Skip to main content

Full text of "Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



B IJ DRAGEN 



VOOR 



VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS 



EN 



OUDHEIDKUNDE, 



• * • * 

• • • • 



VERZAMELD EN UITGEGEVEN 

VROEGER DOOR 

Mr. I§. AUT. HTUHOFF en P. IVUHOFF, 

THANS DOOR 

Br. R. FRlJIiy, 

HOOGLEERAAR TE LEIDEN. 



NIEUWE REEKS. 

ZESDE DEEL. 



ifSSS9ü 



'SGRAVENHAGB, 
MARTINUS NIJHOFF 
18 70. 



y>s.'^A 



BIJDRAGEN 



VOOR 



VADERLAxNDSCHE GESCHIEDENIS 



EN OUDHEIDKUNDE. 



VI. 



B IJ DRAGEN 



VOOR 



VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS 



EN 



OUDHEIDKUNDE, 






VERZAMELD EN UITGEGEVEN 

VROEGER DOOR 

Mr. I§. AN. iriJHOFF en P. IVUHOFF, 

THANS DOOK 

Br. R. FRlIIir, 

HOOGLEERAAR TK LEIDEN. 



NIEUWE REEKS. 
ZESDE DEEL. 



'i^SS9i 



'SGRAVENHAGE, 

MARTINUS NIJHOFF. 

1870. 



INHOUD 



VAN HET 



ZESDE DEEL 



Bladz. 

De waarheid aangaande Albert Beilinc. Door r. fruin 1. 

De Engelsche court of Lakenstapel te Delft, 1621—1635, door 

Mr. J. SOUTENDAM 21 . 

Brie ven ver voer over land naar Indië door de O.-I. compagnie in de 
17^* eenw. Door p. a. leupe 54. 

Een Brandeabargsche zending in Nederland in 1685. Door Dr. p. l. 
MULLER 77. 

Over eene gepresumeerde munt van Graaf Wigman van Hameland. 

Door L. J. F. JANSSEN 110. 

Ken Romeinsch toilet-doosje uit de tweede eeuw, aan den Waal-oever 

bij Nymegen gevonden. Door Dr. l.. j. f. Janssen 113. 

Historische aanteekeningen in het Memoriale Fautorum Capituli Sti Pan- 

cratii te Leiden, 1367 — 1408, medegedeeld door Dr. h. g. hamaker. 126. 
Mededeeling uit de Archieven van Van Spaen. Door Mr. l. a. j. w. 

Baron slokt J 43. 

Een onderzoek naar de waarheid aangaande Allairt of Albert Beilinc. 

Door Jhr. Mr. J. k. j. de jonge 145. 

Nederland en de Groote Keurvorst. Door Dr. p. l. muller 169. 

IV slentpls van de Sont. Door r. f 214. 

De scheepstocht naar Oost-Indië onder Wolfert Harmensz. (1601-1603). 

Door P. A. TIELE 217. 

Over de geschiedenis der eerste graven uit het Hollandsche huis. 

Door Dr. j. bolhuis van zeeburgh 249. 

Een Hollander op de kermis te Antwerpen in 1654. Door R. f.... 314. 



392105 



VI INHOUD. 

Bladz. 

Over den giftbrief betreffende Broek, thans Biljoen, van 1076. Door 
Mr. L. A. j. w. Baron sloet 336 

Keoren van Delft, uit de XV^« eeaw. Medegedeeld door Mr. J. sou- 
TENDAM 343. 

Toestand eener gevangenis in Holland onder Keizer Karel V. Door r. p. 361 . 

De Noordhollandsche, Diemer- of Watergraafs-Meersche, en beide 
Nederlandsche Couranten. Door Mr. w. p. sautijn kluit 365 

Overzicht van eenige onlanjrs in Duitschland verschenen werken, be- 
treffende de geschiedenis vau Nederland. Door Dr. p. L. muller. 410. 



BOEKBESCHOU WING. 

p. L. MULLER, Greschiedenis der regeering in de nader geünieerde 
provinciën tot aan de komst van Leycester, (1579 — 1585). Acad. 
proefschrift. Leiden 1867 1. 

Beschrijving van Arnhem, door Mr. j. w. staats evers. Arnhem 

I. A. NIJHOPF & ZOON, 1868. 

Kroniek van Arnhem van 1789 tot 1868, uit ofiiciëele bescheiden 
bijeenverzameld door denz. Aid. 1868 23. 

A. CRUsius, der Winterfeldzug in Holland, Brabant und B'landern, 
eiue Episode aus dem " Befreiungskriege 1813 und 1814, nach den 
besten Quellen zusammeugestelt imd bearbcitet, und mit 8 Kartcn 
und Planeu versehen. Luxemburg, b. bück, 1865 26. 

Over het leven en werken van padlus h kuterus — (De katholiek, 
van Januari 1866) ,. 28. 



DE WAARHEID AANGAANDE ALBERT BEILING. 



DOOR 



K. F R U I N, 



Het onderwerp, waarover in dit opstel gehandeld wordt, is 
van weinig of geen belang. Heeft voor vier eeuwen zekere 
BEILINC, van wien wij overigens niets weten, zijn eer liever 
gehad dan zijn leven en zijn leven prijs gegeven om zijn woord 
te houden? Van het antwoord op die vraag hangt voor ons 
niet één belang af. Zelfs de nationale roem is er niet in be- 
trokken. Want zoo wij ons, bij een toestemmend antwoord, op 
het bezit van zulk een edelaardigen landgenoot als beilinc be- 
roemen mogen, moeten wij ons tevens schamen over die andere 
landgenooten, die den man niettemin wreed en schandelijk ter 
dood hebben gebracht. 

Waarom dan de vraag besproken? Omdat het onderzoek, 
waaruit het antwoord moet voortvloeien, als proeve van his- 
torische critiek bijzonder leerrijk is, en de overlevering aan- 
gaande BEiLiNC's zelfopoffering nu toch eens in alle hand- 
en leerboeken onzer geschiedenis een plaats heeft gevonden, 
en meer algemeenen bekend is dan feiten en gebeurtenissen 
die inderdaad veel gewichtiger zijn, en meer bekend verdienden 
te wezen. 

Beginnen wij met ons te herinneren hoe de overlevering 



luidt. Wij kunnen niet beter doen dan ze ons door WAGENAAR 
te laten verhalen. 

Het slot te Schoonhoven bleef nog eenigen tijd in 

handen der Kabeljaauwschen. 't Werd door WILLEM van 
DEN KO ULSTER verdedigd, doch 't ging eerlang bij verdrag 
over. De burgzaten bedongen lijf en goed, uitgenomen AL- 
BRECHT of ARNOLD BEiLiNC, die veroordeeld werd om le- 
vende in de aarde gedolven te worden. Vooraf kreeg hij op 
zijn woord van eer eene maand verlof tot het beschikken 
zijner zaken. Ook keerde hij als een andere regulus ter 
bestemder tijd weder. Het vonnis werd toen op een molen- 
werf even buiten de stad, aan hem uitgevoerd.'* 
Zoo beschrijft ons de prosaïsche en doorgaans nauwkeurige 
wagena'ar het droevig maar grootsch uiteinde van den held, 
die in onze dagen door drie beroemde dichters, door helmers, 
BiLDERDiJK en TOLLENS, bezongen is. Een anderen eegulus 
noemt hem de geschiedschrijver : een benaming van kwade voor- 
beduiding. Want allen weten wij het, de eerste, de Eomeinsche 
REGULUS is, na eeuwen lang door dichters en dichterlijke ge- 
schiedschrijvers tot in de wolken verheven te zijn, bij nader 
inzien en na rijpen rade met algemeene stemmen van lauwer- 
krans en martelaarskroon beroofd en van zijn aanspraak op 
zielenadel en heldenmoed vervallen verklaard. De geschiedenis 
heeft de poëzie tot zwijgen gebracht, en regulus is tegen- 
woordig een Bomein als een ander, die overwonnen heeft en 
overwonnen is, en die gestorven is men weet niet wanneer en 
men weet niet hoe. 

Zal het onzen HoUandschen regulus evenzoo gaan? Ver- 
heerlijkt is hij in zijn goede dagen niet minder dan zijn voor- 
ganger: in zoover is hij zeker met dezen te vergeleken. En 
even als deze schijnt hij ook zijn beste dagen gehad te hebben; 
zijn roem is blijkbaar aan het tanen. De dichters van het heden 
bezingen hem niet meer. De geschiedschrijvers blazen hem ter 
eer de loftrompet minder luid. De geestdrift is aan het bedaren, 
de twijfel neemt de overhand. Hoe zeer 's mans glorie reeds 
verflauwd is, zal ons het best blijken als wij met het verhaal 



van WAGEN AAR de beschrijving van den heer wijnne verge* 
lijken, zooals zij voorkomt in de nieuwste uitgaaf van ziju 
handboek, die dit jaar verschenen is. 

„Jacoba's troepen gelukte het Schoonhoven te vermees- 
teren. Niet de opperbevelhebber, maar de onderbevelhebber 
ALBRECHT BEILING moest — men weet niet waarom — 
als offer van de wraak der gravin vallen. Naar velen meenen, 
doch anderen betwijfelen, werd hij levend begraven." 
Meer niet. Niets van het verlof en van den terugkeer; niets 
van REGULUS en van zelfopoffering. Zelfs de onderscheiding 
van levend begraven te zijn, wordt den man betwist: „velen 
meenen, andereu betwijfelen." Tot het stellig ontkennen van het- 
geen zoo lang met ophef verkondigd is, hebben onze schrijvers 
nog den moed niet. Maar het ongeloof zit in de lucht, en men 
hoort reeds mompelen wat spoedig luidkeels zal gezegd worden, 
dat de overlevering op geen geuoegzamen grond berust. 

Er laat zich dan ook nog al wat tegen de gewone voorstelling 
inbrengen. Dat een rechtschapen man uit liefde tot de zijnen, 
voor wier lot hij zorgen moet, een uitstel van de doodstraf, 
waartoe hij veroordeeld is, afsmeekt, en daarna, zijn woord ge- 
trouw, ' terugkomt om te sterven, is Goddank op zichzelf niet 
ongerijmd of ongelooflijk. Het hecfk nooit aan edele en trouwe 
mannen ontbroken. Maar onbegrijpelijk, zoo al niet moreel on- 
mogelijk, is het, dat men iemand, dien men zoo minacht dat 
men hem niet tot den dood van een krijgsman, maar tot dien 
van een vrouw of van een eerlooze veroordeelt, evenwel zooveel 
vertrouwen scheukt, dat men hem, op zijn woord van eer, een 
maand lang vrij laat rondloopen. Zulk vertrouwen en zulke 
minachting zijn niet met elkander te rijmen, de samenvoeging 
schijnt ongerijmd. De eenige denkbare verklaring is die, welke 
TOLLENS in zijn dichtstuk aan de hand geeft, dat namelijk 
de overwinnaar een gruwzame wreedaard was, die zijn vyand 
liever nog tot de schande dan tot den dood wilde doemen, en 
hem opzettelQk de gelegenheid om zich te redden opende, in 
de hoop dat hij er misbruik van maken zou; en die verder, 
toen de berekening verkeerd uitviel, zonder eenig gevoel voor 



den zielenadel van zijn slachtoffer, het schandvonnis toch ten 
uitvoer deed leggen. Maar zulk een wreedheid en laagheid is 
nauwlijks denkbaar; en van ridder FLORIS VAN kijfhoeck is 
niets bekend dat ons recht geeft tot zulk een onteerend ver- 
moeden. Het verhaal blijft, zooals het daar ligt, een psycho- 
logisch raadsel. 

En wie zijn het die het ons verhalen; is hun gezag vol- 
doende om ons te doen gelooven wat overigens ongelooflijk 
mag heeten? Yan de inneming van Schoonhoven spreken alle 
kronieken van den tijd; van beilinc en zijn droevig einde slechts 
twee geschiedschrijvers, of liever twee boekemakers en boekver- 
koopers. De een, die zijn werk vijftig jaren na de gebeurtenis 
heeft uitgegeven, zegt niet meer dan dat beilinc levend is 
begraven ; de ander, de eenige die van het verlof en de terug- 
komst spreekt, heeft zijn boek bijna een volle eeuw na het 
voorval in het licht gegeven. Dus de eenige borg voor een 
feit, dat zielkundig niet te verklaren is, is een boekemaker 
zonder gezag, die het 93 jaren nadat het zou zijn voorgevallen 
te boek heeft gesteld. 

Die laatste redeneering brengt ons op den goeden weg. Wij 
hebben met een historische vraag te doen. Om die op te los- 
sen moeten wij eerst onderzoeken, door wie en hoe de over- 
levering tot ons is gekomen. De verklaring, hoe het feit denk- 
baar en mogelijk is, kan dan later worden beproefd. 

De oudste schrijver die ons van beilinc spreekt is vel- 
den aer, een Utrechtsch boekdrukker, die in 1476 zijn Fasci- 
culus Temporum uitgaf. Hij zegt eenvoudig: 

„Ende op 't slof was casteleyn willem van colster 

ende Heer aernt beylinc met meer ander. Ende se gaven 

't slot op, behoudelick hoir lijf ende goet, sonder aelbert 

BEYLINC, die wert levendich begraven buten Schoonhoven 

op enen molenwerff." 

Hij noemt het slachtoffer eerst aernt, later ALBERT. Van 
daar de twijfel van den voorzichtigen WAGENAAR, die „al- 
breciit of arnold beiling" schrijft. Bilderdijk, die den 
man „arnold beilaert of beiling" heet, doet dit zon- 



5 

der eenigen grond, denkelijk alléén om zich te onderscheiden 
van de rest der stervelingen. Niemand voor of na hem heeft 
ooit BEiLAERT gezegd. 

Het is bekend dat yeldenaer geen eigen werk slechts een 
compilatie uit andere boeken geleverd heeft. Yan waar bij zijn 
verhaal van het innemen van Schoonhoven ontleend heeft, is 
ons toevallig bekend. Hij vond het in een Latijnsche kroniek 
van niet veel oudere dagteekening, het Chronicon de Hollcent, 
dat door MATTHAEUS in het V« deel zijner Analecta is afge- 
drukt. Daar lezen wij : 

„Et in castro fuit castellanus dictus WILHELMUS DE 
COLSTER et ARNOLDUS BETLINC cum alüs, et tradiderunt 
castrum salvis corporibus et bonis, excepto ALBERTO bey-' 
LiNG, qui fuit vivus sepultus super locum molendinae extra 
Schoonhoviam." 

Gij ziet de overeenkomst is letterlijk. Beide berichten zijn 
dus maar voor één te rekenen. In beide ontbreekt het bericht 
omtrent het verkregen verlof en de terugkomst, waarop alles 
aankomt. Dit vinden wij eerst bij onzen tweeden zegsman, den 
boekdrukker sieverts, die in 1517 de groote Chronycke van 
Hollandt in het licht zond, insgelijks een compilatie, gemaks- 
halve in „divisiën" verdeeld, vanwaar zij den naam van Divi- 
sie-Kroniek heeft gekregen. Deze verhaalt ons de toedracht der 
zaak aldus: 

„Opten huse waren cappeteinen willem de kouster 
ende albrecht beyling mit noch vijftich vrome wapen- 
tuers, die hem selven begeerde te beschermen, stonden se 
weder, seer bedroeft wesende, also lange dat si van noots- 
wegen bi gebreke van vitaelge behouden haer lijf dat opga- 
ven, vtgeseyt aelbrecht beyling, die ghehouden wort 
tot vrou JACOBS behoef; ende hem word wtsettinge gege- 
ven een maent lang, ende sijn lijf dien tijt versekert, dat hi 
soude mogen gaen visiteren sine vrienden, eerst doende enen 
eet weder in te comen. Ende als hy, een maent gelede we- 
sende, wederom quam, worde hy in den nacht al levende 
op enen molewerf begraven." 



6 

De tekst is blijkbaar op een paar plaatsen bedorven en niet 
met zekerheid te herstellen ^), maar gelukkig juist niet in die 
Tolzinnen, die voor ons onderzoek de eenige belangrijke z\jn. 
Wy hebben hier in de hoofdzaak hetzelfde bericht als in het 
Chronicon de Hollant en bij veldenaer, maar met bijzon- 
derheden, die bij dezen ontbreken. Z^n zij aan een andere 
oude beschrijving ontleend, of moeten v\j ze als bloote uit- 
werking en opsiering van hetzelfde verhaal aanmerken? Hoe 
prachtig hebben latere dichters het verhaal der Divisie-Kroniek 
niet uitgesponnen; hoeveel omstandigheden hebben zij uit hun 
verbeelding er ingevoegd! Had de kroniek daartoe niet zelf het 
voorbeeld gegeven; had zij niet eveneens het kortere bericht, 
dat VELDENAER haar overleverde, met toevoegsels van haar 
eigen vinding opgeluisterd? 

Zoo meent werkelijk de hedendaagsche twijfelzucht. Maar ik 
moet dit vermoeden ten stelligste tegenspreken. Wat de Divisie- 
Kroniek meer geeft dan zij van veldenaer ontvangen had 
is geen opsiering, geen uitbreiding van het verhaal van dezen, 
maar de toevoeging van iets geheel nieuws, waarvoor in de 
voorstelling van veldenaer geen aanleiding bestaat. Boven- 
dien wie de Divisie-Kroniek in haar geheel met veldenaer 
en de overige kronieken, die in druk bestaan, nauwkeurig ver- 
gelijkt, zal bevinden dat z\j op vele plaatsen meer vermeldt 
dan zij uit de bekende bronnen had geput, en dat zij dus blijkbaar 
nog andere zegslieden volgt, wier geschriften op het oogenblik 
niet voorhanden zijn, maar wellicht nog ergens, in de een of 
andere boekerij, verscholen liggen. Wat hij uit deze meedeelt is 
nu niet ongeloofwaardiger dan het overige. Het kan even goed 
de toets der critiek doorstaan. Het is onnoodig dit te staven 



I) Mijn vriend en ambtgenoot de vries, dien ik over deze plaats raad- 
pleegde, is van oordeel dat men moet lezen : „ ... die hemselven hegeerden 
te beschermen. Deze wederstondense hedruft wesende, also lange*' enz. En 
hij voegt er deze verklaring bij: hedruft is gebrek hebbende, part. van 
hedrtrfien, dat van {noo^^ébruft komt. Verg. hd. hedürflig, mnL bedruf- 
tieh in den zin van gebrekkig. 



met Toorbeelden, aan andere verhalen ontleend. Het verhaal 
dat wij beschouwen, moge zelf ten voorbeeld strekken. Maar 
eer ik dit toelicht, moet ik doen opmerken, dat indien sieverts 
werkelijk, zooals ik beweer, naschrijft en niet verdicht, niet hij 
eigenlijk onze zegsman is, maar de oudere schrijver, wiens 
woorden hij herhaalt. Zoo vervalt voor een groot gedeelte de 
achterdocht tegen het verhaal, die op het lange tijdsverloop 
tusschen de gebeurtenis en de beschrijving gegrond was. De 
oorspronkelijke, door sieverts nageschreven, zegsman heeft 
zeker dichter bij de gebeurtenis geleefd dan deze; hoe dicht 
evenwel kunnen wij niet bepalen. En mogelijk had hij op zijn 
beurt geput uit nog oudere bronnen, uit verhalen van tijdge- 
nooten misschien. Bij gebrek aan alle gegevens dienaangaande 
kan dus de critiek zich aan geen uitwendige bewijzen hechten. 
Z\j moet zich bepalen tot het onderzoek van het verhaal op 
zich zelf, tot het opsporen van inwendige kenmerken van waar-, 
heid of onwaarheid. Gelukkig bezitten wij nog uit den tijd, 
waarin de gebeurtenis valt, een goed getal van echte beschei- 
den, oorkonden en rekeningen, die genoeg zekere en onwraak - 
bare feiten opleveren, om er de juistheid van de berichten der 
kroniek aan te toetsen. 

In de eerste plaats, het bestaan van den held kan niet in 
twijfel worden getrokken: hij is geen verdicht persoon. De 
lange van wijngaerden, de schrijver der Geschiedenis van 
de Heeren en van de Stad van der Goude (uitgeg. in 1813) 
heeft in het stadsarchief van Gouda het schouten zegel van 
ALBERT BEILINC, met zijn naam als randschrift, ontdekt op 
een oorkonde van 1422 (zie het aangeh. werk, I. bl. 785). 
Door deze vondst wordt veel opgehelderd. Ik laat daar, dat wij 
nu den naam met juistheid kennen en dus de lezing arnold 
als een bloote schrijffout mogen verbeteren, aan welke fout 
(in het voorbijgaan gezegd) wel het Chronicon de Hollant en 
-VELDENAER, niet onze Divisie- Kroniek schuldig staan. Van 
meer belang is het, dat wij thans ook leeren dat beilinc ei- 
genlijk geen soldaat, geen ridder was, maar een burger, een 
burgerlek ambtenaar. De heer wijnne en zoo veel anderen als 



8 

met hem instemmen, vergissen zich dus door beilinc onder- 
bevelhebber op het kasteel van Schoonhoven te noemen, hoe- 
wel onze kroniek, die willem van koulstek en albrecht 
BEYLING kapiteinen betitelt, tot die dwaling gereede aanlei- 
ding heeft gegeven. Willem van de coulster, die met 
BEILINC genoemd wordt, was werkelijk slotvoogd van Schoon- 
hoven, zooals uit eene oorkonde van 19 October 1424 (bij van 
MIERIS, Charterboek) blijkt. Een andere brief van 14 Maart 
1427 (bij VAN DE WALL, Handv. van Dordr.) bewijst, dat hij 
het beleg van Schoonhoven overleefd heeft, en dat dus de kro- 
nieken waarheid spreken, die hem bij het overgeven van het 
slot voor zich zelf lijfsbehoud laten bedingen. Beilinc was 
derhalve geen eigenlijk bevelhebber te Schoonhoven; hij was 
schout van Gouda; hij was dit nog in Mei 1424, een jaar 
voor zijn dood, zoo als toevallig de thesauriers rekening van 
Leiden (afgedrukt in het VII® deel der Kroniek van het Hist. 
Genootschap) ons leert. Hij is dus waarschijnl^k eerst kort 
voor de belegering van het slot daarheen gevlucht, en zoo hij 
aan de verdediging als kapitein heeft deel genomen, is dit 
slechts als een gevolg der omstandigheden, niet van een wet- 
tige aanstelling te beschouwen. Zoo wordt het begrijpelijk 
waarom hij alleen geen lijfsbehoud heeft mogen verwerven. 
Niet om zijn verdediging van Schoonhoven, niet omdat hij 
(zooals bilderdijk zegt) „zijn eed aan zijn vorst gehouden 
had" is hij veroordeeld, want dan zouden zijn medgezellen met 
hem zijn gestraft, maar om een of andere daad die hij vroeger, 
en denkelijk wel als schout van Gouda, had bedreven. 

En nu heerschte er juist omstreeks dezen tijd te Gouda 
meer dan in de andere steden van Holland een onzekerheid 
van gedragslijn, een aarzeling om tusschen de pretendenten 
naar de kroon te kiezen, die bewijst dat de burgerij er oneenig 
was en de partijschap er hoog was geklommen. De overige ste- 
den, althans die van het toenmalige Noord-Holland, Haarlem, 
Delft, Leiden en Amsterdam, hadden zonder bedenken, zoodra 

JAN VAN BEIEREN gCStorven Was, JAN VAN BRABANT als 

landsheer erkend en gehuldigd. Maar Gouda hield zich onzijdig, 



ook nadat het door een bezending van Leidsche regenten was 
aangemaand om zich bij de overige steden te voegen. Het 
helde zelfs blijkbaar over tot de partij van jacoba, welke het 
dan ook een half jaar later openlijk koos. Niet onwaarschijnlijk 
is het, dat de schout beiling bij deze gelegenheid met al zijn 
invloed voor de Hollandsche steden en hun landsheer en tegen 
JACOBA heeft geijverd, en dat hij, toen al zijn pogen vruchte- 
loos bleek te zijn en de tegenpartij de bovenhand behield, het 
raadzaam heeft geacht naar het sterke slot van Schoonhoven 
te wijken, dat eerlang door de Hoeksche ballingen, die zich te 
Utrecht hadden verzameld, overvallen en belegerd werd. Op- 
merkelijk is het verder, wat wij alweer uit een post op de 
stadsrekening van Leiden leeren, dat FLORIS VAN kijfhoeck, 
die door jacoba naar Schoonhoven was gezonden om er haar 
belangen voor te staan, nog voor den 10«» Maart van 1425 
te Gouda was geweest; wij kunnen licht raden met welke be^ 
doeling. 

Volgens de kroniek heeft het kasteel de belegeraars zes we- 
ken lang wederstaan. Wij kunnen die opgaaf niet toetsen aan 
echte bescheiden. Wel bezitten wij eenige allermerkwaardigste 
brieven van de regeering van Utrecht over de zaken van 
Schoonhoven (afgedrukt in het II® deel van dodt's Archief), 
maar de meeste zijn zonder dagteekening. Zooveel is zeker, 
dat het beleg geruimen tijd moet geduurd hebben. Den 10®" 
Maart was men reeds te Leiden aan het beramen van maat- 
regelen tot ontzet, en den 22en werd er nog in den Haag dag- 
vaard gehouden over dezelfde aangelegenheid. Een der Utrechtsche 
brieven, die van 25 Maart (n°. XXVII), schijnt insgelijks te 
veronderstellen, dat het slot op dien dag nog niet vermeesterd 
was. Kort daarop moet het echter zijn overgegaan. Althans 
voor Paaschen, die dat jaar den 8®» April inviel, was het ont- 
zettingsleger op de plaats aangekomen, maar te laat, zoodat 
het thans genoodzaakt was op zijn beurt de stad en het kasteel 
in te sluiten en te belegeren. In een charter van 13 April 
(bij VAN mieris) wordt gezegd, dat het beleg reeds drie we- 
ken duurde, maar *" de zin schijnt te zijn, dat de optocht van 



10 

het leger naar de stad reeds drie weken te voren was aange- 
vangen. In alle geval wordt bevestigd wat onze kroniek bericht, 
dat deze tweede belegering gedurende de vasten is begonnen. Wij 
zullen ons dus niet veel vergissen indien wij de overgaaf van het 
slot in de laatste week van Maart van het jaar 1425 stellen. 

Aan al de burgzaten schonk FLORIS VAN kijfhoegk het 
leven. Alleen aan beilinc durfde hij dit niet beloven. Hij 
moet geweten hebben dat de schout van Gouda bij zijn vorstin 
zeer slecht stond aangeschreven; hij matigde zich daarom niet 
aan buiten haar voorweten den man los te laten of te vonnis- 
sen. „Beylinc werd gehouden tot vrouw, jacob's behoef" 
dat is: tot haar beschikking. Die bepaling zou onbegr^pel^k 
zijn, indien jacoba, zooals wagen aar en anderen meenden, 
te Gouda geweest was ; zij had dan de voorwaarden der over- 
gaaf zelf kunnen stellen, en daaronder ook aanstonds over het 
lot van BEILINC beslissen. Maar het is volkomen bewezen 
dat zij zich tijdens de overgaaf van het slot met haar moeder 
te Bergen in Henegouwen ophield. De afstand tusschen Schoon- 
hoven en fiergen was in dien tijd, toen de middelen van com- 
municatie zoo gebrekkig waren, niet gering, — een eeuw later 
mocht een landsbode voor een reis van Den Haag naar Bergen 
twaalf dagen in rekening brengen, — en de wegen door het vqan- 
delijke Brabant waren bovendien verre van veilig. Moest dus het 
lot van BEILINC door jacoba beslist worden, dan zou er noodza- 
kel^k een geruime tijd verloopen, eer het vonnis kon worden 
voltrokken. Zou men hem nu al dien tijd in hechtenis houden? 
Naar onze begrippen en gebruiken geoordeeld, sch\jnt niets an- 
ders mogelijk. Toch wordt ons gezegd dat de man, wiens leven 
van de genade of ongenade zijner vijanden afhing, verlof kreeg om 
zich voor een maand te begeven waarheen hij wilde. Dit schijnt 
zoo ongehoord en ongelooflijk, dat juist hierom de waarheid 
Vian het geheele verhaal in twijfel wordt getrokken. 

Maar al aanstonds merken wij op, dat de gewone overleve- 
ring, zooals die door wagenaar en door bilderdijk wordt 
voorgesteld, hier iets geheel anders verhaalt dan de Divisie- 
kroniek, waaruit wij toch alleen de toedracht kunnen vernemen. 



11 

Volgens BiLDBRDiJK „veroordeelde men beilinc tot de on- 
gehoorde straf om levendig in de aarde gedolven te worden; 
maar men gaf hem op z^n verzoek een maand tijds om orde 
op zijn zaken te stellen." Niet anders zeggen wagen aar en 
de overigen. Doch de Divisie-kroniek meldt niet meer dan dat 
BEILINC gehouden werd ter beschikking van vrouw jacoba, 
en inmiddels verlof kreeg om een maand lang bij zijn vrienden 
te gaan doorbrengen. Het onderscheid tusschen beide voorstel- 
lingen springt in het oog. Volgens de nieuwere geschiedschrij- 
vers was het doodvonnis geveld, en werd de uitvoering slechts 
een maand verschoven. Volgens het oorspronkelijke verhaal werd 
het vonnis uit Bergen gewacht, en zou beilinc eerst als 
hij een maand later te Schoonhoven terugkwam, vernemen wat 
JACOBA over hem besloten had. Tegen dit verhaal hebben de 
bedenkingen, die de gewone overlevering doen betwijfelen, geen 
kracht. De gruwelijke wreedheid, om een ter dood veroordeelde 
een maand tijds te geven om zich door de vlucht te redden 
en zoodoende te onteeren; het onbegrijpelijke vertrouwen be- 
toond aan een veroordeelde, die men den dood van een gewoon 
misdadiger nog onwaardig keurt; de barbaarschheid om die 
straf toch ten uitvoer te leggen, hoewel de schuldige door zijn 
terugkomst toont een man van eer te zijn: dit alles valt van 
zelf weg. Wel blijven er nog zonderlinge omstandigheden over, 
maar geen van dien aard dat zij het verhaal zedelijk onmo- 
gelijk zouden maken. Daarover straks nader. Doch eerst nog 
iets over de bijzonderheden van het verhaal zelf. 

Het geven van wtsetting of uitstel, zooals aan beilinc 
zou verleend zijn, is op zich zelf volstrekt niet ongewoon in 
dien t^d. Krijgsgevangenen, die op losgeld zaten, kregen vaak 
zulk verlof. Men noemde het ,,dag-geven", „een maand dag- 
geven"; „een half jaar dag-geven", waarvoor in het Latijn „di- 
midii anni inducias concedere." Bij den vrede tusschen Holland 
en Utrecht van 3 Juni 1422 werd bepaald, dat de gevangenen 
van weerszijden zouden „dag hebben, die van den schilde ge- 
boren sijn op hair eere, ende die huysluyden op redelicke 
borchtochte.*' Niet altijd waagde het de overwinnaar zijn adel- 



12 

lijke gevangenen bloot op hun eer en eed los te laten. Het 
schijnt dat er allerlei misbruik in zwang was gekomen, inzon- 
derheid dat de op zijn woord vrijgelatene zich door zijn vrienden 
liet vasthouden en beletten om zijn eed gestand te doen. Van 
daar dat men, niet tevreden met het woord van den gevangene, 
ook nog een vrij geleide voor hem vorderde van de overheden 
in wier gebied hij zich zou begeven. Toevallig is zulk een vrlj- 
geleide, in het Memoriael van het Hof van Holland, bewaard 
gebleven. Het is een brief in 1402 door AL6HECHT van 
BEIEREN aan walhaven van brederode verleend ten be- 
hoeve van JAN VAN ARKEL die hen gevangen had en zonder 
dat geen dag geven wilde. Het is nooit gedrukt, en daarom 
zal ik het hier in zijn geheel mededeelen; het verspreidt over 
den aard van het dag-geven een helder licht: 

„ Aelbr. etc. doen cond allen luden, hoedat die Heere 
VAN ARKEL onsen getrouwen walraven Heere van bre- 
derode, Heren florys van borsselen, Heren florys 
VAN DEN abele ende claes van swyeten, onsen ge- 
minden, die in onsen dienste ghevangen worden nu doe wy 
lest voir Gorinchem gestalt lagen, een maent dach gegeven 
heeft, bij ons ende bij horen magen ende vrienden overal in 
onzen lande ende steden te comen. Ende want die Heere 
VAN ARKEL voim. hem anders des niet gonnen en wil den 
dach voirs. ten waere dat sy van ons, onsen steden, dieners 
ende ondersaten of yemant van onsen wegen veylich varen 
ende keren mogen horen dach te houden ende hoer eer te 
bewaren, so ist dat wy hun gegeven hebben ende gheven 
mit desen brieve, onsen getrouwen voirscr. walraven Heere 
VAN brederode. Heren florys van borsselen. Heren 
FLORYS VAN DEN ABELE ende onsen geminden claes van 
swyeten een vrij vast geleyde voir ons, onse nacomelingen, 
onsen steden, dienres ende ondersaten, ende voir allen den- 
ghenen die hem letsel binnen onsen landen ende steden doen 
mochten, veylich te varen ende te keeren, te merren een ter- 
mijn van zes weken lang geduerende na den datum van 
desen brieve, om weder in te trecken binnen Gorinchem, ende 



13 

sulcke sekerheit ende geloeften te houden alsy den Heere van 
ARREL voirn. gesekert ende geloeft hebben, ende om horen 
magen ende vrienden te quiten, die dair voir hun ingecomen 
sijn binnen der stede van Gorinchem voirn. Alle dese voirs. 
puncten hebben wy geloeft te houden ende te doen houden 
ende in gheenrewija te verbreken ende alle dingen sonder arge- 
list. In oirconde etc. Gegeven in den Hage XVIII dage in 
Novembri int jaer ons Heren MCCCC ende twee." 
Het verleenen van verlof aan een krijgsgevangene, zoo als 
ALBERT BEILING, is dus op zich zelf volstrekt niet onwaar- 
schijnlijk. Het komt met het gebruik van den tijd juist over- 
een. Maar iets anders is het zulk verlof te geven aan iemand, 
dien men toch gezind is tegen een losgeld voor goed in vrijheid 
te stellen, iets anders het te verleenen aan iemand die vonnis 
wacht en misschien een doodvonnis te wachten heeft. De tegen- 
werping is juist. Men zou meenen dat slechts lieden, die hun 
vrijheid konden koopen indien zij wilden, op deze wijs hun 
vrijheid als het ware voor een poos te leen konden krijgen. 
Maar er zijn voorbeelden dat ook gevangenen, wier leven ern- 
stig gevaar liep, op hun eed voor een bepaalden tijd zijn los- 
gelaten. Zoo werden in Juli 1421 eenige Brabantsche edelen, 
die deel hadden genomen aan een samenspanning, waarvoor 
sommigen reeds met den dood waren gestraft en allen met 
den dood werden bedreigd, desniettemin op hun eed voor een 
half jaar vrijgegeven. Dynter, de bekende kroniekschrijver 
van Brabant, drukt het dus uit : „ Consecuti sunt relaxacionem 
de captivitatibus ipsorum, duraturam usque ad festum omnium 
sanctorum, tune proxime futurum, sub cautione juratoria, quod 
eadem die reintrare deberent in oppido Bruxellensi, in omni 
modo sicuti ibi fuerant ante relaxacionem praedictam.*' De hee- 
ren keerden, op een enkele uitzondering na, ten bepaalden tijde te- 
rug, en verwierven naderhand hun vrijheid op zekere voorwaarden. 
Hetzelfde had met beilinc kunnen gebeuren. Als hij na 
zijn terugkomst geen doodvonnis had gevonden, zou zijn weder- 
varen van het gewone gebruik volstrekt niet zijn afgeweken. 
Hij was gevangen, hij werd gehouden tot vrouwe jacoba's 



14 

behoef; hij kreeg in afwachting van wat dese over hem be- 
Bcblkken zou, verlof voor een maand; hij keerde op den be- 
paalden tijd, zooals hij gezworen had, terug. Tot zoover levert 
zijn geschiedenis niets ongehoords op. 

Doch er blijkt ontegenzeggelgk uit, dat zijn overwinnaar hem 
vertrouwde, hem hield voor een eerlijk man, wiens woord vol- 
doenden waarborg gaf. Als wij ons herinneren hoeveel zekerheid 
VAN ARKEL vorderde, eer hij dag-gaf aan zijn gevangen edel- 
lieden, dan kunnen wij niet ontkennen dat de gerustheid, 
waarmee kijfhoecr den zwaar bedreigden beilinc laat gaan, 
een zeer eervolle getuigenis bevat aangaande diens karakter. 

Ën evenwel heeft hem jacoba tot een smadelijken dood ver- 
oordeeld ^). Dat zij wreed van aard was, is ook in andere daden 
gebleken. Maar deze veroordeeling spant de kroon. Toen zij 
het vonnis velde was zij zelf reeds in het ongeluk. Haar toeleg, 
om met Engelsche hulp van cal ais uit Henegouwen en haar 
andere landen te veroveren, was mislukt. Zij zat bijna opgeslo- 
ten en zoo goed als verlaten te Bergen. De man, aan wien 
z\j zich zoo lichtvaardig had verbonden, terwQl haar proces 
van echtscheiding te Rome nog niet beslist was, de Hertog 
van Gloster, had haar verlaten zoodra de fortuin haar verliet, 
en was naar Engeland teruggekeerd. De machtige philips 
VAN BOURGONDIEN stak reeds de hand uit naar haar kroon 
en naar haar vrijheid. Haar lot was bijna even onzeker als dat 
van BEILINC, wiens leven of dood van haar wenk afhing. En zij 
veroordeelde hem zonder genade niet slechts ter dood, maar tot 
den dood van een eerlooze. Wat mag zijn misdrijf z\jn geweest, 
waarvoor hg dus moest boeten? W\j weten er niets van, zelfs 
niet genoeg om er een gissing op te bouwen. Maar onwillekeurig 
herinneren w\j ons wat, volgens VELius, omstreeks dezen zelfden 
tijd te Hoorn zou gebeurd zijn met een burgemeesterszoon, 
zekeren jan lambertsz. cruyf, die beschuldigd werd van 



O W^len de heer lauts heeft in deze Bydragen, deel II der eerste 
serie, getracht jacoba vrQ te pleiten ; ik behoef wel niet te zeggen dat 
hij m^ niet oiFertuigd heeft 



15 

over JAGOBA gesproken te hebben als over een lichtekooi, en 
die voor dit misdrijf, niettegenstaande de voorspraak zijner aan- 
zienlijke vrienden, in tegenwoordigheid der vorstin zelve, ter 
dood werd gebracht. Vrouwen als jacoba^ wier gedrag aan- 
leiding geeft tot onteerende en lasterlijke geruchten, verstaan 
doorgaans op dat punt geen scherts. Daarom zou haar ge- 
drag ons niet kunnen verwonderen, indien wij mochten aan- 
nemen dat BEYLINC zich aan den goeden naam der vrouw 
had vergrepen: immers juist met een smadelijken dood moest 
zulk een laster worden gestraft. 

Haar wreedheid is erg genoeg; wij moeten ons wachten ze 
nog te overdrijven. Toen zij het vonnis uitsprak, wist zij niet, 
kon zij zelfs niet weten, dat beilinc edelaardig genoeg zou 
wezen om terug te keeren en gewillig den schanddood te ster- 
ven. Het is zelfs licht mogelijk, dat kijfhoeck haar niet 
eens had laten weten, dat hij zijn gevangene een maand dag 
had gegeven. Dit kan hij, in vertrouwen op het woord van 
den man, dien hij als eerlijk kende, op zijn eigen verantwoor- 
delgkheid hebben gedaan. Wij mogen en wy willen, ter liefde 
van de ongelukkige jacoba, de omstandigheden voor haar zoo 
gunstig veronderstellen als het verhaal, dat wij volgen, slechts 
toelaat. Wij willen om dezelfde reden aannemen, dat kijfhoeck, 
toen h|j het doodvonnis uit Bergen ontving, er smartelijk door ver- 
rast zal zijn en niet dan noode het ten uitvoer zal hebben gelegd. 

Op een molen werf is de straf voltrokken. De Divisie-kroniek 
herhaalt niet wat het Chronicon de Hollant zegt, dat die werf 
buiten de stad lag. Het is ook minder waarschijnlijk. De stad 
werd, zooals wij opmerkten, thans door de Kabeljauwen inge- 
sloten. Van uit het machtige leger zijner vrienden was beilinc 
zich in de handen zijner vijanden komen overleveren. Zou men 
hem dan buiten de muren en in hun nabijheid hebben terug- 
geleid om daar te sterven? 

Het was een gruwelijke zoowel als een schandelijke straf, 
die hij onderging. Naast het ophangen voor de mannelijke mis- 
dadigers bestond in het strafrecht der middeneeuwen voor 
vrouwen een drievoudige doodstraf: verdrinken, smoren in een 



IG 

modderkuil eu bedelven in de aarde. Die drie wijzen van ter 
dood brengen zijn wezenlijk één; haar verscheidenheid diende 
oorspronkelijk slechts om haar onder allerlei omstandigheden 
en plaatsen mogelijk te maken; zij zijn gekozen ter liefde 
van de vrouwelijke eerbaarheid, waaraan bij het hangen aan 
een galg te kort gedaan zou worden. Maar de straf, inzon- 
derheid het levend begraven, was gruwelijk, veel meer nog dan 
de straf, die voor de mannen in gebruik was. Wij hebben meer 
dan eene beschrijving, hoe het er bij toeging. De ongelukkige 
werd in een gedolven graf uitgestrekt, en dan van de voeten 
af met aarde overdekt totdat eindelijk ook hoofd en mond ver- 
dwenen. Dan sprong doorgaans de beul met geweld op de 
borst van den lijder om den dood te verhaasten en het ziel- 
togen te eindigen. In later tijd legde men de veroordeelde in 
een doodkist, die voor de leus met aarde overstelpt werd, nadat 
eerst de beul door het omdraaien van een kruk het slacht- 
offer ongemerkt had verworgd. 

De straf, voor vrouwen bestemd, werd soms ook wel op 
mannen toegepast. Zij schijnt in dat geval voor smadelijk te 
zijn gehouden. Het was alsof men dan den man zijn karakter 
ontnam, en hem zijn stand en kunne onwaardig verklaarde. Door- 
gaans stelt men het voor, alsof slechts lafhartigen, deserteurs 
en diergelijke op deze wijs als vrouwen werden omgebracht; en 
men beroept zich voor dit beweren op TACITUS, die getuigt 
dat de oude Germanen ignavos et imhelles mergehant. Maar 
wat er in den tijd der oude Germanen moge geschied zijn, de 
middeneeuwen leveren, zoo ver mij bekend is, voor deze bewe- 
ring geen bewijzen op. Slechts weinige voorbeelden van man- 
nen, die levend zijn begraven, zijn mij onder de oogen geko- 
men, en geen waaruit ik zou afleiden dat het misdrijf, waar- 
voor zij boetten, een blijk van lafhartigheid, van onmannelijk- 
heid geweest was. Zoo lezen wij in een oude lijst van terecht- 
stellingen in de buurt van Gent (bij warnkönig, Flandrische 
Keehtsgesch. III, App. n®. XLIV) van twee jonge lieden die 
dus ter dood zijn gebracht: 

„Item PETRUS ANDREAE fuit ibidem captas et convictus , . . 



17 

et vivus sepultu8 per Ballivum S** Petri, circiter XX annia. 
Item LEONIUS convictus ibi fuit de furto et f uit vivus se- 

pultus per Amannum S** Petri, circiter XVII annis." 

Blijkbaar zijn deze beiden wegens blooten diefstal levend be- 
graven. Hun misdaad kan verachtelijk zijn geweest, maar dat 
zij onmannelijk zou geweest zijn, blijkt in het minst niet. 

In de provincie Holland is mij, buiten het geval van bei- 
LiNC, maar een enkel voorbeeld van het levend begraven van 
een man bekend, en wel van een geestelijke. Het feit wordt 
slechts terloops door den beroemden PHILIPS VAN leiden 
in zijn boek De cura Reipuhlicae bericht ; geen kroniek maakt 
er melding van. Een vorst, denkelijk de Euwaard albreght 
VAN beieren, had zich laten ontvallen, dat hij lijden mocht 
dat zeker geestelijke zoo behandeld werd , dat er geen 
klachten meer over hem gehoord zouden worden. De baljuw 
van het district vatte die woorden op als een bevel om dfen 
geestelijke ter dood te brengen, „et hoc ipso illum presby- 
terum vivum, pro dolor! sepelivit." (cas. VIII.) Ziedaar 
alles wat wij van dit voorval weten. Door vergelijking met 
andere plaatsen van hetzelfde boek- ben ik tot het vermoeden 
gekomen, dat de geestelijke te Haarlem te huis behoorde en 
in den Haag terecht is gesteld, maar dit blijft een bloot ver- 
moeden. Het doet ook weinig ter zake. Van meer belang is 
het, dat PHILIPS VAN LEIDEN zich wel verontwaardigd betoont 
over den euvelmoed der wereldlijke overheid die de hand heeft 
durven slaan aan een geestelijke, maar met geen enkel woord 
tegen den aard der straf opkomt. Dus moet deze niet zoo 
voorbeeldeloos zijn geweest als wij ons meestal voorstellen. 

Zooveel is niettemin zeker, dat voor een man als beilinc, 
die het ambt van schout had bekleed en de wapenen had ge- 
dragen, het levend begraven een onteerende straf was, die bij 
haar, die ze oplegde, een bitteren wrok, een innigen afschuw onder- 
stelt. Maar uit den aard der straf is de aard van het vergrijp, dat 
er door geboet werd, geenszins af te leiden. Er uit op te maken 
dat beilinc een verrader, een deserteur of een lafaard moet 
geweest zijn, gaat niet aan. Zijn eerlijk en moedig terugkomen 



18 

om te ondergaan wat over hem beschikt mocht zijn, weerlegt 
bovendien zulk een vermoeden van zelf. 

Wij zijn ten einde van ons onderzoek. Het is ons gebleken 
dat het bericht van de kroniek, mits wel begrepen, volstrekt 
niet onwaarschijnlijk, veeleer geloofwaardig is. De overlevering is 
slechts door haar overdrijving onwaarschijnlijk en bijna moreel 
onmogelijk geworden. Beilinc is niet, zooals zij het voorstelt, 
door denzelfden die hem tot een schandelijken dood doemde, op 
zijn woord van eer voor een maand in vrijheid gesteld. Hij is 
niet teruggekomen, wetende dat hem een schandelijke dood wachtte. 
De goede trouw, die hij door zijn terugkeer aan den dag legde, 
kon ook geen invloed uitoefenen op zijn lot, dat lang te voren op 
verren afstand van de strafplaats beslist was. Zijn heldenmoed 
is dus minder groot dan de overlevering dien voorstelt, en de 
wreedheid zijner overwinnaars, hoewel buitengewoon, toch niet 
zoo gruwelijk als men doorgaans meent. 

Eene vraag doet zich ten slotte nog voor: wie heeft het 
eerst aan het eenvoudige verhaal de poëtische kleur der le- 
gende gegeven? Tot op het einde der lö^® eeuw heb ik van 
zulke poëzie geen spoor ontdekt. Alle oudere en nieuwere kro- 
niekschrijvers en annalisten verhalen zonder medelijden of ver- 
ontwaardiging eenvoudig na, wat de Divisie-kroniek even een- 
voudig bericht had. De waarheid begon eerst gevaar te loopen, 
toen de geschiedschrijvers zich hooger eischen gingen stellen. 
SUFFRIDUS PETRi was, zoover ik weet, de eerste die een 
poging waagde om de toedracht der zaak zijn lezers .aanschou- 
weiijk te maken. Ongelukkig echter stelde hij zelf zich de 
gebeurtenis onjuist voor, en verklaarde ze bij gevolg ook ver- 
keerd. Bij hem is het kijfhoeck, die beilinc veroordeelt, 
een maand uitstel vergunt, en na zijn terugkomst meedoogen- 
loos laat ombrengen. //Omnes kijfhoukius nomine jacobae 
in gratiam recepit praeter ALBERTUM, quem ob vetus quod- 
dam et privatum odium volebat extinctum, albertus usuram 
vitae precibus ad spatium mensis unius impetravit, ut scilicet 
inter suos domi quae vellet pro arbitrio disponeret, data fide 
se intra raensera in potestatem kijfhoukii reversurum. Quod 



19 

quidem quum ille bona Me praestitisset kijfhoukius mox 
vivum defodi jussit." (Appendix ad Chronicon johannis DE 
BEKA.) Wij hebben hier de legende reeds in haar hoofdtrek- 
ken. Uitgewerkt heeft ze een halve eeuw later de jonge vos- 
SIUS, MATTHEUS, de veelbelovende maar vroeg gestorven 
zoon van den grooten johannes GERARDUS. Hij schreef de 
geschiedenis onzer middeneeuwen in den trant der oude klas- 
sieken, en wierp over de schrale berichten der kroniekschrijvers 
een gloed van prachtige kleuren, zooals LiviUS in der tijd 
over de annalen van het oude Kome had gedaan. Zijn verhaal 
van het gebeurde met beilinc is zoo fraai, dat ik het onver- 
taald en onverkort hier laat volgen. 

„ Cunctis KIJFHOUKIUS incolumitatem, praeterquam 

BEILINGI0 eoncessit. Qui cumad supplicium duceretur, in hunc 
modum verba fecisse ad kijfhoukium fertur. „Fato vicinus, 
ultimas has preces tibi fundo, ut non tam mei quam meorum 
misereri velis, abitumque ad tempus permittes, quoconsulam 
ipsis, sancteque juro intra mensem me reversurum. Non mortis 
metus aut vitae desiderium haec me flagitare cogit, sed meorum 
amor, nam vitae potestatem rursum tibi, praestituto tempore, 
facturus sum." Concessit kijfhoukius, quod ad perpetuam 
laudem fuisset nisi ingenti scelere concessam ad tempus abeundi 
potestatem foedasset. Etenim reversum vivum sub mola pu- 
blice defodi jussit noctu, cum palam, ob virtutem viri cunctis 
adamatam, non auderet. Quod si memoriam ejus sceleris de- 
fodere una atque abolere potuisset, jam aliquam laudem 
apud posteros virtus ejus meruisset. Nunc vero cum victo- 
riam et fidem in jacobae periculis adhibitam, tam foedo 
facinore macularit, vivet in aeternum beilingius atque 
ipse execrationi erit postcris." 

Een schoone verdichting, niet waar! Zoo schoon dat alle 
lateren haar voor waarheid aannamen en uitgaven, zelfs "WA- 
GENAAR, die zich anders zoo trouw aan de echte bescheiden 
houdt, zelfs bilderdijk, die anders geen gelegenheid laat 
voorbijgaan om wagenaar tegen te spreken. Maar aan den 
anderen kant was zij te opgesmukt om waar te kunnen zijn 



20 

of zelfs om op den duur waar te kunnen scbijnen. Met recht 
is tegen haar in onzen tijd de twijfel opgerezen, die zich echter 
ten onrechte ook tegen het eenvoudige verhaal der kroniek ge- 
keerd heeft. -De verdichting had de waarheid zelve, die in haar 
lag opgesloten, in verdenking gebracht. Ik heb beproefd de 
waarheid van het poëtische kleed der legende, waarin zij niet 
meer te erkennen was, te ontdoen en in haar eer te herstellen. 
De lezer oordeele, of ik daarin al dan niet geslaagd ben. 



DE ENGELSCHE COURT OF LAKENSTAPEL 
TE DELFT, 1621—1635. 



DOOB 



Mr. J. SOUTENDAM. 



Als bijdrage tot de handelsgeschiedenis der 16^® en 17*^® eeuw 
zou het geen onbelangrijke arbeid zijn, uit de archieven van 
Londen, Middelburg, Delft, Kotterdam en Dordrecht het verhaal 
op te stellen der lotgevallen, die het bestaan hebben geken- 
merkt eener maatschappij of sociëteit, welke, ofschoon niet in 
onmiddellijk verband staande met de hier te lande sinds lang 
vervallen lakennering, echter een gewichtige rol heeft gespeeld 
in de geschiedenis onzer handelsbetrekkingen met Engeland, 
terwijl het nasporen der oorzaken, die hare gedurige verplaat- 
sing en eindelijken val bewerkten, een dieperen blik in de 
toenmalige beginselen van handelsrecht, zoowel in de Vereenigde 
Gewesten als in Engeland, zou doen slaan. Ik bedoel de En- 
gelsche Court of de Societeyt van de Coopluyden aduenturiers^ 
(societas mercatorum aduenturariorum), die van 1621 — '35 te 
Delft haar zetel had gevestigd. Het ligt niet in mijn plan hare 
geschiedenis te schrijven; daartoe gevoel ik mij niet bevoegd 
of geroepen. Alleen wilde ik trachten uit de op het Delfsche 
Archief voorhanden bescheiden een beknopt en getrouw relaas 
van haar bestaan in mijne geboorteplaats te getven; wellicht 



22 

zullen mijne ambtgenooten in de overige Nederiandsche steden, 
waar de Court eenmaal gevestigd was, zich opgewekt gevoelen 
mijn voorbeeld te volgen, om zoodoende den toekomstigen ge- 
schiedschrijver dier handelscompagnie de bouwstoffen te leveren 
voor eene tot nog toe ontbrekende historische beschouwing van 
meergemelden lakenstapel in ons vaderland. 

Het eerst vind ik van de Court gewag gemaakt in 1598, 
toen ter vergadering van de Veertigen en vroedschappen van 
Delft, van 6 Febr., werd geproponeerd en verhaald, hetgeen tot 
nog toe gepasseerd was, „aangaande de courte van den Engel- 
schen coopluydenf die van Staeden vertreckt" *). Er werd be- 
sloten, dat er „met de voorghenomen saecke ende sollicitatie, 
omme de courte van den Kngelschen coopluyden alhier te 
moeghen crijghen" zou worden voortgegaan en, ingeval er ge- 
committeerden van de Engelsche natie mochten komen, met 
dezen zou gehandeld en geaccordeerd worden *). Tot een accoord 
schijnt het echter niet gekomen te zijn, zoodat de sociëteit der 
marchants aduenturiers zich naar Middelburg begaf, waar zij 
tot 1621 bleef gevestigd. Evenwel blijkt uit de notulen van 
Veertigen, van 23 Dec. 1617, dat de Courte haar „residencie" 
van Middelburg naar eene andere plaats wilde overbrengen, na 
alvorens daartoe consent van „de Ma*, van Groot-Brittangen" 
te hebben bekomen. Men had het oog op Delft gevestigd, doch 
van den kant van Veertigen kwam het niet verder dan tot de 
verklaring: „dat men volbodich was mette zelve te handelen 
op goede ende redelijcke conditiën." Den 2^^» Januari 1618 
schreef de courtmr. eduwart bennet om nader antwoord 
op de door hen vroeger gestelde punten. Er werd besloten, in 



^) De geschiedenis der Court wordt door de sociëteit zelve in korte 
trekken gegeven in een „Antwoirde vande Court, op sekere geschrifte 
ende dedactie, overgelevert hy die vande Engelsche Court, in den jare 
1621." Zie Bijlage III. 

') Zie de notulen van Veerügraden op bovengenoemden datum, en zoo 
verder. 



23 

beleefde termen te antwoorden, zonder voor alsnog eenige toe- 
zegging van penningen te doen „oifte beloffte van des Stats 
Credijts tot Lichtinghe van penningen te verstrecken." Niet 
vóór den 8***» December 1620 werd op deze zaak teruggeko- 
men en geresolveerd, dat, nu de court te Middelburg gelicen- 
tieerd was met toestemming van de Kon. Majesteit van Groot- 
Brittanje, en, aangezien de pensionaris dezer stad (Mr. johan 
CAMERLING) met meer anderen eerstdaags in ambassade naar 
Engeland zou vertrekken, men zou kunnen volstaan met het 
zenden van een expressen bode „met schrijvens" aan Sr. ed. 
BENNET, alsmede aan den heere CARON ; bij het vertrek der 
ambassade zou men nadere instructiën medegeven tot bevorde- 
ring van de zaak der vestiging van de CJourt te dezer stede. 
De onderhandelingen, aldus voortgezet, hadden ten gevolge, dat 
in de vergadering van Veertigen, van 8 Maart 1621, werd 
„verhaelt," hoe burgemeesteren hadden genotificeerd, dat de 
courtmeester met eenige commissarissen van de marchants ad- 
venturiers van de Engelsche natie van Middelburg overgekomen 
waren, om de stad te bezichtigen, in verband met het voornemen 
om den stapel herwaarts over te brengen. Het college „van 
de Weth." werd geautoriseerd „met dezelve in handelinge te 
treden." Bovengenoemde commissie was voorzien van twee 
brieven: de een van den gouverneur, de adsistenten en de so- 
ciëteit (Gubernator, Assistentes et Societas Mercatorum Adven- 
turariorum Angliae), waarin dezen bericht gaven van de zending 
van vier commissarissen -afgevaardigden om over de vestiging 
der Court te Delft te handelen; de andere van Koning JAGO- 
BUS I, waarbij burgemeester en schepenen van Delft o. a. 
verwittigd werden, dat den „marchants adventuriers" de vrij- 
heid vergund was, bij Koninklijk octrooi, om hunne stapelplaats 
van Middelburg naar eenige andere stad of plaats der V. P., 
die zij voor hunne trafiek het geschiktst zouden oordeelen, over 
te brengen. Deze missive was van den 20^^^^ Januari 1621; 
de eerstgemelde van 27 Januari van hetzelfde jaar *). Den 



») BijlOffen I en II. 



24 

gden Maart daaraanvolgende notificeerde de ordinaris ambassa- 
deur van Engeland CARLETON, geassisteerd door eeuige koop- 
lieden van de Court, aan de H. M. Heereu Stateu-Generaal, 
wat in deze zaak was gepasseerd, met verzoek, dat hunne H. M. 
„haer gewoonlijck faveur wilden continueren int generael ende 
speciael," en doen vernieuwen het placaat in den jare 1599 
„op de commerciën van de coopluyden adventuriers van de 
Engelsche natie" gepubliceerd, welke notificatie den 12**^" Maart 
aan de E. M. Heeren Staten van Holland en W.-Friesland 
werd gedaan. Er volgde geen resolutie, die voornoemden koop- 
luiden verbood hunne stapelplaats van Middelburg naar eene 
andere plaats in deze provincie over te brengen, en de ma- 
gistraat van Delft ging voort met de „sociëteit" te onderhan- 
delen. De uitslag was zoo gunstig, dat den lé*^®" April 1621, 
voor den tijd van cicht jaren, een contract werd gesloten van 
48 artikelen, waarbij de wederzijdsche belangen en betrekkingen 
werden geregeld ^). 

Maar nu kwam het verzet van eenige „grossyers van de 
wolle Laeckenen" in andere steden, voornamelijk te Amsterdam, 
gevestigd. Deze wendden zich per request tot de H. M. Heeren 
Staten- Generaal en de E. M. Heeren Staten van Holland en 
West- Friesland, en wezen op de „inconvenienten," welke de 
vestiging der Court te Delft voor de „grosserije van de Laecke- 
nen" hier te lande zou te weeg brengen, en dat „consequen- 
telicken tselve soude strecken tott bederff ende ruïne van 
veele Ingesetenen." Burgemeesters van Delft hadden reeds vroe- 
ger aangedrongen op de approbatie hunner onderhandelingen 
met de marchants adventuriers, terwijl zij bij hun request, aan 
de Staten van Holland vertoond, eene „corte deductie aen sijn 



1) In 't Latijn gesteld, beslaat het 20 bl. in folio op perkament geschre- 
ven. Aan het einde vindt men de handteekeningcn van de vier commissa- 
rissen der Court, eduwart bennet, william wight, samuel aldersey 
en JOSEPH AYERIE, en hunne opgedrukte wapens. Achter dit stuk volgen 
het vrijgeleidey aan de koopluiden verleend, en de procuratie of lastbrief 
van het college der Engelsche Court te Londen, aan hunne commissarissen 
verstrekt. 



25 

F, G. den heere Prince van Orange opt houden van de stapel 
van de Engelsche Lakenen binnen der Stadt Delft" hadden 
gevoegd. Vele lakenkoopers van Leiden, Haarlem, Hoorn, Me- 
demblik, Enkbuizen en Edam voegden zich bij die van Delft 
en leverden een contra-request in aan H. E. M., waarbij 
zij vooral deden uitkomen, dat eenige grossiers, zonder consent 
van bet meerendeel hunner, gezocht hadden „met veele onge- 
fundeerde, gefingeerde ende opgeraepte middelen," mijne HH. 
de Staten „te induceren ende persuaderen," dat het overbrengen 
van de Engelsche Court ten hoogste schadelijk zou zijn voor 
de binnenlandsche nering. Zij toonden tevens aan, dat het voor- 
stel van sommige grossiers, „dye alleen op haer eygen ende 
nyet tgemene proflBjt letten, alleen (waren) imaginaire, opge- 
raepte ende ongerijmde beuselingen." — Ook de Court zelve 
zat niet stil, maar leverde eerlang bij de Staten- Generaal een 
antwoord in op „seker lichtueerdich schrijuens" door de gros- 
siers van Amsterdam, in den vorm eener missive, in de meeste 
steden van Holland uitgestrooid, om de sociëteit der koopluiden 
adventuriers in een kwaad daglicht te stellen '). Nadat in de 
Statenvergadering over deze aangelegenheid in het breede was 
gebesogneerd, werd eindelijk, op den 19^*» Juni 1621, door 
haar een reglement op de Court vastgesteld, voornamelijk met 
het doel „opdat de Ingesetenen van dese Landen ende nerin- 
ghen, die in deselve van allen ouden tijden sijn gehanthaeft, niet 
gepreiudicieert ofte vercort souden worden." De Court, met den 
uitslag der onderhandelingen bekend gemaakt, bedankte den 
magistraat van Delft voor zijne bemoeienissen in deze, maar 
gaf tevens hare bevreemding te kennen, dat de Staten van 
Holland zulke voorbeeld eloos harde handels voorwaarden aan 
hare vestiging te Delft hadden verbonden *). Uit een brief, 
door burgemeester en regeerders van Delft in November 1621 
aan de sociëteit te Londen geschreven, blijkt, dat het klooster, 
„eertijts toegeeygent den conventualen van St. Agatha, naeder- 
hant gedestineert tot Sprincen Hoff, bequaem (was) gemaect 



») Bijlage III. 2) Bijlage IV. 



26 

tot woninge voor den heere Courtmr. ende andere officyren van 
de (Engelsche) natie *), alsmede tot het houden van des voorz. 
Courts vergaderinge aldaer." Verder had de magistraat een 
wisselbank opgericht, van oordeel, dat zonder deze de trafiek 
en de negotie „niet bequameliek in ende wt dese stadt soude 
connen gedreven, maer gediverteert werden tot Amsterdam ende 
andere nagelegen coopsteden," terwijl tevens voor „een bequame 
beurse" *) gezorgd was geworden. Onder meer punten, in dezen 
brief vervat, werd de sociëteit verzocht order te willen geven, 
dat hare wissels binnen deze stad zouden worden gesloten, 
daar sommige kooplieden „int maecken van hare wisselen, 't 
copen van de waren ende coopmanschappen tott retour van 
node, ende het doen van alle hare verdere dingen ende saecken, 
niet en soucken te favoriseren de stadt van Amsterdam, — 
welcker grossijers de residentie van de Court alhijer soo heif- 
telick hebben gecontramineert, — als wel dese stadt." — Den 
10^®° Januari 1622 kwam het antwoord op deze missive in, 
hoofdzakelijk hierop neerkomende: dat, hoewel er van het ma- 
ken der wissels te Delft^ in het contract geene bepalingen waren 
opgenomen, evenmin als van het koopen van waren terzelfder 
plaatse, de Court geneigd was een en ander aldaar te brengen. 
Wat het koopen der retourwaren betrof: men zou die niet 
meer te Amsterdam zoeken, zoodra Delft „su£Bzantelick (zou) 
sijn gefurneert in voldoende quantiteyt, keuze en soo goede 
coop, als tot Amsterdam." Eerst den lO^en November 1625 
herkregen de marchants adventuriers den vroeger genoten vrij- 
dom van licent voor de Engelsche bieren, die zij tot eigen 
consumptie noodig hadden, en van uitvoerrechten voor zoodanige 
Engelsche lakens, als zij, hier te lande onverkocht zijnde, 
wederom naar Engeland of naar Hamburg wenschten uit te 
voeren: weshalve het Collegie ter Admiraliteit tot Botterdam 
door Hunne Hoogmogenden werd aangeschreven, om het „comp- 
toir te Delffshaven" in kennis te stellen van het „continueren 
der Engelsche sociëteit in de voorseide vrijheit." 

') BLETSW., bl. 552. 2) BLETSW., W. 666. 



27 

Tegen den tijd dat het contract stond te eindigen, hetgeen 
met Mei 1629 zou geschieden, kwam er allengs eene menigte 
moeielijkheden en verwikkelingen van beide zijden op, voor- 
namelijk op het stuk van de tarra der lakens, waarbij jaar- 
lijks, volgens een memorie, door de Engelsche koopluiden aan 
de heeren burgemeesters van Delft overgeleverd, „omtrent der- 
tich duysent stucken werden gevent," waarvan nagenoeg een 
derde gedeelte moest worden gevisiteerd en gemeten *). 

Het zoude te ver leiden, indien wij de uitgebreide corres- 
pondentiën, tusschen den Delftschen magistraat en de sociëteit 
gevoerd, met al de daarmede in verband staande requesten, 
remonstrantiën, memoriën, resolutiën, enz., loopende van De- 
cember 1627 tot October 1634, hier te berde brachten. Vele 
waren de kuiperijen der lakenkoopers, die met nijdige oogen 
den Engelschen lakenhandel en den daardoor toenemenden bloei 
van Delft aanzagen, waar „de marchants avonturiers (waren) 
plegende seecker nieuwichheyt van int vercoopen van hare La- 
kenen te stipuleren, dat d'selve binnen Delft ende nergens an- 
ders (mochten) getarret werden," hetgeen alles met den inhoud 
der V en VI artt. van het placaat op de tarra, van 1617, in 
1630 gerenoveerd, in strijd was. De Court leverde den 22**®** 
Februari 1631 een remonstrantie tegen dit placaat in, waarbij 
zij, op gronden van het J\is gentium^ de onbillijkheid zijner 
bepalingen betoogde ^). Hunne remonstrantie werd echter niet 
aangenomen, de placaten bleven gemaintineerd, ja zelfs werd 
de resolutie, den 18^®" Februari van evengenoemd jaar door 
Hunne H.M. genomen, in de respectieve provinciën „eenparich- 
lijck gepractiseert." -De vertoogen van weerszijden gingen voort, 
zouder evenwel tot een gewenscht gevolg te kunnen leiden. 



*) Over de tarra en het tarren van de lakenen, zie het „Placcaet van 
de Hooghe ende Mo. Heeren, de Staten- Generael der Vereenigde Neder- 
landen, op *t stuck van den Tarra van de Engelsche Lakenen," en de 
daarachter gevoegde „Instructie," beide van den 24**^^ Juli 1630; vgl. 
ook BLETSWIJCK, bl. 600 v. 

2) Bijlage V. 



28 

Zelfs de invloed van carleton, „principael secretaris van 
State van Sijn Majesteit van Groot- Brit tanien,'* die door bur- 
gemeesters van Delft, in eene missive van 28 April 1629 aan 
hem gericht, genoemd werd „'t principaelste middel, naest God, 
van de plantinge ende plaetsing der naemhafter societeyt van de 
Marchants Adventuriers" in hunne stad, mocht niet baten om 
het bestaan der Court te Delft langer dan tot 1635 te rekken. 
Immers den 27***" October 1634 werd, ten gevolge van het 
rapport van Mr. govert brasser, Raad en Pensionaris van 
Delft, die vanwege Hunne H. M. als buitengewoon gezant in 
1632 naar Engeland was afgevaardigd, een missive aan „Mijn- 
heere carleton" geschreven *), waarbij burgemeester en re- 
geerders zijn invloed op Koning karel I te hulp riepen om 
te weeg te brengen, dat de stapel der Marchants Adventuriers 
niet van Delft naar elders zou worden verplaatst, gelijk som- 
migen hunner schenen te verlangen, voorgevende, dat daar 
gebrek was aan zekere waren, die zij voor hunne retour vrachten 
behoefden. Dit schrijven bleek weldra geen doel te hebben 
getroffen, want op den 5<*®" Februari 1635 werd tusschen bur- 
gemeesters der stad Rotterdam en de Engelsche Court een con- 
tract gesloten, waarbij deze hare residentie van Delft derwaarts 
overbracht. Later, in 1656, vestigde zij zich te Dordrecht en 
was daar, volgens het getuigenis van bleyswijck, in zijn 
tijd (1667) nog in wezen ^), 



BIJLAGE 1. 

Magnifici, Amplissimi 8f Consultissimi viri Domini 

plurimum colendt. 

Gum nuper Magn.*^"« vestrae nos migrationem a Middleburgo 
meditantes peramica invitatione ad suam Civitatem vocaverint; 



») Sijlage VI. 2) JSescAr. v. Delft, bl. 694. 



29 

omnibus jam ad negotium illud paratis; ut studio illi vestro 
et comitati, pari benevolentia respondeamus ; spectabiles viros 
et consocios nostros Dominos edouardum bennett, wtl- 

HELMUM WIGHT, SAMUELEM ALDERSEY et JOSEPHUM AVE- 

REY, Deputatos et Commissarios nostros ad vos mittimus ploenis 
mandatis instructos; ut vobiscum porró hac de re pro nobis 
tractent contrahantque. Quibus itaque ut ploenam fidem in 
omnibus habere velitis, summopere rogamus. Quoque de Eegiae 
suae Majestatis hac in parte voluntate vobis possit certo con- 
stare; ipsius Majestas eapdem Magn.**^« vestris Eegiis suis lit- 
teris clementer significa vit. Quod superest, Deum opt: max: 
precamur, ut hoc negotium nobis utrinque secundare, et Mag.*»** 
vestras una cum celeberrima vestra Civitate in florenti statu 
velit quam diutissimè conservare. Londino, 27^ die Januarij 
Anno Salutis 1620. Stylo Angliae. (1621). 

Superscriptie: Erga Magn."" vestras omni 

Amplissimis, Magnificis et officiorum genere promptissimi. 

Coii8iüti88uni8viri8,Domi. Gubernator Assistentes & Socie- 

nifl Consnlibns et Senato- . ,, , » i . . • 

., . , , ^. .. .. tas Mercatorum Adventuranorum 

nous inclytae Civitatis 

Delphorum in HoUandia, Angliae. 

amicis nostris plurimum (sign.) !<>: SKTNNER, s. m. p. 

colendis. 

Het zegel, in rood lak, vertoont een wapenschild, doorsne- 
den, — Bovendeel: gevierendeeld. — 1 & 4: een luipaard; 
2 & 3 : rozen. — Benedendeel : 4 beurtelings gekanteelde, 
dwarsche streepbalken. — Kleuren niet 'te onderscheiden. — 
Het omschrift van het zegel luidt: Give unto everie man that 
whitch is his. 



BIJLAGE IL 

Messieurs Comme ainsi soit que nos Subiects appelez Mar- 
chants Adventuriers nous ont (mesme depuis Ie commencement 



30 

de nostre regne sur ce Koyaume d'Angleterre) par plusieurs 
fois presenté leur humble requeste, a fin qu'ils puissent par 
nostre gracieux congé et faveur changer et transferer leur Es- 
tape et residence de la ville de Midlebourg, en quelque autre 
place OU ils pourroient esperer, avec bonne raison de remedier 
aux incommoditez et inconvenients qui accompagnent leur d.^ 
residence en Midlebourg, apres avoir en vain esprouve plusieurs 
remedes des d.** inconvenients. Avons en fin trouvé convenable 
d'approuver Ie desir que nos d.** Marchants ont eu de changer 
de place, comme necessaire expediënt pour les accommoder. 
Et ainsi leur avons octroyé liberté et pouvoir de transporter 
et changer leur d.*® Estape en quelque autre ville ou place des 
Provinces Unies, telle qu'ils estimeront la plus commode pour 
leur trafique. Et a eest effect de traicter et accorder avec Ie 
magistrat du lieu, pour avoir des Privileges requis pour l'usage 
de leur commerce. Or pour autant que nous entendons que 
vostre ville entre plusieurs autres prenant cognoissance du des- 
sein de ce transport, a fait un offre courtois a nos Marchants, 
de donner amiable entretenement a leur Estape et residence 
avec Privileges convenables. Nous avons a Thumble requeste 
d'iceux estimé propre de vous adresser les presentes, tant pour 
vous donner a cognoistre combien nous est agreable ceste vostre 
bienvueillance et respect envers nos Subiects, comme aussi pour 
vous asseurer que nous ne manquerons de ratifier et confirmer 
par nostre royalle authorithé tel contract et accord qui se pas- 
sera entre vous et les deputez de nos d.*» Marchants aux fins 
que dessus. Et ainsi nous prions Dieu vous tenir en sa sainte 
garde. 

De nostre palais de Westminstre ce XX^e de Janvier 1620. 

Superscriptie: ^^.^^^^ ^^^^^^ ^ 

A Messieurs les Bonrg- 
maistres et Eschevins de 
la ville de DelfiFe en Hol- 
lande. 

Met opgedrukt zegel, op eene papieren ruit. Wapenschild, 
gevierendeeld. — I en IV gekwartileerd : 1 & 4, Frankrijk; 



31 

2 & 3, Engeland, — II. Schotland. — III. Ierland. — Ge- 
dekt met de koninklijke kroon en ter wederzijde van het schild 
I. R. Het omschrift luidt: lACOBVS D. G. ANG'. SGO'. FRAn' 

ET HIB' REXFIDE'. 



B IJ L A G E III. 

Antwoirde vande Court op seke^^e geschrifte ende deductie 
overgelevert hy die vande Engelsche Court. 

MiJNHEEREN. 

Het is van allen tijden het gebruick ende practycque vanden Sa- 
tan geweest, als hy eenigen staet oft gemeynte eenich quaet of 
ongemack toe wilt, Eenige Instrumenten te vinden ende op te 
worpen om de waerheyt te onderdrucken ende de ware ghele- 
gentheyt van dingen te verdonckeren, ende tot dien eyndeoock 
te wege te brengen stercke factien ende vreemde oppinien on- 
der de ignorante gemeynte, hun bedriegende ende verleydende 
onder schijn ende coleur van de waerheyt ende equiteyt, de- 
welcke sy tot hare assertien ende practycken (hoe leelijck 
dselue doch in hen seluen sijn) gebruicken. Dese Landen heb- 
ben daervan een beclaechlijcke experientie gehadt, door de 
dangereuse nieuwicheden ende ierst geboome oppinien, hier 
onlanx vuitgebroeyt by de Arminiaensche factie, dwelck sonde 
geweest sijn van een seer quade consequentie voor den staet 
van dese Landen, Indient (door de voorsichtige sorge ende 
wisheyt van den doorluchtigen Prince van Orangien ende der 
heeren Staten) niet verhindert en hadde geworden, voor dat 
het venijn sich voorder vuitspreyde. Daer is noch een ander 
soorte van menschen eenige Jaren herwaerts in dese provintien 
voor den dach gecomen, wy en willen niet seggen, soo dan- 
gereux in ciuile ende saecken van handel, als de voorgaende 
geweest sijn in saecken van religie, nochtans voorseker alsulcke, 



32 

alsmen behoorde te mijden, doordien zy oock Inuenteren vreemde 
nieuwicheden ende projecten, tot dienst ende ten goede (soo zy 
voorgeuen) van haer Vaderlant, maer Inder waerheyt tenderende 
tot hun particulier proffijt ende prejuditie van alle hun Landts- 
luiden. Ende dit syn de grossiers van Amsterdam, dewelcke 
onder den tytell van de principale Laeckenhandelaers aldaer, 
in forme van eene missiue, verstroyt in meest alle de steden 
van HoUant, gepubliceert of vuitgegeuen hebben een seker 
lichtueerdich schrijuens tegens de societeyt vande coopluiden 
Aduenturiers van Engelant, Tenderende om In te beelden oft 
veel eer te verleyden soo veel ende soo menige als sy connen 
te geloouen ende vande voorsz. societeyt andere oppinie te 
hebben. Ende hoewel sy wel weeten, dat de argumenten, die 
sy tegens hen voortbrengen, meestendeels vals ende onwaerach- 
tich zijn, Soo achten sy nochtans genouch gedaen te hebben, 
als sy slechts door het momaensicht, dat sy aendoen, maecken, 
datmen hen gelooft ende voor courrant passeert tot haere in- 
tentien. Dit boeckxken, gheuolt wesende met niet anders als 
sotte calumnien ofte valsche onwaerheden, hadden wy gedocht 
te neglecteren ende in silentium te laten passeren, als wel ende 
genouchsaem wetende, dat de wij se ende alsulcke, die den cours 
ende handelinge van de coopluden aduenturiers bekent is, lich- 
telijck mereken sullen, dat deser luiden allegatien alleenelijck 
procederen vuit Eancoeur ende boosheyt tegens hun. Maer om 
dattet geen plaetse oft wortel grijpen en soude in de slechte 
ende grouer soorte van volck, die met de voorsz. coopluiden 
niet en hebben geconuerseert, de welcke mogeKjck door de 
Silentie eenige maniere van schuit in henluiden mogten appre- 
henderen. Soo hebben wij (hoewel maer particuliere Leden van 
de voorsz. Societeyt) goet gedocht alsulcke antwoorde opt 
voorsz. boeckxken te doen formeren, als wy metter haest heb- 
ben connen doen, ende alsoo, dat wy niet en twyffelen, 
oft het en sal volcomen contentement geuen alle gemodereerde 
ende onpartijdighe menschen. Welcke onse appologie wy de 
vryicheyt genomen hebben te presenteren aen uw Ed:, Oit- 
moedelijck biddende, dat deselue uw Ed : ghelieuen willen met 



33 

der seluer authoriteyt de Tnnocentie van onse societeyt voor 
te staen teghens de nijdighe ende malitieiise machina tien van 
dese calumniateurs. 

In den iersten. Alsoo dese Lichtueerdige schrijuers int begin 
oft intreet van hen volgende, seer weerdich discours, schijnen 
het te willen maecken een saecke van serieuse consideratie, Jae 
(by haere volgende redenen) van dangereuse consequentie voor 
den Staet van dese prouintie, dat de Court oft residentie van 
de voorsz. societeyt van d' Engelsche coopluiden Aduenturiers 
daerin ter neder sonde gestelt oft geestabilieert worden ; het 
is eenen grooten troost voor de voorsz. societeyt, dat dese 
Grossiers d'ierste zijn, die oynt in twyifel stelden heuluider 
onderhout oft acceptatie. Sy en hebben noch noyt aen eenige 
stede oft plaetse gesoliciteert om aengenomen te worden, maer 
syn dickwils versocht ende gesolliciteert geworden, om hare 
residentie by vele Princen ende gemeynten van diverssche Lan- 
den. Ende in wat plaetsen sy oynt geresideert hebben, syn 
altijt geembraceert ende getracteert geworden met groote Liefde 
en respect, ende hun vertreck seer b jclaecht, jae ende hun 
wedercomste ernstlijck gesolliciteert met groote ende liberale 
presentatien, soowel van privilegiën als andere prompte bene- 
licien. Soo verre ist daervan, dat sy souden lastich oft hinder- 
lijck geweest syn aen de plaetsen oft volck, daer sy geweest 
zijn. Daerorome refereren wy tot het oordeel van alle onpartij- 
dige ende Indifferente persoonen, hoe wèl het dese Luiden staet, 
soó hooch te taxeren eene soo fameuse societeyt, die all bouen 
de dryehondert Jaer heeft gecontinueert, ende dat altijt in groot 
respect ende reputatie, soowel in vreemde plaetsen als te huis 
in hun eygen Lant. Maer, om noch voorder de malitie ende ab- 
surditeyt van dese Grossiers te bewijsen ende condt te maecken, 
en willen wy niet voorder gaen noch te ex cederen de Limiten 
van dese provintien; hebben dheeren Staten-Generaai selffs by 
hare H: M: octroy aende voorsz. Societeyt vergunt, alsmede 
bij diuerssche Entrecourssen ende tractaten tusschen hen ende 
syne Ma.*®*' van Groot Bretaignien, nu tegen woordich, ende 
wilen de Coninghinne Ma.*®*' van hooch Loflijcker gedachten, 



34 

niet, bekent de jH*offitea ven4^ b^epefioien, die dese hare prouintien 
genoten door de voorsz. coopUiidea.aduentujriers. Jae, hebl?en sy 
dat niet gehouden voor het fondament ende oorsaeeke vaude pfiuile- 
gien «nde Immuniteyten^hen vergunt? Wat groote^ ende vreemde 
Imp\identie isset dan^voor dese Luid,en de Actiën van har^ ma- 
gistraten in quaestie ,te treek en, die met soo goeden deliberatie 
gheppncludeert zyn ende soo . lange gecontinueert hebben i^onï^r 
Interruptie, Jae volcomeptlijck op h^n te nemen te censïtrerei^ 
ende te contradiceren de resolutien -van hare Ouerheden. , Maer 
nu willen wy cQmen tot het examei[i vant gewicht van de ar- 
gumenten ende redenen, die zy tegens ons produceren..^ 

Hun ierste, ; dewelck zy soo groot ende notabel houdpn end^ 
daerop zy hpt fondament vande resie leggen, is gefon^eert op^ 
eene notabele ende manifeste o^iwaerheyt, soo sy de cc^pluidep 
adijenturiers willen verstaen hebben, by tgene sy ^Uegereq,; 
ende sop sy hun niet en m^ynen, soo en allegeren sy gansch 
niet ten, propooste. Want dat de yoorsz. compagnie jan coop- 
lui^en, aduenturiers, tsy ter eerster Instantie van he^re Institu- 
tie, oft oynt, daernaer, wollen vui^ Engelant tot Brugghe oft 
eenige andere plaetse overb^rochten, is geheel valsch. Het is 
wel waer» dat.de yporsz. cojjipagnip hunne residentie ierst jja- 
men in dese quartieren tot Brugghe in , Ylaender^ ; maer ^oo 
wel daer als tot Middejborch, Bergen op Zoom, Antwerpen 
ende Calis ende mede in andere pl^etsen i^ Duil^slant, daer de 
voorsz. Societeyt hebbea gepriuilegeert gheweest^-.ende dewelcke 
by hare residentie sy verryckt ende verhoocht hebben (in j ma- 
niere van spreken) tot de hoochste rijckdompien ; en hej^ben 
sy geen anderen handel gedaen dan in Laeckenen, Kerseyen, /ende 
andere manefacturen van hun Lant, ende 9p de vente,ende 
traffique van dese wareu sijn hare Chartres gefondeert geyfeest. 
Want het hun noynt gepermitteert en is gefeest egnige jollen 
vuit hun Lant te transporteren. Voorts dat sy seggen, dat de 
Conste ende «wetenschap van Laecken maepken by de Vlamin- 
gen ierst in Engelauj; gebrocht is, sy mochten daqr .voorta 
wel bygeuoecht hebben, dat.,(^e Conste y&u diuersschei./andere 
manefacturen oock ingebrocht ende pu volcomentlijck geëxer- 



3.5 

ceert worden in- Engelant by deser., Landen ondersaten, wy ^n 
willen niet peggen tot achter/leel van ons Lant, maer voorseker 
tot groote schade. .van den handel van de cooplieden aduentu- 
riers ende tot vuiterm,aten groot proffijt. y^n h^n seinen ende 
d Ofte Landen, daeru^in sy, leden zijn. Maer wa4 (Je rede^e pft ' 
OQTsaecke was van de compste van dese luiden in Engejlant, 
is wel, voordachtelyck by dese lichte schrijue;'s, ouer geslagen,-, 
als een vergeeten dinck. Wy willen, da eromme henne memoriën 
een weynich verversschen. Sijn dese Constenaers ofte Leermees- 
iesti in Engelant ontboden geworden, om hun aldaer de Conste 
van Laecken maecken ende andere manefacturen te leeren,,ende 
hebben .sy daerdoor haer Lant verraden om tselue te .berooven 
van soo grooten Tresoor? Neeuy het is wel kennelijck, dat sy 
do(wr oorloghe ejnde persecutie gedwongen sijn geweest, vuit haer 
Lande te vlieden, sy en conden hen 'aopibachten niet langev 
dofiPi , pochte, pock da^r leven sonder perijckel, . Ende waer sou-^ 
den zy dan haer toeulucht nemen anders dan iji Engels t«.^ 
daer sy de l^este middelen conden crijgen om haea- ter neder 
te stellen enc(e haere ambachten jte doen ende vrijdpm, om hare 
wftren thenn^n meesten proffijte te vercoopen,, Alwaer syluiden., 
doen ter tijt ende.oynt tsedert beuonden hebben het Genadich 
faueur van de princen qpde de Liefde ende courtoise conuer- 
sa^e van de gemeynte. Dit is. de voorsz. grossiers wel genpuch 
bekent^ ende sy^ w^^en , oock wel, dat. ons Lant een Sanctuarie 
ende receptacle is geweest van har^, Lantsluiden inde extremi- 
teit- van hare afflictieur Ende sy weten seer wel, dat. py aldaer 
hebben ende vinden hen ^tractement spo goet ende hare neiringe 
soo prpflytelijck, dat rsy geen sinne en hebbpn ^^van in- haer 
Vaderland wederom te keeren ; maer d[t ^erswijgeu sy ende 
latent soo .alwillens passeren, jae, gebruicken seer malicieuselijck 
ende ondankbaerlijck tegens ons, tgene hen behoorde te bewegen, 
ons met meerder Liefde ende vrientschap te omhelsen ende be- 
jegenen. ^ , .. i « ^ . . 

iTen tweeden. Dese lichte schrijuers letten wel daerop, dat 
de Societeyt^van de voorsz? Coopljedeu Aduenturiers verander- 
den van Brugghe tot Middelborch, maer sy verswygen gehee- 



3« 

lijck de redenen oft oorsaecke, waerom sy van daer vertrocken 
(mogelijck alwillens) vreesende van gelijcke gesuspecteert te 
worden. Dese oorsaecken waren in die van Brugghe hare hoo- 
uaerdie, rijckdom ende oueruloet, dewelck hun dede vergeetea 
hare schuldige plicht tot haren prince, ende daerby in eene 
hoouaerdige verachtinge vande Engelsche cooplieden, de welcke 
door hare trafficque de eenighe autheurs geweest sijn van hare 
welhaert ende prosperiteit. Wy en affirmeeren niet geerne yets 
ominieuselick, maer wy bidden oitmoedelick, dat de hoouaerdije 
ende insolentie van dese Grossiers, beneffens hare onredelijcke 
remonstrantien, spijtighe verclaringen ende sware dachten tegens 
de coopluiden adueuturiers, door de welcke zy soo vett ende 
florerende syn geworden, Int eynde geen gelijcke oft argere 
effecten voort en brengen, door het vertreck van de trafiicque 
van de voorsz. coopluiden geheelijck vuit dese prouintien, oft 
veroorsaecken alsulcke discontentement tusschen syne Ma'*^*'. ende 
de Staten van dese Landen, als geschiede in den jare 1563, 
ondert Gouuernement vande hertogiune van Parma '). Want 
sekerl\jck met meer redene mochte de voorsz. hertoghinne pro- 
hiberen ende verbieden vuit dese Landen naer Engelant te 
voeren eenige materiaelen om spellen, messen, hoeden, lint ende 
diergelijcke manefacturen te maecken, dan dese Luiden hebben 
of connen allegeren voor haer pretens, daerby sy soecken te 
disturberen ende te verhinderen den courranten ende vryen 
cours vande trafficque vande cooplieden adueuturiers, die zy 
exerceren in waren ende manefacturen, gemaeckt vande natiue 
materialen van hun eygen Lant. Maer om weder te keeren tot het 
vertreck vande voorsz. Cooplieden van Brugghe tot Middelborch, 
men heeft (gelijck wy te vooren geseyt hebben) daerop wel gelet, 
maer gelijck de oorsaecke van hun vertreck vers wegen is, soo 



2) Zie V. METERiN, N. H. II. B. fol. 31 vv. (uitg. v. 1647) en fol. 
28 yO. vv. (uitg. v. 1605). Bij vergelijking van deze beide nitgaven, zal 
men op eenige plaatsen bijvoegsels ontdekken. — Vgl. over de verschil- 
lende edities van van meteren het artikel van Dr. r. pruin, N. R. IV. 
dl. 2«. st. bl. 83 vv. dezer Bijdragen. 



37 

is oock den corten tijt van hun verblijf tot Middelborch in 
dese luiden discours geheelijck ouer geslagen. Wij en twijffelen 
niet, oft sy en weten seer wel, dat eenige vande selue Incou- 
uenienten, die de compaignie veroor saeck ten hier te vooren soo 
ernstl\jcken te solliciteren om hun vertreck van Middelborch, 
eude door oorsaecke vande welcke sy nu op haer vertreck van 
daer staen (hoewel sy nu tertijt gepresseert zijn met meerende 
gewichtiger grieven dan doen) hun te dier tijt oock veroor- 
saeckten Middelborch te verlaten ende naer Ajitwerpen te ver- 
trecken, alwaer sy diuerssche jaren resideerden ende genoten 
meer ende ampeler priuilegien, dan sy te vooren tot Hrugghe 
ofte Middelborch genoten hadden, ende en was nochtans de 
provintie van Brabant door hare residentie niet veramt noch te 
de handelinge vande gemeynte door hen verhindert oft gedis- 
turbeert, ma er gelijck seer wel kennelijck is, ds voorsz. Stadt 
van Antwerpen, te vooren maer een Arme Visscher Stadt meest 
vol Ambachtsluiden, visschers ende lantluiden, niet bouen sesse 
cooplieden daerin ende niet bouen dry schepen daertoe behoo- 
rende, die oock maer alleen en dienden dan tot binnenlant- 
schen handel. Dese visscher stadt (seggen wy) principalijck 
door de residentie vande coopluiden aduenturiers aldaer, wert 
in corten tijt in schoonheyt ende ornamente van statighe 
timmeragien, toeloop van trafïique, nomber eude confluentie 
van coopluiden van alle soorten, ende in rijckdom ende prospe- 
riteyt van hun ende hen gemeynte, te wesen een wonder ende 
admiratie seer naer van alle de werelt, jae ende wy en souden 
maer de waerheyt seggen, al allegeerden wy, dat ter oorsaecke 
ende door de residentie vande Engelsche coopluiden in dese 
Landen, Inde koffers van Keyser CAERLE de vyfde ende 
van Coninck Philips syn Sone daer jaerlycx meer gelts in 
quamp, dan hen gebrocht wert vuit hun gouden Indien. All 
dit loopen dese grossiers voorby, omdat zy wel weten, dattet 
weynich tot hun voordeel dient. Sy obmitteren oock de ojr- 
saecke van der voorz. compaignien vertreck van Antwerpen, 
ende van hunne wedercompste weynige jaren daernaer tot 
Middelborch. Wat was de oorsaecke daervan, anders dan de 



Tirannie vande ministers vanden . Coninck van Spaignien in 
riié Landen) eude de Tnsolentien gebmickt tegens hare^Ma^ van 
Engelaiit, dwelck, gelijck het hare .Ma*"' vefoorsaeckie vuit 
ecne gratieuse ende Goddelijcke Cogaiseratie Hen te nemen de 
protectie van de geünieerde prouintien, eiide haer te stellen 
tegens den Spaignaert, soo heeft het tselue mitsgaders het 
verlies oft schade, die sy voelden doort verlies van de coop- 
lieden aduenturiers, den Spaignaert ^gemoueert hen te banderen 
tegens de •. voors?. coopljuideu, hun disturberende, ierst door 
d'oorloge, die hen verjoech van Embden in Oosturieslanty^daer 
sy geseeten waren, naer hun vertreck van Antwerpen, endc 
daernaer hun verjagende van Staden in Duitslant, door «en 
placcaet by^. hun secreetelijck vanden Keyser geprocureert, daerby 
soo wel de voorsz. Societeyt als hare traffique vuit het.Keyser- 
rijck gebannen werden. W?ierby blijckt, dat de voorsz. coop- 
luiden aduenturiers / eenich deel met dese prouintien in hare 
alflictien hebben gesmaeckt, , dwelck hun des t^. meer respect 
toeeygent. Ende dit syn de oorsaecken yan der voorsz. coop- 
lieden wqderkeeren tot Middelborch, ' alwajsr sy nu vele jaren 
geresideert hebben, ende hoqwel sy daer hebben gedreuen, ge- 
lijck ten iersten, niet' haren geheelen handel ende traffique, 
raaer het minste deel daeruan, synde het meeste gegaen op 
llamborch, in .Duitslant^. alwaefó-isy nu oock hare residentie 
houden, pochtans syn sy by de voorsz. Stadt van Middelborch 
vriendelrjcken getracteert .gewprdeu.. Ende hebben hun seluen 
aldaer oock ,soo wel gedragen, dat sy ernstelijck veirsoeken, 
datse byr hunlieden lAochten continueren ende • blyuen, ende 
hebben hare Magistraten alle haer vuiterste .debuoir geefeen om 
hun dacrtoe te. /dringen. Ende waer het niet om de 'malitieujse 
combinatien vande vporsz. Grpssiers ende hare continuele af- 
fronten aende voprsz. compaignie ende haren handel, ,(by. welc- 
ker beyde middelen, gelijck zy de voorsz. cooplieden groot 
ongelijck doen, soo abuseren sy <jQck van gelijcken hare goede 
nabueren endc door hare vaUheden ende ouwaerheden leyden 
hun blindeling om haere projecten ende voornemen te», effecte 
te brengen ende alle den handel in hare handen te Ingro8é6^ 



39^ 

ren) waer het niet, geleek wy' seggen, om deöe oirsaeckej 
de voorsz. cooplieden soudeli liftógelijck Iwire reèidentic nocÜ 
langer tot Middelborch gecontinueert hebben, ' hoëWel ey eeniglï 
andere Inconuenienten hadden Verdragéh'. Het sóucle"te lanck 
vallen te willen treden in de pfi'rticulariteyten ende grieueh," 
die dè voorsz. coopl uiden 'aduentariers hebben tégens de voorsz'. 
Grossiers, ter causen' van haerliedeii onconsciëntieusen endh 
niet "als coopluiden handel met hun. Aengaende dë saeeke vande 
ïarre, die zy stellen in den hooöfhsten giraet van' hare grieueiV, 
sullen de voorsz. Societeyt ende' cooplieden sonder twijffel tér 
beboorlijcken tijt wel gemackelijck doen blljcken, dat dit een 
groote, groöte grieue is ' vande Yoorz. cooplieden tegens hun, 
ende dat door haere val'sche Informatien énde remortstrantien 
sy dVHeerefrt Staten hierin seer ' geabuseert hebbeli, ende door 
haren onrechten ende inconscientieusen ha'ndel de voorsz:' cötn- 
paVgnie continuelijck vei^ongelljcken in het Tarren van hlinne 
Laeckencu, soot hun selfs belieft, htin dickwils dwingende 'méér 
tcf'^allouerén voor fauten^in Laeckenen, als gansch niet' fóii^ch^ 
en' waren. ■" Dat sy seggeiï,"dat de comp*® hare Laeckenbn aende 
Irigesetenen deser Landen tot Middelborch "vétóöopen tot hoogllè 
p'Ajsen. Laet macr een weynich letten? ^p den handel van de^ 
G?ros sier s^ ende eens examineren, in wat manieren diuerssche vah 
h^nliedcti^ in corten tijt soo seer rijdk ende maclitich gewordeh 
sJti, endè dan salmen wel haest sien ende beuinden, dat z^ 
het Laéèken aende Ingesetcnen (door het vercoopen ouer de 
ttreede ïiant) dier maecken, ende' niet de cooplieden aduentu- 
rfers, die het 'vuiter ierster hant vercoopen ende hun mei 
kieyne winéte cöntenterèh. ' 

^ Waer sy'dc'éömpaignie te Laste leggen de autheurs geweekt 
té zyn"vaii' 't Innebrengén in dese Lariden van geverwede ende ' 
b'ercydë, itt stede van witte Laeckenen, ende het vërcoöpén 
vande^selrie in dese Landen' geuoorderf' te hebben, eiide dat 
alsoo dooi" óorsaecke van deser luiden mannelicke oppositie 
ende voorsichtige prospectie de voorsz. coopU'eden tot Middel- 
borch' geen vente en condeh Vercrijgen '^oor hiinne geverwede 
ende bereyde Laeckenen, ^y tot dtè'n eynde gëtesolueert waren 



40 

hunne residentie te veranderen int hert oft midden van dese 
prouintien, opdat sy hare parsonagie, soo sy het noemen, te 
beter mochten spelen, tot het effectueren van dit dessein ; Wy 
en counen niet genouch verwonderen in hare Impudentie ende 
admireren, dat sy niet en veranderen, staende te willen houden 
soo valsche ende schandelijcke onwaerheyt, wesende sulcx dat 
hun eygen gewissen ende conscientien hun daerin can con- 
vinceren. Want sy weten seer wel, dat doordien de voorsz. 
compaignie van Coopluiden aduenturiers hun soo seer oppo- 
secrden tegens het dessein oft project vant verwen ende be- 
reyden, ende om dat sy tselue aen te nemen absolutelijck wey- 
gerden, sy in zyne Ma'®^' van Engelants hoochste ongenade 
quamen, ende datmen hen door oorsaecke van dien hunnen 
handc^l, chartres ende priuilegien soo langen tijt onthiel ende 
deuolueerde aan een nieuwe compaignie, expresselijck geerigeert 
tot hot voluoereii van dit nieuw werk. Sy weten oock seer 
wol, dat dese nieuwe comp^® hunnen nieuwen handel continu- 
e(U(len in duytslant ende in dese quartieren ontrent twee 
jaren, tot dat ten lesten hunne slechticheyt ende swackheyt 
gcdiscouureert wesende int aennemen van tgene sy niet en 
conden effectueren, sy geheel ende schandelijck werden gedis- 
solueert, ende de andere compaignie coopluiden aduenturiers 
in syne Ma***^'' Genadich faueur gerestaureert ende oock in alle 
hare voorgaende Chartres ende haren voorgaenden handel gecon- 
Hrmeert ende versterckt hy diuersche nieuwe ende fauorable priui- 
legien hun vergunt. Ende dese liaren voorgaenden handel in wit 
Laecken hebhen de voorsz. compaignie geexerceert, soo wel tot 
IJamborch als tot Middelborch, oynt tsedert hare restauratie tot 
desen huidigen dage toe. Wat cander meer Injurieux wesen, 
dan sulcke Imputatien, of hoe can den Satan beter syn pertten 
spelen, dan dese Luiden, doort opdringen aende gansche we- 
relt van alsulcke groue en tastende onwaerheden, die sy wel 
wilden datmen geloouen soude, vande voorz. societeyt vande 
cooplieden aduenturiers ? 

öy leggen de voorsz. cooplieden voorder te Laste, oft ten 
minsten willen de weirelt doen gelooven, datter een andere 



41 

» 

oorsaecke oft redene is, van het veranderen ende comen vande 
voorsz. Societeyt in dese prouintie, te weten : om opportuniteyt 
te hebben, om hunne Laeckenen te verseynden van Stadt tot 
Stadt ende van dorp tot dorp, gelijck Craemers doort Lant, 
ende dat byden eenen ofte den anderen Indirecten middel sy 
opene winckels mochten houden om haere liaeckenen metter 
ellen te vercoopen, om daerdoor te verhinderen ende wech te 
nemen alle den handel ende neringe vande natuerlijcke borger s 
Ingesetenen van dese Landen, daer sy in haer eygen con- 
scientien wel beter ende contrarie weten, ende dat de com- 
paignie noynt en heeft gebruickt nochte oynt gemeynt te 
attenteren het gebruick van eenigen alsulcken handel, maer 
dat in alle plaetsen (daer sy oynt geweest hebben) sy altijts 
gearbeyt hebben, ende in geen dingen meer, dan om hen te 
houden aende merct-Steden van hare residentie, soowel int 
coopen als vercoopen, ende int exerceren van hunnen geheelen 
handel. Sy weten, seggen sy, wel anders, ende yeder meusche, 
die maer kennisse en wil dragen, hoe ernstich de voorsz. com- 
paignie gesoUiciteert, ende met wat groote difficulteyt sy een 
placcaet van d'heeren Staten vercregen hebben (daervan sy de 
strickste executie noch solliciteren tegens alsulcke Tnterlopers 
ende wanderendc cooplieden oft traffiquanten, als synde seer 
pernicieux voor haren negotie *). Dat is suffisant om dese 
Luiden van onwaerheyl te convinceren, ende laet yemant oor- 
deelen hoe onrecht ende absurd het is voor die van Amster- 
dam, tegens desen wanderenden handel te clagen, als sy seluen 
hun tollereren ende de Interlopers toe laten vrijelijck met hun 
te handelen, contrarie het placcaet van de heeren Staten. Tot 
confirmatie van haer geallegeerde, dat de voorsz. cooplieden 



*) Interlopers = mercatores interlopi, die tegen het „ Placcaet op de 
Commercien vande Cuüpluyden Adventuriers vande Ëngelsche Natie/' op 
22 Maart 1699 gegeven en op 22 Mei 1617 hernieuwd, op bedrieglijke 
wijze („in fraulde ende teghens de meeninghe van hare Majcsteyts Privi- 
legiën, ende onse letteren van Placcate") handel dreven. — Het Fransch 
heeft nog de uitdrukking van: commerce interlope = traiic en fraude. 



42 

niet anders en ' söeckèn dan de natarele Ingesetenen van dese 
prouintien te beroouen van allen haren handel ende trafficcf, 
brengen sy voort ende produceren het voorgaende ehdè het 
exempel van hunnen eygenen cours van trafficque op Datos- 
wijck, Polen, Moscouien, de Oost Indien, Cipres, Candia etïdè 
Siria. ïrafüqneren de coopliedeu aduenturiers in alle dbse Lan-" 
den? Neen^ • maer sy sullen mogelijck seggen," datse daerby 
meynen alle de Engelsche cooplieden van alle compaignién,"ende' 
hoewel sy . dat doen, aoo en connen wy niet gedenckéri, dat' 
hare eygene herten geloouen, tgene hare tongen ende pénüèii 
te voorschijn breü}<en. Hebben d Engelsche cooplieden die van 
dese Landen verhindert in hunne traffike op Polen ende dansick, 
üft veel eer zyluiden hun? Laet den groote menichte ende 
quantiteyt van lienne schepen, gaende ende keerende continuelijek 
door de Sont, jfte-gerieuende ende dienende bèy dé Engelant ende*' 
Polen met de waren van beyde plaetsen (niet van hun eygene ' 
waren) daéruan getuichnisse geuen. Hebben onse Engelsche' 
traffiquanten op Moscouia hun daervuit verdreuen? Neen 5'' 
hebbeu sy niet eer selfs onse coopluiden bynaer geheel daer' 
vuit gebeten, dwclck aen hunlieden te vooren gehecllijck geap- 
proprieert Was. Wij conden mede soo veel wel seggen vanden 
handel op Oost Indien ende die andere, die sy allegeren, macr' 
wy willen dit poinct concluderen met een corte Insicht vanden 
handel, die de coopluiden van dese Landen hebben Immediatc 
tusschen dit 'ende Engelant, vergeleken met den handel vandc • 
coopluiden aduenturiers; datmcn dacruyt mach speuren, wie 
van hun hiermede van d' andere aduantagie gehadt hebben. Hét 
is geweest, ende dat binnen dese hondert jaren, datter binnen 
de Stadt van liOndou niet boucn 16 oft 18 cooplieden van dese 
Nederlanden en waren, ende onder deselue niet boven sesse 
van eenich credit oft estime. Want de coopmanschappen, die 
sy doentertijt in Engelant brochten, waren meestendeel steene 

■ . * ' • • 

potten, borstelen, poppen ende kindcrdiugheu ende sulcke andere 
Cramery van cleyne weerde, somtit? vat visch .enie nu eude 
dan eenige stucken Lyuwaet,. eude dit was haren ^eheelen baiir 
del. Daertevooren «ndei in ^cnde vele jaren daeroaer,* dew ge- 



48 

?beeleii handel ind« rijcke ende oostelljcke waren Tan Duitslant 
endeRltalien way ende consisteerde in de handen vande*coop- 
luideh aduenturiers, oft vande coopluiden van die Landen sei- 
ner, ïdaeruan te dier tijden florissante ende fameiise compaignien 
warön. Soo veeè haer importatie van warela in Engelant acn- 
'gaepde, was haeren handel in die tijden int veruoeren vandc 
wai:en vuiten Lande vet meer ? Neen ; sy waren hierin min ge- 
estimeert, dan in d' ander. Indien wy nu ooghe nemen op En- 
gelant v ende siew hoe menighe groote ende rijcke cooplieden van 
desé Lartden aMaer wandelen, niet alleen in de Stadt van Lon- 
,donj maer döck in meest alle d andere steden ende plaetsen 
vant Lant; ak men ouerdenkt, hoe sy hebben vuitgepickt by 
naèr alle andere .vreemde cooplieden, ende daerbeneffens, hoe 
verre sy getreden syn int exporteren vande Inlantsche waren 
ende int Inbrengen van alle soorten van vreemde waren ; men 
sal bevinden,! dat ter maer een cleyn deel oft rest ouergeblcuen 
i&i voor de coopluiden aduenturiers om hen te geneiren. Sy 
hebben nu in hare Landen i^i Duytslant ende dese Landen den 
liieestendeel van de traflficque in alsulcke waren van Duitslant 
raidc Italien, als gewoon waren in Engelant ghebrocht te 'wor- 
den door de./ cooplieden aduenturiers, ende door faute vaii wclc- 
ket- retounewf de voorsz. coopluiden ( nu » gedwonge^ü syn den 
•meestendeel vande penningen van hare waren procederende 
•by wissel te remitteren tot hare groote schade. Ijaet nu yetaant 
bedencken oft in sich seluen Imagineren, oft dese Ltiiden hare 
oprechte meyningcn spreken, dese ^èaecken belangende, oft dat 
sy niet veel eer met on se coopluiden- sffotten, seggende dat wy 
hen verhindert hebben, daer by tgelie voorsz. het coiftrarie 
claerlijck blijckt. Maer wy en ifecken ons niet aen, nochte en 
benijden niet c(e'f)rosperiteyt vande coopluiden van deselianden, 
omdatse onse nabuerai syn, vast aen ons gehecht door den 
bant van eene en deselue religie, ende alsulcke als (in vrient- 
schap synde- met onsen Staet) Wy altijt gehouden hebben voor 
onse , vrienden. Maer dese grossiers maeckeh «openbaer door 
hafe pracktijcken, dat zy niet alleen haten de coopluiden ad- 
ueuturiere, maer oock de gansche Engelsche natie, om de 



44 

cleyne reste, die hen oiiergebleuen is. Waertoe dient anders 
alle tgene sy hier geallegeert hebben, ende waertoe can anders 
dienen tgene sy voorders in de conclusie van haren brief voe- 
gen, te weten, dat d'Engelschen nu langs de custen van Noor- 
wegen ende Denemarken loopen met cleyne schepen? met wat 
waren anders als met Laeckenen ende Dozeneu in haer eygen 
Landt gemaeckt, de welcke, soo sy seggen, die van Enchuisen, 
Hoorne, Vrieslant ende Amsterdam gewoon waren te seynden, 
als oft alle soorten van schepen hen luiden behoorden toegeeygent te 
worden. Oft als oft het niet soo vry en waere voor d'Engelsche 
coopluiden, als voor henluiden in die quartieren te traffiqueren, 
jae inde waren van haer eygen Lant. Wat sullen wy tot dit 
volk seggen : Invidid Siculi non invenere tiranni majus tor- 
mentum. Sy benijden den handel vande coopluiden aduenturiers, 
sy benijden de trafficque van alle andere Engelsche coopluiden, 
jae sy benijden, dat haere eygene nabueren ende Lantsluiden 
eenige trafficque souden hebben, opdat zyt seluer alles aen hen 
seluen mochten behouden ende opsloecken. 

Ende dus hebben wy beantwoort de Sotte argumenten ende 
malitieuse asspersien by dese onweerdighe gcsellen de fameuse 
compaignie vande coopluiden aduenturiers toe gheworpen; die, 
als beurosen serpenten int beginne hen soo hebben verwermt 
by den handel met die van de voorsz. compaignie, dat niet- 
tegenstaende de deucht hun gedaen, sy niet en connen naer- 
laten haer vypersche of adersche dispositie te laten blijcken 
int steecken ende besmetten, soo veel in hun is, het credit 
ende reputatie van hare benefacteurs. By dese practijcke, 
die sy voorseker geleert hebben vant oude serpent, om haere 
nabueren te verleyden, hen eygen goet oft proffijt tegeus te 
slaen, sy vergelijcken seer maliiieuselijck de CoopUeden Aduen- 
turiers bij het Trojaens peert, in allen schijn, oft hare compste 
in dese prouititie waere, om haren Staet te verraden ende hun 
te verderuen. Maer de Cooplieden aduenturiers verfoeijen ende 
abhorreren alsulcke mecanique ende oneerlijcke middelen; ende 
alle, die hun kennen, ende dese grossiers sullen gewaer worden, 
dat dit van niet anders en procedeert dan vuit loutere malitie 






«j:.'.:-. 



ende haet tegeus de voorsz. coopluidea. Maer indieu sy beu 
enckel gelijcken willen by een peert, soo sullen wy verclaren 
by wat peert dese grossiers hun wilden gelijcken, te weten, 
by een vuitgereden peert, dwelck, naerdat zyt gereden ende 
langen tijt verongelijct hebben, sy nu geerne souden binden 
aen een magere Cnbbe tot Middelborch, daer noch hoey noch 
hauer en is om tselue te voeden, ende in gelijcken staet souden 
zy geerne alle hunne nabueren door de geheele prouintie hou- 
den, de wile sy ondertusschen alle de prouande ende proffijten 
hen hebben toevloeijende in hare colfers tot Amsterdam; ende 
omdat sy twyffelen, dat het veranderen vande cooplieden ad- 
uentnriers hunne packhuisen wat leger maecken ende hunnen 
handel verspreyen souden in andere steden van Hollant, daer- 
omme rasen ende lieren sy alsoo tegens hun. Maer wy willen 
hun laten rasen, dat sy bersten van quaetheyt, soo sy willen. 
Wy weten scer wel, dat d heeren Staten van dese Landen wel 
andere rekeninge maecken vande Societeyt vande coopluiden 
aduenturiers, dan dese grossiers doen. Ende wy en twyffelen 
niet, oft de selue heeren Staten sullen wel groote sorge dragen, 
dat de vrientschap ende alliantie tusschen dese Landen ende 
onse Engelsche natie niet en verderue, die gehanthaeft, indien 
niet begonnen is door de traffique ende handel vande coop- 
luiden aduenturiers onder henl., ende welcke haest gevioleert 
can worden, indien men te veel gehoor heeft aen dit aderen 
gebroet vande grossiers, die hen opposeren, soo wel tegens 
tproffyt van hen en hen vaderlant, als vande voorsz. Societeyt. 



46 



1 1 



,1 



B IJ L A G £ IV. . 

Missive vande C40urt vuyt Londen d^n laesten Junij 1621. 

AMPLÏiSSIMI, AG MrAGNIFICI VIRI DOMINI ET AMIGI 
NOSTRI PLURIMUM «OLENDI, 

lam tand/ém-' duo ex Deputatis nostris, qüos hinc vobiscuw ■ 
tractandi cauaêl ablegararausi reversi, nobis .fu8è rettderunt, .' 
quanta cum humauitate ac Hberalitate, Magnificentiae rveairhe' 
ipsos acceperint : ita quidem ut nostratn boe nomine gratiarum 
actionem^ haod^uaquam differeildam censuerimus^ parati porre 
non solum Bostram hao in parte obltgationem agnQsoere, sed 
etiam benevolentiam iüam yestram pdrl officio,.. 8i>qqid.ii8i}8 ; 
venerit, promereifi. lidem nostri Deputati nobis eihibaerun^l" 
Concordata utrinqae facta de Eesidenti^L nostrae Societatis in 
vestra Civitate stabilienda ; > ploeneque exposuerunt, non modo 
quantas turbas dederint in hac actione quidam, t quos minimie 
omnium decebat nostris coeptis adversari ; veram etiam quam 
viriliter Magn»® vestrae istorum 'vim exceperint et post «nul-i 
tum tandem conflictum fregerint, aliqua quidem ex parte, i 
Concordata autem nos hisce rata et'ürma habemus; Deumopt. 
max. precati, ut difïiciliora ista initia foelici deinde progressu 
dignetur compensare. 

Interea non possumus satia admirari,< quo fato factum sit, 
ut nos, qui semper antehac, aliis in locis adeo grati hospites 
fuimus, non solum civitati ubi resideremus, sed et toti Pro- 
vinciae ; nune repentè in Hollandia adeo vilescamus, ut Illustrib*. 
illius Provinciae Ordinibus digni videamur, quibus ibi com- 
morantibus, novae et omni exemplo duriores commercandi con- 
ditiones imponantur. 

Coeterum speramus fore, ut nune, postquam tumultuationes 
Propolarum deferbuerint ac residerint, Magn*^ vestrae occa- 
sionibus diligenter advigilent, ne apud vos deteriori loco simus, 
quam fuimus Middleburgi; cum nihil commodi ea civitas a 



i7 

QPdJbra £e9i4eptia„ ^ensient;^ quod. dobc idem ivestra etiam, Beo 
fl^yeate, sjt. percc;ptura. Si ,quo. ulteriori subsidio binc opus 
f^cjrtt,. nps (vplente Deo) no^tris partibus noa.suoMis.defuturi. 
Quod superest. Deum o^t. pa^x,. precamur, ,ut Magn*^*» vestras 
una cum tota vestra Civitate in florenti statu velit quam 
diutissime conservare. Dabantun Londini, ultimo Junij Anno 
Salutis 1621. 



■ )■ 



• Sapetscriptie : ' Erga Magn>*«^ vestras omni 

Amplfesimis, Magnificis et officiofüm genere prómptissimi 

CQii8ulti?8imisviriè,Doini- Guberiiator Asèistè'ntés' & Socie- 

nis Consulibas et Senato- , ,-. , ,, ,...„. 

.; . . : • ^. .^ ,. tas Mercatorum Aduenturariorum 
ripoa , mclytae Civitatis 

Delphorum in HoUandia, . Angliae. 

amicis nostris plurimum (^^S^*) •^^•' SKYNNER, s. m. p. 

colendis. 

' (Et^. 15 Julij 1621 stil. nou.). 



Hét iégel als van den vborgaanden brief. 



•if 



..... ... . ' ■ , ll /•;>•; 

■ . ' ■ I . , . , «-. , ,• ■ . 

BIJLAGE V. 

Remonstrantie van de Court tegen het placaat van Tarra, 

van 24 Juli 1630. ' 

" ÊXïïIBïtUM XXIJe" Febr. 1631. 

" AAI^ DE Eb. HÓ. MO. HïlEl^ÈN STATEN GENE- 

RAEL DER VËRiEÉ^ICfiÖE NEDErLanDEN. 

.- I I • • 

Vertoont reverentel. de Couctmeester ende de Engelsche 
coopluyden genaempt Marchands Adventuriers van Engelandt, 
dat alsQo Uwe Ho, - Mo. hebben onlancx sekere verclaringe 
gedaen van haere Intentie het Placoaet van Tarra te doen 



48 



renoTeren, soo hebben de remonstranten goet geTonden dcse 
Verclaringe ende remonstrantie In aller reverentie te presen- 
teren, op dat nyet soude schijnen henluyden tselve by eenicb 
consent ofte prescriptie te prejudiciëren, als volcht. 



T. 



Eerstelijck dat sijluyden noyt geconsenteert hebben tot eenige 
van dese Placcaten int stuck van Tarra oreemaneert, als «ij- 
luyden nu mede verclaeren geensints te consenteren totte 
voorgemelte renovatie : om redenen : Eerst dat deselve Placca- 
ten presumeren tot haerluyder accommodatie gemaeckt te syn, 
daer ter contrarie, d'selve syn tot haer groot ende merckelljck 
verlies. Ten tweeden, dat deselve strecken tegen de vrijdom 
ende liberteyt henhiyden by U. Ho. Mo. vergunt int jaer 1587, 
met dese woorden, (de voorsz. Staten begerende, dat de traf- 
ficque vande Engelschen gecontinueert werde binnen dese Lan- 
den, ende dat de Coopluyden Jegenwoordich alhier synde ende 
heure handelinge doende, nyet alleenlijck geanimeert mogen 
syn alhier te blijven ende heure negotiatie te drijven, maer 
d'andere oock, die ter cause vande troublen ende andere dier- 
gelijcke oorsaecken vertrocken syn, ende hen houden, soo tot 
Embden, Hamborch, als andere plaetsen, tsy Westwaerts ofte 
Oostwaerts, alles tot seer grooten achterdeel ende verminde- 
ringe vande neringe deser Landen, te courageren ende veroor- 
saecken hier wederomme te comen, ende in dese quartieren 
residentie te nemen: Soo ist dat wy, tot onderhoudinge vande 
voorsz. Concordaten ende entrecoursen, hebben nyet alleenlijck 
deselve geaggreert ende geconfirmeert, soo wy deselve aggree- 
ren ende confirmeren by desen In alle pointen, Maer beloven 
oock de voorsz. Coopluyden haere Privilegiën ende Vrijheden 
In voorgaende tijden by hun genooten te handthouden.) 

IL 

Dat deselve Placcaten strecken tegen het Octroy van Uwe 
ho. Mo. vant jaer 1598, haer remonstranten vergunt, onder 



40 

anderen in dese woorden (In den Eersten Aggre-eerende ende 
confirmerende mits desen, alle alsolcke privilegiën endegerech- 
ticheden, als de vóorsz. Societeyt by acte vanden ix«" Januarlj 
1587 bij ons gegunt ende gegeuen syn geweest. Voorts dat 
wy bevonden hebbende t'selve een saecke te syn, dewelcke nyet 
alleen en streckt om de voorsz. Provinciën met goede getrouwe 
Tnwoonderen te vermeerderen ende de traflBcqne Inde selve 
Provinciën te advanceren ende te bevorderen, maer oock omme 
te onderhouden de goede ende nabuerlijcke vruntschap ende 
correspondentie, dewelcke tusschen het Coninckrijcke van En- 
gelandt ende dese Landen lange Jaeren geweest is, ende Indien 
het Godt belieft, langer sal blyven, vergunt, gegeuen ende ge- 
octroyeert hebben, Vergunnen, geven ende octroyeren by desen, 
omme uyt crachte ende beneficie haerluyder trafficque ende 
coophandel inde voorsz. Provinciën te water ende te Lande by 
alle die geenen, dewelcke de voorsz. Societeyt eenichsints aen- 
gaen, soo deur haer selven, als haerluyder factoren, dienaers, 
vrijelijck ende sonder empeschement ofte verhinderinge van 
yemant ter Werelt, te exerceren ende te drijven, te coopen, 
vercoopen, permuteren ofte andersints te vertieren ende te ver- 
alieneren, als syluyden tot dienste vaude selve trafficque ende 
Coophandel, ende ten meesten proffijt van henluyden bevinden 
sullen bequaemelijcxt te syn.) 



III. 



Dat deselve Placcaten strecken tegen het Jus gentium, omme 
dat sy schijnen de Remonstranten te restringeren aen eenige con- 
ditie van Coophandel, welcke behooren vrij te syn. Want Emptio 
venditio est contractus juris gentium, ideoque consensu pera- 
gitur, L, origo ff. de contract, empt. Ende alsoo tegen de na- 
tuere van Commercij : want Commercium est emendi, ven- 
dendi, permutandi, commeandi, contrahendique facultas libera, 
Ideoque deflnit Ulpinnus esse invicem jus. Ende consequente- 
lijck tegen het jus Civile ende de nature van Contractus: want 
contractus ex consensu mutuo est ultro citroque ohligatio: sin 



50 

autem non habet consenmm nullm est. L, 1. /f. de paetü. L. 
juris gentium, ff, eodem. Ende eindelijck sy strecken tegens 
het jus Domin^: want Imperator ait: Rei 8uae, quisque ar- 
biter est ac Moderatur, 



IV. 



Dat de Placcaten presomeren voor der Eemonstranten ac- 
commodatie gemaeckt te syn, ende daeromme nyet en behoor- 
den tot haeren grooten naedeel te strecken. Sy presumeren 
voorts, dat alle laeckenen opde welcke eenige fauten bevonden 
worden, ter plaetse vande Incoop derselver laeckenen gevisiteert 
ende getarret sullen worden, maer, met reverentie, seer abusi- 
velijck, sy geven de keure daervan tot den C!ooper, die behoort 
te wesen aen de vercooper, Indien de Placcaten, als gepren- 
tendeert is, souden syn tot der Eemonstranten accommodatie. 
Dat verscheiden articnlen daerin gestelt syn tot haerder groo- 
ten verlies ende preiuditie, waerover sy hebben gedoleert van 
tijt tot tijt, Jae Syne Co®. Ma*, heeft gelieft t' redres derselver 
ten hoochsten te recommanderen aen uwe ho. Mo. by alle 
syne Ambassadeuren, soo wel ordinaris als extraordinaris, ende 
echter hebben geene reformatie geobtineert. 



V. 



Dat in alle Landen daer sy Eemonstranten haeren handel 
drijven, noyt en hebben sulcken disputen vande Tarra gehadt, 
als hier te Lande, t^ Embden ende te Hamburch verooopen 
syluyden haere laeckenen opde drooge Tarra, ende nyet op 
natte tarre, als syluyden hier gepresenteert hebben, ende noch- 
tans vercoopt men op geene Tarre buyten de plaetsen van 
haere residentie, Jae in uwe ho. Mo. vijants-landt vercoopen 
syluyden haere Laeckenen, sonder eenige Tarre, tsij natte oft 
drooge. 



61 



VI. 



Dat daer nyet en syn eenige sulcke Placcaten hier te Lande 
opde Inlantsche laeckenen geëmaneert, omme te constiïngeren 
dat de laeckenen binnen een Stadt gemaeckt ende vercoft, 
moeten binnen een ander Stadt getarret syn, Ende dat naede 
style van coophandel alle refractie op cooptnanschap behoorden 
In plaetse vant contract te vergoeden. 



VII. 



Daeromme versoucken de Eemonstranten seer oidtmoedel. 
dat uwe ho. Mo. geliefte sy de voorsz. Placcaten nyet te re- 
noveren ende dat geen Placcaet mogen in crachte blijven tegen 
t' Octroye ende vrijdom haer by uwe ho. Mo. vergunt, veel 
min tegen haer consent : Keverentel. protesterende, als syluyden 
protesteren hiermede, dat sy in geenderley manieren daertoe 
consenteren connen, hoewel syluyden wenschten, dat de hande 
moge voortgaen, met vruntschap op beyder sqden, alsoo sy- 
luyden voor haer deel nyet begeeren yemant te vercorten in 
haeren handel van yets dat hem rechtveerdelijck toecompt, in 
eenige gebreecken ofte fauten, die in haere laeckenen gevonden 
soude mogen worden, ofte eenige nieuwicheyt op te brengen, 
maer haeren handel te drijven ende negotieren als voor desen 
bekent is, tot voordeel vant Lant, Uwe ho. Mo. regardt ne- 
mende op de groote Kijcdom, die den Laeckenhandel Inbrengt, 
behalven t' employement van werckvolck ende de groote ver- 
meerderinge des handels, soo binnen als buyten s' Landts. 
Dit doende, etc. 



52 

BIJLAGE VI. 

Monseigneur, 

Nous avons appris, par Ie rapport du Sleur BRASSER, Ie grand 
estat que sa Ma^^ faiot des rares vertus et merites de v. Exc® : 
et combien elle defere a ses sages conseüs; ce que nous a en- 
hardy de la suppUer, comme nous faisons tres humblement, 
qu'il luy plaise representer a sa Ma**, comme il est ?ray, que 
les commissaires des marchants adventuriers de Londres estants 
envo^ez aux pays bas, en Tannée 1598, pour s'informer et 
prendre inspection oculaire des commoditez et incommoditez 
des villes maritimes propres pour leur residence, comme il est a 
veoir par ledict rapport; Lequel Ie feu Roy Jaques, de tres- 
glorieuse memoire, trouva fonde en si bonnes considerations, 
que sa Ma** a jugé estre du bien de ses subjects, les marchants 
adventuriers, qu'ils tinssent leur residence en nostre susdicte 
ville, comme ils font encores a present. Mais, comme il nous 
semble y en at il quelques uns, qui desirent ds la transporter 
ailleurs; pretexants qu'il y auroit manquement en icelle de 
certaines marchandises dont ils ont besoing. Surquoy nous prions 
bien humblement v. Exc®., qu'il luy plaise d'entendre, qu*il 
est au pouvoir des diets marchants adventuriers, de faire en 
sorte qu*il y aije abondance des marchandises par eux desirees, 
moyennant qu'ils veuUent garder l'ordre par eux ailleurs 
observé; a scavoir, qu'ils s'obligent de n'achapter lesdites 
marchandises qu'en la ville de leur residence; ce que la com- 
pagnie Angloise ayant faict a Staden, ville nullement marchande, 
il en est arrivé, qu'il y vint affluence de toutes sortes de mar- 
chandises. Et mesmes a commencement de la residence de Ia 
comp»6. sdsdite en notre ville, les marchants estrangers y vin- 
drent pourveus de tout ce que leur estoit necessaire : et fussent 
y venus, sans doubte, plusieurs autres, si quelques uns de la 
compagnie Angloise n'eussent mienx aymé d'achapter leurs 
marchandises a Amstredam; ce que degousta lesdits marchants 
et les fit quitter nostre ville. Or, ce qui est fort considerable 



53 

en ce cas, MonseigDCur, est qu'il y a uuUe ville (excepté celle 
d^Amstredam) ou les marchandises, par la compagnie Augloise 
desirees, se trovent a present, ou bien se pourront trouver en 
apres, sans que la dite compagnie s'oblige a ce que dessus; et 
face que par ce moyen les marchants soyent attirez a choisir 
leur demeure en la ville de la residence Angloise: de sorte 
que par Ie changement de la residence, leur mal ne sera guery 
s'ils n'y appliquent Ie susdict remede : duquel se voulants servir 
en nostre ville, Toccasion et Ie subject du changement cesse* 
ront d*eux mesmes, et continuera la comp^. Angloise de jouir 
ne tant d^autres commoditez en nostre ville qu^es autres elle 
ne trouvera pas. Nous sommes, Monseigneur, tellement infor- 
mez de la solide sagesse et tressain jugement de v. E&c^, que 
nous nous asseurons, qu^elle trouvera inutile et mal a propos 
un changement sans amendement. Supplions pourtant treshum- 
blement v. Exc®. qu'il luy plaise nous faire Thonneur de re- 
presenter Taffaire au vif a sa Ma**, a la quelle nous avons es- 
cript pour Luy tesmoigner nostre treshumble respect. Et 
prierons Dieu, 

Monseigneur, 

Qu'il Luy plaise donner a v. Exc«. treslongue et tressaine 
vie, au bien de sa Ma**, et de ses alliez. 

De V. Exc«. 
Les treshumbles et tresobeissants serviteurs, 
Les Büurgemaistres et Regents 
de Delif. 

par comm^ d'iceux, 

(signé) J. GROENEWEGEN. 
Ce ^ d' Octobre 1634. 1634 ^. 

A üelff. 



BRIEVENVERVOER OVER LAND NAAR INDIE 
DOOR DE O.-l. COMPAGNIE IN DE 

17DE EEUW. 



DOOB 



P. A. LEUPE. 



Is het algemeen bekend, dat men het aan den ijver en de 
onvermoeide pogingen van den Britschen zee-officier THOMAS 
WAGHORN *) te danken heeft, dat we in onze dagen in het 
bezit zijn van eene snellere en geregelder gemeenschap met 
Indië dan vroeger, zoo gelooven we dat het minder bekend is, 
dat er reeds in de eerste helft der 17^® eeuw een brie ven ver voer 
uit Nederland over land naar Indië plaats had. Het was de 
Oost- Indisch e Compagnie, die van dezen weg gebruik maakte, om 
hare brieven derwaarts te zenden en van daar te ontvangen, 
en waarvan we reeds met een enkel woord gewag maakten — 
op bladz. 91 — van de in de noot aangehaalde O verlandreis. 

De Bewindhebbers waren te wel overtuigd van het groot 
belang, dat zij er bij hadden om ook langs een anderen weg, 
dan die om de Kaap de Goede-Hoop in betrekking met 



*) Zie over hem cenige aanteekeningen achter „Eene overlandreis uit Indië 
naar Nederland 1674 — 1675" in de Bijdragen tot T.- L.- en Volkenkunde 
van N. I. N. V. 6« deel blz. 143. 



55 

Indië te komen; vandaar dan ook dat ze nauwelijks voet op 
het vasteland van Indië bekomen hadden, of ze wenschten 
pogingen in het werk te stellen om daartoe te geraken. Want 
in de instructie, die door hen aan den Admiraal pieter wil- 
LEMSZ. VERHOEVEN, toen deze in het jaar 1607 met een 
vloot, bestaande uit dertien schepen, de vaderlandsche havens 
verliet met bestemming naar Indië, werd ter hand gesteld, 
vindt men reeds het volgende belangrijke artikel opgenomen. 
//Oock sall alle devoir gedaen werden, om te practiseren, dat 
men van Calcoutin ') op de Nederlanden mocht adviseren, 
tzy over Ormus, Aleppo ofte Tripoli, de brieven adresserende 
an den Clariss. bernardo justiniano tot Venetien, ofte 
andersins over Aegipten langs Aden op Alcayro aen antonio 
DONADO, die de brieven van daer voorts op Venetien zall 
adresseren aan den Illustriss. johan vendramyn ; op dat de 
brieven van een van beyden wt Venetien mochten werden ge- 
sonden aen den E. geeraeth reynst" *). 

Het mag wel opmerkelijk genoemd worden, dat de laatst 
aangegeven weg dezelfde is, die nu met zooveel succes wordt 
gevolgd, en Aden aan den mond der Koode-Zee een station, 
waar de stoomschepen hunne steenkolenruimen aanvullen. 

Het bleek ons niet, dat de Admiraal verhoeven gevolg 
heeft gegeven of kunnen geven aan den hem door de Bewind- 
hebbers opgedragen last; er verloopen dan ook eenige jaren 
voordat men over dat onderwerp weder iets in de papieren 
der Compagnie vindt aangeteekend. Het was den 21**®" Novem- 
ber 1614, dat de Bewindhebbers aan den Directeur ter kust van 
Coromandel, wemmer van berchem, schreven: //Wy verstaen 
wt uwer E. missive ^) dat die van Goa over landt jaerlycx 
verscheyden pattemaren ofte despeches krygen 't welcke alsoo 
ons oock seer dienstich sonde wesen ; indien 't selve by ons 
in treyn conde gebracht werden, soo gelieve UE. neerstelyck 



^) Calicoet op de kust van Malabaar. 

^ Destijds BewindheoDer, later Gouverneur-Generaal, 1613 — 1615. 

s) Van 30 Augustus 1618. 



56 

te fernemen hoe en by wat middelen ofte wegen 't selve te 
wege soude kunnen gebracht werden en met hoedanige oosten, 
te weten: van de Custe aff tot Bagadet (Bagdad) toe, wandt 
by aldien UE. daertoe middel wiste te vinden, omme de brie- 
ven aldaer te crygen ende van daer op de Custe, wy souden 
wel raet weten om onse van hier op Bagadet te bestellen» 
ende wederom de geene van de Custe aldaer comende herwaerts 
over te crygen, waerop wy per naeste UE. advys sullen ver- 
wachten." 

De kennis van dit bericht was van bërchem verschuldigd 
aan een Haarlemschen schilder gornelis glaesz. heda, 
die sedert het jaar 1610 zich in Naraspoer, Visiapoer en el- 
ders onthield en daar voor den Koning en zijne Eijksgrooten 
werkzaam was. Hij hield briefwisseling met de onzen op de 
Kust en deelde hun van tijd tot tijd het nieuws mede, dat 
er aan het Hof alsmede met de Portugeezen in Goa enz. 
voorviel; in de volgende jaren 1615 en 1616 wordt hij ge- 
noemd derde Eaad des Konings. 

Nog voordat er antwoord op het bovenaangehaald schrijven 
van de Bewindhebbers was ingekomen, schrijven ze den 26»*«" 
November 1616 aan Gouverneur- Generaal en Kaden: //Wy 
hadden by eenige onser vorige brieven geordonneert, daer op 
ons oock dien volgende van daer *) eenige hope was gegeven, 
dat men middel soude kunnen vinden om eenige brieven van 
daer aen ons over land door Persien over Bagadeth ende an- 
dere plaetsen sekerlyck te bestellen. Maer alsoo daerop niet 
en is gevolcht noch te van daer van eenige naerder mentie in 
de leste brieven en vernemen, willen wy UE. vermaent hebben 
daerop te letten ende als noch, soo 't voor dese niet en is 
geschiet, eenige ordre te stellen oft ten minsten alle mogelyck 
ondersoeck te doen, daertoe ghylieden per avonture by den 
lest ingestelden handel op Arabien eenige goede occasie sult 
mogen vinden. Wy en hebben van Joncker OTTO RANTSON 



') Het is niet wel op te maken, welke plaats in Indië hier wordt be- 
doeld. 



67 

die over eenige jaren met oiise schepen uytvoer ende overland 
't huys gecomen is noyt eenich raport van syne reyse kunnen 
crygen *); verstaen oock dat eenige nu sekere tyt geleden 
overlandt naer Oost Indyen gereyst syn, daerop wy UwelEdele 
by onse vorige belast hebben ende als noch belasten ende 
bevelen wel te doen letten, en geene persoonen off goederen 
dergeene die in onsen dienst niet syn, wat brieven van voor- 
schrift off recommandatie dat se oock by haer mochten hebben, 
met onse schepen herwaerts aen te laten comen off aldaer van 
d' een plaetse op d' ander varen." 

Weinige maanden later ontvingen Bewindhebbers eenen brief 
van den Nederlandschen Consul te A.leppo, CORNELIS PAUW, 
gedagteekend den 298ten Maart 1617, waarin hij hun bericht, 
dat er met de karavaan, die van Mekka was teruggekeerd, tij- 
dingen waren medegebracht van het aankomen in de Koode- 
Zee van twee HoUandsche schepen uit Indië, bevracht met 
specerijen en andere goederen, die aldaar eene goede markt 
hadden gevonden. Hij wijst er op welk belang er voor de 
Comp*®. in gelegen was dezen handel voort te zetten, daar er 
door middel der karavanen een groot vertier van specerijen 
enz. te verwachten was. Hij geeft kortelijk op waaruit eene 
karavaan is samengesteld, den tijd van vertrek van verschil- 
lende plaatsen, terwijl hij er op laat volgen *) : Hyer door 



^) In de resolutien der Kamer Zeeland den lO^^^en 11**®» Julij 1612 leest 
men, dat tromondt swaen, dienaar van otto ransso, den Hoogdaitscben 
Jonker een recepisse heeft gegeven, dat hij al de goederen van de 
Compie. alhier heeft ontvangen „ende sal voorts met het goet reysen naer 
Amsterdam." Het werd geconsigneerd aan de Kamer Amsterdam „om met 
de Bewinthebbers aldaer te volbrengen het contract met hem aldaer ghe- 
maeckt." 

') Aengaende de Caruwana van Mecca, daer onder werden verstaen de 
peregrinen ende coopluyden reysende derwaerts in devotie ende om haer 
coopmanschap te dryven. Dese gaen te saemen in compaignie ende hebben 
haeren bestemden tyt van vertrecken als oock wanneer dat in Mecca arri- 
veren, ende weder van daer keeren, het welck jaerlycz eens geschiet, doch 



58 

souden UE. oock de middel ende gelegentheyt vercregen hebben 
om UE. brieven te doen senden aen eenen correspondent in 
Cayro, ende Alexandrye daer veeltyts gelegentheyt presenteert 
van schepen op Mercilia (Marseille,) ende Venetia; van waer 
UE. deselve in posta overlandt condt doen comen ende deselve 
passage in 't wederom derwaerts schicken van UE. brieven 
gebruycken." 

Het schrijven van Bewindhebbers van 1614, waarvan we 
hiervoren gewag maakten, was intusschen het volgende jaar op 
de kust van Goromandel ontvangen, en naar aanleiding daarvan 
vindt men in de resolutiën van het fort Geldria (Paliacatte) 
van den 22'»*®» Januari 1616 daarover het volgende opgeteekend: 



verschricken dese tyden, alsoo de Tarcken haer jaerreeckeninge nae de loop 
van de maene calculeeren. 

Albyer in Aleppo vergaderen de inwoonders van dien, ende van andere 
omleggende steden, daertoe oock concareeren de Fersiaenen, Tartaren ende 
andere Mahumctaensche natie. Dese Compagnie vertreckt op Damasco, 
alwaer oock een bysondere vergaderinge geschiet die haer aldaer beyde te 
samen vougen, ende voorts door de woestyne op Mecca trecken. Haer wordt 
convoy toegevoecht van de Passas ofte Gouverneurs onder welckers gebiet 
syluyden passeren, tegen de macht ende aenstoot van de Arrabers. Den 
Grand Sigr. (Grooten Heer) doet haer oock provisie van eetbaere waeren 
versorgen ende bet water door de woestyne voeren. In Constantinopelen 
gesebiet oock een vergaderinge, dewelcke te water over Cairo trecken, ende 
altesamen op den bestemden tyt tot Mecca arriveren. Sulcx dat in die 
tyt aldaer groote traficque gesebiet, soo in speceryen. Indigo ende veel an- 
dere Indiaensche waeren. Welcke toevoer van alle soodanige goederen ÜE. 
schepen souden connen doen, ende met meerder proffyt als de Indiacnen 
die met haer cleyne scbeepkens dickmaels genomen werden, ende oock 
veeltyts periculiteren. 

lek achte dat Uë. deze handelinge in de Roode zee tot Mocha bequae* 
melyck sullen connen stabilieren ende tot soo groot advantagie als den 
Spaignaert in Sinus Fersicus (de Ferzische Golf) Ormons (Ormus) besitt 
daer de Turcken over de zyde van Fersia traflficqueren." 

Men weet dat pi£T£r van den broeoke destijds aldaar den handel 
op touw heeft gezet, hetwelk aanvankelijk met een goeden uitslag werd 
bekroond. 



59 

//Naedemael de E. Mayores syn recommanderende geadvyseert 
te mogen werden, de bequaeme middelen ende met wat oosten 
te weech soude gebracht connen werden, brieven van de Custe 
naer Bagadet als van daer herwaerts te becomen, ende verstaen 
hebbende datter in Visiapour een Armeniaen (Armeniër) natu- 
rel? is, voor desen onder Keyser rudolphus, oock den Her- 
toch van Saxen gedient, die in de passagien wel ervaeren ende 
genegen is de Cartha (brieven) aeu te nemen, alwaert tot 
Aleppo ofte voorder toe, derhalven goet gevonden aen S"^. 
"WOLFF ^) te schryven, den voorschreven Armeniaen in Comp^®. 
naer Maslipatam (Mazulipatam) te begeven^ om dees aengaende 
breeder te connen communiceren, mits con promiso dito over 
syne gedane travaelgen te recompenseren." 

De uitslag schijnt evenwel niet gunstig geweest te zijn, 
want de Directeur, samuel kindt, berichtte bij zijnen brief van 
den 15d«»» April uit Mazulipatam aan de Bewindhebbers : //Heb- 
ben volgens ÜE. advyso laten vernemen door wat middelen 
jaerlycx advysen van de custe op Bagadet souden mogen sen- 
den, ben bericht sulcx seer tedieus *) met groote dispence, 
de periculen van onveylighe passagien seer incerte souden toe- 
gaen, door oorsaecke d' oorloghe van den Achabaer ^) desge- 
lycx den Sabas ? *) Coninck van Persiën, die men ruchte ') den 
Turck Babilonien affgenomen (heeft?) alsmede d' onveilicheyt 
omtrent Ormus door de Poortugyssen ; waertoe oock qualyck 
getrouwe Pattamars te becomen (zouden zijn?). Van de S»"«. 
uyt Visiapour verstaen van seeckeren Armeniaen, presenteerende 
onse cartas op Aleppo te brengen, mits recompence; hebbe 
ditos gerecommandeert den voorschr. Armeniaen naer ons comp- 
toir Maslipatan te bewillighen, om dees concerneerende naerder 
bericht, tot ÜE. naerder advyso te nemen. Myns bedunckens 
den vaert van 't patria recht uyt naer de custe ende van hier 
weder costyn gecontinueert synde, moghen de advysen UE. 



^) De opperkoopman leonard de wolff was als diamantkenner in 
dienst der Compagnie aangenomen en te Visiaj)oer gevestigd. 
2) Niet wel leesbaar. ^) Shah Akbar? ^^ ghah Abbas. *) Bericht? 



60 

gevouchelyck ter hant comen." Terwijl door den opperkoop- 
maii PIETER GiLLisz. RAVESTEYN, op zijn vcrtrck van Ma- 
zulipatam naar Visiapoer staande, reeds den 16^®" Maart te voren 
over dat onderwerp aan de Bewindhebbers der Kamer Amster- 
dam in de volgende bewoordingen was geschreven: //Om UE. 
advysen van hier over Bagadet te werden toegesonden, gelyok 
als door de Portugysen van Goa wert gedaen, sal UE. ver- 
staen, dat hare brieven op Ormus te water senden, dat wel 
twee deelen in den wech van hier oft daer avanceert; want 
van hier moet men door verscheyden Coninckrycken reysen, 
die d' een met d' ander in oorloch (zijn ?) de Caffylis (kara- 
vanen?) door dien lancksaem ende niet segure en reysen; dan 
achte niet onversocht sal blyven, waertoe te synder tyt mynen 
dienst aen de Eaden sal voordragen om de reyse over Bagadet 
naer 't patria te doen, om dat TJE. de rechte onderrichtinge 
daer van mochte becomen" *). 

Het verzenden der brieven van de kust van Coromandel over 
land naar Bagdad bleek echter aan zoovele moeilijkheden on- 
derhevig te zullen zijn, dat we niet gevonden hebben dat men 
het heeft beproefd; er verloopen dan ook nu weder eenige 
jaren voordat de zaak weder bij de hand werd genomen. Het 
was aan den koopman hutberto vissnich voorbehouden 
er den eersten stoot aan te geven; deze was namelijk in 1623 
van Mazulipatam naar Perzië gezonden, om aldaar in het be- 
lang van de Oompagnie werkzaam te wezen en te trachten 
den handel te openen. Na in Gamron verlof te hebben ver- 
kregen om de medegebrachte goederen op te slaan, vertrok 
hij naar Ispahan, waar hij door tusschenkomst van eenen 
Hollander, JAN LUCASZ. HASSELT *), vermoedelijk mede een 
schilder, een iirman van den Vorst verkreeg, waarbij aan de 
Hollanders de handel in zijn rijk werd toegestaan. En daar 



>) Wat er met dien Armeniër verhandeld is geworden bUjkt uit de pa- 
pieren niet. 

^) Hij kwam eenige jaren later met den Ambassadeur van den koning 
van Perzië in Nederland. 



61 

het uit zijne brieven blijkt, dat h^ vroeger eenige jaren in 
Turkije in den handel had doorgebracht, zoo is het te voor- 
onderstellen, dat hij met de reisaangelegenheden bekend zal 
geweest zijn, zoodat hij den 15^®*» November 1623 een verslag 
van zijne verrichtingen over Aleppo naar het vaderland zond, 
dat op den 19^®" Januari 1624 door een tweede gevolgd werd, 
waarin hij zegt: dat hij dat zendt met een bode van een Ar- 
meniër, en alzoo de passagiën — door den oorlog — op 
Aleppo gesloten waren, en de bode een langen en onzekeren 
weg zoude moeten nemen, zoude hij het kort maken. 

Den juisten datum van den aankomst dezer eerste brieven 
uit Ispahan naar het vaderland gezonden, bleek ons niet, maar 
daar Bewindhebbers den 2^0» November 1624 over Aleppo aan 
TISSNICH schrijven: //Met hetzelve jacht (Heusden) hebben ty- 
dinge becomen hoe UE. daermede vertrocken syt geweest op 
Mocha ende van daer na Ormus, ende dat van daer met het 
Cargasoen voor Parsia dienstich waert getrocken naer Spahan. 
Van UE. bejegeningen, goet onthael, openinge van den handel, 
vercoopinge van de Cargasoenen van Heusden, de Vreede ende 
Weesp, syn wy over Aleppo verwitticht geworden door uwe 
brieven uyt Spahan, dato 15 November 1623 ende 19 Januarij 
1624 in een packet, *t welck van Liorne (Livorno) ons is toe- 
gekomen, in dese maent October;" zoo zoude hieruit blijken 
dat het pakket nagenoeg een jaar onderweg is geweest. De 
oorlog tusschen Turkije en Perzië had dit lange oponthoud 
veroorzaakt. In de geleidende missive van den koopman lau- 
RENS DE CROY — door wiens tusschenkomst het genoemde 
pakket van Aleppo over Livorno naar het vaderland was ver- 
zonden — schrijft deze den 268*en Mei 1624 aan Bewindhebbers: 
//Het ingesloten pacquet is my behandicht van eenen Arme- 
nier, denwelcken niet opgehouden hebben, maer metterdaet 
(onmiddellijk?) met brieven aan Sr. hubert vissnich we- 
derom gesonden naer Espahan. lek hebbe den boede 8 realen 
van achten ^) gegeven, volgens het order van S"". hubert 



1) 1 Reaal van 8° = 6 Shel. == 48 St. = / 2.40. 



k 



62 

VISSNICH ende twee r®. van achten aen eenen persoon die my 
den boede heeft doen vinden, want hy verborgen was ende om 
de troubelen tusschen deese twee coningen vreesde syne brieven 
te openbaren. S'. viSSNiCH had eenen anderen boede gesonden 
op 15 November, denwelcken in de stadt van Bauwan bey 
Arserom (Erzeroum?) langen tyt is blyven liggen, omdat door 
de voorgenoemde tronbelen niet en dorfde overcomen ende 
daernaer door manquement van reysgelt is wederom naer Es- 
pahan moeten keeren, soodat de brieven dencke de origineelen 
van dese sullen geweest syn, my ter hant niet en syn gecomen. 
ÜE. sullen gelieven de tien realen van 8®. goet te doen aen 
menheer den Consul cornelio pauw, want ick die hem op 
reeckeninge hebben gestelt; Sr vissNiCH hadde my geordon- 
neert eenich geit van den Heer DAVID DE WILLEM in Aleppo 
te ontfangen, maer d°. WILLEM seyt geen ordre te hebben 
dat te geven. Hier en manqueeren geen commoditeyten dage- 
lycks om op Persia te schrijven, waerom UE. sullen gelieven 
my daerin te commanderen ende sullen gedient werden in dat 
ende alle andere daer my nut sullen toewesen ordeelen ^j.** 

Hoewel DE groy berichtte, dat er dagelijks gelegenheid be- 
stond om brieven naar Perzië te zenden, blijkt het echter dat 
op de spoedige overkomst aldaar niet veel te rekenen viel; 
want de brieven, door de Bewindhebbers den 248*en December 
1624 over land naar Perzië gezonden, waren VISSNIGH den 
26sten December 1625, toen hij, met de schepen te Gamron 
aangekomen, de duplicaten ontving, nog niet ter hand geko- 
men. Een geruimen tijd bleef teu gevolge der onlusten tus- 
schen Turkije en Perzië de moeilijkheid in het verzenden van 



O Volgen nog eenige berichten, als de overwinning door shah abbas 
op de Turken behaald, de verovering van Babilonië, Mossul, alias Ni- 
nivé, enz. 

Dat er reeds vroeger brieven uit Aleppo in bet vaderland kwamen, be- 
hoeft dunkt ons geen betoog, althans sedert 1614 dat aldaar een Neder- 
landsche Consul resideerde, hetzy dan dat deze zijue brieven over Con- 
stantinopel dan wel over Frankrijk of Italië verzond. 




65 

brieven bestaan; den 17^«° Augustus 1626 schrijfk YISSNICH 
onder anderen: //Myne gebiedende Heeren, de nevensgaende 
copyen syn de vierdubbelde van eender inhouden, XJE. soo 
uyt 't leger, Casbin ende Spahan toegesonden; niettegenstaende 
de groote oncosten tot de bestellinge per Aleppo over deselve 
brieven gedaen, tw^ffele ofte door de onseeckerheyt der pas- 
sagie, vermidts d^oorloghe sullen ter bant gecoomen syn. Op 
26 Julio sijn mijn geworden twee UE. missieven van dato 5 
Januarij met het retourneren van eenen expressen, die met 
myn brieven als die van Battavia ende Suratte op Aleppo ge- 
sonden hadde; wil verhoopen dat cort naer het schryven der- 
selve, de schepen Dordrecht ende Weesp costy wel sullen ge- 
arriveert wesen, 't welck verlange te vernemen. Over de poinc- 
ten door UEd. myn aenge wesen sal XJE. hier vervolgens de- 
selve beantwoorden. Aengaende de missieve aen Haare Hooge 
Moog. geschreven, alsoo den inhouden derselver geenszins de 
affiairen van UE. preiuditierende was, advyserende Haare 
Hooge Moog. de coompste des Ambassadeurs ende de Batailie 
tegens de Portegesen voor Gamron geschiet; hebbe deselve 
ten respecte des waerdicheyts van Haare Hooge Moogende ge- 
slooten aen XJE. overgesonden ; doch bespeure uyt XJE. schry- 
ven dat beter waere geweest deselve open hadde gelaeten, doch 
alsoo van cleyne importantye ende myne subiectie (mijns oor- 
deels) niet minder schuldich was, hebbe de openinge oock de 
bestellinge aen XJE. authoriteyt laeten staen i). Dat UE. ver- 



*) De Bewindhebbers hadden hem den B^»" Januari 1626 geschreven : (Na 
de ontvangst bericht te hebben van z^ne brieven van 6 Mei 1624, 9 Sept. 
1624, g Febr., 17 Febr. en 10 April 1625) : 

„UE. sal in toecomende wel doen ende alleen schryven aen ons ende 
aen niemant anders, want wy de tydingen ende constitutie aldaer best sullen 
mesnageeren, behalven dat UE. immers ten minste uwe brieven open had 
behooren te senden, die wy (sulcx goet vindende conden sluyten en aen 
H. H. M. overleveren oft ten minste hadde UE. behoort daarvan copy 
aen ons te senden, opdat wy conden weten wat gy schryft) maer gelyck 
als boven geseght is UE. en zal in toecomende aen niemant schryven als 
aen de Compagnie selffs.** 



64 

wondert syn sedert myne brieven van den 10*"» April geen 
naerder schryven van hier becoomen te hebben, UE. syn ver- 
seeckert dat het aen geen naersticheyt, maer aen de onseeckere 
passagie ontbreeckt, soo door de rebellen van ABASSA PASSIA ') 
als door de belegeringe van Babiloniën, niettemin hebben UE. 
met brieven van dato 11 September onder coverte aen den 
Heer cornelio haga, over Constantinopilen geschreeven, welc- 
ken bode wy verstaen dat onderwegen omt brengen der brieven 
dootgeslaegen is, gelyck oock eenen anderen bode die uyt het 
leger van Z. M. per Aleppo meenden te gaen, sulcx eenige 
maenden synde verloopen dat noch op Aleppo noch van Aleppo 
harwaerts eenige brieven hebben connen gesonden werden." 

]5ij deze gelegenheid verzond hij op Aleppo, per via de Ba- 
biloniën, eene missAve van Zijne Majesteit — in antwoord op 
die van H. H. M. aan den vorst van Perzië gezonden — //op 
dat soo veel te eerder overcoome." De copieën van deze werden 
door hem 23 April en 23 Mei 1627 verzonden; bij die van 
laatstgenoemden datum voegt hij deze woorden : Dese copye al 
soo heel onseecker is oft op Aleppo, Smiernen (Smirna)' ofte 
Constantinopelen sal aenlangen, sende meer tot voldoeninge 
van UE. ordre *), als uyt vertrouwen dat sal terecht raecken, 
wesende (wetende?) de cooplieden die dese medenemen selve 
niet wat passagie sullen connen reysen." 

Bij herhaling komen Bewindhebbers in hunne brieven, zoo 
aan VISSNICH als aan Gouverneur-Generaal en Eaden van 
Indië, terug op het belang, dat er voor hen in gelegen was, 
steeds brieven over land uit Indië te ontvangen; en toen 
VISSNICH verzocht uit zijne betrekking te mogen worden ont- 
slagen, werden Gouverneur-Generaal en Eaden aangeschreven *) 



') ABBAS PACHA? ^) Bricf van 4 Augustus 1626. 

') 25 October 1628. Hij schijnt zijnen vervanger niet afgewacht, maar 
zich aan *s Compagnies dienst onttrokken te hebben, en is in 1680 in 
de nabijheid van Aleppo door order van den vizier usbeff pacha ver- 
moord, daar deze hem voor een spion hield. 

Zie een brief van coenelis uaoa uit Coustantinopel van den 7**" Aug. 



65 

hem door eeu bekwaam persoon te laten vervangen, //ende in 
zyne instructie sullen UE. hem expresselyck bevelen, dat hy 
met ons over Bagadeth ende Alep ofte Constantinopolen sai heb- 
ben te corresponderen, met goede geëxtendéerde brieven, alles 
in 't breede vervattende, daeraen ons gelegen is, ende dat soo- 
danige brieven sal senden, ten minsten alle twee maenden 
eens, met het dubbel van de voorgaende." 

Zeer gevoelig toonden zich Bewindhebbers in hun schrijven 
aan Gouverneur-Generaal en Eaden van Indië, den 24i^^^ Sep- 
tember 1636, dat zij niet evenals de Engelschen brieven had- 
den ontvangen. //Den directeur (van Perzië) NICOLAES JACOBSZ. 
OVERSGHIE schryft in zyne missive aen UE. dato 15 Maert 
1635, dat verscheyde brieven over Aleppo aen de Compagnie 
hadde bestelt en aen S^ jan van peen en geconsigneert ; 
onder anderen een in dato 24 January 1635 die by ons nooyt 
ontfangen is; synde syn jongste ons over Aleppo toegecomen 
dato . . 1) October 1634. 

Wy syn daerover te meer verwondert, omdat hy aldaer geen 
port betaelt, ten sy hem blycke by de handt ^an voorn, van 
PEENEN dat d' selve wel ontfangen syn. Waeraen het nu 
voorder mach haperen dat ons de brieven soo wel als d' En- 
gelsche *) niet behandicht werden, cunnen niet bedencken ; ende 
also nu geresolveert blyft dat alle Indische retouren sonder 
distinctie van Battavia naer 't vaderlandt in eene vloote ge- 
sonden sullen werden, sullen wy Syn Ed. met een briefgen 
aenmaenen, dat over Aleppo over verscheyden wegen en aen 
verscheyden parsoonen gesonden te mogen werden." 

Het verzenden der brievenpaketten door tusschenkomst van 
den koopman van peen en te Aleppo duurde slechts wei- 



1632. Kronyk Hist. Gen. 1868 blz. 414. In het Memorandum, door dirck 
SAECERIU8 aan zijn opvolger berckhout in Gamron gelaten, 1655, zegt 
deze, dat bij „huberti visnich omtrent Aleppo (apparcnt niet anders 
dan tot een regtvaardige straffe) vermoord is" enz. 

O Niet ingevuld. 

') Hieruit blijkt dat ook de Engelschen reeds hunne brieven over Aleppo 
ontvingen. 



66 

rjge jaren; de opperkoopman wollebrant geleynsz. de 
JONGE, Directeur van den handel in Perzië, berichtte aan de 
Bewindhebbers, bij zijn brief uit Ispahan van den 5<^e^ Oc- 
t'iber met een P.S. van den 20^^^ derzelfde maand 1641 het 
onderstaande : 

//Desen gaet onder cou verte van de Fransche Carmeliter 
Papen in Spahan morerende, om nu door haer confraters in 
Bagadet ende Aleppo woonende, by d' eerste oflFrerende gele- 
gentheyt naer Neederlant aen UE. te zenden; waervan ons toe- 
zegginge gedaen hebben; willen hoopen deselve door de goede 
recommandatie aen ditto's effectn sorteeren ende UE. ter be- 
hoorlycke tydt toecoomen sal. Bequaemer middel als over deesen 
wech hebben voor present niet, alsoo verstaen S"*. VAN PEE- 
NEN voortaen zich zelven om eenige brieven harwaerts ofte 
darwaerts te zenden, niet meer bemoeyt; dier oorsaecke deesen 
middel moeten gebruycken, te meer (als vooren geseyt) de 
paepen ons toesegginge gedaen hebben, sorge te willen dragen, 
dat by d' eerste offrerende gelegentheyt UE. toegesonden werde ; 
dat Godt geeve ende haere beloften presteeren." 

De in het begin van dit jaar naar Nederland gezonden 
brieven, waren mede reeds door hunne tusschenkomst naar 
Aleppo verzonden, en men had van daar bericht bekomen, dat 
ze met hunne brieven //per mare" met een Fransch scheepje 
naar Frankrijk waren afgezonden. 

Er zou echter weldra eene andere gelegenheid worden ge- 
vonden om de brieven op Aleppo te verzenden en wel over 
Bassora, aan het einde der Perzische Golf gelegen. 

In 1645 was de koopman dirck sarcerius met eenige 
ondergeschikten van Gamron derwaarts gezonden, ten einde 
aldaar het belang van den handel der Compagnie te bevorde- 
ren. Hij zond den 9^^^ Augustus 1645 de door hem mede- 
gebrachte pakketten, waarbij hij de zijne gevoegd had, van Bas- 
sora naar Aleppo met twee expres daartoe afgehuurde loopers; 
//om by ziekte offte overlyden van d* eene, den anderen als 
dan de boodschap voorders voltrecken mochte." In den brief 
ten geleide aan het adres van de Nederlandsche factors aldaar, 



67 

de Sieurs JOAN VLASBLOEM en GUILLIELMO BOLLIUS, ver- 
zocht hij die pakketten zonder eenig tijdverzoim met de eerste 
en best voorkomende gelegenheid te willen verzenden. 

Deze eerste proef slaagde evenwel niet best; in het door 
hem gehouden dagboek leest men hierover het volgende: 

Ady 16 December, tegen den avondt wierde ons naer lang- 
durigh te gemoet zien, door den Moorschen maeckelaer hagia 
AMETH bericht gedaen, dat een der twee by ons op den 
Ssten Augustus passato afigesonden expressen naer Aleppo, van 
daer huyden gantsch sieckelyck op een cameel binnen de stadt 
was gebracht; item dat denselven in 't opreysen door maele 
(slechte?) rescontre van roovers, syn metgesel, die dittoos 
om 't leven hadden gebracht, was quyt geraeckt, ende hy 
selven swaerlyck verwont, echter den dans noch waere ontspron- 
gen, ende naer groot suckelen, synde syn paert gestoolen, in 
Aleppo aengelanght, gelyck sulcx by de Nederlantsche factoors 
aldaer JOAN vlasbloem en jeremias bollius in haere 
missive van dato 10 October jongstleden, die ons gemelde 
maeckelaer nu mede ter handt stelde, wierde geconfirmeert, ende 
dat alvorens terselver plaetse aenquamp, twee maenden in den 
wegh was geweest, hebbende daerenboven 't pacquet aen onse 
Heeren Mayores in 't patria, welcke in meeninge waren binnen 
3 a 4 dagen met een goet Frans schip per Marseyllen ende 
soo voorts te versenden, opengebroocken bevonden ; recomman- 
derende zylieden mede, dat by al dien in toecomende weder 
eenige boden quamen per costy te senden, deselve aen de 
Padres Capucynen wilden addresseren, om als dan aen hun- 
lieden t' overhandigen, sonder den waerom te mentioneren." 

Genoemde heeren hadden bij dezelfde gelegenheid eenige 
Europeesche couranten aan hem toegezonden ^). 

Ook nu missen we de gegevens, waaruit zou kunnen blijken 
wanneer deze brieven in het vaderland zijn aangekomen; ze wor- 
den vermeld in den brief aan de Hooge Regeering te Batavia 
van den lO^en Maart 164!6. 



') Er wonlt niet gevonden welke C/onrantcn dit waren, dat te bejammeren is. 



68 

Langs dezen weg werden nu voortaan de brieven-pakkeiten 
van Suratte, de kust van Malabaar, Ceilon, C!oromandel, £en- 
gale, Malakka, Batavia, ja van China en Japan, die langs 
verschillende wegen te Gamron aankwamen, van daar meestal 
te water door den Persischeu Golf, soms ook over laml naar 
Bassora verzonden, van waar ze eerst met expres daartoe af- 
gehuurde, en later met vaste in dienst der Compagnie aange- 
nomen loopers of koeriers naar Aleppo werden gebracht, om 
dan met scheepsgelegenheid naar Europa hunne verdere des- 
tinatie te bereiken. 

Enkele jaren maken hierop eene uitzondering, wanneer na- 
melijk Bassora en omstreken door oorlog of onlusten geteisterd 
werd, waardoor de Paters Carmeliten meermalen genoodzaakt 
werden de stad te verlaten en naar Bagdad te vluchten ^); 
hadden ze hun klooster weder betrokken, dan gaven ze hiervan 
aan de bedienden te Bassora of te Gamron kennis, en het 
brievenvervoer had dan weder op de vroegere wijze plaats. 

Het zal wel onnoodig zijn er op te wijzen, dat het verzen- 
den der brieven steeds aan vele wisselvalligheden bleef bloot- 
gesteld, en dit zoowel wat het vervoer zelf betreft als den tijd, 
dien men noodig had om Aleppo te bereiken. We hebben reeds 
gezien aan welke ontmoetingen de Pattemaars soms blootston- 
den, en hoe hunne pakketten hun door Arabische roovers ont- 
nomen werden; dit geschiedde niet om in het bezit van die 
pakketten te geraken, maar ze verkeerden in den waan- dat er 
juweelen in werden verzonden. 

Van Bassora werd de weg door de woestijn genomen, hoe- 
wel ze gevaarlijker was dan die over Bagdad; ofschoon ook 
deze niet zonder gevaar was, had de eerste dit voor, dat ze 
veel korter was, daar men in 28 of 30 dagen te Aleppo kon 
wezen, terwijl men integendeel van Aleppo tot Bagdad 20 
dagen noodig had en van daar tot Aleppo nog 42 dagen, door 
of langs de steden Tiseer, Tigriet, Mousol, Nissebeen, Koets- 



*) In dergelijk geval werden de brieven van Gamron over Ispahan en 
Bagdad naar Aleppo gezonden. 



69 

hasar, Orpho en Biere *), zoodat het meer dan de helft ver- 
schilde; de afstand tiisschen Aleppo en Alexandrette was niet 
groot, men legde dien in twee dagen af. Toen de Nederlandsche 
koopman nicolaas mostert, op den l»^^ Maart 1665, de 
pakketten naar Alexandrette had verzonden, ontving hij den 6<*en 
daaraanvolgende, met een expressen koerier, brieven uit Gamron 
van den 9^^» Januari te voren, met verzoek die zoo dra moge- 
lijk verder te willen zenden. In de hoop dat het scheepje Jezus 
Marie, waarmede de reeds gezondene pakketten naar Venetië 
stonden overgevoerd te worden, nog niet zoude zijn uitge- 
zeild, zond hij het laatst aangekomen pakket met een expres- 
sen Walach(?), die aangenomen had het in 18 uren over te 
brengen. 

Maar voordat de brieven het vasteland van Europa be- 
reikten, hetzij dan Venetië, Livomo of Marseille, verliep 
er gewoonlijk wederom een geruime tijd; want niet altijd 
lagen er schepen zeilree, wanneer de pakketten in Aleppo aan- 
kwamen, en waren ze eindelijk aan boord, dan nog liepen ze 
gevaar hunne bestemming niet te bereiken, maar in handen 
te vallen van zeeroovers, die den Archipel en de Middelland- 
sche Zee onveilig maakten. Zoo was van de twee pakketten van 
den 16^6" Juni 1660, uit Gamron, een aan boord van de 
St. Jean Baptista naar Venetië gezonden; dit schip werd 
door Tripolitaansche zeeroovers in brand geschoten; het tweede 
pakket werd met het schip door de Algerijnen genomen, zoo- 
dat geen " van beide terecht kwam. En wanneer men nu be- 
denkt in welken toestand zich het postwezen in de 17^® eeuw 
in Europa bevond, dan zal het geene verwondering baren, dat 
de brieven tusschen de zes en zeven maanden onderweg zijn, 
van het oogenblik dat ze Gamron hebben verlaten, totdat ze te 
Amsterdam aankomen. 



*) Zie het Dagregister eener overlandreis blz. 108, aangehaald in de 
noot op blz. 54. 

De weg over Bagdad werd gewoonlijk door de Cafila's genomen, omdat men 
daar overal water vond, en in de woestijn soms in drie k vier dagen niet. 



70 

De brieven, die uit Nederland naar Indië werden gezonden, 
volgden gemeenlijk denzelfden weg ; ze gingen _ van hier ook 
over MarseiUe, Livorno of Venetië, soms ook langs de. drie 
wegen te gelijk; zoo schreef onder anderen de koopman jean 
LEGOUCHE, aan den Directeur te Gamron JOAN berckhoüt, 
uit Amsterdam den B^^^ November 1655: //Mr. Gisteren hebben 
over Marseille gesonden een gelyck pacquet, desen gaet over Ve- 
netiën, en noch een ander met desen post op Livorno, om per 
d* een off d' andere vias op spoedichste door Sign. NIGOLA 
MOSTAERT van Aleppo UE. toegesonden te worden. 

De vergaderinge ten 17"®. tegenwoordich, door de contagieose 
sieckte, tot Haerlem gehouden, my dese versendingh gerecomman- 
deert hebbende; Godt geve UE. die op spoedichste moogen toecoo- 
men; die op Suratte aen den Directeur hendrigk van gent, 
can UE. hem op 't bequaemste connen laeten toecomen, waermede 
besluytende, sal naer myne salutatie verblyven van UE. enz." 

Wanneer de brieven op de laatste wijze verzonden werden, 
dan werden hiervan later geene kopieën gemaakt. Het spreekt 
van zelf, dat de pakketten, naar Indië verzonden wordende, 
aan dezelfde gevaren waren blootgesteld als die, welke van daar in 
Nederland kwamen; in oorlogstijden werd dit gevaar nog ver- 
groot door den toeleg der Engelschen of Franschen om zich 
van de pakketten meester te maken of op ,ze te houden. 

//Het is met reden bedenckelyck — zoo schrijven Bewind- 
hebbers aan de Hooge Kegeering den U^^^ Mei 1670 — dat 
in de voorschreven brief (28 Febr. 1669) wort geschreven, 
dat de Carmelitanen in Bassora, aen dewelcke onse brieven, 
soo gaende als comende, overlandt werden geaddresseert, ende 
die de sorge van deselve voorttebestellen wort aenbevolen, alle 
Francen syn ; om kennisse van onse saecken ende gelegentheden 
mitsgaders doen ende verrichten te hebben, laét die natie haer 
tegenwoordich veel gelegen syn, mits welcke te wenschen wae- 
ren, dat men andere vertrouwde luyden ten eynde voorschreven 
konde uytvinden." 

Het jaar te voren (24 Aug. 1669) wordt aan den Directeur 
van den handel in Perzië, door Bewindhebbers geschreven: 



71 

//de brieven na 9 Mey over lant uyt Persien, kunnen wel op- 
gehouden worden by deze of geene Europesche natie, wanneer 
ze haer daeraen willen laeten gelegen syn; vermits deselve de 
handen van haere Geestelyckheyt veel moeten passeren, kan 
haer sulcx niet wel ontstaen, derhalven sal in 't schryven over 
dien wegh met circumspectie moeten worden gegaen." 

We zouden deze aanhalingen wel kunnen vermeerderen, maar 
het medegedeelde zal wel voldoende kunnen geacht worden; 
we moeten echter om der waarheidwille er bijvoegen, dat men 
van onze zijde er ook wel op uit was, om in oorlogstijden zich 
van de brieven meester te maken. Van Bassora schrijft de 
resident den 5<*^" Augustus 1665, aan de Bewindhebbers, dat 
de Engelschen mede pakketten brieven ontvangen hadden //op 
welcke om te attrapperen zal worden aengeleyt, om te onder- 
nemen of daeruyt niet eenig voordeel ten dienste van de Ge- 
nerale Compagnie in Indië te vernemen waeren." De Engelschen 
en de Hollanders waren kooplieden en hadden er belang bij, om 
zooals men dit wel eens noemt, elkander een vlieg af te vangen. 
De tyd, dien de brieven uit Nederland naar Perzië onderweg 
waren, was gewoonlijk ook tusschen de vijf en zes maanden, wan- 
neer ze langs de hiervoren aangehaalde wegen werden verzonden. 
Het maakte eene uitzondering, dat de brieven van de Bewindheb- 
bers van den 29s*«n Januari, 1665 binnen de vier maanden te Gam- 
ron en wel op den 24^*®" Mei waren aangekomen *) ; nog korter 
waren de brieven onderweg geweest, die uit Amsterdam den 
gsten -^qI yan hetzelfde jaar waren verzonden. //Soo deese dus 
verre, om per eerste occassie te zenden, getermineert lach, ge* 
wert ons per via de Aleppo, op primo deses, UE. H. Achtb. 
gesonden packet N. 3 over den wegh van Marseille, de dato 
23 April deses jaers uyt Middelburgh gcsonden en bygevoegde 
uyt Amsterdam van 8 Mey, dat al spoedich ovet^gelopen is, 



•„ »» 



2) Ze hadden daaruit met verwondering vernomen, dat de Engelschen 
den oorlog tegen den Nederl. Staat hadden begonnen, zonder oorlogsverkla- 
ring te nemen, en aanhaling van een aantal schepen, enz. 

l^Iissive, Gamron 24 Juni 1665. 



72 

« 

schrijft de resident JOAN DE VOGEL den 5d«n Augustus 1665, 
aan de Bewindhebbers uit Bassora, derhalve binnen de drie 
maanden *). 

"Wanneer soms door eene of andere omstandigheid, brieven uit 
Nederland over Kaïro werden gezonden, dan hadden deze geene 
spoedige reis; dezelfde brieven, waarvan hiervoren de aankomst 
gemeld wordt op den 24«*6n Mei 1665, kwamen te Gamron 
over Kaïro den 1^^^ November 1665. //Een derde packet van 
opgemelden datum (23 April en 8 Mei) is door eenige Ara- 
bische roovers verscheurd, en weinig papieren in Aleppo ge- 
bragt, die ons syn toegekomen. Het packet dat over Al Cayro 
was gesonden, kwam ons eerst den 7<*®" November met brieven 
van den 29*'ö" en 30«'en January 1665, sulcx dien wegh niet 
sal behooren te worden gebruyckt, synde 't selve te verre van 
de handt en de bestelling onseecker *)." 

Ook over Smima hadden de brieven eene lange reis ; de brie- 
ven van 15 Mei 1671, en die van 29 Augustus van hetzelfde 
jaar, werden eerst te Gamron den IQ^en g^j 26«*®" November 
1672 ontvangen,' //houden aldaer (Smima) de packetten op, tot 
dat er Armenische coopluyden naer Spahan reysen; van daer 
doordien sy langsaem reysen, het oponthoudt. Wy hebben der- 
waerts geschreven ') om in het vervolg ze met een expressen 
op Spahan te zenden, ende zoo ze geen trouwe loopers hebben, 
alsdan over Aleppo aen de Heeren fouqtjiers *). 



^) In de eerste dagen van November 1667, werden te (ïamron ontvangen 
brieven nit Nederland, loopende tot den 14^«a Mei en Nederlandsehe Ga- 
zeites van den 30*^*** Juni, waaruit ze met groote belangstelling vernomen 
hadden den roemrijken tocht van d£ rutter naar de Teems, enz. 

Missive, Gamron 3 December 1667. 

Uc namen der Couranten worden niet opgegeven; in 1678 worden Am- 
sterdamsche en Haarlemschc Couranten genoemd, die van Aleppo ontvangen 
waren. 

^) Brief van Gamron aan de Bewindhebbers, van 19 November 1665. 

') Aan de Heeren groenincx, heusch en broen. 

*) Missive van Gamron, 27 Januari 1673. 



73 

Een enkelen keer vindt men vermeld, dat er te Eassora 
brieven aankwamen over Tripoli en Groot- Kaïro >). 

In 1683 schreven de bedienden in Gamron aan Gouverneur- 
Generaal en Eaden van Indië *), betreffende het over land 
zenden der brieven uit Nederland, het volgende : //Dat de brie- 
ven van onse Edele Heeren Principalen, die haer Ed. Hoogh. 
Achtb. gewoon syn over den ordinaire landtwegh, uyt het lieve 
Patria na er costy over te remitteren, soo nu en dan al wat 
vry lange suckelen, en ons seer spade komen in handen te 
geraecken, en is niet de negligentie der Aleppische Consul, 
dan wel haere wandevoir te imputeren. Maer daervan d' oor- 
saecke, dat die over Livorne en Venetiën gesonden werden, 
die nooyt soo spoedigh dan die over Marseille te recht comen, 
maer al ten meesten deele te soeck raecken, gelyck oock haer 
Ed. Hoogh. Achtb. daervan voor ettelycke jaeren bericht is 
gedaen geworden; niettemin naer die waere constitutie eerst- 
daegs nogh grondiger ons van voorsz. consuls te informeren 
trachten sullen, onder exhortatie tot dier snelste voortportinge, 
gelyck oock 't elckens p'. ons sulcks is geeffectueert, en door 
die Mess', nooyt daerinne gemanqueert, maer de behoorlyöke 
sorge tot dato vigelanter gedraegen geworden; dat oock ge- 
noegsaem consteert uyt de laeste brieven de datis 30 Novem- 
ber en 25 February, mitsgaders 8 Juny 1682, welcke ons 
door haere vlyt redelyck spoedig syn toegebracht, en vervolgens 
door ons op soodaenige tyden en wyse naer d' Indische quar- 
tieren voortgeschikt, als XJEd. Groot Achtb. (soo verhoopen) 
reets uyt onse geringe letteren, op den 19^^^ April pr. 't jacht 
t. w. *) Van der Goes, over Ceylon afgevaerdight, in 't largo 
gebleecken sal wesen" enz. 

De Bewindhebbers kwamen hiertegen op; ze schreven aan 
de Hooge Regeering te Batavia *): 

//Soo men aen het voorverhaelde schryven van den 19^^^ 
Juny 1683 s) soude kunnen defereren, soude de brieven die 



O Missive, Bassora 19 Augustus 1665. *) Den 31«'«n Juli. 

3) Het wapen. 4) d^h 24«en juni 1684. «) 31 Juli 1683. 



74 

hier van daen over Marseillc gacD, doorgaens spoediger voort- 
ganck erlangen ende eerder overcomen, als die over Livorne 
gesonden werden, dat geensiuts kan wesen, alsoo wy gewoon 
syn te gelyck een stel over Marseille en een over Livorne te 
laten gaen. Evenwel sal het niet ondienstigh wesen, dat sulcx 
uaerder ondersocht wordt; mogelyck dat de gelegenthedeu om 
voort te raecken tot Marseille meerder voorvallen als tot Livorne.*' 

In hetzelfde jaar 1684, op den Uden December, melden 
Bewindhebbers aan dezelfde Kegeering: //dat zy berigt werden 
dat in eenige maenden geen schepen van Aleppo in Italië 
noch Franckryck zyn aengekomen, zoo dat ze in lang geen 
brieven uyt Persiën vernomen hadden." 

Er lag in dit bericht stilzwijgend opgesloten, óf dat er dus 
ook uit die havens geene schepen te Alexandrette waren aan- 
gekomen, waardoor hunne brieven konden worden overgevoerd ; 
óf wel dat de daar aanwezige geene lading hadden kunnen be- 
komen en derhalve niet konden vertrekken. 

Zoo was in den loop der 17^^ eeuw, het biievenvervoer 
naar en van Indië geregeld ; ' liet het veel te wenschen over 
wat spoed, veiligheid en kosten betrof, men zal echter ge- 
reedelijk met ons willen toestemmen, dat de Bewindhebbers 
der Oost- Indische Compagnie noch kosten noch moeiten spaar- 
den, om ook langs dien weg in correspondentie met Indië te 
blijven. 



AANTEEKENING OP Blz. 70. 

Op welke wijze de brieven uit Nederland in Italië kwamen 
in de eerste helft der 17^® eeuw, lezen we in de volgende re- 
solutie van H. H. M. van den lO^en September 1633: 

Dan IEL NYS, Nederlands coopman te Venetieu, levert by 
request over, dat hy veele jaren onder syn couverte van dese 



75 

landen tot Venetien en nae Constantinopolen et vice versa, ge- 
sonden had, al de brieven van H. H. M., zoo oock voor de 
Duytsche vorsten; ter belooning waervoor zynezoonen Philips, 
JAQUES en JOHAN van dese vorsten hadden bekomen, het Ge- 
nerael Postmeesterschap, en CJommissie om de brieven op en af 
te zenden, namelijck over Franckfort, Stutgardt, Tubingeu, Dut- 
lingen, Schaffhausen, Zurich, Sploech, Bergamo, Venetien in 
9 a 10 dagen, zonder *s vijandts bodem te raken. 

Hy verzoeckt voor zyne zoons almede met het Gen. Post- 
meesterschap begunstigt te worden, om langs dien weg of an- 
dere bequame wegen, om? de brieven in alle diligentie en ge- 
trouwicheyt op- en aff te senden ; hebbende tot dien eynde een 
bequaem persoon te Geulen aengestelt. 

Ten zelfde dage werd commissie gegeven voor zijne drie 
zoons als Generale Postmeesters //van wegen dezen Staet in 
Duytschland en gantsch Italië, mitsgaders de Levant en de 
Archipelago." 

In 1688 werd er bij H. H. M. //een concept beraamd om 
de route der posten te verleggen, gedurende by den tegen woor- 
digen toestand van zaken, om te blijven langs de oostzijde 
van den Kijn," zijnde de oude route van de posten van Hol- 
land op Duytschlandt, Switserlandt en Italien : van 's Graven- 
hage en alle Hollandsche steden over Nimwegen, door het land 
van Cuyck op Eoermond, alwaer geschiet de vereeniging met 
die van Braband, en loopen over Erkelens op Cuelen; vervol- 
gens over den Eyfeld, over de Moezel en den Hondtsrugh op 
Kreutsnacht. Van daer passeren sy aen de westzyde van den 
Palts, als: Altzey, Franckendael en Spiers op Rheinhausen, 
synde dicht onder Philipsburgh ; alwaer door een commies van 
den heer Prins van Taxis, de brieven naer Switserlandt en 
Geneve, van die naer het Rijck en Italien worden afgescheyden ; 
gaende de eerste over Straesburgh en Huningen op Bazel, en 
die naer Duytschlandt en Italien over Kanstadt op Augsburgh, 
alwaer weder de separatie naar het Eijck en Italien ge- 
schiedt." 

Nieuwe route die de posten uyt de Vereenichde Nederlanden 



76 

souden kunnen loopen, gedurende de tegenwoordige conjecturen 
met ï-ranckrijck: 

Op Utrecht, Arnhem, Emmerick, Eees, Wesel, Lipstadt, 
Cassel, Neurenborgh, Augsburgh. 

Die naer Franckfort kunnen de zijde van Dusseldorp houden, 
en (soo lange de "Franschen over de Eijn gaen) met die van 
de Stadt Geulen, door den Westerwald aen de Oostzyde van 
den Kijn derwaerts loopen ; sijnde de route van de soogenaemde 
coopmanspost. Want de tegenstaende postroute over de Moesel 
is den loop der Keyserlycke posten, om Braband te favoriseren 
voor die van de Vereenichde Nederlanden. 

Resolutie van H. H. Mog. van den 13^®" November 1688. 



EEN BRANDENBURGSCHE ZENDING IN NEDER- 
LAND IN 1685. 



DOOR ' 



Dr. P. L. MULLEB. 



(Uit de papieren van het Kon. Pruis. Geh. Staats-Archief.) 



In de zeventiende eeuw bezitten gezantschapsberichten nog 
een andere waarde dan als bron voor de kennis der geheime 
plannen en drijf veer en van vorsten en staatslieden. In dien 
tijd geven zij tevens nog een beeld van den toestand van het 
land, waaruit zij geschreven worden, van het karakter van 
personen niet alleen, maar ook van het volk, van de daar heer- 
schende zeden en denkbeelden. Gekleurd zijn die beelden na- 
tuurlijk, en men mag ze slechts met voorzichtigheid gebruiken; 
maar, waar men ze door andere berichten kan controleeren, 
zijn zij een zeer nuttige bron ook voor de inwendige geschie- 
denis der volken. 

Natuurlijk hangt het geheel van de persoonlijkheid van den 
schrijver af, en zou het een dwaasheid zijn hieronder alle be- 
richten te willen opnemen. 

Over Nederland bestaat een menigte berichten, die waarlijk 
verbazend is. Geen staat bijna of hij had, zoo al niet zijn ge- 



78 

zant, dan toch een min of meer officieel erkend agent in Den 
Haag, die van uit dat middelpunt van het diplomatiek verkeer 
zijn reeks berichten zond. Het Pruisisch staatsarchief bevat daarvan 
een enorme verzameling van zeer verschillend karakter en gehalte. 
Die, welke ik tot onderwerp van deze bladzijden heb ge- 
kozen, kwamen mij daaronder bijzonder belangrijk voor. Zy 
betreffen een zending van een der voornaamste staatsdienaren 
van den grooten Keurvorst, een zending, die tot doel had de 
beide Protestantsche hoofdmogendheden te hereenigen tot den 
grooten strijd voor de onafhankelijkheid van Europa tegen 

LODEWIJK XIV. 



I. 



In het vooijaar van 1685 stond het bitter slecht met de 
Statenvrijheid (om een woord van den grooten Keurvorst te 
bezigen) en met de onafhankelijkheid der volken van Europa. 

Frankrijk had een geweldigen oorlog gevoerd, alleen tegen 
een machtige coalitie, en had overwonnen. Bij den vrede van 
Nijmegen had het voorwaarden bedongen, die het in staat 
stelden om gedurig nieuwen roof aan zijn naburen te plegen. Zijn 
vijanden waren door dien vrede verdeeld geraakt, een nieuwe 
coalitie had in 1684 smadelijk het hoofd in den schoot moeten 
leggen, en de hoofdaanvoerder in den strijd, de Prins van 
Oranje, was zelf in een allergevaarlijksten toestand gebracht. 
Want, zoo geheel Europa in een heillooze verwarring en on- 
macht verkeerde, de Nederlandsche Eepubliek was er misschien 
het slechtst van allen aan toe. 

Zoodra de oorlog met Frankrijk na 1674 een min gunstigen 
keer begon te nemen, was de oude oppositie der Staten van 
Holland en vooral van Amsterdam weder ontwaakt. Zij begon 
het den Prins hoe langer hoe moeilijker te maken, wijzende op 
den ontzettenden last, dien de oorlog op het land deed drukken 
en op de hopeloosheid van den strijd. Eindelijk, in 1678, be- 
haalde zij, door den vrede van Nijmegen door te drijven, de 
overwinning. Van toen af begon een verbitterde strijd om de 



79 

oppermacht, een strijd, helaas veelal met onedele wapens ge- 
voerd. Omkooping en een met de vrijheden der steden onver- 
eenigbare inmenging in benoemingen werden door den Prins 
aangewend om zich in zijn gezag te handhaven ; een even onver- 
antwoordelijke halstarrigheid om het noodige geld te weigeren 
was het wapen der oppositie. Zoo werd de verbittering steeds 
grooter. 

De Prins, die meer oog had voor de algemeene belangen 
van Europa dan voor die van de HoUandsche steden, en die aan 
den strijd tegen de Fransche overheersching alles wilde op- 
offeren, en de stad, die niets dan haar handelsbelang zag, 
stonden weldra even vijandig tegenover elkander als in 1650. 
Kwam het tot een uitbarsting — en velen vreesden dat WILLEM iii 
zou trachten te volbrengen, wat aan willem ii mislukt was — dan 
was het ergste te vreezen. Wat er ook geschiedde, met de 
Bepubliek was het gedaan, hetzij de stad zich onderwierp, wat 
den Prins de volstrekte oppermacht zou geven, hetzij zij zich 
in de armen wierp van Frankrijk, wat een nieuw en erger jaar 
'72 zou te voorschijn roepen. Gelukkig dat de Prins een helder 
oog had voor het gevaar, om aan zulk een poging zelfs maar 
te denken. Maar ook zooals de toestand nu was, verlamde de 
oppositie van Amsterdam alles, wat hij tegen Frankrijk kon 
beproeven, en D*AVAUX, lodewijks slimme en in zijne mid- 
delen voor niets terugdeinzende gezant, liet niet na de stad op 
alle mogelijke wijzen in haar stelsel te steunen. 

Tot nu toe had zij denzelfden steun gevonden bij den Bran- 
denburgschen gezant V. diest, die, een creatuur van den 
zeer Franschgezinden Geheimraad meinders, eenigen tijd met 
d'avaUX in alles samenging en ook den twist tusschen den 
stadhouder van Friesland, Prins Hendrik kasimir v. nassau *) 



O Het geschil had zijn oorsprong daarin dat de Prins niet, zooals zijn 
neef hem beloofd had, door dezen was ondersteund in zijn poging om in 
1683 het leger met 16,000 man te doen vermeerderen. Het rees van lie- 
verlede zoo hoog, dat de Friesche stadhouder zich geheel aansloot hij de 
anti-stadhonderlijke oppositie. 



80 

en den Prins zooveel mogelijk aanstookte. Toen deze eindelijk 
door bemiddeling van de vorstin van Anhalt ') was bijgelegd, 
bleven toch in Friesland en Groningen de invloedrijkste leden 
van de Staten-vergadering de plannen van den Prins dwars- 
boomen, zoodat deze slechts door drie provinciën, die door de 
regeeringsreglementen onder zijn invloed stonden, en zoo nu en 
dan ook door Zeeland gesteund werd. 

Zoodoende was de Eepubliek machteloos. 

In Engeland was karel ii gestorven, en van zijn opvolger 
hoopte niemand veel goeds; de binnenlandsche beroerten, die 
de regeering van een Katholiek vorst deed verwachten, zouden 
dit land in alle geval buiten staat stellen om zich tegen lodewur 
te verzetten. Spanje was zoo diep gezonken dat het niets ver- 
mocht. Van het Duitsche rijk had lodewijk ook weinig te 
vreezen; al was ook de Franschgezinde partij niet zoo sterk 
meer als vroeger, toch had de vruchtelooze poging van het 
jaar '8é, om een rijksoorlog te beproeven, bewezen dat het 
te weinig macht had om zich te beschermen. £n de Keizer had 
den Turken-oorlog te voeren en vond het daarenboven meer 
overeenkomstig met zijn plicht zijn Protestantsche onderdanen 
te vervolgen dan zich tegen de Fransche rooverijen aan te 
kanten. Zoo was de algemeene toestand van Europa in het 
begin van 1685. Alles sidderde voor Frankrijk, maar niemand 
wilde of durfde een hand uitsteken, en elke nieuwe vertreding 
van het volkenrecht, door lodewijk gepleegd, werd goed- 
schiks kwaadschiks gedragen. 

De groote Keurvorst, die Brandenburg tot den tweeden 
staat van Duitschland had verheven, begreep evengoed als 
zijn neef, den Prins van Oranje, waarheen het voortduren van 
dien toestand voeren moest. Van 1679 tot 1684 toe had hij, 
geen heil ziende in een oorlog, steods aan het behoud van den 
vrede gearbeid. Hij was het vooral geweest, die de coalitie, 
door het Associatie-verdrag ontstaan, had omvergeworpen, maar 



^) Dochter van fbederik uenobik en beider tante. 



81 

nu begreep hij, dat een langer bewaren van den schijn vrede 
een zelfmoord was. Want dat lodewijk de Protestanten- vervol- 
ging in Bijn eigen land zou doen volgen door een aanval op 
het Protestantisme in Duitschland, geloofde hij zeker. £n dat 
hij daarenboven alle kans om Brandenburg tot een machtigen, 
onafhankelijken staat te verheffen moest opgeven, zoodra lode- 
wijk, zooals te voorzien was dat geschieden zou, voordat het 
twintigjarig Bestand geëindigd was, de oppermacht in Duitsch- 
land had verkregen, wist hij even zeker. Hem, het hoofd der 
Duitsche Protestanten, zou dan het verderf zelfs het eerst 
treffen. Hij moest dus alle krachten inspannen om het werk op 
te vatten, dat hij in het vorige jaar den Prins gedwongen had 
op te geven. Eeeds in het najaar begon hij daarmede. Ook 
zijn positie was hachelijk. Oostenrijk haatte hem; bij geen der 
Duitsche vorsten vond hij steun. Slechts met één land kon hij 
zich verbinden, met de Eepubliek. Maar daarmede lag hij vol- 
komen overhoop. 

HQ had het den Staten niet vergeven, dat zij hem bij den 
vrede van Nijmegen alleen hadden gelaten, dat zij hem daar- 
door gedwongen hadden zijn lievelingsplan, de verdrijving der 
Zweden van den Duitschen grond, op te geven. Terstond had 
hij een onmatigen eisch betreffende de hem door den Staat 
verschuldigde subsidiën gedaan, en alle pogingen van den Prins 
om de goede verstandhouding, waarvan zooveel afhing, te her- 
stellen, leden schipbreuk op zijn halstarrig vasthouden aan die 
eischen '). 

Toen daarenboven zijne Afrikaansche compagnie in botsing 
kwam met de West-Indische, vond h\i daarin een aanleiding 
tot nieuwe klachten en nieuwe vorderingen van schadevergoe- 
ding. En tevens zond hij een verklaard vriend van Frankrijk, 
V. DIEST, als gezant, die den toestand gedurig erger maakte. 



^) ooDART VAN RH£D£N, heer van Amerongen, was drie jaren vruchte- 
loos te Berlijn geweest om het geschil te vereffenen, en deze was nog wel 
persoonlijk zeer gezien bij den Keurvorst, met wien hij het bekende ver- 
bond van 1672 gesloten had. 

6 



82 

Toen nu eindelijk het Assodatie-tractaat tusschen de Bepubliek 
en Zweden tot stand kwam, zag men het zonderlinge schouw- 
spel dat de Keurvorst zich verbond met degenen, aan wie h^ 
den Nijmeegschen vrede te wijten had, en dat hQ met de 
Hollandsche Eegenten zijn natuurlijken bondgenoot, z^n vroe- 
geren pupil, den Prins, in alles dwarsboomde. 

Dat maakte den toestand geweldig moeilijk. Want nu hg 
eenmaal weder den vroegeren weg op wilde, en een nieuwe 
coalitie in het leven wenschte te roepen, moest de Keurvorst af- 
breken wat hij ijverig had helpen opbouwen. Hij had Amsterdam 
krachtig ondersteund en nu zou hij weder daar den meesten 
tegenstand vinden. Want, wat er ook gebeurde, in zijne vorde- 
ringen was hij te ver gegaan om ze terug te nemen, en Am- 
sterdam had waarschijnlijk niet den minsten lust daarvoor de 
beurs te openen. Er was slechts éen kans, dat het er toe be- 
sloot, als het tot het inzicht kon worden gebracht, dat de 
vredespolitiek verderfelijk was. Gelukkig kwam hierbij lode- 
WIJK XIV zelf hem helpen, die in het voorjaar van 1685 de 
vervolgingen tegen de Protestanten zoo ijverig hernieuwde, 
dat ook Amsterdam voor den algemeenen ondergang van het 
Protestantisme bevreesd begon te worden en dat vele regenten 
inzagen, dat slechts in eendracht redding was. 

Van den Prins verwachtte de Keurvorst slechts ondersteu- 
ning. Voor hem was het een straal in het donker, een eerste 
terugkeer tot een beteren tijd. Zelfs al had h^ niet hooghartig 
genoeg gedacht om den Keurvorst zijn vroeger gehouden ge- 
drag te vergeven, zelfbehoud moest hem dit verbond doen 
aannemen. In den winter ') had hij dan ook door den Predi- 



') Toen de Keurvorst ook reeds v. diest een anderen toon had doen 
aanslaan en hem toenadering tot den Prins had bevolen, wat deze terstond 
met verzekering van zijn wensch om met den Keurvorst samen te werken 
beantwoordde. Sinds dien tijd was v. diest dan ook druk in de weer, 
vooral bij Amsterdam, om op een verzoening met den Prins aan te dringen, 
waartoe de oppositie, en vooral haar hoofden hop en hudde, tot groot 
verdriet van de middelpariy, die door v. beuningen werd aangevoerd. 



83 

kant GAULTIER den Keurvorst eenige openingen gedaan, en 
deze beloofde hem een zijner bekwaamste staatslieden te zenden. 

Deze moest trachten de Staten te bewegen om de vorderingen 
van den Keurvorst, tot een matige som teruggebracht, in te 
willigen, Amsterdam overhalen zijn oppositie te staken, en ten 
derde een nieuw verbond sluiten. 

Voor deze moeilijke taak was v. diest niet berekend. Zelfs 
al ware dit het geval geweest, hij was niet genoeg te vertrouwen. 
De Keurvorst koos in zijn plaats denzelfden man, die in het voor- 
gaande jaar naar Holland was gereisd om daar het Twintig- 
jarig Bestand door te drijven; den eenigen, dien hij in staat 
rekende om het toen gebouwde weder af te breken. 

Het was de geheimraad en opperpostmeester paul von 
FUGHS, een man met alle geheimen der politiek bekend, door 
zijne zending in het vorige jaar ook meer in het bijzonder 
met de Hollandsche zaken, en bij beide partijen goed aange- 
schreven. Want hij had vriendschap weten aan te knoopen 
met de Amsterdamsche regenten, zonder zich bij den Prins ge- 
haat te maken, die, zoodra hij van het plan hoorde om hem 
naar de Eepubliek te zenden, het zeer toejuichte. 

Het was een eigenaardige eigenschap van dezen diplomaat 
dat hiy steeds met alle partijen op een betrekkelijk goeden voet 
wist te staan, zoodat hij niet alleen na den dood van frederik 
WILHELM zijn hooge betrekking bleef behouden, maar zelfs de 
eenige was, die niet in den val van dangkelmann werd mede- 
gesleept, waarbij hij wel zijn post van opperpostmeester verloor, 
maar toch voor het oog der wereld althans niet als de andere 
ministers in ongenade viel, en zijn plaats in den geheimen raad 
behield, hoewel zijn politieke rol toen was afgespeeld. 

De slimheid, welke zijn naam eer aandeed, waarmede hij elke 
moeilijkheid wist op zijde te schuiven en zich naar elke omstan- 
digheid te schikken, de menschenkennis, die hij bij het behandelen 



niet kon beslaiten. Zij vreesden steeds dat de Prins de privilegiën der stad 
zon vernietigen. Vgl. Relationen v. f. w. v. diest aiis dem Haage 1684 
en 85. (HS. K. Pruis. Geh. Staatsarchiv.) 



84 

der zaken ten toon spreidde, maakten hem in het b^zonder 
voor de taak berekend, die hem nu was opgedragen. Zijne 
brieven geven tevens een zoo helder beeld van den verwarden 
toestand van de Bepubliek, en tegelijk van de daar heerschende, 
ons wel wat wonderlijk voorkomende zeden, dat men niet 
anders dan bewonderen kan dat hij in zoo korten tijd zooveel 
inzicht in de zaken niet alleen, maar tevens in het karakter 
der Nederlanders had weten te verkrijgen. Zij geven soms een 
zekeren humor te kennen, die hem ten allen tijde en in alles 
bijbleef en hem zelfs het onaangenaamste met groote gelaten- 
heid deed dragen. • 

Grooten ijver voor de hem opgedragen belangen en een juiste 
waardeering van het gewicht daarvan kan men hem ook niet 
ontzeggen, ja aan zijn beleid moet voor een goed deel de ver- 
zoening van Brandenburg en Nederland en zelfs die van den 
Prins en Amsterdam worden toegeschreven. Juist daarom is 
dan ook zijn werkzaamheid hier te lande zoo merkwaardig. 



II. 



In Mei 1685 vertrok FUCHS van Berlijn, voorzien van de 
noodige geloofsbrieven, niet alleen zooals gewoonl^k aan de 
Staten-Generaal en den Prins, maar ook aan de stad Amster- 
dam, Prins HENDRIK KASIMIR VAN NASSAU, den Veldmaar- 
schalk vorst GEORGE FREDERIK VAN WALDECK, FAGEL, 

den heer van Amerongen en de Stenden van Oost-Friesland. 
Met deze laatste ën met waldeck had de Keurvorst kleine 
geschillen, meest van geldelijken aard, die hij tegelijk afgedaan 
hebben wilde. 

FuCHS ontving daarenboven een zeer uitgebreide instructie, 
waarin de Keurvorst zijn inzichten aangaande alle toen hangende 
quaestiën duidelijk blootlegde. In den aanhef werd gezegd 
dat, daar de dood van den Koning van Engeland en het sluiten 
van het Twintigjarig Bestand de meeste vroegere verbinte- 
nissen vernietigd hadden of althans geheel van aard doen ver- 
anderen, het noodig was dat de Keurvorst zich nauw met de 



85 

Staten-Generaal en den Prins van Oranje verbond, die in alle 
opzichten dezelfde belangen als hij hadden. 

FuCHS moest dus (art. 1) zich in hoedanigheid van Envoyé 
Extraordinaire naar den Haag begeven en aan v. diest vragen 
of hij zijne laatste instructie reeds had opgevolgd '). 

2®. Hij moest zich bij de Staten in een publieke audiëntie 
of door een memorie, al naar hem het beste voorkwam, aan- 
melden. 

3^. Ingeval hij een audiëntie koos, bleef het aan zijn bekende 
//dexteritat" overgelaten, hoe hij van de oprechtheid van de 
bedoelingen zijns meesters de verzekering wilde geven. 

4^. Dit laatste moest hij ook doen in de te houden confe- 
rentiën met de gedeputeerden, en daarin daarenboven verklaren, 
dat de Keurvorst in alles met de Staten samengaan wilde. 

5<*. *) Om dit laatste doel te bereiken, moest hij bo- 
venal de bestaande geschillen uit den weg trachten te ruimen, 
die, een ware steen des aanstoots, alle goede verstandhouding 
onmogel^k maakten. De Keurvorst vroeg wel niets onbillijks, 
maar wilde toch er over onderhandelen. Voor alles moest hij 
daarom aan de Staten een verklaring vragen omtrent de aan 
AMERONGEN bij ziju vertrek uit Berlijn medegegeven memorie '). 

6®. Van hetgeen hij thans als ultimatum stelde, zou de 
Keurvorst füCHS tijdig kennis geven, zoowel omtrent de sub- 
sidiën als over het //Wappen von Brandenburg" *). 



^) Daarin werd aan v. diest bevolen de goede verstandhouding met de 
Staten-Generaal in alle opzichten te doen voortduren (beter ware gezegd 
te hernienwen) en met den Prins in alles samen te gaan et consiliis et 
aetionibut, Instr. van 30 Maart en 10 April in de Relationes van y. diest 
über 1685. 

') In het eerste concept der instractie stond een ander vijfde artikel, 
waarin rucHS bevel kreeg om de Staten te polsen over een verbond ter 
bescherming der verdrukte Fransche Protestanten. Dit werd later geschrapt, 
waarsch^nlijk nit voorzichtigheid. 

') In deze memorie, gedateerd van 7 tot 17 November 1684, had de 
Kenrvorst al zijn eischen blootgelegd en verklaard hierop te blijven staan. 

^) Dit Brandenborgsch schip wds op de kast van Gninea door twee Ne- 



86 

7®. Wat den Prins betrof, dien moest FUGHS zgn dank 
betuigen dat hij zijn goede diensten tot vereffening der geschil- 
len had aangeboden. 

8®. Hoewel de Keurvorst er belang bij had, dat de onafhan- 
kelijkheid der HoUandsche steden bewaard bleef, moest FUGHS 
zich toch zoodanig tegenover Amsterdam gedragen, dat de 
Prins en diens vrienden er geen argwaan over konden opvatten. 
Hij moest er echter wel heengaan om persoonlijk met de re- 
genten te spreken. Het zou den Keurvorst zeer aangenaam 
z\jn als alle geschillen in de Bepubliek bijgelegd werden. 

9^ Aan fagel en amerongen moest fughs de belangen 
van den Keurvorst aanbevelen. 

10^. Hij moest nauwkeurig acht slaan op de verhouding 
van Engeland tot de Staten '), waarvan de meerdere of min- 
dere voldoening van de Brandenburgsche eischen grootendeels 
afhing. Omtrent Koning jacob moest hij zich niet ongunstig 
uitlaten, ja zeggen dat de Keurvorst van hem meer dan van 
zijn voorganger een inmenging in de algemeene belangen van 
Europa hoopte, hoewel hem natuurlijk 's Konings overgang tot 
het Katholicisme speet. Opdat hij steeds goed op de hoogte zou 
zijn van hetgeen in Engeland voorviel, moest de Brandenburg- 
sche gezant aldaar, SPAN HEI M, met hem in correspondentie 
treden. 

* 

ll^'. Omtrent de Spaansche subsidiën ^) moest hij de hulp 
der Staten en van den Prins inroepen. Daar de Spaansche 
Gouverneur der Nederlanden beloofd had er op aan te dringen, 
kon men er vrij over spreken. 

13®. Hij moest met den Prins, fagel en de Keizerlijke 
gezanten over de maatregelen* spreken, die tegen Frankrijk 



derlandsche genomen. De zaak maakte veel gerucht en de Keurvorst dsdite 
hooge schadevergoeding. 

O Die op het oogeublik, door de bekende Bantamsche geschillen, niet 
te best was. 

2) Spanje was sinds het jaar 1678 eenige millioenen '.thaler ten achter 
van de bij het tractaat van 1674;. bepaalde subsidiën. 



87 

genomen moesten worden, als lodewijk de geheele Spaansche 
successie voor zijn zoon eischte, maar hierbij de grootste 
voorzichtigheid en discretie in acht nemen om niemand achter- 
docht te geven. Daarom moest hij d'ayaux van de goede be- 
doelingen des Keurvorsten verzekeren. 

Een paar andere punten betroffen de fientheimsche, Keul- 
sche en Oost-Friesche zaken; zij zijn voor ons onderwerp van 
geen belang. — Buitendien ontving FUCHS nog een tweetal 
instructiën. In de eerste werd hem aanbevolen om bij den Prins 
te vernemen of hij reeds eenige schikkingen omtrent zijne er- 
fenis had gemaakt. Voor den Keurvorst was dit van het grootste 
belang, daar volgens het testament van frederik 'hendrik 
de erfenis aan louise henriette, de eerste echtgenoote van den 
Keurvorst, moest komen, als de mannelijke lijn uitstierf, maar 
dit had slechts tot het derde geslacht bindende kracht. De an- 
dere instructie, een geheime, beval FUGHS aan om den Prins en 
de //weigezinden" *) te beduiden, dat de Keurvorst niet op zijn recht 
wilde blijven staan, maar als hij redelijke voorwaarden kreeg, 
gaarne iets van zijn eischen wilde terugnemen. Er werd bij 
gezegd, dat hij zijn voorwaarden niet kon opgeven daar die 
naar de t^dsomstandigheden moesten geregeld worden. 

Verder kreeg FUCHS daarin bevel om met van beuningen 
over sommige (er staat niet bij welke) zaken te blijven corres- 
pondeeren, maar met de grootste voorzichtigheid om den Prins 
niet te kwetsen. 

Al deze stukken waren gedateerd van den 28**®" April, (oude 
stijl) *). De bedoeling van den Keurvorst was in deze instruc- 
tiën duidelijk uitgedrukt omtrent alle zaken, behalve de eigenlijke 
hoofdzaak, het verbond tegen Frankrijk. Mogelijk is het, dat 
hij dit niet aan het papier durfde toevertrouwen, want uit 



1) Het is merkwaardig dat dit woord toen in de diplomatie zulk een 
rol speelde. Ieder staatsman heeft het in den mond, als hij van zijn aan- 
hangers spreekt. De Franschen en twee jaren vroeger v. diest noemden zoo 
de antistadhonderlijken ; thans waren het de vertronwden van den Prins. 

«) 8 Mei Sti. No. 



88 

alles blijkt, dat het officiëele doel der zending slechts een ge- 
deelte van den last uitmaakte, dien FüGHS uit te voeren had. 

Over Hanover en Keulen, waar hij met de leidende staats- 
lieden gewichtige, en vooral op de vereeniging van de Noord- 
Duitsche staten tegen Frankrijk betrekking hebbende, gesprekken 
hield, reisde hij naar den Haag, waar hij den 26"^° Mei 
aankwam. ^) 

Dadelijk na z\jn aankomst ontving hij een bezoek van den 
heer VAN AMERONGEN, met wien hij te Berlijn zeer vriend- 
schappelijke betrekkingen had aangeknoopt, en van den heer 
VAN HEEGKEREN, den eersten gedeputeerde tot de Buiten- 
landsche Zaken. Beiden verzekerden hem, dat zijn komst den 
Staten en vooral den Prins hoogst aangenaam was, en dat men 
in de Eepubliek niets liever wenschte dan een goede verstand- 
houding met den Keurvorst. 

In den laten avond verscheen amerongen ten tweeden male bij 
hem, om hem in vertrouwen den stand van zaken bloot te leggen. 
Hij kwam hem vooral waarschuwen tegen de zonderlinge ge- 
ruchten, die de Franschgezinden omtrent zijne komst verspreidden. 

En niet alleen onder de geringere klasse, ook bij de regenten 
waren die in omloop. 

Zoo pas was de Pensionaris van Amsterdam, Mr. jagob 
HOP, bij AMERONGEN gewcest, en had hem medegedeeld, dat 
in Amsterdam verhaald werd dat fughs met den Prins kwam 
onderhandelen over een aanslag tegen de stad, hetgeen in dezen 
tijd licht kwaad bloed kon zetten, daar de verwijdering tus- 
schen den Prins en de stad grooter was dan ooit. 

Nog vreemder waren echter de geruchten, die in het Noorden 
over de plannen van den Keurvorst liepen. Bumpf had uit 
Stockholm geschreven, dat men daar zeker wist, dat Branden- 
burg een verdrag gesloten had met Frankr^k en Engeland om 
Nederland onderling te verdeelen; en MOERIng berichtte het- 
zelfde uit Koppenhagen. 



^) Hierop beginnen de berichten van vuchb nit Nederland. Het eertte 
il van 26 Mei. 



89 

De Besident valgkenier te Begensburg, (die trouwens altijd 
vijandig tegen den Keurvorst was gezind geweest en daarvan 
vele blijken had gegeven) ') had zelfs weten te verhalen, dat 
de Keurvorst van plan was een // Kurfurstentag^^ te doen bij- 
eenroepen, om daar den Keizer een coadjutor te doen toe- 
voegen, en dat hij ook niets weten wilde van een hernieuwing 
van het Lauenburgsche verbond. *) 

Hoe ongerijmd ook, het was zaak deze geruchten snel te 
doen weerleggen, en in overeenstemming met amerongen 
haastte fughs zich dan ook een brief aan v. beuningen, 
met wien hij het vorige jaar bevriend was geworden, te schrij- 
ven, wien hij daarbij verzocht een vertrouwd persoon naarden 
Haag te zenden ten einde dien de inzichten van den Keurvorst 
omtrent de Eepubliek mede te deelen. Y. beuningen schreef 



^) Hij had nl. in Angnstas geschreven, dat de Keurvorst op den Ryksdag 
pogpngen had aangewend om de Republiek van het twintigjarig Bestand 
te doen nitsloiten. ïbederik wilhelm ontkende dit ten sterkste, en tusschen 
V. DiEST en 7AOEL gaf het aanleiding tot gesprekken, waarin de Raadpensi- 
onaris zich alles behalve eerbiedig omtrent den Kenrvorst uitliet, wat trou- 
wens niet te verwonderen was, als men bedenkt dat de Keurvorst door 
rucHB en diest zoo druk in Holland geintrigeerd had, dat alleen daaraan 
de aanneming van den wapenstilstand door de Republiek, welke die van het 
Rgk, Zweden en Spaig'e ten gevolge had, toe te schrijven was. Zelfs de anders 
zoo kahne willem III was daar zoo over verontwaardigd, dat v. diest schreef 
„dasz des Frintzen gemüth nicht genug calmert und in stande se\jn soU 
sich deswegen (eene bemiddeling van den Keurvorst tusschen Amsterdam 
•n den Prins) vetnehmen zu laszen." 

*) Volgens Prof. drotsen (Greschichte der Preussische Politik, III.) be- 
richtte vucHS den 5 en 15 Maart (men bedenke wel, dat fughs toen nog 
hoog en droog te Berlijn was) behalve deze nog vele andere dingen; zoo- 
dat men zeide dat de Prins aan den Keurprins de erfopvolging en het stad- 
houderschap had beloofd; dat hij aan Prins hend&ik kasimir de survi- 
vance van zijn hooge posten had toegezegd enz. Dit alles is mij niet mogen 
gelukken in den blijkbaar bedoelden brief van 26 Mei te vinden. 

Ook vergist zich drotsen, als hij zegt dat fughs terstond naar Am- 
sterdam kwam. Misschien brengt het gebruik dan eens van ouden dan van 
nieuwen stijl hem hier in de war. In alle geval dient men zich voor de groota 
onnauwkeurigheid van drotsen zeer in acht te nemen. 



90 

hem echter terstond terug, dat hij liever had dat de gezant zelf 
te Amsterdam kwam, hetgeen zeker veel zou uitwerken. 

Na zich daarop met v. diest over den stand van zaken 
nog nader te hebben onderhouden, ging FUGHS den 27^° zijn 
eerste bezoek bij den Prins afleggen. Hij vond dezen op zijn 
geliefd Honselaersdijck, en werd met groote voorkomendheid 
ontvangen. Meer dan twee uren duurde het onderhoud, waarin 
de Prins zich bitter beklaagde over de houding van Frankrijk, 
dat hem, hoewel hij sinds het sluiten van het Bestand geen 
vin verroerd had, toch van een groot gedeelte van zijn inkom- 
sten had beroofd door het Prinsdom ORANJE in beslag te nemen. 
Aan den invloed van d'avaux schreef hij het ook vooral toe, 
dat elke poging tot een schikking met Amsterdam mislukte. 
Verder waarschuwde hij FUGHS tegen den Engelschen gezant 
SKELTON, die het gerucht verspreidde, dat argyle door den 
Keurvorst met geld werd ondersteund. *) 

Geen woord werd in het geheele gesprek gezegd over de hou- 
ding van den Keurvorst in de laatste jaren, een houding, waar- 
over niemand meer dan de Prins te klagen had. 

Integendeel gaf deze aan het einde van het gesprek blijk 
van zijn grooten politiek en tact door fughs uit eigen bewe- 
ging mede te deelen, dat hij omtrent de erfopvolging van oranje 
niets ten nadeele der Brandenburgsche prinsen had beschikt, 
waardoor, hij zoowel fughs als zijn meester zeer voor zich 
innam. Of hij er de lucht van had dat FUGHS ook daaromtrent 
berichten kwam inwinnen, blijkt niet; mij komt het waarschijnlijk 
voor, dat hij het vermoedde, zonder eenigen anderen grond dan 
de waarschijnlijkheid. In alle geval was het een zeer gelukkige 
greep. 

Na zyn gesprek met den Prins had fughs een ander onder- 
houd, even lang en over dezelfde onderwerpen loopend, met den 
Eaadspensionaris. 



^) Men zal zich herinneren, dat deze juist toen ter t^d den ongelnkkigen 
aanslag tegen Schotland beproefde; en dat de Hertog van monmouth 
zich tegelijk in Holland tot z\jn oadememing tegen Engeland gereed maakte. 



91 

Drie dagen later had de publieke audiëntie bij de Staten, 
Generaal plaats, die FUCHS op raad van fagel en ame- 
RONGEN, terstond had aangevraagd. Hij hield hierbij een korte 
redevoering in het Eransch, waarin hij het officiëele doel zijner 
zending blootlegde, en verzocht dat men spoedig met hem in 
conferentie daarover zou treden. 

De reden waarom hij zijne redevoering in het Fransch hield 
is zonderling genoeg. Geen der toen aanwezige veertig leden 
der Vergadering verstond nl. zoo veel Duitsch, dat hij zijne 
geloofsbrieven, die in het Duitsch waren, had kunnen lezen. 

ROMSWINCKEL en BLASPEiL, de voorgangers van v. diest, 
hadden zich steeds van het Hollandsch bediend, wat hun en 
door hun lang verblijf in Nederland, en doordat zij uit het Kleef- 
sche waren, gemakkelijk viel. 

Den 6*«»> Juni had fuchs daarop een eerste conferentie 
met de acht gedeputeerden tot de Buitenlandsche Zaken, waar- 
onder zich fagel en amerongen bevonden. Hij leverde er 
volgens gewoonte schriftelijk de eischen van den Keurvorst in, 
die daarop door de gedeputeerden aan de Staten-Generaal, en 
door dezen weer aan hun respectieve meesters werden voorge- 
legd, zooals de omslachtige samenstelling van onzen staat dat 
eischte. Zeker zouden er dus eenige weken verloopen, vooraleer 
de gedeputeerden genoegzaam geïnstrueerd waren om de eigen- 
lijke onderhandelingen te beginnen. 

FuGfis maakte van dien tusschentgd gebruik om conferenties 
met den Prins, fagel en amerongen te houden, en bij de 
leden van het corps diplomatique de noodige visites te maken, 
wat in dien tijd van étiquette een zaak van gewicht was. 

De gewoonte was dat een Envoyé Extraordinaire bij alle 
andere vreemde ministers zijn komst aankondigde ; bij hen, die 
den rang van Ambassadeur* hadden bracht hij zelf daarop het 
eerst een bezoek ; van de andere Envoyés en Besidenten ontving 
hij het eerste bezoek, dat hij dan binnen kort moest beantwoorden. 

Hij was daardoor genoodzaakt het eerst d'avaux te bezoe- 
ken, dien hij voornamelijk kwam tegenwerken. Beide diplomaten, 
hoewel d'avaux niets goeds van FUCHS verwachtte, betuigden 



92 

elkander hunne diepe hoogachting en de genegenheid hunner 
meesters voor elkander. 

Van meer beteekenis was zijn gesprek met den ridder KRAMP* 
RIGH, die sinds jaren den Keizer in den Haag vertegenwoor- 
digde, en die den zonderlingen titel van Eesident-Plenipoten- 
tiaire voerde, (wat groote moeilijkheden in de étiquette gaf). 
Deze betuigde hem dat hij hoopte, dat Koning jagob geen 
poging zou doen om den godsdienst in Engeland te veranderen. 
Hij voegde er bij, dat men dit ook in Spanje hoopte; dat de 
Spaansche gezant in Engeland, DON PEDRO RONQUILLO, 
het den Koning had aangeraden, die, hierover verbaasd dat een 
Spanjaard hem van gewetensvrijheid sprak, hem toevoegde: 
//Est ce que ceci se pratique en Espagne?" waarop RONQUiLLO 
antwoordde, // Sire, c^est pour cela que nos affaires sont si mal.*' 
Het was maar jammer dat de Spanjaarden toch op den ouden 
weg bleven voortgaan. 

Omtrent den Prins en fagel kon ftjghs reeds den 4d«° 
schrijven, dat z^ hun best deden om het vergel^k tot stand 
te brengen. De Prins had hem verzekerd, dat hij voor zes pro- 
vinciën instond dat zij in alle redelijke eischen zouden toe 
stemmen, echter niet voor Holland. Maar ook de antistadhou- 
derlijken waren druk in de weer. Hop had wederom zijn vrees 
te kennen gegeven, dat het eigenlijke doel van fughs zending 
de regeling van de opvolging in het stadhouderschap betrof. 
Het was dus dringend noodig dat FUGHS zelf naar Amsterdam 
ging, waarop ook FAGEL zeer aandrong. Ook in Friesland waren 
de vijanden des Prinsen zeer machtig, en de geheele toestand 
scheen aan FUGHS zoo donker, dat hij in zijn brief aan den 
Keurvorst zegt: 

//Gott der Allmagtige verhiite dasz die passiones und in- 
trigues, welche jetzo im Staat -regiren, demselbe nicht den 
garausz machen, welches sehr zu befiirchten." 

Want ook binnen in Holland was een hevige strQd ontbrand 
tusschen de ridderschap en Amsterdam en Leiden over het be- 
talen der troepen, en voortdurend bleef Amsterdam zich ver- 
zetten tegen het invoeren van de nieuwe regeling der convooien 



93 

en licenten, die door de andere steden en vooral door Rotter- 
dam werd voorgestaan. 

Zoo verdeeld was de Bepubliek nog nooit geweest, zoodat 
de vrees van fughs niet ongegrond kon genoemd worden. 

Hij besloot echter zijn best te doen om tot het bijleggen 
er van mede te werken. Hij kwam daardoor de laatste bevelen 
van den Keurvorst na, die hem bij een schrijven van den 2*«" 
Juni dit bijzonder op het hart had gedrukt. 

Diens volgens reisde hij den 1^^^ naar Amsterdam, alwaar hij 
reeds den volgenden morgen in het Heeren-Logement, waar 
hij was afgestapt, een bezoek van zijn vriend van beuningen 
ontving, die dit jaar regeerend burgemeester der stad was. 

Beeds toen begonnen zich teek enen van groote melancholie 
bij den ouden staatsman te vertoonen, en l^j was dan ook 
volkomen wanhopig over den toestand van zaken. 

Hij beweerde, dat de Prins niet volgens de privilegiën re- 
geerde '), en dat daarom alleen de stad zich tegen hem verzette, 
die hem in het geheel niet van zQn macht berooven wilde, 
wat den ondergang van den Staat na zich zou sleepen. Ook 



^) Deze klacht was reeds oad. Toen de Prins in September 1684 zyn 
geschil met Amsterdam door den geneesheer mariéchal wilde beleggen, 
zond de stad nikolaab witsen naar den Haag, die verklaarde dat de 
stad in goede eendracht met den Prins leven wilde, mits 1^ de Provinciën 
volgens de Unie en haar privilegiën werden geregeerd; 2° dat alle ambte- 
naren hnnne instractiën nakwamen; 3^ dat de lasten meer geiykmatig ver- 
deeld werden; en 4fi dat er geen belastingen werden geheven, die den bloei 
van den handel in het hart troffen. Daar de Prins dit alles beloofde, was 
de staat van oorlog voor 1685 aangenomen. Maar kort daarop had 's Prin- 
sen doorreis door Amsterdam plaats, en zign weigering om de gast van de stad 
te z^D, hetgeen zelfs van beuningen tegen hem in het harnas joeg; en 
daarop volgde in November de verkiezing der Dordtsche mannen van achten 
en het geschil tusschen het Hof van Holland en de stadsregeering dienten- 
gevolge, wat de Amsterdammers opnieuw voor een verkrachting hanner 
privilegiën, ja voor geweld van de zjgde van den Prins deed vreezen, en 
sinds dien tijd was de toestand onveranderd gebleven. De correspondentie 
van V. DifiST over 1684 behelst hierover een tal van hoogst belangrijke 
b^zonderheden. 



Ik 



94 

persoonlijk beklaagde hij zich over den Prins, die hem volgens 
zijn zeggen vervolgde. Fughs ontkende dit laatste en gaf nog 
niet alle hoop op een schikking verloren, als b^ beide partyen 
goede wil bestond, van beuningen antwoordde, dat dit by 
de regeering der stad wel het geval was, en dat deze geen 
kennis droeg van de uitrusting der schepen voor monmouth, 
waar de Prins even sterk over klaagde als skelton. 

Fughs geloofde dit; en hoewel de Brandenburgsche com- 
missaris te Amsterdam, romswingkel hem denzelfden dag 
mededeelde, dat de Helderenberg, een van de door monmouth 
gewapende schepen, waarop zich, zooals men weet, de Hertog 
zelf met grey en andere hoofden van de onderneming bevond, 
in zee was gestoken, berichtte hij aan den Keurvorst dat de 
stadsregeering er geen schuld aan had, maar dat de zaak al- 
leen door particulieren werd bevorderd. 

Naar het schijnt zag FUGHS daarin juist, en had de regee- 
ring er geen deel in; maar hij vergat, dat het niet verhinderen 
van het uitzeilen der schepen hier evenveel beteekende als 
het bevorderen er van. En zeer zeker zagen de Amsterdamsche 
regenten gaarne het optreden van een jong pretendent naar 
de Engelsche kroon, daar het vooruitzicht dat de Prins die 
eenmaal zou bezitten hen met nog grooter vrees voor hun 
onafhankelijkheid vervulde dan de machinatiën betreffende de 
keuze te Dordrecht, die in het vorige jaar zooveel kwaad bloed 
hadden gezet. 

Kort daarop werd fughs door den presideerenden burgemeester 
co R VER ontvangen. Hij had gaarne een openlijke audiëntie bij 
de vroedschap gehad, maar CO R VER verklaarde dit, als strijdig 
met de gewoonte, ondoenlijk. Het zou bovendien licht argwaan 
verwekken in de overige steden, alsof Amsterdam zich souvereini- 
teitsrechten aanmatigde. Ook hudde en borst van wave- 
ren, die met corver en van beuningen het viertal bur- 
gemeesters uitmaakten, gaven hem gedurende de zes dagen 
van zijn verblijf de volkomenste bewijzen van hun achting voor 
den Keurvorst, en van hun wensch om met den Prins tot een ver- 
gelijk te komen. FuGHS zag dan ook bij zijn vertrek de zaak 



95 

niet meer zoo donker in; hij begreep dat de grootste zwarig- 
heid in het point d'honneor lag, daar zoowel de Prins als de stad 
niet den schijn wilden hebben van uit vrees voor den ander 
toe te geven. En dit bezwaar achtte hij bij zulke verstandige 
mannen als de Prins en de Amsterdamsche regenten niet over- 
wegend. 

FuCHS bracht voor zijn afreis, die den 15*^®° plaats had, 
nog een dag door bij den Admiraal tromp, sinds 1676 graaf 
TROMP, die hem op zijn buiten Trompenburg feestelijk ont- 
haalde en op zijn gewone bruyante manier van zijn genegen- 
heid voor den Keurvorst, als lid van de familie Oranje, ver- 
zekerde. 

Bij zijn afreize ontving hij nog een bewijs van de gastvrij- 
heid der stadsregeering. Toen hij zijn rekening in het Ueeren- 
Logement betalen wilde, verklaarde de waard dat de Burgemees- 
ters hem verboden hadden geld van den gezant aan te nemen. 
En FUCHS, die naar het schijnt veel van lekker eten hield, 
beklaagde er zich van achteren over, dat hij meestal aan tafel 
de gast van den Markgraaf VAN anspagh, die er ook logeerde, 
was geweest, daar zijn dienaren op stadskosten bijna beter wa- 
ren onthaald dan hij door den Markgraaf. 

FuCHS verklaarde zich dan ook bij zijn terugkomst in den 
Haag hoogst voldaan over de regenten. Hij had ze geneigd 
gevonden om in redelijke eischen van den Keurvorst toe te 
stemmen, wat hem een pak van het hart nam, en eenigszins 
beangst over hun geïsoleerden toestand, waaruit zij gaarne wil- 
den geraken door een vergelijk met den Prins. 

Maar den waren weg schenen zij daartoe echter niet in te 
willen slaan. Althans reeds den 11^^^ beklaagde zich de 
Prins wederom tegen fughs, dat zg hem in alles dwarsboom- 
den. Zoo pas had hij op verzoek van zijn schoonvader aan 
de Staten voorgesteld om de Schotsche regimenten in Staat- 
schen dienst naar Engeland te zenden, en de stad had beweerd 
het in geen geval te kunnen toestaan; nauwelijks echter had 
SKELTON hetzelfde gevraagd, of de Amsterdamsche gedeputeer- 
den stemden het toe. Het was dus duidelijk, dat zij het alleen 



96 

geweigerd hadden omdat hij het vroeg. En dergelijke dingen 
vielen nog dagelQks voor, zoodat de goede wil, om tot een 
verbond te komen, geheel scheen te ontbreken. 

Ondertusschen had fagel hem aangeraden ook de tweede 
stad van Holland, Botterdam, te bezoeken, om ook daar de 
belangen van den Keurvorst aan te bevelen. In alles het tegen- 
overgestelde van Amsterdam, was te Eotterdam de regeering 
geheel Prinsgezind. En FUGHS, die zich zoo goed had weten 
te vinden met de streng antistadhouderlijke Amsterdamsche re- 
genten, wist zich even aangenaam te maken b^ zulke ijverige 
voorstanders van het stadhouderschap als de schepen en Luitenant- 
Admiraal WILLEM BASTIAENSZ en de Burgemeester roose- 
MALE. De laatste, want in gastvrijheid stonden de Botterdam- 
mers bij Amsterdam niet achter, ontving FUGHS terstond in 
zijn eigen huis, en gaf hem ter eer 's avonds een groot gastmaal, 
waarop de edelachtbare magistraten en hun deftige gasten, (ook 
Y. DIEST was medegekomen) met veel vuur het welzijn van den 
Staat, den Prins en den Keurvorst dronken. De Botterdamsche 
regenten verklaarden zich bereid om alles tot redding van het 
land op het spel te zetten, en de admiraal bastiaensz ging 
zoover van te zeggen : Ik heb een vijf a zes ton liggen, daar- 
van wil ik ieder oogenblik een derde, ja is het noodig ook 
het overige geven, als het tot redding van den Staat kan die- 
nen. Op Amsterdam, waarmede Botterdam toen vooral omtrent 
de convooien- en licenten-regeling overhoop lag, werd natuur- 
lijk dapper gescholden. 

Ook hier beloofde men zijn best te zullen doen om den 
Keurvorst alle voldoening te verschaffen. 

FuGHS had nu gaarne de conferenties met de gedeputeerden 
willen beginnen ; maar nu was de Prins naar Dieren en FAGEL 
naar zijn buiten Leeuwenhorst gegaan, in wier afwezigheid 
de tijdelijk eerste gedeputeerde, de N^jmeegsche afgevaardigde 
YERBOLD, niet wilde handelen. Deze echter, die als alle 6el- 
dersche gedeputeerden goed Prinsgezind was, (Gelderland werd 
volgens het in 1674 ingevoerde regiemend geregeerd) liet niet 
na hem te verklaren, dat men in een paar uur klaar kon ko- 



97 

men, als de Keurvorst genoegen wilde nemen met hetgeen 
de Staat geven kon. Maar voor alsnog kon fughs, die door 
zijn meester gedurig werd aangespoord om ijverig voort te gaan, 
niets uitvoeren, en hij deed dan ook een tochtje naar Kleef 
om daar den loop der posten, (hij was, zooals men weet, Bran- 
denburgsch opperpostmeester) beter te regelen. Vooraf echter be- 
zocht hij nog den ouden VAN beverningh op zijn buitenverblijf 
Teylingen. Gaarne had hij ook hem tot helper in zijn pogin- 
gen gehad, maar de oude en altijd aan een goed leven gehechte 
diplomaat wilde zich door niets in zijn rust laten storen. H^ 
bood echter als blijk zijner hoogachting voor den Keurvorst 
aan, hem een van de twee kaneelboomen, die hij bezat, af te 
staan. En als het waar is, wat fughs schrijft, dat er slechts 
één derde exemplaar in Europa gevonden werd, was dit voor 
den zeldzaamheden beminnenden frederik vstilhelm een 
kostelijk geschenk. 



III. 



Toen FUGHS den ö'ie** Juli in den Haag terugkeerde, vond 
hij de zaken rechtstreeks niet verder gekomen. Maar toch 
was er iets gebeurd, dat van groot gewicht was, ook voor zijn 
belangen: Amsterdam had er nl. in toegestemd om de nieuwe 
//lijst" (regeling) der convooien en licenten in te voeren. Sinds 
jaren was het voor de eerste maal dat Amsterdam gezwicht 
had. Fughs hoopte er het beste van, en ook de Prins betuigde 
er zich zeer tevreden over. Om het ijzer te smeden terwijl het 
heet was, had hij terstond aan VAN beuningen geschreven 
om hem de goede bedoelingen van den Prins mede te deelen, 
die hij waarschijnlijk met de helderste kleuren afschilderde om 
den melancholischen burgemeester te winnen. Op dezen echter 
maakte het weinig indruk, althans hij schreef terug, dat hij 
hoopte, dat Z. H. hem niet ongenegen zou zijn, maar dat 
hij overigens zich van het openbare leven wilde terugtrekken, 
daar het in de tegenwoordige tijden niet mogelijk was den 
Staat te dienen. 

7 



98 



FuCHS deelde in die sombere denkbeelden niet. Zijne brieven 
aan den Keurvorst van 7 en 10 Juli ademen een vrij vroolijken 
en opgewekten geest. Hij hoopte veel goeds van den toom 
des konings van Engeland tegen Amsterdam 0> ^^^t daar- 
door bevreesd, lichter tot het doen van verdere concessies zou 
gebracht worden. Tevens zond hij den Keurvorst een kopie van 
den brief, waarmede hij den 1^^^ van beuningen's sombere 
bedenkingen had beantwoord, dien wij daardoor dan ook bezitten. 
Hij had hem daarbij kopie gezonden van de laatste bevelen van 
zijn meester, (waarin deze zeer op een schikking in Holland 
aandrong en over het gedane zijne goedkeuring te kennen gaf). H^ 
had er bijgevoegd, bij dat de Prins hoopte dat men, nu de convooi- 
en licent-quaestie geëindigd was, tot een vergelijk zou kunnen 
komen; VAN beuningen mocht ook niet z^n post verlaten; 
het was een slecht stuurman, die in een storm het roer liet 
varen; en hij in de eerste plaats moest zijn ambt blijven be- 
kleeden totdat de verzoening tot stand was gebracht. 

Den IS*^®» kon FUCHS schrijven, dat zijn beide laatste brie- 
ven aan van beuningen een goede uitwerking hadden gehad. 
Hop, een vlagvoerder der antistadhouderl\jke partij, had aan 
AMERONGEN verzekerd dat de stad oprecht een verzoening 
wenschte, en kort daarop verklaarde hij hetzelfde aan FUGHS 
zelf; de stad zou de uitvoering van het besluit omtrent de 
convooien niet verhinderen. 

TegeKjkertijd kon hij schrijven, dat men in de Staten van 
Holland begonnen was zijn eischen te bespreken. H\j ging 
daarom b^ al de leden in hun bijzondere stadslogementen 
rond, en toen de Staten de zaak in handen van een com- 
missie hadden gesteld, haastte h\j zich die heeren b^ zich 
te noodigen; //denn^' voegt hij er bij //wenn mann was gutes 
alhier ausrichten will, musz man sich nicht allein durchplau- 
dern, sondern auch durchessen und durchtrinken konnen, wel- 
ches letzere zwar mich etwas incommodirt, aber weil es zur 
sache thut, werde ich sehen damit durch zu kommen.'* En 



^) Daar xonmoutu er zijn expeditie had mtgertist. 



99 

een veertien dagen later ging hij zelfs nog eens naar Amsterdam, 
waar hij met de Burgemeesters zeer vertrouwelijk, ook weder 
onder een glas wijn, den stand van zaken besprak, en grooten 
lof van hen inoogste over de behendige wijze, waarop hij zich 
in de gunst der Hollanders wist in te dringen. Groote onder- 
steuning vond h\j ook bij de predikanten, die in die dagen <) 
overal verkondigden, dat slechts een vereeniging met Branden- 
burg den Protestantschen godsdienst kon redden. Sommige 
synoden zonden adressen in dien zin aan de Staten. Overal 
ontwaakte door de vervolgingen in Frankrijk en nu ook in 
Engeland, de oud-Protestantsche geest, die strijd tegen het 
Pausdom wilde. 

Maar hoewel FUCHS niet zwaartillend was, en zoowel van 
zijn meester als in Holland geprezen werd, hij vond het werk, 
dat h\j doen moest, verre van aangenaam, en schreef den 16<*®" 
dat, als hij geweten had dat er zooveel moeiKjkheden te over- 
winnen waren en vooral dat men op zooveel verschillende 
plaatsen moest ageeren, hij zeerzeker gevraagd zou hebben om 
van dezen post verschoond te worden. Overigens ondersteunde de 
Prins hem ijverig; niet alleen had hij aan zijn representant in 
Zeeland, odijk, en ook aan Prins hendrik kasimir het be- 
lang van den Keurvorst op het hart gedrukt, maar hij wilde 
ook er om in den Haag blijven, hoe gaarne hij anders naar 
zijn geliefd Dieren ware vertrokken. En waarlijk, wel moesten 
alle krachten worden ingespannen; want den 20'*®° werd bekend 
dat men in Holland slechts bieden zou wat reeds amerongen 
had geboden, nl. 400000 Kijksdaalders (1 millioen gulden), en 
FAGEL hing hem, toen hij hem dit mededeelde, een treurig 
tafereel op van den toestand, waarin zich de geldmiddelen van 
de Kepubliek bevonden. Alle troepen hadden ten minste een jaar 
soldij te vorderen, en de Keizer, de Koning van Denemarken 
en de Brunswijk-Luneburgsche Vorsten werden voortdurend 
dringender in hun aanzoek om de achterstallige subsidiën van 



^) Men zal zich herinneren, dat den 1 Qen Juli monmouth in den slag 
bij Bridgewater geslagen en daarmee de opstand in Engeland gedempt WM« * ! '< 



100 

voor' 1676 betaald te krijgen. En nu moest men den 
Keurvorst, die deze ontvangen had, nog voldoen over de twee 
volgende jaren. Waarlijk, het was te vreezen dat men zooveel 
lasten niet zou kunnen dragen. 

Men moet echter niet denken, dat de Keurvorst die subsidiën 
van voor 1676 geheel betaald gekregen had; integendeel waren 
enkele provinciën met hare quoten zeer ten achter. De obligatiën, 
die zij daarvoor uitgaven, stonden zeer laag, en v. diest mocht 
blijde zij o dat hij voor die van het Arnhemsche kwartier 70 pc. 
kreeg, wat slechts door den invloed van den ouden baron van 
GiNGKEL gebeurde, daar er anders veel kans was geweest, zoo- 
als FAGEL verzekerde, dat het kwartier niets had betaald. 
De obligatiën, die de Brunswijk-Luneburgsche hertogen ten 
laste van het kwartier hadden, waren tot op 60 pc. gedaald, 
en niemand wilde ze gaarne voor dien prijs nemen. FAGEL drong 
er dus sterk op aan, dat de Keurvorst genoegen zou nemen 
met het aanbod van Holland, fughs berichtte dit dan ook 
dadelijk aan zijn meester. Hij voegde er echter bij, dat de opge- 
wondenheid in Holland over de geloofsvervolging in Frankrijk 
en de vrees dat ook Engeland, nu monmouth's opstand ge- 
dempt was, dien weg zou inslaan, er veel toe bij zou dragen 
om de Hollanders tot toegeven te stemmen, daar zij algemeen 
van oordeel waren dat slechts in de nauwe aaneensluiting van 
alle Protestantsche Staten nog redding was te vinden. 

De Keurvorst, die tot nu toe weinig anders had geschreven 
dan om fughs' gedrag goed te keuren, schreef hem nu den 
7den Augustus ') : Dat hij weltevreden was met het aanbod der 
Staten, maar dat hij terstond niet 100000 maar 150000 Eijks- 
daalders wilde betaald hebben. Wanneer de Staten dat niet toe- 
gaven, moest FUGHS vertrekken; daarenboven moest er nog 
een schadevergoeding gegeven worden voor het Wappen von 
Brandenburg. Zijne andere vorderingen, ƒ 58000 voor achterstal- 



^) Er bestaat nog een ander concept van dien brief zonder datnm, dat 
. - ' zelfs ouder schijnt. In de hoofdzaak komen beide „ rescripta*' (dit is de 
vfficiëele trem) overeen. 



101 

lige subsidiën van 1673 en 25000 Hijksdaalders 70or hetgeen 
men nog van voor 1676 ten achter was, zou hij in dat ggval 
laten vallen. Hoe amerongen kon beweren dat de Keurvorst in 
1683 verklaard had met een half millioen guldens tevreden 
te zullen zijn, begreep hij niet ; bij, herinnerde zich niet zulks 
ooit gezegd te hebben. 

In een naschrift voegde hij er bij, dat hij ook te vreden zou 
zijn met 300000 Dijksdaalders in eens. Wilde men ook dit niet, 
dan moest fughs den Prins vragen of hij voor 200000 Rijks- 
daalders al zijne pretentiën over wilde nemen, die te zamen 
800000 beliepen. 

Deze brief verraste fughs onaangenaam. Den 8«*«° Augustus 
was het besluit in Holland gevallen en dadelijk aan de Staten- 
Generaal bekend gemaakt, fagel, die hem dit terstond kwam 
aanzeggen, verklaarde hem niet te mogen mededeelen wat 
de condities waren; zijn eed verbood hem dit eer het besluit 
ook in de Staten- Generaal was doorgegaan. Hij verhaalde hem 
tevens, dat de Prins en h\j zelf persoonlijk alle gedeputeerden 
er over hadden gesproken, behalve de Amsterdamsche, met wie 
de Prins geen communicatie hield, maar dat het toch alleen 
de achting voor den persoon van den Keurvorst was die het 
besluit mogelijk had gemaakt. Want fughs moest wel bedenken, 
dat men den Keurvorst thans tot niets verplichtte. In 1683, toen 
AMERONGEN 100000 Rijksd. terstond en 400000 in 10 jaren 
aanbood, had men er de voorwaarde aan verbonden, dat de 
Keurvorst Spanje zou te hulp komen, zoodat er een wederdienst 
geëischt werd. fagel, die tegen fughs steeds oprecht te werk 
ging, zeide verder niet te gelooven, dat men meer verkrijgen 
kon: Holland zou bijna zeker bij zijn aanbod blijven. Hij ried 
hem verder aan twee memories bij de Staten -Generaal in te 
dienen, een om de onderhandelingen te doen verhaasten, en een 
om de zaak van het Wappen von Brandenburg ten einde te 
brengen ; een raad, waaraan fughs terstond gevolg gaf. 

Den volgenden dag kwam verbold hem berichten, dat men 
den lO***» een conferentie met hem zou houden, en dat men 
over het Wappen von Brandenburg aan de West-Indische Com- 



102 

pagnie zou schrijven. Het houden van een conferentie was 
daarom noodig, omdat de Staten-Generaal oJBSciëel kennis moesten 
dragen van het al of niet aannemen van het aanbod. 

FUCHS schreef nu aan den Keurvorst, dat hij noodzakelijk 
moest weten waarop Z. D. wilde blijven staan ; anders zou 
de zaak nog langer duren. Hij ried hem om het in Grods naam 
maar aan te nemen, en dan de som of ten minste twee der- 
den daarvan in lijfrente voor zijn kinderen in Holland te 
beleggen, die 10 pc. sjaars gaven; zoodat die daardoor in 
eenige jaren een aardig vermogen zouden hebben »). 

Den 10*«" had hij het rescript van den 7*^®" ontvangen, zoodat 
hij wist waar zich aan te houden, toen in den voormiddag de 
conferentie met de acht gedeputeerden begon. 

Daar Holland nu eenmaal een koopmansland was en men 
gaarne de handelsgewoonten volgde, begon hier een grappig 
bieden en loven. De President verbold vroeg wat de Keur- 
vorst eischte, waarop FUGHS zeide: 800,000 Eijdsd. (2 millioen). 
De Hollanders boden daarop 200,000. ftjchs speelde toen den 
verontwaardigde en zeide, dat men door AMERONGEN reeds het 
dubbele had geboden. De gedeputeerden beweerden, dat dit was 
geweest om Brandenburg tot den oorlog met Frankrijk aan te 
lokken. Zoo kwam men eindelijk tot de eigenlijke som. De 
gedeputeerden verklaarden, dat de Staten in consideratie van 
Zijne Doorluchtigheid 100000 in eens en 300000 in 10 jaren 
geven wilden, waaronder dan ook de schadevergoeding voor het 
Wappen von Brandenburg zou begrepen zijn. 

FuGHS daarentegen verklaarde niet gemachtigd te wezen om dit 
aan te nemen; de Keurvorst eischte 150000 in eens en 300000 
in termijnen, alles er onder begrepen. Nu was de comcdie uit 
en nam de zaak een ernstigen keer. Fagel en werkendam, 
de leden voor Holland, riepen dat het hun hoofd zou kosten, 
als zij meer dan hun bevolen was toestonden; die der andere 
provinciën, dat zij nooit boven het bod van Holland mochten 



^) H|j schreef later dat Holland tegenwoordig slechts 7 pc. gaf, maar 
de andere provinciën 10. Deze waren echter niet zoo zeker. 



103 

gaan. FuGHS kon niet anders doen dan zeggen, dat hij er den 
Keurvorst over schrijven zou. 

Hij deed dit dan ook terstond na het uiteengaan. Hij liet 
niet na op te merken, dat nu alles weder op losse schroeven 
was gesteld. H^ vreesde nooit meer van Holland te zullen ver- 
krijgen; het eenige, wat hij kon doen, was de zaak van het 
Wappen v. B. er buiten te houden, welke de Keurvorst dan 
later kon zien af te doen. Hij zou echter natuurlijk niet sluiten 
zoo hij geen 150000 Eijksd. kreeg, maar h\j kon niet nalaten 
zijn meester op het hart te drukken, dat hij nog blijde mocht 
zijn de 400000 te krijgen; want in Holland beschouwde men 
die som niet als achterstallige gelden, maar als vergoeding voor 
gepresteerde diensten. De andere Staten, die pretensiën hadden, 
zouden niets krijgen. 

FUCHS zocht als naar gewoonte raad bij den Prins. Deze 
verklaarde er niets op te weten; misschien echter zou een 
tweede bezoek aan Eotterdam en Amsterdam goed doen. Toe- 
vallig had de zoon van den Admiraal bastiaensz, die Pensio- 
naris van Rotterdam was, hem bij zich gevraagd, en hij maakte 
daar dadelijk gebruik van. Te Rotterdam werd hij hoogst feestelijk 
ontvangen. Na het middagmaal besteeg het gezelschap, (de bur- 
gemeester ROOSEMALE en de baljuw van zuilen van nyevelt, 
beiden ijverige Prinsgezinden, waren er bij, het Admiraliteits- 
jacht, en voer op de Maas heen en weder, waarbij bij elke 
gezondheid, die uitgebracht werd, en het waren er vele, kanon- 
schoten werden gelost. De Pensionaris liet aan het toen op de 
kaaien te zamen geloopen volk twee vat wijn geven, zoodat 
weldra volk en regenten even dronken waren, en Rotterdam 
weergalmde van vreugdekreten ter eere van den Prins en den 
Keurvorst, fuchs had ondertusschen den heeren burgemeesters 
en baljuw het hoofd zoo warm gemaakt, dat zij hem beloofden 
terstond naar den Haag te zullen gaan, om met FAGEL te 
bespreken hoe men de Brandenburgsche eischen zou kunnen 
inwilligen. En toen FUGHS in den avond vertrok, zetten zij het 
feest voort en besloten niet naar bed te gaan, om zich niet te 
verslapen; zoodat zij reeds den volgenden morgen om acht uur 



104 

met sware hoofden inden Haag kwamen. FuCHS had de beleefd- 
heid gehad hun zijn koets tot Delft te gemoet te zenden, eoodat z^ 
althans niet den geheelen weg in de schuit behoefden af te leggen. 
In den namiddag besprak hij met fa gel den toestand, en deze 
verklaarde, dat alles van Amsterdam afhing, want dat, na Botter- 
dam wilde toegeven, het overige van Holland wel volgen zou. 

Den 13<^^ daar gekomen, werd fuchs wel zeer hartel^k 
door VAN BEU MN GEN en den toenmaals presideerenden Burge- 
meester wiTSEN, dien hij nog niet kende, ontvangen, maar zQ 
beweerden dat Holland onmogelijk meer kon bieden. Hij vertrok 
dus spoedig, met achterlating van v. diest, die nog trachten 
moest den burgemeester hudde, zijn persoonlijken vriend, over 
te halen. Hij liet hem daarom het laatste rescript van den 
Keurvorst, dat hij een weinig veranderd had, *) om het HUDDE 
in diep geheim te toonen. Daar men echter te Amsterdam wist 
wat dit bevel inhield, had ook dit niet de minste uitwerking. 

Fuchs was dus ten einde raad. In tamelijk opgewonden 
termen schreef hij dit den 20«*«» Augustus aan den Keurvorst. 
HQ ried hem aan om aan te nemen wat geboden werd, want 
iedereen beweerde, dat het aanbod van de Staten hunne krach- 
ten eigenlijk reeds te boven ging. Bleef men er op staan om 
het Wappen von Brandenburg afzonderlijk te behandelen, dan 
liep men gevaar dat de geheele onderhandeling wierd afge- 
broken en dat de Staten niets betaalden. 

Hij vroeg nu het volgende aan den Keurvorst: 

//l®. Wann es mir unmügück in primo termino 150m 
Rthl. contant zu erhalten, ob Ich dan auf die offerte von 10 Om 
contant schlieszen soUe? 

//2®. Ob Ich wegen der jetzigen 300m Kthl in terminen, 
die angetragene termine von 10 Jahren, wan Ich sie kurtzer 
zu erhalten nicht vermag, acceptiren soUP 



^) ;bed£RIK WILLEM vroeg nl. zooals men weet, slechts 40000 Rijks- 
daalders behalve de schadevergoeding voor het Wappen von Brandenborg. 
Om nu dit laatste te gelijk te kannen krijgen, veranderde fuchs dit in 
450000, waarvan 150000 in eens, zooals hij ook in de conferentie gevraagd had. 



|j^ 



105 

//3*. Wan man an seiten des Staats darauf bestehen solte, 
dasz die praetension wegen des Wappens von Brandenburg mit 
unter die 400m Rthl. begriffen seijn soUte, ob ich solches ein- 
gehen mag?" 

Vier dagen later schreef hij, dat het onmogelijk was het bevel 
van den Keurvorst op te volgen aangaande de 300000 Eijksdls. 
contant. Hij kon nog eerder 500000 in termijnen krijgen, 
want er was geen gereed geld in voorraad. Te Amsterdam 
had men hem verzekerd, dat men den Keurvorst eerder het 
dubbele in termijnen wilde geven dan 150000 in eens. 

De Keurvorst echter gaf weinig gehoor aan zijn wenschen. 
Hij schreef hem den 248*6" Augustus, dat hij maar bij Amster- 
dam moest volhouden. Wat zijn drie vragen betrof, als hij 
geen 150000 in eens kon krijgen, moest hij het vroeger ver- 
melde aanbod aan den Prins doen, en nam deze het niet aan, 
aan de stad Amsterdam. 

Als hij de 150000 kreeg, kon hij de termijnen van 10 jaar 
aannemen. Het Wappen von Brandenburg moest afzonderlijk 
worden behandeld. 

Gelukkig was het niet noodig dat fuchs deze orders, die 
weinig kans hadden van een goeden uitslag te bewerken *), 
uitvoerde. Want tot ieders verwondering namen de Staten 
van -Holland den 27«*«° het besluit om f 375000 *) in eens 
te geven, en ter afdoening van de overige pretensiën van den 
Keurvorst f 100,000. Het laatste was niet dan met moeite 
doorgedreven, daar de meeste steden slechts 75000 hadden willen 
geven. Maar, zooals fagel zeide, de overtuiging dat men tot 
eiken prijs den Keurvorst moest tevreden stellen om dan een 
nauwer verbond met hem te kunnen aangaan, behield de 
overhand. Het is echter volstrekt niet duidelijk, hoe het kwam, 
dat Amsterdam, waar men zich nog zoo kort geleden zoo be- 
paald tegen FUCHS had uitgelaten, zoo spoedig van meening 



') Het aanbod van den Prins oordeelde fuchs zelf in een schrijven 
van den 28"*«» on aanneembaar. 
3) 150,000 Rijksdls. 



106 

veranderde. Naar de reden hiervan heb ik vruchteloos in FUCHS* 
brieven gezocht. 

FuCHS was innig tevreden dat de zaak zoo was afgeloopen. 
Hij schreef den volgenden dag, dat het hem zeer zou gespeten 
hebben, als hij om een zoo klein verschil als 50000 Hijksdls. 
onverrichterzake had moeten vertrekken. Thans had de Keur- 
vorst zelfs meer dan hij verlangde; want de schadevergoeding, 
die hij voor het Wappen von Brandenburg eischte, bedroeg 
slechts ƒ 75000, en de overige pretensiên had hij laten vallen. 
Maar toch kon FUCHS niet na laten daarover uit te roepen 
//Wollte Gott dasz ich Eur. Churf. Durchlt. hatte zweij mahl 
so viel konnen zu wegen bringen.^^ Voorwaar een zonderlinge 
uitroep, en die bewijst hoever hij zich in zijn ijver voor zijn 
meester liet vervoeren, als men het ten minste niet opvat 
als een eenigszins bruyante verzekering van zijn gehechtheid 
aan zijn vorst. 

Hoeveel hij den Prins en fagel verschuldigd was, erkende 
hij daarbij dankbaar. Hij had onmogelijk meer van hen kunnen 
verlangen. En ook de overige Hollandsche staatslieden hadden 
hun best gedaan. Hij gaf zijn tevredenheid daarover duidelijk 
te kennen door aan het einde van den brief te schrijven: 

//An den guten willen des Staats hat es nicht gefeblt, deszen 
ich Eur. Churf. Durchlt. auf mein gewiszen versicheren kann, 
und hat derselbe ein Meit mehres gethan als sein jetziges ver- 
mogen ist und einiger mensch gedacht hatte.'* 



IV. 



Toen eindelijk het eerste en officiëele onderwerp van z^n 
zending gelukkig ten einde was gebracht, ging het andere als 
van een leien dakje. 

Maar hierover bestaan, helaas, slechts zeer weinig brieven. Het 
tweede doel zijner komst in Holland, de verzoening van den 
Prins en Amsterdam, was, zooals men gezien heeft, zijn verwe- 
zenlijking in zooverre nader gekomen, dat de stad hare oppositie 
quand même staakte. 



107 

Daartoe had fuchs betrekkelijk veel bijgedragen, doordat 
hij tijdens zijn bezoeken aan Amsterdam het groote doel van 
den Prins, het herstellen der coalitie tegen Frankrijk en het 
onberekenbare nut daarvan, aan de regenten had duidelijk ge- 
maakt, die hem eerder geloofden dan den Prinsgezinden. Maar, 
zooals hij zelf dikwijls laat doorschemeren, het ontwaken der 
godsdienstige hartstochten, de vrees voor een tweede vereeni- 
ging van Engeland en Frankrijk tegen de Eepubliek hadden 
daartoe nog meer bijgedragen. 

Niet meer gedwarsboomd in zijn plannen en vooral niet meer 
verhinderd in de uitbreiding van de verdedigingsmiddelen des 
lands, veranderde ook spoedig de Prins zijn houding tegen de 
Amsterdamsche regenten; en twee jaar later was JACOB HOP 
in plaats van de aanvoerder der Franschgezinde oppositie de 
vertrouwde, die tusschen den Prins en den Keurvorst gebruikt 
werd om hetzelfde verbond te bevestigen en uit te breiden, 
dat in dezen tijd door fuchs en de gedeputeerden werd ge- 
sloten. 

Daaraan ging deze terstond nadat de quaestie der subsidiën 
ten einde was gebracht, met fagel beginnen. 

Beiden stelden een concept verdrag *) op, dat in schijnbaar 
weinigbeteekenende woorden werkelijk niet minder dan de her- 
eeniging van Brandenburg en Nederland inhield. 

Uiterlijk scheen het alleen de bestaande geschillen te regelen; 
er werd slechts in gezegd, dat men het in 1678 gesloten ver- 
drag tot het jaar 1700 verlengde, en dat men, ingeval een van 
beide partijen in oorlogsgevaar geraakte, onderhandelen zou om 
in alles samen te gaan. Dit artikel, dat heel onschuldig tus- 
schen de andere die op geld- en handelszaken betrekking had- 
den instond, duidde de eigenlijke strekking van het tractaat aan. 



*) Niet onaardig is de Hullandsche tekst, dien Fucas hiervan aan den 
Keurvorst mededeelt, en die, hoewel er vele Germanismen in voorkomen, 
bewijst dat hij al vrij spoedig Hollandsch had geleerd. Hij seh(jnt zich ook 
in zijn gesprekken te Amsterdam en Rotterdam van die taal bediend te 
hebben. Met van beuningem correspondeerde hij echter in het Fransch. 



108 

Toen beide staatslieden hun concept gereed hadden, bezocht 
FUCHS den Raadpensionaris op zijn Tnsculanum Leeuwenhorst, 
tusschen den Haag en Leiden, en zij maakten er één uit, dat ver- 
volgens door FAGEL aan de Staten- Generaal voorgelegd, en door 
hen terstond goedgekeurd werd. Daarop werden er nog een drietal 
conferentiën over gehouden, waarin, dewijl FAGEL en FUCHS alles 
vooruit geregeld hadden, niets van belang geschiedde, en den 
2^«" September werd het tractaat geteekend, dat niet veel meer dan 
een week later, den ll^en^ door den Keurvorst geratificeerd werd. 

Eeeds vroeger had deze den gezant bevolen zijn innigen dank 
aan den Prins, aan FAGEL en aan amerongen te betuigen voor 
hun krachtigen bijstand. En hij had er reden toe. Want elf 
tonnen gouds waren voor Brandenburg in die dagen een zeer 
aanzienlijke som. En daarenboven was het eerst door de rege- 
ling dezer netelige geldquaestie, dat frederik wilhelm uit 
zijn geïsoleerde stelling geraakte. Hij had thans weder zijn 
natuurlijken bondgenoot ter zijde, zoodat hij kort daarop de 
eerste daad van verzet tegen Frankrijk kon plegen door in 
het Potsdammer Edict te antwoorden op de herroeping van 
het Edict van Nantes, waardoor hij zijn plaats innam aan het 
hoofd van de Duitsche Protestanten. 

Wat van hem geldt, geldt ook van de Eepubliek, maar bo- 
venal van den Prins. Zonder de regeling der Brandenburgsche 
eischen was het verbond onmogelijk geweest, dat hem in 1688 
in staat stelde om de kern zijns legers naar Engeland over te 
voeren. Hij kon dit slechts doen, toen hij zeker was dat, zoo 
Frankrijk in zijn afwezigheid de Eepubliek aanviel, een Duitsoh 
leger terstond te hulp zou ijlen. 

Zoodra het tractaat geteekend was, verliet FUCHS den Haag 
en vertrok over Dieren, waar hij afscheid van den Prins nam, 
en over Leeuwarden en Embden naar Berlijn, waar hij in Oc- 
tober terugkeerde. 

Y. DIEST had te zorgen dat de ratificatie geschiedde, hetgeen 
in Holland eenige moeite inhad. d'Avaux wist te Amsterdam 
moeilijkheden te verwekken, en zoo duurde het tot in October 
voordat de stad teekende. Had niet juist van pas de herroe- 



109 

ping van het Edict van Nantes geheel Nederland in rep en roer 
gebracht, het zou misschien nog langer hebben geduurd, maar 
deze deed alle oppositie verstommen. 

Zoo moest lodewijk xiv er zelf toe bijdragen om 
het groote werk der hereeniging zijner vijanden te helpen vol- 
tooien. 



BLADVULLING. 

OVEK EENE GEPKESÜMEEKDE MUNT VAN GKAAF 

WIGMAN VAN HAMELAND 

DOOR 

L. J. F. JANSSEN. 



Bij LELEWEL Numism, du moyen dge, Atlas Tab. XIV, wor- 
den onder de Gomtes de Hameland (van everhard, + 898, 
af tot op CONRADINUS, + 1268) vier WIGMANS vermeld, 
te weten: //VIGMAN, + 944, 

VIGMAN Ie jeune, + 967, 
VIGMAN V, omstreeks 990, 

VIGMAN VI, -h 1016, 

en op bl. 125 van den tekst geeft hij bericht en opheldering 
over een paar zilveren munten, uit de 'muntvondst van Trchré- 
bougne (Polen), waarvan er twee zijn afgebeeld op PI. XXI, 
4, 5 van zijn werk; en hij knoopt daaraan het vermoeden, 
dat die twee behooren aan eenen graaf wigman van Hameland, 
en wel aan Ie jeune (+ 967). 

Op eene dier twee munten leest hij, en terecht, op de vz. GOM 
WIGMAN (zie ook op de vz. der tweede, doch daar onduidelij- 
ker geworden); en op de kz. zou volgens Lelewel staan: 

ERBISI 
DOISIS; 



111 

terwijl op de kz. van de andere (N^. 5) zou gelezen worden: 

ERBISI 
DORISI *). 

Voorts deelt hij t. a. pi. als z\jne gissing mede, dat in den 
naam erbisi een Saksische plaatsnaam zou schuilen, overeenkom- 
stig met ERBSDORF (van welken naam in Saksen meer plaatsen 
zijn) en wel bepaaldelijk de naam van Ebersdorff, een kasteel 
in Voigtland, de residentie der graven Keuss-Lobenstein, waar 
vroeger eene villa regalis, onder den naam van Lobedenburg 
was. DéLar nu zou het atelier van den muntmeester geplaatst 
zijn geweest op het oogenblik dat graaf wigman zijn opstand 
begon, en hij besluit aldus : //ü n'y avait pas d'autre wiGMAN 
qui ait pu frapper une monnaie a Ebersdorff que Ie seul viG- 
MAN Ie jeune, avant sa mort arrivée en 967, après qu'il fut 
vaincu par Ie roi de Pologne, Misco. Cette monnaie avait cours 
en Pologne et fut retrouvée dans Ie trésor de Trchrébougne. 
Le victorieux roi de Pologne Mesco ou Miecislav renvoya Tépée 
de viGMAN a son allié l'empereur otton, comme trophée de 
la victoire, et il vit les espèces du vaincu circuler dans ses états." 

Hierop maakt de hr. rühle von lilienstern in eene re- 
censie van LELEWELS werk, geplaatst in de Berl. Jahrb. f. 
wiss. Krit. 1830 Aug. S. 240, de volgende aanmerking: 

//Die Münzen von wigmann (PI. XXI, 4, 5) mitderzwei- 
zeiligen Legende auf der Kückzeite theilt Verfasser dem Grafen 
von Hameland zu, mit der MünzstatteEbersdorfim Voigtlande; 
man könnte aus der verstümmelten Schrift indessen eben so leicht 
HENRIGI DORls(tat), als ERisi DORISI herausbuchstabiren." 

Deze opmerking is onjuist, en kan daarom tegen de gissing 
Lelewel niet gelden. Immers het is voor een eenigszins in pa- 
laeographie geoefende onmogelijk op de kz. dier munten iets 
anders te lezen dan erbisi DORISI, wanneer men slechts de 
afbeeldingen bij Lelewel oplettend vergelijkt. Daar evenwel 
die legende deels door den gebrekkigen stempel en deels door 



') De derde mant, waarop die legende met een kleinen variant zou voor- 
komen, is b\j Lelewel 1. c. niet afgebeeld. 



112 

afslijting aan de rechterzij de iets geleden heeft, zal men het 
er mijns oordeels voor mogen houden, dat er te lezen is: 

ERBIST 
DORIST. 

DOEIST heeft dan ook te recht reeds von Lilienstern //her- 
ausbuchstabirt." Dat dorist, of dorisi, op het ééne muntje 
(N®. 4) minder duidelijk is dan op het andere (N®. 5), is 
hieraan toe te schrijven dat de letter R 't onderst boven ge- 
stempeld is. 

Over de legende op de voorzijde heeft zich von Lilienstern 
niet uitgelaten. Het zou ook onmogelijk zijn de lezing van 
Lelewel met grond te betwisten; want er staat: COM wig- 
man, hebbende de letter G den vorm van eene Grieksche a: 
COMes wiGMANnus is dus boven twijfel verheven. Maar of 
men nu in do rist den naam van onze aloude en beroemde 
handels- en muntplaats Dorestat te zoeken hebbe, zou ik 
niet durven beweren *). De spelling van dien naam is wel 
doorgaande DORESTAT of dorestatvs, dorstat en dvr- 
STAT, maar in die barbaarsche muntslagtijden heeft men aan 
een enkele verkeerde letter geen gewicht te hechten, en boven- 
dien, op ééne enkele munt (een denier ,van LOTHARIUS (840 — 
855) komt de naam doristatvs voor. Maar ingeval dorist 
ons Duurstede ware, zou men bezwaarlijk in erbist den plaats- 
naam Ebersdorif durven zoeken, omdat het niet aannemelijk 
is dat er twee verschillende muntplaatsen op ééne en dezelfde 
munt zouden staan. Hoe dit op te lossen is weet ik niet, en 
beveel het aan de overweging van meer bevoegden. Ik kan 
echter evenmin verklaren, dat in het werk van wijlen den 
Hr. V. D. CHIJS, over de oude vaderlandsche munten, met 
geen woord gewaagd wordt van dit vraagstuk, dat Lelewels 
mededeeling en gissing niet zijn aangevoerd, dat de geheele 
munt van graaf wigman met stilzwijgen is voorbijgegaan. 



^) Dorestat behoorde, volgens de bekende rijksverdeeling van 839, met 
het hertogdom Friesland (tot aan de Maas), de Betuwe en Hameland tot 
het aandeel van Lotharins. 



J * " " ." 

. « - ^ 



114 

en dat het binnenste hol zou zijn. In die vooronderstelling be- 
proefde hij voorzichtig de opening te bewerkstelligen, zooveel 
doenlijk met sparing van het dikke kopergroen, waarmede het 
geheel van buiten overdekt was. Zijne proefneming gelukte, het 
voorwerp verdeelde zich in tweeën; de eene helft bleek een 
dekseltje, de andere een doosje te zijn ; het dekseltje was in- 
wendig van zilver, het doosje van koper, beide aan de binnen- 
zijde ongedeerd en nagenoeg den oorspronkelijken spiegelglans 
van het metaal nog vertoonende. 

Dr. .T. H. A. SCHEERS te Nijmegen, die gewoon is mij van 
de meest belangrijke ontdekkingen in zijne streek spoedig be- 
richt te geven, bleef ook nu niet in gebreke mij die vondst 
weldra te melden, en berichtte tevens, dat hij het voorwerp 
had aangekocht voor de stadsverzameling van oudheden (waar- 
van hij medebestuurder is), terwijl hij de goedheid had ter 
mijner betere voorlichting er eene schetsteekening van over te 
zenden. 

Uit die teekening bleek voldoende, dat de boven- en onder- 
buitenzijde van het doosje bestond uit een romeinsch medaillon 
(van muntmeter 30 middellijn) ter volle grootte van het doosje, ter- 
wijl de dikte van het geheel 8 streep was. De ééne zijde van het 
doosje vertoonde de voorzijde van een medaillon van keizer 
MARCUS AURELIUS ANTONINUS; de andere, de keerzijde van 
een dito van diens zoon en opvolger GOMMODUS. Beide 
waren, wat beeldwerk en opschrift betreft, in goeden, antie- 
ken stijl, doch een weinig gecorrodeerd en afgesleten en 
op enkele plaatsen onduidelijk. Ofschoon er ten aanzien van 
beeldwerk en opschriften geen aanleiding bestond om de ro- 
meinsche afkomst van het geheel te betwijfelen, was het na- 
tuurlijk dat ik mij daarvan door een onderzoek van het oor- 
spronkelijke wenschte te overtuigen. Doosjes, geheel gel\jk als 
dit, waren mij uit de romein sche oudheid nog niet voorgeko- 
men. Romeinsche medaillons in goeden stijl na te maken en 
door kunstbewerking er eene antieke tint aan te geven is, in 
onzen t\jd vooral, niet ongewoon. Ook is bekend, dat nog in 
zeer laten tijd echte romeinsche ninnten en medailles gebezigd 



116 

werden om er moderne voorwerpen van weelde, als vazen, be- 
kers enz., mede te versieren. Daar nu bovendien uit de ont- 
vangene berichten was gebleken, dat het metaal aan de binnen- 
zijden van het doosje zich nog blinkend, bijna als nieuw, ver- 
toonde, verzocht ik den heer scheers mij het oorspronkelijke 
stuk op beziens te zenden, en daarbij nog te willen voegen al 
zulke nadere berichten over de vondst en de vroegere bezitters 
als hij meenen zou tot mijne voorlichting bij de beoordeeling 
van de echtheid nog te kunnen dienen. Met bereidwilligheid 
werd door den heer scheers aan dit verzoek voldaan, en het 
gevolg hiervan was, dat er voor mij geen redelijke twijfel meer 
overbleef aangaande de romeinsche afkomst van het doosje. De 
lezer moge zelf over de gegrondheid oordeelen, naar de volgende 
mededeeling van onze bevinding. In de eerste plaats het nader 
bericht van den heer SGHEEbs, door hem op de vindingsplaats 
van den laatsten bezitter ingewonnen. Wij geven dit liefst met 
zijne eigene woorden: 

^/De vinder," zoo schreef de heer scheers, //is een vis- 
scher, die echter hier aan den Waal- oever, onder de vele vis- 
schers, bezwaarlijk meer uit te vinden is. Hij stond den 29"*®'» 
Augustus 1868 aan den oever te visschen, bij een steenen 
kop, aan de Winseling, een weinig beneden het fort Krajenhoff, 
en zag voor zich in het water, op een kleinen afstand, p. m. 
^ voet diep onder het water, in het rivierzand een voorwerp 
liggen, overeenkomstig met eene munt. Meenende, dat het //oud 
geld" was (zooals deze lieden hier de dikwijls gevonden wor- 
dende romeinsche munten noemen), raapte hij het op en ver- 
kocht het weldra aan een nijmeegschen opkooper, met name 
GRAND JEAN PERENOT C0MTESSE. Deze man is een timmer- 
mansknecht, liefhebber, en vrij goed kenner van oudheden en 
schilderijen en die daarmede nog al wat verdient. 

Aan dezen was de bijzondere dikte der gewaande munt in 
het oog gevallen, en die dikte, gepaard aan hare lichtheid, 
had hem doen vermoeden dat zij zou opengaan en van bin- 
nen hol zou zijn, evenals de bekende schroefpenningen uit 
lateren tijd; ofschoon er door de vaste sluiting en het dikke 



116 

kopergroen geen spoor van vroegere opening, zelfs geen naadje 
aan de buitenzijde te bemerken was. Om nu de vermeende 
opening te bewerkstelligen had hij het doosje een uur lang 
//in zuiver water opgekookt en daarna op een gloeiend heet 
ijzer gelegd", ten gevolge waarvan hij, volgens zijn zeggen, den 
stoom of waterdamp hier en daar uit een reetje zag opkomen, 
waardoor hij voor zich de zekerheid erlangde dat het van 
binnen hol was. Dit wetende, had hij nog gedurende meer 
dan een uur met groote voorzichtigheid en geduld beproefd 
om door draaien de twee helften van elkaar te krijgen, 
hetgeen hem eindelijk tot zijn groot genoegen gelukt was. Bij 
die kunstbewerking evenwel is het doosje niet beschadigd ge- 
worden, is er niets los geraakt en is het mitsdien ook 
niet opnieuw gesoldeerd *), terwijl het uit de dichte (volgens 
hem hermetische) sluiting wel te verklaren is, dat er geen lucht 
of water ingedrongen en het inwendige zoo goed bewaard ge- 
bleven is. Ziedaar b^na met de eigen woorden de opgaven, 
die mij door ghand jean gedaan zijn, onder verzekering dat 
z^ de waarheid bevatten. Ik kan hieraan ook niet twijfelen, 
omdat zijne vrouw mij de zaak geheel op dezelfde wijze ver- 
haald heeft, toen ik hem voor H eerst aan zijn huis ging op- 
zoeken, maar niet thuis vond. Deze vrouw kende mij niet, veel 
minder mijne oogmerken^ en zij dreef er den spot mede, //dat 
haar man twee uren had kunnen verknoeien aan zulk een 
ouden klungeV^ Bovendien wat zou grand jean er aan ge- 
had hebben om te liegen ; hij had het voorwerp reeds verkocht, 
en hij heeft daarvoor ook te veel ambitie en gevoel voor we- 
tenschappelijk onderzoek; want voor zijn stand is hij zeer ont- 
wikkeld en heeft veel kennis van oude zaken. Ik voeg er nog 
bij, dat hij mij het stuk niet te koop had aangeboden. Eenigen 
tijd vooraf had ik hem verweten, dat hij met zijne hooge prij- 



kt Dit ziet op eene door mij gedane vraag aan den heer schebrs, ont- 
staan door de opmerking van een helder blinkend plekje binnen in het 
doosje, dat mij toegeschenen was door smelting van metaal veroorzaakt 
te zijn. 



117 

zen de gemeentekas benadeelde en oorzaak was dat veel wat 
hier gevonden werd naar elders vervoerd werd. Daarom had hij 
gedacht, dat ik het voorwerp wel niet zou koopen ; dat het mij 
te duur zou zijn, en dit te meer, omdat ik nog zeer onlangs 
eenige oude zaken van geringe waarde wegens den hoogen 
prijs, door hem gevraagd, geweigerd had aan te koopen, terwijl 
hem toch diezelfde prijs was gegeven door een duitschen lief- 
hebber, die hem dikwijls placht te bezoeken. Zoodra ik nu van 
de vondst hoorde, ging ik uit eigen beweging naar hem toe 
en kocht het voorwerp, nu zonder afdingen op de door hem 
gevraagde som, uit vrees dat het mij anders licht ontgaan kon.^* 

Het onderzoek van het doosje zelf, door mij bewerkstelligd, 
gaf mede geene aanleiding om de geloofwaardigheid dezer op- 
gaven te betwijfelen, of bedrog ten deze te vermoeden. Wel 
bleek, dat het kopergroen der buitenzijde een weinig geleden 
had, oogenschijnlijk echter eerst in zéér laten tijd, denkelijk 
ten gevolge van de bewerking tot opening. Ook waren beeld- 
werk en opschriften der medaillons, ten gevolge van oude en 
vroegere afslijting, hier en daar onduidelijk geworden; maar 
over 't algemeen was de dikke laag goed kopergroen, waarmede 
het doosje van buiten geheel bedekt was, onbeschadigd ; zij had 
slechts aan ééne zijde van het doosje eene doffere en donkerder 
kleur dan het antieke kopergroen pleegt te hebben ; maar hier- 
over den heer SCHEE RS ondervraagd hebbende, ontving ik 
deze alleszins bevredigende opgave van de oorzaak: dat op die 
z^de bij toeval ten zijnen huize een druppeltje olie gevallen 
was, en daardoor de doffere, donkerder kleur van het kopergroen 
ontstaan was. 

Beeldwerk en opschriften der medaillons droegen den antieken 
stijl die, gelijk men licht bevroeden kan, nu nog beter aan de 
oorspronkelijke stukken dan aan de vroeger ontvangen teekening 
herkend kon worden. Het bruinkleurig koper, binnen in het 
doosje, vertoonde zich geheel vrij van kopergroen; het was 
slechts een weinig dof van kleur en, volgens het oordeel van 
een deswege geraadpleegden goudsmid, van geel koper. Op 
enkele plekjes zag men er goudglans aan. Dit deed mij vermoeden, 



118 

dat het oorspronkelijk verguld zou geweest zijn. Maar de goud- 
smid, daarover geraadpleegd, verklaarde dat de goudkleurige 
spikjes niet van goud, maar door een natuurlijk proces ontstaan 
waren. Het zilveren dekseltje aan de binnenzijde was nog hel- 
derder dan het koper; het was zonder eenigen aanslag van 
vuil, zoodat men er zich nog vrij goed in spiegelen kon. Al- 
leen bespeurde ik er kleine krasjes op, die evenwel te onbedui- 
dend schenen om veroorzaakt te zijn door latere schoonmaak, maar 
die deden vermoeden dat zij ontstaan zouden zijn door heen- 
en weerschuiven van voorwerpen, die er eertijds in bevat ge- 
weest waren. Twee in elkaar besloten cirkels, die flauw in het 
deksel ingegroefd waren, strekten tot bew\is dat het schijfje van 
het dekseltje op eene draaimachine gemaakt was. 

Het is bekend, dat koperen en bronzen voorwerpen uit den 
romeiuschen tijd, b. v. munten die, nog onbesmet van koper- 
groen, in helder water geraakt zijn, na eeuwen daarin gelegen 
te hebbeu, hun oorspron keiijken metaalglans plegen te behouden. 
Of dit ook met zilveren voorwerpen het geval is, durf ik niet 
verzekeren. Bekend is mij evenwel, dat zilver niet door roest of 
kopergroen wordt aangetast, maar na langen tijd. onder de aarde 
gelegen te hebben soms een valen of zwartachtigen aanslag 
krijgt. Ik weet niet of dit verschijnsel zich ook voordoet bij 
zilveren voorwerpen die in het loater gelegen hebben, of die 
door hermetische sluiting tegen de aanraking van water (ge- 
lijk het geval schijnt geweest te zijn met ons doosje) beveiligd 
waren. Zoo ja, dan zou ik wegens de vele andere bewijzen die 
voor de romeinsche afkomst van het doosje pleiten, liefst voor- 
onderstellen, dat de jongste bezitter dit zilveren schijfje voor 
den verkoop van het doosje een weinig gereinigd had, ofschoon 
hij zulks niet erkend heeft. Over het algemeen zijn de bewijzen 
voor de romeinsche oudheid van het doosje te sterk, dan dat 
zij op grond van den blinkenden staat van dit zilver zouden 
kunnen ontzenuwd worden. 

Hier komen vooral in aanmerking: de medaillons zelve, met 
hunne beeldwerken en opschriften. Bij de beschouwing daarvan 
is enkel te betreuren, dat de staat der ommezijden (die tegen 



119 

het metaal van het doosje en van het deksel bevestigd en on- 
zichtbaar zijn) geen onderzoek gedoogd hebben. Van zulk een 
onderzoek zou te groote beschadiging van het voorwerp het 
gevolg zijn geweest, en het was daarom niet doenlijk. Wij weten 
dus niet in hoever de medaillons, voor zij ingezet werden, afge- 
zaagd of afgevijld waren. Dat zij dit echter geweest zijn, mag 
uit de lichtheid en geringe hoogte van het doosje besloten worden. 
Wij weten dan ook niet, of die afgezaagde of afgevijlde omme« 
zijden nog bewijzen zouden opleveren voor den hoogen ouderdom 
van deze hunne bewerking. Alleen kunnen wij opgeven, deels 
met zekerheid en deels met waarschijnlijkheid, welke beeldwerken 
en opschriften op die ommezijden gestaan hebben. 

Wij beginnen met de beschouwing van N®. 2. b., zijnde de 
keerzijde van het medaillon van keizer commodus. 

Het beeldwerk vertoont: roma of VIRTUS, rechtsgekeerd 
zittende op een hoop langwerpige schilden, de linkerhand hou- 
dende op den steel van een stuurriem, die aan hare zijde met 
zijne wiek op den grond staat *), en met de rechterhand zich 
steunende op haren zetel, terwijl zij omziet naar eene VICTORIA, 
die achter haar een rond schild met beide handen komt aan- 
brengen, om eene tropee te voltooijen, die links van ROMA op- 
gericht is ; op den grond, aan hare rechterzijde, staat een helm, 
die nevens de schilden, waarop zij gezeten is, den buit der over- 



') Wij meenden eerst, dat het voorwerp, waarop zy hare linkerhand houdt, 
een parazomum was; maar hij nauwkeorige heschouwing hehhen wij dit 
gevoelen moeten prijsgeven, deels op grond dat het voorwerp voor een 
parazomum een weinig te dun b, en de handelier, die gewoonlijk aan het 
parazonium gezien wordt, hier onthreekt, deels en vooral, omdat men, in 
geval het een parazonium ware, geen weg zou weten voor het scherphoekig 
voorwerp, dat hij de knie van roma gezien wordt, en dat niet kan ge- 
houden worden voor een gedeelte van haar gewaad, maar geheel overeen- 
komt met een gedeelte van de wiek van een stuurriem, zooals die veel 
op romeinsche heeldwerkeu, vooral munten, pleegt voor te komen, h. v. van 
P0STUMU8, viCTORiNus TETBicus e. a., als attrihuut in de hand van con- 
cosDiA, FORTUNA en PROTiDENTiAj zie h. v. j. DE WITTE, Empereurs 
det Gaules, PI. II. 20, V, 64, XXIX, 75. 



120 

winning vertegenwoordigt. Onder het beeldwerk, in de afsnede, 
leest men: VIRTVS AVGVSTI; het randschrift luidt: [p. M.] 

TR. P. XI. IMP. VII. GOS. II. P. P. 

Wij behoeven nauwelijks aan te stippen, dat uit dit opschrift, 
met name uit de aanwijzing van de XI<^« TRibunicia Votestas^ 
terstond blijkt, dat het beeldwerk' niet kan behoord hebben 
aan een medaillon MARCUS aurelius antoninus, tot welk 
vermoeden anders de bovenzijde van H doosje, die met diens 
borstbeeld voorzien is, op H eerste gezicht aanleiding zou kunnen 
geven. Het is toch bekend dat MARCUS aurelius slechts 
driemaal imperator was, en dus geen zevenmaal met de trihu- 
nicia potestas kan bekleed geweest zijn. Maar niet even aan- 
stonds valt mogelijk in het oog, dat dit beeldwerk ontleend is 
aan een medaillon van commodus. Wij toch bekennen gaarne 
daarnaar eerst een weinig gezocht te hebben. Immers in geen 
der meest bekende numismatische werken van den vroegeren 
tijd en in geen enkel der latere (zoover mij die toegankelijk 
waren, en daaronder behooren egkhel, mionnet, rasche 
en COhen) vond ik dit beeldwerk van een medaillon voorge- 
steld of beschreven. Alleen trof ik het aan in een oud, maar 
vrij zeldzaam geworden plaatwerk van antieke medaillons uit 
het kabinet van LODEWIJK XIV, bestaande uit 41 platen in- 
folio, zonder tekst, maar den titel voerende van Numismata 
moduli maximi, vulgo medaiglioni, ex cimeliarcho LUDOVICI 
XIV, etc '). 

In dat werk is op PI. 13 dezelfde ommezijde van een me- 
daillon van commodus afgebeeld, maar p. m. '/j grooter en 
ook fraaier dan ons origineel; de voorzijde er van vertoont 
het borstbeeld van commodus, rechtsgekeerd, en het randschrift 

is: M. COMMODVS. ANTONINVS. PIVS FELIX AVG. BRIT. 



1) Zie over dat werk ebert, £ibl. Lex. in voce caHnet, en nagler, 
in voee. 

Daar eokhel dit werk moet gekend hebben, blijkens zijne opgave in de 
D. N. vol. I. p. CLIVb VIII, bevreemdt liet ons, bij hem geen vermel- 
ding van dit medaillon te hebben aangetroffen. 



121 

Hieruit blijkt dat dit medaillon tot de zeldzame behoort, en 
op die zeldzaamheid mag wel bijzonder gelet worden bij de 
beoordeeling van de oudheid van ons medaillon, omdat een 
modern namaker de origiueele type wellicht alleen te Parijs 
in de keizerlijke verzameling zou hebben kunnen vinden. Of 
dat origineel daar heden nog aanwezig mocht zijn, en of ons 
eene vergelijking mogelijk zou wezen met de genoemde afbeelding 
uit den tijd van lodewijk xiv en met het medaillon van ons 
doosje, was eene vraag, die natuurlijk bij mij moest oprijzen. 
Ik wenschte daaromtrent zekerheid te erlangen en wendde mij 
tot den opzichter van het keizerlijk kabinet van medailles 
te Parijs, den heer ghabouillet, met verzoek om voor 
mij van het bedoelde medaillon een afgietsel te Taten vervaar- 
digen, zoo het zich, in weerwil van de vele omwentelingen die 
sedert LODEWIJK xiv ook over die verzameling waren heen- 
gevaren, daar nog bevinden mocht. Weldra werd mijn wensch 
door den heer ghabouillet vervuld en aan het verzoek op 
uitstekende wijze voldaan. Hij zond mij twee galvanoplastische 
afgietsels, een van de voor- en een van de keerzijde van het 
nog te Parijs aanwezige medaillon, welke afgietsels zoo voor- 
treffelijk zijn, dat zij het origineel volkomen vervangen kunnen, 
zoodat ik mij vleien mag thans, door de uitgave er van (zie 
N<^. 1), niet alleen tot opheldering van ons medaillon by te 
dragen, maar ook over 't algemeen, wegens de groote zeldzaam- 
heid van dat stuk, aan liefhebbers der oude numismatiek eenigen 
dienst te bewezen. Uit eene vergeÜjking met ons medaillon en 
met de vroegere fransche afbeelding uit den tijd van LODE- 
WIJK XIV, blijkt zeer duidelijk, dat de fransche kunstenaar 
ten tijde van lodewijk xiv zich te veel vrijheid veroorloofd 
heeft, zoowel in de beeldwerken (die grooter en fraaier zijn 
dan van het origineel) als ten opzichte van het karakter van 
het opschrift; voorts, dat het origineele medaillon te Parijs, 
ofschoon het beeldwerk in alle bijzonderheden met dat van ons 
doosje overeenkomt, ten aanzien van de plaatsing van het opschrift 
verschilt, zoodat beide stukken, hoewel gelijk in ouderdom, 
afkomst en stijl, evenwel niet met een en denzelfden stempel 



122 

kunnen geslagen zijn. Intusschen is over H algemeen de vroe- 
gere, vergroote en verfraaide, afbeelding van het parijssche 
medaillon getrouw genoeg om de beteekenis van de voor- en keer- 
zijde van 't origineel te kennen. Men weet dan nu tevens met 
volkomen zekerheid, dat de voorzijde van het medaillon van 
ons doosje het borstbeeld van co M modus moet hebben vertoond 
en van het evengenoemde randschrift voorzien zal geweest zijn. 

Wordt in het randschrift op de keerzijde de tijd nauwkeurig 
bepaald door de XP® tribunicia potestaSf die met het jaar 186 onzer 
tijdrekening samenvalt, de bijnaam bhi Tannici^ in het randschrift 
der voorzijde wordt tevens verduidelijkt; deze toch staat in verband 
met de overwinning, op de keerzijde voorgesteld. COM MODUS 
erlangde dien bijnaam na zijne zegepraal op de Britten, zij 
het dan ook enkel uit vleierij, daar niet hij, maar zijn veld- 
heer MARCELLUS die Overwinning behaald had, na twee jaren 
te voren naar Britannië gezonden te zijn *). Het is ongetwij- 
feld die overwinning, waarop in het beeldwerk van ons medaillon 
gedoeld wordt: RoMA of de Krijgsdapperheid (virtus), zit- 
tende en uitrustende op de wapenen der overwonnenen, terwijl 
zij omziet naar Victoria, die achter haar aankomt om eeue 
tropee te voltooien. 

Korter kunnen we zijn ten aanzien van de zijde van ons 
doosje die het borstbeeld van een medaillon van MARGUS 
AURELius ANTONINUS vertoont. De inhoud daarvan is zeer 
duidelijk. Uit het randschrift m. antonius avg. tr. p. xxxix 
blijkt, dat het stuk uit het jaar 175 onzer jaartelling is. Daar- 
mede komt het 29®*« zijner tribunicia potestas overeen. Dat jaar 
was voor den edelen marcus aurelius bijzonder merkwaardig. 
In het oosten was een valsch gerucht verspreid, dat h\j zou 
gestorven zijn. Ten gevolge daarvan had zich avidius cassius, 
die toen als bewindvoerder in Syrië was, tot keizer laten uit- 
roepen. Dit noopte m. aurelius om zijn zoon commodus 



r 



I) Appellatas est commodus etiam Britannicus ab adulatoribus, cum Bri^ 
tanni etiam imperatorem contra eum deligere voloerint. ael. lampridius 
in Comm, JtUonin. Cap. 8. 



123 

naar Duitschiaud tot zich te ontbieden, hem de toga virilis te 
verleenen en met hem naar het oosten te snellen, ten einde het 
oproer te dempen en den oproerliug CASSiuste bedwingen '). 
Maar middelerwijl werd CASSius om het leven gebracht. Des- 
niettemin zette de keizer zijn tocht voort, trok door Aegypte 
en Syrië, schonk aan de steden, waaronder vooral Antiochië, 
die voor CASSius partij gekozen hadden, vergiffenis, en keerde 
over Griekenland naar Italië terug. Wij weten intusschen 
niet op welk der in dat jaar voorgevallen feiten dit medail- 
lon zou geslagen zijn. Wanneer wij de keerzijde (die aan 
het onze niet te kennen is) met waarschijnlijkheid vermoe- 
den dezelfde te zijn als die van een medaillon, waarvan grootte 
en voorzijde volkomen met het onze overeenkomen, en waarvan 
zich mede een exemplaar in de keizerlijke verzameling te Parijs 
bevindt *), dan zou men op de kz. te zoeken hebben: een zit- 
tenden apollo, die de luit en het plectrum houdt, en aan 
wiens rechterhand een boom staat. Onwillekeurig rijst daarbij 
de gissing op of dit zou kunnen geslagen zijn op zijn verbluf 
te Athene, ook toen nog de zetel van kunsten en weten- 
schappen, door M. AURELius zoo uitstekend beschermd en 
beoefend. JUL. capitolinus (Cap. 27) schrijft: (m. au- 
RELius) orientalibus rebus ordiuatis, Athenis f uit et initialia 
Cereris adiit, ut se innocentem probaret, et sacrarium solus 
ingressus est." Doch wij hechten aan die gissing in geenen 
deele. 

Na het aangevoerde zal het wel niet noodig zijn nog uit 
te weiden over den tijd, waartoe ons doosje te brengen is. 

Aangezien het jongste medaillon van het jaar 186 is, 
terwijl het oudste slechts 11 jaren hooger opklimt, mag 
men wel vooronderstellen dat het in of kort na 186 onzer 
jaartelling zal samengesteld zijn. De kleine afslijtingen toch. 



^) JUL. CAPiTOLiN. in Jntonin. philo». cap. 22, en ael. lampridius in 
Comm. Jntonnin. Cap. 2. 

3) Besebreven bij couEN, II, 503, p. 366 en door hem op 600 fr. 
geschat. 



124 

die men aan de medaillons ontwaart, strekken niet tot bewijs 
dat zij reeds voor het inzetten veel gebruikt en dus later dan 
186 na Christus tot een doosje zouden samengesteld z|jn, want 
die afslijtingen kunnen zeer goed ontstaan zijn tijdens het ge- 
bruik zelf van het doosje, nadat de medaillons er reeds ingezet 
waren. 

Over dat gebruik, die oorspronkelijke bestemming van het 
doosje, meenen wij eveneens kort te moeten zijn. Geen opschrift 
noch eenig daarin of daarbij gevonden voorwerp geeft hier- 
omtrent inlichting. Gebrek aan vergelijking met geheel gel^ke 
doosjes uit de romeinsche oudheid, doch waarvan de bestem- 
ming bekend is, beneemt alsnog het uitzicht op zekerheid. Alleen 
het doosje zelf moet tot wegwijzer dienen. En dit in het oog 
houdende, zal men in 't algemeen moeten erkennen, dat het 
niet geschikt was om er vele of velerlei voorwerpen in te ber- 
gen. Wanneer men daarbij let op het blinkend metaal aan de 
binnenzijden, vooral op het spiegelend zilveren schijfje van het 
dekseltje, zal het vermoeden wel gewettigd zijn, dat het een 
vrouwelijk toiletdoosje geweest is en tot spiegelen zal gediend 
hebben. 

Dit sluit echter geenszins het denkbeeld uit (integendeel de 
doos vorm schijnt het te bevestigen), dat het tot berging van 
kleine toiletzaken, van vrouwelijke kleinoodiën, b. v. vingerrin- 
gen, spelden, mantelhaakjes, zal gediend hebben. Wanneer het 
enkel als toiletspiegeltje moest beschouwd worden, zou het 
waarschijnlijk van een handvatseltje voorzien zijn geweest, 't 
geen er nooit aan bevestigd was. De toiletspiegeltjes der ouden 
waren, gelijk overbekend is, niet zelden, gelQk het onze, van 
zilver en van ronden en vierkanten vorm ; maar zij waren gewoon- 
lijk grooter dan ons doosje, waarover men vooral het groote 
werk van geruard over de etruskische spiegels met vrucht 
kan raadplegen. Het spiegelen zal bij ons doosje slechts eene 
b^ bestemming geweest zijn, evenals men tegenwoordig nog wel 
aan naaidoosjes, haarborsteltjes enz. soms ingezette kleine spie- 
geltjes aantreft. 

De krasjes in het zilveren spiegeltje, waarvan boven gespro- 



125 

ken is, zouden dan ontstaan kunnen z\jn door de schuring van 
die harde toiletkleinoodiën, waarvan het doosje eertijds de be- 
waarplaats zal geweest zijn. 

Mogen nu ook al doosjes, geheel gelijk aan dit, onzes wetens 
niet voorkomen onder de vele toiletzaken, die van de ouden 
tot ons z^n overgekomen (en waarover men vooral bij bÖtti- 
GER in zijne Sabinüf becker in zijn Chankles en Gallus^ 
en WEISS in zijne Kostümkunde onderricht kan vinden) zoo 
aarzelen wij toch niet het onze tot het vrouwelijk toilet terug 
te brengen, terwijl wij het mogelijk achten, dat het nevens 
andere toiletzaken in eene grootere cista besloten is geweest. 
En vraagt iemand, wie de romeinsche of bataafsche schoone 
moge geweest z\jn die dit kleinood bezat en gebruikte; of het 
wellicht voor een souvenir zou te houden zij van een geliefde, 
uit den tijd van GOMMODUS als strijder uit Britannië behou- 
den wedergekeerd, de beantwoording van zulke vragen moge 
de verbeelding des dichters streelen, het proza der wetenschap 
kan daarvoor geene bijdragen leveren. 



Leidkn, 6 April 1869. 



128 

Sab anno domini 1369 dicta pestilentia sea epidemia grraTis- 
sime adhuc invaluit iu oppido Leydensi et locis circamvicinis, 
ita quod eodem anno ultra tria milia hominam, pront plares 
aestimabant, ex dicto oppido de dicto morbo lamentabiliter sunt 
exstineti; de quibus hominibus utriusque sexus diversaeqae 
aetatis ut plurimum erant pueri et adolescentes ; mulieresque 
impregnatae fere omnes ante partum cum foetu, proh dolor, 
obierunt. *), 

Item eodem anno circa kalendas mensis Septembris, postquam 
antea fratres ordinis domus Teutonicae ecolesiam Scti Petri in 
Leyden usque ad spatium centum annorum vel amplios, pront 
quidam asserebant, occupassent et in possessione ejasdem 
ecclesiae fuissent, instituti erant duo seculares sacerdotes 
per archidiaconum Trajecteiisem ad praeseutationem dacis Al- 
berti, gubematoris Hollandiae, Zelandiae etc. in eamdem, quo- 
rum unus vocabatur dominus philippus thomatis alterque 
dominus philippus jagobi de oppido Leydensi oriundi. Coi 
domino philippo jagobi cedenti et per liberam ipsius resignatio- 
nem eodem anno successit dominus florentius de ALGMADE 
ad praeseutationem dicti domini ducis alberti *), 



l\)ke Yordering in het Bisdom van Utrecht is voorgevallen bigkt uit het 
belangryke stak, dat staat afgedrukt in de Kronijk van hel Hittor. Ot^ 
HOotteAap, Jaarg. XIII, bl. 169 en vlg. 

>) Ook PHILIPPUS DE LEIDEN Spreekt van deze sterfte vau 1869, p. 180; 
„ cnm tune maxima mortalitas regnaret iu Tieydeii et de poteutioribas dictae 
villae plures sncoumberent.** Dat de pest werkel^k veel aanzienlijken heeft 
weggerukt blijkt uit het Menioriale fautorum, waaraan deze aanteekeningen 
ontleend zgn. Terwyl er immers doorgaans niet meer dan vier of vijf 
fautores 'sjaars op de sterflijst voorkomen, worden er in dit jaar, 1869, 
v^ftig opgenoemd, alleen in Augustus zeventien. — Ook te Schoonhoven 
„ was de sterfte dat jaar groot." (de lanoe v. wijnoaerden, BescAr, 
van Oouda I, bl. 724). Van andere steden wordt het niet gemeld. 

*) Over den twist tusschen de Duitsche Heeren en de burgerij van Lei- 
den» vorgeiyk de aant. op het jaar 1371, en verder philippus de leiden, 
de cura Reipukheae, casn III, en Matthaei Analeefa t. v. p. S69 (edit. 
in 40). 



in 

en ook naar den tractatus de cura reipublicae yan 
Philips van Leiden, die een der eerste oprichters van 
het kapittel van S^ Fancras en kanunnik aldaar geweest 
is. — Waar de lezing niet volkomen zeker was hebben 
wij de woorden tusschen vierkante haalges gezet. 

Anno domini 1367 circa fes turn sanctorum omnium Domi- 
nus UHBANUS papa quintus sanctam sedem Bomanam, post- 
quam in civitate Avinionensi aut locis circumvicinis circiter per 
74 annos extra proprios limites peregrinando exsulasset, tan- 
dem, domino annuente, ad magnam Bomam sanctorumque 
PETRI et PAU LI apostolorum limina, tamquam ad proprium 
ipsius locum cum ingenti devotione transtulit et reduxit. 

Sub anno domini 1368 circa tempus quadragesimale incepit 
apparere de sero versus partes septentrionales et parum decli- 
nans ad occidentem, non longe a terra, quidam cometa barbatus 
et duravit fere usque ad nativitatem beati .tohannis baptis- 
TAE. Quam apparitionem sequebatur in aestate, autumno ac 
hieme sequentibus gravis pestilentia seu morbus quem physici 
epidemiam vocant, unde valde multi homines utriusque sexus 
diversaeque aetatis in civitate et dioecesi Trajectensi, in Hol- 
Jandia, Zelandia, Brabantia, Flandria, Anglia ac ceteris parti- 
bus occidentalibus, ut de aliis regionibus et partibus nobis 
ignotis taceamus, circumquaque subito moriebantur ^). 

Item eodem anno exactionatus generaliter fuerat clerus per 
dominum urbanum papam quintum, ad instautiam et ad opus 
illustrissimi principis domini LUDOViGi DE beem, Bomanorum 
imperatoris, ad resistendum cum subventione, ut praemittitur, 
a clero recepta domino de Melanen, protunc contra sanctam 
ecclesiam insultanti ^). 



') De Vermeerderde Beka zegt: „In denzelven jaer ona Heere 1 368 stor- 
veu binnen der stat van Utrecht elf dnyseut menschen." Hetzelfde be- 
berichteD het Chron. de Trajecto en Joannes a Leidis. 

^) l)e Keizer heette karel (iv) niet loüewijk. Wat er over de pause- 



128 

Sub anno domini 1369 dicta pestilentia sen epidemia grans- 
sime adhuc invaluit iu oppido Leydensi et locis circumvicinis, 
ita quod eodem anno ultra tria milia hominum, prout plures 
aestimabant, ex dicto oppido de dicto morbo lamentabiliter sunt 
exstincti; de quibus hominibus utriusque sexus diversaeque 
aetatis ut plurimum erant })um et adolescentes ; mulieresque 
impregnatae fere omnes ante parium cum foetu, proh dolor, 
obierunt. *), 

Item eodem anno circa kalendas mensis Septembris, postquam 
antea fratres ordinis domus Teutonicae ecclesiam Scti Petri in 
Leyden usque ad spatium centum annorum vel ampiius, prout 
quidam asserebant, occupassent et in possessione ejusdem 
ecclesiae fuissent, instituti erant duo seculares sacerdotes 
per archidiaconum Trajecteusem ad praeseiitationem ducis Al- 
berti, gubematoris Hollandiae, Zelandiae etc. in eamdem, quo- 
rum unus vocabatur dominus philippus thomatis alterque 
dominus philippus jagobi de oppido Leydensi oriundi. Cui 
domino philippo jagobi cedenti et per liberam ipsius resignatio- 
nem eodem anno successit dominus florentius de algmade 
ad praesentationem dicti domini ducis alberti '). 



lijke Yordering in het Bisdom van Utrecht is voorgevallen blgkt uit het 
belangr^ke stak, dat staat afgedrukt in de Kronijk van hel Histor, Oe- 
nootsekap, Jaarg. XIII, bl. 169 en vlg. 

') Ook PHILIPPUS DE LEIDEN Spreekt van deze sterfte van 1369, p. 180; 
n cum tune maxima mortalitas regnaret in T^ydeu et de potentioribus dictae 
villae plures succumberent.** Dat de pest werkel^k veel aanzienlijken heeft 
weggerukt bl^kt uit het Memoriale fautorum, waaraan deze aauteekeningen 
ontleend zijn. Terwijl er immers doorgaans niet meer dan vier of vijf 
fautores 'sjaars op de sterflijst voorkomen, worden er in dit jaar, 1369, 
vijftig opgenoemd, alleen in Augustus zeventien. — Ook te Schoonhoven 
„ was de sterfte dat jaar groot." (de lanoe v. wijnoaebden, Beschr, 
van Oouda I, bl. 724). Van andere steden wordt het niet gemeld. 

*) Over den twist tusschen de Duitsche Heeren en de burgerij van Lei- 
den, vergelijk de aant. op het jaar 1371, en verder philippus de leiden, 
de eura ReipubUeae, caso III, en Matthaei Jnaleefa t. v. p. 869 (edit. 
in 40). 



129 

Item hoc anno avaiïtia snadente quorumdam attenuari no- 
tabiliter coepit moneta. In quo facto communitas valde fuit 
gravata. 

Hoc anno domini 1370, licet dicta mortaiitas in partibus 
nobis notis cessaverit, tempora tarnen ibidem in omnibus 
victualibus tam cara exstiterunt, sicut umquam faerant de 
quibas hi qui quadraginta annos habebant poterant remi- 
nisci. 

Item hoc anno Dominas Urbanus papa praefatus circa festum 
Remigii iterum ad civitatem Avinionem cum suis cardinalibus 
est reversus. Et statim post, ante natale Domini nostri jesu 
CHRISTI, in domino feliciter obdormivit. Cui successit GREGO- 

RIUS XI. 

Item hoc anno moneta pecuniarum iterum erat deteriorata: 
quare antiquum scutum aureum, quod ab initio valuit 18 gros- 
sos, et sub anno 67 valuit 34 grossos, tune inciperet valere 
fere 50 grossos, ita quod communitate nimium de hoc con- 
querente placka sedecim denariorum pro duodecim denariis jussa 
est recipi. 

Sub hoc anno domini 1371, in crastino animarum domin, 
domus Teutonicae ad regimen ecclesiae Sti Fetri, suffragante 
Eomanorum imperatore, praehibitis magnis laboribus et expen- 
sis, composito cum aliis rectoribus secularibus redierunt. 

Et hoc anno juxta valorem monetae segetes in bono foro 
erant, sed moneta argentea etiam ratione mercatorum, qui 
auream monetam plus diligebant, in tantum adhuc deteriorata 
exstitit, quod antiquum scutum de Francia solveretur 27 plackis 
cum dimidia. 

Item hoc anno vacante sede Trajectensi GREGORIUS papa xi 
episcopatum liberaliter contulit domino arnoldo de hoern, 
juveni recommendato. 

Item eodem anno villa de Woerden, procurante et ad effec- 
tum perducente strenuo et ingenioso armigero wilhelmo de 



130 

NAELDWic, fossato quodam paryo cum aggere terreo primitus 
institit commuuita ^). 

Hoc anno domini 1372 adhuc deteriorata exstitit moneta, 
ita quod antiquum scutum de Francia solveret 29 plackas. 

Item hoc anno postquam dia cum magna diligentia capitu- 
lum nostram pro confirmatione nostri collegii laboraverat et 
quamplures inutiles expensas fecerat, tandem vir probus, dis- 
cretus, honestus et perpetua memoria dignns dominus theodo- 
Ricus VOPPONIS, persona seu investitus parochialis ecclesiae 
de Haerlem, coniirmationem dicti nostri collegii nobis gratiose 
et liberaliter impetravit et obtinuit a domino gregorio papa 
XI, anno sui pontificatus primo, VI° kalendas Decembres. 

Et qaamquam dicto domino theodorico pro tam ingenti 
beneficio nobis, ut praemittitur, impenso sufficienter regratiari 
non sufficiamus, verumtamen ne beneficii accepti omnino imme- 
mores essemus ad perpetuam rei memoriam eidem, quamdiu 
vitam duxerit in humanis, nostrum promisimus famulatum et 
post obitum suum promisimus eidem, quod nostram collegium 
anniversariam ipsius, tamquam si noster concanonicus exstitisset, 
cum solemnitate vigiliarum, missarum, candelarum et distribu- 
tionum singulis annis in perpetuum die ipso obitus sui fideliter 
peragat. Super quibus omnibus et singulis sic ut praemittitur con- 
servandis successores nostros et eorum conscientias seriosius 
quo possumus oneramus '). 

Item hoc anno dicta villa de Woerden, sufiragante dicto 
armigero wilhelmo de naeltwic, libertatem tamquam op- 
pidum a duce alberto gubernatore Hollandiae obtinuit '). 



*) Over het bevestigen van Woerden wordt nog nader gesproken op het 
jaar 1373. Ygl. philippus D£ L£id£N, de cura Reipubl. p. 210, 245, 6. 

^ Over de oprichting van het kapittel van St. Pancras, vgl. philippus 
DE LEIDEN, de cura Reipubl. p. 44 en de brieven in de Historia Epi- 
scopatuum I, p. 455 sq. 

5) Zie het Handvest van Sinte Gregoriusdach 1371 (d. i. 12 Maart 1372) 
by van MiEBis, Charterboek, III, bl. 256. 



181 

Hoc anno domini 1373 antiquum scutum sol vit inter mer- 
catores 30 plaokas. Insuper soasu quorumdam nescio quorum 
iniquorum exstitit adhuc nova moneta argentea, quae taxabatur 
pro octo denariis, quam nullus pene recipere libenter voluit, 
quare populus per eam decipi timuit propter deceptiones prae- 
cedentes. 

Item hoc anno dictus Wilhelmus de naeltwic, balivus 
Rijnlandiae et Woerdenlandiae cum quibusdam aliis balivis 
et nobilibus ingressi orientalem Frisiam, cum navibus hos- 
tiliter pergentes et venientes in insulam dictam de Scbellinghe 
multos ibidem occiderunt et reliquos fugaverunt totamque in- 
sulam incendio vastaverunt et spoliaverunt. Et in recessu abinde 
PHILIPPUS DE TETR0DE cum his, qui in navi ejus erant, 
capti sunt in nocte a Frisonibus et ad Stauriam deducti, qui 
tarnen postea in fide sua ad patriam redierunt ^). Et expost 
anno sequenti, durante adhuc tempore fidei suae idem PHILIP- 
PUS ex magna inund'atione aquarum in torrentem inter Lisse 
et Sassenem de equo suo cecidit, et cum esset armatus ibidem 
submersus luctuose interiit ^). 

Item hoc anno cives Trajectenses novum castrum construxe- 
runt apud pagum dictum de Nuwevaert, quod vocaverunt 
Ghildenburch, et a Leika ibidem fossatum foderunt, per quod 
merces suas veherent ad Trajectum: unde offensi quidam pro- 
curaverunt, quod dux albertus ad dictum castrum debel- 
landum et fossatum praedictum obstruendum suum exercitum 
convocaret, sed tamen episcopo cum domino DE ghenp ülio 
domini DE brederode interloquentibus et multum super hoc 
laborantibus, in arbitros tandem, cessante protunc bello, exstitit 



^) Van dezen tocht spreekt, maar slechts ter loops, en minder juist, 

J^OANNES A LEIDIS lib. XXXI. C. 23. 

*) Over de vreeselijke doorbraken en overstrooraingen in 1374 en 75 
meer uitvoerig op die jaren. De kronieken, met name heda en joannes a 
LEIDIS, gewagen er van. Vgl. ook wat philippus de leiden er van 
zegt, de cura Reipnbl., p. 210, 213. 



U2 

compromissum '). Et occasione bellorum, quae pro dicio castro 
destruendo futura timebantur, dictum oppidum de Woerden 
adhuc secundo fossato, procurante dicto wilhelmo de 
NA.ELTWIC, erat communitum et in magna parte muratum. 

Hoc anno domini 1374 circa festum Epiphaniae Domini, 
flante vento yalidissimo et fluviis et rivis aquis multis repletis, 
multi aggeres confracti sunt in partibus istis, ut de ceteris 
provinciis orientalibus et occidentaiibus, ubi turn fama refe- 
rente aquae multum invaluerant, taceamus. Sed obstante gelu 
et glacie crescentia aquarum multum impedita fuit in nostris 
terminis usque ad sabbatem ante Invocavit [Mart. 8] : nam tune, 
glacie penitus in aquam resoluta, tanta nobis venit aquarum inun- 
datio, quantam nullus antiquorum, qui octoginta annos vel 
amplius habere putabantur, meminerat se vidisse et vix post 
tres menses in toto recessit. 

Et tune quidem discordia inter dominum nostrum Hollan- 
densem et Trajectenses, cujus supra fit mentio, nondum adhuc 
erat sopita sed potius de novo irritata, novit Deus ex quorum 
culpa : venerunt quidam navigio armata manu de Trajecto usque 
ad villam de Woirden et, ut dicebatur, cum obsides adop- 
tatos, fïigientibus ditioribus eiusdem yillae, ad recuperandum 
damnum, quod sibi dixerant injuste illatum, habere non pos- 
sent, etiam contra jussum civitatis Trajectensis, stantibus ad- 
huc treugis, dictam villam combusserunt et spoliaverunt et 
quosdam ex eadem, quos invenire poterant, capturarunt mu- 
rosque confregerunt. Et ex post nostrates et Trajectenses se 
mutuo prout poterant rapinis, incendiis et captivitatibus inva- 
serunt. Et aestate adveniente Dux albertus, gubernator ter- 
rarum nostrarum, praefatum castrum dictum Ghildenburch 
cum magno populi sui et etiam multorum stipendiariorum 
exercitu potenter usque ad terminum unius mensis obsedit et 



*) Over den oorlog tusschen Holland en Utrecht wegens Gildenborch, 
zie de kronieken, inzonderheid de Vermeerderde Beka. Vgl. philippus Bï 
LEIDEN cas. LXI, p. 210 sq. 



138 

transacto mense obtinuit et domino de Yianen custodiendum 
commisit et ad propria rediit; sed turn breviter post, hac 
eadem aestate, Trajectenses venientes tempore noctis ad praefa- 
tum castrum ipsum subtiliter perforando et famum per in- 
cendia ad hoc apta multiplicando ipsum castrum debellando 
recuperant. 

Ceterum hoc eodem anno circa festum Sanctorum Gereonis 
et Victoris [Oct. 10] flante iterum vento rupti erant in multis 
passibus aggeres inter Sparenwoude et Amsterdamme, nee non 
agger apud Westfrisiam dictus vulgariter Vriesendyc, ita quod 
ex hoc aqua in multis partibus adhuc amplius quam supra 
narratur se extulit et excrevit usque ad quantitatem dimidii 
pedis, sed non per multos dies in tanta altitudine permansit. 
Malta tum valde pecora in pascuis hinc inde ex eadem inun- 
datione aquarum submergebantur et magna multitudo populi^ 
quae de villis et pagis tum propter aquarum intolerantiam, 
tum propter timorem hostium Trajectensium ad oppidum 
Leyden confugerat, ibidem per hemeriam seu dissenteriam ex 
frigore aquarum contractam interiit et obiit. 

Item et attenuata adhuc exstitit moneta, ut scutum de Francia 
solveret 31 plackas. 

Hoc anno Domini 1375 circa festum paschae fuit concordia 
facta inter terram nostram et episcopum ac civitatem Trajec- 
tensem, sub hac conditione, quod Trajectenses castrum dictum 
Ghildenburch per se et personaliter everterent et quod possent 
quamdam aliam habitationem facere apud fossatum, quod de 
Lecka pertrahitur ad Trajectum, cujus tamen muri seu parie- 
tes spissitudinem duorum lapidum non excederent, prout nobis 
haec enarrabantur *). 

Item hoc anno praedicto circa festum sancti Victoris [Mart. 
6], vento iterum flante vehementi, rupti et confracti fuerunt enormi- 
ter aggeres in Westfrisia, in Sparenwoude, apud Amsterdamme, 



1) Zie het Handvest bij van mieris, Charterboeh, III, blz. 805. 



184 

in Zaythollandia, in Zelandia et in diversis aliis partibus Plan- 
driae et Brabantiae, ut de aliis partibus nobis ignotis tacea- 
mus, ita quod aquae in oppido Leyden, sicut et locis circum- 
vicinis pene in tantam altitudinem se extulerint, sicut in 
anno immediate praecedcnti et prout ibidem enarratur. Qua- 
propter quamplures de Westfrisia terram et possessiones suas 
immobiles, quas ibidem habere Tiderentur, omnino relinquentes 
ad Oestfrisiam se cum uxoribus et liberis penitus transtulerunt, 
et quod Hollandia et Westfrisia propter inutile regimen prae- 
sidentum in iisdem sic perturbatae et exterritae fuerunt, quod 
vix speraverunt aliquid utile auxilium inyenire, et nisi per 
partes et portiunculas hinc inde novos ag^eres circa occiden- 
tales partes Beni et alibi sibi facerent, timerent suas terras ei 
habitationes perdere et pene totam illam provinciam verisimi- 
liter desolandam. 

Item hoc anno refrigescente caritate ') et deficiënte justitia 
in tantum, proh dolor, abundavit multorum iniquitas, quod in 
nostra Hollandia, ubi nobis magis innotuit, plures latrunculi 
seu spoliatores in arundinetis et silvis ac aliis locis occultis 

sic itinera et vias publicas obsederunt quod 

itinerantes sive per aquas sive per terras manus eorum vix 
eyadere se crederent, maxime cum quidam ab iis territi vix 
effugerunt, quidam exspoliati evaserunt et quidam etiam non 
solum exspoliati, sed et interfecti penitus corruerunt, quod et 
satis mirabile fuisset praeteritis temporibus enarrare *), 



1) Over die dnorte, caristia, spreekt ook fhilifpus de leiden, p. 40. 

^ Een even ongonstige voorstelling van den toenmaligen toestand geeft 
ook PHILIPFUS DE LEIDEN in casQ LXI, p. 210: „Bene redituati (ryke rente- 
niers) et divitias tune magnas qnasi possidentes de mane com ezsnrgerent 
omnibos se nudatos invenerunt ; aggeres ubiqne confracti sunt ; . . . . et caristia 
snpervenit, et illa ad versari ornm pessima, moneta vorax, (het verminderen 
van de mnntgehalte) qnidquid sapererat arripoit. Et clamavit terra et non 
est qai illam consoletar. Silentinm et timor incabuit super eam. Et haec 
infelicitas et miseria, labor et dolor daravit quasi per annum et ultra." 



135 

Hoc anno domini 1376 circa autumnum apparuit de sero 
cometa circa partes septentrionales sursum emittens radios. 
Fosthoc iDvaluit mortalitas in Zelandia et quibusdam aliis 
partibus apud Ysalam superiorem. Erat etiam magna inundantia 
aquarum, ita quod multi aggeres confracti fuerunt, maxime in 
Zuyt-HoUandia, Zelandia et Flandria. dualiter autem hoc anno 
actum sit cum moneta et quibusdam aliis, nihil amplius scri- 
bere praesumo, cum non possit aliud generare nisi taedium et 
moerorem ^). 

Hoc anno domini 1377 mensis Februarii die nono structura 
ecclesiae nostrae norae cum columnis seu pilis originem cepit 
salubrem, domino annuente'). 

Hoc anno domini 1379 in mense Martio, defuncto domino 
GREGORio papa XI, in civitate Eomana electus erat in papam, 
prout dicebatur, dominus bartholomaeus, archiepiscopus 
Berrensis et vocatus urbanus sextus. Et ezpost anno ab 
obitu dicti domini gregorii vel plus elapso, fama venitquod 
undecim Cardinales, a civitate Eomana quodammodo elongati et 
in terra comitis Fundorum moram trahentes, negabant dictum 
dominum bartholomaeum canonice sed propter metum 
fuisse electum et alium eligebant in papam, qui tune cardinalis 
erat et prius episcopus Cameracensis esse consueverat, et hunc 
Yocabant clementem septimum, et isti duo mutuo sibi 
insultabant, ita quod cuncti Catholici pene ex hoc tam perplexi 
erant, quod nesciebant quem dictorum duorum deberent tamquam 
verum papam reputare et venerari. 

Hoc anno domini 1379 praemissa adhuc perduravit discordia 



*) Bij VAN MiEEis, III, bl. 326, komt voor een nieuwe muntverande- 
ring van Hertog albrecht, van 10 Juli 1376. 

^ Van mieris, Beschr. van Leiden^ I, bl. 63, toont van deze verbou- 
wing niets te weten; hij past de berichten aangaande de oudere kerk- 
ten onrechte toe op het thans nog bestaande, in 1377 £Uingevangen, gebouw. 



136 

inter daos papas, ut ita loquamur, quorum unus nuncupatur 
u RB ANUS, qui commoratur Bomae, alter clemens, qui resi- 
det Avinione. Sed major pars Christianitatis potius adhaesit 
URBANO, rege Franciae cum quibusdam sibi adhaerentibus 
CLEMENTEM praeferente. Item hoc anno praedicto antiquus 
hostis diabolus tam de zizania discordiae in Ghristianitate 
seminavit, ut vix aliquod regnum, provincia vel civitas inveni- 
retur, ubi pax et quietudo inesse probaretur. 

Hoc anno Salvatoris 1380 in quibusdam locis NorthoUandiae 
lapides grandinum in quantitate ovorum gallinarum ceciderunt 
segetibus et cespitibus plurimum nocivi. 

Item anno domini 1381, feria secunda post dominicam in 
passione domini, quae fuit prima dies Aprilis, dominus fol- 
KERUS episcopus Gibelethensis ^), natione Stauriensis in partibus 
Oestfrisiae et monachus ibidem, suffraganeus domini episcopi 
Trajectensis, consecravit quinque altaria in ecclesia nostra: 
primum in parte excellentiori lateris aquilonaris sub fenestra 
▼itrea situm dedicavit in honore Sti Salvatoris, reliquum in 
eodem latere sub honore beatae Yirginis MARIAE, in parte 
meridionali excellentius ibidem consecravit in honore sanctae 
crucis et beati Ni COL Ai, quartum vero in honore beatae 
MARIAE MAGDALENAE, et quintum in parte boreali contiguum 
parieti laterali in honore beati MIGHAEL et benedigti. 

Item praedicto anno domini 1381, ipso die bartholomaei 
apostoli jam discedente, circa medium noctis immediate subse- 
quentis horribile fïiit ignis incendium in oppido nostro Leydensi, 
quale inira 62 annos visum non fuerat in praedicto oppido, 
quum magna pars oppidi dicti est combusta, juxta relatum 
quorumdam protunc existentium ^). Quod quidem praedictum 



') Qiheleth of Bihlium. 

^ Van dien brand ran 1319 is van elders niets bekend; evenmin 
van dezen. 



». 



137 

inoendium contigit et inoepit in parte domus posteriori, in 
qua tsëbrandus dictus hoffelantzoen, spurius, habitare 
consueverat, supra Benum, ipso tarnen fortiter asserente, illud 
non de proprio sed alieno igne, vulgariter dicto moertbrant, 
potius evenisse, quamvis in hoc nemo sibi credat. Quare trium 
diernm aut quatuor spatio post dictum incendium circiter 
elapso, vasculum quoddam luteum cum stuppa et sulfure intra 
aquaedttctum domus suae se af&rmabat utique reperisse. Quod 
ostendens et ad adspectus justitiariorum deducens, dictijustitiarii 
com pluribus, qui cum eis hoc inspexerant, per evidentia signa 
frivolum judicabant fore et fictitium. Quare verisimiliter de 
proprio igne ab omnibus creditur accidisse, ipso nescio qua 
.ratione contra hoc penitus murmurante. Fuerunt quoque in 
praedicto incendio quamplures domus, circiter decem octo vel 
viginti, combustae, ab illo vico, qui dicitur Boghenbroets stege, 
situatae supra Eenum, usque ad domum petri gobburgis 
exclusiye, et retro ultra vicum dictum die Stincsteghe usque 
ad domum dictam dat Eaethuys inclusive, versus magnam pla- 
team, ubi incendium saepedictum, auxiliante turri lapidea, in 
qua campana pendet horarum, nee non populo fortiter aquis 
et ceteris instrumentis, dictis brantledders reluctante, mirabi- 
liter fuerat eifugatum. Praeterea eodem exstincto incendio tres 
viri juvenes et elegantes in quadam domo exusta temere per- 
manentes, quodam lapideo pariete corruente, fuerant oppressi 
et lamentabiliter suffocati, quarto vix vivo ac superstite evadente. 

Item anno domini 1381, die octava mensis Junii, qui fuit sabbato 
post festum pentecostes, fundatus est chorus novus ecclesiae 
nostrae, admirantibus pluribus de latitudine fundamenti. 

Item in hoc anno videlicet 1381 tanta exstiterat epidemia 
per universum mundum dispersa, qualis a seculo ab hominibus 
visa non fuerat nee audita, et permaxime in Alemannia, utpote 
in Ck)lonia et in villis ibidem circumvicinis, quum etiam in 
Picardia, in Erancia, scilicet Hannonia, in Elandria et usque 
quaque in partibus Hollandiae et K.anmariae prope nos. Nam in 



138 

Haerlem, ut a vulgo rumor cotidie exiebat, a festo beati 
jOHANNis BAPTISTAE usque ad omnium sanctorum quolibet 
dierum ad tumulandum quadraginta vel quinquaginta ad eocle- 
sias saepissime deferebantur ; imo prout relatione veredicoriiin 
didici, pluribus interim diebus circiter octoginta vel centom 
sepeliebantur. Et in nostra Leydenei civitate, inchoante aa- 
tumno, in qualibet parochialium ecclesiarum tres aut quatuor 
dabantur et amplius sepulturae '), cunctis undique morientibus 
de quadam nigra et venenosa pustula, quam medici communi- 
ter appellant anthracem, vel quadam tumente plaga in cnte cor- 
poris sub astellis vel inguinibus suborta, nimiram nno vix de 
deeem praedicta plaga intoxicatis, ut existimo, convalescente. 

Anno domini 1382, in die inventionis stae crads (Mai. 3.) 
populis ad processionem in deportatione sacrosancti sangoinis de 
cunctis mundi climatibus Brugis concurrentibas, Gandavenses 
diuturno contra suum comitem litigio per tractum trium annoram 
et amplius attriti et pene [necessitate] quo ad hoc victualium 
eos urgente, et treugis seu concordiis eisdem persaepe a dioto 
comité non servatis, malentes mori potius, quam patrias leges 
infringi, congregata multitudine populi cum suo ductore phi- 
LiPPO DE ARTEVELT, ad locum . prope Brugis cum armis 
et machinamentis se hostilibus prostraverunt. Quo comperto, 
dicta processione cum solemnitatibus debitis et consuetis 
peracta et quantocius praefato comité cum civibus Brugen- 



') Er waren drie parochie-kerken te Leiden; het getal hegrafenissen 
's daags, hoewel aanzienlijk, komt in geen verhouding tot hetgeen nit Haarlem 
bij gerucht werd opgegeven. In het algemeen schijnt de voorstelling overdreven 
te zijn. Zeker is het dat van de fautores van het kapittel van St. Pancras 
gedurende het jaar 1381 nauwlyks meer dan gewoonlijk gestorven z^n; 
daarentegen woedde de pest in het volgend jaar met groote hevigheid, zoo- 
dat in zeven maanden acht en twintig benefactores stierven, en van deze 
slechts vier niet aan de pest. In 1369 had echter het aantal sterfgevallen 
nog ruim het dubbel bedragen. Bij de vreesselijke sterfte van 1348 is 
deze, van 1381, volstrekt niet te vergelijken, en onze auteur noemt ze dus 
verkeerdel^k de hevigste van zijn eeuw. 



139 

sibus ad expugnandum eos nimium impetuose obnitentibus et 
aggredientibus, praedicti Gandavenses viriliter et fortiter, tam- 
quam pro lege patriae morituri, cum acie bene ordinata prae- 
dictos cives egressos et armigeros comitis Flandriae tam equites 
quam pedites tergiversantes et fugantes secus viam passim in- 
terfecerunt et nulli parcentes hostiliter necaverunt, et ita absque 
intermissione letaliter caedendo prope noctem ad villam prope- 
rantes ipsam, cunctis admirantibus, deo sic permittente ceperunt, 
ibidem cunctos de nocte et die sequenti illucescente, quos sibi 
exosos et dicto suo comiti adhaerentes invenerant, perimentes, 
comité tamen Flandriae qao vel qualiter ignoro, Deus scit, in 
dicto conflictu cautius evadente. 

Item anno domini ut supra [1382] mense Maii die 21 post 
meridiem hora quasi secunda, fuit terrae motus factus in Leyden 
et, ut referebatur, quasi in omnibus oppidis et villuiis Hollandiae 
et Zelandiae, in Trajecto nee non in Erugis, ut de ceteris 
partibus taceam, per tantum tractum temporis, quo dominica 
oratio convenienter perlegi poterat et distincte ^); nee non 
tertia die sequenti ille terrae motus fuit iteratus paulo post 
ortum solis in oppido nostro de Leyden praedicto, sed si in 
aliis locis supra dictis ignoro: qui tum fuit multo brevior et 
bassior terrae motu priore, aedificiis domorum per dictos terrae 
motus nimium trementibus atque concussis, populis quoque 
super hoc mirantibus et parentibus valde. Et consimilis terrae 
motus commemorabatur a nonnullis tune superviventibus in 
Leyden contigisse ultra triginta sex annos et etiam cum tali- 
bus concussionibus domorum et tremoribus, sicut nunc tem- 
poris supradicti. 

Item hoc anno Domini supra dicto, ipso die Odulfi confes- 



^) Ook J0ANNE8 A LEIDIS Spreekt van deze aardbeving: „Ëodem anno 
die vigesima prima mensis Maji erat terrae motos magnns in partibus 
inferioris Almaniae satis mirabilis, qoia in moltis civitatibas et villis domos 
quaedam sibi invicem contigoae accidit ut ona moveretur per terrae motom 
altera non mota." Lib. XXXI, cap. 34. 



140 

soris jam occumbente, circiter medium noctis subseqaentis ingens, 
proh dolor, et lamentabile incendium exsiiterat in Sooonhovia ^), 
quo ipsa civitas praefata asseritur in tantum combasta, 'quod 
quarta vix ejus pars creditur non cremata, vulgariter dicta 
die Nesse, et tam repente et inopinate ut vix horae anius cnm 
dimidia spatium ab inchoatione incendii usque in finem praesn- 
matur evolasse, indigenis abinde damna quam plurima sasti- 
nentibus in utensilibus et domorum localibus perustis, et potissime 
in granis et segetibus seu humulis ^) Teutonice hoppe nunoapatis, 
in salariis ibidem repositis in tanta copia et affluentia, quantam 
juxta aestimationem multorum aliquae adjacentes cintates, puta 
Gouda, Leyden et Delf similiter non putantur penes se illo 
tempore de segetibus habuisse. 

Anno domini 1887 papa uhbanus vi cum esset in civi- 
tate, qnae dicitur Luuc, petiit ab universali ecclesia partium 
Alemanniae decumas primo triënnales et postea annales: ctyus 
petitioni cum non annuerent ecclesiae Coloniensis, Trererensis 
et Methensis nee non Leodiensis, sola ecclesia Trajectensis 
concordavit in dando, loco decimarum, papae unam rationa- 
bilem subventionem '). Froinde facta taxatione singulanim 
ecclesiarum, praebendarum nee non collegiorum, collegium nos- 
trum sancti Pancratii taxatum fuit, ut in dicta subventione 
daret quinque florenos communes, quamvis prins taxatum fuit 
in quadam subventione, quam impetravit episcopus Trajecten- 
sis, dictus FLORENTius DE WEVELICHOVE, per bullas plom- 
beas a sede apostolica usque ad summam duodeeim florenorum, 
quos extunc solvimus vicario episcopi praedicti. 



*) Een vreeselijke brand heeft Schoonhoven geteisterd in 1375, zie joann. 
A LEIDIS, lib. XXXI, cap. 27 en van bebkum, Beichr. van Sehaonk., 
blz. 886. Maar de lange van wtngaerden, Beachr. van Qauda 1, 
bl, 725, 733, heeft reeds aangeteekend, dat oit echte stokken bl^kt, hoe 
op nieuw „even voor het jaar 1386" een zware brand aan de kerk en aan 
het Karmelietenklooster groote schade had toegebracht. 
^) Hiervan niets b\) Heda. 



141 

Item anno domini 1408 mensis Septembris die vicesima 
secunda prope Leodium, satis prope Tongeren, factus est, proh 
dolor, gravissimus conflictus inter invictissimum principem, do- 
minum nostrum ducem guilhelmum, comitem Hannoniae, 
Hollandiae, Zelandiae etc. et suos coac^^tores videlicet gloriosis- 
simum principem dominum johannem ducem de Borgondia, 
comitem Flandriae, etc. nee non inter immensae potentiae vi- 
rum, dominum johannem, comitem de Namnrco, cum suis 
coadjutoribus parte ex una, contra dominum de perveys et suos 
complices seu fautores, scilicet ineffabilem multitndinem Leo- 
diensium plurimorumque nobiiium et ignobilium, de diversis 
mundi partibus specialiter ad hoc instigatorum seu rogatorum 
parte ex altera. Strenuissimus siquidem princeps, dux noster 
GUILHELMUS praedictus, confidens altissimo, sine quo, teste 
PHILIPPO in prohemio de regimine principum, nihil est pos si- 
bile et cui nihil est difficile <), satis festinanter et humiliter in 
corde suo verisimüiter revolvens quod scribitur primo Machab. 3. 
//facile est concludi mnltos in manu paucorum, et non est 
differentia in conspectu Dei coeli liberare in multis et in paucis" 
quum non in maltitudine exercitus victoria belli, sed de coelo 
fortitudo est. Ipse namque dominus dux noster saepe dictus 
ex altissimi Dei gratia multos in manu paucorum tune con- 
clusit seu devicit, quando sicuti de nobili viro, consangineo meo 
fide digno, henrico filio guilhelmi, balivo Riinlandiae revera 
perceperam, quod triginta duo millia Leodiensium gladiis Hol- 
landensium, Flandrensium nee non Namurcensium ceciderunt 
in isto confiictu nimis atrociter interemti. Quamplures tamen 
et innumerabiles ex nimia pressura fiebiliter suftocati. Insuper 
HENRIGUS praedictus, cognatus meus praedilectus, quum per- 
sonaliter hujusmodi conilictui cum suis satellitibus satis poten- 
ter interfuit, domino philippo de wassenaer, serenissimo 
domino burchgravio Leydensi, [superfilialiter] ibi collateralis, 



1) Welke plaats van philipfus de leiden de autear op het oog heeft 
is niet wel te begr\jpeu. Maar het is op zich zelf opmerkelijk dat hij den 
tractatus de cura reipubUeae toont te kennen. 



142 

narravit mihi saepius ^) qualiter metuendissimas dominus 
JOHANNES, comes Namurcensis praefatus, mirabiliter industriose 
magnaque fortitudine primitus exercitum Leodiensium scanda- 
lisavit a latere [pariter] et destruxit, invasit et omnino tandem 
dissipavit. Causa confljptus fuit omnibus nota, quia generosis- 
simus princeps et frater dulcissimus domini ducis nostri, sciiicet 
dominus dux johannes de bavaria, protunc electus Leo- 
diensis, fuit graviter obsessus a Leodiensibus et in Trajecto, 
majore civitate dicta Maestricht, undique circumvallatus, ita 
quod sibi fere nullibi patuit liber exitus, nisi modo lamentabili 
praenarrato. Qualiter au tem tune, habita victoria, fuerit actum 
cum pluribus Leodiensibus utriusque sexus hominibus, volo 
supersedere, quare plura de hoc scribere vel recitare minus in- 
duceret gaudium, quam tristitiam seu moerorem. 

Patet similiter annus domini praedictus per rubras literas metri 
subsequentis ^). 

Legia seYIGta Manet HoLLants ense reLICta. 



^) Hieruit volgt dat de aanteekening van latere dagteekening is dan het 
feit waarover z\j handelt. Zij staat dan ook geschreven tossehen de laada- 
tiones van hegnnstigers van het kapittel die in 1422 en 1423 overleden zijn. 

^ De roode cijfers, hier door Rom. letters vervangen, geven werkelijk 
het jaar 1408. Het vers zelf is tamelijk onverstaanhaar, al verandert men 
ook setdeta in devieta. 



BLADVULLING. 



De ridderschap van Holland en Westfriesland geeft aan een 
onecht kind de rechten van een schildboortig edelman, als ware 
het uit een clandestien huwelijk geboren. 

3 Junij 1482. 

Wy ARNOUT HUYN, heer van Gelayn, Wachtendonck etc, 
ampman van Kriekenbeeck ende Erckelans, jacob van was- 
senaar, heer van "Warmont, van Woude ende van Alckemae, 
ENGELBERT BREMT, heer van ^Statzraedt, amptman van der 
stadt ende landt van Stralen, wernaer van eyl tot Neradt, 
doen te weten aen eenen iegelycke die desen letteren sullen 
sien oif hooren lezen, dat wy gezien ende gelezen hebben in 
de archiven van de ridderschappen van HoUandt enn Geldre 
seekeren parckemente besegelde brieven luydende aldus: 

De edelen ridderschap van Hollandt en Westvrieslandt ge- 
hoort enn wel verstaen hebbende het versouck ende verclaringe 
by heeren WILLEM grave van Egmont tot Geldre, in hunne 
tegenwoordicheyt gedaen, raeckende de geboorten van joncker 
GERARDT VAN EGMONT totter Nieuborch, synen sone, die hy 
voor synen wettelyken houwelyck verweckt hadde op gelofte 
van trouwe by jonckvrouwe margriette van hoochwoude, 
niet en mocht gehouden worden als een bastaert off natuyrlyck 
kindt, maer voor een schiltbortich edelman van claudestinQ 



14,4 

houwelyck geboren, die van alle tyden voor gheen bastaerden 
en syn gehouden geweest, versonckende oversulckx de edelen 
ridderschap joncker gerardt voorschreven voor sulx aen te 
nemen enn al ofte deselve clandestine trouwe wettelyck gecon- 
firmeert hadde geweest, verclarende dat de subite doot van de 
voorschreven jonckvrouwe margriette hem dat beleth heeft, 
d* welck de voorschreven ridderschappen ter liefde ende beden 
heeren willems grave van Egmont voorschreven gerne ge- 
daen hebben tot Dordrecht op den derden Juny duysent vier- 
hondert enn twee en tachentich. 

In teecken der waerheyt soo hebben wy ondergeschreven 
diet vidimus doen segelen met onze segelen ende spietsire als 
gheen segels by ons te hebben tot versoeck van heer RE NE 
VAN RENESSE, grave van Warffuze. 

Dit is geschiet ende gegeven tot Stralen den tweeden dach 
der maent van Mey duysent ses hondert enn driendertich. 

Was onderteyckent arnold hutn de gelaen, d. c. was- 

SENAER, WERNER VAN EYL enn ENGELBERT BREMPT DE 

selazraidt enn hebben vier opgedructe segels ofte pitsieren 
neffens de anderen staende, 't eerste in roden lacke, het tweede 
in rode ende de twee laeste in witte aulen met wit papier 
overdeckt. 

Accordeert naer collatie jegens syne principale 
dd. 17 Juny 1662, in 's Gravenhage by my 
(is geteekend) joh. voss. not. pub. 

Uit de Archieven van VAN spaen, berustende bij den Hoo- 
gen Raad van Adel, portefeuille met het opschrift; Collectie 
van genealogische bewijzen^ geintituleerd P. N°. 168 van den 
Katalogus. 

L. Sl. 



EEN ONDERZOEK NAAR DE WAARHEID AAN- 
GAANDE ALLAIRT OF ALBERT BEILING. 



DOOB 



Jhr. Mr. J. K. J. DE JONGE. ») 



De heer R. fruin gaf ons in de laatst verschenen aflevering 
van de //Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheid- 
kunde," (bl. 1 en vlg. van dit deel) eene proeve van historische 
critiek, onder den titel van: de waarheid aangaande albert 

BEILING. 

Dit onderzoek van den heer fruin naar de ware toedracht 
der algemeen bekende gebeurtenis van albrecht beilincs 
heldenmoed eh dood, leidde hem hoofdzakelijk tot deze uitkomst : 

Vooreerst, dat: toen in 1425 het slot van Schoonhoven 
door de Kabeljauw schen onder VAN DE CO ULSTER en beilinc 
aan de Hoekschen onder bevel van floris van kyfhoeck 
was overgegeven, het leven aan al de burgzaten werd geschon- 
ken, met uitzondering van beilinc, die gehouden zou zijn tot 
vrouw jakoba's behoef; dat kyfhoeck daarop aan jacoba, 
die toen te Bergen in Henegouwen vertoefde, de vraag zou 



^) [Dit opstel, voorgedragen in de Kon. Academie van Wetenschappen, en 
ter plaatsing in dit Tijdschrift welwillend aangeboden, neem ik te liever op 
omdat het uit andere bronnen geput is dan die ik had gebrnikt, en dus 
kan strekken tot aanvulling en wijziging Van mijn betoog in de vorige 
aflevering.] R. F. 

10 



146 

hebben laten stellen, wat zij omtrent BEILINC wilde beslissen, 
en dat in afwachting van die beslissing aan beilinc verlof, 
uitzetting of vrij geleide voor den tijd van éen maand zou 
gegeven zijn; dat beilinc derhalve, toen hij na verloop van 
dien termijn bij zijne overwinnaars was teruggekeerd, nog niet 
kon weten, welk lot hem wachtte, omdat eerst gedurende zijne 
afwezigheid zijn vonnis uit Henegouwen was aangekomen. 

De heldenmoed van beilinc zou alzoo minder groot zijn 
geweest, dan de overlevering ons dien tot nu toe voorstelde. 

Ten tweede: dat er vermoedelijk eene bijzondere reden bij 
JAKOBA moet hebben bestaan, om beilinc te veroordeelen 
tot eene zoo smadelijke straf, als die van levend te worden 
begraven destijds geacht werd te zijn, hoewel ons van die reden 
of van eenig schandelijk misdrijf door beilinc jegens jaroba 
gepleegd, tot nog toe niets bekend is. 

Deze zijn, zoo ik mij niet vergis, kort samengevat, de 
conclusiën van het betoog, door den heer fruin geleverd. De 
heer fruin maakte bij zijn onderzoek uitsluitend gebruik van 
gedrukte stukken; dit wekte mij op, om van mijne zijde ins- 
gelijks een onderzoek in te stellen naar de waarheid aangaande 
albert beilinc, maar daarbij dan hoofdzakelijk, ja schier 
uitsluitend mijne nasporingen te doen in de oorspronkelijke 
oorkonden, op het Rijks-Archief voorhanden, waartoe mij in 
mijne betrekking de gelegenheid zoo gemakkelijk openstond. 
De uitkomst van dat onderzoek zal ik thans hier zoo beknopt 
mogelijk mededeelen. 

In het geheele geschiedverhaal van den aanval op en de 
verovering van Schoonhoven in 1425 door de Hoeksche partij 
van JAKOBA, destijds ballingen genaamd, en van het daarop 
gevolgde beleg van Schoonhoven door de Kabeljauwsche, be- 
staat in de gedrukte berichten nog veel onzekerheid en ver- 
warring. Ik wil dus aanvangen met een kort overzicht van den 
loop der gebeurtenissen in 1425 te geven, zooals die volgens 
de oorspronkelijke bescheiden hebben plaats gehad, ten einde 
zooveel mogelijk de nog bestaande onzekerheid weg te nemen. 

In de eerste helft van het jaar 1424 was het binnen Schoon- 



147 

hoven en in de omstreken nog alles rustig. Hertog JAN VAN 
BEIEREN bevond zich in den regel te 's Gravenhage. De the- 
saurier van Hertog jan van beieren, boudijn van zwietbn, 
onderhield met den bevelhebber van het slot te Schoonhoven, 
WILLEM VAN DE CO ü STER, door middel van boden eene onge- 
stoorde en vrij geregelde gemeenschap. Dit blijkt uit de reke- 
ning van 's graven thesaurier. Maar reeds in Juni 1424 schijnt 
men in den Haag voor Hoeksche woelingen of voor rassemble- 
menten van ballingen bevreesd te zijn geweest; althans op 26 
Juni wordt er uit 's Hage een bode met brieven aan van de 
COUSTER te Schoonhoven gezonden, // roerende heymelicke 
stukken". Hierop schijnt echter vooreerst niets te zijn gevolgd. 
Zelfs vindt men dat de stad Schoonhoven, vermoedelijk omstreeks 
October 1424, door margaretha, die aan Schoonhoven ver- 
lijftocht was, en door JAN VAN beieren van alle //onrusten 
en veden" veilig is verklaard. MARGARETHA legde die verkla- 
ring af, omdat destijds in Henegouwen de oorlog tusschen GLO- 
CESTER, JAKOBA en de Hollandsche bannelingen aan de éene 
zijde tegen JAN VAN BRABANT aan de andere zijde was uit- 
gebroken. Maar op den 5<*«» December 1424 schijnt Schoon- 
hoven van die onzijdigverklaring geen genot meer gehad te 
hebben; want op die dagteekening wordt er een bode uit den 
Haag naar Schoonhoven afgevaardigd met brieven aan eenen 

VRANC FLORISZ en aan WILLEM VAN DE COUSTER, om 

bescheid te vernemen van vranck florisz, die, zooals de 
rekening zegt, //geslagen was." Er moet dus toen in de omstreken 
van Schoonhoven gevochten zijn, onder bevel van eenen vranck 
florisz, en wel met een voor de partij van jan van beieren 
kwaden uitslag. Op den 23^'*» December daaraanvolgende, dus 
achttien dagen later, hadden de Hoeksche ballingen, die zich 
binnen Utrecht in stilte hadden verzameld, hunnen inval in 
Holland reeds gedaan; want op dien dag wordt evertkijn 
de bode //haestelic" gezonden met brieven naar Amsterdam, en 
een andere bode, flobis SNIJDER genaamd, naar Gouda en 
naar Oudewater, //roerende dat zij in die steden immer wel toe- 
zagen, overmits tijdingc wille, die mijn genadige heer, zoo 



148 

schreef de thesaurier, van de ballingen vernomen hadde*' '.) 
Opmerkelijk is hier de bijzonderheid, dat wel naar Qudewater 
en naar Gouda deze verontrustende tijding, // haestelio^' ge- 
zonden wordt, maar niet naar het tusschen die twee steden 
gelegen Schoonhoven. Hieruit maak ik de gevolgtrekking, dat 
toen reeds, op den 23**«° December, de gemeenschap tasseben 
*s graven bestuur in den Haag en de bevelhebbers binnen 
Schoonhoven door de Hoekschen was onderbroken en Schoon- 
hoven, zoo al niet reeds in de macht der Hoeksche ballingen, 
dan toch op dat tijdstip reeds door dezen nauw ingesloten 
werd gehouden. 

Ook in het naburige Gouda moeten omstreeks de helft van 
December 1424 de zaken eene ongunstige wending voor de 
partij van JAN VAN BEIEREN genomen hebben. Dit maak ik 
ten minste op uit de rekening van 's graven rentmeester en 
baljuw aldaar, WILLEM VAN BOECKHOUT. In de twee laatste 
posten van die rekening leest men het volgende: 

//Item, doe dat gerechte van der Goude my enen brieff 
brochte, dat ik mit my achte, van der Goude op de huse soude 
gaen slapen, dair hr. jan die basterd op antwoirde, dat 
hi niet meer vernoecht en woude wesen, doe sende ik enen 
goeden man, by den rade om hem te onderseggen van desen 
sake. etc. 

Item, by denselven goeden man my ontboden in den Hage 
by den rade te comen op Sint Ponciaensdach eii daer toech 
eïi so als 't doe gelegen was, so heette sy my aldair by hem 
bliven, mit myne gesellen eii bleef aldair leggen XXIIII da- 
gen mit sesse gesellen, op mynen cost, dat was ter tijt toe, 
dat wy mynen genedigen Hè. VAN BRABANT tot Bergen 
haelden" etc. *). 



O Thesauriersrekeningen V. 17. van boudijn van zwieten voor hertog 
JAN VAN BEIEREN GD Sedert diens dood (Januari 6) voor den raad tot de 
komst en inhuldiging van hertog jan van brabant. 26 Mei 1424 — 
5 Febr. 1425, onder bode loonen. 

') Rekening willams van boeckhout van den Balyusscap ende rent- 
meesterscap van der Goude, 1424 -1425. 



149 

Uit deze twee posten op de rekening van willem van 
BOEGKHOUT blijkt, dat het bestunr van Gouda te dier tijde 
den baljuw des graven niet langer in de stad verlangde te 
hebben, maar hem bij brief uitnoodigde om op den huse, dat 
is op het slot van Gouda, met acht van zijne volgelingen te 
gaan slapen. De kastelein van 't slot, jan de bastaard van 
BLO IS, antwoordde nu ook van zijne zijde, dat hij zich niet 
langer wilde vernoegen. Wij zouden moeielijk de ware betee- 
kenis van dat antwoord kunnen begrijpen, indien wij niet van 
elders wisten '), dat JAN de bastaard de partij van jakoba 
koos. 's Graven baljuw en rentmeester zag zich dus aan de 
eene zijde door het gerecht van Gouda buiten de stad naar 
't slot verwezen, en aan de andere zijde den toegang tot het 
slot geweigerd door den kastelein, die hem antwoordde, dat hij 
niet langer vernoegd wilde wezen. De baljuw zat nu, zooals 
men het noemt, tusschen twee stoelen in de asch; hij zond da- 
delijk naar 's graven raad in den Haag bericht van wat er voor- 
gevallen was, en per ommegaanden bode werd de baljuw naar 
's Hage ontboden, en // zooals het toen gelegen was" kreeg hij 
van *s graven raad het bevel van in den Haag te blijven. 
Door op te geven, dat hij op St. Ponciaensdag naar den 
Haag toog en er 24 dagen bleef liggen, totdat JAN VAN 
BRABANT uit Bergen werd gehaald, brengt de baljuw VAN 
BOEGKHOUT wel eenige onzekerheid in de tijdsbepaling, want 
er worden verschillende St. Ponciaensdagen gevierd, en de 
Ponciaensdag, welke meer algemeen wordt gehouden, valt op 



') o. a. uit Memoriael Com. Borg. R. Cas. N. fol. 91. — [Is het 
wel zeker dat de baljow wegens politieke partijschap met het gerecht over- 
hoop lag? Wij lezen in de Thesaariersrekening van Leiden (Kron. Hist. 
Gen. VII, 274): „Op den tiendach in Dec. (1424) quamen die van der 
Goade (d. i. het gerecht) te Leyden mit een vonnis twisken horen balin 
ende horen poortren, van den hofgelde." Het is bekend, dat volgens de 
handvesten die van Goada vonnis haalden te Leiden.] R. F. 

Indien de twist geen staatkundigen grond had gehad, zou de baljuw 
zijn regt te Leiden hebben gezocht; nu haalde hij onmiddelijk zjjn staat- 
kundigen heer, het landsbestuur te 's Hage, in de zaak. DE J. 



150 

t 

19 November. Nu is hertog JAN VAN BRABANT niet 24, maar 
ongeveer 50 dagen later uit Bergen gehaald. Toevallig leeren 
wij echter uit de rekening van den thesaurier boudijn van 
zwiETEN, dat JAN VAN BEIEREN op den Heiligen dertiendag 
A^ 24 volgens hofstijl van Holland, dat is op Epiphania of 6 Ja • 
nuari A^. Dom^ 1425 is overleden, en dat onmiddellijk daarna 
de gemeene ridderschap, rade en steden van Holland en Zee- 
land, toen juist in den Haag vergaderd, afgevaardigden uit 
hun midden hebben gezonden, vermoedelijk op den 7®"* of 8®° 
Januari, aan jan van brabant, //om hem berigt van den 
stand des lands te geven en hem terstond herwaarts te bren- 
gen ten einde hier gehuldigd te worden."') Telt men nu van 
6 of 7 Januari 24 dagen terug, dan verkrijgt men 13 of 14 
December als dagteekening van de omwenteling binnen Gouda. ^) 



^) Thesaariersrekening boudun van zwieten, 26 Mei 1424 — 5 
Febr. 25. — V. — 17- fol. 70. 

*) [Dit kan bezwaarlijk juist zijn. De baljuw schrijft dat hij naar „den 
Rade" gezonden heeft en door „den Rade" is opontboden. Hij bedoelt 
daarmee „de gemeine raedt/' die na den dood van jan van beieren, 
6 Januari 1425, het voorloopig bewind op zich had genomen. De thesau- 
riersrekening van Leiden schrijft ook, dat die stad op Sinte Agnytendag, 
21 Jan., gedeputeerden naar den Haag zond „bi onbieden van den rade;" 
daarentegen in het begin van Januari, voor den dood maar tijdens de 
ziekte van den hertog, zond zij derwaarts „bi onbieden van den ruwaerd 
ende den tresorier" (ibid bl. 269). De Pontiaensdag, die hier wordt ge- 
noemd, zal wezen 14 Januari 1425. De 24 dagen, die de baljuw met zijn 
manschap in den Haag op eigen kosten vertoefde, zullen van Pontiaensdag 
geteld moeten worden tot aan het uitrukken van het leger naar Schoon- 
hoven.] R. F. 

Met deze bedenking van mijn geachten vriend, den heer R. F. zou ik 
m^ moe^jehjk kunnen vereenigen, omdat zij in strijd is met de door na4j 
op bladz. 148 en hierboven op bladz. 150 medegedeelde rekeningposten. 
Dat de baljuw spreekt van „ onsc heren van den rade" is volstrekt geen 
bewijs, dat hij daarmede het voorloopig bewind heeft bedoeld; integendeel 
ook nog gedurende het leven van jan van beieren spreekt van boeck- 
HOUT in zijne rekening van „ onse heren van den rade" en bedoelt daar- 
mede de gewone raden van den graaf, die dezen in het bestuur des lands 
ter zijde stonden. Maar bovendien, indien w. van boeckhout met z\jn 



151 

Hierbij verdient nog te worden opgemerkt, dat de rekening 
van WILLEM VAN BOECKHOUT, 's graven baljuw en rent- 
meester van der Goude, met de bovengenoemde posten bij 
zijn vertrek naar den Haag eindigt, dat VAN boeckhoUT, 
blijkens de thesauriersrekening, in het volgend jaar in het leger 
van JAN VAN GAESBEECK voor Schoonhoven vertoefde, en hij 
dus in of kort na December 1424 zijn gezag binnen Gouda 
schijnt verloren te hebben. 

Ik geloof, dat men uit deze verschillende bijzonderheden, 
onderling in samenhang beschouwd, de gevolgtrekking maken 
mag, dat de Hoeksche ballingen reeds in December 1424 hun 
inval in Holland hebben gedaan, dat Schoonhoven reeds dade- 
lijk door hen is genomen en het slot is belegerd, en dat ook 
Gouda omstreeks dienzelfden tijd de partij van Jakoba geko- 
zen heeft. ') 



manschap in den Haag vertoefd had van 14 Jannarij tot aan het ver- 
trekken van het leger naar Schoonhoven, dan zou h^ niet 24 dagen, maar 
-f- 80 dagen in den Haag zijn gebleven. Integendeel w. v. boeckuout 
zegt daidelijk, dat hij in den Haag bleef tot dat jan van Brabant uit 
Bergen gehaald werd, dat is tot den 7 of 8 Januarij. DE J. 

^) [Ik zou meenen, dat de geachte schrijver zich hier te sterk uitdrukt. 
Gouda koos niet openlijk partij voor jakoba, maar hield zich onzijdig. 
Wij lezen in de Thesauriersrekening van Leiden, dat op 14 Febr. 1425 
een bezending vanwege de HoUandsche steden „bi begheren van onsen 
ghenad. Heere van brabant'' naar Gouda trok: „om mit die van der 
Goude te spreken of si onsen ghenad. Heere van brabant ontfangen 
wouden, ghelyk die andere steden van HoUant ghedaen hadden." Den 10 
Maart trok een bode van Leiden naar den Haag om den rade te kennen 
te geven, dat ploeis van kijfhoëck „van mynre vrouwe weghen ter 
Groude geweest hadde." Toen had dus de stad nog niet openlijk partij 
gekozen. Vgl. hiervoor bl. 8. — Om de houding der stad te leeren kennen, 
vergelijke men nog den brief van 6 Juni, bij van mieris, IV, bl. 783.] 

R. F. 

Indien de weigering van de regering van Gouda om 's Graven Baljuw, 
d. i. 's Graven vertegenwoordiger, langer binnen Gouda te dulden ; indien 
het niet ontvangen van jan van brabant „ghelyk die andere steden van 
„HoUant ghedaen hadden" 3 indien het openlijk ontvangen van kijfhoek. 



152 

De oorspronkelijke stukken spreken overigens niet van de 
bemachtigiug van Schoonhoven door de Hoekschen; hoe lang 
het slot onder WILLEM van de COUSTER de belegering heeft 
uitgehouden, blijkt evenmin; — van de tegenwoordigheid daar- 
binnen van ALBERT of ALLAIET BEILINC vond ik geen 
melding gemaakt. Eene zaak alleen weten wij zeker uit de 
stukken, op het archief voorhanden, namelijk dat op den 8 April 
de stad en het slot van Schoonhoven in handen der bal- 
lingen was, want op dien dag begon de belegering van 
Schoonhoven door de Kabeljauwsche partij van JAN VAN BRA- 
BANT. 

Het is echter eene niet te gewaagde gissing, wanneer men 
stelt, dat het slot van Schoonhoven veel vroeger dan den 8 
April in handen der ballingen was. Ik vermoed zelfs, dat het 
den 10«n Maart 1425 AP, D». reeds in handen der Hoekschen 
was gevallen, want het blijkt uit de thesauriersrekening van 
Leiden *), dat de Hoeksche bevelhebber van kyfhoeck op 
den 10^° Maart te Gouda kwam, en deze zal wel, indien hij 
een eenigszins voorzichtig bevelhebber is geweest, niet uit zijn 
veldleger zijn geweken en naar eene naburige stad zijn geko- 
men, vóórdat hij het slot vermeesterd en zijne benden binnen 
eene besloten plaats in veiligheid gesteld had. 

Tn ieder geval moeten tusschen December 1424 en April 
1425 de Kabeljauwsche aanvoerders, WILLEM VAN DE 
COUSTER en ALLAIRT BEILING, in handen der Hoekschen 
zijn gevallen. 

Hier doet zich de vraag voor: hoe kwam ALLAIRT BEI- 
liiNC, die schout van Gouda was, binnen het slot van Schoon- 
hoven? Naar de reden daarvan kunnen w\j slechts gissen, 
doch ik vermoed, dat toen 's graven baljuw, WILLEM VAN 



bevelhebber der ballingen, op ^*er hoofd een premie was gesteld, geen 
openlijk partij kiezen voor jakoba was; qaaeritor: wat was dit danP 

DE J. 
') Tbesauriersrekening van Leiden, op 10 Maart, medegedeeld in de Kro- 
niek van het Hist. Genoots. te Utrecht, 7® jaargang, 2e serie, 1851, bl. 270. 



153 

BOECKHOUT, uit Gouda naar 's Hage week, ook de schout 
van Gouda, ALLAIRT BEILINC, een driftig aanhanger der 
Kabeljauwsche partij, zich uit de voeten zal hebben gemaakt. 
Er blijkt niets van, dat ook hij naar den Haag is meegegaan; 
in het slot te Gouda kon hij bij den Hoekschgezinden en 
on vergenoegden kastelein geen schuilplaats vinden ; waarschijn- 
lijk heeft BEILINC toen slechts kans gezien om zich binnen 
het naburig slot van Schoonhoven te bergen, waar de Kabel- 
jauwschen onder bevel van Willem van de couster het 
toen nog tegen de partijgangers van JAROBA volhielden. 

Volgens den oudsten berichtgever, volgens den schrijver van 
het Chronicon de Hollant, door matheus in het V®. deel 
zijner x\nalecta afgedrukt, brachten al de Kabeljauwschen, die 
zich binnen het slot te Schoonhoven bevonden, er het leven 
af, uitgenomen albert beilinc, die levend begraven werd; 
doch volgens de divisie-kroniek, 93 jaren later in het licht ver- 
schenen, werd BEILINC eerst gehouden tot vrouwe jakoba's 
behoef, kreeg hij daarna voor den tijd van een maand uitzet- 
ting, werd zijn lijf voor dien tijd verzekerd, om zijne vrienden 
te bezoeken en dan weder in te komen. Na verloop van die 
maand zou volgens de divisie-kroniek beiling inderdaad weder 
zijn ingekomen, en toen bij nacht levend zijn begraven. Hier- 
boven hebben wij aangetoond, dat het slot van Schoonhoven 
zoo niet vroeger, toch zonder twijfel in de eerste dagen van 
April 1425 was ingenomen; beiling zou dus, indien men de 
tijdruimte breed uitrekent, in de eerste dagen van Mei zijn be- 
graven; stelt men echter dat het slot van Schoonhoven in de 
eerste dagen van Maart is vermeesterd, hetgeen ik meer waar- 
schijnlijk acht, dan zou aan beiling reeds in April het dood- 
vonnis zijn voltrokken. Beiden opgaven en berekeningen zijn 
geheel in strijd met een oorspronkelijk stuk, in een der grafe- 
lijke memorialen gevonden, waaruit onwederlegbaar blijkt dat 
ALLAIRT BEILINC, Schout van Gouda, op den 208*en Novem- 
ber van het jaar 1425, dus 7 of 8 maanden na het aangewezen 
t^dstip, op rantsoen ontslagen en nog in leven was. 

Maar ik wensch niet vooruit te loopen, ik wil liever eer^t 



154 

voortgaan met de gebeurtenissen naar tijdsorde te verhalen. 

Wij hebben gezien, dat onmiddellijk na den dood van jan 
VAN BEIEREN, op 6 Jannari 1425 A**. D^ 6 Januari 1424 
stylo Curiae HolL, de gemeene ridderschap, rade en steden van 
Holland en Zeeland, binnen den Hage vergaderd, afgevaardigden 
uit bun midden zonden naar JAN VAN brabant, om hem her- 
waarts te halen en in deze landen te doen huldigen. In de 
eerste dagen van Februari 1425 A*^. D*. was JAN VAN BRA- 
BANT hier te lande aangekomen, op den S**®"* Februari beloofde 
hij aan die van Holland en Zeeland, de handvesten en previle- 
giën te bevestigen, deze landen niet te vervreemden of te verzet- 
ten en geen ambten aan vreemdelingen te zullen geven ^). Op 
den volgenden dag, den 9<ien Pebr., werd jan van brabant te 
Leiden gehuldigd, gelijktijdig werd er een nieuwe thesaurier des 
graven benoemd, Willem van egmond, en achtervolgens 
had de huldiging plaats te Haarlem, te Alkmaar, te Amsterdam, 
te Delft en te Schiedam. Ook Gouda was op den 14*«" Februari 
tot huldiging van JAN VAN brabant uitgenoodigd ^), maar 
deze stad verliet de partij van jakoba niet. 

Eén maand later, op den ^^^^ Maart, zooals blijkt uit de 
rekening van 's Graven thesaurier, was jan van brabant 
naar Zeeland vertrokken om ook daar te worden gehuldigd. 
Voor zijn vertrek had hij het bestuur over Holland aan een 
ruwaard, Jonker van gaesbeeck, en aan zijn thesaurier 
WILLEM VAN EGMOND toevertrouwd. Dezen begonnen nu da- 
delijk toebereidselen te maken tot het weder innemen van 
Schoonhoven, en op den S**®*» April 1425, op den eersten Paasch- 
dag, werd nu onder bevel van van gaesbeeck het beleg voor 
Schoonhoven geslagen. Yan deze belegering bestaat de rekening 
nog op het Rijks-archief, en daaruit en uit de rekening van 
's Graven thesaurier lezen wij, dat het beleg van Schoonhoven 
vruchteloos is voortgezet tot den 29**«" Augustus 1425, toen 



ï) VAN MiKRis. Dl. IV, bladz. 751. 

') Thesanr. rekening van Leiden in Kron. Hist. genoots. Vlle jaarg. 
11. bladz. 269. 



155 

onder bemiddeling van adolf, Hertog van Cleve, die vroeger 
in 1418 met jakoba in bondgenootschap was getreden, een 
zoen of vrede voor Schoonhoven werd gesloten. Van dien zoen 
werd onmiddellijk aan PHILIPS van BOURGONDië, aan de ge- 
deputeerden van Holland en Zeeland, aan jan van brabant 
en alle andere belanghebbenden kennis gegeven, en weinige 
dagen daarna werd het voor Schoonhoven verzamelde leger, 
ontbonden *). Welke de inhoud van dien zoen of vrede geweest 
is, weten wij niet; tot nog toe waren mijne nasporingen naar 
dit belangrijke staatsstuk vruchteloos. Ik vermoed, dat het ergens 
in de archieven in België schuilt. Maar zooveel kunnen wij toch 
uit de thesauriersrekening van WILLEM van eg mond en van 
het beleg opmaken, dat het een volmaakte vrede is geweest ^) 
en niet, zooals men bij de schrijvers vermeld vindt, een wa- 
penstilstand. Alles scheen dan ook in Holland weder tot rust 
te zullen keeren. 

De vrede, voor Schoonhoven gesloten, was vermoedelijk het 
gevolg van de kort te voren tusschen jan van brabant en 
PHILIPS van BOURGONDië gesloten overeenkomst, waarbij Phi- 
lips als ruwaard en oir het bestuur over Holland, Zeeland 
en Friesland had verkregen, terwijl jakoba, die te Eergen in 
handen van Philips was gevallen, binnen Gent gevangen werd 
gehouden. Hierdoor was de partij van jakoba in Holland ont- 
moedigd, het bestuur des lands was zonder haar geregeld, en 
nu JAKOBA toch gevangen was, had hare partij uit moedeloos- 
heid den vrede voor Schoonhoven geteekend. Maar slechts tien 
dagen nadat de vrede was gesloten, op den 7^®" September, 
verschijnt jakoba plotseling in het slot te Schoonhoven ^), 
De woelige en ondernemende vorstin was aan hare bewakers 



*) Thesaariersrekening van willem van egmond V. 18 fol. XLIX 
vso. Rekening van Jonchere van gaesbeeck in den besete voor Seoen- 
hove, fül. XXVI. 

2) Er werd zelfs last gegeven aan de rentmeesters dat zij der ballingen 
goederen ongebeurt zouden laten. Tbesaor. reken. 11. 

') Thesaariersrekening willem van egmond, folio LVIII vso. 



156 

ontsnapt, was in mannenkleederen vermomd uit Gent gevlucht, 
en wierp zich nu aan het hoofd harer partij binnen Schoonhoven. 

Nu brak het vuur van den oorlog weder uit; Schoonhoven 
weigerde de ratificatie of bezegeling van den gesloten zoen, ook 
Gouda en Oude water vielen weder aan jakoba toe, zelfs in 
West-Friesland brak de oorlog uit. Het land rondom Schoon- 
hoven, Gouda en Oudewater werd afgeloopen en op schatting 
gesteld, de dorpen verbrand, en in October 1425 werd door 
JAKOBA nabij Alphen eene beslissende overwinning op hare te- 
genstanders behaald. 

Tot zooverre de gebeurtenissen van het jaar 1425, die als 
eene lijst vormen, waarbinnen het beeld van albert beiling 
geplaatst is. Ik zal nu overgaan tot de mededeeling van het- 
geen ik omtrent beilinc in de oorspronkelijke oorkonden heb 
kunnen opsporen. 

Voor de eerste maal ontmoette ik beiling ift het memoriaal 
gemerkt B. K. Cas. E. fol. 32 vs. op de dagteekening van 
9 April 1420, en daarmede in verband in Memoriaal B. L. 
Cas. E. fol. 36, op de dagteekening van 1 Januari 1420 Stylo 
Curiae HolL, dat is op 1 Januari 1421. Uit het eerste dier 
twee stukken blijkt ons, dat heer jakob van der goude 
was doodgeslagen, dat over dien doodslag op den 9^®° April 
1420 tusschen DIRK VAN der goude, broeder van jakob, 
aan de éene zijde, en albert beiling aan de andere zijde is 
overeengekomen, dat jan de bastaerd van blois en hen- 
RiG HARMANSZ van de zijde der familie VAN der goude, 
en tielman oom en geerlof jagobsz van de zijde van 
beiling als vreesechsluyden tusschen partijen uitspraak zou- 
den doen van jakobs dode en van alle anderen die er raads 
en daads aan schuldig mogen wesen. 

Uit dit stuk in verband met een ander van 27 October 1423 
in memoriaal Ducis johannis Cas. N. fol. 152 vso, waarbij 
ook dirk van der goude vergiffenis en kwijtschelding er- 
langt van den doodslag, op JAKOB z\jnen broeder gepleegd, 
schijnt men te moeten opmaken, dat het geding, tusschen dirk 
VAN DER goude en ALBERT BEILING gevoerd, in de eerste 



157 

plaats liep over de vraag wie eigenlijk den doodslag had 
begaan, dirk van der goude, dan wel albert beilinc. 
Het is duidelijk, dat wij hier weder te doen hebben met een 
dier bijzondere gevechten tusschen Hoeksche en Kabeljauwsche 
partijgangers, zooals er in dien tijd telkens voorvielen, en waar- 
aan ditmaal BEiLmc, een driftig Kabeljauw, een levendig deel 
schijnt genomen te hebben, terwijl jakob van der goude 
er het leven bij inschoot. 

Voor het geval dat de vreesechsluyden het niet eens moch- 
ten worden, hadden partijen dirk van der goude en ALBERT 
beilinc den regent van 't land Hertog JAN VAN beieren 
tot een overman gekozen, die in het hoogste ressort uitspraak 
zou doen. Blijkens de akte van 1 Januari 1421 in Memoriaal 
B. L. Cas. R. fol. 36 zijn de scheidsrechters werkelijk niet 
tot eenstemmigheid gekomen en deed jan VAN beieren uit- 
spraak, waarbij ALLAIRT beilinc en twee anderen tot zoen, 
maechzoen en erfzoen en voor de breuke en misdade werden 
veroordeeld tot betaling van zekere sommen, tot het doen hou- 
den van 300 zielmissen en tot een voetval in de prochiekerk mit 
hunne magen en vrienden, met 200 mannen. Hiermede zoude 
zoen tusschen partijen gesloten zijn. 

De VAN DER GOUDES waren reeds sedert lang machtige 
lieden binnen Gouda; jakob van der goude was baljuw 
van Wijk, Noordwijk en de landen van Blois in Kennemerland 
geweest; DIRK was esquier de corps van jan VAN BLOIS 
geweest en hield in 1420 nog de zijde van den Bastaard van 
BLOIS ^). 

ALLAIRT of ALBERT BEILINC bekleedde in 1421 nog niet 
de betrekking van schout te Gouda ; in dat jaar werd het schout- 
ambt te Gouda nog waargenomen door JORis splintersz *); 
maar in het volgende jaar was beilinc tot schout verheven, en 
die betrekking bekleedde hij nog in de maand Mei 1424 '). 

O DE LANQE VAN wiJNG. Deel I. bladz. 15. 
«) Memor. Ao. DK 21. Cas. N. fol. 3. 

3) DE LANGE VAN WIJNG. Deel I. blz. 735, en Thesaur. rekening van 
Jjeiden, in Kroniek v. Histor. genoots. 7de jaarg. 1S51, 2de serie, bladz. 263. 



168 

Wij hebben hierboven de gebeurtenissen medegedeeld, welke 
in December 1424 te Gouda voorvielen, hoe o. a. in het laatste 
van die maand 's graven baljuw voor de Hoeksohe partij van 
JAKOBA wijken moest, en hoe beiling waarschijnlijk op dien- 
zelfden tijd Gouda verlaten heeft. Wij maakten daarbij de gis- 
sing dat BEILING toen een schuilplaats vond in het slot te 
Schoonhoven. Na de overgave van dat slot aan de Hoekschen 
zou BEILING dan in handen zijner vijanden zijn gevallen, en 
indien de overlevering dat beiling een maand na z^jne ge- 
vangenneming levend is begraven, overeenkomstig de waarheid 
was, dan zou die wreede straf, zooals wij reeds aantoonden, 6f 
in April of op zijn allerlaatst in Mei zijn ten uitvoer gelegd. 
In de rekening van het beleg van Schoonhoven onder jonker 
VAN GAESBEEGK, welke op den 88*«° April aanvangt, vindt men 
intusschen niets van zoodanig feit vermeld, hoewel bijzonder- 
heden van minder gewicht in die rekening niet ontbreken. Deze 
omstandigheid alleen zou reeds aanleiding tot twijfel kunnen 
geven, want de strafoefening had volgens den kroniekschryver 
op een molenwerf buiten de stad plaats; maar wij bezitten 
sterker bewijs dat allairt of albert beiling in de eerste 
maanden van 1425 niet is gedood, want in een stuk van 20 
November 1425 komt hij niet alleen als nog levende, maar 
zelfs als op rantsoen vrijgegeven voor. Men vindt dit stuk in 
het XVI Memoriaal Commiss. B. R. Bourg. Gas. N. 1425 — 
1427. fol. 13, en daarin leest men : 

ALLAIRT BEILINX BEWIJSINGE. 

Phillips etc. Doen cond alle lude, also allairt bey- 
LlNG van onze ballingen ende vijande gevangen is geweest 
ende geschat up M HoUantse scilden te geven ende te betalen 
tot sulke dage als hij geloift heeft ende wij wail verstaen 
hebbe bij warachtige aenbrenge van onze heijmelike vriende, 
dat hij ons goet ende getrou is ende mit alle sine synne 
tot ons genege, so hebbe wij hem dairomme ende om dijen- 
ste wille die hij ons namels doen mach, gegeve ende geve 



159 

mit desen brieve te hulpe tot sinre schattinge voirs. IIII^' Hol- 
lantse scilden, die wij him bewijst hebben ende bewijsen mit 
desen brieve up alle sulke goede cnde renten als heere jan 
die bastairt van BLOYS liggende heeft bynne der graefscip 
van Zeelant, sodat hij die IIII^^ scilde voirscr. upbueren ende 
heffen sal van de lest verschenen renten ende van de eerste 
die van dese dage voirt verschinen ende inoomen zullen van 
heren JANS goede voirscr. sonder yements wederseggen; ont- 
bieden dairomme ende bevelen onzen bailiu ende rentmeester 
van der Tolen ende van Sohakerloo, ende anders allen on- 
zen officieren ende dyeners dair heren JANS goede voirscr. 
onder gelegen sijn in Zeelant ende eiken bijsonder, dat sij 
van de lestverlede ende van de eerste toecomende rente 
ALLAIRT voirn. of sinen gewairden bode van onsen "wege 
utreijken ende betalen die leste somme voisrcr. of hem die selve 
laten bueren ende him dairtoe gehulpich ende vorderlic sijn 
die in te crijgen, sodat him geen gebrec dairin en geschie ende 
des niet en late also lief als wij him sijn want wijt also 
gedaen willen hebben, ende so wes last off scade den pachteren 
ende huerlueden dairoff upcomen mach dairaff geloven wij se 
tontheffen ende scadeloes te houden. Ende sulke brieve als 
ALLAIRT voirscr. van heren jan den bastairt voirn. heeft van 
Vc. nobelen die hij hem up tscoutambt van der Goude geleent 
heeft zullen evenwail algeheel in hoirre machte blive. In oirconde 
etc. Dat. Dordrecht, den XXs*« dach in November anno XXV. 

Wat blijkt ons nu uit bovenstaand belangrijk stuk? Voor- 
eerst dat ALLAIRT BEILINC, hier genoemd, was dezelfde per- 
soon als de welbekende beiling, schout van Gouda, want in 
de laatste zinsnede van het stuk wordt van ALLAIrt beï- 
ling's schoutambt van der Goude uitdrukkelijk melding ge- 
maakt; ten tweede, dat allairt beiling in de schatting 
zijner Hoeksche vijanden voor een persoon van gewicht moet 
zijn gehouden, want zijn rantsoen was gesteld op de voor dien 
tijd zeer aanzienlijke som van duizend schilden, terwijl destijds 
in den regel voor een levend gevangen vijand niet meer dan 



160 

20, Toor een doodgeslagen vijand niet meer dan 10 of 12 kro- 
nen werd uitbetaald ; ^) ten derde, dat op den 20e»» November 
1425 ALLAIRT BEILING bij de ballingen en vijanden van Phi- 
lips gevangen is geweest en geschat, terwijl in het stuk aan 
BEILING de bevoegdheid gegeven wordt, des begeerd de hem 
toegewezen som in persoon aan te nemen of te heffen van de 
renten, die van dien dag voort verschijnen zouden; alzoo was 
BEILING op 20 November 1425 niet meer gevangen, maar op 
vrije voeten, en zou vooreerst nog op vrije voeten blijven, 
want ook de eerste renten, die voirt verschynen zouden, zou 
hij kunnen heffen; ten vierde dat philips in BEILINC zag 
een hem trouw en met alle //sine synnen" genegen dienaar, 
aan wien hij geld voor zijn losprijs geeft ook //om diensten 
wille die beiling nog namaals doen mag.'^ Er was dus op 
20 November geen sprake van eene veroordeeling ter dood; 
zelfs in de toekomst wachtte Philips nog diensten van hem. 
Eindelijk de losprijs; beiling was geschat op 1000 schilden, 
PHILIPS gaf hem 400 schilden te heffen uit de goederen van 
den Hoekschgezinden JAN DE bastaerd in Zeeland, onver- 
minderd de bevoegdheid, welke philips aan beiling overliet, 
want deze zal wel de beteekenis zijn der laatste zinsnede van 
het zoo even medegedeelde stuk, onverminderd de bevoegdheid, 
zeg ik, om 500 schilden, welke beiling te vorderen had van 
dienzelfden jan de bastaerd, eveneens te innen uit de 
inkomsten der goederen in Zeeland van jan de bastaerd 
voornoemd. 

Beiling kreeg dus machtiging van Philips om 400 schil- 
den in Zeeland te ontvangen, behield de bevoegdheid om 500 
schilden, die hem toekwamen, in Zeeland te innen; beiling 
had dus toewijzing of, zooals het stuk zegt, //bewijsinghe" 
voor 900 schilden; hem ontbraken dus slechts 100 schilden 
om zijn vollen losprijs te betalen, en men mag aannemen, dat 



») Memor. Ducis joh. brabantie, XVlIste dachinFebr. Ao. XXVIIII 
Bec. styl. cur., i. e. 1425; waar de gevangen ballingen op tarief worden 
gesteld; bladz. V. 



161 

een man als beilinc, schout van Gouda, die geschat was op 
1000 schilden, wel honderd schilden in contanten zal hebben 
bezeten. 

Er is nog éen bijzonderheid, welke onze opmerkzaamheid 
niet mag ontgaan. Toen het slot te Schoonhoven door de 
Hoeksohen werd ingenomen en beiling in handen zijner 
vijanden viel, werd hij, zooals de Divisiekroniek zegt, gehouden 
tot vrouw jakoba's behoef. Vrouw jakoba bevond zich toen 
te Bergen in Henegouwen, van haar moest de beslissing, de 
uitspraak over het lot van beiltnc komen; door den strijd 
in Henegouwen en Brabant, door het kort daarop overgaan 
van Bergen aan PHILIPS, en door de toen gevolgde gevan- 
genschap van jakoba te Gent, kan de beslissing van jakoba 
omtrent beilincs lot te Schoonhoven zeer wel achterwege 
zijn gebleven; maar nu hebben wij in de rekening van den 
thesaurier des graven ontdekt, dat jakoba op den 7®° Sep- 
tember persoonlijk binnen het slot te Schoonhoven is geko- 
men; is het onder deze omstandigheden niet bijzonder opmer- 
kelijk^ dat wij BEILING twee en een halve maand na de 
komst van jakoba binnen Schoonhoven, op den 20®*» Novem- 
ber tegen rantsoen vrijgesteld bij philips van BOURGONDië 
ontmoeten? Het eerste, dat beiling, nadat hij vrijgegeven was, 
zal gedaan hebben, zal wel geweest zijn, dat hij naar philips 
is geloopen, om geld voor zijn losprijs van hem te vragen, 
vóórdat deze vorst Holland verliet. Wordt het daardoor niet 
waarschynlijk dat vrouw jakoba eerst na hare komst te 
Schoonhoven in de zaak van beiling uitspraak heeft gedaan, 
en dat zij beiling, nadat hij al dien tijd tot haar behoef 
gevangen was gehouden, op rantsoen // te betalen tot sulken 
dagen als hij geloift heeft," heeft vrijgegeven? 

Ik verwacht nog éen tegenwerping, doch in mijn oog van 

geen gewicht, nl. dat iemand nog twijfel zal hebben of de 

ALLAIRT beiling, in de oorspronkelijke stukken genoemd, 

wel dezelfde persoon is als de albreght beyling van de 

overlevering, omdat de vóórnamen niet overeenkomen. Voor 

dien twijfel is echter geen grond. De persoon, waarover het 

11 



162 

onderzoek loopt, de algemeen bekende albrecht beuling, 
dit althans weten wij sedert lang van elders, was schout van 
Gouda. De allairt beilinc, die nu te voorschijn treedt, 
bekleedde de betrekking van schout van Gouda eveneens. In 
de Thesauriersrekening van Leiden wordt zijn naam op 10 Mei 
1422 als schout van Gouda ook met den voornaam allairt 
gevonden, evenals in het door ons te voorschijn gebrachte stuk 
van 20 November 1425, waar evenzoo ALLAIRT beiling in 
betrekking van schout van der Goude voorkomt. Bovendien 
wordt de naam zelfs in de Memorialen niet altijd op dezelfde 
wijze geschreven; bijv. in het stuk van 9 April 1420 heet hij 
albert, terwijl dezelfde persoon en hetzelfde geding, op 1 
Januari 1421 genoemd wordt alaert beilinc. Omtrent de 

identiteit van ALLAIRT, ALAIRT, ALBERT, of ALBRECHT BEI- 

LIMG kan dus geen twijfel bestaan. 

Tot zoover heb ik de zaak van ALLAIRT of ALBERT bei- 
linc geïnstrueerd. 

Stout weg uit deze instructie het besluit op te maken, dat 
het geheele verhaal omtrent beilincs heldenmoed en dood 
een verdichtsel is, durf ik nog niet. 

De mogelijkheid bestaat nog, dat beilinc ten //geloifden 
dage" zijn losprijs niet heeft kunnen betalen; dat de rentmees- 
ter van Tholen en Schakerloo hem de door Philips toege- 
wezen som niet heeft uitbetaald, dat op de assignatie geen 
betaling is gevolgd. 

Dien twijfel meende ik aanvankelijk te kunnen wegnemen, 
na inzage van de rekeningen van 's graven rentmeester en bal- 
juw van Tholen en Schakerloo; doch de heer archivaris van 
Zeeland bericht mij, dat op die rekening geen betalingspost van 
\l\\.^ schilden aan ALLAIRT beilinc of sinen gewairden 
bode wordt aangetroffen. Bij nader inzien geloof ik dan ook, 
dat men dien betalingspost niet zoeken moet op de rekening 
der grafelij kheidsgoederen in Zeeland, maar, zooals het stuk van 
20 November 1425 opgeeft, op de rekening der gesequestreerde 
ballingen-goederen, waartoe op dat oogenblik de goederen van 
JAN de bastaerd van Bloys behoorden. 



163 

Ik vraag echter, is het waarschijnlijk, dat eene assignatie van 
PHILIPS VAN BOURGONDië niet ZOU zijn gehonoreerd; is het 
denkbaar, dat BEILING maanden, ja bijna een jaar nadat hij 
door de overgave van het slot te Schoonhoven in de macht zijner 
vijanden was geraakt, door jakoba veroordeeld zou zijn tot 
eene zoo schandelijke en wreede doodstraf? Zoo iets is denkbaar 
te midden of kort na de hitte van den strijd; maar iemand 
levend te doen begraven, nadat men hem maanden lang op rant- 
soen heeft vrijgegeven, schijnt mij ongelooflijk, ondenkbaar toe 
van eene jonge vrouw, zelfs indien men den tijd in aanmer- 
king neemt, waarin echter minder wreedheden werden gepleegd, 
dan men zich gewoonlijk voorstelt. 

Met den heer fruin vraag ik ten slotte, wie zijn het, die 
ons de tragische geschiedenis van beiling verhalen? Het 
Chronicon de Hollant, door een onbekenden klerk geschreven; 
die in zijn werk bewijzen levert, dat hij omtrent vele punten 
niet juist was ingelicht; voorts veldenAER, die ongeveer 50 
jaren na de gebeurtenis zijne kroniek compileerde en het ver- 
haal over BEILING letterlijk uit het zoo even genoemde Chro- 
nicon vertaalde, en eindelijk sievertsz, die zijne divisie-kroniek 
in 1617, dus 93 jaren na het feit, in het licht zond. Terecht 
noemt de heer fruin deze twee laatsten, ^/boekenmakers zon- 
der gezag." 

Alle andere mij bekende kroniekschrijvers zwijgen van de 
gebeurtenis; de vermeerderde beka, die met het jaar 1426 
eindigt, spreekt geen enkel woord over beilings heldenmoed 
en smadelijken dood; zelfs renerus SNOI, die wel later dan 
de schrijver der divisie-kroniek geschreven heeft, hij leefde van 
14» 7 7 tot 1537, maar die een Goudenaar was, zwijgt er van, 
en RENERUS SNOl zou toch wel in zijne vaderstad iets van 
beilings geschiedenis hebben gehoord, want in 1458 leefden 
nog nazaten van beiling binnen Gouda, zooals wij uit sen- 
tentiën van den hove weten. Kenerus snoi, de schrijver met 
opgesierden stijl, zou zulk een tragisch voorval van een zijner 
stadgenooten niet hebben verwaarloosd. 

Tegenover de twee genoemde kroniekschrijvers zonder gezag 



164 

staan anderen, die van het feit niets melden, staan vooral de 
oorspronkelijke stukken van het Eijksarohief, waarin allaiht 
BEILING voorkomt als op rantsoen vrijgegeven en nog in 
leven 1 of 8 maanden na het tijdstip, waarop hij levend be- 
graven zou zijn. Indien de waarheid bij die kroniekschrijvers 
is, dan is in dat geval de waarheid bijzonder onwaarschijnlijk! 



Tot dusver de heer de jonge. Met zijn toestemming voeg 
ik hier nog een paar opmerkingen over de uitkomst van zijn 
onderzoek bij. 

De bescheiden, door hem aan het licht gebracht, bevestigen 
in de hoofdzaak de slotsom van mijn vroeger betoog, maar 
wijzigen het in verschillemle bijzaken. Zij bevestigen ten volle 
mijn wederlegging van de gewone opvatting van het verhaal, 
volgens welke beiling, wetende wat gruwzaam lot hem 
wachtte, desniettemin zijn woord gestand deed en tot zijn on- 
verbiddelijke vijanden wederkeerde. Die opvatting blijkt thans ook 
in strijd te zijn met de onwraakbare getuigenis van //ALLAIRT 
BETLINGX bewijsinghe" en is om die reden niet meer houdbaar. 
Daarentegen blijkt het met volkomen zekerheid, dat de gevan- 
gene op buitengewoon hoog rantsoen gesteld en losgelaten is, 
om dit tegen een bepaalden dag te gaan bijeenbrengen. Wat 
hem te doen stond, indien het hem onverhoopt niet gelukken 
mocht de groote som bijtijds te vergaderen, leeren ons de be- 
scheiden niet. Maar het is uit den aard der zaak meer dan 
waarschijnlijk, dat hij zich verbonden had om in zulk geval in 
zijn gevangenschap terug te keeren. Ook in dit opzicht dus 
stemmen de oorkonden met de kroniek overen. 

Maar de kroniek scheen te zeggen, dat beiling reeds ter- 
stond, nadat hij gevangen was, uitzetting had gekregen en 
wel voor een maand, en dat hij na verloop van die maand 
teruggekeerd en dadelijk ter dood gebracht was. Nu stelt de 
heer de jonge, evenals ik, op goede gronden het overgeven 
van het slot van Schoonhoven in Maart 1426; in April of 
uiterlijk in de eerste dagen van Mei zou derhalve de terecht- 



165 

stelling hebben plaats gehad. Maar de aangehaalde //bewijsinghe^' 
bewijst, dat de man in November daaropvolgende nog in leven 
en bezig was om zijn rantsoen te verzamelen. Derhalve is de 
tijdsbepaling der kroniek, indien ik ze goed begrepen heb, in 
strijd met de waarheid. Maar zij kan ook anders worden be- 
grepen. Zij zegt: de geheele bezetting bedong lijfsbehoud, //uyt- 
geseyt albreght beyling, die gehouden wort tot Vrou 
jacob's behoef, ende hem wort wtsettinge gegeven een maent 
lang". . . . Dit zeggen is niet noodzakelijk in strijd met het 
vermoeden van den heer de jonge, dat de gevangene eerst 
na de komst van jacoba te Schoonhoven, in September, ont- 
slagen zou zijn. Maar met dit vermoeden strijdt wel degelijk 
een bericht, ontleend aan dezelfde thesauriersrekening van Lei- 
den, die onvolledig door den heer RAMMELMAN ELSEVIER 
uitgegeven en naar die uitgave door mij in mijn vorig opstel 
gebruikt was. Een der posten, die door den heer elsevier als 
van minder belang weggelaten zijn, vermeldt namelijk, dattusschen 
27 April en 5 Mei 1425 de schout van Gouda te Leiden ge- 
komen en door het gerecht onthaald is. Hoewel de naam niet 
genoemd wordt, kan aan de identiteit niet worden getwijfeld: 
BEILINC en niemand anders wordt bedoeld. Hij was dus een 
maand ongeveer na de capitulatie van het slot van Schoon- 
hoven op vrije voeten. Hoe dit feit met de overige te rijmen 
is, laat ik in het midden; onze kennis der bijzonderheden is 
te onvolledig om gissingen te wettigen. Tot de hoofdzaak doet 
de chronologie ook minder af. Immers de kroniek laat zich over 
den tijd, waarop de uitzetting gegeven is niet] bepaaldelijk uit, 
en derhalve bewijzen de feiten, dat beilinc in Mei op vrije 
voeten was, en in November zijn rantsoen bijeen zocht te brengen, 
geenszins tegen de geloofwaardigheid van het verhaal der kroniek 
aangaande zijn gruwzamen dood. Zij bewijzen alleen, dat ik 
mij in de tijdsbepaling en hetgeen daarmee samenhangt vergist 
heb. Al wat ik daaruit aangaande de schuld van JACOBA had 
afgeleid, wordt door de nieuwe . bescheiden afdoende wederlegd. 
Daarentegen, hoeveel reeds van het vroeger geheel onge- 
waarborgde verhaal is allengs uit echte stukken bewaarheid! 



166 

BEILINC, van wien8 bestaan men vroeger zelfs niet verzekerd was, 
hebben wij in gelijktijdige oorkonden ontmoet als een man van 
gewicht, gevangengenomen door de Hoeksche ballingen, op 
rantsoen gesteld en inmiddels losgelaten en bezig om tegen 
den bepaalden dag zijn losgeld bijeen te brengen. Tot dusver 
is dus de waarheid van hetgeen de kroniek vermeldt, bewezen. 
Pleit dit niet voor de geloofwaardigheid ook van het overige, 
dat wel door niets stelligs bevestigd, maar toch ook door niets 
weersproken wordt? Voorheen, toen het verhaal door geen 
enkel bericht van elders gesteund werd, kon men het geheel 
voor een verdichtsel houden; maar thans, nu reeds de eerste 
helft bewezen is, op wat grond zal men thans de andere helft 
verwerpen? Er is buitendien een omstandigheid, waarop de 
heer DE jonge niet gewezen heeft, maar die naar mijn oordeel 
ook voor de waarheid van die tweede helft van het verhaal 
nadrukkelijk pleit. Juist omstreeks dezen tijd verdwijnt de naam 
van BEILINC uit de gedenkstukken. In bescheiden van vroeger 
dagteekening komt hij herhaaldelijk voor, in die van later tijd 
schijnt hij gemist te worden. En dit is te opmerkelijker, omdat 
PHILIPS van BOURGONDië als een der redenen, waarom hij 
tot het losgeld van BEILINC wil bijdragen, opgeeft: //om dien- 
sten wille, die hij ons naemaels doen mach". Vreemd derhalve, 
dat hij hem later niet schijnt gebruikt te hebben, althans zoo 
de man toen in leven was. 

Wat de wreedheid, de onmenschelijkheid zelfs van de wraak- 
neming aangaat: bedenken wij, dat juist in den winter van 
1425 op 1426 de burgeroorlog in Holland en Zeeland op het 
allerhevigst woedde, dat de Hoeken in October 1425 den slag 
bij Alphen wonnen en in Januari 1426 de nog veel bloediger 
neerlaag bij Brouwershaven leden, waarvoor zij weer in April 
in een tweeden slag bij Alphen wraak namen. Bij de laatste 
gelegenheid wordt ons uitdrukkelijk gezegd, dat de overwinnaars 
zich schuldig maakten aan het vermoorden hunner gevangenen. 
De tijden waren dus onzeker, de gemoederen verbitterd. Ia het 
dan op zichzelf zoo onwaarschijnlijk, dat beiling niet geslaagd 
is in het bijeenbrengen van zijn losgeld, waartoe wij zien dat 



167 

hij de hulp van hertog Philips behoefde, doch van deze 
slechts een aanwijzing op de verbeurde goederen van een Hoeksch 
edelman verwierf, welke tijdens de landing der Engelschen 
in Zeeland niet gemakkelijk te innen moet geweest zijn? Is 
het ook niet licht mogelijk, dat het losgeld, hetwelk bijna uit- 
sluitend gevonden was uit de goederen van jan den bastaard, 
het hoofd der Hoeksche partij te Gouda, door de Hoeken 
niet als wettig eigendom aan beilinc is toegerekend ? Wie weet 
buitendien op welk ongelukkig oogenblik, misschien wel kort 
na de neerlaag bij Brouwershaven, de gevangene tot zijn vijan- 
den terug is gekeerd? — Ik voor mij vind het plegen van een 
gruwel, als dien de kronieken verhalen, onder de gegeven om- 
standigheden eerder verklaarbaar dan het verdichten er van. 
Aan verdichting zou ik eerst gelooven, indien men beilinc in 
stukken van later dagteekening als nog levend aantrof. Zonder 
zulk een stellig bewijs blijf ik voor als nog geloof slaan aan 
het geheele verhaal,, waarvan een zoo aanmerkelijk gedeelte 
reeds boven allen twijfel verheven is. 

K. F. 

Na van de opmerkingen van mijn geachten vriend, den heer 
R. FRUIN, kennis te hebben genomen, vind ik voor mij geen 
grond om mijne conclusiën te wijzigen: Ik heb gezegd: //stout- 
weg het besluit op te maken, dat het geheele verhaal omtrent 
BEiLiNC's heldenmoed en dood een verdichtsel is durf ik nog 
niet", en //indien de waarheid bij de kroniekschrijvers is, dan 
is in dat geval de waarheid bijzonder onwaarschijnlijk." 

Die uitkomst van mijn onderzoek durf ik ook nu nog vol- 
houden. 

Het is nu toch onwederlegbaar bewezen, dat de kroniek- 
schrijvers, die ons het verhaal van beilinc's heldenmoed en 
dood leverden, omtrent zeer belangrijke punten onjuiste be- 
rigten geven. 

Niet een maand, maar bijna zeven maanden lang, van 5 
Mei tot 20 November, vonden wij beilinc op vrije voeten. 

Niet uitzetting, zooals de kroniek zegt, maar schatting kreeg 
beilinc van zijne vijanden; en daarin ligt groot verschil. 



168 

Uitzetting is: voorwaardelijke invrijheidstelÜDg voor een tijd, 
onder persoonlijken of geldelijken borgtogt; schatting is sla- 
king uit de gevangenschap tegen rantsoen, is koop en verkoop 
van vrijheid. 

Wanneer nu de kronieken, die ons het verhaal leverden, 
blijken in tegenspraak te zijn met de feiten en de tijdsbepaling, 
wanneer andere kronieken van de zaak zwijgen, en de oor- 
spronkelijke stukken het verhaal minötens twijfelachtig maken, 
dan ben ik veeleer geneigd o^i aan die kronieken vertrouwen 
te ontzeggen, dan om, zooals de heer F. nu doet, aan //boe- 
kenmakers zonder gezag" meer vertrouwen te schenken. 

Dat eindelijk beilinc in de gedenkstukken na Nov. 1425 
niet meer genoemd wordt is een zeer negatief bewijs voor het 
gevoelen van den heer P. Na 1425 was BEILING feitelijk uit 
zijn schoutambt ontzet, hij kan sedert ambteloos burger zijn 
gebleven en als zoodanig zijn gestorven, en om die reden niet 
meer in de officiële stukken zijn vermeld. Beilinc komt niet 
zbö herhaaldelijk in de bescheiden van vroeger dagteekening 
voor, als de heer P. meent. Hij komt slechts voor in April 
1420, in Januarij 1421, in November 1425, in de Memoria- 
len; in 1424 en 1425 in de rekeningen van loeiden. Dit nu 
is evenmin een bewijs dat beilinc voor April 1420 nog 
niet heeft geleefd, als het een bewijs is dat beilinc na No- 
vember 1425 niet meer geleefd heeft. 

DE J. 



NEDERLAND EN DE GROOTE KEURVORST. 



DOOR 



Dr. P. L. muller. 



Over weinig vorsten is een zoo algemeen gunstig oordeel 
geveld als over den grondvester van den Pruisischen staat, 
den keurvorst frederik Willem van brandenburg. Zijn 
roem moge al een weinig verduisterd zijn door dien van zijn 
grooten nazaat frederik ii, toch zal ieder een zekere voor- 
liefde voor hem opvatten, die zich eenigszins bezighoudt met 
de geschiedenis van de tweede helft der zeventiende eeuw. 
Sinds zijn officieele historiograaf, samuel von puffendorf, 
de geschiedenis zijner regeering beschreef, is deze het onder- 
werp van een menigte andere geschiedschrijvers geweest, en 
het zou moeilijk vallen er één aan te wijzen, die zich ongun- 
stig over hem uitlaat. En wel verre dat deze ingenomenheid 
thans, in dezen tijd van streng kritisch onderzoek, zou afnemen, 
is zij veeleer toegenomen. Zelfs heeft niemand hem met meer 
ingenomenheid (ja ik durf zeggen vooringenomenheid) behandeld 
dan de talentvolle schrijver van de Geschichte der Preussische 
Politik, de Berlijnsche hoogleeraar droysen. Deze, die een 
voorname plaats inneemt onder de geschiedschrijvers van den 
nieuweren tijd en aan het hoofd staat van een talrijke schaar 
van leerlingen, en wiens stem dus als een gewichtige mag 



170 

worden gerekend, heeft hem een lof toegezwaaid, zoo groot als 
misschien zelden zelfs uit eene officieele pen is gevloeid. 

Het zou dwaasheid zijn dit toe te willen schrijven aan een 
bloote partijdigheid. Ieder die het leven van frederik Wil- 
lem VAN brandenburg eenigcrmate leert kennen, zal moe- 
ten toegeven dat hij de eerste was, die den Duitschen naam, 
in de 17de eeuw zoo diep gezonken, weder in eere bracht, 
de eerste die een zelfstandigen Duitschen staat grondvestte. 
Dat alles heeft hij volbracht met zulke geringe middelen en 
onder zoo moeilijke omstandigheden, dat het blijkbaar aUeen 
het werk is van zijn eigen kracht en beleid. In 1640 rond 
hij een verarmd, machteloos, uit ver uiteen verspreide stukken 
bestaand grondgebied, en in 1688 liet hij een goed georgani- 
seerden staat achter, die in bloei alle andere Duitsche landen 
vooruit was en een invloedrijke plaats in Europa innam. En 
weinig had het gescheeld of hij had dien vermeerderd met die 
Duitsche landen, die sinds 1648 aan een vreemdeling, den ko- 
ning van Zweden, onderworpen waren, en zoo Duitschland be- 
vrijd van den smaad van een vreemd vorst op zijn bodem te dulden 
en een deel van zijn kracht te zien aangewend ter bevordering 
van aan Duitschland geheel vreemde, ja dikwijls vijandige be- 
langen. Dat hij dit niet volbracht, het lag niet aan hem maar 
aan de macht der omstandigheden. 

Waarlijk, frederik willem is een schoone figuur in de ge- 
schiedenis, vrij van vele gebreken, die den vorsten van zijn tyd 
aankleefden, een man van een alles bezielende persoonlijkheid, 
wiens vurige geest een toekomst hoopte, die eerst anderhalve 
eeuw later waarheid zou worden, in alle opzichten een groot 
vorst, in vele een groot man. 

Dat men dus in Duitschland en bovenal in Pruisen zijn 
regeering en persoon met voorliefde, met vooringenomenheid 
behandelt, dat men zelfs over de donkere plekken, diè er maar 
al te veel in te vinden zijn, zoo snel mogelijk heenglijdt, wij 
kunnen het zeer goed begrijpen. Maar dat men daarom alles 
wat naast hem staat in het ongunstigste licht plaatst, ja in het 
donker stelt, om al het licht alleen op zijn persoon te doen 



171 

vallen, dat is een vrijheid, die wel den schilder geoorloofd is, 
dien het in de eerste plaats om het effect dat zijn werk te 
weeg brengt te doen is, maar niet den geschiedschrijver, wien 
voor alles de waarheid moet ter harte gaan. En daarom kun- 
nen wij niet begrijpen hoe een ernstig en wetenschappelijk 
hooggeplaatst geschiedschrijver dit middel durft te baat nemen 
om den keurvorst te verheerlijken. Dit nu is ontegenzeglijk 
het geval met de voorstelling, die droysen van hem geeft, 
vooral ten opzichte van zijn betrekkingen met Nederland. 

Ik wil hier echter geenszins den Berlijnschen hoogleeraar op 
den voet volgen en telkens aanwijzen waar hij de feiten niet- 
zoozeer vervalscht (want daarvoor heeft hij zich wel gewacht) 
als wel zoodanig gegroepeerd heeft, dat de Nederlanders steeds 
in een ongunstig licht verschijnen, de keurvorst daarentegen 
in een stralenkrans; maar ik wil hier een kort en eenvoudig 
overzicht geven van de betrekkingen van den keurvorst met 
de Kepubliek gedurende de jaren dat zij bijna voortdurend 
met elkander in aanraking waren, de jaren 1672 tot 1688. 

De briefwisseling tusschen den keurvorst en zijn gezanten 
te 's Gravenhage, een bron ook door DROYSEN veel gebruikt, 
zal ons hierbij voornamelijk als leiddraad dienen. Zij bevindt 
zich iii het koninklijk Pruisisch Geheim Staats-Archief te 
Berlijn, waar mij door de welwillende tusschenkomst van de 
Nederlandsche legatie de toegang werd verschaft. 



I. 



Het zal overbodig zijn hier te herinneren dat, toen in 1672 
de keurvorst de in het nauw gebrachte Eepubliek te hulp 
kwam, het niet de eerste keer was dat hij met haar in be- 
trekking geraakte. 

Eeeds voor den Munsterschen vrede had gelijkheid van gods- 
dienst en belangen dikwijls aanleiding gegeven tot gezantschap- 
pen en tractaten tusschen Brandenburg en de Staten. Daarop 
haalde het huwelijk van den keurvorst met de dochter van 
Prins FREDERIK HENDRIK den band nog nauwer aan. Ën kort 



172 

na den vrede bracht de oorlogzuchtige politiek van KAREL x van 
Zweden een geheel andere aanraking tusschen beide staten teweeg. 

Eeeds aan den eersten oorlog dien deze krijgshaftige koning 
ter uitbreiding van Zwedens macht voerde, dien tegen Polen, 
had de keurvorst deel moeten nemen. Hij had toen zeer tegen 
zijn zin als diens verbondene op moeten treden, daar dit het 
eenige middel was geweest om zijn Pruisisch hertogdom te be- 
houden en zijn Duitsche bezittingen voor oorlog te behoeden. 
Maar in den grooten Noordschen, den tweeden Deenschen oor- 
log, dien karel x in 1658 begon, trad hij weldra op in zijn na- 
tuurlijken rol, als onverzoenlijk vijand van Zweden. De bezittingen 
die deze mogendheid door den vrede van Munster in Duitschland 
had verworven, sloten hem geheel van de zee af, zij waren 
hem als een paal in het vleesch geplant en niets kon beletten 
dat niet ieder oogenblik een Zweedsch leger in het hart van 
Brandenburg doordrong. Het was dus voor hem eene levens- 
quaestie de Zweedsche macht te fnuiken. Gelukte hem dit niet, 
dan schoot hem niets over dan de vasal van den machtigen 
nabuur te worden. Het was dus natuurlijk dat hij thans, nu 
de vernietiging van Denemarken Zweden tot onbeperkt meester 
van het Noorden dreigde te maken, met grooten ijver aan den 
oorlog deel nam. Eerst wanneer hij hiervan niet ieder oogenblik 
een aanval te vreezen had, kon hij zich aan zijn levenstaak. 
Brandenburg tot een zelfstandigen, machtigen Duitschen staat 
te maken, begeven. 

Geheel anders waren de redenen die Nederland bewogen ge- 
wapenderhand tegen Zweden op te treden. De Nederlandsche 
politiek werd altijd, maar vooral in die dagen, toen de anti- 
stadhouderlijke partij aan het roer was, bestuurd door één 
hoofdbelang, den handel. Daarvan hing haar macht, haar rijk- 
dom, ja haar bestaan af. En dat belang leed geducht, ah de 
Sond en de Oostzee in de handen van één machtigen staat 
waren. Beeds in 1655 had de Kepubliek door de zending eener 
vloot Danzig voor een Zweedsche verovering behoed, thans 
moest zij, nu het bestaan van Denemarken op het spel stond, 
met nog veel meer kracht tusschen beiden komen. Maar, en 



173 

hieraan lag juist het groote onderscheid tusschen haar poli- 
tiek en die van den keurvorst, z^ wilde Zweden niet volko- 
men machteloos maken, zij wilde zelfs zoo mogelijk niet eens 
er mede in oorlog raken; zij wilde niets dan het status quo 
handhaven dat Zweden verbroken had en dit buiten staat 
stellen zich verder aan het evenwicht in het Noorden te ver- 
grijpen. De keurvorst wilde een oorlog, die Zweden geheel 
machteloos maakte en het zoo mogelijk van den Duitschen 
grond verdringen. Terwijl zij dus tot een zekere hoogte samen- 
gingen, was er verder het meest volkomen onderscheid tnsschen 
beider politiek, en trad die van de Staten den keurvorst overal 
in den weg. Deze was toen nog te zwak om zich niet in alles 
naar zijn bondgenooten te moeten schikken; met groot verdriet 
moest hij zich onderwerpen aan de bepalingen van het Uaag- 
sche concert en den vrede van Oliva. 

Zoo was de eerste aanraking op het terrein der groote poli- 
tiek geweest; de keurvorst had weinig reden er tevreden over 
te zijn. In zijn brieven klaagt hij, en niet minder doen dit zijn 
vertegenwoordigers in den Haag, de bekwame Kleefsche kan- 
selier WEIMANN en de sinds 1653 vast geaccrediteerde resident 
GOPES, sterk over het egoïsme der Staten. 

Wij willen de laatsten zijn dit tegen te spreken, maar men 
bedenke toch wel dat het onberedeneerd zou zijn den Staten 
er een verwijt van te maken dat zij den keurvorst niet in zijn 
plannen ondersteunden, die iedereen gevaarlijk en heerschzuch- 
tig toeschenen. De vrede van Munster was nog te kort geleden 
dan dat men een verandering in den daardoor in het leven ge- 
roepen toestand kon goedkeuren. 

Nauwelijks was de Noordsche oorlog geëindigd of er vertoon- 
den zich voorteek enen van een storm van een geheel ander ge- 
wicht. LoDEWiJK XIV begon zijn hand uit te strekken naar 
de Spaansche erfopvolging en in de eerste plaats naar de Spaan- 
sche Nederlanden. Het gevaar van de algemeene wereldheer- 
schappij, M'aartegen zoolang gestreden was, kwam toen van de 
zijde van Frankrijk veel dreigender op dan het dit ooit van 
die van het huis Oostenrijk gedaan had. 



174 

Tegenover de plannen van lodewijk hadden de Staten en 
de keurvorst in vele opzichten dezelfde belangen. Waarom de 
eersten de verwezenlijking daarvan nooit konden dulden, is te 
bekend om het hier nog eens te behandelen. Ook de Keurvorst 
kon dit in geen opzicht gedoogen. Niet alleen dat een verovering 
van België den druk, dien Frankrijk na den vrede op Duitsch- 
land uitoefende, nog zwaarder en de macht, die hij door zijn 
verbondenen (toen bijna al de vorsten aan den Eijn en alle 
vijanden van het keizerlijk gezag) reeds in Duitschland bezat, 
nog grooter maakte, maar zij bedreigde ook rechtstreeks de 
bezittingen van den keurvorst aan den Eijn, het hertogdom 
Kleef, dat een niet onbelangrijk deel van zijn gebied uitmaakte 
en dat dan weerloos voor de Franschen openlag. Daarenboven 
kon de keurvorst reeds uit eigen belang niet wenschen dat 
Frankrijk zijn macht in Duitschland uitbreidde. Gelukte het 
LODEWIJK om, zooals iedereen hem toeschreef, de Duitsche 
keizerskroon in zijn huis over te brengen, dan was het voor altijd 
gedaan met al de plannen van den keurvorst tot het vestigen 
van een krachtigen staat. Legde Oostenrijk hem al zooveel be- 
letselen in den weg, nog veel meer zou de gewelddadige koning 
van Frankrijk doen. Hij zou hem misschien van een deel van 
de macht die hij thans bezat berooven, daar hij niet zou kun- 
nen gedoogen dat de bekwaamste en krijgshaftigste vorst van 
Duitschland, //Ie plus fin renard de Tempire," zooals hij hem 
noemde, een zoo uitgestrekt grondgebied bezat, waarvan hij 
misschien gebruik kon maken om vroeg of laat het Fransche 
juk af te schudden. Om al deze redenen van oogenblikkelijk en 
van meer verwijderd belang, sloeg men te Berlijn weldra even 
angstig den loop der gebeurtenissen gade als te 's Gravenhage. 
Vruchteloos bleven alle pogingen van lodewijk om den keurvorst 
voor zijn plannen te winnen. Hoewel een niet onaanzienlijke 
partij onder zijne raadslieden Franschgezind was, sloeg hij 
alle aanbiedingen om evenals de Egnvorsten zijn neutraliteit of 
bijstand, ingeval de keizer Spanje te hulp wilde komen, aan 
Frankrijk te verkoopen van de hand. 

Gewichtig was in die dagen de werkzaamheid der beide Bran- 



176 

denburgsche gezanten in den Haag, BLASt>ElL en KOMSWINCKEL. 
Beide waren natuurlijk evenmin als de keurvorst ingenomen 
met DE WITT en zijn regeeringssteisel. Blaspeil, een zeer 
voortvarend man en oploopender dan men van een diplomaat 
zou verwachten, hoewel overigens de bekwaamste van de twee, 
was zelfs zeer ontevreden over zijn politiek. Met bijzonderen 
argwaan sloeg hij diens onderhandelingen met d'estrades 
gedurende de jaren 1666 en '67 gade. Men verdacht in Duitsch- 
land de Staten algemeen van het verdeelingstractaat van 1636 
te willen doen herleven. Want daar hadden deze meer dan el- 
ders den naam van veroveringszuchtig en geneigd te zijn zich 
te recht of ten onrechte ten koste hunner naburen te willen 
uitbreiden. Het werd vooral veroorzaakt door het ontegenzeg- 
lijk onrechtmatig bezet houden der vestingen aan den Neder- 
Rgn ^) door Neder landsche troepen. Dit verwekte vooral bij den 
keurvorst, wien zij meerendeels toekwamen, groote ontevreden- 
heid. De Staten vonden haar bezit echter noodig ter verdedi- 
ging der anders ongedekte oostgrens, en beriepen zich op den 
langen duur van hun bezit en op het recht van verovering, 
daar zij ze allen aan de Spanjaarden hadden ontnomen. Van- 
daar dat zij alle klachten daarover in den wind sloegen. 

Ondertusschen kwam de Munstersche oorlog van 1665 en 
gaf aanleiding tot een verbond der Staten met Brandenburg, 
tegen den vorst- bisschop, dat door' den vrede van Kleef in 
1666 niet in werking kwam. De keurvorst was er gaarne in 
getreden, daar hij steeds den woelzieken vorst-bisschop even als 
zijn Welfische naburen, de vier vorsten van het huis Brunswijk- 
Luneburg, verdacht van zich in Noord-Duitschland meer macht 
te willen aanmatigen, wat hij vooral om zijn Westfaalsche en 
Kleefsche bezittingen niet kon dulden. 

Toen eindelijk Frankrijk den lang ge vreesden aanval ondernam 
was de keurvorst een der eersten, die zich gewapenderhand tegen 



*) Wesel, Emmerik, Rees, Orsoy, Bnrick, Rheinberg. Ook Embden deelde 
dit lot. 



176 

een uitbreiding der Fransche macht wilde verzetten. De witt 
sloeg echter de voorslagen van B LAS peil over een verbond af, 
hij ging zijn eigen weg in deze aangelegenheid. Blaspeil 
reisde toen in den winter van 1667 naar Brussel en sloot daar 
met den gouverneur-generaal, markies DE GASTEL RODRIGO^ 
een tractaat, waarbij de keurvorst zich verplichtte Spanje in 
het voorjaar met 12000 man te hulp te komen. De Triple 
Alliantie maakte dit nutteloos en dwong voor het oogenblik 
beide partijen tot toegeven. 

Nu volgden vier jaren van gewapenden vrede, vol onrust en 
zorg, vol onderhandelingen en tractaten. De witt en lionne, 
die zoolang eng verbonden waren geweest, streden met elkaar 
om de vernietiging of instandhouding van de Triple Alliantie. De 
WITT leed in dien diplomatischen veldtocht een volkomen ne- 
derlaag. In het voorjaar van 1672 was niet alleen de Triple 
Alliantie feitelijk vernietigd maar ook Nederland geheel geïso- 
leerd. De keizer en de meeste Duitsche vorsten hadden hun 
onzijdigheid beloofd, Keulen en Munster hun hulp toegezegd 
aan Frankrijk, Zweden zich er door een nieuw verdrag aan 
verbonden. 

Spanje was er slechts met moeite toe te bewegen geweest 
een tractaat van onderlinge verdediging met de Staten te slui- 
ten, zonder dat het daardoor verplicht was Frankrijk den oorlog 
aan te doen. En dit was alleen het werk geweest van den 
gouverneur-generaal, graaf de monterey, die meer energie 
bezat dan alle overige Spaansche staatslieden te samea. 

In die jaren had Brandenburg zich zoo weinig mogelijk met 
de onophoudelijk overal aangesponnen en even dikwijls weder 
afgebroken onderhandelingen ingelaten. Tegenover Frankrijk be- 
waarde de keurvorst een zeer koele houding. Hij zag in de 
plannen van LODEWIJK tegen Nederland niet een geschikte 
gelegenheid om met behulp van Frankrijk den Staten de in 
bezit gehouden grensplaatsen te ontrukken, maar een algemeen 
alle staten en het Protestantisme bedreigend gevaar. Daaren- 
boven was Zweden thans weder meer tot Frankrijk genaderd, 
dat, daar Spanje slecht en Frankrijk goed betaalde, de Triple 



Alliantie had verruild tegen een tractaat met lodewtjk. Ook 
dit bleef niet zonder invloed op de houding van den keurvorst, 
wiens politiek steeds bovenal tegen zijn dood vijand was gericht. 
Maar hoewel hij aan alle verlokkende aanbiedingen van de 
Fransche gezanten VERJUS en SAINT GÉran, die al zoovele 
Duitsche vorsten in het net hadden gelokt, van de hand wees, 
deed hij geene stappen om tot de Staten te naderen. Hij wist 
dat deze zijn bondgenootschap zouden zoeken, en hoe bereid 
bij ook was er in te treden, hij wilde het niet dan op zeer 
voordeelige voorwaarden, die hij den Staten, als zij in het nauw 
waren gebracht, kon voorschrijven. Een verbond met dezen was 
voor hem eenigermate een handelszaak, want de Duitsche vorsten, 
die geen geld maar wel troepen hadden, of althans gelegenheid 
om die spoedig in groot aantal te werven, vervulden allen, even 
als Zweden en Denemarken in dien tijd, den rol van condottieri. 
^oor hen was een subsidieverdrag een dubbeld voordeelige spe- 
culatie: ten 1®. waren zij er door in staat een veel grooter 
aantal troepen op de been te brengen dan anders, waardoor hun 
macht en aanzien naar verhouding toenamen, en 2^. waren zij 
dan niet verplicht hun onderdanen zware lasten op te leggen, 
om hun troepen te onderhouden. Men moet echter deze troepen- 
leveringen niet vergelijken met den begin selloozen handel, dien 
in de 18**® eeuw de landgraaf van Hessen en andere Duitsche 
vorsten met Engeland dreven. Want op enkelen na hadden de 
Duitsche troepenleveranciers van dien tijd een eigen politiek, 
en verhuurden niet alleen aan den meestbiedende maar ook aan 
hem wiens bondgenootschap om andere reden het voordeeligst 
was. De subsidieverdragen werden uitgebreid tot of- en defen- 
sieve verbonden en hadden dikwijls een geheeel ander gevolg 
dan alleen het in dienst nemen van een aantal soldaten. Bij 
den toenmaligen toestand waren zij onvermijdelijk; slechts 
Frankrijk, Spanje en de zeemogendheden waren in staat zonder 
subsidiën te ontvangen oorlog te voeren. Zelfs de Keizer was 
daartoe onvermogend. 

De keurvorst wist dat hij de eenige vorst was die de handen 
vrij had en dat de Staten dus van zelf tot hem zouden komen. 

12 



178 

Zoo gebeurde het dan ook. De witt had, nadat de oorlog in 
1670 tegen verwachting was uitgebleven en- hij door de burge- 
meesterkeuze te Amsterdam zijn macht bevestigd zag tegenover 
de in de laatste jaren in den boezem der anti- stadhouderlijke 
partij opgekomen oppositie, met minder nadruk als vroeger 
aangedrongen op het vermeerderen en verbeteren van de krijgs- 
macht der Republiek. Van daar dat deze betrekkelijk onvoor- 
bereid door het in 1672 snel opkomend oorlogsgevaar werd 
verrast. Het bleek voor alles noodig zich van een Duitsche 
krijgsmacht te verzekeren, die bij een aanval van Frankryk 
den vijand in den rug kon bestoken en daardoor eenige af- 
leiding verschaffen. De keurvorst was de aangewezen persoon 
tot wien men zich wenden moest. De heer van AMEROKGEn 
vertrok in het voorjaar naar Berlijn en sloot na vrij wat loven 
en bieden den 268*en April het tractaat van Köln an der Spree, 
waarbij de keurvorst zich verbond de Staten met 20,000 man 
te hulp te komen tegen betaling der halve soldij, der werfgel- 
den en andere bijzondere onkosten voor artillerie enz. Daar 
het Staatsche leger op het papier 70,000 man sterk was, hoe 
wel er in waarheid niet twee derden onder de wapenen waren, 
en een aantal vestingen en stroomen onze grenzen dekten, zag 
men de toekomst, hoewel met bezorgdheid, niet met dien angst 
te gemoet, dien men zou gekoesterd hebben, had men den 
waren stand van zaken gekend. 

De keurvorst had hoop nog een aanzienlijker rol te kannen 
spelen dan dien van bondgenoot. Hij wenschte nl. bemiddelend 
op te treden tusschen de verbondenen en de Staten. Hij polste 
hierover den Engelschen gezant te Berlijn, die er zich niet on- 
gunstig over uitliet, maar hem tevens een deelnemen aan den 
oorlog ten sterkste afried. Het bleek hem echter weldra dat 
het geen tijd voor bemiddelen was en dat men daarover slechts 
sprak om hem in zijn toerustingen op te houden, die hij on- 
dertusschen onafgebroken voortzette. Om met Frankr^k niet 
geheel te breken, verklaarde hij door het tractaat van 1666 
verplicht te zijn de Staten tegen een aanval op hun grondge- 
bied bij te staan, maar dat hij overigens in de beste verstand- 



1Ï9 

houding met de verbondenen wilde blijven. Voor hij echter 
gereed was rukte lodewijk, nadat monterey hem den 
doortocht door België had afgeslagen, door de landen van den 
keurvorst van Keulen, door het neutrale gebied van Ijuik, na 
Maastricht geblokkeerd te hebben, naar den Rijn en veroverde 
in weinige dagen de vestingen van het Kleefsche, dezelfde bar- 
rière om wier behoud de Staten zich zooveel haat en argwaan 
hadden op den hals gehaald. Toen volgde die merkwaardige 
reeks van veroveringen, die eerst haar eindpaal vond in de 
overstroomingen die het eigenlijk gezegde Holland dekten. 

Weinig gebeurtenissen hebben ooit zulk een algemeenen schrik 
teweeg gebracht als die plotselinge val der Republiek. De Keizer, 
de kleingeestige en altijd wijfelende leopold t, werd zoo be- 
angst dat hij uit vertwijfeling bijna een moedig besluit nam. 
Voor het oogenblik gaf hij geen gehoor aan den Eranschen 
gezant, den slimmen gremonville, die hem nu vijfjaren 
lang bewogen had alles wat lodewijk deed stilzwijgend aan 
te zien en aan veel medeplichtig te worden, en aan zijn door 
Fransch goud gekochte ministers; hij wilde iets doen tot red- 
ding van het nu meer dan ooit bedreigde evenwicht. 

De keurvorst kwam hem hierin voor. Hij zag dat hij alleen 
niet sterk genoeg was de Republiek te hulp te komen en zond 
dus zijn zwager, den vorst van Anhalt, naar Weenen om den 
keizer te bewegen met hem tegen Frankrijk op te treden. Hij 
toonde nu dat het hem niet alleen om de subsidiën te doen 
was, maar dat het verbond van Köln an der Spree een daad 
van staatkunde was. Hem komt de eer toe van, terwijl allen 
de vernietiging der Republiek aanzagen in stomme ontzetting, 
sommigen zelfs met stil leedvermaak, het eerst begrepen te heb- 
ben dat, wilde men Europa redden van het Fransche despotisme, 
het nu of nooit tijd van handelen was. 

Het was geen edelmoedigheid jegens den in nood verkeeren- 
den nabuur, het was nog veel minder geloofsijver voor het be- 
dreigde Protestantisme dat hem er toe bracht zich in het gevaar 
te storten, maar alleen politiek doorzicht, welbegrepen eigen- 
belang. Het blijft hem echter altijd tot groote eer strekken en 



180 

bewijst welk een uitstekend, helderziend staatsman hij was. 

De zending van anhalt gelukte, vooral door den heilsamen 
invloed van den schrik voor de Fransche wapenen. De keizer 
sloot met hem een verbond, in naam tot het bewaren van de 
rust in het Duitsche rijk, die door den marsch der Fran- 
schen en het bezetten der Kleefsche vestingen en nog meer 
door het deelnemen van Keulen en Munster verstoord was, 
maar in der daad om de Eepubliek te hulp te komen. Het 
had weldra een ander verbond ten gevolge, dat den 25«*®" Juli 
door den baron DE LISOLA met de Staten gesloten werd, waarbij 
de keizer een dergelijke verplichting op zich nam als de keur- 
vorst, hoewel niet op zulke voordeelige voorwaarden. Een Oos- 
tenrijksch leger onder montecuculi kwam zich toen met dat 
van den keurvorst vereenigen en verschafte de Eepubliek eenige 
lucht door een deel der Fransche krijgsmacht bezig te houden. 

Maar het eigenaardig ongeluk, dat zoo dikwijls geheerscht 
heeft als Oostenrijk en Pruisen samenwerkten, vertoonde zich 
ook nu. 

Terwijl het leger oprukte, was het gremonville en den 
met hem eng verbonden en veel vermogenden opperhofmees- 
ter LOBKOWITZ gelukt, den keizer voor den oorlog met 
Frankrijk bevreesd te maken, dien hij zich door een krachtig 
oorlogvoeren zou op den hals halen. Besluiteloos en altijd op 
twee gedachten hinkend als hij was, wilde LEOPOLD twee on- 
vereenigbare dingen, de Eepubliek redden en, zoo mogelijk, den 
Franschen invloed in Duitschland te keer gaan, en vrede met 
Frankrijk houden. Het neutraliteitsverdrag, in 1670 hiermede 
gt sloten, en de laatste tractaten met den keurvorst en de Sta- 
ten waren zoo geheel met elkander in tegenspraak, dat hij een 
van beiden moest schenden. Als alle zwakke naturen koos hij 
een middenweg, die op den duur toch niet hielp en die hem, 
zijn leger en zijn politiek met schande belaadde. HQ gaf mon- 
tecuculi zulke bevelen dat de keurvorst niets uit kon voeren. 
Hierbij kwamen nog al de beletselen, die de Franschgezinde of 
voor Frankrijk bevreesde E^nvorsten in den weg legden. Het 
was niet het beleid van TURENNE, die een veel te geringe 



181 

macht had om het verbonden leger op den duur weerstand te 
kunnen bieden, maar alleen de dubbelzinnige houding en in 
vele opzichten ook de jaloerschheid van den keizer op den nu 
zoo veel macht ontvouwenden keurvorst, die den veldtocht zoo 
ellendig deed afloopen, zonder dat één plan was gelukt of één 
onderneming was uitgevoerd. 

Terwijl de keurvorst zich zoo aan den Rijn aftobde, had hij 
onophoudelijk onaangenaamheden met de Staten. Het was na- 
tuurlijk dat deze thans, nu drie provinciën in de macht des 
vijands waren en het overige zich slechts met moeite staande 
hield, terwijl een sterke vloot in zee moest gehouden worden 
en de helft van het land onder water stond, niet zeer stipt 
konden zijn in het betalen der subsidiëu. En daar de keurvorst 
zelf geen geld bezat, hing daar het onderhoud van het leger 
geheel van af. Vandaar eeuwigdurende klachten over en weder, 
want evenzeer als de keurvorst op de betaling drong, hielden 
de Staten bij hem aan op een meer krachtige oorlogvoering, 
wat door de Oostenrijkers bepaald onmogelijk werd. 

Zoo werd het winter; de prins moest zijn stout plan zich 
met de bondgenooteu te vereenigen opgeven, de keurvorst be- 
trok winterkwartieren in Westfalen. In Februari van 1673 
rukte TURENNE daarheen, de keurvorst kon niets tegen hem 
uitrichten, de Oostenrijkers scheidden zich van hem af en trok- 
ken naar Frankenland ; het leger was uitgeput door marschen 
en door de slechte betaling veroorzaakte ontbeeriug, en moest 
nu een moeilijken terugtocht in een bar jaargetijde ondernemen. 
Daardoor werden daarenboven alle bezittingen van den keurvorst 
in het westen van Duitschland aan den vijand overgeleverd ; een 
wapenstilstand was onvermijdelijk. 

De keurvorst deed zijn best dien ook aan zijn bondgenooten 
t^ verschaffen. Hij hoopte daardoor zijn goeden naam van trouw 
bondgenoot te behouden en ook de subsidiën die hem nog toe- 
kwamen. Want KOMSWINCKEL en BLASPEIL hadden hem dui- 
delijk aangetoond dat hij, zoo hij zich tot een verder verdrag 
inliet, die zeker zou verliezen en dat ook de subsidiën van 
Friesland en Groningen, die nog bijna niet hadden betaald, dan 



182 

zouden uitblijven. De i^eneraal PÖLNITZ kwam in Holland om 
over een gemeenschappelijk liaudeleu met den vijand te spreken. 
Maar het was vruchteloos : de Prins, fagel, de Spaansche en 
Keizerlijke gezanten drongen allen even hard op het voortzetten 
van den oorlog aan. Want de terugtocht en wapenstilstand 
hadden bij dezen groote ontevredenheid en schrik verwekt. 
Hoewel niemand er den schuld van droeg dan de keizer, was 
ook deze er over verontwaardigd en wilde met alle geweld dat 
de keurvorst den strijd zou hervatten. Hij bewoog zelfs de 
Staten den keurvorst een volle maand subsidie uit te betalen, 
om hem daartoe te bewegen. Maar het was te ver gekomen, 
de keurvorst was machteloos, zijn leger geruïneerd, zijn bezit- 
tingen voor een goed gedeelte in 's vijands handen. Toen h\j 
zag dat hij niet met zijn bondgenooten vrede kon sluiten, deed 
hij het den 10**®» April zonder hen. 

Hij gaf de hoop echter niet op van althans als bemiddelaar 
op te treden op het inmiddels besloten congres te Keulen. In 
een brief van 13 Mei gaf hij den Staten kennis van het ver- 
drag van Saint-Germain en beval tegelijk aan ROMSWINCKEL 
te onderzoeken of de Staten zijn bemiddeling zouden willen 
aannemen, die, naar hij meende, door Frankrijk niet ongaarne 
zou gezien zijn. Van de geheele zaak kwam echter niets; de 
Prins en fagel waren ook geenszins tot vrede geneigd en ver- 
wachtten niets van het congres. 

Zoo alleen gelaten, sloot de keurvorst het tractaat van Vos- 
sem, waarbij de vrede met Prankrijk bevestigd werd en hij 
voor eenige subsidiën zijn neutraliteit gedurende den verderen 
duur des oorlogs beloofde. 

Een jaar lang bleef hij zoo den loop der gebeurtenissen aan- 
zien. Met de Republiek' bleef hij op een goeden voet De Prins 
hoopte hem steeds voor de thans gevormde coalitie te winnen ; 
en daar iedereen erkende dat het niet zQn schuld was dat de 
veldtocht van 1672 zoo slecht was afgeloopen, werd hij ook 
niet met klachten daarover lastig gevallen, als hij, hoewel na- 
tuurlijk vruchteloos, aandrong op het afdoen der achterstallige 
subsidiën. Want de geldnood begon zich in Nederland meer en 



183 

meer te doen gevoelen, al was het crediet ook eenigszins her- 
steld van den schok die het geleden had ; en voor het afbetalen 
van subsidiën louter uit erkentelijkheid en plichtgevoel zonder 
er eenig nut van te trekken, daarvoor hadden de Staten nooit 
maar nu wel allerminst geld. Met een onwederlegbaar wijzen 
op hun ontzaglijke kosten voor leger, vloot en subsidiën wezen 
zij alle memorialen van romswinGKEL van de hand. 

Slechts eens dreigde de goede verstandhouding ernstig ver- 
stoord te worden. Het was toen in Mei 1674 de Franschen 
de Geldersche en Kleefsche vestingen ruimden en de keurvorst 
Schenkenschans, waar hij recht op meende te hebben, bezette. 
Het eerste bericht bracht een geduchte opschudding bij de 
Staten te weeg; men noemde het een daad van ongehoorde 
gewelddadigheid, daar er nog niet eens over de rechtsquaestie 
gesproken was. Het leger, dat naar België bestemd was, kreeg 
bevel halt te houden en zijn marsch naar de oostgrens te 
richten. Gelukkig kwamen spoedig ophelderingen en veront- 
schuldigingen, die daar vooral op gegrond waren, dat een zoo 
gewichtig punt, zoo in nabijheid des vijands gelegen, niet on- 
bezet kon blijven, en dat de keurvorst gaarne een gerechtelijke 
uitspraak zou gehoorzamen. Het voorval, dat voor een oogen- 
blik geheel Nederland en zelfs üuitschland in rep en roer had 
gebracht, liep dus zonder verdere gevolgen af. 

In dien tijd waren weder onderhandelingen aangevangen tus- 
schen den Haag, waar de ziel der coalitie was, en Berlijn. Het 
slecht betalen der Fransche subsidiën strekte den keurvorst tot 
voorwendsel om zich niet meer aan het tractaat van Vossem 
gebonden te achten. Den l^ten Jq]] ^grd te Berlijn door den 
Keizer, Spanje en de Staten een tractaat met den keurvorst gesloten, 
die /* 200,000 voor werfgelden en de halve soldij voor 16,000 
man, half van de Staten, half van Spanje ontving. Het was 
vooral aan den onvermoeiden ijver van romswinckel en 
BLASPEIL en de persoonlijke inmenging van den Prins te dan- 
ken, dat dit tractaat gesloten werd. 

Gelijktijdig was ook een tractaat van gelijken inhoud met 
de hertogen van Zeil en Wolffenbuttel en een met Denemarken 



184 

gesloten. Kort daarop verklaarde bet Duitsche Kijk plechtig 
den oorlog aan Frankrijk. De coalitie scheen thans zeer mach- 
tig. Inderdaad was dit niet het geval. Want zij berustte geheel 
op het geregeld betalen der subsidiën door de Staten en Spanje. 
Beide waren daartoe op den duur buiten staat. Want de Re- 
publiek was, hoe rijk ook anders aan hulpbronnen, toch door 
de geweldige inspanningen en verliezen van de twee vorige 
jaren uitgeput en Spanje had alleen geld wanneer de galjoenen 
aankwamen, en de behoeften van het hof en de talrijke pen- 
sioenen verslonden de daarmede aangebrachte sommen in een 
oogenblik. 

De lira, de Spaansche gezant in Nederland, opperde dan 
ook de wenschelijkheid om nu, terwijl de coalitie zulk een 
schijn van macht bezat, vredesaanbiedingen te doen, daar het 
te voorzien was dat zoodra de subsidiën niet meer betaald 
werden (en dat zou spoedig het geval zijn) de cosilitie uiteen 
zou spatten en een nadeelige vrede onvermijdelijk zou worden. 
De raad was goed, ook fagel liet zich in dien zin uit, maar 
in den zomer van 1674 was het niet mogelijk vrede te sluiten, 
daar pas het congres te Keulen was uiteengegaan. De tusschen- 
komst van den keurvorst met zijn leger aan den Rijn had voor 
het -oogenblik een goede uitwerking. Maar er heerschte zulk 
een verdeeldheid tusschen hem en de Oostenrijksche veldheeren 
en tusschen dezen onderling dat het niet lang duurde of TU- 
RENNE verkreeg wederom het overwicht, en de veldtocht liep 
ellendig af. Er deden zich voorteekenen voor, die deden vree- 
zen dat het tweede optreden van den keurvorst even zoo ein- 
digen zou als het eerste. Toen bracht op eenmaal de deelneming 
van Zweden aan den oorlog een geheele verandering teweeg. 



II. 



De houding van Zweden was reeds sinds het begin van 1672 
den vijanden van Frankrijk verdacht voorgekomen. Niet dan 
ongaarne hadden zij in het volgend jaar zijn bemiddeling aan- 
genomen, want niemand hield het voor oupart\jdig. Sinds die 



185 

bemiddeling mislukt was, had Zweden een zeer vijandige taal be- 
ginnen te voeren. Het sluiten van de tractaten met Denemar- 
ken, Brandenburg en de Brunswijksche vorsten verklaarde het 
voor hoogst gevaarlijk, en het beweerde dat te moeten be- 
schouwen als een daad van vijandschap. De waarheid was 
echter dat het in dit jaar 1674 het verbond met Frankrijk 
hernieuwd en tegen hooge subsidiën beloofd had offensief tegen 
zijn vijanden te werk te gaan. Het zocht nu een voorwendsel 
en meende dat vooral in den veldtocht van den keurvorst tegen 
Frankrijk gevonden te hebben. Een scherpe pennestrijd tusschen 
den Zweedschen gezant ehrenstein en fagel ging aan de 
oorlogsverklaring vooraf. In dien tijd drong de keurvorst^ er 
voortdurend op aan dat de Staten hem zijn bezittingen tegen 
een aanval van Zweden zouden waarborgen, wat tot eindelooze 
onderhandelingen aanleiding gaf. Eindelijk vielen de Zweden in 
Februari 1675 in Brandenburg. 

Het was voor de coalitie een harde slag. Het was natuurlijk, 
dat de keurvorst zich met zijn leger naar huis begaf, wat voor 
de verbondenen een geducht verlies was. Maar men moest ook 
Denemarkens hulp inroepen, wat tot een enorme vermeerdering 
van lasten aanleiding gaf, daar hier niet alleen voor een leger 
maar ook voor een vloot subsidiën moesten worden betaald. En 
de hertogen van Zeil en Wolffenbuttel begeerden nu ook tegen 
Zweden gebruikt te worden in plaats van aan den Rijn, in 
schijn om aan een eventueelen aanval van den Franschgezinden 
hertog van Hanover tegenstand te kunnen bieden, in waarheid 
echter om Bremen en Verden te kunnen veroveren. Voor dit 
jaar gelukte het hen tot blijven te bewegen en de Branden- 
burgers door troepen van Osnabrück en Munster te vervangen. 
De dood van TUREN NE, de daarop volgende nederlagen der 
Franschen in den Elzas en bij den Moezel, en meer nog de 
overwinning van den keurvorst bij Fehrbellin wendden dit jaar 
echter de gevreesde ongelukken af. Een oorlog in Duitschland, 
waarvoor vooral de keizer vreesde, werd voor goed afgewend, 
en het bleek weldra dat Zweden zijn deelnemen aan den oorlog 
zwaar boeten zou. Maar met dat al had lodewijk er toch 



186 

gewonnen spel door. De lasten van den oorlog werden voor de 
geldschietende machten, Nederland en Spanje, ondraaglijk. Het 
eerste vooral leed er geweldig door. Zijn handelsbelang had het 
zoeken te beschermen door een verdrag met Zweden, waarbij 
de koopvaarders neutraal werden verklaard ; maar dit hielp niet 
genoeg en werd ook weldra niet meer uitgevoerd. Met hetzelfde 
doel verboden de Staten, tot groote ergernis van den keurvorst, 
in Nederland kapers onder Brandenburgsche vlag uit te rusten. 
Ja zij deden zelfs stappen om een algemeeue neutraliteit van 
alle koopvaarders en alle waren, behalve oorlogscontrabande, 
vast te stellen, daar zij vreesden dat Engeland thans den ge- 
heplen handel aan zich zou brengen. 

Maar behalve het lijden van hun handelsbelang, dat het 
moeilijker dan ooit maakte het land nieuwe lasten op te leg- 
gen, waren er nog vele andere redenen die maakten dat zij 
den Noordschen oorlog ongaarne zagen. Zij moesten eene vloot 
naar de Oostzee zenden, wilden zij de Deenen in staat stellen 
krachtig oorlog te voeren, want alleen waren dezen niet tegen 
de Zweden opgewassen, zij moesten den keurvorst zijn subsi- 
dien betalen zonder er eenig nut van te hebben, zij moesten 
hetzelfde doen aan de Brunswijksche vorsten, die in 1676 niet 
meer aan den Moezel te houden waren, en eindelijk de enorme 
onkosten voor Denemarken voldoen. Het is waar, Spanje droeg 
alles mede, maar dit betaalde zoo slecht dat de Staten, wilden 
zij niet alles zien mislukken, zich wei moesten inspannen En 
daarenboven vermeerderden de kosten van den oorlog in België 
en aan den Eijn, en moest een vloot in de Middellandsche zee 
gehouden worden. Het was duidelijk, dat dit de krachten van 
de Staten te boven ging. Zeer te begrijpen was het evenzeer, 
dat zij zoo spoedig mogelijk zich van den Noordschen oorlog 
wilden bevrijden en, zoodra daaraan het gevaarlijk karakter was 
ontnomen, zooals na 1675 het geval was, daaraan zoo weinig 
mogelijk ten koste leggen en alle krachten tegen Frankrijk in- 
spannen; werd dit tot vrede gedwongen, dan zou Zweden van 
zelf volgen. Ja, in 1677 waren zij bereid met Zweden vrede te 
sluiten op voorwaarde dat het alle veroveringen, door Branden- 



187 

burg en Deucmarken gemaakt, terug zou ontvangen, hetgeen 
volgeus hen volkomen met de tractaten overeenkwam ')• 

Geheel andere plannen koesterde de keurvorst. Voor hem 
had de Noordsche oorlog een wijd veld geopend. Eindelijk werd 
hem de gelegenheid gegeven om de Zweden voor goed uit 
Duitschlaud te jagen, om zich in het bezit te stellen van Pom- 
meren en Stettin. Dan was hij meester van de kust en kon 
zijn land openen voor den handel. Dan had hij een geheel an- 
dere macht dan thans, nu hij slechts de machtigste Duitsche 
keurvorst was. Dan kon hij de rol op zich nemen, die Zwe- 
den tot nu toe had vervuld, van de groote mogendheid van 
het Noorden, met één woord, dan kon hij Jkandenburg maken 
tot wat het, langs een anderen weg, door fredërik. u werd. 
Met al het vuur, dat hem eigen was, greep hy de gelegenheid 
als met beide handen aan. Gedurende drie jaren voerde hij 
onder de moeilijkste omstandigheden een aanvallenden oorlog, 
waardoor hij zich in het bezit stelde van het voorwerp zijner 
wenschen en vervolgde de Zweden zoo krachtig, dat zij tot diep 
in Koerland terugweken, en hij voor geen terugkeer van hen 
bevreesd hoefde te zijn. 

Het was natuurlijk, dat tusschen bondgenooten die zoo tegen- 
overgestelde doeleinden najaagden op den duur geen goede 
verstandhouding kon bestaan ; met den Noordschen oorlog hield 
bijna alle gelykheid van belangen op. Beiden bleven hardnekkig 
vasthouden aan hun plan, en zoo ontstond weldra groote twist 
en oneenigheid. Als de Brandenburgsche gezanten aandrongen 
op het betalen der subsidiën, vroegen de Nederlandsche staats- 
lieden wanneer een Brandenburgsch leger aan den Hijn zou 
komen; als de keurvorst vroeg om het zenden van een vloot 
om de Oostzee te beheerschen, vroegen de Staten om regimen- 
ten voor het leger in België. De keurvorst voerde den oorlog 
tegen Zweden alsof er geen oorlog tegen Frankrijk was, en de 
Staten deden juist het omgekeerde. 



1) De correspondentie van den Oosten rij kschen gezant in den Haag, 
KEAMPRICH, over bet jaar 1677 (aanwezig in het K. K. Huis-, Hof- en 
Staats Archief te Weenen) levert daar een tal van bcw\jzen van. 



188 

Men bedenke hierbij wel wat de gevolgen van den Noord- 
schen oorlog voor Nederland waren. Sinds 1675 werd de 
oorlog aan den Rijn betrekkelijk zwak gevoerd. Het geheele 
gewicht van den oorlog viel op België. Terwijl de Staten 
hier hun krachten moesten verdubbelen, daar Spanje al meer 
en meer tot de oude onmacht verzonk en van de scboone ar- 
mee van MONTEREY niet veel meer over was, zagen zij toch 
dat hun krachten alleen niet in staat waren Frankrijk tegen 
te houden en dat een voor éen de Belgische vestingen in 
LODEWIJKS handen vielen. Zij bezwoeren den keurvorst toch 
een troepenkorps aan den Neder-Eijn op te stellen, dat des- 
noods den Prins versterken kon en aan den Moezel eenige af- 
leiding kon verschaffen. Twee, later vier regimenten ruiterij 
onder SPAEN was alles wat hij aan hen overliet. 

De toestand werd onhoudbaar ; slechts de methodieke oorlog- 
voering van die dagen en de meer en meer zichtbaar wordende 
verzwakking van Frankrijk waren oorzaak, dat er niet een 
tweede jaar tweeënzeventig voor de Republiek aanbrak. Ieder- 
een verlangde naar vrede; de voorspelling van de lira kwam 
volkomen uit, want dat onder zulke omstandigheden de onder- 
steuning in geld en schepen voor den keurvorst en Denemar- 
ken slechts gering was, sprak van zelf. Dezen, die een veroverings- 
oorlog voerden, bleven natuurlijk, daar het hun eigenbelang 
gold, zoo goed het ging den oorlog met hun eigen krachten 
voortzetten, maar velen der andere verbondenen, die evenmin 
de bedongen subsidiën ontvingen, vonden daarin een reden om 
hun verplichting niet, of althans slecht na te komen. Zoo be- 
gonnen zich hoe langer hoe meer sporen van ontbinding in de 
coalitie voor te doen. Een algemeene vrede had alles kunnen 
redden, maar daarop was nu nog veel minder kans dan vroe- 
ger, daar de eischen der Deenen, Brandenburgers, Brunsw^jkers 
en andere Noordduitsche verbondenen geheel in strijd waren 
met hetgeen lodewijk met welberekend overleg als conditio 
sine qua non voor den vrede stelde, het herstel van Zweden 
in al zijn bezittingen. Hierdoor dwong hij Zweden om, hoe 
ongelukkig het ook den oorlog voerde, dien door te zetten en 



191 

sitie, die hand in hand met den Eranschen gezant, den slimmen 
d'avaux, ging, verklaarde het voor ondoenlijk en gevaarlijk. 

Ook de keizer waagde het niet tusschenbeide te komen. 
Toen LODEWIJK in het voorjaar van 1679 den maarschalk 
GRÉQUI bevel gaf de bezittingen van den keurvorst te bezet- 
ten en vijandig tegen hem te werk te gaan, verroerde zich nie- 
mand. Te vergeefs beproefden de prinsgezinden eenige protesten 
en demonstraties, daar nu de Hepubliek open en bloot voor 
den vijand lag. Men liet de Franschen ongemoeid, die weldra 
al de bezittingen van den keurvorst bewesten de Elbe bezet 
hadden. Toen boog deze het hoofd en sloot den vrede van 
Saint-Germain, waarbij hij, op een klein stukje van Pommeren 
na, alles moest teruggeven. Ook Denemarken moest zich daarop 
bij het tractaat van Fontainebleau onderwerpen. LODEWiJK 
had op alle punten gezegevierd, zijn vijanden verslagen en van 
elkander gescheiden, een twistappel tusschen hen geworpen in 
de verschillende vredestractaten, die tot grooten argwaan en 
klachten aanleiding gaven, en een coalitie vooreerst onmogelijk 
gemaakt. Hij bereikte op dit oogenblik het toppunt van zijn 
macht en kon met recht de arbiter Europae genoemd worden. 

Daarentegen waren zijne vijanden hopeloos verdeeld; het 
ergste Nederland en de keurvorst. Daarenboven had in Neder- 
land de antistadhouderlijke partij weder een geduchte macht ver- 
kregen, en was het dus hoogst waarschijnlijk dat de gevaarlijkste 
zijner vijanden voor geruimen tijd in al zijn bewegingen ver- 
lamd zou wezen. 

En misschien was het hem nog voordeeliger, dat de meeste 
Duitsche vorsten allen lust verloren hem verder te bestrijden, 
en, al gelukte het hem niet zich weder, als voor 1672, een 
sterke partij in het Rijk te vormen, de keizer slechts bij een 
zeer klein aantal op ondersteuning rekenen kon. Onder degenen 
die neutraliteit voortaan boven alles stelden, behoorde in de 
eerste plaats de keurvorst. Op diens zonderlinge, ja bijna dub- 
belzinnige houding tegen Frankrijk komen wij later nog terug; 
vooreerst openbaarde zich diens al te ver gedreven vredelievend- 
heid niet, wel echter zijn onverholen verbittering op de Staten. 



190 

waarden staan, en niemand za^ kans hem te dwingen die op 
te geven. Ook Spanje begon naar vrede te verlangen en waa 
bereid dien te sluiten, zoodra dat mogelijk was. Wel leed het 
er zware verliezen door, maar het zag in dat de vrede het 
eenige middel was om nog iets van België te bewaren. 

Zoo werd het de oppositie mogelijk eindelijk door te drijven 
dat men afzonderlijk met Frankrijk zou handelen. Den 10*^ 
Augustus 1678 werd tusschen Frankrijk en de Staten de vrede 
vau Nijmegen geteekend. Niet lang daarna sloot door bemid- 
deling der Staten ook Spanje vrede. Een voor éen volgden de 
andere verbondenen. In Februari 1679 bleven geen anderen 
over dan de keurvorst en Denemarken. 

De keurvorst had toen, na in 1678 al wat nog van Pom- 
meren over was, zelfs het eiland Eugen, te hebben veroverd, 
de Zweden voor goed uit Duitschland gedreven en in den be- 
roemden win ter veld tocht tegen HO RN ze tot diep in Koerland 
teruggejaagd en hun den lust en de macht ontnomen om een 
herovering te beproeven. Juist nu gedwongen te zijn alles zon- 
der slag of stoot weder op te geven wat hij met zulk een in- 
spanning verkregen had, daartoe kon hij niet besluiten. HQ 
wilde afwachten of men er hem toe zou dwingen. Dat kon al- 
leen geschieden door een inval aan den Bijn en in Westfalen, want 
voor het oogenblik behoefde hij niet bevreesd te zijn voor een 
hernieuwing van den strijd van de zijde van Zweden. Dat de 
keizer zou dulden dat de Franschen tot in 't hart van Zweden 
doordrongen en daar groote streken lands en vele vestingen 
veroverden betwijfelde hij; nog minder kon hij verwachten, dat 
de Staten zouden toelaten dat zij het Kleefsche bezetten en 
daardoor ieder oogenblik in de Republiek konden vallen. HQ 
had echter buiten de oppositie gerekend, die op dit oogenblik 
in Holland alles belette, wat maar eenigszins den vrede in gevaar 
kon stellen. Deze had gedurende het jaar 1678 verhinderd dat 
de Staten, zooals romswinckel verzocht, althans Kleef zouden 
doen neutraal verklaren, waardoor de keurvorst hoopte den Fran* 
schen de gelegenheid hem te dwingen te ontnemen. De Staten 
hadden het gaarne gedaan, maar zij durfden niet; en de oppo- 




191 

sitie, die hand in hand met den Eranschen gezant, den slimmen 
d'avaux, ging, verklaarde het voor ondoenlijk en gevaarlijk. 

Ook de keizer waagde het niet tusschenbeide te komen. 
Toen LODEWIJK in het voorjaar van 1679 den maarschalk 
GRÉQUI bevel gaf de bezittingen van den keurvorst te bezet- 
ten en vijandig tegen hem te werk te gaan, verroerde zich nie- 
mand. Te vergeefs beproefden de prinsgezinden eenige protesten 
en demonstraties, daar nu de Hepubliek open en bloot voor 
den vijand lag. Men liet de Franschen ongemoeid, die weldra 
al de bezittingen van den keurvorst bewesten de Ëlbe bezet 
hadden. Toen boog deze het hoofd en sloot den vrede van 
Saint-Germain, waarbij hij, op een klein stukje van Pommeren 
na, alles moest teruggeven. Ook Denemarken moest zich daarop 
by het tractaat van Fontainebleau onderwerpen. LODEWiJK 
had op alle punten gezegevierd, zijn vijanden verslagen en van 
elkander gescheiden, een twistappel tusschen hen geworpen in 
de verschillende vredestractaten, die tot grooten argwaan en 
klachten aanleiding gaven, en een coalitie vooreerst onmogelijk 
gemaakt. Hij bereikte op dit oogenblik het toppunt van zijn 
macht en kon met recht de arbiter Europae genoemd worden. 

Daarentegen waren zijne vijanden hopeloos verdeeld; het 
ergste Nederland en de keurvorst. Daarenboven had in Neder- 
land de antistadhouderlijke partij weder een geduchte macht ver- 
kregen, en was het dus hoogst waarschijnlijk dat de gevaarlijkste 
zyner vijanden voor geruimen tijd in al zijn bewegingen ver- 
lamd zou wezen. 

En misschien was het hem nog voordeeliger, dat do meeste 
Duitsche vorsten allen lust verloren hem verder te bestrijden, 
en, al gelukte het hem niet zich weder, als voor 1672, een 
sterke partij in het Rijk te vormen, de keizer slechts bij een 
zeer klein aantal op ondersteuning rekenen kon. Onder degenen 
die neutraliteit voortaan boven alles stelden, behoorde in de 
eerste plaats de keurvorst. Op diens zonderlinge, ja bijna dub- 
belzinnige houding tegen Frankrijk komen wij later nog terug; 
vooreerst openbaarde zich diens al te ver gedreven vredelievend- 
heid niet, wel echter zyii onverholen verbittering op de Staten, 




i9i 

Zooals boven is aangetoond, begon in de tweede helft van 
den oorlog meer en meer een zekere koelheid tusschen hem en 
de Staten te heerschen. De eischen, die zij elkander stelden 
werden al minder en minder voldaan; klachten kwamen van 
weerszijden hoe langer hoe meer voor. Toen kwam de volgens 
de tractaten zeer zeker onverdedigbare vrede. De keurvorst, 
die terecht begreep dat het nu gedaan was met de coalitie 
en tevens met zijn eigen veroveringen, betoonde er zich meer 
door gekrenkt dan een der andere bondgenooten. Hij ver- 
klaarde het voor een schandelijk verraad, gepleegd aan de bond- 
genooten en in de eerste plaats aan hem, aan wien de Staten 
toch hun redding in het jaar tweeënzeventig te dankeu hadden. 
Te vergeefs bracht romswingkel hem onder het oog dat het 
het werk van een partij was, dat die zich niet door regelen 
van politiek of door dankbaarheid en plichtgevoel liet besturen, 
dat het land onmogel^k langer den last des oorlogs dragen 
kon, dat het reeds sinds vele jaren vooruitgezien was dat het 
eens zoover komen zou. De keurvorst had er toen evenmin ooren 
voor als thans zgn geschiedschrijver schijnt te hebben. De 
keurvorst beweerde, en droysen zegt het hem na, dat de Staten 
den oorlog 'hadden moeten doorzetten en, als zij minder baatzuch- 
tig waren geweest, het ook hadden kunnen doen, dat, als zij nog 
een jaar hadden volgehouden, hij met zijn gansche macht naar 
den Rijn zou zijn gemarcheerd en Frankrijk tot vrede hebben 
gedwongen. Trouwens aan den Prins lag het niet dat dit plan 
niet werd uitgevoerd, de slag bij St. Dénis bewijst het volkomen, 
maar aan de antistadhouderlijke partij, die aan de Europeesche 
politiek geheel vreemde doeleinden beoogde en daarvoor den 
vrede noodig had. Wanneer zulk een partij de overhand kreeg, 
was het nutteloos tegenwerpingen en verwijten te bezigen. Dit 
was echter bij den keurvorst na den vrede het geval. Een man 
van zijn temperament kon het den Staten niet vergeven dat 
zij de oorzaak waren van het verlies van het voorwerp van zijn 
vurigste wenschen, dat hij door jarenlangen arbeid had verwor- 
ven. Dat zij daarvoor niets hadden gedaan, niet eens in 1679, 
toen zij er zulk een uitstekende gelegenheid toe hadden, een 



193 

diplomatische tasschenkomst hadden beproefd, dat krenkte hem, 
naar het schijnt, nog meer dan het breken van het tractaat 
in 1678. Want eerst in 1679 begint de keurvorst dien bitteren 
toon tegen de Staten aan te slaan, voor den dag te komen 
met die onberedeneerde eischen, die sedert bq hem tegenover 
zijn oude bondgenooten gewoon werden. Eerst in 1679 begint 
hij te klagen over de „ Unchristliche abandonnirung^^ waarin zij 
hem gelaten hadden. En het is begrijpelijk, want totdat de Staten 
den tocht van créqui werkeloos aanzagen, koesterde hij nog 
hoop dat zij uit eigen belang verhinderen zouden dat lodëwuk 
hem dwong zijn veroveringen op te geven; eerst toen zag hij 
dat zij niets voor hem wilden doen en maakte de flauwe hoop 
in zijn hart plaats voor al de verbittering, waartoe iemand in 
staat is, die in de schoonste verwachtingen zijns levens is te- 
leurgesteld. 



III. 



Zoodra de keurvorst den vrede van Saint- Germain had ge- 
sloten, begon hij voor den dag te komen met zulk een aantal 
vorderingen en tevens zulk een hardnekkigheid te toonen om 
op het geringste punt, waaromtrent hij eenigszins met de 
Staten verschilde, niets toe te geven, dat het weldra duidelijk 
werd dat het hem er om te doen was om de Staten het leven 
zoo zuur mogelijk te maken. 

In de eerste plaats eischte hij het in eens afbetalen van al 
de achterstallige subsidiën, zoowel die uit het laatste als die 
uit het vroegere verbond nog niet voldaan waren, een eisch, 
waarvan de onmogelijkheid en, hoewel de letter van de tractaten 
er recht toe gaf, onredelijkheid duidelijk waren. Verder wilde 
hij echter nog een aanzienlijke vergoeding voor de schade, die 
hij door het afzonderlijk vrede sluiten door de Staten geleden 
had; voornamelijk betrof dit de contributiën en andere opoffe- 
ringen, die in 1679 Kleef waren opgelegd, wat volgens den 
keurvorst de Staten als degene die er de oorzaak van waren 
moesten vergoeden. Het kostte blaspeil en eomswinckel 

13 



194 

veel moeite hem van de onredelijkheid dezer vordering te over- 
tuigen; zij beweerden dat dergelijke schade niet goed berekend 
kon worden en dat een dergelijke eisch de Staten afkeerig zou 
maken van het voldoen aan die omtrent de subsidlën, waar zg, 
als zij zoo hoog bleven, toch al niet licht in zouden toe- 
stemmen. 

Maar behalve met deze geldelijke vergoedingen kwam de 
keurvorst nog met een menigte andere vorderingen over han- 
delszaken, over de prijzen der Brandenburgsche kapers, over 
grensregeling enz. voor den dag. En werd een moeilijkheid uit 
den weg geruimd, zeker kwam er weldra een andere voor in 
de plaats. Eomswingkel was verplicht de Staten onophoude- 
lijk met klachten lastig te vallen, die hij, door zijn lang verblijf 
in Nederland zeer goed gezind jegens de Staten en vooral jegens 
den Prins, niet altijd kon goedkeuren, hoe groot ook zijn 
ijver voor zijn meester was. Zijn stelling begon hem hoe langer 
hoe onaangenamer te worden; daarbij werd hij oud en ziekelijk 
en had hij niet meer als vroeger in blaspeil een ambtgenoot, 
die hem zoo nu en dan dien last verlichtte. Hij trachtte ge- 
durende de jaren 1679 en '80 vruchteloos een betere verstand- 
houding tusschen den keurvorst en de Staten, die hij, evenzeer 
als de Prins en FAGEL, voor beiden en bovenal voor de rust 
van Europa zoo noodig hield, te bewerken. In plaats van daarin 
te slagen, zag hij zich gedwongen dagelijks meer een toon aan 
te slaan, die de verwijdering grooter moest maken en die de 
door zijn strijd met de antistadhouderlijke partij reeds zoo ge- 
dwarsboomde regeeriug van de Bepubliek moest doen denken 
dat de keurvorst meer en meer Eranschgezind werd en niet 
een ernstig bijleggen der geschillen beoogde. Want dat deze 
steeds bij zijn eischen bleef, hoewel ieder wist dat de Bepu- 
bliek thans minder dan ooit in staat was daaraan te voldoen, 
moest wel hiertoe aanleiding geven. 

In het voorjaar legde romswinckel zyn betrekking neder 
en werd opgevolgd door VON diest, een creatuur van den 
minister meinders, het hoofd der Franschgezinde party te 
Berlijn. Deze had bevel krachtig op volkomen voldoening te 



195 

big ven aandringen en zich volstrekt niet tevreden te stellen 
met aanbiedingen tot een vergelijk, zooals de Staten hem reeds 
door den baron van amerongen hadden gedaan, die twee 
jaar lang vruchteloos te Berlijn werkzaam was om de geschillen 
bij te leggen *). 

Hierop begon het geschil een nog onaangenamer karakter te 
krijgen, vooral door den weldra tot dadelijkheden overslaanden 
naijver van de West-Indische en Brandenburgsch-Afrikaansche 
compagniën, waarin de Staten zich, volgens hun (toen trouwens 
overal gevolgde) gewoonte in handelszaken, met een niet genoeg 
te laken bekrompenheid gedroegen. De vrees voor een opkomen 
der Brandenburgsche zeemacht deed hen tot groote onrecht- 
vaardigheden overgaan, althans zij veroorzaakte dat zij ze bij 
de compagnie oogluikend toelieten. Die vrees werd nog versterkt 
sinds de keurvorst zijn kleine marine last gegeven had de 
Spaansche schepen aan te tasten en op te brengen. De Spaan- 
sche monarchie had wel te beschikken over de schatten van 
Amerika en de hulpbronnen van Italië en Spanje, maar kon 
toch nog veel minder dan de Republiek voldoen aan de ver- 
plichtingen, die zij schoorvoetend bij den oorlog op zich had 
genomen. Waren de Nederlandsche subsidiën een paar jaar ten 
achter, de Spaansche waren deels niet langer dan een half jaar, 
deels in het geheel niet betaald. De keurvorst wist geen ander 
middel om zich recht te verschaffen dan door de Spaansche schepen 
op te brengen, totdat hij uit de waarde der prgzen zijn vorde- 
ringen voldaan zag. Natuurlijk verwekte dit gewelddadig gedrag 
algemeene verontwaardiging in de Republiek, en daar de Bran- 
denburgsche vloot bijna uitsluitend door Nederlanders was be- 
mand, verbood men dezen het dienst nemen bij den keurvorst 
en gaf de schepen vrij die zij in Nederlandsche havens op- 
brachten. 



^) Over diens werkzaamheid zoowel in deze jaren als in 1672 en '73 
bevat het door Dr. h. peter bewerkte 3® deel der „ürkunden und Akten 
stücke zur Geschiehte des Grossen Kiirfdrsten," een schat van bijzonder- 
heden, die voor de kennis onzer buitenlaudsche betrekkingen in die dagen 
niet genoeg te waardeeren zijn. 



196 

Zoodoende werd de twist al erger; het gedrag van VON DIEST 
droeg er niet toe bij om haar bij te leggen, daar hij een ge- 
heel andere taal voerde dan romswinckel, en zijn betrekking 
aanvaardde met een geschil over het ceremonieel bij zijn ont- 
vangst, dat gedurende twee maanden zijn audiëntie verhinderde. 
Zijn openlijk optreden als vriend van Frankrijk en spoedig ook 
van de antistadhouderlijke partij maakte hem weldra bij den 
Prins, FAGEL en de meeste regeeringspersonen tot een alles 
behalve aangenaam persoon. 

Want niet alleen tegenover de Republiek had de keurvorst 
zijn gedragslijn veranderd. Ook in de algemeene politiek was 
hij geheel omgeslagen. Zijn tijdgenooten noemden hem daarom 
trouweloos en wispelturig; ja sommige Oostenrijksche staatslie- 
den schijnen hem beschouwd te hebben in het licht, waarin 
men gewoon is den befaamden VICTOR amadeus van Savoie, 
den eersten koning van Sardinië, te beschouwen. En hoewel 
misschien ook deze bij tijdgenoot en nazaat een te slechten 
naam heeft, verdient frederik willem geenszins met hem 
op één lijn te worden gesteld. 

De keurvorst heeft gedurende zijn ach ten veertigjarige regee« 
ring geleefd voor één doel, Brandenburg tot een krachtigen, 
zelfstandigen staat te maken. Hij richtte daar zgn verbindingen 
met het buitenland naar in. Van 1667 tot 1678 had hij ge- 
hoopt door zijn verbond met Oostenrijk en Nederland door den 
strijd tegen Frankrijk dit doel te bevorderen. Zijn afval van 
de coalitie in 1674 was zoozeer de schuld van omstandigheden 
buiten zijn macht gelegen, dat het hoogst onrechtvaardig zou 
zijn te gelooven dat hij toen in zijn vasthouden aan het ver- 
bond wankelde. Maar in 1679 was het anders. Het bleek hem 
dat de verbinding met Oostenrijk en Nederland tegen Frankrijk 
hem en Brandenburg geen oogenblikkelijk en onmiddellijk voor- 
deel bracht, wel groote inspanningen en onkosten. Hij besloot 
nu een anderen weg in te slaan. Wij meenen te mogen be- 
twijfelen of hij werkelijk een aansluiting aan Frankrijk beoogde, 
wy gelooven veeleer dat een strenge neutraliteit, het ver- 
hinderen van eiken strijd met Frankrijk zijn doel was. Zeker 



197 

is het dat hij er een groote fout door beging en zich geducht 
vergiste, wanneer hij dacht dat een neutraliteit in die dagen 
mogelijk, laat staan voordeelig voor hem kon zijn. 

Toen in 1681 lodewijk door de beruchte Ghambres de 
Béunion, al meer stukken van het gebied zijner naburen aan 
zich trok, toen hij eindelijk Straatsburg in bezit nam en 
Duitschland en Spanje in rep en roer kwam, was hij het die 
bleef beweren dat een oorlog met Frankrijk slechts dienen kon 
om meerder ongeluk te doen ontstaan en trachtte hij overal 
door zijn gezanten den oorlog te verhinderen. Diezelfde po- 
litiek zette hij door in de drie volgende jaren onder omstan- 
digheden, die oorzaak waren dat men hem algemeen als den 
trouwen medehelper van Frankrijk begon te beschouwen. Terwijl 
zijn t^dgenooten algemeen van oordeel' waren dat hij Keizer en 
Eijk wilde verderven om voor zich in troebel water te visschen, 
schrijft zijn lofredenaar droysen dit toe aan zijn overtuiging 
dat elke nieuwe coalitie even zwak, zoo niet zwakker, zou 
z\jn als de vorige, dat men Frankrijk moest zien te bevredigen 
en zich in het onvermijdelijke schikken om eens in beter dagen 
den roof terug te vorderen. 

Wij gelooven dat hier, als zoo dikwijls, de waarheid in het 
midden ligt. Want een zoo scherpzinnig man, als de keurvorst 
duizende malen had getoond te zijn, kon het niet ontgaan dat 
tegenover een zoo machtigen vijand als lodewijk xiv, die 
tevens zich zoo weinig bekommerde om het volkenrecht, een 
politiek, die niets dan vredelievende maatregelen nam, die door 
toegeven den vijand zocht te ontwapenen op zijn minst genomen 
een dwaasheid was. Vandaar dat wij droysens verklaring 
onmogelijk kunnen aannemen. Immers, toegegeven dat de 
keurvorst zijn land verademing wilde verschaften en op dit tijd- 
stip elke coalitie voor te zwak hield om Frankrijk te bestrijden, 
dan moest hij toch inzien dat men alleen door een krachtige 
houding aan te nemen, door gezamenlijk een moreelen druk 
uit te oefenen, door met een algemeenen oorlog te dreigen den 
vijand eerbied inboezemen kon, die slechts door de wetenschap 
dat zijn tegenstanders, Spanje en het Eijk, zoo zwak waren, 



198 

zich ondernemingen durfde veroorloven als die tegen Straats- 
burg en Luxemburg. Al wilde hij geen oorlog voeren, zooals 
de Prins beoogde, dan kon hij toch door een krachtigen diplo- 
ma tischen bijstand den verbondenen van ontzaglijk veel nut 
zijn. Maar nu werkte hij door zijn onstuimig aandringen op 
vrede en ontwapening den vijand in de hand en werd, 
misschien tegen wil en dank, een verrader van het Duitsche 
belang. 

Aan de andere zijde kan hij ook niet een vernietiging van het 
Eijk, een vergrooting van zijn gebied door hulp van Frankrijk 
hebben beoogd, want zijn geheele vroegere en latere werkzaam- 
heid toont aan dat hij de plannen, die lodewijk tegen 
Duitschland voorhad,] voor zich in de eerste plaats verderfel^k 
achtte. 

Er moeten dus andere beweegredenen zijn geweest, die hem 
tot deze zonderlinge, met zijn vroeger en later leven zoozeer 
in tegenspraak staande handelwijze brachten. 

Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor dat het de volgende 
waren: in de eerste plaats verbittering tegen de bondgenooten, 
die hem in 1678 zoo schandelijk in den steek hadden gelaten; 
ten tweede, hoop dat hij de verbondenen zou kunnen dwingen 
hem als prijs voor zijn bijstand eenige vergoeding te geven 
voor het verlies, dat zij hem toen hadden berokkend; ten derde, 
vrees voor toenemen van de macht van het huis van Oostenrijk, 
en ten vierde, antagonisme tegen Zweden, dat thans onder de 
bondgenooten behoorde. 

Wat het eerste betreft, het blijkt uit de geheele correspon- 
dentie van den keurvorst met zijn gezanten in den Haag, uit 
de berichten van amerongen, die in dien tijd aan het hof te 
Berlijn de Staten vertegenwoordigde, en eindelijk uit al z^n 
handelingen in de jaren 1680, '81 en '82, dat h\j het noch den 
Staten noch Spanje vergaf dat zij hem in den str^d hadden 
alleen gelaten, dat hij hun recht gaarne een geduchte kastijding 
gunde. Ook den Keizer en den meesten Duitschen vorsten was hy 
in dien t^d niet goed gezind; hun gedrag jegens hem tijdens 
den oorlog en vooral bij den vrede en bij den tocht van CRÉQUI 



199 

in 1679 om hem tot het aannemen daarvan te dwingen, had 
hem in de hoogste mate verstoord. 

Aangaande de tweede beweegreden is het zeker dat men aan 
de hoven van andere Duitsche vorsten, in Saksen onder an- 
deren, algemeen van oordeel was dat hij een vermeerdering van 
land wenschte, dat hij met name Silezië of de Lausitz wilde 
hebben, terwijjl zijn gezanten zich bepaaldelijk uitlieten dat 
niets dan een aanzienlijke afstand in land gevoegd b^ een vol- 
komen voldoening aan zijn eischen door Spanje en de Staten 
hem tot een toetreden tot de nieuwe coalitie kon bewegen ^). 

Ten derde kon een oorlog in Duitschland, vooral een door den 
Keizer gevoerde, slechts leiden tot een versterking van het kei- 
zerlijk gezag, daar deze dan optrad als de beschermer der 
rechten en belangen van het Bij k, als hoofd van geheel Duitsch- 
land, wat den keurvorst, die zooveel mogelijk onafhankelijk 
wilde blijven, in geenen deele aangenaam kon zijn. Veeleer 
moest hij een voortduring wenschen van den toestand die nu 
heerschte, waardoor ieder rijksvorst in staat was te doen en 
te laten wat hem goeddacht, eif feitelijk souverein was. Want 
al wilde hij niet een ontbinding van het Eijk, zeker is het dat 
hij slechts in zoover daarmede verbonden wenschte te blijven 
dat hij er wettig op den rijksdag en verder als keurvorst in- 
vloed op kon uitoefenen, dat hij er niet nader mede wilde ver- 
bonden zijn dan later frederik Willem i en frederik ii 
dit waren. 

Het vierde eindelijk, dat als beweegreden is aangevoerd, ligt 
voor de hand. Zweden was zijn grootste vijand, de staat, die 
hem het meest benadeelde en bedreigde; met dien in verbond 
te treden moest hem zeker bovenmate moeilijk vallen ^). 



^) De correspondentie van den baron v. hünicke, die in 1683 in den 
Haag aanwezig was om over een toetreden van Saksen tot het Associatie- 
tractaat te handelen, levert daar zeer interessante bijzonderheden over. 
Zij bernst in het Hanpt- Staats- Archiv te Dresden. 

^) Zeker is het dat hij, zoodra hij ontdekte dat Frankrijk niet geneigd 
was hem tegen Zweden b\j te staao, meer tot den Prins begon te naderen. 



200 

Wij willen geenszins beweren dat het zeker is dat dit de 
beweegredenen van zijn gedrag waren; het zijn onderstellingen, 
die wij uit de natuur der dingen meenen te mogen opmaken, 
daar de andere verklaringen van zijn gedrag ons als in de 
hoogste mate onwaarschijnlijk, ja als onmogelijk voorkomen. 
Evenmin willen wij gezegd hebben dat hij niet werkelijk meende 
dat een coalitie, een oorlog tegen Frankrijk vooral, op dit 
oogenblik geen gunstige gevolgen kon hebben, en dat hij het 
ook niet bepaald noodig vond zijn land rust te geven van den 
oorlog; maar wij beweren slechts dat het onmogelijk is dat 
deze beweegredenen alleen tot zijn gedrag aanleiding gaven. 
Want waarlijk, wanneer men zijn werken in die treurige jaren 
1682 — 85 nagaat, dan blijkt het dat het onmogelijk is hem 
in dien tijd voor te stellen als het model van een vaderlands- 
lievend Duitsch vorst, die, op het gevaar af van zijn goeden naam 
te verliezen, den, vrede bewaart, en die Duitschland en geheel 
Europa door Frankrijk laat vertrappen, alleen omdat hij het 
ware tijdstip tot verzet nog niet gekomen acht. 

De verandering van zijn politiek tegenover Frankrijk bracht 
den keurvorst er toe om ook tegenover de Bepubliek een andere 
houding aan te nemen, althans tegen de daar regeerende partij. 
En evenals zQn 'wensch om den vrede in stand te houden hem 
er toe bracht om het belang van Duitschland te verraden, ver- 
oorzaakte hij ook dat monsterachtige en onnatuurlijke verbond 
met de antistadhouderlijke partij, waardoor hij, meer nog dan 
door zijn werken in Duitschland, de nieuwe coalitie benadeelde 
en voor Frankrijk ruim baan maakte tot het verkrijgen van zijn 
meest onredelijke eischen. 

De antistadhouderlijke partij was niet tevreden met den vrede 
te hebben hersteld, zij wilde dien ook in stand houden en den 
Prins daardoor voor goed buiten staat stellen iets tegen haar 
vrijheid te ondernemen. De gebeurtenissen van 1650 hadden 
zulk een diepen indruk op de Hollandsche regenten gemaakt, 
dat zij, zoolang de Prins een krachtig leger bezat, er steeds 
een herhaling van vreesden. En de wijze, waarop de Prins z\jn 
gezag placht te handhaven, de buitengewone invloed, dien de re- 



201 

geeriugsreglementen hem gavea en de geduchte vermeerdering, 
van gezag, die hij door het erfelijk verklaren van het stadhou- 
derschap had gewonnen, deden hun vrees steeds toenemen. 
Daarbij kwamen de listige insinuaties van d'avaux, die onop- 
houdelijk het nut van het verbond met Frankrijk aantoonde, 
waaraan de Eepubliek volgens hem haar bestaan en bloei te 
danken had, die tevens gedurig beweerde dat zijn meester niets 
liever wilde dan dat verbond herstellen, en wien het niet 
moeilijk viel hun duidelijk te maken dat de Prins alleen daarom 
den oorlog wenschte, omdat hij daardoor de souvereiniteit kon 
bemachtigen. 

Daar de meeste leiders der Hollandsche oppositie opgevoed 
waren in de school van de witt, den ijverigen voorstander van het 
verbond met Frankrijk, hadden zijn redeneeringen zelfs bij hen, 
die niet geheel door part\jhaat verblind waren, niet geringen 
invloed. Daarbij kwam de berooide staat der finantiën, de enorme 
schuldenlast, de herinnering aan de lasten en gevaren van den 
laatsten oorlog. En eindelijk deed de invloed van VAN beunin- 
GEN, toen gezant in Engeland, die, zoodra hij zag dat karel ii 
niet met de Staten tegen Frankrijk wilde optreden, eiken strijd 
met den machtigen nabuur wilde vermeden hebben, vele ijverige 
patriotten terugdeinzen voor het uitvoeren van het Associatie- 
tractaat. De eigenlijke regentenpartij niet alleen, maar ook de 
groote massa van den handelsstand werd daardoor aan den oor- 
log vijandig, en zoo was de oppositie in staat met groote kracht 
op te treden. 

In zjjn plannen om den vrede, het kostte wat het wilde, 
bewaard te zien, kon dus de keurvorst geen ijveriger medehel- 
pers bezitten. Maar toch waren er redenen, die krachtig genoeg 
schenen om elk verbond tusschen hem en de oppositie onmo- 
gelijk te maken. Vooreerst was de keurvorst een man van 
streng monarehische denkbeelden, een vijand van alle standen- 
wezen. Men weet met welk een geweld, ja willekeur hij het 
in zijn staten trachtte uit te roeien. 

Verder had hij gedurende een twintigtal jaren een tal van 
onaangenaamheden van deze lieden wedervaren, zoowel als oom 



202 

en voogd van den Prins als als keurvorst. Want altijd hadden 
zij hem in zijn plannen gedwarsboomd, zijn steden hadden zij 
wederrechtelijk bezet gehouden, hem en zijn gezanten met kwet- 
sende trotschheid behandeld. Hij had hen altijd beschouwd als 
ontoegankelijk voor recht en bill^kheid, als ware plagen van 
hun naburen. 

Ten slotte had hij, wat eigenlijk reeds genoeg scheen om 
elk verbond onmogelijk te maken, alleen aan hen den vrede van 
Nijmegen te danken, die hem het smartelijkste verlies van zijn 
geheele leven berokkend had. En daarop hadden zij niet eens, 
in een oogenblik van nood, aangedrongen, maar lange jaren 
achtereen. Zij hadden in den geheelen oorlog altijd getracht 
hem alle ondersteuning te doen ontzeggen. 

Het getuigt wel van den voor niets terugdeinzenden ijver, 
die den keurvorst bezielde, dat hij thans hun de hand wilde 
reiken. Want ondanks zijn natuurlijken haat tegen hen moest hij 
toch inzien dat, als zij het roer van staat weder in handen 
kregen, een voldoening zijner eischen een onmogelijkhdd was. 
Want in geldzaken waren de Hollandsche regenten spreekwoor- 
delijk bekrompen en zeer onhandelbaar. Zonder zich aan deze 
talrijke hindernissen te storen, beval de keurvorst in Juli 1682 
aan v. diest zich met de leiders der oppositie, vooral met de 
hoofden der Amsterdamsche regeering, te verstaan. De aanlei- 
ding hiertoe was deze. 

In Augustus 1681 had de Prins, niettegenstaande denhevigen 
tegenstand van Amsterdam en Delft, het verdedigend verbond 
met Engeland doen sluiten en in September het Associatie- 
verdrag met Zweden. In Maart behaalde hij een nieuwe over- 
winning, doordat de Staten van Holland, hoewel slechts met 
één stem meerderheid, het verleenen van hulp aan Spanje, in- 
geval Frankrijk nieuwe aanvallen deed, goedkeurden. Friesland 
en Groningen bleven evenals Amsterdam en de overige steden 
der oppositie zich er steeds tegen verklaren. Met dat al werd 
een vloot en leger uitgerust, toen lodewijk in April het beleg 
voor Luxemburg sloeg. Spanje verklaarde daarop Frankrijk den 
oorlog en verzocht den Staten de beloofde hulp te verleenen. 



203 

Kakel ii van Engeland echter bood zijn arbitrage aan, die 
door Frankrijk werd aangenomen. Te bewerken dat ook Spanje 
dit deed, was nu het doel van den keurvorst. Om het daartoe te 
dwingen, moest het beroofd worden van alle uitzicht op hulp 
van de Staten, en om dit te verkrijgen moest V. DIEST samen- 
werken met D^AVAUX, den Deenschen gezant pettekum en 
de Amsterdamsche regenten en hun medestanders. 

V. DIEST voldeed met ijver aan dien last. Hij wendde zich 
vooral tot van beuningen en huydecoper, met wie hij 
spoedig in drukke briefwisseling trad en die hij dikwijls te Am- 
sterdam bezocht. Hij bewerkte tevens den jongen vorst van 
Nassau, den stadhouder van Friesland en Groningen, om in 
dien zin mede te werken, waardoor hij van deze twee altijd tegen 
den oorlog gezinde provinciën voor goed verzekerd was. Het ge- 
lukte hem des te beter, daar de Prins in een hevig geschil met 
den jongen vorst was geraakt, wat deze bewoog zich geheel 
in de armen van de oppositie te werpen. Tegelijk liet v. diest 
niet na in een tal van memorialen aan de Staten op het be- 
houd van den vrede aan te dringen. Dat deze zoo weinig in- 
druk maakten ergerde hem zeker geweldig, -want hoe langer hoe 
vijandiger laat hij zich dit jaar over hen of liever over de zege- 
vierende prinsenpartij uit. 

In het volgende jaar brachten de geschillen over Holstein, 
Bremen enz., die weder begonnen te herleven, (zooals trouwens 
tot in de eerste twintig jaren van de volgende eeuw voortdu- 
rend het geval was) een verandering in de politiek van den 
keurvorst. Zijn samenwerken met Denemarken en Frankrijk, 
waardoor hij gehoopt had van Zweden althans een gedeeltelijke 
vergoeding van de verliezen van 1679 te verkrijgen, hield op. 
V. DIEST kreeg in Juni bevel met d'avaux geen meer vertrou- 
welijken omgang te hebben dan met de andere vreemde minis- 
ters, maar daarentegen aan den Prins en fagel te verklaren 
dat de keurvorst gaarne met hen tot het behoud van den vrede 
wilde medewerken. Zelfs voegde hij er bij dat dit misschien 
kon dienen tot het verkrijgen van voldoening van Spanje door 
bemiddeling van de Staten. Maar deze toenadering zou niet 



204 

van langen duur zijn. Nauwelijks hadden de Prins en fagrl 
hun wensch te kennen gegeven om met den keurvorst in goede 
vriendschap te leven en hem zooveel mogelijk in zijn vorderingen 
aan Spanje te helpen, toen de Turkenoorlog den keurvorst be- 
woog geheel andere bevelen te geven. Den 2<^®° Juli schreef hij 
aan v. diest dat hij krachtiger dan ooit op het behoud van 
den vrede moest aandringen, dat een aanval van Frankrijk, ge- 
voegd bij dien der Turken, Duitschland geheel te gronde zou 
richten en dat dus alles moest worden aangewend om dit te 
verhinderen. Om echter te toonen dat hij met den Prins in 
verbinding wilde blijven, moest y. diest dit dezen in de 
eerste plaats voorhouden. Tegelijk verbood hij hem verder over 
de subsidie-quaestie te spreken, die hij voortaan uitsluitend met 
AMERONGEN te Berlijn wilde behandelen. Waarschijnlijk zag 
de keurvorst in dat v. diest met zijn bijna onbeleefde taal die 
zaak nimmer ten einde zou brengen. Maar ook met AMERONGEN 
slaagde hij niet. 

Het beleg van Weenen en het ontzettende gevaar, waarin in 
den zomer van 1683 de geheele christenheid meende te ver- 
keeren, veroorzaakte dat het geschil van lodewijk met Oos- 
tenrijk en Spanje werd ter zijde gelegd. Maar zoodra was het 
gevaar niet geweken, of het ontbrandde heviger dan te voren. 
Frankrijk bood thans een wapenstilstand voor een langen tijd 
aan op grond van het uti possidetis. Engeland en de keurvorst 
waren ijverig bezig om dit aanbod te doen aannemen, hoe 
schadelijk en schandelijk het ook was voor den Keizer, voor 
Spanje en voor het geheele Duitsche rijk, daar Frankrgk daar- 
door in het bezit bleef van al de plaatsen, waarover het ge- 
schil liep. 

De Prins daarentegen drong er ijverig op aan dat de Staten 
de in het jaar 1682 beloofde ondersteuning aan Spanje zouden 
doen toekomen. Hij meende dat, als de oorlog eens begonnen 
was, de andere staten wel van zelf tot een deelnemen er aan 
zouden komen. Den Turkenoorlog hield hij niet voor zoo ge- 
vaarlijk, of de keizer kon een deel zijner krachten tegen Frankrijk 
aanwenden, als hij en het Bijk zich eens werkelijk wilden in- 



205 

spannen. De keurvorst achtte v. diest niet in staat om thans 
den storm te bezweren, waaraan hij, hetzij omdat de Fransch- 
gezinde partij in zijn raad hem overreed had, hetzij omdat hij 
werkelijk den Turkenoorlog voor te gevaarlijk achtte, al zijn 
krachten wilde wijden. Zijn bekwaamste diplomaat, paul von 
FUGHS, werd naar Holland gezonden om het aannemen der 
door Frankrijk aangeboden voorwaarden door te drijven. 

Deze slaagde volkomen in zijn zending. De antistadhouderlijke 
partij, die in de laatste twee jaren nederlaag op nederlaag had 
geleden en die den moed reeds begon op te geven werd door 
hem als met een nieuw leven bezield. Hij bediende zich hierbij 
vooral van van beüningen", die sinds 1673 een onvermoeid 
strijder voor den vrede met Frankrijk was. Een hevige strijd 
ontbrandde in den boezem van de Staten van Holland, waarvan 
het lot van Europa afhing. Toen hij in April Holland verliet, 
kon FUGHS het verder voeren van den strijd gerust aan V. DiEST 
overlaten, want al meer en meer neigde de overwinning naar 
de zijde van Amsterdam. Het Duitsche rijk was zoo verdeeld 
en Spanje zoo hulpeloos, dat alleen op Zweden te rekenen viel^ 
daar Engeland en Brandenburg alle ondersteuning weigerden en 
de Keizer al zijn krachten tegen Turkije wendde. Onder zulke 
omstandigheden ontzonk de moed aan de kleine steden, die tot 
nu toe den Prins de overwinning hadden geschonken. Want 
evenals in 1678 werd de antistadhouderlijke partq zoozeer 
door de omstandigheden geholpen dat de massa des volks, hoe 
afkeerig ook overigens van haar plannen, haar voor het oogen- 
blik toeviel. Zoo viel dan ook den 268*en jmjj 1534. ^et besluit 
dat men desnoods met Frankrijk alleen zou onderhandelen en 
beloven geen ondersteuning aan Oostenrijk en Spanje te geven, 
als zij niet binnen zes weken de voorwaarden van Frankrijk 
aannamen. De overige provinciën gaven toe, sommige ter- 
stond, Gelderland, Utrecht en Zeeland na hevigen tegenstand 
wegens het verlies, dat de Prins door den vrede in zijn bezit- 
tingen in Frankrijk leed. 

De oppositie had gezegevierd, de alliantie was vernietigd, 
den Prins alle kans op oorlog benomen. Ook Spanje en Oos- 



206 

tenrijk begrepen dit, want reeds den 2^«" Augustus vericlaarden 
zij de voorwaarden van Frankrijk aan te nemen. Met even 
goed gevolg als V. DIEST en FUCHS in Holland, was jena in 
Begensburg bezig geweest. Ook het Duitsche rijk nam de 
voorwaarden aan, en het beruchte Twintigjarig Bestand of Be- 
stand van Eegensburg werd gesloten, waarbij Europa voor 
de tweede maal, en nu zonder zelfs het zwaard te hebben ge- 
trokken, bukte voor den overmoed van lodewijk xiv. 

Waarlijk, de keurvorst had op eigenaardige manier den vrede 
van Nijmegen aan de verbondenen vergolden. Want dat zijn 
tusschenkomst het vooral was die het uitbarsten van den oor* 
log belette, dat blijkt uit alles. Zonder de antistadhouderlijke 
partij te laag te schatten, gelooven wij niet dat zij in staat 
was geweest dit te verhinderen, zoo zij niet zeker was geweest 
van de moreele ondersteuning van den keurvorst, zoo niet 
ziju weigering om aan de coalitie deel te nemen de weifelenden 
had gesteund. Voor Nederland had die tusschenkomst, in zoo- 
verre zij den twist aanstookte, die het verscheurde, de droevigste 
gevolgen. De jaren 1684 en '85 zijn evenzeer jaren van crisis 
geweest als de jaren 1618 en 1650. 

' En welk een gevaar dat voor geheel Europa opleverde, dat 
voelde niemand meer dan de keurvorst, die, zoodra zijn plan 
gelukt en de vrede behouden was, op eens weder omdraaide 
en met den meesten ijver het gebouw ging afbreken, dat hij 
zoo pas had helpen tot stand brengen. 



IV. 



Het schijnt wel dat de keurvorst eenigszins schrikte, toen 
hij, na het sluiten van het Twintigjarig Bestand, zag in welk 
een toestand hij Europa had helpen brengen. En waarlijk, 
hij had er reden toe. Lodewijk xiv was machtiger dan ooit; 
aanzienlijke strooken lands, geduchte vestingen had hij zonder 
oorlog te voeren verworven. België was meer dan ooit onver- 
dedigd en Spanje tot een onmacht gezonken, die het prijsgaf 
fian eiken aanval. Het Duitsche rijk lag ook bijna weerloos 



voor hem open. De Noordsche Staten vervielen dagelijks meer 
door wanbestuur en innerlijke tweespalt De Keizer had de 
handen vol met den oorlog tegen de Turken. Engeland was 
door KAREL II aan Frankrijk overgeleverd. De Republiek ein- 
delijk was in een toestand van verschrikkelijke verwarring; de 
helft der HoUandsche steden, Amsterdam aan het hoofd, kwamen 
in open verzet tegen alles wat de Prins en met] hem de Genera- 
liteit wilde, en twee provinciën, Friesland en Groningen, volg- 
den haar daarin; ja zelfs de beide stadhouders, de vertegen- 
woordigers van den ouderen en van den jongeren tak van het 
Huis van Nassau, waren verdeeld. 

Een algemeene vrees voor een burgeroorlog had zich van 
geheel Nederland meester gemaakt; ieder partij begreep dat 
z^ te ver ging, maar geen wilde terug, en zoo werd iederen 
dag de kloof wijder. 

Het liet zich begrijpen dat behalve lodewijk alle vorsten 
dit gevaar met angst aanzagen. Wanneer een burgeroorlog in 
de Eepubliek uitbarstte, lag het voor de hand dat Frankrijk 
door niets tegengehouden kon worden om België te bezetten; 
ja het was te vreezen dat de zwakkere partij, Amsterdam en 
zijn medestanders, Frankrijke hulp inroepen zou. In alle geval 
was de hoeksteen van het Europeesch evenwicht weggenomen 
en geen verbond tegen de Fransche overmacht mogel\jk. 

Nauwelijks was dan ook het bestand gesloten, of de keurvorst 
beval V. diest te onderzoeken of een bijleggen der twisten door 
zijn bemiddeling mogelijk was. Hij rekende dat hij hiertoe zeer 
geschikt was. Zijn familiebetrekking met de huizen Oranje en 
Nassau en zijn laatste verbindingen met de antistadhouderlijke 
partij zouden hiertoe om het zeerst medewerken. Maar hij zou 
weldra ontdekken dat het veel gemakkelijker was een dergelijken 
brand aan te stoken dan dien te blusschen. Want v. diest 
berichtte hem spoedig, dat de Prins volstrekt niet geneigd was 
naar zijn voorslagen te hooren, ja dat hij zoo verstoord over 
de laatste gebeurtenissen was, dat men hem had afgeraden iets 
dergelijks voor te stellen. En weldra kwam hij in openlijke 
botsing met fagel. De resident der Staten te Regensburg, 



208 

VALCKENIER, had bericht dat JENA de Staten van het bestand 
had willen uitsluiten. V. DIEST en later ook de keurrorst ver- 
klaarden dit voor laster. De zaak was nl. dat JENA er zeer 
op had aangedrongen, dat men het bestand en de daarop be- 
trekking hebbende garantie niet te veel zou uitbreiden tot an- 
dere staten. De keurvorst wilde niet dat de strijd tnsschen 
Frankrijk en Genua en nog minder de Noordsche geschillen 
er in zouden worden getrokken. Hieruit maakte yalckenier 
op dat men de Staten wilde uitsluiten, en hij bleef ook later hij 
zgn meening. Het was zonder twijfel onwaar, maar de Prins 
en de Staten hadden in het laatst zooveel door den keorvorst 
te lijden gehad dat z\j het geloofden. Fagel althans maakte 
er gebruik van om v. diest g^roote bitterheden te zeggen en te ver- 
zekeren dat de staat genegligeerd was en schandelgk behandeld, 
maar dat de keurvorst dit duur zou bekoopen. Wanneer z^ 
maar wilden, beweerde hij, konden de Staten zich op de voor- 
deeligste voorwaarden met Frankrijk verbinden, en dan konden 
de Duitsche vorsten zien hoe zij zich zelven oit den brand hielpen. 
Zoo werd alle bemiddeling onmogelijk, voch^I daar T. diest meer 
dan ooit met de Amsterdamsche regenten verkeerde, zooals h^ 
beweerde, omdat zijn raadgevingen het eenige middel waren 
om hen van wanhopige besluiten af te houden. Hoe dit ook 
zy, hij werd hierdoor bij den Prins en de z^nen lioe langer 
hoe meer onmogdijk, en de twist bedaarde niet. Na de ver- 
geefsche po«ringen van den Prins om lich met Amsterdam te 
verzoenen, was door de inmen^n^ van bet bof van Holland 
in de verkiezing der Goede Luiden rwi Achten te Dordreeht 
en dvx» 'sPrinswt dvVHwis door Amsterdaa. zooier de eeibe- 
wyien van den ma^straat te wiïlea aantseaea, de verbittering 
in deie stai vt^l ercer sewoevier.. l>»anrr:Tift£«i was de 
de$ u>lks ia het ov>frijce i?\w>*e ra* HvxaoJ wedkn 
op de hand van deï\ l>tn$ }??io<Si«', ; ,s*jc^c; kwxa de qvaestie 
v^fw de uieuwe cvxxvvvi« « *:ks«;;<f!x w^iHï Az»»nlaBi gp- 
Weei aV.^^rtt $ïvxsi Tiw^^otw «^. i>f jcjs^h*':^ $ïïfo«^ ea de door de 
iv>f»e»e«de 5W».vi^»^m\V^ïy: :ïi Vbn^tVT^V OK\«izk»iie Frates- 
tattt^c^ J<^t. Na if :5ci;rtl ^vvvr ,w*t av»!^ i? 



209 

en alles wat bij dea handel belaag had niet meer ^rbliudde, 
begon de antistadhouderlijke partij in krachten af te nemen. 
Des te meer echter werd Amsterdam voor zijn privilegiën en 
▼oor zijn bevoorrechtte stelling bevreesd, en het bleef even on- 
vercetteliök als in 1650. De pensionaris hop, de ziel der stads- 
regeeriog, bracht nog in November v. diest onder het oog dat 
sinds de gebeurtenissen van Dordrecht een schikking onmogel^k 
was, want de Prins, dit bleek daaruit duidelijk, wilde de voor 
rechten en vrijheden niet eerbiedigen maar absoluut regeeren, 
en zjn beloften van het tegendeel waren niet te vertrouwen. 

Zoo kwam het jaar 1685. 

Ondertusschen werd de keurvorst voortdurend meer verontrust 
over den stand van zaken in Europa. Wel had lodewijk xiv 
sinds het bestand en het daarop te Augsburg gesloten ver- 
bond het niet gewaagd opnieuw het volkenrecht te vertreden, 
maar hij bleef gewapend en toonde meer en meer er op uit te 
zyn om het Protestantisme te verdelgen. (Jit Engeland werden 
de berichten dagelijks meer verontrustend; Frankrijk was er 
geheel meester. De Fransche gereformeerden stonden aan al- 
lerlei kwellingen en vervolgingen bloot; het edict van Nantes 
werd niet meer geëerbiedigd; ieder oogenblik kon men een 
herroeping vernemen. Dat die gevolgd zou worden door een 
oorlog tegen alle Protestantsche vorsten scheen hoogst waar- 
schijnlijk. De Keizer was door den Turkenoorlog beziggehouden, 
Spanje machteloos, het Eijk verdeeld. Zweden zou misschien 
weder tot Frankryk naderen. Een verbond met de Eepubliek 
was dus noodzakelijk. Deze en Brandenburg zouden in de eerste 
plaats blootstaan aan den aanval van Frankrijk. Het is een merk • 
waardig bewijs voor de onverzettelijkheid, waarmede de Prins z^n 
groot plan, het vernietigen der Fransche overmacht, doorzette 
en telkens weer opvatte, dat hij terstond bereid was met den 
keurvorst mede te werken. Eeeds op het einde van 1684s be- 
sprak hy dikwiyis den toestand van Europa met Y. DIEST^ ried een 
eng verbond van Brandenburg met de Brunswijk-Luneburgsche 
vorsten aan en verklaarde tot eiken maatregel tot verdere ver- 
tekering van de onafhankelijkheid te willen medewerken. De 



210 

keurvorst' nam de aangeboden verzoening gaarne aan; in de in- 
structie, die V. DIEST den 30**«" Maart van het jaar 1685 na zijn 
gewoon winterverlof naar Holland medekreeg was hem bevel 
gegeven met den Prins in alles samen te gaan et consHiis et 
actionibus. Maar nog was de weg niet gebaand voor een her- 
stel der volkomen verstandhouding, nog waren de geschilpunten 
tusschen den keurvorst en de Staten, die tot zooveel langdradige, 
onaangename onderhandelingen badden aanleiding gegeven en 
wier afdoening misschien den keurvorst reeds in 1684 een an- 
deren weg had doen inslaan, onafgedaan, nog was de Prins in 
bijna open oorlog met Amsterdam. Om dit alles uit den weg 
te ruimen daartoe was v. diest allerminst in staat. Hoewel de 
Prins en FAGEL weder met hem in goede verstandhouding 
waren, was hij toch geenszins een persona grata in den Haag, 
en wat meer is, zijn bekwaamheid boezemde niemand vertrouwen 
in. De keurvorst besloot dus evenals in het vorige jaar een 
buitengewoon gezant naar de Bepubliek te zenden, en hij koos 
daartoe wederom dezelfde persoon^ die in het vorige jaar de 
oppositie zoozeer had weten te versterken. Het getuigt voor 
de buitengewone bekwaamheid van fuchs, dat hij zgn tweede 
zending met nog veel beter gevolg volbracht dan zijn eerste. 
Het is waar dat de omstandigheden, het algemeen omslaan 
der publieke opinie tegen Frankrijk, het ontwakende gevoel 
van angst voor uitbreiding van het Katholicisme, vooral ook 
sinds in Engeland de katholieke JACOB ii den troon had be- 
klommen, de wensch van alle Nederlandsche staatslieden om 
tot een verbond met Brandenburg, en van alle partijleiders om 
tot een vergelijk te komen, hem buitengewoon in de hand 
werkten. Maar toch waren de moeilijkheden zoo Verbazend 
groot, vooral door het onverzettelijk vasthouden van den keur- 
vorst aan een deel van zijn vorderingen, dat het hem zelven 
verwonderde dat hij zoo goed slaagde. Toen hij in het begin 
van den herfst Nederland verliet, waren alle geschilpunten af- 
gedaan, was Amsterdam verzoend met de overige steden en 
gereed den Prins in alles te ondersteunen, was het verdedigend 
verbond van de Staten en den keurvorst vernieuwd en in een 



211 

artikel de grond gelegd tot een nieuwe coalitie tegen Frankrijk. 
"Vruchteloos waren de pogingen van d'avaux om Se ratificatie 
te verhinderen ; noch Amsterdam, noch Friesland en Groningen, 
wier stadhouder reeds vroeger door den vorst van Anhalt met 
den Prins was verzoend, luisterde meer naar hem. Sinds FUCHS 
komst was het uit met zijn invloed, zijn Mémoires getuigen 
het hoe sinds dien tijd alles mislukte wat hij aanwendde om 
de Staten tot een verbond met Frankrijk en later tot neutra- 
liteit te bewegen. Daarentegen begonnen reeds in het volgende 
jaar een reeks allergewichtigste onderhandelingen tusschen den 
Prins en den keurvorst. De coalitie van 1689 en de onderne- 
ming in Engeland werden voorbereid, en als ten teeken hoe 
alle partijen in de Eepubliek vereenigd waren, was de persoon, 
door wien alles ging, de Amsterdamsche pensionaris JACOB 
HOP, die nog in 1684 getuigd had dat een verzoening met 
den Prins onmogelijk was. Hand in hand gingen sedert dien 
tijd de beide leiders van de Protestantsche staten, en toen in 
het voorjaar van 1688 de keurvorst stierf, zette zijn zoon zijn 
werk voort en bleef trouw strijden in de rijen der verbondenen, 
totdat het groote doel was bereikt en de vrede van Utrecht 
het tijdperk van strijd tegen de oppermacht van Frankrijk 
sloot. 

De verandering in het gedrag van den keurvorst in het na- 

• 

Jaar van 1684, want uit alles blijkt dat hij reeds toen voor- 
had wat hij in 1685 door FUCHS uitvoerde, verdient wel dat 
wij er nog een oogenblik bij stilstaan. Want onwillekeurig komt 
de vraag op: wat bracht die plotselinge verandering te weeg? 
Droysen tracht aan te toonen, dat tusschen den toestand voor 
en na het sluiten van het bestand een geducht verschil was, 
dat de dood van karel ii in het voorjaar van 1685 en de 
geloofsvervolgingen in Frankrijk daar aanleiding toe gaven. Het 
komt ons voor, dat dit onmogelijk de redenen kunnen zijn, die 
den keurvorst er toe bewogen ; de geloofsvervolgingen in Frankrijk 
hadden reeds vroeger een vrij groote uitbreiding gekregen, en 
sinds Madame de maintenon zulk een enormen invloed pp.^^- 
LODEWIJK uitoefende, was diens ultra-katholieke gezindheid vooj? \ - - 



212 

niemand meer een geheim ; uit de correspondentie van het jaar 
1684 blijkt ook duidel^k, dat de keurvorst reeds toen, dus voor 
den dood van karel ii, zyn politiek wilde veranderen. Een 
andere verandering had niet plaats; de Turkenoorlog was sta- 
tionair, en hoewel met geluk gevoerd, hield h\j in 1685 en 
zelfs nog lang daarna evenzeer Oostenrijks krachten bezig als 
^n 1684. En overigens was de algemeene verdeeldheid en on- 
macht eerder toe- dan afgenomen. Er blijft dus niets over dan 
het besluit van den keurvorst toe te schrijven aan zijn inzicht 
dat hij op den verkeerden w^ was en dat een voortgaan, 
zooals hij begonnen was, hem en Europa in het verderf zou 
storten. De keurvorst zag in dat hij gedwaald had en dat zyn 
eenige redding bestond in een spoedigen terugkeer. De behen- 
digheid, waarmede hij dien volbracht, en de yver, waarmede 
hy verder den Prins ondersteunde, verdienen den grootsten lof 
en zijn reeds genoeg om hem den naam van een groot staatsman 
te verzekeren. Maar voor een Nederlander is het toch een vol- 
doening, wanneer hij bij dit weifelend en veranderl^k gedrag 
dat van onzen eenigen willem iii vergelekt, die zonder zich 
ooit door stormen of gevaren te laten misleiden, recht op het 
doel afging, evenals de groote Zwijger, saevis tranquillus in 
undis. 

Wanneer wij nog eens de betrekkingen van den keurvorst 
met de Eepubliek nagaan, dan komen wij m. i. tot deze slotsom. 
Tot 1673 toe hebben de Staten zich nooit over den keur- 
vorst te beklagen gehad, terwijl zij hem daartoe dikwijls uit 
verschillende oorzaken reden gaven; 

Van 1674 tot 1678, gedurende den oorlog, heeft de keur- 
vorst zelf veroorzaakt, dat de Staten hun verplichtingen, die 
toch al te zwaar waren, niet nakwamen. De vrede van N^- 
megen was wel een overtreding van het volkenrecht, maar het 
gevolg van den uitersten nood en daarenboven een daad van 
een partij, en daarom niet als andere verbondsbreuken te be- 
schouwen. Niet Nederland, maar de antistadhouderl^ke partij 

. : draagt er de schuld van. 

:\/Tn de jaren na den vrede, tot aan 1685 toe, gedroeg zich de 



213 

keurvorst op de meest laakbare wijze zoowel tegenover geheel 
Europa als in het b^zonder tegen de Kepubliek; alleen zijn 
ijverige hulp voor de onderneming van het jaar 1688 kon hem 
van de schande rein wasschen, die die jaren op hem hebben 
geworpen. 

Dit oordeel gelooven wQ vrij over hem te kunnen vellen 
zonder dat wij zijn nagedachtenis te na treden, die wij blijven 
vereeren als die van een der grootste vorsten en uitstekendste 
mannen, die Duitschland in den nieuweren t^d heeft opgeleverd. 



BLADVULLING. 



DE SLEUTELS VAN DE SONÏ. 



Het zou een groote verzameling wezen als men eens al de 
geestige en karakteristieke gezegden b^eenzocht die nooit zijn 
gezegd, of althans niet zooals men ze elkander navertelt. 

Het volgende levert daartoe een nienwe bijdrage. 

Als men bilderdijk en vele anderen gelooven mag, heeft 
de beroemde van beuningen, toen karel x van Zweden 
hem eens in gramschap toevoegde, dat hij de Sont voor de 
Hollandsche schepen zou sluiten, geantwoord: Tk heb de 
houten sleutels van de Sont in de haven van Amsterdam zien 
liggen. 

Het gezegde is treffend, juist en geheel in den geest van den 
fleren en wel wat overmoedigen VAN beuningen. Maar tegen de 
anecdote bestaat een groot bezwaar: Van beuningen heeft ka- 
bel X niet ontmoet dan kort na zijn troonsbeklimming, toen noch 
'skonings bedreiging noch zulk een antwoord te pas kwamen. 
De heer VAN der heim, die voor ruim twintig jaren een uit- 
muntende dissertatie over de gezantschappen door VAN beu- 
ningen bekleed heeft geschreven, heeft dit bezwaar gevoeld, 
en tevens nog op een ander gewezen, namelijk dat niet de 
koning van Zweden, maar wel die van Denemarken door de 
ligging van zijn rijk in staat was de Sont te sluiten. Dit laatste 
;:i'€0ü bij mij niet wegen: in 1658 en '59, toen koning KAREL 



215 

Schonen had ingenomen en Koppenhagen belegerd hield, kon 
h^ zonder overdrijving een bedreiging uiten als die hem in de 
anecdote wordt toegeschreven. Maar een tweede reden is niet 
noodig waar de eerste afdoende is: daar VAN beuningen en 
KAREL X niet samen zijn geweest, kunnen zij het hun toege- 
dichte gesprek niet hebben gevoerd. //Unus valckenierius 
igitui* (zoo besluit de heer van der heim) melius narravisse 
videtur, beuningium aliquando Daniae Eegi, dubitationibus 
Ordinum irato, illa respondisse." 

De historieschrijver valgkenier, naar wien wij dus ver- 
wezen worden, zegt ter aangehaalde plaatse (Verwert Europa^ 
I. 206) het volgende. In 1672 stookten de Franschen Dene- 
marken tegen ons op, onder andere zeggende, //dat de Hollan- 
ders verscheyde malen hadden ondernomen een regul op den 
Tol in de Sont te zetten en die gelijck als aen haer selfs te 
verpachten ; en wanneer de Denen daerover hadden gedoleert en 
sich laten verluyden dat sy de &ont wilden sluiten, dat de 
Hollanders niet geschroomt hadden tegens hunnen koning te 
seggen : dat sy de sleutels van de Sont (meenende hare oor- 
logschepen) hadden leggen voor de Palen van Amsterdam." 

Men ziet, valgkenier zegt niet, wat de heer VAN der 
HEIM bij hem meende gelezen te hebben, dat het VAN BEU- 
NINGEN was, die dit fiere antwoord had gegeven. Evenmin 
dat het gegeven zou zijn toen de koning van Denemarken 
toornig was wegens het dralen der Staten om hem tegen de 
Zweden bij te staan. Integendeel, hij brengt de bedreiging in 
verband met de quaestie van de tolrechten en het verpachten 
daarvan aan de Hollanders, dat is tot de gebeurtenissen van het 
jaar 1645; en zoo hij dit te recht doet, is het niet mogelijk 
dat aan van beuningen de eer zou toekomen van zoo stout 
en zoo gepast tevens voor de macht van Holland gesproken te 
hebben. 

Alle twijfel wordt weggenomen door een blau w-boekje, t^- 
dens onzen ongelukkigen eersten oorlog met Engeland, in 1653, 
uitgegeven onder den titel: Ontdeckinge van den Nederland" 
schen Cancker^ waarin wy het volgende lezen: //Waer is nu 



216 

de Macht van Hollandt en Amsterdam? die voor desen haar 
beroemden, alsser vrese was van de Sont te sluyten: dat de 
sleutel t' Amsterdam was om die te openen/* Dat hier gedoeld 
wordt op het gebeurde in 1644 en '45 is onmiskenbaar. Der- 
halve is het ook buiten twijfel dat niet van beun in gen, 
maar een ander, even fier als h^, en wel niet rechtstreeks tegen 
den koning van Denemarken, maar veeleer tot bemoediging s^ner 
landgenooten, de beroemde woorden gesproken heeft. — Die ze 
het eerst aan van beuningen heeft toegekend, heeft wel 
tegen de waarheid maar niet tegen de waarschijnlijkheid ge- 
zondigd; want in niemands mond zonden zij beter hebben 
gepast dan in den zijnen. 



R. F. 



DE SCHEEPSTOCHT NAAR OOST-INDIE ONDER 
WOLFERT HARMENSZ. (1601—1603). 



DOOR 



P. A. TIELE. 



De verzameling van reisjournalen, uitgegeven onder den titel 
van //Begin ende voortgang der Oost-Indische Compagnie", 
heeft geen geringe waarde voor de geschiedenis onzer vestiging 
en van de uitbreiding van ons gezag in Indië, — maar de 
redactie dezer bundels lijdt aan groote slordigheid. Het schijnt 
dat den verzamelaar, IZAAK commelin, het uitzicht geopend 
was op het gebruik van origineele documenten, ten einde de 
reisjournalen aan te vullen en te verbeteren; maar in deze 
verwachting teleurgesteld, vergenoegde hij zich met hetgeen 
hem in handen viel na of af te drukken, en er eenige ophel- 
deringen uit oudere boeken — de zoogenoemde inwerpen — 
tusschen te voegen. Hij zegt zelf ergens *) in een bericht aan 
den //gunstighen leser," dat zoo hem die documenten verstrekt 
waren /'het werck bundiger ende corter soude gevallen, oock 
een geheel andere maniere van stellen gehadt hebben," maar 
van dien. beteren stijl geeft ons deze volzin geen groot denk- 
beeld. Zijn boek is nu niet meer geworden dan een vrij orde- 
looze compilatie. Van menig door hem opgenomen journaal 
bestaan oudere uitgaven, waaruit men dus de zijne kan ver- 



') Vóór het verhaal van een gevecht met de Portusfee/en bij Goa in 
1639, gevoegd bij de journalen van schram en van reciitkrkn. 

15 



218 

beteren; sommige evenwel heeft hij naar het HS. afgedrukt. 
Dit is o. a. het geval met het journaal der reis van wolfert 
HARMENS z, iu het eerste deel der verzameling. Big de lezing 
van dit stuk bemerkt men aanstonds dat het twee bestanddeelen 
behelst: een vrij mager scheepsjournaal, op het admiraalschip 
gehouden, en een verhaal van den zeestrijd voor Bantam met 
eenige voorafgaande berichten omtrent de Portugeesche vloot. 
Dit verhaal is op een onhandige wijze in het journaal tusschen- 
ge vlochten, zoodat men er somtijds niet uit wijs kan worden 
en zijn toevlucht moet nemen tot hetgeen ons van elders om- 
trent dezen scheeps tocht bekend is '). 

Van het journaal, grootendeels in Begin en Voortgang op- 
genomen, is ons echter een gelijktijdig afschrift bewaard ge- 
bleven. Ik vond het bij het nazien der HSS. op de Bibliotheek 
der Eemonstranten te Rotterdam. Wat aan dit HS. waarde 
bijzet zijn 1^ eenige bijvoegsels, die men niet in 't gedrukte 
journaal heeft overgenomen, en 2^ een aantal teekeningen van 
havens en reeden, opdoeningen van kusten, vogels en visschen, 
alle blijkbaar op de plaats zelve geteekend ^). Bij enkele is 
de naam van den teekenaar vermeld, JORIS JOOSTEN LUERLE. 
Welk zijn ambt was, is mij niet gebleken. 

Met behulp van dit geschreven journaal kan men in COM- 
ME Li NS compilatie orde brengen. Wat het door hem opge- 
nomen verhaal van het zeegevecht voor Bantam aangaat, dit 
verscheen het eerst als tekst bij een groote prent in twee 
bladen, gegraveerd door c. JZ. VISSCHER (?) en uitgegeven 
in 1603 te Amsterdam bij H. ALLARD en J. EZ. CLOPPEN- 



') l)e btukken, door den heer de jongk medegedeeld m hei 2* deel van 
„De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië/* bl. 527 vv., en uiiL- 
sius' Jc^te Schiffart. Wat in soktebooms „ Derde vooriiaemste zee-ge- 
togf' (Zuandam 1648) omtrent w. uakmrnsz' reis gevonden wordt, is aan 
„ Begin ende Voortgang" ontleend. 

^) Omtrent de hierin voorkomende afbeeldingen van den dodo heeft 
Prof. scHLEGEL eeu mededeeling gedaan in de Kon. Academie van weten- 
schappen. 



219 

BURG *). De // verclaringhe" van de prent heeft echter het 
adres van cornelis CLAESZ. te Amsterdam en het jaartal 
1608. Zij is overgedrukt, bij een verkleinde navolging der 
prent, in //De Nassausche Laurencrans" van J. JZ. ORLERS 
(Leiden 1610), waarvan een vermeerderde druk het licht zag 
onder den titel van //Warachtige beschrijvinghe van alle de 
belegeringhen ende victorien . . . door de . . . beleydingen des. . . 
Fursts MAURITS VAN NASSAu" (Leiden 1619), nogmaals 
herdrukt met eenige weinige bijvoegsels, zonder den naam van 
ORLERS, onder den titel van //wilhelm en M AU rits van 
NASSAU . . . haar leven en bedrijf" (Amsterdam, jan jansz. 
1651). 

Orlers heeft in het door hem overgenomen verhaal den 
stijl een weinig gewijzigd. Begin en Voortgang neemt den 
tekst van orlers over. Maar nu deed zich het geval voor 
dat de dagteekening in het verhaal en in het scheepsjournaal 
verschilden. Commelin begreep terecht dat het laatste op dit 
punt het meeste vertrouwen verdiende, en heeft dus in het 
verhaal de datums gewijzigd maar, zooals wij straks zien zul- 
len, op een vrij willekeurige wijze. 

Een kort overzicht van de reis van HARMENSZ, waarbij van 
het MS. journaal is gebruik gemaakt, moge hier voorafgaan. 

Kort vóór de samensmelting van verschillende kleinere com- 
pagnieën voor de vaart op O.-I. tot één groote, werd door 
de Oude Amsterdamsche compagnie eene vloot van vijf schepen 
uitgerust, bestemd naar de Molukken, en het bevel daarvan 
opgedragen aan wolfert harmensz. Zij zeilde den 23 April 
1601 van Texel uit, te gelijk met eene vloot van acht schepen 
onder 't opperbevel van den beroemden heemskerck, de 
//Achinsche vloot," zoo genoemd omdat zij in de eerste plaats 
Achin (Atsjin) aan zou doen. De Moluksche vloot zeilde de 
Achinsche weldra vooruit, maar kreeg eerst den 26 September 



') Zie: PRED. MULLER, Beschrijviiig van Nederl. historieplnten, 1* stuk 
bl. 143. 



220 

het eiland Mauritius in 't gezicht, waar zij genoodzaakt was 
zich eenigen tijd te ververschen, omdat men (zooals het HS. 
vermeldt) //soo veel volcx aen schuerbuyck sieck hadde." Den 
20 October van Mauritius onder zeil gegaan, kwamen de vijf 
schepen den 26 December in straat Sunda aan. Daar waar- 
schuwde hen een Chineesche prauw dat Bantam ingesloten werd 
door een Portugeesche vloot van 30 zeilen, waaronder acht 
groote galjoenen, onder bevel van AND REA HURTADO DE 
MENDOZA, die de inwoners wilde dwingen hunne handelsbe- 
trekkingen met de Nederlanders af te breken ')• Aanstonds 
werd door den Hollandschen admiraal de Breede Eaad belegd, 
en besloot men zich den volgenden dag gereed te maken om 
den vijand te bestoken. Er was niet weinig moed toe noodig 
om een zooveel machtiger tegenstander aan te tasten, maar 
aan moed haperde het onze zeelieden niet. Het prestige, dat 
Portugal bezeten had, was op de Hollanders overgegaan. De 
geestkracht der Portugeezen, waardoor zij zich tot de eerste 
zeevarende natie hadden verheven, scheen uitgedoofd, vooral 
sinds hun inlijving bij Spanje. Men miste bij hen die innige 
overeenstemming tusschen bevelhebbers en scheepsvolk, die de 
onzen als één man deed handelen. Onze admiraals waren zel- 
ven voor een groot deel mannen uit het volk. Groot was daar- 
entegen de afstand tusschen de Spaansche en Portugeesche 
edelen, die aan H hoofd hunner scheepsmacht stonden, en hunne 
onderhoorigen. Ook moet men niet vergeten dat de bemanning 
hunner schepen voor | uit // zwarten en Indianen" bestond. 

Den 27 December kreeg de Hollandsche vloot de Portu- 
geesche in 't gezicht. De laatste had twee galjoenen op wacht 
uitgezet; op deze was de eerste aanval der onzen gericht. 
Zij schenen dien zoo spoedig niet verwacht te hebben en 
waren in zulk een //verslagenheid," dat ze bijna geen tegen- 
weer boden en hoogstwaarschijnlijk door de onzen zouden ge- 



Zie over het plan der Portngeezen eenigc van elders niet bekende 
bijzonderheden in h. de groot, de jure praedac (ed. hamakeb), p. 197. 



221 

Domen zijn, indien niet op het Uollandsche admiraalschip een 
der groote stukken gebarsten was en groote schade had aan- 
gericht, zoodat men het gevecht moest staken. Intusschen 
kwamen de overige Portugeesche schepen opdagen om de aan- 
gevallenen te ontzetten, maar wind en stroom verhinderden de 
Tloten b^ elkander te komen. 

Daags daarna was het nog //heel kwaad weder, zoodat d'een 
noch d' ander zeil of geschut kon gebruiken." De Breede Eaad 
werd bijeengeroepen om te overleggen of men de Portugeezen 
nogmaals zou bestoken, of de reis voortzetten. Men besloot 
>/de zaak nog eens te avonturen." Den 29 December zeilden 
de onzen onverschrokken den vijand te gemoet. Van beide zijden 
werd dapper geschoten. Twee Portugeesche galeien of fusten, 
die van de andere waren afgedwaald, werden niet zonder 
tegenstand veroverd, daar hunne makkers hen in den steek 
lieten. Ook den volgenden dag bleef de Portugeesche vloot 
voor anker liggen, terwijl wind en stroom de Hollanders ver- 
hinderden hen aan te tasten. De Portugeezen staken echter drie 
fusten in brand (waarvan de bemanning op de groote schepen 
overging), en zonden die op onze schepen af, maar eer ze 
deze bereikten, waren ze reeds verbrand. 

Eindelijk scheen het den 31 December, of het tot een tref- 
fen zou komen. De Portugeesche vloot lichtte haar ankers en 
zeilde naar de onzen toe, met het doel om hen schrik aan te 
jagen, maar toen de vijand bemerkte dat de Hollandsche sche- 
pen hun zeil geminderd en hunne ankers uitgeworpen hadden 
om hem op te wachten, kwam hij tot inkeer en wierp zelf 
op eenigen afstand van hen het anker uit. Dit dralen en tal- 
men begon den Hollandschen admiraal eindelijk te vervelen. 
Den 1 Januari 1602 des morgens liet hij de zeilen spannen 
en voer recht op de Portugeezen aan. Ook hun admiraal 
scheen van plan den strijd aan te gaan, en liet de bloedvlag 
waaien, maar // zijn volk wilde niet aan het vechten komen, 
van het geschut der Hollanders versaagd zijnde." Eindelijk 
deinsden zij af en lieten den weg naar Bantam aan de onzen 
open. 



222 

Met blijdschap werden de Hollanders te Bantam ontvangen 
en // wonderlicken wel onthaelt." Zij bleven er eenige dagen 
om zich te ververschen en de schade, die de schepen geleden 
hadden, te herstellen, en lieten er bij hun vertrek den commies 
FRANgois ABELYN met een partij goederen achter. Den 12 
Januari ging de vloot onder zeil naar de Molukken. Eerst 
deden zij Jacatra aan, om den Koning namens Prins MAURITS 
eenige geschenken aan te bieden. Den 31, tusschen Boeton en 
Boeroe, verlieten de schepen Zeeland en Utrecht de vloot en 
stevenden volgens de instructie der Bewindhebbers naar Banda; 
de admiraal met de overige begaf zich naar Ternate. Zij von- 
den daar een geringen voorraad nagelen. De Koning, die hen 
vriendelijk ontving, — hij was een machtig vorst" en groot 
vijand der Portugeezen, — beloofde hun echter het nieuwe ge- 
was aan geen ander te verkoopen. Den 7 Maart vertrok WOL- 
FE RT HARMENSZ naar Banda, en trof daar de Zeeland en de 
Utrecht aan, die reeds voor een groot deel geladen waren. Het 
jacht het Duifken werd nu met CLAES GAEFF als opperkoop- 
man naar Ceram gezonden om sago in te nemen, en in H be- 
gin van Mei zeilden de schepen Utrecht en de Wachter, met 
de opperkooplieden CORNELIS VAN DE GEYN en WILLEM 
VERHAGEN naar Ternate om het beloofde nieuwe gewas der 
nagelen te verbeiden. 

De admiraal bleef tot den 24 Juni voor Banda liggen om 
lading in te nemen. Hij sloot in dien tijd een verdrag met de 
Bandaneezen van Neira, Lonthor en Kosingein, en een afzon- 
derlijk verdrag met die van Poeloe Ay O, waarbij zij beloofden 
hunne specerijen uitsluitend aan de Hollanders te verkoopen. 
Bij zijn vertrek liet hij arent wolfertsen (zijn zoon?) als 
opperkoopman en commandeur, en buiten hem 33 man op 
Banda achter. 

Met een kostbare lading namen de schepen Gelderland, Zee- 



^) Het eerste is b^ de jonge (II 536) afgedrukt; het tweede vindt 
men hierachter, in Bijlage E. 



223 



land en het Duif ken den terugtocht aan. Te Toe ban, waar op 
zijn heenreis de wind hem belet had te ankeren, bracht hij nu 
aan den Koning de geschenken, die Prins M AU rits voor hem 
bestemd had. Te Bantam werden de opperkoopman CLAES 
GAEFF en de onderkoopman jan lodewijksen (vroeger op 
Banda) achtergelaten om op de goederen der Comp. te passen 
tot de aankomst der schepen van Ternate, daar de drie schepen 
vast vooruitzeilden naar //het lieve patria." 

Het jacht het Duifken (waarop de bekende willem cor- 
NELISZ. SCHOUTEN schipper, en in plaats van pieter de 
WAEL, die op de terugreis stierf, ook opperkoopman geworden 
was), raakte bij de Kaap de G. Hoop van de andere schepen 
af en liep het eerst, den 17 Februari, te Vlissingen binnen *). 
Tn April kwamen ook de beide andere schepen in het vader- 
land aan. 



Rijk aan beslissende resultaten is de reis van wolfert 
HARMENSZ niet geweest. De scheepsstrijd voor Bantam even- 
wel heeft terecht den roem van den Hollandscheu admiraal 
gevestigd ^). Door zijn onverschrokken houding behaalde hij 
een werkelijke zege en bereikte hij zijn doel. Het rechtstreeksche 
voordeel moge zoo groot niet geweest zijn, het prestige van 
den Hollandschen naam was er niet alleen in Indië, maar ook 
in Europa door verhoogd. Toen pater NE yen in 1607 in den 
Haag was om namens de Aartshertogen over het bestand te 
onderhandelen, ontmoette hij ook onzen admiraal en betuigde 
hem zijn verbazing dat hij de stoutheid gehad had zulk een 
overmacht te tarten. Karakteristiek was wolferts antwoord. 



») De brief, bij de aankomst van dit jacht aan Bewindhebbers gezonden 
en waarin verslag wordt gegeven van de reis (de jonge, II 530) is blijk- 
baar van denzelfden berichtgever als het verhaal bij de prent van visscher, 
en dat in hulsius' JcAte Schiffart. 

2) „ Ut quo vix quisquam, non dicam de Societate Indica, sed de noraine 
Batavo melius mnquam meritus sit." ij. de groot, de jure praedae. 



224 

Men was van Gods genadigen bijstand verzekerd, zeide hij, 
en als de nood aan den man kwam, had men immers de lont 
in *t kruid kunnen steken ')? Eu dat dit geen snoeverij was, 
daarvan kan menig voorval uit dien tijd ten bewijze strekken. 
Sommigen hebben gemeend het belang van wolferts 
overwinning te meer te doen uitkomen door het verhaal van 
den scheepsstrijd met helle verven te kleuren. Ook de GROOT 
is daarvan niet vrij gebleven. Waartoe die overdrijving? Zij 
kan alleen leiden tot nutteloos twistgeschrijf. Het is slechts 
met de feiten, niet met bravades dat men verhalen kan weer- 
leggen als het volgende, dat ons de. Spanjaard bartolome 
LEONAEDO DE ARGENSOLA, in zijn werk over de verovering 
der Molukken, van de ontmoeting der Hollandsche en Spaan- 
sche vlooten opdischt *). 

Dit verhaal luidt (woordelijk vertaald) aldus *): 
//.... FuRTADO vertrok van Goa met zes galjoenen (gcdeones), 
achttien fusten (galeotas) en een galei (galera), met bevel van 
den Koning, en uit diens naam van den Onderkoning ARIAS 



1) Deze anekdote komt voor in een pamflet van 't jaar 1623 : „ Het 
geamplieerde Octroy van de O. I. Compagnie," enz. (laatste bladzijde). 

') „Conqoistas de las islas Malacas" Madrid, 1609 in fol. Pierre du 
jARRic („Thesaurus rerom Indicarom," Coloniae 1615 Tooii III pars II 
p. 452) heeft argensola*s verhaal bijna woordelijk overgenomen. Bij 
andere Spaansche schrijvers vond ik geene bijzonderheden, die daarvan af- 
weken. Antonio de morga („Sucesos de las islas Philipinas" Mexico 
1609, Engelsche vertaling in de werken der Haklnyt Society, London 
1868) stemt in zoover met aroensola overeen, dat hij het verlies der 
Portngeesche schapen nitsloiteud aan de stormen toeschrijft, die de vloot 
van MENDOZA moest doorstaan vóór z\j Amboina bereikte, en waardoor z\j 
geheel verstrooid werd, zoodat slechts drie galeien en fosten met de gal- 
joenen voor Amboina aankwamen. Van 't gevecht voor Bantam spreekt 
hij niet; men zal er op de Portngeesche vloot ook geen ophef van gemaakt 
hebben, de morqa, toen anditor der Andiencia te Manila, kon het anders 
wel weten. 

*) Oorspr. uitgave, p. 278, 279. De Fransche vertaling (Amsterdam 
j. desbordes 1709. Tomé II, p. 167) is zeer onnauwkeurig. 



225 

DE SALDANA, om de Hollanders en alle andere vijanden te 
bevechten; om naar Sunda [Westelijk Java] te gaan ten einde 
den Koning van dat land en de opstandelingen van Java te 
kastijden. Hem werd gelast om daar forten te bouwen en, na 
de zaken van Indië geregeld te hebben, zich naar de Mol uk ken 
te begeven. 

Zij vertrokken allen vol moed voor de onderneming, maar 
stormen en onweders stelden hen te leur. In de golf van 
Ceylon verloor [furtado] de galei en zeventien fusten, die 
onder het bevel stonden van francisco de sousa en andres 
ROiz, en daarmede een groot deel van de macht om zijn voor- 
nemen ten uitvoer te brengen. Drie jaren achtereen, dat hij 
[daartoe] in de vaart was, ontbrak het hem aan hulp. Te Ma- 
laca herstelde hij zich zoo goed hij kon, en in December 1601 
nam hij zijn koers naar Sunda, vertrouwende op de hulp, die 
hij hoopte van den Koning van Palimbam op Java [Sumatra], 
onzen vriend en bondgenoot. Maar hij vond zich bedrogen, 
omdat deze ongeloovige niet alleen onze partij niet koos, maar 
die van den [Koning] van Sunda omhelsde, dien hij meende 
te ondersteunen, zooals hij dan ook deed met dertigduizend 
man. Furtado was daardoor niet ontmoedigd. Hij nam zijn 
koers naar Sunda, zich voorbehoudende op een anderen tijd 
den Koning van Palimbam te kastijden. Voor deze reede [die 
van Bantam namelijk] ontdekte hij zeven HoUandsche schepen. 
Het was noodig om hen te volgen, hoewel bijna een ydel 
pogen wegens hun groote lichtheid. Met dat al streed het 
galjoen van tome de sousa ronches met vijf van hen, en 
zonder een soldaat te verliezen; hij doodde vele Hollanders, 
maar - het tuig van het schip werd vernield, zoodat het niet 
mogelijk was den vijand aan boord te komen. Deze vermeed 
het enteren van de onzen door de vlucht, en maakte dat zij 
zich zoover verwijderden, dat FURTADO op geene wijze ter 
reede terug kou keeren, ofschoon hij zijn anker liet vallen op 
een plaats, van waar hij de haven kon bereiken. Het was een 
bijzondere [beschikking van de] Voorzienigheid dat de vijand 
geen teeken gaf van te willen wachten en reeds beide banken 



226 

was voorbijgevaren ; en alzoo de tranen en zuchten van de 
kapiteinen en christenheid van Amboina voor oogen houdende, 
nam hij zijn koers naar deze eilanden." 

De voorstelling van ARGENSOLA, met de Hollandsche ver- 
halen vergeleken, behoeft bijna geen commentaar. Wat het 
verlies der kleinere schepen in de golf van Ceylon betreft, dit 
wordt door het Hollandsche scheepsjournaal bevestigd (zie hier- 
achter Bijlage B). Maar wat het gevecht aangaat, door TOMÉ 
DE SOUSA //zonder één man te verliezen" aan vijf Hollandsche 
schepen geleverd, de onmogelijkheid voor mendoza om ter 
reede terug te keeren, en de deus ex machina aan het slot, 
ze wijzen genoegzaam aan dat argensola gepoogd heeft aan 
een ontmoeting, die zijne landgenooten niet tot eer kon strek- 
ken, een schoonen glimp te geven. Hier is de keuze tusschen 
Spaansche en Hollandsche zegslieden dijs niet moeielijk. 



Keeren wij tot het scheepsjournaal terug en zien wij wat 
dit HS. boven het gedrukte in Begin en Voortgang voorheeft. 

Vooreerst zijn door COMMELIN, en dat terecht, weggelaten 
de dagen, waaróp uitsluitend bericht gegeven wordt van pools- 
hoogte, wind en richting; daarentegen heeft hij voor een ge- 
deelte in het journaal tusschengevoegd de besluiten van den 
Breeden Eaad, die in het HS. een afzonderlijk geheel uitmaken 
(fol. 91a — 1046), alsmede eenige berichten, die in het HS. 
verspreid zijn (fol. 25 6— 26 a, 55 6— 56 a, 107 a— 108 a). 

In Begin en Voortgang zijn niet opgenomen: 

1®. Het verhaal eener duivelverbanning op het schip Gelder- 
land (HS. fol. 32a, 1086—1096, Zie hierachter: Bijlage A). 

20. Het journaal van 27 Dec. 1601 tot 12 Jan. 1602, dat 
in Beg. en V. door het verhaal uit orlers' Nass. Laurecrans 
vervangen is. (HS. fol. 34a — 366. Zie hierachter: Bijlage B). 

3®. Cort verhael van de stadt Achin, alsoo tot Bantam be- 
vraecht (fol. 72 a, 6). 

4®. Cort verhael van eenyghe eylanden daer die van 't eylant 



227 

Ceram ende Banda haer handel mede drijven, 15 Mey 1602. 
(fol. 74 a, b). 

50. Copye van den brieff bij CLAES GAEFF in 't eylant 
Ceram gelaeten inde stadt Quelilue, 4 Mey 1602 (fol. 75. 
Hierachter: Bijlage C). 

6®. Een gedeelte der besluiten van den Breeden Raad (zie: 
Bijlage D), waarbij het contract met de Bandaneezen (bij de 
JONGE afgedrukt), het contract met die van Poeloe Ay (Bij- 
lage E), en de Instructie voor degenen, die op Banda blijven 
(Bijlage E). 

7°. Namen van de persoonen der geenen tot Banda gelaeten 
syu (fol. 110 a, 6). 

8®. Namen van de persoonen die in den Heer gerust syn 
op 't schip Gelderlant (fol. 140a, b). 

Voorts behelst het HS., behalve de afbeeldingen van ver- 
schillende diersoorten, van eenig huisraad en van de opdoe- 
ningen der kusten, de volgende // afconterfeytinghen," vrij uit- 
voerig met de pen geteekend: 

1. //Eylant Kodriguez nu ghenaempt bij de Hollanders 't Ker- 
mis Eylant na dat wy op Amsterdamsche kerraisdach daer 
ververschinghe van daen creghen, aende Oost zyde." 

2. //Eylant Mauritius de Nassau (Insule de Cirne) aende 
West zijde." 

3. Keede van Bantam. 

4. Baai van Jacatra. 

5. Bocht van Toeban. 

6. Eiland Ternate en kusten van Tidore en Gilolo 

7. 8. Reede van Banda en omligg. eilanden. 

9. Eilanden // van de Ticubessa" (Toekang Besi). 

10. De Boqueron (Boegerones). 

11. Reede van Toeban. 

12. Reede van Jacatra. 

13. 14. Twee gekleurde teekeningen, de eene met het op- 
schrift: //Dit is het eylant Solot." 



228 

Zien wij uu wat er iu Beg. en V. te verbeteren valt. Daartoe 
dient 1°. het HS.; 2®, het verhaal bij de prent van visscher. 
Eouten als West voor Z. West hebben wij buiten rekening 
gelaten. Bij de opgaaf der bladzijden in Beg. en V. beteekent 
a de eerste, b de tweede kolom. 

Bladz, 16. Bij de opgaaf der schepen (die niet in 't HS. 
staat) is het Duyfken verkeerdelijk tot de vloot van 
HEEMSKERCK gerekend. Het is hetzelfde als het 
//kleyn jacht," waarvan blz. la gesproken wordt. 
// 5 a, r. 21 V. b. // Den 25 dito de wint ende cours 
als voren ;" dat is niet als den 22, maar als den 23, 
die hier is uitgelaten, nl. de wind N. O., de koers 
O. Z. O. 
// 6 6, r. 6 V. o. moet Mauritius uitvallen. 

6 6, r. 2 V. o. //bevonden ons op onse variatie," lees: 

betrouden, enz. 

76, r. 3 v. b. lees aldus : aen de Z. O. sijde ende 

Z. sijde, ende aen de W. sijde loopt een riff in 

zee." 



// 



// 



// 



7 6, r. 2 v. o. //Den 13 September" enz. Dit verhaal 
vaa den Franschman behoorde op 13 October ge- 
plaatst te zijn. Den 13 Sept. was men nog niet op 
Mauritius en kon het jacht dus niet //wederom uyt 
de haven komen." In het HS. zijn er twee pentee- 
keningen bijgevoegd. 

8 a, r. 2 v. b. Oost, lees ; Oost ent. ; en r. 3 v. b. 
Westen, lees: West ent. 
8a, r. 14 v. b. lees: 20. 15. 12 vadem. 

// 8 6. De //fenynighe" visch, waarvan hier gesproken 
wordt, is in 't HS. afgebeeld; het is eene soort van 
rog, misschien de torpedo. 

9 a, r. 11 V. o. Achter //ghevaeren" volgt in 't HS. 
//ende hebbeu daer een naeckt man gevonden" enz. 
Dit is een kort bericht omtrent den Franschman, 
waarvan een breeder relaas in 't HS. afzonderlijk 
voorkomt en hierboven bl. 76 is opgenomen. 



// 



// 



// 



229 

Bladz. 9a, r. 10 v. o, den 10 dito, lees: den 12 dito. 

// 9a, r. 8 v. o. den 11 dito, lees: den 13 dito. 

// 9a, r. 7 V. o. achter //was" bijvoegen: //ende heb- 
ben den naeckten man mede gebracht." 

// 9 6, r. 3 V. b. //synde slecht ende laech landt." Dit 
slaat op den N. O. hoek van Mauritius. 

// 12 a, r. 5 v. b. "Wat na // verkryghen" volgt staat 
niet in 't HS. 

n 12 a, r. 9 v. b. tot blz. 17 6, r. 12 v. b. is over- 
genomen uit ORLERS' ^ass, Laurecrans, die het zoo- 
als wij gezien hebben, aan een ouder verhaal ont- 
leende. COMMELIN heeft de dagteekening naar het 
scheepsjournaal gewijzigd. De 27 December was bij 
ORLERS de 25 ; de 28 Dec. de 26. 

// 17 6, r. 13 V. b. tot blz, 18 a, r. 4 v^ o. is weder 
uit het HS. genomen. 

// 17 6, r. 14 V. b. //Mede gaet ghevonden" enz. Dit 
had niet den 28, maar den 30 plaats. 

// 176, r. 10 V. o. //den 22 dito", lees: den 26 dito. 

// 18a, r. 16 V. b. //vergadert gheweest." Dit geweest 
zou doen denken dat er van eene vroegere vergade- 
ring sprake was. Lees: vergadert sijnde. 

// 18a, r. 15 V. o. // besoecken," lees: bestooken (er 
staat: bestoecken in 't HS.). 

f/ 18 a, r. 4 v. o. tot 20 a, r. 15 v. b. overgenomen 
uit ORLERS. De 29 Dec. is daar de 27®. Om evenwel 
met de datums in 't gelijk te komen, is in Beg. en 
V. (blz. 19a onderaan) achter //scheyden" uitgelaten: 
// Den 28 dito waeydent heel hart, soo dat men geen 
seyl voeren en conde, waer door d'een en d' ander 
gedwongen was stille te staen. Den 29 ende 30 dito 
blevense noch al stille ligghen" enz. als r. 1 v. o. 
COMMELiN heeft dus hier eenvoudig 28 en 29 De- 
cember uitgelaten. 

// 20a, r. 15 v. b. //na de Molucken toe." Hiermede 
eindigt hetgeen overgenomen is uit orlers. Bij 



280 



dezen is het oude verhaal geheel overgedrukt, en 
wordt nu nog in 't kort verhaald dat de schepen 
den 17 Februari te Ternate aankwamen, en hoe zij 
daar ontvangen werden. Dit komt bijna woordelijk 
overeen met den brief uit het jacht het Duif ken, 
door DE JONGE medegedeeld. 
Hladz. 20 a, van r. 16 v. b. af weder uit het Journaal. 

// 206, r. 16 v. o. // sey;" lees: seyl. 

// 21a, r. 8 v. b. //onder heen," lees: over heen. 

// 2lh, r. 11 v. b. achter: // 7 mijlen verscheyden" 
(wat hier 7 m. afstands van den N. O. hoek betee- 
kent) een; 

// 216, r. 14 V. b. invoegen, wat noodig is om 't be- 
richt van 14 Maart te begrijpen: 

Den 31 dito op de hoochte van 5 gr. 6 min. be- 
suyen ons cours N. N. O,, N. O. ten Noorden, naer 
het West ent vant eylandt Bouro (Boeroe), ende doen 
scheyde ons Vyce admiraei ende tschip Wtrecht van 
ons, ende deden haer cours naer het eylant Banda 
met eenen westen wint. 

'/ 216, r. 15 V, b. //'t landt van verde," lees: 't landt 
van Bouro (Boeroe). 

// 216, r. 4 V. o. //daer haer onduysterde," lees: dan 
het ontduysterde haer. 

// 22a, r. 11 v. o. Cadides. In 't HS. staat: Keydiepa 
(voor Cayloepa?) 

// 236, r, 5 V. b. achter //grondt" lees: //van het riff 
van den caep de Guljes waren gepasseert." Van r. 6 
V. b. af tot blz. 24 a r. 6 v. o. is een invoegsel, dat 
in 't HS. afzonderlijk voorkomt. 

// 24a, r. 4 v. b. //Il mijlen," lees: 90 mijlen. 

// 24 a, r. 6 v. b. geen punt achter 1602, maar wel 
achter November. 



231 

Uiermede is een der kleinere journalen in Begin en Voort- 
gang gezuiverd. Wij willen thans nog eenige stukken uit het 
HS. mededeelen, die niet van belang ontbloot zijn. 

Het eerste (Bijlage A) heeft eenige waarde voor de kennis 
der godsdienstige begrippen van dien tijd. De duivel speelde 
toen, en nog lang daarna, een groote rol op onze schepen, 
zooals uit menig scheepsjournaal blijkt. Kerels, die anders 
voor niets stonden, waren wezels, als de Booze in 't spel kwam. 
Zoo wordt in 't journaal van van neck's eerste reis (1598 — 
1600) verteld, hoe het op zekeren nacht zoo spookte in de 
kajuit van 't schip Utrecht, dat de // overigheyt daer uyt moeste." 
De overheid nog wel! — Hier, waar het een bezetene geldt 
(waarschijnlijk -een man, die aan toevallen leed), schijnt de 
overheid zich niet met de zaak te moeien, maar laat het be- 
leid daarvan aan den ziekentrooster over, die den duivel geen 
kwartier gunt en een groot succes behaalt. 

In Bijlage B is het verhaal van den zeestrijd voor Bantam 
meegedeeld zooals dit in het scheepsjournaal voorkomt; in 
Bijlage C vindt men een attest van beleefdheid, door de over- 
heid van het jacht het Duif ken aan de Cerammers achterge- 
laten. Bijlage D behelst den inhoud der besluiten van den 
Breeden Raad, die niet in 't gedrukte journaal zijn tusschen- 
gevoegd, met eenige instructies, daarin vervat. Hiertoe behooren 
ook Bijlage E, de overeenkomst van den admiraal met die van 
Poeloe Ay (een der Banda-eilanden), die zich bij het door den 
heer de jonge uitgegeven contract met de overige Banda- 
neezen aansluit, — en Bijlage F, die de instructie behelst 
der op Banda achtergelaten Hollanders. Op de lijst dezer 
manschappen (in het HS. voorkomende) wordt slechts één 
naam gevonden, en dan nog wel een zeer algemeene (COR- 
NELis JANSZ.), van de vroegere bezetting van het eiland. De 
anderen met hun opperkoopman, ADRIAAN veen, keerden 
met de schepen van wolfert harmensz. naar 't vaderland 
terug. Zij hadden 't geluk onderweg hun ouden bevelhebber 
HEEMSKERCK te Ontmoeten, die zich zeer verblijdde hen 
weer te zien //alhoewel datter veel van achter gebleven 



232 

[gestorven] sijn," schrijft hij, //'t welck Godt alsoo belieft 
heeft" 0. 



BIJLAGE A. 

Een duivel uitgebannen. 

Hier tegen over adij 28 November anno 1601 is vergeeten 
tgeene alhier naer volcht. JAN LAMBERTSZ geboren van Pur- 
merendt, sijnen vader genaemdt LAMBERT lambertsz ende 
sijn moeder aeltjen jans geboren van Steens in Vrieslandt, 
nu ter tijt wonende tot Lutkesbroeck in de Streeck, welcke 
voorsz. JAN lambertsz varende opt schip Gelderlandt ge- 
vraecht sijnde van sijnen aenvaenck ofte begin van sijne tem- 
tatie ofte versoeckinge vandes Satans, antwoorde, dat hij het 
begin niet en wiste, want het van sijn juecht aen niet geweest 
en ware alsoo het wel behoorde, ende dat sijn moeder met 
hem geweest hadde tot liaerlem om van eenen paep bes weer- 
der ofte duyvel jager, de duyvel wt te bannen, het welcke 
soo hij seyt geschiet is ende een daer wt gedreven is, ende 
datter noch een in bleeff, den welcken hij niet conde wt drij- 
ven. Voort soo ist gebeurt dat hij met een jongen man ver- 
geselschapt sijnde is gegaen van Hoorn na Enchuysen, ende 
comende bij het Clooster is haer een gedaente van een groot 
montuer bejegent die haer aengesprocken heeft, ende is met 
haer gegaen tot inde bomgaert ende hebben daer eenyge can- 
nen biers met elcanderen gedroncken, ende van daer scheydende 
gingen tsamen tot de 3 sprongen, ende onder wege worde haer 
gevraecht off sij hem wilde dienen, hij (zou) haer veel gelts 
geven. JAN lambertsz sulcx niet willende consenteeren, soo 



*) DE JONGE, a. w. n 517. 



heeft hij eenen grooten slaech van hem ontffangen dat hij ter 
aerden viel, ende comende weder tot syn seiven en heeft hy 
niemant vernomen, ende is alsoo sijns weech gegaen. Ende na 
dien tijt heeft hij hem veel versocht ende stercker aen gevoch- 
ten, eerst tot Purmerendt inde kerck, alwaer de jonckman des 
auonts besloten werde int gebreck, leggende tusschen de banckeu, 
ende op meer andere plaetsen, het welcke opt schip Gelderlant 
menichmael gebleecken is, eerst op den 9 Junij a^, 1601 doen 
het schip van Adryaen Block bij ons was, ende op andere ty- 
den meer tot op den 28 November a^. 1601. Doen is hy daer 
van verlost tsavonts omtrent te 7 uren, door langdeurijge al- 
gemeyne gebeden tot Godt, dies wij alle van sijn verlossinge 
zeer verblydt waren. In welcke dagen de Satan seer groot 
misbaer maeckte, den patiendt seer roepende, ende tierende; 
den Siecken trooster die hem in alle dese passie vanden be- 
ginne aen seer christelijck gequeten hadde, de omstanders ver- 
mande (vermanende) tot den gebede. Soo menichmael de passie 
den jonckman aenquam wert veel tyden van den boose ge- 
scholden voor een bluffert, moordenaer, veel leugenen voor- 
etellende naer zynen aert als een vader der leugenen ende 
eenen moordenaer. De sieckentroster yeles joorisz. ende alle 
het scheepsvolck maeckte mets gebeden, die met vierich ge- 
looft doende, den Satan zeer bange, soodat den Satan, ver- 
socht inde persoon te syn die het den jonckman gedaen hadde, 
wert hem geseyt inden affgrondt ter hellen gaen soude, ver- 
socht noch in een peert te mogen sijn, daer naer in een 
hondt, daer nae in een vissche, daer nae inde groote mast, 
daer naer in een stuck vande mast; deese seyde menichmael 
daer niet wt en wilde, doch hem wert geantwoori geen wil 
hier en hadde, dat syn mach't ende wille niet en was, dat Godt 
hier wil ende macht hadde, dat deese jonckman doort bloet 
JESUS CHRYSTUS gecocht ende vorlost wss, welcken hem door 
synen geest verhooren soude, voor wien hij moste wycken ende 
voor syn godtlyck aenschijn verbergen. Eyndtlijck versocht de 
Satan een plaetse daer hij soude mogen gaen, ende alsoo hem 
geen plaetse geconsenteert werde, versocht int alderlaeste in een 

IG 



234 

peerde strondt te mogen gaen, maer wert hem geweygert met 
deese worden : dat daer geen dinck soo slim ofte quaat en was 
ofte hij was noch veel slimmer ende onwaerder; wij in deesen 
altsamen tot Godt ropende (dat Hij) ons gebeden om onse son- 
den niet verwerpen wilde, maer veel eer door synen geest door 
ons, ende door synen eenijgen geboren soone voor ons bidden 
wilde, ons om de verdiensten JESU christi verhooren wilde. 
Wy wisten dat syn macht niet vermindert, syn oore niet dick 
geworden ende syn arm niet vercort en was om ons te helpen 
ende te verhooren, maar onse sonden waren doorsaecke van 
deese en alle plagen, die wij baden ons vergeven wilde naer 
syn onwtspreeckelycke genade in jesum GHRISTUM beweesen, 
ende door den selven ons verhooren wilde nae syn oneynde- 
lijcke lieffde ende barmherticheyt deesen boosen wilde wt drij- 
ven, gelyck hy menichmael gedaen hadde, niet alleen hij maer 
oock Syn lieve apostelen, wiens leere wij nae volgers waren, 
want wij waren naer synen naeme genoemt ende in Syn bloct 
gereynicht. De Satan naer dat hij den jonckman seer getem- 
teert hadde, seer schreuwende smeet des jonckmans hooft ach- 
terover tegen het boevenet, daer de jonckman op lach; soo 
ten ware hy gehouden geweest waere van eenijge vande boots- 
gesellen soude mogelijck de jonckman seer gequest hebben, en 
voer soo wt. Den jonckman seyde terstondt, Godt loff ick ben 
hem nu gants quyt, en is nu in mijn been noch nergens 
meer: alle de omstanders viellen op haer knien Godt met 
vruechde lovende van syn verlossinghe met het eerste vers van 
den 103 Psalm, want het was heel doncker, omtrent te 9 
uren des avonts. Wij sagen alt samen dit mirakel, wat een ge- 
stadich, gelovich gebedt vermach, hoe Goedes woordt, Godes 
gunste, liefde, genaede, trouwe, cracht ende heerlyckheyt nu 
ende in eewicheyt duert, hem alleen sy loff van eewicheyt tot 
eewicheyt amen amen. 

(Later bijvoegsel.) 

Hij betuycht dat hij (de Satan) nadien noyt meer in hem heeft 
geweest, oock niet aangevochten alste voren maer wel by tyden 



235 

gesien. Seyt oock dat zijn moeder niet en weet dat den Satan, 
sedert hij tusschen Hoorn ende Enchuysen met hem gesproocken 
heeft, hem alsoo hard aengevochten heeft ofte in hem geweest 
is, want hij in seven jaren niet bij sijn ouders geweest is, dan 
doen hy nu laest mael naer Oost Indyen wilde varen soo was 
syn moeder gram dat hy soo verd van huys woude treek en, 
waerom hij verstoort was, ende liep des nachts wt syns moe- 
ders huys, ende liep naer Amsterdam toe, ende alsoo met het 
voorz. schip Gelderlandt nae het Texel gevaren ende voorts 
in Oost-Indyen, ende weder nae huys gekeert met het voor- 
schreven schip tot den 17 Februarij a* 1603 dat hem dit on- 
dervraecht is geweest. 



BIJLAGE B. 

Uit het scheepsjournaal, (Niet gedrukt.) 

27 ditto (December 1601) weder tsyel gegaen nae Bantam 
ende hebben soo veel seylen bevonden als ons de Cheneesche 
geseyt hadden, ende soo (syn) wy daer na de schepen toegeseylt, 
want daer waren acht groote schepen waer van de twe op de 
wacht lagen, ende synder naer toe gelopen ende hebbense heel 
schaloos gemaekt met schieten alsoo dat een metalen stuck 
van ons achten stucken geborsten is, alsoo dat ons geheele 
roer schaedloos raeckte, want de pen vant roer raecte heel aen 
stucken, alsoo dat wij dien dach niet meer wt en richten. Soo 
syn de andere scheepen aff gecomen om de andere twe te 
helpen, soo cregen wij een travade van reegen ende wint, 
ende de stroom liep Noort Oost alsoo dat wij niet bij de 
Portugijsen schepen conden comen, ende de wint quam wten 
W. Z. W. Soo lieten wij onse anckers vallen omme een ande- 
ren wint te verbeyden, op dat wij mochten een ander tocht 
tegen haer doen, ende geduerich waren wij inde gebeeden, 






236 

vertrouwende op Godt dat hij ons victorye soude verleenen 
over onse vianden. 

Alsoo hebben wij daer gelegen tot den 29 ditto toe want op 
den 28 dach hadden wy een stroom wtten W. Noort Westen; 
die stroom liep omder Oost heel styff alsoo dat wij het mosten 
verbeyden tot om beter weer. Tsavonts hebben wy onse anckers 
gelicht om beter reede te soecken; alsoo syn wij geseylt onder 

teylandt genoerat ende hebben onse anckers daer vallen 

laten, ende hebben aldaer gelegen tot den 29 ditto tsmorgens 
toe, ende de wint was Noort West, alsoo dat wy mochten twe 
van haer fusten beseylen de welcke haer anckers daechs te 
vooren door gegaen waren, soo hebben wij weder seyl gemaeckt 
ende hebbense genomen, waer vant volck de geene die haer te 
weer stelden doot geslagen syn, ende de andere in genaede 
aen genomen, ende den eenen fust hebbense aent brandt ge- 
stecken ende dander lietense drijven, ende de Portugijssche 
schepen die en dorsten niet bij ons comen want sij lagen on- 
trent l'/j mijl boven wint van ons ende wij hebbent aldaer 
geset; sy en dorsten ons niet comen bestoocken. Soo hebben 
wij daer gelegen tot den 30 ditlo; tsmorgens sagen wij een 
fust te landt van ons leggen, soo isser jan mertens ') sijn 
boot na toe gestuert met 12 man ende 4 muscetten. Die vande 
fust dit siende heeft syn ancker aff gehouwen ende is tegen 
den wal aen geseylt; soo synder wel 20 ofte 25 man buyten 
boort gesprongen om nae lant te swemmen ende daer bleven 
noch wel 30 ofte 40 man in, die hieldent alsoo gaende inde 
barninge dat ons volck haer niet dorsten volgen; alsoo synse 
weder gecomen; voort soo hebbense desen dach noch 3 fusten 
aent brant gesteecken ende tvolck op de groote scheepen geset 
om die te verstercken ende om dat sij sorchden dat de fusten 
lichtelyck te nemen waren. 

Adij ditto heeft den Breeden raet vergadert geweest, hebben 
geresol veert omme inder nacht een schuyt te sturen met een 



') De schipper op het schip Utrecht. 



237 

brief aenden cooinck tot Bantam hem adviseerende van tgeene 
twelck ons gepasseert was ; ontrendt middernaeht synse weder geco- 
men sonder yet wt te rechten door de stroom die seer hard was. 

31 ditto tsmorgens weder seyl gemaeckt om de loeff van 
haer te crijgen, soo hebben sy weder gemaeckt (?) soo dat wij 
een groot stuck verlooren. Soo sijn de Portugyse schepen naer 
ons toe gecomen om ons be vreest te maecken ; doen wy dat sagen 
hebben ons seylen ingenomen en lieten ons ancker vallen om 
haer te verbeyden; de Portugijsen dit siende lieten haer ancker 
mede vallen ende en dorsten ons niet comen bestoocken. 

Den 1 Januarij anno 1602 syn wij tsmorgens weder tseyl 
gegaen, ende hebben de loeff van de Portugyse schepen gecre- 
gen, ende hebben tegen den hoochsten man geschoten, soo dat 
de vloot niet dorste leggen blyven, maer syn terstondt tseyl 
gegaen, verlatende de stadt van Bantam, ende sy liepen be- 
noorden van onse schepen die noch achter ons waren. Soo 
hebbent wy weder geanckert tot den 2 dach tsavonts ontrent 
4 uren, doen cregen wij een moye coelte vanden noord ende 
quamen ontrendt der middernacht binnen het Lange eylandt, 
ende het worde stille, ende lieten ons anckers vallen, de wint 
wt den landt, ende wy lagen daer tot den 3 ditto tsmorgens 
toe; doen was de wint weder vanden Noort Westen met moye 
coelten, soo hebben wij onse anckers gelicht ende quamen on- 
trent te 7 uren voorde stadt, ende wij waren seer verblijt. 
Wy waren seer blydelyck ontfangen van de borgers ende ove- 
richeyt, ende hebben aldaer geleegen tot den 12 ditto. 



Cort Verhael vandt geene wij verstaen hebben vaude ge- 
vangenen die wy tot de twe lusten gecregen hebben, te weeten 
van waer de vloot toegerust was, ende hoe sterck dat deese 
vloot was, ende vande namen van de capiteynen ende bevel- 
hebbers vande schepen ende fusten alst volcht: 

Van Goa 5 galyoenen. 
Den admirael andrea furtado de mendoossa. 



238 
Vysadmiracl TOMÉ DE SUSA DE RONCiiA. 

FRANCO DA SILVA DE MENESES. 
ANTO DE SUZA FALEA. 
DON LOPE d'ALMEYDA. 

Vau Malaca 2 galyoeiien. 

TRAJANO RODRIGUES GASTELBIANCO. 
JORGE PINTO. 

Van Cochin 1 galyoen. 

SEBASTIAEN SUAREZ. 

Vau Goa gescheyden noch een groote galey met 18 fusten, 
de welcke alle tot Ceylon arriveerden, ende niet verder mochten 
comen, behalven een dien wij namen, die capiteyn genaemdt 
FRANCO DE SUZA, soon van de Cantadoor mayor de Lisbona, 
op hebbende 28 Portugijsen ende voort Swerten ende Indyanen 
tot 60 toe, waer van de capiteyn ende sommige gebercht wor- 
den, doch meest gebleven; worde vant schip Utrecht genomen 
doch sonder weynich daer wt te nemen, liettent daer nae dry- 
ven met een coocker stuck ^), ende de twee bassen werden in 
see geworpen. 

Van Manay ende Chillon syn gecomen 2 fusten 
ende 2 galiotten. De namen vande capiteynen 

ANDRE RODRIGES PALJOTTA. 
ANDREA GÜIADES DE CARVALLO. 
DIEGO DE MEELLO. 
MANUEL Dl AS. 

Deese. andre rodriges paljotta was capiteyn vande 
twede fuste die de Wachter aent boort leyd, hebbende op 16 
Portugijsen, voort Swarten ende Indyanen tot 50 ofte 60 man- 
nen toe. Bleven meest alte mael wt genomen 3 Portugesen 
ende 7 ofte 8 Swarten, de welcke nade furye den Admirael 
ende de andere schepen deden visschen. Van dese fuste worde 
gecregen een coocker stuck met twe metalen bassen, voort 



*) Koker van de mast. 



239 

vande gasten geplundert ende aen brandt gesteecken. De cap- 
piteyn was een seer oudt man die omtrent 32 ofte 33 jaren 
in Indien den coninck gedient hadde voor capiteyn, governuer 
van fortressen, ende veel plaatsen ingenomen hebbende, waer 
door hij als een goet soldaet bemint was ende gesien. Hier 
toonde hij oock syn vromicheyt; al hoe wel hij oudt was vocht 
soo lange als hij staen conde. 

Van Mallaca syn gecomen 2 galliotten, 2 jungken 
met 7 bantins ofte roij jachten. De namen vande 
capiteynen waren: 

GONSALO VAS DE GASTEL BIANGO. 
ANDREA PESSOA. 
FRANCO DE MARES. 

De armade scheyde van Goa adij 6 Meij a*. 1601, ende 
waren acht maenden onder wegen geweest, quamen met intentie 
om tot Bantam haer vast te maecken, ende dan met de gansche 
vloot nae Amboina te lopen om de forteressen aldaer te ver- 
stercken. Noch seyden dat in de Molucos een schip genomen 
was oversins twelck uit de straat van Magelanus quam '). 

Sij hadden op haer gantsche armade ontrent acht hondert 
man te weten Portugysen soldaten, behalven de bootsgesellen 
twelck Swarten syn. SeyJen oock datter in Achin vier schepen 
lagen met een jacht. Oock en was de armade geen ontset ver- 
wachtende dan tegen dat in April wt Goa souden scheyden. 



BIJLAGE C. 



LAUS DEO Anno 1602 den 4 Mey. 
Copye vanden Brieff by GLAES GAEFF int cyland Ceram 

gelaeten inde stadt Quelilue. 

Alsoo wij onder geschreven hier inde stadt ende eylandt als 



^) Een der schepen van de vloot onder mauu en dë cordes. 



240 

boven oustii coophandelinge gedrevoü liebben, eade door onsen 
eersamen ende goeden getrouwen achtbaren admirael wolphert 
HERMEN sz ende den achtbaren vromen vyce admirael, met 
haren Breeden Kaet, wy daer toe geordoneert syn geweest ende 
op datum als boven volbracht geendt hebben alhier onsen coop- 
manschap ende geladen met sagou, om weder naar Banda te 
seylen alwaer onse admirael nu leyt, Wij deesen heeren ende 
gemeenten seer bedancken van haer goede tractemendt die sy 
ons gedaen hebben met lieffde ende eenicheyt. Vriendelyck be- 
geeren op alle coopluyden, schippers ende stuerluyden, boots- 
gesellen, haer toch willen vriendtschap bewijsen, want het goet 
ende beleeft volck is. Onder stont geschreven: 

CLAES GAEFF als coopman van Amsterdam. 

WILLEM GORNELISZ SCHOUTEN, schipper. 

CLAES LYNWENSZ, coopman ende tolleck. 



BIJLAGE D. 



Besluiten van den Breeden Raad, die niet in 't gedrukte 

journaal zijn opgenomen. 

1601. 12 Juli. Daar het bier nagenoeg ongebruikt is wordt 
een ieder tot rantsoen toebedeeld „twee mutskens wijn ende 
acht dito water, gebiedende mits deesen een yder tselve dage- 
lycx te nuttygen sondern tselffde tot den anderen dach te mo- 
gen bewaren," enz. 

1601. 1 September. Koers naar Mauritius. 

— 20 September. De Wachter en het Duifken uitgezonden 
om een reede en ververschingsplaats op te zoeken. Zie het 
journaal op 21 Sept. 

— 13 October. //Leggende onder 't ey landt Maurilij op de 
reede niet t'onrecht van donse genaemdt Schiemaeckers." Ver- 
anderingen in 't personeel der stuurlieden. 



241 

— 18 October. Besluit om van Mauritius te vertrekken. 

Na dezen datum is er eene lacune in het HS. tot 28 

December en van 28 Dec. tot 22 Januari 1602. 

1602. 22 Jan. Besloten om de Zeeland en Utrecht naar 

Banda te laten gaan //twelcke gedaen is om de resolutie by 

myn Heeren de Bewinthebbers geschiet niet te breecken, al 

hoe wel by sommige swaericheyt gemaeckt worde." 

— Besloten om //nademael datter rijs ende oock verversing 
genoech int lant is" het brood voor een deel tot de terugreis 
ie besparen. 

— 28. Jan. In plaats van FRANgois abelijn, te Bantam 
gebleven om de goederen aldaar geladen te // beneficeeren" wordt 
tot opperkoopman aangesteld arent wolfüRTSEN. 

— 26 Jan. (Febr.?) //Alsoo het hoochnoodich is een over- 
sten in Ternaten te blyven, ende GLAES gaeff een oudt man 
is, ende wyff ende kinderen heeft, is derhalven .... goet ge- 
vonden dat CLAES GAEFF varen sal (als) oppercoopman opt 
schip Seelandt ende WILLEM verhagen als oppercoopman 
opt schip genaemdt de Wachter" '). 

— 10 April. Het jacht Duif ken met den opperkoopman 
CLAES gaeff naar Ceram gezonden met de volgende In- 
structie : 

//Ten eersten sal hij varen naar teylandt Ceram in deese 
uaer volgende havens ofte reeden als: Quevin, Quelibara, 
Quelilouhen ofte Goulegoulij, bij faute van deese in eenijge 
anderen daermen goede handelinge soude mogen doen, aldaer 
sult naer u. arvryvement niet langer als vijfftich dagen ver- 
toeven, doch hoe spoediger hoe liever. Soo ghij u. ladinge eer 
becomen condt, ende soot geviel, daer godt voor hoede, dat in 
deese voorschreven tijt de Jacht niet gelaeden waer sult u. 1. 
tsamen allyckewel alhier te Banda by de onse laten vinden 
met tgene sult verworven hebben. 



') Dit besluit is mij niet helder, feank van der does was „ overste* 
op Ternate. 



242 

//Ten tweeden oft daer yet meer dan sagou valt, haer hande- 
linge op wat manieren ende op wat plaetsen, wat waeren daer 
dienstich gebrocht ende tot lij mij ten haer wtterste vaert is 
streckende, oockoft sij oock kennisse hebben van Nova Guinea 
off oock vandaer oyt scheepen gevaeren, offt van Nova Guinea 
op Ceram gecomen syn." 

— 13 April. Besloten dat op de schepen Utrecht en de 
Wachter, bestemd naar Ternate, varen zullen als opperkoop- 
man: CORNELIS VAN DE GEYN, op 't eerste, en op de Wachter : 
WILLEM VERHAGEN, daar de laatste // voor hondert gulden 
ter maendt niet willich was als oppercoopman int eylandt Banda 
te blijven." 

— 20 April. Veranderingen in 't personeel der stuurlieden. 

— 22 April. //Alsoo agustyn stalpaert menichraael 
aent boort quara ende bespuert worde hij ons ende onse hande- 
linge, alhoewel hij van jacop heemskergk onder den eet 
van ADRYAEN VAN VEEN als Onder coopman gelaeten was *), 
hinder dede, soo ist dat hij den 12 April tsavonts aent boort 
gecomen synde, door dien adryaen veen hem onwillich 
toonde omden voornoemden stalpaert te laeten sluyten, wt 
den name des Admiraels ende van tcollegium des Breeden Haets 
is geapprehendeert (ge)worden, met meenynge om hem in Ne- 
derlandt te brengen op dat hij nae deesen onse natie in Banda 
niet meer schadelijck soude weesen." 

— 2 Mei. Benoeming van een Kaad voor de beide schepen 
bestemd naer Ternate (zie boven). 

— 3 Mei. Instructie voor genoemde schepen, als volgt: 
//De boven gemelde schepen sullen haren cours recht stellen 

na Ternaten sonder Motier, Makian ofte eenijge andere plaeieen 
te versoecken. 

// Ende aldaer gearri veert sijnde sullen nae eerbiedinge vanden 



^) Zie het journaal van heemskergk (als vice-admiraal onder jacob 
VAN neck), bij DE JONGE, a. w. II, Mz. 444. VAN VEEN resideerde op 
FiOuthor, STALPAERT op Nciia. 



243 

coiiinck van Ternaten, eiide het portugijs schip ^) ende andere 
geschencken gepresenteert hebbende, sullen de oorsaecken haers 
oom pst aldaer hem verclaren. 

//Ende soo sij verstaen in Ternaten noch volle vroech is 
sullen aenden coninck versoecken een schip te mogen na Ma- 
kian te senden om aldaer haer coopmanschapen te verhande- 
len, aangesien deze plaetse onversien van coopmanschapen ende 
geweer is, soot dese voornoemde Kaet goet vindt ende na haer 
meeninge de Comp. proffijtelijck weesen soude, want na wij 
verstaen hebben dit eylandt wel het vermaersie is, oock daer 
het groot gewas eerst rijp wesen sal. 

//Dient eerstelijcken gelet int vervordren vande schulden van 
den coninck verloff te crygen met raet van FRANC verdoes *) 
om int plucken vande nagelen op elcke plaets daer nagelen 
vallen een man ofte twee te stellen om alsoo door geen ver- 
suymenissen de nagelen inde Portugijsen handen te laeten co- 
men gelijck te vermoeden voor deesen op Ambon ende elders 
wel geschiet is. 

// Sullen oock deese voornoemde schepen tot invorderinge vande 
nagelen wachten soot doenlyck is ende de voorschreven Kaet 
goet vindt tot de maent van October eerst comende. 

//By aldien de voornoemde schepen inden bovenschreven tijt 
haer volle ladinge niet connen crijgen sullen haer wtterste vlyt 
doen om in Banda haer te vervoegen soo het doenlijck is; soo 
niet sullen haer cours naer Bantam setten om aldaer soot mo- 
gelijck is tgeen haer tot lading ontbreekt te vercrijgen. 

// Sal deesen voornoemden Kaet hem voorts reguleeren nae din- 
structie van onse meesters de heeren Bewinthehbers soo int 
breede als int party culier megegeven." 

— 23 Mei. Contract met de Bandaneezen (bij de jonge II 536). 

— 17 Juni. Contract met die van Poelo Ay (hierachter: 
Bijlage E). 



^) Het schip dat den 29 December veroverd was? 
'^) FRANK VAN DER DOES, door WARwiJCK (1599) als oppcrkoopman op 
Ternate achtergelaten. 



2U 

— 20 Juni. Instructie voor de genen die in Banda blijven 
(hierachter: Bijlage F). 

— 15 Aug. Besluit in 't gedrukte Journaal medegedeeld, en 
veranderingen in 't personeel der onderkooplieden. 

— 23 Aug. Besluit omtrent den koers tot Mauritius. 

— 10 Sept. Willem cornelisz schouten // geordineert 
als oppercoopraan ende schipper opt jacht üuyff ken, [het eerste] 
in plaetse van den eers. pieter de wael salyger" (die den 
15 Aug. //den eers. JAGOP DE FE Y ter salyger" was opgevolgd). 

1603. 18 Jan. Besluit betr. den koers. 

— 24 Mrt. Besloten om //soo ons de wint niet wilde die- 
nen" ter wille van de zieken in een bekwame haven binnen 
te loopen. 



BIJLAGE E. 
Overeenkomst met de bewoners van Poelo Ay. 

Adij 17 Junij 1602. Is wolpert hermansz admirael van 
deese Hollanders over een gecomen met die van Poelewey 
op het Cuinpan van Ouraet dat daer Hollanderen metter woon 
sullen blijven, ende datse vrij in ha er gelooff sullen mogen 
leven ende haer gebruyck mogen volgen, sonder dat haer ymandt 
sal mogen bespotten ofte onversingx haer yet misdoen, want 
Godt alleen rechter vant gemoet is. 

Ten anderen soo daer eenyge Portugijsen, Javanen ofte eenyge 
andere natie de Hollanders die hier in Banda wonen wilden 
eenich verdriet aendoen sullen wij onderschreven haer bescher- 
men ende bewaren in alle schijn als ofte die Hollanders ons 
eigen vrouwen ende kinderen waren. 

Ten derden soo belooven de Hollanders ons bij nacht ende 
dach te helpen nae haer vermogen soo wie ons landt van 
Banda soude willen crencken ofte beschadijgen ; dan off die 
van Banda inlantsche oorloge tegen malcanderen wilden, sullen 
de Hollanders niet vermogen haer daer mede te moijen, dan 



stil houden, ten ware vande fiandaneese daer toe versocht synde 
om vrede te maecken. 

Voorder syn verdragen soo wanneer daer eenich Hollander 
tegen den cappeteyn hem te buyten ginck ende vresende ge- 
straft te werden by ons quam ende versocht moors te werden, 
en sullen wij voorschreven tselffde niet vergunnen (?) doch dan 
hem gehouden wesen wederom aenden cappeteyn te leveren, 
die hem naer gelieven sal mogen straffen. Dan oft iemandt wt 
vrye wille by ons quam ofte moors wilde worden sonder yet 
tegen den cappeteyn misdaen te hebben, sullen wij vermogen 
met voorweeten van den cappeteyn tselffde te doen. Van ge- 
lycken sal de cappeteyn oock vermogen de Bandaneesen die 
daer soecken christen te worden, christen te maecken. 

Voorder beloven wij bovenschreven van Campon Ourat dat 
wij alle ons noten folij aende Hollanders sullen vercoopen, son- 
der aen ij mand anders het sij dan aen kraelen, wapenen, cleet- 
gens, rys, sagou, ende andere waren die ons sonde mogen 
aenstaen. 

Alle deese bovenschreven artijckelen beloven wij onverbreec- 
kelyck te onderhouden, soo waerlyck moet ons Godt helpen. 
Adij 16 Junij 1602. 



BIJLAGE F. 



Artijckelen ende ordonantie gemaeckt tot dienste 
van de comp. tot Amsterdam vande Oude Oost 
Indische Comp. door den admirael wolpert 
HERMANSZ cude synen Breeden Kaet, de welcke 
die gene die in Banda tot nut vande voorschreven 
Comp. bly ven beëdygen, naecomen ende onderhou- 
den sullen. 
Adij 20 Junij, 1602. 

Inden eersten is byden Admirael ende synen Raet voornoemdt 
voor opper coopman ende comraanduer in Banda geautoryseert 



246 

den erentfeste arent wolpertsen, die welcke alle danderen 
die tegen woordich in Banda blijven sullen gehoorsamen, oock 
aen hem den eet van getrouwicheyt doen. Voorder alsoo der 
in Banda veel plaetsen sijn daer handelinge valt ende over 
sulcx tot proffijt vande Comp. noodich is de selve plaetsen van 
volck te versien, sal een ygelijck op wat plaetse hij geordon- 
neert wert, hem daer toe willich stellen ende synen coopman 
die boven hem gestelt is in alles obijdieren sonder in eenijge 
saecken hem wederspannich te stellen. 

Bij versterven vanden oppercoopman arent wolpertsen 
sal in syn plaets comen heyndrick verdoes, ende daer nae 
alsulcken persoon als byden Rechteren sullen goet gevonden 
werden. 

Voorts soo wanneer tsmorgens ende tsavonts van ijmandt 
daer toe geordineert het teecken gedaen wert de gebeden ge- 
sproken ofte Godts woort geleesen te werden, sal een yder hem 
schicken met eerbiedinge tselve te aenhooren, ende soo ymandt 
absenteerde ten ware door bevel vanden coopman, die sal ver- 
buren ses stuyvers. 

Soo wie den name Godts ijdelyck gebruyckt, tsy met vloe- 
ken, sweeren ofte lasteren, die sullen naer goet duncken vander 
Overheyt gestraft werden. 

Ende om alle desordre te verhoeden is een CJollegium geor- 
dineert, twelck bestaet in vier Eechters doch vijff stemmen, 
waer vande Oppercoopman gestadich president sal sijn ende 
twe stemmen hebben; daer nae hendrick verdoes, claes 
luwensz *) ende claes van duren elck een stem, om 
alsoo met volcomen macht alle quade saecken ofte misbruycken 
te straffen ende daer over recht te spreecken sonder partije te 
dragen; mitsgaders een Secretarius om alles aen te teyckenen 
ende de sententie voor te leesen, welcke sententies sullen sonder 
wtstel naer gecomen moeten werden, ende soo ijmandt hem 
hier tegen moetwillich stelde, die sal verhuren vier maenden 



') Wordt eldors genoemd: claes van lubrssen. 



247 

huer ende na goetduncken van de bovensz. rechters gestraft 
werden. 

Soo ijmandt in sljn ofiitie hem qualijck draecht sal de opper- 
coopman ende synen rechters vermogen den selven van synen 
staet te setten ende een ander in syn plaetse te stellen, de 
welcke de plaets ende offytie vanden affgesetten met gelycke 
macht sal bedienen mits daer voor genietende redelycke ver- 
beteringe tot discretie van de Comp., ende sullen de priveerde 
niet mogen in eenijge versamelinge van raetslagen te compa- 
reren, noch geen offitie meer bedienen, oock goetwillich haer 
staet ende eerste beroep over geven, sonder hem daer int 
minst tegen te stellen, op verbuerte daer over nae goet dunc- 
ken vanden oppercoopman ende sijnen rechters strengelyck ge- 
straft te werden. 

Niemant sal vermogen voor hem selven eenijge specerije 
van. noten, folij, ofte nagelen te coopen dan alleene voorden 
Heeren Bewinthebb^rs van de Oude Oost Indische Comp. op 
peene vande selve specerije te verhuren, daerenboven noch ses 
maenden huers. 

By aldien den oppercoopman noch eenyge artyckelen ofte 
ordinantie ten proffyte van de Comp^. handelinge alhier te 
Banda wilde maecken, sullen altsamen gehouden wesen die 
selvyge te gehoorsamen ende naer te comen, op peene daer 
over tsijn gelieven gestraft te werden. 

Item soo den oppercoopman hem in eenijge saecken te 
buyten ginck sal over sulcx aende justytie van Hollant be- 
claecht ende beschuldicht werden byde welcke syn overtredinge 
ende misdaden sullen gestraft ende gericht werden, maer niet 
alhier byde sijnen. 

Soo ijmandt vanden oppercoopman tot nut vanda CJomp. 
op eenijge plaetse om te handelen gesonden werde ende over 
sulcx in sijn vyanden handen viel, sal de Comp. gehouden 
weesen den sulcken te ransoenen ofte te lossen. 

De geene die hier nu gelaeten werden sullen niet langer 
gehouden weesen int landt te blyven dan tot alhier wederom 
schepen comen die nae 't arrivemendt van deese wt Hollant ge- 



248 

loopen syn, met welcke de Heeren Bewinthebbers haer schrij- 
ven sullen ende ordre geven hoe ende aen wien sij haer goede- 
ren over leveren ende connossementen offvordereu sullen. 

Wy onder schreven belooven ende sweeren den inhoudt deser 
Instructie in alles volcomelijck naer te comen ten meesten 
proffyten vande Comp. vooren verhaelt. 

Soo waerlyck moet ons Godt helpen. 




OVER DE GESCHIEDENIS DER EERSTE GRAVEN 
UIT HET HOLLANDSGHE HUIS. 



DOOR 



J. BOLHUIS VAN ZEEBUEGH. 



In de Eepubliek der Vereenigde Nederlanden was Holland de 
beschaafdste en wetenschappelijk meest ontwikkelde van de ze- 
ven provinciën. Alle wetenschappen vonden er beoefenaars, ook 
de geschiedenis van Holland zelve en niet het minst het tijd- 
perk der graven. Van de dousa's tot kluit hebben vele 
voortreffelijke mannen de geschiedenis van dat tijdperk behan- 
deld of er bronnen voor opgespoord en uitgegeven. Toen was 
de oude geschiedenis van Holland, en van het daarmede steeds 
nauw verbonden Zeeland, veel beter gekend en toegelicht dan 
die der overige provinciën. In onze eeuw daarentegen bepalen 
zich de geschiedschrijvers van Holland bij voorkeur bij den 
vrijheidsoorlog tegen Spanje, of bij de roemrijke dagen der Re- 
publiek. Eene zeer verklaarbare voorliefde, doch waardoor an- 
dere, minder schitterende tijden van Hollands verleden weinig 
onderzoekers vinden en waardoor vooral de graventijd al te 
zeer wordt verwaarloosd. Men laat toe dat een vreemdeling 
ons omtrent de regeering en de daden van gravin jacoba 
breedvoeriger en nauwkeuriger inlicht, dan het ooit door een 
inlander was gedaan. Men laat het oudste geschiedwerk uit het 
graafschap Holland, de annalen van Egmond, jaren lang in 
handschrift rusten, en laat toe dat eindelijk een Duitscher ze 
vopr het eerst door den druk algemeen maakt. Daarenboven 
lezen wij onze middeleen wsch e kronieken nog altijd in de vroe- 

17 



250 

gere, soms erbarmelijk slechte uitgaven, die niet zijn wat ze, 
naar den tegen woordigen staat der wetenschap, kunnen en moe- 
ten zijn. Toch is de laatste halve eeuw voor de geschiedschrij- 
ving van Hollands graventijd niet vruchteloos voorbijgegaan. 
Vooral in de analyse der oudste kronieken zijn wij gevorderd. 
Kluit kon de inheemsche historische opteekeningen niet ver- 
der opwaarts volgen dan tot het Chronicon Egmondanum. Wij 
kunnen thans honderd en meer jaren hooger opklimmen. Op 
zeer weinig uitzonderingen na kunnen wij thans alle bronnen 
van het Chronicon aanwijzen en zelfs die van de annalen van 
Egmond, de hoofdbron van dat Chronicon. Verder vinden wij 
nu in het eerste deel van 'het Oorkondenboek van Holland en 
Zeeland alle oorkonden dier provinciën tot den dood van graaf 
WILLEM II verzameld, waarvan een aantal niet in de werken 
van VAN MIERIS en kluit opgenomen zijn. Dit moet tot beoefe- 
ning der oude geschiedenis vaR Holland opwekken. Ik zal hier 
trachten het leven te beschrijven van die twee dirken, die 
wij, terecht of ten onrechte, den eersten en den tweeden dirk 
noemen. Ofschoon het een anachronisme is, zal ik, looals men 
algemeen doet, ze graven van Holland noemen. Weinige bron- 
nen bezitten wij voor de geschiedenis dezer beide dirken. 
Het zal niet ondienstig zijn vooraf deze bronnen na te gaan. 
Beschouwen wij vooreerst die uit het graafschap Holland zelf. 

Hij, die de geschiedenis der graven uit het Hollandsche huis 
wil nasporen, moet zich in de eerste plaats wenden tot het 
klooster van Egmond, de bakermat der Hollandsche geschied- 
schrijving. Wereldsche geschiedschrijvers waren er toen nog 
niet. Alleen geestelijken, hetzij in bisschopszetels of in kloos- 
ters, hebben ons de gebeurtenissen van dien t^d te boek ge- 
steld. Jaren lang bleef Egmond het eenig klooster in Holland; 
daar, en daar alleen, werd iets over de eerste graven opgetee- 
kend. 

Tot de oudste bronnen voor de geschiedenis van Holland 
uit genoemd klooster behooren twee goederenlgsten, lasten 
waarin de rentegevende bezittingen der abd\i waren opgetee- 
kend. Een dezer lijsten stond indertijd op de schutbladen 



251 

van een evangelarium geschreven, de andere was een afzonder- 
lijk boek, nl. het zoogenaamde St. Adelbertsboek. Beide lijsten 
zijn nu niet meer in originali aanwezig, doch haar inhoud is 
ons door afschriften bewaard gebleven. 

In de tweede helft der vijftiende eeuw werd te Egmond een vrij 
uitgebreid compilatiewerk geschreven. De schrijver er van nam er 
allerlei registers, giftbrieven, indulgentiën, processtukken enz. in 
op, die hij in het archief der abdij vond. Aan het hoofd van zijn 
werk schreef hij beide genoemde goederenlijsten uit. Hij begon 
zijn geschrift met deze woorden: Fundaciones, dotaciones et 
donaciones hecmundensi monasterio collate a primitivis comiti- 
bns Hollandie nee non a ceteris fidelibus Christianis, excerpte 
seu registrate de antiquo textu Ewangeliorum cujus antiquita- 
tem et per consequens auctoritatem et volumen ostendit et 
littera demonstrat. Nu schrijft de compilator die goederenlijst 
uit dat oud evangelieboek over, en wanneer hij daarmede ten 
einde is, zegt hij: Expliciunt excerpta de antiquo textu Evan- 
geliorum, en vervolgt dan: Incipiunt principalia privilegia co- 
mitum Hollandie ab imperatoribus seu regibus Eomanorum et 
Francorum dictis comitibus concessa, de libro seu registro Sancti 
Adalberti excerpta. Nu volgen de vier bekende giftbrieven, die wij 
thans op de jaren 889, 922, 969 en 985 stellen. Na deze vier 
brieven schrijft de compilator der vijftiende eeuw de eigenlijke 
kern van dat St. Adelbertsboek af, bestaande in een register van 
alle goederen en renten, die de abdij in de twaalfde eeuw bezat. 
Wat de compilator, na het St. Adelbertsboek afgeschreven te 
hebben, verder mededeelt, gaat ons hier niet aan. 

Bovengenoemd handschrift bevond zich reeds in het laatst 
der zestiende eeuw op de leenkamer van Holland. Daar leerden 
de dousa's het kennen, daar vond SGEIVERIUS het ook, die 
er zelfs eene uitgave van voorbereidde. Later gaf VAN wijn 
er eene beschrijving van *). In 1857 gaf bakhuizen VAN 
DEN BRINK in het tijdschrift het Nederlandsche Rijksarchief 



O Hoiszittend leeven I. p. 562. 



252 

(deel I. p. 171) onder den naam Hecmundensia, het eerste ge- 
deelte van dat handschrift in het licht. Nog later is het door 
Mr. VAN DEN BERGH gebruikt bij het samenstellen van het 
Oorkondenboek van Holland en Zeeland, waar het handschrift 
Cartularium van Egmond gedoopt is. 

De evangelieaanteekeningen en het St. Adelbertsboek hebben 
beide in originali den ondergang der abdij overleefd. Omstreeks 
1600 waren zij in handen van den bekenden geschiedschrijver 
BOGKENBERG. In Zijn kolossaal werk Annales Hollandiae etc. 
nam hij bijna den geheelen inhoud van beide goeder enlij sten 
op, en daarna nog eens in een boekdeel, waarin hij al de oude, 
hem bekende oorkonden van Egmond opschreef *). 

In de annalen (ad ann. 974) schrijft bogkenberg de gif- 
ten van DIRK II aan Egmond uit de evangelieaanteekeningen 
over. Wanneer hij hier het bekend evangelarium, door dezen 
geschonken, vermeldt, teekent hij er bij aan: cum quo simul 
praesentia, quae describo, monumenta in haec nostra tempora 
sunt conservata, utpote in calce illius libri conscripta. Hieruit 
zien wij, dat, zooals bakhuizen v. d. brink reeds vermoedde, 
die goederen lijst geschreven stond op de schutbladen van dat 
evangelarium, dat eenmaal door dirk ii en hildegardë aan 
de abdij was geschonken. Tegenwoordig berust dit evangelarium 
op de koninklijke bibliotheek, beroofd van de edele stene en het 
fine goude, dat melis stoke (I. vs. 626) en andere bezoekers 
der abdij er aan bewonderden, ook beroofd van de aanteeke- 
ningen er achter. 

Ook op andere plaatsen maakt BOGKENBERG van dit evan- 
gelarium gewag. Zoo ad ann. 901: textus evangeliorum, qua 
scriptura, exceptis ipsis primorum principum nostrorum tabulis, 
nihil umquam HoUandia habuit vetustius. Aan het St. Adel- 
bertsboek kent hij den tweeden rang in oudheid en in gezag toe. 



1) HH. SS. der koniuklijke bibliotheek. Jammer voor bockenbero's 
naam en de Uollandsche geschiedschrijviug dat deze werkeu indertijd niet 
zijn uitgegeven. Nu wordt deze met snoy en jjoortgelijkeu in een adem 
genoemd. 



253 

Ad ann. 974: liber Saucti Adalberti, cni secnndam authorita- 
tem tribno post ea qnae extant in libro ant textu evangelio- 
rum; en ad ann. 864 zegt hij van dat boek: . . . quo quidem 
libro (textu evangeliorum, de quo post infra, excepto) nihil 
fere inter monumenta illa (scil. Egmundana) invenio vetustius. 
In de lijst van gebruikte boeken en handschriften achter de 
annalen vermeldt bockenberg die beide boekwerken met deze 
woorden: vetustissima Hollandiae diplomata cum textu evan- 
geliorum m. s. vetustissimo ad usque nostra tempora conser- 
vata, en liber S. Adelberti m. s. sive registrum ut vocant bo- 
norum Abbatiae Egmondanae. 

De monnik der vijftiende eeuw en bockenberg hebben ons 
wel den inhoud der beide goederenlijsten bewaard, toch is het 
verloren gaan dier lijsten te betreuren, want beide zijn later 
geïnterpoleerd, en deze interpolaties zijn niet altijd te her- 
kennen. 

Zien wij nu wanneer de eerste goederenlijst is opgesteld en 
wat ze voor de geschiedenis van dirk i en ii geeft. Ze kan 
in twee deelen gedeeld worden, alleen het pudste gedeelte (tot 
de woorden: Theodericus cum legitima etc. Hecmundensia p. 
194) gaat ons hier aan. Wat dan volgt, is in later tijd bijge- 
schreven. 

Dit oudste gedeelte nu vermeldt eerst de giften der graven, 
en wel die van dirk i, ii en arnulf, en dan die van ver- 
schillende personen. Zij zal dus opgesteld zijn voor dirk iii 
de abdij beschonk, iets wat door den inhoud bevestigd wordt. 
De lijst zegt b. v. dat dirk ii een manse in Bachem had 
gegeven, die in vruchtgebruik was bij Odulphus presbyter cum 
sua adjutrice Ideca, en zij voegt er bij : post illorum obitum ad 
prefatum pertinebit locum. Dus leefden bij het opstellen van 
deze lijst die twee tijdgenooten van dirk ii nog. Verder be- 
vat de lijst een gift van zekeren Geldolfus, ab oriente fluminis 
Fle dicti unam mansam, qnam Hatto frater predicti Geldolfi 
vi abstractam tenet. Dit ziet misschien op den opstand der 
Friezen, waarin o. a. graaf arnulf in 993 sneuvelde. Er 
leefde dus ook nog een broer van iemand, die v6or dien op- 



254 

stand het klooster begiftigd had. Er zijn in de lijst nog een 
paar soortgelijke plaatsen meer. Wanneer men den tijd van hare 
opstelling omstreeks het jaar 1000 stelt, zal men niet vele 
jaren mis zijn. 

De goederenlijst is samengesteld naar de oorspronkelijke 
giftbrieven. Jammer dat de samensteller die brieven zoo uiterst 
beknopt heeft geëxerpeerd. Hij begon goed: Noverit omniam 
tam presencium quam per saccedencium temporum carricala 
veniencinm Chris ti fidelium industria qualiter dominus Theode- 
ricus comes etc. Dat is de aanhef van een giftbrief van DIHK i 
aan' Egmond. Maar hierna laat hij dit alles weg en vermeldt 
alleen de namen der gevers en hunne giften zoo kort moge- 
lijk. De lange rij bijvoorbeeld der goederen, door dirk ll en 
HILDEGARDE geschonken, schreef hij denkelijk uit een aantal 
giftbrieven bijeen, en dat zoo beknopt, dat men zelfs niet kan 
merken waar hij een nieuwen brief begint te exerpeeren. 

De oorspronkelijke oorkonden, waarnaar deze goederenKjst 
is samengesteld, zijn verloren; afschriften er van bezitten wij 
evenmin, zij zouden ons anders door de datums en ondertee- 
keningen te vertrouwen bijdragen leveren voor de genealogie 
en chronologie der eerste graven. Eeeds vroeg moeten ze ver- 
dwenen zijn, misschien wel in de troebelen, die de abdij van 
1124 tot 1130 beroerden en op den rand des ondergangs 
brachten. De oudste, nog in originali aanwezige oorkonden 
van Egmond zijn van 1139, 1143, 1147 enz. '), dus uit den 
tijd na deze beroerten. JOH. de leydis, die indertijd toe- 
gang had tot de archieven van Egmond, deelt ook geen echte 
ouder oorkonde mede dan die van 1139. 

Wat deze lijst voor de geschiedenis der graven bevat, is zeer 
weinig. Er wordt in gesproken van een graaf dirk en zijne 
echtgenoot geva, van een graaf dirk den jonge en hilde- 
garde; deze dirk wordt er een zoon genoemd van den eerst- 
genoemden dirk; verder van arnulf, hier alleen dominus 



*) Over de oorkonde van 1083 en over een paar anderen bij eene an- 
dere gelegenheid. 



255 

genoemd, en LIUDGARDE, meer niet. Jaartallen komen in de 
lijst niet voor. 

Voor wij tot het St. Adelbertsboek overgaan, nog een paar 
woorden over een geschrift, dat wel niet te Egmond is ge- 
schreven, maar hier vermeld wordt om den invloed, dien het op 
latere Egmondsche geschiedschrijving heeft gehad. Ik bedoel het 
vita Sancti Adalberti. 

Dit vita is omstreeks 980 of 990 opgesteld door monniken 
van Mettlach op verzoek van egbeht, aartsbisschop van Trier. 
Yier of vijf malen is het uitgegeven. In al deze uitgaven zijn 
mirakelen van St. Adelbert achter het vita gedrukt, die de 
monniken van Egmond indertijd op hun exemplaar van het 
vita hadden aangeteekend. De tekst zelf van het vita is ook 
hier en daar door die van Egmond geïnterpoleerd. Volgens de 
boekenlijst bij VAN WIJN ^) kwam eerst omstreeks 1129 of 
1130 een ex. er van in de Egmondsche boekerij. Het histo- 
rische uit dit vita zal ik hier overschrijven: 

Apparuit amabilis Christi confessor Adalbertus in somnis 

cuidam sanctimoniali, Wilfsit nomen habenti, denuntians 

quae (Wilfsit) ne stringeretur inobedientiae reatu, Theoderico 
primo ^) comiti, qui locum eundem sicuti nunc posteri ejus 
retinent proprietatis jure possidebat, haud signis intimatrix, per 
somnum sibi revelata suggere properabat. Nu volgt de opheffing 
van St. Adelbert door graaf dirk, en dan zegt het vita: prae- 
dictus vero comes in loco, qui Hallen nuncupatur, ex ligni 
materia construxit oratorium. Dan komt er een wonderdadige 
redding van graaf DIRK uit het ijs en dan: Nee sunt memo- 
riae subtrahenda, quae temporibus Theoderici junioris, praedicti 
videlicet comitis filii, nos ipsi vidimns declarata miracula. Daarna 
verhaalt het vita het bouwen van een steenen klooster, het 
verwijderen van de nonnen en het plaatsen van monniken, alles 
door DIRK den jonge, en vervolgt dan: Hic itaque tam eximiae 



') Huiszittend leeven I. p. 324. 

^) Primo is eene interpolatie, misscliien ook het volgende qui lo- 
cum etc. 



256 

liberalitatis comes genuit filium Egbertum uomine, quem divini 
amoris intuitu clericatus fecit delegari sorte etc. Nu komt een 
wonder, aan egbert gedaan, en dan zegt bet vita : Hic denique 
est Egbertus, qai post arcbipraesnlatns a Deo sortitus infulam, 
tam vivacissimo religionis ardore, qnam moderatissime libra- 
mine discretionis, Trevirensem rexit ecclessiam. Fait eidem co- 
miti filia carissima nomine Erlinda, dan wordt een wonder 
verhaald, door ST. adelbert aan erlinde gedaan, en dan 
zegt bet vita : Haec de vita et virtutibus opinatissimi confes- 
soris Christi Adalberti Mediolacensis coenobii excudêre cucul- 
larii, jubente serenissimo ejusdem monasterii domino supra 
nominato, videlicet summo praesule Egberto etc. 

Het vita en de goederenlijst zijn onafhankelijk van elkander 
geschreven. Hunne berichten vullen elkander aan. Zooals men 
ziet, spreekt het vita van twee graven met den naam dibk, 
vader en zoon, en het noemt twee kinderen van den zoon, 
egbert en erlinde. Omtrent den tijd, waarin deze personen 
leefden, laat het vita ons in het onzekere. 

Misschien hadden dirk i en ii wel meer kinderen dan die 
aan ons bekend zijn. De Mettlacher monniken schreven niet 
het leven onzer graven, maar dat van ST. adelbert. Alleen 
waar een lid der gravelijke familie met hun onderwerp in aan- 
raking komt, wordt het genoemd, anders niet. Had ST. adel- 
bert geen wonder aan erlinde gedaan, de monnikken van 
Mettlach zouden haar niet genoemd hebben, haar naam en elk 
teeken van haar aanwezen zou door den tijd verzwolgen zijn. 
Toen men in de twaalfde eeuw te Egmond zelf kronieken be- 
gon te schrijven, toen werden de twee eerste dirken, de 
stichters en begiftigers van het klooster, viri Deo cari, viri 
valde gloriosi enz. enz. Toen werd erlinde eene pnella exi- 
miae venustatis. Ik wil deze verheven eigenschappen volstrekt 
niet aan de genoemde personen ontzeggen, maar beweer alleen 
dat de monniken, die dit voor het eerst ter neer schreven, even 
weinig van de inborst of het uiterlijk van genoemde personen 
wisten, als wij heden. In nog later tijd werd erlinde abdis 
te Bennebroek. Sic crescit fabella scribendo. 



257 

Evenals de goederenlijst van omstreeks 1000 begon ook 
het St. Adelbertsboek met de giften der graven, en waar het 
deze geregistreerd heeft met die van andere personen. De 
jongste gra vengiften, die het vermeldt, zijn van graaf floris ii 
en PETRONELLA, Hier ter plaatse blijkt uit den tekst, wan- 
neer ten minste dit gedeelte van dat boek werd geschreven. 
Floris ii was- reeds overleden (f 1122) want de schrijver 
teekent er giften aan van petronella voor de ziel van haren 
echtgenoot, en voegt er bij : et adhnc speramus, quod, Deo 
inspirante, dabit nobis multa majora. LOTHARIUS was reeds 
koning (gekozen 1125), want wij lezen er dat floris inder- 
tijd gehuwd was met petronella, nanc 

Deo tempora mutante et regnum cui vult dante 
sororem regis. 

Heel lang na genoemde jaren kan het niet geschreven zijn, 
petronella's zonen en dochter worden er nog pueri genoemd *). 

Na den dood van abt athalard in 1120 braken bange 
dagen voor de abdij aan. Gravin petronella benoemde in 
dezen tijd haren kapelaan ascelinus tot abt. De monniken 
verzetten zich hevig ; hy was aartsdom, zeiden zij, en ver- 
stond niets van het ordeleven. Wereldsche grooten maakten 
zich meester van de abdijgoederen, de tucht ging verloren, 
alles verliep. In 1129 moest asgelinus van zijne waardig- 
heid afstand doen. In 't volgende jaar 1130 kwam een Vla- 
ming WALTER in zijne plaats. Deze deed alles om de abdij 
uit haren berooiden toestand op te heffen, en met goed gevolg. 
Gedurende zijn bestuur werd ze vermogender dan ooit te vo- 
ren. Het St. Adelbertsboek bevatte een lange lijst goederen, 
die WALTER voor de abdij had verworven *), en het Chronicon 
zegt van hem op het jaar 1130, na zijne benoeming vermeld 
te hebben: qui veniens Ekmundam, et defectum in omnibus 



1) Nederl. Rijksarchief I. p. 175. 

^) Deze lange lijst trok reeds de aandacht van joh. de L£TDIS, Ann. 
Ëgm. ed. MATTUAEUS p. 25. Jammer dat deze lijst in hei Oorkondenboek 
niet is gedrukt. 



258 

reperiens, quid ageret, aut quo se verteret, nisi ad Deum et 
sancti Adalberti patrociuium, iguoravit: sed processu temporis 
Dei gratia, in qua multum sperabat, prosperum in omnibus 
successum habuit, et omnia bene et ordiuate, tam exteriora 
quam interiora, componi coeperunt. En op het jaar 1161: Do- 
minus Walterus abbas, bonorum memoria dignus, post reno- 
vatiouem ordinis et status Ekmundensis coenobii, post construc- 
tionem et ornatum templi, post claustri et omnium officinarum 
aedificationem, post fratrum de parvo numero in magnum ag- 
gregationem, obiit. 

In de eerste jaren van abt walteu's bestuur, die zoo 
goed voor de abdij zorgde, moet het St. Adelbertsboek aange- 
legd zijn. 

De opsteller van dit boek of register registreerde alle be- 
zittingen, die de abdij in zijn tijd bezat, dus ook die, die reeds 
in het evangelieboek aangeteekend waren. De mansen in Nien- 
thorp en bij het Flie, die de evangelieaan teekenaar nog pro 
memoria vermeld had, ofschoon ze vi abstractae waren, laat 
hij weg. Men was ze reeds vergeten. De manse in Bachem, 
door DIRK II geschonken, doch die de abdij eerst na den dood 
van pastoor odulphus en zijne vrouw zou aanvaarden, was 
nu natuurlijk reeds lang vrij gestorven en in het bezit der 
abdij. Overigens zijn de giften van dirk i, ii en ARNULF in 
beide lijsten vrij gelijk, maar wat de schrijver der evangelielijst 
niet gedaan had, de opsteller van het St. Adelbertsboek regi- 
streerde ook de roerende geschenken van genoemde graven eu 
van EGBERT, de altaartafel, het evangelarium, kazuifels, stolen 
enz. Verder deelt hij iets van het leven der gevers mede. 

Van DIRK I zegt het St. Adelbertsboek dat hij was frater 
Walgeri. Een belangrijk bericht, daar wij van elders weten dat 
GEROLF, die in 885 en 889, dus korte jaren voor dezen DIRK, 
graaf in Kinhem was, een zoon walger had. Wat het boek 
meer van dirk i mededeelt, bevat niets nieuws. De schrijver 
ontleende het aan de oorkonde van 922 (volgens hem van 
863), aan het vita St. Adalberti, aan ecne goederenlijst en aan 
zijne verbeelding. 



259 

Het artikel dirk ii begint met dit versje: 

Filius amborum Tbeodericus nobilis horum, 

Quem rex Lotharius ditavit munere, maius 

Hecmundis templum, quod adbuc nunc cernitur ipsum, 

Christo fundavit, bostes per quem superavit. 

Auro cum gemmis aram struxit speciosis. 

Historiam, textum gemmis auroque retextum 

Het versje is ouder dan bet St. Adelbertsboek. De abdijkerk, 
door DIRK II gebouwd, is tusscben 1122 en 1129 afgebroken. 
Het versje is gemaakt in den tijd toen ze nog bestond. Het 
weet ook nog van schenkingen of liever beleeningen van koning 
LOTHARIUS aan genoemden dirk, waarvan geen ander Eg- 
mondsch schrijver iets meldt. Die van Egmond evenwel hebben 
ons een giftbrief aan een graaf bewaard, waarin de schenker is 
LOTHOWICUS rex en het jaartal 868. Op diplomatische gronden 
heeft men later bewezen dat zij door koning lotharius moet 
zijn uitgevaardigd omstreeks 969. Aan Graaf dirk wordt er het 
foreest Wasda geschonken. Dat is geheel iets anders dan het 
schenken van een silva, eene terra arabilis, eenige mansen of 
zoo iets. Wien in de middeleeuwen een graafschap werd ge- 
schonken, werd daardoor tot graaf, en wie een foreest ontving, 
daardoor tot forestier aangesteld. Misschien had de maker van het 
versje dezen giftbrief op het oog, toen hij van dirk ii zeide: 
quem rex lotharius ditavit munere. Hij heeft hetzij in een 
origineel, hetzy in een afschrift, LOTHARIUS gelezen, waar la- 
tere afschriften zonder uitzondering lothowicus hebben. 

De dousa's kenden dit versje uit het Cartularium van Eg- 
mond (A^n. metr. p. 45. Ann. pros. p. 409). Nescio quo 
munere voegen zij er bij, want zij kenden voornoemden brief 
nog aan koning lodewijk toe. 

Hetgeen er meer van dirk ii in het St. Adelbertsboek stond, 
was overgenomen uit het vita S. Adalberti en uit eene goede - 
renlijst. Evenzoo alles wat van egbert gezegd wordt. Deze 
berichten bevatten voor ons niets nieuws. De echtgenoot van 



260 

ARNULF noemt het boek terecht Liudgarde, maar ten onrechte 
maakt het haar tot eeue zuster van keizerin theophano. 

In het begin van het St. Adelbertsboek, nog voor de graven- 
giften, stonden de vier bekende gil'tbrieven aan de eerste gra- 
ven. Zij hadden hier de jaartallen 863, 867, 889 en 985. De 
teksten zijn vrij slecht. Zij schijnen de bron te zijn waaruit 
alle andere afschriften gevloeid zijn, want deze alle hebben 
dezelfde fouten als zij: de fautieve jaartallen 863 en 867, 
LOTHOWICUS voor LOTHARIUS enz. Deze fouten zijn lang 
hersteld, doch er zullen er in de teksten nog wel meer schuilen. 

In de twaalfde eeuw begon men te Egmond annalen aan te 
leggen. Het autograaf er van is bewaard gebleven. In de ze- 
ventiende eeuw bevond het zich in de Cotton-bibliotheek, en 
komt ook op haren catalogus van 1696 voor. Aan den brand, 
die deze bibliotheek in 1731 trof, ontkwam het gelukkig, doch 
niet zonder schade. Later ging het met de geheele Cotton-ver- 
zameling in het Britsch Museum over. Daar vond PERïZ het 
in 1827; hij nam er afschrift van, doch nog volle 30 jaren 
moesten verloopen, eer de beurt aan de annalen kwam om in 
de Mon. Germ. Hist. gedrukt te worden. Eindelijk in 1858 ver- 
schenen zij in deel XVI der Scriptores p. 442—479, In 1863 
zijn zij daaruit door het Hist. Genootschap van Utrecht in 
kleiner, bruikbaarder formaat overgedrukt. 

Deze annalen beginnen met 875. De bronnen, waaruit de 
annalist zijne mededeelingen van dat jaar tot aan zijn leeftijd 
putte, zijn in beide uitgaven meerendeels op den kant aange- 
teekend. Het zijn Kegino van Prum tot 908, verder loopt Ke- 
gino's kroniek niet ; eenige malen de Antapodosis van Liudprand 
en zeer vaak Sigibert van Gembloux. Keeds voor 1106 gaf SIGI- 
BERT zijn kroniek in het licht, doch hij bleef zijn exemplaar 
bijhouden tot 1111. Het volgende jaar stierf hij. Het ex. dat 
de monnik van Egmond gebruikte was compleet en liep dus 
tot 1111. 

Pertz zegt in de voorrede voor zijne uitgave, dat de an- 
nalist ook gebruik maakte van notitiae ad historiam ecclesiae atque 
regionis suae et Ultrajectensis facientes. Berichten van Utrecht- 



261 

schen oorsprong zijn in de annalen gemakkelijk te herkennen, 
b. V. op de jaren 900, 976^ 1008, 1023^ en later. Nog het 
aangeteekende op 1127 heeft allen schijn te Utrecht of nog 
liever te Oostbroek opgesteld te zijn *). Na 1128 en 1132 
houden die Utrechtsche aanteekeningen op. De annalen bevat- 
ten daarenboven berichten, die een Vlaamschen oorsprong ver- 
raden, b. V. op 962, 1012, 104!7^ 1063 enz. en verder op 
1120^ 1122, 1125^ 1126, 1128^ maar niet verder. Waar- 
aan de annalist deze laatste ontleende, heb ik niet kunnen ont- 
dekken; de bron moet verloren zijn. Wel wijzen die berichten 
ons naar Noord- Vlaanderen. Zij hebben veel meer overeenkomst 
met de annalen en kronieken van St. Pieter en St. Bavo dan 
met die van St. Vaast en St. Bertin. 

Dus had de annalist, toen hij zijn werk begon, voor zich een 
ex. van sigibert dat tot 1111 liep, Utrechtsche aanteeke- 
ningen die ongeveer tot 1132, en Vlaamsche die tot 1128 
liepen. Verder is het eerste deel van den autograaf met eene 
hand der twaalfde eeuw geschreven en omstreeks de jaren 1140 
en 1150 blijkt dat de annalist tijdgenoot was der gebeurte- 
nissen, die hij dan aanteekent. Dit alles wijst ons weer op 
de eerste jaren van abt walters bestuur. 



^) Bij HEDA, ed BUCHEL. p. 92 leest men: Anfridas de quo in 

epitomate annalium scribitur: anno 976. Baldricus Trajectensis obiit, Folc- 
marus successit et deinde Baldevinus. Demum Aufridus prins comes et 
postea episcopus electus atque ordinatus successit. En aldaar p. 109: In 
annalibus etenim scribitur: Mortuo Anfrido, Adelbuldus vir sapientissimus 
post eum eligituL' et iutronizatur anno millesimo octavo. Anno 1023 eclipsis 
solis facta est. Nova ecclesia S. Martini in Trajecto constructa et dedicata 
est a 12 episcopis 6 Cal. Jnlias. Anno 1024 Henricus imperator obiit etc. 
Anno 1027 obiit Adelboldus etc. In de annalen van Egmond leest men op 
die jaren bijna letterlijk hetzelfde. Heeft heda hier den annalist van Eg- 
mond nageschreven, of hebben beiden dezelfde, nog endere, annalen gebruikt ? 
Het laatste zou men gaan gelooven, als men beider berichten op 976 ver- 
gelijkt. H£DA*s bericht is hier goed, dat van den annalist verkeerd. Het 
aangeteekende op 1027 ontleenden die oudere annalen aan eene epistola Mo» 
nachi Tiel. ad Adelboldum (Acta SS. Febr. III. p. 546). Hier is d^ 
annalist nader b\j het oorspronkelijke gebleven dan hedAi 



262 

Walters zorg voor bet stoffelijk welzijn der abdij bebben 
wij boven vermeld. Dat hij de wetenschappen niet verwaarloosde 
bewijst nog heden de lijst der Egmondsche boekerij. Niet min- 
der dan 40 werken worden daar genoemd, onder zijn bestuur 
in genoemde boekerij gebracht. * Walter was vroeger monnik 
in het klooster van St. Pieter te Gent geweest en daarna pas- 
toor te Leus. Toen werd hij door toedoen van ARNOLD, abt 
van St. Pieter, aan 't hoofd der Egmondsche abdij geplaatst. 
Zonder twijfel waren onder die 40 boekwerken eenige, die 
WALTER in de abdij van St. Pieter, reeds toen om hare boe- 
kerij vermaard, had laten afschrijven. Yan een werk vermeldt 
de lijst dit uitdrukkelijk (p. 327): item duas partes Josephi a 
claustro Sancti Petri acquisite sunt. Het boek, dat in de lijst 
op JOSEPHUS volgt, kwam zekerlijk ook van daar : item vitam 
veterem Sancte Amewerge virginis. St. Amalberges reliquiën 
rustten in de abdij van St. Pieter en het was, zoo ik m^ niet 
vergis, een monnik uit die abdij die dit haar leven te boek 
stelde. Zeer zeker kwam het geschrift, waaruit de annalist zijne 
Ylaamsche berichten putte, ook uit St. Pieter." 

Wat er na aftrek van Eegino, Ijiudprand en wat er zoo evea 
meer genoemd is, van de annalen overblijft, betreft het graaf- 
schap Holland. Het is voor de eerste eeuwen bitter weinig; ik 
zal het hier (tot aan 1039) geheel uitschrijven: 

980. Arnulfus comes Liudgardam conjugem suam legaliter 
coram rege Ottone desponsavit, testamentumqne dotale 
inde scribi fecit, indict. 8. 
985. Hoc anno Theodericus pater Arnulfi comitis interventu 
Ekberti Trevirensis aecclesiae archiepiscopi, filii sui, 
suscepit in propriam hereditatem ab Ottone rege quic- 
quid habuerunt antecessores sui in beneficio, indicti- 
one 13. 
988. Obiit Theodoricus comes. 

993. Arnulfus comes interficitur. 

994. Ekbertus, frater Arnulfi comitis, Trevirorum archiepi- 
scopus obiit. 

Zooveel en niet meer wist de Egmondsche annalist kort na 



268 

1130 van de eerste HoUandscbe graven te verhalen' *). Waar- 
uit hij het overnam is duidelijk. De beide eerste berichten 
steunen op oorkonden. De oorkonde van 980 is verloren. De 
inhoud van die van 985 is ons door het St. Adelbertsboek 
bewaard. Zijne berichten op 988, 993 en 994 ontleende hij 
aan necrologische opteekeningen. Zij verdienen alle vertrouwen. 
Juist' in 988 komt het signum van graaf dirk (den tweede) 
het laatst onder Gentsche oorkonden voor. Het sterfjaar van 
ARNULF is door VAN LOON, KLUIT en hunne volgelingen op 
1004 gebracht. Later is het gebleken, dat ze de oorkonde, 
waarop zij zich grondden, hebben misverstaan. Thans kennen 
wij een excerpt uit eene oorkonde van + 995 waarbij dirk iii 
en zijne moeder LIUD GARDE goederen schenken voor de ziel 
van graaf ARNULF. Egberts sterfjaar wordt door Triersche 
stukken bevestigd ^), 

Het is moeielijk uit te maken, welke van beiden het eerst 
is aangelegd, het St. Adelbertsboek of de annalen, want ner- 
gens heeft het een uit het ander geput. De annalen worden tot 
1205 voortgezet, nog in de twaalfde eeuw is in het toen vol- 
tooide gedeelte hier en daar iets bijgeschreven. De dirken en 
FLORiSSEN ontvingen rangnummers; bij het jaar 876 werd 
iets aangeteekend over de giftbrieven van het foreest Wasda 
en van de kerk van Egmond. Deze aanteekening is zeer slecht. 
Nog op een paar andere plaatsen werd iets bijgevoegd, doch 
al deze bijvoegingen bevatten niets nieuws. 

Op de annalen volgt in tijdsorde het Chronicon. Het is eigen- 
lijk niet veel meer dan een afschrift der annalen: hier en daar 
is de tekst iets veranderd, en ook vooral in 't begin vermeer- 
derd. Het loopt evenals de annalen tot 1205. Vroeger meende 



^) Het op 1018 aangeteekeade schreef de annalist uit Sigibert over. Si- 
GiBERTS bericht aldaar is niet zuiver maar verward. Hij heeft een paar 
berichten uit vroegere kronieken op eene niet gelukkige wijze gecombineerd. 
Nog verwarder werd zijn verhaal in de vcrtaliug van Melis Stoke, boek I. 
VS. 1005—1024. 

-) Doch sommige Triersche schrijvers geven den 9 Dec. 993 op als 
EGBERTS sterfdag. 



264 

men dat de schrijver er van omstreeks 1160 met zgn werk 
was begonnen en dat hij het had voortgezet, totdat in 1205 
hem door den ouderdom of den dood de pen ontviel. Men 
beriep zich voor deze meening op het aangeteekende op de 
jaren 1143, 1176 en op de slotwoorden van het Chronicon- 
Nu de annalen zijn uitgegeven, blijkt dat de slotwoorden en 
het bericht op 1176 daaruit zijn overgeschreven. Zij betreffen 
dus den annalist, niet den chronist. 

Wij hebben nu te zien wat de chronist voor het jaar 1000 
van Hollands graven meer verhaalt dan de annalen, en waaraan 
hij dit ontleent. Op het jaar 878 schrijft hij : obiit Carolus 
imperator. Dat is karel de kale. Aan deze schreven die 
van Egmond, en dus ook onze chronist, den giftbrief van 922 
toe (van de kerk van Egmond enz.) en kort daarna dachten 
zij het klooster gesticht. De chronist voegt dan ook achter 
zijn bericht: cujus temporibus monasterium fundatum est a 
Theod. praedicto comité; tegelijk neemt hij de gelegenheid 
waar iets van dezen dirk te zeggen: Iste Theodericus enz. 
Dit laatste nam hij met eenige verandering uit het St. Adel- 
bertsboek over. De annalist had de giftbrieven, toen gezegd 
van 863, 867 en 985, vermeld; de chronist nam die over, maar 
hij breidde hier den tekst een weinig uit en verbeterde (op 863) 
een paar verkeerde lezingen der annalen, alles met hulp van 
de afschriften dier oorkonden, die hij voor in het St. Adel- 
bertsboek vond. Daar vond hij ook een giftbrief aan graaf 
GEROLF, waarvan de annalist gezwegen had; hij vertelt er op 
984 iets van. Zijne lange aanteekening op 977 stelde hij sa- 
men uit het St. Adelbertsboek en de annalen (op 988). Het 
juiste bericht der annalen op 980 maakte hij onwaar, misleid 
door het boek van St. Adelbert en misleid door eigen mee- 
ning, waarover later. 

Tot nog toe hebben w^j niets nieuws van de graven aange- 
troffen. Het eerste en eenige nieuwe, dat hij voor ons tijdperk 
geeft, is dit: 914. Walgerus comes, nepos imperatoris, his diebus 
magnus habebatur. Dit bericht is mijns oordeels te vaag om er veel 
«wn te hechten. Men zie kluit ad. Chronicon Egm. op dat jaar. 



265 

Op bet Chronicon volgt MELIS STOKE. Met hem treedt de 
HoUandsche geschiedschrijving buiten de kloostermuren. Hij 
schreef voor de lieden van den lande, d. i. voor de graven. 
Hem docht het schande, zoo deze vele jeesten wisten van 

HILMERIK, van ETTEL, DIEDERIK van BERN, HILDEBRAND, 

SIEGFRIED, KAREL, ROELAND enz. en daarbij niet wisten, 
wie hunne voorvaderen waren, wanen si selve sijn gheboren. 
Daarom stelde hij zijne levens der graven van Holland sa- 
men. Hij noemt zich 's graven arme clerc. Had hij Latijn 
geschreven, hij zou het woord capelanus of cancellarius gebruikt 
hebben, een gewichtig ambt; overal in zijn boek spreekt dan 
ook de staatsman. Zoo b. v. boek IV vs. 800, nadat hij hier 
vermeld heeft dat floris V zijne rechten op de Schotsche 
kroon aan den koning van Engeland verkocht, roept hij in 
verontwaardiging uit: 

Ik wilde, men hinghene bider kele, 
Den ghenen, de hem gaf den raet. 



. . . . een conincrike .... 
Verkopen, dat hem was comen an? 

en zoo op vele andere plaatsen. 

Stoke gebruikte bij het eerste gedeelte zijner gravenlevens 
kerkelijke geschiedschrijvers, beda enz. Voorde eigenlijke graven- 
geschiedenis was het Chronicon zijn eenige geschreven bron ; ook 
de giftbrieven, die hij vertaald mededeelt, stonden daar voorin 
geschreven. Wat zijne vertaling meer zegt dan de tekst van 
het Chronicon heeft zijn oorsprong te danken aan redenee- 
ring, aan de vertaling, die natuurlijk niet microscopisch het 
origineel kan teruggeven, aan de behoefte van het rijm en aan 
STOKES rechtmatige zucht om zijn werk levendig en schilderachtig 
te maken. Een paar voorbeelden. Stoke las in het Chronicon 
op 980 van arnulfs huwelijk en op 993 van zijn dood. 
Nadat hij nu (boek I. vs. 913) arnulfs dood vermeld heeft, 
vervolgt hij: 

18 



266 

Sine kindere, diëdric ende zivaerd, 
Waren ionc ende onbewaerd : 
Doudste hadde cume twaelf iaer, 
Dus stont tlant in groten vaer. 

In 980 gehuwd en in 981 uit dat huwelijk een zoon ge- 
boren is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, maar grond er voor ont- 
breekt. Stoke wist in zijn tijd evenmin als wij heden het ge- 
boortejaar van DIRK III. Bij latere geschiedschrijvers leest men: 
DIRK III overleed in 1039, oud zijnde 58 jaren. Die dit op z^n 
gezag schrijven doen den ouden kroniekschrijver te veel eer aan. 

Het Chronicon noemde dirk iii Hyrosolimita. Dit eene 
woord gedijt bij stoke tot zes versregels (boek I. vs. 924): 

Desen quam in sijn ghepens, 
In sinen wille, in sinen ghere 
Pelegrime te s^n over mere, 
Ende was dierste van den graven. 
Die Qiet ghebedep ejide met hav^en . 
E^rde theüighe graf ons Heren. 

Al deze uitbreidingen waren STOKE natuurlijk geoorloofd, 
zelfs noodig om uit het Latijnsch Chronicon een Hollandsch 
rijm werk te maken, geschikt om den graven voorgelezen te 
worden. Het zal indertijd wel aan zijn doel beantwoordt 
hebben. Tegenwoordig is het laatste deel der kroniek een aller- 
belangrijkste geschiedbron voor de regeering van FLORIS V, 
JAN I en II. Maar wie de geschiedenis van het graafschap 
Holland voor 1000 (en voor nog veel later jaren) wil kennen, 
kan het Chronicon (alleen het bericht op. 914 uitgezonderd) en 
MELIS STOKE gerust ter zijde leggen. Hunne bronnen voor 
dat tijdperk zqn ons alle bewaard *). 

De oogst uit Egmond voor de geschiedenis van dirk t en 



') De epitaphia, necrologia en2. van Egmond ga ik kortheidshalve stil- 
zwijgend voorbij. 



267 

II is niet ruim geweest. Zij zijn nooit belden der sage geworden, 
zooals SIGCO, geene wonderlijke daden en lotgevallen zijn ons 
van hen overgeleverd // waarin het moeijelijk is waarheid en 
verdichting te scheiden." Weinig hebben die van Egmond ons 
van hen bewaard, doch in dit weinige is de waarheid gemak- 
kelijk te onderkennen. Gelukkig dat wij elders nog een en an- 
der van onze eerste graven vinden opgeteekend. 

Wij moeten daartoe eerst naar Vlaanderen, naar het klooster 
van 8t. Pieter in monte Blandinio, toen bij, later binnen Gent, 
het vermaardste klooster van al de Nederlanden. Van de be- 
trekking onzer eerste graven tot Gent hebben de HoUandsche 
geschiedschrijvers uit de middeleeuwen, en uit nog later tijd, 
niets geweten. In het midden der zestiende eeuw gaf meijerus 
een gedeelte van eene oorkonde van 977 in het licht, waarbij 
een graaf dirk en zijne echtgenoot hildêgARDE de abdij van 
St. Pieter beschonken. Meijerus voegt er bij, dat dit mis* 
schien de ^raaf van Holland was. Deze plaats ontging de 
dousa's niet. In de proza-annalen p. 403, waar DOUSA junior 
over DIRK II handelt, lezen wij: Neque transeunda silentio 
videtur Diederici nostri liberalitas in Blandinense Flandrici 
pagi monasterium collata. DouSA wist ook dat abnulf, de 
zoon van dirk ii, door sigibert van gembloux Ganda- 
vensis bijgenaamd wordt. Hij waagt hier eene gissing en 
redeneert ongeveer als volgt: Misschien is hildegabde uit 
vrees voor de Noormannen naar Gent in veiligheid gebracht; 
daar heeft zij een zoon gebaard, deze is door graaf ARNULF 
van Vlaanderen in de abdijkerk van St. Pieter ten doop gehou- 
den, en zoo ontving het kind van zijn peetvader den naam 
ARNULF en van zijn geboorteplaats den bijnaam Ganda ven- 
sis. Uit dankbaarheid beschonk dirk ii later de abdij, waar 
zijn zoon gekerstend was. 

Na de dousa's kwamen er meer oorkonden van St. Pieter 
voor den dag, door graaf dirk, door zijn zoon ARNULF enz. 
onderteekend, en zoo drong allengs de overtuiging door, dat 
eenigen der HoUandsche graven tegelijk burggraven van Gent 
geweest waren. B^ van loon was het eene uitgemaakte zaak, 



268 

Toen KLUIT het plan had opgevat om Hollands oude geschiedenis 
uit oorkonden enz. op te helderen, stelde hij zich in briefwis- 
seling met geleerde mannen, van wie hij hulp kon verwachten, 
ook met den eerw. gudwal seiger, den laatsten abt van 
St. Pieter *). Deze deelde hem een aantal onuitgegeven of 
slordig uitgegeven oorkonden, Holland en Zeeland betreffende, 
mede. Toen kort daarna, in 1789, de abdij van St. Pieter, na 
een bestaan van bijna twaalf eeuwen, werd opgeheven, bleef 
haar archief bewaard. Het berust thans bij de archieven van 
Oost-Vlaanderen, evenzoo compleet als het bij de ophefling 
der abdij was. De uitgevers van het Oorkondenboek hebben 
daar ter plaatse nog eenige oorkonden opgespoord en uitgege- 
ven, die aan kluit onbekend waren gebleven. Sedert het 
eerste gedeelte van genoemd Oorkondenboek in 't licht ver- 
scheen, is men te Gent begonnen alle diplomen enz. van St. 
Pieter uit te geven *). De eerste aflevering er van bevat de 
stukken tot 1200, ten getale van 392, allen in extqpso. Slechts 
ééne oorkonde (van 9 Januari 984 onderteekend theod. Co- 
mes) vindt men hier, die in het Oorkondenboek gemist wordt; 
van eene andere is de datum verbeterd 3). 



O Brieven van KLüit aan abt 8£iaËE zijn uitgegeven in de Messager 
des Sciences etc. 1861. In Frankr^k z^n in de Collection des docaments 
inédits, afdeeling documents historiques inédits, torn. III p. 102, twee brie- 
ven gedrukt van kluit aan den archivarius van Rijssel, denis joseph 
GODEFROi. De eerste brief, geteekend Middelbnrg 18 Jan. 1775, opent de 
correspondentie: Yeniunt ad te, vir rever, literae ab ignota manu alicnjns, 
qui nihil a te suo jure rogat, sed, qua tua est humanitas et in promoven- 
dis studiis atque histuriae illustratione audita mihi benevolentia, snpplex 
petit, si quam praestare sine tuo damno potes, opem praestes etc. Beide 
brieven verdienen in het vaderland van den grooten man herdrukt te 
worden. 

^) Chartes et documents de Tabbaye de Saint Pierre au mont Blandin 
k Gand, par a. van lokeren, Tomé I. Gand 1868. 

') Het is nP. 28 van het Oorkondenboek, dat aldaar den 8 Juli 939 tot 
datum heeft, doch dit moet 8 Juli 942 zijn. Van loke&eN zegt in eene aan- 
teekening op deze oorkonde: la date de cette pièce est écrite comme soit: 



269 

In deze Gentsche oorkonden nu vinden wij theodericus 
Comes in de jaren 942, 960, 962, 964, 969, 970, 972, 974, 
981, 983, 984 en 988. HiLDEöARDis, THEOD. comitis uxor, 
in 972 en in 974. Arnulfus, theod. comitis filius, in 970, 
971, 974, 981, 983 en in 984. Egbertus, theod. comitis filius, 
in 974. Arnulf komt er niet voor als graaf, doch 4: 995 gaf 
THEODERICUS cum matre sua lietgabda pro anima patris sni 
ARNULFI een geschenk. Deze laatste theod. is, zooals men 
weet, DIRK III. Nog eenmaal, in 998, vinden wij onder eene 
oorkonde het (Signum) theoderici comitis, filii Arnulfi co- 
mitis. Daarna komen geen namen van de HoUandsche graven 
meer voor onder de oorkonden van St. Pieter, want dat wij 
"hier met de grafelijke familie van Holland te doen hebben, is 
boven allen twijfel verheven. 

Dat wij hier voor het eerst in 942 een theod. Comes 
aantreffen, mag ons niet doen besluiten, dat onze graven toen 
voor het eerst met Gent en St. Pieter in aanraking kwamen. 
Uit de jaren 918 — 941 zijn geene oorkonden van St. Pieter 
overig. De abdij bestond in dien tijd zoo goed als niet. In 
941 liet ARNULF van Vlaanderen haar door GERARD van 
BROGNE hervormen. Sedert beginnen de giftbrieven : reeds 
het volgend jaar onderteekent graaf dirk er een. Na eenige 
jaren worden de giften zeer talrgk, want men naderde het 
vreeselijke jaar 1000. 

Uit de genoemde Egmondsche en Gentsche geschiedbronnen 
en uit het weinige, dat elders door tijdgenooten omtrent de 
eerste HoUandsche graven is bewaard, zal ik thans trachten een 
schets te geven van het politiek leven van de graven dirk i 
en II. Zeer weinig gegevens bestaan er voor, daarom kan 
deze schets niet dan zeer fragmentarisch zijn. 



actmn anno incamati verbi VIIP idnum juliarnm regnante Lndo- 

uuico anno YI^°, filio regis Karoli reclansi De Bast n'anra adopté la 

date de 939, que parce qn'il ne fut pas h. même de lire la date reelle 
écrite sur roriginal, dont Tencre avait tellement pftli, que les caractères en 
avaient presque disparn, mais qn'on est parvenu K faire reparaitre en em- 
ployant dn sulfure hydrogène d*ammoniac. 



270 

De oudste geschriften van Egmond verhalen ons niet uit 
welk geslacht dibk i was gesproten, noch wie zijn vader was. 
Eerst later, in de veertiende en vijftiende eeuw, zeggen de 
kronieken dat dibk i was gheboren van der crone van Yranc- 
ken, d. i. uit de Karolingen, of yan den edelen stamme van 
Troijen, wat hetzelfde wil zeggen. De Karolingen stamden 
immers uit Troje en hun geslachtslijst was: peiamus, heg- 
toe, FEANCION enz. Bij geschiedschrijvers der vijftiende eeuw 
is DiEK I vrij eenparig een zoon van sigibeet van AQUI- 
TANIE, een Karoling. Dat dibk i uit het geslacht van den 
grooten kabel stamde is waarschijnlijk, maar dat hij een zoon 
was van dezen sigibeet is onwaar. 

In het laatst der negende eeuw treffen wij in onze streken 
een graaf gebolf aan. Er bestaat nl. een giftbrief van den 
4 Augustus 889, waarin keizer abnulf dezen graaf gebOLF 
goederen schenkt, gelegen in zijn (gerolfs) graafschap, tus- 
schen den Eijn en Swithardshage. Over diezelfde landstreek 
was eenige jaren later dibk i graaf. Dit reeds doet vermoeden 
dat deze een zoon of bloedverwant van dien gebolf geweest 
is. Graaf geeolf wordt door gelijktijdige geschiedschrijvers 
vermeld. Het uitvoerigst spreekt eegino van hem: 

882. Novissime rex godefridus Nordmannorum ea condi- 
tione Christianum se fieri policetur, si ei munere regis 
Eresia provincia concederetur, et GISLA filia HLO- 
TARii, in uxorem daretur. duae ut optaverat adeptus, 
baptizatus est, et ex sacro fonte ab imperatore sns- 
ceptus. 

884. Nordmanni, qui in Ghinheim ex Denemarca venerant, 
adsentiente godefrido, Ehenum navigio ascendant. 

885. Hu GO rebellare disponens contra imperatorem legatos 

ad GODEFRIDUM in Eresia occulte dirigit sta- 

timque (godefridus) gerolfum et gardolfum, 

comités Eresonum, legatos ad caesarem dirigit 

ab eyerhardo primo percussus et a satellitibus hen- 
rici confossus godefridus moritur. 

898. Per idem tempus eworhardus dux, ülius MEGENHARDI, 



271 

a WALTGAEio Fresone, filio GPRULFI, cum venatum 

pergeret, dolo trucidatur. 
Gerolf had dus een zoon "WALGEE. Hier zijn ons de 
woorden van het St. Adelbertsboek welkom : theoderïcus frater 
WALGERI. Zij maken het waarschijnlijk dat dibk een zoon 
van GEEULF was. Doch er is meer. De goederenlijst van 
4: 1000 heeft een fragment van een giftbrief van diek i be- 
waard, waarbij deze aan de kerk van Egmond geeft partem 
patrimonii, quam heteditario jure visus est possidere, bestaande 
in eenige mansen te Franla, en daar in de buurt. Dus bezat 
graaf dier goederen in Kennemerland, die hij van zijn vader 
geërfd had. Op deze goederen zien ook de woorden van den gift- 
brief van 922. Daar wordt aan diek i de kerk van Egmond 
enz. geschonken om ze te gebruiken sicut reliquis possessionibus, 
quibus jure hereditario videtur uti. Mij dunkt diek t is zoo 
goed als zeker een zoon van genoemden geroi^f *). 



') De jongste schrijver over de gerolfen. Dr. e. verwijs (De abdij van 
Corvei enz. p. 84 en verv.) wil dat stoke wel wist dat gerolf de vader 
was van dirk i, maar dat hij dit verzweeg om zijn vorst niet van een 
ruwen Fries te doen afstammen. Zulks is niet te gelooven. Stoke wist niets 
meer van gerolf en dirk dan het Ghronicon hem leerde. Ook hield hij 
GEROLF niet voor een Fries van afkomst, maar voor een graaf, door den 
keizer aangesteld. Had hij geweten dat dirk i een zoon van gerolf was 
geweest, hij zou het niet verzwegen hebben, 't ware een krachtig argument 
geweest om het recht van zijn vorst op Friesland te bewijzen. Stoke 
wilde dien kant wel op (Boek I. vs. 548 — 550). 

Wij lezen bij stokb (boek I. vs. 517): 

In des DiDERics tiden, als iet vant. 

Was een grave in Vrieslant, 

Die GHEROLF bi namen hiet, 

Ende wan, als men bescreven siet, 

An coninc arnoude van Yrankelant enz. 

Dat is eene vertaling van gerolfus comes Fresonnm ab arnulfo rege 
Francornm enz. (Chron. Egm. ad ann. 884). De chronist kende een afschrift 
van den giftbrief aan gerolf, alwaar deze niet comes Fresonum wordt 
genoemd, maar in de kroniek van begino vond hij hem comes Fresonum 



272 

Ongeveer vijftig jaren voor dezen GEROLF treffen wij een 
graaf van denzelfden naam in Friesland aan. Er bestaat na- 
melijk een giftbrief van 8 Juli 839, waarbij lodewijk de 
VROME aan zijn leenman gerulfus goederen in Westergo 
schenkt. Het origineel berust thans op het prov. archief te 
Munster, vroeger in de abdij van Corvei. 

Volgens dien giftbrief was gerolf reeds vroeger door LO- ' 
DEWIJK met dezelfde goederen beschonken, doch wegens nalatig- 
heid waren ze hem later ontnomen; nu evenwel den 8 Juli 
839 schonk LODEWIJK ze aan hem terug. Gerolf was toen 
misschien reeds eenigszins bejaard. Hij moet een ander persoon 
zijn dan de gerolf, die 50 jaren later voorkomt. 

Nu beide gerolfen niet een en dezelfde persoon kunnen 
zijn, heeft men den een tot vader van den ander gemaakt. De 
HoUandsche geschiedschrijvers drukken zich daarbij ongeveer 
in deze woorden uit: //Men houdt het er algemeen voor dat 
deze GEROLF (nl. die van 839) de vader geweest is van een 
anderen gerolf, die enz." Alsof de waarheid door meerder- 
heid van stemmen wordt uitgemaakt. Zonder eenigen grond 
heeft men hier bloedverwantschap ondersteld. De gerolfen 
toch berechtten misschien niet dezelfde landen; het gebied 
van den een lag denkelijk aan deze, dat van den ander aaii 
gene zijde van het Flie. Gelijkheid van naam heeft zeker veel 
tot die vermeende bloedverwantschap bijgedragen, en toch heeft 
de graaf van Westergo, nu hij den naam gerolf droeg, niet 
meer kans de vader van gerolf van Kinhem geweest te zijm 
dan wanneer hij een van alle andere namen gedragen had, één 
naam uitgezonderd. In den tijd der gerolfen ontving de 
eerstgeboren zoon gewoonlijk den naam van zijns vaders vader. 



betiteld. Beide berichten combineerde b\j, das GEROLfus, comes Fresonom 
etc. Bij REGINO zijn de Fresones de eigenlijke Friezen en de inwoners van 
Holland en Utrecht. Die van Egniond kenden geene andere Friezen dan 
die van West- Friesland en die over het Flie. £n zoo werd gerolf door 
den chronist en melis stoke ten onrechte voor een graaf van de ovenni- 
derzeesche Friezen gehouden. 



273 

Had de graaf van Westergo dirk geheeten, dan bad men voor 
dat vaderschap een uiterst zwakken grond, maar men had dan 
toch eenigen grond, nu volstrekt geen. Nu hebben de graven, 
die in 839 b. v. in Gelderland, Utrecht of Noord-Brabant graaf- 
schappen bezaten, evenveel aanspraak op het vaderschap van 
GEROLF van Kinhem als de graaf van Westergo. 

De leeftijd der beide eerste dirken valt in de eeuw, waarin 
de machtelooze dynastie der Karolingen in het West-Erankenrijk 
bestendig in strijd was met hare oppermachtige leenmannen, 
waarvan de machtigsten, de Kapetingen, de hand dorsten uit- 
steken naar de kroon, en ze zelfs tweemaal een tijd lang en 
eindelijk voor goed bemachtigden. Aan de andere zijde van den 
Eijn wisten de hertogen der Saksen over stamnaijver, opstanden, 
Hongaren en Wenden te zegevieren en hun heerschapp^ der 
Saksen over geheel Duitschland en Lotharingen te grondvesten. 
Hun macht en grondgebied groeiden bestendig aan, weldra over- 
schaduwden zij de koningen van Frankrijk. De laatste Karolin- 
gen konden zich alleen door hulp en invloed der OTTO^S staande 
houden. 

De tiende eeuw was een eeuw vol strijd, strijd tusschen de 
koningen van het Oost- en West-Frankenrijk, strijd tusschen de 
koningen en hunne leenmannen en str^d tusschen de leenman- 
nen onderling, en in deze oneenigheden hebben ook dirk i en 
II, graven in Kinhem en in andere graafschappen, eene rol 
gespeeld. Hun politiek leven is echter bijna geheel onbekend. 
De tiende eeuw heet, en niet ten onrechte, de ijzeren eeuw, de 
duisterste uit de duistere middeleeuwen. Kroniekschrijven was 
haar zwak niet. In Holland zelf begon men eerst twee eeuwen 
later annalen aan te leggen. Gelukkig evenwel bezitten wij in 
FLODOARD een gelijktijdig en trouw beschrijver van den tijd 
der laatste Karolingen. Flodoard was domheer te Eheims, de 
metropool van Frankrijk. Zoo ergens, dan was hij daar in de 
gelegenheid den gang der zaken gewaar te worden. Hij leefde 
van 894 — 966, en zijne annalen loopen van 919 — 966. Jaar 
voor jaar verhaalt hij de politieke gebeurtenissen in Frankrijk, 
zeer nauwkeurig en zeer objectief. 



274 

Ongeveer 20 jaren na floboard beschreef richer, monnik 
van St. Eemigius te Eheims, hetzelfde t^dperk. De annaal- 
vorm, waarin gene zijn geschrift had opgesteld, was dezen te 
min. Hij wilde een samenhangend verhaal opstellen, maar tegen 
die taak was de monnik van St. Bemigius niet opgewassen, zijn 
boek is jammerlijk mislukt, en daar hij tot 966 bijna al zijne 
mededeelingen uit flodoard heeft overgeschreven, blijft zijn 
werk hier buiten aanmerking. Zoo ook flodoards andere 
werken en de overige geschiedschrijvers dezer eeuw. 

Tot aan 911 had in alle landen van karel den Groote zijn 
geslacht geregeerd. Toen lodewijk het Kind in dat jaar 
kinderloos stierf, had hem karel de Eenvoudige volgens erf- 
recht moeten opvolgen. Ware deze een krachtig, ontzagwek- 
kend man geweest, wederom zou over alle landen van .karel 
den Groote één persoon geregeerd hebben, maar zulk een man 
was KAREL de Eenvoudige niet. Slechts een deel der leenman- 
nen van LODEWIJK erkenden hem als wettigen troonopvolger, nl. 
die van Lotharingen. Van dit jaar 911 telde karel in zijne 

diploma's de jaren van breeder erfenis (anno largiore 

heredidate indepta). Het overige deel der erfenis vergat hij wel 
niet, doch hij was altijd te zwak om aan de verovering er van 
te beginnen. 

De leenmannen van dat overige deel kwamen samen en ko- 
zen zich een hunner, KOEN RAAD, 'tot koning. Deze wilde ko- 
ning zijn over alle landen van lodewijk het Kind,, dus ook 
over Lotharingen. Veroveren kon hij het evenwel niet, hij werd 
in Duitschland zelf te zeer bezig gehouden, want niet alle 
stammen hadden hem gekozen en erkend, en z^n stam, die 
der Franken, was juist niet de machtigste. Beter zou hierin 
zijn opvolger Hendrik slagen. 

In de eerste jaren na 911 schijnt karel de Eenvoudige 
vrij gerust in zijne landen geregeerd te hebben. Den 19 Jan. 
916 schonk hij Susteren in Limburg aan de abdig Prum ^). 



>) Oorkoudenboek nr. 23. 



275 

De oorkonde er van is onder anderen door dirk i ondertee- 
kend. Hier treedt deze voor de eerste maal in de geschie- 
denis op en wordt er graaf genoemd. Gerolf zal dus reeds 
overleden zijn. Die oorkonde is ook door gislebertus Co- 
mes onderteekend. Deze was een zoon van raginer van Hene- 
gouwen, die in 911 de erkenning van karel als koning van 
Lotharingen bewerkt had. Giselbert was eerzuchtig, twistzieken 
trouweloos. Dertig jaren lang verontrustte hij Lotharingen, dan 
deze dan gene partij dienend. Eeeds kort na 916 zocht hij 
karel te onttroonen, doch hij werd verwonnen en moest 
vluchten. Later, misschien in 919, keerde hij in zijne landen 
terug. 

In dezen tijd schonk koning KAREL zekeren hagen, een 
man van geringe afkomst, geheel zijn vertrouwen. Dit zette 
kwaad bloed bij de grooten des lands, hierom vielen zij in 
't begin van 920 bijna allen van den koning af en kozen GI- 
SELBERT tot hun leider ^). Den geheelen zomer bracht karel 
te Eheims bij aartsbisschop hEeivaeus door, en deze wist 
nog eenmaal de leenmannen met hun koning te verzoenen. 
Dat kwam den koning goed te pas, want nog in *t laatst van 
920 ontstonden oneenigheden tusschen hendbik den Vogelaar 
en KAREL. Hendrik wilde Lotharingen veroveren en karel 
den Elsas, doch geen van beiden kreeg het verlangde. Hoe 
die strijd werd gestreden is onbekend, doch zeker is het dat 
beide koningen in den zomer van 921 een wapenstilstand slo- 
ten, die den 7 November van dat jaar door een vredesverdrag 
gevolgd werd. De oorkonde, hiervan opgesteld, is ons bewaard 
gebleven ^). In dit stuk is geen sprake van afstand van grond- 
gebied, KAREL bezat en behield ook bij dit verdrag Lotharin- 



^) Flodoard ad ann. 920. Pene omnes Franciae comités regem suum 
KABOLUM apud urbem Suessonicam, quia Haganonem consiliarium saam, 

quem de mediocribus potcntem fecerat, demittere nolebat, reliquerant 

GISLEBERTUS, qoem ploruiii Lotharienses principem, relicto ilabolo rege, 
delegerant 

^ Oorkondenboek nr. 24. 



276 

gen. Toch was het verdrag een nederlaag voor den Karoling, 
want hij erkende hierbij een overweldiger van een deel zijner 
erfenis als koning daarvan. Het stuk is aan de zijde van karel 
onderteekend door de bisschoppen van Keulen, Trier, Kamergk, 
Chalons en Utrecht ; ook door eenige graven, waaronder .graaf 
DIRK I van Holland. 

Pas had KAREL met den uitlandschen vijand vrede gesloten, 
of zijne eigene onderdanen stonden weer op. In *t laatst van 
921 waren hertog giselbert en graaf OTTO weer tegen hem 
in de w.apenen. Tot giselberts partij behoorden ook aarts- 
bisschop HERIVAEUS, hertog RODBERT van Francie en vele 
anderen. Toch bleef een deel der leenmannen, meest uit Lotha- 
ringen, KAREL getrouw, waaronder ook de graaf van Hol- 
land. In dit jaar gaf koning KAREL aan dirk de kerk van 
Egmond. Het is de moeite waard het verblijf van den koning 
in dit jaar na te gaan: 

Winter van 921 — 922, karel verwoest Lotharingen. Flo- 

DOARD. 

4 Maart 922, Oorkonde van karel te Emmerik. BouQUET 
IX. p. 553. 

10 Maart 922, (Zondag quadrag.) KAREL verwoest Lotha- 
ringen. FLODOARD. 

7 Juni 922, Oorkonde te Nova Villa, bouquet IX. p. 554. 

9 // 922, KAREL te Rheims. Flodoard. 

Van Eheims ging KAREL naar Laon, doch de poorten ge- 
sloten vindende, trok hij verder en de Maas over. 

15 Juni 922, Oorkonde te Pladella. Oorkondenboek nr. 26. 

Dit is de bekende giftbrief, waarvan ieder, die slechts een 
flauw denkbeeld van de graven van Holland heeft, weet te 
spreken. 

Vroeger, tot heda en de dousa's, gaf men den brief het 
jaartal 863, en men meende dat het graafschap door dezen 
brief was //ingesteld." Latere geschiedschrijvers stellen hem 
op het jaar 922 (ook 921 of 923) en spreken daarbij nog 
altijd, op het voetspoor der middeleeuwers, van oorsprong, 
ontstaan of oprichting van het graafschap Holland. Geheel ten 



277 

oorechte. Dirk wordt reeds in de oorkonden van 916 en 921 
graaf genoemd. Bovendien wordt hem in deze oorkonde geen 
graafschap geschonken, alleen eenige goederen, die, al zegt de 
oorkonde het niet, zonder twijfel in zijn graafschap lagen. 
Dirk wordt er niet comes genoemd, maar fidelis, d. i. leen- 
manj; dit woord maakt het woord comes overbodig. 

Omstreeks dezen tijd was karels macht en aanzien door 
zijne eigene zwakheid, en vooral door de onpopulaire Hagensche 
politiek, zeer gedaald. Terwijl hij in Lotharingen rondzwierf, 
werd graaf rodbert te Rheims in den dom van St. Kemigius 
door den primas van Frankrijk tot koning gekroond en met 
de heilige olie gezalfd. Geheel Frankrijk en Lotharingen waren 
nu in twee partijen verdeeld. In het begin van 923 had ko- 
ning RODEERT, het hoofd der sterkste partij, eene samenkomst 
met koning hendbik en sloot met deze een vriendschapsverbond. 
Nog hetzelfde jaar zou het tusschen beide partijen tot een be- 
slissenden slag komen, nl. bij Soissons den 15 Juni 923. Ko- 
ning EODBERT sneuvelde, doch KA REL had hier geen voordeel 
van ; hij, die zoo weinig had te verliezen, verloor den slag. Nog 
eenmaal trok hij over de Maas, waar hij weldra door her- 
bert van VERMANDOis werd gevangen genomen. 

In de plaats van den gesneuvelden rodbert werd hertog 
BUDOLF van Bourgondië tot koning gekozen, en door het 
grootste gedeelte der leenmannen erkend. De onrustige gisel- 
BERT evenwel en de aartsbisschop ruotgee van Trier erkenden 
hem niet en riepen koning hendbik in het land. In het najaar 
van 923 kwam deze en hechtte een deel van Lotharingen aan 
zijn rijk. Van dit jaar tellen de diplomen van Trier hendeiks 
regeeringsjaren over het regnum quondam lotharii *). 

Meer kon hendeik nu niet veroveren, want de Hongaren 
deden weer invallen in het oosten van zijn rijk. Het geheele jaar 

924 werd de koning door dezen volksstam bezig gehouden, doch in 

925 kwam hij weer naar Lotharingen; hy overwon GISELBEET, 



>) Een er van in het Oorkondenboek nr. 27. Anno V is daarnatimrl^jk 
het goede jaartal. 



278 

lie van hem was afgevallen, en tegen \ einde van het jaar 
onderwierp geheel Lotharingen zich aan koning hendbik. 

In de beide volgende jaren vernemen wij weinig van Lotha- 
ringen, het was er tamelijk rustig; maar in 928 was daar 
zekere graaf BOSO oproerig. Hendrik kwam en bracht hem tot 
gehoorzaamheid terug. Uit dit jaar is ons eene oorkonde bekend, 
die wij hier moeten vermelden '), Zij is gegeven te Maastricht 
en heeft alleen het jaartal 928 zonder dagteekening, doch zij 
moet van Juli — September van dat jaar zijn. Hertog GISEL- 
BBECHT verruilt in dit stuk eenige goederen met St. Pieter te Trier 
coram domino henbico glorioso rege et coram illius principi- 
bus. Onder de getuigen komt ook dibk i voor. Hier vinden 
wij DIBK in gezelschap van zijn hertog, den woeligen GISEL- 
BEBT, en van zijn opperleenheer, koning hendbik. Dibk was 
overigens koning kabel lang trouw gebleven, nog in Juni 
922, toen deze door bijna al zijne leenmannen was verlaten. 

Van 928 — 939 wordt graaf dibk noch in de geschiedenis 
noch in eenige oorkonde genoemd. Toch was Lotharingen in 
die 12 jaren verre van rustig. In 936 overleed koning bu- 
DOLF. Nu zou HU GO, de machtige hertog van Francie, de 
kroon voor zich hebben kunnen behouden, doch, misschien ge- 
dachtig aan het lot van zijne bloedverwanten ODO en bODBEBt 
en van budolf, verkoos hij liever door een wettigen koning, 
door een Karoling te heerschen. 

Hij 'deed den zoon van kabel den Eenvoudige, lodewijk, 
uit Engeland overkomen, waarheen deze na kabels gevangen- 
neming, met zijne moeder edgiva, gevlucht was tot koning 
athelstan, edgiva's broeder. Lodewijk werd nog hetzelfde 
jaar gekroond. Zoodra de nieuwe koning toonde zelf een wil 
te hebben, en zoodra hij zich aan de voogdij van HU GO trachtte 
te onttrekken, voegde deze zich weer bij de tegenstanders der 
Karolingische dynastie, bij hebbebt van Vermandois en zijne 
factie. Wederom werd de regeering van LODEWIJK een strijd 



*^ Oorkondenboek nr. 21. 



279. 

tusschen den machteloozen opperleenheer en de overmachtige 
leenmannen, zooals het vroeger onder kabel den Eenvoudige 
geweest was en later onder lothaeius nog eens zou zijn. 

Hu GO zag om naar bondgenooten. Hij vond er een in ko- 
ning OTTO, die in 936 zijn vader hendbik was opgevolgd. 
Doch terwijl otto zich nu met de oproerige onderdanen van 
een vreemd vorst verbond, werd in zijn eigen land een opstand 
tegen hem voorbereid. Hertog eyebhabd van Frankenland 
was er de ziel van, en OTTO's halfbroer thankmab en daarna 
zijn volle broer hendbik namen er deel aan. Hendbik wendde 
zich tot hertog giselbebt van Lotharingen, die er nu natuurlijk 
ook in betrokken werd. Zoo brak het gewichtige jaar 939 aan. 

Giselbebt en zijne Lotharingers zochten koning lode- 
wijk voor hunne partij te winnen, doch zij werden afgewezen, 
omdat hij kort te voren een vriendschapsverbond met otto 
had gesloten ^). In de eerste maanden van 939 ging otto 
met een leger naar Lotharingen. Hier, bij Birthen aan den 
Kijn, sloeg hg de vereenigde legers van giselbebt en hen- 
dbik en keerde toen naar Saksen terug. Nu wendden zich de 
Lotharingsche grooten wederom tot koning lodewijk en dit 
maal met goed gevolg. Flodoabd zegt: Lotharienses iterum 
veniunt ad regem ludowigum; et proceres ipsius regni gisle- 
BERTUS scilicet dux et otho, isaag atque theodorigus comi- 
tés eidem se regi committunt. Deze theodobigus comes is graaf 
dtbk van Holland. In den zomer kwam otto terug, verwin- 
nend trok hij Lotjiaringen door en ging deiarna giselbebts 
veste Chêvremont belegeren. Weldra moest hij onverrichter- 
zake aftrekken, want onlusten in Saksen vorderden zijne te- 
genwoordigheid. Tegen den herfst kwam hij ten derde male 
terug. Hij begon de vesting Breisach aan den Rijn in den 
Ëlsas te belegeren. In dezen tijd verzamelden zich de opstan- 
delingen aan den Rijn meer benedenwaarts. Velen, die OTTO 



') Flodoard ad ann. 939: Lotharienses othonem regem saum deserunt et 
ad LooowicuM regem veniont, qai cos recipere distulit ob amidtiam, qaae 
inter cos, legatis ipsios othonis et abnulfo comitemediante, depactaerati 



280 

tot DU toe in schijn getrouw waren gebleven, vielen hem af 
en begaven zich tot de vijanden, zelfs uit OTTO's eigen leger. 
Yan alle kanten stroomden opstandelingen toe. Nooit was de 
heerschappij der Saksen in grooter gevaar, doch ook deze 
keer zou men alles te boven komen. 

Op zekeren dag, dus verhalen widukind en liudpband, zond 
OTTO eenige graven uit met weinig troepen om het leger der vijan- 
den te verkennen. Zij vonden dat evebhabd en giselbebt 
het grootste deel hunner troepen over den Bijn gezonden hadden. 
Alleen de hertogen met een klein aantal mannen bevonden zich 
nog op den rechter-oever. De graven besloten hen aan te tas- 
ten. Nu had daar een kort maar hevig gevecht plaats. EVEB- 
HABD sneuvelde, giselbebt sprong met anderen in eene boot, 
doch de boot sloeg om en hij verdronk '). Dit gevecht was 
voor OTTO rijk in gevolgen, want met den dood der beide 
hoofden was de kracht van den opstand gebroken. 

Hoe ging het nu verder met graaf dibk van Holland, die 
kort voor dit gevecht onder de opstandelingen genoemd wordt ? 
Gelijktijdige kronieken zwijgen er van. De oudste berichten 
uit Egmond melden bijna niets van graaf dirk l, zelfs niet 
eens zijn sterfjaar. Wij mogen hier niet voorbijgaan wat de 
DOUSA^s van dibks overlijden verhalen (Ann. metr. p. 29. 
Ann. pros. p. 382). Op eerstgemelde plaats weerlegt DOUSA 
senior de meeningen van snoy en soortgelijken, en vervolgt dan : 

Contentusque fide scripti calamo exemplaris; 

Alberti acceptum quod fero coenobio, 

Saecla bis ante duo scripti calamo exemplaris; 

Contextae et patriis versibus historiae, 

Quae liquido constare negant de tempore quidquam 

Pausa aevi primo quum data Diderico. 



^) Zoo verhaalt widukind. Volgens liudprand sprong giselbebt te 
paard in den stroom en verdronk daarmede. Beide geschiedschryvers be- 
schreven dezen strijd eenige jaren na 939. Men merkt uit hnnne woorden 
dat zij van dien tijd slechts van hooren zeggen wisten. 



S81 

De drie laatste regels zien op MELIS STOKE I. vs. 611 — 616, 
en de drie eerste op een zeer ond handschrift in het bezit 
der DOUSA's, die er hier en daar in hunne werken de hooge 
oudheid en trouw van prijzen. Meermalen deelen zij er berich- 
ten uit mede, die men nergens elders vindt en die allen schijn 
van waarheid hebben *). DOUSA teeken t hier bij de woorden 
scripti calamo exemplaris op den kant aan: Diserte narrantis 
DIEDERICUM, post diutumam provinciaé administrationem, nescio 
quo in longinquas oras profectum, inibi decessisse: proinde certo 
non constare, quamdiu vixerit, aut ubi locorum sepultus. 

Iets dergelijks leest men in het Goudtsch kronyksken p. 18: 
Deze grave Diderick doe hy langhe gheregeert hadde, doe toogh 
hy uyten lande; soo dat men niet en weet, hoe langhe dat hy 
levede, of waar dat hy starf. Maer GENA syn wyf die leyt tot 
Egmond {n dat clooster begraven. 

Deze ^gelen van DOUSA en vooral die van het kronyksken 
hebben later aanleiding gegeven tot de meening dat dirk i in 
het gevecht bij Breisach is gesneuveld of, zooals van loon 
zegt, verdronken. Het kan waar zyn. Dieks anniversarium 
werd in de kerk van Egmond op den 6 October gevierd. Nu 
weet men ongelukkig den dag en zelfs de maand niet, waarin 
het gevecht bij Breisach heeft plaats gehad. Het viel voor in 
den herfst, want er bestaat eene oorkonde van OTTO, vóór zijn 
derden tocht naar Lotharingen opgesteld, gegeven te Werla, 
den 11 September. De namen van de hertogen evebhard en 
GiSELBEBT komen in een paar necrologieën voor, maar alleen 
met het jaartal, zonder den sterfdag. 

Het is twijfelachtig of dibk i bij Breisach het einde van 
zijn leven vond; toch zal ik, ofschoon het misschien onjuist is, 
wanneer wij in 't vervolg een graaf DIRK van Holland aan- 
treffen, dezen voor dirk ii houden. 

Na den dood der beide hertogen onderwierpen velen zich 
terstond aan hun koning. Reeds in 940 kon OTTO aanvallend 



>) Men zie de Wind, Bibliotheek van Nederlandsche geschiedschrijvers 

I, pa^. 266, aant. 81. 

1» 



282 

tegen lodewijk optreden; nog twee jaren vochten beide ko- 
ningen tegen elkander met afwisselend geluk, tot zij in het 
jaar 942 te Bouziers vrede sloten. 

Wij komen hier tot een keerpunt in de geschiedenis der 
Saksische koningen. Tot nog toe hadden over de Beieren, de 
Franken enz. nationale stamhertogen geregeerd, nu waren zy 
meest verdreven of gedood, en hunne plaatsen, evenals vele 
bisdommen en graafschappen, waren met verwanten of vrienden 
van het Saksische vorstenhuis bezet. Otto's verhouding tot 
Frankrijk was van nu af ook veranderd. Zoolang lodewijk 
Lotharingen aantastte, hield OTTO het met diens oproerige 
leenmannen. In 't vervolg was lodewijk hiertoe te zwak en 
Lotharingen te goed bevredigd. Yoortaan zien w|j OTTO den 
Franschen koning tegen zijn leenmannen verdedigen. 

Den 8 Juli 942 onderteekende graaf dirk ii te Gent eene 
oorkonde *). 

Omstreeks dezen t\jd in 941 of in 942, en ook later in 949 
of in 980, steUen sommige geschiedschrijvers de oprichting van 
een burggraafschap te Gent door een der beide eerste OTTO^S. 
Over dit burggraafschap zouden twee der HoUandsche graven, 
DIRK II en ARNULF, burggraven geweest z^n; daarom moeten 
wij er een oogenblik bij stilstaan. Ik zal vooraf de toedracht 
der zaak volgens geschiedschrijvers der laatste eeuw verhalen 
en haar zoo aannemelijk mogelijk voorstellen. 

Otto I, zoo lezen wij, die terecht de groote is b^genaamd, 
breidde de grenzen van z^n r^k zeer uit. H\j veroverde het 
koninkrijk Italië, d. i. Noord- en Midden-Italië. H^ overwon 
de Polen. Herhaalde krijgstochten deed hij tegen de Wenden. 
In al deze landen richtte hij markgraafschappen op. Vooral in 
het land der Wenden stichtte hij burgen en stelde aan het 
hoofd daarvan burggraven. Dit alles verhalen kronieken der 
tiende eeuw. In die eeuw zijn weinig kronieken geschreven, 
vandaar dat vele ook zeer gewichtige staatsgebeurtenissen uit 
dien tijd ons onbekend of zeer onvoUedig bekend z^n. Zoo ook 



') Oorkondenboek n^. 28. Zie aanteekening 3, pag. 268 hierbovoi. 



283 

OTTO's grensversterking tegen de Denen en tegen de Franschen. 

Een paar Noordsche saga's, ADAM van Bremen en anderen 
verhalen, dat koning otto eens noordwaarts trok en Dene- 
marken binnendrong, dat bij er landen veroverde en aan zijn 
rijk hechtte, tot hij ergens bij een stroom stand hield. Hier 
wierp hij nu naar oud-Germaansche zede zijn speer in den 
vloed en maakte dit water zoodoende tot grens van zijn ge- 
bied. Nog heden heet daarnaar een gedeelte van de Limfiord 
Oddensund. 

Iets dergelijks is de Otto- gracht in Vlaanderen en het burg- 
graafschap van Gent. Konióg OTTO, zegt men, trok eenmaal 
met een leger de Schelde over en veroverde een gedeelte van 
Vlaanderen. Daarna bouwde hij te Gent een burg en stelde 
er een burggraaf aan, wien hij de veroverde landen, het land 
van Waas en de Vier Ambachten, in leen gaf. Wichman, uit 
het Saksische geslacht der Billingen, was de eerste burggraaf; 
op hem volgden dibk ii en arnulf, die tegelijk graven van 
Holland waren. Van 1004 — 1007 lag baldewin van Vlaanderen 
met HENDRIK II overhoop. In dezen oorlog veroverde eerst- 
genoemde den Ottonischen burg en bij deirvrede ontving hij dien 
met zijn grondgebied van koning Hendrik in leen. Van nu 
af vormde dit grondgebied met andere landen het Kijks- Vlaan- 
deren, en zij, die aan 't hoofd van den burg stonden, heetten 
nu in 't vervolg niet meer graven, maar kasteleinen. 

Dit verhaal heeft bij den eersten oogopslag niets onwaar- 
schijnlijks. Maar men moet niet vergeten dat het voor het 
eerst bij schrijvers voorkomt, die eeuwen na den tijd der 
OTTO's leefden. Kronieken en oorkonden uit de tiende eeuw 
of van kort daarna mogen, zoo zij dit verhaal al niet behoe- 
ven te bevestigen, er volstrekt niet mee strijdig zijn, en dat 
zijn ze. Daarom ' geloof ik niets van de oprichting van dat 
burggraafschap door een der OTTO's. 

In de eerste plaats zal ik hier de berichten, die tegen die 
oprichting strijden, mededeelen en dan de oudste geschriften, 
die van dit burggraafschap spreken. 

V, In den Merovingen-tijd was de Schelde de grens tusschen 



284. 

Austrasië en Neustrië. Zij bleef eene grens b^ de verdeelings- 
verdragen van 843 en 870. In 923 en in 925 veroverde ko- 
ning HENDRIK Lotharingen. Nu werd de Schelde de grens 
tusschen zijn rijk en Frankrijk. De abd\j van St. Pieier te 
Gent bezat vele goederen, in Vlaanderen, 't land van Waas, 
Brabant en elders gelegen, dus in het gebied der koningen 
van Duitschland en van Frankrijk. Bij voorkomende gelegen- 
heden, wanneer de Duitsche koning te Luik, Nijmegen of 
elders niet heel ver van Gent hof hield, begaf zich de abt 
van St. Pieter met de noodige oorkonden tot hem en vroeg 
een bevestings- en beschermings brief voor de abdij -bezittingen 
in des konings gebied. Zulke brieven z^n nog aanwezig van 
OTTO I gegeven in 966, van otto ii in 977, van otto iii 
in 988, en een tusschen 987 en 995, van koenraad ii in 
1036 en een van hendrik iii in 1040. Genoemde koningen 
beloven in deze brieven bescherming van die abdijgoederen, die, 
zooals zij zeggen, gelegen z\jn infra regni nostri terminos. De 
mansen enz. die in deze brieven met name genoemd worden, 
lagen allen in Brabant, Henegouwen ot elders aan deze z\jde 
der Schelde; niet éen. er van lag over die rivier. Onder de 
archieven van St. Pieter bevinden zich ook oorkonden van 951, 
tusschen 969 en 981, van 962, 964 en 1037, waarin konin- 
gen van Frankr^k den abt bescherming beloven voor goederen 
der abdij, binnen de grenzen van hun rijk gelegen. Deze goe- 
deren nu lagen in Vlaanderen, het land van Waas, de Gentgou, 
de Vier Ambachten en elders. Dezelfde grensscheiding merkt 
men op in de oorkonden van St. Baafs abdij. In dezen tjyd 
moet derhalve de Schelde nog de grens zijn geweest tusschen 
het rijk der Duitsche en dat der Fransche koningen, en geen 
van beide eerste otto's kan een gedeelte gronds over de Schelde 
veroverd en aan WIGHMAN in leen gegeven hebben. 

2^ Den 25 Aug. 985 schonk OTTO ii aan DIRK ii vele 
goederen in eigendom, die deze tot dien tijd van otto in leen 
had bezeten. Het schijnt dat dirk, behoudens eenige uitzon- 
deringen, die de oorkonde noemt, alles in eigendom ontving 
wat hij van dien koning in leen hield. De oorkonde spreekt 



285 

van beneficia in Masalant enz., maar DiRR ontvangt niets over 
de Schelde in de Gentgou. Dus zal hij dit niet van OTTO in 
leen hebben bezeten, maar van den graaf van Vlaanderen, 
die op zijn beurt een leenman was van den koning van Frank- 
rijk. Daarom wordt graaf ARNULF van Vlaanderen door 
DIRK II senior meus genoemd ^), een woord, waarmede de leen- 
mannen hun leenheer betitelen; daarom wordt hij door koning 
LODEWIJK onder de primores van zijn rijk genoemd en door 
LOTHARlUS noster fidelis, onze leenman. 

3^ In de jaren 1004 was er strijd tusschen BALDE win, 
graaf van Vlaanderen, en koning hbndrik ii. In dezen 
strijd bemachtigde de graaf van Vlaanderen Valenciennes. 
Daarop rukte koning Hendrik met een leger aan. Toen hij 
bij de Schelde kwam, trachtte de graaf van Vlaanderen 
hem den overtocht te beletten. Doch te vergeefs, Hendrik 
trok de rivier over, ging de landstreek aldaar verwoesten en 
belegerde toen den burg van Gent. Nu werd baldewin han- 
delbaar. In 1007 werd de vrede gesloten, de graaf ontving 
daarbij Valenciennes van den koning in leen en eenige jaren 
later ook Walcheren. 

Ieder, die de berichten over dezen strijd, door kluit en 
warnkönig verzameld *), leest, zal zien dat daarin volstrekt 
niets van het burggraafschap gezegd wordt. Zij bewijzen veeleer, 
dat alles over de Schelde aan den graaf van Vlaanderen 
behoorde en dat die rivier nog de grens van Hendriks rijk 
was, en dit schijnt ook uit de boven aangehaalde oorkonden 
van St. Pieter en St. Bavo te blijken. 

In den loop der elfde eeuw moeten het land van Waas en 
de Viec Ambachten door een koning van Duitschland ver- 
overd en aan den graaf van Vlaanderen in leen gegeven zijn. 

Kluit, warnkönig en anderen deelen, waar zij over ge- 
noemd burggraafschap spreken, een bericht mede uit een chro- 



*) Oorkondenboek n^. 37. 

5) Kluit, Hist. critica tom. II, pars I, p. 94 — 108. Waenköni», 
Flandrische Staats- and Bechtsgeschicbte th. IL Aahang p. 9. 



288 

Dit gebeurde in het begin van het jaar 945. Kort daarna 
ging de koning naar het land der Noormannen, door wie l^j 
gevangen genomen en aan hertog hu GO uitgeleverd werd. Een 
jaar lang hield deze den koning gevangen. Eerst nadat de vorst 
z^n voornaamste bezitting Laon aan den hertog had overgege- 
ven, erlangde hij de vrijheid weder (Juli 946). 

Gedurende zijne gevangenschap had koning lodewijk, even- 
als koningin Gërberga, zich tot koning otto om hulp gewend. 
In den zomer van 946 trok de Duitsche koning met een groot 
leger Frankrijk binnen. Drie maanden lang trok hij het land 
verwoestend door en toen kon hij, ofschoon zijn tocht niet in 
alles geslaagd was, toch eenige sterkten aan lodewijk over- 
geven; ook een aantal leenmannen had hij tot gehoorzaamheid 
aan hun koning teruggebracht. Lodewijk zou nu alleen den 
strijd voortzetten, doch spoedig bleek hij hiervoor nog te zwak 
te zijn. In de eerstvolgende jaren riepen lodewijk en gebberga, 
zoo door gezanten als in persoon, herhaaldelijk de hulp van 
OTTO in. De strijd betrof in dezen tijd voornamelijk het aarts- 
bisdom Bheims, dat twee aartsbisschoppen elkander betwistten. 
Aan de zijde van den eenen, artold, stond de koning; de 
andere, hu GO, een zoon van herbert van Yermandois, werd 
ondersteund door z\jne broeders, door hertog hugo en anderen. 
Meerdere synoden zijn gehouden om hun twist bQ te leggen. 
Deze synoden spraken over de beide hugo's den banvloek uit, 
doch geen van beiden stoorde zich er aan, de partijen bleven elkan- 
der bestrijden. In dezen strijd, op het jaar 949, wordt graaf 
DIRK twee malen genoemd; beide malen staat hij, evenals in 
945, aan de z^de van koning lodewijk, dus ook aan koning 
OTTO^S zijde. Flodoard verhaalt op dit jaar dat graaf dirk 
en anderen eene vesting belegerden, die de afgezette aartsbis- 
schop hugo nog bezet hield. ') Verder treedt hy dit jaar als 
getuige op in eene oorkonde van koning lodewijk, waarvan 



1) Ad ann. 949: Altmontem praesidiam, quod iogressas cam suis tenebat 
HUGO qaondam episcopus, ohsident dodo, frater domni artoldi, eam 
fidelibos ipsios et tueodoricus comes eet. 



287 

opstellen van oorkonden tegenwoordig waren, moeten, en reeds 
in 942 zoo niet vroeger, graven der Gentgou geweest z^n in 
plaats van dien graaf WIGHMAN, die als een meteoor slechts 
éénmaal te Gent eene oorkonde onderteekende. 

De verzoening tusschen koning lodewijk en zijne leenman- 
nen, te Bouziers in 942, was van geen langen duur. Nog in 
dat jaar werd hertog WILLEM van Normandie op aanstoken 
van ARNULF van Vlaanderen vermoord. Nu hoopte de ko- 
ning door hulp van hu GO dat hertogdom aan zich te brengen. 
Hu GO wist ook in 943 graaf arnulf weer met den koning 
te verzoenen, doch kort daarna geraakte hij weer in strijd met 
den koning en verbond zich met de zonen van herbert van 
Vermandois. Treurig zag het er in dien tijd voor den koning uit, 
want de Normandiërs hadden de stamverwante Denen te hulp 
geroepen, en de oproerige leenmannen vermeerderden bestendig, 
en LODEWIJKS aanhangers verminderden in dezelfde mate. 

Tot de weinige getrouw geblevene leenmannen behoorden 
ARNULF van Vlaanderen en dirk van Holland. Flodoard 
zegt op het jaar 945 : Rex LUDOWICUS, coUecto secum 
Nortmannorum exercitu, Viromandensem pagum depraedatur, 
assumptoque cum ipsis erltjino cum parte militum arnulfi, 
sed et ARTOLDO episcopo cum his dudum qui Remis ejecti 
fuerant, comitibus quoque bernardo ac thboderigo nepote 
ipsius, Remorem obsidet urbem ')• 



*) Deze BERNHABD was graaf van Senlis, zoon en opvolger van graaf 
PEPPIN. Theodoricus, die hier bebnhabds nepos d. i. oomzegger genoemd 
wordt, was mijns inziens dibk ii van Holland. Zonder twijfel had ook kluit deze 
plaats van flodoabd op het oog, toen hij (ad Chronicon Egmnnd. p. 20, 
nota 56) schreef: Nunc tantum moneo, videri hanc Gtevam sive Gerbergam, 
primi nostri theoderici uxorem, fnisse filiam pipini comitis Sylvanec- 
tensis, neptem pipini comitis ex stirpe Carolingica. (Men zie ook aldaar 
p. 26, nota 72). Hollandsche kronieken nit de vijftiende en zestiende eeuw 
verhalen, dat Greva eene dochter van koning peppin van Italië was. Zij 
kunnen een waar bericht misverstaan hebben, want Gbva was misschien 
eene dochter van peppin van Senlis, die een nakomeling was van peppi)^ 
van Italië. 



288 

Dit gebeurde in het begin van het jaar 945. Kort daarna 
ging de koning naar het land der Noormannen, door wie hij 
gevangen genomen en aan hertog HUGO uitgeleverd werd. Een 
jaar lang hield deze den koning gevangen. Eerst nadat de vorst 
z^n voornaamste bezitting Laon aan den hertog -had overgege- 
ven, erlangde h\j de vrijheid weder (Juli 946). 

Gedurende zijne gevangenschap had koning lodewijk, even- 
als koningin gerberga, zich tot koning OTTO om hulp gewend. 
In den zomer van 946 trok de Duitsche koning met een groot 
leger Frankr^k binnen. Drie maanden lang trok hij het land 
verwoestend door en toen kon hij, ofschoon zijn tocht niet in 
alles geslaagd was, toch eenige sterkten aan lodewijk over- 
geven; ook een aantal leenmannen had hij tot gehoorzaamheid 
aan hun koning teruggebracht. Lodewijk zou nu alleen den 
strijd voortzetten, doch spoedig bleek hij hiervoor nog te zwak 
te zijn. In de eerstvolgende jaren riepen lodewijk en gebberga, 
zoo door gezanten als in persoon, herhaaldelijk de hulp van 
OTTO in. De strijd betrof in dezen tijd voornamelijk het aarts- 
bisdom Bheims, dat twee aartsbisschoppen elkander betwistten. 
Aan de zijde van den eenen, artold, stond de koning; de 
andere, HUGO, een zoon van herbert van Yermandois, werd 
ondersteund door zijne broeders, door hertog HUGO en anderen. 
Meerdere synoden zijn gehouden om hun twist hïj te leggen. 
Deze synoden spraken over de beide hugo's den banvloek uit, 
doch geen van beiden stoorde zich er aan, de partijen bleven elkan- 
der bestrijden. In dezen strijd, op het jaar 949, wordt graaf 
DIRK twee malen genoemd; beide malen staat hij, evenals in 
945, aan de z\jde van koning lodewijk, dus ook aan koning 
OTTO's zijde. Flodoard verhaalt op dit jaar dat graaf dirk 
en anderen eene vesting belegerden, die de afgezette aartsbis- 
schop HUGO nog bezet hield. ') Verder treedt h^ dit jaar als 
getuige op in eene oorkonde van koning lodewijk, waarvan 



1) Ad ann. 949: Altmontem praesidiam, quod iDgressas cam sois tenebat 
Huoo quondam episcopos, obsident dodo, frater domni abtoldi, cam 
fidelibos ipsius et tueodorious comes eet. 



289 

het onderschrift is: adstantibus quoque et faventibus regni 
nostri primoribus .... bernardo et theodorico comitibus. 
Datum in Edua civitate, IV Idus Nov. ind. VII, anno XIV 
regn. LCD. glorioss. rege '). 

Eindelijk in 950 onderwierp hertog HUGO door bemiddeling 
van koning otto zich aan lodewijk, doch reeds het vol- 
gende jaar waren koning lodewijk en hu GO weder oneenig. 
De eerste riep de hulp van OTTO in, en deze ontbood den 
leenman voor zich. Deemoedig verscheen hüGO op een rijksdag 
te Aken en daar bewerkte otto een verzoening tusschen beide 
part\jen. Zoo groot was nu de invloed van den Duitschen 
koning, en zoo laag was de macht van koning lodewijk ge- 
zonken. Ook in 't vervolg had lodewijk tegen zijne leen- 
mannen te strijden, tot h\j den 10 September 954 overleed, 
nog maar 34 jaren oud. 

De regeering van lotharius 954 — 986 was weder een ein- 
delooze strijd tusschen den koning en zijne leenmannen. 'Graaf 
dirk II wordt door de geschiedschrijvers, die de regeering 
van lotharius beschreven hebben, niet genoemd. Boven heb- 
ben wij een versje medegedeeld, dat te Egmond, misschien in 
de elfde eeuw, is vervaardigd. Daarin wordt van dirk ii ge- 
zegd: quem LOTHABius ditavit munere, iets wat misschien 
doelt op de schenking van het foreest Wasda aan dibk ii 
door dien koning. 

De origineele oorkonde dezer schenking is verloren, maar 
er bestaan afschriften van. Zij schrijven de oorkonde aan 
een koning lodewijk toe. Het onderschrift ervan is: GEZO 
cancellarius ad vicem domini othildrigi archiepiscopi sum 
mique cancellarii recognovit et subscripsit. Nu waren er in 
den tijd van lodewijk den Duitscher noch een kanselier 
GEZO, noch een aartskanselier othilbik, maar personen 
tnet die namen bekleedden genoemde ambten b^ koning 
LOTHABIUS. Daarenboven is de oorkonde opgesteld in den 
kanselarijstijl van koning lotharius en niet in dien van 



') souQUET, Scriptores rerum Gallieamm, toin. IX p. 606, 



290 

LODEWIJK den Dnitscher; terecht heeft men dan ook in de 
laatste eeuw ze aan koning lotharius toegekend. Othil.- 
RiK was van 961 tot 969 aartsbisschop van Rheims, dus 
ook in dien tijd aartskanselier van Frankr^k. De oorkonde is 
afgegeven op verzoek van koningin EMMA, met wie LOTHARius 
in 't laatst van 965 of in 't begin van 966 gehnwd is. Zij 
zal dus zijn uit de jaren 966, 67, 68 of 69. Plaats van afgifte 
wordt niet genoemd. Het regeeringsjaar van den koning en het 
indictiejaar, ofschoon deze in de afschriften niet overeenstem- 
men, pleiten meest voor 969. Oorkonden van lothabius 
bezitten wi} zeer weinig. Zij konden hier anders licht aanbren- 
gen. Lotharius had in zijn koninkrijk weinig te zeggen en 
weinig te geven. Kloosters enz. schijnen zich ook niet bekom- 
merd te hebben om bevestingsbrieven hunner bezittingen door 
dien macbteloozen koning, ten minste er bestaan niet veel 
zulke brieven. Veel talrijker zijn in dien t^d de oorkonden 
der OTTO's. 

Waar het foreest Wasda lag, blijft nog altijd onbekend. Zoo- 
veel is zeker dat het in het rijk van lothabius, dus aan 
gene zijde van de Schelde moet gezocht worden, hetzij in het 
land van Waas, hetzij elders. 

Yan het jaar 969 tot 980 was graaf dibk vijf malen te 
Grent getuige b§ het opstellen van oorkonden. Iets anders ver- 
nemen wij in deze tijdsruimte niet van hem. In dezen tgd 
werd een zoon van graaf dirk ii, egbert, tot aartsbisschop 
van Trier benoemd. 

HuYDEGOPEB (op MELIS STOKE I p. 77 en 584) ontkent 
wel dat aartsbisschop egbebt een zoon van dibk ii geweest is. 
Doch het is eene der grilligheden van den grooten taaikenner om 
te weerstreven wat historisch zeker is. Beeds het vita Sancti 
Adalberti, nog bij egberts leven opgesteld, noemt hem een 
zoon van graaf dibk, en latere Triersche en Egmondsohe 
aanteekeningen bevestigen het. 

Duitsche geschiedschr^vers uit den laatsten tijd willen dat 
egbert een kweekeling van bbung van Keulen geweest is. 
Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijjk, maar een voldoend bew^s 



291 

ontbreekt. De dousa's (Ann. metr. p. 46. Ann. pros. p. 400), 
verhalen, misschien volgens hun oud chirograaf, dat egbebt in 
953 naar Trier tot den aartsbisschop rutgeb (lees ruotbert) 
gezonden is en dat hij daar zijne opleiding heeft genoten. Ook 
dit is mogelijk. Euotbebt was eeu wetenschappelijk man en 
had evenals bbuno eene school. 

In de Gentsche oorkonden komt egberts naam slechts 
eenmaal voor *), en wel in eene oorkonde van den 2 October 
974. Een paar jaren later werd egbert kanselier van otto ii. 
Egberts voorganger in dat ambt was volcmar (hij heette 
ook POPPO) die den 8 Juni 976 zijne laatste oorkonde goed- 
keurde. Toen werd volcmar bisschop van Utrecht. Eene oor- 
konde van den 5 Juli 976 is reeds geteekend ëgbebtus 
cancellarius. Een dertigtal oorkonden zijn nog overig, onder 
EGBEBTS toezicht in de kanselarij van otto ii opgesteld. De 
laatste is van den 30 Juli 977. Sedert benoemde de keizer hem 
tot aartsbisschop van Trier; daardoor was egbert de tweede 
of derde in rang van alle Duitsche prelaten. Zestien jaren lang 
bestuurde hij het aartsbisdom met roem. Hij bevorderde kunst 
en wetenschap; zoo deed hij het leven van ST. adelbert, den 
patroon van Egmond, beschrijven. De stadsbibliotheek te Trier 
bezit nog een evangelieboek met prachtige miniaturen, dat 
EGBEBT heeft doen maken. Ook zijn hem een paar geschrif- 
ten gewijd. In de politiek van die dagen heeft egbert eene 
belangrijke rol gespeeld. Toeu hij in 993 of 994 overleed, werd 
hij in eene kapel, door hem aan de St. Pieterskerk gebouwd, 
begraven en, wat in dien tijd aan weinig Triersche prelaten te 
beurt viel, hem werd een grafschrift gesteld. Het was van 
dezen inhoud: 

Pontificum decus, ecclesiae clarissima lampas, 
Pax et amor populi, totius gratia cleri, 
Hic jacet egbertus, lucis regione repertus, 
Praesul Treviricus, sed et aulae conditor hujus; 



^) Oorkondenboek n** 49. 



ÈÊk^. 



292 

Rexit et ecclesiam senos denosque per annos; 

novenis atque diebus. 

Omnes dilectum prece commendate patronum. 

Wat de geschiedschrijvers, die kort na dien tijd leefden, van 
dezen zoon van graaf dirk verbalen, zal ik bier mededeelen. 

De oudste redactie van de gesta Trevirorum, wier bericht 
over EGBERT zekerlijk kort na diens overlijden is opgesteld, 
noemt hem aeternae memoriae Ekkebertus, nobilitate et virtute 
insignis, en zegt verder, dat bij de kerk van Trier, die door 
heidenen en christenen was beroofd, herstelde en zeer mild be- 
schonk met gouden en zilveren vaten, kruisen, dalmatieken enz. 
en met vaste bezittingen, en eveneens de kloosters van Trier. 
Egbert had de reliquieën van St. Celsus laten overbrengen. 
Omstreeks 1015 is deze overbrenging beschreven. Zij zegt van 
EGBERT: beatae recordationis vir virtutum egbertus arcbi- 
mandrita lampabilis, clarus quidem parentelae generositate, sed 
clarior totius probitatis impretiabili dote; dan volgt iets over 
EGBEBTS gestalte^ zijne zorg voor orde en tucht en dan zegt 
de translatio: de liberalitate vero ejus, qua unice opimatus 
extitit, quid condignum eloquar! 

Ongeveer 60 jaren later noemt SIGIBERT van Gembloux 
(vita THÊOD. I episc. Mett.) egbert onder de geleerde Lotha- 
ringers, die ten tijde van otto ii bloeiden. Nog 50 jaren 
later, in het begin der twaalfde eeuw, werden de gesta Trevi- 
rorum hier en daar uitgebreid en tot dien tijd voortgezet. 
Deze uitbreidingen noemen graaf dibk en HILDEGARDE als 
ouders van EGBERT. Zij weten ook dat beiden de kerk van 
Trier zeer mild hebben beschonken. Van egbert heet het er: 
quamdiu bic mundus volvitur ejus memoria digne celebranda 
judicetur. 

De houding van egbert in den successiestrijd na den dood 
van keizer OTTO ii is ons tamelijk nauwkeurig bekend, dank 
zij der bewaard gebleven briefwisseling van den geleerden 

gebbebt, toen geheimschrljver van den aartsbisschop van 

Bheims, waarover straks. 



393 

De Aunales Egmuudani teekenen op het jaar 980 het vol- 
gende aau: 

980 ARNULEUS comes LiUDGARDAM conjugem suam legaliter 
coram rege ottone desponsavit, testament umque dotale 
inde scribi fecit, indict. 8. 

Uit de woorden coram rege ottone, testamentum dotale en 
vooral uit indict. 8 blijkt dat de aunalist hier eene nu ver- 
loren oorkonde voor zich gehad heeft. De oorkonde bevatte 
zonder twijfel de schenking van eene morgengift. Volgens een 
oud Germaansch gebruik gaf in die eeuw de jonggehuwde man 
den morgen, die op het huwelijk volgde, aan zijne vrouw een 
geschenk voor haar maagdom. Abnulf toch, de bruidegom, 
liet volgeus de annalen de oorkonde opmaken, en deze wordt 
er testamentum dotale genoemd. Nr. 47 van het Oorkon- 
den boek bevat ook de schenking van eene morgengift. 

Volgens de oorkondenlijst van stumpf bevond keizer OTTO ii 
zich in het begin van 980 in Saksen, van daar trok hij naar 
den Rijn en toefde dan als volgt: 

980, 18 April te Engelheim 

28 // // Tribur 

24 Mei // Marville (bij Verdun) 
1, 4 en 16 Juni // Aken 

25 en 27 Juli // Nijmegen 

25 Augustus // Maagdenburg. 

Van daar trok de keizer zuidwaarts. Den 5 Dec. was hij te 
Pavia. 

Het huwelgk van arnulf en LIUDGARDE zal dus tusschen 
Mei en Augustus van dat jaar gesloten zijn. 

In het St Adelbertsboek las men; ARNULFUS comes, frater 
ejusdem ekberti, secundum suam nobilitatem accepit condignam 
sibi uxorem liutgardam, sororem theophane imperatricis, 
matris ottonis imperatohs. Dit sororem theophane en water 
meer volgt is mis. Nog erger maakte het de schrijver van het 
Ghronicon Egmondanum. Hier lezen wij op het jaar 980: ab- 
NULFUS filius theodebici secundi comitis Hollandiae lutgab- 
DAM sororem theophanae imperatricis, matris ottonis impe- 



294 

ratoris tertii, ooram ottofi rege, qoi eamdem thsophakam, 
THEOPHAirii regis Graeciae filiam nxorem habebat, legaliter 
despoDsavit, testamentumque dotale inde oonscribi fedt. 

De chronist stelde dit yerhaal samen nit de pas medege- 
deelde woorden yan de Ann. Egmund. en yan het St. Adel- 
bertsboek. Dat de yader Tan theophana, zooals hij schrgft, 
THEOPHANivs heette, meende h^ uit donatus te mogen 
opmaken. Hierin yergiste hij zich. Twee eeuwen lang bleyen 
nu THEOPHANO en liudgarde by de Hollandsche kroniek- 
schrgvers dochters van den Griekschen keizer theophanius. 
In de zestiende eeuw ontdekte men, dat er geen Grieksohe 
keizer van dien naam was geweest en dat THEOPHANO eene 
dochter was van bomanus ii. Van nu af aan was ook liud- 
garde eene dochter van dezen roman us. Later hebben van 
LOON en KLUIT bewezen, dat de grayin yan Holland niet eene 
dochter yan keizer roman us ii, maar van graaf siegfbied i 
van Luxemburg is geweest, en eene zuster yan keizerin cune- 
gonde en niet van theophano. Dit verklaart meteen hoe de 
schrijver van het St. Adelbertsboek, of een voorganger van 
hem, LIUDGARDE tot eene Griekin kon maken. Zonder twyfel 
had hij vernomen dat zij eene zuster van de keizerin, of dat 
DIRK III een oomzegger van den keizer was, en nu hield hy 
OTTO en THEOPHANO voor dien keizer en die keizerin in 
plaats van hendrik en cunegonde. Het bewijs van van 
LOON en van kluit scheut weinig invloed op hunne opvolgers 
gehad te hebben, want nog altijd spookt die Grieksche keizers- 
dochter in onze geschiedboeken rond. Daarom zal het niet on- 
dienstig zijn hunne woorden hier te herhalen. Thietmar bisschop 
van Merseburg verhaalt op het jaar 1005 : Fresones rex navaii 
exercitu adiens ab ceptis contumacibus desistere et magnum 
LiüDGABDAB sororis reginc zelum placare coegit. Die koning is 
HENDRIK II, die koningin is gunegonde, en luidgarda is 
de weduwe van graaf arnulf van Holland. Op het jaar 1018 
noemt thietmar onzen graaf dirk iii : imperatricis nostrae 
nepos Thiedricus. Ongeveer hetzelfde leest men hij den anna- 
lista SAXO, doch deze heeft het uit thietmab overgeschreven. 



295 

Thietmar was een zeer aanzienlek man, aan de OTTO^S 
en aan HENDRIK ii verwant. Hij was t^dgenoot van de ge- 
beurtenissen, die hij beschrijft. Met bet hof stond hij in ver- 
binding, en zijne kroniek is ten volle te vertrouwen. 

Sedert kluit is er in Duitschland een document in *t licht 
verschenen, hetwelk de woorden van thietmar bevestigt. In 
het vierde deel der Scriptores van de Mon. Germ. hist. is een 
necrologium gedrukt van het klooster Eanshofen, waarop namen 
voorkomen van personen uit graaf siegfrieds familie, o. a.: 

3. Kal. Martii heinbigus dux, frater chunigundis impe- 
ratricis, obiit. — Anno dominice incarnationis 1033 in- 
dictione tertia 

5. Non. Martii domina ghunigunda imperatrix augusta 
dignae memoriae obiit. 

6. Nonas Maii theodobigus Metensis episcopus, frater 
CHUKiGUNDis imperatricis, obiit. 

3. Idus Maii liükabt comitissa, soror chunigündis impe- 
ratricis, obiit. 
5. Kal. Novembris sigefbidus kttntjz comes, pater chit- 
:nigündis imperatricis, obiit. 

Idus Decembris domina hedewigh comitissa, mater 

GHX7NIGX7NDIS imperatricis, obiit. 

Hooren wQ nu de necrologia van Egmond. De breviculi 

van LEO monachus zeggen: Lutgardis obiit tertio Idus Maji. 

Het Iconisch epitaphium van abnulf en liudgabde zegt 

van laatstgenoemde op weidscher toon: 

Per Tauri sydus temas M^gus regit Idus 
Dum comitissa piis fungitur exequiis '). 



') Het necrologium uit de vijftiende eeuw, dat achter het eerste deel 
van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland p. 332, is afgedrukt, 
heeft: lutgairuis . . . . ob. pridie ydus Maji. Het is niet de eenige font 
in dat necrologiam. Een voorbeeld. Wij lezen er: theodericus qnartus 
Hollandie comes quintns, Dordraci occubuit anno 1048 V ydus Miy'i. Dirk 
VAN LEID£N heeft Idibus Jannarü, leo monachus Idibus Februarii en het 
Iconisch epitaphium: 



296 

Dus werd in het klooster Eanshofen het jaargetijde yan 
GUNEGONDES zuster LiUDGABDE op deu 3 Idus Maji gevierd 
en dat van gravin liudgabde op denzelfden dag in de kerk 
van Egmond. Een bewijs voor de waarheid van thietitars 
woorden. Beide liudgabdes zijn éen en dezelfde persoon. 

Omstreeks den tijd dat het huwelijk van arnulf en LIUD- 
GARDE moet voltrokken zijn, treffen wij aartsbisschop egbert, 
graaf siegfried van Luxemburg, den vader van liudgabde, 
en graaf dirk van Holland, den vader van ARNULF, bij el- 
kander te Trier aan, dus in de nabijheid van die plaatsen, 
waar otto ii zich in den zomer van 980 ophield. Men zie 
oorkonde n®. 54 van het Oorkondenboek van Holland en Zee- 
land. De t^dmerken zijn aldaar anno 981 indictione 8, zonder 
dag. Dit komt niet uit. In het jaar 980 was de indictie 8 en 
in 981 was zij 9, overal in West-Europa, ook in het aartsbis- 
dom Trier. Misschien moet men lezen anno 980 indict. 8. 
Den 4 Maart 981 was graaf dirk weder te Grent '). 

In den herfst van 980 trok keizer OTTO over de Alpen. 
Duitschland mocht hij sedert niet wederzien. Hij overleed te 
Home den 7 December 983. 

De eenheid van het Duitsche rijk had tot nog toe alleen 
bestaan in een krachtig koning, en nu liet otto de kroon na 
aan een kind van drie jaren. Doch dit kind was reeds in Juni 
983 te Yerona door vele Duitsche vorsten tot koning gekozen 



Per caprae sydos dum Janus volveret Idus, 
Caesar erat fomes quod cadit iste comes. 

Idibus Jauuarii moet hier de ware datum zya. Hermannus auolbnsis 
stelt deu krijgstocht, waarbij dirk iv sneuvelde, in het b^in van 1049 
en zegt: glaciali hieme sappeditante. Dus had de tocht in den wbtor 
plaats. De gel\jkt^dige annales Atahenses, in 1868 voor de eente maal 
uitgegeven in deel XX Scriptores der mon. Germ. hist. stellen het snea- 
velen van dirk iv ook in het begin van het jaar 1049 met deze woorden : 
Diotericus etiam injustus, coiguratiouis ootefridi et paldwini advezsua 
imperatorem dominum suum sodus, digna Dei ultione occisus est. 

') Oorkondenboek n?. 55. 



297 

en daarna in den dom van Aken gezalfd en gekroond. Daar 
werd aan dit kind door een groot aantal toegestroomde leen- 
mannen trouw gezworen. Dit werkte. Het was nu de vraag 
aan wien de voogdij over den jongen OTTO zou komen, aan 
THEOPHANO, Zijne moeder, of aan Hendrik van Beieren, 
een neef van de OTTO's. Hendrik was tweemaal tegen otto 
II opgestaan, nu zat hij bij bisschop volgmar te Utrecht 
gevangen. Volcmar liet hendrik los, deze begaf zich naar 
Keulen, daar ontving hij het kind uit handen van den aarts- 
bisschop WARIN en, eer nog de vorsten over de voogdij beslist 
hadden, waren HENDRIK en zijn aanhang reeds in de wapenen. 
Geheel Duitschland en Lotharingen waren in twee partijen 
verdeeld. Met hendrik hielden het de Lotharingsche bis- 
schoppen VOLCMAR van Utrecht, egbert van Trier, warin 
van Keulen en diederïk van Metz. Tegen hendrik aan de 
zijde der keizerinnen stonden in Lotharingen GODFRIED van 
Ardennen, bisschop notger van Luik enz. Verder de primaten 
van Duitschland en van frankrijk, WILLEGIS van Mentz en 
ALBERO van Rheims. Vooral beide laatstgenoemden hebben 
alles gedaan, zoo door persoonlijke overreding als door brieven, 
om de zaak van theophano en OTTO iii te doen zegevieren. 
De briefwisseling van wille GIS is verloren, die van albero 
en zijn geheimschrijver gerbert bestaat nog grootendeels. In 
het begin van 984 schreef GERBErV deu volgenden brief *): 

(ep. 30) Ecberto archiepiscopo Trevirensi ex per- 
sona Alberonis. 

Labefactari rem publicam vestram quorundam ignavia cum 
perhor rescimus tum erubescimus, et privilegio amoris nostri 
circa vos, et communi patriae cognatione. Pauci ne creati sunt 
reges, quia novum filio Domini vestri praeponere vultis? Forte 
quia Graecus est, ut dicitis, more Graecorum conregnantem 



*) Volgnummer en tekst der brieven zgn volgens A. olleris, Oenvres 
de GERBERT. Clefmont et Paris 1867. 

20 



298 

instituere vultis. Quo recessit sanctissima fides? Excideruntne 
animo beneficia OTTONUM vobis oollata? Magnam intelligentiam 
▼estram revocate, generositatem *) perpendite, ne perpetuo de- 
decori generi vestro esse velitis. Si vires vos destituere accla- 
matis, meliora sentientes perquirite, nos fautores et adjutores 
in talibus negotiis fore confidite. In perturbatione et oonfusione 
omnium rerum, quis alterius levabit onus? Fostremo si, salva 
dignitate vestri nominis, urbem Trevirorum tutari non yaleiis, 
Remorum ntrique nostrum sit satis; ditioresque erimus qaam 
EUCHARIUS quondam et SIXTUS. ld vobis ratum ignominiam 
auferet, irritum nos liberos efficiet. 

Albero tracht door dezen brief egbert van de party van 
HENDRIK af te trekken en voor otto iii en theophano te 
winnen. Hij beroept zich op patriae cognatio, beiden waren 
Lotharingers, en verder herinnert hij egbert aan de weldaden, 
door OTTO I en ii aan hem en de zijnen bewezen. Egbert 
was door otto ii tot kanselier en daarna tot aartsbisschop 
aangesteld; van andere weldaden der OTTO*s aan egbert en 
zijne familie weet men (voor 985) niets. 

EuGHARius en SIXTUS waren de eerste, natuurlijk fabel- 
achtige, bisschoppen van Trier en Eheims. 

Er lag ALBERO en gerbert veel aan gelegen welke partij 
LOTHABIUS, hun koning, zou kiezen, te meer daar op dit 
oogenblik zijne twisten liïet zijn broer karel en met hugo 
rustten. Er gebeurde wat niemand verwacht had. Lotharius 
verklaarde zich tegen de voogdij van hendrik en wilde zelf 
voogd zijn over zijn neef, koning OTTo. Nu sloten zich AL- 
bebo, graaf Godfried, egbert van Trier enz. bij lotha- 
rius aan. Vele Lotharingsche leenmannen deden hem den eed, 
als aan den voogd van hun koning otto. Doch deze eensge- 
zindheid was kort van duur. Hendrik knoopte onderhande- 
lingen aan met lotharius ; deze zou HENDRIK als voogd 
erkennen en daarvoor Lotharingen erlangen. Beiden zouden 



O Grenerositas i. e. stemmatis nobilitas pracclarissima, kluit. Hist. Crit. 
toiD, I, pars. I, p. 34. 



299 

daarover den 1 Febr. 984 te Breisach samenkomen. Dit bleef 
geen geheim, het vermeerderde in Duitschland het verzet tegen 
HENDRIK, en in Lotharingen vielen de leenmannen even snel 
van LOTHARiüS af, als ze hem kort te voren waren toege- 
vallen. Ook ALBERO en gerbert scheidden zich van lotha- 
Rius af. Hendrik durfde nu niet naar Breisach gaan. Lo- 
THARius verscheen er, doch op zijne terugreis werd hy bijna 
gevangen genomen. Hij zag in dat h^ Lotharingen alleen door 
de wapenen aan zich kon brengen. In Maart verscheen hij er 
met een leger, veroverde Verdun en nam eenige voorname leen- 
mannen gevangen. Ook de zaak van HENDRIK in Duitschland 
ging niet voordeelig. Hij wilde zelf koning zijn ; daartoe beriep 
hij in Maart eene vergadering te Maagdenburg. Zijn plan werd 
er niet gunstig opgenomen. Op Pascha (23 Maart) trad hij te 
Quedlinburg op in koninklijken tooi en liet zich den vazaleed 
zweren. Dit vermeerderde den tegenstand. Kort daarna trok 
HENDRIK naar Beieren en Zwaben, doch hier vond hij nog 
grooter tegenstand. In Juni zag hij zich genoodzaakt den jon- 
gen OTTO aan zijne moeder uit te leveren. Gelukkig voor 
THEOPHANO en OTTO had hertog HUGO zich in Mei ook voor 
hen verklaard; HUGO was toen weer tegen LOTHARIUS opge- 
staan. 

In den zomer van 984 schreef GERBERT den volgenden brief: 

(ep. 68) Ad Trevirensem episcopum. 

Gum litteris vestris multitudine curarum absolvamur, aliis 
rursus involvimur. Ecce enim de constantia vestri amoris, de 
fide et pietate circa nos gratulamur; sed quis vestram intelli- 
gentiam eo detorsit, ut quaecumque nostri afiines sentiant, 
eadem putares non sentire? Dominum henricum cur oderim 
nescio, cur diligam scio. Sed ejus dilectionis nunc quis fructus 
exterior? Aliis quippe rebus divinitas necessitatem imponit, 

aliis caeca fortuna interstrepit Unum est enodationis in- 

digens: qui vestrae matris ac reginae olim eram fidissimus 
interpres, cur hoc negotio privor, potiusque per alios quam 
per vos plurima rescisco? Et quoniam, ut professus sum et 



300 

profiteor, omnia vobis debeo, ut mihi, sic vobis timeo. Diverso 
quippe modo in commune nobis dicitur: qui stat videat ne 
cadat. In commune itaque consulendum eet. 

De toon van den brief is zeer zacht, zelfs eenigszins vleiend. 
Egbert helde in dezen tijd weer tot de partij van Hendrik 
en LOTHARIUS over. Omstreeks dezen tijd schreef gerbërt 
aan een ander persoon (ep. 69): Unum tantum est quod plu- 
rimos movet: Trevirensem archiepiscopum tanto molimine or- 
dinationem differentem, aut se cum duce ac Lothariensi regno 
manibus Francorum veile tradere. 

De woorden vestrae matris ac reginae, d. i. van uwe moeder 
de koningin, haalde huydecoper (op stoke, deel I, p. 77) 
aan om te bewijzen, dat egbert geen zoon van dibk en 
HILDEGARDE, maar van eene koningin was. Hij vergiste zich. 
Mater is hier een beleefdheidsuitdrukking voor koningin EMMA. 
Zoo wordt ADELHEID in ep. 93 mater regnorum genoemd. 

De aanhang van HENDRIK verminderde bestendig. Zijne 
aanspraak op de kroon had hij in het laatst van 984 reeds 
opgegeven, hij trachtte nu ten minste zijn hertogdom Beieren 
te behouden. Eindelijk in Juli 985 verscheen hij te Frankfort 
voor de beide keizerinnen. Hij onderwierp zich nu en vond 
genade. Vrede en vriendschap werden gesloten. Hendbik ont- 
ving zijn hertogdom Beieren terug en deed nu daarvoor den 
eed in handen van den jongen koning ^). 

Van Frankfort trok het hof, en met hen hertog hendrik, 
over Keulen naar Nijmegen. Hier verschenen voor hen egbert 
van Trier en graaf dirk van Holland. Bij deze gelegenheid 
(25 Aug. Oorkondenboek n^. 64) ontving graaf dirk vele 
goederen in eigendom, die hij tot dien tijd toe in leen had 
bezeten. Eene waarlijk koninklijke gift. In dezen tijd waren de 
aartskanselier willegis en de beide keizerinnen bezig hunne 
vroegere tegenstanders door gunsten aan zich te verbinden; 



*) Misschien heeft Hendrik zich reeds in het begin van 985 aan zfjn 
koning onderworpen. 



301 

Misschien had ook dibk ii die partij aangehangen, waartoe 
ook zijn zoon egbert en zijn begunstiger lotharius be- 
hoorden, en misschien diende dus deze gift om graaf dirk 
met de nieuwe orde van zaken te verzoenen. 

Na 985 treffen wij nog eenmaal het S(ignum) van dirk ii 
aan onder eene oorkonde (van den 11 April 988) ') en daarna 
niet meer. Volgens de Annales Egmundani overleed hij in 988, 
en de necrologia van die abdij geven prid. Nonas Maji als 
zijn sterfdag op. Hij zal dus den 6 Mei 988 overleden zijn. 

De graven diek i en ii hebben, ten minste zooveel uit de 
weinige geschiedbronnen is op te maken, een werkzaam aan- 
deel gehad in de twisten en oorlogen, waarvan Lotharingen 
en Noord-Frankrijk in de tiende eeuw het tooneel waren. Zij, 
leenmannen van de koningen van Duitschland en Frankrijk, 
waren machtiger en berechtten grooter grondgebied dan eenig 
ander graaf van Noord-Nederland in die tijden. Aanzienlijk en 
rijk moeten zij geweest zijn, vooral dirk ii. Nog heden ge- 
tuigen de Gentsche oorkonden van de talrijke giften, die deze 
graaf aan de abdij van St. Pieter heeft geschonken. De abdij 
van Egmond heeft hij van den grond af opgebouwd en met 
landerijen en kerk versiersels rijk beschonken. Van die versier- 
sels zeide melis stoke (boek I, vs. 631—650): Kende men 
anders niets van onze eerste graven dan deze geschenken, dan 
zou men er toch uit mogen besluiten, dat dezen van zeeredelen 
stamme geweest zijn, want van al het mindere volk, dat tus- 
schen de Elve en de Seine woont, kan men zooveel goud en 
edelgesteente niet bijeenbrengen. De Triersche geestelijken 
weten geen woorden te vinden om egberts hooge geboorte 
en zijne groote geschenken aan de kerken van Trier naar be- 
booren te prijzen. 

In de tiende eeuw bestonden in de Nederlanden een aantal 
kleine, graafschappen. Sommige graven bezaten een, doch vele 
meer graafschappen. Men leest zelfs van een graaf ANSFRIED, 
die er 15 berechtte. Deze graafschappen stonden geheel op 



O Oorkonde nboek nr. 65. 



j\ 



304 

dering van Saksische grooten te Hersfeld *). dirk iv sneu- 
velde in den strijd tegen den keizer, en evenzoo zijn opvolger 
FLORis I. Nu wist bisschop willem van Utrecht bij den 
jongen koning hendrik iv te bewerken, dat deze hem tal- 
rijke bezittingen van den gesneuvelden graaf schonk '). Doch 
eenige jaren later overwon dirk v bisschop koen raad en 
heroverde de landen van zijn vader. Ook deze graaf sloot 
zich bij de Saksen aan. Eenmaal in 1078 zond hij gezanten 
tot den tegenkoning rudolf '). Dezelfde politiek volgde 
FLORIS II. Eindelijk, toen in 1125 met lotharius een Saks 
den troon besteeg, kwam er voor de graven van Holland uit- 
redding. Terstond werden de graafschappen van Oostergo en 
Westergo aan de kerk van Utrecht ontnomen en aan Holland 
geschonken *). Doch deze triomf was kort van duur. In 
1138 werd de Hohenstauf koenraad iii koning; nog hetzelfde 
jaar gaf deze de graafschappen van Oostergo en Westergo aan 
de kerk van Utrecht terug ^). Onder de Hohenstaufen duurde 
het verzet der Saksen voort, en de graven van Holland sloten 
zich meestal bij hen aan. Eenigen tijd evenwel waren de twis- 
ten van den graaf van Holland met den keizer en den bisschop 
van Utrecht gestild. De zwakke floris iii verzoende zich met 
den bisschop, waartegen zijne voorvaderen zooveel geleden en 
gestreden hadden, frederik barbarossa verzelde hij, ten 
minste tweemaal, over de Alpen ^). Doch spoedig hernam de 



1) Vita Meinwerci, cap. 197. Er is nog eene oorkonde aanwezig, die 
DIRK III op deze vergadering onderteekende. Zie Oorkondenboek nr. 78. 
Het opschrift aldaar moet z\jn: Meinwerk, bisschop van Paderbom. 

2) Oorkondenboek nr. 86 en 87. 

^) BERTHOLDi annales ad ammrn 1078. 

*) De oorkonde ervan is verloren. 

<^) Oorkondenboek nr. 121. 

^) FLORIS III komt als getuige voor in oorkonden, die f reder ik i in 
den herfst van 1158 op de Roncalische velden gaf, en in Ang. 1177 on- 
derteekende hij te Venetië het vredesverdrag, dat die keizer toen met ko- 
ning WILLEM van Sicilië sloot. In 1182 onderteekende hij te Mentz een 
vrijbrief voor de stad Spiers en in 1165 te Utr-.oht eene oorkonde voor 



303 

was. DIBK BAVO verdreef hij uit zijn graafschap aan den Bijn, 
en dapper verdedigde hij zich tegen den Utrechtschen bisschop. 
Aan de Merwe nestelde hij zich en richtte er een tol op. 

Toen hij hierom op een rijksdag te Nijmegen in 1018 door 
bisschop ADELBOLD, door Tielsche kooplieden en anderen bij 
den keizer aangeklaagd werd, en toen de keizer hem beval die 
streek te verlaten of dat anders een expcditieleger hem daaruit 
zou verdrijven^ riep de graaf weggaande uit: dat het kome, ik 
zal mij weten te verdedigen; licentiam abeundi petiit et id se 
prohibiturum esse promisit '). Hij wist zich ook te verdedigen. 
Het leger, dat tegen hem oprukte, werd totaal verslagen. De 
aanvoerder hertog GODFRIED geraakte gevangen. Kronieken 
dier dagen en van nog lang daarna spreken, hoe beknopt ze 
ook zijn, met eenigen ophef van deze nederlaag. Dirk bleef 
in het bezit van de landen aan de Merwe. 

De politiek van dirk en zijne opvolgers was geheel anders 
dan die van DIRK i en ii in de tiende eeuw. Nu regeerden 
in Frankrijk de Kapetingen vrij wat rustiger dan voor hen de 
Karolingen. De graven van Holland hadden niets met hen te 
maken, want hunne Fransche leenen over de Schelde waren 
voor hen verloren gegaan. Van nu af aan zien wij onze graven 
verbonden met dien volksstam, waarmede Holland in zeden, ge- 
woonten, taal enz. meest overeenstemde, met de stam der Sak- 
sen. DIRK iii en al zijne eerste opvolgers hadden dochters 
uit een der talrijke Saksische vorstenhuizen tot vrouw. In 1024 
ging de koningskroon van de Saksen op de Franken over. De 
machtigste stam van Duitschland kon niet vergeten dat hij 
eenmaal geheel Duitschland had beheerscht. Bestendig was er 
dan ook in het land der Saksen oppositie tegen de Frankische 
dynastie, en bij die oppositie sloten zich de graven van Holland 
aan. In 1024, kort na het overlijden van den kinderloo- 
zen HENDRIK II, was DIRK III aanwezig op eene verga- 



satelles, en een weinig later: cumque seniorem suum (Adelboldum) juveois 
nefandus eet. Men zie ook oorkonde nr. 87. 
O THIETIIAR lib. VIII o. 18. 



304 

dering van Saksische grooten te Hersfeld *). dirk iv sneu- 
velde in den strijd tegen den keizer, en evenzoo zijn opvolger 
FLORis I. Nu wist bisschop willem van Utrecht bij den 
jongen koning hendrik iv te bewerken, dat deze hem tal- 
rijke bezittingen van den gesneuvelden graaf schonk '). Doch 
eenige jaren later overwon dirk v bisschop koen raad en 
heroverde de landen van zijn vader. Ook deze graaf sloot 
zich bij de Saksen aan. Eenmaal in 1078 zond hij gezanten 
tot den tegenkoning rudolf '). Dezelfde politiek volgde 
FLORIS II. Eindelijk, toen in 1125 met lotharius een Saks 
den troon besteeg, kwam er voor de graven van Holland uit- 
redding. Terstond werden de graafschappen van Oostergo en 
Westergo aan de kerk van Utrecht ontnomen en aan Holland 
geschonken *). Doch deze triomf was kort van duur. In 
1138 werd de Hohenstauf koenraad iii koning; nog hetzelfde 
jaar gaf deze de graafschappen van Oostergo en Westergo aan 
de kerk van Utrecht terug *). Onder de Hohenstaufen duurde 
het verzet der Saksen voort, en de graven van Holland sloten 
zich meestal bij hen aan. Eenigen tijd evenwel waren de twis- 
ten van den graaf van Holland met den keizer en den bisschop 
van Utrecht gestild. De zwakke floris iii verzoende zich met 
den bisschop, waartegen zijne voorvaderen zooveel geleden en 
gestreden hadden, frederik barbarossa verzelde hij, ten 
minste tweemaal, over de Alpen ^). Doch spoedig hernam de 



*) Vita Meinwerci, cap. 197. Er is nog eene oorkonde aanwezig, die 
DIRK III op deze vergadering onderteekende. Zie Oorkondenboek nr. 78. 
Het opschrift aldaar moet zijn: Meinwerk, bisschop van Paderbom. 

2) Oorkondenboek nr. 86 en 87. 

^) BERTHOLDi annalcs ad annom 1078. 

*) De oorkonde ervan is verloren. 

B) Oorkondenboek nr. 121. 

^) FLORIS III komt als getuige voor in oorkonden, die f reder ik i in 
den herfst van 1X58 op de Roncalische velden gaf, en in Aug. 1177 on- 
derteekende hij te Venetië het vredesverdrag, dat die keizer toen met ko- 
ning WILLEM van Sicilië sloot. In 1182 onderteekende hij te Mentz een 
vrijbrief voor de stad Spiers en in 1165 te Utr-.cht eene oorkonde voor 



805 

natuur hare rechten. Graaf "WILLEM i liet zich in 1213 door 
den Saks otto IV in zijne leenen bevestigen '), eu twee jaren 
later stond hij op de velden van Bouvines aan otto's zijde. 
Eenige jaren later werd een graaf van Holland zelfs tegenkoning 
tegen den Hohenstauf frederik it. 



B IJ L A G E N. 

Nr. 1. DE OUDEBS VAN HILDEGARDE. 

LiüDGARDES afkomst is bekend, die van GEVA vrij zeker, 
maar nog altijd is het onbekend, van wie hildegarde eene 
dochter was. Voor zoover ik weet, spreekt geen kroniek vóór 
1300 er van. Lateren zeggen dat zij eene dochter was van 
koning lodewijk van Frankrijk, d. i. van lodewijk van 
Overzee. Dit kan moeilijk waar zijn. Lodewijk en zijne 
moeder leefden van 922 tot 936 als ballingen in Engeland. In 
laatstgenoemd jaar, na den dood van koning rudolf, werd 
hij in Frankrijk teruggeroepen en nog datzelfde jaar tot ko- 
ning gekroond. Hij was toen 16 jaren oud. In 939 huwde hij 
GERBERGA, de weduwe van hertog giselbert. Nu werd eg- 
bert, een zoon van hildegarde, in 976 kanselier en in 977 
aartsbisschop; hij zal dus zekerlijk niet na 947 geboren zijn 
en ARNüLF, zijn broer, misschien nog vroeger. Hunne moeder 
hildegarde kan dus geene dochter geweest zijn van koning 
LODEWIJK, die in 939 huwde. Ook weet de geschiedenis niets 
van eene dochter van dien koning, die hildegarde heette. Deze 
afstamming i? ook in de laatste eeuwen algemeen verworpen '). 



het klooster Oostbroek. Jammer dat het Oorkondenboek niet met een enkel 
woord aan deze oorkonden herinnerd beeft, want in de twaalfde eeuw vloeien 
de bronnen voor de geschiedenis van Holland nog zoo schaars, dat men 
niet de geringste bijdrage er voor moet versmaden. 

*) Oorkondenboek nr. 229. 

^) £en brief van qerbert (nr. 164) schijnt voor deze afsttamming van 



306 

Kluit (Hist. crit. torn. I, pars I, p. 30 en torn. I, pars II, 
p. 177 — 182) wil dat zij eene dochtergeweest is van wichman, 
burggraaf van Gent. Hij beloofde dit later in zijne genealogieën 
te zullen bewijzen. Zoo iets te bewijzen is, dunkt mij, odido- 
gelijk. Kluit zelf schijnt ook niet geheel zeker van zijn zaak 
te zijn geweest; hij zegt: quam genealogiam alibi, nisi me 
omnia fallunt, quam clarissime evincam. Misschien heeft z^ne 
meening dat die wichman burggraaf van Gent was geweest 
en dat dirk ii hem in die waardigheid was opgevolgd, hier 
veel gewicht in de schaal gelegd. 

Wichman was gehuwd met liud garde, eene dochter van 
graaf ARNULF i van Vlaanderen (918 — 964). Arnulf huwde 
in 934 ADELA, eene dochter van herbert van Yermandois *). 
Uit dit huwelijk werd o. a. liudgarde geboren. Zij overleed 
in of kort voor 962 '), nog jong, zooals ook de Ylaamsehe 
kronieken getuigen. Onmogelijk kan zij de grootmoeder geweest 
zijn van graaf arnulf van Holland en van egbert vanTrier, 
die, zooals kluit zelf zegt (ad Chron. Egm. op het jaar 988, 



HILDEGARDE te pleiten, doch het is niets meer dan schijn. De brief is 
door GERBERT aan egbert van Trier geschreven, uit naam van aartsbis- 
schop ARNULF (988 — 991). Deze arnulp was een bastaardzoon van koning 
LOTHARius, van wien hildegarde eene zuster zoude geweest z\jn, en dan 
waren de aartsbisschoppen arnulf en egbert zonen van een broeder en 
van eene zuster, das neven. Arnulf was niet met algemeene toestemming, 
slechts door eene fractie verkozen. Toen by dezen brief deed schreven, stond 
bet met zijne partij zeer slecht. Wij lezen er in : Pervenit, beatissime pa- 
ter, gladius asqae ad animam : gladiis bostiom nndiqae perstringimnr .... 
Hoc solum spei superest, qaod vos praescia Divinitas germanitate quadam 
nobis devinxit, et at invicem onera portemas effecit. — Het woord germa- 
nitas ziet bier niet op bloedverwantschap. In de middeleeawen achtten zich 
personen van dezelfde corporatie of van dezelfde waardigheid door frater» 
nitas of germanitas verbonden. Het laatste woord gebruikten vooral de 
bisschoppen, om den band aan te wijzen, die hen onderling verbond. Men 
zie DU CANGE ed. henschel op het woord germanitas. 

O FLODOARD ad anu. 934. Arnulfus de flandris filiam hesiberti, 
ohm sibi juramentis alterutro datis depactam, sumit niorem. 

^ Oorkondenboek nr. 36. 



307 



nota 16) zeer waarschijnlijk voor het jaar 947 geboren is. 

Maar, zal men zeggen, kluit beweert niet dat hildegabde 
eene dochter van liudgarde, maar wel van wichman geweest 
is. Het is zoo. Ook WIGHMANS leeftijd valt te laat dan dat hij 
HiLDEGARDES vader zou kunnen geweest zijn. Hij was waar- 
schijnlijk, zooals KLUIT ook zegt, die wighman, die den 22 
Sept. 967 tegen den Polenhertog miegzislaw sneuvelde, en 
niet WIGHMAN, die het klooster op den Eltenberg stichtte, 
zooals sedert VAN spaen algemeen aangenomen is. Deze eerste 
Wichman had een broer egbert, bijgenaamd de Eenoog, die 
eerst in 994 overleed, en hij zelf wordt door widukind op 
het jaar 954 nog juvenis genoemd. 

In een paar oorkonden uit de tiende eeuw komen uitdruk- 
kingen voor, die, naar het mij voorkomt, op bloedverwantschap 
wijzen tusschen de grafelijke familiën van Vlaanderen en Hol- 
land. Ook de namen arnulf en egbert, die door de zonen 
van DIRK II en hildegabde werden gedragen, komen in die 
eeuw in de familie der Vlaamsche graven voor. Men leest in 
een stuk van 28 Maart 964 *): ego theoderigus comes et 
BALDUiNUS et ERiGUS et EVERWINUS cx voluntate et jussu 
senioris mei arnulfi defuncti eet. Deze vier personen zijn 
hier erfuiters van graaf arnulf van Vlaanderen, misschien 
waren ze aan hem verwant; van éen hunner, van balduinus, 
is dit zeker. In twee oorkonden, eene van den é^^^ en de an- 
dere van den 6^^^ Maart 981 *) komt voor: ARNULFUS filius 
THEODERiGi comitis, atquc ego arnulfus filius hilduini 
ad vicem et petitionem everardi et filii ejus baldwini ne- 
potis nostri. De vier personen, die hier als bloedverwanten van 
onzen ABNULF voorkomen, waren zeer aanzienlijke Vlamingen, 
misschien aan de graven van Vlaanderen verwant; de namen 
ABNULF en BALDE WIN toch komcn zeer vaak in die familie 
voor. 

Toen hertog godfbied in 1018 van keizer hendbik ii 



*) Oorkondenboek nr. 37. 
2) Ibid. nr. 55 en 56. 



308 

bevel ontTiDg, om graaf dirk iii uit de streken aan de Merwe 
te verdrgven, gelastte hij den leenmannen hnnne dienstplichtige 
mannen op te roepen en hem met dexen naar die streken ie 
volgen. Bisschop BALDERIK van Luik maakte zwarigheden; h^ 
was zwak van lichaam, en de tocht zon z§n naar een woest 
en onbegaanbaar land. Na antwoordde de hertog hem ▼ertoomd: 
Gij hangt uw bloedverwant (d. i. DIRK lii) meer aan dan 
den keizer. Bisschop BALDERIK was een zoon van den graaf 
van LOON en verwant aan de graven van Vlaanderen, maar hoe 
weet men niet '). De verwantschap tnsschen baldebik en 
DIRK moet door dirks grootmoeder hildegarde bestaan 
hebben '). Is nu hildegabde eene dochter van een graaf van 
Vlaanderen geweest, dan laat het voorgaande zich gemakkel^k 
verklaren. Graaf Abnulf (918 — 964) was zeer zeker haar vader 
niet. ËGBERT toch is waarschijnlijk voor 947 geboren, dos zal 
zijne moeder hildegarde geen dochter geweest zijn van dezen 
graaf arnulf, die eerst in 934 huwde. Hildegarde moet v66r 
dat jaar zijn geboren ^). Misschien was zij eene dochter van graaf 
baldewin den Kale (878—918) en elstrude. Elstrüde 
was eene dochter van koning alfred den Groote van Engeland. 
In de tiende eeuw vertaalde zekere aethelweard, die aan de 
koningen van Engeland verwant was, de Saxon chronicle in 
het Latijn. Hij voegde voor zijn werk een toewijdingsbrief aan 



') In eene oorkonde van 1015 noemt baldebik arnulf graaf van 
Valenciennes consangaineas mens; men zie molanus Historiae Lovanien- 
sium libri XIV, Brux. 1861, p. 833. Deze arnulf was na aan de 
Vlaamsche graven verwant. 

') De raeening dat uildegarde nit Vlaanderen geboortig was, wordt 
eenigszins versterkt door een geschenk, dat zij en haar echtgenoot oirk ii 
aan de kerk van Egmond hebben gedaan. Op de kostbare altaartafel 
namelyk was st. adelbert, de patroon van Egmond afgebeeld; de pendant 
or van was de beeltenis van st. bavo, de patroon van het bekende Gent- 
"che klooster. Men zie hbda ed. Bnchelius p. 90. 

') In eene oorkonde van den 10 Juli 953 (miraeus et foppens, opera 
diplomatica II p. 939; van lokeren nr. 22) noemt graaf arnulf van 
Vlaanderen de namen van drie zjjner kinderen; geen er van beet hilde- 
garde. 



309 

koningin MATHILDE van Duitschland. Daarin schreef hij 

onder anderen: aelfred rex misit AELFTRYTHE, filiam 

suam, ad partes Germaniae baldwino in matrimonium ; et 
genuit ab ea filios duos, athulfum videlicet et earnulfum, 
duas filias quoque, ealhswid et earmenthruth; quippeex 
aelfdrtde seriem ducit earnulfus comes, qui et vicinus 
vester. 

Men ziet, hilde GARDE wordt hier niet genoemd onder de 
kinderen van BALDE WIN. De schrijver kan vergeten hebben 
haar te vermelden, evenals hij ook een zoon ISAAC overslaat. 



Nr. 2. DE KINDEREN VAN GRAAF ARNULF VAN HOLLAND. 

Onze middeleeuw sche geschiedbronnen kennen niet meer kin- 
deren van ARNULF en liudgarde dan dirk en siegfried, 
die ook sicco heet. Dirk komt in gelijktijdige oorkonden als 
zoon van graaf ARNULF voor *), SiCCO niet. Hij wordt voor 
het eerst genoemd in het St. Adelbertsboek *); hier staan ge- 
schenken in landerijen van hem opgeteekend; de schrijver van 
dat boek of een voorganger van hem moet ze uit den oorspron- 
kelijken giftbrief of giftbrieven geregistreerd hebben, en daarin 
stond natuurlijk de naam SICGO, de tijd der gift en misschien 
ook de naam van sicco's vader of broeder. Dat hij bestaan 
heeft en een zoon van graaf arnttlf was, is niet te betwijfelen. 
Evenals dirk iii naar arnulfs vader, zoo zal siccO naar 
LIUDGARDES vader genoemd zijn. 



^) Oorkondenboek nr. 69 en 73. 

^) SCRIVERIU8 heeft uit de gesta Treviroram en uit het vita meinwerci 
een verhaal medegedeeld omtrent zekeren sicco. Volgens dat verhaal hielp 
deze in 1017 aartsbisschop poppo van Trier zijne residentiestad veroveren. 
Het is niet onmogehjk dat dit de zoon van onzen graaf was, doch er be- 
staan geen andere gronden voor hunne identiteit dan dat zij beiden den- 
zelfden naam droegen en in denzelfden tijd leefden. 



310 

In later eeuwen heeft men meer kinderen aan graaf arnulf 
toegekend. De eerste, die dit gedaan heeft, is de Neder-Sak- 
sische genealoog eggard. Deze spreekt in zijne Origines Gael- 
ficae (t. IV, p. 417) over graaf ludolf van Brunswijk (? — 1038). 
H\j haalt daar eene plaats aan uit de annalista Saxo, volgens 
welke koning Hendrik in 1075 eenige goederen aan mark- 
graaf EGBEBT ontnam en aan een ander schonk. Eggard zegt 
aldaar: Ubi bona haec sita fuerint nemo, quantum sdam, 
evolvit; ego in Frisia Flevum inter et Lavicam fuisse puto. 
Paulo enim post haec, ut DO USA (Bataviae Hollandiaeque 
annales lib. X, p. 484 et seqq.) ex ubbonb emmio, 
qui sua procul dubio ex vetustis monumentis hausit, refert: 
//ECBBBTUS marchio adversus imperatorem suum rebellans 
subita irruptione in Frisiam Orientalem facta, quidquid agri 
ac populorum inter Flevum et Lavicam amnes jacet, id 
universum in jus ac ditionem suam partim vi, partim mina- 
ciis, vel obsequio traduxit denique.^^ Si itaque (ab anno 
1077) paululum adscendimus, facile videmus, possessiones 
illas, quas imperator anno 1075 egberto ablatas ODAL- 
RICO de GODESHEYM dederat, et quas GONRADO episcopo 
Tr£gectino (anno 1077) largitus est, in Frisia sitas fuisse. 
Tot zoover gaat alles goed. Jam vero nullus ex progeni- 
toribus EGBERTi in Frisia boni quid habuisse commemo- 
ratur; nee ullus eorumdem ex Germania inferiore uxorem 
sibi assumsisse legitur, per cujus dotem hae possessiones ad 
principes Brunsvicenses perveuire potuissent, si unum excipias 
LTTDOLruM nostrum eet. Dit is graaf ludolf iv, die in 1038 
overleed; volgens gelijktijdige oorkonden en kronieken heette 
zyne echtgenoot geertruid, doch de kroniek van botho 
(uit de vijftiende eeuw) zegt: Marggreve ltjdeleff . . . . de 
nam hilda des greven dochter to Flanderen. Den naam hilda 
verwerpt eggabd, maar van de bepaling des greven dochter 
to Flanderen trekt tij partij. Hij vervolgt : ludolfum nostrum, 
maritum gertrtjdis, qnam vulgo balduini babbati filiam 
faciunt. Verum cum Flandriae comités nihil juris in illam Fri- 
siae partem habuerint, gertbvdem ego rectius opinor filiam 



311 

ARNULFi Gandavensis comitis Frisiae fïiisse. Gandavum sub 
Flandriae comitatu erat, uude meminimus, ARNULFUM cum 
filio a veteribus aliquando Flandrensem dictum fuisse. Hinc 
decepti recentiores comitem Flandriae fecere, et cum tempora 
in ABNüLPHUM Flandriae comitem non quadrarent, iilium ipsius 
BALDUiNUM, GEETBUDis patrem constituerunt. Arnulfus Gan- 
davensis, Frisiae comes, dominus erat illarum terrarum, quas 
ECBERTUS postea ejusque posteri sibi vindicarunt, ut ex rebus 
gestis ejusque historia apparet. Habebat filias, ut ex chronico 
Egmondano in genealogia Billingana demonstravimus ; ex bis 
igitur sine dubio gertrudis fuit. Ecgards betoog is door 
lateren overgenomen, ook door ben, die in onzen tijd over 
Bruno- en Ëgbert-munten scbrijven. Toch is er veel op dat 
betoog aan te merken. ËGCARD vooronderstelt dat bet markgraaf- 
schap van Friesland door een huwelijk aan de Erunswijkers is 
gekomen. Geertruid, de echtgenoot van LUDOLF iv, schijnt 
de eenige te zijn, die dat markgraafschap ten huwelijk heeft 
kunnen aanbrengen; dus kwam het, volgens ECGARD, door 
GEERTRUID aan het geslacht van bruno. Zij wordt eene 
dochter genoemd van graaf baldewin van Vlaanderen, maar 
graaf arnulf van Holland past beter in het systeem van 
EGGABD, dus is zij eene dochter van graaf ARNULF. Ten slotte 
haalt hij eene plaats uit het chronicon Ëgmundanum aan om 
te bewijzen, dat graaf arntjlf dochters had. Deze plaats ver- 
stond hij verkeerd. Zij luidt aldus: 1162 Fiardinge ecclesia .... 
quam quondam abnulfüs comes cum filiabus suis eidem ec- 
clesiae Ëkmundensi contulerat. 

Deze woorden beteekenen niet: de kerk van Viaardingen, 
die graaf ARNULF en zijne dochters eenmaal hebben geschon- 
ken, maar: die graaf arnulf met hare dochterkerken (nl. de 
kerk van Hargen en die van Schie) heeft geschonken. 

Zoolang men geen betere bewijzen bijbrengt dan die van 
EGGARD, zal men het verstandigst doen, aan arnulf geen 
dochters of geene dochter toe te kennen. 

Later hebben kluit, van loon en misschien nog vroege- 
ren een zoon van graaf abnulf opgespoord. Hun eenig 



312 

bewijs hiervoor is eene oorkonde van het jaar 998 *), waarin 
een graaf ARNULF, zijne echtgenoot liudgarde en hun zoon 
ADELBERT het klooster van ST. pieter te Gent beschenken. Een 
cartularium van ST. pieter uit de elfde eeuw, dat deze oorkonde 
verkort opnam, heeft bij het woord arntjlfus de gelijktijdige 
aanteekening comes Valencianensis *). Die verklaring schijnt de 
juiste te zijn. Een arntjlf, graaf van Valenciennes, komt in de 
laatste helft der tiende en in het begin der elfde eeuw eenige 
malen in oorkonden en in kronieken voor. Het straks genoemde 
cartularium uit de elfde eeuw bevat verder nog verkorte af- 
schriften van twee oorkonden van dezen arnulf. Het eene 
afschrift is in het Oorkondenboek opgenomen ^), in het andere 
leest men: abntjlftjs comes Valencianensis et uxor sua liet- 
GARDIS cum filio suo ADELBERTO tradiderunt eet. Deze ar- 
nulf is in of kort voor 1015 overleden, zijne weduwe LITJD- 
GARDE leefde in dat jaar nog *). Nu de arnulf uit de 
oorkonde van 998 niet de Hollandsche graaf van dien naam 
is, is de daarin genoemde adelbert ook geen zoon van onzen 
graaf, en dan vervalt meteen de grond, waarop sommigen be- 
weerd hebben dat onze arnulf niet in 993, maar eenige 
jaren later overleden is. 



Nr. 3. LIJST VAN OOEKONDBN, WAARIN DE GRAVEN 
DIRK I EN II GENOEMD WORDEN. 

916. 19 Jan. Heristallium palatium. Oorkondenb. nr. 23. 
921. 7 Nov. ad Bonnam castrum. // // 24». 



^) Oorkondenboek nr. 73. 

^) Voor de eerste maal uitgegeven door van de putte, Annales abbatiae 
8. PKTRi BLAND1NIEN8IS, Crcnt 1842. Kluit kende dit cartiilariam nog niet. 

^) Oorkondenboek nr. 60. 

*) Oorkonde in molanus, Historiae Lovaniensinm libri XIV ed. de 
EAM. Brux. 1861, p. 883. 



313 



922. 15 Juni. Pladella villa. Oorkondenb. nr. 26. 

928. Juli-Sept. in Trajecto (Maastricht). // // 27. 

942. 8 Juli. in Blandinieusi coenobio. // // 28. 



949. 


10 


Nov. 


in Edua civitate. Bouquet IX, 


p. 1 


B06. 


960. 


29 Juni. 


Gandavi in monte Blan- 














dinio. Oorkondenb. 


nr. 


34. 


962. 


6 


Mei. 


in Blandinio. 


// 


// 


35. 


962. 


21 


Oct. 


in Blandinio monasterio. 


// 


// 


36. 


964. 


28 


Maart. 


in Blandinio monasterio. 


// 


// 


37. 


969. 


11 


April. 


(Gent). 


// 


// 


42. 


969? 


13 


April. 




// 


// 


43. 


970. 


25 


Oct. 


in Blandinio monasterio. 


// 


// 


44. 


971. 


17 


Sept. 


in Blandinio monasterio. 


tl 


// 


45«). 


972. 


31 


Jan. 


in coenobio Blandinio. 


// 


// 


46. 


972. 


30 


Sept, 


in Blandinio monasterio. 


// 


// 


48. 


974. 


2 


Oct. 


in Blandinio monasterio. 


// 


// 


49. 


981? 






Treviris. 


// 


// 


54. 


981. 


4 Maart. 


in Blandinio Gandavi ter- 














ritorii. 


// 


// 


55. 


981. 


6 


Maart. 


in Blandinio Gandavi ter- 














ritorii. 


// 


// 


56. 


983. 


9 


Jan. 


in monasterio Blandinio. 


// 


// 


59. 


983. 


29 


Juni. 


(Gent). 


// 


// 


60. 


983. 


2 


Oct. 


(Gent). 


ff 


// 


61. 


984. 


9 


Jan. 


in monasterio Blandinio. Yan Lokeren 


i // 


60. 


984. 


12 


Jan. 


in Blandinio. Oorkondenb. 


// 


62«). 


985. 


25 


Aug. 


Noviomago. 


ff 


// 


64. 


988. 


1 


April. 


in Gandavo in monte 














Blandinio. 


ff 


// 


65. 



O Graaf dirk wordt hier wel genoemd, maar hij komt niet voor als 
b\j hei opstellen der oorkonde tegenwoordig, zooals in de overige oor- 
konden. 



%\ 



t 



3" t^^ 



ritr. x'jis^i^u*: ^vnaoL vnro: rnniffmc bkl lus Jevraael 
ttt c* lif*ïL*.itLtr*jt* TUL Mr. caoscx 
i0\\i:iiiiL. vffflTTBL ie «BL re^mc CL flBniffe 
^*jK*'i*fl. 11 :**: Viü TEL iKfiEaLiisr i?»€fr. 

0^*^ :i*n. acveur «l c^Il aurbiKS bei» & nnr iifs 

) vj 'utz^ Zit zi Gilt skïi kzen. lïs irikadïwg vil 

Jk;zi7, yncljuüsi U; M^zubeereL^ï, 3&a bes beried dat bg 
jb L^ &rcïlii»rf der Lcierl^kbeid, vaaroDoer b^ voou. eea baad- 
M^rift Lad gerood^i, dkt ees r-*g^>n»4r adieea te eqb, door 
«;^fi lid der familie ikiüijlzth in bd midden der aevcntiende 
<7euv $;eb<iudea, 2^n meodeljk ««nhnH^ om bet mg ter inoge 
te asefiden, nam ik rol gaarne aan, en veldra kreeg ik bet ttQ 
iijvj^e kwHrio dtffA, met verzoek om het, na het gebndkt ie 
heli Urn, uit %gn naam aan de Bibliotheek der Maatschappg 
der Ne/Jerl. [>etterkunde aan te bieden. Over de herkomst ran 
het li;irid«chrift kon hy mij slecht» berichten, dat bet iraf- 
koinfttij^ wa« uit de nagelaten papieren van fbah^ois ]>oubi:.£th, 
lleitr van Orof;nevclt, Moerkerken, enz., die omstreeks 1767 als 
(<<;XAui vmi hun Ho. Mo. bij het Ileerenhuis van Spanje overleden 
i«/' KiiANr^ioiN i)r>iJi)LKTii was eigenaar van Mljnsheerenland 
tm iien tydlnng bewoner van het Ilcerenhuis geweest, en zoo was 
hut diiglxMik vHu zyn voorvader daar geborgen, en na zijn 



315 

dood met al de overige papieren in banden der koopers yan 
de heerlijkheid overgegaan. De overige bescheiden bevatten 
volstrekt niets wat tot opheldering van het dagboek kon die- 
nen of er bij behoorde. Het boek stond geheel op zichzelf. 

Op het eerste aanzien zag het er tamelijk onleesbaar uit. 
Het kostte mij eenige oefeningen eer ik aan het schrift gewend 
was en het vlot kon lezen, maar de moeite lag meer aan de 
ongewoonheid dan aan de onduidelijkheid van het schrift. Het 
is vluchtig op het papier geworpen met de verkortingen, die 
toen gebruikelijk waren; de zin moet ons dikwerf te hulp ko- 
men en doen raden wat er staan zal, eer wij bemerken dat 
het er werkelijk staat. Met eigennamen van onbekenden blijft 
dit het onzekerst; met het overige heeft het geen groot be- 
zwaar. Wie geduld heeft kan het boek van het begin tot het 
eind met volkomen zekerheid doorlezen. En het beloont de 
moeite, die het vordert. 

De schrijver is de Heer en Mr. geobgb batalleb dott- 
BLETH — van wien ik, zonder onbescheiden te zyn, mag ver- 
moeden dat de meesten mijner lezers nooit gehoord hebben. 
Yeel weet ik ook niet van den man te verhalen. Had hij dit 
dagboek niet geschreven, hij zou niet anders in herinnering 
voortleven dan in de dubbele qualiteit van raadsheer en geleerd 
vriend van hutgens en hooft, van vossius en gbotius, 
in wier brieven hij nu en dan voorkomt. Ter wille van zijn 
dagboek heb ik naar zijne levensbijzonderheden eenig onderzoek 
ingesteld, en wat volgt is de slotsom, waartoe mij dit geleid 
heeft. 

Zijn dubbelen naam dankt hij aan zijn vader en aan zijn 
moeder te zamen. Zijn vader was philips dotjbleth, raad 
en eerste rekenmeester van Holland en West-Friesland en later 
ontvauger-generaal, overleden 1612. In eerste huwelijk met 
MABIA VAN DEB GOES had deze het gezegend aantal van 
zeventien kinderen gewonnen; in tweeden echt met cobnelia 
BATALLEB uog twee daarenboven, namelijk onzen geobge, 
die bij zijns vaders naam den naam zijner moeder ter onder- 
scheiding aannam, en een dochter, die met een officier van 



316 

's prinsen lijfwacht, de glbsee, gehuwd is geweest *). Van 
vaders- en van moeders-zijde was de afkomst aanzienlijk. De 
DOTJBLETHS hadden van ouds in de regeering van Mechelen 
gezeten, van waar de grootvader in den tijd der troebelen naar 
Holland was uitgeweken. De batallebs waren opgekomen in 
de magistratuur; de vader van geobges moeder was Mr. 
GEOBÖE BATALLEB, die door Kouing PHILIPS tot president 
van het Hof Provinciaal van Utrecht gekozen en aldaar in 
1581 overleden was. 

Van de opvoeding en van de jeugd van onzen dagboek- 
schrijver is mij niets bekend, liet eerst treffen wij hem (in de 
brieven van vossius) aan op zijn groote reis, waarmee hij, 
zooals gebruikelijk was, zijn opvoeding voltooide. Achtereen- 
volgens ontmoeten wij hem, tusschen Augustus 1621 en Augus- 
tus 1625, te Londen, in Frankrijk, te Eome, te Venetië en 
weer te Parijs. Een gedeelte althans van die reis maakte hij 
met i^icoLAAS MEEBMAN, CU met dezen kwam hij te Parijs 
veel aan huis bij HUöo de gboot, toen nog ambteloos bal- 
ling en juist bezig met het drukken van het Jus belli ac 
pacis. Hij trof daar ook den jongen gbaswingkel aan, die 
eveneens van zijn groote reis huiswaarts keerde en intusschen 
DB GBOOT met overschreven en met verbeteren van drukproe- 
ven bijstond. In zijn gezelschap kwam hij in het najaar van 
1625 behouden in het vaderland terug, gelukkiger dan zijn 
vriend meebman, die iets later zijn reis over zee nam en 
schipbreuk leed, waarbij al zijn bagage verloren ging. 

Na zijn terugkomst heeft doubleth zich denkelijk in Den 
Haag als advocaat nedergezet, maar lang is hij er niet ambte- 
loos gebleven. In 1629 werd hij rentmeester van de Espargne. 
Als zoodanig had hij het toezicht te houden over de zeevonden, 
en te zorgen dat zij ten bate der grafelijkheid te gelde wer- 
den gemaakt. In de waarneming van dit ambt kwam hij on- 
der anderen met den beroemden Drost van Muiden in aan- 



') Zie de genealogie in de Brieven Van UTTlSNBOaAERT, nitgeg. door 
den Heer rogge, deel I, Bijl. A. 



317 

raking, in wiens gedrukte briefwisseling eenige brieven van en 
aan hem gevonden worden '), die niet uitsluitend over ambts- 
zaken handelen, maar ook over letterkundige onderwerpen, 
over een biographie van paolo sarpi, aan welker uitgaaf 
onze auteur niet vreemd geweest schijnt te zijn, en over de 
Historiën van hooft, waarvan hij een present-exemplaar had 
ontvangen. De laatste brief (n^. 829 in de uitgaaf van van 
vloten) is een welkome proef van de kunstige en gekun- 
stelde schrijfwijs van onzen vriend. 

Intusschen was hij, in October van 1629, in het huwelijk 
getreden met maria yan schotebbosch, wier zuster ea- 
THABINA aan een zijner neven philips doubleth, heer van 
Groenevelt, eerst wagenmeester en later ontvanger-generaal, ge- 
huwd was. De familie, waarmede hij zich verzwagerde, was 
even aanzienlijk als de zijne en tamelijk vermogend. Een zijner 
halve broeders, philips, heer van St. Annaland, had nog 
aanzienlijker huwelijk aangegaan: met geertbvid, de oudste 
zuster van constantijn hutgens. Zoo kreeg de geleerde en 
dichtlievende georgb gereeden toegang tot den letterkundigen 
kring, waarvan hüygens het middelpunt was. Een vers van zijn 
maaksel is zelfs waardig gekeurd om onder de gedichten van 
dezen te worden opgenomen ^). Uit dit dichtstuk en uit den met 
zorg gestelden brief aan hooet, waarvan ik reeds gewaagde, kan 
de belangstellende lezer zich een denkbeeld vormen van de 
verdiensten van onzen dagboekschrijver als poëet en prozaïst. 

Van zijn huiselgk en maatschappelijk leven is ons verder 
niet veel bekend. Hy verwekte bij zijn echtgenoote minstens 
vijf kinderen, drie zoons en twee dochters. In Mei 1639 moet 
hem een zware slag hebben getrotfen^ waarmee hem yossius 
in algemeene termen condoleert, denkelijk de dood van z^n 
vrouw. In het volgend jaar, 1640, verkreeg hij een aanzienlijk 



') In de uitgaaf van van vloten, de nr«. 350, 351, 412, 744, 745, 
747, 748, 771, 772, 829, 880, 880 en 922. De brieven n». 135 en 198 
worden in die uitgaaf verkeerdelijk aan george doubleth geadresseerd ; 
z\j waren aan diens ambtsvoorganger philips doubleth gericht. 

*) In de nitgaaf van bilderdijk, II, bl. 102. 



318 

en begeerenswaardig ambt: hij werd gekozen tot lid van den 
Hoogen Eaad ?an Holland en Zeeland, en deed als zoodanig 
den eed den lO*®»^ Mei. 

In den vrijen tijd, die hem deze post ruimschoots liet, bleef 
hij zich met de studie bezighouden en met zijne geleerde vrien- 
den verkeeren. In Mei 1640 droeg hem yossius, toenmaals 
hoogleeraar te Amsterdam, zijn Theses de baptismo op. 
Uit den opdrachtsbrief *) vernemen wij niet veel, buiten het- 
geen wij reeds weten, het aanzien der doubleths en der 
BATALLEBS, de geleerdheid en den studiezin van den raads- 
heer; alleen nog hooren wij, dat hij de gelukkige vader van 
drie veelbelovende zonen is. Weer verliezen wij hem uit het 
oog tot op 1653. Dan vinden wij hem solliciteerende naar het 
lidmaatschap van de Chambre-mipartie. 

De Chambre-mipartie, die in Dec. 1653 geopend werd, was 
reeds in 1648 bij het verdrag van den vrede van Munster 
verordend. Om de vele rechtsvragen van minder belang, die 
nog niet opgelost waren, uit te wijzen, waren Spanje en de 
Eepubliek overeengekomen om een soort van internationale 
rechtbank in te stellen, voor de helft uit Noordnederlandsche, 
voor de andere helft uit Zuidnederlandsche raadsheeren be- 
staande, van waar de naam van Chambre-mipartie, of, zooais 
WAGENAAB het woord vertaalt. Tweeledige Kamer. De ge- 
schiedenis van dit gerechtshof heeft voor eenige jaren de Heer 
r. J. E. TAN HOOGSTBATEN in zljn Acadcmische dissertatie 
met veel vlijt en zorg nagespoord en slechts daarom niet vol- 
ledig beschreven, omdat de noodige bescheiden meestal ontbraken. 
Zooveel heeft hij doen uitkomen, dat de Kamer van den aanvang 
harer zittingen weinig te beteekenen heeft gehad, en hoe langer 
zij zat, des te minder beteekende. Beide mogendheden, Spanje 
zoowel als de Eepubliek, wilden haar geen groot gezag verleenen, 
en hielpen haar dus gebrekkig in haar moeilijk werk. Zonder ze 
uitdrukkelijk op te heffen, hebben zij ze allengs te niet laten gaan. 



O Opgenomen in de uitgaaf der brieven van vossius (Londen 1690) 
p. 28, 29. 



319 

De Kamer moest volgeus het tractaat om bearte in een 
Belgische en in een N.-Nederlandsche stad zetelen. Het eerst 
werd zij te Mechelen gevestigd. Wat dotjbleth bewogen mag 
hebben naar een plaats in dit reizend gerechtshof te staan, 
begrijp ik niet wel. Misschien zocht hij alleen vermeerdering 
van inkomsten, ofschoon hij die geenszins behoefde; misschien 
ook eenige afwisseling in zijn eentonig leven en een tijde- 
lijke verwijdering uit Den Haag. Daartoe kan hem inzonder- 
heid bewogen hebben de driedubbele slag, die hem omstreeks 
dezen tijd moet hebben getroffen. In 1648, toen hem yossius 
zijn Theses opdroeg, bezat hij, gelijk wij zagen, drie zonen. 
In 1653 had hij ze alle drie verloren. De omstandigheden en 
de juiste tijd van hun sterven zijn mij alweer niet bekend. 
Het moet echter kort voor de opening der Kamer zijn ge- 
beurd, want op den l^^en Januari 1654 teekent h\j in zijn 
dagboek aan, dat hij een missive heeft ontvangen van den 
secretaris van den Baad van State met een ingesloten brief, 
aan hem uit Zweden door nicolaus heinsiüs geschreven 
//over de doot van mijn soonen''. Het kan zijn dat deze vree- 
selijke ramp, waarover hij verder nooit eenig woord in zijn 
dagboek aanteekent, hem af keerig heeft gemaakt Tan de woon- 
plaats, die zulke smartelijke herinneringen levendig hield. Waar- 
schijnlijk heeft ook nog een andere reden medegewerkt; te 
Mechelen stond de bakermat van het geslacht doübleth, en 
hij was verre van onverschillig omtrent zijn afkomst en trotsch 
op zijne aanzienlijke voorvaderen. Ook was zijn moeder toevallig 
daar ter stede geboren, ofschoon de ratallers er anders 
niet thuis hoorden. Hy werd dus door dubbele banden naar 
de residentie van de Kamer getrokken. 

Hoe dit zij , om welke reden ook , hij stond naar den post 
en verkreeg hem. Den 19den Dec. 1653 vertrok hij, een paar 
dagen na de overige Noordnederlandsche leden, uit Den Haag, 
in gezelschap van zijne twee dochters. 

Van dien dag begint het Journaal, dat een gelukkig toeval 
ons bewaard heeft, het //Joumael van de Mechelsche reyse", 
zooals de titel luidt. Het loopt onafgebroken bijna van dag 



320 

tot dag voort tot op den 233ten Maart van het jaar 1655, toen 
hij, na afloop van den zittingstijd te Mechelen, met zijn 
gezin in Den Haag terug was gekeerd. Onderaan op de 
laatste blz. schreef hij toen: //Eynde van mijn Mechels secreet 
Memoriael, gesloten huyden 23 Maart 1655 *s morgens voor 
elff uyren." Ik houd mij overtuigd dat hij ook vroeger, gedu- 
rende z\jn groote reis en later tijdens zijn verblijf in Den Haag , 
soortgelijke journalen en memorialen gehouden zal hebben, 
gelijk ook uit alles blijkt dat hij een schat van papieren, 
kisten vol, bewaarde. Dat alles is echter verloren gegaan; 
misschien heeft ons handschrift het alleen aan zijn hoornen 
band te danken gehad , dat het als een boek bewaard , niet 
als papieren verscheurd is. Ware het den weg der overige 
bescheiden opgegaan, wij zouden van den schrijver, wiens 
karakter en eigenaardigheden ons thans zoo goed bekend z^n, 
volstrekt niets weten. De weinige bijzonderheden uit z^n leven, 
die ik heb meegedeeld, zou zelfs niemand de moeite waard 
hebben geacht te verzamelen. Aan zulke beuzelingen hangt de 
vermaardheid van den sterveling ! 

Gedurende zyn verblijf te Mechelen heeft hij zich slechts 
een paar uitstapjes veroorloofd. Een van deze, naar de kermis 
te Antwerpen, heeft hem aanleiding gegeven om in zijn dag- 
boek het een en ander op te teekenen, dat voor de kennis der 
toenmalige zeden en toestanden niet onbelangrijk is. Ook vormt 
het op zichzelf een geheel en komt mij dus bijzonder geschikt 
voor^ om als proeve van het lijvige Journaal, dat vooreerst 
wel ongedrukt zal blijven, bekend gemaakt te worden. 

R. F. 



Op H uytgaen van de Eaedcamer had ick tegens de Heeren 
STOCKMANS cudc STUCKEB gcseyt, dat ick soo 't met wel- 
gevallen van de Heeren van 's Conincx zijde geschieden konde, 
genegen was jongh geselschap, 't mijnen huyse mij synde zedert 
eenigen tijt bijgeweest, te gaen leyden op de Antwerpsche 



321 

kermisse, om aldaer den ommegangh te zien, nemende den' 
Saturdach, sullende dies feriatus sijn pour nre Dame de 
My-aoust ende den Sondacb tot mijn voordeel, maer sullende 
naer appareutie genootsaeckt zijn de voor-noens-sessie op 
Maendach in den raed te versuymen, als niet geraden achtende 
mij met kermisse-droncken voerluyden Sondach tegen den avond 
op wech te begeven; ende mids 't vertreck van 't meerendeel 
van onse Heeren doch geen getal sullende blijven, schoon ick 
bleeff, om yets te doen dat twee niet soo wel als drye souden 
machtich zijn ; ende twee blevender van de onse, soo s^ mij ver- 
claert hadden, de Heeren crommout ende clant. Dese twee 
Heeren stockmans ende stuckeb raden mij stillekens slechts 
te gaen sonder de gemelycke precysheyt van den Heer Presi- 
dent LOTTiN eens te moeyen, so als de Heer stockmans 
seyde nu al geleert te zijn te doen in occasien ende sich daerbij 
best te bevinden, wanneer hij doch wiste dat mids het blijvende 
getal van des geeme consenterende Heeren, altijt noch supra- 
numerair geweest boven die van der Staten zijde, hij zijn affai- 
res tot Brussel konde somwijlen voor een dach off twee waer- 
nemen sonder praejudicie van de besoignes. 

Na noen quam de Heer stockmans in geselschap van de 
Heer küyebmans mij aenbieden zijn geselschap naer Antwer- 
pen ten naesten daghe, begerende dat ick ende mijn neeff in 
zijn calesse souden willen comen, om de mijne, doch noch ge- 
nouch sullende beslagen werden met mijne nichten ende doch- 
ters, te ontlasten. Ick bedanckte hem voor de presentatie, maer 
seyde een voermanswaghen te sullen gebruycken moeten, die 
ons allen bequaem was te logeren, dewijle mijn koetsier pas 
weder uyt een schielycke zware zieckte beginnende voorts te 
kruypen, niet wel bequaem was m^n calesse te gouverneren. 

Den IS^en Augusti Saterdach reden wij tijdelyck naer Ant- 
werpen ende quamen daer voor thien uyren. In den Vergulden 
Arent geen plaets vindende op de Meeren, reden wij voorder 
bij de Korff op de Eyermarckt, ende namen daer drye camers 
in, eene voor mijne nichten, eene daernevens voor mijn neeff, 
beyde voor aen de straet haer uytsicht hebbende, ende eene 



322 

met twee ledikanten op de plaets uytsiende voor mij ende mijne 
dochters, 't Logement zijnde verzekert^ gingben wij wandelen 
op 't hooft ende voorts voorbij 't Oostersche huys, op de schoon 
beplante stadsvesten, daer wij rencontreerden ende aenspraken 
de Heer dbuyvenstbtn van Haerlem in den Eaed van State, 
met zyn huysvrou Juff. koetmans, ende dan noch den Bidder 
KOEYMANS met zyn huysvrou Juff. habbewijn, dochter van 
mijnen oude kennisse de Heer habbewijn, eertij ts coopman 
tot Eouaen ende mij in mijne Eransche reysen veele beleefthe- 
den bewesen hebbende, die uyt Hollant nieuw aengecomen een 
speelreys voorts naer Mechelen, Leuven, Brussel ende Gent 
voorhadden. 

's Middachs over maeltijt hadden w^ ongeschickt slach van 
geselschap ende half droncken, als men soude geoordeelt heb- 
ben, eer zij aen tafel quamen, ende hun onder malcanderen 
behagende met discourssen van haer debauschen, die ick soo 
veel ick konde telckens pooghde te breken met 't een off ander 
ingeworpen woort. Twee onder hun roemden sich veel van de 
bysondere kennisse die zij hadden aen de Heer vAir bijswijck, 
den eenen sich latende noemen Baron yan malsüm, seggende 
anderhalf jaer geleden omtrent Paesschen bij hem gelogeert te 
zijn geweest in 't huys van zyn schoonvader, den Heere yan 
bebchem, den anderen sich noemende den Heer yak bebgheit , 
ende wel de ongeschickste van 't geselschap, hem dreygendete 
gaen besoucken. Een Pool buyten sijn geselschap zijnde was 
sonder spraeck. W^ maeckten de maeltijt soo kort als mogelyck 
was, ende retireerden ons van dat geselschap aff; bespraken de 
carosse van den weert, seer fatsoenlyck zijnde ende met goede 
paerden voorzien, om door de stadt te gebruycken. Terwijl 
die vaerdich wierde gemaeckt, soo ginghen wij op 't ledichste 
van de dienst besien de groote L. Vrouwen kercke, ende daerin 
particulierlyck die hooch geestimeerde schilderde in 't Ghoor aen 
de rechter zijds altaer benevens 't hooch altaer, geschildert by 
QüiNTYN de smidt, qucm connubialis amor de Muloebri 
fecit Apellem, soo als bij zijn constich smidswerck aen de 
putt buyten de selve kerck ons daerna geseyt werd geschreven 



323 

te zijn, ende wij versuymt hebben te sien. In 't midden van 
de kerck stond het houte L. Vrouwen beeld opgepronckt, 't 
geen des naesten daechs op den ommeganck soude omgedragen 
werden. Mette coetse ginghen wij tot voor des posts huys, ende 
trad ick aff om te vernemen off der geene brieven voor mij 
en waren, doch begeerden de officianten dat ick tegens ses 
uyren comen wilde, alsoo se eerst rechts aengecomen ende 
noch niet uyt den anderen gesift en waren. Wij reden naer 't 
Gasteel, ende door een corporael gevraecht voor de buyten- 
poorte, van wat natie wij waren ende geantwoort Hollanders, 
gevraecht off der van ons beyde, myn neeff off ick, een capteyn 
off collonel off officier van oorloghe was, ende geseyt neen, soo 
gingh desen binnen verloff eyschen voor onse incomste in 't 
Gasteel, ende wierde stracx de valbrugghe neder gelaten, rijdende 
wij mette karosse binnen het Gasteel, tot dat ick uyt den cor- 
porael verstaende dat de Heer Gouverneur Don .... de Mer- 
caderes, uytte kerck komende ende rechts voor de kerck staende 
geaccompagneert met groot geselschap van officieren ende an- 
dere, riep ick den coetsier dat hij stille houden soude ende 
sprongh ick uytte coetse, salueerde den Heer Gouverneur, een 
man in schijn van omtrent de 40 jaren, statich in 't zwart 
gekleedt, blond ende fraey van wezen, seyde met een woord 
Fransch , dat de curieusheyt mij gelockt had die schoone forte- 
resse eens te comen besien, soo 't met sijne permissie mochte 
geschieden; waerop hij simpelyck antwoorder Jesus, ouy, tout 
ce qui vous plaira, ende wees op een corporael ons te geley- 
den, die des deede ; ende het weder brandend heet zijnde lieten 
wij de rest van ons geselschap onder de schaduw in 't groen 
sitten op 't eerste opklimmen op de wallen, ende ginghen mijn 
neeff met mij voorts, ende voeghden zich bij ons twee jonghe 
fatsoenlycke coopluyden, so scheen, van Antwerpen. Wij gin- 
ghen tsamen rondomme langhs alle de uyterste punten van de 
seer extraordinaris groote ende tot aen de voet van de para- 
pett toe van de grond aff gevulde bolwercken : onsen leydsman 
des, so ick gelooff, doende om yder van de sentinellen, die 
op de punten stonden eenich cleyn benefitie in de beurse te 



k^ 



324 

jaghen, want ons niemand quyt en scbolde van een tabacx- 
penninxken te eyschen. Wij saghen onder de groote menicbte 
▼an zwaer gescbutt, op de wallen ende insonderbeyt tegens de 
stad ende riyiere liggende, twee staaken by weghewaebt in 
den Hagbe gegoten, ende in d* eene of d' andere stadt den 
Heeren Staten afgenomen. Onsen leydsman toonde ons oock 
aen seker oud bruggeken in de graft staende de plaetse, daer 
ten t^de Tan 't belegb ?an Breda a^. 1625 ons volck den 
aenslagb badden gemaekt om H Gasteel te beklimmen met 
ladders, die te kort bevonden werden, doordien onder 't water 
de muyren een breed buyten uytgaenden aenlegb bebben tot 
bun meerder vasticbeyt, waerop de aenslagbers niet verdaebt 
en waren geweest. lok seyde, in soo veel quade Spaenscb als 
ick ontbonden badde, aen onsen leydsman, die geen andere 
tael en verstond, dat zij nu niet meer van de Hollanders aen- 
slagb badden te vreesen, dat bet vrede was, die ik boopte 
eeuwicb duyren sonde. Breecken zij de vrede niet, seyde bij, 
onsen Coninek en sal se noyt breken. Ende zij noyt de 
eerste, antwoorde ick, ergo eeuwicb. Ick geloove, repliceerde 
bij, dat zij 't niet weder beginnen sullen, zijn zij wijs; zij 
bebben te wel gevoelt boe zij gevaeren zijn als men aen den 
man quam. Soo doen zg docb, seyde ick, maer vertrouwe dat- 
ter onder de uwen oock nocb wel zijn, die t gebeugen, datter 
zoowel slagben te balen als te geven waren. Dat versekere ick 
u wel dat waer is, seyde een van die coopluyden mede in 't 
Spaenscb; ende met dat propoost in den mont, zoo toonde 
ons onsen guide onder een voutte drye of vier cleyne scbuyt- 
ges op malcanderen gestouwt, op den misluckten aenslagb ge- 
dient bebbende. Onsen tour gedaen bebbende, ende daer over 
met gestadicb gaen een goet balf uyr bestedet, vonden wij ons 
geselscbap voor de kerckdeur tegen over t logement van den 
casteleyn of gouverneur, in wiens quartier de Hertogb van 
Lotbaringen was gelogeert geweest, maer wij niet poogbden 
te zien, mids bij selff daer was, ende reden weder uyt, alle 
banden van geringe officieren soowel als van gemeene soldaten 
openstaende in *t uytrijden. 



325 

Yan daer reden wij voor der Jesuiten kerck, daer alle de 
Vesperen ende loff gedaen zijnde wij ruymicheyt hadden die 
schoone marbre kerck te besien. Wij lieten van daer voort 
rijden te Vrouwen convent, ende gingh ick met mijn neeff 
aenklincken om de bibliotheque te moghen sien, vindende daer 
oock op deselve wacht sitten een Poolsch jongh graeffken tot 
licyden in Hollant eenigen tijt, soo ick nyt sijnen Ephoro 
verstond, hebbende gestudeert, van familie van smalata off 
diergelycken naem, die al langh voor onse aencomste met den 
portier gesproken hadde. Eyntelyck den Bibliothecaris p, hen- 
SCHENIT7S voor den dach comende, embrasseerde hij 't graeff- 
gen omtrent 16 a 17 jaren oud met groote minnelyckheyt, ons 
allen voorts, soo ick gelove ende wel te vreden was, aensiende 
als van desselffs gevolgh, ick niet anders souckende dan soo 
daer als elders in die stadt onbekend te zijn. Op t eerste in- 
treden in de bibliotheque dede hij ons remarqueren de schoone 
perspective van vijff kamers aen den anderen, alle even dicht 
met boucken ende meest van éénen band besett (rossachtich 
leder met vergulde streepkens), ende de iu ende uytgaende 
deuren alle in 't midden van de kamers staende ende wijder 
ende wijder wordende, soo dat het eene aengename perspective 
maeckte. Den bibliotheqaris dede den Graeff of sijnen Ephoro 
strack in een bouck van den Poolschen adel zijn familie ende 
naem aenw^sen, ende verstaende den Graeff dat de Coninginne 
van S weden, dese bibliotheque al gesien hebbende, des naesten 
daechs morgens ten acht uyren in de Jesuiten kercke een seer 
solemnele musique soude comen hooren, doch alsoo sij Luthe- 
rane was begheerde geplaetst te wesen daer sij sine scandalo 
sien mochte selffs ongesien blijvende, soo versocht hij middel 
om de Coninginne te mogen sien. Den Pater seyde dat veel 
zwaricheyts te sullen hebben, alsoo de plaets seer cleyn was 
daer men haer setten soude ende niemand daerin geadmitteert 
dan drye off vier persoonen omtrent haer zijnde. Ick bevorens 
te vreden geweest te zwijgen, seyde daerop dat aen den Graeff 
ende ons weynige met hem wellicht die gunst soude geschic'- 
den kunnen, als ons in een passageplaets als sprekende met 



326 

een van de religieusen te coUoceren, daer wij als casuelyck 
gevonden de Coninginne mochten sien voorbij gaen, dewijl 
8^ doch door t hays van de Paters, als wij verstonden, gesint 
was in de kerck te gaen. Dit approbeerde den Pater als in 
der daet den bequaemsten wech, ende wildder om dencken, 
sullende ons ondertusschen gaen aenwijsen de bedeckte plaetse 
voor der Coninginnes sien van de misse gedestineert. Dan desen 
tocht alieneerde den Jesuyt soo wel als 't jonghe Graeffken 
heel ende all van ons; want als hij ons uytte bibliotheqae 
schrijdende nae H boven sijdel pant van de kerck omleyden soude, 
soo viel hij, eerst een groot venster opgetrocken hebbende, 
voor een altaer in een capelle staende, ende daerna wederom 
in de bovenbocht recht over t groot altaer, heel op t andere 
eynde van de kerck om laeghe staende, op sijn knyen, het 
Graeffken ende zijn Ephorus ende dienaers van gelijcken , ende 
ick met neeff wdecken wat van ter zijden aff , telcken geweecken 
zijnde sonder die ceremonie naer te volghen, ende daeromme 
niet dervende het verschr. bovenpand met hun voort uytgaen, 
uyt vreese van offensie, soo sloeghen zij, op t eynde komende 
ende nu ingaende ter plaetse, daer ick 's daechs daeraen de 
Coninghinne met een zwier sagh, de deure met sulcken force 
achter hun toe, wij doch de gansche kercx lenghte van hun 
zijnde, ende sulcx t selve ons niet hebbende, als in t minste 
afironteux, aen te trecken, dat daeruyt een spijt was aff te 
nemen tegens ons; ende had ick alsdoen wel gewenscht mij 
van den beginne aen bekent gemaeckt te hebben voor die ick 
was, sullende ontwijffelyck uyt insichte van de Chambre mipar- 
tie respects genouch gerencontreert hebben. Nu dus onvoorsiens 
verlaten zijnde hadden wij moeyte genouch om weder in de 
vrije lucht te geraken, eene deure daer wij neder ginghen 
gesloten vindende, ende nadat wij weder boven waren gecomen 
ende een anderen affganck gevonden hadden ter goeder geluck 
verlossinge krijgende. 

Vervolgens Wacht DOUBLÉ TH een bezoek aan zekeren Capur 
cijn^ P. BUPERT, dien hij vroeger te Mechelen had gekend^ en 
die thans in het klooster van zijn orde te Antwerpen vertoefde; 



327 

en ging toen naar het posthuis, waar hij brieven uit Den 
Haag ontving, die hem onder anderen berichtten dat zijn 
broeder, ADBIAAN DOtjbleth, tot nog toe luitenant overeen 
compagnie van de garde, bij de reorganisatie van dat corps 
verplaatst was^ en aangesteld tot kapitein van een compagnie 
in Den Bosch in garnizoen. 

lek communiceerde dese tijdinghen aen Kijn zoon ende doch- 
ters, die mij in de carosse te gemoet quamen om rijdend e in 
den tour onder honderden van carossen, ick mede inspringende. 
Zy waren wat ontstelt uyt apprehensie van te sullen moeten 
den Hage verlaten ende ten Bosch gaen wonen. 

'sAvonts in de Herberghe had ick geerne met mijn gesel- 
schap op onse slaepcamer privatelyck gegeten, seggende met 
twee schotelen spijs te sullen gecontenteert sijn, ende geerne 
te sullen H ordinaris van de salet maeltljt betalen. Maer de 
weerdinne was niet te be weghen, als sullende 't selve desorder 
maken in hare spijse, ende 't was immers eerlyck geselschap, 
ende soo w^ vrouch wilden opstaen dat des ons vrij bleeff etc. 
Wij bleven der aen vast, ende hadden wij nu een heele bende 
woeste Poolen aen tafel, doch ons geselschap rees vrouch ende 
ick korts na hen ende retireerden ons tijdelyck. 

Den 16*0** Sondach 's mergens ten acht uyren gingh ick met 
m^n neef in de Jesuiten kerck, daer wy gerencontreert heb- 
bende den Heer joncesb met Juff. de geeb zijn vrou, oock 
onsen Haegschen schilder jan van öootbn, een halff uyrtgeu 
schoone exquisite musique hoorden, de musique van den Erts- 
hertoghe van Brussel ontboden zijnde, de solemniteit van den 
dach ende de Goninginne van S weden ter eere, welck wij saghen 
zwieren achter een dicht gekruystralyde venster recht bezijden 
het hooch-altaer, zij ook somw^len met een schielyckheyt 't 
hooft bloot uytstekende tusschen t selve venster ende de Heer 
SPIEBINOS, gewesen Sweedts residents, geadopteerde soon, 
PHILIPS siLVEBCBOON, die een was onder de weynige die 
haer oppasten. Wij dorsten niet al te langh daer blijven zoo 
uyt vreese van de ceremoniën tot onse bezwaernisse na te vol- 
gen ofi anderer offensie te negligeren, als omdat ick mijn tijt 



328 

te besteden had in bouckwinckels, mijne dochters ende nichten 
ons hebbende verhaelt dat zij 's daechs te voren een beguyntge 
bezwaerlyck hadden kannen beweghen tot het ontfangen van 
geit voor eenige gecochte leerzen, omdat het ons L. vrouwen- 
dach was, maer tegen den Sondach genodicht waren omme 
haar heele winckels te openen. 

D' eerste winckel daer ick ingingh was dicht bij de Jesui- 
ten kerck tot de wed<^. eii^obbaebts, daer ick negen rijcxdalers 
besteedde ; de naeste was op de Eyermarckt, die van .... YAir 
GHEEL, meest gesorteert op oade ingebonden boucken doch 
niet seer copieux ; hier besteede ick elff Eijcxdalers. Ick sprack 
op de straet de Heer Dr. michiel howtwood, de Heer 
Bitmrs. honywood's oom, t' Utrecht wonende. 

Ten elff nyren aen tafel gegaen zijnde met groot geselschap 
van Poolen, Pranschen, Walen, Nederlanders ende alle slach, 
titulen van Graven ende Baronnen daeronder geen gebreck, 
maeckten wij een corte maeltijt om des ommeganckswille, ende 
hebbende mijne jonghe luyden gebracht in een beqname camer 
van een van des weerdinnes vrinden, liet ick se daer, ende 
gingh in verscheyde bouckwinckels in de Cammerstraet, doch 
de meesten niet bij de hant vindende mids den ommeganck, 
totdat ick op de Yrijdachs merckt in officina Plantiniana een 
winckelhuyse vond, die mijn beurs ontlaste van elff goude 
ducaetgens in spetie. Welcke besteedt ende mijn boucken thuys 
hebbende doen brenghen, als ick vond dat mijn jonghe luyden 
thuys geweest zijnde ende mij niet vindende weder waren uyt 
gegaen, soo gingh ick oock noch eens op de vesten de scha- 
duw soucken, ende komende van daer aff langs der Minne* 
broers kerck, soo sagh ick binnen H enclos van hun kerck- 
hoff aldaer een statelycke processie gedaen te worden met 
seer veele toortsen, 't Kerckhoff met een heel hooge muyr 
aen de zijde, daer ick was, van de straet affgesondert zijnde, 
in den eenen houck van welcke muyr een rondt poortgen 
zijnde^ soo sagh ick daerinne staen een fatsoenlyck borgher, 
sonder mantel ende met den hoet op H hooft, latende bijna 
rakende aen sijn lij ff voorbijgaen alle dese toortsdragers, waer 



829 

onder oock seer fatsoenlycke luyden waren. lek vraegde hem, 
off dat een stuck van de ommegangh was. Hij seyde neen, 
maer 't was ordinaris Sondachs processie van de Minnebroers 
hij vraechde off ick die noyt meer gesien en had. lek seyde 
juist die niet, maer andere menichmael; dese flambeaux wijsen 
uyt, seyde ick, dat het sacrament mede na volghen sal. Ja, 
seyde hij , siet daer comt het , ende wilde mij wat door 't poort- 
gen doen heenen buygen om het te sien. Neen, seyde ick, 
ick ben der niet nieusgierich naer, ende wilde ick sulcx wech 
gaen. Hij bemerckende dat ick niet Boomschgesint zijn moeste, 
seyde: soo gij voor ceremoniën schreumt, blijft bij mij hier 
staen; als H naerder comt sullen wij maer uyt het poortge 
wijeken ende langhs die muyr gaen (aen welckers ander eynde 
een weynich open zijnde 't volck vast dick op de knyen lach) 
ick maeck er mede geen groot werck aff. Ick bleeff wat staen 
met hem in 't poortgen; ende alsoo de processie stille stond 
ende een fatsoenlyck gecleedt man, als off 'teen magistraets 
persoon off anders gequalificeert coopman was, recht voor ons 
staende blootshoofts met de brandende toortse in de hand, 
soo dacht het mij incivil daer steets te blijven staen met ge- 
decten hooffde ; ende 't sacrament noch een heele triangel van 
ons aff zijnde, soo en had ick geen reden van schreum als 
civilyck myn hoet aff te nemen in presentie van die den hoet 
in de hand hadden. Sulcx dede ick des; 't welck als mijnen 
borgher naliet mede te doen, soo wierd die gequalificeerden 
toortsdragers oogh als vlammende, soodat ick desen borgher 
vermaende sich te retireren , sulcx hij te gelijck met mij dede , 
gaende wij over ende weder langhs die muyr wandelen. Hij 
ontdeckte sich soo wijd voor mij op aenleydinge die ick hem 
daertoe gaff, dat hij mij verclaerde wel twintich jaren te Ant- 
werpen ge woont hebbende van de gereformeerde religie te zijn. 
Ick bad hem mij wat naerders te willen openen den stant van 
de gereformeerde kerck ende lidtmaten in die stadt, ende opdat 
hij des te vr\jer doen mochte soo seyde ick mijn naem ende 
qualiteyt ende tot sijne gerustheyt liet hem twee of drye op- 
schriften van brieven^ die ick binnen Antwerpen ontfangen 



380 

hadde, lesen. Ht thoonde bigde te xgn yan de rencontre, ende 
alsoo hy veynich huysen Tan daer was ten eten geweest bij 
tQne iwagherinne, soo hg sejde, waeromme hij sonder mantel 
weynige stappen weegs was oomen wandelen, soo bad hQ mQ 
dat ick met hem tol langs t selve huys gaen wilde opdat hg 
ignen mantel nemende mij mochte geleyden. Ondertnsschen 
qaamen hem twee Tan drye sgne soete kinderen te gemoet 
loopen, die hg mij seyde alle te hebben doen doopen by pre- 
dicanten tot Lillo, Patt, half weghen Bergen op den Zoom, 
ende Hulst. Claeghde met tranen OTer de cleyne sorgbe, die 
in *t sluyten van den Trede was gedragen Toor die van de 
Religie onder *s Conincx proTintien in Nederland , sgner drye 
broederen affval Tan de gereformeerde Beligie tot het Faas- 
dom, tgner huys vrouwen mistroosticheyt daeroTer, die yan 
Bommel gesproten ende Tan eerlycke ende wel gequalificeerde 
Trienden zijnde , de Heer SCIIOOGR , gecommitteert noch jegen- 
woordich ter Yergaderinge Tan de Staten-Generael , haer cousin 
germain zijnde, hier was geraeckt Tan alle Trienden aff, be- 
schimpt ende bespott Tan een yder, sonder leere, sonder troost 
ende sonder hoop Tan des oyt te sien beteren. Ick Traeghde 
off sgne gelegentheyt hem soo Tast aen dit quartier Tcrbonden 
hielde, dat hij niet soude konnen opbreecken ende gaen wonen 
onder de Staten. Hij antwoorde met suchten, dat des soo wel 
niet te doen en was, twintich jaren in een stadt gewoont 
hebbende , daer men schulden had te betalen ende weder omme 
te eysschen; dat hy een schilder was, die redelyck was in 
kennisse ende noyt behouffde ledich te sitten, wist wel quyt 
te worden alles wat hij machtich was aff te wQrcken, sich 
Teel met contrefaicten behelpende. Zijn naem was D INGE man 
VAN DER HAGHEN, DB NUYSSENBORGHEN Tan Dordrecht, 
welckers alUantien met muys bij oock al wist te noemen, 
Tan zijne naeste Trienden zijnde, ende hij schijn dragende Tan 
een seer eerlyck man. Hij seyde mij datter des winters plach 
een predicant te komen, die in de langhe aTonden nu en dan 
hier ende daer heymelycke predicatien dede, maer des somers 
selden, ende datter nu geen en was nochte in langben gheen 



331 

was geweest. Hy claecbde seer dat, schoon de magistraet 
eenige coDniventie dede, ende oock een plaets totte begra?inge 
der dooden , sonder kercken-recbt gestorven , hadt bestemt, t geen 
bet Geusen-kerckboif wert genoemt , dat men evenwel daer geene 
dooden konde brengben sonder d aldergrootste smaedt van de 
canaille te lijden, ende dat men Hdaeromme genootsaeckt was 
bij nacbte te doen. Ende als bij bier wat al te seer over 
lamenteerde, soo seyde ick bem dat immers dat bet minste 
was 't geen bem off eenicb recbtgelovicb Cbristen beboorde 
te ontroeren , als de licbamen de aerde cregben , 't waer dan 
bij nacbte of bij dagbe, ende men wist dat zij alsoo saligbe 
opstandinge soude vinden — ja mogelyck des te saligber mids 
de geledene smaet om der waerbeyt ende des naems Cbristi 
wille, die soo veel zwaerder smaet om onsent wille geleden 
badde , — ende wat comparatie tusscben ons , arme aerd wormen , 
ende bem Coninck van bemel ende aerde! — nyt soo ver- 
achten gront soo veracbtelyck becomen, als andere uyt beer- 
lycke, met costelycke tomben opgesette graven, wat was daeraen 
soo boocbelyck gelegen? Dat bet mij wel leet was, zij moes- 
ten die smaet lijden, ende ick wenscbte dat bet te veranderen 
waer, maer niet zijnde soo moest bet met courage ende troost 
in God gedragen werden. Na wat pratens met mij ende mijn 
geselschap, ende daerna noch wat met mij alleen, niet wil- 
lende bij mij ter avondmaeltijt blijven, mids bij zijn buysvrou 
te halen ende t buys te brengben bad , soo nam bij affscheydt , 
seggende bij hoopte noch tot Mecbelen eens een predicatie te 
komen hooren. Ick seyde, hij soude dan zjLjne eerste addresse 
aen mijn buys maecken, doch wachten tot bet begin van 
October, alsoo ondertusschen geene predicatien gedaen souden 
werden sinds des prcdicants vertreck naer buys toe , geduy rende 
de Septembermaents vacantie. 

8 Avonts aen den maeltijt badde t bet voors. geselschap 
aengeleght op danssen, ses speelluyden over tafel comende spe- 
len binnen de salet, ende de propoosten daerover over maeltijt 
daertoe wat geprepareert wordende, ende bij mij soo in soe- 
ticheyt gerencontreert , ende met eenen oock door een gecap« 



832 

teerde occasie mijne redenen van ?ertreck tegen *s morgens 
daeraen naer Mechelen, sulcx becleedt met te seggen tegen 
hun redenen van Antwerpen wat langher schouw weerdich te zijn , 
dat ick mijn eygen selffs niet heel en was, ende mij daerop 
voorts als H waer uytten mont hebbende laten trecken wat 
mijn employ daer was, dat het danssen ongevercht bleeff, 
ende H verghen oock gepraevenieert door mijn geselschaps vrouch 
opstaen van tafel ende retireren na hun camer, ick noch een 
quartier uyrs daernaer aen tafel blijvende sitten praten, ende 
daerna met de beele trouppe opstaende ende van hun affscheyt 
nemende met beleefftheyt. Ick gaf oock aan de speelluyden in 
't gesichte van den Heeren een pataoon om een glas wijns te 
drincken, ende soo retireerde ick mij, vie et bagues sauves. 

Onse waghen was gehuyrt over tafel door des waerts be- 
middeling, die, daer aff de bootschap overluyde doende, occasie 
had gegeven tot het discours van het haestich gaen ende ten 
minste met wat vrolyckheyt voor de jonge Dames te scheyden. 
Ick had daerop geantwoord, dat haer vrolyckheyt bestond in 
hertich te eeten ende dan wel te slapen na de vermoeyenissen 
van wandelen ende rijden ende deel genomen te hebben aen 
H gewoel op de straten. Zij vraegden, oS dan de jonge juf- 
frouwen in ons quartier niet en dansten. Ick seyde ja , soo als 
hier, maer dat zij niet allen even grooten vermaeck daer in 
schepten; dat ick hier vond veele geestelycke juffrouwen, die 
het danssen konden lijden in anderen, maer selver niet en 
deden; dat wij oock sulcke, op onse manier, onder ons had- 
den, ende dese in H novitiat waren ofte proufiQaer, om te sien 
hoe hen dat leven mochte bevallen, sulcx datter als nu geene 
temptatie op en bechtede om vermaeck daerin te zoucken , etc. 
Dit all lachende over ende weder gaende, ende daerop volgende 
dat ick te vrouch om vertreck dachte, ende ick daerop geseyt 
dat mijne gelegentheyt geen langher verblijf toe en liet, mijn 
eygen selffs niet heel zijnde, maer te Mechelen te doen heb- 
bende, ende zij vragende off H mogelyck was om een proces 
te 'vervolghen, ik daerop, soo ongeluckich niet te zgn dat ick 
^enich had^ my selffs aengaende, maer dat ick evenwel daer 



383 

occupatien vond over processen van grooter dan ick was, soo 
wierd ick gevraecht , off 't mogelyck was in de Chambre Mipartie, 
(ende daer wilde ick het hebben, mij eyntelyck tijt dunckende 
dat sij weten mosten wat volck zij voor hadden) soo seyde ick 
ja; ende stracx daerop volgde wat ingetogenheyts ende respects 
meer dan te vooren, niet directelyck tegen mij off de mijnen, 
die noyt onhebbelyck woort noch contenantie van hun bejegent 
hadden, maer met alle, ja overdadige, ceremoniën waren beje- 
gent geweest, maer tusschen hen selven onderlinge, daer zij 
onaengesien de presentie van jonghe juffrouwen ende andere 
hun onbekende gasten wel wat al te liberalyck losse discour s- 
sen hadden gevoert, mijti jongh volck selff daeruyt leerende 
sien ende ongevraecht seggende, hoe qualyck zij der aen wesen 
zouden in sulcke geselschappen vallende sonder een oud man 
bij haer te hebben. 

Den nden Maendachs den waghen, met het opgaen van de 
stadtspoorte besproocken voor de herberghe te zijn, langher 
wachtende, soo gingh ick noch eens in de winckel van petrus 
BELLEHUS, nabij de herberghe staende, daer ick noch vier 
rijcxdalers bestede aen Salgado de supplicationibus , hebbende 
ick 's daechs te voren zijn andere wercken, de defensione Hegum 
et labyrintho creditorum, in officina Plantiniana gekocht, ende 
desen daer niet konnen vinden. 

Corts daerna quam de Heer lintelo's knecht aen onse 
herberghe ende seyde mij, na groetenisse van sijn Heer ende 
van D. VOGELSANGK, dat D. VOGELSANCK ten acht uyren een 
predicatie t' schip doen soude. Ick excuseerde t op mijn noot- 
sakelyck vertreck. Evenwel ondervraecht hebbende waer t schip 
lag, sond ick stracx om den schilder VAN der haghen , die 
in de Leeuwenstraet woont in den Vergulden Draeck, hem 
doende versoucken in haest eens te willen b^ mij comen, soo 
als hij dadelyck dede. Ick vraegde hem, off hg lust badde 
de predicatie te gaeu hooren. Hij toonde hem blijde van de 
advertentie; ende gereet zijnde om te gaen, soo quam daer 
D. VOGELSANCK selven na mij vraghen, geaccompagneert met 
den clercq VAN DEN brougk ende met een borgher van 



334 

Antwerpen, silversmidt , een van de voornaemste onder de 

gereformeerden aldaer , genaemt een bejaert man. lek 

leyde se tsamen op mijn camer. 

Er ontstond nu een gesprek over de beste wijze om voor de 
gereformeerden te Antwerpen ^ vooral ten opzichte van het 
hegraven hunner dooden^ meer voldoende bescherming te ver ' 
werven, 

D. VOGELSANCK bad mij, ik wilde oock zijne predicatie 
t' schip , 800 dadelyck op stroom te doen , bijzijn, alsoo 't selve 
niet alleen de Heer lintelo, die des expres versochte, seer 
aengenaem zijn soude, maer insonderheyt die weynige Ant- 
werpsche borghers , die daeraff verad verteert oock genegen waren 
sich daer bij te voughen. lek excuseerde 't op mijn vertreck, 
den waghen oock voor de deure komende terwijl h\j noch by 
mij was 

D. VOGELSANCK affscheyt nemende, ginghen die borghers 
met hem naer 't schip , ende wij te waghen ; comende wij omtrent 
te twaelff uyren binnen Mechelen, alwaer ick de Heer chommon 
dadelyck gingh spreecken, vraghende of ick eenich versuym 
gedaen hadde met eene sessies absentie, zijnde de eerste 
dewelcke gefailleert hebbe zedert de Chambres erectie. Hy 
seyde gansch niet, alsoo der niet was voorgekomen dan het 
arresteren van een brieff, hem opgeleyt te ontwerpen, aen de 
Staten ende den Ertshertogh. 



Be Archivaris van Antwerpen^ de Heer GENARD, heeft de 
goedheid gehad het bovenstaande te lezen en ons zijn bevinding 
mede te deelen. Aan zijn schrijven ontleenen wij het volgende: 

Ik heb de aanteekeningen ov^r de Antwerpsche kermis 
in 16 54 met aandacht gelezen. Alhoewel de beschrijving wat 
eenzijdig is, behelst zij inlichtingen waardoor men onze stad 
goed erkent. De boekhandelaren gnobbaerts en bellerus 



335 

en Tooral de drukkerij van plantijn zijn ten onzent alge- 
meen bekend, even als de befaamde Bollandist henschenius. 
Het huis, de vergulde Draak, in de Leeuwenstraat be- 
staat nog; doch ik vind niet dat de schilder van dek hae- 
GEN het ooit in eigendom heeft gehad. De vroegere Jezuieten- 
kerk bezit bovengaanderijen, en het is op de trappen die er 
heen leiden dat de bezoekers van 16 54 zijn verdoold geraakt. 
QuiNTEN mattijs'es schüderg, die vroeger de O. L. V. kerk 
versierde, bevindt zich thans in het museiim onzer stad, en 
het is op het gedenkteeken des vermaarden meesters, aan den 
voet van den 'grooten toren dat de woorden zijn te lezen: 
Connubialis amor de mulcibre fecit Apellem. 

Het belangrijkste der beschrijving is ongetwijfeld de schilde^ 
ring van den toestand der Protestanten in België na den vrede 
van Munster, In dit opzicht kan zij als punt van uitgang voor 
verdere nasporingen dienen, 

R. F. 



OVER DEN GIFTBRIEF BETREFFENDE BROEK, 
THANS BILJOEN, VAN 1076. 



DOOR 



Mr. L. A. J. W. Baron SLOET. 



Toen MEERMAN, ruim eene eeuw geleden, een onderzoek 
instelde naar den oorsprong van het linnen papier en daaraan 
kracht bijzette door het uitloven eener belooning van 25 du- 
katen, schreef GANNEGIETER hem uit Arnhem: quae usque 
adhuc oculis usurpavi diplomata antiqua in his terris, in 
membranis scripta reperi, praeter unum, quod est penes baro- 
nem de Spaen, curiae Gelricae senatorem, scriptum in charta 
bombycina, Wormaciae anno MLXXYII. Meminerunt eius scrip- 
tores rerum Gelricarum pontanus et slighten^eorstius, 
nee non heda, in Hist. episc. Ultrai. pag. 138 '). 

Bij de bedoelde oorkonde geeft koning HENDRIK lY de 
curtis BROEK, thans Biljoen, te Velp, aan s. Peter te Utrecht 
tot herstel der afgebrande kerk. Bij heda is dit stuk ter a. p. het 
eerste uitgegeven met deze dagteekening: anno Dominicae in- 
carnationis millesimo LXXVII, indictione XV, Y kalendas 
lunias. 

De mededeeling van gannegieter, openbaar gemaakt, trok 
de aandacht van Prof. mubray te Göttingen, die aan meebman 
over die oorkonde schreef: quod si probatae fidei sit, si auto- 
graphum, summae profecto raritatis censeri oonvenit. De reden 



O Gerardi heermanni et doctorum virornm ad enm epistolae atqne 
observationes de chartae vnlgaris sea lineae origine, p. 100. 



337 

daarvan zet hij verTolgens uiteen <), en tracht de onechtheid 
van het stuk te bewijzen, dat hem in zekeren opzichte ge- 
makkelijk viel, daar koning Hendrik op den dag, waarop hij 
de gifte gedaan zoude hebben, niet te Worms, waar de oor- 
konde verleden is, geweest kon zijn. De aartsbisschop van Metz 
en de bisschop van Wiirtzburg, die in de oorkonde voorkomen, 
hadden de partij des konings reeds in het vorige jaar verlaten. 

SCHÖNEMANN, Yersuch eines vollstandigen Systems der Di- 
plomatik, I, S. 490, zegt, nadat hij heeft aangetoond dat van 
linnen papier geene andere gedenkteekenen over zijn, dan uit 
de XI eeuw en meer bepaald uit hare tweede helft: Merkwür- 
dig ist es, dass gerade das alteste vorhandene Diplom, vom 
J. 1077, von einem unsrer Kaiser ist, von denen man sonst 
als Hegel auf zu stellen pflegt, dass alle ihre TJrkunden auf 
Pergament geschrieben sind. 

Op deze plaats wordt gewezen door STUMPF, in zijn uit- 
stekend werk: Die Reichskanzler, II, n<>. 2792, S. .232, doch 
roet een vraagteeken en den twijfel of het stuk wel echt is. 
Dit laatste is echter buiten bedenking sedert bondam in zijn 
Charterboek, bl. 142, n®. 4, de oorkonde uitgegeven heeft naar 
het oorspronkelijke. De dagteekening is: anno Dominicae in- 
carnationis mill. LXXYI, indict XV, X k. lun. data, anno autem 
ord. dom. heinrigi iiii regis XVIIII, regni vero XXI. Actum 
Wormatie feliciter. 

De oorkonde is dus van 23 Mei 1076 en niet 1077. 

Die tijd komt geheel met de geschiedenis overeen. 

Koning hekdrik opende den 24 Januari 1076 het bekende 
rijksconcilie te Worms, waar aan gregobius VII gelast werd 
den pauselijken stoel te verlaten. De Utrechtsche bisschop 
WILLEM was daar tegenwoordig en bewoog zijne ambtgenooten 
van Wiirtzburg en Metz, die weifelden, de akte van vervallen- 
verklaring mede te teekenen. In het laatst van Maart was de 
koning te Utrecht en ontving daar, een paar dagen voor Pa- 
schen, die inviel den 27 Maart, de tijding dat de Paus hem 



>) A. w. p. 190. 



338 

in den ban gedaan en ran. zijn koninklijjke waardigheid rer- 
vallen verklaard had. Hij riep daarop de r^kayoreten op tot 
eene r\jksvergadering te Worms tegen Pinksteren, rallende op 
den 15 Mei. Aan zQn getrouwen vriend bisschop WILLEM 
droeg hij op, daar tegenwoordig te zQn, om met twee andere 
bisschoppen als getuige op te treden in het formeel proces^ 
dat tegen GREGORiüS, toen weder hildebband genoemd, 
gevoerd zoude worden. 

De bisschop overleed den 27 April en werd onmiddell^k 
opgevolgd door kon raad, een aanhangeling van den koning, 
die te Worms verscheen. 

In het breede worden deze feiten uiteengezet door GIESE- 
BRECHT, Geschichte der deutschen Kaiserzeit, IlI, S. 848 vlg. 
en MOLL, Kerkgeschiedenis, 11, S^ 1, bl. 67 vlg. BONDAM be- 
handelt ze in noot (m) op de oorkonde op zgne omslachtige 
wijze, doch zoo dat böhmer^ Begesten, n®. 1868, S. 94, ge- 
tuigt, dat hij de dagteekening gerechtvaardigd heeft. Voor het 
doen der gift bestond eene gereede aanleiding ; HEDA toch ver- 
meldt, t. a. p. dat door onvoorzichtigh^eid der hofdienaren — 
incuria aulicorum — van hendbik IV de kerk van s. Peter 
was afgebrand. 

Een paar diplomatieke zwarigheden blijven over. De 15^ 
indictie, in de oorkonde opgegeven, past niet voor het jaar 
1076, maar voor het volgende. Men moet echter aannemen, 
dat, wanneer het jaar zelf vaststaat, eene fout in het getal der 
indictie, die herhaalde malen voorkomt, eene oorkonde geenszins 
verdacht maakt. 

Dit geldt ook van eene verkeerde opgave van de regeerings- 
jaren; onze oorkonde heeft daarin ook fouten, hendrik IV 
werd den 17 Juli 1054 tot koning gewijd en aanvaardde den 
5 October 1056 de regeering. De 23 Mei 1076 was dus annus 
ordinationis 22 en regui 20; de oorkonde heeft de jaren 19 
en 21; het eerste past voor het jaar 1073, het andere voor 
het jaar 1075, zoodat, indien de getallen juist waren, hendrik 
twee jaren langer geregeerd zoude hebben, dan hij gewijd was. 
Zoodanige onmogelijkheid duidt klaarblijkelijk eene vergissing 



339 

aan. Mogel^k heeft de schrijver van het stnk het eene jaartal 
voor het andere genomen en b:y het berekenen der anni ordi- 
nationis en regni de maanden tot aan nieuwjaar verwaarloosd. 

Dit omtrent de echtheid der oorkonde wat den inhoud aangaat. 

Volgens mededeeling van bondam a. p. noot (k), bevond 
zich op de oorkonde nog een gedeelte van het zegel in geel 
was, waarop nog te lezen was: Hein. en rex. 

Hl] kende blijkens noot (m) de bezwaren tegen de echt- 
heid van het stuk door mubray ingebracht, en toch spreekt 
hy met geen enkel woord over het materiaal, waarop het ge- 
schreven is. Was dit papier, dan zoude de oorkonde met veel 
grond voor later gefabriceerd gehouden kunnen worden. Namaak 
van oorkonde ook met nagebootste zegels komt meermalen voor. 

Het kwam mij bij het bewerken der bronnen voor de 
oude geschiedenis der graafschappen Gelre en Zutfen, die ik 
verzamel en hoop uit te geven, wenschelijk voor, het punt tot 
helderheid te brengen; en ik wendde mij tot den Baron van 
HARDENBROECK, den tegenwoordigeu eigenaar van Biljoen, 
met verzoek mij toe te staan inzage van het stuk te nemen. 

OnmiddellQk heeft hij het mij doen toekomen. Door die zeer 
dankens waardige welwillendheid is de twijfel opgeheven: de 
oorkonde is op perkament geschreven. Dit is niet alleen mijn 
gevoelen, maar ook dat mijner geachte medeleden der Com- 
missie voor geschied- en oudheidkunde van de maatschappij 
der Nederlandsche letterkunde te Leiden, en van den heer 
Mr. VAN DEN BERGH, rijksarchivaris, die tegenwoordig was 
in de vergadering, waarin ik de oorkonde ter tafel bracht. 

Er waren bijgevoegd de stukken van het gebroken zegel, 
waaruit dit weder samen te stellen is. Het is van wit, omge- 
geven met een verheven rand van geel was, en komt overeen 
met andere zegels van denzelfden koning. 

Het monogram is juist als dat, wat afgebeeld is bij Zinker- 
nagel, Handbuch fiir Archivare, Tab. IV, N°. 5. 

Bij de toezending had de Baron VAN habdenbroeck nog 
gevoegd twee andere oorspronkelijke stukken: de eene uit het 
jaar 1155, waarbij de Utrechtsche bisschop herman de curtis 



340 

BROEK, door zgne yoorgangers magis auctoritate poteetatis 
qaam ratione iuris tot andere doeleinden bestemd, aan s. Peter 
teruggeeft; de andere uit het jaar 1178, waarb^ bisschop 
GODFRIED hetzelfde doet. Beiden zijn uitgegeven door BONDAM 
a. w. N«. 43, bl. 203 en N«. 59, bl. 227. 

Hoe komen deze stukken uit de archieven van s. Peter 
op den huize Biljoen? De geschiedenis van dat fraaie land- 
goed kan dat ophelderen. Eene lijst der charters en papieren 
op dat huis, opgemaakt door den Gelderschen geschiedschrg- 
ver VAN SPAEN en te vinden in een folio boek, onder N®. 173 
onder zijne archieven bij den Hoogen Baad' van Adel te 's Gra- 
venhage berustende, geeft daartoe een zekeren leiddraad. 

In het jaar 1342 beleende het kapittel van s. Peter REINALD 
PLOECH, kanunnik van Oudmunster, en zijne erfgenamen met het 
halve veer te Arnhem : mediam partem navis nostrae transvectitiae, 
onder voorwaarde quod nos, una cum hominibus carte de 
Brokerhove attinentibus, vrij zullen zijn. 

Dat Broekerhove het door Koning hendbik IV geschon- 
ken Broek is blijkt, zoo noodig, uit hetgeen achter op de 
oorkonde geschreven staat. 

Eene verpachting met gelijken vrijdom had in het jaar 1823 
reeds plaats gevonden. 

In het jaar 1409 verhuurt het kapittel aan GOOSSBN VAir 
DEN GRUYTHüiZEN, schcpen te Arnhem, en aan zijn zoon 
GEBCELIS gedurende hun leven Brokerhof, op de Yelawe, in 
het kerspel van Velp. De eigenlieden en keurmeedigen van den 
hof blijven aan het kapittel, maar de opbrengsten, van hen 
verkregen, worden half en half gedeeld. De huurders mogen 
geen hout hakken, dan voor timmering aan den hof. 

Ot van deb stade was in het jaar 1517 voor het kapit- 
tel bewaarder van Broekerhof. Heda schreef omtrent dezen t^d 
zijne Historia. Hij zag, zooals hij mededeelt, het origineel der 
oorkonde van 1076, waarschijnlijk in de archieven van s. Peter. 
Daaruit zal het met de twee bisschoppelijke brieven geraakt 
zijn, toen het kapittel in het jaar 1528 Broekerhof verkocht 



341 

aan HENDRIK DE GROIF, erfvoogd van ebkelens en raad 
van den Hertog. De koorbisschop van Utrecht, thomas van 
NIEGKERGKEN, beklaagde zich daarover, w^l hij het goed in 
lQQ)acht en reeds 16 jaren bezeten had. Zie Landdags -reces 
van Gelderland; Donderdag post Viti 1539. 

Er staat gedrukt, o. a. bij van der AA, Woordenboek, op 
het woord Biljoen, dat hertog kabel het goed gedocht heeft. 
Dit is niet juist. Volgens Lib. XIII der XIV Registers, bl. 4, 
in het provinciaal archief van Gelderland, ruilde Hertog kabel 
in het jaar 1530 met de groif de Geldersche waard tegen 
Broekerhove. Daar de gboif die waard nog in geen twee jaren 
gebrniken kon, werd hem ter beschikking gesteld eene andere 
waard, de Pol genaamd. De eerste waard werd verbonden voor 
eene som van 3300 goudguldens, die de Hertog toe moest 
geven. 

Dit stuk schijnt niet te zijn in het archief van Biljoen, 
welken naam hertog karel aan het prachtig huis, dat hij 
deed bouwen, gaf. Hij schijnt toen wat eigendunkelijk gehan- 
deld te hebben, althans in het jaar 1538 klaagden hendbik 
en JOHAN VAN hoevelinck en hunne zuster bij hertog 
WILLEM en de landschap, dat hij hout van hun vader in den 
Haige >) had laten afbouwen, wijnold van doornick 
eenige jaren in den hof had laten wonen, land had doen af- 



^) JoHAN HOEVELtKCK was drost van Dinslaken en in 1543 eigenaar 
van het huis Neder-Hagen, dicht by Biljoen gelegen. Na hem bezat het 
zijn zoon hendrik, getrouwd met johanna van neuhof, gent. van 
DER LET. In 1595 werd het in verwin genomen door johanna van 
BOINENBURG, gent. YAN H0NT8TEIN, die het ten huwelijk bracht aan 
KAREL viJGH VAN zoELEN. Zij verkocht«n Neder- Hageu in 1608 aan 
PAUL VAN ARNHEM TOT uuLSHORST. Boor het huwelijk van dezens dochter 
met ALEXANDER, VRIJHEER VAN SPAEN, straks te Vermelden, is het in diens 
geslacht gekomen. Zijn zoon frederik willem, vrijheer van spaen, kocht 
in het jaar 1706 Over-Hagen, nog dichter bij Biljoen gelegen, van ever- 
hard HUTGENS, willemszoon. De eerste vermelding van dit goed is in 
het jaar 1401, toen het als huis en hofstad verkocht werd door johan 
HOMPELIER, ridder van s. Jan. 



342 

graven, er op laten timmeren en er een wildbaan van maken. 
Zg erkenden wel dat de Hertog twee of drie jaren voor zijn 
dood hun vader weder in het bezit van het ontnomeiie had 
gesteld, doch zij vroegen schadevergoeding. Yan SPAEN, uit 
wiens aanteekeningen ik deze bijzonderheid overneem, ontleende 
haar aan het oorspronkelijke request. 

Volgen^ een oorspronkelijken brief van gusbert "VAN wije, 
richter van Arnhem en in Veluwezoom, verkocht hertog karel 
in het jaar 1535 Broekerhof, nu Biljoen genoemd, aan rulof 
VAN LENNEP, huismaarschalk en drost van Middelaar. Na zijn 
dood, in 1548, is Biljoen gekomen aan zijn zoon karel, toen 
op dezens oudsten zoon roelof, die in 1616, kinderloos over- 
lijdende, het naliet aan zijn broeder johan, wiens weduwe, 
BERENTJE STRAATMAN het toen bezeten heeft. Na haren dood 
is, bij een magenscheid van het jaar 1633, toegedeeld aan hare 
kinderen kabel, geürt, cunera en margriet |, en aan 
JOHAN HUYN VAN AMSTENRAEDT \ harer nalatenschap. 

Bi](joen kwam aan cunera, eerst getrouwd met werner 
VAN lennep, later met willem van broekhuyzen van 
barlham. 

In het jaar 1657 is er een magenscheid gemaakt tusschen 
haar en hare kmderen george van lennep, getrouwd met 

CATHARINA ELISABETH DE CUPERE, GEERTBUID VAN LEN- 
NEP en JOHANNA VAN LENNEP, in huwelijk hebbende george 
JOHAN VAN WEEDE, Luitenant, aan wie Biljoen werd toege- 
deeld. Na overlijden zijner vrouw verkocht hij het in 1661 aan 

ALEXANDER, VRIJHEER VAN SPAEN. 

By erfopvolging is Biljoen thans het eigendom van den boven- 
genoemden Baron VAN HARDE nbroeck en daardoor van de 
bewijzen van eigendom, waarschijnlijk reeds aan den eersten 
kooper door het kapittel van s. Peter met de bisschoppelijke 
oorkonden afgegeven. 



KEUREN VAN DELFT, UIT DE 2de HELFT 

DER XVIde EEUW. 



UBDBGBDBBLD DOOR 



Mr. J. SOUTENDAM. 



Toen ik in deze Bijdragen^ N. Reeks, deel III, eenige me- 
dedeelingen gaf uit het Oude Keurboek van Delft, kon ik 
volstrekt niet vermoeden, dat een van de geschriften, die, tijdens 
dat BLEYSWIJCK zijne Beschrijving van Delft opstelde, nog 
voorhanden waren — zie aldaar bl. 366 vlg. — in 't bezit 
zoude komen van het archief dier gemeente. In September 
1869, bij gelegenheid der auctie van HSS. enz., uit de nala- 
tenschap van Mr. hoog van ter aar afkomstig, mocht ik 
die aanwinst doen. In den Catalogus dier verkooping, op 
No. 753, werd het HS. aldus omschreven: //Delft. Oud Keur- 
boek van 1246 — 1540. Aan het einde: Gescreuen bij mijnheer 
gerrit ariaenz. koorn van montfoort. Int Jair ons 
heeren XVc ende vyf ende viertich, [daechs voir tyburcij ende 
valeriani begonnen: daech na meydach geeynt. Tu 0e ïo x^qI- 
TaqJ] ï) Belangrijk en merkwaardig handschrift, zeer goed ge- 
conserveerd, folio, 254 bl. in perg. band." Behalve een verza- 
meling van Keuren, waarvan de oudste in 1460, de jongste 
in 1514 werden uitgevaardigd, bevat het MS. afschriften van 



1) Wat tasschen haakjes staat, is het slot der aanteekening, ad calcem 
van het HS. te vinden. Vermoedelijk is „ heer gerrit ariaenz. van 
montfoort" dezelfde, die btj boitet, bl. 330, s. a. 1510, onder de 
regenten van het Oqde Gasthnis voorkomt. Hij heet daar: gerrit yan 

MONTfOORT. 



344 

handvesten, waaronder een zeer merkwaardige Nederlandsche 
vertaling van het privilegie, door //Koningk willem" in 
1246 aan die van Delft geschonken; verder //Sekeren arti- 
culen — Hoerende die veertich ende anders, geordineert ende 
gheslooten den XVen dach in Septembri anno XVc.", terwijl 
eerst op (^, 41 volgen: //die kueren van der steede", met 
de aanduiding bij H begin: //Dits genomen wter kuer die op 
ten toorn leit/' ') Met enkele onbeschreven tusschenruimten 
loopen die uittreksels tot het einde van 't register op f^. 127, 
door. 

Het komt mij voor, dat de mededeeling van eenige dier 
keuren niet van alle belang is ontbloot, zoowel uit het oogpunt 
der Yaderlandsche Oudheidkunde, aan welker belan- 
gen de Bijdragen voornamelijk zijn gewijd, als uit dat der 
taal, waarin die gemeenterechtelijke verordeningen zQn vervat. 
Hier en daar geeft zij gereede aanleiding tot het maken van 
opmerkingen, die, mijns inziens, de kennis van het Mnl. zoo 
al niet vermeerderen^ dan toch helpen bevorderen. Immers 
komen hier woorden en uitdrukkingen voor, die men te ver- 
geefs in de voortbrengselen der classieke Mnl. letterkunde zou 
trachten op te sporen, en waarvan toch geenszins mag worden 
beweerd, dat ze niet verdienen opgenomen te worden b\j den» 
ryken schat der Nederlandsche taal. Dien naar vermogen te 
bewaren en te vergrooten is plichtmatig, en zoodoende wordt 
tevens het hechtste bolwerk tegen vreemden invloed voortdu- 



^) Met „den toom" wordt bedoeld die van *t Stadhais, waar „die kaer** 
— vermoedeiyk een legger, die de elkander opvolgende kenren bevatte — 
werd bewaard. Dit register schijnt met vele andere, die b^ den brand 
van 1536 werden vernietigd, in hetzelfde lot te hebben gedeeld. Want 
o&choon „het vernielend element" hevige verwoestingen aanrichtte, blijkt 
het toch, dat die brand een zeer breeden rug had en aansprakelijk is 
gesteld voor al de verliezen, die sedert door het gemeente-archief, op de 
een of andere wijze, werden geleden. Te recht heeft de Minister van Bin- 
nenl. Zaken dezer dagen maatregelen genomen, om de vernietiging en ver- 
waarloozing der gemeente-archieven, zooveel doenlijk, te beletten. 



B45 

rend beyestigd. Want, zoo ergens, geldt hier de waarheid der 
uitspraak: //de taal is gansch het volk/' in hare volle kracht. 



Hier nae volghen die kueren van der steede. Dits genomen 

wter kuer, die op ten toorn leit. 

Waer dat twe vrouwen dorpelicken ende lelicken scelden^ 
worden zy dair of verwonnen mit wittachtyghe tuyghen, oir- 
condighe vrouwen of mannen, ') sij sullen den steen draghen, 
Alsoe verre alst den scepenen guet dunct, oopens hooft ende 
sonder ommecleet. Ten wair of hair man wilde gheuen xxv/^ 
voir hair. Sloghe oeck een vrouwe een ander vrouwe of eenen 
man, ende men hair niet weder en dede met woirden of mit 
slagen, verboirde desgelicxs als voirsz. staet ^). 

Spraeck oick een man dorpelick op eenre vrouwe, hy ver- 
buerde xxvi^, ende mochte hyse niet gelden, soe soude hy dair 
voir XL dagen In die stook leggen. ') 

Voirt wie wyven hilde in syn huys, die oncuyshede dair in 
dreuen, mochmen hem bedragen mit oirconde, die verbuerde xii/^. 

Nyemant en moet den anderen onredelicken vertoornen, by 
xij/?. Ende dit sel staen ter scepenen proue. 

Wairt dat sake, dat een Hybaudt of pynre, ^) die om geit 



1) In de Nederl. vertaling van het handvest van Koning willem, van 
1246, art. 52, heet het: „Es dat sake, dat een wyf clage doet van ver- 
dacht, die en sal ghene voertganck hebben in hair claghe, ten zij dat sy 
seuen oirconden, soe man so wyf, gueder Inyden ende eerachtyghe, 
hebbe." Vgl. ook art. 57. 

^ In de Voirboden van £fieUe, HS. uit de 15. eeuw op 't gemeente- 
archief, wordt in tafel II, art. 21 het volg. gekeurd: „Item wye bedra- 
ghen wordt met y scepenen of met iy poorters of van drie vrouwen, 
die sij mit sceldende woirden ghescouwen hebben, die sullen den 
steen draghen of elx xx/9 hollans daer voir gheuen. Vgl. (v. vloten.) 
Ferz, V. NéSerl, prozast., bl. 2 v. 

>) Zie Aanieeh, op *t einde. 

*) In Voirh. v, £r., VIII, 1: „Item en sullen gheen pynres noch 
byerdraghers wesen, si en sullen ghesworen wesen," enz. — Over de 
Ryb andten (rabauwen?) Zie du cange in v. Bibaldi. 

U 



846 

een berrye draget, enen gueden knape ^) verspraken, hy mach 
hem mitter vuyst slaen, sonder boeten. 

Soe wie yet sprake ouer eens mans eedt, dair scepenen ken- 
lick wair, verbuerde xviij pont ende dair en tenden den ver- 
sprokene te beeteren syn lelicheede. 

Voert zoe wie een kindt ontvoerde beneden syn xüij Jaeren, 
die verbuert xviij pont, behouden den maghen haren ganck 
ende hair recht. *) 

Ende soe wie een kint versmeecte, dattet syn trouwe wech 
gaue, een knechgen beneden syn xv Jairen ende een maechde- 
kin beneden syn xüij Jairen, ') ende buyten des kindts magen 
aen beyde sijden, verbuerde xvllj pont; ende die dair ouer sijn 
ter oirconde verbuerde hoirlic *) xviij pont. 



^) Zie Inveni, d, C en P. v. Belfi, bl. 15, handv. ▼. yroaw jjlcob, 
V. 1417, waar de te benoemen bnrgemeestera en schepenen „goede, Eer- 
samige, reckelicke knapen" worden genoemd. Vgl. noordew., Nederd, 
Regisoudh., bl. 109. 

') Dit staat voor : behoudens den weg van rechten, die den magen openstaat. 
Vgl. de uitdr. ire in las. Dos beteekent het : hunne rechtsvordering of actie. 

3) Voirb. V, Br., II, 19 : „ Item so wye een cnstinghe doen sal mit 
synen maghen Ende dair toe kinderen brenct, die kinderen snllen wesen 
out vgftien Jaer, dat dier tyt, dat si l^f ontfinghen in hoirre 
moeder lichaem." 

^) Hantv, V, BriéUe (HS. achter de Voirb. voorkomende) No. 53: 
„Item so wye bynnen der stede vanden brielle aen een hnys str\jt, also 
veel vechters als dair s\|n, elkerlyc verboerde ifj fD hoUns." Volgens 
deze aanhaling, zon men „ elkerlic xviQ pont'* verwachten, daar „hoirlic'* 
elk van hen beiden beteekent. (Zie Dr. de vries, MiU, Wdb. i. v. 
ander, kol. 241. 2 vv.) en „elkerlick** van elk hunner: unusqoisqne, 
singnli — van meer dan twee — gebezigd wordt. In de NederL veri. 
van 't handv. v. 1246 wordt ^„nterqne eorum" vertolkt* elckerlick en 
„ambo — uterqne eorum'*: alle beyden — elckerlick."- — F>. 49 v®. 
V. deze keuren leest men: „ — soe wat luyden enygerhande eeninghe 
maken of settinghe onder hem selven, buten den scondt, scepenen ende 
raide, verboerde hair gelijck (= hair- of hoirlick) xxx^," enz. F». 46 v®. 
en 90 v<). ibid. worden van twee dingende partijen: „haire enich 
van hem beyden," „haire enich va'n hem" en „hoerlyck" pro- 
miscue gebruikt. 



347 

Soe wat wtheems man hier binnen quame mit voirrade of 
mit gegaert volc een poirter te slaen, soe wat poorter syne 
medepoorter niet en hulpe, verbuerde x pont, mochtmen hem 
dair of verwinnen mit poorters. 

Yoirt wat minne yemants kindt verlaghe, ') die moet die 
poort ruymen een Jair, cnde quam. sy binnen dier tijt binnen, 
men souder oner rechten ; dairby sullen hair magen blijven 
sonder veede. Ende die op die magen yedt deden, dat wair 
gelijcken of hy eenen vrede brak e, worde hy dair of verwon- 
nen met recht by twee scepenen, elcx tot x pont geeruet. 

Yoirt 80 wie den anderen versprake, omdat hy recht np 
hem hadde ghesprooken, verbuerde iij'pont. Ende so wie den 
anderen dair om slaghe, xx pont ende dair en tenden te bee- 
teren by scepenen syn misbroeck, Ende noch dan *) den heer 
syn boeten, die hy verbuert heeft van vechten. 

Yoirt so wie yemant beset ende sekerheit anden mensche 
begheerde, Ist dat hy den mensche niet en verwint van dair 
hij hem voir beset, die verbuert een pont. Een derdendeel den 
heer, een derdendeel die stede ende een derdendeel den ge- 
selscap. 

Yoirt so wanneer men yemant vanden lijue doot by daghe, 
soe salmen der scepenen clocke drie weruen an die styen luy- 
den. Ende dair en moet niemant by wesen binnen drie roeden 
nae ontrent, hetsij by daghe of by nachte, by iij pont, wt- 



*) Zie Aanteek. op 't einde. 

*) Voirh, V. £r., V, 15: „ — Ende wyet benamen, die verboerde v. Ö? 
holl. — nochtan(t) sondtmen thays der neder halen/' enz. Ibid. 23*. 
„Item sal die balin — op setten eiken poirter ende poirtrisse hamasch te 
hebben — op een boete van iy ID holl. — nochtan sullen sy dit har- 
nasch hebben." Het staat Yoor: noch dan = dan noch; daarenboven. 
Van t\jd is: voirt dan gebruikelijk. *) Vgl. hutdeo. op M. Sioke, 
l, 706. Het bgw. alt o es heeft meermalen een byna identieke beteekenis; 
o. a. in Voirb, v. £r., (Ao. 1445) X, 19 : ,) — Ende wye ymande byer 
weygherde buten, die sonde verhoren — dair behoudelic altoes den ouden 
zeel in zynre waerde, dese niet leghen gaende,** enz. 

*) F(rirb. r. Br.^ II» 5: «Ende sal dair yoirt dan onbelart wenen of blyuen/* ene, 



348 

genomen die scoudt, scepenen ende raidt, ende die sy tot hem 
nemen. 

Yoirt so hebben wy gekuert, dat gheen gheswooren bode, 
die der stede van delf dient, woorden en sal moeten houden 
aen die vierschaer inder stede huys van delf, op synen dienst 
te verbueren. 

Sooudt, scepenen ende raide der stede van delf hebben ge- 
kuert ende doen gebieden, so wie by scepenen correctien ghe- 
daen ende geset wordt op sant, styen, straet, muyer ofte anders, 
die sal betalinge dair van doen ten daghen, als hem die cor- 
rectie geset sal worden, of binnen vier die eerste daghen dair 
nae. Ende wairt dat yemant gebreckelick dair Inne wair, die 
sel ter stont Inden voirsz. vier daghen In gaen leggen, onaer- 
maent, alsoe wel die saeckweldyghe als die borghe, ter tijt 
toe datter betalinghe gesciet sal sijn, up iij pont, elcx dages 
te verbueren, half den Heer ende half der stede; ende dese 
kuere was gemaect opten XXIXen dach In decembri anno 
Lxüfj (1464). 

Scoudt, scepenen ende Baide der stede van delf hebben een- 
drachtelicke ghekuert, dat so wie voirt an gebannen wordt wter 
stede ende vrljheit van delf, np syn lijff, oge ofte handt, <) 
die sel wel toe sien, dat hy binnen synen tijt, dat hy geban- 
nen sal weesen, niet en coem, en gae noch en kere binnen 
der stede of vrljheit van delf; want wairt dat hy binnen synen 
bannen tijt inder stede of vrljheit van delf quame of gheweest 
hadde, die sal ter stont, als hy binnen synen tijt dair Incomt, 
gebannen wesen, ende men banne hem, nu alsdan ende alsdan 
als nu, hondert Jair ende eenen dach, ^) dats te weten, dat hy 
nae dier -tijt nimmer meer inder stede ofte vrljheit van delf 



') Nederl. vertal. v. h. handv. v. willem II, (1246) art. 26: „Voirt 
elcker ondadigher, die van synre ondaet verwonnen wordt by twe sche- 
penen, die sal verliesen hooft om hoeft, oghe om oghe. Ende 
ghelijckelick om ghelijckelick van syn selfe lichaem/* 

^ Zie Aanteek. op 't einde. 



349 

comen nocb wesen en sal moghen, np syn lijf. Gedaen Int 
Jair xiiijc. LXXlj, upten xx vlijen daoh In nouembri (1472). 

Sooodt, scepenen ende raide der stede van delf doen te wee- 
ten, also dickwil inder stede vrijheit van delf grote ouerlast 
ende ondact by nacbt gesciet, als dat enyge der luyden doeren 
op loopen ende glasen ende doeren an stucken w^orpen ende 
slaen ende den luyden groten ouerlast In bair selfs buysen 
aendoen ; twelc gbescbiet mits dat men cleyne correctie dair oeuer 
gedaen heeft, ende by auontueren niet gesciet geweest en soude 
hebben, hadde dair scarpe ende strenghe correxie of geschiet 
geweest. Ende wantmen bier Inne voirsien wil ende niet ge- 
henghen', datmen yemant aldusdanyge cracbt ende gewelt meer 
andoen sal. Soe ist, dat die scoudt ende scepenen voirsz een- 
dracbtelicken, mit groter voirsienicheit, ouergbedragen ende ge- 
sloten 1) zijn ende hebben gbekuert, dat so wie voirt an yemant 
der luyden doeren ende vensteren an stucken slaen ofte smijten, 
of dier gelijcke saken cracbte ende gbewelt der luyden aendoen, 
datmen die nyet meer bannen en sal. Indien men die gechrij- 
gen mach, mer men selse rechten mitten swairde, alsmen scbul- 
dicb is te rechten die ghenen, die cracht ende gewelt ghedaen 
hebben. Ende dese kuer sal altijt staen tot proue van scepenen. 
Gedaen Anno Lxxiij, upten vierden dach In Januario. (1474). 

Soe wie gedaget of beset wordt, sal synen dach bewaren, ^) 



ï) Voor: besloten. Fairb. v, Br, XIX, 13: „Item 80 sollen wesen ij 
scepenen of meer, dair elc stierman sijnen harinck ver Hen sal — ende 
vontmen anders dan hyne voirden scepenen verleden hadde," enz.; ibid. 
XX, 17: „ — dan so mach die coopman dien harinc weder seggheo, dinct 
hem datten harinc anders toocht, dan hy gheleyt heeft voir die vinders." 
Ibid., X, 21: „Ende si sullen ter stont als si an lant comen: comen 
totten exciseners ende belien hem hair bier,*' enz. De aanhef eener qni- 
tantie, van 1486, in mijn bezit, loidt : „ Je Arent van Candenberghe, ouer 
my ende als machtich oaer tgeheele hoer van wijleo claes uten berghe, 
kenne ende IQ de," enz. 

^ Thans wordt nog o. a. bij het bekeuren van jachtdelicten de uitdruk- 
king: „onthoud uw dag," gebezigd. Onthouden en behouden = be- 
waren, worden promiscue gebruikt. 



350 

alsmen die clock luydt anden nieuwen steyn, ^) beyde ?an poort- 
dinghe of van gastdinghe, ten wair of tgerechte niet rede en 
wair, 80 soude hyes verbeiden. 

Voert en selmen gheen recht doen van wetslegghen ') of van 
verspeelde gelden. Ende wat sekerheden men dair of maket, 
en selmen niet of wijsen, wt gheseit van gheoirlofde speelen, 
dair selmen of reebten. 

Tgerecht van der stede sal vier mannen eeden, der luyden 
eruen te helpen reden. Ende als syt gereedt hebben, soe salre 
toe comen zy drie van den gerechte mitten rechter ende die 
sullent by die vieren sceyden, ende hoe syt scheiden, soe salt 
blijuen. Ende so wie begeert erfsceydinghe, die sal geuen zvi/?, 
ende acht ^ selt costen dengenen, dairmen die erfscheyders op 
brenget, vj/J den rechter, vjV die dair by comen ende xij/? den 
erfscheyders. Ten sij, of sy alinghe tgerecht hebben wouden, 
soe souden die erfscheyders een derdendeel hebben. 



1) Dit gevangenhnis was waarschijnlyk aan de O. z\jde van het stede- 
of raadhuis gelegen. By gebrek aan bescheiden uit de 14e en 15e eeuw 
wisten bletsw. noch boitet de juiste ligging er van te bepalen. Zie 
BLETSW., bl. 107 vv. en boitet, bl. 62 v?. Het bl^kt echter, dat er 
vier gebouwen waren, die den naam droegen van: hetstede- of raadhuis; 
's Hoeren huis of 's Graven steen; de Oude- en de Nieuwe 
Steen. 

2) Voor: wedde of wedlegghen, d. i. : de inleg, bij het aangaan eener 
weddingschap, door partijen gedeponeerd. Vgl. kil. wedden ende by- 
setten, depouere. Hierop slaat deze bepaling, f^. 85 v^. : „ So wie yemandt 
enich geit mit kaetsen, of mit enyghe andere boeuerye spelen of wint ende 
upt spel tgelt, datter verloren is, niet by gheleyt en was, of 
pande dair voir, dair en salmen gheen recht of doen." — Dat het kaat- 
sen ook in de renetten of stoven geoorloofd was, bl^kt uit de be- 
paling, f^. 86 v<*., „datmen gheen ballen Inden renetten duerer moet 
geuen dan ses om een staner;" maar het is mij niet duidel^k, wat hier 
met „enyghe andere boeuerye spelen" bedoeld wordt. Z^n het 
die spelen, welke door de „boenen," die de „taueemen" druk bezochten, 
werden „ gehantiert"? Bij du canoe, in voc pil a, beteekent dit woord 
ook taueerne, vermoedelijk omdat er, behalve spijs, drank, enz. veelal 
OQk een kaatsbaan werd gevonden. 



351 

Voert 80 wie zyn guet qualicken toebrenget *) ende den 
gherechte dat van synen maghen angebrocht wort, soe dattet 
gerecht dunckt, dattet oirbair is, dan salmen dat openbairlick 
vander stede huyse doen ofroepen ende maken dair of een 
stadtkint. Ende soe wanneer dattet alsoe geopenbaert ende 
geroepen is, so en salmen van des stadts kint gheen recht 
doen van dat hy coopt, vercoopt, verset, verteert, mit speelen 
verliest; noch gheenre hande saken niet meer te verbueren, 
dan syn guet tegen s dragen mach, ^) dat tgerecht hem toe 
setten dagelicx te verboeren ende te beteren, behoudelick mynen 
heer zyn recht van synen boeten. Ende soe wanneer die vrien- 
den voirsz. weder guet dunct, dat hy hem wel regiert ^) ende 
den gerechte dat anbrenghen, soe sel hy weder weesen syn 
selfs voicht, ^) als tgerecht dat dan weder vander stede huys 
of heeft doen kondighen. 

Yoirt doen sy gebieden, dat alle die ghene, die clagen, dat 
zy hair scodt niet en mogen betalen, die selmen ontpoorteren 
mit hair pontgelt. *) Ende so wiemen zoe arm kent, dat zy 
hair pontgelt noch hair scodt niet betalen en mogen, die sel- 



1) Dit heet elders: n^iji^ ^^^ ^^^^ crancke Regimente, salcx datmen 
onnuttelicke zynen goeden dilapideert ende wechbrengende Is." 

^) Dezelfde uitdrukking komt voor, f^. 75 y^.: „ — die misdede inden 
voirsz. saken of in enyghen anderen saken, die der steede kueren tegen s 
dragen," enz. In het eerste geval beteekent het: tegenhouden, ver- 
dragen, = lat. sustinere; in het andere:, tegenhouden, weerstaan 
= lat. resistere, obstare. Men hoort nu nog wel zeggen van iemand, die 
goed bij kas is: „het kan bij hem lijden," d. i.: zyn guet macht tegens- 
dragen. 

') Hiervan wordt een slecht levensgedrag: cranck, sober Regi- 
ment genoemd. „Regiment ende leuen" worden ook bij elkander gevoegd. 

*) Yan de meerderjarig geworden kinderen heet het selfmondich; 
het tegendeel is : onmondich, niet selfmondich en onselfmondig; 
het laatste komt o. a. voor in „die tafel vander keyserinnen hantvest," 
art. 12: „van onselfmondighe te verweeren" (1346). 

^) Anders exue-gelt genaamd. Het bedroeg te Delft den xx. penning 
van al de roerende en onroerende goederen van hem, die op de een of 
andere w\jze ontpoorterd werd. 



352 

men voir een arm poorter setten ende doirschrijuen voir niet. ') 
Yoirt 8oe wiemen ontpoortert ende huys ende erue houdet 
binnen der stede van delf, dat salmen ter stont ter scote set- 
ten nae synre wairde ende die selmen te raidthuyse oflesen, 
dat sy gheen neringhe, ambocht noch gheenre hande stueken 
en sullen hanttyeren, dairmen yedt mede winnen mach, by i^ 
pont te verbueren. Ende so wie yemant te werck set, die 
gheen poorter en is of ontpoortert wort, diemen betuyghen 
mach mit twee poorters, die sel verbueren die selue boeten; 
behoudelick dat een zyn brodighe^) knecht in syn selfs huys 
wel te werck setten mach. Ende dese boeten machticht die 
scoudt den boden rechte voirt of te halen, ofL van swairt 
trecken wair, gelijck of hyt selue dede; een derdendeel den 
heer, een derdendeel der stede van delf ende een derdendeel, 
diet anbrenct. 

Yoirt doen sy gebieden, dat niemant enyge caproenen, hoe- 
dekins, leuereyen of diuisen mit malcanderen dragen en moet, 
by iij pont te verbueren. ') 

Wair yemandt, die die clocke luyde mit voirraet, ^) sonder 



1) In Voirb. v, £r,, XI. 20, vind ik gekeurd van „ wye onnntte eede 
zwoer" en de daarop gestelde boete niet kon betalen: „so salmen hem 
setten In een mande ouer een paelyaert (fr. paillard) ende laten 
sitten ter tijt toe, dat hy hem selven lost." Daar beteekent „oner" het- 
zelfde als hier „voir" = als; lat. pro. „Voir een arm poirter setten 
ende doirschrigven voir niet" is: op delgst der arme poorters plaat- 
sen, als zoodanig in 't poorterboek opschrijven en gratis door- 
schrappen. 

') Zie o. a. kil. in voc. broodlinck, en de noot. 

3) Foirb, V, Br, I, 27: „Item en sal nyemant, die poirter ten brielle 
is, draghen enichs heren clederen of leuereyn, of ymants anders, 
dan ons liefs heren van vooirn ende synre stede vanden brielle ende die 
scols clederen, op eene bnete van x ® holl. — behoudelick dat een yge- 
lic syn ghebroede (= brodighe; zie boven) knecht cleden mach, sonder 
verboernisse," enz. 

*) D. i.: met voorbedachten rade, opzet. Voirraet is = verraet. Zoo 
voir boden ^ verboden. 



353 

noot van brande, buten den gerechte, dat wair op syn lijf 
ende guet, up dat ') hy dair of verwonnen worde met twe 
poorteren. 

Braeckmen oick enich mans huys, wie datter weder sprake 
verbuerde xviy pont ende dair en tenden te beeteren by sce- 
penen. Ende wie dair mede beholpen is, sal dat huys ghelden 
by der scepenen ende Eaedtsmannen guetduncken. 

Voirt en moetmen In gheen stoven of bordelen, dair hem 
enyghe deernen laten minnen om geit, ^) gheen vuer noch licht 
barnen tusschen savonts, dat die clocke negen slaen sal, ende 
des ochtens, dat die clocke die dach luydt. Ende nyemandt en 
sal dair moeten bier tappen, noch enygen dranck om geit te 
coop houden. Wie dair en bouen dede, dat wair by iij pont, enz. 

Voirt en moet niemandt gheen siluer smelten anders, dan 
by selue wil doen verwercken; dat hy anders sins voeren wil of 
voert buyten ons liefs heeren munte, byden siluer te verbueren 
ende x pont dair toe. Ende so wat man, die siluer smelt, die 
selre syn teyken op setten, datter fijn is, byden seluen boe- 
ten. Ende dit sel staen tot scepenen proeuinghe. 

Voirt en moet gheen tinne ghieter enich tinne werck maken. 



1) Indien. Fo. 49 v<>.: „Ende so wie aldnsdanygen recht begheert, 
die salt vermanen anden dincstal tsaterdaechs alsmen dinghet, up dattet 
niet en is In eenre gemeenre pandinghe." F^. 87 v°. : „ Voirt wair dat 
yemandt np syn dootbedde voichden begheerde van synen kinderen, dien 
hy koere soudmen synen kinderen setten, up dat hy in gheen ander 
voechdie van anderen kinderen en wair." „Up dat niet" is = tenzij. 
Foiri. V. Br, XXI, 15: „Item so sal gheen cuper — enighen tonhannc 
nemen, wten tonne, op een boete van xxx/9 holl., op dat ment op hem 
betughen mit \j scepenen," enz. 

^) Zie boven, bl. 5, F^. 59 y^,: „Voirt wair dat sake, dat enich man 
of geselle by nacht slyep by enen ge meen e wyue, het wair In stoven, 
In bordelen of in enyge huysen binnen der stede van delf, ende dair mede 
beuonden werde, dat wair elcx up hair beste cleet, dat zy dan by hem 
hadden." In Foirb, v. Br,, XIV, 4, worden die „deernen" genoemd: 
„vrouwen, die openbaerliken om ghelt sitten, of enich geselscap 
van dier sorte." 



854 

daer hy der steede teyken up sette, dair meer loot toe is, dan 
xviij pont tot elck hondert pont tins, by iij pont te Terbue- 
ren ende dat werck te stucken te slaen. Ende hier toe salmen 
setten twie mannen vanden ambacht, diet bewaren sullen ende 
den gerechte anbrenghen by hoeren eede. *) 

Yoirt wair yemandt, die misdede inden voirsz. saken of in 
enyghen anderen saken, die der steede kueren tegens dragen; 
die hem verweeren wouden mit hairen clerckscap, ') die sel 
rechtevoirt ontpoortert weesen. Ende die en sal binnen drie 
Jair dair nae gheen poorter mogen worden. 

Yoirt en moet niemandt binnen die vryheede van delf enyger- 
hande wapenen draghen, hoe die genoemt mogen weesen, dair 
die lemmer langher of wesen sal, dan ander half vierendeel; 
ende dair salmen een rinck toe maken ende hanghen voir der 



1) In 't 1. Memoriael v, Burgemm,, P, 174 ▼<>. gtaat het volg. aange- 
teekend: „(te) Ordonneren by kuere, dat meu gheen tynne werck, dat 
men van syn tynne vercoopt, hier bynnen en moet maken, noch kaeren 
ofte branden, dan van fijn tynne, bouen ende tenden thondert S gemen- 
gelt vi\j pont loets ende meer niet. Ende (te) kueren hoeveel loets'in ander 
werck mach zyn, in de hondert ® tynne; die te boeck gestelt moeten syn 
den xxiiy Septembri a<> xlii, int Lxxj blat." 

8) Volgens PLANT, in voc. : eximium ius rast verticis, In de „Over- 
dracht tnsschen mynen genadighen heeren den hertoge van bonrgon. ende 
B0D0L7F VAN DiEPHOLT, etc." (olto. Febr. 1434) vind ik o. a. het vol- 
gende bepaald: „Item soe en sal gheen man die vryheit vander 
clercscip genieten, die gheen crune noch clercelic habijt en draecht, 
als behoerlic is. Noch die niet en leeft, als een derck sculdich is te doen. 
Ende waert dat enich paep of clerck oucrdaet bedreue binnen der graeff- 
licheden van hollant, van zeelant ende van vrieslant, Het waer in vrede- 
braeck, in vichten, in dronkenscip of in enich ondadelike saken, die ghenen 
redeliken clerck toe en beheerden, die sal onse lieve heer, den hertoghe 
van bonrgon., graae van hollant, moghen doen vangen by sinen baelia off 
by synen rechteren ende dien leueren ons, den deken off prouisoer, daer 
die zake ghesciet waer, als kenlic waer, dat sy dercken wareo, ende dien 
mysdadighen paep off clerck en sollen wy, noch die prouisoer of deken 
nyet wtlaten, eer si onsen lieuen heer, den hertoghe, enz., nae der bra- 
ken, die sy binnen sinen landen mysdaen hebben, ghebetert hebben." 



355 

stede huys, hoe diep die lemmer dair doer gaen sai, ') by iij 
pont ende dat wapen, Een derdendeel den heer, een derden- 
deel der stede, een derdendeel den gheselscap. Ende wair 
yemant, die hyer of beleyt wort of betuyghet mit twee poor- 
teren of meer, soe soudtmen rechte uoirt dese bueten betalen, 
of hy sonde rechte uoirt In ghaen leggen ter tijt toe, dat hy 
die boeten betaelt hadde, by xviij pont sdaechs te verbueren. 
Ende dit sal staen ter scepenen prouinghe. 

Voirt so en moet nyemandt, die wijn of bier tappet of gas- 
terye ^) houdt binnen delf, enygherhande wapen houden legghen 
up syn vloer voer den oghen, dat is te versta en, als piecken, 
stauen, berdaxen, bijlen, codden, lancen of andere onhuesche ^) 
wapenen, by iij pont te verbueren ende die wapenen, rechte 
voirt of te halen. 

Scoudt, scepenen ende ndde der stede van delf hebben ge- 
kuert ende doen gebieden, dat een ygelick poerter of poer- 
terisse, die tot duysent nobelen toe geguet is, dat die vol 
harnasch hebben sal, te weeten, een pansier, een hoet, een 
hoeftkouel, een craech, een borst, een schoet of een half creeft 
dair voir, pypen^ ende lappen of gardebrassen, of volle plaet 
harnasch, mit een guet hant wapen. Item soe wie tot vijfhon- 
dert nobel toe geguet is, sal houden vollen harnasch In ma- 
nieren voirsz. Ende soet wie tot twe hondert nobel geguet is, 
sal houden een pansyser, een yseren hoet, een hoeftcouel of 
een craech, een burst of een halue creeft, ende twee pijpen of 



1) Zie Aanieek., op 't einde. 

^ Voirb. V. Br., IV, 4: „ — ende sal gheen tapper, of die ghene, die 
camerette honden, yleysch copen of slaen, om voirt te braken," enz. 
Ygl. BLETSw., bl. 606; V. HASSELT, Geld. maaltijd., bl. 164; roemer 
visscHER, QmeJken, VII, 7. Het fr. cabaret. 

') Foirb. V. Br., II, 3 : „ Item wye knyoe, messe of dier ghelike wapen 
onhnesschelike draghet, dat is te verstaen, opten rig, in conssen, 
In bosemen, ende niet an syn ryem of aen syn bosemgaten, als ge- 
ween lic is, die verboert een boete van vj. ® holl., of mes of wapen 
daer syn rechter hant. Onhuesche wapenen worden in een Keurb. van 
jonger datom „ongewoonlijcke" geheeten : des armes non coartoises. 



356 

gardebrassen ende een guet hantwapeD. Item, 80 wie tot hon- 
dert nobel toe geguet is, sal houden een pansyser of halue 
creeft, een hoet, een craech ende twee lappen of gardebras- 
sen, met een guet hantwapen. Ende die tot vijftich nobelen 
toe geguet is, sal houden een pansyser of halue creeft ende 
hooftwapen mit een guet hantwapen. Ende voirt alle anderen 
gemeenten, ') die beneden vijftich nobelen g^uet sijn ende In 
ambochten of ghilden sijn, of comenscap of neringhe doen, 
sullen houden een pansyser of halue creeft ende een goet 
handtwapen, up elcx te verbueren üj pont holl., half den hee- 
ren ende half der stede, enz. Hierinne en sijn niet begreepen 
weeskinderen, die beneden hair twintich Jaren sijn, behoudelick 
oeck der stede scutters hair kueren In wairden te blijuen. 
Gedaen, anno Lxxxij, up sinte victoirs dach (1482). ^) 

Yoirt hebben sy gekuert, dat niemandt, wie hy sij, enyger 
hande mommerye doen en moet binnen delf, noch mit yer- 
deckte aensichten, noch mit veranderinghe van cleederen gacn 
en moet, up die verbuemisse van iij pont, elcke reyse. Yoirt 
wairt sake, dat yemant des contrarie dede, die sullen die stede 
bode, die scouten knechten ende alle, die in scouten dienste 
syn, moghen aenverden ende ondecken ende van elck afiiemen 



') Het omschrift der verschillende zegels van Delft luidt: „Sigillom 
communitatis opidanorum de delf ad cansas." In Faire, v, Br,, IV, l 
wordt bepaald: „Item en sullen gheen vleyshouwers meentocht noch 
eendracht hebben mit malcanderen, dat tgeghens der meenten gaet; 
ibid., II, 13: „ — endie rentmeester of die balin — der ghemeenten 
vanden brielle gheboden of dede ghebyen openbaerlic by hem te comen,'* 
enz. Vgl. NOORDEw., 1. 1., bL 109. Nog spreekt men van „de goê ge- 
meente", „de smalle gemeente", enz. 

3) Zie Janieek. op 't einde. In Vairb, v, Br,, V, 23, vind ik aangaande 
het „harnasch" 't volgende gekenrd: „Item sal die balin mitten ghe- 
menen gherechte op setten eiken poirter ende poirtrisse harnasch te 
hebben, elc na synen staet, ende alsnlc harnasch, als elc op gheset is, 
sal elc bereet hebben, als die btlia ende tghemene gherechte hem laet 
weeten, op een boete van iQ §? hoU. — nochtan sollen sy dit harnasch 
hebben." 



867 

syn beste eleet. £nde dat sal hebben die gheene, die den 
mommers aenvaert. Yoirt wairt dat yemandt van den mom- 
mers bem seluen versettede of verweerde mit woirden ofte 
wercken tegens den voirsz. dienaren, dat sal staen tot suleker 
oorrectien, gelijck ende In alre manieren, of hy bem mit feyte 
▼ersettede tegens den scoudt Tan delf. ■) 



AANTEEKENINGEN. 



£1. 348: in die stock leggen. 

In bet proces van de abdisse van Eeynsburg met den scbout 
van Delft, in 1462, over de jurisdictie van // de Geer" gevoerd, 
— zie InvenU d, C. en P. van Delft^ bl. 26 — wordt over 
de //Signes de baulte Justice" het volgende gezegd: //Et aussi 
que lad. Intimee, na et neust onques aucun signe patibulaire, 
ne autre signe de baulte Justice, ne pilory, prison ou cep, 
aud. lieu de gheer, ne ailleurs en Icelle notre ville, et aussi 
quelle neust onques faculte ne puissance de enfouir, ardoir 
ou Imposer autre peine, dont mort naturelle sen suist, ou de 
faire copper oreilles ne autres membres, de bannir ne leuer ou 
approprier a elle espaues, ou corps mors trouuez, congnoistre 
de faulses mesures, ou faulses denrees, de petit pain^ de Eom- 
pre OU ardoir les mesures, ou autres faulses denrees^ de def- 
fendre et congnoistre du cas de port darmes de oster les armes 
a ceulx qui les portent, de mettre a question ou tormens les 
suspectionnez daucuns delictz, dauoir anneaulx, gresiilons et 



^) FO. 85 v<>. wordt hetEelfde verbod herhaald, in *t bf|20Dder tegen het 
^mommerye doen" op Vastenavond. Zie Jaarb. v. Delft, 1866 bl. 16 
vv. d. geschiedk. mengel. (1577). 



358 

ceps, dauoir eschielle pour mettre les paijnrs, <) et auoir 
coDgnoissaDce de semblables cas, executer Iceulx et user de 
semblables signes, qui estoient et sont signes de haulte Jus- 
tice,'* etc. 

BI. 350: wat minne yemants kindt verlaghe. 

Bij BLEYSW., bl. 231, wordt onder de mirakelen //geschiet 
van der waerder NOOT GOODTS" — zie ibid., bl. 196 — 
vermeld dat //van een Minne ofte Voedster die haer 
kint verlegen had de." Onze stedebeschrijver noemt het 
een bewijs van //de imaginaire licht-geloovigheyt en groote 
superstitie van die blinde Eeuwen/' enz. 

BI. 351: hondert Jair ende eenen dach. 

In de Nederl. vertal. van het handv. v. willem II (1246) 
art. 51, wordt deze verklaring gevonden: // — so sel men hem 
verwij sen ende ouer ballinck houden ende tuytlaghe leggen. 
Dit schijnt aldus te verstaen, dat hy ballinck moet weesen 
hondert Jair ende eenen dach. Dat mach men prouen 
aldus by reeden. Want die graue in desen rechte segget, dat- 
men dus danygen man ver wij sen sal. Ende want dat ver wij sen 
gaet aen des mans lijff. Soo schijntet te verstaen alsoe, dat 
hy ballinck off tuytlage wesen sal alsoe langen tijt, als 
des menschen leuen verslijt, die tijt is hondert Jair 
aldichte ') (al dicke?) Dat mach men verclaren by eenre ander 
reden. Dit wort In latijn gehieten prescriptio, dat meer 
dan een dinck beteykent. Want ghy sult weeten, dat pre- 
scriptio in latijne is eenen ghesetten tijt, dair een mensche 
binnen verliesen ofte winnen mach die herede van eenen goede, 
als of een man een erue besit Jair ende dach, rustelicke ende 
sonder claghe, dat hy mitter ghesetter tijt gewonnen heefl dat 
erue; datmen mach segghen in latijn: illa hereditas est pre- 



1) Dit heet in *t Nederl.: te ladere leggen. 

2) In het KLprivil. boek, op 't gemeente-archief, staat alticste, d. i.: 
saepissime. 



359 

scripta. Aldusdane prescriptio set die paeus in syne gerechte: 
Som van drie Jaren, som van dertich Jaren, som ?an veertich 
Jaren ende som ?an hondert Jaeren. Ende want prescriptio aldus 
menygerhande tijt beteyken mach, so schijnt dit woirt prescriptio 
in desen rechte aldus te verstane, als hier voir gheseit is/^ 

£1. 358: ende dair salmen een rinck toe maken, enz. 

In het 2e Keurb. v. Delft, (fo. 172 (1552), wordt gelast 
//allen inwoeners deser stede hoiren honden, die niet en 
sullen moegen doir den rinck die an die toiren van tstadt- 
huys deeser stede gehangen sal werden, quyt te maecken bin- 
nen xiiij daeghen naestc^e ofte te brengen in een scip, twelck 
dair toe gescickt sal worden," enz. — In 1553 werd gekeurd, 
dat niemand //eenighe doggen of andere diergelijcke grote 
Hekelen en sal mogen houden — ten waere die zelöde zeeckere 
Einghen daertoe geordonneert passeren mochten," enz. 
Zie deze keuren in haar geheel meegedeeld in Jaarb, voor de 
stad Delft, 1864, bl. 30 vv. d. geschiedk. mengel. — 
De ring diende zoowel voor de honden* als voor //die lemmer," 
als maat van de geoorloofde breedte van beiden. Het is 
mogelijk, dat de uitdrukking: //ge zijt als door een ring ge- 
haald^' van bovenvermelde handeling afkomstig is, ofschoon dit 
meestal wordt toegepast op iemand, die bijzonder net gekleed is. 

Bl. 358: dat een ygelick poerter — geguet is, enz. 

Bij V. MIERIS, II, bl. 671 en overgedrukt in SCHEFFER 
en OBREEN, Rotterd, HistoriébL, 5. afl., bl. 86 vv. vindt men 
hieromtrent het volgende bepaald: //Item hevet myn Here 
gheboden allen sinen luden welgheboren, poerteren ende ghe- 
meenten, dat soe wie ghegoet is tote hondert pont HoUandts 
toe, dat di sel hebben vol harnask, halsb ergoele, ') 
wayelen, coliere, hersniere, spondiere, ^) ende al harnasch dat 



1) Zie DU CAMOE, in voc. haUberga en haUbergol. 
^) HuYDECOPER op M. STORE, II, 132 geeft 't middel aan de hand 
om den bedorven tekst te verbeteren. „Wayelen coliere" zal: maelgen 



360 

toet sinen live behoert. Ende die tote L pont HoUandts toe 
ghegoet is, die sel hebben spondier, laken colier, hersniere, 
wapen hanscoen, staf, knyf, ende dat dair toe behoert, ende 
dit ghereet te hebben voir Vastenavond Yiaistcoemende, eic 
man op die boete van drie pond HoUandts." 



of malyen collere; „hersniere" wel hernisere; „spondiere" 
vermoedel^k pantisere of pantsiere moeten zijn. Hernisere is het- 
zelfde, wat bij HUIDEC, l. 1. bl. 141: petit chapean de fer ponr ga- 
rantir la tête, bekkeneel, cerbellaria heet: van hem en iser, 
gevormd als pans- of pantisere, van pans en iser. De lager genoemde 
laken colier staat tegen de malyen collere over en was van wol- 
len of linnen laken; want het komt beide voor. Foirè.v.Br., XXVI, 19: 
„ Item dat voirt an gheen poirter of poirterisse of ingheseten der stede 
van den brielle enich laken sal doen wenen, tsy wollen of lynnen 
laken, dan binnen der stede van den brielle ende bnten den werczoster- 
hnyse," enz. Laken wordt ook want genoemd en Voirb, v. Br., IX, 3 
onderling verwisseld. Vgl. du canoe in voc. gambeso seqq. en bletsw., 
bl. 596 vv. 



TOESTAND EENER GEVANGENIS IN HOLLAND 
ONDER KEIZER KAREL V, 



Het geloofsonderzoek en de terechtstelling van jan de bakker 
van Woerden kent men meestal slechts uit het Latynsohe boekje 
van G. GNAPHEUS : Joannis PistoiHi Woerdenalis . . . Martijrhmt^ 
dat hoewel reeds in December 1529 (volgens het voorbericht) 
voor de pers gereed liggend, eerst in 1546 te Straasburg bij 
WENDELINUS RiCHELius gedrukt is, en een eeuw later in 
1649 te Leiden herdrukt, door de zorg van JAGOBUS REVIUS. 

Ondertusschen bestaat er een, zeker oudere, bewerking in hot 
Hollandsch van hetzelfde verhaal, dat ten titel draagt: 

Een suverlicke ende seer schoone disputacic^ weickr ghe- 
schiet is in den Haghe in Hóllant^ tusschen die hcttei''mcrs- 
ters ende een Christelycken Prieste^^ ghenaemt JAN VAN 
WOORDEN. . . . Anno MDXXV den XVen doch Septemhris. 

Dit uiterst zeldzame en bijna onbekend gebleven bo<ïkj(> be- 
vat verschillende bijzonderheden, die in de Lat^jnsche bewerking 
ontbreken. Onder andere de volgende samenspraak, waaruit de 
toestand der toenmalige gevangenis van hot Hof van Holland 
kan worden opgemaakt. 

Na den afloop van de eerste disputatie dos voormiddags, 

vraagt Mr. reynier brunt, procurour-gon oraal van 

het Hof, aan de Kettermeesters on Itaadshooron : // Waor 

u 



362 

sal ick heer JAN laten? Wil ick hem weder in zijn plaetse 
bringhen ? 

Rttard tapper, kettermeester: Waer is dat? 

JOANNES VAN DU VEN VOORDE, raadsheer: Bij die ander 
ghevangen Priester. 

R. TAPPER: In gheender manieren, si souden malcanderen 
in haer ongheloof stereken. 

Mr. R. BRUNT: Waer sal ick hem dan brenghen? 

Mr. CLAES COPPIN DE MONTIBTTS, kettermeester- 
gene rael: Laet hem hier blijven, ende slaet hem boeyen 
aen de beenen tot na de noen; dan sullen wij weder comen. 

Mr. R. BRUNT: Wat duvel, is dit niet een groote schande 
voor den Keyser, dat in aldusdanighen vermaerde plaetse gheen 
gevanckenissen en zijn. 

Jan van woerden : Al en sloot ghij mij in gheen boeyen, 
ick en soude u niet ontloopen. Sal men aldus met christen- 
menschen leven! 

C. COPPIN : Beraet u wiselyck, dat ghg nae der noen beter 
antwoorde gheeft. 

Godschalgr rosemondt, ketterm. : liaet ons gaen. 

Mr. R. BRUNT: Hier moeten oock bewaerders sijn. 

C. COPPIN: Bewaert ghij den ghevangene. 

Mr. R. BRUNT: Loopt, haelt tot onsen huyse de boeyen 
die men met een slot sluyt, want dese en mach men sonder 
smit niet aendoen/' 

Op deze wijs bleef de gevangene in boeien eenige dagen lang 
in de rechtzaal. Eindelijk begon dit den procureur-generaal te 
hinderen. Den 13<len Julj zeide hij tot de rechters: 

Mr. r. BRUNT: Mijn heeren, ghi moet hier eenen anderen 
raet in schicken, dat wij desen man aldus niet en bewaren 
ende bewaecken. 't Valt ons te moelic. Oec mede en is 't 
gheen manier van doen, aldusdanighe luyden te bewaren al- 
dus scharp; roovers ende moorders bewaeckt men aldus; 
dese man en sal n niet ontloopen, al en set ghij hier gheen 
wachters. 



363 

R. TAPPER : En is hier anders gheen plaats daer men hem 
legghen mach in goeder bewaringhe? 

Mr. R. BRUNï: Neen 't; daer en is niet dan die gheyool, 
daer leyt men dieven ende verraders, ende die riddercamer, bij 
die andere ghevanghenen, ende daer en wilt ghij hem niet heb- 
ben; waer sal men hem dan laeten? 

J. V. DXTVBNVOORDE : Men (en) mach hem in die gheyool 
(niet) legghen; *) 't en is noyt gheschiet. 

C. COPPIN: Wat logys is daer? 

R. TAPPER: Si ligghen daer op die plancken neder ende 
slapen sonder stroo oft beddinghe, ende en eten anders niet 
dan dat hun die goede luden brenghen in aelmissen bij der 
doren; want wij en zijn niet schuldich hem yet te beschicken 
dan water ende broot, 't sal licht daer best zijn om legghen, 
ende om den minsten cost den Keyser aen te doen; daer en 
sal hij niet meer dan twee blancken sdaechs verteren; 't is 
immers schoon ende drooch? 

Mr. R. BRUNT: Daer is veel vuyls dincs, ende rayckt daer 
seer qualicken van onreynicheyt. 

R. TAPPER: Wie leyt daer nu thans inne? oft is 't ledich? 

Mr. R. brxtnt: Daer leyt een dootslagher ende een ander 
misdadich mensch op zijn lijf ghevanghen. 

C. COPPIN: Leyt er niet meer? ghij moocht hem daerbij 
brenghen; waer soude men hem anders laten? 

J. V. DUVENVOORDE (?) : Hij leyt hier op al te grooten costen 
van den Keyser; maer *t is soo best dat wij hem daer legghen. 

R. TAPPER: Waer staet die plaets? 

Mr. R. BRUNT: Daer boven die poort. 

R. TAPPER: Moghen die ander ghevanghen van die ander 
poort bij haer comen? 

Mr. R. BRUNT: Neen, se zijn met een dicke rauer d'een 
van d'ander ghescheyden; si en moghen bij malcander niet 
comen noch sien ; van achter coraen si op een privaet, onder- 



') De woorden tnaschen haakjes geplaatst ontbreken in de nitgaaf; om 
hetgeen volgt schijnen zij onmisbaar. 



364 

scheyden met wageschot, daer mogen si malcander toeroepen 
ende hooren spreecken. Belieft het u, dat wij hem daer in 
brenghen, mijn heeren? 
C. COPPIN: Jae, doet soo. 

Zoo zag er in de eerste helft der zestiende eeuw een Hol- 
landsche gevangenis uit: de gevangenis, let wel, van het Hof. 
Hoe zal het met die van kleine steden en op het platteland 
gesteld zijn geweest! R. F. 



DE NOORDHOLLANDSCHE, DIEMER- OF WATER- 

GRAAFS-MEERSCHE, EN BEIDE NEDER- 

LANDSCHE COURANTEN. 



DOOB 



Mr. W. P. SAUTIJN KLUIT. 



De Geschiedenis der Nederlandsche Journalistiek Iaat zich 
naar onze meening het gevoeglijkst in vier hoofdtijdperken 
verdeden, namelijk: 1. De opkomst en eerste ontwikkeling se- 
dert de tweede helft der 16<^e eeuw tot op het jaar 1780; 
2. De tijd van 1780—1813; 3. De tijd van 1813 tot 1 Juü 
1869; 4. De tijd van 1 Juli 1869 tot op het tijdstip dat 
die geschiedenis in haren geheelen omvang wordt te boek ge- 
steld. Aan het tweede tijdperk nu, waarin door de partijschap, 
die met het uitbreken van den Engelschen oorlog krachtiger 
dan vroeger te voorschijn trad, in onze couranten een nieuw 
leven werd gewekt, en de journalistiek staatkundige beteekenis 
kreeg, zij de volgende bijdrage ontleend. 

Vol belangstelling in al hetgeen koophandel en zeevaart be- 
trof, en bezield met de zucht om zijne vermogens tot alge- 
meen nut aan te wenden, besloot zekere harmanu s koning, 
die toen naar een ruimer middel van bestaan uitzag, in 1777 
eene allernauwkeurigste Zeetyding uit te geven, om daarmede 



866 

aan eene behoefte te voldoen, waaraan de courïuiten dier da- 
gen niet beantwoordden. Begrijpende dat daartoe geen vooraf 
gaande toestemming van eenige overheid noodig was, werden 
de eerste Zeetydingen dan ook spoedig in H licht gegeven '); 
doch ternauwernood waren er enkele nummers uitgekomen» of 
KONING ontving bij monde van hering, den schrijver der 
Amsterdamsche Courant ') // op last en ordre van Heeren fior- 
gemeesteren" aanzegging van verbod. Het hierbij niet willende 
laten, vervoegde KONING zich des anderendaags by Hun Ed. 
Groot Achtbaren, doch kreeg ten antwoord dat ^deeee Zee- 
tydingen de Stads Courant te veel benadeelden*', en dat, al 
mochten andere couranten hetzelfde doen, men niet bQ machte 
was daaraan iets te veranderen, maar te Amsterdam zulks niet 
toelaten kon. KONiNG deed toen wat zeker het verstandigst 
was, — hij staakte zijne onderneming. Evenwelgaf hij den moed 
niet op, en begrijpende dat het oprichten eener nieuwe cou- 
rant ook elders, waar stedelijke couranten bestonden, zwarig- 
heid zou ontmoeten, en tevens inziende dat het voor zQn doel 
van belang was in de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam 
te blijven, liet hij H eerst zijn oog vallen op Amstelveen. 
Oordeelende dat het goed was de Begeering aldaar van zyn voor- 
nemen te onderrichten, vervoegde koning zich tot haar, doch 
ontving, na op zekeren dag ten rechthuize ontboden te z^n, 
ten antwoord, dat men de uitgave niet wilde toestaan. Bede- 
nen werden niet opgegeven. Nu wendde koning zich tot een 
Eegent te Buiksloot, die hem verwees naar het Edel Mog. 
CoUegie van Heeren Gecommitteerde Eaaden van 't Noorder- 
kwartier te Hoorn, en van dezen was het antwoord /tfdat 'er 
geen Wetten waren die zulks verboden ten Platten Lande, en 
by gevolg hun Ed. Mog. Approbatie hier niet te passé kwam." 
Doch door het verbod van Amsterdam en het willekeurig ant- 



1) Bestaan er hier of daar in pamfleiten-verzameliDgen ook nog exem- 
plaren van dit blaadje P 

3) Zie onze bijdrage over de JmsierdatnscAe Courant in Deel V, blz. 
258 (50). 



867 

woord van Amstelveen achterdocht koesterende, begaf koning 
zich tegen de volgende vergadering van Hun Ed. Mog. in 
persoon naar Hoorn, maar vernam toen zich slechts te moeten 
wenden tot Mr. nicolaas de groot, Secretaris van 't ge- 
melde college. Het was deze die hem toen ten overvloede persoon- 
lijk verzekerde, dat er geen wetten waren die aan zijn plan in 
den weg stonden, zoodat hij, als hij wilde, gerust aan 't werk 
kon gaan. Ook op de vraag of Monnikendam, waartoe Buik- 
sloot behoorde, geen beletselen in den weg kon leggen, was 
het antwoord ontkennend ^). 

Onder deze omstandigheden verscheen het eerste nummer 
der courant in het licht. Ze draagt tot opschrift ^): Noordr 



1) Een en ander is ontleend aan het „ Noodig Bericht, aan het Vryheid 
en Vaderlandminnend PubUeh, door harmanu s koning, JHemer- of 
Waiergraaf'Meenche Couraniier. Ter Drukkerye van habmanus koning 
in de JHemer- of Watergraafs-Meer**. 4, of eigenlijk 3, blz. folio, in 
twee kolommen gedrukt, met het gewone wapen der Diemer- of Waier- 
graafs-Meersche Courant (zie lager). Het geheele blad ziet er ook als zoo- 
danig uit. Daarin vindt men een uitvoerig stuk aan zijne „ Waarde Mede- 
burgers en Landgenooten" gedagteekend : „ Diemer- of Watergraafs-Meer 
den 1 November 1782", en van de hand van habmanus koning, waarin 
de oorsprong en voortgang der NoordhoUandsche Courant wordt in het 
licht gesteld. De Kon. Biblioth. te 's Hage, in het bezit van twee exempla- 
ren van dit stuk, bevat bovendien in hare Folitike Tractaaten, 1780 — 1787, 
deel XXVII, eene brochure getiteld: ^lets noodzaakelyks voor hetpubHek, 
of onderzoekende brief van een vriend aan zyn vriend, en onderrigtgevend 
andwoord op de zelve, over Het verbod van de Diemer of Water- 
graafmeersche Courant, waar in na waarheid alles te vinden is 
*t geen dat Tydschrift van den heginnen af aan, tot heeden toe heeft 
ondergaan, en wat *er al mede gebeurdt is. Alles ter voorkoming van, en 
tegenspreking der Lasteringen en Vdlsche Beschuldigingen, dat tydschrift 
aa/ngewreevefC\ 32 blz. 8^. Op de keerzijde van den titel vindt men een 
gedicht (drie zesregelige coupletten), getiteld : ,, Op het noodig bericht van 
HEBHANUS KONING, Gewczcne Diemer- of Watergraaf-Meersche 
Courantier", en onderteekeud : „Zelandus". Dan volgt blz. 3 de brief, 
waarvan blz. 4 — 28 ingenomen wordt door een overdruk van het „ Noo- 
dig Bericht". 

2) Catal. Bibl. Kon. Acad. Yad. Gesch. E. 361G. 



368 

hollandsche Courant, Maandag, den zestienden February 1778, 
N^, 1. Met approbatie van Haar Edele Mogende Heeren, Ge- 
committeerde Raaden, van de Stapten van Holland en West' 
vriesland; in Westvriesland en H Noorderquartier, Tot Buyk" 
sloot, ter Drukkerye van HAKMAN US KONING. Ze werd uit- 
gegeven in onderscheidene steden bij verschillende uitgevers, 
en droeg een vignet, waarop Neptunus en Mercurius zgn afge- 
beeld benevens een vrouwebeeld (de Vrede?), een wapen (het 
Westfriesche ?) en een schip. Boven de berichten leest men 
deze aankondiging: //Deeze kourant, word voor de eerste keer 
voor de ordinaire Prys uitgegeeven, op dat Een yder de Inrig- 
ting derzelver zal kunnen zien; de Prys van dezelve in 't Jaar 
is gestelt op Vijf Guldens. Men zal in dezelve plaatsen een 
Ordinair Advertissement, voor vier schellingen, dat is die bin- 
nen de Vier Eegels zyn, en eiken Eeegel daar boven. Zes Stui- 
vers; Men kan dezelve alle Uuren aan de Buykslooter Schuit 
bestellen; of by derzelver Uitgevers in de Steden gemeld." De 
vorm was een half vel folio, aan beide zijden in twee kolom- 
men gedrukt; aan het slot en in de breedte vindt men eenige 
advertentiën. 

Wat den inhoud betreft, men vindt, althans in dit eerste 
nummer, berichten uit de //Nederlanden, Groot-Brittannien, 
Vrankryk, Duitsland, Braband en Vlaanderen, en zee-tyding*'. 
Maar het geheele nummer door, verbindt de redactie aan elk 
bericht onderscheidene boertige opmerkingen, die te zamen ge- 
nomen een soort van programma uitmaken, te kluchtig om 
hier niet te worden medegedeeld. Zoo leest men onder de ru- 
briek Nederlanden: //Holland, is als uit het Water gewoe- 
kert, heeft geduurig met het Water te kampen, is van Water 
omringt, en heeft al zyn Eykdom en Welvaart uit het Water 
gehaald ; het Water is zyn gemeene Vriend en Vyand, zyn op- 
komst en zyn ondergang, zyn aan winner en afneemer, met één 
woord het Water alleen, is ons alles in één; daar en boven 
schryven wy uit het middenpunt van Waterland: wat wonder 
dan, dat wy onze Kourant ook met het element des Water be- 
ginnen! en dat wij de Zeetydingen accuraat geeven, vermits 



369 

daar 't meest aangelegen legt: want onze Eepublyk een Land 
van Koophandel en Navigatie zynde, merken wy dat Nieuws 
aan als de Voorzeilder van onze Lettervloot, waar aan Eee- 
ders, Kooplieden, Assuradeurs en Schippers, (men zou 'er de 
respective Waterschouten en Kargadoors ook onder rekenen 
kunnen) groot belang en portie hebben; en daarom gaat dat 
by ons als het Noodzaakelyke, voor. Daar mede steeken wy 
nu in Zee. Neptunes die wy steeds in 't oog houden, belooft 
ons een goede reis op onze nieuwe Togt." — En verder: //Ik 
ben een vyand van talmen, en bemin de kortheid, daarom moet 
ik den Leezer eens vooral berigten zeggen ja byna zweeren, 
verwittigen en verzekeren, aankondigen en zelfs bevestigen 
(zulke herhaalingen zullen wy in 't vervolg ook myden) dat wy 
hem niet als Pit en Merg van Nieuws zullen geeven: Dies 
zullen wy ons niet ophouden met Politieke Gissingen daar nul 
opgetrokken word, Gerugten die tot rook smelten, yskoude 
Bedeneeringen over Affaires van Staat of Oorlog, breedvoerige 
historise Uittreksels, laffe Geslachtlysten en andere draadige 
geduldstroppen ; noch ook met langwylige Yerhaalen van deeze 
of geene Feestviering, wie 'er aan zat, en welke Schotels 
'er opgedist wierden etc. etc. Neen, en dat op ons Woord! 
met alle dikke Beschryvingen van Trouw Formaliteiten, Lyk- 
sta9yen, Uitlandse Promoties, Krooningen en Ontkrooningen, 
Installeeringen en Komformeeringen, met Acten en Extracten 
en wat dies meer is, zullen wy onze Leezers niet verveelen; 
geene Mandementen; Patenten, Gapitulatiën, Declaratiën, en 
oude Eelaassen of andere vygen na Paassen, en soortgelyke 
Kopyën Authenticq die geheele Kouranten vullen, zullen onzen 
tyd of lust vermoorden, ten zy alléén dat ze van het uittcrste 
gewigt, en voor ons Land in 't byzonder van belang zyn, en 
dan dikmaals nog maar den korten inhoud. Sapicnti sat est. 
Zie daar nu de Gordyn opgeschooveu ! een weinig attentie ver- 
der." — En dan weder : // Ook zullen wy alle verdere Uit- 
breidingen voorbygaan, en liever de Quint Essentie van het 
voornaamste en Generaale Nieuws in derzelver plaats geeven, 
gemengt of aangezet om tog alle droogheid voor te komen, 



870 

met het geestryk vogt van deeze of geene aartige Beflectien, 
of Glossen uit de vuist, 't zy een Fiide of Eabel, Anecdotey 
Bon mot, raar inval, of koddige toepassing: want zonder die 
Saus is Kourantspys al te dor, en valt voor veele zwakke 
Maagen te hard om te verduuwen; *t Eailliante en Badinnnte 
zal altyd het serieuse uit het veld slaan, en zelfs de Krygskas 
aan het Comicque en Satyrique moeten overlaaten: maar zulke 
snaakse, korswylige en vermaaklyke Boerteryen dienen uit den 
Geest te komen, en daarom denk ik al dat de Kwaakers de 
beste Kourantschryvers zouden zyn, doch dan mogten 'er de 
Thalmudisten wel onder gesmolten worden, om dat enkele 
Waarheid met Geest gemengt, een drooge Bolus is; Ik heb 
altoos nog iets meer te zeggen dan de Korrespondentiefaam 
door haare Brieven uitblaast, en hier denk ik by wyze van 
Furgatie my driemaal 's Weeks van te ontlasten , die egter 
komen het Fublyk, weer ten nutte gelyk de eeuwigduurende 
Pillen van Doet. starkhy. Meer te belooven doen wy niet, 
want laaten het aan den Leezer over om in ons Papier te 
zoeken wat 'er in te vinden is." 

Zoo leest men onder de berichten uit Groot-Bittanniën : //De 
Heer wilkes begint ook weder eenigzins in beweging te ko- 
men, en toont nu en dan dat hy nog leeft. Nog één woordje 
eer wy uit Engeland gaan: deeze berugte Schildknaap, Lord- 
Major, etc. etc. schreef voor krek 15 Jaaren (de gewoone Pri- 
vilegietyd,) zyn wyd befaamde North'Briton of Noordbrittan- 
jer '), en wy, dat is al gevalligl Heden onze Noordhollander; 
in de Naam is wel een groote overeenkomst, maar in de zaa- 
ken en derzelver behandeling zal een niet minder magtig ver- 
schil zyn als 'er in de Perssonen is: want wiLKES is een 
Engelsman, en in Engeland neemt men het zoo eng niet^ maar 



1) Gelijk bekend is, maakt het vervolgen en openlijk door beulshauden 
verbranden van N^. 45 van dit blad onder het oligarchisch bewmd van 
den minister granville, en het tot viermalen toe uitsluiten van john 
WILKES uit het Parlement, een belangrijk deel uit der eerste woelige regee- 
ringsjaren van Koning gbobge III, 1760—1820. 



371 

een Kennemerlander moei zig zelf wat kennen. Steek uw vin- 
ger in de grond, en ... de rest weet Gy." 

£n dan weer onder Yrankryk : // De Voorzigtigheid met haar 
Yerrekyker staat aan onze regterhand, en de Waarheid aan 
onze linker, maar niet zoo geheel naakt als by de Ouden, daar 
veel Suzannas boeven onderliepen, want dat zou ons te Ijuxo- 
rieus zyn; de Agterhoudentheid kindskind van beiden reikt 
ons haar Weegschaal, Bril en Zoetschaaf toe, en Historiekunde 
schnilt by ons agter het schild der Yreedegodin, op het welk 
de v\jf middel letters van het Alpha'beth staan, naamlyk F, Q, 
B, S en T. ons aanwyzende, dat wy zeer behoedzaam moeten 
zyn omtrent Persoonen, Qualiteiteny Regeeringy Staat en Tem- 
pel; en voor de rest laaten wy handen en voeten los, en zoo 
ons FostpaarcUe zyn rit doen: onschuldige fioerteryën zullen 
tog nooit de oorzaak wezen dat *er een Batalje verlooren, een 
Land verraaden, een nieuwe Kettery gestigt, of een Hofdame 
afgeschaft zal worden." 

En dan nog eens onder Duitsland: //Begrypt Gy nu wel 
dat het aan geene Onderwerpen zal ontbreek en? Stof zal W 
zyn zoo lang 'er een Waereld is, en die zal 'er wel zoo lang 
zyn als wy; in haar Schouwburg komen de oude Toneelen ge- 
duurig weerom, maar bezet met nieuwe Toneelspeelder s en 
versche Figuranten: zoo lang 'er Staats verwisselingen, Onge- 
lukken en Zotheden gebeuren, zal de Nieuwsbron niet uitge- 
put zyn, want yder weet dat 'er onder de Kalot des Hemels 
meer omgaat dan Molens, en is 'er wat Nieuws 't is zelden wat 
Goeds, vraagt Gy na de reeden? 't is zeggen de Wiskun- 
stenaars^ om dat volgens de Kansrekening het kwaade in de 
Waereld tegen het goede in proportie als twee Millioen tot 1 ; 
Of het egter gebeurde dat het ons aan Stof ontbrak, zoo zyn 
'er altoos Bloedregens, Poolse Hemeltekens en wonderlyke 
Kraamgevallen genoeg om niet verlegen te staan; ook kan 
men altoos zyn toevlugt neemen tot eeu Aziaties Leugentje, 
Turkse Byksdag, Schots Festeiu, óf Oosters Sprookje, of anders 
tot den een of anderen Moorsen Koning, Foppejaansche Prins, 
of bovenlandsen Baron." 



372 

Eindelijk ouder Braband en Vlaanderen: //Doch die dingen 
die hei Algemeen nuttig zyn, zyn meermalen aan byzondere 
schadelyk: wy zyu daarom voor de vyandschap van die Heeren 
(Brouwers, Wynkoopers, Kaarssemaakers enz.) ook bekommerd, 
vermits onze Kourant zeer veel Volk uit de Herbergen en 
Kroegen zal houden, en dit zal het eerste nut wezen dat zy 
doen zal; hei tweede daaruit voortvloeiende, moet noodwendig 
bestaan in een volle neerlaag van de Dronkenschap die wortel 
van de zeven doodzonden, en het derde, vierde, vyfde enz. Zal 
de Leezer zelfs wel ondervinden? Wat de Noord- Hollmiders 
aanbelangt, dewyl deeze veel tyd over hebben, en tot verber- 
ging van denzelve, geene Comediën, Bals, Concerten etc, heb- 
ben, vallen zy meest, of op de bekers, kaarten en dobbelstee- 
nen, of op de Studie: welk een winst, als wy hen van het 
eerste, tot dit laatste met een nugtere hand geleiden! ten 
minste zullen eenigen *er het leezen door onderhouden, dat zy 
anders ligt gevaar liepen van te vergeeten; de naam onzer 
Kourant alleen, moet hen eer aandoen, en daartoe opwakkeren : 
Immers onder hen, voor hen, en tot hen schryven wy die, 
twyfelt Gy nog? zoo kyk maar regt uit, boven in ons Uit- 
hangbord, kent Gij daar dat Wapen ook? Zou ik dat niet 
kennen zei een Moffekind van dat van Hamburg, ik zag hei 
zoo dikmaals als myn Vaêr zig verschoonde." 

//Hier ziet 't Publyk nu wat het van ons te verwagten heeft, 
de Kern naamlyk van alle (niet gekopijeerde) maar oorspron- 
kelyke Nouvelles; Het beste dat men vind, moet welbehagen, 
doch het jammerste is dat alle menschen niet accoord denken; 
Nu kan men genoeg aan dit proeQe zien, hoe de geheele party 
zal wezen, wy leveren die op dit monster af, zy moet wel toe- 
vallen, en anders kan de ontvanger die katten -^ Merk deeze 
Eersteling daarom als een Voorreden aan van alle de volgen- 
den; wy hadden den Leezer vooraf nog zoo het een en ander 
in 't oor te luisteren, en het mogt ons niet van hei hart om 
zoo maar met de deur in het Huis te vallen. Die ons iets 
Nieuws mededeeld, of braaf Advertissementen opgeeft, zal aan- 
genaam wezen en het zal zyn //Weesi welkom, treed binnen." 



873 

Verders recommandeeren wy ons aan de geheele Nederlandse 
Waereld: wie ons meest leest, zal ons minst picqueeren, en 
elk zy verzekerd dat wy zyn Vriendschap niet versmaaden, en 
zyn Vyandschap niet agten. Tot besluit: Maan- Woens- en 
Vrydag zal de vaste Uitgeeftyd van dit Nieuwspapier wezen, 
want die dagen zyn, gelukkiger dan de andere, omdat zy aan 
Moeder Luna aan Merkurius en Venvs toegewyd zyn, en dat 
zyn drie zeer goede Godjes. Op den bloedigen Mars en den 
Donderaar Jupiter hebben wy het niet, en nog minder op den 
stuursen Satur, en dat kon ligt een misverstand geeven, dat 
men het woord Satyriq voor Polityq op ons paste, en zulks 
zou geen van de minste rampen- zyn waar aan een Schryver 
ooit blootgesteld kan wezen." 

Schrijver van het blad was zekere WILLEM ockers *)» n^aar 



*) Was dit ook de schrijver der ,, nagelaten geestige Mengelstukjes, 
Amsterdam, o. bom en zognen, 8. 11 st." Z. J. waarvan het Naam- 
register van Nederd. Boeken door j. van abkoude en b. arrenberg, 
2^« druk, W. 384, melding maakt? Blijkens het „Noodig Bericht" was 
WILLEM GCKERS In 1782 niet meer in leven. — In zekere hrochure, on- 
der anderen te vinden op de Kon. Bibl. te *s Hage in Politike Tractaaten, 
1780—1787, Deel XXVII, getiteld: „Alle de MagUtraaU-gessinde, bene- 
vens aUe de Hertogs aanhangende Publique ScJiryvers, met Naam en 
Toenaam, een iegélyk in zyn Cardkter en Bestaan zeer natuurlyJe èesckree' 
ven. Waar in onder alle uitmunten de Schryvers van de Diemer- of Wa- 
tergraaf 'Meersche Courant, de Politique Hollandais, en de zo zeer berugte 
en bekende nicolaas hoefnagel, door een Liefhebber van H Vaderland. 
Onder de Zinspreuk-. Om de Schanden van Overwonnen te zyn te bedek- 
ken, neeme laage zielen hun toevlugt tot leugens. Gedrukt in de Ge- 
kroonde Boekverkooper Gosse, daar de Pourtretten van haake en bon- 
net cp *t Vengster staan, voor Reekening van de Boekverkooper hyé, 
tot *s Heige.^^ 32 hlz. 8°. wordt hl. 15 — 17 ten onrechte opgegeven, dat er 
reeds 12, 13 of 14 nummers van de Noordhollandsche Courant waren in 
*t licht verschenen, toen van brussel aan het blad kwam; maar tevens 
wordt dan stellig het gerucht tegengesproken, dat van die vroegere num- 
mers schrijver zou zijn geweest NrcoLAAS hoefnagel, de man, van wien 
ook de Inleiding, hlz. 5, van het Boek der Opschriften door Mr. j. van 
LENNEP en J. TKR GOUW, gcwaagt. 



374 

dit duurde slechts tot en met het 9<^® nummer. Want niet 
alleen dat het bleek dat deze man niet geschikt was voor 
eourant-schrijver, waardoor de courant aan het publiek niet 
voldeed, maar ook de eigenzinnigheid van ogkers, die door- 
dreef dat aan het hoofd van het blad de woorden //met Ap- 
probatie van Hun Ed. Mog." in plaats van // met voorkennisse" 
gesteld werden, waardoor de uitgever in moeielijkheden kwam, 
maakten dat koning hem bedankte en in zijne plaats THE- 
ODOBUS VAN BBUSSEL aannam, die van 1748 tot 1765 
Predikant was geweest te Zuid-Polsbroek, bij Schoonhoven, en 
sedert zijne afzetting in laatstgemeld jaar, zich te Amsterdam 
met letterkundige studiën had onledig gehouden *). Intusscheu 
had die toevoeging //met Approbatie van Hun Ed. Mog." ge- 
maakt, dat KONING nog denzelfden avond eene missive van 
den Secretaris DE groot ontving met bevel zulks niet weder 
op de courant te plaatsen, terwijl hij niet lang daarna voor 
het College van Gecommitteerde Baaden gedagvaard werd, en 
de aanzegging kreeg eene advertentie te zullen ontvangen, 
waarvan het niet plaatsen de onmiddellijke sluiting der druk- 
kerij ten gevolge zou hebben. Bedoelde advertentie, Zaterdag < 
avond 4 April 1778 ontvangen, werd terstond in N*. 21, van 
Maandag 6 April opgenomen, en luidde aldus: 

//Hermanus (de) koning, drukker deezer Courant, 
adverteert ingevolge de Eesolutie van Hun Ed. Mogende 
de Heeren Gecommitteerde Eaaden van de Staaten van 
Holland en West-Friesland, in West-Friesland en het 
Noorder Cluartier dit navolgende: Dat hy de Advertentie 
in zyn eerste Courant van den 16 February 1778, waar 
in gesteld is, dat de uitgave deezer Courant zoude zyn 
geschied met Approbatie van Haar Edele Mogende, revo- 
ceert en plegtig verklaart, dat dezelve Advertentie is on- 



1) Hij 18 de schrijver van het „ AaDhangsel tot ludolf smids M. I). 
Schatkamer der Nederlandsche Ondheden, eet. eet." Amsterdam 1778, 8o. 
met platen. 



375 

waaragtig en dus zyn gedrag ten opsigte van Haar Edele 
Mogende is Licentieus en Laesif, dat hy deswegens met 
leedweezen is aangedaan, aanneemt zig in het toekoomende 
voor zodanige Injurien te zullen wagten." 

Vrees voor erger deed koning tot het opnemen dezer ad- 
vertentie besluiten, en daarmede was de zaak uit. Toenemend 
debiet en succes wekten echter de jaloezie van tegenstanders 
op, die zelfs de hulp van Plakkaten van het jaar 1746 inrie- 
pen '), doch ook dit was een storm die voorbijgaande was. 
Maar toen, met den Engelschen oorlog, het blad de partij der 
Amerikaansch- of anti-Ëngelschgezinden trok, werd koning 
onophoudelijk naar Hoorn geroepen, ofschoon de redenen hem 
meerendeels duister bleven '). Van een viertal redenen evenwel 
maken de Resolutiën der Staten van Holland gewag. 

Zoo ontvingen gemelde Staten in hunne vergadering van Don- 
derdag 15 Maart 1781 eene missive van de Heeren Staten van 
Overijssel, geschreven uit Kampen den S^öh dier maand, houdende 
de mededeeling, dat men met veel ongenoegen in de Noord- 



Van den grooten opgang, dien het blad maakte, en den aftrek, dien 
het vond, spreekt ook een politieke tegenstander. Mr. elie luzac in zijne 
REINIER VRTAARTS Openhartige Brieven, deel 1, 2* stuk, bl. 142, 143. — 
De Plakkaten hier bedoeld moeten zijn geweest de Sesol. der Stat. van 
Holland van 23 Juni 1746 „ noopens de judicatnre over begaane contra- 
ventien door de Courantiers, zoo in 's Gravenhage als in audere Plaatsen 
buiten de stemmende Steden van de voorsz. Provincie" en van 28 October 
1746 „teegens het stellen van Propositien, Brieven, Resolutiën, Rapporten, 
Memorien, Lysten van Guamisoenen, en andere Acten van Staat, in de 
Couranten, Gazetten of andere Nouvelles", in Groot Placaat Boek, Deel 
VII, bl. 974 en 821. 

2) Ik betreur het hier de opgave van Dr. p. scheltkma te moeten 
doen, dat de „ Resolutiën en andere Stukken betrekkelijk Courantiers en 
voorziening tegen derzelver licentie", als hebbende behoord tot het vernietigd 
„ Archief van Gec. Raden van West-Friesland en het Noorder- Kwartier te 
Hoorn", niet meer aanwezig zyn, te meer daar er geen registers bestaan 
op de gedrukte Resol. van dat College. 



876 

hollandsche CJourant //van den 26 en eenige van den 28 Fe- 
bruary" een artikel uit Deventer van den 21«'«" dier maand 
gezien en gelezen had, waarbij een ampel relaas gegeven werd 
van hetgeen er tusschen hen en den Heer VAN DER CAPPEL- 
LEN TOT DEN POL sedert eenigen tijd in hunne vergadering 
was voorgevaUen, gepaard met een e zeer eenzijdige en onbe- 
voegde beoordeeling daarvan, en in welk artikel niet alleen zij, 
maar ook Zqn Hoogheid de Heer Prins Erfstadhouder, bene- 
vens al hetgeen in die zaak door beiden gedaan was, op eene 
zeer hoonende en onbetamelijke wijze werden ten toon gesteld '). 
Zoodanige relazen en eenzijdige beoordeelingen, waardoor de 
Eegeering bij het gemeen in een ongunstig daglicht kwam, 
moesten in zulke publieke geschriften, die met permissie en 
autoriteit van den Souverein werden uitgegeven, niet worden 
geduld. Zeer gevoelig over een en ander, verzochten de Staten 
van Overijssel, dat de schrijver der courant behoorlijk gecor- 
rigeerd en aangemaand zou worden te verklaren, op wiens ver- 
zoek hij bedoeld artikel geplaatst had, ten einde ook deze zou 
worden gestraft, terwijl zij verder verlangden dat in het vervolg 
dergelijke zaken niet meer in de couranten zouden worden op- 
genomen. Nadat de missive in handen was gesteld van Gecom- 
mitteerde Haaden in West-Friesland en het Noorder-Kwartier, 
ontvingen de Staten vier weken later, in hunne vergadering 
van Donderdag 12 April, het bericht uit Hoorn, dd. 30 Maart, 
dat HERMANUS KONING, d«nartoe opgeroepen, verklaard had, 
het bewuste stuk van den boekverkooper JAN verlem, toen 
reeds, gelijk wij straks zullen zien, uitgever van het blad te Amster- 
dam, te hebben ontvangen ; // dat hy het Stuk op niemands versoek 
in gemelde Courant had geplaatst, maar uit eigen beweging en 
om meerder debiet van zyn Courant daar door te versorgen;" 



^) De strijd tusschen de Ridderschap en Steden van Overijssel metJOHAN 
DIRK, Baron van der capellen Heer van den poll, eet., eet., die 
als voorstander der nienwe vrij heidsbeginselen de boeren in dat gewest van 
de drostendiensten wilde bevrijden, maakte in die dagen ontzettend veel 
beweging. 



377 

(lat hij niet geweten had dat bedoeld stuk laesif was voor de 
Staten van Overijssel en den Stadhouder, want dat hij het 
dan niet zou hebben opgenomen. Met de aanmaning, gelijk 
reeds meermalen had plaats gevonden^ om zich toch in ^t 
vervolg in acht te nemen, had koning zijn afscheid be- 
komen *). 

Eene tweede klacht gold N°. 40, van Maandag 2 April 1781. 
Den 268*en April namelijk leverde DE ST. saphorin, extra- 
ordinaris Envoyé van Z. M. den Koning van Denemarken, op 
order zijner regeering eene memorie bij de Staten-Generaal in, 
waarbij op herroeping van het bericht in 't aangewezen nummer, 
dat de Koning van Fruissen in een gedeelte van de kosten 
der Deensche oorlogsvloot zou voorzien, en op correctie van 
den courantier werd aangedrongen. Gelijke grief werd tegen de 
Fransche Leidsche CJourant ingebracht '). Toen nu de Staten 
van Holland in hunne vergadering van Zaterdag 5 Mei 1781 
van de zaak kennis kregen, werden Gecommitteerde Eaaden te 
Hoorn aangeschreven om den Noordholland schen Courantier 
voor zich te ontbieden en hem te gelasten het bedoelde bericht 
te herroepen. Maar toen de gezant den 17^®" Mei nog geen 
herstel van grieven had bekomen, hernieuwde hij z^n' eisch bij 
de Staten-Generaal, waarvan eene tweede aanschrijving der 
Staten van Holland aan Gecommitteerde Eaaden het gevolg 
was. En nu was het antwoord van dit College, dd. Hoorn 
31 Mei, dat het eerst daags te voren, omdat de vergadering 
niet vroeger bij elkander was geweest, had kunnen handelen, 
en dat de Courantier, daartoe opontboden, verklaard had het 
bewuste stuk uit het supplement der Fransche Utrechtsche 
Courant, N*. 26, van Donderdag 29 Maart, te hebben over- 



1) Resol. Stat. v. Holland van Donderdag 15 Maart 1781, bl. 321, en 
van Donderdag 12 April 1781, bl. 428. Nienwe Nederl. Jaarb. 1781, 
bl. 1188—1148. 

S) Zie onze studie over dit blad in de eerstvolgende Handelingen en 
MededeeliDgen der Maatsch. v. Nederl. Letterk. 

S5 



k 



878 

genomen ^), maar het herroepen zou in zijne courant van den 
daaroprolgenden Maandag *). 

Vier weken later moesten de Staten van Holland zich alweer 
met de NoordhoUandsche Courant bezighouden. In hunne 
vergadering van Donderdag 5 Juli 1781 toch ontvingen ze 
eene missive van Gecommitteerde Eaaden, dd. Hoorn 29 Juni, 
waarbij de mededeeling werd gedaan dat //de al te vrye schryf- 
trant der (sic) NoordhoUandsche CJourantier" hen wederom in 
de noodzakelijkheid had gebragt //om gemelden Courantier over 
een faamrovende Periode, vervat in een zyner Couranten," voor 
zich te ontbieden. Maar de Courantier had //op frivole pre- 
texten sig van die Comparitie geëxcuseert." Daar nu de man 
de //herhaalde Waar schouwingen (te weeten dat hy soude in 
agt neemen twee saaken : eerstelyk, dat hy zyne vrye gedag- 
ten over de Staatsbelangen van deese Eepublicq soude beteu- 
gelen; en ten andere, dat hy zyn Penne ook soude hebben te 
bedwingen, om aan niemand eenige personeele offensie te geeven, 
want dat hy sig swaarder gevolgen op den hals soude haaien)" 
in den wind sloeg, meenden Gecommitteerde Eaaden eindelijk 
genoodzaakt te zijn, ten einde //die al te groote licentie te 
praevenieeren, iemand te qualificeeren de volgende Couranten 
voor der selver uitgave te revideeren en na te sien," indien 
gemelde Courantier ten minste nog voort zou willen gaan met 
in hun kwartier zijne courant te drukken of uit te geven; 
altijd tenzij de Staten mochten gelieven te bepalen dat ten 



O Koning maakt in het „ Noodig Bericht" melding van eene klacht van 
den Spaanschen Amhassadenr wegens eene passage in de conrant, die bg 
nader onderzoek reeds twee dagen te voren in de Utrechtsche Conrant had 
gestaan. Ik vermoed dat hiermede gezinspeeld wordt op deze klacht, zoodat 
met den Spaanschen Ambassadear die van Denemarken wordt bedoeld. 

3) Resol. Staten- Generaal van 26 April 1781, bl. 425. Idem Staten v. 
Holland van 5 Mei 1781, bl. 523. Groot Placaatboek, deel 9, bl. 408. 
Resol. Staten- Generaal van 17 Mei 1781, bl. 522. Idem Staten v. Hol- 
land van 22 Mei en 1 Juni 1781, bl. 571 en 611. Idem Staten- Generaal 
van 6 Juni 1781, bl. 582, en idem Staten v. Holland van 8 Jnni 1781, 
bl. 681. 



379 

plattelande in het geheel geen couranten zouden gedrukt of 
uitgegeven mogen worden. Met het oog hierop verzocht men 
aan de Staten eene nadere uitlegging van het Plakkaat van 
9 December 1702 *), waarbij hel drukken, verkoopen of ver- 
spreiden van couranten afhankelijk was gemaakt van de //per- 
missie van de Magistraat van de Plaatse harer residentie;" 
want de vraag was of die bepaling ook voor het platteland 
gold, waar zulks // sonder een speciale gequaliüceerde niet wel 
kon worden geëffectueerd." In welken zin //de Heeren van de 
Ridderschap en verdere hun Edele Groot Mog. Gecommitteer- 
den tot het groot Besogne, met de Heeren Gecommitteerde 
Eaaden, in den Hage en te Hoorn resideerende," in wier han- 
den deze zaak werd gesteld, die vraag hebben beantwoord, is 
mij niet gebleken *). 

Dat de courant intusschen nog voortdurend werd gedrukt, 
bewijst de Eesolutie der Staten van Holland van Donderdag 
23 Augustus 1781, toen ter vergadering eene missive van 
Burgemeesteren van Utrecht dd. 22 Augustus inkwam, hou- 
dende klachten, dat de schrijver der Noordhollandsche Courant 
in die van den 17^en //onder andere kwaadaardig versonne 
onwaarheeden en seditieuse passages, ook had geplaatst seeker 
Extract van den 13 dier maand, waarby het in hunnen Ea^d 
gepasseerde getronqueert, verdraait en tegen de waarheid aan 
ter neder" was gesteld, en waarvoor men verzocht //rigoureuse 
correctie" en //eclatante satisfactie". Om overeenkomstig dien 
wensch te handelen, werd de zaak aan Gecommitteerde Eaaden 
verzonden ^). Maar al wijst nu de gemelde Eesolutie zulks ook 



1) „ Placaat teegens verkoopen van Pasquillen en schandeleuae Prenten, 
den 9. December 1702" in Groot Placaat-Boeck, deel 5, bl. 691. 

2) Resol. Staten v. Holland van Donderdag 5 Juli 1781, bl. 717. 

') ResoL Staten v. Holland van Donderdag 23 Augustus 1781, bl. 946. 
Het hier bedoelde nummer van Vrijdag 17 Augustus 1781, n^. 99, is 
aanwezig in een rommelzoodje couranten op de Kon. Bibl. te 's Hage. 
In de Ottdenoetscke 'Nederlandsche Patriot, het orgaan van R. m. van 
OOENS, 3e stuk, bl. 68, maar vooral 309—322, wordt ^eze klacht uitvoe- 



380 

niet aan, zoo was het thans het College van Gecommitteerde 
Raaden van het Zuider-kwartier, te 's Hage resideerende, dat de 
klacht onderzoeken moest, want de drukkerij der courant was 
met Juli 1781 van Buiksloot naar de Diemer- of Watergraafs- 
Meer, en dus ten Zuiden van het IJ, overgebracht. Koning 
toch, al dat gehaspel met het Hoomsche college moede, waarbij 
de Secretaris, of gelijk hij hem noemt de ^/bediende" van 
Gecommitteerde Eaaden, de groot, de hoofdrol schijnt vervuld 
te hebben, had eindelijk besloten zich aan den invloed van die 
rechtsmacht te onttrekken. 

Slechts weinige nummers zijn mij van de Noordhollandsche 
Courant onder de oogen gekomen: van het jaar 1778 geen 
enkel behalve het allereerste nummer; evenmin van het jaar 
1779 ») en 1780. Op dat van Woensdag 3 Januari 1781, 
n°. 2, leest men: f/ word uitgegeven te Amsterdam by JAN 
VERLEM, in de Crravestraaf^ ; maar zoowel dit nummer als 
dat van Maandag 14 Mei 1781, n°. 58 *) en dat van Woens- 
dag 27 Juni 1781, n°. 77 ') zijn nog gedrukt: ^Te Buiksloot, 
ter Drukkery van HARMANU S KONING". Aan den voet van 
de courant van Woensdag 4 Juli 1781, n°. 80 ♦) leest men 
daarentegen : // Ter Drukkerye van harmantts KONING, in 
de Watergraafs Meer\ Het was daar dat koning de be- 
scherming genoot van den Baljuw van dat district, WILLEM 
HEEMSKERK, die zelfs wist te voorkomen, dat aan het voor- 



rig behandeld, en medegedeeld, dat aan theodorub tan brussel eene boete 
werd opgelegd, dat hij vergiffenis vroeg aan de regeering van Utrecht, en 
dat dü courant volgens besluit der Staten van Holland verboden werd, 
maar toen terstond als Diemer- of Watergraafs-Mecrsche Courant in *t licht 
kwam (?). 

*) In de Vaderlandsche Opmerkzaame Nieuws- Tydingleezer, een week- 
blad dat van 8 Maart 1779 tot 6 Maart 1780, in 52 nummers, b\j dirk 
SCHUURMAN te Amsterdam uitkwam, wordt in n®. 29, van 20 September 
1779, gesproken van de NoordhoUandsche Courant, n^. 110. 

2) Catal. Bibl. Kon. Acad. Vad. Gesch. E. S6B7. 

') Voorhanden in het rommelzoodje couranten der Kon. Bibl. te 's Hage. 

4) Catal. Bibl. Kon. Acad. Vad. Gesch. E. 8674. 



381 

nemen om de aldaar nieuw gevestigde onderneming aan gelde- 
l^ke lasten te onderwerpen, gevolg werd gegeven. Al werd nu 
den eenen dag het blad nog te Buiksloot, den anderen dag 
reeds in de Meer gedrukt, zoo gaf toch eerst het opontbieden 
van den uitgever, jan yerlem, bij Burgemeesteren van Amster- 
dam, aanleiding tot de naamsverandering der courant. Het 
verbod van uitgave der Noordhollandsche Courant, door Burge- 
meesteren toen YERLEM aangezegd, zonder opgave van redenen, 
deed koning aanstonds tot eene naamsverandering besluiten, 
waarvoor bovendien alle grond aanwezig was ^). 

Zoo verscheen dan het eerste nummer van de Diemer- of 
Watergraafs-Meersche Courant op Woensdag 22 Augustus 
1781. Opmerking verdient het, dat ook op n^ 3, van Maandag 
27 Augustus 1781 ') nog het oude vignet der Noordholland- 
sche Courant wordt gevonden, dat later — wanneer is my niet 
bekend — vervangen is door het wapen van de Diemer-meer, 
voorstellende een zwaan, die uit de biezen oprijst en door het 
ontplooien zijner vlerken een schild vertoont, waarop de letters 
WG M staan. Dat de uitgever, jan verlem, van //de 
Gravestraat^* naar //de Warmoesstraat, het derde Huys van de 



1) Op de laatste dagen van het bestaan der Noordhollandsche Courant 
heeft betrekking de brochure, op de Kon. Bibl. te 's Hage aanwezig, ge- 
titeld: „Bede van een rechtaartig Nederlander aan de leden van het 
Departement, toaar onder de Schryver van de Noordhollandsche Courant 
behoort; strekkende ter beteugeling der onvoorzichtige en stoute Pen, 
waarmede die boosaartige Schryver, de tegenwoordige Staatszaaken, maar 
vooral den Zeeslag van den 5 Augustus, verhandelt. Is alomme a 4» Stuiv, 
ie bekomen,^* 16 bl. 8^. — Een tegenhanger der Noordhollandsche Cou- 
rant, altyd voor zooverre den naam betrof, want de politieke richting was 
dezelfde, was de Zuid-Hollandsche Courant, die reeds bij 't begin van 1781 
bestond en zich tot September 1787 te Woerden staande hield. Maar de 
vraag is, of er ook eenig verband bestaat tusschen het staken der Noord- 
hollandsche Courant te Buiksloot in Juli 1781, en de uitgave aldaar „ter 
Boekdrukkerye by coenradus henricus koning" van het eerste num- 
mer der Vaderlandsche Courant op Zaterdag 3 November 1781 (Cat. 
Bibl. Kon. Acad. Yad. Gesch. E. 3688). 

^) Voorhanden in het rommelzüodje couranten der Kon. Bibl. te 's Hage. 



882 

Pylsteeg" verhuisde, blijkt uit de vergelijking van het laatste 
nummer van 1781 met dat van Vrijdag 10 Mei 1782. De 
vorm van het blad bleef dezelfde als vroeger; eene enkele maal 
nogtans verscheen de courant als een geheel vel, zooals het 
nummer van Maandag 30 September 1782, n°. 117 *) waarbij 
de volgende aanteekening werd gevoegd : // Deeze dubbelde Cou- 
rant word voor de ordinaire prys uitgegeeven. Vermits de me- 
nigvuldige en gewigtige Stukken, die het Welmeenend Publiek 
niet dan ten hoogsten aangenaam kunnen zyn, byzonder be- 
treffende den Vaderlandschen Ridder en Voorstander der Vry- 
heid Jonker johan derk van de capellen tot den poll, 
zal men Heden Morgen ten Elf Uuren nog een Na- Courant 
uitgeeven,** Die Na-Courant, zonder nummer uitgegeven, bestond 
slechts uit een half vel druks, aan ééne zijde in twee kolommen 
gedrukt. 

Maar ook onder haren nieuwen titel kwam de courant in moeie- 
lijkheden. Een bericht in de Zuid-HoUandsche Courant van 
1 Juli 1782, n°. 78 *), vervat in een' brief van zekeren 
P. VAN DER LINDE (een pseudoniem), geschreven aan boord 
van *s lands fregat de Jason op de reede van Vlissingen, in 
dato 26 Juni, waaruit blijken moest, hoe het bij gemis aan 
de noodige bevelen van den kant des Stadhouders had kunnen 
plaats vinden, dat, toen den vorigen Zaterdag een Engelsch 
fregat in het gezicht der aldaar liggende oorlogschepen was 
verschenen, men, in weerwil dat het scheepsvolk de beste ge- 
zindheid had aan den dag gelegd, niet uitgeloopen en den strijd 
ontweken was, verwekte heel wat beweging '). Zoo verscheen 
er dan ook in de Diemer- of Watergraafs-Meersche Courant 
van den 17*®° Juli, onder de rubriek Amsterdam een brief, 



') Catal. Bibl. Kon. Acad. Vad. Gesch. E. 3759. 

2) Nieuwe Nederl. Jaarb. 1782, deel 2, bl. 757—764, 966—985, 
1254—1262. De Post van den Neder-Rhyn, deel 2, bl. 771—776, 
781—794. 

3) De Ouderwetsche Nederl. Patriot, deel 2, stok 4, bl. 412 en volgg. 
18 Yol over deze zaak. 



383 

geschreven uit Utrecht, dd. 13 Juli, waarbij aanmerkingen 
werden gemaakt op de houding van den Schout-Bij -Nacht, 
J. VAN KRUYNE, in deze zaak. En vandaar dat ook de 
courant van koning door gemelden Schout-Bij -Nacht opgeno- 
men werd in zijne aanklacht tegen de Zuid-H oUandsche Courant, 
die op Woensdag 7 Augustus 1782 bij de Staten van Holland 
in behandeling kwam ^). 

Drie maanden later, den 24»*®° October 1782, leverde de 
Deensche gezant, de St. saphorin, bij de Heeren Afgevaar- 
digden der stad Amsterdam wederom eene klacht in, naar 
aanleiding van hetgeen de courant in haar nummer van den 
igden October omtrent Denemarken had in het midden gebracht 
in den vorm van een' brief van een' vriend uit Haarlem, en 
// waar van de laatste regels zich omtrent Denemarken op zulke 
eene onbetaamelyke wyze uitdrukken, en zoo veroordeelbaar 
zyn, dat 'er geen beschaafd Land is, waar in dezelve zouden 
geduld worden," waarom de gezant dan ook niet besluiten 
kon // dezelven woordelyk te herhaalen," en het blad maar liever 
in zijn geheel overgaf, hopende dat de schrijver weldra eene 
gestrenge straf zou ondergaan *). Wat er verder van deze zaak 
geworden is, kan ik niet bepalen, wel dat het blad ook den 
Prins alles behalve aanstond, die zelfs persoonlijk in de maand 
December 1782 aan de Staten van Holland voorstelde om 
zoowel het drukken als uitgeven der Diemer- of Watergraafs- 
Meersche Courant te verbieden '). 

Intusschen had koning den 1«*«" November 1782 het 
// Noodig Bericht'* in de wereld gezonden. Met dat al werd 
de courant hoe langer hoe meer een steen des aanstoots voor 
de party van den Stadhouder en diens bestuur, zoo zelfs dat 
de haat tegen haar zijne uiting vond in eenen brief, veertien 



O Resol. Staten v. Holland van Woensdag 7 Aug. 1782, bl. 619—638, 
met tal van bijlagen. 

2) Nieuwe Nederl. Jaarb. 1782, deel 2, bl. 1397—1399. 

') Wagenaar, Vad. Hiat. Vervolg, Deel 5, bl. 312, en de daar aange- 
haalde Resol. der Staten v. Holland van 9 December 1782. 



384 

dagen na de uitgave van het bedoelde stuk door koning op 
de volgende wijze in de courant openbaar gemaakt ') : 

//Hoe zeer ik niet gewoon ben naamlooze Brieven te plaat- 
zen, veel min die tegens myn Persoon ingerigt zyn, zoo kan 
ik egter niet nalaaten deeze fraaye Brief aan mynen Uitgeever 
geaddresseerd, en per Haagsche Post ontfangen, aan 't Publiek 
mede te deelen, om eens te doen zien, tot welke onbezonnen- 
heid de haat iemand kan vervoeren. 

Knaap ! 

Hier zende ik uw een Briefje, waar in ik uw laat zien, dat 
gy een Verdomde Schoelje bent, van die vervloekte Courant 
uittegeeven, dewelke is de Biemer- of Watergraafmeersche^ 
de Schryver daar van is een Landveraader, een afgezetten 
Dominé, betrapt op Overspel met de Koster zyn Vrouw, 
dewelke Sententie eerdaags in de Haagse Courant zal koomen '), 
Gy Honsfot, Gy schurf, die ook meede helpt om 't lieve 
Vaderlandt te verraade, en onse lieve Prins alle nadeel toe te 
brengen, Jy en de Schryver zyn Schurken, en verdient alle 
beide opgehangen te werden, dan zouden 'er twee Schurken 
uit de Waereld zyn. En weest op je hoeden, eer gy het weet 
zal uw Huis aan alle vier de hoeken in brand zal (sic) staan^ 
en van uwe Confrater de Schryver ook, en hy zelfs vermoordt 
voor zyn belooning, zie daar hebt gy nu een van 't gedrag van 
twee Schouljes, Choulje je bent me niet meer waard dat ik 
langer van uw spreek Honsfot. 

Laat nu dit schryven in de courant van uwe 
confrater de schurk, met zulke letters. 

De lieve Stad daar de Prins in woont, 's Hage den 15 No- 
vember, 1782. 

Ik heb de vervloukte Courant daar op het oogenblik gelee- 



1) Zie de brochure: » l^ts noodzaakelyks/' bl. 28 en 29. 
^) Het vermelden van deze bijzonderheid sluit m. i. alle vermoeden van 
verdichting van dit stak nit. 



885 

zen. Dag verdomde, Honsfot doet het eigen Compliment aan 
den Schryver. 

Hier onder staan twee Poppetjes gekrapt, staande naast den 
een de Uitgeever, en naast den andere de Sdiryvery 

De uitgave van de titelprent voor het eerste deel van het 
weekblad de Politieke Kruyer, door P. wagenaar Jr. ont- 
worpen en in plaat gebracht door TH. koning *), en het ver- 
bod daarvan door Eurgemeesteren van Amsterdam in de maand 
Juli 1783 uitgesproken, was eene gebeurtenis van belang *), 
die de gemoederen geducht in beweging bracht. De uitgever, 
JAN VERLEM, ontving weinige dagen later voor zijne Diemer- 
of Watergraafs-Meersche Courant het volgende //advertisement," 
dat toen in de courant van Woensdag 30 Juli opgenomen 
werd ^) en stellig niet van geest ontbloot is : 

//Amsterdam den 18 JiUy 1783. In zommige Nieuwspa- 
pieren, is verhaald: //Dat op bevel van den Ed, Groot Achtb, 
Magistraat deezer Stad, het Tytelplaatje voor het Weekblad, 
genaamt De Politieke Kruyer, zou zyn verbooden, als 
mede het Drukken, Verkoopen, en Verspreiden van alle Ge- 
schriften, waar in Zyn Doorl. Hoogheid den Prins Erf-Stad- 
houder of eenige andere aanzienlyke Persoonen in worden 
gelaedeerd.'* En dit Bericht is by verscheide Lieden in andere 
Steedien en Provinciën zodanig opgenomen als of 'er alhier eene 
Publicatie van zodaanigen Inhoud uit naam van het Gerecht 
deezer Stad was gedaan. Dus moet men tot wegneeming van 
alle verkeerde Begrippen hier omtrent melden; dat 'er niets 
van dien aard in deeze Stad is gepubliceerd: Maar dat het 
geene tot het Verhaal van de gemelde Courantiers aanleiding 
heeft gegeeven^ daar in bestaat, dat door den Gildenknegt van 



^) Volgens Immerzeel, deel II, bl. 129, een verdienstelijk kanstgraveur, 
van wien geen bijzonderheden bekend ztjn. 

3) Nieuwe Nederl. Jaarb. 1783, bl. 1131, 1694, 2089. 

') In de Nieawe Nederl. Jaarb. 1783, bl. 1133, wordt de courant van 
31 JuH opgegeveD, maar dat is niet mogel^k. Als dagteekening van bet 
bericht wordt daar opgegeven: Amsterdam, 28 Juli. 




386 

het Boekverkoopers Gild aan de Gildebroeders uit naam en 
op last van Hunne Ed. Groot Agtb. de Heeren Burgemees- 
teren deezer Stad is aangezegd, dat Zy den gemelde Tytel 
Plaat niet zouden moogen Verkoopen, en ook in het vervolg 
geene naamlooze paskwillen of Geschriften, waar door de ruste 
verstoord kan worden, of waar in Zyne Hoogheid of eenig 
ander Lid van de Eegeering word gelasterd of ten toon ge- 
steld, zouden moogen drukken, uitgeeven of dissemineeren: 
Voorts heeft de Gildeknegt ook uit last van den Ed. Gestr. 
Heer Hoofd-Officier alléén dezelve Tytel-plaat by de Boek- 
verkoopers opgehaald. — Men begrypt, dat uit hoofde van dit 
Verbod van Heeren Burgemeesteren de Aanspraak aan de 
Ingezeetenen van Nederland en particulierlyk aan Amster^ 
daniy die in de Maand December 1780 uitkwam, en toen in 
de Haagsche Courant van P. GOSSE, met groote Letters te 
koop wierd gesteld voor één Stuiver; het Politiek Vertoog by 
BENNET en HAKE gedrukt; De Zeven Dorpen in Brandt; 
en de Brief van den Schout aan den Secretaris van de 
Breede Straat by J. C. ten BOSCH en de VERMEULENS 
gedrukt, de Lanterne Magique *) N°. 1 tot 20 met een Plaatje^ 
by BENNET en haake gedrukt. En zoo veele andere fraaye 
Stukken van deeze soort te Amsterdam tot geen Prys meer 
te koop zullen zyn; dewyl daarby de gehele £egeering deezer 
Stad, en verschelde van de aanzienlykste Leeden van dien, op 
de alleronbeschaamdste wyze zyn gelasterd en ten toon gesteld; 
hoe zeer de Aucteurs van die Geschriften zich schynen verbeeld 



') De hier vermelde Aanspraak was van j. barueth; zie Mr. j. i. van 
DOORNINCK, Bibl. V. Ncderl. Anon. en Psend. nO. 99; Het Politiek Ver- 
toog, de Zeven Dorpen en de Brief van den Schout van B. M. van ooens; 
A. W. no. 4978, 1329 en de Verbetering, 874 en dito; de Lanterne Ma- 
gique, van September 1782 tot Mei of Juni 1788 nitgegeven, van zekeren 
KEES VEBMiJNEN, bl^kens bl. 9 van zekere brochore: De nieuwmodische 
Patriotsche Barekiek, enz. enz. verg. met A. W. n^. 2590 en de Verbe- 
tering. 



387 

te hebben, dat het Placaat van den 7 Maart 1754 ') op hun 
niet toepasselyk waare; en \ welk andere Schryvers in de per- 
suasie heeft gebragt, dat dit Placaat niet meer geobserveerd 
wierdt, en dat zy tot bescherming van hunne goede en braave 
Begenten, tot voorkoming van Oproer; welke de eerstgemelde 
Schryvers baarblykelyk (sic) zogten te verwekken, en tot be- 
waaring van de Gemeene rust, nu en dan ook zich vryer mog- 
ten uiten, dan zy anderzins waarschynlyk zouden hebben durven 
doen. Yoorts weet men niet, wat 'er worden zal van den Uit- 
geever of Uitgeevers van den Courier du bas Rhin *) : waarin 
door het recenseeren van zekere bekende Catalogus van Schil- 
deryen en Pourtraiten ') niet een of twee, maar een geheel 
aantal van Leeden der Hegeering, genoegzaam met naam en 
toenaam worden ten toon gesteld, en op de onbescheidendste 
wyze gelasterd. Evenwel zyn de braave Lieden alhier verheugd, 
dat dit Yerbod niet vroeger dan nu gekoomen is, na dat men 
de gemelde oproerige Geschriften eerst heeft kunnen te keer 
gaan, want anderzins waren dezelven onbeantwoord gebleeven; 
en wie weet, hoe veele braave Kegenten, dan de Slagtoffers 
waren geworden van de booze oogmerken, waar meede die 
Schryvers de reeden van den Oorlog aan Amsterdam, en des- 
zelfs Eegenten, en wel aan de Oudste en Eerwaardigste van 
dezelve zogten toe te schryveu, en denzelven het gepeupel 
zogten op het lijf te jaagen. Dü meliora piis^* ♦). 

Intusschen waren hermantjs koning en theodorus van 
BRUSSEL, als drukker en schrijver der Diemer- of Watergraafs- 
Meersche Courant tegen Maandag 28 Juli 1783 gedagvaard 



^) Placaat van de Staaten van Holland, teegen het drnkken en divul- 
geeren van Pasqnillen, famense Geschriften en Prenten. Den 7 Maart 1754. 
Gr. PI. Boek, VIII, bl. 570. 

'^) Verg. onze bijdrage in deel IV, bl. 236 (24) en volgg. en onze 
stadie over de Fransche Leidsche Courant in de eerstvolgende Handel, en 
Mededeel, der Maatsch. v. Nederl. Letterk. 

8) T. a. p. bl. 239 (27). 

^) Zie de brochure: Iets noodzaakelyks, bl. 29 — 31. 



388 

voor het Hof van Holland te 's Gravenhage, om zich te ver- 
antwoorden zoowel over de // Copie van een Brief uit Dordrecht, 
dato 1 April 1783*' voorkomende in de courant van Maandag 
7 April 1783, n^ 42, als over den inhoud van een bericht uit 
Amsterdam dd. 13 Juli van het vorige jaar, te vinden in het 
blad van Maandag 15 Juli 1782, n^ 84 i). AI dat geschrqf, 
te uitvoerig om hier te worden overgenomen, strekte, volgens 
de aanklacht, om het zaad van tweedracht en oneenigheid binnen 
de Provincie Holland meer en meer aan te kweeken, de ge- 
moederen der goede ingezetenen te ontrusten en tot hatelgke 
verdenkingen tegen leden van Hun Edele Groot Mogende 
Vergadering, en den Erfstadhouder aan te zetten, en het volk tot 
onbetamelijke bewegingen en oproer aan te hitsen : zaken derhalve 
van zeer kwade en gevaarlijke gevolgen, die in een land van 
Justitie niet konden geduld, maar anderen ten voorbeeld be- 
hoorden gestraft te worden. Deze dagvaarding schijnt evenwel 
geen gevolgen te hebben gehad, want zoowel de r^eering van 
Amsterdam als die van de Diemer- of Watergraafs-Meer kwa- 
men daartegen in verzet op grond van het bestaande jus de 
non evocando. 

Toch was het binnen weinige dagen met de courant gedaan. 
Want het bovenvermelde // advertisement'* werd koning niet 
alleen zeer kwalijkgenomen, maar hij moest ook den man 
noemen, van wien hij het ontvangen had; vervolgens werd van 
hem geëischt niets in de courant te plaatsen of het moest 
eerst door theodorus van brussel worden nagezien en 
goedgekeurd, maar daar vak brussel in z^jne betrekking tot 
de courant niets anders onder de oogen kreeg dan de buiten- 
landsche nieuwspapieren om die te vertalen ^), kwam hem die 



') Beide couranten en beide dagvaardingen behooreude tot het archief 
van het Uof van Holland, z^n nog aanwezig op 's R^jks Archief te *8 Gra- 
venhage. B^ die stukken ligt ook een exemplaar van bet „ Noodig Bericht.** 
Zie verder N. Nederl. Jaarb. 1788, bl. 1135. 

^) Aldus in de brochure: „Iets noodzaukelyks" enz. blz. 81. In het 
„Noodig Bericht" zegt koning omtrent van baussel, dat „hy seer 



389 

eisch zeer vreemd voor, en een man van kort beraad zijnde, 
antwoordde hij zulks niet te kunnen doen, daar gemelde schrij- 
ver een loontrekkende dienaar van hem was, wien hij eerst 5, 
toen 6 en vervolgens 1200 Gl. *s jaars betaalde, zoodat hij moei- 
lijk onder het beheer van dien man staan kon. Toch wilde 
men het zoo hebben onder bedreiging van anders het drukken 
te beletten; en dit ging zoover, dat KONING rondborstig 
verklaarde zulks niet te kunnen doen, onder bijvoeging naar 
men wil van wel wat al te krasse uitdrukkingen, mogelijk wel 
uit besef van te veel in zijn recht en vrijheid te worden bekort. 
Het gevolg was, dat de courant den 5*«" Augustus bij Ordon- 
nantie van Heeren Burgemeesteren van Amsterdam tot nader 
bevel verboden, en van dit verbod door den Gildeknecht aan 
alle boekverkoopers aanzegging gedaan werd. 

Meer in overeenkomst met de letter dan met den geest van 
dit verbod, werd de courant nu — 't moet het nummer van 
Woensdag 6 Augustus 1783 zijn geweest — uitgegeven als 
Diemer- of Watergraafs-Meersche Courier ^). Het gevolg was 
dan ook dat het Gerecht van de Diemermeer aanstonds tusschen- 
beiden kwam, en op Donderdag 7 Augustus het drukken van 
elke Courant, Courier of welk nieuwspapier ook, verbood. Maar 
nu verkocht koning zijne drukker^ met al haar toebehooren 
op staanden voet aan zekeren jan gabriel tegelaar, die 
daarop onmiddellijk van zijnen aankoop kennis gaf aan den 
Baljuw HEEMSKERK, en dezen tegelijkertijd verzocht om de 
courant nu verder te mogen drukken, onder de benaming van 



weinig van binneulandsche Correspondeuiie ouder zyu oogeu** kreeg, „ge- 
lyk Zyn Ed. te regt en naar waarheid onlangs in deszelfs berioht in" de 
„ Courant aan 't Fabliek" had medegedeeld. 

^) De brochure: „Iets noodza&kelyks'* enz. bl. 32, teekeut hierbij aan: 
„ Een kunsje waar van de Boekverkoopers wel meer gebruik maaken. Voor 
eenige Jaaren wierd alhier een Weekblad uitgegeven de Echo, dog welke 
Yerbooden zynde vervolgd wierd ouder de naam van Overweger zonder 
dat daar over eenige actie is voorgevallen". Wordt hier gedoeld op Neer- 
Umdsch Echo, enz. enz. compleet in 56 spectatoriale vertogen, door 
N. HOEFNAGEL lu 1770 b\j F. H. DEMTER te Amsterdam uitgegeven? 



390 

Nederlandsche Courant. Ofschoon nu het antwoord op die 
vraag juist niet volkomen toestemmend schijnt geweest te 
zijn, zoo moet daarbij evenwei zooveel zijn te kennen gegeven 
als waarop men meende te kunnen voortgaan, en nu werd het 
eerste nummer der courant op Zaterdag en Zondag, 9 en 10 
Augustus 1783 in de Diemermeer gedrukt. Toen evenwel 
's Maandags, in den vroegen ochtend om half zes, een gedeelte 
der afgedrukte bladen met het gewone wagentje naar de stad 
was verzonden, werd dit voertuig bij het uitrijden van de 
Schagerlaan *) aan den Bing-Dijk door de wacht overvallen en 
naar het Hechthuis gebracht, waar paard en wagen in den stal, 
de knecht met de couranten binnenshuis werden geborgen. 
Eerst in den achtermiddag werden knecht, paard en wagen 
weder losgelaten, terwijl kort daarna door den Baljuw, verge- 
zeld van twee Schepenen en den Secretaris van de Diemer-meer, 
het slot op de deur der drukkerij werd gelegd, van waar intusschen 
het overig gedeelte der in beslag genomen courant den uitgever 
in handen was gekomen. Het duurde evenwel tot Zaterdag 
den 23*'«° Augustus voor en aleer TEGELAAR wederom in 
het bezit van zijne drukkerij kwam, onder het uitdrukkelijk 
verbod nogtans om aldaar meer te mogen drukken '). 

Groot was de blijdschap aan den kant der Oranje-partij 1 De 
Diemer- of Watergraafs-Meersche Courant, die een' aftrek had 
grooter dan ooit eenig nieuwspapier hier te lande, die zulk 
eenen ontzaglijken invloed op de volksklasse had uitgeoefend, 
dat zelfs eene Eussische en Deensche leening door hare be- 



') Ook bekend en vermeld door den Tegenw. Staat v. Holland, deel 8, 
blz. 183. 

^ Verg. over een en ander de brochure „Iets noodzaakelyks" enz. blz. 
32, en de straks op te geven bronnen. De voorstelling van het gebearde 
door de Nieuwe Nederl. Jaarb. 1783, bl. 1402 en 1403, is niet zoo uit- 
voerig en eenigszins afwijkend. Daar toch heet het, dat het karretje met 
de couranten aan de poort te Amsterdam werd aaugehouden, maar dat het 
toch nog aan eenige boeren uit Diemen gelukte enkele exemplaren binnen 
de stad te brengen. 



391 

strijding geheel mislukte <), die geduchte tegen staadster, ze 
was niet meer! Het regende spotsch riften. Zoo verschenen er: 

1. Een klein plano, getiteld : // Verschrikkelyke Gebeurtenis 
Welke veele Dooden reeds veroorzaakt heeft, en waar door 
nog veele Zieken op het Sterven leggen, voorgevallen op 
de Buitenplaats genaamd de Courier, géboud en gevestigd 
op de Ruine. van de Hofstede genaamt uyt de Diemer- of 
WatergraafS'Meersche Couranf^ enz. enz. enz. 

2. Vier couranten, onder de volgende titels : 

A9, 1783. N^ 1. Rouw Courant, over het verbieden der, 
Diemer- of Water- Graaf smeerse Courant Word üitge- 
geeven te Amsterdam., en Alom in de meeste Buiteste- 
den. Donderdag, Den Zevenden Augustits, Gedrukt op 
Oostenburg, In de Byltjes Drukkery. Eén blad folio, aan 
ééne zijde in twee kolommen gedrukt, met een vignet, 
voorstellende den dood met zeis en zandlooper. 

A®. 1783. N^. 2. Diemer- of Water- Gr aafs- Meer sche Rouw- 
Courant, By gelegenheid van deszelfs al lang verwante 
Overleyden: Word Uitgegeeven by Jan Verlugt, in de 
Warmoes Straat, In Augustus 1783. Te Amsterdam by 
J: Verlugt, Eén blad folio, als boven, met een vignet, 
voorstellende een doodshoofd, waarbij dit rijmpje: 

De geen die Gosse *) wou berispen, 
Moet nu zyn eigen Foute gispen» 



1) Zie N. Nederl. Jaarb. 1783, bl. 1134, en de y^ Lettre au Politique 
HoUandais sur Ie caractère de la Gazette de Diemer-meer'^ eet. in Le 
Politique HoUandais (het blad van a. m. cerisier), seconde partie, N^. II, 
pag. 23 — 28, geschreven, naar het schijnt, naar aanleiding van het verbieden 
der conrant. Volgens dit stok was koning vroeger een stalletjes-boekeuman 
geweest, en werd zijn blad onhandig geredigeerd. 

2) GOSSE was, gelijk men weet, uitgever van de 's Gravenbaagse Conrant. 
Toen dit blad in Januari 1783 voor den tijd van zes weken geschorst 
werd, viel er ook een regen vlugschriften, die nu zoowel naar den vorm 
als naar den inbond door de tegenpartij werden gevolgd; 't was: leer 
om leer. 



392 

A°. 1783. N®. 3. Diemer- of Water- Gr aafs- Meer sche Rouw- 
Courant, enz. als N°. 2, met dit rijmpje: 

Van Brussel, Koning en Verlem, 
Zyn Amsterdam uit^ dat geeft klem. 

A°. 1783. N°. 4. Diemer- of Water-Graaf s-Meersche Rouw- 
Courant, enz. als N®. 2 en 3, met dit rijmpje: 

Schoon gy Requesten Presenteerde 
Uw Krant word nooit gepermiteerd, 

3. Eene brochure getiteld: ff Na^ Courant, op de Nederland- 
sche Courant, van Harmanus Koning, Gedrukt op de Ko^ 
ninglyke Drukkery, in de Diemet*- of Watergr aafs- Meer, 
Op Zaturdag en Zondag den 9de en 10«fe Augustus 1783. 
Gedrukt in het Gooiland, op de Gooise Drukkery, by Pieter 
Plaat, en te hekoomen by de voornaamste Boekverkopers in 
alle SteederC\ 4 blz. 8®. — Nog een ander exemplaar van 
deze brochure, maar met 12 regels meer, doch zonder titel- 
blad en met eene andere letter gedrukt, bevat ook 4 blz. 
8°, maar dan volgt blz. 5 — 8: f/ Amsteldam, 1783. Lees- 
cedul der Begraaffenisse van den Diemer- of WatergraafS' 
meersche Couranf\ enz. enz. enz. *). 
Met betrekking tot deze stukken, waarvan exemplaren op 
de Kon. Bibl. te 's Hage voorhanden zijn, teeken ik aan, dat 
daarin van koning melding wordt gemaakt als //weleer Oud- 
roest Verkooper'*, die dan later drukker zou zijn geworden; 
verder dat VAN brussel, koning en verlem de wijk naar 
Kuilenburg — het bankroetiers-oord — zouden hebben geno- 



1) Nog dient opgemerkt te worden dat volgens Mr. j. i. van door- 
NiNCK, Bibl. van Nederl. Anon. en Psend. n^, 1136, f. a. van der 
KEMP van t\jd tot tijd bijdragen voor de courant leverde; zoo ook, dat 
bl^kens een' brief van van thtjlemeter aan Burgemeester temmink, 
van 8 Februari 1783, die gezant vromer reeds eenmaal bij den Bafjnw 
HEEMSKERK over de courant had geklaagd, welke klacht gunstig was op- 
genomen. 



393 

men; maar deze opgave wordt hoogst onwaarschijnlijk door 
het bericht, dat KONING te Ouderkerk met een' Ouderkerkse 
Courier n°. 1 is voor den dag gekomen, welke uitgave hem 
ook werd belet, waarop hij zich nog te Naarden en Muiden 
zou hebben aangemeld. Of er nu ook eene //Plaat der Lyk- 
staatsie van de Diemer- of Water-graafs-Meersche Courant" en 
eene //Diemer- of Watergraafs-Meersche Courant in 't Frans 
voor 1 Stuyver" is uitgekomen, laat ik in 't midden. Het meest 
verwondert mij, dat in deze stukken gezegd wordt, dat de 
overleden courant zeven jaren oud was. 

En nu verder. Op den Catalogus van Kechtsgeleerde Werken 
door den Heer frederik muller in Februari 1855 ver- 
krijgbaar gesteld, kwam onder N®. 716 voor: //Courant (NederL), 
Aug. 1783 — Dec. 1787. 5 dln. fol. h. r. 1. b. /'4,00". Dat 
in deze opgave voor //Dec. 1787" zal moeten gelezen worden: 
Sept. 1787, staat bij mij schier vast. Op den Catalogus van 
Boeken over Nederl. Gesch, en Plaatsbeschr., in 1859 door 
denzelfden geleerden bibliograaf verspreid, kwam dan ook on- 
der no. 368 voor: //Courant (Nederl.) van 2 Jan. 1786— 
1 Oct. 1787. Amst., j. verlem. 2 h. r. 1. bdn. fol. ƒ 1,75." 
Toen op mijne aanvrage waar die couranten gebleven waren, 
de Heer muller het antwoord schuldig bleef, was de redactie 
van den Nederlandschen Spectator terstond bereid mij het plaatsen 
toe te staan van //Eene Vraag" in haar blad van Zaterdag 
12 Februari 1870, no. 7. blz. 54, 55. Zeer verdacht komt mij 
de omstandigheid voor, dat mijne stem die eens roependen in de 
woestijn is geweest, zoodat ik mij behalve met het zien van en- 
kele fragmenten der Verlemsche en Holtropsche of Schunrmansche 
couranten, heb moeten vergenoegen met den jaargang 1784 
der eerstgemelde courant, vroeger in het bezit van den Heer 
I. MEULMAN *), thans aanwezig op de Kon. Bibl. te 's Gra- 
venhage, welke jaargang echter eene zeer betrekkelijke waarde 
heeft. 

In de Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken van November 



*) Catal. Bibl. i. meulman, bl. 19. n^. 50. 

26 



394 

1783, blz. 1936 en 37, wordt medegedeeld hoe de Nederland- 
sehe Courant, die toen weer op de drukkerij Tan H. koning 
werd bewerkt, het volgende had medegedeeld: 

//Alzo ik door het verbieden myner Diemer- of Watergraaf- 
meersche Courant, myn Tuin en Gereedschappen tot de Druk- 
kery behoorende, onder mondelinge Conditien, by eenige lieden 
zeer wel bekend, aan J. G. tegelaar illico verkogt heb; en 
vervolgens die Drukkery overgebragt hebbende aan de Over- 
toomsche Weg, onder Nieuwer-Arnstdy gedrukt heb een Ne- 
derlandsche Courant, terwijl ik en TEGELAAR in onderhandeling 
waren, over het maken van een Contract; dog ziende, dat wy 
hetzelve, naar gedagten, niet eens zouden worden, besloot ik, 
zelf wederom Gereedschappen te koopen, op dat ik, ingevalle 
het Contract niet tot stand kwam^ in staat zou zyn zelfs te 
kunnen drukken ; gelyk ik myne gunstige Leezers dezelve heden 
aanbiede, met verzoek, om een weinig tyds geduld te hebben, 
alzo ik daar toe eene nieuwe Letter zal doen gieten: Verders 
zal ik tragten myn Leezers zo als in voorige tyden, genoegen 
te geven. — Dit heb ik nodig geacht, zo kort mogelyk was, 
het Publiek te berigten." 

Deze opgave, van alle tijdsbepaling ontbloot, is verre van 
duidelijk vooral met betrekking tot hetgeen verder volgt. Van 
meer beteekenis is de omstandigheid, dat in het meer vermelde 
rommelzoodje couranten der Kon. Bibl. te 's Hage bewaard 
wordt het volgende nummer dezer Courant: A9. 1788. n^ 4. 
Nederlandsche Courant, Gedrukt onder Nieuwer^Amstel. Word 
uitgegeven te Amsterdam by JAN VERLEM, in de Warmoesstraat, 
Maandag, den vijftienden September. Ter JDrukkerye door 
HARMANUS KONING, voor Z. M. d. i. voor Zyn Meester *); 



O Verg. Nieuwe Nederl. Jaarb. Aug. 1788, bl. 1408. Reeds in het 
adres van n^. 24, van Vrijdag 31 October 1783, komt die aanwijzing: 
„ Voor Z. M." niet meer voor. Werd daarmede van bkussel bedoeld ? 
De 's Gravenhaagsche en Rotterdamsche Poat-Waagen, bij j. p. kbaeptt 
te Rotterdam in 1785 voor de Oranje-mannen „ingespannen", nadat de 
's Gravenhaagsche en Rotterdamsche Post 16 maal was afgereden, deelde 



395 

2 blz. folio, in twee kolommen, met een vignet voorstellende 
Mercurius en Neptunus benevens een vrouwebeeld, naast en 
achter een blanco schild; derhalve bijna gelijk aan het vignet 
der vroegere Noordhollandsche Courant *). In dit nummer, 
waaruit blijkt dat n°. 1 op Maandag 8 September 1783 moet 
verschenen zijn, leest men de volgende advertentie: //Heden 
is alom in de Boekwinkels voor 2 Stuiv. te bekomen: Een 
Geestig Dichtstukje, in Octavo, toegewyd aan den Ed, Achth, 
Gerechte van Nieuwer-Amstel, anders gezegt Amstelveen^ wan- 
neer Hun Ed. Achth, goedgunstig gedoogden^ dat de Neder- 
landsche Courant, onder hun Ambagt gedrukt werd^\ 

De Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken van Augustus 1783 
bl. 1403 en 1404, vermelden omtrent deze courant nog eene 
bijzonderheid, die, jammer genoeg, ook alweer van alle tijds- 
bepaling ontbloot is. Boven de Leidsche *), Vaderlandsche en 
Zuid-Hollaindsche Couranten zou namelijk de volgende bekend- 
making zijn geplaatst: //JAN verlem. Boekverkoper te Am- 
sterdam, by de uitgave van zyne Nederlandsche Courant, ver- 
scheiden Courantenbezorgers, hebbende doen begrypen, om de 
gemelde Nederlandsche Courant^ (schoon nog wel voor een 
groot gedeelte uit andere Nieuwspapieren uitgeschreven) tegens 
de Zuid-Hollandsche, Vaderlandsche, Leydsche en andere Cou- 
ranten te verruilen, en den Lezers den laats tgemelden in de 
handen te doen stoppen: — Zoo is het, dat zulks aan het 
Publiek bekend gemaakt wordt, ten einde zich te kunnen wag- 
ten, in het vervolg door zulke laage handel wyze niet misleid 
te worden". 

Inmiddels werd er nog eene andere Nederlandsche Courant, 
schier geKjk aan die van verlem, bij Willem holtrop te 



in nO. 9, bl. 65, mede dat van brussel, na de Nederlandsche Courant 
te hebben geschreven, de Boekzaal en de Vaderlandsche Courant redigeerde. 

ï) De juiste vergelijb'ng van couranten, ons op verschillende tijden 
voorgelegd, is natuurlijk eene onmogelijkheid. 

2) Te vergeefs zocht ik, met het oog op de juiste tijdsbepaling, in de 
Leydse Courant naar dit bericht. 



396 

Amsterdam uitgegeven. Blijkens de Nieuwe Nederlandsche Jaar- 
boeken van November 1788, blz. 1935 en 36, behelsde het 
nummer dier courant van 17 November 1783 de volgende 
aankondiging : 

//Geëerde LandgenootenP 

//Niet zo zeer over de plaatzing van een nieuw Vignet bo- 
ven dit ons Dagpapier, als wel over de gelegenheid by welke 
die geschiedt, achten wy ons verpligt ü een oogenblik te on- 
derhouden". 

//De Nederlandsche Courant schynt tot moeite gebooren. — 
No. 1, deszelven worstelde reeds met verscheidene zwarigheden, 
en no. 31 opent voor onze Crorrespondenten en begunstigers 
weder een nieuw tooneel van verwondering'*. 

//Onze opzichter naamlyk over de Drukkerye, en deelgenoot 
in de Voordeelen, die uit deze moeilyke en kostbaare affaire 
nog resulteeren, heeft van zich kunnen verkrygen, om op eene, 
zo wy meenen, onheusche wyze, den Tytel van Nederlandschen 
Courant te stellen boven een Papier, waar van hy, zo ons be- 
richj; is, ook dezen dag de uitgave doet'\ 

//Wy hebben te veel eerbieds voor het achtenswaardig lichaam 
des Publyks, dan dat wy hier in een detail zouden willen 
treeden van de onaangenaamheden, en nieuwe kosten, die ge- 
melde onze Opzichter ons veroorzaakt heeft". 

//Van meer noodzaaklykheid achten wy het, hier te herhaa- 
len, dat onze voornaame vues zyn geweest, by de aanvaardinge 
dezer voor ons gantsch nieuwe en ongewoone Affaire, en zy 
zyn het nog, en zullen het blyven, zo lange wy ons daar mede 
zullen occupeeren, om naamlyk de Nederlandsche Courant tot 
een depositaire te maaken van alle zodanige stukken, als der 
vergetelheid behooren ontrukt te worden; als de Eechten des 
Volks handhaven en verdeedigen, en alle zaaden van verdeeld- 
heid en tweedragt doen verstikken. Salu^s Populi suprema Lex, 
(Het heil des Volks de hoogste Wet.) Concordia Res parvae 
crescunt (Eendragt maakt Magt.) Met deze guldene spreuken 
prykt ons Vignet. Beiden hoopen wy ook steeds te volgen; 



397 

en voor allen, die even zo bezield zyn, is altoos eene ruime 
plaats in ons papier open.^* 

Het eerste nummer dezer courant, dat mij tot nogtoe bekend 
is, is uit dezelfde week als het zooeven bedoelde, en heeft tot 
opschrift: A^, 4783. n®. 33. Nederlandsche Courant, Gedrukt 
onder Nieuwer- Amstel, Word uitgegeven te Amsterdam by 
WILLEM HOLTROP '), in de Kdlverstroat. Vrydag, den Een- 
en Twintigsten November *). 2 blz. folio, in twee kolommen 
gedrukt, met een vignet, waarboven de vermelde spreuk: Con- 
cordia res parvae crescunt staat, en dat de vrijheidsmaagd 
met den hoed op de speer voorstelt, gezeten naast een altaar, 
waarop de woorden: Salu^ popvUi lex suprema staan; mer- 
GURIUS brengt haar nieuwstijdingen; op den achtergrond ziet 
men schepen. Daar ook dit blad op Maandag, Woensdag en 
Vrijdag schijnt uitgegeven te zijn, zoo moet ook het eerste 
nummer, evenals dat van de Yerlemsche Courant, op Maandag 
8 September 1783 verschenen zijn. Maar de vraag is met 
welk vignet? 

Welke der beide Nederlandsche Couranten door den Pruissi- 
schen Gezant, £aron VAN thulemeybr, werd bedoeld in zijne 
memorie van 30 April 1784 ^) is onzeker; zijne klacht betrof 
de Nederlandsche Courant van (Woensdag) 28 April van dat 
jaar zonder meer. Ook het antwoord van Burgemeesteren van 
Amsterdam, in wier handen de klacht gesteld werd, maakt de 
zaak niet duidelijk. Daarin toch wordt gezegd, dat de Heer 
Hoofd-Officier, met het nader onderzoek belast, de uitgevers 
der beide Nederlandsche Couranten wel over het geval had 



1) Willem holtbop was de vader van jan steven van esveld- 
HOLTROP, wiens zoon was JO hannes willem holtbop, vele jaren Biblio- 
thecaris der Kon. Bibl. en overleden 13 Februari 1870. Verg. Ned. 
Speet. 19 Febr. 1870, n». 8. 

3) Dit nummer behoort ook aan de Kon. Bibl. te 's Hage. 

^) Uitvoerig handel ik over deze klacht in mijne studie over de Fransche 
Leidflche Courant. 



398 

onderhouden, maar na hunne inlichtingen gemeend had, hun 
geen crimineele actie te kunnen aandoen ^). 

Hierboven, bij de beschrijving van het vignet der Verlemsche 
Courant 'n°. 4 van 1783, was sprake van een blanco schild. 
In den geheelen jaargang nu van 1784 staat op dat schild de 
naam: y^ Nieuwer- AmsteV\ gelijk ook nog bg n^ 60, van Vrijdag 
20 Mei 1785; maar tien maanden later^ big het nummer van 
Maandag 20 Februari 1786, n°. 22, is het: //Gedrukt onder 
Nieuwer-AmsteV^ vervallen, luidt het adres : // Ter Drukkerye 
van HAKMAN US KONING in de Diemer- of WatergraafS' 
Meer^'' en staat op het schild de naam : // Diemer-Meer" *) 
En zoo is het ook nog bij n°. 77, van Woensdag 27 Juni 

1787 »). 

Van de Nederlandsche Courant, door willem holtrop 
uitgegeven, ken ik nog n°. 53, van Maandag 3 Mei 1784, doch 
van een jaar later, maar met hetzelfde vignet, is: Nederland^ 
sche Courant, Gedrukt onder Nieuwer-AmsteL Word uitge- 
geven te Amsterdam By dibk SCHUURMAN, op 't Rokkin, 
by de Vispoort, Dingsdagj den tienden May 4785, n°. 56. 
Zoowel dit nummer als nog een paar anderen ^) toonen aan, 
dat de nieuwe uitgever de dagen van uitgifte zijner courant 
veranderd en op Dinsdag, Donderdag en Zaterdag had gesteld; 
toch schijnt dit niet afdoende geweest te zijn ter onderschei- 
ding der beide Nederlandsche Couranten^ die al lang aan 't 
twisten waren geweest over de vraag, welke eigenlijk de ware 
en echte Nederlandsche Courant was; '^) jammer, dat de schrijver 
van het Vervolg van Wagenaars Vaderlandsche Historie, deel 
6, bl. 383, die Couranten Oorlog niet gewigtig genoeg achtte 



O Kesol. Stat. v. Holland van 5 en 28 Mei 1784, pag. 788 en 1058. 

3) Catal. Bibl. Kon. Acad. Yad. Gesch. E. 3829, 3845. 

^) Voorhanden in het meer vermelde rommelzoodje oooranten der Kon. 
Bibl. te 'sHage. 

4) Catal. Bibl. Kon. Acad. Vad. Gesch. K 3829. 

') Dat was reeds in Angnstos 1783, blykens N. Nederl. Jaarb. van die 
maand, blz. 1403. 



399 

om te vermelden; — misschien wel omdat zijne bron, de 
Nieuwe Nederl. Jaarb., er niet meer van vertelde! Hoe dan 
ook, de titel van n°. 12 der Schuurmansche Courant, van 
Zaturdag 28 Januari 1786, luidt: Oprechte Nederlandsche 
Couranty ^) en sedert onderscheidde deze courant zich door dat 
woord Oprechte van die van verlsm. 

Het was n°. 45 van de Oprechte Nederlandsche Courant, 
van Zaturdag 15 April 1786, die den toorn der //Gedeputeerden 
van de Staaten ^s Lands van Utrecht" gaande maakte. De 
aanspraak //aan alle braave rust- en vredelievende Burgers en 
Boeren, door het geheele Vaderland (over de Missive van de 
Meerderheid der Edel Mog. Heeren Staaten van Utrecht, aan 
hun Ed. Groot Mog. de Heeren Staaten van Holland en 
Westvriesland),^' in dat nummer opgenomen, was naar de ziens- 
wijze van gemelde Gedeputeerden een stuk lasterlijk en belee- 
digend van inhoud. Eene missive aan het adres der Staten 
van Holland was er het gevolg van, ^) maar welke de uitslag 
was van de beraadslagingen over deze zaak in de Vroedschap 
te Amsterdam, waar de Stads Gedeputeerden ter Dagvaard de 
missive deden lezen, ^) is mij onbekend. Toen twee maanden 
later aldaar in behandeling kwam het voorstel, door Eotterdam 
te 'sHage gedaan tot beteugeling van de licentie der couran- 
tiers, werd er ook over de Utrechtsche missive gesproken; 
doch een en ander eindigde met de benoeming eener Com- 
missie. ^) 

In October van ditzelfde jaar maakte de Courant van VER- 
LEM het te bont. Den 19**®" dier maand brachten Burgemees- 
teren, op verzoek van eenige leden der Eegeering, onder de 
oogen van den Eaad den inhoud der Nederlandsche Courant 
van Vrijdag 13 October, n^. 123, voor zooverre die betrekking 



^) Voorhanden in het rommelzoodje couranten der Kon. Bibl. te 's Hage. 
2) Resol. Stat. v. Holland van Donderdag 20 April 1786, pag. 1586, 
waar de Aanspraak, een zeer nitvoerig stak, is afgedrukt. 

') Resol. van de Vroedschap, 1786, Lr. ddd, pag. 117 (van 5 Mei). 
*) ResoL van de Vroedschap, Idem, pag. 165 (3 Juli). 



400 

had op den Baad, zijne leden en de rust der stad. Een groot 
gedeelte van de Vroedschap toch was in dat nummer op de 
boosaardigste wijze afgeschilderd, en de gemeente als *t ware 
uitgedaagd om zich tegen hare wettige Eegeering op eene ge- 
welddadige wijze te verzetten. Burgemeesteren waren er daarom 
voor dat de lasteraars zouden gestraft worden. Ook nu werd 
eene Commissie tot nader onderzoek benoemd, bestaande uit 
de Heeren Mr. j. e. hitijdecoper van maarssevebn en 
Mr. w. G. DEDEL SALOMONSZ. als oud-Burgemeesteren ; 

D. HOOFT GERRITSZ., Mr. W. BACKEB., Mr. J. GRAAFLAND 

PiETERSZ. en Mr. cornelis van lennep •) als Vroed- 
schappen, met toevoeging van D. A. M. van der GOES, als 
de eenige in de stad zijnde Pensionaris. Eeeds 's anderen- 
daags besliste evenwel de Eaad op het rapport dezer Commis- 
sie, dat het \ beste was om met betrekking tot de gepleegde 
beleediging geene bepaalde politieke voorziening te nemen, maar 
ze met verachting te bejegenen, het nogtans aan Heeren van 
den Gerechte overlatende om zoo te handelen als naar 's lands 
of stedelijke wetten en keuren zou behooren te geschieden. *) 

Evenzoo maken de Eesolutiën der Staten-Generaal van Maan- 
dag 7 Mei 1787, pag. 384, gewag van eene klacht van // c. dü 
MOULIN, Generaal Major van de Infanterie in dienst van den 
Staat, en Directeur Generaal van 's Lands Eortificatien," dat 
in de Nederlandsche Courant van verlem, van Woensdag 
11 April opgenomen was een naamlooze brief v praetenselyk" 
geschreven uit Leeuwarden, dd. 29 Maart, waarin zijn persoon 
en relatiën niet alleen op een alleszins laesieve wijze publiek 
getraduceerd, maar zelfs zijn gedrag, in de belegering van 
Bergen-op-Zoom gehouden, in een' verren graad getaxeerd, en 
zooveel mogelijk bij het publiek verdacht gemaakt werd. Of 
de Generaal-Majoor behoorlijke voldoening kreeg, is mij niet 
bekend. 



1) De grootvader van wylen Mr. i. van lenmep. 

3) Resol. van de Vroedschap, 1786, Lr. ddd, pag. 263 en 266. 



401 

Yan de Ck)urant vau VERLEM was, althans in het jaar 1787, 
schrijver de welbekende advocaat Mr. j. c. IIESPE. ') Eeeds 
in het vorige jaar was zoowel dit blad als dat van schuitr- 
MAN, benevens eenige andere bladen, als behoorende tot de 
meest gevaarlijke geschriften, bij het zoogenaamd Bloed-Placaat 
der Staten van Gelderland, van 8 September 1786, verboden. *) 
Maar toen in 1787 de reactie de overhand kreeg, werd de 
Yerlemsche Courant, vooral met het oog op den inhoud van 
het nummer van Maandag 23 September, n°. 115, den 21*^^^ 
dier maand ook te Leiden verboden, ') en weinige dagen later, 
den 4<*«° October, toen de Pruissen reeds aan den Over- 
toom stonden, insgelijks te Amsterdam, tegelijk met de Courant 
van SCHUURMAN, de Vaderlandsche Courant, Politieke Kruyer 
en Spectator met de Bril. *) Ook de Publicatie van Burge- 
meesteren en Vroedschap der stad Utrecht van 14 November 
1787, waarbij op eene boete van 300 Gld. het ontbieden. 



1) Vrachteloos was mijn zoeken naar beriehten omtrent dezen persoon in 
later dagen, toen hij, naar 't schijnt, den bijnaam van messias der joden 
kre^. Zie m\jne studie over de Fransche Leidsche Courant, in wier num- 
mer van Maandag 5 Juli 1796, n^. liv, zijn ondertroaw te 'sHage, op 
14 Jnni van dat jaar, met mabia antoinette bullot wordt bericht. In 
de zitting der Constitaeerende Vergadering van Dinsdag 10 April 1798 
(Dagverhaal, XI, blz. 372 en 414) werd een reqnest van zijne hand gele- 
zen, betrekking hebbende op zijn proces als schrijver van de Politieke 
Kmyer in 1785, waaruit blijkt, dat hij van 1787 tot 1795 tot de uitge- 
wekenen heeft behoord. 

3) N. Nederl. Jaarb. 1786, blz. 304—7; 935—47. Wagenaar, Vad. 
Hist. Vervolg, deel 12, blz. 277—285. 

3) N. Nederl. Jaarb. 1787, blz. 4650—52. 

*) N. Nederl. Jaarb. 1787, blz. 5345. Volgens Resol. v. d. Vroedschap, 
1787, Lr. EEE, pag. 498, geschiedde het verbod der drie couranten reeds 
op 3 October. Van het laatstvermelde weekblad, ook door verlem uit- 
gegeven, verscheen Ji9, 1 — 14 onder den titel van De NederUmdiche Spec- 
Udor, \^. 15 — 62 als Be Nederl. Speet, met de Bril; blijkens „ Amstels 
Driedaags Treur-Toneel'* (Cat. Bibl. Maatsch. van Nederl. Letterk. III. 
336) blz. 42, aant. Z en C, werd het „door den weggejaagde Do. berg 
Geschreeven." 



402 

ontvangen, uitgeven, verkoopen — zelfs op aucties — enz. 
enz. der beide Nederlandsche Couranten verboden werd, mag 
hier niet worden vergeten. *) 

Welke de reden eigenlijk was dat schuurman, de uitgever 
der Oprechte Nederlandsche Courant, het in October 1787 op 
een loopen zette, bleek mij niet, wel dat hij nog in diezelfde 
maand te Botterdam gevat, naar Amsterdam overgebracht en 
aldaar in de boeien gezet werd. *) In Juli 1788 evenwel werd 
hij //by handtasting'^ ontslagen, misschien wel omdat hij slechts 
uitgever der courant was geweest, en niet deze, maar wel 
//de Directeurs en Schryvers der Historische, Yaderlandsche, 
beide Nederlandsche, Zuidhollandsche Couranten, Politieke Kruyer 
en Spectator met den Bril" van het Placaat van Amnestie, den 
15den ï*ebruari van dat jaar door de Staten van Holland 
afgekondigd, waren uitgesloten. ^) 

Maar wie stonden dan te boek als Directeur en Schrijver 
der Oprechte Nederlandsche Courant? jan gabriel tege- 
laar, die in de eerste dagen van Augustus 1783 op staanden 
voet de drukkerij van HERMANUS koning in de Diemer- 
Meer had gekocht, maar wien nog in diezelfde maand het druk- 
ken aldaar verboden was, en de dichter johannes nomsz. ^) 
Een en ander bleek vrij omstandig, toen tegelaab, die naar 
Parijs gevlucht was, den 2*«» Juli 1788 door den Hoofd- 



ï) N. Nederl. Jaarb. 1787, hïz, 5780-83. 

S) N. Nederl. Jaarb, 1787, blz. 5396. 

») N. Nederl. Jaarb. 1788, blz. 255—262; 1132. Groot PI. Boek, 
deel 9, blz. 441. 

*) Mr. J. I. VAN DOOSNiNCK, Blbl. V. Nederl. Anon. en Psend. n^. 1186, 
zegt dat volgens de Alg. Konst- en Letter-Bode, 1812, u. blz. 181, 
j. NOMSZ in 1783 schr^ver was van de Schaarmaosche of Watergraaf- 
meersche Coorant. Ik lees t. a. p. alleen: „schreef zelfs een Staatkundig 
Dagblad, (de zoogenaamde Schuurmansche Courant),^* Verg. ook ^Het 
Groot Toneel van Verwarringen" (2^ zang van Amstels Driedaags Treur- 
Toneel) blz. 134, aant. m., blz. 159, aant. t., blz. 168, aant. n. Uit blz. 
216, aant. u. blijkt, dat N^. 121, van 2 October, het laatste nummer 
dier Courant was (blijkens bhs. 217, aant. v. onder Bylage X afgedrukt, 
die echter ontbreekt in het vermelde exemplaar). 



403 

Of^cier, Mr. Willem gobnelis bagkeb, tegen den daarop- 
volgenden Dinsdag 8 Juli gedagvaard werd om zich voor 
Schepenen van Amsterdam te verantwoorden ter zake dat hij 
geweest was Directeur der Schuurmansche Courant. De gedaagde 
verscheen niet, en eene tweede dagvaarding tegen Dinsdag 
19 Augustus volgde onmiddellijk. Door zijne vrouw, M. alme- 
NUM, onderricht van hetgeen er broeide, schreef te GE laar toen 
uit Parijs, dd. 4 Augustus 1788, eene missive aan den Hoofd- 
Officier, waarin hij in de eerste plaats uiteenzette welke de 
eigenlijke reden was, waarom hij zich sedert eenigen tijd daar 
ter plaatse bevond. //Het is alomme bekend," — dus schrijft 
hij — //dat de twee voor Fransche rekening te Amsteldam 
gebouwde Oorlog-Schepen door myne handen gegaan zyn, ik 
moet van beide die Schepen per saldo een aanzienelyke somma 
hebben. — • Geduurende het verblyf van den voorigen Ambassa- 
deur in 's Hage, de Marquis DE VERAC, had ik alle hoop die 
by procuratie alhier te hebben kunnen verkrygen, dan zedert het 
zo onverwagt vertrek van dien Heer uit 's Hage, en de langduu- 
rige absentie van een Ambassadeur van het Fransche Hof by 
den Staat, zedert dien tyd ben ik gedwongen geworden hier 
toe zelve naar herwaards te reizen, en geen wonder, dewyl juist 
in de maand Septemb. anno passato voor myne rekening en 
risico van Amsteldam naar d' Elmina vertrokken was een Schip 
waar in ik een aanmerkelyk deel van myn vermogen hadde 
ingestooken, en welken posten by myn vertrek onmooglyk alle 
konden betaald zyn.'* 

Maar in de tweede plaats kwam TE gel aar op tegen den 
titel, hem in de dagvaarding toegekend „van in Persoon ge^ 
weest te zyn, Directeur^^ der Oprechte Nederlandsche Courant, 
,,Ik kan, mag en moet verklaaren, nimmer eenige directie 
gehad, begeert of genoomen te hebben over die Courant ^^ dus 
luidt zijne bekentenis. (Jit zijne papieren kon hij bewijzen, dat 
WILHELMUS VAN IRHOVEN VAN DAM *) het eerste nummer 



1) w. VAN IBHOVEN VAN DAM wBs ook de sohrijver van de Courier 
van Europa, Sept. 1783 tot Febr. 1785. Amst. allabt en holtbop, 4iO. 



404 

dier courant geschreven en het bestuur daarvan op zich geno- 
men had, terwijl hij alleen als geldschieter was opgetreden. 
Hij had zichzelf dan ook altijd slechts beschouwd als eigenaar ') 
van de drukkerij, waar de courant gedrukt werd onder het 
opzicht van een^ meesterknecht, en onder het bestuur in later 
tijd van Mr. J. C. hespe *), laatstelijk van jan nomsz. Slechts 
éénmaal, toen NOMSZ naar Utrecht was, had hij de correctie 
der proeven van elders toegezonden stukken op zich genomen. 
Wat meer zeide: hij had dikwijls tegenzin gehad in hetgeen 
NOMSZ in de courant opdischte % en had hem dan ook meer- 
malen op dat stuk onderhouden, waarbij dan soms beterschap 
beloofd, maar soms ook wel geantwoord was, dat hij moest 
weten wat te doen, dat hij, schrijver en directeur der Courant 
zijnde, zoo schrijven zou als hij meende te moeten doen; vol- 
gens TEGELAAR wel een bewijs, dat irOMSZ uit vrije beweging 
en niet om den broode schreef*). Vroeger had hij nomsz niet 



Zie Cat. Mag. j^ badink, n<*. 3221. In De Oppermaehi van hei volk. 
Of de grondvergadering gehouden in de Vryheid, een blad, in 1797 te 
Amsterdam bij hendrik van staden aitgegeven, zegt louw in n^. 1 
tegen den Courier: „Hoor Couriertje! (xoddome, geen oud spul — pal 
staan — dan zyn ook alle ouwe zonden vergeven, en jy zelt in 't Crediet 
zyn, maar je moet niet draaijen als voor 1787, — of, als in 1794, oit 
bangheid wegloopen — en jy moet geen Zetschipper, in wat stuk ook, 
van de Foederalisten worden." w. van ibhoven van dam behoorde ook 
tot de redactie van de Recensent; zie Mr. j. i. van doobninck, A. W. 
n». 1142 en 3804. 

^) De Vaderlandsche Byzonderheden, het weekblad, dat, blijkens de 
Ferzaamelaar, N^. 20, „de godlooze Na-Coorant" is opgevolgd, spreken, 
deel II, NO. 10, blz. 151, ook van „de Nederlandsche Courant van 
SCHUURMAN, of lle&t vau zekeren tegelaar, die 'er de Eigenaar van is." 

2) Mr. J. c. hespe schijnt dus eerst aan de Courant van schuurman, 
later aan die van veelem te hebben gearbeid. 

') De N. Nederl. Jaarb. Juli 1787, blz. 1907—1913, geven er fraaie 
staaltjes van. — Het is ook waarschijnlijk de Oprechte Nederlandsche Cou- 
rant geweest, waarin volgens van kampen's Beknopte Gesch. der Nederl. 
Lctt. en Wetensch. deel 2, blz. 441, door nomsz enkele verzen van 
LOOTS zijn opgenomen. 

^) Of dit wel juist is betwijfel ik, vooral met het oog op latere dagen. 



405 

gekend en hem ook niet opgezocht, maar het was jan hen- 
brik z WILDEN S, schrijver en directeur der Hoogduitsche 
Courant ^) geweest, die hem als een zeer kundig man en als 
een echt vaderlander voorgedragen en aanbevolen had. 

De slotsom nu zijner missive was: een verzoek om drie 
maanden uitstel. Kluchtig intusschen is daarbij zijne betuiging, 
dat hij het zich //een zeer sensibel vermaak zou rekenen, om 
in Persoon te kunnen verschynen," zoodra zijne omstandighe- 
den dit maar zouden toelaten, en dat het voor hem, bij al de 
rampen van zijn vaderland, bovendien smartelijk was, dat hij 
zich voor het tegenwoordige wegens de aangevoerde redenen 
niet op den 19<*6n Augustus voor den Hoofd-Officier zou kun- 
nen bevinden. Opmerkelijk is het, dat het verzoekschrift zijner 
vrouw, met hetzelfde doel opgesteld, bovendien gewaagt van 
//zwaare koortzen en ongesteldheid,^^ als reden waarom haar 
man verhinderd werd herwaarts te komen. Met dat al werd 
het gevraagde uitstel verleend tot den 2l8ten October*); maar 
nu schreef tegelaar uit Duinkerken, dd. 31 October, aan 
Schepenen van Amsterdam, dat zijne gezondheid (sic) en eene 



In De Domkop, of Nationaal Volks-Boek, een blad, waarvan in 1795 en 
1796, als voortzetting van De Spectator met de Brü, te Amsterdam bij 
J. YEBLEM en B. DOLL TiMMAN (vermoedelijk ook de nitgevers van De 
Nieuioe Spectator met de Bril, waarvan in 1795 40 nammers uitkwamen) 
140 nummers zijn verschenen in 3 deden, wordt deel 3, blz. 136, omtrent 
JAN NOMSZ gezegd: „een man, die voor de omwenteling van 1787 de 
schoonste verzen en stukken geschreeven voor de Patriotten, en naderhand 
ten voordeelen van het Huis van Oranje zyn pen geleend heeft." Greboren 
te Amsterdam 25 Juli 1738, overleed hij aldaar in het St. Pieters- Gasthuis 
25 Augustus 1803. 

1) Dat was de HoUandiscAe Hochdeutiche Zeitung, die te Amsterdam 
bij j. c. ROEDEB werd uitgegeven. Het was een patriottisch blad; toch 
bezit de Bibl. der Maatschappij v. Nederl. Letterk. het „17 Stück. Sonn- 
abend, den 9 Februar, 1788." Verg. tot verklaring dier omstandigheid 
Catal. Handschr. h. w. ttdeman, n^. 54, h. De redacteur is een wel- 
bekend schrijver. 

^) Moet dit ook zijn 21 November? maar er staat: „den 21sten 
deezer." 



4p06 

ziekte op zijne oogen hem beletteden zoo spoedig als hij wel 
wenschte, voor hen te verschijnen; nogmaals vroeg hij drie a 
vier maanden uitstel onder gelijke betuiging als vroeger, dat 
het hem alsdan //een sensibel vermaak" zou wezen aan de 
gedane oproeping gehoor te geven. Ook nu werd de behande- 
ling der zaak uitgesteld, maar eindelijk werd den 20^° Januari 
1789 //het 4<*e default" verleend, en daarbij te GEL AAR ten 
eeuwigen dage uit Holland en West-Friesland verbannen, on- 
verminderd zoodanige andere straffen als Schepenen, indien hij 
te eeniger tijd in handen van de Justitie geraakte, zouden 
oordeelen te behooren *). 

Aan dat //ten eeuwigen dage" maakte intusschen de Publi- 
catie van de Provisioneele Eepraesentanten van het Volk van 
Holland van 3 Februari 1795, waarbij alle vonnissen en reso- 
lutiën van politieke uitzettingen, sedert 15 September 1787 
ter zake van het Patriotismus geveld en genomen, buiten effect 
gesteld en geannuleerd werden, een einde. En zoo keerde dan 
ook JAN GABRIEL TEGELAAR, die wegens zijne sedert 1775 
bekende gevoelens en daden, in den nacht van 26 October 1787 
Amsterdam had moeten verlaten, en ten gevolge zijner verban- 
ning ruim zeven jaren afgezonderd van zijne vrouw en drie 
kinderen had rondgezworven, binnen Amsterdam terug. H^ 
vond er evenwel al zijne handelsbetrekkingen en middelen 
van bestaan verloopen, terwijl de betrekking van Solliciteur 
Militair, die hij sedert 1780 bij de Admiraliteit te Amsterdam 
had bekleed, door de opheffing der Admiraliteits-Gollegiën 
vervallen was. Bovendien was hem van zijne vordering ad 
ƒ 50,000 (?) op de Fransche kroon, ten gevolge van het afstaan 
van zijn fregat Ie Tigre, dat eene waarde van f 400,000 had, 
maar door hem aan den Hertog de la vauguyon, Fransch 
Gezant te 's Hage, ten behoeve der Fransche natie voor de 
som van ƒ250,000 was overgedragen, nog niets in handeu 



^) Zie over dit alles: Verzameling van Placaaten, Resol. enz. Campen, 
s. A. DE CHALMOT, deel 12, blz. 4 — 13. Bylagen op Janns Janus-Zoon, 
blz. 83. 



407 

gekomen, in weerwil dat de Graaf de montmorin, Fransch 
Minister van Buitenlandsche Zaken, in 1787 order gegeven 
had, voorloopig f 20,000 op die vordering oit te betalen. Waar- 
schijnlijk aangemoedigd door de Publicatie van de Prov. Reprae- 
sent. V. h. Volk v. Holland van 24 September 1795, waarbij 
aan de in 1787 uitgeweken maar toen teruggekeerde burgers, 
die nog zonder kostwinning of ambt waren, de weg gewezen 
werd om daartoe te geraken, vervoegde te GE LAAR zich in 
November 1795 met een verzoekschrift ter Vergadering van 
gemelde Eepraesentanten, waarin hij zijne belangen uiteenzette. 
Dat stuk werd toen. Vrijdag 13 November, gesteld in handen 
eener personeele C!ommissie, bestaande uit de Burgers van de 

KASTEELE, VAN LEYDEN, VAN DER HOOP en BUYSKES, om 

te dienen van advies, terwijl tien dagen later, op Maandag 
23 November, hangende de zaak, aan den reqnestrant sur- 
séance van betaling werd verleend. Ook ter vergadering der 
Staten-Generaal van Woensdag 27 Januari 1796 werd een 
gelijk verzoekschrift van tegelaar gelezen, dat toen door de 
Gedeputeerden van Holland overgenomen en 's anderendaags 
door hen bij de Prov. Eepraesentanten in deliberatie gebracht 
werd, van waar het in handen kwam der personeeele Commissie. 
Op Dinsdag 2 Februari 1796 werd eindelijk het rapport 
uitgebracht, en in aanmerking genomen // dat de Burger tege- 
laar, zich altoos als een yverig voorstander van de zaak der 
Vryheid heeft gedragen en daar om veel vervolging uitgestaan, 
als mede, dat, door de mortificatie der Admiraliteits CoIIegien, 
hy geen uitzicht heeft om in zynen vorigen post als SoUiciteur 
by gem. Collegie te Amsterdam hersteld te worden, goedge- 
vonden den requestrant in favorabele gedachten te houden, en 
voorts de Gedeputeerden ter Generaliteit te gelasten" het daar- 
heen te leiden, dat H. H. M. door tusschenkomst van de 
Ministers blauw en meyer, ten zijnen behoeve bij het 
Fransch Gouvernement zouden intercedeeren. Dienovereenkom- 
stig besloten dan ook de Staten-Generaal in hunne zitting van 
Donderdag 4 Februari 1796. Maar daarmede was de zaak 
nog niet uit. In de zitting toch der Nationale Vergadering van 



408 

Dinsdag 12 Juli 1796 werd nogmaals een request van jan 
GABEIEL TEGELAAE gelezen en in handen gesteld eener per- 
soneele Commissie, bestaande uit de Burgers: evers — lees: 
GEVEBS, BLOK en VERSTERj waarop in de zitting van Maan- 
dag 3 October 1796 rapport uitgebracht en soortgelijk besluit 
als vroeger ter Staten-Generaal genomen werd. Of tegelaar 
toen beter geholpen is, betwijfel ik '). 

Inmiddels was ook op Dinsdag 10 Februari 1795 de Die- 
mer- of Watergraafs-Meersche Crourant in het rijk der leven- 
den teruggekeerd blijkens: Vryheid, Gelykheid, Broederschap. 
Ao. 4795. iVó. 8. Diemer- of Watergraafs-Meersche Courant. 
Wordt uitgegeven te Amsterdam by J. w. SMIT, op den 
Fluweelen Burgwal, by de Halsteeg *). Donderdag den 26 Fe- 
bruary. Het Eerste Ja/xr der Bataaf sche Vryheid. Ter Druk- 
kery van J. w. SMIT en Comp., in de Diemer- of Water- 
graafs-Meer. 2 blz. foKo, in twee kolommen, met het vignet 
der Courant van 1783»). Verder ken ik: ^l^. 1795. No. 37. 
iVoorheen Diemer- of Watergraafs-Meerse Courant, Wordt 
regulier uitgegeven des Dingsdags, Donderdags, en Saturdags. 
Dingsdag den 5 May. Onderaan: //NB. Het geëerd Vader- 
landsch Publiek, welk dit van ouds geaccrediteerde Dagblad, 
't zy met deszelfs Vrye Pen, 'tzy met de inzending van Ad- 
vertentien enz., altoos onderschraagd en begunstigd heeft, wordt 



1) De Bataafsche Courant, uitgegeven te Amsterdam bij d. babentse 
in de Stilsteeg, van Vrijdag 14 October 1796, no. 112, was mijn gids 
voor een en ander. Zie verder Dagbladen v. h. verhandelde ter Verg. 
V. d. Prov. Repr. v. h. Volk v. Holland van Vrijdag 13 Nov. 1795, 
blz. 2; van Maandag 23 Nov. 1795, blz. 8. Resol. Staten-6en. van 
Woensdag 27 Januari 1796, blz. 282. Dagbladen enz. van Woensdag 
27 Januari 1796, bl. 5, 6; van Donderdag 28 Januari 1796, blz. 8; 
van Dinsdag 2 Februari 1796, blz. 7. Resol. Staten-Gren. van Donderdag 
4 Februari 1796, blz. 282. Dagverhaal der handel, v. d. Nat. Verg. ii, 
bk. 830; iii, blz. 287. 

*) Zie mijne studie over de Amsterdamsche Courant in deze Bijdragen, 
deel 5, blz. 260 (52). 

*) In het bezit van (thans wijlen) den Notaris w. p. c. pabius te Amsterdam. 



409 

verzocht de Correspondentie voortaan te Gontinueeren aan het 
adres van de navolgende Uitgeevers, of wel aan dat van het 
G«neraale Bureau van dit Dagblad te Gouda/* Alsnu volgt 
de opgave van die uitgevers, waaronder te Gouda buma. De 
vorm is 2 blz. folio, in twee kolommen, met den ontplooiden 
zwaan tot vignet, waarop de woorden: ^, Bataaf sche Volks- 
Couranf**). Nog zag ik: Uittreksel uit de voorheen Diemer- 
of Watergraafmeerse Courant^ no. 65, van Donderdag den 
Qden j^iy 4795 i). Qok in het bovenvermelde blad de Domkop, 
deel 1, blz. 163, ,en in de Politieke Opmerker'), blz. 45 en 
46, wordt op het jaar 1795 melding gemaakt van de Diemer- 
of Water-Graafmeersche Courant. 

Amsterdam, Februari 1870. Mr. W. P. SAUTIJN KLUIT. 



O Voorhanden in het meer vermelde rommelzoodje der Kon. Bibl. te 
's Hage. 

1) Aanwezig in portefenille lx der pamfletten-verzameling yan wijlen 
Mr. L. c. LUZAO, te Leiden. 

3) Van De Politieke Opmerker verschenen, vermoedelijk in 1795, bij 
p. E. BRIËT in de Stilsteeg te Amsterdam, 50 nummers. Bs. boscu was 
de schrijver, blijkens zijn levensbericht in Magazijn van Algemeen Belang, 
1« deel, 1® stuk, Mengelwerk blz. 6 — 11, vermoedelijk in vereeniging met 
GREEVEN. Is dat Mr. E. BL. ORE.VE, Vermeld in N. Alg. Konst- en Let- 
terb. 1811, 11. a09? 



?7 



OVERZICHT VAN EENIGE ONLANGS IN DUITSGH- 

LAND VERSCHENEN WERKEN, BETREFFENDE 

DE GESCHIEDENIS VAN NEDERLAND. 



DOOS 



P. L. MULLER. 



Dikwijls wordt er bij ons geklaagd dat onze geschiedenis en 
letterkunde in het buitenland bijna onbekend zijn. Hoewel in 
vele opzichten gegrond, is die klacht wel wat overdreven. In 
Duitschland althans, waar de geschiedenis der 17^ eeuw tegen- 
woordig veel meer beoefenaars vindt dan vroeger, wordt inge- 
zien dat het dringend noodzakelijk is onze geschiedenis en, als 
voornaamste hulpmiddel daartoe, onze historische litteratuur te 
kennen. Voor velen, vooral voor het groote publiek, was echter 
onze zonderlinge, hoogst gecompliceerde staatsvorm en ons van 
alle andere volken afwijkend staatkundig leven steeds een strui- 
kelblok. Dat weg te nemen is het doel geweest van het ook 
in ons land niet onopgemerkt gebleven opstel: 

H. V. TREITSCHKE, Die RepubUk der Vereinigte Nieder- 
lande^ (eerst verschenen in het XXIV® deel der Preussischen 
Jahrbücher^ daarop in de Historische und Politische Aufsdtze 
von HEINRICH VON TREITSCHKE, Neue Folge, Leipzig 1870). 
De bekende Heidelberger hoogleeraar zegt in den aanvang 
van zijn in Duitschland algemeen bewonderde essay dat de over- 



411 

eenkomst, die hij meende te yinden tusschen den Noord-Dait- 
sohen Bond en ónze Eepubliek, hem de aanleiding gaf om ons 
merkwaardig statenbond in zijn innerlijk leven en samenstelling 
te bestudeeren. Hij erkent echter dat een eigenlijke vergelij- 
king onmogelijk is, maar houdt het er toch voor dat het voor 
Duitschers hoogst leerzaam, ja bijna noodzakelijk is om de ge- 
schiedenis en vooral het staatkundig leven van ons volk goed 
te kennen, daar het vele raadselen //des bundischen lebens^' 
oplost, die anders ondoordringbare geheimen blijven. 

Eer hij overgaat tot de beschouwing van onze instellingen 
en staatkundige quaestiën, beantwoordt treitsghke daarop 
eerst de vraag: //Wie heeft aan Duitschland dit vroeger echt 
Duitsche land ontrukt?'^ In een achttal kernachtige bladzijden 
bewijst hij dat het de schuld is van niemand anders dan van 
de Duitschers zelven, van de protestantsche Duitsche vorsten 
in de eerste plaats, die geen hand uitstaken om Nederland 
tegen Spanje te beschermen en het daardoor dwongen om, na 
eerst bij Engeland en Frankrijk heil te hebben gezocht, te 
trachten op zich zelf te staan. De ellendige zwakheid der 
Duitschers in de 16^^ g^ 17de eeuw is ook de oorzaak van 
de verachting, die de Nederlanders sedert voor Duitschland 
koesterden en van de mishandelingen, die zij zich tegenover 
hun Duitsche naburen veroorloofden. 

Hierop volgt een korte schildering van den toestand der 
Nederlanden onder de Bourgondische en Oostenrijksche heer- 
schappij. Treitsghke zet uiteen dat het doel van karel V 
en PHILIPS II is geweest de Nederlanden tot een geheel te 
maken, in alle opzichten, zoowel polilisch als religieus; dat 
daartegen zoowel de geest van het naar godsdienstvrijheid dor- 
stende volk als die van de sterk aan hun privilegiën en 
vrijheden verkleefde machten in den staat, den adel en de 
steden, in opstand kwam, In Willem van oranje en zijn 
geslacht vond het volk een hoogst bekwame leiding, die het 
in de donkerste dagen van den oorlog steeds op den rechten 
weg hielp. 

Treitsghke kiest met groote voorliefde partij voor willem I 



4.12 

en het huis van Oranje Nassau; vooral de eerste wordt door 
hem wel wat te veel geïdealiseerd als voorvechter van het pro- 
testantisme en van de nationale vrijheid tegen geestel^k en we- 
reldlijk despotisme. Op de beschuldigingen, die kogh en nu yens 
tegen den Prins aanvoeren, wordt door hem even weinig gelet 
als op de klachten van de Belgische schrijvers over diens poli- 
tiek. Hig staat in deze quaestie op hetzelfde standpunt als 

MOTLEY. 

De eerste jaren van den oorlog worden kort behandeld 
om den oorsprong van onze grondwet, de Unie van Utrecht 
te verklaren, waarvan hij een meesterlijk exposé geeft. Met 
zijn gewone helderheid toont hij hierbij aan waar de gebreken 
lagen en hoe die waren ontstaan. Over de afzweering, de tijden 
van ANJOU en leigester, het plan den Prins souverein te 
maken loopt hij dan zoo kort mogelijk heen, om bij het optreden 
van M AU RITS te komen tot een beschouwing van de inrichting 
der jonge, als het ware door de omstandigheden gevormde 
republiek. De allerzonderlingste regeering onzer provinciën en 
steden, de samenstelling der staten-coUegiën, de beperkte en 
toch zoo uitgebreide macht der stadhouders en der Staten- 
Generaal, de wonderlQke positie van den raadpensionaris, de 
zwakheid der generaliteitscollegiën, de onreehtvaardige behande- 
ling van Drenthe en de Generaliteitslanden worden voortreffelijk 
uiteengezet. Natuurlijk oordeelt de Duitsche patriot, (von 
treitschke is meer staatsman dan geschiedschrijver, hoe uit- 
gebreid zijn historische kennis ook zijn moge en hoe mees- 
terlijk hij het ook verstaat geschiedenis te schrijven) streng over 
onze koopmansaristocratie. Hij ziet in den strijd van het huis 
van Oranje aan het hoofd van het van de regeering uitgesloten 
volk den strijd der moderne democratische beginselen tegen 
de oude voorrechten der standen, die hier werden opgehouden 
door een voor alles op vermeerdering van zijn welstand be- 
dachten koopmansstand. Het materialisme onzer slechts handels- 
voordeelen beoogende regenten is zeker nooit erger gegeeseld 
dan door hem. Hij gaat daar zoo ver in dat hij het positive 
recht, dat toch veelal aan de zijde der regenten was, gewoon- 



413 



lyk negeert. Van daar ook dat wij de figuur van den eigenleken 
stichter onzer republiek (niet van onze vrijheid), de figuur van 
OLDENBARNEVELT, missen. Voor diens grootsche werkzaam- 
heid, als feitelijk hoofd van den staat, heeft treitsghke geen 
woord over; zonder twijfel heeft hij deze niet doorzien, noch 
begrepen. Voor hem is hij slechts het hoofd der regentenpartij. 
Overigens kunnen wij hem den lof niet ontzeggen van soms 
meesterlijk, beter dan menig Nederlander, de hoofdpunten uit 
den strijd der partijen te vatten en te kenschetsen, hoe het 
b\jv. kwam dat onze staat zoo weinig onder zulke geweldige 
schokken leed, omdat de leus nooit was scheiding of vereeni- 
ging, maar steeds enger of losser verband. Dat hQ van den 
gerechtelijken moord van oldenbarnevelt niets zegt dan 
dat de rechters wel een zeer twijfelachtige bevoegdheid hadden, 
maar even vast van hun recht overtuigd waren als de mannen 
die KAREL I vonnisten, dat hij over de ten hemel schreiende 
onrechtvaardigheid en ongegrondheid van het vonnis geen woord 
zegt, wij bejammeren het, maar kunnen het begrijpen. 

Hoogst verdienstelijk noemen wij het echter dat hij de door 
vreemden zoo dikwijls verkeerd begrepen staatkundige partijen 
in het ware licht stelt. 

Het tweede gedeelte van zijn opstel wijdt treitsghke aan 
de beantwoording der vraag : hoe komt het dat Nederland onder 
zulk eene staatsinrichting toch een bloeiende, krachtige staat 
werd. Geen lof genoeg kan hij daarbij vinden voor de ontem- 
bare energie en rustelooze werkzaamheid van ons volk in de 
16*® en 17*® eeuw. Vooral de stichting onzer koloniën is het, 
die hem aanleiding geeft tot menigen gelukkigen greep. Zoo wijst 
hij aan dat Brazilië evenals geheel Zuid-Amerika geen land 
was voor het Germaansche ras, dat Nieuw-Nederland moest 
ondergaan, ai ware het niet door het in Amerika onnatuurlijke 
aristocratische bestuur, dan toch door de numerieke zwakheid 
onzer kolonisten. 

Zoo komt TREITSGHKE aan het tijdperk van verval, dat 
big, en wij gelooven te recht, reeds met 1650 begint* Met 
krachtige trekken wordt de abnormale toestand onzer Hepubliek 



►ïs-:!-*' 



414 

onder jan de witt en willem III geschetst en recht ge- 
daan aan den laatsten telg van het huis van Oranje, in wien 
zich alle deugden van zijn geslacht nog eenmaal vereenigden. 
Hij toont aan hoe onder hem echter Nederland achteruit ging, 
hoe alles, zelfs de partijstrijd, slapper werd, hoe de zedelijke 
gezondheid van ons volk verminderde en de overgang tot den 
diepen slaap, waarin ons volk daarop verzonk, begon. On^e jam- 
merlijke geschiedenis van de 18^^ eeuw, voor ons in alle op- 
zichten den pruikentijd, wordt door hem als een hoogst leer- 
zaam verschijnsel den Duitschers voorgehouden, als een bewijs 
waartoe uitsluitend materieele welwaart, het behartigen van 
louter materieele belangen leiden kan. Krachtig waarschuwt 
hijj daar tegen de thans zoo sterke partij, die vrede en rust 
boven alles stelt. Met een kort woord over de volkomen ver- 
andering, die ons land door de Fransche overheersching onder- 
ging, over de revoluüe van 1813 en het herrijzen van ons 
volk tot een nieuw, al is het dan ook tot een geheel ander 
leven dan in de 17^® eeuw, en eindelijk over de verhouding 
van Nederland tot het nieuwe Duitschland besluit hij zijn hoogst 
belangrijk stuk, dat een Duitsche recensent de parel zijner essays 
noemt en dat werkelijk in grondigheid en juistheid van opvat- 
ting, in kemachtigheid van taal niet licht buiten- ot binnen- 
slands zal overtroffen worden. £en ding kunnen wij Nederlan- 
ders hem niet genoeg nazeggen : Nederland, dat groot was 
door de zwakheid zijner naburen, is klein geworden zoodra deze 
de kracht kregen, die het natuurlijke verloop der dingen hun 
eenmaal moest geven, maar het is toch een volk, omdat het 
een volk wil zijn. 



Wij hebben bij treitsghkes opstel zoolang stilgestaan, om- 
dat wij het voor verreweg het merkwaardigste houden wat er 
over ons land in den laatsten tijd in het buitenland geschreven 
is; wQ zullen das over de overige op onze geschiedenis be- 
trdcking hebbende werken wat korter zijn. Onder deze verdient 
het eerst genoemd te worden: 



415 

H. PETEB, Ber Krieg des Grossen Kurfürsten gegen 

Frankreich (1672—1675). Halle 1870. 

Niet alleen hetgeen de groote keurvorst in dien oorlog ver- 
richtte wordt hier medegedeeld, maar er wordt een volledige 
geschiedenis gegeven van den oorlog van lodewijk XIY, eerst 
tegen Nederland, toen tegen de coalitie tot op het optreden van 
Zweden als bondgenoot van Frankrijk in 1675. 

De schrijver, die reeds gunstig bekend staat door z\jn uit- 
gave van het 3^® deel der Urkunden und Actenstücke zur 
Geschichte des Grossen Kurfürsten (de correspondentie der Ne- 
derlandsche gezanten bij het hof van Berlijn), heeft tal van 
bronnen, zoowel gedrukte als ongedrukte, gebruikt, waaronder 
oudere en nieuwere Nederlandsche en Fransche geen geringe 
plaats bekleeden. Bijna alles wat over dien t\jd in ons land is 
verschenen, zelfs pamfletten, is door hem ijverig geraadpleegd, 
hetgeen een onpartijdigheid, een objectiviteit aan het werk geeft, 
zooals maar zelden zelfs bij Duitsche schrijvers te vinden is. 

De voorstelling van dien oorlog door droysen in het 3^® 
deel zijner Geschichte der Preussischen Politik^ wordt door 
PETER met feiten, niet met redeneringen wederlegd, en de Staten 
gezuiverd van den blaam van grove ondankbaarheid en onbil- 
lijkheid jegens den keurvorst, zonder dat dezen daarom zijn 
groote verdiensten jegens Nederland en geheel Europa ontzegd 
worden. Ook verschijnt daarin de keurvorst niet, als tot nu 
toe bij Duitsche schrijvers, zelfs bij droysen, het geval is, 
als een soort van incarnatie van den Fruisischen staat, wien 
niets als ondergeschikte werktuigen ter zijde staan. Integendeel, 
z^n staats- en krijgslieden treden dikwijls op den voorgrond» 
even als de groote Nederlanders uit dat tijdperk, en even als 
LOTTVOIS en TURENNE, de machtige uitvoerders van LODE- 
WIJKS wil. 

Fe TER begint zijn werk met eene schets der betrekkingen 
van Brandenburg en Nederland voor 167 2, blijft lang staan 
bij het verbond van dat jaar en de politiek van JAN de witt 
tegen Frankrijk, en behandelt dan zeer in het breede den ramp- 
zaligen veldtocht van den keurvorst in West-Duitschland en de 



J" 



416 

gelijktijdige gebeurtenissen in Nederland. Wanneer in dit kalme 
verhaal ergens een schijn van partijdigheid te vinden is, dan 
moet men die zoeken in het beoordeelen van de Oostennjksche 
politiek in dat jaar, maar wij zien zelve onmogelijk kans die 
met een enkel woord te verdedigen. Zelfs het gebruik van 
Oostenrijksche bronnen en correspondenties kan hier niet helpen. 
De politiek van lobkowitz mag door niemand, wie hij ook 
■Jzjjy zelfs door geen Franschman, verontschuldigd worden. Den 
«vrede van Yossem verklaart peter terecht uit den drang der 
tijdsomstandigheden, maar zonder als droysen de Staten te 
beschuldigen van door hun karigheid in het betalen der subsi- 
diën den keurvorst daartoe te hebben gedwongen. Dan volgt 
een beschrijving van den veldtocht van 1673, het sluiten der 
Grcx)te Alliantie en het hernieuwen van het verbond door den 
keurvorst, terwijl het geheel besloten wordt door twee hoofd- 
stukken, één over den veldtocht in den Elsas en België in 
den zomer van 1674, waarbij wij de heldere beschrijving van 
den slag van Seneffe zeer roemen moeten, en één over den 
winterveldtocht van dat jaar, toen de keurvorst door de slechte 
samenwerking der Duitsche legerhoofden gedwongen werd op 
smadelijke wijze voor turenne het veld te ruimen. 

Wi^ hopen dat peter allen geschiedkundigen en ook ons, 
Nederlanders, den dienst zal doen, het vervolg van dien oorlog 
op dezelfde wijze te beschreven en ons op even bekwame wijze 
te verdedigen tegen de tallooze aanvallen, die w^, grootendeels 
onverdiend, ten aanzien van den Nëmeegschen vrede te verdu- 
ren hebben. 



Van geheel anderen aard, maar evenzeer in nauw verband 
met onze geschiedenis, is: 

Lében und Thaten des Fürsten GEORG FRIEDRICH VON 
WALDECK (1620—1692) von Geheimen Rath JOH. GEORG 
VON RAUGHBAR. Vollendet und mit Beüagen herausgegehen 
von Dr. L. curtze. ƒ, ƒƒ, Arolsen 1867, 1870. 
Dit werk beschrijft het leven van een man, die een der in- 



417 

vloedrijkste personen geweest is in de omgeving van WILLEM iii, 
die als staatsman en veldheer de Eepabliek troaw gediend heeft 
in de moeilijkste tijden, en die, hoewel Duitsch rijksvorst, èn 
als staatsman èn als veldheer voor ons van gelijk belang is 
als HOP en goehoorn. 

Wij zullen over den inhoud van dit werk hier slechts kort 
zijn, daar het niet compleet is (alleen het eerste deel, aflevering 
I en II, is verschenen). Maar het boek zelf verdient een korte 
opmerking. 

Wij hebben hier te doen met de eerste uitgave van een ge- 
lijktijdige biographie, die tot nu toe als handschrift in het 
archief te AroUen berustte. De schrijver dezer biographie, een 
ambtenaar in waldegks dienst, ontving van hem tal van 
mondelinge en schriftelijke mededeelingen en een menigte be- 
scheiden, en een groot gedeelte van het boek is door waldeck 
eigenhandig gecorrigeerd. Er zijn een menigte stukken in op- 
genomen^ vooral betrekking hebbende op waldegks millitaire 
werkzaamheid in Nederland en gedeeltelijk behoorende tot zijn 
correspondentie met den Prins, die nog in het archief te Arolsen 
op een bewerker wacht. Het handschrift heeft dus een groote 
historische waarde. Het loopt slechts tot 1685, hoewel het tot 
1689 schijnt te zijn voortgezet, zooals uit den inhoud is op te 
maken. Om dit verlies en de leemte van zeven jaren, tot aan 
waldegks dood in 1692, goed te maken, belooft Dr. gurtze 
uit het archief zooveel mogelijk een aanvulling te geven. 

Het thans verschenen deel behandelt eerst waldegks eerste 
levensjaren, zijn dienst als vrijwilliger onder frederik Hen- 
drik, dan zijn werkzaamheid als landsheer, zijn staatsmans- 
en veldheersloopbaan in dienst van den grooten keurvorst, in 
Zweden, bij de Eijksarmee (waar een hoofdstuk onafgewerkt is 
gebleven en midden in het verhaal van den slag bij St. Gothard 
ophoudt) en in Zelle. Vervolgens, in een tweede boek, zijn 
dienst als veldmaarschalk in de Eepubliek van 1672 tot den 
zomer van 1678, waar het hoofdstuk eindigt met de toebereid- 
selen tot het voortzetten van den oorlog, na het bekende ulti- 
matum der Staten omtrent de vredes voorwaarden. 



418 

Hoewel in den stijven stijl der 17^® eeuw geschreven, dik- 
wijls meer als een rapport dan als een geschiedenis, en door- 
spekt met tallooze Excellenz, Hoheit enz. wat een servile kleur 
aan het boek geeft, draagt raughbars werk toch den stempel 
der waarheid en levert het een niet te verachten bijdrage tot 
onze historie. 

De persoon van waldeck is overigens in het het laatst ook 
in Duitschland besproken door een der medewerkers der Ur- 
kunden und Altenstücke, Dr. B. erdmansdörfer onder den 
titel : 

Graf GEORG FRIEDRICH YON "WALDECK. Ein preussi- 

scher staatsman im siebzehnten Jahrhundert, Berlijn 1869. 

Hij schetst daarin waldecks werkzaamheid in Branden - 
burgschen dienst gedurende de jaren 1651 tot 1658. Deze is 
vooral merkwaardig, omdat WALDECK toen een hevig vijand 
van Oostenrijk was, die den Duitschen keizer alle macht 
wilde ontnemen en Brandenburg toen reeds aan het hoofd 
stellen van een //Fürstenbund'* van alle Noord-Duitsche pro- 
testantsche staten. Zijn genialiteit en bekwaamheid worden 
in dit, geheel op ongedrukte stukken berustende werk zoo 
helder in het licht gesteld, dat het ons ten bewijze is welk 
een geluk het voor de Eepubliek was zijn diensten te verwer- 
ven. Daarom hebben wij het, hoewel het overigens buiten ons 
bestek ligt, hier vermeldt. Merkwaardig is het ook nog voor 
ons door de bijvoeging der briefwisseling tusschen waldeck 
en CORNELIS VAN AESSEN VAN S0MMELSDIJK, den bekenden 
vertrouwde van wiliLEM ii, zeker een vriend uit den tijd van 
zijn dienst onder frederik hendrik. 

Yoor hen die zich met de geschiedenis van onzen bodem 
bezig houden, zal het niet onbelangrijk zijn te vernemen dat 
in het 6^^ gtuk der Mittheüunyen der Geographischen Gesel- 
schaft (Weenen 1870) een stukje is geplaatst door den heer 
FRIEDRICH VON HELLWALD, (den broeder van den ontdekker 
van het Maerland-handschrift) over het ontstaan en het zich 
uitbreiden der Zuiderzee, waarbij de bronnen vlijtig geraad- 
pleegd zijn. 



OPGEMERKTE FOUTEN: 

BI. 143, regel 8, voor: heer van Statzraedt lees: heer van Vlasraedt. 

Vlasraedt is een oud kasteel der familie yon bbemft in de na- 
brjheid van Straalen. 
BI. 314, regel 4 v. o., voor: Heerenhnis van Spanje lees: Hof van Spanje. 
BI. 343 in het opschrift, voor: 2«« helft der XVI*» eeuw lees: der XV**. 



BOEKBESCHOUWING. 



p. L. MULLER. Geschiedenis der regeering in de nader 
geünieerde provinciën tot aan de komst van Leycester. 
(1579—1585). Acad. proefschrift, Leiden 1867. 

Er zijn weinig onderwerpen, waarvan de studie zoo belangrijk 
is als die, welke in verband staan met den regeeringsvorm van 
de voormalige Kepubliek der Vereenigde Gewesten. Over 't al- 
gemeen toch is die regeeringsvorm nog niet genoeg bekend, en 
vooral literatoren, die in den regel zich weinig of niet om 
rechtsgeleerde studiën bekommeren, mogen, wanneer de geschie* 
denis hun geliefkoosde wetenschap is, zich niet onttrekken aan 
een nauwkeurig onderzoek van het staatsrecht. Wijlen de hoog- 
leeraar HOLTIUS placht te zoggen, dat in den regel de jurist 
te weinig literator, de literator te weinig jurist was. Ik geloof 
dat hij de zaak zeer juist beschouwde. Gelukkig wint dan ook 
meer en meer de gewoonte veld, om eene dergelijke stof voor 
een literarisch-historische dissertatie te nemen. En wanneer 
zulk een onderzoek de eerste grondslagen van dezen of genen 
regeeringsvorm betreft, dan heeft de schrijver aanspraak op den 
dank van het wetenschappelijk publiek. De heer muller heeft 
ook op dat gebied zich verdienstelijk gemaakt en een onder- 
werp behandeld, waarover tot dusverre veel duisters ligt. 

Terecht merkt de schr. al aanstonds aan, dat, ofschoon de 
opstand der Nederlanden tegen philips ii eene der meest 

Boekbeschouwing. ^ 



besckrevene episoden der nieuwere geschiedenis is, die ook in 
het buitenland behandeld wordt, toch //enkele gedeelten van 
dien strijd geheel onbehandeld zijn gebleven." Zoo zijn de ge- 
beurtenissen in het Noorden, alwaar weldra de Eepubliek der 
Vereenigde Gewesten tot stand zou komen, schier met stil- 
zwijgen voorbijgegaan. De schr. bedoelt hiermede zoodanige 
omstandigheden, welke min of meer in verband staan met den re- 
geeringsvorm, dien men toen reeds voorbereidde. //Mijns inziens,'* 
dus gaat hij voort, //is dat te meer te bejammeren, omdat in 
dien tijd hier te lande eene geheel afzonderlijke regeering werk- 
zaam was, die eene zeer moeilijke taak te vervullen had. En 
die taak, het b^eenhouden en verdedigen van de Noordelijke 
provinciën, heeft die regeering met eere volbracht. Aan haar 
is het in vele opzichten te danken, dat de Noordelijke gewesten 
niet evenals de Zuidelijke stuk voor stuk weder werden ten 
onder gebracht, dat de Unie van Utrecht niet even krachteloos 
werd als de vroeger gesloten vereenigingen." 

De eerste, die met meer nadruk op de vroegste regeeringsdaden 
van de Nadere Unie heeft gewezen, en die ook gepoogd heeft, 
den nevel, die daarover lag, weg te vagen, was van de spie- 
gel. In zijn Bundel van onuitgegeven stukken heeft hij zoo- 
veel als hem mogelijk was bijeenverzameld alles, wat daarover 
slechts licht kon verschaffen. Maar de werkzaamheden van den 
staatsman beletten den historicus veelal zijne nasporingen voort te 
zetten. Van de spiegel werd verhinderd door de gewichtige 
betrekking, die hij bekleedde, zijn oorspronkelijk plan ten uit- 
voer te brengen, het schrijven nl. van eene Geschiedenis der 
Nadere Unie. Na hem is niemand opgestaan, om het door hem 
aangevangen werk weder op te vatten. 

Al zijn de bronnen voor zulk een onderwerp niet volledig, 
toch bestaan er, die van het grootste belang zijn. In de eerste 
plaats de resolutiën en notulen van de Gedeputeerden tot het 
sluiten der Nadere Unie; dan volgen die van den Eaad der 
Nadere Unie en die van de beide Landraden, en ten slotte de 
resolutiën en recessen van de algemeene bijeenkomsten der 



3 

geünieerde provinciën, bij alle welke eene menigte brieven van 
en aan den Landraad zich aansluiten. Wel zijn deze bronnen 
niet volledig, en worden er vele leemten in gevonden, maar zij 
zijn een leiddraad, die onontbeerlijk is. 

Wat de resolutiën en notulen der beide Landraden betreft, 
zij zijn, zegt de schr., //vervat in 3 folio-deelen, die thans be- 
rusten in het Rijksarchief. Zij zijn de belangrijkste, maar tevens 
ook de minst bekende onder de bronnen der geschiedenis. Al- 
thans een tweetal stukjes van wijlen den heer rethaan ma- 
GARÉ uitgezonderd, schijnt er door geen onzer nieuwere geschied- 
schrijvers melding van te zijn gemaakt. Het eene deel bevat de 
resolutiën van den Landraad nevens Anjou (d. i. de Landraad 
bewesten de Maas) van den 14<^®° Aug. 1581 — den dag der 
eerste vergadering — tot den 7^®** Sept. '82. De beide andere 
deelen bevatten de resolutiën van den Landraad beoosten de 
Maas van den 27**®" Juli '81 — eveneens de dagteekening der 
eerste vergadering — tot den 20«*®" Dec. '81, en verder van 20 
Juni '82 tot 20 Oct. '83. In dit tweede gedeelte is eene lacune, 
loopende van 3 Oct. '82 tot 26 Jan. '83, die door eene half 
opengelaten bladzijde wordt aangeduid." Maar is er dan geene 
leemte in van 20 Dec. '81 tot 20 Juni '82? Waaraan die 
lacune moet toegeschreven worden, — of dat gedeelte verloren 
is geraakt, of hoe dan ook — hierover zwijgt de schr. Alleen 
verdiept hij zich in het zoeken naar de oorzaak van de leemte 
tusscBen 3 Oct. '82 en 26 Jan. '83. Naar des schr. oordeel 
is het blijkbaar eene kopie, die de sporen van gelijktijdigheid 
draagt, en hij meent dit te moeten opmaken uit de omstan- 
digheid, dat de hand herkenbaar is in andere stukken, die van 
den Landraad zijn uitgegaan, en uit een telkens verwijzen naar 
de minuut. Daarom meent hij ook, dat het moeilijk is aan te 
nemen, dat het ontbrekende gedeelte verloren is gegaan. Ik 
begrijp niet recht de kracht van dit argument. Welke de spo- 
ren der gelijktijdigheid zijn weten wij niet, maar uit het 
verwijzen naar de minuut kan nog niet de gelijktijdigheid 
bewezen worden. Wij zouden juist uit het openhouden van 
eene halve bladzijde tot de conclusie komen, dat dat gedeelte 



wel degel^k niet Toorhanden was, toen het aÜBchrift gemaakt 
werd. 

Terwyl de laatste deelen zeer leesbaar zijn, is het eerstge- 
noemde zoo onduidelijk geschreven, dat de lezing er van be- 
moeilijkt wordt. //Eene voortdurende afwisseling van Fransch 
en Holiandbch maakt de lectuur er van nog moeilijker. Deze 
is zoo groot, dat soms een volzin in het Hollandsch begonnen 
en in het Fransch geëindigd wordt, of omgekeerd. Het geheel 
draagt sporen van met groote haast geschreven te zijn, mis- 
schien wel op de vergadering zelve Andere gedeelten zijn 

zóó opvallend (P) kort geschreven, dat ik het denkbeeld, dat de 
minuut op de vergadering zelve gemaakt zou zijn, weder heb 
laten varen, hoewel ik beken den oorsprong der vele onregel- 
matigheden dan niet te kunnen verklaren.'^ Naar mijn gevoelen 
zouden die onregelmatii^heden en de in het oog vallende kort- 
heid juist een bew^s zijn, dat die notulen op de vergaderingen 
zelve geschreven zijn, te meer als men de drukke werkzaam- 
heden der beide Landraden in het oog houdt, die niet veel tijd 
overlieten, om alles in het net te schrijven of uit te werken. 
Maar dit zijn zaken van ondergeschikt belang. 

Voordat echter de Landraad ingesteld is geworden, werd de 
voorloopige regeeriug eerst door de Gredeputeerden der Nadere 
Unie en later door den Baad der Nadere Unie uitgeoefend. 
Nadat do Unie van Utrecht tot stand was gekomen, had men 
behalve de Algemeene Staten, die sedert 1576 schier van het 
geheele regeeringsbeleid zich hadden meester gemaakt, en als 
vertegenwoordigend lichaam opgetreden waren van al de tegen 
de Spaauscho regetTiug verbondene, zoo Zuidelijke als Noorde- 
lijke gewesten, overeenkomstig de Pacificatie van Gend, nog nu 
en dan de bgzondere vergaderingen of bijeenkomsten van de 
door de Unie van Utrecht verbondene provinciën. Aanvankelijk 
echter werd het regeeringsbeleid over de laatstgenoemde gewesten 
opgedragen aan de Gedeputeerden, die de Unie zelve hadden 
tot stand gebracht. Deze nu hielden ook notulen, die van 30 
Januari tot 80 Juli *79 loopeu. Op deze notulen heeft behalve 



VAN DE SPIEGEL ook VAN WIJN reeds gewezen. Overigens 
schijnen zeer weinigen zich er om bekommerd te hebben. Het 
origineel berust in het archief te Middelburg, doch in het 
Rijksarchief bestaan twee afschriften, waarvan een gedeeltelijk 
door VAN DE SPIEGEL zelven, gedeeltelijk op zijn last door een 
der klerken van de Generaliteit is vervaardigd. In de Stukken 
van Landszaken van den president van hell zijn een aantal 
notulen over '79 en gedeeltelijk over '80 opgenomen. 

Deze nu zijn de voornaamste bronnen, waaruit de schr. voor 
zijn onderwerp heeft geput. 

Het werk wordt verdeeld in twee hoofdafdeelingen ; het eerste 
geeft een overzicht van de //separatistische beweging in het 
Noorden," die het sluiten der Utrechtsche Unie ten gevolge 
heeft gehad, en waarin dan tevens de regeering dier Unie en 
de daaruit voortgekomene regeeringscoUegiën worden behandeld ; 
het andere omvat het bestuur der beide Landraden. 

Ik ga de beide eerste hoofdstukken van de 1**® afdeeling met 
stilzwijgen voorbij, om mij meer in 't bijzonder bezig te hou- 
den met het 3<*® hoofdstuk, waar dan ook de eigenlijke arbeid 
begint. 

De Unie van Utrecht vereenigde de meeste Noordelijke ge- 
westen. Op één punt bestond over het algemeen weinig har- 
telijke samenwerking, nl. wanneer het gold gelden te verschaffen. 
Zelfs het gemeenschappelijk gevaar kon dien onwil om pennin- 
gen op te brengen niet overwinnen. De verschillende deelen 
van het bondgenootschap waren vroeger te lang met elkaar in 
heftigen strijd geweest, om zich nu al te beschouwen als te 
behooren tot ééne nationaliteit. Daarbij kwam de ijverzucht der 
provinciën op hare zelfstandigheid, die hen den band van 
gemeenschappelijke afkomst zoo al niet deed verloochenen, dan 
toch weinig tellen. Eindelyk maakte het verschil van godsdienst 
eene toenadering moeilijk. Vooral werden Holland en Zeeland 
met zeker wantrouwen bejegend. Immers daar had de nieuwere 
richting diepere wortelen geschoten dan elders, terwijl in de 



6 

overige provinciën verreweg de meerderheid der ingezetenen 
nog der K. C. Kerk getrouw was gebleven. 

Men doet echter onrecht, als men het niet tijdig opbrengen 
der gelden voor onwil uitkr^t. Er kwam ook nog onmacht bij. 
Men houde toch in het oog, dat er vele offers werden gevraagd, 
en dat de gewesten ook nog ten behoeve van de Algemeene 
Staten gelden moesten opbrengen, en bovendien de ingezetenen 
ten behoeve van de steden; en men telle die offers waarlijk niet 
al te gering. Hoe had de handel en de nijverheid geleden, hoe 
dikwijls werd de oogst vernield! 

De Gedeputeerden der Nadere Unie maakten dus eene soort 
van vertegenwoordiging uit der provinciën, of liever zij vorm- 
den eenen raad, die zich met het voorloopig bestuur belastte. 
Het schijnt, dat van de verschillende conferentiën voor de slui- 
ting der Unie geene notulen zijn gehouden, of dat deze ver- 
loren z\jn geraakt, evenals het oorspronkel^k document der 
Unie zelve '). Hoe belangrijk zouden die notulen voor ons 
zijjnl Hoe 't zij, met den dag, volgende op de onderteekening 
der Unie, dus met 30 Januari, beginnen de notulen. 

De eerste werkzaamheden der Gedeputeerden strekten, zoolang 
geene uitvoering gegeven was aan art. 5 der Unie, dat nl. in alle 
provinciën eene gelijkvormige belasting geheven zou worden ten 
behoeve van het algemeen bondgenootschap, om te zorgen, dat 
er middelen gevonden werden ter bewaring hunner onafhan- 
kelijkheid. Voorts moest men een ontvanger- en een tresorier- 
generaal aanstellen, en eindelijk was het plicht, om orde te 
stellen op het beleid der regeering in 't algemeen en op het 
bestuur van den krijg in 't bijzonder. — Wat het opbrengen 
der gelden betreft, nooit is men er toe gekomen, om gemeene 
middelen op eenen éénparigen voet te heffen; altijd heeft men 
zich beholpen met het quoten-stelsel, en hoe ellendig dat 



^) Ik kan zoo dadelijk niet aannemen, dat er yóót 30 Janaari *79 geene 
notulen zonden gehouden zgn. M\) dunkt dien van 30 Janaari hebben meer 
het voorkomen, dat z\j een vervolg z^n van vroegere. 



stelsel heeft gewerkt, daarvan getuigt de geheele geschiedenis 
der Hepubliek. Met betrekking tot de benoeming van eenen 
ontvanger- en tresorier-generaal werd besloten, dat die ambte- 
naren door de provinciën a tour de rdle zouden aangesteld 
worden. Aan Utrecht viel ten deel het eerst den ontvanger- 
generaal, aan Gelderland den thesorier-generaal te benoemen *). 
Eindelijk werd het opperbestuur van de krijgszaken en het op- 
perbeleid van de regeering opgedragen aan den man, die het 
meest had geijverd voor de Unie, nl. johan van nassau. 
Hem werden twee raden toegevoegd, een uit Gelderland, waar 
de oorlog het meest dreigde, nl. willem van bockhorst, 
drost van Wageningen, en één uit Holland, en d^ar viel 
de keuze op den bekenden patjlus buys, advocaat van den 
Lande. Verder machtigde men johan van nassau, om ten 
behoeve der Unie gelden op te nemen in Duitsohland tegen 
6, 7 ja 8®/o, //daervoir die Bontgenoten hemzelven ende al 
hun ingesetenen en goederen verobligeeren ende naer behoi- 
ren versegelen sullen." Eindelijk werd hem de bevoegdheid 
gegeven //om inet alsulcke Heeren, Steden, Landen en Provin- 
ciën, als sich naemaels in dese Unie sullen willen begeven, te 
moegen handelen ende accordeeren op H behagen der Bont- 
genoten." — // Het was dus geen gering gezag," zegt de schr., 
//dat men den graaf wilde geven. Had bij het werkelijk bezeten, 
hij zou in waarheid hoofd en directeur der Unie zijn geweest." 
Het is bekend, dat vooral van de spiegel 't er voor ge- 
houden heeft, dat johan van nassau directeur is geweest 
van de Unie. De heer muller stemt dat niet geheel toe; 
volgens hem zou johan van nassau die waardigheid slechts 
zeer kort bezeten hebben, en hij grondt zijn oordeel vooral 
daarop, dat nergens in de notulen der Gedeputeerden daarvan 
melding wordt gemaakt, en dat zou toch het geval moeten 
zijn, zoo hij inderdaad gedurende langeren of korteren tijd met 
die waardigheid is bekleed geweest. Toch wordt bij later, in 



^) Tot de eerstgetuelde betrekkiog werd reinier tan azewijn, heer 
vtD Brakel, tot de laatste joachim van likr aangesteld. 



8 

April, all zoodanig genoemd in de instnictie der Zeeuwsche 
afgevaardigden, maar dit zou volgens den schr. slechts eershalve 
geschied zijn. 

In de meermalen aangehaalde notalen is eene lacane. Immers 
die tusschen 7 Febr. en 12 Maart zgn niet voorhanden. Zij 
zijn verloren geraakt, meent de schr. Ik ben niet door hem 
overtuigd. Immers de Gedeputeerden gaan den 7^®° Febr. uit- 
een; dit zegt de heer muller zelf op blz. 47 in fine en 
48 supra: //Dit is het laatste besluit van de eerste reeks ver- 
gaderingen der Gredeputeerden, die daarop uiteen schijnen te 
zgn gegaan." Wel zijn zij niet lang weggebleven, want den 
9<i«n Maart waren zij reeds terug, maar toen zij uiteengegaan 
waren, zullen er geene vergaderingen, en dus ook geene notulen 
gehouden zijn. V66r den 12^®° zullen zij geene bijeenkomsten 
hebben gehad; wellicht ontbraken nog eenige Gedeputeerden. 

Voordat echter de vergadering was uiteengegaan, en wel 
den 1'^° Febr., zouden de Gedeputeerden, naar het zeggen van 
den schr., o. a. tot eene verandering van het bekende art. 13 
der Unie hebben besloten. //Het eerste (besluit) betrof den 
tekst der Unie en wel het IS^e artikel, waarin toen de ver- 
andering werd opgenomen, waarvan in het 2^*^ hoofdstuk sprake 
il geweest'* '). Vergis ik mij niet, dan bedoelt de schr. hetgeen 
hy op blz. 82 heeft gezegd. ^Holland had evenzeer nog eene 

versterking van het 13^® artikel gewenscht, maar zonder 

vrucht;'* of wel ziet die verwijzing op blz. 38, alwaar hij 
den korten inhoud van art. 13, 14 en 15 van de Unie ver- 
meldt? Ik betreur 't, dat de schr. ons niet medegedeeld heeft, 
welke versterking Holland van art. 13 gewenscht heeft (blz. 32), 
noch welke de verandering was, die dat artikel ondergaan heeft 
door de Gedeputeerden (blz. 45). Het is bekend dat ten jare 
1583 door den landraad beoosten de Maas het voorstel is ge- 
daan — en ik kom er straks op terug — om dat artikel zoo- 
danig te wijzigen, dat al de provinciën de hervormde religie 
zouden handhaven, //sonder eenige veranderingen daer in te 

O Blz. 45. 



9 

mogeu doen, als met gemeen consent van alle die Bontgeno- 
ten." Eveneens is het bekend, dat Holland en Utrecht toen 
zich daartegen sterk hebben aangekant, zoodat die wijziging niet 
is doorgegaan. Nu zou 't naar ons oordeel niet onbelangrijk 
z|jn te vernemen, welke wijzigingen door de Gedeputeerden der 
Nadere Unie toen reeds zijn voorgesteld geworden. 

Gewichtig is vooral hetgeen de schr. ons mededeelt met be« 
trekking tot de zending van afgvaardigden op 18 Mei '79 naar 
den Gelderschen landdag, ten einde d^ar over de voorstellen 
van den aartshertog matthias mede te beraadslagen. Onder 
de afgevaardigden vinden wij de beide van zuylens — 
ADRIAAN VAN ZUYLEN, deken van St. Jan, en NICOLAAS 
VAN ZUYLEN — benevens floris thin, den ijverigen patriot. 
Onder de voorstellen, die daar ter tafel zouden gebracht wor- 
den, behoorde ook, eene nadere generale Unie te sluiten, die 
ook de Zuidelijken, voor zooverre zij niet onder de heerschappij 
van Spanje behoorden, zou omvatten. De Gedeputeerden der 
Unie dachten daarover niet gunstig, omdat zij vreesden dat 
daardoor het pasgesloten verbond allicht krachteloos zou wor- 
den, zoo het al niet daarmee zou gaan als met elke andere 
vereeniging van vroegeren tijd. De Utrechtsche afgevaardigden 
uit de Gedeputeerden verzochten dus den Gelderschen landdag, 
ook op dat punt zich te conformeeren aan 't concept, door hen 
ontworpen, en zij drongen er op aan, dat de landdag, zoo hij 
daarin bezwaar mocht maken, voordat eene beslissing genomen 
werd, met de Utrechtsche Gedeputeerden in communicatie zou 
willen treden, en eenige afgevaardigden naar Utrecht zenden, 
om de bezwaren tegen dat voorstel te vernemen. 

De Unie stond er op — en zij had daarop recht — om 
meer en meer als een afgerond geheel, als een. Staat op zich 
zelf beschouwd te worden, en daarom werd besloten, om zich 
ook in de Staten- Generaal als zoodanig te doen represen- 
teeren. //Is geresol veert, dat men aldaer committeeren ende 
senden sall zeeckere goede bequame personen, nyet uyt yeder 
van de geünieerde provinciën in 't particulier, maer in 't 
generael ende gelyckelyck uyten name van de geünieerde 



10 

provinciën, als wesende een corpus" *). Als afgevaardigden van 
de //geünieerde provinciën als wesende een corpus" werden be- 
noemd KAKEL VAN GELEE en JELis PYECK, heer van Enspick, 
uit Gelderland, Paulus buys en sebastiaan de lose uit 
Holland *), vosbergen uit Zeeland, hessel aysma uit 
Friesland, FLORis THIN uit Utrecht en LOUis huriblock 
uit Gend, //met alsulcke adjoincten als die van Gend hem by- 
voegen sullen." 

De voorloopige regeering van de Gedeputeerden der Nadere 
Unie naderde haar einde. In Aug. '79 schijnt er eene bijeenkomst 
te zijn geweest der geünieerde provinciën — die wij wel moe- 
ten onderscheiden van de Staten -Generaal van de Eepubliek 
der Yereenigde Gewesten. Van die vergadering nu, die in Aug. 
'79 te Utrecht bijeenkwam, weten wij niet veel meer, dan dat 
er eene instructie werd opgesteld voor een permanent college, den 
Raad — zooals de schr. hem noemt: het College — der Na- 
dere Unie, en van nu af wordt het beleid der regeering aan 
dien Baad opgedragen. Daarin werden Gelderland, Holland en 
Friesland ieder door 3, en de overige gewesten *), benevens de 
steden Antwerpen, Gend en Yperen ieder door 2 leden vertegen- 
woordigd. Al dadelijk verdeelde zich de Baad in sub-commissiën ; 
men had eene commissie voor financiën, eene voor proviand en 
ammunitie, eene voor oorlogszaken, en eindelijk eene voor jus- 
titie en oorlogszaken. Eerst voerde de griffier der Staten, van 
lamszweerde, in den Baad de pen; later worden twee se- 
cretarissen benoemd, nl. van zuylen en radeland, en nog 
later, nl. in het begin van '80, zijn er drie secretarissen; aan 
de twee vorige werd nog joh. steick toegevoegd. 

Ofschoon de nieuw benoemde Baad onmiddellijk in functie 



0. Zie Bylage B. 

') De eerste werd echter vervangen door NicoL. van der laan en 
door den heer van swieten. 

>) Groningen, in de macht der Spanjaarden, ontbrak. Alleen de Omme- 
landen werden er in vertegenwoordigd. 



11 

trad, weten wij v6dr den 22"*«n Sept. '79 niets van zijne han- 
delingen. Met den 22«'«° Sept. beginnen zijne notulen. De 
Troegere zullen vermoedelijk verloren zijn gegaan. Dat de Raad 
het druk had, blijkt o. a. daaruit, dat hij meestal tweemalen 
daags vergaderde, en zelfs des Zondags zich geene rust gunde* 
Op één punt moeten wij inzonderheid de aandacht vestigen, 
omdat het zoo nauw samenhangt met de geheele, latere inrich- 
ting van ons staatswezen, dat nl. toen reeds sommige provin- 
ciën, niettegenstaande bepaald was, dat de leden van den Baad 
onafhankelijk van hunne committenten — als wij dat woord 
hier mogen gebruiken — zouden mogen handelen, toch aan 
haar afgevaardigden last gaven, om in zaken van gewicht niet 
te besluiten, //dan op H rapport van hunne principalen achter- 
volgende de procuratie by denzelven vertoont," hetgeen natuur- 
lek telkens oponthoud veroorzaakte. Juist die last getuigt voor 
de vrees, die de [gewesten in het algemeen voedden, dat de 
Eaad van lieverlede een centraal gezag zou bekomen, en zich 
onafhankelijk zou maken van de provincie, die zijne leden be- 
noemde. 

De voornaamste werkzaamheden betroffen financiëele zaken. 
Evenals vroeger de Gedeputeerden der Nadere Unie niet bij machte 
waren, om de provinciën over te halen, de quoten geregeld op te 
brengen, zoo had ook de Baad met dezelfde moeilijkheden te 
kampen, en tot de executie, die volgens de Unie op de nalatige 
provinciën kon worden toegepast, ging hij nooit over ; vooreerst uit 
te angstige bezorgdheid om inbreuk te maken op der gewesten 
onafhankelijkheid, en ten andere omdat die executie toch niet 
uitvoerbaar was. De geldnood was zoo groot, dat zelfs het 
traktement van graaf johan van NASSAU niet kon betaald 
worden; ja, dat, toen men hem /'2500 wilde leenen, in de kas 
niet meer dan ƒ 825 voorhanden was. 

De Baad gevoelde soms behoefte aan een zeker gemeen over- 
leg met de provinciën zelve. Daarom riep hij o. a. in het begin 
van '80 haar op, en den lO'^®'» Febr. bracht hij in die ver- 
gadering ter tafel een plan, waardoor naar zgne overtuiging 



12 

de band der Unie nauwer kon worden toegehaald. De door bem 
met dat doel voorgedragen middelen worden door den schr. uit- 
voerig medegedeeld. Daartoe zou o. a. ook moeten dienen, dat 
zoowel hoogere als lagere ambtenaren de Unie beëedigden, en 
dat die eed zou worden afgelegd door de zoodanigen, op wier 
voortdurende medewerking men niet kon rekenen, met a. w. 
de verdachte personen. 

Yan meer belang is echter een ander onderwerp, dat in die 
bijeenkomst der geünieerde provinciën ter tafel werd gebracht. 
Immers reeds in December '79 had de Prins van Oranje 
een plan van een ge wijzigden regeeringsvorm bij de Staten- 
Generaal, die te Antwerpen vergaderd waren, ingediend. Vol- 
gens dat plan zouden de gewesten een regent, of als pro- 
tector of als vorst kiezen, wien een Eaad, gesplitst in drie af- 
deeüngen, (één te Utrecht, één in Zeeland en één in Brabant) 
zou ter zijde staan. In Holland wilde men liever drie Baden 
hebben, waarvan echter één de suprematie over de andere zou 
uitoefenen; de Prins zou deze Eaden in alle zaken moeten 
kennen. Waarin nu het essentiëele verschil bestond tusschen 
het denkbeeld van den Prins en dat van de Staten van Hol- 
land, weet ik thans niet op te helderen. Ook de schr. gaat er 
vrij onverschillig over heen, en toch zou het niet onbelangrijk 
zijn geweest, daarbij eenige oogenblikken te hebben stilgestaan. 
Hoe H zij, met zulke Kaden, als Holland wilde hebben, had de Prins 
niet veel op, en nu kwam hij met een ander denkbeeld te voor- 
schijn, ui. met eenen Landraad. Dit denkbeeld nu werd aan het 
oordeel der te Utrecht vergaderde geünieerde provinciën onder- 
worpen, en het verwierf algemeen bijval. Men meende, dat die 
Eaad uit 80 personen moest bestaan; dat hij de benoeming 
moest kunnen doen van alle betrekkingen, doch uit voordrach- 
ten van de betrokkene provinciën. Alleen de betrekking van Stad- 
houder zou door de Staten moeten verleend worden. Verder mocht 
de Landraad geene verandering brengen in de munt. Om een 
wettig besluit te nemen moesten er ten minste tien leden, re- 
presenteerende vier gewesten, tegenwoordig zijn. De Staten- 
Generaal zouden, ten einde oog in het zeil te houden, twee- 



13 

malen sjaars bijeenkomen, en zoo dikwijls buitengewoon als de 
Haad hen opriep, doch niet buiten de landpalen. De Landraad 
zou geene vaste residentie hebben, maar zich telkens verplaat- 
sen, waar het gevaar het meeste dreigde '); de helft, of bij 
ongelijk getal de kleinste helft, zou elk half jaar vernieuwd 
worden, //om te schouwen alle presumptiën van infamie, dangier 
van continuatie en diergelyck." Eindelijk zou in het land van 
Overmaze en Schelde altijd eene commissie van 8 of 9 per- 
sonen uit den Landraad zijn. — Ziedaar de eerste grond ge- 
legd voor den Landraad! 

Dit concept werd aan de provinciën gezonden, om er zich 
op te beraden. In het midden van '80 kwam de tweede ver- 
gadering der Bondgenooten terug. Op den SO^^^n j^\[ ^^rd de 
zaak weder besproken, en ofschoon niet alle provinciën gereed 
waren, toch werd besloten, daar er haast bij de zaak en 
eene betere orde hoog noodzakelijk was, om eenen Landraad 
aan te stellen beoosten de MaaSy alzoo meer uitsluitend 
ten behoeve van de geünieerde provinciën, die uit veertien le- 
dcD zou bestaan, en waarin Gelderland door 4, Holland door 3, 
Zeeland, Utrecht en Friesland ieder door 2 en de Ommelanden 
door 1 lid zouden vertegenwoordigd worden. Zijn zetel zou te 
Utrecht zijn, of waar de provinciën wilden. Hij kreeg volko- 
mene bevoegdheid, om op alles te besluiten, de consenten te 
executecren en te beheeren ; maar hij was niet bevoegd den staat 
van het krijgsvolk te veranderen, dan met goedkeuring der provin- 
ciën. Slechts tot een bedrag van ƒ25000 mocht hij opnemen. Be- 
eediging der privilegiën ; de besluiten met meerderheid van stem- 
men te nemen, en gewichtige zaken alleen te behandelen indien de 
grootste helft der leden, die uit drie verschillende provinciën moes- 
ten zijn, tegenwoordig was ; de Staten behielden zich echter het op- 
pertoezicht voor enz. Ziedaar de hoofdinboud vau hune instructie. 
Dit schijnt echter weder niets anders geweest te zijn dan een 



^) Dat had later ook plaats met den Raad der Nadere Unie. In Mei *80 
b. V. bevond hij zich te Deventer, in Juli te Kampen. 



14 

ooncq)!; want wg yinden hierover het gevoelen der gewesten 
medegedeeld. Van slechts twee proyinciën wordt ons het be- 
sluit bekend gemaakt, Holland nl. en Utrecht. Het laatste ge- 
west kon zich er mede vereenigen, mits de leden om het half 
jaar aftraden, en de gewesten beoosten de Maas eerst den ko- 
ning vervallen verklaarden, eene vnje Hepubliek oprichtten, en 
hun eigen hoofd verkozen, Holland was tegen dien nieuwen 
Baad, en wilde liever eene vergadering van gecommitteerden ^n 
de geaniêerden m. a. w. zij waren tevreden met den tegen- 
woordigen Baad der Nadere Unie. Niettegenstaande het ongun- 
stig advies van een der machtigste gewesten, werd toch den 
X5deii Qf^^ besloten tot de oprichting van een vast College, dat z^n 
zetel te Utrecht zou hebben. Dit was echter niet de Landraad, 
waartoe zoo even besloten was. Holland schijnt daarmede vrede te 
hebben gehad, althans het benoemt zijne drie leden voor een half 
jaar. Maar allervreemdst, de Baad der Nadere Unie blijft desniette- 
min in wezen, en zelfs zijn er nog notulen en brieven van hem 
over uit dien tijd. Het nieuw opgericht College schijnt dan ook 
nooit in werking te zijn getreden, althans men hoort er niet 
meer van. //Te bejammeren is het echter,'' zegt de schrgver, 
//dat niet meer bekend is van het plan, van wie het uitging, 
hoe het kwam dat op den zeer sterken tegenstand van Holland 
zoo weinig acht werd gegeven, en waarom de nieuwe Baad 
niets heeft uitgewerkt. Ook is het niet duidelijk, wat men doen 
wilde met het College der Nadere Unie, dat, ingeval de nieuwe 
Landraad in wezen kwam, niet meer bestaan kon; en nergens 
wordt bepaald gezegd, dat men dat wilde afschaffen." 

WQ gaan de laatste handelingen van den Baad der Nadere 
Unie met stilzwijgen voorbij. Alleen willen wij hier nog aan- 
teekenen, dat hij ook toen evenals vroeger met voortdurend 
geldgebrek en onmacht der gewesten, om in'den nood te voor- 
zien, te kampen heeft gehad. Hij ging te gronde wegens on- 
macht, maar het was eene onmacht, waarvan de schuld niet bij 
hem lag, maar die aan de chaotische wanorde, die toen alge- 
meen heerschte, moet geweten worden. De Baad zelf, of liever 
de leden, hebben bewijzen gegeven van energie, //maar het wa- 



15 

ren dan ook de uitstekendste mannen Tan Nederland, erraren 
in krijgs- en staatszaken en bezield met dien fieren geest, die 
zoolang onze regenten kenmerkte. — Hunne regeering heeft 
niet veel anders kunnen doen, dan te bewaren wat nog te red- 
den viel. Zonder hen waren Friesland en Overijssel hoogst- 
waarschijnlijk verloren gegaan, wat het geheele bestaan van 
Nederland in de waagschaal had kunnen stellen. — Alleen 
daarom reeds is het van gewicht deze regeering, die tot nu 
toe bijna geheel vergeten was, weder eenigszins in het licht 
te plaatsen, want ook zij heeft hare verdiensten gehad in den 
grooten strijd, die de vrijheid van Nederland grondvestte.'* 



//De Landraad is ontstaan uit de faulte van executie van 
den Eaad der Nadere Unie," merkte reeds slingeland aan, 
Zou de Landraad met meer kracht dan het College van de 
Nadere Unie te werk kunnen gaan? Laten wij aan de hand 
van den schrijver de handelingen van dit nieuwe lichaam kor- 
telijk nagaan. 

//Terwijl het College van de Nadere Unie voortgekomen was 
uit eene separatistische beweging van het Noorden, was het 
daarentegen de reactie, die op deze beweging volgde, die den 
Landraad in het leven riep." De schr. bedoelt met deze vrij 
duistere woorden het volgende: de Unie van Utrecht droeg het 
duidelijke kenmerk van afscheiding van de Zuidelijke provinciën. 
Van lieverlede openbaarde zich echter eene neiging, om den 
band verder uit te strekken, en daarin ook te bevatten die 
Zuidelijke gewesten, die niet onder het juk der Spaansche 
overheersching zuchtten. Was dus de Baad der Nadere Unie 
meer het uitvloeisel van de zucht van het Noorden, om geene 
gemeene zaak te maken met de Zuidelijke provinciën, de op- 
richting van den Landraad was het bewijs, dat de meer liberale 
richting de overhand had bekomen. Den nieuwen Baad noemde 
men nu Landraad, //waarschijnlijk om den naam van Baad 
van State, die aan de Spaansche heerschappij herinnerde, te 
vermijden .... in het Fransch heette hij Conseil d'Etat." Zijne 



16 

instroctie werd den IS^*^ Januari '81 vastgesteld. Hij soa be- 
staan uit 31 personen, die allen inboorlingen zouden moeten 
zyn. Brabant, Gelderland en Holland werden ieder door 4, 
Vlaanderen door 5, Doornik en het Doomiksche, Mechelen, 
Overijssel, Friesland en de Ommelanden ieder door 2, Utrecht 
en Zeeland ieder door 3 leden vertegenwoordigd. Zyne bevoegd- 
heid wordt door den schrijver op blz. 150 omschreven. Hg 
zou met het dagelijksch beleid der zaken belast worden, en 
daaronder was begrepen het innen der consenten en het betalen 
der oorlogsuitgaven; hij mocht zooveel krijgsvolk aannemen 
als hij wilde, mits niet meer dan ƒ100,000 boven het bedrag 
der consenten; maar hij had geene bevoegdheid, om nieuwe 
imposten te heöen, of verdragen te sluiten zonder overleg 
met de Staten -Generaal. Evenzoo behielden de provinciën aan 
zich de goedkeuring op de benoeming der Stadhouders; alle 
zaken moesten bij meerderheid van stemmen beslist worden; 
geene zaken van gewicht mochten er behandeld worden dan in 
tegenwoordigheid van 10 leden, waarvan 7 van verschillende 
provinciën moesten zijn; dat getal van 10 leden en 7 provinciën 
werd tot 7 leden en 5 provinciën teruggebracht voor zaken van min- 
der belang; de Staten-Generaal zouden tweemalen per jaar bij- 
eenkomen ter plaatse, waar de Landraad zitting had^ terwijl zij 
zich voorbehielden, om meer malen bijeen te komen, wanneer zij 
dat dienstig oordeelden; ook kon de Baad hen buitengewoon 
oproepen; de zetel van den Baad zou gevestigd zijn, waar de 
overheid zulks aanwees; eene commissie van 8 a 10 leden zou 
aan de andere zijde van de Maas zitting houden ; de benoeming 
eindelijk geschiedde voorloopig voor een half jaar '). 

Die Commissie uit den Landraad, was de Landraad beoosten de 
Maas. Ofschoon in nauw verband met den eigenleken Landraad, 
zou deze afdeeling toch een zeker onafhankelijk karakter be- 
zitten: zoo zou zij ook tot een bedrag van ƒ25000 kunnen 
opnemen in geval van nood. Voor haar werd voorgeschreven, 



') Ik heb slechts het voornaamste ait die instractie aangestipt. 



17 

cEat zij geene beslissingen kon nemen, dan in tegenwoordigheid 
y'aa 5 leden, waarvan drie ten minste uit verschillende provin- 
ciën moesten z^n ^). Weldra ontstonden voor haar moeü^khe- 
den, ofschoon H niet duidelijk is, wat de schr. eigenlek bedoelt 
(pag. 152). //Gelderland, Utrecht en Overijssel wilden, dat zij 
van de hooge overheid alleen zou aihangen, wat Brabant en 
Vlaanderen niet goedvonden, hoewel zij toch den Baad voor 
goed wilden oprichten. Holland was hier tegen uit vrees dat 
«r scheuring zou komen." Waar tegen P Tegen het gevoelen 
van de beide laatste provinciën? Ik geloof, dat dit de mee- 
ning is 'van den schr. Ik zou echter wel gewenscht hebben, dat 
hij zich hier duidelijker had uitgedrukt. Hoe H zij, de beëedi- 
ging der leden had den 10^®° Juni plaats. De Landraad be- 
oosten de Maas (d. i. de (Üommissie uit den Landraad, die aan 
deze zijde van de Maas zitting moest houden) kwam reeds den 
27iteii Juli te 'g Hage bijjeen. Hij nam dadelijk al de ambtena- 
ren van den Baad der Nadere Unie in dienst, terwijl ook ver- 
scheidene leden van dien Baad nu zitting bekwamen in den 
nieuwen Landraad. Tot voorzitter werd hessels uit Gelder* 
land benoemd voor den tijd van veertien dagen; na hem werd 
YALCK uit Zeeland president. Als secretarissen worden strigk 
en VAN ZUYLEN benoemd. Over de zeemacht, die toen reeds 
provinciaal was, en het meest uit HoUandschen Zeeuwsche sche- 
pen bestond, en waarover de Prins als Admiraal-Generaal het 
bestuur uitoefende, had de Landraad geen gezag. 

Beeds dadelijk had de Landraad met den algemeenen geldnood 
te kampen. //Het begin beloofde al even weinig, als dat van 
het college der Nadere Unie. Beiden hadden met dezelfde ram- 
pen te strijden; beiden verkeerden evenzeer in geldgebrek en 
konden even weinig de provinciën executeeren. De volkomen 
macht en autoriteit, die men den Baad in naam had gegeven, 
werd bij het bestaande regeeringsstelsel van zelve van nul en 
geener waarde. Het eenige, wat de Landraad vóór had, was dat 
hij niet zoo licht kon veranderd worden, dat hij een blijvend 



^) i)e instractie wordt door den schr. ouder bijlage D in extenso medegedeeld 
Boekbetchouwiny. 2 



18 

bestaan had, en ook over de provinciën, die niet in de Unie 
waren, gezag kon voeren. Maar bij den onwil of (de) onmacht 
der provinciën, om het benoodigde geld op te brengen, werd 
ook dit voorrecht weldra van weinig gewicht." 

De Landraad bewesten de Maas hield zijne eerste vergade- 
ring te Gend den lé^en Aug. ; de Prins was er voorzitter van^ 
Behalve Holland en Zeeland had geen der Noordelijke provinciën 
daar zitting. Secretarissen waren jacques houfflin en later 
NICAISE DE SILLE, die den titel voerde van secrétaire d^Etat. 

De schr. houdt zich nu voortaan meer uitsluitend bezig met 
den Landraad beoosten de Maas, omdat deze meer rechtstreeks 
met de Noordelijke gewesten in betrekking staat. Dit college 
had geen vasten zetel, en was nu eens te 's Hage, dan te Am- 
sterdam, dan weder te Leeuwarden, enz. Zijne bemoeiingen 
betroffen ook in 't algemeen meer de geldelijke belangen en 
het bestuur van den oorlog, vooral ten behoeve van den krijg 
die in Groninger land tegen den talent vollen verdüGO werd 
gevoerd. Desniettemin behartigde hij ook handelsbelangen; dit 
blijkt o: a. uit een verzoek, dat hij tot den Koning van Dene- 
marken richtte, om de tollen in de Sond te verminderen ten 
behoeve van de Nederlandsche schepen. 

Intusschen namen de moeilijkheden, waarmede de Baad te 
kampen had, gaanderweg toe. Niet alleen wist hij niet hoe aan geld 
en soldaten te komen, maar hij had ook te strijden met den 
afkeer der Friesche steden, om krijgsvolk in te nemen, en op het 
platteland viel het landvolk de soldaten en ruiters aan, en be- 
roofde hen van paarden, wapenen en bagage. Bovendien pleeg- 
den de hoplieden allerlei bedrog. Het leger was nooit voltallig 
dan op het papier; bij de monstering werd allerlei gespuis in 
de gelederen ingestoken, dat na de monstering weder verdween ; 
het geld echter kwam in de beurs der hoplieden terecht. De 
provinciën waren altijd ten achter met hare quoten, zoodat 
het onbegrijpelijk is, hoe de zaken nog gingen. Tegen Zeeland 
werd • werkelijk de last tot executie uitgevaardigd ; ADRIAAN 
SCHAYCK werd tot executeur benoemd, en de secretaris van zuy- 
LEN sommeerde de Staten. — Wat verder van die zaak geko- 



19 

men is, weet men niet. //Dat de Landraad voortdurend in 
geldverlegenheid bleef, dat hij zelfs schulden maakte, blijkt uit 

elke bladzijde der resolutiën Behalve met de uit den 

oorlog ontstane gevaren, had de Baad nog met vele andere 
zwarigheden te kampen. Gedurig moest hij onwillige steden 
aanmanen, hare garnizoenen te betalen ; hoplieden bevelen, goede 
discipline te houden; twisten tusschen stedelijke overheden en 
militaire bevelhebbers bijleggen, om niet te spreken van de me- 
nigte geschillen, die over de convooien rezen. Over gebrek aan 
werk kon dus de Eaad niet klagen; maar dat die werzaamheid 
zoo onbekend is gebleven, is een genoegzaam bewijs, hoe mach- 
teloos zij geweest is." 

Zoo konden de zaken niet langer blijven. De Landraad be- 
westen de Maas deed in de vergadering der Staten -Generaal in 
Dec. 1581 het voorstel, om in de afdeeling beoosten de Maas 
alleen leden op te nemen uit de provinciën, waarover zy te 
zeggen had. Den 1^*®" Febr. '82 nam hij zijn ontslag : maar hij 
werd dringend verzocht, aan te blijven. In Maart verscheen hij 
tweemalen en corps in de vergadering der St.-Gener. De eerste 
maal beklaagde hij zich over de vele moeilijkheden, waarmede 
hij te strijden had; de tweede maal deed hij bij monde van 
ANJOTJ een drietal voorstellen, nl. eene betere orde in de finan- 
ciën, de instelling van eenen Baad van State en het maken 
van een accoord, ter afrekening met het oude leger, om daarop 
een nieuw verdrag te maken, met een verbeterd stelsel van beta- 
len. — Vooreerst kwam van dat alles niets. 

Intusschen naderde die Landraad (wij spreken nog altijd over 
dien bewesten de Maas) zijn einde. Wij weten daarvan niets. 
Alleen herinnert de schr. ons aan een zeggen van St. alde- 
GONDE in zijn verdedigingsschrift over zijn te Antwerpen ge- 
houden gedrag. // Comme en Tan 1683, après Tentreprise faillie 
de feu Monsieur frère du Boy en ladicte vilie, Ie conseil d'Estat 
fut rompu et licentie par Tassembleé des Estats Généraux des 
Provinces Unies" ^). Intusschen blijkt het uit eene resolutie 



1) Bk. 197. 



20 

van de Staten van XJirecht, dat hij niet op bevel der St.-Ge- 
neraal heeft moeten ophouden, zooals de woorden van St. 
ALDE60NDE doen denken, maar dat h^ zelf zijn bestuur heefl 
nedergelegd. 

De Landraad beoosten de Maas bleef, ofschoon hij slechts 
eene afdeeling was van den ander, nog langer in wezen. In het 
begin van Maart *83 waren de nader geünieerde gewesten te 
Utrecht b^eengekomen. Immers, ten' gevolge van den mislukten 
aanslag van ANJOU op Antwerpen, heerschte de grootste wan- 
orde en onzekerheid. De Landraad bewesten de Maas had z^n 
ontslag genomen, //waardoor eigenlijk ook die van beoosten 
Maze geen wettig bestaan meer had/' Het was dus van belang, 
om daarin te voorzien; bovendien eischten de treurige omstan- 
digheden, dat de gewesten zich nauwer aan elkander sloten. 
Daarom werd ook die zaak op de bovengenoemde Vergadering 
aan de orde gesteld. 

Deze bijeenkomst is om meer dan ééue reden van belang: 
vooreerst wegens het praesidium, ten andere wegens de voor- 
stellen van den Baad, en eindelijk wegens onderhandelingen met 
Duitschland. Immers het is bekend, dat bij de Staten-Generaal 
de gewoonte heerschte, dat iedere provincie a tour de role het 
voorzitterschap waarnam. Op deze Vergadering beraadslaagde 
men er over, om eenen vasten voorzitter te benoemen; maar 
Holland verzette er zich tegen, ofschoon GANT de aangewezen 
persoon was voor het voorzitterschap; dit gewest echter vreesde 
daaruit den naijver der andere gewesten. Men besloot dus, dat 
iedere provincie op hare beurt gedurende drie dagen zou pre- 
sideeren. Ook met betrekking tot de wijze van stemmen werd 
besloten, dat zij provinciegewijze zou plaats vinden. 

Den 27**®° April bracht de Baad zijne voorstellen ter tafel. 
De vijf punten, die in den beschrijvingsbrief waren uitgedrukt ^), 



^) Die 5 punten betroffen: 

1^. het versterken der onderlinge ver bind tenis; 

2*^. het voorzien in de wanorde in de regeering euz.; 

3®. het bewaren der grensplaatsen. 



21 

werden nu in 32 artikefen ontwikkeld. De Baad eindigde E^ne 
rede met te verklaren, //dat, als er geen orde op deze dingen 
werd gesteld, de Landraad de Kamer zou sluiten, en naar huis 
gaan, evenals dat de andere Landraad had gedaan.'^ 

Het ontbrak den Landraad vooral aan gezag, maar zijn ver- 
zoek om hem daarin te hulp te komen, d. i. hem een grooter 
gezag te geven, vond weinig weerklank. Men vond dat hij al 
gezag genoeg had. Bittere ironie ! alsof de Raad ooit de macht 
had gehad om zelfstandig te handelen! 

Mijn verslag wordt te uitgebreid; ik moet mij dus onthou- 
den van het behandelde in die Vergadering mede te deelen ^). 
Alleen teeken ik bierbij aan, dat het in deze Vergadering is 
geweest, dat sommige gewesten de wijziging van art. 13 der 
Unie, waarover ik boven (blz. 8) heb gesproken, hebben voor- 
gesteld. 

£k kom terug op den Landraad, die nu ook al op z^n einde 
liep. Zijne laatste werkzaamheden betroffen het krijgs wezen ; maar 
al meer en meer nam zijn aanzien af, zoo zelfs dat de Rid- 
derschap van het Nijmeegsche kwartier, bij gelegenheid dat de 
Raad een bevel van executie had uitgevaardigd op dat kwartier, 

verklaarde, dat hij daartoe geene bevoegdheid had // alsoo 

dat de regieringe der Landtraed overlange gecesseert heeft en 
de camere gesloten is". Was het vreemd dat roorda, een der 
ijverigste leden van den Landraad, bitter werd, en uitriep : //Men 
heeft den Landraed dit leste jaer zoo getracteerd, regt ofte aan 
den ondergang van dezelve de welvaert van den Lande was 
hangende"; en later, toen hij vernam wat in de St.-Gener. plaats 
vond met betrekking tot het oprichten van eenen Raad van 
State : // Maer eer dit reces (n.1. van de bovengenoemde vergade- 
ring der bondgenooten) afgesponnen was, is die cat in 't gaarn ge- 



4^. het oprichten van een vliegend veldleger; 

5®. het maken van een staat der middelen van contributie en het rage- 
len der executie. 

') Wij hadden het wel zoo dienstig geacht, indien de schr. dit recei, 
xooals het bij van hell of in het prov. arch. v. Utrecht voorkomt, in 
ziJQ geheel had afjgedrokt. Het retomé is wat kort en oppervkückig. 



22 

worpen, ende deese vergadering van Uytrecht tot Dordregt, 
van Dordregt tot Middelburg, van Middelburg weder tot Dor- 
regt, van Dordregt in den Hage ende van den Hage tot Delff 
over en weder gejaegt, tot wat einde mogen de geleerden weeten, 
behalve dat men middeler tijd een nieuwe regeerlnge heeft be- 
ginnen te smeeden op den naam van alle geünieerde provinciën, 
maer daernaer op den naem van drie provinciën willen eindigen, 
ende voort onderstaen, den Landraed die kleine resteerende 
middelen met'er tijd te onttrekken." ^) — Om die klacht van 
ROORDA beter te begrijpen, moeten wij even nog zien wat in 
de Staten- Generaal te Antwerpen plaats vond. In de Staten- Ge- 
neraal — niet te verwarren met de bijeenkomst der geünieerde 
provinciën — was men bezig met het ontwerpen van een 
anderen Eaad, die met den Prins aan het hoofd zich met de 
leiding der zaken zou kunnen belasten, en waardoor meer cen- 
tralisatie mogelijk zou worden. Die Eaad van State zou den 
Landraad bewesten de Maas en tevens dien van de andere zijde 
van dien stroom vervangen. Hij zou een Eaad zijn van al 
de gewesten, onverschillig of deze al dan niet tot de Unie be- 
hoorden. Den Uden Sept. '83 werd zijne instructie vastgesteld, 
maar hij kwam niet in werking. Holland, Zeeland en Utrecht waren 
inmiddels gereed met de zaak, die zij lang in het geheim be- 
handelden, nl. de opdracht van de grafelijke waardigheid aan 
den Prins. Hem ter zijde zou ook een Eaad van State staan, 
en de eerste zou nu noodeloos zijn, al had deze eene meer 
algemeene strekking, gene een meer gewestelijk karakter — 
zij 't dan ook slechts van drie gewesten. Eeeds den 7^®° Januari 
'84 was de instructie van den laatsten gereed, maar de kort daarop 
gevolgde dood van den Prins deed hem weder in duigen vallen. 
Nu kreeg de Eaad van State met Prins M AU RITS aan het 
hoofd meer het aanzien van een regeeringsraad, wiens instruc- 
tie den 18de» ^ug. '84} vastgesteld werd. 

Hierbij eindigt de schr. zijn arbeid. Heb ik nu en dan 
eenige aanmerkingen mij daarop veroorloofd, het geschiedde uit 



t) Blz 239. 



23 

belangstelling in den schr. en in zijn werk. Van harte hoop 
ik, dat het Nederl. publiek nog menige monographie van deze 
80ort uit zijne hand mag ontvangen. 

L. ED. L. 
Zntphen, 15 Augustos 1868. 



Beschrijving van Arnhem^ door Mr. j. w. STAATS EVBRS. 
Arnh, J. A. NUHOFF en Zoon, 1868. 

Kroniek van Arnhem van 1789 tot 1868, uit officiëele 
bescheiden bijeenverzameld door denz. Amh, bij NU- 
HOFF, 1868. 

De meeste steden onzes vaderlands bezitten ééne of ook wel 
meerdere beschrijvingen, veelal uit de vorige eeuw. Onder die, 
welke zoodanig werk misten, behoort Arnhem, eene oude 
hoofd- en hofstad, wier geschiedenis alleszins verdiende bekend 
te worden. Wel had de bekende G. VAN HASSELT reeds vroeger 
een zoogenaamde kroniek dier stad geleverd, maar zijn werki 
als bron kostbaar, was in den vorm zeer ongelukkig: het waren 
niet anders dan excerpten uit archieven, chronologisch gerang- 
schikt, en wat nijhoff later van dien aard gegeven had, was 
meer voor den bezoeker der stad en hare schoonheden dan voor 
den onderzoeker der oudheid bestemd. 

Aan dit gebrek, of moet ik zeggen deze leemte, d. i. lam- 
migheid, heeft de heer staats evers een einde willen maken, 
en dit was de aanleiding tot het schrijven van beide boven- 
vermelde werkjens. In het laatste levert hij een vervolg op de 
kroniek van G. van Hasselt, die tot 1789 ging, maar in 
hedendaagschen vorm; in het eerste treedt hij als zelfstandig 
stedebeschrijver op. 

De kroniek teekent alles aan, wat voor de ingezetenen eenig 
belang kan hebben, al schijnt het vreemdelingen onbeduidend, 
b. V. de verbouwing eener kerk, den aanleg eener sluis en der- 
gelijke zaken, maar niemand zal dit afkeuren, die weet hoe 



24 

moeilijk het dikwijls valt dergelijke bijzonderheden op te sporen, 
die toch voor inwoners, ja zelfs voor het bestuur dikwijls noodig 
zijn te weten. Een klein boekje, waarin dit alles staat aange- 
teekend, is daartoe een welkom hulpmiddel. 

Anders evenwel en hooger is het standpunt van den stede- 
beschrijver, vooral waar hij voor eene belangrijke plaats op- 
treedt. Daar moet hij het onbeduidende ter zijde laten, maar 
de geschiedenis zijner stad met die van het land in betrekking 
brengen en de rol schetsen, die zij in de gebeurtenissen des 
tijds vervuld heeft. Zien wij nu hoe onze schrijver zijne taak 
opvat. 

In de twee eerste hoofdstukken wordt een zeer vluchtig over- 
zicht gegeven van de geschiedenis der stad tot op het jaar 1702, 
waarna gezegd . wordt : // over de verdere geschiedenis der stad 
zie men mijne kroniek met bijlagen,'' t. w. uitreksels uit de 
Nederlandsche jaarboeken. Het derde hoofdstuk behandelt de 
plaatselijke gesteldheid der stad en eenige voorname gebouwen, 
het vierde de regeering, het vijfde de beroemde Amhemers; 
in het zesde worden de kerken, in het zevende de oude kloosters 
beschouwd; het achtste hoofdstuk handelt over de gestichten 
van liefdadigheid, het negende over de openbare en bijzondere in- 
richtingen, in het tiende wordt een blik geslagen op de archie- 
ven de bibliotheek en het museum van oudheden, waarna eene 
lijst van geschriften over Arnhem het werk besluit. 

Ik geloof niet, dat de schrijver bedoeld heeft iets meer te 
leveren dan eene oppervlakkige schets, die men met genoegen 
bij een kopje thee eens luchtig doorbladert, om ze verder te 
vergeten, en ik wensch van harte, dat zijn boekje zoodoende 
veel gekocht en spoedig uitverkocht moge zijn, om hem aan 
te moedigen het nog eens geheel om te werken en er een de- 
gelijk geschrift van te maken, dat wetenschappelijke waarde 
heeft. Voor hem die het provinciale en het stedelijke archief kan 
raadplegen en daarenboven de Arnhemsche bibliotheek ter zijner 
hulp heeft, is zoodanig werk bij genoegzamen ijver en kritiek 
gemakkelijker dan voor een ander. 

In die hoop wil ik my eenige aanmerkingen veroorloven. In 



25 

de eerste plaats betreur ik het, dat de schrijver slechts een ge- 
deelte van de geschiedenis der stad geeft en voor het overige 
naar zijne kroniek verwijst ; waarom niet, alles wat bijeen behoort, 
in hetzelfde werk opgenomen, in plaats van het in twee of 
meer verschillende geschriften te verspreiden? 

Ten andere zal dan de schrgver trachten meer op de hoogte 
der tegenwoordige wetenschap te komen. Hij spreekt nog van 
de oude voogden van Gelre en van de graven van Gelre uit 
het huis van Nassau, alsof alles, wat VAN SPAEN daaromtrent 
geschreven heeft en hetgeen ook door latere navorschingen 
bevestigd wordt, hem geheel onbekend was gebleven. Hij zwijgt 
van de oudste melding der stad in het Prümsche register van 
893, dat hij in BEIJERS Urkundenhuch vinden kan. Hij deelt 
nog de geheel verouderde beschouwing van nijho^f, (die echter 
later, zoo ik nMn, daarvan teruggekomea was) alsof voor het 
handvest van 1233 de plaats slechts een dorp geweest was, 
waar een adellijke dwingeland willekeurig over enkel lijfeigenen 
heerschte. Zulke dingen behooren in onzen tijd niet meer ge- 
schreven te worden. 

Gaarne had ik ook omtrent den aanvang der Kerkhervorming, 
omtrent de beroerten der oude en nieuwe plooi, de omwenteling 
van 1795 en de verovering der stad door de Pruisen meerdere 
bijzonderheden vernomen, maar hiervoor wordt men alweder 
naar andere werken verwezen. 

Nopens de regeering der stad in vroegere tijden zou men 
mede gaarne meer détails vinden, en waren er regeeringslijsten 
bijgevoegd, zooals in de meeste Hollandsche stedebeschrijvingen 
en ook in die van Nijmegen en Zutphen gevonden worden, 
men zou er den schrijver dankbaar voor geweest zyn. 

Met de beschrijving der kerken, gestichten en merkwaardige 
gebouwen houdt de schr. zich uitvoeriger bezig, en levert ons 
verscheidene min bekende bijzonderheden ; vooral de veranderin- 
gen van lateren tijd schijnen met zorg aangeteekend te zyn. 

De geëerde schrigver houde het mij ten goede, dat ik onbe- 
wimpeld mgne aanmerkingen op zijn werk heb uitgesproken. 
Ik weet, het is thans de tijd van tijd- en vlugschriften, van 



26 

korte, meest oppervlakkige bijdragen, overal verspreid; wetenschap- 
pelijke werken, vooral wanneer zij van eenigen omvang zijn, 
vinden slechts een gering publiek en moeilijk eenen uitgever, 
maar des te verdienstelijker is het, aan die algemeene flauw- 
hartigheid en oppervlakkigheid niet toe te geven en degelijke 
werken tot stand te brengen, die nog in eere zullen zijn, wan- 
neer de duizend en eene oppervlakkige bijdragen lang vergeten 
en verscheurd zijn. 

Tot zoodanig werk over Arnhem is de schrijver door zijne 
maatschappelijke betrekking en door zijne voorstudiën boven 
anderen geschikt, en eene stad als Arnhem verdient de moeite» 
daaraan te besteden. Van harte wensch ik dus, dat het tot 
hiertoe door hem uitgegevene slechts tot voorlooper eener gron- 
dige beschrijving van Gelderlands hoofdstad moge strekken. 

L. ph. c. b. 



A. CRUSIUS, der Winterfeldzug in Holland^ Brabant 
und Flandern, eine episode atis dem Befreiungskriege 
1813 und 1814, nach den besten Quellen zusammen- 
gestelt und bearbeitet, und mit 8 Karten und Pldnen 
versehen. Luxemburg^ B. BüCK, 1865. 

De schrijver^ majoor in het Kon. Pruisische artillerie-korps, 
bemerkende dat over deze episode van den grooten bevrijdings- 
oorlog nog geene samenhangende voorstelling bestond, hoe be- 
langrijk die gebeurtenis ook voor de algemeene ' zaak moest 
geacht worden, besloot zelf de hand aan het werk te slaan en 
naar de beste bronnen en schriftelijke of mondelinge mede- 
deelingen van ooggetuigen een gedetailleerd verhaal der ope- 
ratiên van het Pruisische armee-korps van BüLOW in de Ne- 
derlanden te leveren. 

Deze bronnen, wier opgaaf voorafgaat, zijn grootendeels van 
Pnisischen oorsprong; van de Fransche zijde is slechts zeer 



27 

weinig, van de Nederlandsche zijde alleen van kampen ge- 
raadpleegd, zoodat dan ook voor de geschiedenis van onzen 
opstand (indien men dien zoo noemen mag) niets nieuws ge- 
leverd wordt, en dat zelfs niet altijd nauwkeurig ; voor de ope- 
ratiên der Pruisen vindt men hier belangrijke berichten, veel 
vollediger dan bij de Nederlandsche schrijvers. 

Het eerste gewichtige wapenfeit van BüLOw's legerkorps 
was de bestorming en verovering van Arnhem op 30 Novem- 
ber 1813; hiervan wordt dan ook een duidelijk en in bijzon- 
derheden tredend verslag gegeven, waarbij men verneemt wat 
elke kolonne en soms kleinere afdeelingen tot de overwinning 
hebben bijgedragen. Daarop volgen de bezetting van Utrecht, 
de overtocht over de Lek en de Waal, de ondernemingen tegen 
's Hertogenbosch, de overrompeling van het fort St. Andries 
en vervolgens de aanslagen tegen Antwerpen en de veldtocht 
in België; het beleg van Gorinchem daarentegen wordt hier 
slechts terloops besproken, misschien omdat de generaal bü- 
LOW, die des schrijvers held is, daarin niet onmiddellijk betrok- 
ken was, en zoo worden dan ook de bewegingen der Russische 
troepen slechts met een vluchtigen zijblik verwaardigd, om de 
aandacht niet van zijnen held af te trekken. 

Deze eenzijdige beschouwing brengt te weeg, dat de schr. 
minder aandacht geschonken heeft aan hetgeen niet onmiddel- 
lijk met de verheerlijking van BiiLOW samenhangt, en zelfs 
meer dan eens in grove onnauwkeurigheden vervalt, b. v. waar 
hij bij de opgaaf der Fransche garnizoenen in Nederland bou- 
vier DES ECLATS als bevelhebber der troepen te Amsterdam 
vermeldt en voor het garnizoen te 's Hage slechts een reserve- 
compagnie van 102 man stelt, en nog erger, waar hij op 
bladz. 47^'de verovering van Deventer door de Kozakken, en dat 
zonder verdediging, bericht, een misgreep, dien de schrijver even- 
wel in zijne nalezingen herstelt. 

Men kan dus dit werk niet als een volledig tafereel van de 
operatiën der geallieerde, zelfs niet der Pruisische troepen in 
Nederland beschouwen, en bovendien is het, als bijna geheel 
uit Pruisische berichten geput, misschien hier en daar uit op- 



L-iwi- • 



• _ 



^'^^ 



%'% 









- f