past, 116. 
Rotterdam, 85, lil, 114, 120-129, 

257, 258, 444 448. 
RovENius (Phil.), 1637, vic. apost., 

276, 292, 314. 
Ruscheblatt (Herm.) 1 1905, past. 

emer., 82, 83. 

Sachs (P.), c. 1835, past., 149. 
Saffius, zie Zaffius. 
Sassenheim, 91-98, 288, 327. 

— (Corn. V.) 1606, kan., 339. 
Saulenn (J. H.), 1907., kap., 261. 
Schaap (H.), 1775, kap., 259. 
ScHAEP (Lamb.), f 1708, past., 

kan., 345 
Schagen, 255. 

ScHAiK (Ant. V.), 1916, kap., 457. 
Schatter (Franc), f vóór 1731, 

past., kan., 342. 
Schenk ylL), 1862, schilder, 243. 
Schep (Wilh.), 1700, kan., past, 345. 
Schermer, 327. 
Schiedam, 111, 327, 448. 
ScHiNCK (Jac), t 1814, franc, 75. 
Sching (Joh.), 1394, fund., 404. 
Schipluiden, 451. 
ScHLüTER (Henr.\ t 1891, past, 

252-254. 
Schoonhoven, 451. 

— (Will. V.), 1465, eistere prior., 99. 
Schouten (Joan.), f 1833, past., 

442, 443. 
Schouwen ( ), c. 1725, pr., 293. 
Schraag (Ant\ 1915, kap., 261. 
ScHRANT ( J. M.\ 1811, past, 211 v.v. 
Seegers (Theod.\ f 1837, past, 

kan., 350. 
Serbrock (Joan.\ 1876, kap., 90. 
Sevensterre (Joan.\ 1739, past, 

436. 
Sibculo, 100. 

SiESOUW (J. B.), 1750, kap., 2,59. 
SiLLiNG f Joan. \ 1 1720, past, 67, 68. 
SiNDERAM ( ), 1810, adv., 193. 
Sixtiüs (Sybr.\ t 1631, kan., 276, 

277, 348. 

Sjoukes (Ant), 1872, 253. 
Sloyer (Dirk), 1391, pr., 404 
Sloots (Henr.), 1880, past., 253. 



467 



Sloten, 327, 339, 409, 410, 417, 

422, 425 v.v. 
Slüteküuck (Ger.), ie90, 1G5. 
Sluys ( V. der), 1806, past., 138. 
Smibnkvualt, 327. 
Smit (Joan. VV.), 1847, ^ubdiak., 

leeruar, 149. 
Snel (P.), 1903, archit., 453. 

SOETEinVOUDE, 258. 

Somveen ( ), c. 1780, past., 442. 
SoNNius ( ), 1562, bissch., 

294 330. 
SouTMAN (Hendr.), 1700, 8-10. 
Sovius (Sim.), t 1625, pr., 269. 
Spaan (Joan.), t 1842, past,, kan,, 

260, 347. 
Spanbroek, 343, 347. 
Spierdijk, 343. 

Spykekboor ( ). 1770, 28, 20. 

Spinelli ( ), 1741, nunt., 176, 

178, 189, 292, 203. 
Splitiioff (Joan.), f 1869, past., 

351. 
Spont ( ), 1751, jans. past., 

420. 
Staal (Jac), 1791, kap., 457. 
Stadhouder (G.), 1777, kap., 259. 
Stafford ( Joan \ f 1816, past., 

kan., 131, 133, 211,212,217,210, 

285, 292, 293, 295, 303, 316, 356, 

357, 369, 380-3S2, 456. 
Stavelkn CTheod. v.), 1791, kap., 

259. 
Steen (Joan v. den), f 1748, aarts- 

pr., 162, 178, 179, 181, 190, 284, 

292, 293, 295, 304-306, 349, 422- 

436. 
Steeniüs (Joan.), 1636, past., kan., 

314, 315, 344. ' 
Steenkerke, 101. 
Steenoven ( \ c. 1725, jans. 

bissch., 170—174, 301. 
Steenvoorden (,J.), 1854, kap., 260. 
Steenwijk (J\Iich. v.), 1815, kap., 

457. 
Stercks (Wilh.), 1682, aug-. past., 

16.3, 164. 
Stevens Fulg- ), f 1710, aug. past . 

166-169. 



Steinbach (Ant. 



1849, past., 



232 241. 
— (Joan.), t 1850, past. emer., 

240, 241. 
Stigter (^Corn.), 1789, kerkm.,411. 
Stompwijk, 77, 346, 442, 448. 
Stoopman (Joan,), 1^89, kap., 457. 



Stoot TJoau. v. der), 1856, past, 

444—416. 
Straeten ( V.), 1789, dom. 

past., 375, 376. 
Stralen (H. v.), 1814, comm.'gen., 

229. 
Streek (De), 273, 292. 
Strengers i,Gr. J.), t 1837, past., 

262. 
Strijen (Quir. v.), 1700, secret., 

10, 12. 
Stroet (P.), 1895, kap., 231. 
Stuyt (Jan), 1906, arehit., 88. 
Stulart (B.), 1784, kap., 259. 
Swaen (Joan. de , 1649, 315. 

— (Mart. de), f 1713, jans. kan., 
67. 171, 282, 283, 315, 349. 

SwEERiNGEx (Nic. V.), f 1718, past., 

kan., 346. 
SwERiNGH (Joan.), 1 1711, past., 67. 
SwiTTERS (Kein.), 1652, 63. 

T. 

Tachi (Arn. H.), t 1900, past., 

450, 451. 
Tax (Phil.', 1723, aug-. pro V. 170 — 

177. 
Teylingius (Joan.), , fund., 

273. 

— ( ), , kan., 338. 
Tempi (Luc), 1741, nunt., 178, 

180, 422, 425 v. v. 
Terbeek ( Alb.), 1 1806, past., kan., 

343. 
Termars (Ant), f 1858, past., 351. 
Tessel, 158, 232. 
Testa ( ), 1741, secr., 181,422, 

425 V. V. 
Tetterode (Th. J.), 1814, kap., 

260. 
Theoderich, 1191, ben. abt, 324, 

326. 
TilIDRAT, 327. 
Thiofried, t 1110, ben. abt, 321— 

328. 
Thomann (H. J.), 1901, kap., 261. 
Thomassen (Math.), t 1789, Jez-, 

120, 352—374, 402. 
Tielen (.Jac), 1811, past., 225. 
Tinnevelt ( ), 1731, kan., 295. 
Tomas (A.), 1837, reg-ent, 130-149. 

— (Henr.', f 1870, past. emer., 34.3. 
Top (Petr.\ f 1785, past., kan., 350. 
Torre (Jac. de la), f 1661, vic. 

apost., 280, 315, 410—413. 
Traütwein ( ), 1889, schild., 86. 



468 



Trip ( ), c. 1720, burgeui., 

172, 174. 

u. 

Udeman (Herm.), f 1822, past., 

74, 75. 
lliTENHOORN( ), 1(74, past., 70. 
Uitgeest, 88, 342, 345. 
Ulft (Car. v.), 1789, franc, 

382—387. 
Ursem, 327. 
Utrecht, 110, 1G3, 295, 389. 

V, 

Vairlenius (Hier.\ f 1586, kan., 
263, 2G8, 275, 332—335, 340. 

VaLENTI GnXZAGA (Silv.), 1753, 
oucl-nunt., 421. 

Valk (P. v. der), 1867, kap., 2(1 

— ( V. der\ c. 1750, aartspr., 420 
Vechtersz. i^Jan), 16(;3, past., 66. 
Veer ( v. d.\ 1789, franc, 387. 
Veere, 84. 

Veken (Joh. V. (Ier , 1612, 113, 114. 
Veld ('t), 77, 341, 342, 350, 451. 
Velde (Arn. v. de\ 1766, past., 
kan., 213, 350. 

— (Barth. v. de) f 1691, kan. 
emer., 315. 

— (Joan. V. den), t vóór 1728, 
past., kan., 346, 

Velde vax Melroy (van). Fam., 
134, 135. 

— ( V.) bissch., 1814, 76, 135, 
139-141. 

Velislmburg, 327. 

Velsen, 72, 144, v. v., 210, 327, 

346. 347, 451. 
Velthuyse (.J. L.), 1917, kap., 262. 
Velthuyzen ( ), 1787, not., 

356, 357. 
Vex (J. M. V. de), 1863, kap., 

248, 260. 
Verhaeck (Joan.>, 1517, eistere, 

101. 
Verhaer (Flor.\ 1578, hist., 266. 
Verhoeven (.J. L.), 1880, kap., 231. 
Verkampex !jud.), t 1664, past., 

kan., 341. 
Verlaat (W.), 1817, kap , 260. 
Vermeulen (Adr.\ 1883, kap., 457. 
Verveer (Nic), f 1647, past., kan., 

279, 314, 315, 344. 
ViAixNES (Th. de\ c 1730, bened., 

301. 



Vixkexroy (Mart.\ t 1671, aug". 
past., 412, 413. 

Vixkexsteijx (Adr.\ 1838, kap., 
85, 90. 

— (Eng.), t 1819, past., kan., 
259, 343. 

VisscHER ( ), 1659, past,, 1 6. 

— (Theod. de), f 1715, past., kan., 
283, 349. 

Vlaa"rd]Xgen, 77, 245, 246, 327, 

444, 445, 450. 
Vla.nuxg ( ), t 1722, aug., 170, 

182, 187, 189. 
Vlasselaar (H.), 1850, kap., 260. 
Vliet (Ger. v.), 1741, past., 422— 

442. 
Vlissingex, 85, 252, 255, 448.^ 
Vogel (G. J.), 1856, kap., 260. 
Vogelex'zaxg, 174, 342, 347. 
Voorburg, 70, 71, 245, 450. 
Voorhout, 91—98, 327, 447. 

— Sem. Hageveld, 82, i:]0-149. 
Vorst (A. L.', 1901, kap., 261. 
Vos (Theod. de), 1790, kap., 2;0. 
Vredeveld (Nic), f 18G(>, past., 

95, 96. 
Vree ( v.), 1853, bissch. v. Haark, 

Vregt (" " ), f 1892, kan., 304, 

305. 
Vroülo, 327. 

W. 

Waardenberg (J. A.), 18i9, kap., 

260. 
Wakker (Ant.\ 18.52, fund., 88. 
Walles (Will.i, 1695, regent, 6. 
Waxdelmax (Joan.), f 1686, past., 

kan., 341. 
Warden (Nic), f 1636. past., 312. 
Vv^ARMBOLDi (Henr.\ 1494, eistere, 

101, 
Warmeniiüizex, 257. 
AVarmoxd, 09 -101, 130, 327. 350. 

— Seminarie, 74, 75, 130 — 144, 
210-230, 264, 288, 303, 447. 

Wassenaar, 67. 
Watergraafsmeer, 58 v.v. 
Wateringen, 240, 241, 290, 350, 

444. 
Weert (Am. de», f 1769, past-, 

kan., 350. 

— (Jac van), 1750, past., 435. 
Weerts (Petr.\ f 1756, past., kan,, 

174, 346. 
Weesp, 88, 153, 418, 419, 452. 



469 



Weesperkarspel, 153. 
Weijden ( V. der', 1835, regent, 
145 v.v. 

— (Kog-. V. dcr\ 1475, schilder, 
456. 

Weijntjes ( ), 17-10, past., 190. 
Wellens (Ant.), 1756, pr., 193— 

206, 213. 
Welscerebürg, 327, 
Wensing ( ), prof., 291. 
Werve (Steph. V. der), 1713, past., 

kan., 283, 284, 349. 
Wervershoef, 84. 
Westerblokker, -45, 351. 
WESTFRIESLAND. Proostdij, 2i'6, 

268, 271, 295. 
Westwoud, 351. 
WiDO, 327. 
Wiegman (G. J.), 1867, kap., 261. 

— (Joan.\ 1835, kap., 457. 
Wielen (Petr. v. der), 1659, past., 

kan.; 345. 
Wieman (J. J ), 1913, kap., 262. 
W1ERINGEN, 89. 

WiQGERiNK (A.), 1752, kap., '-'59. 
Wi.i (Jac. Nic.zn.\ f 1589, kan., 

333 -344. 
WiJCK (Corn. v.), f 1652, past., 

115, 116. 
Wyckerslooth (Corn. v.), 1835, 

bissch., 130—145, 235. 

— (Ger. V.), 1 1726, aartspr., 170 - 
175, 189, 207, 284, 349. 

WiTK aan Zee, 72, 96, 290, 451. 
WiJMANS (J. B.\ 1733, kap., 259. 
Wijngaarden ( v.), c. 1775, 

past., 435. 
Wijntjes (Larab.\ f 1771, past., 

180, 207, 208. 
Wijsbach-Schouten. Familie, 74. 
WiJTENBURG (M. V/.\ 1904, kap., 

261. 
WiJTMANs (Will.1 t 1747, past., 

kan., 174, 342, 425. 
Wildt ( de', t 1868, past., 417. 
Wilkinghege, 134, 220. 
Willem, 1063, bissch. v. Utr., 299, 

325 326. 
Willem, 1407, graaf, 108. 
WiLLEMSZ. (Jan\ 1644, 62. 

Amsterdam, 28 Juli 1918. 



WlNDESHEIM, 331, 405. 

Winkel (Petr. v. de), 1799, aug., 

187. 
Winkel AAR ( ), 1835, past., 236. 
Winkelman (Thcod.\ 1916, kap., 

261. 
WiTBOLS (]M. H.), 17.57. kap., 259. 
WoESTiJNE (Franc. v. de), 1 1801, 

past., 71, 72. 
WOGNÜM, 312. 
Wolf, (Corn. de\ f 1695, aug. 

past., 164-167. 
Wolff (Ang. de), f 1635, past., 

kan., 277, 312, 314, 344. 
Wolgunga, 327. 
WoLKEMEijER (Henr.), t 1866, 

past., 96, 98, 446, 447. 
Woltman (Jan), 1727, 179, 196. 
WoRCüM, 68, 69. 
WORMER, 232, 284, 285, 349, 350. 

WORMERVEER, 132, 214. 

WouTERLooD (P. J.), 1891, kap., 
261. 

z. 

Zaandam, 345, 350. 

Zaffius (Jac.) t 1618, kan., 264. 

268 275, 292, 296, 331-340, 408. 
Zandvoort, 345. 
Zevenhoven, 209, 210. 
Zevenhuizen, 118. 
ZiELHORST (Will.), t 1736, pa.st. 

342, 417, 455. 
ZiERIKZEE, 100, 163, 448. 
ZiJM (Mart.), 1909, kap., 261. 
ZiNNiCK (Joan. V.), 1672, aug., 

414, 456. 
Zondadari ( )■ 1790, nunt, 

352-387. 

ZUIDDORPE, 242. 

Zul (Jac. 't), f 1719, jan?, past. 

106, 346. 
— (Petr. 't), t 1743, jans. past. 

104, 106. 
Zwaag 343, 452. 
Zwanenburg (Ger.), f 1846, past., 

447, 457. 
Zwart (Petr.), 1887, kap., 261. 
Zwolle, 294. 



Rector E. H. RIJKENBERG. 



AANVULLING DER LIJST VAN 
INTEEKENAARS. 



Dat de Lijst van Inteekenaars, aan het eind van 
Deel XXXVII gegeven, niet volledig zou zijn, moest 
de Redactie wel reeds bij de plaatsing ervan vreezen, 
doordien niet alle Heeren Boekhandelaars voldaan 
hadden aan ons verzoek om welwillende mededeeling. 
Zoodoende zijn er verscheidene namen, waaronder van 
de oudste en meest belangstellende inteekenaars onver- 
meld gebleven. Eenige nu hebben de goedheid gehad, 
zich zelven, volgens onze uitnoodiging, nog achterna 
aan te geven, zoodat de Redactie thans in staat is 
om de eerste Lijst aan te vullen, en daarbij tevens 
ook de laatste nieuwe inteekenaars te voegen. 

Intusschen is er reeds een zestal door overlijden 
ontvallen, vier namelijk der eerste Lijst en twee van 
de Aanvulling. Toch is de Lijst zelve nog lang niet 
voltallig. Er blijft nog altijd een zestigtal namen van 
inteekenaars ons onbekend. Mag de Redactie daarom 
zoo vrij zijn, andermaal te verklaren, dat zij het zeer 
op prijs zou stellen, opgaven te ontvangen van al die- 
genen die hunne namen nog onvermeld vinden. 

Tevens moge ook een dringende bede tot nieuwe 



47» 

inteekening hier niet misplaatst zijn, want de uitgave 
heeft de vermeerdering nog al te zeer noodig om haar 
doel te bereiken. 

Redactie. 



Bots, W. J., Pastoor. 
Bulters, C. A. O.F.M., Pastoor. 
Dücker, Fr. W., Delft. 
Groot, G. A. de. Pastoor. 
Heyden, L,. J. van der, Kapelaan. 
Hoevenaars, O.S.Norb., Prof. 
Hof- und Staatsbibliotliek, 

Müuchen. 
Klompé, J. C. H., Pastoor. 
Lagerwey, J. Th., Pastoor. 
Leipsig, J. J. V., Rust. Pastoor. 
Metz, Fr. Andreas, O.Cisterc. 
Mohr, B. P. F., Pastoor. 



Nieuwendijk, J., Pastoor. 
Opmeer, J., Pastoor. 
Pieterse, J. W., Kapelaan. 
Poodt, H. O.Pr., Goorn. 
Post, B. J., Maasland. 
Redemptoristen Roosendaal. 
Rooy, J. M. J. van. Pastoor. 
Schijf, B. J. J., Pastoor. 
Schijndel, A. van, Pastoor. 
Stompwijk, Parochiekerk. 
Vlaming, Dr. Th., Pastoor. 
Vries, H. de, Freibnrg im Br.